ocr page 1

131

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

\ •

ocr page 5

Aan Ds. A. VEEINHUYSEIM,

c^lt;?il;an-t -tij sle3. metv. écmccntctc 9cc?cz.-f;ot^3cit o8etlt;

,7 4 /

---lt;2--

DE PAUS

fi. JLrmann J,

UTKECHT. — G. BRUGGEMAN. _ 1897.

ocr page 6

I

ocr page 7

DE PAUS

ocr page 8
ocr page 9

i N H O U D

Eerste gedeelte,

Bladz.

Een woordje vooral. 11 § 1. Hoe luidt de vraag en in wolke verhouding staat

zij tot het pauselijk primaatschap? 17

§ 2. Is de vraag van zeer groot belang ? 18 § 3. Is het mogelijk dat Christus voor alle tijden een

zichtbaar hoofd over zijne Kerk heeft aangesteld r 24

§ 4. Waar zijn de teksten om de vraag te beantwoorden r 27

§ 5. Hoe luiden die teksten ? 31 § 6. Hoe worden die teksten door Ds. A. Veenhuysen

en mij verklaard!1 33

§ 7. Wie van ons beiden heeft gelijk? 49

§ 8. Wat moeten wij nu doen? 52

§ 9. Zullen wij de nog levende Christenen raadplegen ? -55 § 10. Zullen wij het uit de schriften van reeds «ontslapen

leeraars of vromen nasporenquot; ?

§ 11. Zullen wij leeraars uit de 16e eeuw ondervragen ? ö8

§ 12. Zullen wij bekeerlingen uit de 16e eeuw ondervragen ? 90

§ 13. Zullen wij bekeerlingen uit de 17e eeuw ondervragen ? 100

ocr page 10
ocr page 11

Boeken, éie geraadpleegd zp.

Dr. A. KrvpER. Tracfaaf over de Beformatie der Kerken.

Dr, Rkjhakd Rothe von Fried. Nippold. Ein chrisflicJies Leheiisbüd anf G-ruiid der Briefe Rothe's. 2 B. Wittenberg 1873.

üs. Joh. van der Kemp. Nedenlmtsche rerMaving wer den Heidel-bè^gsehen Catechismus af drie en vijftig predikatiën over den Heidelh. Catech. 10de druk 173quot;.

Ypeï. Geschiedenis der Ned. Here. Kerk.

Groen van Prinsterer. Handhoek der geschiedenis va it het Vaderland 1852.

Dr, Christiaan Sepp. Bihlioth. van Neder!. Kerkgesehiedschrijvers. Leiden E. J. Brili. 1886.

D. Palmieri S. J. De Romano Pontifice.

Georg Gotthiek E-\ ers. Katholisch oder Protestantisch ?

W. a Brakel. Redelijke Godsdienst.

Ds. G. F. Ge/.elle Meerberg. De m-glistigheid ran het meuschelijk har t

Geschiedenis der Christel. Kerk. Met een voorwoord van J. H. Donker, 2de druk 1885.

Prof. J. H. Gunning. Toespraak over de eenheid der Kerk.

Erseh und Gruber: A llgemeine Encyklupadie.

Dr. Her/.og. Real-IJnci/klopadie für protestantisclw Theologie und Kirche.

Döllinger. Die Befdrmatiov. 2te Auü. Arnhem Josué Witz 1853.

Ds. L. Schouten H/.n. quot;Dr. Bmnsveld in toornquot;. Nalezing op het Gereformeerd Weekblad voor Oud en Jong 1896.

ocr page 12
ocr page 13

quot;Eenheid van geloof is onafscheidelijk van het ivezeu eener Kerkquot;. (Groen van Prinsterer blz. 67.)

■/Jezus Christus heeft in zijn Kerk een levend, wettig en bovendien voortdurend leeraarsambt ingesteld, dat Hij met zgn eigen gezag heeft bekleed.quot;

•/Evenals do Kerk, om één te kunnen zijn, voor zooveel zij is de vereeniging aller geloovigen, de eenheid vordert des Geloofs, heeft zij van Godswege de eenheid van Bestuur ■nonclig, welke voortbrengt en in zich bevat de eenheid van gemeenschap.quot; (Leo XIII, EncycL over de eenheid dei- Kerk)

quot;Eene waarheid, die de meeste Protestanten uit de Encycliek van Leo XIII niet zullen aannemen, maar die wij ons met dankbaarheid hooren herinneren, is: dat de Kerk een zichtbaar middelpunt noodig heeft.quot; (Prof. J. H. Gunning).

;/Al waren er legioenen predikanten saam, deze hebben, los bijeengevoegd, buiten kerkelijk verband, noch eenige macht noch eenige de minste bevoegdheid, om een ordening te verleenen, die zich alleen uit het verband der kerken laat afleiden.quot; (Dr. A. Kuyper blz. 81).

Gold dat ook ten tijde van Luther en Oalvijn ?

«Wat de Reformatie door verbreking van de bestaande organisatie betreft,quot; d. w. z. van de Eoorasch-Katholieke Kerk, vgelijk Luther en Oalvijn ze doordreven, ook daarvan geldt onvoorwaardelijk, dat ze óf diep zondig was, of gewekt werd door God.quot; (Dr. A. Kuyper blz. 120).

.■'Hoe toch zou er een inrichting, instituut of vergadering denkbaar zijn, zonder dat er in haar sfeer macht bestond om het gebod te geven, en de plicht, om aan dat gebod gehoorzaam te zijn. Ben inrichting welke ook, zonder oorspronkelijk of verleend of opgedragen gezag ware een muur zonder cement gelijk, een bintlaag in de muur gelegd zonder ankers.quot; (Dr. A. Kuyper blz. 13.)

quot;God is één en Christus is één en de leerstoel is één, door quot;t woord des Heeren op Petrus gesticht.quot; (Cyprianus, bisschop van Carthago, gestorven in 258).

i/In het begrip eener Kerk ligt allernoodzakelgkst opgesloten, dat zij eene inrichting, eene instelling zij ter bewaring en instandhouding niet alleen, maar ook ter ontwikkeling en

voltooiing der dogma's, der leerstukken.....quot; Dr. Richard

Rot he blz. 139).

ocr page 14
ocr page 15

Aan Meilurlands Protestanten.

Het „Huis op de Steenrotsquot;

DOOK

H. -fÏRMANN,

Leeraar aan 't Gymnasium te KatwijTx ajcl Rijn,

A JISTE R 11 AH.

O. L. van Langenhuvsen, 1895.

Aan INederlands KathoUelieii.

Geen Steenrots

maar Zandgrond

DOOK fc. Veenhuysen, Predikant bij de Ned. Herv. Gem. teNederhcstden Berg,

naar aunleitlini: van rHct,,rHuu op de jSteenrotsquot; door H. ERMANN,

i.eeraar aan 'tdymn. te Katwijk a/i! Kün.

A M s T K K D A M. G. D. Bioi H.G/.N. . Firma .1 II KKMMKR. ïi»6.


Een woordje vooraf,

Einde Augustus 1891) ontving ik onder kruisband, waarop v. d. S. stond, bovenstaande brochure van Ds. A. Yeenliuysen, waarin deze mijn geschriftje van 1895 beantwoordde. Dat antwoord komt hierop neer: «De zaak van het Paus d o m berust o p e e n e v e r-Q'issinsrquot;,. . . niet sinds yisteren.

ocr page 16

XII

De brocliure van Ds. A. V. dood zwijgen, ging niet aan. Mijn tegenstander heeft zich vele moeiten getroost en is tamelijk behoorlijk van toon gebleven. Wel laat hij eventjes quot;het vuur van de houtmijtquot; knetteren, quot;de brandstapels der vaderenquot; vlammen, zet ons een oogen-blik onder het schijnsel wan het matte kunstlicht van den Pharns, die te Rome is opgericht en heenwijst naar het sombere licht der middeleeuwen, naar Thomas Aquinas en zijne (diens) verdediging van het kettergericht , spreekt terloops van de mogelijkheid /ijue zonden te quot;verliezen door mild te geven voor het bouwen van eene prachtige kerkquot;, van 't heiliy misoffer, waardoor quot;de waarde van het eenig offer van Golgotha wordt neergehaald' , galmt in onze ooren quot;de vreeselijke vloeken na, quot;waarmede de Kerk van het Pausdom bedreigt allen, die zich van haar afkeerenquot;, doet quot;de vervolgingen, die de Waldenzen te voren verduurdenquot; nog eens een wijle woeden, brengt Huss weer op de houtmijt, laat «de Inquisitiequot; nog eventjes spoken, de fakkel ontbranden quot;van den verdelgingsoorlog'in Frankrijk tegen de Protestanten, om het toppunt waarvan de Parijsche bloedbruiloft, te Rome het Te Deum is gezongenquot;, tracht dus de geestdrift wat af te koelen voor de Kerk. die quot;vervolging eischt om des geloofs wilquot; enz. enz. .. . doch ik verwachtte dat alles, zoodra ik den titel van het boekje zag, en dépk niet aan kwaadwilligheid, maar aan de kracht der gewoonte en den invloed van het vooroordeel.

Ds. A. V. heeft recht op meer dan een eenvoudig accuse de reception, en ik betuig hem hier openlijk mijn dank, dat hij mijn boekje gelezen en zelfs getracht heeft het te weerleggen. Het quot;hoor en wederhoorquot;, de zinspreuk zijner brochure, schijnt ongangbaar geld te zijn

ocr page 17

XIII

in de protestantsclie kringen met name in de boekenwereld ; men kan daarover de katholieke uitgevers raadplegen, mede om te leeren beseffen, wat vrij onderzoek voor sommigen beteekent.

Ik wil dns antwoorden up liet tegenselirift. Wat daarin of in 't geheel niet óf maar door een wollen draadje verband voelt met de hoofdzaak, laat ik zooveel doenlijk achterwege. quot;Een geregelde wederlegging vorderde een foliantquot; schreef mij een vriend. Nu tot het schrijven van een foliant heb ik lust noch tijd.

Het is ook even ondoenlijk als onaangenaam den schrijver telkens te wijzen op zijne vergissingen, waar hij b. v. den R. Kath. geestelijke, in gesprek met een Hervormde, dingen in den mond legt, die getuigen dat die geestelijke maar de oppervlakte der godgeleerdheid kent. Zoo laat Ds. A. V. het o. m. voorkomen, alsof wij Katholieken, leeren, dat de Apostelen als zoodanig opvolgers hebben gehad. Dat is eene vergissing van den kant van Ds. A. V. en een domheid van den kant van dien denkbeeldigen geestelijke.

Zoo schijnt Ds. A. V. ook te meenen, dat wij. Katholieken, de pauselijke macht grenzenloos en onbeperkt achten. Alweer eene vergissing.

De pauselijke macht is niet grenzenloos en onbeperkt. De Paus moet de waardigheid, het ambt van het episcopaat hoog houden en handhaven1), ook de burgerlijke macht erkennen als onafhankelijk in haar .stivr.

Het pauselijk leergezag heeft zich te houden aan de leer der openbaring, met name aan alles wat de uitspraken van vroegere Pausen en Concilies als geloofsleer hebben bepaald.

'1 Gregorius de (xroote Lib. 2 Ep. 5'2,

ocr page 18

XIV

Stelt de Opperpriester een leerstuk voor de geheele Kerk vast of legt hij eene verplichting aan de geheel e Kerk op, dan is het een onveranderlijk gebruik, dat hij altijd handelt na de kardinalen of bisschoppen geraadpleegd te hebben.

Dit in 't voorbijgaan.

En mi ter zake.

ocr page 19
ocr page 20
ocr page 21

Hoe luidt de vraag en in welke verhouding staat zij tot tiet pauselijk primaatschap.

Ue eeuigf vraag, ilie ons hier bezig lioudt, luiilt: nHet'ft Christ ii s, vooral blijkens Matth. 1(5: IS, lil, Joannes 21 : 15—17 en Lue. 22:81 , H2 Petrus voor idle tijden aangesteld tot zijn plaatsvervanger (niet opvolger' op aarde in 't bestuur der Kerk, ja of neen

Vóór eenig onderzoek kan ik mij met betrekking tot die vraag drie gevallen voorstellen: 1) of wel moet het antwoord hevestiyend luiden in dien zin, dat een ontkennend antwoord dwaas zon zijn. en dan berust quot;de zaak van liet Pausdomquot; niet op een vergissing, maar werd het ingesteld door den uitdrnkkelijken wil van den Zaligmaker en is bijgev* gt;lg overeenkomstig de H. Schrift.

2: óf wel moet het antwoord ontkennend luiden zóó, dat een bevestigen d antwoord dwaas is, en dan mag men de slotsom, de gevolgtrekking van de brochure van Ds, A. T. mijaenthalve onderschrijven1): «De zaak

Afgezien van de •merleeeriny, die ook een woordje mee kan spreken. Us. A. V. zegt zelf: //Wanneer er zonder tegenspraak met de H. Schrift, een werkelijk algemeen gevoelen der Kerk is aan te wijzen, behoeven wij dit niet zoo te verwerpen. Denken wij in dit opzicht aan de Zondagsviering.quot; (blz. 68).

In no. '2 zon mijn boekje, niet heb primaatschap van den Pans, op een vergissing bornsten in zoover namelijk dat boekje op de bewijzen der aangehaalde fehifev steunt.

ocr page 22

18

van liet Pausdom berust op eene vergissing.....liet

Pausdom is quot;iets wat met den tijd is geworden en tevens eene hoogst gevaarlijke vergissing, van welke wij t e n spoedigste moeten teruggaan tot de eenvoudiglieid en de waarheid der Schrift.quot;

8) of wel zijn de woorden van Christus niet duidelijk gemieg, zoodat men, afgezien van de overlevering, geene voldoende zekerheid heeft en bijgevolg vrij is in zijne opvatting. Maar in dat geval handelt hij het redelijkst. die tusschen ontkenning of bevestiging willende kiezen, zich aansluit bij hen, die de beste en geloofwaardigste getuigenissen hebben, hetzij voor de ontkenning, hetzij voor de bevestiging.

Daar is strikt genomen en in abstracta nog een vierde geval denkbaar: dat namelijk de vraag bij geen mogelijkheid is op te lossen. Dat geval wordt hier noodzakelijk uitgesloten , zooals blijken zal.

O

Is de vraag van zeer groot ■belang?

Bij Ds. A. V. lees ik blz. 95: wEen recht Protestant vraagt niet in de eerste plaats of Petrus het hoofd dar Apostelen was en of hij zijn opvolger heeft in den Paus , maar welke de weg is tot zijne ware vertroosting, in één woord: hij ziet het grootste verschil tusschen u en hem, (Roomsch en Protestant) niet in de wijze van kerkregeering, maar in datgene, waarop het aankomt: de leer der zaligheid.quot;

Of een recht Protestant «in de eerste of tweede of derde enz. plaats vraagt of Petrus liet hoofd dér Apostelen

ocr page 23

was en of hij zijn opvolger heeft in den Pausquot; Iaat ik in liet midden, maar wil Mj redelijk zijn en zicli niet ontslaan wvan de verplicliting- zelf te denkenquot; t), en den Bijbel te lezen dan m o e t hij de vraag stellen en beslist met Ja of neen beantwoorden.

Dat is noodzakelijk om zekerheid te hebben of liij orgt; den weg' is quot;tot zijne ware vertroostingquot; en — »waarop het aankomtquot; — of hij wde leer der zaligheidquot; d. i. de echt e leer bezit. En daarom zegt de Protestant V\ illiam Palmer: uDe leer, volgens welke Rome's bisschop over de geheele Kerk het primaatschap bezit, is de spil , waarom alle andere twistvragen zich bewegen, die tnsschen de Kerk van Rome en de overige kerken de gemoederen aan het gisten brengen. Immers indien Christus de Heer in de katholieke Kerk een primaatschap heeft ingesteld, dat ambtshalve en voor altijd aan een bepaalden bisschop moet te beurt vallen, en wanneer nu de bisschop van Rome dit primaatschap ten erfdeel ontvangen heeft, dan volgt hieruit onmiddellijk, dat de Roomsche Kerk, en zij alleen, de katholieke Kerk is, en dat de concilies, de leer en de overleveringen van die Kerk gezag hebben voor de geheele christenheid.quot; -)

Is de bisschop van Rome wezenlijk door Christus aangesteld als het zichtbaar hoofd der Kerk met iurisdictie over de geheele Kerk van Christus, dan is de Hervorming van Luther en Calvijn niet van God. Daarom zegt D r. A. Kuyper: wWat de Reformatie door verbreking van de bestaande organisatiequot; (m. a. w.

! ! Volgens D s. A. V. schijnt een Katholiek ontslagen te zijn quot;van de verplichting zelf te denkenquot; blz. 5. Ik dank den Dominee voor deze streelende mededeeling.

-i De Hom. Pontiflce vol. II c. 1 blz, 477.

ocr page 24

20

dp lioninsch Katliolieke Ki-rk) quot;betivft, gelijk Lather er. (/alviin ze d o lt;gt; r d r e v e 11, ook daarvan geldt onvoorwaardelijk dat 7,t• of diep zondig was, of gewekt werd door Cod,quot; (lil/,. 120).

De gestelde vraag is derhalve van zeer groot belang. Moet het antwoord bevestiyeud zijn, dan is de Kerk, die den bisschop van Rome als haar zichtbaar hoofd erkent. dt e e n quot;i 14' lt; w a r r Iverk,

M o e t het antwoord mifhennend luiden, dan behoort men (buiten ilie Kerk, wclkr den bisschop van Home als haar zichihacir liootd erkent wuaarstiglijk en niet goede voorzichtigheid uit bet Woord (lods te onderscheiden'quot;. zegt Art. 2!' van de protestantsche lielydenis des (léloofo. «welke de ware Kerk zij: aangezien dat alle sekten l), die hedendaags in de wereld zijn, zich niet den naam der Kerk bedekkenquot;.., quot;En echterquot;, zoo spreekt Ds, .1 o h a n n e s v a n d e r K e m p in de 1.0e uitgave van zijne drie ev injftiy predilcatini over -len Heidelbenischen Catechdemw quot;is er niet meer dan ééne ware Kerk daar Mod zijn heil aan geett. -)

En waarom moet men onderzoeken'.1

J) Koevele sekten zijn err Zie Bijlage i.

- En de Protestant Richard Kothe, Doktor imd Professor der Theologie und grossherzogl, bad. Ueh, Kirohenrath te Heidelberg schrijft: /; Of het Katholicisme of het Protestantisme is de ware Kerk: dat staat bij mij vast; denk daarover na, en gij zult dat ook inzien: beide onware Kerken of beide ware Kerken is een en dezelfde tegenstrij d i g h e i d. De Kerk, die in de menschheid tot de hemelsche Gemeente moet opgebouwd worden, is maar Een! Want de liefde vereent, zii scheidt niet. En zeggen: ge ene Kerk is de echt-zuivere, is hetzelfde als zeggen: God is onmachtig en Jezus Christus is n i e t d e Z o o n G o d s, (Richard Rothe enz, .,, von Friedrich Nippold.)

ocr page 25

Omdat, zegt Art. '28 van «Ie protest. Belijdenis des geloof» buiten de- Kerk geen ziiligheicl is. Luister maar: »Wij «felooven, aangezien deze heilige vergadering is eene verzaiiieliiig dergenen., die zalig worden, en l;it biiiteii geene is. dat niemand

van wat staat of kwaliteit Lij zij, zieli beboort op zii■li-zelve n te bonden, om op zijn eigen, persoon te staan; snaar dat zij allen seL.nldig zijn (d.i. versclinldigd zijn = moeten) zicLzelven daarbij te voegen en daarmede te vereenigen; onderliondende de eewighe'ul der Kerk, zich ondertverpende aan de onderwijzing en tucht derzelve1), den Lals buigende onder Let juk van Jezus CLristus, en. dienende de opbonwiny der liroi'deren , naar de gaven, die Lun (xod verleend beeft, als onderlinge lidmaten eens zelfden, liebaams. En opdat dit te beter mocbt onderbonden worden, zoo is bet ambt aller geloovigen, volgens bet Woord lt;iods, zicb af te sebeiden van degenen, die 'niet van de Kerk zijn, en zicb te voegen tot deze vergadering, Letzij op wat plaats -Lit ze (xod gesteld Leeft; al ware liet si-Loon zóó, dat de Magistraten en plakkaten der Prinsen daartegen waren. en dat de dood of eenige lieLaiuelijke straf daaraan Ling. Daarom, al degenen, die zieL van dezelve afscheiden e. f n i e t ( d a a r b ij voegen-), die doen tegen de ordinantie Gods.quot;

Vandaar dat Lu tb er nog na bet jnar selireef:

quot;Wie aan de Kerk ongelioorzaam is, zij vervloekt, want beide geboden moeten onderbonden worden . die

Waren ook Luther, Galvijn enz. daartoe verplicht? Er is hier sprake van de zichtbare Kerk op aarde.

-i Men mag zich niet afscheiden en moet zich daarbij voegen, dus is er sprake van de zichtbare Kerk op aarde.

ocr page 26

van Guil en der Kerk.quot;1) En elders: quot;Vóór 15 jaren, weet ik, zijn velen van meemng geweest, dat ieder luenscli in zijn geloof zalig werd; wat is dat echter anders, dan dat men nit alle vijanden van Christus ééne Kerk maken wil'.'quot;-)

Onze vraag: waar vindt men de ware Kerk van Christus!' is de E. Kath. Kerk niet haar opperhoofd den Pans de ware, of verdient één der tallooze sekten bniten de E. Kath. Kerk dien naam!' blijkt derhalve van het hoogste gewicht te zijn.

De oplossing van die vraag moet mogelijk wezen, anders zon de 'Heiland met het stichten zijner Kerk onredelijk hehhen gehandeld. quot;Immers Christus l eeft zipie Kerk gesticht om aan alle mensehen den weg naar den hemel te wijzen.quot; #) De oplossing is derhalve zelfs gemakkelijk.

Er is maar ééne ware Kerk en het blijkt onmogelijk, dat die protestantsche sekten, welke gok in voorna ine punten met elkaar niet overeenstemmen, de ware Kerk zijn. 2)

Vergeet buitendien niet, dat het ..zeer zwaarquot; is in de Eoomsche Kerk zalig te worden, als zij niet de ware Kerk is. Luister eens naar quot;den eerwaarden en zeergeleerden Heer •! oh a n n e s v a n d er K e m p, getrouw Leeraar in de Gremeente van Dirxlandt.quot; Hij

1

Erkh'irc/. einiy. Artik. 1ste druk Wittenberg.

2

:) Zie aldaar blz. 38 quot;In het Protestantisme is slechts verschil in Ujzakej!'', zegt Ds. A. V. blz. 89. Bijzaken? Is de leer omtrent het Tl. Avondmaal, de noodzakelijkheid der goede werken, het Doopsel enz. enz. bijzaak? Staat dat in de H. Schrift?

ocr page 27

heeft eene ü^ecTerclnitséiie verklaring .gt;ver den Heülel-bergsclien Catecliismns i) uitgegeven, waaraan de Theologische faculteit te Leiden hare hooge goedkeuring schonk met deze woorden: quot;Wij hebben die naarstig gelezen, zooveel onze bezigheden toelieten en daarin niets gevonden hetgeen strijdt tegen de reqelmate de» (jeloofs of met de Artikelen van eenicjlieid. Waarom wij wel mogen zien, dat dezelve in het licht gegeven worde.quot; Weina die Johannes van der Kemp laat ons liet volgende hooren: quot;Wij zeggen, dat er niet aan te twijfelen is, of daar zijn er e enigen in de Eoomsche Kerk zalig geworden, eer de ware Kerk zich van dezelve heeft afgezonderd, dewijl er velen gevonden zijn die onder 't Eoomsche juk zuchtten en tegen de verloochening van Jezus hebben getuigenis gegeven: maar nu -■ kan men zoo ruim niet spreken, dewijl na die afscheidingquot; (Hervormingi. wals de honderd vier en veertig duizend verzegeld waren en 't Evangelie verkondigd was, het eeuwig wee gedreigd is aan allen, die het beest en zijn beeld aanbidden en het merkteeken aan hun hoofd of hand ontvangen. . . Ook zou het misschien kunnen gebeuren, dat er eenige weinigen in die Kerk waren, die de diepten des satans niet kennende eeniy geloof en liefde tot Jezus hadden en aan zichzelven en aan alle schepselen wantrouwden, die zich bijzonder op 't sterf-

1 Waarom wij dit boek van 1737 aanhalen? Omdat daarin volgens het oordeel van Fabius Thenl. Dr., Joh. a Mark Theol. Dr., Joh. Wesselins Theol. Dr. en T. H, van der. Honert Theol. Dr. in 1716 niets streed tegen de regelmate des (jeloofs of de Artikelen van eenigheid en derhalve ook nu nog orthodox is, wijl de leer niet veranderen mag.

- D. i. na de Hervorming.

ocr page 28

bed openbaren en zoo vïailig worden; maar wat is liet d o n k e r e-n z w aar, j a als d o o r v u u r !quot;

Is het mogelijk, dat Christus voor alle tijden een zichtbaar hoofd over zijne Kerk heeft gesteld?

Alvorens wij de gewielitige vraag beantwoorden: «Heeft Oliristns, vooral blijkens Mattliens 1(5 : 18, 15», Joannes 21 : 15—! 7, Luc. 22 : ol, 82 P etrn s vooi' alle tijtien a an g e s t e 1 d tot z ij n p 1 a a t s v e r-vanger (niet opvolger) op aarde in liet b e-h t n n r d e r K e r kdringt zicli deze lt; )p: Zon bet, lt;le zaak in zich , op zichzelve beschouwd, mogelijk: zijn, dat de Zaligmaker, bet boofd der Kerk, vóór zijne Hemelvaart een zichtbaar bootd aanstelde om yehed zijne kudde te weiden'.' Kan bij voorbeeld Cbrysolo-gns ( 451) gelijk bebben, als bij zegt: «Petrus leeft en zit immer voor op den eigen zetel, om de waar-beid des geloot* aan ben, die ze zoeken te geven'.'quot; Zou bet, onafbankelijk van alle andere bescbouwingen, mogelijk zijn, dat de O o s t e r s c b o bisschoppen vóór 't jaar 523 zicb niet vergisten, toen zij de geloofsbelijdenis, bun door Paus Hormisdas (514—528) voorgelegd, onderteekenden: «De woorden : gij zijt Petrus enz. zijn bewaar beid, omdat bij den Apostoli-

!) Zie bijlage II. Luther is stouter in zijn uitspraak. Luister maar: quot;lm Papstthum war der Himmel zu, — da ist kein Mensch selig geworden, — demi jeder, der sich der Papisten Beligion getallen liiszt, musz ewig in jenem Leben verloren sein.'' Walsh. Ansg. 13, 347, 2300. Het is verkwikkelijk!

ocr page 29

sclieii Stoel de godsdienst steeds zuiver bewaard bleef of bewaard blijft?quot; Duidelijker: Had Christus een hoofd niet rechtsmacht, volmacht, iunsdictie lt;gt;t jiiet de hoogste bevoegdheid van iurisdictïe kun 11*11 aanstellen, een oppersten bisschop, die telkens m die lioedanigheid na zijn dood werd opgevolgd tot het -'inde der dagen.'

Met den besten wil der wereld zie ik de oumoge-lijiilii'Ml daarvan niet in. [k weet wel, dat .Tohaunes van der Kemp mij antwoordt: het Itsm niet; aimar de redenen, die hij bijbrengt voor zulk eene uitspraak, iju kinderachtig en onnoozel. »Dan zouden er twee hoofden op één lichaam en zoo de Kerk een wangedrocht zijnquot;, zegt hij.

De Groevenienr-Greneraal iu onze Koloniën wordt dooide Koningin benoemd, die hij rertegenwoordigt en aan wie hij alleen verantwoording schuldig is. Volgens art. 59 van de Grondwet heeft de Koningin het opperbestuur der Koloniën en de Goeverneur-Generaal vereenigt in zich het wetgevend en uitvoerend gezag. Er zijn dus twee hoofden op één lichaam, wij hebben bijgevolg een wa ugedrocht!

quot;Zoo eene heerlijkheidquot; — het zichtbaar hoofd der 'leheele gemeente zijn — «komt geen schepsel toe , schrijft van der Kemp.

Doch volgens i)s. A. V. gaf de Heer aan Petrus en aan de andere Apostelen «de geestelijke rechtspraak in de Kerkquot;. Zijn Petrus en de Apostelen geen quot;schepselenquot;, en komt hun die heerlijkheid toe'.'

Volgens Ds. A. V. waren de Apostelen, de eerste bisschoppen, ook ouderlingen... quot;Een bijzondere raad der Kerk naast of boven de ouderlingen kan noch mag dus bestaan. Er bestaat ook geen reden te vreezen , dat

ocr page 30

zulke ouderlingen ten opziclite van de christelijke waarheid zouden mistasten.quot; Is het nu oiiiiiojgt;'eIij]i. dat door Christus tot hoofd van dien bijzonderen raad iemand wordt aangesteld, die wanneer hij als hoofd van dien raad optreedt door bijzonderen bijstand des H. Geestes quot;ten opzichte van de christelijke waarheidquot; niet mistast!'1!

Ds. L. Schonten Hzn. zegt: n Wij gelooven, dat de Apostel Paul us, evenals de andere Jongeren des Heeren, naar des Heilands belofte, door den H, ('ieest onfeilbaar was in de leer der zaligheid. Maar hij was niet onfeilbaar m zijne daden, evenmin nis Petrus .. . .quot; -) m. a. w. liij kon zondigen.

elnu wij Ivatholieken leeren hetzelfde omtrent den quot;pvsdger van Petrus met dit voorbehoud echter, dat de opvolger van Petrus d. i. de Paus, enkel onfeilbaar is in de leer, a!s hij optreedt in de hoedanigheid van hoofd der Kerk voor le geheele Kerk.quot;')

Het is ihis strikt genomen, en de zaak in zich beschouwd mogelijkj dat Christus iemand als zijn plaatsvervanger aanstelde, jiiet het oppergezag bekleedde en hem in die hoedanigheid van plaatsvervanger ilus niet als bijzonder persoon) door zijn goddel ijken bijstand vrij houdt van dwaling, wanneer die persoon een plech-

Dat die onfeilbaarheid ot aan één of' aan meerderen samen moet gegeven worden om de eenheid des geloofs te bewaren, blijkt reeds uit de geloofsverdeeldheid der andersdenkenden e zal in 't vervolg van ons betoog nog bewezen worden.

- Blz. 22.

Om een duidelijk bewijs te hebben van de leer der katholieke Kerk omtrent de pauselijke onfeilbaarheid leze men Bijlage TIT.

ocr page 31

27

tio'e en voor alle g-eloovig'en verpiiohtende uitspraak doet in geloois- en zedenleer.

4-

Waar zijn de teksten om de vraag te beantwoorden ?

Ik zal nu drie teksten uit liet N. Test. aanlialen.

Eerst moet ik rekenschap geven van eenige bedrem-lueling: ik ben met mijzelven verlegen: uit welken bijbel zal ik die teksten overnemen

Uit den Statenbijbel, dat spreekt.

Alles goed en wel, doch of die teksten daar getrouw vertaald zijn. zoodat ik hier wezenlijk de echte woorden van Christus voor mij heb, weet ik niet met zekerheid. Artikel 159 van de Handel, der Synode der Christelijke Afgescheiden Geref. Kerh' in Nederland 1i heeft wel besloten, quot;dat men in de openbare godsdienstoefeningen geene andere dan de Statenbijbels mag gebruiken, overeenkomstig artikel 102 der synode van 184(5quot;, — Groen van Prins ter er-) noemt die vertaling wel is waar weene nauwkeurige overzettingquot; en voegt daarbij: quot;Zelfs de Remonstranten hebben zich van deze vertaling bediendquot;; ook lees ik bij Ypey:!: //Gewisselijk zijn er geletterden geweest, die de nieuwe vertaling met een dergelijk goddelijk gezag verwaardigden als de Koom-schen hunne Vulgata of gewone Latijnsche Bijbelvertalingquot; en daar zijn er zelfs geweest bijv. Ma res ins, hoogleeraar te G-roningen en diens leerlingen, die //zich

1

Blz. '25 .

Ypey II Aant. 487.

ocr page 32

niet ontzagen eene goddelijke imfeübaarheiil aan de bear-beiders der nieuwe Bijbelvertaling toe te kennenquot;, maar ik weet ook, dat in l()7ii liet den lioogleeraar der godgeleerdheid aan Let Athenaeum te Deventer, Antomns Perizonius «als eene misdaad te last werd gelegdquot;, de vervaardigers van de Bijbelvertaling weersproken te bebben en dat bij wnit dien hoofde van ketterij quot;besclmldigdquot; werd door de bervormde predikanten dier stad. Eveneens lees ik bij Ypey: quot;In brd jaar IÖ(S8 werd den predikant .1. de Bruine, door de classis van Zevenwouden, bet maken van aa inner kingen op de nieuwe overzetting «les Bijbels strengelijk verboden, onder bedreiging van eene zware censurequot; mede ■ om de zwakken, in bunne voor lt;» ord eel e n tegen de uien we overzetting, niet te stijvenquot;quot;.-! Bn Vpev zegt: quot;Het meeste deel der Hervormden .... zag, of meende te zien, dat bet 'rods zuiver woord niet was, maar bet woord van menseben, die Gods woord vervalscbt baddenquot;.1) Ook weet ik dit: Arnold van (xelnwe, die zieb op bet doorgronden van den Bijbel met v rucbt beeft toegelegd en in de H. Schrift //zoo kapittelvast werd, dat hij voor de vuist alle teksten aanhaaldequot; (zie J. (x. Frede-riks: Woordenboek), zegt van de vertaling des Statenbijbels: //Waaronder gevonden zijn I Slt;S trouwelooze misslagen der Staeten Bijbeloverzettersquot;

Wel //schijntquot; de ütrechtsche hoogleeraar J o h a n n e s Leusden tegen het geschrift van Arnold van (reinwe «zijne pen gescherpt te hebbenquot;, maar .1. hl.

1

■') Ypey [I blz. 370.

b Ypey 11 Aam. 448.

ocr page 33

van dei' Pal ju getuigt, dat de pugingeu der vertalers »0111 getrouw te zijn zelfs daar doorstralen, waar zij (de vertaling) hef meest aan den grondtekst oncjetrouw is geworden, en liij beweert bijv. aangaande de vertaling van een sprenk vau Salomo (21 : S). quot;dat ile overzet-tinir. • • • yeb eel afwijkt van den waren zin der sprenkquot;, on deze spreuk quot;is iioclitlicins eeiie volkomen en 011-wraakbaar bewijs, dat het oiinio^flijk is. aan r.nze oudt- overzetting /onAeel ye/ag tne te kennen, dat men veilig in baar berusten kanquot;quot;.1) En Prot. (i. Vissering scbrijft. dat de 8tatlt;• 11.• verzetting van ile alleroudste hest heimgde lezingen afwijkt en den meest bedorven lt;gt;tlt; mdtekst gevolgd is. en I1i s c b e n d o r 11 beeft in lhigt;J een iSste uitgave van zijn (Tnekscli X. Test. naar den veelbesproken Sinaïtiscben eddex uitgegeven . waarin bij al meev en meet' 'Ie gequot;v\'i'tie Statten lezing verlaat , en de Protestant 1 )r. (quot;bristiaan Sepp, verklaart, dat de Statenoverzetters van quot;zeer vele plaatsen vooral m bet hoek Joh en die der Froyheteu niets begrepen bebbenquot;.-i

Ik hen dus niet zeker, dat de Teksten, die ik uit den Statenbijbel aanbaa). eebt en dus wezenlijk (lods woord zijn. Stelde ik een onderzoek in en bevond ik, dat zij overeenkwamen met den grondtekst dan zon men mij in /.nik een gewiebtig punt niet heboeven te gelooven, want elke nienseb is feilbaar.

Op een katholieken hijhel durf ik mij niet beroepen; ik weet niet. boe Ds. A. V. over zulk een bijbel denkt.

De bijbelwerken van Klinkenberg. Yan Vloten en Hamersveld kan ik ook niet openslaan, wijl Van der Palm daarvan zegt: quot;Het zijn onzekere gidsen.

1

Van der Palm: Salomn. -) Blz. 4)! 3.

ocr page 34

• UI

en Jiien kan bij liet lezen liuuner scliriften zich niet verbeelden, dat men den hijbei voor zich heeft, gelijk men zicli dat bij liet gebrnik onzer gewone overzetting vertegen W( lordigtquot;.

De bijbelvertaling van H. van der Palm moet onk al voor mij gesloten blijven, want Dr. Abraliam Capa-dose lieeft een zeer groot aantal plaatsen aangewezen om ons at te se li rik ken dien bijbel quot;tot een imttio-gebruik en tot sticlitinge aan te seliaffenquot;, en zegt: quot;Waar zon ik eindigen, wilde ik alle de plaatsen aanwijzen ! . . . Ik heb voor een groot gedeelte vooral over liet JST. Testament gelezen en moet bekennen, dat liet licht onzer dagen, in tegenstelling van dat licht, dat van alle eeuwigheid is, op veelvuldige plaatsen, vooral in de noten, tot verblinding toe doorstraaltquot;, l) De vertaling van het N'. Test, door (t. quot;Vissering is is ook niet betrouwbaar. De vertaler heeft al de boeken des X. Verbonds uit het (xriekseh opnieuw vertaald en daartoe in 1854 den Griekschen tekst van 184!) des Leipziger hoogleeraars (I Ti se hen dor ff gebruikt, maar de zevende uitgave van Tischendorff, een specialiteit in het vak, liet hij bij den tweeden druk varen en schrijft : quot;Wat den Grriekschen tekst betreft, bij het vertalen te grond gelegd, deze is niet meer, gelijk bij den eersten druk, die van Tischendorff, maar een tekst door mij zei ven, na nauwgezet onderzoek, vastgesteld.quot;

Ilgt; kan niet uitmaken ot die van Tischendorff of die van Vissering de echte is; ik heb hoog gezag noodig om zekerheid te hebben.

fetond ik tegenover een Katholiek dan nain ik een-

1; Omstandig verhaal enz. 1825 blz. 121 noot.

ocr page 35

81

voiuiig een bijbel, waaraan lt;le kerkelijke goedkeuring-gehecht is, nu sta ik tegenover een Dominee;... toch moet ik drie teksten aanhalen.

Bij toeval kan ik den statenbijbel kiezen, 1°. omdat Ds. A. V. diens gezag erkent i). 2quot;. wijl mij na onderzoek blijkt, dat de vertalingen met elkander in deze teksten overeenkomen.

^ •rgt;-

Hoe luiden die teksten?

Wat zeide Christus, toen Andreas zijn broeder Simon tot Hem leidde? En Jezus, hém aanziende, zeide: quot;Grij zijt Simon, de zoon van Jonas, gij xult genaamd worden Meta, hetwelk overgezet wordt Pet rusquot;. iJoann. 1 : 43).

Matth. 10 : 2 schrijft: quot;De namen nu der twaalf Apostelen zijn deze: De eerste, Simon g e z e g d Petrusquot; enz.

Marcus o : l(i: quot;Eu Simon gaf hij den toenaam Petrusquot;.

Lucas (gt; : 14: quot;Simon, dien hij ook Petrus noemde.quot;

Wat lezen wij verder!' Toen Petrus de heerlijke belijdenis had afgelegd: quot;Gij zijt de Christus, de Zoon •les levenden Gods,quot; antwoordde Jezus: quot;Zalig zijt gij Simo i, Bar (zoon van.) Jona! Want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in

Dit meen ik te moguu opmaken uit den eerbied van den schrijver zelfs voor de verklaringen van dien bijbel. quot;Niemandquot;, aldus Us. A. V. quot;tenzij hij dooi' dogmatische vooroordeelen ge-drc ■ven wordt, zal do beteekenis van do verklaringen der Statenvertaling geringachten.quot; Die eerbied is iets minder hoog dan die van M a r e s i u s; deze kende aan de kantteekeningen rreen zoo hoog gezag toe, dat hij zijn ambtgenoot A 11 i n g, die er geen meer gezag aan toekende, dan aan andere schriftverklaringen, daarom als een ketter beschouwde en aanklaagde.quot; (Ypey TT. Aant. 437.;

ocr page 36

lt;le lieJiieleii is. Eu ik zejf u ook, dat zijl Petrus (Kefai en op ili'/.f Petra /.al ik mijne jfemeeute (Kerk) bouwen, en tie poorten der liel zullen dezelve niet overweldigen. Kn ik zal u geven de sleutelen van liet Koninkrijk der liemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de liemelen g-ebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de liemelen ontbonden zijn.quot; (Mattli. l(i ; 17—1!'.

.Eu wat gebeurde bij gelegenheid van Jezus' ver-scliijuing aan zijne Apostelen «aan de zee van Tiberiasquot; '.'

Joannes 2.1 : 15—17 verhaalt het aldus: quot;Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij liever dan dezen!1 Sij zeide tot hem; Ja, Heer! gij weet dat ik u lietheb. Hij zeide tot hem: weid mijm* ia m meren.

Hij zeide wederom tot liem ten, tweeden maal: Simon, zouii van Jonas! hebt n'ij mij lief.' Hij zeide tot .hem: Ja. Heer! ^ij weet dat ik n liefheb. Hij zeide tot hein: hoelt;i inijut' seliapen.

Hij zeide tot liem ten derden maal: Simon, zooti var. Jonas! hebt n'ii mij lietquot;.' Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden maal tot liem zeide: Hebt gij mij liet'.' en zeide tot hem: Heer! gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot liem: weid iiiijne M'liapen.quot;

Wat lezen wij bij Lucasquot;En de Heer zeide: Simon, Simon! ziet de Satan heeft ulieden zeer begeerd, am te ziften ais de tarwe; maar iii hel) voor liquot; (« staat in 't enkelvoud, dus wordt Petrus bedoeld) quot;gebeden, dat uw geloof niet ophoude (bezwijke): en als o'V'

eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broedersquot;.

ocr page 37

Hoe worden die teksten door Ds. A. V. en mij verstaan?

In mijn boekje Hef huis op de Steenrots trachtte ik te bewijzen:

1) Dat Christus niet de woorden ; quot;Gij zijt Simon, de zoon van Jonas, gij zult genaamd worden ïvt'la. hetwelk overgezet wordt Petrusquot;, aanSiiuon een tweeden naam o-aritï'li» (Petrus), een Arameesch woord, dat Steenrots beteekent (Matth. 10:2; Mare. 8:16: Lue. (5 : 14 .

2) Dat Christus, door zulk een naam aan Simon te schenken, blijkbaar zijn plan te kennen gaf, hem eene met dien naam overeenkomende macht te verleenfii, zooals de naamsverandering van Abraham aanduidde, wat er met hem zou geschieden.

3) Dat Christus bij Mattheus 1(3:17—19 aan Petrus S eene bijzondere waardigheid of macht beloofde.

4) Dat de woorden: En ik zal u geven de sleutelen van Itet Koninkrijk der Hemelen (v. U'- in letterlijken zin en onmiddellijk noch van alle Apostelen, noch van de Kerk in 't algemeen kmmen verstaan worden, maar op den eenen Simon Petrus moeten terugslaan en niet zóó, dat hij de afgevaardigde der Apostelen was, uit wier naam Petrus gesproken zon hebben en daarom de belofte van Christus aan Petrus tot allen zou gericht zijn, doch zóó, dat Petrus onder den Koning Christus het oppergezag over diens Kerk op aarde verkrijgen zou, de sleuteldrager zon wezen om te openen en te

sluiten, te binden en te ontbinden, d. w. z. de bevoegd-

'

lieid der rechtsmacht en rechtspraak over de geheeie strijdende Kerk zon hebben. Kortom, ik trachtte te

bewijzen, dat die woorden bij Matth. 16 : 17—19 tot

3

ocr page 38

84

Petrus alleen zijn gesproken, Petrus de steenrots werd, niet uit ziclizelven, doch door Christus (de voornaamste steenrots en wel uit ziclizelven) , van welke steenrots (Christus) hij (Simon) zijne vastheid heeft, en dat om de duidelijkheid van dien tekst vele moderne Protestanten veel eenvoudiger te werk gaan en stoutweg verklaren: Christus heeft die woorden niet gesproken.

Ik meende in die sleutels van 't hemelrijk, aan Petrus bij Matth. beloofd, de belofte des Heeren te zien, waardoor Petrus de volinaflit, d. i. in de strijdende Kerk op aarde de hoogste macht zou hebben, zij het ook een plaatsvervangende macht. En ik voegde er bij: Prof. Pfleiderer, een modern Protestant, is zoo vast overtuigd, dat de katholieke leer van het Pausdom duidelijk en klaar in 't Evangelie van Mattheus te lezen staat, dat hij daarom het geheele Evangelie van Mattheus

als onecht verwerpt.

In zijn Urchristentum schrijft hij blz. 541: quot;Dogma, z e d e n 1 e e r, k e r k g e n o o t s c h a p der wordende K a t h o-lieke Kerk, van dat alles vindt men aanleg en opzet in het Evangelie van Mattheus.

Katholiek is zijn Drieëeiiheids doopformulier. Katholiek is zijne leer over Christus, waarin de Zoon van David en Abraham eenvoudig als één gedacht is met den waarachtigen, bovennatuurlijken Zoou van God. Katholiek is de zaligheidsleer. Katho 1 iek is de zedenleer, volgens welke het ascetisch leven in vrijwillige armoede en ongehuwden staat reeds als hoogere

b Het primaatschap van Petrus is in de oogen van Prof. Harnaok 'een vijand der Katholieken) zoo duidelijk in deze -woorden van Mattheus te lezen, dat die professor in zijn Dnr/-mengeschichte 1,69, nota 1) eenvoudig zegt: Christus heeft ze niet gesproken. Dat is de kortste weg.

ocr page 39

volmaaktheid geldt. Katholiek is eindelijk de aan Petrus gedane belofte van liem te maken tot grond-*lsig «Ier algeineene Kerk en lt;lrager van de

maeht der sleutelen, wiens binden en ontbinden vooruit in den Hemel bekrachtigd is.quot; i)

En om te toonen, lioe dnidelijk en klaar de tekst van Mattbens is voor bet onbevooroordeeld verstand, legde ik mijnen lezers de rondborstige bekentenis voor van een grooten vijand der Katholieken, den voorzitter van den Evangelischen Bond in Duitschland, Prof. Bey-schlag, die hier zeker op onpartijdig standpunt staat, wijl hij de JEL Schrift niet als Gods woord erkent en de godheid van Christus loochent. Niettegenstaande Ds. A. mij die aanhaling onredelijk ten kwade duidt, zooals blijken zal, geef ik ze nog eens te lezen: quot;Zonder twijfelquot;, aldus de Professor, //zijn niet alle tegenverklaringeu der Protestanten gelukkig geweest. Dat Jezus niet de steenrots, waarop hij zijne Kerk bouwen wil, niet zich zelve 11 bedoelt, evenmin de belijdenis van Petrus of het Gr el o of, dat Petrus kort te voren beleden heeft, maar den man zeiven, aan wien hij den naam van steenrots gaf en voor wien hij dien naam bevestigde als zijnde verdiend, daarover kan ten overstaan van de woorden Gij zijt Petrus en op deze steenrots enz. onder verstandige lieden geen strijd zijn. En nu schijnen zeer zeiter de volgende woorden Mn ik zaJ u de sleutelen •les Hemelrijles geven het denkbeeld van een p 1 :ia t slie-kleeder en Stedehouder van Christus op aarde op eene afdoende wijze te bevestigen. Want met het beeld der sleutels) kan geen deurwachter bedoeld zijn . . . ook geen huisopzichter, die de sleutels van de voorraad-

Dr. Binig contra Beyschlag I bi. ;gt;3.

ocr page 40

kamers heeft. Er wordt integendeel een soort Koiiiiig-schap bedoeld, waarvan Jesaia spreekt in het 22ste hoofdstuk, het ambt van een Overste over het Koninklijk huis... Is er sprake van een aardsch bestaan van het rijk Grods, en. wordt Jezus zelf daarin als Konino' o-edacht, dan h'nn Jezus dat ambt ook aan een ander vergeven. Hij staat op 't punt van cle aarde te scheiden; hij heeft een plaatsbekleeder, een hoofdambtenaar, zooals daar m Israël, noodig', die nu moet voortgaan in Christus' naam den menschen het hemelrijk te ontsluiten of naar bevind van zaken lt;-ok te sluiten, en nu stelt hij Petrus tot dezeii zijn sleuteldrager aan.... Er moest ui dit stadhouderschap voortdurend een of ander zijn, die Petrugt; in diens waardigheid opvolgt. en dan zou het eiken anderen bisschop of waardiglieidbekleeder der Kerk altijd zwaar vallen, betere wettelijke rechten te dien gelden dan de bisschop van Rome.quot; (Beyschlag, 1 B. 1 B. lt; cap.) l)

J) Ds. A. V. spreekt in zijn boekje den geestelijke, door de letter G. aangeduid, volgenderwijze toe; quot;Ik begrijp niet, hoe gij fraarde kunt hechten aan het gevoelen van een Christus-loochenaar, daargelaten het hoogst bedenkelijke om iemand aan de openbare verachting prijs te geven, doch zijne meeningen aan te halen tot staving van eigen gevoelen, als zij daarvoor kannen gebruikt worden. Behoort hij niet tot de lieden, die volgens 1 Cor. 2 ; 14 als natuurlijke menschen niet begrijpen de dingen, die des G-eestes Gods zijn ? Zoo heeft hij dan naar vleesch geoordeeld, en dat moet in deze zaken volstrekt niet geschieden.quot; 'bldz. 241.

Hij laat G. daarop een heel dom antwoord geven: ;/Het ware te wenschen, dat door Christenen, naar het gevoelen althans van Christus-verwerpers, niet word gevraagd. Non tal! auxili», met door zoodanige hulp moest daarbij hunne leus zijn.quot; blz. 25j.

Ziehier mijn bescheid. Niet geef Prof. Beyschlag aan de openbare verachting prijs, want geheel Duitschland en Nederland

ocr page 41

O I

Ds. A. V. antwoordt: -/Wat Christus heeft gezegd., is op alle discipelen, zij het ook bepaald op Petrus, van toepassing geweest... Grij bemerkt hieruit (uit het verband) duidelijk, dat Petrus het woord heeft opgenomen en voor allen geantwoord. Zij hadden liet allen eveuzoo kunnen doen.. . . Ten voile wordt mijn gevoelen bevestigd door hetgeen wij lezen Joh. li : (Kï—69: quot;Jezus zeide dan tot de twaalven: Wilt gij lieden ook niet weggaan') Simon Petrus dan antwoordde hem: Heere! tot wien zullen wij heengaan'.' (lij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden (jrods.quot; Ds. A. V. blz. 18).

Het antwoord op die tegenwerping is gemakkelijk.

weten uit de gescliriften van dien professor, dat dit hoofd des Kvamjeliechen Bundes de godheid van Christus loochent.

Haal ik tot staving van eigen gevoelen de woorden van dien hoogleeraar aan dan beteekent die aanhaling eenvoudig dit; zelfs voor Prof. Beysehlag, een doodvijand van het Pausdom, een man die bij verschillende gelegenheden door woord en geschrift, dus in 't openbaar, de Roomsch Katholieke Kerk in hare gebruiken aanvalt en bestrijdt en ook het primaatschap van den Paus bestookt heeft door een brochure, zelfs voor dien man, zijn de woorden van ilatcheus zoo duidelijk, dat hem de rondborstige bekentenis ontsnapte: wie de woorden bij Mattheus als door Christus gesproken acht, moet erkennen, dat 1) Christus met de Sieeimds, waarop Hij zijn Kerk stichtte, Petrus bedoelde, 2) het denkbeeld van een plaatsbekleeder en Stedehouder van Christus op aarde op een afdoende wijze bevestigd wordt door de volgende woorden En ik zal u de sleutelen des hemels gevtn, 3) er voortdurend een of ander moet zijn, die Petrus. ... opvolgt en 4) die opvolger geen andere is dan de bisschop van Home.

In de gewone taal noemt men zulk een bekentenis, een onbevooroordeelde bekentenis.

Die bekentenis van Beysehlag kan ik met die van vele aiet-Katholieken versterken.

ocr page 42

'Ook al zou een andere Apostel vroeger lietzeltde beleden hebben als Petrus, zelfs ai zouden alle andere Apostelen quot;•eloofd liebbeu en bereid zijn geweest te belijden, wat

o

Petrus beleed. belet dit alles tocb. geenszins, dat deze belijdenis vau Petrus, die van Petrus is, door hem afgelegd onafhanlcelijli van een of andere opdracht van den kant der Apostelen, ook onafhankelijk hiervan, als zou Petrus weten, dat zijne medeapostelen hetzelfde geloofden. Immers zulk een opdracht enz. is niet alleen huiten de H. Schrift om, maar tegen de H. Schrift, wijl a) uit Matth. !Ü : i I blijkt, dat geen Apostel aangesteld is om uit naam van hen te spreken: quot;At HU dixerunt. En zij zeiden'; b Wijl Christus enltel Petrus fzaligquot; noemt om diens belijdenis; ci omdat als reden van 't geloof en de belijdenis van Petrus de opeubayhig des Vaders wordt aangegeven. De kerkelijke schrijvers verstaan dien tekst zooals wij, namelijk dat Petrus zonder opdracht van den kant der overige Apostelen die belijdenis heeft afgelegd, en hem alleen de sleutelen o'egeven werden. O. a. Optatus bisschop van MileAe, {de schismate Donatistarum 1. 1 nquot;. 10; ] / uquot;. 3), Bed a T-).') i Worn. 11gt; iu natalem (W apost. Petri et Panh], Cvprianus 25's (de imitate EccLm'■. Hieronynius 42*» (in lib. adv. Lucif. n0. SM, Cyrillus, bisschop van Jeruzalem -]gt; ] (^'ntech. 1 1 De /''//i(gt; Jjsi unicfeïvlto n0. 3) Basilius, bisschop van Seleucia 460 (Orat. 25 in illud: c[uem me dicunt homines esse Jilimn hominis), Ast erin s 410 Hoiail. in Sf. Principes Apost.) Ambrosins, bisschop van Milaan o!)7 {in Lnc. 0 nquot;. !)7): «Petrus heeft niet het antwoord z i) n e r o m g e v i n g a t g e w a c b t, m a a r z ij n meening uitgedrukt, zeggende; (jij zijt Christus, de Zoon des levenden Gods, Petrus non ex sped a vit pnpidi

ocr page 43

sententiam, seel saam provqisit dicens. tu ea Citristv.s Films Dei vivi.quot; euz. enz. enz.

Ook üs. A. V. schijnt van geen opdracht van den kant der Apostelen te willen weten, maar de belijdenis van Petrus aan diens vurigheid toe te schrijven: quot;Wij weten, hoe vurig Petrus was. Altijd drong hij vooruitquot; (blz. 18).

De vurigheid van Petrus kennen wij, doch die vurigheid is de reden niet, waarom hij, en niet de andere Apostelen, antwoordde. Immers a) van die vurigheid wordt hier geen melding gemaakt, b) Christus zelf geeft een andere reden aan: quot; Vleesch en bloed, heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen isquot;, e) Bovennatuurlijke kennis (of belijdenis) kon niet ontstaan door natuurlijke vurigheid. Eeu boveniiatuurlijke vurigheid veronderstelt een kennis door openbaring verkregen; zulk eene vurigheid kan daarom wel Concomitanter een wijze van belijdenis zijn, maar niet antecedenter een reden. Zegt men echter dat de bovennaiunrlijhe vurigheid van Petrus de reden was, waarom hij eerder clan de anderen, die hetzelfde hadden kunnen antwoorden, en hij alleen antwoordde, dan staat dit toch niet in verband met de vraag, of de belijdenis van Petrus zijne eigene belijdenis was. M En die vraag, of het zijne evjene belijdenis was, moet bevestigend beantwoord worden.

Buitendien de macht van Petrus berust niet rechtstreeks op zijne belijdenis veel minder op de reden dier belijdenis, maar op de opdracht des Zaligmakers.

Ik schreef: «Jezus heeft aan Simon een tweeden naam geschonken en hem Ytei'a genoemd; dat is een Aranieesch woord en beteekent rots, steenrots, en

'j D, Palmieri blz. 228.

ocr page 44

40

zoover wij weten is dat te voren nooit een eigennaam, cle naam van een persoon geweest.' Mij dunkt, dat Christus, door zulk een naam aan Simon te geven, bepaald iets van plan was, b.v. liem eene bijzondere waardigheid of maclit te verleenen.

Hierop antwoordt Ds. A. V.: quot;In* is geen twijfel aan of Christus gaf den zoon van Jona een eernaam____ Wij lezen van verandering van namen dikwijls in de H. Schrift. Abram werd Abraham geheeten: Vader van vele volken. Denkt iemand bij diens naamsverandering aan het verkrijgen van waardigheid en machtenz.

Niemand, maar wel denkt iedereen, dat de naamsverandering aanduidt, wat er met hem zou geschieden. Abraham werd niet door die verandering van naam «de vader veler volkerenquot;, doch zij duidde aan, wat er met hem zou 'gebeuren.

Welke de beteekenis van den naam Petrus is. geeft Matth. 1(5: 18: En ik zecj u, dat gij zijf Petrus (steenrots) en op deze petra (steenrots) ml ik mijne Kerk houwenquot;.

De naam steenrots is eigen aan Christus, de petra oan Sion (Is. 28 : 1G; ps. 117 : 22: Matth. 21 : 42; Hand. 4:11; 1 Petr. 2:6 enz.). De Zaligmaker geeft derhalve aan Petrus een naam, die Hem zei ven eigen is.

Niet door het geven van dien naam schonk de Heiland aan Petrus die macht, maar wel gat Hij blijkbaar daardoor zijn plan te kennen, hem een dergelijke macht te verleenen.

God pleegt geene ijdele en zinledige namen te geven, maar tevens ruim mede te deelen, wat door zulk een naam beteekend wordt. Hetg-een wij lezen aangaande de naamsverandering van Abram in Abraham, Sarai in

ocr page 45

Sara (Gen. 17:5, 15; 82:28; 35:10; Mattli. 1:21; 1 Paralip. 22:9) staaft dat M.

quot;Wie denkt bij die naamsverandering van Abram m Abraham, Sarai in Sara aan liet verkrijgen van ivaardiy-heid en macht?quot; waagt Ds. A. V. Dat is de vraag niet, maar hier bij de naamsverandering' van Simon m

ocr page 46

Pet ni.-,, d. i. .steenrots, waarop Christus zijn Kerk bouwt, denken tallooze leeraars en vromen, ook uit vroegere tijden, aan waardigheid en macht.

Is het zelter, dat zij allen zich veririssen?

D s. A. schrijft: quot;Vooral moet liet opmerkelijk heeten, dat hier de vrouwelijke vorm (petra) g'ebruikt wordt, wat er meer aan doet denken, dat Christus eene zaak op het oog 11eett gehad, waarom ook sommigen willen lezen: en op deze geloofsbelijdenis (namelijk die van Petrus zeggende; Grij zijt de Zoon van den levenden (toiI , zal ik mijne gemeente bouwen.quot; (blz. Ki.)

Ongetwijfeld is er aan een z a a k gedacht, niet zoozeer door Christus, maar door den vertaler uit het Svro-Chaldeewsch. Doch die zaak, de steen, de rots, was maar een beeld, i)

Ds. A. Y. laat den uitleg van andere Protestanten, van Wolt, Salmasius, Chrvsamler, enz. varen. Die uitlep' is ook al te zot.

Volgens die schrijvers zou Christus met het woord quot;sfeewo/squot; zichzelven bedoeld hebben. De redeneering van clen Heiland komt dan hierop neer: quot;Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, dat gij mij den Zoon Gods genoemd hebt, en ik zeg u, dat gij zijt Petrus (Kefa = steenrots), maar niet op u, doch op de steenrots, die ik ben, zal ik mijne gemeente bouwen.quot;

quot;Neenquot;, zegt Ds. A. Y., »ik spreek zoo niet. De woorden van Christus zijn zeker tot Petrus en aangaande hem gesproken. Ook in het vervolg van den tekst is de rede tot Petrus: En ik zal u geven de sleutelen des hemelrijks, enz.quot; quot;Het kan moeilijk gedacht wordenquot; gaat Ds. A. V. voort — wij zeggen: het kan niet dan

Bijlage IV.

ocr page 47

4-0

met woordverdraaiing — quot;dat midden in een antwoord tot Petrus, eene redewending plaats zal ^eliad hebben tot een ander persoon.quot; (blz. 15) M

Ds. A. V. geeft de volgende verklaring van dien tekst. «Petrus liad aangaande den Heiland eene heerlijke belijdenis afgelegd. Openbaar was het geloof in Christus, als den Zoon van G-od, in zijn hart, onuitroeibaar, wei-bevestigd! Het zon doorwerken! Door hem (Petrus) zou men gelooven en belijden, aan zijn geloof en zijne belijdenis zich houden. In Petrus was het een en ander belichaamd.quot; (blz. 1(5)

Nog eens: quot;Niet de eenije Petrus, maar de helijdende Petrus is de ys'onslslag der gemeentequot; (Kerk) (Ds. A.quot;V.)

Dezen uitleg onderschrijf ik gaarne — zie Bijlage V, — indien hij verstaan wordt, znoals de Kerkvaders dien verstonden. De Kerkvaders die leerden, dat de Kerk door Christus op de belijdenis den i/eloofg is gebouwd, bedoelen daarmede niet de belijdenis van Petrus in abslracto (d. i. als afgetrokken begrip) maar in eonrrefo, waarbij de handeling niet van den handelenden persoon gescheiden wordt, zlt; lodat de zin is: de Heiland heeft zijn Kerk gesticht op Petrus, helijdende hef ware yehqf. Zij bedoelen niet Petrus, helijdende hei eene lt;ieloofsartiJ:el

l) En toch niemand minder dan Luther schijnt te zeggen, dat het de eenige uitleg is, In zijn geschrift: Wider das Papstthum zu Bom vom Teufel gostiftet Erlang. Ansg. 26 S. llü! verklaart hij: ■■Nu der Herr -will sagen: Du bist Petrus d.i. ein Felser. Denn der rechte Fels ist, wie ihn die Schrift nennt, Christus. Auf diesen Fels, d.h. auf mich Christum will ich meine ganze Christenheit bauen ... Das ist der einfaltige, emkie, gewisse Verstand dieser Worte, und kcmu hein anclrer sein, wie die Worte kliirli'-h und gevalfif/lich gebenquot;. (Cxeorg Gotthilf Evers: blz. 166.;

ocr page 48

44

aaii/jaande Christus'' godheid, i) maar liet geheele geloot' door Petms te verkondig'en. Daarom noemen zij Petnxs niet enkel de rots en den grondslag der Kerk, maar ook de rots en den gr on d s 1 ag va n 't gel oo f. Zoo voert CJassianus den apostel Petrus aldus sprekende in: ■rHier hebt gij mijn persoon, waar gij mijne belijdenis hebt'quot;, en zoo kon A mb ros ins sclirijven: Het is Petrus zelf, aan wien Christus gezegd heeft: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ,k mijne Kerlc bouwen . . . Waar derhalve l'etrii* in. daar is de Merk.quot; [Tu psalm 40).

Verder deed ik mijn best uit Joannes '11 : 15—17 aan te toonen, dat die beloofde volmacht of het primaatschap aan Petrus gegeven werd, en besloot uit dien tekst het volgende: hier krijgt Petrus een bijzonder voorrecht, wijl hij de macht (inrisdictie), die aan het apostelschap verbonden is, evenals de andere Apostelen reeds ontvangen had, zooals blijkt uit Joannes 20 : 21, maar het bijzonder voorrecht, hier bij Joann. 21 :15—17 geschonken, is het bestuur over de gelieele kudde van Christus -), bijgevolg het primaatschap.

Dat meende ik bewezen te hebben ook in verband met andere teksten. Doch Ds. A. V. poog't dezelfde teksten anders te verklaren en zegt; quot;Kr is geen twijfel, ot ('hristus g'af aan den zoon van Jona een eernaamquot;, maar onder het woord vrotsquot; moeten wij niet den eenigen Petrus, maar den belijdenden Petrus verstaan

'i Dat is ongerijmd, want in dat geval zijn allen, die de godheid van Christus belijden, leden der ééne ware Kerk, hoezeer zij ook in voorname geloofspunten met elkaar in tegenspraak zijn.

-i Gelieele kudde. Dat leiden wij niet af uit de woorden //schapenquot; en //lammerenquot;, maar o. m. met den H. Bernardus uit rmijne Kchapen'/.

ocr page 49

en die belijdende Petrus is de grondslag der gemeente en quot;dan nog wel in zoover liij gegrond is op den waren Steenrots Christus zelve: iquot;, (dat spreekt als een boek).

Verder trekt Ds. A. V. uit de woorden: /'En ik zal TJ de sleutelen des Hemelrijks gevenquot;, toegelicht door andere teksten, de gevolgtrekking, dat de Heer aan Petrus en aan de Apostelen de geestelijke reelitspraak1) lieeft gesclionken en dat de niaclit door de SfeuteJen des Hemelrijks aangeduid, quot;liet (jeesieliji gerichtquot; beteekent en, zegt hij met groote juistheid, quot;hoewel het zeer waar is, dat aan Petrus en zijne medeapostelen macht is verleend tot de regeering der Kerk, vergissen wij ons toch zeer, wanneer wij in hen heerschers, geweldhebbers-) willen zienquot;. Blz. 82

3) Dat ontkennen wij niet, maar volgens dezen tekst en andere berust de hi-igete rechtspraak, de l-ytfe iurusdictie, het hoogste gezag by Petrus, door vele oude Kerkvaders „Vorst der Apostelen'1 genoemd. Optatns, bisschop van Mileve, vriend van Augnstinus schreef vóór 't jaar 378 deze woorden: quot;Petrus heeft verdiend boven de andere Apostelen gesteld te worden en de sleutelen van 't rijk der hemelen, welke sleutelen hij ook aan de anderen moest overdragen, heeft h'j alleei' ontvangenquot;. De schism, donat. 1. 1 no. 10. Wie vergist zich Opt at us van Mileve of Ds. A. V. ?

Deze verklaring hebben ook Beda, Psendo-Beda, Aleuinus, Smaragdus, Candidus enz. enz.

-) Het Duitsche woord Gewalihaher Iwdt in het Kederlan dsch machthebbende, geoolmaehtiffde. Als quot;het sw teaar is, dat aan Petrus en zijne mede-apostelen macht is verleend tot de regeering der Kerkquot;, dan zijn zij .naclitheblenden. Bedoelt Ds. A. V. met 7ipe/'«c7im en gev.;eldliehbersquot; 'dat woord bestaat niet: dvnncjelanden, gewelde-naars, dan vergist hij zich deerlijk, indien hij meent, dat wij Katholieken Petrus, do Apostelen en hunne opvolgers daarvoor houden. Macht hebben en macht rnishrniken zijn twee.

ocr page 50

46

Volgens Ds. A. V. moeten de woorden: Petrus, hemint 9V quot;i'J nit'er dan dezen ^bepanldquot; aldus verstaan worden: Petrus, liebt gij ttnj liever dan deze n.1. dingen: zee en scheepje. (Blz. 33)

Omtrent deze zonderlinge verldariny een enkel wo( gt;rcL

Een vergelijking tussclien de liefde van Petrus eu die der andere Apostelen f \ g]. v. 2) ligt veel meer voor de hand dan een vergelijking tusschen de liefde van Petrus voor Christus en voor de zee en de vischnetten. Zoo ex en had Petrus een sprekend bewijs zijner liefde voor Christus gegeven. Nauwelijks vernam hij van den leerling, dien Jezus beminde, dat het de Heer was, of hij sprong in zee: nDe discipel dan welken Jezus lief lad, zeide tot Petrus: Het is de Heer! Simon Petms dan hoorende dat het de Heer was, omgordde het opperkleed.... en wierp zich zeiven in zeequot;. Hier stelt de gewijde tekst uitdrukkelijk wde andere leerlingenquot; tegenover Petrus; v. S: quot;Maar de andere leerlingen (o'i dè 'allo! matJiiital

hicamen met het scheepje.....

Daarenboven is in v. 1 -—14 herhaaldelijk over de leerlingen gesproken, niet over «zee en scheepjequot;. Als het aanwijzend voornaamwoord hier op een zakelijk voonverp terugzag, zoxi het op het genoten maal, op brood en visch, moeten terugzien en dan wordt de vraag: quot;Bemint gij mij meer dan dezen? namelijk meer dan brood en gebraden visch bespottelijk. Overigens gaat de vermelding der leerlingen even onmiddellijk vooraf als die van het maal, want beide liggen in de eerste woorden van vers 15: quot;Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden''''.

Alle Kerkvaders en schriftuurverklaarders van naam, die over dezen tekst geschreven hebben, verstaan dien

ocr page 51

■i —

van een vergelijking tussehen «Ie liefde van Petrus en «li«' der andere Apostelen.!)

Maar zegt Ds. A. V.: rZoo zon dan Jezus den zoon van Jonas tot een hartenkenner verklaard hebben! Het is waarlijk niet te denken. De Heiland zocht zeker de andere discipelen niet te beleedigen, door voor hen de onderstelling uit te spreken, dat zij minder liefde voor hem hadden dan Petrusquot; enz. (blz. 33)

Ik vind die tegenwerping onnoozel. Wie even nadenkt met hoofd en hart zal bevinden, «lat bij de vraag van Christus quot;waarlijkquot; niet behoeft gedacht te worden aan ff hartenkennerquot; noch aan '■beleedigen.quot;

Vooral met het oog op «le wijze, waarop Petrus alleen even te voren zijn liefde voor Jezus getoond had (v. 7 en 8), kon de vraag niets beleedigends hebben. De geheele opmerking van Ds. A. V. onderstelt overigens zeer ten onrechte, dat de Zaligmaker door zijne vraag een volmondig en hooghartig Ja wilde uitlokken, in stede van de even bescheidene als warme liefdesbetuiging, waarmede Petrus in werkelijkheid tot driemaal toe antwoordde: Heer, Gij weet, Jnt ik TT lief heb. Dat antwoord verwachtte en wenschte de Heer: de luide belijdenis der liefde van Petrus en de stilzwijgende bekentenis, dat hij geen hartenkenner was of wilde zijn, en er niet aan dacht zich om die liefde boven anderen te verheffen.

Wat er van zij, de verklaring van Ds. A. V. is hier voor ons van minder belang. Zeer juist heeft Berth old, bisschop van Chiemsee (geb. 1465, gest. 1.543) in zijn be-

1 j Toch durft Ds. A. V. zeggen ; //Wij moeten de vraag van Christus bepaald aldus lezen: •fSimon, zoon van Jona, hebt gij m//liever dan deze, nl. dingen: zee en scheepje.quot;

ocr page 52

48

rueuicl werk quot;Deutsche Theologiequot; gesclireven: ...wist zu autworten, clasz die Petro gegebene Grewalt nielit anf die Frage: Glanhst du oder Hasf du mich lieh, sondern anf die worte: Weide meine Schafe gegründet ist. Darum erlisclit solclie Gewalt nielit, aucli wenn ein Papst Oiristum nicht so sehr wie Petrus liebtquot; (92, 6, 643) i).

Onder schapen en lammeren verstaat de statenbijbel quot;de lidmaten van Christus' Kerk... hoewel sommigen meenen, dat door de lammeren de teedere Christenen en door de schapen, die sterker in 't geloof zijn verstaan zonden worden.quot; Ds. A. V. behoort onder die sommigen (blz. 37).

Hij verstaat door weiden, wat Petrus zelf daaronder verstond (en de E. Katli. Kérk met hem), toen hij aan de ouderlingen schreef: quot;Weidt de kudde Gods, die onder u is... niei als heerschappij voerende over hei erfdeel des Heeren, maar als voorbeelden der kudde geworden zijndequot;, dus met ware christelijke nederigheid - .

quot;Gezag over de leden der Kerk oefenen en heersct-zucht zijn twee zeer ongelijke begrippenquot; zegt De Tijd. Dienende liefde kan met oppergezag zeer goed samengaan. quot;Christus heeft in zijn Kerk een levend, wettig en bovendien voortdurend leeraarsambt ingesteld, dat Hij met zijn eigen gezag heeft bekleedquot;, schrijft Leo XIII

!) In 't beroemd werkje yan Dr. Johann Adam Mo hl er nDie Eiuheit in der Kirchequot; 2e anti. 1843, zegt de sclirijver ; quot;Bei Joh. 21 :15—17 kann offenbar für den Primat Petri kein Gewicht darin liegen, dasz Jesus sagt, liebst du mich meïir als diese?quot; Ook wij trekken uit dat woordje ttmeerquot; geen bewijs voor het primaatschap.

-! Dezelfde vermaning geldt zelfs een wereldsch vorst, een monarch en een ieder, die regeert en bestuurt: Doet dat, niet als heerschappij voerende over uwe onderdanen, uwe kudde, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde. Een kind begrijpt dat.

ocr page 53

in zijn Encycliek Over de eenheid der Kerk. En Prof. J. IJ. Gunning' noemt deze stelling- een quot;heerlijke waarlieidquot;. Welnu, dit door Christus gestelde gezag strijdt niet nier dienende liefde. Het Pontificaat van Leo XI If bewijst liet met de daad 1).

■Wie van ons beiden heeft gelijk?

(Jliristus heeft de woorden bij Mattheus en Joannes zeker gesproken en even zeker niet aan ieder vrijgelaten die woorden een zin te geven, dien zij niet hebben.

Die teksten worden door Ds. A. V. en mij op de keper beschouwd, onder het licht van andere teksten gebracht en toch heel verschillend verstaan en verklaard.

Wie van ons beiden heeft gelijk'.'

Ds, A. V. zegt: quot;Ikquot; en mijn persoon zegt ook: «Ik

In die teksten zie ik het primaatschap, den Paus, Ds. A. V. niet. Kijken wij misschien door een verschillenden bril, den bril der vooroordeelen!' Zeg ik wellicht vooruit: quot;Het primaatschap moet in. die teksten staanquot;, terwijl Ds. A. V. wellicht zegt: //Het mag er niet staan'.1quot; Ik heb iets in mijn voordeel, namelijk: het primaatschap bestaat, het is een historisch feit van vele eeuwen. Dat kan niemand loochenen. Ik zeg: de teksten

De Tijd 14 en 15 Oct. 1896. //Het laten zinken van do tucht in do Kerk Christiquot;, zegt Dr. A. Kuyper blz. 106, quot;is niet slechts een niet handhaven van de belijdenis of niet zuiverhouding van het Sacrament, maar in zijn diepste kern: een prijsgeven van het gezagquot;.

4

ocr page 54

50

van Mattlieus en Joannes zijn de woorden van Christus, die woorden bestaan en daarom bestaat het Pausdom, en Ds. A. V. beweert : de teksten van Mattheus en Joannes zijn de woorden van Christus, die woorden bestaan 1) eu het Pausdom bestaat, hoe komt nu dat Pausdom in de wereld!' En hij antwoordt: door een veryissiiuj -).

De Katholieken, die mijn boekje lazen, zullen evenals te voren en met de Katholieken veler eeuwen zegden: Het huis staat op de steenrots.

De geloovige Protestanten zullen na het lezen van de brochure des Dominees evenals te voren met de Protestanten van drie eeuwen en eenige protesteerenden uit de 14de eeuw beweren: (*eeu steenrots maar z a n d g r o n d.

Wie zal het nu uitmaken 1'

Wij beiden trachten uit de aangehaalde teksten onze stelling te bewijzen, ik, dat Christus een zichtbaar hoofd in zijn plaats op aarde heeft aangesteld in Petrus voor alle tijden, dus een l*auH, en Ds. A. Vquot;. schijnt uit de door hem aangehaalde teksten tot de gevolg-

1

1 En vele geloovige Protestanten erkennen, dat niet enkel^ zooals Ds. A. V. wil, een quot;eerenaamquot; aan Petrus gegeven werd, maar een primaatschap over de andere Apostelen. .'.'Ohne Zweifelquot;, schrijft de Protestant Meyer, //wird hier dem Petrus der Primat unter den Aposteln zuerkannt.quot; (Comment, in M.atth. lö : 18, blz. f353).

- Bene vergissing, die volgens de protestantsche geleerden Schwegler en Lightfoot, zeker omstreeks het jaar '201 begonnen is, dus reeds 17 eeuwen bestaat. Wij zullen in het twesde gedeelte van dit werkje zien, dat de vergissing 19 eeuwen oud is.

Volgens Prof. J. H. Gunning (Toespraak enz.) is het Pausdom gt;iii eene den bisschop van Home ^aangeërfde en noodzakelijke aanmatiging van het Hoofd der gansche Christenheid te zijn.quot;

ocr page 55

51

trekking' te willen komen: «Ie Paus is Je voorlouuitr van dun Antichrist ]).

Is mijne opvatting' — om met Prof. J. H. Gunning te spreken — een fantasiebeeld mijner willeJieur of' een belofte des woord? of is zijne opvatting- een fantasiebeeld?

Xog- eens wie zal het nitjiuiken

W. a Bra kei, die door de Protestanten zeer geprezen wordt, zegt: quot;Men moet aanmerken, dat zeer vele teksten der Sclirift op zielizelven kunnen genomen en klaar en wel kunnen verstaan worden tot godzaliglieid en de zaligheid, zonder dat men den samenhang inziet. Vele plaatsen komen zoo ras niet voor, maar hebben nauwer onderzoek noodig, ook is de samenhang in vele plaatsen met den eersten oogopslag niet te zien, niet dat hij in zielizelven niet duidelijk, net en gepast is, maar omdat de onderzoeker duister is -).

Ds. A. V. en ik zijn beiden onderzoekers. Ik dacht, dat de woorden van Christus bij Mattheus en Joannes wklaar en wel kunnen verstaan wordenquot;, zelfs op zielizelven genomen; ik schijn mij vergist te hebben en moet dus onderzoeken. Ds. A. V. onderzoekt ook, en de uitslag van ons beider onderzoek verschilt hemelsbreed.

Zijn wij, onderzoekers, misschien duister?

^ ■ Zie vooral blz. 86. Over dieu Antichrist spreken wij nog.

- I blz. 39. Hieronymus onderhield een drukke briefwisseling met verwijderde personen, die hem raadpleegden over duisterheden, die zij bij de lezing der H. Schrift ontmoetten, zegt de Protestant V o n 0 ö 11 n bij E. n. G.

De protestantsche professor J. D. Heilmann schi'ijft: /'Niemand, die gezond verstand bezit, loochent, dat niet alleen de minder maar ook de meer belangrijke godsdienstwaarheden in de H. Schrift met een ongewone duisterheid omhuld zijn.quot; (In Comp. Theol. dogm. 1761, p. 88).

ocr page 56

Wat moeten wij nu doen?

Wat er van zij, die plaatsen schijnen niet duidelijk quot;enoeif te zijn; zij moeten dus verklaard worden. quot;Verklaringen van de H. Scliriftquot;, zeLgt;t liet tijd-sclirift De Reformatie, (D. \'l blz. quot;220) zijn «zeker alten raai noodzaJcelijli'e li alp middelen vaji den llcere tot liet rechfe verstand van zijn Goddelijk Woord, zonder welke (verklaringen) dat Woord van ons niet kan g*el3mikt wordenquot; i).

Wie zullen de teksten, waarvan wij spreken, verklaren'.1Wie moeten wij raadplegen'.'

Zullen wij om de aangehaalde teksten goed te begrijpen te rade gaan bij de hoogescholen van Cambridge, Durham en Oxford ^n l)ij de groote openbare scholen Eton, Harrow Rngbv, Winchester, Shrewsbury, Charter House. estminster

Maar Ds. A. \ . weet, zoo goed als ik, dat ook dasr het modern Protestantisme veld wint, en zeer vele professoren niet gelooven aan de godheid van Christus. Voor hem heeft hunne getuigenis geen waarde want: «Het ware te wenschenquot;, laat hij den Geestelijke in 't boekje Geen steenrots maar zandrirond zeggen, quot;dat door Christenen, naar het gevoelen, althans van Christus-verwerpers, nietj werd gevraagd. Non tali auxilio, niet door zoodanige Indp moet daarbij hunne lens zijn.'

Hij zal daarenboven wel weten, dat vele professoren dier scholen Koomsch Katholiek worden.

Moeten wij naar het vaderland van Luther gaan.'

De professoren in de theologie, die ongeveer eenstemmig

1

Over du dnicleliiklieid der FL Schrift, zie Biilage \ I.

ocr page 57

gelooven, vindt men enkel aan de Universiteiten Rostock, Greifswald, Erlangen en niisseliien ook aan die van Leipzig, maar in de dertien overige protetantselie Looge-seliolen zijn zij allen modern, 'j Beliooren de geleerden van die dertien lioogescliolen niet welliclit tot de lieden quot;die volgens 1 ('or. 2 : 1 !■ — door Ds. A. V. op Prof. Bevsr-lilag toegepast — als natuurlijke menselien niet begrijpen de dingen, die des Oeestes Gods zijn-.'quot; Indien zij dus al met l)s. A. V. gt;1 ■ teksten op zijne wijze verklaarden, zijn zij tocli getuigen van geenerlei waarde; want zij oordeelen, volgens il( eigen bekentenis van Ds. A. V. wellichr nau.r vleewh «en dat moet in deze /.aken volstrekt niet geschieden.quot; -)

En in de protestantsclie Kreumeitmig van 1890 no 229 lees ik aangaande de rings vergadering Berlijn II van positieve zijde de aanmerking, «dat men mit den Scliiideln der ungliiubigeu Pastoren, die niclit auf deni Bekenntnisz stellen, den nntersten (jrmid der Holle beptlastert fin den würde und dasz die Unabsetzbarkeit soldier Geistliclien eine seJir bedaueriiclie Tliatsaeiie se;.quot; Rector Sclm-maclier protest»'orde en zeide: »VVenn man unter dem Bekenntnisz, das man auf jen er Seite so betont, die Form und dquot;ii Wortlaut meint, der vor Julii'linndertaS antgcstellt ist, so ist wohj K'i'iner unter mis, der sicli auf den Boden dieses Bekenntnisses stellt. (Oho! Lebhafter Widersprnch rechts!.quot;

Wat de drie Hoogcscholen Rostock, (greifswald. Erlangen betreft, tegenover bet gevoelen \an hare professoren kan ik dat van diii/.end andere Duitsclie

') Revue des deu.e numdest l'-u 1896, een groote, degelijke stndie van George Goyau onder den titel L'A Ihmujiie rctigieusc. 2) Zie Bijlage VIT.

ocr page 58

54

geleerden stellen. Ik bliif dns in liet onzekere en Ds. A. V. ook.

Zuilen wij Jan de faculteit der o-0dgeleerdlieid op de lioo^escliDlen van Nederland raadplegen'.' Dat gaat immers niet. De meeste lioogieeraren erkennen den Bijbel

niet als (xods woord. En wie weet ot bet tijdsclnitt De Reformatie (D. VI blz. 202 en ol'.h geen waarheid spreekt, als het zuchtende uitroept: quot;Helaas! ons droevig ongeluk beeft gewild, dat er van vele tijden herwaarts meest altoos een zeer groot geraas en twisting over de leer en waarheid, en over den zin en uitlegging

der H. Schrift in finze Iverb gevallen is. waardoor ou/e vrome en geleerden verstanden meest bun vernuft hebben moeten scherpen, om den ret'litt'i! zin en de gemeene leer des Woords tt verklaren, op te helderen, te bevestigen en tegen de tegensprekers te verdedigen. En hierdoor schijnt dit nu zoo onze eigene en bijzondere studie bier in Nederland geworden en tot op dezen huidigen dag gebleven te zijn.

Zullen wij dan maar ieder op zijn standpunt blijven staan en ieder voor zichzelven zeggen: ik lagt; dit ot dat in den Bijbel, vergeleek het met andere teksten, kwam tot deze of gene slotsom en de waarheid heb ik'.' Kunnen wij dan gerust zijn!'

indien Gr. F. (xezelle Meerburg, bedienaar des Groddelijken Woords goed heeft gezien, geenszins. Hij schrijft het volgende:

wllet arglistig hart mag al wijzen op deze of gene plaats uit Grods woord, waardoor de ziel tot ruimte is gekomen; ach! het kan nog alles een gestolen vrede en ongegronde hoop zijn, het kan alles nog een werk zijn van den Vorst der duisternis, die zijn invloed op de hartstochten van den menscb uitoefent en niet (xods

ocr page 59

woord in de liand als een eu^el des liclits komt tot eene voor den toekomenden toorn ontrnste ziel, om haar met ■eenige Bijbelplaatsen tevreden te stellen, zoo zelfs, dat zij meent niet meer te mogen twijfelen

a a ii li et ge en zij lie eft ondervonden..... Maar

zon de Satan dat Woord niet kunnen misbruiken, om eene ziel gerust te stellen; wij schromen niet, dit met ja te beantwoorden. Hij, die zieli niet ontzag om den Heere Christus eenige Bijbelplaatsen voor te stellen om Hem te verzoeken, schroomt zich niet om dat Woord te misbruiken tot misleiding der mensehen.quot;

En ik lees in een brief van den protestantsellen godgeleerde D r. Ia i c li a r d Eothe: quot; L u t li e r zeide lt; ip zijn sterfbed: ik v r e e s d a t d e duivel m ij veel heeft voorgespiegeld, wa t ik voor Gods werk hield.quot; (Zie Fr. Nippold: Dr. Richard Rothe S. I :

In quot;tO. en X. Testament lees ik: quot;Ondervraagt uwe vaderen en voorvaderen; steunt niet op uwe wijsheid; weest niet wijs in uwe eigen oogen; wie zijn hart vertrouwt. is een dwaas: wie ziehzelven niet loochenen wil kan geen leerling van ('hanstas zijnquot; enz. enz.

§ f.

Zullen wij de nog levende Christenen raadplegen?

Üs, A. V. is feilbaar in zijn uitleg van die teksten en ik ook. Het ligt dus voor de hand, willen wij beiden redelijk zijn, den raad op te volgen van De Reformatie (D. 111 blz. 218): quot;Welnu, er zijn door Gods genade genoegzame gelegenheden om het aan uwe medegelnovigen te vragen, of uit schriften van reeds in den Heer ontslapene leeraars of vromen na te sporen.quot;

ocr page 60

Ik vraag mijne mecTegeloovigen, en '2^0 tot 240 millioeii antwoorden: De Pans van Rome is liet zichtbaar hoofd der Kerk, want Christus heeft gezegd: Gij zijt Petrus en op deze petra (steenrots) zal ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Bn ik zal u geven de sleutelen van liet Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn (Matth. 1lt;) : 17- !!•.)

Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij liever dan dezen P Hij zeide tot liem: Ja, Heere! Gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot liem: W slilt;i mijne lammeren, mijiu' lammeren, dus geen uitzondering zeggen vele Kerkvaders.)

Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, soon van Jonas! hebt gij .mij lief.' Hij zeide tot hem: Ja, Heere! gij weet dat dat ik u liefheb. Hij zeide tot liem; lioiMl mijiio seliapeu.

Hij zeide tot liem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij lief.' Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij mij lietquot;.1 en zeide tot liem: Heere! gij weet alle dingen, gij weet dat ik n liefheb. Hij zeide tot hem: «ei»! iiiijine scliapcu/' (Joannes 21 : 15—17.) quot;En de Heere zeide: Simon, Simon! ziet de Satan heeft nliodcn zeer begeerd om te ziften als de tarwe: ik heb voor n gebeden, dat uw geloof niet ophoude (bezwijke); en gij , als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterh uwe broeders.quot; (Lue. 22 : 81, 82.)

Dat is liet antwoord van den geleerden tot den een-voudigsten Katholiek. Alle Katholieken der gelieele

ocr page 61

wereld g'elooven liet zelfde; liet staat in idle i-atecliis-iHnssen , ook vóór de Hervorrmng'. !)

Docli t )s. A. V. kan tegenover dezen liet oordeel zijner medegeloovigm stellen.

Ds. A. V. ondervraagt op zijn beurt zijne luedeijeloorUieu d. av. de leden van ili^ (Gereformeerde Kerk.

De leden van liet Evanyelisah-Luthersch Kerkgenootschap in 1()]4 opgericht, liet hersteld Evancjelisch-Luthersch Kerkgenootschap, ontstaan uit de scheixring, welke in 1 TUI in de Evanyeliseh-Luthersi-he gemeente te Amsterdam heeft jdaats gegrepen, de Oud-Lutheranen \u Dnitschland, d; vrije Luthersche Kerk in Hessen, kortom de Lutheranen in 't algemeen kunnen door Ds. A. V. in ileze zaak niet geraadpleegd worden, wijl die kerken volgens Ds. A. Hellenbroek onder de »voornaamste dwalingen' buiten de 'Gereformeerde Kerk gerekend worden. Zij beroepen zich voor hunne dwaling op de H. Schrift; zij dwalen en zijn dus geen gezag1 bij bijbelteksten.

De Renionstrantsche hroederschap, wier gevoelens op de swnode van Dordrecht van Kil 8 en 1019 door vijf artikelen veroordeeld zijn en dus met hare '2'gt; gemeenten en 24 predika nten buiten de (xereibrmeerde Kerk staat, is voor D. A. V. ook geen vraagbaak, De Remonstranten beroepen zich op de U. Schrift, maar dwalen: zij hebben dus geen gezag bij het verklaren van bijbelteksten.

1

les Eeformations-zeitaltiirs van Dr. Hugo La emmer, üit boek werd door de protestantsche godgeleerde faculteit van Berlyn bekroond. Door de studie der echte bronnen gingen Dr. Hugo La emmer de oogen open, en hij vrerd Katholiek.

Dr. C'hristoph Moufang heeft in 1881 uitgegeven: Kafho-lisclie KatecMsrnen des 16. Jahrh. in deutsrlier Sprwhe, een boek voor godgeleerden, zielzorgers on geschiedschrijvers van groot gewicht.

ocr page 62

De evangelische broedergemeenten, die afstammen van de oude broederkerk in Boliemen en Moravië en reeds in 1500 nieer dan 200 bloeiende gemeenten telden, maar daarna bijna geheel te niet zijn gegaan, en de dienaars der Kerk onderscheiden in bisschop, presbvter en diaken , en wier bisschoppen gesteld zijn om de presbyters en diaki enen te wijden tot hunne bediening, en die Lnthersche en (xerehirmeerde leervormen in zich vereenigen, kunnen voor Ds. A. V. niet in aanmerking komen.

De Duitsche evangelische Gemeenten, waarvan de dienstdoende predikanten in Nederland het geta I lt; wee niet te boven gaan en in Dnitschland tot de Evangelische Kerk behooren. blijven mede voor Ds. A. V. buiten spel.

Het Anylicaansche episcopale kerkcjenootschap, waarvan de zes gemeenten in Xederland ouder het geestelijk opzicht staan van den Anglicaanschen bisschop van Londen, dus een soort Paus erkennen, kan geen gezag zijn voor Ds. A. Y.

De Apostolische gemeente te 's Gravenhage. die zich onder de leiding stelt van de apostelen des Heeren, wier verblijfplaats Alburv in Engeland is, en die aan 't hoofd van elke gemeente een opziener erkent, blijft voor Ds. A. V. ook een onbetrouwbare gids.

De Doopsgezinde gemeenten met hare 99 dienstdoende leeraren, die, naar zij beweren op grond van de B. Schrift den kinderdoop verwerpen en door Ds. A. Hellen-broek onder de quot;voornaamste dwalingen'''' buiten de Grereformeerde kerk gerekend worden , kunnen bezwaarlijk door Ds. A. V. geraadpleegd worden aangaande eenige teksten van de H. Schrift.

Hij moet dus te rade gaan bij zijne medegeloovigen in ons land verdeeld over 44 classes, IBS ringen, 1847 gemeenten en 1 ($05 predikanten. Maar Ds. A. V. duide

ocr page 63

het mij niet ten kwade, dat tegenover mij Imn gezag zeer Twijtelaelitig is. Want al geloofde ik zijn ambtsbroeder Ds. X. Jolles niet, wanneer deze zegt, dat quot;de gelederen van de leden der ÏTed. Herv. Kerk zeer gedund zijnquot;, velen met de Afgescheidenen niedegingen, en de Doleerenden overliepen naar de Remonstranten, en al zon jiij in niijn oog overdrijven, zeggende: »Wanneer wij eens in cijfers konden opgeven het gezamentlijk getal der overgeganen naar andere Kerkgenootschappen in dc laatste 50 of (50 jaren, 't zou zeer aanzienlijk zijn.quot;quot; en al dacht ik wederom aan overdrijving, wanneer ik hem Imor vragen: quot;Maar gelooft gij niet dat dit getal helaas! uog veel kleiner zon zijn dan dat van allen, die' ons Kerkgenootschap niet alleen den rug hebben toegekeerd, maar nooit meer in eenige kerk komen.* M dan heb ik toch dit bezwaar, dat ik van vele zijner ambtsbroeders het geloof aan de godheid van ( hnstns betwijfelen moet -i en Ds. A. V. met mij.

En als ik Ds. Gr. Van Vel/.en, die zich ook op ile H. Schrift beroept, hoor zeggen: quot;Zoolang de iScd. Herv. Kerk nog de valsche Kerk niet was, konden wij op hare herstelling hopen, doch nn idet meer.' . . . Thans quot;is die Kerk nit den duivelquot;, ■'') en wanneer de schrijver van Adres aan al mijne Hervormde ijeloofsyenootev eens gelijk had met te zeggen: quot;Duidelijk Is het, dat alle jonge Predikanten, die na IS 10 zijn aangekomen, de volk omen ste vrijheid in leer en prediking hebben, als zij alleenlijk maar zorgen, dat zij hunne stelsels uit

i Geloot' en Vrijheid 1892.

- Die twijfel is nagenoeg overtuiging geworden, nadat ik do brochure van Ds. P. H. Hugenholtz jr. Waarom gnan inj heen? gelezen heb.

:: Stemme een? 'irachters op Slons muren b!z. 15.

ocr page 64

(JO

den Bijbel kmuien bewijzen, en dit is niet Jiiueielijk, daar reeds liet oud vaderlaudsch spreekwoord zeg't: daar is geen ketter of hij heeft zijn letter!quot; l) — en wanneer de synode der clmstel. afgescheidene (ieref. Kerk in Nederland, gehouden te Amsterdam van 2:gt; April tot 1 Mei I8-)l , verklaart: //Dat zij zich, overeenkomstig-art. quot;28 onzer Geloofsbelijdenis, heeft afgescheiden van de Hervormde Kerk, omdat deze de kenmerken van de ware Kerk van Christus verloren heeftquot;, -) — en wanneer ik in De Reformatie lees: «Niet onze Heere Jezus Christus, maar de Antichrist is het hoofd ran zulk een genootschap IS-1, blz. 882 en ;!p blz. -ï-it; quot;Het Nod er la nd sch Hervormd [verkgenootschaj» is niet de Kerk van Christus, maar eene ongeordende samenvloeiing van godontéerende dwalingen .... hetzelve kan nimmer de Kerk van Christus worden; indien het echter den Heere al zoo behaagt, kan het als in een lt;(ogenblik of van lieverlede instorten ea plaats maken voor de Kerk van Christusquot;, — en Indien nog waar is, wat Ds. De Liefde op de Alliance-Conference te Londen in 185(5 zeide, dat van de l-quot;)00 predikanten in Nederland 140(1 leeringen verkondigden, die met Rationalisme en ünitarisme hand aan hand gingen, quot;terwijl er n a n w e 1 ij k s 10 0 d e e v a n g e 1 i s c h e w a a r h e i d voordroegen •*), dan mag l)s. A. V. tegenover mij zich op het gezag* of het gevoelen zijner medegeloovigen en zijner Kerk in het verklaren van bijbelteksten niet beroepen, wijl zijne Kerk en hare tegenstanders in Let Protestantisme uit bijbelteksten hunne tegenstrijdige

1) Ds. Molenaar blz. 16. Het geschrift is tienmaal herdrukt. Ji Verslag blz. lö.

:: Berliner Protest. K.z. 1 Juni 185 '.

ocr page 65

gevoelens verdedigen, en ik hier ter plaatse niet enkel nit de woorden der H. Schrift wil bewijzen, dat eeu priniaatscliap door Christus is gewild !•).

Wij zijn dus met het ondervragen onzer nog levende medechristenen -') geen stap verder gekomen. Ds. A. \ . ssegt: de 230 tot 240 millioen Katholieken vergissen zich in 't verklaren van die bijbelteksten van Mattheus, Joannes en Lucas, en ik zeg: de geloovigen van Ds. A. V. vergissen zich. 55)

Maar Ds. A. V. en ik zijn beiden feilbaar; wij vergissen ons misschien ook.

11 Ik acht het voldoende bewezen in Hel llim cp de Steenrots.

- Van de kerk der Kwakers tussehen de Leliegracht en Prinsenstraat te Amsterdam spreek ik niet; zij zal ons zeker geen licht geven; daar zijn zooveel verschillende profeten als er leden zyn.

:gt;) Zegt men: al die sekten komen toch in de loochening van het primaatschap overeen, zijn het ten minste daarin eens, dan luidt mijn antwoord: 1) dat spreekt vanzelf, anders bestonden zii niet; 2) indien zij in 't verklaren van andere, zeer voorname bijbelteksten het onder elkander oneens zijn, kunnen zij in mijn oog geen voldoend gezag hebben in 'tverklai'en van de door ons aangehaalde teksten, vooral niet, wijl het primaatschap van den Paus niet behoeft te komen, maar reeds eeuwen bestaat. Ds. Ohantepie de la Saussaye klaagde in Ernst en Vrede (3de Jg.j: quot;Ach! wanneer zal de tijd aanbreken, dat de publieke opinie in den lande daarover zal ingelicht zijn, dat de strijd in de Herv. Kerk niet is eenstrijd over theologische spitsvindigheden, maar over de eerste levensvragen der menscMeidquot;. En toch beroepen allen zich op de H. Schrift. Zij hunnen dus voor mij geen gezag hebben in de uitlegging van de aangehaalde teksten.

ocr page 66

Zullen wij het uit de schriften van reeds in den Heer ontslapene leeraars of vromen nasporen?

Dgt;. A. V. en ik verkeereu iu het derde geval, waarvan, ik op bladzijde IS sprak: Zijn. de woorden van Christus bij Mattheus, Joannes en Lucas niet in zich zóó duidelijk, dat men voldoende zekerheid heeft of Christus een zichtbaar hoofd voor de strijdende Kerk op aarde heeft aangesteld, dan handelt hij het redelijkst, die tusschen ontkenning of bevestiging willende kiezen feu om lid eener Christelijke Kerk te zijn moeten wij kiezen), zich aansluit bij hen, die de beste, oudste en geloofwaardigste getuigenissen hebben, hetzij voor de ontkenning, hetzij voor de bevestiging. M

5 Voor Ds. A. V. blijft echter een groot bezwaar. Al ziet hij duidelijk in, dat ik de beste, de oudste en geloofwaardigste getuigenissen bezit voor de bevestiging van het primaatschap, mag hij er zich niet bij neerleggen. quot;Nooit mag een geloovige zich bij iets neerleggenquot;, waarschuwt Dr. A. Kuyper, «omdat de dienaren der Kerk het zóó uitwezen. Dat is Roomsch, niet Gereformeerd,quot; (blz. ö8). En Ds. A. V. voegt daarbij: vNiemand mag gedrongen worden iets aan te nemen, omdat eene groote menigte, of een Paus of een concilie iets zegt. Laat ieder vrij oor deel enquot; (blz. 90. i Dat is Roomsch niet Gereformeerd! De kinderen, die derhalve bij Ds. A. V. ter catechisatie gaan, beginnen dus met Roomsch te zijn, want zij nemen zijn verklaringen en uitspraken aan op zijn gezag. Wanneer hun later na nauwkeurig onderzoek blijkt, dat Ds. A. V. gelijk hoeft, zijn zij Protestant. En als zij, eenvoudige lieden zijnde, niet onderzoeken, wat dan? En als zij niet ontwikkeld genoeg zijn om te begrijpen, of geen tijd vinden om te onderzoekon, waarom bijv. de negen stellingen der Remonstranten op de synode van Dordrecht veroordeeld werden, wat dan?

ocr page 67

De teksten van Mattlieus. Joannes, Lucas zijn nu bijna 19 eeuwen oud; sedert dien tijd zijn er zeer vele leeraars en vromen ontslapen, die talrijke lt;gt;'escliriften hebben nagelaten.

Zullen wij Luther raadplegen

Dat is ondoenlijk. Ik weet niet, aan welken Luther ik mij te houden heb: aan Luther, die zeide: quot;Ich giaube, das/, der Papst ein verniumniter und leibhafter Tontel ist, weil er lt; icr Antichrist i'! ist. ISTach. dem Teufel ist der Papst ein rechter Teufelquot; (Tischred. Eisl. A. f. 388 a 841 a) » W e n g 1 e i c h der P a pst S t. P e ter wiire, so ware er doch ein gottloser Bube und Teufel, ja ein ver zwei fel ter (Tottesböse-wichtquot; (Tischr. Eisleb. A. f. 8U0 a 581 a) of aan Luther, die zeide: quot;Wenn des Papstes Gcwalt nicht

' De artikelen vau Smalkalda p. 314 noemen don Paus den echten Antichrist; Pa/pam esse ipsum verum Antiohristum.

■■Dat de Paus de Antichrist zou zijnquot;, schrijft Dr. A. Ku v por biz. 114, «is een vraag, die wel in 1603 door de Fransche kerken op haar synode in bevestigenden zin is beantwoord, maar zonder dat de Gereformeerde kerken van hier en elders dit artikel, hoezeer er kennis van dragende, te Dordrecht in hare belijdenis overnamen. Onze vaderen dorsten blijkbaar deze absolute uitspraak, hoezeer er toe overhellende, niet geheel aan.quot;

En indien do Gerelormeerde kerken deze absolute uitspraak aangedurfd hadden, was dan de Paus ::eher de Antichrist ?

De makers van de kantteekeningen des Statenbijbels dorsten, •■deze absolute uitspraakquot; blijkbaar aan.

Ds. Hellen broek zegt voor de vuist weg: //De Paus is de Antichrist.quot; (Voorheeld der Goddelijke Waarheden) En Luthei-schreef 18 Aug. 1520 aan Lange: //Wir hier sind überzeugt, dasz das Pabstthum der Sitz des wahron und leibhaftigen Antichrists ist, und glauben dasz uns gegen seine Tücke und Sch I ech t i gkeit Alles erlaubt ist zum Heile der Seelen.quot; De Wette 1, 418).

ocr page 68

■.i4

von Grott wiire iiuil nicht vdii lt;4'öttlicheiu Reclite bestütigt, so köunte das Papsttlmm so lange Zeit nicht bestanden habeuquot;, (De potest, pap.) en die nog den Ben Maart van 't jaar 151!) aan Paus Leo X schreef: fEs gerathe nun wie es wölle, so will ich nichts anderes wissen, als das/ Ener Heiligkeit Stimnie Ohristi Stimme sei, der dn r cli sie handle und rede.quot; — wlch be/euge vor Grott und allen seinen Creaturen, das/ ich nie Willens gewest noch heutes Tages bin, das/ ich niir ii lit Ernst hatte fürgeset/t, der römischen Kireheu und Ener Heiligkeit Gewalt an/ugreifen und mit irgeud einer List etwas ab/ubrechen. Ja, ich bekenne frei, das/ die.se Kirchengewalt über Alles sei, und ihr nirhts weder iin Himmel noch auf Erden könne förgezogen werden als allein Jesus Christus, der Herr über Alles.quot; (WW, Jenaer Atisgabe t ni. 1 fol. l'óU; tol. 47, fol. 144 .

Welken Luther moet ik geloovenLuther van 151!) of van 17 Nov. 152(1. die tegen den Paus het smaadschrift schreef: n wider die Bnlle des Endshrish Hij is feilhaar.

En al /egt hij: wSolchen Euhm und Ehr hab ich, es sei dein Tontel und allen seinen Gresellen lieb oder leid. das/ seit der Apostel Zeit keiii Doktor in»lt;-h Scribent, kein Theologus noch Jurist so herrlich und kliirlich die ti-ewissen der weltlichen Stande bestatigt, uiiterrichtet und getröstet hat als ich gethan habe. Denn St. Augustinus und Ambrosius gleichen mir darin in Nichts,quot; (12 Th. p- 2 1:i) dan behoef ik dat uieï te gelooven.

En als de schrijfster van de descJt. der Christel. Kerk (bl/. 10!)) /egt: Tot nu had Luther elk ver/et tegen Home voor ongeoorloofd gehouden, maar nu quot;hij leerde in/ienquot;, — na het twistgesprek te Leipzig— quot;dat

ocr page 69

(55

het yezay van den Paus niet in (xods Woord «fegrtmd is, werd liet liein steeds duidelijker, dat veel wat in den laatsten tijd op last van Rome geleerd werd, geene waarheid maar dwaling wasquot;, dan vraag ik: wat i-. nu zekerHeeft Luther zich vergist, toen liij den Paus erkende ot' toen hij hem niet erkende.

L u t h e r schrijft: wie h will mei n e L e h r e u n g e-richtet haben von J ederman n, auch von deu Engeln. Deun sintemal ieh ihr gewisz hin, will ieh durch sie euer nnd auch der Engel, wie St. Paulus spricht (Gal. I : IS), Richt er sein, dasz wer me ine Lehre nicht anninimt, dasz der nicht moge selig werden. Demi ich habe Seine Lehre von Grot'tes Gnaden, nicht allein vom Himmel erlangt, sondern auch fiir (sie) einen erhalten, der inelir vermag in seineni kleinen Finger, deun tausend Piipste. König-e, Fürsten nnd Doctores.quot; 1)

Moet ik dat nu gelooven Dan is Luther een Paus, en wel zulk een onfeilbare Paus, als nog nooit bestaan heeft.

Ik mag Luther de vraag stellen, die hij zichzelf gesteld heeft: wWer hat dir befohlen, das Evangelium zu predigenWer hat dich berufen!' .... Bist du etwa allein king, mul sollten die Audern alle irren und so lange geirrt haben'.'quot; -i

1

Luthers Werko, Erlang. Ausg. 28, 148, 848.

- Luthers Werke, Walchs Ausg. 19, 1305 Dacht Luther hier aau 't woord van Cyprianus: «Netnim succedens ut a se ipso incipiens alienus fit et yrofanusquot;(Ep. 69:4 Ds. A. V. geeft op blz. 96 niet onduideliik te kennen, dat ik woorden van Luther heb aangehaald, die niet in de geschriften van den Hervormer te vinden zijn. Ik zal daarom nog sterkere uitdrukkingen uit Luthers werken aangeven. Ds. A. V. moet maar eens nauwkeurig onderzoeken, want het loont de moeite. Ik daag tevens iedereen uit mij in pauseliike stukken plaatsen aan te wijzen, waar een Paus

ocr page 70

66

Den oden Maart 1519 sclirijft hij: wik betuiy voor God en alle scliepselen, dat ik nooit den wil gehad heb

zoo boud spreekt als Maarten Luther: '■Dokter Martinus will's also habeu und spricht, er sei ein Doktor iiber alle Doktoren im ganzen Papstthum; dabei soil's also bleiben.quot; In Tischr, Eisleb. fol. 550 b. Frankl'. 392 a; leb, Martin Luther, bin Euer Apostel . .. Ich bin Euer Evangelist. . . Kein Engel im Himmel und keinMenschauf Erden soil iiber meine Lelire urtheilen. Wer sienicht annimmt, kann nicht selig werden, und wer anders als ich glaubt, ist ein Kind der Holle, und wer meine Lehre verdammt, den wird Gott verdammen, denn mein Mund ist Christi Mund... Mein Gebet und AVeissagung fehlet nimmer. (Th. 4- p. 475; Tisch. Eisleb. fol. 550 b. Frankf. 392 a; Tom 11 Jenens g. f. 57 a. 107 b. u. f. 79a 119a tom. 9. Witt. g. f. enz. Luth. VVerke 1522 b. 11 p. 44; 9 Th. p. 179 en Th. 12 p. 223.

Dergelijke uitdrukkingen en nog sterkere kan Ds. A. V. ;aiet nauwkeurige opgave van plaats vinden in Blüihetistmmz am Luthers Werhen enz. gesammelt von A. Arndt, weil. protest. Theologen, 2e Auflage Berlin 1894 en bij Dr. Germanus; Beformatoren-Bilder en bij Döllinger enz. enz. Luthers bijbelvervalschingen zijn bekend. Toen hij het woordje alleen bij Eom. 3 : 28 ingeschoven had en daarover berispt werd, antwoordde hij in een schrijven aan Link (1530) -. quot;Wenn euer neuer Papist sich viel ünniitze machen will mit dem Worte sola, allein, so sagt ihm flugs also; Doktor Martin Luther will' also haben, und spricht: Papist und Esel sei Bin Ding; sic vnla, sic iubeo, uit pro ratione voluntas. Denn wir wollen nicht der Papisten Schiller noch Jünger, sondern ihre Meister und Richter sein; wollen auch einmal stolziren und pochen mit den Eselsküpfen, und wie Paulus wider seine tollen Heiligen sich riihmt, so will ich mich auch wider diese meine Esel rühmen . . . Und will weiter riibmen: Ich kann Psalmen und Propheten auslcgen; das künnen sie nicht. Ich kann dollmetscheh; das können sie nicht. Ich kann die heilige Schrift lesen; das künnen sie nicht. (Walch. Ausg. 21, 314.)

Ds. A. V. schrijft blz. 201 : r;Luther wyst van zich af naar de Schrift.quot; Ik durf vragen: Wijst hij ook in zijne bijbelverval-schingen en in bovenstaande uitdrukkingen van zich af naar de Schrift ?

ocr page 71

de Eoomselie Kerk aan te tasten, dat ik niets in lieniel en op aarde boven baar stelquot;, i) en SO dagen later, d. i. den 1 ;{den Maart 1519 scbi-ijft hij aan Spa la tin: //Ik weet niet of de Paus de Antiebrist is of zijn Apostel.quot; -)

Welke Lntber vergist zicb of welken Lu tb er moet ik gelooven, dien van den ;gt;den lt;jf dien van den loden Maart 1519

Ds. A. Arndt, die kortelings Eoomseb Katholiek is geworden, geeft in zijn Bliithenstramz nus Luther's Werken met nauwkeurige opgave van plaats en jaartal eenige uitspraken van La tb er aan, waarin de Hervormer ziebzelven tegenspreekt. In 't jaar 1517 begon Lntber de bervorming, in 't jaar 1546 stierf bij. Welnu in de jaren 1519, 1528, 1538 scbreef bij zeer loffelijk over de Eoomscbe Kerk en bet Pausdom, in 1523 en 1540 over de aanbidding van bet H. Sacrament des Altaars, in 1531 en 1541 over bet Sacrament van Boetvaardigheid en de oorbiecht, in 1522 en 1525 over de vereering der beelden, en in 1519, 1521 en 1541 over de aanroeping der Heiligen.

Welke Lntber heeft gelijk'.'

Men moet niet vergeten, dat Luther in een zeer voornaam punt zich zeker vergist heeft. «Het is opmerkelijkquot;, schrijft Ds. M. C. Jensen, die onlangs Eoomsch Katholiek is geworden, dat de Luthersche leer der rechtvaardiging, ter wille van welke leer de scheuring met de Katho 1 ieke Kerk ge-schiedde, thans stilzwijgend door verre de meeste protestantsche godgeleerden is prijsgegeven. De Pro-

1.) Luthers Briefe De quot;Wette I, 230.

2) Luthers Briefe, De Wette T, 236 Germ anus; Hef or matoren-hilder 1883 S. 69.

ocr page 72

(58

tostan t U-ra uil vigt noemt «lie leer zelfs eeu onzinnige fabel [Christliche Kinderlehre, '2 AuH. S. 174). Met eene stille hervnriuiug-, uaar ile uitdrukking van den pro-testantsclien godgeleerde Dr. Krogli-Touuiug, is men, zonder liet zelf te weten, van den dwaalweg' op den weg der Iverk teruggekeerd, met andere woorden: uien is wederom de leer der Katholieke Kerk genaderd. Maar. dus vraag ik zoo dringend mogelijk, wie had dan iu deze toenmaals zoo brandende vraag gelijk!' Stilzwijgend heeft de protestantsche godgeleerdheid in hare ontwikkeling toegegeven, dat Luther zeker ongelijk hadquot; 1 gt;.

Luther noemde den brief van Jacobus ween strooien epistelquot;, ('alviju prijst dien brief als van goud. Wie zal uitmaken aan welke zijde de waarheid is?

§ II.

Zullen wij leeraars uit de 16e eeuw ondervragen ?

Wij gaan dan te rade onder anderen bij He bust ia ai; L rank t 1545, Joannes Denk f 1528, Joannes Bader j 1545, Lndwig Hetzer t 1529, Thomas Milnzer f 1525, ( wederdoopers gt; , Caspar von S ch wen kfeld, een ontwikkeld edelman f l'-iii. Ka r 1 stadt, godgeleerde f 1541, 0ecolampadins, humanist t 1531, (Ja nier a rins, humanist f 1574, Step ban Agricola, hofpredikaut, Jacob Schfnk,

1

j I Ver hat Recht / Aphcrismen in Uriejïurm über die i/röszten Fragen imserer Zeii von M. 0. Jensen friiher Pfan-er van Fjehted und H'arndrup awf Fyen. 1896.

ocr page 73

()!gt;

predikant, Joauues TimauiiMS, ^lelanelitoii. een groot geleerde t 1560, Xiviugli, pastoor f 1581, den diepen denker Cal vljn 1509 f 15()t, Joannes Wigand, professor in Jena t 1587, Nicola us Heinming, godgeleerde te Kopeuliageii, Anton Otto, predikant, Andreas Hyperius, groot godgeleerde t 15« »4. (teor g Ka r g, godgeleerde t 157lt;gt;, J oan n e s Pist-a-t o r. bijbelvertaler t 1lt;)25, Olevianus t 1587 en Ursinns, vervaardigers van den Heidelbergsolien eate-cliisiuns, (■* e o r g Major, godgeleerde f 1574, Joannes Br en/, godgeleerde t 1570, ri i n us ISiicor, geleerde t 1551, iislt;Êri'as Os»andci'. professor iti de Hebreenwsclie taai 1552, Joacliini Mörlin, godgeleerde t 1571, Vitus Dietrich, Kr hard Schnepf predikant t 1558, Spa lat in hofprediker t 1544, Caspar Aqnila pastoor f 1 560, Joannes Eberlin, predikant t 152(5, Wolfgang Mnscnlns, beroemd predikant t 15(58, J a cob A ndreii, beroemd als »de tweede Luther, 1/ut he rus secundusquot; j 1590, La uren tins Andrea (Anderson), rijkskanselier t 1552, ('rnciger t 1548, ^lattliias I'lacius Ill^i-iciis. godgeleerde t 1575, th «-od oriis lï«'^.a. godgeleerde t 1(505, Willem Farel, t 1565, Viret en Fromment, predikanten, Xicolans von Amsdorf, predikant t 15(55, Berthold Halier, predikant t 1586, Paulus Speratns, predikant t 1554, Bngenhagen, predikant, M a r t i n u s C h e m n it/,, glt; )dgeleevde t 1 586, 11 a n s Sachs, Ambrosins Blarer (Blaurer) predikant t 15(54, Paul Fagins, professor en predikant t 1549, Justus Jonas, predikant, !) Di on y sin s M el a n de r,

1' Men vergete niet, dat de meeste dezer personen elkander op onmenschelijke wijze bestreden. Om maar alleen van den avond-maal-strijd to gewagen, wijs ik op hetgeen Melanchton aan

ocr page 74

70

Lutlierscli predikant f 15(gt;1, Anton Otto, Lutliersc-li preilikaut, Nico! n us Medlfv t Lutlierscli

predikant, Tliomas Naogeorgus (Kircliniaier) geb. 1511 f 1568, LritlierscL predikant, Sebastiaan M iiii z e i% Hebraist geb. 148!» 1552.

Tegenover al deze mannen kan ik minstens even zoovele andere tijdgenooten van Lntlier stellen, die in diepte van geleerdheid, reinheid van zeden, vastheid van karakter niet onclerdeden en toch de bedoelde teksten van Matthens enz. verstonden zooals wij en den Pans van Rome uit volle overtuiging erkenden als het zichtbaar hoofd der Iverk door (Jliristus aang'esteld, ook

Timannus schreef; ;»Wanneer ik onzen Blve-stroom aanschouw, denk ik dikwerf, dat al stortte ik zooveel tranen als de rivier golven zeewaarts voerf, ik toch de smart niet zou kunnen uitdrukken, die ik jaren achtereen gevoeld heb ter oorzake van de geschillen over 's lleercn avondmaal.quot; (Wagenaar: Beschrijr. r. Amsterdam. 11 St. blz. quot;201, zie ; W, Wilde: De inmrheid géhandha iifd tegen Gunning's Verven,-.:

Luther schrijft: quot;Eine lacher li che und lil genhafte Ketzereilehre lehreu 'auber auch i die Schwilrmer und Sakramentfeinde, Kar!-stadt. Zwingli Oecolampad und Ste nkf eld (Schwenkfeld ; und icli will diesz Zeugnisz vor den Eichterstuhl Christi briugen, dasz ich sie rait ganzem Ernste verdam mt und gemieden habe.quot; /'Diesu Elenden, dieso unerfahrenen Menschen, M ii n t z e i', Karlstadt, Zwingli, Oecolampad, Stijf fel, Eysleben, alle voll Vermesse,nheit, blahcn sich auf vor dem Siege; sie sind alle durch Anmaszung gefallen. (xott helfe mir, deun ich bin ein Siinder. Ich kann auch fallen.quot;' Zwinglianen noemt hij; quot;voll-stündige Heiden,quot; .... eingeteufelt, durchteufelt, iiberteufelt .... Satans Diener.quot;' (Luthers wcrke Walch '20, 1014 enz.) Koch vóór noch na Luther heeft een Paus zóó.... gescholden. Zet Gre-gorius den Groote (540—604) eens tegen hem over. pTk Luthersche landen hoeft men Oalvijn gesmaadquot;, zegt Dr. A. Kuyper f/Te Genève en ver daarbuiten was het Calvinisme het graf voor den godsdienst van Lutherquot; M. A. Thompson De Kaflmlielc 1897 blz. 99. gt;

ocr page 75

omdat quot;de Kerk,quot; naar de bekentenis van Prof. J. H. Grunninjj', quot;een zichtbaar middelpnnt noodig heeft.quot;

Laten wij eenige geleerden noemen, die in de dagen van Luther tegen het Protestantisme /.iju opgekomen.

Li de Mie eeuw . erlneven zich tegen de Hervorming van Luther en Calvijn onder vele anderen de volgende mannen: Sylvester Pr ie ras O. P. godgeleerde, Conrad Wimpina, professor in de godgeleerdheid t Lgt;31, Lr. Joannes Eek, professor in de godgeleerdheid te Ingolstadt t lo-to, Jacob van Hoogstraet O. P., godgeleerde t 1527. Joannes D i e t e n b e r g e r, 'i beroemde godgeleerde en bijbelvertaler te Mainz 1587, Am b rosins Cat har inns O. P.. aartsbisschop van ('onza t 1558, .) a cob La torn us, professor in de godgeleerdheid te Leuven t 1544, Ber t h o 1 d Pir s tinger, bisschigt;]gt; van Chieuisee t 1548, die door zijn beroemd werk Deutsche Theologie -) volgens Lr. Fr. \\rindischma nn te recht de meening te niet doet, als zon Luther het eerst Grods Woord in echt Didtscli verkondigd en het eerst in geestelijke zaken krachtig Duitsch hebben gesproken. Frederik Nausea, bisschop van Weenen t 1552.

Verder J o a n n e s F a b e r van Heilbronn O. P., prediker 1558. J o a n n e s F a e r van Leutkirch, bisschop van Weenen iquot; 1541, Vitus Faber Orientalist t 1598, Joannes C och la ens, godgeleerde en htimanist t 1552, de groote geleerde Hier ony mus Al e and er

1 A'au wien Wi 1 h. Eisengrein t 1570 getuigt; wEen man geroemd om de reinheid zijner zeden en om zijne geleerdheid . . . een wijsgeer, redenaar, die voor geen enkelen godgeleerde onderdoet.quot; Gatal. testivm veritatis.

Dit merkwaardig boek verscheen te Miinchen einde Augustus 1528.

ocr page 76

t John Fisher, bisschop vau Rochester f 1535,

H i e r o ii y 111 ii s Buis er, scherpe polemist t 1527, b ranciscus Lichetus O. S. Fr., godgeleerde t 1520, Joannes Hoffiu eister O. S. A., godgeleerde t 1547, Jacob W i in p f e 1 i iig, godgeleerde t 1528, Öttinar Lnscinius, godgeleerde 1587. Ivilian Lei!), bijbelverklaarder t 1 •gt;58, Wolfgan g Ma rins, abt van Aldersbach, godgeleerde t 1544, Eberhard Bil lick O. (godgeleerde t 1557, Beatns Rh e na mis, hunianist f 1 ■)47, Jacob üelin, ]»rotessor in de Hebreenwsche taal te Ingolstadt, Am bros VVidnia un, professor in de rechtswetenschap, Marqnard Behr, prior der Kartbnizcrs f 1553, rechtsgeleerde, Joannes (tandens Anhaner, professor in Tübingeii, daarna, in Freibnrg f 1541, Arnibrnster, rector aan de hoogeschool te Tübingen, (In Uns Muller, professor, (t e o r g Breitenbach, groot rechtsgeleerde, Joannes Panlli genaamd Arsenins, groot geleerde t 1577, Andreas Fabric ins, professor in de wijsbegeerte te Leuven t 1581, Joannes ('amers, die in 1524 tegen Speratns, den eersten Lntherscheii predikant te Weenen schreef, Nieolans Blanckai-t van Utrecht, professor in de godgeleerdheid te Keulen, t 1555, Jacob Ohristoph Blarer, bisschop van Basel 1608, Nico 1 ans Ellenbog O. S. B., humanist f l-gt;42, Wilhelm Bstins, uitstékend godgeleerde en bijbelverklaarder t 1(513, Al ex a n d e r F a mes e, beroemde kardinaal t 1589, Bonifacins Amerbach, professor in 't recht, Gregorius de Va 1 en tia S. J. f '603, Ga brie 1 Vasqnez S. J. (f 1G04), Cajetanns ü. P., Domini-cns Bannez O. P. 1004, Mart inns O lave S. J., F r a n c i s c n s v a n F e r r a r a O. P., A 1 p h o n s n s Pi sa nns S. J. j 1597, Thomas 8 tap let on t 1598,

ocr page 77

Jodoc us Clitoveus. doctor tier Sorboime !-gt;1--ï, Cliristopli (Hleffou tiiin es (). 8. i'r. t I -VD, Rnard Tapper f 1 •quot;)quot;)!(. Joliannes (lavet O. S. A., Willem Liudauus t I5.SS, Franeisciis Victoria: (). P. f 1546, A 1 plions us 8 aimer on S. J. t 1ÖS5, Thomas Öan chez S. -J. 1610, A ntoii ius Posse-i n ii s S J. Mill, b'r a n eisc u s S u a r e /. S. .1. t 1()]7, Johannes Justus Lansperg f löo9. Jozef \\ i 1 il (). S. F. f 1551. ]Mieha ë 1 JTeldiug I5()l, Searga S. J., Willem Pepin (). P. t 152!'. Ste-pliaiius Paris O.P.f 1550. Vieira S. J.. Beuedictxis Pa 1 in ius S. J., Paul Segneri S. J., Caesar Baronins t 1607, Sadoletns f 1547, bijbelverklaarder, Viegas 8. J. t 1509, bijbelverklaarder. J a c. N a k 1 a n t u s (). 1'. bijbelverklaarder, J oh a u n e s Mol a nus (Vermeulenl, godgeleerde, professor te Leuven, geb. 15:):gt; t 15S5, Antoine lt;le Mouchv, godgeleenje en canonist, rector van de Parijsche hoogeschoid t 1574, die tegen (quot;alvijn een werk schreef ter verdediging van liet offer der H. .Mis. Karei, kardinaal van Lotharingen geb. 1524 t 1574, Franciscus Lucas van Brugge geb. 1550 t 161!'. een uitstekend bijhel-verklaarder, Christoph M a d r n /. /., kardinaal-bisschop van Porto geb. 1512 t 1578, Bernardinus Maffei, kardinaal, geb. 1514 t 155:5.

Ambrosius Pelargus Ü.P. 1561, schreef in 1528 tegen Oeco 1 am pa diu s, het boek: ■'(Jnnul, Ursach unci Aniwort, dasz Christus wahrhafiiy iu der heiligen Messe fiir Lebendv/e und Todie aufgeopfert teerdequot;'. Aan dit werk vooral was het toe te schrijven, dat liet verzoek der niemveren om de Mis af te schaffen door den Raad te Basel werd afgeslagen. O e c o 1 a in pa d iu s viel den schrijver hevig aau met het geschrift: Eeigt;nlsio

ocr page 78

74

Apoloyiae etc., docli de beroemde Doiuinicaaii antwoordde scherp, maar zakelijk met een ander gesclirift: Ilyjiem-sjjismus.

Petrus M a r t y r d'A n g hie ra, een beroemd geleerde, geb. omstreeks 1457, gest. in 152(5, Petrus (xalatinus O. S. Fr., groot godgeleerde en orientalist, gestorven 1589.

Petrus ('anisins, geboren te Nijmegen 1521 en gestorven te Freiburg in Zwitserland 1597.

De Protestant Banr schrijft van hem: «Hij was onvermoeid en niet zonder gelukkigen uitslag, om door prediking, onderricht der jeugd en zijn invloed op den deftigen stand de zoorjenaamde 'i ketters te bekeeren.,.. Op bevel van den keizer, die ijverde voor de zuiverheid der katholieke leer schreef hij een grooten en kleinen Catechismus.... die van Dnitschland in vele andere landen verspreid werd en in de Ivatholieke Kerk datgene werd, wat de kleine ('atechisnms van Luther in de Evangelische Kerk geworden is. ('anisins stelt de geheele christelijke leer. trouw aan het grondbeginsel zijner Kerk.... met groote duidelijkheid en juistheid voorquot;'. -

De Pivitestant .) oha n u (' h ris t oph Ha r e u berg zegt: quot;Er war der teutschen Sprache sehr machtig nnd predigte vor den Grossen mit Beyfallequot;.

(Traaf de Lu na berichtte den Koning van Spanje:

'i Volgens Ds. A. Hellen broek waren het niet zoogenaamde, maar wezenlijke ketters, want deze dominee zegt, dat de Luthersclie leer oen dwaling is buiten de Gereformeerde Kerk. (Y'xit'heelo dei' f/oddeJ, tijdarhedeti).

E. u. (r.

PragnuUiscltt' Geschü'Ji.fe des Ordens der Jesuiffïi iHalle utid Helmstüdt 1760) S. l(4i.

ocr page 79

quot;De tijdiui* is mis geworden, dat in liét ivue jaar loliO, waarin Canisins te Aug'sburg gepredikt lieett, meer dan 10000 personen tot den katholieken godsdienst zijn ternyo'ekeerdquot;. i) Dit getal is overdreven, maar zeker heeft hij zeer velen tot de Kerk teruggebracht. Door zijn Catechismus bekeerden o. m. een beroemde advocaat, een Calvinist en in 1614 de paltsgraat V\ oltgang Wilhelm von Xeuberg. -)

In de Bijdragen voor vaderl. (jesch. en oudheidk. (ïfieuwe Reeks D. IV, 1(501 schrijft de protesta ntsche Rijksarchivaris Mr. Ij. Ph. ('. van den Bergh: »Welke eene kerkelijke richting men ook toegedaan zij, kan men niet anders dan met bewondering op dezen man staren, die zijn geheelr leven en alle krachten va:; lichaam en ziel toewijdde aan hetgeen hij voor waar en recht hield. Een der hechtste steunpilaren van het Kath.'dicisme in die stormachtige eeuw, richtte hij vooral zijn aandacht op den verwaarloosden staat van het onderwijs en heeft het dan ook, schoon geheel in kerkelijken zin, door liet stichten van een aantal collegiën en door eigen leer en voorbeeld krachtig bevorderd, (releerd, welsprekend en gewoon met de uitstekende mannen zijns tijds en met vorsten en hooge prelaten om te gaan, drong zijn invloed overal door en wist hij menigeen, die tussehen het oude en nieuwe wankelde, voor het oude te bewaren. Zijne werkzaamheid was verbazend, zoodat men nauwelijks begrijpt, hoe hij bij zooveel verschillende betrekkmg'en als hem werden opgedragen en bij de onophoudelijke werken, deels van godgeleerden, deels van kerkhistori-

1 Culección de documentos inéditos para la Hisfnyin d'- Espana XVlil (Madrid 1891\, 203.

- G. Struve; P frdf::tsch'' Kirclieyi-JHstorv Frankfurt 1121) S. 540—543.

ocr page 80

S'.-hcn inhoud tijd vond____Het Protestantisme, dat hij

zrju ii-eheele leven laii# bestreed, kun hem slechts als een dapperen vijand beschouwen, maar zal ten minste aan zijn onbezweken ijver, zijne n'roote bekwaamheden en zijn eervol karakter zijne achting- niet ontzeggenquot;.

Heeft deze Ca nisi us, die dlt;gt;or Anbert.us Mi rueu s (Le Mire) de quot;Hieronymus zijner eeuwquot;' en door anderen «/een tweede Boni t'a tin squot; wordt genoemd, zich zeker vergist

Nico la ti s O lab, aartsbisschop van (xran, primaat van Hongarije, staatsman en geleerde, geboren 1498, gestorven 15(58.

De Protestant txama uf schrijft van hem: «/Een «Ier geleerdste en uitstekendste prelaten van Hongarije . .. In t jaar I •)•gt;;-! werd hij tot aartsbisschop van (irau en primaat des rijks verheven . . . en nu vond hij den. nitge-breidsten werkkring- om \ oor de Ivatliolieke Kerk van Hongarije te ijveren... Hij schreef een kort begrip der katholieke leer Catholicae ac Ghristianae Rehgionts prae-r.ipua quaedam capita, de Sacramentis, Fide et Operibus, de utraque Justificatione ac ul'is, dat nog altijd voor een meesterstuk geldt.... De v r o m e . mensch-lievende grijsaard stierf na zijn 7()ste levensjaar te zijn ingetreden.quot;

Hij was een groot vriend der Jezuïeten.

Hij heeft zich zeker vergist!'

Antonius Montesino O. P., missionaris in West-

1) Zie over Canisius o. m. in het Museum (5de Jg. no. 2) een merkwaardig artikel van Dr. G. Brom, die door de Hint. puli'. Hliiffer geprezen wordt een quot;auszerordentlich bef;ihigter Gelehrte.... ven dem noch Groszes zu erwarten istquot;.

ocr page 81

Imlië, is aldaar in 1545 den marteldood gestorven ; lieel't hij /icli zeker vergist

() n u p li ri u s Pauvinius O. S. Aug. (geb. 152!', gest. 15()8).

De Protestant F', A. Eckstein ') sclirijft: quot;Sclion Mili zeigten sicli ^lie auszerordeutlicten h'iihigkeiteu des Knallen und sein nnermüdlielier Fleisz; selion ini 12 Jalire entwickelte sicli die jSTeignng zu den historisch en und antiquarischen Studiën, deren Pfiege er sicli spater znr Lebensaufgabe geniaclit bat . . . Hij vond te Rome /dn dem wackeren Cardinal Marcello Cervini einen eintiuszreicben Gönner . . . ('ardinal A1 e s s a n d r lt; gt; P a r-iiese. in (xelebrsamkeit uud Kunstsinn ein wiirdiger Nadikommc -i Pa pst s Paul III iiabm ihn in seinen Palast auf und verschafte ihm dadurch die schone Mnsze, deren er znr Vollendung früher begonnener Arbeiten so sebr lgt;ediirfto.quot; Omtrent zijn arbeidzaamheid schrijft P. Eckstein verder: ''Der Aussprnch des Florentiner Jac. Gaddi: (hiuyhrim heeft zooveel yegchrereu, daf hij naar hei schijn,t niets heeft kunnen lezen, en hij heeft zooveel gelezen, dat hij naar het schijnt niets heeft kunnen, schrijven, ') ist sebr treffend . . . Auf diese rast lose Thiit igkeit deutet znm Theil audi das Sinnbild, welches er sicb gewiili It batte, namlich ein zwisclien eineni Altar und eiuem PHuge stehender Ochse mit deu Virgilianiscben Horten ad utrumque paralus, womit angezeigt werden sollte, dasz er gleicb bereit sei, sicb dem Altnre, riem Dienste der Kirche zii widmeu. als jede andere ninhsame Arbeit zu nbernehmen . . . Fiir die Verhaltnisse seiner Zeit bat er

i E. u. G.

- was een neef van Panlus Lil.

!) it Tot Onyplirhis scripsit, vt nihil lec/erc, tuf '(lieria lei/if, nf nihil scrlhere potuisse. videaturquot;.

ocr page 82

7S

Grii s zes «releistet. nm.l die a llg'eiueiuste Anerken-nniiy: der Zeitgenossen liat seinen Verdiensten nic'lit yefelilt, vmd selbst die (leaner seiner Kirelie li a ben in dies Lu b e i n g e s t i m m tquot; . . . Onder zij ne zeer talrijke geschriften is bet eerste, een kort verbaal der Pausen: Epitome Pontiflciim Eomanonim a S. Petro us(/ue ad Paidmn / V enz.

Heeft deze hooggeleerde geschiedvorseher, die den bisschop van Rome als Christusquot; plaatsbekleeder erkende, zich zeker vergist

Alexander Sanli, Barna biet, geboren te Milaan 1588 en gestorven als bisschop van Pavia in 1592.

Om zijn onvermoeid streven door svnoden, herderlijke brieven, geestelijken en leeken zedelijk te verheffen, werd hij «de Apostel van Corsicaquot; genoemd.

Hij erkende den bisschop van Home als bet zichtbaar hoofd van, de zichtbare Kerk van Christus op aarde; heeft hij zich zeker vergist

William Allen, die quot;de Kardinaal van Engelandquot; genoemd wordt, werd geboren te Eossal (Lancashire) in 1532. Hij verliet onder de vervolging van Elisabeth het land. Te ilechelen werd bij tot priester gewijd en ging toen naar Leuven. Daar schreef hij tegen Juell een verhandeling over het vagevuur. Als professor in de godgeleerdheid te Douay vertaalde hij met G-r ego rins Martins en Eichard Bristow den Bijbel in het Engelsch, welke vertaling nu nog in Engeland en Amerika gebruikt wordt. Hij heeft veel geschreven ter verdediging van de Koomsch Katholieke leer. «Hij schreefquot;, zegt de Protestant H. (Erscli) quot;Schriften fnr den Katholischen Glanben, die in Groszbrittanien so streng verboten waren, dasz der Jesuit Tli. Altteld wegen Verbreitung dieser Schriften 1585 hingerichtet wurde.quot; Alle n stierf te Romein 1594.

ocr page 83

79

Heeft deze godgeleerde imm zieli zeker vergist?

Soannes van Lemberg, een godgeleerde uit Polen, werd in quot;t midden der I(gt;e eeuw professor aan t gesticht St. Florianus te Demberg. quot;Er war ein gern gehörter Kanzelredner' zegt de Protestant Ph. H. Kiilb, l) »und eiferte besonders gegeu die Ketzer . . . Hij heeft de H. Schrift in het Poolsch vertaald.'quot;

Hij erkende den bisschop van Rome als Christus' plaatsbekleeder op aarde; heeft hij zich zeker vergist?

Reginald Pole, geb. 1500 1558, kardinaal en aartsbisschop van Canterburyquot;, wilde de echtscheiding van Hendrik VIII niet erkennen, schreef een verdedigingsschrift voor de kerkelijke eenheid, bewees op grond van de H. Schrift de onhoudbaarheid van de koninklijke suprematie en verdedigde het primaatschap van den bisschop van Rome.

Heeft deze groote geleerde zich zeker vergist?

Joannes van L e i d e n of J o a n n e s G e r b r a n d ge-heeten, is geboren te Leiden en trad in 1501 te Haarlem in de orde der Karmelieten. De Protestant Ph. H. Kü 1b 1) zegt van hem: quot;Hij was een ijverig en geleerd man en ook als kanselredenaar bij het volk zeer geacht.quot;

Hij erkende den bisschop van Rome als Christus' plaatsbekleeder; heeft hij zich zeker vergist?

Claude Bernard 158S t ! Oil, van wien de Protestant Dr. Her zog getuigt quot;einer der frö inmeten Münner der katholischen Kirche; heeft het gebed gemaakt: Gedenk, o goedertierenste Maagd enz. en erkende den Paus.

Heeft hij zich zeker vergist ?

r) E. u. G. 1) E. u. (T.

ocr page 84

80

Joannes Potkeu, ilompi'onst van 8t. (xeorö' te Keulen, ^af in 151.8 te Rome als eersten etliiopisclien drnlf de Psalmen, de Canfica en het TlcxxjUed nit.

Hij erkende den bisschop van Rome als 't liootd der Kerk op aarde; heeft hij zich zeker vergistquot;1

Joannes van Avila. geboren tnssclien 1494 en ^ ö((() f 1509.

\ olgens den Protestant Tb. Pressel 'i 'wordt hij wde Apostel van Andalnsiëquot; genoemd. quot;Zijne preekenquot;, zegt dezelfde Protestant, wwaren zeer beeldrijk en meestal ter verheerlijleinti van de H. Maagd Maria . . . Da er die Grnndlage znr Sittlichnng des \ olks nnd zum Gedeihen seiner Predigten in der Jugenderziehimg, in der Errich-tnng von Schillen nnd Kuabonseminariën sail, so entstanden dnrch sein rnstioscs Streben in kni-zer Zeit die Schnlen m Sevilla. I beda. Baeza. (ïranada, Cordova nnd Monti 1 la.quot; Om ziekte trok hij zich in geestelijke afzondering terug «mul schriel» die reiche. - Qnartbande umtassende Sammlung seiner in mehrere Sprnchen übersetzten Briefe.quot;

De Protestant Banr zegt: quot;Hij studeerde te Alcala wijsbegeerte, verdeelde na den dood zijner ouders geheel zijn vermogen onder de armen . . . en bewerkte door zijne preeken zoo vele en buitengewone bekeeringen, dat men hem . . . den Apostel van Andalnsië noemde. Hij stierf in 15(19 te Montilla in Andalnsië en liet vele stichtelijke geschriften na.quot; 1

Deze .1 o a nnes werd priester gewijd en trok de aandacht van een heilig geestelijke, doordien hij met buitengewonen eerbied liet H. Misoffer opdroeg.

1

, E. n. G.

ocr page 85

81

Heeft Joannes zicli zeker vergist!'

Hij selireef 21 verliandelingen over liet H. Sacrament des Altaars.

Heeft hij zich zeker vergist'.'

Hij erkende den bisschop van Koiae als Christus plaatsbekleeder o|) aarde.

Heeft 11 ij zich zeker vergist

Kardinaal Bellariainns B. •). 1542—1620, van wien de Protestant Thiersch zegt: quot;Daar stak in den knaap en den jongeling een diepe ernst.... Dezen ernst en zijn reinheid van zeden wist hij te bewaren, ook toen hij naar de hoogeschool van Padna gezonden werd... Hij stierf door allen, bijzonder door de armen betrenrd, in den ouderdom van bijna 79 jaar, op den 27en Sept. 1()21. Algemeen bewonderde men hem om zijn leven van a postolischen eenvoud en onbaatzuchtigheid... Bellarminus' portret... teekent een hoogst mannelijk en vurig karakter, aan zelfbedwang gewoonquot; i).

Bella rm inns was een Jezuïet en een warm verdediger van het pausdom; heeft hij zich zeker vergist;'

Joannes a Jesn Maria was volgens den Protestant Ph. H. Külb -) quot;ein früher viel gerühmter und viel gelesener theoh)gischer Schriftsteller uit de orde der ongeschoeide Karmelieten.quot; Hij werd geboren in 15(54 en «trat sehr früh (1582) in den Karmeliter-orden, welchen er durch seine Prömmigkeit und Grelehrsamkeit ziertc. Er lebte meist in Italien und stand bei deni Papste und den kardinalen fortwahrend in besonderer gunst. . . . In welcheni groszen Ansehen

]) Dr. Herzog. '-! E. n. G.

(5

ocr page 86

seine zalilreielien Werke, die fast alle in italienisclien Spraehe geselirieben, aber in lateinischen Ubersetznngen am bekanntesten sind, standen, beweisen die wiederholten Ausgaben derselben. Die am biiu tigs ten gedrnckten und bedentendsten seiner Scliriften sind die Commentare iiber das holte Lied, iiber das Buck Iliob und über die Klagelieder des Jeremiasquot;. Zijne werken worden door Bella r min us en F r a n c i s c u s d e Sale s geroemd.

Heeft liij zieli zeker vergist ?

Carolus Borromeus 1538—1584, kardinaal en aartsbissebop van Milaan. r/Ook zijn vijanden moesten zijn deugden eeren.... Hij bekoorde tot de mannen, die bet Katholicisme kracht genoeg toekenden, zich uit zichzelf weder te verjongen, en zoo ver hij met eigen voorbeeld kon voorgaan, deinsde hij voor geen offer terug. Zijne krachten, zijne gezondheid, zijn vermogen behoorden aan de Kerk, die hij met de overtuiging en de gevoelens van een martelaar diende .... Ha een leven, aan strijd en daden rijk, stierf de vrome Kerkvorst den 3 Nov. 1584 in den ouderdom van 46 jaren.quot; Aldus de Protestant Hagen bach, i)

Deze kardinaal erkende den bisschop van Rome als het zichtbaar hoofd der Kerk; heeft hij zich zeJcer vergist ?

Aloysius van Gonzaga 1568—1591, een markgraaf. aTe Rome bezweek hij door zijn opofferende toewijding, om tijdens een verdelgende besmetting arme zieken te verplegen,quot; zegt de Protestant D r. H e r z o g.

Aloysius erkende den bisschop van Rome als Christus' plaatsbekleeder op aarde; heeft hij zich zeker vergist ?

Franciscus Borgia 1510—1572, een Jezuïet. Deze Generaal van de orde der Jezuïeten «wist zoo groot 1) Dr. Herzog.

ocr page 87

83

eene begeestering* te wekkenquot;, zegt ue Protestant V o n Stram berg, «dat de leeraars (van 't Noviciaat', ongedwongen, in hunne vrije nren er bun boogste vreug'de in vonden, de verwaarloosde jeugd in kei-ken of op openbare plaatsen te bekeeren, de armen in de bospi-talen en gevangenissen te troosten, kortom in alles bet voorbeeld van ootmoed te geven.... De buiteng'ewone uitkomsten, die de Orde bij beidenen in 't verre Oosten en Westen zou verkrijg'en, werden door bem voorbereid, want bij droeg zorg voor de aankweeking, voor de

vorming van vrome, vurige geloofsverkondigers.....

Tijdens bet woeden van de pest, waardoor Rome en Midden-Italië m 156'J geteisterd werden, verscbijnt Francis c u s opnieuw als liet verbevenste voorbeeld van zelfverloocbening en opofferende naastenliefde; zoover zijn persoonlijke kracbten en middelen reikten, werden zij aan den dienst der pestzieken gewijd, en in zijne Orde vond bij een waarlijk vurige navolging. Bijna al de Paters, die bij, den lijdenden tot troost, in de verscbillende stadswijken bad aangesteld, stierven op bet waarachtige veld van eer .... Meer meesleepend ecbter dan dit alles werkte bet voorbeeld van den Generaal, zijn strengheid tegen zichzelf, zijn zachtheid jegens anderen, zijn bijna tot zwakheid overhellende lankmoedigheidquot; 1). ., .

Hij erkende den bisschop van Rome als Christus' plaatsbekleeder op aarde; heeft deze Generaal der Jezuïeten zich zeker vergist

Franciscus Xaverins 150G 1552, een Jezuïet.

Van hem schrijft de Protestant Fr on muller: quot;Een zeldzame, edele bloesem aan den boom der Sociëteit

3) E. u. G.

ocr page 88

84

vau Jezus, een van de merkwaardigste mamieii in de oude en nieuwe gescliiedenis der Missiën. W ij staan voor een persoon, uitgerust niet linog'e gaven van geest en hart, vol kracht en vuur, maar nederig ook en zaclitmoedig, onverbiddelijk streng tegen zichzelf, zacht en vriendelijk jegens anderen, bezield door een brandenden, zichzelf vergetenden ijver voor de eer zijns Verlossers en de uitbreiding van diens Rijk. en van de meest opofferende liefde ontgloeid voor de ongeloovigen en voor de heidenen in 't bijzonder. Xiet onverdiend is zijn naam de Apostel van Indië, daar hij er zijn levensdoel in stelde het werk. volgens de overlevering door den Apostel Thomas aldaar begonnen, weder op te vatten en voort te zetten .... Door den Paus wordt hij benoemd tot Apostolisch Nuntius voor Indië en voorzien van uitgestrekte volmachten ....

Zijne zachtmoedigheid, ootmoed en liefde maken een onwecler staan ba ren in druk ....

Hij bewerkte hierbij meer door zijn streng'e levenswijze, zijn geest van zelfverloochening, zijn zachtmoedigheid en liefde, dan door wonderen, « it'r «m'lil lieid es iet

laat bestrijden, moge dan ook al de drift om hem te verheerlijken en partijzucht menig wonder verdicht of opgesmukt hebben.

Hij doopte meer dan honderd Japaneezen, en werkte wonderen onder hen.quot; 'i

Deze Fr a n cis cn s X a ver i us was een van de «zes talentvolle jonge mannen, die, door geloofsijver bezield, op aansporing van Loyola een religieus verbond sloten,quot; zegt dezelfde Protestant, m. a. w. X a verin s was een Jezuïet en erkende den Paus als Christus' plaatsbekleeder.

!) Dr. Herzoa:.

ocr page 89

door wieu liij in 1540 tot pauselijk gezant voor Indië benoemd werd.

Hij lieeft onzeglijk vele /ieleu tot Christus gebraclit.

Heeft liij zich zeker vergist

Franciscns van Ca ru c e i o I i 1 (JOS, niedesticliter van de Clerici reijulares minores. Van hem getuigt de Protestant von Stram berg: quot;Ileu vurig vereerder als hij was, van het altaargeheim, voerde hij iu zijn orde de eeuwigdurende aanbidding in .... De armen waren het, wien Franciscus zijn voorliefde schonk; niet alleen, dat hij vóór zijne intrede in het klooster zijne goederen verkocht, om de geheele daaruit verkregen som onder de behoeftigen te verdoelen, hij trok ook de straten door, om voor hen aalmoezen in te zamelen, hij deed hun stipt toekomen, wat hij week in, week uit door een driedaagsche vasten bespaarde, ja, gaf eens bij een strenge winterkoude al zijne bovenkleedereu weg, om de naakten er mede te kleeden ....

Streng in het onderhonden der regels was hij voor allen het voorbeeld van ootmoedigheid; als iedere andere monnik nam hij de nederigste werkzaamheden op zich . . . . Als tijdelijk loon voor zoo groote nederigheid beschouwde men de verheven zielsgenaden hem verleend, bijzonder de kracht wonderen te werken en de toekomst te voorzien .... De verkondiger van Gods liefde, dezen verheven bijnaam heeft hij zich door zijn brandenden ijver voor het heil der zielen verworven .... Hij sprak een algemeene biecht, ontving het heilig Avondmaal geknield, onder treffende teekenen van dankbaarheid en ootmoed, dicteerde een rondgaanden brief aan de gezamenlijke leden van zijne orde, waarin hij hen tot nauwgezette onderhouding der regels, tot on ver breekbare gehoorzaamheid aan de geboden van het Evangelie

ocr page 90

86

opwekte, en ontving- ten slotte met de diepste godsvrucht de Heilige Olie. Voortdurend en tot zijn laatsten adem de heilige namen van Jezus en Maria aanroepend, verdroeg hij met 01;wankelbaar geduld alle smarten dei-ziekte, die op den 4en Juni 1608 zijn leven eindigde.quot; i)

Deze Fran cis eu s erkende den bisschop van Rome als Christus' plaatsbekleeder op aarde; heeft hij zich zeker vergist!'

F ra n ei sc us van Sales 1567—-1622, bisschop van Geneve.

Dr. Richard Rot he, protestantsch godgeleerde schreef op het feest van Maria-Visitatie: quot;Gave God, dat deze dag' voor mij zoo feestelijk was als voor den heiligen Fran ciscus van Sales, dezen aller eerbied waardigen bisschop van Geneve, die zelfs een Orde stichtte ter eere van dit feest, de Orde de la visitation de Ia Sainie Vierge. Indien de Katholieke Kerk in onze dagen vijftig zulke mannen als dezen Frauciscus of als den H. Carolus Borromeus en twintig als Fenelon had, zij zouden wonderdaden doen.quot; (Dr. Richard Rothe von Fr. Xippold 1878 S. 266 .

Frauciscus, Carolus Borromeus en Fenelon erkend;-u den bisschop van Rome als het zichtbaar hoofd der zichtbare Kerk op aarde; hebben zij zich zeker vergist

quot;Von vorherrscheud mild feiner Art. . . Man rühmte ihm 72000 Bekehrungen nach,quot; zegt de Protestant Reuchlin. -

Tj , E. u. G.

-') Di1. Herzog. Volgens Dr. Herzog prentte de Jezuïet Posse vin den jeugdigen Franeiseus diep in 't hart; t'vrie dis Eeformation besonders dureh die TJnvrissenheit des Kath. Klerus so grosze Fortschritte gemacht habe. dalier Frömmigkeit oline Wissenschaft ebenso ungenügend fiir Erhaltutig der Kirche sai als Wissenschaft ohne Frömmigkeit.quot;

ocr page 91

87

Op zijn sterfbed zeide Frauciscus tot de weeneude omstanders: «Weent niet. mijne kinderen, moet Gods wil niet geschieden'.1quot; (de Protestant \ron Stram berg bij Brscli nnd Grnber).

Deze F ran cis en s van Sales zegt in zijn De l'autorité et primauté de S. Pierre et des souverains Pontifes ses successeurs: quot;Op slot van rekening, zoo de Opperherder (de Pans) zijne schapen naar vergiftigde weiden kon voeren, zon zeker de geheele schaapstal weldra verloren zijn. Indien de Opperherder ons tot het kwaad bracht, wie zou dan de kudde weder oprichten'.' Dwaalde zij af', wie zou haar dan tot de waarheid terugbrengen ? Wij hebben hem maar eenvoudig te volgen, hem niet te verlaten, anders zouden de schapen herders zijn! Voorzeker de Kerk kan niet altijd in een algemeen Concilie vergaderen: in de drie eerste eeuwen is er geen enkele algemeene kerkvergadering geweest. Welnu tot wien zou men zich beter kunnen wenden met de moeielijkheden, die zich dagelijks voordoen'.1 Van wien zon men een veiliger richtsnoer en een zekerder wet kunnen erlangen dan van het algemeene H o o f d en van den p 1 a a t s b e k 1 e e d e r o n z e s He er en'.' Dat alles geldt niet alleen voor den H. Petrus, maar ook voor diens opvolgers. Immers waar de oorzaak blijft, moet ook het gevolg blijven bestaan. De Kerk iieoft altijd een onfeilbaar en een lgt;lijvenlt;len hekraelit iger noodig, tot wien men zich kan wenden om een vasten grondslag te vinden, welke door de poorten der hel en voornamelijk door de dwaling niet vernietigd kan worden. Het is noodzakelijk, dat de Herder der Kerk niet tot dwaling, niet tot het kwaad voeren kan. Alleen de opvolgers van Petrus hebben die voorrechten, welke niet aan

ocr page 92

den ijersoon, maar aan de waai'di^lieid en de openbare bediening van den persoon verbonden zijn.quot; i)

Fran ei sens erkende den onfeilbaren Pans; heeft hij zieh zeker vergist?

Hij noemt den Pans 'diet dienende Hoofdquot; niet, zooals Piehler ten onrechte beweert quot;van de Kerkquot;, als zon de Pans onder de Kerk staan, maar van J e z n s Christus, die de «chef principalquot; der Kerk is. uLe Pape et l'Eglise, e'esf tout miquot;, zegt hij (Epitr. spirit. Lyon KJ-i-i. L. 7 ép. l!gt;. Zie (t!. Scliueemann: Krrrld. Lehrgew. N. 1 7lt;S.)

Thomas Morns, Bng'elseL. staatsman, geb. in 1480, ter dood gebracht in 1535, wijl hij den bisschop van Eome bleef erkennen als bet zichtbaar hoofd der Kerk. Hij antwoordde aan Lnther: «Er is geen vijand van het Christendom, die den H. Stoel niet door en door haat, en geen vijand van Rome, die niet vroeg of laat ook een verrader wordt van den christelijken godsdienstquot; {ftesj.i. ad Luth. c. 10) -) Heeft hij zich zeker vergist!'

Tegenover de Martelaren der Hervorming in Nederland, tot 1566 van Dr. 1. M. J. Hoog (Leiden 1885) stel ik o.a. Es tins' «aandoenlijk verhaalquot; van de martelaren van Gorcom [nuovorum in Hollandia lonstantissimorum 'mar tji mm Ids tor ia passionisquot;) (1572) van welke martelaren Dr. Christ ia an He pp zegt: quot;De vrome getuigen, die hnn bloed voor hnn geloof gegeven hebben, maken

'j Volgens het handschrift van Francisous van Sales, dat bewaard wordt in de bibliotheek van Chigi.

-) Dr. Hettinger drukt, dunkt mij, hetzelfde uit; quot;Elke dwaling op godsdienstig-zedelijk gebied, hardnekkig vastgehouden, voert in hare gevolgtrekkingen van de Kerk af tot de volslagen loochening van het Christendom.quot; Apolog. ?e. Abth, 'ie Aufl. S. 4-12.

ocr page 93

aanspraak op onzen eerbied, al knielen zij niet bij liet altaar, waarbij wij ons buigen,quot; !) en wwat de Kerk voor de uitbreiding* des Cliristendoms gedaan, wat kostbare offers van mensclienlevens zij daarvoor gebraclit beeft, leeren ons bladzijden, als die van De Katholiek (D. 41) aan do nagedaclitenis van drie en tivintiij gelcmisten van Japan en de drie gekruiste Jezuïeten aldaar gewijd, bladzijden, die onzen eerbied vragen eu verdienen (Dr. ('br. 8epp biz. 48S). -)

Bloedgetuigen tegenover bloedgetuigen : wij zijn der-

ij Blz. 204.

-i De Koomsch Katholieke martelareu tegenover de Protestaut-sche stellende denk ik alleen aan bloedgetuigen van hun geloof, van hunne overtuiging, afgezien van de vraag: door wie zijn zij vervolgd? Ik zinspeel dus niet op hetgeen Ds. A. Y. beweert -van verre staan de Protestanten niet zoo schuldig tegenover de Katholieken, als de Katholieken tegenover de ?ro-testanten» (blz. 7).

Dat is boud gesproken. Do Protestant A. D. A. White in zijn History of the Warfare of Silence and Theology in Christendom (1896) sohynt met nog vele Protestanten omtrent dit punt een beetje anders te denken. «De Protestantsehe Kerk«, zegt hij, //was ::ehlen in de gelegenheid dezelfde gestrengheid tegen nieu-weren aan te wenden als de Katholieke Kerk; toch verdient hare vervolgingswoede groot verwijtquot;.

Ds. A. V. moest natuurlijk de zaak van Galilei weer ter sprake brengen.

Dezelfde Protestant White laat ik antwoorden. //De vervolgingen van de Katholieken tegen Galilei hadden hare billijke redenen, daar de leer der nieuweren tegen de door alle gods-dienstpartijen, Protestanten zoowel ais Katholieken, aangenomene leeringen en beginselen aandruischtenquot;.

Zeker is het, dat het getal martelaren der Koomsch Katholieke Kerk ook na de Hervorming reel grooter is dan dat der Protestanten, mede hierom wijl hare Missiën veel meer leden tellen en veel meer landen omvatten.

ocr page 94

90

halve nog geen stap verder in ons onderzoek. Welke martelaren liebben zicli zeJcer verbist ?

§ 12.

Zullen wij bekeerlingen uit de dagen der Hervorming ondervragen ?

Mocht bovenstaande vraag Ds. A. V. verwonderen, hij bedenke dan, dat het voor mij in mijn onderzoek, van eenig belang is mijn aandacht te vestigen ook op de quot;ontslapene \ romen en lecraarv . die na een wijle door t licht der hervorming beschenen te zijn weder werden «afgeleid.... tot het matte kunstlicht van den Pharos, die te Eome is opg'ericht.' \\ anneer men reeds zoo spoedig spijt gevoelt de Moederkerk verlaten te hebben, kunnen wij wel aan ernstige redenen denken.

Vele geleerde personen, die in de dagen van Lu-ther de Hervorming uiet vreugde begroetten, omdat er inderdaad een hervorming bij geestelijken en leeken noodig was. wendde zich later, toen zij zagen, dat de hervormers te ver gingen, van de nieuwigheden af en keerden terug tot de Eoomsch Katholieke Kerk. Het getal dier bekeerlingen is veel grooter dan men wellicht denkt. Ik maak hier maar gewag van eenio'e.

Georg Wizel, was een ijverige aanhanger van de Hervorming. De reden geeft hij zelf aan: //Mij trok naar uwe zijde (d. i. der hervormers) de levendige bijval der wereld, ook de goedkeuring der geleerden heeft mij daartoe verlokt, het nieuwe dreef mij aan, de schandelijke toestand der Kerk stootte mij af, vooral de zekere hoop, dat alles zuiverder christelijk zou worden.quot; (Ep. 1. 4 lx 4.

ocr page 95

91

«Het is niet te verwouclerenquot;, zegt lirj verder, quot;dat ik dien stap gezet heb, mijne jeugd, onervaren en tot nieuwigheden geneigd, zal mij verontschuldigen; i k kende toen de geschriften der Kerkvaders nog niet.quot; (Epp. c. a.!

Hij keerde in 1531 openlijk tot de Eoomseh Katholieke Kerk terug en schreef toen: quot;God zij dank, dat ik niet de eenige ben, die terugkeert. Van z u 1 k e n z ij n alle 1 a n d e n v o 1, van gelee r den e n o n g e 1 e e r d e n, d ie de zaak iets grondig 1) e-schouwd en bevonden hebben, dat zij op xand staat.quot; (quot;Wizel's Apologie B. 2: Geen steenrots dus, maar zandgrond!

Joannes Haner, een vriend van Wizei, was magister en onderhield met Zwingli en Oecolam-padius vriendschappelijke briefwisseling. Hij had den bisschop van AV'ürzbnrg den dienst opgezegd en ging naar Nurnberg, maar juist zijn verblijf in deze protes-tantsche stad was oorzaak van zijn terugkeer tot de Eoomseh Katholieke Kerk. Van zijne hand verscheen in 1534 te Leipzig een geschrift onder den titel: Frophefia veins est nova, hoc est vera scrijiturae interpretatio. Met groote helderheid en geheel op den. grondslag van den Bijbel zet hij in dit geschrift de Katholieke leer der rechtvaardiging uiteen. Geen enkel kwetsend woord ontsnapte aan zijn pen, en de naam Lnther wordt niet eens genoemd. Om dat geschrift werd hij uit Nurnberg verbannen en trad daarna als domprediker op te Bamberg. Bchwenkfeld schreef hem in 1514 een brief, waarvan de aanhef luidt: quot;Aan den waardigen en geleerden heer Joannes Haner, domprediker te Bamberg,quot;

Heeft Haner zich zeker vergist''

ocr page 96

92

Joa ii ii es lt;Jr o tus E u beanus een vertroiiwi.l vriend van Lutlier en Ulricli von Hutten, was vol begeestering voor de Hervorming, wijl hij zoovele ergernissen bij leeken en geestelijken bad waargenomen. Hij hoopte, dat Luther de misbruiken zon uitroeien, en sloot zich bij hem aan. Doch tien jaren later was zijne meeniug geheel veranderd. De leer der Hervormden was nu in haar samenhang beter bekend geworden, zegt Döllinger I blz. I K), de onmetelijke klove tusschen liet nieuwe en het oude geloot was voor iedereen, die zien wilde, zichtbaar. Orotns keerde openlijk tot de aloude Moederkerk terug. De Protestant Voigt zegt: «De terugkeer van Joannes Crotus heeft bij den hoogen roem, waarin zijn naam voor geheel Dnitschland schitterde, de zaak der Protestanten groot nadeel toegebracht.'' Crotus schreef in 1581 aan hertog Albrecht over zijne bekeering de volgende treffende woorden: quot;Ik beken eenige jaren een vurige aanhanger geweest te zijn van de zaak van Luther, maar toen ik bemerkte, dat men alles omverhalen en niets onbezoedeld wilde laten, al is het ook van den tijd der Apostelen en hunne leerlingen tot ons gebracht, eu toen ik zag, dat telkens weer de eene sekte uit de andere ontstond, toen dacht ik bij mjjzelven, het kon wel eens de duivel zijn, die onder den schijn van iets goeds een groot kwaad invoerde en toch de H. Schrift tot een schild gebruikte. Ik besloot derhalve in de Kerk te blijven, waarin ik gedoopt, opgevoed en onderwezen was. Ofschoon in haar iets verkeerds wordt waargenomen, zoo mocht dat verkeerde niet den tijd eerder verbeterd worden dan in de nieuwe sekte, die in wei n ige jaren in zoovele sekten is uiteengespat. — Ik wil met Gods hulp in de gemeenschap der heilige.

ocr page 97

98

christelijke Kerk blijven en elke uieuwiglieicl laten vuurbijyaau als een scherpe rook, en op het einde letten.quot; (Voigts Briefwechsel ans der Ret'ormationszoit

S. 1()7. 1 70). jamp;S!

Openlijk wilde hij rekenschap geven zijn terugkeer tot de Kerk van Christus en dertjij-: liet in den vorm eener Apologie aan den keurvorst Jflbrecht. Daarin lezen wij ook dit: quot;In de meeste plaatsen, waaide Antipapisten tot de heerschappij zijn gekomen, zijn strenge wetten tegen de belijders van den ouden godsdienst uitgevaardigd. Wie niet afziet van het verkeer met Papisten (ein argeres Schimpfwort gibt es bei ihnen nicht!), gaat den weg op naar de gevangenis of moet zich tegen een zware geldboete loskoopen. Wee hem, die het waagt, in een kerk van Papisten te treden, daar een preek te aanhooren, een mis bij te wonen, bij een priester te biechten of een of ander kerkgebruik te volgen. De nieuwe sinds gisteren van den hemel gedaalde Kerkregeling [Ordnmiij: heeft hare waakzame spionnen met argnsoogen, die den overtreder terstond bij den rechter aangeven, en zijn de overige wetten enkel binnen het gebied, waar zij uitgevaardigd werden, van kracht, de strafbepalingen van dezen nieuwen godsdienst volgen den burger op den voet, waarheen hij ook voor zaken reizen mag; heeft iemand in Napels zich tegen deze nieuwe wetten vergrepen, dan wordt hij na zijn terugkeer daarvoor te Maagdenburg ^ ■ tratt . . . . Apologia n Joanne Crofo Ruheano enz. Leipzig 15H1 B. 4. a.. zie Döllinger 1 blz. 148).

Th e C)b o 1 d Billica n eigen!ijk (1 e r 1 a c h e n genaamd, was een der eerste priesters, die in de dagen der Hervorming huwde en gaf daardoor toen nog groote ergernis. Hij werd een ijverige Luthersche predikant. Maar reeds

ocr page 98

94

in 1525 mishaagde hem de nieuwe leer, en klaagde hij over het schrikbarend, toenemend zedenbederf als een gevolg van den nieuwen godsdienst. In 1530 keerde hij tot de Moederkerk terug en beleed, dat niemand tot de Katholieke Kerk behoorde, die niet i n g e ui eens c h a p s t o n d m e t d e E o o m s c h e Kerk. (Apolog. D. 3).

Vele geestelijken te Nördlingen volgden zijn voorbeeld.

Melanchton, van de bekeering van Billican, in een brief aan Camerarius gewagend, zegt: quot;Tijj was mijn medescholier en overtrof mij ver in geestvermogens en welsprekendheid.quot; (Corp. Reform, t. 5. p. 369.)

In t jaar 1554 zeide jMelanchton, dat door het voorbeeld van Billican, Wizel en eenige anderen velen vervreemd waren van de ware leer.quot; (Melanch. Op. omnia t. II p. 627.)

Billican heeft zijn woord gestand gedaan: «In de Kerk ben ik herboren en in haar wil ik ook leven en immer vasthouden aan 't ware geloof.quot; ;ApoL E. 2. b.)

Dr. Jacob Strausz, een ijverige Luthersche predikant, keerde vóór zijn dood 1534 tot de Eoomsch Katholieke Kerk terutf.

Vitus Am er bach werd geboren in 1593, quot;had te Wittenberg gestudeerd en behoorde tot de aanhangers van Luther,quot; zegt de Protestant H. (bij Ersch) . . . //maar keerde tot het Katholicisme terug.quot; Hij huwde eene Luthersche, was een tijdlang professor te Eisleben met Joannes Agricola, en onderwees daarna de wijsbegeerte aan de hoogeschool te Wittenberg. Hier in dagelijkschen omgang met Luther, Melanchton, Bugenhagen, Cruciger, kwam hij omstreeks 1543 tot de

ocr page 99

erkenning, dat de leer van Luther geheel uieuw en onhoudbaar, en de katholieke de ware was.

Cruciger (Cod. Manh. 357; coll. Camer. VII, n0. 89) schreef over hem: wAmerbach begint nu onze leer te wederstreven, ofschoon hij het nog niet openlijk doet. Hij houdt zich druk bezig met het lezen van de Kerkvaders, bewondert den godgeleerden Eek, stelt hem hemelhoog boven onze godgeleerden. Ook in het boven allen twijfel verheven artikel omtrent het huwelijk dei-priesters berispt hij ons, wijl wij van de oude Kerk zijn afgeweken.quot;

A m e rba ch schreef aan M e 1 a n ch t o u: -11 et is onmogelijk, dat de gelieele Kerk over zulke gewichtige dingen als rechtvaardiging, Mis, geloften, dwaalt. Allen echter hebben ten allen tijde over die zaken anders gedacht, dan de Lu theranen. Bijgev o 1 g is de Luthersche leer nagelnieuw, onbekend in de Kerk en dus v e rw e rp e 1 ij k.quot; (Corp. Eefonn. V, 232 sq.)

In November 1543 verliet hij Wittenberg en keerde met vrouw en kinderen tot de oude Moederkerk terug.

Hij stierf te Ingolstadt 13 Sept. 1557 en liet een weduwe na met drie zonen en een dochter, die religieuze werd.

Heeft Vitus Amerbach zich zeher vergistP

Willibald Pirkheimer een der grootste rechtsgeleerden der 1 Ge eeuw, was een warme vriend der Hervorming, maar keerde tot de Moederkerk terug. Eén jaar vóór zijn dood (1580) schreef hij aan Leib den prior van Rebdorf het volgende: «Uw lang stilzwijgen heeft mij zeer verontrust, nu echter ben ik door uw brief volkomen ingelicht omtrent de reden van uw lang stilzwijgen. Indien gij mij namelijk om het Lutherdom

ocr page 100

onwaardig' ac-litet aan mij te selirijven, /oudt gij mij onrecht hebben gedaan. Ik loochen niet, dat mij in den aanvang de onderneming van Lnther niet (jeheel verwerpelijk scheen, daar geen welgezind man de vele dwalingen en bedriegerijen, die langzamerhand in den christelijken godsdienst inslopen, bevallen konden. Ik hoopte daarom, dat er nu eens een einde zon komen aan vele kwalen; maar ik zag mij zeer bedrogen, want voordat de vroegere dwalingen uitgeroeid waren, drongen nog veel ondragelijker dwalingen binnen, waarbij de vroegere maar kinderspel zijn. Ik begon mij nn langzamerhand terug te trekken en hoe opmerkzamer ik alles beschouwde, des te duidelijker zag ik de list der oude slang; ik werd daarom dan ook dikwef door velen vijandig bejegend. Door de meesten word ik als verrader der evangelische waarheid gesmaad, wijl ik geen behagen schep in de niet evangelische, maar duivelsche vrijheid van zoovele afvalligen, zoo mannen als vrouwen, om niet te spreken van de andere ontelbare ondeugden, die bijna alle liefde en vroomheid verdelgd hebben. Lnther echter met zijn brutale, moedwillige tong verheelt volstrekt niet, wat hij van plan is, zoodat hij volkomen tot waanzin vervallen of door den boozen geest geleid schijnt.quot; (Kilian Leib; Verantwortrmg des Klosterstandes f. 170 b.i

J a c C) b Sane r, deken der godgeleerde faculteit te Leipzig, keerde in 1544 tot de Moederkerk terug.

Lnthers leermeester, Jodocus Trutvetter stierf in I-j19 als Katholiek.

Georg Agricola, hoog geprezen als de grondlegger der mineralogie en geogonie, was zeer ingenomen met de Hervorming, maar keerde in de Roomsch Katholieke Kerk terug en stierf in 1 ■)quot;)•quot;gt;.

ocr page 101

97

Step li ;i ii A g r i c o 1 a junior, geleerde en domprediker bekeerde uu 1557.

Caspar Qn er hamer, een geleerde in Ha He, was der Hervorming zeer gunstig gezind, maar toen Lij zag, dat zij eerder een nusvoriuing moest Leeten, keerde Lij terug en vroeg aan de LutLeranen: »Of LutLer, die zooals Lij verzekerde door CLristns zeiven voor een Evangelist werd geliouden, daarvan van 6rod een zegel en een brief Lad of Let met wonderteekens bevestigde, en of werkelijk, zooals LutLer roemde, CLristns de bewerker en leeraar van zulk eeu zicLzelve tegensprekende en onstandvastige leer, zooals die van LutLer was, wezen kon, en of de LutLeranen geloofden, dat volgens de uitspraak van LutLer alle mensclien tot de Lel verdoemd waren, die anders leerden dan Lij geleerd Ladquot;.....(Der Brief oder die Tafel euz. 1535 A. 2. b.)

Hij stierf als KatLoliek 1557.

li 1 r i eL Za sins, beroemd recLtsgeleerde geb. 14(51, gcst. 1 534.

In 1519 scLreet Lij aan zijn vriend Bon il'a eins Anierbacli: »Alles wat mij van LutLer gewordt, neem ik zoo op alsof Let van een engel komtquot;, Lntheri quaecunque me continyztnt, ifa excipio, ac ui anyela auctore emersissent (Epist. ed. Eiegger. Ulmae 1774 p. 4). Lang-zamerliand vond Lij tocli eenige punten in LutLers leer bedenkelijk, vooral aangaande de kerkelijke en pauselijke maclit, In 1520 scLreef Lij nog aan LutLer een brief, waarin Lij Lem als den Plioemsr der (jadgeleerdl-u begroette. Maar de geseliriften van LutLer aan den DnitscLen adel over de Mis en de BabyioniscLe gevangen-scLap braoliten bij Za sins een gelieelen omkeer teweegquot;. Een jaar later uitte Lij zicL aan zijn vriend A merbaeL over eenige nwdhmmige Lehren Tmtlm'gquot;.

ocr page 102

98

Luthers wijze van hervormen beviel hem niet. Hij schreef: quot;Luther beroemt zich zonder maat, ja tot schaamteloosheid toe, op zijne gaven; zijn geest wekt vijandschap, twist, ijverzucht, toorn, strijd, sekten, nijd, moord enz. Hij braakt alles, wat hij te zeggen heeft, met matelooze bitterheid uit.... Laitlier verwept ten eeuenmaie alle Kerkvaders [iotos et om-nes eliminat).... Hij draait en verdraait de H. Schrift zoo, dat hij allen samenbang verstoort en het geheel in nevelen hult (Ha torquef, ut om mm Uneam adirnat, totamque seriem nubihns involvat). En wat zal ik hierover zeggen, dat hij met drieste schaamteloosheid de geheele H. Schrift van 't O. en N. Testament van het eerste hoofdstuk Genesis tot het einde tegen Pausen, bisschoppen en priesters keert (iorquet), alsof door alle eeuwen heen God geen andere bezigheid zou gehad hebben, dan tegen de priesters te razen i Met welk een gelukkiger, uitslag Luther de Schrift zoo misvormt, ziet iedereen. En toch is er iets in den geest van Luther, dat mij bevallen kan.quot; Epist. 1. c. p. 49—50; zie Döllmger I blz. 187).

Hij keerde zich af van de Hervorming met deze woorden: r/Wa t m ij betreft, ik b 1 ijf bij de leer en de beslissingen der Kerk, al zou ook het geheel heir des hemels m ij het t e g e n d e e 1 gebieden. Ik wil den Heer der waarheid den smaad niet aandoen, te kunnen g e 1 o o v e n, d a t Hij ons zoovele jaren, zoovele e e ia w en door misleidde namieer hij ra me lijk ondank* zijne belofte, lt;laf de geest der naarheid steeds bij de Kerk blijven ieon, toeli leon toegelaten hebben, dat gt;eij in de dnaling verviel.quot;) (1. c. p. 169.)

ocr page 103

99

Joannes Pis to rins, ijeb. 1'» M. een ^eleer-le en scherp polemist.

In 1575 g-ing hi] van de Lnthersehe leer naar die der Gereformeerden over, wijl de leer van Luther hein niet consequent scheen. Di or verdere studie werd hij in 1588 Katholiek.

Een afgezant van den Calvinistischen keurvorst van der Paltz roemde quot;den geest, de scherpzinnigheid en en welsprekendheidquot; van den bekeerling. Hij bracht er veej. toe bij, dat de predikant Ze hender en kort na dezen de markgraaf Jacob III van Baden-Hoehberg en diens echtgenoote Katholiek werden. (1590)

Of hertog Albrechtvan Pruisen Eoomsch Katholiek geworden is, blijkt niet met volkomen zekerheid.

Jacob III, markgraaf van Baden, keerde met zijne echtgenoote in 1590 tot «le R. Kath. Kerk terult;gt;'.

Johaun III, koning van Zweden werd in J578 Eoomsch Katholiek.

Joannes Forbes, zoon van graaf Forbes, werd in 1578 Eoomsch Katholiek, trad in de orde der Kapucijnen, waar hij den naam ontving van Archangelus en bracht kort vóór zijn dood 300 soldaten uit Schotland tot de Eoomsch Katholieke Kerk terug. Hij stierf in 1606.

Wij kunnen nog vele andere namen van bekeerlingen uit de 16e eeuw opnoemen, maar Ds. A. V. zal zeggen: in de 16e eeuw zijn er meer Protestant dan Eoomsch geworden. 1) Zeer zeker, doch men vatte dan het Protestantisme in de ruimste beteekems op d.i. protest tegen het primaatschap. Zij die de Eoomsch Katholieke Kerk in

V' quot;Velen zijn in den beginne medegesleept door de forsche vaart van het opstijgend Protestantismequot;, zegt de Utrechtsche hoogleeraar Dr. G. Kalff (Vondels leven 1897.)

ocr page 104

100

de llie eeuw verlieten, werden Liitlierscli of Calvinist of Menist of Scliweukfeldiaan of Weigeliaau of Keiiion-straut of enz. enz. enz. en verketterden elkander.

Misschien heeft Ds. A. V. deze opwerping: «Hoezeer lokt ook uwe Kerk gevoelige naturen aan door glans eu een Leidquot; (blz. 5), maar dan zou ik wellicht vragen: Waren die bekeerlingen zéker gevoelige naturen!' en er bijvoegen: Hoe mat en oneenig moet dan het Protestantisme reeds in de Ifie eeuw geweest zijn, indien de Eoomsch Katholieke Kerk in de KJe eeuw door haar glans eu eeulieiil zielen lokte'

Zullen wij bekeerlingen uit de 17e eeuw ondervragen ?

Heeft iJs. A. V. zich verwonderd over de vraag: 'Zullen tui] hekeeTlinyeu uit de, dtiyeii der IfeTVOTwhui undei-vragm? (z.c ^ 12i dan zal die verwondering tot verbazing stijgen nu hij ziet, dat ik zelfs bekeerlingen uit de 17de eenw wil raadplegen. Hij bedenkt echter, dat ook deze vraag op den weg ligt van ons onderzoek. Immers, de bloeitijd van het Protestantisme valt in de 17e eeuw. Wanneer nu in dien bloeistaat zeer vele voorname en geleerde personen — vooral uit het land der Hervorming, — telgen van protestantsche ouders, in het Protestantisme opgekweekt en met vooroordeelen tegen ai wat Koomsch heet gevoed, mondig geworden zich weer aansluiten aan de lioomsch Katholieke Kerk en het Pausdom, en die terugkeer meestal geschiedt ten koste van zware offers, dan stemt dat mij tot

ocr page 105

101

nacleukeu en werpt misscliieu een straaltje liclit op mijn onderzoek, vooral wijl ik niet behoef te vree/.en, dat 1)^. A. V. mij vele voorname en geleerde Katlio-lieken uit de 17e eenw noemen zal '), die van Katlioliek i}»' Protestant zijn geworden, en zeker niet ten koste van groote otters.

Ik ontmoet dan in de I 7e eetiw de volgende «gevoelige naturenquot;, die van 't Protestantisme tot liet Katholicisme overgingen : graaf Ulrilt;• h v on He 1 f en s t ein met zijne twee zonen. Ulri c h V en R n d o 1 f (1 (565). De paltsgraaf Wolfgang Wilhelm von Nenberg (Kil-I), Rudolf Ma x i mi li a a n, hertog van Saksen-Lauenburg (1(528) en zijn echtgenoote en twee broeders Julius Heinrich {1(5.5(gt;) en Karei Frans (1(531), (Mi rist ia an Wilhelm, markgraaf van Brandenlnirg (1682) en diens eerste gemalin Dorothea., een dochter van den hertog (leorg van Brunswijk, alsook zijne derde echtgenoote M a x i m i 1 i a n a, de landgraaf Friedrich von Hessen-Darmstadt, (een broeder van den regeerenden (leorg II), die later kardinaal en aartsbisschop van Breslau werd ■ 1687). Ook zijne beide zusters A mal ia en Sophia bekeerden (1658).

Graaf Nic.olaus Ohristoph von Railziwill ( 161(5) en zijne twee zonen (xeorg (later kardinaal), Albert veldniaarschalk en Stanislaus.

Baron Von Teuffel in Oostenrijk 1619 en de beide Nederlanders Johannes Wuytiers (1610) en Paulus van Wouw (1625).

Ik zon ook vele protestantsche |»i*e«likaiitikii kunnen noemen, die Roomsch Katholiek werden, bij voorbeeld: Thomas Veitli (1(521), Xilius 1(5221, Helferich

1) En zeker niet uit de ISe en 19e eeuw.

ocr page 106

102

U1 rich Hunnius Man rits G-udeuus (1680),

diens zoon Daniël, de bekende wijbissclmp van Erfurt, Heinricli Sc li a c li t, prediker in Ottensen bij Hamburg, later Jeznïet ( 11)04 . Hadrian vcm Walenburg-li, later domlieer m Keulen ( 1609 en zijn l)roeder Petrus, bisschop von Mrsie en wijbisschop van Mainz, Daniel Seg'hers, schilder en Jezuïet. Misschien is ook ö-eorg Stobaus (bisschoj») een bekeerling ( 1618).

De bisschop i1rans \\ ilhelm van Warteniberg heeft zelt over de 4000 Protestanten bekeerd. ')

Petrus P a z m a u y. kardinaal-aartsbisscliop en primaat van Hongarije, werd geboren in 1570 uit een oud-adellijke familie. Hij werd in het Calvinisme opgevoed. Na den dood zijner moeder huwde zijn vader niet eene Ivatliolieke. In 15iS2 werd de begaafde knaap Katholiek. Op zeventien jarigen leeftijd werd bij Jezuïet. In 1598 was hij, reeds priester zijnde, professor in de wijsbegeerte aan de hoogeschool te Grraz. Tusschen 1601—1608 werd hij als missionaris naar Hongarije gezonden. Daarna was hij wederom professor in de godgeleerdheid te Graz en schreef daar tegen het Protestantisme. In löi»/ keerde hij naar Hongarije terug. Met goedkeuring van Pans Paulus T werd hij door keizer Mathias in 1616 aartsbisschop van Grran benoemd. De Protestant G amant schrijft over dien Jezuïet: quot;Ein Mann von a nsge breit eter Wissenschaft, seltenem Eedner-talente und lieblichem \\ esen im IJmgange; der eifrigste nud glücklichste Eörderer der Katho-li sc h en Kirch e in Ungarn, durch Vs'orte, Schriften, Thaten. Wer den gewaitigen Kanzelredner hörte, wurde

^) /'iv B. A. Goldschmidt: LeboïstjescJiichte de# Ccwdincilpvieflevs Franz Wllltf lm p. 2-)o.

ocr page 107

103

hing'erisseu, wem er sicli nalierte mit frenncllielien Worten, konnte ilnu uielit widerstelien. Mehr nis SO ersten uud anselinlichsten protestantise hen Fa milieu' des Landes gewann er anf solche Art für seine Kirche .... Hierzr. kam noch seine rastloze Sorgfalt für die Errichtnng niederer nnd höherer Lehranstalten, die er mit einem Aufwande von mehr als 500000 Grulden in das Dasein rief, nnd alle der Leitung* der Jesuiten übergab, deren Mitglied er selbst lange war, nnd die er wie seine Seele liebte. 80 wnrde er allerdings ein wahrer Heiland seiner Kirche zu seiner Zeit nnd in seinem Vaterlande, aber freilieh aucli der gröszte Yerhin-derer des damals dort schon weit verbreiteten Protes-stantismns, dem er die tiefsten Wanden sehlug nnd die bedentendsten Mitglieder entführte.quot; *)

Ui] stierf in 1637.

Heeft deze man wran uitgebreide wetenschapquot; enz. zich zeker vergist ?

quot;Joannes Angelus of volgens zijn familienaam .1. ban ö chef fier isquot;, zegt de Protestant J. ï. L. Danz -), /-in meer dan één opzicht een merkwaardige man.... Hij werd in 1034 te Breslan geboren, en in de Lnthersche leer opgevoedquot;. Hij was lijfarts van keizer Ferdinand III. quot;In 't jaar 1625quot;, zegt Danz, quot;ging bij van de Lnthersche tot de Katholieke Kerk over .... Om te bewijzen, dat hem geen tijdelijk voordeel tot zijn overgang bewogen had, legde hij zijn post als lijfarts neder .... Hij stierf in 1677 .... Als ascetische schrijver verdient hij lofquot;.

Otto Meiander ( 1640; keizerlijke hofraad in

3) E. U. (i. - K. u. (T.

ocr page 108

104

Boliemen, een kleinzoon van Dionjsius Meiander, Luthersch predikant ( 1501), werd Roomseli Katholiek.

Van Cliristoph Besoldus, yeb. in 1577 zegt zijn protestantsche vriend V al ent ij n Andreii: //Bin Mann von ruliigem Gemiitli, ini Gespracli gelialten, ein F eind aller übertreibung, unbegrenzt belesen, viels^iti'»-gelehrt, in acht Spraehen bewandertquot;, en Hart mann voegt er bij: een man quot; tadellosen Wanclels.. . . uvhe-scholtenen Karaktersquot;. !)

Deze werd in 1(580 Katholiek en erkende den Pans, als den plaatsbekleeder van Christus.

Heeft hij zich zeker vergist?

Joannes Morin us, groot geleerde, (Jalvinist, werd Roomsch Katholiek 165!).

Verder bekeerden tot het Katholicisme: Karei Wilhelm, zoon van den keurvorst Friedrich Wilhelm von Brandenburg ( 1(595), Johann Friedrich, hertog van Kalenberg-Hannover (^1651), hertog Ulrich (1.(551) en hertog Roderich van Würtemberg (1G4:J), Ernst, landgraaf van Hessen-Rheinfels en zijne echtgenoote Maria Eleonora (1651), graaf trustaaf Adolf van Nassau en Öaarbriieken (1653), paltsgraaf Philipp Wilhelm van Pfalz-Neuburg (1658), Eduard ( 1(56;gt;) en Louise Holland ine ( 1658), kinderen van den paltsgraaf en keurvorst Friedrich V, Gustaaf Adolf, markgraaf van Baden-Dnrlach (1660), sinds 1668 abt van Fulda, in 1(572 kardinaal, en zijn broeder Karl Friedrich (1671), graaf Ernst Wilhelm van Bentheiin-Steinfurt (1667) en zijn neef Arnold Moritz (1688), Christi-aan van Meklenburg-Schwerini (1668), Dorothea Hed wig, prinses van Holstein-Norburg (1678), Char-

Dr. Herzog.

ocr page 109

105

lotte Klis a h e t li, eeuige docliter viiu den keurvorst Karl Ludwig- van der Pfalz (l(i71), Oliristiaan A un'iist (1(580), broeder vaii^ Willielni Moritz, hertoy van Haclisen-Zeitz, later kardinaal en primaat van Hongarije in Gran, landgraaf Ge org- zu Hessen-Darmstadt en zijne broeders P inquot; lipp en Fri edr i c li 11(503), liertogquot; Gnstaai Samuel van. Zweibrücken (1606), zijn zuster Maria Elisabeth (1700) en de keurvorst Friedrioh August von Saclisen (1(507). Josias, graaf van Eantzau (1(545) en graaf Oliristopli van Eautzau '1650), Eberliard van Wetzliausen (1(552), rijksgraat Gottlieb \\ in-discligratz . 1 (584), graaf Adolf von Herberstein, Thomas, rijksgraaf van Essing 11(588), Leopold Friedrich Willielm van Horn (1607), de graven Johann en Ohristoph van Ostfriesland en limine zuster Agues, alsook de gemalin van Johann Sabina en g'raaf B o i li e b u r gquot; (1(55:!). Baron (Instaat Bernard ven Moltke, minister van deu hertog Johann Friedrich von Hannover, Joachim von Halm en zijne broeders Friedrich en Kuno (1(580), Kurt von Lützow, Ernst von Er 1 enk a nip in Hamburg (1680) en zijn broeder Johann Hein rich. Heer van Fiueck 1680), von Balzam met familie in Eisenach (1602), die ten (jevolge zijner hekeering al zijne goederen verloor, von Eüsewitz in Schlesiën (1680), Xi cola us von Z i t z w i t z (1 (556), de diplomaat V o i g t v a n E s p e (1 682), Lucas Holstenius, een der grootste geleerden van zijn tijd (omstreeks 1(527).

Verder gingen tot de Roomsch Katholieke Kerk over: professor B 1 u m e in Helmstadt (1653), Mie h a ë 1 Siricius (1(580), Johann Philipp Pfeiffer, hofprediker en professor te Königsberg (1(504), Adam Ignatius Stobaus, Lnthersch predikant te Maria zeil

ocr page 110

106

(1698), Andreas Froiuiii eu familie (IMS , Mattlieus Prat or ins (Sclnxlz) uit Memel (1685), Timotlieus Lanben berger (1659), de Sclilesiselie dichter A. Scnltetus (1644), de gebroeders von Rindfleisell en L Irieli Obredit, professor te Straszbnro- (1684), de beroemde c)iitleedknndio-e X i e o la u s 81 e n lt;gt; nit Kopenhagen (1667), Wilhelm Davidson, secretaris van koningin Christina van Zweden, de ontleedknndige Jacob Beni gnus Win slow nit Odensee, Georg TJrsinus nit Stockholm (162:]), Zacharias Anthequot; lius, burgemeester in Upsala, die om zijne bekeering den marteldood onderging'. 1)

In Nederland Petrus Bert ins, hoogleeraar aan de Leidsche Academie //een man van uitgebreide kennis en geleerdheidquot;, zegt A. J. van der Aa (Biogr. Woordenb.), ye-ioien in 1565, Boomsch Katholiek gewcgt;rden in 13^0, gestorven in 1629, Petrus Engelraeve, in 1612 predikant te Boskoop (1630i, Joannes Gregorius Benard, geb. omstreeks 1655, bekeerd in 1678. Godfried Wandelman S.J. bekeerd ïn 1609, Johan van Xassau Siege n, achterneef vau Willem den Zwijger, geb. in 158:}, bekeerd in 1614 en gestorv.-n in 16,8, Johan Bodewijk van i|a s s a u-Ha d a m a r geb. 1590, gestegt;rven in 1653, Matthias Z e 1 h o r s t.

Charlotte Flandrina, dochter van Willem den Zwijger. Zij werd geboren in 1579, werd Eoc.msch Ivatholiek en was reeds in 't begin der 17de eeuw abdis van de abdij der Benedictinessen Sniute-Croix te Poitiers. Zii stierf in 1640.

Louise Holla ndina van Boheme, zuster van Charlotte Flandrina en oudste dochter van Willem

! Hist. pol. BI. 13 p. 538.

ocr page 111

107

d e ii Z w ij g' e r. Zij werd te 's Gravenliag'e g'eboren 1622, bekeerde van liet Calvinisme, werd in 1(564 abdis van Manbuisson en stierf in 1709. 1i

Cliristina, koningm van Zweden, docbter van Gtis-taafquot; Adolf (1654), ook een fgevoelige natuur.'

Het getal bekeerlingen in liet bisdom Hildeslieim was sinds.de Hervorming reeds in de 17de eeuw tot 10000 gestegen. -)

Het groote werk van Mgr. Easz: Die Convertiten seit der Reformation en de Convertiten-Bilder van Rosenthal geven een ontzaglijk aantal beroemde namen van bekeerlingen, maar ik durf er niet meer noemen. ■lt;]

'• Over deze laatste bekeerlingen leze meu P. A Hard Stadiën D. 2. 3. 4. 7. S. Si. 12.

- Wachsmuth: Geselticlite von Huchsilff vnd Stadt Hildeshemi.

Personen, omstandigheden en aantal geven echter te denken. Is het getal bekeerden uit het Katholicisme tot het Protestan-tistne sinds de scheuring der 16e eeuw ook niet merkwaardig ? zal Ds. A. V. wederom vragen.

Van bekeerden tot het geloovig Protestantisme: neen; tot het rationalistisch Protestantisme, ja. Buitendien waartoe gingen zij over? Tot een der vele sekten, die elkander quot;opeten.. en verketteren, zegt Busken Huet. Kog meer: het getal b e r o e m de bekeerlingen uit het Protestantisme tot het Katholicisme is i-eel grooter dan omgekeerd; betrekkelijk neer weinige hooggeplaatste of geleerde personen zijn na de 16e eeuw geloovig Protestant geworden.

Ook is het heel wat gemakkelijker — en over het algemeen vooi'deeliger — Protestant dan Katholiek te zijn, al ontslaat het Koomsehe geloof van de verplichting zelf te denken!! Door eeu protestantsch blad, ik weet niet meer welk, is de vraag gesteld: Wat bedoelt P. Ermann met quot;geloovig Protestant?quot; Het antwoord kan kort zijn. Een protestant, die gedoopt zijnde, de godheid van Christus belijdt, den Bijbel erkent als (iods quot;Woord, de geloofsbelijdenis van Nicea onderschrijft en instemt met de gelcofs-bekentenis van Athanasius, is een geloovig Protestant.

ocr page 112

JOS

Ziehier de redeu.

^* scliiijit: quot;Hoezeer lokt ook uwe .Kerkquot; (d. i. de Kooiuscli Katholieke) quot;gevoelige naturen aan door «.-lans en eenheid, en eveuzoo zwakkere geesten, omdat liet deze ontslaat van de verpliditing zelt te denken, omdat zij (de Kerk) zegt; alleen voor hen fe kunnen en te moeten denhen.quot; (bldz. 5.)

BeLooren de opgenoemde bekeer li iio-eu uit de I tie eeuw tot de quot;gevoelige naturenquot; gelokt quot;door den glans en .eenheidquot; van de Eoomsch Katholieke Kerk in de lüe eeuw, ot moeten zij gerekend worden tot de quot;zwakkere geesten voor wie enkel de Kerk kan en moet deuken;' Ik weet het niet. Wellicht zijn zij èn quot;gevoelige naturen'quot; èn quot;zwakkere geestenquot; tevens.

quot;Uwe Kerk lokt gevoelvje naturen aan door glans en eenheid en evenzoo zwakken' geesten, omdat het deze ontslaat van de verplichting zelf te deuken, omdat zij zegt; alleen voor hen te kunnen en ie moeten denken.quot; (bldz, 5.) „ Ze^ dat eens aan .M'i-aaf Fried rich Leopold von Stolberg, aan professor baron von Bernhard, baron Georg von Dyherrn, Karl Fried rich von R u-mohr, Friedrich vou Hchlegel, Karl V..gel von Vogelstein, Karl Ludwig vou Haller, Wilheliu von Sehiitz, Krauz vou F1 o r en con rt' ir led rich von Kehler, Roehus vou Rochow, Theodor von Mohr, majoor Heinricli von Miin-ster, Gebhard von B1 ü cher, een familielid van den beroemden veldmaarschalk, A ug u s t v on K 1 i n ko w-strom. Overbeck, professor Johannes Schwend-tur. Fnedrich von Hnrter, August Friédrich Gtrörer, Georg Friedrich Daumer, WilLelm Bickell, den beroemden orientalist. On uo KI o pp, Zacharias Werner, Dr. Hugo Laenimer, Adolf

ocr page 113

!()»

H e i ii r i c li K b e 1 i u y, Kei u Ij lt; gt; 1 tl en Her ui ;i n n B a u in s t a r k, A. K a g e r, Dr. H e iurl c liEisenb a e li, Tliéodore de la Eive, Dr. Karl Wilhelm Buiiger, Dr. Ernst Kucli, Dr. Ba rtliol ma. Dr. Karl Mttg-licli, Dr. Signer, Dr. Karl II öff ding Mn us. Dr. Micliael Moc/ y, Dr. Ferdinand Tr ebi s c li. Dr. M (gt; r i t z .B r ii li 1, Dr. A d o 1 f L o w y, Dr. Moses B o c c a, baron Max. von Gagern, Dr. Cliristian (xottlob Wilke, Dr. \\ ilhelm Sclimetz. Dr. Lebreelit Dreves, Dr. .lulins Ernst K ii d i. Dr. Alexander Het sell, Jonas Karl Bliints.ch.li, Dr. Ivan von (11 ö den, baron Bmil von Billow, Dr. E ried rich Maaszen, Dr. George Bippart, Philipp \ eit, Dr. Nicolans Heiiirich Julius, Dr. Joh. Emiua-n u e 1 A- e i t h, Dr. K a r 1 B i e s t e r, prins E e r d i n a n d von Sachsen-Cobnrg-Ciotlia. Friedrieli IV. hertog von Bachsen-Cohnrg-dotha, prins Friedrich August von Hessen-Darmstadt, prins Adolf Kricdrich von Meck-1 t'iibiu'g-Öcl I werin. graaf FriedrieL Ludwig von Senfit-PUsach, baron Eduard Sir tenia to (xrove-s t i n s , professi ir E r e n d e nfel d. Dr. B. B e r e n d s, prins Heinricli Eduard von Schöii)jnrg-Hartenstein, August Lewald, baron Fran/ Grim m von Grim-m e n s t e i n, 1 )r. L 11 d w i g P a n 1 W i e i a n d L ii t k e-müller, graaf Frai / / n Stolberg-^ cm i gerode, baron Dr. Friedrich .L n d wig- Ihquot;. U illivlm Martens, Dr. Georg Biackert graal G n -iaat 011 • • von Blonie, Dr. Adolf H. ( in rich libeling, graat Paul von Eeischach, Dr. Hermann Dreyer, Dr. Wilhelm Kosega rten. Dr. Oskar Hunger, prins Alexander zu Sol ms-Braunfels, graat En dolt von Miillinen, Dr. Anton Martins, baronHein-r i c h v f) n G a g e r n , Dr. E d u a r d P r e n s , J. Pie r r e

ocr page 114

110

d A1 d e b e r t, Jacob L i b e r m a n n, T li e o d o r Rati s-bonne, Dr. Jean Gr o r r e t, T li e o d o r e vicomte d e Bus si err e, Mr. Eocque Martin, Dr. Edwards, Dr. Blom, Dr. Terquem, Dr. BI ythe. Dr. Hora-tins, \ ergilms Barber, Dr. J(.»sne Yount;', Dr. William Tyler, Mr. Wasliington, Dr. Coleman, Dr. Samuel Butler, Dr. Dillon, Dr. James 1 red. W o o d, Dr. James E o s e v e 1 d B a i 1 e ^ ]Mr. P. H. Burnett, Dr. H. F. Brownson, Dr. Eliska Gregory, Dr. J. M. Nichols. James York B r a m s t o n, G e o r g e Chamberlaine, W i 11 i a m Taylor, Charles Michael Baggs, Sir Leoijold, Wright, John Tilt. Clarkson Stanfield, Ambrose Phillipps de Lis 1 e, Kene 1 m Henry Digby Esq., Sir. Henry Trelawney, Augustus Welby North mo r e de Pugin, Frederick Lucas, Dr. Pichard W a 1 do Sibthorp, Francis Diederich Wackerbath, Pierre le Page Renouf, Charles Seager M. A., William furnbull, William Good enough Penny M. A., Dr. William Georo-e Ward, John Bernard Dalgairns C. O., John Heur.v \o«man, Frederick Oakeley Mag. Art., Frederick William Faber, William Anthony Hutchison, Thomas Willi a m Marshhall M. A., Edward G. Browne, Edward Healy Thompson, M. A.. Joh n G o r do u M. A., Henry William W ilberforce, W 111 iam Basil, hertog van Denbigh, Dr. William Henry Anderdon, Thomas William Allies, Esq., W i 11 i a m G. 1 o d d, Dr. the o 1., Igt;r. Henry Edward Planning. William Dods-worth, M. A., Dr. J. Hope Scott, John Hung'er-f o r d Pollen. Aubrey d e V ere, Henry James Coleridge, Dr. Robert Isaak Wilberforce, Dr.

ocr page 115

Ill

William P a 1 m e r, Dr. Evan B a i 11 i e. Mr. Pa t m o re, K a r e 1 B r a n d e s, Karl L n cl wig Wil li e 1 ui P a K1, Aug1 list Gn staaf La sin sky. baron Karl von V o g' e 1 s a n g, baron A u gust K u n o v o n d e r K e t-t e n b u r g, A d o 1 p li C li rist i a n David Olszewski, professor A d o 1 p li Muss a f i a, L u d w i g graaf S t a i n-lein von Saaien stein, Jiirgen Lauritz Willi elm Hansen, graaf Karl von Scliönburg-W e eli s e 1 b n r g, baron Ernst v o n S e li ö n b e r g*, F ried r i e li R a s z in a n n, baron F r i e d r i e li v on Be r-licbingen, J. L. V. Hansen. Kofoed Hansen, M. C. Jensen, Broekdorff, Niels Hansen, Dr. David Lloyd Thomas, (laureaat van Oxford en curate te Waytlie) met eelitgenoote, twee zoons en vier docliters (in 1897). Lord Charles T h y n n e. Sir C harlesDougla s, M. Martin Hunnybtin, Edward Husband, E d w a rd G e o r g e K i r w a n B r o w n e, August en Jozef Lémann, Jacob August Einil Usteri, turiii. lid van de beroemde Anglioaansche vereeniging der Cowley Fathers te Oxford bekeerd in 1897), T. A. Harenieyer, vice-president van de Sugar Rafining Company (bekeerd in 1897), M. P. C. Bumand, uitgever van de Punch, (bekeerd in 1897), Jorgesen, letterkundige (1897), prins Demetrius Augustin Gal-lit z i n , geb. te 's Gravenhage, prins Peter B o r i s o-witsch Kos 1 offsky, prins Alexander Gallitzin, prins Joannes Gagarin, graaf G r e g o r i u s S c h o u-w a 1 o f f, graaf Peter Y e r m o 1 o f f, prins Theodorns Gallitzin, Joannes Martin off, graaf Antonins Rossadowski, baron Nico 1 a i, graaf Stephan Djnnkowski, baron L. von Hammer stein, Mr. Lesage ten Broek, Mr. S. P. Lipman, Mr. H. A. des A mor ie van der Hoeven, graaf H. van By-

ocr page 116

la ii dt, Dr. Öerrurier, Mr. il. Led eb oer (1897), J. Jv a jj i'' i- [lift. cand. I8SI7).

Deze allen, docjr geboorte ot vveteuscliap of beide allesbehalve buryerluitjes, zijn in onze 19de eeuw Katholiek geworden. quot;Gevoelige naturen.... zwakkere geesten 1 En waarom Ivatlioliek geworden!' Omdat de Kerk zegt: valleen, vuur hen ie kunnen en te moeten denketi 'fquot; /e^- dat ook aan tondel.

ik wil Ds. A. \ . één reden aangeven — daar zijn natuurlijk meer redenen — waarom die mannen i) bekeerd zijn. Ik doe liet met zijne eigene woorden; « Hetgeen eenmaal iu de wereld niaclit en gezag beeft gekregen, wordt met zoo gemakkelijk nederge worpen, boeveel minder datgene, wat eeuwen, tanif den stempel heeft qedrayen en iii de harten (jeheel au al is (i^Kjeuoiiien.quot; (blz. o.) En dat is liet pausdom. Die manneu zijn bekeerd tot de Kerk die, zooals Ds. A. V., zoo sclioon zegt «de verrol-ging eiscbt om des geloofs wilquot; (blz. 7)

P. Edmund Anger (t 1Ö91 iieeft ongeveer -KMMMgt; (Jalvinisten tot ile //oude Moederkerkquot; — om met Ds. P. H. Hiigenlioltz Jr. te spreken — teruggebraclit .e11 t rancislt;• us de Sales bekeerde tussclien i592— 1 (5igt;2 / JOOlt Cal\ imsten, dus samen ! 1 20U0 '/geNoeligc uatureTiquot; en //zwakkere geesten.quot;

De vorst der Nederlaiidsclie did iters Joost van il.'ii Vondel, geb. 1lt;gt;8v , werd l.ioomscb Katholiek in lii-H en stierf iu 1(379.

Vriend en vijand zijn het eens iu de erkenning ilat V o n d e 1 dezen stap (zijne bekeering) zelfstandvi en -.net

J) Ik heb maar zeer weinige bekeeringen van beroemde vrouwen genoemd, want o die //gevoelige naturenquot; en //zwakkere geesten! Het getal namen van beroemde mannelii'ke bekeerlinge!, kan ik vorvierdubbelen.

ocr page 117

113

volle overtuiginj gedaan keeft. Brandt getuigt «dat hij, eenmaal overgegaan zijnde, niet geveinsdelijk, maar iu vollen ernst het Pausdom heeft aangehanjen en buiten opspraak, naar de leer der Roomsclie Kerk geloefd heeft, i)

Ds. A. V. schrijft. quot; Wij vergeten niet, dat reeds vóór ruim 200 jaren. Vondel zijn eerbied en bewondering voor de rots van Vaticaan uitstortte in verzen, zoo vol en krachtig, dat zij hem u voor den geest brengen, als in het stof geknield voor den Paus, als voor God.quot;

Wat Godheid vol outzags is dit,

Die daar op zeven bergen zit?....

Dees is de groote Sleutelvoogd Van 's Hemels poorte; rust nu; poogt Niet meer te weten; buig uw kniën,

En kus zijn voeten, wijd ontzien.2)

Ds. A. V. kan gerust zijn. Vondel zag in den Paus geen God. Men moet dichterlijke taal niet te prozaïsch opvatten. Hoor ik Luther zeggen: «1st mir Luther nicht ein seltener Mann ? 1 c h m e i n e d a s z er Got t sei!quot;3) dan denk ik er geen oogenblik aan, dat de Hervormer zich wezenlijk God achtte en nog minder, dat hij anderen zulk een hoogen dunk omtrent zijn persoon toedichtte.

«Gevoelige naturenquot;, en «zwakkere geesten!quot;

ISTeen, dominee, Joost van den Vondel en die genoemde bekeerlingen hebben den raad gevolgd, dien Vondel aan den protestantschen Rector der Lat. school te Amsterdam, Jacob Heiblok gegeven heeft:

!) Dr. W. Everts: Gesch. d. Nederl. letteren ido druk.

') Op Urbaan den, achtsten. TJitg. v. Vun Vloten D. 1, bldz. löD.

:!) Tom. 3 JonoiiH. f. 559 a torn. 4. Witt. g. f. 378 u Tom. 3. Alt. f. 894. a.

ocr page 118

114

Jacob! prijst gij eeuwig werk,

Bouw geen huis, veel min een kerk Op den veengrond van elks zin,

quot;Want die gronden zakken in;

Schoon men hout noch heiblok spaar', Veengrond dreigt u met gevaar.

Bouw dan liever op een rots,

Hel en Afgrond zelf ten trots.

Bouw gerust op grond van steen,

Tijdgemeen en plaatsgemeen;

't A111] d en het Overal Vreezen storm noch zwaren val.

«De vastheid die Vondel zochtquot;, zegt de Utroelitsclu

hoogleoraar ür. Gr. Ka Iff,1) «vond hij noch bij dc Doopsgezinden, tot wier kerkgenootschap Lij behoorde, noch bij de twee voorname partijen onder de toenmalige Protestanten; geen wonder dat zijn zoekende blik van tijd tot tijd bleef rusten op het oude geloof, verdreven uit de kerken en het openbaar leven, doch heimelijk voortlevend in de harten van velen, ter sluik beleden en geoefend in stille samenkomsten, bedreigd door hebzuchtige schouten, maar meer nog door hot felle antipapisme der Calvinistische ijveraars. liet Katholicisme, door velen reeds dood gewaand, had gedurende de laatste helft der 16e eeuw zichzelf herzien, zich gezuiverd en versterkt en begon in den aanvang der zeventiende eeuw hier te lande weer opteleven. Vol an die in den beginne waren medegesleept door de forsche vaart van het opstijgend Protestantisme, werden latei-afvallig van het nieuwe geloof; vooral kinderen van ouders, die do Katholieke Kerk hadden verlaten, sloten zich mondig geworden, weer bij haar aan. . . Op Vondel,

Vondols leven, 1897.

ocr page 119

115

die in wereldlijke /aken gezag quot;ii traditie zoo hoog stelde, moesten liet eenhoofdig gezag van den Pans en de e e r b i e d w a a r d i g e «gt; u d e r d o m der Katliol ieke Ivert indruk maken. De katliolreko geestelijken, met wie liij in aanraking moge zijn gekomen, zullen liem zeker niet door hunne persoonlijkheid afkeerig hebben gomaakt van het door lien beleden en verkondigd geloof; voorzoover wij weten waren zij meerendeels mannen, niet alleen vlekkeloos van leven en vol toewijding aan hunne taak, doch ook —■ vooral de Jezuïeten onder lion — ontwikkeld en beschaafd.quot;

Die taal van den Protestantschen hoogleeraar Dr. Gr. Kal ff klinkt een weinig anders dan het «gevoelige naturenquot; en //zwakkere geestenquot; van dominee A. Veen-1i u y s e n.

Laten wij uu nog een ander groot man hooren.

Al mag ik Hugo de Groot (1583 1654) niet onder de bekeerlingen rekenen, omdat volgens Dr. C h r i s-tiaan Sepp niemand (?) meer twijfelt aan het oprecht Protestantisme van dien grooten geleerde, wil ik toch dien Hugo de Groot, die ook om zijne verklaring van het O. en N. Test. door Ei char d Simon zoo hoog geprezen wordt, even aan het woord laten, opdat Ds, A. V. duidelijk moge zien, hoe Mattheus 10 : 18 door het orakel van Delft werd verstaan.

quot;Dat er in de Kerk graden van overheden moeten zijnquot;, zegt hij, //en door die graden de Kerk tot eenheid m o e t gevormd worden, leert ons Paulus (Eph. 4 : 11). De orde, hetzij in de deelen, hetzij in het geheel, bestaat in eenige oppermacht of eenheid van hoofd. En dat is het, wat Christus ons in Petrus geleerd heeft. Dat heeft Cyprian us ( 258) van Christus geleerd; hetzelfde leert Hieronymus ( 420)

ocr page 120

110

met Cyprianus tegen Jovinianus. . . . Zulk ceu lioolcl is onder de priesters de bisschop, onder de bisschappen de nietropolitaan of liij die op een andere wij/.c gekozen is om liet hoofd dor anderen te zijn. Zulk een hoofd is onder allici! de bisschop van Roniequot;, {Votum pro pace art. 7) derhalve de Paus.

Duidelijke taal van Hugo de Groot, aan wiens «oprecht Protestantisme niemand (?) meer twijfeltquot;.

Gezonde taal en toch waartoe helpt zij ons?

Ds. A. V. en ik zijn in zoover wij tegenover elkander staan, nog geen streep gevorderd in ons onderzoek. Luther kunnen wij niet ondervragen, want hij spreekt zichzelven tegen, roep ik Eoonisch Katholieke leeraars op uit de 16e eeuw, Ds. A. V. roept uit dezelfde eeuw andere leeraars, die elkander wel in zeer voorname geloofspunten hevig bestrijden, maar toch op één puni overeenstemmen: «Christus heeft geen zichtbaar hoofd als zijn plaatsvervanger voor alle tijden aangesteld,quot; en mannen, die reeds in de 16e eeuw en later terugkeerden tot de Eoomsch Katholieke Kerk, behooren wellicht onder de «gevoelige naturen en zwakkere geesten.quot;

Toch moet een oplossing te vinden zijn tot goed begrip van de teksten bij Mattheus, Joannes en Lucas.

Waar is die oplossing?

Dat zuilen wij zien in het tweede gedeelte.

ocr page 121

DE PAUS.

ocr page 122
ocr page 123

DE PAUS

DOOR

H. ERMANN S. J.

1quot; \v e e lt; I e O e d e e 11 e.

Utrecht,

Wkd, J. R. VAN Rüssmi,

1899.

ocr page 124

INHOUD

Tweede gedeelte.

liladzijik- \\

§ 14. Wie moet de teksten verklaren?..... 5 •n 0

S 15. Ds. A. V. en ik moeten te rade gaan ook bij

D J WOl'

de Middeleeuwen..........15

§ 16. Zullen wij ook Pausen raadplegen? .... 21 S 17. Voorstanders, tegenstanders van den Paus in quot;quot;ui de 15a'' eeuw en zoogenaamde voorloopers

der Hervorming..........28

1. Voorstanders van den Paus......28 gee

2. Tegenstanders van den Paus.....4G is lt;

3. Zoogenaamde voorloopers der Hervorming. 50 get § 18. Vromen en geleerden uit de 14rt(! en 13l10 eeuw. 55 eei § 10. Een woordje aan Ds. A. V. over Hus ... 74

§20. Moeten de Apostelen opvolgers hebben en zoo ja, v.a

wie zijn het?...........82 ^

S 21. Eenige dorre bladzijden, die de lezer, behalve ^

Ds. A. V. mag overslaan.......99 '

S 22. Petrus heeft eenig primaatschap.....107

§ 23. Komt in de Kerk van Christus „macht of'

gezag, meer of minderquot; te pas? ... 117 S 24. Moet Petrus een opvolger hebben? Moet er een 0

Paus zijn?............144 m

§ 25. Wat is een Paus volgens de Katholieken? . 155 1]

S 26. Wie is de eerste Paus volgen de Protestanten? 163 S 27. Iets over de pauselijke onfeilbaarheid en over

Galilei..............166 i

§ 28. Zijn er slechte Pausen geweest?.....196

ocr page 125

^ 14.

Wie moet de teksten verklaren?

.,Het vooi wt'ip, waaraan liet Woord is «ogoven. is «lo Kork'quot;. Do Protostant W. a P.rakol

Rerfelfjlre f/orfsd.)

Wij, Ds. A. V. en ik, zijn nog geen sclirecle verder in ons onderzoek. Hij selirijft: „Niemand mag gedrongen worden iets aan te nemen, omdat eene groote menigte, of een pans, of een concilie iets zegt. Laat ieder vrij oordeelen.quot; (blz. 90).

Heeft liet woord gedrongen hier de beteekenis van gedwongen, van genoodzaakt worden met geweld, dan geef ik den dominee groot gelijk; tronwens, die dwang is onmogelijk; een overtuiging, een waarheid wordt met geen zweepslag in het verstand geslagen; men ziet een waarheid in of niet in of twijfelt.

Beteekent het woord gedrongen hier dringen met kracht van redenen en bewijzen of beteekent het zedelijken dwang, dan vind ik de uitspraak van Ds. A. V. zeer boud. Gelukkig, dat de eerste Christenen, die door de Apostelen mondeling onderwezen werden, er anders over dachten.

Xeeu, wij zijn verplicht, worden gedrongen althans te onderzoeken wat de aangehaalde teksten beteekenen, en moeten trachten zekerheid te krijgen aangaande hunne beteekenis.

Lees in het eerste gedeelte van mijn boekje De Fan* iiog eens aandachtig (blz. 18—24), wat de Protestant William Palmer, Dr. A. Knijper, Ds. Johannes

de Paus II. 1

ocr page 126

6

■

van der Kemp, de Protestant ili c liar d Hot lie en alle

Liitlier en vooral art. 28 van de protestantsclie Belijde- lt;gt;'erlt;

nis des geloof» zeggen. gelt

In alle g'eval staat dit vast: wijl de woorden van van

Christus bij Mattliens, Joannes, Lucas niet duidelijk van

genoeg schijnen, handelt hij het redelijkst, die tusschen de

outkeiming ofquot; bevestiging willende kiezen, zich aansluit sta

bij hen, die de beste en geloofwaardigste getuigenissen vle

hebben, hetzij voor de ontkenning, hetzij voor de beves- in

tiging. be

Welnu, ik bevestig, dat door de woorden van Christus

een zichtbaar opperhoofd der Kerk is aangesteld, Ds. de A. V. ontkent het.

De oplossing van het vraagstuk moet mogelijk en, om te

bet belang der zaak, zelfs gemakkelijk zijn, „anders zou er

de Heiland met de stichting zijner Kerk onredelijk b( hebben gehandeld.quot; (Zie J)e Paus. Eerste gedeelte blz. 22.)

Waar moeten wij dan te rade gaan om Christus' m

woorden te begrijpen? a:

Wel bij hem of haar, wien het Woord is toebetrouwd. d

Wie is liet? „Het voorwerp, waaraan het Woord is lt;gt;

gegeven, is de Kerkquot;, zegt de Protestant W. a Brakel. 11

(Redelijke godsd. I blz. 52.) ^

Zeer juist. Dat zeiden reeds de groote bisschop van Lyon, de H. Irenaeus (f 202), do H. Cvrillus van Alexandrië (f 444) enz. enz. enz. Men bedenke echter, dat de Kerk niet in de lucht zweeft, maar uit menschen, „leeraars of vromenquot; bestaat.

Wij moeten dus „leeraars of vromenquot; raadplegen.

Luister een oogenblik naar hetgeen Cyrillus, bisschop van Alexandrië (t 444) zegt: „Gemakkelijk zal iemand zich verbeteren (van zijne dwalingen), indien hij de werken der heilige Vaders heeft doorvorscli t, die door

ocr page 127

1 (in allen om de recUtninuijylieid en zekerheid der leerstukken fde- geroemd en aller goedkeuring verdienen; zóó zal liij zijn geloof geschikt onderzoeken. Allen toch, die gezond va-n van hoofd zijn, is dit doel gesteld, dat zij de gevoelens lijk van die Vaders volgen, omdat ook dezen, wijl zij met len de apostolische en evangelische overlevering hun veruit stand gevoed en over de geloofsleer juist en zonder ien vlek en dwaling volmaakt hebben geschreven, sterren es- in de wereld zijn geweest, daar zij het woord des levens

bevatten.quot; (Migne 7(). 850).

ius Nog duidelijker leert dat de H. Irenaeus, die volgens

)s. de protestantsche schrijfster van de Gench. der Christel.

Kerk i) „door zijne prediking en door zijne geschriften in ten zegen voor de Kerk des Heeren is geweestquot; (blz. 22) m en zijn geloof door den marteldood in 't jaar 202

jk heze g%ld heeft.

!•) De H. Irenaeus zegt: „Men moet de waarheid, die

s' men gemakkelijk van de Kerk kan ontvangen niet bij

anderen zoeken; immers de Apostelen hebben in haar 1. den rijken voorraad, die den schat der waarheid in

s overvloed behelst, neergelegd, opdat iedereen die wil,

l. uit haar den drank des levens putte. De Kerk toch is

de ingang tot het leven, maar alle anderen zijn dieven i I en roevers. Daarom moet men de ketters mijden, doch wat i aan de Kerk behoort met den grootsten ijver beminnen

!) „Mot eon voorwoord van J, H. Donnerquot; on „mot 52 (zoor loolijke) plaatjesquot; 2'1|■ druk 1885. Ds. J. H. Donnor schrijft: „Wij moonon niot to veol to zeggen met te vorklaron, dat het haar (de schrijfster) bij uitnemendheid gelukt is do belaugrijksto gebour-tonissen dor Kerk met historische troivw, duidelijk en booiond aan onze jongoliedon mode to doolon. Wij aarzelen dan ook goon oogonblik dit werkje aan te bovolonquot; enz. Do onderstreping is van mij.

ocr page 128

-

s

(aauueiuen) en de overlevering- der waarheid leeren .... (iU

De ware wetenscliap is de leer der Apostelen en de som petrui

der waarheden, die de Kerk, over de geheele aarde ver- ^jj

spreid, niet opgehouden heeft van den beginne te 0.(.imv belijden. Deze kennis der waarheid is liet karakteristieke

teeken van het lichaam van Jezus Christus, dat voort- uljp

leeft in de opvolging der bisschoppen, aan wie de Apostelen 11K^

den last hebben toevertrouwd de Kerk, over alle oorden ^ia(j

verbreid, te besturen. Daar ia tof op on* door een getrouwe 4|aglt;

overlevering, zonder toevoeging of afneming, het pand der 9^. •

H. Schrift bewaard. Di'ii'tr leest men haar zonder daarin ]n

dwaling te mengen, dddr draagt men zorg de leer te verklaren | gt;0u,

volgens de H. Schrift door eene wettige uitlegging, g(,v]

die elk gevaar op een afstand houdt en de godslastering |l.111( doet mijden.quot; [Adv. Haer. 1. 3, 4; 1. 4, 38.)

Kan het duidelijker gezegd worden!' t

„Waar anders zullen wij de waarheid zoekenquot;, zegt ^

Irenaens (Adv. Haer. 1. 4, 2(3), „dan daar, waar de Heer //. ,

zijne gaven heeft gesteld, bij hen die de Apostelen hehhen vec.(

opgevolgd in het bestuur der Kerk en die bij een heilig en m;j

onberispelijk leven het woord des heils in geheel zijne (gt;ell

zuiverheid en ongeschondenheid behoeden ? Ziedaar de ^

mannen, die het pand van ons geloof in één God, schepper ^ van alles, bewaren. Zij vermeerderen meer en meer onze

liefde tot den Zoon Gods, die ons zoovele blijken zijner yy

goedheid gegeven heeft, zij zijn het, die ons de H. Schrift nn

verklaren zonder dat wij behoeven te vreezen in dwaling te 0.e

worden gebracht.quot; ee

Welnu de Paus en de bisschoppen, niet Luther, y(, Calvijn enz., hebben de Apostelen opgevolgd, bij hen,

d.i. in de R. Kath. Kerk, is dus de waarheid te vinden. aj

Welnu de Pausen, bisschoppen, priesters aller eeuwen [,

verklaren de woorden van Christus bij Mattheus, Joannes PA

ocr page 129

9

on Lucas als den oorsprong' van liet primaatscliap van Petrus' opvolger, Rome's bisscliop.

Wij vreezen g'een oogenblik iti dwaling te worden gebraclit, ook hierom niet, wijl de Heiland gezegd heeft: „Wie ii hoort, hoort mij, en wie n verwerpt, verwerpt mijquot; (Lnc. 10 : Ui). „En ziet ik ben met nquot; (d. w. z. met de Apostelen, aan wie hij in vers 19 den last had opgedragen al de volkeren te onderwijzen) al lt;le «lagen tol de voleimliiig «Ier wereldquot;. (Mattli. 28 ; 20.)

Indien hij zich vergist, die Petrus als bisschop te Rome is opgevolgd en het primaatscliap over de gelieele Kerk gedurende zoo vele eeuwen belijdt, verdedigt en handhaaft, vooral krachtens de woorden van Christus bij Mattheus, Joannes en Lucas, -— indien de bisschoppen, priesters en leeken zoo veler eeuwen, dat primaatschap erkennende, zich vergissen dan is de belofte des Heoron: Ik zal met u zijn al de dagen tot de voleinding der wereld, reeds eeuwen lang een ijdele belofte geweest. Dat is mij zóó duidelijk, dat het mij onverklaarbaar blijft, hoe een geloovig Protestant, de zaak ernstig en zonder den blinddoek der vooroordeelen onderzoekende, die waarheid niet inziet.

„Die Kirche kann nicht irrenquot;, zegt Luther (Resohd. Wittenb. Ausg. Erster Druck) en daarom schreef hij nog va 1519: „Het is gevaarlijk iets te hooren of te gelooven tegen het eenstemmig getuigenis, geloof en de eenstemmige leer der gelieele heilige christelijke Kerk, zooals zij van den beginne nu reeds over de 1500 jaar overal eendrachtig gehouden heeft. Ich wollte lieher nicht allein aller rechten Geister, * onder n aller Kaiser, Kiinig und Fiirsten Weixheit und Redd wider mich zeugen lassen, denn ein .Into, oder Titel der ganzen heiligen christlichen Kirche

ocr page 130

10

wider mich hïiren.quot; {Contr. Amh. Gathar. Wifienh. Ansg. Rrstor Druck). „Es ist wahrlich eiu scliweres Ding ab-vveiehen (von den Kirclienviitern), von den Lenten, welelie ein gross Anselien liaben und so einen heiligen Namen füliren, ja der Kirclic selbst mul ihrer Lelire nicht niehr glanben noch tviuwn.'quot; \ Lulhern Werke Wnlch. 7, 1789. i

Maar zie, daar komt zoovele eenwen na Ireuaens enz. o. a. Ds. C. F. Grouemeijer ons in ziiue Pastorale Onderonsjes (blz. 96) het volgende vertellen: ,,Wat de uitlegging betreft, hebben wij der Greineente te verkondigen, wat wij geboord hebben en verstaan, toen wij het oor te luisteren legden bij hetgeen de Schriften zeggen. Geen Commentatoren, tfeen Kerkvaders of wie ook moeten er staan tusschen ons en de Schrift, '/elf moeten wij uit haar putten, en wat ons na ernstige overweging en onderzoek gebleken is, de beteekenis van quot;t Schriftwoord te zijn, worde in eenvoudigheid, zonder bestrijding van andere uitleggingen door ons gegeven.quot; i)

Naar aanleiding dier woorden, die echt-protestantsch zijn, stel ik eeuige vragen, die zichzelf beantwoorden:

1. Is eenheid van godsdienstonderricht mogelijk bij zulk een beginsel ? Zullen de gemeenten niet bijna van eiken dominee een verschillende uitlegging krijgen omtrent belangrijke teksten, die op zichzelf niet zóó duidelijk zijn, dat zij maar ééne enkele verklaring afdwingen!' En mijn hemel, hoevele van die teksten bestaan er!

]) Prof. J. J. P. Valoton Jr. schijnt van hetzolfdo govoelon to zijn; //Wat ik wcDBch ook voor dit jaar, is met do weinige kracht die ik heb, maar met al do toewijding des harten, u het Oude Testament te doen zien, zooals nu dezen (99stc|i) psalm, ik zou willen zoggen: zooals hot zichzelf gerfc; laat mij maar zoggen: zooals ik het zie./i {Sfemmen vnnr mrmrhci/l e.n vrede,, Jaarg.

Nov. 1898 blz. 1012.)

ocr page 131

11

2. Wanneer ik 't oor te luisteren leg lgt;ij hetgeen de Schriften zeggen en dan de teksten van Mattheus, Lucas, Joannes na ernstige overweging en langdurig onderzoek volgens de door mij gegeven uitlegging versta, heb ik dan zeker ongelijk l*

8. En wanneer de dominee „Commentatoren en Kerkvaders of wien ookquot; ter zijde schuift en zijne uitlegging aan de gemeente geeft, staat hij dan niet tusscheu de gemeente en de SchriftEu is het dan niet redelijker, dat de gemeente onder de uitlegging bij zichzelve denkt: praat maar toe dominee, ik heb commentatoren noch Kerkvaders en n evenmin noodig, ik heb de Schrift!' En zouden de geloovigen niet verstandiger doen te huis te blijven, al is het bij winterdag in de Kerk nog zoo lekker warm

-i. En wanneer ik nu bemerk, dat een ontzag lijk groot aantal geleerde, heilige mannen door alle eenwen heen, de besproken teksten juist zoo verstaan als ik, is het dan zeker, dat ik mij vergis, wanneer ik hen volgIs het niet veel redelijker zich hij dat groot aantal te voegen (zelfs indien de teksten op zichzelf na ernstige overweging niet duidelijk voor mij werden) dan bij een klein getal andere mannen, die een anderen uitleg voorstaan Zulk een handelwijze is Roomsch, zegt Ds. Gronemeijer. Zeer waar, antwoord ik met Irenaeus, Cyrillus enz. en/.. „Zulk een handelwijze is Roomschquot;. En daarom zeker verkeerd!) durf ik vragen.

„Ben van do weinige malen, dat ik over miin exegese door een thans doleerenden ouderling werd aangevallenquot;, zoo verhaalt Ds. Gronemeijer, „omdat zij in strijd was met wat Gods volk onder dien tekst verstond, beweerde ik tegenover hem, dat mijne handelwijze echt-gereformeerd wast dat immers ook de hervormers geen tusschonporsonen, geen Kerkvaders of Kerkvergaderingen

ocr page 132

1

12

De Protestant Dr. Krug, opvolger van TCniii oji den leerstoel te Königsberg geve liet antwoord: ,,Onder hen.

die aan eene bovennatuurlijke Openbaring gelooven, is er maar één wezenlijk consequent, namelijk de RoomscL Katliolieke. Deze gelooft niet enkel nan de H. Schrift,

zooals de Protestant, niaar hij neenit hehaliw de Schrift een door de eeuwen gaande overlevering aan rn een rerhf-streeksche en hovennahuirlijke werking des H. Geeste* op de Kerk, zoodat de Kerk zich niet kan vergissen, en elk lid van die Kerk in geval van twijfel zich aan de beslissing, de uitspraak der Kerk moet onderwerpen. Ziet, geloovige Protestanten, dat is een waarlijk log'isch stelsel.

Want het eene beginsel volgt noodzakelijk uit het ander :

zoodra men erkent, dat de mensch enkel aan zijn redt' overgelaten, den weg des heils niet vinden kan '), zoo

tussohen zich cn hot woord duldeu, maar dat zijn handelwijze RoomBch was. Homo laat zich iu de uitlcggirg door allerlei gezag leidenquot;. Dat is zeer onjuist, Dominee. ,,Tot mijn eigen verbazing bleek het mij daarna, dat geon mindere dan Calvijn het eerst do door mij voorgedragen exegese had voorge.-taari, die ook sedert door do mei-sle uitleggersquot; (d. w. z. protestan'sche en dua niet de meeste) „was omhelsd, en kon ik dat den zich noemenden issu dn Calvin tot zijn beschaming moedeoloi;quot;.

Bn nu weer een vraag: veronderstel, dat Ds. 0. F. Gronomoijor na den aanval van dion ouderling gemerkt had in zijn uitlegging geheel alleen te staan, bleef dan zijne verklaring, dio tooh afgeluisterd werd van do H. Schrift, zeher do ochto, terwijl „zij in strijd was mot wat Gods volk onder dion tekst verstondquot;? En is do exegese die Calvijn het eerst van allo loeraarji der vroegere eeuwen voorstond, zeher do echte?

Dat is niet geheel juist. Eon wotcuschapp:lijk man, met do noodige scherpzinnigheid en kennis toegerust, vermag door zuiver wetenschappelijk onderzoek, ook gonder do voorlichting der Kerk,

uit de H. Schrift do voornaamsto geloofswaarheden met woton-schappelijko zekerheid op te maken.

ocr page 133

1

13

volgt «laarnit ontegenzeglijk, dat liij om tot liet heil te komen een onfeilbar en gids noodig lieeft. Uwe gv1-volgtrekking, waarop gij. Protestanten, groot gaat, is daarentegen de grootste tegenstrijdigheid. Inderdaad, de Sclirift waarop gij n zonder opbonden beroept, is geen onfeilbare gids. omdat zij elke verklaring en nit-legging verdraagt, en omdat niet de godsdienstige partijen, maar de schrijvers in 't bizonder, zelfs zij die aan de, bovennatuurlijke Openbaring gelooven, niet overeenstemmen en ongetwijfeld nimmer zullen overeenstemmen aangaande de beteekenis van den ge wijden tekst.quot; i)

„Der Katholizismus ist consequent, der Protestantis-mns willkürlichquot;, zegt Max Nordau -).

Het raadplegen van „leeraars of vromenquot; die na de de Hervorming leefden, heeft Ds. A. V. noch mij iets in ons onderzoek omtrent bet goed begrip der teksten van Mattheus enz. geholpen.

De leeraars of vromen tijdens de Hervorming of der 16e eenw hebben ons evenmin knnnen inlichten. Gezag • tegenover gezag, getal tegenover getal.

Het pausdom bestond in de löe eeuw. ,.De Eefor-matiën der löe eenw, waren onderling onderscheidenquot;, zegt Dr. A. Knyper, ,,maar kwamen allen tot stand door afbreken van de legitimistische lijn en door breuke met het bestaande.quot; Dat bestaande was de E. Kath. Kerk met haar hoofd den Pans.

Die Eeformatiën zetten zich dus schrap tegenover den Paus en verloochenden hem op grond van de H. Schrift, doch millioenen bleven hem trouw ook op grond van de H. Schrift. Wie hebben zeker gelijk!'

!) Philos. Gul,achten in Saihen des BaHnnalismus 1827 S. 85.

2) Die Convent. Lügen S. 78 9o Anti. 1884.

:!) Eeformatiën der Kerhen.

ocr page 134

14

Ik wil zekerheid hebben: do zaak is van te groot ge wielit, en ik beaam volkomen, wat de bekeerde pro-testantsclie dominee A. Arndt in zijn boekje Wo isf Walt,r heil ? schreef (blz. 194): „Kan men wéten, of datgene, wat wij aannemen en wat wij belijden, dwaling is of nief.' Moet men, zoolang er nog eene mogelijkheid is om te twijfelen, zijn oordeel opschorten;' Moet men zoo zijn geheele leven in twijfel doorbrengen, terwijl toch de Christen in het geloof leven moet? .... Men dient te onderzoeken, om zich voor iets uit te spreken, want de II. Schrift zegt: onderzoekt alles en behoudt het beste* De Protestant moet onderzoeken, waartegen hij protesteert.quot;

Wij moeten derhalve andere ontslapene leeraars of vromen oproepen, die vóór de Hervorming leefden. Hier is de keuze moeielijk, wijl het aantal onberekenbaar groot is. Wij hebben niet enkel „een groote menigte, of een Paus of een conciliequot;, maar een zeer groote menigte, alle Pausen en de concilies. „Een wolk van getuigen schijnt elke kathedraal te vullenquot;, zegt de Protestant H. Field (Letter from Home p. 7).

Wij kunnen natuurlijk niet alle leeraars aller eeuwen oproepen; in elke eeuw zijn de getuigen, die de besproken teksten verstaan, zooals ik ze meen te verstaan, d. w. z. die op grond van die teksten den Paus erkenden, als het zichtbaar hoofd der Kerk op aarde, veel grooter in getal dan alle Protestanten der eene 19e eeuw te zamen. Bij mijne keuze zal ik niet uitsluitend, doch vooral letten op de vromen en geleerden, die ook door Protestanten van gezag gewaardeerd worden; maar nog eens: ik moet splitsen en knoopen.

ocr page 135

15

§ 15.

Ds. A. V. en ik moeten te rade gaan ook bij de Middeleeuwen.

^Wij willen nimmor vergor.ou, wolkr tlicnstcu Rome in de MitUloIoouwmi licwccs, en dat zijne Kerk nog lieden hare zending te vervullen liecll.'

CDs. Lalmsen:.

Noff eens: waar is de oplossing tot goed begrip van ilc teksten bij Mattlieus, Joannes en Lucas!'

,,Verklaringen van de H. Schriftquot;, zegt De Re-fortnafie (D. VI bi/.. 225) zijn zeker al tem aal noodzakelijhe liulpmiddelen van den Heere tot het rechle verstand van zijn Goddelijk Woord, zonder welke (verklaringen) dat Woord van ons niet kan gebruikt worden.quot;

Maar sinds de 10e eeuw botsen de verklaringen van de Hervormden tegen de verklaringen der Eoomsch Katholieken, en getuigen staan tegenover getuigen.

De Reformatie (D. [11 blz. 218) geeft den raad de verklaring- van teksten „uit schriften van reeds in den Heer ontslapen leeraars of vromen na te sporen.quot; Wij moeten derhalve opklimmen van de Kie tot de 1ste eeuw en bijgevolg zelfs den tunnel door of — om met Ds. A. V. te spreken — een vluchtigen blik werpen „naar het sombere licht der middeleeuwenquot; (blz. 102) ').

!) Met name wordt door I)«. A. V. Thomas van Aquino bedoeld. Hot lust mij Ds. A. V. eenigo regelen voor te leggon van oen groot geloerde; zij mogen hem aanpporen tegenover een man, aan wiens schouders hij ciet kan reiken, wat oorbiodiger te zijn. Dr. K. Krogh-Tonning, luthorsch dominee to Ohristiania, om de dogelijkhoid zijner wetenschap hoog goroemd, heeft onlangs het volgend werkje uitgegeven: De gratia Ghristi et de libero arbitrio Sancti Thomae Aquinatü doctrinam. enz. (Chriatianiao, Dybwad

ocr page 136

16

Trouwens dat licht is zoo heel somber niet ^). Ds. Lahuseu erkent liet, als hij zegt: „Wij willen nimmer vergeten, welke diensten Rome in de Middeleeuwen bewees, en dat zijne Kerk nog heden hare zending te vervullen heeft.quot; (Brem Nachr. 1889 no. 02) Eu ik voor mij vergeet niet, dat Vinceuz Hasak, pastoor te Weiss-kirchlitz bij Teplitz in 1881 te Regensburg een boek van 258 bladzijden uitgegeven heeft onder den titel: ,, Dr. M. Luther unci die religiöse Literatur seiner Zeit In'x znm Jahre 1520. Het laatste hoofdstuk, het gewichtigste der zeven hoofdstukken, heet: Die religiose Literatur vor Luther (1470—1520) -). Deze schrijver bestudeerde in

1898). Daarin zogt hij o. a., dat het positief-gelooffig Protestantismo ten gevolge van een stille hervorming ton opzichte van de leer over de genade van Christus en don vrijen wil teruggekeerd is tot do kerkelijke beginselea van de oudheid en der Middeleeuwer, wvooral door do ethische grondbeginselen weder aan te nemen//. Eq dan vervolgt hij; //Vragen wij echter naar een uitstekenden ieoraar uit den tijd vóór de grooto scheuring van do 16o eeuw, met wiens loer aangaande de genade van Christus en do vrijheid do genoemde godsdienstige en ethische beweging volgens strekking en doel bijzonder zuiver overeenkomt, dan moet men zonder twijfel den engelachtig en leeraar St. Thomas noemen, u

!) Al zingen eenigo vijanden van don geoponbaarden godsdienst met Lïconte de Lislo:

Hideux sièclcs de foi, de lèpre et de famine.

Que le reflet sanglant des biichers illumine Siècles de désospoir, de pesto et de haut-mal.

Gil Ie Jacque en haillons, plus vil que l'animal,

Geint pitoyablemont sa pitoyable vie!

Siècle do haine atroce et jamais assouvio ... // -) In 1868 had hij uitgegeven; //Der Ghristliche Glauhe des Deutschen Volkes beim Schlusse des Mittelaltersii, eon verzameling van documenten uit 93 druk- on handschriftnn uit zijn cigon beroemde boekerij.

ocr page 137

17

*

Ds. do oudste lumdsdiriften 50 jaren lang de letterkunde

ler der Middeleeuwen en heeft in geen enkel handschrift

gt;e- de leer van Lnther b.v. omtrent liet geloof en de goede

'v- werken gevonden. Ook komt men om het groot aantal

or godsdienstige boeken, i n die dagen geschreven, tot de

s- overtuiging, dat het streven der kerkelijke overheden,

k om het volk te onderrichten, toen zeer ernstig en

1: vruchtbaar moet geweest zijn. { Hist, pol BI. B. H9 S. 645).

i'.s- Het licht was dus zoo somber niet.

e Ook ken ik het oordeel van een Protestant in de

r wetenschappelijke bijlage van de Leipziger Zeitung 189()

i no. 10: „Het is vooringenomenheid.... de vijftiende

eeuw te willen beschouwen enkel als sombere dwaasheid tegenover liet nieuwe licht, dat door de Hervormers ontstoken werd, het is vooringenomenheid alles zwart op zwart te schilderen en in dien tijd aan 't werk te zien ongeloof, bijgeloof, ondeugd, Mechanismus, I ndifferentismus.quot;

„Hoe lang nog zullen wij in Nederlandquot;, zoo schrijft Dr. Jan ten Brink aan 't adres van J. J. van Oosterzee, „in ouze welsprekendste verhandelingen, in onze populairste leesboeken gekweld worden met de „nevelen der Middeleeuwen?quot; !) Zou het eindelijk geen tijd worden die gemeenplaats te schrappen'.'.... Wat hebben de West-Europeesche volkeren van 1096—1517 toch voor euvels gedaan aan de Heeren, dat zij door hen steeds ia een nevelig gebied geplaatst en met nevelen omhuld worden;' Was dat tijdvak niet een der vruchtbaarste voor de ontwikkeling van het Gerniaansche element in Europa?quot; (Letterlc. schetsen Haarlem 1874 I blz. 324).

') Hou lauf? nog? Zoolang, om mot Busken Huot to sproken, quot;do scherts van Marnix eon kolder is waar do haat op fust ligt//, on do Ohristolijk-lïistorici daar gaan tappon.

ocr page 138

.Uveueeus leest men l)ij den Protestant Paulsen, professor aan de hoogescliool te Berlijn, {Gesclvichte de* g« gelehrfen UntarrichU anf den dtntschen Schillen tind Uni- vi verxiiilten vom Anttgang den Mittelaltern Iris zin- Gegenwarf ei 1896 2 Aujl.) g „De Kerk .... staat daar in de Middeleeuwen als de ii draagster van alle beschaving; van de kloosters gaat 1 elke verrijking en verfraaiing des levens uit .... Mijn y Protestantisme kan niet .... nalaten liet goede en i

degelijke in de Katholieke wereld in de Middeleeuwen zoowel als in den nieuweren tijd te zien en als zoodanig te erkennen en evenmin kan bet nalaten het gebiekkelijke aan de andere zijdequot; (d.i. van liet Protestantisme) ,.te zien en het zoo te noemen, zelfs op gevaar af in de katholieke polemiek als protestantsche getuige tegen het Protestantisme aangehaald te worden.quot; (Zie Frankf. Zeitgem. Brosch. b. 18 Heft 4 1897).

Van Dominee Geffken van Hamburg, die bijzondere studie gemaakt heeft van de prediking en liet onderwijs in de Middeleeuwen, kan men vernemen, dat in de 15de eeuw minstens even dikwerf gepreekt werd, en wel in de moedertaal, als in ónze dagen en dat er ijverig catechismus werd gegeven. ' ) (Greffken: Der Bilderkaterhi*-mus des 15c/i Jahrhanderts and die katkulischen Raupfstiïcke in dieser Zeif his auf Luther Leipzig 1855).

1) De schrijver vau Das Luthermonument zu Worms, Joannes von Geissel, later Kardinaal-Aartsbisfohop van Keulen, toekent echter zeer juist aan, dat men op don preekstoel cn in don catechismus met te vool zedekundige beschouwingen voor dei dag kwam en te weinig onderrichtte in de leerstuhhen dor Kerk, zoodat hot volk wel goed onderwezen word in de plichten van 't christelijk loven, doch niot in do waarheid des gelnafs. Het kon xijn geloof niot verdedigen tegon do aanvallen dor ketters.

ocr page 139

11)

Eu ik heb de bekentenis van Ue Heraal (Juli Iquot;■98) geboekt: „Het was destijdsquot; — in de dagen der Hervorming — „een periode vau algemeen zedelijk verval, en in dien boezen tijd stak ten slotte de wereld ook de geestelijken aan. Maar hieruit volgt in het minst niet, dat in liet generaal genomen of de roomde he geestelijkheid ofquot; liet hlooxterwezen op zichzelf een onzedelijke neiging in zich zou dragen. De historie en ook de tegenwoordige tijd, leert het wel anders. Er zijn te allen tijde èn onder de geestelijken, èn onder de monniken, mannen opgestaan van zoo streng zedelijke levensopvatting, dat ze niet zelden ons Protestanten beschaamden en nog beschamen.quot;

Ook kan ik maar niet vergeten, wat de protestantsche hoogleeraar Moll l) in zijn Johannes Brugman (I D. blz. 142) geschreven heeft. Laten wij samen die bladzijde eens lezen. Ziehier:

„Een Patricius en Benedictus, een Bernard van Clair-veaux en Peter de Eerwaardige, een Tanier en Thomasa Kempis en zoo velen als te recht bij de gansche christenheid geroemd worden, nadat men hen leerde kennen, zijn niet de eenige monniken geweest, in wier boezem liet edele en groote woonde. Ontelharen van de zoo-danigen zijn ten grave gegaan, zonder dat de nakome-lingschap hunne namen viert. Ontelharen hebben met enthonsiasme zich aan een taak gewijd, die de grootsten onder de stervelingen niet onwaardig zoude geweest zijn, en zij ondernamen haar met heilige liefde en vol-

Hoerscht dat gebrek ook niot eenigszins op don preekstoel dor

19o eeuw? — Wij geven overigens toe, dat het in sommige slrelcen tegen het einde der 15'll! eeuw mot preeken, godsdienstondorwijB enz. zeer treurig gesteld was.

') Door Veritas in Het Nederlandsch Daghlad als „de gron/tste Nederlandsche histuricvsquot; geprezen (Juli 1897).

ocr page 140

20

voerden haar ten v^ortleele der menschlieid, al heeft deze de handen, die haar weldadig' waren, vergeten.quot;

„In Dnitschlandquot;, zegt de Protestant Victor Schnltze, „begint de beschaving in en nit de kloosters. De geschiedenis der ondste kloosters is de geschiedenis der oudste beschaving. Bijzonder mnnten Fnlda, St. Gallen en Reichennu nit. Rhabanns Manrus, abt van Fnlda (f 856), heeft men niet ten onrechte den schepper van het Dnitsche schoolwezen geroemd.quot; (Allgem. conservat. Monalschrift. 1.889 blz. i

Is het niet vermakelijk-treurig na zulk een getuigenis, dat door honderden andere getuigenissen van protes-tantsche geleerden kan vermeerderd worden, in het Nederlandsch Dagblad van April 1898 te moeten lezen: ..De onwetendheid der paters en monniken is van oudsher bijna spreekwoordelijk geweestquot;, van oudsher bijna spreekwoordelijk geweest! i) (Zie IM Tijd 11 April 1898.)

i) Geweest, dus nu niet meer, hoor muar wat do Protestiint Thomas Huxley (f 1895), zegt. Hij vorgeiijkt do katholieke geestelijkheid met de protcstantsche en schrijft dan; „Do protcs-tantsche kan in drie klassen worden ingedeeld. Do onwetenden. die maar pratenquot; (of schrijven), „zoodat het kant noch wal raakt, maken de overwegende meerderheid uit. Klein is hot gotal van hen, die wetenechap bezitten, doch zwijgen. Zeer weinigen zijn beschaafd en spreken op beschaafde wijzo. Geheel anders is het bij de Katholieke geestelijkheid gestold.quot; {Litter. Rundschau 1895 blz. 371 ; Kölnische Zeitu/ng 20 Nov. 1895). Ik onderschrijf dat vonnis over de protestantscho goostelijkhoid geenszins; ik wilde het Nederl. Dagblad, dat zijne lezers voor allerlei dommigheden bij abonnement laat betalen, nog eens door oon Protestant eon lesje laten geven.

ocr page 141

21

$ IK.

Zullen wij ook Pausen raadplegen?

Kr zijn „zoor vojo wiinrlijli vroino, iiionsc.lilicvondc, odolo Pauson.quot;

Dr. J. H. (iunniiiK .T.Hzn.

Ds. G. A. Van der Brng-glien schrijfquot;i in Stemmen voor Waarheid en Vrede 1890 blz. 856: „In mijn studeerkamer lieb ilr, voor mijn sclirijftnfel gezeten, dagelijks liet gezicht op twee j^aten.

De eene is een fotogravure naar de schilderij van \\r. von Kaulbach, voorstellende de eeuw der Hervor-iniug. De andere vertoont de portretten der 259 Pausen welke de Roomsche Kerk zich beroemt gehad te hebben van den Apostel Petrus af' tot den thans regeerenden Paus Leo XIII.quot;

Ook ik heb het gezicht op die twee platen, en wil iu mijn onderzoek de aandacht vestigen op de portretten dei Pausen (vóór de Hervorming) en op andere „geleerden of vromenquot;, die den bisschop van Rome eerbiedigden als den opvolger van Petrus.

Maar ik hoor Ds. A. V. zeggen: „Mij dunkt, dat de waarheid altijd ter zake doetquot;, (dat dunkt mij ook), „maar minder doet ter zake wat de bisschoppen te Rome in hunne eigene zaak zeggen. Wie zal een billijk rechter over zich zei ven zijn? Men moet te Rome zijn om zich het meest te achten. Daar troont de geest der meerderheid. Intussehen, wanneer iemand een achtbaar uiensch is, een bisschop in de Christelijke Kerk, als hij elk oogenblik kan geroepen worden zijn geloof met den marteldood te bezegelen, dan willen wij hem ook wel hoor en, in hetgeen hij yefmyf ran zijne eigene de Paus II. 2

ocr page 142

22

waardigheid, ja! dan kan, zijn, getuigenis van veel beteekenis worden.quot; (blz. 85.) i)

De Paus is een „bisschop in de Christelijke Kerkquot;, hij is bisschop van Rome. Ontmoeten wij derhalve in de lange rij van Pausen een of ander achihaar mensch, „dan willen wij hem ook wel hooren in hetgeen hij getuigt van. zijne eigene waardigheid., ja! dan kan zijn getuigenis van veel heteeken's worden.quot;

Welnu onder de Pausen zijn nog al vele zeer achtbare menschen, indien ik de meeste protestantsche schrijvers geloo\ren mag. Dr. J. H. Gunning J.Hzn. o. a. zegt: Er zijn „zeer vele waarlijk vrome, menschiievende, edele Pausen.quot; (Protestantsch Verweer.) Sinds den H. Petrus zijn dertig Pausen geroepen hun geloof met den martel-flood te bezegelen.

Luther prijst, ook m. zijn breuk met de Roomsch Katholieke Kerk, vele bisschoppen van Rome ais „heiligequot;, dus achtbare menschen.

De Protestant Addison schrijft: „De Paus is gewoonlijk «en man van groote deugd en hooge wetenschap, van rijpen ouderdom en ondervinding, zelden gedreven door ijdelheid of hartstocht enz.quot; [Supph'tn. du voyage de Misson p. 164) en, zegt Ds. A. V., (blz. 101) „waartoe zou liet dienstig zijn . . . iemand een leugenaar te noemen van wege eene meening in het godsdienstige, in welke hij,

1) Do ouderstroping is van mij.

2) Ook dan wanneor hij niot olk oogcnblik kan geroopon wordon zijn goloof mot don marteldood to bozogelen. Ik stip hier tovens aan, wat mon in 't vervolg van mijn boekje dient in 'c oog to houden, dat oonigo Pausen do Kerk zoer kort bestuurd hebben; hot kan dus gebeuren, dat onder de Pausen oenigon geen gedenksc/tri/i hebben nagelaten aangaande hot primaatschap. Ook leefden do oersto 23 Pausen in de mooiolijksto omstandigheden on zijn allen gemarteld.

ocr page 143

2B

naar wij vertrouwen, volgens zijn beste weten staat!'quot;

Ook hebben wij aan de Pausen zeer veel te danken.

De Protestant Herder zegt: „Gewis heeft de bisschop van Rome voor de christelijke wereld veel gedaan; hij heeft niet alleen een wereld veroverd door haar te hekeeren, doch haar ook door zeden en wetten langer, sterker en inniger beheerscht dan het oude Rome de zijne.quot; {Zur F Inlos, nnd (Aeschichie. Sammtliche [Vcrke B. 7) eu verder: „Zonder de roomsche hiërarchie was Europa wellicht eene niongoolsche woestenij.quot; (Idee der Fhilus. der Gesch. der Menschheit), en de Protestant Joh. von Müller vraagt: „Wat zouden wij zijn zonder den Paus-.'quot; en hij antwoordt: „Hetzelfde als de Turken, die in hunne barbaarschheid zijn geblevenquot;, {Brief aan Bonnet) en: „Zonder de Pausen ware de oude wetenschap ons even vreemd als de grieksche den Turken.quot; [Werkc D. 16 S. 157). En ik lees in zijn Vier und zwanzig Biicher algemeiner Geschichtan enz. (2' Anti. 1811 S. 476): „Eine Menge Piipste M sieht man für den Glauben ihr Blut, für die Armen ihr Erbgut und die Öchiltze der Kirche hingeben, in den Gottesdienst immer mehr Majestat bringen, durch hohen Ernst ihre Würde be-haupten.quot; En ik lees in zijn Keisen der Pdpste; „Der heilige Stuhl, gegriindet im hochateu AUerthnm der ersien Kirche, wovon wir nicht genug wissen. . . Dazuinal vveiheten viele tugendhafte Pralaten ihre Tage dem Lehramt, ihr Vermogen den Armen, ihr Beispiel im

!) Da. A. V. zegt aan mijn adroB; „Ik begrijp niet, mot welk rocht gij spreekt over deze allen (Clemens, Victor, Zephyrinus, Stephanus enz.) als Pausen.quot; Ik antwoord: Dat doe ik mede op 't voorbeeld van protestantsche geschiedschrijvers, b.v. van Johannes von Muller, die door do Protestanten zoo uitbundig geprezen wordt. Db. A. V. endervrage dus niet mii, maar hen.

ocr page 144

24

Leben unci in den Martern der Naclivvelt. Hnndert und dreissig Jalire laug- verwalteteu sie friedsam ihr geistli-elies Amt.quot; (Vorhericht.) Eu biz. 28: „Wenn die natiir-liche Billigkeit entscheiden kann, so ist wahrlicli der Papst mit Recht Herr von Rom, denn oh us ihu ware Rom nicht melir vorhwnden. En in een brief aan Grleim (15 Mei 1782) zegt liij niet meer en niet minder dan dit: „Die Religion ist nnstreitig dnreli den Papst erlialten worden.quot; (Werke Th. 1G S. 150.)

Nog sterker nit zieli de Protestant Friedr. Ludw. Baron von Hardenberg, als dichter beroemd onder den naam Novalis (f 1801), wiens „scharfer Verstandquot; door VVigand geprezen wordt: „Het oude Katholiek geloof wasquot;, toen de Paus in Europa heerschte, „een in practijk gebracht en tot volle ontwikkeling gekomen Christendom. Zijn invloed in alle om»iandigheden des levens, zijn liefde voor de kunst, zijn echte menschlievcndheid, de onver-breekhaarheid zijner huwelijken, zijn groote milddadigheid, jegens lehoeftigen, zijn vermaak aan armoede, gehoorzaamheid en trouw, ziedaar de grondtrekken zijns wezens en onloochenbare 7nerkteekenen van den waren godsdienst.quot; ')

') lu do Gtschiedvervalschinff (blz. 174) Btaat do volgende kant-teekening op dat getuigenis van don te vroeg ontslapen man. „Deze woorden . .. zijn ontleend aan een onvoltooid opstel, dat in 1799 geschreven word en tot titol draagt; Do Christenheid af Europa. De protostantsoho uitgevers van Novalis' werken achtten het niet oorbaar dat artikel in hunne uitgaven op te nomen, omdat daaruit eono te warme sympathie voor de Katholioko Xork en het Pausdom spreekt. Berst in don vierden druk ontving hot op aandrang van don inmiddels Katholiek geworden Schlegol eono plaats, dio hot echter hij do vijfde, door Tieck bezorgde uitgave weder moest verliezen. Ziedaar eon van do vele voorbeelden, hoe mon van protestantsche zijde zooveel mogelijk iodero stom tracht to smoren, die, met do oude vooroordeelon brekend, do Katholioko Kork en hare Pauson durft prijzen.quot;

ocr page 145

25

Nu wij eenmaal „leeraars en vromenquot;, die vóór de Hervorming, dus vóór de 1(5°' eeuw leefden, omtrent liet goed begrip der door ons behandelde teksten ondervragen, vordert, dunkt mij, de dankbaarheid, althans de hoffelijkheid van ons, dat wij ten minste de „achiharequot; bisschoppen van Rome, die ook „leeraars en vromenquot; geacht mogen worden, niet stilzwijgend voorbijgaan, alsof zij voor ons niet bestonden. Hun gezag telt iets mee, anders zou Melanchthon 6 Juli lo-30 niet aan den pauselijken gezant Campeggi geschreven hebben: „Wir verehren die A.utoritat des römischen Papstes und die ganze Kirchenverfassung mit Ehrfurcht, wenu uur der Papst uns nicht verstösst.quot; (Janssen: Gesch. d. deuts. Volken 3 (1881), 1G8; K. Matthes: Philipp Melanchthon, 2 Aufl. Altenburg S. 118 f.)

De Protestant Herder erkent: „Een lavc/e reeks van namen diende hier te worden opgegeven, wanneer ook slechts de voornaamste, waardigste en grootste Pausen moesten genoemd worden.quot;

„Achtbarequot; nienschen derhalve; wij willen hen ook wel hooren, in hetgeen zij getuigen van hunne eigene waar-

ï) Ofschoon dozolfdo Molanchthon vijf wokon later (15 Aut;. 1530) in oon stuk voor den keurvorst den Paus „^en Antichristquot; noemt. — H. Baumgarten, professor te Straatsburg, zegt van Jansson's Deutsche Oeschiohte: „Br argumentirt, er reflektirt nicht, er ïdsst ledir/lich die Quellen reden.quot; (Allyem. Zeitung 8 Febr. 1882.) Gunsiige gstuigenissen van niot-Katholiekon aangaande datzelfde werk vindt men b.v. in Deutsche Reichspost 1877 n0. 286, Deutsche Lileralvrhlatt von Gotha 1881 n0. 4, Deutsche Geschichis-Correspondenz 1879 ii0. 27, Jahresberichfe der Oeschichtswissenschaft Berlin 1880, S 606; 1881 II S. 11; III S. 260, Literarisch er Merhur Berlin 1882 n0. 4, Dr. Paul Förster in Gothaer Deutechen Literaturhlatt 6 Jan. 1883, Frankfurter Benbachter 24 Deo. 1882, Otto Hamann in Schlesische Zeitung 1883 nn. 24 on 27.

ocr page 146

26

dikheid, ja! liuuue getuigenis kan van veel beteetenis worden.

En waarlijk, waarom zonden wij ook de bisschoppen van Rome niet raadplegen!' Die vraag klemt, als men liet volgende bedenkt:

1. De brieven van vele, vooral der oude bisschoppen van Rome, zijn synodaal d. w. z. geschreven onder instemming en goedkeuring van zeer vele bisschoppen; dit toont Constant aan in Proef, yener. ad epist. rom. pontificum p. 1 nquot;. 83. Vandaar dat Paus Julius I (337—352) in zijn ernstigen brief ad Eusebianos nn. 8 kon schrijven: „Ofschoon ik alleen n dezen brief schrijf, moet ik n bekendmaken, dat die brief daarom niet van mij alleen is, maar het gevoelen van alle bisschoppen, die in Italië zijn.quot;

2. Wat de Pausen bevestigen en getuigen, bewijzen zij meestal door aanhalingen uit de tl. Schrift of dooide daden van hunne voorgangers. Bijv. Paus Boni-fa tins I (41S—422) episL 15 n0. (3, Paus Grelasius (492—496) rpiitf. 26 ad cpixc. Dardaniae, Paus Nicola us I (858—867) cp. 8 ad Mv h. imp.

3. De toon van gezag en oprechtheid, waarop zij spreken, doet in 't minst niet denken aan een onwettig bezit van dit gezag. (Rothensee: Dor Primat den Papstes B. 1.)

4. Elk vermoeden van overweldiging en onwettig bezit vnn 't gezag wordt ook uitgesloten door de geleerdheid en heiligheid dier Pausen, die door de Kerk onder de Heiligen gerekend worden.

5. Wat echter het grootste gewicht en gezag geeft aan de woorden der Pausen, is de instemming en gelijkheid van gevoelen der overige Vaders, die in dien tijd leefden. Om deze vijf opgegevene redenen vooral, moo-en en moeten ook de Pausen gehoord worden.

ocr page 147

27

Daarom zegt Bos suet zeer.juist: „Ik hoor de teg-en-werping: men behoeft de Eoomsclie Opperpriesters, als zij de waardigheid van hun Stoel verdedigen en aanbevelen niet te gelooven, daar het hun eigen zaak is. Verre van daar; met evenveel recht toch zon men geloof moeten weigeren aan bisschoppen en priesters, als zij hunne waardigheid en amht verdedigenquot;. . . . (In def. declarat. cleri gallic. 1. 10 c. (5. Hurter: Theol. Dogm. 1 D. nquot;. 343 nota.)

Daarenboven in de bange eeuwen der vervolging wordt de bisschop van Eome door de heiligste en geleerdslc, mannen uit die dagen genoemd; de eenige zekere toevlucht in dreigende gevaren, de onverschrokken strijder voor waarheid en recht, wiens zorg met de moeilijkheden vermeerdert; de trouwe en moedige herder, die wolf en leeuw van de kudde weert; een alles vruchtbaar makende levensstroom, een glansrijk licht, waarvoor de nevelen der dwaling vlieden j een zuil, waarop God met vlammend licht de waarheid schreef.'''' (Fessler: Instit. patr.)

Ds. A. V. zal het mij derhalve ten goede houden, dat het bits zinnetje: „Men moet te Home zijn om zich het meest te achten'quot;, mij in mijn onderzoek naar het goed begrip der besproken teksten van Mattheus enz. niet weerhouden mag, aan zulke bisschoppen van Kome, die in de geschiedenis der Christelijke Kerk bekend staan als achtbare en dikwerf als zeer achthare menschen, de vraag te stellen: „Hoe hebt gij de woorden van Christus: Gij zijt Petrus, enz. begrepen? Gij hebt een overtuiging gehad en daarnaar gehandeld, want gij zijt achtbare menschen. Misschien hebt gij u vergist, maar meendet toch oprecht de waarheid te hebben.

Wij zullen derhalve, en met het volste recht, ook eenige Pausen raadplegen.

ocr page 148

28 § 1gt;-

Voorstanders, tegenstanders van den Paus in de lö11quot; eeuw en zoogenaamde voor-loopers der Hervorming.

.,ln rwijffl i^ii ik te. rade itij de Ropmsche Kerk als liet eerste door (iod zóó geleid en bestuurd beginsel, dat zij vooral in datgene, wat tot het geloof van quot;t mensclielijk geslacht en tot diens heil behoort, niet dwalen kan.quot;

(Savonarola.

Om de Pausen der 15'' eeuw scharen zicli zeer vele getuig-en ten g-uuste van liet pausdom. Allen kunnen wij hier niet noemen. Wij verdeelen hen in drie soorten en doen daaruit een keuze:

1. Voorstanders van den Paus.

2. Tegenstanders van den Paus.

3. Zoogenaamde voorloopers der Hervorming-.

1. VOOIISTAÏTDETÏS VAN DEN PAÜS.

Ik lieb een lijst van meer dan honderd namen van zeer vrome en gelterde personen uit de ISquot;10 eeuw bijeenverzameld, die de bedoelde teksten juist verstaan als ik, en ook door andersdenkenden geprezen worden Ik wil maar van eenigen gewagen. Wie lust heeft nog anderen te kennen, kan Chevalier: Repertoire des source» hixtoriqxes dn moyen-dge (Paris 1877—1883 Suppl. 1888) ter liand nemen, of Dr. Herzog, Wigand, L. Pastor (Gesch. der Pdpsfe 1, II, III), Janssen (öcuc/t. des deutschen Volkes) enz. enz. Ik veronderstel met het oog op deze laatste geschiedsclirijvers, dat ernstige Protestanten niet zoo maar klakkeloos instemmen niet Het Nederlandsch Dagblad, dat in 1897 te kennen gaf „de lezing van Roomsclie zijdequot; niet te vertrouwen. Foei!

ocr page 149

20

J o a n n e s G e i 1 e r o n K a y s e r s b e r g, volgens liet protestantsch Conversations-Lexicon van Wigand ') in „een beroemde duitsclie kanselredenaar, geb. 1415 f 1510quot;, en „een der geleerdste on oorspronkelijkste mannen van zijn tijd.quot; -)

Kork Geen godgeleerde, schrijft li ij, mag een dag laten

quot;quot;ni voorbijgaan, zonder in de H. Schrift, het boek der boeken t tot .

„ toi te lezen, maar in hare verklaring heeft hij steeds den onfeilharen geloofxregel der Kerk noodig. (Joh. Janssen I S. 107, 9'' Anti.) „Het is gevaarlijkquot;, zegt hij, „kinderen ele het mes in handen te geven om voor zichzelveu brood te ,vij snijden, want zij kunnen zich wonden. Zoo moet ook en de H. Schrift, die het brood Gods behelst, gelezen en verklaard worden door hen die in kennis en ervaring reeds verder zijn en deu ontwijfelbaren zin daaruit ophalen.quot;

God zelf, zegt hij, heeft zijn goddelijk woord niet aan allen zonder onderscheid in handen gegeven; Hij heeft immers niet het lezen tot voorwaarde der zaligheid ii gesteld. (Joh. Janssen I, S. 011.)

i- De geleerde Griek Georgius van T r eb i z o n d e geb.

Is 1395—1488.

k De Protestant Dr. Pressel (bij Dr. Herzog) roemt zijne

g „reiche Gelehrsamkeitquot;.

!« Georgius schrijft: „Men moet in 't oog houden,

i) __

!) Wij zullen voortaan kortheidshalve „Wigandquot; schrijven en 1 bedoelen dan diens Gimversationn-Le.vicon.

3 -) Dat deze redenaar eon zoogenaamde voorlooper zou zijn

i-, van do HtTPorming, wordt door geen enkelen waarheidlievenden

^ Protestant moer verdedigd. Een blik in zijne geschriften en hot

contrast tusschcn een voorlooper der Hervorming en dezen man springt in 't oog. Men leze J. Janssen; Gesch. d. detifschen Vnlhes b I; en Kirchenlexicnn 2i' Anfl ; TTist. pnh't. BI. B 49 S, 390.

ocr page 150

30

welke van alle groote patriarcliale zetels (Rome, Antio- JeT1 cliië, Alexaudrië, Jeruzalem, Konstantiuopel) nooit door |n de dwaalleer ontheiligd is geworden. Die van Rome, is waaI de eenige. En dat nu alleen deze nooit zulk een feil jiet beging, is buiten twijfel, allesbehalve menschel ijk,, maar Alle goddelijk. Want de goddelijke kracht van Hem, die ]5;er\, gezegd heeft: En de poorten der hel zullen hiar niet over- ^er weldigen, heeft dezen leerstoel, vrij van smet en bederf, (^er vrij van schuld en aansteking en van alle ketterij ver- Spr( wijderd, op den goeden weg gehouden in liet verklaren ve„-der waarheid, en zal dit otfk verder blijven doen. Wie der- aall halve zich van dezen Leerstoel losscheurt is buiten de vas Katholieke Kerk.quot; {De processu Sp. S' et de vna. savrJa, , c.alJiol. eed, No. 12.) 14(

Heeft hij zich zeker vergist

Ju au de Torque ma da f 1484, wel te onderscheiden van den inquisiteur.

De Protestant Voigt noemt hem den grootsten god- \ie geleerde van zijn tijd. !) De herinnering aan dezen zeer 7J( deugdzamen kardinaal, die met het wapen der weten- j) schap de rechten van 't pausdom verdedigde, leeft nog (j te Rome door zijne voortreffelijke stichting: de. broederschap der Sf. Annunciata tot het vei strekken ran huwelijksgiften aan arme meisjes. y

Döllinger noemt zijn Summa tegen de vijanden der f Kerk het belangrijkste werk (uit den Interen tijd der 5

Middeleeuwen) omtrent den omvang der pauselijke macht. -) In Summa lib. II c. 109 zegt Juan de Tor-quemada: ,,Zoo hecht en duurzaam heeft Gods goedheid

3) Eoea Silvio I 208. -) Die Papstfabeln des Mittelalters 2 A.ufl. Münchon 1863 S. 144 L. Pastor I S. 329 2P Aufl. Stimmen 1879 II 447—462; Grisar Zeitechr. für Kath. Then], VIII 729 Hergonröthor: Kirche und Staat 880.

ocr page 151

31

den Apostolisclien zetel in de waarheid g-evestig-d, dat in geloofszaken het oordeel van dien zetel niet van de waarheid afdwalen kan. En zoo voorwaar betaamde liet, dat die Leerstoel, welke naar het raadsbesluit des Allerhoogsten de geloofsherant en de hoeksteen aller kerken zijn zou, in alle* wat het geloof betreft en tot heil der menschen noodzakelijk is met deze bijzondere gave der onfeilbaarheid begiftigd werd door Hem, den oorsprong aller dingen, wiens wijsheid zich in hetgeen zij regelt, niet bedriegt. Tot bevestiging daarvan gaf Grod aan den eersten priester van dien zetel den naam der vastheid, Petrus, rotsman.quot;

Johannes Brug m a n, geboren te Kempen omstreeks l-iOO en gestorven in 1473, een groot volksprediker.

„In een zijner sermoenenquot; — zegt Moll — verkondigt hij de heerlijkheid der Drievuldigheid, die den gansehen hemel bestraalt, gelijk de zon het gansche aardrijk. Die heerlijkheid vloeit van den Vader op den Zoon, van den Zoon op Maria en op alle, zelfs de minste der heiligen. De heiligen toch zijn één met God en één met elkander.quot; [Johannes Brugman 1 D. blz. 189.)

Hij noemt den H. Petrus, „mijn heerscap.quot;

In zijn Leven van Jezus zegt hij: ,,Laat ons hooren wat bijzonder de zoete Jezus St. Pieter heeft toegesproken, als dat Hij voor hem gebeden had, dat zijn geloof niet zoude vergaan.... Laat ons overdenken, hoe dat de prins en het hoofd der Apostelen, Sint Petrusquot;. . . . enz.

Bessarion, kardinaal t 1472, wordt door de Protestanten Von Hase en Voigt (E. u. Gr.) niet ten onrechte aangeduid als de laatste Griek van beteekenis vóór het volkomen verval (!) van zijn volk. Hij was zeer geleerd en rein van levenswandel, maar behoorde door opvoeding-tot de schismatieke kerk. In 1439 ging hij over tot de

ocr page 152

Room,sell Katholieke Kerk of liever liet mag eigenlijk geen overgang lieeten, want reeds jarenlang had hij de overtuiging, dat de bisschop van Rome de opvolger van Petrus was.

In 1439 kwam te Florence de hereeniging der Griek-sche met de Latijnsche Kerk, het ideaal van Bessarion, tot stand.

Zelfs harde beoordeelaars roemen zijne buitengewone liefde tot de rechtvaardigheid; hij was allerminzaamst en zeer milddadig jegens de armen. En Wigand schrijft: ,,Nach dem Fall Constautinopels nahm er sich eifrig seiner öüchtigen Landsleute an, und suchte das Abend-land zu einem Kreuzzug gegen die Tiirken zu bewegen. Zur Belebung des Studiums der griech. Sprache und Literatur in Italien war er ausserordentlich thatig, brachte eine bedeutende Sammlung werthvoller Handschriften zusammen, die er bei seinem Tode der Markusbibliothek in Venedig vermachte.quot;

Thomas a Kempis, die volgens Moll (II 2, 372) M „omstreeks 1380 te Kempen in het aartsbisdom van Keulen geboren werd, toog op twaalfjarigen leeftijd naar Deventer, waar hij de kapittelschool bezocht en vervolgens in het fraterhuis leefde, totdat hij omstreeks 1399 in het Regulieren-convent op den St. Agnietenberg bij Zwolle, werd opgenomenquot; (dus monnik werd), „welk gesticht hem bijna onafgebroken tot 1471, ter woonstede was, toen hij in meer dan negentigjarigen ouderdom stierf.quot;

„Thomas a Kempis oordeeldequot;, zegt Moll (II 4, 20(5), „dat de ware vrucht eens vromen levens alleen uit een

!) Moll: Kerlegesch. van Nederland vóór de Hervorming Arnhem 1864—1869.

ocr page 153

88

rein hart kou voortkomen, en alle werken, die niet uit opreclite minne tot Grod en den naaste voortsproten, vergeleek hij met ledige vaten, die geen olie inhouden en met lampen, die in den nacht geen licht geven. God, zeide hij, ziet meer op het beginsel der daad dan op de daad zelve: de mensch let op de bedrijven. God op de bedoelingen. Die inwendig niet met God ver-eenigd is — wat hij wete, bezitte of doe, is alles van weinig gewicht.quot;

Dat leerde en leert de Roomsch Katholieke Kerk ook.

„Bij Thomas a Kempisquot; schrijft Moll (II 8, 808) stond de gedachte op den voorgrond, dat God (= Christus) ook „door het Sacrament des altaars zijne belofte aan de geloovigen vervulde: zie, ik hen met u al de dagen tof ' hei einde der wereld.''''

„Thomas a Kempis vermaande zijne jongere medebroeders. zich gedurig aan het welbehagen van God en Maria ten offerande te stellen, opdat al hun doen Gode aangenaam en den naaste nuttig zou zijn, en wat zij bij die akte van devotie denken en bidden zouden, werd in bezielde taal door hem aangewezen.quot; (Moll II 4, 222).

Hij was Roomsch Katholiek; beeft hij zich zeker vergist ■)

Dr. W. G. C. Byvanek zegt aangaande dezen beroemden man: „Men heeft Thomas.... wel eens onder de voorloopers van de Hervorming geteld; maar niemand is ooit minder een wegbereider van revolutie geweest dan hij.quot; (De Gids Juli 1898 blz, 202.)

Dionysius de Kartuizer 1402—1471, een der schoonste sieraden der Kartuizers, een zeer heilig en zeer geleerd man. Trithemius staat verbaasd over do vruchtbaarheid van dezen schrijver. In zijn preek over de grootheid en vervolging va.n den zaligen Apoatel Petrus spreekt

ocr page 154

:34

Dionysius als volgt: „Want Christus stelde den H. Petrus aan tot heer van zijn huis, dat is, tot hoofd, bestuurder en opperprienter van de geheel e, algemeen e Kerk, die hier op aarde is. Immers Hij benoemde hem tot zijn algemeenen, oppersten, met volmacht bekleeden plaatsvervanger en aldus ging Christus Petrus voor in het ééne algeheele rijk, daar Christus de opperste heer is, Petrus echter de plaatsvervanger. Ook maakte Hij Petrus het hoofd van geheel zijne bezitting wijl Hij hem de volheid van beide machten nl. van de geestelijke eu tijdelijke schonk, zoodat de regeling aangaande de aardsche rijken in zeker geval bij den Paus is; hetzelfde geldt voor de uitdeeling der kerkelijke goederen. Derhalve gelijk alle Egypt en aren de verplichting hadden aan Jozef' te gehoorzamen, zoo moeten alle menschen, die in deze wereld leven, gehoorzamen aan den opperpriester, den opvolger eu den ■plaatsvervanger van Petrus.quot; (i). Dionysii Garthusiani Sertnones de Sanctis. Colonae Agrippinae 1533, fol. 238.)

Jacob von Jüterbogk, beroemde Kartuizer en professor aan de Hoogeschool van Erfurt, geb. 1381 f 1465 of 14(56.

Hij verhief zijne stem om de misbruiken, die in de Kerk waren ingeslopen, uit te roeien en ijverde zeer voor de ware hervorming. Daarom schreef hij aan Paus Nicola us V om hem aan te sporen de hand aan 't werk te slaan en zeide: „Tot wien kan men zijn stem beter verheffen dan tot hem, die op den Stoel van Petrus zit, de hoogste Apostolische macht bekleedt en de eenige plaatsbekleeder van Christus is?quot; ^

i) lu ziju ijvor voor hervormiug ging hij te ver en meondo, dat do Paus door oen concilie kon worden afgezet. L. Pastor I

325—327.

ocr page 155

85

Di*. Felix Hemuier 1 in, proost van Solothum g'eb. 1389 t vóór 14G4, een man, die tegen de misbruiken heftig te keer ging, maar tocli in zijn Neyotia monachorum sclireef: „De Almachtige heeft door zijne plaatsvervangers op aarde heilzaam beschikt en het is ons geloof, dat in den Opperpriester de volheid dtr macht is van straf en vergeving, en hij de uitspraak des Hemels bezit.quot;

Hij is dus allesbehalve een voorlooper der Hervorming, zooals men het soms doet voorkomen.

De H. Antoninus O. P., t 1459, aartsbisschop van Florence, leefde ook in die waardigheid als een arme kloosterbroeder, deemoedig en eenvoudig, was voor allen toegankelijk, voor allen gelijk, vrijmoedig en sterk tegenover de ondeugd, een onverbiddelijke tegenstander van de door Cosimo de' Medici iiit politieke bedoelingen gedulde verslapping der zeden. Hij werkte onvermoeid aan de verbetering der geestelijkheid, die zeer wereldsch leefde. Paus Eugenius IV stierf in zijne armen.

Hij was zeer geleerd en liet vele geschriften na.

Evenals de H. Thomas van Aquino kende hij den Paus èn het recht toe, om in zaken van geloofs- en zedenleer te beslissen èn dienaangaande de gave der onfeilbaarheid, 'l

Domenico Capranica f 1458.

„Alle tijdgenootenquot;, zegt L. Pastor, „komen overeen in den lof van dezen edelen Romein, die hooge geleerdheid met diepe vroomheid vereenigde.quot; De gezant van den hertog van Milaan, Otto de Caretto, die bij zijn sterven tegenwoordig was, noemt hein den wijsten, vol-maaksten, geleerdsten en heiligsten prelaat in de Kerk dier dagen.

Zie do dogolijko studio in do Civilla CatUüica Jg. 18(58 Ser. 7 vol. 4 on Stdmmen aus Maria-Laach X 76.

ocr page 156

86

Caprauica schreef: „Onze Heer J. O., die van den Hemel daalde om door zijn dood de mensclien zalig te maken, stelde de Sacramenten in, waardoor de genade van zijn lijden en sterven aan de menscliheid zon worden toebedeeld. Op het punt van op te stijgen naar zijn Vader koos Hij werktuigen, waardoor Hij de Sacramenten zelf wilde toedienen. Onder deze werktuigen koos Hij zich een plaatsvervanger, den H. Petrus, die voor alle dezen en voor de geheele Kerk moest zorg dragen, want Hij sprak tot hem de woorden: Weid mijne schapen. En wijl het noodig was de menschen tot het waardig en nuttig ontvangen der Sacramenten voor te bereiden en te schikken gaf' Hij hem de macht hen door onderrichting en verbetering in het houden der geboden Gods geschikt te maken. Derhalve is de voornaamste taak van 't geheele priesterschap het heil der menscliheid. Die priesterlijke waardigheid is op de eerste plaats en voornamelijk in Petrus en zijne opvolgers, cle Pausen van Rome. De Paus is het hoofd en van hem gaat de macht op de overigen als op de ledematen van 't lichaam over. Het is dus de plicht van Rome's bisschop voor de gansche Kerk zorg te dragen, waardigheden en ambten te verleenen, vooral de bedienaars der sacramenten tot trouwe vervulling van hun pliclit te leiden. Het is bijgevolg ter zaligheid noodzakelijk, dat allen, welke waardigheid, welken rang zij ook bekleeden, van welken stand zij ook zijn, aan den Paus van Rome gehoorzamen.quot; ')

H. Lauren tins Justinianus geb. 1381 f 1456, patriarch van Venetië.

Een protestantsche schrijver getuigt van hem: „Ben

l) Natuurlijk in hot goostolijko.

ocr page 157

man met reclit beroemd om ongeveinsde godsvrnolit, een kwistige liefde jegens de armen en een zeer grooten godsdienstijver.quot; 'j

Tn zijn geschrift ,,De Ohedientiaquot; vermaant deze lieilige man tot geloovige lt; nderwerping aan de beslissingen des Pausen in geloofszaken, omdat deze beslissingen als nit-spraken van Petrns, j a als van Christus ze 1-ven zijn.

H. Joannes van Capistrano ü. S. Fr. geb. 1386 t 1456.

De Protestant Ranschnick zegt: „Hij genoot een wetenschappelijke opvoeding en wijdde zich tot zijn SOquot;10 jaar aan de rechtsgeleerdheid, koos toen echter den geestelijken stand en trad te Samnio in de orde der Franciscanen. Hier muntte hij uit door strengheid van zeden en door vroomheid .... De geloofsijver van Capistrano verwierf hem zulk een groot aanzien, dat Paus Nicolaus V hem als gezant naar Duitschland zond om door hem de uitbreiding der ketterijen der Husieten tegen te gaan .... In 1450 kwam hij te Ween en, waar hij op de straat en openbare pleinen onder een over-grooten toeloop van volk predikte.... Van Weenen ging hij naar Moravië en predikte te Olmütz tegen de volgelingen van Hus met zulk een schitterenden uitslag, dat een lid van den hoogen adel in Moravië, Wenceslaus van Baskowicz met 2000 zijner onderdanen van de leer van Hus tot het Katholiek geloof overging, en buitendien waarschijnlijk omstreeks 16000 Husieten zich weder met de llooinsclie Kerk verzoenden....

Eeu appendix op (Javo's Hlstoria lilteraria door eon Proteslant goechroven; ,,Vir ii fucuta erga Deum pietate, prodiga in pauperes caritato et ingenti religionis zelo mcrito celebrandas.quot; (1745 II Append. 133).

De Paus II. 3

ocr page 158

88

t)e reinheid van zeden van dezen buiten-gewonen man, zijn ijver voor den godsdienst, de alles o verweid igo n d e kracht v a n z ij n woord.... dat alles maakte reeds bij zijn leven zijn naam door gelieel Europa, vooral echter in Hongarije, waarvan hij do redder geworden was, hooggeroemd, en algemeen blijkt liet gevoelen, dat hij een heilige en vionderdoener was.quot; (E. n. Gr.)

Deze buitengewone man heeft talrijke geschriften nagelaten, o. a. Be audoritate Papae et Gonrilii enz., waarin hij zeer beslist de hoogsfe macht en liet onfeilhaur leeraarsamM den Pausen verdedigt.

Heeft deze Joannes zich zuktr vergist'.'

Alphonsus Tosta, hoogleeraar te Salamanca, latei-bisschop van Avila t 1454, om zijne buitengewone geleerdheid, onvermoeideu ijver en gezond oordeel door den Protestant Cave en zelfs door Wharton uitbundig geprezen l), zegt naar aanleiding van Matth. 10: „Christus wilde, dat de belijdenis des geloofs enkel door Petrus geschiedde, om te kennen te geven, dat men gelooven moest, wat de Siod van Home leert, die het hoofd en de moeder der kerken is en aan 't hoofd waarvan Petrus staat; voluit Chris tv qïiod confessio Jidei esset fer Pet mm solum, ut insin iiaretur, quod talis fides tenenda est, quam praedicat Hom ana tiedes, quae est caput et mater ecclesiarum, cai Petrus praefuit.quot; {Defensormm c. 16.)

Zijne degelijke werken bestaan in dertien deelen in folio. Hij schreef geleerde commentaren over de H. Schvift. Bellarminns noemde hem „een wonder der wereldquot;.

De geleerde kardinaal Ni col au s de Cu sa f 1454,

!) Op zijn graf staat: ,,Uic stupor est mundr, qui scibile discutit omne.quot;

ocr page 159

was ovotials de IT. Cvprinims vnst overtuigd, dat die kerk noodzakelijk de Katholieke is, welke den eersten zetel aanliaug't „erit necessario co.fholica Ecclesia ilia, quae primae sedi adhaerefquot;, en liij oordeelde de eenheid in geloof niet denzelfden zetel zoo noodzakelijk, dat men om vrij te blijven van dwaling in de eenheid van geloof met het hoofd der Kerk moet zijn. (Zie Petri Ballerini: De vi ac ra Hone prima In* Rom. Font. Ed. 1 1849, blz. 209.)

Hij stierf in de tweede helft der 15ao eeuw, na zeer veel gedaan te hebben om misbruiken in de Kerk uit te roeien. Meer dan twee maanden vertoefde hij in ons land en bezocht zegenend Deventer, Zwolle, Utrecht, Amsterdam, Haarlem, Leiden, Delft, Dordrecht, Arnhem, Nijmegen, Roermond, Maastricht en Luik.

Wigand zegt van hem: „Seine gliinzende Rednergabe und seine gediegenen Kenntnisse erregten bald allgemeine Aufmerksamkeit.quot;

De Cusa noemt den Paus „den opyersteu Kerkvorstquot;. Bij vergissing!'

Garcia Enriquez, aartsbisschop van Sevilla f 1448 verdedigt in zijn „Dialoog over de middelen tegen de scheuringquot; op meesterlijke wijze het primaatschap van Rome's bisschop en betoogt met klem, dat men den Paus gehoorzaamheid verschuldigd is.

H. Bernardinus van Siena 1880 f 1444 !), dooiden Protestant Dr. Herzog „ein Musterbild ascetischer Frömmigkeitquot; geroemd, trad in de orde der Franciscanen, was een vurig vereerder van de Moeder des Heeren, echt Roomsch en stond in hooge achting bij

iu IbiJö is de 2'le uitgave verschenen van het beroemde werk: Un prédicateur populaire dans l'Italië de la renaissance Saint Bernardin de Sienne par Paul ThuroauDangin de l'académie frangaise.

ocr page 160

40

Pans Martinus V, die vroeger als kardinaal in 1410 zicli tegen Hns uitsprak.

Do Protestant Banr zegt van Bernardinns: „Hij trad als zeventienjarig jongeling en van lioogen adel in de broederschap der Disciplinatorum h. Maria en nam zijn intrek in liet hospitaal della Scala te Siena, waar hij, toen in 1400 de pest door geheel Italië woedde, de zieken met zeldzame zelfopoffering verpleegde.quot; (E. n. Gr.)

Hij ijverde tegen de dweperij van Manfred van Ver-celli, die nit de Apocalypse bewijzen wilde, dat het einde der wereld nabij was.

Alfred von Eenmont zegt van Bernardinns, dat hij behoort tot de mannen, die evenals Franciscns van Assisi en Antonius van Padna op de massa werkten door het vnnr der liefde, die zij aan den gloed van hun eigen hart ontstaken. (L. Pastor 1 S. 31 noot.)

De Protestant Moll zegt: „Buiten een der poorten van Siena .... hing een Mariabeeld en derwaarts bracht de jongeling dag aan dag, in morgen- en avonduur, zijne gebeden. Maria wier lof hij later, nevens dien ran Christus, in zijne leerredenen met de gloeiendste bewoordingen groot maakte, werd het voorwerp zijner innigste vereering.quot; {Johannes Brugman I D. blz. 113.)

In Sermo 27 vraagt Bernardinns: „Waar zijn de sleutelen der Kerk, die de Heer aan Petrus en diens opvolgers heeft toevertrouwd?quot; (t. I p. GOS.)

In t. I. c. 2 p. 8 leert hij, dat de Kerk altijd zal voortbestaan en beroept zich op Matth. 16 en 28 en op Luc. 22: „Ik heb voor u gebeden Petrus, opdat uw geloof niet hezwijke, en gij eenmaal bekeerd zijnde versterk uwe broedersquot; en dan haalt hij Augustinus aan en vraagt met hem: „Aarzelen wij ons toe te vertrouwen aan den schoot zijner Kerk, die tot het einde van het

ocr page 161

41

mensclielijk g'eslaclit door den apostolisclien Zetel en door de opvolging der bisschoppen gegrondvest en bevestigd, het hoogste gezag verkregen heeft, hoezeer de ketters haar aanblaffen, haereticis c.ircumlatrantibus.quot;

Dat men zijne zonden moet belijden is een gebod, zegt hij, en wel van Christus; en zoo groot is de kracht van dit gebod, dat zelfs de Paus de menschen van dit gebod niet kan ontslaan; tarda est vis hums ptaecepli, quod etiam Papa non posset homines ah hor praecepto absolvere. (III p. 567) !)

Hij was zoo gehoorzaam aan den Paus, dat hij door Martinus V naar Home ontboden, zijn prediking te Viterbo staakte en terstond gehoorzaamde.

Piero del Monte in 1442 bisschop van Brescia, leert uitdrukkelijk, dat het beleggen eener algemeene Kerkvergadering bij den Paus of diens gezanten behoort; wordt deze voorwaarde niet vervuld, dan heeft men niet met een concilie, doch met een conciliabulum te doen. Ook komt enkel den Paus de voorrang toe op de Kerkvergadering. ,,Bij een scheuring kan en moet in 't geval, dat er twijfel ontstaat, wie de wettige Paus is, het concilie tusschenbeide komen. Tegenover den wettigen Paus is dat echter niet geoorloofd. Zelfs wanneer de Paus aan de Kerk ergernis geeft of wanordelijkheden doet ontstaan, is er geen rechtbank, die hem ter verantwoording kan roepen 1), want hij is de Herder, het concilie de leudde. Ik geef echter toe, zegt

1

-) Dol Monte zondert hier het geval van ketterij uit. L. Pastor I S, 331—335.

ocr page 162

42

hij, dat de Paus te prijzen zon zijn, indien hij in zulke omstandigheden uit ootmoed zich van de beschuldigingen zuiveren en aan het concilie onderwerpen zou; wil hij dat evenwel niet doen, dan kan hij zeker niet daartoe gedwongen worden; hij is van mogelijke misstappen enkel aan Grod, den Heer, rekenschap schuldig. Het opperhoofd der Kerk, zegt hij verder, kan uit kracht zijner volmacht een canonisch vergaderd concilie ontbinden, wanneer daartoe een rechtmatige reden is. Hij besluit zulks hieruit, dat de algemeene Kerkvergadering haar bindende kracht en g-ezag ontleent aan den Pan», die hoven de Kerk en het concilie staat.

Op het Algemeen Concilie van Florence 1438—1445 onder Paus Eugenius IV werd het volgende bevestigd: „De Paus is niet enkel het hoofd der afzonderlijke kerken, maar van de geheele Kerk, heeft zijn macht niet van de menigte der geloovigen, maar onmiddellijk van Christus, wiens stedehouder hij is; hij is niet alleen Vader, maar ook leeraar aller christenen, wien allen hebben te volgen.quot; (Hergenröther 11 201 ; 111 390). ') L. Pastor zegt {Die Piipste I 2quot; AnH. 8. 256): „Met deze beslissing, die als een grondslag geworden is voor de ontwikkeling der leer van het primaatschap, was het begrip des Paasdoms, verduisterd door de scheuring, voor de hoofdzaak weer opgehelderd.quot;

Op dat Concilie waren o. a. tegenwoordig de Keizer der Grieken, Joannes Palaeologus II, Jozef, Patriarch van Konstantinopel, gevolmachtigden der patriarchen van Alexandrië, Antiochië, Jeruzalem en vele Grieksche bisschoppen. Het gezag des Apostolischen Stoels werd

') Mgr. Bottornanno: Dc vcrvalschiiig van don tekst der Kerkvero. van Florence; üe Katholiek D. 57.

ocr page 163

48

door alle grieksclie eu latijnsche bissclioppen op de volgende wijze erkend; „De bisschop van Rome is de opvolger van den Prins der Apostelen Petrus; liij is de ware plaatsvervanger van Christus, het hoofd der gansche Kerk, de Vader en Leeraar aller Christenen, de Opperpriester van het geheele aardrijk; God zelf heeft hem en den H. Petrus de volmacht overgedragen om de gansche Kerk te hoeden, te leiden, te besturen, zooals het ook de Algemeene Concilies en Kerkelijke wetten geleerd en uitgesproken hebben.quot; (Hard. g c. 414, 423, 1087).

Hebben die 700 Grieken (bisschoppen, priesters en aanzienlijke leeken) en de Latijnen zich zeker vergist'.' Het is waar, nauwelijks te Konstan tin opel teruggekeerd vielen de meeste Grieken weder af, doch waarom!'

Nicola us van C1 e m a n g e s, een ster aan de hooge-school van Parijs, geb. omstreeks 1360, gestorven waarschijnlijk in 1434.

De Protestant Dr. Herzog zegt van hem: ,,Vol geestdrift voor de class'eke oudheid, zoo ver men die toen kende, en met den gelnkkigsten aanleg begaafd, werd hij weldra het welsprekendste lid aan de hoogeschool (college van Navarre te Parijs).... Uit zijne geschriften blijkt, hoe de helderheid van zijn door classieke studiën gevormden geest, verbonden met een reine uit den Bijbel zich voedende vroomheid, hem.... verwijderde van de bespiegelingen van een valsch (!) mysticisme. Niet minder vroom als geleerd, was hij wel is waar aan zijne Kerk onderworpen, maar zocht zijn vrede .... enkel in het geloof aan den Verlosser, zooals hij dien in de Evangeliën vond. Overal beval bij het Woord Gods als de zuiverste en rijkste bron der christelijke belijdenis en des christelijken levensquot;, doch niet als de eenuje bron, ook de Overlevering erkende hij.

ocr page 164

44

Deze geleerde vrome man sclireef aan Paus Benedictus XIII een brief, die, zegt Knöpfler !), zulk een vrijmoedig-lieid, adel van gemoed en ijver voor liet welzijn der Kerk ademde, dat meu den schrijver slechts bewonderen kan. Daarin zegt hij o. a.: „Bedenk wel, heilige Vader, dat uw toestand in vele opzichten veranderd is. Tot nu toe waart gij een man op u zeiven, thans echter behoort gij aan het geheel; tot heden waart gij eenvoudige schepeling nu staat gij aan hot roer; aan uwe zorg is thans het geheele vaartuig toevertrouwd en alles, wat het hevatquot;. . . .

In besluiten, die het geloof raken, zegt hij, is de Kerk onfeilbaar volgens de allerduidelijkste woorden van Christus bij Luc. 22 : 32 : „Ik heb voor u. Petrus, gebeden opdat uw geloof niet bezwijke.quot; 1)

Thomas Netter O. C., bijgenaamd Waldensis, beroemd godgeleerde 1380 t 1430 doctor praestaniissimus schreef tegen de aanhangers van Wiclef en Mus het groote beroemde boek Doctrinale an!iqultatum Jidei Ecclesiae cath. adv er sus W iclevitas et Sussitas.

Willem Fillastre kardinaal f 1428, ontkende beslist, dat een algemeen concilie het recht zou hebben den Paus te oordeelen en te veroordeelen.

Het Concilie van Constanz lid4—1418 2) leert: „Het

1

-) Toch heeft men dezen man eon tijdlaag eon voorlooper der Hervorming genoemd; men beriep zich namelijk op twee geschriften, maar A. Müntz heeft in 1846 bewezen, dat die boeken niet door Nicolaus do Clemanges geschrovon zijn, en G. Schubert hoeft in 1882 do bewijzen van Müntz niet kunnen omvorstooten.

2

) De synode van Pisa in 1409 kan ons niet inlichten, want zij wordt zelfs door Protestanten veroordeold. Zoo b v. Gregorovius (Gesch. der Stadt Bom im MAttelalter 3° Aufl. B. VI 577—578), L. Flathe (Gesch. der Vorldufer der Reform. II 95) on M. Lcnz (Brei Tractate aus dem Schrif tencyclus des Constamer Concils 1876 2) Zie L. Pastor I2 B, 148.

ocr page 165

45

is onmogelijk, dat deze Roomselie Stoel en deze Roon;-selie Kerk iets beslist en voor katholiek en reclitzinnig geloof lioudt, wat niet liet reclitzinnig geloof zou zijn. ' Van de groote Westersclie sclieuring 1378—1417, waarvan de lioofdsclmkligen de kardinalen zijn, zegt de Protestant Gregorovius (VIquot; 620) de volgende woorden, die ik eiken geloovigen Protestant ter bepeinzing geel: „Eilc wereldlijk rijk zou daarin (in die sclieuring) zijn ondergegaan; doch zoo wonderbaar ivas de inrichting van het geestelijk rijk en zoo onuitroeibaar de idee van het pausdom zelf, dat deze diepste dgt;r scheuringen juist de on deelbaarheid van het pausdom bewees.^

H e n d r i k v a n K a 1 k a r. Kartuizer geboren in 1328, gestorven in 1408.

Moll schrijft: „Hendrik van Kalkar, de vertrouwde vriend van Geert Groote, die omstreeks 1328 te Kalkar geboren werd en in de laatste helft der veertiende eenw in de kloosters zijner orde (Kartuizers) bij Arnhem en te Roermond leefde, waarna hij naar Keulen en Straatsburg toog, blijkt een man van veelzijdige ontwikkeling geweest te zijn. Hij schreef niet alleen over historische stoffen,.... maar ook over rhetorica, muziek, homiletiek enz. Van zijne stichtelijke schriften, de ladder der geestelijke oefening, het dagelijksche offer, het hoek der vermaning, de psalter tof lof ran Maria en zijn tractaat voor die een goeden voortgang op den iveg der volkomenheid hegeeren, zijn slechts de twee laatstgenoemde te onzer kennisse gekomen. De psalter .... doet Hendrik als een warm vereerder van de H. Maagd kennen, meer dan de Protestant van den verkoren leidsman van Geert Groote wenschen zou.quot; (II 2, 378.)

Hij bad eiken dag den rozenkrans ....

In een document van 1408, waarschijnlijk van de

ocr page 166

•4(5

liand eens professors van Heidelberg, lezen wij: „Aan den Paus, ook aan een slechten, moet men zich onvoorwaardelijk onderwerpen; hij is de bron van alle macht . . . . Wilde men aan de kardinalen de beslissing- laten aangaande hetgeen nuttig en noodzakelijk is voor de Kerk, dan hadden zij eiken dag daarin te beslissen, dan waren zij en niet meer de Paus de plaatsbekleeders van Christus.quot; (L. Pastor I, E1' Anti. S. 150.)

Tegenstanders van den Paus.

J o a n n e s Gr e r s o n 1363 f 1429 !), de beroemde kanselier van Parijs, die volgens Wigand op „Heissiges Bibel-studiumquot; aandrong en door den Protestant Schmidt (bij Dr. Herzog) hoog- geprezen wordt om „sein ausge-zeichnetes Reduertalent und seine Liebe zuin christlichen Yolkequot; ... . zijn „Freimuth, die Vielseitigkeit seiner Kenntnisse, die Klarheit seines Verstandes, die tiefe, liebenswürdige Frömmigkeit seines Geinüthsquot; en die den eerenaam ontving van Doctor Chrietiauissimvs, deze godgeleerde wederleg-de de geschriften van Hus en was rechter iu diens proces.

Do laatste 10 jaren zijns leveus bracht hij door in een klooster te Lyon. Daar, zoo zegt Schmidt, „ver-saminelte er öffcers kleine Kinder um sich, denen er Unterricht gab über das christliche Leben. In seiner Demuth erscheiut er nicht minder gross als in der Zoit, wo er die berühmtoste üuiversitiit und die grösste

!) Hij kan emigszms ondor do topjonstandore van don Paus (niet van 't pausdom) gorokond wordon, wijl hij ofschoon mot al do kracht van zijn talent naar do oonhoid van 't pausdom strovond on godroven door oen vurigo liefdo tot Kork on Paus, aich vorgisto in hot gobruik dor middelen.

ocr page 167

47

Kirchenversammlung durcli die Macht seiner Rede lenkte.quot;

Deze Gerson de reden aangevende, waarom de latijnsche Kerk niet gelijk de griekschc van het geloof is afgeweken, zegt in zijn preek op Hemelvaart: ,,De latijnsche Kerk is uitmuntender in reinheid en onbevlekt, daar zij d e n Stoel vaii Petrus hezit, voor wiens geloof, dat het niet hezwijke, Hij heeft gebeden, die in alles verhoord is om zijn ontzagquot;, Latinitas ipsa, purior et immaculata fedem, habet Petri, pro cuius fide ne dejiceret specialiter oravit Llle, qui in omnibus exauditus est pro sua reverentia.quot;

Gerson zegt in zijn verhandeling De Statibus Ecclesiae (tit. de statu Fraelatorum consid. 13) 1): „De bissclioppe-lijke Staat lieeft te reelit een opperheer, namelijk don Paus, ter wille van de eenheid des geloofs.quot; -)

„De pauselijke waardigheidquot;, schrijft Gerson, „was door Christus bovennatuurlijk en onmiddellijk ingesteld als eene monarchale oppermacht in de kerkelijke hiërarchie; ten gevolge van die éénige en opperste waardigheid wordt de strijdende Kerk één genoemd onder Christus. Wie zich zou verstouten halsstarrig die waardigheid te bestrijden of te verkleinen, of terug te brengen tot liet peil van eene of andere particuliere waardigheid, is een ketter, een scheurmaker, even goddeloos als heiligschennend. Want hij vervalt in eene ketterij, zoo dikwijls uitdrukkelijk veroordeeld van het begin der Kerk tot op onze dagen, zoowel door de instelling van Christus, die Petrus tot opperhoofd aan-

!) Zio ook De pnfest. ecclesiast. consid. 9, Ballorini: de vi ac ratione Primalus p. 208.

2) (iroon v. l'rinsteror zogt blz. 67: „Eonhcid vau geloof is onafschoidoliik van hot wezen oonor Kerkquot; en volgons Prof. J. EL Gunningh hooft do Kork con zichtbaar middelpunt nood'«j.

ocr page 168

48

stelde over de andere Apostelen, als door de overlevering der ganrche Kerk, in hare gewijde uitspmben en Algemeene Kerkvergaderingen.quot; En wederom: ,,De bissclioppelijke waardigheid in de Kerk, wat betreft hare oorspronkelijke mededeeling werd onmiddellijk door Christus het eerst aan de Apostelen verleend, zooals de pauselijke waardigheid aan Petrus. De bisschoppelijke waardigheid was dus in de Apostelen en in hunne opvolgers wat het gebruik en de uitoefening van hare eigene macht betreft, ondergeschikt aan Petrus, als Paus, en aan zijne opvolgers, daar hij had, en zij hebben, de oorspronkelijke volheid van het bisschoppelijk gezag. Weshalve zijn in die zaken de minderen in rang, dat is de zielzorgers, onderworpen aan de bisschoppen, door wie het gebruik van hunne macht bijwijlen wordt beperkt of belet, en zoo kan zonder eenigen twijfel de Paus handelen, ten opzichte der hoogere waardigheidbekleeders, voor zekere en redelijke gevallen.quot;

Verder zegt hij: „De volheid van deze macht (of jurisdictie) berust bij den oppersten hoogepriester, en is in hem volkomen, maar wordt aan anderen medegedeeld in graden, overeenkomstig de wettige bepaling van dat oorspronkelijk en opperste gezag.quot; (Gerson: de Statibus Ecclesiasticis consid. 1. De Statu Praelatorum eonsid. 2. 3; de Potest, ligandi et solvendi. Zie T. W. Allies: The See of Si. Peter 4 edit. 1893.) De Vaders zei ven van de schismatieke synode van Bazel 1481 hebben zelfs deze leer als allerzekerst en onbetwistbaar aangenomen. Immers in een synodalen brief luidt hun antwoord op de bemerkingen van den bisschop van Tarente aldus: „Nu rest ons nog te antwoorden op de voorstellen van den eerwaardigen aartsbisschop van Tarente. In de eerste plaats verklaart hij uitvoerig de jurisdictie en

ocr page 169

de nmclit van den Paus: dat hij het hoofd en de opperste is der Kerk, de flaalshefdeeder van Christus, en van Christus, niet van de mensclien of synoden, liet bestuur over de anderen verkregen heeft; dat li ij de herder is der Christenen, en aan lieiti door den Heer de sleutels gegeven zijn; dat aan éénen gezegd is: Gij zijt Petnis; en Lij alleen tot dc volheid der niaclit is geroepen, de anderen slechts tot een deel van de zorg'; en vele dergelijke zaken die, daar zij algemeen bekend zijn, volstrekt niet behoefden worden opgesomd. Deze waarheden belijden en gelooven wij volkomen.quot; (Labbe, Conciliorum t. 12, col. 679; edit. Paris, 1672.)

Petrus de Alliaeo (Pierre d'Ailly) !), bisschop van Kamerijk, kardinaal t 1419 (of 1420 of 1423', de leeraar van Grerson en vóór dezen kanselier aan de hoogeschool van Parijs, door Dr. Herzog geprezen, was een der helderste en scherpzinnigste denkers van zijn tijd en neemt zoowel onder de godgeleerden en cano-nisten als onder de wijsgeeren der middeleeuwen een hooge plaats in. Hij trad als rechter op in de zaak tegen Has en verklaarde het volgende: „De pauselijke zetel is altijd onbevlekt gebleven en zal dit ook in cle toekomst blijven. Uit dit alles blijkt genoeg, dat volgens de belofte van Christus zijn geloof nimmer bezwijkt.quot; (Tractaat tot Clemens VT 1342—1352.)

ocr page 170

50

Hij leerde, dat men. zelfs een Paus, die van ketterij verdaclit werd, de gelioorzaamlieid niet inoclit opzeggen-

In naam van de Parijsclie lioogescliool sprak hij in tegenwoordigheid van Clemens VII f 1394, die door Menigen voor den wettigen Pans werd gehouden '), aldus: „Dat is het geloof', allerheiligste Vader, dat wij in de Katholieke Kerk geleerd hebben; is daarin misschien iets minder juist en weinig omzichtig gezegd, dan vragen wij u, die het geloof en den Stoel van Petrus heht, het te rerheteren. Want het is ons niet onbekend, integendeel wij houden ten sterkste vast en twijfelen er volstrekt niet aan, dat de 11. Apostolische Stoel die Stoel van Petrus is, waarop de Kerk is gebouwd .... Van dien Stoel is in den persoon van Petrus, die hem bekleedde, gezegd: Petrus ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet zou bezwijken.quot;

Hij hield, dat yrincijpaliter het gezag van Rome's Kerk van Christus stamde, seeundario van bet concilie. (Opp. Gers. II, 905.)

Zoogenaamde vookloopeks dei: Hervorming.

Op Rafaëls heerlijk schilderstuk de zoogenaamde Disputa, eene grootsche verheerlijking van de godgeleerdheid der Katholieke Kerk, prijkt volgens velen de beeltenis van Savonarola naast die van Thomas van Aquino, en op het Luthermoimment te Worms zit de arme boetprediker als „een caricatuur van den toorn en den haat aan de voeten van Lutherquot;. ... „Eeeds het eenvoudig feitquot;, zegt de schrijver van Das Luthermonument zu Worms, „dat men te Rome Savonarola waardig gekeurd heeft naast den Doctor Angelicus, den H. Thomas

i) Hij was echter eon tegenpaus.

ocr page 171

51

van Aquino, te prijken als verheven geloofsgetuige voor het heiligste geheim des Katholieken geloofs, moest volkomen voldoende zijn om te tooneu, dat de groote vereerder van den H. Thomas van Aquino, de echt katholieke, maagdelijke en zedelijk reine monnik van San Marco iti Florence niet verdiend heeft in dat gezelschap van het Luthermonument te Worms te geraken.quot; (Dim Lvihcr-monument zu Worms 2 And. S. GO.)

Ltidwig Pastor in zijn Geschlchte der Piipufe (B. IEÏ S. 781) en in zijn brochure Znr llpurtheilung Savonarolax (1898 S. 21) ontkent, dat de groote Dominicaan op Eafaëls fresco geschilderd, staat. Velen meenen iu den kop, die achter dien van Dante te voorschijn komt, dien van Savonarola te zien. Maar, zegt Pastor, „manche Forscher, darnnter auch ich, vermogen in dem betreffen den Kopte keine Aehnlichkeit mit dem bekannten Portrilt Savonarolas in Florenz und den sonstigen Dar-stellungen des berühmten Dominikaners zu erkennen.quot;

Wat daarvan zij, op het Luthermonument te Worms behoort de Frate van San Marco allerminst te huis.

„Zoo onverstandig ben ik nietquot;, schreef Savonarola aan den Paus, „dat ik mij zeiven vergeet en wagen zou ('hristutf plaafshelleeJcr op aarde opzettelijk te tarten en te verachten 1quot;

En die man staat op het monument van Luther. () tempora, o mores!

Savonarola was een tegenstander van Paus Alexander VI, maar geen tegenstander van het pausdom. Daarom zegt de protestautsche geschiedschrijver Sismondi: „Savo narola heeft bij zijne poging om de Kerk te verbeteren, zich niof van de Kafholielce grondbeginselen verwijderdquot; (Sismondi: Histoire du renouvellement, des progrrs, de la. decadence ei de la mine de la liberie en lialie Chap. 13.)

ocr page 172

Savonarola sclireef: „Hij is eon ketter, die liardnekkig aan zijn. gevoelen vastlioudt, dat tegen de H. Schrift en de leer der Eoomsclie Kerk aandruisclit. Wat mij betreft, ik geloof nooit iets tegen de leer van Christus en der Kerk geschreven te hebben: ulhs wat ik in de toekomst schrijven zal, onderwerp ik aan het oordeel der Roomsche Kerk.quot; (Savonarolae: Compevd. Revelatiomirtï). Nog na zijne excommanicatie getuigde hij: „In twijfel g'a ik te rade bij de Roomsche Kerk als het eerste door God zóó geleid en bestuurd heginsal, dat zij vooral in datgene, wat tot het geloof van hel mevschelijk geslacht en tot d-itn* he'd behoort, niet dwalen kan.quot; {Triumph. Crueis lib. 3 c. 10.)

Toen Savonarola, de roemrijke prior van San Marco, reeds door den Paus wegens ongehoorzaamheid in den ban was gedaan, staafde hij de goddelijke instelling van het pausdom en het gezag des Pausen, terwijl hij na eene reeks van plaatsen uit de H. Schrift te hebben aangehaald, het volgende schreef: „l'aaruit blijkt dat zij, die Petrus' plaats innemen, hem in onafgebroken rij opvolgen, opdat er altijd een hoofd der Kerk zou zijn, dat met dezelfde macht en hetzelfde aanzien als Petrus de plaats van Jezus Christus zou innemen. Daar nu echter de bisschoppen van Rome deze opvolgers van Petrus zijn, zoo is de Roomsche Kerk onbetwistbaar de leerares en het hoofd van alle andere kerken, en alle geloovigen moeten met den Roomschen Paus als de ledematen met het hoofd vereenigd zijn. Allen, die zich van de eenheid en leer der Roomsche Kerk scheiden, scheiden zich bijgevolg ook van Jezus Christus.quot; (Savonarola: Triumph us crucis sen Veritas religionis lib. 3 c. G.)

De Pans was hem „de vorst en herder van alien.quot;

Heeft hij zich zeker vergist?

ocr page 173

53

Hieronymus Savonarola schreef in 1497 als antwoord op de excomniimicatie van Alexander VI: „Niets is ooit door mij geuit tegen het Katholiek geloof noch tegen datgene, wat de heilvje Roomse,Jk1 Krrk goedkeurt, aan wier terechtwijzing ik mij altijd onderworpen lieb en, zoo dikwerf het noodig is, immer en immer mij onderwerp.quot;

Deze brief staat in Quétif: Vita Fr. Bier. Savonarolae Paris 1G74 t 2, ! 25 on in Meier: Hieron. Savon. Berlijn 1886 S. 377 en bij Eouard de Card, 1868. Savonarola werd ongehoorzaam aan Pans Alexander VI, „die wel is waar als zedelijk karakter diep onder hem stond, maar aan wien hij als aan den ofschoon zeer onwaar-digen, toch rechtmatigen drager van het hoogste kerkelijk ambt in alle geoorloofde dingen gehoorzaamheid en onderwerping verschuldigd was.quot;

De beroemde bekeerling Dr. Newman zeide in zijne conferenties te Dublin van dezen merkwaardigen man: „Niets laat zich door ongehoorzaamheid tot iets beter» hervormen; dat mas de weg niet om een apostel te worden voor Florence of liome.quot;

Savonarola stierf in 1498 op het schavot in de trouwe belijdenis van het katholiek geloof en zijner aanhankelijkheid aan de Kerk, in het berouwvol bewustzijn van schuld en in volkomen onderwerping zelfs aan een onwaardigen Paus.

Ook dat feit vergeten de Protestanten, die van dezen beroemden monnik een voorlooper der Hervorming maken.

In 1496 dus twee jaren vóór zijn dood zeide hij in een preek: „Het geloof bestaat vooral in het bewaren van de leer der Roomsche Eerh. Weiger haar nimmer gehoorzaamheid; geloof altijd wat zij leert, want daar staat geschreven: Gij zijt Petrus en op deze steenrots

de Paus IL 4

ocr page 174

zal ik mij no Kork bouwen.quot; (B. Marcliese: Scrllti 1. 2 p. I 77.quot; i)

Terecht sclireef clan ook Prof. Hofstede de Groot: „Savonarola is geen voorloopamp;r van Lntlier gelijk de drie andoren (Waldus, Wickletf, Uns). Zijn streven was to veel staatkundig-kerkelijk. De zeden en het leven wilde hij hervormen, zonder te beseften, dat daartoe eene andere overtuiging des harten en een ander inzicht in de waarheid noodig waren (!) ■ „Hij IkuI hierquot; (op 't gedeukteeken te Worms) „niet moeten zijn.quot; {Waarheid in liefde Nov. 1868 blz. 7(55.)

Het schijnt, dat de Protestanten het op zeer hoogen prijs stellen Savonarola zoo half en half en, als 't kon, geheel tot de hunnen te kunnen rekenen. Wat al moeiten, sprongen, verdraaiingen en weglatingen daartoe noodig zijn geweest, staaft een vijand van den Paus Pasquale Villari, professor te Florence, met zeer velo staaltjes uit Rudelbach en Meier, twee Protestantsche levensbeschrijvers van Savonarola. 1)

Andreas Proles, Augustijner-Generaal-Vicaris geb. 1429, ontving de priesterwijding en werd Lector in de H. Schrift op de hoogeschool der Paters Augustijnen te Perugia. Hij predikte o. a. over het nut van den

1

~) Bij Brockhans te Leipzig is do duitscho vertaling verschenen : GescJiichte Girolamo Savonarolas uvd seiner Zeit. Von Pa?(|. Villari B. 2. Zie h-Fastor: Zur Beurtheiluny SavonarohslSSS. Pastoor F. J. Poelhokko zegt: ,,Hot oindoordcol van don boroemdon goschiod-schrijvor (L. Pastor) zal wel het oordeel dor geschiedenis blijven.quot; {De Katholiek. D. 115.)

ocr page 175

maag-delijkeu staat en was zélfs al te ijverig in het hervormen van de kloosters, zoodat hij een tijdlang door zijn overste van zijn vicaris-ambt ontzet, maar door Pans Sixtns IV, op wieu hij zich beriep, weer hersteld werd. Flacins Illy ri cn s, een Luthersche godgeleerde, die zooveel te lijden gehad heeft van de twisten onder de Lutheranen omtrent eenige geloofswaarheden, is de eerste geweest, die Andreas Proles een voorlooper van Lnther heeft genoemd. Sinds Kolde (1879) het werk schreef: Die deuUche Angmiimr-CSongregatim nnd Joh,aim von Staupitz is aan die illnsie der Protestanten voor immer een einde gemaakt.

§ 18.

Vromen en geleerden uit de 14'1quot; en 13ao eeuw.

Do Uil ft ftftiuv, .,ae coinv der groote mystieken .. . . Do mystiek van de lode eeuw heeft liet liefelijke van den morgen.quot;

Dr. W. (J. C. P.yvanck: 1S98 blz. 21)2.

There is Aquinum, the old Volscian town,

Where Juvenal was born, whose lurid light still hovers o'er his birthplace, like ihe crown Of splendour over cities seen at night.

Doubled the splendour is, that in its streets The angelic Doctor as a schoolboy play'd, And dreamM perhaps the dreams that lie repeats In ponderous folios for scholastics made.quot;

Longfellow: Monte Cassino.

Alvorens eenige stemmen nit de 14a'' en 13'10 eenw te vernemen, vestig ilc de aandacht op de historische waarheid, dat igt;rmcipieele loochenaars van het pausdom eerst in de li'10 eenw ontstonden. Terecht schrijft

ocr page 176

56

Jozef Blötzor 8. J. in liot Kirchenlexicon (2 Anfl. Art. Papst):

„Het primaatscliap vn n den H. Petrus en diens opvolgers, de bissclioppen van Rome werd gedurende de gelieele christelijke oudheid nooit geloocliend. Een toevallig voorlromende miskenning van een pauselijke beslissing, tegenspraak tegen dezelve, verzet tegen dezen of genen niaclitliebbende, ongehoorzaambeid teu opzichte van bet door God gesteld gezag is nog geene hepaaldc ontkenning van dat gezag. Het primaatscbap der bissclioppen van Oud-Rome werd door de Griekscbe Kerk ook niet geloochend, toen deze zicli in de onzalige scheuring van de Latijnsche Kerk afscheidde. De Pausen werden door hunne tegenstanders in den investituurstrijd, in de worsteling met de Hobenstaufen enz. hevig bestreden. Het waren meestal persoonlijke beleedigingen, nu en dan vermengd met grove wanbegrippen omtrent de macht der Kerk, maar eene principieele ontkenning — een ontkenning als beginsel — van het primaatschap sluiten zij niet in. Principieele loochenaars van de primatiale rechten ontstonden eerst in de 14ae eeuw.':

Men vergete verder niet, dat bet aantal geleerden en vromen in 14'lf' en 13'10 eeuw zeer groot is. Dat getuigen vele protestantsche geschiedschrijvers. Ik heb talrijke getuigenissen omtrent vromen en geleerden bij Herzog en Wigand verzameld; drukte ik ze hier af, mijn boek zou een al te breeden rug krijgen en te zeer gaan zweemen op een encyclopedie.

Ik wil toch voor Ds. Bronsveld eenige aanhalen.

De Protestant Prof. Paulsen schrijft aangaande Dnitschland: „Men zegt dat wetenschap en godsdienst sinds de IS'10 eeuw aan de gestichten en kloosters meer en meer vreemd zijn geworden, en ondeugd en barbaarsch-

ocr page 177

57

heid haren intocht hielden. Wat de wetenschappelijke vorming van de geestelijkheid betreft, zoo is dat oordeel in 't algemeen gewis het tegendeel van de waarheid. Jnist in de 14'10 en IS'10 eeuw is de beoefening der eigenlijke wetenschappen in Duitschland inheemsch geworden; geestelijken waren het, die ze uit den vreemde haalden en in het vaderland overplantten en kweekten, wel is waar nn niet meer in kloosterlijke inrichtingen; de afgelegene Benedictijner- en Cistercienserkloosters waren in de lo'1'' niet meer, zoocds in de 10'lc of 12'10 eeuw em middelpunt der heschaving j hoogescholen konden natuurlijk enkel in steden worden gesticht.... De bisschoppen bleken overal ijverige bevorderaars der hoogescholen te zijn ; de kapittels drongen volgens de verordeningen der synoden en kerkelijke overheid bij hunne ledematen er op aan, zich op de hoogescholen wetenschappelijk te vormen enz. enz.quot;

Een Protestant getuigt aangaande de middeleeuwsche Kerk van Schotland o. a. het volgende: ,.Men streefde naar de heerlijkheid van het huis Gods. Niet enkel als een plaats, waar catechetisch onderwijs werd gegeven of subjectieve vroomheid geoefend word, staat daar de Kerk voor de Katholieken der vroegere tijden; in huiine oogen was de Kerk de troon van den tegenwoordig zijnden God, waar op tallooze altaren het offer dei-verzoening zonder ophouden werd opgedragen. De middelen om dat alles te bewerkstelligen: Icrachtig geloof, raardige gehoorzaamheid, diepe invloed op de hnrgerlijke maatschap pij — dat zijn de ononistootelijke feiten, die door geene wijsgeerige bespiegeling, door geen nog zoo hevigen tegenstander der katholieke Kerk geloochend kunnen worden.quot; [Registr. Episc. Aberd. Pref. 82.)

Het getal aartsbisschoppen en bisschoppen van Schot-

ocr page 178

land, voor zoover zij bekend zijn, was vóór de Hervor-unng' 3 4 9.

Zij erkenden den bisscliop van Rome als Petrus' opvolger en Cliristns' plaatsbekleeder op aarde.

Aangaande ons vaderland lezen wij bij Moll: „Nog tijdens liet leven van Florens Eadewijns — liij stierf in liet jaar 1400 •— inoclit ons vaderland zicli verblijden in een aanzienlijk getal van gevestigde predikers, die door liunne edelste tijdgenooten om hunne gaven en de vrucht van hun werk ten hoogste geroemd werden. Amersfoort bezat Willem Hendriks, die daar een Fraterhuis had gesticht, Zwolle Hendrik Gronde, die evenzeer de heilige armoede beminde, als hij door welsprekendheid uitmuntte, en nevens hem Gerard van Kalkar, rector van het Fraterhuis eu een krachtig inscherper van alle christelijke deugden. In de Hollandsche streken werkten eenige priesters, die geleerd waren in de wet des Floeren en uitmuntten door hun leven en hunne prediking, voormalige vrienden van Geert Groote en nu van Florens, die alle aan hunne eigene plaatsen den Heere groote vrucht droegen in de bekeering van men-scheu en de opbouwing van devote vergaderingen. Te Haarlem arbeidde Hugo, de Goudsmif genaamd, met /.ijne priesters. Hij timmerde aldaar in 1400 een klooster buiten de stadsmuren, dat later onder het kapittel van Wiiidesheiin kwamquot;, enz. enz.

Allen erkenden den Paus.

Wat Engeland betreft stip ik 't volgende aan: De Provinciale Synoden van Londen (1382 en 1390) en die van Oxford in 't begin der 15alt;' eeuw, geven van de volmacht des Apostolischen Stoels dit getuigenis Wie de wetten en verordeningen van hem, die de macht der sleutels over het eeuwige leven bezit, die de plaatsver-

ocr page 179

59

vanger is, niet van een menscli, maar van Grods Zoon op aarde, die van God zei ven de regeering des geestelijken rijks ontvangen heeft, — wie de bevelen van zulk een gezag wederstreeft en zich tegen zijne leer verzet, is hoogst strafwaardig. Onder de Apostelen van het N. Verbond héérscht een bepaald onderscheid. Immers ofschoon alle twaalf Apostelen zijn, heeft God aan Petrus boven allen den voorrang gegeven en de Apostelen hebben dien erkend. Petrus werd daarom Kef a (Ruts) genoemd; hij is het hoofd en de Prins der Apostelen, daarom werd hem opgedragen zijne broeders te versterken.quot; Si/u. Oxford. — Harduin 1 c. 1800. 1889—1945.)

Hebben die synoden zich zeker vergist!'

Wiclif, pastoor te Lutterworth en professor der godgeleerdheid te Oxford f 1381 was een pantheïst en leerde tevens: de Paus is de Antichrist en de lioomsche Kerk de Synagoge van Satan.

Heeft hij zeieer gelijk?

Deze treurige man geloofde niet aan de H. Mis en droeg toch het misoffer op. Terwijl hij den 28 December 1381 in zijn huiskapel de H. Mis bijwoonde, die zijn kapelaan opdroeg, werd hij door een beroerte getroffen en verloor de spraak; na drie dagen was hij dood. ,,Niemandquot;, zoo leerde hij, „is een overste in de maatschappij, niemand is prelaat of bisschop, wanneer hij in doodzonde is.quot; Hij riep echter de heiligen aan, vereerde hunne beeltenissen en geloofde aan een vagevuur.

Wiclif leerde: Augustinus, Benedictxis en Bernardus zijn verdoemd, indien zij geen berouw hebben gehad, dat zij iets bezeten, religieuze orden gesticht hebben en daarin getreden zijn, want de monnikenorden zijn door den duivel ingevoerd en baten der Kerk zooveel

ocr page 180

60

als den duivel. (Denzinger: Enchiridion p. 185 seq.)

Kan zijn getuigenis tegen liet primaatschap voor mij van eenige waarde zijn

Ludolpli van Saksen, „won zichquot;, zegt Moll, „door de vroomheid zijns levens de achting en liefde zijner tijdgenooten, en door zijne geschriften, vooral zijn Leven van Jezus, dat reeds kort na zijn dood (1377) een der meest gelezen boeken van de wereld was, de bewondering en vereering der nageslachten .... Hij had den arbeid aangevangen, zegt hij zelf, vertrouwende op den troost van Maria, de Moeder Gods, helpster van allen, die hulpe van haar begeerenquot; (Johannes Brugman II blz. 34 en 40.)

Deze Ludolpli van Saksen zegt in zijn Leven van Jezus: „Petrus als prins en hoofd der andere (Apostelen) werd de mond van het geheele college, en vóór en in plaats van allen antwoordde hij, die het hoofd van allen en aan allen tot heil moest zijn. Wee ruit blijkt dat het vooral de taak is van den opvolger van Petrus in twijfel in (jen aangaande het geloof en in dat, wat met het geloof in verhand staat, te beslissen. Ex quo patel qvod praecipue ad Petri successorem per tine, t certificatio dvhitationum de fide et pertinen tibus ad eamdem.quot; (c. I p. 2 nquot;. 5.)

Ludolplius legt de woorden: „G ij zult Kefa d. i. Petrus genoemd wordenquot;, aldus uit: „Het komt met liet geheim overeen, dat hij die het hoofd der anderen en de phnts-bekleeder van Christus moest zijn, vastheid had, zooals de naam Petrus (rots) aanduidt. Simon was wel is waar zijn naam vóór zijne roeping en bekeering, maar later werd hem de naam Petrus (rots) gegeven. Zoo ook wordt de naam veranderd, wanneer een volwassene het doopsel ontvangt, en wanneer iemand tot Paus wordt verkozen, verandert bij van naam. Simon derhalve is /iju eigen naam, Petrus de bijnaam.quot;

ocr page 181

61

Richard Fitzralph, aartsbisschop van Armagh, in 1333 kanselier van de hoogeschool te Oxford, schreef een groot apologetisch-poleinisch werk, waarin hij de katholieke leer ook omtrent het primaatschap des Pansen uiteenzette en verdedigde. Hij stierf omstreeks 1360.

Pans Clemens VI 1342—1352, wordt door C. Höfier genoemd „die bedeuteu Iste Persönlichkeit unter den Papsten jener Zeitquot; (Avignonesische Pap de 271 en Am Avignon 19), en .1. B. Christophe zegt, dat weinige Pausen met meer talent de Kerk bestuurd hebben [Hist, de la Papauté pendant h; 15 siècle avsc des pihes jnstifi-cat'ves FE p. 1G7) en door Steph. Baluze wordt liij geroemd „Clementissimvs ille Clemens, clementiae speculumquot; [Vitae Paparum Avenionensium 1, 300, zie 263).

Welnu deze Paus, een zeer „achtbaar menschquot; vroeg in zijn leerstelligen brief aan de Armeniërs, die de vereeniging met de Kerk verlangden: „Gelooft gij dat de H. Petrus de volmacht van jurisdictie over alle Christenen van den Heer Jezus Christus ontvangen heeft en dat de geheele jurisdictie, die Judas Thaddeus en de overige Apostelen in bepaalde plaatsen en provincies en in verschillende wereldstreken gehad hebben, onderworpen was aan de volheid van gezag en macht, die de H. Petrus over alle geloovigen in Christus in alle streken der aarde van den Heer Jezus Christus zeiven ontvangen heeft, en dat geen andere Apostel of wie ook volmacht over alle Christenen verkreeg;'quot; (Oderic. llaynaldi an. 1351 nquot;. 3.)

Paus Benedictns XII 1334—1342 wordt door den Protestant Dr. Herzog genoemd „vrijgevig, welmeenend, een v ijand van nepotisme of neefschap, in de godgeleerdheid ervaren.quot; De Protestant v. Muller schrijft:

ocr page 182

02

„Der weise, in vieleni vortrefiiehe Papst Beuedictus XIIquot; Ben zeer „achtbaar nienscliquot;.

Te Nicosia vergaderden in 1340 de lioofdèn dei-Maronieten, Armeniërs, Nestörianen, Grieken, Latijnen enz. en kenrden deze nitspraak goed: „Wie ooit een lid der algenieene Kerk zijn wil, moet gelooven en openlijk belijden, dat de Eoomsclie Kerk de moeder aller geloovigen is, dat zij den voorrang en de leiding over de gansclie Kerk bezit en dezen voorrang van den Prins der Apostelen, den H. Petrus heeft ontvangen, wiens opvolger de bisschop van Home is, gelijk het door (illa geloovigen steeds ontwiifelhaar is erkend.'''' (Harduin I c. 1758.)

Eicoldo da Monte di Croce O. Pr., geboren in 1243 f 1320, ging vóór 't jaar 12S!) op bevel van den Paus naar het Oosten, waar hij onder groote gevaren Palestina, Syrië en Aziatisch Turkije doorreisde en tot Tartarije doordrong. Na langen tijd te Bagdad het Evangelie verkondigd te hebben, keerde hij omstreeks 1300 naar Italië terug „om eenige twijfelachtige vraagstukken aan de beslissing ran den Apostolischen Stoel te onderwerpen: pro quibusdam dubiis articulis per sedem Apostolicam declarandis.quot; Op eene bladzijde van zijn werk nontra legem Sarracenorum vond Pineschi de kaut-teekening: „Bxspecto decisiunem papalem. Tk verwacht de heslissivg van den Paris.'quot; (Vgl. Revue hibligne 181)-» p. 000.)

Paus Bene diet us XI 1303—1304 „war von sanfter, versöhnlicher Gemüthsai'tquot;, zegt de Protestant Dr. Herzog. „Men roemt zijne vastheid van wilquot;, schrijft de Protestant J. Volgt, „zijne voorzichtigheid in moeielijke aangelegenheden en zelfs zijne geleerdheid; hij schreef eenige exegetische werken .... Over Nogaret, die Boni-

ocr page 183

fa tins VIII zoo zwaar mishandeld had en voor het gerecht des Apostolischeii Stoel weigerde te verschijnen, sprak liij den ban uit.quot; (E. n. Gr.)

De H. Coelestinus V 1294. In hetzelfde jaar legde hij de pauselijke waardigheid neder om tot het kloosterleven terug te keeren en stierf in 1296 in geur van heiligheid. Een zeer „achtbaar nienschquot;.

Joannes XI, patriarch van Konstantinopel (t 128S), bijgenaamd Beccus, „verwierf zichquot;, zegt de Protestant Ph. H. Külb (E. ix. G.) „door zijne uiMekende Teenni*, zijne rechtschapenheid en bescheidenheid een groot aanzienquot;. Hij deed het mogelijke om de scheuring van 't Oosten en liet Westen te herstellen, maar keizer Michaël Palaeologus eu diens zoon Andronicus verijdelden zijne pogingen; deze laatste dwong Joannes in liet klooster te treden.

De H. Gregorins X 1271—127(1 een der voortreffelijkste Pausen, zeer milddadig jegens de armen en onverbiddelijk streng tegen schuldige rijken en grooten en zeer heilig van leven. (Zie ook de Protestant Gre-gorovius Geselt, der Stadt Kom.).

Een zeer „achtbaar menschquot;.

Op het Ié'1'quot; Algemeene Concilie van Lyon 1274 was een zeer groot aantal aartsbisschoppen en bisschoppen uit het Oosten en het Westen. De Grieksche Metropo litanen legden in naaui hunner synoden de schriftelijke getuigenis af, dat zij den Pans als opperhoofd der Kerk willen, erkennen en in (dies hvldvjen, zooals het hunne, vaders vóór de scheiding gedaan hadden.quot; (Harduin F. c. (370 enz.)

Hebben zij en die Vaders zich zeker vergist?

Hebben de II. Thomas van A quino (t 1271) en de 11. Bouaventura (1274) enz. enz. zich zeker vergist':'

Het IH'1'quot; Alcemeen (Jomnlie van Lvon 12 15 ouder

ocr page 184

64

Innocentius IV spreekt in alle besluiten voor het gezag des H. Vaders. Is dat sefcer een vergissing?

Paus Innocentius III 1198—121(5.

Prederik Hurter geboren in 1787 uit een oude en deftige familie van Schaffhausen, kocht als student te Got tin gen uit liefhebberij voor boeken twee oude folianten, die volgens hun titel de brieven en daden van Paus Innocentius III bevatten. Rechtschapen van hart eu oprechte minnaar der waarheid, trachtte hij, door de brieven van dezen Paus daartoe verlokt, een grondige kennis te bekomen van den tijdkring, waarin Innocentius III leefde. Hij studeerde twintig jaren, van 1818 tot 1838 en het gevolg was, dat hij een leven schreef van dien Paus, in 1844 bedankte voor het voor zitter,schap van het consistorie te Schaffhausen en openlijk tot de Katholieke Kerk overging. „Do geschiedschrijver van Innocentius III was de leerling eu zoon diens Pausen gewordenquot;, zegt de oud-professor J. H, W ensing.

In het begin dezer eeuw schreef M. de la Port du ïheil, een geleerde, die der li. Kath. Kerk geen warm hart toedraagt, eenige zeer waardeerende bladzijden over Innocentius III. die door Hume, Voltaire, Hallam, Gibbon en Sismondi zoo belasterd wordt.

De Protestant Dr. Herzog schrijft van hem: „Einer der ausgezeiclmetesten Kirchenfiirsten, durch Vorstand, Wissenschaft und Willensstarke gleich hervorragend, der sich um den pilpstlichen Stuhl die grössten Verdienste erwarb, und wie kein Zweiter wilhrend der 18 Jahre der Verwaltung seines pilpstlichen Amtes die ganze Welt beherrschte.quot;

In zijn Allgcm. (Jcsch. schrijft de protestautsche geleerde J. v. Muller (D. 2. blz. 249): „Innocentius lil.... ein

ocr page 185

G5

in allen üblichen Wissenschaften wolil unterricliteter, iin lateinischen nnd italianiselien wolilredender Herr, voll Gfüte nnd Annmtli, voll Standlxaftigkeit, ilnsserst einfacli nnd sparsam in seiner Lebensart, in Woliltliaten bis zur Verscliwendnng- freigebig-;.... es giückte ilim, atieli 7.n Konstantinopel als oberster Vorstelier der Kircbe erkannt zu werden; er berief das wichtige Concilinm zn St. Johann im Lateran.... Innocentins braclite noch die Kaiserkrone anf das Hanpt seines Mündlings, Friedricb, nnd starb in dem 19™ Jahr einer grossen Eegierung1.quot; En in zijn brief aan C. Gleim (b. 16 8. 156) schrijft J. von Miiller: „Innocentins der Dritte, nnd andere haben die höchsten Tugenden in ihrer Anfsicht über die christliche Welt ansgenbt.quot;

Innocentins werd door de kardinalen met eenparige stemmen tot Pans verkozen, ofschoon hij slechts o7 jaren ond was. Onder den uitroep: „De H. Petrus heeft ons Innocentins tot heer gekozen 1quot; leidde men hem uit de kerk van het Lateraan naar de St. Sylvester. Daar hield hij de treffende toespraak, die ons is bewaard gebleven. Xaar aanleiding van Mattheus 24 : 45 Wie is rlan de getrouwe en voorzichtige diensthneclit, dien zijn heer over zijne dienstboden gesteld, heeft om hun voedsel te geven ter rechter tijd? sprak hij aldus: „De Heer zelf heeft zijne Kerk op de steenrots gebouwd, en de poorten dei-hel zullen haar niet overweldigen. De aanvallen tegen den H. Stoel deren hem niet; integendeel zij zijn hem voordeelig. Christus heeft gezegd: Ik hen met u alle dagen tot het einde der wereld, [s God met ons, wie kan dan tegen ons zijn'.' Ja, de Heer is mijn toeverlaat, ik vrees niets; wat zullen menschen tegen mij vermogen. Ik echter ben die dienstknecht, dien God over zijne dienstboden gesteld heeft; Hij geve mij de getrouwheid en

ocr page 186

()()

voorziclitiglieicl! Itulordaacl, een kneclit bi n ik! een knecht dor knecliten! (jlev(i God, dat ik niet een zoo-danige zij, van wien de TI. Sclirift zegt: Wie zonde doet, in de, kueehf der zonde of: Gij, booze knecht, ik heb u allen IcwijUjescltolden enz. of: fT/'e den wil zij na Heer cv, kent en dien niet verrut t, zal dubbel gent raft worden, maar een zoodanige, tot wien de Heer gezegd heeft: Wanneer cjij allen v;el rolhracht hebt, zeg dan: wij zijn nietn meer dau diehstkneehten .... Een dienstknecht ben ik en geen heer. Immers, zoo heeft de Verlosser tot zijne Apostelen gesproken: De koningen der volken heer nel ten over hen, en die maeht over hen hebben, worden weldadige heeren genoemd'. Doch gij niet alzoo! maar de, meeste onder zij gelijk (worde als) de mins'e, en die voorganger in, (ds een die dient. Want wie is meerder, die aanzit of die dient? [n het niet, d,ie aanzit? Maar ik ben in hei midden van u, ah een die dient. (Luc. 22 : 24-29.) Daarom verlang ik te dienen en matig ik mij niet aan te heerschen .... Welk een groote eer! Ik ben over de dienstboden aangesteld. Maar welk een zware last! Ik ben aller dienaren dienstknecht, de schuldenaar der wijzen en der dwazen. Kunnen velen te zamen nauwelijks een enkelen naar behooren dienen, hoe zal dat een enkele jegens allen vermogen. Wie is er zwak, met wien ook ik niet zwak moet worden .... Daarbij komt, wat buiten mij is: die dagelijks voorkomende werkzaamheden, de zorg voor alle kei'ken. Welk een angst en smart, weliv een kommer en beslommering drukken mij, en hoeveel moet ik niet op mij nemen! Meer dan ik kan dragen! Ik zal den last, die mij op de schouders geladen is, niet zwaarder schatten, opdat mijne krachten voor den-zelven niet minder toereikend bevonden worden. De eene dag verkondigt aan den andere, welke moeilijk-

ocr page 187

heden mij overkomen: de eene nacht openbaart aan den andere de «rootte mijner zorgen. Ik bezit niet de hardheid eens steens, en mijn vleesch is niet van metaal. Maar ben ik te zwak en vol gebreken, die God versterkt mij, die overvioedigen en onverwijlden bijstand verleent. Uit dien hoofde dan. dat 's monschon wegen niet in zijne eigene macht zijn, hoop ik, dat Hij mijne schreden zal geleiden, die den H. Petrus op de baren der zee bovenhield, die het oneffene effen en de kromme wegen recht maakt.

Grij hebt mijn toestand vernomen, verneem nn ook mijne plichten. Ik ben een dienstknecht, ik moet getronw en voorzichtig zijn, opdat ik den dienstboden spijze geve ten bekwamen tijde. God vordert van mij drie dingen: geloovigheid des harten, voorzichtigheid in mijne handelingen, de spijze des monds . . . . Indien ik zelf niet vast van geloof ware, hoe zou ik anderen in het geloof kunnen bevestigen!' En dit is toch een mijner voornaamste plichten, daar de Heer tot Petrus zeide: / /.' heb voor u gebeden, ojjdat uw geloof niet bezwijke, en: Wanneer gij eenmaal beheerd zult zijn bevestig uwe broeders. Hij bad en verkreeg.... Daarom wankel® nooit de Apostolische Stoel.... Maar een geloof zonder werken is een dood geloof.... De De geloovigheid des harten baat niet zonder voorzichtigheid, evenmin als de voorzichtigheid zonder het geloof .... 0, hoezeer is mij de voorzichtigheid noodig, opdat de volbrenging van mijn plicht verstandig zij.

Ik ben over het huisgezin gesteld .... Gij ziet dan wie de knecht is, dien de Heer over zijn huisgezin gesteld heeft: hij is de stedehouder van Jezus Christus, de opvolger des H. Petrus .... Maar terwijl het toppunt des gezags hem verhoogt, vernedert hem weder de

ocr page 188

08

bediening- van kneclit, opdat liet nederige verheven, en het verhevene vernederd worde: want God weerstaat de hoovaardig'en, maar geeft den nederigen genade . . . . O heilzaam raadsbesluit! Hoe h oog er gij slaaf, zoo te dieper

remede.r v onder allen..... Wien moer gegeven is, van

hem zal meer gevorderd worden.... Hij moet rekenschap afleggen niet alleen over zichzelf, maar ook over allen, aan wier hoofd hij gesteld is.quot;

Verstaat Ds. A. V. deze woorden van Innocentins IFI dan zal hij ook de nederige taal van Gregorins den Groote verstaan, een beter inzicht krijgen op teksten van Matth. 18 : 1-5, Mare. 9 : 33-36, Luc. 9 : 48-48; 22 : 24-29 en bijgevolg- die teksten niet keeren tegen het primaatschap. „Th hen in hef midden van u nis een die dient'quot;, zegt ChristTis en hij was en is en blijft de Koning- der koningen, het onzichtbaar hoofd der .Kerk. Men kan dus het hoofd der Kerk zijn en toch als een die dient. Zoo ook moet de Pans het zichtbaar Loofd der Kerk zijn, en toch als een die dient.

Kort na zijne keuze schreef Innocentins: „Onze plicht is het in de Kerk Gods de godsdienstigheid te doen bloeien, en ze daar, waar zij bloeit, te beschermen .... Leven noch dood zal ons van de rechtvaardigheid aftrekken. Wij weten, dat ons de last is opgelegd van aller rechten te handhaven. Geen beweegreden zal ons dien weg doen verlaten. Werpen wij een blik op het groote gewicht der herderlijke bedieningen en op de broosheid onzer krachten, wij mogen niet het geringste vertrouwen op onze eigene bekwaamheid stellen, maar bouwen uitsluitend op Hem, die ons tot deze plaats gekozen en verheven heeft.... Wij erkennen, dat wij, gelijk onze groet aan het hoofd onzer brieven het uitdrukt, inderdaad de dienstknecht aller dienstknechten zijn.quot;

ocr page 189

G!)

In den tijd van Innocoiitins, zog-t do protest, sclirijl-ster van de UencJi. der OhriaM. Kerle, erkendfii «//« vorsten van Europa den Pans. (blz. 73.)

[lebben zij zieli zekar vergist

De 12'1quot; algemeene kerkvergadering van Lateranen 1215, waar 7] aartsbisscboppen, 412 bissclioppen, meer dan 800 abten tegenwoordig waren, zegt: „De Kerk van Rome heeft op Gods bevel den voorrang boven alle andere kerken, want zij is de moeder en leermeesteres aller geloovigen.quot;

Is dat zeker een vergissing l'

Amalricb van Char tres of naar zijn geboorteplaats Am al rich van Ben a genoemd (f 1204), gold voor een der beroemdste professoren in de theologie en philosophic aan de hoogesehool te Parijs. Hij leerde: leder Christen is verplicht te gelooven, dat hij een lidmaat van Christus is, en kan niet zalig worden, indien hij daaraan niet even vast gelooft als aan de geboorte en den dood dos Verlossers; dat artikel moest onder do andere artikelen des geloofs opgenomen worden. Ook zette hij de stelling op: Allen is God.

Zijne leer werd natnnrlijk door de hoogesehool verworpen; dat vonnis werd door Paus luuoeentius 111 bekrachtigd; kort daarna stierf hij. Willem van Parijs, een goudsmid, en vooral David van Din an, die wellicht vóór 1210 stierf, plantten zijne leer voort of liever ontwikkelden ze. David noemde God de eerste stof, waaruit alles ontstond. God is alles, schepper en schepsel is één. God de vader nam in Abraham, de Zoon in Maria het vleesch aan, terwijl de H. Geest dagelijks in ons het vleesch aanneemt.

Er vormde zich een groote sekte, die zich noemde Broeders en Zusters van den vrijen Geest. Die sekte leerde, de Paus II. 5

ocr page 190

70

dat do Pans de Antichrist was, de prelaten zijne lede- scl

maton on Rome Babyion. Ei- bestond hemel noch bc

bol. sti

Tn 1210 word de sekte te Parijs ontdekt. Een synode M

veroordeelde do dwalingen, en vele geestelijken on leekon, w

die niet herroepen wildon, werden verbrand. Een priester Ik

Bomhard riep: In zoover ik ben, kan men mij niet h

verbranden, want ik ben God zelt'! Ama 1 r ich, Willem li

van Parijs, David van Din an en die Broeders m g /nsters van den vrijen Geest, enz. erkenden den bisschop van Rome niet als Christus' plaats bekloeder, kun non

zij ons tot getuigen dienen'.' /.

Geert Groote, zoo lees ik bij Moll (II 2, 1G5 enz.), e

„zoon van een godvruchtig ondei-paar van aanzienlijkon 1

stand te Deventer, werd geboren in Oct. 1340. Eerst in \

zijn vaderstad, later naar Aken ter school gezonden en #•

voor het universiteitsonderricht voorbereid, trok hij op \

vijftienjarigen leeftijd naar Parijs, waar hij theologie, 1

geneeskunde en vooral canoniek recht beoefende . . . . De dertigjarige man oatdeed zich van zijne goederen en kerkelijke ambten.... en weldra was hij een welkom gast van de broeders te Munnikhuizen, in wier midden hij drie jaren lang een leven van gebed en zelfbeproeving voerde, dat zijner geestelijke vorming ten goede was en den hem omringenden de hoogste achting Inboezemde. Omstreeks het jaar 1374 te Utrecht tot diaken gewijd, aanvaardde Geert het predikambt, waaraan .... vele zijner hoorders te Deventer, Zwolle, Leiden, Delft, Gouda, Amsterdam en elders de beginselen hunner bekeering te danken hadden. quot; Hij stierf den 20 Aug. 1384; „die praktische man bij uitnemendheid onder de devotenquot; prees met stervende lippen de Kartuizers.

„De Bijbel, dien Geert Groote boven alle andere

ocr page 191

71

lo- schriften liefhad, is in ons vaderland nimmer oen vergeter!

fli boek geweest.quot; (Moll II 2, 327.) ,,Do\ ■oot placht do stemming van Goert Groote te wezen, wanneer hij do

do Mis bijwoondequot;, zegt Mol! (11 8, 80G) „Dagelijks

'n, wenschte hij haar te hooron on wol van bet begin tot

er hot einde .... Als de ovangolie-les gelezen word, stond

et hij eerbiedig op, om dan ook mot volle aandacht te

m luisteren.... Bij de consecratie en elevatie was hij

quot;n gewoon mot de gemeente eerbiedig te knielen.quot;

p Heeft hij zich zeker vergist?

i' Geert Groote .... „word door zijne vriondon wegens zijn ijver voor do kerkelijke rechtzinnighoid bewonderd

)i en door hen geprezen als oen groot vervolger der

n haerotioken en een echte kottorbamer . .. . Dat hij in

quot; waarheid, gelijk hot destijds van een opree-hhn axmlumger

ö der Moederkerk verwacht moest worden, do enghartigsto

p vrees voor alle afwijkende gevoelens had, valt niet te

betwijfelen.... Hij schreef aan zijne vrienden, dat zij vooral het mogelijke moesten doen om broeder Bartho-lomens, een monnik uit het klooster der Angustijner-horomieten te Dordrecht van don preekstoel te weren.quot; Waarom? Deze Bartholomons predikte o. a. „op onbesuisde wijzequot;, zegt Moll (II 8, 71), „tegen de boete, gelijk de vrije geesten gewoonlijk deden, die do vormen der Kerk bij het poenitentie-wezen verachten, biecht, genoegdoening enz., en de leer der passibiliteit zóó ver dreven, dat zij aannamen dat wij, wanneer God somtijd* milde, dat wij zondigden, daarmede vrede moesten hebben, en dat de ware boete in kinderlijke onderwerping aan die beschikking bestond. Ten opzichte van den monas-tieken staat liet Bartholomons zich uit op eene wijze, die aantoonde, dat hij in spijt van zijne monnikspij weinig achting voor dien staat had .... Bartholomons

ocr page 192

72

smO f was dan ook geenszins een vriend der afzondering, hoewel liij bij de orde der Angustijner-liereniieten gelofte had gedaan. Hij zat gaarne met voorname lieden in de tavernen, en als daar gebeurde wat niet betaamde, liet bij, als een oprechte vrije geest, de zonde stilzwijgend haren gang gaan.quot; Geert G roote waarschuwde tegen dezen vrijen geest en noemde hem ilen wolf in achaap*-kli'lt;gt;lt;llt;'rcn, naar het woord der H. Schrift: ,, 11 voor

ilr mhfcJw profeten, dewellce. it/ xcluiapxldeecleren tof u komen.quot; „Geert Grootequot;, zegt Moll (II 2, 3G0), „voerde eene pen van zeldzame vruchtbaarheid. Niet alleen was hij een vlijtig vertaler, die vreemdelingen in de gelegenheid stelde Knysbroecks yeesteUjltc hriilluft, en diens zeven frappen der geestelijke minne in het Latijn te lezen, en landgenooten in dietsche taal de zeven hoefpmlmen, de getijden ran de H. Maagd Maria, de getijden van den II. Geest enz. bezorgde, maar ook een oorspronkelijk auteur, die behalve eenige sermoenen, vele brieven en eenige opstellen van kerkrechterlijken inhoud, tal van zedekundige schriften naliet. Van laatst vermelde waren sommige, b.v. die over de samenleving en oefeningen der devoien, over hef gemeenschappelijk leren, over de heilige armoede enz. hoofdzakelijk ten behoeve zijner fraters en zijner geestverwanten onder de kloosterlingen geschreven, terwijl andere b.v. zijn opmerkelijk boekske, waarin hij in de moedertaal een paar lieden van hun huivelijkssfaaf bericht, voor ruimeren kring bestemd of althans bruikbaar waren. Tot zijn merkwaardigsten arbeid behooren de tractaten, waarin hij zich als een der reformatorische mannen van zijn tijd openbaarde, die de zedelijke krankheden, waaraan de klerken- en monnikenwereld maar al te zeer leed, met grooten nadrnk en ernstige liefde wist aan te wijzen en te bestrijden.quot;

ocr page 193

ïocli was die (xeert Groote Koomscli Katholiek, maar, zegt Dr. Gr. Brom: „tot hun voorloopers of wegbereiders moesten ook Gerrit de Groote en zijn g-eest-verwanten gerekend worden. Heerlijke bloesems van mvstisebe vroomheid en overvloedige vrneliten van zedelijke verheffing waron in de diepbedorven 15l10 eeuw nog gegroeid aan den altijd jongen levensboom der Katholieke Kerk. Het feit liet zich niet ontkennen. Maar nu werd dat batig saldo van den balans der Katholieke Middeleeuwen afgeschreven en eenvoudig overgebracht op liet creclii der nooit volprezen liefor mat oren, die onder meer ook hierin van pchte profeten lijnrecht bleken te verschillen, dat hun geest niet in de toekomst zag, maar een terugwerkende kracht moet hebben uitgeoefend!quot; (De Katholiek 1898 blz. 313.)

Broeder Bartholomeus kan men een voorlooper der Hervorming noemen, als men dat verkiest.

Van David van Augsburg (f 1271) den novicen-meester des boetpredikers Bert hold van Regensburg, sclirijft de Protestant Kling (Dr. Herzog): ,,Eeii man hoogst eenvovclig en uitmuntend door diepte van geext en ijemoed, milddadig en vroom van karakter, vol zachtmoedigheid. 'en nederigheid, bekend met de wegen van het inwendig leven, een wijze en trouwe leider der jongere broeders.quot; Hij liet o. m. een geschrift na De haeresi liaiilgt;ernm de Lugdnno, waarin liij de ketterij der Wal-deuzen als de gevaarlijkste aller ketterijen bestrijdt, wijl zij liet gemunt lieeft op de oJiiverwerping van de burgerlijke en kerkelijke instellingen. Hij erkende den bisschop van Rome als opperhoofd der Kerk, las de II. Mis, vereerde de H. Maagd.

ocr page 194

74 § 19.

Een woordje aan Ds. A. V. over Hus.

apiK^lirte sin ilcn Papst, den er, aber nicht ili'ii Kizhisclu)!', (da sein Oherlmiiftl anei'lcannl nissen icolltequot;.

l)c Protestant Wigand.)

Ds. A. V. schrijft op blz. (5: „De geschiedenis, door nieiutuid te weerspreken meldt ons.... van den dood van Hus, hoewel hem het keizerlijk eerewoord van vrijgeleide was gegeven.quot;

De geleerde schrijver van Das Liitlrnrmonu-ment *) zal liier het antwoord der gescliiedenis neerschrijven, „door niemand te weersjjreken.quot; I)s. A. V. leze het met aandacht.

Ziehier: „Vooral heeft men ook beweerd, dat aan Hus het keizerlijk vrijgeleide verbroken is, en dat het concilie om die daad te rechtvaardigen de grondstelling zon hebben opgezet: voor ee-n ketter behoeft men zijn woord niet te houden. Wat de bewering van het verbroken vrijgeleide betreft, zoo kou do hricf ran vrijgeleide van keizer Sigismond Hus noch volgens zijne eigene verwachting noch volgens het inzicht zijner vrienden en begunstigers tegen oen door het hoogste gerechtshof der Kerk geveld vonnis beschermen. Immers in het schrijven, dat de bnheemxche edellieden te Constanz aanwezig, na Hus' gevangenneming tot het concilie richtten, verlangden /.ij enkel, dat uit eerbied voor den keizerlijken brief van vrijgeleide Hus in 't openbaar verhoord en hem vergund werd rekenschap af te leggen van zijn

Ikit! IjutJieniionuiueid ::u Warms lm lAclite der Wahrheit vou eiuoiu doutschon Thoolflgon '2 Aui). 18t)9 S. 39.

ocr page 195

1

75

geloof. Zij beduidden tevens: „zou echter Hus met recht en na wettelijke bewijsvoering voor schuldig bevonden worden, dan geschiede ook met hem, wat hem toekomt.quot; Ja, zelfs na Hus' terechtstelling gedenkt de husitisch-gezinde boheemsche adel in zijn bitter en hartstochtelijk schrijven aan het concilie met geen enkele syllabe een schending of verbreking van den brief van vrijgeleide, wat die adel toch zeker gedaan zou hebben, indien daartoe eenige reden voorhanden was geweest. „Gewone brieven van vrijgeleidequot;, zegt de protestantsche geschiedschrijver Leo (Univermlgeschichte B 2, blz. 702), „stellen enkel tegen derden in veiligheid, uiet echter tegeii een veroordeelend vonnis van 't gerecht; zij zijn daarom datgene, wat wij reispassen noemen, en bij name de hrief van vrijgeleide voor Hus is uitsluitend een reis-pas voor den weg naar het gerecht en terug, doch geenszins een vei lig Ji eidsbrief tegen het gerecht zelf. . . . Zelfs wanneer Hus een vrijgeleide als werkelijken veiligheids-brief en niet enkel als reispas bezeten had, zou hem dat toch niet het recht gegeven hebben hetzelfde vergrijp, waarover hij zich verantwoorden moest, te Con-stauz onder de oogen van 't concilie ongestraft te herhalen.quot; Nadat dezelfde protestantsche geschiedschrijver den geheelen tekst van den brief van vrijgeleide medegedeeld heeft, zegt hij verder: „Kan zulk een reispas ook misdaden, die op de reis zelve gepleegd worden, dekkenl' Hus misdreef echter, zooals ik zeide, op reis te Constanz datgene, wat hij vroeger misdaan had. Wanneer men hier nog van een schending van 't vrijgeleide spreken wil, maakt men iedere overheid tot eeu gekkengenootschap.quot;

Niet minder onwaar is de bewering als zou het concilie het beginsel hebben geuit: nan een ketter mag men zijn

ocr page 196

7(5

woord hreTren. Dat heeft vooral cle Protestant Gieseler {Kircheng. B 2 Abth. 4, blz. 43 7) beweerd en lii] haalt tot staving- daarvan twee actenstukken der synode aan. Evenwel een dezer stukken is volstrekt geen decreet der synode. Het draagt niet de onderteekening-eu, die bij de andere decreten g-evoegd zijn, en is om innerlijke en uiterlijke redenen blijkbaar valsch. Alle oudere uitgaven der concilies kennen het niet; de protestantsche geleerde Von der Hardt vond het in 't begin der vorige eeuw te Ween en in een door hem als Codex Dorianm aangeduid handschrift en heeft liet willekeurig en op goed geluk bij de handelingen van de zitting des concilies ingeschoven. Maar bij den anderen echten canon van 't concilie (Von der Hardt t 4; Mansi t 27, 1799) heeft (lieseier zich bediend „van den wel is waar plompen doch gemakkelijken kunstgreepquot; den canon te verminken en de heslüxende slviïreyel* van den canon: „Nee sic jirornittenü'Hi, cum alias fecerit, quod in ipso est, ex hoc in alvi'tm re mnnsisse ohligalitmquot; weg te laten. Want verre van dat dit decreet de bewering opzet: aan een hef,ter mag men zijn iroord breken, zegt dit besluit veeleer: dat het rechtsgebied der Kerk in een zuiver-kerkelijke zaak, zooals hier bij een uitspraak over ketterij, zelfstandig en onafhankelijk is, en dus de Kerk in hare oefening van recht noch door wereldlijke macht in 't algemeen noch door het uitreiken van een brief van vrijgeleide verhinderd kan worden, vervolgens dat tie vorst, die iemand veiligheid heeft beloofd, doen moet wat werkelijk in zijn macht ligt en wat hij zonder te kort te komen aan vreemde rechten doen mag, en dan eerst, wanneer hij op die wijze het zijne gedaan heeft, kan geacht worden van alle verpl irld i ngen ontslagen te zijn. Zoo weinig bevat derhalve deze canon de stuitende

ocr page 197

7y

Pr leer: aan. een ketter mag vien zijn woord breken, dat die

)t canon veeleer liet tegendeel uitspreekt, daar liij dengene,

i- die een ketter zijn woord gegeven lieeft, dan alleen

van alle verplicliting ontslagen verklaart, wanneer hij L' alles gedaan heeft om zijn woord gestand te doen, d. i.

alles, wat hij zonder krenking van andermans rechten eu der bestaande wetten doen kan.

Zie Hint, polit. Blatter B 4, waar in 25 bladzijden de bewering van Gieseler in het ware licht wordt gesteld.

Hns zeide: De Paus is niet wezenlijk en blijkbaar de opvolger van Petrus, den vorst der Apostelen, indien zijn levensgedrag' tegenstrijdig is met dat van Petrus. „Papa non est verus et manifestus successor apostolorum principis Petri, si vivit moribus contrariis Petro.quot;

Hij loochent derhalve het primaatschap van den Paus eigenlijk niet, maar stelt tot voorwaarde, dat deze Petrus in diens deugden moet navolgen. Bijgevolg zijn de Pausen, die deugdzaam waren volgens Hus, wezenlijk de opvolgers van den prins der Apostelen.

Op welk Concilie werd de leer van Wiclef en Hus veroordeeld I'

Op het Concilie van Constanz (1 1-18). En Ds. G. A. Van der Brngghen schrijft in Stemmen voor waarheid en vrede IS!)0: „Nooit heeft de wereld zulk een aanzienlijke vergadering beleefd.quot; Daar waren tegenwoordig „21 kardinalen, 20 aartsbisschoppen, 92 bisschoppen, 121 abten, 100 gezanten.... 1800 priesters, 1 272 doctoren. Onder de geleerden waren onderscheiden mannen van naam.quot; De leer van Wiclef „werd hier o/jnitua- veroordeeld als ketterscli, gelijk dit eertijds in Engeland reeds gedaan wasquot;.... Ook de leer van IJ us werd veroordeeld, maar „hij had zijue beide oogen open en zag meer en

ocr page 198

78

dieper in de behoeften van het- menschelijk hart dan al de vergaderde hinschoppen en prelaten. Maar van waar had hij dat hooger licht:' Uit den Bijbel.quot;

Doch ik heb den Protestant VV. a Brakel (l blz. G7(5) op de vraag: Waartoe dienen de Kerkvergaderingen, hooren antwoorden:

1. ,,Om de eenigheid d^r ware leer te heivaren en den rechten zin der Schriftiinr te verdedigen tegen opkomende verdraaiingen en alzoo te zijn een pilaar en vastheid der waarheid. (1 Tim. 3 : 15.)

2. Om alle goede orde te bewaren, opdat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. (1 Cor. 14:40.)

3. Om alle ergernissen te weren en de sleutelen van het koninkrijk der Hemelen, de discipline of kerkelijke tucht te gebruiken.quot;

Ds. A. V. zegt op blz. G: „Ik weet zeer wel, dat de Kerk als Kerk de schavotten niet heeft opgericht noch de brandstapels aangestoken. Dat deed de overheid. Doch op haar aandringen en onder hare volkomene goedkeuringquot;''' enz.

Antwoord: „De geschiedenis, door niemand te weerspreken, meldt onsquot;, dat onder Calvyn enkel in Geneve tusschen 1542 en 154(5 acht en vijftig doodvonnissen voltrokken werden, — «lat Luther reeds in 1520, dus drie jaren na zijn optreden aanspoorde „de handen te wasschen in het bloed van den Paus, der kardinalen enz.quot; (Wittenh. Ausg. von Luthers Werken I 51), — dat zelfs de „zachtmoedige Melanchthonquot; alle wederdoopei's verlangde ter dood te veroordeel en (Gorji. lieform. IX 77), — dat de Engelsche „Hervormerquot; koning Hendrik VItl duizenden Katholieken door het vuur en het zwaard liet ombrengen, — dat in Schotland, Zweden en

ocr page 199

79

Noorwegen de doodstraf stond enkel op liet lezen der H. Mis, — dat te Rome in de 12ae eeuw één en in de I6llc eeuw nes ketters, Giordano Bruno meegerekend, met den dood zijn gestraft, — dat te Rome nooit een lioks is verbrand, maar in Duitscliland vooral in de protestantsche streken (bijv. te Brunswijk) duizenden op den brandstapel kwamen, — dat Calvyn zieli uitdrukkelijk op liet Mts gladii beriep, — dat bij bet ins gladii ook aan de Anglk-aansclie regeering in Engeland aanprees, — dat Ds. A. V. een grove onwaarheid neerschreef op blz. 7: „Uwe Kerk eischt de vervolging om des geloofs wilquot;, — dat de Hervormers ook een soort inquisitie hadden, want dat Calvyn Dr. Bolsee uit Geneve verbande, wijl deze de praedestinatie-leer loochende, Ameaux in de gevangenis liet werpen, Jacob Gruet op het tul terra n m spannen en den 'ilt;i Juli 1547 liet onthoofden, — dat Calvyn den geneesheer Servet drie maanden gevangen hield en den 27 Oct. 1553 langzaam deed verbranden, — dat Melanchthon hem daarmede geluk wen schte, — dat op raad van Zwiugli de wederdooper IVlix Mans in 't jaar 152G verdronken werd volgens het beginsel: qui tnerguni, meryanfur, wie herdoopen, moeten herdoopt d. i. hier verdronken worden, — dat Luther Carlstadt uit Wittenberg joeg, nog kort vóór zijn dood een leelijk en onverdraagzaam geschrift tegen de Joden uitgaf, waarin hij hen „jmujc sur Utille verdamnite Teufelquot; schold, de Christenen aanspoorde de synagogen der Joden te verbranden .... hun al hunne boeken ook den Bijbel te ontnemen, hun allen godsdienst op doodstraf te verbieden .... en hen ten laatste uit hot land te jagen, — dat de protestantsche geschiedschrijver Bensem gelijk heeft, als hij in zijn (reschichte des liiwem-krieiies in Ost/rdnlirn, a. d. Quel leu

ocr page 200

80

bearbeitet Erlang-. 1840 ^ 19 zegt; „Willireud die alte katholisclie Kirche die Unterdrückungen der einzelnen geistliclien und weltliehen Fürsten, der Lehre ivenigstens nach, ni erna Is billigte, sondern die Rechte der Men-sclieii und des Volkes, selbst den Kaisern gegenüber. kraftig und nieist siegreieli vertlieidigte; liaben sicli die evaugelisclien Eeformatoren den Vorwurf zugezogeu unter den Germanen zuerst den Knechfssinn and die Gewalt-herrschaft förmlich (fdehrt und (jejiredig/ zii hahcn.'''' [Da» Lntlierm.omtment zii Worms im Lichte der Wahrheit 2 Aufl. blz. 42.) 1)

De laatste heks, die in Europa ter dood werd gebracht, was een meisje van 17 jaren. Waar'.' In het protestantxche kanton Glarus in 't jaar 178;!.

Men moet rekening houden met de tijden en Rome niet datgene verwijten, waaraan men zelf' schuldig is. Daarom schreef De Standaard (Juli 1897): „De overtuiging heerschte destijds algemeen, dat de overheid allen valschen godsdienst en afgoderij, desnoods met het zwaard moest uitroeien.

„Had die overtuiging niet bestaan, er zou geen botsing, geen worsteling, geen tachtigjarige oorlog zijn uitge broken.

„In theorie echter gingen de Protestanten ook hier zoo weinig tegen in, dat zelfs onze Nederlandsche Confessie in Art. 36 ditzelfde beginsel nog handhaaft; dat Oalvyn Servet's brandstapel achtte niet te moeten blus-

!) Ds. A. V. verlangt misschien bronnon? Ziehier oonige: Luthers Schrift: „wider die rauberischen und inorderischen Baucniquot;; (jegou die Judeth; Molanchthon: „Wider die Artikel der Pawenchaft aim dein .tahro 1525, Carpus Htforvi. od. Bretschnoidor II 18, 711, 713; IX 76 enz.; Calvini ICpistolae (lenev. 1579 p. 40; Schröokh: Neuerc Kirehengmih. Soldan-Heppe: Ctuxeh. der ITe.roi'pnaesse 1880.

ocr page 201

81

Jte sclien en dat in Duitscliland Calvinisten door Lntlieranen

len op liet seliavot gedood zijnquot;. . . .

tng „Ik weet zeer welquot;, zeg1 ik nn Ds. A. V. na, „dat

ii- de (protestantsclie) kerk als kerk de schavotten niet

■r. Uoeft opgericht noch de brandstapels aangestoken , maar

ie ik durf hem vragen: Oordeelden niet Luther, Melaneh-

i. thon, Bugenhagen, Tlegius en de protestantsclie god-

f- geleerden van Ulm en Tubingen (niet de protestantsclie

s kerk als kerk), dat men de wederdoopers als h-tters met

den dood moest straffen, en zijn niet zelfs door medewerking van Melanchthon (dus zeker onder zijn volkomen goedkeuring'), drie wederdoopers Müller, Kraut en Peisker te Jena onthoofd l'... . Weet gij dan niets van de onthoofding van Gentilis, niets van den moord op katholieke geestelijken in den boerenkrijg, door dominees verwekt, niets van de terechtstelling van bisschoppen, priesters, religieuzen en leeken onder de regeering- van Hendrik VIII !) en Elizabeth, niets van de moorden in Nederland gepleegdHebt gij nooit iets vernomen van een Adret, Eavanel, Cavalier en hunne gruwzaamheden enz. enz.'.'

Nog eens: Ds. A. V. ver wij te niet aan Rome, wat hij aan vele hoofden der Hervorming te wijten heeft; „zij die in glazen huizen wonen, moeten niet niet steenen werpenquot;.

!) Tusschen 1535 on 1681 zijn volgens gerechtelijk vonnis meer dan 400 Katholieken in Engeland ter dood gebracht, wijl zij hot primaatschap van den Paus erkenden.

ocr page 202

Moeten de Apostelen opvolgers hebben en zoo ja, wie zijn het?

„Do K o.rk lil ij It, blijCt zooals do Vador 011 do Zoon on do II. (loost, lianr ^omaakt; hebben: sempor oadom. (lij kunt baar betuttelen of bostonnen : semper oadomquot;.

Dr. Scbaoinnan.;

Moeten de Apostelen opvolgers hebben?

„Dat spreekt vanzelfquot; zegt Ds. J. G. Verhooff in l'lrnxf en Vrede. (Jg. 3): „J'redikf hei Evangelie aan alle rreafuren, sprak do Heer eenmaal tot zijne jongeren vóór zijn lieengaan naar den bemel. De geheele wereld moest bet arbeidsveld zijn.... Het spreekt vanzelf', dat de Heer den zijnen dezen last opleggende, niet uitsluitend hen op 't oog bad. Hoe zou dit ook mogelijk zijn geweest, daar immers één menscbenleven, één menscbengeslacbt, ja zelfs vele eeuwen niet toereikend waren om daaraan gehoorzaam te zijn?.... Ook de blijvende behoefte der mensebbeid aan betgeen de Heer onder Evangelie-prediking wil verstaan bebben, bewijst duidelijk, dat die prediking ook daarom oen godddijln; last is gebleven, blijft en blijven zal, totdat de Heer komt.quot;

Maar nu rijst de vraag: is zending noodig tot bet berders- en leeraarsambt om bet Evangelie aan alle creaturen te prediken l' En dan antwoordt de Protestant W. a Brakel (I (Mo enz.): „Ja; dit blijkt uit klare plaatsen: a. Mattb. 28:19, 20: Gaat benen, onderwijst alle volkeren, dezel ve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes: leerende ben onderbonden alles wat ik u geboden beb; en ik ben met u

ocr page 203

83

al do dagen tot hot oindo dcx werold. Mon kan zog-gen : dozo zending- rankt alleen de Apostelen, manr g'een andere, dewijl liior is een zending' tot loeren en do Sacramenten te bedienen. Zoolang dan dat werk blijft in de Kerk, zoo lang moet ook blijven de zending tot dat werk. Nu weten wij dat liet werk altijd in de Kerk moet blijven en met de Apostelen niet moest opbonden. Zoo dan ook de zending. Hierbij is een belofte van bijblijving van den Heer Jezus tot de voleinding dei-wereld; dat van de Apostelen alleen niet kon gezegd worden, want zij zouden zoo lang niet blijven leven; dies raakt bet bet werk en de zending.... h. Voegt bierbij Rom. 10 ; 15: Hoe zullen zij prediken, indien zij tiiet (jczonden worden.... Zoo beeft ook niemand in t N. T. gepredikt dan als daartoe gezonden: Deze kwaliteit stellen de Apostelen in bunne brieven vooraan, en zij zonden wederom andere. Hand. 14:23, 1 Tim. 4:4; 5 : 22 Tit 1 : 5. Hieruit zien wij, dat alle die ooit yepredikt hebben, gezonden, zijn geworden; dienvolgens is de zending ook nu noodig. e. De leeraars zijn gezanten Gods (Mal. 2:7; 2 Cor. 5:20). Een gezant kan niets doen dan als gezonden; een gezant spreekt in den naam van zijn Heer.quot;

En nu komt tegenover de Protestanten, die van de U),ln eeuw dagteekenen, natuurlijk de vraag op de lippen: ,,Van waar zijn uwe eerste leeraars gekomen?quot;

Die vraag dringt zicb zoo vanzelf op, dat C. van den Oever, praeses, leeraar te Rotterdam, C. Nooi-duijn, leeraar te Noordwijk aan Zee en J. Plug, leeraar, uit naam der Vereenigde Gereformeerde Gemeenten onder het Kruk aan de synode der Chiislel. Afgeseh. Geref. Kerk. gebonden te Amsterdam in 1849 dezelfde vraag deden: „Van waar zijn uwe eerste leeraars gekomen?quot;

ocr page 204

III't besclioid luidde — veof* uw bril af, lozor —: „Als oon Bonnisclic u vroeg: Van waar zijn Lutlier, Calvjn, Zwing-lius en de andere Eeforinateurs g-elconienl' wat zondt gij dan antwoorden-la, wat zoudt gij dan antwoorden'.* — „Welnu past dat antwoord, indien gij ii')i minute voldoend antivoord yeoeu kunf, op de vraag toe, die gij ons voorstelt, en indien gij geen voldoend antwoord weet te gevenquot; — daar is geen antwoord — „dan zon de Roomsclie zich niet weinig verlieffen, muur zoek het dan bij goede Gereformeerde schrijverxquot; !). [) n -niet in de tl. Sclirift!'

Wie zond Willibrordns, Bonifatins enz. enz.!'

T)e vraag is van belang. Het werk van den Evangeliedienaar is zeer gewichtig, zijn ambt is iets bijzonders, zijn roeping verheven en bestaat niet zonder kerkelijke aanstelling. Luister eens naar Ds. S. Van Velzen: „Eene korte, maar alles omvattende beschrijving van het werk, waartoe de Evangeliedienaar geroepen wordt, gaf de Heere der Gemeente zelf, scheidende van zijne Apostelen, bij zijne Hemelvaart, als hij hun toevoegde: „Gaat heen, onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes; loerende hen onderhonden alles wat ik n geboden heb.quot; Deze opdracht geschiedde niet alleen aan de Apostelen, maar blijkens het bijgevoegde: „Eu ziet ik hen met ü alle de dagen tol de voleinding der wereldquot;, geldt zij voor alle herders en leeraars door alle tijden hoen, .... ook moeten wij niet slechts aan eigenlijk gezegde geboden, maar aan den geheelen omvang van de leer der waarheid denken .... Het is zijne roeping (zijne d. i. van den Evangeliedienaar)

lli voor mg hob naarstig gezocht, maar nergens eon antwoord gevonden, dat niet met do logica epeelt als do kat met de muis.

ocr page 205

85

om door openlijke prediking en op ieder andere geschikte wijze aan allen mede te deelen hetgeen tot de leer en de geboden des Heeren behoort. Vervult hij zijne roeping, dan wordt geene waarheid verdonkerd, of op den achtergrond geplaatst; geen gebod wordt van minder belang gerekend; geene instelling wordt lichtvaardig behandeld .... Door alle eeuwen haenquot; (dus ook vóór de Hervorming) „heeft de Koning der Kerk voor de vervulling van deze bediening gezorgd.... Wij beweren dat de leeraar, als dienaar van het Evangelie, een bijzonder ambt vervult, daardoor van de andere geloovigen onderscheiden is, eene bijzondere roeping tot dit ambt hebben moet en ook waarlijk met zulke roeping verwaardigd is. God, zegt een Apostel, heeft sommigen gegeven tot herders en leeraars, en wederom: Wij zijn gezanten van Christus wege, en elders: Xiemand neemt zich,zeiven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs Aaron . . . . Zeker moet hij ook van de opzieners in de Kerk aangesteld en door eene Gemeente begeerd zijn ... . Wie daarom thans, zonder kerkelijke aanstelling, de bediening zich toeeigent, toont daarmede het bestuur des Heeren en den ónfeilbaren reg'el van Gods Woord te versmaden .... i)

„Wat de leden aangaat — allen ontvangen hunne herders en Leeraars, die zij als gezanten van Christus erkennen moeten, door middel van het Bestuur.... Eu wat moeten de kinderen en oner varenen i' Zij hebben bij de bevestiging van hun Leeraar de plechtige vermaning gehoord: „Geliefde Christenen! Ontvangt dezen uwen dienaar in den Heere met alle blijdschap, en houdt de

!) Wio zond in 1578 don alkmaarschon manden maker Jan Arents om in de N. Z. Kapol te Amsterdam te preoken ?

de Paus TI. G

ocr page 206

8(3

zoodanigen in groote waarde. Gedenkt, dat God zelf u lieden door hem aanspreekt en hidt.quot; (Met ofquot; zonder gezag-?) „Neemt dan liet woord aan, dat liij n, volgende de H. Schrift, zal verkondigen, niet als een mensclien woord, maar (gelijk liet in der waarheid is) als Gods Woord.... Weest uwen voorgangeren gehoorzaauj.quot; {Het groot gewicht van 't werk van den Evangeliedienaar 1853 en Brief aan Mr. Groen van Pr ins ter er 1848.)

De vraag: moeten de Apostelen opvolgers hebben? is bevestigend beantwoord.

Nu vragen wij: wie zijn de opvolgers?

Ds. A. V. schrijft (blz. 55): „Wie zou willen ontkennen, dat de Apostelen een bisschops-, eeti opzienersambt hebben bezeten? Men zou den H. Geest zeiven tegenspreken.quot;

Bijgevolg heeft de Apostel Petrus een bisschopsambt bezeten m. a. w. is bisschop geweest, want hij was een Apostel.

Ds. A. V. vervolgt: „Slechts heeft men hierbij op twee zaken te letten. In de eerste plaats worden zij die in de gemeente tot ouderlingen aangesteld werden ook opzieners, 'ittIt-aittzi, bisschoppen geheeten en ten tweede is er niet de minste aanduiding, dat dit hisscli.ojt zijnquot; (namelijk het bisschop zijn van hen, die tot opzieners, c7rt.TY.:~:i werden aangesteld) „iets anders was dan het bisschop zijn der Apostelen.quot;

Ds. A. V. erkent derhalve volmondig met do R. Kath. Kerk, dat zij die ten tijde of na de Apostelen tot opzieners (bisschoppen) aangesteld werden in „het hisschoy zijnquot; gelijk waren aan de Apostelen en derhalve de Apostelen in „het bisschop zijnquot; opvolgden, zoodra dezen gestorven waren. Een bisschop dus, natuurlijk een wettige bisschop, was ook na den dood van een apostel.

ocr page 207

87

wanneer deze een gevestigde gemeente leidde (zooals bijv. Petrus, zie Ds. A. V., blz. 89), in het bisschop zijn volkomen gelijk aan dien apostel, wa't het hisschop zijn aangaat.

„Gij tast ecliter zeer misquot;, vervolgt Ds. A. V. (blz. 55), „wanneer gij oordeelt, dat de bisselioppen, zonder nadere bepaling de opvolgers der Apostelen zijn. De Apostelen uls zoodaiLig kunnen geen opvolgers gehad hebben. Zij waren eenig. Hun gezag kon op niemand overgaan.quot;

„De Apostelen ah zoodanig kunnen geen opvolgers gehad hebben.quot;

Dat leert de Kath. Kerk al negentien eeuwen.

De bisschoppen derhalve, die Petrus rechtmatig in de gevestigde gemeente hebben opgevolgd, zijn dus in het bisschop z\ju gelijk aan Petrus in het bisschop zijn. Indien dus Petrus bisschop was over de geheels gemeente, de geheele kudde, de geheele Kerk, dan zijn de wettige opvolgers van Petrus ook bisschoppen over de geheele kudde en dan is Leo XIII als opvolger van Petrus, bisschop over de geheele kudde en zulk een bisschop wordt thans Paus genoemd.

; En nu vraag ik: Hadden de Apostelen (niet als zoodanig beschouwd, maar enkel iu het hissch/p zijn.) eenig gezag of nietl' Hoegenaamd geen gezag 1' Wat hfeft dan in 's Hemels naam dat opzieners-, dat bisschopsambt te beteekenenl' Wel eenig gezag? Dan hebben ook de opvolgers der Apostelen (de opvolgers in het bisschop zijn) eenig gezag, want „er is niet de minste aanduiding, dat dit bisschop zijnquot; (namelijk van hen, die ten tijde van of na de Apostelen tot opzieners, bisschoppen aangesteld werden) „iets anders was da)i het bisschop zijn der Apostelenquot;, zegt Ds. A. V.

Dat zij eenig gezag hebben, moet Ds. A. V. erkennen.

ocr page 208

88

want Petrus zegt tot die opzieners, bissclioppeii: „Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht (bisscliop zijnde) daarover.quot; (1. Petr. 5 : 2.) Een kudde weiden zonder eeiiig gezag over die kudde is tegenspraak en onzin.

Daarenboven lees ik in De Reformatie D. 5 blz. 340: „De opzieners hebben een goddelijk reclit om de gemeente te besturen, en dus zoowel in leer als in tucbt en dienst te zorgenquot; enz.

Eu Ds. W. a Brakel [Redelijkheid in den godsdienst I blz. 651) zegt zelfs: „Is de leeraar een Judas, dat komt op bem zei ven aan bij ziclizelven; goddelooze predikanten zijn gezanten gelijk Judas, ook die moet de •jemeenle hooren.quot; 1)

Salmasius (Claude de Saumaise) geb. 1588 f 1(353, professor te Leiden van 1632—1650, daarna te Stockholm, op wiens grafsteen te Maastricht te lezen staat: „Zijn sterfelijk deel ging onder; de geest keert naaiden Hemel terug. Hij wordt grooter, geleerder kan hij niet wordenquot;, deze Balmasius ontkent, dat Petrus een opvolger kon hebben, omdat Apostelen, zegt hij, niet worden opgevolgd. Het gezag toch der Apostelen was huiiengewoon, en moest met hen ophouden. En terecht, zoo gaat hij voort: wie anders dan een ol andere bisschop zou opvolger zijn? Maar een bisschop kan geen Apostel opvolgen, ivant een Apostel was geen bisschop en een opvolging onder ongelijken gaal niet aan. (Zn appar.)

Salmasius acht dat bewijs onoinstootelijk.

!) Bijgevolg; Indien oon rechtmatigu opvoigor vau Potrua (een Paus) in do gomoento van Petras een Judas zou zijn, moot do gemeente hom volgens Ds. W. Brakel toch hooren.

ocr page 209

89

Maar Ds. A. V. lieeft liet omvergestooten en wel met de H. Schrift in de hand: „Wie zou willen ontkennen, dat de Apostelen een bisschops- een opzienersambt hebben bezeten 1' Men zou den 11. (JeeKt zeiven tegenspreken.quot;

Ds. A. V. is Calvinist, Salmasins ook, en deze verklaart: „Een Ajjoatel was geen bisschop.quot;

De Calvinist A. V. zegt: „Er is niet, de minste aan-dnidivg, dat dit bisschop zijnquot; (namelijk het bisschop zijn van hen, die tot bisschoppen werden aangesteld) „iets anders was dan het bisschop zijn der Apostelen.quot;

En de Calvinist Salmasins, die te oordeelen naar zijn grafschrift niet geleerder kon worden, spreekt van alge-heele ongelijkheid.

Schromelijke begripsverwarring, enkel te verklaren nit de vooropgezette stelling; Er is geen Paus.

Het bewijs van Salmasins is hoegenaamd van geenerlei waarde. Bonix in zijn De Papa en Palmieri S. J. De Bom. Pont. toonen dat duidelijk aan.

Het is onwaar, dat de Apostelen niet opgevolgd worden. Immers niet geheel het apostolisch gezag was buitengewoon, ja zelfs was eigenlijk dat gezag- in 't geheel niet buitengewoon; de wijze, waarop dat gezag bezeten werd, was buitengewoon, in zoover namelijk elke Apostel op zichzelf dat gezag over'alle geloovigen bezat en elke Apostel onfeilbaar was. Het gezag echter van Petrus als Steenrots der Kerk, als herder van de geheele kudde, als de sleuteldrager van het rijk der hemelen, als versterker zijner broeders, en het apostolisch gezag van de geheele apostelschap en het zuiver bisschoppelijk gezag der overige Apostelen was gewoon gezag, als zijnde door Christus ingesteld, opdat de Kerk zelve zou zijn. Beweert Salmasins echter: de Apostelen

ocr page 210

90

zijn lt;jcnn Imachojtffin geweest, die bewering- ontstaat uit zijne eigene vinding1, dat namelijk de bissclioppen zooals zij nu zijn, door menschelyke instelling- na den tijd der Apostelen ontstonden. Hierin is liij degelijk weder-legd door Petavius. [Lihr. de Hier. FjccI.)

Christus Leeft Apostelen aangesteld „Let twaalftal dat Christus Leeft ingesteldquot; zegt Ds. A. V. (blz. 52). Dit blijkt nit Lnc. 6 ; 13; Matth. 18 : 18; Johan. 20 : 22. Christus heeft aan die Apostelen de voortduring van hun ambt beloofd: „Gaat dan heen, onderwijst al de volken enz. en ziet, ik ben niet u al de dagen tot de voleinding der wereld.quot; (Matth. 28:19, 20.)

Uit die instelling en die belofte blijkt, dat volgens den wil van den Heiland er naast den eénen Petrus en diens opvolgers anderen zouden zijn, die de macht bezaten van te besturen, te onderrichten en te heiligen, welke macht in 't vervolg op anderen zou overgaan. Uit die instelling en uit kracht van die instelling, waardoor bepaald werd, dat niet enkel Petrus maar ook anderen, die zijne broeders heeten. in de Kerk een macht en wel een blijvende macht moeten bezitten, volgt dat onderscheidenen mei en onder Petrus met die macht bedeeld behooreu te zijn. Dezen echter kunnen niet de buitengewone macht der Apostelen hebben, want enkel het gewone (de regel, niet de uitzondering) is blijvend en voortdurend. Welke is nu die gewone macht!1 Namelijk die, welke besloten ligt in de woorden van Christus, tot zijne Apostelen gericht. Immers de woorden van den Heiland: Gij zijt Petrus enz. Gaat en onderwijst enz. vervatten de instelling der Kerk; welnu bij die instelling moest Christus dien vorm, die inrichting aan de Kerk geven, die in de Kerk de g e w one moest zijn.

ocr page 211

91

Uit de woorden van Christus kan men de Imi it en-gewone gaven en voorrechten (als bijv. de onfeilbaar-li eid) van eiken Apostel afzonderlijk genomen niet bewijzen; zij worden uit andere plaatsen gestaafd; Christus spreekt bij 't instellen zijner Kerk altijd tot de Apostelen gezamenlijk en met Petrus vereenigd. Petrus is de eenige, dien Hij soms afzonderlijk toespreekt: „Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne kerk boawen.quot;

Dat die buitengewone gaven met de Apostelen ophielden, is zeker. De gewone macht derhalve, die 't eerst in de Apostelen was, is de macht om te binden en te ontbinden, te onderrichten, te heiligen door de bediening der sacramenten; de onfeilbaarheid en algemeenheid van gezag was de buitengewone. Die gewone macht wordt door Christus' woorden beteekend en is noodzakelijk voor de Kerk. Vandaar zegt Paul us: „Kn dezelfde heeft gegeven sommigen tot Apostelen.... en sommigen tot herders en leeraars tot de volmaking der heiligen tot het werk der bediening (cLquot;

tot opbouwing des lichaams van Christus.quot; (Eph. 4:11, 12.) Hieruit blijkt, dat de handeling van de opgenoemden noodzakelijk voortduurt, zoolang er heiligen te volmaken zijn en het lichaam van Christus is op te bouwen. Die handeling echter kan op twee wijzen voortduren of in zoover haar kracht (invloed, gevolgen) blijft, of in zoover die handeling door een voortdurende opvolging altijd werkelijk bestaat. Welnu het is duidelijk, dat die handeling ook werkelijk voortdurend moet blijven bestaan; volgens Paul us immers gaf God eenigen tot het werk der bediening d. w. z. tot werkelijke oefening van macht. Welnu de Apostelen als zoodanig, met de geheele uitgestrektheid hunner macht.

ocr page 212

92

moesten niet voortduren !); dat ■propheU.n en evangelisten, wat linn bijzonder ambt betreft, ook niet blijvend moesten zijn, is duidelijk genoeg. Er blijft dus.over, dat herders en leeraars als zoodanig, aan wie de bediening eigen is liet lieliaam van Christus op te bouwen en de heiligen te volmaken, door eene onafgebroken opvolging voortduren; en zoo blijft dan ook door hun ambt de kracht (invloed enz.) van het ambt der anderen, dat overgaat. Volgens (joddelijhe, instelling derhalve moeten na de Apostelen herders en leeraren zijn, d. w. z. personen, die de macht hebben om te besturen, te onderwijzen en tevens te heiligen.

Zij nil, die volgens den wil van Christus in het gewone ambt de Apostelen opvolgen en als herders en leeraars in de Kerk optreden, zijn volgens dezelfde instelling des Zaligmakers bisschoppen (opzieners), die een gedeelte van Christus' kudde met gewone macht, d. i. met een macht die in hun eigen ambt ligt opgesloten, besturen, zoodat Christus wil A dat de Kerk door de bisschoppen bestuurd wordt, B dat zij bestuurd wordt door bisschoppen, die iurisdictie hebben ieder afzonderlijk over de gedeeltelijke kudde van Christus.

A Dat de Zaligmaker de Kerk door bisschoppen bestuurd wil hebben, blijkt

a. uit Hand. 20 : 28: „Zoo hebt dan acht op u zeiven en op de geheele kudde, over dewelke u de H. Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door zijn eigen bloed.quot; Door deze woorden wordt minstens beduid, dat volgens goddelijk bevel bisschoppen (opzieners) de Kerk besturen.

!) „De Apostolon als znodanig kunnen geen opvolgers gehad hebben. Zrj waren eenigquot;, r.pgt Ds. A. V. en wij met hem.

ocr page 213

93

h. Uit den eersten brief van Clemens Roman us f 100 (?) ad Corinth, nquot;. 42.

r,. Uit Ignatius van Antiocliië (f vóór 117) die vermaant, dat uien den bisschop moet besclionwen als den Heer zeiven. (Ad Magnes. Trail. Phi lad. Smyrn. Polycarpum.)

d. Hieruit dat de oudlieid de zetels der bisselioppeu pleegt te noemen apostolische zetels, hef. apostolisch deel sortem), het A postelschap. 1)

e. De bisschoppen werden als de opvolgers van de Apostelen beschouwd. Cjprianus Ejdst. 42 ad Coruelium. Ilieronymus (f 420) schrijft in epist. 41 ad Marcellam: „Bij ons in de Kerk nemen de bisschoppen de plaats in der Apostelen, bij hen (de Montanisten = Ketters) is de bisschop de derde.quot; {episcopus terlius est.)

B Christus wil, dat die bisschoppen elk afzonderlijk iurisdictie hebben over de gedeeltelijke kudde. 1 Petrus 5:2: „Weidt de kudde Gods, die onder u is rh h ifjl'-j 7r:i./j.yioy t:'j 0£i5) -).... d. w. z. niet de geheele kudde. Dat de Apostelen dit zoo verlangden, getuigen Clemens (f 100?) en Ignatius. ,,Niets is in de geschiedenis der Kerk zekerder dan datquot;' (P. Palmieri). En dat die verordening tot het wezen der Kerk behoort, wordt algemeen aangenomen, want altijd heeft men geloofd, dat enkel de iurisdictie van den bisschop van Rome in de Kerk algemeen en onbegrensd was, en bijgevolg dat de overige bisschoppen maar gedeeltelijke iurisdictie kunnen hebben krachtens de goddelijke instelling. Daarom werd altijd aan de bisschoppen verboden

Pauliniis epist. 3 ad Alypinm n0. 1 en ad Florentinum ep. 42 n0. 3. Grcgorius van Tours (f 593 of 59é) Hist. Franc. 1. 4 c. 26. ApolUnaris Sidonius Epist. 4 1. 6. Avitus Mpist. 37. Ardoro bewijzen zie Palmiori: De Romano Poniifice blz, 106—110.

2j Apocal. 2.

ocr page 214

94

ziuli in andere diocesen of gemeenten zonder verlof van ii

den bisschop van Rome in te dringen, hunne gemeente 1

te verlaten en geëxcommuniceerdeu op te nemen (Can.

Apost. 11 Can. Nicaen. 15 en 5). i

De vraag: wie zijn de opvolgers der Apostelen? is 1

voldoende beantwoord. Het zijn de bisschoppen.

Om de zaak in een helderder daglicht te stellen en om ,,de meeste' Protestanten, die volgens den Doctor Paeificus A. W. Bronsveld, „van de dwaalleer van Romequot;

niet veel weten, op verlangen van denzelfden Doctor Parificus beter in te lichten l), zullen wij nog even toelichten, wat volgens ons, Katholieken, bisschoppen zijn.

Wat leert de Roomsch Katholieke Kerk aangaande de bisschoppen?

1. De bisschoppen zijn volstrekt geen opvolgers der Apostelen, in zoover deze huifengewone organen van Christus en diens openbaring waren en juist daarom door bijzondere gaven (charismata) uitmuntten; als zoodanig hadden de Apostelen geene opvolgers en konden ze niet hebben. Maar zij zijn opvolgers der Apostelen,

in zooverre dezen de eerste herders, leeraars en priesters in de Kerk zijn.

2. Het college, de vereeniging der bisschoppen (de bisschoppen gezamenlijk genomen), welk college tevens den opvolger van Petrus, liet hoofd der Apostelen, den bisschop van Rome in zich sluit, volgt het college der Apostelen, waartoe ook Petrus behoort, in het volle gezag van de apostolische bediening op; elke bisschop voor zijn persoon volgt daarentegen niet eiken Apostel op in het gezag over de gezamenlijke Kerk, maar enkel

1) Dr. Bronsveld schreef; Welnu, ook dat moet anders worden. (2° Kerkelijk Conpr'-a 1898.)

ocr page 215

95

in zoovev die Apostel de afzonderlijke Kerk, de gemeente bestuurde.

3. Elke bisscliop afzonderlek volgt de Apostelen op iu liet bestuur der afzonderlijlce kerken of gemeenten, de bisschop van Rome echter volgt hèm op, aan wien de Heer allen te weiden- opdroeg, d. w. z. den H. Petrus in liet bestuur der geheele Kerk. De bisschoppen afzonderlijk genomen nemen de plaats der Apostelen in, in zoover dezen de grondslagen zijn der afzonderlijke kerken of gemeenten; de bisschop van Rome volgt Petrus op, die de grondslag is der qnheele Kerk.

4. De bisschoppen afzonderlijk vervangen de Apostelen in de ondergeschiktheid aan den bisschop van Rome, zooals de Apostelen hunne macht hadden in ondergeschiktheid aan Petrus.

5. De bisschoppen afzonderlijk volgen de Apostelen op en zijn als takken, die wanneer zij gescheiden zijn van den stam, verdorren, als ledematen, die van hot hoofd gescheiden, sterven. De bisschop van Rome neemt de plaats in van den Apostel Petrus als wortel, waaruit de eenheid der priesterlijke macht is voortgesproten, die derhalve niet verdorren kan; hij volgt Petrus op als het hoofd, dat levensvoorwaarde voor de ledematen is, en daarom niet sterven kan.

Aldus werd de kerkelijke macht door Christus gevestigd; de bisschoppen in de Apostelen, en zooals de Apostelen zich schaarden om het punt van eenheid, het zichtbaar middelpunt Petrus, zoo staan de bisschoppen in gemeenschap met hun punt van eenheid, den Stoel van Petrus. De veelheid, de menigte der ambtdragers ziet op naar het middelpunt van macht en schikt zich daaronder; de eenheid ontwikkelt zich en komt tot stand in een veelheid van organen. De kracht en schoon-

ocr page 216

96

lieicl der Kerk, het gelieimzinnig lichaam van Christus, rust op deze evenmatigheid, op de in evenwicht gehouden betrekking van liet hoofd tot de leden en van de leden tot het hoofd. (Dr. Hettinger 6 And. 2 Abth. S. 513.)

Wat is een bisschop?

Presbyter en episcopus waren oorspronkelijk n'tt., ontvingen derhalve beiden hunne macht onmiddellijk van God; de bisschoppelijke waardigheid is van de priesterlijke waardigheid niet afgescheiden, maar is daarvan do voltooiing en bekroning .... Het was toch noodzakelijk, dat onder vele priesters een ter wille der orde uitgekozen werd, aan wien bolialve een eere-voorrang ook het bestuur, leiding enz. van ziilke zaken werd toevertrouwd, welke niet goed door allen konden waargenomen worden; daartoe behoort de wijding en de aanstelling' der overige priesters en wat tot de iurisdictie gerekend wordt. Dat geschiedde reeds ten tijde van de Apostelen. Daardoor kwam het dan ook, dat weldra aan beiden een afzonderlijke naam werd gegeven. De macht der wijding en het rechtsgezag behoort dus tot het priesterschap, maar wat de oefening betreft behoort de macht van het rechtsgezag om de gewichtigste redenen bij de bisschoppen alleen. Daarom heeft ook het Concilie van Trente met recht vastgesteld: anathema uit, .tl quis dixerit episcopos non esse superiores preshyteris. De bisschoppelijke waardigheid is werkelijk een goddelijke instelling, wel is waar niet onmiddellijk van God, zooals het priesterschap, maar middellijk. (Zie J. A. Möhler: Die Einheit in der Kirche.)

Een doodvijand der Katholieken Prof. Beyschlag erkent: „Obwohl Christus und seine Apostel keine bestimmten Formen des kirchlichen Amtes verordnet

ocr page 217

97

liiitteu, liiudert es nicht, auziierkennen, class der Epis-copat die vom Geiste des Herrn legitim g-escliaft'ene specittscli kircliliclie Form des K irclienregiments sei; es hindert auch. uiclit anzuerkeimen, dass das Biscliofs-amt luit gleicliem iieclit apostolisch heissen konne, als das Taufsymbol, indem die Bischöfe in der That die geschichÜichen Nachfolger der Apostel in der Iwheren Lei-tung der Kirche geworden seien.quot;

Waar is nu het episcopaat, waar zijn de bisschoppen in de Hervormde Kerk ?

Ds. A. V. tracht van blz. 53 tot 63 mij te overtuigen, dat de Protestanten ook een soort kerkregeling hebben, „een broederlijk toezicht, dat uitnemend werkt, wanneer het overeenkomstig recht en billijkheid in de vreeze Gods geoefend wordt.quot;

Ik zal o. a. het hoofd des Evcmgellschen Bunies, Prof. Beyschlag, iets anders laten getuigen. Hij zegt: „Wie schwach hat sich der Protestantismus gezeigt bei der Anfgabe, seine Kirche zu verfassen, d. h, sie als Gin eigenthüniliches vom Staate verschiedenes Gemeinwesen zu organisiren! Die Reformatoren haben bei einen glück-lichen Nachbildmig der apostolischen Genieindeverfas-sung fiir den weiteren Kirchenverband doch nur die Svnode, aber kein standiges Kirchenregiment zu schaffen

. quot; O O

gewusst. Die Lutheraner gar haben sich begnügt, das Pfarramt und die Parochie zu erhalten, im übrigen aber die Kirche zu einem Verwaltungsgebiet des Staates herabsinken zu lassen, ein mehr als byzantinisches Verhaltniss, das wohl nach aussen gegen Vergewaltigung fichutz verlieh, aber die innere kirchliche Entwicklung mit den verderblichsten Pesseln umschürte. Und noch heute nach 300 .1ah ren, wo wir endlich im evangelischen Deutschland begonnen haben unsere Kirche als selb-

ocr page 218

98

standige Greuienicle wieder lierzustelleu, haben wir ilir Regiment in den Handen des Staatsoberhauptes belassen müssen. Liegt das nicht dar an, dass wir im 1G Jahr-hundert die altlcirchliche Institution des Ejpiscopats einge-hüsst haben?quot; (Beysclilag, aangehaald in Vou der protest, theologie ziim hath. PriesterLlmm 2quot;, Anflage 1896.)

Ds. A. V. zegt; „Het aantal bissclioppen, als zoovele Kerkvorsten stellen, en boven deze den Pans .... dit is niet van de Apostelen, maar van de gewoonte, de overlevering, die onbetrouwbaar moet lieeten .... Naarmate de wereld in de Kerk drong, kon men berekenen, dat ook de wereldsclie verliondingen der mensclien onderling er zich in zouden afspiegelen. In de wereld nu vindt men liet lieerscbeu en liet geregeerd worden ....

Tocli niet dan onder een schoonen schijn zou de Kerk deze verhoudingen overnemen, en evenzoo niet zonder heftigen tegenstand. Het kon slechts gaan van trede tot trede. Het begon daar, waar men onder de ouderlingen of bisschoppen den bisschop onderscheidde 1): eenmaal den voet op dezen weg gezet, was de vraag: wie de meeste onder de bisschoppen zou zijn? nabij, en kwam men tot den metropoliet, den patriarch, den .... Pausquot; (blz. 0S-G9j. Maar tot den metropoliet, den patriarch, den Paus kwam men dan toch reeds volgens protestantsche bekentenis, vóór 18 eeuwen, zooals wij zullen zien.

'j Bn diou bisschop begon men roods in do oorsto couw, ja zelfs ocdor do Apostolon te ondorsolieidon, en die bisschop was Petrus.

ocr page 219

99

§ 21.

Eenige dorre bladzijden, die de lezer, behalve Ds. A. V., mag overslaan.

.,Kn I'hilippus Hop too on lioonlo hem «Ion Profoot Josajn lozen on zoido: Vet-slaal ,i;ij ook hotboon •jjij loost ? Kn hij zoido: hoe zou ik toch huimcu, zoo mij niel iemand onderricht?quot; (Hand. 8 : 30, :J1.;

Ds. A. V. scliijnt te meen en (blz. 13), dat wij bij Mattlieus 1(5: 18; „Eu ik zeg n, dat gij zijt Petrus en op deze petra zal ik mijne Gemeente (Kerk) bouwenquot;, liet woord petra alleen hierom op dei) persoon van Petrus laten slaan, wijl wij aan Joannes 1 : 43 denken: „Gij zijt Simon, de zoon van Jonas, gij zult genaamd worden Kefa, hetwelk overgezet wordt Petrus.quot;

Zeker is deze plaats voor ons van belang, doch niet enkel deze. Evenals al de andere teksten van het N. Test., waar Petrus met den naam K^tpy.g wordt aangeduid, bewijst zij, dat ook bij Mattlieus 16: 18 de Heiland tot Petrus moet gezegd hebben: Gij zijt Kefa.

Wat is dat Kefa ? Men kan denken aan het vrouwelijke Kef ah, dat in den Talmud voorkomt of aan hot mannelijke Kefa. Dit laatste is eigenlijk de status emplia-ticus van Kef, die gebruikt wordt, waar wij het lidwoord gebruiken en dus: de rots.

Dat Christus dit Kefa en niet Kef ah bezigde, schijnt de eenige aanneembare veronderstelling, wijl het niet bewezen is, dat het woord Kefa in Christus' tijd in gebruik was, terwijl het mannelijke Kef of Kefa in de Targumim en reeds in het Bijbel-hebreeuwsch voorkomt en wijl een vrouwelijke vorm, indien er ook oen mannelijke bestaat, niet licht als naam van een man zal gebruikt worden. Om deze laatste reden is Kefa in

ocr page 220

100

liet Griekscli mede door Trirpzz vertaald, eu niet door irirpx, lioewel Tcirpx = (voorn.) rots bij de Hellenisten veel g-ebruikelijker was dan Trirpsg = (voorn.) rotsblok, steen.

Een andere vraag is, welk woord Christus in de volgende zinsnede: „en op deze iiefmquot; lieeft gebruikt: Kef ah ofquot; Kefa?

Een zeker, afdoend antwoord is moeilijk te geven. Het griekscbe -irpy. geeft eemge waarscliijnlijkheid aan de meening, dat in het arameesch van Mattheus de vorm Kefah zou gestaan hebben. Doch ook de mannelijke vorm Kefa is zeer waarschijnlijk, juist wijl hij even te voren ook gebruikt werd, eu het twijfelachtig is of Let woord Kefah reeds bestond, vooral ook wijl blijkens den samenhang of het context zeer duidelijk dezelfde persoon wordt aangeduid, zóó duidelijk dat al de ouden, die uit het Griekscli vertaalden maar één woord gebruikt hebben, hoewel zij in het Griekscli tivee vonden.

Dat de Grieksche vertaler van Mattheus twee woorden bezigde, hoewel hij iu het arameesch er maar één vond, is genoegzaam verklaarbaar.

1°. De vertaler paste het mannelijke Tcïrpzz op den persoon (Petrus) toe en het vrouwelijke Trirpx op de zaak, die werd aangeduid. Hij moest de tweede maal zich levendiger het heeld, de rots dan den daardoor verbeelden persoon voorstellen. „Gij zijt Trkrpzz (persoon = steenrots) en op deze irirpx (do zaak = steenrots) zal ik mijne Kerk bouwen.quot; !)

1) Do Latijusohe vertaler heeft don griokschon tekst gevolgd en ook twee woorden Fetrus en petra gebruikt, maar do andere vertalingen hebben overal denzelfden naam en hetzelfde woord: zoo de Armonischo, Bthiopischo, Koptische, Perzische, Oaaldeuw-scho, Syrische vertaling en het Hobreouweche B?ange!io, waarin

ocr page 221

101

2°. De vertaler gebruikte de tweede maal Trirpx, wijl Trirpog in liet Bijbelsche (.Triekscli zeer zeldzaam, Tnrpy. integendeel zeer gewoon is. In 't N. Test. komt Trirpx vijftienmaal voor, Trirpog als appellatief nergens, tenzij men liet woord bij Joannes 1 : 48 appellatief wil noemen, waar het ook dan alleen ter verklaring van den eigennaam nirpzz staat, In de Zeventig, waarmede de vertolker van Mattheus stellig zeer vertrouwd was, lezen wij Trirpx ongeveer honderdmaal, en 7rirp:~ tweemaal (II Macch. 1:16 en 4: 41). Bij de latere grieksclie vertalers van het O. ï. (Theodotion, Sjmmaehus, Aquila) is in de overgebleven fragmenten de verhouding 41: 1 1). De grieksclie vertaler van Matth. zette dus eerst Trirp:^, omdat hij 't als eigennaam opnam en verder Trirpx, wijl dit het gewone, gebruikelijke woord was.

Dat overigens met de Trirpx de persoon bedoeld moet zijn, die even te voren llirpcquot; heet, schijnt toch vanzelf te spreken, ook al zou Christus niet hetzelfde noch een stamverwant woord, maar een geheel ander van gelijke beteekenis gebezigd hebben.

SobasC. Munster hot oorspronkelijk Evangolio van Mattheus meende te hebben tcruggovonden. (Hurter; Theol. dngm. cnmjpend. I n0. 326 noot.) Het Syrisoh heeft beide koeren Kifo, wat misschien niets anders is dan het mannolyke Kefa volgons west arameesohe uitspraak. Do spelling mot ulaf in de eerste lettergreep schijnt wel naar eon oenigazins vorschilienden, doch in ieder geval naar een verwanten stam te wijzen. (Zio König: Hist. Grit. Lehrgèb. der Jlehr. Spr. II blz. 58.)

Deze inlichting en andere taalkundige opmerkingen omtrent do woorden Kefa enz. dank ik aan don Zeereerw. Zeergol. Hoor J. Yan Kastoren S. J., professor in do Schriftuur en Oosterscho talon te Maastricht.

!) Vgl. Bruder: Concordantiae A'. T. graeci: Hatch and Bedpath: A concordance to the Septuagint.

de Paus II. 7

ocr page 222

102

Het is clan ongeveer, alsof men zeide: Golgotha was een heuvel en op deze hoogte werd Christus gekruisigd; of liever onderstel, dat de oude naam van Tyrus Sar, zooals velen beweren, de beteekenis van rots heeft, en de Heiland tot die stad gesproken had: El d y.y.l 'stti ry.irr, rr, Ttirp-/. werd de tempel van Melkart gebouwd. Wie zou bij deze woorden aan een tempel denken, die in een andere stad of op een andere rotsige hoogte stond 1'

De zaak, waaraan de grieksche vertaler dacht is, zooals ik zeide, de rots, niet de geloofsbelijdenis van Petrus, en zeker heeft Christus zulk een dwaasheid niet gezegd.

Zelfs het onwaarschijnlijke aangenomen, dat de Zaligmaker hef'a en kef ah en niet beide keeren enkel Ttefa gebruikt, heeft Hij toch niet de geloofsbelijdenis bedoeld. Immers dan kwamen de woorden van den leeraar der volkeren hierop neer: Gij zijt de (een) geloofsbelijdenis en op deze geloofsbelijdenis zal ik mijne Kerk bouwen. Want bedoelde Hij met het eerste woord hij'a een steenrots en met het tweede woord befah de geloofsbelijdenis dan kon geen menschenverstand den zin zijner woorden vatten om de eenvoudige reden dat leef ah zoowel als leefa de beteekenis heeft van rots.

Ds. A. V. heeft die dwaze, onmogelijke uitlegging vau „sommigenquot; J) niet tot de zijne gemaakt.

Christoph Wo 1 f, Salmasius, Chrysauder enz. verklaren den tekst als volgt: Toen Christus gezegd had: „En ik zeg- u ook, dat gij zijt Petrusquot; wees hij

!) Ds. A. V. blz. 16. „Sommigenquot;, onder wio ook do kaï.t teokenaars van don Statenbijbel.

ocr page 223

103

eensklaps als met den vinger op zichzelven en sprak toen: „En op deze petra (steenrots, d.i. op mij) zal ik mijne Kerk bouwen.quot;

Dien uitleg noemde ik een verdraaiing van Christus' woorden. De redeneering van den Heiland zou dan liierop neerkomen; Zalig zijt gij, Simon, Jonas' zoon, dat gij mij den Zoon Gods genoemd hebt; en ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus [kefa = steenrots], maar niet op u, doch op de steenrots, die ik ben, zal ik mijne gemeente bouwen.

Welk eene scheeve redeneering!

Toch niet, antwoordt Ds. A. V. „De gedachte ook aan Christus moet niet zoo verre zijn. Petrus is waarlijk niets zonder Hem.quot; (Dat spreekt.) „Het mag ons niet zoo geheel vreemd voorkomen, dat Jeziis op zichzelf zou gewezen hebben. Zoo deed Hij ook ten dage der tempelreiniging, toen Hij zeide, terwijl Hij in den tempel stond, en zijn daad en zijn woord betrekking hadden op den zichtbaren tempel: „Breekt dezen tempel af en in drie dagen zal ik dien oprichten.quot; (Joannes 2 : 19.)

Ik geef een kort bescheid. Bij Joannes 2 : lö ligt de zaak geheel anders dan bij Matth. 18 : 19. De gissing, dat Christus bij Joannes 2:19 op zichzelf zou gewezen hebben steunt op vers 21, en in v. 19 gaat geene aanwijzing van een anderen „tempelquot; vooraf. Daar staat niet: Dit is de tempel van Zorobabel of van Herodes (die den tempel hersteld en verfraaid had) en breekt dezen tempel af.... of: en breekt dit Godshuis af.... Een aanwijzend voornaamwoord voorafgegaan door Y.yi ziet natuurlijkerwijze op liet vorige terug. Vergelijk b.v. Luc. 2:37; 7:12; 8:41; 10:39; 16 : 1 j 19:2; 20 : 28.

ocr page 224

104

Waar dat niet liet g-eval is (b.v. Luc. 2 : 12) wordt het aangewezene terstond nader omsclireven.

Zelfs afgezien van liet voorafgaande y.y.i schijnt ons van ieder aanwijzend voornaamwoord te gelden, wat Blass [Gramm. des neutest GriecMsch. § 49, 3) van 'sytüvsc zegt: „Natürlich muss von denselhen (namelijk van de personen, die het vnw aanduidt) die Rede gewesen sein, dnmit das Pronomen üherhaupt verstimdlich sei.quot; Of anders dient ten minste de verklaring te volgen.

De opvatting van Ds. A. V. schijnt dus niet de natuur van een aanwijzend voornaamwoord te strijden. En meer nog met de natuur van dit voornaamwoord.

Grammaticaal is shr:* het aanwijzend voornaamwoord dat overeenkomt met den hceeden persoon zooals het Latijnsche iste. Wilde men dus hier geheel volgens de Grieksche spraakkunst te werk gaan, dan zou men inderdaad moeten vertalen: „en op die steenrots daar hij uquot; of „die gij zijtquot; „super istam petramquot;. Zeker mag men bij de latere schrijvers hierop niet al te sterk drukken, daar en dikwerf verward worden.

In het N. Test. is :Ss daarenboven zeer zeldzaam. Maar volgens de verklaring van Ds. A. V. zou :^t:s hier tegenover den 2''quot; persoon (oo) staan, — en zóóver was toch de eigenlijke beteekenis van het woord wel niet vergeten. Ons althans is geen enkel voorbeeld hiervan bekend. Wèl kennen wij plaatsen, waar tegenover den 2''quot; persoon 'zy-zwsz staat (Mattheus 13:11;

Joan. 5:39; Hand. 3:13; 2 Cor. 8:14. Zie Blass).

En indien ergens in het N. Test. een vingerwijzing van den sprekenden persoon op zichzelven kan worden aangenomen, is het zeker bij Joannes 9:37: „Die met u spreekt, die is het.quot; En hier wordt — zeer opmerkelijk — wederom niet maar 'iv.v.-jtz gebruikt, hoe-

ocr page 225

105

wel dat gewoonlijk een afwezigen persoon aanduidt.

Ook dit nog: Wanneer Christus bij de woorden: „Op deze steenrotsquot; enz. op ziahzelven wees, wat beteekende dan de naam aan Simon gesclionken? Omdat de Kerk op Christus gebouwd is, kan toch Si ui on den naam van Petrus niet verdienen. Het is alsof een koning tot zijn generaal zou zeggen: Gij zijt de generaal en daarom zal deze generaal (niet gij, maar ik) het leger aanvoeren.

De Protestanten der 16''° eeuw zeiden voor 't eerst, dat het woord rots in 't tweede gedeelte een andere beteekenis had dan in 't eerste gedeelte, maar de niet-katholieke geleerden, die zonder vooroordeelen dien tekst verklaren, zeggen, dat men daarop niet behoeft te antwoorden, wijl een gezonde exegese de uitlegging der Katholieken ei.icht. (O. Pfl eider er: Das Urchris-lenthwm Berlin 1887 blz. 541 en 518; Br. Bauer: Krii'ik der evangelischen Gesch. UI (J ff; Holtzmann Zeitschr. für ivissenschaftl. Theologie. 1878 115.)

De Protestant Meyer zegt in zijn commentaar naar aanleiding van Matth. 10:18 (blz. 358): ..Zonder twijfel wordt hier aan Petrus het primaatschap onder de Apostelen toegekend .... De uitvlucht, die de pennestrijd tegen Rome dikwerf te baat neemt, als zou met het woord Rots niet Petrus zelf, maar het vaste geloof en de belijdenis van dat geloof van den kant des Apostels bedoeld zijn, is onjuist, daar de aanwijzende uitdrukking op deze petra d. i. rots na de zoo even voorafgaande uitdrukking gij zijt Petrus enkel den Apostel bedoelen kau, zooals ook de volgende uitdrukking e)b ik zal u geren op den Apostel doelt.quot; {Kafholisch oder Protestan-tiseh? oder: Wie war's möglich, dass ein orthodox-lutheri-scher Pastor mach Rom gehen Ttonnte? von Georg Gotthilf

ocr page 226

106

Evers frülier Pastor zu Urbach im Haunoversclien 4quot; Aufl. Hildeslieim. Franz Borgmeyer's Verlag- 1883.)

Ten slotte een aardige vond, die niet geheel zonder boteekeuis is. De Oud-katholiek Dr. Sepp wil ook in de rots, waarop de Kerk gebouwd is, uitsluitend Christus zien. Maar den tekst volgens de opvattingen van de Protestanten verklaren, — dat schijnt hem te machtig. Hij heeft een ander middel. Hij ]aat eenvoudig vier woorden uit den tekst weg en zet drie andere in de plaats: „Niet vleesch en bloed heeft u dit geopenbaard, maar mijn Vader in den hemel, die fot mij sprak, wj? quot;c/cys: Gij zijt de rots, en op deze rots wil ik mijne Kerk bouwen.quot; (Krif. Beitrdge zinn Lehen Jesu, München 1889 blz. 81).

Dat was de oorspronkelijke tekst, maar te Rome heeft men dien in de tweede helft der tweede eeuw gewijzigd, beweert hij (blz. 84 v.).

En in al de handschriften van Mattheus, die toen reeds een eeuw lang- in allo kerken bestonden, werd die vervalsching opgenomen!?!

Aanleiding daartoe gaf volgens Sepp eene plaats uit de Pseudo-Clementinen, die eveneens uit de tweede eeuw dagteekent, en waar ,,de romeinsche geestelijkheid aan den bisschop Jacobus van Jeruzalem schrijft '): Notum tibi sit quod Simon, qui propter veram fidem et firmam doctrinae suae basim ecclesiae fundamentum esse definitus est, atque ab ipsius Jesu ore non fallaci transnominatus est Petrusquot;. . . .

!) Aldus Sepp. Do brief heet geschreven door (Paus) Olenens, eon tijdgenoot van Petrus. Doch hot geheelc werk is een verdichtsel en echijnt van oosterschon oorsprong. Naar allen schijn was heï in het Westen zelfs niet bekend vóór hot einde der eeuw.

ocr page 227

107

Een gewoon nienschenverstand kan natnnrlijk uit die plaats niets anders besluiten dan dat de schrijver Mat-tlieus 16 : 18 juist gelezen heeft als wij, en tevens dat liij den tekst juist verstaan heeft als wij: de rots, waarop de Kerk gebouwd wordt is Petrus, Ecclesiae fundamentum. Er de zonderlinge inval van Dr. Sepp bewijst twee dingen: 1. aan welke stroohalmen het vooroordeel tegen het Pausdom zich kan vastklampen, en 2. nog dit, dat Dr. Sepp zijn stroohalm nog steviger vond dan dien anderen — van Ds. A. V. enz.

vj 22.

Petrus heeft eenig primaatschap.

s. Augustinus: „Petrus personam Kcelesiae gere-batquot;. . . . (In ps. 108) Kcclesiam sanctam signi-licavitquot; (Tracl. 50 in Joan.)

„Hij heelt hem (Petrus) de zorg over alle kerken opgelegd.quot; (Atlianasius Kpisl. ad Falie.)

Calvijn zegt: „Ik geef toe, dat Rome eertijds de moeder aller kerken geweest is, maar sedert het begon de zetel van den Antichrist te zijn, heeft het niet opgehouden te zijn, wat het was.quot; (Instit. 14 c. 7 nquot;. 24.) l)

1) De laatste afstammeling uit de familie van Calvijn, een voornaam en hooggeplaatst persoon, is in 't jaar 1862 in Noyon, Calvijns geboortestad, Boomsch Katholiek geworden; zijne dochter werd religieuze.

Wie heeft zeker gelijk, Calvijn of zijn laatste afstammeling?

De dochter van Prins Willem I (uit het derde huwelijk), Plan-drina van Nassau (f 1640) werd Roomsch Katholiek en trad in een klooster. Ben tweede dochter Elizabeth huwde met Henri

ocr page 228

108

Wanneer begon het de zetel van den Antichrist te zijn ?

Die vraag is nogal van belang.

Prof. D. Pan lus heeft in vroeger dagen tegen den beroemden bekeerling Graf zu Stolberg, die het primaatschap van Petrus en diens opvolgers zoo glansrijt verdedigde, de volgende tegenwerping gemaakt naar aanleiding van Matth. 18:19: „Wie op iemand iets bouwt, stelt daardoor hem, op wien gebouwd wordt, niet tot opperbisschop aan.quot;

Dr. Theodor Katerkamp antwoordde !): „Wie op iemand een zaak, een bediening enz. bouwt, zal toch willen en verwachten, dat de zaak, liet ambt enz. door dien persoon met zorg en beleid bestuurd wordt, en daardoor reeds is die persoon tot opziener en plaatsbekleeder aangesteld. En, — om bij het door Dr. Pan lus aan-

do la Tour; uit dat huwelijk sproot maarschalk Turenno, dio Boomsch Kallioliek werd. Do vijfde dochter van Prins Willem I Charlotte Brabantina, werd do vrouw van hertog Olaudo da Trémoille, wier zoon Henri ook terugkeerde tot de Eoomsch Katholieke Kerk. Do achterkleindochter van Prins Willem I, Louise Hollandica (f 1709) en haar jongere broer Eduai'd werden Roomseh Katholiek. (W. Wildo S. J. Studiën 1898.)

Ik maak daarvan molding om Veritas genoegen to doen, die in Het Nederl. Dagblad van 7 September 1897 een allergeestigst artikel schreef tegen mijn bookje I)e 1'ans, Eerste gedeelte. Geen onkel mijner bewijzen hooft hij zelfs niet mot den vingertop aangeraakt, maar hij verkneukelde zich, dat ik Joannes Angelus niet in 1624, doch onjuist in 1634 liet geboron worden en ton jaro 1625 in plaats van in 1652 bekeoron.

Eon grove vergissing stond ook op mijn rekening, doordien ik Louise Hollandina voor een dochter van den Zwijger had aangezien. Ik ben zeker door het trouwen, hertrouwen en nog eens en wederom trouwen van den Prins in do war geraakt.

1) Dr. Th. Katerkamp; ÏJber dm Primat den Apostels Petrusvnd seiner Nachfolger. MünBter 1820.

ocr page 229

109

gehaald voorbeeld te blijven — wanneer een regent voor 't geval, dat liij afwezig moet zijn (want op deze veronderstelling rust de gezamenlijke volmaclit dei-Apostelen) aan een zijner ministers in 't bijzonder zeide: Op bouw ik geheel mijn rijk, zou dan die minister, indien die woorden niet enkel beleefdheidshalve geuit waren, niet als regent geëerd moeten worden.quot;

Wat beteekenen de woorden Matth. 16:19: „En ik zal n geven de sleutelen van het Koninkrijk der Hemelen, en wat gij zult binden op aarde zal in de Hemelen gebonden zijn, en wat gij ontbinden zult op aarde, zal in de Hemelen ontbonden zijn?quot;

De Protestant W. a Brakel antwoordt (1 blz. 638): „Sleutel beteekent hier geen souvereine macht, want deze heeft zonder tegenspraak Christus alleen .... Maar het beteekent een bedienende macht, !) om als een dienaar te openen dengenen, die Christus geboden heeft, in te laten, en te sluiten voor degenen, die Christus geboden heeft uit te honden of uit te werpen, dat is, den boet vaardigen in Christus' naam aan te kondigen vergevingquot; der zonden en den boetvaardigen in Christus' naam en van Christus' wege te verkondigen en aan te zeggen, dat zij in hare zonden zijn en blijven; deze macht heeft Christus hier aan Petrus gegeven.quot;

Maar Ds. A. V. teekent op blz. 28 aan: „Het kan, na hetgeen wij bespraken, niet langer ernstig door u gemeend zijn, dat in Matth. 16 de Heer zich alleen tot Petrus richt.quot;

Ik keer de woorden tot hem en zeg: „Het kan, na hetgeen wij in Eet Huis op de Steenrots en in 't eerste

1) Over de bedienende macht van Calvijn enz. Zie § 23 van dit boek.

ocr page 230

110

gedeelte van De Paus bespraken, niet langer ernstig door u gemeend zijn, dat in Mattli. 16 de Heer zich niet tot Petrus alleen richt. Wie liet enkelvoud van 't meervoud vermag te onderscheiden, kan de andere bewijzen, die ik gaf, veilig laten rusten. Ik wil even daarop terugkomen.

Ds. A. V. tracht in eenige bladzijden te staven, dat de Sleutelmaclit nagenoeg !) ideutiscli is met de maclit om te binden en te ontbinden (blz. 25—28). Dat poogde ook Dr. Paulus te bewijzen. Ik antwoord niet T)r. Kater-kamp: „Laten wij voor een oogenblik toegeven, wat kan nocli moet toegegeven worden, dat Sleutelmaclit liet-zelfde is als de maclit om te binden en te ontbinden. Zelfs in die veronderstelling is liet toeli ook zeker, dat de macht die aan de gezamenlijke Apostelen, aan 't geheele college, i n 't a 1 g e ni een is gegeven, aan Petrus in t bijzonder is geschonken. Wat gijlieden zult binden enz. Wat gij (enkelvoud) zult binden. U (enkelvoud) geef ik de sleutelen enz.

Wanneer nu bij deze verdeeling- van maclit, geentelijlce rechtspraalc, (waarbij aan Petrus voor zijn persoon alleen

!) Ik zog nagenoeg, want eenig verschil schijnt Ds. A. V. toch wol aan te nomen, daar hij schrijft: „Ik betwist volstrekt niet, dat hi;, die do sleutels ergens van heeft, er ook do macht over bezit. Die macht zal hij echter allereerst hierin betoonen, dat hij inlaat of buitensluit, dien hij wilquot;.

De Protestant Reinhard f 1 'orlesungeii iiher die Dogm. 633) zegt: „Do sleutels zijn in de H. Schrift, het zinnebeeld dor macht. (Isai. 22; Apoc. 1. 2. 3.) Matthous sprekende van sleutels zinspeelt op dio macht; 't is, alsof hij zeide: Ik geef u de hoogste macht over mijne godsdienstige maatschappij. Wat de correlative uitdrukkingen van hinden en ontbinden betreft, zij zijn zoovele zinnebeelden, dio in do taal dor Joden van toepassing zijn op de macht van te onderrichten en te beslissen wat geoorloofd is wat niet.quot;

ocr page 231

Ill

gegeven werd, wat liet gezamenlijke college der Apostelen in 't algemeen ontving), geen der overige Apostelen zeo-o-en kon: ik lieb zooveel macht als geheel liet col-

Oo ^

lege, zoo kon ook niemand hunner zeggen: ik hel) zooveel macht ontvangen als Petrus; en daarin ware het voorrecht van Petrus met mathematische strengheid bewezen. En.... wanneer een vorst aan geheel het ministerie zeide: Aan u (mv.) vertrouw ik geheel mijn rijk, en dan aan één enkelen uit dat ministerie: n vertrouw ik geheel miju rijk, zou hier dan van een gelijke of ongelijke verdeeling van macht sprake zijn?

Petrus heeft dus eenig primaatschap.

Ds. A. V. geeft toe, dat Petrus een eereuaam kreeg. „Er is geeu twijfel aanquot;, zegt hij, ,,of Christus gaf den zoon van Jona een eernaamquot; (blz. 11).

Ds. A. V. belijdt, dat de woorden van Christus: „Gij zijt Petrus (kefa = steenrots), en op deze petra (kefa = steenrots) zal ik mijne gemeente (Kerk) bouwen, enz. zeker tot Petrus en aangaande hemquot; zijn gesproken, (blz. 15.)

Ds. A. V. erkent, dat wij niet den eenigen Petrus, „maar den helijdenden Petrus als grondslag der gemeente moeten aanmerken en dan nog wel voor zoover hij gegrond is op den waren steenrots, Christus zeivenquot; (blz. 17).

Ds. A. V. „betwist volstrekt niet, dat hij die de sleutels ergens van heeft, er ook de macht over bezit.... De gedachten van sleutelen, en in- en uitgaan, inlaten of buitensluiten behooren bij elkander, en zonder twijfel zijn die ook samengevoegd in Mattheus 16:19, alzoo dat, als Christus tot Petrus zegt: En ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen, en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gehouden zijn, en zon wat gij ontbinden zidt op de aarde, zal in de hemelen

ocr page 232

112

ontbonden zijn, de Heer bedoelt: Van het kuninkrijk der hemelen geef ik de sleutels; zoovelen gij buiten dat koninkrijk op aarde of buiten de gemeente sluit, zoovelen zullen buiten de zaligheid gesloten zijn. Gij beslist wie er deel aan hebben en wie niet, èn, aangezien het deelgenootschap aan het koninkrijk der hemelen en de vergiffenis van de zonden, samengaan, zoo beslist gij, wie gerekend mogen worden, aan deze vergiffenis al of niet deelachtig te wezen. Dat hierin minder de opdracht van een wereldlijk regiment, maar vooreerst de gave van eene geestelijke onderscheiding ligt opgesloten, spreekt van zelve.quot; (blz. 25. 26.)

Ds. A. V. „zou niet gaarne ontkennen, dat de Heer aan Petrus de geestelijke rechtspraalc in de Kerk heeft geschonken. Alleen.... toch niet slechts aan hem.quot; (blz. 28.) Dat zeggen ook wij, Katholieken, maar Petrus kreeg de hoogste geestelijke rechtspraak.

Ds. A. V. schijnt ook aangaande de woorden: Weid mijne lammeren, hoed mijne schapen deze verklaring te houden, die volgens hem „door het N. Testament verder zeer gesteund wordt, dat aan Petrus eene werkzaamheid is op de handen gelegd, vooral in de gevestigde gemeente. Niet in de eerste plaats moest hij als zendeling TÜt-trekken, maar als leider der gemeente onder reeds ge-loovenden blijven.quot; (blz. 39.) Dat deden ook Petrus' opvolgers, de bisschoppen van Rome.

De Protestant Cowel zegt: „Om de twisten en scheuringen te vermijden is noodzakelijk, dat een hoofd bekleed zij met het hoogste gezag. Inderdaad de twaalf Apostelen zouden niet onderling zoo vereenigd zijn geweest, ware een hunner niet als hoofd boven de andere gesteld. [Exam, doctrinae contra act. ra,us, Tnnoc. 1564.) En dat hoofd was Petrus.

ocr page 233

113

Petrus lieeft derhalve eenig priiuaatscliap.

Dat bevestigt ook Dr. J. H. Reiiikeus, Oucl-katlioliek, in een toespraak den 30 Maart 1873 te Würzburg gehouden: „Wel is onloochenbaar, dat volgens de bijbolsclie verhalen Petrus op den voorgrond gekomen is. Er valt niet aan te twijfelen, dat hij aanzien genoot en een soort van voorrang bekleedde.quot;

Dat erkent mede Lodewijk Elias Du Pin (geb. 1657 f 1719), van de Gallicaansche richting, die in zijn werk de ontiqua Ecclesiae disciplina zegt, dat de Apostelen in macht en gezag volkomen gelijk waren met Petrus, nitjenomen wat het primcidtschap hetrejt. Volg'ens de leer der Kerkvaders, verklaart hij, waren de Apostelen in de bediening der sleutelen, in de prediking des geloofs, in de vestiging- der Kerk van gelijke macht en gelijk gezag als Petrus, „tnnar dat zij Petrug gelijk waren in het primaatschap, leert geen enhele Kerkvader (Diss. 4 c. 1 § 3). En Du Pin bedoelt hier niet enkel het primaatschap van orde, uitmuntendheid en eer, maar het primaatschap van iu ris dictie of volmacht. Dat blijkt uit c. 2 § 3.

Het oordeel van Hugo de Groot gaven wij reeds iu het Eerste gedeelte blz. 115.

De Protestant Forbesius schrijft in Institut. historico-theolog. 1. 15 c. 1: „Het is noodzakelijk te erkennen, dat aan den Apostel Petrus eenig primaatschap over de Apostelen is gegeven, een primaatschap van rang, wijl dat in elke maatschappij noodig is 1), en tevens het primaatschap van voorzit! er schap, ouderdom en eerhied-w aardigheid.1'

Dus ook nu. nopj noodig is. Do ü. Katholioko Kerk hcfift een Paus, dus minstens oen primaatschap van rang.

ocr page 234

114

De Protestant Liglitfoot erkent: „Even a cursory glance at the history of the Apostles, so far as it appears in the Gospel records, reveals a certain primacy of S. Peter among- the twelvequot; [Clem. Horn. 2, 481).

De Protestant Eettberg- schrijft: „Die Wirksamkeit des Apostels (Petrus) in der Gemeinde zn Jerusalem iiud der umliegenden Gegend war von der Art, dass er auch jetzt mit Sicherkeit als eins der Haupter der apostolischen Kirche gelten muss. In der Predigt, in der Verrichtung von Zeichen und Wundern, in der Bestrafung des unlauteren Sinnes ist seiue Wirksamkeit so gewaltig, dass von ihr das Gedeihen der christlichen Sache abgeleitet wird. Diese Bedeutung des Mannes erhellt auch aus dem Gewicht, das die Gegner, die jüdischen Behörden, auf ihn legen; sie ziehen ihn mehr-mals zur Verantwortungquot;. . . . (E. u. G.)

Dollinger schrijft : „Drie voorrechten boven alle anderen heeft Petrus van Jezus ontvangen: hij alleen is de rotsgrondslag, die aan de op hem steunende Kerk de onvergankelijkheid verzekert, aan hem alleen zijn de sleutelen gegeven, en daardoor is hem het Huis des Heeren, de Kerk als een geheel, toevertrouwd, en hij alleen is de herder der gansche kudde. De macht om te binden en te ontbinden, zonden te vergeven of die te houden, is hem te gelijk met de overige Apostelen geschonken.quot; {Ghristenthum and Kirche in der Ze it der Grundlegung. 1800 S. 33.) Die woorden heeft D. nooit herroepen, wijl zij zwart op wit te lezen staan in den Bijbel bij Mattheus 10 : 18, 19 : Joannes 21 : 15—17; Luc. 22 : 32. L)

Do H. Franciscus van Sales, hoog geprezen ook door protes-tantsche geleerden, zegt: ,,De leeraars (der kotters) trachten naar best vermogen zoo sluw de heldere bron van 't Evangelie troebel te maken, dat de H. Petrus er niet meer zijne sleutelen vinden

ocr page 235

115

De Protestant Marlieineke erkent in zijn S_ymbolik; „Christus vertrouwde aan Petrus uitdrukkelijk een hoogere macht dan aan de overigen en hef bestuur over de Kerk toe. Hij stelde hc,m aan tot zichtbaar opperhoofd van dezelve met al het daartoe behoorend gezag, met volmacht en ondergeschiktheid der overigen aan hem.''

De Protestant Karl von Hase, door Bolland zoo brutaal geplunderd, zegt: „Bene bevoorrechting van Petrus 1 igt iu de woorden des Heeren van de sleutelen des hemelrijks, van de steenrots eu den herdersstafquot; (S. 140) en zegt ook, dat bij Joannes 21 : 15—17 „een verheffing van Petrus niet te loochenen valt.quot; i)

De protestantsche professor Matter zegt: „Jezus Christus heeft enkel tot Petrus gezegd: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen. Deze woorden pleiten te gunstig voor den voorrang eu het goddelijk stadhouderschap, hetwelk de omstandigheden eu hunne eigene talenten aan de bisschoppen van Eome verleenden, dan dat men niet aan Petrus den eersten rang moet toekennen.quot; {Allgem. Gesch. d. christl. Kirche b. 1 c. 4.)

Calviju, aangehaald door 13. M. Constant in l/hiatoire et Vinfaillibité des Papes t 1, zegt: „Petrus was de voorkan, on stellen alle pogingen in hot werk, om ons geen smaak to doen vinden in het drinken van 't water dor heilige gehoorzaamheid aan don plaatsbekleeder onzos Hoeren verschuldigd. Maar wat hebben zij gedaan? Zij hebben gemeend to zeggen, dat de H. Petrus dio belofte onzos Hoeren ontving in naam der gehoelo Kerk, zonder eenig hijzonder voorrecht in zijn persoon, ontvangen te hebben. Welnu als dat geen schending is der Schrift, ..al nimmer iemand haar schenden.quot; {Gontrov. disc. 32.)

!) Zie ook Glaiilens-Uinheit als Grundlohre des Christenthums in Bezug auf Uitere und neuere Hdresien. Von einem protostantischon Laien Luzern 1839.

ocr page 236

116

naamste onder de Apostelen; dat ontken ik niet; ik erken zelfs dat hij, in aanmerking genomen de uitstekende gaven waarmede de Heer hem had verrijkt, een zeer groote macht bezat; vandaar ook, dat telkens als zij (de Apostelen) vergaderd waren, de vergadering hem eerbied, eer en onderdanigheid bewees.quot; {Traité de la réforme de VEglise.)

Dat wordt bevestigd door den Protestant Fabricins: „Het is zeker, dat de H. Petrus de eerste was der Apostelen, en dat God de orde wil.quot; [Résolut. sur treize prop. t. 1 edit. v. Jena; B. M. Constant blz. 111.)

De Protestant Cobbett belijdt volmondig: „De Katholieke Kerk is door Jezus Christus zeiven ontstaan. Hij stelde Petrus aan 't hoofd zijner Kerk. Lees 't Evangelie van Mattheus (16 : 18, 19) en dat van Joan. (21 : 15 etc.) gij zult zien, dat gij de waarheid der H. Schrift of moet loochenen of erkennen moet, dat Jezus Christus zelf een opperhoofd der Kerk voor alle toekomstige geslachten beloofd heeft.quot; {Hist, de la Rlt;f. prot. lettre 2 n0. 40.)

Die belofte is tot nu toe vervuld.

Ziedaar eenige protestantsche stemmen ten gunste van het primaatschap des H. Petrus.

Wij zullen in den loop van dit geschrift nog luide getuigenissen vernemen van groote geleerde en vrome mannen, die geleefd hebben vóór het Protestantisme.

ocr page 237

117

§ 23.

Komt in de Kerk vein Christus „macht of gezag, meer of minderquot; te pas?

„Aan de uitwendige Kerk is het Woord des Evangelies met zijne teek en en en zegelen toevertrouwd.... Het bestuur der Kerk berust naar de door den Heer zeiven aangelegde en door zijne Apostelen ingevoerde orde by Leeraars en Opzieners.... De eenheid der Kerk is haar ideaal.quot; Us. J. J. Van Toorenenbergen (De cJiristelyke geloofsleer blz. 149).

Ds. A. V. schrijft: „Er komt in de Christelijke Kerk geen macht of yezag, geen meer of minder te pas. De H. Geest maakt de menschen wat zij oorspronkelijk zijn: broeders en zusters, één .... Macht en gezag hehooren in de wereld te huis, niet in de Kerk van Christus,quot; (blz. 62).

Maar wij lezen bij W. a Brakel I blz. 034: „Geen koninkrijk, republiek, huis of maatschappij kan bestaan zonder orde, zoo ook niet de Kerk. God is een God van orde en wil, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.... Dewijl de Heer Jezus de waarachtige God is, zoo had Hij geen menschenhulp van nooden om zijne Kerk te zamen te vergaderen en te bestieren, maar gelijk de Heer alles gewoon door middelen regeert en bestiert tot betooning van zijne wijsheid en goedheid, zoo doet de Heer Jeztis ook alles door middel van menschen in zijne Kerk en heeft daartoe in de Kerk gesteld Herders, leeraars, ouderlingen, opziende r s enz.quot;

Ik vraag Herders, leeraars enz. mèt of zonder macht en gezag? Is hier meer of minder?

DE Patjs II. 8

ocr page 238

118

De Protestant Frieclricli von Grentz (t 1832) sclireef aan A. H. Muller von Eittersdorf (f 1829) die in 1805 Eoomscli Katholiek werd: „Men kan zich geen maatschappij zonder regel of wet voorstellen, niet zonder regel of wet uit willekeur geboren maar een hoogere wet, die enkel in den godsdienst gevonden wordt en wel in een godsdienst door een geregelde macht bestuurd. Br moet dus eeu Kerk bestaan en in die Kerk moet het eerste beginsel zijn de eenheid en de bestendigheid in het wezenlijke. Staat men toe, dat ieder voor zich zijn eigen wetgever is, dan moet dat ook gelden voor de Staten en dan lost elke maatschappij zich op en alles keert tot den staat der wilde natuur terug.quot; (Tiriefiveelhse l zwischen F. Grentz und A. H. Muller p. 275.)

Ds. J. J. Van Toorenenbergen schrijft: Het bestiiur d er Kerk berust naar de door den Heer zeiven aangelegde en door zijn Apostelen ingevoerde orde bij Leeraars en OpzienerK. Zij ontleenen hunne macht aan deze instelling en aan hunne roeping door den H. Geest, welke de gemeente te erkennen en door hare keuze te bevestigen heeft. Deze keuze aan de gemeente in haar geheel op te dragen, zal zonder miskenning van haren werkelijken toestand doorgaans onmogelijk zijn.quot; (Dc Christelijke geloofsleer hl/,. 150.) En wat zegt Dr. A. Kuyper in zijn Tractaat van de reformatie der kerken (1883 blz. 18)? Luister: „Hoe toch zou er eeu inrichting, instituut of vergadering denkbaar zijn, zonder dat er in haar sfeer macht bestondquot; (dus iets „meerquot;) „cm het gebod te geven en de püeht, om aan dat gebod gehoorzaam te zijn.quot; (Dus iets „minderquot;.) „Een inrichting welke ook, zonder oorspronkelijk of verleend of opgedragen gezag ware een muur zonder cement gelijk,

ocr page 239

119

een bintlaag' iu den muur gelegd zonder ankers.quot; 1) Wat zegt de Belijdenis des geloofs in artikel XXX? Luister: „Wij gelooven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere lieeft geleerd in zijn Woord; namelijk, dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen; dat er ook opzieners en diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de liaad der Jverke, en door dit middel de ware Religie te onderhouden en te doen, dat de ware leer haren loop hebhej dat ook de overtreders op geestelijlcc wijze gestraft worden en in den toom gehouden.quot; 2) Getuigt dat van eenig gezag, macht enz. of niet i*

1

!) „Toch is dczo ambtolijko waarneming van anderor taak slechts een uitvloeisel van de meer algemeene taak, die in het ambt aller geloovigon besloten is, t.w. do ylichi, om gestadig on rusteloos in zake van bel^'denis, kerkregiment en eeredienst de beslissingen en daden der andere ambtsdragers to oontroleeren. Nooit mag een geloovige zich bij iets neerleggen, omdat de dienaren der Kork het zóó uitwezen. Dat is Roomsch, niet gereformeerdquot;, (Dr. A. Kuyper blz. 68j en daarom zelcer verkeerd? Men leze nogmaals § 14 van mijn boek De Faus.

2

) In 't jaar 1546 werd te Geneve onder het bestuur van Calvijn afgekondigd: „Allo bewoners van een huis zijn verplicht en wel op straffe van drie sou's, ioderen Zondag de predikatie te hooren, behalve indien iemand to huis moot blijven om toezicht te houden. Is er preek op een dag in do week, dan moeten ook bij doze allen, die niet rechtmatig verhinderd zijn, daarbij tegenwoordig wezen; minstens moet om bovengenoemde straf te ontgaan uit elko familie oen lid tegenwoordig zijn. (Kampschulte: Johann Calvin. Seine Kirehe imd sein Staat in Genf 1869 I 449 enz.)

In 't jaar 188S heeft Ds. Schwalb in een voordracht verklaard, dat het geloof aan de goddelijke natuur des Heilanda de beden-kelijkste gevolgen voor 's mecschen karakter heeft. En Ds. Schsvalb is niet afgezet, opdat „de ivare leer haren loop hebbequot;? Zie J. Rohm: Der Froiestantismus unserer Tage S. 45.

ocr page 240

120

Artikel 33 van de Handelingen der Algem. Synode, gehouden 2 Maart 1836 te Amsterdam aan de Opzieners en Afgevaardigden der gemeente Jesn Christi besluit, dat „in elke Provincie een Commissie zou benoemd worden, samengesteld uit drie leden, welke al de stukken, in die Provincie zullende gedrukt worden, eerst zal onderzoeken en, zoo zij hare goedkeuring geeft, dezelve eerst nog zenden aan een Leeraar in een andere Provincie ; zullende een iegelijk gehouden zijn, na de bekendmaking dezer bepaling, zich hiernaar te gedragen, zullende hij bij wederstreving cenmrahel zijn.quot;

Ds. A. V. zegt: „Er komt in de Christelijke Kei-k geen macht of gezag, geen meer of minder te pas.quot;

Eu ik lees in Art. 159 van de Handel, der Synode der Christel. A fgescheidene Geref. Kerk in Nedtrland, gehouden te Leiden van 3—17 Juni 1857: Er wordt besloten: „dat men in de openbare godsdienstoefeningen geene andere dan de Statenbijbels mag gebruiken, overeenkomstig Art. 102 der Synode van 1846.quot;

Wat is dat: macht of gezag of geen van beide!'

En laten wij nog eens zien, wat volgens de Protestanten de sleutels van het hemelrijk beteekenen.

De Catechismus (Zondag XXXI) antwoordt op de vraag: wat beteekenen de Sleutels van het hemelrijk? „de verkondiging des heiligen Evangeliums en de Christelijke ban of uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den geloovigen open gedaan en den ongeloovigen toegesloten wordt.quot; Met of zonder gezag en macht?

En Joh. Van der Kemp legt dat op bk. 612 nader uit met deze woorden:

„Zekerlijk zijn het geene lichamelijke, maar naar den aard der Kerk hemelsche sleuteleu, eene kerkelijke en

ocr page 241

121

hemelsche macht om de Kerk te regeeren en die den boetvaardigen te openen en den onboetvaardigen te sluiten; gelijk men in bet bniselijke iemand bet luüs-bestier overgevende bem daartoe ook de sleutels van bet buis overgeeft, om de buisgenooten in te laten en al de verborgen scbatten te openen en de vreemden buiten en al bet goed gesloten te bouden. Dus wordt ook de macht om de burgerschap te regeeren door sleutels uitgedrukt.... Zoo zijn dan de sleutels van bet koninkrijk der bemelen de macht om dat koninkrijk, de Kerk, te regeeren. Deze macbt nu is of de boogste macbt, die van den Vader aan zijn Zoon alleen gegeven is öf de bem ondergestelde en de bedienende macht, welke zijn dienaars van bem ontvangen volgens betgeen de tekst (Mattb. 16:19) zegt.

„Als men in der koningen boven iemand den sleutel geeft, dat beteekent dat bem in zijn dienst macht en gezag gegeven wordtquot;, zegt de kantteekening van den Statenbijbel.

Lutber leert: „De sleutelen des bemelrijks zijn een stuk van bet predikambt, om de zonden te vergeven of te bebouden bier op de aarde, zoodat zij in den bemel vergeven of bebouden zijn.quot; (Lutber: Dc kleine Catechismus.)

Luisteren wij nog eens naar W. a Brakel (1 blz. 67o):

„Sleutelen beteekenen macht. Deze macbt is gebiedende, zoo beeft de Heer Jezus als de Heer over de Kerk macbt over dezelve .... of deze macbt is bedienende en wordt gebruikt op hevel en in naam van den Heer Jezus. In dezen laatsten zin beeft Christus aan zijne Kerk sleutelen gegeven, d. i. macht om in de Kerke in te laten en uit te sluiten .... maar bet is en blijft Christus' macbt, en zij (de opzieners) zijn maar dienaarsquot;, — dat spreekt vanzelf — „door welke

ocr page 242

122

Christus die maclit uitvoert. Deze macht bestaat in binden en ontbinden, in zonden te vergeven en te houden.quot;

„Er komt in de Christelijke Kerk geen macht of gezag te pasquot; 'Ds. A. V.).

Hoeveel sleutels zijn er dus? vraagt W. a Brakel (I blz. 677) en antwoordt: „De sleutelen des Hemelrijks zijn twee; het Woord en de. Christelijke ban.quot;

Veronderstelt „de Christelijke banquot; macht of yezag of geen van beide!'

W. a Brakel vraagt verder ([ blz. (577):

„Welk is de eerste sleutel'.'quot; en antwoordt:

„De eerste sleutel is de verkondiging des Woords. De Heer heeft aan zijne Kerk het Woord gegeven, en de dienaars, die het in zijn naam verkondigen met die authorisatie: Wie u hoort, hoort mij, en wie u verwerpt, verwerpt mij (Luc. 10: 16). Met deze macht verkondigen zij den geloovigen de vergeving der zonden en het eeuwig leven. Met dezelfde macht sluiten zij het koninkrijk der Hemelen voor de ongeloovigen en onbekeerden, zoolang als zij zoo blijven en niet bekeeren.quot;

De „dienaarsquot; hebben dus tegenover de „geloovigenquot; eenige macht.

W. a Brakel vraagt weer: „Welke is de tweede sleutel?quot; en zijn antwoord luidt: „De Christelijke ban. Deze sleutel heeft tot voorwerp niet Joden, Heidenen of iemand die buiten de Kerk is, maar ergerlijke ledematen van de Kerk, hetzij alleen gedoopte, hetzij die ook ten H. Avondmaal zijn toegelaten.... Het werk van den ban is uit de Gemeente uit te sluiten, niet meer te erkennen voor • een lid derzelve, af te houden van den tafel des Heeren.quot;

Met of zonder macht en gezag?

ocr page 243

123

En dat alles wordt met nadruk bevestigd door Be Reformatie, waarin ik lees (D III blz. 250 1888): „Uit 1 Cor. 14 : 40: Laat alU dingen eerlijk en met orde geschieden weten wij zeker, dat alles, wat in de Kerk van Christus gescliiedt, niet gescliieden mag naar dat ieders gevoel of meening goeddunkt, maar dat dit gevoel en die meening onder worpen moeten zijn aan zoodanig eene orde, welke zich over de gelieele gemeente uitstrekt... . Die orde is zoo noodzakelijk, dat zij de conscientiën der gemeenteleden aan dezelve bindt, en niemand vrijheid heeft, onder welk voorwendsel ook, van die orde af te wijken. Eene vergadering van inenschen, welke zonder orde te erkennen of zicdi daaraan te onderwerpen, nochtans zich den naam van gemeente Christi aanmatigt, staat in openlijken tegenstand tegen Hem, die gezegd heeft: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28 : 18), en die als de zoodanige niet alleen het hevel en de macht gaf' aan zijne discipelen om het Evangelie ie prediken aan alle creaturen, alle volkeren te onderwijzen, en de onderwezenen te doopen in den naam des Vaders, des Zoons en des IT. Geestes, maar ook die allen 'e leer en onderhouden alles, tv ai hij hun geboden had .... Hij, die niet liegen kan, heeft bij zijn bevel de belofte gevoegd: En ziet, ik hen met u alle de dagen tot de voleinding der wereld, en Hij heeft dit niet Amen bevestigd.

Uit het bovenstaande zal een iegelijk, die het leest wel begrijpen, dat wij de noodzakelijkheid, en de verbindende kracht i) der kerkordening in de gemeente van Christus op deze wereld vaststellen. Hij, die daarvan onafhankelijk wil blijven, mag den naam van een onder-

1) Ds. A. V.: „Br komt in do Christelijke Kerk geen macht of gezag, geen meer of minder te pas.quot;

ocr page 244

124

daan Jesu Cliristi niet dragen, maar behoort zonder aanzien des persoovs uit de gemeente geweerd te worden.quot;

Denk tri eens aan Wiclef, Hus, Luther ten opzichte van hunne gemeente, de Roomsch Katholieke Kerk.

En in het verslag van de Synode der Christel. Afgescheidene Geref. Kerk in Nederland (11-—18 Juli 1849) lees ik: „Geene Kerk, geen maatschappij, geen huis-geziii zelfs kan bestaan, zonder orde en zonder instellingen, waaraan zich de leden tot bevordering van eendracht moeten onderwerpen. In Gods Woord zijn niet alle dingen betreffende de huishoudelijke inrichting der Gemeente opgeteekend !); maar wel is daarin de bevordering- van orde en eensgezindheid geboden. Wanneer derhalve betreffende middelmatige dingenquot; (welke dingen zijn middelmatig, welke niet? Wie moet dat beslissen, en met of zonder gezag?) „door het Kerkbestiiur bepalingen worden gemaakt, maar sommigen verklaren over zulke bepalingen in hun geweten bezwaard te zijn, dan moest zeker wel het Kerkbestuur de bezwaren beoor-deelen, om die bepalingen, kon het overigens geschieden, op te heffen; maar geen Opziener mocht zich boven het Kerkbestuur, noch eeue mindere vergadering boven eene meerdere verheffen. Wanneer derhalve het bevoegde Kerkbestuur oordeelt, dat de overtreding in dergelijke gevallen tot nadeel der Kerk leidt, door twist en verdeeldheid te veroorzaken, dan moeien zij, die daaronder behooren, zich aan dit oordeel onderwerpen. Meende iemand, dat door zoodanige onderwerping zijn geweten bezwaard wordt.... dan stond het hem vrij te verkla-

!) Zeer waar. Karl von Hase schrijft: „Dio Kiiohe ist nicht durch Schriften gegründet worden, soudern durch das lebondige Wnrt.quot; {bl z. 77)

ocr page 245

125

ren, dat hij op zoodanige wijze de bediening niet kan uitoefenen.quot; Maar wie heeft dan zeker gelijk?

Green mindere Vergadering (synode) mag zich boven een meerdere verheffen. Hoe rijmt dat met: „De Heere heeft sinds het jaar 1835 door afscheiding van het Nederlandsch Hervormd Kerkbestuurquot; (het meerdere) „in dit land zijne Kerk weder geopenbaard?quot; (Verslag bin. 14.)

En hoe rijmt dat met „er komt in de Kerk van Christus geen meer of minder te pas?quot;

Ik lees in Ds. P. Hiiet „Over den Gezangen-strijdquot; (1872): „Door de Synoden van Dordrecht 1578 en van Middelburg 1581 werd het gebruik van Gezangen veroordeeld en door de Synode van 's-Gravenhage 1586 werd bepaald: De psalmen Davids alleen zidlen in de herken gezongen worden, terwijl weggelaten moeten worden Gezangen, die in de H. Schrift niet gevonden worden. Hetzelfde besluit werd genomen door de Dordsche Synode 1618. Dit gevoelen werd door de meeste Gereformeerde schrijvers omhelsd.... De godvruchtige A. Bra kei in zijne Redelijke Godsdienst zegt: „Gelijk zeer wel van de Nederlandsche Synode besloten is, geene andere dan Davids psalmen in de Kerk te gebruiken.quot;

Maar Ds. L. Schouten Hzn. schreef „meer dan één geschrift, als pleidooi voor 't zingen van gezangen in onze Hervormde Kerkquot; en zegt in zijn laatste brochure (1896): „Br. Bronsveld in toornquot; aangaande die Gezangen: „Dat mijn schrijven Gezangen-haters en hen die ze daarin stijven, van hun doen zal terugbrengen, geloof ik niet, tenzij ze het zondige van hun doen door Gods genade leeren inzien, en 't hoofd willen buigen voor hetgeen waar en recht is.quot;

Wie hebben gelijk: de Synoden van Dordrecht, van Middelburg, van 's-Gravenhage, de godvruchtige A. Bra-

ocr page 246

126

kei of Ds. L. Scliouten Hzn. ? Wie zal beslissen ?

„In de Christelijke Kerk komt geen maclit of gezag te pasquot; (Ds. A. V.).

En ik lees in De Reformatie (1839 D V blz. 340):

„De opzienersquot; (bisschoppen) „bobben een goddelijk recht, om de gemeente te hesturen' (met of zonder gezag!') „en dus zoowel in leer als in tucht en dienst te zorgen, dat de gemeente des Heeren wandele in het effen spoor van Gods getuigenis.quot;

Kan dat zonder „macht of gezag, meer of minder''''?

„De opzieners zijn gesteld, om de gemeente Gods te weiden, die Christus met zijn bloed gekocht heeft . . . . Hij, die zich dus tegen het opzienersambt en de uitoefening daarvan verzet, staat niet een mensch, maar staat God tegen en zal het oordeel dragen.quot; (De Reformatie 1839 D V blz. 341) i)

„Is hier „meer of minderquot;?

Ik lees in De Reformatie D III blz. 341, 346: „Zij alleen zijn leeraars, die bepaaldelijk tot dezen dienst en

!) Maar „alle opporheid en ontzag van de een boven do andere is van God in do Kerk verbodenquot; (W h, Brakel I blz. 641) en Ds. A. V. voegt er bij: ,,Tn do Christeliike Kerk komt geen macht of gezag geen meer of minder te pas!quot; En do Protestant Oosta schrijft in zijn Anhang m Locke's Ghris tianism e raisonnable 1715: „Of gij al doctoren, leeraars, predikers zijt, of gij al de grondtalen, het Arabisch, Grieksch, Hobroouwsch, Latiïn on Syrisch volkomen kont, of gij al Igvige boekdoelen over do gewichtige vragen der godgeleerdheid hebt uitgegeven, zijt gij toch niets andors dan menschon d. w. z. aan dvaling onderhevige schepselen, on hebt bijgevolg volstreht geen recht mij de noodzakelijkheid op te leggen, op uw woord te goloovon, dat dezo of ge.no waarheid in de H. Schrift vervat is, indion ik zelf zo niet zion kanquot;.. .. „Dat is Eoomsch, niet Gereformeerdquot; zou Dr. A. Kuyper zeggen.

ocr page 247

127

dit ambt van God zelven worden aangesteld. Wanneer dit aan iemand wedervaart, dan zal de H. Geest hem inwendig daartoe bekwamen, toerusten, aangorden en aanzetten. En dit niet alleen, maar dan ook zal God bem door de regeering der Kerk, ilie dtn Heerc vertegen-ivoorcligtquot;, (mèt of zonder gezag?) ,,als leeraar laten erkennen. Zoo lang' dit niet gescbied is, mag oo niemand zicb bet leeraarsambt aanmatigen.quot;

Zijn Wiclef, Hns, Lu tb er enz. door de regeering der Kerk, die den Heere vertegenwoordigt, als leeraars erkend ? Ook deze vraag is gewichtig, want De Reformatie zegt: „Leeraars moeten door de opzieners of regeering der Kerk aangesteld worden. Het is niet genoeg, wanneer iemand zegt, dat bij inwendig geroepen is, al is dit ook zijne stellige meening; zoolang hij niet door den raad der Kerle als leeraar erkend is, m a g hij ook dit amht niet uitoefenen.... Wij lezen, dat Paulus vermaant : Legt niemand haastig de handen op, noch heht geene gemeenschap aan andere zonden: heivaart u zeiven rein (1 Tim. 4: 22).

Hieruit kunnen wij opmaken, dat de aanstelling tot bet leeraarsambt of eenigen anderen dienst in de Kerk door de opzieners, welke door de oplegging der banden

!) Bn Ds. A. V. zogfc: „In do Ohristoliiko Kork komt geen macht of .... to pas!quot; Luther schrift: ,,Der Teufel beginnet

uns vorzuhalton: Wor hot cuch befohlen, das Evangelium zu predigon? Wor hat ouch dazu borufen, dass ihr's ebon auf dioso Weiso prodigt, als in violen Jahrhunderton sich' s kein Bischof noch Hoiligen jo untcrstanden hat? Wio wenn Gott koinen Ge-fallen daran batte, und ihr aller Seelon schuldig wilrot, so durch euch verführt sind?.... I's ist nicht eine geringe Sache, die ganze Religion und Lahre des Papstthums zu andern.quot; (Walch. Ausg. XXIT, 1087.)

ocr page 248

128

te kemieii wordt gegeven, volstrekt noodig is.quot; Is hier gezag, macht, meer of minder?. . . . „En zoo heilig is deze dienst, zoo zeker behoort daartoe de aanstelling, dat Gods Zoon, in het Vleesch verschenen zijnde, Hij de Heere van hemel en aarde, niet predikte, alvorens Hij de aanstelling had ontvangen.... Nadat Hij gedoopt was, daalde de Geest Gods gelijk eene duif neder op Hem, waarbij een stem nit den hemel kwam, zeggende: Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in welken ik mijn welbehagen heb. En vervolgens eerst staat er: Van toen af is Jezus begonnen te prediken (Luc. 2 :42—47; Matth. 3:13—17).quot;

En om al deze redenen schrijft Dr. A. Kuyper: „Al waren er legioenen predikanten saam, deze hebben los bijeengevoegd, buiten kerkelijk verband, noch eenige macht noch eenige de minste bevoegdheid, om een ordening te verleenen, die zich alleen uit het verband der kerken laten afleiden.''1 {Tractaat van de Reformatie de*' kerken blz. 81.)

Hadden de hervormers der 16''e eeuw, die elkaar verketterden en bijg-evolg „los bijeengevoegdquot; waren, „kerkelijk verbandquot;?

Zoo ja, waar en hoe was die band!'

Uit de aangehaalde getuigenissen van Protestanten blijkt nu, dunkt mij zonneklaar, dat in de Christelijke Kerk wel degelijk macht en gezag te pas komt.

Hooren wij nu aangaande de macht en het gezag der Roomsch Katholieke Kerk naar eenige getuigenissen van mannen, die niet Katholiek zijn.

Ferdinand Brunetière bij voorbeeld schrijft: „Het Katholicisme is een regeering en het Protestantisme is niets anders dan de regeeringloosheid. Dat bewijst zijn

ocr page 249

129

gescMedenis, die enkel de geschiedenis is van zijn tweedracht en verdeeldheden. Verbeeld u een leger, waarvan de soldaten de gehoorzaamheid zouden weigeren aan hunne officieren, omdat zij met hen van gevoelen verschillen omtrent een quaestie van tucht of dienst: ziedaar het heeld van het Protestantisme.quot;

Het kan niet anders, want zegt Ds. A. V. „in de Christelijke Kerk komt geen macht of gezag, geen meer of minder te pas.quot; (hlz. 62.)

De kracht der Katholieke Kerk bestaat in haar eigen organisatie, waaraan niets te veranderen valt, zegt de Nederlander in 1897 en redeneert dan als volgt:

„Dat wij Protestanten daartegenover zwak staan, is het gevolg van ons gebrek aan eenige dwingende macht ter bevordering van organisatie. Onze gedeeldheid spruit daaruit voort.

Maar die gedeeldheid harerzijds is weer een noodzakelijk gevolg van het protestantisme. Zij werd van den beginne af voorzien en is niet te weren. Juist omdat

O

men op geestelijk gebied geen hiërarchie wilde erkennen, is de breuk met Rome ontstaan; men moet nu niet weeklagen, wanneer men, met de groote nadeelen, ook de voordeelen mist die van zulk een hiërarchie het gevolg zijn.

Vruchteloos heeft men, in het begin der Hervorming, gepoogd de Kerkelijke belijdenis de plaats te doen innemen vau de hiërarchie. Ook aan den band eener Kerkelijke belijdenis wil de menschelijke geest in zijn geheel zich niet onderwerpen, en voor de wereldlijke overheid is eene belijdende Kerk iets onmogelijks. Zij kan er niets mee aanvangen. Een hiërarchische Kerk is ten minste iets tastbaars, ieder weet dan ook wie al dan niet „Koomschquot; is; maar eene belijdende Kerk is iets

ocr page 250

180

gelieel anders, en geen overheid kan niet verwijzing' naar voor elkeen tastbare kenmerken uitmaken, wie of wat b.v. gereformeerd is.quot;

Melanclitlion schrijft in een brief {Re-tp. an Bel.lboO): „Er is geen strijd over de superioriteit des Pausen en het gezag der bisschoppen, en zoowel de Paus als de bisschoppen mogen dat gezag zeer wel behouden, want de Kerk moet opzieners hebben om de orde te handhaven en acht te slaan op hen, die tot den dienst der Kerk beroepen zijn en op de leer der priesters en om de kerkelijke oordeelen uit te voeren (um die kirchlichen Urtlieilssprüche zu vollziehen); daarom, als er geene bisschoppen waren, zoo moest men hen maken. De monarchie des Pausen zou ook veel daartoe bijdragen om de eendracht in de leer onder de verschillende naties te behouden. Ten aanzien van de opperheerschappij des Pausen zou men aldus licht met elkaar overeenstemmen, als men het maar omtrent de overige punten eens was.quot;

Aan Theopulus schrijft hij: „Het aanzien van den Roomschen Paus en de geheele kerkelijke inrichting-eerbiedigen wij.quot; En aan den bisschop van Augsburg: „Ik wensch, dat gij aangaande mij en vele anderen overtuigd zijt, dat wij het gezag der bisschoppen ongeschonden behouden wenschen, wijl zij dat zeer Ite'dzaani voor de Kerk achten.quot; {Theoduls Gastmahl 5 Aufl. Prankf. am Main 1817 biz. 14, 15.)

„In de Christelijke Kerk komt geen macht of gezag, geen meer of minder te pasquot;, zegt Ds. A. V.

En hoe dachten de Apostelen?

Reeds in den tijd der Apostelen vinden wij de grondtrekken der hiërarchie, alles wat tot het wezen dei-kerkelijke inrichting behoort. Het spreekt vanzelf dat alstoen de Paus in Rome nog niet omgeven was van

ocr page 251

131

een college kardinalen; toen was er nog geen Kerk met 12 patriarcliale zetels, 174 aartsdiocesen, 711 diocesen, 121 apostolische vicariaten, 37 praefectnren en 250 mil-lioen Katholieken. De Kerk is het mostaardzaadje, klein in zijn eersten aanvang enz.

De Protestant (luizot schrijft in zijn Hist, de la Civilisation: „Het is ontegenzeglijk, dat de eerste stichters of liever de eerste werktuigen van de stichting des Christendoms, namelijk de Apostelen zich beschouwden als bekleed met eene bijzondere, van boven ontvangen zending, en het is ontegenzeglijk, dat zij op hunne beurt door de o^leyyiity der handen of onder eiken anderen vorm aan hunne leerlingen het recht overdroegen om te ouderwijzen en te prediken. De wijding is een oorspron-Icelijk feit in de Christelijke Kerk. Vandaar de priesterorde, een onderscheiden, blijvende geestelijkheid, bekleed met bijzondere bedieningen en rechten .... In de oude gedenkschriften (van de oorspronkelijke Kerk) ziet men een onderwijzend lichaam, tuchtregelen en overheden ontstaan: overheden genoemd, eenige presbyteri of uder-Unyeu, die priesters, andere episcopi of opzichtei s of bewakers, die bisschoppen geworden zijn, andere diakens belast met de zorg over de armen en het uitdeelen dei-aalmoezen .... Wanneer een zeker getal menschen zich vereenigd hebben in gemeenschappelijke geloofswaarheden, is er een bestuur noodig; want er is geen maatschappij, die acht dagen, wat zeg ik een stonde zonder bestuur kan bestaan. Op 't oogenblik zelf, dat een maatschappij tot stand komt en door 't feit alleen, dat zij tot stand komt, vraagt zij een bestuur dat de gemeenschappelijke waarheid, den band der maatschappij verkondigt. De noodzakelijkheid van een macht, een gouvernement voor de g'odsdienstig'e als voor elke andere

ocr page 252

132

maatscliappi) lig-t in 't feit zelf van't bestaan der maat- z

schappij opgesloten.quot; v

„In de Christelijke Kerk komt geen macht of gezag l te pasquot; zegt Ds. A. V.

En wat zien wij in de praktijk? ^ Ds. H. C. Schol te !) schreef in 1841: „Moeten er

feestdagen onderhouden worden ? De Dordsche vaderen van ]

1574 en 1578 zeggen, neen; de Dordsche vaderen van (

1619, zeggen, ja. Daar nu het eerste gevoelen gegrond is ]

in Gods Woord, zoo zien wij enz.quot; (Aanmerk, betreffende een geschrift: verslag van de Synode enz. 17 Nov.—3 Dec. 1840 .... door H. P. Scholte blz. 16.)

Volgens de Dordsche vaderen van 1574 en 1578 is het onderhouden van feestdagen niet, volgens de Dordsche vaderen van 1619 wèl gegrond in Gods Woord. Wie hebben gelijk, en hoe krijgen wij daaromtrent zekerheid ?

„In de Christelijke Xerk komt geen macht of gezag te pas .... Laat ieder vrij oordeelenquot;, zeg-t Ds. A. V. en JJe Nederlander (1897): „Geen overheid kan met verwijzing naar voor elkeen tastbare kenmerken uitmaken, wie of wat b.v. gereformeerd is.quot;

De groote Leibnitz legt in het eerste deel zijner brieven (Leipzig 1733 blz. 55) de volgende verklaring-af; „Daar God een God van orde is, en het lichaam eener eenige Katholieke en Apostolische Kerk, die door een algemeen hiërarchisch bestuur moet worden saamgehouden, van goddelijk recht is, zoo volgt daaruit, dat de hoogste magistraat, die zich in de wettelijke grenzen houdt, in dat lichaamquot; (dus in de Kerk) „eveneens van goddelijk recht is, met de macht en kracht van bestuur voor-

1) Aanmerk, betreffende een geschrift: verslag van de Synade enz. 17 Nov. — 3 Dec. 1840.... door H. P. Scholte. blz. 16.

ocr page 253

133

zien, ten einde alles wat noodzakelijk blijkt om zijn ambt voor het welzijn der Kerk te vervullen, in oefening te brengen.quot;

„In de Christelijke Kerk komt geen macht of gezag, geen meer of minder te pasquot;, zegt Ds. A. V.

„De verdeeldheid der Leerarenquot;, zegt de Amsterdamsche Kerkeraad aan üs. Van Velzen, „is dikwijls de oorzaak, dat wij nauwelijks weten, waaraan wij ons te honden hebben.quot;

Wat dan te doen, als men in gewichtige zaken verschilt en weten moet of iets gereformeerd is. Ik lees een antwoord in De Reformatie (1839 D. V blz. 252), dat vol tegenspraak is of, logisch doorgezet, de Befor-matie van de 1G'10 eeuw veroordeelt. Men oordeele: „Ik verbeeld mij sommigen te hooren zeggen: „ „Ik zou mij wel met ulieden vereenigen, maar eenige dingen, die bij u gevonden worden, verhinderen mij hierin; gijlieden hebt eenige bepalingen gemaakt, waaraan ik mij niet kan onderwerpen; mijn geweten gedoogt het niet: het zou mij tot zonde zijn.quot;quot; — „Zoo! dit doet mij leed om uwentwil. En weet gij, wat mij eigenlijk leed doet? Dit, ik moet uit uwe bezwaren opmaken, dat gij geene dienaars des Heeren in zijne Gemeente zijn kuntquot; — ,, „Zouden wij dan ons ambt moeten neerleggen;1quot;quot; — „Indien uwe bediening de scheuring dei-Kerk bevordert, ja! en indien gij zelfs uwe bediening niet zoudt willen afstaan om de welvaart der Kerk te bevorderen, och! dan zoudt gij haar niet waardig zijn; want gij zoudt eigenlijk u zeiven en niet den Heere dienen.quot; — „„Kan dan de Kerk niet dwalen? Kunnen wij geen gelijk hebben?quot;quot; — „Och, ja; maar het is eene andere vraag of zij dwaalt, en, of gij gelijk hebt? Wie zal dit heslissen? — De eenig voor ons geldende de Paus II. 9

ocr page 254

134

rog-ol moot zeker Gods Woord zijn; maar wie zal de uitspraak doen? Gij'.' of de Kerk'.' of' beide!' — Gij immers niet, gij zondt u toch niet op zulk eene hoogte willen plaatsen. — Beide dan! maar als beide niet overeenkomen, dan zon, tenzij dat de een rum den, ander zich onderwierp 1), scbenring ontstaan. Nu, gij wilt toch niet, dat de Kerk zich arm uw gevoelen, of dat de meerderheid zich aan de minderheid' ondenrerpe. Eu scheuring.... nooit, doordring er u toch van, nooit mag er scheuring zijn!quot; (Synode der Christel. Afgescheidene Geref. Kerk in Nederland gehouden te Amsterdam van 11—18 Juli 1849.)

Dus ook in de lO'1'' eeuw mocht er geen scheuring zijn. Had Luther zich derhalve moeten onderwerpen Neen';' Dan komt er scheuring.

„De Bijbel kent kerkelijke vergaderingen, welke men desnoods den naam van Classis of Synode geven kan. .... In die vergaderingen moet niet de meerderheid, maar Gods Woord beslissen, gelijk dit te Jeruzalem gebeurde; maar heeft Gods Woord ook beslist, dan mag geene minderheid zich tegen dat Woord verzetten. Al waren ook alle opzieners op eene vergadering van één gevoelen en één lidmaat der gemeente bracht Gods Woord in het midden, om daaruit het tegengestelde aan te toonen, dan zou de meerderheid zich moeten onderwerpen.quot;

Is dat ééne lidmaat met den Bijbel in de hand onfeilbaar.

Zoo schijnt ook Ds. H. P. Scholte gedacht te hebben,

!) Wie zich echter onderwerpt erkent macht of gezag, meer of minder, en dat komt in de Christeliike Kerk niet to pas, zegt Db. A. V.; dat is Roomsch, niet gereformeerd.

ocr page 255

135

toen lii) zeide: „Eenmaal hob ik voor het aanschijn dos Almachtigen in de Gemoonto van ganscher harte, j a gezegd op de vraag, of ik niet gevoel in mijn harte dat ik wettelijk van Gods Gemeente en mitsdien van God zeiven tot den heiligen dienst geroepen hen, en in dat gevoelen sta ik nog: ik kan dus ook alleen door Gods Woord gebonden worden, en moet derhalve uwe schorsing verworpen, en .... daar de Gemeente, waarover do Heilige Geest mij gesteld hooft tot een Herder en Leeraar, zich eenparig verklaard heeft, door de onderteekening met hunne hand, dat zij zich van 't tegenwoordig Kerkbestuur afscheiden, blijf ik als Herder en Leeraar in die post en op die plaats, waar de Heere mij gebracht heeft, en betuig nogmaals in don Name des Hoeren, dat mijne gemeenschap mot nlieden van nu voortaan ophoudt, totdat gijlieden met mij alles verwerpt wat tegen den onfeilbaren regel van Gods Woord strijdig is.quot; {Aan het Klassikaal Bestuur van Heus den 1334 p. 17.)

Do Handelingen van de Synode der Christel. Afgescheidene Geref. Kerk in Nederl'ind (8—22 Juni 1854 te Zwolle blz. 48 Artikelen van algemeene overeenstemming) geeft het volgende te lezen: „In alle korlgt;olijke zaken is de regoeriug en uitvoering aan hot kerkbestuur opgedragen. De leden der Kerk zijn aan de uitspraak van het kerkbestuur onderworpen.quot;

Heeft nu dat kerkbestuur geen gezag?

Gold dat ook, toon Luther optrad?

Heeft Ds. H. P. Scholte gelijk?

Ds. A. V. hoeft, zooals wij in § § 20 en 22 gezien hebben, van de Apostelen gezegd: „Hun gezag kon op niemand overgaanquot;. Dus is er gezag in do Kerk, of staan de Apostelen buiten de Kerk?

Vorder zeide hij: „Ik zou niet gaarne ontkennen, dat

ocr page 256

18(5

de Heer aan Petrus de geestelijke reehtspraalc iu de Kerk heeft geschonken. Alleen.... toch niet sleclits aan hem.quot;

Geestelijke rechtspraak zonder gezag?

„Er komt in de Christelijke Kerk macht of gezag, geen meer of minder te pasquot;, zegt Ds. A. V. (biz. G2). Maar mijn hemel! hoe rijmt dat met hetgeen hij op blz. 60 schreef: „Opdat ook door uiterlijke middelen de kennis der waarheid in de gemeente bewaard blijve, worden zij, die eenmaal als ouderlingen wenschen te arbeiden in het vinord en in de leer, in scholen opgeleid, aan wier hoofd zulhen staan, die als kenners en liefhebbers der christelijke waarheid erkend zijn.quot;

Legt nu dat „geen macht of gezag, geen meer of minderquot; naast het „aan wier hoofd zulke/n staanquot; en vraag dan aan iemand, die Nederlandsch verstaat, of het hem niet duizelt.

En wanneer ik op blz. 32 Ds. A. V. hoor zeggen; „Hoewel het zeer waar is, dat aan Petrus en zijne mede-apostelen macht is verleend tot de regeering der Kerk enz.quot; en op blz. C2 lees: „Er komt in de Christelijke Kerk geen macht of gezag, geen meer of minder te pasquot;, en „de Apostelen treden op niet onfeilbaar g e z a gquot;, dan duizelt het mij niet, maar dan zie ik bij mijne studie van het Protestantisme ook hier mijne overtuiging bevestigd: Het Protestantisme is vol tegenspraak en een tastbare logen, en dus niet van God.

Anarchie of persoonlijke onfeilbaarheid d. w. z. zoovele pausen als er leden zijn der protestantsche kerk!

In de R. Katholieke Kerk leeft en werkt het gezag. „Het Katholicisme is een regeering, het Protestantisme niets anders dan de regeeringloosheid.quot;

De Tijd van 16 November 1895 schreef terecht : „Voor

ocr page 257

137

den Katholiek, en voor hem alleen, is dergelijk gevaar uitgesloten. Hij weet waar hij die Kerk heeft te zoeken, waar hij moet luisteren, zoodra hij met afdoende zekerheid inlichting behoeft omtrent den regel, dien hij voor een godwelgevallig leven heeft te volgen. Met bewonderenswaardige kracht heeft de grijze kerkvader Ambrosius het uitgedrukt: „Uhi Petnis, ibi Ecclesia, — waar gij Petrus ziet, daar vindt gij de Kerk.quot; Geen gevaar van misvatting, van misleiding voor hem die dezen veiligen leiddraad volgt, welke hem van den thans zetelenden Paus doet opklimmen tot den man, dien Christus eenmaal tot opperherder maakte van Zijn Kerk. Wie van hein afwijkt, verloopt zich van de scheuring weldra in allerlei dwaling; wie aan hèm vasthoudt, heeft den rotssteen onder de voeten, hij staat onverwrikt bij eiken storm, dien de poorten der hel tegen de goddelijke heilsordening verwekken. Hij gelooft — niet aan eigen onfeilbaarheid, maar aan de onfeilbaarheid Gods, die in Zijn Stedehouder spreekt en in Hem spreken moet, wil Hij Zijn belofte gestand doen, voor den ganschen duur der tijden aan de zijnen gegeven.

Alleen in de Katholieke Kerk m. a. w. leeft en werkt het gezag. Het leeft er; — men heeft het niet met kunstmatige middelen ten leven op te wekken, om straks, wanneer het zijn diensten bewezen heeft, het weder den doodsslaap te laten ingaan. Neen, dat gezag leeft; d. w. z. altijd en voortdurend staat het, voor iedereen waarneembaar, geëerbiedigd, niet zelden ook door zijne tegenstanders, gevreesd en aangevochten altijd door hen die ten slotte niets anders dan de vernietiging der goddelijke en mcuschelijke orde op het oog hebben. Dat gezag werkt; — door alle eeuwen heen gaf het getuigenis van zijn roeping, van zijn kracht. Te Jeru-

ocr page 258

138

zalem, toen Petrus' woord de beslissing gaf waar men twijfelde aan de verplichting der mozaïsche wetgeving, te Chalcedon, toen naar het getuigenis der Vaderen „Petrus sprak door Leo's woordquot;, te Eome, waar op dien gedenkwaardigen Julidag van 1870 het geloof der eeuwen aan Petrus' primaat- en leeraarsambt werd bezegeld door de plechtige verklaring van het dogma der onfeilbaarheid des Pausen.

Dat gezag leeft en werld. Op wonderbare vaak, maar altijd op bewonderenswaardige wijze. In de hoedanigheden, die het eigen zijn, in de wijsheid, waarmede het zich vertoont, in de kalmte, waarmede het zijn beslissingen neemt, in de kracht, die het ontwikkelt, maar tevens ile liefderijke zachtheid, waarmede het elke zijner uitspraken tot een zegen doet zijn ook nog voor degenen die zwak bleven in het geloof, — in één woord, door het bovenmenschelijk karakter, dat zich erin uitspreekt, verdiende — en verwierf ook ten deele — dat srezatr

O O

den eerbied, de toejuiching van hen zelfs, die weigerden het als goddelijk gezag te erkennen. De Standaard-redactie, die wij veilig mogen achten vertrouwd te zijn met de hedendaagsche resultaten van een meer uitvoerig en meer onpartijdig onderzoek der — ook on-katholieke

— geschiedvorsching, zal ons dienaangaande niet logenstraffen. Overigens, do feiten uit onze dagen kunnen ons leeren op welke wijze dit gezag zich uitspreekt, en

— wij herhalen liet ■— met dankbare vreugde waren wij er getuigen van, hoe het anti-revolutionnaire blad bij zijn lezers de, al te veel helaas verspreide, meening bestrijdt als ware het roomsche Vaticaan een Sinaï, waar aanhoudend de banbliksems schitteren. Beu meer onbevangen blik op de gebeurtenissen leert integendeel, lt;lat daar niet dan met de grootste omzichtigheid, met

ocr page 259

1?9

de meest nauwgezette onpartijdigheid, na de uitvoerigste onderzoekingen, beslissingen worden genomen. En zeker zou liet te Rome niet gebeurd zijn, dat een man als de heer De Savornin Lohman geen andere vierschaar had gevonden dan voor hem gespannen werd door degenen die op Seinpott zijn beginselen en leeringeu meenden te moeten wantrouwen.

Dit spreekt trouwens vanzelf: het wettig gezag vindt zijn evenwicht en een waarborg tegen het te buiten gaan zijner bevoegdheid reeds in het vaste bewustzijn der roeping, die eraan werd gegeven, — de willekeur daarentegen kent geen vastheid, noch van oorsprong, noch van regel of maat, welke zij heeft in acht te nemen.quot;

En nu geef ik eenige bladzijden aan eiken geloovigen Protestant ter overpeinzing. Zij zijn geschreven door Prof. J. A. Alberdingk Thijm aan het adres van zijn vriend Jhr. Dr. E. A. Hartsen. „Ik ben geen theoloog. Dat behoef ik, ter beantwoording uwer aanmerkingen, ook niet te zijn. Een half jaar lang heb ik met den edelen Isaac da Costa over het Katholicisme gecorrespondeerd, en hij heeft mij beloofd uit de zwakte mijner bewijsvoering niets te zullen afleiden ter ongunste van de zaak, die ik voorstond. Ieder Protestant behoort natuurlijk een godgeleerde, een filosoof te zijn. Het nieuwere Protestantisme ontkent het gezag van het historisch midden, waarin men geboren wordt, ontkent het recht der traditie, * die men met de moedermelk inzuigt, ontkent het gezag van eenig leeraar, hoe ook genaamd. De geloovige Protestant zegt wel, dat hij den Leeraar bij uitnemendheid, „te weten: Christusquot;, hoort en volgt: maar bij een weinig nadenken blijkt, dat dit eeue zelfbegoocheling moet zijn: want Christus, zoo ver ik zie, openbaart zich niet persoonlijk, tast-

ocr page 260

140

baar, rechtstreeks overtuigend, aan al degenen die leering belioeven. Zijn er onder lien, die meenen eene onmiddellijke revelatie van Christus ontvangen te hebben, eene revelatie, geheel onafhankelijk van hetgeen zij uit anderer mond geleerd hebben, dan zal ieder toch wel erkennen, dat dit eene uitzondering- is, en zoo hier voorbeelden van zijn, de hoop op zulke openbaring niet volstaat om te getuigen: „Ik heb Christus-zelven tot eenigen leeraar.quot; Ook de Protestant, die geen godgeleerde zou zijn, heeft dus iemand noodig, die tot hem zegt: „Hier is de Christus; hoor naar Hem.quot; Al staat zulk een Protestant voor een groote boekenkast, waarin exemplaren gevonden worden van al de Boeken, die ooit tot den Bijbel gerekend zijn, — exemplaren van ieder verschillend assortiment dier Boeken, — exemplaren van de schriften, waarin de Christenen, onmiddellijk na de Hemelvaart, de leer der waarheid en ter zaligheid bevestigd hebben gevonden, — exemplaren van den Bijbel, gelijk die, hetzij door de Katholieke Kerk, hetzij door de Luthersche, hetzij door de Calvinistische belijdenis of door sommige individueele doctoren voor volledig en echt wordt erkend, — exemplaren van de Bijbelboeken in de talen, waarin zij het eerst geredigeerd zijn: dan heeft die Protestant toch iemand noodig, die hem zegt, gij moet niet dezen pergamentrol, of dat 4e boek, of gindsche gebrocheerde collectie voor den Bijbel houden, maar de ware Bijbel is dit dikke 8e deeltje, of gindsche stevige foliant. De man, die deze vingerwijzing doet, is niets anders dan een leeraar: want de beteekenis van de uitspraak: ziehier de (ware) Bijbel is niets anders dan: „dit is de Schrift, waarin God zich geopenbaard heeftquot;, en deze stelling is een dogma, en die een dogma verkondigt, en het aan

ocr page 261

141

anderen voorhoudt om te gelooven, is een leeraar. Nu verzekeren de Protestanten om liet zeerst, dat zij geen gezag van eenig leeraar aannemen. Zijn zij consequent, dan moeten zij derhalve, zoo velen als zij zijn: slagers en bakkers, bakkerinnen en bakkersdochters, bakers en minnen, kooplieden en koopvrouwen, lakeien en meiden, soldaten en zoetelaarsters, dansmeesters en ratelwachts, kantoorbedienden en winkeldochters, melkboeren en matrozen, geleerden en kunstenaars, renteniers en ambtenaren, allen, in één woord, die door de waarheid tot de zaligheid wenschen te komen, den leeraar, als zoodanig, afwijzen, en sporen uit hen omringende, uit al datgene wat voor onderzoek vatbaar is en misschien licht kan geven in het hoogste vraagstuk, de waarheid op. Ik zeg dus niet te veel, wanneer ik doe opmerken, dat ieder die zich Protestant noemt, dat wil zeggen, die protesteert tegen het leer end gezag, tegen de levende traditie, een godgeleerde, een filozoof moet wezen. Maar dat behoeven de Katholieken niet. Zij zouden er ook geen tijd voor vinden: de huisvaders zoomin als de huismoeders. Zelfs de ongehuwde kommiezen of kantoorbedienden zouden bezwaarlijk gelegenheid hebben, al ware 't alleen maar iit de verschilpunten tusschen het Concilie van Trente en de leer der Reformatoren van de XVItle eeuw, uitspraak te doen; daargelaten, dat de meeste Katholieken noch Chaldeeuwsch noch Grieksch verstaan, en dus, al zonderen zij de leerboeken van alle andere wereldgodsdiensten af, nog niet eens met succes zouden kunnen onderzoeken of de Statenbijbel dan wel die van Van Winghe de beste vertaling aanbiedt van de Boeken, die zoowel de orthodoxen onder de Hervormden als de Katholieken voor kanoniek houden.

ocr page 262

142

Ik herhaal: ik ben geen theoloog-, en ilt behoef het niet te zijn, omdat ik geboren en opgevoed ben in een dampkring doortrokken van den levensadem der Kerk, omdat er bij mij geene bezwaren gerezen zijn tot aanvaarding der traditiën, die mijn geest en hart van der jeugd af vervuld, gevoed en geleid hebben. Ik kan mij uiet losmaken van de overtuiging, dat er een leer end gezag, en nog wel een gezag, dat zich voor onfeilbaar houdt, moet zijn, en ik affirmeer, dat het eeuige leerende en zich als onfeilbaar vestigende kerkgezag, dat onder het bereik mijner waarneming valt, de Kerk van Rome is: dit Kerkgezag is het eenige, dat in historisch licht, op achtbaarheid aanspraak mag maken. Ik weet wel, dat de eerste vertegenwoordiger dezer sleutelmacht, de eerste herder der lammeren en schapen en een dergenen die, in eenheid van leer en streven, moesten „gaan'' en „onderwijzenquot;, zijn Heer en Meester, bij zekere hoog ernstige gelegenheid verloochend heeft, — ik weet wel, dat er Kerkvoogden geweest zijn, die hot overtollig bewijs hunner menschelijke zwakheid hebben geleverd: maar ik heb niet bevonden, dat dit ooit op den inhoud der Kerkleer den minsten invloed gehad heeft, en ik meen, dat die Kerkleer wel eene groote, heilige en geheimzinnige kracht moet hebben, wanneer zij zoo goed blijft en zoo weldoend werkt als ik zie dat zij doet, ofschoon hare verkondigers feilbare menschen zijn. Eu wanneer er zich nu punten voordoen, waaromtrent ik in het onzekere ben, — als ik niet weet wat Christus en zij dien Hij zijn Geest heeft toegezegd (en dus gezonden heeft) van zeker vraagstuk leeren, dan tob ik mij niet af (ik, arm hollandsch schrijvertje over een weinigje kunst en letteren), um dit godgeleerd vraagpunt in Bijbel, Vaders, en Kerkgeschiedenis na te speuren

ocr page 263

143

(wat eener peringe taalkennis biütendien vaak zeer slecht af zou gaan): maar ik klop te Rome aan bij de „Commissie ad hoequot; en ik vraag: „hoe zit dat?quot; ■— en ik vraag dat nooit vruchteloos. En Rome geeft mij zelfs meer dan ik vraag ....

Hoe ouder ik word, hoe meer ik rondzie en lees, hue meer, stuk voor stuk, al de artikelen van den Eoomschen Catechismus voor mij, aan licht en overredingskracht winnen. Welk vak of ik, nu of dan, ter nadere beoefening voor mij neem, overal vind ik op den bodem der Uioorne, die voor mij wordt uitgestort, eene nieuwe conclusie, die mij doet uitroepen: „Credo, credo in imam, mncfa/m, catholica/m et apostolicam Ecclesiam /quot; Dat heeft nog nooit gemist.

Daar volgt natuurlijk uit, dat ik mij op het innigst verbroederd voel met allen, die datzelfde geloof belijden, en dat er voor mij nooit quaestie kan zijn, of do H. Kerk zich, bijgeval ook op het een of ander punt vergist zou hebben. Als er één kraaltje van dat pater-nostersnoer afvalt, dan loopen al de anderen elkander na. Geen gezag of een onfeilbaar gezag; daartusschen ligt voor mijn verstand en voor miju hart geen middenweg.

Daarom behoef ik ook geen theoloog te zijn, die elke bijzondere stelling niet een wassenaar of driehoek van geharnaste en schitterende argumenten kan omgeven. Ik denk altijd nog dat, ook bij de grootst mogelijke maatschappelijke beschaving, welvaart en tijdwinst, de theologen uit den aard der zaak uitzonderingen zullen blijven, en ik vind het treurig te gelooven, dat alleen de theologen de waarheid kunnen hebben en derhalve zalig kunnen worden. Want dat er buiten de waarheid aan geen zaligheid valt te denken, spreekt

ocr page 264

144

vanzelf: voor hen, die geen oogen en geen gevoel-vermog'en hebben, schijnt er geen zon. Maar al ben ik dan maar een eenvoudige leek, en al zitten maar de beginselen van het Katholicisme mij in merg en been, en al maakt zijn praktijk mij maar doodeenvoudig gelukkig, — ik tracht toch zooveel mogelijk mij, wegens de aanvaarding aller katholieke geloofspunten, te verantwoorden.quot; (De bezwaren van Jhr. Dr. F. A. Hartsen tegen het Katholicisme beantwoord door J. A. Alber-dingk Thijm. C. L. Van Langenhuysen 1869.)

„Hevig is de strijdquot;, schrijft Dr. H. Poels, „die thans over het to he or not to he van den geopenbaarden godsdienst gevoerd wordt. Vele kruisridders, helaas, zijn reeds gevallen, en dagelijks groeit het getal der ongeloovigen aan. Tn het liamp der noy biddende Protestanten heerscht groote verwarring. In onze stad is de verwarring natuurlijk niet te vreezen, wijl Petrus in ons midden is.quot; {De Katholiek D. 113 blz. 233.)

§ 24.

Moet Petrus een opvolger hebben?

Moet er een Paus zijn?

„Wij kunnen niet ontkennen, dat al de oudste Vaders van lt;lo overlttiffinr/ uitgingen: in de Kerk is een opperste bisschopquot; (De Protestant Pfaff).

„De levensstralen van liet Woord dos levens komen Van Petrus' hoogen Stoel door God gevest tot lioinen.quot;

(Dr. Scliaepman: Aya Solia, 1'hofins.)

Avete il vecchio e il nuovo testamento K il Pastor della Cliiesa, che vi guida;

(fuosto vi basti a vostro salvamento. (Dante.i

Ds. A. V. vraagt (blz. 39): „Kunt gij u ook vinden in deze verklaring, die door het N. Testament verder

ocr page 265

145

zeer gesteund wordt, dat aan Petrus eene werkzaamheid is op de handen gelegd, vooral in de gevestigde gemeente!' Niet in de eerste plaats moest hij als zendeling uittrekken, maar als leider der gemeente onder reeds geloovenden blijven.quot;

Ik kan mij daarin zeer goed vinden.

En ook stem ik, zooals ik reeds zeide, van harte met hem in, als hij uitroept: „VVie zou willen ontkennen, dat de Apostelen een bisschops- een opzienersambt hebben bezeten!' Men zou den H. Geest zeiven tegenspreken.quot; (blz. 55.)

Maar nu een onnoozele vraag: Toen Petrus, „de leider der gevestigde gemeentequot; stierf, kwam er toen een andere leider in zijn plaats, ja of neen!

Neen!' Dan is de gevestigde gemeente zonder leider en dat strijdt tegen Art. 30, 31, 32 van de Belijdenis des geloofs.

De Apostelen kozen in de plaats van Judas een anderen Apostel; is het nn aan hen en aan hunne opvolgers verboden ook in de plaats van Petrus een opvolger te kiezen? Zoo neen, dan is Leo XIII de leider der gevestigde gemeente blijvend onder de reeds geloovenden.

Nog meer. De tekst: „Gaat henen in heel de ivereld en onderwijst alle volkeren en doopt lienquot; enz., wordt door de Protestanten terecht ook op de opvolg'ers der Apostelen, de predikanten en zendelingen toegepast, „waarom zou dan 't woord des Heeren: Ik zal u de sleutelen des Hemelrijks geven, welk woord zeker tot Petrus alleen werd gesproken, niet slaan op de opvolgers van Petrus ?quot; vraagt Dr. Arthur Hager, die Roomsch Katholiek is geworden.

Graf zu Stolberg, tot de Katholieke Kerk bekeerd, schrijft zeer juist aan 't adres van eenige Protestanten,

ocr page 266

146

die volmondig toegeven, dat Christus aan Petrus een primaatscliap heeft toegekend, maar tevens beweren dat zulk een voorrecht met den dood des Apostels eindigde: „Ik weet niet, welk begrip zij, die erkennen dat Christus aan Petrus den voorrang schonk, maar dien tot zijn persoon beperken, zich vormen van het doel, dat de Heiland zich voorstelde. Had dan soms de Kerk ten tijde der Apostelen, over wie de H. Geest zich zoo rijkelijk uitstortte, een middelpurU der eenheid, een zichtbaren leider noodig, die de over de geheele aarde verspreide Kerk zou kunnen missen?quot;

Prof. J. A. Alberdingk Thijm heeft een belijdenis afgelegd, die elk geloovig hart en hoofd, dat zich niet blind staart op vooroordeelen, bij eenig nadenken gaarne aanvaardt: „Ik kan mij.... van het fondament dat Christus is, van de rots, waarop Hij zijn Kerk gesticht heeft, niet losmaken; ik geloof, dat Hij de woorden des eeuwigen levens aan zijne Kerk beeft toebetrouwd, en al kwamen mij honderdmaal menigvuldiger en gewichtiger bezwaren voor dan ooit door eenig dolend leeraar tegen den Stoel van Petrus zijn opgeworpen, dan zou mijne diepe overtuigdheid, van het noodzakelijk bestaan eens on feilbaren gezags mij nog neerbuigen onder de zegenende hand van den Stedehouder van Christus.'quot;

De protestantsche schrijver der Antiquiteiten (S. P. 32, 88, 8-19) zegt openhartig: „Hoeveel eerbied ik ook jegens Luther, Melanchthon, enz. koester, zoo geloof ik toch in dezen eerbied niet te kort te schieten, wanneer ik het betreur, dat zij dat geestelijk gezag, geheel en al vergeten hebben. Ik ga niet te ver met te beweren, dat deze fout, ofschoon zonder hun opzet, de schadelijkste uitwerkselen op den godsdienst voortgebracht en tot den val des Christendoms in onze dagen veel heeft hijgedragen. Zonder

ocr page 267

147

hiërarchie en eigen gezag, zonder een soort van tncht en bestuur, kon geen gemeenschap, geen maatschappij bestaan, en wel allerminst de Kerk en de geestelijke stand. Welk voordeel h?eft niet op dit punt de katholieke godsdienst boven den onze! Zoolang wij niet een soort van protestanischen Fans of Patriarch, of in het algemeen, of in ieder rijk, en wel bekleed met de behoorlijke macht en gezag bekomen, zoolang knnnen wij niet hopen dat een ware christelijke godsdienst en kerkelijke tucht onder ons weder hersteld zullen worden.quot;

En daarom kon Hugo de Groot zeggen: „Als er geen primaatschap in de Kerk bestond, zouden de geloofsgeschillen en twisten geen einde nemen, zooals dat geschiedt in het Protestantisme.quot; (Via ad pacem Eccles. titul. 7 op. t 4, edit. Basil, p. 658) en dat heeft Calvijn ook beleden zeggende: „God plaatste den troon van zijn godsdienst in het middelpunt der wereld, schonk haar een opperhoofd, op wien allen het oog moesten vestigen om te beter in de eenheid te blijven.quot; [InstU. G § 11.)

Zonder pausdom is de ware door Christus gestichte Kerk een onding, zooals een levend, gezond, mensche-lijk lichaam zonder hoofd niet gedacht kan worden. „Elk levend geheelquot;, zegt Döllinger, „vordert een middelpunt, een punt van vereeniging, een opperhoofd, dat de deelen samenhoudt.... Een Kerk, die alle volkeren omspant en zich in de leer niet tegenspreekt, kan zonder den Paus niet zijn.quot; (Kirche und Kirchen. — Beilage sur Aitgs-hurger Postzeitnng 19 Mars 1897.)

Erederik Julius Stahl, geboren in 1802 uit een jood-sche familie, werd in 1819 Protestant en stierf iu 1861. ,.Hij was een onbaatzuchtige, edele verschijningquot;, zegt Dr. J. Bach, hoogleeraar aan de universiteit van München.

ocr page 268

148

„De strenge logica van liet kerkelijk begrip voerde den scherp denkenden rechtsgeleerde ver van de algemeen geldige opvatting der protestantsche godgeleerdheidquot; . . . . Hij schrijft: „Het zal mij niet als onverschilligheid jegens de belijdenis mijner Kerk uitgelegd worden, als ik mij gedeeltelijk van de in haar gebruikelijke leerwijze verwijder en er naar streef die Kerk weer te doen aannemen de aloude katholieke denkbeelden van het gezag der kerkelijke uitlegging der Schrift, van de overlevering, van de onafgehrokene sinds de Apostelen voortgezette wijding, vooral van de zichtbare als organische instelling werkzame Kerk . . . . Denkbeelden, zonder welke de christelijke Kerk onmogelijk bestaan kan.quot;

Hugo de Groot schreef in 1642, dus kort vóór zijn verscheiden, aan Jacobus Laurentius, predikant te Amsterdam : „Ik wil u een trouwen raad geven: lees in plaats van de Nederland»:he Geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenissen der oude Christenen, welke voorhanden zijn in hunne verdedigingsschriften. {Praest. Vir. Epist. blz. 815, aangehaald door Ds. Willem Te Water in zijn Tweede eeuw getijde van de geloofsbelijdenisse der gereformeerde kerken in Nederlant te Middelburg Pieter Gillissen 1762 blz. 251.)

Wie dat doet zal met den Protestant Pfaff (f 1760), een man van groote geleerdheid, instemmen: „Wij zouden niet kunnen loochenen, dat alle oudste Kerkvaders leerden: in de Kerk is een opperste bisschop.quot; (De orig. Jes. Eed. Art. 5.)

Waar is die opperste bisschop?

De vermaarde Protestant Pröreisen antwoordt: „Ik noem den Paus superiniendens generallissimus. Ik verdedig de stelselmatige noodzakelijkheid zoo van den Paus als van de Conciliën. Deze mijne gevoelens werden ten allen

ocr page 269

U9

tijde door de verstandige theologen onder de Lutlieranen goedgekeurdquot; i). En Newton, Lord-Bisscliop van Bristol, en Chillingwortli erkennen: „dat er toch ergens een on feilbaar rechter zijn. moet, en de Kerk van Rome de e enige ehrisUlijke maatschappij is, welke op deze waardigheid aanspraak maakt, en ook maken kan

De Protestant Cowell schrijft: „Om twisten en sr-lien-ringen te vermijden, is liet noodzakelijk, dat een hoofd hekleed is niet het hoogste gezag. Inderdaad de Twaalf Apostelen zouden nooit zoo één zijn geweest onder elkaar, ware niet één hunner als overheid hoven de anderen gesteld.quot; {Exam, doctrinae contra act. Innoc. 1564,)

Wa ar is het hoofd, dat noodzakelijk met het hoogste gezag bekleed moet zijn?

De vurige Protestant Heinrich Christoph von Senken-berg (f 1768) antwoordt: „Er mott een orde, een regeling in de christenheid zijn, zij moet een hoofd hebben om die orde in stand te houden. Niemand is daartoe meer geschikt dan de Stedehouder van Christus, die na eene ononderbroken voortzetting den II. Petrus vervangt. Deze is van alle tijden af gezind geweest de stem zijner schapen te hooren en hunne bezwaren uit den weg te ruimen.quot; (Meth. iurispr. add. 4 de lib. eed. germ. § 3.)

Daarom schreef Capito (een Lutheraan en toch een vriend van Bucer en andere Calvinisten) aan Parel: „Ik beken het grocte onrecht, dat wij der Kerk hebben aangedaan, doordien wij zonder overleg en zoo overijld het gezag van den Paus verworpen hebbenquot; [Epist. ad Far el inter Calvin, p. 5).

ij Uher das gemeinschaftliclie Theol. Studium Gotha 1783.

2) Dissertations of the profess. Gibbon: Decline and fall of the B. Umpire.

de Paus II, 10

ocr page 270

150

Den 6 October 1898 heeft een liberaal, Dr. Hübler, Über-Eegierungsratli en hoogleeraar aan de lioogescliool van Berlijn, in zijn college over het Kerkelijk Recht de volgende verklaring gegeven: „Het Pontificaat is een der meest grootsche verschijnselen ter wereld. Zonder het Pausdom zonden de middeleeuwen een bnit der barbaarschheid gebleven zijn. Nog heden zon, zonder het Pausdom, der volkeren vrijheid in het grootste gevaar verkeeren. Het Pausdom is het beste tegenwicht tegen het almachtige staatsgeweld. Als het niet bestond, moest het uitgevonden worden.quot;

„Do pauselijke oppermachtquot; — zegt de Protestant Macaulay — „vereenigde de volkeren van West-Europa in éene groote maatschappij; daaruit zijn gevoelens van meer uitgestrekte welwillendheid ontstaan. Volken, door zeeën en bergen gescheiden, erkennen een broederband en één algemeen wetboek. Zelfs in den oorlog werd de wreedheid des overwinnaars niet zelden gematigd dooide gedachte, dat hij en zijne verwonnen vijanden leden waren van ééne groote vereeniging.quot; [Hist, of Englcmd V.-p. 8: J. V. De Groot O. P. De Pausen 2 druk blz. 201.)

Paus Leo XITI zegt in zijn Encycliek Over de eenheid der Kerk: „Jezus Christus heeft in zijn Kerk een levend, wettig en bovendien voortdurend leeraarsambt ingesteld, dat Hij met zijn eigen gezag heeft bekleed.quot;

En „evenals de Kerk, om één te kunnen zijn, voor zooveel zij is de vereeniging aller geloovigen, de eenheid vordert des geloofs, heeft zij van Godswege do eenheid. van Bestuur noodig, welke voortbrengt en in zich bevat de eenheid, van gemeenschap.quot;

Prof. J. H. Gunning noemt die twee stellingen „heerlijke waarhedenquot;. Hij aarzelt zelfs niet te verklaren: „Eene waarheid, die de meeste Protestanten

ocr page 271

151

uit de Encycliek van Leo XIII niet znllen aannemen, maar die wij ons mot dankbaarheid liooren herinneren, is: dat de Kerk een zich tbaar middelpunt n o o d i g lieeft.quot;

Waar is dat zichtbaar middelpunt?

Te Rome en nergens anders.

Bij B. M. Constant L'histoire et Vinfaillibilité des Papes (t 1. p. 113) vind ik het volgende als een woord van Lutlier vóór zijn breuk met de Kerk g'escbreven. Het beet ontleend aan Resolution sur treize propositions (c. 1): „Wat mij er toe leidt te gelooven, dat Home's bisscbop boven de andere bisschoppen staat, is ten eerste de wil Gods, die in deze zaak zichtbaar is, want de bisschop van Rome zou nooit tot deze njonai'chie hebben kunnen komen, indien God hot niet gewild had. Welnu, de wil Gods, op welke wijze hij zich ook openbaart, moot geëerbiedigd worden, en derhalve mag men den Romeinschen Opperpriester niet weerstaan in zijn primaatschap. Deze reden is zoo afdoend, dat zelfs indien er geen tekst van de TI. Schrift bestond ten gunste van hem, noch een enkele andere reden, deze reden sterk genoeg zou zijn om hun weerstand te bieden, die hem bestoken.quot;

De Protestant Theremin zeo-t: „Het spreekt vanzelf, dat de evangelische Kerk als een zichtbare instelling op aarde ook hier op aarde een zichtbaar opperhoofd hebben moet, en dat, wijl de katholieke kerkregeering bij haar (namelijk bij de evangelische kerk) heeft opgehouden en door niets van dien aard vervangen kan worden, dat opperhoofd geen ander zijn kan dan de landsheer.quot; [Lehre vom götll. Reich.)

En welke daarvan de gevolgen kunnen zijn, leert ons b.v. Rusland.

In 1721 bracht Czaar Peter de Groote, terwijl het patriarchaat van Moskou werd afgeschaft, de Russische

ocr page 272

152

kerken onder een „geestelijk co] legequot;, de zoogenaamde permanente heilige Synode van Petersburg. In den synodalen eed wordt beleden: „Ik belijd onder eede, dat liet hoofd van dit college, is de vorst van geheel Rusland quot; Hiermee was de scbismatieke kerk voorgoed gekneveld, en ten hnidig'en dage knellen liaar de boeien niet

O O

minder dan ooit; beweert de Czaar geenszins bisschop te zijn, de zeer heilige Synode van Rusland is zijn werktuig. De Grieken hebben in 1833 de helleensche kerk gevestigd en zich van Konstautinopel losgemaakt, de Bulgaren in 1878. (J. V. De Groot O. P. De Pausen 2 druk blz. 187 noot.)

In De Maasbode 1896 las ik onder den titel: Een dispuut tiisschen twee onfeilbar en het volgende: „De Heraut verklaart, dat de aanstaande alge-meene vergadering te Leeuwarden van de vrije universiteit een pijnlijke teleurstelling brengt. Daar moet nl. uitspraak gedaan worden in de zaak-Lohman. Ben jaar geleden had men nog hoop, dat de zaak zon kunnen worden bijgelegd, de heer De Savornin Lohman heeft echter zoo kras mogelijk gezegd, dat hij zijn ontslag neemt als hoogleeraar, zoodat de kloof niet meer te dempen valt. De vergadering zal dus nu voor of tegen Lohman moeten optreden.

Eigenaardig zijn de beschouwingen, welke de Heraut, d. i. Dr. Kuyper, aan deze mededeeling vastknoopt. Hij schijnt te gevoelen, dat iedereen de vraag op de lippen komt: Hoe komt het, dat gij iemand tot hoogleeraar hebt benoemd, die zoo principieel met u verschilt? Op deze vraag althans is het volgende een antwoord:

,, „Een tijdlang werkt men saam met mannen, wier gaven men eert, en met wie men denkt ééns geestes te zijn.

ocr page 273

155

Vooraf met zekerheid te beslissen of dit zoo is, blijkt vaak onmoo-elijk.

Daartoe toeli zon liet noodig zijn, dat een ieder aanstonds met de volledige formuleering van zijn opvattingen en inzichten gereed was, en die uitsprak.

Dit echter is bijna nimmer het geval, en was het ook hier niet.

Bij een taak als hier ondernomen werd, kon het spoor, waarin men te wandelen had, zich eerst van lieverlede met genoegzame scherpte afteekenen; en juist dit maakte, dat men over en weder toenemende instemming verwachtte van den loop der tijden.

Dit duurt dan tot er eindelijk van links of rechts een scherper lijn getrokken wordt, die de lang schuilende divergentie opeens klaar in het oog doet springen, en dan merkt men met schrik, hoezeer men zich in elkanders bedoeling en opvatting had vergist.

Zoo is het steeds op alle geestelijk en kerkelijk gebied gegaan, en juist daardoor ontstond richting tegenover richting, Tcf.rk tegenover kerk, school tegenover school.

Op zichzelf zal ons dus ook hier niets ongewoons overkomen.

Maar hoezeer ons de historie op soortgelijken loop der dingen had kunnen voorbereiden, toch raken we er nooit aan gewend, en altoos weer wordt het hart pijnlijk aangedaan, als de kring weer inkrimpt en we broederen en vrienden, met wie we jarenlang hartelijk en in stil vertrouwen saamwerkten, van ons zien scheiden.

Het is de oude tragedie van Kapernaüm, zoo schreiend scherp uitloopend op Jezus' vraag aan zijn jongeren: IVilt gijlieden ooh niet henengaan?quot; quot;

Uit deze mededeelingen, die den lachlust zouden opwekken, waren zij niet zoo diep treurig, blijkt, dat,

ocr page 274

154

als men een lioog'leeraar aanstelt aan een Calvinistische universiteit, men maar afwachten moet, wat er van terecht komt. Is de man een Calvinist, zooals men zelf zich een Calvinist denkt, dan valt het mee, maar hij kan ook een Sociniaan wezen of een geestverwant van Arminius. Lohman had al veel gesproken en geschreven, toen hij in 1882 professor werd, en eerst nu leert men hem kennen, d. i. na 14 jaar.

Den schrik begrijpen wij, maar dat er menschen zijn, die niet inzien, dat zulke onzin regelrecht uit het Protestantisme voorkomt, is schier boven alle begrip verheven.

De tragedie van Capharnaüm redt Lier niets. Want het is heel iets anders, of de lieden heengaan van Christus, den onfeilbaren Grodmensch, of dat Lohman heengaat van Kuyper. Wat tor wereld toch heeft als Protestant Kuyper voor op Lohman i'

De Katholieken hebben slechts één onfeilbare, den Paus, maar de Protestanten achten zich zeiven allen onfeilbaar. Is nu evenwel Lohman onfeilbaar, hoe kan de onfeilbare Kuyper hem dan veroordeelen of laten veroordeelen ? quot;

ocr page 275

155

§ 25.

Wat is een Paus volgens de Katholieken?

„J'ai lonto ma vic cherclié a ètre dégagé «Ie. prójugós.quot; (Prosper Merimée lü dagen vóór zijn dood.)

„Forgery, I blush lor the honour of Protestantism while I write it, seems to have been peculiar to the reformed .... I look in vain for one of these accursed outrages of imposition amongst the disciples of Popery.quot;

De protestantsche geschiedschrijver Whitaker).

Dc Protestant Hnrd schrijft: ,,Dio Keformation wurde begonnen nnd fortgefiilirt, weil allgemein (!) der Grund-satz galt, der Biscliof von Rom sei der A ntichrist. ' (Fletcher's Corny. View p. 147.)

Volgens 1 )rs. Hellenbroek is de Paus „de Antichrist' , en de Reformatie zegt: „Wij rekenen den Paus te behooren tot dien mensch der zonde, tot dien zoon des ver derfn, die zich tegenstelt en verheft boven al dat God genaamd of geëerd wordtquot; (D. VI 1839 blz. o7), maar de Protestant Casaubonus, door Wigaud geprezen „einer der grössten Gelehrten seiner Zeit, ein guter Kritiker nnd üebersetzerquot;, zegt: „Niemand, ervaren in de kerkelijke geschiedenis, is het onbekend, dat de Eoomsche Opperpriester gedurende vele eeuwen het werMuig i* jeweest in de handen van God om de leer des ijeloofs le bewaren.quot; (Exercit. 15 in Annal. Bar.)

Do „zoon des verderfsquot;, de „Antichristquot;, heelt dus vele eeuwen lang de leer des geloofs bewaard'.1

L)s. A. V. kan op menige plaats van zijn brochure zijn spijt maar niet verbijten, dat men zulk een eerbied beeft voor den Paus. Hij laakte de verzen van 's lands

ocr page 276

156

grootsten dicliter Vondel, die aangaande Petrus' opvolger gezongen had:

......buig uw knieën,

En kus zijn voeten, wijd ontzien.

Ik zag laatst ia The illustrated London News, (in 't nummer geheel aan de nagedachtenis van Gladstone gewijd), een plaat, voorstellende Gladstone de hand kussende van koningin Victoria, en dacht onwillekeurig: wat zal Ds. A. V. van dien handkus wel denken, hij die maar niet verdragen kan, dat men den Paus de voeten kust.

In Gladstone funeral number van The Graphic (4 Juni 1898) ziet men deze treffende voorstelling: in West-miuster-hall staat het praalbed van den grooten Engel-schen staatsman, waarbij zes kaarsen branden, en eenige mannen in biddende houding knielen.

Wat dunkt den dominee van dat knielen bij een. lijk!'

Een bladzijde verder stelt ons den Lord-kanselier voor aan het hoofd van den plechtigen stoet der leden van het BToogerhuis, die het eerbiedwaardig overschot ter begrafenis geleiden. De Lord-kanselier draagt een mantel, waarvan de lange sleep door een kamerdienaar statig gedragen wordt.

Wat dunkt den dominee van zulk een sleepgewaad?

Het hindert hem zeer, dat de bisschop van Rome, Petrus' opvolger, wordt geëerd met den naam „Heilige Vaderquot;. Jezus heeft zijn Vader slechts eenmaal, en wel in de plechtigste ure, aldus aangesproken (Joan. 17 : 11), zegt hij. !)

1) Wat botoekont hot woord dominee of betor dominus? Niets anders dan ; do hear, ala eigenaar, gebieder on overdracbteiiik; opperheer, gebieder, ook machthebher over iets. Welnu, heeft God riet gojipgd : „Ih ben do Hoerquot;?

ocr page 277

157

Deukt Ds. A. V. misscliieu, dat „Heilige Vaderquot;, tot den Paus gericht, iu dezelfde beteekenis wordt genomen als het „Heilige Vaderquot;, wanneer de Zaligmaker zijn hemelsdien Vader aansprak?

Weet hij wat „lieiligquot; hier beteekent ?

Het Kirchenlexicon zal het eens verduidelijken. Heilig (iy-yisg ~ gewijd, toegewijd; Kpog = godgewijd, eerwaardig = sacer, sanctus) is volgens classiek spraakgebruik een persoon of zaak, die aan God gewijd is; in zedelijken zin heet een persoon heilig, die volgens zijne toewijding aan God leeft en handelt. Dit begrip van heiligheid bestaat bij alle volkeren en in alle godsdiensten. Lev. 21:6 spreekt van „heilnjequot; priesters, wijl zij voor den dienst van God bestemd zijn; Num. 8:17 noemt de eerstgeborenen heilig, wijl zij aan God toebehooren, de zevende dag der week wordt in Lev. 2:! : 3 heilig genoemd, wijl hij bijzonder tot de godsvereering dienen moest, het volk van Israël wordt heilig geheeten (Ex. 19:6; Deut. 7:6; 1-1:2; 26:18), wijl God het volk uitverkoor voor zich; Jeruzalem heet de heilige stad, wijl daar de Tempel, het middelpunt van den godsdienst was. Paulus noemt de Geloovigen in het algemeen heiligen (Rom. 1:7; Eph. 1 : 1) enz. enz.

Wat kan er nu tegen zijn, dat wij den opvolger van Petrus heilig noemen;' Wij bedoelen daarmede niet altijd, dat hij heilig is in handel en wandel.

Ds. A. V. kan evenmin als Prof. Beyschlag dulden, dat men den bisschop van Rome Vader noemt. Hij rechtvaardigt die duldeloosheid door een tekst van Matth. 2o : 9 en schrijft: „Zelfs heeft Jezus gezegd: En gjj zult niemand uw Vader noemen op de aarde, want één is uw Vader, namelijk die in de hemelen is.quot; (Ds. A. V. blz. 47.)

ocr page 278

158

Eenige vragen. Heeft Ds. A. V. als kind „Vaderquot; („Papaquot;) gezegd? Indien hij zelf geliuwd is en kinderen beeft, zeggen dezen dan „Vaderquot; („Papaquot;) tegen hem? ^ Zoo ja, dan wordt het hoog tijd die kinderen in hunne boosheid niet te stijven, want volgens Prof. Beyschlag en Ds. A. V. is zulk een benaming „in volle tegenspraak niet het woord des Heerenquot;.

Wat beteekent het woord Fans en welke macht sluit het in zich?

Paus (papa, Vader) heet nu uitsluitend de

bisschop van Rome.

Oorspronkelijk was de naam „Pausquot; niet alleen een algemeene naam voor de bisschoppen -), maar menigmaal, ten minste in de oostersche kerk, voor de gewone geestelijken. In de S'1'' eeuw begon men dien naam enkel te gebruiken voor don bisschop van Rome en sinds de 8ste eeuw noemden de bisschoppen van Eome zich zeiven Paus 2). Andere titels zijn Summus imitife.v, ■pontifex ma.cimus, vicarius Dei-, vicarins Ghristi, sumnnis sacerdos enz. In hoogen graad karakteristiek is het „Servus servorvm Dei, dienaar der dienaren Gods'quot;, dat de Pausen zei ven sinds Gregorius den Groote (590—(j04) boven hunne bullen enz. plaatsten.

Behalve zijne stelling als opperhoofd der Kerk is

1

ï) Do H Bornardinus van Siëca (f 1444) door do Protcstantou zoo hoog goprezon, noemdo in zijn protk de honore parentum don Paus zolfs een heminnelijken Vader „Papa, qui dicitur amabilis pator.quot;

2

) Ondor de rogeoring van Gregorius VII (1037—1085) kroog do naam Papa (Paus) do vollo en uitsluitende boteekonis, die hij bohoudon hoofc. (Dr. F. X. Funk, prof. dor godgeleerdheid aan do hoogeschool to Tübingen: Lehrb. der Kirchengesch. 2 Autl. 1890.)

ocr page 279

159

iedere Paus tevens bisschop van de stad Rome en hare omgeving in den omkreits van 40 mijlen, verder is liij aartsbisschop der Homelnsche kerkelijke provincie, zoowel als primaat van Italië en der bijliggende eilanden en eindelijk de Patriarch van 't Westen.

De rechten, die hij als Paus bezit, pleegt men samen te vatten in 't woord „primaatschapquot; en nader aan te duiden als primatus honoris (= eere-primaatschap) en primatus iurisclictionis (= volmacht-primaatschap). Door het volmacht-primaatschap wordt beteekend: de eigenlijke macht van bestuur van Christus' Stedehouder over de geheele Kerk; het eere-primaatschap drukt zekere hem op grond van deze macht toekomende rechten uit.

De katholieke geloofsleer aangaande het primaatschap van den Paus is op het Vaticaansche Concilie door de Constitutie Pastor aeternus c. 3 uitgesproken. Nadat het de bepaling van het Algemeen Concilie van Florence (1439) herhaald en bekrachtigd had, verklaart het Algemeen Concilie verder: „Wij leeren en belijden daarom, dat krachtens de schikking des Heeren de Kerk van Rome over alle overige het primaatschap der gewone macht bezit, en dat deze waarlijk bisschoppelijke macht van mrisdictie des Koomschen Pausen eene onmiddellijke macht is, tegenover welke macht de herders en geloo-vigen van eiken ritus eu rang, zoowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk, verplicht zijn tot kerkelijke oudergeschiktheid en gehoorzaamheid niet enkel in zaken, die betrekking hebben op geloof en zeden, maar ook in die, welke de tucht eu het bestuur der over de gansche aarde verbreide Kerk betreften, zoodat door het bewaren der eenheid zoowel van gemeenschap als van dezelfde geloofsbelijdenis de Kerk van Christus met den Koomschen Paus één kudde ouder een Oppersten Herder is.quot;

ocr page 280

1(30

De Paus bezit de volheid der bisschoppelijke macht over de geheele Kerk; hij is de opperherder der kudde van Christus, maar met de eeniye herder. Ook de overig-e bisschoppen zijn ware herders van dat gedeelte van Christus' kudde, dat hem door den opperherder wordt toegewezen. Ook de bisschoppelijke waardigheid is een goddelijke instelling, want volgens den Apostel (Hand. 20 : 28) is de bisschop door den H. Geest aangesteld de Kerk G:ods te besturen. De bisschop is niet de plaafa-vervancjer van den Paus; hij bestuurt en weidt de hem toevertrouwde kudde in zijn eigen naam en. uit kracht der volmacht, die goddelijk is in haar oorsprong eu verplichting, en voortduurt, ook als de Paus overleden is.

in de volheid der macht, die den Paus wordt toegeschreven, zijn begrepen: 1. de hoogste wetgevende macht. Alleen de Paus kan voor de ijeheelc, Kerk algemeen verplichtende wetten geven en bepalingen van het ius commune veranderen in zoover die veranderinsr niet met het goddelijk recht, het ius divinum, in tegenspraak komt.

2. Verwant met de hoogste, wetgevende macht is het hoogste leeraarsambt van den Paus, dat feitelijk met het charisma der onfeilbaarheid in plechtige uitspraken over geloof en zeden verbonden is.

3. De Paus is verder de hoogste rechter der g e 1 o o v i g e n. Eu ieder rechtspunt, waarvan de beslissing bij het kerkelijk gerecht behoort, blijft derhalve een beroep op den Paus mogelijk. Van den anderen kant echter mogen de beslissingen van den H. Stoel, die hoogste rechtbank, door niemand herzien worden noch mag men daartegen bij een ander gerechtshof in beroep komen. „Daarom dwalen zij van het pad dei-waarheid, die beweren, dat men na de beslissingen der

ocr page 281

101

Roomsclie Pausen zich op een algemeen Concilie als op een boven den Pans staand gezag beroepen mag.

4. Eindelijk lieeft de Pans het hoogste k e rk e-lijke bestnnr alsook het opzicht en de leiding der ondergeschikte organen der kerkelijke inrichting (hiërarchie).

De panselijke macht is echter, zooals nit 1. blijkt, niet grenzenloos.

„Gewissquot;, zegt A. Bellesheini [Archiv fiir kathol sclies Kirchenrecht 189G) „reicht die geistliche Macht des Pap-stes weit, aber ebenso nnzweifelhaft ist, dass dieselbe in der gottgewollten Verfassung der Kirche, wie in dem natnrlichen und positiven göttlichen Recht ilire uniiber-steiglichen Schranken besit/.t. Znr Verfassung der Kirche gehort anch der Episcopat, dessen Stellnng von niemand sorgfaltiger geschntzt wurde als von den Papsten.quot; (Encycl. van Leo XIII 2!) Juni 1896 Over de eenheid der Kerk.)

Kardinaal Bellariiiinus schrijft: „Zooals het aan een ieder geoorloofd is den Paus, die hem persoonlijk aanvalt, te wederstaan, zoo is het ook geoorloofd hem te wederstaan, wanneer bij de zielen aanvalt .... Het is geoorloofd, zeg ik, liem te wederstaan en wel daardoor, dat men hem niet gehoorzaamt en de volbrenging van zijn wil verhindert. Maar het is niet geoorloofd den Paus te oordeelen, te straffen of af te zetten; want dat komt een hoogere toe.quot; De schrijver van Briefe aus Hamburg (Berlin 1883) voegt er bij: „Indien iemand zulk een waarborg (tegen machtsmisbruik) niet voldoet, hij moet ten slotte elk menschelijk gezag overboord werpenquot; (S. G4).

De Standaard schrijft: „Wanneer in een roomsche, niet kerkelijke vereeniging geschil van gevoelen over

ocr page 282

102

de uitlegging van een artikel der statuten ware gerezen, zou de Paus geen beslissing fine suo geven; alleen zoo die liom gevraagd werd; en dan nog is liet de vraag, of die beslissing bindend zou zijn, zelfs voor een Eoomsclie.quot;

De Tijd van 13 Nov. 1895 stipt bij deze woorden aan: „In 't voorbijgaan gezegd-—wat het anti-revoluti-onnaire blad hier in 't midden brengt, kan, mogelijk, bij sommigen de vrees matigen, die hun van jongs af tegen de pauselijke dwingelandij werd ingeprent! Voor den 7fro?ueA-schrijver in De Sfemmen voor Waarheid en Vrede b.v. moet deze alinea een pak van 't hart zijn. Ten minste, indien hij — waar we niet voor zouden durven instaan — in de eollegaas van De Standaard geen „geheime trawanten van Homequot; ziet, die het protestantsche Nederland verraderlijk in slaap willen sussen!quot;

Op de vraag: Kan eon Paus zijne waardigheid verliezen? luidt het antwoord:

„Een Paus, die zonder redelijken twijfel wettig gekozen is, kan zijne waardigheid niet verliezen dan door

1. vrij willigen afstand, zooals Paus Coelestinus V (f 1296),

2. door blijkbare ketterij, waardoor hij ophoudt lid der Kerk te zijn. Ofschoon het volstrekt genomen mogei ijk is, dat de Paus als afzonderlijk persoon tot openbare en blijkbare ketterij vervalt, ontkennen toch vele godgeleerden, dat dit ooit door de goddelijke Voorzienigheid zal toegelaten worden. 3. Door verstandsverbijstering.

ocr page 283

163

§ 26.

Wie is de eerste Paus volgens de Protestanten?

„Jezus zeide tot hemquot; (namelijk tot Petnis): „Weid mijne schapenquot; (Joan. 21 : 17).

Ds. A. V. begrijpt niet met welk reelit ik den naam van Pans geef'aan Clemens (91—100'') Victor (189—198), Zepliyrinus (201—218), Steplianns (253—257), Julius 1 (337—352), Liberins (352—-366), Siricins (385—-398), Imiocentius 1 (102—417), Zosiums (417—418) en/,.

Met welk reelit? Daarop zullen die Pausen zolven antwoorden ter gelegener plaats.

„In hunne dagen was de titel paus volstrekt niet in gebruikquot;, /.egt Ds. A. V. (blz. 85.)

Wil de scbrijver aldus redeneeren: Eerst na Zosimus, werd de bisschop van Pome Paus genoemd, en dus vóór Zosimus was er geen Paus?

Het schijnt zoo, want in één adem laat hij volgen: „Noemt gij de bestuurders van Frankrijk vóór Napoleon ook keizers, omdat de revolutie in het keizerschap overging?quot;

De naam, de titel doet hier niets ter zake; de eenige vraag luidt: Wie was in werkelijkheid de eerste Paus!' Wie heeft liet eerst de pauselijke waardigheid en macht, het primaatschap, het oppergezag over de geheele Kerk bezeten ?

Ons antwoord luidt beslist: Petrus, Christus' leerling.

Wie was de eerste Paus volgens de Protestanten ?

Luther antwoordt: Sabinianus (604—606), de opvolger van Gregorins den Groote: „Denn das ist gewiss, wie gesagt, dass zu St. Gregors Zeiten kein Pabst ist gewest, und er selbst auch sammt seinen

ocr page 284

164

Vorfaliren kein Pabst liat wollen sein .... Aber nacli seinem Tode ward Sabinianus Biscbof l1/., Jabr, den r e c b n e i c li u n t e r die P il b s t e ; denn er wol .so ein groszer Uv flat war, als ein Föhnt int.... Nacli demselben ward Bonifaz 111 (f 007) erwiiblt. Da gieng- der Zorn (lottes an. Dieser Bonifaz erlanget bei dein Kaiser-mörder Pbotas, dass er solle sein Pabst oder den Oberst über alle Biseböfe in der ganzen Welt.quot; (Lutliers Werke: „Wider das Papstthnm zn livm vom Ttufel gestiftet.quot; Erl. 26, 138 f.)

Volgens ceni.ye Protestanten beeft bet primaatschap zijn ontstaan te danken aan de plechtige verklaring van keizer Pliocas, dat de bisschop van Rome de alge-meene bisschop en de Kerk van Rome het hoofd aller kerken was. !)

Het primaatschap zon dan ontstaan zijn tusschen de jaren 602 en 010. Dns in de 7ac eeuw

Het bestaat dus reeds 12 eeuwen.

Dat is een vergissing, zeggen andere Protestanten. Het is ontstaan in 535, toen keizer Jnstinianus in zijne Novellen schreef: „Wij verklaren, overeenkomstig de leer der concilies, dat de Paus van Rome de eerste aller bisschoppen is.quot;

Dus in de 6'le eeuw!' Het bestaat bijgevolg al dertienhonderd jaar.

Een vergissing, herhalen weer anderen; het is ontstaan in 445, toen keizer Valentianus aan zijn mederegent, keizer Theodosius schreef: „Wij zijn verplicht de eer en de waardigheid des H. Petrus met ijver te

!) Püocas yms eon gekroond monster, maar zyno verklaring is geen lof- maar con rechtspraak. Hij getuigde enkel, dat het primaatschap bestond. Dat kan ook een misdadiger doen.

ocr page 285

165

verdedigen en zorg te dragen, dat de bisschop van Rome, die altijd het primaatschap des priesterdoms bezeten heeft, door niets belemmerd worde, vrij over liet geloof en de bisschoppen te oordeelen.quot;

Dus in de 5rtf' eeuw? Het leeft derhalve reeds veertienhonderd jaren.

Wederom een vergissing, want beide genoemde keizers vaardigden een verordening uit, waarin zij uitdrukkelijk zeiden : „Daar het primaatschap des Apostolischen Stoels, door de verdienste des H. Petnis, het hoofd der bisschoppen, door de waardigheid van de stad Home, alsook door het gezag der H. Kerkvergadering (van Nicea 325) bevestigd isquot;, {bevestigd; dus het primaatschap bestond reeds vóór 325), „hebbe niemand de vermetelheid iets buiten het gezag van dien Stoel te ondernemen.quot;

Het bestaat bijgevolg reeds meer dan 15 eeuwen.

Neen, zegt de Protestant Lightfoot, de eerste Paus is geweest Victor (f 201 of 202).

De Paus bestaat derhalve reeds 1700 jaar.

Neen langer. De Protestant Dr. Capadose schreef aan Pius IX: „Al uwe voorgangers.... hebben zich denzelfden titel (van Stedehouder van Christus) toege-eigeud.quot; {Antwoord aan Pius IX 186!) blz. ü.)

De Paus bestaat dus reeds meer dan achttien eeuwen van Petrus af, — en dat is waar.

11

de Paus it.

ocr page 286

1GG

Iets over de pauselijke onfeiltaaariieid en over Galilei.

.,T)io papstliclio Unfchlbarkoit und andfiro römiscli-katliolische Dogmen sind der Vornmift allonlings unfasslicli (li); abor sind nicht manche protos-tantische Dogmen dies anch?quot; ....

Ja, wonn man hinzunimmt, dass zu der Schlüs-selgewalt des Himmelreiches anch noch die Macht des Rindens nnd Lösens kommt, welche wir als das Recht der Gesetzgebnng im Reiche (Jottes, der Entscheidnng üher das in der Kirche Znlassige und Unzulfissige erklart haben, so scheint es, als batten wir hier als woblbenr-kundete Stiftnng Christi nicht bloss das Papst-tbnm, sondern sogar das nnfehlbare Papst-tbnm, gegriindet anf bessern Schriftbeweis, als ihn das vatikanische Konzil anf zn treiben gewnsst bat, denn, wessen Binden nnd Lösen jedesmal im Himmel richtig bei'unden wird, der ist doch gewiss mifélilhar zu nennen.quot; (Prof. Beyschlag, hoofd van den Evangelischcn Bond. Christ oder Aulichrisl S. no. 23; Xeuleal. Theologie I P. c. 7.)

Dr. A. W. Bronsveld lieef't op liet 2''(! Kerkelijk Congres te Amsterdam (1 en 2 Juni 1898) een bekentenis afgelegd, die vooral den beroemden Veritas van Het Nederlandsche Dagblad een blos kan aanjagen: „Wat weten mi de meeste lidmaten der Kerkquot; (welke Kerk!') „van de dwaalleer van Rome? Wat mij betreft: ik moet bekennen, dat betgeen ik van den r o o m s c h e n godsdienst w eet, ui ij eerst in lat eren leeftijd is aangewaaid! !) . .. . En onze jongelieden, zelfs uit den beschaafden stand'.' Ze weten van Boeddhisme en Brabmisme. Maar vraag buu b.v.

!) De ondorstreping is van mij.

ocr page 287

1G7

wat de onfeilbaarlieid van den Paus is, zij zullen u antwoorden, dat de Paus niet kan zondigen .... Welnu, ook dat moet anders worden.quot; O, ja!

Om den wenscli van den Doctor eenigszins te gemoet te komen, wil ik wederom wat liclit laten vallen ook op de vraag der pauselijke onfeilbaarheid. Geen moed verloren, denk ik maar. Ds. A. V. sclireef aangaande mijn boekje Het huis op de Steenrots aan mijn adres: „Door uw betoog, dat op bet eerste vernemen een sebijn van waarbeid beeft, bebt ge misscbien een enkele van bet zonliebt des Evangelies afgeleid, of zult hem afleiden tot bet matte kunstlicht van den Pharos, die te Rome is opgerichtquot;. Ik weet niet of iemand door Het huis op de Steenrots werkelijk is afgeleid, maar ik ben zoo gelukkig den dominee te kunnen berichten, dat door liet Eerste gedeelte van mijn boekje De Paus met Gods hulp, bij mijn weten vier Protestanten tot de aloude Moederkerk zijn teruggebracht.

Ik dank daarvoor mijn dierbaren Heiland.

En nu nog een woordje vooraf.

De pauselijke onfeilbaarheid is in de algemeeue Kerk erkend tot de groote scheuring van 't Westen in 1378. Deze scheuring, waaronder drie mededingers elkander de pauselijke oppermacht met wederzijdsche banbliksems betwistten, verzwakte den eerbied aan het Pausdom verschuldigd en bet geloof aan de onfeilbaarheid. De pragmatieke sanctie van Bourges, de besluiten van het Concilie van Constans (besluiten zonder dogmatische waarde), waardoor afgekondigd werd, dat een algemeen concilie boven den Paus stond, het vierde artikel van de Declaratie van 1(382 vooral, waardoor verklaard werd, dat de beslissingen van de Pausen enkel door de instemming der Kerk onveranderlijk zijn en onomstootelijk

ocr page 288

1G8

vaststaan, deden de ineoning van een zeker getal TTranselie bissclioppen en parlementaire reclitsgeleerden ingang vinden, welke meening bekend staat onder den naam van Gallicanisrne. Dat Gallieanisme is, wat Let pauselijk primaatscLap betreft, in liet beruchte artikel der Declaratie van 1 ()S2, aldus vervat: „Quoique le Pape ait la [)rincipale part dans les questions de la foi, et que ses decrets regardent toutes les Églises et eliacune en particulier, son jugement n'est pas irréformable, a moins que le consentement expres ou tacite de 1'Eglise n'inter-vienne.quot;

Volgens liet Gallieanisme is liet bijgevolg niet de Paus, die zijne broeders versterkt en bevestigt in de waarheid zooals Christus aan Petrus zeide, maar het zijn de onderdanen van den Paus, die door hunne instemming beletten, dat hij dwaalt. Het Gallieanisme is juist het tegendeel van de instelling van 't Pausdom door Jezus Christus. (Zie E. P. Chabin S. J.; La sr/iencr. lt;le ht lieligion Paris Poussielgue 1898.)

Sabatier, deken van de faculteit der protestantsche godgeleerdheid te Parijs, een man die in de Revue ehrétienne van 1 Nov. 189G de school zonder God van Jules Perry uitbundig geprezen heeft, kan natuurlijk het denkbeeld van een on feilbaren Paus niet verdragen. Zijn oratorische uitval omvat alle bedenkingen, die tegen dat katholiek leerstuk gemaakt kunnen worden; daarom laat ik hem hier aan het woord.

„Ziehierquot;, schrijft hij, „een mensch, dien ik niet de oogen aanschouw en die, naar men zegt, gelijk is aan alle andere menschen. Men geeft toe, dat hij een middelmatig verstand kan hebben, al is hij somtijds een man van genie; hij kan onderhevig wezen aan harts-

ocr page 289

169

tocliten en . 1 deugden, allesbehalve een heilige zijn; men verhaalt zelfs, «lat er een Borgia op den troon heeft gezeten, dien hij nu bekleedt. Ik word derhalve van natuurswege er toe geleid te meenen, dat hij feilbaar is, zooals de andere menschen. Volstrekt niet. Men spreekt mij van eene bovennatuurlijke gunst, die hem zou geschonken zijn en hem moet behoeden tegen elke dwaling in de leer en in de verklaring van het echte Evangelie van Jezus Christus. En vraag ik geschiedkundige, redelijke bewijzen voor een aanmatiging zoo tegenstrijdig met hetgeen blijkt, geen andere zijn er dan de buitensporigheid en de duidelijke zonderlingheid van die aanmatiging zelve. !)

Lk antwoord eerst met één vraag, daarna met een korte uiteenzetting van de pauselijke onfeilbaarheid.

De Protestanten leeren, dat de H. Geest iedereen, die de H. Schrift „in Gods vreeze, met een biddend hart, eerbiedig, aandachtig en met een geestelijk oordeelquot; (Ds. A. Hellenboek: Voorbeeld der goddelijke waarheden) onderzoekt, zóó aanhoudend en wonderbaar bijstaat, dat die lezer of onderzoeker den verborgen zin van elk woord (jevoelt en heyrijyi. Men noemt dat ,;liet getuigenis des H. Geestes in 's menschen hartquot;.

Welnu wie is bescheidener: de Katholiek of de ProtestantDe Katholiek kent het zichtbaar hoofd der Kerk tot recht verstand der H. Schrift veel minder voorrechten toe dan de Protestant aan eiken braven Hendrik toekent, die den Bijbel leest. Want niet telkens als de Paus de H. Schrift leest, valt op elk moord het

!) Do goodo man ziot voorbij, dat do ieer zoo oud is als dc Kerk, uit do JL Schrift on do Overlevering bowczcn wordt on noch voor don 8taat noch voor do Kork gevaarlijk, maar heilzaam is. Rik kfvtholiok handbofik dor Koloofsloer staaft dat.

ocr page 290

170

onfeilbare licht des H. Geestes; dat g-esclnedt enkel bij leerstellige plaatsen, die door de leeraars lang bestudeerd en door de Overlevering vertolkt en uitgelegd zijn, doch over welker zin eenige aarzeling of twijfel bestaat, en dan geschiedt die goddelijke verlichting enkel maar in zekere omstandigheden en ouder hepaalde voorwaarden. (J. Fontaine S. J. in de Revue du monde catholique 1 Febr. 1897.)

Immers wat beteekent: de Paus is onfeilbaar?

Het antwoord geve het Zwitsersche episcopaat in zijn herderlijk schrijven van Juui 1871, dat door Pius IX geprezen is: „De Paus is niet onfeilbaar als m e n s c h, noch als geleerde, noch als priester, noch als bisschop, noch als t ij d e 1 ij k v o r s t, noch als rechter, noch als wetgever. Hij is onfeilbaar noch onzondig in zijn leven en gedrag, in zijn staatkundige oogmerken, iu zijn betrekkingen tot de vorsten, zelfs niet onfeilbaar in liet b e s t u u r d e r K e r k, maar hij is enkel en uitsluitend onfeilbaar, wanneer hij, in zijne hoedanigheid van hoogsten leer aar der Kerk, in zake van geloof en zeden eene beslissing geeft, die als verplichtend aangenomen en erkend moet worden door alle geloovigen.quot; Hij beslist dan, wat men noemt e.v cathedra. „Door het woord ex cathedraquot; zegt Kard. Manning, „zijn van onfeilbaarheid uitgesloten alle handelingen des Pausen, die hij verricht als afzonderlijk p e r s o o n of als particuliere 1 e e r a a r of als p 1 a a t-s e 1 ij k e bisschop of als vorst van een sta a t. In al die handelingen kan de Paus dwalen. Maar in ééne omstandigheid kan hij niet dwalen namelijk, wanneer hij als le er aar der geheele Kerk, de Kerk onderricht in zake van geloof en zeden.quot;

En als hij ex cathedra spreekt over een punt van

ocr page 291

171

geloof en zeden, is clan alles, wat hij zegt onfeilbaar waar? Neen. „Zelfs in de leerstellige besluiten, leerstellige bullen enz. moet men nietquot;, zegt Mgr. Fessier, „zonder onderscheid alles wat die besluiten enz. bevatten, als leerstellige beslissing eu dus als onfeilbaar zeker erkennen; in 't bijzonder moet men niet als onfeilbaar zeker beschouwen datgene, waarvan in die besluiten enz. enkel terloops melding wordt gemaakt of hetgeen enkel dient ter inleiding of beweegreden.quot; [Over de ware en valsche onfeilbaarheid.)

Vatten wij alles samen in eenige vragen:

Is de Paus als mensch, als afzonderlijk persoon onfeilbaar';' Neen. Als persoon kan hij dwalen. Paus Joannes XXII heeft als Paus veroordeeld, wat hij als afzonderlijk persoon geleerd had omtrent de visio heatifica. !)

Is de Paus als schrijver onfeilbaar? Neen. Hij moge geleerd zijn als Benedietus XI V. den sierlijken en bekoorlijken stijl hebben van een Gregorius XVI, welsprekend zijn als Pius IX, diep en breed als Leo XllL en een genie, toch is hij in de boeken, die hij schrijft niet onfeilbaar.

Is de Paus als redenaar onfeilbaar? Neen. De Paus spreekt tot een menigte pelgrims, die door hem in gehoor ontvangen worden; hij leert, vermaant, beoordeelt de wereld. Zijn woord verdient geëerbiedigd te worden, maar in geen enkele dezer toespraken is hij onfeilbaar.

!) Paus Adrianua VI schreef, voordat hij tot de pauselijko waardigheid verheven was Disput, in 4 lihr. magislri Sententiarum, waarvan hij later, toon hij Paus was, eene nieuwe onveranderde uitgave bezorgde. In dat werk zegt hij, dat de Paus voor zijn persoon zelfs in geloofszaken dwalen kan.

ocr page 292

172

Is de Paus als rechter onfeilbaar? Neen. Hij is de lioogste recliter in alle kerkelijke zaken, over alle moeilijkheden die tnssclien bisschoppen, priesters, geestelijke orden, en geloovigen over tucht enz. rijzen kunnen. Hij oordeelt zonder dat een hooger beroep toegelaten wordt. Men moet hem dus gehoorzamen. Maar is zijn oordeel, zijn uitspraak daarin onfeilbaar? Is men verplicht te gelooven, dat de Paus Juist geoordeeld en beslist heeft? Neen, men is hem enkel gehoorzaamheid schuldig.

Is de Paus als b e s t u u r d e r, als wetgever on feilbaar? Nog niet. Op dien titel heeft hij hot recht wetten voor te stellen, die alle gedoopten verplichten in geweten. Niemand kan zonder zonde zich ontslaan van de gehoorzaamheid aan die wetten. Maar hier is men nog niet verplicht als onfeilbare waarheid te gelooven, dat die wetten de beste, de verstandigste, de geschiktste zijn. Ontkent iemand de deugdelijkheid en de geschiktheid dier wetten, dan is hij zeer vermetel, zooals een gewoon soldaat in een bocht van 't terrein staande vermetel is, wanneer hij de bevelen van zijn generaal veroordeelt, die het geheele terrein overziet.

Wanneer is dan het zichtbaar hoofd der Kerk, de opvolger van Petrus, de Paus onfeilbaar?

Nog eens: als de Paus spreekt e.c cathedra (van den leerstoel af) d. w. z. wanneer hij in zijne waardigheid van herder en 1 eeraar aller Christenen optreedt en met zijn hoogst apostolisch gezag bepaalt (uitspraak doet), dat iets in geloof of zedenleer door allen moet worden aangenomen. Dan is hij door goddelijken bijstand onfeilbaar d. w. z. dan dwaalt hij niet, dan heeft hij dezelfde onfeilbaarheid, die de Kerk volgens de belofte van Christus bezit in 't bepalen van de leer

ocr page 293

173

van geloof en zeden; bijgevolg is zulk een uitspraak of bepaling des Pausen o n vera n d e r 1 ij k uit z i c h z e 1 v e en niet om of iloor de instemming der bisschoppen of der Kerk. Want ook de bisschoppen zijn leden dei-Kerk, die op de rots gebouwd is, ook zij behooren tot de broeders, die gesierhf, tot de schapen die geweid moeten worden, ofschoon zij tegenover hunne onderdanen tot leeraars, herders en rechters zijn aangesteld door den H. Geest om de Kerk Gods te besturen, het geloof te verkondigen, te verdedigen en uit kracht van hun ambt gehoorzaamheid te vorderen.

Er wordt dus voor de pauselijke onfeilbaarheid ver-eischt, 1. dat de Paus optreedt en leert, niet zooals een godgeleerde bijv. door een boek te schrijven, maar als opperherder d. w. z. met zijn gezag als herder en leer aar aller Christenen; 2. dat hij iets vaststelt en bepaalt aangaande geloof en zeden; 3. dat hij niet enkel raad geeft of vermaant, maar vaststelt, beslist met de bedoeling door zijn uitspraak te binden en te verplichten; 4. dat hij, hoewel misschien tot één het woord richtend, toch iets bepaalt en vaststelt voor de g e h e e 1 e K erk. i)

In dat geval is hij onfeilbaar in liet erkennen, beoor-deelen en verklaren van de door God geïnspireerde boeken en van de goddelijke Overlevering, in het voorstellen en uitleggen van leerstellige canons en symbolen, in het uitleggen van de zedenwet en der evangelische raden.

J) Maar zolfs indion do Piiua eon Enoyolick schrijft aan do goheolo Kerk en daarin Icerstolligo vragen behandelt, dan kan men daaruit nog niot bosluiton, dat hii dio vragen als goloofsleer wil bopalcn. Wil hij dat dan ment hot uit do woorden zelf ontwrjfolbaar bliikon, ofschoon dit niet door bepaalde vormen bohooft to geschieden.

ocr page 294

174

Zijn bijgevolg niet te beschouwen als ex cathedra gesproken en dus niet onfeilbaar:

1. eenvoudige bevelen van den Paus, die betrekking liebben op enkele gevallen en gebeurtenissen;

2. eeu oordeel over personen;

8. verklaringen en antwoorden van den Paus op vragen door bisschoppen of andere personen hem gedaan;

4. besluiten, die op de tucht betrekking hebben, daar deze slechts de uiterlijke inrichting der Kerk regelen;

5. evenmin het oordeel, het gevoelen, dat de Paus mondeling of schriftelijk als afzonderlijk persoon en geleerde uitspreekt.

Wordt er, opdat de Paus in de bovenvermelde omstandigheden onfeilbaar zij, ook vereischt, dat de Kerk met hetgeen hij leert of voorstelt te gelooven, instemt'' m. a. w.: is de Paus in de gegeven omstandigheden slechts in zooverre onfeilbaar als de Kerk met hem overeenstemt of goedkeurt hetgeen hij leert'.1

Neen. De uitspraak des Pausen in geloof en zeden is onfeilbaar uit zichzelve, niet uit de toestemming der Kerk, zooals de Gallicanen in art. 4 hunner „Decla-ratioquot; 1682 leerden.

De Kerk en de Paus zijn één. Waar de Kerk is, daar is de Paus, de grondslag, de petra, de Herder en Leeraar. Waar de Paus is, daar is de Kerk. Ben lichaam, waarvan het hoofd gescheiden is, is een lijk. Het is zelfs niet voldoende te zeggen: als de Paus spreekt, stemt de Kerk altijd overeen. Men hoort de Kerk in den Paus, haar hoofd. De Paus spreekt met en in haar. Dezelfde H. Geest, die zulk een uitspraak op de lippen legt van den Paus, legt ze terzelfder tijd in 't hart van de Kerk, had ze daar reeds te voren gelegd, want zij

ocr page 295

175

komt op de lippen van den Paus enkel, omdat zij uit liet hart der Kerk komt. Dat belet geenszins, dat de Paus die uitspraak ziet en ze onfeilbaar uitspreekt, alleen wijl hij door den H. Geest wordt bijgestaan. 1) De onfeilbaarheid der Kerk en die des Pausen ontmoeten elkaar, smelten samen: de actieve onfeilbaarheid in 't hoofd, den Paus, en om zoo te spreken de passieve onfeilbaarheid in 't lichaam, en die actieve en passieve onfeilbaarheid vormen samen de onfeilbaarheid van den Opperpriester. „Voor ons. Katholiekenquot;, zeg't Dr. Schaep-mau, „is de onfeilbaarheid een Godsgave, gegeven om onzentwil. Wij vreezen haar niet, wij zegenen haar. Wij staan onder do schuts des 11. Geestes, die de onfeilbaarheid schenkt en leidt.quot; (Bolland en Petrus blz. 72.)

De Paus ware niet onfeilbaar, indien de Kerk niet onfeilbaar was, maar het begrip van een levend hoofd brenlt;gt;-t mede, dat de ledematen met hem iiiniquot;' verbon-

o • ~

den zijn. De Paus zou derhalve niet onfeilbaar zijn, ware hij niet het hoofd der Kerk, hetwelk van Christus dat gezag over de bisschoppen en de geheele Kerk ontvangen heeft, waardoor dezen verplicht zijn met den Pa ns in de eenheid des geloofs en der kerkelijke gemeenschap vereenigd te blijven. De gezamenlijke bisschoppen en de geheele Kerk zullen feitelijk steeds in deze tweevoudige gemeenschap met den Paus vereenigd zijn, omdat de belofte des Heeren immer vervuld wordt. Juist daarom zullen de bisschoppen en de geheele Kerk in het leerstuk van den Paus hun eigen geloof erkennen. Zoo is de Paus in zijn leerstellige beslissingen enkel afhankelijk van de idee en het wezen van het

1

Wfj Bnegen: bijgestaan, niet gëimpireerd.

ocr page 296

176

primaatschap zelve; want hij is het levend hoofd van een levend lichaam, dat daarom immer met dat hoofd vereenigd blijft. Wijl wij met dezelfde zekerheid, waarmede wij aan de goddelijke instelling en onwrikbare voortduring der Kerk gelooven, ook aan de voortdurende eenheid in de Kerk gelooven, die zich in de gemeenschap des geloofs van de leden met het hoofd openbaart, juist daarom hebben wij niet eerst de toestemming der ledematen af te wachten om met de leerstellige beslissingen van den Apostolischen Stoel in te stemmen. Deze instemming zal nimmer ontbreken, wijl zij er zijn moet; de ledematen toch zijn gehoorzaamheid verschuldigd aan het hoofd, en de belofte des Hoeren aangaande de onwrikbare voortduring zijner Kerk kan door geen uienschelijke list of macht verijdeld worden.

Daarom kan de uitspraak van den Opperherder niet anders dan uit liet gezamenlijk bewustzijn der Kerk voortkomen. Men zegge derhalve niet: Wij kunnen ons de mogelijkheid niet wegdenken, dat de Paus in persoonlijke dwaling valt en juist deze dwaling dan éx catheÊra als leerstuk voor de geheele Kerk afkondigt. Dat laatste is na en om de belofte des Hoeren niet meer mogelijk. Zoo is het ook op zichzelf beschouwd gebeurlijk, dat iedere bisschop op zichzelven, als bijzonder persoon dwaalt, en daarom ook mogelijk dat allen dwalen en die dwaling in een Concilie verkondigen en aldus zich van het hoofd der Kerk afscheiden, omdat zij vrij zijn, maar wegens 's Heeren belofte van de voortdurende eenheid der Kerk is dat niet meer mogelijk. In zich is het denkbaar, dat iedere geloovige, dat alle geloovigen afvallen van het geloof en aldus de Kerk ophoudt te bestaan, want hun geloof is een vrij .... een ongedwongen geloof, doch na de belofte van Christus,

ocr page 297

aangaande de voortduring zijner Kerk, kan dat niet gescliieden. Want zonder de vrijlieid van den mensche-lijken wil op te heffen, volbrengt God onfeilbaar zeker wat Hij eens besloten en vastgesteld heeft; de vrije wil van het schepsel is zelfs het werktuig, — nochtans niet het doocle werktuig, — waardoor Hij zijne plannen ver-wezenl ijkt.

Wijl de ware Kerk nimmer in 't geloof verscheurd zal worden, kan ook het geval zich nimmer voordoen, dat de gezamenlijke katholieke bisschoppen eens ketterij verdedigen en daardoor in tegenspraak komen met het hoofd der Kerk. In dien zin moeten wij mede aan de gezamenlijke katholieke bisschoppen de onfeilbaarheid toekennen, niet eene afzonderlijke onfeilbaarheid, los van of in legenxpraalc met de onfeilbaarheid van het hoofd, maar een onfeilbaarheid als werking van een en denzelfden Geest van Christus, die altijd in zijn Kerk werkt en de waarheid leert.

Waar zijn echter de katholieke bisschoppen, de bisschoppen der ware Kerk ?

Waar de leer van die bisschoppen door den Aposto-lischen Stoel bevestigd wordt. Immers waar de ledematen in gemeenschap staan met het hoofd, daar is de door God gewilde eenheid, de Katholieke Kerk. Zij echter, die in tegenspraak zijn met den Apostolischen Stoel, zijn de ledematen, die zich van het hoofd gescheiden, de takken die zich van den stam hebben losgerukt; zij behooren niet meer tot de Katholieke Kerk, zijn niet meer de wettige ledematen van het Katholieke episcopaat. !) Beide, primaat en episcopaat, zijn derhalve do

1) Mot hot woord episcopaat bedoel ik niet de bisschoppelijko waardigheid, maar de gezamenlijke bisschoppen, do dragers van het bisschopsambt, hot bisschoppendom om mij zoo uit te drukken.

ocr page 298

178

dragers van liet kerkelijk leeraarsambt, maar niet op den voet van g-elijkheid of ex aequo. Aan liet hoofd komt liet toe de ledematen te onderrieliten eu tot toestemming te verplicliten, niet ecliter omgekeerd. Daarom spreken wij van een onfeilbaarheid van het primaatschap van den primaat, niet van het episcopaat. (Dr. Franz Hettinger: Die Dogmen des Christentlmms 3 Abt. 6 And. 1897.)

De groote kardinaal John Henry Newman, die den 9 October 1845 Eoomsch Katholiek werd, schreef 18 Februari 18ÖG aan Dr. Ward aangaande de pauselijke onfeilbaarheid: „Wat het schrijven van een boek over de pauselijke onfeilbaarheid betreft, dat plan is nooit in mijn hoofd opgekomen .... Ik heb altijd gemeend, dat die stellingquot; (namelijk de pauselijke onfeilbaarheid) „waarschijnlijk waar was, doch niet zeker-, ook zou ik den tijd weinig geschikt achten voor de afkondiging dier onfeilbaarheid, en het zou mij verwonderen, indien zij afgekondigd werd; doch indien de afkondiging plaats vond, zou ik volstrekt ge ene m oei el ij k-heid hebben haar aan te nemenquot;. {Etudes 15 Oct. 1896 blz. 265.)

In hetzelfde jaar schreef hij aan Dr. Pusey een open brief, waarin hij diens dwalingen over Maria-vereering en over de pauselijke onfeilbaarheid wederlegt. (Letter to Pusey on his recent Eirenicon 1866.)

Het Vaticaansch Concilie van 1870, dat volgens den Protestant Frommann {Gesch. des Va,tic. Goneils 1873) als „een ordelijk bijeengeroepen, gehouden en vrij concilie moet beschouwd wordenquot;, heeft verklaard, dat de Paus in de voorwaarden, hierboven beschreven, onfeilbaar is. Is dat zeker een vergissinsf i'

o o

Wij vragen nu: is de leer aangaande de pauselijke

ocr page 299

179

onfeilbaarheid oud of nieuw!' Vóór alles staan drie zaken vast: 1. dat geen leeraar in de Kerk een diepere, meer omvattende en volmaakter kennis der christelijke geloofswaarheden had of ooit hebben zal dan de Apostelen (H. Ernumn: Het Huis op de Steenrots blz. 61);

2. dat niets tot het in bewaring gegeven onderpand van 't katholieke geloof behoort, wat niet door Christus en de Apostelen is verkondigd;

3. dat deze geopenbaarde waarheden niet ten allen tijde in al hare vormen, verklaringen, gronden en toepassingen in de Kerk in 't licht traden, zooals zij tegenover de vele in den loop der eeuwen opkomende dwalingen kunnen gesteld worden. Daarom zegt de kerkvader Angus tin us (t 430): „Vele zaken, als zij door de ketters worden aangevallen, worden bij de verdediging-tegenover hen, des te aandachtiger opgemerkt, des te duidelijker verstaan en des te ernstiger gepredikt.quot;

Zoo rechtvaardigt de groote Athanasius de uitdrukking ' (J)e deer. Cune. Nic. n0. 19, 23), en Gregorius van Nanzianze verdedigt de nadere bepaling over de godheid des H. Geestes, zeggende: „De uitdrukkingen, die niet in de Schrift voorkomen, konden zij toch uit de Schrift verstaan.quot; (Orat. 31, 24)

Zoo lag van den beginne menige waarheid, die tot nauwkeuriger begrip en tot verdere opheldering dei-geloofsstukken dient, slechts als kiem (implicite = stilzwijgend er in begrepen) in de apostolische overlevering; menige waarheid daarin was minder duidelijk, menige minder hreedvoerig uitgesproken. Door tijdsomstandigheden daartoe genoopt, door de ontkenning van den kant der ketterijen aangespoord, was het nu de taak van het christelijk leeraarsambt onder de leiding der

ocr page 300

ISO

goddelijke Voorzieniglieid, de waarliedeu, die in Idem in de apostolische overlevering besloten lagen, verder te ontwikkelen, wat duister was nader op te li el der en en dieper te gronden, op hetgeen minder uitvoerig behandeld was grooteren nadruk te leggen en dat omvattender, meer samenhangend en toepasselijker te maken. In zoover vindt een toeneming in de christelijke belijdenis plaats, en ontsluit zich voor ons meer en meer de diepe, onuitputtelijke inhoud der goddelijke geheimenissen. De geloofsleer is daarom niet méér w a a r, doch d n i d e 1 ij k e r geworden. „De Kerk maakt geen nieuw geloofsartikel, maar verduidelijkt hetquot;, zegt Suarez. {De fid. Disp. II Sect. G.)

In dit hierboven genoemd drievoudig opzicht erkent Vineentius van Lerins (f 450) i) een vooruitgang in het geloof. „Den godsdienstquot;, zegt hij in Commonitor. n. 27, „kan men vergelijken bij de ontwikkeling des lichaams; ofschoon het lichaam in den loop der jaren groeit en toeneemt, blijft het toch wat het was. De christelijke leer is als de tarwekorrel, die zich ontwikkelt, waarvan wij de vrucht genieten, en die toch hare natuur als tarwekorrel niet veranderd heeft.

De Kerk, deze zorgvuldige en voorzichtige hoedster van het toebetrouwde pand des geloofs, verandert nimmer iets aan dat geloof, doet er niets af, voegt er niets bij, maar streeft er naar met alle zorg, datgene wat vanouds in kiem en begin voorhanden is te kweeken en te vol-

') YiEcentius van Lorins was con Roomsch Katholiek priester. Drie jaren na hot Concilie van Bphese, dus in 't jaar 434 schroef hij oon prachtig werk, in twee dooien, getiteld Goimnonitoria duo. Het twoodo is bijna gehool verloren gegaan; het eerste echter is oen blijvend gedenkstuk togen alle oude, nieuwe on toekomstige ketterijen.

ocr page 301

181

maken, en wat bevestig-d en bepaald is te bewaren. Wat vroeger niet helder genoeg- geloofd werd, moet door nvve uiteenzetting beter begrepen worden; het nageslacht moet verstaan, wat het voorgeslacht vereerde zonder het zoo goed te vatten; maar onderwijs datgene, wat gij geleerd hebt, opdat gij op nieuwe wijze sprekend, niets nieuws spreekt. Wat voorheen eenvoudig geloofd werd, moet nu nauwkeuriger geloofd worden, wat minder nadrukkelijk gepredikt werd, moet thans vuriger verkondigd worden.quot; (n. 32.)

Hoe dieper en hoe meer geheimnisvol de leerstukken zijn, des te rijker zijn zij van inhoud, des te menigvul-diger hare verhoudingen tot do behoeften des tijds en tot wederlegging der dwalingen, die door den mensche-lijken geest aan de goddelijke waarheid worden tegenovergesteld. Daaruit volgt vanzelf, dat niet al deze verhoudingen van den beginne af uitdrukkelijk in do kerkelijke Overlevering vervat konden zijn. Maar dat is ook volstrekt niet noodig, wijl aan de Kerk de geest der waarheid is beloofd, die haar in alle waarheid leiden moet. (Joan, 14:26.)

„Opdat een stelling een katholiek leerstuk zijquot;, d. i. een leerstuk, hetwelk ieder Christen gelooven moet, „zijn twee voorwaarden noodzakelijkquot;, zegt Eranciseus Veronius. Die stelling moet namelijk eene waarheid beslissen, die in de Openbaring vervat is, en die beslissing moot komen van het gerechtigde leeraarsambt dei-Kerk. Een waarheid kan in de Openbaring vervat zijn, maar op een duistere wijze d. w. z. nog niet als zoodanig door de Kerk te gelooven voorgesteld, door de Kerk, aan wie het toekomt den zin van liet geschreven en overgeleverd Woord Gods te verklaren. Aldus ontstonden in de Kerk nieuwe beslissingen des geloofs zooals b.v.,

de Paus IT. 12

ocr page 302

182

dat dc doop, door ketters toegediend, geldig is. Alle godgeleerden stemmen hierin overeen, dat zulke stollingen vóór de uitspraak der Kerk nog niet de fide eatholiccb zijn d. w. z. nog niet van dien aard, dat iedereen ze gelooven moet; wie echter met volle zekerheid inziet, dat een waarheid in de oorkonden der Openbaring is vervat, is toch in geweten verplicht daaraan {fide divina) te gelooven, al heeft de Kerk nog geen uitspraak gedaan, i)

Op die wijze en in dien zin is in de Kerk een toeneming, een v o o r n i t g a n g in 't geloof, maar geene a f w ij k i n lt;4 van het vroegere geloof.

Uit het bovenstaande begrijpt men de juiste beteeke-nis van den beroemden regel door Vincentius van Lerins opgezet, en waarvan men in de laatste tijden zoo dikwerf misbruik heeft gemaakt. -) Wij herhalen daarom: Wat is katholiek of algemeen? vraagt hij.

Muil paasu dut too b.v. op hot leerstuk dor ünbovlokto Ontvangenis, voordat het tot leerstuk verklaard was.

2) Ook bijv. Prof. Bolland. Do Zoeroerw. Heer Th. F. Bensdorp, Gong. SS. Red. heeft in oen zijnor degelijke artikelen in De Katholiek don wijsgoerigon rous in een noot aldus beantwoord: „Prof. Bolland wraakt hot ton zeerste, dat Pius IX zich in do bullo der dogma verklaring (van do Onbovl. Ontvangenis) heeft durven beroepen op do godenkstukkon dor oudheid zoowol in Oostersche als Westorsche Kerk. Do Hoogleoraar heeft echter geenszins bowozen, dat er geen gedenkstukken bestaan. Trouwens zijn geheel betoog togen hot dogma der onbevlekte ontvangenis, is vrij krachteloos.

Zijn hoofdargument komt hierop neer. Vincentius Lirinonsis zegt, dat datgene als katholieko leer moot beschouwd worden wat altuns, overal en door allen gehouden is. Atqui: met het leerstuk dor onbevlekte ontvangenis is dit niet het goval. Ergo.

Don major geven wij gaarne toe; doch hij is alleen waar in sensu affirmante en niot in sensu excludente, en daarom bewijst hij

ocr page 303

188

Zijn antwoord luidt: „Wat overal, altijd en door (dien g-eloofd werd, is katholiekquot;. Tegenover eene opkomende ketterij, die zich van de katholieke gemeenschap losrukt, de geheele Kerk dreigt te bezoedelen, en zich op oude en duistere uitspraken beroept, wil Vincentius den goloovig-en een uitwendig, gemakkelijk te erkennen onderscheidingsteeken aan de hand doen, dat hen veilig geleiden moet. Hij spreekt bijgevolg a. volstrekt niet van de grondstellingen, waarnaar de Concilies en de Pausen bij hunne leerstellige beslissingen te handelen hebben. Hij spreekt h. enkel van bet geloof der o n d e r-w ij zen de Kerk als regel der catholiciteit of recht-geloovigheiil; hij gewaagt niet van het geloof der menigte, der gezamenlijke geloovigen. Hij bedoelt c. die geloofsartikelen, welke niet eerst door het kerkelijk leeraarsambt te ontwikkelen zijn, maar die.

hiigt;r liioüm. Zukor, wat altijd, overal eu door allr.n ^uhoudou is, moot als katholioko leor beschouwd worden, mon is verplicht hot to gelooven, zelfs vóór do uitdrukkoliiko uitspraak der Kerk; doch daaruit volgt niet, dat hetgeen altijd, zij hot dan ook slechts impUcite, doch niet door allen geloori is, geen katholielc geloofspunt kan zijn.

Dat beweert Vincentius Lirinensis dan ook niet, want het is eenvoudig een ongerijmdheid. Als alleen datgene katholieke leor kon zijn, wat door allen gehouden was, waarvoor zou dan het leergezag der Kerk dionen, dat juist uitspraak moet doen als er splitsing van meoning bestaat on dus niet allen in de leer over-oonkomenP Dan zou ook elke ontwikkeling van do leer onmogelijk zijn. Iets kan zeer good katholieke leer zijn in zich, d. w. z. in zoover het behoort tot hot depositum revelationis, tot den schat der katholioko openbaring, zonder dat hot nog katholieke leer is ten opzichte van de geloovigor, d. w. z. zonder dat deze het feitelijk algemeen explicite gelooven en daartoo gehouden zyn. In dien zin katholiek wordt het eerst door de uitspraak of do algemoene praxis der Kerkquot;.. . {De Katholielc D. 112 blz. 449).

ocr page 304

184

welke reeds klaar en duidelijk iu de Kerk geleerd en beleden worden.

In dien zin is de regel door V in c e n t i u s opgezet volkomen waar; wat deze algemeene overeenstemming met betrekking tot deze waarbeden weerspreekt, is niet katholiek.

Eu is datgene, wat in tegenspraak komt met betgeen tot nn duister eu als in kiem in de overlevering vervat is, katholiek? Juist daarom immers, verklaart Vincen-t i u s, moest er in de Kerk een vooruitgang zijn, die de kiem ontwikkelt, bet duistere opheldert, en hetgeen maar iu algemeeueu vorm geloofd wordt, uiteenzet. Voor betgeen echter slechts iu kiem, duister enz. in de kerkelijke Overlevering vervat is, kan de regel van Vincentius niet gelden; immers daar bet enkel implicite in bet pand des geloofs begrepen is, daarom juist kan bet geen uitdrukkelijk artikel des geloofs zijn. Indien derhalve bet onderscbeidingsteeken, door Viu-centias aangegeven, ook voor die soort van geloofswaarheden een volstrekte regel en richtsnoer zou zijn, zou elke toeneming in 't geloof, elke vooruitgang, elke leerstellige bepaling onmogelijk wezen. Want voor datgene, wat allen, overal en altijd uitdrukkelijk {explicite) gelooveu, is g e e n e uitspraak, g e e n e bepaling noodig. Doch die soort van geloofswaarheden, welke enkel stilzwijgend (implicite) iu de Overlevering liggen opgesloten, wordt juist daarom niet door allen, noch altijd, noch overal uitdrukkelijk geloofd; bijgevolg zou volstrekt geen bepaling noch uitspraak kunnen plaats hebben.

Daarom beeft de regel van Vincentius slechts waarde in de stellige bevestigende beteekenis; wat altijd, overal, door allen geloofd wordt, is katholiek. Hij zegt

ocr page 305

185

niet: Alleen datgene is katholiek, wat altijd, overal en door allen u i t d r u k k e 1 ij k geloofd wordt.

De tegenstanders van 't pausdom liebben van Vin-centius' regel schromelijk misbruik gemaakt. Aangaande de pauselijke onfeilbaarheid o. a. redeneerden eenige harer vijanden als volgt: „Wat overal, altijd en door allen geloofd werd, is wezenlijk en eigenlijk katholiek.

Welnu de onfeilbaarheid des Pausen is niet overal, noch altijd, niet door allen geloofd.

Derhalve is zij niet katholiek.quot;

De Stiminen cms Maria-Laach (1871 13. 1 S. 144) toonde de grove fout dezer redeueering op de volgende vermakelijke wijze aan: Wat haren, tanden, horens heeft, is heel zeker een dier. Welnu de eend heeft haren noch tanden noch horens. Derhalve is de eend geen dier.

,,Met andere woordenquot;, zegt de beroemde bekeerling Baron L. Von Hammerstein. „wat steeds algemeen geloofd werd, is zeker katholiek, doch niet omgekeerd: wat Katholiek, echt, waar Christendom is, dat is daarom ook altijd door allen geloofd. Anders zou b.v. de leer omtrent de geldigheid des kinderdoops geen echt katholieke, geen christelijke leer zijn.

Wat doet nu de Protestant Dr. Karl von Hase, professor in de godgeleerdheid aan de hoogeschool te Jena? Hij tracht natuurlijk de woorden van den H. Viu-centius van Lerins als bewijs icjeu de leer der onfeilbaarheid te doen gelden. Hoe gaat hij te werk';' Hij arbeidt naar beroemde voorbeelden. Luther heeft in den tekst van Paul us' brief aan de Romeinen het woordje „sola = alleen'''' ingeschoven, om zijne leer der rechtvaardiging in de H. Schrift te vinden, waarom zou Hase niet het woordje „enlcei'quot; inschuiven, om den H. Vincentius van Lerins tegen het pausdom uit te

ocr page 306

186

spelen? Gezegd, gedaan! Professor Von Hase schrijft: „De heilige monnik Vincentius van Lerins heeft eene stellige beschouwing gehouden over het recht der Overlevering, die voor hem samengaat met de christelijke wijsheid der Kerk. Hij grondt de noodzakelijkheid der Overlevering op de verhevenheid der H. Schrift, waarin elke uitlegger een anderen zin vindt; daarom moet het oordeel der Kerk de uitlegging leiden. Maar enltel datgene is als apostolische Overlevering vast te houden, wat overal, altijd en door allen geloofd is.quot; i)

Met dat onnoozel woordje „enkelquot; is derhalve de H. Vincentius gelukkig tot tegenstander van de onfeilbaarheid gestempeld; quod erat demonstrandum, wat Von Hase bewijzen wilde! Zoo voorzichtig is wel is waaide professor, dat hij de latijnsche aanhaling zuiver zonder het woordje „enkelquot; in de noot afdrukt; ook de tekstwoorden heeft hij niet tusschen aanhalingsteekens gezet.

Maar stellen wij eens, dat Lutherschen en Calvinisten Von Hase tegen ons aanhaalden in. a. w. zeiden, dat niets als echte christelijke leer mag gelden, wat niet „overalquot;, niet „altoosquot;, niet „door allenquot; geloofd is, hoe staat het dan met de Luthersche leer of het Calvinisme? Is Luther's rechtvaardigingsleer „overal, altijd en door allenquot; beleden? Ware dat zoo, dan was zij ook vóór 1517 door allen geloofd, dan had Luther tegen windmolens gevochten en geheel zonder reden het pausdom bestookt, toen hij de rechtvaardigingsleer van het pausdom bestreed, welke leer hij dan immers zelf

Karl von Hase: Handhuch der protestantischen Pulennk gegen die Römisch Kathulische Kirche 4« Aufl. Leipzig 1878 S. 67. lu do 6'' Auil. 189'J', die voor mii ligt, hoefc von Haso dezelfde valsohe kaart, wnder nitsrospoolH.

ocr page 307

187

aanhing. Eu is Calvijn's leer der voorbeschikking „overal, altijd en door allenquot; geloofd!' En de leer van het alge-meene priesterschap P En de leer van de verwerping des H. Misoffers i' En de leer van de verwerping des Pausen als den AntichristDoch „Bauer, das ist etwas Anderes!quot; Tegen de pauselijke onfeilbaarheid keert men Vincentius van Lerins; tegenover het Lutherdom en het Calvinisme moet hij doodstil zijn, is het niet zoo!'

Zooveel is echter zeker waar: eene leer kan niet echt christelijk zijn, waarvan vroeger algemeen het tegenovergestelde geloofd werd. Van menige leer des Protestantisme is vroeger algemeen het tegenovergestelde geloofd, van de pauselijke onfeilbaarheid nooit. Want nooit is het een algemeen geloof dei-Kerk geweest, dat de Paus niet onfeilbaar is.quot;

Maar keeren wij terug tot Vincentius van Lerins.

Deze beroemde man is er verre af, de feitelijke overeenstemming der geloovigen als hoogsten en gewettig-den regel van 't geloof aan te geven. Zelf zegt hij, dat het gift van het Arianisme zich ver verbreidt, en dat de vraag over den doop, door ketters toegediend, velen op een dwaalspoor heeft gebracht (c. 4). Hem is regel des geloofs het kerkelijk leeraarsambt, dat vooral in de besluiten der algemeeue concilies of ook in de beslissingen van den Roomschen Stoel (c. 9) zich uit. Wanneer daarentegen bij het ontstaan eener nieuwe ketterij zulke beslissingen er nog niet zijn, moet de geloovige zich houden aan de Kerkvaders en proefhoudende katholieke leeraars van goed gehalte d. w. z. zooals wij ons uu zouden aitdrukken, aan do gemeenschappelijke leer der godgeleerden.

Hieruit — ik herhaal het — vervalt vanzelf de eisch der Grallicanen en Jansenisten als zou eene leerstellige

ocr page 308

188

beslissing slechts tot stand kunnen komen door een overeenstemming- van nagenoeg alle leeraren. Ofschoon in 't algemeen gesproken zulk een overeenstemming wenschelijk is, werd zij op geen enkel concilie gevorderd en kon niet gevorderd worden, wijl er immer eene hoewel zwakke tegenpartij zal zijn en er feitelijk bijna telkens geweest is; bijgevolg ware, als men aan die voorwaarde hield, elke beslissing onmogelijk, en nooit kon de vrede in de Kerk hersteld worden. 1)

!) Dat boaamt ook de Protestant Frommann in zijn Geschichte des Vatic. Cuncils 1873 S 474 ff.

Op het eerste Concilie van Nicea in 't jaar 325 onder Paus Silvester tegen de Arianen waren moer dan 20 Ariaanschc bisschoppen; eenige weigerden te ondorteokenen. Op het eerste Concilie van Konstantinopcl in 't jaar 381 onder Paus Damasus togen de Macodonianen bovendon zich 20 Macodoniaansche bis schoppen, die bot concilie onder protest verlieten. Ondanks den tegenstand van Joannes van Antiochië met zijn 43 bisschoppon sprak het Concilie van Bpheso, dat ton jaro 431 in een Kerk, aan do H. Maagd Maria toegewijd, onder Paus Coe-lestinuB togen de Nestorianen gehouden word, don ban uit over Nostorius. Op hot Concilie van Chalcodon in 't jaar 451, onder Paus Leo I den Grooto togen de Eutychianen gehouden, word don wederstrevigon bisschoppon te konnon gegeven, dat hun verzot zonder kracht was. Zoo ook bij latere concilies. (Zie Hefele C'onciliengeschichte en Dr. Hettinger, dien wij in de vraag of de loer aangaande do pauselijke onfeilbaarheid nieuw is, op den voet volgen.)

De Arianon zijn reeds vóór de achtste eeuw van de aarde verdwenen.

Do Macodonianen of Pneumatomachen waren reeds in 't begin van de vijfde eeuw uitgestorven.

De Nestorianen bostaau nog in zeer gering getal on zijn onderling weer verdeeld.

Do Eutychianen of Monophysieton rekken nog hun bestaan in ouderlingen strijd.

„Ik zal mot u zijn tot het einde der eeuwenquot;, zeide Christus.

ocr page 309

189

Wij vragen nu nogmaals: Is de leer aangaande de pauselijke onfeilbaarheid oud of nieuw?

Nieuw kan zij niet zijn, zooals wij in de vorige bladzijden staafden; zij moet oud wezen en wel zoo oud als de Kerk. Het nieuwe, wat de uitspraak van liet Vaticaan-sclie Concilie gebracht heeft, betreft niet de essentie, het wezenlijke van het katholiek geloof aan die onfeilbaarheid ; het concilie heeft die leer enkel in vaste bewoordingen als uitdrukkelijk leerstuk der Kerk hepaald. Terwijl de Katholiek ook vóór hot concilie in geweten verplicht was zich aan de leerstellige beslissingen des Pausen te onderwerpen, moet hij nu na het concilie daaraan gehoorzamen op straffe van uitsluiting uit de gemeenschap der Kerk.

Het geloof aan de pauselijke onfeilbaarheid is zoo oud als de Kerk, het geloofsartikel, het leerstuk, het dogma, de plechtige uitspraak is nieuw.

Dat de Paus niet onfeilbaar was, werd, zooals wij zeiden, voor 't eerst in 't jaar 1G82 op een vergadering van Grallicaansche bisschoppen uitgesproken, maar de vier Gallicaansche artikelen, waren niet de uitkomst van vrije, onbevooroordeelde wetenschap, doch het werk van hoftheologen in dienst van het staats-absolutisme en der bureaucratie. 1)

Men leze Fleury en Penélon.

Van Lu tb er afhebben talrijke Protestanten getuigd, dat de Paus in de Katholieke Kerk als onfeilbaar in geloofszaken werd erkend. Eens is in Frankrijk een

J) Gérin: Recherches historiques sur l'assevihlée du der gé de France de 1682 Paris 1868. Licroiollo: Hisioire de France au sïccle XVIII. Louis Blanc, dio allosbohalvo pausgezind is, heefc een scherp oordeel gestreken over dio artikelen {Hist, de la liévol. fromg. t. 1 p. 252).

ocr page 310

190

geschil onder g-odgeleerden g-eweest over de pauselijke onfeilbaarheid. Dat alle ledematen der Kerk, bisschoppen en leeken om de belofte van Christus aan zijne Kerk in geweten verplicht waren, de beslissingen des Pausen in de leer uiterlijk en innerlijk aan te nemen, daarin waren alle strijdende partijen het eens. Het geschil gold enliel de vraag, of de pauselijke beslissing hare onfeilbaarheid o n ni i d d e 11 ij k ontleende aan Grods bijstand of middellijk d. w. z. door tusschenkomst der algemeene instemming der bisschoppen. Zooals men ziet was deze twist der Gallicanen zonder eenige practische heteekenis. Want ook de strengste Gallicanen stonden pal in de overtuiging, dat men zich in zaken van geloof en zeden met volle toestemming onderwerpen moest aan een uitspraak des Pausen ex cathedra. {Christ oder Antichrist? von Gottlieb S 414.)

De leer aangaande de pauselijke onfeilbaarheid is zoo oud als de Kerk.

De Protestant Frommann zegt zeer juist: „Het Vati-caansch Concilie is een organisch lid in de onafgebroken ontwikkelingsketen van het Roomsch Katholiek kerkelijk stelsel, en de onfeilbaarheid des Pausen is maar eene natuurlijke ontwikkeling (Ausgestaltung) der katholieke leer van het Roomsche primaatschap, de gevolgtrekking der katholieke leer van de onfeilbaarheid der Kerk en van de goddelijke instelling van het pauselijke primaatschap.quot; {Gesch. des Vatic. Concils 1878 S. 474.)

„De pauselijke onfeilbaarheidquot;, schrijft de Protestant von Hartmann, „is de sedert lang vereischte kroning-voor de geloofseenheid van het Katholicisme, en al het gebeuzel daartegen is dwaas in den mond van hen, die den Paus als Petrus' opvolger .... erkennen.quot;

Een protestantsch godgeleerde, dien ik hoogacht.

ocr page 311

191

schreef mij; „Van den tijd van Constantijn (en reeds vroeger) af g-aat een consequente lijn tot het concilie van 1870 toe.quot;

„En reeds vroegerquot; ja veel vroeger, namelijk van Petrus af, zooals wij zien zullen.

Om de pauselijke onfeilbaarheid practisch toe te lichten, stel ik hier de vraag: Is de encycliek „Rermn novarumquot; van Leo XIII een beslissing ex cathedra ja of neen? Bevat die brief een onfeilbare beslissing?

Dat de Paus in deze encycliek over het arbeidersvraagstuk enkel zijn persoonlijke meeningen aan de katholieke wereld heeft willen bekendmaken, zal niemand beweren. Hij behandelt in dat schrijven zeer zeker vragen, waarover hij leerstellige beslissingen geven kan; meestal zijn het vragen van zedenleer en van het natuurrecht. Ook treedt hij op als leeraar der geheele Kerk en richt zich tot de bisschoppen, priesters en geloovigen, dat zij naar zijn woorden luisteren en daarnaar handelen. Maar van een verplichting tot definitieve aanneming der in de encycliek besloten leeringen wordt in die encycliek geen woord gerept, ja zelfs de wil om door de encycliek eene verplichting tot aanneming der leeringen op te leggen, is daarin niet duidelijk uitgesproken, en toch voor een beslissing ex cathedra is het noodzakelijk, dat de Paus zijn verplichtende n wil doet kennen, en dat niet alleen, maar ook moet hij verplichten willen tot definitieve aanneming en dien wil uitdrukken. (Zie J. Bieder-lack S. J. Zeitschr. fiir leath. Theolojie 8 H. 1897 S. 541.)

Ds. A. V. vraagt: „Heeft Paus Paul us V, den 5'quot; Maart 1Ö16 Galilei niet veroordeeld door te bevelen, het besluit van de Congregatie van den Index, volgens

I

ocr page 312

192

hetwelk de leer van Galilei gestempeld werd als strijdig-met de H. Schrift openbaar te maken, terwijl toch die leer mathematisch bewijsbaar is?quot; (blz. 8.)

Een woordje vooraf.

De eerste godgeleerden, die den Bijbel tegen Copernicus aanhaalden waren Protestanten. „De protestantsche verdedigers der orthodoxie te Tubingen (waar in 1595 de eerste uitgave van Kepler verscheen) hebbenquot;, zegt P. Anschütz in Zeitschrift fiir Katholische Theologie til 1887, „practisch op Kepler het vonnis toegepast, dat twintig jaar later tegen liet boek van Copernicus dooide Congregatie van den Index gestreken werd; zij zei ven verbeterden hem d. w. z. zij schrapten geheel eu al den uitlegquot;, waardoor Kepler liet stelsel van Copernicus met de Schrift verzoende.

Het eerste beroep op den Bijbel tegen het stelsel van Copernicus in een katholiek werk dagteekent pas van 1(510. i)

Baco van Verulam bestreed Copernicus.

Luther noemde Copernicus -) een „dwaasquot;, einen Narren.

Dat vooropgezet zijnde luidt de eenige vraag: hebben de Pausen Paulus V (1(505—-1(521) en ürbanus VIII (1023—1044) een leerstellige beslissing gegeven tegen het stelsel van Galilei?

Het antwoord der geschiedenis luidt: ontwijfelbaar zeker is het, dat dusdanige beslissing niet gevallen is.

Volgens de uitdrukkelijke bekentenis van den Protestant M. von Gebler, die in 1877 de processtukken van

!) Grisar; Oalileistwdien p. 137. Jos. Bruckor 8. J.: Questions ■wtuidles d' l'kriture sainte 1895 blz. 206. Franzclin: Tract, do Traditiune 3 odit. 1882 p. 150—151 noot.

2J Mon loze A. Müllor S. J.: Nikolaus Copernicus, der Altnieisler der neuern Astronomie. Herder, Freiburg im Breipgau 1898 M. 2.

ocr page 313

193

Galilei uitgaf, bevat geen enkel document een pauselijke beslissing ex cathedra

In 1624, dus aclit jaren na de eerste veroordeeling van 't stelsel van Galilei door de Congregatie van den Index, zeide Urbanus VIII aan een kardinaal, dat de Kerk bet gevoelen van Gralilei niet als ketterscb veroordeeld bad en als zoodanig niet zou veroordeelen. (M. de L'Épinois Galilee.)

Ds. A. V. leze den brief van Kard. Bellarminus 1/ van 12 April 1615, voor de eerste maal uitgegeven door M. Berti {^npeniico e le vicende del sis tenia, Copernicano in Ttalia, Rome 1876 blz. 121—125) en berdrukt door P. Grisar op 't einde van zijn studie. Bellarminus soli rijft: „Ik zeg: indien er een wezenlijk bewijs was, dat de zon in 't middelpunt van liet beelal staat en de aarde in den derden bemel en dat de zon niet om de aarde, maar de an nle om de zon draait, dan zou men met veel voorzichtiyheid moeten te werk gaan in den uitleij der Schriftuurplaatsen, die daarmede in tegenspraak schijviei, te zijn, en men zon dun moeten zeggen, dat wij de Schriftuurplaatsen niet. hegrijpen liever dan zeggen, dat hetgeen men. bewijst, valsch isquot;

Kard. Bellarminus, die zelf lid was van de Congregatie

1

j Üv'er dezon Kardinaal zio men het prachtig goluigoniu van den Protestant Thiersch in het eerste gedeelte van dit werkjo blz. 81.

„Er zeichnote sich durch Boseheidenhoilquot;, zegt Wigand, „wahre Frömmigkeit, Mildo und Golehrsamkoit aus, sollte zweimal Papst worden, und nur sein eigenes Widerstreben und seine Liebe zu seinem Orden hielt die Cardinale zurück, ihn zu wihlen. Seine bedeutendste Schrift ist: Disputationes de controversüs fidei adversus huius temporis haereticos.quot;

Bellarminus was een echte Jezuïet. Hoe is het mogelijk! roept misschien Dr. Zuidema uit.

ocr page 314

194

van den Index, getuigt dus, dat de uitspraak geen dogmatisclie beslissing, geen pauselijke uitspraak ex cathedra gold. Hij sclireef aan Gralilei „dat deze niet gestraft noch zelfs verplicht was te herroepen; men vorderde enkel van hem, dat hij zijn gevoelen staande zou houden als eenvoudig stelsel en niet als een leerstellige waarheid.quot;

De protestantsche geleerde Mallet-Dupan heeft in 1784 met de stukken in de hand bewezen, dat Galilei niet vervolgd is in zijn hoedanigheid van sterrenkundige, maar als oppervlakkig godgeleerde, dat hij altoos vrij de beweging der aarde mocht leeren en niet eerder verplicht werd terug te trekken dan, toen hij van dat sterrenkundig stelsel een geloofsartikel wilde maken.

Het vonnis, tegen Galilei uitgesproken, had het gezag van een vonnis ter eerste instantie, van een bijzondere, wel is waar kerkelijke, maar toch menschelijke rechtbank, feilbaar zooals de andere. Nooit is er in deze vraag een beslissing gevallen, die de Katholieken onherroepelijk achten. {Etudes relicj. Avril 18(57 p. 523. Zie ook Geschiedvervalsching door drie vrienden der waarheid. Wed. v. Eossum Utrecht.)

Ik noodig Ds. A. V. dringend uit de Galileistudien van Grisar S. J. aandachtig te lezen om toch eindelijk eens op de hoogte te komen van de waarheid in dit afgezaagd onderwerp. Gaarne zal ik hem het werk leenen en nog andere degelijke onbevooroordeelde boeken aanwijzen, 'j

1) O.a. M. Alberi, dio do goheele correspondentie van Galilei en diens vrienden heeft uitgegeven, dan Henri de l'Épinois: La question de Oalilée (Paris 1878 Palmó) eu in Les questions contro-versées 3'™'° série Nonv. edit. 1894 p. 211—241. Met de stukken in de hand bewijst men: 1. dat Galilei niet in de gevangenis is

ocr page 315

] 95

Ds. A. V. lieeffc waarscliijnlijk liet opstel van den Leii.lschen lioogleeraar R. Fruin in De Gids (1872) gelezen Galilei en de onfeilbare Kerk, maar van een vernietiging van dat artikel door F. Becker S. J. (Studiën 4l1e Jg-ü. 9) schijnt liij niet te weten, evenmin als van de meesterlijke bladzijden, door Dr. Schaepman in De Wachter (2'10 Jg. 2',p D.) geleverd, onder den titel Een nieuw verwijt uit een ovAe doop. !)

Wensclit hij deze katholieke tijdschriften niet in te zien, hij leze dan hoe de Protestant Dr. J. A.. Wijnen in „Onze Eeuw'quot; tegen Ds. Bnijs van Noordscharvvonde de slotsom van zijn onderzoek samenvat. Doet Ds. A. V. dat, dan zal hij (lalilei voortaan laten rusten in zijn graf en niet meer herhalen, wat iedereen weet, dat zelfs een Paus zijne vergissingen heefr. (hlz. 8.)

Ook breng ik te zijner kennis, dat de grootste natuurkundige van Italië, Galileo Galilei, als een zeer ijeloovig Roomsch Katholiek in 1G42, voorzien van de H. Sacramenten der stervenden en onder den pauselijken zegen van Urbanus VI11 gestorven is. Zeg het voort!

goweost, 2. geon foltoringen heeft ondergaan, 3. niet belet word voort to arbeiden, 4. dat zijn geschriften niet vernietigd werden, 5. dat do kardinalen zich wel vergist hebbon in hun oordeel, maar dat hun dwaling geon bewijs is tegen do pauselijke onfeilbaarheid, omdat die dwaling enkel op rekening komt yan 't gerechtshof, zelfs als dat gerechtshof door den Paus wordt voorgezeten; dat gerechtshof uit feilbare menschon samongesteld oordeelde met de ivetenschap van dien tijd, zooals toon het Parlement van Parijs en do hoogoscholen oordeelden. De voorwaarden voor een onfeilbaar oordeel waren hier niet voorhanden: or is slechts sprake van een maatregel van titcht.

!) Zie ook Jaugoy; Le procés de Galilée.

ocr page 316

196

§ 28.

Zijn er slechte Pausen geweest?

.,1)0 waanliglieiil dos H. Potrus ^aat zélfs in eon omvannlitfon orf^onaain niot voiioren.quot; (H. I.oo do (irooto 4G1.) „Alox.amlor dein Socliston don Papst vorwerfen, ist, als wenn man ans dor Coschiclito Noro's wider don Kaiser sclireibon wollto.quot;' (Do Protestant J. von Miiller.)

Hans von Zollern heeft in zijn werk Nach Kanossa persoonlijkheden beschimpt, die ons Katholieken dierbaar zijn. Vol vereering- en bewondering zien wij op naar de renzengestalte van een Gregorius VII, wiens machtige schreden thans nog in de hallen der geschiedenis te vernemen zijn; wij vereeren in hem de verwerkelijking van al die deugden, welke den plaatsvervanger van Christus sieren kunnen, en bewonderen de grootheid zijns geestes, de ijzeren consequentie van zijn daden, de geweldige alles overwinnende kracht van zijn wil. De protestantsche geschiedvorsching heeft sinds J. Gr. Voigt „dem einzig dahslebenden Mannquot; recht laten wedervaren, al billijkt zij ook niet zijn streven. Het beeld van Gregorius „schwankt, nur selten noch, von der Parteien Hass und Gunst entstellt, in der Ge-schichtequot;, zegt H. Keiter. .,Da kam Hans von Zollern, er schaute auf zu dem hehren Denkmal, das der grosse Papst für ewige Zeiten sich gesetzt bat, und er konnte dem Drange nicht widerstehen, es zn beschmutzen.quot;

Tot algemeene karakteristiek van Gregorius schrijft Von Zollern het volgende: „Rücksichtslos in der Wahl der Mittel, gewissenlos in betreft' der Ausführung seiner Gewaltakte, verfolgte er nicht etwa das hohe Ziel, durch Verbreitung von Gesittung und Religion das Glück der

ocr page 317

197

Mensclilieit zu begTÜnden, sondern mit blutgetranktem Seliwcrte, dureli List, Verrat und Treubruch tracbtete er darnaeh, die Macht der Kirclie zu webren.quot;

Ziellier de grondbeginselen, waarnaar Greg'orius volgens Von Zollner handelde: „Scblagt, stecbt, mordet, die H. Kircbe nimmt Alles anf sicb. Kein Bid soil mebr gelten, wenn die Kircbe anders befieblt.

Die Kircbe bami kein Unrecbt tbun, bei ibr verjart das Unrecbt zn Eecbt.Wer nicbt über Leicben scbreiteu kann, obne zu erscbauern, der muss nicbt nacb dem Tbrone streben, nicbt der Mann des Jabrbunderts sein wollen.

Was uns nützt, ist für uns ecbt und als solcbes erwiesen. Die Revolution, wo es nicbt anders gebt, ist die beste Verbündete Roms, um die Fürsten und die rebelliscbe Greistlicbkeit niederzuwerfen.quot;

De Gymnasial-Direktor Dr. l'ranz ïleyer laat Gregorius eenige Pausen vermoorden. Waarom ook niet!' Dat kan er nog wel bij.

„Der Scbneebal und das böse Wort, Sie wacbsen, wie sie rollen fort, —

Eine Handvoll wirf zur Tbür binaus,

Ein Berg wird's vor des Nacbbars Hans.quot;

De menigte, sinds eeuwen stelselmatig bedrogen, oordeelt — om met übland te spreken — aldus over bet pausdom:

„Deun was es sinnt, ist Scbrecken,

und was es blickt, ist Wut, Und was es spricbt, ist Geissel,

und was es scbreibt, ist Blut.quot;

Hoe geringer en oppervlakkiger de beschaving, des

de Paus II. ] 3

ocr page 318

198

te dieper zit de haat tegen Rome, des te gemakkelijker is hij te ontvlammen, des te moeielijker te genezen; hoe hooger echter het standpunt is, van waar de geschiedenis beschouwd wordt, hoe helderder de blik de kruisende paden der geschiedkundige ontwikkeling te overzien vermag, hoe scherper de omtrekken der uitstekende persoonlijkheden, het doel en de beweegredenen hunner daden zich vertooneu, des te billijker wordt de beoordeeling van 't pausdom en der Pausen, des te duidelijker het beeld, dat partijdige geschiedschrijvers opzettelijk verduisterd hebben. Geen der groote, nieuwere geschiedschrijvers heeft een algemeen veroordeelend vonnis tegen deze verhevene instelling durven uitspreken, wel hebben integendeel t alrijke voorname geschiedkundigen van naam rond en open geoordeeld, dat zonder het pausdom Europa een prooi der dwingelanden of zelfs een inongoolsche woestenij zou geworden zijn, — dat de wereld aan de Eoomsche hiërarchie of kerkelijke inrichting geheel hare beschaving heeft dank te weten, — dat het pausdom in de middeleeuwen het toevluchtsoord van staatkundige vrijheid was. En hoevele pausen zijn er niet geweest van machtige geestesgaven, vol wilskracht en vrij van zelfzucht, wier boezem gloeide voor 't heil der menschheid, voor kunst en wetenschap ! . . . .

Dat hebben mannen getuigd, wier namen immer op de geschiedrollen der wetenschappen schitteren zullen. Wij verheugen ons over zulk een oordeel, maar zien met droefheid, dat zelfs het getuigenis des hemels niet bij machte zon zijn, do geschiedleugen den kop af te slaan. De spotprent over het pausdom, zooals zij sinds de Centuriatoren van Maagdeburg met geslepen overleg door honderden schrijtiustige pennen geteekend werd,

ocr page 319

199

is nu eenmaal in de verbeelcling' onzer protestantsclie broeders vastgeslagen, en liet zal ons niet gelukken, ze te verwijderen, mede hierom niet, wijl mannen als Veritas, Qnast, Mr. Verkouteren. Van Veen 'en tutti quanti de ontkleurde prenten aldoor ophalen met de kleuren van hun groot verfbord.

Hun vijandigen blik ontgaat geen stofje, dat in den loop van bijna 2000 jaren den schitterenden mantel dei-Kerk bevlekt heeft; met den ijver van bijen zoeken zij bijeen, wat deze of gene persoonlijkheid nadeeligs aankleeft en in geschikte bijeenschikking van kleur en schaduw brengen zij een historisch beeld der Katholieke Kerk voor den dag, dat in zijn afschrikkende leelijkheid de onwetenden met huivering vervullen moet. Wij, Katholieken, loochenen niet, dat in de geschiedenis onzer heilige Kerk duistere punten voorkomen, die een tijdlang den glans der goddelijke stichting verduisteren, maar wij weten ook, dat deze tijden in de eeuwenlange ontwikkeling op hot wezen der Kerk evenmin eenigen invloed geoefend hebben als duisternissen op den zonnebol, die heden nog levenwekkend zijn stralen naar de aarde zendt als eeuwen en eeuwen te voren. Hier geldt het treffende woord van Adolf Stahr (geb. 1805) in zijn zonderlinge geschiedenis van Tiberius (2 TJitg. blz. 17): „Eén vonkje waarheid, door den vergiftigen adem van den haat tot een verteerende vlam aangeblazen — dat is ten allen tijde het helaas! maar al te machtig middel geweest, de waarheid in haar tegendeel te verkeeren.quot; (H. Keiter: Konfessio nelle Brmmenvergiftimg Abdr. 1896.)

Een conservatief Protestant schreef: „Wijl de recht-zinnigen niet willen of meenen niet te mogm toegeven, dat Vader Luther in do loochening van 't pauselijk

ocr page 320

196

§ 28.

Zijn er slechte Pausen geweest?

.,1)0 waardigheid dos II. Potrus gaat. zélfs in oon onwaardigon orCgonaain niot vorloron.quot; (II. Loo do (Jrooto f -Kü.) .,Aloxandor dem Soclisten den Pai»st vorwerfen, ist, als wenn man aus der (i'escliielito Nero's wider den Kaiser sciireiben wollte.quot; Do Protestant J. von Miillor.)

Hans von Zollern lieeft in zijn werk Nach Kanossa, persoonlijklieden bescliimpt, die ons Katholieken dierbaar zijn. Vol vereering en bewondering zien wij op naar de reuzengestalte van een Gregorius VII, wiens machtige schreden thans nog in de hallen der geschiedenis te vernemen zijn; wij vereeren in hem de verwerkelijking van al die deugden, welke den plaatsvervanger van Christus sieren kunnen, en bewonderen de grootheid zijns geestes, de ijzeren consequentie van zijn daden, de geweldige alles overwinnende kracht van zijn wil. De protestantsche geschiedvorsching heeft sinds J. Gr. Voigt „dem e innig d akst el) enden Mannquot; recht laten wedervaren, al billijkt zij ook niet zijn streven. Het beeld van Gregorius „schwankt, uur selten noch, von der Parteien Hass und Gunst entstellt, in der Ge-schichtequot;, zegt H. Keiter. „Da kam Hans von Zollern, er schaute auf zu dem hebreu Denkmal, das der grosse Papst für ewige Zeiten sich gesetzt bat, und er konnte dem Drange nicht widerstehen, es zi; beschmutzen.quot;

Tot algemeene karakteristiek van Gregorius schrijft Von Zollern hot volgende: „Rücksichtslos in der VVa 111 der Mittel, gewissenlos in betreft' der Ausführung seiner Gewaltakte, verfolgte er nicht etwa das hobe Ziel, durch Verbreitung von Gesittung und Religion das Glück der

ocr page 321

197

Mensclilieit zu begründen, sonclern mit blutgetranktem Schwerte, clurcli List, Verrat unci Troubruch trachtete er darnach, die Macht der Kirclie zu wehren.quot;

Ziellier de grondbeginselen, waarnaar Gregorius volgens Von Zollner handelde: „Scblagt, steebt, mordet, die H. Kircbe nimmt Alles auf sicb. Kein Eid soil mebr gelten, wenn die Kircbe anders befiebit.

Die Kircbe kann kein Unrecbt tbun, bei ibr verjart das Unrecbt zu Recbt.Wer nicbt über Leicben scbreiten kann, obne zu erscbauern, der muss nicbt nacb dein Tbrone streben, nicbt der Mann des Jabrbunderts sein wollen.

Was uus nützt, ist für uns ecbt und als solcbes erwiesen. Die Revolution, wo es nicbt anders gebt, ist die beste Verbündete Eoms, urn die Fürsten und die rebelliscbe Geistlicbkeit i neder/uw er feu.quot;

De Gymnasial-Direktor Dr. Franz Heyer laat Gregorius eenige Pausen vermoorden. Waarom ook niet? Dat kan er nog wel bij.

„Der Scbneebal und das böse Wort, Sie wacbsen, wie sie rollen fort, —

Eiue Handvoll wirf zur Tbür binaus,

Ein Berg wird's vor des Nacbbars Haus.quot;

De menigte, sinds eeuwen stelselmatig bedrogen, oordeelt — om met Ubland te spreken — aldus over bet pausdom:

„Deun was es sinnt, ist Scbrecken,

und was es blickt, ist Wut, Und was es spricbt, ist Geissel,

und was es scbreibt, ist Blut.quot;

Hoe geringer en oppervlakkiger de beschaving, des

de Paus II. 13

ocr page 322

198

te dieper zit de haat tegen Rome, des te gemakkelijker is liij te ontvlammen, des te moeielijker te genezen; lioe Kooger echter het standpunt is, va n waar de ge-schiedenis beschouwd wordt, hoe helderder de blik de kruisende paden der geschiedkundige ontwikkeling te overzien vermag, hoe scherper de omtrekken der uitstekende persoonlijkheden, het doel en de beweegredenen hunner daden zich vertoonen, des te billijker wordt de beoordeeling van 't pausdom en der Pausen, des te duidelijker het beeld, dat partijdige geschiedschrijvers opzettelijk verduisterd hebben. Geen der groote, nieuwere geschiedschrijvers heeft een algemeen veroordeelend vonnis tegen deze verhevene instelling durven uitspreken, wel hebben integendeel talrijke voorname geschiedkundigen van naam rond en open geoordeeld, dat zonder het pausdom Europa een prooi der dwingelanden of zelfs een mongoolsche woestenij zon geworden zijn, — dar. de wereld aan de Eoomsche hiërarchie of kerkelijke inrichting geheel hare beschaving heeft dank te weten, — dat het pausdom in de middeleeuwen het toevluchtsoord van staatkundige vrijheid was. En hoevele pausen zijn er niet geweest van machtige geestesgaven, vol wilskracht en vrij van zelfzucht, wier boezem gloeide voor 't heil der menschheid, voor kunst en wetenschap ! .. ..

Dat hebben mannen getuigd, wier namen immer op do geschiedrollen der wetenschappen schitteren zullen. Wij verheugen ons over zulk een oordeel, maar zien met droefheid, dat zelfs het getuigenis des hemels niet bij machte zou zijn, de geschiedleugen den kop af te slaan. De spotprent over het pausdom, zooals zij sinds de Ceuturiatoren van Maagdeburg met geslepen overleg door honderden achrijfiustige pennen geteekend werd.

ocr page 323

199

is nu eenmaal in de verbeelding onzer protestantsclie broeders vastgeslagen, en bet zal ons niet gelukken, ze te verwijderen, mede bierom niet, wijl mannen als Veritas, Quast, Mr. Verkouteren. Van Veen 'en tutti quanti de ontkleurde prenten aldoor opbalen met de kleuren van bun groot verfbord.

Hun vijandigen blik ontgaat geen stofje, dat in den loop van bijna -000 jaren den scbitterenden mantel dei-Kerk bevlekt beeft; met den ijver van bijen zoeken zij bijeen, wat deze of gene persoonlijkheid nadeeligs aankleeft en in geschikte bijeenscbikking van kleur en scbaduw brengen zij een bistoriseb beeld der Katbolieko Kerk voor den dag, dat in zijn afscbrikkende leelijkbeid de onwetenden met buivering vervullen moet. Wij, Katholieken, loochenen niet, dat in de geschiedenis onzer heilige Kerk duistere punten voorkomen, die een tijdlang den glans der goddelijke stichting verduisteren, maar wij weten ook, dat deze tijden in de eeuwenlange ontwikkeling op bet wezen der Kerk evenmin eenigen invloed geoefend hebben als duisternissen op den zonnebol, die heden nog levenwekkend zijn stralen naar de aarde zendt als eeuwen en eeuwen te voren. Hier geldt het treffende woord van Adolf Stahr (geb. 1805) in zijn zonderlinge geschiedenis van Tiberius (2 Uitg. blz. 17): „Eén vonkje waarheid, door den vergiftigen adem van den baat tot een verteerende vlam aangeblazen — dat is ten allen tijde het helaas! maar al te machtig middel geweest, de waarheid in haar tegendeel te verkeeren.quot; (H. Keiter: Konfessionelle Brunnenvergiftung 3 Abdr. 1896.)

Een conservatief Protestant schreef: „Wijl de recht-zinuigen niet 'willen of meenen niet te mogen toegeven, dat Vader Luther in do loochening van 't pauselijk

ocr page 324

200

gezag eu der liiërarcMe een misstap heeft gedaan en naar den kant der revolutie is uitgegleden, zijn zij genoodzaakt, de zonden van Pausen, geestelijkheid eu van alles wat ten tijde der Hervorming aan de zijde der Katholieken stond, zoo zwart te kleuren als maar mogelijk is.quot; {Hist, polit. 111. 189G 117, 431 f; A. Baum-gartner Stimmen enz. 1896 50, 322.)

„Toen ten tijde van het Josephistisch keizerschapquot;, zegt Dr. Th. Seherer, „een geschrift tegen den A.posto-lischen Stoel, onder den titel: Wat is de Paus? verscheen, antwoordde een diepdenkend schrijver: De Paus is voor alles een mensch. Wat beteekent dat? Don Paus is de waardigheid, maar ook de zwakheid van den mensch eigen. Dat de Pausen menschen zijn en waren en zijn zullen, dat kmmen wij niet veranderen; wij zouden dan den (xodmensch zeiven moeten beschuldigen van onverstand, omdat Hij het roer zijner H. Kerk aan geen hoogere, buiten- en bovenaardsche wezens heeft toevertrouwd, maar in de handen van zwakke en gebrekkige aardbewoners heeft gelegd.quot; (De.-heilige Vater.)

Wij, Katholieken, loochenen volstrekt niet, dat er slechte, plichtvergetene pausen zijn geweest, die meer aan zichzelven dachten dan aan 't heil der Kerk, maar het getal dezer ongelukkigen kan men gemakkelijk op de vingers aftellen. Wat beteekent zulk een klein getal onder de 259 opvolgers van den H. Petrus? Zijn niet deze slechte pausen, juist wijl hot hun niet gelukte, der Kerk onherstelbare schade aan te brengen, oen bewijs voor de goddelijkheid der instelling? God heeft de heiligheid der Kerk gewaarborgd, niet de heiligheid der kerkelijke waardigheidsbekleeders, en en daarom is de leer der Kerk rein gebleven, ofschoon de

ocr page 325

201

Kerk zelve eenige malen door onwaardige pausen bestuurd werd. „Niettegenstaande alle menschelijke gebrekenquot;, zegt de gescliiedkundige Dr. Hergenrötlier, „zal de katholieke cliristenlieid, in strenge geboorzaaiuheid jegens baar opperhoofd volhardende, nimmer het ware geloof verliezen, nimmer tot de dwaling gebracht worden.quot; Voor een groot gedeelte echter klampen protestantsche geschiedschrijvertjes en alle roman fabrikanten, die gaarne een Paus willen behandelen, zich vast aan de onwaardigsten. Ijverig vegen zij met den bezem van 't vooroordeel alle vuiligheid, die zij langs den weg vinden bij elkaar, bekommeren zich er niet over of niet een booze hand dat vuil op het pad van den Paus geworpen heeft, maar beschuldigen hem zeiven er van. En hun publiek toont zich tevreden; het voelt geen behoefte, het vuil te ziften, wijl het maar een Paus geldt, die reeds door Luther met o! zulke liefelijke benamingen vereerd werd. (H. Keiter 1. c.) !)

Prof. De Groot schrijft (blz. 200): „Op de een-en-dertig Pausen van Formosus (f 89(5) tot Silvester II (f 1003) komen er twee of drie voor, wier nagedachtenis onder ernstige beschuldiging ligt; dat er eene laakbare verstandhouding van Sergius III (f 911) tot Marozia en van Johannes X (f 92-1) tot Marozia's moeder Theodora zou bestaan hebben, moet als onbewezen en als strijdig met zekere feiten en geloofwaardige getuigenissen der

!) Ds. A. V. zegt op blz. 101, dat hij met hot oog op oonigo door hem saogehaalde woorden van Gregorius den Grooto, „waar-sahijnlyh.... veel rechtquot; zou hobbon den Paus don antichrist to noemen; wij zullen to gelegener plaatse in dit boekje bewijzen, dat de domineo mot het oog op de aanhaling van Gregorius den Groote zeer zeker volstrekt geen recht daartoe hooft.

ocr page 326

cmcllieid worden geloocliend. En niet alleen vindt de pornocraiie, door eenig-e onkatliolieken met zooveel overdrijving gescliilderd, geen genoegzamen grond in de feiten, maar versclieidene Pausen verspreidden door dien duisteren tijd den glans eener buitengewone deugd: Johannes IX (f 900), Benedictus IV (f 903), Leo V (f 903), Anastasius ILL (f 913), Stepliauus VII (t 931), Leo VIL (f 939), Stepliauus VIII (f 942), Marinus II (946), Agapetus II (f 955), Benedictus V (f 904), Benedictus VII (t 983), Johannes XV (t 996), Grego-rius V (t 999), Silvester II (1003), gaven het voorbeeld van een vroom leven en van degelijk plichtbesef. (Zie Gfrörer: Gregor Vil B. 5, 197—199; tïefele: Beitra ge mr Kirchengeschiclde I 227—278; Murphy: The Chair of Peter ch. 37.)

Om hunne valsche aanklacht van utiliteitspolitiek tegen de Pausen te staven, hebben sommige schrijvers den H. Stoel menige misdaad aangetegen. Zoo zou Clemens IV aan Karei van Anjou, die den jeugdigen Con rad ij Ti gevangen hield, hebben geschreven: „Conra-dijns dood is Kareis levenquot;; wat klaarblijkelijk het doodvonnis van den ongel nkkigen Conradijn. inhield. Maar dit feit is door echte brieven, waarin Clemens juist op de vergiffenis van Conradijn aandringt, onwaar bevonden. (Cantü: Hist. Univ. t. 6, p. 104. J. V. De Groot O. P.: De Pausen 2 druk blz. 238.)

„Dat vele onzer landgenooten tegen Paus Hildebiand (t 1085) zijn ingenomen, zal niemand verbazen. Eene belangrijke proeve echter van wijsgeerige historie, gaf de Evangelische Maatschappij in de Evamj. Bihl. 1858 (IV blz. 70), waar vermeld wordt, dat Gregorius, daar hem door langdurige gewoonte de leugen tot waarheid en onrecht tot recht was geworden, luet de rust van

ocr page 327

203

een lieilig-e stierf. — Dit zweemt nog naar de XVIae eeuw, toen de scliool van Matthias BLicieli (Flacms 111 vricus), dat is der maagdenburger Eeuwschrijvers, Hildebrand het monsterachtigste aller monsters noemde: „monstro omnium monstruosissimo.quot; 1)

Van Innocentius TTI (f 1216) beweerde men, dat hij, een der edelste figuren uit de middeleeuwen, zijn voogdijschap over den jeugdigen Frederik II geheel tot verdelging van dezen laatsteu had geoefend. Nu hoort men een sieraad der duitsche geschiedschrijvers, den Protestant Müller zeggen: „Innocentius III vervulde jegens den jeugdigen Frederik II de plichten van beschermheer als een edelmoedig vorst, als een edel ridder.quot; (Müller: Weltgosch. t II ch. 9; J. V. de Groot O. P.: De Pausen 2 druk blz. 238.)

Luther zegt: „H a d r i a a n lil (884—885) en A 1 e x a n-der IV (1254—1261) ziju onboetvaardig iji hunne zonden gestorven, zitten boven, midden en beneden in de helquot;. . ., {Jen. Ansg. t 8 f 207.)

Hoe weet Luther, dat die twee Pausen, van wie de eerste nog geen jaar Paus is geweest, onboetvaardig in hunne zouden gestorven zijn?

Daarenboven wat hebben zij toch misdaan om boven, midden en beneden in de hel te liggen':' Is het, omdat Hadriaan III aan Photius Litterae synodales zond?

pi

i !

■

fc'

p r1

■

'I?:-

Van Alexander IV leert de geschiedenis: hij was rein van zeden en edel van hart, maar te toegankelijk voor

!) J. V. De Groot O. P.: De Pavsen 2|lc druk blz. 206. Loost men blz. 69—73 van het workje 'De Gesch. der Christel. Kerk, gedokt door het gozag van Ds. J. H. Donner, dio den stempel van „historische trouwquot; daarop drukte, en wordt men daarna bekend mot hot oordcel van degelijke protostantaoho geschiedkennors, dan gelooft men zijne oogen niet.

ocr page 328

204

onwaardige raadgevers en niet opgewassen tegen den italiaanschen partijgeest. Zon hij daarom in de hel zijn? Dan zal daar nu wel geen plaats meer wezen.

Pans Hadriaan VI (f 1523) werd door Lntlier genoemd „ein H eucliler und der argste Feind Gottes.quot; (Hefele-Hergenröther: Conciliengcschichte 9 1890, 282.)

Eu wat meldt de geschiedenis van dezen man P Hij was vlekkeloos van leven, had een streng jdichtbesef, groote liefde voor de waarheid en was zeer onbaatzuchtig.

Sixtus IV (1471—1484) is schandelijk belasterd. Welke fouten hij ook als Paus beging-, hij was en bleef rein van zeden, vroom en godsdienstig en zeer milddadig. Dat is gebleken uit het strenge onderzoek van Hergenröther, Hefele en vooral van L. Pastor. Zie ook GescMchtsliigon. (15 Aufl. 1898 Neue Folge S. 68—77.)

Eenige Pausen, ongedachtig de hooge en verhevene deugden, die zoo vele hunner voorgangers sierden, ongedachtig de groote en zware verantwoording, die op hunne schouderen rustte, ontwijdden door onheilige wereldschgezindheid en weelderige pracht, door wereldlijke heerschzucht en politieke kuiperijen, door onwaardige hebzucht en verderfelijk nepotisme den eerbiedwaardigen Stoel van den Prins der Apostelen.

Wijst men verwijtend op deze Pausen dan hebben wij het volgende te antwoorden: 1. wij. Katholieken, erkennen open en eerlijk de onwaardigheid van deze Pausen, en denken er niet aan hen als groote en trouwe Godsmannen te eeren.

2. Deze onwaardige Pausen, ofschoon zij voor hun persoon uit menschelijke zwakheid en hartstocht in deze of gene fouten en zonden vielen, hebben toch nooit in hun amht als Paus een leer voorgedragen, die de chris-

ocr page 329

205

telijke zedenleer kwetste, liebben nooit een besluit uit-gevaarcligd, dat met de zedenkunde in tegenspraak was.

„Het was zeker niei: zonder beteekenisquot;, schrijft zeer juist Alzog {Kirchengesch. b. 2 S. 184) aangaande den slecbtsten Paus, Alexander VI, „dat bij zulk een waarneming van het pauselijk ambt het bewustzijn van de h o o g-e plichten in Alexander VI toch 1 e v end en wakker gebleven en geen kerkelijk besluit of bevel door hem is afgekondigd, dat tegen de zedenleer aandruischt e.quot;

3. De waardigheid en verhevenheid van het pauselijk ambt blijft onaangetast door de persoonlijke onwaardig-digheid van eenige dragers van dat ambt. Evenmin als de persoonlijke slechtheid van een rechter de waardigheid van het rechterlijk ambt, evenmin als de persoonlijke zondigheid van een priester de verhevenheid van 't priesterdom in hare waarde kan verminderen, evenmin vermag de onwaardige persoonlijkheid van een of anderen Paus aan de verhevene waardigheid van het pausschap in hare innerlijke obiectieve waarde afbreuk te doen en ze te schaden. Het pauselijk ambt staat hoog verheven boven de persoonlijkheid van zijn drager en kan in en op zichzelf door de waardigheid van hem, die het draagt, noch in innerlijke waarde winnen noch door diens onwaardigheid in innerlijke waarde verliezen. Ook de eerste Paus, de H. Petrus, heeft zwaar misdaan, daar hij zijn Heer en Meester verloochend heeft, en toch behield hij de verhevene bediening, waartoe de Heer hem boven alle overige Apostelen geroepen heeft! {Bas Luthermonument zu Worms 2 AuÜ. S. 110.)

In mijn boekje Het Huis op de Steenrots blz. 55 haalde ik deze woorden van Dr. Schaepman aan: „De belijdenis van Petrus is door de verloochening in den lijdensnacht

ocr page 330

20G

niet te niet gedaan en de belofte is door de voorspelling van de zwakheid niet teruggenomen. Paulus heeft in den berispelijken Petras tocli den eerste der Apostelen gehuldigd, en Dante Alighieri heeft in den hem vloek-waardigen Bonifatius VIII den Gran Pre te gehuldigd, den onaantastbareu Stedehouder Gods.quot; (IIoomsch Ttocht ld/,. 15.)

„Uwe vergelijking is niet juistquot;, antwoordt Ds. A. V. (blz. 100), „Petrus is wel voor een oogenblik tot een'val gekomen; doch zeer spoedig heeft hij met tranen van berouw zijne misdaad beschreid. Gij ziet toch wel verschil tusschen hem en een zedeloozen PausPquot;

Ik zie het verschil zeer goed: Petrus de Apostel, door Christus zelf onderwezen en gevormd, verloochende zijn Heer en Meester tot driemaal toe, en een of ander Paus is zedeloos geweest.

Eerste verschil: Verloochening, zedeloosheid. Wat doet dat verschil hier ter zake? Ik zie het niet. Het zit toch niet in de soort van schuld. *)

Tweede onderscheid: Petrus heeft zeer spoedig berouw gehad, een of andere Paus daarentegen bijv. Alexander VI verzaakte zijn plicht tot aan zijn einde.

Ook dit verschil doet hier niets af. Want tusschen den val en de opstanding van Petrus verliep toch eenvje tijd. Welnu heeft de Apostel in den tijd, die tusschen de zonde en het berouw verstreek, de waardigheid die hem beloofd was, verloren? Immers neen.

!) Do H. Ohrysostoraus noomt don misslag van Petrus groot cn ernstig: „Non cnim parvus fuit rcatus, proprium Dominum ncgasse, sed magnus ot gravis.quot; Oi yy.p [xtvpoy zy/./:r,uy. n ' y.pvr.TXTrsy.'. nv 'iTiiov AcTTrÓT'/p, //././ ftiyx y.yj ' irryypiy-(Migno P. G. t 49 col. 298.)

ocr page 331

207

Men zal misschien zeggen: Toen liij viel, was liij nog geen Pans. Ik antwoord: Hij wist tocli tot welk eeii waardigheid Christus hem bestemd had, hij was reeds Apostel en onzondigheid was hem niet beloofd.

Maar, zegt Ds. A. V. (blz. 101) „als het er zoo weinig op aankomt, wie de ambtsdrager is, wie ons de goddelijke waarheid mededeelt en verklaart, dan kunnen wij ten minste even zoo goed naar Luther hooren, op wiens zedelijkheid niets is aan te merken, en die getoond heeft, dat het hem niet is te doen geweest om zelfverheffing, maar om des zondaars vertroosting in leven en sterven.quot;

Een vraag en een antwoord. Een vraag: Is Luther de opvolger van Petrus :1

Een antwoord: Het komt er veel op aan, wie de ambtsdrager is. Bij de pauskeuze wordt het stembriefje van eiken kardinaal oj) een kelk g-elegd, nadat die kardinaal gezworen heeft hèm gekozen te hebben, dien hij voor God geschikt acht. Door vasten en gebed wordt de keuze voorbereid. Men leze Die cine Be-

schreibung and Ahhildung der Gebrauche enz. (Augsburg 7 Aufl. 1846.)

En nu een woord over den slechtsten Paus, Rodrigo Borgia, die van 1492—1503 onder den naam van Alexander VI de Kerk bestuurde.

In zijne G-eschichte der Paps te (III 2 Aufl.) besluit L. Pastor zijn eindoordeel over Alexander YI met deze woorden: „Zoo heeft hij, die op den hoogen wachttoren des tijds staan moest om te redden wat te redden was, meer dan ieder ander daartoe bijgedragen, dat het verderf in de Kerk machtig toenam. Het leven van dezen zinlijken man van onbeteugelden wellust weersprak in

■I

É ik:

i|te| til

'in

I' I

Hl lip

I

ocr page 332

208

alles de eisclieu van Hem, dien hij op aarde vervangen moest. !) Met volslagen onbescliroomdlieid gaf liij zicli tot aan zijn einde aan een zondig leven over. Maar merkwaardig: zijne behandeling van kerkelijke aangelegen lieden heeft tot geen grondige afkeuring aanleiding gegeven; zelfs zijn verbitterdste tegenstanders konden in dit opzicht geen verderreikende bijzondere beschuldigingen te berde brengen. De reinheid der kerkelijke leer hlcef ongeschonden. Het was, alsof de Voorzienigheid had willen toonen, dat de menschen aan de Kerk wel nadeel kunnen toebrengen, doch haar niet kunnen verdelgen.

Door alle eeuwen heen zijn in de Kerk èn slechte christenen èn onwaardige priesters geweest. En opdat niemand zich zou ergeren, heeft Christus dit zelf voorzegd. Immers Hij vergeleek zijne Kerk niet een akker, waarop naast de goede tarwe ook onkruid groeit, niet een net waarin goede en slechte visschen zijn, terwijl Hij ook zelf onder zijne Apostelen een Judas duldde. Gelijk eene slechte invatting de waarde van een edelsteen niet vermindert, zoo vermag ook de zondigheid van een priester noch aan zijn offerande noch aan zijne bediening der Sacramenten noch aan de door hem voorgestelde leer nadeel te doen. Voor het leven der geloo-vigen is zonder twijfel de persoonlijke waardigheid van den priester reeds in zooverre van de grootste beteekenis, als hij daardoor aan de ledematen der Kerk een levend voorbeeld ter navolging geeft en aan de andersdenkenden grootere achting afdwingt. Nochtans kan de heiligheid of onheiligheid van een of ander persoon onmiddellijken noch beslissenden invloed oefenen op het wezen, de goddelijkheid en heiligheid der Kerk, op het woord der

!) Dat zeggen reeds zijne tijdgonooter.

ocr page 333

209

openbaring, op de genade van 't geestelijk bestuur. Zoo is ook de opperste hoogepriester niet in staat aan 's kernels schatten, door kern bekeerd en uitgedeeld en aan kem in kunne volkeid toevertrouwd, iets van kunne waarde te ontnemen. Het goud blijft goud of liet door reine of onreine kanden wordt uitgedeeld.quot;

Uit dat gezicktspunt kon Paus Leo de Grroote (440—tGl) zeggen: „De waardigheid des H. Petrus gaat zelfs in een oniraardigen erfgenaam niet verloren! Petri dignitas etiam in indigno herede non deficit.quot; [Sermo de Nat.)

Zeer jiiist keeft Dr. A. Knjper gezegd: „Wat ge kracktens uw ambt doet, doet ge niet uit uw persoon, maar ten gevolge van een op uw persoon gelegde waardigheid; terwijl omgekeerd, ketgeen ik buiten mijn ambt verriekt, door mij verriekt wordt als uitvloeisel van mijn persoonlijk welbekagen, zonder dat van een opgedragen mackt sprake komt.quot; (Tractaat van de Reformatie der Kerken 1883 blz. 67.)

Ik ondersckrijf ook de volgende gedackten van denzelfden Doctor, die dickter bij de Roomsck Katkolieke Kerk staat dan kij zelf meent: „Elk koning is even zondig als de minste zijner onderdanen, en ook in zijn persoon is alzoo geen enkele reden of oorzaak aanwijsbaar, waarom zijn onderdanen kem onderdanig zouden zijn.... Zie ik op den mensck als mensck alleen, buiten God gerekend, dan staat ket kind derhalve precies met zijn vader gelijk, en steekt er geen zweem van zonde in als een onlieve zoon aan zijn vader de gekoorzaamkeid weigert.... Maar waaruit ontstaat dan nu de plickt tot gekoorzaamkeid!' Antwoord: Eeniglijk en alleenlijk daaruit, dat God de Heer iets van zijn majesteit aan deze personen toevertrouwd. Stelregel is

ocr page 334

210

en blijft: aan God absolute geboorzaamheid sebulclig, want Hij is uw Schepper, uw Ouderhouder, uw Bezitter, uw Verlosser. Maar geboorzaambeid aan de menscben n o o i tquot; d.i. aan menscben als menscben alleen buiten God gerekend. {Tractaat der Ilcforrnatien der Kerken blz. 183.)

„Veel scberper dan alle andere naties onderscbeiden de Italianen persoon en ambtquot;, zegt Dr. Ludwig Pastor (Gesch. der Piipste 1 en 2 Auflage B. 2 S. 67). De woorden der H. Catbarina, dat men onder alle omstandigheden aan eiken, ook aan den slechtsten Paus moest gehoorzamen, drukten het algemeen gevoelen uit.

De H. Antoninus (f 1459) bespreekt uitvoerig de mogelijkheid, dat ook slechte priesters zelfs tot de pauselijke waardigheid verheven worden, en wijst op den plicht ook dezen te gehoorzamen. Op het overheidsambt, zegt hij, rust in de menschelijke maatschappij de orde, die door God gewild is. Mogen dus de overheden of onderdanen zoo slecht zijn als ooit, zoo is toch deze orde in zich iets goeds en ontstaat uit haar iets goeds. De macht, die God aan den duivel ter beproeving van Job, van Petrus en Paulus gegeven heeft, moest dienen tot versterking of tot oefening van den deemoed der beproefden. Antoninus dringt dan in sterke bewoordingen aan op den plicht van gehoorzaamheid vooral jegens den Paus, den hoogsten overste op aarde. Overigens kan een zedelijk onvolmaakte Paus toch een goed bestuurder zijn. En wanneer het voorkwam, dat de Paxis èn een slecht mensch èn een slecht bestuurder was, dan is het misbruiken van de macht aan de verdorvenheid der menscben te wijten, maar de macht zelve, bet gezag komt van God; die macht dient den uitverkorenen tot reiniging en heil, den boozen tot

ocr page 335

211

kwelling- en ter veroordeeling-, (S. Antoninus: Summ. theol. 3, tit. 22 c. 2.) !)

Vondel zingt :

„Wie geen gewettigd ampt van misbruik ondersclieidt,

Onteert meteen den Stoel der wereldselie Overheid.quot;

En bij den Protestant W. a Brakel {Redelijkheid van den godsdienst I biz. G51) lees ik: „De ledematen kunnen niet bewust zijn van de inwendige zending der leeraars; daarom liebben zij zich daarover niet te bekommeren. Ook bebben zij de uitwendig'e roeping' der Leeraren in al bare omstandigheden niet te nauw te doorsnuffelen. Als iemand door de opzienders der gemeente beroepen is, zij liebben bem voor een gezant van Christus te erkennen. Is de leeraar een Judas, dat komt op hem zei ven aan bij ziebzelven; goddelooze predikanten zijn gezanten gelijk Judas, ook die moet de gemeente hooren.quot;

Dat heeft ook de Zaligmaker zelf geleerd: „De Schriftgeleerden en Farizeën zijn gezeten op den stoel van Mozes; daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden (onderhouden) zult, houdt dat en doet het, maar doet

') Do groote Bornardinus van Siëna (f 1444) zegt in zijn Sormo 19 de 12 poenUentiae impedimentis: „Nesciunt nempo distinguore inter praelatorum et saccrdotum gradum ot vitam. Licot ornm vita multorum clericorum sit criminibus plena: auctoritas tarnen in illis est sancta et vencranda, sicut in sormone soquonti patebit.quot; (t 1 p. 107.)

In Sermo 20 Over den eerbied aan de priesters verschuldigd zegt

liij:......licot vorum sit quod quando caput dolot, caetera metnbrc.

laDguont: nihilominus incomparabiliter maius malum et dotoriup-est horaini habere caput praecisura, quam caput vulnoraturn vel fractum.quot; (t 1 p. 113.)

En in Sermo 511 „Orane saccrdotium sanctum, sod non omnis sacordos.quot;

ocr page 336

212

niet naar limine werken; want zij zeggen het en doen het niet.quot; (Matth. 23 : 2, 3.)

„Voorzeker wordt het Pausschapquot;, zegt de geleerde Kastner [Des l'apsttJiKms segensvolle Wirlcsarnheit § 70—75), „in zoover dit het bestaan en het gezag van een algemeen en zichtbaar opperhoofd der Kerk beteekent, als goddelijke instelling en wel met de beste schriftuurlijke en traditioneele gronden door de Katholieken aangezien en geëerd; doch de pauselijke waardigheid wordt niet door bovenaardsche wezens, maar door menschen gedragen.quot;

De Protestant G. Gothein schrijft in zijn Ignatius von Loi/ola und die Gegenreformation (Halle M. Kiemeijer 1895 blz. 10): „Das soil der beste Ruhm der protestantischen Geschichtschreibung sein, dass sie Werden und Wesen jenes merkwür dig sten Plüinomens der Welig eschichte, 'Welches wir katholische Kirche nennen, am unbefangensten zu würdigen weiss.quot;

En de Protestant J. von Muller schreef den 15 Mei 1782 aan C. Gleim: „Innocentius der Dritte und andere haben die höchsten Tugenden in ihrer Anfsicht iiber die christliche Welt ausgeübt. Alexander dein Sechsten den Papst vorwerfen, ist,quot; quot;als wenn man aus der Ge-schichte Nero's wider den Kaiser schreiben wollte.quot; (J. von Maller Werke D 16 S 15(5.)

ocr page 337

DE PAUS

DO( illt;

H. ERMANN S.J.

Derde Gedeelte.

1 Famp;HCHT,

WIJD. J. R. VAN ROSSr.M, 1899.

Mi

^quot;1

IKM

11

: te ■ i HH

IH

ocr page 338
ocr page 339

EEN WOORDJE VOORAF.

Een schrijver komt somtijds, evenals een ander menscli, onder den invloed van allerlei omstandig-lieden, die hem zijns ondanks van zijn oorspronkelijk plan aHeiden. Wie dat niet begrijpt, zal het ook niet inzien, als ik trachtte het te verdnidelijken. Dus ....

Mijn plan was mijn arbeid De Paus in twee deeltjes uit te geven; ter wille van omstandigheden moest het tweede door een derde gevolgd worden, en thans zie ik, dat het derde te lijvig wordt, indien geen vierde deeltje verscheen.

Dat zal liet laatste zijn. Dit woord drukt g-een voornemen, maar een belofte uit. Een belofte is heililt;gt;'. Dus ....

Lk bericht tevens den koopers van II, III en IV, dat het eerste deeltje, waarvan de 1000 exemplaren zijn uitverkocht, voor hen herdrukt wordt tegen den prijs van 30 cents.

Aan 't einde van het vierde en laatste deeltje zal een nauwkeurige inhoudsopgave gezet worden van personen en zaken.

DE SCHEIJVEE.

(i November 1899,

ocr page 340

INHOUD

Derdo gedeelte.

HUulzijile

S 29. Vromen en geleerden uit de IS1'' tot de ö'1quot;

eeuw............................5

A. Twaalfde en elfde eeuw..............5

B. Tiende en negende eeuw.......31

C. Achtste en zevende eeuw.......47

D. Zesde en vijfde eeuw........7ti

S 30. Gregorius de Groote en Ds. A. V......146

S 31. Vromen en geleerden uit de vierde eeuw . . 161 § 32. Pastoor P. J. Van Harderwijk en de H. Basilius

de Groote.............192

§ 33. Vromen en geleerden uit de derde en tweede

eeu w..............196

ocr page 341

§ 29.

Vromen en geleerden uit de 121,1 tot de 5ai- eeuw.

A.

twaalfde en elfde eeuw.

„En daarom lieert terecht zijn zetel (van Petrus}, dien hij met liet martelaarscliap van zijn lijdon verlieérlijkt heeft, ontler alle kerken het pri-maatschai) verworven, opdat gelijk hij aan quot;r hooi'd gesteld is van allo Apostelen, zoo ook zijn hisschopszetel aan In t hoofd sta van de overigen.quot;

Ahaelardus.

Pkteüs van Bi,(iis, Jlatjoxietex, ll'1'' Algem. KeRKVEEG. v. I .ATERA x EN. WaLDEXZEX, PKTBUS de Eerbiedwaardige, Bernabdus van Ci.air-veaux. (Ai.bige.xzex. Katharen), Potho, Petrus Aiïaelardcs. 10'1'' Algem. Kerk verg. van La-

teranen, hlldeberï vax lavardin, anselmus,

.Ma.xeguld vax Lautexbaci-i, Otto van Freising, Hönorius vax Autux, Hugo van St. Victor, tiregorius VII, Petrus Damianus, Eduard de Belijder, Leo IX, Joannes MauropuJ Odilo van Clugny enz.

Petrus van Blois, aartsdiaken 1130 f omstreeks 1200. De Protestant G. \\r. Fink sclirijft (E. u. Gr.): „Met recht moclit liij van ziclizelven zeg'g'en: Ik ben niet gewoon, de g'rooten in hunne fouten te vleien of den zondaar te prijzen naar den wenseli zijns harten.quot;

De Protestant C. Sclimidt noemt hem een man, „der in Theologie, Philosophie, Jurispmdenz, Medicin, Ma-thematik g'leich bewandert war.quot; (Dr. Her/.og-.)

de Paus III.

ocr page 342

6

Hij liet 243 brieven na, waaronder zeer belangrijke zijn, ö3 preeken op versclieiclene feesten en Heüicjm van 't kerkelijke jaar, las de H. Mis, boorde bieebt en erkende den bisschop van Rome als den pl aatsbekleeder van Christus.

In Ejpist. 23 zegt hij: „'t Is 't ambt van den prelaat de onderdanen te onderrichten, bet volk aangenaam to maken aan God, en do geheimen der H. Schrift te verklaren. Want aan Petrus en diens plaatsbe-kleeders wordt bevolen het net hooger uit te werpen, d. w. z. het diep begrip der H. Schrift voorde menschen bevattelijk te maken.quot; (Migne P. L. 119 c. 550.)

De M aronieten — aldus genoemd naar den 11. Maro •— zouden volgens sommige geleerden vroeger ketters geweest zijn, — iets wat hunne eigeue schrijvers echter beslist ontkennen. 'Zeker is het, dat zij in II82 onder den derden latijnschen patriarch van Antiochië Aimerich (1142—1187) den bisschop van Home als den primaat erkenden.

Onder den volgenden patriarch L u c a s (f 1 209) zochteu twee grieksche monniken door 't invoeren van nieuwe dwalingen ben weer tot ketterij te brengen, eu 't gelukte liuu zelfs Lucas voor zich te winnen, maar na diens dood ging zijn opvolger Jeremias terstond na zijne benoeming naar Rome, woonde het vierde Concilie van Lateranen (1215) bij en vernieuwde op een synode te Tripolis (1230) zijn trouw aan den H. Stoel. Op die synode legden 270 Maronieten door limine onderteekening getuigenis af van het katholiek geloof.

Hebben zij zich zelce.r vergist!'

Lucas II was weer een ketter (Monotheleet) en werd daarom op een synode afgezet.

ocr page 343

Verder bleven de Maronieten, op eenige zeer weinige uitzonderingen na, getrouw aan den H. Stoel.

De ll'10 algemeene Kerkvergadering van Lateranen 1179 zegt: „Over alle bisschoppelijke zetels staat een rechter, tot wien men zich richten moet, maar wat de Kerk van Rome betreft, is er geeti hooger, tot wien men zich wenden kan.quot; (Can. I.)

De Wa l den zen. Wilhelm Dieckhoff heeft door zijn geschrift: Die 11 (ddemcr lm Miitelalter (Göttingen 1851) voorgoed de meening van eenige Protestanten te niet gedaan, als zouden de Waldenzen ten tijde van Paus Silvester 1 (314—335) ontstaan zijn. Hun oorsprong dagteekent uit de tweede helft der twaalfde eeuw.

Op grond van eenige verkeerd begrepen teksten der H. Schrift predikte Petrus Waldus omstreeks 1170, dat de Kerk weder tot de apostolische armoede moest terug-keeren. Hij won vele aanhangers, die zonder uit de Kerk te scheiden hunne godsdienstige vergaderingen hielden en van welke velen, evenals Waldus, onder hot volk de noodzakelijkheid van volstrekte armoede predikten. Zij werden „de armen van Lyonquot; (pauperes de Lvgduno) ook „Lyonistenquot; en „Humiliatenquot; geheeten. Toen de aartsbisschop van Lyon hun het preeken verbood, wendden zij zich tot Paus Alexander III (1159—1181) om verlof tot prediken te bekomen. Zij erkenden bijgevolg den bisschop van Rome als het zichtbaar hoofd der Kerk.

De Paus verbood hun het prediken; zij deden het toch. Zulke kinderen der Kerk noemen wij ongehoorzame kinderen.

/ij wendden zich later wederom tot Paus Lucius III

ocr page 344

8

(1181—1185), erkenden dus den bisscliop van Eome als het ziclitbaar hoofd der Kerk.

De Paus sprak te Verona 1184 den ban uit over die weerspannige zonen. Toen dezen onherroepelijk waren losgescheurd, leerden zij, „dat de Paus het hoofd was van alle ketters, Papam esse caput omnium liaeresiarcJiaruin'quot; (Zoo gaat het gewoonlijk).

Zie Dr. Chrysostomus Huek: Dogmenhistorischer Beitrag zur Geschichte der Waldenser, nach den Quellen hearheitet S 74 ff. (Freiburg 1897). Dit werk is het beste, dat over de Waldenzen geschreven is, zegt P. Albers S. J., professor in de kerkelijke geschiedenis te Maastricht. Zie ook Emil Michael S. J. in /eitscli. fi'ir Kath. Theologie Jg. 23 S. 142—144 1899.

Dat Petrus Waldus en zijne aanhangers de vrijwillige armoede uit liefde tot Christus hoogschatten en daarin een middel zagen tot hoogere volmaaktheid, was geheel overeenkomstig het Evangelie en den geest der Kerk, maar hunne meening, dat de geheele Kerk en alle Christenen naar het voorbeeld der apostolische gemeente van Jeruzalem afstand moesten doen van de aardsche goederen en verplicht waren de evangelische armoede te omhelzen, zie dat was een verkeerd, dweepziek en onuitvoerbaar gevoelen. De apostolische armoede is noch kan een gebod voor alle Christenen zijn; zij is een van de drie groote evangelische raden, waarvan de nakoming niet voor alle Christenen is, maar enkel voor hen, die daartoe een bijzondere roeping gevoelen.

De protestantsche geleerde Dr. Herzog, professor te Halle, heeft evenals nog andere protestantsche schrijvers vóór hem, in zijn grondig werk Die romanischen Waldenser (1853) afdoende bewezen, dat de Hervormers van de 16'le eeuw vergeefs beproefd hebben te bewijzen, dat de

ocr page 345

9

oude Wal (lenzen nagenoeg' dezelfde leer predikten als zij zeiven, om zoo te kennen te geven, dat de leer van Calvijn, Zwingli en Lutlier niet nieuw, maar veeleer de oude oorspronkelijke apostolisclie leer was. [Das Luther-monuwent.)

Dr. Huck lieeft dat ook bewezen in liet laatste hoofdstuk van zijn bovenvermeld werk. Dat hoofdstuk draagt tot titel: Die waldensischen Doctrinen m ihrem ihneren Verhiiltniss zum Protestantismvs; mil dem lutheri-schen Formalprincip verwandie Ziige; weseniliche Ahweichung von dem Materialffincip oder der S o 1 a-fi d e s-Doctrin. Emil Michaël zegt ook, dat de Waldenzen der verschillende streken mede in de leer veel van elkaar verschilden.

Petrus bijgenaamd Venerabilis, „de eerbiedwaardigequot; (t 1156) schrijft aan Paus Tnnocentms II (f 1143): „Intusschen doe ik, wat ik kan, en door dezen brief spoor ik u met liefdevolle stoutmoedigheid en kinderlijke teederheid aan, om de lasten van Gods Kerk mannelijk te dragen, want niet een menschelijke maar een goddelijke keuze heeft ze in onze dagen op uwe schouders gelegd; ook moet gij den arbeid, hoe langdurig deze ook zij, niet moede worden; immers Hij, die door zijn geest alleen de gavsehe Kerk in u Vereenigd heeft, en bijna de geheele wereld aan uwe voeten doet nederknielen, zal ook de weinige vijanden, die nog overig zijn, aan u onderwerpen, en de Katholieke Kerk, zooals van den beginne af, boven alle ketterijen en scheuringen verheffen. Sta daarom standvastig pal, zooals gij tot nog toe gedaan hebt, want nimmer kan dat gebed van Christus ijdel zijn, waarin Hij voor Petrus gebeden heeft, dat zijn geloof niet zou bezwijken; maar veeleer zou hij ze'lf de gevallenen opbeuren, de wauke-

ocr page 346

JO

lenden versterken, de weifelenden bevestigen (Luc. 22). Met de geheele Kerk, door God u toevertrouwd, sta ook ik, de geringste onder de ledematen van Christus, in uw dienst, en niet mij is geheel Clugny aan n; en zoolang de adem leeft in onze borst, zullen wij bereid zijn u te gehoorzamen, met u te arbeiden, ja zelfs wellicht met u te sterven. Geen enkele verandering voorzeker van wisselvallige zaken zal ons veranderen, geen enkele afwijking ons doen afwijken, nieU zal ons kunnen scheiden van onzen herder, niets van Petrus, niets van Christus, wien wij allen in u alleen bezitten. Zoo zal, waar ook uwe woonstede moge zijn, overal met u onze gehoorzaamheid, met u onze toewijding blijven; immers ook de dichter zegt:

.......Toen Camillus in Veji woonde,

VV as daar Eome.......

(Lucan. F har sal., lib. V, vers 28—2!)), en Petrus in den kerker, Clemens in de ballingschap. Marcellus in den beestenstal, waren niet minder het hoofd der Kerk dan de Pausen van het Lateranum, en de schapen van Christus gehoorzaamden aan lien als hun waarachtige herders. (Migne P. L. t. 180 Ep. 1 col. 65.)

In een preek op den H. Marcellus, Paus en Martelaar (f 309) zegt hij: „Zoo sprak ook bij liet naderen van zijn lijden, bezorgd als Hij was voor de kudde, die Hij als 't ware ging verlaten, Christus, de opperste Herder, tot Petrus: Simon, zie Satan heeft gevraagd ulieden als tarwe te ziften. Ik echter heb voor u (Petrus) gebeden, dat uw geloof niet bezwijke; en gij eenmaal bekeerd, versterk uwe broeders (Luc. 21). Zoo spoorde de H. Mar-cellinus (f 804), die den zetel van Petrus bekleedde, en hem aan den H. Marcellus overgaf, dezen aan, niet te bezwijken, en wekte hem op om de rampen, die zouden

ocr page 347

11

volgen, met gelatenheid te dragen. (Migne P. L. t 189 col. 994 Sermo III.)

In een brief' aan Paus Eugenins lezen wij: „Maar ik, de zoon, onderriclit den Vader niet, ik, de leerling, onderwijs niet den leeraar. Verre van mij zulk een laatdunkendheid! Ik onderricht den leeraar, den meester niet.quot; (Lib. 6 Ep. 27 col. 439 Migne.)

Eu verder aan denzelfden Paus: „Overweeg, hoewel ik minder verstandig spreek door den leeraar te onderrichten, overweeg, dat de Herder, wiens plaats (jij op aarde vervult, gewond is om onze zwakheden en^ zichzelf aan zijne plaatsbekleeders tot voorbeeld stollende, zegt: Niet de gezonden, maar de kranken hebben den geneesheer noodig.quot; (Lib. (5 Ep. 43 col. 4(53 Migne.)

Van Paus Marcellus I (308—309) martelaar, zegt hij: „Obristus bereidt zijner Kerk een bekwamen hcstwurder. Hij voorziet zijn scheepje, dat van de kracht der golven veel te lijden heeft, van een zeer ervaren stutirman.quot; (Sermo 11 i Migne col. 994.)

Aan Paus Eugenins schrijft hij: ,.Het is uw ambt, de geschilpunten der geheele Kerk Gods in dit dal van tranen te hooren, ze op te lossen en door het apostolisch oordeel te eindigen.quot; (Lib. G Ep. 1 '2 Migne col. 41 I.)

En wie is nu de man, die zoo voor het pausschap getuigt;'

Petrus, die als abt van Clugny over meer dan 300 kerken, scholen en kloosters stond, wordt door den Protestant Dr. Herzog aldus genoemd: „Eet zal blijken, dat hem, die onder de godgeleeiden van de eerste helft der I 2,lc' eemu een der voornaamste plaatsen inneemt, de bijnaam e e r b i e d w a a r d i g e niet ten onrechte gege een is.quot;

Reeds in zijn jeugd werd hij geprezen le docteur et le

ocr page 348

12

maiire des vieillardsj liij was godgeleerde, dichter, redenaar, uitstekend geleerd in alle vakken, rein van leven, recht-scliapen van karakter, vol ijver tegen de ketterij en toch verdraagzaam en zachtmoedig (Yon Hefele).

Door zijne zachtmoedigheid, welwillendheid en godsvrucht heeft hij Petrus Ahaelard op den goeden weg teruggebracht.

Van Bernardus van Clairveaux (1112 t 1153) zegt de protestantsche schrijfster van de Geschiedenis der Christelijke Kerk: „Als monnik zocht hij door woord en voorbeeld allen, die hem omringden, tot een godzaligen wandel op te wekken; en toen hij later tot abt van het klooster Clairveaux werd verkozen, oefende hij ook daar een weldadigen invloed uit. Het klooster Clairveaux gaf aan allen, die het bezochten, den indruk, dat aldaar de vreeze Gods heerschte; . . . . het klooster ivas een toevlucht voor allen, die hulp en raad zochten, en voor menigeen was het verblijf aldaar feu eeuwigen zegen.... Het volk vereerde hem als een heilige, koningen en pausen beschouwden hem als hun vriend en raadsman.quot; (blz. 77.)

Hij heeft zeer vele wonderen gedaan. Men leze daarover een verhandeling van Dr. Gr. Hüffer, vroeger professor te Breslau thans te München, in het Hist. Jahrb. der Görresgesellschaft, waar die wonderen zoo overtuigend bewezen zijn, dat de Protestanten (o. a. Bemheim enz.) daartegen niets wisten te zeggen dan dat men die mirakels a priori moet verwerpen. Dat is de goedkoopste manier.

Bernardus erkende Rome's bisschop als Christus' plaatsbekleeder; heeft hij zich zeker vergist?

De Albigenzen, die in de 12l10 en 13ae eeuw in

ocr page 349

13

Zuid-Frankrijk Katliaren geuoemcl werden, verwierpen de zeven Sacramenten, loochenden de opstanding des Vleesches, liielden de zielen voor gevallene geesten en namen waarschijnlijk een zielsverhuizing aan. De Katholieke Kerk werd door hen de synagoge des duivels genoemd, waarin niemand zalig kan worden. Zij wilden van geen kerkgebouwen weten, omdat God niet in gebouwen van hout en steen, maar in goede en heilige menschen woont. Het middelpunt der ketterij werd de stad Toulouse.

„De sekte bestaat niet meer, zij verdween sedert het midden der 18,1e eeuwquot;, zegt de Protestant Gr. E. Petri (E. u. G.). „JSTur der ohnehin blos provinzielle Name der Albigenser, der Geist des Widerspruchs gegen das römische Kirchenthum lebte aber in den neuen Secten und Verbrüderungen, welche aus der Asche des Katha-rismus hervorgingen, und durch die nie ganz vertilgten VValdenser fort, um unter den Hussitischen IJnruhen und im Jahrhunderte der Keforniation wieder in helle Mammen auszubrechen.quot;

„Reeds Bern a r d u s van C1 a i r v e a u xquot;, aldus de protestantsche schrijfster van de Geschiedenis der Chris-telijke Kerk (blz. 79), „had de ketters door den arbeid der liefde tot de Kerk zoeken terug te brengen, en was hierin gedeeltelijk geslaagd.quot; Van dien Bernardus schrijft de Protestant G. E. Petri: „Er rechtfertigte die Bewunderung seiner Zeitgenossen durch die Heiligkeil seines Lebens und durch eine Peihe unvergesslicher Verdienste um die Eeligiositat und Sittenzueht der Kirche seiner Zeit.... Seine 419 echten Briefe im ersten Theile seiner Werke bezeugeu, wie Vielen er geholfen, wie unerschrocken und eifrig er überall eingegriffen bat, wo es das Beste der Kirche galt.quot; (E. u. G.)

■ • i1

If:

:

,

11 r

if,; f'gt;• ■'

■ li milM

. j

■fer

ocr page 350

14

Hoe oordeelt Bernard as over liet priiuaatsebap van den Paus?

In een brief aan Paus Innocentius IT (f 1143) over Petrus Abaelardus schrijft de H. Bernardus liet volgende: (Migne P. Lat. t 182 col. 356 n0. 5): „Maar gij, Petrus o-jjvolger, zult oordeelen of de Stoel van Petrus een toevlucht moet wezen voor bem, die bet geloof van Petrus bestrijdt. Gij, vriend van den bruidegom, zult er op bedacbt zijn, boe de bruid te bevrijden van de onreine lippen en de sluwe tong. Maar om een weinig vrijmoediger te spreken met mijn Heer, let ook op u zeiven, allerbeminnelijkste Vader, en op de genade Gods., die in u is. Heeft Hij u niet, ofscboon gij gering waart in uwe eigen oogen, gesteld over volkeren en honingen? Waarom anders, dan opdat gij zoudt uitrukken en verwoesten, opbouwen en planten? Hij beeft u derbalve gevoerd uit bet buis uws vaders en gezalfd met de zalving zijner barmbartigbeid; en bedenk, bid ik u, boeveel Hij gedaan beeft voor uwe ziel, boeveel door u voor zijn Kerk; boeveel er in den wijngaard des Heeren, bemel en aarde kunnen bet getuigen, zoo kracbtdadig als beilzaam is uitgerukt en verwoest; boeveel daar ook met zorg is gebouwd, geplant en aangekweekt. God beeft in uw tijd de razernij der Scbismatieken verwekt, opdat zij door u zouden worden verpletterdquot; ....

Deze geleerde en vrome monnik, door Lutber „der grösste Maun des Mittelaltersquot; geroemd, schrijft: „Ik houd het voor billijk, dat de schade aan het geloof geleden, daar hersteld wordt, waar het geloof nimmer wankelen kan. Want dat is tiet voorrecht des {Roomsehen) Htoels.quot; (Ep. 190; ad Innoc. II, de error. Abael.J

De Protestant Bucer noemt Bernardus „een man Godsquot;, Oeeolompadius prijst hem als een „godgeleerde, wiens

ocr page 351

betoogtrant juister was dan die van alle sclirijvers van zijn tijdquot;, Calvijn noemt liem „een vroom en heilig' schrijver, door wiens mond de waarheid zelve spreekt enz.quot;

En deze Bernardus erkende den Paus; heeft hij zich zel'er vergist ? T-)

De Katharen bogen niet onder het gezag van den Paus; hebben zij gelijk of Bernardusi' Deze Bernardus schrijft aan Paus Eugenius III (1145—1153): „Welaan, laten wij nog nauwkeuriger nasporen, wie gij zijt, welke plaats namelijk gij voor den tijd in Gods Kerk bekleedt. Wie zijt gij? De hoogepriester, de opperpriester. Gij zijt de eerste dvr bisschoppen, gij de erfgenaam der Apostelen', gij zijt Abel door uw eerstgeboorterecht, door uw bestuur een Noë, door uw patriarchaat een Abraham, door uw rang Melchisedech, door i;\v waardigheid een Aiiron, door uw gezag Mozes, door uw rechtsmacht een Samuel, door uw macht Petrus, door uw zalving Christus. Gij zijt het, aan wien de sleutelen zijn overgegeven. Er zijn wel is waar nog andere slotbewaarders des hemels en herders der kudden, doch gij zijt het met zooveel meer glorie als gij ook ver boven anderen beide namen hebt geërfd. Zij hebben kudden, die hun zijn aangewezen, ieder hunner bestuurt een enkele; aan u zijn alle gezamenlijk toevertrouwd, aan éénen de ééne kudde. En niet alleen van de schapen, maar ook van de herders zijt gij de ééne herder van allen. Gij vraagt mij, waaruit ik dat bewijs? Uit het woord des Keer en. Aan wien zijn, ik zeg niet, alle schapen der

!) Eon dor heerlijkste gezargon, ook voor de Protestanten, is de vertaling van een hymne van don H. Bernardup, waarvan dn aanhef luidt: „0 hoofd, vol bloed en wonden.quot; De schoonste kork-lioderon der Protestanten zijn doorgaans van katholieken oorsprong.

ocr page 352

16

bisschoppen, maar zelfs van de Apostelen zoo volstrekt en zonder uitzondering toevertrouwd? Zoo gij mij bemint, Petrus, -weid mijne schapen. Welke P De volken van een of anderen staat of gewest of van een bepaald rijk Mijne schapen, zegt Christus. Heeft Hij aan Petrus eenige en niet volkomen allen toevertrouwd P Niets wordt uitgezonderd, waar geen onderscheiding gemaald word/.quot;

Deze uitlegging van den tekst, door Bernardus gegeven, weegt in mijn oog' op tegen die van Luther, Calvijn enz.

Verder zegt hij tot den Paus: „Derhalve volgens uwe canons zijn de anderen geroepen tot een deel van dc zorgen, gij echter tot de volheid van het gezag. De macht der anderen wordt afgebakend door vastgestelde grenzen; nw macht strekt zich uit ook over henzelven, die gezag hebben ontvangen over anderen. Grij kunt als daarvoor een wettige oorzaak is, voor een bisschop den hemel sluiten, hem zijn bisschopsambt ontnemen, ja hem zelfs aan den satan overleveren. Ongeschokt staat dus mv voorrecht vast, zoowel wat de sleutels betreft, die u geschonlcen zijn als de schapen, die u zijn toevertrouwd.quot; [De Conside-ratione 1. 2.)

Heeft Bernardus, door Lnther „de grootste man der middeleeuwenquot; geroemd, zich zeker vergist ?

Evenals- Bernardus oordeelt zijn tijdgenoot Potho O. S. B., priester en monnik in de abdij Prihn. Hij schreef: De st'itu dgt;mus Dei. Het boek handelt over het huis Gods op aarde, de Kerk, als zuil der waarheid, waarin de H. Petrus en diens opvolgers de volmacht ontvangen hebben, zoodat alle herders der andere kerken onder den apostolisch en opperherder staan.

Dat is ook het oordeel van Petrus Abaelardus (1079 f 1142),

ocr page 353

17

Deze man 1), die het ondernam de geloofspunten enkel door de rede te verklaren en daardoor liet noodlottig beginsel van het nationalism e opzette, waarvan de meeste Protestanten en Vrijdenkers nu de schadelijke vruchten plukken, zegt in een preek op den H. Petrus het volgende: „Het feest van den H. Petrus, hel hoofd der Apostelen, moet met des te meer luister door de Kerk gevierd worden, hoe verhevener de waardigheid is, hem door God in de Kerk toevertrouwd. Hem toch heeft de Heer als den grondslag van zijn Kerk gesteld, toen Hij bij Petrus' geloofsbelijdenis: „Gij eijt Christus, de Zoon van den levenden Godquot; (Matth. 16 : 16) voorzegde, dat zijne Kerk als op een vaste rots moest gebouwd worden: en hem in 't hijzonder heeft Hij do macht gegeven om te binden en te ontbinden. En de H. Cy-prianus den grondslag van deze rots beschouwend, schrijft daarover in een brief aan Jubaianus: „Het is duidelijk, door wieu vergiffenis der zonden kan geschonken worden. Want aan Petrus, op wien de Heer zijne Kerk heeft geboutvd, heeft Hij 't eerst beloofd (gegeven), datgene te zullen ontbinden op aarde, wat Petrus zou hebben ontbonden.quot; -)

Dezelfde schrijft over Petrus aan Quintus: „Petrus, dien de Heer het eerst heeft uitverkoren en op wien Hij zijne Kerk heeft gebouwi.quot; (Aldaar col. 1103.)

!) Sot protestantsch Conversations-Lexicon van Wigand roemt zijn ScJiarfsinn mid Oewandtheit, maar sogt tevens, dat hji meer mtmunCto door „dialehiische Kunstquot; dan door „TiefeseinerFhilosophic..quot;

quot;) Bi| Oyprianns staat doze plaats aldus : Manifestura ost aut om ubi ot por quos romissa peccatorura dari possit; quao in baptisrao scilicet datur; nam Potro primum Dominus, sapor (/uem aodifioa-vit Ecclosiam, dodit ut solvorotur in ooolis quod illo solviamp;sot in torris (Migno Tom. III col. 1114.)

ocr page 354

18

„Ook Ambroshis Petrus bedoelende, op wien enz., zegt ergens: „„Dit, namelijk als de rots der Kerk spreekt, delgt de schuld.quot;quot; En Hieronymus schrijvende aan Marcellus over ons geloof en de leer van den ketter Mon-tanns zegt van denzelfde: „ „Indien dus de Apostel Petrus, op wien de Heer zijne Kerk heeft gesticht, enz. (t 31 col. 475.) Hoe groot nu de kracht en standvastigheid van Petrus in het geloof was, zoodat hij hierom terecht een rots kon genoemd worden, getuigt de Heer zelf op een andere plaats, door te zeggen: fk heb voor u gevraagd, Petrus, dat uw geloof niet bezwijke. (Luc. 12:33.) Alsof hij wilde zeggen: Hoezeer anderen ook mogen wankelen, hoezeer zij wanhopen om mijn dood, uw geloof zal ongeschokt blijven. En Petrus zelf wordt aangespoord uit die kracht van zijn geloof zijn broeders te versterken, als aanstonds de Heer tot hem zegt: En gij, eenmaal hekeerd, versterk uwe broeders. Het is dan ook niet aan te nemen, dat het geloof van Petrus bezweken is, toen Gods beschikking toeliet, dat hij den Heer verloochende, door de zwakheid namelijk van het vleesch en uit angst voor den dood. Dit is de Petrus, zooals gezegd is, de eenige versterking en bevestiging der overigen, aan wien de Heer na de drievoudige belijdenis zijner liefde, ziju schapen en lammeren toevertrouwde, en dien hij als oppersten herder aanstelde over de geheele Kerk. En daarom heeft terecht zijn zetel, dien hij met het martelaarschap van zijn lijden verheerlijkt heeft, onder alle Kerken het primaatschap verworven, opdat gelijk hij aan het hoofd gesteld is van alle Apostelen, zoo ook zijn bisschopszetel aan hei hoofd, sta, van de overigen. Wij weten, dat oudtijds do Kerk maar drie patriarchaten, d. i. drie (hoofd-bisschopszetels) bisschoppelijke hoofdzetels heeft gekend, namelijk te Rome, Alexandrië

ocr page 355

19

en te Antioeliië. Eu zij ontleenen liunne waarcliglieid voornamelijk aan de eer, door den H. Petrus luin bewezen, daar immers zoowel Antioeliië als Rome zijn eigen bisschopszetels geweest zijn en Lij den derde, d. i. Alexandrië aan zijn leerling Marcus geschonken heeft. Dat is Petrus na Christus, als een andere Eliseus na Rliasquot;. (Migne P. Lat. t 178 col. 524. Sermo 23.)

In een preek op den H. Petrus zegt dezelfde Abaelardus het volgende: „Beschouwen wij nu, na de genade van wonderen te doen, ook de eervolle waardigheid, die Petrus van den Heer heeft ontvangen, dan zullen wij zien, dat de zefA van Petrus ook den voorrany heeft boven Gods eigen zetel te Jeruzalem; ook hieruit blijkt dus, dat Christus op aarde als het ware de voorkeur geeft aan Petrus. Immers iedereen weet, dat oolc dv Kerk van Jeruzalem, evenals de overige, aan die van Rome onderworpen is. En toch, het is algemeen bekend, dat deze Kerk Jacobus, den broeder zelf des Heeren, tot eersten bisschop heeft gehad; maar noch zijn eerste zetel noch die van de overige Apostelen hebben den hoogsten rang in de Kerk verworven, opdat Petrus alleen dit voorrecht zou bezitten. Ja zelfs heeft hij voor zijn opvolgers in Paus Silvester door eigen verdiensten bekomen, dat in 't vervolg de Komeiusche opperpriester in de keizerstad als plaatsbekleeder zou optreden van Constantijn; zelf stelde deze hem daartoe aan en schonk hem de onderscheidingsteekenen, die deze waardigheid opluisteren; zoo zou hij als 't ware op volmaakte wijze volgens de orde van Melchisedech zoowel in de priesterlijke als in de koninklijke waardigheid boven allen uitmunten, en in de Kerk Petrus, in de stad Caesar zijn. ïfa toch een dubbele genade te hebben ontvangen in de standvastigheid van zijn geloof en den vurigen

ocr page 356

20

gloed zijner liefde, moclit hij èn op de kerkelijke èn op de koninklijke lieersclmppij aanspraak maken. Immers terwijl de overige leerlingen meer de meening der mensclien, dan hun eigen overtuiging omtrent Christus uitspraken, en op de vraag van Christus: Gij echter, wie zegt, gij, dat ik hen? (Matth. 16 : 15) nog aarzelend zwegen, haastte Petrus zich, ten einde de weifelenden te versterken, te antwoorden: Grij zijt Christus, de zoon van den levenden God (ibid. 16). Daarom wordt hij aanstonds, afzonderlijk en alleen, door den Heer zalig geprezen, en verdient hij afzonderlijk voor zijn persoon, het voorrecht der kerkelijke oppermacht te ontvangen, als Christus hem belooft, dat niet slechts een deel, maar het geheeld rijk der hemelen, hem door den Heer zal worden toevertrouwd: TJ zal ik, zoo sprak Christus, de sleulels geven van het. rijk der hemelen,, (ibid. 19.) Want ofschoon in het algemeen tot alle Apostelen gezegd is: Al wat gij zidt gebonden hebben op aarde enz. (ibid.'i, zijn toch aan Petrus alleen daarenboven nog de sleutels gegeven van het rijk der hemelen. Gelijk er nu vele steden zijn in één rijk, zoo bestaan er ook vele afdeelin-gen in het christelijk volk. Het rijk van Christus is derhalve de geheele Kerk, zóó in Petrus' macht gegeven, dat niets daarin mag geschieden dan alleen op bevel of met verlof van den liomeinschen opperpriester j niemand anders heeft over allen de algemeene macht, uit de gemeenschap te sluiten of vrij te spreken.quot; (Migne P. Lat. t. 178 col. 526, 527. Sermo XXIII.)

Op de lO1'' Algemeene Kerkvergadering van Lateranon in het jaar 1139 waren ongeveer duizend, bisschoppen tegenwoordig; Pans Innocentius II oefende de oppermacht. Was dat zeker een vergissing?

ocr page 357

21

Hildebert van LavarcTin, bissscliop van Le Mans en later aartsbisschop van Tours, geboren 1056, gestorven tussclien 11^)quot;2 en 1134, vroeg den Paus ontslagen ie icnrden van zijn zetel te Le Mans, maar de Pans weigerde.

De H. Bernardns noemt liem tarda ecclesiae columna.

De Protestant Baur schrijft: „Betraclitet man diesen Kirclienvorstelier von Seiten seines CLarakters, seiner Sorge für das Wolil der Kirche nnd seiner G-elelirsam-keit, so ersclieint er in jeder Beziehung als ein Mann, die seinem Zeitaltei: Elire machte, nnd der den Beinamen des Heiligen oder Ehrwiirdigen verdiente, den ihm einige Schriftsteller beilegen, wiewohl er in keinem Martyrologium aufgeführt wird. Sanftmuth, Demuth, Uneigen-nntzigkeit, Mildthatigkeit waren Tugenden, die er in jedem Verhaltniss mul unter allen Umstanden übte. Mit einem nie rastenden, erleuchteten Eifer sorgte er für Yerbesserung nnd Bewahrnng der Kirchenzncht, so wie für die Belehrung der Geistlichkeit nnd des Volkes .. . In den Predigten an den Marien- nnd Heiligentagen erhebt er die Himmelsköniginn über alle Massen.... (E. u. Gr.) i)

Hij geloofde aan de Transsubstantiatie, erkende den bisschop van Rome als Christus' plaatsbekleeder op aarde enz.

De H. Anselmus, aartsbisschop van Cantorbery (geb. 1034- f 1109) „zeichnete siehquot;, zegt Wigand, „durch seinen Scharfsinn und seine Gelehrsamkeit aus.... er ist durchgehends eigenthümlich, tief und sinn vollquot;.

!) In 1898 verschoon bij Picard to Puriis Ilüdcherl de Lavardin otc. Sa vie, ses heitres par A. Dioudonr.6, Attaché au dópartoraont des Médailles ot Antiques de la Bibhothèqne Nationale.

de Paus III. 2

ocr page 358

22

Een andere Protestant Kling schrijft: „Voor deze bediening (zielzorger enz.) was liij alleruitstekeudst gescliikt door eene op innige godsvruclit steunende kennis van liet mensclielijk hart, door liefdevollen ijver voor het heil der zielen, door zijne opvoedkundige wijsheid, welke de vrijheid van ontwikkeling niet belemmerde, ten slotte door een rijke kennis en een degelijkheid, die een vast bepaalden weg bleef volgen .... Zelf leidde hij een streng, godvruchtig leven .... overal bemind, g'ezocht en voor een ieder toegankelijk.... een waarachtig eenvoudige, verstandige en trouwe, zoon der Kerk.... Het monnikenwezen van den eenen kant, de verhouding tusschen Kerk en Staat van den anderen vormen de aspunten zijner tot nu toe geschetste werkzaamheid. In beide erkennen wij hem als een grootheid van den eersten rang .... Zoo was hij een zegen voor zijn tijd en nog spreekt hij na zijn dood, als een getuige door woord en daad van de waarheid en genade, die in Christus is.'' (Dr. Herzog.)

Deze „getuige van de waarheid en genade, die in Christus isquot;, schrijft in zijn boek de Inearnatione, dat liij aan Paus Urbanus II (1088—1099) opdroeg: „Daar de goddelijke Voorzienigheid uwe Heiligheid heeft uitgekozen om haar de zorgquot; over het christelijk leven en geloof en het hestuur der Kerk toe te vertrouwen, is er, wanneer in de Kerk iets ontstaat, wat tegen het Katholiek geloof aandruischt, niets, waardoor dat beter kan hersteld worden dan het gezag van Uwe Heiligheid.quot;

Heeft de H. Ansel mus, deze „getuige van de waarheid en genade, die in Christus isquot;, zich zeker vergist?

Wij gewagen niet van den canonist Manegold van Lautenbach (t na 1103), die in zijn geschrift Liher Ma,negoldi ad, Gehehardum het pausdom bewijst uit de

ocr page 359

2 o

H. Vaders, uit den Bijhei en uit de geschiedenis der Kerk, — van Otto, bisschop van Fr eising- O. (Hst. (t 1.158), die beleed te zijn „catliolicae tidei assertor iaxta sanctae i'oiiianae imo et universalis ecclesiae regulamquot; {Mort. Germ. hist,, script. 20, 452), — van Hon or ins van An tun, godgeleerd sclirijver (f na 1152), die o. a. Summa gloria de apostolico et augusto schreef, waarin de voorrang- des Pausen (in geestelijke zaken) boven den keizer verdedigd wordt, — van den vriend des H. Ber-nardus, Hugo van St. Victor ('t 1141), regulier kanunnik van de abdij St. Victor bij Parijs, door Ds. J. J. Van Toorenenbergen een voortreffelijk man genoemd en volgens bet oordeel van Gosselin een der uitstekend-ste schrijvers van zijn tijd door vastheid van geest en verscheidenheid van kennis, die in zijn L. 2 de Sacram. (p. 3 c. 15) zegt: „De Apostolische Stoel staat boven alle kerken der aardequot;, enz. enz. enz.

De H. Gregorins VII (1073—1085), Paus (Hilde-brand).

De Protestant Dr. Richard Rothe schrijft van hem: „Wenn sich doch ein tüchtiger Mann recht mit Ernst und Liebe an die Kirchengeschichte des Mittelalters machte! Mit nichten kann die Zeit so traurig und schlecht sein, in der selbst die Machtigsten der Erde vor einem Manne erbeben, der mit den herrlichen Worten hiu-scheiden kann: dilexi iustitiaw, od.i iniquitatem, projjterea, morior in exilio, ik heb de rechtvaardigheid bemind, de onrechtvaardigheid gehaat, daarom sterf ilc in ballingschap. Aber die Gregore VII sind Mn, diese gewaltigen Rüstzeuge in der Hand G o 11 e s, diese a c h t genial en Geister, die verstanden was zu der Zeit war, und allen Krieg und alles Kr enz willig

ocr page 360

24

iiber sicli namen, clamit nur Gottes Wille ge-scliehe in der Mensclilieit, nnd in die Kirelie der friselie Lebenstrieb koiume, der sie, die a 1 leinige auf Er den die nie altert, sondern immer jngendliclier wird von Tag zn Tage, immer bölier nnd grünender anfscliiesse. Nnr wer soldi einen liistorisclien Charakter liat, verdient den Namen des Grossen (Gregorins VII), nnd wer mag sagen, wie lioch er (Gregorins VII) über dem blassen Pietisten stebe.'quot;' (Dr. Eicbard Eotbe 1. c. S. 167.)

„In de gesebiedenis des Pausdomsquot;, zegt de Protestant Gregorovins, „zullen eenwig twee sterren flonkeren van zedelijke grootheid: Leo, voor wien Attila aftrekt, en Gregorins, voor wien Hendrik IV in 't boetekleed knielt. Het eerste dezer wereldberoemde feiten vervult ons met eerbied voor een. booge, louter zedelijke kracbt, bot tweede dwingt onze bewondering af voor een bijna bovonmenscbelijk karakter.quot; — Eu de Protestant Leo: „Het verraadt bekrompenbeid, zicb door zijn nationaliteitsgevoel zoozeer te laten bebeerscben, dat men de zegepraal niet van harte toejuicht, to Canossa door een edelman op een onwaardig en karakterloos menseh behaald.quot; (Gregorovins: Gesch. der Stadt Hom IV, 1!'7; Leo: Gesch. If aliens I, 459.)

Dn Standaard van November 1896 schrijft: „Had de pauselijke autoriteit destijds niet zoo algemeen in Europa vat op de consciëntie der volkeren gehad, de historie zou nooit een Canossa gekend hebben.quot;

/ou verder een Katholiek wel iets roemvollers van (vlregorius VII (1073—1085) kunnen zeggen, dan Luden, ook een Protestant, met deze woorden: „Het plan van Gregorins VII was het gevolg van een eindeloos medelijden met de rampen der monscbbeid en van een bran-

ocr page 361

25

clencl verlangen 0111 de oorzaak daarvan weg te nemen; alleen een forsclie geest kon deze gedaclite ontwikkelen; liet gold niets minder dan de verbetering der mensclieii, liunne veredeling door den katholieken godsdienst. Het is onrechtvaardig, niet toe te stemmen, dat hij do menschen beminde, te twijfelen aan zijne rechtschapen-heid. Altijd verscheen deze Paus in den glans zijner verheven waardigheid als onder een stralenkrans, vrij van de misleiding der hoovaardij, van de begoochelingen, te dikwijls door onze eigene verdiensten ontstaan. Overigens leefde hij altijd eenvoudig eu was in zijne zeden onberispelijk.quot; (Luden, Algem. Geselt, von Volk and Slaaf.) 1)

J. Margadant noemt hem „den grooteu Pausquot;. {Uaagsche Slemrnen n0. 12, 1lt;S91.)

En Dr. Schaepman zegt van hem:

„ü\v ziel, door God gekneed uit bliksemgloed eu licht, — 't Licht van zijn waarheid en den bliksem van zijn tooren.quot;

{Gregornis VII ie Catiossa; Onze Wachler 1877.)

Heeft deze Gregorius VII de Groote, dat „machtig werktuig in de handen van God, die echt-geniale geest, die .... eiken strijd en elk kruis gewillig op zich nam, opdat Gods wil in de menschheid geschieden zonquot; en met de woorden stierf: „Ik heb de rechlvaardigheid hemind, hei onrecht gehaat, daarom sterf ik in ballingschapquot;, zich zeker vergist?

1

W. Scböningh 1893.

ocr page 362

26

H. Petrus D ami aims, kardinaal (1006 of 1007 t omstreeks 1072) werd door Paus Nicolaus II (1058—1061) belast zicli persoonlijk met de bisschoppen te verstaan om de geestelijkheid uit hare diepe vernedering te verheffen. Aan zijn ijver was het te danken, dat op de Eiomeinsche synode van 't jaar 1059 het besluit werd uitgevaardigd: „Niemand mag de mis van een priester bijwonen, niemand het Evangelie van een diaken, niemand het epistel van een subdiaken aanhooren, van wien liij weet, dat deze verboden omgang heeft.quot;

De Protestant Albrecht Vogel zegt van hem: „Er war uuablassig thatig, in Briefen und Traktaten den Pabst, die Cardinale, viele Bischöfe und Mönche.... zu erniahnen und zu beleliren.quot; (Dr. H erzog.)

De Protestant Gr. W. Pink (E. u. G.) noemt hem „een der beroemdste kardinalenquot; en zegt dan verder: „De talenten en kennis van den jeugdigen Damianus baarden weldra opzienquot;. Kardinaal geworden „werd hij door Paus Nicola us II als pauselijk gezant naar Milaan gezonden, om de geestelijkheid onder de gehoorzaamheid van den Paus terug te brengen.... Toen iu 't jaar 1059 te Rome een Kerkvergadering gehouden werd, liet de Paus hem ook daarbij tegenwoordig zijn.... Groot was zijn ijver voor het Celibaat.... Hij handhaafde d e v e r h e v e n h e i d d er pauselijke w a a r d i g h e i d tegenover de were 1 d 1 ijke macht.... Hij was met da Kerkvaders en de Cau.onieke wetten buitengewoon goed bekend.... Groot was zijne Liefde voor de reinheid van zeden. Damianus deed, wat hij leerde; verkeerde hij in dwaling, dan was het uit gebrek aan helderder inzicht {!), niet aan rechtschapenheid .... Hij vereerde de martelaren en alle Heiligen, maar vooral de Maagd. Maria.quot;

Deze Petrus Damianus zegt in zijn preek op den

ocr page 363

27

martelaar en eersten bisscliop van Ravenna Apollinaris, een leerling van den Apostel Petrus en voor 't geloof gemarteld in 't jaar 75 of 78: „Zooals in de gewijde gescliiedenis zijner (d. i. van Petrus) daden verhaald wordt, zegt de H. Petrus, de Apostel tot Apollinaris, zijn leerling: Hoe! verblijft gij in ons midden! zie, gij zijt onderricht omtrent alles, wat Jezus gedaan heeft. Sta op, ontvang den 11. Geest en tevens de bisschoppelijke waardigheid en ga naar de stad, die Ravenna genoemd wordt .... Wat beteekent: Hoe! verhlijft yij in ons midden anders dan: leg' de traagheid af, opdat g'ij na de behaalde overwinning de kroon erlangt! Wat beteekent: zie, yij zijt onderricht omtrent allen wat Jezus deed anders dan: al de ledematen uws lichaams leven in volmaakte kracht, en niets ontbreekt u dan dat gij de vrees afleggende begint te strijden l' Daarom wordt er te pas bijgevoegd: onderwijs hen aangaande Jezus' naam en vrees niet! alsof Petrus zeggen wilde: strijd uit gezag van mijn bevel.... Ik, ik beveel het u, omdat ik de macht van te binden niet alleen op aards maar ook in den Hemel heb; ik zend, u uit om de kudde des Heer en te weiden, ik aan wiens zorg de schaapstal van geheel de H. Kerk is toevertrouwd' en die daarover waak.quot; (Ego, ego tibi praecipio, quia potestatem ligandi non solum in terra sed et in coelestibus habeo; ego te ad pascendas oves Dominicas mitto, qui ovile totins sanetae Ecclesiae iniuncta mihi cura custodio.quot; Sermo 30 de sancto Apollinare Migne P. L. t 144 n'l 154.)

„Overweegt, mijne broeders, met welk een vrijmoedig gezag de leermeester (Petrus) beveelt en met welk eene godvruchtige nederigheid de leerling (Apollinaris) gehoorzaamt; hoe vaardig gene is om het juk des bevels op te leggen, en hoe bereid deze is den hals te

ocr page 364

28

te buigen onder de gehoorzaamheid. Petrus tempert door geen vleiende woorden de strengheid van 't bevel, Apollinaris weigert niet den last van znlk een arbeid op zich te nemen .... De heilige Aj)ostel (Petrus) gebruikt geen zoete taal, belooft niet dat de zaak gunstig zal aHoopen, maar hij legt eenvoudig het moeilijk werh op (sed rem difficilem nimjpliciter imp er a vit)quot;. En dan zegt Petrus Damianus verder: „Apollinaris had zich kunnen verontschuldigen en aan Petrus o. a. kunnen zeggen: moet ik alleen die zending ondernemen, terwijl de Evangelist schrijft, dat men twee aan twee gezonden wordt. Deze en dergelijke verontschuldigingen had de heilige martelaar kunnen bijbrengen, indien hij zijn geest niet in bedwang gehouden en zich aan 't juk der gehoorzaamheid had willen onttrekken. Maar hij verzette zich niet, sprak niet tegen, doch terstond, toen hij het bevel van den beveler ontving, geloofde hij het vohtrekt noodzakelijk te erkennen, dat hem door den mond zijns leermeesters door den lieer zeiven het bevel was opgelegd.quot; (Sermo 32 de Sancto Apollinare Migne P. L. t 144 n0. 1G5.)

Heeft doze kardinaal zich zeker vergist?

De H. Bduard, de Belijder (f 1066) verklaart in een oorkonde aan de abdij van Westminster: ,,Het Engel-sche volk heeft altijd een bijzondere godsvrucht gehad jegens den H. Petrus en diens opvolgers.quot;

De H. Leo IX (1U49-—1054) Paus, wien Michaël Caerularius den oorlog verklaarde, was een wetenschappelijk, zeer ontwikkeld man en een talentvol beoefenaar der gewijde muziek. In de kroon zijner vele priesterlijke deugden blonk vooral de goedheid uit. Petrus Damianus noemde hem een ,,beminnelijken Heiligequot;, en de spreuk

ocr page 365

29

zijner bullen: Miserie or dia Domini plena est terra !), was als liet zegel zijns harten. Hoe zijn ijver ook blaakte voor de reinheid der Kerk en den bloei dei-christelijke zeden, hoe zijn geest ook was ingespannen door veelzijdigen arbeid voor Italië, Duitschland, Frankrijk tegenover Noormannen en Grieken, niets verzwakte ooit zijn weiwillenden, hartelijken omgang of kon hem de zachtmoedige liefde rooven, die hem vaak in zijn leven bewoog om de voeten der armen te wasschen en hen ootmoedig te dienen aan den disch. 1) Bij de vernieuwde aanvallen van Caerularius liet Leo een geschrift vervaardigen, waarin — zegt de Protestant Schlosser — de bestreden punten met een volheid van kennis werden opgehelderd, die de opvoedingsgestichten dier tijden eer aandoet. 2) Wel mocht de bezadigde en nederige Opperpriester, die in de bijzaken gaarne toegaf, aan den byzantijnschen patriarch schrijven: „Hoeveel gematigder is hierin de Koomsehe Kerk! Immers zoowel binnen als buiten Rome zijn meerdere grieksche kloosters en kerken, zonder dat men dezen belet de voorvaderlijke overlevering te volgen. Ja. men vermaant hen daartoe, wel wetende, dat verschillende gewoonten, van tijd en plaats afhankelijk, der zaligheid niet schaden, mits men door het geloof en de liefde vereenigd zij.quot;

Deze Leo schrijft aan Michaël Caerularius (c- 7): „De H. Kerk is op de petra, d. i. Christus en op Petrus gebouwdquot; 3)

1

) Vgl. Brucker, L'Alsace et l'église au temps du pape Saint Léon. Schlosser, Weligeschichte VI, S 227. (J. V. de Groot O. P.,

2

De Pausen 2'ic- dr. blz 191.)

3

') De Oosterscho Kerk heeft zich in 1054 van do Westerscho Kerk gescheiden niet uit de overtuiging, dat de Paus niet het

ocr page 366

30

Joannes Manropus (f 1054P), een Griekscli godgeleerde leefde in de helft der 1 l'le eeuw, was een monnik eu een leerling van den H. Dorotlieus. De Protestant Pli. H. Külb zegt: „Spater wurde er seiner Kenntnisse und seiner Prömmigkeit wegen zum Metropolitan der Kleinasiatisclien Stadt Eucliaita gegen seinen Willen erlioben. Er bescliaftigte sicli liauptsaclilicli mit dem Kirclienliede, der Homiletik und den Heiligenlegenden.quot; (E. u G.)

Hij schreef een grooten hymnencyklus, waarin hij den H. Petrus en diens primaatschap bezingt. (Pitra: Hynmogrwphie de l'Eglise grecque 1867.)

De H. Odilo, abt van 't beroemde klooster Clugny werd geboren in 9G2 en stierf 31 Dec. 1048.

De Protestant Pr. Lorentz (E. u. Gr.) schrijft: „Niemand was zoo streng jegens zichzelf en zoo toegevend en milddadig jegens anderen als Odilo .... Hij ging zijnen monniken door het goede voorbeeld voor; schreef het leven van zijn voorganger den H. Majolus;.... men heeft ook van hem preeken op de feestdagen des Heeren; der H. Maagd Maria en der Heiligen. Hij stond met den H. Stoel in eem evenzoo innige verbinding als met de voornaamste kloosters in Italië; in 't jaar 1002 ging hij naar Italië en bracht den Paus en het klooster Monte Cassino een bezoek.... Hij stierf te Sauvigny op een visitatie-reis in 87 jarigen ouderdom. Een man, die zoo vroom en deugdzaam geleefd had als hij, moest

opperhoofd der goheele Kerk is, want dai heeft zij tot in 't midden der 9111' eeuw steeds erkend, maar door do ge'.oofs tirannie der Griekscho keizers en do ijdolheid, strijd- en hoerschzucht van de Patriarchen van Konstantinopel.

ocr page 367

31

wel bij zijn liclitgeloovige tijdgenooten tot den roem van een wonderdoener komen!!!quot; (Is het zeker dat liij geen wonderen deed?)

B.

tiende en negende eeuw.

„Wij allen, jongoren en ouderen weten, dat onze kerken onderworpen zijn aan den H. Stoel, en dat wij zeiven, als bissclionpen onderdanig zijn aan don Roomsclien Opperpriester om Itelpriiuaal-sclKip des 11. Pelrusquot;. Ilinkmar van IMieinis.

Dunstan, Alfred de Gkoote, Fulco, Phoïius, Hinkmak van Ehebis, JoannesVIII, Hadetaan II, Nicolauö I. Rateamnus, Seevatius Lupus, Pa-schasius Eadbeeïus, Bknedktu* 111, Lodewuk de Vrome, Agobaed, Bénedictus van Aniane, Nicephoeus van Konstantikopel, Bisschoppen van Gallië, Theodorus Studita, Ledger van Munster, Alcuinus, enz. enz.

De Protestanten Pertz, Ranke, Waitz, Dönniges, Giesebreelit, Dümmler, Wattenbacli liebben over de lO1'' eeuw veel gunstiger geoordeeld dan eenige partijdige gescliiedscb rij vers. Omtrent den toestand, waarin de Apostolische Stoel verkeerde, zegt Döllinger {Kirchengesch. 21,0 druk I blz. 425): „Het was de toestand van iemand, die aan handen en voeten gebonden is, en wien derhalve de schande niet mag toegerekend worden, waarmede men hem overlaadt.quot;

Van den H. Dunstan, aartsbisschop van Canterbury (t 988), zegt de Protestant C. Schöll (bij Dr. Herzog): ,,Hij trad als monnik in het kloosterquot; (Glastonbury),

ocr page 368

„waarin hij zijne opvoeding genoten had. Hier hield hij zich nnledig met de H. Schrift en de Vaders .... Zelden lieeft een man zulk een verlievene plaats in Kerk en Staat ingenomen als Dunstan.quot;

Hij was een gvont voorstander van Rome's primaatschwp.

A1 fr ed de Groot e, koning van Engeland (871—901), wordt door E. u. Gr. geroemd, als „een der voortreffelijkste karakters, die de geschiedenis ons geeft, het sieraad van zijn tijd en de bewondering der nakoiue-lingschap, het geluk en de trots zijns vaderlands.quot;

De Protestant Leo zegt: „Naar wijsheid en geleerdheid, maar heide in 't licht des Christendoms, streefde Alfred geheel zijn leven .... Hij lokte geleerde mannen naar Engeland aan zijn hof en beloonde hen op waardige wijze.quot; (Dr. Herzog.)

Deze koning k wam met z ij n v a d e r Ethel w o 1 f n a a r R o m c o m d lt;5 o r d en Paus als k o n i 11 g gezalfd te worden. Hij woonde de H. Mis bij, biechtte enz., vereerde de Heiligen enz., in één woord was Eoomsch Katholiek. Heeft hij zich zeker vergist?

Van Pul co, aartsbisschop van Eheims (f 900), zegt de Protestant Perd. Wachter: „Een in alle opzichten bewonderenswaardige man.quot; Deze bisschop schreef aan Pans Stephanas „dat hij zelf zoowel als zijne bloedverwanten .... den Pans den verschuldigd en eerbied bewijzen zon.quot;

Phot ins, patriarch van Konstan tinopel werd geboren omstreeks 820 f 891.

De Protestant Daniël schrijft van hem: „Plotseling nam door zijne verheffing op den patriarchalen zetel (857) zijne geheele loopbaan een geheel andere richting

ocr page 369

B3

ter bevrediging wellicht van zijn eerzucht, maar noch hem noch. der Kerk ten zegen.quot; Sinds 846 was Ignatius patriarcli benoemd, die om „zijn liooge afkomst, zijn vlekkeloozen levenswandel, zijn ijver voor de beelden tot zulk een ambt boven anderen g-escliikt sclieeuquot;.... 1)

Hoe was Pbotius nu patriarch geworden„Ruw geweld had hem verheven, de kerkregels waren op de schandelijkste wijze geschonden. Een tijdlang rekende Photius op een verzoening met Ignatius, en dat deze vrijwillig afstand zou doen. Hij beloofde, hem als een vader te eeren en niets tegen zijn wil te voltrekken. Voor een staatsman scheen zulk een vergelijk mogelijk, voor Ignatius was het een gruwel. Een synode, bestaande uit lieden, die Ignatius getrouw bleven, deed den onhe-schaamden indringer in den ban .... Photius bleef patriarch .... Om zich een schijn van recht te geven, riep hij in 859 te Konstantinopel een synode bijeen van bisschoppen uit de hofpartij, die den afwezenden Ignatius veroordeelden en afzetten .... Om zijne vijanden voor te zijn en tegen te werken knoopte Photius zelfs onderhandelingen aan met Paus Nicolaus I (858—8G7). G-e-zauten van keizer Michaël brachten geschenken en een schrijven over, waarin Nicolaus verzocht werd mede te werken, dat de oneenigheden over de wettige afzetting van Ignatius ontstaan, werden bijgelegd. Op hedrieglijhe wijze werd de geheele zaak aan den strijd omtrent de beelden vastgeknoopt om Rome's bekende gevoelens te vleien en het oordeel des Pausen te verstrikken. Een gezwollen en onware Inthronistica van Photius begeleidde den keizerlijken brief. Ignatius, zeide hij, had vrijwillig

3) K. u. G. Do aanhaUngstcokons dnidon aan dat do Protestant Daniel aan 'C woord is.

ocr page 370

afstand geclaau, Mj, Photins, echter had zijn ambt gedwongen aanvaard .... Volgens gewoonte was er ook een geloofsbelijdenis bijgevoegd. Maar Nicolatis was geen man, die gemaUelijk misleid of door vleierijen van het grondgebied der rechtvaardigheid kon afgebracht worden; ook was bij zeker door Ignatius' getrouwen aangaande de toedracht der zaak ingelicht. Zij a uitvoeriger antwoord aan den keizer betreurde het, dat zonder de toestemming van den Stoel van Petrus te Konstantinopel een synode was gehouden, en de leek Photius in strijd met de kerkelijke wetten plotseling zonder de gebruikelijke tusschenrangen, tot patriarch bevorderd was .... Aan Photius schreef Mcolans kort en koud, dat diens belijdenis hem beviel, doch niet de wijze zijner verheffingquot;. . . . De indringer schreef nu een brief tegen de Latijnscke Kerk; van dat schrijven zegt de Protestant Daniei; „Photius veranderde blijkbaar uit gekrenkte zelfzucht zijne zaak in een strijdvraag van het Oosten en het Westen; wat hem in den eersten brief aan Mcolans onwezenlijk had toegeschenen, kwam hem nu gewichtig genoeg voor om den brandstok in de geheele christelijke

wereld te slingeren ....

Intusschen werd in 8G7 het concilie, dat door Photius was bijeengeroepen, geopend; in de plaats van de niet verschenen patriarchen van Jeruzalem, Alexandrië en Antiochië vergaderden, — zooals later bevestigd is gehuurde en ingedrongen gelukzoekers uit het Saraceensche

Oosten____ Thans werd de banbliksem naar Nicolaas

en diens volgelingen geslingerd en twee bisschoppen naar Italië gezonden om aan de Eoineinsche geestelijkheid deze besluiten over te brengen.

De partijdige levensbeschrijver van Photius vindt wel is waar iu diens handelwijze nogal wat te veront-

ocr page 371

sclmlcligen, diens gedrag beoordeelend in verband met den grooten, liartstoelitelijken kerkelijken strijd, docli kan zijn held toch. niet vrijspreken van heerschzucht, eergierigheid, list en duibelhartigheid.quot;

Even waar als forscli zingt Dr. Scliaepman:

„Voorwaar, nw zege is groot! met vleierij en logen, Met goud en eere hebt ge uw recliteren bedrogen. Hun zwakheid tot uw lof het vonnis leeren slaan! Maar één bedroogt gij niet, al sloopt gij kozende aan. Of dreigdet gij zijn stoel met pletterende slagen; Geen list verlokt hem en geen vrees doet hem versagen; Blias van zijn tijd, de koning naar de wet Door God voor vorsten en volkeren gezet. Van Waarheid en van Recht de nooit bedwongen spreker. Voor zwakken teeder, maar den vorstelijke' echtverbreker Onbuigzaam rechter, in het Zuiden en in 't Noord De boden zendend van Gods Evangeliewoord,

Staat ïficolaus de Groote in 't midden van de dwergen. Die met hun laflen spot zijn grootheid zelfs niet tergen.quot;

(Aya Sofia 3',c dr. blz. 119.)

In 867 heeft Photius, wijl hij zag, dat Paus Nicolaus zijn onwettig bezit van den patriarchalen zetel niet bekrachtigen wilde 1), voor 't eerst het primaatschap van den Paus geloochend.

Wie heeft zich zeker vergist'.*

H ink mar, aartsbisschop van Eheims geb. omstreeks 806, gest. 882. Do Protestant Lobegott Lange schrijft: „Biner der thatigsten und gebildesten Kleriker des i)1quot;

!) Tijdens het Ooricilio van Nicoa (325) bestond nog niot do patriarchaio zotol van Konstantinopol.

ocr page 372

Rfi

•Talirli., der in einem Zeitraume vou beinalie 40 Jalireu, unter den mauniclifaltigsten politischen, liiörarcliisclieii und dogniatiselien Streitigkeiten, fast an allen einen entsclieidenden Antlieil genommen hatte.quot; (B. n. G-.)

Hij kwam in strijd met den Pans, daar Lij ten onreclite meende, dat de besluiten van algemeene concilies ook in zaken van Tïerl'elijke tucht onveranderlijk waren, maar „im Üebrigen erwies er sicli jedoeb den Piipsten als den Nachfolgern Petri geliorsamquot;, zegt Lobegott Lange.

Hinkmar scbreef: „Voor vromen, godvrucbtigen en Katliolieken kan en m'iet datgene voldoende zijn, wat do moeder allir Kerken, de heilige, katholieke en apostolische Kerk van Home leert.quot; (J)e Praedestinat. Migne t 125 col. 214.)

Aan Pans Nicolans 1 schreef hij: „Wij allen, jongeren en ouderen weten, dat onze kerken onderworpen zijn aan den H. Stoel, en dat wij zeiven, als bisschoppen onderdanig zijn aan den Roomschen Opperpriester om. het primaatschap des II. Petrus, en dat het onze plicht is te gehoorzamen aan Uw apostolisch gezag.quot; (Gorini II.)

Paus Joannes VIII (872 f 882) schreef aan den vorst der Kroaten, die in 879 een priester van Venetië naar den Paus gezonden had om de oude betrekking met Eome weder te herstellen, het volgende: „Zonneklaar hebben wij uit uw brief gezien, welke trouw en oprechte onderdanigheid gij jegens ons en de Kerk van den H. Petrus en Paulus aan den dag legt, en wijl gij aan den H. Petrus eu ons, zijn plaatsvervanger, gehoorzaamheid belooft, nemen wij n in de bescherming des Apostolischen Stoels, uwe moeder op, uit welke reinste bron uwe vaderen geput hebben. Op 's H oeren Hemelvaart (21 Mei 879) hebben wij aan 't altaar des H. Apostels

ocr page 373

Petrus plechtig- de H. Mis opgedragen, de handen ten hemel geheven, n en. uw volk en uw geheele land gezegend.quot; Met het Evangelieboek in de hand sprak hij in den Sint Pieter den ban uit over Photius.

Paus H ad ria an II 867—872.

„Zijne weldadigheid ging zooverquot;, zegt de Protestant Voigt, „dat volgens 't verhaal het geld zich vanzelf vermeerderde in zijne handen; alles wat hij had, deelde hij aan de armen uit; voor alle behoeftigen stond het huis van dezen vader der armen open. Deze deugd, waardoor de achting der menschen jegens hem dagelijks toenam, had hij x-eeds 75 jaren geoefend, toen men hem na den dood van Nicolaus I in 867 eenstemmig, niettegenstaande zijn tegenstreving tot Paus verhief. Niemand in heel Rome was tegen deze keuze.... Er waren toen juist in Home eenige afgezanten van Lode-wijk II, die verstoord waren, wijl men hen bij de benoeming van den nieuwen Paus ook niet had uitgenoodigd. Het antwoord op hun klacht luidde, dat het deelnemen van keizerlijke gezanten aan de pauskeuze geen gewoonte mocht worden. En daarmede stelden dezen zich tevreden. (E. u. G.)

De Protestant J. von Müller zegt: „Hadrian II, dem in den schwersten Zeiten kein Vorzug fehlte, den der haben muss, welcher durch mul auf andere entscheidend wirkeu will.quot; (Allgem. Gesch. S. 91.)

H. Ni col au s I (858—867) Paus „ein energischer, vom Bewusstsein seiner Würde als Inhaber des Aposto-lischen Stuhles erfüllter Mann;.... durch Geist mul Karakter gleich ausgezeichuet erschien or schon dom Chronisten Eegino (t899) als eine so bedeutende Persön-

dk Paus 111. 3

ocr page 374

38

liclikeit, dass er mxr niit Gregor clem Grossou vergliclien werden könntequot;, zegt de Protestant Dr. Herzog.

Tn Ep. 8 ad Mich, tmper. zegt liij: „Deze voorrecliten der Eooniselie Kerk zijn in Petrus gestaafd door don mond van Christus ou in de Kerk zelve erkend; zij kannen geenszins verminderd, geenszins gescliondon worden; want zij zijn door Christus gesclionkeu en niet door korkvergaderingén; door deze laatsten zijn zij onkel geprezen en geeevbiedigd.' (Mansi XV 201—205.)

Ratramnus O. 8. B. een groot godgeleerde, wiens werken getuigen van eene degélijko kennis dor H. Sclunfl en der Kerkvaders, leefde in de 9'10 eeuw. Hij bewees (l(gt;n goddelijken oorsprong van het primaatschap des Pausen over de g'eheele Kerk in zijn werk Conim Gto,1'-rorum opposiia llomanam ceclexiam infamantium libri cpiu-fuor (Migne 1'. L. 121, 225—34G).

Het jaar van /.ijn dood is onbekend, maar valt zeker na 867.

Sorvatius of 8 er vat us Lupus O. 8. 13. abt van Forrières t na 862.

De Protestant Kling zog't van hem: „Uitmuntend onder zijne tijdgenooten door kennis der romeinsche schrijvers en bedrevenheid in de Latijnsche taal, alsmede door zijne pogingen om handsehrilten zoowel der classiekon als der latijnsche Kerkvaders uit Pome en uit de abdij Pnlda aan te schaffen .... Hij treedt op als een man, die de moeielijkste godgeleerde vragen met vaardigheid woet te behandelen.quot; (Dr. Herzog.)

Lupus ried den monnik Gottschalk, die om zijne leer over de voorbestemming later veroordeeld werd, „af te zien van dergelijke leerstellige beschouwingen en in

ocr page 375

plaats daarvan zich met vrucJitbaarder studiën onledig te hondenquot;, /egt de Protestant J. Haseniann, door wien Gottschalk genoemd wordt: „Ein nnbeugsamer nnd fester, vielleicht ein trotziger Charakterquot;. (E. n. G.)

Deze Lupus zegt in Epist. 84 van 't jaar 849 ad Nomenoium: „Gij hebt den opvolger van Petrus, den Apostolischen Leo, aan wien God het primaatschap over de cjeheele wereld geyeven heeft, miskend .... In hem hebt gij de Apostelen beleedigd, wier vorst Petrus is. Gij hebt de bisschoppen beleedigd, die reeds met God in de hemelen heerschen en door wonderen schitteren op aarde. Gij hebt ook ons beleedigd, die ofschoon wij niet hunne verdiensten hebben, toch door de goddelijke goedheid hetzelfde ambt bekleeden.quot; Verder zegt hij, dat aan Petrus door God het voorrecht van 't primaatschap geschonken werd, opdat door het aanstellen van een hoofd, de gelegenheid tot ketterij zou weggenomen worden.

Toen Petrus zijne schapen begon te weiden, vertegenwoordigde hij de geheele Kerk. (Migne P. L. t 119, 423, 426, 428, 431.)

De H. Pas c h a s i u s E a d Is e r t u s een der grootste godgeleerden van zijn tijd (f na 858) schrijft in zijn Comment, in Matth. 1. G: „Met goed recht derhalve wordt Petrus als de eerste in verdienste beschouwd, hij door wien en in wien de gaven aan de anderen worden overgebracht; het is in zijn persoon, dat de laatstea alle sleutelen van het rijk der hemelen ontvangen, wijl die sleutelen aan hem op meer bijzondere wijze {specialins) werden toebetronwd.quot;

Paus Bene diet us III (855—858) schreef aan de

ocr page 376

4-0

bissclioppen van Frankrijk een brief, waarvan de aanliei luidt: „Benedictus bisschop, dienaar der dienaren Gods, aan alle bisschoppen van Gallië. Daar het bekend is, dat de opperpriester van den Rooiuschen Stoel het hoofd en de prins is van alle kerken van Christus, daar hij de plaatsvervanger is van den zaligen Petrus, den vorst der Apostelen, aan wien Christus, het bestuur over de geheele Kerk toevertrouwende, zeide: Gij zijt Peirus en op die petra zal ik mijn Kerk houwen en ik zal u de sleutelen van 't Hemelrijk geren (Matth. 16 : 18), blijft ervoor geen enkelen geloovig'e eenige twijfel, dat wij onze zorg over alle kerken uitstrekken en waken moeten voor 't heil, den vrede en de rust van allen, die in Christus gelooven, opdat hetgeen verkeerd is verbeterd, wat vastgesteld is bekrachtigd, wat verbroken is hei-steld worde en wat ongeschonden is bewaard blijve. {Epist. 3 Migne P. L. t. 115, (593.)

Hij werd in 855 tot Paus gekozen „tegen zijn wilquot;, zegt B. u. Gr., „daar hij als geestelijke aan de Kerk des ïï. Calixtus liever zich gewijd had aan vrome overdenkingen en stille gebedenquot;. Hij werd zelfs door Photms geprezen. „Sein Privatkarakter wird gernhmtquot;, zegt de Protestant Dr. Herzog.

Lodewijk I de Vrome (t 840), die volgens Wigand in vele opzichten een voortreffelijk karakter en een ongewone kennis bezat, schreef aan Paus Bugemus 11 in 't jaar 824 een brief, waarvan het opschrift luidt: „Sanctissimo ac reverendissimo domino et in Chnsto Patri Engenio, summo pontifici et universali papae Ludo-vicus enz.

Van Agobard, aartsbisschop van Lyon (814 840),

ocr page 377

41

een der geleerdste kerkvoogden van 't Fraukisclie rijk en bestrijder der Adoptianen, zegt de Protestant Hun-desliagen (Dr. Herzog-): „Er gehort in die Eeilien der ansgczeichneten Milnner, welclie aus der durcli Karl den Grossen lm frankischen Eelclie bewirkten Cultura n-regnng hervorgegangen sind.quot; !)

Agobard erkende den bisschop van Tumie als Christus' plaatsbekleeder, zooals uit vele zijner geschriften blijkt, maar vooral uit zijn verhandeling de comparatione regiminis ecclesiastici et politici 'Migne P. L. t. 104, 291 enz.)

13 e n e d i c t u s van A n i a n e (f 821), werkte veel tot herstel der kloostertucht, werd door Karei den Groote gebruikt tot bekeering der Adoptianen -) (een ketterij, die verdwenen is) en leefde volgens den Protestant G. E. Petri (E. u. G.) zeer verstorven.

De voornaamste uitvinder van die ketterij der Adoptianen, een zuster van het Nestorianismus, was Elipandus, de aartsbisschop van Toledo, „ein stolzer, heftiger Alterquot;, zegt de Protestant G. E. Petri (E. u. G.)

Benedictus zeide: „De Heer in quot;t Evangelie Petrus, den Prins der Apostelen, ondervragend of deze hem liefhad, voegde er bij: Weid mijne schapenquot; (Petrum apostolorum privripem .... interrogans). {Concordia Rejju-larum c. 5 § 14 Migne P. L. t. 108 blz. 784.)

Benedictus en zijne talrijke monniken erkenden den b i s s c h o p v a n li o m e als Christus' plaatsbekleeder op aarde. Hebben zij zich zeker vergist:'

j

itlnül

!) In een brief aan do geestelijken en monniken van Lyon zegt hij, dat men ook een slechten herder moot gohoorzamen. (Migne P. L. b. 104 col. 197.)

2) Migne P. L. t. 121, 411 t 96—101.

i

ocr page 378

42

De H. Nicepliorus, patriarch van Konstantinopel (806—815), een zeer beroemd godgeleerde en lioofd-verdediger van de beeldenvereering. Hij stierf in 82(5 of 828. De keizer verlangde van liem herstel in eer en rechten van een priester, Jozef geheeten, die wegens de inzegening van de ongeoorloofde verbintenis van Con-stantijn VI met Theodota van zijne waardigheid ontzet was. Nicephorus willigde op een daartoe bijeengeroepen synode het verzoek des keizers in. Eenige geestelijken van strengere richting laakten dit als een ongehoorde toegeeflijkheid en een zwaar vergrijp tegen de kerkelijke tucht. De aartsbisschop van Thessalonica, de broeder van Theodorns van Studium verzette zich openlijk (808). Nicephorus handhaafde de herstelling van Jozef en veroordeelde de tegenpartij op een synode 809. Do tegenstanders werden verbannen. Uit hun ballingsoord deden zij een beroep op Paus Leo III in een schrijven, dat een zeer d u i d e 1 ij k e erkenning bevat van het primaatschap van Rome's bisschop (810). De Paus troostte de bannelingen, deed echter nog niets tegen het besluit van Nicephorus, wijl hij van dezen nog geen synodaal schrijven ontvangen had. Na den dood van den keizer en diens zoon Stauracius kroonde Nicephorus den nieuwen keizer Michael 1 (811). Nu had de verzoening plaats; de bannelingen werden teruggeroepen, Jozef wederom afgezet. Daarmede erkende Nicephorus zijne al te groote toegevendheid en zond eerst nu aan Paus Leo III den synodalen brief onder betuiging, dat hij door de dwinglandij des vorigen keizers verhinderd was geweest, zijne verheffing op den patriarchalen zete] aan den Paus mede te deelen.

De bisschoppen vnn Gallië zeiden op het Con-

ocr page 379

43

cilie van Rome, onder Paus Leo III (795—816) gelioiitleu: „Wij durven den Apostolisclien Stoel, die Let hoofd is aller kerken Gods, niet oordeelen. Want door dien Stoel en door zijn plaatsbekleeder worden wij geoordeeld, de Stoel zelf ecliter wordt door niemand geoordeeld, zooals ook van oud slier de gewoonte is.quot; (Labbe t 7 col. 1082.)

De H. Tlieodorus Studita, de geleerde abt van Konstantinopel (t H2G) richtte aan Paus Leo III een schrijven, waarvan bet getuigenis dos te gewicb-tiger is, omdat zelfs de yrielesch-russische Kerk bet opgenomen beeft in bare verzameling van reden eu brieven der kerkvaders tot sticbting der geloovigen. Daar staat onder den 12 November woordelijk: „Toon u als den opvolger van den eersten Paus van uw naam Leo. Hij gebruikte gestrengheid tegen de ketterij van Eutyebes; doe gij ook zou tegen de beeldstormers. Leen bet oor aan onze beden, o hoofd en vorst ran het Ajioxtcl-amht door God zeiven iot herder der sprekende kudde rcr-kozen; want gij zijt werkelijk Petrus, wijl gij de plaats inneemt van Petrus.... Gij zijt bet, aan wieu Jezus C b r i s t u s gezegd beeft: versterk uwe hroeders.quot; (Baron. ad. a. 809. Berc. VIII. 141. üudis :l'ctiu Romaua 2 Aufl. 1869 S. 151. Katholik 1874 11 385 vv.)

De H. Lu dg er, de eerste bisscbop van Munster geb. omstreeks 744 gestorven 809.

„Toen Ludger een knaap geworden wasquot;, zegt Moll I blz. 177, „werd bij op zijn verzoek door zijne ouders naar Utrecbt gezonden en onder de leiding van abt Gregorius geplaatst.... Hier zette bij zijne beoefening van de latijnscbe taal, de lectuur des Bijheh en der

ocr page 380

4i

kerkvadereu voort tot omstreeks liet jaar 700, toen liij zicli met.... Alubert uaar York begaf.... Daar was te dien tijde bet brandpunt der angelsaksiscbe beselia-viny, eene scbool, wier roem door de geleerdheid van Alcninus steeds aanwies en wier discipelen bet licbt, dat van den grooten meester uitging, door gebeel ons werelddeel droegen, wanneer zij zicb met zijn nniverseel onderricbt eenigen tijd den geest badden gevoed. Daar ook bestond eene boekerij, zóó rijk aan bandsebriften van klassieke autenren en kerkvaders, dat zij buiten Rome waarscbijulijk nergens bare wedergade bad .... Ludger was een man van gerijpte geleerdheid .... Hij ondernam een reis naar Rome, waarscbijulijk om er de graven der Apostelen te bezoeken en misscbien ook om er boeken te verzamelen. Zeker is bet, dat bij er een scbat van relieken opdeed, die later in ons vaderland en in bet Muusterscbe, bij kerk- en kloosterstiebtingen, door bem gebruikt werden.... Ludger beklom (te Munster) den bisschopsstoel, nadat Hildibald, bisschop van Keulen, bem tot zijue nieuwe waardigheid geordend had .... Zijne liefde voor zijne groote bestemming en de wijsheid, waarmede bij haar vervulde, schenen den

tijdgenooten niet genoeg bewonderd te kunnen worden----

Ludger stierf in den nacht van 26 Maart 809, terwijl bij zich van eene visitatie-reis huiswaarts spoedde. Den vorigen dag, een Zondag, bad bij te Coesfeld in den vroegen morgen gepredikt en daarna te Billerbeck nog de mis gezongen.quot;

Heeft de vrome man zich zeker vergist i'

„Ludger was de laatste, niet de minst voortreffelijke in de rij der mannen, die men de apostelen van Nederland noemt, omdat zij de zaden des Christen-doms onzen bodem uitstrooiden, onze kerk sticiitten

ocr page 381

eu aanvankelijk bevestigdenquot;, zegt Moll. (I hlz. 186.)

Hebben deze „apostelen van Nederlandquot; zicb zeker vergist 1* „De booge moedquot;, zegt Moll (I blz. 199), „waarmede zij bet apostolaat op zicb namen, bad proeven door te staan, waaronder zij al ras bezweken waren, zoo bet heiligste geloof ben niet gedragen bad.quot;

Was dat „heiligste geloofquot; bet ware geloof.'

„Het kerkjaar van Home, dat met zijne reeds talrijke feestdagen door Augustinns, den zendeling van. Gregorius den Groote (590—604), aan de angelsaksiscbe cbristen-lieid overgeleverd was, werd door onze geloofspredikers naar ons vaderland overgeplantquot;, zegt Moll (I 890).

Hebben die geloofspredikers zicb zeker vergist!'

„De bediening van bet laatste oliesel en viaticum aan stervende broeders en zustersquot;, zegt Moll (L 44B), „sinds overoude tijden in de Kerk opgenomen en in deze eeuwen overal verbreid, werd waarscbijnlijk ook in ons vaderland algemeen onderbonden.quot;

Is dat overoud gebruik zeker een vergissing of misbruik i'

Alcuinus (eig. Albwin - vriend des tempels), de geleerde vriend van Karei den Groote werd geboren omstreeks 735 te York en stierf te Tours in 804.

De Protestant Cbr. Niemeijer (E. u. G.) scbrijft over hem: „Vaderlijke, verstandige en zeer kundige leermeesters, de beide elkander opvolgende bisscboppen Egbert (zelf een leerling van Beda) en Aelbort gaven aan 't vuur en de omvattende kracbt zijns geestes zulk een goede ricbting eu zulk een passend voedsel, dat Alcuinus in 't vervolg in de wetenschappen, alsook in de kunst, in geschriften en in 't werkzaam leven, aan 't bof zoowel als in de cel, door zijn kennis en zijn zeden boven de meesten zijner tijdgeuooten uitmunt . .. .

ocr page 382

46

Als hoofd van 't gelieele sclioolwezen aangesteld, onderrichtte hij behalve andere beroemde leerlingen, den Apostel der Saksen, den H. I/udgenis, die later bisschop van Munster werd. Maar de voorzienigheid had hem tot iets hoogers bestemd, tot leermeester der Franken. Daarom moest het zich zoo schikken, dat Alcuin, door Canbald, die tot opvolger van Aelbert (den aartsbisschop van York) bestemd was, na diens dood naar Home gezonden werd om van den Paus het pallium (voor Canbald) te halen, en dat hij op zijn terugreis door Lombardije aan den grooten keizer Karei bekend werd .... Karei leerde van Alcuinus dm Bijhoi grondiger kennen .... Alcuinus gaf zelf onderricht in de H. Schrift en in de grondtalen.... Zijne geschriften bevatten stichtelijke verklaringen over den Bijbel. , . . „Ik wenschquot;, schreef hij aan Karei, „en de Kerk èn uw keizerrijk nuttig te zijn.quot; Hij was vol huogen eerbied voor Paus Leo 111 (795—810). Hij liet zeer vele kloosters en scholen bouwen.

Alteuiaal eeker vergissingen ?

ocr page 383

47

C.

ACHTSTE KN ZEYÜNBK EEUW.

„Dc Paus was voor Bonifatius »lo lioogopriestöf l»ij uituemendhoul, liet hoolil tier Kerk.... Oiulcrwcrping aan de lloomsclio Kf rk, tl. i. g(!lioorzaainIiüul aan ilon Paus in goloof en loven werd door hem zolven in volkomen , opreclitheid beloofd en beoefend. ■'

Prof. Moll.

Hadbtaan I, Bonifatius, Joannes Damascenus, I'lllMfN, GrE(!OR[UH van Ut recht, wlllieeokü, 13eda, Joannes VI van Konstantinopel, Wil-feied, Colman, Amandus, Derde Algem. Keek-veeö. te Konstantinopel, Maximus, Maetinus i, öeegius van Cyprus, Honoeius I, Stephanus vax Doea, Sophronius van Jeruzalem, Isidorus van Sevilla, Cummian, Columbanus, Bonifatius III, Eulogius van Alexandrië.

Paus Hadriaan I 772—795.

De Protestant Voigt zegt: „Een wegens zijn vromen levenswandel en vast karakter zeer geacht man, .... won zeer spoedig ook de liefde des volks door milddadiglieid, de acliting der cliristenlieid door zijn zorg voor de welvaart der cliristelijke kerken, de bewondering van lien, die liooge waarde stellen op vasten en o.ntliotiding, en de vereering der bescliaatdsteii zijner eeuw door zijne ontwikkelde geestesgaven.quot; (E. u. G.)

In een brief aan Karei den Groote getuigt liij liet primaatschap.

Karei verheerlijkte zijn aandenken door een latijnscb grafschrift. (Gregorovius: Die Grabmnler der römisehen Papste 25. 210.)

ocr page 384

-48

Do H. Bouifatius (f 755) ook door Potgieter „de apostel van ous vaderlandquot; genoemd.

„Een der zendelingen, diequot; volgens de protestantsclie schrijfster van de Geschied, der Christel. Kerk, „liet meest tot de verbreiding van liet Christendom heeft hijgedragen, was Bonifatins, ook Winfried genaamd.... Hij (jviiij naar Rome om aan Gregorius II (715—731) de pause-lijice volmacht voor een zending onder de Daii.schers te vragen. '

„Den 15 Mei (719) gaf de Puasquot;, zoo schrijft de Protestant Dr. Julius von PHugk-Harttnug, „aan den priester-monnik Bonifatins het bevel om krachtens het gezag des H. Petrus aan alle ongeloovigen het rijk Gods te verkondigen. Tevens verplichtte hij hom te doopen op de roomsche manier en bij voorkomende moeilijkheden bericht te zenden aan den Pans.... Bonifat ns trad op als gevolmachtigde des Pausen.quot; (Gesch. des Mittel-alters.)

Moll schrijft (1, 138): „Nadat hij met den Paus veelvuldige gesprokken had gehad over de zaak, waaraan hij zijn leven wilde wijden, trok hij mot volmacht van Gregorius do Alpen weder overquot;.. . .

Bonifatins erkende dus den bisschop van Rome als Christus' plaatsbekleodor; heeft hij zich zeker vergist;'

Den 30 November 722 knielde li ij aan do voeten van Paus Gregorius, die hem de bisschoppelijke wijding-toediende.

Heeft hij zich zeker vergist i'

Bonifatins legde voor den Paus don bisschopseed af, dien nog nu elke rechtmatig gewijde bisschop aÜegt.

Heeft hij zich zeker vergist?

De Paus gaf hem eenige kerkelijke canones mee, als richtsnoer voor Bouifatius' missiewerk. Bonifatins nam zo dankbaar en gehoorzaam aan; heeft hij zich zeker vergist!'

ocr page 385

49

„Bij Greismarquot;, zegt de protestantselie selirijfster van de Geschiedenis der Christelijke Kerk, „stond een kraclitige eikeboom, die door de heidenen voor heilig werd gehouden. Bonifatins maakte bekend, dat hij dien eik zon omhakken; indien hunne afgoden iets beteekenden, zouden zij zeker de schending van dien boom voorbeeldig straffen; geschiedde aan Bonifatins geen leed, dan zon daardoor de nietigheid hunner afgoden bewezen zijn.

Mot gespannen verwachting kwamen de heidenen op den bepaalden dag bijeen; Bonifatins verscheen met de bijl iii de hand; met krachtige slagen velde liij den boom, maar hem zeiven trof geen kwaad; het hout van den eik gebruikte hij tot den bouw eener christenkapelquot;, die hij toewijdde aan den H. Petrus. Mocht hij die kapel aan den H. Petrus toewijden? Was dat geen heiligendienst en bijgeloof enz.?

Gregorins TIJ volgde in 781 Gregorius Tl op. Wat deed nu Bonifatins? Hij zond gezanten naar den nieuw gekozen Paus om dezen te huldigen.

Heeft hij zich zeker vergist?

Gregorius 111 zond hem het pallium, liet teelten der aartsbisschoppelijke waardigheid en gaf hem in last overal in Duitschland, waar liet noodig bleek, bisschoppen te wijden en aan te stellen. Bonifatins kweet zich van die taak.

Hebben Gregorius ITT en Bonifatins zich zeker vergist?

Onder denzelfden Paus kwam bij naar Rome en bezocht daar de graven der heiligen en martelaren; was dat geen heiligendienst?

Bonifatins heeft in Duitschland de Roomsch Katholieke hiërarchie ingevoerd; heeft hij zich zeker vergist? Bonifatins werd door den Paus benoemd tot apostolischen gezant van Gallië en Germanië, tot aartsbisschop van

ocr page 386

50

Mentz en tot primaat van DuitscMand. Hi] lieeft die bedieningen met trouw en ijver vervuld.

Hebben Bonifatius en de Paus zicb zeiier vergistP

„Op een zendingsreis naar Friesland werd hij in 't jaar 755 door de Friezen bij Dokkum overvallen en met twee en vijftig der zijnen gedoodquot;, zegt de protestantse]ie schrijfster va n de Gesch. der Christel. Kerk.

Waren Bonifatius en die twee en vijftig der zijnen Eoomsch Katholiek of Protestant? Hebben zij zich zulcer vergist ?

Moll (I blz. 208 enz.) schrijft: „Bonifatius' titel gezondene van St. Pi ster en zijn eed aan den Paus zijn der wereld bekend .... Zijn begrip van het wezen der Kerk was het bij de latijnsche christenheid reeds lang verbreide .... Hij noemde de Kaiholielce Kerk den wijngaard, van den Heer der heirsch aren, het hvis Israels. Do Paus was hem de hoogepriester bij uitnemend-heid, het hoofd der Kerk !) en inzonderheid van de g e e s t e 1 ij ken, die met hunne verschille n d o orden in hiërarchische geleding van dit hoofd afhankelijk waren. Onderwerping aan de Koomsche Kerk [sidnectio romanae ecclesiae), d.i. gehoorzaamheid aan den Paus in geloof en loven, werd door hem z e 1 v e n in volk o m e n oprechtheid beloofd en beoefend, en toen bij door zijne synoden de organisatie der frankisch-duitsche kerk ondernam, was die onderwerping een der artikelen, die hij het eerst door de verzamelden liet onderschrijven; want in haar alleen (d.i. in dio onderwerping aan den Paus) zag hij den waarborg der kerkelijke

r) Do dclühare hoogopriostor, hot zichtbaar hoofd dor Kork op

aarde.

ocr page 387

51

eenheid. Aan St. Pieier en zijn vicaar zonden allen onderdanig zijn. Van liem (d.i. van St. Pietor en zijn vicaar = den Pans) moesten de aartsbisselioppen hun pallium vragen en in allen de voorschriften van St. Pieter naar de eischen des kerkrechts {canonice) volgen, opdat m e n t o t d e h e m toevertrouwde s c h a p e n der kudde mocht behoor en. De metropoli-tan e n zonden het opzicht over hunne bisschoppen hebben, en de priesters jaarlijks voor de bisschop-p e n rekenschap van hun dienst afleggen, en als gees-tolijken of leeken van de wet des Heer en afdwaalden, en Bonifatras of andere aartsbisschoppen het kwaad niet konden weren, zonden zij altijd aan den Apostolisclien Stoel beiicht geven en daar verbetering zoeken. Zóó moesten de priesters onder de bisschop pon, de bisschoppen onder de n m etropolitaa n, e n deze onder den Pans staan.quot;

E. J. Potgieter in zijn Schetsen en verhalen (I D. 2'1' druk 1884 Haarlem Tjeenk Willink) schrijft: ,:T)e Ajiontel onzes vaderlands bezegelde de leer door hem verkondigd mot zijn dood en het bloed des martelaars was hot zaad der Kerke.quot;

Hoeft de Apostel zich zeher vergist ?

„Al wat wij van onze geloofsverkondigers wetenquot;, zegt Moll (I blz. 210), „geeft ons grond hen voor vor-

klaardo aanhangers van Eome te honden____Wij mogen

vaststellen, dat de biecht door Willibrord en onze overige goloofspredikers tegelijk mot hot christendom tot onze vaderen word gebracht.quot;

Do biecht bestond „in deze eenwenquot;, zogt Moll, „en lang te vorenquot; (I 499).

Is die biecht zeher een vergissing 1'

Grogorins II schreef aan Bonifatius, dat hij „in bet

ocr page 388

r,2

offeren voor de dooclenquot; !) liet g e b r u i k der Kerk zou Konden: „de geloovigen moestenquot;, zegt Moll (T 451), „voor Inmne dooden oblatiën offeren en de priesters bij de mis memorie der dooden doen, door limine namen in liet g-ebed op te nemen.quot;

Was dat zeker een vergissing ?

H. Joannes Daniascenns (t 754) pleegt in de leerboeken der Patrologie de reelis der Grieksclie Kerkvaders te sluiten.

De Protestant Landerer zegt van hem: „Hij neemt een eervolle plaats in .... durcb die anerkennenswertlie Gewandtheit und den Seliarfsinn, mit weiebeni er das Cbristlicb-Kircblicbe Dogma, gemass dem Stadium der Entwickelung, welclies dasselbe bis auf ibn erreieht batte, zu vertkeidigen wusste.quot; (Dr. Herzog.)

Door den Protestant Pli. H. Külb wordt bij genoemd „einer der bedeutendsten Griecbiscben Kircbenviiter und der ausgezeicbnetste tlieologisebe Scliviftsteller des acbten Jabrlmnderts.quot; Hij scbreef o.m. een werk Over het ware geloof. „Dieses Werk entbalt die ganze G-laubenslebre der orientaliseben Kirclie und muss als das bedeutend-ste dogmatisclie Werk der griecliiselien kireblicben Literatur .... betracbtet werden.quot; (E. u. G.)

Welnu deze man „einer der bedeutendsten griecbiscben Kircbenvaterquot; zegt:

ij lu iio lortjche cauou-verzamolinf;, waarvan do bosluiton het opschrift Synodvs of Hx synodn dragon, on dio zokor vóór 731 roods bokond was on vervaardigd word naar aanleiding van oon algomeono vergadering van lerscho bisschoppen to Tara in 697 staat o.a.: „Nu offert do Kerk aan den Heer op veelvuldige wiize, eorst voor zich zelve, dan tot gedachtenis aan Jezus Christus, dio sprookt: „Doe dat tot mijne gedachtenis, ten dorde voor de zielen der afgestorvenen.quot;

ocr page 389

„Petrus het hoofd der Apostelen, hechte grondslag, ongebroken rots, de wal der Kerk, de toren die niet wankelt,.... die de zorg over de Kerk zon ontvangen, de z n i 1 der kerken, de li a ven des geloofs, de 1 eeraar der wereldquot; {Sacra paral Ida. Migne t 96 nquot;. 591, 592) „het hoogste punt van 't N. Testamentquot; (c -/.spiKpouiTXTcg) de sleutel drager van 't rijk (hfom. vn fmnsfig. Domini nquot;. 802) „ik heh de sleutels van 't hemelrijk nief aan ven ander gegeven (dan aan Petrus). Op uw vast geloof als een rots l) zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. G ij zult mijne schapen weiden, gij zult het voedsel reiken aan mijne lamineren, gij zult als aanvoerder (hQo{(\,T-/.^!y.fy_rig) aan mijn rechterhand staanquot; {Sacra paral Ida nn. 598). „Hij heeft u (Petrus) tot bestuurder aangesteld over de Kerk dergeheele wereld.quot; {Hom. in transfig. Domini. Migne t 9G nquot;. 802.)

Ds. A. V. ziet dat Joannes Damascenus (f 754) Petrus als het hoofd erkent met hoogere „geestelijke rechtspraak in de Kerkquot; dan die der andere Apostelen. ,,lk heb do sleutelen van 't hemelrijk niet a.a.n een ander gegeven.quot;

Dit getuigenis weegt in niijn oog zeker op tegen dat van Luther en Calvijn.

De H. Pirmin (t 758), bevorderaar van 't kloosterleven in Zuid Duitschlaiid was tijdens het bestuur van Karei Martel koorbisschop. Hij schroef een boek over

4

!) [n zijne hoodanighoid van „leoraar dor woroldquot; (niot als afzonderlijk persoon) kan Potrns (= do Paus) bijgovolp; in goloofs-zakon niet dwalen.

de Paus III.

ocr page 390

54

geloofs- eu zedenleer. Hij trok naar üome, ten einde van Pa us Grregorius II volmaclit te erlangen om in zijn vaderland te arbeiden voor 't heil der zielen en ontving- ze.

De Protestant A. Küliler zegt: „Pirmin der Heilige .... geliört zn denen welclie am eifrigsten und ausgebreite-sten zur Befestigung des jungen Cliristentlitims walirend der lon Hillfte des acliten Jabrlinnderts tbatig waren .... Als einen Mann ven vorzugsweise praktischer Begabung, verblinden mit eifriger Frömniigkeit lernen wir Pirmin ans seinem Leben kennen .... Denselbeii Eindrück von Pirmin, als einem iiberwiegend praktisch begabten mul dnrchaus frommen Manne gewinnen wir auch aus der.. . . Rede iiber die Nachfolge Jesu.... in dieser Schrift verriith Pirmin eine heivnuilerenswerthc iojpische Kenntniss der heiliyen Schrift.quot;

Gregorins van Utrecht, gewoonlijk „de abt van Utrechtquot; geheeton, werd geboren in 't jaar 702 f 775. Moll schrijft: „Ook op Bonifatius' derde reis naar de pauselijke stad (Poine) was Gregorins aan zijne zijde, en deze tocht was gewichtig voor hem, naardien hij te R( mie.... een aanzienlijken boekenschat verwierf.... fj regoriiis werd door den apostel (Bonifatius) tot „lierder der ütrechtsche Kerkquot; uitverkoren, en eerst later, nu Bonifatius' dood, van vvege Pans Stephanns 111 en I'epijn met de voortzetting der Evangelisatie in Friesland belast.... Nauwelijks kan men zich een liefelijker levensbeeld denken dan hetgeen Ludger, na Gregorins'1 dood, van dezen (jodvruchtige geteekend heeft, en die de korte en eenvoudige levensbeschrijving leest, zal haar gewissel ijk nederleggen in de overtuiging, dat ile persoonlijkheid van zulken man noodzakelijk een kracht

ocr page 391

tot bekeering en heiliging moet geweest zijn voor alle edeler naturen.quot;

„Hij liet zichquot;, zegt Moll, „naar de St. Salvatorskerk dragen, waar hij zijn gebed deed, het viaticum genoot en met het oog naar het altaar gericht, den laatsten adem uitblies.quot;

Vele zijner discipelen werden later geroemd als uitstekend vrome en geleerde geestelijken, en sommigen werden bisschoppen, die gelijk Lndger zelf', wien wij deze berichten verschnldig'd zijn, sieraden der Kerk waren.

Hebben Greg'orius en zijne ■vele discipelen zicli zeker vergist''

„Een monnik, Willibrord genaamd ((557—739), kwam nit Engelandquot; hoogstwaarschijnlijk in 692, (zoo verhaalt de protestantsche schrijfster van do Gesch. der Christel. Kerk), „om onder de Friezen het geloof te verkondigen. Vooraf had hij zich naar Rome gewend om van den Paus toestemming tot zijne zending te verkrijgen.quot;

Heeft Willibrord zich vergist?

Prof. Moll {Kerkgesch. van Nederland vóór ele Hervorming D. 1 blz. 117) zegt van Willibrord: „Dat zijn godsdienstig standpunt overigens niet hooger was dan dat zijner tijdgenooten, schijnt te blijken uit zijn afhankelijkheidsgevoel van Rome en zijne liefde voor de relieken der Heiligen en bovenal uit zijn vertrouwen op de verdienstelijkheid zijner goede werken.quot; Willibrord erkende den Paus, Prof. Moll erkent dezen niet, wie heeft zeker gelijk? Wie vergist zich?

Willibrord, door J. P. Arend „de Apostel van Nederland geroemd, predikte, zegt Groen van Prinsterer, „in Zeeland, te Utrecht en elders en stichtte onder andere een kerk te Heilo in Noord-Holland.quot;

::

4ii •••

'i ■ ' '

Iquot;

Ify i

li: -

sip .

li ii|i; {

I |i!?;

P

-,i --(v.

m ■ .•

t:i

ocr page 392

56

Door Paus Sergius (687—701) werd hem, den eersten bisschop van Utrecht of Wiltaburg te Rome de handen opgelegd ter heilige wijding (696).

„Dat oogenblikquot;, zegt Prof. J. V. de Groot, „veraanschouwelijkte de vereeniging van het katholieke Nederland met het middelpunt der kerkelijke eenheid te Rome. Zulke oogenhlihken hebben alle grooie volkeren van Fjumpa gekend.quot;

Do voorzitter van de Synode der Ned. Herv. Kerk (1896) M. A. Perk, noemt den „Godsman Willibrord . . . . den eersten aartsbisschop van Utrecht, den geestelijken voorvader der Nederlanders en van de bewoners der Rijnstreek, den evenknie van den apostel der Germanen Bonifatius.quot;

„De Godsnian Willibrord .... de geestelijke voorvader der Nederlandersquot; was Roomsch Katholiek. Heeft hij zich zeker vergist?

Hij wijdde altaren, zegt Moll, bediende het vormsel, ordende geestelijken, in één woord volbracht alle kerkdiensten, waartoe het bisschoppelijk radicaal (bisschoppelijke waardigheid) noodig was.quot;

„Dat de Paus hem naar den zetel te Utrecht zond . . . . schijnt ons niet betwijfeld te mogen wordenquot; schrijft Moll (I blz. 286).

„Wij blijven den naam van den man, die meer dan alle anderen tot de invoering van het Christendom met zijne duizendvoudige zegeningen in ons vaderland bijdroeg, in oere honden .... Trier roemt op het bezit van Willi-brords draagbaar altaar, Emmerik op dat van zijne relieken-kas.quot; (Moll I blz. 118.)

„Willibrordquot;, zoo schrijft Moll (1 blz. 211) werd in den rechfzinnigen kring van Wil (quot;ried mi Egbert opgevoed, en nauwelijks had hij eenige schreden op onzen bodem

ocr page 393

57

gemaakt, of' Lij snelde naar Rome om des Pausen loe-stemming (licentia) en zegen voor zijne onderneming te vragen, eu hadden wij liet geluk, van zijn arbeid breeder bescheiden te bezitten, wij zouden ongetwijfeld ook meer bewijs van zijne afhankelijkheid van den Apostolisch en Stoel kunnen bijbrengen. Ja, Willibrord is het geweest, die onze vaderen inderdaad onder Rome bracht, toen hij zich door den Paus tot bisschop van Utrecht en aartsbisschop der Friezen liet ordenen.quot;

Heeft de H. Willibrord zich zeker vergist?

Moll zegt: „Daar de overtuiging van Basilius den Grootequot; (gestorven in 't jaar 379) „en Paulinus Nol an usquot; (gestorven in 481) „en andere Kerkvaders, dat beelden tongvoerende boeken voor de leeken moesten geacht worden, in de dagen van Willibrord en later algemeen verbreid was, kunnen wij er van verzekerd zijn, dat zij ook hier te lande gekend en opgevolgd werd.quot; (I 3SG.)

Hebben Basilius, Paulinus, andere Kerkvaders, Willibrord enz. zich zeker vergist?

Prof. Moll schrijft: „Van alle geloofspredikers, die onzen heidenschen voorvaderen bet Evangelie verkondigden, Leeft geen enkele meer aanspraak op onze dankbare vereering dan Willibrord.quot;

„Willibrord, de Apostel der Friezen, heeft zich voor de vestiging van het Christendom iu ons vaderland zeer verdienstelijk gemaakt.quot; (Ds. A. J. Th. Jonker.)

Heeft hij een valseh Christendom ingevoerd? Hij erkende den bisschop van Rome als Christus' plaats-bekleeder op aarde; heeft hij zich zeker vergist?

„Twaalf eeuwen zijn voorbijgegaanquot;, schreef de kerkelijke geschiedkundige Dr. G. Brom (Het Centrum 7 Nov.

ocr page 394

58

1892), „sedert Willibrordus' gezegende komst hier te lande. Hoevele storineu liebben reeds gewoed rondom den bisschopszetel, dien hij te Utrecht vestigde! Bijna driehonderd jaren stond de Stoel van Willibrordus zelfs ledig en was zijne kudde als verweesd. Maar op dezen feestdag herdenken we tevens het gelukkige feit, dat de opvolger van Paus Sergius, die „den eersten aartsbisschop der Friezenquot; heeft gewijd, dat Paus Pms IX hier wederom waardige opvolgers van Sint Willibrordus aanstelde.

De Kerk van Willibrordus leeft, ook tegen wind en verdrukking in, altijd voort; onder de hoede van haren Stichter en Schutspatroon zal zij nog menig eeuwgetij beleven.

Wat de toekomst bergt in haren schoot!' Het Engel-sche Parlement moest in onzen tijd de voorspelling aanhooren: over honderd jaren is gansch Engeland katholiek. De wegen van Gods Voorzienigheid zijn onnaspeurlijk eu daarom is het raadzaam zich van zulke stoute voorspellingen te onthouden. Maar toch:

„In 't verleden ligt het heden,

In liet nu wat worden zal.quot;

Welnu, het Christendom ons door Willibrordus gebracht, d. i. het volle, eenig ware, het Roomsch Katholieke Christendom was steeds en is thans nog hot zuiverende, behoudende, reddende element, de zuurdeesem der Maatschappij. Eu moet dan de zuurdeesem de gansche massa niet doordringen!'

Daarom blijft het altijd een heerlijk schoon beeld dei-toekomst: de Kerk van Nederland weer één kudde in denzelfden schaapsstal, door Willibrordus gebouwd;

ocr page 395

59

geheel ons vatlerland „één van hart en één van zinquot; een volg-end eeuwfeest vierend ter eere van Sint Willi-brord.quot;

Ds. A. Veenlmjsen vraagt in zijn boekje Hoofdzaken uit do hijbelschc geschiedenis en Kerkgeschiedenis enz. (1892): Wav/neer is het Christendom in ons vaderland gekomen? en antwoordt: „Omstreeks het jaar 750 is het hier (jejiredikt door de Eoomsclie zendelingen Bouifatius, Willihrord en anderen.quot;

/06 ontstond de Eoomsche Kerk in ons vaderland, van een Protestantsche Kerk was nog' geen sprake. En nu vraagt Ds. A. Veenlmysen verder: „Is de Eoomsclie Kerk in ons vaderland ongestoord blijven bestaan?quot; en antwoordt: „De Hervorming, vooral in den geest van (Jalvijn, is door velen met blijdscliap aangenomen.quot;

Ik vraag: Is Let Cliristendom van Willibrord en Bouifatius (750) zeker liet onechte, en het Christendom van (Jalvijn in de 1G'1'' eeuw zeker Ijet echte!1

Beda, geboren in 674 of 072 f 735, werd eerst in het klooster St. Peter te Weremouth ((579—691) en daarna in St. Panlus te Jarrow opgevoed, waar hij in 691 diaken en in 702 priester werd gewijd. De Protestant G. E. Petri schrijft: „Hij bracht zijn geheele leven door met leeren, onderwijzen, prediken en het uitgeven van zijne talrijke geschriften en volgde bij een onberis-pelijken, levenswandel met zingen in 't koor en andere oefeningen, handenarbeid zelfs niet uitgezonderd, nauwgezet de regels zijns kloosters, dat hij nooit verliet.... Dat Paus Sergius I, door den roep zijner geleerdheid bewogen, hem naar Rome riep .... is wel is waar zeker, doch waarschijnlijk heeft Beda die reis niet ondernomen, wijl tie Pans reeds in hetzelfde jaar stierf. Nog op zijn

ocr page 396

GO

ziekbed bezig' zijnde het evangelie van Joannes in de landstaal te vertalen, stierf hij in zijn klooster 2() Mei 735.quot; Hij kreeg den naam van eerbiedwaardige, venerahüis, en „verdiende deze eer boven vele anderenquot;, zegt dezelfde Protestant, „door vroomheid, nederigheid, door ijver voor 'f algemeen ivelzijn en door uitgebreidein invloed op de beschaving zijner eeuw .... Hij werd in zijn bescheiden cel de leeraar van een menigte uit alle streken van Engeland samenstroomende leerlingen, die zijn onderricht en zijne geschriften in dit land, in Frankrijk en Duitschland verbreidden.quot; (E. n. G.)

„Ofschoon hij gaarne erkendequot;, zegt Moll (I 305), „dat het huwelijk voor den mozaïschen priesterstatul geoorloofd was geweest, opdat het geslacht van Ailron bleef voortbestaan, oordeelde hij dat de priesters der christenen zich steeds moesten onthouden en hunne kuischheid bewaren, opdat zij altijd het altaar mochten bedienen.quot;

Willibrord en zijne mede-apostelen en Bonifatius dachten er ook zoo over, zegt Moll; hebben deze allen zich zeker vergist ?

Deze eerbiedwaardige, vrome, nederige en geleerde priester, wiens bijbelverklaring door Bonifatius begeerd werd (Moll L 202, 207), zegt in Hom. II 1(5 (Migne P. L. t 94 col. 223) het volgende: „Daarom evenwel heeft de Zalige Petrus, die Christus met een oprecht geloof beleed en met oprechte liefde gevolgd is, op een bijzondere ivijze de sleutelen des Hemels en het primaatschap der rechterlijke macht (principatum iudiciariae potestatis) ontvangen, ten einde alle geloovigen der geheele wereld zouden inzien, dat alwie ran de eenheid des geloof» of van de gemeenschap met. hem op welke wijze ook zich afscheidt, noch van do banden der zonden bevrijd

ocr page 397

01

worden, noch de deur van het liemelscli rijk zou kunnen ingaan.quot;

„Ilt;m u zal ik geven de sleutelen van het rijk der hemelen, d. i. de wijsheid om te onderscheiden en de macht, krachtens welke gij de waardigen moet opnemen in het rijk, en de onwaardigen buitensluiten.quot; (Beda: Tn Matth. Evany, lib. 3 c. 1(5; Migne P. L. d. 92 col. 79.)

„Maar eerst vraagt hem de Heer, wat Hem reeds bekend was, en niet één maal, maar twee en drie malen: of Petrus Hem bemint; en even zoovele malen ontvangt Hij van Petrus geen ander antwoord dan dat hij Hem bemint, even zoovele malen geeft Hij aan Petrus geen ander bevel, dau zijne schapen te weiden.quot; (Beda, in S. Joann. c. 21 Migne t. 92 col. 929.)

Beda noemt Petrus: ,,//«/ heilig opperhoofd der Kerkquot;, en zegt: „Simon, ontrukt de geloovigen aan de diepte der wereldzee, om de goede visschen te bevrijden, en voert hen op naar het vaderland des lichts.quot; (Beda, hymnus 9 Migne t. 92 col. (gt;29.)

Joannes VI, aartsbisschop van Konstantinopel, schreef in 713 aan Paus Constantinus I (708—715) een brief, in welks aanvang hij het primaatschap van den Roomschen Petrus-Stoel door eene uitstekende vergelijking van het hoofd en deszelfs verhouding tot de overige ledematen zóó in het licht stelt, dat men bijna niets gunstigers voor dat primaatschap kan aanhalen. De brief staat in Migne P. G. t 9(5, 1415.

Wilfried (f 09), „bisschop van York, de geestelijke vader van Willibrordquot;. . . . zegt Moll (T 83) „een niiin vol geest- en wilskracht, die zijne eerste opleiding voor den priesterstand op hot eiland Lindisfarne van iersche

ocr page 398

(52

geestelijken had genoten, maar reeds vroeg naar Gallië en Italië getogen, van daar naar zijn vaderland was gekeerd met liet voornemen, zijn leven te wijden aan hetgeen toen het rechtzinnig geloof werd geacht, kwam later door allerlei omstandigheden te Utrecht, Medehlik of elders in ons land en predikte voor de Friezenquot;.... „Thans bleek hetquot;, (Moll I 87) ,,dat veh' Friezen een geopend gemoed voor de hoogere w a a I'll ei d hadden. Alle aanzienlijken, met uitzondering van eenige weinigen, en vele duizenden des volks lieten zich doopen, zoodat nu het fundament des geloofs werd gelegd, waarop Willibrord heeft voortgebouwd.quot;

Was dat toen „het rechtzinnig geloofquot; en „hoogere waarheidquot; en nu niet meer!'

Deze bisschop „bezigde zijne inkomsten niet alleen voor zich en zijn hofgezindequot; lees ik bij Moll (1 198), „hij verzorgde de armen, spijsde de hongerigen, kleedde de naakten, verpleegde vreemdelingen, loste gevangenen en verdedigde weduwen en weezen.quot;

In 't jaar 664 werd in 't klooster Whitby (Strenaels-halch) bij York in tegenwoordigheid van Oswy, koning van Northumberland en diens zoon Alchfrid eene synode gehouden om een geschil dat de kerktucht betrof, namelijk het vieren van het paaschfeest, tusschen de zoogenaamde Schotsche en Romeinsche partij bij te leggen. V:ui den. kant der Schotsche partij voerde Col man, bisschop van Lindisfarne, van den kant der Eomeinsche partij de priester Wilfried, later aartsbisschop van York, het woord. Terwijl Wilfried voor zijn partij zich op 't gezag van den H. Petrus beriep en op de gewoonte der algemeene Kerk, grondde Colman zijn gevoelen op liet aanzien van den H. Coluniba, den Apostel van 't

ocr page 399

63

Noorden. Na lang- over en weer praten richtte Wil-triecl eindelijk tot Col man de woorden: „Als gij en uwo volgelingen de vernomen besluiten [decreta) van den Ajjostolisclien Stoel en zelfs der algemeene Kerk .... veraclit, dan b ed r ij f t gij zon d er t wij fe 1 eene zoude....; al was ook uw H. Coluuiba... . heilig en machtig in wonderteekens, kan men hem dan boven den zaligsten vorst der Apostelen stellen, tot wien de Heer zegt: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen, en u zal ik de sleutelen des hemelrijks geven ? — Toen Wilfried zoo gesproken had, riep de koning: „Inderdaad, Colinan, is dat werkelijk door den Heer tot Petrus gezegd?quot; Deze antwoordde: „Zekex-, koning.quot; De koning: „Stemt gij dan van beide zijden zonder e enige tegenspraak hierin overeen, dat deze woorden voorname-1 ij k [principaliter) tot Petrus gesproken en hem door den Heer de sleutels van het Hemel rijk-gegeven werdenquot;'quot; Allen, antwoordden: „Ja, zekerquot; iresponderuv.t: e'iam, ntique). Toen besloot de koning-zijne rede met de woorden: „Ook ik zeg u, dat deze de deurwachter [ostiarivs) is, wien ik niet durfquot; tegenspreken; ik wensch veeleer, naar best vermogen z ij ii e wette n (statutis) in alles te gehoorzamen, opdat niet, wanneer ik eenmaal voor de deur des Hemels verschijn, niemand mij dezelve opene en hij mijn tegenstander zij, van wien beu-enen is, dat hij de sleutels bezit.' Daardoor werd de strijd geëindigd en de Ilo-meinsche ritus ingevoerd. (Beda, Hisl. eccl. Migne P. L. t 95 col. 1 (52.)

Hebben üswy, Ooiman, Wilfried en de geheele svnode zich zeker vergist

ocr page 400

64

Over den H. A mandus, Apostel der Belgen, bisschop van Maastricht (t 684), schrijft Moll (I 71): „In 't jaar 627 reisde Aniandns, zoon eener aanzienlijke christelijke familie uit Aquitanië in Gallië, van Bourses naar Romequot; en kreeg- van Paus Honorius (de levensbeschrijver zegt: oan Petrus zeiven) het bevel, als missionaris naar de noordelijke grenzen van Gallië te trekken. Hij was reeds lang priester gewijd. Volgens Muil stichtte hij te Gent twee kloosters. „Door zijn reinen levenswandel en weldadigheid .... werd hij meer en meer meester van veler hartenquot;. Door den invloed van de bisschoppen Cunibert van Keulen, Madoald van Trier en Alibert van Kamerijk werd hij in 647 bisschop van Tongeren gekozen met den zetel te Maastricht. Omdat de geestelijken en leeken van dat bisdom het echt kerkelijke leven misten vroeg Amandus aan den Afostolischen tStoel om van zijne bisschoppelijke bediening ontheven te worden. Na lang wederstreven werd hem die bede toegestaan door Paus Martinus 1 in 't jaar 651. (Dr. P. Alberdingk Thijm: Messay er des sources his/oriques 1875, 311.)

De H. Agatho 678—681, Paus, nam den vervolgden engelschen bisschop Wil fried liefderijk op, zorgde voor den bloei der Kerk in Engeland, liet in liet Oosten aangaande de ketterij der Monothelieten synoden houden en vaardigde tegen die dwaling een beroemd leerrijk schrijven uit. Dat pauselijk schrijven door de pauselijke gezanten Theodorus en George (priesters) en Joannes (diaken) aan de derde Algemeeue Kerkvergadering te Konstautinopel (680—681) overhandigd, „behelsde een even klaar en bondig betoog omtrent de duothelitische leer als eene overvloedige bevestiging der pauselijke onfr.il-

ocr page 401

65

baarheid. Nieiuancl, ook geen der oontersche patriarchen of legaten, werd door 's Pausen stellingen tot bedenkingen uitgelokt; maar geheel harmonisch met Agatho klinkt in de IS'1'' zitting deze uitspraak der gansche vergadering: Met ons kampte de apostelvorst, want zijn navolger en opvolger is onze hescliermer en ontvouwde onx schriftelijk d,e geheimenis der goddelijke /«;/•.quot; (J. V. de Groot.)

Heeft die kerkvergadering zich zeker vergist'.1

Maxi mus geb. 580 f ö62, bijgenaamd do Belijder, was een groot tegenstander van do dwaling en ketterij der Monotholieton. In tegenwoordigheid van don stadhouder en veler bisschoppen hield hij oen twistrede mot Pjrrhus, patriarch van Konstantinopel, die hot monothelisme was toegedaan. Er werden in 646 in Noord Afrika oenige synoden gehouden, waarop hot monothelisme veroordeeld werd. Do Afrikaanscho bisschoppen zonden do acta naar don Pnus, die onder krachtdadige erkenning van het pi imdafsckaj) verzocht werd. de heslniten der synoden ie hekrach tig en. Hierop reisde Maximus mot Pyrrhns naar Rome; deze laatste reikte den Paus een rechtzinnige geloofsbelijdenis en werd weder in de gemeenschap der Kerk opgenomen. (Mansi X 919 en 943.)

Later werd Maximus door 't keizerlijk Hof vervolgd. Hij verdedigde zich met do woorden: „Tk lieh geen eigen leerstuk, maar ftem met de Katholieke Kerk overeenquot;-, mot de Kerk van Konstantinopel, zeido hij, kon hij niet instemmen, wijl zij door monotholitische geschriften mot de vier algemeene concilies in tegenspraak was.

In een werk tegen do Monotholieten schreef hij: „Indien Pyrrhns beweert geen ketter te zijn, hij ver-

ocr page 402

GO

lieze dan y.ijii tijd niet met zicli voor eeu memg'te lieden sclioou te vvassclien; liij bewijze zijn onscliuld aan den zaligen Paus van de zeer heiliije Roomsche Kerk d. w. z. aan den Apostolisch en Stoel, aati wien hehooren. het bestuur, het gezag en de macht van, 1e hinden en te ontbinden over alle kerken die in du wereld zijn in alles en op alle wijzen, in omnibus et per omnia.quot; (Bibliolh. PP. t 11 p. 76. Marclietti: Critica, etc. t I cap. 2 p. 107.)

De H. Mart inns I 649—655, een Paus van uitste-stekende deugd en wetenschap door de Voorzienigheid bestemd tot martelaar voor de Katholieke leer, dat er in Christus twee van elkander onderscheiden willen zijn, de goddelijke en de inenschelijke, doch dat de mensche-lijke wil geheel aan den goddelijkeu onderworpen is, hield om die leer te handhaven een groote synode in het Lateraan, waar 105 bisschoppen tegenwoordig waren. De akten, door den Paus en de bisschoppen onderteekend, werden den gezainenlijken Christenen toegezonden. De Paus zond talrijke brieven naar alle streken der aarde, naar het Frankenland, Klein-Azië, Afrika, ïhracië, Syrië enz. en vermaande ernstig aan het rechtzinnig geloof getrouw te blijven en het mono-thelisme te verwerpen.

Door den exarch Calliopa werd hij op bevel van keizer Constans 11 gevangen genomen en wreed luis-handeld. Zwaar geboeid zeide hij aan den keizerlijken gezant: „Doe met mij wat gij wilt; men houwe mij, gelijk, gij hebt bevolen, in stukken, nimmer treed. ik. met de Kerk van Konstantinnpel in gemeen scha ii.quot; ') Den 2(5 Maart 655 werd hij heimelijk naar Cherson in de Krim gebraelit.

Wijl zij tot k et lor ij vorvitllon was.

ocr page 403

(57

waar Lij na voel lijden in balliugscliap stierf'. De grieksclie Kerk vereert hem als belijder, de latijusche Kerk als martdaar.

In den kerker schreef hij volgens den Protestant Th. Pressel aan een vriend: „Met behnlp uwer gebeden en der gebeden van alle geloovigen, die bij u zijn, zal ik levend en stervend het geloof, waarop ons heil steunt, verdedigen en zooals Paul us leert, is Christus mijn leven en sterven mijn gewin.quot; (Dr. Herzog.)

Do liiTSsiseh-schismatieke Kerk prijst hem als volgt: „Gij hebt den goddelijken troon van Petrus tot sieraad* verstrekt, en hierdoor, dat gij de Kerk op deze onwrikbare rots behoeddet, hebt gij uw naam beroemd gemaakt. Roemwaardigste Meester aller rechtzinnige leer, ivaarheid verkondigende mond der heilige gt-hodev, om vvien zich het geheele priesterschap en de ya.nsche orthodoxie schaarden om de ketterij te veroordeelen.quot; (Mineia Mesatchnnia 14 April 8. Mart in,us hymn. VUL) ')

Sergius, de Metropoliet van Cyprus, schroef aan Paus Theodoras I 642—649: „Christus, onze God, heeft u w A jyostolischen Stoel gegrondvest, die de door God, gegronde on onbeweeglijke vesting en de lichtende zuil des geloofs is, heilig Opperhoofd! Want gij zijt, zooals liet goddelijk woord het naar waarheid uitspreekt, de rots en op uw grondslag zijn de pijlers der Kerk vast gegrond.quot;

Paus Honorins 1 (625—638) schreef aan de Schotten

J) Ik bovrel den seioovigon Protostanton dringend do lozing aan van een werkje, dat zij bij Herder voor 3 Mark toepen knnnen. en waarvan do titel luidt; Der Römische 1'apsi mid die Piipsie der orthodox orientalischen Kirche en dat uit het liusaiseh vertaald zal worden.

ocr page 404

()()

lieze dan zijn tijd niet met zicli voor eeti menigte lieden schoon te wasselien; liij bewijze zijn onscliuld aan deu zaligen Paus van dn zeer heilige Roomsche Kerk d. w. z. aan den Apostolisch en Stoel, aan mien bc.hooren het bestuur, het (jezag en de macht van te hinden en te ontbinden over alle kerken die in de wereld zijn in alles en op alle wijzen, in omnibus et per tmmiu.quot; (Biblioth. PP. t II p. 76. Marcliotti: Critica etc. t 1 cap. 2 p. 107.)

De BT. Mart inns I 649—655, een Paus van uitste-stekende deng'd en wetenscliap door de Voorzieniglieid bestemd tot martelaar voor de Katholieke leer, dat er in Christus hvee van elkander onderscheiden willen zijn, de goddelijke en de menschelijke, doch dat de mensche-lijke wil geheel aan den goddelijken onderworpen is, hield om die leer te handhaven een groote synode in het Lateraan, waar 105 bisschoppen tegenwoordig waren. De akten, door den Paus en de bisschoppen onderteekend, werden den gezamenlijken Christenen toegezonden. De Paus zond talrijke brieven naar alle streken der aarde, naar het Frankenland, Klein-Azië, Afrika, Thracië, Syrië enz. en vermaande ernstig aan liet rechtzinnig geloof getrouw te blijven en het mono-thelisme te verwerpen.

Door den exarch Calliopa werd hij op bevel van keizer Con stans II gevangen genomen en wreed mis-handeld. Zwaar geboeid zeide hij aan den keizerlijken gezant: „Doe met mij waf gij wilt; men houw* mij, gelijk gij hebt bevolen, in stukken, nimmer treed, ik met de Kerk van Konstantinopel in gemeeriscJuiji.quot; ') Den 26 Maart 655 werd hij heimelijk naar Cherson in de Krini gein-acht,

Wijl zij tot ketterij vervallen was.

ocr page 405

()7

waar liij na veel lijden in ballingscliap stierf. De grieksche Kerk vereert liem als belijder, de latijnsclie Kerk als martelaar.

In den kerker sclireef liij volgens den Protestant Th. Pressel aan een vriend: „Met belinlp uwer gebeden en der gebeden van alle geloovigen, die bij u zijn, zal ik levend en stervend bet geloof, waarop ons beil steunt, verdedigen en zooals Paulus leert, is Cbristus mijn leven en sterven mijn gewin.quot; (Dr. Herzog.)

De Rassiscb-scbismatieke Kerk prijst bem als volgt: „Gij bebt den goddelijken troon van Petrus tot sieraad, verstrekt, en bierdoor, dat gij de Kerk op deze onwrikbare rots beboeddet, bebt gij uw naam beroemd gemaakt, lioemwaardigste Meester aller rechtzinnige leer, waarheid, verliondigende mond der heiliye gtboden, om wien zicb bet geheele priesterschap en de ga.nsclir orthodoxie schaarden om de ketterij te veroordeelen.quot; [Mine-ia Mesatchnaia 14 April 8. Martinus hymv. Vil l.) J)

S er gins, de Metropoliet van Cyprus, schreef aan Paus Theodoras I (ji-—G49: „Christus, onze God, beeft uw Ajjostolischen Stoel, gegrondvest,, die de door God, (jegronde en onbeweeglijke vesting en d.e lichtende zuil des geloofs is, heilig Opperhoofd! Want gij zijt, zooals bet goddelijk woord het naar waarheid uitspreekt, de rots en op uw grondslag zijn de pijlers der Kerk vast gegrond.quot;

Paus Honorius I (625—638) schreef aan de Schotten

1) Ik bovrcl don gcloovison Protostanton dringend do lozing aan van oon werkje, dat zij bij Herder voor 3 Mark koopen kunnen, en waarvan do titel luidt; Der Römisclie 1'apet nnd die Pilpsie der orthodox orlenfnlischen Kirche en dat uit hot Russisch vertaald zal worden.

ocr page 406

(58

een brief, waarin liij vroeg „de gebruiken hunner kerken, die aan de uiterste grenzen der aarde liggen, niet boven de oudste kerken te stellen en Pasclien niet te vieren in tegenspraak niet liet door alle bisscboppen aangenomen paascbfeest en de synodale besluiten.quot;

Berst iu 716 echter traden alle monniken op Jona tot den Eoomschen ritus over.

Op verzoek van den bekeerden Eadwin, koning van Northumbrië, zond Honorius in G34 aan Paulinus, bisschop van York en aan Honorius, bisschop van Canter-bory het pallium.

De abt Jonas van Bobbio, die den Paus goed kende, schrijft van hem: „Erat venerahilis praeml Honorius sagnx animo, vigens consilio, doctrina clarens, dulcedine et humildciii' pnllevxquot; (Migne P. Lat. 87 c. 1063).

Men heeft een tijdlang uit twee brieven van Honorius aan Sergius, patriarch van Konstantinopel, pogen te bewijzen, dat de Paus niet onfeilbaar was. Geen ernstig man denkt er meer aan zulks nog eens te beproeven. Men leze Prof. De Groot O. P.: De Pausen 2lt;ll! Dr. 1891 lilz. 107 noot, en in het Kirchenlexicon het artikel van Grisar S. J., vooral echter Schneemann: Studiën üher die Honoriusfrage (Preiburg 18G4), waarop Hefele Concilien-ijeschichfe III verbeterd heeft. Men overtuigt zich dan, dat hier van geen dwaling ex cathedra sprake kan zijn.

Step ban us, suffragaan-bisschop van Dora, gezant van den H. Sophronias, patriarch van Jeruzalem (f (538), getuigt: „Dezelfde Petrus, die voornamelijk eu op bijzondere wijze boven alle anderen een sterk en onwrikbaar geloof aan onzen Heer en God had, verdiende zijne beproefde gezellen en geestelijke broed,ers te bevestigen, wijl hij van den voor ons menschgeworden God macht

ocr page 407

09

e«. priesterlijk yezay over allen verkreeg. Dit zeer qoed wetend heelt èoplironius g'eiiieend mijne g'eriiMheid onverwijld met zijn brief naar den Apnstolisclien Stoel te zendenquot;. (Harduin TTI 711, 7i;-gt;.)

Sophronins laat de woorden van Christus „versterk mm broedersquot; op alle opvolgers van den H. Petrus terugslaan en erkent in hen derhalve, zooals hij zich uitdrukte, „dp. grondslayen ran den, godsdienstquot; (Harduin ibidem) of, zooals hij in zijn synodaal schrijven bij eh' bestijging- van den bisschoppel ijken zetel zegt: den leeraar der gehecle rechtzinnige leer ex. drn verwoester aller kettersche hoosheidquot;. (Harduin T. 1287.)

De H. 1 si doms. aartsbisscliop van Se villa, geboren omstreeks 560 (t (gt;86), wordt door den Protestant Ph. H. Külb (E. u. G.) geprezen als „der berühniteste Schriftsteller des 7 Jahrhunderts . . . . Er führte den Vorsitz auf den Kirchenversammlungen von Sevillaquot; (61!) een provinciale synode) „und Toledoquot; igt;-!-1 een eoncilinn} wnvtrsale zooals men in Spanje zegt), „und wurde bei allen schwierigeu Vorkominenheiten, seines Wissens und seiner Tugend. wegen an die Spitzo gestel!t.quot; Als middel ter versterking van het katholieke leven erkende hij de verbreiding van wetenschappelijke vorming, stichtte scholen en bevorderde ijverig het kloosterleven. Hij verwierf zich een grondige kennis van het Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch en van de H. Schrift enz. (K irchen lexicon.)

Deze even geleerde als vrome man belijdt het primaatschap van Rome's bisschop in de volgende duidelijke woorden, die ik in hun kracht en bijgevolg- onvertaald laat: „Quod vero de parilitate agitur Apostolorum, Petrus praeeminet ceteris, quia a Domino audire meruit: tu

de Paus III. 5

ocr page 408

70

vocaberis cephas, tu es Petrus etc. et 11011 ab alio aliquo, sed ab ipso Dei et Virginis Filio honorem yontificatus in Christi Ecclesia primus suscepit. Cui etiam post resnrrectionem Filii Dei ab oodem dictum est: Pasce agnos meos (Joan. 21:15), agnorum nomine Eeclesiaram praelatos notans. Cuius dignitas potestatis etsi ad omnes eatliolicorum episcopos est trausfusa, specialius tarnen li o ui a n o Antisti singulari quodam privi legio, vol ut r.apiti, caeteris membris celsior permanetin ae ter num. (Epist. 8 Migne P. L. t 83 c. 908.)

Ds. A. V. ziet, dat de aartsbisschop van Sevilla, een man zeer heilig van leven en in de TI. Schrift buitengewoon ervaren, denzelfden katholieken uitleg van de besproken teksten volgde als wij. Eu wanneer ik nu uit de geschiedenis weet, dat die kerkvoogd gedurende zijn bijna veertigjarig bisschoppelijk bestuur do achting zijner tijdgenooten in liooge mate verdiend heeft, en dat hij eenige jaren na zijn verscheiden op de achtste synode van Toledo in (553 door 52 bisschoppen geroemd werd Doctor egregius, catholicae Ecclesiae novissimum decvs, in naeailorum fine doctissimus et cum reverentia nominand,us (Mansi X, 1215) dan handel ik zeer redelijk de uitlegging van Isidorus boven die van Luther en Calvijn enz. te verkiezen, die eerst hetzelfde geloof als dat van Isidorus beleden hebben, maar dat geloof stuk voor stuk verloren.

In 't jaar (gt;34 schroei Cu mini an, een der geleerdste priesters van dien tijd, die waarschijnlijk abt was van het groote klooster Durrow in Ierland, door Columba gesticht, aan Segina, abt van Jona, een brief, waarin hij mot betrekking tot het verschil van den tijd der paaschviering- o. a. een geheole reeks van getuigenissen

ocr page 409

71

uit de kerkvaders aanhaalt om te staven, dal men zich aait de hoofd,kerk ran Rome onderwerken moet.

Heeft Cuiiiniian zich zeker vrero'ist'.'

De Pieten onderwierpen zich later in die qnaestie Vim tnclit; hebben zij zich zeker verbist?

De H. Colnmbanns lt;gt;-elj. omstreeks 545, d(gt; apostel van Alemanië. Bij Moll lezen wij: „Nauwelijks was de ierselie kerk tot eenige ontwikkeling gekomen, ot het bleek dat liet voorbeeld van haren nationalen lieilige, PatricinS; den apostel van Ierland, die alles verlaten had om voor God en de uitbreiding van zijn rijk te leven, bij hare leden in aandenken werd gehoiulen. In den boezem van velen ontwaakte een gloeiende ijver voor de zaak der evangelisatie .... Colnmbanns . . . . koesterde denzelfden zin. Opgevoed in het beroemde klooster Bangor toog hij in 590 met twaalf' quot;'eestverwanten naar het vaste land van Europa. Weldra had hij te Luxeuil, Fontaines en Anegrai drie bloeiende kloosters onder zijn bestuur, en zoowel daar als overal waar hij arbeidde, in Gallië, Zwitserland en Italië, wekte zijn geestdrift liefde voor de zendingszaak.quot; (I 07.)

Deze apostel „schreef aan Paus Gregorius den Grootc over de viering van het paaschfeestquot;, zegt de Protestant Albrecht Vogel. (Dr. Herzog.)

Hij zond in (506 aan Bonifatins 111 (f (gt;07) een brie! om dezen de giedkeurimi te vragen aangaande de vierin;: van het paaschfeest. (Migne P. L. t 80.)

Heeft hij zich zeker vergist 1'

Colunibauus noemde in een brief aan Bonifatins IV ((JOS—(515) „de Ieren leerlingen van Home'' en meldde den Paus, dat Ierland „het katholiek geloof zoo bewaret.

ocr page 410

72

zou, als liet van u, de opvolgers der heiliye. Apostelen het eerst is overgeleverd.quot; (Migne 80, 275.)

quot;ij sclireef met betrekking tot den strijd aangaande den tijd der Paascliviermg aan Bonifatins IY een brief, waarvan liet opschrift luidt: „Aan den heiligen heer en apostolischen vader in Christus, den Pays'quot; en waarin hij de pauselijke beslissing vraagt met deze woorden : „Geef ons den troost uwer heilige beslissing ter bevestiging der overlevering onzer voorvaderen, indien deze overlevering niet tegen het geloof schijnt, opdat uwe, beslissing ons de mogelijkheid geve, den Paasch-ritus zoo te vieren, als hij door onze voorvaderen is overgeleverd.quot; (Migne 80, 269.)

Het adres van die akte luidt: „Aan het schoone hoofd aller kerken van het Westen, den. geliefden Pons, den verheven opziener, den herder aller herders.''

Voor Columbantis is cle Paus „de Meester, de Stuurman de geheimzinnige loods van het geestelijk schip, dat de Kerk is.quot;

Nog duidelijker erkent hij het primaatschap, terwijl hij gewag maakt van de verhouding der Ieren tot Rome. „Wij Ierenquot;, zegt hij, „die aan de uiterste grenzen des anrdbols wonen, zijn de leerlingen van den [J. Petrus en Paulns en der overige door Gods geest bezielde Apostelen. Slechts de goddelijke en apostolische leer nemen wij aan. Geen dwaalleeraar. Jood noch ketter, word ooit bij ons gevonden. Met de/n Stoel van Fel nis zijn wij Kerrenit/d; wan t hoe groot eu roemrijk Rome ook zij', i mag, deze Stoel is hut, die de ware grootheid en den maren roem van Rome wobnaakt. Ofschoon de roem uwer oude stad de bewondering der volkeren op het aardrijk wekt, zoo zijt gij voor ons eerst groot sinds de Mensch wording des Verlossers, sinds de geest Gods op ons nederdaalde

ocr page 411

73

(iiecTerwoei) en sedert de Zoon Gods op zijn wagen, dooide koene boden Gods Petrus en Paul us getrokken, de /.ee der volkeren overschreden heeft en tot ons gekomen is. Ja nog meer: wegens de beide Apostelen van Christus /, ijt gij bijna een engel, en Rome is hei hoofd der kerken van de yelueJe wrelo', met uitzondering van den bijzon-deren voorrang !), welke aan de stad der verrijzenis des tleeren eigen is.quot; (Migne 80, 279—280.)

Verder zegt hij: „De Katholieken der geheele wereld, de schapen zijn opgeschrikt bij het naderen der wolven. Daarom, o Paus, gebruik de welbekende stem van den waren herder en plaats u tusschen de schapen en wolven, opdat gene van alle vrees bevrijd u altijd als den waren herder bevinden mogen.quot;

Nog zegt hij: „Ach, dat ik u als den oppersten aanvoerder bewegen mocht tusscheubeide te treden; want op u drukt de verantwoordelijkheid voor het ijcJteele leger des Heeren.quot; (Migne 80, 270.) -)

Uit het schrijven van Coiumbanus blijkt 1. dat volgens zijne meening de Paus het geestelijk zwaard des Apostels Petrus hanteert; 2. dat hij den plicht en hot recht bezit, door middel van dat zwaard scheurmakers van het lichaam der Kerk af te snijden; o. dat het geschikte middel tot dat doel in het beleggen een er synode ligt, waarop hij het geloof des H. Petrus belijden

Jcruziilom hoeft oon voorrang van oudheid; die Kork in ch; uitionliiko moeder aller ovcrigoü.

2) Zio over do vorhoudicg van Ooiumhacus tot den H. Stool Dublin Review, Now. ser. 13, 12—32; The earley Irish Church.

Do Korkvadcrs, concilies on do Roomsche Opporpriostora bu-roopon zich, om het primaatschap van don bisschop vaii Borue. to bowijzOD, nooit op do grootheid on macht on?;, van liomo, maar altijd op do woorden van Christus: Gij zijt Petrus onz.

ocr page 412

74

en lieu, die deze belijdenis weigerden aan te nemen met den ban moest treffen; 4. dat Columbauns meent te moeten klagen, wijl de Paus, ofschoon met de volheid van macht toegerust, niet terstond bij liet optreden der scheuring- daarvan gebruik heeft gemaakt. ')

Hij stierf den Nov. 615 in het klooster Bobbio. -)

Paus Bonifatius Hl (t (507) verkreeg van keizer Phocas dat den bisschop van Konstaiitinopel verboden werd voortaan den titel van oecumenischen bisschop te voeren, want eiikel de Kerk van Rome, was het hoofd aller kerken, wijl zij den zetel den ff. Petrus had.

In 603 was hij diaken en gezant van Paus Gregorius den Groote bij keizer Phocas. Deze laatste erkende „lt;lie römiscbe Kirche für das Haupt aller Kirchenquot;, zegt de Protestant Dr. Herzog.

Gregorius de Groote beval zijn gezant aldus aan: „Hij is een verdediger der Kerk; wij kunnen uit lange ondervinding van zijn gedrag', met waarheid van hem getuigen, dat hij zuiver is van zeden en getrouw var hart.quot;

Bulogius, patriarch van Alexandrië (581—60S), „eir. selir eifriger von Pabst Gregor I vielfaeli gerühmter Polemiker gegen die Nestorianer enz. . . . von gross(gt;r Belesenheitquot;, (Dr. Herzog).... „ein durch seiner Ket-

1) Dr. Alph. Balk'shoim: Geselt der Kath. Kirche in Irlaiul 1 b. 1890 S. 156.

2) In Bobbio bestaat do ovorlovoring, dat, Paus Gregorius do Grooto aan OolumbanuR oen kaHtjo mot roliokon ton goacboviko zond. Op da voorzrjdo van Oolumbanus' grafstoon in 'r. klooster to Bobbio is zgn boold gogrift: Oolurabauus kniolond do roliekon van don Paus ontvangend.

ocr page 413

75

zereifer ansgezeicliiieter Maun, welch er clurcli That unci Schrift das Möglichste fur die Eechtg-laiibigkeit thatquot;, heeft het primaatschap van den Roomschen Stoel warm verdedigd. „Für seine Zeit(!) besass er mehr als g-ewölm-liche Belesenheit in den heiligen Schriften.quot; (G. W. Fink bij E. 11, G.)

In zijn verklaring van de woorden Simon Jonas' zoon bemint gij mij, zegt hij: „Toen de Heer Petrus ondervroeg: Simon Jonas'1 zoon, hemint gij mij meer dan dezen, ondervroeg Hij, die alles weet, hem niet om het te weten; maar Hij deed dit om te toonen welk een groote zorg fJij voor de kudde droeg, die Hij Petrus zou toevertrouwen. Want daar Hij aan 't hoofd dei-kudde hèm stelde, die van groote liefde tot den Heer brandde, toonde hij zonneklaar, hoe vurig Hij zelf zijne schapen liefhad. Daarom ondervroeg Hij Petrus driemaal, ten einde zijue grootste zorg omtrent de redelijke schapen te openbaren.quot; (Migne P. G. t 80 c. 29()2.)

ocr page 414

70

Jf

VROMEN EN GELEERDEN UIT J)E ZESDE EN VIJFDE EEUW.

„sluit ii weder iiUu l)ij tl«' k.itliolickc volkeren. Jlct c'lie geloof heeisclie, dut in den uloudon tempol bewuard is, het geloof dal Puulus I»eig«ll. •lal de 1 e (! rs t o e 1 van Petrus verkondigt.... De een (l'auius is de leeruur der ileidenen ; illt;- underc (Petrus) bezit den opjwrslen leerstoel en ontsluil de hem toevertrouwde poorlen der eeuwigheid.quot;

CAurelius Prudentius -lio.)

Venaxtii's Forïunatus, Gre«obiüs van Toubs, lt; ■Assiiinomrs, Tweede CouoruE van Tours, Pri-MAstus, EüTYciifus, Het vijfde Concilib van Orleans, Caesariuö van Arles, Het vierde kn derde CoNCII.tE van orleans, ötlveriüs,

Alt;;apetus, Juannes 11, Justinianus, Stephanus van ljartssa, Joannes ï, Joannes van Nicopolts, AvrTüS, nORMISDAS, mdnnikes van SYRIË, POSsessor, Symmachus, Oosteesche Bisschoppen, Anastasius ii, Gelasius, PATRicrus, Felix iii, Ötmplicius, Hilarus, Leontius, Tiro Prosper, Leo i, (Jon or lie van Chalcedon 451, Dhacontius. Theodoretus, Eücherius, Petrus Chrysologus, De Ketters Eutvciies enz., Flavianus, Joannes Cassianus, Fulgentius Ferkandus, Cyrillus van Alexandkië, öixtus iir, isidorus van Pelusiuji. Coelestinus I, Ninian, Concilie van Ephese431, autiustinus Bisschop van IIippo, Bonifatius !, rilEROXYMUB, zosimus, innocentfus i, AUKEI.ll 8 Prudentius, Asterius, Joannes ( Iiirysostomus, Fpiphanius enz.

V c ii ;i n t i n s Fortniiatus (580 t (iOO), hissclmp v;in Piiitiors, een begauM dichter bezingt vaak den H. Petrus met den naam „Vorstquot;, die uolt;gt;- altijd te Eome in di»

ocr page 415

77

„hoofdstad der aardequot; troont; li ij erkent de geestelijke volmacht van Petrus, die alleen „wet den sleatel tot kei hemeicjevtelf reikt'quot;, in de erfyeiiamen van diens zetel: coelos qui clave catenat etc. (Cam. 1. 2 nquot;. lo: Uc oratorio Thrasarici; lib. o nquot;. ü, 7 v. 2; lib. 8 nquot;. '■'gt;; lib. 1 nquot;. 2 v. 7.)

Hij is de dichter van de heerlijke ei) innig gevoelde hyniuen Pange lingua, yloriosi en Vexilla regis jtrnilc.imt.

De H. Gr ego rins van Tours (f 598/594), de geschiedschrijver der Franken, wiens Hiatoria Francorum ondanks alle zwakke punten door W. von Giesebrecht genoemd wordt „eines der wichtigsten Erzeugnisse der gesamten ges( hichtlichen Literatnrquot; {Zehn JS/ïcher Fri'tn-kixcJuir GeschicJde Berlin 1851; 2 AnH. Leipzig 1878), erkent Rome's bisschop eenvoudig als den „regeerder der Kerk, quia Ecclesia Dei absque rectorem (sic) esse non potestquot; etc. {Hist. Franc. 10, I.)

Oassiodorius, Senator, geb. omstreeks 477 en gest. omstreeks 570, een beroemd staatsman, werd later abt van het klooster Vivarium. De Protestant P. Lorentz zegt: „Mit Gassiodors Eintritt in das Kloster begint eine andere nicht minder niitzliche^nnd folgenreiche Seite seiner Thatigkeit. Er betrachtete dus Klosterlebon als einen Vereiu wissenschaftlich gebildeter Manner, mid gab sich nicht allein Miihe, seine Mönehe zu unter-richten, sondern hielt sie auch an, Abschriften nützlicher Bücher zu verfertigen .... Diese Verbindung der IPmcw-sehaft mit dem Mönehsleben ist unstreitig Cassiodors grösates Verdienst; demi seinem Beispiele tblgten bald alle übrigen Klöster Italieus und die noch dein Ifuster lt;lerselben sj.idterliin jenseits der Alpen gentifteten.quot; (E. u. G.)

Hij schreef o. m. een omvangrijke verklaring der

ocr page 416

78

Psalmen [Com.plexioncs in psalmos). Zijn nitleggiii}» van Paul us' Brief aan de Romeinen, waarin Lij vooral liet Pelagianisme bestreed, is verloren gegaan.

Den bisschop van Rome erkende hij als Christus' plaatsbekleeder en verklaart, dat huifen de toestemming ran den Fans volgens den kerkdijken regel geen concilies mogen gehouden worden, „cum utiq ue regula ecclesiastica iuheat non nportere praeter sententiam Romani pontificis concilia celebrariquot; {Hist, tripartita 1. 4 c. 9).

Het tweede Concilie van Tours (567) zegt naar de dnitsche vertaling van Dr. J. Ga pp: „Wie onder de priesters zon zich aanmatigen tegen zulke besluiten, die van den Apostolischen Stoel zijn uitgegaan, zich te verzettenquot;;' Het was altijd de zaak des Apostolischen Stoels, hetzij de schrijvers, wier leer den toets konden doorstaan aan te bevelen, hetzij de onrechtmatigen te verwijderen ; en onze vaderen hehhen steeds gedaan, wat het gezag van hem, die op den stoel zat, bevolen heeft. Wij volg'en daaron; hetgeen de Apostel Panlus geleerd of Paus Innocentius besloten heeft.quot; (Dr. J. Gapp: Die Lehre der fravzösischen Kirche iiher die pdpstliche Antoritiit in Zeitschr. für Kath. Theologie Jg. 4 1880 S. 280—333). Hier is sprake van de beslissing van Paus Innocentius I aan Victricius, bisschop van Eouaan, zegt Grisar S. J. in Rom. und die frankische Kirche {Zeitschr. für Kath, Theol. 14 Jg. 1890). De latijnsche tekst van can. 20 (Mansi 9, 798) luidt aldus: „Quis sacerdotum contra decreta talia, quae a sede apostolica processerunt, agere praesumat?. . .. Et quorum auctorum valere possit praedicatio, nisi qv.os sedes apostolica semper aut iutromisit aut apocryphos fecit (sic); et patres nostri hoc semper cvstod/ierunt, quad, eorum praecepit auctoritas.quot;

ocr page 417

79

Primixsius, bisschop vuii Adrumetnm in de afri-kaansclie provincie Byzacena stierf .....streeks 560.

Van zijn grooten ijver om geestelijken en leeken in de H. Sclirift g-rondig onderwezen te zien, getuigt Jnnilins Africanns in zijn inleiding in de H. Sclirift. Primasius schreef een verlclaring van de Openbaring van Joannes. (Migne t 68, 11 v.)

Deze Primasins erkende den bisschop van Rome als het zichtbaar hoofd der Kerk. Toen keizer Justinianns in 553 een concilie bijeenriep, dat later als algemeen erkend werd, wilde deze prelaat aan de beraadslagingen geen deel nemen, zeggende: .,Papa «o?i pracsonie non venio, als de Paus niet tegenwoordig is, hom ik niet.quot; (J. Hanssleiter: Lehen und, Werke des Bischofs Primasius von TIadr urne turn. Erlangen 1S87.)

De presbyter Enstratins van Konstantinopel heeft liet leven geschilderd van zijn leermeester en vriend Entychins, patriarch van Konstantinopel 552—582 (Migne P. G. 86, 2, 2273—2390). Onder den naam van dezen Euty chins bezitten wij een on vol tooiden Serine de paschate et de sacrosancta eucharistia (1. c. 2391'—2402) en een brief aan Paus Vigilins, voor wien hij zijn geloofsbelijdenis aflegde en wien hij den vvensch te kennen gaf, dat er eene bisschoppelijke synode onder voorzitterschap van den Pans zon gehouden worden om den strijd over de drie kapittelen te eindigen. Dat verzoek werd onderschreven door Apolliuaris, aartsbisschop van Alexandrië en Doumus, aartsbisschop van- Antiochië, Elias van Ïhessalonica en andere bisschoppen.

Het vijfde Concilie van Orleans (549) verwerpt de ketterijen van Nes tori vis en Eutyches en geeft daarvan als reden op, dat deze dwalingen door „den Ajiosfolischen

ocr page 418

80

Stoalquot; veroordeeld zijn; liet zet voorop, dat de bisschoppen in g'emeenscliap niet Eonie „de ware en aiiostolisclie regeling «les geloof* handhaven.quot; (Can. 1 Mansi 9, 127.) Op dat concilie bekleedde Aurelianus, vicaris van den Paus, het vooi /itterschap bij de aartsbisschoppen Sacerdos van Lyon, Hesychitis van Vieune, Nicetins van Trier, l)esid(3rattis van Bourges, Aspasius van Can/.e, Consti-tutns van Sens, bij de drie plaatsbekleeders der andere aartsbisschoppen (Tours, Bordeaux, Reims) en de 01 overige bisschoppen enz. (Mansi 9, lo5.)

De H. Caesarius, aartsbisschop van Arles (502—5-12), 1 touwde volgens den Protestant Hagenbach hospitaler^ voor zieken en verkocht kostbare kerksieraden om krijgsgevangene Franken uit de handen der Oost-Gotheu te verlossen. Loffelijk streefde hij, volgeus denzelfden Protestant, naar innerlijke heiligheid en zedelijke volmaakt-held. (Dr. Herzog.)

Dr. Albert Hauck, professor in Leipzig, zegt in zijn Kirchengeschichte Deuischlands (1 Th his zmn Tode den Honifatms 2 Aufl. Leipzig J. C. Hinrich'sche Bnchhand-lung 1898 S. 404): „Die Katholische Kirche im goti-schen wie ini burgnndischen Eeiche stand in der innigstoi Verhivdung mit Rom. Besonders Cfisarius vou Arles batte dieselbe gepÜegt. Es war eine der letzten Elandlungen des Papstes Synimachus, dass er den verdienten Bischof znin papstlichen Vikar ernannte. Horinisda, Felix IV, Bonifatius H, Johannes 11, Agapet setzten diesen Ver-kehr fort; sie theilten den Bischöfen Erfolge, welche Rom erzielt batte, mit; sie yewahrten Privilegiën, sie namen Appellaiiunen an, er Hessen Anordnungen in liezug auf die Disziplin wie auf die Lehre und.. anf die Verwal-funq der Tiistiimer: mit eiuem Worte, sie iihten alle

ocr page 419

81

Rechli'. cms, welrhe der römisc.he Sluhl in Anspruch nam.quot;

„Cliildebert I liess die Anordumig'en, die er f'ür das von ihin in Aries gestiftete K ioster trafquot;. dnreli ei vi Frivilsqinm des Papstes Vigilins (t 555) seliützen. Das tliaten ancli andere Stifter, Fürsten wie Privatpersonen.quot; (aldaar S. 409. Men leze ook Grrisar S. J. Zeitsc.hr. f. Kaili. l'heoliKj'ie 14 Jg. 1890 S. 456—459.)

Deze „verdiente Biscliofquot; drukt zicli te IÏkhic iu een schrijven aan Paus Syminachns aldus uit: „Zooah met PeirvH de bisschiipjiMjke waardigheid (liet opiseopaat) een aanvang nam, zoo 'moet Uwe Heitigheid aan alle kerhen afzonderlijk door belioortijke onderrichtingen klaar en duidelijk loonen, wat zij moeten doen.quot; Sicut a persona beati Petri apostoli episeopatus sumpsit initiuni, itn vrcesse est, ut disciplinis competentibus sanetitas vestra singulis eeclesiis. quid observare debeant, evidenter ostendat.quot; (Thiel 727 ; Ma n si 8, 211.)

In de gallische provincie namelijk werden door eenige personen kerkelijke goederen op verschillende titels vervreemd .... „Wij vragenquot;, sclireet' hij, „dat het gezag van den Apostolischen Stoel dat belette, ut Jleri prohihaa.t Ajiostulicae Sedis auctoritas.quot; (Labbe: Cmirillorum t IV col. 1294 Edit. 1671.)

In een geschrift omstreeks het jaar 502 in naam van Caesarius aan Paus Symmachns aangeboden, lezen wij: Evenzeer als de Apostolische Stoel zijn oppermacht handhaaft over al de bisschoppen der kerken, die over de geheelc aarde verspreid zijn, en zijn gezag volgens de verklaring der Kerkvergaderingen in kracht hoven allen uit/munt, moet hij ook, hetgeen hij sinds lang krachtens zijne bevoegdheid heeft toegestaan, ongeschonden in stand houden, opdat de Kerk van Aides hare voorrechten kunne genieten.quot; (Labbe: Couciliorum, t IV col. 1310.)

ocr page 420

82

Volgens liet vierde Concilie va» Orleans (541) moet liet besluit van den Ayostolischan Stoel, constitutio sedin apostolicae beslissen, waimeer twijfel ontstaat omtrent dem tijd van de paasehviering'. (Can. 1 Mansi 9, 111.)

Het derde Concilie van Orleans (538) verklaart dezelfde besluiten van Rome als beslissend bij liet bezetten van aartsbisschoppelijke zetels; men moet daar bandelen overeenkomstig de besluiten van den „Apostolischcn Stoel enz. (Can. 4 Mansi 9, 12.)

Uartmann Grisar S. J. heeft in zijn studie Horn und die frdnkische Kirc.he o. m. bewezen, dat Home's primaatschap reeds vóór de zesde eeuw in Gal Hè ten. volle erkend werd. (Zeilitrhr. ƒ. Kath. 'I'h.eol. Jg-. 14 S. t47—49-5.)

De H. Paus Silverius ! (530—538 ot 540) werd bij de bezetting- van Kome door Belisarius gevang'e» genomen en naar Patara gevoerd in 't jaar 537, „maar , zoo verhaalt Liberal us, diaken aan de kerk te Carthago, in zijn Breviafium causae Nestorianorum et Hutychianorum cap. 22 — geschreven vóór 566 — (Migne P. L. 1 68 col. 1040) „toen Silverius te Patara kwam, ging de eerbiedwaardige bisschop dier plaats naar den keizer (Justinianus 1 527—565, zonder wiens voorkennis de Paus was gevangen genomen), en riep het oordeel Gods in over de verdrijving* eens bisschops van zulk een verheven Stoel (tantae Sedis) zeggende, dat er op deze wereld vele koningen waren, maar geen enkele zooals deze Paus over de Kerk der geheele wereld (non esse unum sieut iile Papa, est super Eaclesiam mundi totius), welke Paus nu van zijn zetel verdreven was. Na den bisschop gehoord te heboen, beval de keizer Silverius naar Rome teiug te laten gaan.

li. Agapetus (535—536), Paus.

Katholieke geestelijken ea monniken wendden zich

ocr page 421

83

tot dezen Paus met zware bescliuldigingen tegen Antlii-iuus, bisschop van Konstantinopel, die zijn bisdom van Trebizonde verlaten had en door huichelarij enz. den zetel van Konstantinopel was machtig' geworden. De Paus gebood hem van dien zetel afstand te doen, en toen Anthimus niet gehoorzaamde, sprak hij den ban over hem uit. Krachtig en vol waardigheid trad de Paus in het „nieuwe üoinequot; (Konstantinopel) op, hij bekrachtigde de geloofsbelijdenis van Justinianus, zooals hij zeide, niet wijl het leeraarsambt aan de leeken wordt toevertrouwd, maar wijl, het geloof des keizers mei de voorschriften der Vaderen overeenstemde. Met de volheid van zijn opperrechterlijk gezag trad de Paus op tegen Justinianus, toen deze Anthimus wilde behouden, en wijdde in 536 Meunas in de stad Konstantinopel tot bisschop. De zegepraal van het primaatschap des Pausen was volkomen, en ook Justinianus erkende nu de afzetting van Anthimus. (Migne P. G. t 8(5, 10(.)7.) „Kort daaropquot;, zoo schrijft de Protestant Voigt, „stierf' de Paus (22 April 5o';) in Konstantinopel niet zonder den roem. van een ijverig en bestrijder der AriaariscJie en Euli/rJii-nansclie du alingen(E. u. G.)

Paus Joannes II 532—5amp;5.

„Om de altijd toenemende simonie bij de pauskeuze te doen ophoudenquot;, zegt de Protestant Ph. H. Kiilb, wendde hij zich tot den koning der Gothen Athalarik om hulp tegen het vreeselijk misbruikquot; (E. u. G.). De ariaansche koning bekrachtigde met zijn koninklijke volmacht oen besluit, dat twee jaren te voren door den romeinschen senaat in dezelfde aangelegenheid was uitgevaardigd. Volgens dit decreet werden alle beloften, geschenken en verdragen met het doel om stemmen

ocr page 422

84

voor ilc keuze van een Paus te koopen, krachteloos, nietiiJ' en vloekwaardig verklaard, en werd aan allen, die liet/,ij openlijk, hetzij in 't geheim, voor zichzelf ot voor anderen dergelijke beloften deden of verdragen aangingen, de bevoegdheid ontzegd den pauselijken Stoel te bestijgen.

„Merkwürdig ist sein lüchteramt in einem Diseiplinar-f'alle der gallischen Ivirchequot;, zegt de Protestant Dr. G. Voigt, „Contnnieliosus, bisschop van Riezquot;, zoo verhaalt de Protestant Ph. H. Knlb, „was door een schandelijke misdaad in Frankrijk in zulk een kwaden roep gebracht, dat Caesarius, bisschop van Arles de zaak te Rome aangaf en om raad vroeg. De Paus liet den aangeklaagden bisschop afzetten, in een klooster opsluiten en het bisdom door een Visitator besturen.quot; (E. u. G.) Joannes oefende derhalve jurisdictie ook over de Kerk in Gallic. Hebben hij en Caesarius zich zeher vergist?

In 533 schreef keizer Justinian us aan Paus Joannes II (532—535): „.... uwe heiligheid, die het hoofd Is van alle heilige Kerken.quot;

Heeft Justinianus zich zeker vergist?

Justinian us gaf besluiten uit aangaande het gelooi en kerkelijke zaken met lueslemminy van de bisschoppen en den Ttoomschen Stoel en zij werden bevestigd door liet gezag van den Paus. (Labbe: Cone, t IV c. 1743, 1745, 1748.)

Deze man, als oost-roomsch keizer een des te onverdachter getuige, schreef aan Paus Agapetus in de taal van Honnisdas: „De woorden: (lij zijt Petrus erz. zijn door ilc ervaring waar bevonden, toyjl op den Apostolimilmi Stoel lt;le kalhoileke qodadie'iist nleedx zonder vlek ia he.wnard gehlrven.quot;

ocr page 423

85

Fii een sclirijven van den nietropolitaan van Larissa, Stephauns en van andere oostemche bisschoppen aau Pans Bonifatins II (580 f 582), den bijzonderen vriend van Caesarins van Arles en een /eer milddadig man, lezen wij o. a.: „Geen kerkelijhc rang kun hocen uwe macht staan, die. door den Heiland, den opperherder van alien, aan u is geschonkenquot; enz. (Zie ook Labbe 4, I69().)

Pans Joannes 1 528—52(5.

Bij een tweespalt tussclien koning Theodorik en keizer Jnstinus wegens de vervolging der Arianen m liet. Byzantijnsclie rijk noodigde de koning Joannes uit naar Konstan tin opel te reizen. De ontvang'st aldaar was luisterrijk, üp 't paasehfeest (80 Maart 525) droeg Joannes in de hoofdkerk plechtig het H. Misoffer op volgens den latijnschen ritus, waarbij hem een hoogere troon dan die van den patriarch Epiphanius moest opgesteld worden tot uitwendig teeken zijner hoogere macht. ,,\Vobei ihm jedochquot;, zegt de Protestant Ph. H. Külb, „der Letztere (Epiphanius) einen Sitz über dein seinigen einraumen musste, wodnrch der Vorzug des römischen Papsfes von dem griecliischen Patriarchen sollte angedeutet werden.quot; Wijl echter Joannes de wenschen van Theodorik niet geheel vervullen kon noch wilde, liet hem de ariaansche koning op den terugtocht naar Eavenna in de gevangenis werpen, waar hij, de Paus, den 18 Mei 525 stierf. (E. u. Gr. en Dr. J. Hergenröther I S. 882.)

Joannes, bisschop van Nicopolis schreef aan Paus Hormisdas (514—528'!: „Verwaardig u volgens de gewoonte van uw Apostolischen Stoel, die de zorg heeft over de overige kerken {quae cnnctarum Ecclesiarum. curam habei)

de Paus III. Q

ocr page 424

8(,

ook te waken voor de kerk van Nicopolis.quot; (Concil. Labbe t 4 col. 1438 edit. Parisiis, 1G71.)

Van den kant der Grieken zijn kerluialdelijk poging-en gedaan om den voorrang van het patriarchaat van Kon-stantinopel van apostolischen oorsprong af te leiden. Oe bewering', dat de H. Apostel Andreas de kerk van Konstantinopel gestiebt en y.ijii leerling Stacbvs tot bisscbop zou Lebben aangesteld, is bevonden valscb te zijn. Ensebius van Cesarea, die den apostoliscben oorsprong veler kerken van zijn, tijd aantoont, zwijgt daarvan. ürigenes en CLiysostomns spreken van den Leilig'en StacLys zonder Lem als bisschop van Konstantinopel aan fce duiden. Evenmin deden de bisscboppen van bet eerste Concilie van Konstantinopel (381) en van OLal-cedon *(451) deze bewering ten gunste van hunne aanspraken op gelijkstelling van Konstantinopel met Home gelden. Het valscbe bericbt is waarscliijnlijk omstreeks 't jaar 525 ontstaan. [Zeitschr. f. Icatlt. 'Vhenl. Jg. 1lt;S 1894 S. 413.)

De H. Avitus, bisscLop van Vienne, f omstreeks 52G, wordt terecbt de zuil der KatLolieke Kerk ol de ziel des kerkelijken levens in Let BourgondiscLe rijk o-enoemd. Onder zijn invloed bekeerde Sigisinond (51G—523) van 't Arianisme tot Let KatLolicisme. Dooiden Protestant Dr. Herzog wordt bij geprezen „oin eider ausgezeicbnetsten galliscben Biscböfe jen er Ze't. .. . der Hanptvertreter der KatLoliscben Partei gegnn die Ariauen.quot; „Deze bisscbop scbreef 80 brieven, waarin, zegt Dr. Herzog, „hesonders Irnnerlcbar ist das Streben, die pUbstlichen Priirogativen m verf reten.quot;

De Protestant Winterbalder scbrijft: „Met een be-

ocr page 425

H7

womlerenswaardi^en, stand va stigen moed wederleg'de hij iiKiiidoliug en scliriftclijk niet zonder g'eliikkigen uitsiay de meening'en zijner tegenstanders in geloofszaken en mee r n o g- door z ij n g- lt; gt; d v r n c li t i g- e n leve n s-wandel.quot; (E. n. G.)

De IJ. Avitns noemt Pans Hormisdas: „Het opperhoofd der geheele Kerkquot; universalis Ecclesiae praesulem {Epist. 27 Migne 1'. L. t 59 c. 191.)

In 517 schreef hij aan dien Pans: „Daar gij inziet.... hoe het betaamt, dat de kudde die over alle leden der algemeene Kerk aan u is toevertrouwd,, gregem per toto vobis universalis Ecclesiae membra commissum'' enz. „Wij smeeken . . . ., dat gij ons onderricht, wat ik aan uwe kinderen, mijne broeders, namelijk de Galliërs moet antwoorden, als zij mij raadplegen.quot; [Cone. Labh. t 4 col. 1445.)

In 520 schreef hij aan Ansemnndns over een zekeren jongeling, dien hij tot openbare boete veroordeeld had: „Ofschoon hij tegen mij woedt, en misschien bij de Kerk van Rome in hooger beroep zal komen, zal ik zijn bedreigingen niet, door toe te stemmen, keeren noch d e v e r m o eie nissen van den to c h t v r e e z e n.quot; Avitus namelijk voorziende, dat die jongeling- een beroep zon doen op den bisschop van Rome, en Avitus zelf ten gevolge daarvan naar Rome zou ontboden worden, ontkent in den Paus het recht niet om te oordeelen, maar integendeel dat recht als bestaande vooronderstellende, zegt hij: ik zal tegen die reis niet opzien.

In een brief aan de senatoren Faustus en Symmachns schreef hij: „Indien andere bisschoppen in eenig punt berispelijk zijn, zij kunnen terechtgewezen worden, maar wordt de Paus op grond van aanklachten vervolgd, dan is niet meer een enkele bisschop, maar de geheele bis-

ocr page 426

88

schoppelijke stand iu gevaar.... Si papa nrbis vocatur in clubium, episeopatus iaiu videbitur, non episcopus, vacillare {Ep. 34 ed. Peiper) .... Hij, die aan het hoofd van de Tnidde des lleeren staat, zal rekenscliap van zijn bestuur afleggen, maar de kudde is niet bevoegd, die verantwoording van liem te vergen; dat komt den Recliter toequot; (Migne t 59, 248—249).

Dezelfde Avitus verklaart liet een plicht, „dat de ledematen in twijfelachtige kerkelijke aangelegenheden tot den hoogepriester der Eoomsche Kerk als tot hun hoofd hun toevlucht nemen.quot; (Epist. 3G Migne t 59 253).

Paus Hormisdas (514—523) schreef in 519 aan keizer Justinus Justiuianus om te bewerken, dat Elias, Thomas en Nicostratus, die onder keizer Anastasins van hunne bisschoppelijke zetels verdreven waren, weder in het bezit van dien zetel zouden gesteld worden, De reden hunner afzetting lag in hun ijver voor de kerkelijke eenheid, hun gemeenschap met Rome (b.v. epist. 93 S. 889 : qui primi ecclesiasticam festina secuti sunt devotione concordiam). Het antwoord van Justiuianus doet uitkomen, dat de zaak zeer moeielijk is in zoover ze bisschop Elias betreft. Want terwijl eenerzijds deze zich beklaagt onrechtvaardig te zijn afgezet, stond anderzijds de tegenwoordige bisschop van Caesarea algo-meen in hooge achting. Niet enkel begeerden zijn diocesanen dringend hem wegens zijne groote verdiensten te behouden, maar bijna geheel het Oosten eerde en schatte hem hoog. Justiuianus meende dus het voorstel tot een minnelijke schikking te moeten doen . . . . De Paus schijnt daarin toegestemd te hebben. (A. Thiel, Epist. Kom'. J'ontif. genuinae t 1 Brunsbergac ! 868 S. 8S8—892 : Hormisdae epist. 92—90 en S. 914—916: epist.

ocr page 427

89

114. Franz Diekamp: Dim/eitalter des Erzlnschofs Andreas von Gasarea in Histor. Jalirb. v. t Görres-Gesefccli. B. IS Jg. 1897 S. 4.)

Gelieel lt;le oudlieid spreekt tot ons van Pans II o r m i s-das' beroemd forn;iilier (517), door 2JSOO bisscboppen, onder wie alle vaders der achtste algemeene Kerkvergadering en drie patriarclien van Konstantinopel Epiplia-nius, Joannes II en Mennas achtereenvolgens onderteekend. Kenschetsend zijn in deze geloofsbelijdenis de volgende zinsneden: „Daar Christus1 woorden: Gij zijl. Petrus en op deze Steenrots zal ik mijne Kerk bonvveu, niet kunnen voorbijgaan, -werden deze ivoorden (jestaafd door de uitkomst, vermits de katholieke godsdienst hij den A p o s-t o 1 i s c h e n Stoei altijd onbevlekt bleef bewaard .... Daarom in alles den Apostolischen Stoel volgende en alles belijdende tvat hij heeft vastgesteld, hoop ik waardig te zijn met u te leven in de gemeenschap, die wordt erkend door den Apostolischen Stoel, waarin de volkomen en waarachtige vastheid berust van den chrisielijken godsdienst.quot; (Prof. De Groot blz. 111.)

Hebben die 25500 b isschoppen zich zeker vergist i'

De Protestant Dr. Julius PHngk-lIarttuug schrijft: „Reeds den 20~quot;111 Juli (518) beriep Justinus I eene vergadering tot vereeniging der kerken. In haar naam schreef de patriarch van Konstantinopel, dat hij de vier algemeene Kerkvergaderingen erkende; hij had de namen der Pausen Leo en Hormisdas in de Diptyclien laten opnemen en verzocht om een gezantschap. De afgevaardigden des Pausen met uitgebreide volmacht voorzien, vertrokken om het formulier van Hormisdas ter onderteekeiiing voor te leggen. Van alle zijden stroomde de geestelijkheid toe. De uitslag was zoo

ocr page 428

90

gunstig', dat men dit als een wonder van den H. Petrus beschouwde. Niemand minder dan de neef des keizers, de latere keizer Justinian us 1 leidde de afgevaardigden Konstantiuopel binnen. De Patriarch onderteekende; hem volgden de bisschoppen en archimandrieten; de keizer, de senaat en alle aanwezigen jubelden, het volk stortte tranen van vreugde en verdrong zich in groote scharen om het Avondmaal te vieren. Voor de oogen der afgevaardigden werden de namen van Acacius en zijne aanhangers uit de Diptychen geschrapt.quot; {Ally. Weltgesch. 13 IV S. :565.)

Monniken van Syrië schreven aan Paus Hormis-das in 520: „Daar Christus onze God JJ heeft aangesteld tot opperherder en 1 eeraar en geneesheer dei zieleu, quoniam vera Clts'istus Dcm noster p r i n ( i p e ni past o r u m et doctorem et medicum animarum c o n s t i t u i t vos.quot; (Labbe Cone, t 4 col. 1401.)

Hebben die monniken van Syrië zich zéker vergist?

Possessor, een bisschop in Afrika, schreef in't jaar 520: ,,Het betaamt en het is nuttig genezing te zoeken bij het hoofd, telkens wanneer het de gezondheid der ledematen betreft. Wie toch is meer bezorgd voor de onderdanen of van tcien is grootere vastheid: aan 't wankelend geloof te verwachten, dan van den bekleeder van dien zetel, wiens eerste bestuurder van Christus gehoord heeft: Gij zijt Petrus!quot; (Labbe 4 col. 1529 edit. Paris 107i.)

Faustus, bisschop van Riez (f 493), had over do genade geschreven in den geest van 't Semipelagianismus van Cassia mis. Dit ergerde velen. Scytische monniken te Koustantinopel gevestigd wendden zich in 520 dooiden afrikaanschen bisschop Possessor, die zich ook in

ocr page 429

91

die stad ophield, tot Paus Hormisdas (514—523) met de vraag, lioe uien over de gescliriften van Panstus te oor-deelen liad.

De Paus antwoordde 1. Faustus is geen kerkvader; zij no gescliriften hadden dus geen ander gezag dan dat van andere schrijvers, zooals Paus Gelasius reeds in 194 verklaard had, 2. men moest bijgevolg voorzichtig zijn en slechts datgene aannemen, wat in zijne geschriften overeenkwam met de ware leer.

De H. Sy m m a ch ii s (498—514), Paus, schreef in zijn Apoloyeticus aan keizer Anastasius, die zich als heer en meester der Kerk en des geloofs aanstelde: „Indien ik het katholieke geloof voor vreemde koningen, die van alle kennis Gods verstoken waren, moest verdedigen, ik zou zelfs met gevaar mijns levens niet nalaten alles te zeggen, wat waarheid en rede mij oplegden: want wee mij, indien ik in gebreke blijf, het Evangelie te verkondigen! Gij echter, als Eomeiiisch keizer, moet de gezanten zelfs der barbaarsche volkeren goedgunstig toelaten, en als christelijk vorst, moet gij de stem des apostolischen hooyepriesfers met geduld aanhooren .... Of komt gij, omdat gij keizer zijt, in verzet tegen de macht den H. Petrus ? En meent gij, omdat gij den ketter Petrus Mongus van Alexandrië aanhangt, den H. Apostel Petrus, in den persoon zijns Stedehouders, te mogen met voeten treden?.... Een vervolger is men, ivanneer men aan alle ketterijen vrijheid verleent, en haar alleen aan de katholieke gemeenschap weigert. ') Beschouwt men hel katholieke geloof als een dwaling, zoo moet men het te gelijk

') Dczo woorden ziiu voor Ds. A. Bronsveld cum suis wo! waardig overwogen te worden.

ocr page 430

92

met de andere dwalingen dulden, beschouwt men het als de

volle waarheid, zoo mnet mm hef involgen, niet vervolgen.....

Wij voor ous hülclig'en de mensclielijko machten, zoolang- zij zic-li niet verheffen tegen God. Overigens zoo alle macht van God is, dan allermeest zij, die gesteld is over den godsdienst. Breng God hulde in ons, en wij zullen God hulde brengen in u. Brengt gij echter geen hulde aan God, dan kunt gij u niet beroepen op Hem, wiens recht gij versmaadt.quot; (Thiel Rp. Hom. Font. 70 t.)

De Oostersche bisschoppen schreven aan Paus iSymmachiis (498—514) het volgende: „De Kerk van het Oosten aan Symmachus, bisschop van Rome. Onze Heer, die vol goedheid de hemelen neerboog en op de aarde afsteeg, leert ons in zijn Evangelie: wie uwer, honderd schapen hebbendé, laat niet, wanneer liij er één verliest, de negen-en-negeutig andere daar, om het verlorene te zoeken, tot het gevonden ia? Heilige Vader, wij zeggen dit, smeekende voor het behoud, niet van een enkel schaap, maar van geheel het Oosten; voorliet onschatbaar heil van bijna alle deelen der bewoonde wereld; een heil niet voor vergankelijk zilver en goud, maar voor het bloed van het lam Gods gekocht. Verwaardig n dus ons bij te staan, (jij moet ons hulp verleenen, daar wij van het hoofd tot de voeten maar ééne wonde zijn; gij moet ons oprichten op de wegen der waarheid.quot; (Thiel Ep. Rom. Pontif. p. 709—717.)

Omstreeks 5U2 schreven zij aan den Paus: „Evenals het heilig hoofd der roemrijke Apostelen [princeps apos-tolorum), wiens zetel door Christus aan uwe heiligheid is toevertrouwd, geleerd heeft.... haast u ons te helpen . . . . Niet alleen is u de macht gegeven om te binden, maar

ocr page 431

93

ook om te ontbinden .... Want gij kent zijn geest, gij die dagelijks door nwen heiligen leermeester L'etrns onderriclit wordt, om Christus' schapen, over de gelieele bewoonde ivereld aan u toevertrouwd en niet met geweld maar vrijwillig vergaderd, te weiden.quot; (Labbe t IV c. 1301 Edit. Par. 1071.)

Hebben de oostersche bisschoppen zich zeker vergist ?

Pans A ii a sta sins 11 496—498.

Sinds 1866 is een schrijven van dezen Pans nitgegeven, waarvan het opschrift'luidt: Dilectissinas fratribus uni-versis per Gralliam constitutis, waarin de Opperpriester den bisschoppen van Gallië naar aanleiding van de opkomst van eenige dwalingen omtrent den oorsprong-der menschelijke ziel toeroept: „Als mijne gezellen iji den heiligen dienst moet gij mijne stem volgen en den strijd aanbinden tegen de nieuwe meeniny, die de Kerk dreigt te misvormen.quot; (Thiel 634: J affé -K a I ten b r u n n e r n0. 751.)

De H. Ge la si us 1 (492—496), Paus, schreef tegen Pelagianen, Nestorianen en Monophysieten, handhaafde het primaatschap van den Eoomschen Stoel tegenover de Byzantijnen, de onafhankelijkheid der Kerk tegen de Arianen, liet de boeken der Manicheën verbranden en, wijl zij het gebruik van wijn volstrekt verboden en om die reden het heilig Avondmaal onder ééne gedaante voorschreven, beval hij het gebruik van 't heilig Avondmaal onder de twee gedaanten.

üionysius, bijgenaamd Exiguus, de geleerde monnik uit de zesde eeuw prijst dezen Paus zeer hoog.

Gelasius schrijft in een brief aan Faustus — zoo lees ik bij den Protestant Dr. Herzog —: „Wat den gods-

ocr page 432

dienst betreft, aan den Apostolischen Stoel alleen behoort volgent! de canons het ojipergerecht.quot; Quautain ad religioiiem perfcinet, uoimisi apostolicae sod i iuxta eauoiies debetur summa iudicii totius.quot; (Mansi Sacrorum Goncüiorum nova et ampliss. colleetio t 8.)

En de Protestant Neudecker zegt: „Tu liet hem toe-g-esclireveu Decretum de libris recijnendis et non recipiendis lezen wij (Mansi blz. 157): „De heilige Kerk run Rome is niet door eenige synodale besluiten boven de overige kerien verheven, maar heeft door liet Evang-eliscli woord van onzen Heer en Zaligmaker: Gij zijt Petrus enz. hel primaatschap verworven. Daaraan is ook de vereenig'ing' met den heiligen Apostel Panlus gegeven.quot; (Dr. Herzog.)

In ep. 42 (Thiel p. 455) lierliaalt liij nagenoeg dezelfde woorden: „Ofsclioon dus de over de gansclie aarde verbreidde Kerk maar de eene bruidskamer des Heei-en is, zoo is tocb de Eoonjsche Kerk niet door synodale besluiten aan liet hoofd der overige kerken gesteld, maar heeft door het evangelisch woord onzes Heeren en iïeilauds het primaatschap ontvangen.quot;

In een brief van 't jaar 492 noemt hij vijf Oosterschc bisschoppen op, die enkel door het gezag van den Ajtosto-lischen Stoel van hun ambt ontzet zijn: sola Sedis Apostolicae sunt auctoritate deiecti. [Cone. Labbe t LV col. 11()8 edit. Paris. 1671.) „Sancta Eoniana ecclesia nullis syno-dicis constitutis ceteris ecclesiis praelata est, sefl evau-gelica voce Domini et Salvatoris nostri Primatum obtinuit: Tu es Petrus etc. Cui data est etiam societas b, ['auli Apostoli.quot;

Hij schreef aan de bisschoppen van het Oosten: „Welk roersel, welk beginsel zal nog tot achting voor de andere bisschoppelijke zetels verplichten, indien de oude eerbied verwaarloosd wordt, welken alle voor-

ocr page 433

95

gaande tijden /Ach verplicht acliten aan den H. Petrus te bewijzen, aan dien eersten Stoel, door wien steeds alle priesterlijke waardigheid versterkt en bevestigd werd; wiens hooysie voorrang erkend en uitgeroepen is door het eenparige en onverwinnelijke oordeel der 318 vaders van Nicea, die zich de woorden des Heeren herinnerden: Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ih mijne Kerk houwen.... Zie ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet hezwijke.... Weid mijne lammeren, weid mijne schapen.quot;

Aan keizer Auastasins I schreef hij: .,Twee machten zijn er, doorluchtige keizer, waardoor de wereld voornamelijk wordt geregeerd: het heilig gezag der Kerkvoogden en de koninklijke macht. De last der priesters is te zwaarder, naardien zij in Gods oordeel rekenschap zullen af te leggen hebben ook voor de regeerders der volkeren.quot; (Thiel /'gt;/lt;. Rom. Pont. 351.)

„Immers niemand kan zich stellen boven hem, dien Christus gesteld heeft boven allen, dien de Kerk altijd erkend en geëerd heeft als primaat. Aangerand door aanmatiging van menschen kan Grods werk niet worden overwonnen, door de macht van wien ook. De vaste grondslag lt;!ods staat.quot; (Thiel Ep. Rom. Pont. 352.)

Deze woorden zijn van een Paus uit de 5ae eeuw, en in de 19'11' eeuw kou een dichter zingen:

„Ziet, eeuwen gaan voorbij en brengen vreugde en lijden En schande en eere; met den stroom des tijds vergaat Wat van den tijd is — en de rots van Petrus staat!quot; (Dr. Schaepman: De Paus.)

De H. Pa t ri ci u s, volgens de meest moderne geschiedkundigen geboren 3S7 en t •MS, word tot de bisschoppelijke

ocr page 434

96

waardigheid verheven „door den IT. Paus Coelestinus, den eerste die hem den last opdroeg naar Ierland te trekken oju te prediken.quot; (Four Masters. O'Donovan 1 129.) „Zestig jaren lang bevestigde hij zijne prediking door teekeuen en wonderen en bekeerde het geheele eiland tot het geloof van Christus.quot; (Pertz SS. 5, 481.)

Hij vaardigde een decreet uit, waardoor hij den Apos-tolischen Stoel als den rechter, in laatste instantie voor Ierland aanwijst. Men moet in moeielijke aangelegenheden, zegt hij, bij den zetel van den aartsbisschop van Ierland te rade gaan, maar wanneer de zaken zoo niet gemakkelijk in orde komen, dan moet men naar den Apostolischen Stoel zenden d. w. /. naar den zetel van den Apostel Petrus te Rome. Si vero in ilia cum suis sapientilms facile sanari non 'poterit talis causa praedictae negotionis, ad Sedem Apostolicam decrevimus esse mittendum, id est, ad Petri Apostoli cathedram auctoritatem Romae urhis hahentem.,, (O'Currj Lectures 372, 611. Haddan-Stubbs 2, 332 bij Alph. Bellesheini: Gesch. der Kath. Kirche in Triand 1 b. S. 64 1890.)

Patricius, die volgens de protestantsche schrijfster van de Gesch. der Christ. Kerk „h et werktuig in Gods hand was om het Evangelie in Ierland te verkondigenquot; en vóór wiens dood „scholen, kerken en kloosters gebouwd warenquot; en die door bisschop Grermauus vau Auxerre (t 448), den bestrijder der ketters in Engeland, onderricht was, ontving' uit Rome die volmacht voor zijne zending in Ierland.

Allen, die als missionarissen onder de Heidenen wilden arbeiden, gingen gewoonlijk naar Kome om van den Paus den zegen en hunne aanstelling te ontvangen „met uitzondering vau enkelenquot;, zeg't Prof. Alberdingk Thijm,

ocr page 435

97

,,die liuuue aanstelling van een anderen hooggeplaatsten geestelijke ontvingen, die dan altoos in naam des Pausen handelde.quot;

Hebben al die geloofsverkondigers, bij honderden te tellen, zich zeiter vergist ?

üe H. Felix III (II) 483—492, Pans, onderzocht op een synode van (57 bisschoppen de zaak van den ketter-schen bisschop Petrus Mongns, vernietigde de uitspraak der gezanten aan 't Grieksche Hofquot;, zette hen af, vernieuwde de veroordeeling, over Mongns uitgesproken, en sprak over Acacius den ban uit.

Wie was Acacius? Een eergierig en hoovaardig man, die openlijk de Monophysieten (ketters) begunstigde.

Deze Acacius stoorde zich niet aan den banvloek. Toen hij de H. Mis ging opdragen, hechtte een monnik bot pauselijk schrijven aan den mantel van Acacius. Dit kostte den onvoorzichtige het leven. Acacius schrapte den naam des Pausen uit de kerkelijke boeken, vervolgde met behulp des keizers alle aanhangers van den Paus en werd oorzaak van de Acaciaansche scheuring, die van 484—519 duurde. Wie overwon? De Paus.

Wie heeft zich zelcer vergist: Felix of Acacius?

Pelix schreef aan keizer Zeno: „Ik smeek u, welbeminde zoon, verwerp mijne smeekingen niet, veracht niet mijn woord; want hoe onwaardig mijn persoon ooi; zij, door mijn stem roept tot u de heilige Apostel Petrus en door hem Jezus Christus zelf, die niet wil dat zijne Kerk verbrokkeld wordequot;. . . .

Th o mas Ba r su mas, bisschop van Nisibis (435—489), was een Nestoriaan, dus ook in 't oog der Protestanten een ketter, verbreidde de leer van Nestorius vooral in Perzië, beriep zich op uitspraken van Christus en den

ocr page 436

H. Paul us ten gunste van 't huwelijk van priesters en diakenen en stelde niet eenig'e Nestoriaansclie bisschoppen een canon vast, waardoor de priesters en diakenen huwen en zelfs een tweede huwelijk mochten sluiten. Daardoor kregen de Nestoriaansclie bisschoppen natuurlijk een grooten aanhang. Hij trok met Perzische soldaten — voor de Perzen was het celibaat een gruwel — door de gewesten en dwong de geestelijken tot een huwelijk. Wie niet wilde, werd vermoord; zoo zouden 7700 christenen om 't leven zijn gekomen. Tn 't klooster JBizuith liet hij 90 priesters dooden. Op een Nestoriaansclie synode van 't jaar G05 werd zijn naam opgenomen in de kerkgebeden, en over alle tegenstanders van zijn persoon en zijner leer de ban uitgesproken.

Zullen wij het getuigenis inroepen van de Nestorianen, die volgens Ds. J. Van der Kemp veroordeeld zijn op „de groote Kerkvergadering van Ephese in den jare 431quot;'' Dat gaat toch niet aan. Barsumas, de Archimandriet, wien de Protestant Dr. Herzog noemt „Hanpt der entychianischen Partei unter den syrischen Möachon, Helfershelfer der gewalthatigen Dioseuren (?) anf' der ephesinischen Eanbersynode (44)0)quot;, Barsumas, de moordenaar van Plavianus, patriarch van Konstantinopel (446—449), een ketter ook in 't oog der Protestanten, Barsumas, die de dwaalleer van Entyches overal verbreidde en na zijn dood (458) door de Jacobiten als een lieilig'e vereerd wordt, zal toch wel niet kunnen optreden als getuige tegen het primaatschap van den Roomschen Stoel. Overigens heeft hij het — voor zoover ons bekend is •— nooit formeel geloochend.

Zullen wij de Entychianen oproepen, die volgens Ds. J. Van der Kemp veroordeeld zijn „in de algemeene Kerkvergadering van Chalcedon in den jare 451quot;?

ocr page 437

99

De H. Simplicius (4(58—483), Paus, sclireet' aan keizer Zeno: „De regel van liet katholiek geloof' blijft altijd onveranderd voortduren bij de opvolgers van |iem,. wien de Heer de zorg over zijn gelieelen schaapstal toevertrouwd en wien bij beloofd heeft, steeds bij hem te zijn tot aan de voleinding der eeuwen.quot; {Ep. 4 ad /etionem.)

Heeft drao Paus zich zeker vergist'.'

De H. Hi la rus (461—468), Paus, „streefde er vóór alles naarquot;, zegt de Protestant Voigt, „het beginsel vast to honden en in de betrekkingen der Kerk te doen gelden, dat hot de taak is der Kerk van Rome op de r er,hi zinnigheid in de leer en op de instandhouding en strenge nakoming der kerkelijke wetten, d,ie, de vaders hadden overgeleverd, een waakzaam oog te houden.... Hij deed veel voor bibliotheken.quot; (B. u. G.)

,,Er machte sich um den römischen Stuhl verdient dureh strenge Aufrechthaltuug des Metropoli tansy sterns, Abbaltung jahrlicher Provincialsynoden und Bewahrung der Kirche vor einged run gene Hirten, so wie durcb Fjrrichting und kostbare Ansschmnckung von Oratorien.quot; (Dr. Herzog.)

Hij beslechtte op dringend verzoek der bisschoppen eenigo kerkelijke geschillen in Gallic en Spanje en hield in November 465 een synode te Rome met 40 italiaansche, drie gallische en twee afrikaansche bisschoppen.

Ij conti ns, aartsbisschop van Arles, schrijft in een In-iel aan den I!. Hilarus: „Daar de Kerk van Rome aller moeder is, waren wij vorlieugd, dat Hij (de Heer) u daarover gesteld heeft, om de volkeren in hillijkheid

ocr page 438

lot)

te oordeelen en de naties {cjenies) op aarde te bes luren.quot;

Die brief dagteekent van 't jaar 462. (Mig'ne P. L. 58; l'jp. Hom. Pontij'. Ed. Thiel I. 138—13!); Labbe t -1 c. 1828 ed. Par. 1671.)

Van den H. Tiro Prosper van Aquitanië, t omstreeks 463, een groot vriend van Angusfcinns, zegt de Protestant Dr. Herzog: „Er war nnd blieb ein Laie von grossem Lebensernste, tiirhtiger Bildung nnd Energie des Ka,raleters.quot;

Prosper begaf zicb met zijn vriend Hilarins naar Rome om van Pans Coelestinus I (422—432) een veroordeeling van bet Semi-Pelagiauisme te verkrijgen.

Hij schreef een werk tegen de Pelagianen en verklaart in de inleiding: „Pidem contra Pelagianos ex Apostolicae sedis auctoritate defendimus, wij verdedigen op gezag van den Apostolischen Stoel het geloof tegen de Pelagianen.quot;

In zijn Liher sententiarum enz. zegt hij: „Hn niemand verschuile zich acliter het voorbeeld van den zaligen Petrus, want deze beeft zich door zijne vele tranen beschuldigd en gereinigd (Mattb. 26 : 75), opdat de Kerk haar opperhoofd niet iu zijne verloochening, maar in zijne boetvaardigheid zon navolgen.quot;

In zijn boek de Ingratis schrijft hij; „AU zetelstad' nan Petrus is Rome voor de w e r e 1 d geworden de hoofdzetel van het herdersambt en wat het door g'eweld van wapenen niet verwierf, bezit het door den godsdienst.quot; (Migne P. L. t 51.)

Hij schrijft in Contra Gollat. n0. 15: „De Ti. Stoel van den zaligen Petrus spreekt aldus over de gehede aarde door den mond van Paus Zosimusquot; (417—418) enz.

Hij zegt derhalve, dat het geloof door Pans; Zosimus

ocr page 439

101

tot de gelieele wereld gepredikt, hetzelfde is als van den Eioomschen Stoel. Br is dus volgens liet oordeel van Prosper geen onderscheid fcusschen den zetel en hem, die den zetel bekleedt, waar sprake is van de leer des geloofs.

Heeft de H. Prosper, die man „tüchtiger Bildnngquot;, zich zeker vergist

Leo I de Groote 440—461, door God juist nu geroepen op den Stoel van Rome. zegt Ds. A. W. Bronsveld. „Nicht mit Unrecht wird er in der Geschichte „der Grossequot; genannt.quot; (E. n. G.)

De Protestant Th. Pressel zegt, dat hij was: „Sehr ausgezeichnet dnrch wissenschaftliche Tüchtigkeit, wie dnrch Karakterfestigkeit, Willensstarke, Einsicht, Klng-heit und nnermiidliche Thatigkeit.... Besonders zu erwahnen ist noch, dass Leo der Erste war, der für geheime Sünden Privatbeichte nnd Privatabsolution anordnete.quot; (Dr. Herzog.)

Bij den protestantschen geschiedschrijver Dr. Julius Pfiugk-Harttung lees ik: „Pflichttren, glanzend, eifriger Redner, hewandert in Theologischem Wixsm, verstandig, weitschauend und kühn, hat er das, was die Umstande seiner Würde verliehen, mit klarem Bewustsein erfasst, befestigt und mntig erweitert.quot;

!) Volgons den Protestant Th. Pressel hoeft Lao I do biecht ingevoerd. Waa dat waar dan moet do pauselijke macht in de vijfde eeuw zoo verhazingwokkond groot zijn geweest; als ooit daarna. Hoe oen Paus of een ander monsch in do vijfde eeuw de biecht Icon invoeren, is door geen monechonverstand te vatten. Noon, Leo I hoeft de biecht niet ingevoerd, maar stolde vast, dat men geheime zonden niet in 't openbaar mag biechten. (Kir eken-lexicon 2 Anfl. II col. 231.)

de Paus III. 7

ocr page 440

102

Deze Paus schrijft: „Door Sint Petrus' gelieiligden zetel 't lioofd van den aardbol geworden, zoudt gij (Rome) wijder door den godsdienst lieersclien dan door uwe aardsclie heerscliappij.quot; {In natal, a/post. Petri et Pauli.)

Leo I de Groote keurde het ten jare 442 in brieven aan den aartsbisschop van Aquileja en den bisschop Septimus van Altinum af, dat meu aldaar pelagiaansche geestelijken zonder uitdrukkelijke afzwering van liuniie dwalingen in de Kerk toeliet en heval daartegen synoden te houden.

Heeft hij zich zeieer vergist!' OF bad hij iets te bevelen':'

Hij schreef in eenige brieven, dat hij Eutycbes, indien deze zich aan den Hoomschen Stoel onderwierp, zacht behandelen zou.

Heeft hij zich zeker vergist!'

Fn October 449 hield hij een synode te Rome, waarin bij alles, wat op de tweede synode van Epbesus in Augustus 440 geschied was, voor nietig verklaarde.

Heeft hij zich zeker vergist!' Had hij daartoe zeker geen recht!'

Toen de hevige en heerschzuchtige Dioscorus, ook volgens de Protestanten een ketter en op 't Concilie van Chalcedon (451) afgezet, tegen Paus Leo, dien hij natuurlijk niet wilde gelioorzanien, den ban wilde uitspreken, werd de dog-matisclie brief van Leo, reeds dooide bisschoppen van Gallië onderteekend, ook in 't Oosten verspreid en door velen onderschreven.

Hebben die bisschoppen van Gallië en van 't Oosten zich zeker vergist of beschouwden zij Leo enkel als eerevoorzitter ?

Leo verklaarde, dat een overtreding van de decretale constituties zijner voorgangers bestraft moest worden.

ocr page 441

103

Hadden die constituties zijner voorgangers (Pausen) méér kracht dan die van andere bisschoppenOf heeft Leo zich zeker vergist?

Paus Zosimus had in 417 aan Patroclus, bisschop van Arles ook de provincie Vienna en de beide provincies van Narbonne toegewezen. De volgende Pausen scu dden die twee provincies weder en lieten den aartsbisschop van Arles enkel de provincie Vienna; de bisschoppen van Arles trachtten de andere bisschoppen te onderdrukken en den Rooinschen Stoel door valsche berichten te bedriegen. Aan Hilarius, bisschop van Arles, die gewelddadigheden pleegde, ontnam nu Leo in 445 ook de inetropolitaansche macht over Vienna.

„Papst Leoquot;, zegt Schrödl, „batte vielleicht anch von seinem Rechte einen schoneiideren Gebrancli uiachen köniifn; aber daran bat er ganz recht gethan, dass er das Recht, Appellationen anznnehnien und in letztev Tnstanz darüber zu entscheiden, mit allem Ernste test-hielt und die Antastung desselben mit Strenge ahndete.quot; {Kirchenlexicon 2 Auü.) Een man als Hilarius kon dwalen, maar niet in de dwaling volharden. Hij verzoende zicli met den Paus, die hem later in een briefquot; ,,sanciav memoriae virumquot; roemde. (Bp. 40 Migne P. L. t 54, 815.)

In Serm.o 2, 8, 5 zegt Leo: „(De Kerk) erkent Petrus op den Stoel van Petrus en laat niet na zulk een grooten herder in den persoon van een hem zoo ongelijken erfgenaam te beminnen .... Op den Stoel van Petrus leeft diens macht en treedt diens gezag te voorschijn . . . . Petrus neemt nog altijd zijn Zetel in en verheugt zich over een nooit te overwinnen gemeenschap met den Hoogepriester. Wan t de vastheid,, die hij, zelf rota yewordeti\ van de rots Christus ontving, is ook op zijne erfgename)! overgegaan.'quot;

ocr page 442

104

Op liet wereldberoemde Concilie van Chalcedon 451 '), dat ook door de Protestanten officiéél erkend wordt, bekleedden drie pauselijke gezanten Pascbasinus, Lncen-tins en Bonifatins bet voorzitterschap. Daar waren enkele westerscbe en zes b o n d e r d oostersche bisschoppen vergaderd. Toen de leerstellige brief van Pans Leo ! was voorgelezen, klonk het als nit één mond : „Dat is bot geloof der vaderen, dat is bet geloof der Apostelen; zoo gelooven wij allen: Petrus heeft gesproken door Leo.quot;

Dns Leo was eerevoorzitter, zegt misschien Ds. A. V.

Neen, dominee, die zeshonderd oostersche bisschoppon erkenden den bisschop van liome voor allen gesteld tot tolk van de stem des zaligen Petrus (voois heati Petri omnibus constitutus interpres), erkenden hem als het hoofd, den, voorrang hehhende hoven de ledematen (sicut memhris caput praeeras). Zij eerden hem derhalve niet enkel als eerevoorzitter; in dat geval toch konden zij de andere bisschoppen geen ledematen en hem niet bet hoofd, genoemd hebben. (Labbe: Cone, t 4 col. 838.) Heet Christus' Kerk een wijnstok, door den bemelscben Vader geplant, het bewaken van dien wijnstok is door den Heer aan Petrus' opvol g e r toevertrouwd.

Zoo spreken 6 00 bisschoppen te Chalcedon in 4 51,

Hebben zij zich zeker vergist?

Fn 451 schreven 520 bisschoppen (bijna allen waren oostersche bisschoppen), na afloop van 't Concilie van Chalcedon aan den bisschop van Rome: „Daar bet hoofd over de leden staat, zit gij in de vergadering voor door hen, die van n die zending ontvingen. Wij

') üezo Korkvergadorinp; word gohoudon in do prachtigo kerk, dio toegewijd was aan de H. Buphemia, ais martelares gestorven waarschijnlijk tusschon 303 on 304. Was die toewijding eenor kerk aan eeno heilige zeker een vergissing?

ocr page 443

105

bidden u derhalve onze beslissing door uwe besluiten te eereu en aldus door uwe Emineutie liet werk uwer zonen te voltooien.quot; (P. Sclirader S. J.: De unitate Humana p. 71—72.)

Ds. A. V. leze de ernstige studie van Joseph Blöt-zer S. J.: Der heAUije 8tuhl and die likameni»c.hm Synoden des Alterthums in Zeitschr. fiir Kath, Theologie Jg. 1880 S. 67—10(5.

Zij zonden de akten, die zeker op het Concilie reeds grootendeels door de pauselijke gezanten onderteekeud waren, toch naar Rome om van Paus Leo I hakrwhU-giny (/3c/3-/.'.wrny) en toestemming (cnjyKXTc/.Srccr'.y) en daardoor vastheid te krijgen. 1)

Heeft het Concilie zich zeker vergist?

De H. Anatolius, patriarch van Konstantinopel, schreef aan den Paus, dat de geheele kracht en de bevestiging der besluiten aan hem waren voorbehouden {gestorum vis omnis et conjirma iio auctoritati vestrae Beali-tudinis fuerit reservata).

Heeft hij zich zeker vergist?

De Paus schrapte bij gelegenheid van dit Concilie canon 28; heeft Uij zich zeker vergist?

Leo I zegt: „Ofschoon er bij Gods volk vele priesters zijn en vele herders, moet Petrus toch werkelijk allen besturen, wier opperste leidsman ook Christus is.quot; (Serm. III de assumpt. sua).

Leo I herstelde Theodoretns, die door de tweede synode van Ephese was afgezet, op zijn zetel. Dienaangaande lezen wij in de eerste verhandeling van 't algemeen Concilie van Chalcedon, de volgende merkwaardige woorden: „Ook de eerbiedwaardige Theodoretns worde

1) Mansi t 6 p. 156; Harduin t 2 p. 660 A; Hofolo: Goncilien-gesch. 2 Aufl. B, 1 blz. 48.

ocr page 444

106

toegelaten om deel te nemen aan het Concilie, want de allerheiligste aartsbisschop Leo heeft hem in zijn bisschopsambt hersteld, quia re»tituit ei epi.tcopatum sanc-lissimits Archiepiscopug Leo.quot;

Paschasinus, de pauselijke gezant zeide op het Concilie: „Wij hebben van den heiligen en apostolischen bisschop van de stad Rome, welke bisschop het hoofd, aller kerken is, de voorschriften in de hand, volgens welke zijn apostolische waardigheid zich verwaardigd heeft te bevelen, dat Dioscorns !) geen zitting mag nemen in het Concilie. Indien hij echter het durft bestaan, moet hij verwijderd worden. Dat moeten wij doen.quot; (Labbe t 4, c. 94.)

„Het hoofd aller kerkenquot;, kan het primaatschap duidelijker worden uitgedrukt 1' Indien alle bisschoppen van bet Concilie niet overtuigd geweest waren, dat den bisschop van Rome de hoogste in fisdictie en volmacht toekwam, zou dan de gezant des tl. Stoels reeds in den aanvang van het Concilie de hevelen van Rome's bisschop zoo boud aangekondigd en doorgedreven hebben !'

Op de vraag om welken misslag Dioscorus geen deel mocht hebben aan de Kerkvergadering, antwoordde een der pauselijke gezanten: „Hij heeft een concilie durven beleyyen zonder het gezag van den Apostolischen Stoel, wat nooit gebeurd is noch gebeuren mag.quot; Tegen deze bewering, dat niemand, zelfs geen patriarch, een concilie mocht vergaderen zonder toestemming van Rome's bisschop, kwam geen enkele der Vaders van het Concilie op. Daaruit blijkt genoegzaam, hoe allen overtuigd waren van de waarheid dier bewering. Welnu wanneer het een voor-

!) Dezo aartsbisschop van AU'xaiidrie had twoo jarou to vornn aan 'd hoofd gestaan van hot Hooversconcilie vau Epheso in 449.

2) Labbo t 4. o. 94

ocr page 445

107

reclit is van Koine's bisschop, dat geeue andere bis-sclioppen zonder zijn toestemming- een concilie knnuen beleggeu, dan is dat de inrisdictie of oppermacht van den H. Stoel over alle kerken. Men zegge niet, dat hem dit voorrecht door de overige bisschoppen uit eigen beweging geschonken is en bijgevolg een kerhrechtelijk voorrecht moet heeten en derhalve kan herroepen worden. Immers de pauselijke gezant zegt: wat nooit gebeuren mag. Welnu als het een door de bisschoppen geschonken voorrecht was, dan had vóór die schenking een bisschop lt; 11' patriarch een concilie mogen beleggen en mocht dat ook doen na de schenking, als dat voorrecht was herroepen i). Dat voorrecht is dus van goddelijken oorsprong.

Heeft het concilie van 451 zich zeker vergist i'

Door de pauselijke gezanten werd tegen Dioscorus dit vonnis uitgesproken: „Vandaar dat de heilige en zaligste Paus Leo, het hoofd der geheele Kerk, bekleed met de waardigheid van den Apostel Petras, die de grondslag der Kerk en de rots des geloofs, de deurbewaarder van het hemelrijk wordt genoemd, door ons zijne ('s Pausen) plaatsvervangers, met instemming van het heilig Concilie, hem (Dioscorus) van de bisschoppelijke waardigheid heeft ontzet.quot; (Labbe t 3 col. 1419.) Doordien liet Concilie van Chalcedon met deze uitspraak instemde, heeft het beleden, dat Rome's bisschop het hoofd is der geheele Kerk en hekleed is met de ivaardigheid van den Apostel

!) Ds. A. V. vraugt hior misschien: Heoft niot soms een vroeger besluit van een concilie of van vele bisschoppen den Paus dat voorrecht geschonken?

Het antwoord zou in cenigo andere vragen bestaan; Waar is dat besluit? Waaruit bliikt, dat het bestond? Wie heeft daarop ooit oen beroep gedaan? Kenden de tegenstanders van den Paus zulk oen besluit? enz. enz.

ocr page 446

108

Petrus. Welun, dat is hetzelfde als de hoogste macht, het primaatschap van Rome's bisschop belijden.

Heeft het Concilie in 451 zich zeker vergist? !)

De Russisch-schismatieke kerk leest thans nog in een harer oude hymnen de woorden tot Paus Leo gericht: „Welken naam zal ik u heden geven!' Zal ik u den voortreffelijken heraut en den vasten steun der luaarheid noemen, het eerbiedwaardig hoofd van het opperste concilie, den opvolger op den troon des H. Petrus, den erfgenaam van de onoverwinnelijhe rots en zijn ojavolc/er in het rijk?quot; (Mineia Mesatchnaia S. Leo 18 Febr. Hymn. VUL]

Heeft de Russische Kerk zich hierin zeker vergist?

Dracontius, een christelijk dichter uit de 5'1'' eeuw (f 460?), van een voorname familie uit Afrika, zingt iu zijn Carmen de Deo lib. Ill: „Hoe groote wonderen heeft Petrus gedaan voor de scharen, terwijl hij waardig steunend op zijn apostelambt de volkeren onderrichtte. Petrus de leerling des Heeren, de drager van bet zegenbrengend kruis en tot aanvoerder gesteld voor de tallooze volkeren onder een on verbreekbare wet; na de zee en zijne nederige visch-netten te hebben verlaten is hij de kloeke heraut Gods en de aanwijzer van het waarachtig geloofsstuk, poortwachter des Hemels of de opperste priester der wereld,

!) Gone. v. Chalcedon. Do Protest. Blondoll zegt in zijn book ovor hot primaatschap der Kerk: „Bomo, als kerk van Rcmo door hot verbluf on het martelaarschap van den H. Petrus, dien do oudheid erkond heeft als opperhoofd dor apostolische Kerk, Rome vereerd zijnde mot don titel van don H. Petrus, der. Apostel, heeft zondor bezwaar door een der moest beroemde concilies, namelijk dat van Chalcedon kunnon beschouwd worden als eerste Kerk aan 't hoofd staande van een dor grootste diocesen, aan welke Kerk niemand den voorrang betwist.quot;

ocr page 447

109

nu Christus ouder liet dreunen des donders lieersclit in onze christentijden.quot;

Petrus aanvoerder voor tallooze volkeren, dus moet hij een opvolger hebben. Immers daar er voor tallooze volkeren, m. a. w. voor de geheele Kerk iemand aanvoerder moet zijn, die den schat des geloof» hewaart, kan hij niemand anders zijn dan Petrus en diens opvolgers, dus de bisschoppen van Rome.

De geleerde bisschop van Cjrrns aan den Euphraat Theodoretus (geb. 38G of 393 t 458), schreef 1-boeken ter verdediging van het Christendom tegen de Heidenen, waarin hij hun o. a. verweet, dat zij in hunne beschuldigingen teg-en den waren godsdienst het leven van naamchristenen tot voorwendsel namen en niet de aandacht vestigden op den vlekkeloozen levenswandel veler heilige Christenen.

De Protestant Dr. Herzog zegt: „lïr erwarb sicli solches Vertrauen, dass er wider seinen Willen, wie er selbst berichtet, zum Bischof geweiht wurde.... Br fiihrte als Bischof eiu exemplarisches Leben, wie selbst seine Peinde gestellen. Schon vorher gleich nach dein Tode der Eltern, hatte er seine Güter unter die Armen vertheilt und als Bischof besass er nichts von Werthe, nicht einmal eine eigene Grabstatte. Die Einkünfte seines Bisthums verwendete er für das Beste desselben. Br haute für seine .Residenzstadt bedoekte Gauge, Bracken, öftentliche Biidor und eine Wasserleitung. Br versorgte die Stadt mit Aerzteu. Da die Binwohner seines Spren-gels sohr mit Abgabon gedrückt waren, leg'te er bei dein kaiserlichen Stat thai ter sowohl als bei der Kaiserin Pulcheria Pürbitte für sie ein. So war er auch bereit, Uuglücklichen Hülfe zu leisteu. Seinen Klerus hatte

ocr page 448

110

er vermocht sem Beispiel iiacliziuilimen .... Suwie er, su nalimeii seiiie Hausgenosseu nicht das iimicleste Geselienk an.... Er war fieissig im Predigen uutl es wird seine Beredtsamkeit gerüliint.... Ofter war er bei seinen BekeLrungsversnelien in Lebensgefahr und er wendete dabei keinen obrigkeitliclien Zwang dureli Gesetze und Straten an .... Er war in einem Kloster /.11 Apamea verwiesen worden, wo er kavglicli lebte, aber docli Geschenke aussclilug, die ilim seine küininerliclie Existenz hatten erleichtern können, und noch Seelen-stiirke genug besass um Andere aufzu richten. Theodoret ist eiu sehr fruchtbai-er Schriftsteller gewesen; auf verschiedenen Gebieten der Theologie hat er sich verdienste erworben .... Er hat sich dadurch (dureh seine exegetische Werke) das grösste Verclienst erworben und nachhaltige Anregung gegeben.quot;

Theodoretus wordt beschouwd als de grootste bijbelverklaarder uit de grieksche oudheid.

In zijn brief aan Paus Leo I den Groote schreef hij: „Indien Paulus, de heraut der waarheid, de bazuin des li. Geestes, tot den grooten Petrus kwam . ..., hoeveel te meer dan nemen wij, geringen en zwakken, onze toevlucht tot uwen Apostolischen Stoel, om van u genezing te erlangen voor de wonden der kerken. Immers het is aan u in alles het primaatschap te oefenen, nobis enim primas in omnibus tenere convenitquot; i), en aan Renatus, een priester van de Kerk van Rome schreef bij: „Die allerheiligste Stuel toch heeft hetprimantschap over de kerken der geheele wereldquot;. ... en „apos talie am gratiam integram conservavit.quot; -)

!) Migno P. Gr. t 83 Ep. 113 col. 1313. Do gehcolo brief is oon prachtig getuigenis voor hot primaatschap van Rome's bisschop.

2) Md. ■323.

ocr page 449

Ill

Heeft deze bisschop (f 458) zich zeker vergist?

Toen hij op de rooversyuode te Epliese afgezet was, deed hij een beroep op Paus Leo I en schreef dezen het volgende: „Ik wacht het oordeel af van uVren Apostolischen Stoel en bid en bezweer uwe heiligheid, dat uw rechtmatige en rechtvaardige rechtbank mij, die uwe hulp inroept, helpe en mij bevele tot u te komenquot; En onderaan: „Vóór alles bid ik u mij te berichten of ik in die onrechtvaardige afzetting moet berusten of niet: uiv oordeel toch wacht ik af. Bijaldien gij oordeelt, dat ik blijven moet, zal ik blijvenquot;. . . .

Theodoretus zegt naar aanleiding van het 18'u' vers van Paulus' brief aan de Galaten: „Daarna kwam ik na drie jaren iveder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken en ik hleef hij hem vijftien dagenquot;, het volgende: „En dit wederom toont de deugd van Paulus. Want daar hij niet door een mensch behoefde onderwezen te worden, wijl hij door God onderwezen was, bewees hij aan den vorst der Apostelen de eer, die dezen toekwam, apostolorum principi ronvenienlem honnrem tribuit.quot; (Migne 82 col. 467 )

De H. Eucherius, aartsbisschop van Lvon, die volgens Cassianus in de wereld als een ster blonk dooide volmaaktheid zijner deugd, en door den H. Paulinus van Nola, H. Honoratus, H. Hilarius van Arles, Clau-dianus Mamertus uitbundig geprezen wordt, stierf omstreeks 454.

In Horn, in vigil. SS. Apostolorum {Bihl. F atv. Lugdun. t (i p. 794), die nochtans misschien door een anderen gallischen bisschop gehouden is, lezen wij: „Aan den II. Petrus vertrouwde Christus eerst de lammeren, daarna ook de schapen toe; want Hij stelde hem niet enkel

ocr page 450

112

aan tut liorcler, maar ook tot her dar der herders. Petrus weidt dus de lammeren en de scliapen; kij leidt en regeert over de dienaren en meesters. Hij is de Lerder van allen; want buiten schapen en lamineren is er niets meer in de Kerk.quot;

üe H. Petrus Clirysolog-us (g'eb. omstreeks 40(3, t 450?) werd als jongeling van 27 jaren door middel van Paus Sixtus III tot bisschop van Ravenna aangesteld. De H. Schrift was voor hem de voornaamste bron zijner wetenschap eu buitengewone welsprekendheid. Zijne preeken, die nooit lang duurden, waren rijk aan inhoud. De grootste helft handelt over bijbelteksten. Hij was een kind van zijn tijd, richtte zich naar de ontwikkeling zijner toehoorders, onder wie (in le residentie) een hoogst beschaafde vrome vorstin den toon aangaf. (Der H.Petrus Ghnjsologus und seine Schriften von J. Looshorn 1878. Zie ook Zeilschr. ƒ. Kath. Theol. 187!) S. 238—2(55.)

In Sermo VI zegt hij: „Hinc est quod oves suas Petri vice sua, ut pasceret, ad coeluin remeaturus, conimendat, Petre, inquit, amas me? Posce oves meetsquot; enz. enz.

Toen Eutyches door de synode van Kons'tantinopel üi 't jaar 448 veroordeeld was en nu de openbare meening voor zich trachtte te winnen, zooals de Jansenisten in Nederland en de zoogenaamde Oud-Katholieken in Duitschland en Père Hyacinth enz. enz. ook beproefd hebben, wendde hij zich mede tot Petrus Chrysologus, die volgens den Protestant Gass „für Sittenstrenge und Werkheiligkeit wirktequot; (Dr. Herzog). Maar de^e antwoordde, dat Eutyches goed zou doen zich aan den Paus te onderwerpen, „wijl de H. Petrus, die op den eigen, zetelen leeft èn voorzit, de waarheid des geloofs schenkt

ocr page 451

113

aan wie haar zoeken.'''' Ut liis quae ii beatissimu papa Romanae civitatis scripta sunt obedienter attendas: quoniam beatun Petrus, qui in •propria sede et vivit et praesidet, jpraestat quaerentibus fidei veritatem.quot; Ziellier den grieksclien tekst: 'KtI tt-at'. X- xpsrpikbfj.amp;x a-s, üSs?vlt;p:

T'UWTXTi, '•■mi TZ\c TXpy. T0~j 777.777. T ?J TTOAcWC

V'^a^c ypxvscii'jï'.i; Tri'-Tixp/z-yj-T'iic: Trpcrrv/uv■ iTrvXr, s ixy.y.y.piT.c TMrpca, 'ze zy Tr, iï'r'. KxS-iiïpy. y,x'. ■/.■/.' TCpys.xzrriTT/.i., Siriwcrc

toXc 'Qrpro'jm t!c ttittvtic rly ://.r~i'7:j■ (Mig'lie P. L. t 54 739—743.)

De ketter Eutjelies deed in 450 een beroep op Paus Leo I.

De bisscboppen Gelidonius en Projectus, die door Elilarins van Arles waren afgezet, beriepen zich op Leo T, die lien in bun ambt herstelde (Jaffé: Regesla J!om. Fontif. nn. 185; Mansi V, 1244).

Tot vóór korten tijd was de tekst van bet beroep op Paus Leo I door den H. F la vi anus (f 449), patriarch van Konstantiuopel, niet bekend. Het verlies van dat stuk, zoo gewichtig voor de geschiedenis van het primaatschap eu van bet Monopbysitisme, was des te gevoeliger, zegt Grisar S. J., daar de tegenstanders van het pausdom aan die daad van Flavianus het karakter van een werkelijke apellatie ontzeiden en het deden voorkomen, alsof het maar ecu beroep op een nieuw Algemeen Goncilie geweest ware. Welnu Prof. D. Guerrino Amelli, vice-custos aan de Ambrosiaansche bibliotheek te Milaan, heeft den tekst gevonden, waaruit blijkt dat Flavianus wel degelijk een beroep op den Apostolischen Stoel gedaan heeft: me appellante thronum Apostolicae Sedis Principis Apostolorum Petri et universam heaiam quae sub Ves tra Sanctitate est Synodum enz. enz. (Zie Zeitschr. Ka.th Theologie .Tg. 7 1883 S. 191—190.)

ocr page 452

114

Joanues Cassianus ') (860—485 of 448) wordt door den Protestant Thierscli aldus geroemd: „Durcli reiclie Erfalirn uy, dnreh tiefe Kenntniss der griecliisclien Theologie mid dnrcli unbezweifelte Rechtqli'iubiglceit emp-fohlen.quot; (Dr. He rzog.) Zijn geschrift Der vaderen collatiën was, volgens Moll, in de 15ae eeuw of vroeger in Nederlandsch gewaad gestoken.

Deze Joannes Cassianus werd door de geestelijkheid van Konstantinopel in 't jaar 405 naar Paus Innocentius 1 gezonden om Joannes Chrjsostoinus, die op aanstoken van Theophilus, patriarch van Alexandrië, in ballingschap gezonden was, aan 's Pausen bescherming aan te bevelen.

Heeft die geestelijkheid zich zeker vergist'.'

Cassianus schrijft: „Laten wij ondervragen .... dien hoogste en den leerling onder de leerlingen en den leermeester onder de leermeesters, die het bestuur hebbende over de Roomsche Kerk, zoowel de hoogste macht li,ee.ft des i/elonfs als van het priesterschap.quot; „Interrogemus . . . . summum illum et inter discipulos discipulum, et inter magistros magistrmn, qui Romanae Ecclesiae guberna-culmn regens, sicut fidei habnit itix et sacerdotii prin-cipatumquot;, namelijk Petrus (De Incarnat. dir. lib. lil c. 12; Migne P. L. 49, 50.)

Heeft hij zich zeker vergist P

Ful gen tins Ferrandus, leerling, lotgenoot en wellicht bloedverwant van den H. Fulgentius, bisschop

Jj /uielh-Natali zegt in ziin Enchiridion ad Sacrarum diBci-plinarum cultoros (od. 4 Romao 1880): „Collatinnes 24, quarum decima tortia canto logonda ost, cnm in ca vexillum Homipola-Rianismi erigatur.quot; Zio ovor Oaesinnns een studio van F. Smit S J. in do Sivdiën Jg. 27, D. 44 1895.

ocr page 453

115

van Kuspe in Afrika (f 1 Jan. 533), de Augustiims zijner eenw genoemd, was diaken van de Kerk te Carthago. Hij stierf vóór 540.

In zijn schrijven Ad Pelagium et Anatolium diaconns urbis Romae zegt hij. dat men over den brief van Tbas TCdessa niet te oordoelen heeft, daar het concilie van Chalcedon (451) dien brief als katholiek erkend heeft. Hij schrijft: „Quomodo ergo nunc olim indicata iudi-cabunturl' Si tunc aliquis accusator epistolae, cuius catholica esse dictatio claruit, ad maiora indicia provo-caret, appellationi forsitan secundum consuetudinem locus pateret. Sed quo iret, aut ubi maiores i-eperiret iu Ecclesia indices, ante se habens in legatis suis Aposto-licam Sedem, qua consentiente, quidquid illa definivit synodvs accepit rnbur invictum?quot; (Migne P. L. 67, 925.)

Ferrandus is dus overtuigd, dat de besluiten van Algemeeuc Vergaderingen door de instemming van Rome's hissrJiop van onverzettelijke kracht zijn.

Door Severus, een scholastiek van Constantinopel naar zijn meening ondervraagd omtrent do quaestie of Christus onze Heer imus du Trinitate kon genoemd worden, antwoordde liij: „Wie en hoedanig een ben ik, dat het mij zou vrijstaan over twijfelachtige zaken een bepaalde meening te uiten .... Laten zij spreken en verkondigen aan wie de eer van het priesterschap gezag verleent om te onderwijzen. Wij zijn bereid te leeren, maar verstouten ons niet anderen te onderrichten. Wüf gij iels van de waarheid veinemeu ondervraag dan voornamelijk den bisschop van den Apostolischen Stoel, wiens gezonde leer door hel oordeel der waarheid vaststaat en door het bolwerk des gezags gesteand. wordt. Interroga igitur, si quid veritatis cupis audire, principaliter Aposto-licae Sed is Antislitem, cuius sana doctrina constat iudicio

ocr page 454

116

veritatis, et fnlcitm- inuiiiinine auctoritatis. Interroga pluriinos per diversa terrarum loea pontifiees, qnibns scientia coelestinm praeeeptorniu divinitus inspirata, famam g-randem sni cum veneratione eollegit. (Epist. 5 Migne P. L. 67, 910.)

Hij zegt dus: 1. dat wij vooral (principalifer) van Rome's bisschop de waarheid moeten loeren, 2. dat die leer des Pausen gezonde leer is en 3. dat de deugdelijkheid dier leer vaststaat door het oordeel dier waarheid (iudicio veritatis) d. w. /. — zooals hier schijnt verstaan te moeten worden — door de woorden en belofte van Christus, en 4. dat de leer van den Paus gesteund wordt door het bolwerk van het gezag (munimine = bevestigingsmiddel, verdediging, bescherming), zoodat die leer gevolgd moet worden.

De H. Cyril lus, patriarch van Alexandrië (f 444), door de Grieken „het zegel der vadersquot;, Tippxylc tw geheeten, wijl hij de reeks sluit der groote Grieksche Vaderen, die de grondwaarheden des Christendoms theologisch ontwikkeld en verdedigd hebben {Kirchenlexicon 2 AuH.), schreef aan Paus Coelestinus 1 (422—432) een brief, waarvan het opschrift luidt: „Aan den heiligsten en aan God geliefden Vader Goelestimi.i Cyril lus, heil in den Heerquot; (Migne P. G. t 77 col. 79 ep. 11).

Deze Cyrillus, die volgens den Protestant K. Ch. L. Franke (E. u. G.) van zichzelven getuigt, dat hij van zijne jeugd af de H. Schrift heeft bestudeerd, wendde zich in zake van Nestorius tot den Paus „daartoe verplichtquot;, zeide hij, „door Gods gebod, dat waakzaamheid vordert en door de oudkarhelijke gewoonte.quot; (Dr. Herzog).

Deze Cyrillus, de groote bestrijder van de ketterij van Nestorius, „wendde zichquot;, zegt de Protestant Dr.

ocr page 455

117

Herzogquot;, „tot den bisschop van Rome als tot een rechter over de gelieele Kerk.quot;

In een uitvoerig- sclirijveu zette hij de leer van Nestorins uiteen, nadat deze laatste tweemaal per Innet den Paus voor zich had zoeken te winnen.

Hij was een groot vereerder van Maria. De Protestant Hagenbaeh zegt: ,,Kr kann nicht genug Pradikate haaifen ilire Herrlichkeit als Gottesmutler, ihre jnug--Iranliche ileinheit mul ihre Wunder zu i-ühmen.quot; (Bij Dr. Herzog.)

Was hij Roomsch Katholiek of Protestant? Zie Gyrillus von Alexandrien Von Dr. Joseph Kopallik, Maintz 1S81 en Zeitsch. f. kaih. Theologie Jg. 5, IS8I S. 527—532.

De H. Sixtus III (432—440), Paus, toonde zich bereid de schismatieke bisschoppen van Autiochië weder in de gemeenschap op te nemen, ingeval zij alles, wat het Concilie van Ephesus veroordeeld had, wilden ver-oordeelen, hij oefende dus iurisdictie over Autiochië. Heeft hij zich zeker vergist ?

Toen Joannes van Autiochië zich met Cvrillus van Alexandria verzoend had, bekrachtigde Sixtus deze ver-eeniging. Heeft hij zich zeker vergist?

Helladius van Tarsus en Eutherius van Tvaua, twee nestoi'iaansch gezinde aartsbisschoppen, wendden zich met eeuige andere prelaten van 't oosten tot Sixtus met verzoek om de decreten van 't Concilie van Ephese te laten herzien, opdat hij aldus de aarde tegen de heerschende dwaling zou behoeden, zooals Paus Damasus haar eens tegen het Apollinarisme behoed had. Zoo hoog stond dus bij hen het aanzien van den Roomschen Stoel, dat zij dezen voor gerechtigd hielden, de besluiten van 't Concilie vau Ephese te vernietigen (Dr. J.

de PAUS 111. 8

ocr page 456

118

Hergenrötlier: Handb. der Allcjem. Kirchengesch. 1 B. S. 381), wat ecliter eeu Paus niet doen kan, niet wijl een concilie boven den Paus staat, maar omdat hetgeen als onfeilbare waarheid is erkend, door niemand wie 't ook zij, kan veranderd worden.

Deze Paus ontzette Polyclironius, bisschop van Jeruzalem, van diens ambt.

Was dat zeker een vergissing'?

Hij schreef aan Cyril lus, patriarch van Alexandrië een brief, waarin hij o. a. aangaande Joannes, patriarch van Antiochië, een Nestoriaan zegt: „Hond derhalve sterk de hand zoowel aan hetgeen door de synode als door ons bepaald is, allerliefste broeder.quot; (Migne P. Lat. 50 col. 587.)

ï)o H. Isidorus, priester en abt op een berg bij de Egyptische stad Pelusium (f omstreeks 440), was een leerling van den H. Chrysostomus, had een diepe kennis der H. Schrift, onderhield vriendschappelijke briefwisseling met Cyrillus van Alexandrië, werd door zijne tijdgenooten hoog geprezen om zijn wetenschap op theologisch gebied, om zijne nederigheid, vredelievendheid en ijver voor de verbreiding der waarheid. Op verheffende wijze schildert hij het ideaal van den cliristelijken priester en prijst den maagdelijken staat hemelboog. Petrus wordt door hem genoemd: i rw '/7r;TTÓ/My y.opuyyXsc \ I 'ircoc (II Epist. 58) en i y.oputpr/Xzq rah (II Epist. 99).

Aangaande do H. Coelestinus I, Paus (422—432), schrijft do Protestant Dr. Gr. Voigt: „Zooals hij het in do theorie open uitsprak, dat hij zijne herderlijke zorgen beschouwde als onbegrensd en als zich uitstrekkende

ocr page 457

119

over alle christelijke lauden, zoo was ook liet voornaamste (?) streven van zijn pontificaat de uitbreiding der iurisdictie, liet primaatschap van Eomequot;.. . .

In het slot van een brief aan Cyrillus, waarin hij Nestorius veroordeelt, zegt deze Paus: „Hetzelfde hebben wij geschreven aan onze heilige broeders en medebisschoppen Joannes, Eufus, Juvenalis en Mavianus, opdat ons vonnis of liever het goddelijk vonnis van onzen Christus aangaande Nestorius bekend zij.quot; (11 Aug. 430.)

Aan de bisschoppen van lllyricum (Ep. III Migne P. L. 50 col. 427) schreef hij: „Onder de andere zorgen en verschillende aangelegenheden, die altijd ons uit de overige kerken worden voorgelegdquot; enz. En verder: „Wij vooral worden met de zorg over allen streng belast, wij aan wie Christus in den H. Apostel Petrus, toen Hij dezen de sleutelen gaf om te openen en te sluiten, de noodzakelijkheid oplegde over allen te beslissen (handelen); en onder zijn apostelen verkoos hij er een, niet die onder eeu ander zou staan, maar vooral een, die de eerste zou zijn.quot;

De H. JSTinian, de eerste zendeling van Schotland, zoo meldt ons Ailred, abt van 't klooster der Cister-ciensers in Yorkshire (1109 f 11(50), werd door Paus Siricius bisschop gewijd en als missionaris naar Schotland gezonden. Hij was reeds onder Paus Damasus (360—384) naar Eome gereisd.

Hij stierf waarschijnlijk omstreeks 432. Op zijn graf geschiedden vele wonderen. Zijn aandenken leefde voort in talrijke aan hem toegewijde heiligdommen, waarvan het getal door den Protestant Dr. Forbes op 03 geteld wordt.

De Protestant Dr. Forbes {Life of S. Ninian) schrijft:

ocr page 458

120

„Niemand kim clc overblijfselen van de abdij van Whithorn naderen of van de van haar dak beroofde kapel op de zee zijn blik laten dwalen, zonder van gevoelens, die men bezwaarlijk in woorden kan weergeven, overmeesterd te worden. Hij bevindt zich in een plaats, waar de beschaving van het onde Rome, zoowel als de barbaarsche zeden der Meaten, voor die hoogore beschaving weken, die het Evangelie van Christus geeft, — waar het ware geloof, dat uit de eeuwige stad voortkwam, de wildste der keltische volksstammen bedwong, — waar iersche beschaving het groote klooster deed ontstaan en iersche vroomheid in St. Brignat, Modwenna, Mancennns, Engeuius, Tigernach en Endens gekweekt werd, — waar de saksische kerk, uitmuntend door heilige prelaten, de wonden, door veroveraars en vreemde dwingelanden geslagen, wederom genas, -— waar St. Cnthberts assche te midden van de rooftochten der .Noormannen en bij den strijd der inlandsche regenten een rustplaats vond, — waar de beschavende invloed van den zetel van York en de geestelijke weldaden van do orde van Premonstreit de ellende, uit de barbaarsch-heid dier tijden voortvloeiend, verzachtten, — waar Ailred do mededeelingen ontving, welke op zijn verhaal znlk een levendigen stempel drukken, — waar jaar in jaar uit, ontelbare scharen van vrome pelgrims bij St. Niniaus schrijn samenstroomden, — waar de oude feudale twisten tusschen Schotland en. Engeland oen tijdlang verstommen moesten, — waar koningin Mar-gareta (in 1473), die door hare vroomheid bijna bet recht op een plaats in den heiligenkalender verwierf, voedsel vond voor de behoeften baars harten, — waar eindelijk de ridderlijke Jacob IV (f 1513), in wiens leven de trek der vroomheid over de verleidingen der jeugd

ocr page 459

121

zegevierde, de mystieke richting- koud deed, welke hem, die zicli aaii. liet leven zijns vaders luid vergrepen, den boetegordel deed omdoen, waarmede hij op het slagveld bij Floddan trad. En al deze heerlijke geschiedkundige feiten groepeeren zich om de persoonlijkheid van den man, wiens beeld Beda, de eerbiedwaardige, in zwakke omtrekken geteekend heeft, die door do bekoorlijke hand van Ail red voltooid werden, en wiens aandenken door het bouwen veler kerken wijd en zijd in Schotland vereeuwigd worden — Niniau, den Apostel der Britten en Zuid-Pieten.quot; (Zie ook Cunningham: Church history of Scotland 1, 82.)

In 't jaar 431 werd de derde A Igeineene Kerkvergadering gehouden te Ephese J). Keizer Theodosius II en Valeutinianus 111 namen de uiterlijke leiding waar, de geestelijke leiding berustte gausch in Rome's hand. Op dat concilie werd het voorzitterschap bekleed door de pauselijke gezanten, den 11. Cyril lus, de bisschoppen Arcadius en Projectus benevens den priester Philippus.

Was dat zeker een vergissing

„Na het voorlezen van een schrijven, waarin de katholieke geloofsleer ontvouwd wordt en dat eindigt met een bevel aan de pauselijke legaten om de vroegere bedissiny des opperpriesters omtrent Nestorius' dwaling uit te voeren, ging er uit de vergadering een gejuich op; „dat is het ware oordeel, dank aan Goelestinus, den nieuwen Faulus, aan Goelestinus, den wachter des geloofs!quot; (J. V. de Groot.)

') Dat concilie had plaats in con kork toegewijd aan de H. Maagd Maria. Alwoer oen vorajissinR.

ocr page 460

122

Was dat zei er een vergissing?

Heeft dat algemeene Concilie, waar Piülippus, de apostolische g'ezant, zonder dat iemand er iels tegen inbracht, durfde verklaren: „P e t r u s, de prins der Apostelen, de zuil en de grondslag der Kerk, liij die de sleutels des hemelrijks ontving, leeft en oordeelt tot oj) dit uur in zijne opvolgersquot; (d. w. z. de üooliisclie Pausen, van wie liier sprake was) zicli zeker vergist ?

Het Concilie werd in 482 door Paus Sixtus III be-kraclitigd.

Was dat zeker een veraissino-P

O O

De H. Augustinus (354—430), die volgens de protestantsclie schrijfster va ii de Gesch. der Christelijlce Kerk „met ijver Gods Woord onderzocht om daarin rust voor zijn hart te vindenquot;, en wiens arbeid „het kenmerk droeg, dat hij, Augustinus, de kracht der waarheid aan zijn hart had ondervondenquot; en wiens „leven voor de geheele Kerk van blijvenden invloed is geweestquot; en van wien „vele geschriften bewaard zijn g'ebleven, waarin hij de waarheid verdedigt tegenover hen, die eigen meening in de plaats van Gods Woord steldenquot; (blz. 48 seq.), deze groote bisschop van Hippo, die door dezelfde protestantsclie schrijfster op een leelijk plaatje wordt afgebeeld in bisschoppelijk ornaat met myter en staf, juist zooals nu nog de bisschoppen der R. Kath. Kerk dragen, Augustinus door Prof. Moll genoemd: „de koning der la.tijnsche Kerkvadersquot; en die volgens Ds. A. J. Th. Jonker „een der voornaamste Kerkleeraars in het Westen was.... en op de ontwikkeling van het Christendom een huiten-gewoon ijrooien invloed heeft gehadquot; (blz. 17), en door Ds. A. W. Bronsveld geroemd wordt „de grootste leeraar der eeuwen, die inliggen tusschen Paulus en Lutherquot;

ocr page 461

123

{Stemmen voor waarheid en Vrede 1898 blz. 915) !) stelde (lezen regel: „Oj) dezen zetel der eenheid (namelijk den Roomsclien Stoel) plaatste God de leer der tvaarheid.quot;

Heeft hij zich zeker vergist?

De Protestant Dr. Julius vou Pflugk-Harttnng zegt: „Hij en Ambrosius uiuntten boven alle tijdgenooten uit, en Augustinus verklaarde . . . dat de Kerk liooger stond dan de Staat, de keizer dienaar en geen lieer van de Kerk was.quot;

In Sermo 30 (in hihl. nov. ■patrum edit. Mai t 1 /gt;. 273) zegt liij: „O ongelukkige ketterij, nimmer zult gij mij overtuigen liet katholieke geloof te bezitten, gij die niet leert, dat men het geloof van den Roomsohen Stoel volgen moet.''''

Volgen de Protestanten het geloof van den Eoomscheu Stoel ?

In zijn werk Contra Faustum (22, 70) zegt hij: „Petrus werd de Herder der Kerk gelijk Mazes het hoofd der Synagoge.quot;

In 't jaar 423 schreef hij aan Paus Coelestinus I een brief, waarvan het opschrift luidt: Aan den zalig sten heer en met verschuldigde liefde te eerbiedigen heiligen Paus Coelestinus heil in den Heer, Augustinus.''''

Hij vraagt in dat schrijven gebed, raad en hulp van den Paus.

!) „A-ugustinus' booordoolirg van do wereld is die der monniken .... Ook het monnikendom heeft eerst (?) door Augustinus zijn vasten grond verkregen .... Hij hoeft ook aan het monnikendom van het Westen aijn taak gewezen, om niet alleen in teruggetrokkenheid van do wereld de eigen persoonlijke volkomenheid te zoeken, maar in den dienst dor Kerk daartoe moe te werken, dat do Kerk in do wereld haar roeping vervult om de wereld te behoerschon.... Tolkous loeft Augustinus weder op, on wordt dan golgk hij do vader is van hot middonoouwsch Katholicisme, ook do vader dor Hervorming.quot;!! (Ds. A. W. Bronsveld aldaar blz. 918, 919.)

ocr page 462

124

Naai aanleiding- van Lue. 22:31, 82 „Simon, Simon! o

sie, de Satan heeft vlieden zeer begeerd om te ziften als de F

tarwe; maar ik heb voor n [u staat in 't enkelvoud) nehedev, t.

dat uw geloof niet ophovde (bezwijke), en gij, als gij eens e

zult bekeerd zijn, zoo versterk . uwe broedersquot;, zegt hij liet o

volgende: „Het ia duidelijk dat allen in Petrus waren v

bevat, want voor Petrus biddende, heeft onze Heer c

gemeend voor alten te hebben gebeden.quot; (Quaest. V. et N. i

Test. 9, 75.) M. a. w. biddende voor Petrus, den opper- i

heider en leeraar der Kerk heeft Jezus Christus ook i

voor alle geloovigen gebeden, die door Petrus in 't geloof moesten ouderwezen worden. Dit is de zin van i

de woorden van Augustinus, want deze Kerkvader zegt elders: „Ik heb voor u gebeden, namelijk dat het woord der waarheid nimmer van uw mond zou wijken .... ne auferetur ex ore tuo verbum veritatis usque valde. (Zn psalm.

118 Sermo 13 n0. 3.j

Pelagius loochende de leer der erfzonde. Zijne leer werd volgens de protestantsche schrijfster van de Gesch. der Christel. Kerk „op het Concilie van Ephese (431)

verworpen , nadat zij reeds door Paus Innocentius f (402 417) veroordeeld was. Aangaande die veroordeeling door Innocentius, schreef „de koning der latijnsche kerkvadersquot;, Augustinus (t 430): „In deze zaak (namelijk van Pelagius) zijn reeds de besluiten van twee concilies naar den Apostolischen Stoel gezonden en van den Apostolischen Stoel zijn twee antwoorden gekomen. De zaak is uitgemaakt.

Vandaar het bekende: Roma loeuta, res finiia. (J. V.

de Groot.)

De zaak is dus volgens Augustinus beslist, omdat Rome gesproken heeft; heeft hij zich zeker vergist?

Augustinus leert: I. bij den Stoel van Petrus is „het

ocr page 463

125

oppergezag van liet apostelschapquot;; 2. deze Stoel van Petrus is te Home, en de bisschoppen van den Apos-tolischen Stoel zijn de opvolgers op dien Stoel en erfgenamen van diens rechten en voorrechten; B. „het oppergezag van der Apostolischen Stoel is altijdquot; (dus van den beginne af) „van kracht geweestquot;, en 4. ten gevolge van dat „oppergezag van 't apostelschapquot;, gevestigd op den Apostolischen Stoel, is de Kerk van Home noodzakelijk hef. hoofd van de yeheele Kerk, en de vereeniging met haar is allernoodzakelijkst om den naam van „Katholiekquot; te dragen en in de voordeelen en gunsten te deelen van „de katholieke gemeenschap.quot;

Men leze daaromtrent Augustinus Psal. contr. part. Donat. t 9 p. 80; In Joan. Tract. 56 nquot;. 1 t 3, tract. 124 n0. 5; de Bapt. eontr. Donat. lib. 2 nu. 2 t 9; Ep. 43 n0. 7; de utilit. credendi n0. 35 (Lindsay: Evidence for the Papacy p. 161).

„In de vooronderstellingquot;, zegt P. Bernard Vaughan S. J., „dat Augustinus geloofde aan het primaatschap van Rome's bisschop, kon hij zich niet duidelijker uitdrukken.quot; (The Roman Claims 1895 blz. 41.)

Hoe een „nieuwe zendeling onder de Eoomsche Nederlandersquot;, de „razende manquot;, die naar de uitdrukking van Dr. A. Kuyper „over den Bisschopsstoel van Rome heen zijn woede tegen den Christus Gods zeiven uitspuwtquot;, vergeefs bij Augustinus om dubbelzinnige woorden gebedeld heeft, kan men naslaan o. a. in I)r. Schaepmau: Bolland en Petnis (blz. 23—27). Over Augustinus zie ook H. Erinann S. J.: Het Huis op de Steenrots blz. 11.

Dezelfde Bolland hoopt in zijn Petrus en Pome uit kerkvaders zinnetjes opeen, waarin beleden wordt, dat men onder petrn het geloof van Petrus of Christus

ocr page 464

126

zeiven enz. heeft te verstaan. Had liij liet werk van

Petrus Ballerini De vi ac rationa primatus Rom. Pontif. n

nauwkeurig gelezen, dan zou liij zijne aanhalingen nog b vermeerderd hebben. Of hij dan echter ook voor zijne

stelling een beroep zou gedaan hebben zelfs op vijf v

Pausen, namelijk op Hadriaan I (772—795), Mcolaas I 1

(858—867), Stephanus VI (VII) (f 897), Innocentius II 1

(1130—1143), Urbanus III (1185—1187), die allen met ]

de Katholieke Kerk leeren, dat onder den naam petra ]

mede de belijdenis en het geloof van Petrus verstaan ]

moet worden, valt te betwijfelen.

Niet op Petrus simpliciter, maar op den belijdenden Petrus is Christus' Kerk gesticht. Dat is de beteekenis, en de ware, van de woorden der Kerkvaders. Petra is het geloof van Petrus, niet dat bijzonder geloof, waardoor hij de godheid van Christus beleed, maar het algemeen christelijk geloof, dat hij in het opbouwen der Kerk verkondigde. Dilt blijkt zonneklaar uit de geschriften en daden der vaders aller eeuwen, maar La Bruyère heeft ergens gezegd: „Ce sont les faits qui prouvent e t la manière de les raconter.quot; Dat weet Bolland ook wel.

De H. Bonifatius I (418—422) werd tegen zijn wil, dus niet uit heerschzucht, tot Paus verkozen.

Om onordelijkheden bij de pauskeuze te beletten, haalde hij keizer Honorius over een edikt uit te vaardigen (420), volgens hetwelk bij de keuze van eeu Paus geen eerzuchtige pogingen mochten worden aangewend; ingeval echter desniettegenstaande een tweedrachtige keuze plaats gevonden had, moest geen der twee gekozenen erkend, maar een nieuwe Paus eendrachtig gekozen worden. (Mig-ne P. L. t 20.)

I

ocr page 465

127

De Protestant Dr. Herzog zegt: „Das Ansehen des römisehen Stnlils war Bonifatius eifrig beflissen zu befestigen, wo er konnte.quot;

Deze Paus aan wien de H. Angustinus een zijner werken opdroeg, sclireef aan een bisschop van Thessalië liet volgende: ,,De vorming van de Algemeene Kerk bij bare geboorte ontsproot uit de waardigheid van den H. Petrus, op wiens persoon het bestuur der geheele Kerk berust. Immers uit deze bron vloeide de kerkelijke tucht in alle kerken voort, naarmate de uitbreiding van den godsdienst van lieverlede toenam. De voorschriften van het Concilie van Nicea getuigen niets anders; zoodat het Concilie niets boven hem durfde stellen, daar bet beg-reep, dat aan niemand eenig gezag kon verleend worden, dat boven zijn verdiensten ging; daarenboven wist het Concilie, dat door het woord des Heeren alles aan hein was toegekend. Het is daarom zeker, dat deze Kerk voor de kerken over de geheele wereld verspreid, als bet ware bet hoofd is van hare eigene ledematen; al wie zich van deze Kerk afscheidt, wordt uit den christelijken godsdienst verbannen, wijl hij aldus ophield te zijn in den éénen naam verbondene inrichting.quot; (Constant J?jj. Rom. Pontif. p. 1037. T. VV. Allies: The See of St. Peter p. 60.) J-)

!) The See of St. Peter, (by T. W. Allies London, Catholic Truth Society 1896) word hot eorst in September 1850 uitgegeven, toen Allies nog Anglicaansch geesteliike was te Launton; hij droeg het workjo op aan Gladstone. Het was de vrucht eener vijfjarige studie, dio den schrijver van do waarheid der katholieke leer overtuigde. In 1896 las Paus Loo XIII dat boekje, en op zijn verlangen werd het herdrukt.... Allies zag bij zijn studio duidelijk in, dat de goschiedenis dor christelijke Kerk hot primaatschap dos Pausen bewijst. (Ath. Zimmormann S. J. Zeitschr. für Kath. Thenlogie Jahrg. 21 1897 S. 341.)

ocr page 466

128

De H. Hieronyiuus (-331 of 340—-120), die volgens ile protestantsclie sclirijfster van de Gasch. der Christ, kerk „door zijne geleerdheid, zijne studie van de Hebreeuwsclie taal, vooral door zijne laerziening van dequot; Latijnsclie vertaling van liet Nieuwe Testament, met zijne vertaling van het Oude Testament, later omleiden naam van Vulgata bekend, tut veel nut voor de Kerk is geweestquot; schrijft in zijn eerste boek tegen Jovi-nianvs uquot;. 26: „Daarom wordt één onder de twaalf verkozen, opdat door het aanstellen va n e e n hoofd de gelegenheid tot scheuring worde iveiigenomen.'1

Welnu de gelegenheid tot scheuring zou niet weggenomen worden, indien het hoofd, dat door Christus was aangesteld, enkel een eerevoorzitter zonder het primaatschap van iurisdictie was.

Dezelfde Hieronymus schrijft aan Paus Damasus: „Ik voor mij niemand eerder dan Christus volgende, beu aan uwe heiligheid, d. i. aan den Stoel van Petrus door gemeenschap verbonden. Ik weet, dat op dene Steenrots de Kerk gebouwd is. Wie buiten dit huis het lam eet, is een oningewijde {-profanus est). Zoo iemand niet blijtt in de arke van Noë, hij zal in den zondvloed vergaan .... Ik ken geen Vitalis, verwerp Meletius, ik weet van geen Paulinus. Wie niet met U is, verstrooit quot; Hieronymus was destijds priester te Antiochie en Paulinus patriarch van Antiochie en toch belijdt Hieronymus een onderdaan van den bisschop van Rome te zijn en verklaart liever den bisschop van Rome aan te hangen dan Paulinus of wien ook, en leert, dat allen met den Eoomschen Stoel moeten overeenstemmen, willen zij niet verloren gaan.

Heeft Hieronymus zich zeker vergist 1'

„Het heil van de Kerkquot;, zegt hij, „ligt in de waar-

ocr page 467

129

diglieid van den opperpriester; indien aan deze geene buitengewone en boven allen uitstekende niaelit verleend wordt, zullen er in de Kerk zoovele schenringen ontstaan als er priesters zijn.quot; [Dialog, adv. luciferian. n0. 9.)

De Protestant von Cölln (E. u. Gr.) zegt: „Mit diesem Eifer in den Studiën (om tegen Joden en Heidenen de waarheid van 't Cliristendom te verdedigen) und einer so vielfaelien und glücklieben literarisclien Tliatigkeit verband er so inbrünstige Andachtsiibungen und so strenge niöucliisclie Kasteiungen, dass ilira neben dem Rnfe der umfassendsten theologisclien Gelehrsamkeit und der tiefsten SrJirifikunde audi die Verelirung zu theil wurde, welclie der aussern Demuth uud Heiligkeit /nzufallen pflegte.quot;

Heeft deze Hierouymus, die „tot veel nut voor de Kerk is geweestquot;, zicli «efcer vergist?

Dezelfde geleerde man raadpleegde Paus Damasus omtrent een geloofsvraag en sprak lieni aldus toe: „Tk stem met uwe heiligheid, dat is: „met den Stoel van Petrus in.quot; (Edit. Bened. t IV col. 19.)

Voor Hieronjmus was het yeloof van den Felrus-stoel hetzelfde als het geloof, dat Paus Damasus verkondigde.

Hij zegt niet: Ek stem met het geloof van den Stoel van Petrus, maar niet met het geloof van Damasus in. tenzij onder voorwaarde, dat de geheele Kerk instemt of onder voorwaarde dat het geloof van Paus Damasns hetzelfde is als dat wat alle bisschoppen houden, neen hij zegt: wat gij in geloofszaken leert neem ik aan.

„En ik zeg u: waarom zegt Christus: en ik zeg n? omdat gij (Petrus) mij gezegd hebt: Gij zijt de Christus, de zoon van den levenden God, zeg ik u; niet in ijdel gestamel, dat geen daad heeft, maar ik zeg u: omdat mijn woord is daad: Gij zijl Petrus en op deze, sleenrotx

ocr page 468

130

zal ik mijne Kerk houwen. Zooals Christus zelf liet licht aan de Apostelen gegeven heeft, opdat zij het licht dei-wereld zouden worden genoemd, zoo heeft hij ook aan Simon, die geloofde in de rots Christus, den naam van Petrus gegeven. En naar het beeld der rots wordt hem tereclit gezegd: ik zal mijn Kerk bouwen op u.quot; (Dr. Schaepman Bolland en Petrus 1 Dr. blz. 23.)

Welk antwoord wordt nu op al deze getuigenissen door Protestanten gegeven?

Ds. A. V. zal zeggen: Die mannen hebben zich vergist.

Prof. Langen heeft een ander antwoord gevonden. Het luidt: die kerkvaders enz. wilden den Paus vleien.

Prof. Dr. Einig heeft daarop bescheid gegeven in zijn brochure Einig contra Beischlag, welke brochure volgens het oordeel van Protestanten zeiven een nederlaag voor den laatste is geweest. „Vleien? Waar blijft dan nog de mogelijkheid voor het bestaan van een geschiedenis en exegese, wanneer men zelfs zonder een zweem van bewijs eerlijke lieden zoo maar klakkeloos van vleierij beschuldigen mag? En wie moet dan gevleid hebben? Bisschop Possessor, een Afrikaan? Sergius van Cyprus? Alle oostersche bisschoppen onder keizer Anastasius te Konstantinopel vereenigd? Keizer Justinianus, die zelf zoo graag een soort Paus was geweest? Hieronymus? Uieronymus zou gevleid hebben?. ... Wee den professor van Bonn, als Hieronymus nog leefde! Ja, wee over ons beiden, professor, dat wij zelfs de mogelijkheid van zulk een vleierij bespreken!quot; (blz. 26) !) Vleien ? herhalen

Db. Marcin Rade maakt zich vau 'C getuigenis des H. Hieronymus nog dolzinniger af. In zijn hatelijk boekje Lumastts, Bischof van Rom Freiburg i B. 1882 Mohr blz. 94, zegt hij, dat Hieronymus „zich tot Damasus wendde met het verzoek hem, te ontheffen van de moeite eens eigen oordecis.quot; Toon ik dat las, kwamen

ocr page 469

131

wij. Primasius, eeu Afrikaan, Eutycliius van Konstanti-nopel, Caesarius van Ar les, de metropolitaan van Larissa, Joannes van Nicopolis, 2500 bisschoppen, drie patriarchen van Konstantinopel, monniken van Syrië, Patricins, de missionarissen, G00 bisschoppen te Chalcedon, Dracontius een Afrikaan, Theodoretns van Gyrus, Eucherius van Lyon, Cyrillus van Alexand/rië, Ninian van Schotland, Angnsti-nns van Hippo enz. enz. zonden den bisschop van Rome gevleid hebben ? De veronderstelling is zoo dom als brutaal. Neen, dan hond ik het liever met Ds. A. V.: die mannen hebben zich vergist ? Maar dan vraag ik hem toch dringend: Is dat zeker? en: Hoe bewijst gij dat ?

De H. Zosimns, Pans (417—41S), wiens goedhartig-lieid door Hieronymus geroemd wordt, veroordeelde ( 'oei cstins en Pelagius en schreef in 418 een rondgaan-den brief (Epislula traclatoria) waarin hij de leer der Kerk aangaande de betwiste punten nauwkeurig uiteenzette en die aan alle kerken der aarde verzonden werd. Hij trad dus op als Paus. Heeft hij zich zeker vergist? Slechts 18 italiaansche bisschoppen weigerden den brief te onderteekenen, onder wie Juliaan van Bclanum, die nu het hoofd der Pelagianen werd. (Vele keerden echter tot de Kerk terug.)

Hadden die 18 bisschoppen gelijk?

mij wcor do doodslaande woorden van Ds. A. V. voor den geest: „Hoezeer lokt ook uwo Kerk gevoelige naturen aan door glans en eenheid, en evenzoo zwakkere geesten, omdat zij deze ontslaat van do verplichting zelf te denken, omdat zij (do Kerk) zegt: alleen voor hen te hunnen en te moeten denkenquot; {De Paws ï blz. 108.)

ocr page 470

182

De H. Inuocentius I, (-tOlJ—417) Paiis, „behoort zonder eenigen twijfelquot;, schrijft de Protestant Th. Pressel (Dr. Herzog), „tot de uitstekendste personen, die in de eerste eeuwen op den bissehoppelijken zetel te Rome gezeten hebben.quot; „öroote hoedanighedenquot;, zegt de Protestant J. T. L. Danz, „kan men dezen Paus niet ontkennen; hij wist wijsheid en vastheid zoo innig met elkaar te vereenigen, dat hij steeds zijn doel bereikte;.. . . zijne besluiten zijn geheel rechtsgeldig geworden en dooide Katholieken als doorslaande bewijzen aangehaald voor de macht en iurisdictie des Roomschen Stoels in vroegere tijdeu.quot; (E. u. G.) !)

Terstond na zijne verheffing droeg hij den bisschop Anysius van Thessalonica het toezicht op over do oost-illyrische kerken; na diens dood benoemde hij Rutus, opvolger van Anysius, tot hetzelfde ambt en wees er met nadruk op, dat deze Rufus zijne macht enkel aan den Roomschen Stoel als zijnde diens plaatsbekleeder en gezant te danken had.

Innocentius handelde derhalve als primaat.

Aan Exuperius, bisschop van Toulouse, die hem in li05 over vele punten, de kerkelijke tucht betreffende, om een beslissing gevraagd had, zond hij een besluit, waarin hij onder anderen het verbod van 't huwelijk van priesters vernieuwde. (Migne P. L. 20, 495; Jaffé-Kaltenbrunner Reyesta n0. 298.)

Innocentius handelde derhalve als primaat en Exuperius erkende hem als zoodanig. Hebben zij zich zeker vei'gist ?

Aan de bisschoppen van Macedonië, die in 414 over zekere, naar het schijnt, reeds vroeger voorgestelde en

Do Katholiokon hobbon cchtor nop; andoro dogolijko bowijzcn.

ocr page 471

133

besliste pimteu omtrent de kerkelijke tucht vragen tot hem gericht hadden, deed hij de stelling eens opperrechters met nadruk gelden, terwijl hij reeds in den aanvang van zijn schrijven zijne verwondering te kennen gaf, dat zij gewaagd hadden, datgene in twijfel te trekken, wat eens door den Roomschen Stoel heslist was.

Ziedaar het primaatschap van den bisschop van Rome. Heeft Innocentins zich zeker vergist?

In t jaar 404 verlangde Victriczus van Rouaan van den Paus een leerregel en een vermaningsbrief, die den bisschoppen van Gallië tot richtsnoer zou dienen. (Migne 20, 4(38; Jafte-Kalteubrmmer u0. 188.)

Hij bekrachtigde de besluiten der synoden, (waarop Pelagius en Coelestius veroordeeld waren) en sloot „uit kracht van zijn apostolische volmachtquot; Pelagius en Coelestius met hun aanhang uit de gemeenschap der Kerk.

Hij berispte Joannes, aartsbisschop van Jeruzalem in een brief aan dezen gericht.

In zijn derde antwoord aan de afrikaansche bisschoppen (van t concilie van Carthago) roemt Innocentins I de Afrikanen wegens hunne hoogachting voor den Roomschen Stoel als volgt: „De voorbeelden volgend van de aloude overlevering en gedachtig aau de leer der Kerk, hebt g-ij nu door mij te raadplegen op niet minder waarachtige wijze de kracht van uw geloof versterkt, dau toen gij vroeger uw gevoelen daarover uitspraakt; gij toch hebt erkend, dat men zich op ons oordeel beroepen moet, wijl gij wist, wat men verschuldigd is aan den Ajjostolischen Stoel, (wij allen immers op deze plaats gesteld, wenscheu den Apostel zeiven te volgen, uit wien zoowel het bisschopsambt zelf als het geheele gezag van dien naam is voortgesproten). Hem volgend hebben wij geleerd zoowel het kwade te veroordeelen de Paus III. 9

ocr page 472

134

als Let prijzenswaardige g'oecl te keuren. Bovenal ecliter zijt gij van meening, dat de instellingen der vaderen, die gij door uw priester] ijke bediening bewaart, niet ondermijnd moeten worden, want zij hebben niet volgens men-schelijke maar volgens goddelijJce fneening heslist, dat een zaak, al gold zij ook afgelegene en ver verwijderde provincies, niet eerder te eindigen was, dan nadat zij ter kennis van dezen Stoel was gekomen, opdat elke rechtvaardige uitspraak door bet volkomen gezag van dezen Stoel bevestigd zou worden; en evenals alle wateren aan hun geboortebron ontvloeien en door de verschil lende streken der geheele wereld als zuivere beken van een onbedorven oorsprong voortstro omen, zouden ook de overige kerken aan dat gezag ontleenon, wat zij moesten bevelen, wie zij moesten reinigen, en welke menschen, als met onafwischbaar slijk bezoedeld door het water, dal zuivere lichamen waardig is, niet mochten besproeid worden.quot; (bij Constant, Epistolae liomanorum Pontificum, col. 888, edit. Parisiis 1721). Dit is derhalve de leer van den BT. Innocentius: ook al geldt het afgelegene en ver verwijderde provincies, het oordeel der bisschoppen kan niet beslissend zijn, indien het niet door het gezag van den Ajpostolischen Stoel bevestigd wordt. En dit is aloude overlevering en de leer der Kerk. En dit is men aan den Apostolischen Stoel verschuldigd. Rn dit hebben do vaders vastgesteld, niet volgens men-schelijke meening of als een beschikking van het kerkelijk recht alleen, maar volgens goddelijke meening, dat is als vastgesteld door Christus onzen Heer zelf. En aan de m u-deel en zoo door den Romeinschen Stoel bekrachtigd ontleenen de overige kerken wat zij moeten bevolen, wie zij in boetvaardigheid en in de gemeenschap opnemen en wie zij als onwaardigen van de gemeenschap moeten

ocr page 473

135

uitsluiten. Ru dit g'ezag van don Romeinsclien Stoel is de gehoortehron eu de zuivere oorsprong van alle wateren der leer, die onbedorven door de verschillende streken der geheele wereld voortstroomen. Voorzeker wie zulk een leer omtrent den Romein,sclien Stoel verkondigt, schrijft hem het oppergezag in de rechtspraak toe.

Bij een andere gelegenheid zegt hij: „Wie wist niet, dat de overlevering, die de Apostel Petrus aan de Kerk van Rome heeft nagelaten en die daar tot op dit oogenblik bewaard wordt, overal gevolgd moet worden . Het is immers bekend, dat in geheel Italië, Gallië, Spanje, Afrika, Sicilië enz. niemand kerken heeft gesticht buiten die, welke Petrus of zijne opvolgers als bisschoppen gesticht hebben.quot; (Ad Decentium episc. Euguhinum Migne 20, 551; Jaffé-Kaltenbrunner n0. 188. Freppel: Tertullien blz. 28. Constant 895, 898, 899, 904, 908, 910, 792, 817, 830, 749, 1308, 1309).

Innocentius I schreef in 't jaar 416: .... Den Apostel zeiven, van wien het ware episcopaat en geheel het gezag van diens titel voortspruit. Hij bevestigt 1. dat vragen, die op 't geloof betrekking hebben altijd aan 't oordeel van den H. Stoel zijn onderworpen; 2. dat deze overlevering steunt op de H. Schrift, d. w. z. op de voorrechten door onzen Zaligmaker aan den H. Petrus geschonken; 3. dat besluiten van den H. Stoel niet onderhevig is aan eenige dwaling „de zuivere stroom van de bron stroomt onbedorven voort door de verschillende streken der geheele wereldquot;; 4. dat alle kerken der aarde gehouden zijn met dien Stoel overeen te stemmen, „alle kerken moeten van daar afleiden, wat zij besluitenquot; enz. (Constant Ep. Rom. Pont. 868.)

In een schrijven aan Alexander, aartsbisschop van Antiochië, schreef hij de gewichtige zinsnede, dat alle

ocr page 474

136

voorrecliten der bisschopszetels uiet lum oorsprong-hebben iu deu hoogeren of lageren rang van een of andere stad, maar in de waardigheid des zeiels, waarop de ff. Petrus een tijdlang gezeteld heeft.

De Protestant Bower zegt: „De waardigheid van den Apostolischen Stoel was de hoofdinhoud (?) zijner brieven. Hij beproefde, het primaatschap over alle andere bis-schoppelijke zetels te handhaven, en wij kunnen wel zeggen, dat de Stoel te Rome de verhevenheid, die hij later bereikte aan dezen Innocentius vóór alle andere zijner voorgangers te danken heeft. Hij maakte het ontwerp voor eene geestelijke monarchie, die eindelijk met onvermoeiden arbeid en ondanks alle bijna onoverkomelijke bezwaren tot stand kwam.quot; [Kirchenlexicon 2 Anti.)

Wij zullen zien, dat ze lang vóór Innocentius bestond.

Op een synode te Carthago 416 bekrachtigden 68 afrikaansclie bisschoppen het vroegere vonnis tegen Coelestius en zonden daarvan bericht aan Paus Innocentius. Spoedig daarna (416) hielden ongeveer 60 numidische bisschoppen een synode te Mileve en schreven den Paus een synodalen brief, waarin o. a. de volgende regelen voorkomen: „Wij zijn van meening, dat door de barmhartigheid van den Heer onzen God, die zich gewaardigt u te besturen, waar gij hem raadpleegt, eu uwe smeekingen te verhoeren, zij, die zoo slechte en verderfelijke gevoelens koesteren, gemakkelijker zullen toegeven aan het gezag van uwe heiligheid, dat in het gezag der H. Schriften zijn oorsprong vindtquot; (bij Constant Fijjistolae Romanorum Pontificum col. 875). Derhalve leggen de Vaders van Mileve hun vonnis van veroordeeling tegen Pelagius en Coelestius den bisschop van Rome

ocr page 475

137

voor en vragen liem liet te bekrachtigen, omdat zij overtuigd zijn, dat die ketters gemakkelijker zullen toegeven aan liet gezag van den H. Stoel. Waarom anders zijn zij daarvan overtuigd, dan omdat liet gezag van Rome's bisschop door allen erkend wordt als verheven boven dat van eiken anderen bisschop, ja zelfs boven het gezag der concilies!* En let wel, zij zeggen, dat dit hoogere gezag van den Romeinschen bisschop uit het goddelijk recht voortvloeit, zooals deze woorden bewijzen: „dat in het gezag der H. Schriften zijn oorxprony vindt.quot; Waarom zouden Pelagms en Coelestius aan het gezag van Rome's bisschop gemakkelijker gehoorzaamd hebben dan aan het gezag van twee concilies, indien niet de Roomsche Paus een hooger gezag had ontvangen, en dit bij allen boven eiken twijfel verheven was (Bouix: De Papa.)

Heeft Let concilie zich zeker vergist?

,,De Nestorianen, aldus genoemd naar Nestorius, een patriarch van Konstautinopel, scheiddenquot;, zegt de protes-tautsche schrijfster van de Gesch. der Christel. Kerk, „de goddelijke en menschelijke naturen in Christus en hunne tegenhangers, de Eutychianen, volgers van Euty-ches, een monnik te Konstautinopel, vermengden Christus' goddelijke en menschelijke natuur, alsof Hij slechts ééne natuur had.quot; Zoowel Nestorius als Cyril lus, die voorde katholieke leer streed, wendden zich tot Paus Coelestinus T (422—432); hadden zij dat niet moeten doen? Hebben zij zich zeker vergist?

Naast Flavian us, den rechtzinnigen bisschop van Konstautinopel, brachten Eutyches en dieus beschermer, keizer Theodosius 11 (408—450), het geloofsverschil voor den H. Stoel. (Prof. De Groot blz. 103.) Vergisten zij zich ?

ocr page 476

138

Nestorms eu Eutyelies werden veroordeeld, maar volhardden in hunne dwaling. Waarom!' Wie het menschelijk hart kent en weet wat hoogmoed des geestes is, vindt het antwoord. „Verachting van een pauselijke beslissing, ongehoorzaamheid tegen het door God gestelde gezag is daarom nog niet een formeele loochening van dat gezagquot;, zegt Jos. Blötzer S. J. zeer juist.

Vele bisschoppen en geestelijken, die door Nestorius volgens een synodale uitspraak veroordeeld waren, kwamen omstreeks het jaar 427 in hooger beroep bij Paus Coelestinus I.

Hebben zij zich zeker vergist?

Aurelius Prudentius (f 410) geboren in Spanje.

De Protestant Dr. Herzog schrijft van hem: „lm 52 Lebensjahr verliess er den öffentlichen Dienst und entsagte allen irdischen Beschaftigungen um den Best seiner Tage trommen Übungen und der Verherrlichung Christi zu vvidmeu. Tiefe der Bmptindung, feurige Begeisterung, hoher dichterischer Schwung, H lessende Sprache und vortrefiiclier Versbau weisen ihm unter den christlichen Dichtern eine der ersten Stellen an.quot;

Deze dichter zingt: „Sluit u weder aan bij de katholieke volkeren. Het eene geloof heersche, dat in den alouden tempel bewaard is, het geloof, dat Paulas belijdt, dat de leerstoel van Petrus verkondigt.quot; (Migne P. Lat. t 59 nquot;. 170.)

„Simon, die Petrus genoemd wordt, Gods opperste learlintj

Petrus en Paulus bezingt hij aldus: „De eene (Paulus) is de leeraar der heidenen ; de andere (Petrus) lgt;ezit den oppersten leerstoel en ontsluit de hem toevertrouwde poorten der eeuwigheid.quot; (1. e. n0. 112.)

ocr page 477

139

P. Augustin Rosier C. SS. R. heeft een werk geschreven, dat van grondige studie getuigt, zegt G uido M. Dreves S. J. Het heet Der Icatholische Dichter Aurelius Prudentius Clemens Freiburg Herder 188(5. (Zeitschrift ƒ. kath. Theologie Jg. 12, 1888 S. 342—346.)

De H. As te rius, bisschop vau Aniasea in Pontns, een tijdgenoot van Hieronynius en Chrysostomus, en een redenaar, wiens preeken hoog geroemd en op het 7''1' Algem. Concilie werden aangehaald, zegt: „De Heer heeft om zoo te spreken in zijn plaats den getrouwsten leerling (Petrus) tot vader en herder en leer aar gegeven aan hen, die tot het geloof zouden komen.quot;

Hij zegt verder: „Srsfié?lt;.csv r'yj Flirts;/ tï,c iy.y./.r-

timquot; {Hom. 8 in SS. Peirum et Paulum Migne P. Gr. 40, 2Ü7, 280, 281).

De H. J o a n nes C h r s o s t o m u s, bisschop van Koustantinopel (347 f 407), aan wien, volgens de pro-testantsche schrijfster van de Gesch. der Christ. Kerk „door den bisschop het godsdienstig onderwijs en de prediking des Evangelies werd toevertrouwdquot; en omtrent wien „het bleek, welke rijke gaven Grod hem tot de bedi ening des Woords had geschonkenquot;, en wiens welsprekend woord „de vrucht was zijner innige overtuigingquot; en die volgens Ds. A. J. Th. Jonker beroemd is „door zijne innige vroomheid, zijn christelijken heldenmoed en zijne buitengewone welsprekendheidquot; (blz. KJ), schrijft: „Petrus heeft die verloochening zoo afgeboet, wijl hij ook als de eerste der Apostelen was gesteld en wijl aan hem de geheele aarde was toevertrouwd.quot; (Advers. Judaeos 8 Migne 48, 931.)

„Petrus, de groote, luisterrijker dan de hemel (i piyy.c.

ocr page 478

140

i tc'j obpxvoh XyuTrpirzpzS).... Dit is een eervol voorreclit onzer stad (Antiocliië), dat zij den vorst der Apostelen van den beginne tot leeraar heeft ontvangen. Want liet was billijk, dat zij, die vóór de gelieele wereld met den naam van Christenen versierd was, den vorst der Apostelen tot herder ontving. Maar ofschoon wij hem tot leeraar hadden gekregen, hebben wij hem niet voor immer behouden, maar afgestaan aan de koninklijke stad Rome. Maar toch hebben wij hem voor altijd behouden, want wel bezitten wij niet het lichaam van Petrus, maar wij hebben het geloof van Petrus als den Petrus. Welnu daar wij het geloof van Petrus hebben, bezitten wij ook Petrus zeiven.quot; [In inscript. actorum II Migne P. Gr. 51 col. 86.) „Petrus, de grondslag der Kerk (/7 Y*p-/pv\c tt.q 'KwA'/jo-ijk), de vurige vriend van Christus .... Petrus, die de wereld gevischt heeftquot; {In illud, vidi Dominum. Hom. 4).

„De A2Dostelen toch zien niet op het hunne, maar op 't heil van anderen en allen gezamenlijk en ieder afzonderlijk. Petrus derhalve, de leider van dat koor, de mond aller Apostelen, het hoofd van die broederschap (familie = tpxTpixc) het opperhoofd van de gelieele aarde (i 'y.Trrj.Tr^ 7rp:(TT:/.Tr,c), de grondslag der

Kerk, de vurige vriend van Christusquot;. . . . {in illud, hoe scitote quod etc. Migne 56, 275).

„Petrus de grondslag des geloqfs, Paulus het vat van uitverkiezing.... Overal geven de Apostelen aan Petrus den voorrangquot; {In Matth. Hom. 1 Migne 58, 506). „Hoor, hoe zelfs Joannes.... altijd aan Petrus den voorrang geeftquot; {In Matth,. Hum. 65 Migne 58, 622).... „Petrus zeide: Ga van mij, want ik ben een zondig menseh; daarom is hij tot grondslag der Kerk gesteldquot; {In Matth. Hom. 3 Migne 57, 38, 39).... „Hij zeide tot hem: weid, mijne

ocr page 479

141

schapen, waarom spreekt Hij hem toe en niet de anderen l1 Petrus was de uitgelezene, de uitverkorene [quot;cy,y,p'.TCc) onder de Apostelen, de mond der Apostelen, en liet h o o fd dier vergadering: daarom kwam Paulus om liem boven de anderen te bezoekenquot; {In Joannem Homil. 88 Migne 59, 478). „Vraagt iemand: Waarom Leeft Jacobus den zetel van Jeruzalem gekregen? dan zal ik antwoorden: Petrus is door Christus niet tot leeraar van dien zetel aangesteld, maar van de gelieele wereld.quot; {Tn Joan. Hom. 88 Migne 59, 480.) „Petrus, de aanvoerder der Apostelenquot; [Tn Petrum et P avium 8er mo). „Wat tocli is grooter dan Petrus?quot; {Inter opera 8. Ghrys. Migne 59, 491.) „U zal ik de sleutelen des hemelrijks geven. Waarom gaf Hij die niet aan Joannes, die een zeker bewijs van liefde had door aan de borst des Heeren te rusten? Waarom niet aan Jacobus, wiens hoofd het eerst gevallen is!'.... Wilt gij weten, hoezeer Hij Joannes beminde? Op 't kruis zegt Hij tot de Moeder: ziedaar mv zoon. Verlangt gij nog grootere liefde? Ziedaar uw zoon.... Waarom gaf Hij de sleutelen des rijks niet aan hem, dien Hij boven alles beminde ? .... Hij geeft de sleutelen niet aan Jacobus, niet aan Joannes, niet aan eenig ander der Apostelen, die zonder zonde waren?quot; (Inter opera 8. Chrysost. Migne 59, 7(36.)

Dezelfde H. Chrysostomus schrijft {In act. Apost. Hom. o n0. 1 en 3): „Petrus is de vurige Apostel, aan wien de bewaking der kudde door Jezus Christus is toevertrouwd en die de vorst is van het koor der Apostelen. Het is met goed recht, dat hij in deze zaakquot; (namelijk de verkiezing van den 12™ Apostel in de plaats van Judas) „het voornaamste gezag bekleedt, omdat de zorg over allen aan hem is toevertrouwd. Inderdaad het is aan hem dat Jezus Christus gezegd beeft: wanneer gij bekeerd

ocr page 480

142

zult zij]), 'mo versterk uwe broeders.quot; (ZVt act. Apost. Hom. 3 n0. 1 en 3 Migne t 60 c 37. Zie ook Dr. Scliaepmaii Holland en Petrus 1 D. blz. 21—22.)

Met aller toestemming werd Matthias tot de elf' Apostelen gekozen om de plaats in te nemen van Judas, en mi vraagt Cluysostomus: „Wat nii? Mocht Petrus zelf hein niet kiezen? Zeer zeker mocht hij het, maar om niet den schijn te hebben (iemand) te begunstigen, doet hij het niet. (nai ttxvj ys- -//./.''vx tur, Si£y; r;vri

7r:i£!.) Overigens hij had den H. Geest nog niet ontvangen.quot; (In acta Apostol. Hom. 3; Migne t GO, 3G.)

„Ik hen van Paulus, en ik van Apollos en ik van Kef a; niet omdat Paulus zich boven Petrus stelt, noemt hij dezen het laatst; integendeel Petrus ver boven zich stellende, sprak hij bij wijze van omschrijving'1' [In epist. 1 ad Cor. Hom. 3; Migne t (51, 24.)

Heeft Cluysostomus zich zeker vergist?

Hij noemt Petrus „het hoofd van 't apostolisch gezin, den overste van geheel den aardbol, den grondslag der Kerk.quot; (In illud: hoe scitote 4.)

Heeft hij zich zeker vergist!'

Theophilus, patriarch van Alexandrië door den Protestant Gibbon beschreven als „de bestendige vijand van den vrede en der deugd, een onbeschaamd, laaghartig mensch, wiens handen beurtelings met goud en met bloed besmeurd warenquot; (The history of the decline and fall of the Roman Empire Vol. Ill London 1854 p. 418), had in een concilie van vele bisschoppen Chrj-sostomus van zijn waardigheid ontzet. Chrysostomus richtte zich nu tot Paiis Innocentius 1 (402—417) en vroeg dezen om dat vonnis van Theophilus door zijn gezag nietig te verklaren, „dochquot;, zoo schreef hij, „zooals ik vroeger gezegd heb, moet datgene wat misdaan is, niet

ocr page 481

143

alleen betreurd, maar ook verbeterd worden, en daarom bid ik uwe liefde op te wekken tot deernis, eu alles te doen vxmrdoor dat kwade ophoudequot; (Labbe: Concil. tl! col. 1296; edit. Parisiis 1(571). „Wend uw ijver en gToote waakzaamheid aan, opdat die booslieid, welke in de Kerk insluipt, gefnuikt worde.quot; (col. 1300.) „Ik bid u, te schrijven, dat hetgeen misdadig geschied is, geen kracht heeft-,.... dat zij echter, die misdadig gehandeld hebben, de kerkelijke straffen ondergaanquot; (aldaar).

Ziet gij, hoe duidelijk Chrysostomus erkent, dat de bisschop van Rome de macht heeft het oordeel, het vonnis van de andere kerkvorsten, zelfs van Patriarchen te laken en te vernietigen? Innocentius voldeed aan het verzoek van Chrysostomus. Hij sloeg Theophilus, keizer Arcadius, Eudoxia eu den bisschop, die Chrysostomus vervangen had, niet den ban. Later ontsloeg hij Arcadius eu Eudoxia weder van die straf. (Labbe: Concil. t II col. 1308 en 1309.)

De H. E p i p h a n i u s, bisschop van Salamis (geb. omstreeks 315, gest. 403), schrijft in zijn Haeresis GS: „Ursacius en Valens zijn berouwhebbend met de gedenkstukken naar Z. H. Julius, den bisschop van Home, vertrokken om rekenschap te geven van hun dwaling en ■misslag.'quot;

„Urcacius en Valens waren zeker bisschoppenquot;, zegt Kard. Bellarminus, „welnu waarom gingen zij dan vergeving vragen aan den bisschop van Rome, indien die bisschop niet de rechter en het hoofd der bisschoppen is?quot;

Wij kunnen de getuigenissen van vromen en geleerden uit de zesde en vijfde eeuw aanmerkelijk vermeerderen, maar wij schrijven geen foliant.

ocr page 482

144

Men leest bij Lntlier: „In onze dagen kwellen ons de Papisten zeer met te wijzen naar liet voorbeeld van den vroegeren tijd, toen alles in duisternis lag (?). Uwe leer, zeggen zij, is nieuw en onze voorvaderen hebben niets daarvan geweten; is uwe leer de ware, dan moesten al onze voorvaderen verdoemd zijn. Dezen (d. i. zij, die zoo spreken) zien achter zich om (zooals de vrouw van Loth) en verachten en verwaarloozen daardoor het woord, dat nu in zwang Teomf; want wat gaat het ons aan, welk het oordeel Gods is over hen, die vóór langen tijd uit dit leven gescheiden zijn; ons wordt nu Grods woord gepredikt, dat wij zonder eenige bedenking en redetwist hooren en aannemen moeten; men mag ons niet het hoofd breken met telkens te vragen, waarom God juist nu in dezen tijd de zuivere leer aan den day heeft gebracht en vóór dezen tijd nietquot; (Walch. Auslt;/.. I, 1926.)

Waarom niet? De vraag is gewettigd en dringt zich op aan elk denkend hoofd.

,,De ellendige Papisten plagen ons thans met dit eenige bewijs i); zij zeggen: Denkt gij, dat alle Vaders gedwaald hebben? En het is waar, het valt zwaar het te zeggen, vooral van hen, die de beste geweest zijn nis Alignstii!us, Ambrosius, Bernardus en de andere geheele menigte van de „allerfeinstenquot; mannen, die de Kerk met liet woord bestuurd hebben en met den loffelijken naam der Kerk versierd zijn geweest, wier arbeid wij billijk liefhebben en eerenquot;.. .. (Walch. Ausg. I, 753, Döllinger UI blz. 209.)

Zeer zeker valt het zwaar.

') Niot hot eenige, maar dat ééno zou toch voldoondo zijn om Luther schaakmat te zetten.

ocr page 483

145

T. W. Allies lieeft iii zijn voortreffelijk werkje St. Peter, his Name and his Office (with a Preface by Luke Rivington 1895) alle plaatsen uit de H. Schrift bijeengevoegd, die op de leer van Petrus' primaatscliap een meer of minder lielder liclit verspreiden. In Preface p. VI lezen wij: „Deze reeks van bewijzenquot; (nog afgezien van de bewijzen aan de gescliiedenis der christelijke Kerk ontleend) „is zoo overweldigend, dat de bewijsvoering in haar geheele volkomenheid opgezet mij, die in pro-tostantsche vooroordeelen ben opgegroeid, als een nieuwe openbaring scheen. Ik vroeg mij zeiven af: Is het dan mogelijk, dat zij die zich vooral ten taak stellen, hun geloof te gronden op het geschreven woord Gods, een leer verwerpen, die zich even duidelijk uit de H. Schrift bewijzen laat als de godheid van Christus?quot;

De Protestant W. Bornemanu zegt in zijn werk Die Thessalonicherhriefe (Göttinger 1894 S. 708): „Niet aan de Kerkvaders, maar aan de Hervorming danken wij het werkelijk verstaan der Schrift.quot;

Is dan het Evangelie eerst werkelijk begrepen na 1600 jaar bestaan te hebben? En wie zal dat bewijzen? Hoeft dus de Kerk al dien tijd in onwetendheid verkeerd omtrent de H. Schrift, die volgens Art. V. van de (protestantsche) Belijdenis des geloofs dienen moet „om ons geloof naar dezelve U regelen, daarop te gronden en daarmede te bevestigen \ terwijl nog wel „de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn, dewijl ze ook het bewijs van dien hij zichzelven hebben, gemerlct de blinden zeiven tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden?''''

Terecht schrijft de protestantsche godgeleerde Dr. Adolf Zalm [Uin Winter in Tubingen Stuttgart 1890 biz. 03): „De bijbelsche godgeleerde staat ten zeerste

ocr page 484

140

verslagen {aufs Tiefste er schatter l), wanneer hij de aangrijpende waarheid (?) overweegt, dat de geest en het woord Gods zich vela eeuwen lang hebben teruggetrokken, zoodat de beste Kerkvaders de grondivaarheden van 't Evangelie niet gekend hebben.quot;

Is dat nn zeker geen vergissing!'

§ «0.

Gregorius de Groote 590 604 en Ds. A. V.

.,(i'rooto bissclioppon, die God juist mi roep! lt;ngt; de)! Stoel ran Jiome, mannen zonals Leo de Groote en Gregorius ile Groote hebben liet bewind irevoerd in rnstelooze werkzaamheid. quot; (Pr. A. W. Bronsveld.)

..Neben dem Evangelium sibt es in alledcm, was sich Kirche nennt, nur eine Grossmacht — das ist der römische Papst.'quot;

Marnaek in 1888.)

„Met eigenaardige taaiheidquot;, zegt Hartman Grisar S. J., die als geschiedkundige grooten naam heeft, „hebben sinds de dagen der Hervorming en den bloeitijd van 't Gallicanisme tot op de dagen der Oud-Katholieken, de tegenstanders van het primaatschap zich vastgeklampt aan de meening als zou de beroemde Paus en Kerkleeraar Gregorius de Groote de geestelijke oppermacht over de Kerk beslist van zich hebben afgewezen.quot; Guettée, een apostaat, heeft in 1861 zelfs een boek geschreven met den titel: La papauté moderne condamnée [gt;ar Ie Pape 8. Grégoire le Grand (Paris 1861),

Ds. A. V. houdt die meening, hoe dikwerf ook wetenschappelijk wederlegd, met zulk een taaiheid vast, dat

ocr page 485

147

hij recht uieeut te hebben zich op Gregorius te beroepen om den Paus den Antichrist te noenjeii (blz. 101.) Hij heeft natuurlijk de studie van Grisar in Zeitschrift fUr Kath. Theologie reeds ten ja re 1879 uitgegeven, niet gelezen; anders zou hij als man van wetenschap niet over Gregorius geschreven hebben, wat hij nu geschreven heeft. Grisar toch is geheel objectief te werk gegaan en heeft uit de geschriften van Gregorius met de woorden zelve des heiligen leeraars de onhoudbaarheid van dominee's meening aangetoond. In die studie van Grisar, ongeveer 40 bladzijden, leeren wij, hoe Gregorius dacht over de eenheid der Kerk, de waardigheid en het ambt des H. Petrus, de voortduring van dat ambt bij de bisschoppen van Rome, de taak en de roeping van de pauselijke bediening, den plaatselijken omvang der pauselijke iurisdictie, het primaatschap en de patriarchen van het Oosten, de innerlijke volheid van macht des primaat schap s, de aanstelling van bisschoppen !) enz. enz. enz.

Wij kunnen dat alles hier niet bespreken; maar in de volgende bladzijden hoop ik toch Ds. A. V. tot de overtuiging te brengen, dat Gregorius de Groote een Paus is geweest in den echten zin van 't woord en het ook naar plicht en geweten ivilde zijn.

Men heeft gemeend, dat Paus Gregorius do Groote den titel „servus servarum, dienaar der dienaren Godsquot;,

!) Men lozo G. J. Th. Lau: Grcgor I d. Gr,, nach seinem Leien nnd seiner Lehre geschildert Loipzig, 1845. Fr. und P. Bohringer: Die Valer des Papsithums: Leo I und Greg or I Stuttgart 1879 (Viquot; Rirche Ghrisii und ihre Zeugen. Nquo Ausg.) El. Olausier: St Gn'goire le Grand etc. Ouvrago posthurao public par H. Odolin. Paris 1886, 1891. A. Snow: St. Gregory the Great: his work and his spirit London 1892.

ocr page 486

148

liet eerst gebruikt lieeft als protest tegenover Joannes IV, patriarch van Konstantinopel (582—595), die zich „oecumenische of algemeene bisschop, epincoyus universalis' noemde. Het is in den laatsten tijd gebleken een vergissing te zijn. De strijd tegen de aanmatiging van den patriarch begon in 't jaar 595, welnu Gregorius gebruikt den titel „servus servorv/mquot; reeds in 5S1 in een brief aan bisschop Leander. liet ligt dus voor de hand, dat Gregorius eenvoudig het voorbeeld van andere bisschoppen volgde, die zich uit nederigheid denzelfden titel gaven, zooals bij voorbeeld de H. Angustinus, zoo hoog door hem geacht.

P. Bwald, een der uitgevers van het Reyislrum Greg orii I jpctpae [Man. Germ. hist. Epist. 1) legt de beteekenis van dat „dienaar der dienaren Godsquot; op een andere wijze uit. In Neues Archiv. fiir Uitere deutsche Geschvihis-kunde III 545 vestigt hij de aandacht op het feit, dat Gregorius I niet eerst in 't jaar 591, maar reeds in een schenkingsoorkonde van 't jaar 587, toen hij nog diaken was, zich servus servorum Dei genoemd heeft. Wijl nu servus Dei de „typische naam eens monniksquot; was, zooals ancilla Dei voor een non, meent Ewald tot verklaring van den titel te moeten wijzen op de betrekkingen van Gregorius tot het monnikenwezen !). Wat hiervan zij, later werd de titel zoo uitsluitend eigen aan de Pausen, dat een bul, waarin deze uitdrukking ontbreekt, voor onecht gehouden werd. {Kircheulexicon 2 Aufi.)

Leo de Groote was reeds op 't Concilie te Chalcedon (451) algemeene aarIsbisschop genoemd. Ook Paus Hormisdas (in 518) en Paus Agapetus (586) waren door oostersche

!) Grisar heeft in ZeUschr. für kath. Theologie Jg. 4 1880 oenigo degelijke bladzijden goschrevon onder don titel Opl-iimemnrher Patriarch uiid Diener der Bi ener (Jot fes.

ocr page 487

149

bisschoppen betiteld: algemeeve patriarch. Greo'orius heeft het oppergezag geoefend. Dat is voldoende. „Alle Pausenquot;, zegt Constant {Bist. et infaill. des Pa pes 11 p. 82), „hebben in de Kerk dat oppergezag geoefend, hetwelk aan hunne waardigheid eigen is; maar, behielden zij steeds de zaak zelve met zorgvuldige werkzaamheid, den naam hebben zij, naar omstandigheden, nu eens gebezigd dan weder ongebruikt gelaten.quot; Nog eens: het komt op de zaak aan, niet op den naam of titel.

Ds. A. V. schijnt de uitdrukking dienaar der dienaren Gods op de lippen van een Paus niet te begrijpen. Innocentius VII (1198—1216) heeft ze voor ieder verstaanbaar gemaakt. Zie De Paus TI ^ 18 blz. 64—69.

Gregorius I de Groote, die volgens de protestantsche schrijfster van de Gesch. der Christel. Kerk „het voorbeeld gaf van een matig, ingetogen leven en van milddadigheid jegens de armen en red deed tot uitbreiding der Kerk' , (was dat de ware Kerk van Christus ?) en „wien in het eerst de benoeming' tot bisschop van Rome niet aangenaam was en die meer dan eens zijn wensch te kennen gaf, dat een ander in zijn plaats gekozen warequot;, maar „van het oogenblik af dat hij tot bisschop van Eonie werd verheven, het als zijne roeping beschouwde de rechten van Rome te handhavenquot;, (d. w. z. de rechten van 't pausdom) is een Paus geweest, die door allen wordt hooggeacht.

De Protestant H. Leo roemt in hem, dat hij „in elk opzicht beantwoordde aan de hooge eischen in zijn zwaren en voor den toestand der Roomsche Kerk zoo heilzamen tijd.... Aan zijne werkzaamheid dankt men de redding der romeinsche beschaving en aldus

de Paus III. 10

ocr page 488

150

der wereld.quot; [Geselt,, des Müfelailer* Halle 1830 S. 75.)

De protestantsclie gesehiedschrij ver Johaun vou Miiller noemt hem „einen waliren Biseliof, durcli Warme der AndacM, Salbung des Wortes und seelenvolleu Geist ansgezeiclinot.quot; (Allyem. Oesch, Stuttgart 1839 S. 216.)

De Protestant Baxmann zegt: „Gregor stelit in. der Eeilie seiner Vorgiinger und Naelifolger erhaben da . . .. Sein Regiment wiegt ein paar Jalirhunderte auf und er verdient innerlialb seines Gebietes den Beinamen, der ilm auszeiclinet, der Grosse.quot; {Die Politik der Papste von Gregor I his Gregor 17/ Elberfeld 1868 f. 1, 146.)

Luther zegt nog na zijn breuk met de E. Kath. Kerk: „Br ist ein heiliger Mann gewesen, ob ich ihn haltequot; {Luthers Werlce Wt. 5, 368).

De Protestant Lau getuigt in zijn Gregor I der Grosse nach seinem Leben und seiner Leiore geschildert Leipzig, Weigel 1S45); „De ongeveinsde nederigheid was een grondtrek van zijn karakter.quot;

De protestantsclie geschiedschrijver Gibbon (f 1794) prijst hem uitbundig in zijn History of the decline and fall of the Roman Empire.

Dr. J. H. Eeinkens zegt: „Een der beroemdste en werkelijk uitmuntendste Pausen van Rome was Gregorius de Groote.quot; (Toespraak gehouden te Würzburg 1873.)

Ds. A. W. Bronsveld schreef: „Groote bisschoppen die God juist nu roept op den Stoel van Rome, mannen zooals Leo de Groote (f 461) en Gregorius de Groote (f 004) hebben het bewind gevoerd in rustelooze werkzaamheid. Kerkvorsten en staatslieden tegelijk, hebben zij met vaste hand samenvattend wat het verleden aan krachten had geschonken, met scherpen blik doorziende wat op het oogenblik den invloed der Kerk kon vermeerderen, met een nog grooter toekomst voor oogen, den grond

ocr page 489

151

gelegd voor de wereld-lieevscbappij van liet pausdom als een van de maclitigste factoren voor de oplossing van de roeping, die de Kerk had te vervullen, ten aanzien van de germaanscl.e wereld.quot; {Stemmen voor Waarheid en Vrede 35^ .lg. Oct. 1898 bk. 911.)

In Ej). 5, 54 aan Vigilius, bisschop van Arles, schrijft Gregorius: „Wanneer zelfs in de hiërarchie der engelen, die toch zonder zonde zijn, een verscheidenheid van rang en stand bestaat, welke mensch zal dan weigeren de rechtmatige ordening Gods hierbeneden (in zijne Kerk) te erkennen Pquot;

„Wie weet nietquot;, schrijft hij aan den patriarch Bnlogins, „dat de heilige Kerk gevestigd is op de onwankelbaarheid (soliditas) van den vorst der Apostelen, die de vastheid des geestes ontvangen heeft met zijn naam, daar hij Petrus genoemd werd van de rots. De stem der waarheid sprak tot hem: tk zal u de sleutelen des hemtlrijks geven en : yij op uw heurt versterk eens in 'l geloof tiwe broeders, en: Simon, zoon van Jona, bemint gij mij ? Weid mijne lammerenquot; {Ep. 7, 40. Zie ook Bp. 8, 24).

„Op deze vastheid (van Petrus), zegt Hij (Christus) zal ik mijn eeuwig-en tempel bouwen en de verhevenheid mijner Kerk, ten hemel rijzend, zal gegrond zijn op de vastheid van diens geloof. Super banc (Petri), inquit (Christus), fortitudinem aeternum exstrnam tem-plum et ecclesiae meae coelo inferenda sublimitas in huius fidei firmitate consurget.quot; {Sermo 4.)

In Ep. 5, 20 zegt hij, dat door het woord des Heeren aan Petrus de zorg en het opperbestuur over de gelieele Kerk zijn toevertrouwd; „cura ei to tins ecclesiae et principatus committitur.quot;

„Hij noemt Petrus „den 'herder der Kerkquot; {Hom. 21 in

ocr page 490

152

Evany, nquot;. 4), „den eersten herderquot; {Reg. past, if 6, Ep. 11, 45); niemancl der Apostelen is lieui gelijk: pro ipso tamen principatu sola apostolorum principis secies in anctoritate convaluit {Ep. 7, 40).

„De Kerk werd hem toebetrouwd, wijl lieui in 't bijzonder g-ezeg'd is: Weid mijne schapen.quot; Ipsi sancta ecclesia est conmiissa; ipsi specialiter dicitur: Simon Joannis ai nas me? Pasee o\res meas. (Hom,. 24 in Evang. n0. 4.)

En die Petrus heeft opvolgers.

„In Eoine troont Petrus zelf in zijne opvolgers tot op den huidigen dagquot; zoo drukte de patriarch van Alexandrië in een brief aan Gregorius het geloof nit der geheele oostersche Kerk {Ep. 7, 40) en Gregorius noemt den Paus den „ \ icar i us van Petrusquot; en do bisschoppen, die van de ketterij bekeeren, zegt hij, zweren hem als zoodanig (als vicarius Petri) trouw (Promissio episc. enz. Migne t 77, 1348).

De Kerk van Rome noemt Lij „het hoofd aller kerken, omninm ecdesiarv.m caputquot; {Ep. 13, 45), „het hoofd des geloofs, caput fid eiquot; {Ep. 13, 37), door Gods schi liking staat zij boven alle kerken Deo auctore cunciis praelata ecclesiisquot; {Ep. 3, 30), aan hem, Gregorius, is de zorg voor elke herli afzonderlijk als een bindende last opgedragen, cunctarum ecclesiarum inimicta nos sollicitudinis cura constringii (Ep. 7, 19), universis ecclesiis cura a nobis impenditur {Ep. 5, 13) en hij bestuurt de Kerk, ad ecclesiae regimen addnctus sum {Ep. 5, 18).

Aan Childebert schrijft hij: „Gij moet onze besluiten in alles doen uitvoeren om God en den H. Petras, den vorst der Apostelen.quot; {Ep. 55).

Zoo sprak Gregorius, en hoe handelde hij!'

Te Salona in Dalmatië wist een geestelijke, Maximus genaamd, door omkooping den aartsbisschoppelijken

ocr page 491

153

zetel te verwerven. Gregorins had de wijding van den onwaardige in een rondgaanden brief aan de bissclioppen van elk diocees ten strengste verboden. Hij had bevolen, dat men volgens de oude kerkelijke voorschriften handelen moest. Toch gehoorzaamden de suffragaanbisschoppen niet. Maximns werd onder militaire geleide naar de domkerk gebracht en gewijd. De pauselijke gezant, de onderdiaken Antoninus had tot 't laatste oogenblik toe zich verzet; hij verloor bijna het leven. De kerkelijke provincie, den pauselijken ban verachtende, kwam tot een formeele scheuring. De staatsbeambten, vooral de prefect van Dalmatië, Marcellus verrijkten zich met de schatten van de Kerk aldaar. Wat doet mi Gregorius, die volgens Ds. A. V. geen Paus wilde zijn? ') Hij schrijft zijnen geheimschrijver aan 't hof te Ivonstantiiiopel: ,,lLoe ik mij verhoud, is u bekend; ik ben eerder bereid in den dood tn gaan dan toe te laten, dat het ge::'iy ran den H. Apostel Petrus afbreuk lijdt. Lang weet ik te dragen en te dulden. Heb ik echter besloten te handelen, dan bied ik bi ij moedig allen gevaren het hoofd.quot; {Epist. ■!■, 47.) Gregorius' standvastigheid in ver-eeuiging met zijn geduld zette door, dat Maximus in itavenna in 't jaar 599 besloot boete te doen. Deze

1) Ik wil hior even do aiiiidneht er op vestigen, hoe Ds. A. V. in botsiig komt rnef Da. J. H. üouncr, dio de Gcsdt. dar Christel. Kerk, om hiiro historische trouw aan prijst. Ik Ircs iu dat boekjo (2'|r druk blz. (52•; „Om to toonou, da hij niet door porsoonlijke eerzucht gedmven wlt; rd, uoerado Gregorius zich echter knecht der knechten Gods, maar oodertui-schoii g ng hij voort elk dj middel te gebruiken om bet gezng van Some uit te breidoti. Wat later (!) iu do lloomscho Kork werkeliikh' id is geworden: hot onderwerpen van do geheelo Kerk asm het gezag van den Puus, heeft roods in hot plan vau Gregorius gelogen en werd gedeeltelijk door hem ten uitvoer gebracht.quot; Hii wildo dus Paus zijn.

ocr page 492

154

wierp zicli op de openbare straat op den groad en herhaalde: „Ik heb gezondigd tegen God en tegen Paus Gregorius.quot; ') De Paus zond een verzoenend schrijven aan den bekeerling. {Epist. 9, 81.) De oude kerkelijke regeling had overwonnen.

Gregorius handelde als Paus; heeft hij zich zeker vergist ?

Toen hij tot Opperpriester verkozen werd, sprak de Kerk tot hem deze woorden van zijn eigen sacramenta-rium: „De Heer, die n tot den dienst van het hoos'e-priesterschap heeft uitgelezen, geve n het goud en edel-gesteente zijner genade.... Hij moge uw gezagquot;, uw steun en uw macht zijn, om c/e Kerk en het gezamenlijk geloovige volk te besturen.quot; (Migne P. L. 78, 224.) Gregorius had liever in afzondering, in gebed en heilige overwegingen zijn leven doorgebracht. „Ik had beslotenquot;, zegt hij, „mij in een geheim oord te verbergen; maar toen ik zag, dat het oordeel des Hemels tegen mij was, kon ik niet anders dan mijn hals buigen onder 't juk des Heeren.quot;

Hij volgde de stem van God, werd Opperpriester, Paus; heeft hij zich zeker vergist ?

Hij is een Paus, die zich in zijne brieven zoozeer verootmoedigt tegenover de wereldlijke vorsten, dat de tegenstanders van de pauselijke macht heele theorieën op eenige al te bescheidene spraakwendingen van Gregorius gebouwd hebben om het primaatschap te loochenen. Zij schijnen te vergeten, dat nederigheid met macht z jer goed kan samengaan. Zoo zeide Marculf, een heilige monnik, tot koning Childebert; „Verhef u niet, maar wees met uwe onderdanen als een hunner.quot;

'J Migne F. Lat. 77, 1343. Zie Reforrnatornnhtlder von Dr. Konstantin Germanus 18S3 blz. 29

ocr page 493

155

Hij is een kerkleeraar naast de vier groote kerkleeraars van 't Oosten, en tocli aan 't einde van zijn heerlijk met zalving' en mensclienkenuis gesclireven werk over Job bidt bij God den Heer en den lezer om vergeving, wijl bij zijn pen beeft misbruikt door aan eenige bekoringen van zelfbehagen onder bet schrijven te hebben toegegeven, al had hij telkens opnieuw tegen deze Gods eer roovende gedachten gestreden. Hij richt deze woorden tot het hof: „Zijn ook de zonden van Gregorius zoo groot, dat bij ongehoorzaamheid en tegenspraak lijden moet, zoo heeft toch de Apostel Petrus geene zonden op zich, dat hij zulks verdiende te lijdenquot; (/vp. 5, 21; ep. 5, 20), m. a. w. als gewoon mensch wil ik dat dulden, maar als opvolger van Petrus, als Paus niet. „Eenvoudig gekleedquot;, zegt de protestantsche prolessor te Tubingen, Dr. Julius von Püugk-Harttung, „dacht hij gering van zijn eigen il', des te hooger van zijne waardigheid.quot;

Een naam is maar een naam. Gregorius noemde zich, zooals nu nog de Pausen, „dienaar der dienaren Gods ', maar handelde als Paus !;. Als wij uit de geschiedenis weten, dat hij tegenover Maximus van Suloua, die bet gezag des Roomscben Steels verachtte, zeven jaar lang dat gezag handhaafde, totdat Maximus' tegenstand gebroken was. — wanneer wij lezen, dat hij bet pallium reikte aan den aartsbisschop Vigilius van Arles en zeer vele andere bisschoppen buiten Home, en Severus, den bisschop van Marseille en andere prelaten berispte, zoodra het noodig bleek, en de zendelingen in Engeland practische raadgevingen en bevelen nazond dan denkt

M Hij haTidhaafdo dio waardigheid met liefde, maar toveca mot kracht on klem in woord en daad.

ocr page 494

156

ieder gezemel hoofd aan daden van een Paus met of zonder den titel.

Wanneer hij aan Joannes, den bisschop van Palermo durft schrijven: „Dit drukken wij u op 't hart, dat niemand zoo aanmatigend mag zijn in den eerbied voor den Roomschen Stoel te kort te schieten. Want de staat der leden blijft dan ongeschonden in stand, als het hoofd des ge loot's {caput fidei = de Eoomsche Stoel) geen aanstoot lijdtquot; {Lib. 13 Epist. 37), — wanneer dezelfde Gregorius een zekeren priester Athanasius herinnert, dat de Koomsche Stoel het recht heeft het lezen van kettersche boeken ook aan de geloovig'en van het Oosten te verbieden {Lib. 6 Epist. 66) dan hebben wij meer dan een eerevoorzitter of iets dergelijks, maar een Paus in den echten zin. Kortom als wij weten, hoe hij met volmacht optreedt en iurisdictie oefent te Milaan, Sardinië, Spanje, Gallië, Engeland, Afrika, in het grieksch Illjricum, iu de oostersche Kerk dan zien wij in Gregorius een Paus. (Grisar 1. c. 673—684.)

En lezen wij iu zijn brief aan Joannes, den bisschop van Syracuse deze woorden: „Wat de Kerk van Kon-staniinopel betreft, wie zou het betwijfelen, dat zij aan den Apostolischen Stoel onderworpen is? {Lih. 9 Epist 12) dan zien wij in Gregorius een Paus.

Eu wanneer de schrijfster van de Gesch. der Chr. Kyrk ons zegt: „Gregorius heeft de leer van 't vagevuur nis kerkelijk leerstuk vastgesteld enquot; — veeg' uw bril af, lezer — „het Misoffer ingevoerdquot; !), dan bewonder ik

1) Ia oen noot bii Dr. Herzog (b. i. p. 111; lees ik iets anders. Hou Concilie van Tours 56 7 oaa. 17: „üm die heid.vischen Gobiüuche ausmrotten, haban unsere Viiter für den 1 Januar angeordnet, bssondero lAtaneicu z,a boten, in don Kirchen dio Psalmen zn singon, und nm die 8 iStundo dom barmhorziger Gott

ocr page 495

157

eerst het geduld vau het papier en vraag' daarna: indien dat niet van p a n s e 1 ij k e macht en primaatschap spreekt, wat beteekent dan toch zulk een macht?

Gregorius heeft eeai boekje geschreven De curapastorali, „het schoonste onder dergelijke oudere geschriften der kerkvaders over het priesterschapquot;, zegt Dr. Gerinanns {Reformatorenhüder) en de protestantsche geschiedschrijver VVattenbach roemt het aldus: „Kaum ein anderes Buch ist diesem an VV irksamkeit gleichgeko mmen .... Unend-lich segensreich hat es gevvirkt in den Zeiten der Bar-barei. Die vortrefflichsten Grundsatze practischer Seel-sorge sind darin niedergelegt, die umsichtigste Anleitung gegeben, das treftiichste Gegenwicht gegen das Ueber-wiegen von aberglaubischem Pormelwesen.quot; {Gesch. den römischen Papstthumes S. 21.)

Ik lees bij den protestantschen hoogleeraar W. Moll de volgende regelen aangaande den zoogenaamden beeldendienst der Koomsch Katholieken. „Toen Secundinus, een monnik en tijdgenoot van den beroemden bisschop, Gregorius de Groote, dezen om beeltenissen der heiligen en inzonderheid van Christus had verzocht, zond hij hem die van den Zaligmaker, van Maria en van de apostelvorsten Petrus en Paulus, en daarenboven een brief, waarvan de volgende plaats onze opmerkzaamheidquot;' — en die van Ds. Bronsveld — „verdient: Wij

aii Ehren die Mosse von der Bosohnoidung zu fciern.quot; Zet nu do jaarlallen van hot pauselijk bestuur vun Gregoriu.i 590—604 naast het jaartal 5 6 7, roem dan mot Da. J. H. Donner do „historische trouwquot; van dia Gesch. der Ghr. Kerlt\ Di-j „trouwquot; wordt nog oorlijkor als men weet, dat volgons Dr. Heraog do Mis lang vóór 269 bestond. Ook do steonon in do Oataoombon tot in de 2'lr eeuw spreken luide, als men zijno ooren niet toestopt.

ocr page 496

158

handelen niet ongepast, zoo ivij het onzichtbare door het zichtbare afbeelden. Ik tveet ivel, dat gij des Heilands beeld niet van mij vraagt, opdat gij het vereeren zoudt als een God, maar opdat gij de herinnering des Zoons van God, wiens beeld gij wenscht te zien, in zijne liefde hij ti versterken moogt. Goh ivij knielen er niet voor neer als voor een godheid, maar wij aanbidden Hem, dien wij door hat beehl leeren gedenken, als die geboren werd; of geleden heeft, maar nu op den troon zit. En terwijl ons de schilderij, als ware het een geschrift, den Zoon Gods in de gedachten terugvoert, verblijdt het ons over de opstanding of verteedert het ons over zijn lijden. (Epist. Lib. 7 Ep. 53 fol. 409 ed. Blauhl.) En Prof. W. Moll besluit, als elk g-ezond lioofd: „W ie zon durven ontkennen, dat er w a a r li e i d in deze woorden is?quot; {Gesch. v. kerkel. leven enz. 2 Dr. 2 D. blz. (30.)

Moll zegt in zijn Kerkgesch. v. Nederland. 1 D. blz. 65: „In 590 werd Grregorius 1 op den Stoel van Petrus verheven, en eene der vele daden, waardoor deze edele geest den naam van den Groote verdiende, was zijne onderneming ter kerstening- van Engeland.quot;

Paus Grregorius, zegt de protestantsclie sclirijfster van de Geschied, der Christel. Kerk. „zond den abt Augustinus met veertig monaiken naar Engelandquot; om liet geloof te prediken, „en in weinige jaren was Engeland voor het Evangelie gewonnen.quot; (blz. 62).... Het gelukte dien zendelingen „het oppergezag van Rome in Groot-Brittarmie te doen erkennen.quot;

Augustinus en zijne monniken erkenden dus den bisschop van Rome als den opvolger van Petrus.

Van dezen Apostel van Engeland zegt de Protestant Fuller: „Slechts onwetendheid en stijfhoofdigheid zullen ontkennen, dat hij de gave van wonderen te doen

ocr page 497

159

bezat.quot; (Mgr. Wiseman Conferences sar les doctrines de l'Eglise catholique.)

Hebben Augustinus en zijn monniken en Engeland, dat in weinige jaren voor liet Evangelie gewonnen was, zich zelcer vergist?

Bij gelegenheid van de eeuwfeesten ter 1) eere van den H. Augustinns van Cantorberj in Engeland gevierd, zeide kard. Perraud tot de bisschoppen en hooggeplaatste leeken, vereenigd in een zaal van het St. Mary-College te Cantorberj, waar het pallium van Westminster aan den wand hing, o. m. de volgende treffende woorden: „Vraagt dan aan hen, die u de geestelijke erfenis van Augustinns van Cantorberj betwisten, wat er onder hen van dat pallium geworden is, dat door Paus Gregorius aan uw eersten bisschojD gezonden en door al de opvolgers van dien bisschop in den loop van tien eeuwen te Rome gehaald werd op eene wijze, die welsprekend getuigt, hoe innig en nauw zij vereenigd waren met het opperhoofd der geheele Katholieke Kerk.

Ds. A. W. Bronsveld schrijft: „Gregorius staat op den drempel der midddeleeuwen, de eerste middeleeuwsche Paus 2). . . . De Kerk, die de taak van de opvoeding der germaansche volkeren overneemt, is er.quot; (Welke Kerk, de ware of de valsche?) „Zij treedt voor de Germanen op als het hiërarchisch ingerichte heils-instituut, do uitdeelster der sacramenten, die de genade mededeelen, de bezitster van de, goddelijke waarheidquot; (dus de ivare Kerk^

1

Het glanspunt vau 't fecat was to Ebbsüect, waar vóór 1300 jur ij Anguatirm mot zijne 40 Benedictijnen Janddo De protcs-tatitsohe Standard erkondo, dat Engeland sinds de Hervorming zulls een schitterende plechtigheid niet had aanschouwd-

2

-) Volgens Dr. Uhlhorn en Ds. A. W. Bronsveld door God juist nu geroepen.

ocr page 498

160

„en ook van alles, wat aan beschaving van vervlogen tijden uit den algemeeneu ondergang der oude wereld was gered, om over te gaaii in een nieuwen tijd, zicli bewust geroepen te zijn tot lieerschappij over de wereld, zicli bewust van de hooge taak, haar gesteld .... De Kerk zooals zij toen was met kaar wettisch autoriteits-harahter, met kaar vast aaneengesloten dogma, kaar veelheid van genademiddelen, niet kaar hiërarchie, die ket monnikendom aanvult, zij was de rechte leermeesteres voor de nog jeugdige volkeren.quot; [Stemmen voor Waarheid en Vrede 1898 1)1/.. 91 9, 920.)

Wij sluiten met de woorden van den levensbesckrijver iles H. Gregorius den Groote, den Protestant G. J. kan ; „Het middelpunt der gekeele Ivatkolieke Kerk zag kij in den K oom se ken bissekops-zetel; e r k e n n i.n g v a n 't g e z a g lt;1 e s A post e 1 s Petrus en diens opvolgers verlangde hij ook van de overige patriareken.quot; (1. c. S. 77.)

Hij was dus een Paus in den echten zin van 'fc woord en wilde het zijn.

Is Ds. A. V. nu overtuigd of niet.

Is hij overtuigd dat Gregorius de Groote, die door alie protestantsche geleerden uitbundig geprezen en door Luther „ein heiliger Mannquot; genoemd wordt, een Paus geweest is, als zoodanig gekandekl heeft en w: ldlt;• handelen, zal kij dan met Tjutker zeggen: ,,Ick glaube, dass der Papst ein vermummter und leibkafter Ttufel ist, weil er der Antichrist ist?quot; (Tischr. Eisl. A. f o8oa •• üa.)

Ik weet het niet:'

ocr page 499

lil I

§ :'.l.

Vromen en geleerden uit de vierde eeuw.

..Wie de gesel i rilt on der \'ailers leest, znl zien, dat do Vaders van do 4de en 5de eeuw hot imniaatseliap van Homo's bissclio]) erkennen «mi belijden, dat op hem de zorg over do kerken rust.quot;

(De Protestant Dninoulin.,

De aleatoribus. Anastasius i, Sieicius, Ambko-

sii's, pxvoiakus, damasus i, optatus van mllevk, Concilie van Aquilea, Basilius de Geoote, Ephraïm de Syriëe, Athanasius, Maecellüs, Eüsebius van Vercelli, Hilarius van Poitiers, LrBERius. Juurs J, Concilie van Saedica, PrsTus, Socrates, Silvester I, Hosirs, Alexander van [vON st AN tin OPE l, svnode van a3les, mlltiades.

Dat de psenclocypriaansclie verhandeling De aleatoribus of liever, zegt Bardenhewer, Adversus aleatores door een bisscliop van Rome werd uitgegeven, is zoo goed als zeker eu dat liet een krachtig geiwigenis blijft voor het hextaan van 't. •primaatschap van Rornes prelaat kan niet ontkend worden. De schrijver verklaart 1. dat hij de zorg Leeft over de gelieele broederschap; 2. dat de goddelijke goedheid aan hem de heerschappij des apos-tolaats lieeft opgedragen, 3. dat zijn bisschopszetel de plaatsvervangende zetel des Heeren is en zijn apostelambt dat is, waarop Christus de Kerk gevestigd beeft; deze waardigheid bezit hij uit kracht der opvolging dooiden stichter, den grondlegger zijns zetels.

Dr. A. Harnack stelde een onderzoek in naar den schrijver en kwam tot de slotsom, dat Pans Victor I (190—200) „hoogst waarschijnlijkquot; eu met den „hoogst

ocr page 500

1G2

mog'olijken graad van geloofwaardiglieidquot; de schrijver is van De aleatoribus.

Vele geleerden hebben daarna die vraag van alle kanten bestudeerd. De beste studie daarover, zegt Emil Michael S. ■!., is die van vijf leden van het seminarie voor kerkelijke geschiedenis, door Prof. Bernard Jnng-mann aan de hoogeschool te Leuven gesticht: Etude critique sur Vopuscule Do aleatoribus par les membres du séminaire d'histoire ecclésiastique éiabli a VUniversitc catholique de Louvain (Lonvain 1891). De uitkomst dezer studie is deze: „Mei zeer groote waarschijnlijkheid,quot; is de schrijver der homilie een bisschop van Rome, een Paus, die intusschen de homilie niet vóór Cyprianus, maar zeker na hem, maar vóór de vijfde eeuw geschreven heeft van 250—350.

H. Anastasius I (398—402), Paus, wordt door den H. Hieronymus genoemd „een man van zeer rijke armoede en apostolische zorgvuldigheid.quot;

lunocentius I zijn opvolger schrijft: „Hij bestuurde de Kerk in den onbezoedelden glans van een voorbeeldig leven, met overvloediger) rijkdom van leer en met allen ernst van het kerkelijk gezag-.quot;

Yan Anastasius hebben wij o. a. drie brieven: aan Joannes, bisschop van Jeruzalem, aan Simplicianus, bisschop van Milaan en aan Venerius, bisschop van dezelfde stad.

De Protestant Voigt zegt: „Hij sloot Rn firms van Aquileja, den aanhanger van Origenes uit de gemeenschap der Kerk.quot; (E. u. G.) Dat getuigt van primaatschap. Heeft hij zich zeker vergist?

De afrikaansche bisschoppen spoorde liij aan tot geduld en voortdurende waakzaamheid tegen de Donatisten.

ocr page 501

163

„Hij stelde vastquot;, zegt de Protestant Dr. fferzog, „dat liet Evangelie in de liturgie der Mis l) sta a n d e moest worden aangehoord.quot; Dat gebeurt nu nog in alle katholieke kerken.

Deze Paus noemde alle christelijke volken mijne volleen en alle christelijke kerken leden van mijn eigen lichaam. [Epist. Anast. ad Joh. Theron. apnd Constant Epist. decret. p. 739.)

De H. Siricius (384—898), Paus.

Bij Dr. lierzog lees ik: Siricius „zeigte sich für die Aufrechthaltung des römischen Kirc henglauhens wie für die Entwiekelung der kirchlichen Macht durch Erweiterung der Kirchenzucht gleich thatig. In jener Beziehung sprach er die Verdammung iiber den Mönch Jovinianquot; (en acht van diens aanhangers op een synode van Eome) „aus und betrieb mit Eif'er die Unterdrückung der Manichaer und Priscillianisten.quot;

Wie was Jovinianus'' „Een ketterquot; zegt de Protestant J. T. L. Danz. „Onder de tegenstanders, die met geschriften tegen Jovinianus optraden, zijn Ambrosius, Hieronymus en Angnstinus de voornaamsten.quot; (E. u. G.)

Siricius zegt: W a t door alle kerken n a g e k o m e n, wat vermeden moet worden, beslissen w ij door a 1 g em e ene uitspraak.quot; (Dr. J. Hergenrother I S. 385.)

Do H. M.a bcsiocd dus rcods volgocs Dr. Horztg vóór 398. Dr. Herzog vergist zich eohtor eon weinig. Hot oude gebruik volgeiis hetwelk by '6 voorlozen van 't Bvacgelie allen moeBten slaan {Gonst Ap. 2, 57) werd hier door Aaaatasius ook aan priesters als verplichtend voorgeschreven. (Lib pontif.) In do Patrologie van Mohler (1 B S, 249—250) kan men lezen, dat de H. Mis zeker reeds bestond in de eerste helft van de 2l10 oeuw.

ocr page 502

164

Hij schroef aan Miraerius, bisschop van Terragone; „Wi] mogen niet veinzen, wij hebben geen vvijheicl te zwijgen, wij die meer dan alle overigen ijver moeten hebben voor den clmstel ijken godsdienst. Wij dragen de lasten van allen die belast zijn, of liever die lasten draagt in ons de H. Petrus, die ons in alles als de erfgenamen van zijn bestuur, naar wij vertrouwen, behoedt en beschermt.quot; (Constant: Ep. Hom. Ponl. col. 624 ed. Paris 1721.)

Welnu wie grooteren ijver moet hebben voor den o-odsdienst, wie de laaien van allen draagt, wie erfgenaam is van hei bestuur des H. Petrus, heeft voorzeker het primaatschap.

Heeft Siricius zich zeker vergist

„Den voornoemden regel (dien Siricius namelijk asm-lt;gt;'aande de toediening van het doopsel had voorgeschreven) moeten alle priesters (d. w. z. bisschoppen) onderhouden, die niet van de hechte apostolische rots, waarop Christus zijne geheele Kerk gevestigd heeft, willen worden losgescheurd.quot; (c. 627) Uit het zinverband blijkt, dat Sh-icius met die Apostolische Rots, den Eoomschen Stoel of, wat hetzelfde is, de macht van 'Rome's bisschop als Petrus' opvolger, bedoelt. 1)

Aan Siricius wordt het gebed Gomw.unicantes, dat in den canon der H. Mis wordt uitgesproken, toegeschreven.

Siricius schreef aan de Gallische bisschoppen, die „ter versterking van bun geloof, de kennis der wetten en overleveringen aan het gezag des apostolischen Stools gevraagd hadden.quot; (Ed. Schönemann p. 463.)

1

Ardoro gotuigoniBBon van Siricius bij Oonstant c. 630, 632, 633, 637.

ocr page 503

165

Do H. A iubrosins (8-10;gt;—397) bisschop van Milaan, van wion de protestantséhe schrijfster l) zegt: „Hij verkocht zijne goederen ten voorcleele dor armen en wijdde zich geheel aan de bediening des woords. Met recht kan van hem gezegd worden, dat bij de gemeente Gods weidde als een getrouw herder; hij onderzocht ernstig do li. Schrift om die voor de gemeente te verklaren .... hij vroeg meer naar het woord des Ueeren dan naar het bevel van 't keizerlijk hof.quot;

„Hij wasquot;, zegt de Protestant Angnsti, „een ijverige verdediger der rechtzinnige leer door woord en daad, vooral tegen de Arianen, Macedonian en, Apolli-naristen en ISTovatianen, tegen wie hij ook schreef.quot; (E. n. G.)

En de Protestant Böhringer zegt: „Von einer selteneu Charakterstarke verband er damit nach Art wahrhaft grosser Manner die nnbedingste Hingabe an seinen neuen Beruf (namelijk het bisschopsambt).... Sein Erstes war in seiner eigenen Person den sittlich-religiösen Ernst der Kirche der er diente abzudriicken. Er ver-scheukte oder vermachte seine Güter zu Zwecken der Wohlthatigkeit; er selbst lebte sehr streng nnd enthalt-sam ohne doch den Verkehr mit der Welt, wo es der Wohlanstand erforderte, abzubrechen.... Iu seinem Amte war er nnausgesetzt thiitig.... war Jedermann znganglich und nahm sich insbesondere der leidenden Klasse der Menschheit an; die Armen pflegte er seine Verwalter und Schatzmeister zu nennen, und far Yerfolgte nnd Verurtheilte Fürsprache einzulegen, hielt er für Pflicht eines christlichen Bischofs. Seiner Stellung sich

*) Oesch. der Christel, Jyerlc „Hij was in hot Westen niet minder voer de Kerk ten zegen dan Basiiius en do beide Gregoriussen.quot; Waren deze bisschoppen Eoompoh Katholiek of Protestant?

de Paus ITT. n

ocr page 504

bewusst suclite er iudes weder für sicli uoeli für seine Freande Gnaden bei den weltlicben Grossen.... Als An walt der Kirclie und der Menscliliclilceii zngleicb gegen rolien Despotismus ersclieint Ambrosius in seine m Benebmen gegen Tlieodosins.quot; (Dr. Herzog.)

Laten wij eens zien, wat Ainbrosins, „een der voor-naaotste kerkleeraars in bet 'Westen,.... die met veel zegen werkzaam is geweestquot; (Ds. A. J. Tb. Jonker), van Petrus zegt.

Hij wilde anderen onderricliteii, welke de ware Kerk van Cbristus is, en boe zij van die der ketters kan onderscbeiden worden, en geeft dan aan de geloovigen dit beginsel: „Waar Petrus is, daar is de Kerk.quot; {Enar. in jjs. 40 n0. 80). Hij bedoelde natuurlijk niet de aanwezigheid van Petrus in pbysieken zin, want Petrus leefde niet meer.

Ook kon bij niet bedoelen: waar Petrus is, d. w. z. waar de leer die Petrus verkondigd beeft, onderbonden wordt, daar is de Kerk. Want alle ketters beweren de ware leer door Cbristus en Petrus en de overige Apostelen overgeleverd, in bezit, te bebben. En dat de ketters van zijn tijd l) bijv. de Novatianen dit beweerden, wist Ambrosius maar al te goed. Bedoelde bij dus met de woorden: „Waar Petrus is, daar is de Kerkquot;, waar de leer van Petrus is, daar is de Kerk dan bad bij de geloovigen even onwetend gelaten in de vraag: waaide ware Kerk is?

1; Ia de jaren 883—391 schonk da H. Philastrius, bisschop van Brixia (Brercia) in oen Liher de haeresibus (Migno P. L. 12, 1111—1302) san do laiijnwcho kerk con bosohoidon tegonstuk tot de Haereses van den H. Bpiphamus. Hü tolde 156 ketterijen op, 28 tóórchristeljjke en 128 cbristelgko. Hij heeft eeht;r geen heel uauwkou'ig becrip van ketterij. (O. Bsrdetihewer Patrol. S. 400.)

ocr page 505

1(57

Wijl liij echter den geloovigen een gemakkelijk middel wilde geven om de ware Kerk van de vele valsclie te onderseJieiden, zegt Lij: Waar Petrus is, daar is de Kerk in. a. v. in die vergadering, aan wier hoofd Petnis in zijne ojjvolyern, de bisschoppen van Rome staat, in die vergadering, welke aan dien onderwijzenden en en besturenden bisschop van Rome gehoorzaamt, d a a r is de Kerk.

Ambrosius erkent derhalve het primaatschap, het pausdom; heeft hij zich zeker vergist?

In zijn preek op den dood zijns broeders Satynis ') zegt hij: „Satyras ontbood den bisschop en hield de genade van 't ware geloof voor de grootste genade, en hij was besluiteloos, omdat hij niet zeker wist, of die bisschop met de katholieke bisschoppen d. w. z. met de Kerk van Rome overeenstemde. Eu misschien was op die plaats de kerk van die streek in scheuring.quot; Om die woorden te verstaan diene het volgende: Satynis was na een schipbreuk in zekere streek aangeland en wilde daar liet sacrament des doopsels ontvangen. Maar vreezende dat de bisschop van die plaats misschien een ketter was, vroeg hij dien bisschop, „of hij met de katholieke bisschoppen d. i. met de Kerk van Rome overeenstemde.quot; Bijgevolg was voor Satynis en Ambrosius overeenstemmen met de Kerk van Rome hetzelfde als overeenstemmen met de Katholieke Kerk, Zij waren dus van de noodzakelijkheid om met de

1) L. i n®. 47 OpeTum fc II p. 1126 edit. Benedictinorum: „Advooavit ad se Episeopura, iiec ullam vcram putavit nisi verae fldei gratiam; perounctatusquo ox eo est, utrumnam cum Episcopis catholicis, boo est, cum Bomana Ecclesia conveniret. Et forto ad id locoram in schismate regionis iliius Ecclesia orat.quot; (Zio D. Bouix: Tract, de Papa I p. -320.)

ocr page 506

168

Kerk van Rome overeen te stemmen zoo overtnig-d, dat wie van de gemeenscliap des Eoomsclien Stoels was uitgesloten, daardoor reeds van de Katliolieke Kerk waren afgesneden.

Hebben Ambrosins en Satyr us zich zeker vergist?

Hij schreef aan Yalentiniaan den jongere: „Wanneer, o goedertierenste keizer, hebt gij gehoord, dat in zake van geloof de leeken over de bisschoppen hebben geoordeeld!'.... Indien de bisschop van den leek te loeren had, wat zon dan volgen!1 Do leek zal dus uitleggen en de bisschop luisteren!' de bisschop heren van den leek!' Voorzeker indien wij de reeks der heilige Schriften of de tijden van weleer raadplegen, wie is er dan die loochenen kan dat in geloofszaken, ik zeg' in geloofszaken, de bisschoppen over de christelijke keizers, niet de keizers over de bisschoppen plegen te oordeelen?quot; (%. 20, 4.)

„Do keizer is in de Kerk, niet boven de Kerkquot; {In Serm. c. Auxent n0. 3G).

„ Het recht om te binden on te ontbinden Leb oen alleen de priesters.... De ketterij kan daarop geen aanspraak maken, daar zij geen priesters Gods heeft.'' {Do jjoenit. 1. 1 c. 2.)

„Kefa is Simon Petrus, {In JSjjist. ad Cor. 1 :9) die de eerste onder de apostelen is, hoeveel te meer onder de anderen? {In Ejjist. ad Cor. 2:11).... Andreas is den Heiland vóór Petrus gevolgd en toch heeft niet Andreas maar Petrus het primaatschap ontvangenquot; {In Ilpist. ad Cor. 2 : 12). . .. Daarna kwam ik {Paulutï) na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken en ik hleef hij hem vijftien dagen {Ad. Gal. 1 :18). „Het betaamde wel, dat hij Petrus begeerde te bezoeken, omdat deze de eerste was onder de Apostelen, aan wien (d. i.

ocr page 507

1Ü9

Petrus, cui) de Zaligmaker de zorg liad opgedragen over de IterTcen (Ecclesiarum. In Mpist. ad Gal. 1). . . . Petrus een verstandig en ernstig man, in wien het uitspansel (andere Handscliriften lezen: de grondslag) der Kerk en liet leeraarsambt is (magisterium disciplinae. De Virginit. 16).

De H. Pacianus omstreeks 3G0—390, bisscliojj van Barcelona, volgens den H. Hieronymus castigatae eloqiien-tiae et tam vita quam sermnne elarus [De Vir. ill. e. 106).

Van zijne geschriften zijn nog drie brieven bewaard gebleven, die gericht zijn aan een jSTovatiaau Sympro-nianus, een kleine Paraenesïs sive exhorfationis libellus ad ■poenitentiam en een sermo do haptismo. De twee eerste brieven handelen vooral over het recht der Kerk zich katholiek te noemen (Ep. 1:4: Ghristianus mihi nomen est, Gatholicus vera cognomen, mijn naam is Christen en mijn bijnaam Katholiek), do derde en grootste brief handelt over de macht der Kerk om ook na den doop zware zonden te vergeven. Pacianus spreekt over de macht van te binden en te ontbinden, die Christus afzonderlijk alleen aan Petrus en daarna aan Petrus en aan. do andere Apostelen verleend heeft. De reden, waarom de Heiland eerst aan Petrus alleen die macht gaf, is, zegt Pacianus, wijl Hij de eenheid uit éó n wilde laten voortkomen, vormen : ut unitatemformaret uno. Ziehier de woorden van dien bisschop uit de vierde eeuw: „Volgons het verhaal van Mattheus zeiven, hoeft de Hoer een weinig vroeger tot P e t r u s gesproken ; hierom tot den n'nen (Petrus) om uit n'n de eenheid te vormen, terwijl hij weldra hetzelfde aan allen bevoelt. Ipso referente Matthaeo, paulo superius, ad Petrum. locutns est Dominus; ad unum ideo, ut unitatem formaret ex uno, mox idipsum in commune praecipiensquot; (Migne P.L. 13).

ocr page 508

170

De eenheid der Katholieke Kerk wordt derhalve gevormd of ontstaat uit één, ex uno. Welnn die eenheid zou niet kunnen ontstaan uit één, indien die é é n e het primaatschap van iurisdictie of volmacht over alle anderen niet zóó verkreeg-, dat die andere gehouden zijn met dien éénen overeen te stemmen en hem te gehoorzamen. Want veronderstelt men, dat alle andere bisschoppen niet aan den éénen onderworpen zijn en hem niet behoeven te gehoorzamen, dan één van twee: óf het staat aan iederen bisschop vrij, onafhankelijk van de anderen, volgens eigen oordeel eu meening te onderrichten en zijn diocees te besturen, öf iedere bisschop is gehouden als wet en regel te erkennen, wat de meerderheid der bisschoppen heeft vastgesteld en bepaald. Zegt men, dat elke bisschop volgens eigen meening enz. leeren eu besturen kan, zoo ontstaat de eenheid niet, maar juist het tegendeel van de eenheid, de volkomene onafhankelijkheid van eiken bisschop in 't bijzonder. Zegt men, dat hij zich moet onderwerpen aan de meerderheid der bisschoppen, zoo ontstaat de eenheid niet uit één, maar uit velen, die met elkaar overeenstemmen. Wanneer dus Pacianus leert, dat Christus de eenheid uit ren wilde vormen, dan veronderstelt hij en leert, dat aan dien éénen het primaatschap van iurisdictie, de volmacht, het hoogste gezag over alle anderen door Christus gegeven word. Wie anders is die ééne dan de opvolger van Petrus, de bisschop van Romel' (D. Bouix: Tract, de Papa t ] p. 140.)

De H. Damasus I (36G—384), Paus, „door het oordeel Cods tot bisschop der Kerk van Rome gekozenquot;, zegt de H. Ambrosius. Door den Protestant Dr. Julius

ocr page 509

171

Pflugk-Harttung wordt hij genoemd „eiii liervorragender Manu.quot;

Hij was streng in 't liandhaven van de kerkelijke tuclit. Athanasins van Alexandrië en Basilius van (Jaesarea wendden zicli om knip in den strijd tegen de Arianen tot Pans Damasns.

De Protestant Dr. Herzog meldt ons, dat deze Pans in 368 een synode te Rome Meld, welke de twee illy-rysclie bissolioppen TJrsacins en Valens veroordeelde en in 370 (beter 3ö9) weer een synode, die Anxentins van Milaan, een ijverigen Ariaan, in den ban deed.

Had de Pans daartoe liet recht of heeft hij zich zelcer vergist ?

Hij stond in innige verbinding met Hieronymns, die volgens de protestantsche schrijfster van de Geschiedenis der Ghrisfelijlce Kerk „tot veel nut voor de Kerk is geweest.quot;

Prof. De Groot zeg! : .. •. -u Kerkvergadering van 150 bisschoppen beleed ten jare 381 jjlechtig liet geloof in den diieëenigen God. Damasns gaf zijne goedkeuring aan het symholum of de geloofsbelijdenis (niet aan de canones dezer synode), die zoo in den rang der alge-meene concilios trad.quot; {De Pausen '1'' Druk blz. 100; Hefele: Conciliengesch. b. I, 46, 47 II 9—12.)

Pans Damasns schreef aan Paulinns van Antiochië omtrent de ketters, die met de Kerk verhonden wenschten te worden, het volgende: „Wij hebben ons geloof gezonden, niet zoozeer aan n, die in de gemeenschap van datzelfde geloof met ons verbonden zijt, als wel aan hen, die dat geloof onderschrijvend, zich met n, dat is, met ons door n hebben willen vereenigen.quot; (Labbe t. II, col. 865. Parisiis 1671.) Hier ziet men, dat zij, die met de Kerk verbonden wenschten te worden,

ocr page 510

172

liet geloof moeten ondersclirijven van den regeerenden (zetelenden) Paus, dat is, van Damasus. Damasus maakt, wanneer liet geloofszaken geldt, geen onderscheid tussehen zichzelven en den Eomeinschen Stoel-, ja zelfs niet tussehen zichzelven en het g'eloof der Katholieke Kerk; maar als Paus optredend legt hij zijn eigen geloof op als één en hetzelfde met het geloof der Katholieke Kerk. (Bouix 1. c. p. 323.)

Hij ontzette Fiaviaims, patriarch van Antioehië, van diens ambt; heeft hij zich zeker vergist-.3

Het Concilie van Eome 37 8 schreef aan de keizers Gratianus en Valentinianns, dat de bisschop van Eome de macht heeft om te oordeelen over de bisschoppen der andere herken en dat dit een voorschrift is der heilige Apostelen.

Heeft het Concilie zich zeker vergist ?

De Protestant M. Eade zegt, dat het primaatschap van Eome's bisschop ten tijde van Damasus, dus tussehen oG6—384 begonnen is. {Damasus, Bischof van Hom } 882. Volgens dien schrijver bestaat het dus reeds langer dan 1500 jaren. Een leelijke vergissing; zie § 2(5 blz. 1(55.

H. Optatus, bisschop van Mileve, een Afrikaan, een vriend van den H. Augustitras, stierf in 't jaar 384, en „der Partei der Katholiken angehörigquot;, schrijft de Protestant von Cölln (B. u. G,), „verfasste unter Valentinianns I uud Valens sechs Bücher gegen die Donatisten, um ihre Verlenmdnngen der katholischeii Kirche zurückzuvveisen.quot;

Deze Optatus schreef in zijn 2 boek, hoofdsi.. 2 tegen den Donatist Parinoniairas o. m.: „Xegiirc non potes scire te in urbe Soma Petro primo cafche-dram episcopalem esse collatam, in qua sederit omnium

ocr page 511

173

Apostolorum caput Petrus, uncle et Ceplias est appel-latus, in qua una cat lie cl ra imitas ab omnibus s er-var et urquot; etc. „Gij kunt niet looclienen te weten, dat aan Petrus als den eerste de bisschoppelijke zetel in de stad Home verleend is, op welken zetel liet lioofd aller Apostelen zetelt. Petrus, waarom bij ook de Rots werd genoemd, op welken éénen leerstoel de eenheid door allen zou bewaard worden, opdat de overige Apostelen niet ieder voor zich op zijn eigen (leerstoel) aanspraak zon maken. Daarom is Tiet!eten zondaar hij, die tegen dezen eenigen leerstoel een anderen opricht.quot;

Optatus leert dus dat volgens de instelling van Christus de eenheid met den Jioo m schen Stoel moet bewaard blijven; heeft hij zich zeker vergist?

Tets verder zegt hij, dat de eenheid met den Room-schen Stoel bewaard wordt, wanneer zij bewaard wordt met den Bisschop van Kome, want hij bewijst dat de kerken der geheele wereld in gemeenschap staan met den Roomschen Stoel hierom, wijl zij in gemeen-schap staan met Paus Sir ie lus (384—398). De noodzakelijkheid van de eenheid niet den bisschop van Rome is volgens hem van dien aard, dat ketter en zondaar is wie van de gemeenschap met dien zetel afwijkt. Welnu zulk eene noodzakelijkheid sluit in zich. het primaatschap (van iurisdictie) van den bisschop van Rome. (D. Bouix 1. c. p. 144.)

Ook zegt hij o. m. hot volgende: „Petrus heeft verdiend boven alle Apostelen gesteld te worden en hij alleen ontving de sleutelen des Hemelrijks (iurisdictie) om ze aan de anderen mede te deelen.quot; {De Schism. Don at. 1 1 n0. 10.)

En daarvan geeft hij deze reden aan; „Daar zijn

ocr page 512

174

zoovele onsclmldigen (de overige Apostelen eu leerling-en) en de zondaar (Petrus) ontvangt de sleutels, opdat de eenlieid er zou zijn. Er is in voorzien, dat de zondaar zou openen voor de onsclmldigen, opdat deze laatsten voor de zondaren niet zouden sluiten en de noodzakelijke eenheid er zou z ij n.quot; (1. 7. nO. 3.)

Het Concilie van Aquileja in 381 was vergaderd bijna uit alle provincies van liet Westen, zooals. uit zijne acta blijkt. De vergaderde vaders schreven, aan keizer Gratianus: „Totius orbis Romani caput, Rornanam Ecelesiam, atque illani sacrosanctam fidem apostolornni ne turbari sineret, obsecranda fuit dementia vestra. Inde enim in o m nes venerandae communionis iura dimanant, immers van daar (d. i. van de Kerk van Rome) Icomen tot allen de rechten der eerliedwaardige (jerneenscJiajquot; (Labbe II, 999.)

D. Bouix {De Papa I p. 322) redeneert uit do woorden aldus: Het recht van gemeersnhajt kan niet uit de Jloomsch.e Kerk tot alle andere kerken komen dan in de beteeken is, dat elke Kerk afzonderlijk met de Kerk van Rome in gemeenschap moet zijn; elke kerk afzonderlijk echter kan niet verplicht zijn met eeiiige andere kerk in gemeenschap te wezen, tenzij deze insgelijks met de Roomsche Kerk in gemeenschap is. Bijgevolg zijn alle kerken verplicht met de Kerk van Rome de gemeenschap te bewaren. Maar die gemeenschap kan niet bewaard blijven dan door dezelfde leer te belijden als die, wolke door de Roomsche Kerk beleden en verkondigd wordt. Derhalve zijn alle kerken gehouden de leer der Roomsche Kerk te belijden. Maar daartoe konden zij niet verplicht zijn, als die leer een dwaalleer kon wezen. Bijge-

ocr page 513

volg belijdt geheel het Westen in 't jaar 381 door de woorden van daar toch Icomen tot allen de rechten der eerbiedwaardige gemeenscha]), dat de Kerk van Ronie het recht heeft aan allen hare leer op te leggen.

H. Basilins de Groote, bisschop van Cesarea, gestorven in 379, werd, zegt de protest, schrijfster van de Gesch. der Christ. Kerlc (blz. 40) door zijne vrome moeder en grootmoeder vroeg in de H. Schrift onderwezen, „dat onderwijs werd door God gezegend . ... Hij deelde zijne goederen onder de armen en begaf zich naar eene afgezonderde plaats in Pontns om zich daar geheel aan het gebed en aan vrome overdenkingen over te gevenquot; (Heeft hij zich zeker vergist!').... „Basilins werd tot onderlingquot; (presbyter — priester) „en later tot bisschop van Cesarea verkozen; zijn ijver en zijne liefde voor de zaak des Hoereu maakten hem tot grooten zegen voor zijne gemeente.quot; Volgens het verhaal van Eufinus en Sozomenns stichtte hij een groot aantal kloosters.

Als bisschop schreef hij aan Paus Damasns een brief, waarin hij den bisschop van Home den titel geeft van „eerbiedwaardigen vader boven alle vaderen.quot;

lu ep. 92 ad Halos et Gallos zegt hij tot den Paus: Wat er alzoo gedaan moet worden om onze aangelegenheid tot een goed einde te brengen, en hoe gij jegens ons, zwaarbeproefd en, uw mededoogen behoort te toonen, dat behoeft gij volstrekt niet van ons te loeren; de H. Geest zal het u loeren.quot;

Deze Basilins, de schrijver van „hot lieve boeksko over het eenzame levenquot; (Moll II 2, 336), schreef aan don IT. Athanasius, dat de bisschop van Rome moet bepalen, wat leerstuk des geloofs zij, indien op een concilie de wijziging niet is geschied. {Ep. G9 ad A than. Migne t. 32, 431.)

ocr page 514

17(5

In een zijner brieven vindt men een ander autlientiek bewijs van liet geloof der Oosterse lie Kerk aan liet gezag' van den Pans. „Het is onsquot;, zegt liij, „passend voorgekomen, aan den bisscliop van Home te selirij ven om liem te verzoeken zieli op de lioogte te stellen van hetgeen in onze provincies voorvalt en dan zijne beslissing te geven. Daar bet moeilijk voor bem zou zijn uit de streek, waar bij woont, met voldoenden spoed afgezanten te zenden, indien bij te voren bet gevoelen van bet concilie wilde kennen, moet bij uit eigen gezag bandelen, en mannen van zijne keuze in last geven met zacbtbeid, maar kloek te verbeteren ben, die onder ons uiet op den goeden weg zijn. [Ep. 52.)

Heeft deze bisschop, „een der voornaamste oosterscbe Kerkleeraars.... tereebt de Groote bijgenaamd'die „met groote geestkracht en zelfverloochenende liefde tot heil lier Kerk gearbeid beeftquot; (Ds. A. J. Tb. Jonker) zich zeker vergist?

„Ik houd bet voor apostolisch ook aan de oveiievoriu-gen, die niet in de Schrift staan, vast te houdenquot; schreef hij [De Siiir. 6'. 29 n0. 71.)

In zijn Sormo de Judicia Dei zegt hij van Petrus: „Hij de zalige die boveu de andere leerlingen verheven word en aan wien de sleutels van het rijk der hemelen zijn toevertrouwd. Ille (Petrus) beatus qui ceteris praelatus discipulis fait, cui claves regni coelestis com-missae.quot;

De schrijver van de Hom. da poenitentia, welke aan Basilius wordt toegeschreven, zegt: „Christus is de ware onwrikbare rots. Petrus is echter om de rots. Jezus toch scheukt zijne waardigheden en berooft zich-zelven daardoor uiet, maar ze hebbende en houdende geeft Hij ze.quot;

ocr page 515

Niemand, mincler dan Harnack bewijst teg'en Oairas en Kade, hoe lioog' liet aanzien des Eoomsclien Stoels bij de Grieken der vierde eeuw gestegen was (ScbariK: Apoloyie des Chris tent hums III § 13 S. .159 2 Anil. 1898 Herder) ^).

ii. Epliraïm de Syriër, volg-ens alle syrisebe seb rij vers gestorven in 't jaar o7-gt;, was een godgeleerde en dichter, monnik en diaken van Edessa.

De protestantsche geleerde Ködiger zegt van hem: „Door zijne strenge r echt gel oovigheid, door zijne vrome levenswijze die overhelde naar boete en vasten,

won hij de achting en bewondering zijner tijdgenooten----

Epliraïm is als een man. van innige en strenge vroomheid, als verdediger van het rechtzinnig geloof {des orthodoxen Glaubens) en mede als ijverige volksredenaar en godgeleerde schrijver een eerbiedwaardige gestalte der oudere syrisebe Kerk.quot; (Dr. Herzog.)

In drie handschriften van de Nationale bibliotheek van Parijs heeft T. J. Lamy o. m. zes nieuwe redevoeringen over het lijden onzes Heeren gevonden. In de vierde rede over de lijdensweek laat Epliraïm den Heer aldus spreken tot Petrus: „Simon, mijn leerling, ik heb u tot grondslag der H. Kerk gesteld, ik heb ii steenrots genoemd, omdat gij geheel mijn gebouw zult schragen; gij zijt de opzichter (Bahura = epis-copus) over hen, die mij op aarde de Kerk opbouwen; mochten zij iets verwerpelijks willen stichten, dan moet gij, de grondslag, het hun beletten; gij zijt bet hoofd

]) JSlaar mijne beschoidon raccning is dczo Apologie de dego-jrjksto onder do duitgcho apologieën. Zij is beknopt en toch volledig on volkomen op do hoogte der moderne critiek.

ocr page 516

178

der bron 1), waaruit mijne leer gepnt wordt, gij •/. ijt liet lioofd mijner leerlingen; door u zal ik de volkeren drenken; gij hebt de levenwekkende zoetlieid, die ik schenk; u beb ik verkoren, opdat gij in mijne instelling1 (Kerk) als de eerstgeborene zendt zijn en de erfgenaam mijner seliatten; de sleutelen van mijn rijk beb ik u gegeven. Zie, u beb ik aangesteld tot opperheer over al mijne schatten.quot; (Sarmo 4in hehdom. sancta n0. 1.)

Dit schreef de groote leeraar der Syrische Kerk vóór Hieronymus en Augustinus.

Laat die woorden op alle Apostelen terugslaan en blijf dan eens ernstig als gij kunt.

Heeft Ephraïm zich zeker vergist?

De heerlijkheid der Kerk als leerares der gehee 1 e waarheid, de w e r k e 1 ij k e tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament des Altaars, den voorrang van Petrus als opperherder, de vereering der Heiligen, vooral van Maria, en der relieken, de voorbede tot lafenis der afgestorvenen, deze en andere katholieke geloofspunten worden uit de geschriften van Ephraïm onwederlegbaar bewezen. Gregorius van Nyssa getuigt uitdrukkelijk, dat hij een wetenschappelijk man was. Hij kende de grieksche letterkunde en verstond He-breenwsch.

Over de literatuur omtrent dezen voornaamsten schrijver der Syrische Kerk raadplege men Bardenhewer: Patrologie 1894 S. 364—3GG. Mgr. Lamy heeft op het

Hoofd dor bronquot; ia ccn Oostorschc uitdrukking; ■— raar het echgnt duidt zij de eigenlijke Iron aan, waar het water opwelt, in tegenstelling mot bekkens of vijvers, waarin het zich verzamelt, en waaruit hot geput of verder afgeleid wordt. J. Van Kastoren, professor in de Oosterscho talen te Maastricht. Dus: de eerste bron.

ocr page 517

179

vierde internationaal wetensehappolijk congres van Katliolieken te Freiburg in Zwitserland van 1897 een Franscbe vertaling- geleverd van een op versmaat gezette afscheidsrede, bekend onder den titel: Testament van Ephraun. In dat zoetvloeiend en verbeven dicbtstut las ik o. a. deze regelen:

Vene/., mes frères, m'étendre et m'arranger; Car c'est decide, je ue reste pas.

Donnez-moi ie Viatique,

Des prières, des psanmes et saint Sacrifice. Lorsque le trentième jour sera venu,

l'aites, mes frères, mémoire de moi;

Car les morts sont assistés Par le sacrifice que font les vivants.quot;

(Comjjte rendu du congres scienttjique international

des Catholiques 1898. Sciences religivuses p. 172—209.)

Het getuigenis van Epbraïin weegt in mijne oogen op tegen dat van Lutber, Calvijn enz.

De H. Atbanasius (f 373), die volgens de protes-tantscbe schrijfster van de Gesch. d. Christel. Kerk „zes en veertig jaren 1) bisscbop is geweestquot; (opvolger van den patriarcb van Alexandrië) ~) „daarvan twintig in ballingscbap doorbracht, door zijn vrijmoedig en stand-

1

Vijf en veertig juar van 328—373.

quot;j Prof. W. Moll schrijft: „Menigvuldiger in de geschiedenis zijn do voorbeelden der verkiozinf; van bisschoppen door hunne vocrgangers. Zoo werd Athanasius, tegen zijn wil, zegt men, te Alexandrië door den stervenden Alexander'', bisschop van Alexandrië, „gekozenquot; in 't jaar 328. Athanasius zelf wijdde den H. Prumontins, den apostel der Abessyniërs tot bisschop van Axuma (329).

ocr page 518

ISO

vastig' belijden der waarheid tot grooten zegen voor de Kerk is geweestquot; en do heerlijke geloofsbelijdenis schreef, die door Katholieken en geloovige Protestanten bewonderd wordt, nam volgens het verhaal van Sozonienus (t omstreeks 450) met vele andere bisschoppen van 't Oosten, die door de Arianen waren afgezet, zijn toevlucht tot Rome. (Migne 67, 1051.)

Ds. Martin Rade kon in zijn Damasus, Bischof von Kom 1.882 dat feit niet onvermeld laten, maar om te verhoeden, dat men daarin een erkenning van 't pauselijk primaatschap zon zien, lost hij de zaak leukweg op door „freundschaftliche Verbinduu g Rom's mit Alexan-drienquot; (blz. 137). Hij wil dus vergeten hebben, dat Athanasius een beroep doet op Paus Julius als op den hoogeren rechter, zooals ook andere oostersche prelaten deden, dat de Paus de kettersche rustverstoorders voor zijn rechterstoel daagt, en dezen niet zijne bevoegdheid daartoe loochenden, maar enkel allerlei uitvluchten zochten om niet te gehoorzamen. (Jaffe: Begesta Rom. Ford. 2 edit. Lipsiae 1881 n0. 182—186.)

Ds. Rade l) wil vergeten, dat Athanasius Rome's bisschop aldus toespreekt: „Gij zijt de onderdrukker van de onheilige ketterden en van alle (ons) aangrijnzende vijanden .... Gij, de Leeraar eu Vorst der rechtzinnige leer en des onhevlekten geloofs.quot;

Heeft Athanasius, „een der voornaamste oostersche Kerkleeraars .... een vurig ij veraar voor de rechtzimige leerquot; (Ds. A. J. Th. Jonker) zich zeiter vergist?

De H. Mar cel lus, bisschop van Ancyra, gestorven in 872, volgens Bardenhewer (Patrologie) omstreeks 374,

i; Grkar iiocfó hot boek van Rudo geducht onder bandon genomen. Zie Zeitschr. für hath Theologie Jg. 8 1884 blz. 190—198.

ocr page 519

181

schreef aan Paus .! a litis: „Daar sommige van lien, die vroeger veroordeeld zijn, wijl zij niet rechtzinnig geloofden en die door mij op liet Concilie van Nicea overtuiird werden, niet geaarzeld hebben aan uwe heiligheid tegen mij te schrijven, dat ik noch rechtzinnig noch volgens de leer der Kerk oordeel.... heb ik het n o o d z a k e 1 ij k g e o o r d e e 1 d n a a r E o in e t e k o in e n en gemeend n te moeten waarschuwen, opdat gij hen dia tegen mij geschreven hebben, ter verontwoording zoudt roepen.quot; (Constant p. 390.)

Marcellus erkende derhalve den bisschop van Home nis den hoogsten rechter.

Zie C. P. Caspari: Unged,mekte .... Qnellen sur Gesch. des Taufsymbols und der Glaubensregel II Christiania 1875 S. 28—161: „Ueber den griechischeti Te.vt des alt-römischen Symbols in dem Briefe des Marcellus von Avcyra an den römischen Bischof .hdivs.,,

H. Eusebius van Ver cell a (Vercelli) f 371, een vurige bestrijder van het Arianismus, werd door Paus Julius I tot bisschop van Vercella gewijd in 340. Hij was de standvastige verdediger van den grooten A.tha-nasius. Paus Liberins zond hem in 354 naar keizer Constantius te Arles tot het bijeenroepen van een concilie, dat te Milaan in 355 gehouden werd.

De Protestant Semisch (Dr. Herzeg) prijst hem als volgt: „Binein Leben von solcher Selbstaufopferung durfte auch der Kranz des Martyrerthums nicht fehlen.quot; Ofschoon hij den marteldood niet stierf, mag men hem toch een martelaar noemen, wijl hij, zegt Baronius, in de vervolging der Arianen zijn bloed ter verdediging der Katholieke leer vergoten heeft.

Eusebius erkende den bisschop van liome als Christus' Stedehouder.

de Paxjs lil. 12

ocr page 520

182

Bardenliewer (Patrologie S. 389) zegt: „lm Domscliatze zu Vereelli wird ein Evangeliencodex aufbewalirt, welclier nacli alten und glaubwürdigen Nacliriclxteu von der Hand des H. Eusebius gesclirieben ist und zu den liervorragendsten Ivepriisen tanten des vorbieronjmiani-sclien lateiniseben Evangelientextes ziiMt.quot;

De H. Hilarius, bisscbop van Poitiers (320 f 306), vermeldt de uitspraak van de synode van van Sardica (343): „bet is het beste en volstrekt bet betanielijkst, dat de priesters des Heeren over elke provincie afzonderlijke berichten zenden naar bet boofd, d. w. z. naar den Stoel des Apostels Petrus.quot; (Fragm. his tor. 2, n0. 9; Migne P. L. t 10, 639.) Wij mogen derhalve terecht ook de volgende verheerlijking van Hilarius aangaande de voorrechten van Petrus laten slaan op de o p v o 1-gers van den Apostel, te meer nog, wijl zij anders niets zeggende rhetoriek zou behelzen. „O gij, die het gel uk had door het ontvangen van een nieuwen naam tot grondslag der Kerk gesteld te worden, o rots, die waardig is dit gebouw te dragen, daar gij de dwang-wetten der hel, de poorten van bet rijk der duisternis, alle kluisters des doods vermoogt te verbreken! O zalige sleuteldrager des Hemels, aan wiens wil bet aardsche oordeel zonder nader vonnis gezag is in den bemel, zoodat wat op aarde gebonden is of ontbonden naar zijn bestel in den hemel gebonden en ontbonden blijft.quot; (Dr. Scbaepman: Bolland en Petrus 1 Dr. blz. 18—21; Dr. Gapp: Zeitschr. f. Icath. Theol. Jg. 4 S. 282.)

Vóór alles verdedigt Hilarius het geloof aan de godheid van Christus. En de Katholiek onderschrijft zijne woorden: „Haec fides ecclesiae fundamentum est, per banc fidem infirmes adversus earn sunt portae inferorum.

ocr page 521

183

liaec Mes regui caelestis liabet claves.quot; (De Trinit 7, 15.)

Over de berisping van Paulus aan Petrus zie Hilarius Tract, in ep. ad Gal. 21 Dom Pitra, Spicileg. Solesmes I, p. 59.

De H. Liberius (352—3(5(5), Paus. Ambrosius, die „ernstig de H. Sclirift onderzochtquot; !), Basilius, „die vroeg in de TL Schrift werd onderwezen .... en tot ouderling en Wer tot bisschop van Cesarea werd verkozen en wiens ijver en liefde voor de zaak des Heeren hem tot grooten zegen voor zijne gemeente maaktenquot; 2) Épiphanius, Paus Siricius loven om strijd en zonder eenige beperking Liberius' buitengewone deugden en smetteloozen wandel. Paus Anastasius I (f 402) noemt hem onder de roemrijke mannen, die voor 't geloof van Nicea, „bereidvaardig de ballingschap geleden hebbenquot; en „zich toen als heilige bisschoppen hebben getoondquot;; voor Theodoretus is hij „de zegevierende athleet van de waarheid.quot; 3) „Hij trok terstond partij voor den grooten Athanasius tegen de ariaanschequot; (dus kettersche) „hofkliek en verdedigde hem tegen den keizerquot;, zegt de Protestant Th. Pressel (Dr. Herzog): „Einem Propheten gleich.... sprach sich der muthige Kirchenfürst mit edler Freimüthigkeit ans, wies entriistet die Zumuthung mit Athanasius zu brechen, von sich ab und verfocht mit Energie dem machtigen Monarchen gegenüber die iurisdictionelle Autonomie der Kirche. Ungebeug'ten Hauptes liess er die Ungenade über sich ergehen.quot; Aldus de Protestant L. Will (E. u. Gr.)

!) De protest, schrijfster in do Oeschiedenis der Christel. Kerh, ?■) aldaar. Hij word bisschop in 370, dus roods vóór 370 betookonde onderling en bisschop niot altijd hetzelfde. s) Prof. J. V. do Groot O, P blz. 99.

ocr page 522

184

Paus Liberius wordt door Moll genoemd: „Rome's liooggesclratte en verdienstelijke bisscliop.quot; (fJesch. v. ,t herled. leven 1 D. blz. 156.)

Van dezen opperpriester bezitten wij vele latijnscbe brieven en een griekscb scbrijven aan de gezamenlijke reclitzinnige bisschoppen van 't Oosten: ad nniversos orientis ortliodoxos episcopos. (Migne P. L. 8; Jaffe Ree/. Pontif. Rom. Ed. 2 t 1 Lips. 1885.)

Driehonderd bisschoppen te Rimini (359) vergaderd, lieten zich overhalen tot een dubhelzinnige geloofsbelijdenis, waarover de Arianen zich zeer verheugden, doch Pans Liberius verhief zijn stem en veroordeelde die; bisschoppen.

Heeft hij zich zeJcer vergist ?

Vele van die bisschoppen keerden later terug tot den schaapstal, en vóór Liberius' dood smeekten 59 semi-ariaansche bisschoppen in de Roomsch Ka tb. Kerk te worden opgenomen. Zoodra dezen het Nicaenum aannamen en liet Concilie van Rimini verwierpen, werden zij tot de gemeenschap toegelaten.

„Uit eenige oude schrijvers heeft men opgemaakt, dat Paus Liberius, gebroken door het lijden zijner ballingschap, een der vier geloofsformulieren van Sirmium tusschen 351 en 358 opgesteld, zou hebben onderteekend. Van deze formulieren was het tweede zeker kettersch; de overige sloten de waarheid niet volstrekt uit. Mocht de Paus in zijne verlatenheid en beproevingen zich aan zulk een zwakheid hebben schuldig gemaakt, de tweede formule van Sirmium heeft hij geheel zelcer niet onderteekend. Mocht hij nochtans welk formulier dan ook onderteekend hebben, er is hierbij geen zweem van een optreden als opperste leeraar der Kerk, en derhalve niets wat met de pauselijke onfeilbaarheid in verband

ocr page 523

1S5

staat; liij lieeft dan misdaan voor zijn eigen persoon, wat niet onmogelijk is.quot; (Prof. J. V. De Groot O. P. blz. 99.)

Men leze de degelijke bladzijden van H. Grisar S. J. in Kirclienlexicon 2 Anti. B. 7, 1951'—1959.

De vijanden van liet pausdom komen telkens met allerlei besclmldigingen voor den dag om de pauselijke onfeilbaarheid te niet te doen. Zij wijzen op den val, op verkeerde meeningen, onware uitspraken en onderlinge tegenspraak van eenige Pausen. P. Wilmers S. J. geeft in zijn De Christi Ecclesia 1. 4. prop. 71 een algemeen antwoord, dat vooral voor Prof. Bolland, die den eclit critisclien geest van den geschiedvorscber mist, bebartenswaardig is.

Om die bescbnldigingen als wapenen tegen de onfeilbaarheid te gebruiken, zegt bij, „is liet noodig, dat de feiten zeker zijn, dat de zoogenaamde verkeerde meeningen geen gezonden, zin toelaten, dat de uitspraken, indien zij onwaar zijn, gedaan zijn als uitspraken ex cathedra eu eveneens, als er tegenspraak is, dat de eene Paus door een bepaling e,e cathedra een bepaling ex cathedra van een anderen Paus weerspreekt. Een of ander ontbreekt in alle tegenwerpingen, die tegen de pavselijke onfeilbaarheid gemaakt worden.

De H. Julius 1 (337—352), Paus, riep den grooten Atbanasius, die bij bem door de Eusebianen was aangeklaagd, naar Home en sprak bem op een synode van meer dan 50 bisscboppen (341.) vrij. ®Ja de synode schreef Julius aan de Eusebianen een heerlijken brief, dien wij nog bezitten, waarin hij vol waardigheid en in het bewustzijn van zijn gezag als primaat, den onbeta-melijken toon van hun schrijven aan hem ten strengste afkeurt. Na. hunne uitvluchten, waarom zij niet op de

ocr page 524

186

synode te Rome verschenen waren, en liimne besclml-digingen tegen Atlianasius wederlegd te hebben, verklaart liij uitdrukkelijk, dat zelfs in geval van schuld dier bisschoppen (Athanasius eu Marcellus) eerst aan den Stoel van Rome geschreven en vau daar de beslissing moest worden afgewacht. (Coustant: Epist. Hom,. Pont. col. 386 edit. Paris 1721.) Hij deed dat niet uit ijdel-heid en eerzucht, maar krachtens zijn recht. „Ik beroep mij slechts op datgenequot;, zegt hij, „ivat ivij van den gelukzaligen Apostel Petrus ontvangen hebhen, en zou van datgene, wat ik meeu dat aau allen bekend moet zijn, niet gewaagd hebben, indien het voorgevallene mij daartoe niet gedrongen had.quot;

Paus Julius 1 „verdient eene bijzondere vermeldingquot;, schrijft de Protestant B. Röse, „wijl hij het aanzien vau den Roomschen Stoel bevorderde en door eenig-equot; (vele) „bewoners vau 't Oosten als scheidsrechter in kerkelijke aangelegenheden werd ingeroepen.... In Sardica .... erschienen im Jahre 344 94 Bischöfe des Westens und 7G aus dein Osten. Julius erschieu in dieser Versammluug nicht persönlieh, so ader u überliess den Vorsitz dem ihm gleichgesinuten Biscliofe Osius oder Hosius vou Oordaba.... Die zehn Decrete vou ihm, welche sich in den Sammlungen Gratian's nud Yvon's betinden, enthalten uützliche Yerortlnungen, so z. B. die Verdaaimung des Wuchers.quot; (E. u. G.)

Op verlangen van Paus Julius en eenige andere bisschoppen drong keizer Constans bij zijn broeder Con-stantius er op aan een groote synode te houden. Zij vond plaats te Sardica in 343— 344.

De synode van Sardica erkende uitdrukkelijk als in hooger beroep het primaatschap van de Kerk vau Rome

ocr page 525

in kerkelijke aang'elegeiiliecTen, daar de synode (c. 3—5) verordende, dat een bisscliop, ingeval liij door een provinciale synode werd afgezet, appelleeren kon op den Paus. Zoo werd de voorrang van de Kerk van Eome pleelitig uitgesproken. De beteekenis van die acta verliest hare kracht geenszins, al werd het besluit in 't Oosten en in Afrika practisch niet geheel nagekomen. De canones der synode werden voortdurend in de geheele Kerk erkend. Bovendien wordt het primaatschap altijd op de stichting der Kerk van Home door Petrus teruggebracht, wijl haar het voorrecht van het primaatschap ter eere van dezen Apostel verleend werd. Op do synode van Chalcedon (451 hoofdstuk 28 werd wel is waar de staatkundige beteekenis der stad Rome als de grondslag van dat primaatschap aangewezen. De opvatting steunt echter slechts op de poging der synode om een titel voor de verheffing van den zetel van Konstantinopel boven de oostersche patriarchen te geven. Overigens wordt ook in liet Oosten de stichting der Kerk van Rome door Petrus als grond van het primaatschap erkend.quot; (Dr. F. X. t1unk: Lehrh. der Kirchengesch. 2 Aufi. 1890.)

Pistus, bisschop der Arianen te Alexandrië (Hefele 1 -i-90 noot 2), die op het Concilie van Xicea veroordeeld was, deed omstreeks 350 een beroep op Paus Julius (337—352), en zijn beroep werd gesteund door de partij der Eusebianen. Vandaar dat de H. Julius, toen dezelfde Eusebianen later den Roomsehen 8toel het recht durfden betwisten synodale besluiten te vernietigen, dezen tegenwierp, dat zij in de zaak van Pistus daarover anders dachten. (D. Bouix: de conc. provinc.)

Socrates, kerkelijk geschiedschrijver, geb. omstreeks 380, sprekende van den EE. Athanasius en anderen, die

ocr page 526

188

tc Home Ima toevluclit hadden gezoelit, schrijft: „Toen zij dan aan Julius, den bisschop van Bome, hunne zaak hadden blootyeleyd, zond deze, overeenkomstig het voorrecht der Kerk van Rome hen, van vrijbrieven voorzien, naar het Oosten terug, terwijl hij hen allen op hun zetel herstelde, en tevens degenen berispte, die bovengenoemde bisschoppen lichtvaardig hadden afgezet.quot; (Hist. 1. 2. c. 15; Migne t. G7 col. 211.)

En aldaar c. 17: „Daar het volgens het voorschrift der Kerk verboden is, dat de kerken, iets heslissen tegen het gevoelen van den Ussclioy van Komtquot; enz.

De ü. Silvester 1 (81-1—ooo. Paus.

De Protestant Guizot zegt: „Het Algemeen Concilie vau Nicea (--gt;25) is bijeengeroepen in overeeustemming met keizer Constantijn en Paus Silvester en iverd enkel door den Paus in den persoon zijner gezanten voorgezeten.quot; *)

M osiris door Wigand genoemd „ein augesehener Kirchenlehrerquot;' en bisschop van Cordova in Spanje, was op 't beroemde Concilie van Nicea voorzitter in naam van Fans Silvester T. Immers hij onderteekende steeds in verbinding met de Komeinsche priesters Vitus en Vinceutius, die uitdrukkelijk als pauselijke gezanten optraden. Zoo alleen is het te verklaren, hoe in tegenwoordigheid van de groote en aanzienlijke patriarchen van Alexandrië en Antiochië een bisschop van Spanje liet voorzitterschap kon bekleeden. Op de groote synode van Sardica in o !:!—'344 was hij wederom in naam des Pausen Julius voorzitter. Hij stierf in 357 ais honderd-

1) Do Paus stierf 31 D:c. 335, vandaar dat door sïlvester-maand do laatste maand van 'b jaar en door silvesler-avond oudejaarsavond worden aangeduid.

ocr page 527

189

jarige grijsaard na zeer veel geleden en gestreden te liebben voor het geloof.

Hij wordt de „Atlianasius van 't Westenquot; geroemd.

Op 't Concilie van Nicea onderteekenden vóór alle overige bissclioppen de drie gezanten van den Paus: Hosius bisschop van Cordova en Vitus en Vincentius, ofschoon deze laatsten geen bisschop waren.

Wat beteekent dat;'....

De Eussisch-Schismatieke kerk leest nu nog in hare levens der Heiligen de woorden tot Paus Silvester: „Gij zijt het hoofd van 't geheiligd Concilie; gij hebt den troon van den vorst der Apostelen verheerlijkt, goddelijk opperhoofd der heilige bisschoppen; cjij heht de goddelijke leer bevestigd, den gnddeloozen mond der ketters ciesloten.quot; [Mineia Mesatehaia, 2 Jan. S. Sylvester Hymn. II.)

Heeft de Russische kerk zich hierin zeker vergist?

Alexander, bisschop van Konstanti uopel in de 4ai' eeuw, zond aan Paus Silvester oen verslag aangaande de twistpunten tegen de Avianen.

Heeft hij zich zeker vergist?

Op verlangen van Constantijn had in de kerk van Gallië de synode van Arles plaats, waar den 1 Augustus 314 bisschoppen uit alle streken vaa zijn rijk samenkwamen. In den eersten canon werd aangaande het vieren van het paaschfeest bepaald, dat de tijdrekening van Rome omtrent dat feest algemeen heerschen en alle kerken, volgens gewoonte, van Silvester, Rome's bisschop een brief ontvangen zouden. De synode betreurde het. dat Silvester de plaats, „waar de zetels der Apostelen (Petrus en Paulus) zijn opgericht, niet had kunnen verlaten om persoonlijk op de synode te komen, en bad

ocr page 528

hem, wijl liij maiores dioeceses had, liare besluiten algemeen af te kondigen.quot; (Mansi, Coll. Cone. 2, 471 469 ; Hefele Conciliengesck. I2, 201 w.)

Heeft de synode zich zeker vergistI'

De H. Mil tiades (Melc-liiades) 310—314, Pans.

De Protestant Tli. Pressel zegt: „Hij herstelde Caeei-lianus weer in diens bisdom van Carthagoquot;; hij meende derhalve ook over de Kerk van Afrika iurisdictie te hebben.

De H. Augustinus noemt dien Paus: „Een voortreffelijk man, zoon van den christelijken vrede en den vilder der christenen.'''' (Dr. Herzog.)

De Donatisten, die door den Protestant Von Coelln een „schismatische Parteiquot; en „Fanatikerquot; (E. u. Gr.) genoemd worden, hadden zich tot keizer Constantijn gewend om van den wereldlijken vorst een beslissing te krijgen ten g-unste van hunne scheuring. Constantijn liet een synode te Pome houden voor Miltiades. Zijn brief aan deze en aan Marcus (diens aartsdiaken?) heeft dit opschrift: Aan Miltiades, bisschop van Pome en aan Marcus. Het schrijven toont, dat Constantijn zich in de kerkelijke aangelegenheid niet mengt, maar de beslissing aan den bevoegden rechter overlaat. De synode werd te Eome gehouden in 't jaar 313 in het huis van Eausta in Lateranen. Het paleis van Lateranen behooreade aan Fausta, de echtgenoote van Constantijn, was reeds toen naar het schijnt aan de Kerk van Pome geschonken en diende tot residentie der Pausen. Onder 't voorzitterschap van Miltiades werd Donatus veroordeeld. Miltiades gaf van dit besluit kennis aan Constantijn. Door den Paus en de synode werden twee bisschoppen naar Afrika gezonden om dit besluit af te kondigen.

ocr page 529

1 ji

De Donatisten lasterden den H. Miltiades, dat hij de H. Boeken zou uitgeleverd hebben.

Het Concilie van Arles (814) bekrachtigde de beslissing van Paus Miltiades tegen de Donatisten, — welke beslissing door den H. Augustinus afdoende genoemd wordt [Epist. 105) nadat Paus Silvester zijne toestemming tot een nieuw onderzoek gegeven had, „niet wijl het noodig wasquot;, zegt Augustinus, „maar uit toegevendheid jegens de verkeerdheid der afvalligen eu in de hoop, de algeheele onderdrukking van zulk een groote hardnekkigheid te bewerken.quot; {Epist. 43 nquot;. 20.)

Wij nemen afscheid van de vierde eeuw en onderschrijven het oordeel van den Protestant Dumoulin: „Wie de geschriften der Vaders leest, zal zien, dat de Vaders van de 4'1t! en 5'1, eeuw het primaatschap van Rome's bisschop erkennen en belijden, dat op hem de zorg over de kerken rust.quot; (Vocation des pasteurs.)

Hebben die Vaders zich zeker vergist?

De Protestant Gibbon getuigt in zijne Gedenkschriften : „Een wetenschappelijk man kan dit geschiedkundig feit niet loochenen, dat reeds in geheel het tijdperk der vier eerste eeuwen der Kerk, de katholieke beginselen zoowel in theorie als practijk erkend waren.quot; E n Johann Eenchlin (1455 f 1522), door Wigand uitbundig geprezen, schreef in 1511 aan den professor in de godgeleerdheid te Keulen, Arnold von Tungern, het volgende: „Alles derhalve wat de H. Kerk, die de zuil en de stut der waarheid is, gelooft en op welke wijze ook gelooft, geloof ik en op dezelfde wijze. En evenals zij zelve de H. Schrift verklaart, zoo ook meen en belijd ik haar te verklaren. En indien ik ooit van hare uitlegging mocht zijn afgeweken... ik ben bereid dat te herstellen en te verbeteren, —

ocr page 530

192

quicquid igitur sancta Ecclesia, quae est columna et firmamentimi veritatis, credit et qualitercuuqne credit, item ego et taliter credo. Et siciii ipsa exponit sacram scripturam, Ha et ego exponendam censeo atque confiteor. Et si usquam aliter exposuerim.... illud corrigere et emendare paratus sum.quot;

Zoo spreken alle Katholieken aller eeuwen.

lt; QO

v

Pastoor P. J. Van Harderwijk en de EL Basilius de Groots.

..Dat p.la;itsquot;ii mot miskomüng' van Cxiirianus' ifdoelin^: uil liaar vorbaml gerukt worden .... behoeft voorzeker geen betoog.quot;

(P. J. Van Harderwijk.)

F. J. Van Harderwijk, die idcli noemt ond-katlioliek pastoor te Scliiedam, lieeft door een brocliure getiteld Petrus en het primaat in de oude Kerk vAch tussclien Dr. Schaepuian eu Bolland geplaatst en den lezer toegeroepen: De gescliiedenis van liet primaat door den laatste m. i. door den eeuen (Bolland) onvolledig, door den ander eenzijdig, zoo niet erger behandeld, wordt liier aan een nieuw onderzoek onderworpen.

Die brocliure is reeds jaren vóór hare geboorte weder-legd, al gelooft de schrijver, „dat ook de geleerden er nog nieuwe gedachten in uitgesproken zullen zien.quot;

Ik maak dan ook maar terloops melding van een of ander punt, dat door sommige tegenstanders van het het pausdom voor zeer gewichtig wordt gehouden.

In deze paragraaf wil ik een afzonderlijk woordje tot den schrijver spreken. Aanleiding daartoe geeft mij

ocr page 531

193

biz. 48, waai- hij de Eooiuscli Katlioliebe partij ten opzichte van Cypriantis' gescliriften enz. verwijt „tot kunst en vliegwerk.... tot ontkenningen en ver va 1-scliingen liaar toevluclit te nemen en met miskenning van Cvprianns' bedoeling plaatsen nit liaar verband te rukken.quot;

Dat alles noemt hij „gemeen.quot; En terecht, als het verwijt verdiend was, wat geenszins, zooals wij zien zullen, het geval is.

Maar ik wil hier pastoor P. J. Van Harderwijk eens duidelijk zeggen, wat mij „gemeenquot; voorkomt.

Op blz. 54 van zijn brochure vertaalt hij een plaats uit Basilius de Groote, om met die weinige regelen te bewijzen, dat die kerkvader uit de vierde eeuw niet Rome, maar eerder Antiochië het primaatschap toekende.

Ziehier die vertaling: „Geen Kerk heeft zulke vooi--rechten als die van Antiochië; is daar de eendracht teruggekomen, dan kan deze Kerk als een versterkt hoofd aan de geheel e Kerk {tt-mti rw G-wfxy.ri) de gezondheid geven.quot; Zoo „schreef Basilius de Groote ( 379), de beroemdste der drie Kappadociërs aan den niet minder beroemden Athanasius (ep. 66).quot;

En nu roept de pastoor triomfantelijk uit: „Stond in plaats van Antiochië maar Home!quot;

Zie, dat vind ik „gemeenquot;.

De pastoor weet immers met Basilius, dat de BE. Petrus zelf de grondlegger was van de Kerk van Antiochië, -— dat de H. Barnabas naar die kerk gezonden is en met zijn medearbeider Saulus zulk een groot getal nieuwe geloovigen uit het heidendom won, dat Antiochië een tweede christelijke metropole werd en naast de moederkerk van Jeruzalem, uit Joden-christenen ontstaan, de stamkerk der Heiden-christenen was. De pastoor weet

ocr page 532

194

met Basilius, dat 's Heeren jongeren te Antiocliië liet eerst den naam „Cliristenenquot; ontving-en, dat in de vervolging een groot aantal Christenen van die Kerk het Christendom met hun bloed bezegelden, dat behalve de heilige bisschoppen Evodins, Ignatius, Theophilus, Ascle-piades. Babylas en Demetrius de namen Eomauus, Bar-laam, Pelagia, Domnina, Berenice, Prosdoce, Lucianus, Juventus en IVTaxinnis met eerbied worden herdacht enz. kortom, dat Antiocliië ten tijde van Basilius de voornaamste Kerk van het Oosten was.

Het mag' den pastoor niet onbekend zijn, dat volgens Basilius alleen het Oosten ziek was. Immers de Heilige stelt onze kerken tegenover de westersche (Ep. 70 en ep. 0G n0. 1).

De pastoor weet, dat Basilius in Ep. 70 aan Paus Damasus vraagt om volgens de gewoonte van diens voorgangers hulp te brengen aan do kerken van het Oosten en dat hij, alleen van dezen sprekende, herhaaldelijk smeekt de oostersche kerken en „de zaken alhierquot; (ra 'svrx-iB-x) te bezoeken en 'ex-lrxepe Ep.

GS, G9 1 en in ep. 70 driemaal), terwijl hij ondanks al zijne lofverheffing van Athanasius, ten opzichte van dezen laatste die woorden niet gebruikt, die bisschoppelijk, herderlijk toezicht en zorg' schijnen uit te drukken en zeker met (toeziener, opzichter) verwant zijn.

De pastoor weet, dat Basilius aan Athanasius vraagt eerst de voornaamste der oostersche kerken te genezen en dat van genezing der westersche kerken geen sprake was; integendeel deze werden te hulp geroepen.

De Pastoor weet dus, dat rr/.vr: iSi xt: — door hem vertaald: „aan de geheele Kerkquot; — „het geheele Oostenquot; moet beteekenen; in Ep. 67 wordt rï.c

iv-f://.vr-zj gebruikt van de meerderheid der g'elooviaren van

ocr page 533

195

AutiocMë, die aan Meletins onderworpen was, — terwijl een minderlieid als „afsnijdsels van ledenquot; andere bis-sclioppen of psendobissehoppen volgde.

Dat weet de pastoor, maar al zon er sprake zijn van „de gebeele cbristelijke Kerkquot;, dan ware de zin nog deze: als liet hoofd van het zieke Oosten genezen is, zal voortaan de gebeele Kerk gezond zijn, wijl liet Westen gezond is. Dat alles weet de pastoor, en daarom vind ik bet „gemeenquot;, dat bij die plaats van Basilins zoo maar buiten allen samenhang vertaalt en dan met den zegekreet: „Stond in plaats van Antiochië maar Rome!quot; den lezer traebt te verbijsteren en te bedriegen.

Dat noem ik kort en bondig „gemeenquot;.

Hier is een plaats „met miskenningquot; van Basilins' bedoeling „uit baar verband o-eruktquot;.

ocr page 534

196

§ 33.

Vromen en geleerden uit de derde en tweede eeuw.

„U1) i Petrus, i lgt; i E c c 1 e si a; en ces mots peut se 1'ormuler toute la tradition ócrite tant de l'Orient que »le l'Occident, de-pui s les S a i u t s - E v n u ^ i 1 es jusqu'au (luatrièiue Concile oecuménique, en passant par les Actes des Apótres, les ócrits des Pères apostoliques et les lïran ds docteurs de l'E^lise. On fer.ait un livre rien qu'avec les téraoignages des premiers siècles sur la primauté de Pierre et de ses successeurs.quot;

(Revue des Deux Moudes.)

Felix T. Dionysius, Dioxysius van Alexaxdkik, Oeigknks, Hippolytüs, Cornelius, Phivatus, Tertullianus, Kallistus T, Zephyeinus, Mok-tanus, Flobianüs, Victob, Sotee, Anicetus, POLYCAEPÜS, ttYGJNUs. heBMAS, SlXTUS i.

Do H. Felix I (269—274), Paus.

De gewiclitigste gebeurtenis uit zijn pontificaat was de pacificatie der Kerk van Antiocliië in de samosateen-sclie verwarring. Paulus van Samosata, bisscliop van Antiocliië, dien de Protestant Rettberg (E. u. G.) een ecbten ketter en een slechten bisschop noemt, was op een derde synode van Antiocliië op 't einde van 't jaar 268 wegens ketterij veroordeeld en afgezet en bad Domnus tot opvolger. Biervan zond de Synode bericht aan Paus Dionysius, aan Maxiinus, bisschop van Alexandrië en aan de geheele Katholieke Kerk. Toen Paulus niettegenstaande het vonnis der synode niet behulp van de vorstin Zenobia van Palmyra (door Epiphanius een Jodin, maar door Theodoretus juister een Joodsche proseliete

ocr page 535

197

genoemd) zijn bisscliopszete] verdedigde, riep de cliriste-lijke gemeente van Antiocliië de besclierming in van keizer Anrelianns, die kort te voren op Zenobia een overwinning behaald en Palmyra verwoest had. Het oordeel van keizer Anrelianns luidde, dat het bisschoppelijk hnis met al zijn toebehooren moesten gegeven worden aan dien prelaat, die met den bisschop van Rome (Felix I) in gemeenschap stond en door dezen erkend was. Nu trok Paulus met schande af.

Ensebius verhaalt het nitdrukkelijk. Zoo overbekend was het, dat zelfs in de oogen der Heidenen zij alleen rechtmatige bisschoppen waren, die door den Pans als zoodanig erkend werden. „De Heidenenquot;, zegt Ensebius, „weten dat de ware Christenen in ypmeenschap zijn met Rome.quot; (Hist. 1. 7, c. 80.)

De Protestant Trechsel (bij Herzog) zeg't van dezen Panlns, die in drie concilies van Antiochië veroordeeld is: „Er wird uns u uter Anführung viel er thatsdchlicher Belege als weltlich, eitel, habsüchtig nnd hochfahrend geschildert.quot;

Zijne aanhangers Paulianen, Panlinuisten, Samosa-teners geheeten, hielden zich tot 't einde der 4'ln eeuw staande.

De protestantsche hoogleeraar W. Moll zegt van „den beruchtenquot; Paulus van Samosata, dat deze op den grooten paaschdag te midden der gemeente door de vrouwen zekere psalmen tot zijn eigen lof liet zingen, die velen de grootste ergernis gaven. (Gesch. v. 't kerkel. leven 2 Dr. 2 D.blz. 192.)

Wij behoeven niet te onderzoeken of deze Paulus den bisschop van Rome erkende of niet, want hij was een loochenaar van de godheid van Christus, Hij behoort dus volgens Ds. A. V. „tot de lieden, die

de Paus III.

ocr page 536

198

als natuurlijke mensclien, niet begrijpen de dingen, die des Geestes Gods zijnquot; (1 Cor. 2 : 14).

Felix „zou bevolen hebbenquot;, zegt de Protestant Dr. G Voigt (Dr. iderzog), „dat op de graven der Martelaren jaarlijks de Mis moest {jiihrliche Messen) 1) worden opgedragen, een gebruik intusscben dat wel langzamerhand en vanzelf zal ontstaan zijnquot;, inderdaad het bestond reeds lang, ofschoon de Mis „duidelijk strijdt tegen de Schrift!quot; zegt Ds. A. V. (blz. 59.)

„Felix stond de belijders van Christus gedurende de vervolgingen van den wreeden Aurelianus met vurigen ijver bijquot;, zegt de Protestant Dr. G. Voigt. (E. u. G.)

De H. Dionysius (259—2(58 of 269), Paus.

In Dr. Herzog lees ik: „Hij zond een herderlijken brief aan» de gemeente van Caesarea in Cappadocië om ze te troosten over de rampen, door de barbaren over

hen gebracht.....De romeinsche afgevaardigden, die

het schrijven van den Paus overreikten, hadden het bevel, de gevangene christenen dezer gemeente los te koopen, zooals toch volgens Dionysius van Corinthe (bij Busebius IV 23) van oudsher de Kerk van Rome door werkdadige hulp in leed en nood ook van ver-w ij d e r d e kerken uitmuntte.quot;

Den geleerden bisschop van Alexandrië, Dionysius genaamd en een vriend van den Paus, werd door dezen laatste bevolen zich te zuiveren van de beschuldiging, als zou hij in de verdediging van de leer der II. Drie-

1

/ jjo ü. Mm beatojuu dus vol^eua den Protestant» Voigt reeds lang vóór 't juar 269. Over Felix, die verordende Miswn re lozen op do graven der Mortelaren zie men L üuchcsno Inher Fontificialis I. 158: „Hic coustituit enpra memoriax Martyrnrn missas cclebrartquot;. Zio vooral noot 2 aldaar.

ocr page 537

199

vnldig-heicT tegenover Sabellius uitdrukkingen en vergelijkingen hebben gebruikt, die onpassend waren. De bisschop van Alexaudrië gehoorzaamde en nam die uitdrukkingen terug na een synode te Rome door den Paus in 202 belegd. De Paus richtte nu een streng logisch schrijven aan alle kerken van Egypte over de zuivere leer der H. Drievuldigheid. (Mi^-ne P. L. V 120 vv.

De H. Dionysius de Groote, bisschop van Alexaudrië (t 264 of 265) wendde zich tot Paus Sixtus II ') (257—258), toen hij hen, die de sabelliaansche dwaalleer waren toegedaan, tot de Kerk wilde terugbrengen.

Reeds door Eusebius (t :gt;i0) in Hint. eed. 7 p/ooern. en door Basilius (f 379) in ÜJp. 18lt;S ad A/iipJdl. can. 1 (Migne P. Gr. 82, (gt;(58) wordt hij „de Grootequot; bijgenaamd.

Bij al zijn lijden voor de eer van Christus ondergaan en waardoor hij den titel „martelaarquot; verdiende, kwam ook dit nog, dat hij te Rome omtrent de rechtzinnigheid zijns geloofs werd verdacht gemaakt. Paus Dionysius hield toen een synode eu zond hem een brief om inlichting. De onschuld des heiligen kwam glansrijk aan 't licht.

ü rig en es ;f 254), die ook door zijne zorg voor de ongeschondenheid en juistheid van den tekst der II. Schrift beroemd is en volgens Ds. A. J. Th. Jonker „de waarheid van het Evangelie met kracht heeft gehandhaafdquot; (blz. 12), maakt zichzelven dezelfde opmerking,

Uuze Faus word door eene schare hoideneche soldaton Kodocd op 't oogonblik, dat hij het H. Misoffer opdroeg. Het H. Misoffer bestond dus reeds vóór 't jaar 258. Met hem stiorven Jamiarinp, Magnus, quot;Virceutius eu Stephacus. (De H. Cypnanus: Kp. 80 Allard : Hist, des perséevt. 3, 85.)

ocr page 538

200

die Ds. A. V. ons Katholieken voorlegt: „Doch wat hierboven (namelijk bij Matth. 16 :19) alleen aan Petrus geschonken werd, schijnt hier bij Matth. 18 : 18 aan nlleib geschonken te wordenquot;, — maar dezelfde Origenes weder!egt die tegenwerping, evenals wij Katholieken, door dit antwoord: „Ofschoon Christus zoowel aan Petrus als aan hen, die de broeders terechtwijzen, iets gemeenschappelijks gegeven heeft, namelijk de macht om te binden en te ontbinden, heeft Hij toch alleen aan Petrus gezegd: Ik zal u de sleutelen des hemelrijks ijeven; aan Petrus is derhalve iets bijzonders geschonken, en er is een groot onderscheid tusschen de macht, die aan Petrus is verleend en die der anderen.quot; (Comment, in Matth. t 13 nquot;. 31; zie t 12 n0. 11.)

Waarop steunt dat verschil volgens Origenes ?

Hierop, dat de macht van Petrus verder strekt dan die der ande;en. (Migne III, 1180—81; Hom. 4 in Exod. 12, 320; Kom. 11 in Jerem. 13, 371; Hom. in Levit. 7, 12, 485.) Hij zegt: „Aan Petrus werd het oppergezag in 't weiden der schapen toevertrouwd.quot; [Tn Kom. VT 1. 5, 10.)

H. Hippol ytus, volgens Photius een leerling van den H. Irenaeus en bisschop en martelaar, schreef onder andere boeken ook verklaringen van een gedeelte der H. Schrift. Hij verdedigde het geloof tegen de dwalingen van Marcion en Noëtus en bewees de onderscheidenheid der di-ie goddelijke personen, de godheid van Christus en den H. Geest en het bestaan der twee naturen in Christus. Sprekende van de Eucharistie zegt hij, „dat wij het goddelijk Vleesch eten des Zaligmakers en zijn Bloed drinkenquot; en voegt daarbij; „dat men alle dagen dat Lichaam en dat kostbaar Bloed op de goddelijke

ocr page 539

201

tafel offert ter gedacliteuis aan liet g'elieimziunig avoml-niaal, waarin Christus dat offer lieeft ingesteld.quot; i) Hij stier!' omstreeks 251.

In zijn De Gonsumm. mundi zegt hij: „Petrus (is) de eerste, de rotssteen (d. i. rotsman) des geloofs, wien Christus onze Heer gelukzalig heeft geprezen, de Leeraar der Kerk, de eerste leerling, hij, die de sleutelen van het Rijk heeft.quot;

De H. Cornelius (251—25o), Paus en martelaar.

Volgons den protestantsehen hoogleeraar W. Moll, maakt Paus Cornelius in de eerste helft der derde eeuw, in een (griekschen) brief aan Fabius, bisschop van Antiochië melding „behalve van den bisschop, van vier eu twintig ouderlingen (priesters), zeven diakenen, evenveel subdiakenen -), twee en veertig acolieten, twee en vijftig exorcisten, lectoren eu ostiariën.quot;1 Moll noemt dat „een belangrijk berichtquot; en met recht, want al deze kerkelijke ambten bestaan nu nog iu dé Eoomsch Katholieke Kerk; in de protestantsche Kerk ook ? (Euseb. Hist. eed. (5, -lo.)

Zijne briefwisseling met Cypriamis is een onwederleg-baar bewijs A*oor het primaatschap der Kerk van Home. (Hartel 11 Viudob. 1871 1'ljj 11, 45, 17—52, 51), 60.)

Volgens den Protestant Voigt keurde hij goed en bekrachtigde de besluiten van eeu concilie, dat iu Afrika gehouden was. (E. n. Gr.)

!) Volgens Döllinger, den Protestant Volkmar, Bardonhewor on den Bollandist 0. Da Smedt S. J. (dissertat. selectao otc.) is deao Hippolytus do schrijver van de Philosophoumena. Het 'Kircheii' lexic. 2(le Auü. zegt, dat Grisar S. J, en JunRmann die overtuiging niet konden schokken. Zio ï1. X. Funk: Lehrb der Kirchengesck. '95.

2) Ook Oyprianus van Carthago spreekt van subdiakenen. Ep. 29.

ocr page 540

202

De bisschop Pri vatu s, die op het CarthaagschConcilie veroordeeld was, kwam in hooger beroep bij den Apos-tolischeu Stoel. (D. Bouix: de Conc. prov.)

Dat geschiedde omstreeks het jaar 251.

Heeft Privatus zich zeker vergist!'

Tertullianus (f 245), die zooals de protestantschf' schrijfster van de Geschiedenis der Christelijke Kerk zegt „het Christendom tegen de dwalingen der Heidenen verdedigdequot;, liet zich later „medesleepen door de dwalingen der Montanisten.quot; Maar zijne getuigenis voor liet primaatschap van Petrus dagteekent uit den tijd, waarop hij, zegt Ds. A J. Th. Jonker, „de waarheid van het Evangelie met kracht heeft gehandhaafdquot; fblz. 11). „Zelfs liet sarcasme van Tertullianus in zijn val is een ongezochte hulde aan Rome, het middelpunt der katholieke eenheidquot;, schrijft Prof. .J. V. De Groot ü. P. Door Paus Zephyrinus om zijne montanistische dwalingen veroordeeld, spotte hij: „Naar ik hoor is er een edict uitgevaardigd en wel een doodelijk; de Opperpriester namelijk, de Bisschop der bisschoppen bepaaltquot;, enz. Zoo blijkt uit de verachting van den verdwaalde, wat de trouwe zonen der Kerk vereerden.quot; (De Pausen 2,1'■ druk blz. 59.)

Tertullianus heeft zicli zeker vergist. Maar welke Tertullianus!' Hij die het Christendom tegen de Heidenen verdedigde of Tertullianus, die zich liet „medesleepen door de dwalingen der Montanistenquot; en veroordeeld werd door den Paus ?

De H. Ka 11 is t as 1 ,(218—222), Paus, door het woedend grauw vermoord. Men heeft dezen Paus zwart gemaakt, maar Döllinger's boek: Hippohjtus und Kallistus

ocr page 541

203

(Keg-ensburg 1853) verspreidt liet ware licht over dien laster.

Het is ontwijfelbaar zeker, dat liet gezag van den bisschop van Rome in zake geloofspunten reeds ten tijde van Kallistus door geheel de christelijke wereld erkend werd. Immers uit Hippolitus blijkt, dat deze opperpriester nadrukkelijk en duidelijk de eeuwigheid en medezelfstandigheid van het Goddelijk Woord beleden heeft. Welnu Hippolytus klaagt, dat de leer van Kal-listus binnen korten tijd !) over de geheele aarde verbreid was. Maar dat heeft Kallistus niet bewerkt door middel van boeken, immers hij schreef geen enkel boek en al had hij die leer ook in geschriften neergelegd, onmogelijk konden deze in korten tijd over de geheele wereld verspreid zijn.

Ook werd het gezag van den bisschop van Rome omtrent de kerkelijke tucht in de dagen van Kal Hist us erkend. Immers aan Kallistus werden ten onrechte eeuige misbruiken verweten, die door hem niet enkel iu de Kerk van Rome en Italië, maar in de meer ver-ivijderde kerken zouden ziju ingevoerd.

Vervolgens kan men uit de besclmldiging tegen Kallistus ingebracht, als zou hij hebben vastgesteld dat zondige bisschoppen niet daarom terstond moesten worden afgezet, besluiten, dat reeds toen het recht van den bisschop van Rome erkend werd om in de aangelegenheden der bisschoppen, in hun aanstelling of ontslag een besluit uit te vaardigen. Anders toch zou een dergelijk besluit en bijgevolg ook de beschuldiging, die daarin haar oorsprong vond, geheel ijdel en zonder gevolg zijn geweest.

!) Kort na doa dood van Kalliatus echreaf Hippolytus de

Fhi losophoumena.

ocr page 542

204

Ook blijkt, dat in die dagen in den bisschop van EiOine liet reclit erkend werd herhelijhe canons op te stellen. Want Ilippolytus laakt liet niet in Kallistus, dat deze liet wettig- gezag- mist, maar hij valt liet decreet zelf aan als te lax. (C. De Smedt S. J.: Dissert, sel. Diss. 4, c. 3 n0. 6 etc.)

De H. Zephyr inns (198/199—217), Pans, verklaarde tegen de Montanisten, dat ook voor echtbrekers de weg tot boete moest openstaan. Hij bestreed door een afdoend besluit de Theodotianen, (volgelingen van Theodotns van Konstantinopel, die Christus „enkel menschquot; noemden), Artemonieten (ketters van hetzelfde slag) en de Iligo-risten, die voor zonden van ontucht geen boete wilden gedoogen, en handhaafde de overlevering der Kerk. Montanus, Florianus en vele anderen, die in hunne eigen diocesen veroordeeld waren, kwamen in 't jaar 205 bij Paus Zephyrinns in hooger beroep. (Christ. Lupus: de Rom. appelat. T, 292.)

Was dat zelcer een vergissing P

De H. Victor (t 201 of 202), Paus, hield te Kome een synode betreffende het vieren van het paaschfeest, bedreigde de Klein-Aziaten met den ban en sloot Theodotns, den leerlooier van Byzantium, die de heid van Christus geloochend had, uit de gemeenschap der Kerk.

„In het episcopaat van Victor zijn alle fac-toren van het pausdom bijeenquot;, zegt de Protestant Schwegler (NaeJiap. Zeitalter II S. 214.) Daarom noemt de Protestant Lightfoot dezen Victor den eersten Paus en een prototype van Hildebrand, (Pans Gr ego rins VII 1073—1085) en van Innocentius III (1198—1216).

ocr page 543

205

Polycrates, bisschop van Epliesns, hield tegen den wil van Pans Victor de paaschviering op den 14 Msan. De Paus wilde hem in den ban doen, maar Irenaens, bisschop van Lyon, ontried het hem, zeggende dat die paaschviering de eenheid des geloofs niet verstoorde, üo Paus liet nu de zaak rusten.

De Protestant Georg Eduard Steitz (Dr. Herzog) schrijft: „Victor schickte den römischen Syuodalbeschluss über die Paschafeier an Polykrates mit dem Verlangen deuselben den versammelten kleinasiatischen Bischofen vorzulesen; dieser berief hierauf die letzteren zum Synode und meldete ihren Beschluss nach Eom. Es unterliegt denmach keinem Zweifel, dass Polykrates, wie auch Eusebins annimmt, bereits die Metropolitan rechte bis zn einem gewissen Umfang in Kleinasien ausgeübt habe. Diese bevorzugte Stellung kaun er aber nicht, wie Polykarp (!), seiuem hohen Alter verdankt haben — er war ja nach seiner eigenen Versicherung 65 Jahre alt.quot; Bijgevolg waren in 't jaar 160 Polycarpus en in 190 Polycrates Metropoliten d. w. z. aartsbisschoppen, die niet enkel iurisdictie over hun eigen diocees, maar ook over andere bezaten, welke tot een kerkelijke provincie vereenigd waren of, om met den Protestant Steitz te sp.ieken: zulk een aartsbisschop was „der einigende Mittelpunktquot; der andere gemeenten. Zoo is het nog in de Eoomsch Katholieke Kerk, maar niet in het Protestantisme.

De H. So ter (f 176 of 177), Paus, schreef aan do Kerk van Corinthe een brief, die aldaar zooals vroeger die van Clemens voorgelezen werd.

De leerling van den Apostel Joannes, de H. Polycarpus, die op den brandstapel voor het geloof

ocr page 544

I

206

gestorven is (155) en van wien de protest, schriifster van tie Gesch. der Christel. Kerk schrijft: „Weldra was de getrouwe getuige door den dood in de eeuwige heerlijkheid ingegaanquot; en die volgens het getuigenis van zijn leerling Irenaeus (Adv. Baer. III, 3, 4; Migne 7, 851) door de Apostelen zelven tot eersten bisschop van Smyrna is aangesteld, deze Polycarpus zegt in zijn brief ad Pldlippenses (5, 3): ') „Men moet gehoorzamen aan de priesters en diakenen als aan God en Christus.quot; Hij noemt zich geen bisschop, maar het opschrift van den brief: „Polycarpus en de priesters die met hem zijnquot;, duidt zijne waardigheid duidelijk genoeg aan, en Ignatius in een brief aan Polycarpus schrijft: „Ignatius.... aan Polycarpus, bisschop van de Kerk van Smyrnaquot; enz. ,

Volgens dezen „getrouwen getuigequot; waren in de Kerk der 2ae eeuw: bisschoppen, priesters en diakenen.

Heeft de Kerk toen zeker gedwaald, zich zeker vergist i' „Hij leerdequot;, schrijft de IJ. Irenaeus Adv. hoer. Ill, 3, 4) „steeds datgene, wat hij ook van de Apostelen geleerd had, wat ook de Kerk verkondigt, wat ook alleen waar is.quot;

Onder het bestuur vau den H. Anicetus, bisschop van Rome van 154 155—166/167, toefde Polycarpus te Rome en onderhandelde met den Paus, zoo verhaalt Irenaeus {Ep. ad Victorein, bij Euseb. Hist. eccl. 5, 24)

over verscheidene vragen, volgens Eusebius en Hiero-nymus (De Vir. Ut. 17) „over den dag der paasch vie ring.quot; De onderhandelingen hadden geen gunstigen uitslag,

want noch Anicetus kon Polycarpus overhalen het

i) JJe bodoukingen, dio vroeger door do Protestaiiten tegen do echtheid van dezen brief gemaakt worden, zijn nu verstomd.

Zie Kirchenlexicon 2ae Aufl.

ocr page 545

207

gebruik, dat deze met Joannes, den leerling- des Heeren en met de andere Apostelen, met wie hij verkeerde steeds gevolgd was prijs te geven noch ook bewoog Poly carpus Anicetns, zich aan dat gebruik te honden, wijl deze laatste verklaarde de gewoonte zijner voorgangers te moeten volgen. Toch werd de vrede tusscheu hen geenszins verstoord.

De H. Hyginus (187 f 141 of 142), Paus, „nam zijn ambt waarquot;, zegt de Protestant Voigt (E. n. G.), „in den voor de Christenen zeer onrnstigen tijd van keizer Antonius l'ius.quot; Het is derhalve niet te verwonderen, dat wij geen historische berichten hebben, hoe deze Pans het primaatschap heeft geoefend; wij weten echter, dat Marcion, door zijn bisschop in Pontns in den ban gedaan, naar Home ging om daar van den ban ontslagen te worden. (H. Epiphanins Haeresi 42.)

In den „Pastorquot; [Ue HerJer) van Hernias {Vis 2, 4, 3), zeker vóór het einde der tweede eeuw door een romeinsch Christen geschreven, leest men: „Vervaardig dus twee afschriften en zend een aan Clemensquot; (do Paus is zonder eeniyen twijfel bedoeld) „en een aan Graptequot; (waarschijnlijk een diaconesse). „Clemens zal (het schrift) naar de buitenlandsche steden zenden, want dat is hem opgedragenquot; (dat behoort bij hem, dat is zijn taak: 'sy.ïiyy yy.p 'nririrpxtït-j.i). Zie Driiseke: Tium Hirten des Hennas (Zeitschr. f. wissensch. Tlieoloyi-c XXX 1887) en F. X. Punk: Zu dem griechisehen Pastor Henna {Theol. Quartalsch. 70 1888.) In lib. 3 Similit. 9, 17, 18 zegt hij dat alle volkeren in een Kerk zoo vereetdgd moeten zijn als de steenen van een toren.

ocr page 546
ocr page 547

PAUS

DE

DOOR

H. ERMANN S.J.

Vierde Gedeelte.

Utrecht,

Wed. J. R. VAN ROSvSUM. 1900.

ocr page 548

INHOUD

Vierde gedeelte.

Hlartzijile.

§ 34. Ontwikkeling van het primaatschap . • • § 35. Een woord aan Ds. Th. H. Nahuys en Ds

A. Veenhuysen...........

§ 36. De H. Cyprianus, de Oud-katholieke pastooi P. J. Van Harderwijk en Prof. Bolland . . • § 37. Een woord over den H. Irenaeus, dat wij Ds. A. V., Bolland en den Oud-kath. pastoor P. J. Van Harderwijk ter lezing aanbevelen . § 38. De H. Ignatius van Antiochië ook een getuige

voor het primaatschap.........

§ 39. Clemens I, bisschop van Rome, Ds. A. V. en de Oud-kath. pastoor P. J. Van Harderwijk .

§ 40. Is Petrus te Rome geweest?.......

§ 41. Is Petrus bisschop van Rome geweest? . • § 42. Bedenkingen van eenige Protestanten tegen

Petrus' verblijf te Rome........

§ 43. Met of tegen Petrus?.........

12 20

66

83

t)6 125 152

182 191 200

§ 44. Slotwoord .

Naamlijst van personen en zaken.....221

ocr page 549

§ 34.

Ontwikkeling van het primaatschap.

.. Petrus en zijne eerste opvolgers bezaten volkomen en werkelijk de gelieele macht, die wij den tegemvoordigen lJan.s toekennen.quot;

Paul Vnn Hoensbroeck.)

In de Revue des deux Monde* (geen katholiek tijcl-sclirift) lezen wij liet volgende: Heeft Jezus Chi'istns meer dan één Kerk gesticht

Ziedaar het echte punt van uitgang. Ik antwoord met de geloofsbelijdenis van Nicea (325): „Credo in Unam, sanctam, cathohcam et apostolicam Ecclesiam: ik geloof in ééne, heilige, katholieke en apostolische Kerk.quot; Die woorden worden openlijk en plechtig uitgesproken door alle Christenen, zoowel Russen, Grieken, Syriërs enz. als Eoomsch Katholieken. Allen gelooven in één Kerk, en de eenheid is voor de Christenen van 't Oosten als voor die van 't Westen, het voornaamste kenmerk der ware Kerk van Christus. Er is derhalve maar ééne Kerk van J. C.: in dit punt zijn allen het eens. De vraag is nu: welke is die Kerk!'

Van het Apostolisch tijdvak tot de 91'' eeuw van onze tijdrekening is die vraag nooit gesteld. In dezen korten zin: Ubi Petrus, ibi Ecclesia, waar Petrus is, daar is de Kerk, kan geheel de geschreven Overlevering van het Oosten en van 't Westen, van de heilige Evangeliën de Paus IV. 1

ocr page 550

6

tot liet vierde Algemeene Concilie van Chalcedon (451) worden samengevat door de Handelingen der Apostelen, de gescliriften der Apostolisclie Kerkvaders en de groote leeraren der Kerk heen ....

Petrus vestigde zijn vasten zetel te Rome, en omdat reeds in zijn tijd het bestuur over de Katholieke Kerk ter oorzake van hare uitbreiding en van de beperkte middelen van gemeenschap moeielijk werd, richtte hij in t Oosten twee Patriarchaten oj): dat van Antiochië, waar hij 7 jaren gezeteld had om Azië, en dat van Alexandrië, waarheen hij zijn leerling Marcus zond om Afrika te besturen. Deze twee patriarchale zetels van t Oosten, die in stand bleven door hunne gemeenschap met Rome langs de Middella iidsche Zee, warer als de bijkerken van den oppersten zetel, die het middelpunt der Kerk was geworden. Dit feit is nu geschiedkuudiy hewszGïi Gii hoven cilleu twijfel verheven. Terwijl de twee patriarchalen van 't Oosten voortaan door hunne betrekkelijke patriarchen in naam van den Opperpriester, Christus' plaatsbekleeder bestuurd werden, bestuurde rechtstreeks de bisschop van Rome, patriarch van 't Westen, zijn eigen patriarchaat.... Dit feit is zoo gemakkelijk zwart op wit te staven, dat men het moet beschouwen als een punt, waaraan geen erustig- man, onverschillig van welken godsdienst, twijfelen mag. (Zie Revue des deux Monden t 12() 15 Dec. 1894 lion.e et la Russie). T)

ocr page 551

Niet zoozeer in verweerschriften als in de werkzame en vrnchtbare oefening van 't geestelijk gezag moet men de rol van 't pausdom der tweede eeuw zoeken. Onder de Apologeten van de 2',p eeuw vindt men geen Paus. Het pausdom openbaarde zieli door oefening en wetenschap van bestuur.

Doch al vinden wij geen Apologeten onder de Pausen van de 21'1' eeuw, is hun naam toch in de geschiedenis der vervolging geschreven met letters, die welsprekender zijn dan alle boeken. In dat getuigenis van bloed, bekleedt het pausdom de eerste plaats. Van Petrus af hebben 30 bisschoppen van Rome achtereenvolgens hun leer bezegeld met hun bloed. Het pausdom opent de lijst der martelaars door dertig namen van Pausen.

Gedurende die drie eeuwen van martelaarschap moest natuurlijk de oefening van hunne geestelijke macht hinderpalen ontmoeten. „Het is indertlaad vermakelijkquot;, zegt Mgr. Freppel, „te zien, hoe de tegenstanders van 't pausdomquot; (hij doelt op de prineipiëele tegenstanders die eerst in de I t1' eeuw en later optraden) „den uiter-lijken toestand, waartoe het door de gebeurtenissen in dat tijdperk gebracht was, misbruiken om het zijne rechten te betwisten. Waar waren toen, zoo vragen zij ons, de bullen der Pausen, hunne encyclieken, hunne gezanten, hun tusschenkomst in de geestelijke zaken van de christenheid? Ik zal antwoorden door op mijn beurt de vraag te stellen: waar waren de Pausen zeiven P In de catacomben, waar zij wachtten, totdat een spion van Cesar hen ontdekte om hen naar de strafplaats te leiden. Zij waren daar te midden van een menigte geloovigen, genoodzaakt evenals zij, om hun geloof in de onderaardsche gangen te verbergen. Zij werden daar

ocr page 552

8

bespied, omsingeld, vervolgd door een domme menigte en door een reclitei'lijke macht, begeerig om weer een nieuw vonnis te kunnen boeken. Ziedaar do plaats, waar de Pausen zich bevonden in de 2,lc eenw. En gij staat verbaasd, dat de koeriers van 't keizerrijk geen bericliten of lastgevingen van die Pausen naar de eindpalen van 't Romeinscbe rijk badden over te brengen! Gij verwondert u, dat de kanselarij van de catacomben bare brieven niet over de wereld beeft verzonden, portvrij misschien onder 't couvert van Trajanus of Marcus Aurelius ?.. .. Inderdaad de spot is wreed en vooronderstelt evenveel historische kennis als eerbied voor de verhevenheid van den tegenspoedquot; (Mgr. Freppel: Les Ajjuluyiste.i Chretiens au deuxième siècle 3lème edition 1887, pag. 398.)

„Van de 249 jaren, tusschen het martelen der christenen in Nero's vaticaansche tuinen tot den kerke! ij ken vrede van Milaan (64—313), waren er zeker 129 jaren van vervoloino-quot;. zegt Prof. J. V. De Groot O. P.....

O O ' O

„maar te Rome was Christus' stedehouder in 't hart van den strijdquot; [üe Pausen 2'le druk blz. 40.)

De Protestant Panke zegt: „Wahrend der Verfol-gungen batten sich die Bischöfe von Hom vorzüglich wacker gehalten, und oft waren sie einander nicht sowohl im Amte, als im Martyrerthnme und im Tode nachgefolgt.quot; {Die Piipsle 1, 12.)

Evenals de vorsten niet van hunne yehede macht gebruik maken, wanneer de noodzakelijkheid dat niet vordert en wanneer alles geregeld en vreedzaam voortgaat, zoo is het ooli niet noodig „dat de bisschoppen van Rome elk jaar of elke maand in elke plaats dei-aarde geheel hun gezag oefenen. Ten onrechte zou men dus eischen, dat wij de vooitdurende oefening der pause-

ocr page 553

9

lijke macht aantoonden. Evenals de koninklijke mujesteit en de voorrechten van den troon in omstandigheden van ernstigen aard zich uiten, zoo zien wij het primaatschap van Home's bisschop in gewichtige kerkelijke aangelegenheden uitschitteren.

Wie hierom ontkennen zou, dat de vorsten van oudere volken koninklijk gezag misten, wijl de oudheid dikwerf aangaande de oefening van dat gezag het stilzwijgen bewaart (en zij bewaart het stilzwijgen, wijl dat vanzelf spreekt of wijl de gedenkstukken verloren gingen enz.) zou vermetel zijn. Welnu past dat toe op de geschiedenis van het pauselijk gezag'. Uit de handelwijze van de wettige opvolgers Aran Rome's bisschop, welke handelwijze door de geheele Kerk werd goedgekeurd, besluiten wij tot de handelwijze of minstens tot het recht van handelen hunner voorgangers. Overigens zijn er vele gedenkstukken der oudheid verloren gegaan; uit de weinige echter die bewaard bleven, bewijzen wij voldoende het primaatschap der bisschoppen van Rome.

Daarenboven vergete men dit niet — men vergeet het maar al te vaak - : somtijds stonden edellieden of zelfs het volk tegen wettige vorsten op of verkleinden het gezag dier vorsten enz., maar daaruit volgt geenszins, dat die vorsten het gezag misten of dat die opstandelingen in hun recht waren. Al zijn eenige bisschoppen in den loop der tijden tegen den. Paus opgestaan, al hebben zij soms op eigen gezag gehandeld en zich rechten aangematigd enz. enz., daaruit volgt niet, dat zij goed handelden of liet primaatschap formed loochenden. Er is in de Kerk niets zoo heilig, wat niet door eenigen miskend werd; nimmer zal de xirijdevdf Kerk enkel uit rechtvaardigen en

ocr page 554

10

heiligen bestaan. (Zie Hurter: Theol. generalis 4,1(' edit. n0. 534—539.) i)

De groote godgeleerde Joliauu Adam Möliler zegt zeer juist: „Onweder 1 eg'bare historische bewijzen uit vroegeren tijd te vorderen, moet als onbetamelijk beschouwd worden, wijl eerst door de woelingen van ketters en scheurmakers de oefening van 't primaatschap noodzakelijk werd gemaakt en zóó het bewustzijn levendig kon worden, dat het primaatschap bestond; zoo ook heeft zich het bewustzijn, dat de Heiligen vereerd moeten worden niet geuit dan sinds den tijd, toen ei-Heiligen waren.quot; (Alois von Schmid: Der y eis tig e Ent-wicMungsga/ng Johann A/lam Möhlers in Hist. Jahrh. München 1897 B. IS Heft. 2 en 3.) „Wij moeten in het oog houden, dat gelijk het Christendom zich slechts langzamerhand uitbreidde en maar allengskens aan het geheele menschelijk geslacht verkondigd wordt, zoo ook het Pausschap in zijne geheele werkzaamheid slechts langzamerhand zich openbaren en maar allengskens voor de geheele menschheid zegenrijk kon optreden. In de eerste tijden der vervolging en verbanning moest de Kerk tevreden zijn iu onderaardsche catacomben een aan de wereld onbekend leven te leiden. In deze holen echter kon van geen opbouw van tempels, van geene werking der Kerk naar buiten sprake zijn; van de catacomben ging de weg van Petrus en van zijne opvolgers rechtstreeks naar het kruis, brandstapels, of strafplaats; eerst toen door het doopsel des bloeds de boom van het Christendom diepe wortelen in het hart van den inensch had geschoten, kon zich de Opperherder

1) Ben tegenwerping uit Oocc. van Konstantinopel oc Ooeo. Ohalced. (451) wordt door Paimicri S. J. de Hom. Pontif. Scholion post. th. 10 zaakrijk opgelost (blz. 419—421).

ocr page 555

11

ook met de garische, mensclilieid bezig houden.quot; (Dr. Th. Sclierer: Der lieiiiye Vater.)

„Eiu Bach-]ein war's n iilt;l wurde ein Stroin, Bin Körnlein war's und wurde eiue Eiclie,

Eine Zelle war's und wurde ein Dom.quot;

Wat de student H. jST. J. van Eelde in het feestnummer van de Vox Studiosorum bij gelegenheid van het 52si Ivistrum der Utrechtsehe Hoogesehool aangaande den dom van 't Sticht zong, kan men met meer waarheid op het pausschap toepassen:

„Het blijft een Dom van hoogen ouderdom, Eu stellig staat hij, tot glorie van het land.

Reeds veel langer in Utrecht dan de oudste predikant.quot;

„Petrus en zijne eerste opvolgersquot;, zegt Paul Von Hoensbroeck, „bezaten volkomen en werkelijk de geheele macht, die wij den tegenwoordigen Paus toekennen. Het onderscheid ligt hierin, dat bij Petrus, Linus enz. die bij hen berustende macht niet in werking trad, wijl de daartoe noodzakelijke uiterlijke omstandigheden niet aanwezig waren, terwijl die macht bij hunne latere opvolgers naar buiten zich openbaarde, juist omdat die uiterlijke omstandigheden zich wel voordeden.quot;

ocr page 556

12

§ 35.

Een woord aan Ds. Th. H. Nahuys en Ds. A. Veenhuysen.

.,Alle leeringen, waarin wij, Protestanten, non één zijn, kan ik op den nagel van mijn duim schrijven.quot; quot;

(De Protestant Claus Harms.)

Ds. Th. H. Naliuvs heeft in de Weekhode voor Zeist (5 Dec. 1896) met één trek het ontstaan van het Pausdom geteekend en daardoor een streep gehaald door alle getuigenissen van de vrome geleerden, die den Paus erkenden.

Luister.

„Het ontstaan van het Pausdom kunnen wij best verklaren. Rome was eeuwen lang de stad der wereld-heerschers. Hierdoor gingen de leeraars te Rome zich spoedig inbeelcleu, dat zij hooger stonden dan de leeraars in andere steden. Hebben de Apostelen reeds gedurende Jezus' omwandeling (ip aarde met elkander gestreden wie hunner de meeste was, zoo is het niet te verwonderen, dat bij de verbastering der Kerk het woord van Jezus: Eén is uw Meester en lt;jij zijt allen broeders geheel vergeten werd. De eene le era ar stelde zich boven den andere, en eindelijk noev.ide de bisschop v a n Rome zich alle r Papa = P a u s.quot;

Wien het lust deze luchtige uitspraak van Ds. Naliu vs te onderteekenen, ga zijn gang, maar zegge dan niet, dat Lij de geschiedkundige waarheid huldigt e:j een ernstig man is.

Niet alleen heeft de algemeene Kerk, gedwrende vele eeuwen het primaatschap van den Faus te Rome erkend, maar zelfs vele concilies te beginnen met dat van

ocr page 557

13

Epliese (4S1) tot het Vaticaansche toe (1871) hebben hetzelfde plechtig vastgesteld. !) Dit is een historisch feit. Tusschen 431 en 1871 werd het primaatschap van den Paus erkend door 18 concilies; en vele concilies tusschen dat van Ephese tot het Vaticaansche hebben het primaatschap zelf plechtig vastgesteld.

Ds. Veenhuysen ontkent het niet, maar opdat dit feit waarde en kracht van bewijs hebbe is eene algemeene erkenning gedurende alle eeuwen en door alle concilies onmisbaar, zegt hij. (blz. 9.)

Wat bedoelt hij met eene algemeene erkenning'.' Wil hij zeggen; de Arianen, tegen wie de groote Athanasius streed, gehoorzaamden niet aan den Paus, de Nesto-rianen, tegen wie Cyrillus kampte, de Eatychianen, van wie nu nog het handjevol Kopten en Jacobieten overbleef, de Manicheërs, Montanisten, Theodotianen, Samo-sateners en de Pelagianen tegen wie Augustinus, de bisschop van Hippo de pen opvatte, onderwierpen zich niet aan 't gezag van het Concilie en van den Aposto-lischen Stoel, die hen veroordeelden, dus was de erkenning niet algemeen

Zulk eene redeneering ging op, als de Kerk de deur openzette voor allerlei dwalingen en meeningen.

Wanneer van de ware Kerk van Christus kon gezegd worden, wat Luther den 6'quot; Mei 1522 aan burgemeesters en Raad van de stad Altenburg schreef; .... Ein Jeg-licher muss für sich selbst glauben und wissen, was rechter oder uurechter G-laube ist [Luth. Opp. edit. Walch. Xll 452; Janssen : Gesch, d. deutsch. Volkes II 222), ja dan, .... maar! . . . .i

]) Vgl. wat in §§ 31 en 32 over hot Concilie van Niooa gezegd is.

ocr page 558

14

Wanneer de ware Kerk vau Christus is, wat volg'eus den Protestant Rose de Geref. Kerk schijnt te zijn: „quot;e Gereformeerde Kerk is eene Christelijke gemeente, die uit vele kerken bestaat, tvelhe in meening verschillen en altijd kunnen voortgaan nieuwe veranderingen in hare 1 e e r s t u k k e n in te voerenquot; {Der 'Zustand der Protest. Jielig. in Deutschlard), ja dan.....maar!....

Als het maandschrift Geloof en Vrijheid (1893) gelijk had met te beweren „dat de Kerk niet zonder dog men kan, maar dat deze, — zullen zij voor de Kerk waarde en beteekenis houden, — niet moe'en

^ o

versteenen, doch telkens weer herziening en hervorming behoeven naar de vorderingen en eischen des tijdsquot;, zoodat men met den Protestant Dr. Johannes Muller van Darmstadt in het Protestantisme duldt „Umwand-lung, Auüösung, Zersetzung, Absiigen des Aste.s auf dem man sitzt, Abfall von der Bibelquot; enz., ja dan,.... maar! . . ..

Als de ware Kerk van Christus de protestantsche Kerk is, waarvan de Protestant superintendent Fröreisen, rector der Hochschule van Strassburg reeds in 1743 zeide: „Deze kerk is gelijk geworden aan een worm, die in de kleinste stukken wordt gesneden, waarvan elk stuk zich zoolang beweegt, als het nog eenige kracht bezit, maar dan ook eindelijk het leven en niet het leven de beweegkracht verliest.quot; (Zallwein 4, 28 Schröck: liirchengesch.), ja dan, .... maar! ....

Als men zich tot de Kerk van Christus mag blijven rekenen ook dan, wanneer men behoort tot de kerk, waarover Ds. Karl Buhl in zijn Das Parteiwesm der evang. Ghristenheit (18901') de volgende klacht uit: „Daar ligt voor onze oogen een wezenlijke staalkaart van kerkelijke inrichtingen, die onder allerlei yeschiedkundiire

ocr page 559

15

en itjaatscliappelijke invloeden, door verscliil in volkskarakter en staatkunde ontstaan zijn: zij wijlten van elkander af in 1 e e r, inrichting, godsdienstige gebruiken en verzorging der zielen. Men begrijpt, dat een oppervlakkige (!) beschouwer zich afvraagt, of in deze schijnbaar (!) Babylonische verwarring Christus' Kerk nog te erkennen isquot;, dan, ja dan, .... maar! ....

Als men zich mag aansluiten aan een der 3 0 0 en meer verschillende sekten van America, Engeland, Nederland enz. en tevens zich vleien mag tot de ware Kerk van Christus te behooren, die zich volgens de Protestanten moet kenmerken door de zuivere prediking van Gods Woord enz., dan, .... maar! . . . .

Als de ware Kerk van Christus de protestantsche was, waarvan de Protestant Stahl zeide: „Der ganze Protestantismus befindet sich fortwahrend in der

e

Stellung des Borghesischen Fechters. Üs ist ein bestiin-diger Ausfall, ein ilussertes Anspanuen aller Sehnen und Muskelu gegen Romquot; ^ {Die Lutherische Kirche und die Union S. 456), ja dan, .... maar! ....

„Wanneer een domineequot;, zegt een lid van den opper-kerkeraad te Baden, Karl August Mühlhauser, „door studie (!) tot de gevolgtrekking, dat geen persoonlijke God bestaat m. a. w. tot het atheïsme komt, dan heeft hij het recht dat aan zijne gemeente te prediken, want het is de uitkomst zijner studiën .... en als de gemeente daartegen protesteert, moet de opperkerkeraad dien geestelijke in bescherming nemen, want hij maakt gebruik van het recht der evangelische vrijheidquot;quot; [Briefe aus Hamburg 1883 S. 8G8), wanneer een kerk met zulk een

l) Ds. Quaat, Van Veeii, Schouten, Bronsveld ona. enz. mogen dafc zitiTifit.jo van Stahl Tioor eens rworlpzon.

ocr page 560

16

beg'iusel van eigen onderzoek de ware Kerk van Christus is, ja dan,.... maar! .. ..

Als liet Protestantisme de ware Kerk van Christus is, en Dr. A, Kuyper toch in 1896 waarheid sprak: „Het Protestantisme, als geheel genomen, lijdt aan duldelooze bloedarmoede. Het heeft, als geheel genomen, in de denkwereld uitgediend en is volslagen machteloos geworden om het zelfbesef onzer eeuw in zijn wankelen weer vast te zettenquot;, ja dan,.... maar! ....

Wanneer de ware Kerk van Christus bedienaars van het Woord Gods, ofschoon zij behooren tot de sociaaldemocratische arbeiderspartij, rustig aan het woord mag laten, zooals dat in Januari 1898 door het classikaal bestuur van Haarlem omtrent Ds. W. Bax, predikant der Hervormde gemeente te Oost-Zaandam is uitgewezen, ja dan, .... maar! . . . .

,i 7 6.

Als de ware Kerk van Christus ledematen mag bevatten van allerlei slag, geloovigen, half-geloovigen, ongeloovigen, zoodat Joden en Heidenen zonder gedoopt te worden ledematen kunnen zijn door eenvoudig in te gaan, zooals de Ned. Herv. Kerh in Augustus 1897 door het doopsel over boord te gooien geleerd heeft, dan, ja dan, .... maar! . . . .

Als de ware Kerk van Christus die is, waarvan de Protestant Krug (f 1844) zegt: „Dat in de Protestant-sche Kerk tweespalt in oeloofwaken heerscht, ligt in de natuur der zaaJequot;, of die, welke de Protestant Becker aldus teekent: „In geene Kerk is heden een grootere verscheidenheid van meeningen dan in de Gereformeerde kerkquot; (Tiber Toleranz K. 1 S. 36), dan,.... maar! ....

Indien de hooggeschatte protestantwehe godgeleerde uit het begin onzer eeu v Dr. Christoph Priedrich Yon Ammon de algeheele verandering van het christelijk

ocr page 561

17

leerstuk in liet belang van de „Fortbildung des Christen tliums znr VVeltrelig'ionquot; met reclit vorderde {Kircli-iiche Bamteine. Ausgewdhlte Stellen aus Dr. Von Amman's Schrift: „Dia Forfoildung des Christenthums enz. Berlin 1891), dan,.... maar! . . . .

Indien het beslnit van den 18aequot; duitschen Protestantendag-, van 7—9 October 1890 te Gotha gehouden: „Angesichts der Thatsache, dass für die grosse Zahl der evangelischen Christen die alt protestantise he Dogmatik ihre Geltungund Bedeutung mehr nnd mehr verloren hat und mcch vou ihren theolo-tjischen Vertheidiyern uur durch ümbilduny, Umdeutung oder vorsichtiye TJmyeliiiny aufrecld erhalten wlrd, erklart der deut-sche Frotestantenverein in TJebereinstimmung mit den von Dr. llichard Eothe anf dem ersten Protestantentage aufgestellten Thesen; Wir ver werf en jeden Ver-such, die alten Dog men auch noch nnserer Zeit als G la nbens-un d Lehrgesetz a ufzu er-leg en. Wir halten eine freie Steilung des denkenden nnd von Herzen glanbigen Christen dem Dogma c-ee'eniiber für vollberechtig't und fordern die Anerken-

o o '

nung einer jeden aus ernster wissenschaftlicher Prüfung hervorgegangenen theologischen Ueberzengungquot;. . . . indien dat besluit, eenstemmiy aangenomen, inderdaad de ware Kerk van Christus aanwees, die zich volgens Art. 29 der Gel. Bel. en Ds. J. H. Donner (De goddelijke waarheden) moet kenmerken „door de zuivere prediking van Gods Wourd, de reine bediening der Sacramenten en de uitoefening der kerkelijke tuchtquot;, dan, .... maar! ....

Indien men zelfs met Ds. Stöcker leert, dat men lid der Evanyelische Kir cl ie zijn kan ook wanneer men het zoo nauw niet neemt met de wonderbare geboorte van Christus en dat men geen lid der Evanyelische Kirche,

ocr page 562

18

doch wel lid der Kerk kan zijn, ook al belijdt men de (jodheid en de verrijzenis vliïl Christus niet, ja dan, . . . . maar! .... [Deutsche Evang. KirchenzeUung 1897, u0. 4.) !)

Lidien de ware Kerk van Christus die is, waarvan de achtenswaardige Protestant Claus Harms (f 1855) zucht: „Alle leering-en, waarin wij Protestanten nog- één zijn, kan ik op den nagel van mijn duim schrijvenquot;, dan . . . . maar! ....

Indien Dr. Bruins, lid van den Nederlandschen Proies-tantenbond gelijk heeft met te zeggen: „De Kerk is een vereeuiging van mannen en vrouwen, die op eigen verantwoording hun God willen dienenquot; (Het Dompertje 15 Jan. 1896) dan, .... maar! ....

Maar, indien de Protestant Kliefoth gelijk heeft, als hij in Protest. K. Z. van 27 Januari 1.855 (Berlin) schrijft: „Die Kirche ist ein obiectives Institut, ein von Gott gestiftetes, mit göttlichen Ordnungen, Aemtern, Standen, Institutionenquot;, dan . . .

Maar als reeds Cicero juist oordeelde, dat van alle godsdienstige meeningen maar één. waar kan zijn „Alterum certe (fieri) non potest, ut phis una cerj. sitquot; {De natura deorum 1, 2), dan ....

Maar indien de Protestant Planck waarheid spreekt, wanneer hij in zijne Gesch. der protest. Theol. S. 98 zegt, dat de Hervormers enkel een van de drie kerken voor de alleen ware hielden Geneve, Zürich of Wittenberg, en die Hervormers gelijk hadden, dan ....

Maar indien Christus gezegd heeft: „Leert hen alles

In 'C jaar 1889 echter zeido hij cp een vergaderu g to Berliju; „Bino Kirche, dio keine gottliohe Wahrheit mehr hat, dio don offenen Uoglauhen in ihrer Mitto dnldot, ist koine Kirche mehr; sio kann sich begraben iasson, man braucht sie nicht.quot; (Dar Beiehsb. 12 Dec. 1889, iA 291.)

ocr page 563

onderliomTon, wat ik u geboden liebquot; (Mattli. 28 : 20) en de Apostel: ,,Er is maar één, Heer, één geloof, één doop (Epli. 4 ; 5) en dezelfde Apostel vermaant de eenheid des geestes te bewaren door den band der kerke-lijke gemeenschap en waarschuwt tegen valsche leeringen (Eph. 3 : 13) en Ignatius die vreemde leeringen vergift noemt (Trail. 6) dan....

Maar wanneer de Augsburgsche Confessie (waarvan de Protestant 11. Leo zegt, dat zij .jaarlijks in elke protes-tantsche school geprezen wordt, terwijl bijna niemand weet, wat daarin staat) terecht in het 7rte artikel verklaart, „dat de éene heilige Kerk immer ziju eu blijven moet, welke is de vergadering aller geloovigen, onder wie het Evangelie zuiver gepredikt en de H. Sacramenten luidens het Evangelie bediend wordenquot;, en bijgevolg die Augsburgsche Confessie verklaart, dat de eéne heilige Kerk met zuivere prediking en echte Sacramenten ook vóór het ontstaan van kat Protestantisme geweest is, en de Protestant E. Perthes dat mede bekent door te zeggen: Luther heeft geen Kerk gesticht, dat is zeker; of bij ze niet heeft willen stichten, durf'ik niet beslissenquot; (Perthes' Leben III, 201; Hettinger; Apolo'jie B. 4 AnH. 1897 S. 409), dan ....

Maar als Luther gelijk heeft, zeggende: „Heigeen wankelt of twijfelt, kan geen waarheid zijn. Waartoe zon een Kerk Gods in de wereld nuttig of noodzakelijk wezen, indien zij zou willen wankelen of onzeker zijn in ha,re woorden of alle dagen wat nieuws opzetten, nu dat geven en dan weer nemen; .... de Kerk moet en kan niet liegen noch dwaling leeren. (Erl. 26 S. 80—34; Briefe aus Hamburg 1883 S. 885), dan____

Maar als Luther in 1532 aan Albrecht van Branden-

ocr page 564

20

burg de waarheid schreef: ,,Het is onmogelijk, dat de Kerk ook maar in 't geringste artikel dwalen zou . . . . Wie daaraan twijfelt, doet zooveel, alsof hij aan geen christelijke Kerk gelooft, en veroordeelt daarmede niet enkel de geheele christelijke Kerk als eene verdammto ketterin, maar Christus zeiven met alle Apostelen en Profetenquot; (Walch. Ausy. XX, 209(5), dan....

§ 36.

De H. Cyprianus, de Oud-Katholieke Pastoor P. J. Van Harderwijk en Prof. Bolland.

^Cyprian war ganz mul gar tlurcliilr uigen von der NolhwencligTceil der streiic/ftlen Einheil in der KirrJie und gestülzt anf den in der 11. Schrift nusgesp)'ochentn Willen Christi bautc er diese Idrcliliclie Einlieit auf das Oberhivtenamt des H. Pot r u s und seiner X a c U f o 1 ge r, d. li. auf den Primal, der römisclien Biscliöfe.quot;quot; (Paul Von Hoensbroeck in 1890.,

..Wij moeten do eenheid zoeken, niet maken, maar zoeken.... Pome is ïio-r altijd groot on liet Protestantisme vaak zoo zwak door inwendige verscheuring en verdeeldheid.quot;

De Xederlander 9 Dec. 1894.j

H. Cyprianus, bisschop van Carthago en martelaar f 258. Van hem lees ik in de Gesck. der Christ. Kerk blz. 27: „Een ander Kerkvader uit de Noord Afrikaansche school was Cyprianus. Deze man, die eenige jaren na Tertullianus leefde, was leeraar in de welsprekendheid te Carthago en bezat rijkdom en aanzien, maar toen God hem bekeerde, verkocht hij zijne goederen om die onder de armen te verdeelen. Spoedig werd hij tot onderlingquot; {presbyter) „der gemeente van Carthago aangesteld.

ocr page 565

21

en kort daarop door liet volk tot bisscliop verkozen, l) Zijne toewijding aan den dienst des Heeren, de ernst en liefde, waarmede hi) niet alleen de aan hem toevertrouwde gemeente verzorgde, maar de belangen der geheele Kerk behartigde^ maakte hein tot nitgebreiden zegen voor de gemeente des Heeren .... Hij weigerde beslist den Heere te verloochenen; .... daarop werd hij veroordeeld om onthoofd te worden.... Weldra viel het hoofd van Cyprianus; de martelaar was ingegaan in de eeuwige vreugde, doch zijn aandenken bleef in zegening' voor de Kerk des Heeren.quot;

Marcianus, bisschop van Aries in Gallië, dus van een gemeente buiten Italië gelegen, was de ketterij van Novatianus toegedaan. Zijne ambtgenooten in Gallië meenden niet het recht te hebben zelf hem af te zetten of schrikten voor een maatregel, waartoe de hoogste kerkelijke iurisdictie noodig was. Wat deden zij nu!' Zij schreven aan den bisschop van Rome, Stephanus en tevens aan Cyprianus, den bisschop van Carthago, om dezen te verzoeken door zijn tusschenkomst de zaak te verhaasten. Wat deed daarop CyprianusHij wendde zich tot den Paus en zeide o.a.: „Maak gebruik van de volheid van uiv gezag; richt brieven aan de bisschoppen va ii Gallië en aan het volk van Arles {plenissimas litter as), uit kracht waarvan Marcianus afgezet en een ander in zijn plaats worde aangesteld.quot; Cyprianus eindigde zijn schrijven met de bede tot den Paus hem te willen mededeelen, door wien Marcianus moet worden

!) Du^ reeds vóór Oyprianvis was er verschil tusschen ouderling en bisschop, cn ook tussohen ouderling en diaken, zcoals blijkt op blz. 31, waar de protest, schrijfster zegt: „Anderen spreidden doeken op den grond om zijn bloed op te vangen, terwijl een ouderling en diaken zijne handen bonden.quot;

de Paus IV. 2

ocr page 566

99

verviuig'en op don zetel van Arles. Daarbij lierinaert hij er aan, dat Panstinus bisschop van Lyon en de overige bisschoppen üijncr provincie reeds vroeger hetzelfde verzoek rechtstreeks aan Stephanns gedaan hebben en bijgevolg diens iurisdictio onlinaria ook over Gallië erkenden. De Pans schijnt inderdaad den ketterschen bisschop afgezet te hebben, want op de bisschopslijst van de Kerk van Arles is de naam Marcianus verdwenen.

Hoe kon Cvprianns duidelijker en nadrukkelijker het primaatschap van Rome's bisschop erkennen en belijden P „Niet het feit zelf van Cyprianns' optredenquot;, zegt Paul Von Hoensbroeck, „en nog minder de reden door Cyprianns aangegeven, waarom hij zich tot den Paus wendde i) levert ons het bewijs eener pauselijke iurisdictie over alle kerken, maar door deze handeling van Carthago's bisschop met diens leer over den bisschop van Eome te vergelijken, krijgen wij ook in deze tusschenkomst van Cyprianns een bevestigende erkenning mn 't pauselijk primaatschapquot; (Zeitschr. f. kath. Theol. Jg. 14, 1890.

Peil, anglicaansche bisschop van Oxford, meent zich uit de verlegenheid te redden door te beweren, dat Pans Stephanns enkel de bevelen van den afrikaanschen prelaat uitvoerde. Erbarmelijke uitvlucht! Had Cyprianns gemeend bevelen te kunnen geven aan den Paus, hij zon begonnen zijn met de afzetting van Marcianus in plaats van dat te vragen aan een macht, die hij beneden de zijne of gelijk aan de zijne achtte.

Wat leert ons verder Cyprianns?

Dat de bisschoppen volgens den wil Gods 's lleeren kudde besturen. Luister maar: „Onze Heer, wiens geboden en vermaning-en wij moeten vreezen en onder-

Üo Paus woonde dichter bij Aries dan Cyprianup.

ocr page 567

liouclen, zeg't in liet Evangelie, als Hij over de waardigheid van den bisschop en de inrichting der Kerk bepalingen maakte, tot Petrus: „En ik zey u, dat gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk houwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal 11 de sleutelen des Hemelrijks geven. Alles wat gij op aarde zult hinden, zal in den Hemel gebonden zijn en alles wat gij op aarde zult ontbinden, zal in den Hemel ontbonden zijn. Vandaar komen door de afwisseling der tijden en opvolgingen heen de wijding der bisschoppen en de inrichting der Kerk af, zoo dat de Kerk op de bisschoppen gebouwd is en iedere d a a d der Kerk d o o r dezelfde hoofden bestuurd wordt (= en geheel het bestuur der Kerk op hen rust). Wijl dit derhalve bij de goddelijke wet is vastgesteld (gesticht is, cum hoc itaque divina lege fundatum sit enz. Ad lapsos Ep. 27 geschreven in 't jaar 249. Hartel Ep. -33.)

Ziedaar dan een eerste wezenlijk bestanddeel voor de inrichting der Kerk: de bisschoppen besturen volgens den wil van God de kudde van Jezus Christus, divina. lege fundatum est.

De macht om te besturen, die in de Kerk is, komt af van den leerstoel van Petrus. Welnu de leerstoel van Petrus wordt voortgezet, blijft in den leerstoel van Rome's bisschop, zooals Cyprianus op vele plaatsen leert. Bijgevolg komt iedere macht van bestuur in de Kerk voort van den Stoel van Rome's bisschop.

Verder leert hij met de duidelijkste woorden en zoo nadrukkelijk mogelijk, dat de bisschop in elk diocees het middelpunt is van de geestelijke macht en der eenheid. „De Kerkquot;, schrijft hij in 't begin van 't jaar 254 aan Pupianus, een scheurmaker, „is het volk ver-eenigd met zijn bisschop, de kudde met haar liei-der,

ocr page 568

24

illi sunt ecclesia plehs sacerdoti adunata et pastori suo grex adhaerens. Vandaar moet gij weten, dat de bisschop in de Kerk, de Kerk in den bisschop is, en iemand, gescheiden van den bisschop niet in de Kerk is. Unde scire dehes episcopum in Ecclesia esse et Ecclesiam in episcopo, et si quis cum episcopo non sit, in Ecclesia non esse etc.quot; (Baln/. Ep. 69, Hartel 06.)

Om zijne gedachte te verduidelijken, haalde Cyprianus, eenige regelen vooraf, het voorbeeld aan van de bijen, die een koningin hebben, van kudden die haar herder gewilligquot; volgen, van roovers zelfs, die zich onderwerpen aan een opperhoofd om des te beter hun doel te bereiken (aldaar).

Iedere kerk (gemeente) afzonderlijk wordt derhalve door haren bisschop bestuurd. Volgt daaruit, dat zij zich kan afscheiden van het geheele lichaam der Kerk, of — om met pastoor P. J. Van Harderwijk te spreken — van „de Kerk in algemeenen. zin die alle diocesen omvatquot;!*

Genoemde Oud-kath. pastoor, die blijkens zijn Petrus en het primaat in de oude Kerk (1899), omtrent Cyprianus het werkje van den Oud-kath. Dr. Eeinkens Cyprianus of over de eenheid der Kerk (1873) in zijn geest opgenomen en dus zeker geen „nieuwe gedachtenquot; heeft uitgesproken, schijnt blz. 45 en 46 een bevestigend antwoord te geven. „Volgens Cyprianusquot;, zegt hij, „vormen de geloovigen overal met hun eigen bisschoppen afzonderlijke kerken, die geheel onafhankelijk van elkander zijn, en die in alles, ook over de gewichtigste vragen een eigen opvatting mogen liehhen en vasthouden.... Volgens hem is de geloovige, die met zijn bisschop vereenigd is in de eenheid der Kerk, en woorden : het zal zijn één kudde en één herder worden, zijn voor iedere afzonderlijke Kerk .... Wanneer de bisschop

ocr page 569

25

«r wcttiy gekozen is, hestcint de Kevie.... Dat oen bisscliop

.j, meer gezag zou hebben dan de andere, is aan Cyprianxis

j gebeel onbekend .... Het woord katlioliek lieelt bij

!e lieul 110g de oude beteekenis: het geheel vertegenwoordigende

, en wordt daarom voor de Kerk eener diocees gebruikt,

quot; omdat deze in haar eenheid door den eenen hisscJiop alle

ivezenlijke eigenschappen van een door Christus gestichte Kerk hezit.... De eigenlijke juristiscbe eenheid dei-Kerk wordt gevonden in de wettige verhouding van bisschop tot gemeente, waardoor de afzonderlijke Kerk in zichzelf één is, op zichzelf beschouwd de geheele Kerk voorstelt. Het episcopaat is één, waarvan iedere bisschop een deel heeft. Wordt de katholiciteit in een der kerken bedreigd, dan moet niet één bisschop b.v. van Home, maar het geheele college van bisschoppen te Jmlp komen. De veelheid van het episcopaat is ingesteld, opdat, wanneer één scheuring maakt, de anderen kunnen helpen. Ken vergadering van alle kerken kan volgens hem de wet niet voorschrijven aan een afzonderlijke Kerk, die een anderen weg wil gaan enz. De eenheid der Kerk met al haar goedxren hangt,, volgens den Cjprianus van Dr. Eein-kens en pastoor Van Harderwijk „af van de Verdraagzaamheid.quot;'

Op dien geleerden onzin is in den loop van mijne studie De Paus reeds meermalen geantwoord. Men leze o.a. blz. 109 en 170.

Alvorens Cyprianus zelf te laten antwoorden, maak ik eenige kautteekeningen rechtstreeks aan 't adres van pastoor Van Harderwijk.

1. ü heeft de woorden van Cyprianus: „Het episcopaat is één, waarvan iedere bisschop voor het geheel een deel heeft, episcopatus mms est, cuius a singulis iu solidnm pars teneturquot;, verkeerd begrepen.

ocr page 570

20

Het npiscopaat uanielijk is één ci. van natuur.

Immers de bisschoppelijke macht is één zooals de boom die uit takken, stam en wortel bestaat, één zooals het water dat de bron ontspringt en beken vormt. Maar omdat het water van beek en bron één van natuur is, volgt niet, dat het water van de beek dezelfde hoeveelheid en kracht heeft als dat van de bron, m.a. w. daaruit volgt niet, dat het één is in hoeveelheid en kracht. Iedere bisschop afzonderlijk heeft een deel van de bisschoppelijke macht, zooals elke beek afzonderlijk een deel van t water heeft. Want ofschoon de bron al het water virtualiter bevat, in zoover de bron dat water van zich laat uitstroomen, wordt er toch werkelijk een gedeelte van 't water zoowel in de beken als een gedeelte werkelijk in de bron gevonden. Toch bevatten de beken het water, de stralen het licht zóó, dat indien zij van hun bron en oorsprong- gescheiden zijn, de beek en de lichtstraal verdwijnen, terwijl de bron en de zou blijven bestaan.

Het episcopaat is één h. van oorsprong.

Immers van Petrus of diens opvolgers vloeit de macht van bestuur op de overige bisschoppen. Om dat te bewijzen, beroept Cyprianus zich op de woorden, waardoor Petrus tot hoofd der Kerk is aangesteld. Vandaar die vergelijkingen over takken, die uit den stam en den wortel schieten, over stralen, die uit de zon en over beken die uit de bron voortkomen. Vandaar die benaming van „oorsprongquot; en „wortelquot;, waarmede hij de Kerk van Rome aanduidt. „Wij weten vermaand te hebben, dat zij den oorsprong en wortel der Katholieke Kerk zouden erkennen.quot; {Ep. 48.)

Het episcopaat is een c. door doel en v er pi ie h-t i n g.

ocr page 571

Het heeft tot doel liet ééne onderpand des geloofs te bewaren en één kudde en één volk te behoeden, dat geheel onderworpen is aan den oppersten en algemeenen herder en ten deele aan zijne afzonderlijke herders. Deze gemeenschappelijke zorg, door alle bisschoppen aan te wenden, vordert dat, volgens de uitdrukking van Oyprianus, „zoo iemand uit ons college scheuring poogt te maken en de kudde van Christus te verscheuren en te verwarren (verstoren, verderven, verwoesten), de andeven ie hulp komen enz. si quis ex collegio nostro haeresin facere et gregeni Christi lacerare et vastare temptaverit, subveniavt ceteri etc. Nu blijkt ook in welken zin iedere bisschop afzonderlijk voor het geheel {in solidum) een deel heeft van hetzelfde episc gt;paat. Omdat het episcopaat één is en gemeenschappelijk, wordt een gedeelte door meerderen bezeten; maar door ieder afzonderlijk wordt een gedeelte bezeten voor het geheel {in solidum), omdat bij ontstentenis van één of in geval één zijn plicht niet vervult, de andere verplicht is te volgen om het geloof te beschermen, de verstrooide schapen te hereenigen en aldus de plaats van den ander in te nemen. Volgens de rechtsgeleerdheid namelijk wordt voor het geheel {in solidum) bezeten datgene, waarvan meerderen gemeenschappelijke bezitters zijn, en voor 't geheel {in solidum) worden zij verplicht, wier verplichting gemeenschappelijk is en van dien aard, dat wanneer één in gebreke blijft de overigen die verplichting moeten nakomen. Kortom: de H. Cyprianus wil, dat de bisschoppen ieder afzonderlijk doen, wat naar de getuigenis van Gregorins van ISTanzianze de H. Athanasius en Cyprianus zelf gedaan hebben. Van Athanasius zegt Gregorins: „Hij stond aan het hoofd van 't volk van Alexandrië, wat hetzelfde is, alsof ik zou gezegd hebben: aan 't hoofd der geheele

ocr page 572

28

wereldquot; (Orat. 21, nquot;. 7). Van die stad nit tocli lieeft Atlianasius, zooals later werd uiteengezet, het geloof veler provincies bevestigd, en van Cyprianus getuigt liij: „Hij wordt vervolgens tot herder gekozen en tot den beste en voortreffelijkste der herders. Want hij staat niet alleen aan 't hoofd van de Kerk van Carthago en Afrika, door hem en om hem ook nu aanzienlijk en beroemd, maar ook aan 't hoofd van alle westelijke streken, en mede nagenoeg over geheel de oostelijke, zuidelijke en noordelijke kust, overal wordt hij geroemd en bewonderdquot; [Orat. 24 n0. 12; G. Wilmers S. J. De Ghristi Ecclesia 1897 p. 229.)

2. Volgens Cyprianus, zooals hij door u, pastoor Van Harderwijk, begrepen wordt, ben ik dus heel zeker in de eenheid der Kerk, want ik ben een geloovige, die niet enkel met zijn bisschop vereenigd is, maar met de duizenden bisschoppen der geheele katholieke wereld. Dat is een groote troost en een benijdenswaardige geruststelling.

Volgens uw Cypriauus is ook u heel zeker in de eenheid der Kerk, want ofschoon u in zeer gewichtige vragen op godsdienstig gebied een eigen opvatting heeft en vasthoudt, die in schrille tegenspraak blijkt met de opvatting mijner duizenden bisschoppen, blijft u niet enkel met uw bisschop vereenigd, maar met de drie bisschoppen der bisschoppelijke Cleresij.

3. Van die bisschoppelijke Cleresij heeft de bisschop van Deventer wel een diocees, maar geen kudde, naar ik meen. In de veronderstelling, dat deze bisschop wettig gekozen is, dan bestaat daar volgens Cyprianus de Kerk, niet waar!' Want „wanneer de bisschop wettig gekozen is, bestaat de Kerkquot;, schrijft u. ü zal zeggen: van Kerk kan hier geen sprake zijn, wijl er geen kudde is. Maar

ocr page 573

29

clan vraag ik: wat is dan die bisschop van Deventer.' Een gedeelte van de Kerk'.' Van welke Kerk? Van die van Haarlem of van Utrecht of van beide'' Maar dan is hij een gewone geloovige, vereenigd met ééne dier twee of met beide bisschoppen, maar dan erkent hij (die zelf bisschop is) gezag van buiten boven hem (een bisschop). Evenwel Cyprianus, zegt gij, „kent geen gezag van buiten boven den bisschopquot; en „een bisschop, die meer is dan de andere, kent Cyprianns nietquot;, herhaalt gij.

4. Het hoofd der bisschoppelijke Cleresij is aart s-bisschop, d. w. z. een primaat. Kan dat volgens uw Cyprianns door den beugel? Immers „dat een bisschop meer gezag zou hebben dan een andere is aan Cyprianus geheel onbekendquot;, zegt gij. Of heeft een aartsbisschop bij u hoegenaamd geen gezag? Waartoe dient hij dan toch ?

5. „Wanneer de bisschop wettig gekozen is, bestaat de Kerk.quot; De Oud-katholieke bisschoppen van Haarlem, Deventer, Utrecht zijn volgens u wettig gekozen. Dus daar bestaat de Kerk? Bestaat zij nog ergens anders buiten Nederland'?

De Protestant Dr. Heinrich Kratz, een groot vijand der E. Katholieken, zal het antwoord geven. Luister: De Oud-Katholieken vormen tegenover de andere Katholieken „eine verschwindende Minoritat und können sonach uur als katholische Sekte, nicht aber als die (heutige) katholische Kirche betrachtet werden.quot; De man meent het goed, doch zegt het verkeerd. Katholieke sekten bestaan niet. Men is li. Katholiek of niet. Een sekte is een partij, die zich afgescheiden heeft van de hoofdkerk; de hoofdkerk is li. Katholiek en één en ondeelbaai'.

ocr page 574

?,0

6. Veronderstel, dat de ond-katholiciteit van. Haarlem bedreigd wordt, dan moet volgens uwen uitleg van Cyprianus liet (jeheele college van bissclioppen te liulp komen. Nu dat is nogal te doen: de Oud-kath. aartsbisschop van Utrecbt en de bisschop van Deventer maken dan liet beele college van bisschoppen uit.

Maar veronderstel, dat de katholiciteit van een li. K. diocees van Frankrijk bedreigd wordt. Moet dan het geheele college van Fransche bisschoppen te hulp komen ? Doch dat is het heele college van bisschoppen niet, daar zijn nog andere bisschoppen over de geheele wereld verspreid, en „de veelheid van het episcopaatquot;, zegt gij is volgens Cyprianus „ingesteld, opdat, wanneer één scheuring maakt, de anderen kunnen helpen.quot; Docli die ééne bisschop van de diocees, waar de katholiciteit bedreigd wordt, is naar ik veronderstel wettig gekozen, en „wanneer de bisschop wettig gekozen is, bestaat de Kerkquot;. . . . en zij is geheel onafhankelijk van de anderen en mag „ook over de gewichtigste vragen een eigen opvatting hebben en vasthouden.quot; En veronderstel, dat de geheele gemeente van die diocees de opvatting van haar bisschop vasthoudt en dus vereenigd is met haar wettig gekozen bisschop. „De geloovige, die met zijn bisschop vereenigd is, is in de eenheid der Kerk.quot; Dus al wordt de katholiciteit van die eene diocees bedreigd, ais de geloovigen maar met hun bisschop vereenigd zijn, blijven zij in de eenheid der Kerk. „Neen, zegt gij, want „geloofsafvalquot; en wel „alleen geloofsafvalquot; heeft voor een bisschop het gevolg, dat hij ophoudt bisschop te zijn.quot; Maar ik vraag u ernstig: wie zal oordeeleu, of de opvatting van dien bisschop een geloofsafval is ja of neen, terwijl immers elke afzonderlijke Kerk „ook over de gewichtigste vragen een eigen opvatting mag hebben en vasthoudenquot;'.1

ocr page 575

7. „Dat een bisschop meer gezaq- zou hebben dan een andere is aan Cyprianus geheel onbekendquot; zegt gij op blz. 45, maar weet gij dan niet op blz. 24 geschreven te hebben ■— en nog wel met een poging om op het gezag van Chrjsostoinus te steunen —, dat reeds op de vergadering van Jeruzalem aan Jacobus liet oppergezag (principatus) was toevertrouwd, dat hij „de voornaamste persoonquot; was en dat hij sprak: „Derhalve oordeel ik, dat is ik verklaar met cjexag dat het zoo isquot;? !)

Is uw uitleg waar, dan heeft Cyprianus gedwaald. Hij wil immers van geen oppergezag eens bisschops iets weten. En heeft u ook deze plaats van Chrysostomus gelezen ? „Bijaldien iemand zegt: waarom dan ontving Jacobus den troon van Jeruzalem!' zal ik antwoorden, dat Petrus niet van den troon van deze, maar tot leer aar der geheele aarde door Christus is aangesteld.'quot; [In Joan. Hom. 88 n0. 1) Wat dunkt uP

8. U haalt nog eenige woorden aan van Cyprianus, die Lij op de synode van Carthago sprak, en u wil daardoor bewijzen, dat de g'roote jjrelaat Rome's primaatschap niet erkende. De latijnsche tekst (Migne P. L. t 2 c. 1053) luidt: „Superest ut de hac ipsa re singuli quid sentiamus proferanms, neminem indicantes, aut a iure communicationis aliquem, si diversum senserit, amoventes. Neque enim quisquam nostrum episcopum se episcopornm constituit, aut tyrannico terrore ad obsequendi necessitatem collegas suos adigit, quando habeat omuis episcopus pro licentia libertatis et potestatis suae arbitrium proprium, tamque iudicari ab alio non possit quam nee ipse potest alterum iudicare. Sed

') Volgens den Statenbijbel beteokont dat woord „oordeelquot; eenvoudig: „dit is mijn gevoelen en meening in deze zaak.quot;

ocr page 576

32

cxspecteuius vmiversi iudiciuui Domini nostri Jesu Cliristi, qui mms et solus liabet potestatem et praeponendi nos in Ecclesiae suae gubernatione et de actu nostro iudi-candi.quot; U vertaalt: „Het is noodigquot; (superest = er blijft nog' over = overigens) „dat wij ieder afzonderlijk over de hangende zaakquot; (bet berdoopen of niet ber-doopen van ketters) „ons oordeel uitspreken, zonder iemand die anders denkt te veroordeelen of van de kerkgemeenscbapquot; (bet recbt van gemeenschap) „uit te sluiten. Want geen onzerquot; (d.i. geen van ons, bisschoppen uit Afrika, Numidië en Mauritanië) „beeft zicb tot bisscbop der bisschoppen opgeworpenquot; (gesteld con-stituit) „geen onzerquot; (letterlijker met weglating van die woorden „geen onzer: of = aut) „dwingt zijn medebisschop door tirannieke dwinglandij om aan iets te moeten gehoorzamen, daar ieder bisschop krachtens zijn vrije keuze en macht het recht van eigen beslissing heeft en evenmin door een anderquot; (namelijk een ander medebisschop) „kau geoordeeld worden als hij zelf een ander kan oordeelen.quot; (Dat leert de Eoomsch Katholieke Kerk ook, als men het maar goed wil verstaan. Zie De Paus II blz. 86, 92, 94 97, 100.) „Wij moeten allen gezamenlijk bet oordeel onzes Heeren Jezus Christus afwachten, den Eenige die alleen de macht bezit ons tot bestuurders zijner Kerk aan te stellen en over ons bestuur te oordeelen.quot;

De volgende vertaling is juister: „Laten wij allen gezamenlijk bet oordeel van onzen Heer J. C. afwachten, den Eenige, die alleen de macht bezit om èn ons in 't bestuur zijner Kerk aan te stellen èn over onze daden (ons doen [en laten]) te oordeelen.quot;

Hier bevestigt Cypria n us, wat elke Eoomsch Katholiek onderschrijft, dat Jezus Christus alleen in denzelfden

ocr page 577

zin do macht heeft om bisschoppen nan te stellen nis om over de daden der bisschoppen te oordeelen en dat aan Hem alleen het beslissend eindoordeel over onze daden behoort, die alleen onze handelingen met do inwendige bedoelingen en niet alle omstandigheden, jnist kan beoordeelen.

Zeke r wil Cyprianus niet beweren, dat Rome's bisschop in geenerlei zin macht bezit over de daden der overige bisschoppen te oordeelen, immers de groote bisschop van Carthago erkent op vele plaatsen dat recht, zooals wij bewezen en nog zullen bewijzen.

9. De Oud-katholieke pastoor te 's-Gravenhage, C. H. Van Vlooten, eindigt zijn brochure De strijd tegen de pauselijke onfeilbaarheid enz. (1871) met deze plechtige verklaring: „Op een waar algemeen, door den H. Greest bestierd, wettig, vrij en op een vrije plaats vergaderd Concilie beroept zich de Oud-Katholieke Kerk van Nederland.quot; Die kerk telt in 't geheel ongeveer 4000 leden tegenover 230 millioen Eoomsch Katholieken. 1)

Eenige vragen: a. Het is een wezenlijk algemeen Concilie niet waar, dan alleen als ook het kuddeke van de kerk in den Driehoek te Utrecht, het erkent!'

b. Het wordt door den li. Geest bestierd, niet waar, enkel dan, wanneer de geest van dat kuddeke het beheerscht

c. Het is wettig, niet waar, enkel dan wanneer ook de drie bisschoppen worden uitgenoodigd ?

!) Joan Villomer, dio niot van hot ho-itje is, schroef in Le Figaro van 21 April 1899: „Lob vieux catholiqws ont a, pcu prés disparu, et les Janfénistos n'ont plas d'organisation roligiousc qu'ou Hollando, oii s'était réfugié lo P. Quesnel. Lil, ils ont un clorgé, un seminaire qui est amp; Amorsfcort, un archovêquo k UtTfcht-, ot deux óvöquos, l'nn ïl Haarlem et l'autre !l Deventer.quot;

ocr page 578

d. Het is vrij niet waai-, alleen in 't g-eval, dat die drie bissclioopen de vrijheid genieten over de gewichtigste vragen eeu eigen gevoelen te hebben en vast te houden?

e. Het vergadert op een vrije plaats niet waai-, als het maar niet te Rome, doch bij voorbeeld in den Driehoek vergadert'?

f. En zulk een concilie zon toch niets uithalen, niet waar pastoor Van Harderwijk? Immers uw Cyprianns leert: „Een vergadering van alle kerken kan de wet niet voorschrijven aan eeu afzonderlijke kerk, die een anderen weg wil gaanquot; zelfs in „de gewichtigste vragen.quot;

10. „De eenheid der Kerk hangt af van de Verdraagzaamheid.quot; Dat is dus volgens u de slotsom van het heerlijk werk van Cyprianns over de eenheid dei-Kerk, niet waar? Bijgevolg wanneer alle sekten, kerkjes, kuddekens. Driehoekjes enz. enz. maar verdraagzaam zijn jegens elkander, al staan hunne godsdienstige meeniugen lijnrecht tegenover elkaar, al loochent de een wat de ander bevestigt, is de eenheid der Kerk kant en klaar^ En dat wilde Cyprianus bewijzen, „de machtige bisschop van i 'arthago .... een groote naam. zeer beroemd in de christelijke oudheid, te allen tijde zeer geëerd in de Kerk, geteld onder hare Heiligenquot;? (Dr. Eeinkens) Maar is hij dan een idioot ?

Wij sluiten hier de reeks van vragen oui Carthago's bisschop Cyprianus, door zijn diaken Pontius „de :-oem-rijke getuige Gods, testis Dei gloriosusquot; geheeten, aan 't woord te laten.

In zijn Boek over de eenheid der Kerk. dat hij richtte tot de Belijders van Homo om hen van de ketterij af te houden en in de eenheid der Kerk te bewaren (zie Eessler Institut. Patrol. V, 1, § 92) schrijft hij: Episcopatus

ocr page 579

mms est, cuius a singulis in solidum pars tenetur. Ecclesia quoqne una est, quae in multitudineui latins incremento foecunditatis exteuditur. Quomodo soils multi radii, sed lumen unum; at rami arboris multi, sed robur unum tenaci radice fundatum; et cum de fonte uno rivi plurimi defluunt, numerositas licet diffusa videatur exundantis copiae largitate, n n itas tamen ser-vatur in origine. Avelle radium soils a corpore, divisiouem lucis unitas non capit. Ab arbore frange ramum, fractus germiuare non poterit; a fonte praecide rivum, praecisus arescit. Sic et ecclesia Domini luce perfusa per orbem totum radios suos porrigit etc. etc. (V)

Ziellier de vertaling: „Er is maar één enkel episcopaat, waarvan alle (bisschoppen) voor liet geheel een gedeelte bezitten. Er is ook maar één enkele Kerk, die dooide toeneming van hare roemrijke vruchtbaarheid zich over eene menigte leden uitstrekt; de zonnestralen zijn veel in getal, doch het licht is één, de takken der boomen zijn talrijk, maar slechts één stam is vastgegroeid op den sterken wortel; en uit één bron vloeien vele beken, en ofschoon door den overvloed van het uitstroomend water het den schijn heeft, dat een groot aantal beken worden uitgestort, blijft toch de eenheid in den oorsprong bewaard. Scheid een zonnestraal af van de zon: de eenheid des lichts is ondeelbaar. Breek van den boom een tak: het gebrokene zal niet in knoppen schieten. Dam de bron af, de beek droogt uit. Zoo gaat het ook met de Kerk des Heeren enz.quot; (De imitate Eccl. V, VI.)

De geleerde Aug. Neander, een kopstuk van het moderne Protestantisme, stond zoo verlegen met deze plaats van Cjprianus, dat hij in zijn Allgem. Gesr.hichte der Kirche (I, 115 Edit. Gotlia IS5G, zie Ereppel: S.

ocr page 580

Gyprien p. 231) voorstelt ze te laten terugslaan op de onziclitba re Kerk, waarvan Lnther spreekt, olsclioon Cvprianns de a i t we n dige en z i cli t ba r e Kerk bedoelt, de Kerk die dnor de bisschoppelijke opvolging bestaat. Gypriauus spreekt van de Kerk, die onder de zintuigen valt, hare stralen verspreidt over de gelieele wereld, quae per orbem to turn radios suos porrigit, m. a. w. over de Katholieke Kerk.... Hetzelfde licht d. i. dezelfde leer straalt overal, lumen unuvi; één enkel episcopaat bestuurt het geheele lichaam, episcopatus unus est.

„Wij zijnquot;, schreef hij in 251 of in 't begin van 252, „vele bisschoppen, doch evenals er maar één enkele Kerk is, door Christus ingesteld, over de geheele wereld verspreid en over vele leden verdeeld, zoo is er maar één episcopaat, dat voortkomt uit de overeenstemming veler bisschoppen. (Ad Anionianum Ep. 52 Baluz. Ep. 55 Hartel) „Gum sit a Ghristo una Ecclesia per totum mundum in multa membra divisa, item episcopatus unus episcoporum multorum concordi numerositate diffusus etc.quot;

Volgens Gjprianus is het ongedeeld blijvende kleed des Heeren (Joan. 19 : 28—24) een zinnebeeld van de eenheid der Kerk in tegenstelling van het in twaalf stukken gescheurd gewaad van den profeet Achias (3 Kon. 11 Vuig. c. 7).

„Omdat het volk van Christus niet vaneengescheurd kan worden, werd het uit één stuk geweven kleed des Heilands door de soldaten niet verdeeld. Ongedeeld, verbonden, in eens geweven, wijst dat kleed op de samenhangende eendracht van ons, die Christus hebben aangedaan. Door het geheimvolle teeken des kleeds heeft Hij de eenheid der Kerk voorgesteld. Wie Christus' Kerk scheurt en splijt, kan niet in 't bezit zijn van

ocr page 581

Oliristus' kleedquot; De unit. Eed. VII). Let wel, dat hij van de uitwendige, zichtbare Kei'k spreekt, die liare stralen verspreidt over de geheele wereld.

Van waar komen nu de ketterijen, waardoor de eenheid verbroken wordt!'

Het antwoord van Cyprianns luidt: „Omdat men zich niet wendt tot den oorsprong der waarheid '), noch het hoofd opzoekt, noch de leer van den hemelschen leermeester gevolgd wordt.quot; (aldaar III) ,,Hoc eo tit, dum ad veritatis originem non reditur, nee caput quaeritur, nee magistri coelestis doctrina servatur.quot;

Terstond g-eeft de groote bisschop een gemakkelijk middel om de ketterijen te vermijden. „Indien iemandquot;, zoo gaat hij voort, „dit beschouwt en onderzoekt zijn een lange verhandeling en bewijzen onnoodig. Een gemakkelijk bewijs voor het geloof ligt in een kort begrip der waarheid.quot; (IV) „Quae si quis consideret et examinet, tractatu longo atqne argumentis opus non est. Probatio est ad Mem facilis compendio veritatis.quot;

Eu nii geeft hij dnt kort begrip der waarheid door aldus voort te gaan.

Ik schrijf eerst den latijnschen tekst naar Wilhelm Hartel, die, zooals de Oud-katholiek Dr. Eeinkens zegt, „eeue uitstekende kritische uitgavequot; bezorgde en „uitstekend voor zijn taak was berekendquot;; die tekst „staat wetenschappelijk vast.quot;

Daarna laat ik de vertaling volgen van een niet-katholiek, die Eeinkens' boekje J)e leer des H. Gyprianu*

ï) üaluziuB goeft do voorkeur hior aau 'c wlt;jord eenheid in plaats van ivaarkeid. Zoer terecht, daar oen weinig later do woorden volgen „unitatis eiusdem originemquot; de oorsprong van die eenheid, en Cyprianus terstond daarop ernstig aandringt om de oenhoid to bewaren. Zie Hurtor Sanct. Patrvm. Opvsc. I.

df. Paus IV. 3

ocr page 582

over de eenheid der Kerk (1873) in 1899 in het JSTecler-landscli overzette:

„Loquitur Dommus ad Petrum: tihi dic.o inquit, quia tu es Petrus, ei super hanc petram aedificabo Ecclesiam meam, et portae inferorum non vincent earn. Et tibi dabo claves regni coelorum; et quae ligaveris super terrain, erunt ligata et in coelis, et quaec,un(jue solveris super te,'ram, erunt solnta et in coelis. Super unum aedificat Ecclesianj, et quamvis Apostolis omnibus post resurrectionem suam parem potestatem tribuat et dicat: sicut misit me Pater et ego mitto vos; accipite spiritum sanctum: si cuius remise-ritis peccata, remittuntur illi: si cuius tenneritis, tenébuntur; tamen ut unitatem manifestaret, unitatis eiusdem origineel ab uno ineipientem sua auetoritate disposuit. Hoe ei-ant utique et ceteri apostoli, quod fuit Petrus, pari consortio praediti et honoris et potestatis, sed exordium ab imitate proficiseitur, ut Ecclesia Christi una mou-stretur.... Hauc Ecclesiae unitatem qui non tenet, tenere se lidem credit? cjui Ecclesiae renititur et resistit, in Ecclesia se esse confidit'.'quot;

Ziehier nu de vertaling naar het Nederlandsche boekje van Dr. Eeinkens:

De Heer spreekt tot Petrus: Ik zeg u (zeide hij): Gij zijt Petrus en op de rots zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zulle)!, haar niet bedwingenquot; (beter: overwinnen = vincent! ,,U zal ik den slevitelquot; (beter: de sleutels = claves) „van het hemelrijk geven, en wat gij hinden zult op aardequot; (beter: gebonden zult hebben). „zal ook in den hemel gebonden zija, en wat gij ontbinden zult op aardequot; (beter: ontbonden zult hebben) „zal ook in den Hemel ontbonden zijn. Op éénen bouwt Hij de Kerk, en ofschoon Hij na zijn opstanding allen Apostelen gelijke macht toedeelt en zegt: zooals mij de Vader

ocr page 583

89

gezonden heeft, zend ik ook uquot; (letterlijker: zend ook ik u, et ego mitto vos); ontvangt den EI. Geest: wien gij zijn zonden vergeeftquot; (beter: vergeven zult hebben) „hem zullen zij vergeven zijn, en wien gij ze doet behoudenquot; (znit behouden hebben) „hem zullen zij behouden worden, heeft Hij toch om de eenheid te openbarenquot; (Krabinger: om de eenheid zichtbaar aan te toonen; Dr. Peters: om de eenheid zichtbaar te maken), „krachtens zijne autoriteit liet zoo geordend, dat juist deze eenheid in één haar oorsprong neemt. Geheel hetzelfde wat Petrus geweest is waren wel is waar ook de overige Apostelen, bedeeld met een gelijk aandeel van waardigheid en machtquot; (letterlijker: wel waren ook de andere Apostelen, datgene wat Petrus was, met gelijke gemeenschap van eer en macht begiftigd), — ,,maar het begin vangt aan bij de eenheidquot; (de aanvang gaat van de eenheid d. i. van den éénen of van het één zijn uit) „opdat de Kerk van Christus als de ééne zou worden voorgesteldquot; (deze vertaling is bepaald onjuist; er staat letterlijk: opdat de Kerk van Christus als é»n zou worden aangetoond, aangewezen d. i. zou blijken één te zijn).... „Wie niet vasthoudt aan deze eenheid der Kerk, hoe kan hij aan 't geloof vasthouden? (Die vertaling deugt niet; beter: Meent iemand, die deze eenheid der Kerk niet bewaart niet houdt] het geloof te bewaren [te houden !') „Wie der Kerk wederstaat, hoe vertrouwt hij nog in haar te zijn'.' (Beter: Wie de Kerk tegenstreeft en weerstaat, vertrouwt hij in de Kerk te zijn!')

Ziedaar de beroemde plaats uit het vierde hoofdstuk van het werk van Cypriauus „over de eenheid dei-Kerkquot;, De unitate Ecclesiae of de simplicitate Fraelatorum.

Wij hebben de latijnsclie lezing gevolgd, waartegen niemand opkomt. In eenige handschriften, zooals het

ocr page 584

40

oude liaudseLrift van Marcellvxs II (t 1555), den codex Vossianus (bij Hartel: li) uit de IG'1'1 eeuw, en den müncliener codex (bij Hartel: M) uit de 9(lquot; eeuw; en reeds in een brief' van Pelagius II (578—590) aan de bissclioppen va n Istrië, in de Ac ten van Alexander III (1159—1181), in liet decreet van Gratianus en bij Yvo van Chartres (f 1117) vinden wij eenig-e zinsneden, die in de uitgave van Baluzius en in die van Hartel ontbreken. Ofsclioon nu de onhetiuisle uitdrukkingen van Cyprianus overtuigend genoeg zijn voor diens erkenning van Rome's primaatschap, laat ik hier tevens de lezing der bovengenoemde handschriften volgen. Die lezing kan men als waarschijnlijk vasthouden tot bewezen wordt, dat zij onbetrouwbaar is. Hetgeen cursief gedrukt is, ontbreekt bij Baluzius en Hartel: ,, 6Vi wederom na zijne verrijzenis zegt Hij tot denzelfden (Petrus): Weid mijne schapen. Op (dien) eenen bouwt Hij zijn Kerk, en beveelt hem zijne scJiayeu te weiden. En ofschoon Hij na, zijne Verrijzenis aan alle Apostelen dezelfde macht veideeat en zegt: „Zooals de Vader mij gezonden heeft, zend ook ik u: ontvang den H. Geest, wiens zonden g'ij vergeven zult hebben, hem worden zij vergeven, wiens zonden gij gehouden zult hebben, hem worden zij gehoudenquot;, heeft Hij evenwel om de eenheid zichtbaar te maken één leerstoel opgericht, den oorsprong- van dezelfde eenheid als van één beginnende door zijn gezag gesteld. Wel waren ook de andere Apostelen datg'ene wat Petrus was, met g'elijke gemeenschap van eer en volmacht begiftigd, maar de aanvang gaat van de eenheid uit, en het primaatschap wordt aan Petrus gegeven, opdat de Kerh van Christus als ééi zou blijken. En allen zijn herders, en één kudde is er, die door alle Apostelen eenparig moet geweid worden, opdat Christus' Kerk zou blijken één te

ocr page 585

41

zijii .... Meent iemand, die deze eenheid dei- Kerk niet bewaart, liet geloof te bezittenWie de Kerk tegenstreeft en weerstaat, wie den Stoel van Petrus, op wien (op welken?) de Kerk gesticht ia, verlaat, vertrouwt liij in de Kerk te zijn?quot;

De cursief gedrukte woorden zijn volgens den vertaler van Dr. Eeinkens „de onbescliaamdste vervalscliingen ten gunste van het Eoomsche primaatquot; (Dr. Eeinkens: Cyprianus blz. GO.)

Prof. Bolland, die een jachtakte heeft voor schimpwoorden en ook daarom door „De Hollanderquot; de „razende anti-papistquot; wordt genoemd, — prof. Bolland, van wien de heer F. Borst, praeses van de hoofdredactie van „Minervaquot; beweert (en hij rechtvaardigt die bewering door „een feiten-vermeldingquot;), dat hij, namelijk Bolland, „die zoo luidruchtig te velde trekt tegen de tirannie van het Katholicismequot;, zelf „een tiran is als geen anderquot; en „telkens weer gelegenheid zoekt polemische redevoeringen te houden tegen de Katholieke Kerkquot;, zoodat „het wel eens leek of hij lederen Katholiek persoonlijk van een misdaad wilde overtuigenquot;, prof. Bolland, die ook door zijne „geweldplegingen tegen de vrijheid van denkenquot; heel spoedig „zijn collegezaal onbezette plaatsen zag vertoonenquot;, omdat „wie nog blozen konden schaarurood hem hebben verlatenquot;, die prof. Bolland scheldt de cursief gedrukte woorden in het citaat uit Cyprianus „geniepige vervalschingquot; en stuift woedend o. a. op den Jezuïet Hurter ^ los, die „de Eoomsche vervalsching — het Italiaansch inschuifsel, het gemeene bedrog — in het vierde hoofdstuk van Cypriaans

1) Zoon van don beroemden bekeerling uit het Protestantisme, don geschiedkundige Friedrich von Hurter.

ocr page 586

42

gesclirift over de eenheid der Kerk als editor — en wel nog in onze eeuw — gehandhaafd heeft.quot; {Open Brief blz. 44—46.)

De Oud-kath. pastoor P. J. Van Harderwijk noemt die vervalsching kort en bondig „gemeen.quot; Tusschen twee haakjes: Lu § 32 (blz. 192—195) heb ook ik iets „gemeenquot; genoemd.

Wat zullen wij den Oud-katholieken pastoor en prof. Bolland antwoorden

Eenvoudig dit: 1. Bolland heeft de plaats uit Cyprianus „geniepigquot; verminkt door den tekst van Mattheus; „Zooals de Vader mij gezonden heeftquot; enz. weg te laten. (Bolland: Open Brief blz. 45) Geniepige verminking en geniepige vervalsching zijn naaste vewanten.

2. Dat de onderstreepte woorden in den aangehaalden tekst van Cyprianus werkelijk zijn ingelascht,ingeschoven, is volstrekt niet streng' wetenschappelijk bewezen. Hot oudste, met zekerheid te dateeren getuigenis jdeit voor de langere lezing. De aanhaling nl. bij Pelagius II (Migne, 72, 713) is zeker uit de 6'u' eeuw. Het oudste handschrift, dat het «erkje bevat, de codex Seguierianm te Parijs is volgens Hartel uit de ü'1 of 7I', eeuw. En wat het laatste en omvangrijkste zoogenaamde „inschuif-selquot; betreft, behoeft men den latijnschen tekst maar te lezen, om in te zien, hoe licht een onachtzame afschrijver juist deze regelen bij vergissing kon overslaan, wegens een homoeoteleuton (= een woord met gelijkklinkende eiudsylben), waardoor het oog van „proticisctiw/-quot; naar „pasca^M?quot; afdwaalile: Exordium ab unitate proficiscitur, et prima lus Fetro cUitur, ut una Christi Ecclesia et cathedra una monstretur. Kt pastores sunt omnes, sed yrex nnus ostenditvr, (pui ah apostolis omnibus unanimi consensione ^«scatiir (misschien oorspronkelijk; pascitur), ut Ecclesia

ocr page 587

43

una monstretur. Bij deze en dergelijke afwijkingen in de oudste bronnen van tekstcritiek ware verder ook de vraag te overwegen, of wellicht niet de H. Cypriaims zelf zijn oorspronkelijken tekst later verduidelijkt heeft, zoodat beide recensies echt en oorspronkelijk zouden zijn. In het algemeen is hier te meer voorzichtigheid noodig, wijl reeds in de zesde eeuw (eu hooger schijnt hier de tekstcritiek niet te kunnen opklimmen), volgens II nvt el (Praef. biz. VIII) de handschriften van Cyprianus sterk uiteenliepen: „Sexto iain post Christum natum saeculo summam illam Cjprianicorum codicum discre-pantiam quam libri aetate inferiores ostendunt exsti-tisse .... optime edocemur.quot;

Wij antwoorden dus: 3. Indien de onderstreepte woorden in den tekst van Cyprianus werkelijk zijn ingeschoven, behoeft men nog niet te denken aan geniepigheid, gemeen bedrog enz. enz. Want indien zij inderdaad een „inschuifselquot; zijn, is dat inschuifsel niet te wijten aan de geniepigheid om Cyprianus een leer toe te dichten, die de zijne niet was — dat ware „gemeenquot; —. Wijl evenwel uit vele plaatsen van den beroemden kerkleeraar zonneklaar blijkt, dat die onderstreepte woorden — het zoogenaamde inschuifsel — volkomen overeenstemmen met zijne leer, ja in zijn eigen brieven nagenoeg letterlijk gevonden worden, is het zeer goed mogelijk, dat zij eerst op den rand van een of andere uitgave geschreven en daarna in den tekst zijn opgenomen. Dat „inschuifselquot; ware dan wel een vergissing van den afschrijver, maar geen „gevaarlijke vergissingquot;, nog minder geniepig bedrog, wijl aan hein, die met „historischen zin en met de geschiktheid de taal van een schrijver uit een verleden tijdperk te begrijpenquot; lean en wil zien en niet „in de woorden der

ocr page 588

44

vervlogen eeuwen slechts datgene hoort, wat zijn eigen geest daaronder pleegt te verstaanquot; ') (Dr. Rein kens: Voorbericht), uit dat vierde hoofdstuk — ook zonder het „inschuifselquot; — blijkt, dat Christus door zijn gezag in de macht des H. Petrus „den aanvangquot; [exordium) en „den oorsprongquot; (originem) van de kerkelijke eenheid gesteld heeft, „om de eenheid zichtbaar te makenquot; [,,ut unitatem manifestaretquot;) d. w. z. oiu duidelijk in 't licht te stellen, dat er in de Kérk eenheid moet zijn.

Welnu een „aanvang en oorsprongquot; van eenheid in eenige maatschappij is niets anders dan het primaat-se h a p.

Bijgevolg heeft naar het gevoelen van Cyprianus Christus in Petrus Let primaatschap gevestigd, als aanvang en oorsprong van de kerkelijke eenheid.

Dat wordt nog duidelijker in V, waar de beroemde kerkvader leerende, hoe in de Kerk en in het geheele episcopaat de eenheid is, zegt dat de Kerk en het episcopaat één is, zooals de vele stralen één zijn door het ééne licht der zon, zooals de vele takken één zijn door den ééneji wortel van den boom, zooals vele beken één zijn door één bron; en daarom, schrijft hij: evenals een straal van de zon gescheiden niet meer bestaat, een beek van de bron afgedamd uitdroogt, een tak van den boom gebroken, verdort: zoo is er ook in de Kerk één hoofd, één oorsprong als het beginsel, waardoor alles één zou zijn en waardoor de maatschappelijk? eenheid zou bestaan.

Welnu die „ééne oorsprongquot;, die ééne „aanvangquot;, dat ééne hoofd is de macht door Christus in Petrus gevestigd door de woorden van Mattheus, zooals Cyprianus het ons in IV geleerd heeft.

l) D. w. z. er is goon Faus en hij maij niet zijn.

ocr page 589

45

Bijgevolg is de macht, door Christus op Petrus yegrondvest, het beginsel, waardoor de maatschappelijke eenheid der Kerk moet bestaan m. a. w. de hoogste macht, het primaa tschap: want eon macht die de aanvang is van de maatschappelijke eenheid of — wat -op hetzelfde neerkomt — waardoor de eenheid in een maatschappij bestaat, is geen andere dan de hoogste macht der iurisdictie, het primaatschap.

Zoo leert Cyprianns ook op andere plaatsen. Epist. 55 ad Cornelium n0. 14 Migne III 818—821: epist. 45 ad Cornelium n0. 3 Migne III 710—711; epist. 52 ad Antonianum n0. 1; Migne 3, 762 epist. 67 ad Stephanum uquot;. 3 en 5; Migne 3, 994 en 995; epist. 68, (een synodale brief) u0. 5 en 6, Migne 3, 1028 en 1031; epist. 76 ad Magnum n0. 3 en 5; Migne 3, 1140; epist. 71 ad Quintum-, Migne 3, 1106.

Ds. A. V. moet natnnrlijk over die duidelijke plaats van Cyprianns zijn gevoelen zeggen. Van een bisschop, die primaat is en iurisdictie heeft over de geheele Kerk (dus een Paus), wil hij niets weten. Hoe zijn dan de woorden van Carthago's bisschop volgens hem op te vatten l' Luister: „Cyprianns spreekt tot de ketters en scheurmakersquot;, zegt Ds. A. V.

Een leelijke vergissing: hij spreekt tot de Me les, vooral de belijders, tot de „fratres dilectissimiquot; (T, II)

Cyprianns, zoo vervolgt Ds. A. V., „strijdt met alle macht voor de eenheid der Kerk 1 Hij toont aan dat die (eenheid) voor de Apostelen in Petrus is gegeven, dien de Heer in de plaats van allen heeft aangesproken, en brengt dit, naar tiet begrip van zijn tijd,, (wil dat zeggen: toen dacht men er nog' zou over in de Kerk, maar vergiste zich'1), „op den bisschop van Rome over, niet om hem daardoor een hooger gezag op te leggen.

ocr page 590

46

of hem in rang- boven anderen te verheffen, maar hem alleen tot een punt der vereeniging ie maken, en één voor allen uitspraak te laten doen. Men zon kunnen zeggen: Cyprianns wilde, dat de b i s s c h o p van R ome de mond van allen was, zonder rangverheffing, gelijk Petrus de mond van allen was.quot; !)

Cypriaims leert dus volgens Os. A. V., dat de bisschop van Ro me (die naar de overtuiging van denzelfden Cjprianus de opvolger is van den H. Petrus, zooals blijkt uit zijn brief ad Antonianum, geschreven in 252) een punt der vereeniging moet zijn en voor all^si uitspraak moet doen, maar „zonder rangverheffing.quot; Bijgevolg hij, die een punt van vereeniging moet zijn en voor allen d. i. voor alle leden der Kerk uitspraak dient te doen, staat toch niet hoven hen, heeft toch gelijke macht. (?)

Hier komen vanzelf twee vragen in mijn pen: ]. Waarom is volgens Cyprianns juist de bisschop van Home dat punt van vereeniging en moet liij voor allen uitspraak doen!' quot;2. Zijn allen verplicht te luisteren naar die uitspraak of niet? Niet!' Wat heeft dan toch zulk een punt van vereeniging te beduiden, en kan daar voor sullen uitspraak gedaan worden? Ja? Dan as* er „rangverheffingquot;, en heeft men den Paus genoemd.

Ds. A. V. zegt omtrent de duidelijke woorden van Cyprianns nog dit: „Luther en Calvijn, die toch door hunne Roomsche opvoeding en hunne erkende geleerd

1) Maar de Protestant Porbosias schrijft: „Het is noodzakelijk te erkennen, dat aan den Apostel Petrus ceniR primjatschap oyer de Apostelen is gcgovcn, een primaatscbap van riliig. wijl dat in elko maatschappij noodig ie, cn tevens het primaatschap van voorzitterschap, ouderdom en eerbiedwaardigheidquot; (Instit. historico theol. 1. 15 c 1.

ocr page 591

47

lieid met de Kerkvaders genoeg' bekend waren, en er ook in linn strijd niet de Kerk mede bekend moesten zijn, hebben datquot; (die plaats van Cyprianns) „gelezen en nochtans het sezag van den Paus verworpen.quot;

Ik antwoord: Hugo de Groot, die door /.ijne protes-tantsehe opvoeding en ondanks zijne erkende geleerdheid niet genoeg bekend was niet de Kerkvaders, maar de scheuring der lÖ1'1 eeuw betreurende naar middelen uitzag om de eenheid te herstellen en zich loen ging verdiepen in de studie der Kerkvaders en zoo tot de overtuiging kwam, dat het primaatschap van Petrus noodzakelijk was en reeds uit de H. Schrift het cpiscopaat-systeein en het zevental Sacramenten leerde kennen en door zijne geschriften het gerucht deed ontstaan, dat hij Eoomsch Katholiek werd, en volgens zijn ouden vriend, den Jezuïet Petavius zeker Roomsch Katholiek zou geworden zijn. indien de dood hem niet verrast had, die Hugo de (Iroot, het JJelffsch Orakel geheeten, zag in de woorden van Cypriauus, dat deze groote Kerkvader in den bisschop v a n li o m e, het zichtbaar hoofd der Kerk erkende, door Christus zeiven aangesteld.

Wie hebben gelijk Luther. Calvijn of Hugo de Groot!'

Gezag tegenover gezag, zegt men. Ja, doch met dit verschil, dat het Delft sch Orakel hier in gezelschap is van verrewegquot; de meeste geleerden uit 16 eeuwen.

Daarenboven is het zelcer, dat Luther en Calvijn de woorden van Cyprianns gelezen hebbenI' Ik weet het niet.

En dan wil ik vragen : zou Luther, die zelfs den brief van den H. Jacobus een „stroo-epistelquot; noemt, zich zeer bekreunen om hetgeen Cypriauus schrijft!' Eu waardeert Calvijn de geschriften van Kerkvaders hoog, wanneer zij zijne opvatting tegenspreken!'

ocr page 592

48

Als de bisschop van Kouie geen punt der vereeuiging-is en liij niet voor allen uitspraak doet, dan is de eenheid onmogelijk, zegt Cjprianus. Van waar de scheuring, de ketterijen? vraagt hij. „Omdat men zich niet wendt tot den oorsprong der waarheid, noch het hoofd zoektquot;, liet punt der vereenig ine/, noch dien eénen voor allen uitspraak laat doen.

„Zonder rangverheffingquot;, zegt Ds. A, V. „Spreekt Cyprianus zelf niet in zijn betoog: Hoewel Christus aan alle Apostelen na zijiie opstanding de gelijke macht verleent en erkent Cjprianus niet duidelijk: Wel waren ook de andere Apostelen datgene wat Petrus was met gelijke gemeenschap van eer en volmacht begiftigd, maar de aanvang gaat van de eenheid uit, opdat de Kerk van Christus als één zou blijken I'quot;

Zeer zeker, dominee. Zoo leert de Katholieke Kerk met Carthago's bisschop; u kunt gerust zijn. Nagezegd te hebben, dat Christus zijn Kerk op ééa gesticht heeft, wien hij belast heeft zijn kudde te weiden, voegt Cyprianus er bij, dat de Zaligmaker na zijne verrijzenis aan de Apostelen een gelijke macht (parem polestatem) gaf de zonden te vergeven of te houden. Geen twijfel of alU Apostelen waren in hunne hoedanigheid van Apostel, onderling gelijk, zooals er nu nog volstrekt geen verschil, geen rangverheffing, geen ongelijkheid bestaat tusschen de bisschoppen der Kerk wat liuu bisschoppelijk karakter, hunne hoedanigheid van bisschop betreft. De apostolische zending was bij de twaalven eenerlei, identisch, en de macht, noodig om die zending te vervullen, verschilde niet de een van de andere. In dien zin zou men kunnen zeggen: de absolutie of vrijspraak door een bisschop in den biechtstoel gegeven is

ocr page 593

40

niet (jcldiger dan die van oen eenvoudigen priester; de macLt om brood en wijn in het Licliaain en Bloed lt;les Heeren te veranderen of liet H. Otter des N. Verbonds op te dragen is in den Pans, den Opperpriester, bet Hoofd der /.i ebt bare Kerk op aarde, niet grooter dan die van den priester in de nederigste bediening geplaatst. Zeer zeker waren de andere Apostelen wat Petrus was (Aoc erani utique et caeteri apostuli quod fuit Petrus)-, zij waren Apostelen evenals Petrus en zoo goed als Petrus; maar dat deelgenootschap der twaalven aan de a postoliscbe zending, waarvan Cyprian us spreekt, doet geenszins te niet, wat bij te voren beeft gezegd, wat bij nergens terugtrekt, wat hij integendeel met grooter nadruk herhaalt. Inderdaad, niet van Jacobus noch van Joannes noch van Paulus, laat de bisschop van Carthago de eenheid der Kerk uitgaan {unilatix originem ah uno mcipientem), maar van Petrus die, in zijn oog, alleen de bron en bet zichtbaar middelpunt dei-eenheid is.

Ziedaar den grondslag van bet primaatschap aan dezen bevoorrechten Apostel gegeven: want hij, door wien de Kerk één is, is noodzakelijk (met of zonder rangverbetting) bet hoofd dier Kerk. Hoe zou hij anders meer dan de anderen die eenheid zichtbaar maken? Steunende op de gelijkheid van macht aan de twaalven gemeen, laat Cyprianus op het uitstekende voorrecht van den enkelen Apostel, Petrus des te scherper licht vallen. (Freppel blz. 289). Ook de andere Apostelen kregen de macht om de kudde te weiden. Zij waren wat Petrus was, niet wat bet primaatschap, maar wat bet apostolaat betreft. Zij allen moesten weiden, maar niet met dezelfde volheid en uitgestrektheid van macht, „op ééuen bouwt (Christus) zijn Kerkquot; (IV).

ocr page 594

50

,,Allen zijn lierdersquot;, zegt Cyprianus, docli ouder-g-escliikt aan Petrus, „één kudde is er, die door alle Apostelen eenparig moet geweid wordenquot;, maar in gemeenscliap blijvende met Petrus, anders is er geen eenheid; vim Hem yaat de eenhied uit. De Kerk van Rome wordt door liem genoemd: „Ecclesia principalis, nnde uniias sacerdotalis exorta est.quot; (Ep. 59, 14) en „matrix et radix Ecclesiae cailiolicaequot; {Ep. 48).

Wij vatten tegenover Ds. A. V., Bolland, den Oud-katholieken Jozef Langen en P. •). Van Harderwijk de redeneering van Cyprianus nog eens samen als volgt: De groote leeraar zeide: ,,De aanvang gaat van de eenheid (d. i. van den éénen of van liet één zijn) uit, opdat Christus' Kerk zou blijken één te zijnquot; (c. 4). In welken zin moet nu die eenheid volgens Cyprianus bewaard blijven'.' Door de inwerking, den invloed van 't hoofd op de leden. Immers hij zegt: ,,De lïerk is één (er is maar één enkele Kerk) die door de toeneming van hare roemrijke vruchtbaarheid zich over eene menigte leden uitstrekt; de zonnestralen zijn veel in getal, doch het licht is één, de takken der boomen zijn talrijk, maar slechts één stam is vastgegroeid op den sterken wortel, en uit één bron vloeien vele beken .... toch wordt de eenheid in den oorsprong bewaard. Scheid een zonnestraal af van de zon: de eenheid des lichts is ondeelbaar. Breek van den boom een tak: het gebrokene zal niet in knoppen schieten, dam de bron af, de beek droogt uit. Zoo gaat het ook met de Kerk des Heeren.quot;

Ontkent iemand niet, dat de zon invloed heeft op de stralen, de kracht van den boom op de takken, de bron op de beken, dan is het hem overduidelijk, dat Cyprianus hier spreekt van den invloed (inwer-

ocr page 595

51

king-), waardoor de eenlieid der Kerk bewaard wordt.

Even duidelijk is het dat volgens Cjprianns die invloed uitgaat van liet hoofd door Christus gesteld. Hij zegt immers kort te voren : „Op ééneii bouwt hij de Kerk . . . . om de eenheid zichtbaar te maken heeft hij den oorsprony van die eenheid als van één beginnende door zijn gezag gesteld.quot;

Bijgevolg wordt de eenheid der Kerk volgens Cyprian us niet veroorzaakt door „de aanhoudende voortgaande ver-eeniging van alle kerken ieder afzonderlijk, waarvan Langen spreekt in zijn Gesch. der röm. Kirche bis zum Pontijikate Leo's I (Bonn 1881 S. 335), [welke afzonderlijke kerken dan toch volg'ens den door Van Harderwijk begrepen Cyprianus geheel onafhankelijk van elkander zijn en in alles, ook over de gewichtigste vragen, een eigen opvatting mogen hebben en vasthouden en, al vergaderen zij ook alle, de wet niet kunnen voorschrijven aan een afzonderlijke kerk, die een anderen weg wil gaan], ook kan men niet zeggen, dat deze kerken, door het feit dat zij van Christus voortkomen, den geest, van Christus ontvangen, enkel krachtens hun oorsprong behouden, zooals de takken, uit denzelfden wortel ontsproten, dezelfde natuur, denzelfden aard behouden. Het buitengewoon verschil ligt hierin, dat menschen eeu vrijen wil hebben en boomtakken niet. De afzonderlijke kerken, die afvallig geworden zijn of, om met Dr. A. Kuyper te spreken, „gebroken hebben met het bestaandequot;, bewijzen overvloedig, dat enkel de kracht van den oorsprong niet toereikt om de eenheid te bewaren. Op die afzonderlijke kerken past het woord van Joannes (I, 2 : 19) aangaande de ketters: „Zij zijn uit ons uit gegaan, maar zij waren niet uit ons,quot; Zie G. Wilmers S. J.: De Christi ecclesia 1897 p. 186.)

ocr page 596

Volgens Cyprianus is de Kerk van Knme de oorsprong, de moeder, de bron der eenheid „radix, mater et matrix.quot; Dat blijkt uit Ejgt;. 45, 1 Hartel (Balaz. 42) in liet context en uit andere plaatsen van Cyprianus [lij vermaant de selieurmakers, „dat zij den oorsprony en bron der Katholieke Kerk erkennen en '/Ach daaraan zouden honden, ut Ecclesiae catholicae malricem et radicem agnoscerent et tenerentquot; {Ep. 48, 2).

Volgens Cyprianus is de Kerk van Rome de hoofdkerk, Ecclesia principalis, de oorsprong der eenheid. „Post ista adhuc insuper pseudo-ejnscopo sibi ab haereticis constituto navigare audent et ad Petri cathedram atque ad Ecclesiam prmcipalem, unde unitas sacerdotalis exorta est.... nee cogitare eos esse romanos, quorum fides Apostolo praedicante (Rom. 1 : 8) laudata est, ad quos perfidia habere non possit accessum. Zij durven oversteken naar den Sloel van Petrus (ad Petri cathedram) en naar de hoofdkerk, vanwaar de priesterlijke eenheid is uitgegaan .... en zij bedenken niet dat daar de Romeinen zijn, wier geloof door den Apostel geprezen is en tot wie het ongeloof en de dwaling geen toegang kunnen hebben!quot; {Ep. 59 Baluz. 55.)

Uit zijn brief ad Antonianuni, zoo leerzaam aangaande de eenheid der Kerk, de bisschoppelijke waardigheid en de boete en geschreven in 't jaar 252, blijkt, dat de bisschop van Rome voor Cyprianus de opvolger des H. Pet rus is. Immers hij zegt: „Daar de plaats van Fabianusquot; (deze Paus regeerde van 230—250), „d. i. daar de plaats van Petrus en de waardigheid van den priesterlijken leerstoel vacant wasquot; {Gum Fabiani locus, id est cum locus Petri et gradus cathedrae sacerdotalis vacaretj.

Alle bandschriften geven deze lezing. De protes-

ocr page 597

53

tantsclie geleende Neancler stond onthutst bij zulke duidelijke taal. Oui zich uit de bedremmelmg te redden, stelde hij zijnen geloofsgenooten voor, dat Cyprian us met die woorden leerstoel van Petrus [cathedra Petri) wilde aanduiden den leerstoel aller lisschoppen gezamenlijh, het geheele episcopaat, en niet den stoel van Petrus, door deu bisschop van Eome bezet.

Volgens dien uitleg of liever uitweg heeft derhalve Cyprianus, toen hij in Ep. 59 (Baluzius 55) 14 de ketters verweet, dat zij naar den Stoel van Petrus durfden oversteken (navigare audent ad cathedram Petri), eenvoudig willen zeggen, dat deze ketters een rondreis om de wereld wilden ondernemen om de bisschoppen, „de veelheid van het episcopaatquot;, op te zoeken. Het is vermakelijk !

„Tot zulke dwaasheden komt menquot;, zegt Mgr. Freppel, „wanneer men zich in 't hoofd gezet heeft in de teksten niet te willen vinden, wat zij behelzen.quot;

In Ep. 43 nn. 5 schrijft de groote bisschop van Carthago: „God is één en Christus is één en één de leerstoel op Petrus door 't woord des Heeren gesteld.quot; En wat getuigt hij van de kerkelijke hiërarchie? Luister. In zijn eersten brief (Ed. Hartel 2, 465) leert hij dat de g e e s t e 1 ij k e n een stand, een staat vormen onderscheiden van die der 1 e e k e n. „Allen die met het goddelijk priesterschap bekleed en in de geestelijke bediening zijn gesteld, moeten enkel het altaar en de offergaven dienen en zich met smeekgebeden onledig houden.... zij kunnen daar zij met goddelijke en geestelijke zaken bezig zijn, zich niet verwijderen van de Kerk noch zich met aardsche en wereldsche handelingen inlaten .... Want de bisschoppen, onze voorgangers, nauwkeurig overwegende en heilzaam de Paus IV. 4

ocr page 598

54

voorziende, hebben geoordeeld, dat g'eeu broeder (bisschop), die tot voogdijschap of' wereldsche zorgen afdaalt, een geestelijke zou benoemen.quot; Een bisschop, die zoo handelt, mag tot steif, geen geestelijke meer aanstellen.

Wat zegt Cyprianns nog meer'.* Over een diaken, dio tegen den bisschop opstond, schrijft hij in zijn 3™ brief' n0. 3 (H.artel 2, 471): „De diakenen moeten zich her inneren, dat de H e e r apostelen d. w. z. bisschoppen en overheden [ejpiscopos et praepositos) gekozen heeft, maar dat de Apostelen na 's Heeren hemelvaart diakenen hebben aangesteld als dienaren van hnime bisschoppelijke waardigheid eu der Kerk. Indien wij iets tegen God vermogen, die bisschoppen aanstelt, kunnen ook diakenen tegen ons opstaan, door wie zij worden aangesteld (door wie zij worden). En daarom moet de diaken, over wien gij schrijft, boete doen voor zijne vermetelheid, opdat hij de eer van het priesterschap (sacerdotii) !) erkenne, en behoort hij heel ootmoedig voldoening te geven aan den bisschop, zijn overste {praeposito suó).quot;

Tn Ep. 61 nn. 3 (Hartel 2, 697): „De presbyters (ouderlingen) zijn met den bisschoj) door de priesterlijke waardigheid vereenigd.quot;

De Protestant Prof. W. Moll schrijft in zijn Geselt, van het kerkelijk leven der Christenen gedurende de zes eerste eeuwen (2 dr. 1 D. bl. 88 enz.): „Sterk gekleurd en zeer bepaald vindt men het idee eener afzonderlijke priesterkaste naar het voorbeeld Israëls bij Cyprianus .... Hier ziet men een scherpe tegenstelling van den met den levitischon gelijk geachten priesterstand tegenover

') Hartol leost: sacerdotis ori bank voor do lezing sacerdotii slechts één handschrift aan. Hot komt op hetzelfde noor.

ocr page 599

tie gewone leden der gemeente ^). De geestelijken worden voorgesteld als eene afgezonderde, alleen Gode gewijde kaste {sic), ver verheven boven den werkkring des burgerlijken levens, waarvan zij alle verplichtingen en bemoeiingen zonden ontvlieden, als beneden hunne roepingquot;. . . .

Cyprianus schreef dien brief, waaruit prof. Moll eenige zinsneden vertaalt, m 't jaar 219 en beroept zich op een beslnit van een vroegere kerkvergadering. De priesterstand als afgezonderde, godgewijde kaste, bestond dus zeker vóór 't jaar 249. Dat kan niemand loochenen, die eerlijk is. „Cyprianus (i?p. 57) en vele anderen van zijn tijdquot;, zegt Prof. Moll, „noemden zich priesters, die dagelijks de offeranden Gods vierden. Gedurende het leven van Angustinns en Chrysostomns werd de plechtigheid in vele gemeenten .... dagelijks bediend en altijd in het morgenuur.quot; {Gesch. v. 't kerkel. leven 2 Dr. 2 D. blz. 97.) Zon dat misschien het H. Misoffer zijn, dat nn nog dagelijks in het morgennnr in de katholieke kerken wordt opgedragen ?

De Protestant Prof. Moll zegt: „Daar intusschen door Cyprianus en in een brief van Cornelius, die in de derde eeuw bisschop van Rome was, van s u b d i a k e n s melding gemaakt wordt als van kerkedienaren, wier aanstelling algemeen bekend en geenszins nieuw was. zoo blijkt het genoegzaam, dat zij reeds aanwezig moeten geweest zijn in een tijd, die van de apostolische dagen niet zeer ver verwijderd ivas.quot; {Gesch. v. 't kerkel. leven 2 Dr. 1 D. blz. 220.)

De brief van Paus Cornelius aan Pabius van Antiochië spreekt niet enkel van subdiakens, maar van preshij-fers, diakenen, subdiakenen, acolieten, exorcisten en lectoren.

!) Zie ook Bitschl.

ocr page 600

56

Hebben de Protestanten ook subdiakenen, acolieten enz. ? De Roomscli Katholieke Kerk wel.

Wat leert dus de H. Cyprianus?

1. De bisschoppen leiden volgens (xods wil do kudde des Heeren.

2. In elk diocees is de bisschop het middelpunt der geestelijke macht en der eenheid.

3. De eenheid gaat uit van Petrus.

4. De bisschop van Rome is de opvolger van Petrus in diens waardigheid.

5. De eenheid gaat derhalve uit van den bisschop van Rome.

Heeft Cyprianus, die naar het oordeel van Ds. A. J. Th. Jonker „de waarheid van het Evangelie met kracht heeft gehandhaafdquot;, zich zeker vergist?

Wij bevelen eiken Protestant, die Latijn verstaat, de lezing aan van de studie, door Paul Von Hoensbi-oeck onder den titel: Der römische Primat hezeugt durch den H. Cyprian, uitgegeven in Zeitschr. far hath. Theologie Jg. 14 1890 S. 193—230. De schrijver komt tot de gevolgtrekking, dat de groote bisschop van Carthago met de duidelijkste woorden leert: „Die Kirche Christi ist nur eine, ein festgescMossenes, organinches Ganzen bildend. Diese Binheit stellt sich zunachst dar in dem e i n e n Episcopal, welcher auf giittlicher Einsetzung beruht. Fundament, Mittelpunkf, Schlusstein und somit Trager, Er halter, Auswirker dieser Einheit ist Petrus in s e i n e m Nachfolgern, den römischen Piipsten.quot;

De Oud-katholieke pastoor P. J. Van Harderwijk schrijft op blz. 47 van zijn vlugschrift: „In Spanje waren Basilides en Martialis, bisschoppen der gemeenten Leon-Astorga en Merida, in de vervolging gevallen. De

ocr page 601

57

geloovigen kozen nieuwe bisschoppen, maar werden tegengewerkt door (Paus) Stephanus, waar Basilides steun gezoclit en gevonden had. Die geloovigen riepen nu Cyprianus' hulp in, die hunne handelwijze op een concilie van 37 bisschoppen verdedigde en in zijn antwoord de nieuwe bisschoppen voor wettig gekozen verklaarde en als eenigen {zooals Stephanus) met de afgezette bisschoppen gemeenschap houden, dan vallen zij in hun schuld {Ep. 37).

De Oud-katholieke schrijver zegt op blz. 3: De geschiedenis van het primaat is „m.i. door den eenen (Bolland) onvolledig, door den ander (Schaepman) eenzijdig, zoo niet erger behandeld.quot;

Van het verhaal des Oud-katholieken geestelijke omtrent Basilides en Martialis zeg ik: het is onvolledig, eenzijdig en erger behandeld.

Wat toch is er van de zaak!'

Basilides, bisschop van Leon en Astorga, eu Martialis, bisschop van Merida (een gemeente in Spanje), hadden gedurende de vervolging om den dood te ontgaan een getuigschrift aangenomen van afgoderij. Van die misdaad werden zij ten minste beschuldigd; wij bezitten enkel nog de getuigenissen hunner tegenstanders. Zeker is, dat zij verdienden afgezet te worden, indien de beschuldigingen grond hadden. Wat er van zij, do geestelijkheid eu het volk, vereenigd onder het voorzitterschap der bisschoppen van de provincie, kozen i'elix en Sabinus in de plaats der twee schuldigen. De orde scheen hersteld, toen Basilides, op een beslissing, die hij, naar men zegt, had aangenomen, terugkwam en meende verplicht te zijn zich naar Rome te begeven, ten einde van Paus Stephanus te verkrijgen, dat hij weer hersteld werd op zijn zetel. Deze handelwijze is

ocr page 602

58

een nieuw bewijs, dat men in de derde eeuw algemeen geloofde aan liet primaatschap vau den bisschop van Rome. Evenals de bisschoppen van Gallië zich tot den Paus wenden om de afzetting van een hunner ambt-gonooten te vragen, zoo wenden zich de bisschoppen van Spanje tot het gezag van Rome's bisschop om op hunne zetels hersteld te worden. Schitterender getuigenis van hunne erkenning van 's Pausen primaatschap konden zij niet afleggen.

Bij ontstentenis van bewijsstukken kan men niet nauwkeurig bepalen, in hoever Paus Stephanus aan de twee appelleerende bisschoppen recht liet wedérvaren, maar uit een brief van Cyprianus aan de bisschoppen van Spanje kan men genoegzaam zien, dat de Paus geneigd was aan die twee bisschoppen vergiffenis te schenken. Door 's Pausen toegevendheid verschrikt, zochten Sabinus en Felix steun bij den bisschop van Carthago. Het antwoord van dezen is eene nadrukkelijke veroordeeling van Basilides en Martialis, maar wijl die veroordeeling uitsluitend steunt op de gegevens der beschuldiging, kunnen wij onmogelijk oordeelen, in hoeverre die veroordeeling gegrond is.

Cyprianus ontkent niet in den Paus het recht de afgezette bisschoppen op hunne zetels te herstellen; hij bepaalt zich er bij te beweren, dat Basilides den Paus heeft verschalkt door een leugenachtig relaas der feiten en bijgevolg aan de misdaden van zijn verleden nog het bedrog en de huichelarij heeft toegevoegd. Daarom houdt Cyprianus staande, en met recht, dat een gunst op slinksche wijze verkregen, den Paus door verfoeilijke schelmerij afgetroggeld, den schuldige geen voordeel mag aanbrengen; maar hoe verontwaardigd Cypriaims ook zij, geen oogenblik denkt hij er aan de

ocr page 603

59

iurisclictie des Pausen in twijfel te trekken; integendeel: tot staving- van zijn gevoelen beroept liij zich op een besluit door Paus Cornelius in overeenstemming met liet bisschoppelijk college uitgevaardigd, volgens welk besluit een geestelijke, van een daad van afgoderij overtuigd, wel tot de boete toegelaten, doch niet in zijne bediening hersteld kou worden. Had de bisschop van Carthago in Rome's bisschop niet het hoofd dei-Kerk en den Opperherder erkend, met één enkel woord had hij den knoop kunnen doorhakken. Hij had dan kunnen zeggen: „Stephanus bezat het recht niet een bisschop van Spanje, die door zijne ambtsbroeders is afgezet, weer op zijn zetel te herstellen.quot; Maar neen, hij erkent hot recht des Pausen, oordeelt echter dat in dit geval, de opvolger des H. Petrus, verwijderd als hij was van het tooneel der gebeurtenissen en door valsche mededeelingen misleid, van de strengheid der kerkelijke tucht is afgeweken ten gunste van twee mannen, die zulk een toegeeflijkheid niet verdienden. Zooveel omzichtigheid te midden van zulk een diepe verontwaardiging, bewijst voldoende, dat de primaat van Afrika de hoogste iurisdictie van den Roomschen opperpriester volstrekt niet wilde betwisten. (Mgr. Freppel: Saint Gi/prien 3 edit. 1890. Dit hoek zou I)s. A. V. zeer bevallen.)

Paul Von Hoensbroeck sluit zich aan bij het gevoelen van P. Palmieri (De Romano Pontifice p. üüG) en van vele andere godgeleerden, waarnaar Cyprianus de vraag omtrent den doop, door ketters toegediend, enkel beschouwd zou hebben als een vraag van tucht, niet van geloof [Zeitschr. f. hath. Theologie Jg. 15,1891 S. 727—73G), maar Dr. Johann Ernst in Ansbach is tegen dat artikel opgekomen in hetzelfde tijdschrift (Jg. 17 1893 S.

ocr page 604

60

79—103). Na de lezing- dier studie omhels ik liet gevoelen van Dr. Ernst, dat trouwens reeds door anderen werd voorgestaan: „Für den H. Cyprian war die Ungültigkeit der Ketzertaufe eine zweifellose Scliluss-folgerung aus Stitzen des Glaubens, eine sicliere con-clusio theologica.quot; Daaruit volgt ecliter niet — aldus ontzenuwt de sclirijver de bewering van Von Hoensbroeck —, dat Cyprianus een meening, koezeer ook in strijd met de zijne die, naar liij geloofde, in het dogma gegrond was, niet dulden kon en „onmogelijk met de voorstanders van het tegenovergestelde gevoelen de kerkelijke gemeenschap had kunnen in stand houden.quot; In alle eeuwen heeft de Kerk meeningen, die in hare laatste gevolgtrekkingen met erkende leerstukken in botsing komen, in haren schoot geduld. Had het Vaticaansch Concilie niet gesproken, ook de ijverigste bisschop in 't geloof zou de Fallibilisten, al ware hij voor zijn persoon nog zoo vast overtuigd, dat dezen in tegenspraak waren met den achtergrond van een geloofsartikel, niet uit de kerkelijke gemeenschap mogen uitsluiten, maar hen in den schoot der Kerk moeten verdragen. Waarom had de H. Cyprianus niet mogen doen, wat zoovele bisschoppen en Pausen in den loop der eeuwen gedaan hebben? En zou de heilige leeraar niet zelf ingezien hebben, dat het hem niet vrijstond in zaken van geloof autoritatieve beslissingen voor de geheele Kerk te geven j' Juist zijne liefde tot de eenheid der Kerk hield den heilige binnen de grenzen der gematigdheid en bracht hem er toe, dingen te dulden, die naar zijn oordeel met de gevolgtrekkingen van kerkelijke leerstukken en zienswijzen in tegenspraak waren, maar die zonder groote schade voor de eenheid en den vrede der kerk niet terstond konden verwijderd

ocr page 605

61

worden .... lu de eerste plaats eu vóór alles g'iJig liet liier niet om een scheuring in 't geloof, neen vóór alles was liet een vraag van p r a c t ij k, van gebruik des lier do ops, dat in Afrika ten opzichte van hen, die door ketters gedoopt waren, in zwang was, in Rome en in andere deelen der Kerk niet voorkwam. Wel is waar oordeelde Cyprianus, dat de afrikaansche practijk alleen de goede was en dat enkel zij overeenstemde met het in zijn gevolgtrekkingen geldend gemaakte dogma. Bij het aannemen van bekeerlingen uit de ketterij, die bekeerlingen niet herdoopen, g'old hem een misbruik, maar eveuals door de Kerk in eenige barer deelen vanouds misbruiken verdragen zijn, opdat niet met de gewelddadige uitroeiing van het onkruid de tarwe schade zou lijden, zoo wilde ook Cyprianus om kerke-lijken vrede eu eendracht te bewaren het gewaande misbruik (quae semel sunt usurjpata) geduld zien . . . Hij hield den wederdoop voor het alleen wettige, hij wilde het nalaten daarvan enkel dulden, maar niet c/oedkeuren. „Qua in re nee nos vim cuiqnam facimus aut legem damns, quando habeat in Ecclesiae administratione voluntatis suae arbitrium liberum unusquisque praepo-situs, rationem actus sui Domino redditurus.quot; Als de band van vrede en eendracht maar niet verbroken wordt, kan ieder wat eenmaal in gebruik is bijhouden. (Ep. 72) „In deze zaak doen wij niemand geweld aan noch schrijven wij iemand de wet voor, daar iedere bisschop in het bestuur zijner kerk vrije beschikking heeft en van zijn handelwijze zelf rekenschap zal geven aan den Heer.quot; 1)

!) Vclo golcorden houder, dat naar alle waarschijnlijkheid Cyprianus zijne dwaling zou herroepen hebben, maar Dr. Johann Ernst bewijst, dunkt mij, dat men zich moat aansluiten bij De

Smedt S. J , d'e in ?ijn Dissert, in hist. cccl. p. 234 do stelling

ocr page 606

62

In zijn brief (45) aan Paus Cornelius verhaalt Cjprianus, wat liij gedaan lieeft, opdat aan de bisschoppen van Afrika de valschheid zou blijken van soiumig-e geruchten, verspreid om twijfel te wekken aangaande de canonieke keuze van Cornelius. En daarna gaat hij voort: „Het dacht ons goed, nadat elke twijfel uit aller harten verdwenen was, dat door allen, die hier in het bisschopsambt geplaatst zijn, een brief werd opgesteld, gelijk nu geschiedt, opdat onze gezamenlijke ambtgenooten u en de gemeenschap met u, dat is: de eenheid der Katholieke Kerk, te gelijk met hunne liefde jegens u, op krachtige wijze zouden erkennen en behouden. „Placuit ut. . . per omnes omnino istic positos litterae fierent (sicut hunt), ut te universi collegae nostri et communicationem tuam, id est, catholicae Ecclesiae unitatem pariter et caritatem probarent firmiter ac teuerent.quot;

Deze woorden bewijzen het primaatschap van den itoomschen Stoel. Immers indien yemeensrhai) houden met Paus Cornelius hetzelfde is als de eenheid hoiulef. der Katholieke Kerk, volgt daaruit noodzakelijk, dat alle bisschoppen eu geloovigen der wereld in gemeenschap moeten blijven met den bisschop van Home, indien zij niet van de eenheid der Katholieke Kerk willen uitgesloten worden. Maar dan volgt ook, dat de geloovigen der geheele wereld gehouden zijn aan dien bisschop van iiome in geloof en tucht te gehoorzamen, omdat wanneer zij niet gehoorzamen hij hun de gemeenschap met; hem kan weigeren en hen aldus van de eenheid der Katholieke Kerk kan afsnijden. Zulk een macht nu van Home's

verdodigti: „Cypriannm anto raortom orrorem snum retractassc, magis pie quara probabiliter a^Bor^retur.quot; (Dr. Job. Ernst: Oyprians angeblicher Widemif; Zeitschr. f. hath. Theohgie Jg. 19, 1895 S. 231—272.)

ocr page 607

63

bisschop is een primaatsclmp over de gelieele Kerk. (Zie Bouix: De Papa I p. 139.)

Wij houden het met den grooten kerkvader van Afrika, den uitstekenden bisschop van Carthago en martelaar (f 25S): „Grij stelt u zelven aan tot rechter Gods en van Christus, die tot de Apostelen zegt en door dezen tot alle opzieners, die de Apostelen, in onafgebroken orde opvolgen: „Wie u hoort, hoort Mij, wie u verwerpt, verwerpt Mij eu TTem, die Mij gezonden heeft.quot; (Ep. G9, 4) „Judicem Dei et Christi te coustitnis; cpii dicit ad Apostolos et 2gt;Br hos ad omnes praepositos, cpii Apostolis vicaria ordinatione succedunt: qui audit vosquot; enz.

Wij houden aan de stelling van Cjprianus: „una cathedra in una Petro fun data, den eenen leerstoel op den eenen Petrus gevestigdquot;, d. i. aan den Paus.

De H. Stephanus I. 254—257, Paus, bedreigde Helenus, bisschop van Tarsus, eu Pirmilianus, bisschop van Caesarea alsook die der naburige provincies en do Anabaptisten, die de door ketters gedoopten nogmaals doopten, met den ban. Dionysius van Alexandrië verhinderde door zijn voorspraak, dat de Paus zijn bedreiging volvoerde.

Ook in Afrika waren eenige bisschoppen van meening, dat men ketters niet opnieuw moest doopen, weshalve 18 bisschoppen van Numidië zich in 255 tot de synode van Carthago wendden om licht. Hier verklaarden 31 bisschoppen onder het voorzitterschap van Cyprianus, dat de doop door ketters toegediend, ongeldig was en in denzelfden ziu oordeelde een andere synode van Carthago (1 Sept. 256) bij monde van 71 bisschoppen. Zij meenden, dat een verschil van gevoelen op dit punt den vrede onder de bisschoppen niet verstoren mocht;

ocr page 608

64

was echter de kettersclie doop werkelijk ongeldig, dan moclit meu de andere bisschoppen niet laten in die gevaarlijke gewoonte (van ketters niet opnieuw te doopen). De Afrikanen gingen hier van de valsche onderstelling uit, dat het Sacrament des Doopsels afhankelijk was van de waardigheid van hem, die het toediende. Toen nu Cyprianns de verhandelingen zijner synode naar Rome zond, verwierp Paus Stephanas de besluiten van de synode, weigerde met de gezanten in gemeenschap te treden en vorderde, dat men zou vasthouden aan het oude gebruik, dat namelijk de ketters bij hun terugkeer tot de Kerk niet herdoopt zouden worden. De Afrikanen moesten bekennen, dat de oudere kerkelijke gewoonte tegen hen was; maar zij meenden, dat die gewoonte voor de waarheid moest wijken (wijl zij den doop door kette-'S toegediend voor ongeldig hielden), en op eene derde afrikaansche synode van 87 bisschoppen zochten zij de noodzakelijkheid van den wederdoop van ketters te bewijzen. Toen deze derde synode gehouden werd, was het decreet van Stephanus nog niet in Afrika aangekomen. Het kruiste de gezanten, die de besluiten der derde synode naar Rome brachten. (Hefele: ConrAliën-gesch. I, 120, Tübinger Quartalschr. 1849 S. 587, Innsb. Theol. Zeitschri'fi 1884 en vooral 1894 S. 484 vv.)

Het is opmerkenswaard, zegt Dr. Joh. Ernst, dat zelfs op het derde Concilie van Carthago, zoo vaak op valsche wijze als een concilie van oppositie tegen den Aposto-lischen Stoel uitgespeeld, het primaatschap van Some's bisschop uitdrukkelijk erkend wordt. {Sent. 17; Firini-lianus Bp. 75 n0. 17, Cyprianns Ep. 70 nü. 3; zie Grisar S. J. Zeitschrift für kafh. Theologie 1881 S. 193.) Cyprianns zocht allerlei uitwegen om den drang van 's Pausen voorschrift te ontgaan: intusschen verloochende

ocr page 609

65

Uij zijn oud geloof aan 't lioomseli Primaat geenszins, maar wenschte alleen, dat in deze zaak liet pauselijk gezag zioli niet zou laten gelden, daar ook de H. Pe tr ns, „dien de Heer het eerst uitverkoor en op wien Hij zijne Kerk houwdequot;, te Antiocliië tegenover Sint Paulus zicli geenszins op zijn primaat beroepen liad. (Prof, De Groot O. P.) Heeft louter ijver, te goeder trouw verdoold, den vurigen afrikaansclien bisscliop zijn te scherpe taal ingegeven? — De H. Augustinus, zijn landgenoot, zeide later: „viel er iets te verbeteren, de Vader sneed liet weg door den marteldood.quot;

Men moet in 't oog houden, dat Cyprianus die van cateclinmeen bisschop was geworden, zich overtuigd hield van de u-aarheid van zijn gevoelen omtrent den doop door ketters toegediend. Door deze vaste overtuiging medegesleept is hij als vurig afrikaan verder gegaan dan met de leer overeenkwam, die hij zelf in de kalmte des geestes over den Paus had beleden.

Om die vaste overtuiging van de waarheid der ongeldigheid des doopsels, door ketters toegediend, kon hij meenen, dat het besluit van Paus Stephanus aangaande de geldigheid van zulk een doopsel een disciplinair besluit gold — zooals het ook werkelijk was — !) en dat dit besluit in die omstandigheden op minder ge-schikten tijd en nog wel met zulk een gezag was uitgevaardigd. Vandaar, hoewel hij meende dat zijn gevoelen geheel en al overeenkwam met de geopenbaarde waarheid, beproefde hij toch, wijl hij zag, dat de Paus een tegenovergesteld gevoelen voorstond, dit alleen

i) Dac heeft naar mijne bescheiden meoning Dr. Joh. Errst zaakrijk aangetoond in Zeitschr. f. haih. Theologie Jg. 19, S. 246 vv.

ocr page 610

(5ü

te verkrijgen, dat aan elke kerk haar eigen wijze van handelen zon worden overgelaten, totdat do vraag voor de Katholieken zou zijn opgelost.

§ 37.

Een woord over den H. Irenaeus, dat wij Ds. A. V., Bolland en den Oud-Katholieken Pastoor P. J. Van Harderwijk ter lezing aanbevelen.

Kin Vorrang leam fillen apostolischeu Kirclien zu; «lor römisclion ein hedeulendever, wegen iJiver Grosse mid Hirer Sli/ïuiic/ ron den zwei rornehni-sten Aposleln.quot;

Do Pro tos tan t ( iesolor.

De H. Ir en a ens, die onder Septimius Severns omstreeks 202 den marteldood gestorven is, heeft zooals hij zelf getuigd als knaap den grijzen Polycarpns (f omtrent 155) gehoord. Volgens den H. Hieronymus is hij ook een leerling van Papias, bisschop van Hiero-polis geweest. In zijn hoofdwerk Adv. haer. V, 33, 4 spreekt hij van de „vijf boekenquot; van Papias. Dat hoofdwerk getuigt van zijne groote vertrouwdheid met de grieksche dichters en wijsgeeren, en de uiteenzetting van de veelkleurige leerstelsels der Gnostieken !) heeft hem reeds van den kant van Tertullianus den naam doen verwerven van omnium doctrinarum curiosissimus explorator (Adv. Valent c. 5; Migne P. L. 2, 548).

1) Het (Jnostioismo heot du iheOKophio van do 2a'' toe de 5llc eouw, die door middel vau kosmogonische bospiegelicgon en Oostersche mythen een dieporo verklaring omtrent het wezen der dingen meende te kannen geven.

ocr page 611

Tijdens de vervolging- der Christenen onder Marens Anrelins was Irenaeus presbyter van de Kerk van Lyon. De geestelijkheid van de kerken dezer gemeente zuchtte voor 't grootste gedeelte in de gevangenis. Zij zond Irenaeus met een schrijven, dat over de Montanisten (en ook wel over andere onderwerpen) handelde, naar Home tot Paus Bleutherus (175/176—189) en beval den Paus hem aan als ijveraar voor Christus' testament (tymttv quot;c-jtx r/u iïtxsrfar^ tjD X^o-tsv Euseb. Hist. eccl. V, 4). In 'fc jaar 177 verwierf de negentigjarige bisschop Pothinus de martelkroon, en Irenaeus werd zijn opvolger op den bisschopszetel. (Dr. O. Bardenhewer, Patrologie.)

Met historische trouw meldt de protest, schrijfster van de Gesch. der christel. Kerk, dat Irenaeus ouderling (presbyter) der gemeente van Lyon was, toen Pothinus aldaar het ambt van bisschop bekleedde, en dat hij na den dood van Pothinus tot bisschop van Lyon verkozen werd. Zoo bekent dus dezelfde schrijfster, dat reeds vóór 't jaar 177 ouderling en bisschop niet altijd hetzelfde beteekende.

Irenaeus heeft tegen het Gnosticisme een groot werk nagelaten, getiteld: Ontmaskering en wederlegging van de onware openbaring (gnosis); gewoonlijk wordt het sinds Ilieronymus genoemd „Adversus haereses, tegen de ketterijen.''' Dat werk is helaas niet meer voorhanden in den (griek-schen) grondtekst, maar in een latijnsche vertaling, die zeker spoedig na do verschijning van den oorspronkelijken tekst gemaakt is, wijl reeds Tertullianus (Adv. Valent) ze gebruikt heeft; bij latere schrijvers worden echter fragmenten gevonden in den oorspronkelijken tekst.

Naaste aanleiding tot het schrijven van dat werk ga f een vriend, waarschijnlijk een bisschop, die de dwaalleer

ocr page 612

68

van Valentiims wilde leereii Ireunen en vvetlerleggen. (Dr. O. Bardenliewer aid.)

Hij begon dit werk niet vóór 172; van de vijf boeken, waarin liet is ingedeeld, is liet derde zeker bet gewichtigste. Dit derde boek werd voltooid onder de regeering van Pans Eleutherns (gestorven in 189 of 192). De twee laatste boeken vallen onder de regeering van Pans Victor, die tusschen 199 en 202 gestorven is.

In bet eerste boek ontleedt Irenaeus de leer dei-Gnostieken, in bet tweede bewijst bij bare tegenspraak met de rede, in bet derde wederlegt bij ze uit de H. Scbrift en de overlevering.

Het derde hoofdstuk van bet derde boek bebelst bet getuigenis van Irenaeus voor liet primaatscbap van den Paus en wel in zulke juiste en nadrukkelijke besvoor-dingen, alsof wij bisschoppen uit Frankrijk, Engeland, Duitscbland, België, Nederland enz. in de 19'11, eenw booren spreken.

De H. Scbrift is voor Irenaeus „een der kanalen, waardoor de geloofsleer den menscben gewordt, een scbat waaruit de Kerk de ware leer put.quot; [Contra, haereses II 27, 1, 2; 35, 4; III, 1, 1; 15, 1; IV, 35, 3.) Teeder vermaant bij een vriend zijner jeugd, die op den dwaalweg geraakt was, aldus: „Deze leeringen, Florinus, zijn — om bet zachtmoedig uit te drukken — geen gezonde wetenschap; zij stemmen niet overeen met de Kerk .... Die leeringen hebben de presbyters, die vóór ons leefden en bij de Apostelen ter schole gingen, u niet overgeleverd . . . .quot; (Bij Eus. Ejj. ad Florin. Hist. eccl. V, 20). Irenaeus getuigt uitdrukkelijk, dat bij de H. Schriften ontving van de Apostolische overlevering. Het alleen ware en levendmakend geloof {sola vera, a,a vivijica fides) is bet uitsluitend eigendom der

ocr page 613

69

Kerk (1. Ill praef.). De Kerk ontving dat geloof uit cle lianden der Apostelen, die de blijde boodschap in den beginne mondeling verkondigd daarna ecliter volgens Grods wil in geschrift hebben overgegeven (III, 1, 1). De apostolische overlevering geeft hem de lijst der geïnspireerde boeken zonder bijvoeging van ajDOcriefen. zonder verminking (IV, 32, 1; 33, 8; V, 20, 2). Haar gezag steunt voor hem op do onafgebroken reeks van leeraren sinds den tijd der Apostelen; want aan deze opvolgers der Apostelen alleen geeft Grod het charisma der onfeilbaarheid in de leer. (IV, 26, 5) „Er bestaat ook geen reden te vreezenquot;, zegt Ds. A. V. blz. 60, „dat zulke ouderlingen ten opzichte van de christelijke waarheid zouden mistasten.quot; 'j (Dr. O. Bardenhewer aid. J. Van Oers in Be Katholiek D. 115 blz. 283 en 285.)

Irenaeus spreekt als volgt; „De overlevering dei-Apostelen in geheel de wereld openbaar, kunnen in elke kerk (in omni ecclesia) aanwezig zien allen, die de waarheid willen zien, en wij kunnen optellen hen, die door de Apostelen in de kerken als bisschoppen zijn aangesteld en de opvolgers van dezen tot op ons, welke opvolgers niets dergelijks, wat door hen (de ketters)

onzinnig gedroomd wordt, geleerd noch gekend hebben____

Doch wijl het te uitvoerig is in dit werk de opvolgende reeks (van bisschoppen) aller kerken op te tellen, wijzen wij op de Overlevering, die van de Apostelen tot ons kwam, en op het aan de menschen verkondigde en door de opvolgende reeks der bisschoppen tot ons

!) Ds. A. V. geefo daarvan dezo rcdou: „Die in Christus gelooft, ontvangt don H. Geest, dio in allo waarheid loidt, nama-Irjk tot do waarheid door do Apostelen geprediktquot;, m. a. w.: wie in Christus gelooft enz. is onfeilbaar. Elke geloovige Protestant is bijgevolg onfeilbaar.

de Paus IV. 5

ocr page 614

quot;0

g-ekoraeii geloof van die Kerk, welke de grootste en ondste !) door allen gekende Kerk is, door de beide roemrijkste Apostelen Petrus en Paul us te Rome werd gegrondvest en ingericht, en aldus brengen wij ben allen tot zwijgen, die op welke wijze ook, lietzij uit zelfbehagen, hetzij uit ijdele roemzucht, hetzij uit verblindheid en onoprechte meening tegen recht en billijkheid redeneeren. Immers iedere kerk d. w. z. de geloovigen aller plaatsen, moet met deze Kerk, waarin de van de Apostelen overgeleverde Overlevering door de geloovigen aller plaatsen steeds is bewaard gebleven, wegens haren machtigfereii voorrang (propter poteutiorem (potiorem) principalifatem wegens haar hoogere hoogheid) overeenstemmen {in eenheid zijn).''

Wij hebben letterlijk vertaald volgens den tekst door den Protestant Stieren geleverd.

Hij luidt in het Latijn: Ad hanc e.nim ecclesia,m propter potentiorem (potiorem) princi'palitcitem neeesse est omnem convenire ecclesiam, hoe est eos qui sunt undique fidjeles, in qua semper ab his qui sunt undique conservatn est ea quae est ab apostolis tradiiio (III, 3, 2). En nadat Irenaeus nu de bisschoppen van Pome van Petrus af tot Eleu-theriis een voor een heeft opgenoemd, besluit hij: „In deze orde en aflevering (overlating) is de apostolische Overlevering in de Kerk en de verkondiging der waarheid

1; Dom Mussuet ondoratelt terecht, dat Ireuaeu? gcsohreven hoeft: ap/y.'.ory.r^c, welk woord do latijnsoho vertaler overzette in antiquissima, de ondste, maar damp;ti eerier beteekeneti most de eerbiedwaardigste; inderdaad waren do korken van Jeruzalem en Antiochiö onder dan die van Rome. (MG;r. Freppol: Saint Irénée 3quot; édit. p. 439). Wij bezitten deze plaats niet meer in den oor-pp'onkelijken griekschen tekst, maar alleen in latgesche vertaling.

ocr page 615

71

tot ons gekomen. En dat is liet voldingenclst bewijs (plenissima ostensio) hiervoor, dat het een en hetzelfde levendmakend geloof' is, dat in de Kerk door de Apostelen tot nu bewaard en in waarheid is overgeleverd.quot; (Ill, 3, 3.)

Men kan de gespatieerde plaats ook aldus vertalen: „Met deze Kerk toch moet wegens haren hoogeren voorrang elke kerk overeenstemmen, d. i. de geloovigen aller plaatsen, in welke Kerk (in vereeniging met welke) altijd door de (geloovigen) aller plaatsen de apostolische Overlevering is bewaard gebleven.quot; De beteekenis van een of andere uitdrukking alsook de betrekking van den betrekkelijken zin blijven twijfelachtig. Zeker is het, dat Irenaeus aan de Kerk van Rome een voorrang boven alle andere kerken toekent en dat hij voor die Kerk vooral tegenover de gezamenlijke geloovigen een leergezag opvordert, dat tot leiddraad en richtsnoer dient.

Deze tekst van Irenaeus is voor alle tegenstanders van liet pausdom een waar „kruisquot; geworden. Zelfs Friedrich, vóór zijn afval, zegt daarvan: een tekst „waaruit de proteatantsche godgeleerden, ondanks alle pogingen om dien te verklaren nimmer den duidelijk uitgesproken voorrang der Eoomsche Kerk kunnen wegcijferen.quot; {K. G. DeuUchlands S. 409.) Hetzij men potentiorem of poliorem leest zeker is het, dat dit bijvoegelijk naamwoord eenige uitstekendheid te kennen geeft. Yoor het woord prin-cipalifaWhi schreef Irenaeus hoogstwaarschijnlijk xiSnvrh., welk woord beteekent: eigen macht, zelfheersching. Ik zeg „hoogstwaarschijnlijkquot;, want telkens wanneer het woord principalitas aan een grieksch substantief beantwoordt, heeft de grieksche tekst y.lzrvjrh., zooals uit de uittreksels, bij andere schrijvers bewaard, te

ocr page 616

72

zien is 1). Eu telkens wanneer de vertolker liet princi-palitas of liet gelijkbeteekenende princijpatus gebruikt — en dat geschiedt 2 8 keeren — beteekent dat woord nooit anders dan macht, heerschappij.

Twee dingen zijn volgens de aangehaalde woorden boven allen twijfel verbeven, schrijft Dr. Funk (Hist, pol. BI. B. 89): Irenaeus zegt 1., dat de kerken, die dooide Apostelen gesticht werden, de draagsters zijn der waarheid, en dat de waarheid zich in die kerken dooide opvolging der bisschoppen voortplant. „De grondgedachte van Irenaeus isquot;, bekent P. J. Van Harderwijk blz. 44: „de Apostelen hebben het episcopaat ingesteld, en de onafgebroken opvolging der bisschoppen geeft de zekerheid, dat de apostolische Overlevering zuiver bewaard wordt.quot; Daarom schrijft Irenaeus op een andere plaats [Adv. Haer. 4, 26, 2), dat men de presbyters (priesters) d. w. z. de bisschoppen, die de opvolging van de Apostelen hebben en met de bisschoppelijke opvolging volgens het raadsbesluit des Vaders hot charisma veritatis certum, de zekere gave der waarheid ontvingen, moet gehoorzamen; en {Adv. haer. 3, 4, 1) dat men, wanneer over een of ander punt geschil ontstond, zich moest wenden tot de oudste kerken en van haar het vaste en zekere aangaande het punt van verschil vernemen.

1

Br is maar één plaats uitgezonderd, waar hot woerd princi-palitas beantwoordt aan 't griokscho 'c.p/f,, docli ook diar beteekent apyr,-. macht, potestas. Orerisona de voorrang der Kerk van Rome bliift onaangetast onverschillig wolk woord wij in don Griekschen tekst onderstellen, hotzg Trpwrshv, Tpwrcix, a.p'/j', of c/p'/y.'.ÏTrfi of y'jïtfjr'i.y.-

Volgens do vakgeleerden Foroollini, Georgos, du Cange enz. kan hot woord principalitas enkel do botockonis hobbon van voorrang, niet van oorspronkelykheid.

ocr page 617

73

Irenaeiis zegt 2.: als apostolische Kerk is ook de Kerk van Itoiiie de draagster der waarkeid. Zij staat echter met de andere apostolische kerken niet gelijk. Zij staat hoven deze. Zij heeft een hoogere macht of heerschappij. De reden van dien voorrang, van dat liooger-zijn is hare stichting door de prinsen der Apostelen Petrus en Pauins. Want omdat Irenaeus haar een voorrang-toeschrijft, verwijst hij onloochenbaar en ontegenzeglijk naar de hoedanigheden en titels, die hij haar in hetgeen voorafging, geeft en wel op de eerste plaats naar hare stichting door P e t r n s. Der i\ erk van Rome kent hij een voorrang, een potior principalitas toe, «ijl zij door de eerste en voornaamste Apostelen, Petrus en Pauins gesticht werd.

Dat staat onomstootelijk vast.

„Het grijpt mij in de zielquot;, zegt de bekeerde Jurist Baron L. Von Hammerstein, „als ik zie, dat reeds vóór zeventien eeuwen een beroemde bisschop van Lvon, die aan den apostolischen tijd raakte, op die wijze sprak over de Kerk van Rome en haar bisschop.quot;

Hebben volgens Irenaeus alle kerken de zekere

a- a v e de r w a a r h e i d P ö

In het gróotsche werk van dezen bisschop van Lyon lieerscht een plan, een eenheid. Wanneer de schrijver derhalve in het derde boek de Kerk van Rome als een noodzakelijk middel- en vereenigingspunt voor alle kerken aanwijst en dan in Let vierde boek schrijft, dat alle kerken het charisma veritatis certu m, de zekere gave der waarheid hebben, dan vooronder steil hij blijkbaar en noodzakelijk, dat deze kerken met die van Rome vereenigd zijn. Zóó is het waar: iedere kerk, iedere

ocr page 618

74

bisscliop, met de Kerk van lloine vereenigd en daarvan afhankelijk, lieeffc liet charisma veritatis certum. De Kerk van Rome heeft dat charisma volstrekt onafhankelijk en zelfstandig en daarom op zichzelf zeker; de andere kerken hebben dat charisma in afhankelijkheid van de Kerk van Home en in de veronderstelling, dat zij met Rome's Kerk vereenigd zijn; zij hebben derhalve dat charisma heArekkelijh zeker.

Volgens de katholieke leer heeft enkel Rome om zijn bisschop, den Paus de volle en onafhankelijke zekerheid der leer; elke andere kerk echter, ook die van apostolischen oorsprong zijn, heeft deze volle en volstrekt onafhankelijke zekerheid niet. Wel is waar hadden ten tijde van de Apostelen ook die kerken, welke door hen bestnurd werden, die volle zekerheid; maar dat was enkel wegens de persoonlijke onfeilbaarheid der Apostelen; na hun dood hield die onafhankelijke zekerheid op. Irenaeus schreef echter minstens 70 jaren na den dood des laatsten Apostels; eene volle gelijkstelling der overige kerken met Rome kon hij dus volstrekt niet beweren zonder een dwaling uit te spreken, die lijnrecht tegen de katholieke leer aan-druischt. [Hist. pol. BI. B 94 blz. 891 enz.)

Alvorens uit de woorden van Irenaeus een bewijs te trekken voor het primaatschap van den bisschop van Rome, moeten wij in herinnering brengen, dat de Kerk v a n R o m e, waar van voorrechten sprake is, hetzelfde beteekent als bisschop van Rome, vervolgens dat het hier uitgesproken voorrecht ook noodzakelijk zoowel een oorzaak, een reden als een oryaan moet bezitten, waardoor het zich uit. De oorzaak, de reden van dit voorrecht is, zooals Irenaeus zelf zegt, de stichting door

ocr page 619

75

de roemvolle Apostelen Petras en Paulus i), eu liet orgaan, waardoor een voorrecht eener kerk zicli uit, was eu is, naar het getuigenis der geschiedenis, de bisschop van die Kerk. Bijgevolg heeft de voorrang, dien Irenaeus aan de Kerk van Rome toekent onmiddellijk betrekking op den bisschop van Home.

Deze plaats van Irenaeus is een onomstootelijk bewijs, dat die bisschop van Ljon (177—202) inden bisschop van 1!ome den opvolger van Petrus erkende in liet primaatschap over de geheele Kerk, m. a. w. den Paus.

Immers volgens dezen leerling van Polycarpus is het om het geloof en de overlevering van de geheele alge-meene Kerk te leeren kennen voldoende het geloof en de overlevering van de Kerk van Eome te toetsen. En waarom dat ? Omdat alle andere kerken — zegt hij — met de Kerk van Eome noodzakelijk moeten overeenstemmen als met haar middelpunt. En de reden eindelijk van die noodzakelijkheid is de grootere, de machtige voorrang, [potentior of potior principalitas of principatus), waardoor de Kerk van Home boven de andere kerken uitmunt.

1) Uit het feit, dat Irecacua spreekt van Petx'us en Paulus, volgt niet, dat, hier sprake is van een gelijkstoliing dier twee Apostelen. Dit waro even dwaas als diö gelijkstelling te besluiten uit de uitdrukjiicK, in onzen tijd gangbaar: da prinsen der Apostelen, Petrna en Paulus. Jammer toch dat de tegenstanders dor Katholieka Kerk zich zoo slecht op ae hoogte stellen van de denkwijze en do taal en manier van uitdrukken der Katholieke Kerk! Hoevole zaken, die hun nu a's onoverko-raelijko moeielijkheden toeschijnen, zouden tlan verdwijnen. [Hist, pol. BI. B. 94.) „De Pausen noemen zich nog heden de opvolgers van Petrus en Paulus, omdat do arbeid en de dood der twee Apostelen te Kome zoo nauw waren verbondenquot;, zegt Prof. J V. Do Groot O. P.

ocr page 620

76

Welnu de grootere, liooge-3 of mach.tiger voorrang, om welken nooclzakelijk alle overige kerken met de Kerk van Itome moeten overeenstemmen (convenire, consentire, concordare cum = criifj.Pxvjuv) als met liaar middelpunt, is liet hoogste leergezag eu bijgevolg de hoogste volmacht, iurisdictie, het primaatschap.

Derhalve heeft de Kerk van Eome (de bisschop van Eome) volgens Irenaeus, den leerling van Polycarpus, die zelf „een leerling was van den Apostel Joannesquot;, zegt de protest, schrijfster van de Gesch. der christ. Kerk, de hoogste macht over alle andere kerken.

De tegenstanders van het pausdom trachten natuurlijk dat betoog op verscheidene wijzen te ontzenuwen, maar te vergeefs.

Grabe, Richter, Dove, Döllinger, Friedrich beproeven het op de volgende manier. Met het woord 'potior principalitas, zeggen zij, kan bedoeld zijn de macht, het gezag der Romeinsche keizer», en dat gezag is dan de reden, waarom de geloovigen van alle kanten naar Rome samenkomen (undique c.oricurrant ad Romam) eu dus ook naar de Kerk van Rome, hetzij om de zaak der Christenen bij de keizers te bepleiten, hetzij om wereldsche zaken af te doen. Door hen dan, die van alle kanten naar Rome samenstroomden en de overleveringen hunner kerken te Rome kond deden, was de apostolische overlevering in de Kerk van Rome tot dan toe steeds getrouw bewaard.

Voor iemand, die niet door den bril der vooroordeelen ziet, geef ik een tweevoudig antwoord: 1. De Protestanten Saumaise (Salmasius), Henr. Thiersch, Adolph Stieren verwerpen geheel en al dien uitleg van Grabe, Richter enz. Döllinger heeft vóór zijn afval met dien uitleg den spot gedreven, zoo ook Friedrich. De Protes-

ocr page 621

77

tanten, op zeer weinigen na, geven toe dat liier sprake is van een zedelijke samenkomst of overeenstemming van de andere kerken met die van Rome.

2. Het grieksclie woord, dat Irenaeus sckijnt gebruikt te liebben, wordt zeer goed verstaan van overeenstemming of in eenlieid zijn; men zegt toch. nu eens cruppxiyi'y trpaa tcjx, dan weer rrufjijiymvy rtyi.- Bn wat liet latijnscbe woord convenire aangaat, mogen Bolland en Van Harderwijk liet beroemde woordenboek van l'or-cellini (f 1768) naslaan, waarvan Wigand zegt: „Das Lexicon.... erbielt wegen seiner möglicbsten Voll-standigkeit den allgemeinsten Beifallquot;; zij zullen zien, dat liet zelfs erkenning van iurisdictie en onderwerping aanduidt.

3. Met geen enkel woord maakte Irenaeus tot dusverre gewag van liet üomeinsclie Rijksbestuur, maar alleen van de Kerk van liome, over welke tij ex professo sprak.

Welnu het is hoogst onredelijk niet te willen, dat de woorden grootere voorrang (fotentior principalitas) terugslaan op het onderwerp, waarover ex professo gehandeld wordt, en het is lespioitelijk te willen, dat die woorden terugslaan op een onderwerp, waarvan hoegenaamd geen melding werd gemaakt.

Volgens dien uitleg van Grabe, Richter enz. moesten de geloovigen van alle volkeren naar Rome samenkomen, hetzij om den godsdienst in tegenwoordigheid des keizers te verdedigen, hetzij om zaken af te doen, en volgens dien uitleg was het gezag van die samenkomende Christenen zóó gi'oot geweest, dat de Iverk van Rome altijd haar geloof te schikken, in te richten, te voegen had naar het getuigenis van die samenkomende geloovigen. Als dat niet bespottelijk is, wat is dan bespottelijk?

ocr page 622

78

Daarom kan dan ook liet woord convenire ad, hier niet vertaald worden door sameiikowen, maar door overeenstemmen, wat zooals ik zeule, door verreweg de meeste Protestanten onvoorwaardelijk wordt toegegeven. De Maagdenburgsclie Centuriatoren zeggen: „Deze woorden van Irenaeus doelen op de overeenstemming in de leer, zooals uit den samenhang duidelijk is.quot;

De Oud-katholieke pastoor Van Harderwijk vertaalt die plaats van Irenaeus aldus: „Bij deze Kerk moet om haar hoogeren voorrang iedere kerk, dat zijn de geloovigen van alle oorden s a m e n k o m e n; in haar (de Kerk van Rome) wordt altijd door de geloovigen van alle oorden de overlevering, die van de Apostelen komt bewaard.quot;

Bolland noemt onze vertaling „Jezuïetisehe erbarme-melijkheidquot; {Open brief blz. 49) en geeft dan weer een andere vertaling, die aldus luidt: „Naar deze Kerk mort om hare grootere voornaamheid de heele Kerk tezamenkomen; zoo komt het, door de van overal gekomenen, dat in haar de van de Apostelen afkomstige overlevering is bewaard.quot; Al zou deze gedrochtelijke vertaling juist zijn, stond het primaatschap van de Kerk van Rome, d. i. van den bisschop van Rome of den Paus toch onomstootelijk vast.

Dr. Funk handhaaft de stelling', dat bij Irenaeus het primaatschap van den Paus staat uitgedrukt, maar wil toch het woord convenire vertalen door samenkomen. In de Hist. pol. BI. B 94 is zijne meening grondig weerlegd en daarmede die van Bolland [Open Brief enz. blz. 48) en van pastoor Van Harderwijk.

Wat die „Jezuïetisehe erbarmelijkheidquot; van Bolland en diens vertaling en die van pastoor Van Harderwijk betreft, zegt A. Harnack, die allesbehalve Jezuïet is: „Die wörtliche Passung jegliche Kirche muss sur römischen

ocr page 623

79

Kirche kommen ist kaum ertragiicli.quot; (Lehrh. cl. Dogmen-yesch. I, 406 Anm.)

Luister hoe Professor Hagemann liet antwoord van den geleerden Benedictijn Massuetus samenvat: 1°. de veronderstelde zending van talrijke cliristelijke deputaties naar den keizer, is geschiedkxindig niet te staven; geen enkel geval kan men daarvoor uit den tijd vóór Irenaeus aanwijzen. 2°. men pleegt klaarblijkelijk geweld tegen den tekst van Irenaeus, wanneer men liem laat zeggen, dat de geloovigen uit de geheele wereld naaide stad Kome en naar den keizer gestroomd zijn. Bij Irenaeus is enkel sprake van de Kerk in Rome. De Kerk van Eome en de stad Home zijn twee zaken, die hemelsbreed verschillen. 3°. De uitleg vau Grabe enz. past op geenerlei wijze in den gedaclitengang. Irenaeus wil aantoonen, dat wij in liet geloof en de overlevering van de Kerk van Eome bet geloof en de overlevering der gebeele Kerk bezitten. Hoe moest nu volgens den uitleg van Grabe bet bewijs voor die stelling luiden 1* Hij moet den bisschop van Lyon aldus laten spreken: de overeenstemming vindt plaats, is er, omdat elke kerk naar den keizer een deputatie om bescberming enz. zenden moet. Het aanzien, de voortreffelijkheid, die Irenaeus zonder eenigen twijfel der Kerk van Eome toekent, zou dan op de toevallige omstandigheid berusten, dat Eome tevens de zetel des keizers is. Ware dat de gedachte van Polycarpus' leerling dan moest hij alle grondbeginselen, waarnaar hij het aanzien een er Kerk beoordeelt, ten eenenmale vergeten hebben. Hij zou dan een nieuw grondbeginsel hebben opgezet, waaruit hij zelfs in de verste verte niet bevezen had, hoe uit dat grondbeginsel het uitstekend apostolisch karakter der Kerk van Eome kon volgen. Welk een redeneer-

ocr page 624

80

kunst zou liet zijn, als men wilde besluiten: Rome is de hoofdstad des rijks en de zetel des keizers; naar Eome komen uit alle kerken deputaties tot den keizer, bijgevolg- is Eome de voortreffelijkste apostolisclie Kerk, en hare overlevering is die der Kerk in 't algemeen.

Tot zulke dwaasbeden komt men, als de wil over bet verstand den baas speelt.

Sommige tegenstanders van bet pausdom zoeken dan ook een anderen uitweg. Griesbacb zegt: Irenaeus beeft in plaats van xlSramp;T'.x bet woord y.pyr, gescbreveu en dat beteekent begin, of volgens Salmasius (en Massuetus): Tvpurv.yj (= de eerste rang, de eerste plaats) of naar Tbic-rscb: TrpunU-j (= bet innemen van de eerste plaats), of volgens Stieren 'jp/yArr-x (— oudbeid, degelijkheid, gebecbtbeid aan bet oorspronkelijke).

Welnu, zeggen deze bestrijders van bet pausdom, bovenvermelde woorden drukken enkel eenige voortreffelijkheid van oorsprong uit, en aan die voortreffelijkheid van oorsprong enz. heeft de Kerk van Rome te danken, dat zij tot de dagen van Irenaeus de leer, door de Apostelen overgeleverd, streng en stipt bewaard heeft, en daaruit volgt dan noodzakelijk, dat met de Kerk van Eome elke andere kerk overeenstemde, waarin door de geloovigeu, over de gebeele aarde verspreid, de apostolische overlevering eveneens bewaard was.

Ons antwoord komt hierop neer: Zonder den minsten twijfel strijdt die uitleg met den vertaler van Irenaeus. Do vertaling bestond reeds of bij bet leven van Irenaeus of onmiddellijk na zijn dood, en zoowel de tijdgenooten van dezen bisschop van Lyon als zijne naastkomenden beschouwden deze vertaling van gelijke waarde als den oorspronkelijke!! tekst, quot;Dat staat geschiedkundig

ocr page 625

81

vast uit de geschriften van Tertullianus eu Cjprianns.

Vervolgens lieeft Irenaeus hoogst waarschijnlijk het woord geschreven, dat de macht en het

gezag eens vorsten aanduidt, zooals boven is aangetoond.

Buiteudien is enkel voortreffelijkheid van oor-sprong stellig geen bewijs hiervoor, dat een overlevering in 't vervolg ongeschonden bewaard is, en daarom geen bewijs van toestemming van die kerken, welke de overlevering zuiver hebben behouden.

„En ook, mogen wij verder vragenquot;, zegt Schneemann (KatJiolik 1867), „indien er enkel sprake is van oorsprong, welke natuurlijke of zedelijke noodzakelijkheid is er dan, dat alle kerken der aarde met die van Home overeenstemmen?quot; Wij besluiten dus: bijaldien iemand zou meenen, dat Irenaeus geschreven heeft jpy}:, ttp^tzXcv of Tpoirdx, konden die uitdrukkingen toch niet verklaard worden enkel door schitterender begin of oorsprong, maar door voortreffelijkheid van primaatschap en g e z a g.

De Calvinist Salmasius (f 1653) geeft toe 1. dat men aan de woorden van Irenaeus geen andere beteekenis vermag te geven dan overeenstemmen met de Roomsche Kerk in gclootsxalceii: „Iedere kerk moet met de Eoomsche Kerk overeenstemmen, d. w. z. in 't Grieksch, waarin Irenaeus sprak: a-juPxiyzcj irpic tcj rwy ' VwpyjMy 'iy.y./.ryi.y.y, wat beteekent: mei de Roomscha Kerk in yeloofs-eaken en in de hier één van zin zijnquot; [Hist. Polit. BI. B 94); 2. dat dit een noodzakelijkheid en een plicht is voor alle andere kerken; 3. dat Irenaeus de Kerk van Rome of de Roomsche Kerk als de voornaamste van alle erkent, maar, voegt Salmasius er bij, Irenaeus wil enkel de Kerk van Rome als toonbeeld stellen, als een voorbeeld van waakzaamheid en oprechtheid in het bewaren van

ocr page 626

82

het geloof. Het geloof van alle geloovigeu moet met liaar geloof overeenkomen, overeenstemmen, want zij lieeft inderdaad de apostolische overlevering zuiver bewaard.

Salmasins dacht zonder twijfel, stipt Mgr. Freppel aan, dat na hem niemand den tekst van Irenaens met aandacht lezen zou. De groote martelaar van Lyon zegt volstrekt niet, dat alle geloovigen de verplichting hebben met het geloof van Eome's Kerk overeen te stemmen, enkel en alleen wijl die Kerk de overlevering der Apostelen ongeschonden heeft bewaard, maar om Iiareis grooteren voorrang. Dat is de reden, m. a. w. het primaatschap. En inderdaad neemt die reden, dat primaatschap weg, dan vervalt de noodzakelijkheid om juist met de Kerk van Rome overeen te stemmen, want ook de kerken van Smyrna en Ephese hadden feitelijk het geloof zuiver bewaard, zooals Irenaens zelf zegt.

„Men kanquot;, schrijft Mgr. Freppel, „zich moeilijk een denkbeeld vormen van al de vrijheden, die protestantsche critici aangaande den tekst van Irenaens zich veroorloofd hebben om maar het primaatschap te loochenen. Zij zondigen driest tegen de woordschikking, de taalwetten, de redeneerkunde, zóó zelfs, dat de Protestant jSTeander hen berispt.quot; Dat alles bewijst blijkbaar, hoe belangrijk de tekst van Irenaens is, en hoe machteloos de bestrijders van het pausdom zijn tegenover het getuigenis van dezen bisschop van Lyon, die reeds in 't jaar 202 den marteldood stierf en, volgens de protestantsche schrijfster van de Gesch. der christ. Kerk „door zijne prediking en door zijne geschriften ten zegen was voor de Kerk des Heeren.quot; (blz. 22)

ocr page 627

88

§ 38.

De H. Ignatius, bisschop van Antiochië (t 98-117) ook een getuige voor het Primaatschap.

.,Es ist dor Prhnat «lor Röinisclion Kirclio, wclclien die Urkirchc laut und feievlich in ihren yerscliiedensten mul benironston Vcrtrrtorn bekennt.quot;

(Paul Von Hoonsbrocck.)

.,tk geef eenvoudig too_ ja, inderdaad, van vroeg af hebben niet alleen de Pausen zeiven, maar ook vel e andere kerkleeraars den Paus als Paus erkend.quot;

(Ken protestantscli godgeleerde in een brief aan mijn adres 2 Febr. 1805.)

Ignatius, bisscliop van Antiocliië, was volgens de protest, schi'ijfster van de Gesch. der christel. Kerlc een leerling van den Apostel Joannes. ïk merk Lier aan, dat dit niet geheel zeker is, wel moet liij met de Apostelen nog omgang li ebben geliad. Dezelfde sclirijfster zegt: Hij werd „algemeen om zijne vroomheid geacht. . . . verlangde niets liever dan zijne liefde voor den Heere Jezus met den dood te betuigen en zoo mogelijk door zijn sterven de zaak des Heeren te bevorderen. Hij heeft die begeerte verkregen; voor den keizer gebracht1), legde hij met vrijmoedigheid getuigenis af van de hope, die in hem was en werd hij veroordeeld, op een volksfeest te Rome voor de wilde dieren geworpen te worden. Ignatius hoorde dit vonnis aan en dankte den Heere, dat Hij hem waardig keurde voor zijn ISTaam te lijden; spoedig daarop moest hij zijn geliefde gemeente verlaten en onder bewaking van Eomeinsche soldaten de reis naar

JJac ia ouwassrschijnlijk. Hoogst waarscbijuliik wt-rd hij door den stadhouder des keizers veroordeeld, zegt Funk. Waar? Het martelaarschap van dezen bisschop is onder velo opzichten nog zeer duister.

ocr page 628

84

Rome ondernemen. Zijn weg voerde door verscheidene steden van Klein-A zië; overal werd hij door do broeders bezocht; hij versterkte hen in het geloof in den Heere .1 ezns Christus. Te Smyrna had hij de vreugde zijn medebroeder in de bediening, Polycarpus te zien . . .. Op zijn reis schreef hij brieven aan verschillende gemeenten om haar te vermanen, in de leer der Apostelen te volharden.... Hij werd door de leeuwen in het amphitheater verscheurd.quot;

Zijn martelaarschap viel voor onder de regeering van keizer Trajanus (98—117). Dat is boven allen twijfel verheven.

Na de uitgave van den Protestant Dr. Lightfoot staat de echtheid der brieven van Ignatius vast. [The Apostolic Fathers 2 vols London 1885.)

Harnack schrijft t. a. p. biz. 381 v: „Seitdem Zahn, Lig-htfoot, Eéville und Eunk sie {die Fracje der JEchtheit) untersucht und bejaht haben, ist von gegnerischer Seite nichts Erhebliches geschrieben worden .... Die Echtheid und wesentliche Integritat ist mir nach wiederholten eingehenden Studiën nicht zweifelhaft.quot; (Zie ook Dr. E. X. Eunk Die Aechtheit der Ignatiusbriefe Tubingen 1883.)

Dr. Van Manen klaagt in het Theol. Tijdschrift 1898: Volgens Harnack „mag aan de echtheid van Polycarpus' brief en der Ignatiaansche niet worden getwijfeld. Na Zahn, Lightfoot, Eéville, Eunk bracht niemand iets van beteekenis daartegen in. Wat door mij en Van Loon tegen Eéville werd geldend gemaakt, bleef onvermeld. Harnack slaat geen acht op Hollandsche literatuur.quot; Harmick slaat wel degelijk acht op Hollandsche literatuur, als hij maar mannenwerk tegenkomt.

Eeeds door Polycarpus, bisschop van Smyrna worden die brieven geprezen en vooral door Eusebius. Zij zijn

ocr page 629

85

van 't hoogste gewiclit. „Hoe meer men ze bestudeertquot;, zegt Prof'. Ereppel {Les Pïres ajpostoliques et leur époque 4 edit. 1885), „Loe meer men gedwongen wordt daarin een der oudste getuigschriften der eliristelijke overlevering te erkennen. Vandaar die lievige strijd aangaande hare echtlieid. Want voor hem, die deze brieven erkent, is bet Protestantisme een veroordeeld stelsel. Voor immer moet men vaarwelzee's'en

O O

aan een oorspronkelijke Kerk, zooals de Protestanten baar droomen .... De oorspronkelijke Kerk is de Katholieke Kerk, die alleen in 't bezit is van de kerkelijke organisatie, waarin Ignatius van Antiochië het steunpunt der leer en de beschermster der eenheid zag.quot;

De hevige strijd is nu geëindigd, al heeft de dilettantgeschiedschrijver Bolland eenige „lichtkogelsquot; geworpen. „Pélicitons-nousquot;, schrijft P. Batiffol in de Revue hihlique 1 Oct. 1895, „de ce que la question Ignatienne n'existe plus, et que sur ce point le bon sens critique ait rem-porté un complet a vantage sur les partis pris du Vieux Protestantisme, comme sur les spécieuses distinctions d'une critique pl^s moderne.quot; (Harnack tegen Völter in Theolog. Literaturzeit. 1894 p. 73). Wie nu nog koppig genoeg is om de schouders op te halen, moet toch bekennen, dat die brieven niet later zijn dan van de 2d0 eeuw, en die bekentenis is reeds de nekslag voor het Protestantisme.

„Eigenaardig is vooralquot;, zegt Ds. A. V., „dat Ignatius zich geene gemeente kan denken zonder een bisschop, een raad van presbyters en diakenenquot; (blz. 74).

De Protestanten kunnen zich wel een gemeente denken zonder een bisschop, een raad van presbyters en diakenen. Dat is ook eigenaardig, maar wie heeft

de Paus IV. 6

ocr page 630

86

gelijk: Ignatius uit de eerste of de Protestanten uit de , zestiende eeuw P

En wat is een bisscliop volgens Ignatius? Luister.

In zij n brief aan de gemeente van Smyrna schrijft deze bloedgetuige: „Gehoorzaamt allen den bisschop, ' zooals Jezns Christus den Vader gehoorzaamde, gehoorzaamt den priesters als den Apostelen; hebt eerbied voor de diakenen, als bedienende liet bevel van God. Niemand, belialve de bisschop, doe iets van betgeen tot de Kerk behoort. De Eucharistie is geldig, welke dooiden bisschop voltrokken wordt of door liem, wien bij het toestaat.... Daarom is bet niet geoorloofd zonder ' den bisschop hetzij te doopen, hetzij het liefdemaal te honden; maar als het hem volgens Gods welbehagen goed voorkomt, dan alleen zal bet veilig en standvastig zijn. Het is goed, God en den bisschop te eeren. Wie den bisschop eert, is door God geëerd. Wie buiten, weten des bisschops iets doet, dient den duivel.quot; (Smyrn. 8, 9.)

„Gij moet instemmen met het oordeel van den bisschop, zooals gij ook doet.... Wien toch de Vader des huis-gezins (Christus) zendt om zijn familie te besturen, hem moeten wij zóó ontvangen als hem, die zendt. Het blijkt derhalve, dat wij den bisschop moeten beschouwen als den Heer zeiven.quot; {Ejph. 4, 7; 6; zie Funk 1, 176, 178.)

„Volgens de beschouwing van Ignatiusquot;, zegt Ds. A. V., „moet de bisschop vergeleken worden met Christus en de presbyters (priesters) met de Apostelenquot; (blz. 74), en op blz. 89 verklaart dezelfde dominee: „De eenheid in den godsdienst laat zich niet door gezag opdringen .... Laat ieder vrij oordeelenquot;, maar dan zegt hij op blz. 90: „Onmogelijk dat ieder voor dezelfde vraag kan geplaatst worden en beslissen.quot; Wie begrijpt en rijmt dat alles'.'

Het is zonneklaar, dat Ignatius hier een onderscheid

ocr page 631

87

erkent tussclieu den bisscliop en de andere presbyters (priesters). Dat blijkt ook uit Philad. 4.

Hoedanig een, gelioorzaaiulieid de priesters en geloovi-gen jegens den bisscliop te oefenen lieeft, leert hij in Ad Ephes, 4 en Ad Folyc. 6, Ad Mag nes. 6, Ad Trail. 2.

Let nu eens op, lioe deze bisschop reeds in de eerste eeuw het Protestantisme van de zestiende eeuw .vernietigt.

Ignatius wil de kerken van Klein-Azië wapenen tegen scheuring en ketterij. Oordeelde hij nu volgens proies-tantsch beginsel dan moest hij nagenoeg aldus schrijven: „Twee dwalingen (die der Ebiouieten en Doceten) dreigen bij u in te sluipen. Leest, om daaraan te ontsnappen, den Bijbel: hij is voor u de eeniye regel des geloofs. De H. Geest zal u in deze studie geleiden en u de waarheid van de leugen doen onderkennen. Neemt in geloofszaken geen andere beslissing dan deze; want niemand wie hij ook zij, geen vereeniging van menschen met welken titel zij ook pronkt, heeft het recht u een geloof op te leggen. Wijst zulk een aanmatiging van u af als een vergrijp tegen uwe christelijke vrijheid. Uw geloofsleer is de Bijbel, en gij zijt het, die hem uitlegt onder den bijstand des H. Geestes. Alleen in het geschrevene hebt gij vastheid en een rechten toetssteen.quot; !)

„Alleen m hot geschrevene hebbon wij vastheid en een rechten tootssteenquot;, zegt Ds. A. V. (blz. 65). Wel geldt voor Ignatius, zooals voor eiken Kitholiek, het Evangelie als grondslag van 'c ware geloof {Smyrn. 5, 1; 7, 2. Ad Phil. 6, 2), maar uitgelegd en verklaard door hst wettig leeraarsambt, door de Kerk. Naast hot Evangelie staan do Apostelen; zij vormen het presbyterium der Kork. (Philad. 5, 1.) „Ik ondorzocht de Schrift mot vlijt on dacht zo met ernst na, maar kon van don kinderdoop geen bericht vindenquot;, zegt Monno Simons {Het leven en de verrichtingen van Menno Simons door A. M. Cramer, leoraar bij de Doopsgezinden te Middelburg en ViissiDgen 1837). Waar is nu de vastheid alleen in het geschrevene?

ocr page 632

88

Schreef hij daarentegen volgens Imtholiek beginsel, dan moest liij nagenoeg aldus vermanen: „Twee dwalingen dreigen bij u in te sluipen. Uw gedragslijn en uw geloofs-regel ligt voor u. Wilt gij weten, waar de waarheid is, ziet op naar de vereeniging der herders onder één hoofd. Onderwerpt u aan hun gezag; blijft in gemeenschap van geloof en liefde met iiw bisschop; want waar de bisschoppen zijn, daar zijn dc ware leer, de ware sacramenten, de ware eeredienst, daar is Jezus Christus.quot; (Freppel.)

Ziedaar in weinige woorden het katholiek beginsel: het leerstellig gezag, bewaarder van 't ware geloof en als gevolgtrekking: onderwerping van geest en hart aan de hiërarchie (of aan de orde van in rang afdalende bedienaars der Kerk) door God zeiven ingesteld.

Welk grondbeginsel nu ontmoeten wij in de brieven van Joannes' leerling, m. a. w. welk grondbeginsel ontmoeten wij vóór het jaar 117: het protestantsche of het katholieke!'

Zonder eenigen twijfel het katholieke.

Hoe wordt dat bewezen?

Aldus: Ignatius wil, zooals ik zeide, de kerken van Klein-Azië wapenen tegen scheuring en ketterij. Verwijst hij nu voor dat doel naar den Bijbel, door het individueel verstand onder verlichting des H. Geestes uitgelegd en verklaard, als het onfeilbaar middel ? Zegt hij: „Alleen in het geschrevene hebben wij vastheid en een rechten toetssteenquot;, zooals Ds. A. V. zegt?

Geen spoor van een dergelijk stelsel. Verre van daar veroordeelt bij het bijna in eiken regel, terwijl hij het katholiek beginsel omschrijft met een stiptheid en juistheid, die niets te wenschen overlaten. De groote bisschop laat de eenheid des geloofs en de onderlinge

ocr page 633

89

eeulieicl der leden afhangen van de onderwerping aan de liiërarcliie.

Men leze de brieven en men ziet liet met de oogen.

Zijt gij onderdanig aan den bisschop als aan den Heer, dan schijnt gij mij .... volgens Jezus Christus te leven .... Want het is noodzakelij k . .. ., dat gij niets doet buiten den bisschop. Maar ook aan het college van priesters (tm moet gij onderdanig zijn

als aan de apostelen van Jezus Christus, onze hoop ... . Ook moet gij in alles den diakenen van dienst zij11? die in de bediening van Jezus Christus zich bevinden ... . Eerbiedigt allen de diakenen als den Heere Jezus Christus, zooals den bisschop, die den Vader vertegenwoordigt, en de priesters als de vergadering Grods en de vereeniging der Apostelen. Zonder hen toch is er geene Kerk .... Wie iets doet buiten den bisschop en de priesterschap en de diakenen om, is niet zuiver van geweten.... Ieder uwer, en vooral den priesters, betaamt het den bisschop genoegen te doen ^j-jxifs/v.v = recreare; Dr. Funk) ter eere van den Vader, van Jezus Christus en van de Apostelen.... Weest sterk in Christus Jezus, onderworpen aan den bisschop als aan het gebod (van God), alsmede aan de priesters; bemint allen elkander met onafscheidelijk hart.... (Ad Trail. 2, 3, 7, 12, 13.)

De eenheid hangt dus volgens Ignatius af van de onderwerping aan de hiërarchie.

De hiërarchie bestond vóór het jaar 117. „Intusschen is het waarquot;, bekent Ds. A. V., „dat in de brieven van Ignatius bisschop (opzieners), presbyters (ouderlingen) en diaJcenen afzonderlijk genoemd wordenquot; (blz. 74).

Er bestonden derhalve in de 2ac eeuw bisschoppen, priesters (presbyters) en diakenen.

„Maar evenzoo is het waarquot;, vocsrt Ds. A. V. aan

ocr page 634

90

zijne bekentenis toe, „dat Ignatius dit onderscheid niet maakt in den lateren kerkelijken zin, alzoo dat liij de bisschoppen als de opvolgers der Apostelen zon achten. Volgens zijne beschouwing moet de bisschop vergeleken worden met Christus, en de presbyters met de Apostelen. i)

Die vraag is hier van minder belang; de hoofdzakelijke vraag luidt hier te dezer plaats: welk grondbeginsel werd door Ignatius geleerd: het katholieke of het pro-testantsche ?

Damas, bisschop van Magnesia was nog jong; Ignatius vreesde, dat de geloovigen dezer stad in diens leeftijd een voorwendsel zouden zoeken om zich aan zijn gezag te onttrekken. Wat schrijft hij nu? „(En) gij moogt den leeftijd van den bisschop niet minachten, maar gij moet volgens den wil van God den Vader hem allen eerbied bewijzen, zooals ik weet, dat ook heilige priesters doen, die hem niet om de jeugd, welke zich in hem vertoont, minachten, doch hem in wijsheid Gods gehoorzamen, niet aan hem echter, maar aan den Vader van Jezus Christus, aan aller bisschop.... Het is dus edel, dat ook g-ij aan uw bisschop gehoorzaamt zonder eenige geveinsheid, omdat men (daardoor) niet Lem, den zichtbare bedriegt, maar den Onzichtbare tracht te bedriegen.... Wij behooren niet enkel Cnristenen genoemd te worden, doch het ook te zijn, zooals eenigen

!) In 1897 is het cereto deel verschenen van Kirchen-geschichtlichen Ahhandlungen ugt;: d Untersuchuvgen door Dr. F. X. Funk. Voor Da. A. V. is dat book onmisbaar. Sij leze vooral I het primaatschap van Home's Kerh volgens Ignatius en Irenaeus. Over het onderscheid tusschen biesohoppen enz. enz. lezo bij de prachtige artikelen van P. Batiffol: L'Eglise naissanle in do Bevue biblique 189!•, 1896.

ocr page 635

91

ook wel den bisschop noemen, doeli alles bniteii liem om doen.... Evenals derhalve de Heer niets doet zonder den Vader, .... noo ooh moet gij niets doen zonder den bisschop en de priesters. Tracht u dns te bevestigen in de leer des Heeren.... met uw zeer waardigen bisschop en met de voortreffelijk gevlochten geestelijke kroon uwer priesterschap, en met de diakenen, die volgens God zijn. Weest den bisschop en elkander onderdanig.... Tracht alles te doen in de eendracht Gods, onder voorzitterschap van den bisschop {KpoKxSr^ivz-j ro~j l-'.a-y.ï-s-j) in Gods plaats, en van de priesters in de plaats van de vergadering [rr-jyiSpizy) der Apostelen, en van de diakenen, die mij allerdierbaarst zijn en met de bediening van Jezus Christas betrouwd zijn.... Niets zij onder wat u verdeelen moge, maar weest vereenigd met den bisschop en de voorzittendenquot;.. .. {Macjnes 3, 4, 6, 7, 13).

„TJw bisschop is in de bediening, die tot de gemeenschap behoort niet door zich zeiven noch door de menschen verheven, noch door ijdele glorie, maar in de liefde van God den Vader en onzen Heer Jezus Christus .... Vlucht derhalve als kinderen van 't ware licht de verdeeldheid en de slechte leer.... Waar echter de herder is, volgt daar als de schapen.... Allen toch die van God en Jezus Christus zijn, zijn met den bisschop *).... Er is één vleesch van onzen Heer Jezus Christus en één kelk voor de eenheid van zijn bloed; één altaar, gelijk er één bisschop is te zamen met de priesterschap {xfix r? TrpiTpunpi'f) en de diakenen, mijne mededienarenquot; {Ad Philad. 1, 2, 3, 4).

!) Met weikon bisschop zijn de Protostantem ? Waar is bij do ProtestanteD rfie ééao bipsohop te zamon met do pricst.p.rsobBp onz.?

ocr page 636

92

Wat moeten wij uit deze vermaningen van Ignatius, die wij met andere zouden kunnen vermeerderen, besluiten ?

In de eerste dat liet beginsel van 't vrije

onderzoek onafhankelijk van een uitwendig en levend gezag m. a. w. liet beginsel van 't Protestantisme geheel onlekend is aan Ignatius. Men vindt daarvan geen spoor in al zijn brieven.

Wat volgt nog meer? Dat liet katholiek beginsel dat van Ignatius is.

Heeft bij, „de leerling van Joannes, de getrouwe getuigequot;, zicli zeker vergist?

Indien een protestantscb geestelijke zoo schreef als deze bisschop van Antiochië zou men zeggen: de man is katholiek. Een katholiek bisschop heeft geen woord te veranderen aan de brieven van dezen bisschop-martelaar uit de eerste eeuw.

Het Protestantisme heeft dat ingezien. Vandaar zijne wanhopige pogingen om de echtheid van deze brieven te betwisten.

Maar laten wij voor een oogenblik met Baar aannemen, dat deze brieven geschreven zijn na de lste helft der 2ae eeuw en dus niet oorspronkelijk zijn van den bisschop van Antiochië, dan blijft toch altijd deze gevolgtrekking wettig en dringend: dus in dien tijd reeds was het katholiek beginsel van kracht en iestond de hiërarchie in hare verschillende graden.

Is dat beginsel het ware niet, dan heeft de Kerk reeds in het begin der 2'1'! eeuw gedwaald en was zij afgeweken van hare oorspronkelijke zuiverheid. Maar dan weer de vraao-: hoe kon dat zonder eenicen teo-en-

~ !_• O

stand te ontmoeten ? Aangaande de eenvoudige vraag om te weten op welken dag men het Paaschfeest vieren

ocr page 637

93

moest, stak een storm op, en een radicale verandering in de inrichting- deï Kerk zou zijn ingevoerd zonder eenigen tegenstand te ontmoeten? Dat is liet gezond verstand al te zeer op de proef stellen.

Ds. A. V. leze A. Harnack: Das Zeucjnis des Ignatius über das Ansehen der römischen Gemeinde 1896.

Hoe denkt Ignatius, de bissehop van Autiocliië, over de Kerk van Rome?

Paul Von Hoensbroeck beeft de veelbesproken woorden van Ignatius Trpcyy/.^uhr, rr.c i/ykircc opnieuw scherpzinnig getoetst in Zeitschr. f. kath. Theol. 13 Jg. 1889 en komt met de talrijke geleerden hierin overeen, dat Ignatius Rome's Kerk beschouwt als aan 't hoofd te staan aller kerken. Hij zegt; „Die ganze Stelle findet keine be-friedigende Erklarung, wenn man nicht in vpsKxSrr.fti'/ri tcc ayxTTvc die Vorsteherschaft über die Gesammt-Mrche erkennt.quot;

In het opschrift zelf van zijn brief aan de Romeinen verheerlijkt Ignatius de Kerk van Rome met vele grootsche titels en verklaart daarenboven tweemaal, dat zij aan het hoofd staati ktv ■/.■■■'■ -pzyy.^rjy: -j rir, ' die in de stad der Romeinen gevestigd ooh aan

het hoofd staat, quae etiam praesidet in loco regiminis Romanorum (Migne P. G. 5, 685) en verder ::czY.y.ü-r,uhr, r/v 'yy.Trr,^ aan het hoofd staande van de Kerk, universo coetui caritatis praesidens; „Gesammtkirchequot; zeggen Funk en P. Von Hoensbroeck.

In de eerste zinsnede staat het woord -ztzy.yjrr.rv. (dat de H. Ignatius ook op andere plaatsen gebruikt om het gezag van den bisschop aan te duiden, (zie b.v. Ad Magnes c. 6) op zichzelf, zonder voorwerp, dat in den tweeden naamval zou moeten staan; daarop wijzen de

ocr page 638

94

volgende woorden h rsx'.) yupis-j P^uy.iwn alleen de plaats aan, waar deze Kerk, die aan liet lioofd staat, gevestigd is.

In de tweede aanlialiDg: ~tï.c („Vor-

stelierin des Liebesbnndesquot; Möliler, Phillips: Kirchen-recht) beteekent liet woord b.yj.Trr, de eenheid en de liefde in de Kerk. Ignatius gebruikt het woord c/.yy.irr, zeer dikwijls in deze beteekenis [Ad Trail, c. 13; Ad Bom. c. 9; Ad Fhilad. c. 11; Ad Smyrn. c. 12; Mart. S. Ignatii n0. 5; Punk P. Apost. 213; Söder: Der Begriff der Katholiciidt Würzburg 1881 p. 41). Zoo ook hier. Immers door die liefde wordt de gemeenschap der ge-loovigen gevormd, zoodat i.yy.Trr,, liefde, als de vormende oorzaak [causa for mali s) van de Kerk, de Kerk zelf kan aanduiden. Daarmede hangt ook samen de lof, die op deze plaats aan de Kerk van Pome gegeven wordt: „iis, qui secundum carnem et spiritum cuivis ipsius praecepto sunt adnnati, gratia Dei indivisim repleti et ab omui alieno colore sunt expurgati: aan hen, die volgens het vleesch en den geest mei al hare bevelen ver-eenigd, onverdeeld met Gods genade vervuld en van alle vreemde leeringen gezuiverd zijn.quot; Die lof geldt de Kerk van l:llt;ime als het model en middelpunt van zuiverheid des geloofs.

Daarmede hangt eveneens samen de vurige begeerte, waarmede hij voortdurend verlangde die Kerk te bezoeken (cap. 1); verder de woorden: „Gij hebt anderen onderricht: ik nu wil, dat alles vaststaat, wat gij leert en beveeltquot; (c. 3); ook dit: „Ik geef u geen bevel zooals Petrus en Paulusquot; (c. 4); ten slotte de woorden, waarmede hij de Kerk van Syrië aan die van Rome aanbeveelt: „Alleen Jezus Christus zal als bisschop haar besturen en ook uwe liefdequot; (c. 9). Immers aan de

ocr page 639

95

andere kerken verzoekt liij, dat zij bidden voor die van Syrië (vgl. Ad Ejph. c. 21; Ad Magnes c. 14; Ad Trail. c. 13; Philad. c. 10; Smyrn. c. 11; Ad Polycarp. e. 7); evhel voor de Kerk van Rome gebruikt hij liet woord, dat liet bisschoppelijk gezag uitdrukt

„Mag man atich alle excessiven Ausdrücke in seinern Briefe an die Eömer ennassigenquot;, zegt niemand minder dan Harnack (DogmevgescMchte 3T, 444, vooral Anmerk. 5), „so viel ist Mar, dass Ignatius der römischen Gemeinde eiven Vor rang im Kreise der Schwestergemeinden eingerdumt hal, und dass ihm eine energische Thatigkeit dieser Gemeinde in Unterstützung und Belehrung für andere Gremeinden bekannt gewesen ist.quot;

De Protestant Sohm in Kirchenrecht (I, 384) spreekt nog sterker. Uit het getuigenis van Ignatius (Rom. 3:1: y.'/j.yjc sSiiïx§:lt;Tc) besluit hij: „Die römische Gemeinde hat nach altkatholischer TJeberzeugung Lehrgewalt üher alle übrigen, aber niemand hat Lehrgewalt über die römische Gemeindequot;, m. a. w. de Kerk van Home had het primaatschap over alle kerken.

Ik eindig niet een woord van den protestantschen hoogleeraar Moll: „Het vereenigde lichaam der ouderlingenquot; (presbyter, priesters) zegt hij, „die in grootere stadsgemeenten niet zelden een aanzienlijk getal uitmaakten, heette presbyterium, ofschoon behalve den bisschop ook de diakenen zitting in de vergadering hadden. Ignatius vermaande in vele zijner brieven de geloovigen om aan dezen raad, met den bisschop aan het hoofd, gehoorzaam te zijnquot; [Gesch. v. 't her kei. leven 2 Dr. 1 D. blz. 191).

Heeft Ignatius, die volgens de protest, schrijfster van de Gesch. der Kerk verschillende gemeenten vermaande „in d e leer der Apostelen te volhardenquot;, zich zeker vergistP

ocr page 640

96

„Die katkolisclie Auscliauung-quot; (omtrent de kerkelijke hiërarchie) „fmclet sich wesentlich bereits in den Briefen des Ignatius.quot; Wie zegt dat? Niemand minder dan de Protestant Karl Von Hase {Randb. der Protest. Polemik 6 Anrtage 1894 S. 113).

Was Ignatius Katholiek of Protestant?

§ 39.

Clemens I, quot;bisschop van Rome (t 100?), Ds. A. V. en de Oud-kath. pastoor P. J. quot;Van Harderwijk.

.,1)0 zaak van liet Pausdom berust op eene ver-r/issinff. .., eene hoogst gevaarlijke rcrgisNingquot;.

(1)S. A. V.;

..Al»rès la mort de S. Pierre ot de ses deux successeurs Olément tint sagemen', a Jtome I(i gouveruail de la barque, qui est riOglise de Jósus ('brist.quot; (De Russische Kerk in Mineia MesdtcJmaia naar de veria 11 n.i? van .Tosojtii de Maistre. Zie JJn J'ape .. blz. l'l.)

Van Clemens 1 (flOOP), bisschop van Rome, van oudsher als martelaar in de misgebeden vermeld, Clemens Komanus geheeten om hem te onderscheiden van Clemens Alexandrinus zegt Irenaeus, bisschop van Lyon (202): „In de derde plaats na de Apostelen werd Clemens bisschop van Rome, die de Apostelen (Petrus en Paulns) nog gezien, met hen verkeerd heeft, den schal hunner prediking gehoord en de apostolische overlevering voor oogen had.quot; {Adv. Haer. III 3, 1—3.)

Ds. ïh. H. Nahujs, predikant te Zeist, heeft in de Weehbode voor Zeist, Driebergen en omstreken den 5 December van 't jaar onzes Heeren 1896 voor het nageslacht de volgende verklaring afgelegd: „Het is uitgemaakt.

ocr page 641

97

dat de bisschoppen van Home zicli in de eerste eeuwen niet als liet hoofd der christelijke Kerk hebben beschouwd.quot;

Wie aandachtig' mijn boek De Paus gelezen heeft, zal overtuigd zijn, dat die uitspraak van den dominee „een hoogst gevaarlijke vergissingquot; is en zal ze veranderen in deze: Het is uitgemaakt, dat de bisschoppen van Rome zich in de eerste eeuwen als het hoofd der christelijke Kerk hebben beschouwd.

Men kan dat geschiedkundig feit niet loochenen zonder de oogen toe te knijpen voor het licht der zon.

Wil men beweren, dat die bisschoppen van Rome zich vergist hebben, dan overwege men de woorden van Paul Von Hoensbroeck, geschreven in 't jaar 1890 [Zeitschr. f. kalh. Theol.): „In het bewustzijn der christelijke Kerk leeft op 't einde der tweede eeuw het katholieke leerstuk van 't primaatschap des Pausen als gevolgtrekking uit de woorden van Christus bij Mat-theus IG : 18. Tegenover dat feit blijft den tegenstanders van het Pausdom maar een van beide mogelijk: of de bewering, dat reeds toen, nauwelijks 100 jaren na den dood des laatsten Apostels, de Kerk van Jezus Christus iti haar wezen een verandering en omkeer ondergaan heeft, of de bekentenis, dat zij zei ven, juist wijl zij van den Paus gescheiden zijn, niet behooren tot de ware Kerk van Christus. De eerste bewering leidt tot de loochening van de godheid van Christus, de laatste bekentenis leidt naar de katholieke Kerk.quot;

De volgende bladzijden zullen dat oordeel bekrachtigen.

Ook om do wereldlijke macht des Pausen te betwisten hebben de tegenstanders van het Pausdom zich beroepen

ocr page 642

98

op liet feit, dat bij den aanvang- der Kerk geen tijdelijke macht voor de Pausen bestond.

„Groote God!quot; roept Mgr. Freppel uit. „Hoe kon er voor de gevangenen van den Mamertijnscben kerker, van Petrus tot Sixtus II (t 258) sprake zijn van de wereldlijke macbt! De Pausen uit die dagen badden gebrek aan nog beel wat anders. Zij badden geen plekje gronds om zicb daar in vrede te vestigen; zij misten de vrijbeid om te bidden en te spreken, bet recbt om te leven! Moet men zicb op zulk een toestand beroepen ? Beboort men in zulke berinneringen wapenen te zoeken tegen de tijdelijke macbt van den Paus? Moet men op de dagen van Nero of Diocletianus wijzen om te bejjalen, welke de toestand van de Kerk en bet Pausdom op stoffelijk gebied beboort te wezen, en boe Kerk en Paus zicb dienen te verbonden tot de menscbelijke maatscbappij ? Is bet geene bittere spotternij zicb te beroepen op tijden, waarin de brandstapels bleven opgericht, de boofden der Pausen onder bet slagzwaard vielen, en ons te komen zeggen: In die tijden is geen sprake van tijdelijke macbt, waarvan gij de noodzakelijkheid verkondigt ? Ik geloof bet wel: daar is zelfs geen sprake van recbt op bet bestaan, op een persoonlijke overtuiging, geen sprake van het recht over God en de ziel anders te denken dan de keizer.quot;

Wat daarvan zij, zelfs in de onderstelling dat geen enkel bewijsstuk voorbanden was, waaruit blijken zou, boe de Pausen in de tweede of derde eeuw macht en gezag geoefend badden, in de onderstelling, dat er geen spoor van hunne werkzaamheid in die eeuwen, waarin de vervolging de oefening hunner macht belemmerde of verhinderde, te ontdekken was, zou toch de opper-macbt van Rome's bisscboppen een onloochenbaar

ocr page 643

99

feit ziju. Immers niemand ontkent, dat de pauselijke oppermaclit kort na de vervolging zicli openbaarde door de sprekendste daden. Welnu lioe ware liet te verklaren, dat Gallië, Afrika, Klein-Azië, Griekenland, alle streken der cliristelijke wereld terstond een maciit zonden erkend liebben, die van gisteren was, geen oorsprong vond ia liet verleden en geen geloofwaardige en zekere titels vertoonen kon? Hoe kan men veronderstellen, dat een dergelijke maclit in de Kerk, plotseling of langzamerliand, zou ontstaan zijn, zonder hinderpalen te ontmoeten, zonder bezwaren te doen rijzen en dat nog wel ten overstaan van de oude kerken van Jeruzalem, Antiochië en Alexandrië, alle met reclit ijverzuchtig op hun apostolischen oorsprong? Hoe veronderstellen, dat een algeheele omkeer, een ongehoorde verandering in de hiërarchie, ongemerkt kon plaats hebben en niet de minste tegenspraak ondervond in een godsdienstige maatschappij, waar de onbeduidendste nieuwigheid een geschilpunt werd van jaren achtereen 1 Is dat aannemelijk?.... Hoe enger men den kring trekt, waarin de Pausen der drie eerste eeuwen hun gezag deden gelden, des te minder verklaarbaar is het, hoe zij in de volgende eeuwen in het onbetwist bezit waren van dat gezag-, „Voeg daarbijquot;, zeg't Dr. Karei Wilde S. J., „dat de Pausen geenszins, gelijk later de Patriarchen van Konstantinopel door de keizers gesteund werden. Con-stantijn werd wel is waar een beschermer der Kerk, maar reeds zijne opvolgers waren meestal den Arianen gunstig gezind en in voortdurenden twist met den H. Stoel. En na de definitieve verdeeling des Eomeinschen Kijks (395) werd het Westersche Rijk weldra de prooi der Barbaren, terwijl in het Byzantijnsche Rijk, gesteund door de despotische macht des keizers de Patriarch van

ocr page 644

100

Konstantinopel, niet zonder hevige iegenspraale te vinden eindelijk den voorrang boven de Patriarclien van An-tiocliië, Alexandrië en Jeruzalem verkreeg.quot;

Wij zijn in de voorgaande regels uitgegaan van de onderstelling, dat er volstrekt geen bewijsstukken voorhanden waren, waaruit blijkt, boe de Pausen in de tweede en derde eeuw ma ebt en gezag geoefend bebben, maar de onderstelling verdwijnt en gaat te niet ten overstaan van geloofwaardige feiten en stellige gedenkstukken .... Van de 32 eerste Pausen bezitten wij maar 22 brieven, waarvan de ecbtbeid niet betwijfeld wordt, en van nog 27 andere brieven, die verloren zijn gegaan, maakt men melding. (Mgr. Preppel.)

Er bestaat in de cbristelijke oudbeid, een document, waarvan de ecbtbeid niet in twijfel kan worden getrokken. Het is de Eerste brief van Clemens I Roman us (f 100 P) aan de Corinthiërs. Waarscbijnlijk werd die brief geschreven onder de regeering van keizer Domi-tianus (81—96), volgens Dr. Harnack tusscben 93—95. De protestantscbe geleerde Mosbeim (f 1755) beeft beproefd de ecbtbeid van eenige plaatsen uit dien brief te doen wankelen; sommige Protestanten bebben bein nagepraat, maar zonder goed gevolg. Neander was verplicht te erkennen, dat de brief in zijn geheel echt is, de rationalist van Tubingen, Dr. Baur, verwierp de echtheid en nam ze later weer aan. Amnion en Schwegler hebben, de ernstigste pogingen in het werk gesteld om de echtheid van dien brief omver te stooten, maar al hunne pogingen leden schipbreuk, zoodat nu protestantscbe en katholieke godgeleerden nagenoeg zonder uitzondering de geloofwaardigheid van dit schrijven aannemen. Het debat is gesloten. Wie ernstig dien brief

ocr page 645

101

in twijfel trekt, vervalt op 't gebied der historie tot liet Pyrrlionismus en maakt de studie der geschiedenis onmogelijk. Dionysius, bisschop van Corinthe, zegt in oen antwoord aan Paus Soter (166/67—175/76): „Heden hebben wij den heiligen dag des Heeren gevierd en mv (nlieder) brief voorgelezen, dien wij nu voortaan tot onze stichting zullen voorlezen, zooals den hrief, ons vroeyer door Clemens geschrevenquot; (oV ■/.y.l Trporipy.y r^rj flr/. K/jusvrsf ypxfücxy namelijk '.frtlt;TTs/:rly). „Dies eine Zeugnissquot;, zegt Dr. Otto Bardenhewer {Patrologie 1894 S. 41), „in einem Briefe der Kirche zu Korinth an die Kirche zu Rom entlialten, darf, auch abgesehen von der übereinstimm enden Bestatignng durch die folgenden Kirchenschriftsteller, als ausschlaggebend gelten.quot;

Deze brief is dus volgens allen echt, „unbezweifelt echtquot;, schrijft de Protestant Voigt (E. u. Gr.). Waarschijnlijk werd hij geschreven onder de regeering van keizer Domitianus. Naar 't oordeel van Usher, Gallandi. Hefele, Zalm, Harnack was deze epistel reeds in 't bezit van Poly carpus, bisschop van Smyrna (Funk: Opera Patrum apostolicorum Tubingae 1881 Prolegomena), gestorven in 167 of 168, volgens anderen in 155.

Eusebius, bisschop van Cesarea in Palestina (f 340), met recht als de vader der kerkelijke geschiedenis beschouwd, noemt dat schrijven van Clemens „den grooten en bewonderenswaardigen brief.quot;

Welnu die brief is een schitterend getuigenis voor het primaatschap van den Eoomschen Stoel, „vor allemquot;, zegt Dr. Bardenhewer, „ein thatsachtliches Zeugniss für den Primat der römischen Kirche von weittragend-ster Bedeutung.quot;

P. Batiffol schrijft: „M. Sohm voit dans la Prima dementis 1'épiphanie du droit ecclesia stique, et ce n'est

de Patjs IV. 7

ocr page 646

102

pas trop dire. Elle est, en effet, moins uue liomélie sur la concorde, qu'nne décision juridique.quot; {Revue hihl. 1 Oct. 1895 p. 479.)

Bolland lieeft in Petrus en Rome blz. 47 het volgende gezegd: „Sinds 13 5 lieeft de gemeente (Kerk) te Eome, de gemeente der stad die in alles, ook in godsdienstige aangelegenlieden, de wereldstad, de met alle landen en volken zicli bemoeiende stad mocht heeteu, al spoedig tegenover de andere Christelijke gemeenten bij gelegenheid een voornamen toon aangeslagen.quot;

Wij zullen in de volgende bladzijden zien, dat zij dien voornamen toon reeds vóór het jaar 13 5 aansloeg.

Aanleiding tot het schrijven van Clemens, bisschop van Eome, aan de Kerk van Corinthe werd gegeven door onlusten en tweedracht in laatstgenoemde gemeente. Eenige weinige vermetele jongelieden (c. 1, 1; c. 47, 6) aldaar waren tegen de kerkelijke overheden opgestaan; zij hadden sommige priesters, die hun ambt met ijver waarnamen, verjaagd. Daardoor geraakte niet alleen de Kerk van Corinthe in groote verwarring, maar de naam van Christen werd daardoor bij de Heidenen in opspraak gebracht. Hoe de Kerk van Eome op de hoogte kwam van die gebeurtenissen, wordt niet vermeld. De Eoomsche Stoel beschouwde het als zijn plicht de verstoorde orde te Corinthe te herstellen, en met dit doel schreel Clemens den zendbrief. Deze behelst behalve den aanvang en het slot twee deelen. Het eerste gedeelte van hoofdstuk S tot 36 draagt een algemeen karakter.

Clemens begint met een heerlijke schildering van den vroegeren toestand der Kerk van Corinthe in tegenstelling van den betreurenswaardigen staat, waarin zij nu verkeert. Dan spoort hij de oorzaak op dezer treurige

ocr page 647

103

verandering en vindt ze in de afgunst, die van den oorsprong des mensehelijken geslachts altijd en overa de bron der oneeniglieid is geweest. Maar de afgunst, /.egt hij, ontstaat uit een ondeugd, die hoogmoed heet. De hoogmoed is de zedelijke oorzaak van de scheuring, zooals de nederigheid bron en waarborg is der eenheid.

Dit denkbeeld stempelt den geheelen brief van Clemens: hij is in 't kort samengevat in de veroordeeling van den hoogmoed en in den lof der nederigheid.

Het groote beletsel voor de godsdienstige en zedelijke eenheid is volgens Clemens, de hoogmoed.

Dit beginsel: hoogmoed is oorzaak van scheuring, nederigheid bron en waarborg der eenheid, geldt niet enkel voor de geestelijke, maar ook voor de maatschappelijke orde. In den Staat zoowel als in de Kerk is de christelijke nederigheid de wezenlijke voorwaarde van eenheid en openbare orde. Daarom is het Christendom de hechtste grondslag voor de burgerlijke maatschappij.

Het getuigt derhalve van diepte van blik, dat Paus Clemens de Corinthiërs aan de nederigheid herinnert om hen tot de orde en eenheid terug te brengen.

Zonder de onderwerping van aller wil aau een hoogere wet heerscht overal wanorde. Welnu God kan in de zedelijke wereld de wanorde niet willen evenmin als in de phjsieke wereld. Dit staaft Clemeus met kracht en juistheid. Na iu 't voorbeeld der rechtvaardigen uit het O. Verbond een middel gezocht te hebben om de Corinthiërs tot de nederigheid terug te brengen, vindt hij in de natuur een beeld van de orde, die uit de onderwerping in de Kerk ontstaat. Daarna ontleent hij aan het krijgswezen van dien tijd de groote wet der onderwerping aan de gestelde macht. „Ziet de soldatenquot;, zegt hij, „die onder onze vorsteu de wapenen dragen:

ocr page 648

104

hoe ordelijk, vaardig- en onderworpen volgen zij hunne bevelen op! Niet allen zijn aanvoerders; niet allen voeren 't bevel over duizend, niet allen over honderd, niet allen over vijftig' man enz., maar ieder blijft op zijn post en verviilt de bediening, die hem is opgelegd door den keizer of door de generaals. De grooten kunnen niet bestaan zonder de kleinen, de kleinen niet zonder de grooten, maar allen staan noodzakelijk onderling in betrekking-, en dat komt allen ten goede.quot; (c. 7.)

Nu gaat hij over tot het individu en zegt op 't voorbeeld van den H. Paulus, wiens leerling hij was: „Nemen wij ons eigen lichaam tot voorbeeld. Het hoofd zonder de voeten is niets, noch de voeten zonder het hoofd; maar de geringste deelen zijn nuttig en noodzakelijk voor geheel het lichaam. Allen werken samen tot hetzelfde doel en zijn onderling van elkaar afhankelijk voor de instandhouding van het g'eheel.quot; (c. 7.)

Met deze redeneering stemde Clemens, Rome's bisschop, den geest der Corinthiërs tot onderwerping aan het rechtmatig gezag in de Kerk. Want indien volgens Clemens geen individueel noch maatschappelijk lichaam bestaan kan zonder een samenhang, een geheel van onderling ondergeschikte bedieningen, indien de gehoorzaamheid aan de g'estelde wetten de eerste en noodzakelijkste voorwaarde is voor de orde in de zedelijke zoowel als in de physieke wereld, waarom zou dat dan niet even waar zijn in de godsdienstige of geestelijke maatschappij ? De algemeene overeenkomst, die er bestaat tusschen de burgerlijke en godsdienstige of geestelijke maatschappij, ware reeds voldoende om te besluiten, dat volgens het oordeel van Clemens, den leerling van Paulus en bisschop van Rome (t 100?), in de Kerk een Kerkorde, een rangorde der elkander ondergeschikte

ocr page 649

105

kerkelijke waardigheden m. a. w. de hiërarchie bestaan moet, die de zending heeft het menschelijk geslaeht tot de godsdienstige eu zedelijke eenheid terug te brengen, en bekleed moet zijn met een gezag voldoende om elke verdeeldheid, elke scheuring te voorkomen of onderdrukken.

Al zou hier de brief van Clemens eindigen, die gevolgtrekking lag voor de hand.

Maar Clemens bepaalt zich daarbij niet: hij brengt den Corinthiërs onder liet oog, dat Christus die hiërarchie uitdrukkelijk gewild heeft.

Om de hiërarchie te verduidelijken, neemt Clemens zijn uitgangspunt in het Oude Verbond, waarvan bij de kerkelijke inrichting vergelijkt met die van het Nieuwe. Waren de priesters in het Nieuwe Verbond geen wezenlijke priesters dan zou die vergelijking volstrekt niet opgaan, daar het Oude Verbond echte, wezenlijke priesters had.

Os, A. V. komt hier bijgevolg in tegenspraak met Clemens, die omstreeks het jaar 100 gestorven is en dus beter dan Ds. A. V. weteu kon of er wezenlijke priesters in het Christendom moeten zijn.

De dominee uit de 19a'' eeuw schrijft op blz. 59: „Ik geloof ook, dat, waren er nog priesters, zij nevens de gewone ouderlingen of oudsten of bisschoppen een groot recht zouden bezitten tot de leiding van de gemeente. Maar het Christendom kent huiten Christus geen priesters „en dus ook geen opperpriester, in den zin. van offeraarquot;. ...

„Dat is een vergissing!quot; roept Clemens hem toe.

Clemens somt nu met zorg de drie graden van de mozaïsche kerkorde op: het hoogepriesterschap, het ambt der gewone priesters en de bediening der Levieten;

ocr page 650

106

clan zegt liij, dat de leeken geen enkele dier waardigheden hebben.

Ziehier zijne woorden, die ik getrouw vertaal uit den griekschen tekst (Bij Funk: Opera Pafrum Apostolicorum 1881 Vol. 1 blz. 110): „Aan den hoogepriester (tm yy.p yp/'.zfii) waren zijne eigene (?amp;*«) liturgische bedieningen toevertrouwd, en aan de priesters hunne eigene plaats (stelling) aangewezen (vastgesteld) en aan de Levieten hunne eigene bediening. Wat de leeken betreft, zij werden door de wetten der leeken gebonden.quot; (Ep. ad Cor. c. 40.)

Welnu deze rangorde in macht onder de geestelijkheid en dit onderscheid van priester en leek brengt Clemens over op het Nieuwe Verbond, want hij voegt er onmiddellijk bij, terwijl hij zich richt tot de Corinthiërs: „Ieder onzer, broeders, blijve in zijn rang en zonder de grenzen van zijne bediening te overschrijden, danke hij God op eene eervolle wijze.quot; (c. 41.) .

hl ene dergelijke vermaning van Clemens ware dwaas, indien alle leden der Kerk van Corinthe op gelijken voet stonden.

Maar Rome's bisschop gaat nog verder: „De Apostelen zijn ons verkondigers van 't Evangelie geworden door Jezus Christus, en Jezus Christus is gezonden door God. Christus derhalve door God gezonden en de Apostelen door Christus; en beide (zendingen) geschieden volgens orde dooi Gods wil. Daarom hunne zending ontvangen hebbende en door de verrijzenis van onzen Heer Jezus Christus ten volle overtuigd en in hun geloof'bevestigd door het woord van God, zijn zij met het vast vertrouwen des H. Geestes uitgetrokken, en verkondigden de komst van Gods koninkrijk. Door aldus in rijken en steden het woord te prediken hebben zij derhalve daarvan de

ocr page 651

107

eerstelingen (in 't g-eloof), na lien door den geest beproefd te liebben, aangesteld tot bisschoppen en diakenen over hen, die geloovig zouden worden (có; ÏTriVMTTCut; y.y.ï. liiXY.bvzi/c twv [azXKovtwj TViTrz-jVy c. 42, 4).

Nadrukkelijke:? kan men liet bestaan van een gouvernement, een bestuur, in de oudste Kerk niet betoogen. Hier hebben wij in Clemens een ooggetuige, die bevestigt, dat de Apostelen aan 't hoofd van elke gemeente geestelijke hoofden aanstelden en dit deden op hevel van God, wijl hun in Christus door God deze taak vertrouwd was (c. 40, 43).

Doch Clemens bevestigt niet enkel Let feit, maar hij geeft daarvan tevens de reden op, die wij reeds aanhaalden, namelijk, dat hei gezag- het beginsel der eenheid is en buiten dat gezag tweespalt en verdeeldheid heer-schen. Reeds Mozes, zegt hij, had op Gods ingeving deze grondvoorwaarde van elke maatschappij begrepen: daarom beperkte hij het hoogepriesterambt tot de familie van Aaron. „En onze Apostelen wisten door Jezus Christus onzen Heer, dat er twist zou ontstaan aangaande den naam (titel, waardigheid) van 't bisschopsambt. Daarom dus, daarmede te voren volmaakt bekend, stelden zij hen aan, zooals ik zeide (namelijk de bisschoppen en diakenen) en bepaalden tevens een regel (voor de opvolging), opdat na hun dood, andere beproefde mannen hunne bediening zouden waarnemen. Zij derhalve, die door de Apostelen of daarna door andere uitstekende mannen met toestemming der geheele Kerk /.ijn aangesteld en onberispelijk de kudde van Christus met nederigheid, rustig en belangeloos van dienst zijn geweest en van wie allen sedert lange jaren een loffelijke getuigenis hebben afgelegd, worden naar ons oordeel onrechtvaardig van hun ambt ontzet. Want wij zullen geen

ocr page 652

108

geringe zoude begaan, indien wij hen, die heilig en onberispelijk de gaven geofferd hebben (d. i. het offer van het X. Verbond. Zie Ignatius ad Smyrn. 7, 1, waar de Eucharistie genoemd wordt svpsy. t:'j 0s:D), van het bisschoppelijk ambt berooven. Zalig de oudereu (presbyters), die vroeger him weg afgelegd en de vruchten van een volmaakt leven hebben gepinkt; want zij behoeven niet te duchten, dat men hen van de plaats, die hun was aangewezen, verdringt. W ij zien toch, dat sommigen uwer de levenden beroofd hebben van het ambt, dat zij onberispelijk en eervol waarnamen.quot; (c. 44.)

„Het schijnt mij onmogelijkquot;, zegt de gewezen professor in de gewijde welsprekendheid. Mgr. Krep pel Zal. Ged., „duidelijker rechtens en feitelijk, de bestendige voortduring van de geestelijke macht in de Kerk te bevestigen .... Dat gedeelte van Clemens' brief scheen den Protestant Dr. Rothe zod afdoend toe, dat hij niet kon nalaten daarin den apostolischen oorsprong te zien van de bisschoppelijke ivaardigheid in den Itatholieken zin van 't woord, en Bunsen en Baur hebben hem niet kunnen antwoorden dan door verdraaiing van den tekst. Een voorbeeld zal voldoende zijn om het feit te verklaren. De H. Paulus schrijft aan Titus, dat hij hem aan 't hoofd heeft gesteld van 't geestelijk bestuur van 't eiland Creta: „Xk heb u in Cr et a gelaten, opdat gij heigeen ontbrak voorts terecht brengen en van stad tot stad ouderlingen zendt aanstellen, zooals ik m bevolen h.eb (1 : 5) 1).

Ziedaar dan een man aan 't hoofd van een heele gemeente en belast ouderlingen in alle steden aan te stellen en bijgevolg in waardigheid boven hen verheven.

1

Noomt Ds. A. V. ook dat „gemeenteverhiezinyquot; ci w. z. ver-kiozing door de gomoontop

ocr page 653

109

Zoo ook Timotlieus, aan wien Paulus schrijft uieuiaud liclitvaardig de handen op te leggen en geen beschuldiging tegen een priester aan te nemen dan op de verklaring van twee of drie getuigen, een bewijs dat Timotheas een macht van wijding en iurisdictie bezat., die hem in een rang plaatste boven dien van de gewone priesters. Zóó komt men door de feiten vau 't vroegste Christendom, de geschriften der Apostelen en die hunner leerlingen te vergelijken tot de klaarblijkelijke gevolgtrekking, dat van den aanvang af de kerkorde drie zeer onderscheiden graden bevatte: de Apostelen en hunve opvolgers, door hen, zegt Clemens, bekleed met de macht de gewijde bediening aan anderen over te dragen, belast, zooals Titus en Timotheus een particuliere kerk te besturen, vervolgens de priesters, wier wezenlijk ambt volgens Clemens, bestond, gaven te offeren en de liturgische handeling ie verrichten, d. w. z. het offer der Eucharistie op te dragen, en eindelijk de diakenen en bedienaren op den laatsten rang der hiërarchie gesteld. De brieven van Ignatius van Antiochië laten op deze waarheid het volle licht vallen.quot;

-, V\ ie zou willen ontkennen, dat de Apostelen een bisschops-, een opzienersambt hebben bezetenvraagt Ds. A. V. (blz. 55). „Men zou den H. Geest zeiven tegenspreken.... Slechts heeft men hierbij op twee zaken te letten, In de eerste plaats worden zij die in de gemeente tot ouderlingenquot; (presbyters, vanwaar het woord priester) „aangesteld werden, ook opzieners, i7ri.cry.s-ttz'., bisschoppen geheeten, en ten tweede is er niet de minste aanduiding, dat dit bisschop zijn, iets anders was dan het bisschop zijn der Apostelen. Het ambt van ouderling ot bisschop is naar zijn oorsprong één.quot;

Hierop antwoorde Mgr. Freppel: „Het is zeer waar,

ocr page 654

110

dat ouderling en bisscliop in de oude christelijke Kerk dikwerf hetzelfde beteekonde. Zoo noemt Laicas (Hand. 20) — één enkel voorbeeld zij genoeg' — bisschoppen dezelfde personen, die hij kort te voren aanduidde onder den naam van ouderlingen. Clemens gebruikt in zijn brief nu eens het woord bisschop dan weder ouderling. Maar uit dat alles volgt volstrekt niets tegen de oudergeschiktheid der gewone priesters of ouderlingen aan de eigenlijk gezegde bisschoppen !). Omdat de naam imperator gemeen was aan den romeinschen keizer en aan de zegevierende generaals, daarom was de macht van een generaal nog niet gelijk aan die des keizers. De H. Petrus noemt Jezus Christus zeiven „den Opziener, den bisschop, i-I.Ty.t—c-j der zielenquot; (1 Petr. 2 : 25); men zal daarom toch niet zeggen, dat er tusschen Christus en een bisschop geen verschil bestaat. Petrus en Joannes noemen zich ouderlingen („medeouderlingquot; 1 Petr. 5:1); niemand zal daaruit besluiten, dat de apostolische macht niet boven die der ouderlingen, presbyters, priesters staat.

Niets gemakkelijker uit te leggen dan dit afwisselend gebruik derzelfde woorden (ouderling, presbyter, priester en opziener, bisschop) om twee onderscheiden klassen van personen of machten aan te duiden. Daar alle bisschoppen priesters, presbyters zijn, past hun die benaming volkomen; nog heden zijn dergelijke uitdrukkingen veelvuldig in gebruik, „de priesters zeggen dit, de priesters leeren datquot;, zonder dat het in iemands hoofd opkomt de bisschoppen te verwarren niet de

!) Ook volgpi a do Gesch. der christel. Kerh, waarvan Ds. J. H.

Doncor de ..historischo trouwquot; goprozen heeft, was er reeds vóór

't jaar 177 verschil tueschen ouderling en bisschop. {De Fans IV blz. 67.)

ocr page 655

Ill

gewone priesters. Naar zijn afleiding beteekent bet woord priester ouderling, Trpcvfijrip:*:, senior, welnu men koos gewoonlijk onder de ouderlingen de bedienaren van den eersten of tweeden rang: de ouderdom vergezelde (dikwerf) de waardigheid, maar was de waardigheid niet, want de H. Paul us schreef aan den bisschop Timotheus: „Niemand verachte uwe jeugdquot; (1 Tim. 4: 12; Vgl. S. Ignatius: Ad Magn. Til). Zoo ook beteekent het woord bisschop, in zijne oorspronkelijke beteekenis genomen, opziener-, welnu de gewone priesters hielden in de hun eigen bediening mede het opzicht over het geloof en de zeden der geloovigen; zij waren dus eveneens opzieners; bijgevolg- was deze naam, op hen toe-gepast, zeer natuurlijk. Later werden door liet gebruik en de behoefte om den zin der woorden nauwkeurig te bepalen die woorden gescheiden, en echter, nog in de derde eeuw, zien wij den H. Cyprianus, den vurigsten verdediger van het onderscheid tusschen de bisschoppelijke en priesterlijke waardigheid, zich priester noemen zonder meer, ofschoon hij bisschop van Carthago was. Ik kan derhalve in dat alles maar een woordentwist zien. Het wezenlijke, het eigenlijke van de zaak m. a. w. de hoofdzaak hier is: vast te stellen en te staven, dat onder de leden der hiërarchie of kerkelijke rangorde, hetzij die leden ouderen of opzieners of hoe ook genoemd worden, er eenig'en waren die in de hoedanigheid van opvolgers der Apostelen hunne macht om wijdingen toe te dienen en hunne hoogr iurisdictie erfden, zoonis Titns en Timotheus. Wellin dat wordt klaarblijkelijk bewezen door de geschriften der Apostelen en Apostolische Vaders. Is dat gestaafd dan is elk g'etwist over woorden overtollig of dient enkel om critici te vermaken. ' (Prof. Freppel: Les Peres Apostoliques.)

ocr page 656

112

De oorsprong vau liet episcopaat is aldus te verklaren.

Toen de eerste eliristeliike gemeenten ontstonden, wijdden de Apostelen met gebed en handoplegging niet alleen diakenen voor het armwezen en de „tafelbedieningquot; (Hand. 6:1—6) noch enkel priesters tot hulpbetoon en tot het verrichten der heilige handelingen (Hand. 11:30; 14:22, 23; Jac. 5, 14), maar ook aan Paulus en Barnabas werd vóór de zendingsreis naar Cyprus en Pisidië met gebed en handoplegging eene wijding toegediend, welke hen machtigde tot de wijding van priesters in elke gemeente afzonderlijk: die wijding is de bisschopswijding (Hand. 13:1 —3 en 14: 22, 23).

De Apostelen zagen weldra het getal christelijke gemeenten in ver van elkaar verwijderde streken zoozeer toenemen, dat het hun onmogelijk werd, voor allen op voldoende wijze werkzame punten van eenheid te zijn; „zij zorgden voor de goede inrichting der gemeentenquot;, zegt Ds. A. V. Zij stelden personen aan, g-eschikt en bevoegd hen tijdens hun leven en na hun dood iu wijdere kringen te vervangen, namen zulke ambtgenooten op, aan wie zij, zooals Paulus aan Timotheus te Ephese en aan Titus op Creta, op grond van de bisschopswijding (2 Tim. 1: G) de bevoegdheid en rechten van 't apostolaat, als daar zijn de priesterlijke wijding (1 Tim. 5 : 22; 2 Tim. 1 : G: Tit. 1 : 5—9), het leeraarsambt (1 Tim. 1 : 3 enz.; 4:6; 2 Tim. 2:2; Tit. 2:1 enz.), de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht (1 Tim. 4 : 11; 5 :1—7; 4:13; 5:19—21; 2 Tim. 4:2; Tit. 1:5; 2:1—15) voor bepaalde plaatsen toevertrouwden, („de werkzaamheid der bisschoppen bepaalde zich tot eene gemeentequot;, zegt Ds. A. V.), en dezen behielden die macht tot na hun dood (2 Tim. 4:6; 1 Tim. 6 : 14), zoodat zij daarmede niet het karakter van zendelings-bisschoppen, maar

ocr page 657

113

van werkelijke diocesaan-bissclioppen kregen. Hierdoor scheidde zich liet bisscliopsambt als eigeu iiiriclitiiig. vorm, lichaam, samenstelling van liet apostelambt af, en door liet later spraakgebruik werd de uitdrukking l7rlt;lt;T%s7rr„ episcopaat, dat in 't algemeen opzienersambt beteekent en in Hand. 1 : 20 gebruikt wordt van het apostelambt, hetwelk aan een ander .moest worden overgedragen, de soortelijke naam voor het ambt der apostolische ambtsbroeders en opvolgers. Staven de brieven aan Timotheus en aan Titus volkomen het bisschopsambt, ook andere geschriften van het N. Test. wijzen daarop (Ad Philip. 4.: 3; Coloss. 1 :7—8; 4:12—13; Openb. 1 : 19—20; 2 :1—24; 3 :1—14). Men leze 1 Petr. 5 : 1—3; Hand. 20 : 28 alsmede Irenaeus {Advers. Haer. 3, 14).

Zoo zijn dan door beschikking van den H. Geest bisschoppen in de plaats der Apostelen getreden, en de goddelijke instelling van de bisschoppelijke waardigheid is uit die van het apostelambt voortgekomen. De bisschoppen zijn de opvolgers der Apostelen; het apostelschap duurt voort in bet episcopaat, zooals de apostolische Vaders en Kerkvaders duidelijk toonen.

Zie de plaatsen uit Irenaeus, Cjprianus, Hieronymus, Augustinus, Gregorius bij Phillips Kirchenrecht I § 22.

Ter aanvulling van de „gevoelige naturen en zwakkere geestenquot; van Ds. A. V. wil ik hier in 't voorbijgaan zeggen, dat deze Phillips als een geleerde van den eersten rang bekend is en toch als docent te Berlijn Poomsch Katholiek werd en die terugkeer door Wigand genoemd wordt „tiefgefühltes Herzensbedürfniss.quot; Hij werd professor te München.

De bisschoppelijke waardigheid is eene goddelijke instelling, want hier geldt het woord van Tertullianus:

ocr page 658

114

„De Apostelen des Heeren zijn er ons borg voor, dat zij datgene, wat zij liebben ingevoerd, niet naar willekeur hebben ingevoerd, maar aan de volkeren de verordening van Cliristns trouw hebben overgeleverd.quot; {De Praescr. c. 6.) Daarom erkent zelfs de episcopale Kerk van Engeland de bisschoppelijke macht als van de Apostelen komend, en episcopalen als Hammond, Pearson, Beveridge, Dodwell, Bingham, Usher en anderen hebben deze leer in degelijke studiën verdedigd. De Protestant Eothe neeuit aan, dat het bisschopsambt reeds in de laatste dertig jaren van de eerste eeuw bestond, maar volgens hem stelden de Apostelen dat ambt niet in op goddelijk bevel, maar uit menschelijke wijsheid.

Wij zagen intusschen reeds, dat de H. (quot;lemens Roman us er anders over dacht. Alles wat de Apostelen hebben vastgesteld, ook den regel der opvolging, tot aanstelling van nieuwe ambtgenooten, — welke „regelquot; het bisschoppelijk ambt in engeren zin onderstelt — schrijft Clemens toe aan hunne „volmaakte voorwetenschapquot;, die zij „door onzen Heer Jezus Christusquot; ontvangen haddenquot; (c. 44). En geheel zijn bewijsvoering in hoofdst. 42—44, die de kern van zijn brief zijn, gaat uit van de stelling: „De Apostelen zijn ons verkondigers van het Evangelie geworden door Jezus Christus, en Jezus Christus is gezonden door God. Christus derhalve door God gezonden, en de Apostelen door Christus; en beide (zendingen) geschiedden volgens orde door Gods wil (c. 42).

Zie Brüll in Ti dring er Theol. Quartalsch. 1876 blz. 442 v.

Ds. A. V. schrijft oj) blz. 70: „Niemand twijfelt er aan, dat de Apostelen bisschoppen hebben aangesteld, of liever, dat er door de gemeenten onder goedkeuring

ocr page 659

115

der Apostelen !) bisschoppen zijn verkoren. Wij hebben toch gezien, dat er na de stichting- van nieuwe gemeenten, sommigen aan het hoofd werden geplaats, die naar hunne waardigheid, oudsten of ouderlingen (presbyters) heetten, die ook naar hun ambt opzieners of bisschoppen werden genoemd.quot;

Het antwoord is reeds in de vorige bladzijden door Mgr. Freppel gegeven. Ik herhaal het onder een anderen vorm: Het zakelijk onderscheid tusschen priesters (presbyters, ouderlingen of oudsten) en bisschoppen (opzieners) te laten varen, wijl de uitdrukkingen presbyter en 0/ ziener in den eersten tijd nog onderling verwisseld werden, is even verkeerd, als uit het feit, dat de bisschoppen tot de ö'1'1 eeuw papa genoemd werden, te besluiten, dat de Paus (papa) tot de (i'le eeuw met de bisschoppen werd gelijkgesteld. In zulk een eenvoudigen tijd als den Apostolischen, is het altijd gewaagd van het spraakgebruik tot de zaak te besluiten, vooral wanneer men, zooals hier het geval is, werkelijk op een groot onderscheid tusschen woorden en zaken kan wijzen. Zoo wordt wij zeiden het reeds —• bijv. de Heer zelf opziener (1 Petr. 2 : 25) en Apostel (Hebr. 3:1) geheeten. Paulus noemt Adronicus en Junias, zijne magen en medegevangenen, apostelen (liom. 16 : 7) en zichzelf diaken (1 Cor. 3:5; 2 Cor. 3:6), Joannes noemt zich presbyter (2 Joan. 1:1; 3 Joan. 1:1) en Petrus betitelt zich medepresbyter (1 Petr. 5 : 1). Door al deze gelijkstellende

ij Clomecs Bomftnus (c. 44) zege juist het omgekeerdo: zij worden aangesteld door do Apostelen, of later door „andere uitstekende mannonquot; (opvolgers der Apostelen, als Titus en Timotheus), onder goedkeuring der gemeente, croycuSsy^craTr^ rr,c iy-y.'/y/T'zj, en hij zegt niet, dat deze „goedkeuringquot; vereischt word.

ocr page 660

HG

namen, zijn de ambten en bedieningen zeker niet gelijkgesteld. (Kirchenlexicon 2 AuH. B. [1 blz. 867.)

Tnsscben twee haakjes, mocbt iemand van de bekrompen richting van Dr. Bronsveld glimlachen over het feit, dat ik in De Paus den protestantschen lezer menigniaal naar het katholiek Kirchenlexicon (2'll! AnH.) verwijs, hij overwege dan dit oordeel van de Deutsche Evangel. KirchemeUung (Berlin 1899 Lit. Bell. n0. 10): „An Eeiehthum der be-handelten Stichworte ist keine andere Encyklopadie mit dieser zu vergleichen .... Da .... ist eine solche Fülle von gründlichem Wissen, auch auf den entlegensten Gebieten, anfgespeichert, dass das Kirchenlexicon auch gelehrten Protestanten eine Quelle der Belehrung sein kann.quot;

Ds. A. V. zegt: „Deze Clemens verraadt op niet eetiiye wijze, dat hij zich voor de opziener (bisschop) wil gehouden hebben.quot;

Mijn antwoord zal kort zijn. 1. Irenaeus zegt van dit schrijven: „De Kerk van Home schreef aan de Corinthiërs een allerbelangrijksten {iy.zv»Txr/;y ypxtpïj) hen tot vrede brengenden en hun geloof herstellenden brief.quot; (Adv. Haer. 3, 3, 3.)

Eusebius [Rist. Eed. 3, 16, 38) prijst dien brief hoog en getuigt, dat allen hera aannamen.

Cyrillus van Jeruzalem, Basilius de Groote, Hieronymus, Epiphanius, Leontius, Maximus, Nicon, halen eenige hoofdstukken daaruit aan. Photius, ofschoon eenige plaatsen hem niet bevallen, oordeelt toch, dat die brief is „eenvoudig van uitdrukking, duidelijk en van kerke-lijken en ongekunstelden aard,quot; (ax/.svv y.y.ri r'r.y vpxTa ■Axl txwv; y.y.l ïyyhc ni iY.y//:rlTty.(jrrAo:j y.'j'i •/■Kip'.ipy-ïj /xpy.y.-rr.pzc- (Bibl. Cod. 126) Zie Punk) en de Syriër? vertaalden hem in de Syrische taal.

ocr page 661

117

Hij werd door de Corintliiërs met zulk een eerbied ontvangen, dat zij liem in de kerk pleegden voor te lezen: vele andere kerken volgden dat voorbeeld, en Clemeng van Aiexandrië noemde, naar aanleiding van die gewoonte, Clemens „onzen Apostelquot;. Dat alles was oorzaak, dat die brief zelfs in lumdschriften van liet N. ï. werd opgenomen.

Al bet voorgaande doet denken aan een brief van boog gezag-, dunkt u niet!'

2. Dat Clemens in zijn schrijven nergens met uitdrukkelijke woorden zegt: „Ik ben de opziener, de bisschop bij uitnemendbeid, de eerste, voornaamste, opperste bisscbopquot;, is waar, docb dat bij optreedt en spreekt en bandelt als iemand, die krachtens recht en ambt zichzelven de volmacht, iurisdictie over de Kerk van Corintbe toekent en bet als zijn bediening beschouwt de eenheid en gehoorzaamheid in die Kerk te herstellen is duidelijk, vooral uit hoofdstuk 59, dat ik Ds. A. V. ter overweging geef.

Clemens maant de Corintbiërs aan terug te keeren tot de liefde en eensgezindheid (c. 48—50), de onruststokers hunne zonde te bekennen (c. 51—52) en zooals Mozes en anderen liever schade te lijden dan den vrede der Kerk te verstoren (c. 53—55), aan de overigen vraagt bij voor die vredeverstoorders te bidden, opdat dezen aan Gods wil gehoorzamen (c. 56) en zicli aan de presbyters zouden onderwerpen (c. 57) en na bun op t hart gedrukt te hebben, dat zij geen berouw zullen gevoelen naar zijn raad geluisterd te hebben (c. 58), gaat hij aldus voort: „Maar indien eenigen niet gehoorzamen (••zv itrsiartTwj) aan hetgeen Hij (God) door ons gezegd beeft, zij weten dan, dat zij zich aan een misslag (tcxpxtttutiI) schuldig maken en zicb aan geen

de Paus ÏV. 8

ocr page 662

118

klein gevaar blootstellen; wij echter zullen onschuldig zijn aan die zondequot; (c. 59).

„Het is billijk volgens zoodanige en zulke groote voorbeelden onzen hals te buigen en bereidwillig te gehoorzamen aan hen, die de herders onzer zielen zijn .... Blijdschap en vreugde zult gij ons verschaffen, indien gij gehoorzamende (iiTrr-s.oot yvjopiyoi = gehoorzaam geworden) aan hetgeen w ij door den H. Gr e e s t (u) geschreven hebben, den onwettigen hartstocht van uw ijverzucht uitroeit (uitsnijdt, 'ewó^rc) volgens de vermaning, die wij aangaande den vrede en de eensgezindheid in dezen brief gegeven hebben. Wij zonden ook getrouwe en verstandige mannen, die van hunne jeugd tot hun ouderdom onberispelijk onder ons verkeerd hebben; dezen zullen tusschen n en ons getuigenquot; (d. w. z. zij zullen getuigen zijn, die van u ons op de hoogte zullen brengen, of gij de tweespalt hebt doen ophouden ja of neen). „En dat hebben wij gedaan, opdat gij zoudt weten, hoe geheel onze zorg daarop doelde en doelt, dat wij u binnenkort tot vrede zouden brengenquot; (c. 63).

Wat dunkt u, Ds. A.. V. ? Verraadt deze Clemens, deze bisschop van Rome niet op eenige wijze, dat hij zich voor den opziener {den bisschop) wil gehouden hebben!'

En wat schrijft de rationalistische Protestant Dr. Harnack van dezen brief? Luister: „Zie, met welk een (jruot gezag Rome hier gesproken heeft. Dit schrijven (van Clemens) is ernstig en onverwacht. De Kerk van .Rome maakt aanspraak op eenige iurisdictie over a n d e r e kerken en dat nog wel vóór het jaar 100.quot; (Dogmengesch. 2 Aufl. S. 408, 404, 411 noot 1; 412 noot 2.)

En in Die Chronologie der Altchristlichen Literatur bis

ocr page 663

119

Eusehius (Leipzig- 1897; I biz. 258) schrijft hij: „Uit dien brief blijkt de waardigheid en verhevenheid van den schrijver en tevens, dat een man aan 't woord is, die doordrongen is van de noodzakelijkheid der tucht en orde van liet gemeenschappelijk leven en gewend schijnt zelf te reyeemn.quot; Eu op blz. 255: „Nergens oefent zijn schrijver aparte Gnosis, veeleer onderstelt hij overal, dat lietyerin hij zegt, heleend is en enkel maar wat ing-escherpt behoeft te worden.quot; De Protestant H. Schmidt erkent: „Mit merkwürdiger Energie sehen wir schon von dem ersten Clemens an den römischen Episkopat seinem hohen Ziele zustreben.quot; {Dr. Herzog.)

Ds. A. V. moge beproeven Clemens te wederleggen en beweren, dat deze bisschop van Rome een „hoogst gevaarlijke vergissing-quot; begaat en zijne bevoegdheid overschrijdt enz. enz., maar na het lezen van dat bisschoppelijk schrijven met de stijve en strakke bewering-voor den dag te komen: „Deze Clemens verraadt op niet eenige wijzequot; (dus volstrekt niet), „dat hij zich voor den opziener wil gehouden hebbenquot;, g'etuig't meer van onberadenheid of een zwart brilleg'las dan van wetenschap.

Eenige protestantsche godgeleerden en P. J. Van Harderwijk, Oud-katholiek pastoor te Schiedam [Petrus en het Frimaat in de on,de Kerh), hebben het gewicht van Clemens' brief, dat krach tig getitigenis voor den voorrang des Roomschen Stoels in de eerste eeuw, begrepen. Daarom hebben zij het trachten te verzwakken door aan te merken, dat aan het hoofd van dit schrijven niet de naam van Clemens, maar de gemeenschappelijke titel der Kerk van Rome staat. „Voor een bisschop die alleen namens de gemeente schrijft, is in dezen brief geen plaatsquot;, zegt P. J. Van Harderwijk blz. 42. En daaruit zou dan moeten volgen.

ocr page 664

120

niet waar, dat uit dien brief geen bewijs kan getrokken worden voor liet gezag' van Rome's bisscliop.

Ziellier liet antwoord.

1. Uit liet feit, dat in 't begin, van den brief de Kerk van Rome genoemd wordt, besluit men: niet de bisscbop van Rome, maar liet college der presbyters bebben dien brief gescbreven, welnu, zoo vraag ik met G. Wilmers S. J.: waarom besluit men dan niet: de geheele gemeente beeft dien brief gescbreven? Antwoordt men; de gebeele gemeente wordt door bet college dei-presbyters vertegenwoordigd, dan geven wij dit bescbeid : èn de geloovigeu èn de presbyters worden door den bisscliop vertegenwoordigd, zooals Cyprianus leert in Ep. 33 n0. 1 (pastoor Van Harderwijk laat Cyprianus zelfs zeggen: „Wanneer de bisscbop wettig gekozen is, bestaat de Kerkquot;) en zooals Ignatius vermaant, dat men den bisscbop moet geboorzamen als aan Christus (Ad Smyrn. 8 Wilmers: De christi Ecclesia).

2. Werp eerst bet getuigenis van Eusebiis omver, die scbrijft: „Hums dementis exstat epistula, quam nomine Ecclesiae Romanae ad Corintbiorum Ecclesiam scripsit

etc..... Van dezen Clemens bestaat een brief, dien bij in

naam van de Kerk van Rome aan de Kerk der Corintben gescbreven beeftquot; (H. E. 1 3 c. 16).

„In naam van de Kerk van Romequot; beteekent: de brief is gescbreven door Clemens Rome's bisscbop en daarom de vertegenwoordiger van die Kerk.

Eusebius zegt nog elders, dat Irenaeus aan Victor, den bisscbop van Rome scbreef „nomine fratrum, quibus praeerat in Gallia, in naam der broeders aan wier hoofd bij in Gallië stond.quot;

Z( 10 ook Hieronymus (Comment, in Is. 52, 13) en in denzelfden zin moet Irenaeus verstaan worden, als bij

ocr page 665

121

zegt, dat de Kerk van Rome den brief gesclireven lieeft. Want terzelfde plaatse betuigt liij, dat Clemens na Linns en Anacletns aan 't lioofd der Kerk van Rome gestaan liebben [Contr. haer. Ill 3, 3).

3. Het is van hoegenaamd geen belang, dat de naam van Clemens niet aan liet lioofd staat van dien brief. Immers de geheele christelijke oudheid getuigt, dat die hrief het vjerk is van dien bwschop van Rome. De Kerk van Rome kon spreken door den mond van haar hoofd zonder dat de naam van dezen laatste uitdrukkelijk genoemd wordt. „Niets zou belaclielijker zijnquot;, zegt Prof. Freppel, „dan voor de eerste eeuw der christelijke tijdrekening den romeinsehen kanselarijstijl der 19ai' eeuw te vorderen.quot;

4. In de apostolische tijden bezigde men gewoonlijk gemeenschappelijke titels. Zoo plaatst de H. Paulus aan 't hoofd van de meeste brieven naast zijn naam dien van Timotheus, Silvanus, Sosthenes. In zijn brief aan de Galaten spreekt hij samen met „alle broeders die met hem zijnquot;, hoewel hij voorzeker zijn apostolisch gezag niet gelijkstelt met dat der eenvoudige geloovigen. Een brief gezamenlijk door velen geschreven sluit geenszins de kerkelijke rangorde uit.

En nu nog een woord van den Protestant Blondel (t 1655) aan 't adres van Ds. A. V. en pastoor P. J. Van Harderwijk. Deze Protestant zegt: „Eenmaal de onloochenbare aanvang der Kerk van Rome sinds de Apostelen als een aan alle Christenen hekend feit aangenomen, en eenmaal toegegeven, dat die Kex-k gesticht en onderwezen is door den H. Petrus en Paulus, •— iets waarvan de overlevering klaar is als de middag in den brief, door hun leerling, den H. Clemens aan de Kerk van Corinthe geschreven —, is het ontwijfelbaar, dat

ocr page 666

122

(jeheel de nlyemeene Kerk met de Kerk van Rume moot overeensteuimeu.quot; {De la prim., de l'Eglise.)

Stemmen de protestautsclie kerken en het kerkje van den Driehoek te Utrecht met de Kerk van Rome overeen '.gt;

Wij laten hier eenige zinsneden volgen ontleend aan een prachtwerk, dat in 1895 te Parijs verscheen onder den titel Le Vatican, les F apes ei la civilisation .... par Georges Groyau, André Pératé, Paul Fabre met een epilogue, een doorwrochte studie van M. le Vicomte E. Melchior de Vogue de l'académie franpaise. In 1898 werd het in het Hoogduitsch vertaald door Karl Muth (Veremundus) en uitgegeven door Benziger te Ein-siedeln.

Daarin lezen wij blz. 13: „In de geschiedenis der Kerk uit de eerste eeuwen blijft een zeker aantal feiten onverklaarbaar, indien men iveigert te erkennen, dat de Roowsche Stoel oorspronkelijk het oppergezag had. Ofschoon in die eerste tijden ongetwijfeld niet zoo dikwerf een beroep werd gedaan op dat hoogste gezag, eu ofschoon dit gezag toen niet zoo afgekondigd eu niet zoo dikwerf dadelijk werkend was in geheel de kerkelijke inrichting als later, was het nochtans levend door de daad en in rechten erkend. Een der kerkvaders, die het zeer uitdrukkelijk beschreven hebben is de 11. Irenaeus, bisschop van Ljon (f 202); zijne woorden zijn een aloud getuigenis der Kerk van Gallië aan die van Rome. Door een brief, waaraan men iemand erkent die bestuurt, predikte de H. Clemens, bisschop van Rome (t iOO'.') den vrede aan de christelijke gemeente vau Corinthe en bepaalde zelf de voorwaarden, De H. Dionysius, bisschop van Alexandrië, van ketterij beschuldigd, onderwierp zijne

ocr page 667

123

gevoelens aan ?t oordeel van den Paus. In de oogen van keizer Aurelianns was Paulus van Samosate een onwaardig prelaat, omdat de bisscliop van Rome en de andere bissclioppen dezen Paulus buiten hunne gemeenschap hielden.... De titel van Paus was in dien tijd nog niet het voorrecht van Rome's bisschop, maar onder de verschillende bisschoppen was hij de grootste. De ketters beleden het stilzwijgend, als zij in de weer om hunne gevoelens te verdedigen of te verspreiden, hun toevlucht namen te Rome met zulk een zorg en ijver, dat de H. Cjprianus daarvan gewag maakt.

Reeds leggen de Roomsche opperpriesters in het oplossen van leerstellige en disciplinaire vraagstukken hun afkeer van tegenstrevige overdrijving en de verstandige omzichtigheid aan den dag, die de beslissingen van den H. Stoel altijd zullen kenmerken. Vele belijders ten tijde van Paus Callixtus I (f 223), Novatianus in in de dagen van Paus Cornelius (f 253), willen niet, dat de afgevallene Christenen tot boete worden toegelaten: Callixtus en Cornelius zijn toegevender. Een zekere Heraclius onder het bestuur van Paus Eusebius (f 309) verlangt, dat de afgevallen Christenen weer zouden opgenomen worden zonder eenige boete te doen: Eusebius is strenger. Tusschen deze twee uitersten aarzelt het Pausdom niet; het vermijdt èn de inschikkelijkheid, die de boete geheel kwijtscheldt èn de strengheid, die de vergiffenis weigert. Even omzichtig is de houding van het Pausdom, waar het over de geldigheid of ongeldigheid van 't doopsel, door ketters toegediend, moet oordeelen: Paus Stephanus (f 257) beslist dat dit doopsel geldig is. De li. Cyprianus, bisschop van Carthago, biedt weerstand in naam van Afrika: nog was niet in alle bijzonderheden omschreven, hoever het

ocr page 668

J 24

disciplinaire gezag van den Roomsclien Stoel droeg en reikte. Maar dezelfde Cyprianus noemt de Kerk van Rome „de hoofdkerk, van waar de priesterlijke eenheid uitgaatquot;: men voelde en beleed de oppermacht van den H. Stoel; in verloop van tijd zal zij nauwkeurig worden bepaald.quot;

fn dien zin als hierboven kan men van de historische ontwikkeling van 's Pansen primaatschap spreken, de ontwikkeling der woorden van Christus bij Mattheus 16 : 18 en Joannes 21 : 15—17.

Mr. Allies, schrijver van „Throne of the Fishermanquot; zegt: „Onder zoovele Pausen, beroemd door geleerdheid en heiligheid, van wie zelfs te vermoeden, dat zij aanspraak zonden maken op datgene, wat hun niet toekomt, het toppunt van vermetelheid is, kan men geen enkele aanwijzen, die niet geloofde aan het voorrecht hem of zijn Kerk geschonken, terwijl onder al de kerken (of gemeenten), door de andere Apostelen of hunne opvolgers gesticht, geen enkele kan gevonden worden, die het waagde zichzelf het hoofd van de geheele Kerk te noemen.

Een van beiden : of de Pausen maakten met recht aanspraak op hetgeen hun door de gave van Christus gegeven is of zij waren allen bedriegers van Jeu beginne afquot;, of, zegt Ds. A. V., zij hebben zich vergist: „De zaak van het Pausdom berust op een vergissing .... een hoogst gevaarlijke vergissingquot;, maar die vergissing zon dan toch dagteekenen minstens van de eerste eeuw.

Roe die „hoogst gevaarlijke vergissingquot; de belofte van Christus: „En ziet ik ben met u al de dagen toi de voleinding der wereldquot;, (waaraan de Statenbijbel nog het

ocr page 669

125

woordje „Amenquot; cl. w. /,. „liet zij zooquot; voegt) niet stempelt als bedrog of vergissing, blijft mij een ondoorgrondelijk geheim.

Ik eindig met de bekentenis van den Protestant Leslie, die in Theol. praktische Qwartalschrift (Linz 18quot;/9 S. 195, 197) schreef: ,,Jene Vater der Kirche, welche im apostolischen Zeitalter lebten und die Glanbenslehre aus dem Munde der Apostel selbst vernahmen, wie Clemens, Ignatius, Poljkarp, nmssten am besten den Sinn und die Bedeutung der Worte wissen, welche die Apostel gesprochen; und ihuen ziinachst diejenigen, welchen xie dieselbe Lehre ïiherlieferten, und so fort durch alle Jahrhunderfe der Kirche bis nuf diesen Taq. LTnd jene Lehi-en und jene Regienmgsform der Kirche, welche dieses Zeugniss für sicli haben, mussen die Wahren sein. ünd diejenigen, welche sich von dieser Regel nicht bestimmen lassen, stehen mit Recht in Verdacht, ja, sie zeugen selbst gegen sich, dass sie von der WaJirheit ahgewichen sind.quot;

Wie die woorden onderschrijft, onderschrijft het doodvonnis van het Protestantisme.

§ 40.

Is Petrus te Rome geweest?

-Als de üi ■Iisclü'11 lasreivn, - •tiii-L'ii de src.'iicn.quot;

l)r. Scliiicinnan (Holland en /'tir/i-l.ste l)r. blz.

Het orgaan tot verspreiding vau de christelijk-historische beginselen, hoofdredacteuren Prof. Dr. P. J. Muller en Mi'. H- Verkouteren, heeft aan d(gt; protestantsche pers

ocr page 670

126

eeu zwijgende berisping en een navolgenswaardig voorbeeld gegeven: liet besprak in eeu hoofdartikel, en wel op lioffelijken toon, mijn boekje De Paus, Eerste gedeelte.

Het feit ter bespreking alleen reeds verheugde mij zeer.

Daarom heb ik terstond in Het Centrum kort maar eerlijk den indruk opgebiecht, dien het artikel op mij gemaakt heeft.

1. Het blad beweert, dat ik „niets, hoegenaamd niets bewezenquot; heb .... en „misschien zal de schrijver zelfquot; (ik) „inzien, dat al het tot nu toe geleverde nuttelooze arbeid is geweest.quot;

Dat zal ik inzien, zoodra men mijne redeneering te niet doet, evenwel dat kan men niet. Het gezond verstand heeft zijne rechten. Ik houd mij overtuigd, dat een eerlijk Protestant reeds na de lezing van het eerste gedeelte van De Paus het besluit trekt: a. ik kan volgens het protestantscli beginsel onmogelijk zekerheid krijgen, of ik deu echten Bijbel m. a. w. wezenlijk Gods Woord bezit; h. het is mogelijk en zelfs waarschijnlijk, dat Christus een zichtbaar opperhoofd zijner Kerk op aarde heeft aangesteld.

Dat vooral wilde ik in het eerste gedeelte van De Paus bewijzen, en wijl ik dat doel bereikt acht, meen ik geen „nutteloozen arbeidquot; verricht te hebben.

2. Ja toch, zegt het orgaan van prof. P. J. Muller: „De vraag, waar het alleen op aan komt, in de eerste plaats: is Petrus ooit in Bome geweest? en in de tweede plaats: Is hij ooit bisschop geweest, van Rome?quot; werd door mij niet behandeld. „Wij hebben het boekje van Pater E. met belangstelling ter hand genomen en met aandacht gelezen; op elke bladzijde dachten wij: nu zal het komen; maar er kwam niets. De hoeksteen van het geheele Roomsche gebouw wordt eenvoudig over het hoofd gezienquot;

ocr page 671

127

Hierbij teekent liet Nederlanclsclie dagblad zelf aan: „Er komt nog een vervolgquot; op het boekje. „Laten wij ons oordeel opschorten.quot;

3. „De vraag, waar het alleen op aan komt, is in de eerste plaats: Is Petrus ooit te Rome geweest? En in de tweede plaats: Is hij ooit bisschop geweest van Rome ?. .. . Hunne geheele Kerkquot; (namelijk de Roomsch Katholieke Kerk) „staat en valt met die stellingquot;, m. a. w.: is Petrus te Rome en bisschop van Rome geweest dan staat die Kerk, is hij daar niet geweest dan valt zij.

Het orgaan van de christelijk-historische richting verklaart dus bondig: Als gij bewijzen kunt, dat Petrus te Rome is geweest en door Christus-zelf tot bisschop van Rome werd aangesteld, dan is de Roomsch Katholieke Kerk de ware Kerk: „Hunne geheele Kerk staat en valt met die sfelling.quot;

Het blad kan met de woorden „door Christus zelf tot bisschop van Rome aangesteldquot; natuurlijk niet bedoelen, dat dan alleen die Kerk staat, als Christus uitdrukkelijk gezegd had: ik stel u. Petrus, aan tot bisschop van Rome; dat ware al te zot.

De stelling luidt derhalve: Petrus is te Rome en bisschop van Rome geweest. Is die stelling waar, dan staat de R. K. Kerk.

En die stelling moeten de Katholieken bewijzen, zegt het blad. „Hier kunnen zij niet zeggen: bewijs mij het tegendeel. Hier moeten zij het positief bewijs leveren der waarheid, zonder van de Protestanten het bewijs der onwaarheid te mogen verlangen.quot;

Die eisch van het dagblad is grof brutaal.

Ziehier waarom.

Mijn grootvader heeft te U. gewoond en ligt daar

ocr page 672

128

begraven. Geen enkel lid mijuer tiiuiüie, die dat niet weet. Verbeeld u nu, lezer, dat morgen iemand bij mij komt en zegt: „Uw grootvader is nooit ie U. yeweest.quot; Natuurlijk zou met een gliinlacli terstond de vraag op mijne lippen komen : „Hebt gij daarvoor eenige bewijzen?quot; Stel u verder voor, lezer, dat ik op die vraag bet volgende antwoord krijg: „Gij moet liet positieve bewijs leveren, dat uw grootvader te U. beeft gewoond. Van mij moogt gij geen bewijs verlangen van bet tegendeel.quot;

Zulk een antwoord zwelt van aanmatiffina1, als bet

O O J

niet uit gekrulde bersenen komt.

De toepassing? Ziebier.

Vóór de 18'le eeuw, dus nadat de E. K. Kerk ongeveer loOO jaren bestond, beeft niemand, zelfs de heftigste vijanden van Home's Kei'k niet uitgezonderd, geen enkele ketter, die door den Apostoliscben Stoel veroordeeld was, geen enkele scbeurmaker (b.v. uit de griekscbe Kerk), voor wien bet tocb van groot belang was de aanwezigheid van Petrus te Rome èn wel als bisscbop van Rome in twijfel te trekken, beeft niemand — berbaal ik — 't ooit in bet boofd gekregen, die waarheid te bestrijden. De Waldenzen waren de eersten, die een twijfel opwierpen; later volgden Marsilius van Padua en in de Ki'11' eeuw enz. eenige protestantsche geleerden dat voorbeeld.

De Koomschen hadden veilig kunnen zwijgen, doodstil zwijgen en denken: stoot die overlevering van 13 eeuwen maar omver als gij kunt, doch zij hebben niét gezwegen ter wille van de vele goedgezinden, die bij den neus worden genomen o. a. door „Marnixquot;, volgens de scherpe teekening van Jan Kaltt' „die zonderlinge belt, waarop de weggeworpen argumenten ■ van een verouderd papo-

ocr page 673

129

fagenras met zorg worden vergaardquot; {Het Centrum 7 Sept. 1899), door „dien sclireenwerigen douanier De Grenswachterquot;, door een of ander „liederlijk libel van den. gevenoreerden Chiniqniquot; enz. enz.

Het orgaan van de christelijk-liistorisclie richting verklaart dus bondig: Kunt gij bewijzen, dat Petrus -te Home is geweest en wel als bissckop van Eome, dan is de Roomscli Katholieke Kerk de ware Kerk: „Kunne geheele Kerlc staat en valt met die stelling.quot; l)

Het orgaan noemt de tweevoudige vraag „de voornaamste levensquaestiequot; der Eoomschen.

Ofschoon nu die „levensquaestiequot; reeds lang uit de wetenschappelijke wereld is, zoodat daarover onder ernstige mannen niet meer gekibbeld mag worden, en de meeste en geleerdste Protestanten in gezelschap van R. Kath. geschiedschrijvers met zulk een klem van bewijzen de zaak gestaafd hebben, dat zij nu is uitgemaakt, dwingt mij de tweevoudige vraag van Het Nederlandsche

!) ik cursiveer.

Us. A. V. schrijft (b]z. 95): „Bij den waren Protestant is toch volstrekt niet dit de hoofdvraag, of de Paus het recht heeft als hoofd dor Kerk geacht te worden, maar hoo wij gerechtvaardigd worden voor God. Ben recht Protestant vraagt niet in de eerste plaats ot Petrus het hcofd der Apostelen was cn of by aijn opvolger heeft in den Paus, maar welke de weg is tot zijne waro vertroosting.quot; Zinledige woorden. Indien Petrus het hoofd der Apostelen is on zijn opvolger heeft in den Paus, dan leidt do wog tot waro vertroosting en zaligheid door die Kerk, waarvan do opvolger van Petrus het hoofd is. Immers do door ons besproken teksten van Mattheus, Joannes en Lucas, die op Petrus terugslaan, slaan dan ook terug op zijn opvolger. Voor den waren Protestant d. i. niet iemand, die enkel protesteert, maar ernstig onderzoekt vooral in do H. Schrift, ligt hier werkelijk do hoofdvraag-. Was Petrus hot hoofd der Apostelen en moest hij oen opvolger hebben in die waardigheid on waar is die opvolger?

ocr page 674

130

Dayhlad de „levensquaestiequot; hier nog1 eens ter bane te brengen; bet is wel verdrietig telkens opnieuw en voor ettelijke Protestanten hetzelfde te moeten herbalen en bewijzen, maar waaraan went men al niet!'

Alvorens echter Petrus' verblijf te Rome te staven, wil ik in den spreektrant van Het Nederl. Dagblad terloops aanstippen, dat het Protestantisme niet meer staal.

Het Protestantisme staat niet meer, als de grondslag van het Protestantisme is weggezonken.

Welnu hij is weggezonken; dat weten allen. Dus ....

Bewijs: Het hoofdpunt, de grondslag van geheel het Protestantisme is de leer der rechtvaardig iny duur het geloof alleen. Luther zegt het in zijne Ti schreden: „Valt echter de leer, dan is het met ons gedaan.quot; En in de Artikelen van Schmalkalden, die tot de symbolische geschriften van de Luthersche leer behooren en waarin het protestantse! i geloof officieel is vervat, staat omtrent de leer der rechtvaardiging letterl ijk: „Van dat artikel kan men in niets wijken of afgeven, al vallen hemel en aarde; of wat niet blijven wil. Want er is g-een andere naam aan de menschen gegeven, waardoor wij zalig kunnen worden.... En op dit artikel staat alles, wat wij tegen den Paus, duivel en de geheele wereld leeren en leven. Daarom moeten wij daarvan geheel zeker zijn en niet twijfelen; anders is alles verloren en behouden Paus en duivel en alles tegen ons de overwinning en het recht.quot; (Chrlstiches Co11cordienbuch, herausgegeben von Walch Jena 1759 S. 806.)

Welnu het Protestantisme heeft de leer, dat artikel, waarop alles staat, laten varen. Zie De Paus T blz. 67, 68.

Bijgevolg is de grondslag weg, en is het Protestantisme o-e vallen.

ocr page 675

131

Wat editor die „voornaamste levensqiiaestie der Rooiii-selieiiquot; betreft moet ik Eet Nederl. Dacjhlad opmerken, dat hier van geen „levensqnaestiequot;, laat staan van een „voornaamste levensqnaestiequot; voor lien sprake is. En dat zal ik met de volgende logische redeneering van Paul Von Hoensbroech verduidelijken. Deze schreef in Zeitschr. fur kath Theologie 13'Ilt;! Jg. 1889 het volgende: „Is eenmaal uit de TT. Schrift bewezenquot; — en de leeraars en vromen veler eeuwen bewijzen het uit de TT. Schrift — „dat Christus aan Petrus en diens opvolgers en enkel hun, het primaatschap over de Kerk verleend heeft, dan is het op zichzelf beschouwd voor de goddelijke waarheid van het katholieke leerstuk omtrent het primaatschap onverschillig of het feit, waarop zich het recht en de aanspraak van den tegenwoordigen primaat der Kerk, den bisschop van Rome obiectief beroept, ook suhiektief en historisch door ons kan gestaafd worden. Petrus leeft niet meer, een opvolger, die zich als zoodanig verklaart en door de Kerk erkend wordt, moet hij hebben. Op geen ander was en is dit van toepassing dan op Rome's bisschop, derhalve is deze ook de opvolger van Petrus, afgezien hiervan of de wijze van opvolging ons historisch bekend is of niet. Deze bewijsvoering is, de teksten van Matth. 1G : 18 en Joan. 21 : 15—17 vooropgezet, volstrekt steekhoudend.quot;

Tets dergelijks had reeds de „geheime Kirchenrathquot; Hesse geschreven in de Sammlung der Zvil- und Streit-fragen von Oncketi und Holtzendorjf Qieïi 34 1874): „Wenn man einmal den Text Tu es Petrus etc. annahme, so folge daraus die Primatgewalt und sogar die lehramiliche Unfehlbarheit des Papstesquot; ').

!) Wij horinnoren hier tevens aan de woorden van Suarez; „Addunt denique nonnulli Gatholici, lioet haereticia daremus

ocr page 676

182

Een zekere Jmiius in De Nederlander (27 Maart 1S99), die aan „priester Scliaepman .... ten strengstequot; verbieden wil, den titel van Doctor te voeren mede wijl „zoo iets niet past bij den eenvoud van den priesterquot;, — Jnnins, die belijdt: „Al ben ik ook maar een domme leek, zoo heeft toch. de vraag of Petrvs in Borne gevjeesi is, mij ook eens bezig gebondenquot; en wel zoo bezig gebonden, dat bij 1 1 of 12 geschriften kan opnoemen, die de vraag ontkennend beantwoorden, — die Junius mag zich nu wederom met de volgende bladzijden bezig houden.

In de christelijke Kerk is door alle eeuwen heen en overal, in 't Oosten zoowel als in het Westen geloofd, dat Petras bisschop van Rome was en daar als zoodanig onder de vervolging van keizer Nero te gelijk met den H. Paulus den marteldood onderging. Eerst in de 13lt;lP eeuw zouden, volgens Moneta O. P., eenige Waldenzen, geen geschiedkundigen van beroep, dat feit in twijfel hebben getrokken. Nadat dus dertien eerwen lang allen van dat feit overtuigd waren, begonnen ettelijken aan de waarheid daarvan te tornen en haalden om die twijfel te rechtvaardigen nagenoeg maar een enkel en nog wel een negatief bewijs aan, namelijk het stilzwijgen van de H. Schrift.

In de 14'10 eeuw schreven twee groote politieke vijanden van den Paus, en voorloopers der Hervorming,

Fotrum non faissc Romao, nihilominus potuisse Pontifioem ÜODitt-mim ossg successorGm Petri. Nam potnit Petrus, alibi existons aut sedens, vel Romae vel alibi sibi successorom deligero, Quod quidem vere dictum est et ex ahundantia, ad confusionem haereticorum, procodit tarnen solum do possibili sen do potestate.quot; [Defensin fidei cath. ado. anglicanae sectae err or es, 3, 13, 10.)

ocr page 677

Marsilius van Padua (f 1328) en Joannes van Jauclan linn werk Defensor pads •) en beweerden dat het verblijf van Petrus te Rome als bisschop van Rome niet vaststond ; zij loochenden niet. dat hij te Rome was geweest.

In de 16'1'2 eeuw (i520) ontkende do Lutheraan Udalricus Veleuus, voor het eerst, dat Petrus ooit te Rome is geweest. -)

Honderd jaren later (1629) volgden hem andere Protestanten in dien strijd, vooral Frederik Spanheim 3), professor te Leiden (f 1 701).

Tweehonderd jaar daarna streed, maar met eenigszins andere wapenen, de Rationalist F. C. Baur (1792 f 1860) tegen die historische waarheid in het Tiib. Theol. Zeit-sehrift 1831 : Die Chrisfiispartei in Korinth.

De Protestant Frederik Bleek, professor te Bonn (1827 t 1875), die volgens het protestantsch Conversations-Lexicon van Wigand zich „zum tüchtigen Kritiker.... ausbildetequot;, wederlegde hem in Stud. u. Krit. 1836. De Protestant Karl August Credner (1797 t 1857), professor

1

!) Heb werd door cou couatitutio vuu Paus Joannes XXIT in 1328 als kettorsch veroordeeld.

2

de Paus IV. 9

3

quot;) Velenus, Spanheim on consorten verklaarden het ontstaan van hot geloof aan Petrus' verblijf te Rome kort en krachtig uit een bedrog van don kant van Rome's geestelijkheid. Hoerschzucht zou do drijfyeor ziin gowcost.... Nu, zegt Fl. Riess S. J., dat is ten minste nog een poging om dat goloof en die overtuiging te

ocr page 678

134

in de godgeleerdlieicl te (xiessen deed hetzelfde in Allcj. Hall. Lit. Zt. 1836 en de Protestant Olsliausen trad nog- krachtiger tegen Baur op in Theol. Studiën unci Kritiken Jhrg. 1838.

In 1869 vatte de protestantsche professor Richard Adalbert Lipsius, zooals hij zelf erkent, de bewijzen van Baur zonder een nieuw bewijs daaraan toe te voegen, nog eens in het kort samen in zijn Chronologie der römischen Bischöfe his zur Mitte des 4 Jahrh.

Tusschen 1833 en 1873 hebben Van Volkom {Kirchen-gesch. der drei er sten Jahrh. Edit 3 Tubingen 1863), Taillefer, And. Blanc, J. O. Ellendorf, A. Scheler (onder het pseudoniem Udalric de Saint-Gall), Gavazzi, Roller, {De Protestant t 10, 497) Thom. Collins Simon, J. H. Brown en C. Hoole de afgebroken stelling met dezelfde materialen nog eens in elkaar gezet {Revue chrétienne 1872).

Den 1quot;quot; Februari 1872 kondigde een radicaal blad de Capitale aan, dat Francesco Sciarelli, een Methodist, i) den 9C11 van dezelfde maand in een voordracht „zou bewijzenquot; en wel „met bewijsstukken uit de H. Schrift en de Vadersquot;, „dat de H. Petrus nooit te Rome is

!) Of Sciarelli tot do Wesleyaaneche of Calvinistische Methodisten gerekend moet worden weet ik niet. De Methodisten vormen een sekte in Engeland, die in 1729 ontstond, in 1741 zich verdeelde in twee sekten: de Wesleyaansche en do Calvinistische Methodisten. De Calvinistische sokte heeft zich voor het meerondeel met do Evangelische partij (Lord Church) vereenigd, de Wesloyaansoho is weer uiteengespat in; 1. „De nieuwe verbiedingquot; (1796), 2, Bryaniten of Bijbelchrisfcencn (1815), 3, „Oorspronkeliike Methodistenquot;, 4. „Vereenigde vrije kerk der Methodistenquot; (1857). In Amerika vindt men Wesleyanen met bisschoppen en do „methodistipch-protestantsche kerkquot; znnder bisschoppen, de „Wosleyaansch methodistischo kerk (1843), „Zions-korkquot; (1819). (Zie Chambers Encyclopaedia 1891, VIL)

ocr page 679

135

geweest.quot; De Eoomscli Katholieke geestelijkheid nam dat op als eeu uitdaging en bond een redestrijd aan. De slag werd geleverd den 9''quot; en 10' quot; Februari in de academici Tiberina te Rome: de kanunnik Eablani en de professoren (Jipo la en Guidi stonden tegenover de protes-tantsche redenaars Sciarelli, Ribetti en Gavazzi. De redevoeringen van beide partijen werden gestenograjjlieerd en in het licht gegeven. Wie die stukken leest, kan geen oogenblik in twijfel staan, aan welken kant de overwinning is, en begrijpt dan ook waarom de katholieke pers zoo ijverig was in het verspreiden van die redevoeringen. Zelfs de liberale bladen erkenden de nederlaag der Protestanten. In het Journal de Rome legde een liberaal de verklaring af, dat hij, volkomen overtuigd van Petrus' verblijf te Rome, de zaal verlaten had.

De Protestant Ribetti, die den goeden inval kreeg (El. Riess S. J. Stimmen) met de bekentenis te beginnen, dat hij nog geen veertig jaren telde, en te verstaan gaf, zich tot nu toe niet het vraagstuk omtrent Petrus' verblijf te Rome niet te hebben bezig gehouden, declameerde, dat het Roomsche gebouw op kuiperijen, niet op Christus steunde. Wat bij Papias (t tussehen 75 —150), Ignatius van Antiochië (f vóór 117) en Clemens van Alexandrië (t omstreeks 217) geschreven stond, was enkel Roomsche kuiperij {Resoconto p. 68). Deze kuiperijen waren dan grooter en grooter geworden, de eene schrijver schreef den ander na en later ontstonden daaruit besluiten enz. enz. Ribetti — hij lijkt een tweeden Bolland — werd door Cipolla naar behooren op zijn plaats gezet en verdient niet, dat wij ons met hem ophouden.

Eu werkelijk, men moet, zegt Fl. Riess S. J., allen geestelijken zin voor den verheven eenvoiul, voor de

ocr page 680

136

waarlieidsliefcle enz. der oorspronkelijke Kerk verloren hebben; men moet een volslagen idioot zijn in die getuigenissen van de leerlingen der Apostelen, liunner waardig, getuigenissen van een H. Clemens (100 P), een H. Polycarpus (f 155) en Ignatius (98—117); men dient ten eenenmale vergeten te hebben, hoe het episcopaat van Rome de zekere verwachting had ten marteldood te' gaan hoe de gemeente van Rome zoo ook de geestelijkheid uitmuntte door vastheid in het geloof en reinheid van zeden, men moet dat alles wegdenken om te kunnen denken, dat zulk eene afschuwelijke samenzwering, znlk een schandelijk bedrog aan den drempel van den apostolischen tijd zelfs maar mogelijk was. Doch men moet ook in hooge mate gebrek lijden aan oordeelkunde om zich het welslagen van zulk een bedrog onder die omstandigheden voor te stellen en wel zulk een volkomen welslagen, dat binnen weinige tientallen van jaren officieele lijsten van Pausen en openbare gedenkstukken het bedrog konden vereeuwigen. Wij hebben nergens ook maar een spoor van aanwijzing gevonden, hoe dat tot stand zou zijn gekomen.

P. J. V. De Groot O. P., professor aan de hooge-school te Amsterdam, wiens werk Summa apologetica voor de redactie van Het Nederlandsche Dagblad niet

ij üs. A. V. schrijft op blz. 86: „Intusschen, wanneer iomand een achtbaar monsch is, een bisschop in de Christelijke Kerk, als hij elk oogenblik han geroepen worden zijn geloof met den marteldood Ie bezegelen, dan willen wij hem ook wel hoorenquot;, zelfs „in hetgeen hij getuigt vau zijne eigene waardigheM, ja, dan kan zijn getuigenis van veel beteekenis worden.quot;

Voor den Protestant, die in zijn vrij onderzoek naar de Kerk van Christus deze bekentenis eerlijk vasthoudt, zal zij van veel beieekenis worden.

ocr page 681

137

scliijnt te bestaan, liaalt negatieve en positieve bewijzen aan van niet-katliolieken.

a. Nocli Plilegon, gewoonlijk Trallianns geheeten, die in de eerste helft der 2,le eeuw na Christus leefde, noch de Oostersche Ebioniet, die de schrijver schijnt te zijn van de Praedicatio Petri (vóór 150), noch de Pseudo-clementinen [Recognitiones en Homiliae), noch de werken der Griiostieken, noch Celsus, die in 't midden van de 2ai' eeuw tegen de Christenen schreef, noch Ju liaan, de A.fvallige (f 368) hebben eenig blijk gegeven, dat zij aan Petrus' verblijf te Rome twijfelden. Integendeel deze getuigen maken zeer dikwerf uitdrukkelijk melding van dat feit of veronderstellen het als algemeen bekend. Jnliaan, de Afvallige b.v. geeft te kennen, dat men reeds bij het leven van den Apostel Joannes de gedenk-teekens (graven) van Petrus en Paulus in eere hield. (S. Cyrill. Adv. Jul. lib. 10.)

Ook dient in overweging te worden genomen, hoe ernstig de Vaders de ketters wederlegden door het gezag van den Roomschen Stoel, die door Petrus schittert. Aldus weerlegden b.v. de H. Irenaeus de Gnostieken, Tertullianus de ketterijen in 't algemeen, Cains de Cataphrygen, de H. Cyprian us de Novatianen. (De H. Irenaeus Adv. Haer. Ill; Tertul. De praescr. c. 36; Euseb. H. E. 11, 25; De H. Cyprianus Ep. 59.) En toch Icwam niemand tegen dat beroep op den H. Stoel in verzet.

b. Ook de oudste sekten van 't Oosten betuigen, dat Petrus naar li ome ging. De Nestorianen bij voorbeeld in het Officie van Petrus en Paidus, dat uit de 5'u eeuw dagteelient. (Zie P. Martin: 8. Pierre el S. Paul dans l'Eglise Nestorienne in de Revue des sciences ecclés. 1875.)

c. Dat Petrus te Rome is geweest, bevestigt* de jongste ontdekking te Tarentum.

ocr page 682

138

Volgens de Overlevering zou de H. Petrus oj) zijn reis naar Rome te Tarentum of Taranto in Beneden-[talië velen tot liet cliristendom bekeerd en hun A.masianus tot bisschop gegeven hebber [Kirchenlexicon 2 Aufi.)

Ik zie een zeker iemand meesmuilen en hoor hem van „fabelzuchtquot; en „Petrus-legendequot; mompelen.

En toch lezen wij in de Civilta cattolica van 17 Februari 1900 het volgende, dat ik getrouw vertaal: Te Tarentum is men tot de zeer belangrijke ontdekking gekomen van het aloude heiligdom van 8. Maria di Muriveiere; die ontdekking bevestigt de komst van Petrus in Italië en zijn reis naar Rome. In dat heiligdom, volgens den geschiedschrijver Merodius gesticht door Amasianus, eersten bisschop van Tarentum, doch later verwoest, bevond zich een grot, bij wijze van een crypta en daarin een zeer oud altaar met de beeltenis des Verlossers in fresco geschilderd, waar, zooals de Overlevering meedeelde, de H. Petrus de H. Mis zou hebben opgedragen. Binnen de grot evenwel was een boog, waardoor men toegang kreeg tot een bron, de zoogenaamde bron der /uil, waaruit de H. Petrus dronk en waar Inj het ontzaglijk standbeeld, dat daar stond en door de Heidenen, voordat zij dronken, vereerd werd {adora et bibe = vereer en drink) op het teeken des kruises ter aarde deed storten en de aanwezigen tot het geloof bekeerde en hen doopte met het water dier bron.

Welnu op dezelfde plaats Sohtu, sonnetje geheeten, wijl daar het standbeeld der zonne stond, is deze grot ontdekt, die gedurende tal van eeuwen bedolven lag onder de puinen van het verwoeste heiligdom. En thans is de crypta zichtbaar met de apsis, waartegen in fresco geschilderd is het beeld des Verlossers, die in de linker-

ocr page 683

130

hand een geopend boek houdt en de rechterhand als ter zegening heeft uitgestrekt. Aan de kanten zijn de H. Joannes en de Madonna geschilderd, met het gelaat naar den Heiland gekeerd. Buiten de apsis ziet men andere figuren pan heiligen en verschillende vlekken. Maar aan de voorzijde van de apsis bevindt zich de boog, waarvan de historieschrijvers van Tarentum (Giovan. Giovane, Merodius, Carducci en anderen) gewagen, en die leidde en leidt naar den beroemden put, de doopvont der eerste Christenen van Tarentum.

Deze ontdekking is, zooals iedereen begrijpt, van zeer groot gewicht, omdat hier sprake is van een heilig gedenkteeken, dat tot in den morgenschemer van het Christendom reikt en, wat ook zij, die den critiekkuobbel hebben, daarvan zeggen mogen, de ontwijfelbare tegen-woordie-heid van Petrus te Kome meer en meer bevestigt

O

in het bewustzijn der katholieke wereld.

,,A]s de menschen lasteren, getuigen de steenenquot;, zegt Dr. Schaepman.

d. Dat Petrus te Rome is geweest, bevestigen o. m. de volgende Protestanten:

Luther. Hij schreef nog ten jare 1519 in zijn JJnter-richt auf etlicJie Artikel het volgende: ,,Dass die Kirche (van Rome) für allen andern geehrt sei, ist kein Zweifel, deun daselhst St. Peter und Paul, 46 Papste und viel hunderttausend Martyrer ihr Blut vergossen, die Holle und Welt überwunden, dass man ivoll hegreifen mag, wie gar einen besonderen Augenblick Gott auf diese Kirche (van Rome) hat. Ob es nun leider zu Rom also steht, das wohl besser taugt, so ist doch diese und keine Ursach so gross noch werden mag, dass man sich von derselben Kirche reissen oder scheiden soil. Ja, je übler es dort zugeht, je mehr man zulaufen und auhangen

ocr page 684

140

soil, denn durcli Abreissen unci Verachten es iiicJit besser wird. Die Eiuiykeit sollen wir in aclit nelimeu, und hei Leih nicht widerstrehen pa/pstlichen Geboten. Siebe, nun bott' icb, es sei offenbar, class icb der römischen Kircbe niebts neliiuen will, wie uiicli meine lieben Frennde scbelten. I)em, heiligen römischen Stulil snll man in allen Dingen folgen.quot;

Ook Luther derhalve erkent, dat Petrus zeker te Rome gestorven is.

Joannes Calvijn (geb. 1509 t ]5(j4) zegt van den

H. Petrus: ,,Oni de overeenstemming der schrijvers weerspreek ik niet, dat hij daar (te Rome) gestorven isquot;, propter scriptoram consensam (Lib. 4 Instit. c. 4).

De Centuriatoren van Maagdenburg (Flacius llljricus t 1575, Joannes Wigand t 1587, Matheus Judex f 1564, Basilius Faber t 1575, Andreas Corvinus, Thomas Holzhuter of Holthutber, Marcus Wagner, Ni cola us Gallus, Pancratius Veltpock eu andere geleerden).

Hugo de Groot (t 1654) „griindlich als Geschichislcenner,, zegt Wigand (Grotius: In I Petri e. 5 v. 13; Opera theol. '4 II vol. '1 p. 1112 edit. 1i)79).

Leibnitz (1646 f 1716).

Joannes Albertus Fabricius (geb. 1668 t 1736), volgeus Wigand „der herühmte deutsche Polyhistorquot; (Bibl. graecae

I. 4. c. 5).

En deze groote protestantsche geleerden stonden niet alleen, maar een zeer groot getal of liever de meeste protestantsche historici van naam dachten en denken als zij. Ik laat hier in niet streng chronologische orde namen volgen van ben, die op wetenscbappeli'k gebied min of' meer beroemd zijn:

Daniel Tossan us, de oudere (1541 f 1602) schreef in 1587: „Petrus.... die niet enkel te Rome, maar veel

ocr page 685

141

meer nog ouder de Jodeu eu elders als Apostel ouderwezen lieeftquot; (W. Cuno: Daniel Tussanus 1898).

Jozef, Justus Scaliger (geb. 1540 f 1609), van wieu Wigaud zegt: „Er war iu last jeder Wissenseiiaft, hauptsüchlich. in der Geschichie, yenau belcanntquot; [In chronicon Eusebii p. 197 edit. 1658).

Setlins Calvisius fgeb. 1556 t 1615) volgens Wigand „eiu ausgezeiclineter Chrouolog.quot; {In Nerone chronol. p. 451; edit Francofurt. 1650.)

Daniel Cliamier (,t 1621), eeu der ijverige en geleerdste voorstanders van liet Calvinisme in Frankrijk en zeer vijandig aan de Katholieke Kerk. {Panstrat. t. 2 1. 11 c. 19.)

David Blondel (geb. 1591 f 1655), professor in de gescliiedenis te Amsterdam. Wigand schrijft: „Er zeichnete sich als Philolog, Theolog and historischer Kritiker aus.quot; {De la primauié de l'Eglise 1641 Sect. 1 p. 14 seq.) Hij schreef tegen het primaatschap vau den Paus.

James Usher (geb. 1581 t 1656), volgens Wigand „einer der heriihmtesten hrit. Theologenquot;, anglicaansch aartsbisschop van Armagh (4(Z annum Christi 67), eu acatholicorum doctissimus.

John Pearson (geb. 1612 t 1686), volgens Wigand „eiu gelehrter euglischer Theolog und Philologquot; [Oper. post. p. 27, o 2 eu 48 edit. 1688).

Hammond {Dissert, de Episcopis c. I), Patricius Junius {In Not. ad epUt. S. Clementis bij Labbe t 1 Couc. p. 172 edit. Venetae).

Joannes Pappus {Epit. hist. Eed. p. 22 edit. 1661', Henricus Kippingus {In not. ad Pappi epitomen), Thomas Ittigius {Hist. eed. saec. I c. 4), Joannes Henichius, {Mist. eed. et civil, p. 1 c. 5), Joannes Ernest Grrabius {Annot. in cap. 1 1. 3 S. Irenaei).

Bertholdt, die in zijn Hisforisch-kritische Einleit. in das

ocr page 686

142

A und N. Test. part. 5 pag. 2690 zegt: ,,De tegemvoor-diglieid van Petrus te Rome en de marteldood door hem aldaar ondergaan is vol historische zekerheid.

Baltliazar Bebel {Antiq. Eccl. p. 21 edit. 1669).

Wilhelmus Cave (f 1713), een kerkelijk gescliied-sclirijver, die vooral de eerste cliristelijke eenwen bestudeerde {Hist. eccl. Uit. I p. 4; II p. 2 edit. 1699).

Samuel Basnage, gescliiedsclirijver (1638 f 1721) zegt: „Looclient rnen dat Petrus in Rome is geweest, dan werpt men alle liistorisclie geloofwaardigheid overboord.quot; [Annol. folit. et eccl. ad annum 64.)

Tsaak Newton (geb. 1642 f 1 727), die volgens Wigand ,,sich beschaftigte namentlich in der letzten Zeit seines Lehens, viel uiit theologischen und iiberdies audi mit historisehen Studiënquot; houdt hetzelfde in zijn „merk-würdigquot; Schrift Ohserv. ad Danielis Prophelae vaticinia necnon S. .Toannis Apocalypsin c. i.

Joannes Clericus (Jean le Clerc) f 1736 in zijn Hist, eccl. duorum priorum saec. ad, annum 68.

Joannes Laurentins Mosheim (geb. 1694 t 1755), naar Wigand „ein um alle Theile der theologischen Wissenschaften gleich verdienter deutscher Theologequot;, ook bedreven in de kerkelijke geschiedenis (De rébus Chris-tianorum ante Constantinvm saec. I § 34).

Christ. Mattheus Pfaft', professor te Tübingen (f 1760), „ein Mann von umfassende Gel ehrsamkeitquot;, zegt Von Hefele {Inslit. Hist. eccl. saec. 1 c. 5 § 3).

Joannes Mathias Schröek (geb. 1733 t 1808;, door Wigand geroemd als „frei von Hypothesensucht, ein getreuer und gewissenhafter Forscherquot;, zegt in zijn Kirr.hengeschichte, die tot aan de Reformatie 25 deelen telt: „Wellicht is in de oude geschiedenis geen gebeurtenis door zulke eensluidende sretuisrenissen der oude

ocr page 687

143

cliristelijke leeraars zóó boven allen twijfel verheven als de komst van Petrus te Romequot; (part. 2 p. 155).

Joannes von Müller (f 1809) in 24 Bücher Allgem. Gesch. S. 95.

Joannes, Augustus, Wilhelmus Neancler (geb. 1789 t 1850) zegt hetzelfde in Allgem. Gesch. der christ. Belig. 1 sect. 1.

Ook Collu bevestig't het in zijn Allgem. Encycl. part. 18 p. 42, SeyerlfMi eveneens [Enlstehung der Christengem. zu Rom.).

Homershain Cox, een Protestant, zegt: „Wij hebben een leger van getuigen voor hetzelfde feit, dat de twèe groote Apostelen te Rome gepredikt hebben en den marteldood gestorven ziju. Het getuigenis is zoo uitgestrekt en komt van zulk een menigte verschillende bronnen, dat ineu het feit gerust onbelwislhaar kan noemen.quot; (The first century of Christianity p. 184 1886.)

Ook de Protestant Dr. C. von Weizsacker enz. enz. is van dat feit overtuigd.

De onkatholieke professor J. P. Lange getuigt: „Dat Petrus .... naar Rome gekomen is en daar zijn leven dooiden marteldood geëindigd heeft, hebben ten tijde der Hervorming Velenus, Placius (!'), b\ Spanheim en inden jongsten tijd Magerhoff, Baur, Schwegler en Zeiler vergeefs getracht te ontkennen.quot;

Onze protestantsche geschiedschrijver W. Moll schrijft: „Onder de Heiligen, wier aandenken de oude Kerk bovenal dierbaar achtte, behoorden de beide apostolische martelaren Petrus en Paulus .... en inzonderheid te Rome, waar zij volgens de overlevering niet slechts arbeidden, maar na een glorierijken dood ook in het graf sluimerden. In de eerste eeuw reeds verblijdde men er zich in, dat men op den vaticaanschen berg en bij de Via Ostia hunne rustplaatsen mocht aanwijzen.quot;

ocr page 688

144

(W. Moll: Gesch. v. 't Jeer kei. leven 2 Dr. 2 1). biz. !()]).

De Protestant Zalm zegt {Einleit. in das N. T. II blz,. 18): „Het rechtmatig'(?) verweer tegen de buitensporige (?) aanspraken, die de bissclioppeu van Eome sinds meer dan duizend jaar op dit feit (van Petrus' verblijf te Eome) gegrond hebben, moest protestantsche geleerden niet altijd weer verleiden om het welbewezen feit zelf tegen te spreken.quot;

De Protestant Joannes Kreyher zegt in zijn werk Ij. Annaeus und seine Bezin hung en zum Urchrisfenihum 1887 : „Ret staat vast, dat Petrus als martelaar gestorven is; de getuigenis van het vierde Evangelie, van Clemens Romanus, van den Canon van Muratori, van Dionysius van Corinthe, van Cains (Gajus), van Tertullianns laten geen twijfel in deze zaak over. Als Martelaar kan hij echter nergens anders dan in Rome gestorven zi,'n, want enkel daar had de vervolging van Nero zulk een hevige kracht. De eerste brief van Petrus bevat de opgave, dat hij in Babyion geschreven is. Dat woord beteekent in de zinnebeeldige taal van het oorspronkelijk Christendom Rome.quot; Paul von Hoensbroeck teekende bij deze woorden in 1887 aan: „Zulk een beslist opkomen voor de waarheid in een tijd, waarin men — zooals Bolland — de geschiedenis zoo gaarne opoffert aan een bepaalde strekking, verdient waardeering.quot; [Stimmen aus Maria-Laach 1887 B. 83).

Maar ondanks al die getuigenissen van zoovele protestantsche geleerden, die de zaak grondig bestudeerd hebben, is Ds. A. V., predikant bij de ISTed. Herv. 'oremeente te Nederhorst den Berg, nederig genoeg de bekentenis af te leggen: „Het komt mij echter voor eene zaakquot; (namelijk het verblijf van Petrus te Rome) „van de hoogste onzekerheid te zijn.'quot; (blz. 79.)

ocr page 689

145

Dat „li o o g- s t equot; is onbetaalbaar; liet komt mij vooi-of liever liet blijkt, dat de dominee liet vraagstuk zeer vluchtig bekeken lieett. Het blijkt vooral uit de bewijzen, die Ds. A. V. aanhaalt. Zij zijn: 1. „Van Petrus' verblijf te Rome weet de Solmft niets. Zij heeft er geen enkele vingerwijzing naar.quot; 2. Ignatius' brief aan de Romeinen hoeft geen kracht eiken twijfel weg te nemen enz. 3. üit de woorden van Papias, door Ensebius aangehaald, volgt het niet. 4. Het bericht van Dionysius, bisschop van Corinthe is niet historisch. 5. Irenaeus en Tertullianus zijn geen historici van den echten stempel, dus niet geloofwaardig. 6. ,,Van Hegesippus (t 181) kon Eusebius hot weten. Hij vermeldt dan ook, dat Petrus 25 jaar, een r.iaand en acht dagen Roomsch bisschop is geweest. En 7. de Handelingen der Apostelen noch een der brieven van Paulus, uit Rome geschreven, weten er iets van! Ja, het is duidelijk aan te toonen, dat Petrus zich in die jaren gedurig op andere plaatsen bevond. 8. Zelfs Galaten 2 : 9 is er tegen.

Ds. A. J. Th. Jonker is hier bescheidener dan Ds. A. V. In zijn Handleiding hij het onderwijs in de Gesch. der Christel. Kerk (i'1quot; druk blz. 7) schrijft hij leukweg: ,,De Apostel Petrus, van wien men ten onrechte beweert, dat hij als bisschop te Rome heeft geregeerdquot; (ten onrechte?), ,,is daar waarschijidijk omstreeks het jaar 67 den marteldood gestorven.quot; Waarschijnlijk omstreeks 07 ? Goed. Waarschijnlijk daar, dat is te Rome? Neen, dominee, zoo zeker is het, als de stad Rome bestaat.

Luister eens naar Prof. Harnack, een vijand van het Pausdom. Hij schreef in 1897: „De marteldood van Petrus te Rome is zoowel uit tendenzius protestantsche als uit tend,enzkritische vooroordeelen bestreden .... Dat

ocr page 690

J 4(5

echter die bestrijding een dwaling was, is nu voor iederen vorsclier, die zichzelf niet misleidi, helder als de dag. Het heele critische wapentuig, waarmede Baur de oude overlevering heeft aangevallen, geldt heden met recht als waardeloos.quot; {Die Chronologie der altchristl. Literaiur I Leipzig 1897 244.)

De Protestant Grieseler (1791 f 1854) schrijft in zijn Lehrhuch der Kirchengesch., waarvan Wigand zegt: „Sein Hauptwerk,.... welches sich naineutlich durch reich-haltige Quellenauszüge, sowie durch Geist und Methode, vor andern Werken der Art auszeichnetquot;, die Grieseler schrijft: ,,Het was partijdige polemiek, toen eenige Protestanten loochenen wilden, dat Petrus ooit in Rome is geweestquot;, doch, zoo vermaant omtrent dit punt zeer juist de Rationalist Adolf Hilgenfeld: „In de geschied-vorsching moet niet partijhaat, maar reine waarheidsliefde beslissen. Ook mag de protestantsche geschiedvorscher zich niet storen aan anti-katholieke vooroordeelen.quot; (Dr. Herzog.)

Gieseler verklaart „de aanwezigheid van Petrus in Rome als een uitgemaakt historisch feitquot; en het tegenovergestelde gevoelen noemt hij „een onhoudbare ontkenning, waardoor de protestantsche godgeleerden zich blootgeven aan de katholieke Theologie.quot; (Hist. Tcrit. Einl. ins N. T.)

Döllinger, dien Prof. Beyschlag noemt „den gründ-lichsten Kenner der altkirchlichen Litteratur', zegt: „Die Grimde mit denen man den Tod Petri in Rom bestritten, sind auf einem andern Boden als dem der historischen Forschung erwachsen.quot; (Christenth, 'it. Kirche) Dölling-er heeft die woorden nooit terug'g-etrokken.

O O O

De werkzaamheid en marteldood des H. Petrus in Rome wordt erkend door de Protestanten Moller (Kir-

ocr page 691

147

chengesch. [ Freiburg in B. 1889, 79, 83) door Siefi'ert (bij Herzog 2 Autl. b. I 1 524 euz.), Friedr. Spitta {Der 2aquot; Brief des Petrus und der Brief des Judas Halle 1 885); Zelfs J. Langen (Gesch. der römischen Kir die bis sum Pontiflcate Leo's T Bonn 1881, 40—46) geeft toe, dat Petrus te ILoiue heeft gearbeid,

Henri de Valois (t 1670) volgens Wigand „ein ge-acliteter Kritikerquot;, die „iibersetzte und begleitete mit gelelirten Anmerkungen die Schriften mehrerer Kirchen-historikerquot;, zeide: „Nihil in tota historia ecclesiastiea illustrius, nihil cerlius atque testatius quam adventus Petri Apostoli in urbem Romam.quot;

De werken door Katholieken over dit punt uitgegeven, zijn ongemeen talrijk, zegt Boberg in het Kirchenlexcnn 2'1' Anfl. b. 9 S. 1868.

Lecler geeft in zijn bondig geschrift : De romano sancti Petri episcopatu (Lovanii 1888) de oudere en nieuwere katholieke literatuur omtrent dit punt. lu de Disser-tationes selectie van C. de Smedt S. J. vind ik de volgende namen van katholieke geleerden (met nauwkeurige opgave hunner geschriften), die ex professo die quaestie behandeld hebben: J. Fisher (1522), J. Cochlaeus (1525), Faber ab Baibrunna (1553), G. Cortese (1573), F. Agricola (1605), Kard. Ptolomaeus of Tolomei (ed. 1867), P. F. Foggini (1742), J. A. Biauchi bij Zaccaria, B. Mezzadri (1750), Tiib. Theolog. Quartalschr. (1820), Stenglein (1840 , Kunstmann Hist, polit. Blatter 1857.

Verder F. Wiudischmaun (1836', B. C. de L'Hervilliers (1859), H. Hagemann (1864), J. S. M'Corry (1851), J. B. Perrone (1864'i, Trama (1866), Sauguinetti (1867), Reso-conto auteuVLco enz. 1872, C. Caprara (1872), B. Cerri (1872), A. Ciolli (1872), Gr. M. Cornoldi (1872), P. A. da

ocr page 692

148

Montebeno (I872,, PI. Kiess [Slimmen 1872), Gr. Contestin 'Revue des sciences ecclésiist. t 25 en 27), P. Martin [Revue des questions Msloriques t. 13), E. Gruarclucei (1875), -Tolian Sclimid: Petrus in Rom 1879 enz. enz.

Deze schreven allen vóór 1880.

Maar in 1889 gaf Wilhelm Esser een werk uit getiteld: Des II. Petrus Anfenthalt, Episcopat und Tod zu Rom en in 1892 verscheen wederom van Joh. Schmid: Petrus in Rom of Novae vindiciae Petrinae, nadat onze landgenoot Prof. J. V. De Groot O. P. reeds in 1890 zijn Summa Apologetica had uitgegeven. Ook in Les questions con-troversées van 1894 staat een verhandeling van Emm. Cosquin tegen Zeiler.

Waartoe die dorre opsomming van namenquot;.1 vraagt een lezer wellicht.

Is die lezer Protestant, ziehier dan het antwoord: Er bestaan meer dan 100 werken en geschriften van katholieke geleerden, die de vraag van Petrus' verblijf te Rome enz. behandelen tegenover een zeer klein getal schrijvers, die dat verblijf ontkennen, en zie, nu geeft Het Neder la,ndsche Dayhlad, orgaan van Prof. Muller en Mr. Verkouteren in een hoofdartikel van 25 Augustus van 't jaar onzes Heeren 1 89 7, zijn lezers het volgende te slikken: ,,Meer dan één Protestant !) heeft, met klem van argumenten (i), aangetoond (?), dat Petrus nooit in Rome is geweest, dus -) ook nooit in Rome als histchop kan hebben gezeteld en dat niet de bisschop van Rome, maar

1) „Moor dan éénquot;, dat is waur, immers twee is ook al meer dan een; hunno argumenten zijn spinnowebben.

2) Die „dusquot; is onlogisch, als men het onderscheid kent tusschen Sedes, iitulus en resideniia. Prof. Muller en Mr. Verkoutoren mogon gerust oen kijkje netren in het work van P. Do Groot: Summa apnlngetica II p. 75.

ocr page 693

149

die van Milaan, in de eerste eeuwen der Cliristenlieid, een soort voorrang boven de andere liad, maar de Roomselien, voor wie liet hier de voornaamste ievens-quaestie geldt, zwijgen doodstil.quot;

Toen ik bovenstaande zinsnede las, zag ik even op of ik de namen der hoofdredacteuren wel goed gelezen had. Ja tocli, het stond er: Prof. Dr. P. J. Muller en en Mr. H. Verkouteren.

In het werkje Ret Huis op de Steenrots (1895) heb ik op blz. 36 en 41 nadrukkelijk aangetoond, dat de Boomsch Katholieke Kerk staat noch valt met die stelling. Het is niet mijne schuld, wanneer men daarop doodstil zwijgt.

De Roomselien zwijgen bij die ,,levensquaestiequot; (!) doodstil ?

Voor zulk een winstberekening op de lichtgeloovig-lieid van het reeds bevooroordeeld lezend publiek van het Christel ij k-historiscli blad weet ik geen naam te vinden. In alle geval getuigt zulk een geschetter minstens van volslagen machteloosheid.

„Zwijgen doodstilquot;, terwijl over de 100 studiën door hen over die zoogenaamde „levensquaestiequot; geschreven zijn.

Haat maakt blind, maar haat tegen papen tevens kleinzielig en oneerlijk.

Petrus heeft volgens Dionvsius, bisschop van Corinthe (in de tweede eeuw), te Corinthe gepredikt. Hij getuigt het uitdrukkelijk (Ep. ad. Eom. bij Euseb. H. E. II 25) en mede, dat Petrus en Paulus in Italië en op dezelfde plaats gepredikt hebben en op denzelfden tijd den marteldood gestorven zijn. Van Petrus' prediking te Corinthe vinden wij ook een aanduiding in 1 Cor. 1 : 12

de Paus IV. 10

ocr page 694

150

en 3: 22 en in den brief' van Clemens van Rome aan de Corintliiërs.

Wijl un de gemeente te Corintlie omstreeks het jaar 58 door Paulns gegrond en zijn eerste brief aan de Corintliiërs omstreeks 57 geschreven is, zoo geven beide teksten (1 Cor. 1:12 en 3: 22) tevens een punt van uitgang hiervoor, dat Petrus reeds in de eerste jaren van de regeering van Nero weder in 't Westen en niet, zooals vele nieuwere schrijvers meenen, in de laatste jaren van Nero naar Rome is gekomen.

Volgens die teksten bestond te Corintlie een partij die zich naar Petrus (Kefas) noemde, en het bestaan van zulk een Kefas-partij pleit hiervoor, dat evenals Paulns en Apollos zoo ook Kefas (Petrus) te Corintlie gepredikt had en aan de Corinthiërs persoonlijk bekend was. (Dr. Hundhausen S. 37.)

Wij lezen bij den H. Joannes 21 :18—19: „Voorwaar, voorwaar zeg ik u: toen gij jonger waart, gorddet gij u zeiven en wandeldet alwaar gij wildet, maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken en een ander zal u gorden en brengen, waar gij niet wiltquot;, d. i. u ter strafplaats leiden om den dood te ondergaan, waarvan de mensch, als mensch, natuurlijk afkeerig is.quot;

Deze woorden zijn door Christus gesproken tot Petrus. En Joannes verklaart ze, zeggende: „En dat zeide Hij, beteekenende met hoedanig en dood hij God verheerlijken zou.quot;

Zouden de redacteuren van Het Nederlandsche Dagblad, die betwijfelen, dat Petrus te Rome den marteldood 1 leeft ondergaan, eens willen toelichten, wat die uitlegging van Joannes te beteekenen heeft? Ik vraag hun: met welken dood heeft Petrus God verheerlijkt? fk vraag dat ook aan Dr. A. J. Th. Jonker, Ds. A. V. enz. enz.

ocr page 695

151

„Der rechte Strand umfimgt Petrus in goldenem Palast... Der Hirt niüirt selber mit der Msclien Quelle strengeni

[Nass

Die Scliaflein, die uaeli Cliristi VVassern dürsten...

Das lelirt dich Rom. Nun sei zufrieden.quot; (Aurelius Prudentius in 402 of 40S. Naar de vertaling van A. Baumgartner S. J.)

Dat Petrus te Rome is geweest, hebben wij bewezen: a. uit bet feit, dat eerst 13 eeuwen na Petrus iemand geboren werd, die bet ontkende, terwijl de ketters uit vroegere eeuwen, ofscboon zij er zeer groot belang bij badden bet te ontkennen, bet nooit ontkend bebben. h. uit de oudste sekten van bet Oosten;

c. uit ontdekkingen;

d. uit bet geyoelen van nagenoeg alle protestantscbe geleerden met Lutber aan bet boofd;

e. uit de overeenstemming aller katholieke geleerden ; ƒ. uit bet feit, dat Mr. Verkouteren enz. niet Joannes

21 :18—19 geen raad weet.

En nu nog eens de uitspraak van Ds. A. V.: „Het komt mij echter voor eene zaak van de b o o g s t e onzekerheid te zijnquot; Leve de wetenschap!

ocr page 696

152 § 41.

Is Petrus bisschop van Rome geweest?

„The succession of tlie Bishops of Rome iVo .i s. Peter was, 200 years after his deaili, an accredited tvaditinnquot;. (Dc anslikaansche Deken brilman Latin ('/iristiani///.)

..Ant hoc testium satis est, nut nescio, quid satis est: óf deze getuigen zijn voldoende óf ik we t niet wat voldoende is.

Cicorö.

Calvijn, die de aanweziglieid van Petrus te Rome niet ontkennen kon, zegt: „Dat Petrus als bisscliop vooral langen tijd te Rome is geweest, daarvan kan ik niet overtuigd worden.quot;

De vraag luidt: Was Petrus bisschop van Eome? Over den duur van zijn verblijf spreken wij bier niet.

Eenigen zeggen, dat zijn verblijf langer dan 25, anderen 15, weer anderen 12 jaren geduurd beeft. De protes-tantscbe scbrijvers, zooals Sam. Basnage, Wieseler, meenen, dat Petrus eemge weinige maanden vóór zijn dood te Rome is gekomen. Wie de bewijsgronden door P. C. De Smedt S. J. in zijn Bissertationes selectae in primam aetatem hist. eccl. (1876) teg'en elkander weegt, komt tot de gevolgtrekking, dat de Prins der Apostelen hoogst waarschijnlijk 25 jaren in Rome, ofscboon niet onafgebroken, verbleef. Maar nog eens: die vraag raken wij niet aan.... Het wezen (de kern, de substantie) van bet feit is genoeg. Hoofdzaak en omstandigheden moeten onderscbeiden worden. Wij zullen bewijzen, dat bij te Rome een gemeente beeft gestiebt en als bisscliop die gemeente beeft bestuurd. Dat is voldoende om bet primaatscbap te staven der bisscboppen, die bem op denzelfden zetel volgden en zijne voorreebten erfden.

ocr page 697

153

Dat hij te Kume is geweest, blijkt volgens ile overtuiging aller geleerden van naam „een gescliiedkunclig vaststaand onaantastbaar feit.quot; !)

Derhalve was liij daar als bisseliop. -)

Adalbert Lipsius (f 1892), die alle boekenkasten omver heeft gehaald, om nu eens voorgoed te bewijzen, dat Petrus niet in Rome is geweest, maar die volgens zijn collega Hilgenfeld in zijne pogingen schipbreuk heeft geleden zonder door iemand gered te kunnen worden, die Lipsius zegt: „Heeft de voet van den Prins der Apostelen ooit de eeuwige stad betredenquot; — en dat is een geschiedkundig vaststaand, onaantastbaar feit, — „dan is deze zeker niet als eenvoudig reiziger, maar krachtens zijn apostolische volmacht daar gekomen, en zijn marteldood onder Nero vormt dan maar het glorierijke einde van zijne werkzaamheid onder de liomeinen uit kracht van zijn ambt. En wanneer, zooals nog vele Protestanten verdedigen, het episcopaat van rechtstreeksche apostolische instelling is, blijkt het recht der Eoomsche Kerk volstrekt niet zoo ongerijmd, de reeks harer bisschoppen onmiddellijk tot op den Apostel Petrus terug te brengen.quot; {Jahrh. fiir prat. Theol. 1S7(), 5G2.)

De Protestant Martinus Bucer(t 1551), wiens „gründ-liches Bibelstndiumquot; geprezen en die volgens Wigand door protestantsche godgeleerden nog dikwerf boven

1) Onzo togonstanders gevon too, dat de overlovericg aangaande Petrus' marteldood to Eomo, reeds oven na 't jaar 150 algemeen was. Zsller; „Dès Ie dernier tiers du second sièclo.quot;

2j Prof. Beysohlag aeide: „Petrus was geen bisschop van Some.quot; „Wat was hg dan ?quot; vraagt Dr. Einig. „Professor in de theologie of, zooals gij vroeger, hulpprediker, hi] tot wien Christus gezegd had: Op u, op deze steenrots zal ik mjine Kerk bouwen?quot; [Einig contra BeysMag I 8. 22.)

ocr page 698

154

Luther eii Melanclitlion gesteld wordt, zegt: „Wij belijden eerlijk, dat de oude kerkvaders liet primaatschap der Kerk van Rome hebben erkend als zijnde de Kerk, die den Stoel des heiligen Petrus heeft en wier bisschoppen bijna allen beschouwd zijn als de opvolgers des H. Petrus.quot; (Prépar. pour le Conc. de Trente, aangehaald uit B. Constant: L'histoire et l'wfaillibilité des Papes tl.)

Van Pie ter Jansz. ïwisck, doopsgezind leeraar te Hoorn, die in 1636 „tegen de pauselijke successie een cortschriftelijk bewijs opstelde, dat de Apostel Petrus geen Paus te Rome geweest isquot;, verhaalt ons Dr. Chr. Sepp, dat de strijd „tegen Pome veel aantrekkelijks voor hem hadquot;, zooals nu nog voor Ds. Bronsveld cum suis. En de wetenschappe 1 ij ke waarde van dat cortschriftelijk bewijs geeft dezelfde Sepp genoegzaam te kennen in deze woorden: „Doch de eischen der historiek waren niet hoog in dien tijd en onpartijdigheid geen deugd, die veel navolgers vond.quot;

Samuel P u fe n d o r f, door Wigand geroemd „einer der grössten Greschichtsforscher des !7 Jahrh.quot; (f 1694), verdedigt in zijn werk over de monarchie van Rome's bisschop het primaatschap, de hiërarchie en de opvolging rZer bisschoppen van de Roomsche Kerk.

Johannes von MülIer (t 1809) schrijft: „Die auf Jerusalems Trümmern errichtete Kirche war von Alters her ehrwiirdig; nur liessen ihr Druck mul Armuth nicht so viele Macht, wie dem Vorsteher der grossen antiochenischen, alexandrinischen uud vollends römischen Kirche, welche nicht nur von dem Er sten der Apostel, Petrus nnd von seinem vertrauten Schiller, Markus, ursprünglich gesammelt, sondern durch frühe Verbindungen mit vornehmen and machtigen Geschlechtern auf den Hof der Casarn selbst nicht ohne Einttuss waren. Diese

ocr page 699

155

vier Kirclieii wurden als Hauptstiimme betvaclitet, unci ihre Vorstelier Stamliilupter (Patriarclien)quot; Zie -4 Bücher Allg. Gesch. 2 Aufi. 1811 S. 475.

De Protestant W. Cobbett (f 1835) zegt: „De H. Petrus stierf als martelaar te Rome ongeveer öü jaren na de geboorte van Jezus Christus, maar liij werd vervangen door een ander en liet is zoo klaar als de zon, dat de keten van opvolging sinds dien dag tot lieden niet onderbroken is.quot; {HisL de la Ref. protest, let tra. '1 nO. 41.)

De Israëliet Jaffé (1819—1870), de beroemde verzamelaar der Begesta Pontificum Bomanorum opent de rij zijner bewijsstukken met de bekentenis: „Dat Petrus te Rome de Kerk gevestigd beeft is door de oudste getuigenissen gestaafd. ,,»S'. Petrum una cum S. Paulo in urbe Roma de Christianis sacris praecepisse, conditajue ecclesia extinctum esse, anliquissima sunt testimonia.quot; (Begesta Pontificum Romanorum 1851 p. 1.)

Bramhall, anglicaansch bisschop, schrijft: „That Peter had a fixed chair at Antioch, and after that at Rome, is what no man who giveth credit to the ancient Fathers and Councils can either deny or will doubt.quot; (Works, Ed. Oxford, 628.)

De Protestant Dr. Albert H a u c k, professor i u Leipzig noemt met Gregorms van Tours Rome „Sitz des Nachfolgers der Apostelquot;. (Kirchengesch. Deutschlands 1 TL. 1898 S. 410.)

De Protestant Grregorovius schrijft: „De geheiligde Overlevering van de stichting des bisdoms van Rome door Petrus gaf aan de vorderingen der Room-sche Kerk weldra een zegevierende kracht, en deze Apostel (Petrus) gold, reeds in de eerste eeuw als het hoofd der Kerh en de reclitstreeksche leenman en plaattver-

ocr page 700

156

vanger van Ghrisluv zelveu. Want tot lieui bad de Heiland gezegd: Gij sijt Petrus en op deze steenrots ml ik mijne Kcrlc houwen. Dit woord, hetwelk maar bij eeu der vier Evangelisten gevonden wordtquot; — eu tocb als zijnde bet woord van Christus geloofd moet worden — „is de grondspreuk van bet beerscbende Pausdom. Men leest bet nog beden in reusachtige letters op de fries des hoogen koepels van den Sint Pieter te Rome. liet was voor de Kerk der Romeinen, wat voor bun rijk de spreuk van Vergilius was geweest.quot; (Getchichie der Stadt 11 m im Mittelalter vom 5 his zum 10 Jahrh. 2'1quot; durchgear-beitete AuHag'e. Band 1 Stuttgart Verlag der J. Gr. Cotta'scben Buchhandlung 1809.)

Dezelfde Gregorovius erkent: „Het ijverzïichtige Oosten loochende niet, dat Petrus de Kerk ie Rome gesticht heeft .... (GescJi. der Stadt Bom 2'10 A ullage 1 B.)

Ik haal het getuigenis van Gregorovius aan, wijl deze schrijver voor sommige Protestanten o. a. voor Dr. J. H. Grunning J.Hzn. veel gezag heeft. I)r. H. .) A. M. Schaepman beeft echter man en boek naar waarde geschat. Hij zegt: „Da Geschichte der Stadt Bom in Mittelalter is, niettegenstaande haar omvang een zeer aangenaam boek in schiklerachtigen stijl geschreven, met eeu soort van geestdrift en ook met de somtijds welsprekende billijkheid, die veel doet vergeven. Als bron voor kerkhistorie kan niemand het boek betrouwbaar ach ten. Gregorovius is Protestant eu modern Protestant, voor hem is bet Pausdom eeu verschijning in de wereldhistorie van geweldige beteekenis, niet een zending met bovenaardsche kracht. Hij erkent de grootheid eu huldigt het hoog gehaltequot; (zooals Pierson) „bij gevoelt iets voor de instelling, die, uiettegenstaaude de euveldaden van sommigen barer draeers, zoo lier eu edel

ocr page 701

157

staande bleef'. Het is waar, in liet slotwoord zet ook Gregorovius de Haroen van den Ctdturkmnjrf aan den mond en schettert over het gevallen Pausdom, maar daar hij erkent niet in de Sibilljnsche boeken te kunnen lozen, veroorloof ik mij nog aan de Godsbelofte te houden, te meer daar deze nog wel iets meer waard is dan het boek van welke Sibylle ook.

Gregorovius is noch kieskeurig noch critisch, waar het betreft de gruwelen over sommige Pausen geboekt. Vooreerst is zijn aanleg niet critisch, ten tweede zijn zijn bronnen niet volledig; ten derde is het zedelijk gevoel, dat zich tegen het gelooven in misdaden verzet, bij hem niet zeer ontwikkeld; ten vierde is het schilderachtige hem lief en ten slotte wordt hij medegesleept door een soort dichterlijk-wijsgeerige gedachte: zoolang een instelling zichzelve blijft kan geen menschelijke daad haar vernietigen. Dat alles te zamen genomen maakt het boek van Gregorovius tot een belangwekkend boek, maar niet tot een historiebron.quot; {Boomsch Recht tegen Protestantsch verweer 2ae dr. blz. 15.)

K. Gietl in Hist. Jahrb. (Görres-Gesellschaft 189(5 B. 17) de Quellen uur Geschichte des Papsttums besprekend, door den Protestant Dr. Karl Mirbt, professor in de kerkelijke geschiedenis aan de hoogeschool te Marburg in 1895 uitgegeven, zegt daarvan o. a.: „Eine Reihe voii Belegen fiir die Gründung der römischen Kirche durch Petrus und das Ansehen dieser Gemeinde in den altesten Zeiten ist hier gesammelt.quot;

En nu herhaal ik de verklaring van Het Nederlandse,he Dagblad: „De vraag, waar het alleen op aan komt is in de eerste plaats: Ts Petrus ooit in Rome (jeweest? En, in de tweede plaats: Is hij ooit bisschop van Rome geiveest?.... Hunne geheele Kerkquot; (d. w. z. de

ocr page 702

158

Kerk der Iloomsclien) „staat en valt uiet die stelling.quot;

Is de stelling waar dan staaf die Kerk, is de stelling onwaar, dan valt zij.

Welnn, de protestantsche geleerden hebben uitgemaaM, dat de stelling waar is, bijgevolg liebben de protestantsche geleerden uitgemaakt, dat de Kerk der Roomschen staat.

En waar zijn nu de bewijzen en getuigen voor liet Rooniscli episcopaat van Petrus? Ziellier:

]. Een bewijs voor hot verblijf en den marteldood van Petrus en Paulus te Rome en voor het Roomsch episcopaat van Petrus wordt ons gegeven door plaatselijke overleveringen van verschillende soort: de cathedra, de sella gestatoria van den H. Petrus of houten draagbare stoel in de St. Pieterskerk te Rome, waarvan zich, naaide Romeinsche overlevering beweert, de Apostel Petrus bediend heeft. Ontwijfelbaar zeker heerschte in de apostolische kerken de gewoonte, de zetels waarop hare eerste bisschoppen gezeten hadden met grooten eerbied te bewaren en daarop hunne opvolgers in te huldigen. Zoo bewaarde de Kerk van Jeruzalem den stoel des H. Jacobus (f 68) en de Kerk van Alexandrië den stoel des H. Marcus (f na 64). Het is derhalve nog veel waarschijnlijker, dat de cathedra, de stoel des H. Petrus als een nog dierbaarder schat door de Kerk van Rome in eere werd gehouden. (Wiseman, Abhdl. Regensb. 1854 III, 265.) De vermelde overlevering van Rome's Kerk wordt bevestigd door de beroemde plaats van Tertul-lianus de Fraescript. c. lt;36, waar hij alle ketters nit-noodigt hunne leer door de levende overlevering te bewijzen: „Ga de apostolische kerken na, waar nog de zetels zelve der Apostelen op hunne plaatsen te vinden zijn .... Zijt gij dicht bij Italië, gij hebt Rome.quot;

ocr page 703

159

Tertullianus liatl in Rome vertoefd en moet das den stoel, waarop Petrus zelf gezeten lieeft, gekend hebben. Voorts vinden wij een getuigenis bij den H. Cyprianus {Ep. 55, 8 ed. Kartel), bij Optatus van Mileve {Adv. Par men 2, 4), bij Paus Damasns (Gruter, Inscript. antiq. Heidelberg 1G16, 1163, n0. 10) en bij Ennodius van Pavia (t 521). Zij allen gebruiken de uitdrukking Cathedra Petri, Stoel van Petras in letterlijken zin en leveren daardoor het bewijs,quot; dat de reliek, welke nu als stoel van Petrus vereerd wordt, van de eerste tijden der Kerk van Rome af als zoodanig beschouwd werd. Rossi {Bulletin, di arch, crist. 1867, 33—36) komt na nauwkeurig onderzoek der genoemde berichten tot de gevolgtrekking, dat de Cathedra Petri zoo niet sinds den apostolischen tijd, dan toch ontwijfelbaar van de derde tot de zevende eeuw door de Christenen van onderscheidene landen als onderpand en zinnebeeld der apostolische opvolging en der onvervalschte leer in eere werd gehouden.

In Bolland en Petrus schrijft Dr. Schaepman (isrc druk blz. 63): „De oudheidkunde van het christelijk Rome is een strenge en heilige wetenschap. Zij vertolkt de stem der graven, de stem van de wereldgeschiedenis. Wat oordeelt zij van Petrus te Rome? Luister: Meer dan talrijk zijn de voorstellingen op welke Petrus verschijnt. Op de schilderijen in de catacomben ontmoeten wij hem twintigmaal; op glaswerken zestigmaal; op beeldhouwwerk vau sarcophagen honderdtwintigmaal, op mozaïeken bijna dertigmaal. Al de tooneelen in welke Petrus in de Evangeliën of in de Handelingen verschijnt zijn door de kunst weergegeven. Men beeldde hem af als den Mozes, die door zijn staf uit de Rots Christus het water stroomen doet. En ten slotte: Al

ocr page 704

160

kan nu ook de een of andere dezer Eomeinsclie lier-inneringen aan den hamerslag van een critiek, die maar al te dikwijls 1) van vooringenomenlieid getuigt, geen weerstand bieden, het geheel van oud-christelijke monumenten en getuigenissen vormt een vaste historische kern, die de werkzaamheid van Petrus te Rome boven allen twijfel verheft. Als de inenschen lasteren, getuigen de steen en.quot;

PI. Piesz zegt in Stimmen aus Maria-Laach 1880 (S. 224): „Het valt nauwelijks meer te betwijfelen, dat de bedekte onderaardsche gang of plaats Ad Nymphas, (waar de Christenen der eerste eeuwen hunne martelaars eerden, de H. Geheimen vierden enz.) waarin de H. Petrus doopte, in onzen tijd, zoo rijk aan archeologische ontdekkingen, door het verdienstelijk werk van Armel-lini 2) hen, die aan het verblijf van Petrus te Rome twijfelden, voor immer doet verstommen. Armellini en de Rossi vonden in een catacombe, in den zomer van i876 ontdekt, stukken van opschriften, waaronder ee:i van Paus Dainasus (3C6—384). Het gelukte hun ze als volgt te ontcijferen: „Damasus antistes supple,*• ornavit cidlu meliori. Hic sedit prius sancius Petrus, flic reqidesc.it Eme-rentiana, Papias. XP kal Febr. Ob amorem sedis Sancti Petri, qua primum Romae sedit.quot;

De letterlijke vertaling luidt aldus: Damasus de bisschop (antistes beteekent bij Cicero ook opperpriester) sierde om bescherming smeekend met schooner (beter) sieraad (deze plaats). Hier nat eertijds de R. Petrus-, hier

Das niet altijd. — Wüpert in de Hisi. polit. Blatter 1898 vor-'jrouwt niet al de tcekeringen van Garucoi en volgens hom is Kraua {Beal. EncyMop. der christl. Alterthümer) niet op de hoogte.

2j Arraollini; Scoperta della crypta Emereniiana e di una memoria relativa alla cattedra di San Pietro nel cimeierio Ostriano. Roma 1877.

ocr page 705

161

rust Bmereutiana, Papias. Op den ISquot;1 Januari. UH liefde tot den Stoel den H. Petrus, waarop hij het eerst in Rome, zat.quot;

2. De H. Ambrosius (f 398) „ein borfihmter latei-nisclier Kirclienvaterquot; zegt Wigand, schrijft: „Petrus Apostolus, qui sacerdos fait Ecclesiae Romanaequot; (Migne P. L. t 3 c. 1010).

Dat bij de oudere schrii vers sacerdos hetzelfde is als bisschop weten alle geleerden.

3. Optatus, bisschop van Mileve in Numidië (t 384) schrijft tegen Parmenianus: , Gij kunt niet loochenen te weten dat het eerst door Petrus in de stad Rome de bisschoppelijke zetel is gestichtquot; {Lib. 2 contra Pannen). En c. 3: „Op den bisschoppelijken stoel heeft Petrus het eerst gezeten, hem volgde Linus.quot;

4. H. Dorotheus van Tyrus, die ten tijde van Paus Marcellinus (f 304) leefde: „Linus post coryphaeum Petrum Eomae episcopus fuit.quot; {In synopsi.)

5. De H. Cyprianus (t 258), (Ep. 51): „Factus est Cornelius episcopus.... quum Pabiani locus, id est quum locus Petri et gradus cathedrae sacerdotulis vacaret.

Ook volgens Ds. A. V. „blijkt het mede uit Cyprianus, dat in zijne dagen een verblijf van Petrus te Rome erkend werd.quot; (blz. 79.) Door de kerkelijke geschiedschrijvers wordt de Kerk van Rome genoemd leerstoel van Petrus, zetel van Felrus enz.

6. Tertnllianus (t 240) zegt in De Praescriptiombus c. 20, dat Clemens door Petrus is aangesteld tot bisschop der Romeinen. Derhalve had Petrus, die volgens Tertnllianus te Rome gestorven is, de Kerk van Rome gevestigd en bestuurd, voordat hij Clemens in zijne plaats stelde.

„Sicut Smyrnaeorum Ecclesia Polycarpum ab Johanne

ocr page 706

1 (52

conlocatimi refert, sicut Roitianorum Clementem a Petro ordinalum ilidem.quot;

In Scorpiac. c. 15: „Orientem tidem Rouiae primus Nero cruentavit. Tune, Petrus ab altero cingitur, cum cruci adstringitur.quot; (Migne P. L. t 2 p„ 151.)

])e Baptismo c. 4: „Nee quidquam refert inter eos qnos Joannes in Jordano, et quos Petrus in Tiberi tinxit.quot; (Migne P. L. t 1 p. 1203.)

Dr. Paul Scbanz zegt in zijn Apologie des Gkrislenihums (III S. 444 2 Auli.): „Wenn Tertullian in seiner mon-tanistischen Periode dein Papste die Bernfung auf die dem Petrus übertragene Binde- und Lösegewalt bestreitet, wei 1 der Herr dieselbe dem Petrus persönlicli verlielien babe (De pud. c. 21), so ist diese Bestreitung des römi-seben Primates zn jener Zeit zugleicb ein Beweis für die allgemeine Tradition über den Anfentbalt des Petrus in Hom, wie für die Primatialrecbte des römiscben Stuhles.quot;

Bolland zelf zegt: „Kort na Irenaeus weet aan de overzijde der Middellandsche Zee de Afrikaan Tertullianus bereids, dat de Kerk van Rome gelukkig is te prijzen, omdat aan haar Petrus en Paulns bet Evangelie, met bun bloed geteekend, badden nagelaten.quot;

7. De schrijver van de Carmina adversus Marcionem, die niet later dan Tertullianus (f 240) leefde zegt:

„Hac catbedra. Petrus qua neder at ipse, locatnm Maxima Eoma Linnm primum considere iussit.... Constabat pietate vigens Ecclesia Eomae Composita a Petro, cuius successor et ipse lamque loco nono catbedram suscepit Hyginus.quot;

(Migne P. L. 2, 1077.) Ik vertaal deze verzen niet; Prof. Dr. P. J. Muller verstaat Latijn.

ocr page 707

1GB

8. Met uitdrukkelijke vermelclmy van „oudere priestersquot;, die hij raadpleegde, b.ericlit Clemens van Alexandrië (f 217), die op 't einde der 2',p eeuw ua verre reizen in 't Oosten en 't Westen ondernomen te hebben in deze wereldstad leefde en volgens het Conversations-Lexicon van Wigand „einer der beriihmtesten Lehrer der christlichen Ivirchequot; !) was, het volgende: Marcus heeft zijn Evangelie te Rome geschreven op verzoek van de toehoorders des H. Petrus: „om hetgeen door dezen Apostel geleerd was op te schrijven.quot; Als „medegetnigequot; voor dit bericht noemt Eusebius Ta pias. den leerling van den H. Joannes, den Evangelist (f 101 of 105), en Papias beroept zich op den zegsman Joannes, presbyter, een leerling des Heeren. Deze Joannes is hoogst waarschijnlijk, om niet te zeggen zeker, de Apostel Joannes. Wij geven hier minder acht op hetgeen het bericht van Clemens onmiddellijk meldt dan op de historische, vermelding, dat Petrus te Rome cjepredilct heeft.

Dr. Paul Schanz teekent hier aan: „Papias berichtet zwar nur iiber die Abfassnng des zweiten Bvangeliums dnreh Marcus nach den Vortragen des Petrus, ohne den Ort zu nennen. Da aber das Zeugniss des Clemens

ij Weceu do Protestanton, dat dezo beroemde leorüaf der Ohristelgke Kork hot volgende leert? Do gewijde schrijvers zoowel van 't Oude ala van 't Nieuwe Testament, hebbon niets geschreven dan op ingeving van den H. Geest, maar do waarheid is somtijds moeilijk te achterhalen te midden van de duisterhedf n, die ze omgeven; door de Overlevering en de leer der Kerk lean men ze ontdehhen.

Weten do Protestanten, dat hij van do Eucharistie zegt; het Vleesch en Bloed van het vleoechgowordcn woord enz.? Dut hij het bestaan van een Vagevuur aanneemt? enz. enz.

ocr page 708

164

von Alexamlrien sachlicli damit übereinstimint unci von Eusebius ausdriicMieli damit zusammeugestellt wird, so ist man bereclitigt, die Angabe des Ortes ancli für Papias gelten zu lassen. Das Marcusevangelium ist in Eom gescbrieben worden.quot; [Apologie des Ghristenth. III S. 443 2 Anti.)

9. Cains.

In 't begin der derde eeuw onder het bestuur van Paus Zepliyrinus (198/199—217) schreef Caius, een ly.y./r-(TixG-TiY-hc a.vfjp, — welke woorden niet noodzakelijk een geestelijk karakter veronderstellen, zegt Dr. Bardenhewer — een werk tegen den Montanist i) Proclus, dat verloren is gegaan. Om aan hunne dweepzucht den schijn te te geven alsof zij van de Apostelen afstamden, hadden de Montanisten de hebbelijkheid zich te beroepen op het feit, dat in Phrygië, het eerste geboorteland van dat oud-kerkelijk Piëtisme, de H. Philippus naast zijne profetische dochters begraven lag. Daarop zinspeelt Caius, als hij zegt: „Ik daarentegen kan de zegeteekenen (tropaea) der Apostelen toonen. Want gij moogt u naar het Vaticaan of op den weg naar Ostia begeven, de zegeteekenen van de stichters dezer Kerk treden u te gemoet.quot; Eusebius (f 340), die deze plaats uit het werk van Caius bewaard heeft en aan wien Constantijn. volgens Wigand „alle Archive öfthete und den Gebrauch aller öffentlichen Urkunden gestattetequot;, leidt ze aldus in: „Paulus is overeenkomstig de overlevering te Rome onder de regeering van Nero onthoofd, Petrus gekruisigd. Deze overlevering is echter gewaarborgd door de tot heden gebruikelijke aanroeping van Petrus en Paulus

Montanus was „oin christlichor Hdretiker des 2 Jahrh quot; zegt Wigcvnd.

ocr page 709

165

in de begraafplaatsen aldaar.quot; ') Of nu onder deze zegeteekeuen eenvoudige gedenkstukken op de plaats der terechtstelling of grafzuilen enz. te verstaan zijn, mogen de oudheidkenners uitmaken; het is voldoende dat op 't einde der 2'1quot; eemv in Rome het geloof aan het martelaarsschap des H. Petrus aldaar algemeen heerschte, en dat dit geloof door een openbaar gedenk-teeken bezegeld was. Daarvoor staat Caius als ooggetuige in. Hoe wil men echter de wording vaa zulk een algemeen geloof en het bestaan van een openbaar gedenkstuk in een tijd, die niet veel meer dan honderd jaar van dien marteldood verwijderd ligt, verklaren, als die marteldood twijfelachtig of zelfs verzonnen was? Ten tijde van Caius leefden vele leden der geestelijkheid en der gemeente, die in hunne jeugd door de leerlingen des Apostels konden onderwezen zijn; in alle geval was het bestendig verband der volgende geslachten met de voorafgaande in de Kerk van Rome nooit verbroken; te Rome bloeide de school van den ïï. Justinus, die in 166 voor het geloof gemarteld was; de gemeente telde hoogbegaafde leden; van alle zijden stroomden Christenen, zoowel rechtzinnige als ketters vooral geleerden naar de groote wereldstad; alles wat een Apostel, voornamelijk het hoofd der Apostelen 2) betrof, was voor alle geloovigen van het hoogste belang. Nog eens: hoe kon bij zulk

H. Ji. il 25 Vgl. III. 31. In zijn Chronicon Anni 44 zrgt Eusobius: „Petrus nationo Galilaeus, Ghristianorum Pontifex primus, cum primum Antioclienam Bcclesiam fundas^et, Romam proficisci-tur; ubi Bvangelium praedicans 25 annis eiusdem u-rbis Episcopns porsevBrat.quot;

2) „Petrus wird zwar in welchor Gemoinde or gei ado geffosen ist immer dor Angosohenste gewesen soin, ebon wio auch Paulusquot;, zegt Karl von Hase (Handb. der prot. Polemih 6ll(! Aufl. S. 152'.

de Paus IV. 11

ocr page 710

166

een lielit /ulk een overlevering- ontstaan, lioe door een openbaar gedenkteeken den twijfel van de geheele christelijke wereld uitdagen, lioe liet tot een algeineene vereering brengen, als die overlevering niet door liet feit zelf was ontstaan en tot de dagen vaij Nero reikte'.' „Wat valt tegen dat getuigenis in te breugen?quot; vraagt de Protestant Olshausen {Theol. Studiën und Kritiken Jg. 1838). „Is welliclit de plaats in Eusebius critiscli verdacht ? Volstrekt niet. Laat zij een andere verklaring toe'1 of ligt de persoon van Cains onder de verdenking van lichtgeloovigheid of bedrog? Op geenerlei wijze kan een bedenking van dien aard gemaakt worden. Caius was een hoogst kalm, beraden man, die de geestdrijverij der Montanisten met ijver bestreed; hij wijst op feiten, die duizenden met hem weten moesten; hij schreef in Eome zelf, waar de graven der Apostelen (volgens hem) waren; het is volstrekt ondenkbaar, dat de graven daar niet waren. Men vertegenwoordige zich eenvoudig de zaak. Veronderstel, dat iemand te Berlijn in onze dagen schreef: „ „Voor den beroemden veldheer Blücher is te dezer stede in de nabijheid der hoogeschool een gedenkteeken opgerichtquot; quot;; zou het denkbaar zijn, dat daar toch geen dergelijk gedenkstuk bestond? Zou niet elke inwoner van Berlijn zulk een leugen of zulk een dwaling wederleggen ? Moet er derhalve in 't algemeen nog van geschiedenis sprake zijn, dan is het zeker, dat ten tijde van Caiusquot; (d. w. z. tusschen 198 en 219) „de gedenkteekenen der Apostelen op de aangegeven plaatsen aanwezig waren. Nu is echter in den boezem der christelijke Kerk te Rome van Nero tot Septr nius Severus de eenheid der overlevering nooit verbroken. Hoewel vervolgingen over de Christenen van Eome kwamen, heeft toch geen keizer na Nero de Christenen uit Rome

ocr page 711

167

verjaagd; derhalve, indien Petrus werkelijk te Rome stierf, is liet onbegrijpelijk, lioe deze mare te midden van de gemeente, die hem als grondlegger van haar geloof vereerde. Kon verloren gaan, maar van den anderen kant is liet, indien Petrus nitt te Rome stierf, onbegrijpelijk hoe de legende, dat hij daar wel gestorven zou zijn, zoo vroeg zóó krachtig kon worden, dat men op het denkbeeld kwam hem een grafteeken op te richtenquot;, !) al was het maar volgens Karl von Hase „ein bescheidener.... Denkstein.quot;

Tot zoover Olshansen. P. Riess S. J. {Der H. Petrus in Rom. Stimmen aus Maria-Laach 1872), wiens studie wij gevolgd hebben, schrijft verder: „Het getuigenis van Caius is steekhoudend; het bewijst niet enkel de aanwezigheid van Petrus te Rome, maar het bekrachtigt tevens deze aanwezigheid als een openhaar, algemeen bekend feit.

Bolland leze in zijn Petrus en Rome blz. 71 nog eens over en daarna bovenvermelde plaats van Olshansen; hij wordt dan wat bedaarder!

10. Dat getuigenis wordt bevestigd door eenige zegslieden ongeveer van denzelfden tijd: het zijn a. de schrijver van den Canon van Muratori of het Muratorische fragment, zoo genoemd naar zijn ontdekker L. A. Muratori (t 1750), een gebrekkige lijst (uit de 2llP eeuw) van de Schriften des N. Testaments.

h. De schrijver van de „wederlegging aller ketterijen'quot; of FM l o s op 1 mm en a (VI 20), namelijk Hippolytus van Rome volgens Döllinger {Hippolytus und Kallistus 1858),

!) „Uass von dor Mitte dos 3 Jahrhunierts an dor Polerti-glaube allgemein gilt, verstoht sich vod selbstquot;, zogt Karl von Hase. Hij vergeet, dat Oaius in het begin der 3'i» eeuw loofde.

ocr page 712

168

deu Protestant Gustav Volkmar {Eippolytus und die römischen Zeitgenossen .1855), C. De Smedt amp;. J. [Dissert, select.), Dr. O. Bardenhewer {Patrologie) en Funk (Lehrb. der Kirchengesch.)

c. De schrijver van liet eerste gedeelte van den Catalogus Liherianus, volgens de Protestanten Th. Mommsen (Dessert, historico-philologica) en Richard Lipsins hetzelfde als het Ghronlt;con van II ippolytus.

d. De schrijver van de beschuldiging- der Artemo-nitische Christus-loochenaars tegen Paus Zephyrinus (199—217), als zou deze „na Victor, den 13''quot; bisschop na Petrusquot;, het eerst het geloof aan de godheid van Christus in de Kerk van Rome hebben ingevoerd.

11. Gewichtiger nog is de oudste cataloog der Pausen van den H. Ir en a en s (f 202) alsmede de daarmee overeenkomende van den eersten kerkelijken geschiedschrijver Hegesippus (t omstreeks 180). Die cataloog bestond teg'en het midden van de 2'''' eeuw; hij is door zijne vervaardigers gedurende een langer verblijf te Rome uit de authentieke bescheiden der Kerk van Rome geput en geeft de in dien tijd te Rome officieel geldende lijst der Pausen. De H. Irenaens was namelijk kort na do vervolging der Kerk te Lyon onder Paus Eleutherus (174—189) naar Rome gegaan en heeft zich daar langeren tijd opgehouden. (Ens. H. E. V, 3, 4; Hier. de vir. ill. 35. Jozef Fessier: Instit. Patrol. I 228); Hegesippus echter was reeds onder Paus Anicetus (155—166) daarheen gekomen en tot de regeering van Paus Eleutherus gebleven. Het bijzonder doel zijner reize was de opvol-

1) Griear 8. J. {Zeitschr. ƒ. kath. Theol), B. Jungmmm {Dissert, select, enz ) hebben die overtuiging niet kunnen schokken, zegt

het Kirchenlexicort.

ocr page 713

169

gende reeks der bisschoppen siuds de dagen der Apostelen nauwkeuriger te onderzoeken (Eus. H. E. IV 11. 22). De uitkomst van zijn onderzoek, in zijne gedenkstukken opgesclireven, stond Busebius ten dienste; deze Leeft die uitkomst wel is waar niet medegedeeld, maar zonder twijfel beeft bij Hegesippus, die in groot aanzien bij hem stond (H. E. IV 22), geraadpleegd. Daaruit blijkt, dat die uitkomst geen andere kan zijn dan die van den H. Irenaeus; zij is zoowel bij dezen bisschop van Lyon als bij Eusebius bewaard.

Welnu deze officieele oudste c.italoog begint met den H. Petrus, op wien hij Linus Cletus en Clemens laat volgen. Ook op andere plaatsen roemt de H. I renaeus de vorsten der Apostelen Petrus en Paulus als grondleggers der Kerk van Rome. Hij doet liet tegenover de ketters, wier valsche overlevering bij door de ware katholieke overlevering wil wederleggen, maar doet dat niet zóó, als had hij de waarheid der katholieke overlevering te bewijzen; dat komt niet bij hem op, veeleer gaai bij van bet feit, dat Petrus en Paulus de Kerk van Rome hebben gesticht, en wel als van een algemeen bekend en door ketters en Katholieken onbetwistbaar feit, tot de stelling over: te Rome bestaat een ontwijfelbaar apostolische geloofsregel, die allerwegen iu de Kerk het hoogste aanzien geniet.

Deze plaats uit Adv. Ilaer. hebben wij behandeld in De Faus ^ -57,

Met andere woorden; oolv de officieele lijst der bisschoppen van Rome, aan Irenaeus (en Hegesippus) bekend, getuigt de aanwezigheid van den H. Petrus te Rome als een openbaar toegegeven, door wettelijke bewijsstukken gestaafd, algemeen aangenomen feit. Zelfs Lipsius, die dat in hoofdzaak toegeeft {Chronul. 145), wordt

ocr page 714

170

gedwongen verder te erkennen, dat in liet begin van de 2'le eeuw d. w. z. ongeveer 30 jaren na liet einde van Nero's vervolging, ,,de legende (sic) van liet verblijf van Petrus te Romequot; moet ontstaan zijn. Docli „een paar tientallen van jaren laterquot; zou volgens dien schrijver „in liet belang der Katholieken de eerste lijst van bisschoppen van Rome met den Vorst der Apostelen als aanvanger van de reeksquot; opgesteld zijn; hoe dat mogelijk ware, als er enkel van een legende sprake is, kan de schrijver natuurlijk niet uitleggen.

Zelfs Bolland, die Lipsius nabauwt, legt iu Petrus en Rome deze bekentenis af: „Iets later weder dan Dionysius maakt Irenaeus in zijn werk over de sekten terloops de opmerking, dat Petrus en Paulus te Eonie het Evangelie verkondigd en de Kerk gesticht hadden; de toon van het bericht wijst op ontleening aan eene bereids gangbare meening, eu denken wij de overleveringen van het boek der Handelingen met den Petrinischen roman der Clementijnen te zamen, dan laat zich dat voortaan begrijpen. Omtrent 17 0, in de dagen van Bleutherus, was Irenaeus nog als presbyter te Rome geweest en hij zal de door hem vermelde overlevering wat Petrus betreft aldaar allicht nu voor het eerst (!?) hebben kunnen hoeren.quot;

De H. Irenaeus getuigt, dat de Kerk van Rome haar oorsprong ontleent aan Petrus en Paulus (Contra Haer. III, 3, 2). Maar dat niet door Paulus aan de Romeinen het eerst het evangelie verkondigd is, blijkt overvloedig uit Paulus' brief aan de Romeinen. Immers hij prijst hun geloof, „dat in de geheele wereld verkondigt wordtquot;, noch komt hij eigenlijk om het Evangelie te prediken, maar enkel bij gelegenheid van zijn reis naar Spanje (Ad Rom. 15 : 24: „Zoo wanneer ik naar Spanje reis,

ocr page 715

J 71

zoo zal ik tot u komen). Dp, gemeenie van Rome was reeds (jfheel en nl qevestigd en qerefjeJd, toen Paulus aan de Romeinen schreef. Maar een Kerk kon niet gevestig-d en o-eresreld worden door liet eig,enmacliti£2' u'ezaquot;' van

O O d O ~

mensclien, die wellicht getuigen waren geweest van hetgeen te Jeruzalem op Pinksterdag geschied was: met zulk een voorspoedig gevolg kon zij niet gesticht worden dan door een uitstekend apostolisch man. Het zou verbazing wekken, indien de geschiedenis zelfs den naam van dien man niet bewaard had. En toch zij heeft dien naam niet bewaard, indien het algemeen verspreid bericht, volgens hetwelk Petrus de eerste stichter dei-Kerk van Rome is, geen waarheid bevat. (Döllinger: Christenth. mul Kirche p. 97.)

Petrus is derhalve de eerste stichter, de eerste bisschop of opziener van de gemeente van Rome.

Ds. A. V. vraagt op blz. 82 of Irenaeus en Tertullianus „historici zijn van den echten stempel.quot; Die vraag heeft hier volstrekt geen reden van bestaan. Immers het gold hier niet een historisch twistpunt, maar een feit, dat ten, hunne tijde algemeen heiend was en bijgevolg geen bewijs behoefde. Wanneer een correspondent van Be Nieuwe Hotter dammer eenige officieele gegevens verzamelt, behoeft hij om geloof te verdienen juist geen historicus van den echten stempel te zijn. Evenmin was dat noodig voor Tertullianus en Irenaeus.

„Irenaeus spreekt niet met opzet van een verblijf van Petrus, maar in 't voorbijgaan van de gemeente te Rome, als door de twee voortreffelijke Apostelen Petrus en Paulus gestichtquot;, zegt Ds. A. V. Antwoord: niet met opzet, omdat iedereen het feit wist en het bijgevolg niet bewezen diende te worden. Ik trek zelfs uit die op- of aanmerking van Ds. A. V. een versterkend bewijs

ocr page 716

172

voor liet verblijf enz. van Petrus te Euine. Immers indien Irenaeus met opzet en niet in 't voorbijgaan over dat verblijf sprak, zon men eenigszins de gevolgtrekking kunnen maken, dat bet feit ten tijde van Irenaeus aan eenigen twijfel onderhevig was.

12. Onder de oude getuigen voor bet verblijf van Petrus te Rome beeft Zalm [Einleitung in das N. T. II blz. 22) ook Marcion, die volgens Epiplianius (Haer. 42, 1: Migne P. Gr. 41, 696) kort na 't jaar 140 als ketter optrad, opgeroepen. Deze beeft nl. een plaats van den brief des 11. Paul us aan de Pbilippensen (I 15—18) zóó geïnterpoleerd en verklaard, alsof Paulus daar onder degenen die „uit nijd en twistzucht met slecbte bedoelingen den Cbristus predikenquot;, vooral den H. Petrus verstaan bad. En wijl nu eenerzijds Paulus naar allen scbijn over predikers in zijne omgeving bandelt, en bet anderzijds Marcion niet onbekend kon zijn, dat de brief aan de Pbilippensen te Rome geschreven is, moet Marcion van de onderstelling zijn uitgegaan, dat Petrus, tijdens Paulus' gevangenschap te Eome, in dezelfde stad vertoefde. Men vergelijke voor geheel het scherpzinnig betoog ook Zabn; lt;iesc,h. des neut est. Kanons I blz. 592, 648; II, 528.

13. Ook de gnostische Acta Petri, door Lipsius in 1891 te Leipzig uitgegeven, en volgens Zabn [Gesch. des

neutest. Kanons II blz. 864, en Einleitung.....1 blz. 448)

omtrent het jaar 160 geschreven, laten de i H. Petrus te Eome arbeiden en gekruisigd worden. Zijn stelling als primaat wordt hier in zooverre uitgedrukt, dat de bediening van een diaken en hisschoj) als een dienen van Petrus wordt voorgesteld. Petrus zegt nl. tot een jongeling, dien hij van den dood beeft opgewekt: Postea mihi uagauis [vacabis] altiis [altius of altariis] ministrans

ocr page 717

173

tliaconi ac episcopi [sor] te. (Uitg. van Lipsius biz. 7-k)

14. Een ander bewijs, waarop wij terloops de aan-daclit vestigen, is liet gescliil tusscben Pans Anicetns (t 1G7 of 168) en den H. Poly carpus, aangaande de viering-van liet paascbfeest. In dat geschil bad de Kerk van Rome zicb beroepen op de overlevering van de Apostelen Petrus en Panlns, die zicb verzette tegen de eiscben van Klein-Azië aangaande den tijd van bet paascbfeest. Welnn dat beroep veronderstelde de aanwezigheid van den Hf. Petrus als een onder Anicetus niet enkel te Rome, maar ook in Klein-Azië bekend feit. Nocli Polycarpus (t 155) nocb Polycratus (in 197 onder Paus Victor) kwamen tegen dat beroep op; zij twijfelden niet aan dat feit.

15. De H. Ignatius, bisschop van Antiochië (t tusscben 98—117) schrijft in zijn brief aan de Eo-meinea: „Niet zooals Petrus en Paulns beveel ik u.quot; (Migne P. G. t 5, 690.) Blijkbaar zinspeelt bij op bet feit, dat Petrus en Paulns de Romeinen, d. w. z. de leden van de Kerk van Rome, onderwezen en niet gezag bestuurd hebben.

Ds. A. V. vraagt blz. 81: „Heeft deze uitdrukking kracht, om eiken twijfel weg te nemen aangaande bet verblijf, bet bisschop zijn en het martelaar wezen van Petrus te Rome'.'quot;

Antwoord: Hadden wij enkel die uitdrukking vr.n Ignatius, en waren getuigenissen voorbanden om bet tegenovergestelde te bewijzen, dan was elke twijfel niet weggenomen, maar alle uitdrukkingen en bewijzen in één bundel vergaderd, sluiten eiken redelijken twijfel uit en maken het feit zoo historisch zeker als het bestaan van Ds. A. V. (Harnack: Das Zeugniss des Ignatius fiber, das Ansehen der römischen Gemeinde 1896.'

ocr page 718

174

Bolland maakt zich veel eenvoudiger dan Ds. A. V. van de zaak af door met een gebaar, waaraan men den „clown der wetenschapquot; erkent uit te galmen, dat de onechtheid van Ignatius' brief „als bewezenquot; mag beschouwd worden.

Als Harnack dat eens las, hoe zou hij lachen om de wetenschappelijkheid van een Leidsch professor!

1(5. In een antwoord ambtshalve gericht aan Paus Soter (168—176) en diens Kerk beroept zich de H. Diouysius, bisschop van Corinthe omstreeks het jaar 170 op de verbroedering der beide Kerken (die van Rome en Corinthe), waarvan het laatste schrijven der Romeinen opnieuw blijken gaf, en zegt dan dat die verbroedering gesticht is door Petrus en Pan lus, de stichters der Kerk van Rome en van Gorivthe, die te Bome den marteldood gestorven zijn. (Bus. H. E. II 24 of IV 23.) Ondanks alle vitterijen aangaande den juisten zin dezer woorden bevestigen zij het feit, dat ongeveer 100 jaren na de vervolging onder jSTero in de hoofdkerk van Griekenland, Petrus als stichter van de Kerk van Rome en zijn marteldood te Rome algemeen hekend was. (Harnack: Chronologie 1, 703.)

17. Een zeer waardeerbaar getuigenis voor het episcopaat en deu marteldood van Petrus te Rome geven de Clementinen b. v. de brief van Clemens aan Jacobus (volgens Langen tegen het einde van de 2l10 eeuw geschreven). Want indien Petrus niet in Rome geweest en daar niet gemarteld was, zouden de hittersche vervaardigers zeker niet op de gedachte gekomen zijn te verdichten, dat hij daar werkte en stierf, wijl voor zulk een verdichtsel geen enkele reden bestond, veeleer het tegendeel. (Zie Prof. Funk in het Kirchenlexicon). Men kan er bijvoegen, dat hij daar Clemens „tot bisschop

ocr page 719

175

aansteldequot;, en lieni zijn eigen „zetel toevertrouwdequot; en met de woorden van Christus bij Matth. 16:19 „de maclit gaf om te binden en te ontbinden.quot; [Clementina uitgegeven door De Lagarde Leipzig 1865 6. Migne P. Gr. II, 35.)

18. Ook de Acta Pauli, die eveneens uit de tweede helft der tweede eeuw schijnen te dagteekenen, en waarvan maar een gedeelte is bewaard gebleven, gewaagden van een gezamenlijk verblijf van Petrus en Paulus te Rome. Dat blijkt uit eene aanhaling in een latijnsch geschrift De Rebaptismate, dat vroeger aan den H. Cyprianus werd toegeschreven, doch in werkelijkheid van een zijuer tijdgenooten afkomstig is en ongeveer uit het jaar 255 moet zijn. Zie Zalm: Gesch. d. neut. Kan. II blz. 881 vv., waar de tekst aldus luidt: „In quo libro.... invenies .... Petrum et Pauluni .... postremo in urbe .... invicem sibi esse cognitos.

Zoowel deze Acta Pauli als de Acta Petri en de Pseudo-Clementinen zijn in het Oosten geschreven, en bewijzen dus dat de overlevering van Petrus' prediking te Rome, niet alleen te Rome zelf en in de Westersche kerken, maar ook in het Oosten in de tweede eeuw algemeen bekend was.

19. De H. Clemens Romanus (f lOOPj een tijdgenoot.

In zijn ontwijfelbaar echt schrijven aan de Corinthiërs omstreeks 't jaar 96 spreekt hij van den marteldood des H. Petrus in verband met dien des H. Paulus op een wijze, waaruit men ziet, dat hij de nadere omstandigheden van dien dood als volkomen aan zijne lezerr hekend verondersteld. Hij wil namelijk aan de Corinthiërs, onder wie tweedracht was ontstaan, toonen, dat de oorzaak daarvan de haat is. Als voorbeeld daarvoor

ocr page 720

176

haalt hij ook den marteldood der twee Apostelen Petrus en Paulns aan en vau vele anderen „onder onsquot;. Hij schrijft: „Om intusschen de voorbeelden van oudere dagteekening ter zijde te laten, wenden wij ons tot de ons 't naast bestaande kampvechters. Stellen wij ons de grootmoedige toonbeelden van den nu tegenwoordigen tijd voor oogen. Door haat en nijd zijn de grootste en deugdzaamste zuilen vervolgd, en hebben ten dood toe gestreden, {„et usque ad mortem certaveruntquot;). Stellen wij oiis onze goede Apostelen voor oogen. Petrus heeft ten gevolge van onrechtvaardigen haat niet een of twee maar meerdere vervolgingen doorstaan {sed plures labores susiulit) en is aldus, martelaar geworden 1), iiaar de hein behoorende plaats der heerlijkheid opgegaan. Ten gevolge van den haat heeft ook Paulus den kamp-prijs behaald .... en is onder de machthebbers martelaar geworden 1). . . . en heeft de heilige plaats bereikt.... Bij deze mannen .... heeft zich een groote menigte van uitverkorenen gevoegd, die.... de verhevenste toonbeelden onder ons geworden zijn.quot; (Ep. I ad Corinth, c. 5, 6.)

Om dat getuigenis te ontzenuwen heeft men gezegd: Clemens spreekt volstrekt niet van den marteldood des TL Petrus. Wie de aangehaalde woorden en het daaraan voorafgaande leest, ziet de onnoozelheid van die opwerping in.

Verder heeft men ontkend, dat hij spreekt van een marteldood die te Rome heeft plaats gevonden; maar Clemens, bisschop van Rome veronderstelt de plaats als

ij Hot is mogelijk, dat het griekscho woord bior nog de oor-spronkclijko betcekenis hoeft van getuigenis afleggen, doch bet context handelt in ieder geval over den marfeldocd der Apostelen. Zie Zahn Einleit. in das N. I, blz. 446.

ocr page 721

177

algemeen hei-end en duidt de plaats namelijk Home voldoende genoeg- aan met de woorden „onder onsquot; (ly 'rtu-j = onder ons Christenen te Eome.) Bolland laat op bl/. ()() de woorden „onder onsquot; geniepig1 weg.

Lipsius zegt: Men belaoeft onder de woorden „niet den marteldood te verstaanquot;, maar „in 't algemeen lijden lot in den dood.quot;

Eet antwoord ligt voor de hand. De woorden: „zij kwawen tot in den dood, .... martelaars wordenquot; en „op de heilige plaats aanlandenquot; beteekenen, wanneer van Paulus sprake is „den marteldoodquot;, waarom zouden dan dezelfde woorden, wanneer van Petrus sprake is, niet den marteldood des H. Petrus beduiden?

Neen, het gezond, onbevooroordeeld verstand moet erkennen — en alle protestantsche geleerden van naam geven het toe —, dat reeds in de eerste (en wel in een ambtshalve uitgevaardigd schrijven van Clemens, den bisschop van Rome) het verblijf van Petrus te Rome beschouwd wordt als een algemeen hekend* zaak. Welnu daarvan is maar ééne verstandige verklaring te geven, namelijk de werkelijkheid van dat verblijf.

Al gaven wij toe, dat tegen de laatstgenoemde getuigenissen, indien zij alleen stonden, met eenigen schijn bezwaar kon gemaakt worden was daarmede nog niets verloren, want de zaak neemt een geheel andere wending, als die getuigenissen samengenomen worden met de bovenvermelde bewijzen uit Hegesippus, Irenaeus, Caius en diens tijdgenooten. Alles vloeit hier samen in de schoonste harmonie in de onderstelling dat van den beginne het verblijf en de marteldood van Petrus te Rome een algemeen bekende zaak was; neemt men die onderstelling weg, dan wordt alles raadselachtig. Daarbij komt een omstandigheid, die nog altijd voor eerlijke

ocr page 722

178

protestantselie geleerden een onwrikbare kracht bezat. Wanneer Petrus niet te Rome stierf en toch zijn marteldood in den apostolischen tijd bekend was, hoe ware het dan mogelijk, dat de daarmede verbondene kennis van de plaats spoorloos verdween ? Hoe ware het mogelijk, dat geen andere kerk aanspraak maakte op het bezit van het graf des gevierden Apostels? Niet alleen heeft nooit een stad behalve Rome daarop aanspraak gemaakt, maar zelfs uit de eerste eeuwen vloeien ons stellige bewijzen toe, dat de aanspraak van Rome erkend werd.

De Protestant Gregorovius schrijft: „De stichting van den Roomschen Stoel door Petrus is, zooals men weet, sinds eeuwenquot; (d. w. z. sinds de 14',e eeuw en vóór dien tijd niet) „het voorwerp van lange onderzoekingen en hartstochtelijken strijd .... Maar de berichten van een Irenaeus, Tertullianus en Caius sinds de 2lle eeuw wijzen op aen zeer oude overlevering en deze heeft ook hare rechtenquot;, dat spreekt vanzelf. {G-esch. der Stadt Rom. enz.)

Het is buitendien ondenkbaar, dat de Kerk van Rome reeds in de eerste eeuw haar Stichter geheel zou vergeten hebben !). Ware dat gebeurd en ware het mogelijk geweest, dat een ander zoo spoedig in de overlevering dier Kerk de plaats des Stichters innam, dan zou het de groote Paulus geweest zijn, die zeker te Rome getoefd heeft en daar gestorven is. Dat echter ondanks de

ij „Es ist mir undonkbarquot;, schrijft de Protestant A. Hilgeufeld in Zeitschr. für wissenschaf ll. Theologie (1877, 497), „d.ass der Lebens-ausgang das ersten Apostels für die Ohristenheit so gut wie verschollen sein Bolltequot;, wat toch overeenkomstig de bewering van Ds. A. V. enz., „ein Menschenalter nach dom Tode das Petrusquot; geschied zou zijn. (1876, 63. Zie Zeitschr. f. kath. Theol. Jg. 1878 S. 207.)

ocr page 723

179

beroemdheid van Paulas en ondanks zijn arbeid te Eome een ander zoo spoedig- en zoo algemeen voor den eersten bisschop van Eome gebonden werd, is enkel door de geschiedkundige waarheid verklaarbaar.

Ds. A. V. vraagt mij: „Zondt gij nog denken, dat de Protestantenquot; (d. w. z. zeer weinige) „enkel uit vrees voor den bistoriscben grondslag van bet Pausdom niet kunnen toegeven, dat Petrus te Rome is geweest? Wie zet zijne voeten op een gerncbt, als op een rotssteen, en geeft zicb daaraan met licbaam en ziel ter zaligheid over?quot; (blz. 83.)

Ik begrijp niet goed, boe iemand zijn voet op een „geruchtquot; zetten en zich dan aan dat gerucht met lichaam en ziel ter zaligheid of niet ter zaligheid kan overgeven, maar ik begrijp opperbest, dat de Protestanten (d. w. z. eenige) enkei uit vrees voor den bistoriscben grondslag van het Pausdom uiet toegeven, dat Petrus te Rome is geweest. Ik begrijp dat opperbest anders zonden zij niet luet den stormhamer en allerlei stormtuig gewoed hebben tegen het historisch feit, dat een onverbrekelijke en onwrikbare „rotssteenquot; blijkt, al beukt zelfs Bolland daartegen.

Uit de getuigenissen enz. mag men met De Smedt S. J. besluiten, dat de reis van Petrus en diens bisschoppe-lijken zetel te Rome volgens de regelen der historische critiek eenvoudig zeher is... . „De getuigenissen door ons aangehaald, de algemeene en bestendige overlevering der volgende eeuwen en de onmogelijkheid om een tegenbewijs van eenig belang in te brengen, maken de zaak zoo zeker, dat er geen plaats is voor redelijken twijfel aangaande dat feit. Het staat vast met dezelfde zekerheid als volgens het eenstemmig gevoelen dei-godgeleerden vereischt wordt omtrent die feiten, welke

ocr page 724

180

den grondslag zijn van ons geloof.quot; (De Smedt S. J.

Dissert, selectav l87(i.)

Ik geef die woorden ter overweging aan Ds. A. V., die zegt: „Dat verblijf (van Petrus te Rome) staat niet zóó vast, dat wij er verder iets op bonwen kunnen.quot; De dominee, zooals ik zeide, noemt zelfs bet feit, dat Petrus te Rome is geweest „een gerucbtquot; (blz. 83).

Het is mijne scbuld niet, maar zulk een gezegde is gelijk aan een bekentenis, dat Ds. A. V. zicb tot nu toe, evenmin als Ribetti met bet vraagstuk beeft bezig gebonden; bet lijkt voor bem maar een „gerucbtquot; te zijn.

Van bet werk van Dr. Jobann Scbmid: Petrus m Rom oder Novae vindiciae Pelrinae, Neue liierar-historische Untersuchung dieser Fr age (Luzern, Gebrilde r Raber 1892 VIII -f XLIX 2o0 S) is de slotsom:

1. Het zal steeds een ijdel pogen zijn aan den Apostel Petrus bet primaatsebap over de Kerk te betwisten, daar de H. Scbrift \an bet X. Test. daarvan zulk een

glansrijk getuigenis adegt;

2. Het feit van 't verblijf, van de apostolische werkzaamheid en den dood van Petrus te Rome is een eminent gescbiedkundig feit, en even onbetwistbaar is

3. dat Petrus leeraar, stichter en eerste leider-bisscbop van de Roomscbe Kerk was; daarom zullen de pogingen om aan de katholieke leer van het primaatschap dei-bisschoppen van Rome den tweevoudigen grondslag, den hijhelschen en geschiedkundigen grondslag te ontnemen, immer ijdel en vruchteloos zijn (Emil Michael S. .1. Zeitschr. f. kath. Theologie Jg. 18 1894 S. 198 -201).

Ik eindig ons onderzoek omtrent bet verblijf van Petrus als bisschop van Rome met de woorden van Florian Riess S. J. {Stimmen 1872 2 b. p. 486): „De Katholieke Kerk, die door den geest der waarheid geleid

ocr page 725

181

wordt, is mede een gTondzuil der geschiedkundige waarheid; zij heeft nergens eene waai'achtig wetenschappelijke critiek harer overlevering te vreezen, en in de verste verte niet aangaande het verblijf van Petrus te Rome, integendeel: hoe meer dat feit onderzocht wordt, des te vaster staat het als een bolwerk der katholieke overlevering, als een sterke voorhoede van dat goddelijk grondfeit des Christendoms, dat enkel door den nederig geloovenden vorscher begrepen wordt.quot;

Men vergete echter de les van den Protestant A. C. Headlam aan de Encyclopaedia Brittannica niet: „Het onderzoek vraagt of iets waar of onwaar is. Het hegint geenszins met de opgezette stelling, dat iets niet is.quot; {Historical Review Jan. 1899.)

Dat Petrns bisschop van Rome is geweest, blijkt:

a. uit het feit, dat hij te Rome is geweest;

b. uit getuigenissen van protestantsche geleerden;

c. uit plaatselijke overleveringen;

d. uit getuigenissen der oudste kerkvaders en schrijvers ;

e. uit den Bijbel;

ƒ. uit de wanhopige pogingen van sommige Protestanten om het feit, met goed fatsoen te kunnen loochenen.

12

dk Paus IV.

ocr page 726

182

§ 42.

Bedenkingen van eenige Protestanten tegen Petrus' verblijf te Rome.

„U groei do m'etlo-ui(:vo.rkorono, Cgemoento), die in Babylon is, en ?.rarciis mijn zoonquot;.

(1 Petr. 5 : 1:5.)

De vraag' of Petrus samen mei Paulus bisschop van Eome is geweest, kunnen wij veilig laten rusten, üs. A. V. tocli schrijft (blz. 82): „Toen, blijkens den brief aan de Romeinen, Paulus eerst meer bi/onder zijne aandacht op de hoofdstad des rijks richtte, ivas er reeds eene gemeente, die hij echter noch gesticht, noch ooit aanschouwd had. Te minder kon hij haar stichten en (haar) instellingen geven, toen hij twee jaar later als gevangene te Rome aankwam.quot;

Wij zullen liever luisteren naar de bedenkingen van eenige Protestanten tegen Petrus' verblijf te Rome.

Ds. A. V. schrijft (blz. 80): „Het verwondert mij niet, als de Walden zen de zaak (omtrent Petrus' marteldood te Rome) iu twijfel hebben getrokken, zij die zulke kenners waren van de H. Schrift, welke er ons niet het minste van bericht.... Van Petrus' verolijf tv, Rome weet de Schrift niets. Zij lie eft er geen enkele viuger-w ij zing na a r.quot;

Hier leg ik den dominee twee vragen voor:

1. Waaruit blijkt, dat de Waldenzen zulke kenners waren van de H. Schrift? Zijn er eenige wetenschappelijke bijbelverklaringen van hunne hand;' Waar dan';'

2. Was Luther een kenner van de H. Schrift? Ds. A. V. zal bevestigend antwoorden. Welnu Luther, een kenner van de H. Schrift, is overtuigd, dat de H.

ocr page 727

183

ScLrift niet alleen een vingerwijzing' lieeft naar dat feit, maar het uUdmkJcelijk hevestigt.

Kent Ds. A. V. Lntlier's: Auslegung dér ersten Epistel Petri Anno 1528 [Walch. Bd. 9 S. 831)? Dan weet hij ook, dat Lutlier onder liet woord Babylon aldaar tereclit Rome wil verstaan hebben; maar dan weet Ds. A. V. mede, dat Lutber bet verblijf van Petrus te Rome ook op de H. Schrift laat steunen. Voor wie eenigszins op de hoogte is van den stand der quaestie, sluit dat als een bus.

Wiens meening is nu de echte, die van de Waldenzen, „zulke kenners van de H. Schriftquot; of van Lutber, ook een kenner?

Maar, zegt ineu wellicht, Lutber heeft zich hier vergist ; hij heeft volgens de Calvinisten wel meer misgetast in het verklaren van de H. Schrift; dwalen is menschelijk.

Ik zal derhalve onder leiding van Dr. Joseph Hnnd-hauseu {Das erste Pontifical schreit en des Apostelfürsten Petrus) uit den Bijbel bewijzen, dat Petrus te Rome is geweest.

Als ik dat bewezen heb, moeten de geloovige Protestanten tevreden zijn; alle tegenbedenkingen vallen dan weg. Hoe jammer voor mij, dat de redactie van Het Nederlandsche Dayhlad en Ds. A. V. niet op de hoogte zijn van hetgeen katholieke geleerden door den druk openbaar maken. Had die redactie — om maar iets te noemen — bovenvermeld werk van Dr. Hundhausen, professor in de godgeleerdheid te Mainz — het werk verscheen reeds in 1873 — bestudeerd of zelfs maar gelezen, dan had zij mij veel tijd bespaard. Het boek van dien geleerde is, wat onze vraag betreft, doodeenvoudig onwederlegbaar.

Ter zake.

ocr page 728

184

In den eersten algeuieenen zendbrief van den Apostel Petrus, geschreven in (53 of in liet begin van 64 en waarvan de echtlieid zelfs niet door de nieuwere protes-tantsclie bijbelverklaarders wordt in twijfel getrokken, lezen wij: „U groet de mede-uitverlwrene {gemeente), die in Baby Ion is, en Marcus mijn zoonquot; (1 Petr 5:13).

Deze woorden geven ons de plaats aan, waar de brief geselu-even is. liet eekent dus liet woord „Babyionquot; hier Rome, dan is de brief geschreven te Home, en wijl Petrus zonder eenigen twijfel de sclirijver is van dien brief, was Petrus te Rome. Die redeneering sluit alweer als een bus.

Welnu, met do woorden „in Babylonquot; wordt Rome bedoeld; „Petrus, die te Home wasquot;, zegt P. Palmieri S. J. in zijn Gommento alia divina commedia di Dan Ie Alighieri (Vol. 3 1899 c. 23 noot 45), „noemt deze stad „Babyionquot;.

Hoe wordt dat bewezen ? Ziehier: met de woorden „in Babyionquot; wordt bedoeld:

a. of het oude Babyion aan den Enphraaf,

b. of Nieuw Babyion — Seleueia aan den Tiger,

c. of Babylon in Egypte, ter plaatse ongeveer van het tegenwoordige Caïro,

d. of Jeruzalem,

e. óf Rome.

Welnu a, b, c, d kunnen niet bedoeld zijn.

Bijgevolg wordt e bedoeld, dus Rome.

Wijl niemand der geleerden onzer dagen meer denkt noch aan Nieuw-Babylon noch aan Babylon in Egypte noch aan Jeruzalem, behoeven wij daarover niet te spreken.

Er blijft dus te bewijzen, dat „Bahylonquot; hier niet beteekent het oude Babyion aan den Euphraat.

I. De geheele christelijke oudheid weet van een verblijf van Petrus in het oude Babyion niets af. Dat

ocr page 729

185

bewijs wint nog- in beteekenis, wanneer wij bedenken, dat de oude christelijke schrijvers in dien brief van Petrus, reeds vroeg in de gelieele Kerk verspreid, steeds in Babylon 'vj V-xP-j'/.-Wm lazen en bijgevolg, indien Petrus werkelijk te Babjlon geweest was, jnist de uitdrukking 'z'j Wv.p-j'/fjyji de herinnering aan Petrus' verblijf te Babyion in de overlevering bad inoeten vaststellen, vestigen en bestendigen. Ja zelfs, ook indien hij er niet geweest was, zou zeer licht door die algeiueene bekendheid van den brief, (waarin allen 'sv lazen) de legende

ontstaan zijn, dat Petrus werkelijk te Babylon geweest was. Indien nu evenwel ondanks dat alles de oude schrijvers en de geheele overlevering der oude Kerk ') van een verblijf des H. Petrus te Babyion niets weten en „er zelfs geen vingerwijzing naarquot; hebben en onder 'sv Wxfry/Am enkel Rome verstaan, zoo is zulks een sprekend bewijs hiervoor, dat de Prins der Apostelen nooit in Babyion geweest is -) en onder het 'zy \'x.p-j/.',gt;-jr

ocr page 730

184

In den eersten algemeenen zendbrief van den Apostel Petrus, gesclireven in 03 of in liet begin van 64 en waarvan de echtheid zelfs niet door de nieuwere protes-tantsche bijbelverklaarders wordt in twijfel getrokken, lezen wij: „U groet de mede-uitverlwrene [gemeente), die in Babylon is, en Marcus mijn zoonquot; (1 Petr 5:13).

Deze woorden geven ons de plaats aan, waar de brief geschreven is. Beteekeut dus het woord „Babyionquot; hier Rome, dan is de brief geschreven te Home, en wijl Petrus zonder eenigen twijfel de schrijver is van dien brief, was Petrus te Kome. Die redeneering sluit alweer als een bus.

Welnu, niet de woorden „in Babylonquot; wordt Rome bedoeld; „Petrus, die te Kome wasquot;, zegt P. Palmieri S. J. in zijn Commento alia divina commedia di Dante Alighieri (Vol. 3 1899 c. 23 noot 45), „noemt deze stad „Babyionquot;.

Hoe wordt dat bewezen? Ziehier: met de woorden „in Babylonquot; wordt bedoeld:

a. of het oude Babi/Ion aan den Enphraat,

h. of Nieuw Babyion = Seleucia aan deu Tiger,

c. of Babylon in Egypte, ter plaatse ongeveer van het tegenwoordige Cairo,

d. of Jeruzalem,

e. of Rome.

Welnu a, h, c, d kunnen niet bedoeld zijn.

Bijgevolg wordt e bedoeld, dus Kome.

Wijl niemand der geleerden onzer dagen meer denkt noch aan Kieuw-Babyion noch aan Babylon in Egypte noch aan Jeruzalem, behoeven wij daarover niet te spreken.

Er blijft dus te bewijzen, dat „Babylonquot; hier niet beteekeut het oude Babylon aan den Euphraat.

I. De geheele christelijke oudheid weet van een verblijf van Petrus in het oude Babylon niets af. Dat

ocr page 731

185

bewijs wint nogquot; ia beteekenis, wanneer wij bedenken, dat de oude christelijke schrijvers in dien brief van Petras, reeds vroeg in de geheele Kerk verspreid, steeds in Babylon 'vj Itx/Sv/.öw lazen en bijgevolg, indien Petrus werkelijk te Babylon geweest was, juist de uitdrukking W/.fr//.' '•v. de herinnering aan Petrus' verblijf te Babyion in de overlevering had moeten vaststellen, vestigen en bestendigen. Ja zelfs, ook indien hij er niet geweest was, zou zeer licht door die algemeene bekendheid van den brief, (waarin allen 'vj wyfi-j'tam lazen) de legende ontstaan zijn, dat Petrus werkelijk te Babyion geweest was. Indien nu evenwel ondanks dat alles de oude schrijvers en de s'eheele overlevering der oude Kerk van een verblijf des FT. Petrus te Babyion niets weten en „er zelfs geen vingerwijzing naarquot; hebben en onder 'ev enkel Rome verstaan, zoo is zulks een

sprekend bewijs hiervoor, dat de Prins der Apostelen nooit in Babyion geweest is 1) en ouder het 'cv Viv.fiw.wt

1

allocr, wi]! zij don naam in I Peir. lazen. Hnnuo oudere land-

ocr page 732

186

in den brief van Petrus Babylon niet mag' verstaan worden.

II. Zonder twijfel lieeft Wxp-j'/.w bier in Petr. 5 :13 un

een symbolische beteekenis en waarschijnlijk is het ook fh

een Joodsch-christelijke geheime naam voor het heidensch V

Rome. Daarvoor pleit a. dat het op zichzelf reeds den ei Joden en in aansluiting met beu den Christenen van

die dagen als voor de hand lag', Rome de heidensche he

hoofdstad der wereld, wegens hare grootte, haren afgrijse- w

lijken afgodendienst en het zedenbederf, wegens hare 0

gewelddadige heerschappij, waarmede zij de volkeren y

onder het juk bracht en regeerde, aan te duiden met li

den naam der oude heidensche hoofdstad der wereld en tl

onderdrukster van Israël, Babyion, wijl toch alle trekken lt;

en beschrijvingen, die het Oude Testament van Babylon i

gaf, op Rome van toepassing waren en daar in de grootheid en macht, in den afgodendienst en het zedeloos leven, in de wreedheid en heerschzucht van Rome het onmiskenbaar beeld van het oude Babyion Joden en Christenen voor den geest stond.

„Nur weg aus diesem Sodoma!quot; schreef Luther in 1545, toen hij Wittenberg verlaten had. Nog erger dan dat Sodoma scheen hem het ijverige Luthersche Leipzig. „Wij leven in Sodoma en Babyionquot; schreef hij aan Georg von Anhalt, „alles wordt dagelijks erger.quot; (Janssen III 1883 S. 545, 546; de Wette 5, 722, 773.)

b. Daarvoor spreekt het feit, dat in Joodsche geschriften (Otho, Lexicon rabbinico-philologicum 1675 pag. 523. Schöttgen, 'Sorae hebraicae et talmudicae 1730 p. 1050 en 1125. Levy, Neuhebr. und Ghald. Wörtb. Leipzig 18, ü I 190 b) mij door Prof. Van Kasteren aangewezen, en mede in een stuk der sibyllijnsche boeken [Oracula Sibyllina ed. Friedlieb 1852), vermoedelijk uit de eerste eeuw, Rome voorkomt onder den symbolischen naam Babyion.

ocr page 733

187

Til. De Openbaring van Joannes duidt, zooals alg-e-nieen bekend is, door liet woord Wy.p-j'/M-j r, /xsyaXr] op Rome (Zie Openb. 14:8; 10:19; 17:5; 18:2, 10, 21. Vergelijk 17 : 9, waar gewezen wordt op de zeven bergen en 17 : 18 op de wereldheerscbappij van Rome).

Brengt men daartegen in, dat een dergelijke zinne:-heeldige voorstelling van Rome door bet woord Babylon wel voegt voor de propbetiscb-dichterlijke taal van de Openbaring, maar niet voor den prozaïscben briefstijl van Petrus, eu dat daarom de uitdrukking 'sy Wy.ftuXwi in 1 Petr. 5 : 13 niet zinnebeeldig kan worden opgevat, dan luidt liet antwoord eenvoudig als volgt: Ook de opdracbt, bet adres 1 Petr. 1 : 1 als 'iy/Aiy-rcl Try.pnri.^u:; is geen gewoon proza en niet zoo sober als een adres pleegt te zijn. Daarenboven draagt 1 Petr. 5:13 in zich bet kenmerk van figuurlijken spreektrant, wijl de uitdrukkingen „de mede-uitverkorenequot; en „mijn zoonquot;, die in onmiddellijke nabijheid staan van de uitdrukking „in Babylonquot;, eveneens figuurlijk zijn. Neemt men buitendien met Hugo de Groot [Annotat. in Epist. Almost, et Apocal. 1679), Döllinger {Chrintent, und Kirche 1860), Prol'. Moritz von Aberle t 1875 {Einleit. in d. N. T.) en anderen aan, dat „Babyionquot; niet enkel zinnebeeldige beteekenis beeft, maar tevens een geheime naam voor Rome is, dan valt de geheele tegenwerping.

I V. Uit 1 Petr. 5 : 13 blijkt, dat ter plaatse en op bet tijdstip, waarin de brief van Petrus geschreven werd, Marcus in de nabijheid van Petrus zich bevindt. Volgens het eenstemmig getuigenis aller oudere schrijvers, zooals Clemens van Alexandrië, Irenaeus, Epiphanius, Hiero-iiymus enz. was Marcus met Petrus juist in den tijd, toen de eerste brief van Petrus geschreven werd, te Rome en schreef daar, in 't licht van de mondelinge

ocr page 734

188

voordracht van den Prins der Apostelen zijn Evangelie.l) Volgens Col. 4:10 en Philem. 24 bevond Marcus zicli ook in de nabijheid van den Bquot;. Paulus gedurende diens eerste gevangenschap (G1—63) en werd, zooals wij uit 2 Tim. 4:11 weten, door den H. Paulus bij diens tweede romeinsche gevangenschap uit Klein-Azië weer naar Rome ontboden. Dat alles spreekt zeer beslist hiervoor, dat men onder de woorden „m Babylonquot; Rome heeft te verstaan, — en stellig niet het oude Babylon aan den Euphraat.

V. De alleroudste kerkelijke overlevering en nagenoeg alle katholieke bijbeluitleggers van de oudste tijden tot op onze dagen verstaan hier onder het woord „Babyionquot; eenvoudig „Rome.quot; Papias, Clemens van Alexandrië, Eusebius, Hieronymus, Beda, Oecumenius (10a'5 eeuw), Theophylactus, Hugo van St. Charo, Mcolaus van Lyra, Dionysius de Kartuizer, Cajetanus, Gaguaelus, Hesselius, Salmeron, Baronius, Bellarminus, Lorinus, Serarms, Estius, Cornelius a Lapide, Menoehius, Lemaistre de Saci, Natalis Alexander, Calmet, Kistemaker, Windisch-mann, Reithmayr, Güntner, Danko, Reischl, Bisping enz. euz.

Nog in de 17''' eeuw kon de geleerde Lorinus schrijven: „Omnes, quotquot legerim, inter pre tes ca tholici Romanam intelligunt Ecclesiam.quot; In de 18'u' eeuw getuigde Natalis Alexander: „Tlahijlonis nomine Romam Mc, ah Apostolo siynificari .... omnes catholici interpreten consentiunt.quot;

VI. Zelfs een aanzienlijk aantal protestantsche bijbel-uitleggers, vooral van den nieuweren tijd, verstaan hier

ij Vquot;uJ(?eiiH hel zeer degelijke werk van den Protestant Th. Zahn: Elnleit. in das N. T. II 642 heeft Petrus in hot voorjaar van 64 to Biotno zyn „eersten briefquot; cn Marcus in don zomer van hetzelfde jaar, eveneens te Rome, zijn evangelie geschreven.

ocr page 735

189

. ') onder het woord „Babyionquot; eenvoudig Rome. Zoo Lntlier cli [Ausg. Walcli. IX, 831), Hugo de Groot, Mynster, Hitzig, qs Thierscli, Baur, Schwegler, Hengstenberg, Scbaff, Wielt singer, Scliott, Ewald, Hilgenfeld, Hofmann, Zalm enz. Ie Hengstenberg zegt, dat liet „onbegrijpelijkquot; is, boe uien ir onder „Bahylonquot; (1 Petr. 5 : 13) bet eigenlijke Babylon r, verstaan kan. i) Eu volgens Zalm [Einl. in das N. T. :e II 1899 blz. 17) zijn de schrijvers, die bet woord niet ii van Rome verstaan „verscbwindend wenige Ausnalmien.quot;

Wij hebben derhalve wel degelijk een getuigenis van

5' de H. Schrift voor de aanwezigheid van Petrus te

t Rome.

Maar al zweeg de H. Schrift ook volstrekt op dat punt, dat stilzwijgen zou het feit niet omver stooten.

Om dat te verduidelijken, laat ik PI. E-iess S. J. aan sommige geleerden een waarschuwing geven, die ze boog noodig hebben. „Wie de algemeene tot aan den tijd der Apostelen reikende overtuiging van Petrus' verblijf te Rome schokken wil, moet minstens één geldig positief getuigenis tegen die overtuiging inbrengen, en als hij dat deed, werd toch het feit zelf geenszins te niet gedaan; het gevolg van dat positief getuigenis zou enkel dit zijn, dat in de oudheid de overtuiging van het feit niet algemeen was; en dan was de twijfel in zoover eenigszins gewettigd. Zoolang echter aan dien bescheiden eisch niet voldaan is, behoudt de overlevering met haar nauw ineengesloten phalanx van historische getuigenissen zegevierend het veld.quot; (Stimmen aus Maria-Laaeh 2 B. S. 473.)

Een positief getuigenis tegen de overlevering is nog

!) Ziie HuLQhauscD: Das erste Fontificalschreiben des Apostel-fürsten I'etrus, 1873 en Hofmann: Der erste Brief Petri 1875.

ocr page 736

190

niet gegeven. Het beweerde stilzwijgen der H. Sclirift zou een negatief getuigenis zijn, dat liet feit niet onwaar en zelfs niet twijfelachtig, kon maken.

Over de negatieve eu zoogenaamde stellige bewijzen der Protestanten spreek ik in De Katholiek. Plaatsgebrek verhindert mij ze hier te behandelen. Trouwens onze stelling is deugdelijk bewezen.

Evenmin als de Kerk is het primaatschap een voorbijgaande instelling. Petrus werd bisschop van lioiue; daar is hij onder Nero den marteldood gestorven. Zoo luidt het eenstemmig getuigenis der geheele oude Kerk en de redenen, waarmede men dat feit heeft bestreden, zegt Döllinger [Christenth. und Kirche 18GO S. 100) zijn op een anderen grond ontstaan dan op het historisch onderzoek. Het is een katholiek geloofspunt, dat de voorrechten eu de volmacht des H. Petrus volgens goddelijk recht op zijn wettigen opvolger in het bisdom van Eome zijn overgegaan. Deze volheid van macht was van den aanvang in het Pausdom vervat, maar zij werd van lieverlede zichtbaar, naarmate de behoeften der Kerk en de tijdsomstandigheden het vorderden. „Gelijk alles wat leeft, gelijk de .Kerk zelve, heeft de instelling van 't Pausdom, zoo eenig in haar soort en met geen andere instelling vergelijkbaar, hare geschiedkundige ontwikkeling. In deze ontwikkeling echter is de wet, die 't leven der Kerk in 't algemeen ten grondslag ligt, niet te miskennen, de wet namelijk der voortdurende ontwikkeling, het aanwassen van binnen uit. Het Pausdom moest alle lotgevallen der Kerk mede beleven, elk vormingsproces mede doorloopen.quot; (Döllinger: Kirche und, Kirchen 31—82; Pastor l2 S. 149.)

ocr page 737

191

§ 43.

Met of tegen Petrus?

.,La quale (lioma) e il quale iVhupero). a voler dir lo vero. Fur stabiliti per lo loco sauto,

U' siede il successor del maglor Piero.quot;

fDauto: T/Snferno c. 11 v. 22—21.)

Do Paus is „liet Opperhoofd en de b e sell enne r van alle dieven.quot; (Ds. Bucliwald van Leipzig op liet Congres van don Evangelisclien Bond te Neurenberg gehouden in liet jaar onzes Heerou 1899.)

Ds. A. V. schrijft: „Petrus li a cl aangaande Christus eene heerlijke belijdenis afgelegd. Openbaar was liet geloof in Christus, als den Zoon van God, in zijn hart, onuitroeibaar, welbevestigd! Het zou doorwerken! Door hem zou men gelooven en belijden, aan zijn geloof en zijne belijdenis zich houden. In Petrus was het een en ander belichaamd.

Daarom zou de gemeente staan op hem. ISTeen ! Petrus en zijne belijdenis zijn niet te scheiden .... Niet echter den eenigen Petrus, maar den belijdenden Petrus moeten wij, naar den tekst, als grondslag der gemeente aanmerken, en dat nog wel voor zoover hij gegrond is op den waren steenrots, Christus zeivenquot;.... (blz. 16, 17). Dat spreekt als een boek.

Die bekentenis van Ds. A. V. onderschrijf ik en mede deze van den Protestant Olshausen: ,,De tempel in het Oude Testament is als de type der Kerk. De Kerk als een geestelijk gebouw, kan natuurlijk enkel op een geestelijken grondslag steunen; Petrus derhalve in zijn innerlijke, nieuwe, geestelijke eigenaardigheid staat daar voor de inenschheid als de drager van het groote werk van Christus .... De gewone verklaring derhalve dezer plaats {Gij zijt Petrus en op deze Steenrots), zooals zij in

ocr page 738

192

de protestantsdie tegenover de katholieke Kerk pleegt gesteld te worden, volgens welke verklaring liet geloof van Petrus en de belijdenis de rots is, is geheel juist; maar men mag zich het geloof en de belijdenis van dat geloof niet gescheiden denken van Petrus1 persoonlijkheid-^ dat geloof is één niet den persoon, niet met den ouden Simon, maar met den nieuwen Petras.quot; {Bihlischer (Jom-mentar I, 512.)

Deze verklaring, goed opgevat, staat niet tegenover die der Katholieke Kerk. „Ook eenige kerkvaders verstaan de woorden: „En op deze Steenrotsquot; enz. deels van de belijdenis der godheid van Christus, deels van den persoon van Christus, deels van de Apostelen in 't algemeen, maar zij geven die verklaring, wanneer daartoe een bijzondere gelegenheid of aanleiding' was en in uitgebreider, oratorisch-practische en zedenkundige toe-passing, niet met uitsluiting van de natuurlijke en letterlijke heteekenis. Wel is de belijdenis en het geloof van Petrus de grondsteen der Kerk, maar het geloof en de belijdenis bestaan enkel in en door den geloovenden en belijdenden Petrusquot; (Hettinger Apologie d. Christent. 7 Aufl. 1897 B. 4 S. 532. Ermann: De Paus ï 43 11 102 Tit 12G).

Dat weet Bolland ook, al schettert hij in zijn Open Brief aan Dr. Schaepman (blz. 52-—55), alsof hij het niet weet.

Naar aanleiding van do verklaring var Ds. A. V. en Olshausen redeneer ik als volgt:

Wat beleed Petrus i1 „Gij zijt de zoon van den levenden God.quot;

En op dien Petrus de godheid van Christus belijdende zal de Heiland zijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

De Gemeente (Kerk) is bijgevolg door Christus op

ocr page 739

193

jt dien belijdenden Petrus gebouwd of, zooals Ds. A. V.

of zegt: de belijdende Petrus is de grondslag der gemeente

t; (Kerk).

it Wie derhalve steunende op den de godlieid van

I; Christus bel ij denden Petrus en met liem de god-

u beid van Christus belijdt, staat op den grondslag,

door den Zaligmaker zeiven aan zijne Gemeente (Kerk) gegeven.

r „Petrust en zijne belijdenis zijn niet te scheidenquot; zegt zeer

juist Ds. A. V.

Wie dus Petrus van diens belijdenis scheidt, m. a. w.: wie Christus wel als God erkent, maar dit doet niet steunende op den belijdenden Petrus, den grondslag door Christus zeiven aan zijne Kerk gesteld, staat enkel op de bel ij d e n i s van Petrus, niet op den belijdenden Petrus, bijgevolg niet op den grondslag van Christus' Kerk. Indien derhalve de Kerk op dien grondslag moet blijven steunen tot aan het einde dei-dagen dan moet die belijdende Petrus ook blijven tot aan het einde der dagen.

Maar Petrus zelf is niet gebleven, is gestorven. De voortduring van den belijdenden Petrus moet derhalve plaats vinden in zijne wettige opvolgers.

Die opvolgers zijn de Pausen van Rome.

De Katholieken steunende op de opvolgers van Petrus belijden in hen met Petrus de godheid van Christus.

De Katholieken en zij alleen staan dus op den grondslag, door Christus zeiven aan zijne Kerk gegeven en zijn daarom leden van de eenige ivare Kerk, omdat Christus maar ééne Kerk heeft gesticht.

Ter versterking mijner bewijsvoering haal ik de ernstige woorden van Ambrosius (f 397) aan. Deze groote kerkleeraar zegt: „Want zij hebben de erfenis van Petrus

ocr page 740

194

niet, «lie den Stoel ') van Petrus niet hebben, welken /ij door een goddelooze verdeeldheid verbreken, maar dit boos ontkennen, dat ook in de Kerk de zonden kunnen vergeven worden, daar toch aan Petrus gezegd is: Ik sal n de sleutels des hemelrijks geven en wat gij gebonden zult hebben op aarde, zal mede in den Hemel gebonden zijn, en wat gij ontbonden zult hebben op aarde zal ook in den Hemel ontbonden zijn.quot; (Matth. 16 : 19.) {De Poenit. 1 1, 7) En elders: Het is Petrus zelf, aan wien Christus gezegd heeft: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen (Matth. 16 : 18) Waar derhalve Petrus is, «laar is de Kerkquot; {In psalm. 40, n0. 30).

,,De Kerk heeft een zichtbaar middelpunt noodigquot; zegt Prof. J. H. Gunning.

Waar is dat zichtbaar middelpunt, als de bisschop van Rome het niet is?

Tegen mijne bewijsvoering, die ik reeds in 1896 opzette, heeft Ds. A. V. in Het Centrum (7 Nov. 1896) ingebracht, dat ik uit zijne redeneering niet den Paus bewijs „naar de wetten der logica.quot;

Daarop antwoord ik nogmaals: „Dat laat ik veilig den lezers ter beoordeeling.quot;

Verder schreef Ds. A. V.: „Hoogstens zou uit het gestelde principium volgen, dat steeds de eerste onder de ware geloovigen in, en vurige belijders van Christus, tot hoofd der Kerk aan te stellen ware. Maar dan moest het ook openbaar een man als Petras zijn. Met

ij Zoer woiuigo handschriften lezen fidem (geloof) in plaats van sedem (Stoel) van Petrus. Het komt hier tegenover Ds A. V. op hetzelfde neer, wgl ook hij zegt; Niet op de belijdenis van Petrus, maar op don belijdenden Petrus heoft Obristus zij no Kerk gesticht.

ocr page 741

195

'

•n hem zoa liet welzijn der Kerk verzekerd wezen.quot; M. a. w.

ir hoogstens zon volgen, dat een geloovige, die openhaar

n een man als Petrns was, tot hoofd der Kerk kon aan-

d gesteld worden.

ij Mijn bescheid op die aanmerking van Ds. A. V. was

ü en is en blijft: „Ongetwijfeld volgt nit het gestelde

'e principinm, dat er een zichtbaar hoofd moet srijn, en het

) is natuurlijk zeer wenschelijk, — maar niet volstrekt

1 noodzakelijk voor de geldigheid ■— dat dit hoofd de

e eerste onder de ware geloovigen zij. Allermoeilijkst —

om niet te zeggen onmogelijk — ware het zulk een persoon met zekerheid aan te wijzen.

Ds. A. Y. schreef verder, dat zeker naar onze meening uit de woorden van Christus dit volgt: Vooreerst: de noodzakelijkheid van buitengewone vervulling met den H. Geest, om in waarheid zulk een belijdenis te kunnen afleggen als Petrus, van wien Christus zeide: „Vleesch en hloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de Hemelen is.quot;

Mijn antwoord was en is en blijft: „Noodzakelijk is die buitengewone vervulling met den H. Geest, d. i. zeer gewenscht ja, noodzakelijk d. i. buitengewoon of bovennatuurlijk door het bovennatuurlijk geloof: nogmaals ja, buitengewoon d. i. in buitengewonen graad neen.quot;

Hoe meer het zichtbaar hoofd der Kerk op Petrus (naar omstandigheden) gelijkt, des te beter. Zie ook „De 1'ausquot; I blz. 47, waar een gezegde van Berthold van Chiemsee wordt aangehaald.

Bovendien volgt, zegt Ds. A. V., naar onze meening uit de woorden Christus: „De voortdurende grooto behoefte der Christelijke Kerk aan ten minste één zoodanig mensch, die uit Geestes aandrang, in vurigen ijver, onverschrokken Jezus belijdt als deu Christus den

.

ocr page 742

196

^ooii des leveuden Gods, en misscliien wel aan een menscli, die eertijds van geringen staat als Petrus, door Goddelijke werking alzoo geworden is.

Antwoord: Zeker, maar die zoodanige mensehen ontbreken niet en liebben nooit ontbroken. Doch zij hebben per se niets te maken met liet primaatschap.

Ten slotte volgt naar onze bewering, zegt Ds. A. V., uit de woorden van Christus: „De noodzakelijkheid der hoogachting voor hem, door hem met andere gelijkgezinden, gelijk Petrus met de andere Apostelen, het geestelijk gericht in de gemeente te laten uitoefenen en haar te laten besturen, op de wijze, waarop ons de Schrift leert, dat dit gericht en dit bestuur door Petrus en de andere Apostelen uitgeoefend is.quot;

Antwoord: Aleer dan hoogachting. Hij, die van Christus de sleutels ontving, verdient meer dan hoogachting en meer dan het verlof om „met gelijkgezindenquot;, die niet aldus de sleutelen ontvingen, „het geestelijk gericht in de gemeentequot; te oefenen. Dat bewees ik in Het huis op de Steenrots en in De Paus I, II en III met overvloedige bewijsgronden. Ik wacht op wederlegging.

De Protestant Schelling is het omtrent de besproken teksten ATan Mattheus enz. volkomen met mij eens, als hij zegt: „Diese Worte Christi sind ewig entscheidend für den Prima t des H. Petrus unter den Aposteln; es gehorte die ganze Verblendung des Parteigeistes dazu, das Beweisende dieser Worte zu verkennen, oder den Worten einen andern als diesen Sinn unterzulegenquot; (Philosophie der Offenb. II, 301) en de Protestant C. W. Meyer bekent: „Dieser Prima t ist unparteiisch zuzu-geben.quot; {Kritisch-exegetisches Handbuch über das Evangelium des Matthdus 3 Aull. 1853.)

Wie uit dat primaatschap „naar de wetten der logicaquot;

ocr page 743

197

redeneert, besluit dat er eeu zichtbaar hoofd moet zijn, zoekt met zijn verstand dat zichtbaar hoofd, vindt het in den bisschop van Rome en erkent, ten minste met liet verstand, den Paus. Vallen hem buitendien door liet lezen van degelijke katholieke geschriften de schellen der vooroordeelen van de oogen en vouwt hij de handen tot een nederig gebed, dan keert hij terug tot de Katholieke Kerk, waartoe duizenden vóór hem zijn teruggekeerd. Het geloof is een gave Gods, maar men mag en moet er om vragen.

In 1874 zeide de Protestant Disraëli (lord Beaconsüeld) openlijk in het engelsch Parlement: „Ik kan het mij niet ontveinzen, de Roomsch Katholieke godsdienst is een zeer machtig organisme en als het mij geoorloofd is liet te zeggen, het machtigste dat heden bestaat. En ik voeg er bij, dat het niet minder machtig is sinds aan zijn opperhoofd zijn hoofdstad en zijne provincies ont-uomeu werden. In tegendeel, ik geloof, dat zijn macht grooter is geworden.quot;

Dat klinkt anders dan de woorden van Ds. A. V. aan mijn adres: „Zoo goed als ieder weet gij .... wat heeft moeten medewerken, om het wankelend gezag des Pausen te schragen.quot; (blz. 5)

De protestantsche professor te Heidelberg Cuno Fischer zeide in 1879 voor een vergadering van 200 personen o.a. het volgende: „Zeer dikwerf reeds heeft men het Pausdom met de voorgewende wapenen der wetenschap bestreden; het Pausdom heeft zich telkens zegevierend verdedigd. Men heeft tegen het Pausdom politieke wapenen beproefd, niets is gevallen dan de wereldlijke troon des Pausen; de geestelijke troon is sterker bevestigd. De Katholieke Kerk kan van zichzelve met wettige

de Paus IV. 13

ocr page 744

198

fierheid ze£gt;'g'en: Wanneer ik vervolgd word, overwin ik! Van waar komt dat 1' Ik zal liet u door deze conferenties verklaren. Reeds nu kan ik u omtrent dat onderwerp een kort antwoord geven. De Katholieke Kerk lieeft acliter zicli een tijdruimte van 1800 jaren en is een maclit geworden, welke diep geworteld is in de harten: (Zie L'Univers 22 Nov. 1879.)

De beroemde professor van Oxford, de hooggevierde geestelijke der Ang-licaansche Kerk, John Henry Newman, wiens overgang tot de Koomsch Katholieke Kerk volgens Disraeli de grootste slag was voor het Anglicanisme, heeft lang vóór zijn terugkeer tot de Moederkerk, gedurende een zeereis, liet treffend lied der Wolkkolom gedicht, dat ook in Anglicaansche tempels gezongen wordt. „De pelgrimquot;, zegt Prof. J. V. De Groot O. P. in zijn heerlijk slotartikel Be geloofa^hilosophie van Kard. J. II. Newman „wil niet langer door trots worden geleid, als in de dagen, die God niet meer moge gedenken, de dagen, toen hij wilde alleen gaan. Hij smeekt het liefderijke Licht: leid mij, geheel den duisteren nacht, tot de morgen aanbreekt, waaruit geliefde engelen-aangezichten glimlachen.quot; [De Kaiholiek D. 115 blz. 482—503.)

„Wie vertaalt het voor ons volk;'quot; vraagt Prof. De Groot.

Ziehier het oorspronkelijke en do vertaling van de hand der dichteres uit De Katholiek Albertine Smulders. Ziet men nog een of ander vlekje men denke aan Bilderdijks: „Vertalen is een vierkante cirkel.quot;

„Lead, kindly Light, amid the encircling gloom Lead Thou me on!

The night is dark, and I am far from home — Lead Thou me on !

ocr page 745

199

Keep Thou my feet; I do not ask to see The distant scene ■— one step enough for me.

I was not over thus, nor praj'd that Thou

Shouldst lead me on;

I loved to choose and see my path, but now

Lead Thou me on!

I loved the garish day, and, spite of fears.

Pride ruled my will: remember not past years.

So long Thy power hath blest me, sure it still

Will lead me on.

O'er moor and fen, o'er crag and torrent, till

The night is gone;

And with the morn those angel faces smile Which 1 have loved long since, and lost awhile.quot;

Leid, vriendlijk Licht, dat door den nevel lacht

Leid Gij mij voort!

'k Ben ver van huis, en donker is de nacht;

Leid Gij mij voort!

Bestraal mijn weg, ik vraag geen vergezicht, Eén stap voldoet, als Gij mijn schreden richt.

Zóó was ik niet altijd, noch bad tot ü:

Leid Gij mij voort!

Ik wilde kiezen, zien mijn pad, maar nu

Leidt Gij mij voort!

'k Had vreugde lief; schoon vrees mij nooit verliet. Was trots mijn wil: herdenk 't verleden niet!

Lang steunde mij uw macht, zij zal op 't pad Mij leiden voort

ocr page 746

200

Door lieide en poel. door rots en vloed, totdat

De morgen gloort,

En ik den glans zie van het englenkoor,

Dien ik lang reeds liefhad en een wijl verloor.

SLOTWOORD.

gezag van liet Hoogste Pontificaat strekt verder dan dl grenzen der natiën : liet omvat üllo. volken, om hen samen te brengen in liet ware evangelie van ('en vrede.'' (Brief van Pans Leo XIII aan Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden 29 Mei 1899.)

„Baar zijn er, die liet Vaticaan willen ignoreeren, maar zon dat liet Vaticaan beletten te bestaan '.'quot; (l)elcassé, minister van Ibiitenl. Zaken Nov. 189!).)

De eenige vraag, die ons in mijn boekje De Fans bezig hield, luidde: „Heeft Christus, vooral blijkens Matth. 1(5 : 18, 19, Joannes 21 : 15—17 en Luc. 22 : 31, 32 Petrus voor alle lijden aangesteld tot z ij n plaats-v ervanger (niet opvolger) op aarde i n 't bestuur der Kerk, ja of neen?quot;

Christus heeft de woorden in die belangrijke teksten vervat, zeker gesproken, maar Ds. A. V. en ik verstonden en verklaarden ze heel verschi'lend. Hij noch ik schenen te kunnen uitmaken, wie van ons beiden gelijk heeft; wij beiden zijn feilbaar [De Fans § 7).

Wat moesten wij derhalve doen? Den gulden raad opvolgen van het protestantsch tijdschrift De Reformatie. Die raad luidde: „Verklaringen van de H. Schrift zijn zeker altemaal noodzakelijke hulpmiddelen van den Heere ïot het rechte verstand van zijn Goddelijk Woord,

ocr page 747

201

zonder welke verklaringen dat Woord van ons niet kan gebruikt worden.quot; (D. YE blz. 225.)

Wij konden die „verklaringenquot; nocli van de tegenwoordige protestantsclie hoogescliolen in 't buitenland noch van die in Nederland ontvangen, wijl de lioog-leeraren aldaar voor het grootste gedeelte modern zijn. (De Pans § 8.)

„Welnuquot;, zeide Be Reformat ie (D. JU blz. 218) „er zijn door Gods genade genoegzame gelegenheden om het aan uwe medegeloovigen te vragen, of uit schriften van reeds in den Heer ontslapene leeraars of vromen na te sporenquot; {De Paus § 9).

Wij hebben dien raad opgevolgd, maar met het ondervragen onzer nog levende medechristenen zijn wij geen stap verder gekomen. De medegeloovigen van Ds. A. V. hielden het met hem, en mijne medegeloovigen met mij, dat spreekt.

Toen moesten wij natuurlijk te rade gaan bij de schriften van reeds in den Heer ontslapene leeraars of vromen, en dachten bijgevolg het eerst aan Luther, den vader van Let Protestantisme, aan Calvijn, Zwingel en de andere Hervormers, maar helaas dezen hebben Ds. A. V. evenmin als mij uit de verlegenheid gered (De Paus § 10) ook hierom niet, wijl zending uoodig is (De Paus § 20), en dat dezen zeker gezonden zijn, blijkt geenszins; eerder het tegendeel.

Toen ondervroegen wij, Ds. A. V. en ik, leeraars en vromen uit de 16'1quot; eeuw, maar wij kregen geen antwoord, waarmede het gezond verstand vrede kon hebben (De Paus § 11).

Ook zij, die in de dagen der Hervorming (De Paus 12) en zij die in de 17ao eeuw, den bloeitijd van liet Protestantisme, weer Koomsch Katholiek werden {De Paus § 13)

ocr page 748

202

d. w. z. de teksten van Mattlieus, Joannes en Lucas weer verstonden zooals ik, konden Ds. A. V. niet voldoen.

Toen moesten wi] te rade gaan bij de in den Heer ontslapene leeraars en vromen, die vóór de Hervorming geleefd hebben, en dat deden wij (De Paus 2llfi, 3lle en 4't(' gedeelte).

Een tbaus aan 't slot vau liet onderzoek durf ik met volle gerustheid het gezond en onbevooroordeeld verstand mijner lezers de vraag voorleggen: heb ik de stelling in § 10 door mij opgezet, bewezen ja of neen?

Die stelling luidde als volgt: „Ds. A. V. en ik verkeeren in het derde geval, waarvan ik op bladzijde 18 (Be Paus Eerste gedeelte) sprak: Zijn de woorden van Christus bij Mattlieus, Joannes en Lucas niet in zich zóó duidelijk, dat men voldoende zekerheid heeft of de Heiland een zichtbaar hoofd voor de strijdende Kerk op aarde heeft aangesteld, dan handelt hij het redelijkst, die tusschen ontkenning of bevestiging willende kiezen (en om lid eener Christelijke Kerk te zijn moeien wij kiezen), zich aansluit bij hen, die de beste, oudste en geloofwaardigste getuigenissen hebben, hetzij voor de ontkenning, hetzij voor de bevestiging.quot; (§ 10.)

Dat ik de oudste en verrewetr de meeste quot;'etuia'e-

O O O

nissen aan mijne zijde heb, lean Ds. A. V. niet loochenen.

Ontkent hij, dat ik de beste en geloofwaardigste getuigenissen bezit, dan moet hij bewijzen, dat zijne getuigenissen, die van veel latere eeuwen dagteekenen, beter en geloofwaardiger zijn dan de mijne.

Dan eerst valt mijne stelling, mede hierom, wijl ik bij Luther gelezen heb: „Niemand gelooft, welk een groote ergernis het is en hoezeer het iemand voor 't hoofd stoot (zooals het dan ook mij dikwerf gedaan heeft), dat men tegen de Vaders moet leereti en gelooven;

ocr page 749

203

eveneens, wanneer men ziet, dat zoo vele voor ireffdij Ice, verstandige en gekerde lieden, ja liet heigt;fe en grootste deel der wereld zoo en niet anders gehouden en geleerd Leeft, waartoe ook zoo vele heilige lieden, als St. Angnstinus, Ambrosins, Hieronymus enz. Maar toch moet mij de ééne man, mijn lieve Heer en Heiland Jezus Christus meer gelden dan alle heiligste menschen op aardequot; (dat spreekt vanzelf), „ja ook meer dan alle engelen in den Hemel, indien zij iets deden of afbrakenquot; (ook dat spreekt vanzelf, indien enz. maar dat is juist de vraag). „Als ik dan de boeken van Augustinus lees en vind, dat hij dit of dat ook zelf gedaan heeftquot; b.v. den bisschop van Rome erkennen als het zichtbaar hoofd der Kerk van Christus op aarde (zooals Ambrosins, Hieronymus, Bernardus en duizend anderen), „waarlijk dan maakt het mij zeer verlegenquot; (dat begrijp ik). Komt dan nog het hulpgeschreeuw daarbij, dat zijquot; (de Katholieken) „roepen: Kerk, Kerk! dat doet dan het meeste pijn. Want het is inderdaad een moeilijk iets zijn eigen hart in deze zaken meester te kunnen worden en af te wijken van die lieden, die in groot aanzien staan en zulk een heiligen naam dragen, zelfs af te wijken van de Kerk zelve en haar leer niet meer te gelooven en te vertrouwen.quot; {TValch. Ausg. VII 1789.)

Ja, dat doet „het meeste pijnquot;, want „De Kerk kan niet dwalen.quot; Luther zegt: „De Kerk is zuil en grondvest der waarheid, die tot het einde der wereld niet dwalen kanquot; (Wittenb. Ausg. 10 15. 20:^). „Want de Kerk kan niet liegen noch dwaling leerenquot; (dat beteekent: zij is onfeilbaar) „zelfs in geen enkel artikelquot;; leert zij irn leugen dan is zij geheel onwaar.quot; [Erl. S. 30—34; Briefe aus Hamburg 1883 S. 885.)

Is derhalve dit éene artikel: Christus heeft

ocr page 750

204

Petrus voor alle tijden aangesteld tot zijn plaatsvervanger op aarde in 't bestuur der Kerk, onwaar, dan zijn alle getuigen die ik opriep, leden geweest van een geheel onware Kerk, dus niet van de Kerk van Cliristus. Waar was dan de ware Kerk, en wat beteekent Christus' belofte: „Ik zal niet u zijn tot liet einde der wereld!1quot;

De getuigen zijn legio.

Ds. A. V. getuigt: „Het laat zicb niet loochenen, dat tot heden een aanzienlijk deel der christenheid den Paus erkent. De eerbied voor hem is volstrekt niet van de aarde verdrongen, en ieder kan voorzien, dat die zal blijven, tenzij er iets bizonders geschiedequot; (blz. 4) en iets zeer bizonders ook.

Hij geeft daarvan eenige redenen op. „Hetgeen eenmaal in de wereld macht en gezag heeft verkregen, wordt niet zoo gemakkelijk nedergeworpen, hoeveel minder datgene wat eevwen lang den stempel van waar Christendom heeft gedragen en in de harten geheel en al is opgenomenquot; (blz. 5), omdat Christus gezegd heeft: „Gij zijt Pe^rvs,, d.i. steenrots.... en „ik zal met u zijn tot het einde der wereld.quot;

„Eeuwen langquot; heeft dus het Pausdom den stempel van waar christendom gedragen. Hoevele eeuwen!' De schrijfster van de Gen'h. der Christel. Kerk zegt: „Na den dood vau Augustinus scheen het alsof de Kerk steeds verder en verder van den Heere afweek, en uitwendige godsdienst de plaats van het leven, daü uit God is, innam.quot; (blz. 60) „Scheen het'quot;.' Is het zeker, dat zij afweek? Schijn bedriegt; ik moet zekerheid hebben. Al kwam verderf in de Kerk, de Kerk zelve week niet af. Dat is onmogelijk.

ocr page 751

205

De fjif.-Beil. (nquot;. 9) van fle Deutseh Evany. Kirchenztg. zegt op blz. 67 over de prediking des H. Bernardus van Clairveanx (t 1153) sprekende: „Het is droevig, met li-t ivare Christendom van toen, dat slechts in de Maria-preeken naar bijgeloof trekt, de hedendaagsche kerkelijke practijk der Eoomsclie Kerk te vergelijken.quot; Die practijk is juist dezelfde. „Maar het is ook weder eene vreugde, hieraan herinnerd te worden, dat de Katholieke Kerk vroeger werkelijk een christelijke Kerk was en het weder worden kan.quot; {Christ, oder Antichrist? S. 381 nquot;. 21.)

„Vroegerquot;, d. w. z. in de twaalfde eeuw was in de R. Kath. Kerk nog het ware Christendom met een bijsmaakje bijgeloof in de Maria-preeken, en de bisschop van Rome werd erkend, ook door Bernardus, als het zichtbaar Hoofd der Kerk op aarde, nu is zij geen Christelijke Kerk meer, maar o vreugde! zij kan het weder worden. Wie wil zoo goed zijn mij in te lichten, hoe de Róomsch Katholieke Kerk wederom worden kan, wat zij in de twaalfde eeuw geweest is P Hij zal mij zeer verplichten.

Wij kunnen de zaak ook omkeeren en vragen: gelijkt het Protestantisme op de Kerk der twaalfde eeuw, zoo niet: wat moet het doen om daarop weder te gelijken? Immers Melanchton zegt: „Ten aanzien van de opperheerschappij des Pausen zou men gemakkelijk overeenstemmen, wanneer uien maar aangaande de overige punten in orde was.quot; (Resp. ad Bel.)

Gelijkt het Protestantisme op de Kerk der twaalfde eeuw!'

De Gereformeerden van frankrijk hebben reeds in 1775 in hun Memorie aan het gouvernement o. a. het volgend antwoord gegeven. Een geloovig Protestant kan het, dunkt mij, niet zonder ontroering lezen. „Wij

ocr page 752

206

loochenen niet, dat in de vergelijking, die wijquot; (Gereformeerden) „dikwerf tussclien uwe (de Eoomscli Katliolieke) Kerk en de onze maken, de hoofdzaak [les grands traits), ondanks de ingeslopene misbruiken, in uw voordeel uitvalt. Gij waart zeker vóór ons, daar gij opklimt tot de eeuw der Apostelen, en wij daarentegen bestaan nog geen driehonderd jaar, ivijl uwe en onze voorvaderen in 't jaar 1 518 een en dezelfde Mis hijwoonden, gemeenscbappelijk liet paascbfeest vierden en iu een volmaakte eensgezindheid van gevoelens leefden. Nog meer: de keten der overlevering, waarvan Petrus en Paulus den eersten ring aan de Kerk van Rome hehbm vastgehecht, (dont Pierre et Paul 0771 attaché le premier anneau a VEglise de Home) is ouder u (d. i. in uwe Kerk) zoo voortgezet, dat indien Lrenaeus, Gregorius, Cyrillus, Atbauasius, Augustinus en Cliry-sostomus thans op de aarde terugkeerden, zij enkel in de Eoomsche Kerk de maatschappij zouden litrkennen, waarvan zij lede7i tmrere.quot; [Mcmoire adressé au roi Louis XVJ par les Eglises évnnjeliques de France.)

Dit komt hierop neer: lrenaeus, Augustinus enz. enz. zouden uu in de 19a'' eeuw op aarde terugkeerende op de Eoomsch Katholieke en op haar alleen wijzen en zeggen : Ziedaar de Kerk, waarvan wij lid waren; do andere kerken en kerkjes kennen wij niet.

En thans vraag ik aan eiken geloovigen Protestant: Zij a lrenaeus, Gregorius, Cjrillus, Atbauasius, Augustinus, Ohrvsostomus enz. leden geweest van de ware of onware Kerk:* Zegt hij: „Van de warequot;, dan moet hij terug-keeren naar de Eoomsch Katholieke Kerk; zegt bij: „Ik weet het nietquot;, dan is hij volgens Ds. Van dei-Kemp en zijn eigen leer eu voor zijn eigen zaligheid verplicht te onderzoeken; zegt bij: „Die groote heilige mannen waren lid van de onware Kerk'quot;, dan vraag ik:

ocr page 753

207

„Weet gij dat ontwijfelbaar zeher? en lioe zult gij dat ooit bewijzendquot;

En nu weer een vraag, die ik met Grégoire [Histoire des secies religieuses t 2 p. 181) stel: Zouden Luther en Calvijn, indien zij thans op aarde terugkeerden, de kerken herkennen, die zij gesticht of geleerd hebben?

Ik wacht het bescheid niet af. Deze Memorie van 1775 geve het antwoord: „Wij zijn in onze dagen ver van den weg verwijderd, dien onze vaderen ons in het begin van de eeuw gebaand hebben i). Luther en Calvijn tellen ouder ons maar weinige aanhangers. Onze partij, nu in duizend verschillende afdeelingen gekapt (liachc), is volstrekt niet herkenbaar-, onze kinderen zelfs zijn onze tegenstanders. Kwakers, Puriteinen, Weder-doopers, Arminianen, Gomaristen, Unitariërs, Eationa-listen, Supralapsarii, Non-Conformisten, kortom eene menigte sekten, die uit ons midden zijn voortgekomen -), hebben ouder ons zulk eene verwarring gesticht, dat zelfs de menigte van opperhoofden ons hoofdeloos maakt. Wij weten niet meer, bij wien wij behooren noch ouder welke banier wij optrekken. Heden Deïsten, morgen Christenen, belijden wij nu eens den natuurlijken dan weer den geopenbaarden godsdienst. Op den partijgeest, die ons vroeger bezielde, is zulk eene onverschilligheid voor alle partijen gevolgd, dat ik gaarne het Pyrrho-nismusquot; (d. w. z. het stelsel van Pjrrho, volgens hetwelk men aan alles moet twijfelen) „voor het heerschende systeem zou houden; onze geestelijken zeiven geschokt als zij zijn in hun geloof, spreken ons veel minder van leerstukkeu dan van de zedenleer.quot;

!) En thans in 1900 nog veel vorder.

2) En elk jaar komen nieuwe sekten voort uit hot protcstantech beginsel van het vrj'e onderzoek.

ocr page 754

208

Wie liet werk leest van A. H. Lesêtre La Sainte Eglisfi au siècle den a/pótres (Paris Letliielleux 189(5) zal met Emil Lingens S. J. oordeelen: „Selir gut bringt aucli das Sclilnsscapitel dem Leser zum Bewusstsein, wo Leute die Kirche des apostolischen Jalirliuuderts mit ihrem gesammten iuuern und aussern Leben wieder zu linden ist.quot; [Zeitsch. f. kafh. Theol Jg. 20 S. 154—157).

Ook Dr. Bonaventura staaft iu zijn werk Die Organisation der Kirche Jesu Christi wahrend, der ersten zwei Jahrhunderte, dat de Kerk reeds van den beginne af hiërarchiscb eu monarebisch is geweest.

In 't begin dezer eeuw schreef een Protestant iu een brief aan den bibliothecaris Biehler: „Er bestaat onder de Protestanten eigenlijk g'eene Kei-k meer, d. i. eene vereeniging van Christenen, die door hetzelfde geloof en door dezelfde godsdienstige beginselen en heilmiddelen vereenigd zijn, maar een menigte mensc.'ien, van wie vooral onder de beschaafde en geleerde standen het kleinste gedeelte Lnther en Calvijn enz. aanhangt, het (jrootere gedeelte zijne eigene meeningen volgt, hoe valsch en verkeerd zij ook zijn mogen, en dat de Schrift voor een voertuig houdt, waarin men de minder ontwikkelde en nog te bijgeloovige eu afgodische beeldenvereerders wegens de zedenleer moet eivhiillen en het groefste gedeelte de geheele H. Schrift, de openbaring en de leerstellingen van liet Christendom verwerpt en het Deïsme, den halfbroeder van het Atheïsme huldigt.quot;

De Protestant Joh. v. Müller [Sammtl. W. 7 S. 195) zegt: „De zoogenaamde protestantsche Kerk wordt inderdaad meer en meer een echt Babel.quot;

„Alle leeringen, waarin wij Protestanten nog één zijnquot;, zeide de achtenswaardige Protestant Claus Harms (t 1855), kan ik op den nagel van mijn duim schrijven.quot;

ocr page 755

209

De beroemde protestantsclie godgeleerde Marlieineke (t 1846) sclirijft in zijn Symhohk IT, 34 van de Katholieke Kerk: „Wij, die maar buiten staan en enkel historisch van binnen bet wonderbaar gebouw van den grondslag tot zijn toppunt niet al zijne verbindingen en voegen beschouwen, wij bekennen onzerzijds, noch in wijsgeerige noch in anders wetenschappelijke dingen een leerstelsel te hebben opgemerkt, dat na eenmaal gelegden grondslag met zulke vastheid en zekerheid opgetrokken is en welks oj^bouw met zooveel kunst, scherpzinnigheid en consequentie door alle deelen, de kleinste niet uitgezonderd, werd uitgevoerd.quot;

De Protestant Fitz-William legt deze bekentenis af: „Ik kan niet nalaten mijzelven te vragen, of een godsdienst, die zoo blijkbaar en op zulk een duurzame en bewonderenswaardige wijze tot het geluk der mensehen bijdraagt, niet in al hare geboden een goddelijke godsdienst is!' Als ik den ouderdom van deze verhevene Eoomsche Kerk beschouw, hare ontzaglijke uitbreiding, hare majesteit, hare prachtige en evenmatige gebouwen, haar bewonderenswaardige tucht, welke door een bovennatuurlijke wijsheid ontworpen schijnt; de onwrikbare standvastigheid tegenover alle vervolgingen, die zij verduurde, de machteloosheid barer tegenstanders, ondanks hun smaad, gekrijsch en lasteringen; wanneer ik de waardigheid, het karakter, de deugden, de talenten barer verdedigers zie, de ondeugden, het armzalig geloof barer eerste bestokers; het verdwijnen van zoovele sekten, die zich tegen haar verhieven, hoe kort van duur en hoe verschillend in geloofsleer de sekten van dit oogenblik zijn, zoodat als iemand zich bij een dezer sekten aansluit, hij die sekte gemakkelijk kan overleven en zóó in do treurige schande komen, zich in de armen eener

ocr page 756

210

nieuwe sekte te moeten werpen, — hoezeer sta ik dan niet verbaasd! [Briefe des Atticus, oder Betrachtungen ïiber Religion iind Proiestant.ism us, von einem englischen Protestanten blz. 52 seq.)

Brunetière, hoofdredacteur van de Revue des deux Mondes, zeide in zijn rede voor den Oercle de Thomas d'Aquin in 1900 gehouden: „Hoe ernstiger ik mij in do studie verdiepte des te duidelijker werd mij alles, en hoe ouder ik werd, des te grondiger leerde ik de fouten kennen van den tegenwoordigen tijd, des te sterker gevoelde ik mij tot het Katholicisme g-etrokken. Ik verblijd er mij over, dat deze omwenteling vier jaar geleden te Besancon in mij is begonnen en dat zij thans te Besanyon in mij wordt voltooid.quot;

De groote bisschop van Hippo, Augustin as (De Paus III blz. 122) schrijft deze behartenswaardige woorden, die ik aan alle geloovige Protestanten ter bepeinzing geef: „Mij houdt in den schoot der Kerk de overeenstemming der volken en geslachten; mij houdt daarin het gezag door wonderen begonnen, door de hoop gevoed, dooide liefde vermeerderd, door de oudheid bevestigd; mij houdt daarin de opvolging der priesters tot op het huidig episcopaat sedert den Stoel zelf van Petrus den Apostel, aan wien de Heer na zijne verrijzenis beval zijne schapen te weiden; mij houdt daarin eindelijk de naam zelf van Katholiek, welken naam aldus deze Kerk alleen onder vele ketterijen niet zonder (strijd) grond verkregen heeft.... Deze vele en hechte allerdierbaarste banden van den naam Christen houden te recht den geloovige in de Katholieke Kerk.quot; [Epist. Fundam. IV, 3 1).

1

) Om to doun ziou, dat ik juist vertaald heb geef ik don oorspronkolijkon tekst. „Tonet me in eius (ecclesiae) gremio con-sensio popalorum atque gentium; tenet auctoritas miraculis

ocr page 757

211

De Protestant Jeremy Taylor (t 1667) vice-kanselier der lioogescliool te Dublin, die volgens Wigand „den roep naliet van beroemd godgeleerde, vurig redenaar, uitmuntend sclirijver eu vroom Christenquot; schrijft: „De Katholieken weten, dat hun godsdienst die hunner voorvaderen is geweest, en dat groote geesten dien godsdienst beleden hebben, alvorens het Protestantisme genoemd werd. Ten eerste was hun leer gedurende langen tijd de heerschende in de Kerk, en men kon daarom niet gemakkelijk aannemen, dat de tegenwoordige belijders van die leer ze hadden uitgevonden, wijl zij ze van zoovele eeuwen her ontvangen hadden. Deze lange verjaring der E. Kath. Kerk spreekt zóó in haar voordeel, dat men haar met bewijsgronden niet bereiken (beikommen) kan, wijl zij hierop steunt, dat de waarheid ouder is dan de leugen, en dat God zijne Kerk niet zoovele eeuwen door verlaten kon en in dwaling doen vallen. Daarbij komen de glans en de schoonheid dezer Kerk, hare prachtige eeredienst, liet statige en waardige van hare hiërarchie, haar naam Katholiek, de oudheid harer leer, de onafgebroken reeks barer bisschoppen en hare onmiddellijke afstamming van de Apostelen. Men voege daarbij de menigte en talrijkheid harer belijders, de overeenstemming met vroegere eeuwen, hare onderlinge eenheid in tegenstelling met de tweedracht, die

inchoata, fcpa nutrita, caritato aucta, vetustate firmato; tor,ot ab ipsa sodo Petri Apostoli, cui pascondas oves suas post rosarrecti-onem Dominus commondavit, asque ad praesentom episcopatum successio saceniotum; tenet postremum ipsum catholicao noman, quod non sine causa inter tam multas haereses sic ista ooolesia sola obtinuit.... Ista ergo tot et tanta nominib Ohristiani caris-sima vincula rccte hominem tenont crfdentem in catbolica ecclesia.quot;

ocr page 758

212

onder liare tegenstanders lieerselit. Men rekene verder daarbij haar geluk, het werktuig ter bekeering van verscheidene volkeren te zijn, — de vroomheid en strengheid barer religieuze orden, — den ongehuwden staat barer priesters en bisschoppen, — de strengheid barer vasten, — den hoogen roem barer bisschoppen om hun geloof en hunne heiligheid, —• de bekende heiligheid van eenige barer ordestichters, — hare wonderen, — de ongelukken, waarmede bare tegenstanders getroffen werden en het verkeerd gedrag en slechte voorbeeld van menigeen die van baar was afgevallen.quot; {Maguires and Popes Discussion X. Y. and Boston 1846 p. 133, 134; Christ, ader Antichrist S. 395 n0. 11.)

In het testament van een Protestant aan zijne hinderen door een vriend van dien schrijver, Dr. F. Hettinger, in 1884 uitgegeven onder den titel: Warum ich die römische Kirche Heb habe lezen wij: „Evenals de tegenwoordige Paus zijn voorganger noemen kan, zoo deze den zijne en elke Paus opwaarts tot aan Petrus. Deze volgreeks van 258 Pausen, onder wie 27 den marteldood stierven, verbindt den tegenwoordigen tijd met de dagen des Heeren en sluit de gedachte uit, dat de Kerk ooit het zuivere Evangelie kan verloren hebben. Immers iedere Paus zweert bij het aanvaarden van zijn ambt, vast te zullen houden aan den overgeleverden geloofsregel en elke nieuwigheid af te weren. Men kan dan ook van geen Paus bewijzen, dat hij eenige vervalsching omtrent het geloof in de Kerk heeft ingevoerd. Wanneer een leerstuk zijn vroegere onbepaaldheid ontnomen werd en het wat scherper werd omlijnd, waren bet niet zoozeer de Pausen als de Concilies, die dat deden; dezen echter vertegenwoordigen de gezamenlijke overtuiging der Kerk. Bedenkt gij daarbij, dat Christus aan Petrus en in hem

ocr page 759

213

aan diens opvolgers de belofte gaf: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (bezwijke Lnc. 22 : 32), dat de Kerk op Petrus gevestigd aan de bel bet boofd zon bieden, dat Cbristns bij de Apostelen en bunne opvolgers immer zijn zal tot aan bet einde der wereld, dan moet elke twijfel verdwijnen, of de Roomsche Kerk ooit van 't geloof is afgevallen.quot;

Uit ongeloovigen mond bebben wij een nieuwe bevestiging van de eeuwenoude belofte des Heeren: De poorten der hel zullen haar niet overweldigen in deze bekentenis van den engelscbeu wijsgeer W. H. Mallock, die bij na jarenlange studie nog in 1899 in bet tijdscbrift Ninetheenth Century herbaalde: „Zoo vormt dan de Eoomsebe Kerk een compact gebeel, als een zichtbaar en aardscb licbaam, met eene gescbiedenis in bet verleden en in de toekomst. Haar grondslag zit zóó vast ineen, dat geen van baar moderne vijanden vat op baar beeft en baar met de werktuigen der critiek kan uiteenslaan.quot; (De Katholiek D. 101 blz. 109; Het Centrum 4 Dec. 1899.)

Bij die getuigen, die ik in Be Paus I, II, III, IV aanhaalde, sluit ik mij aan met een rustig en blij gemoed.

„Gelijk bij God in 't werk bestormt,

Die 't welgeschapen lijf hervormt,

Zoo gaat bet ook met elk vernuft, Dat eigenwijs en waanwijs suft.

En, ziende door een valsche bril Tiet oud geloof hervormen wil.

Dat kenbaar is door merk hij merk;

Wie dit hervormt, misvormt de Kerk.quot;

Zoo spreekt Vondel, een genie en een bekeerling, treffend juist.

de Patjs IV. 14

ocr page 760

214

Ik houd liet ook met hem, waar hij in De Heerlijkheid der Kerke zingt:

„Waar wordt het heilig blad Getrouwer voortgereikt, en netter zonder klad, Ontvouwen en bewaard dan bij de rechte moeder En oudste moederkerk? Waar rust haar eerste hoeder De hoofdapostel en gekruiste martelaar Dan in haar zachten schoot en onder 't Eoomsche altaar?quot;

Ds. A. V. schrijft op blz. 93: „Het is toch eigenaardig dat, hoewel gij het protestantsch beginselquot; (van 't vrije onderzoek) „zoo afkeurt, en de Protestanten in zulk een vrijheid om aan te nemen of te verwerpen leven, er, over het geheel genomen, bij de Protestanten zooveel hoogachting voor den Bijbel is, zooveel ijver om er allen mede bekend te maken, en zooveel erkentenis van de waarheid der Openbaring.quot;

Voor 't oogenblik geef ik dit antwoord: 1. Verreweg de meeste verdedigers van den Bijbel tegen de moderne bijbelvreters zijn Eoomsch Katholieke geleerden; 2. uit neer vele gedrukte getuigenissen van Protestanten heb ik in De Katholiek (D. 116 blz. 248—263) bewezen, dat „over het geheel genomen, bij de Protestantenquot; groote minachting is voor den Bijbel; die getuigenissen liggen op mijn lessenaar. En om reeds terstond eenigszins aan te toonen, dat Ds. A. V. hier „zijne voeten niet op een los geruchtquot; behoeft te zetten, schrijf ik eenige zinnetjes over uit De Hollander vau Augustus 1896. Hij leze ze met aandacht. „Een goed Protestant protesteert; ja, maar op den grondslag van Gods Woord, dat voor hem de Bots is. Maar dien grondslag hebben zij, die zich bij voorkeur Protestanten noemenquot; (en verreweg

ocr page 761

215

liet grootste getal uitmaken) „losgelaten. Remonstranten, Doopsgezinden, Groningers, etliischen en wie al meer plaatsten zicli tegenover of boven Gods Woord, gingen protesteeren niet tegen leeringen, welke met de Schrift niet overeenkwamen, maar tegen het Woord zelf. Schrift-verdraaiing en Schrift-critiek kwamen aan de orde van den dag. Bladzijden, hoofdstukken, heele boeken werden uit den Bijbel geaclieurd.

Zoo protesteerde men en protesteert men nog.quot;

Waar is bier de hoogachting voor den Bijhei, waar de ijver om er allen mede hekend te maken?

Ds. A. V. zal zeq'Q'en: Die Eemonstranten enz. ver-

O O

dienen den naam niet van goed Protestant, maar ik vraag: zijn zij Katholiek of Protestant? Huldigen zij het katholiek beginsel of het protestantsche ?

Dr. C. P. Tiele bekent in (Jesah. van de godsdiensten: „De Boomsch Katholieke Kerk.... werd de tucht-meesteres der nog ruwe volken van het Noorden, bewaarster nog meer dan verbreidster van de schatten, die zij van de Ouden en van Jezus ontving.quot; {Gesch. van de godsdiensten.)

Zeg „bewaarsterquot; en „verbreidsterquot;, zet in plaats van „de Oudenquot; de duidelijke woorden leeraars en vromen aller christelijke eeuwen en onderstreep den zoeten naam Jezus dan hebt gij de goddelijkheid van het primaatschap en de onfeilbare Kerk van Christus. Dan kunt gij met Vondel „de heerlijkheid der Kerkquot; bezingen:

„'t Geloof van Eoine heeft, gelijk de zon, geschenen De wijde wereld door; het mag zijn naam dan leenen Uit d' eerste stad, den stoel van Christus' eeuwig rijk. En dragen onbestraft den naam van Katholijk. Wie twijfelt, vrage om raad den mond der oude vadren. Die paren 't Katholiek en Boomsch in hunne bladren.quot;

ocr page 762

216

Pn pias van Hi erapolis (90—163), „leerling van Joannes en vriend van Poly carpusquot; (Iren. Adv. llaer. 5, 33, 4; Mi O-tip P. Gr. 7, 1214) zegt in een fragment, door Ensebins (H. E. 3, 39, 4) bewaard, dat „hetgeen uit de boeken te leeren is (r-). iz rwv (lip/My) minder nuttig is dan hetgeen ontleend wordt uit de levende en blijvende stem (ra nxpy. tpwr.q y.xl fj,s.vs6crrig).quot;

Ziedaar het katholiek beginsel: Schriftuur en Overlevering.

Irenaeus zet, alsof hij het Protestantisme reeds bij voorbaat wilde weerleggen, de vraag op: „Wat echter, indien de Apostelen ons eens geen geschriften hadden nagelaten ? Zou men dan niet den regel der Overlevering moeten volgen, die zij hebben overgeleverd aan hen, die ze aan de Kerk toevertrouwden ? Dezen regel volgen vele onbeschaafde volken, die in Christus gelooven, zonder papier en inkt, daar zij het heil, door den H. Geest-in 't hart geschreven, bezitten en de oude overlevering zorgvuldig bewaren.quot; {Adv. haer. 3, 4, 2; Migne P. G. 7, 855.) Enkel daar, „waar de goddelijke charismata in bewaring zijn gegevenquot; d. i. bij hen, „die de apostolische opvolging bezittenquot;, zijn „waar geloof en veilige schriftverklaring te vindenquot;, (Adv. haer. 4, 26, 4; Migne P. G. 7, 1056) dus in de lioomsch Katholiek e K e r k.

Met den H. Basilius (f 379) stem ik in: „Ik houd het voor apostolisch, ook aan de niet in de Schrift staande overleveringen vast te houden.quot; {De Spirit. 8. 29, 71; Migne P. G. 32, 200.)

Reeds Tertullianus heeft het Protestantisme te niet gedaan door deze woorden: „Niet op de Schrift moet men zich beroepen, niet daar den strijd verplaatsen; want daar is geen overwinning of een onzekere of beide

ocr page 763

217

zijn onzeker. Immers wanneer ook liet gebruik van de Schrift niet er toe leidt beide partijen gelijk te stellen, zoo vordert reeds de orde der dingen, dat ons de vraagquot;, die ons nu bezig houdt, eerst wordt voorgelegd: Aan wien behoort liet geloof zelf!' Aan wien behooren de Schriften? Van wien en door wien en welke is de geloofsleer, waardoor wij Christenen zijn, overgeleverd? Waar de waarheid der leer en van 't christelijk geloof is, daar is ook de waarheid van de Schrift en van hare uitlegging en aller christel ij ke overleveringenquot; [De praeacript 19; Migne P. L. 2, 31).

En de groote Augustinus heeft het beroemde woord gesproken: „Ik zou het Evangelie niet gelooven, indien mij het gezag van de Katholieke Kerk niet bewoog' Contr. ep. Manieh. 5; Migne P. L. 42, 17(5).

En de Lutheraan Kalmis schrijft in zijn Lutherische Do/jmatik (II 1 Auü. Leipzig 1864): „Von der alleinigen Autoritat der heiligen Schrift uuews die al te Kirche nicht»-, in dem apostolischen und nachapostolischen Zeitalter war es das traditionelle Wort, welches die Gemeinden so gründete als in F/inheit erhielt.... Die Autoritat der Schrift ruhte au f der Autoritat der Kirch e ....; die Kirche war es, die den Einzeluen die Schrift als ihr heiliges Buch übergab, ihr Grlaube und Leben war die factische Auslegung der Schrift; die Bedeutung der Schrift als Bichtmass des Glaubens setzte ehen den Kirchenglauben voraus.quot;

Ik vertaal deze plaats, wijl zij het doodvonnis blijkt te zijn van het protestantsch beginsel door Ds. A. V. op blz. (55 opgezet: „Alleen in het geschrevene hebben wij vastheid en een rechten toetssteen.quot;

Ziehier het doodvonnis: „Van het uitsluitend gezag der

ocr page 764

218

H. Schrift weet de oude Kerlc niets-, in liet apostolisch eu nachapostolisch tijdvak was liet traditioneele woordquot; (d. w. z. de Overlevering-), „dat de gemeente zoowel vestigde als ia eenheid bewaarde.... Het gezag der Schrift steunde op het gezag der Kerk....; de Kerk was het, die aan elk afzonderlijk de Schrift als haar heilig boek overgaf, haar geloof en leven was de feitelijke uitlegging der Schrift; de beteekenis der Schrift ah richtsnoer van 't geloof vooronderstelde het geloof aan de Kerk.quot;

En nu herhaal ik: „Van het uitsluitend gezag der H. Schrift weet de oude Kerk nietsquot;, maar de protes-tantsche Kerk zegt: „Enkel de Schrift is regel voor ons geloof en levenquot; of m. a. w.: „Van het uitsluitend gezag der H. Schrift weet de protestantsche Kerk welquot;, bijgevolg is zij niet de oude Kerk en daarom onwaar en uit den booze.

Of nog anders: in de oude Kerk (ten tijde dei-Apostelen en daarna) „steunde het gezag dei-Schrift op het gezag der Kerkquot;, in de protestantsche Kerk, die in de 16'1quot; eeuw verscheen, steunt het gezag der Schrift niet op het gezag der Kerk, derhalve is de protestantsche Kerk afgeweken van de oude Kerk en dus de ware Kerk niet, indien ten minste de oude Kerk der Apostelen (en nog later) de ware Kerk was.

De protestantsche Kerk staat dus op „Geen steenrots maar zandgrondquot; en is „eene hoogst gevaarlijks vergissingquot;

Nicolaas Wiseman verhaalt in een zijner beroemde conferenties aangaande den dichter en geschiedschrijver Fried rich Leopold, graf zu Stolberg, die in 1800 katholiek werd, het volgende: „Den eersten keer, dat hij na zijne bekeering aan het Hof verscheen, dnwde de vorst

ocr page 765

2)9

hem deze woorden toe: „Stolberg, ik kan een man die deu godsdienst zijner vaderen vaarvvelzegt, niet achten.quot;

— „Ik ook niet, Sirequot;, luidde het antwoord, „want hadden mijne voorouders den godsdienst hunner vaderen niet vaarwelgezegd, dan zouden zij mij de moeite niet veroorzaakt hebben, tot dien godsdienst terug te keeren.quot;

Dr. Arthur Hager keerde terug in den schoot dei-Katholieke Kerk. Mijne familie zegt hij, te beginnen met mijn vader, die in 1841 gestorven is tot Sebastiaan II, overleden in 1589, waren Protestant, maar mijn voorouders, de baronnen Sebastiaan 1 (f 1565), Sigismond (f 1521), Thomas (t 1450), Wuifing (f 1419), Vitus (t 1400), jSTicolaus (t 1350), Conradus (f 1306) enz. waren Roomsch Katholiek. Ik keer tot hun geloof terug.

In de Revue des Deux Mondes van 1 Juli 1895 blz. 171 las ik in een artikel van Pierre Mille, getiteld: Les aven-tures d'une ame en peine (Mrs. Annie Besant g boren Wood) de volgende treffende regels : . . . . „Den volgenden morgen trad ik een kerk binnen. Zij heet Saint-Germain-des-Prés; een priester zong daar de hoogmis. Bij droeg den kelk op en bad, Veni Sanctificator omnipotens, aeterne Deus, kom almachtige, heiligmaker, eeuwige God! en de gedachte kwam bij mij op en overmeesterde mij, dat zes eeuwen te voren in deze zelfde kerk een priester, bekleed met een dergelijk gewaad, dragende den amict, de albe, liet koorhemd en de stool, dezelfde woorden, met hetzelfde gebaar in dezelfde taal had uitgesproken,

— dat niets in dit opgedragen offer, veranderd was, terwijl alles veranderde, — dat om de stelling en de denkbeelden omtrent ons eigen wezen en ons doel te bezitten en om een stemming van geest en gemoed terug te vinden, die mijne vergetene voorouders, zeshonderd jaar geleden op deze zelfde plaats gekend hebben.

ocr page 766

220

ik niets anders te doen had dan te luisteren naar en eenvoudig- te antwoorden op de liturgische g-ezangen, zooals mijne voorouders zelven gedaan hebben.quot;

Welken Katholiek stijgt bij het lezen dezer regels niet de bede van den beroemden bekeerling John Henrv Newman uit het hart: .,0 Heer Jezus Christus.... breng- allen tot die ééne gemeenschap, die Gij in den beginne hebt gesticht, de Eéne, Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk. Leer aan allen, dat de zetel van den H. Petrus, de Kerk van Rome, de stichting', het middelpunt en het werktuig der eenheid is. Open hunne harten voor de langvergeten waarheid, dat onze H. Vader de Paus, uw Stedehouder en Plaatsvervanger isquot;! (Zie het keurig boekje: Gebeden en overwegingen naar het Engelsch van Kard. Newman door M. v. B. Leiden J. W. Van Leeuwen Maarsmanssteeg blz. 150.)

Moge mijn bescheiden arbeid De Paus iets bijdragen om velen te hereenigen met de aloude Moederkerk, dan juicht mijn hart en dankt het vurig mijn Grod en Zaligmaker Jezus Christus, die Petrus-Leo tot zichtbaar hoofd zijner ééne Kerk heeft aangesteld, den Paus, van wien Luther den 3 Maart 1519 schreef: „de stem des Pausen is de stem van Christusquot;. {De potest, paf.)

.■k.

Met goedvinden der Overheid.

ocr page 767

INHOUDSOPGAVE

OMTRENT PERSONEN EN Z A K E N.

N.B. De Romeinsche cijfers duiden het deel, de Arabische de bladzijden aan.

A.

Abaelard III 14. 16-20.

Abraham en Petrus I 41.

Acacius III 97.

Acta PatUi IV 175.

Acta Petri IV 172.

Addison II 22.

Adoptianeu III 41.

Agapetus (Pans) III 82. 84. Agatho (Palis) lil 64.

Agobard van Lyon 111 40. Agricola I 96.

J. A. Alberd. Thym (aan Jhr. Hartsen) II 139-144.

(over den Pans) II 146. Albigenzen III 12-15.

Alcninus III 44-46.

Dc Alcatoribus III 161.

Alexander IV (Paus) 11 203.

V! (Pans) II 205. 207. 212. VI (Paus en Savonarola) II 50-54-

Alexander van Konstantinopel HI 189.

Alfred de Groote 111 32.

Allen I 7S.

Mr. Allies (bekeerling) 11] 127-145

IV 124.

Aloysius 1 82.

Amalrich van Chartres II 69.

Amandus III 64.

AmbrosiusIII 165-169 IV i6r. [93.

Amerbach I 94.

Anastasius I (Paus) III 162. II (Paus) III 93.

Anicetus (Paus) IV 168. 170. 173.

Anatolins van Konstantinopel III 105.

Angelus 1 103.

Anger 1 ri2.

Anselmus van Canterbury III 21.

Anthiinus III 83.

Antichrist I 51. 60 63. II 25. 59. io7- 'ÓS- 201 quot;I r47- '^o.

Antiochië (Kerk van) III 193 IV 70. 165.

Antoninus II 35.

(over slechte Pausen) 11 2 To.

Apostelen (onfeilbaar) I 26.

(opvolgers der) II 82-98.

Archeologie (christelijke) IV 158-161.

Arianen II 188.

Arles (synode van) ill 189.

I)s. A. Arndt (bekeerling) I 67.

Artemonitische Christus-loochenaars 1V 168.

Asterius III 139.

Athanasius III 179.


ocr page 768

222

Augsburgsche confessie IV ig. Augustinus van Canterbury III 45- 158.

— v. Hippo UT 122-126IV 2 ty.

— (over de R. K. Kerk) IV 210. Aurelius Prudentius III 13S. Avila 1 So.

Avitus van Vienne III 86-88.

B.

Babylon IV 184-189.

Barsumas III 97.

Bartholonieus (Broeder) II 71. Basilius de Groote III 175-177.

(en pastoor 1'. J. Van Harderwijk) III 192-195. Basnage IV 142.

Baunigarten (over Janssen : Gcsch.

'if. d. Volk.) II 25.

Banr I V 133.

Bebel IV 142.

F. Becker (over Galilei) II 195. Beda 111 59-61.

Beeldenvereering III 57. 157. Bekeerlingen (uit de dagen der Hervorming) I 90-100.

— (uit de I7|il! eeuw; 1 100-108.

— (uit de 1911 ■ eeuw) I 108-112.

Belijdenis (van Petrus) 1 43.

— (van Dr. Bronsveld) II 166. Bellarminus I 81.

(over Galilei) II 193. Benedictus III (Paus) III 39.

XI (Paus) II 62.

XII (Paus) II 61. Benedictus van Aniane III 41. Bensdorp (en Bolland) II 182. Bernard (Claude) I 79. Bernardinus van Siena (over

slechte geestelijken II 211. (over den Paus) II 39-41. (over de Biecht) II 41. Bernardus van Clairveaux III 12-

16 IV 205.

Berthold van Chiemsee I 47. Bertholdt IV 142.

Bertius 1 106.

Bessarion 1! 3 ].

Beyschlag (over den Paus) I 35-37.

— (over bisschoppen) II 96.

— (over Protestantisme) II 97.

— (en Dr. Einig) IV 153. Biecht II 41 III 51. 101.

— (door wie veracht?) II 71. Billican I 93.

Bisschop (wat is een) 11 96 IV 22-24. 26-28.

— (en Ouderling) IV 21. 67. 89. 109-116.

(van Apostolische!! oor-sprong) IV 72. 108-114. (en Ignatius van Antiochië) I V 86. 89-91.

Bisschoppen (besturen de Kerk,

hoe) II 92-96.

Bleek IV 133.

Blondel lil 108 IV 141.

Bolland (en Augustinus) lil 125 IV 192.

(en «geniepige verval-sching ) IV 41-44. (en Hurter vS.J.) IV 41. (en Jezuïetische erbarmelijkheid» ) J V 78.

(en de Kerk van Rome) IV 102.

(en Minerva) IV 41.

— (en Onbevlekte Ontvangenis) 11 182.

— (en Tertullianus) IV 162.

— (en tirannie) IV 41.

— (en vrijheid van denken 1 IV 41.

— (en Irenaeus' IV 170.

— (en Ignatius v. Antiochië) IV 174.

— (en Holshausen) IV 167. Bonifatius 1 (Paus) lil 126.

— Ill (Paus) III 74. IV (Paus) III 71.

Bonifatius (Apostel) lil 48-52.

Borromeus I 82.

Bouix III 174.

Bower lil 136.

W. a Brakel I 51.

(over slechte dominees) II 21 1.


ocr page 769

223

W. a Brakel (over sleutelmachtl

II 212.

— (over zending) II 82. Bramhall IV 155.

Dr. J. ten Brii-k (over Middeleeuwen) II 17.

Broeders en Zusters van den -vrijen

Geest II 69. 71. Dr. G. Brom (over Geert Groote) n 73-

— (over Willibrord; III 57-59. Dr. Bronsveld (over protestant-

sche onkunde) 11 166.

— (en Kerkvervolgers) III 91. (over Leo 1 en Gregorius I)

III 150. 159.

Ds. Van der Brugghen 11 97. Brugman II 31.

Brunetière (over Protestantisme) II r 28.

— (bekeerd) IV 210.

Bucer IV 153.

C.

Caerularius 111 28.

Caesarius van Aries 111 80-82.

Cams IV 164-167.

Calvijn (over Petrus) IF 115 IV 152.

— (onverdraagzaam) 11 78.80. 119.

— ; laatste afstammeling bekeerd) II 107.

— (en Kerkvaders) IV 46-48. Calvisius IV 141.

Canisius I 74-76.

Canossa III 24.

Capito II 149.

Capranica 11 35

Carthago (synode van) 111 136. Cassianus III 114.

Cassiodorus III 77.

Catalogus Liberianus IV 168. Catechismus (in Middeleeuwen)

II 18.

Cave IN' 142.

Centuriatoren I! 198 IV 140. Chamier IV 141.

Childebert III 81. Christelijk-Historici II 17. 199

III 91 IV 125-132, 14S. Chrysologus III 112.

Clemens I (en de echtheid van zijn brief) IV 100.

— (over gezag in cle Keik)

IV 104-108.

— (onderscheidt priesters on leeken) IV 105-116.

— (over Petrus te Rome) IV 175-177-

— VI (Paus) II 6 r.

— van Alexandrië IV 163. Clementhien IV 174.

Cleresy (bisschoppelijke) IV 2S-34. Cobbett (over Petrus) II 116 IV 155-

Coelestinus I (Paus) III 118.

— V (Paus) II 63.

Colman III 62.

Colin IV 143.

Columba III 63.

Columbanns III 71-74.

Concilie van Aquileja III 174.

Chalcedon II 1S8 III 10.;. 108.

Constanz 11 44. 77.

Ephese II 188 III 12T. Florence II 42. Konstantinopel III 64. Lateranen III 20.

Lyon 11 63.

Nicea II 188.

Orleans III 79. 82.

Tours III 78.

(Vaticaansch) 11 190. Concilies (en pastoor Van Vlooten) IV 33-

(waartoe dienen de) II 78. Copernicus II 192.

Cornelius (Paus) 111 201.

Co well (over Petrus) II 112.

(over den Paus) II 149. Cox IV 143.

Credner 1V 133.

Critiek (protestantsche; IV 53.

76-82. 125-132. 144. 140-151-Crotus 1 92.

Cruciger I 95.

Cummian i 11 70.

de Cusa 11 38.


ocr page 770

224

Cyprianus (over bisschoppen) IV 22-24.

— (over eenheid der Kerk) IV 34-4 r. 44. 48-51.

(en P. J. Van Harderwijk) IV 24-34.

— (over hiërarchie) IV 53-56.

— (en Hugo de Groot) IV 47.

— (en het primaatschap) IV 21. 52-63.

— (en Moll) IV 54. 55.

— (en Neander) IV 53.

— (en Pans Stephanus) IV 57-66.

— (en Stoel van Petrus) IV 52. 161.

— (en Ds. A. Veenhuysen) IV 45-56.

Cyrillus van Alexandria II 6 111 116.

D.

Damasus I (Paus) 111 169-172

IV i6u David van Augsburg II 73. Dieckhoff III 7.

Dionysius (Paus) 111 19S.

— van Alexandrië III 199.

— van Corintlie IV 149. 174.

— Exiguus III 93.

— de Kartuizer 11 33. Dioscorus III 102. 106.

Disraëli over de R. K. Kerk

IV 197.

Döllinger (over Petrus) 11 114 IV 190.

— (over den Paus) II 147.

— IV 146.

Dominees (moderne) 1 53.

— (en Roorasche geestelijken) 11 20.

— (van waar komen zij ?) 11 S3. Donatisten 111 190.

Ds. Donner II 7.

— (tegen Ds. A. Veenhuysen)

311 153-

Doop (door ketters) IV 59-66. Dorotheus van Tyrus IV 161. Dracontius III 10S.

Dumoulin III igi.

Dunstan III 31.

E.

Eadwin 111 68.

Eduard de Belijder III 28. Eenheid (in 't Protestantisme) 11 129.

— der Kerk (waardoor?) Ill 60. 169.

TV 34-41- 44. 48-51. 103. Dr. Einig (en Prof. Langen) III 130.

— (en Be3-schlag) IV 153. Elentherus (Paus) IV ]68. Encycliek uRerum Novamvf II

191.

Engeland (in de Middeleeuwen)

II 58.

— (en Petrus) lil 28. (en Rome) lil 158.'

Ennodius van Pavia IV 159. Ephraïm de Svriër 111 177-179

IV 185. '

Epiphanius III 143.

Dr. Ernst (over Cyprianus) IV

59-66.

Esser IV [48.

Estius (over Petrus te Rome)

IV [85.

Eucherius van Lyon lil ui. Eugenius III (Paus) III n. 15. Eulogius van Alexandrië 1II 74. Euphemia 111 104.

Eusebius van Cesarea IV 164.

— van Vercella 111 181. Eustratius III 79.

Eutyches III 79. 112. 137. Eutychianen II 188 111 98. Eutychius van Konstantinopel

III 79-

Evangelische Raden III 8.

F.

Fabricius (over Petrus) II 116

IV 140.

Eaustus van Riez lil 90.

Felix I (Paus) III 196-198.


ocr page 771

225

Felix lil (Paus) I IT 97.

Ferraudus III r 14- J16.

Fillastre J1 44.

Cuno l''isclier over de R. K. Kerk IV 197.

Fitz. William (over de R. K. Kerk)

IV 209.

Fitzralph II 61.

Flavianus van Konstantinopel III

113-

Forbes I 99.

Forbesius II 113.

Frauciscus Borgia I 82.

— Caraccioli I 85.

van Sales I 86-88.

— van Sales (over Matth. 16 : 18) II 114.

— Xaverius I 83.

Frommann (over onfeilbaarlieid)

II 191.

Fröreisen II 148.

Fruin II 195.

Fulco van Rheims 111 32.

G.

Galilei II 191-195.

Gallicanisnie 11 167.

Gallic III 42. 81. 84. 164.

Garcia Enriquez II 39.

Geert Groote II 70-73. Geestelijken (R. Kath. en dominees) II 20.

Ds. Geffken (over Middeleeuwen) II 18.

Geiler von Kaysersberg (over de

H. Schrift) II 29.

Gelasius I (Paus) 111 93.

Geloof (vervolging) II 78-81. von Gentz (en kerkelijk gezag) II 118.

Georgius van Trebizonde II 29.

Gerlaclier I 93.

Gerson JI 46-49.

Gewalthaber 1 45.

Gezag (en heerschzucht) I 48.

— (in de Kerk) 11 87. 117-144 IV 104-10S.

— (en Dc Standaard) III 24.

— (onfeilbaar) II 142.

Gezangen-haters (bij de Protestanten) II 125.

Ds. Gezelle Meerburg (over de

H. Schrift) I 54.

Gibbon 111 191.

Gieseler IV 146.

Gietl IV 157.

Gnostieken IV 66.

Gothein (over de R. Kath. Kerk)

II 212.

Gottschalk 111 38.

Gregorius 1 (Paus) II 201.

— (Paus en Ds. A. Veenhuy-sen) III 146-160.

— II (Paus) III 48.

III (Paus) III 49. VII (Paus) III 23-26.

(Paus en romanschrijvers) II 196.

— (Paus en de Evang. Maatschappij) II 202.

X (Paus) II 63.

Gregorius van Tours III 77.

van Utrecht III 54. Gregorovius II 45 IV 178.

— (beoordeeld) IV 155-157. Ds. Gronemeyer (en de H. Schrift)

II 10-12.

de Groot O. P. II 201 III 25.

171 IV 136. 148.

Guizot (over priesterstand) II 131. Dr. J. H. Gunning Hzn. (over

Pausen) II 22.

Prof. J. 11. Gunning (en de Paus)

IV 194.

H.

Hadriaan I (Paus) III 47.

— II (Paus) JU 37.

— Ill (Paus) II 203.

— VI (Paus) II 204.

Prof. Hagemann IV 79.

Hager IV 219.

Hammond IV 141.

Haner I 91.

P. J. Van Harderwijk (en Cy-prianus) IV 24-34. 57.

— (en Irenaeus) IV 78. Harms (over Protestantisme) IV

20S.


ocr page 772

226

Hrrnack (en Van Manen) IV 84. i over Clemens I) IV r 18. (tegen Bauer) IV 146. [de alcatoribus) III 161. Ven Hartmann (en pausel. 011-

feilb.) II igi.

K; rl. von Hase (over Petrus) 11

I 15 IV 165.

(oneerlijk) II, 1S5.

(en 't ongeschreven woord) III 124. '

H.-iuck 111 80 IV 155.

H 'adlam I\' 1S1.

Hcgesippus IV 168.

H..'ksen II 79. 80.

H nninerlin II 35.

Hendrik IV (en Canossa) III 24. Honri de Valois IV 147. D.- Heraut (over de lö'lo eeuw)

II 19.

Herder (over den Paus) II 23. H-rmas [Pastor) M 207. Hervorming (bekeerlingen uit de dagen der) I 90-100.

— (voorloopers der) II 29. 33. 44- 53- 55-

— (A. Kin-per over de) II 13.

— (zondig of niet?) I 19.

— (en de H. Schrift) III 145. Hi-rzog III 8.

H:'sse IV 131.

Hiërarchie II 132 III 151 IV 208.

— (en Cyprianus) IV 53-56.

— (en Irenaeus) IV 89.

— (door Christus gewild) IV 105-109.

Heronymus 111 128-131.

H larius van Poitiers III 182. Hdarns (Paus) 111 99.

H'ldebert van Lavardin III 21. H'ldebrand (zie Gregorius VII). H Idibald van Keulen 111 44. H Igenfeld IV 178.

H nkmar van Rlieims 111 35. Hlppolytus 111 200 I \' 167. Von Hoensbroech (over't primaatschap) IV tl. 22. 97. 131.

— IV 144.

(over Ignatius v. Ant.) IV 93-

Honorius I (Paus) 111 67. Honorius van Autun III 23. Hoogmoed (oorzaak van scheuring) IV 103.

Hormisdas (Paus) 111 85. 88. Hosius III 18S.

Httbler (over den Paus) II 150. Huck 111 8. 9.

Hugo de Groot (over den Paus) I 116; II 147.

(over kerkvaders) II 148. (over Cyprianus) IV 47. I V 140.

van St. Victor III 23. Humiliaten (zie Waldenzen). Hundhausen IV 1S3. 189.

Hurter (bekeerling) II 64.

Hus II 74-77.

Husieten II 37. 44.

Huxley (over dominees) 11 20. Hyginus (Paus) 111 207.

I.

Ierland (en de Paus) III 71. 95-97. Ignatius van Antiochi(echtheid zijner brieven) IV 84.

— (wederlegt het Protestantisme) IV 85-90.

— (en de H. Schrift) IV 87-92.

— (en bisschop) IV 85. 89-91.

— (en de Kerk van Rome) IV

93-96-

— (en Moll) IV 95.

— (en Ds. A. V.) IV 173.

— van Konstantinopel III 32. Innocentius I (Paus) 111 78. 132-

137- 143-

— 11 (Paus) III 14.

— III (Paus) II 64-69. 203. 212. Irenaeus (en Overlevering) 11 7

IV 68-70. 216.

(en hiërarchie) IV 89.

— (en de H. Schrift) IV 68. (en de Kerk v. Rome) IV 70-76.

— (en de Paus) IV 74-82. (en P. J. v. Harderwijk) IV 78-

— (en Salmasius) IV 81.


ocr page 773

227

Ireuaeus (en Petrus te Rome) IV 168-172.

(en Ds. A. V.) IV 171. Isidorus van Sevilla 111 69. van Pelusium 111 118.

J.

Jaffé IV 155.

Jansenisme (zie Cleresy). Janssen's Gesch. il. d. lolivsll 25. Ds. Jensen (bekeerling) 1 67. Jeruzalem (Kerk van) 111 19. 73. Joannes 21:18 IV 150.

Joannes I (Pans) 111 85.

— 11 (Pans) 111 83.

— VIII (Pans) 111 36. Joannes van Avila I 80.

— van Capistrano II 37.

— Chn-sostomns III 139-143. Clericus (Jean le Clerc) IV 142.

— Damascenus III 52. van Jandun IV 133. a Jesu Maria I 81.

— VI van Konstantinopel III 6 r.

XI van Konstantinopel II 63-

— van Leiden I 79.

— van Lemberg 1 79.

— van Nicopolis 111 85. Ds. Jonker IV 145.

Juliaan de Afvallige IV 137. Julius I (Pans) 111 185-187. Junius iin DcNederlander ) IV 132. Justinianus (keizer) 111 84.

von Jüterbogk II 34.

K.

Kalmis IV 217.

Van Kalkar II 45.

Kallistns 1 (Paus) 111 202. J. Van Kasteren S.J. II 101. Katharen III 12-15.

Katholicisme (en Protestantisme)

II 12. 128.

Katholieken (kunnen moeilijk zalig worden) I 22.

Katholieken (uit de lö'iquot;1 eeuw) i 71-90.

Kefa 1 33. 39 II 99-107. Ds. J. Van der Kemp (over de Kerk) 1 20.

(over sleutelmacht) II 120. Kerk (heeft de waarheid) II 7.

(geen zaligheid daarbuiten) I 21.

(welke de ware?) I 20. (tucht in de) I 49. (onfeilbaar) 11 9. 142 IV 19. 72-74. 203. 212.

(gezag in de) II 87. 117-144 IV 104-108. 217.

■ (Stahl over de) II 147. (en Novalis) II 24.

(macht in de) II 90-92.

— (onverdraagzaam) II 7S-S1.

— (eenheid) IV 34-41. 44. 48-51. _

(eenheid hoe?) III 109. (en Protestantisme) IV 13-20.

(van Antiochië) 111 193 IV 70. 165. _

— (van Corinthe) IV 102. 149.

— (van Konstantinopel, niet van apostolischen oorsprong) III 86.

— (van Jeruzalem) III 19. 73 IV 70.

— (van Nederland oorsprong) 'II 55-59-

Kerk van Rome (haar kracht) II 129 IV 197.

— (en Cuno Fischer, IV 197. (en Gothein) 11 212.

(en Disraëli) IV 197.

— (en Ignatius v. Antiochië) IV 93-96.

— (en knther's getuigenis) IV

139-

— (en Holland) I\ 102. (en Hinkmar) III 36,

— (en Ierland) III 71. 95-97. (hoofd aller kerken) III 72. Si. 85. 87. 99. 10S. 152. (en Gallië) III 81. 84. 164. Rusland III 43. 10S. 189.


ocr page 774

228

Kerkvaders (over Petrus' belij-deuis) I 43.

— II 6. 148.

— (en Luther) 111 144 IV 46-48. 202.

— (en Calvijn) IV 46-48. Kerkvergadering (zie Concilies). Ketters quot;li 188 lil 166. 177. Kinderdoop IV 87.

Konstantinopel (Kerk van) 111 86. Krej her IV 144.

Krogh-Tonning (over Thomas v.

Aquino) II 15.

Krug (over Protestantisme) II 12. A. Kuyper (en de Savornin tollman) II 152-154.

— (over gehoorzaamheid) II 209.

— (over de Hervorming) 11 13.

L.

J. P. Lange IV 143.

Langen (en P^inig) III 130. Laurentius Justinianus II 36. Leibnitz (over hiërarchie) II 132.

— IV 140.

Leo I (Paus) 111 101-108.

— III (Paus) III 42.

— IX (Paus) III 28.

Leontius van Aries III 99.

Lesêtre IV 208.

Liberius (Paus) IIF 183-185. Lightfoot (over Petrus) II 114. Lingens S.J. IV 208.

Lipsius (Adalbert) IV 134. 153. Lodewijk de Vrome III 40. Lucius 111 (Paus) III 7.

Ludeu III 24. 25.

Ludger van Munster III 43. Ludolph van Saksen 11 60. Lupus Servatus 111 38.

Luther (heeft zich vergist) IT 199.

— (is niet te vertrouwen) 1 63-68 11 185.

— (is niet gezonden) II 127.

— (over sekten) T 70.

— (over Copernicus) 11 192.

— (onverdraagzaam) 1 70 II

Luther (over de onfeilbare Kerk) II 9 IV 19. 203.

(over den Paus) II 151. (en de Paus) II 199.

(zijn leer over geloof en goede werken) It 17. (heeft de Schrift vervalscht)

II 1S5.

— (over Hadriaan III en Alexander IV) II 203.

— (over Hadriaan VI) II 204. (over kerkvaders) III 144 IV 46-48. 202.

(in de klem) III 144. (en vrijheid) IV 13.

(zijn getuigenis voor de Kerk v. Rome) IV 139. (zijn kerk is ingestort) IV 130. 207.

— (en Petrus te Rome) IV 182.

— (en Sodoma) IV 1S6. Lyonisten (zie Waldenzen).

M.

Macauly II 150.

Macedonianen II 1S8.

Jlaclit (gewone en biiteugewone)

II 90-92.

JIallock IV 213.

Mauegold van Lautenbach III 22. Van Manen (eu Harnack) IV 84. Marcellus van Ancyra III 180.

(Paus) III 10. 11.

Marcion IV 172.

Marcus (zijn evangelie) IV 163. 188.

Margadant III 25.

Marlieineke (over Petrus) II 115.

— (over R. K. Kerk) IV 209. Maronieten III 6.

Marsilius van Padua IV 133. Martelaren (Roomsche en protes-

tantsche) I 89.

Martinus I (Paus) III 66. Mattheus 16; 18 II 105. 106. 1 14. Matter (over Petrus) II 115. Mauropus III 30.

Maximus de Belijder III 65. Meijer (over Math. 16 ; 18) II 105.


79-

ocr page 775

229

Melanchton (en de Antichrist) 11 25.

— (en de Paus) 11 130. Meiander 1 103.

Methodisten IV 134. Middeleeuwen II 15-20. 56. 57.

19S III 123.

Miltiades (Paus) III rgo.

Mirbt IV 157.

H. Mis 111 51. 85. 97. 156. 163.

198-200 IV 55. 10S. 109. Modernen I 53.

J. A. Möhler IV 10.

W. Moll IV 143.

— (over Middeleeuwen) II 19. 58.

— (over Ignatius v. Antiochië) IV 95-

— (over Cyprian us) IV 54. Monniken III 123.

— (van Syrië) III 90. Monophysieten (zie Kutychianen). Montanus IV 164.

Montesius I 76.

Morus (Thomas) 1 88.

Mosheim IV 142.

1'. J. Muller (en Petrus te Rome)

IV 125-132. 148. Von Muller IV 143. 154.

— (over Innoceutius III) II 212.

— (over den Paus) II 23.

— (over de protestantsche Kerk) IV 208.

Muratorisch fragment IV 167.

N.

Ds. Nahuys (en de Paus) IV 35. 96. Neander IV 143.

— (en Cyprianus) IV 53. Nederigheid (waarborg der eenheid) IV 103.

Nederland (Kerk van) 111 55-59. Dc Ncder/andcr (over 't Protestantisme) II 129.

Ilct .\'rlt;/erl. Dagblad (oneerlijk) IV 148. 150. 157.

— (onkundig) IV 1S3. Nestorianen II 18S 11! 97. 137.

pii Paus IV.

Nestorius III 79. 116. 137.

Netter II 44.

Newman (bekeerling over onfeii-baarh.) II 178.

— (bekeerd) IV 198. 220. Newton IV 142.

Nicephorus van Konstantinopel III 42.

Nicolaas I (Paus) III 33-35. 37.

— van Clemanges II 43.

— de Cusa II 38.

Ninian III 119-121.

Novalis (en de Kath. Kerk) II 24.

O.

Odilo III 30.

Olah I 76.

H. Oliesel 111 45.

Olshausen IV 166. 191.

Onbevlekte Ontvangenis (Bolland

over) 11 182.

Onfeilbaarheid (der Apostelen)

I 26.

(pauselijke) I 87. II 167-196.

III 64. 68. 185.

— (der Kerk) II 9. 142 IV 19. 72-74.

— (der Protestanten) II 169

IV 69.

Onverdraagzaamheid (der Kerk)

II 78-81 III 91.

Oostersche bisschoppen III 92.

176. 180. 194.

— scheuring III 29.

Optatus III 172-174 IV 161. Origenes III 199.

Oswy III 62.

Otto van Freising III 23. Ouderling (en bisschop) IV 21. 67. 89.

Oudheidkunde (zie Archeologie)

IV 158-161.

Overledenen (mis voor) III 51. Overlevering (en Irenaeus) II 7 IV 68-70. 216.

— (en Clemens v. Alexandrië) IV 163.

— (en Basilius) IV 216. (en Tertullianus) IV 216.

15


ocr page 776

230

P.

Paaschviering III 62-71 IV 173.

Pacianus III 169.

Palmer (over den Paus) I ig.

Palmieri S.J. IV 184.

Panvinius I 77.

Papias IV 163. 216.

Pappus IV 142.

Paschasius Radbertus III 39.

Patricius III 95-97-

Paulsen (over Middeleeuwen) II 18. 56.

Paulus (apostel niet gelijk aan Petrus) III 138 IV 75.

— van Samosata 111 196-T98.

Paus (een belangrijke vraag) I

18-24.

— (is mogelijk) I 24—27.

— (is noodzakelijk) II 144-154.

— (bewezen uit lt;le H. Schrift) I 33-49-

— (is onfeilbaar) 1 87 11 167-[96 III 64. 185.

— (slechte) II 196-212.

— (goede) 11 22-26.

— (protest, getuigenissen) 1 34-37- 115-

— (wat is een) II 155-162. 200. 212 III 15. 22. 50. 73. 106.

— (hoe verliest hij zijn waardigheid) II 162.

— (wie is de eerste?) II 163-165 III 27. 39. 65.

— (gelasterd) lï 196-200 III 203.

— (eerbied voor den) II 156-158.

— (wat deed hij?) II 22-26.

— (zijn getuigenis heeft waarde) 11 21-28.

— (is zeker de Antichrist) I 63 II 25. 59. 155 111 160.

— (waarschijnlijk de Antichrist) I 63 II 201 III 147-

— (is de voorlooper van den Antichrist) I 51.

— (opperhoofd aller dieven) IV 191.

— (en Ierland) III 71.

Paus {servus servoru/ri) III 40. 147- 155-

— (in de eerste eeuwen) IV 7-II-

— (zijn ontstaan volgens Ds. Naliuys) IV 35.

— (een vergissing) IV 124.

— (en Cyprianus) IV 52.

— (beteekenis v. 't woord) II 158.

Pauskeuze 111 83.

Pazniany I 102.

Pearson IV r4i.

Pelagius III 124.

Pelargus I 73.

Ds. Perk III 56.

Peter de Groote (een Paus) II 152. Petrus (en petra) II 99-107 III 125.

— (en Abraham) I 41.

— (belijdenis van) I 43 II 102 III 126 IV 191-197.

— (Steenrots) I 39 II 99-107 III 17-20. 53.

— (heeft eenig primaatschap) II 107-116 IV 196.

— (verloochening van) II 205-207-

— (en Paulus niet gelijk) 111 138 IV 75-

— (moeteen opvolger hebben) 11 144-154 111 109. 1S2.

— (de eerste Paus) II 165 III

27- 39- 53- 6o- 69-

— (Stoel van) IV 158-162.

— (te Rome) IV 125-190. 206. (te Rome, waarom ontkend?) IV 179-

— (met of tegen) IV 191-200.

— van Alliaco 11 49. van Blois III 5.

— van Clugny 'II 11.

— Chrysologus III 112.

— Damianus III 26-28.

— Mongus III 97-

— Venerabilis III 9-12-r Petrus 5; 13 IV 183-189.

Pfaff II 148 IV 142.

Pfleiderer (over den Paus) I 34. von Pflugk-Harttung III 48. 89.

ioi .


ocr page 777

231

Philastrius III 166.

Phillips (bekeerling) IV 113.

Pliilosophoemeua III 201 IV 167.

Phlegon (= Trallianus) IV 137.

Pliocas III 74.

Photius III 32-35.

Piero del Monte II 41.

Pirkheimer I 95.

Pirniin III 53.

Pisa (synode van) II 44.

Pistorius I 99.

Pistus III 1S7.

Pneumatomachen II rS8.

Dr. Poels II 144.

Pole I 79.

Polycarpus lil 205.

Possessor III 90.

Potgieter III 51.

Potho III 16.

Potken I So.

Prediking (in de Middeleeuwen) II 18.

Priester (en leek) IV 105-116.

— (en dominee) II 20. Priesterstand II 131.

Primaatscliap (van den Paus, zie

Paus).

— (v. d. Paus door de oudheid nooit geloochend) II 56.

— (noodig) II 147.

— (ontwikkeling van het) IV 5-12. 97-100.

— (en Cyprianus) IV 21, 52-63.

— (en Irenaeus) IV 74-S2.

— (en von Hoensbroech) IV 11. 22. 97. 131.

Primasius III 79.

Privatus III 202.

Proles II 54.

Prosper 111 100.

Protestanten (uit de iS'li' eeuw) 1 68-70.

— (en onkunde) II 166 IV 1S3.

— (zijn onfeilbaar) II 169IV69. (hun hoofdvraag) IV 129. (en critiek) IV 53. 76-82. 125-132. 144. 148.

(moeten allen godgeleerden zijn) II 141.

— (en de H. Schrift) IV 214.

Protestantisme (sekten) I 57-60 IV 207.

— (vrijheid in het) I 62 II 119.

— (en eenheid) II 129 IV 20S.

— (en Katholicisme) II ii. 128.

— (is zwak) II 97. 129.

— (en Kerk) IV 13-20. 205. 208. 218.

— (wederlegd door Ignatius van Antiochië) IV S5-90.

— (wederlegd door Irenaeus) IV 216.

— (wederlegd door Tertul-lianus) IV 216.

— (en onverdraagzaamheid) II 7S-S1 III 91.

— (en Gezangen-strijd) II 125.

— (vol tegenspraak) II 136.

Prudentius III 13S IV 151.

Pufendorf IV 154.

Q.

Ds. Quast II 199.

Querhamer 1 97.

R.

Ds. Rade III 130. 180.

Ratramnus III 38.

Reformatie (zie Hervorming).

De Rifommtie {tijdschrift) II 123.

Reinkens (over Petrus) II 113.

Rettberg (over Petrus) II 114.

Reuchlin 111 191.

Revue des Deux Mondes (en 't primaatschap) IV 5. (en R. K. Kerk) IV 219.

Ricoldo da Monte di Croce 11 62.

Riess S. J. IV 135. 161. iSo. 189.

Rotlie (over bisschoppen) IV 108. 1 14.

Russisch-Schismatieke Kerk (en de Paus) 111 43. 108. 189.

S.

Sabatier (en pauselijke onfeilbaarheid) II 168.

Salmasius (en Apostelen) II 88-90.


ocr page 778

230

P.

Paaschviering III 62-71 IV 173.

Pacianus III 169.

Palmer (over den Paus) I ig.

Palmieri S.J. IV 1S4.

Panvinius 1 77.

Papias IV 163. 216.

Pappus IV 142.

Paschasius Radbertus III 39.

Patricius III 95-97.

Paulsen (over Middeleeuwen) II 18. 56.

Paulus (apostel niet gelijk aan Petrus) 111 138 IV 75.

— van Samosata III 196-198.

Paus (een belangrijke vraag) 1

18-24.

— (is mogelijk) 1 24—27.

— (is noodzakelijk) II 144-154.

— (bewezen uit de H. Schrift) I 33-49-

— (is onfeilbaar) I 87 II 167-196 III 64. 185.

— (slechte) II 196-2J2.

— (goede) II 22-26.

— (protest, getuigenissen) 1 34-37- US-

— (wat is een) 11 155-162. 200. 212 III 15. 22. 50. 73. 106.

— (hoe verliest hij zijn waardigheid) II 162.

— (wie is de eerste?) II 163-165 III 27. 39. 65.

— (gelasterd) 11 196-200 111 203.

— (eerbied voor den) II 156-158.

— (wat deed hij?) II 22-26.

— (zijn getuigenis heeft waarde) 11 21-28.

— (is zeker de Antichrist) I 63 25- 59- '55 Hl 160.

— (waarschijnlijk de Antichrist) I 63 II 201 III 147.

— (is de voorlooper van den Antichrist) I 51. (opperhoofd aller dieven) IV 191.

— (en Ierland) III 71.

Paus {servies servortun) III 40. i_47- 155-

— (in de eerste eeuwen) IV 7-11.

— (zijn ontstaan volgens Ds. Nahuys) IV 35.

— (een vergissing) IV 124.

— (en Cyprianus) IV 52.

— (beteekenis v. 't woord) II 15S.

Pauskeuze 111 83.

Pazmany I 102.

Pearson IV 141.

Pelagius III 124.

Pelargus I 73.

Ds. Perk 111 56.

Peter de Groote (een Paus) 11 152. Petrus (en petra) II 99-107 III 125. (en Abraham) I 41.

— (belijdenis van) I 43 II 102 III 126 IV 19:1-197.

— (Steenrots) I 39 II 99-107 III 17-20. 53.

— (heeft eenig primaatschap) II 107-116 IV 196. (verloochening van) II 205-207.

— (en Paulus uiet gelijk) III i38 IV 75-

(moeteen opvolger hebben) II 144-154 III 109. 182. (de eerste Paus) II 165 EU

27- 39- 53- 6o- 69-

— (Stoel van) IV 158-162.

— (te Rome) IV 125-190. 206.

— (te Rome, waarom ontkend?) IV 179.

— (met of tegen) IV 191-200.

— van Alliaco II 49. van TSlois III 5. van Clugny III 11.

— Chrysologus III 112.

— Uamianus III 26-28.

— Mongus 111 97.

— Venerabilis ill 9-12. 1 Petrus 5:13 IV 183-189.

l'faff II 148 IV 1-12.

Pfleiderer (over den Paus) I 34. von Pflugk-Harttung lil 48. 89.

101.


ocr page 779

231

Philastrius III 166.

Phillips (bekeerling) IV 113.

Plülosophoemena III 201 IV 167.

Phlegon (= Trallianus) IV 137.

Phocas III 74.

Photius III 3.2-35.

Piero del Men te II 41.

Pirkheimer I 95.

Pirmin III 53.

Pisa (synode van) II 44.

Pistorius I 99.

Pistus III 1S7.

Pneumatomachen II 18S.

Dr. Poels II 144.

Pole I 79.

Polycarpus III 205.

Possessor III 90.

Potgieter III 51.

Potho III 16.

Potken I So.

Prediking (in de Middeleeuwen) II iS.

Priester (en leek) IV 105-116.

— (en dominee) 11 20. Priesterstand II 131.

Primaatschap (van den Paus, zie

Paus).

— (v. d. Paus door de oudheid nooit geloochend) II 56.

— (noodig) II 147.

— (ontwikkeling van het) IV 5-12. 97-100.

— (en Cyprianus) IV 21. 52-63.

— (en Ireuaeus) IV 74-82.

— (en von Hoensbroech) IV 11. 22. 97. 131.

Primasius III 79.

Privatus III 202.

Proles 11 54.

Prosper III 100.

Protestanten (uit de 16,ir eeuw) I 6S-70.

— (en onkunde) II 166 IV 1S3.

— (zijn onfeilbaar) II 169IV69. (hun hoofdvraag) IV 129. (en critiek) IV 53. 76-82. 125-132. 144. 148.

(moeten allen godgeleerden zijn) II 141.

— (en de H. Schrift) IV 214.

Protestantisme (sekten) I 57-60 IV 207.

— (vrijheid in het) I 62 II 1 .'9.

— (en eenheid) 11 129 IV 20S.

— (en Katholicisme) II 12. 12S.

— (is zwak) II 97. 129.

— (en Kerk) IV 13-20. 205. 208. 218.

— (wederlegd door Ignatius van Antiochië) IV 85-90.

— (wederlegd door Ireuaeus) IV 216.

— (wederlegd door Tertul-lianus) IV 216.

— (en onverdraagzaamheid) II 78-81 III 91.

— (en Gezangen-strijd) II 125.

— (vol tegenspraak) II 136. Prudentius III 138 IV 151. Pufendorf IV 154.

Q-

Ds. Quast II 199.

Querhamer I 97.

R.

Ds. Rade III 130. 180. Ratramnus III 38.

Reformatie (zie Hervorming). Dc Reformatie (tijdschrift) 11 123. Reinkens (over Petrus) II 113. Rettberg (over Petrus) II 114. Reuchlin III 191.

Revue des Deux Maudes (en 't primaatschap) IV 5.

— (en R. K. Kerk) IV 219. Ricoldo da Monte di Croce II 62. Riess S. J. IV 135. 161. 1S0. 189. Rothe (over bisschoppen) IV 108.

114.

Russisch-Schismatieke Kerk (en de Paus) III 43. 108. 189.

S.

Sabatier (en pauselijke onfeilbaarheid) II 16S.

Salmasius (en Apostelen) II SS-90.


ocr page 780

232

Salmasius (en Ds. A. V.) II SS.

— (en Irenaeus) IV Si. Sardica (synode van) III 1S6. Sauli 1 78.

Savonarola (en Alexander VI) II 50-54-

De Savornin Lobman (en Dr. A.

Knyper) II 152-154. Scaliger IV 141.

Dr. Schaepnian (over Paus Nico-laas I) III 35-

— (over Galilei) II 195.

— (over Gregorius VII) III 25.

— (over Gregorovius) IV 156.

— (over de Steenrots) III 95-

— (over Petrus te Rome) IV 159;

Sclianz IV 162. 163.

Schelling (en Petrus' primaatschap) IV 196.

Scheuring (Westersche) II 45- 167-

— (Oostersche) III 29.

— (hoogmoed oorzaak van) IV 103.

— (Acaciaansclie) III 97. Joannes Schmid IV 14S. 1S0. Ds. Scholte (en feestdagen) II

132- ^.H-

— (gezonden of niet?) II 135-Schotland (in de Middeleeuwen)

57-

Schotten III 67. 119.

Ds. Schouten (en Gezangen-haters)

II 125.

H. Schrift (onduidelijk) I 51. 54-

— (moet verklaard worden)

I 52-

— (en Geiler von Kaysers-berg) II 29.

— (wie verklaart ze?) II 15

III 6. 191 IV 217.

— (en Irenaeus) IV 68.

— (en Ignatius v. Antiocbië)

IV 87-92.

— (en Valeton Jr.) II 10.

— (en Ds. Gronemeyer) II 10-12.

(waar is de echte?) II 141. (voor 't eerst in de iG'ic eeuw begrepen) III 145.

Schriftvervalsching II 1S5. Schröck IV 143.

Sekten (in 't Protestantisme) I 57 IV 207.

— (Luther over) I 70.

— (in de eeuw) II 69.

— IV 134.

Von Senkenberg II 149.

Sepp (over Matth. 16; iS) II 106. Sergius (Paus) III 56. 59.

— van Cyprus III 67. Servatus Lupus III 38.

Scyu its servorum III 147- 155-Silverius (Paus) 111 82.

Silvester I (Pans) III 188. Simplicius (Paus) 111 99.

Siricins (Paus) III 163.

Sixtus 111 (Paus) III 117.

— IV (Paus) II 204. Sleutelmacbt II 109-112. 121. De Smedt S. J. IV 179.

Socrates (geschiedschrijver) II!

1S7.

Sophronius van Jeruzalem III 68. Soter (Paus) III 205 IV 174. Spanheim IV 133.

Stahl (over de Kerk) II 147. De Standaard (over pauselijk gezag) 111 24.

Statenbijbel (heeft geen gezag)

I 27-29.

Steenrots (zie Kcfa).

Stephanus (Paus en Cyprianus) IV 57-66.

— van Dora 111 68.

— van Larissa III 85.

Stoel van Petrus (zie Petrus, Paus). Graaf zu Stolberg (bekeerling) II

145 IV 218.

Studita 111 43.

Symmachus (Paus) 111 81. 91.

T.

Tarentuni (ontdekking te) IV

137-139-

Taylor (over de R. K. Kerk) I\ 211.

Tertullianus III 202 IV 158. 161. 216.


ocr page 781

233

Theodoretus van Cyrus ]]T 105. j09-111.

Theophilus van Alexandrië III 142. Theremin II 151.

Thomas van Aquino (en Ds A. V.) i! 15.

— a Kempis (Protestant?) II 32-

Tiele IV 215.

De Tijd (over gezag in de Kerk)

ii 136-139.

Tiro Prosper III 100.

Ds. Van Tooreuenbergen (over gezag in de Kerk 11 118. de Torquemada II 30.

Tossanus (de oudere) IV 140. Tosta II 38.

Tralliauus (zie Phlegon).

Tucht (in de Kerk) I 49. Ds. Tivisck IV 154.

U.

Uslier IV 141.

Utrecht (eerste aartsbisschop van)

III 56.

V.

•Heilige Vader« II 156 III 92. 116. Valeton Jr. (en de H. Schrift) II 10. Henri de Valois IV 147.

Ds. Van Veen II 199. Ds. A. Veenhuysen (en Salmasius) II 88.

— (en Thomas van Aquino) II 15-

— (en eerbied voor den Paus)

n 155-158 iv 204.

— (tegen Ds. Donner) III 153.

— (en Gregorius I) III t 46-160.

— (en Cyprianus) IV 45-56.

— (en de hoofdvraag voor een Protestant) IV 129.

— (en bescheidenheid) IV 145.

— (en Hus) II 74-77.

— (en Galilei) II 191-195.

— (en Irenaeus) IV 171.

— (en de belijdende Petrus)

IV 191.

Velenus IV 133.

Ds. Van Velzen (over zending) II 84.

Venantius Fortunatus III 76. Ds. Verhoeff (over opvolgers der

Apost.) II 82.

Veritas (in Het Nederl. Dagblad)

II 108.

Verketteren IV 60. Mr. H. Verkouteren IV 125-132.

148. 150. 157.

Vervolging (om des geloofs wil)

II 78-81.

Victor (Paus) III 204.

Vincentius van Lerins (en vooruitgang in't geloof) II 180-188. Van Vlooten (en Concilies) IV 33. Vondel 1 112-115 IV 213. 215. Vrijheid (in 't Protestantisme) I 62 11 119.

W.

Waldenzen II 73 III 7-9 IV 182. Waldus (zie Waldenzen). Weizsacker IV 143.

Wiclif II 59. 77.

Wilfried van York III 61-63. Willem de Zwijger (dochters bekeerd) II 107.

Willibrord lil 55-59.

Wiseman IV 218.

Wizel I 90.

Wonderen (in de R. Kath. Kerk) I 84-86 II1 12. 15S.

z.

Zalm 111 145 IV 144. 172. 1s8. Zaligheid (buiten de Kerk) 1 21. Zasius (over Luther) I 97.

Zeiler IV 153.

Zending (is noodig) II 82-86. 127. Zephyrinus (Paus) III 204 IV 168. Zosimus (Paus) 1IJ 100. 103, 131.


ocr page 782
ocr page 783
ocr page 784
ocr page 785
ocr page 786