ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

ANDBOEK DER j3lJBELSCHE pESCHIEDENIS.

NIEUWE TESTAMENT,

ocr page 6

IMPRIMATUR:

Voorschoten, m. bernsen,

die 14 Julii 1898. Libr. Censor.

ocr page 7

handboek

DER

Bijbelsche Geschiedenis

VAN HET

OUDE EN NIEUWE TESTAMENT,

DOOR

wijlen j. C. h. muré,

PASTOOR TE LEIDEN.

Met voorrede v. d. ZKkrw. Heer G. a. A. Loots,

UEOENT IJ ER R.K. Iv WEEKSCHOOL TE HOORN.

MET KERKELIJKE GOEDKEURING.

Nieuwe Testament.

derde druk.

^ ^ '4 -lt;---i—-

G. F. THÉONVILLE,

(voorh. J, W. van Leeuwen, Maarsmansst.)

Steenschuur 9, Leiden.

1898 s

ocr page 8
ocr page 9

TWEEDE DEEL.

Geschiedenis des Nieuwen Testaments.

De bijbelsche geschiedenis des Nieuwen Testaments omvat eene tijdruimte van ruim ééne eeuw; zij wordt verdeeld in twee tijdvakken:

EERSTE TIJDVAK.

Geschiedenis van Christus' lei'en op aarde: van Joannes' geboorte tot Christus' hemelvaart.

Dit tijdvak is in drie afdeelingen gesplitst:

Eerste Afdeeling. Geschiedenis Tan Christus' geboorte en kindsheid.

Tweede Afdeeling. Geschiedenis ran Christus'' openhaar leven. Derde Afdeeling. Geschiedenis van Christusquot;' lijden, sterven, verrijzenis en hemelvaart.

TWEEDE TIJDVAK.

Vroegste geschiedenis der Kerk van Christus: van Christus' hemelvaart tot het einde van het apostolisch tijdvak.

Ook hier zijn drie afdeelingen:

Eerste Afdeeling. De Kerk van Christus in Palestina. Tweede Aedeeling. De Kerk van Christus onder de heidenen. Derde Afdeeling. Einde van het apostolisch tijdvak.

ocr page 10
ocr page 11

EERSTE TIJDVAK.

GESCHIEDENIS VAN CHRISTUS' LEVEN OP AARDE.

De geschiedenis van Christus' leven op aarde is beschreven in de vier Evangeliën; deze zijn de eerste boeken des Nieuwen Testaments en het voornaamste gedeelte der geheele H. Schrift.

I. De vier Evangeliën.

Het woord Evangelie beteekent blijde boodschap; in het Nieuwe Testament verstaan wij daardoor de blijde boodschap van de komst des Verlossers en de leer, welke Hij gepredikt heeft. In deze beteekenis is er slechts één Evangelie. Wanneer wij van vier Evangeliën spreken, bedoelen wij de vier heilige geschiedverhalen van Christus' leven op aarde. De heilige schrijvers dezer verhalen heeten Evangelisten; hunne namen zijn Matihefis, Marcus. Lucas en Joannes. De H. Mattheüs was een der twaalf Apostelen en dus de ooggetuige van de meeste der door hem beschrevene gebeurtenissen. Zijn Evangelie is het oudste en werd hoofdzakelijk geschreven ten behoeve van de Christenen, die in het Joodsche land woonden; daarom bediende Mattheüs zich ook van de hebreeuwsche taal, die toenmaals gesproken werd ; dit hebreeuwsche Evangelie werd zeer spoedig, misschien wel door den H. Mattheüs zeiven in het Grieksch vertaald en is later verloren gegaan. De drie andere Evangeliën, evenals al de overige boeken des Nieuwen Testaments, zijn oorspronkelijk in het Grieksch opgesteld.

ocr page 12

4

De H. Marcus was een leerling van den apostel Petrus en stelde, onder toezicht van dezen Apostel, datgene te boek, wat Petrus gepredikt had.

De H. Lucas was een leerling en reisgezel van den apostel Paulus; hij schreef zijn Evangelie vooral ten behoeve van zekeren Theophibis, die waarschijnlijk een Romeinsch Christen was. Volgens eene overlevering, heeft hij vele bijzonderheden aangaande de geboorte en de kindsheid des Zaligmakers van de H. Moeder Gods vernomen.

De H. Joannes was de meest beminde Apostel des Heeren; hij schreef zijn Evangelie lang na de drie andere Evangelisten, omtrent het jaar 100. In dien tijd waren er reeds dwalingen tegen het Christelijk geloof en bepaaldelijk tegen de waarheid, dat Christus God is, verspreid geworden; tegenover die dwaling schreef de Apostel zijn Evangelie om de Christerien in hun geloof te bevestigen. Vandaar dat in het Evangelie van Joannes, veel meer dan in de drie andere, de Godheid van Christus in het licht wordt gesteld. De Evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas stellen den Zaligmaker ook wel voor als een goddelijk Persoon; deden zij dit niet, zij zouden geene heilige Evangelisten, maar leugenaars en godslasteraars zijn; doch zij doen dit niet zoo duidelijk en zoo voortdurend als de H. Joannes. De drie eerste Evangelisten wilden ons voornamelijk het aardsche leven van onzen Zaligmaker doen kennen; de H. Joannes echter zegt zelf, dat hij geschreven heeft met het hoofddoel: opdat gij nloogt geloovcn, dat Jcsus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, ge hovend, het leven moogt hebben in Zijnen naam.

De heilige Evangelien zijn eerst lang na de hemelvaart des Verlossers geschreven en eerst nadat de leer van Christus in verschillende landen en aan ontelbaar vele menschen was gepredikt geworden. Want de Zaligmaker had niet het schrijven van boeken, maar de p r e d i k i n g aangewezen als het middel, waardoor de goddelijke waarheid, welke Hij geopenbaard, en de goddelijke wet, welke Hij had afgekondigd, aan de wereld moest worden bekend gemaakt; vandaar verhalen de Evangelisten wel,

ocr page 13

5

dat Christus aan zijne Apostelen het bevel en de zending gaf om te prediken; maar zij verhalen niet, dat Hij ooit aan iemand het bevel heeft gegeven om zijne leer en zijne geboden te boek te stellen.

De Evangelisten schreven ook niet met het doel om de prediking des Christendoms overbodig te maken, of om aan Joden of heidenen een afschrift der Evangeliën toe te zenden, opdat deze zich door het lezen daarvan zouden bekeeren; neen, zij schreven voor menschen die reeds, door het geloovig aannemen der prediking van Christus' gezanten, tot het Christendom bekeerd Waren.

Omdat de Evangeliën het lieilis;ste gedeelte der H. Schrift zijn, moeten wij daarvoor ook den grootsten eerbied hebben. Dezen eerbied toonen wij ook uiterlijk door in de kerk op te .staan, wanneer een stuk uit een der Evangeliën onder de heilige Mis of bij eene andere gelegenheid gezongen of gelezen wordt.

II. Jesus Christus is God.

Er is onder de waarheden van ons heilig geloof geene waarheid van grooter belang dan deze: onze Heer Jesus Christus is God. Hij is de tweede Persoon der allerheiligste Drieëenheid, en heeft de menschelijke natuur aangenomen ; maar door mensch te worden, hield Hij niet op te zijn wat Hij is van eeuwigheid: dc Zoon van God, in alles gelijk aan zijnen hemelschen Vader, en dus God, evenals zijn hemelsche Vader God is. Deze groote waarheid leert ons de evangelist Joannes in het begin van zijn Evangelie. Hij geeft daar aan God den Zoon den naam van het Woord en zegt: In den beginne was het Woord, en het Woord tl as bij God, cn het Woord was God. Verder doet hij ons het Woord kennen als den Schepper van hemel en aarde, zeggende: Alles is er door gemaakt gezvorden. En eindelijk zegt hij, dat het Woord dezelfde Persoon is, die, na mensch geworden te zijn, op aarde heeft geleefd, en dien wij als onzen Zaligmaker aanbidden: het Woord is vleesch gezvorden cn heeft onder ons gezuoond.

Het bewijs voor de Godheid van Christus, dat St. Jan's Evangelie ons geeft, is zóó duidelijk, dat zelfs kinderen

ocr page 14

het gemakkelijk kunnen begrijpen en onthouden. Het Woord was God; het Woord is vleesch geworden; dus: het vleeschgeworden Woord is God. Dit vleeschgeworden Woord is onze Heer Jezus Christus; dus onze Heer Jezus Christus is God.

De ivaarheid dat Christus God is, en dat wij Hem derhalve als God moeten aanbidden en verheerlijken, is altoos door de Katholieke Kerk verkondigd en altoos door alle Christenen geloofd geworden. Wel zijn er somtijds ketters geweest, die deze waarheid geloochend er. bestreden hebben; maar zij werden door de Kerk in den ban gedaan, en dan behoorden zij niet meer tot het getal der Christenen; want wie niet gelooft en belijdt, dat de Heer Jesus Christus God is, kan geen Christen zijn, maar is een ongeloovige. Kinderen! vergeet nooit God hartelijk te danken voor het voorrecht, dat gij geboren en opgevoed zijt in den schoot dier Kerk, wier kenmerk het is: de Godheid van Christus te gelooven en te prediken; maakt nu reeds dikwijls het vaste voornemen van nooit, wat u ook in uw volgend leven overkome, nooit die grondwaarheid van uw geloof te verloochenen, maar te leven en te sterven in het onwankelbaar geloof aan de Godheid van onzen Heer en Zaligmaker Jesus Christus.

ocr page 15

EERSTE AFDEELING.

GESCHIEDENIS VAN CHRISTUS' GEBOORTE EN KINDSHEID.

III. Zacharias en Elisabeth.

In ccne stad van Juda woonde in dc laatste jaren der regeering van koning Herodes den groote, de priester Zacharias met zijne echtgenoote Elisabeth; beiden waren rechtvaardig voor God en dienden Hem met allen ijver, ofschoon het scheen dat God aan hun vurigst verlangen niet wilde voldoen ; zij hadden namelijk gebeden om eenen zoon, maar waren niet verhoord geworden; en nu was hunne hoop, uit hoofde van hunnen vergevorderden leeftijd; zoo goed als geheel verdwenen.

Zacharias moest zich van tijd tot tijd naar Jeruzalem begeven, wanneer het zijne beurt was om in den tempel dienst te doen. Eens was hij weder daar en ging het heiligdom binnen om het reukoffer te ontsteken. Terwijl hij daar bezig was, zag hij eensklaps, ter rechterzijde van het altaar, een engel staan, die hem toesprak: Vrees niet. Zacharias! want uw gebed is verhoord, en'uwe huisvrouw Elisabeth zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam Joannes noemen. Gij zult vreugde hebben en juichen, en velen zullen zich over zijne geboorte verblijden, omdat hij groot zal zijn voor den Heer. De Engel voorspelde vervolgens , dat die zoon als Nazareër leven zou; dat hij nog vóór zijne geboorte vervuld zou worden met den Heiligen Geest; dat hij de voorlooper zou wezen van den Messias, en dat velen zich op zijne prediking zouden bekeeren.

Zacharias was bij het hooren dezer woorden zoo ontsteld , en het hem aangekondigde geluk scheen hem zoo onge-

ocr page 16

8

loofelijk groot, dat hij een oogenblik twijfelde, of dc belofte, die de engel hem deed, wel zou vervuld worden; en hij vroeg een teeken, ten bewijze dat de engel waarheid had gesproken. De engel gaf hem een teeken, maar dat tegelijk een straf was voor zijn te weinig geloof. Ik ben, zeide hij, Gabriel, die sta voor Gods aangezicht, en ik ben gezonden om tot u te spreken en u deze blijde boodschap te brengen. En zie, gij zult stom zijn en niet kunnen spreken totaan den dag, waarop dit geschieden zal; omdat gij niet hebt geloofd aan mijne woorden, die op hun tijd zullen vervuld worden. En de aartsengel Gabriel verdween uit de oogen van Zacharias.

Het volk, dat in het voorhof des tempels bad, verwonderde zich over het buitengewoon lang vertoeven, des priesters; nog veel meer waren allen verbaasd, toen zij hem eindelijk uit den tempel zagen te voorschijn treden en bemerkten, dat hij het gebruik der spraak verloren had; zij begrepen tevens, dat hij eene verschijning had gehad, en, zoo goed hij kon, gaf hij hun te kennen, dat zij zich niet vergisten.

Toen zijn diensttijd ten einde was, keerde hij naar, zijne woning terug. God vervulde zijne belofte, en spoedig dankte Elisabeth Hem voor het geluk, dat haar wachtte, wanneer zij moeder zou geworden zijn. Zacharias bleef stom en had ook het gehoor verloren.

De belofte des engels, dat Joannes nog vóór zijne geboorte, vervuld zou worden met den Heiligen Geest, hield de voorspelling in, dat hij, vóór zijne geboorte, van dc erfzonde zon gezuiverd worden: dat hij dus niet onbevlekt ontvangen, maar onbevlekt geboren zou worden.

IV. Maria en Jozef.

Te Nazareth, eene kleine en onaanzienlijke stad van Galilea, leefde de uitverkorene vrouw, van wie God reeds in het paradijs gesproken, en die de profeet Isaias in de verre toekomst aanschouwd had, toen hij uitriep: Zie de Maagd zal ontvangen en eenen Zoon baren; en zijn naam zal genoemd worden Emmanuel.

De naam dier hoogverhevene Maagd was Maria. Zij stamde af uit het koninklijk geslacht van David; hare

ocr page 17

9

ouders heetten volgens de Christelijke overlevering Joachim en Anna.

Maria , de uitverkorene tot eene waardigheid , welke haar eindeloos ver boven alle andere menschen verheffen zou, was reeds van het eerste oogenblik haars bestaans af, eindeloos ver boven alle menschen verheven. Voor haar, en voor haar alleen, had God eene uitzondering gemaakt op de wet, volgens welke alle menschen, die op natuurlijke wijze van Adam afstammen , in staat van zonde worden ontvangen; Maria alléén is nooit door de erfzonde besmet geweest, maar onbevlekt ontvangen; dat is: God heeft haar, om wille der verdiensten van Christus, in het eerste oogenblik van haar bestaan, bewaard voor alle besmetting ; der zonde.

In hare vroege jeugd werd Maria naar den tempel gebracht om in de schaduw des heiligdoms, als, eene aan God toegewijde maagd te worden opgevoed; daar legde zij ook de gelofte af van eeuwige maagdelijke zuiverheid.

Wij vinden Maria, als zij voor de eerste maal in de H. Schrift optreedt, woonachtig te Nazareth en verloofd aan den H. Jozef. Evenals zijne bruid, was ook hij een afstammeling uit het koninklijk geslacht van David; het Evangelie meldt ons van hem niets anders dan dat hij rechtvaardig was en het ambacht van timmerman uitoefende. Eer Maria de Moeder werd van Gods Zoon, was zij met den H. Jozef nog niet gehuwd, en had deze haar niet als zijne echtgenoote in zijn huis binnengeleid.

V. Mexschwording van God den Zoon.

Toen de tijd gekomen was, waarop de Zoon van God de menschelijke natuur zou aannemen, zond God den aartsengel Gabriel naar de aarde met den verhevensten last, die ooit aan eenen hemelgeest kon worden opgedragen. De aartsengel kwam te Nazareth in het huis der H. Maagd Maria. Met diepen eerbied sprak hij haar toe: Wees gegroet, gij,, vol van genade! De Heer is met u; gezegend zijt gij onder de vrouwen. De nederige Maagd, die niet begreep, hoe de titel van gezegendste der vrouwen — de woorden des aartsengels: Gezegend zijt gij onder de vronzven,

ocr page 18

IO

beteekenen: Gij zijt de gezegendste der vrouzuen of, zooals wij in het Wees gegroet bidden: Gij zijt gezegend bovoi alle vrouwen — aan haar kon gegeven worden, geraakte in verwarring en overdacht zwijgend, wat deze begroeting beteekenen mocht. Toen openbaarde de engel haar het groot godsgeheim en hare eigene verhevenheid. Vrees niet, Maria! zeide hij, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult in uwen schoot ontvangen en eenen Zoon baren, en zijnen naam zult gij Jesjis noemen. Deze zal groot zijn en dc Zoon des Allerhoogsten genoemd worden; en God de Heer zal Hem den troon zijns vaders David geven, en Hij zal heerschen over het huis van Jakob in eeuwigheid en zijn koninkrijk zal geen einde hebben.

Maria dacht aan hare vroeger afgelegde gelofte en begreep niet, hoe zij de moeder van Gods Zoon zou kunnen worden. Doch de engel stelde haar gerust en zeide: De

, o o

Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook zal het Heilige, dat uit u zal geboren worden, Zoon van God genoemd worden (dat is : geen anderen Vader hebben dan God alléén). Tevens openbaarde de aartsengel aan Maria, welk geluk aan hare nicht Elisabeth wedervaren was en hoe ook deze moeder zou worden van eenen Zoon. Want, zeide hij, niets zal onmogelijk zijn bij God. Toen sprak Maria tot den engel; Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord!

En terwijl de engel haar verliet, geschiedde haar naar zijn woord. De Heilige Geest kwam over haar, en de Zoon van God nam in haar de menschelijke natuur aan. Het Woord was vleeseh geworden, en Maria was Moeder Gods.

Bij zijne menschwording heeft God de Zoon de menschelijke natuur aangenomen, zoodat Christus God cn mensrh is. Hij is één goddelijk Persoon, maar die eene Persoon heeft twee naturen, de goddelijke en de menschelijke. Naar zijne goddelijke natuur heeft hij geene moeder, maar alleen eenen Vader, en die Vader is God de Vader; naar zijne menschelijke natuur heeft hij geen Vader maar alleen eene Moeder, en die Moeder is Maria. Omdat dus Maria de Moeder is van [Christus, die waarlijk God is, geven wij aan haar met het volste recht den naam van Moeder Gods.

In hetgeen de aartsengel tot Maria zeide vinden wij eene zeer duidelijke openbaring van het geheim der allerheiligste Drie eenheid, dat is

ocr page 19

11

van God, die één in Wezen en drievuldig in Personen is. De kraclit van God den Vnder zal Maria overschadu ven; de Zoon, dien Maria zal baren zal de Y.oon des Allerhoogsten genoemd worden en is dus God de Zoon; de Heilige Geest zal over Maria komen.

Het schoon gebed, helend onder den naam van Angelus of Engel des Ileeren, dat wij 's morgens, 's middags en 's avonds gewoon zijn te bidden, is eene uitdrukking van ons geloof in den menschgeworden God en van onze dankbare liefde jegens den Zaligmaker en zijne Moeder. Laat dat gebed nooit achter, kinderen! En denkt er aan, welk groot geheim gij belijdt, wanneer gij die heilige woorden uitspreekt:

De engel des Ileeren heeft Maria geboodschapt; en zij heeft ontvangen van den Heiligen Geest. — Wees gegroet, Maria, enz.

Zie - de dienstmaagd des Heer en; mij geschiede naar nxo luoord. — Wees gegroet, Maria, en/.

En het Woord is vleesch geworden; en het heeft onder ons gewoond. — Wees gegroet, Maria, enz.

VI. Bezoek vax Maria üii Elisabeth.

Zoodra Maria Moeder Gods geworden was, ging zij op ; reis om hare nicht Elisabeth, met wier toestand de engel haar had bekend gemaakt, te bezoeken; Maria begreep dat Elisabeth nu vooral hare hulp zou behoeven en, ofschoon eindeloos ver boven Elisabeth verheven, was zij toch volgaarne bereid hare mindere te dienen.

Nauwelijks is Maria het huis van Zacharias binnengetreden, en nauwelijks heeft Elisabeth haren groet gehoord , of deze voelt haar kind van vreugde opspringen. De H. Joannes werd op dat oogenblik, overeenkomstig hetgeen de engel aan zijnen vader voorspeld had, van de-smet der erfzonde gereinigd en vervuld met den Heiligen Geest. Ook Elisabeth ondervond de genadevolle komst des Verlossers in haar huis; ook zij werd vervuld met den Heiligen Geest en erkende het geheim der mensch-wording van Gods Zoon en der verhevene waardigheid harer jeugdige nicht. Zij roept Maria toe: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht uws lichaams! En van waar geschiedt het mij , dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt! Zalig gij, die geloofd hebt! want vervuld zal worden wat u door den Heer gezegd is.

Toen sprak Maria, in de heiligste verrukking opgetogen , dien heerlijk schoonen lofzang uit, waarin zij God verheerlijkte en dankte, en het begin der Verlossing aan de wereld verkondigde:

ocr page 20

12

Mijne ziel maakt groot den Heer!

En gejuicht heeft mijn geest in God mijnen Zaligmaker! daar Hij heeft neergezien op de geringheid zijner dienstmaagd. Want zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen, omdat Hij groote dingen aan mij heeft gedaan, de Machtige; en heilig is zijn naam!

En zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht voor die Hem vreezen!

Hij heeft kracht gedaan dqor zijnen arm; hoogmoedigen in de meening huns harten heeft Hij verstrooid; machtigen heeft Hij van den troon gestooten en geringen verheven; hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken ledig weggezonden.

Hij heeft Israël, zijnen dienaar, aangenomen, indachtig zijner barmhartigheid — gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen — voor Abraham en zijn geslacht in eeuwigheid.

Maria bleef drie maanden in het huis van Zacharias en keerde, kort vóór de geboorte van Joannes den Dooper, naar Nazareth terug.

De voorspelling van Maria: alle geslachten zullen mij salig noemen, is van den beginne af bewaarheid en vervuld geworden, want altijd heeft de Kerk van Christus de H. Moeder Gods hoog vereerd en verheven. Kinderen! toont op dit punt altijd, dat gij tot de Kerk van Christus behoort! Stelt er eene eer in den naam van Maria's kinderen-te dragen en tot het getal harer oprechte dienaren te behooren. Vereert haar vooral door dikwijls en met aandacht het Wees gegroet te bidden ; dit gebed is, na het Onze Vader, het verhevenste van alle gebeden, want wij hebben het geleerd van den aartsengel Gabriël, sprekend in den naam van God, en van de H. Elisabeth, die vervuld was met den Heiligen Geest.

VIL Geboorte van Joannes den Dooper.

Toen de dagen van Elisabeth vervuld waren, baarde zij haren zoon. Op den achtsten dag na de geboorte moest het kind, overeenkomstig de wet van Mozes, besneden worden en tevens den naam ontvangen, dien het dragen zou. De nabestaanden en geburen, die in het huis van Zacharias waren te zamen gekomen, wilden aan den jonggeborene den naam van zijnen vader geven en hem ook Zacharias noemen, doch Elisabeth, die van haren

ocr page 21

13

echtgenoot vernomen had wat er in den tempel gebeurd was, zeide: Volstrekt niet; maar Joannes zal hij heeten. Men vond dit zeer vreemd, daar er in de familie van Zacharias niemand was, die den naam van Joannes droeg.

De priester was wel tegenwoordig, maar, daar hij doof was geworden, wist hij niet, waarover men sprak. Men wenlvte hem dan toe en deed hem begrijpen, dat hij, als vader, beslissen moest over den naam zijns zoons. Toen vroeg hij een schrijfbord en schreef daarop: Joannes is zijn naam.

Allen stonden verwonderd; maar veel grooter werd hunne verbazing, toen op het eigen oogenblik de tong van den stomme ontbonden werd, en hij, vervuld met den Heiligen Geest, luide God begon te loven en te ver heerlijken. In eenen profetisehen lofzang verkondigde Zacharias , dat God zijn volk bezocht en verlossing gewerkt had, en dat het kind, hetwelk nu geboren was, Profeet des Allerhoogsten genoemd worden en de voorlooper wezen zou van den Zaligmaker der wereld.

De wonderen, die nu en vroeger in den tempel geschied waren, werden in het geheele bergland van Judea rond-vermeld; allen die ze hoorden werden er diep door getroffen en dachten er over na, wie toch het kind van Zacharias wezen mocht. De jonge Joannes groeide voorspoedig op; toen zijne jaren het toelieten, begaf hij zich naar de woestijn en leefde daar in strenge boetvaardigheid om zich voor te bereiden tot het vervullen der groote taak , waartoe God hem bestemd had.

volstrekt niets overkomen was. Maria zweeg daarover; want van haar goddelijk moederschap was te ver-

VIII. Huwelijk van Maria ex Jozef.

De heilige Jozef was door God bestemd om de voedstervader van Christus en de beschermer der heilige Maria te zijn; evenwel wist hij, toen Maria reeds eenigen tijd te Nazareth was teruggekeerd, nog volstrekt niets van hetgeen haar het geheim amp;v

heven om door iemand anders dan door God zeiven ontsluierd te worden; en ook twijfelde zij er niet aan, of God , die het aan Elisabeth had doen kennen , zou het ook,

ocr page 22

14

wanneer Hij het goedvond, aan Jozef openbaren. Jozef zelf was in verlegenheid en dacht er zelfs aan, of het niet beter zou zijn, alle betrekking, die er tusschen hem en Maria bestond, af te breken.

Doch, terwijl hij hierover nadacht, had hij eenen droom. Een engel des Heeren stond voor hem en sprak hem toe: Jozef, zoon van David! vrees niet Maria, uwe vromtr, tot u te nemen; want wat in haar geboren is, is van den Heiligen Geest. Zij zal eenen Zoon baren; en gij zult zijnen naam Jesus noemen : want Hij zal zijn volk verlossen van hunne zonden.

Nu was voor Jozef alle onzekerheid weggenomen: God had gesproken; en ofschoon hij nog niet geheel begreep, wat er eigenlijk had plaats gehad, wist hij toch genoeg om aanstonds en onvoorwaardelijk te gehoorzamen; den volgenden dag nam hij zijne vrouw tot zich.

Er wordt in de heilige Evangeliën somtijds gesproken van broeders en zusters van Christus. Deze zijn echter geen eigenlijke broeders en zusters, maar slechts neven en nichten, welke bij de Joden dikwijls broeders en zusters genoemd werden. De vader der zoogenaamde broeders des Heeren heette Cleophas of Alpheüs; hunne moeder had wel denzelfden naam als de H. Moeder Gods, maar was de echtgenoote van dien Kleophas. De H. Moeder Gods heeft slechts éénen Zoon, en die Zoon is de mensch-geworden Zoon van God.

IX. Geboorte van Christus.

De Zaligmaker der wereld moest, volgens de voorspelling van den propheet Michéas te Bethleheni geboren worden. Om deze profetie te vervullen, bediende God zich van eene volkstelling, welke dc Romeinsche keizer Augustus, die toen de beheerscher was van bijna de geheele wereld, in zijn gansche Rijk en dus ook in het land der Joden gebood te houden; want, ofschoon het Joodsche land een eigen koning had, was het toch afhankelijk van den Romeinschen keizer.

Deze volkstelling geschiedde in Palestina volgens Joodsch gebruik: elk familie-hoofd moest opgeschreven worden in de plaats, waar de stamregisters zijner familie bewaard werden; Jozef moest dus, als afstammeling van koning David , naar Bethlehem , de geboortestad van David, reizen ; Maria, zijne echtgenoote, vergezelde hem.

ocr page 23

Toen zij te Bethlehem aankwamen, vonden zij het kara-vaanshuis, waar de reizigers hunnen intrek konden nemen. ten gevolge van den grooten toevloed van vreemdelingen, reeds zóó bezet, dat er voor hen geene plaats meer was; en zij moesten, wilden zij niet onder den blooten hemel overnachten, hun intrek nemen in eene nabij Bethlehem gelegene grot, welke aan de herders ook wel tot veestal diende.

En terwijl zij daar den nacht doorbrachten, baarde Maria haren goddelijken Zoon, en zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neder in eene kribbe.

Buiten Bethlehem bevonden zich eenige herders, die de wacht hielden bij hunne kudden. Eensklaps werd de duisternis door een wondervollen glans verlicht; een engel des Heeren stond naast de herders, en de heerlijkheid Gods omstraalde hen; en zij vreesden zeer. Maar de engel zeide hun: Vreest niet! want ziet, ik verkondig u eene groote blijdschap, die voor al het volk wezen zal: dat u heden geboren is de Zaligmaker, die Christus de Heer is, in de stad van David. En dit zij u ten teeken: gij zult vinden een Kind, in doeken gewonden en nedergelegd in eene kribbe.

Nauwelijks heeft de engel deze blijde boodschap aan de herders gebracht, of de lucht weerklinkt van den zang der hemelsche geesten. Eene menigte engelen heeft zich met den eersten engel vereenigd, en zij allen loven God, zeggende : Glorie aan God in den allerhoogste! en op aarde vrede aan de menschen van goeden wil!

Zoodra de engelen naar den hemel teruggekeerd waren, spraken de herders tot elkander: Laat ons heen gaan naar Bethlehem en zien hetgeen geschied is, hetgeen de Heer verkondigd heeft. Zij spoedden zich voort en kwamen in de grot; daar vonden zij Maria en Jozef en het Kind, dat in de kribbe lag; zij zagen het en in nederig geloof aanbaden zij den Messias. Zij verhaalden verder alles, wat zij buiten op het veld gehoord en gezien hadden. Allen, die het vernamen, waren in heilige verwondering opgetogen, en Maria bewaarde al hunne woorden en overwoog ze in haar hart.

o

ocr page 24

i6

liet jaar, waarin Christus geboren werd, is niet liet jaar één van de Christelijke jaartelling. Deze is namelijk eenige jaren achter en moet denkelijk zóó begrepen worden, dat op den isten Januari van het jaar één Christus reeds zeven jaar en eene week oud was.

X. Besnijdenis. Opdracht in den tempel.

Op den achtsten day na zijne geboorte ontving het goddelijk Kind de besnijdenis. Bij die gelegenheid werd ook de hoogheilige naam Jesus aan het Kind gegeven, gelijk de aartsengel Gabriël aan de heilige Maagd en daarna aan den H. Jozef bevolen had. De beteekenis van dien naam is Verlosser of Zaligmaker , zooals de engel ook aan den H. Jozef had verklaard.

Volgens de wet van Mozes moest eene vrouw, die eenen Zoon ter wereld had gebracht, op den veertigsten dag na diens geboorte een zuiverings-offer opdragen, dat in een éénjarig lam en eene duif, of, indien de moeder armwas, in twee duiven bestond. Ofschoon er voor Maria geene zuivering noodig was, wilde zij zich toch aan deze wet onderwerpen, en zij ging met haren echtgenoot naar Jeruzalem, om gezuiverd te worden en tevens haren Zoon aan God op te dragen, ter vervulling van een ander voorschrift der Wet, volgens hetwelk alle eerstgeborene zonen den Heer moesten worden geheiligd. Na de opdracht van haar Kind bracht Maria haar offer van zuivering, het offer dei-arme : twee duiven.

Er woonden te Jeruzalen twee heilige menschen, Simeon en Anna. Simeon was een rechtvaardig en godvreezend grijsaard , in wien de H. Geest was; Anna was eene hoog bejaarde weduwe, die de gave der profetie bezat en haar gansche leven aan God had toegewijd, Hem nacht en dag dienend in vasten en gebed.

Simeon wist door eene openbaring des H. Geestes, dat hij niet zoude sterven vóór hij den Verlosser der wereld met zijne oogen had aanschouwd. Dezelfde H. Geest, die hem deze belofte gedaan had, dreef hem nu naar den tempel, en daar gekomen zag Simeon het goddelijk Kind en erkende het als den Messias. Zijn geluk werd volmaakt, toen Maria haar Kind in zijne armen legde, en hij zijnen

ocr page 25

l7

God en Zaligmaker aan zijn hart mocht drukken. En zijn ziel stortte zich uit in een profetischen lofzang:

Nu laat (jij, Heer! uwen dienaar gaan, naar uw woord, in vrede!

Want mijne oogen hebben uw Heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken; een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël.

Terwijl Maria en Jozef naar de woorden van den profeet luisterden, zegende Simeon hen en sprak vervolgens tot Maria: Zie, deze is gesteld tot val en tot opstanding van velen in Israël, en tot een teeken, dat zal worden tegengesproken. Nog eene andere voorspelling deed hij aan Maria, haar zeggende: Door uwe eigene ziel zal een zwaard gaan.

Ook Anna trad nu nader, loofde den Heer en sprak over het Kind tot allen , die verlangend waren naar de verlossing van Israël.

De voorspelling van Simeon aan Maria werd vooral vervuld, toen de H. Maagd onder liet kruis van haren goddelijken Zoon stond, en een zwaard van droefheid door hare ziel ging. Wat cle profeet zeide over den Zaligmaker, dat deze gesteld is tot val en tot opstanding ran velen in Israël, is niet alleen gedurende Christus' leven op aarde, maar ook in alle volgende eeuwen bewaarheid geworden. Christus is wel in deze wereld gekomen om alle menschen te behouden en zalig te maken; maar toch is Hij gesteld, niet tot opstanding van allen, maar ook tot val van velen, daar er velen zijn, die door hunne eigene schuld geen deel hebben in de vruchten zijner Verlossing, en die, ondanks al hetgeen Christus voor hen gedaan en geleden heeft, toch verloren gaan.

Kinderen! hebt altijd den diepsten eerbied voor den heiligen naam Jesiis. Denkt er aan, dat het de naam is van den Heer uwen God. Dat dan die naam nooit op uwe lippen kome, behalve wanneer gij bidt. En maakt u de godvruchtige gewoonte eigen om. wanneer gij den zoeten Naam uitspreekt of hoort uitspreken, altijd het hoofd te buigen. Wie dat altijd en met eerbied doet, zal den zoeten naam niet door lichtvaardig en ijdel gebruik ontheiligen.

XI. Aanbidding der Wijzen. Vlucht naak Egypte. Kindermoord.

Gelijk God zelf de eerste Israëlitische aanbidders van zijnen menschgeworden Zoon in de herders van Bethlehem geroepen had, zoo riep Hij ook zelf de eerste aanbidders uit de heidenen in de Wijzen uit het Oosten. Deze

2

ocr page 26

i6

Het jaar, waarin Christus geboren werd, is niet liet jaar één van de Christelijke jaartelling. Deze is namelijk eenige jaren achter en moet denkelijk zóó begrepen worden, dat op den isten Januari van het jaar één Christus reeds zeven jaar en eene week oud was.

X. Besnijdenis. Opdracht in den tempel.

Op den achtsten dag na zijne geboorte ontving het goddelijk Kind de besnijdenis. Bij die gelegenheid werd ook de hoogheilige naam jfes?is aan het Kind gegeven, gelijk de aartsengel Gabriël aan de heilige Maagd en daarna aan den H. Jozef bevolen had. De beteekenis van dien naam is Verlosser of Zaligmaker, zooals de engel ook aan den H. Jozef had verklaard.

Volgens de wet van Mozes moest eene vrouw, die eenen Zoon ter wereld had gebracht, op den veertigsten dag na diens geboorte een zuiverings-offer opdragen, dat in een éénjarig lam en eene duif, of, indien de moeder armwas, in twee duiven bestond. Ofschoon er voor Maria geene zuivering noodig was, wilde zij zich toch aan deze wet onderwerpen, en zij ging met haren echtgenoot naar Jeruzalem, om gezuiverd te worden en tevens haren Zoon aan God op te dragen, ter vervulling van een ander voorschrift der Wet, volgens hetwelk alle eerstgeborene zonen den Heer moesten worden geheiligd. Na de opdracht van haar Kind bracht Maria haar offer van zuivering, het offer der arme; twee duiven.

Er woonden te Jeruzalen twee heilige menschen, Simeon en Anna. Simeon was een rechtvaardig en godvreezend grijsaard, in wien de H. Geest was; Anna was eene hoog bejaarde weduwe, die de gave der profetie bezat en haar gansche leven aan God had toegewijd, Hem nacht en dag dienend in vasten en gebed.

Simeon wist door eene openbaring des H. Geestes, dat hij niet zoude sterven vóór hij den Verlosser der wereld met zijne oogen had aanschouwd. Dezelfde H. Geest, die hem deze belofte gedaan had, dreef hem nu naar den tempel, en daar gekomen zag Simeon het goddelijk Kind en erkende het als den Messias. Zijn geluk werd volmaakt, toen Maria haar Kind in zijne armen legde, en hij zijnen

ocr page 27

17

God en Zaligmaker aan zijn hart mocht drukken. En zijn ziel stortte zich uit in een profetischen lofzang:

Nu laat Gij, Heer! uwen dienaar gaan, naar uw woord, in vrede!

Want mijne oogen hebben uw Heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël.

Terwijl Maria en Jozef naar de woorden van den profeet luisterden. zegende Simeon hen en sprak vervolgens tot Maria: Zie, deze is gesteld tot val en tot opstanding van velen in Israel, en tot een teeken, dat zal worden tegengesproken. Nog eene andere voorspelling deed hij aan Maria, haar zeggende: Door uwe eigene ziel zal een zwaard gaan.

Ook Anna trad nu nader, loofde den Heer en sprak over het Kind tot allen, die verlangend waren naar de verlossing van Israël.

De voorspelling van Simeon aan Maria werd vooral vervuld, toen de li. Maagd onder het kruis van haren goddelijken Zoon stond, en een zwaard van droefheid door hare ziel ging. Wat de profeet zeide over den Zaligmaker, dat deze gesteld is tot val en tot opstanding van velen in Israël, is niet alleen gedurende Christus' leven op aarde, maar ook in alle volgende eeuwen bewaarheid geworden. Christus is wel in deze wereld gekomen om alle menschen te behouden en zalig te maken; maar toch is Hij gesteld, niet tot opstanding van allen, maar ook tot val van velen, daar er velen zijn, die door hunne eigene schuld geen deel hebben in de vruchten zijner Verlossing, en die, ondanks al hetgeen Christus voor hen gedaan en geleden heeft, toch verloren gaan.

Kinderen! hebt altijd den diepsten eerbied voor den heiligen naam yesits. Denkt er aan, dat het de naam is van den Heer uwen God. Dat dan die naam nooit op uwe lippen kome, behalve wanneer gij bidt. En maakt u de godvruchtige gewoonte eigen om, wanneer gij den zoeten jVaam uitspreekt of hoort uitspreken, altijd het hoofd te buigen. Wie dat altijd en met eerbied doet, zal den zoeten naam niet door lichtvaardig en ijdel gebruik ontheiligen.

XI. Aanbidding der Wijzen. Vlucht naar Egvpte. Kindermoord.

Gelijk God zelf de eerste Israëlitische aanbidders van zijnen menschgeworden Zoon in de herders van Bethlehem geroepen had, zoo riep Hij ook zelf de eerste aanbidders uit de heidenen in de Wijzen uit het Oosten. Deze

ocr page 28

i8

Wijzen hadden in hun land eene ster, dat is, een vreemd luchtverschijnsel gezien; en door goddelijke openbaring hadden zij begrepen, dat die ster de geboorte van den Verlosser aankondigde, en dat zij Hem in het land der Joden moesten zoeken.

Zij begaven zich dan op reis en kwamen te Jeruzalem aan. Zij wendden zich aanstonds naar het paleis van koning Herodes en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is ? Want wij hebben zijne ster in het Oosten gezien, en wij zijn gekomen om Hem te aanbidden. Met verbazing en schrik vernam Herodes deze tijding , en weldra geraakte geheel Jeruzalem in verwarring. Welken Koning der J o d e n de Wijzen bedoelden , begreep Herodes zeer goed; want toen hij de opperpriesters en schriftgeleerden had samengeroepen, vroeg hij hun waar de Christus moest geboren worden. Zij antwoordden; In Bethlehem van Juda. En zij haalden de groote profetie van Michéas aan, die Bethlehem als de geboorteplaats des Verlossers had aangewezen.

Zoodra Herodes den naam van Koning der Joden door de Wijzen had hooren uitspreken, was er eene duivelsche gedachte in zijne ziel opgekomen. Hij vreesde, dat zijn stamhuis in dien nieuwen Koning eenen toekomstigen mededinger naar den troon vinden zou; derhalve besloot hij dien Koning om het leven te brengen, en zijn geheel gedrag tegenover de Wijzen had geen ander doel dan om, door middel van hen, het Kind, dat zij zochten, in zijne macht te krijgen. Hij riep dan de Wijzen tot een afzonderlijk onderhoud en onderzocht naar den tijd, waarop de ster hun verschenen was , ten einde daaruit den ouderdom van het Kind te kunnen afleiden; de inlichtingen, die hij ontving, deden hem besluiten, dat het Kind reeds meer dan één jaar oud was. Toen nu de Wijzen op het punt waren van Jeruzalem weder te verlaten, zeide de godde-looze huichelaar nog tot hen: Gaat en doet nauwkeurig onderzoek naar het Kind, en, wanneer gij het gevonden hebt, boodschapt het mij dan, opdat ook ik kome en het aanbidde.

Zoodra de Wijzen buiten de muren van Jeruzalem waren, zagen zij in de lucht dezelfde ster, welke zij in hetOosten

ocr page 29

19

aanschouwd hadden; en hunne vreugde was bovenmate groot. Het schitterend luchtverschijnsel ging voor hen uit, totdat het staan bleef boven het huis, waarin het Kind Zich bevond. De Wijzen gingen daar binnen en vonden het Kind met Maria, zijne Moeder; zij wierpen zich ter aarde neder en aanbaden den menschgewordën Zoon van God. Daarna openden zij hunne schatten en offerden hunne geschenken; goud, wierook en mirre.

Na het doel hunner reis bereikt te hebben, begaven de Wijzen zich naar het karavaanshuis om daar te overnachten ; den volgenden morgen zouden zij dan naar Jeruzalem terugkeeren. Doch in den nacht ontvingen zij van God het bevel, om niet weder naar Herodes te gaan, maar langs een anderen weg de terugreis naar hun land aan te nemen. Zij gehoorzaamden terstond.

Na hun vertrek verscheen een engel des Heeren aan Jozef, terwijl deze sliep, en sprak tot hem in den naam van God: Sta op en neem liet Kind en zijne Moeder en vlucht naar Egypte en blijf daar, totdat Ik het u zeggen zal; want het zal geschieden, dat Herodes het Kind zoeken zal om het te dooden. Jozef stond aanstonds op en, eer de morgen aanbrak, was hij reeds met Maria en het Kind Jesus op weg naar Egypte.

Koning Herodes wachtte met ongeduld op de komst der Wijzen, die, daar Bethlehem slechts twee uren van Jeruzalem verwijderd was, reeds lang hadden kunnen terug zijn. Toen zij niet kwamen en hij de zekerheid had, dat zij hem, gelijk hij het noemde, bedrogen hadden, ontstak hij in hevigen toorn. Zijn aanslag was mislukt, maar toch zou hij zijn doel bereiken! Hij wist, dat het Kind, hetwelk hij besloten had te vermoorden, in of bij Bethlehem was en dat het den ouderdom van twee jaren zeker nog niet bereikt had. Derhalve gaf hij aan eenigen zijner dienaars, welke hij kende als lieden, die voor geen misdaad terugdeinsden, bevel om naar Bethlehem te gaan en in die stad en derzelver grondgebied alle kinderen van het mannelijk geslacht, die beneden de twee jaren waren, om het leven te brengen.

Terwijl de beulen van Herodes dit onmenschelijk bevel volbrachten, en de onnoozele kinderen hun onschuldig

ocr page 30

20

bloed voor Christus vergoten, waren Maria en Jozef niet het Kind Jesus in veiligheid op weg naar Egypte.

Koning Herodes stierf, niet lang na den moord der kinderen van Bethlehem, aan eene pijnlijke en afzichtelijke ziekte, welke men algemeen als eene straf des hemels beschouwde. Na zijn dood werd zijn koninkrijk verdeeld onder zijne drie zonen: Archelaüs, Herodes Antipa? cn PhiUppiis. Archelaüs werd volksvorst van Jndea, Samaria en Idmnea; Galilea en het land ten Oosten van den Jordaan, flat Per ca genoemd werd. kwam onder Herodes Antipas; Philippus ontving de landschappen Trachonitis, Iturea met Gaulanitis en Batanea; de titel, welken c'e twee laatsten voerden, was viervorst. Archelaüs regeerde slechts tien jaar en werd toen afgezet en verbannen. Sedert dien tijd werd Judea bij Syrië gevoegd en bestuurd door stadhouders of ondergeschikte landvoogden, van welke Pontius Pilatus reeds de zesde was.

XII. Terugkker uit Egypte. Verblijf te Nazareth.

Toen koning Herodes overleden was, verscheen een engel des Heeren aan Jozef en sprak tot hem: Sta op en neem het Kind en zijne Moeder en ga naar het land van Israël, want degenen, welke het Kind naar het leven stonden, zijn gestorven. Jozef gehoorzaamde en keerde met zijnen Voedsterzoon cn Maria naar Palestina terug. Denkelijk wilde hij zich in Judea vestigen, doch, toen hij vernam dat Archelaüs het bevel over dat gewest voerde, vreesde hij daarheen te gaan. Eene nieuwe openbaring van God gelastte hem naar Galilea voort te trekken. Zoo kwam de heilige familie weder te Nazareth en bleef daar wonen. Het Kind Jesus groeide op en nam toe in krachten; Hij was vol van wijsheid, en de genade Gods was in Hem.

In het kleine en verachte Nazareth bleef onze Zaligmaker wonen, totdat Hij zijn openbaar leven begon; vandaar werd Hij later gewoonlijk Jesus van Aasarcth genoemd en als Nazarencr geringgeschat en versmaad. Slechts ééne enkele bijzonderheid is ons uit al den tijd van Christus' verborgen leven bekend.

Toen Hij een jongeling van twaalf jaren geworden was, ging Hij met Maria en Jozef op naar Jerusalem om in den tempel het paaschfeest tc vieren. De heilige familie deed deze feestreis in gezelschap van vele anderen, die met elkander eene karavaan uitmaakten; en toen, na den afloop der feestdagen, deze karavaan de hoofdstad weder verliet, reisden ook Maria en Jozef mede af; doch het

ocr page 31

Kind Jesus bleef te Jeruzaiem achter, zonder dat zijne Moeder en zijn voedstervader het wisten; zij meenden namelijk, dat Hij Zich bij bloedverwanten of bekenden, die tot hetzelfde reisgezelschap behoorden, had aangesloten.

Nadat de karavaan ééne da;gt;Tcize was voortgetrokken

O O

en zich des avonds verzamelde ter plaatse, waar men nachtverblijf zoude houden, bleek het spoedig dat Jesus Zich niet bij het reisgezelschap bevond; toen Maria en Jozef nu ook vernamen, dat Hij den geheelen dag niet gezien was, konden zij niet anders denken of Hij moest te Jeruzalem achtergebleven zijn. Zij keerden dan den volgenden dag met droevig hart naar de hoofdstad terug, overal langs den weg vragend en onderzoekend, of hun Kind ook de karavaan was nagereisd; eindelijk kwamen zij te Jeruzalem en vonden daar, drie dagen nahunetrste vertrek, Jesus in den tempel, gezeten in het midden dei-leeraars en schriftgeleerden, die daar openbaar onderwijs in den godsdienst gaven ; Hij luisterde naar hen , antwoordde en vroeg; en allen, die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en zijne antwoorden. Toen Maria en jozef Hem daar zagen, stonden zij verwonderd, en Maria, die nu zeker was dat haar Zoon opzettelijk was achtergebleven, zeide tot Hem: Zoon, waarom hebt Gij ons zóó gedaan? Zie, uw vader en ik zochten U met smart. Jesus antwoordde: Waarom zocht gij Mij ? Wist gij niet, dat Ik zijn moet in hetgeen mijns Vaders is?

Dit zijn de eerste woorden uit den mond des Zaligmakers, welke in het H. Evangelie staan opgeteekend; zij zijn ook de eerste getuigenis, welke Hij van zijne goddelijke afkomst geeft: want tegenover den vader, van wien Maria spreekt, den H. Jozef, stelt Christus zijnen hemelschen Vader, wiens Zoon Hij is. Met het werk, waartoe die Vader Hem gezonden had, had hij zich te Jeruzalem reeds bezig gehouden; en omdat Maria en Jozef dit hadden kunnen weten, hadden zij Hem niet met smart behoeven te zoeken. Dat dit de verhevene zin van Christus' antwoord was, begrepen Maria en Jozef toen nog niet; Maria echter bewaarde al deze woorden in haar hart.

Jesus keerde met zijne moeder en zijnen voedstervader naar Nazareth terug, en Hij was hun onderdanig. En Hij

ocr page 32

22

nam toe in wijsheid en jaren en in genade bij God en de menschen; dat wil zeggen: Hij toonde hoe langer hoe meer in zijne woorden en handelingen, dat Hij vol van wijsheid en genade was.

Van den heiligen voedstervader des Heeren wordt in liet vervolg der Evangeliën niet meer gesproken; als zeker mag aangenomen worden, dat hij, vóór het begin van Christus' openbaar leven, reeds gestorven was.

Kinderen! dat voor u vooral de Heer Jesus een voorbeeld zij! Weest, even als Hij, altijd onderdanig aan uwe ouders en aan degenen, die door God tot uwe overheid zijn gesteld! En doet altijd uw best om, terwijl gij toeneemt in jaren, ook toe te nemen in genade bij God door uw deugdzaam gedrag, en in behagelijkheid bij alle goede menschen. wier achting en liefde altoos ten deel valt aan het kind, dat zich met ijver toelegt op de vervulling zijner plichten.

ocr page 33

. / f

a

__Q, Ji

_____

TWEEDE AFDEELING.

GESCHIEDENIS VAN CHRISTUS' OPENBAAR LEVEN.

XIII. Joannes de Dooper.

In de woestijn, waar de H. Joannes zich tot vervulling zijner roeping had voorbereid, ontving hij van God het bevel om zijne boetprediking te beginnen en als de voor-looper des Verlossers op te treden. Het oord, waar hij zich meestal ophield, was de woestijn van Judea, dat is, de landstreek tusschen Jericho en den Jordaan; somtijds begaf hij zich ook over den Jordaan naar Perea, waar het vlek Bethania lag. Evenals weleer de profeet Elias, droeg Joannes een kleed van kemelshaar en een lederen gordel om zijne lendenen; zijne levenswijze beantwoordde aan deze kleeding, want zijn voedsel bestond uit wilden honig cn eene soort van groote sprinkhanen, die ook nu nog in het Oosten door arme menschen gegeten worden. Aldus beoefende Joannes de boetvaardigheid, welke hij kwam prediken.

Het optreden van zulk een godsgezant moest diepen indruk maken; uit gansch Judea en vooral uit Jeruzalem stroomden talrijke scharen naar de oevers van den Jordaan, om Joannes te zien en te hooren. De korte inhoud zijner prediking was: Doet boetvaardigheid, want het Rijk der hemelen is nabij gekomen. Dit Rijk der hemelen was het geestelijke koninkrijk, dat Christus weldra op aarde zou stichten en waarvan niemand burger worden kon, zonder zich in berouw en boetvaardigheid tot God te bekeeren. Wie aan het woord van Joannes geloofde en zich bekeeren wilde, moest zijne zonden belijden en werd dan door indompeling in den Jordaan gedoopt.

r , P

'7

ocr page 34

24

De meesten, die tot Joannes kwamen, behoorden tot de lagere volksklas; zij werden allen door hem met zachtheid bejegend en ontvingen van hem de heilzaamste vermaningen tot verbetering huns levens. Echter kwamen er ook sommige Pharizeen en Sadduceën. De Pharizeën waren voor het grootste gedeelte schijnheilige huichelaars, die door een uiterlijk vertoon van heiligheid het volk bedrogen; do Sadduceën waren losbandige en zedelooze onge-loovigen, die den spot dreven met den godsdienst. Deze slechte menschen kwamen tot Joannes, niet om zich te bekeeren, maar om hem tegen te werken: zij durfden zelfs zeggen, dat hij door den duivel bezeten was. Zij werden dan ook door den Dooper met strengheid berispt en bestraft, en tot hen vooral zeide hij: Alle boom, die geen goede vrucht voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden.

Het doopsel van Joannes was niet het II. Sakrament des doopsels, dit eerst later door Christus werd ingesteld; het had ook, op zich zelf beschouwd, de' kracht niet om zonden te vergeven. Wie echter dit doopsel ontving met oprecht berouw over zijne zonden, welke hij beleed, en in geloovig vertrouwen op den beloofden Verlosser, ontving zeker, om wille der verdiensten van Christus, de kwijtschelding zijner schuld en de hei-ligmakende genade. In dien zin wordt de doop van Joannes genoemd een doopsel van boetvaardigheid tot vergeving der zonden..

XIV. Doop van Christus.

In eenen tijd, toen de verwachting des beloofden Messias onder de Joden zoo levendig was, moest wel bij menigeen de gedachte opkomen, dat de godsgezant, die bij den Jordaan predikte en doopte, misschien de Messias zelf was. Zoodra Joannes dit bemerkte, sprak hij tot de Joden: Ik doop u wel met water ter boetvaardigheid; maar Hij, die na mij komen zal, is machtiger dan ik: — den riem van zijne schoenen ben ik niet waardig, geknield , te ontbinden! — Hij zal u doopen met den Heiiigen Geest en met vuur. Alzoo toonde Joannes de verhevene waardigheid van den Verlosser te kennen; ook kondigde hij Hem aan als den toekomstigen Rechter, die zijne tarwe in zijne schuur verzamelen, maar het kaf met onuitbluschbaai-vuur verbranden zal.

ocr page 35

P e r s o o n 1 ij k echter kende Joannes den Verlosser niet; hij wist wel dat hij spoedig den Messias zou aanschouwen, en daarenboven had God hem een teeken gegeven, waaraan hij den Verlosser onfeilbaar zeker zou erkennen: Degene, had God tot hem gezegd, op wien gij den Heiligen Geest zult zien nederdalen en blijven, Hij is het, die doopt met den Heiligen Geest.

Terwijl nu Joannes weder aan velen zijn doopsel toediende , naderde onder de anderen ook Jesus, om gedoopt te worden. Op dit oogenblik ontving Joannes eene goddelijke openbaring, welke hem zeide, wie degene was die daar tot hem kwam. Door eerbied en schrik overmeesterd houdt hij den Verlosser tegen en zegt hij: Ik heb noodig door U gedoopt te worden; en Gij komt tot mij! Jesus antwoordde hem: Laat het nu toe; want aldus behooren wij alle gerechtigheid te vervullen. Joannes gehoorzaamde; Jesus daalde in het water af en werd gedoopt.

Nauwelijks heeft de Verlosser, die hier de gedaante van een boetvaardig zondaar aanneemt, Zich zoo onuitsprekelijk diep vernederd, of zijne goddelijke heerlijkheid wordt schitterend geopenbaard. De hemel gaat open boven zijn hootd, de Heilige Geest daalt in de gedaante eener duif op Hem neder en blijft op Hem rusten en tegelijk spreekt God de Vader uit den hemel Hem toe; Gij zijt viijn welbeminde Zoon; in U heb Ik mijn welbehagen.

Bij de menschwording van God den Zoon werd het geheim der allerheiligste Drieëenheid reeds duidelijk geopenbaard; nog duidelijker wordt dit geheim bij het begin van Christus' openbaar leven bekend gemaakt. God de Vader spreekt tot zijnen Zoon, op wien de ii e il ige G e e s t nederdaalt. — Bij den doop van Cluistus werd, door de aanraking van zijn heilig lichaam het water gewijd, dat het middel worden zou om de zielen der menschen te reinigen van de smet der zonde.

XV. Christus l\ dk woestijn.

Na gedoopt te zijn begaf Christus Zich, gedreven dooiden Heiligen Geest, naar de woestijn om door den duivel bekoord te worden. Hij wist namelijk, dat de boozegeest eenen aanval op Hem wagen zou, en Hij wilde toelaten dat dit geschiedde, vooral ook om ons te leeren, hoe wij ons in de bekoringen moeten gedragen om den duivel te overwinnen.

ocr page 36

26

Christus bracht in de woestijn veertig dagen en veertig nachten door zonder eenig voedsel te gebruiken: toen die dagen voorbij waren, had Hij honger. En de bekoorder naderde tot Hem en sprak: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan tot dezen steen dat hij brood worde! De duivel namelijk wist niet zeker, of Jesus van Nazareth de Zoon van God was; nu wilde hij, door het vragen van een wonder, de waarheid leeren kennen; want, indien Jesus van zijne almacht gebruik maakte om eenen steen in brood te veranderen, dan zou de duivel zeker weten, dat Hij de Zoon Gods was. De Zaligmaker wilde aan het verlangen des duivels niet voldoen en gaf hem een ontwijkend antw oord ; De mensch leeft niet van brood alleen, maar van alle woord, dat uit Gods mond voortkomt.

De duivel deed nu eene tweede poging. Hij nam Christus op, plaatste Hem op het hooge dak van den tempel te Jeruzalem en zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp ü dan naar beneden! Want er staat geschreven: Hij heeft zijnen engelen aangaande u bevolen dat zij u bewaren; en op de handen zullen zij u nemen, opdat gij uwen voet soms niet stooten zoudt tegen eenen steen. Wederom sprak de duivel aldus, om door middel van een wonder te weten te komen, of Christus waarlijk de Zoon Gods was; maar wederom werd hij teleurgesteld, want Christus antwoordde niets anders dan: Ook staat er geschreven; gij zult den Heer uwen God niet op de proef stellen, dat wil zeggen: niemand mag eischen dat God een wonder zal doen.

De duivel begreep dat het nutteloos wezen zou verdere pogingen te doen om te weten te komen, wat hij zoozeer verlangde te weten ; derhalve waagde hij den aanval, dien hij tegen Christus ondernemen wilde en trad openlijk op als helsche geest en aartsvijand van God. Hij verplaatst den Zaligmaker op een hoogen berg, toont Hem al de koninkrijken der wereld en hunne pracht en zegt: Dit alles zal ik U geven, indien Gij, nedervallend, mij aanbidt. Op deze gruwelijke taal antwoordt Jesus: Ga weg, Satan! want er staat geschreven: den Heer uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.

Toen verliet de duivel den Verlosser; en de engelen kwamen en dienden Hem.

ocr page 37

27

lu navolging van den Zaligmaker, die veertig dagen in de woestijn gevast heeft, onderhouden wij jaarlijks, vóór het hoogfeest van Paschen, een veertigdaagsche vaste, waartoe alle Katholieken, die onder de termen der kerkelijke wet vallen, verplicht zijn.

Leert, kinderen! uit het verhaal van Christus' bekoring, ten eerste: dat bekoringen geen zonden zijn, en dat bekoringen u nooit kleinmoedig of ongerust moeten maken: Christus zelf heeft immers willen bekoord worden. — Ten tweede: dat gij altijd op uwe hoede moet zijn tegen den duivel, die, daar hij den Zaligmaker zeiven heeft durven aanvallen, zeker u niet sparen zal. — Ten derde : dat gij u nooit door lichtzinnigheid of verkeerde neiging aan bekoringen moogt blootstellen; want onze Zaligmaker ging wel naar de woestijn, maar gedreven door den II. Geest. —-Ten vierde: dat gij door gebed en versterving u moet sterken tegen de bekoringen; want Christus werd bekoord, nadat Hij veertig dagen lang gevast en gebeden had. — Ten laatste: dat gij terstond wanneer de bekoring komt. den duivel moet wegjagen en met Christus zeggen; ga 'ueg, Satan! want er staat geschreven: den Heer uwen God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Als de duivel dat woord, in vertrouwen op God uitgesproken, hoort, neemt hij beschaamd en bevreesd de vlucht.

XVI. Gktuigenissen van Joannes den Dooper over Christus.

De prediking en de doop van Joannes maakten zulk een diepen indruk, dat de hooge Raad van Jeruzalem besloot een gezantschap tot den Dooper af te vaardigen om te onderzoeken, met welk recht hij predikte en doopte. De gezanten kwamen dan tot Joannes en vroegen hem: Wie zijt gij? Daar Joannes begreep, dat zij met deze vraag bedoelden, of hij de Messias was, antwoordde hij; Ik ben de Christus niet. (Messias en Christus zijn twee woorden, die beide hetzelfde: Gezalfde, beteekeneii.) De gezanten vroegen wederom: Zijt gij Elias? De Joden meenden namelijk, dat de profeet Elias, die door God ten hemel was opgenomen, op aarde zou terugkeeren om de voor-looper des Verlossers te zijn. Joannes antwoordde op deze vraag: Ik ben het niet. — Zijt gij de Profeet? vroegen zij op nieuw. En Joannes zeide: Neen. De Profeet, dien de gezanten bedoelden, was die groote Profeet, welken Mozes voorspeld had , en die een en dezelfde persoon was als de Messias.

De gezanten van den hoogen Raad gingen nu voort: Wie zijt gij, opdat wij antwoord geven aan degenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van u zeiven ? Joannes haalde de profetie van Isaias aan: Ik ben de stem eens

ocr page 38

28

roependen in de woestijn : maakt recht den weg des Heeren ! met welke woorden hij duidelijk te kennen gaf, dat hij de voorlooper van den Messias was. De afgevaardigden zeiden nu ; Wat doopt gij dan, indien gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de Profeet ? Waarop Joannes nogmaals den Messias aankondigde door te zeggen: Ik doop met water; doch midden onder u staat Hij, dien gij niet kent; Hij is degene, die na mij komen zal, die vóór mij geweest is; wiens schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden. Met dit antwoord konden de gezanten vertrekken.

Toen dit gesprek te Bethania in Perea gehouden werd, had Christus de woestijn reeds verlaten. Den volgenden dag zag Joannes Hem en wees Hem aan, zeggende: Ziet het Lam Gods! Ziet, die zvegncemt de zonde der wereld! Deze is het, van wien ik gezegd heb: na mij komt een Man, die vóór mij geweest is, omdat Hij eerder was dan ik. En ik kende Hem niet; maar die mij gezonden heeft om met water te doopen, Hij had mij gezegd: degene op wien gij den Geest zult zien nederdalen en op Hem blijven, Hij is het, die doopt met den Heiligen Geest. En ik heb het gezien; ik heb den Geest als eene duit uit den hemel zien nederdalen, en Hij bleef op Hem; en r ik heb getuigenis gegeven, dat deze is de Zoon Gods.

Als Joannes zegt, dat Christus na hem komt en voor hem geweest is, legt hij getuigenis af, dat Christus God en mensch is. Want als mensch was Christus zes maanden jonger dan Joannes en trad IIij na Joannes in het openbaar op; maar als God was Christus vóór Joannes, ISmdat Hij in den beginne, dat Ls: van eeuwigheid was

Door te zeggen, dat Christus het Lam Gods is, dat de zonde der wereld wegneemt, doet Joannes Hem kennen als het Zoenoffer voor de zonden der wereld en als dengene, die als een lam ter slachting geleid zal worden tot uitdelging van onze en aller menschen misdaden, welke God op Hem had gelegd, en waarvoor Hij, door te lijden en te sterven, voldoen zou.

XVII. Eerste roeping van Christus' eerste Leerlingen.

In den namiddag van den volgenden dag wandelde de Zaligmaker weder in de nabijheid van den Jordaan, en Joannes herhaalde zijne getuigenis: Ziet het Lam Gods! Twee mannen die zich meer bijzonder aan Joannes gehecht hadden en zijne leerlingen waren, hoorden deze woorden en gingen Jesus achterna, totdat Hij Zich omkeerde en

ocr page 39

29

\ roeg: Wat zoekt gij ? Zij zeiden: Meester! waar woont Gij ? Jesus antwoordde: Kornt' en ziet! Zij gingen dan met Hem en mochten het overige van dien dag in Zijn gezelschap doorbrengen.

Van deze twee eerste leerlingen des Zaligmakers heette de eene Andreas; hij was geboortig van Bethsaida, een visschersdorp aan den oever van het meer Genesareth; zijn vader heette Jona of Joannes. De andere was Joatmes, de zoon van Zehedetis die ook in of nabij Bethsaida woonde.

Andreas had een broeder, Simon geheeten; zoodra hij dezen ontmoette, riep hij hem toe: Wij hebben den Messias gevonden! en hij bracht hem bij Jesus. Zoodra deze den broeder van Andreas zag, sprak Hij tot hem: Gij zijt Simon, de zoon van Jona: Gij zult genoemd worden KepJias dat is: Petrus.

Den volgenden dag, toen Christus de terugreis naar Galilea zou aannemen, riep Hij PJiilippns, eenen dorpsgenoot van Petrus en Andreas, tot Zich zeggende: Volg Mij! Philippus gehoorzaamde terstond en maakte ook nog een zijner bloedverwanten of vrienden , NatJinnaelgeheeten en van Kana geboortig, deelgenoot van zijn geluk. Philippus zocht hem op en zeide hem: Dengene, van wien Mozes en de Wet en de Profeten hebben geschreven, hebben wij gevonden: Jesus, Jozefs zoon, van Nazareth. Op het hooren van den naam dezer geringe en verachte stad, zeide Nathanaël: Kan er uit Nazareth iets goeds zijn! Kom en zie ! hernam Philippus, en Nathanaël ging tot Jesus. Toen deze hem zag naderen, sprak Hij: Ziedaar, in waarheid een Israëliet, in wien geen bedrog is! Verbaasd vroeg Nathanaël: Vanwaar kent Gij mij? Jesus antwoordde: Eer Philippus u riep, toen gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u. Nathanaël, vol geloof, erkende nu den Messias en riep uit: Meester! Gij zijt de Zoon Gods! Gij zijt de Koning van Israël! Jesus zeide hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgeboom, gelooft gij. Grooter dan dit zult gij zien! Voorwaar voorwaar! Ik zeg u: gij zult den hemel geopend zien en Gods engelen opklimmend en nederdalend boven den Zoon des menschen.

De naam Zoon des menschen, welken Christus Zich zeiven dikwijls

geeft, was reeds door den profeet Daniël gebruikt geworden; Christus is

ocr page 40

3°

Zoon Gods en Zoon des menschen, omdat Hij waarlijk God en waarlijk

mensch is — Nathanaël was zeer waarschijnlijk dezelfde persoon als

Bartholomens, dat is: zoon van Tholometts.

XVIII. Christus' wonderen, beschouwd als het

groot bewijs zijner godheid.

De laatste woorden, die Christus tot Nathanaël sprak, gaven te kennen, dat zijn geheele leven op aarde eene voortdurende openbaring van zijne macht en heerlijkheid wezen zou; en dit was het ook, vooral door de groote en talrijke wonderwerken, welke Hij verrichtte.

Deze wonderen van Christus zijn het grootste en voornaamste bewijs van de waarheid, dat Hij God is, en Hij zelf beriep Zich meermalen op zijne wonderen, om de Joden te overtuigen dat zij Hem moesten gelooven, wanneer Hij hun zeide, dat Hij de Zoon van God was.

Zeer dikwijls en op verschillende wijzen heeft Christus allerduidelijkst verklaart dat Hij God is. Ik en de Vader, it'ij zijn één; — de Vader is in Mij, en Ik ben in den Vader; — al zuat de Vader doet, dat doet ook de Zoon insgelijks; — alles wat de Vader heeft is het mijne; — allen moeten den Zoon eer en, gelijk zij den Vader eer en. Veel meer dergelijke uitspraken des Zaligmakers staan in de heilige Evangeliën opgeteekend; en telkens wanneer Christus verklaart. dat Hij één is met den Vader, dat Hij de Zoon Gods is, dat Hij dezelfde macht heeft endezelfde goddelijke werkingen doet als zijn hemelsche Vader, dan legt Hij getuigenis van zich zeiven af, dat Hij God is.

Is nu deze getuigenis, welke Christus van Zich zeiven aflegt, eene w are getuigenis ? Op deze vraag geeft gij, mijne jeugdige vrienden ! aanstonds ten antwoord : ja zeker ! want Christus kan niet liegen. Dit antwoord is zeer juist; maar de Joden, tot wie Christus sprak, kenden Hem niet zoo goed als gij; zij twijfelden wel eens aan de waarheid zijner woorden, en de vijanden des Heeren zeiden zelfs ronduit, dat zij Hem niet geloofden. En wat deed Christus dan om hun te bewijzen, dat Hij de volle waarheid sprak, wanneer Hij verklaarde God te zijn? Dan beriep Hij Zich op de wonderen, welke Hij deed.

Wat is een wonder ? Een wonder is eene gebeurtenis,

ocr page 41

3i

die plaats heeft door de werking der goddelijke almacht; waar een wonder geschiedt, daar werkt God zelf; daar treedt Hij, om zoo te zeggen, in eigen persoon, handelend op. Wanneer God nu een wonder doet om hetgeen een mensch zegt te bevestigen , dan geeft God zelf getuigenis, dat het door dien mensch gezegde waar is. Zoo bijvoorbeeld gaf God, toen Hij zijnen dienaar Mozes tot den Egyptischen koning zond, door vele en groote wonderen getuigenis, dat hetgeen Aiozes zeide w aar was. Aan de waarheid van hetgeen door God met een wonder bevestigd wordt, kan niemand twijfelen; want, als God eene o n-w a a r h e i d met een wonder bevestigde, dan zou God zelf liegen.

Welnu: Christus zegt dat Hij God is; er geschieden vele en groote wonderen om de waarheid van hetgeen Hij zegt te bevestigen; dus: Christus zegt de ivaarlicid, ah Hij zegt dat Hij God is; dus; Christus is God.

Dit bewijs voor de Godheid van Christus is zóó duidelijk , dat mijn jeugdige vrienden het met eenige oplettendheid zeker goed zullen begrijpen en onthouden. Ook het volgende is niet moeielijker te verstaan.

Christus deed de wonderen, welke Hij verrichtte op zulk eene wijze, dat ook daardoor zijne Godheid bewezen werd. Omdat een wonder eene gebeurtenis is, die plaats heeft door de werking der goddelijke almacht, en omdat niemand almachtig is behalve God alléén, kan ook niemand een wonder doen behalve God alleen. Wanneer men dus zegt, dat een mensch, bijvoorbeeld een Heilige, een wonder doet, dan bedoelt men altoos , dat God degene is, die het wonder doet op het gebed of op een teeken van zulk eenen Heilige. Daarom bidt een Heilige, die een wonder zal doen, altijd tot God, opdat God datgene gelieve te doen, wat voor menschelijke kracht onmogelijk is; en daarom doet een Heilige een wonder altijd in den naam van Go d. Zoo bad bijvoorbeeld de profeet Elias, toen hij een dood kind in het leven zou terugroepen; Heer! laat de ziel van dit kind terugkeeren in zijn lichaam! En de apostel Petrus, toen hij aan een kreupele de gezondheid teruggaf, zeide; In den naam van Jesus Christus, sta op en wandel! Want Petrus en Elias wisten zeer goed

ocr page 42

32

dat zij in hun eigen naam en door hun eigene kracht geen wonderen konden doen.

Maar bij de wonderen van Christus was dit geheel anders; Hij deed wonderen in eigen naam en door zijne eigene kracht; en dit toonde Hij zeer duidelijk. Tot een dooden jongeling sprak Hij: jongeling! Ik zeg 11. sta op! en toen eens een melaatsche tot Hem zeide; Heer! als gij wilt, kunt Gij mij reinigen, antwoordde Hij: Ik wil, wordt gereinigd! Door zóó te spreken bewees Christus , dat Hij zelf de macht had om wonderen te doen, dat Hij dus almachtig en derhalve God is.

Kinderen \ gij moet bij liet lezen en bestudeeren der geschiedenis van. Christus' leven op aarde er altijd aan denken. dat Christus niet alleen mensch maar ook God is; dat alles wat hij gezegd en gedaan heeft door een g o d d e 1 ij k Persoon is gezegd en gedaan geworden. Hoe eerbiedwaardig en heilig moet dan elk woord, dat uit Christus'mond kwam, en elke daad, welke Hij verrichtte voor u niet zijn.'

XIX. De Bruiloft te Kana.

Toen de Zaligmaker weder in Galilea gekomen was, ging Hij met zijne leerlingen naar eene kleine stad, Kana geheeten. Daar werd eene bruiloft gevierd, waarbij de Moeder des Heeren tegenwoordig was en waaraan ook Jesus met zijne leerlingen deel nam. Terwijl men aan tafel zat, bemerkte Maria dat er gebrek aan wijn was, en zij zeide tot haren goddelijken Zoon : Zij hebben geenen wijn. Met deze woorden wilde Maria haren Zoon verzoeken, dat Hij een wonder zou doen om hen, die het bruiloftsfeest gaven , uit de verlegenheid , waarin zij waren , te redden. Jesus antwoordde haar : Wat heb ik met u te doen , Vrouwe? Mijn uur is nog niet gekomen. Door dit te zeggen gaf Hij zijne Moeder te kennen, dat de bepaling van het oogenblik, waarop Hij het door haar begeerde wonder zou doen, niet aan haar toekwam maar aan zijn hemel-schen Vader; doch tevens gaf Hij haar de verzekering, dat Hij hare bede verhooren wilde. Zóó begreep ook Maria het antwoord van Jesus, want zij zeide tot de bedienden: Doet alles wat Hij u zeggen zal.

Er stonden in de nabijheid zes groote steenen kruiken. Toen nu het gastmaal ten einde begon te loopen, zeide

ocr page 43

33

Jesus tot de bedienden: Vult de kruiken met water! Zij vulden ze tot boven toe. Daarop sprak Jesus: Schep nu cn brengt het aan den hofmeester, dat is, aan dengene, die het opzicht had over den maaltijd en den wijn moest voorproeven.

De bedienden hadden de kruiken met water gevuld;

O '

maar de almachtige wil van Jesus veranderde het water in wijn, en toen de hofmeester zijne lippen zette aan den beker, dien men hem aanbood, en den buitengewoon goeden wijn proefde, meende hij, dat de bruidegom dezen wijn had achtergehouden om hem te verrassen, en zeide: Ieder mensch stelt eerst den goeden wijn op, en wanneer men goed gedronken heeft, den minderen; doch gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.

Dit was het eerste wonder. waardoor onze Zaligmaker in het openbaar zijne heerlijkheid toonde; het maakte diepen indruk vooral op zijne leerlingen, en zij geloofden in Hem.

Let wel op, kinderen! dat Christus het eerste wonder, dat Hij in het openbaar verrichtte, gedaan heeft op de voorspraak zijner Moeder. Daardoor leert Hij ons, dat wij tot hare bescherming onze toevlucht moeten nemen, indien wij van Hem gunsten en genade wenschen te ontvangen; evenals Hij op de bruiloft te Kana deed wat zijne Moeder Hem vroeg, zoo zal Hij ook in den hemel haar gebed niet onverhoord laten.

XX. Eerste Paaschfeest. Nikodemus. Verblijf

IN JUDEA.

Van Kana ging Jesus met zijne Moeder en naar Kapharnaüvi, eene bloeiende stad aan de westkust van het meer Genesareth. Hij bleef daar slechts kort en, dewijl het paaschfeest op handen was, trok Hij met zijne leerlingen naar Jeruzalem.

In den tempel hadden groote en grove misbruiken plaats, welke door de opperpriesters en andere oversten werden toegelaten. In een der voorhoven namelijk werd eene soort van markt gehouden, waar men offerdieren, runderen, schapen en duiven verkocht, en waar geldhandelaars zaten, bij wie de Israëlieten, die uit andere

tegen

leerlingen

landen naar Jeruzalem kwamen, hun vreemd geld

ocr page 44

34

Joodsche munt konden inwisselen. En niet alleen werd daar handel gedreven, maar men maakte zich ook aan allerlei bedrog schuldig, zoodat de marktplaats in den tempel een roovershol kon genoemd worden.

Zulke heiligschendende misbruiken duldde Jesus niet. Hij nam eenige touwen en, met dien geesel in zijne hand, dreef Hij de veehandelaars met hunne schapen en runderen uit de gewijde plaats; de tafel der wisselaars stiet Hij omver en tot dc duivcnverkoopers zeide Hij: Neemt deze dingen weg van hier , en maakt het huis mijns Vaders niet tot een huis van koophandel! En Jesus sprak en handelde met zulk eenc goddelijke majesteit, dat allen gehoorzaamden en zich spoedden om de poorten des tempels te bereiken.

De priesters en oversten der Joden hadden zich, evenmin als iemand anders, verzet: maar toen Jesus den tempel gereinigd had, randden zij Hem aan en eischten, dat Hij door een wonder toonen zoude een godsgezant te zijn en recht te hebben om zoo oppermachtig te handelen als Hij nu gehandeld had. Jesus deed nooit wonderen, wanneer men die van Hem eischte, maar alleen wanneer Hij zelf het wilde; ook nu deed Hij geen wonder, maar sprak tot de Joodsche priesters: Breekt dezen tempel af, en in drie dagen zal Ik hem oprichten. De tempel, welken Hij bedoelde, was zijn eigen lichaam, dat door de Joden gedood , maar op den derden dag weder ten leven opgewekt zou worden. Doch de vijanden des Heeren begrepen zijne woorden niet in dien zin en riepen spottend uit; Zes en veertig jaren is er aan dezen tempel gebouwd ; en Gij zult dien in drie dagen oprichten! Jesus gaf hun geen verdere verklaring; ook niet aan zijne leerlingen, die toen nog niet begrepen, dat hun Meester eene voorspelling had gedaan over zijnen toekomstigen dood en zijne verrijzenis uit het graf.

Jesus bleef gedurende het paaschfeest te Jeruzalem, en velen, die de wonderen zagen, welke Hij verrichtte, geloofden in Hem. Onder deze was een der aanzienlijkste mannen van Jeruzalem, Nikodemus geheeten; hij behoorde tot de Pharizeën en was een overste der Joden, een leeraar in de Wet en lid van den hoogen Raad. Op zekeren dag, toen het reeds avond geworden was, kwam Nikodemus

ocr page 45

35

tot Jesus en sprak Hem met diepen eerbied toe: Meester! wij weten dat Gij van God als leeraar gekomen zijt; want die wonderteekenen, welke Gij doet, kan niemand verrichten, tenzij God met hem is. Het doel, waarmede Nikodemus zich tot den Zaligmaker wendde, was om van Hem te leeren, wat men doen moet om in het Rijk Gods binnen te gaan. Jesus zeide hem dan: Voorwaar, voorwaar , Ik zeg u: indien iemand niet op nieuw geboren wordt, kan hij het Rijk Gods niet zien. En om Nikodemus te doen begrijpen, dat die nieuwe geboorte eene geestelijke geboorte was, ging Hij voort: Indien iemand met herboren wordt uit water en den Heiligen Geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan. Door deze woorden leerde de Zaligmaker, dat het H. Sakrament des doopsels noodzakelijk is om hier op aarde tot het Rijk Gods, dat is: de Kerk van Christus, te behooren en om hiernamaals het Rijk Gods, dat is: de hemelsche zaligheid, binnen te gaan.

Nog vele andere groote waarheden openbaarde Christus aan Nikodemus. Over zijn eigen Persoon leerde Hij, dat Hij uit den hemel was nedergedaald en dat Hij, terwijl Hij als mensch op aarde rondwandelde, toch als God in den hemel is. Verder sprak Hij over het doel, waartoe Hij op aarde gekomen was: Zóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen ééniggeborenen Zoon gaf, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren ga, maar het eeuwig leven hebbe. Eindelijk voorspelde Christus zijnen toekom-stigen kruisdood tot verlossing der wereld: Gelijk Mozes de slang heeft omhoog geheven in de woestijn, zoo moet de Zoon des menschen omhoog geheven worden, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren ga, maar het eeuwig leven hebbe.

Het onderricht, dat Nikodemus van Christus ontvangen had, bracht in zijne ziel overvloedige vruchten voort; hij is ten einde toe een getrouw leerling van Christus gebleven.

Na de paaschweek verliet Jesus de hoofdstad en bleef eenigen tijd in Judea prediken; aan degenen, welke in Hem geloofden, deed Hij door zijne leerlingen het doopsel toedienen. Intusschen ging ook Joannes voort met prediken en doopen. Zijne leerlingen zeiden nu tot Hem: Meester! Hij die bij U was aan de andere zijde des Jordaans, van

ocr page 46

36

wien gij getuigenis hebt afgelegd, zie, Hij doopt, en allen komen tot Hem! Aan deze leerlingen, die jaloersch waren op de eer huns meesters en den opgang, welken Jesus maakte, ongaarne zagen, antwoordde Joannes: Gij zelf zijt mij getuigen dat ik gezegd heb: ik ben dc Christus niet, maar ik ben voor Hem uitgezonden. Hij moet grooter worden, maar ik kleiner. Die van boven, die van den hemel komt, is boven allen. Aldus legde Joannes opnieuw getuigenis af van Jesus' verhevenheid; en om zijne leerlingen te doen inzien, dat ook zij zich aan Jesus moesten aansluiten en in Hem gelooven, voegde hij er nog bij: Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwig leven; doch wie niet in den Zoon gelooft, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

Altoos, kinderen! maar voornamelijk op den verjaardag van uw ^heilig Doopsel, moet gij God danken, dat gij door liet ontvangen van dat H. Sakrament tot het Rijk Gods zijt binnengegaan; dat wil zeggen: dat gij leden zijt geworden van de ware Kerk van Christus. Vergeet ook nooit, dat uwe ziel, toen gij gedoopt weidt, een onuitwischbaar merkteekeu ontvangen heeft, waaldoor gij in alle eeuwigheid als kinderen der Katholieke Kerk zult erkend worden; en dat er toen in uwen naam plechtige doopbeloften zijn afgelegd, welke gij verplicht zijt getrouw na te leven. Daaraan moet gij u, vooral op den verjaardag uws Doopsels, herinneren en op dien dag niet verzuimen uwe doopbeloften te vernieuwen.

XXI. Gevangenneming van Joannes. Vertrek van Christus uit Judea.

De viervorst van Galilea, Her odes Antipas, had twee broeders, die beiden Philippus heetten; de eene was de viervorst van Tturea, de andere leefde ambteloos en was gehuwd met Herodias, eene kleindochter van Herodes den groote. Deze slechte vrouw had haren man verlaten en zich met hare dochter Salome begeven naar haren schoonbroeder Antipas, met wien zij nu in overspel leefde. Dit ergerlijk gedrag van dezen viervorst werd door Joannes den Dooper openlijk afgekeurd en zelfs berispte hij hem met heilige vrijmoedigheid, zeggende: Het is u niet geoorloofd de vrouw uws broeders te hebben. Hierdoor haalde de boetprediker zich den doodelijken haat van Herodias op den hals; en deze booze vrouw rustte niet, eer Herodes Joannes den Dooper had doen gevangen nemen. Deze

ocr page 47

37

werd naar eene sterkte, Mac her us geheeten en aan den oostkant van den Jordaan gelegen, gevoerd en daar opgesloten. Herodes zelf was geen vijand van Joannes; integendeel had hij grooten eerbied voor zijnen gevangene, sprak dikwijls met hem en volgde zijnen raad in vele zaken, doch niet tot verbetering van zijn eigen leven.

Na de gevangenneming van Joannes verliet de Zaligmaker Judea, om weder naar Galilea terug te keeren. De reden van dit vertrek was de vijandschap der Joodsche oversten en voornamelijk der Pharizeen, welke zich reeds bij het eerste optreden van Jesus in den tempel had vertoond, en door den bijval, welken fi'j onder het volk vond. was toegenomen. Jesus ontweek zijne vijanden, omdat zijn uur nog niet gekomen was.

XXII. Christus' verblijf in Samaria.

Uit Judea ging Jesus met zijne leerlingen door de provincie Samaria. Het was tegen den middag, toen Hij in ile nabijheid der stad Sic har of Sic hem kwam, waar de waterput nog was, dien vader Jacob daar, vele eeuwen geleden, gegraven had. Jesus' leerlingen waren naar de stad gegaan om spijs te koopen, en Hij zette Zich bij den put neder.

Terwijl Hij daar zat, kwam er uit Sichar eene Sama-ritaansche vrouw met eene kruik op haren schouder om iy water te putten. Jesus vroeg haar: Geef Mij te drinken ! De vrouw gaf hare verwondering te kennen, dat iemand . dien zij aan zijne spraak voor eenen Jood erkende, haar te drinken vroeg; want de haat tusschen de Joden en Samaritanen was zoo groot, dat zij elkander den gering-sten dienst niet zouden gevraagd hebben. Het was den Zaligmaker eigenlijk niet om drinken te doen, maar om met die vrouw verder in gesprek te komen. Hij zeide haar dus: Indien gij de gave Gods (dat is de genade, welke God u op dit oogenblik bewijst,) kendet en wie Hij is , die tot u zegt: geef Mij te drinken, gij zoudt het wellicht van Hem gevraagd hebben, en Hij zou u levend water gegeven hebben. Door de zinnebeeldige uitdrukking: levend water bedoelde Jesus het levendmakend geloof in Hem; maar de vrouw begreep dit niet en zeide: Heer! Gij hebt

ocr page 48

36

wien gij getuigenis hebt afgelegd, zie, Hij doopt, en allen komen tot Hem! Aan deze leerlingen, die jaloersch waren op de eer huns meesters en den opgang, welken Jesus maakte, ongaarne zagen, antwoordde Joannes: Gij zelf zijt mij getuigen dat ik gezegd heb: ik ben dc Christus niet, maar ik ben voor Hem uitgezonden. Hij moet grooter worden, maar ik kleiner. Die van boven, die van den hemel komt, is boven allen. Aldus legde Joannes opnieuw getuigenis af van Jesus' verhevenheid; en om zijne leerlingen te doen inzien, dat ook zij zich aan Jesus moesten aansluiten en in Hem gelooven, voegde hij er nog bij: Wie in den Zoon gelooft. heeft het eeuwig leven; doch wie niet in den Zoon gelooft, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

Altoos, kinderen! maar voornamelijk op den verjaardag van uw lieilig Doopsel, moet gij God danken, dat gij door het ontvangen van dat H. Sakrament tot het Rijk Gods zijt binnengegaan; dat wil zeggen: dat gij leden zijt geworden van de ware Kerk van Christus. Vergeet ook nooit, dat uwe ziel, toen gij gedoopt werdt, een onuitwischbaarmerkteeken ontvangen heeft, waardoor gij in alle eeuwigheid als kinderen der Katholieke Kerk zult erkend worden; en dat er toen in uwen naam plechtige doopbeloften zijn afgelegd, welke gij verplicht zijt getrouw na te leven. Daaraan moet gij u, vooral op den verjaardag uws Doopsels, herinneren en op dien dag niet verzuimen uwe doopbeloften te vernieuwen.

XXI. Gevangenneming van Joannes. Vertrek van Christus uit Judea.

De viervorst van Galilea, Her-odes Antipas, had twee broeders, die beiden Philippus heetten; de eene was de viervorst van Iturea, de andere leefde ambteloos en was gehuwd met Herodias, eene kleindochter van Herodes den groote. Deze slechte vrouw had haren man verlaten en zich met hare dochter Salome begeven naar haren schoonbroeder Antipas, met wien zij nu in overspel leefde. Dit ergerlijk gedrag van dezen viervorst werd door Joannes den Dooper openlijk afgekeurd en zelfs berispte hij hem met heilige vrijmoedigheid, zeggende: Het is u niet geoorloofd de vrouw uws broeders te hebben. Hierdoor haalde de boetprediker zich den doodelijken haat van Herodias op den hals; en deze booze vrouw rustte niet, eer Herodes Joannes den Dooper had doen gevangen nemen. Deze

ocr page 49

37

werd naar eene sterkte, Macherus geheeten en aan den oostkant van den Jordaan gelegen, gevoerd en daar opgesloten. Herodes zelf was geen vijand van Joannes; integendeel had hij grooten eerbied voor zijnen gevangene, sprak dikwijls met hem en volgde zijnen raad in vele zaken, doch niet tot verbetering van zijn eigen leven.

Na de gevangenneming van Joannes verliet de Zaligmaker Judea, om weder naar Galilea terug te keeren. De reden van dit vertrek was de vijandschap der Joodsche oversten en voornamelijk der Pharizeën, welke zich reeds bij het eerste optreden van Jesus in den tempel had vertoond, en door den bijval, welken |iij onder het volk vond, was toegenomen. Jesus ontweek zijne vijanden, omdat ziin uur nog niet gekomen was.

XXII. Christus' verblijf in Samaria.

Uit Judea ging Jesus met zijne leerlingen door de provincie Samaria. Het was tegen den middag, toen Hij in de nabijheid der stad Sic har of Sic hein kwam, waar de waterput nog was, dien vader Jacob daar, vele eeuwen geleden, gegraven had. Jesus' leerlingen waren naar de stad gegaan om spijs te koopen, en Hij zette Zich bij den put neder.

Terwijl Hij daar zat, kwam er uit Sichar eene Sama-ritaansche vrouw met eene kruik op haren schouder om f water te putten. Jesus vroeg haar: Geef Mij te drinken! De vrouw gaf hare verwondering te kennen, dat iemand. dien zij aan zijne spraak voor eenen Jood erkende, haar te drinken vroeg; want de haat tusschen de Joden en Samaritanen was zoo groot, dat zij elkander den gering-sten dienst niet zouden gevraagd hebben. Het was den Zaligmaker eigenlijk niet om drinken te doen, maar om met die vrouw verder in gesprek te komen. Hij zeide haar dus: Indien gij de gave Gods (dat is de genade, welke God u op dit oogenblik bewijst,) kendet en wie Hij is , die tot u zegt: geef Mij te drinken, gij zoudt het wellicht van Hem gevraagd hebben, en Hij zou u levend water gegeven hebben. Door de zinnebeeldige uitdrukking: levend water bedoelde Jesus het levendmakend geloof in Hem; maar de vrouw begreep dit niet en zeide: Heer! Gij hebt

ocr page 50

38

niets om er meê te putten, en de put is diep! Vanwaar hebt Gij dat levend water? Jesus verklaarde haar nu, dat Hij eene geheel andere soort van water meende, namelijk het water, dat den dorst van hem, die er van drinkt, voor eeuwig lescht, omdat het in hem wordt eene bron, springend ten eeuwigen leven. Maar ook deze verklaring begreep de Samaritaansche vrouw niet, en half schertsend riep zij uit: Heer! geef mij dat water, opdat ik geen dorst hebbe. noch behoeve hier te komen om te putten!

Jesus gaf nu aan het gesprek eene andere wending en zeide: Ga, roep uwen man en kom hier! — Ik heb geen man, antwoordde de vrouw. En Jesus hernam; Gij hebt lt;roed gezeefd: ik heb sreen man; want vijf mannen hebt

'Til

gij gehad, en dien gij nu hebt, is uw man met; dit hebt gij naar waarheid gezegd. Dit bewijs van Jesus' alwetendheid bracht de vrouw tot andere gedachten en, terwijl zij bekende, dat hetgeen Hij over haar zedeloos gedrag gezegd had, waar was, zeide zij: Heer! ik zie dat Gij een profeet zijt.

Zij stelde nu den Zaligmaker het voornaamste godsdienstig geschilpunt voor, dat tusschen de Joden en de Samaritanen bestond. De Joden namelijk hielden, overeenkomstig de Wet van God, Jeruzalem voor de plaats, waar men God in zijnen tempel moest aanbidden; doch de Samaritanen meenden, dat dit op den berg Garizim, waar vroeger hun tempel had gestaan, behoorde te geschieden; daarover nu wilde de Samaritaansche vrouw uit den mond van Jesus, dien zij voor een profeet erkende, eene beslissing vragen. Doch Jesus liet haar niet uitspreken en zeide haar: Vrouw! geloof Mij: het uur komt, dat gij noch op dezen berg noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden. Het uur komt en is nu daar, dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. God is Geest; en zij die Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden.

Nu de vrouw Jesus met zulk een oppergezag hoorde spreken, zoowel over den Samaritaanschen als over den J oodschen godsdienst, kwam bij haar de gedachte op, dat Hij meer dan een gewoon profeet moest zijn, dat Hij misschien de lang beloofde Messias was, dien ook de

ocr page 51

39

Samaritanen verwachtten. Zij zeide dan: Ik weet dat de Messias komt (die Christus genoemd wordt) ; als die dan komt, zal Hij ons alles verkondigen. En Jesus antwoordde haar: Ik hen het, Ik, die met u spreek.

Zonder iets verder te zeggen, snelt de vrouw, hare kruik achterlatend, naar de stad en roept daar tot allen, die zij ontmoet: Komt en ziet eenen Man, die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb ! Is deze niet de Christus ?

Intusschen waren Jesus' leerlingen teruggekeerd, en zij boden hunnen Meester het gekochte voedsel aan, zeggende: Meester, eet! Jesus zeide hun: Ik heb eene spijs te eten, welke gij niet kent; mijne spijs is, dat Ik den wil doe van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik zijn werk vol-brenge. Het werk, dat Christus, volgens den wil zijns hemelschen Vaders, nu volbrengen moest, was de bekeering der Samaritanen, die, opgewekt door het verhaal der vrouw, Sichar reeds verlaten hadden en reeds over het veld kwamen aansnellen. Deze menschen waren allen van goeden wil en baden Jesus, dat Hij nog eenigen tijd bij hen zoude blijven Hij voldeed aan hun verlangen en bleef twee dagen te Sichar. Zijn verblijf in die stad was vruchtbaar; 'velen geloofden in Hem en zeiden tot de vrouw: Nu gelooven wij niet om wille van uw zeggen; want zelf hebben wij gehoord en weten wij, dat deze waarlijk de Zaligmaker der wereld is.

Wij moeten God aanbidden in geest en -cuaarheui. Dit beteekent, kinderen .l dat de ware godsdienstigheid niet in enkel uiterlijke oefeningen, maar vooral in de innerlijke gesteldheid der ziel bestaat. Wel zijn wij verplicht God ook door uiterlijke, lichamelijke daden te vereeren, want God heeft evenveel recht op den dienst van ons lichaam als op den dienst onzer ziel; maar nooit mogen wij ons met het volbrengen dei-uiterlijke godsdienstplichten tevreden stellen; integendeel moeten wij ons altoos herinneren wat God zelf gezegd heeft: De menschen letten op het uiterlijke, maar de Heer ziet naar het hart.

XXIII. Aankomst in Galilea. Genezing van denzoon eens Hofbeambten.

In Galilea werd de Zaligmaker met eerbied en vreugde ontvangen; vooral door degenen, welke op het paasch-feest te Jeruzalem waren geweest en daar de wonderen gezien hadden, die Jesus had verricht. Hij begon dan ook

ocr page 52

40

terstond in de Synagogen, waar men op den Sabbath de openbare godsdienstoefeningen hield, te prediken. De tijd is vervuld, sprak Hij, en het Rijk Gods is nabij gekomen. Doet boetvaardigheid, bekeert ü en gelooft aan het Evangelie! Dit was de korte inhoud van Jesus' prediking.'

De Zaligmaker ging, toen Hij in Galilea kwam, niet naar Nazareth; want Hij wist dat het spreekwoord: een profeet heeft geen eer in zijn eigen vaderland, op Hem van toepassing zou zijn; ook had Hij de stad Kapharnaüm reeds tot zijne gewone verblijfplaats uitgekozen.

Te Kana, waar Jesus water in wijn veranderd had, deed Hij weder een schitterend wonder.

Er woonde te Kapharnaüm een koninklijk hofbeambte, die eene voorname betrekking aan het hof van den viervorst Herodes bekleedde. De zoon van dezen man lag gevaarlijk ziek en begon reeds te sterven. De hofbeambte had van Jesus' wonderwerken in Judea gehoord, en besloot zijne toevlucht tot Hem te nemen. Evenwel was zijn geloof in Jesus alles behalve voldoende; hij had wel veel over de wonderen des Heeren hooren spreken, maar hij wilde toch eerst zelf een wonder zien, eer hij ten volle overtuigd zou zijn van Jesus' goddelijke zending. In zulk eene gemoedsgesteldheid kwam de vader van den zieken jongeling te Kana bij den Verlosser en verzocht Hem , dat Hij naar Kapharnaüm zou afkomen om den stervende te genezen. Jesus, die de gedachten van dien man kende, berispte hem, omdat hij zelf een wonder wilde zien, eer hij geloofde. Zoo gij geen teekenen en wonderen ziet y zeide Hij, gelooft gij niet. De hofbeambte hervatte zijne bede: Heer, kom af, eer mijn zoon sterft! Nu verhoorde Jesus hem en zeide; Ga, uw zoon leeft. De vader geloofde, ofschoon hij geen wonder had zitu gebeuren, en keerde naar Kapharnaüm terug. Reeds onder weg kwamen zijne dienaars hem te gemoet met de blijde tijding, dat zijn zoon leefde. Hij vroeg hen naar het uur, waarop de zieke gezond geworden was; zij antwoordden; Gisteren, op het zevende uur, heeft de koorts hem verlaten.. Het was juist op het zevende uur van den vorigen dag, dat Jesus gezegd had: ?iw zoon leeft. De hofbeambte erkende nu, dat dit woord van Jesus een woord was geweest van goddelijke

ocr page 53

4i

almacht, waardoor een stervende, op uren afstands, was genezen geworden. En hij geloofde, en geheel zijn huisgezin met hem.

XXIV. Wonderdadige vischvangst, Roeping der

vier eerste apostelen.

Van Kana ging Jesus naar Kapharnaüm. In deze stad woonden zijne twee leerlingen Petrus en Andreas, die, evenals Joannes en diens broeder Jacobus, van beroep visschers waren. Op zekeren morgen wandelde de Zaligmaker langs het strand van het meer Genesareth en vond hen bezig met de werkzaamheden van hun beroep; want, ofschoon zij Christus' leerlingen geworden waren, hadden zij zich nog niet onafscheidelijk aan Hem verbonden.

De visschers waren aan land gekomen en hielden zich bezig met het reinigen en verstellen hunner netten. Onder-tusschen waren er uit Kapharnaüm en omliggende plaatsen vele menschen op het strand gekomen, om naar de prediking van Jesus te luisteren. Opdat allen Hem beter zouden kunnen verstaan, ging Hij in het schip van Petrus, vroeg hem een weinig van land af te steken, zette Zich toen neder en leerde de schare uit het schip.

Toen Jesus zijn onderricht geëindigd had, wilde Hij dat Petrus naar de diepte varen, en dat men de netten ter vangst uitwerpen zou. Petrus, de ervaren visscher, wist dat het nu geen geschikte tijd was om visschen te vangen, en zeide tot Jesus: Meester! den geheelen nacht door hebben wij gearbeid en niets gevangen; als wilde hij zeggen: nu zou alle moeite toch vruchteloos zijn. Doch aanstonds liet Petrus, toen hij bemerkte dat zijn Meester wilde gehoorzaamd worden, er op volgen: Maar op uw woord zal ik het net uitwerpen.

De netten worden aan boord gehaald, en met Jesus, zijnen broeder Andreas en de verdere bemanning van het schip, vaart Petrus af. Zij werpen het net uit en bemerken spoedig, dat hun arbeid niet te vergeefs is; zij beginnen het net op te halen. Doch wat zij nu zien, slaat hen allen met verbazing: zulk eene groote menigte visch hebben zij nog nooit aanschouwd! hun net scheurt er

ocr page 54

42

van! zij kunnen het niet ophalen! Zij roepen de bemanning van het andere schip, waarop Joannes en Jacobus zijn, te hulp; deze komen, en nu nemen zij de visschen uit het net en werpen ze in de twee schepen, die tot zinkens toe geladen worden.

Allen waren overtuigd , dat hier een groot wonder geschied was; Petrus vooral erkende, dat zijn Meester, alleen door het te willen, zulk eene menigte visschen in één net had te zamen gedreven. In het gevoel zijner eigene onwaardigheid en sidderend van eerbied voor die almacht, waaraan zelfs de visschen der zee gehoorzamen, viel Petrus voor Jesus op zijne knieën en riep uit: Heer! ga uit van mij! want ik ben een zondig mensch. Doch Jesus zeide tot hem: Vrees niet! van nu af zult gij mensch en vangen. Aldus voorspelde Jesus aan Petrus, dat hij, evenals hij nu, op Christus' woord, eene wonderbare menigte visschen gevangen had, later, ook op Christus' woord, eene veel meer wonderbare menigte menschen voor het Rijk dei-hemelen zou winnen. Jesus sprak nu tot Petrus en Andreas , en vervolgens ook tot Jacobus en Joannes: Volgt Mij! Ik zal u m e nsc he n v i ssch e r s doen worden. De beide laatste broeders zeiden terstond hunnen vader Zebedeüs vaarwel; en toen de schepen aan land gebracht waren, verlieten de vier leerlingen al wat zij bezaten om Jesus alleen te volgen en door Hem te worden opgeleid tot toekomstige Apostelen.

Christus leerde het volk uit het schip van Petrus. Dit schip was eene afbeelding der Kerk, die door Petrus en zijne opvolgers bestuurd wordt, en waarin Christus tegenwoordig is om de Leeraar der wereld te zijn.

Evenals de leerlingen te vergeefs arbeidden, zoolang Christus niet bij hen was. en eene wonderbare vangst deden, zoodra zij met hun Meester vereenigd waren en in zijnen naam het net uitwierpen, zoo arbeiden ook wij te vergeefs, wanneer onze ziel niet door de heiligmakende genade met Christus vereenigd is; maar als wij in staat van genade zijn en alles wat wij verrichten in den naam van Jesus doen, dan worden al onze daden vruchtbaar voor den hemel.

XXV. Eerste verblijf van Christus te Kapharnaum.

Zoolang Jesus te Kapharnaüm bleef, predikte Hij op de Sabbathdagen in de Synagoge. Allen, die Hem hoorden , stonden verbaasd, vooral omdat Hij leerde als macht

ocr page 55

43

hebbend, dat wil zeggen; omdat Hij met goddelijk gezag verklaarde, wat waar was en wat men moest gelooven.

Eens bevond zich in de Synagoge, terwijl Jesus daar predikte, een man, die door een onreinen geest bezeten was. Een bezetene is iemand , in wien de duivel inwoont en wiens lichaam en ziel hij zoodanig beheerscht, dat hij zoowel de krachten des lichaams als de vermogens der ziel tot zijn doel misbruikt. De toestand van een bezetene is zeker de rampzaligste toestand, waarin een mensch op deze aarde kan gedacht worden.

De ongelukkige man, die in de Synagoge tegenwoordig was , begon opeens vervaarlijk te gillen ; het was de duivel, die zich van het spraakvermogen des bezetenen bediende en schreeuwde: Wat hebt Gij met ons te maken, Jesus van Nazareth ? Zijt Gij gekomen om ons te verderven ? Ik weet wie Gij zijt; dc Heilige Gods! Aldus had de duivel, die bij Christus' bekoring in de woestijn nog twijfelde, Hem aan de wonderen, welke Hij verricht had, als den Messias en den Zoon Gods erkend. Jesus liet den boozen geest niet verder spreken en zeide; Zwijg en ga uit van hem! Dc duivel gehoorzaamde en verliet den bezetene. Allen, die in de Synagoge tegenwoordig waren, werden van schrik verslagen en vroegen elkander; Wat is dit? welk een woord, welk eene nieuwe leer is dit? daar Hij met oppermacht bevelen geeft zelfs aan de onreine geesten, en deze Hem gehoorzamen en uitgaan!

Uit de Synagoge ging Jesus met zijne leerlingen naar het huis van Petrus. Deze had zijne schoonmoeder bij zich inwonen, die nu ziek te bed lag en zware koortsen had. De leerlingen baden hunnen Meester, dat Hij haar mocht willen genezen; Hij ging tot haar, nam haar bij de hand, richtte haar op en gebood aan de koorts; oogenblikkelijk was de zieke genezen, en tevens waren al hare krachten zoodanig hersteld, dat zij opstond om Jesus en zijne leerlingen te bedienen.

Het wonder, dat in de Synagoge geschied was, had te Kapharnaüm zulk een diepen indruk gemaakt, dat eene menigte menschen, dien eigen avond nog, voor de woning van Petrus vergaderden, om allerlei zieken en bezetenen tot Jesus te voeren. Hij genas die allen en dreef de duivelen

ocr page 56

44

uit, terwijl deze riepen: Gij zijt de Zoon van God! Jesus legde hun echter het zwijgen op; want, ofschoon hetgeen zij zeiden waar was, wilde Hij toch niet, dat zijne Godheid door de booze geesten verkondigd werd. 'quot;7}^.

! y t

XXVI. Eerste evangelie-reis door Galilea en

het land der gerazenen.

Den volgenden morgen begaf Jesus zich uit het huis van Petrus naar eene eenzame plaats om te bidden. Onder-tusschen verzamelden zich de inwoners van Kapharnaüm om opnieuw zijne prediking te hooren. De leerlingen zochten nu hunnen Meester op en vroegen Hem, dat Hij naar de stad zou terugkeeren. Doch Hij zeide hun: Laat ons naar de omliggende gehuchten en steden gaan, opdat Ik ook daar predike, want daartoe ben Ik gekomen. De Kapharnajeten hadden nu ook de plaats ontdekt, waar Jesus zich bevond, en wilden Hem in hun midden weerhouden; maar Hij sprak tot hen; Ook aan de andere steden moet Ik het Evangelie van het Rijk Gods verkondigen, want daartoe ben Ik gezonden.

Van dezen dag af begon Jesus zijne eerste Evangelie-reis. Hij trok door geheel Galilea en overal predikte Hij, genas de zieken en dreef de duivelen uit, zoodat zijn naam bekend werd niet alleen in het land der Joden, maar ook in Syrië.

Eens was Hij in de nabijheid van zekere stad, toen Hem een ongelukkige naderde, die vol van melaatschheid was. Hij knielde voor Jesus neder, wierp zich aanbiddend met zijn aangezicht op de aarde en riep smeekend uit; Heer! als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen! Jesus had medelijden met hem, strekte zijne hand uit en raakte hem aan, zeggende; Ik wil; zvord gereinigd! Nauwelijks is dit woord van goddelijke almacht gesproken, of van de melaatschheid is geen spoor meer over; alleen door het te willen had de Heer Jesus eene ongeneeslijke ziekte op één oogenblik genezen.

Wanneer een melaatsche genezen was, moest hij zich te Jeruzalem door den daartoe aangestelden priester laten rein verklaren en de offers, welke de Wet voorschreef,

ocr page 57

45

opdragen. Derhalve beval Jesus den man , dien Hij genezen had, naar Jeruzalem te gaan, om zich aan den priester te vertoonen; tevens verbood Hij hem de wonderbare wijze, waarop hij genezen geworden was, aan iemand te openbaren. De genezene ging heen, maar kon zijne dankbare vreugde niet in zijn hart besloten houden: luide verkondigde hij de macht en de goedheid van zijnen goddelijken Weldoener.!

De geestdrift der Galileeërs werd nu nog veel meer opgewekt, en Jesus was verplicht, zich op eenzame plaatsen aan den toeloop des volks te onttrekken. Tegelijk vermeerderde het aantal zijner leerlingen. Echter waren er ook sommigen. die zich bij hem wilden aansluiten, doch met geene goede meening. De meeste Joden namelijk hoopten, dat hun Messias een wereldsch koninkrijk stichten en aan zijne leerlingen tijdelijken voorspoed schenken zou; het spreekt van zelf, dat iemand, die met zulke hoop tot Jesus kwam , door Hem niet werd opgenomen. Zoo gebeurde het, dat een schriftgeleerde Hem naderde en zeide : Meester ! ik zal U volgen waarheen Gij ook gaat. Jesus, die het hart van dezen man kende, wees hem af, zeggende: De vossen hebben holen en de vogelen des hemels hebben nesten; maar de Zoon des menschen heeft niets om zijn hoold op neder te leggen.*_- ■

Gedurende zijne reis door Galilea kwam Jesus ook weder in de nabijheid van Kapharnaüm. Op zekeren namiddag bevond Hij zich met zijne leerlingen aan het meer Genesa-rethj en zeide tot hen: Laat ons naar den overkant varen! Hij ging met hen in een schip en zij voeren af; meerdere schepen verlieten tegelijk met het hunne den oever. Jesus had zich in het achterste gedeelte van het schip met het hoofd op een kussen nedergelegd en sliep. Ondertusschen steekt er eensklaps een hevige storm op; de golven worden over het vaartuig heen geworpen, en door het instroomend water zinkt dit elk oogenblik dieper; alle pogingen dei-leerlingen om het schip te behouden zijn vruchteloos; men verkeert in doodsgevaar. Te midden dezer ontsteltenis sliep Jesus rustig voort; want Hij wilde het vertrouwen van zijne leerlingen op de proef stellen en hun gelegenheid geven om te bewijzen , dat zij Hem voor machtig genoeg

ocr page 58

46

hielden om, ook slapend, hen te beschermen. Doch zoo sterk was hun geloof nog niet. In het uiterste van het gevaar wekten zij Hem, angstig roepend: Heer! red ons! wij vergaan! Jesus zeide tot hen: Wat zijt gij bevreesd, kleingeloovigen ! Daarna stond Hij op , beval aan de winden en sprak tot het onstuimig water: Zwijg! wees stil! Op het oogenblik is de storm bedaard. ■ . ■ ■. /-/ ' quot;r- ,

Sidderend van ontzetting staarden de leerlingen Hem aan: ook hadden al degenen, die op de andere schepen waren, met verbazing gezien, hoe de woedende storm eensklaps bedaard was; en toen zij vernamen, dat dit op een enkel woord van Jesus geschied was, vroegen zij met verbazing: Wie toch is deze, daar Hij aan winden en zee bevelen geeft, en winden en zee Hem gehoorzaam zijn?!,

Nauwelijks was Jesus aan den overkant van het meer in het land der Gerazenen gekomen, of twee bezetenen van de ergste soort kwamen op Hem aanloopen. Een van deze twee ongehikkigen was door den duivel tot razende krankzinnigheid gebracht; hij dulde geen kleederen aan zijn lichaam en was niet in bedwang te houden; meermalen had men hem met ketenen geboeid, maar hij had banden en boeien in stukken gebroken en was zijnen bewakers ontvlucht;' nu hield hij zich op in woeste plaatsen, waar grafspelonken waren; daaruit kwam hij soms met zijnen makker te voorschijn en liep dan razend op de bergen rond, terwijl hij zichzelven met steenen sloeg en door zijn akelig gehuil den geheelen omtrek met schrik vervulde.

Zoodra deze bezetene, gevolgd door zijnen gezel in het ongeluk, nabij Jesus gekomen was, beval deze den on-reinen geest zijne prooi te verlaten. De man viel voor de voeten des Verlossers neder, en uit zijne keel kwam een luid geschreeuw: Wat hebt Gij met mij te doen, Jesus, Zoon van den allerhoogsten God! Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijdi^Ik bezweer U bij God: folter mij niet! Zonder op deze kreten des duivels acht te slaan, vroeg Tesus hem : Hoe is uw naam ? De duivel

. •• .... lu'

antwoordde: Legioen is mijn naam, want wij zijn velen. s

Op eene rots, die aan den oever van het meer stond en steil omhoog liep, weidde eene groote kudde zwijnen.

ocr page 59

47

De duivelen vroegen nu verlof om in die onreine dieren tc mogen varen, en nauwelijks had Jesus gezegd: Gaat! of de zwijnen stortten allen van de rots in het meer en smoorden in het water. De herders namen verschrikt de vlucht en boodschapten wat er gebeurd was. Nu stroomde eene menigte menschen naar het strand van het meer, en daar zagen zij, aan Jesus' voeten, den man gezeten. dien zij allen als een ontembaren wilde gekend hadden; evenals zijn makker was hij nu ten volle bij zijn verstand. Allen werden met eerbiedige vrees vervuld; maar tevens joeg de tegenwoordigheid van Jesus hun schrik aan, zoodat zij Hem baden hun grondgebied te verlaten. Hij voldeed aan hun verlangen en was op het punt van weder in het schip te stappen, toen de bezetene, die het ergst dooiden duivel was gekweld geweest. Hem verlof vroeg om Hem te volgen. Doch Jesus zeide hem: Ga naar uw huis en verkondig aan de uwen, wat groote dingen de Heer u gedaan, en hoe Hij zich uwer ontfermd heeft. De man verkondigde in de geheele landstreek, welk eene weldaad de Heer Jesus hem bewezen had; allen die het hoorden waren er over verwonderd.

Wanneer de vraag: Jl^/e is deze, daar winden en zee Hem gehoorzaam zijn? aan u, kinderen! gedaan wordt, dan weet gij het antwoord: Hij is de God, die Heer en Regeerder is van hemel en aarde; Hij is de God, die de winden en de zee en de gansche natuur geschapen heeft; daarom luistert de gansche natuur naar zijn hevel en gehoorzaamt alles op zijn woord.

Leert verder uit dit hoofdstuk, hoe ontzettend bang de duivel voor den Heer Jesus was, en hoe hij, zonder diens toelating, niets vermocht; denkt daaraan vooral, wanneer hij u met bekoringen plaagt. Als 'hij slechts den naam van Jesus hoort, neemt hij verschrikt de vluciit; en als gij met vertrouwen tot den Zaligmaker bidt om zijne hulp tegen de aanvallen des duivels, dan zal Hij nooit toelaten, dat de booze geest u eenig kwaad doet.

XXVII. Genezing van eenen lamme te Kapharnaum.

Op den westelijken oever van het meer Genesareth stond eene talrijke schare op Jesus te wachten; door haar werd Hij naar Kapharnaum geleid, waar Hij, nu zijne eerste Evangelie-reis geëindigd was, eenigen tijd verbleef.

ocr page 60

48

Op zekeren dag bevond Jesus zicli in een huis, rondom hetwelk eene opeengedrongen menigte volks stond te luisteren naar zijne prediking ; dicht bij Jesus zaten eenige Pharizeën en Schriftgeleerden, onder wie sommigen uit Jeruzalem gekomen waren, zeker wel met het doel om den Verlosser in Galilea, zooveel zij konden, tegen te werken. Terwijl Hij dan het volk leerde, naderden vier mannen, die een bed droegen , waarop een lamme neder-lag; zij beproefden door het volk heen te dringen, ten einde den kranke voor Jesus' voeten te brengen; doch dit was hun wegens het groot aantal menschen onmogelijk. Nu namen zij hunne toevlucht tot een ander middel.

Het huis, waarin Jesus onderwijs gaf, had slechts eéne verdieping, boven welke het platte dak was; daarop wisten de dragers hunnen zieke, langs eenen buitentrap of over het dak van een ander huis, te brengen; toen maakten zij in het dak eene opening en lieten de matras, waarop de zieke lag, langzaam naar beneden zakken tot voor de voeten van Jesus. Deze kende het groot geloof van den lamme en diens liefderijke dragers; Hij wist ook, dat de zieke nog meer dan gezondheid naar het lichaam hoopte te verwerven; dat hij oprecht berouw had over zijne zonden en bovenal verlangde naar de reiniging zijner ziel. In goddelijke barmhartigheid zeide Jesus tot den lamme: Vertrouw, zoon! uwe zonden worden h vergeven.

Dit woord deed de Pharizeën en schriftgeleerden hevig ontstellen; zij begrepen, en volkomen naar waarheid, dat Jesus hier sprak als God, want dat geen mensch, al is hij ook een profeet of een godsgezant, zelf en in eigen naam de zonden vergeven kan; en bij zichzelve zeiden zij: Wie is deze, die godslasteringen spreekt! Wie kan zonden vergeven, behalve God alleen! Zij spraken deze woorden wel niet uit, maar Jesus kende hunne gedachten en vroeg hun: Waarom denkt gij kwaad in uwe harten ? Wat is gemakkelijker, tot den lamme te zeggen : de zonden worden u vergeven, of te zeggen: sta op, neem uw bed op en wandel? Voor een mensch namelijk is het enen onmogelijk aan iemand vergiftenis van zijne zonden te schenken als aan eenen lamme door een enkel woord het gebruik

ocr page 61

49

zijner ledematen terug te geven; voor God is het eene even gemakkelijk als het andere. Om dan te bewijzen, dat Hij de goddelijke macht bezat om zonden te vergeven, toonde Jesus dat Hij de even goddelijke macht bezat om een zieke op één oogenblik en door het spreken van een enkel woord gezond te maken ; Hij zeide tot den lamme : Ik zeg u: sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis! Terstond sprong de genezene op, en allen zagen hem, zijn bed op zijne schouders dragend, door hun midden heengaan, en hoorden hoe hij God verheerlijkte; en allen ver-eenigden zich met hem en prezen God, zeggende: Heden hebben wij wonderen gezien! Zóó hebben wij het nooit gezien!

Dit wonder, kinderen! is een allersterkst bewijs voor de Godheid van Christus. Immers waarom deed Hij het? Bepaaldelijk om te bewijzen, dat Hij waarlijk de macht had om de zonden te vergeven. Nu: niemand anders dan God alléén kan de macht hebben om de zonden te vergeven./ Als dus Christus waarlijk deze macht heeft, dan is Hij ook waarlijk God.

De waarheid dat God alléén de zonden vergeven kan, is volstrekt niet in strijd met de leer der Heilige Kerk over de priesterlijke macht in het H. Sakrament der Biecht. De priester geeft de absolutie als de plaatsbe-kleeder van Christus, en vergeeft dus de zonden, niet krachtens de macht, die hij als mensch bezit, maar krachtens de goddelijke macht, die hij als de bedienaar van het door Christus ingestelde Sakrament uitoefent.

XXVIII. Roeping van den Apostel Mattheus.

Te Kapharnaüm, dat aan den grooten handelsweg lag, was een tolkantoor opgericht, waar de doortrekkende kooplieden schatting aan de Romeinen moesten betalen. Tot de daar aangestelde beambten of tollenaars behoorde Mattheüs, die ook Levi genoemd werd; deze had meermalen den Zaligmaker hooren prediken en wonderen zien verrichten, en was zeker overtuigd van diens goddelijke zending. Nu zat hij in of voor zijn tolhuis, toen Jesus met zijne leerlingen daar langs kwam. Jesus kende het oprechte hart van dien braven tollenaar en oordeelde hem eene hooge plaats in het rijk der hemelen waardig; zijne oogen op hem vestigend, zeide Hij tot hem: Volg Mij! Tegelijk schonk Hij hem de genade om aan deze roeping te beantwoorden ; en Mattheüs aarzelde geen oogenblik; hij stond

4

ocr page 62

50

op, nam zijn ontslag, verliet alles en volgde zijnen nieuwen Meester.

Mattheüs richtte nu in zijn huis voor Jesus en diens leerlingen een groot gastmaal aan, en noodigde daartoe ook vele tolbeambten. Deze menschen stonden bij de Joden in zeer kwaden naam, zoodat het voor menigeen, en in het bijzonder voor de Pharizeën, eene ergernis was, dat Jesus in het huis van eenen tollenaar en met tollenaars aan tafel zati De Pharizeën namen deze gelegenheid waar, om aan hunne vijandschap tegen Jesus, die hen, toen Hij den lamme genas, vernederd en beschaamd had, lucht te geven; evenwel durfden zij Hem zeiven niet aanspreken, maar wendden zich tot zijne leerlingen, zeggende: Waarom eet en drinkt uw Meester met de tollenaars en de zondaars? Jesus hoorde deze vraag en antwoordde: Niet de gezonden hebben eenen geneesheer noodig, maar wel de zieken. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om de zondaars te roepen tot boetvaardigheid. Met deze woorden wilde Jesus volstrekt niet zeggen, dat de Pharizeën inderdaad rechtvaardige menschen waren; integendeel gaf Hij hun te kennen , dat zij, die in hunne trotschheid niet wilden erkennen, dat zij ziek naar de ziel en zondaars waren, zich zeiven ongeschikt maakten om door Hem tot boetvaardigheid geroepen te worden.t

De Pharizeën gaven het niet op en deden een nieuwen aanval op den Verlosser. Zij onderhielden namelijk vele vastendagen, welke door de Wet van God niet geboden waren; daar het nu juist zulk een Pharizeesche vastendag was, vroegen zij den Zaligmaker op scherpen toon, waarom zijne leerlingen geen vasten hielden. Jesus had kunnen antwoorden, dat zijne leerlingen z ij n e instellingen en niet die der Pharizeën, hoe goed en loffelijk deze op zichzelve ook waren, te volgen hadden; echter gaf Hij een ander en veel schooner antwoord: Zoolang zij den Bruidegom met zich hebben, kunnen zij niet treuren en vasten; doch er zullen dagen komen, dat de Bruidegom van hen zal worden weggenomen; en dan zullen zij vasten^, Deze Bruidegom is Christus zelf; zoolang Hij zichtbaar op aarde bij zijne Kerk, welke zijne Bruid is, bleef, mochten de Apostelen zich verheugen en behoefden zij niet te vasten;

ocr page 63

51

maar later, na de hemelvaart van Christus, zouden zij, evenals alle ware leerlingen des Heeren, wèl moeten vasten. Ook gaf Jesus bij deze gelegenheid m drie korte gelijkenissen te verstaan, dat zijne leerlingen nu nog te zwak waren om de leer des Evangelies in hare volle gestrengheid te beoefenen, en dat zij eerst langzamerhand tot de volmaaktheid moesten worden opgeleid.

XXIX. Opwekking der dochter van Jairus.

Wederom bevond Jesus Zich aan den oever van het meer Genesareth en werd Hij door eene groote menigte omringd. Op eens maakte het volk plaats voor een aanzienlijk man , Jaïrus, den overste der Synagoge van Kaphar-naüm; deze snelt tot Jesus, valt voor diens voeten neder en roept biddend uit: Mijne dochter ligt op het uiterste! doch kom, leg uwe hand op haar, en zij zal leven! Jesus was terstond bereid hem te volgen, en al het volk vergezelde Hem.

Terwijl men voortging was eene ongelukkige vrouw, die reeds twaalf jaar aan eene bloedvloeiing leed, tot in de nabijheid van Jesus doorgedrongen. Zij had al het mogelijke gedaan om de gezondheid terug te krijgen, en bijna haar geheel vermogen zien overgaan in de handen van geneesheeren, zonder eenig goed gevolg; alle hoop op de hulp van menschen had zij opgegeven. Maar toen zij in de stad, waar zij woonde, van Jesus' wonderwerken gehoord had, was zij aanstonds op reis gegaan om bij Hem redding te zoeken voor hare ongeneeslijke kwaal. Haar vertrouwen op Jesus was zoo groot, dat zij bij zich zelve zeide: Indien ik slechts zijn kleed zal hebben aangeraakt, zal ik gezond zijn. En zonder dat iemand bemerkte wat zij eigenlijk deed, bukte zij neder, toen zij juist achter Jesus gekomen was, en raakte het boordsel van zijn kleed aan; op het eigen oogenblik voelde zij, dat zij van hare kwaal genezen was./

Jesus had met zijne oogen de vrouw niet gezien, maar wist toch wat er gebeurd was, daar Hij haar immers door zijne goddelijke almacht gezond had gemaakt. Doch Hij wilde niet, dat het groot geloof der genezene vrouw en de heerlijke vrucht van dat geloof onbekend zouden

ocr page 64

52

blijven; derhalve keerde Hij Zich om en sprak: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt? Petrus en de andere leerlingen meenden dat hun Meester een gewoon aanraken , veroorzaakt door hw; dringen des volks. bedoelde; maar Jesus herhaalde: Iemand heeft mij aangeraakt, want Ik weet dat eene kracht van Mij is uitgegaan. Daar de vrouw nu begreep, dat zij niet onbekend mocht blijven, trad zij vreezend en bevend nader, viel voor Hem op hare knieën, en beleed openlijk, om welke reden zij zijn kleed had aangeraakt en hoe zij aanstonds was gezond geworden. En Jesus sprak tot haar: Vertrouw dochter! uw geloof heeft u gezond gemaakt; ga in vrede! L

Terwijl Jesus deze woorden uitsprak, ontving Jaïrus van een zijner dienaren, die hem uit de stad te gemoet kwam, de tijding dat zijne dochter overleden was ; de arme vader moest nu, meende de dienaar, geen verdere moeite doen en den Meester niet langer lastig vallen. Doch Jairus deelde deze meening niet, en zijn geloof werd nog veel versterkt, toenquot; Jesus tot hem zeide: Vrees niet! geloof slechts en zij zal behouden zijn!

Jesus ging nu voort en kwam te Kapharnaüm. Toen Hij het huis van Jaïrus binnenging, waren er reeds eenige uren sedert het overlijden der dochter verloopen, en was men, naar de gewoonte van het land, reeds bezig met het maken van luidruchtig rouwmisbaar. Jesus hoorde de tonen der treurmuziek, het geween en gejammer dei-rouwklagers , en Hij zeide: Wat maakt gij misbaar en weent gij ? Gaat heen! want de dochter is niet dood maar slaapt. Jesus noemde den dood der dochter eenen slaap, omdat Hij voornemens was haar in het leven terug te roepen, even alsof zij slechts geslapen had; maar de rouwklagers meenden, dat Hij van slapen in den eigenlijken zin sprak, en, daar zij veel te goed wisten dat het kind waarlijk gestorven was, begonnen zij Jesus uit te lachen. Hij dreef hen nu uit het huis en ging daarop met de ouders der afgestorvene en met zijne drie leerlingen Petrus, Jacobus en Joannes, naar het vertrek, waar het lijk der twaalfjarige doode rustte. Jesus vat haar bij de hand, en spreekt: Dochter sta op! Terstond keert de ziel in het lichaam terug ; het kind rijst op , verlaat het doodsbed

ocr page 65

53

en wandelt door het vertrek. Jesus zeide aan de ouders, dat zij hun volkomen gezond kind te eten geven en over het gebeurde zwijgen zouden; het was echter onmogelijk,, dat dit schitterend wonder niet wijdden zijd bekend werd, ■

Toen Jesus het huis van Jaïrus verliet om Zich naar de-woning van Petrus, waar Hij gewoonlijk verbleef, te begeven, werd Hij gevolgd door twee blinden, die vol vertrouwen tot Hem riepen: Ontferm U onzer, Davids Zoon! Zoolang Hij op de straat was, sloeg Hij geen acht op hen; maar te huis gekomen vroeg Hij hun: Gelooft gij dat Ik dit aan u doen kan? — Ja, Heer! antwoordden de blinden, die Jesus, door Hem Davids Zoon te noemen, openlijk als den Messias hadden gehuldigd. Jesus raakte toen hunne oogen aan, zeggende; Volgens uw geloof geschiede u! En oogenblikkelijk hadden zij het gezicht terug.

Dienzelfden avond genas Hij nog eenen bezetene, die door den duivel van het gebruik der spraak beroofd was. De booze geest werd uitgedreven en de stomme sprak, zoodat allen, die hem hoorden, vol verwondering uitriepen : Nooit is iets dergelijks in Israël gezien! Doch eenige Pharizeën zeiden, dat de macht, welke Jesus over de booze geesten uitoefende, van den vorst der duivelen afkomstig was; deze nijdigaards konden de wonderen van den Zaligmaker niet loochenen en wilden toch zijne goddelijke zending niet erkennen; daarom zochten zij in hun goddeloos hart naar eene dergelijke uitlegging.

XXX. Tweede reis van Christus naar Jeruzalem.

Het was nu een jaar geleden, sinds Jesus voor het eerst te Jeruzalem in het openbaar was opgetreden ; bij de nadering van het paaschfeest ging Hij wederom naar die stad.

In de nabijheid van eene der poorten van Jeruzalem, de schaapspoort geheeten j was een groot ziekenhuis gebouwd , dat men schaap shadow, ook huis van barmhartigheid noemde, en waarin eene groote menigte van kranken, blinden, kreupelen en lammen verpleegd werd. Dit ziekenhuis bezat eenen vijver, wiens water nu en dan eene wonderbare kracht had. Want op sommige, niet vaste, tijden bracht een engel des Heeren het water in beweging; en de eerste zieke, doch ook de eerste alléén, die dan in den vijver

ocr page 66

54

afdaalde, werd genezen, hoe ongeneeslijk anders zijne kwaal ook wezen mocht.

Op een Sabbath kwam Jesus in het ziekenhuis en vond daar eenen man, die reeds gedurende acht en dertig jaren krank was. Deze man was zeker de ongelukkigste van allen, die daar verpleegd werden, niet alleen omdat hij reeds zoolang de gezondheid miste, maar vooral omdat hij zelf de schuld was van zijn rampzaligen toestand: zijne ziekte was eene straf voor de zonden zijner jeugd. Jesus ging tot dien man en vroeg hem: Wilt gij gezond worden ? De zieke, die zijne eenige hoop op de wonderbare kracht van het badwater gevestigd had, antwoordde: Heer! ik heb niemand, die mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad werpe; (en zelf kom ik altijd te laat,) want terwijl ik kom, daalt een ander vóór mij daarin af. Jesus zeide nu: Sta op! neem uw bed op en wandel! En de acht en dertig jarige zieke is terstond genezen; hij staat op, neemt zijn bed op zijne schouders en gaat heen. Jesus had Zich oogenblikkelijk verwijderd, eer het wonder door degenen, welke in de ziekenzaal tegenwoordig waren, werd opgemerkt.

De genezene werd, terwijl hij met zijn legerbed op de straat voortging, aangehouden door eenige Joodsche oversten , die hem toeriepen: Het is Sabbath! gij moogt uw bed niet dragen! De man antwoordde: Die mij gezond heeft gemaakt. Hij heeft mij gezegd: neem uw bed op en wandel! De oversten, die wel vermoedden, wie aan den genezene de gezondheid had terruggegeven, werden nijdig en vroegen op verachtenden toon : Wie is die mensch, die gezegd heeft: neem uw bed op en wandel? Hierop kon de man geen antwoord geven, want hij kende zijnen weldoener niet. Doch kort daarna vond Jesus hem in den tempel en zeide hem : Zie, gij zijt gezond geworden ; zondig niet meer, opdat u met iets ergers overkome. De man die zeker meende, dat de Joodsche oversten met eene goede bedoeling naar den naam zijns weldoeners gevraagd hadden , zeide hun nu, dat Jesus hem had gezond gemaakt.

De Joodsche overheden randden den Zaligmaker aanstonds aan; verbitterd door den indruk, welken het nu bekend geworden wonder op het volk maakte, wilden zij

ocr page 67

55

Jesus van Sabbathschennis beschuldigen en de doodstraf tegen Hem eischen. Jesus gaf hun een antwoord, waardoor Hij Zich in zijne volle waardigheid kennen deed als Zoon van God en als gelijk aan God den Vader. Mijn Vader, zeide Hij, werkt tot nu toe, en Ik werk; dat is: gelijk mijn hemelsche Vader altoos, zoowel op den Sabbath als op andere dagen, voor heil zijner schepselen werkt, zoo werk Ik ook, zonder te vragen of het Sabbath is; want voor Mij bestaat er geen Sabbath. De Joden begrepen den zin van Jesus' woorden zeer goed: zij begrepen dat Hij Zich boven de wet van den Sabbath verheven verklaarde , dat Hij Zijn werken op ééne lijn stelde met G o d s werken , en Zich gelijk maakte aan God. En omdat Hij dit deed, oordeelden de Joodsche oversten, dat Hij nog veel meer den dood verdiende, en noemden zij Hem een godslasteraar. Die menschen waren blind en boos genoeg om te veronderstellen, dat iemand, die door één woord te spreken eenen acht en dertig jarigen zieke had gezond gemaakt, een godslasteraar zou kunnen zijn!

Jesus hield nu eene lange redevoering, waarin Hij op verschillende wijzen toonde, dat Hij waarlijk gelijk is aan God den Vader, en dat Hij dus God is, evenals zijn hemelsche Vader. Onder anderen zeide Hij: Al wat de Vader doet, dat doet ook de Zoon insgelijks; — Gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, zoo maakt ook de Zoon levend, wien Hij wil; — De Vader heeft het geheele oordeel aan den Zoon gegeven, opdat allen den Zoon vereeren, gelijk zij den Vader vereeren; wie den Zoon niet vereert, vereert den Vader niet, die Hem gezonden heeft; — Gelijk de Vader het leven heeft in Zich zeiven, zoo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven in Zich zeiven te hebben.

Na deze allerduidelijkste getuigenissen over zijne goddelijke grootheid te hebben afgelegd, bewees Jesus zijn geloofwaardigheid door Zich, gelijk altoos , hoofdzakelijk te beroepen op de wonderen, welke Hij verrichtte. De werken, die Ik doe, zeide Hij, geven getuigenis van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. Een van die werken was de genezing van den acht en dertig jarigen zieke; iemand, die zijne geloofwaardigheid door dergelijke werken

ocr page 68

56

bevestigt, verdient toch waarlijk wel, dat men aan de waarheid zijner woorden gelooft; als zoo iemand zegt, dat Hij God is, dan is iedereen verplicht Hem ook als God te erkennen; wie Hem dan toch niet als God erkent, die is even onverstandig en ondeugend als de Joodsche oversten.

Nog eene andere hoogst belangrijke uitspraak deed de Zaligmaker bij deze gelegenheid. Na gezegd te hebben, dat God de Vader de macht om oordeel te houden aan zijnen menschgeworden Zoon gegeven heeft, ging Hij voort: Het uur komt dat allen, die in de graven zijn, de stem van den Zoon Gods zullen hooren ; en zij zullen uitgaan (uit hunne graven), zij die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens (dat is der zaligheid), maar zij, die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding des oordeels (dat is, der veroordeeling en verdoemenis). Zoo dus weten wij uit den mond van Christus zeiven, dat alle menschen, goeden en kwaden, eens zullen verrijzen, maar dat hunne verrijzenis verschillend wezen zal: óf ter zaligheid óf ter veroordeeling, naarmate zij het goede of het kwade gedaan hebben in hun leven op aarde.

XXXI. Beschuldiging van Sabbathschennis door Christus wederlegd.

Niet lang nadat Jesus weder in Galilea was teruggekeerd , wandelde Hij op eenen Sabbath met Zijne leerlingen door een korenakker; onder degenen, welke Hem volgden , waren ook eenige Pharizeen. De leerlingen piukten , daar zij honger hadden, onder het gaan, rijpe korenaren af, welker korrels zij tusschen hunne handen uitwreven en aten. Dit was in de oogen der Pharizeen eene overtreding van de wet, om op Sabbath geen slafelijk werk te verrichten, en zij zeiden tot Jesus: Zie! uwe leerlingen doen, wat men op den Sabbath niet mag doen.

Op deze beschuldiging gaf Jesus een dubbel antwoord. Vooreerst bracht Hij den Pharizeen onder het oog, dat iets door omstandigheden geoorloofd kan wezen, ofschoon het, op zich zelf beschouwd, tegen de letter eener wet strijdt. Zoo, bij voorbeeld, mocht, volgens Gods gebod.

ocr page 69

57

niemand, behalve de priesters, eten van de toonbrooden, die in den tabernakel op de gewijde tafel gestaan hadden; en toch had David, toen hij voor koning Saül moest vluchten, niet gezondigd door van die brooden te eten, omdat hij door den honger gekweld werd en geen ander voedsel bekomen kon. De leerlingen van Christus hadden ook honger en niets anders om te eten; derhalve waren zij niet schuldig, al zou ook de Sabbathswet, op zich zelve beschouwd , het uitwrijven van eenige aren verboden hebben.

Door zijn tweede antwoord verklaarde Jesus weder zeer duidelijk dat Hij God is. Hij vroeg aan de Pharizeën, of zij niet wisten, dat de priesters in den tempel op den Sabbath arbeid verrichtten en echter zonder schuld waren. Waarom mochten de priesters zulken arbeid doen? Omdat zij dien verrichtten als dienaars van den tempel. Welnu: de leerlingen van Christus waren in den dienst van iemand, die grooter was dan de tempel en die de Heer was van den Sabbath. Dit zeide Jesus uitdrukkelijk: Een grooterc dan de tempel is hier; en; De Zoon des menscJien is Heer ook van den Sabbath. Deze twee uitspraken beteekenen zooveel als: Ik ben God; want grooter dan de tempel was God alléén, en Heer van den Sabbath was God alléén.

De Pharizeën moesten uit vrees voor de schare , welke hen omringde, hunnen toorn verkroppen; maar spoedig meenden zij eene gelegenheid gevonden te hebben, om zich te wreken. Het was weder Sabbath , en Jesus leerde in de Synagoge van Kapharnaum; onder de aanwezigen bevond zich een man met eene verdorde en geheel verstijfde hand. De Pharizeën dachten wel, dat Jesus dezen ongelukkige zou genezen, en daarom sloegen zij Hem gade, want zij hoopten, dat Hij hun gelegenheid zou geven om Hem te beschuldigen; zelfs waren zij onbeschaamd genoeg Hem te vragen, of het geoorloofd was op den Sabbath te genezen. Jesus wilde hen nu op eene gevoelige wijze vernederen. Hij riep den man met de verdorde hand en deed hem in het midden der Synagoge staan. Toen vroeg Hij den Pharizeën en schriftgeleerden, of het geoorloofd was op den Sabbath goed te doen of kwaad te doen? eenen mensch te redden of te dooden? De schijnheilige huichelaars begrepen, waarom Jesus van kwaad doen en van eene n

ocr page 70

58

men sc h te do oden sprak; immers kende Hij hunne gedachten en wist Hij, dat zij in hun nijdig hart bezig waren met kwaad te doen en met middelen te zoeken om Hem te dooden. De Pharizeën gevoelden, dat dit de zin was van Jesus' vraag, en zij zwegen beschaamd stil. Jesus ging voort: Wie onder u zal er zijn, die een schaap heeft en dit, als het op Sabbath in eenen put valt, niet grijpen en er uit trekken zal? Hoeveel beter is een mensch dan een schaap! Derhalve is het geoorloofd op den Sabbath goed te doen. Allen bleven zwijgen. Jesus zag hen met vertoornden blik aan , terwijl Hij Zich over de blindheid van hun hart bedroefde. En tot den man, die in het midden der vergadering stond, zeide Hij: Steek uwe hand uit! De man deed het, en zijne verdorde hand was even gezond als de andere.

Met schaamte overdekt en door nijd verteerd, verlieten de Pharizeën de Synagoge om nieuwe middelen te beramen , ten einde hun vastgezet plan tegen het leven des Zaligmakers ten uitvoer te brengen. Zij verbonden zich met de Herodianen, die aldus genoemd werden, omdat zij als ijverige aanhangers van den viervorst Herodes bekend stonden; door dezer tusschenkomst hoopten de Pharizeën Jesus in hunne handen te krijgen. De Verlosser verliet toen Kapharnaüm en begaf Zich met zijne leerlingen naar den oever van het meer Genesareth, waar van alle kanten, zelfs uit Idumea en het gebied der heidensche steden Tyrus en Sidon dagelijks velen tot Hem kwamen. Hij leerde hen, genas hunne zieken en dreef de duivelen uit de lichamen der bezetenen.

XXXII. Uitverkiezing der twaalf Apostelen.

Het getal van Jesus' leerlingen was reeds zeer toegenomen , en de tijd was nu daar, waarop Hij uit deze leerlingen twaalf mannen wilde uitkiezen, die bestemd waren om, na zijne hemelvaart, de eerste leeraars dei-wereld, de eerste priesters des nieuwen Testaments en de eerste vorsten in het Rijk Gods te zijn.

Nadat Jesus weder eenen dag besteed had, om aan eene groote menigte het Evangelie te verkondigen, begaf Hij Zich des avonds geheel alleen naar eenen berg en bracht

ocr page 71

59

den ganschen nacht in het gebed door. Den volgenden morgen stonden zijne leerlingen reeds aan den voet des bergs te wachten; nu riep Hij er twaalf uit hun midden tot Zich, en deze stelde Hij aan tot Apostelen, dat is: Gesanten, omdat Hij hen vooral zenden wilde om zijne leer en zijne wet aan de wereld te verkondigen.

De eerste dezer Apostelen was Simon, wien Jesus nu, overeenkomstig zijne vroegere belofte, den naam van Petrus gaf; de namen der elf anderen zijn: Andreas, Jacobus (de meerdere')Joannes, PInlippus, Bartholomeüs , Mattheüs, Thomas, Jacobus {de mindere), Simon, Judas (Thaddefis) en Judas (Iskarioth).

Petrus en Andreas, de zonen van Jona, gelijk ook Jacobus en Joannes, de zonen van Zebedeüs, waren reeds vroeger, bij het meer Genesareth, voorloopig tot het apostolaat geroepen. Na Petrus, die de eerste van allen was, waren Joannes en zijn broeder Jacobus de meest bevoorrechte Apostelen; Joannes inzonderheid werd door den Zaligmaker zeer bemind. Phillippus en Bartholomeüs, die bijna zeker dezelfde is als Nathanaël, hadden tot de eerste leerlingen van Christus behoord , en ook Mattheüs had reeds eenigen tijd geleden het tolhuis verlaten om zijnen nieuwen Meester te volgen. Thomas en de vier volgenden ontmoeten wij nu voor de eerste maal. Jacobus, die de mindere genoemd wordt, om hem van Joannes' broeder te onderscheiden, was een broeder van Judas Thaddeüs en een zoon van Alpheus of Kleophas; deze was de broeder van den H. Jozef, den voedstervader des Zaligmakers ; vandaar dat deze twee Apostelen voor volle neven van Christus gehouden en, volgens de Joodsche gewoonte, broeders des Heeren genoemd werden. Dezen naam droegen ook de twee andere zonen van Alpheüs, Simon en Jozef, die echter geen Apostelen waren. De Apostel Simon had den bijnaam van ij veraar. De laatste der Apostelen was Judas Iskarioth; zijn bijnaam geeft waarschijnlijk te kennen, dat hij uit de stad Karioth geboortig was. Deze Judas was belast met het bewaren van het geld, waarvan Christus met zijne Apostelen leefde; later werd hij de verrader zijns goddelijken Meesters.

Al de Apostelen waren eenvoudige menschen, voor het

ocr page 72

58

mensch te do oden sprak; immers kende Hij hunne gedachten en wist Hij, dat zij in hun nijdig hart bezig waren met kwaad te doen en met middelen te zoeken om Hem te dooden. De Pharizeën gevoelden, dat dit de zin was van Jesus' vraag, en zij zwegen beschaamd stil. Jesus ging voort; Wie onder u zal er zijn, die een schaap heeft en dit, als het op Sabbath in eenen put valt, niet grijpen •en er uit trekken zal ? Hoeveel beter is een mensch dan een schaap! Derhalve is het geoorloofd op den Sabbath goed te doen. Allen bleven zwijgen. Jesus zag hen met vertoornden blik aan, terwijl Hij Zich over de blindheid van hun hart bedroefde. En tot den man, die in het midden der vergadering stond , zeide Hij; Steek uwe hand uit! De man deed het, en zijne verdorde hand was even gezond als de andere.

Met schaamte overdekt en door nijd verteerd, verlieten de Pharizeën de Synagoge om nieuwe middelen te beramen , ten einde hun vastgezet plan tegen het leven des Zaligmakers ten uitvoer te brengen. Zij verbonden zich met de Herodianen, die aldus genoemd werden, omdat zij als ijverige aanhangers van den viervorst Herodes bekend stonden; door dezer tusschenkomst hoopten de Pharizeën Jesus in hunne handen te krijgen. De Verlosser verliet toen Kapharnaüm en begaf Zich met zijne leerlingen naaiden oever van het meer Genesareth, waar van alle kanten, zelfs uit Idumea en het gebied der heidensche steden Tyrus en Sidon dagelijks velen tot Hem kwamen. Hij leerde hen, genas hunne zieken en dreef de duivelen uit de lichamen der bezetenen.

XXXII. Uitverkiezing der twaalf Apostelen.

Het getal van Jesus' leerlingen was reeds zeer toegenomen, en de tijd was nu daar, waarop Hij uit deze-leerlingen twaalf mannen wilde uitkiezen, die bestemd waren om, na zijne hemelvaart, de eerste leeraars dei-wereld, de eerste priesters des nieuwen Testaments en de eerste vorsten in het Rijk Gods te zijn.

Nadat Jesus weder eenen dag besteed had, om aan eene groote menigte het Evangelie te verkondigen, begaf Hij Zich des avonds geheel alleen naar eenen berg en bracht

ocr page 73

59

den ganschen nacht in het gebed door. Den volgenden morgen stonden zijne leerlingen reeds aan den voet des bergs te wachten; nu riep Hij er twaalf uit hun midden tot Zich, en deze stelde Hij aan tot Apostelen, dat is; Gezanten, omdat Hij hen vooral zenden wilde om zijne leer en zijne wet aan de wereld te verkondigen.

De eerste dezer Apostelen was Simon, wien Jesus nu, overeenkomstig zijne vroegere belofte, den naam van Petrus gaf; de namen der elf anderen zijn: Andreas, Jacobus {de meerdere), Joannes , PJiilippus, BartJiolomeiis , Matt he Us , Thomas , Jacobus {de mindere), Simon, Judas (Thaddeiis) en Judas (Iskarioth).

Petrus en Andreas, de zonen van Jona, gelijk ook Jacobus en Joannes, de zonen van Zebedeüs, waren reeds vroeger, bij het meer Genesareth, voorloopig tot het apostolaat geroepen. Na Petrus, die de eerste van allen was, waren Joannes en zijn broeder Jacobus de meest bevoorrechte Apostelen; Joannes inzonderheid werd door den Zaligmaker zeer bemind. Phillippus en Bartholomeüs, die bijna zeker dezelfde is als Nathanaël, hadden tot de eerste leerlingen van Christus behoord, en ook Mattheüs had reeds eenigen tijd geleden het tolhuis verlaten om zijnen nieuwen Meester te volgen. Thomas en de vier volgenden ontmoeten wij nu voor de eerste maal. Jacobus, die de mindere genoemd wordt, om hem van Joannes' broeder te onderscheiden, was een broeder van Judas Thaddeüs en een zoon van Alpheus of Kleophas; deze was de broeder van den H. Jozef, den voedstervader des Zaligmakers ; vandaar dat deze twee Apostelen voor volle neven van Christus gehouden en, volgens de Joodsche gewoonte, broeders des Heeren genoemd werden. Dezen naam droegen ook de twee andere zonen van Alpheüs, Simon en Jozef, die echter geen Apostelen waren. De Apostel Simon had den bijnaam van ijveraar. De laatste der Apostelen was Judas Iskarioth; zijn bijnaam geeft waarschijnlijk te kennen, dat hij uit de stad Karioth geboortig was. Deze Judas was belast met het bewaren van het geld, waarvan Christus met zijne Apostelen leefde; later werd hij de verrader zijns goddelijken Meesters.

Al de Apostelen waren eenvoudige menschen, voor het

ocr page 74

6o

meerendeel visschers; menschen zonder geleerdheid , zonder rijkdom, zonder iets dat hen groot naar de wereld maakte. En toch ontvingen deze menschen van Christus den last om de wereld te bekeeren, en zij hebben de wereld bekeerd. Waarlijk, door aan zulke mannen zulk een last op te dragen en te maken dat zij dien last vervulden, toonde Christus Zijne goddelijke macht.

Met zijne twaalf Apostelen daalde Jesus van den berg af en vereenigde Zich met de overige leerlingen. Er was eene talrijke schare samengekomen om zijne prediking te hooren; ook waren er zieken en bezetenen , die Hem om strijd zochten aan te raken, want er ging van Hem eene kracht uit, welke alle genas.

XXXIII. De prediking op den berg.

Nadat Jesus aan den voet des bergs de zieken genezen had, maakte Hij Zich gereed om het volk toe te spreken, en steeg, om door allen beter verstaan te kunnen worden, wederom tot .zekere hoogte op den berg; daar zette Hij Zich neder; zijne Apostelen en leerlingen schaarden zich rondom Hem, en de schare stond een weinig lager. De rede, welke Jesus nu hield, wordt gewoonlijk bergrede of bergpredikatie genoemd; zij begint met/

I. De acht zaligheden.

Zalig zijn de armen van geest! want hunner is het Rijk der hemelend

Zalig de zachtnioedigen! want zij zullen de aarde bezitten. 3

Zalig zij, die treuren ! want zij zullen vertroost worden.

Zalig zij, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ! want zij zullen verzadigd worden.

Zalig de barmhartigen! want zij zullen barmhartigheid verwerven.

Zalig de zuiveren van harte! want zij zullen God zien.

Zalig de vreedzamen! Want zij zullen kinderen Gods genoemd worden. Vquot;

Zalig zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid ! want hunner is het Rijk der hemelen.

Daarna zeide Jesus in het bijzonder tot Zijne Apostelen : Zalig zijt gij, wanneer, om mijnentwil, de menschen u

ocr page 75

6i

versmaden en verfoeien, u vervolgen en, leugenachtig, alle kwaad tegen u spreken; verblijdt u te dien dage en weest verheugd ! Want ziet, uw loon is groot in den hemel!

Tegenover de zaligsprekingen plaatste Jesus een viervoudig wee: Wee u, gij rijken! want gij hebt uwen troost (in dit leven reeds) weg. Wee u, die verzadigd zijï! want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht! want gij zult treuren en weenen. Wee! als de menschen u prijzen; want aldus deden hunne vaders aan de valsche profeten.

Christus spreekt het wee niet uit tegen de rijken, o m dat zij tijdelijk goed bezitten, gelijk Hij ook de armen niet zalig noemt, om dat zij van tijdelijk goed beroofd zijn; maar de armen, welke Hij bedoelt, zijn degenen, die niet gehecht zijn aan het goed der aarde en daarin hun geluk niet stellen; en de rijken, tegen wie Hij: wee u! zegt, zijn dezulken, wier hart aan hunne aardsche schatten gebonden en wier geld hun God is. Eveneens spreekt Hij het wee uit over degenen, welke er slechts op uit zijn, zich met spijs en drank te verzadigen, zich in genoegens te baden en eer in te leggen bij de menschen.

De acht zaligheden zijn de korte inhoud der zedeleer van Christus en de grondwet van zijn koninkrijk. Kinderen! wilt gij een goeden raad volgen, leert dan de acht zaligheden van buiten en herhaalt ze dagelijks bij uw morgengebed; als g j dit getrouw en met aandacht doet, zult gij er hier en hiernamaals de heilzame gevolgen van ondervinden.

II. Bijzondere vermaningen aan de Apostelen. Jesus leerde Zijnen Apostelen, wat zij, overeenkomstig hunne hooge waardigheid, voor de wereld moesten zijn, namelijk het zout der aarde en het licht der wereld. Evenals het zout de spijzen tegen het bederf bewaart, zoo moesten de Apostelen de menschen voor het bederf der zonden bewaren. Door hunne leer en de heiligheid van hun leven moesten zij schitteren als lichten, gelijk men eene ontstoken lamp op den kandelaar plaatst, opdat zij schijne voor allen, die in het huis zijn. Aldus, zeide Jesus, schijne uw licht voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien en uwen Vader, die in de hemelen is, mogen verheerlijken.

III. Volmaaktheid van de wet des Evangelies. De

zede wet, welke God aan de Joden gegeven had, was verplichtend voor alle tijden en dus ook voor de Christenen ; de Verlosser zeide dan ook van die Wet: Ik ben niet gekomen, om ze te ontbinden, maar om ze te vervullen f dat is; om ze in hare volmaaktheid te doen kennen

ocr page 76

62

en ter naleving voor te stellen. Jesus bespreekt dan meerdere geboden der zedewet en verklaart, hoe deze dooide Christenen moeten verstaan en onderhouden worden.

Ten opzichte van het vijfde gebod: gij zult niet doodslaan, leert Hij, dat onredelijke toorn, ook wanneer die in het hart verborgen blijft, reeds zonde is; dat hij, die zijnen broeder door scheldwoorden beleedigt, reeds zware straf verdient; dat één scheldwoord , indien het eerroovende beschimping inhoudt, iemand schuldig maakt aan het helsche vuur. En in het algemeen leert Christus ons, dat God geen behagen vindt in de vereering van dengene, die de verplichtingen der naastenliefde verwaarloost: Wanneer gij uwe offergave aan het altaar brengt en daar indachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw offer daar voor het altaar en ga u eerst met uwen broeder verzoenen; en dan zult gij uw offer komen opdragen.

Aangaande het zesde gebod leert Christus, dat dit ook door inwendige zonden : onkuische gedachten en begeerten , grootelijks overtreden wordt, en dat wij, om de zuiverheid en de onschuld onzer ziel te bewaren,'A/alles wat oorzaak of naaste gelegenheid tot zonden is, moeten vermijden, al zou het ons ook zoo dierbaar zijn als ons oog en zoo onmisbaar als onze rechterhand. Indien uw rechteroog u ergert, ruk het uit en werp het van u! want het is u beter, dat een uwer leden verloren ga, dan dat uw geheel lichaam in de hel geworpen worde. En indien uwe rechterhand u ergert, houw ze af en werp ze van u ! want het is beter, dat een uwer leden verloren ga, dan dat uw geheel lichaam naar de hel ga.

In het Oude Testament was het huwelijk nog zeer on-, , volmaakt, en kon ook de band des huwelijks door echtscheiding verbroken worden; doch Christus leert, dat in Zijne Kerk geene echtscheiding meer bestaan mag.

Over het tweede gebod leert Christus, dat daardoor niet alleen het valsch, maar ook het lichtvaardig zweren verboden wordt ; dat wij in den gewonen omgang met elkander in het geheel niet zweren mogen, maar dat ons woord van /a of van men voldoende moet zijn/v,

Verder geeft Christus verscheidene voorschriften over het groot gebod der naastenliefde. Heeft iemand ons be-

ocr page 77

leedigd, wij mogen geen wraak nemen, maar moeten kwaad met goed vergelden, ja zelfs liever eene nieuwe verongelijking in zachtmoedigheid verdragen dan ons over eene vorige wreken. De regel, waaraan wij ons tegenover onze naasten moeten houden, is: Gelijk gij wilt dat de menschen doen aan u, doet ook gij aldus aan hen. En ten opzichte van degenen, welke ons kwaad doen of willen doen, zegt Christus ons: Bemint uwe vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vloeken, en bidt voor die u vervolgen en lasteren; opdat gij kinderen moogt wezen van uwen Vader, die in de hemelen is, die zijne zon laat opgaan over goeden en kwaden en regenen doet over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Zijt derhalve barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is; zijt volmaakt, gelijk ook uw hemelsche Vader volmaakt is.'

IV. Waarschuwing tegen ijdele glorie. Christus leert ons dat wij goede werken niet mogen doen voor de oogen der menschen, met het doel om door hen gezien en geprezen te worden; Anders, zegt Hij, zult gij geen loon hebben bij uwen Vader, die in de hemelen is. Wanneer gij dus eene aalmoes geeft, bazuin het niet voor u uit, gelijk de schijnheiligen doen in de Synagogen en op de straten, opdat zij door de menschen geëerd worden; voorwaar, Ik zeg u: zij hebben hun loon ontvangen. Maar als gij eene aalmoes geeft, laat dan uwe linkerhand niet weten wat uwe rechter doet, opdat uwe aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden. Op dezelfde wijze sprak Christus ook over het bidden en het vasten; wie dit doet, en in het algemeen, wie uiterlijke werken van deugd verricht, om eer bij de menschen in te leggen, hij moet zich met het nietige loon, dat hij misschien van die menschen ontvangen zal, vergenoegen, want bij God heeft hij geen loon te verwachten.

Gij vooral, kinderen! moet u zorgvuldig wachten voor de ijdele glorie en voor bet handelen uit menschelijk opzicht. Wanneer gij uwe godsdienstige oefeningen verricht en uwe andere plichten vervult, zoekt dan toch nooit de oogen der menschen; want als gij dit deedt, zoudt gij oogen dienaars worden en geene oprechte dienaars van God meer zijn. Niet dat gij onverschillig moet zijn omtrent de achting en de liefde

ocr page 78

64

van brave menschen, en inzonderheid van uwe ouders en overheden; integendeel, gij moet daarop lioogeu prijs stellen en die achting en liefde trnchten te verwerven, echter niet door ze te zoeken, maar door ze te verdienen. Dat het altijd uw streven zij aan God alléén te behagen ! Dan zult gij, evenals het Kind Jezus, toenemen in behagelijkheid l)ij God en tegelijk in behagelijkheid bij de menschen.

V. Het gebed des Heeren. Over het bidden leert Christus ons, dat daarbij geen ijdele omhaal van woorden te pas komt, alsof wij meenden, dat God niet alwetend is en niet weet wat wij behoeven, of dat de verhooring onzer gebeden afhangt van het getal woorden, dat wij uitspreken. Bidden is op de eerste plaats een werk van het hart, en de taal van het hart is altijd eenvoudig. Niet alleen heeft de Zaligmaker voorschriften over het sjebed gesteven,

O O O O '

maar ons ook een gebed willen leeren, dat wij daarom het gebed des Heeren noemen, en dat het heiligste en vol-maakste van alle gebeden is. Aldus, zejde Jesus, zult gij bidden:

Onze Vader, die in de hemelen zijt!

Geheiligd zij uw Naam; uw Rijk toekome; uw wil geschiede, gelijk in den hemel zoo ook op aarde. Geef ons heden ons dagelijksch brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren; en leid ons niet in bekoring ; maar verlos ons van den kwade. Amen/ Aan de bede om vergiffenis onzer schulden heeft Christus eene nadere verklaring toegevoegd; Want indien gij aan de menschen hunne misdrijven (tegen u) vergeeft, zal ook uw hemelsche Vader u uwe misdaden vergeven; maar indien gij aan de menschen niet vergeeft, zal ook uw Vader u uwe zonden niet vergeven.

VI. Waarschuwing tegen overtollige bezorgdheid voor het tijdelijke. De bestemming des Christens is niet de aarde, maar de hemel; daarom mag het zijn streven niet zijn , vergankelijke rijkdommen te verzamelen voor de aarde, maar eeuwige schatten voor den hemel moet hij trachten te vergaderen; want waar zijn schat is, daar is ook zijn hart. Indien dus de Christen zijn schat op aarde had, zou ook zijn hart aan de aarde gehecht en hij geen waar Christen zijn. Ook kan hij zijn hart niet verdeelen tusschen God en de wereld; want, gelijk niemand twee heeren kan

ocr page 79

65

dienen, wier belangen en bevelen met elkander in strijd zijn; zoo ook, zegt Jesus, kunt gij niet God dienen en den Mammon,, dat is: den geld-god. En om de zijnen voor dien dienst van den geld-god te behoeden, waarschuwt Jesus hen tegen overdrevene en angstvallige bezorgdheid voor het tijdelijke, en vermaant Hij hen tot vertrouwen op de vaderlijke zorg van God. Weest niet angstig bezorgd voor uw leven, wat gij zult eten, noch voor uw lichaam , waarmede gij u zult kleeden. Aanschouwt de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien noch maaien noch in schuren verzamelen; en uw hemelsche Vader voedt ze. Zijt gij niet veel voortreffelijker dan zij ? En wat zijt gij voor kleeding bezorgd?quot; Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien; zij arbeiden en spinnen niet; en toch zeg Ik u, dat zelfs Salomon in al zijne heerlijkheid niet gekleed was gelijk eene van hen. Indien nu God het gewas des velds, dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt, aldus kleedt, hoeveel te meer u, klein-geloovigen! Weest dan niet beangstigd, zeggende: wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden? Want om dit alles bekommeren zich de heidenen (die Gods goedheid niet kennen); want uw Vader weet, dat gij dit alles noodig hebt. Zoekt dan eerst het Rijk Gods en zijne gerechtigheid, en dit alles zal u toegeworpen worden.

VII. Verschillende voorschriften en vermaningen. Over het liefdeloos en lichtvaardig beoordeelen en veroor-deelen van anderen leert Christus: Oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; met de maat, waarmede gij gemeten hebt, zal u teruggemeten worden.

Tot al degenen, die slechts oogen hebben voor de fouten van anderen, maar hunne eigene veel grootere gebreken over het hoofd zien, spreekt Christus: Wat ziet gij den splinter in het oog uws broeders, en geeft gij geen acht op den balk in uw eigen oog? Schijnheilige! ruk eerst den balk uit uw eigen oog, en dan zult gij zien, om den splinter uit het oog uws broeders te trekken.

Troostend is de leer des Verlossers over de noodzakelijkheid en de kracht des gebeds. Vraagt, en u zal gegeven

ocr page 80

66

worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal worden opengedaan. Want al wie vraagt, ontvangt; en wie zoekt,, vindt; en wie klopt, hem zal opengedaan worden.

Op deze bemoedigende uitspraak liet de Zaligmaker eene verschrikkende verklaring volgen over het klein getal der uitverkorenen. Gaat in, roept Hij ons allen toe, door de enge poort! Want wijd is de poort en breed de weg, die ten verderve leidt; en velen zijn er, die daardoor ingaan. Hoe eng is de poort en hoe nauw de weg, die tot het leven leidt! En weinigen zijn er, die hem vinden.

Verder waarschuwt Christus tegen dwaalleeraars : Wacht u voor de valsche profeeten, die tot u komen in schaaps-kleederen, maar inwendig grijpende wolven zijn ; aan hunne vruchten zult gij hen kennen; dat wil zeggen: de dwaalleer zal, zoodra zij zich in handelingen openbaart, hare valschheid bewijzen. Doch ook in meer algemeenen zin zeide Christus, dat, gelijk een boom gekend wordt aan zijne vrucht, zoo ook het inwendige van ieder mensch gekend wordt uit zijne daden; want de goede mensch brengt uit den goeden schat zijns harten het goede voort, en de kwade mensch brengt uit den kwaden schat het kwade voort. En om ons allen aan te sporen tot het voortbrengen van goede vruchten, voegde Jesus er de bedreiging bij: Alle boom , die geen goede vruchten voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden.

Ten laatste leert Christus, dat die goede vruchten bestaan in daden van deugd en in het volbrengen van den wil Gods: Niet ieder, die tot Mij zegt: Heer! Heer! (en die dus in Christus gelooft en Hem aanroept,) zal ingaan in het Rijk der hemelen; maar die den wil doet van mijn Vader, die in de hemelen is, hij zal ingaan in het Rijk der hemelen. Tot de anderen, die verzuimd hebben den wil van God te doen, zal Christus, wanneer Hij komen zal als Rechter over levenden en dooden, zeggen: Nooit heb Ik u gekend! gaat weg van Mij, werkers der ongerechtigheid !

VIIÏ. Slot der bergrede. Om ons tot het getrouw onderhouden der wet, welke Christus ons heeft doen kennen, aan te sporen, stelde Hij, aan het einde van zijne prediking op den berg, twee korte gelijkenissen voor: Al wie

ocr page 81

67

deze mijne woorden hoort en ze doet, zal gelijk zijn aan een wijs man, die zijn huis op eene steenrots heeft gebouwd. Toen er eene overstrooming ontstond, viel de regen neder en de vloeden kwamen en de winden waaiden en stormden tegen dat huis; en het viel niet, want het was gegrondvest op de steenrots. — En al wie deze Mijne woorden hoort en ze niet doet, zal gelijk zijn aan een dwaas man, die zijn huis op het zand heeft gebouwd. De regen viel neder en de vloeden kwamen en de winden waaiden en stormden tegen dat huis; en het viel aanstonds, en de val van dat huis was groot.

XXXIV. Genezing van den Dienstknecht eens Hoofdmans.

Na aldus zijn onderricht besloten te hebben, daalde Jesus van de hoogte af en ging weder naar Kapharnaüm. In deze stad woonde een hoofdman, die wel den Israëlie-tischen godsdienst niet beleed, maar toch den Joden zeer genegen was; zelfs had hij de kosten van het bouwen eener Synagoge willen dragen. Deze man had een dienstknecht , die door een hevige ziekte geheel verlamd en op het uiterste gebracht was. De hoofdman, die dezen knecht op hoogen prijs stelde, besloot zich te wenden tot Jesus, van wiens wonderen hij zooveel gehoord had; evenwel durfde hij zich, daar hij een heiden was, niet zelf naar den wonderdoener begeven, maar droeg aan eenige Joodsche ouderlingen den last op, in zijnen naam de hulp des Zaligmakers in te roepen. Deze voldeden gaarne aan zijn verlangen en, juist toen Jesus de stad zou binnengaan, ontmoetten zij Hem en baden Hem, dat Hij de gevraagde gunst aan den hoofdman zou bewijzen, er bijvoegend: Hij verdient het, want hij bemint ons volk en heeft eene Synagoge voor ons gebouwd. Jesus zeide: Ik zal komen en den knecht genezen.

Toen de hoofdman vernam, dat Jesus zelf tot hem zou komen, werd hij geheel en al overmeesterd door het gevoel zijner eigene onwaardigheid; ook was zijn geloof sterk genoeg om hem te overtuigen, dat de Zaligmaker slechts van verre een woord behoefde te spreken, om aan

ocr page 82

68

den stervenden knecht de gezondheid terug te geven. Derhalve zond hij opnieuw eenigen zijner vrienden tot Jesus, om in zijnen naam te zeggen : Heer ! doe geen moeite ! want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak ingaat; daarom ook heb ik mij zeiven niet waardig geoordeeld om tot U te komen; maar spreek slechts een woord, en mijn knecht zal gezond worden. Verder deed hij er nog bijvoegen , dat, evenals zijne soldaten en dienaren, ook wanneer hij afwezig was, zijne bevelen volbrachten, ziekte en dood evenzeer de bevelen van Jesus zouden volbrengen, ook wanneer deze niet tegenwoordig was bij den stervende. Op het hooren van deze woorden, wendde de Zaligmaker Zich tot het volk, dat Hem volgde, en sprak: Voorwaar, Ik zeg u: zelfs in Israël heb Ik een zoo groot geloof niet gevonden! Tevens voorspelde Hij, dat vele heidenen, door in Hem te gelooven, het Rijk der hemelen zouden binnengaan, terwijl vele Israëlieten zouden buiten-geworpen worden in de uiterste duisternis, waar geween zal zijn en gekners der tanden. Daarop verhoorde Jesus de bede des hoofdmans, die nu zelf Hem te gemoet gekomen was , en sprak het machtwoord uit, dat op hetzelfde oogenblik den knecht gezond maakte; toen de gezanten terugkwamen, vonden zij hem volkomen genezen.

De heerlijke woorden, waarin de hoofdman zijn nederig geloof openbaarde, leert de Kerk ook ons uitspreken op het oogenblik, dat de heilige Communie voorafgaat; dan kloppen wij driemaal op onze borst en zeggen driemaal; Heer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt; maar spreek slechts een ivoord, en mijne ziel zal gezond worden. Kinderen! spreekt dat gebed, wanneer gij tot de h. Tafel nadert, altoos uit met een levendig geloof en groot vertrouwen op de macht en de goedheid van den Zaligmaker, dien gij dan gaat ontvangen, en met diep gevoel uwer eigene onwaardigheid; want wie zich onwaardig oordeelt dat Jesus onder zijn dak ingaat, maakt zich waardig dat Jesus in zijne ziel komt.

XXXV. Opwekking van eenen Jongeling te Naïm.

Kort nadat Jesus dit wonderwerk verricht had, verliet Hij de stad Kapharnaüm, in wier omstreken Hij Zich sedert zijnen terugkeer uit Jeruzalem had opgehouden, en begon Hij Zijne tweede Evangelie-reis door Galileo,. Omringd door zijne leerlingen en gevolgd door eene talrijke

ocr page 83

69

schare, naderde Hij op zekeren dag de poort eener kleine stad, Naïm geheeten, juist op het oogenblik, dat daar een lijkstoet uittrok, om een gestorven jongeling naar het graf te dragen. Deze was de ééiiige zoon eener weduwe, die in troostelooze smart de baar volgde; vele inwoners vergezelden haar op haren treurigen weg.

De Heer Jesus ziet de tranen der kinderlooze weduwe, en zijn hart wordt met goddelijk medelijden vervuld. Hij zegt tot haar: Ween niet! Daarop nadert Hij de doodbaar en raakt ze met zijne hand aan; de dragers staan stil. En Hij spreekt: Jongeling ! Ik zeg u : sta op! Bij dat woord, gesproken door Hem, die de Heer is van leven en dood, keert de gestorven jongeling in het leven terug; hij richt zich op en begint te spreken. En Jesus gaf hem aan zijne moeder. Alle getuigen van dit heerlijk wonder werden door heiligen schrik aangegrepen; doch een oogenblik later begonnen zij luide God te verheerlijken en uit te roepen: Een groot Profeet is onder ons opgestaan! God heeft zijn volk bezocht!

Gij, kinderen! die den grooten Wonderdoener nog beter kent, dan die juichende menschen, vereenigt u met hen, om den Almachtigen Heer des levens aanbiddend te verheerlijken, en zegt in uw hart: Hij, die tot eenen doode zegt: Jongeling! Ik zeg u: sta op! en door dien doode gehoord en gehoorzaamd wordt. Hij kan niemand anders zijn dan de menschgeworden God.

XXXVI. Gezantschap van Joannes den Dooper.

Eenigen tijd na de opwekking van den jongeling, was de Zaligmaker weder omringd door eene groote menigte Galileërs, aan wie Hij het Evangelie verkondigde en wier zieken Hij genas. Er naderden toen twee mannen, die tot de leerlingen van Joannes den Dooper behoorden en door hunnen Meester tot Jesus gezonden waren.

Joannes had in zijnen kerker de groote werken van Jesus vernomen, en zeker had hij ook zijne leerlingen, die vrijen toegang tot hem hadden, onophoudelijk aangespoord om Jesus als den Messias te erkennen. Het schijnt echter, dat deze leerlingen eenigszins in twijfel bleven, en daarom besloot Joannes, twee van hen tot den Zaligmaker te zenden, opdat zij getuigen van zijne wonderen zouden zijn en uit

ocr page 84

7°

Jesus' eigen mond een antwoord zouden vernemen, dat hunne onzekerheid geheel en al zou doen ophouden. Joannes legde dan aan de twee afgezanten de vraag in den mond: Zijt Gij degene, die komen moet, of verwachten wij eenen anderen ?

Zij kwamen en deden in den naam huns meesters deze vraag aan den Zaligmaker. Gaat, antwoordde Hij, en boodschapt aan Joannes, wat gij gehoord en gezien hebt: blinden zien, kreupelen wandelen, melaatschen worden gereinigd , dooven hooren, dooden verrijzen, aan armen wordt het Evangelie verkondigd, Met deze woorden gaf Jesus juist de teekenen op, waaraan de Messias, volgens de profeten , moest erkend worden; zalig dus degene, die Hem aan deze teekenen erkende; Zalig hij, zeide Jesus, die zich aan Mij niet zal geërgerd hebben!

Nadat de afgezanten van Joannes vertrokken waren, verkondigde Jesus aan de schare, welke Hem omringde en waaronder zich velen bevonden, die den heiligen voor-looper gezien en diens doopsel ontvangen hadden, den lof van Joannes. Hij prees hem om zijne standvastigheid en om zijne boetvaardigheid, verklaarde, dat hij een profeet en meer dan een profeet, ja de grootste van alle profeten was, en dat over hem door den profeet Malachias was voorspeld geworden: Zie, Ik zend mijnen engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor U bereiden zal. Allen die deze lofspraak op Joannes hoorden , alleen eenige Pharizeën en wetgeleerden uitgezonderd, waren verheugd en verheer,-lijkten God, wiens beschikking zij in de zending des heiligen voorloopers erkenden.

XXXVII. Onthoofding van Joannes den Dooper.

Joannes had omtrent anderhalf jaar in de gevangenis doorgebracht, toen de dag aanbrak, die zijn heilig leven met den marteldood zou kronen. De viervorst Herodes vierde met een groot getal genoodigden zijnen geboortedag op zijn lustslot, dat hij had in de sterkte Macherus, waar Joannes gevangen was; Herodias en hare dochter waren ook daar. Terwijl men aan tafel zat, en de vórst door den wijn reeds zeer verhit was, kwam de jonge prinses in de

ocr page 85

7i

feestzaal en voerde daar eenen dans uit, die al de gasten in verrukking en Herodes zeiven geheel buiten zich zeiven bracht, zoodat hij tot de prinses zeide: Vraag van mij, wat gij wilt, en ik zal het u geven! En met eenen eed beloofde hij haar elk verzoek te zullen toestaan, al begeerde zij ook de helft van zijn rijksgebied. De prinses ging tot hare moeder om te vragen, wat zij eischen moest. En de snoode Herodias , die reeds lang gedorst had naar het bloed van den heiligen voorlooper des Heeren, gebood nu hare dochter, niets anders tot belooning voor haar dansen te vragen dan het hoofd van Joannes den Dooper. De schaam-telooze prinses ging weder de feestzaal binnen en zeide: Ik wil, dat gij mij aanstonds op eenen schotel geven zult het hoofd van Joannes den Dooper. Dit had Herodes niet verwacht en hij was zeer ontsteld; maar te hoogmoedig zijnde om zijnen onheiligen eed te herroepen, en ook omdat hij de danseres niet wilde bedroeven, sprak hij het doodvonnis uit. Een zijner lijfwachten gaat naar den kerker; hij slaat Joannes het hoofd af en brengt het op een schotel aan de prinses, die het aanneemt en aan hare moeder geeft. Het heilig lijk van den martelaar werd door zijne leerlingen uit de gevangenis gedragen en in het graf gelegd.

XXXVIII. De boetvaardige Zondares.

Zeker Pharizeër, Simon geheeten, noodigde den Zaligmaker ten maaltijd; en deze nam de uitnoodiging aan. Ofschoon de bedoeling, waarmede Simon dit deed, niet bepaald slecht was, betoonde hij zijnen gast toch weinig eerbied en liet hij zelfs de gewone eerbewijzen, waarmede men iemand van aanzien in zijn huis ontving, achter: hij deed Jesus geen water geven voor eene voetwassching, bood Hem den kus van verwelkoming niet aan en besproeide zijn hoofd niet met welriekenden balsem. Jesus liet Zich deze verzuimen welgevallen en zat of liever lag aan de tafel des Pharizeërs aan; want men bediende zich van rustbedden, waarop men lag, op den eenen arm leunend en met de onbedekte voeten achterwaarts uitgestrekt.

In de stad, waar Simon woonde, leefde eene vrouw, die algemeen onder den naam van zondares bekend stond.

ocr page 86

72

Maar dc genade van God had haar reeds in eene boetelinge veranderd ; misschien was zij getuige geweest van de opwekking des jongelings bij de poort van Naïm en had zij zich toen bekeerd. Zoodra deze vrouw vernomen had, dat Jesus Zich in het huis van Simon bevond, snelde zij daarheen, om de bewijzen harer boetvaardigheid en dankbare liefde aan de voeten van Hem, dien zij voor haren Redder erkende, neder te leggen. Zij wist tot de zaal, waar men den maaltijd hield, door te dringen; en zoodra zij achter Jesus, bij zijne voeten, gekomen was, barstte zij los in een stroom van tranen, die op 's Heeren voeten nedervielen en ze bevochtigden; toen droogde zij die voeten met hare loshangende haren weder af, kuste ze en zalfde ze met den balsem, dien zij tot dat doel had medegebracht.

Met verbazing hadden al de gasten, en vooral Simon zelf, hunne oogen op de vrouw en op hetgeen zij verrichtte gevestigd.pDe Pharizeër had verwacht, dat Jesus die vrouw, indien Hij haar kende, geen oogenblik in zijne nabijheid zou hebben geduld; dat Hij haar toeliet, was voor Simon een afdoend bewijs, dat Jesus niet wist, wie zij was, en dus ook die wetenschap miste, welke een profeet moest bezitten. En bij zichzelven dacht Simon: Indien deze een profeet was, zou Hij zeker wel weten, welke en hoedanig eene vrouw het is, die Hem aanraakt; dat het eene zondares is. Om nu aan den Pharizeër te toonen, dat Hij niet alleen de vrouw maar ook de verborgene gedachten zijns gastheers kende, zeide Jesus hem deze gelijkenis: Zeker schuldeischer had twee schuldenaars; de eene was vijfhonderd tienlingen schuldig, de andere vijftig. Daar zij niet hadden om te betalen, schold hij het aan beiden kwijtpy^ Wie bemint hem dus het meest ? — Ik meen, antwoordde Simon, degene aan wien hij het meest heeft kwijtgescholden. En Jesus hernam: Gij hebt recht geoordeeld. Daarop wendde Hij zich tot de vrouw en sprak verder tot Simon: Ziet gij deze vrouw ? Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijne voeten hebt gij niet gegeven; maar zij heeft mijne voeten met hare tranen bevochtigd en ze met hare haren afgedroogd. Een kus hebt gij Mij niet gegeven; maar zij heeft, van dat zij binnengekomen is, niet opgehouden mijne voeten te kussen. Mijn hoofd hebt gij niet

ocr page 87

73

met olie gezalfd; maar zij heeft mijne voeten met balsem gezalfd. En nu paste Hij zijne gelijkenis toe: evenals de schuldenaar, aan wien veel is kwijtgescholden, dit toont door zijnen weldoener veel te beminnen, zoo toonde deze vrouw door de groote liefde, welke uit haar gedrag bleek, dat aan haar veel was kwijtgescholden. Ten slotte richtte Jesus het woord tot de vrouw, om haar de onfeilbare verzekering van hare begenadiging te geven, en zeide tot haar : Uwe zonden worden u vergeven. Uw geloof heeft u behouden ; ga in vrede!

XXXIX. Wederlegging van den laster der Schriftgeleerden.

Op zijne tweede Evangelie-reis kwam Jesus voor eenige dagen weder te Kapharnaüm, Juist wilde Hij het huis van Petrus, waar de maaltijd was gereed gemaakt, binnengaan, toen eene groote menigte op Hem aandrong, in haar midden eenen bezetene, die blind en stom was, medevoerend. Jesus verloste dezen ongelukkige van den boozen geest en genas hem tevens volkomen, zoodat hij weder zag en sprak. Allen, die getuigen waren van dit wonderwerk , erkenden luide, dat Jesus de Messias was, en riepen juichend uit: Is deze niet de Zoon van David!

Doch onder de getuigen van het wonder bevonden zich ook eenige Pharizeën en schriftgeleerden ; de laatsten waren uit Jeruzalem gekomen, zeker met het doel om Jesus in Galilea tegen te werken. Deze boosaardige menschen konden de juichtonen der opgetogene menigte niet verdragen, en, daar zij niet in staat waren het wonder, dat Jesus zooeven gedaan had, te loochenen, namen zij hunne toevlucht tot goddeloozen laster en zeiden: In Beelzebub, den vorst der duivelen, drijft Hij de duivelen uit. Aldus stelden deze menschen den Zaligmaker voor als een bondgenoot van het hoofd der booze geesten, als iemand, die de macht, welke Hij uitoefende, van den duivel zeiven ontvangen had. Jesus beantwoordde den Hem aangedanen hoon door zijnen vijanden te toonen, dat Hij, indien het waar was, wat zij zeiden, onmogelijk zijne macht tegen den duivel zou kunnen gebruiken, daar anders de duivel

ocr page 88

74

tegen zich zeiven zou zijn en zijn eigen Rijk zou vernietigen; maar van den anderen kant, dat Hij, door menschen, die de prooi des duivels waren, aan de macht des helschen vijands te ontrukken , bewees , dat Hij de overwinnaar des duivels was.

Na aldus de lastertaal zijner vijanden wederlegd te hebben, ging Jesus voort om hun de straf aan te kondigen, welke zij voor hunne hardnekkige boosheid te wachten hadden. Want wat zij nu gedaan hadden, door den Zaligmaker, juist op grond van de wonderen, welke hen van zijne goddelijke zending hadden moeten overtuigen, eenen handlanger des duivels te noemen, en door aldus de werken van God in werken des duivels te veranderen, dat was lastering tegen God zeiven, lastering tegen den Heiligen Geest. En over deze grootste van alle misdaden sprak Jesus het vreeselijk oordeel uit ^ Die gelasterd heeft tegen den Heiligen Geest, zal in eeuwigheid geen vergiffenis ontvangen , noch in deze wereld noch in de toekomende; maar schuldig zal hij zijn aan eene eeuwige zondeTj^y5

Deze ijselijke bedreiging maakte geen indruk op de Pharizeën en schriftgeleerden, en eenigen hunner hadden zelfs de onbeschaamdheid van tot Jesus te zeggen : Meester! wij willen van U een teeken uit den hemel zien. Hij antwoordde hierop: Dit boos en overspelig geslacht vraagt een teeken; en geen teeken zal eraan gegeven worden dan het teeken van Jonas den profeet. Want, gelijk Jonas drie dagen en drie nachten in de ingewanden van den visch geweest is, zoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn. Evenals bij zijn eerste optreden in den tempel, wees Jesus nu wederom op zijne verrijzenis uit het graf als op liet groote teeken, waaraan de wereld Hem voor den Messias en den menschgeworden God zou moeten erkennen.

Daarna ging Hij voort met het bestraffen der hardnekkige ongeloovigheid van al degenen, die zijne prediking hoorden en zijne wonderen zagen, en zich toch niet bekeerden. De mannen van Ninive, zeide Hij, zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordeelen, daar zij boetvaardigheid hebben gedaan op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier. De koningin

ocr page 89

75

van het Zuiden zal in het oordeel opstaan met de mannen van dit geslacht en hen veroordeelen; want zij kwam van de uiteinden der aarde om Salomons wijsheid te hoeren; en ziet, meer dan Salomon is hier. Wee u, Korozaïn! wee u, Bethsaida! want, zoo in Tyrus en Sidon de teekenen geschied waren, die geschied zijn in u, zij zouden weleer in boetekleed en asch boetvaardigheid hebben gedaan. Maar toch zeg ik u: voor Tyrus en Sidon zal het verdragelijker zijn op den dag des oordeels dan voor u. En gij, Kapharnaüm! dat tot den hemel verheven zijt! tot de hel zult gij w orden nedergeworpen; want, zoo in Sodoma de teekenen geschied waren, die geschied zijn in u, het zou gebleven zijn tot op dezen dag. Maar toch zeg ik u; voor het . land van Sodoma zal het verdragelijker zijn op den dag des oordeels dan voor u.

Aldus toonde Jesus de zwaarte aan der zonde, waaraan degenen zich schuldig maken, welke groote genade van God ontvangen hebben en toch, door die genade te ver-waarloozen, verloren gaan. En in het algemeen leerde Hij door eene treffende gelijkenis, dat de toestand van hem, die, na door Gods genade uit de macht des duivels verlost te zijn, opnieuw in de slavernij des boozen geestes komt, veel erger wordt dan hij vroeger was. Zoo iemand vergelijkt Jesus bij een mensch, die eerst door éénen duivel bezeten was, maar later de prooi wordt van zeven duivelen. Wanneer de onreine geest, zoo luidt de gelijkenis, van den mensch is uitgegaan, waart hij rond door | . dorre plaatsen, zoekend naar rust; en hij vindt ze niet. Dan zegt hij: ik zal terugkeeren in mijn huis, vanwaar ik ben uitgegaan; en komend vindt hij het ledig, schoonge-1 veegd en opgesierd. Alsdan gaat hij en neemt zeven andere geesten, boozer dan hijzelf, met zich mede; en binnengegaan zijnde, wonen zij daar. En het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. — Aldus zal het ook aan dit boos geslacht geschieden.

Terwijl de Verlosser nog bezig was met spreken, riep iemand uit de schare Hem toe: Uwe moeder en uwe broeders staan buiten en willen U zien. Maria namelijk had zich met eenigen van 's Heeren bloedverwanten naar : het huis, waar Jesus leerde, begeven, doch werd door de

ocr page 90

76

menigte, welke dat huis omringde, belet tot Hem te naderen. Jesus gaf op het Hem gegeven bericht ten antwoord: Wie is mijne moeder en mijne broeders? En, zijne hand uitstekend naar zijne leerlingen, ging Hij voort: Ziedaar mijne moeder en mijne broeders! Want al wie den wil doet van mijnen Vader die in de Hemelen is, hij is mijn broeder en zuster en moeder.

Bij deze zelfde gelegenheid verhief eene vrouw luide hare stem en riep Jesus toe: Zalig de schoot, die U gedragen heeft, en de borsten, welke Gij gezogen hebt! De Zaligmaker zeide hierop: Ja zalig zij, die Gods woord hooren en het bewaren! Die dat doen, worden door Jesus broeder, zuster en moeder genoemd; die dat doen worden door Hem zalig geprezen!

XL. De gelijkenissen van het Rijk der Hemelen.

Wederom bevond Jesus Zich aan dei} oever van het meer Genesareth en ging Hij, opdat het volk _Hem beter zou kunnen verstaan, in een schip , verwijderde Zich een weinig van den wal, zette Zich toen neder en sprak verscheidene gelijkenissen uit, waarin Hij de vestiging, uitbreiding en voltooiing van zijne Kerk, haar toestand op deze aarde en het groot geluk van tot haar te behooren voorstelde.

De eerste gelijkenis was die van den zaaier, die zijn zaad op den akker uitstrooit. Een gedeelte daarvan valt op het voetpad en wordt vertreden of door de vogelen opgegeten; een ander gedeelte valt op steengrond, waar het geen diepe wortelen kan schieten, en het verdort; weder een ander gedeelte valt tusschen doornen en wordt verstikt; doch ook valt er' een gedeelte in goede aarde, en dit brengt vele vruchten voort, dertigvoud, zestigvoud, honderdvoud.

Deze gelijkenis werd door den Zaligmaker aan zijne leerlingen aldus uitgelegd: het zaad is het woord Gods, en de zaaier is Jesus zelf, die door zijne prediking het woord Gods aan de menschen openbaart. Sommige men-schen hooren dat woord wel, maar laten het niet tot hun hart doordringen; de duivel komt en neemt het weg, evenals de vogels het zaad, dat op het voetpad valt, weg-

ocr page 91

77

nemen. Anderen nemen het woord met vreugde aan, maar, gelijk het zaad in den steengrond, schiet het in hun hart geen diepe wortelen , en, zoodra zij om wille van het geloof vervolging zouden moeten lijden, vallen zij af. Bij anderen wordt het woord, evenals het zaad door de doornen, verstikt door de zucht naar de rijkdommen én genoegens der aarde. Maar er zijn ook menschen, die het woord Gods met een goed hart aannemen en bewaren; bij hen brengt het dan ook vruchten voort, dertigvoud, zestigvoud , honderdvoud.

De uitbreiding van het Rijk Gods op aarde stelde Jesus voor in drie kleine gelijkenissen. In de gelijkenis van het zaad, dat van zelf gr.oeit, leerde Hij, hoe zijne Kerk op aarde langzaam en ongemerkt in kracht en omvang zou toenemen, zonder dat iemand later zou kunnen zeggen, op welke wijze dit geschied was; evenmin als de landman kan uitleggen, op welke wijze de door hem uitgestrooide zaadkorrels in een overvloed van graan veranderd worden. De Kerk van Christus was in haar begin zeer klein, maar breidde zich uit totaan de uiteinden der aarde; in het begin was zij verborgen en niet gekend door de wereld, maar langzamerhand werd die wereld door hare werking geheel veranderd en geheiligd. Dit leerde Jesus in de gelijkenis van het mostaardzaad en van het zuurdeeg. Het mostaardzaad is het kleinste van alle zaden, maar, opgeschoten zijnde, wordt het een boom, onder wiens schaduwen de vogelen des hemels kunnen wonen; een weinig zuurdeeg wordt vermengd onder een groote hoeveelheid meel, en al dat meel wordt door het zuurdeeg gedeesemd.

Terwijl de Kerk van Christus zich op aarde uitbreidt, rust de duivel niet; niet alleen zet hij vijanden tegen die Kerk op, maar ook verwekt hij in de Kerk zelve ergernissen en werpt hij het zaad der hel tusschen het hemelsche zaad, dat Christus op den akker der wereld heeft uitgestrooid. Dit stelde de Zaligmaker voor in de gelijkenis van het onkruid tusschen de tarwe. Een man had goed zaad in zijnen akker gezaaid, maar in den nacht kwam zijn vijand en zaaide onkruid tusschen de tarwe. Toen nu de halmen opschoten, vertoonde zich ook het onkruid. De dienaren gingen nu tot den eigenaar en zeiden: Heer! hebt

ocr page 92

78

gij geen goed zaad op uwen akker gezaaid ? Vanwaar dan heeft hij het onkruid? De heer antwoordde: Een vijandig mensch heeft dit gedaan! De dienaars vroegen nu: Wilt gij dat wij gaan en het verzamelen ? Doch hij zeide: Neen! opdat gij misschien niet, het onkruid verzamelend, tegelijk daarmede ook de tarwe uitrukt. Laat beide groeien tot den oogst; en ten tijde van den oogst zal ik aan de maaiers zeggen: verzamelt eerst het onkruid en bindt het ^amen tot bundels om te verbranden; maar vergadert de tarwe in mijne schuur.

Na deze vijf gelijkenissen te hebben uitgesproken, ging Jesus weder aan land en begaf Zich met zijne Apostelen naar zijn gewoon verblijf te Kapharnaüm. Daar gaf Hij hun, op hun verzoek, de uitlegging van de gelijkenis van den zaaier, en verklaarde hun vervolgens, wat de gelijkenis van het onkruid tusschen de tarwe beteekende, zeggende: Die het goede zaad zaait is, de Zoon des menschen. De akker is de \vereld. Het goede zaad zijn de kinderen des Rijks; het onkruid zijn de kinderen der boozen en de vijand, die het zaaide, is de duivel. De oogst nu is de voleinding der wereld, en de maaiers zijn de engelen. Gelijk dan het onkruid samengebonden en met vuur verbrand wordt, zóó zal het geschieden bij de voleinding der wereld. De Zoon des menschen zal zijne engelen zenden, en zij zullen uit zijn Rijk bijeenverzamelen alle ergernissen en degenen, die ongerechtigheid doen, en zij zullen hen werpen in den oven des vuurs; daar zal geween zijn en gekners der tanden. Dan zullen de rechtvaardigen schitteren als de zon in het Rijk huns Vaders. Die ooren heeft om te hooren, dat hij hoore!

Nu stelde Jesus nog drie gelijkenissen voor. Die van het vischnet is in de beteekenis aan die van het onkruid gelijk. In zulk een net zijn allerlei visschen, goede en slechte; maar als het net is opgehaald, zoekt men de goede visschen uit en legt die in de vaten, maar de slechte werpt men weg. Zoo zal het geschieden bij de voleinding der wereld: de engelen zullen uitgaan en de boozen afzonderen uit het midden der rechtvaardigen, en zij zullen hen werpen in den oven des vuurs ; daar zal geween zijn en gekners der tanden. De twee andere gelijkenissen dienen om aan

ocr page 93

79

te tooncn, hoe hoog van waarde het lidmaatschap der Kerk van Christus is, en hoe wij, om daartoe te geraken, geene opoffering te groot moeten oordeelen. Het Rijk der hemelen is gelijk aan een in eenen akker verborgen schat; een mensch die hem vindt, verbergt hem en, van vreugde daarover, gaat hij heen en verkoopt alles, wat hij heeft, en koopt dien akker. — Nog is het Rijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schoone paarlen zocht; toen hij nu céne kostbare parel gevonden had, ging hij heen, verkocht alles, wat hij had, en kocht deze./

XLI. Prediking te Nazareth en in andere

steden van GaLILEA.

De Zaligmaker had, sedert het begin van zijn openbaar leven, de stad Nazareth, waar Hij zoo vele jaren had doorgebracht, niet bezocht; nu echter ging Hij er heen, f ofschoon Hij wist, dat het hardnekkig ongeloof van de inwoners dier stad zijnen arbeid voor het grootste gedeelte vruchteloos maken zou. Hij deed er dan ook geene wonderen , behalve dat Hij eenige weinige zieken door de oplegging zijner handen genas.

Op eenen Sabbath was Hij in de Synagoge en gaf te 1 kennen, dat Hij een der gebruikelijke voorlezingen wilde houden. Men reikte Hem het boek der profetieën van Isaias over; en Hij las daaruit de volgende voorspelling: De Geest des Heeren is op Mij; daarom heeft Hij Mij gezalfd, Mij gezonden om den armen het Evangelie te prediken, te genezen de vermorzelden van harte, den gevangenen vrijlating, den blinden het gezicht te verkondigen; om de gewonden in vrijheid heen te zenden, het jaar van's Heeren welbehagen te prediken en den dag der vergelding. Na deze woorden voorgelezen te hebben, sloot Jesus het boek en begon te verklaren, dat Hij degene was, over wien de profeet gesproken had. De Nazarethanen hoorden met verwondering naar zijne prediking, maar aan gelooven dachten zij niet eens. Met verachting spraken zij: Waarvandaan heeft deze zulk eene wijsheid en zulke wonderkracht ? Is Hij niet de timmerman ? de zoon van den timmerman Jozef? Aldus ergerden zij zich aan Hem. Jesus

ocr page 94

8o

deed hen nu inzien, hoe onwaardigquot; hun gedrag tegenover Hem was, daar zij weigerden Hem als gezant te eeren, alleen op grond van hunne bekendheid met zijne vroegere armoede en uiterlijke geringheid; daar Hij verder wist, dat zij jaloersch waren op de stad Kapharnaüm, welke Jesus tot gewone verblijfplaats gekozen en waar Hij de meeste wonderen verricht had, gaf Hij hun zeer duidelijk te verstaan, dat zij de voorrechten, waarop zij meenden aanspraak te mogen maken, niet verdienden.

Deze bestraffing doet de Nazarethanen in woedenden toorn ontbranden. Zij rijzen op, slaan de handen aan Jesus, werpen Hem uit de Synagoge, drijven Hem uit hunne stad, sleuren Hem mede den berg op, aan wiens voet Nazareth gebouwd is, en slepen Hem voort totaan den rand eener gevaarlijke steilte, om hem in de diepte neder te werpen. Tot zoover liet Jesus de rampzalige moordenaars begaan; maar toen toonde Hij hun, dat Hij almachtig was, en dat niemand iets tegen Hem vermocht, zoolang Hij * zelf het niet wilde: midden door hen heengaande, vertrok hij.

Hij zette nu zijne Evangeliereis voort en bezocht meerdere steden en dorpen van Galilea. Behalve door zijne Apostelen, werd Hij gevolgd door eenige godvruchtige vrouwen, die Hem dienden en hare goederen en haar vermogen besteedden, om in het onderhoud van Hem en zijne leerlingen te voorzien. Onder deze vrouwen bevonden zich Maria Magdalcna, uit wie zeven duivelen waren uitgegaan, Susanna en Joanna, de echtgenoote van C/msas, eenen rentmeester van Herodes Antipas; ook nog, althans later, Salojne, de echtgenoote van Zebedeüs, en Maria, de echtgenoote van Alpheüs.

XLII. Zending der twaalf Apostelen. Vermaningen

hun gegeven. hun terugkeer.

Jesus wilde, dat zijne Apostelen, die Hij uitverkoren had om het Evangelie te verkondigen aan de geheele wereld, nu reeds hun groot werk zouden beginnen, en Hij zond hen uit om in eenige nabijgelegen dorpen en vlekken van Galilea te prediken. Eerst echter verleende Hij hun de

ocr page 95

8i

macht om wonderen te doen en daardoor hunne geloofwaardigheid te bevestigen. Hij gaf hun macht en gezag over alle booze geesten en macht, om alle ziekten en kwalen te genezen, om melaatschen te reinigen en dooden op te wekken; in één woord: om in zijnen naam diezelfde werken te doen, welke Hij, in eigen naam en door eigen kracht, deed om zijne goddelijke zending te bevestigen.

Hij gaf hun daarenboven vele vermaningen. Vooreerst leerde Hij hun, hoe zij zich als Evangelie-predikers moesten gedragen. Zij moesten zich, bij deze eerste zending, tot de Israëlieten bepalen en niet tot de heidenen of Samaritanen gaan. Vooral moesten zij zich wachten voor baatzucht en volstrekt geen belooning aannemen voor de weldaden, welke zij, krachtens de hun verleende wondermacht, bewezen: Om niet hebt gij het ontvangen; geeft het om niet! zeide Jesus. Van den anderen kant moesten zij niet beangstigd wezen voor hun tijdelijk onderhoud; geldvoorraad van spijs of overtollige kleedingstukken moesten zij niet medevoeren ; want de werkman is zijnen kost waardig. Als zij in eene stad of dorp aankwamen, moesten zij eerst onderzoeken, wie de eer verdiende van hen te herbergen; en hierbij moesten zij niet letten op aanzien of rijkdom, maar op deugd: Vraagt, zeide Jesus, wie in die plaats waardig is. En bij zulk eenen waardige, al kon hij hun ook slechts weinig aanbieden, moesten zij blijven. Bij het binnentreden in een huis, moesten zij den zegen daarover uitspreken, zeggende: Vrede zij aan dit huis! en, indien zulk een huis het verdiende, zou hun vrede daarover komen. Het zou ook gebeuren, dat sommige steden zouden weigeren hen te ontvangen; dan moesten zij, heengaande, het stof van hunne voeten afschudden, en dit zou op den dag des oordeels tegen zulke steden getuigen. Eindelijk gebood Jesus hun, zich vooral toe te leggen op de deugden van zachtmoedigheid, behoedzaamheid en oprechtheid; Ziet, sprak Hij, Ik zend u als schapen in het midden van wolven; weest dan voorzichtig als de slangen, en eenvoudig als de duiven.

Op de tweede plaats voorspelde Jesus hun het lijden, dat zij te wachten hadden; Hij sprak nu bepaaldelijk van hunne latere werkzaamheid na zijne hemelvaart. Wacht u

6

ocr page 96

voor de menschen! Want zij zullen u overleveren aan rechtbanken en in hunne Synagogen zullen zij u geeselen; en voor landvoogden en koningen zult gij gebracht worden om mijnentwil, tot eene getuigenis voor hen (de Joden) en de heidenen. Echter moesten de Apostelen niet terugschrikken bij de gedachte, hoe zij, eenvoudige visschers, in staat zouden zijn, zulk eene getuigenis af te leggen. Als men u dan in de Synagogen en voor de overheden en machthebbenden brengt, zeide Jesus tot hen, weest niet bekommerd, hoe of wat gij antwoorden en wat gij zeggen zult; want de Heilige Geest zal u in dat eigen uur leeren, wat gij zeggen moet. Nog verder voorspelde Jesus de vervolgingen , welke de Apostelen en al de Christenen van den kant der booze wereld zouden te ondergaan hebben : Gehaat zult gij worden van allen om mijnen naam, zeide Hij, maar voegde er ook bij : Wie volhard zal hebben ten einde toe, hij zal zalig zijn.

Ten derde wees Jesus hen op datgene, wat hun bij het lijden, dat hen wachtte, tot troost en opbeuring strekken kon. Zij moesten bedenken , dat zij juist door dat lijden gelijkvormig zouden worden aan hun goddelijken Meester; dat hun arbeid onfeilbaar zeker met den heerlijksten uitslag zou bekroond worden; dat de boosheid der menschen wel aan hun lichaam, maar niet aan hunne ziel schade kon toebrengen: Vreest niet voor hen, die het lichaam dooden, doch de ziel niet kunnen dooden ; maar vreest veeleer den-gene , die ziel en lichaam kan verderven in de hel. Gelijk de vreeze Gods hen boven alle andere vrees verheffen moest, zoo moest het vertrouwen op God, tegen wiens wil hun niets kon overkomen, hen met gerustheid hunne bediening doen aanvaarden. Als God immers zelfs het geringste schepsel verzorgt, hoeveel meer de gezanten van zijnen Zoon! Eindelijk zeide Jesus hun nog; Al wie Mij zal beleden hebben voor de menschen, hem zal ook ik belijden voor mijnen Vader, die in den hemel is. Doch wie Mij zal verloochend hebben voor de menschen, hem zal ook Ik verloochenen voor mijnen Vader, die in den hemel is.

Jezus zond nu zijne Apostelen uit, zeggende: Gaat en predikt: het Rijk der hemelen is nabij gekomen. En ten slotte gaf hij hun de verzekering: Wie u ontvangt , ont-

ocr page 97

83

vangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt dengene, die Mij gezonden heeft.

De Apostelen bezochten, twee aan twee, eenige dorpen en vlekken van Galilea, waar zij het Evangelie predikten en vele wonderen deden ; de zieken genazen zij, door hen met olie te zalven. (Dit was eene voorbeduiding van het H. Sakra-ment des Oliesels, dat Christus later heeft ingesteld.) De Zaligmaker zette ondertusschen zijn arbeid ook voort en bevond Zich weder te Kapernaüm, toen de Apostelen, na eene korte afwezigheid, tot Hem terugkeerden. Om hun nu eenige rust te geven, onttrok Jesus Zich aan het volk, dat in menigte op Hem aandrong, ging met hen in een schip en voer over het meer Genesareth naar eene woeste landstreek, de woestijn van BetJisaida geheeten.

Het kon niet anders of de naam van Jesus moest nu door het gansche land bekend zijn; echter werd er op zeer verschillende wijzen over Hem gesproken, en liepen er zelfs de vreemdste geruchten over zijn persoon. Bepaaldelijk was dit het geval aan het hof van den viervorst Herodes, wiens hoofdstad Tiberias was. Daar zeiden sommigen ; Elias is verschenen; anderen: Een van de oude profeten is opgestaan. Herodes zelf, gefolterd door zijn kwaad geweten, zeide tot zijne dienaars: Deze is Joannes de Dooper, dien ik onthoofd heb ; hij is van de dooden opgestaan , en daarom werken die krachten in hem. Nieuwsgierigheid en vrees maakten den vorst begeerig om Jesus te zien; aan zijn verlangen werd echter nu niet voldaan.

Het paaschfeest der Joden was nu zeer nabij; er waren dus, sedert Christus zijn openbaar leven begon, ruim twee jaren verloopen; nog één jaar, en Hij zou aan het kruis sterven.

Om de geschiedenis des Zaligmakers, gedurende de twee eerste jaren van zijn openbaar leven, gemakkelijker te onthouden, is het vooral van belang, op zijne verschillende reizen te letten. De volgende opgave wijst die reizen aan.

I. Uit Nazareth naar Bethania, waar Christus gedoopt werd, en naaide woestijn. BI. 24—27.

IT. Uit de woestijn naar den Jordaan en verder naar Kana en Kaphar-naiini. BI. 27—33.

III. Uit Kapharnaüm naar Jeruzalem en de omstreken dezer stad. (Eerste paaschfeest.) BI. 33—36.

IV. Uit Judea naar Sichar, Kana en Kapharnaüm. BI. 36—41.

V. (Eerste Evangeliereis door Galilea.) Uit Kapharnaüm naar verschillende steden en dorpen van óalilea ; verder naar het land der

ocr page 98

84

Gerazenen, en weder naar Kapliarnaüm en omstreken.BI. 44—49.

VI. Uit Kapliarnaüm naar Jeruzalem (Tweede paaschfeest.) en weder terug naar Jeruzalem! Christus predikt in de omstreken dezer stad en bepaaldelijk op den berg der zaligheden. BI. 56 — 69.

VIL (Tweede Evangeliereis door Galilea.) Uit Kapliarnaüm naar Naïm en vele andere steden, waaronder Nazareth; vervolgens naar de woestijn van Bethsaida en van daar terug naar Kapharnaüui. (Derde paaschfeest.) BI. 71—89.

XLIII. Wonderdadige spijziging van meer dan vijf

duizend menschen.

De menschen, die den Zaligmaker hadden zien afvaren, brandden zoo zeer van verlangen, om bij Hem te zijnen zijne prediking te hooren, dat zij aanstonds besloten Hem te volgen. Aan overvaren was echter niet te denken, want de menigte telde vijf duizend mannen, behalve vele vrouwen en kinderen. Men was dus verplicht een grooten omweg te maken en het meer Geilesareth ten Noorden om te trekken; de goede Galileërs zagen er echter niet tegen op dezen langen weg te voet af te leggen, en zoo kwamen zij in de woestijn, waar Jesus Zich met zijne leerlingen op eenen berg bevond. Zoodra Hij die menschen zag, daalde Hij van den berg af, sprak veel tot hen over het Rijk Gods en genas allen, die hulp behoefden.

Ondertusschen was het reeds laat in den namiddag geworden , en de Apostelen drongen er bij hunnen Meester op aan, dat Hij de menschen zou wegzenden, daar zij anders door den avond zouden overvallen worden in de woeste plaats, waar zij geen voedsel konden vinden. Jesus sprak toen tot zijne Apostelen: Het is niet noodig dat zij heengaan; geeft gij hun te eten! Dit zeide Hij om zijne Apostelen op de proef te stellen; maar deze begrepen dit niet, en Philippus antwoordde : Voor tweehonderd denarrën (ruim zestig gulden) brood is niet voldoende voor hen, opdat ieder een weinig ontvange. Jesus vroeg: Hoeveel brooden hebt gij ? Gaat en ziet! Weldra bracht men het bericht, dat er slechts een voorraad was van vijf gerste-brooden en twee visschen, welke een jongen bij zich had; doch, voegde Andreas er bij, wat is dit onder zoo velen! Jesus gebood nu zijn Apostelen, Hem de brooden en vis-

ocr page 99

9 c

ö5

schen te brengen, en der menigte aan te zeggen, dat allen zich, bij afdeelingen van vijftig en honderd, op het gras zouden neerzetten. De leerlingen gehoorzaamden eerbiedig en zwijgend.

Allen zitten neder en wachten in plechtige stilte op hetgeen nu gebeuren zal; Jesus staat in het midden van meer dan vijfduizend menschen; zijne Apostelen omringen Hem. En Hij neemt de vijf brooden en de twee visschen in zijne handen, slaat zijne oogen naar den hemel en spreekt een gebed van dank en zegen over de spijzen uit; daarna breekt hij de brooden en de visschen en geeft ze aan zijne leerlingen ; deze brengen ze aan de nederzittenden en zetten ze hun voor. En, terwijl Jesus brak en gaf, vermenigvuldigde Hij door zijne almacht de weinige brooden en visschen ; zij vermeerderden in zijne handen; telkens gingen en kwamen de Apostelen, en telkens brachten zij nieuwen voorraad rond, totdat al de aanwezigen gegeten hadden en verzadigd waren. Toen zeide Jesus tot zijne leerlingen : Verzamelt de brokken, die overgebleven zijn, opdat ze niet verloren gaan. En zij vulden twaalf korven met de brokken die overgeschoten waren van de vijf gerstebrooden en de twee visschen, nadat deze , behalve aan vele vrouwen en kinderen, aan vijf duizend mannen tot spijs hadden gediend.

Ondertusschen juichte het opgetogen volk : Deze is waarlijk de Profeet, die in de wereld komen moet ? En nog verder wilde men gaan: ook als koning wilde men Jesus huldigen. Maar een wereldsch koningschap was het koningschap des Verlossers niet; derhalve bedwong Hij de geestdrift des volks. Eerst deed Hij zijne Apostelen in het schip gaan en zonder Hem afvaren; vervolgens onttrok Hij zich aan de menigte, die nu uit elkander ging. Jesus steeg weder op den berg en bracht geheel alleen den nacht in het gebed door.

XLIV. Terugkeer naar Kapharnaum.

De Apostelen moesten overeenkomstig het bevel huns Meesters langs den oostelijken oever van het meer Genezareth oproeien naar Bethsaida; daarheen zou Jesus te voet gaan en daar in het schip komen, om met hen naar Kapharnaüm

ocr page 100

86

te varen. Doch een opkomende storm deed hen tot midden in zee afdrijven, en daar werd hun schip den ganschen nacht lang, op de onstuimige golven geslingerd. Tegen drie ure in den morgen sloeg'Jesus van den berg, waar Hij gebeden had, zijne oogen naar het meer en zag, bij het licht der maan, het schip op meer dan een uur afstands van de kust. Hij daalt van den berg af en gaat, wandelend op de zee, recht op het schip aan; het water gehoorzaamt aan den wil van Hem, die het geschapen heeft, en de golven worden een vaste weg onder zijne voeten.

Toen Hij in de nabijheid van het schip gekomen was, zagen de leerlingen het wonderverschijnsel, maar herkenden hunnen Meester niet; zij dachten aan eene geestverschijning en riepen vol van angst; Het is een spooksel? Doch Jesus sprak tot hen: Zijt gerust! Ik ben het; vreest niet! Zoodra Petrus de stem zijns Meesters gehoord had, riep hij Hem toe: Heer! zijt Gij het, gebied mij dan over het Avater tot U t*e komen! — Kom, zeide Jesus. En Petrus klom uit het schip en wandelde over de zee naar Jesus. Zijn geloovig vertrouwen op de macht zijns Meesters maakte, dat de golven hem droegen; maar toen, bij één hevigen rukwind, de vrees hem in zijn geloof één oogenblik deed wankelen, voelde hij aanstonds, dat hij begon te zinken, en angstig riep hij; Heer! red mij! Jesus strekte zijne hand uit, vatte hem aan en zeide tot hem; Kleingeloovige 1 waarom hebt gij getwijfeld?

Jesus ging toen met Petrus in het schip; de wind bedaarde, en spoedig landden zij aan den westelijken oever, op een paar uren afstands van Kapharnaüm. De indruk dien dit nieuwe wonder op de leerlingen maakte, was zeer groot; allen, die in het schip waren, vielen aanbiddend voor Jesus neder en beleden; In waarheid. Gij zijt Gods Zoon.

De kustbewoners, door wier land de Zaligmaker nu voortging, herkenden Hem spoedig, en weldra werd Hij door eene groote schare gevolgd. Hij genas weder vele zieken; in de plaatsen, waar Hij doortrok, vond Hij de kranken op hun bed langs de straat neergelegd, en smeekte men Hem, dat Hij den lijders slechts zou toestaan het boordsel van zijn kleed aan te raken; en allen, die het aanraakten, werden genezen. Ondertusschen zochten de

ocr page 101

menschen-, die Jesus den vorigen dag gespijzigd had, Hem een tijd lang te vergeefs aan de overzijde van het meer; eindelijk keerden zij, gedeeltelijk op de schepen, die nu van Tiberias waren aangekomen, gedeeltelijk langs denzelfden weg, dien zij den vorigen dag hadden afgelegd, naar den kant van Galilea terug.

De twee tjroote wonderen, welke Jesus gedaan had, moesten dienen tot voorbereiding van een onderricht, dat Hij nu zou geven; Hij zou namelijk een ontzaglijk geloofsgeheim openbaren , dat niemand zou kunnen gelooven, indien hij niet de zekerheid had. dat het geopenbaard was door den mensch-geworden God zeiven. Daarom wilde Christus eerst door twee schitterende wonderen zijne Godheid toonen, opdat iedereen zou overtuigd zijn, dat het woord, hetwelk hij spreken ging, onfeilbare waarheid was.

XLV. Christus' leer over het H. Sakrament des

Altaars.

In den namiddag keerde Jesus met zijne Apostelen naar Karpharnaüm terug en begaf zich, toen met het ondergaan der zon de Sabbath begon , naar de Synagoge. Velen, die Hem dien morgen te vergeefs gezocht hadden aan de overzijde van het meer, waren verwonderd, toen zij Hem in hun midden zagen, en kwamen aanstonds tot Hem; daar Jesus echter wist, dat hun ijver om Hem te zoeken vooral voortsproot uit de stoffelijke weldaad, welke Hij hun gisteren bewezen had, en daar Hij hunne gedachten van het brood dezer aarde wilde aftrekken om ze op het hemelsch brood, waarover Hij nu spreken ging, te vestigen, zeide Hij hun: Maakt werk, niet van de spijs, die vergaat, maar van die blijft ten eeuwigen leven, die de Zoon des menschen u geven zal.

Eer Jesus nu nader verklaarde, wat die spijs was, welke Hij zoude geven, wekte Hij zijne hoorders op tot geloof in Hem en beriep Hij Zich op zijne hemelsche afkomst, zeggende, dat Hij uit den hemel was nedergedaald. Toen de Joden dit hoorden. morden zij onder elkander en spraken: Is deze niet Jesus, de zoon van Jozef, en wiens vader en moeder wij kennen ? Hoe zegt deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald ? De Zaligmaker ging echter voort met aan te dringen op de noodzakelijkheid van het

ocr page 102

geloof in Hem en besloot met te zeggen: voorwaar, voorwaar , ik zeg u : die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.

Daarna verklaarde Jesus met de duidelijkste woorden, welke spijs Hij aan de menschen wilde geven. Ik ben het levend brood, Ik ben uit den hemel nedergedaald; zoo iemand van dit brood eet , hij zal leven in eeuwigheid; en het brood dat Ik geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld. Nu begonnen de Joden nog veel erger te morren, zeggende: Hoe kan deze ons zijn Vleesch te eten geven ? Waarop de Zaligmaker nog veel sterker en uitdrukkelijker bevestigde, dat Hij in den waren en eigenlijken zin zijn Vleesch en Bloed den menschen tot spijs en drank geven zou. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: als gij het Vleesch van den Zoon des menschen niet eet en zijn Bloed niet drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, heeft het eeuwige leven ; en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. Want mijn Vleesch is waarlijk spijs en mijn Bloed is waarlijk drank. Die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef om den Vader, zoo zal ook hij die Mij eet, om Mij leven. Dit is het brood, dat uit den hemel is nedergedaald. Niet gelijk uwe vaders het manna gegeten hebben en gestorven zijn : die dit brood eet zal leven in eeuwigheid.

Ziedaar uit den mond van Christus zeiven de leer over het H. Sakrament des Altaars en de heerlijke belofte, welke Hij een jaar later heeft vervuld. Toen, in de zaal des laatstcn avondmaals, nam Jesus brood en zegende en brak en gaf het aan zijne leerlingen en zeide: Neemt en eet, dit is mijn Lichaam. En den kelk nemende, dankte Hij en gaf hun dien, zeggende: Drinkt hieruit allen! Want dit is mijn Bloed des Nieuwen Testaments , dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Toen gaf Jesus zijn Vleesch en Bloed tot spijs en drank, gelijk Hij in de Synagoge van Kapharnaüm beloofd had, zijn Vleesch en Bloed tot spijs en drank te zullen geven.

Onder degenen, welke zich tot nog toe als leerlingen bij Jesus hadden aangesloten, waren er velen, wier geloof niet sterk genoeg was, en die zich ergerden aan hetgeen

ocr page 103

89

de. Zaligmaker nu geleerd had. Deze rede is hard, spraken zij onder elkander, en wie kan ze aanhooren? Jesus wist, wat zij morden en wat de reden was van hun ongeloof. Maar van hetgeen Hij gezegd had, nam Hij niets terug; in den waren en eigenlijken zin had Hij gesproken en beloofd, dat Hij wezenlijk en waarachtig zijn Vleesch en Hloed tot spijs en drank zou geven; ergerden zich zijne leerlingen daaraan, dan konden zij niet langer zijne leerlingen blijven. Velen dan van hen verlieten Jesus en wandelden niet meer met Hem. Toen wendde Hij Zich tot zijne twaalf Apostelen en vroeg: Wilt gij ook niet heengaan? Want de Zaligmaker zou ook .zijne twaalf Apostelen eer hebben laten vertrekken dan zijne onveranderlijke leer veranderen! Doch de Apostelen geloofden; en in aller naam sprak Simon Petrus: Heer! tot wien zullen wij gaan? De woorden des eeuwigen levens hebt Gij. En wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon Gods.

Evenals de geloovende Petras hieraan het hoofd dergeloovende Apostelen staat tegenover de ongeloovige, morrende ongetrouwe leerlingen, zoo staat de Katholieke Kerk, die gebouwd is op den grondslag der Apostelen en wier steenrots Petrus is, tegenover degenen, welke de leer van Christus niet gelooven en Hem in het H. Sakrament niet aanbidden. Wij, Katholieken, geloovig nederknielend voor dat 11. Sakrament, waarin Christus zijn Vleesch en Bloed tot spijs en drank geeft, zeggen met Petrus: /Teer'. Gij hcht de woorden des eeuwigen levens; en zij die weigeren te gelooven, wat Christus zoo duidelijk heeft geopenbaard, zeggen met de ongeloovige joden: Hoe kan deze ons zijn vleesch te eten gevent of met de ongetrouwe leerlingen: Deze rede zs hard, ■wie han ze aanhooren?

Kinderen! dankt God alle dagen voor het groot voorrecht, dat gij aan-de zijde zijt van Petrus en de Apostelen! Maar toont ook vooral door uwe daden, dat gij gelooft, wat Christus heeft geopenbaard ; toont het door uwen diepen eerbied in de Kerk, waar gij weet datChristus in het H. Sakrament des Altaars waarlijk tegenwoordig is; en bovenal door uwe waardige voorbereiding, wanneer gij het geluk hebt van tot dat aanbiddelijk Sakrament te naderen, om het Vleesch en Bloed des Heeren als het voedsel uwer ziel te ontvangen.

XLVI. Onderricht van Christus over de inzettingen

der PhARIZEËN.

Ofschoon het paaschfeest zeer nabij was, ging de Zaligmaker niet op naar Jeruzalem; Hij wilde niet in Judea wandelen, omdat Hij wist, dat de oversten der Joden Hem zochten te dooden; derhalve bleef Hij in Galilea en begon

ocr page 104

90

zijne derde Evangelie-reis dooi- dit gewest en zijn o.m-streken; op deze reis verkeerde hij veel meer dan vroeger onder de heidenen.

Eens bevond Hij Zich in gezelschap van eenige schriftgeleerden en Pharizeën uit Jeruzalem, die Hem aanvielen, omdat zij zijne leerlingen hadden zien eten, zonder zich de handen gewasschen te hebben. De handenwassching ; welke deze Pharizeën bedoelden, was eene der talrijke inzettingen van oude Joodsche leeraars, waarop de Pharizeën , wier godsdienstigheid voor het grootste gedeelte in uiterlijkheden bestond , hoogen prijs stelden, ofschoon het onderhouden daarvan door de Wet van God volstrekt niet voorgeschreven werd. Daarentegen maakten diezelfde Pharizeën er niets uit, de goddelijke geboden op sommige punten te overtreden ; zelfs waren zij boos genoeg om eenige hunner instellingen, die met Gods wet in strijd waren, als verplichtend voor te schrijven. Toen zij dus tot Jesus zeiden: Waarom overtreden uwe leerlingen de overlevering der ouden? Want zij wasschen hunne handen niet, als zij brood eten, — antwoordde Jesus hun: Waarom overtreedt gij zeiven het gebod des Heeren om wille van uwe overlevering ? En hen over hunne uiterlijke schijnheiligheid bestraffend, sprak Hij: Huichelaars! Terecht heeft Isaias over u geprofeteerd : Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij. Want Gods gebod verwaarloozend, houdt gij de overlevering van menschen: het afspoelen van kruiken en bekers, en vele andere dergelijke dingen doet gij. Daarna richtte Jesus het woord tot de schare enzeide: Niet wat den mond ingaat, verontreinigt den mensch; maar wat uit den mensch uitgaat, dat is het, wat den mensch onrein maakt. Na dit gezegd te hebben verwijderde Jesus Zich met zijne leerlingen en, toen deze naar de uitlegging vroegen van hetgeen hun Meester tot de schare gesproken had, deed Hij hen inzien, dat alles wat den mond ingaat, slechts tot voedsel verstrekt aan het lichaam, doch de ziel des menschen niet raakt, en dus de ziel niet met zonde bevlekken kan ; maar dat uit het hart de kwade gedachten en alle zonden voortkomen, en dat deze den mensch verontreinigen.

ocr page 105

9i

Deze leer van Christus slaat ook op de vaste- en ontlioudingswetten dei-Katholieke Kerk. Geene spijs kan de ziel des menschen verontreinigen; maar wie wetens en willens verbodene spijzen eet, maakt zich schuldig aan de zonde van ongehoorzaamheid tegen de wetten der heilige Kerk; die ongehoorzaamheid komt uit het hart voort, en daarom verontreinigt zij de ziel.

XLVII. De Kananitische Vrouw.

Jesus was op zijne reis door Galilea tot bij of in het gebied der steden Tyrus en Sidon gekomen, toen eene hei-densche vrouw, wier dochter door den duivel bezeten en hevig gekweld werd, tot Hem hare toevlucht nam, vol vertrouwen, dat zijne goedheid ook eene heidin niet ver-stooten zou. Zoodra zij Jesus zag, begon zij luide te roepen : Ontferm u mijner, Heer! Zoon van David! Mijne dochter wordt deerlijk door den duivel gefolterd. De Zaligmaker sloeg geen acht op haar en, toen zijne leerlingen Hem verzochten , dat Hij, door aan haar verlangen te voldoen, een einde aan haar geroep zou maken, gaf Hij hun een afwijzend antwoord. Hij wilde namelijk het vertrouwen dier vrouw op de proef stellen en tevens leeren, dat volharding eene der voornaamste eigenschappen van het gebed wezen moet. De vrouw gaf den moed niet op; zij drong tot den Zaligmaker door en, aan zijne voeten nedervallend, smeekte zij: Heer, help mij! Jesus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden! Het is immers niet goed, het brood der kinderen (dat is: der Joden) te nemen en het den honden (dat is: den heidenen) te geven. Ook deze harde woorden deden het betrouwen der vrouw niet bezwijken , en zeker zag zij uit den blik, dien de Zaligmaker op haar sloeg, dat Hij die woorden niet sprak om haar te krenken of af te stooten. In haar nederig geloof erkende zij geen aanspraak te mogen maken op het brood der kinderen, maar toch vielen er van dat brood wel eenige kruimeltjes op den grond , en om deze slechts smeekte zij; ook de hondjes, zeide zij, eten onder de tafel van de kruimels der kinderen, die van de tafel hunner meesters afvallen. En toen ontving zij de belooning voor haar vertrouwen en volhardend gebed: O vrouw! zeide Jesus tot haar, groot is uw geloof! u geschiede gelijk gij wilt! Ga, de duivel is van uwe dochter uitgegaan. Dit machtwoord

ocr page 106

92

hoorde de booze geest; hij verliet zijne prooi en, toen de gelukkige moeder te huis kwam , vond zij haar kind genezen en van alle kwelling verlost.

Dit voorval bevatte eene groote leering voor de Apostelen, die er de getuigen van waren. De Apostelen immers, die allen Joden waren, maar die later ook aan de heidenen het Evangelie zouden moeten verkondigen, mochten riet deelen in het vooroordeel, dat de Joden tegen de heidenen hadden; zij mochten niet, gelijk de toenmalige Joden veelal deden, de heidenen als honden beschouwen. Cluistus gebruikte den naam van honden, om de verachting, welke de Joden door dien naam uitdrukten, af te keuren; en, door een wonder te doen ten behoeve van eene dergenen, welke men met dien naam aanduidde , leerde Hij zijnen Apostelen, dat er in zijn Rijk geen onderscheid tusschen kinderen en honden mocht gemaakt worden, maar dat Joden en heidenen geroepen waren om kinderen te worden van éénen Vader en leden van één huisgezin.

XLVIII. Christus' verblijf in Gaulanitis. Tweede

W ONDERSPIJZ1GIXG.

Uit Phoenieie, in welk gewest de steden Tyrus en Sidon lagen, reisde Jesus door het noordelijk gedeelte van Galilea voort, totdat Hij, na den Jordaan te zijn overgestoken, in het landschap Gaulanitis kwam, welks bevolking grooten-deels uit heidenen bestond. Eene menigte van die heidenen omringde Hem, toen men eenen man, die doof en stom was , tot Hem voerde, Hem smeekend, dat Hij dien ongelukkige zoude genezen. Jesus zonderde Zich met dien man van de schare af, stak toen zijne vingers in diens ooren en raakte diens tong met speeksel aan; tegelijk zag hij naar den hemel op, verzuchtte biddend en sprak: Word geopend! Terstond werden de ooren van den doove geopend, de band zijner tong werd losgemaakt, en hij sprak goed. De schare, in wier midden hij een oogenblik later terugkeerde , was opgetogen van bewondering en , des Verlossers macht en liefde verheerlijkend, riepen allen juichend uit: Hij heeft alles wel gedaan! en de dooven heeft Hij doen hooren en de stommen doen spreken!

Jesus steeg nu weder op een berg in de woestrn; daar kwamen velen uit de omliggende plaatsen tot Hem, die Hij allen met vriendelijkheid ontving en wier zieken Hij genas; zoodat allen den God van Israël, wiens verheven Gezant zij in Jesus erkenden , verheerlijkten. De menigte,

ocr page 107

93

welke tot Jesus kwam, groeide gedurig aan en eindelijk was zij, behalve de vrouwen en kinderen, vierduizend mannen sterk. Aan deze menschen, die voor het grootste gedeelte heidenen waren, wilde Jesus dezelfde gunst bewijzen , welke Hij, omtrent één maand geleden, aan de Joden uit Galilea had laten genieten, en, zijne leerlingen tot Zich roepend, zeide Hij: Ik heb medelijden met de schare; want ziet, reeds drie dagen zijn zij aanhoudend bij Mij, en zij hebben niets te eten; en Ik wil hen niet on-gespijzigd laten heengaan, opdat zij niet bezwijken op den weg, want eenigen hunner zijn van verre gekomen. De Apostelen, die zeer zeker zich het groote wonder wel herinnerden, dat hun Meester, kort geleden, ten behoeve van de Joden uit Galilea gedaan had, maar die tevens, naar het schijnt, van meening waren, dat Hij een dergelijk wonder ten behoeve van heidenen niet zou willen verrichten, gaven eenvoudig te kennen, dat het hun onmogelijk was in de woestijn zoovele brooden, als hier noodig waren, aan te schaffen. Jesus vroeg nu: Hoeveel brooden hebt gij ? Zij antwoordden: Zeven en eenige weinige vischjes. En wederom vermenigvuldigde dc Zaligmaker dit weinige voedsel, zoodat het tot spijs verstrekte aan vierduizend mannen benevens vele vrouwen en kinderen. Allen werden verzadigd; en terwijl zij heengingen, vulden de Apostelen zeven korven met de overgeschoten brokken.

Jesus ging nu met zijne leerlingen in een schip en voer over het meer naar de landstreek van Dahnanutha, waar het vlek Magdala lag. Nauwlijks was Hij daar aan land gestapt, of de Pharizeën, nu in bondgenootschap met de Sadduceën, vielen Hem aan en eischten, dat Hij hun een teeken uit den hemel zoude toonen. Deze booze menschen sloten hunne oogen voor de vele en groote wonderen, welke Jesus verrichtte, en vroegen om een wonder, hetgeen zij zeer goed wisten, dat Hij niet wilde doen. De Zaligmaker bestrafte met scherpe woorden de vrijwillige blindheid dier huichelaars en zuchtend zeide Hij: Wat eischt dit geslacht een teeken ? Voorwaar, Ik zeg u: geen ander teeken zal eraan gegeven worden, tenzij het teeken van Jonas den profeet.

Na aldus voor de derde maal zijnen dood en zijne ver-

ocr page 108

94

rijzenis ten derden dage als het groot bewijs zijner goddelijke zending te hebben aangewezen, verliet Jesus zijne vijanden, ging weder met zijne leerlingen in een schip en voer weder naar den overkant van het meer. Onder de overvaart waarschuwde Hij hen tegen de verderfelijke leer en de grondbeginselen van de schijnheilige Pharizeën en de ongeloovige Sadduceën.

Jesus kwam te Bethsaida-Julias aan, en daar leidde men eenen blinde tot Hem met de bede, dat Hij hem zoude aanraken en genezen. Hij nam den blinde bij de hand en hem naar buiten geleid hebbende; bestreek hij zijne oogen met speeksel en legde hem de handen op, vragend, of hij iets zag. De man, die niet altoos blind geweest was, zeide, dat hij wel in de verte eenige beweging zag, maar niet kon onderscheiden of het menschen of boomen waren. Nogmaals legde Jesus zijne handen op de oogen van den man, en nu was deze volkomen genezen. Jesus gebood hem naar huis te gaan en aan niemand te zeggen, wat hem overkomen was; Hij zelf reisde terstond verder.

XLIX. De Apostel Petrus tot steenrots der Kerk

verheven.

Noordwaarts voorttrekkend kwam Jesus in de nabijheid der stad Caesarea-Philippi. Daar wilde Hij de belofte vervullen , welke Hij aan den apostel Petrus, toen Hij dezen voor de eerste maal zag, gedaan had; Gij zult genoemd worden Petrus, had Jesus toen tot Simon gezegd ; nu wilde Hij Simon tot Petrus, dat is tot Steenrots, maken. Door de velden voortwandelend, vroeg Jesus zijnen Apostelen: Wie zeggen de menschen, dat de Zoon des menschen is? De Apostelen gaven ten antwoord: Sommigen Joannes de Dooper; anderen Elias; weder anderen: Jeremias; nog anderen zeggen, dat een van de oude Profeten is opgestaan. Daarop vroeg Jesus: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God. Christus wist vooruit, dat Petrus dit antwoord zou geven; maar Christus wilde, dat deze Apostel, eer hij tot de voor hem bestemde waardigheid verheven werd, zijn geloof luide en openlijk belijden

ocr page 109

95

zou. Zoodra dus Petrus zijne geloofsbelijdenis had afgelegd , sprak Jesus plechtig tot hem: Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona! want niet vleesch en bloed heeft u dit geopenbaard, maar mijn Vader, die in den hemel is. Wat Petrus gezegd had, wist hij niet door menschelijke kennis, maar eene openbaring Gods had zijnen geest in dit oogenblik verlicht en hem Christus als den Zoon van God doen erkennen in eenen zin, waarin vóór Petrus nog niemand dit had erkend; en door te zeggen: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God, beleed Petrus de Godheid van Christus.

Nadat Jesus zijnen Apostel had zalig gesproken, ging Hij voort: En Ik zeg u: gij zijt Petrus; en op deze steen-jets zal Ik mijne Kerk bouwen; en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En aan u zal Ik de sleutels geven van Jiet Rijk der hemelen. En al wat gij z,ult ontbonden hebben op de aarde, zal ook in den hemel ontbonden zijn.

In deze woorden leert Christus dat zijne Kerk onvergankelijk is; want Hij zegt: De poorten der hel zullen haar niet overweldigen; — dat er slechts ééne Kerk van Christus is; want er is slechts ééne steenrots, waarop Hij zijne Kerk bouwen zal; — dat Hij Petrus bekleeden zal met het hoogste gezag in zijne Kerk, en hem maken zal tot zijnen p 1 a a t s b e k 1 e e d e r en stedehouder op aarde; want Hij zegt tot Petrus, en tot niemand anders: Aan u zal ik de sleutels geven van het Rijk der hemelen ; — dat Petrus, als zijnde de stedehouder van Christus, aan niemand, behalve aan Christus alléén, onderworpen kan zijn; — dat Petrus , in zijne hoedanigheid van Christus' stedehouder, onfeilbaar is; want als hij, wanneer hij in die hoedanigheid leert, gebiedt of beslist, dwalen kon, dan zou het niet waar kunnen zijn, dat alles, wat hij op aarde binden of ontbinden zal, ook in den hemel gebonden of ontbonden zal zijn, omdat God geene dwaling kan bekrachtigen.

Omdat de Kerk van Christus onvergankelijk is, moet ook de steenrots, waarop zij gebouwd is, onvergankelijk zijn; die steenrots is Petrus, dus moet Petrus onsterfelijk zijn. En dat is hij. Simon, de zoon van Jona, is wel gestorven ; maar Petrus bleef voortleven in de opvolgers van

ocr page 110

96

Simon; deze opvolgers zijn de Pausen, op wie dezelfde macht, welke Christus aan Petrus verleend heeft, is overgegaan.

Twee waarheden, kinderen 1 moet gij hier vooral goed begrijpen en onthouden. De eene is, dat de Kerk van Christus en de Paus onafscheidelijk verbonden zijn; de Kerk zonder den Paus zou gelijk staan aan een huis zonder grondslag, en zulk een huis valt in; of aan een lichaam zonder hoofd, en zulk een lichaam is dood. Daarom strijden de vijanden der Kerk altijd het hevigst tegen den Paus; want die vijanden weten zeer goed, dat, indien zij den Paus konden overwinnen, zij ook de Kerk zouden overwonnen hebben. — De andere waarheid is, dat er niet meer dan eene Kerk van Christus kan bestaan, dat er dus slechts ééne ware Kerk is. Deze ééne ware Kerk is tevens de alleenzaligmakende Kerk. — Dankt God alle dagen, kinderen! voor het voorrecht, dat gij tot die ééne, ware, alleen-zaligmakende Kerk behoort; en bidt ook veel voor degenen, welke buiten die Kerk zijn, opdat zij aan hetzelfde geluk , dat gij geniet, mogen deelachtig worden.

L. Eerste -duidelijke voorspelling van Christus'

lijden en dood.

De Zaligmaker had reeds meermalen over zijn lijden en sterven gesproken, maar altijd in geheimzinnige termen; nu echter was de tijd gekomen, dat Hij met duidelijke woorden begon te zeggen, dat de Zoon des menschen naar Jeruzalem moest gaan en veel moest lijden en door de ouderlingen en opperpriesters en schriftgeleerden verworpen worden; dat Hij moest ter dood gebracht worden en na drie dagen zoude verrijzen. Deze aankondiging deed de Apostelen zeer ontstellen ; vooral Petrus kon het denkbeeld , dat zijn Meester, wiens goddelijke grootheid hij kende, een wreeden dood sterven zou, niet verdragen, en, den Verlosser ter zijde nemend, sprak hij tot hem: Dat zij verre van U, Heer! Dat zal niet geschieden! Met verontwaardiging beantwoordde Jesus deze taal en zeide tot Petrus : Ga weg, achter Mij, Satan! ') Gij zijt Mij een aanstoot; want gij stelt uwe gedachten niet op hetgeen Godes, maar op hetgeen der menschen is. Zoo hard berispte Jesus zijnen uitverkoren Apostel, omdat deze, ofschoon uit onwetendheid en aangedreven door zijne liefde voor zijnen Meester,

1) Met woord Satan moet hier in de beteekenis van tegenstrever en niel als gelijkstaande met duivel worden opgevat.

ocr page 111

97

iets had durven zeggen, dat in strijd was met den wil van God.

Toen Jesus die woorden tot Petrus gesproken had, keerde Hij zich tot de schare, welke Hem omringde, en leerde, dat, evenals Hij zelf den lijdensweg moest bewandelen, zoo ook allen, die zijne leerlingen wilden zijn, in zelfverloochening en lijden aan Hem gelijkvormig moesten worden. Zoo iemand Mij wil navolgen, zeide Hij, hij verloochene zich zeiven en neme zijn kruis op, alle dagen, en volge Mij. Verder zeide Hij nog: Wat zal het den mensch baten, zoo hij de geheele wereld wint, doch zijne ziel verliest? Of wat zal de mensch in ruiling geven voor zijne ziel? De Zoon des menschen zal komen in de glorie zijns Vaders met zijne engelen; en dan zal Hij eenieder vergelden naar zijne werken. Die zich over mij en mijne woorden geschaamd hebben, over hen zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer Hij komen zal in de majesteit zijns Vaders met de heilige engelen.

Onthoudt het wel, kindeken! alle winst ten koste van uwe ziel. is verlies; en alle verlies tot behoud van uwe ziel, is winst. En laat u nooit door valsche schaamte wederhouden in de belijdenis van uw geloof en in de vervulling uwer plichten; anders zou de Zaligmaker, als Hij ten oordeel komt. Zich ook schamen over u! ' 'W'-JLs, • ' --Q

LI. Christus' verheerlijking op den berg Thabor.

Zes dagen later kwam Jesus in de nabijheid van den berg Thabor, en met drie zijner Apostelen Petrus, Jacobus en diens broeder Joannes, besteeg hij de kruin van dien berg om daar te bidden. Een tijd lang zullen de drie Apostelen met hunnen Meester gewaakt en gebeden hebben ;

doch eindelijk werden zij, toen de nacht reeds ver gevorderd was, door den slaap overmand.

En terwijl de Heer Jesus in het gebed volhardt, verandert Hij van gedaante; zijn aangezicht blinkt als de zon;

zijne kleederen schitteren van licht en worden wit als sneeuw, glanzender dan het helderste wit der aarde. En aan zijne zijde vertoonen zich twee mannen, die in majesteit verschijnen; het zijn Mozes en Elias, diemetjesus spreken over zijnen uitgang, dien Hij volbrengen zal in Jeruzalem, dat is: over zijn lijden en sterven.

7

ocr page 112

98

De hemelsche glans, die de Apostelen omstraalt, doet hen ontwaken, en eensklaps aanschouwen zij de majesteit van Jesus en de twee mannen, die naast Hem staan en met Hem spreken. Verslagen van schrik zien zij zwijgend toe, totdat Mozes en Elias zich van Jesus beginnen te verwijderen. Toen riep Petrus zijnen Meester toe: Heer! het is ons goed hier te zijn! Laat ons, zoo gij wilt, hier drie tenten maken, voor U ééne, voor Mozes ééne en voor Elias ééne! Nog sprak Petrus, toen Jesus met Mozes en Elias door eene wolk van licht overschaduwd werd. De Apostelen zagen, hoe hun Meester met de twee hemelingen in die wolk inging; en terwijl Mozes en Elias verdwenen , klonk uit de wolk de stem van God den Vader: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb; hoort hem! Op het hooren van deze ontzaglijke stem vielen de Apostelen met hun aangezicht ter aarde neder; doch een oogenblik later naderde Jesus hèn en raakte hen aan, zeggende: Staat op en vreest niet! Nu sloegen zij hunne oogen* op en zagen niemand meer dan Jesus alléén, .Toen de morgen was aangebroken, daalde Jesus met hen van den berg af; onderweg zeide Hij hun: Openbaart dit gezicht aan niemand, totdat de Zoon des menschen van de dooden is opgestaan. Dit woord huns Meesters over zijn opstaan en voorafgaand sterven, was voor de Apostelen, na die heerlijkheid, welke zij aanschouwd hadden, nog raadselachtiger dan die voorspelling, welke Jesus hun, zeven dagen geleden , over zijn lijden en sterven had gedaan. Terwijl zij er over nadachten, kwam hun de algemeen verspreide meening te binnen, dat de profeet Elias als voorlooper van den Messias op aarde verschijnen moest, en daarop brachten zij nu het gesprek. Jesus zeide hun, dat de komst van Elias, welke de profeet Malachias voorspeld had, in een dubbelen zin moest verstaan worden, dat die voorspelling gedeeltelijk reeds vervuld was in Joannes den Dooper, maar dat hare volle en eigenlijke vervulling nog in de toekomst lag. Elias, sprak Jesus, zaï, als hij te voren komt, alles herstellen. Echter zeg Ik u (in een anderen zin), dat Elias reeds gekomen is, en zij hebben hem niet gekend , maar hem gedaan al wat zij wilden. Zoo zal ook de Zoon des menschen van hen te lijden hebben.

ocr page 113

99

LIL Genezing van eenen doofstommen Bezetene.

Aan den voet van den berg vond Jesus zijne overige leerlingen omringd door een talrijke menigte en in twist met eenige schriftgeleerden. Op zijne vraag naar de oorzaak van dien twist, snelde een man tot Hem, wierp zich voor Hem op de knieën en sprak: Meester! ik heb mijnen zoon, die een stommen geest heeft, tot U gebracht; ik bid U, zie genadig op mijn zoon neder, want hij is mijn eenige! Vervolgens verhaalde.de man, hoe ijselijk zijn zoon dooiden duivel, die hem doof en stom maakte, gefolterd werd; en dat de leerlingen van Christus niet in staat waren geweest, den jongeling uit de macht des duivels te verlossen. Deze leerlingen namelijk hadden, gedurende de afwezigheid van Jesus en de drie Apostelen, eene poging gedaan om den boozen geest uit te drijven, maar te vergeefs, omdat hun geloof niet sterk genoeg was geweest; de Schriftgeleerden hadden daaruit aanleiding genomen, om hen te beschimpen en ook de macht van Jesus zeiven te verkleinen. Tot die schriftgeleerden sprak de Zaligmaker op vergramden toon: O ongeloovig en verkeerd geslacht! Tot hoelang zal Ik met u zijn ? Tot hoelang u verdragen? Daarop gebood Hij den vader: Breng uwen zoon hier! Terwijl men den bezetene tot Jesus leidde, sloeg de duivel den jongeling met geweld tegen den grond en sleurde hem heen' en weder, zoodat deze zich schuimend in het stof wentelde. Sinds hoelang is hem dit overkomen, vroeg Jesus den vader; deze antwoordde: Van zijn kindschheid af; en dikwijls heeft hij hem in het vuur en in het water geworpen , om hem te dooden. Maar, zoo Gij iets kunt, erbarm U onzer en help ons! Op zulk eene bede van een nog twijfelend hart kon geen wonder volgen; eerst moest de vader gelooven, zonder aan Jesus macht in het minst te twijfelen. Derhalve zeide de Zaligmaker tot hem: Zoo gij kunt gelooven: alles is mogelijk voor hem, die gelooft. Nu riep de vader in tranen losbarstend, uit: Ik geloof, Heer! kom mijne ongeloovigheid te hulp! dat wil zeggen: vul aan, wat aan mijn geloof nog ontbreekt.

Met luide stem gebood Jesus nu : Doove en stomme geest! Ik beveel u: ga uit van hem en kom niet meer in hem!

ocr page 114

IOO

Onder hevige gillen en stuiptrekkingen verliet de duivel zijne prooi, en nu lag de jongeling als dood op den grond, zoodat velen zeiden: Hij is gestorven! En Jesus deed een tweede wonder: Hij hief den knaap op, genas hem in één oogenblik en gaf hem, volkomen gezond, aan zijnen vader terug.

Toen Hij kort daarna in een huis was gegaan, vroegen Hem de leerlingen, die niet met Hem op den Thabor geweest waren, waarom zij den boozen geest niet hadden kunnen uitdrijven. Om uwe ongelopvigheid, antwoordde Jesus, te kennen gevend, dat hun bij deze gelegenheid dat onwankelbaar en volmaakt geloof, voor hetwelk niets onmogelijk is, ontbroken had. Dat geloof bedoelend, ging Hij voort: Want voorwaar, Ik zeg u: indien gij geloof hebt als een mostaardzaad, gij zult tot dezen berg zeggen : ga van hier daarheen! en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. Ten opzichte dezer verzekering van Christus moet vooral in. het oog gehouden worden, dat Hij ze gaf aan zijne Apostelen, die van Hem de macht en de zending om wonderen te doen ontvangen hadden.

LUI. Laatste verblijf van Christus te Kapharnaüm.

Van den voet des Thabors ging de Verlosser weder naar Kapharnaüm , om die stad voor de laatste maal te bezoeken. Op den weg daarheen voorspelde Hij opnieuw aan zijne Apostelen zijnen aanstaanden dood en zijne verrijzenis. De Apostelen begrepen echter niet, hoe hun Meester, wiens goddelijke macht zij kenden, door zijne vijanden kon ter dood gebracht worden; ook deelden zij de verwachting der Joden, dat de Messias een aardsch koninkrijk zou stichten ; en met die verwachting was de voorspelling, welke Jesus hun deed , niet overeen te brengen. Zij openbaarden echter hunne gedachten niet, maar waren zeer bedroefd.

Toen zij te Kapharnaüm gekomen waren, en Jesus Zich in het huis van Petrus, waar hij zijn gewoon verblijf hield, bevond, werd Petrus aangesproken door de heffers der jaarlijksche tempelschatting, welke ieder Israëliet, volgens voorschrift van den hoogen Raad, verplicht was op te brengen. Zij vroegen Petrus, of zijn Meester die schatting

ocr page 115

IOI

niet betaalde. Zeker! zeide Petrus en ging naar binnen om Jesus kennis te geven van hetgeen men gevraagd had. Doch Jesus voorkwam hem en vroeg : Wat dunkt u Simon ? van wie nemen de koningen der aarde cijns of schatting, van hunne zonen of van de vreemden? — Van de vreemden, antwoordde Petrus. En Jesus hernam: Derhalve zijn de zonen vrij. Petrus begreep zeer goed, wat zijn Meester wilde zeggen: immers moest de schatting, welke men vroeg, dienen voor het huis Gods; dus was de Zoon Gods tot het betalen dier schatting niet verplicht. Doch, zeide de Zaligmaker tot Petrus, opdat wij hun geen aanstoot geven, ga naar de zee en werp den angel uit en neem den visch, die het eerst boven komt; en zijnen mond geopend hebbende, zult gij eenen stater (een geldstuk van ongeveer één gulden twintig cents) vinden, neem dien en geef dien voor Mij en u. Petrus ging heen, en alles geschiedde gelijk Jesus gezegd had.

Toen nu de leerlingen weder bij Jesus waren, vroeg Hij hun: Waarmede waart gij op den weg bezig? Op deze vraag zwegen zij eerst beschaamd stil, want zij hadden onderweg met elkander getwist over den voorrang in het Rijk, dat hun Meester stichten zou; doch, daar zij wel zagen, dat Jesus zeer goed wist, wat zij niet durfden openbaren, zeiden zij eindelijk: Wie is wel de grootste in het Rijk der hemelen ? Jesus antwoordde hun: Zoo iemand de eerste .wezen wil, zal hij de minste van allen en de dienaar-van allen zijn. En om hen voor hunne eerzuchtige gezindheid te straffen, riep Hij een kind tot Zich, plaatste dit in het midden zijner leerlingen, omhelsde het en zeide toen: Voorwaar ik zeg u, indien gij u niet bekeert en niet wordt als kinderen, zult gij het Rijk der hemelen niet ingaan.

Daarop deed Jesus de hooge waardigheid uitkomen van degenen, die uit deugd en om wille van het Rijk der hemelen, de eenvoudigheid , den ootmoed en de onschuld van kinderen navolgen. Van hen zeide Hij: Al wie een zoodanig kind in mijnen naam ontvangt, ontvangt Mij, en al wie Mij ontvangt, ontvangt dengene, die Mij gezonden heeft. Later voegde hij hierbij: Wie aan één van deze kleinen, die in Mij gelooven, ergernis geeft, het ware hem beter dat een

ocr page 116

molensteen om zijn hals gehangen en hij in de diepte der zee verdronken werd. Wee der wereld wegens de ergernissen ! Het is onmogelijk (uit hoofde van de boosheid der menschen), dat er geen ergernissen komen; maar toch, wee den mensch, door wien de ergernis komt!

Daar de wereld vol van ergernissen is, moet iedereen waakzaam zijn en geene moeite te groot, geene opoffering te zwaar rekenen, ten einde alles van zich te verwijderen, wat hij weet dat hem tot zonde zal brengen. Het kan gebeuren , dat een persoon of eene zaak ons zeer dierbaar is, en dat het ons zeer zwaar valt dien persoon of die zaak van ons te verwijderen; maar, als zulk een persoon of zulk eene zaak oorzaak of naaste gelegenheid is, dat wij ons aan groote zonden schuldig maken, dan moeten wij dien persoon vermijden en ons van die zaak losrukken, om de naaste gelegenheid tot zonde te ontvluchten en voor de zaligheid onzer ziel te zorgen. Dit leerde de Zaligmaker met de volgende woorden ; Indien uwe hand u ergert, houw ze af! het is u beter verminkt het leven in te gaan dan met twee handen te gaan naar de hel, in het onuit-bluschbaar vuur, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgebluscht. En indien uw voet u ergert, houw hem af! het is u beter kreupel het eeuwig leven in te gaan dan met twee voeten geworpen te worden in de hel van het onuitbluschbaar vuur, waar hun worm niet sterft •en het vuur niet wordt uitgebluscht. En indien uw oog u ergert, ruk het uit en werp het van u! het is u beter met één oog het levén in te gaan dan met twee oogen geworpen te worden in de hel des vuurs, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgebluscht.

Nog zeide Jesus: Ziet toe, dat gij niet één van deze kleinen veracht; dit beteekent: denkt niet dat het geven van ergernis aan kinderen of aan hen, die in eenvoudigheid aan kinderen gelijk staan, iets gerings is; want hunne engelen zien in den hemel altijd het aangezicht mijns Vaders, die in den hemel is; — want de Zoon des menschen is gekomen, om zalig te maken wat verloren was; — want uw Vader, die in den hemel is, wil niet dat één van deze kleinen verloren ga. Als iemand dus een van deze kleinen door ergernis te geven in het verderf

IIHI

ocr page 117

103

stort, dan wederstreeft hij den uitdrukkelijken wil van God, dan werkt hij den Zaligmaker tegen, en dan zal de engelbewaarder van dengene, die geërgerd is geworden, hem die ergernis gegeven heeft, aanklagen voor het aangezicht Gods.

Verder onderrichtte Jesus zijne Apostelen over de broederlijke berisping. Maakt onze broeder zich schuldig aan eene slechte daad, dan vordert de Christelijke liefde, dat hij berispt worde, opdat hij zijne schuld erkenne en zich bekeere. Jesus leert nu, welke orde bij de broederlijke berisping moet in acht genomen worden: de eerste geschiede onder vier oogen; de tweede, indien deze noodigis, onder getuigen; indien de schuldige broeder ook dan nog hardnekkig blijft, dan beveelt Jesus: Zeg het aan de Kerk; indien hij nu naar de Kerk niet luistert, dan zij hij u als de heiden en de tollenaar; dat wil zeggen; wanneer de schuldige door het kerkelijk gezag veroordeeld wordt en ook daarnaar niet luistert, dan moet hij uit de Kerk gebannen worden, en de Christenen moeten zich tegenover zoo iemand gedragen, evenals de Joden zich gedroegen tegenover heidenen en tollenaars, met wie zij geen gemeenschap hielden. Daar het uitspreken van zulk een banvonnis slechts het werk kan zijn van hen, die door Christus tot de bestuurders zijner Kerk zijn aangesteld, gaf Jesus zijnen Apostelen de verzekering, dat Hij hen bekleeden zou met al de volmacht, welke zij, als de eerste bestuurders dei-Kerk, zouden behoeven. Voorwaar, ik zeg u; al wat gij zult gebonden hebben op de aarde, zal ook in den hemel gebonden zijn; en al wat gij zult ontbonden hebben op de aarde , zal ook in den hemel ontbonden zijn. Dit zijn dezelfde woorden, die de Zaligmaker vroeger tot Petrus alléén gesproken had; evenwel maakte Hij daardoor de overige Apostelen volstrekt niet tot de gelijken van Petrus; want Petrus en niemand anders heeft Hij tot de steenrots zijner Kerk verheven; aan Petrus en aan niemand anders heeft Hij de sleutels van het Rijk der hemelen, en dus de opperste macht in zijne Kerk toegezegd.

Eene laatste onderrichting gaf Jesus aan zijne Apostelen over het vergeven van hetgeen onze broeder tegen ons misdoet. Zoo uw broeder, zeide Jesus, tegen u gezondigd

ocr page 118

104

heeft, berisp hem, en indien het hem berouwt, vergeef hem. En indien hij zevenmaal daags tegen u gezondigd heeft, en zevenmaal daags tot u terugkeert, zeggende: ik heb berouw, — vergeef hem! En toen Petrus vroeg of zevenmaal voldoende was, antwoordde Jesus: Niet, zeg ik u, tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaal. En waarom moeten wij altoos vergiffenis schenken aan onzen broeder? Vooreerst, leerde de Zaligmaker, omdat degenen, welke in broederlijke liefde vereenigd zijn, alles, waar zij om vragen , van God zullen verkrijgen : Zoo twee van u 0|gt; aarde overeenstemmen, aangaande welke zaak zij ook mogen bidden, het zal hun geworden van mijnen Vader, die in de hemelen is. Want, waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden. En ten tweede r omdat er geen vergiffenis bij God te bekomen is voor dengene, die vergiffenis weigert te schenken aan zijnen broeder. Deze waarheid stelde de Zaligmaker voor in de gelijkenis van den onmeedoogenden knecht. Een koning hield afrekening met zijne dienaren. Een van dezen was tienduizend talenten, eene onnoemelijk groote som, schuldig en kon niet betalen; toen beval de koning, dat men hem, zijne vrouw en kinderen tot slaven, en al wat hij bezat zou verkoopen, om de schuld, voor een klein gedeelte althans, af te doen. Doch de dienaar viel op zijne knieën en bad; Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen. De koning ontfermde zich en verleende niet alleen het gevraagde uitstel, maar schold zijnen dienaar de gansche schuld kwijt. Heengaande ontmoette die dienaar een zijner medeknechten, die hem honderd tienlingen, eene geringe som, schuldig was; dezen greep hij aan, neep hem de keel toe en zeide: Betaal wat gij schuldig zijt! Zijn medeknecht viel op zijne knieën en smeekte: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen. Maar hij wilde geen uitstel geven en liet hem in de gevangenis werpen.

Dit schandelijke gedrag hadden de andere dienaars van den koning gezien, en zij gaven er hunnen heer bericht van. Toen riep de heer den onmeedoogenden dienaar tot zich en zeide hem: Booze knecht! de geheele schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat gij mij gesmeekt hebt; moest gij u dan ook niet ontfermen over uwen mededienaar

ocr page 119

io5

gelijk ik mij ontfermd heb over u? En de heer leverde hem over aan de beulen, totdat hij de geheele schuld zou hebben atbetaald. Na deze gelijkenis te hebben uitgesproken, zeide Jesus: Eveneens zal mijn hemelsche Vader u doen, indien gij niet, ieder zijnen broeder, van harte vergeeft.

LIV. Prediking dek twee en zeventig Leerlingen. Vertrek uit Galilea.

Jesus had. behalve zijne twaalf Apostelen nog twee en zeventig leerlingen, die Hij, gedurende den laatsten tijd van zijn verblijf in Galilea, ter prediking uitzond. Eerst gaf Hij hun dezelfde vermaningen, als vroeger aan zijne Apostelen , en verleende ook hun de macht, om wonderen te doen en zieken te genezen; daarna zond Hij hen, twee aan twee, vooruit naar verschillende vlekken en steden, waar Hij zelf met zijne Apostelen voornemens was te komen.

Ondertusschen begon de tijd, waarop het Loofhuttenfeest gevierd werd, te naderen ; en, daar Jesus dit feest te Jeruzalem wilde vieren, vertrok Hij uit Kapharnaüm en reisde langzaam voort tot aan de grenzen van Samaria. Daar zond Hij boden vooruit naar eene stad of een vlek der Samaritanen, om voor Zich en zijne Apostelen een verblijf te bereiden. Doch de inwoners, die bemerkten, dat de reizigers Joden waren , welke naar Jeruzalem optrokken , weigerden Hem te ontvangen. Bij dezen hoon, hunnen Meester aangedaan, ontstaken de apostelen Jacobus en Joannes in toorn en zeiden: Heer! wilt Gij dat wij zeggen, dat er vuur van den hemel nederdale en hen vertere? Jesus bestrafte deze opwelling van gramschap en antwoordde den twee Apostelen: Gij weet niet, van wat geest gij zijt. De Zoon des menschen is niet gekomen om zielen te verderven, maar om ze zalig te maken. En zij gingen naar een ander vlek.

Op den verderen weg, die nu de grensscheiding van Galilea en Samaria volgde, ontmoette Jesus tien melaat-schen, die Hem van verre toeriepen : Jesus , Meester ! ontferm U onzer! Hij sprak tot hen : Gaat, vertoont u aan de priesters! Ofschoon de melaatschen op dat oogenblik geen de minste verandering in hun toestand bespeurden,

ocr page 120

io6

gehoorzaamden zij toch aanstonds en gingen op weg. En hun vertrouwen werd niet beschaamd, want, terwijl zij voortgingen, werden zij gereinigd. Negen hunner trokken verder; maar de tiende, die een Samaritaan was, keerde tot Jesus terug en wierp zich voor de voeten zijns weldoeners op zijn aangezicht ter aarde neder. En Jesus sprak: Zijn er niet tien gereinigd geworden ? En waar zijn de negen? Er is niemand gevonden, die terugkeerde en eer gaf aan God, behalve deze vreemdeling! En tot den genezene zeide Hij: Sta op, ga! want uw geloof heeft u behouden.

De twee en zeventig leerlingen vereenigden zich , eenigen tijd na hun vertrek, weder met hunnen Meester en vol van vreugde over den goeden uitslag hunner zending, zeiden zij: Heer! ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam! Jesus antwoordde daarop, dat zij zich niet moesten verwonderen, dat de booze geesten hun onderdanig waren, daar immers Hij, die eens den Satan uit den hemel had geworpen en hem als een bliksem ter hel had zien nederstorten, hun macht over de duivelen gegeven had. Verder zeide Hij hun, dat zij zich niet zoozeer daarover moesten verheugen, dat de booze geesten hun onderworpen waren, maar veelmeer daarover, dat hunne namen opgeschreven stonden in den hemel.

Jesus was nu dicht bij den Jordaan gekomen en stond op het punt om Galilea, waar Hij ruim twee jaren gearbeid had, voor goed te verlaten. Toen dankte Hij zijn hemelschen Vader voor de vruchten, welke zijn arbeid gedragen had, al waren die vruchten ook niet talrijk en al waren ook de geheimen van het Rijk Gods voor diegenen, welke wijs en verstandig in hunne eigene oogen waren, verborgen gebleven, en slechts aan kleinen, aan kinderlijk eenvoudigen geopenbaard geworden. Zulke kleinen waren de leerlingen, die Jesus omringden; tot hen dan zeide Hij: Zalig dc oogen, die zien wat gij ziet! Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen verlangd hebben te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien; en te hooren wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.

Hoe brandde Jesus' liefdevol hart van verlangen, dat velen, dat allen in dit geluk zijner leerlingen mochten

ocr page 121

ie/

deelen! Alle menschen en alle tijden omvattend, riep Hij uit: Komt tot Mij, allen, die vermoeid en beladen zijt! en Ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk op u en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig en nederig van harte ben; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want mijn juk is zoet en mijn last is licht.

O kinderen! dat dit woord van onzen liefdevollen Zaligmaker altijd luiden weerklank vinde in uw hart! Leert liet juk des Heeren dragen in de dagen uwer jeugd, door altijd en in alles gehoorzaam te zijn aan zijne geboden, door dien goeden en zachtmoedigen Meester met kinderlijke liefde te beminnen; en gij zult ondervinden, nu en in uw volgend leven, dat de last, dien Christus oplegt, niet zwaar of moeielijk te dragen is, dat integendeel de rust der ziel, welke het grootste geluk is, dat wij op aarde kunnen smaken, alleen genoten wordt door hem, die den Heer Jesus oprecht en standvastig dient.

LV. Christus op het loofhutten-feest te Jeruzalem.

De hooge Raad van Jeruzalem, bij wien het voornemen om zich van den Verlosser meester te maken en Hem ter dood te veroordeelen reeds vroeger vaststond, had, zoodra het Loofhuttenfeest begon, maatregelen genomen, om Hem gevangen te nemen; Hij was echter toen nog niet in de hoofdstad aangekomen. Onder de feestvierenden werd veel over Hem gesproken; sommigen zeiden: Hij is goed; doch anderen: Hij verleidt het volk. Toen de eerste helft der acht dagen, welke het feest duurde, voorbij was, trad Jesus in den tempel op en predikte. Met verbazing hoorde eene talrijke schaar Hem aan; maar eenige leden van den hoogen Raad gaven lucht aan hunne vijandige gezindheid, door te zeggen : Hoe kent deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft? daarmede te verstaan gevend, dat Jesus niet als leeraar in de H. Schrift mocht optreden, omdat Hij in hunne scholen den titel van leeraar niet ontvangen had. Jesus antwoordde daarop, door Zich op zijn goddelijk leergezag te beroepen en te verklaren, dat zijne leer niet eene bloot menschelijke, maar eene goddelijke leer was, en als goddelijk erkend moest worden door iedereen, die gezind was den wil Gods te doen. Maar zulk eene gezindheid bestond er niet in het booze hart van Jesus' vijanden; integendeel was dat hart vol wraakzucht en moorddadige plannen, welke de Zaligmaker

ocr page 122

io8

toonde te kennen, door hun verwijtend te vragen : Waarom zoekt gij Mij te dooden? en hun te bewijzen, dat zij, niet omdat Hij eenige misdaad begaan had, maar alleen uit haat tegen zijn Persoon, Hem naar het leven stonden. Aldus bestrafte Jesus de boosheid zijner vijanden, die zich beschaamd verwijderden.

Eenige inwoners van Jeruzalem, die het plan van den hoogen Raad om den Verlosser gevangen te nemen kenden, zeiden tot elkander: Is deze niet degene, dien zij zoeken te dooden ? En zie, Hij spreekt in het openbaar en zij zeggen Hem niets! Hebben dan de oversten inderdaad erkend, dat deze de Christus is ? Echter kon Hij, naar de meening dezer Jeruzalemmers, de Christus, dat is: de Messias, niet zijn. Want deze menschen verkeerden in de dwaling, dat de Messias eensklaps verschijnen zou, zonder dat iemand wist vanwaar Hij kwam. Jesus leerde hun, dat Hij eene dubbele afkomst had: niet alleen eene menschelijke, die zij meenden te kennen, maar ook eene g o d d e 1 ij k e, welke zij niet kenden : Ik ben niet uit mijzelven gekomen; maar Hij, die Mij gezonden heeft, is waarachtig, en Hem kent gij niet. Ik ken Hem, omdat ik van Hem ben , en Hij Mij gezonden heeft. Deze woorden, waardoor Jesus getuigenis aflegde, dat Hij niet alleen mensch, maar God en mensch is, maakten de Jeruzalemmers zoo toornig, dat zij Hem aanstonds wilden vatten en aan de oversten overleveren. Doch Hij belette door zijne almacht de uitvoering van hun opzet: niemand sloeg de hand aan Hem, omdat zijn uur nog niet gekomen was.

Onder de feestvierenden, en bijzonder onder de Gali-leers waren er velen, die, op grond der talrijke wonderen, welke zij Jesus hadden zien verrichten, Hem voor den Messias erkenden. Zal dan, zeiden zij, de Christus, wanneer Hij komt, meer teekenen doen dan deze doet? — Immers neen! want de teekenen, welke deze doet, zijn zoo groot en talrijk, dat iedereen, die niet opzettelijk zijne oogen sluit, in Hem den Christus erkennnen moet. — Deze woorden werden opgevangen door eenige Pharizeën en medegedeeld aan den hoogen Raad, die nu terstond aan eenige gerechtsdienaars bevel gaf om den Zaligmaker, zoodra zich eene geschikte gelegenheid aanbood , gevangen

ocr page 123

109

te nemen. Jesus wist dit; doch Hij ging voort in den tempel te onderwijzen, aldus toonend, dat niemand de hand aan Hem kon slaan, vóór Hij het zelf wilde.

Op den laatsten en plechtigsten dag van het feest riep Jesus met luide stem: Zoo iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Die in Mij gelooft, uit zijn binnenste zullen stroomen van levend water vlieten. Dit zeide Hij van den Heiligen Geest, welken zij, die in Hem geloofden, na zijne hemelvaart, zouden ontvangen. Het onderricht, dat Hij vervolgens gaf, maakte op zijne hoorders een diepen indruk, en eenigen hunner zeiden: Deze is waarlijk de Profeet! deze is de Christus! Ook de gerechtsdienaars van den hoogen Raad hadden met verwondering naar Jesus geluisterd, en zelfs niet gedacht aan den last, die hun was opgedragen; en, toen zij bij hunne meesters terugkwamen , en deze hun vroegen: Waarom hebt gij Hem niet hier gebracht? antwoordden zij: Nooit heeft een mensch zóó gesproken als deze mensch. Woedend riepen nu de Pharizeën uit; Zijt ook gij verleid geworden ? Heeft iemand uit de oversten of uit de Pharizeën in Hem geloofd ? Maar die schare, welke de Wet niet kent, zij zijn vervloekt! Nikodemus, die den Zaligmaker reeds lang geleden als zijnen Meester erkend had, zeide nu tot zijne ambtge-nooten: Veroordeelt dan onze Wet een mensch, zonder dat zij eerst hem gehoord hebbe en wete, wat hij doet? Dit verstandig gezegde maakte de Pharizeën nog toorniger, en schimpend beten zij Nikodemus toe: Zijt ook gij een Galileër? Onderzoek de Schriften en zie, dat uit Galilea geen profeet opstaat! De hooge Raad ging nu uit elkander; Jesus begaf Zich met zijne leerlingen naar den olijfberg, om daar den nacht door te brengen.

LVI. De overspelige Vrouw.

Terwijl de Zaligmaker den volgenden morgen weder in den tempel te midden eener talrijke schare gezeten was en leerde, werd er voor het gerecht, dat in een der zalen van het tempelgebouw zitting hield, eene vrouw gebracht, die men op de misdaad van overspel betrapt had. De wet van Mozes had tegen deze misdaad de doodstraf uitge-

ocr page 124

IIO

sproken; maar de toepassing dezer straf was, vooral sedert de Romeinsche overheersching, geheel in onbruik geraakt. De Pharizeën en schriftgeleerden, die leden van de rechtbank waren, brachten deze vrouw tot Jesus en zeiden: Meester! deze vrouw is zooeven op overspel betrapt geworden. Mozes nu heeft ons in de wet geboden de izoodanigen te steenigen. Wat dan zegt Gij ? Met deze vraag bedoelden zij den Verlosser eenen strik te spannen; want, verklaarde ■ Hij Zich tegen de toepassing der doodstraf, dan konden zij Hem aanklagen als een valsch leeraar, die beslissingen gaf tegen de Wet van God; zeide Hij daarentegen, dat de Wet moest gehandhaafd worden, dan konden zij Hem bij de Romeinsche overheid beschuldigen van verzet tegen de wetten van het keizerrijk.

Jesus gaf geen antwoord, maar boog Zich voorover en schreef met zijnen vinger op den vloer. Daarin meenden zijne vijanden een bewijs te zien, dat hunne vraag Hem in verlegenheid had gebracht, en zij drongen op antwoord aan. Toen richtte Hij Zich op en sprak tot hen: Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar! De schriftgeleerden en Pharizeën voelden de verpletterende kracht dezer woorden, welke zooveel beteekenden als; indien de wet van Mozes moest worden toegepast, wie onder u zou dan niet moeten gesteenigd worden ? Beschaamd maakten zij zich weg, de een na den andere; en de oudsten gingen het eerst. Jesus had Zich weder voorover gebogen en zijn schrijven op den vloer hervat. Toen al de Pharizeën en schriftgeleerden vertrokken waren, richtte Hij Zich op en sprak tot de vrouw, die men alleen had laten staan; Vrouw! waar zijn zij die u beschuldigden? Heeft niemand u veroordeeld! — Niemand, Heer! antwoordde zij. En Jesus hernam: Ook Ik zal u niet ver-oordeelen ; ga en zondig niet meer!

LVII. Christus' prediking in den Tempel.

Eenigen tijd daarna leerde Jezus weder in den tempel. Onder zijne hoorders bevonden zich eenige Pharizeën met het doel, om Hem gedurig tegen te spreken en den indruk, dien zijne prediking op het volk maakte, zooveel

ocr page 125

111

mogelijk weg te nemen. Jesus zeide: Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, wandelt niet in de duisternis, maar zal het licht des levens hebben. De Pharizeën wierpen hem tegen, dat de getuigenis, die iemand aangaande zich zeiven aflegt, niet verdient geloofd te worden, Waarop Jesus antwoordde, dat de getuigenis, welke Hij van Zich zeiven gaf, ook door zijnen Vader gegeven werd, gelijk de wonderen, welke Hij deed, duidelijk bewezen. Spottend vroegen toen de Pharizeën: waar is uw Vader? Jesus zeide: Gij kent noch Mij noch mijnen Vader. Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook wel mijnen Vader kennen.

Op een anderen tijd verklaarde de Zaligmaker aan zijne onverbeterlijke vijanden, dat zij Hem, wanneer Hij tot zijnen Vader zou zijn teruggekeerd, vruchteloos zouden zoeken, en dat zij in hunne zonden zouden sterven, omdat zij niet in Hem hadden willen gelooven : Indien gij niet gelooft, dat Ik het ben, zult gij in uwe zonde sterven. Dat Hij de Christus, de Zoon Gods was, gelijk Hij hun voortdurend zeide te zijn, wilden zijne vijanden niet gelooven ; maar eens zouden zij het, huns ondanks, moeten erkennen: wanneer zij den Zoon des menschen zouden omhoog geheven hebben, Hem aan het kruis zouden hebben doen sterven, en Hij zijne heerlijkheid zou zijn binnengegaan, dan, voorspelde Jesus, zouden zij verplicht zijn te erkennen. dat Hij de Messias was. Deze voorspelling werd vervuld : vele Joden bekeerden zich na zijnen dood en zijne hemelvaart; en de anderen, die zich niet wilden bekeeren, ondervonden toch, dat Hij de Messias was, toen de straf voor den godsmoord op Jeruzalem en het Joodsche volk nederkwam.

Onder het volk, dat naar Jesus luisterde, geloofden velen in Hem. Tot dezen zeide Hij: Indien gij in mijn woord blijft (dat is: in uw geloof volhardt), zult gij waarlijk mijne leerlingen zijn; en gij zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken. Deze woorden namen de vijanden des Heeren opzettelijk verkeerd op en zij riepen: Wij zijn het geslacht van Abraham, en nooit zijn wij iemand dienstbaar geweest! Hoe zegt gij dan: gij zult vrij zijn? jesus zeide hun: Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u: al wie de zonde doet, is een slaaf der zonde. En, omdat Hij alléén

ocr page 126

112

hen uit die slavernij verlossen kon, voegde Hij er bij : Als dus de Zoon u zal hebben vrijgemaakt, zult gij in waarheid vrij zijn.

De Pharizeën hadden zich beroepen op hunne afstamming van Abraham ; daarop zeide Jesus, dat zij geen oprechte kinderen van Abraham waren; want, waren zij dit, dan zouden zij ook Gods kinderen zijn, en dan zouden zij de leer van Christus, als van hunnen Vader afkomstig, erkennen. De Joden vielen den Zaligmaker in de rede en riepen : Onze Vader is Abraham! — Indien gij Abrahams kinderen zijt, hernam Jesus, doet dan de werken van Abraham! Nu echter zoekt gij Mij te dooden, eenen mensch, die tot u de waarheid gesproken heeft, welke Ik van God gehoord heb. Dit deed Abraham niet! Gij doet de werken van uwen vader. De Joden riepen op nieuw: Wij hebben éénen Vader, God! — Indien God uw Vader was, antwoordde Jesus, zoudt gij voorzeker Mij liefhebben, daar Ik van God. uitgegaan en gekomen ben. Wie was dan de vader, wiens kinderen toonden de vijanden des Heeren te zijn? Jesus zeide tot hen: Gij hebt den duivel tot vader, en de begeerten uws vaders wilt gij volbrengen. Want, gelijk de duivel, door de menschen tot de zonde en tot den dood te brengen, een menschenmoorder was van het begin af, zoo waren de Joodsche oversten, door hunne plannen tegen het leven van Jesus, ook moordenaars in hun hart; en gelijk de duivel een leugenaar en de vader der leugen is, zoo toonden de Joodsche oversten, door hunnen haat tegen de waarheid, welke Jesus predikte, dat zij de leugen beminden. Want haat tegen de waarheid was de oorzaak van der Joden hardnekkig ongeloof; niet, dat zij in Jesus' woorden of werken iets konden aanwijzen, wat hun recht gaf aan zijne goddelijke zending te twijfelen. Wie van u zal Mij van zonde overtuigen? vroeg Hij; en zijne doodvijanden moesten, door op deze vraag te zwijgen, getuigenis afleggen van zijne vlekkelooze heiligheid!

Antwoorden konden de Joden niet meer; dus begonnen zij te schelden : Zeggen wij niet terecht, dat Gij een Samaritaan zijt en eenen duivel in hebt? Jesus zeide: Ik heb geenen duivel, maar Ik vereer mijnen Vader en Gij hebt Mij onteerd. Echter zoek Ik mijne eer niet; er is Iemand,

ocr page 127

ii3

die ze zoekt en die oordeelt! Na deze dreigende voorspelling van het vreeselijke oordeel, waardoor God de geschondene eer van zijnen menschgeworden Zoon op de Joden wreken zou, liet Jesus een woord van vertroosting volgen voor degenen, die in Hem geloofd hadden: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: indien iemand mijn woord bewaart, hij zal den dood niet zien in eeuwigheid. De Joodsche oversten vielen op nieuw in : Nu erkennen wij dat Gij eenen duivel in hebt! Abraham is gestorven en de Profeten; en Gij zegt: indien iemand mijn woord bewaart, hij zal den dood niet smaken in eeuwigheid. Zijt Gij grooter dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven Wien maakt Gij U zeiven? — Indien ik Mij zeiven verheerlijk, antwoordde Jesus, is mijne verheerlijking niets. Het is mijn Vader, die Mij verheerlijkt. Door de wonderen namelijk, welke de Verlosser verrichtte, openbaarde de hemelsche Vader de heerlijkheid van zijnen menschgeworden Zoon en toonde Hij, dat die Zoon grooter was dan Abraham en al de Proleten. Om dan zijnen vijanden te doen zien, hoever de Zoon van God boven Abraham verheven was, zeide Jesus: Abraham, uw vader, heeft zich zeer verheugd, dat hij mijnen dag zou zien; hij heeft dien gezien en zich verblijd. Ja, de heilige aartsvader, die zich gedurende zijn leven op aarde verheugd had over de toekomstige verschijning van den Verlosser der wereld, had in het verblijf der zaligen de komst van dien Verlosser vernomen, en zich daarover zeer verblijd. Doch de Joden, die den zin van Jesus' woorden niet wilden begrijpen, riepen Hem spottend toe: Nog geen vijftig jaren zijt Gij oud, en Gij hebt Abraham gezien! Waarop de Zaligmaker antwoordde, niet als mensch, in den tijd geboren, maar als God van eeuwigheid: Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u: eer Abraham iverd, ben Ik. Bij het hooren dezer uitspraak, waardoor de Heer Jesus Zich een eeuwig bestaan toeschreef en dus duidelijk verklaarde God te zijn, sloeg de toorn der Joodsche oversten tot blinde woede over; zij namen steenen op om Plem , op het eigen oogen-blik, als godslasteraar te steenigen doch Hij verborg Zich en verliet den tempel.

8

ocr page 128

114

LVIII. Genezing van eenen blindgeborene.

Gedurende zijn verblijf te Jeruzalem ontmoette de Verlosser, op eenen Sabbath, eenen ongelukkige, die blind was. van zijne geboorte af en aan den weg zat te bedelen. De leerlingen meenden , dat deze ramp eene straf was voor dc zonden van den blinde of van zijne ouders; doch Jesus zeide hun, dat dit niet zoo was, maar dat in dezen ongelukkige de werken Gods moesten geopenbaard worden. Hij ging nu tot den blinde, spuwde op den grond en maakte slijk van het speeksel; met dat slijk bestreek Hij de oogen des blinden en zeide toen tot Hem: Ga, wasch u in het bad van Siloë! De blinde ging, wiesch zich en kwam ziende terug. Toen hij zich naar huis begaf, vroegen de geburen elkander met verbazing: Is deze het niet, die zat en bedelde? — Hij is het! zeiden sommigen; doch anderen meenden, dat de ziende man slechts sterk geleek op den blinden bedelaar; zóó onmogelijk scheen het hun, dat een blindgeborene het gezicht zou hebben terugontvangen. De genezene maakte spoedig een einde aan alle twijfeling, zeggende: Ik ben het — Hoe zijn u de oogen geopend ? vroeg men hem; en hij antwoordde; Die mensch, die Jesus genoemd wordt, maakte slijk en bestreek mijne oogen en zeide mij: ga naar het bad van Siloë en wasch u! En ik ging heen, wiesch mij en ik zie. Op hunne vraag, waar Jesus was, zeide hij, dat hij het niet wist.

Wat de Zaligmaker aan den blinde gedaan had, was in de oogen der Joodsche oversten eene schending van den Sabbath; dit was misschien de reden, waarom de genezene voor hunne rechtbank werd gebracht. De Phari-zeën ondervroegen hem naar hetgeen gebeurd was, en hij herhaalde met dezelfde eenvoudige oprechtheid: Hij heeft mij slijk op de oogen gelegd, en ik heb mij gewasschen en ik zie. De Pharizeën zeiden nu wel onder elkander over den Heer Jesus: Deze mensch, die den Sabbath niet onderhoudt, is niet van God; maar zij gevoelden toch zelf, hoe nietig dit gezegde was, en zelfs waren er onder de raadsheeren eenigen, die de aanmerking maakten: Hoe kan een zondaar deze teekenen doen ?

De vijanden des Heeren wisten niet wat zij moesten

ocr page 129

ii5

aanvangen; het wonder loochenen konden zij niet; Jesus als godsgezant erkennen wilden zij niet. Zij kwamen op den inval den genezene te vragen, wat hij over Jesus dacht: zij rekenenden er namelijk op, dat de man in hunne tegenwoordigheid niet zou durven belijden, dat zijn weldoener een profeet was. Wat zegt gij, vroegen zij den bedelaar, van dengene, die uwe oogen geopend heeft ? — Dat Hij een profeet is! was het antwoord. — Nu beproefden zij iets anders en namen den schijn aan van te gelooven, dat de genezene vroeger niet wezenlijk blind geweest was, maar zich slechts blind gehouden had. Zij deden zijne ouders voor hunne rechtbank verschijnen en vroegen hun: Is deze uw zoon, van wien gij zegt dat hij blind geboren is ? Hoe is hij dan nu ziende ? De ouders antwoordden: Wij weten, dat deze onze zoon is en dat hij blind geboren is; doch, hoe hij nu ziende is, weten wij niet; of wie zijné oogen geopend heeft, wij weten het niet. Ondervraagt hem zeiven! hij heeft de jaren; laat hij zelf van zich spreken! Dit gedeeltelijk ontwijkend antwoord gaven de ouders uit vrees voor de Joodsche oversten; want zij wisten, dat de hooge Raad besloten had iedereen, die zou durven belijden, dat Jesus de Messias was, met den banvloek te straffen.

Twee pogingen waren nu mislukt ; maar de rechters gaven het nog niet op. Wederom den genezene aansprekend , zeiden zij met gehuichelde godsvrucht: Geef eer aan God (dat is: beken de waarheid)! wij weten dat deze mensch een zondaar is. De bedelaar antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; ééne zaak weet ik: dat ik, die blind was, nu zie. De Pharizeën, zonder goed te weten wat zij deden, vroegen: Wat heeft Hij u gedaan ? Hoe heeft Hij u de oogen geopend? — Ik heb het u reeds gezegd, en gij hebt het gehoord, antwoordde de man; waarom wilt gij het andermaal hooren? Wilt ook gij zijne leerlingen worden? Schimpend zeiden zij: Wees gij zijn leerling! wij echter zijn de leerlingen van Mozes. Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar waar vandaan deze is, weten wij niet. De man hernam: Hierin is toch wonder, dat gij niet weet, waarvandaan Hij is; en hij heeft mijne oogen geopend ! (Hieraan kondt gij gemakkelijk weten, vanwaar Hij is). Wij weten toch dat God

ocr page 130

116

gcenc zondaars verhoort ; maar als iemand God dient en zijnen wil doet, dien verhoort Hij. Zoolang de wereld bestaat, is het niet gehoord, dat iemand de oogen van een blindgeborene geopend heeft! Indien deze niet van God was, had Hij niets kunnen doen. Tegenover deze onwederlegbare redeneering konden de Pharizeën niets anders meer doen dan schelden; Gij zijt geheel in zonden geboren en gij onderwijst ons! En zij wierpen hem naar buiten.

Spoedig daarna zocht Jesus den blindgeborene op en sprak tot hem: Gelooft gij in den Zoon Gods ? De man had zijnen weldoener wel als profeet erkend, maar wie de Zoon Gods was, wist hij nog niet; en vol verlangen om door Jesus onderricht te worden, zeide hij: Wie is Hij, Heer, opdat ik in Hem geloove ! Jesus antwoordde : Gij hebt Hem gezien; en Hij, die met u spreekt. Hij is het zelf. Terstond riep de man uit: Ik geloof, Heer! en nedervallend aanbad hij Jesus.

De Zaligmaker zeide nu tot de omstanders; Tot een oordeel ben Ik in de wereld gekomen, opdat zij, die niet zien, mogen zien, en zij die zien, blind worden; dat wil zeggen; zij, die in nederigheid erkennen behoefte te hebben aan geestelijke verlichting, worden door den Verlosser verlicht en ontvangen de genade des geloofs; maar zij, die in trptschen eigenwaan meenen, dat zij verlicht genoeg zijn, worden door hun eigen schuld geheel blind naar de ziel. Eenige Pharizeën, die wel gevoelden, dat het laatste woord des Heeren op hen sloeg, vroegen spottend; Zijn ook wij soms blind? Waarop Jesus zeide: Indien gij blind waart, zoudt gij geene zonden hebben; maar nu gij zegt: wij zien, blijft uwe zonde. Immers zondigden de Pharizeën, die Christus verwierpen, niet uit onwetendheid, maar willens en wetens; en daarom waren zij niet te verontschuldigen.

Jesus zette zijn gewoon onderricht in den tempel weder voort en stelde de gelijkenis voor van den goeden herder.

Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Wie niet door de deur in de schaapskooi binnengaat maar van elders er inklimt, die is een dief en roover; maar die door de deur ingaat.

ocr page 131

ii/

is de herder der schapen. De schapen luisteren naar zijne stem. En wanneer hij zijne eigene schapen heeft uitgeleid, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijne stem kennen. Doch eenen vreemde volgen zij niet, maar zij vluchten weg van hern, omdat zij de stem van vreemden niet kennen. Deze gelijkenis paste Jesus in dubbelen zin op Zich zeiven toe. Vooreerst zeide hij: Ik ben de deur der schapen; alzoo leerend, dat niemand tot de Kerk van Christus kan ingaan, dan door in Hem te gelooven en met Hem vereenigd te zijn; en tevens, dat iemand, die zich aan de schapen van Christus als herder opdringt, zonder door Hem, den oppersten Herder, aangesteld en gezonden te zijn, geen herder is, maar een dief en een roover. Ten tweede zeide Jesus: Ik ben de goede Herder. De goede herder doet niet zooals een huurling , die, als hij een wolf ziet komen, de vlucht neemt en de schapen laat rooven en dooden; maar om zijne schapen te behouden offert de goede herder zelfs zijn leven op. En dat doet de Zaligmaker ook: Ik geef mijn leven voor mijne schapen. Vrijwillig geeft Hij zijn leven, uit gehoorzaamheid aan zijnen hemelschen Vader en uit liefde voor zijne schapen; en Hij geeft het om het bij zijne verrijzenis weder aan te nemen. Dit leerde Hij door te zeggen: Ik leg mijn leven af ten einde het weder aan te nemen. Niemand neemt het van Mij (tegen mijnen wil), maar Ik leg het af uit Mij zeiven; en Ik heb macht ftm het af te leggen en Ik heb macht om het weder aan te nemen: dit gebod heb Ik van mijnen Vader ontvangen. Ook zeide de Zaligmaker bij deze gelegenheid, wie zijne schapen zijn: niet alleen namelijk de geloovigen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Ik heb, sprak Jesus, nog andere schapen, die niet van dezen schaapstal zijn; ook die moet ik toevoeren; en zij zullen mijne stem hoo-ren, en het zal worden ééne kudde en één herder.

Onder degenen, welke den Verlosser hadden aangehoord, waren er eenigen, die aan hunnen nijd lucht gaven door te zeggen: Hij heeft eenen duivel in en is uitzinnig! Wat luistert gij naar hem ? Doch anderen zeiden: Deze woorden zijn niet van iemand, die eenen duivel heeft; kan dan een booze geest de oogen van blinden openen.

ocr page 132

118

Kinderen! let op de groote waarheid, die Christus ons leert door te zeggen, dat Hij macht heeft omzijn leven af te leggen, en ook macht om zijn leven, nadat Hij het beeft afgelegd, weder aan te nemen. Als mensch namelijk kon Christus sterven; maar niet kon Hij als mensch de macht hebben om, na gestorven te zijn, weder uit den dood te herleven; deze macht kon Hij alleen hebben als God; derhalve leert Christus hier wederom, gelijk op zoo vele andere plaatsen in het Heilig Evaiigelie, dat Hij niet enkel mensch. maar God cn mcnsch is.

LIX. Verder verblijf van Christus in en bij

Jeruzalem.

Op een groot half uur afstands van Jeruzalem, door den olijfberg van deze stad gescheiden, lag het dorp BetJiama; (niet te verwarren met Bethania aan den Jordaan, waar Joannes weleer doopte). Daar woonde Lazarus met zijne zusters Martha en Maria; in hun huis nam de Zaligmaker, gedurende den laatsten tijd zijns sterfelijken levens, dikwijls zijnen intrek. Eens had men ter eere van Jesus en zijne Apostelen een maaltijd aangericht. Terwijl Martha druk bezig was met toebereidselen te maken, gaf de Verlosser onderricht aan zijne Apostelen; de zuster van Martha ging toen ook tot Hem en zette zich aan zijne voeten neder om naar Hem te luisteren. Martha beklaagde zich hierover bij Jesus, zeggende; Heer! gaat het U niet aan, dat mijne zuster mij alleen heeft gelaten om te dienen? Zeg haar dan , dat zij mij helpe ! Jesus antwoordde : Martha, IVlcirtha! gij zijt bezorgd en verontrust u over zeer vele dingen ; één echter is noodig : Maria heeft het beste deel verkoren, hetwelk haar niet zal ontnomen worden. In eenen zelfden zin had de Zaligmaker vroeger gezegd: Zoekt eerst het Rijk Gods en zijne gerechtigheid, en dit alles zal u toegeworpen worden.

Eens had de Heer Jesus eenen nacht in het gebed doorgebracht , toen een zij ner leerlingen Hem vroeg: Heer! leer ons bidden! Op deze vraag antwoordde Hij door eene gedeeltelijke herhaling van het Onze Vader, en vermaande vervolgens zijne leerlingen om altoos met volharding te bidden; Hij deed dit door twee gelijkenissen voor te stellen, de eene van den ontijdig vragenden vriend, de andere van den onrechtvaardigen rechter. In de eerste spreekt Hij van iemand, die midden in den nacht tot zijnen vriend gaat

ocr page 133

ii9

om drie brooden te leenen en eerst wordt afgewezen; maar, indien hij met kloppen aanhoudt, ten laatste toch verkrijgt, wat hij verlangt. De tweede gelijkenis stelde Jesus aldus voor: In zekere stad was een rechter, die God niet vreesde en geen mensch ontzag, Er was in die stad eene weduwe, en zij kwam tot hem, zeggende: verschaf mij recht tegenover mijne partij. En langen tijd wilde hij niet. Doch vervolgens (toen de weduwe met vragen aanhield) zeide hij in zich zeiven: ofschoon ik God niet vrees noch een mensch ontzie, toch zal ik, omdat deze weduwe mij lastig valt, haar recht verschaffen. Daarna sprak Jesus : Zal dan God geen recht verschaffen aan zijne uiiverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen? Ik zeg u : spoedig zal Hij hun recht verschaffen.

Op een anderen tijd bracht men den Verlosser het bericht, dat eenige Galileërs, op bevel van den Romeinschen landvoogd Pilatus, in het voorhof des tempels waren ter dood gebracht. Kort te voren waren achttien inwoners van Jeruzalem onder een instortenden toren verpletterd geworden. Velen meenden, dat de menschen, welke die rampen getroffen hadden , bijzonder groote zondaars waren ; daarom zeide jesus: Meent gij, dat deze Galileërs grooter zondaars waren dan de overige Galileërs, omdat zij dit ondergaan hebben ? Neen, zeg ik u; maar, als gij geen boetvaardigheid doet, zult gij allen gelijkerwijze vergaan. Eveneens dié achttien, op wie de toren in Siloë viel en hen doodde, meent gij dat ook deze schuldiger waren dan al de overige inwoners van Jeruzalem ? Neen, zeg ik u; maar, als gij geen boetvaardigheid doet, zult gij allen gelijkerwijze vergaan.

Vervolgens stelde Jesus, om allen tot boetvaardigheid en bekeering aan te sporen, de gelijkenis voor van den onvruchtbaren vijgeboom. Iemand had een vijgeboom geplant in zijnen wijngaard , en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond ze niet. En hij zeide tot den wijngaardenier : zie, sedert drie jaren kom ik vrucht zoeken aan dezen vijgeboom en ik vind er geene; houw hem dus om ! Waartoe beslaat hij nog grond ? Doch deze antwoordde : heer! laat hem nog dit jaar staan, totdat ik den grond rondom hem omspitte en mest aanbrenge; misschien zal

ocr page 134

I 20

hij vruchten dragen; zoo niet, dan zult gij hem daarna omhouwen.

Op zekeren Sabbath leerde Jesus in de Synagoge en zag daar eene ongelukkige vrouw, welke reeds sedert achttien jaren door een boozen geest bezeten werd, die haar zoodanig verlamd had, dat zij geheel ineengebogen was en volstrekt niet meer omhoog kon zien. Jesus sprak tot haar: Vrouw ! gij zijt verlost van uwe krankheid ! Tegelijk legde Hij haar de handen op, en oogenblikkelijk stond zij recht en verheerlijkte God. Dit wonder wekte den nijd op van den overste der Synagoge, en hij zeide tot de schare: Zes dagen zijn er, waarop men moet werken! komt dus op die dagen en laat u genezen, en niet op den Sabbath ! Met gestrengheid sprak Jesus tot dien overste en tot al degenen, welke hunnen haat tegen den quot;Verlosser onder den schijn van godsdienstigheid trachten te verbergen; Geveinsden! maakt niet ieder van u op den Sabbath zijnen os of ezel van.de kribbe los en leidt zenaar den drinkbak? En deze dochter van Abraham, welke Satan , ziet, achttien jaren lang gebonden had, moest zij niet op den Sabbath van dezen band worden losgemaakt? De vijanden des Heeren zwegen beschaamd stil; maar het aanwezige volk verheugde zich in de heerlijke werken Gods.

LX. De Gelijkenissen van den Evangelist Lucas.

De acht heerlijk schoone gelijkenissen, welke dit hoofdstuk bevat, en welke alleen in het Evangelie van den H. Lucas gelezen worden, zijn door den Zaligmaker bij verschillende gelegenheden uitgesproken; omdat zij echter met de geschiedenis van 's Heeren leven in geen recht-streeksch verband staan, worden zij hier te zamen gevoegd.

Een wetgeleerde vroeg eens aan Jesus: Meester! met wat te doen zal ik het eeuwig leven bezitten? Hij deed deze vraag met eene slechte bedoeling; want hij hoopte in het antwoord des Heeren iets te vinden, dat hem stot tot tegenspraak geven zou. Jesus vroeg op zijne beurt; Wat staat er in de Wet geschreven? Hoe leest gij? De wetgeleerde antwoordde: Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel en uit al uwe krachten en uit geheel uw verstand; en uwen naaste

ocr page 135

als u zeiven. — Gij hebt goed geantwoord, sprak Jesus; doe dit eu gij zult leven. Toen vroeg de wetgeleerde: En wie is mijn naaste? Tot antwoord op deze vraag stelde de Zaligmaker de gelijkenis voor van den barmhartigen Samaritaan. Een man, die van Jeruzalem naar Jericho reisde, viel in de handen van roovers, welke hem alles ontnamen en hem met wonden overdekt halfdood lieten liggen. Een Joodsch priester en een Leviet kwamen langs denzelfden weg, zagen den ongelukkige en gingen voorbij. Doch een reizend Samaritaan zag hem en werd door medelijden bewogen; hij verbond en verzachtte zijne wonde door er olie en wijn in te gieten, legde hem op zijn eigen lastdier, voerde hem naar de herberg en droeg zorg voor hem. Des anderen daags, toen hij verder moest reizen, gaf hij den waard twee tienlingen en zeide: Zorg voor hem! en wat gij verder moogt te koste leggen, zal ik u bij mijne wederkomst teruggeven. Nu vroeg Jesus aan den wetgeleerde : Wie van deze drie was, dunkt u, de naaste van hem, die onder de roovers gevallen was? De wetgeleerde antwoordde : Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. En Jesus sprak : Ga en doe gij eveneens!

Bij zekere gelegenheid werd de tusschenkomst des Zaligmakers ingeroepen door iemand, die een geschil had met zijnen broeder over het verdeelen eener erfenis. Jesus weigerde zich daarmede in te laten en stelde aan de schare, die hem omringde, de gelijkenis voor van den dwazen rijke, om te leeren, hoe verkeerd het is schatten te verzamelen, welke ons ieder oogenblik kunnen ontnomen worden. De akker van zeker rijk mensch bracht overvloedige vruchten voort. En hij overlegde bij zich zeiven zeggende: wat zal ik doen, daar ik niet heb, waar ik mijne vruchten kan bergen? En hij zeide: dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en daarin zal ik al mijn gewas en mijne goederen bergen. En ik zal tot mijne ziel zeggen : ziel! gij bezit vele goederen, opgelegd voor zeer vele jaren: rust, eet, drink, vier feest! — Maar God sprak tot hem: gij dwaas! in dezen nacht eischt men uwe ziel van u op! en wat gij hebt opgelegd, van wien zal het zijn? Die dwaze rijke had voor zichzelven slechts onrust en moeite, maar moest het genot zijner goederen aan

ocr page 136

118

Kinderen! let op de groote waarheid, die Christus ons leert door te zeggen, dat Hij macht heeft omzijn leven af te leggen, en ook macht om zijn leven, nadat Hij het beeft afgelegd, weder aan te nemen. Als menscli namelijk kon Christus sterven; maar niet kon Hij als mensch de macht hebben om, na gestorven te zijn, weder uit den dood te herleven; deze macht kon Hij alleen hebben als God; derhalve leert Christus hier wederom, gelijk op zoo vele andere plaatsen in het Heilig Evangelie, dat Hij niet enkel mensch. maar God cn mensch is.

LIX. Verder verblijf van Christus in en bij

Jeruzalem.

Op een groot half uur afstands van Jeruzalem, door den olijfberg van deze stad gescheiden, lag het dorp Bcthania; (niet te verwarren met Bethania aan den Jordaan, waar Joannes weleer doopte). Daar woonde Lazarus met zijne zusters Martha en Maria; in hun huis nam de Zaligmaker, gedurende den laatsten tijd zijns sterfelijken levens, dikwijls zijnen intrek. Eens had men ter eere van Jesus en zijne Apostelen een maaltijd aangericht. Terwijl Martha druk bezig was met toebereidselen te maken, gaf de Verlosser onderricht aan zijne Apostelen; de zuster van Martha ging toen ook tot Hem en zette zich aan zijne voeten neder om naar Hem te luisteren. Martha beklaagde zich hierover bij Jesus, zeggende: Heer! gaat het (J niet aan, dat mijne zuster mij alleen heeft gelaten om te dienen? Zeg haar dan , dat zij mij helpe ! Jesus antwoordde : Martha, iVft rtha ! gij zijt bezorgd en verontrust u over zeer vele dingen; één echter is noodig : Maria heeft het beste deel verkoren, hetwelk haar niet zal ontnomen worden. In eenen zelfden zin had de Zaligmaker vroeger gezegd: Zoekt eerst het Rijk Gods en zijne gerechtigheid, en dit alles zal u toegeworpen worden.

Eens had de Heer Jesus eenen nacht in het gebed doorgebracht, toen een zijner leerlingen Hem vroeg; Heer! leer ons bidden! Op deze vraag antwoordde Hij door eene gedeeltelijke herhaling van het Onze Vader, en vermaande vervolgens zijne leerlingen om altoos met volharding te bidden ; Hij deed dit door twee gelijkenissen voor te stellen , de eene van den ontijdig vragenden vriend, de andere van den onrechtvaardigen rechter. In de eerste spreekt Hij van iemand, die midden in den nacht tot zijnen vriend gaat

ocr page 137

ii9

om drie broodcn te leenen en eerst wordt afgewezen; maar, indien hij met kloppen aanhoudt, ten laatste toch verkrijgt, wat hij verlangt. De tweede gelijkenis stelde Jesus aldus voor: In zekere stad was een rechter, die God niet vreesde en geen mensch ontzag, Er was in die stad eene weduwe, en zij kwam tot hem, zeggende: verschaf mij recht tegenover mijne partij. En langen tijd wilde hij niet. Doch vervolgens (toen de weduwe met vragen aanhield) zeide hij in zich zeiven; ofschoon ik God niet vrees noch een mensch ontzie, toch zal ik, omdat deze weduwe mij lastig valt, haar recht verschaffen. Daarna sprak Jesus: Zal dan God geen recht verschaffen aan zijne uilverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen ? Ik zeg u : spoedig zal Hij hun recht verschaffen.

Op een anderen tijd bracht men den Verlosser het bericht, dat eenige Galileërs, op bevel van den Romeinschen landvoogd Pi lat us, in het voorhof des tempels waren ter dood gebracht. Kort te voren waren achttien inwoners van Jeruzalem onder een instortenden toren verpletterd geworden. Velen meenden, dat de menschen, welke die rampen getroffen hadden , bijzonder groote zondaars waren ; daarom zeide Jesus: Meent gij, dat deze Galileërs grooter zondaars waren dan de overige Galileërs, omdat zij dit ondergaan hebben? Neen, zeg ik u; maar, als gij geen boetvaardigheid doet, zult gij allen gelijkerwijze vergaan. Eveneens die achttien, op wie de toren in Siloë viel en hen doodde, meent gij dat ook deze schuldiger waren dan al de overige inwoners van Jeruzalem? Neen, zeg ik u; maar, als gij geen boetvaardigheid doet, zult gij allen gelijkerwijze vergaan.

Vervolgens stelde Jesus, om allen tot boetvaardigheid en bekeering aan te sporen, de gelijkenis voor van den onvruchtbaren vijgeboom. Iemand had een vijgeboom geplant in zijnen wijngaard , en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond ze niet. En hij zeide tot den wijngaardenier: zie, sedert drie jaren kom ik vrucht zoeken aan dezen vijgeboom en ik vind er geene; houw hem dus om ! Waartoe beslaat hij nog grond? Doch deze antwoordde: heer! laat hem nog dit jaar staan, totdat ik den grond rondom hem omspitte en mest aanbrenge; misschien zal

ocr page 138

i 20

hij vruchten dragen; zoo niet, dan zult gij hem daarna omhouwen.

Op zekeren Sabbath leerde Jesus in de Synagoge en zag daar eene ongelukkige vrouw, welke reeds sedert achttien jaren door een boozen geest bezeten werd , die haar zoodanig verlamd had, dat zij geheel ineengebogen was en volstrekt niet meer omhoog kon zien. Jesus sprak tot haar: Vrouw! gij zijtverlost van uwe krankheid ! Tegelijk legde Hij haar de handen op, en oogenblikkeüjk stond zij recht en verheerlijkte God. Dit wonder wekte den nijd op van den overste der Synagoge, en hij zeidc tot de schare: Zes dagen zijn er, waarop men moet werken! komt dus op die dagen en laat u genezen, en niet op den Sabbath ! Met gestrengheid sprak Jesus tot dien overste en tot al degenen, welke hunnen haat tegen den'Verlosser onder den schijn van godsdienstigheid trachten te verbergen; Geveinsden! maakt niet ieder van u op den Sabbath zijnen os of ezel van de kribbe los en leidt zenaar den drinkbak? En deze dochter van Abraham, welke Satan, ziet, achttien jaren lang gebonden had, moest zij niet op den Sabbath van dezen band worden losgemaakt? De vijanden des Heeren zwegen beschaamd stil; maar het aanwezige volk verheugde zich in de heerlijke werken Gods.

LX. De Gelijkenissen van den Evangelist Lucas.

De acht heerlijk schoone gelijkenissen, welke dit hoofdstuk bevat, en welke alleen in het Evangelie van den h. Lucas gelezen worden, zijn door den Zaligmaker bij verschillende gelegenheden uitgesproken; omdat zij echter met de geschiedenis van 's Heeren leven in geen recht-streeksch verband staan, worden zij hier te zamen gevoegd.

Een wetgeleerde vroeg eens aan Jesus: Meester! met wat te doen zal ik het eeuwig leven bezitten? Hij deed deze vraag met eene slechte bedoeling; want hij hoopte in het antwoord des Heeren iets te vinden, dat hem stol tot tegenspraak geven zou. Jesus vroeg op zijne beurt: Wat staat er in de Wet geschreven? Hoe leest gij? De wetgeleerde antwoordde: Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel en uit al uwe krachten en uit geheel uw verstand; en uwen naaste

ocr page 139

121

als u zeiven. — Gij hebt goed geantwoord, sprak Jesus; doe dit en gij zult leven. Toen vroeg de wetgeleerde: En wie is mijn naaste? Tot antwoord op deze vraag stelde de Zaligmaker de gelijkenis voor van den barmhartigen Samaritaan. Een man, die van Jeruzalem naar Jericho reisde, viel in de handen van roovers, welke hem alles ontnamen en hem met wonden overdekt halfdood lieten liggen. Een Joodsch priester en een Leviet kwamen langs denzelfden weg, zagen den ongelukkige en gingen voorbij. Doch een reizend Samaritaan zag hem en werd door medelijden bewogen; hij verbond en verzachtte zijne wonde door er olie en wijn in te gieten, legde hem op zijn eigen lastdier , voerde hem naar de herberg en droeg zorg voor hem. Des anderen daags, toen hij verder moest reizen, gaf hij den waard twee tienlingen en zeide: Zorg voor hem! en wat gij verder moogt te koste leggen, zal ik u bij mijne wederkomst teruggeven. Nu vroeg Jesus aan den wetgeleerde : Wie van deze drie was, dunkt u, de naaste van hem, die onder de roovers gevallen was ? De wetgeleerde antwoordde : Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. En Jesus sprak : Ga en doe gij eveneens!

Bij zekere gelegenheid werd de tusschenkomst des Zaligmakers ingeroepen door iemand, die een geschil had met zijnen broeder over het verdeelen eener erfenis. Jesus weigerde zich daarmede in te laten en stelde aan de schare, die hem omringde, de gelijkenis voor van den dwazen rijke, om te leeren, hoe verkeerd het is schatten te verzamelen , welke ons ieder oogenblik kunnen ontnomen worden. De akker van zeker rijk mensch bracht overvloedige vruchten voort. En hij overlegde bij zich zeiven zeggende: wat zal ik doen, daar ik niet heb, waar ik mijne vruchten kan bergen? En hij zeide: dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en daarin zal ik al mijn gewas en mijne goederen bergen. En ik zal tot mijne ziel zeggen: ziel! gij bezit vele goederen, opgelegd voor zeer vele jaren: rust, eet, drink, vier feest! — Maar God sprak tot hem: gij dwaas! in dezen nacht eischt men uwe ziel van u op! en wat gij hebt opgelegd, van wien zal het zijn? Die dwaze rijke had voor zichzelven slechts onrust cn moeite, maar moest het genot zijner goederen aan

ocr page 140

122

■Pquot;

anderen overlaten.

die zich _

liet de Zaligmaker ernstige waarschuwingen overtollige bezorgdheid voor het tijdelijke, en vooral tegen gierigheid en schraapzucht. Maakt u buidels, zeide Hij, die niet verslijten, eenen onvergankelijken schat in den hemel, waar geen dief genaakt, en geen mot verteert! Want waar uw schat is, daar is ook uw hart.

De Verlosser, die, gelijk Hij zelf leerde, op aarde gekomen was om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, ontving de zondaars, welke met goede gezindheid tot Hem kwamen, altijd met liefde; de trotsche Pharizeën verweten Hem dit meermalen en spraken met minachting: Deze ontvangt zondaars en eet met hen. Op deze beschul-diging antwoordde de Zaligmaker door drie gelijkenissen voor te stellen: die van het verloren schaap, die van de verlorene drachme en die van den verloren zoon.

Welk mensch onder u, die honderd schapen heeft, laat niet, als hij er één van verliest, de negen en negentig in de woestijn achter en gaat niet naar het verlorene, totdat hij het vinde? En als hij het gevonden heeft, legt hij het met vreugde op zijne schouders, en tehuis komend, roept hij zijne vrienden en geburen samen en zegt tot hen: verblijdt u met mij! want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was! —- Of welke vrouw, die tien drachmen (geldstukken) heeft, steekt niet, als zij ééne drachme verzoekt niet I

gevonden!

zeggende gevonden, er vreugde

liest, eene lamp aan, veegt niet het huis uit en zorgvuldig, totdat zij ze vinde ? En als zij ze heeft, roept zij de vriendinnen en gebuurvrouwen samen, verblijdt u met mij! want ik heb de drachme die ik verloren had! — Aldus, zeg ik u, zal zijn bij de engelen Gods over éénen zondaar, die boetvaardigheid doet.

Zeker man had twee zonen, en de jongste zeide tot hem: Vader! geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt. Deze jongste zoon wilde namelijk reizend koopman worden en vroeg om een gedeelte van zijns vaders bezittingen, ten einde zich daarmede koopmansgoederen aan te schaffen ; de vader voldeed aan zijn verlangen, en toen de zoon het benoodigde had aangekocht, ging hij op reis en vertrok

Eveneens dwaas, zeide Jesus, is hij, en niet rijk is in God. Hierop

schatten vergadert

volgen

tegen

ocr page 141

123

naar een ver land. Daar echter leefde hij in overdaad en verkwistte alles wat hij bezat. Toen ontstond er in de landstreek, waar hij was, een zware hongersnood ; hij begon gebrek te lijden en verhuurde zich aan een der burgers, die hem naar zijne landhoeve zond om er de zwijnen te hoeden. En daar zou hij gaarne zijnen honger gestild hebben met het voeder der zwijnen; maar niemand gaf het hem. Nu kwam hij tot inkeer en zeide bij zichzelven: Hoe vele huurlingen in het huis mijns vaders hebben overvloed van brood., en ik verga hier van honger! Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal hem zeggen : vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u ; ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden; maak mij als een van uwe huurlingen! En hij ging tot zijnen vader. Zijn vader zag hem van verre en werd door medelijden bewogen; hij liep tot hem, viel hem om den hals en kuste hem. De zoon zeide: Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u; ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden. Doch de vader liet hem niet uitspreken, maar gebood zijnen dienaars: Brengt spoedig het beste kleed en trekt het hem aan, en doet een ring aan zijne hand en schoenen aan zijne voeten! En haalt het gemeste kalf en slacht het; en laat ons maaltijd houden en feest vieren! Want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden; hij was verloren en is gevonden!

Ziedaar de treffende voorstelling van Gods barmhartige liefde jegens den zondaar, die met berouw tot Hem terugkeert. In het vervolg der gelijkenis stelt Christus de liefde-looze Pharizeën voor onder het hatelijke beeld van den oudsten zoon. Deze was op het veld, toen zijn broeder terugkwam, en het feest was reeds begonnen, toen hij naar huis keerde. Hij hoorde de muziek en vroeg een der knechten wat er gaande was. Deze zeide tot hem : Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem behouden heeft terugontvangen. Toen werd de oudste zoo nijdig en wilde het huis niet ingaan. Zijn vader kwam zelf naar buiten, om hem te verzoeken, dat hij zoude binnenkomen. Maar hij antwoordde zijnen vader op eene bcleedigende en brutale wijze en, terwijl hij op zijne eigene braafheid snoefde, verweet hij

ocr page 142

124

zijnen vader diens vreugde over de terugkomst van den verloren zoon. Doch zijn vader zeide tot hem: Zoon! gij zijt altoos bij mij, en al het mijne is het uwe; (dat wil zeggen: Ik had geen reden om voor u een feest aan te leggen, en gij hebt geen reden tot klagen;) maar wij moesten feestmaal houden en blijde zijn, want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden; hij was verloren en is teruggevonden.

In een andere gelijkenis, die van den onrechtvaardigen rentmeester, leerde de Verlosser aan zijïie leerlingen, welk gebruik men maken moet van het tijdelijk goed, waarover men door God als bestuurder of rentmeester is aangesteld; men moet namelijk dat goed zóó besteden, dat men er, ook na zijnen dood, voordeel van hebbe. Een rijk man had eenen rentmeester, die de goederen van zijnen heer verkwistte en zich dus aan groote onrechtvaardigheid schuldig maakte. De heer vernam dit en riep hem op, om rekening van'zijn rentmeesterschap te doen. De rentmeester, die zeer goed wist dat hij geene rekenschap naar behooren kon geven en derhalve zeker zou worden afgezet , sprak bij zich zeiven: Wat zal ik doen, daar mijn heer mij het rentmeesterschap ontneemt? Spitten kan ik niet, te bedelen schaam ik mij. Ik weet wat ik doen zal, opdat zij (de pachters van mijnen heer), wanneer ik van het rentmeesterschap zal zijn afgezet, mij in hunne huizen zullen ontvangen. Hij deed toen de schuldenaars of pachters zijns meesters bij zich komen, en verminderde hunne pacht; den eene, die honderd vat olie moest opbrengen, stelde hij op vijftig; den andere, wiens pacht honderd mud tarwe bedroeg, op tachtig. Toen de heer hoorde, wat de laatste daad zijns rentmeesters geweest was, prees hij hem, omdat hij voorzichtig gehandeld had ; en de Zaligmaker zelf paste de gelijkenis toe, door allen, die God met tijdelijk goed gezegend heeft, te vermanen, om zich, door dat tijdelijk goed tot werken van liefdadigheid te besteden, vrienden te maken, opdat deze hen, wanneer de dood een einde maakt aan hun rentmeesterschap, in de eeuwige woon-tenten opnemen.

De Pharizeën, die, bij al hunne andere ondeugden, ook geldzuchtig waren, hoorden deze vermaningen en beant-

ocr page 143

125

woordden ze door den Zaligmaker te beschimpen. Want die Pharizeen gaven wel aalmoezen, maar deden dit slechts om door de menschen verheven te worden; of zij groot waren in de oogen van God, daarom bekreunden zij zich niet. Tot hen dan sprak Jesus: Gij zijt het, die u zeiven rechtvaardigt voor de menschen, doch God kent uwe harten; want, wat hoog is onder de menschen, is (dikwijls) een gruwel voor God. Op deze laatste uitspraak liet Jesus het verhaal volgen van Lazarus en den rijken man; daarin stelt Hij twee menschen voor, eerst in dit en vervolgens in het andere leven, om ons te leeren, hoe iemand hoog onder de menschen en toch een gruwel voor God kan zijn, en hoe, van den anderen kant, iemand veracht en ellendig kan zijn in de oogen der menschen, terwijl God hem hoogschat en bemint. Er was een rijk man, die gekleed ging in purper en allerfijnst lijnwaad en dagelijks prachtige maaltijden hield. Ook was er een bedelaar, met name Lazarus, die, vol van zweren, aan zijne poort lag, wen-schend zich te verzadigen met de kruimels, die van de tafel des rijken vielen; en niemand gaf ze hem; maar ook de honden kwamen en likten zijne zweren. Ziedaar die twee menschen hier op aarde: de eene zoo gelukkig, die andere zoo rampzalig mogelijk, als men hen beoordeelt naar den uiterlijken sehijn. Doch aanschouwt nu diezelfde menschen in de eeuwigheid ! Het gebeurde, dat de bedelaar stierf en door de engelen in Abrahams schoot gedragen werd. En de rijke stierf ook en werd begraven in de hel. En zijne oogen opheffend, terwijl hij in de folteringen was, zag hij van verre Abraham en Lazarus in diens schoot. En roepend zeide hij: vader Abraham! ontferm u mijner en zend Lazarus, opdat hij den top zijns vingers'in het water doope om mijne tong te verkoelen; want ik word gepijnigd in deze vlam. En Abraham zeide tot hem : zoon ! gedenk dat gij het goede ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus insgelijks het kwade; nu echter wordt hij vertroost, maar gij gepijnigd. En behalve dit alles: tusschen ons en u is een groote kloof gesteld, zoodat wie van hier tot u willen overgaan, het niet kunnen, noch van daar hierheen overkomen. En hij zeide: ik bid u dan, vader! dat gij hem zendt naar mijns vaders huis, want ik heb vijfbroe-

ocr page 144

126

dcrs, om hun te betuigen, opdat ook zij niet komen in deze plaats der folteringen. En Abraham zeide tot hem: zij hebben Mozes en de profeten; dat zij die hoeren! Doch hij zeide: neen vader Abraham! maar zoo iemand uit de dooden tot hen gaat, zullen zij boetvaardigheid doen. Maar hij zeide tot hem; indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zullen zij ook niet gelooven, al stond iemand uit de dooden op. —- Laat ons uit deze voorstelling vooral leeren, dat er slechts ééne ware grootheid is, namelijk die, welke, zij moge hier op aarde onder het uiterlijk van eenen Lazarus verscholen zijn, stand houdt in de eeuwigheid.

De gelijkenis van den Pharizeër en den tollenaar stelde Christus voor aan sommigen, die op zich zeiven vertrouwden, als zijnde rechtvaardigen, en die de anderen verachtten. Twee menschen gingen op naar den tempel om te bidden; de eene een Pharizeër, de andere een tollenaar. De Pharizeër stond en bad aldus bij zich zeiven: God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de overige menschen: roovers, onrechtvaardigen, overspelers, noch ook gelijk cleze tollenaar. Ik vast tweemaal in de week, ik geef tienden van al wat ik bezit. En de tollenaar, van verre staande, wilde zelfs zijne oogen niet naar den hemel opheffen, maaibij sloeg op zijne borst, zeggende: God! wees mij, zondaar , genadig! — ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar zijn huis, en gene niet; want al wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden. — Aan dezen regel houdt God Zich altijd; want, gelijk de apostelen Petrus en Jacobus het ons zeggen: God wederstaat den hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.

LXI. Christus op het feest der Tempelwijding. Vertrek naar Perea.

Op het feest der tempelwijding, dat door Judas den Machabeër ingesteld en in de maand December, twee maanden na het Loofhuttenfeest, gevierd werd, bevond de Zaligmaker Zich weder te Jeruzalem en in den tempel. De Joden zeiden toen tot Hem : Hoe lang houdt Gij onze

ocr page 145

ziel in twijfel? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrij uit! Jesus antwoordde: Ik spreek tot u, maar Gij gelooft niet. De werken, die ik doe in den naam mijns Vaders , deze geven getuigenis van Mij. Zoo beriep de Verlosser Zich, gelijk altoos, op zijne wonderen, die zijne goddelijke zending bevestigden; maar Hij ging nu nog verder en verklaarde, dat Hij in macht den Vader gelijk en één van wezen met den Vader was: Ik en dc Vader, Wij zijn één. Deze uitspraak was zóó duidelijk, dat de Joden over de beteekenis er van niet konden in twijfel zijn; zij begrepen, dat Jesus verklaard had God. te zijn. Dit was in hunne oogen ecne godslastering; en zij namen steenen op, om die op Hem te werpen. Doch Jesus sprak tot hen; vele goede werken heb ik u getoond van wege mijnen Vader; om welk dier werken steenigt gij mij ? Niet om eenig goed werk steenigen wij U, riepen zij Hem toe, maar om godslastering, en omdat Gij, een mensch zijnde, U zeiven tot God maakt. Jesus toonde nu aan, dat zij geen recht hadden, om, hetgeen Hij gezegd had, eene godslastering te noemen , en sprak vervolgens : Indien Ik de werken mijns Vaders niet cloe, gelooft Mij niet! Maar indien Ik ze doe, en indien gij Mij niet wilt gelooven , gelooft aan de werken ! opdat gij moogt weten en gelooven, dat dc Vader in Mij is, en Ik in den Vader.

Deze redeneering van Christus is overduidelijk. Eerst had Hij verklaard één met den Vader, en dus God te zijn; daarop zegt Hij, dat, indien Hij door zijne werken, dat is: door zijne wonderen, niet toont één met den Vader te zijn, de Joden aan zijne getuigenis over Zich zeiven geloof mogen weigeren; maar, als Hij wél zulke wonderwerken doet, dat zij dan, op grond van die wonderen, aan de waarheid zijner getuigenis over Zich zeiven moeten gelooven; dat zij dus gelooven moeten, dat Hij één is met den Vader, dat Hij God is.

De vijanden des Heeren wilden zich nu van Hem meester maken, want, hetgeen Hij nu gezegd had , hielden zij voor voldoende, om Hem door den hoogen Raad ter dood te doen veroordeelen; Jesus echter belette hun de uitvoering van hun voornemen en verliet den tempel.

ocr page 146

128

LXII. Christus' verblijf in Perea.

Dc Zaligmaker vertrok nu uit Jeruzalem en Judea, ging over den Jordaan en kwam in Perea in de nabijheid van Bcthania) waar Hij vroeger door Joannes was gedoopt geworden. Daar gaf Hij een hoogst belangrijk onderricht over de onverbreekbaarheid van den band des huwelijks en over de verhevenheid van den maagdelijken staat. Aangaande het eerste punt leerde Hij, dat God zelf in het Paradijs het huwelijk heeft ingesteld en de twee eerste mensehen door een onverbreekbaren band vereenigd heeft, en Hij zeide: Wat dus God vereenigd heeft, dat scheide geen mensch ! Verder leerde Hij, dat in het oude Testament, wegens de onvolmaaktheid der Joden, de echtscheiding was toegelaten geworden, maar dat deze in zijne Kerk volstrekt verboden was. — Aangaande het tweede punt leerde Jesus, dat, hoewel het huwelijk goed en heilig is, er toch sommigen zijn, die, om wille van het Rijk der hemelen, den ongehuwden staat verkiezen en de maagdelijke zuiverheid beoefenen. En na dit gezegd te hebben, besloot Hij: Die het vatten kan, dat hij het vatte!

Terwijl Jesus deze onderrichtingen gaf, waren eenige godvruchtige moeders, met kinderen aan de hand of op den arm, genaderd, verzoekend, dat de Verlosser die kinderen zoude zegenen. De leerlingen wilden die mensehen afweren ; zij meenden dat de waardigheid huns meesters niet toeliet, dat men kinderen tot Hem bracht. Maar Jesus sprak tot hen : Laat de kinderen tot Mij komen en weert hen niet! want derzulken is het Rijk der hemelen. Voorwaar , Ik zeg u: al wie het Rijk Gods niet aanneemt als een kind (dat is: met de nederige eenvoudigheid van een kind), zal aldaar niet binnengaan. Toen ontving Hij de kinderen, omhelsde hen, legde hun zijne handen op het hoofd en zegende hen; op deze teedere wijze wilde Hij aan allen, en vooral aan alle kinderen toonen, dat Hij de Vriend der kinderen is.

Nadat de Verlosser Zich weder op weg begeven had met zijne leerlingen, ontmoette Hem een jongeling. die rijk was en tot den hoogsten stand behoorde; deze wierp zich voor Hem op de knieën en vroeg: Goede Meester!

ocr page 147

129

wat moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven ? Jesus antwoordde op deze vraag: Zoo gij tot het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden! Welke? vroeg de jongeling weder. En Jesus wees hem op de geboden der zedewet en noemde eenigen daarvan op, welke hem tevens al de overigen moesten te binnen brengen: Gij zult niet doodslaan, gij zult geen overspel bedrijven, gij zult niet stelen, gij zult geene valsche getuigenis geven, gij zult geen bedrog plegen, eer uwen vader en uwe moeder, en, gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven. De jongeling zeide hierop: Meester! dit alles heb ik onderhouden van mijne jeugd af. Wat ontbreekt mij nog? Jesus sloeg nu een blik vol liefde op den braven jongeling en zeide vervolgens: Zoo gij volmaakt wilt zijn, ga, verkoop al wat gij hebt en geef het aan de armen; en gij zult eenen schat in den hemel hebben ; en kom. volg Mij! Toen de jongeling dit gehoord had, ging hij treurig heen, want hij was zeer rijk en bezat vele goederen. Wel was hij deugdzaam genoeg om zalig te worden en liet hij niets achter van hetgeen noodig was om het eeuwige leven te verwerven; maar voor die hooge volmaaktheid , welke Jesus hem had voorgesteld , schrikte hij terug.

Toen hij zich verwijderde sprak de Verlosser tot zijne leerlingen: Hoe bezwaarlijk zullen zij. die geld hebben, in het Rijk Gods binnengaan! en duidelijker zeggend, wat Hij bedoelde, herhaalde Hij: Hoe moeielijk is het, dat zij, die op het geld betrouwen, in het Rijk Gods binnengaan ! Het is gemakkelijker, dat een kameel door het oog eener naald doorgaat, dan dat een rijke (dat is: zulk een rijke, als Christus bedoelt, die op zijnen rijkdom betrouwt en daarop zijne hoop vestigt) inga in het Rijk Gods. Verwonderd zeiden de leerlingen; wie zal dan kunnen zalig worden ? En Jesus, hen aanziende, sprak; Bij de menschen is dit onmogelijk, maar niet bij God; want bij God is alles mogelijk. Gods genade is namelijk machtig genoeg om eenen rijke, wiens hart aan zijne schatten gebonden is, daarvan los te rukken, hem te bekeeren en zalig te maken.

De apostel Petrus nam nu het woord en zeide tot Jesus: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat dan zal ons geworden? De Zaligmaker antwoordde: Voorwaar,

9

ocr page 148

13°

Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, bij de wedergeboorte , als de Zoon des menschen op den troon zijner majesteit zal gezeten zijn, dat dan ook gij op twaalf tronen zult zitten, oordeelend over de twaalf stammen Israels. En iedereen, die huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers om wille van mijnen naam zal verlaten hebben, zal honderdvoudig terugontvangen en het eeuwige leven bezitten.

Op deze heerlijke belofte liet Jesus volgen, dat er, wanneer zij, die zich aan den dienst des Heeren hebben toegewijd, de belooning voor hunne opofferingen zullen ontvangen, niet zoo zeer zal gelet worden op den tijd, welken zij in dien dienst hebben doorgebracht, als wel op de bereidvaardigheid, waarmede zij aan Gods roeping beantwoord , en op den ijver, waarmede zij, hetzij langer, hetzij korter, gearbeid hebben. Dit bedoelde Jesus met te zeggen; Vele eersten zullen laatsten, en laatsten eersten zijn. Hij zelf verklaarde dit gezegde door de gelijkenis voor te stellen van de arbeiders in den wijngaard. Een landheer sfingf vroeg; in den morgen uit om arbeiders voor

O O O O

zijnen wijngaard te huren. Nadat hij met hen was overeengekomen voor één tienling (dertig cents), daags, zond hij hen in zijnen wijngaard. Nogmaals ging hij uit omtrent het derde , het zesde en het negende uur, dat is, volgens onze wijze van spreken. omtrent acht, elf en twee uur, en deed eveneens. Eindelijk vond hij er omtrent het elfde uur nog eenigen staan en vroeg hun: waarom staat gij hier den ganschen dag ledig? — Omdat niemand ons gehuurd heeft, antwoordden zij. En hij zeide: Gaat ook gij in mijnen wijngaard. Toen het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen opzichter: Roep de werklieden en geef hun het loon, beginnend van de laatsten tot de eersten. Toen dan zij kwamen, die omtrent het elfde uur gekomen waren, ontvingen zij ieder één tienling. Toen nu de eersten kwamen, meenden dezen, dat zij meer zouden ontvangen; echter ontvingen ook zij ieder één tienling. En dien aannemend, morden zij tegen den heer, zeggende: Deze laatsten hebben één uur gearbeid, en gij hebt hen gelijk gesteld met ons, die den last van den dag en de hitte gedragen hebben! De heer antwoordde

ocr page 149

I3i

en zeide tot één hunner: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet voor één tienling met mij overeengekomen? Neem wat het uwe is en ga heen! Ik wil aan deze laatsten evenveel geven als aan u. Of staat het mij niet vrij te doen, wat ik wil ? Of is uw oog boos , omdat ik goed ben ? — En Jesus paste de gelijkenis toe door te herhalen: Aldus zullen de laatsten eersten, en de eersten laatsten zijn.

LXIII. Verder verblijf van Christus in Perea.

Eens was Jesus met zijne leerlingen op weg, toen iemand uit de schare, welke Hem volgde, de vraag deed, of het getal van hen, die zalig zouden worden, klein was. Op deze vraag antwoordde Hij niet, maar vermaande al de aanwezigen om te zorgen, dat zij tot het getal der uitverkorenen mochten behooren. Spant u in, zeide Hij, om binnen te gaan door de enge poort! want velen, Ik zeg het u, zullen zoeken in te gaan en niez kunnen; omdat zij den tijd, die hun gegeven was om hunne zaligheid te bewerken, hebben laten voorbijgaan. Vervolgens vergeleek de Zaligmaker Zich zeiven bij eenen huisvader die zijne gasten afwacht en, wanneer het uur gekomen is, de deur dei-feestzaal sluit. Als de Vader des huisgezins, zeide Jesus, zal zijn binnengegaan en de deur zal gesloten hebben, zult gij beginnen buiten te staan en aan de deur kloppen, zeggende : Heer, doe ons open! En Hij zal u antwoorden en zeggen: Ik weet niet, vanwaar gij zijt! Dan zult gij beginnen te zeggen: wij hebben voor uw aangezicht gegeten en gedronken , en op onze straten hebt Gij geleeraard! En Hij zal u zeggen : Ik weet niet, vanwaar gij zijt! Gaat weg van Mij, allen gij werkers van ongerechtigheid ! Daar zal geween zijn en geknars der tanden, wanneer gij Abraham en Isaak en Jakob en al de profeten zien zult in het Rijk Gods, u zeiven echter buiten geworpen. En er zullen komen van het Oosten en Westen en Noorden en Zuiden, en zij zullen aanzitten in het Rijks Gods. En ziet, er zijn laatsten, die eersten zullen zijn, en er zijn eersten, die laatsten zullen zijn.

Op denzelfden dag, waarop de Verlosser deze woorden sprak, kwamen eenige Pharizeën Hem waarschuwen, dat

ocr page 150

132

dc viervorst. Herodes, tot wiens gebied Perea behoorde, Hem zocht te dooden, weshalve zij Hem den raad gaven Perea te verlaten. Denkelijk was hetgeen deze Pharizeën aangaande Herodes zeiden, eene leugen, die zij verzonnen hadden, om den Verlosser over te halen, naar Judea, waar hunne partij meester was, terug te keeren. De Zaligmaker stoorde Zich dan ook volstrekt niet aan hunne waarschuwing ; integendeel dreef Hij er den spot mede, ten einde hen te doen begrijpen, dat Hij zeer goed wist, dat hunne bezorgdheid voor zijn leven slechts veinzerij was. Hij belastte hen namelijk met een antwoord aan Herodes, als hadde deze hen gezonden om Hem te waarschuwen! — De zin van hetgeen Jesus hun zeide, was, dat de dag en het uur van zijnen dood bepaald waren, en dat al de pogingen zijner vijanden dien dag of dat uur niet konden vervroegen. Tevens voorspelde Hij, dat Jeruzalem de stad was, waar Hij, sterven zou.

De Verlosser bleef dan omwandelen in het land over den Jordaan. Op zekeren Sabbath noodigde een overste der Pharizeën Hem ten maaltijd ; en Hij nam die uitnoo-diging aan, ofschoon Hij wist, dat het zijnen gastheer en den overigen wetgeleerden en Pharizeën, die mede genoo-digd waren, te doen was Hem van nabij gade te slaan, of zij iets berispelijks in zijn gedrag zouden kunnen vinden. Eer men aan tafel ging, vertoonde zich een waterzuchtige, en Jesus vroeg aan de wetgeleerden en Pharizeën, of het geoorloofd was op den Sabbath een mensch te genezen. Zij gaven geen antwoord, en Jesus genas den zieke en liet hem heengaan. Daar Hij wist, dat de Pharizeën deze genezing, als eene schending van den Sabbath, afkeurden, zeide Hij nog tot hen: Wie onder u zal niet, als zijn ezel of os in den put valt, dien terstond, op den Sabbath, daaruit trekken? De toepassing van dit gezegde liet Hij aan hen zeiven over en zij bleven beschaamd zwijgen.

Bij het aan tafel gaan zag Jesus, hoe de genoodigden hun best deden , om de eerste plaatsen in te nemen. Daarom zeide Hij hun; Als gij ter bruiloft genoodigd zijt, zet u dan niet op de hoogste plaats, opdat niet misschien iemand, aanzienlijker dan gij, door hem genoodigd zij, en hij, die u en hem genoodigd heeft, kome en u zegge:

ocr page 151

JO

maak plaats voor dezen! Dan zoudt gij met beschaming de laagste plaats moeten gaan innemen. Maar als gij ge-noodigd zijt, ga dan aanzitten op de laagste plaats , opdat, wanneer degene die u genoodigd heeft, komt, hij u zegge: vriend, ga hooger op! Dan zal u eer te beurt vallen in tegenwoordigheid van hen, die mede aanzitten. Door dit voorbeeld waarschuwde Jesus tegen hoogmoed en leerde Hij, dat het streven der eerzucht dikwijls op schande uitloopt; want al wie zich verheft zal vernederd, en wie zich vernedert zal verheven worden.

Aan tafel zittend, gaf Hij nog een ander belangrijk onderricht over de liefdadigheid, waarvan de algemeene zin deze was: liefdewerken houden op liefdewerken te zijn, zoodra hij, die ze uitoefent, er zijn eigen voordeel mede zoekt; men moet dus zijne liefdadigheid bij voorkeur bewijzen aan dezulken, van wie men geene stoffelijke vergelding te verwachten heeft; dan kan de zucht naar eigenbelang niet in het spel komen, en zooveel te zekerder zal de belooning bij God zijn.

Toen een der gasten uitriep: Zalig hij, die brood zal eten in het Rijk Gods! dat is; die aan het hemelsch gastmaal zal mogen aanzitten, stelde Jesus de gelijkenis voor van de genoodigden tot het avondmaal, om te doen zien, hoe dwaas vele menschen handelen door, om allerlei nietige redenen, de uitnoodiging tot het hemelsch gastmaal , dat is; tot het Rijk Gods, waarvan de eeuwige zaligheid de voltooiing is, af te slaan; en om tevens te leeren, dat de Joden, die het eerst tot het Rijk Gods geroepen waren, door hunne eigene schuld zouden buitengesloten worden, en dat de heidenen hunne plaats zouden innemen. Zeker man rechtte een groot avondmaal aan en noodigde velen. Toen alles bereid was, zond hij zijnen dienaar om de genoodigden te roepen. Doch dezen begonnen zich allen te verontschuldigen, de eene, omdat hij eene landhoeve moest gaan bezien, de andere, omdat hij eenige ossen moest gaan beproeven; een ander zeide: Ik heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. De dienaar boodschapte dit aan zijnen heer; en deze werd toornig en zeide tot zijnen dienaar; Ga haastig uit op de straten en in de wijken der stad, en breng de armen en kranken en

ocr page 152

134

kreupelen hier binnen! De dienaar deed dit: en toen er nog plaats over was, sprak zijn heer andermaal tot hem: Ga uit naar de wegen en heggen, en dring hen binnen te komen, opdat mijn huis vol worde. Doch ik zeg u, dat geen van die mannen, welke uitgenoodigd waren, mijn avondmaal proeven zal.

Gehechtheid aan het aardsche was de reden, waarom de eerste genoodigden weigerden te komen; daartegen waarschuwde de Zaligmaker, toen Hij het huis des Pha-rizeërs verlaten had, de schare, die Hem volgde; daarenboven leerde Hij, dat wie zijn leerling wezen wil, bereid moet zijn om alles op te offeren; dat hij zelfs, wanneer de getrouwheid aan Christus het eischt, zijn eigen leven niet mag ontzien. Zoo iemand, zeide Jesus, tot Mij komt en niet haat (dat beteekent: en niet beneden Mij stelt) zijnen vader en moeder en echtgenoote en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, kan hij mijn leerling niet 'zijn. En zoo iemand zich onder de leerlingen van Christus zou scharen, zonder de getrouwheid aan zijn goddelijken Meester boven alles te stellen, hij zou gelijk zijn aan een onverstandig man, die een toren begint te bouwen, en niet vooruit berekent, of hij in staat is de voltooiing er van te bekostigen; als zoo iemand, na den grondslag gelegd te hebben, het werk moet staken, beginnen allen, die het zien, hem te bespotten, zeggende; Deze mensch begon te bouwen, maar heeft niet kunnen voleindigen!

Laat dit woord ook voor u. kinderen! eene waarschuwing zijn. Gij allen moet eenen toren bouwen, eenen hoogen toren, wiens spits tot in den hemel reikt; die toren is het gebouw uwer volmaaktheid, welker voltooiing de eeuwige zaligheid is. Den grondslag van dien toren heeft God gelegd, toen gij het heilig Doopsel ontvingt; raaar opdat die toren omhoog rijze en volbouwd worde, moet gij zelf met de genade van God medewerken. O denkt er altijd aan: elke daad van deugd en elk goed werk, dat gij verricht, elke vervulling van uwe plichten, is een steen aan dien toren; en naarmate gij toeneemt in godsvrucht en in deugd, rijst die toren hooger en komt zijne spits den hemel meer nabij. Bouwt dus niet ijver voort en wordt nooit moede: dan behoeft gij nooit te vreezen, dat de vijand uwer ziel eens spottend tot u zegge: deze mensch begon te bouwen, maar heeft niet kunnen voleindigen!

ocr page 153

135

LXIV. Opwekking van Lazarus. Moordbesluit

van den hoogen raad.

De Zaligmaker was nog in Perea, toen Lazarus, de broeder van Martha en Maria, te Bethania door eene zware ziekte getroffen werd. De zusters zonden aanstonds eenen bode tot Jesus, om Hem te zeggen: Heer! zie, dien Gij lief hebt, is krank. Jesus antwoordde: Deze krankheid is niet tot den dood , maar tot glorie van God, opdat de Zoon Gods daardoor verheerlijkt worde. Deze woorden beteekenden niet, dat Lazarus niet sterven zoude, integendeel; Jesus wist, dat de zieke, toen de bode tot Hem kwam . reeds overleden was; maar zij beteekenden, dat Lazarus-niet bestemd was om dood te blijven, en dat zijn dood slechts dienen moest, om de glorie van God en van zijnen menschgeworden Zoon heerlijk te doen schitteren.

Nog twee dagen bleef de Verlosser op de plaats, waar Hij Zich bevond, en zeide toen tot zijne leerlingen: Laat ons weder naar Judea gaan! Verschrikt antwoordden de leerlingen: Meester! nog kort geleden zochten de Joden U te steenigen, en gaat Gij weder daarheen? Jesus gaf hun te kennen, dat de Joden Hem niet konden dooden, voor zijn tijd gekomen was; en verklaarde hun verder, waarom Hij naar Judea wilde terugkeeren; Lazarus, onze vriend, slaapt, zeide Hij; maar Ik ga om hem uit den slaap op te wekken. De leerlingen begrepen niet, dat hun Meester van den doodslaap sprak, en zij zeiden. Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen. Toen zeide Jesus met duidelijke woorden: Lazarus is gestorven. En om wille van u, opdat gij gelooven moogt, verheug ik mij, dat ik daar niet was. Nu riep de apostel Thomas zijne medeleerlingen toe: Laat ook ons gaan, om met Hem te sterven!

Jesus kwam vier dagen na de begrafenis van Lazarus. in de nabijheid van het dorp Bethania. Daar bevonden zich vele aanzienlijke Joden uit Jeruzalem, die er heen gegaan waren, om de zusters van den overledene te troosten. De Zaligmaker was nog buiten het dorp, toen Martha het bericht zijner aankomst vernam. Terstond snelde zij tot Hem en sprak Hem aan : Heer! zoo Gij hier waart geweest, mijn broeder zou niet gestorven zijn! Maar ook nu weet

.L

ocr page 154

136

ik, dat al' wat Gij van God vragen zult, God het U zal geven. — Uw broeder zal verrijzen, zeide Jesus tot haar. Martha meende, dat Hij de toekomstige verrijzenis dei-rechtvaardigen bedoelde, en antwoordde : Ik weet, dat hij verrijzen zal bij de opstanding op den jongsten dag. Jesus hernam: Ik ben de verrijzenis en het leven; die in Mij gelooft zal leven, al is hij ook gestorven ; en al wie leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft gij dit? En Martha zeide: Ja, Heer! ik heb geloofd , dat Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God, die in deze wereld gekomen zijt.

Martha geloofde vastelijk, dat Jesus de macht had om haren gestorven broeder in het leven terug te roepen; maar de woorden, die de Zaligmaker tot haar gesproken had, konden haar niet doen denken, dat Hij van Zijne macht nu wilde gebruik maken, en toen Hij haar henenzond om hare zuster te roepen, dacht zij niet aan het groote wonder, dat na weinige oogenblikken geschieden zou.

Maria zat in het midden dergenen , die met haar treurden. Toen Martha haar nu in stilte zeide: De Meester is daar en roept u, stond zij ijlings op, en ging, door hare zuster gevolgd , tot Jesus. De Joden die bij haar waren, meenden, dat Maria naar het graf haars broeders ging, om daar te weenen; vol medelijden volgden zij kaar.

Jesus was op de plaats gebleven, waar Hij met Martha gesproken had; daar vond Maria Hem en, snikkend aan zijne voeten nedervallend, zeide zij: Heer! zoo Gij hier waart geweest, mijn broeder zou niet gestorven zijn! De Joden, die Maria gevolgd waren, stonden nu ook rondom den Zaligmaker en weenden. En ook Jesus zelf wilde diep bewogen en ontroerd zijn; ook Hij weende. Waar hebt gij hem gelegd ? vroeg Hij vervolgens ; men antwoordde : Heer, kom, en zie! En Jesus ging naar het graf van Lazarus, vergezeld van Martha en Maria, gevolgd door zijne leerlingen en door al de aanwezige Joden. Deze zagen Jesus' tranen en, meenend, dat de smart over den dood van zijnen vriend ze Hem ontrukte, zeiden zij tot elkander: Ziet, hoe lief Hij hem had! Doch sommigen morden: Kon Hij, die de oogen van den blindgeborene geopend heeft r niet maken, dat deze niet stierf?

ocr page 155

l37

Het graf van Lazarus was eene grot, uitgehouwen in eene rots en met een zwaren steen gesloten. Toen Jesus bij dit graf gekomen was: gebood Hij: Neemt den steen weg! De Joden dachten, dat Hij het lijk van zijnen gestorven vriend nog eens verlangde te zien, en Martha, die wist, dat de. ontbinding van het lijk reeds merkelijk gevorderd was, ried de opening der grafspelonk af, zeggende: Heer; hij riekt reeds, want sedert vier dagen ligt hij hier. Jesus antwoordde haar: Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zult aanschouwen. De steen werd nu weggenomen.

Op dit plechtig oogenblik, waarop de Zaligmaker door het heerlijkste van al zijne wonderen zijne goddelijke zending aan de wereld toonen ging, sloeg Hij zijne oogen naar den hemel en sprak; Vader! Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort; maar om wille van het volk, dat rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij gelooven mogen, dat Gij Mij gezonden hebt. En toen riep Jesus met luide stem: Lazarus, kom uit! En de doode gehoorzaamt aan het bevel van Hem, die de opstanding en het leven is! Lazarus komt te voorschijn, met de graf doeken, die zijne handen en voeten omzwachtelen, en met den zweetdoek, die zijn aangezicht bedekt. En Jesus zeide: Maakt hem los en laat hem gaan!

Vele Joden, die getuigen waren van dit ontzaglijk wonder, geloofden in den Heer Jesus. Maar er waren ook sommigen van de partij der Pharizeën tegenwoordig, en dezen spoedden zich naar Jeruzalem, om aan de vijanden des Heeren kennis van het gebeurde te geven. De hooge Raad werd terstond bijeengeroepen, en men zeide: Wat te doen ? want deze mensch doet vele teekenen. Indien wij Hem aldus laten voortgaan, zullen allen in Hem gelooven, en de Romeinen zullen komen en onze plaats (dat is: onze stad) en ons volk wegnemen. Nadat men eenigen tijd beraadslaagd had, sprak de hoogepriester, Kaïphas, tot de raadsheeren: Gij weet niets, en gij bedenkt niet, dat het u nuttig is, dat één mensch sterve voor het volk, en niet het geheele volk verloren ga. Zonder dat de god-delooze Kaïphas het wist, behelsden zijne woorden eene groote profetie; want, ja waarlijk!'Jesus zou sterven voor

ocr page 156

138

het volk, en niet voor het Joodsche volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen Gods tot een te vergaderen , om uit alle volken der aarde de toekomstige kinderen Gods te vereenigen tot ééne kudde, welker Herder Christus is.

Het voorstel des hoogepriesters werd goedgekeurd, en de hooge Raad nam nu het bepaalde besluit, om den Heer Jesus ter dood te brengen. Indien al de leden van het Sanhedrin aan deze zitting deelnamen, dan waren er minstens twee, die met de overigen niet instemden: de namen dezer twee rechtschapenen zijn Nikodemus en Josef van Arimathea.

De hooge Raad der Joden wordt gewoonlijk het Sanhedrin (dit woord beteekent: vergadering), genoemd, en de leden daarvan heeten Sanhedristen. Deze leden werden gekozen uit de opperpriesters of de hoofden der priesterafdeelingen, int de schrift- of wetgeleerden en uit de ouderlingen of de stamhoofden der farailiën. Daar de meeste schriftgeleerden en priesters tot de partij der Pharizeën behoorden, voerden dezen meestal den boventoon. De voorzitter van het Sanhedrin was gewoonlijk de hoogepriester; de gewone vergaderplaats was eene der zalen van het tempelgebouw.

LXV. Verblijf van Christus in de omstreken van Jericho.

Van Bethania begaf Jesus Zich met zijne leerlingen naar eene woeste streek nabij de stad EpJirern, waar Hij korten tijd vertoefde; toen het paaschfeest begon te naderen, nam Hij over Jericho de reis naar Jeruzalem aan. Op den weg riep Hij zijne Apostelen afzonderlijk tot Zich en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en alles zal vervuld worden, wat door de profeten over den Zoon des menschen geschreven is. Want Hij zal overgeleverd worden aan de opperpriesters en de schriftgeleerden en de ouderlingen ; en dezen zullen Hem ter dood veroordeelen en zij zullen Hem overgeven aan de heidenen, om bespot en ge-geeseld en gekruisigd te worden ; en zij zullen Hem bespotten en bespuwen en geeselen; en na Hem gegeeseld te hebben, zullen zij hem dooden. En op den derden dag zal Hij verrijzen. Zóó duidelijk en zóó in de bijzonderheden had Jesus nog nooit over zijn lijden en sterven tot zijne Apostelen gesproken. En toch begrepen deze den zin van huns Meesters

ocr page 157

139

woorden niet; zij geloofden wel, dat zijne voorspelling zou vervuld worden, maar wat er dan worden zou van dat koninkrijk, dat Jesus moest stichten; en van die twaalf tronen, welke Hij hun kort geleden had toegezegd, dit was hun een raadsel; en hoe ver zij nog verwijderd waren van de kennis, waarmede de H. Geest hen later vervullen zou, toonden bij deze gelegenheid vooral de apostelen Jacobus en Joannes.

De moeder dezer Apostelen, Salome, behoorde tot de godvruchtige vrouwen, die den Zaligmaker uit Galilea gevolgd waren; nu naderde zij met hare twee zonen tot Jesus en, voor Hem nederknielend, sprak zij, nadat de Verlosser haar gevraagd had, wat zij begeerde: Zeg, dat deze mijne twee zonen zitten mogen, de eene aan uwe rechter-, de andere aan uwe linkerhand, in uw koninkrijk. Dit eerzuchtig verzoek, om boven de andere Apostelen verheven te worden, werd wel door de moeder gedaan; maar hare zonen hadden het haar in den mond gelegd: daarom richtte Jesus zijn bestraffend woord tot de twee Apostelen en zeide hun; Gij weet niet, wat gij vraagt! En om alle eerzuchtige gedachten uit hunnen geest te verbannen , vroeg Hij: Kunt gij den kelk (des lijdens) drinken, dien Ik drinken zal ? of roet den doop gedoopt worden, waarmede ik gedoopt word? De twee Apostelen antwoordden: Wij kunnen het. Waarop de Zaligmaker hun zeide: Mijnen kelk zult gij wel drinken en met den doop, waar-* mede Ik gedoopt word, zult gij gedoopt worden: doch het zitten aan mijne rechter- of linkerhand behoor Ik niet te geven aan u , maar aan degenen, wien het door mijnen Vader bereid is. Deze laatste woorden beteekenen: de hoogste eereplaatsen in het Rijk Gods worden niet uit gunst verleend, maar slechts geschonken aan hen , die God daartoe bestemd heeft en die ze verdienen.

De andere Apostelen, die de bede van Jacobus en Joannes gehoord hadden, waren er over verontwaardigd; de Verlosser herhaalde toen zijne vorige vermaningen tot ootmoed en zelfverloochening: Wie onder u groot wil worden, hij zij uw dienaar! En wie onder u de eerste wil zijn, hij zal de dienstknecht van allen zijn. Want ook de Zoon des menschen is niet gekomen, om gediend te worden.

ocr page 158

140

maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

Naarmate Jesus de stad Jericho naderde, voegde zich meerdere menschen bij Hem, die Hem gedeeltelijk vooruitgingen, gedeeltelijk volgden. Dicht bij de poort zat een blinde bedelaar, die, zoodra men hemzeide, dat Jesus zou voorbijkomen, luide begon te roepen : Jesus, Zoon van David, ontferm u mijner! Men wilde Hem doen zwijgen, maar hij riep zooveel te luider: Zoon van David, ontferm u mijner! Jesus was nu genaderd en, stilstaande, gebood Hij den blinde tot Zich te brengen. Daarop vroeg Hij hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? — Heer, dat ik zien moge! was het antwoord. En Jesus sprak: Word ziende! uw geloof heeft u gezond gemaakt. Oogenblikkelijk zag de blinde en. God verheerlijkend, volgde hij zijnen Redder, dien hij, door Hem den naam van Zoon Davids te geven, als den Messias erkend en beleden had.

Jesus trok nu Jericho door. In deze stad woonde de Romeinsche tolmeester Zacheüs, een aanzienlijk en rijk man, die zeer verlangend was den Zaligmaker te zien. Daar hij echter klein van gestalte was, werd hem dit door de menigte, welke Jesus omringde, belet. Om nu toch aan zijn godvruchtig verlangen te voldoen, liep hij de schare vooruit en klom op een wilden vijgeboom, die aan den weg stond, waarlangs de Verlosser komen moest. Toen deze hem daar zag, sprak Hij hem toe: Zacheüs, kom haastig af! want heden moet Ik in uw huis verblijven. Ijlings klom Zacheüs naar beneden en geleidde, vol van vreugde, den Zaligmaker naar zijne woning. De omstanders morden, omdat Jesus, zooals zij zeiden, zijnen intrek nam bij eenen zondaar. Misschien had Zacheüs vroeger den naam van zondaar verdiend; nu echter wilde hij geen zondaar meer zijn. Zie, Heer! sprak hij tot Jesus, de helft mijner goederen geef ik aan de armen en, heb ik iemand iets te kort gedaan, ik geef het vierdubbel terug. De Verlosser zeide tot hem : Heden is aan dit huis heil wedervaren; en Zich tot de schare wendend, ging Hij, op Zacheüs wijzend, voort: Want ook deze is een zoon van Abraham. Immers is de Zoon des menschen gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was.

ocr page 159

i4i

Toen Jesus Jericho weder verliet, genas Hij opnieuw eenen blinde, wiens naam Bartimeüs, dat is: zoon van Timeüs, was, en zette vervolgens zijne reis naar Jeruzalem voort. De Apostelen wisten, dat hun Meester daar, binnen kort, sterven zou; maar, dewijl Hij hun ook gezegd had, dat Hij op den derden dag na zijnen dood zou verrijzen, meenden zij, dat Hij dan terstond zijne volle heerlijkheid openbaren en zijn koninkrijk in allen luister zoude vestigen. Om hun nu te leeren dat, na de verrijzenis en de hemelvaart huns Meesters, voor hen de tijd van arbeiden eerst beginnen zou, en dat zij dan de hun toegezegde belooningen eerst moesten verdienen, stelde Jesus hun de gelijkenis van de tien ponden voor. Een man van hooge geboorte vertrok naar een ver land, om voor zich eene aanstelling tot koning te ontvangen. Vóór zijne afreis gaf hij aan ieder zijner tien knechten een pond (dat is omtrent zestig gulden), en zeide tot hen: Drijft handel daarmede, totdat ik terugkom. Zijne burgers nu, wier koning hij wenschte te worden, zonden hem een gezantschap achterna, om te beletten, dat hij hun koning werd; dit baatte hun echter niet, en hij keerde als koning terug. Nu deed hij zijne knechten voor zich komen, om te onderzoeken , hoeveel ieder hunner met het hem toevertrouwde geld gewonnen had. De eerste kwam en zeide: Heer! uw pond heeft tien ponden verdiend. De koning antwoordde: Allerbest, gij goede dienstknecht! Omdat gij over weinig-getrouw zijt geweest, zult gij gebied voeren over tien steden. De tweede knecht had vijf ponden gewonnen, en werd tot gezagvoerder, over vijf steden aangesteld. Doch eindelijk kwam er een , die het ontvangen pond terugbracht, zonder er iets mede gedaan te hebben. Deze trage knecht Averd gestraft, en zijn pond werd hem ontnomen. Ten slotte zeide de koning: Die vijanden van mij, welke niet wilden, dat ik koning zou zijn over hen, brengt hen hielen doodt hen in mijne tegenwoordigheid.

De man van hooge geboorte is in deze gelijkenis de Zaligmaker zelf, die ten hemel opvaart, om door zijnen hemelschen Vader tot Koning over de verloste wereld te worden aangesteld. De weerspannige burgers, die zich vruchteloos tegen den Koning verzetten en ilaarvoor zwaar gestraft worden, zijn de Joden. De knechten zijn de Apostelen en al degenen,

ocr page 160

142

die hen in hunnen arbeid zouden opvolgen en verder alle Christenen. Iedereen moet de hem geschonkene gaven zoo gebruiken, dat hij, als Christus terugkomt om te oordeelen, vruchten kan toonen. Wee den tragen dienaar, die zijnen Heer niets heeft aan te bieden !

LXVI. Zalving van Christus te Bethania. Judas.

Op Zaterdag avond, zes dagen vóór Paschen, kwam de Zaligmaker weder te Bethania. De plechtigheden tot voorbereiding van het paaschfeest hadden te Jeruzalem reeds een aanvang genomen, en vele vreemdelingen bevonden zich reeds daar. Veel sprak men over Jesus, en sommigen zochten Hem niet vijandelijke oogmerken; want de hooge Raad had bevel gegeven, dat iedereen, die wist waar Hij was, het aanstonds moest bekend maken.

Des Zaterdags hield Jesus met zijne leerlingen te Bethania het avondmaal in het huis van zekeren Simon, die bijgenaamd was: de melaatsche; denkelijk was hij vroeger melaatsch geweest en door quot;den Verlosser genezen geworden. Onder de genoodigden bevonden zich ook Lazarus en zijne beide zusters; Martha zorgde voor de tafel. Maria had deze gelegenheid afgewacht, om haren Goddelijken Meester een uitstekend bewijs harer liefde en dankbaarheid te geven: met eene flesch kostbaren balsem naderde zij Jesus, brak den hals der flesch af en stortte den balsem gedeeltelijk op zijn hoofd uit en gedeeltelijk over zijne voeten, welke zij vervolgens met hare haren weder afdroogde. De heerlijke geur des balsems vervulde het geheele huis.

Eenige leerlingen van Jesus keurden deze daad van Maria niet goed; naar hunne meaning zou het beter geweest zijn, als zij dien balsem aan Jesus ten geschenke had gegeven; want dan had men dien duur verkoopen en eene aanzienlijke som aan de armen kunnen geven. Doch vooral werd de handelwijze van Maria sterk afgekeurd door Judas hkarioth. Waarom, zeide hij, is deze balsem niet verkocht geworden voor driehonderd tienlingen (dat is: omtrent honderd gulden), en niet aan de armen gegeven? Bezorgdheid voor de armen was echter de ware reden niet van Judas' gramschap. Indien de balsem verkocht was geworden, dan had Judas het daarvoor ontvangen geld moeten bewaren; en dan had hij een groot

ocr page 161

143

gedeelte van dat geld voor zichzelven kunnen houden r zonder dat zijne mede-apostelen het bemerkten. Want zóó ver was het met den rampzaligen Judas reeds gekomen; zijn hartstocht voor het geld had hem een dief gemaakt. De Zaligmaker wist zeer goed, waarom Judas zoo toornig op Maria was; echter spaarde Hij den schijnheiligen dief en richtte het woord tot de andere leerlingen, die hunne ontevredenheid hadden te kennen gegeven. Wat valt gij deze vrouw lastig ? sprak Hij; een goed werk heeft zij Mij aangedaan (een beter werk dan waarvan gij speekt); want altijd hebt gij de armen bij u en kunt gij, als gij wilt, hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd. Deze heeft gedaan wat zij kon. Want door deze zalfolie op Mij uit te storten, heeft zij mijn lichaam vooruit gebalsemd ter begrafenis. Maria wist namelijk, dat haar beminde Meester spoedig sterven zou, en, vreezend dat zij dan de eer niet zou hebben van zijn lijk te balsemen, had zij Hem, bij zijn leven, die eer willen bewijzen. Jesus besloot met eene plechtige voorspelling; Voorwaar. Ik zeg u: overal waar dit Evangelie zal gepredikt worden in de geheele wereld, daar zal ook, wat deze gedaan heeft, vermeld worden tot hare gedachtenis.

Zoodra het te Jeruzalem bekend werd, dat Jesus Zich te Bethania bevond, stroomde eene groote menigte daarheen , om Hem en ook om Lazarus, den uit den dood teruggekeerden getuige zijner goddelijke almacht, te zien. En velen geloofden in Jesus. Dit maakte de vijanden des Heeren nog meer verwoed, en de opperpriesters dachten er zelfs aan, om ook Lazarus ter dood te brengen.

Echter werd het plan van den hoogen Raad, om Jesus nog vóór Paschen uit den weg te ruimen, moeielijker uit te voeren , naarmate de geestdrift van het volk toenam; de Sanhedristen vreesden voor een opstand van het volk, dat vooral met het paaschfeest Jeruzalem overstroomde; en op eene vergadering, welke zij in het huis des hooge-priesters hielden, besloten zij de uitvoering van hun moordplan tot na Paschen uit te stellen. Niet op den feestdag, zeiden zij, opdat er niet soms oproer ontsta onder het volk.

Doch nu gebeurde er iets, waarop de Joodsche oversten

ocr page 162

144

niet hadden kunnen rekenen. In het geheim meldde zich bij hen een man aan, die aanbood , Jesus door verraad in hunne macht te brengen, en die hun vroeg: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem aan u overleveren. Het was Judas Iskarioth, die, korten tijd na het avondmaal te Bethania, het besluit had genomen, zijnen Meester aan diens doodvijanden te verraden. De leden van den hoogen Raad verheugden zich , zulk eenen goeden helper gevonden te hebben , en zij verbonden zich hem geld te zullen geven ; dertig zilveren geldstukken telden zij hem toe. En Judas gaf zijn woord en zocht van toen af eene gelegenheid, om zijnen Meester , op de geschikste wijze en zonder dat er voor een volksoploop te vreezen was, aan den hoogen Raad over te leveren.

Wie siddert niet, wanneer hij den gevallen Apostel dit verdrag met de opperpriesters hoort sluiten! en wie roept niet bij zichzelven uit: hoe is het mogelijk dat een mensch zoo diep kan vallen en tot zulk eene gruweldaad kan komen! — O kinderen! bedenkt het wel, dat Judas niet op eens, maar langzamerhand tot dit uiterste van boosheid gekomen is; hij gaf toe aan zijne kwade neiging, en deze bracht hem van het eene kwaad tot het andere. Toen Judas zich de eerste maal door zijne zucht naar geld tot stelen liet verleiden, zou hij zelf niet geloofd hebben, dat hij eindigen zoude met zijnen Meester te verraden. En zoo gaat het met alle booze hartstochten, indien men er aan toegeeft; men weet dan wel, waar men begint, maar niet waar men eindigen zal. Kinderen! als er eene of andere verkeerde neiging in uw Imrt schuilt, o, bedwingt ze toch en roeit ze uit, nu zij nog zwak is; anders zal zij sterk worden en u tot misdaden brengen, welke gij nu niet zoudt gelooven ooit te kunnen bedrijven.

LXVI1. Christus' intocht ix Jeruzalem.

Den volgenden dag (Palmzondag zouden wij zeggen) ging de Zaligmaker naar Jeruzalem. Echter wilde Hij nu deze stad niet intreden op dezelfde wijze, waarop Hij reeds dikwijls binnen hare muren gekomen was ; de profeet Zacha-rias had voorspeld: Verheug u zeer, dochter van Sion! juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, de Rechtvaardige, de Heiland! arm en rijdend op eene ezelin en op het veulen, het jong eener ezelin. Deze profetie moest nu vervuld worden, en tevens wilde Jesus schitterend toonen, dat Hij de aanslagen zijner vijanden niet vreesde, en dat zij niets tegen Hem vermochten, zoolang Hij het hun niet toestond. Daarenboven wilde Hij,

ocr page 163

145

nu zijn sterven nabij was, openlijk en plechtig als de Messias erkend en gehuldigd worden.

Toen Jesus buiten Bethania gekomen was, zond Hij twee zijner leerlingen naar het nabijgelegen vlek Bethfage en zeide hun, dat zij daar eene ezelin vastgebonden zouden vinden met haar veulen, waarop nog nooit iemand gezeten had. Zij moesten die dieren losmaken en tot Hem brengen; en, als iemand hun vroeg, waarom zij ze losmaakten, moesten zij antwoorden : De Heer heeft ze noodig. De twee leerlingen gingen, vonden alles, gelijk Jesus het hun gezegd had, en brachten het veulen en zijn moeder tot Hem. Zij legden vervolgens hunne opperkleederen op het veulen; toen zette de Zaligmaker Zich daarop, en langzaam reed Hij den weg op naar Jeruzalem.

Vele goedgezinde menschen, vooral Galileërs, die zich te Jeruzalem tot het vieren van het paaschfeest voorbereidden, waren den kant van Bethania opgegaan, om Jesus daar te zoeken ; toen zij Hem nu zagen naderen in vreedzame majesteit, omringd door zijne leerlingen en gevolgd door de scharen uit Bethania, begrepen zij aanstonds de beteekenis van dit indrukwekkend schouwspel, en zij gevoelden dat het hun plicht was, den intocht van hunnen Messias-Koning luisterrijk te maken. Zij namen palmtakken van de boomen langs den weg en gingen Jesus daarmede te gemoet, Hem toeroepend: Hosanna! Gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren, de Koning van Israël! En de menigte werd steeds talrijker, en heerlijker Jesus' zegetocht. Voor Hem uit was de weg bedekt met mantels en opperkleederen, die men als tapijten had uitgespreid, en bestrooid met het loof van palm- en olijfboomen; en de lucht weerklonk van de jubelkreten der opgetogen schare; Gezegend de Koning, die komt in den naam des Heeren! Hosanna den Zoon van David! Hosanna in den allerhoogste!

Er waren onder de menigte ook eenige Pharizeën, wier hart van nijd verteerd werd: zij hadden zelfs de onbeschaamdheid aan Jesus te vragen, dat Hij die luide eerbewijzen zou tegengaan; maar Hij wees hen af met de woorden : Ik zeg u: indien deze zwijgen, zullen de steenen roepen! Terwijl de Verlosser nu de stad naderde, welke

10

ocr page 164

146

haren Messias niet wilde erkennen, welke de hulde, die Hem nu bewezen werd, met nijdigen toorn of met trage onverschilligheid gadesloeg, welke vijf dagen later bloedige moordkreten tegen Hem zou aanheffen, weende Hij over haar en sprak: Mocht ook gij erkennen, en wel op dezen uwen dag, wat u tot vrede is! Maar nu is het voor uwe oogen verborgen. Want er zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden u met eenen wal omringen en u insluiten en benauwen zullen van alle kanten; en zij zullen u tot den grond toe verdelgen met uwe kinderen, die in u zijn; en zij zullen in u den eenen steen niet op den anderen laten; omdat gij den tijd uwer bezoeking niet erkend hebt.

Jesus kwam in de stad, en deze geraakte geheel in beweging. De gezindheid der meeste Jeruzalemmers verschilde veel van die der opgetogen vreemdelingen; het waren niet slechts de nijdige Pharizeën, die onder elkander mompelden : _ Gij ziet dat wij niets vorderen ! zie. de geheele wereld is Hem achterna gegaan! — maar ook vele anderen openbaarden hunne vijandschap tegen Jesus door te vragen: Wie is deze? en aldus den schijn aan te nemen, dat zij den Verlosser zelfs niet kenden. Doch de schare, die Hem begeleidde, stoorde zich daaraan niet en voerde Hem naar den tempel, luide roepend : Deze is Jesus, de Profeet van Nazareth in Galilea!

Toen de Zaligmaker den tempel, waar Hij niet lang vertoefde, weder verlaten had, gaven eenige menschen, die zich van het heidendom tot den Joodschen godsdienst bekeerd hadden en nu te Jeruzalem waren om het hoogfeest te vieren , hun verlangen te kennen om aan Jesus te worden voorgesteld. Ten gevolge hiervan hield de Verlosser eene redevoering, waarin Hij de toekomstige opneming-der heidenen in het Rijk Gods en zijne eigene aanstaande verheerlijking voorspelde. Het uur is gekomen, zeide Hij, dat de Zoon des menschen verheerlijkt worde. Deze verheerlijking zou een gevolg en eene vrucht wezen van zijn lijden en sterven: indien de tarwekorrel niet in de aarde vallend gestorven is, blijft hij alléén (en onvruchtbaar); maar als hij gestorven is, brengt hij veel vrucht voort. Die zijn leven lief heeft, zal het verliezen ; en die zijn leven haat in deze wereld, bewaart het ten eeuwigen leven. Zoo

ocr page 165

*47

iemand Mij dient, hij volge Mij na! En waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Zoo iemand Mij gediend heeft, hem zal mijn Vader verheerlijken.

Terwijl Jesus aldus sprak over de heerlijkheid, die uit het lijden voortkomt en uit den dood geboren wordt, stond Hem zijn eigen lijden met al zijne verschrikkingen voor oogen; Hij zag het kruis, waaraan Hij, vijf dagen later, hangen en sterven zoi:, en Hij liet toe, dat dit vreeselijk gezicht zijne ziel met schrik vervulde. Dezen schrik wilde Hij ook openbaren: Nu is mijne ziel ontroerd. En wat zal ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure? Maar daartoe ben Ik in deze ure gekomen. Vader! verheerlijk uwen naam! Nauwelijks had Jesus deze woorden uitgesproken, of er klonk, met een geluid als van den donder, eene stem uit den hemel: Ik heb verheerlijkt en Ik zal wederom verheerlijken! De schare stond ontsteld en wist niet, wat zij eigenlijk gehoord had. Jesus zeide: Niet om wille van Mij is deze stem gekomen, maar om wille van u. Nu is het oordeel over deze wereld daar! nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen. En Ik, wanneer ik van de aarde zal omhoog geheven zijn, zal alles tot Mij trekken. Aldus voorspelde Jesus, dat Hij door zijnen dood den duivel zou overwinnen, en dat de verloste wereld zou komen tot Hem, die om hare zaligheid aan het kruis heeft willen sterven.

De Zaligmaker begaf Zich tegen den avond weder naar Bethania, om daar den nacht door te brengen.

In de Evangeliën wordt meermalen over zielsontroeringen. welke Christus ondervond, gesproken. Deze overvielen Hem echter nooit tegen zijnen wil, maar vrijwillig gaf Hij zijne ziel over aan de werking van droefheid, schrik of angst, welke zij, omdat zij eene menschelijke ziel was, kon gevoelen, Die ziel was, uithoofde van hare vereeniging met de Godheid, volmaakt zalig en kon geen enkel oogenblik ophouden zalig te zijn; maar het gevoel en het genot harer zaligheid kon haar voor een tijd ontnomen worden; en wanneer Christus pijnlijke ontroeringen w-ilde ondergaan, dan ontnam Hij voor eenigen tijd aan zijne ziel het gevoel en het genot harer zaligheid.

De laatste dagen van zijn sterfelijk leven ging Christus iederen avond naar Bethania en den volgenden morgen weder naar Jeruzalem. De reizen van den Zaligmaker waren nu geëindigd. Ten vervolge van de opgave op bl. 83, worden hier de vier reizen vermeld, welke tot het laatste jaar van Christus' openbaar leven behooren.

ocr page 166

148

VIII. (Derde Evangelie-reis door Galilea en omstreken). Uit Kapliar-naüm naar het gebied van Tyrus en Sidon; van daar, door het Noorden van Galilea, naar Gaulinitis, Dalmanutha en Betsaida-Julias; van daar naar Caesarea-Philippi; van daar over den berg Thabor terug naar Kapliarnaüm. BI. 89—100.

IX. Uit Kapliarnaüm, langs de grenzen van Samaria en door Perea naar Jeruzalem. (Loofhuttenfeest.) Vervolgens maakte Christus eene Evangelie-reis door Judea en keerde weder naar Jeruzalem terug. (Feest der tempelwijding.) BI. 105—126.

X. Uit Jeruzalem deed Christus eene evangelie-reis door Perea, en ging toen naar Bethania en van daar naar Ephrem. BI. 126—138.

XI. Uit Ephrem over Jericho naar Bethania en op Palmzondag naar Jeruzalem, BI. 138 —148.

LXVIII. Maandag van de goede Week.

Toen Jesus 's Maandags morgens weder met zijne leerlingen naar Jeruzalem ging, gevoelde hij honger. Hij trad op een vijgeboom toe , die langs den weg stond en vol in het blad was, om te zien of Hij er eenige vóór den tijd rijpe vijgen aan 'mocht vinden. Daar Hij echter niets vond dan bladeren en wist, dat Hij niets anders vinden zou, omdat het de tijd der vruchten nog niet was, sprak Hij tot den boom: Nimmer worde uit u vrucht geboren in eeuwigheid ! En de boom begon oogenblikkelijk te verdorren. Wat de Verlosser hier deed, was eene zinnebeeldige handeling, eene gelijkenis, niet met woorden maar door daden vastgesteld. De boom met bladeren maar zonder vruchten was het beeld van Jeruzalem, waar wel de uiterlijke plechtigheden van den godsdienst, maar geene ware godsdienstigheid te vinden was. Door den boom ook van zijne bladeren te berooven, voorspelde Jesus , dat de stad Jeruzalem binnen kort ook dat uiterlijk vertoon van godsdienstigheid zou verliezen.

In den tempel gekomen, zag Jesus dezelfde misbruiken, tegen welke Hij Zich, drie jaren geleden, zoo krachtig had verzet; er werd weder markt gehouden, en de heiligheid van Gods huis werd weder ergerlijk geschonden. En wederom dreef Jesus de koopers en verkoopers uit den tempel, terwijl Hij tot de schare zeide: Staat er niet geschreven : mijn huis zal genoemd worden een huis des gebeds voor alle volken? Doch gij hebt het gemaakt tot een roovershol! Na den tempel gereinigd te hebben, leerde

ocr page 167

149

de Zaligmaker het daar vergaderde volk en genas de blinden en kreupelen, welke men tot Hem bracht. De menigte, die zich in den tempel bevond, geraakte weder in een staat van opgetogenheid, en de zegekreet van den vorigen dag : Hosanna, den Zoon van David! klonk nu door de gewijde voorhoven; het waren kinderen, wier onschuldige lippen herhaalden, wat zij van hunne ouders gehoord hadden. Nu konden de opperpriesters en schriftgeleerden zich niet langer inhouden, en met kwaadaardigheid riepen zij Jesus toe: Hoort gij wat deze zeggen? Hij antwoordde; Voorzeker ! Hebt gij nooit gelezen: uit den mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij lof toebereid ? met welke woorden Hij hun aantoonde, dat eene profetie, welke over den Messias gedaan was , nu vervuld werd. De Joodsche oversten kenden die profetie zeer goed en wisten ook , dat er op de door JëSus aangehaalde woorden volgde: Om wille van uwe tegenstrevers, om den vijand en den wraakgierige te te verdelgen; zij gevoelden, dat zij zeiven die wraakgierige vijanden waren, en gingen heen.

De Zaligmaker bleef in den tempel leeren en wonderen werken; en ofschoon de hooge Raad Hem ter dood veroordeeld had, legde niemand de hand op Hem, omdat niemand iets tegen Hem vermocht, zoolang Hij Zich niet zelf, vrijwillig, in de macht zijner vijanden overleverde.

LXIX. Dinsdag van de goede week.

Den volgenden morgen kwam Jesus langs den vijgeboom, die nu geheel dood was. Meester! zeide Petrus, zie, de vijgeboom , dien Gij gevloekt hebt, is verdord ! Jesus wilde niet, dat zijne leerlingen zich over het verdorren van dien boom al te zeer zouden verwonderen, en zeide hun, dat zij zeiven, indien het hun niet aan geloof ontbrak, later veel grootere wonderen zouden kunnen verrichten: Zoo gij tot dezen berg zult zeggen: hef u op en werp u in de zee! het zal geschieden. En wat gij ook in het gebed zult vragen, gelooft dat gij het verwerven zult, en het zal u geworden.

■ De Zaligmaker kwam in den tempel en begon het aan wezige volk te leeren. Spoedig omringden Hem eenige

ocr page 168

i5o

leden van den hoogen Raad en vroegen Hem: Zeg ons, door welke macht Gij deze dingen doet, en wie U de macht gegeven heeft om ze te doen. Zij bedoelden de macht, om als meester in den tempel te handelen en om Zich als Messias te laten huldigen. Jesus sprak tot hen: Ook zal Ik u ééne vraag doen: zoo gij Mij deze beantwoordt , zal ook Ik u zeggen, door welke macht Ik deze-dingen doe. Het doopsel van Joannes, vanwaar was dat ? uit den hemel of uit de menschen ? Antwoordt Mij! Deze vraag bracht de Sanhedristen in verlegenheid; want, als zij antwoordden, dat het doopsel van Joannes uit den hemel was, dan moesten zij Joannes voor een godsgezant erkennen , en dan zou de Zaligmaker hen beschaamd maken door hun te vragen, waarom zij dan geweigerd hadden dien godsgezant te gelooven. En te zeggen, dat het doopsel van Joannes uit de menschen en dat dus Joannes zelf niet door God gezonden was, dit durfden zij niet; want dan liepen zij geva'ar door het volk, dat Joannes voor een waar profeet hield , gesteenigd -te worden. De Sanhedristen antwoordden dan op de vraag van Jesus: Wij weten het niet. Waarop de Zaligmaker hun zeide: Ook Ik zeg u niet, door welke macht Ik deze dingen doe.

Vervolgens stelde Hij de schijnheiligheid ten toon van die menschen, wien het volstrekt niet te doen was, om zich van de waarheid der zending van Gods gezanten te overtuigen, ten einde zoodoende den wil des Heeren te kennen en te volbrengen; wel namen zij den schijn aan, met alle bereidvaardigheid naar Gods bevelen te luisteren, maar het vervullen daarvan lieten zij aan anderen over. Deze schijnheiligheid verweet Jesus hun, zeggende: Wat dunkt u ? Zeker man had twee zonen en, tot den eerste komend, zeide hij: zoon, ga heden werken in mijnen wijngaard! Deze antwoordde: ik wil niet! Doch later door berouw bewogen, ging hij er heen. En tot den tweede komend, zeide hij hetzelfde en sprak insgelijks. Deze nu antwoordde : ik ga, heer ! en ging niet. — Wie van beiden heeft den wil des vaders gedaan ? — De eerste, zeiden de Sanhedristen, die aldus hun eigen vonnis uitspraken. Want zij, die in schijn zoo godvruchtig waren, hadden de roepstem Gods, die én door Joannes den Dooper én

ocr page 169

i5i

door den Heer Jesus zeiven tot hen gekomen was, niet gevolgd, terwijl velen die eerst weerspannig waren, zich later bekeerd hadden en gehoorzame kinderen waren geworden. Daarom zeide Jesus tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: de tollenaars en de ontuchtige vrouwen zullen u voorgaan in het Rijk Gods.

Na deze bestraffing der Sanhedristen liet Jesus de gelijkenis van de oproerige landbouwers volgen, waarin Hij de ondankbaarheid en de aanstaande straf van het Israëlie-tische volk voor oogen stelde. Een heer had een wijngaard geplant en aan landbouwers verhuurd; toen de oogsttijd gekomen was, zond hij zijnen dienaar om de verschuldigde pacht te ontvangen. Doch de landbouwers sloegen den dienaar en zonden hem ledig weg. De heer zond andere dienaars, en dezen werden door de landbou-Avers nog erger mishandeld, gesteenigd en gedood. (Aldus hadden de Joden in het Oude Testament de Profeten, die-God tot hen zond, mishandeld en om het leven gebracht.) Toen sprak de heer des wijngaards: Wat zal Ik doen? Ik zal mijnen beminden zoon zenden. Hij zond ten laatste zijnen geliefden zoon tot hen, zeggende: Mijnen zoon zullen zij ontzien! Zoodra de landbouwers den zoon zagen, spraken zij tot elkander: Deze is de erfgenaam! komt, laat ons hem dooden! en zijne erfenis zullen wij bezitten. En zij grepen hem , wierpen hem buiten den wijngaard en doodden hem. (Aldus zouden de Joden, na drie dagen, den Zoon Gods, die tot hen gekomen was, vermoorden). Nu vroeg Jesus aan de schare: Wanneer nu de heer des wijngaards komt, wat zal hij dien landbouwers doen.3 Men antwoordde: Hij zal de ellendelingen ellendig doen omkomen en zijnen wijngaard verhuren aan andere landbouwers, opdat deze hem, als het de tijd is, de vrucht opbrengen. En Jesus hernam: Ja hij zal komen en die landbouwers verdelgen en den wijngaard aan anderen geven. De Sanhedristen begrepen zeer goed, dat de Zaligmaker hen onder het beeld dier snoode landbouwers had voorgesteld, en, toen zij Hem de straf welke zij te wachten hadden, hoorden aankondigen, riepen zij uit: Dat zij verre! Doch Hij wees hen op de profetieën des Ouden Testaments, waarin voorspeld was, dat de oversten en leidsmannen des Israëlieti-

ocr page 170

152

schen volks den Messias zouden verwerpen, en besloot met te zeggen: Het Rijk Gods zal u ontnomen en gegeven worden aan een volk, dat de vruchten er van opbrengt.

Dit volk waren de heidenen; dezen zouden, nadat de Joden door hunne eigene schuld verworpen waren, tot het Rijk der hemelen geroepen worden, en zij zouden gehoor geven aan de goddelijke roeping. Dit leerde Jesus in de volgende gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal. Het Rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die een bruiloftsmaal aanrechtte voor zijnen zoon. En hij zond zijne dienaren om de genoodigden ter bruiloft te roepen; maar deze wilden niet komen. Wederom zond hij andere dienaren, zeggende: zegt aan de genoodigden: ziet, mijnen maaltijd heb ik bereid, mijne ossen en mestvee zijn geslacht en alles is gereed; komt ter bruiloft! Doch zij sloegen er geen acht op en gingen heen, deze naar zijne hoeve, gene tot zijnen handel; en de anderen grepen zelfs zijne dienaren, mishandelden hen smadelijk en doodden hen. Toen nu de koning dit vernam, werd hij vertoornd; hij zond zijne legers en verdelgde die moordenaars en stak hunne stad in brand. Daarop zeide hij tot zijne dienaren: het bruiloftsmaal is wel bereid, maar de genoodigden waren het niet waardig. Gaat dan naar de uitgangen der wegen en noodigt allen, zoovelen gij er vindt, ter bruiloft! En zijne dienaars gingen uit op de wegen, en brachten allen bijeen, die zij vonden, goeden en kwaden. En de bruiloft werd vervuld met aanzittenden.

Tot dus verre stelt de gelijkenis de onwilligheid, de verwerping en de straf van het Joodsche volk, benevens de roeping der heidenen en hunne opneming in de Kerk van Christus voor oogen. De Zaligmaker voegde echter nog een tweede deel aan de gelijkenis toe, om oi:s te leeren, dat onze zaligheid nog niet zeker is, al zijn wij ook in de Kerk van Christus opgenomen. Hij ging voort: De koning nu kwam binnen om de aanzittenden te z;en; en daar zag hij eenen mensch, die geen bruiloftskleed aan had. En hij zeide tot hem: vriend! hoe zijt gij hier binnengekomen, zonder een bruiloftskleed aan te hebben? En deze verstomde. Toen sprak de koning tot de dienaars: bindt hem handen en voeten en werpt hem in de uiterste

ocr page 171

153

duisternis; daar zal geween zijn en gekners der tanden. Velen toch zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Past dit laatste gedeelte der gelijkenis vooral op u zeiven toe, kinderen! Door het ontvangen des heiligen Doopsels zijt gij in de Kerk van Christus binnengegaan: toen heeft God u een heerlijk bruiloftskleed geschonken, want uwe ziel versierde Hij met de heiligmakende genade. Met dat kleed, hetzij vlekkeloos bewaard door een onschuldig leven. hetzij van alle smetten, waarmede het bezoedeld werd, gereinigd dooide boetvaardigheid, moet gij bekleed zijn, wanneer God komt om hen, die in de bruiloftszaal der Kerk vereenigd zijn, te zien. Het oogenblik van Gods komst is voor ieder mensch het oogenblik van zijn sterven. Wie dan dal bruiloftskleed aan heeft, wordt tot de eeuwige bruiloft des hemels toegelaten; maar wie zonder dat bruiloftskleed wordt gevonden, zal uitgeworpen worden in de uiterste duisternis, waar geween en gekners der tanden zal zijn. Bewaart dan uw bruiloftskleed rein en vlekkeloos.' En , hebt gij het ongeluk van het door zonden te bezoedelen, haast u dan, om het in het H. Sakrament der Biecht weder van alle smetten te zuiveren.'

LXIX*. Vervolg dek gebeurtenissen op Dinsdag in de goede week.

Terwijl Jesus voortging het volk te leeren, beraamden zijne vijanden eenen nieuwen aanval. De Joden waren namelijk verplicht cijns of schatting aan den Romeinschen keizer te betalen; de meesten hunner deden dit echter alleen uit dwang, daar zij van meening waren, dat het hun, omdat zij het volk Gods waren, niet geoorloofd was aan iemand anders dan aan God en voor den tempel schatting op te brengen. Er was evenwel ook eene partij, welke die der Herodianen genoemd werd en zeer Romeinsch gezind was; deze hield het betalen van schatting aan den Keizer voor geoorloofd en plichtmatig. De Pharizeën zonden eenigen hunner leerlingen, in wier gezelschap zich ook Herodianen bevonden, tot Jesus, en dezen spraken Hem aldus aan : Meester! wij weten, dat Gij de waarheid spreekt en den weg Gods naar waarheid leert en niemand ontziet, daar Gij op den persoon der menschen niet let. Zeg ons derhalve, wat u dunkt: is het geoorloofd den keizer cijns te betalen of niet? Deze in schijn zoo oprecht gemeende vraag was een strik, dien zij den Zaligmaker meenden te spannen; want zeide Hij, dat de schatting aan den keizer ongeoorloofd was, dan zouden de Herodianen Hem bij de Romeinsche overheid van oproerigheid beschuldigen; ant-

ocr page 172

i54

woorddc Hij andersom, dan zouden de Pharizeen Hem uitmaken voor iemand, die de voorrechten van het Israëlie-tische volk schond, en Hem in minachting trachten te brengen bij de menigte. Jesus, die deze booze plannen zijner ondervragers kende, sprak tot hen: Wat stelt gij mij op de proef, huichelaars? Toont Mij den cijns-penning! Zij reikten Hem eene denarie toe, welke de Romeinsche munt was, waarin de schatting moest betaald worden, en welke, door den stempel, dien zij droeg, de onderworpenheid van de Joden aan den Romeinschen keizer bewees. Op dit geldstuk wijzend, vroeg Jesus: Van wien is dit het beeld en het opschrift? Van den keizer, was het antwoord. — En Hij zeide: Geeft dan den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is. Dit antwoord verbaasde zijne vijanden , die zich beschaamd verwijderden.

Een anderen aanval deden de Sadduceën. Dit waren ongeloovigen, die de onsterfelijkheid van 's menschen ziel loochenden en • den spot dreven met de opstanding der dooden. Bij hetgeen zij den Zaligmaker voorstelden, maakten zij gebruik van een voorschrift der wet van Mozes, dat, wanneer een gehuwd man stierf zonder kinderen na te laten, zijn broeder verplicht was de weduwe tot vrouw te nemen, opdat de naam des overledenen niet zoude uitsterven. Nu verhaalden zij van eene vrouw, die achtereenvolgens de echtgenoote van zeven broeders geworden was, en vroegen: Van wien der zeven zal zij bij de opstanding de echtgenoote zijn? Jesus zeide tot hen, dat zij dwaalden en noch de H. Schrift noch de kracht Gods kenden ; want dat er in het toekomstig leven geen huwelijk-meer bestaan zou, maar dat zij, die met verheerlijkte en onsterfelijke lichamen zouden verrijzen, gelijk zouden zijn aan de engelen Gods. En om hun te toonen, hoe weinig zij wisten van de H. Schrift, haalde Hij uit de boeken van Mozes eene plaats aan, die de opstanding der dooden en de onsterfelijkheid der zielen duidelijk bewees. Toen namelijk God aan Mozes in het brandend braambosch verschenen was, had Hij gezegd: Ik ben de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jacob. Ten tijde dat God dit zeide, waren Abraham, Isaak en Jacob reeds lang gestorven; indien nu deze aartsvaders,

ocr page 173

155

na den dood huns lichaams, niet waren blijven voortleven, had God Zich niet Jnm God kunnen noemen; want God is geen God der dooden maar der levenden. Over deze leer des Verlossers stond de schare verwonderd, en zelfs zeiden eenige schriftgeleerden: Meester, Gij hebt goed gesproken!

Na deze nederlaag der Sadduceën trad terstond weder een Pharizeër, die leeraar der Wet was, op Jesus toe en vroeg Hem: Meester! wat is het groot gebod in de Wet, het eerste van al de geboden ? De Zaligmaker antwoordde : Het eerste van al de geboden is dit: Hoor Israël! De Heer uw God is een éénig God. Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel en uit geheel uw verstand en uit al uw vermogen. Dit is het grootste en eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk ; gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeiven. Een ander gebod, grooter dan deze, is er niet. Aan deze twee geboden hangt de geheele Wet en de Profeten. Ofschoon de wetgeleerde met eene kwade bedoeling tot Jesus gekomen was, maakte het antwoord, dat deze hem gaf, diepen indruk op zijn hart, en met oprechtheid zeide hij: Voortreffelijk Meester! naar waarheid hebt Gij gezegd, dat er één God is en geen ander buiten Hem. En dat men Hem beminne uit geheel zijn hart en uit geheel zijn verstand en uit geheel zijne ziel en uit geheel zijne kracht, en zijnen naaste beminne gelijk zichzelven, dat is grooter dan alle brand- en slachtoffers. En Jesus sprak tot den wetgeleerde: Gij zijt niet ver van het Rijk Gods!

Niemand waagde meer een nieuwen aanval; doch nu vroeg Jesus aan zijne vijanden: Wat dunkt u van den Christus ? Wiens Zoon is Hij ? — Van David, was hun antwoord. — En Jesus, zijne stem verheffend, opdat alle aanwezigen Hem zouden verstaan, hernam: Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Christus de Zoon van David is ? Immers noemt David zelf, in den Heiligen Geest (dat is door ingeving van den H. Geest), Hem Heer, zeggende in het boek der Psalmen: de Heer heeft gezegd tot mijnen Heer, zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden stelle tot voetbank uwer voeten ? Zoo dus David Hem Heer noemt, hoe is Hij zijn Zoon? De schriftgeleerden

ocr page 174

156

konden op deze vraag geen antwoord geven; en om het antwoord aan den Zaligmaker te vragen, daartoe waren zij te trotsch. Zij zwegen beschaamd en verbitterd.

Door het geloof verlicht, kunt gij, kinderen! de vraag van Christus beantwoorden. Hij is de Zeen van David, omdat Hij, naar zijne menschelijke natuur, van David afstamt; en Hij is de Heer van David, omdat Hij God is. Hij is dus Heer en Zoon van David, omdat Hij God en mensch is.

LXX. Woensdag van de goede Week. Christus' laatste Tempelbezoek

Op Woensdag verscheen de Verlosser voor de laatste maal in den tempel. Hij zette Zich neder in een der voorhoven, waar de offerkist stond, waarin velen hunne offers voor den tempel kwamen storten. Menige rijke wierp zware geldstukken in de kist; doch ook kwam er eene arme weduwe, die slechts twee kleine koperen geldstukjes, ter waarde van een paar centen, daarin liet vallen. Jesus wist, hoe gering hare' gift was, maar hij wist ook, dat zij alles gegeven had wat zij bezat. En Hij zeide tot zijne leerlingen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe er meer in geworpen heeft dan allen, die geld gestort hebben in de schatkist. Want zij allen gaven van hunnen overvloed ; deze echter heeft van hare behoefte gegeven alles wat zij had, haar geheel levensonderhoud.

Toen zich nu eene talrijke schare rondom Jesus verzameld had, zeide Hij: Op den stoel van Mozes zijn de schriftgeleerden en Pharizeën gezeten ; onderhoudt en doet derhalve alles, wat zij u zeggen; (voor zoover hunne voorschriften tot uitlegging der Wet, niet tot verdraaiing en verbastering daarvan dienen), doch doet niet naar hunne werken; want zij zeggen wel, maar doen niet. Want zij binden zware ondragelijke lasten samen en leggen die op de schouders der menschen; zij echter willen ze met hunnen vinger niet aanroeren. En al hunne werken doen zij, om door de menschen gezien te worden. Daarop waarschuwde Jesus vooral zijne Apostelen, om het voorbeeld dier Pharizeën niet na te volgen, om niet, evenals zij, te haken naar eeretitels en grootsche benamingen, maar zich altijd te herinneren, dat zij zooveel te nederiger moesten zijn, naarmate zij in rang en gezag meer verheven waren.

ocr page 175

i57

Nu wendde de Verlosser Zich rechtstreeks tot de Pharizeën en schriftgeleerden, om hunne boosheid ten toon te stellen en het masker van schijnheiligheid, waarachter zij zich verborgen en waardoor zij het volk misleidden, te verscheuren. Met strengheid en verontwaardiging sprak Hij : Wee u, schriftgeleerden én Pharizeën, huichelaars! Want gij sluit het Rijk der hemelen voor de menschen; zelf toch gaat gij er niet binnen, en hen, die (anders zouden) ingaan, laat gij niet ingaan. Wee u, schriftgeleerden en Pharizeën, huichelaars! Want gij eet de huizen der weduwen op, lange gebeden biddend; daarom zult gij een zwaarder oordeel ondergaan. Door hun vertoon van godsdienstigheid wisten zij zich bij eenvoudige zielen en vooral bij weduwen in te dringen, ten einde hare goederen in hunne handen te krijgen. Verder sprak Jesus het wee over de Pharizeën en schriftgeleerden uit, omdat zij alle moeite deden ten einde een geloofsleerling aan te winnen, en dien dan, door het inprenten hunner beginselen, nog slechter maakten dan zij zeiven waren; omdat zij de Wet van God verbasterden en allerlei kunstgrepen hadden uitgevonden, om Gods geboden straffeloos, gelijk zij voorgaven, te overtreden ; omdat zij uiterst nauwgezet waren in het onderhouden van weinig beduidende verordeningen, terwijl zij de voornaamste geboden der Wet verwaarloosden en, gelijk de Zaligmaker het uitdrukte, de mug uitzegen maar den kameel doorzwelgden. Vervolgens zeide Hij: Wee u, schriftgeleerden en Pharizeën, huichelaars! Want gij reinigt het buitenste van beker en schotel, maar van binnen zijt gij vol van roof en onreinheid. Blinde Pharizeër! reinig eerst het binnenste van beker en schotel, opdat het buitenste rein worde. Wee u, schriftgeleerden en Pharizeën, huichelaars! Want gij zijt gelijk aan wit gepleisterde graven, die van buiten schoon schijnen aan de menschen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid. Zoo ook scliijnt gij van buiten den menschen wel rechtvaardig toe, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid.

Het laatste en zwaarste wee sprak Jesus tegen die boos-wichten uit om reden van de misdaden, waaraan zij zich nog zouden schuldig maken , eerst tegen den Messias zeiven

ocr page 176

158

en vervolgens tegen zijne gezanten. Ze zouden de maat van de gruweldaden hunner vaders, die Gods profeten vermoord hadden, vol maken. Slangen, adderen-gebroedsel! sprak jesus hen toe, hoe zult gij het oordeel der hel ontvluchten? Daarom ziet. Ik zend tot u profeten en apostelen en wijzen en schriftgeleerden (dat is: predikers des Evangelies); en van hen zult gij er dooden en kruisigen, en van hen zult gij er geeselen in uwe Synagogen en vervolgen van stad tot stad; opdat op u kome al het rechtvaarclig bloed, dat op de aarde vergoten werd; opdat van dit geslacht afgeëischt worde het bloed van alle profeten, dat vergoten is sedert de grondvesting der wereld, van het bloed van Abel den rechtvaardige af tot het bloed van Zacharias, die omkwam tusschen het altaar en den tempel. Ja, zeg Ik u: het zal afgeëischt worden van dit geslacht.

Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen steenigt, die tot u gezonden zijn! Hoe dikwijls heb Ik uwe kinderen willen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen! En gij hebt niet gewild. Ziet, uw huis zal u woest gelaten worden! Want Ik zeg u : gij zult Mij van nu af niet meer zien, totdat gij zeggen zult: gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren !

Na deze woorden te hebben uitgesproken, verliet Jesus den tempel, om niet meer daarin te verschijnen. De prediking des Zaligmakers te Jeruzalem was nu ten einde. Niet aan vele inwoners van die stad had die prediking tot heil gestrekt; want, ofschoon Jesus zijne geloofwaar-heid en zijne goddelijke zending door talrijke en schitterende wonderen bevestigd had, de groote meerderheid geloofde niet in Hem. En onder degenen, welke Hem in hun hart voor den Messias erkenden, waren er nog velen, die hun geloof niet durfden belijden. Dit was inzonderheid het geval met menigeen uit de voornamen en de oversten, die, uit vrees voor de Pharizeën, zijne overtuiging ontveinsde en het niet waagde zich voor den Verlosser te verklaren; van dezulken zegt de Evangelist: zij hadden de eer bij de menschen meer lief dan de eer bij God.

ocr page 177

159

De laatste woorden, welke Christus in den tempel .sprak, bevatten de voorspelling, dat eenmaal ook de Jode.'i Hem als hunnen Messias zullen erkennen. Aan het einde der tijden zal ook Israel behouden worden; dan zullen de Joden de misdaad, welke hunne vaders bedreven hebben dooiden Heer Jesus aan het kruis te doen sterven, beseffen en beweenen;dan zullen ook zij zeggen: gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren; en genade vinden bij Hem, die ook voor hunne zaligheid heeft willen lijden en sterven.

LXXI. Christus' voorspellingen over de verwoesting van Jeruzalem en het Laatste Oordeel.

Toen Jesus met zijne Apostelen den tempel verliet, wees een hunner op de hechtheid en pracht der tempelgebouwen en zeide: Meester! zie, wat steenen en wat bouwwerken! Daarop antwoordde Jesus: Voorwaar, Ik zeg u: er zullen dagen komen , dat hier geen steen op den andere zal worden gelaten, zonder verbroken te worden.

De Zaligmaker ging nu uit Jeruzalem weder naarBethania ; doch, toen Hij op den olijfberg gekomen was, zette Hij Zich neder en vestigde zijne oogen op de stad, die beneden Hem lag. Zijne Apostelen vroegen Hem nu naar den tijd. waarop vervuld zou worden, wat Hij over den tempel voorspeld had, en tevens naar de voorteekenen van zijne tweede komst en van de voleinding der wereld.

Ten antwoord op deze dubbele vraag hield Jesus eene lange redevoering, waarin Hij zoowel sprak over de laatste jaren vóór den ondergang van Jeruzalem, als over de tijden, die aan het laatste oordeel onmiddellijk zullen voorafgaan. Aangaande de verwoesting van Jeruzalem zeide Hij onder anderen :

Wanneer gij Jeruzalem door een leger zult zien omsingeld worden, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. Wanneer gij dus den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniël gesproken is, zult zien staan in de heilige plaats, dat dan zij, die in Judea zijn, vluchten naar het gebergte; die in de stad zijn, dat zij vertrekken, en die in de omstreken zijn, dat zij haar niet binnengaan! Want er zal daar eene groote ellende zijn, gelijk er niet geweest is van het begin der wereld af tot nu toe, noch wezen zal. Groote verdrukking toch zal er zijn op het land, en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en gevangen weggevoerd worden

ocr page 178

i6o

onder alle volken; en Jeruzalem zal vertreden worden dooide heidenen. — Door den gruwel der verwoesting in de heilige plaats kan men de Romeinsche leger-standaarden verstaan , die op den heiligen tempelberg opgericht werden , toen een Syrisch landvoogd, zeven jaren vóór de verwoesting van Jeruzalem, op het punt was deze stad te veroveren. Hij trok echter weder af, en toen verlieten vele Christenen Jeruzalem en namen de wijk over den Jordaan.

In de laatste tijden, welke het einde dezer wereld voorafgaan, zullen er vreeselijke oorlogen zijn, aardbevingen, pestziekten, hongersnood, schrikwekkende luchtverschijnselen. De Christenen zullen hevig vervolgd, en velen zullen afvallig worden; er zullen valsche profeten opstaan en zelfs zullen sommigen hunner zich voor den Messias uitgeven; en dezen zullen groote teekenen en wonderen doen, om, zoo het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen te misleiden. En, wanneer de ondergang der wereld nabij is, als eerst het Evangelie gepredikt is geworden over de geheele aarde, dan, zeide Jesus, zullen er teekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op aarde ontsteltenis der volken door vervaardheid wegens het bruisen van zee en golven, als de menschen uitdrogen van angst en verwachting, wat der geheele wereld zal overkomen. En terstond na de verwarring dier dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan haar licht niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen geschokt worden. En dan zal het teeken van den Zoon des menschen in den hemel verschijnen; en dan zullen alle geslachten der aarde weeklagen, en zij zullen den Zoon des menschen op de wolken des hemels zien komen met groote kracht en majesteit. En zijne engelen zal Hij zenden met eene bazuin en groot geschal; en zij zullen zijne uitverkorenen vergaderen van de vier winden, van de uiteinden der hemelen tot aan hunne uiteinden. Wanneer nu deze dingen beginnen te gebeuren, ziet dan naar omhoog en heft uwe hoofden op; want uwe verlossing is nabij.

Tot bevestiging van de onfeilbare zekerheid dezer profetieën besloot Jesus ze met te zeggen: Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan. Doch eene nadere bepaling van den tijd, waarop

ocr page 179

i6i

-zijne woorden zullen vervuld worden, gat Hij niet, en alle verdere vraag daarnaar sloot hij uit, zeggende: Van dien dag en dat uur weet niemand, zelfs niet de engelen des hemels, maar de Vader alléén. Slechts dit heeft de Zaligmaker nog willen openbaren: dat zijne komst ten oordeel, ondanks al de voorteekenen, die haar zullen aankondigen, onverwacht wezen zal, en dat de menschen, evenals ten tijde van Noë, in zorgeloosheid en zingenot zullen voortleven, totdat eensklaps de dag van jammer hen overvalt. Waakt derhalve, zeide Jesus, want gij weet niet in welk uur uw Heer komen zal. Indien de huisvader wist, op wat uur de dief komen zou, voorzeker zou hij waken en niet toelaten, dat zijn huis doorgraven werd. Weest dus ook gij bereid, daar de Zoon des menschen komen zal op een uur, dat gij niet kent. Dat uwe lenden omgord en de lampen brandend zijn in uwe handen! en weest gij gelijk aan menschen , die hunnen heer afwachten, als hij van de bruiloft terugkeert, opdat zij, wanneer hij komt en aanklopt, hem terstond kunnen opendoen. Zalig die dienstknechten, welke de Heer, wanneer Hij komt, wakend zal vinden.

Tot deze waakzaamheid vermaande de Verlosser zijne leerlingen nog door hun de gelijkenis der wijze en dwaze maagden voor te stellen. Een bruidegom, die in den laten avond zijne bruid zou komen afhalen om haar uit het huis-harer ouders naar het zijne te geleiden, werd te gemoet gegaan door tien maagden, die hem met brandende lampen moesten afwachten. Vijf van deze maagden waren dwaas, onbedachtzaam en achteloos; zij namen niet meer olie dan in hare lampen was ; de andere vijf. echter waren wijs en voorzichtig en namen ook olie mede in hare kruiken. Toen nu de bruigom langer dan gewoonlijk uitbleef, vielen de tien maagden in slaap. Midden in den nacht werd er eensklaps geroepen: Ziet, de bruidegom komt! Gaat hem te gemoet! Toen ontwaakten de maagden en moesten hare lampen met nieuwe olie vullen. De dwazen zeiden nu tot de wijzen: Geeft ons van uwe olie, want onze lampen gaan uit. De wijzen antwoordden: Er mocht misschien niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever naar de ver-koopers en koopt voor u. Maar terwijl deze heengingen om te koopen, kwam de bruidegom, haalde zijne bruid

11

ocr page 180

102

af, ging met haar naar de feestzaal, en de vijf maagden, die gereed waren, traden met hem ter bruiloft binnen; en de deur werd gesloten. Ten laatste kwamen nu ook de andere maagden, zeggende : Heer, Heer, doe ons open! Maar hij antwoordde : Voorwaar, ik zeg u : ik ken u niet! — Waakt derhalve, zeide Jesus, want gij weet noch den dag noch het uur.

Nog eene andere gelijkenis, die der talenten, stelde de Zaligmaker voor, om zijne leerlingen en ons allen te leeren, dat onze waakzaamheid vooral bestaan moet in het goed gebruiken van de gaven, welke God ons verleend heeft, opdat wij, als onze Heer komt, niet met ledige handen voor Hem behoeven te verschijnen. De gelijkenis der talenten heeft zeer veel overeenkomst met de gelijkenis der tien ponden. Een heer gaf, eer hij buiten 's lands vertrok, zijne goederen aan zijne dienaren , opdat zij daarmede handel zouden drijven; hij verdeelde ze onder hen, naar gelang hunne bekwaamheid, en gaf den eene vijf, den andere twee, eenen derde slechts één talent. De beide eersten dreven handel en wonnen zooveel, als zij ontvangen hadden; de laatste echter groef een kuil in den grond en verborg het geld zijns heeren daarin. Na langen tijd kwam de heer terug en hield rekening met zijne dienaren. En hij, die de vijf talenten ontvangen had, naderde en bood vijf andere talenten aan, zeggende: Heer! vijf talenten hebt gij mij in handen gegeven; zie, vijf andere heb ik overgewonnen. Zijn heer zeide hem: Welaan, gij goede en getrouwe dienstknecht! Omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen; ga binnen in de vreugde uws heeren! En ook hij, die de twee talenten ontvangen had, naderde en sprak : Heer! twee talenten hebt gij mij in handen gegeven; zie, twee andere heb ik gewonnen. Zijn heer zeide hem: Welaan, gij goede en getrouwe dienstknecht! Omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen; ga binnen in de vreugde uws heeren! Nu verscheen ook de dienaar, die één talent ontvangen had, voor zijnen heer en zeide: Heer! ik weet dat gij een gestreng man zijt; gij maait waar gij niet gezaaid hebt, en gij zamelt in waar gij niet hebt uitgestrooid. En uit vrees ben ik heengegaan en heb ik uw talent in den

ocr page 181

163

grond verborgen; zie hier wat het uwe is. De heer antwoordde hem: Gij booze en trage knecht; gij wist, dat ik maai waar ik niet zaai, en dat ik inzamel waar ik niet heb uitgestrooid; derhalve hadt gij mijn geld bij de wisselaars moeten uitzetten, en ik zou, te huis komend, het mijne zeker met winst hebben terugontvangen. Ontneemt hem dus het talent en geeft het aan dengene, die de tien talenten heeft. Want aan ieder, die heeft (dat is: die met de geschonken gaven voordeel heeft gedaan), zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar aan hem, die niet heeft (dat is; die de hem geschonken gaven niet gebruikt heeft), zal ook wat hij schijnt te hebben ontnomen worden. En werpt den onnutten knecht in de uiterste duisternis; daar zal geween zijn en gekners der tanden.

LXXI*. Het Laatste Oordeel.

De Zaligmaker besloot zijne onderrichtingen aan zijne Apostelen met eene treffende beschrijving van het oordeel, dat Hij, bij zijne tweede komst, over de wereld houden zal. Als de dooden op het geschal van de bazuin der engelen, zullen verrezen zijn, dan zal de Zoon des men-schen in zijne heerlijkheid verschijnen, en alle engelen met Hem; en Hij zal zitten op den troon zijner glorie. En alle volken zullen voor Hem vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk een herder de schapen van de bokken afscheidt; en de schapen zal Hij aan zijne rechterhand stellen en de bokken aan zijne linkerhand. Dan zal de Koning zeggen tot degenen, die aan zijne rechterhand zullen zijn: komt, gezegenden mijns Vaders! neemt bezit van het Rijk, dat voor u bereid is van de grondvesting der wereld af. Want Ik had honger, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij opgenomen; naakt, en gij hebt Mij gekleed; ziek, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. — Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer! Wanneer zagen wij U hongerig en spijzigden wij U? dorstend en gaven wij-U te drinken ? En wanneer zagen wij U vreemdeling en namen

ocr page 182

164

wij U op, of naakt en kleedden wij U? Of wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en kwamen wij tot U ? — En de Koning zal antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voorzoover gij dit gedaan hebt aan één van deze mijne geringste broeders, hebt gij het aan Mij gedaan.

Dan zal Hij ook zeggen tot hen, die aan de linkerhand zullen zijn: gaat weg van Mij, vervloekten in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik had dorst, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij niet opgenomen; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. — Dan zullen ook dezen Hem antwoorden en zeggen: Heer! Wanneer zagen wij U hongerig of dorstig of vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en bewezen wij U geen dienst ? — En dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: voorwaar, Ik zeg u: voorzoover gij dit niet gedaan hebt aan één van deze ge-ringsten, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan.

En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

Nadat Jesus al deze woorden gesproken had, stond Hij op, daalde van den olijfberg af en ging naar Bethania, waar Hij voor het laatst den nacht zou doorbrengen. Dit verklaarde Hij duidelijk aan zijne leerlingen, zeggende: Gij weet, dat het na twee dagen Paschen zal zijn, en de Zoon des menschen zal worden overgeleverd om gekruisigd te worden. Den volgenden dag bracht Jesus grootendeels te Bethania door, totdat Hij tegen den avond weder naar Jerusalem ging, om het laatste avondmaal met zijne Apostelen te houden.

Uit de beschrijving, welke Christus van het laatste oordeel gegeven heeft, moet gij vooral leeren, kinderen! ten eerste , hoe hoog van waarde in de oogen des Heeren de werken der Christelijke liefdadigheid zijn, daar Christus datgene, wat wij aan de armen doen, rekent, alsof het aan Hem zeiven gedaan is, en ten tweede, hoe duidelijk Christus de straffen in het volgend leven verkondigt, door te zeggen, dat de \eroor-deelden zullen gaan in de eeuwige pijn en in het eeuwige vuur. — Laat verder het schrikwekkend tooneel, dat de Zaligmaker beschrijft, altijd voor uwe oogen staan! Ook gij zult eenmaal aan de rechter- of linkerhand

ocr page 183

I65

des goddelijken rechters staan; ook gij zult eens uit zijnen mond hoorei, of: komt ge zegenden! of: gaai vervloekten! En als gij aan deze toekomst denkt, herinnert u dan, wat de Zaligmaker bij eene andere gelegenheid zeide: De Zoon des menschen zal komen in de glorie zijns Vaders met zijne engelen; en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijne werken. Van u zeiven en van uwe werken zal het dus afhangen, wat uw lot zal zijn op den grooten en vreeselijken oordeelsdag.

ocr page 184

TWEEDE AFDEELING.

GESCHIEDENIS VAN CHRISTUS' LIJDEN, STERVEN, VERRIJZENIS EN HEMELVAART.

LXXII. De Paaschmaaltijd.

Op den dag voor Paschen moest, volgens de wet des Ouden Verbonds, het paaschlam geslacht en na den ondergang der zon gegeten worden. Op dezen dag dan vroegen de leerlingen aan Jesus , waar zij den paaschmaaltijd moesten in gereedheid brengen. Jesus zeide toen tot Petrus en Joannes: Gaat naar de stad; en ziet, als gij haar binnentreedt, zal u een mensch te gemoet komen, die eene kruik met water draagt; volgt hem naar het huis, waar hij ingaat, en zegt tot den huisvader: de Meester zegt u: mijn tijd is nabij ; bij u houd Ik met mijne leerlingen het Paschen. Waar is mijne eetzaal, waar Ik met mijne leerlingen het paaschlam eten kan ? — En hij zal u eene groote toebereide eetzaal aanwijzen; en maakt het daar voor ons gereed.

De twee Apostelen gingen, bevonden alles juist zooals hun alwetende Meester het gezegd had, en brachten den paaschmaaltijd in gereedheid. Tegen den avond kwam Jesus met zijne overige leerlingen en zette zich met de twaalf aan tafel. Aan zijne rechterhand zat Joannes, aan zijne linkerhand Petrus; ook Judas bevond zich dicht bij den Zaligmaker. Misschien was de plaatsing aan tafel de reden van een twist, die er tusschen de Apostelen ontstond over den voorrang. Jesus berispte hen daarover en vermaande hen tot nederigheid en tot navolging van het voorbeeld der diepste zelfvernedering, dat Hij hun na eenige oogen-blikken geven zou.

Op de tafel, waaraan Jesus met zijne Apostelen gezeten is, staat het paaschlam, dat .gedurende vijftien eeuwen de

ocr page 185

ió;

voorafbeelding geweest is van het waarachtige Lam Gods, dat nu na weinige uren zal geslacht worden; die tafel draagt ook reeds het brood en den wijn, die bestemd zijn om te dienen bij de instelling van het heilig Offer des Nieuwen Testaments, dat in dezen nacht voor de eerste maal door Jesus zei ven zal worden opgedragen. O hoe brandde het hart des Verlossers van liefde, nu Hij toonen ging, dat Hij de zijnen, die Hij van den beginne af had liefgehad, op den dag vóór Paschen ten einde toe bemind heeft! Met verlangen , zeide Hij, heb ik verlangd dit Paschen met u te eten, eer Ik lijde. Want Ik zeg u: voortaan zal Ik het niet eten, totdat het vervuld worde in het Rijk Gods. Deze woorden sprak Jesus, waarschijnlijk toen Hij het vleesch van het paaschlam aan zijne Apostelen ronddeelde, om hun de verzekering te geven, dat de maaltijd, dien Hij met hen hield, een afscheidsmaal was; ook bij het rondgaan van een der bekers met wijn sprak Hij : Neemt en deelt dien onder u. Want Ik zeg u: Ik zal van deze vrucht des wijnstoks niet drinken, totdat het Rijk-Gods kome; tot op dien dag, waarop Ik ze met u nieuw zal drinken in het Rijk mijns Vaders.

LXXIII. VOETWASSCHING. AANWIJZING DES VERRADERS.

De paaschmaaltijd des Ouden Testaments was afgeloopen. En de Heer Jesus, wetend dat de Vader Hem alles in handen heeft gegeven, en dat Hij van God is uitgegaan en tot God henengaat, stond op van den maaltijd, legde zijn opperkleed af, omgordde Zich met een linnen doek' en goot water in het bekken, dat gereed stond voor de voetwassching, welke, naar Joodsch gebruik, den maaltijd voorafging, Toen naderde Hij tot zijne Apostelen, die aan tafel waren blijven aanliggen, boog Zich achter hen neder en begon hunne voeten te wasschen en ze af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was. Wat moet er in het, hart der Apostelen zijn omgegaan, toen zij hun Meester, wiens goddelijke grootheid zij erkend hadden , daar een werk zagen verrichten, dat slechts door de geringste slaven placht te geschieden! Voor Petrus inzonderheid was de gedachte, dat zijn Meester hem de voeten zou wasschen,

ocr page 186

168

onuitstaanbaar, en toen Jesus tot hem gekomen was, riep hij uit: Heer! Gij wascht mij de voeten! Jesus zeide tot hem: Wat Ik doe, begrijpt gij nu niet; doch later zult gij het begrijpen, Zonder op dit antwoord acht te slaan , hernam Petrus: Gij zult mij in eeuwigheid de voeten niet wasschen. Nu sprak Jesus met strengen ernst; Indien ik u niet wasch,. zult gij geen deel met Mij hebben. Verschrikt door deze bedreiging zeide Petrus nu : Heer ! niet slechts mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd! Jesus antwoordde: Die gewasschen is, heeft niet noodig dan dat hij zijne voeten wassche, maar is geheel rein, En tot al zijne Apostelen het woord richtend, vervolgde Hij: en gijlieden zijt rein, doch niet allen. Want Jesus wist, wie degene was, die Hem zoude verraden; daarom zeide Hij: Niet allen zijt gij rein.

Nadat Jesus nu de voeten van al de Apostelen gewasschen en zijn opperkleed aangetrokken had, zette Hij Zich weder aan tafel en sprak tot zijne leerlingen: Weet gij,, wat Ik u gedaan heb ? Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt wel, want Ik ben het. Als dus Ik, de Heer en Meester, uwe voeten gewasschen heb, moet ook gij elkanders voeten wasschen. Want een voorbeeld heb Ik u gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan heb, ook gij aldus doen moogt. Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u: een dienaar is niet meer dan zijn heer, en een gezant is niet meer dan degene, die hem gezonden heeft. Zoo gij dit weet,, zalig zult gij zijn, indien gij het zult gedaan hebben.

De rampzalige Judas was niet getroffen geworden, toen zijn Meester ook hem de voeten wiesch; en toen deze tot zijne leerlingen zeide: Gijlieden zijt rein, doch niet allen,. had hij wel begrepen, dat hij bedoeld werd; doch geen berouw vermurwde zijn verstokt hart. Jesus wilde eciiter niet, dat zijne leerlingen onvoorbereid zouden zijn tegen de ergernis, welke een uit hun midden geven zou; ook wilde Hij alles doen, wat Hij kon, om den gevallen Apostel tot bekeering te brengen. Met diepe ontroering zeide Hij : Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: één van u zal Mij verraden. Verschrikt staarden de Apostelen elkander aan en begonnen, de een voor, de andere na, aan Jesus te vragen : Ben ik het, Heer ? Zij wisten wel, dat zij het niet waren, maar ieder hunner verlangde uit Jesus' eigen mond de

ocr page 187

169

verzekering te ontvangen, dat hij de bedoelde niet was. Judas alleen zweeg en verhardde zijn gemoed. Jesus herhaalde : Eén van de twaalf, die met Mij de hand in den schotel doopt, hij zal Mij verraden. Door dit te zeggen duidde Hij den ongelukkige nader aan; want, daar er op de tafel meerdere kleine schotels stonden, waarin men de spijzen doopte, moest degene, die met Jesus in denzelfden schotel doopte, dicht bij Hem gezeten zijn. Op deze nadere aanwijzing liet de Zaligmaker tot laatste waarschuwing van Judas nog volgen: De Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven staat; wee echter den mensch, door wien de Zoon des menschen zal overgeleverd worden! Het ware dien mensch goed, indien hij niet geboren was! Ook deze vreeselijke bedreiging bracht Judas niet tot inkeer.

De apostel Petrus gaf nu aan Joannes een teeken, opdat deze aan Jesus vragen zoude, wie de verrader was. Joannes liet het hoofd op de borst zijns Meesters vallen en vroeg, zonder dat de anderen het hoorden: Heer! wie is het ? Even zacht antwoordde Jesus: Die is het, aan wien Ik het ingedoopte brood zal toereiken. Toen doopte Hij eene bete broods , die Hij in zijne hand had , in een der kleine schotels , en gaf ze aan Judas. Deze nam ze aan en vroeg nu ook: Ben ik het. Meester? —Gij hebt het gezegd, antwoordde Jesus; en, ofschoon de overige Apostelen den verrader nog niet, gelijk Joannes, met zekerheid kenden, Judas zelf wist nu genoeg. Nog was het tijd geweest voor berouw; maar hij wilde niet, en de duivel nam zijne geheele ziel in bezit. Na de bete broods voer de Satan in hem, en Judas stond op om heen te gaan. Wat gij doet, doe dat haas-telijk! riep Jesus hem toe, want Hij wilde niet, dat de heilige plaats, waar Hij Zich met zijne Apostelen bevond, langer door de tegenwoordigheid van een booswicht zou bezoedeld worden; en Judas ging heen.

De Apostelen dachten niet, dat Judas nu zijn verraad ging volvoeren ; eenigen schreven zelfs zijn plotseling vertrek aan geheel andere redenen toe en meenden , dat hij de zaal verliet om, op last van Jesus, het een of ander, dat men voorden feestdag noodig had, te koopen, of om aalmoezen onder de armen uit te deelen. Toen Judas wegging , was de nacht reeds begonnen; denkelijk was het tusschen acht en negen ure.

ocr page 188

170

LXXIV. Instelling van het H. Sakrament des Altaars.

Een jaar geleden had de Zaligmaker beloofd, dat Hij zijn Vleesch tot spijs en zijn Bloed tot drank zou geven; in de zaal van het laatste avondmaal heeft Hij die belofte vervuld. Toen dan het tweede gedeelte van den maaltijd, dat door de voetwassching was voorafgaan, ten einde liep, nam Jesus brood , zegende en brak het en gaf het aan zijne leerlingen , zeggende: Neemt en eet! Dit is mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt. Doet dit tot mijne gedachtenis. Vervolgens nam Hij den kelk met wijn, zegende dien insgelijks en gaf hem aan zijne leerlingen zeggende: Drinkt hieruit allen! Dit is mijn Bloed des Nieuwen Testaments; dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis van zonden. Doet dit, zoo dikwijls gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis! — ziedaar de heilige en ontzaglijke woorden, die alleen konden uitgesproken worden door Hem, die God is, omdat goddelijke macht en goddelijke liefde alleen in staat waren het wonder te werken, dat krachtens deze woorden geschiedde.

Uit de door Christus gesprokene woorden is het duidelijk , dat Hij het brood en den wijn door zijne almacht in zijn Lichaam en Bloed veranderd heeft. Want, indien datgene, wat Hij aan zijne Apostelen gaf, nog brood was geweest, dan had Hij niet kunnen zeggen: Dit is mijn Lichaam; en als er in den kelk, dien Hij hun toereikte, nog w ij n was geweest, dan had Hij niet kunnen zeggen : Dit is mijn Bloed. Christus heeft evenwel gezegd : Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed, en wat Christus zegt is onfeilbaar waar; derhalve is datgene, wat eerst brood en wijn was, in het Lichaam en Bloed van Christus veranderd geworden. — Door het wonder dezer verandering, welke zelfstandigheids-verandering heet, te verrichten, heeft Christus het H. Sakrament des Altaars ingesteld, waarin Hij wezenlijk-tegenwoordig is onder de gedaanten van brood en wijn.

Toen de Zaligmaker het brood en den wijn in zijn Lichaam en Bloed veranderde, heeft Hij tevens Zich zeiven aan God, zijnen hemelschen Vader, op eene onbloedige wijze, opgeofferd, en aldus het onbloedig offer des Nieuwen Testaments, het heilig Misoffer, ingesteld. Den volgenden dag

ocr page 189

i/r

zou Hij Zich zeiven aan het kruis, door het vergieten van zijn Bloed, aan God ten offer opdragen; maar ook in het laatste avondmaal werd zijn Lichaam als offer gegeven, en werd zijn Bloed, op eene geheimzinnige wijze, als offer tot vergiffenis van zonden vergoten. — Het bloedige Offer des kruises en het onbloedige Offer der Mis is daarom één en hetzelfde Offer; Hij, die Zich zeiven opofferde aan het kruis, offerde ook Zich zeiven op, toen Hij, op den avond voor zijn lijden, de eerste heilige Mis deed; en ook in het vervolg zal Hij het zijn, die Zich zeiven, door de bediening zijner priesters, in de heilige Mis opoffert. In beide Offers, dat van het kruis en dat van de heilige Mis, is dus èn Hij, die offert, èn Hij, die geofferd wordt, één en dezelfde Christus; het eenige verschil tusschen de beide Offers is de wijze van opoffering : deze was op het kruis eene bloedige en is in de heilige Mis eene onbloedige.

Christus zeide tot zijne Apostelen: Doet dit tot mijne gedachtenis. Wat nu moesten zij doen ? Hetzelfde wat Christus gedaan had. Ook zij moesten namelijk brood en wijn veranderen in Christus' Lichaam en Bloed en, als zij dienaars, zijn Lichaam en Bloed onder de gedaanten van brood en wijn aan God den Vader opofferen. Dit echter konden zij niet doen, tenzij hun de macht om het te doen verleend werd. Als Christus hun dus het bevel geeft om dit te doen, heeft Hij hun tevens de macht daartoe gegeven. En omdat in deze macht het hoofdkarakter van het Priesterschap des Nieznven Testaments bestaat, heeft Christus in het laatste avondmaal het H. Sakrament des Priesterschaps ingesteld en zijne Apostelen tot eerste Priesters gewijd.

Christus heeft in het laatste avondmaal, door Zich zeiven op te offeren en vervolgens zijn Lichaam als offerspijs en zijn Bloed als offerdrank aan zijne Apostelen te eten en te drinken te geven, het Nieuwe Testament ingesteld en, als de éénige Middelaar Gods en der menschen , het Nieuwe Verbond tusschen God en de menschen gesloten, hetwelk Hij, door eenige uren later den dood te sterven, volmaakt en voor eeuwig bekrachtigd heeft. Toen door Mozes, den middelaar des Ouden Testaments, het onvolmaakte en tijdelijke Verbond tusschen God en de Joden gesloten

ocr page 190

172

werd, zeide Mozes, terwijl hij het volk met het offerbloed besprengde: Dit is het bloed des Verbonds, dat God met h gesloten heeft; zoo heeft ook Christus, toen Hij, de Middelaar des Nieuwen Testaments, het volmaakte en eeuwige Verbond tusschen God en de menschen sloot, gezegd: Dit is mijn Bloed des Nieuwen Testaments. Het Oude Testament hield toen op te bestaan; het Nieuwe begon, om voort te duren in alle eeuwigheid.

LXXV. Verdere gebeurtenissen in de zaal des Avondmaals. Begin van Christus' Afscheidsrede.

Nadat het H. Sakrament des altaars ingesteld was, en de Apostelen de H. Communie ontvangen hadden, bad Jesus met hen eenen lofzang tot dankzegging en begon Hij hen op het nabijzijnd uur van scheiding voor te bereiden. Kinderkens! zeide Hij, nog kort ben ik bij u. Gij zult Mij zoeken; en, gelijk Ik aan de Joden gezegd heb: waar Ik h.eenga, kunt gij niet komen, zeg Ik nu ook tot u. Een nieuw gebod geef Ik u: dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad; dat ook gij elkander zóó liefhebt. Daaraan zullen allen erkennen dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij liefde hebt voor elkander. De Apostelen hadden niet begrepen, wat hun Meester met zijn heengaan bedoelde; en Petrus vroeg: Heer! waar gaat Gij heen? Jesus antwoordde: Waar ik heenga, kunt gij Mij niet volgen; doch later zult gij volgen.

Aldus gaf de Zaligmaker aan Petrus de verzekering, dat hij de deelgenoot worden zou van het lijden en kruis zijns Meesters. Doch dit zou eerst vele jaren later geschieden. Eerst moest Petrus, als hoofd van Christus' Kerk eene groote en zware taak volbrengen; eerst moest hij, de toekomstige Paus, die Kerk op aarde in haar middelpunt vestigen en de steun zijn van zijne mede-apostelen en van al de Christenen. Deze taak wees Jesus hem aan , zeggende: Simon! Simon! zie, de Satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe. (Dit beteekent, dat de duivel de hevigste aanvallen zal doen op de Apostelen om hen afvallig te maken van het geloof.) Maar ik heb gebeden voor u, opdat uw geloof niet bezwijke. En gij, eens bekeerd zijnde, versterk uwe broeders!

ocr page 191

173

Petrus was met de verzekering, welke Jesus hem had gegeven, dat hij later zijnen Meester zou volgen, niet tevreden; zijne oprechte en vurige liefde meende nu reeds tot alles in staat te zijn, en hij sprak: Heer! ik ben bereid met U zelfs in de gevangenis en in den dood te gaan! Mijn leven zal ik voor U geven! Jesus antwoordde hem: Uw leven zult gij voor mij geven? Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, Petrus! de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij Mij kent. En, zonder Petrus den tijd te laten tot tegenspraak, richtte Jesus het woord tot al de Apostelen, om hen op de bange en gevaarvolle dagen te wijzen, die voor hen gingen aanbreken: Want, zeide Hij, ook dit nog, wat geschreven staat: En met de boosdoeners is Hij gerekend, moet in Mij vervuld worden, • Want hetgeen Mij betreft heeft een einde , dat is : de profetieën over mijn lijden en sterven zijn op het punt van vervuld te worden.

Vervolgens sprak Jesus tot zijne leerlingen: Uw hart worde niet ontroerd: Gij gelooft in God; gelooft ook in Mij! In het huis mijns vaders zijn vele woningen. Ik ga u eene plaats bereiden en Ik zal u tot mij nemen, opdat, waar ik ben, ook gij zijn moogt. En waar Ik heenga, weet gij, en ook den weg weet gij. Nu zeide de apostel Thomas: Heer! wij weten niet, waar Gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten? Waarop Jesus antwoordde: Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader tenzij door Mij.

Op de vraag van den apostel Philippus: Heer! toon ons den Vader, en het is ons genoeg, antwoordde Jesus: Philippus! die Mij ziet, ziet ook den Vader. Hoe vraagt gij dan: toon ons den Vader? Gelooft gijlieden niet, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is? Door deze woorden legde de Zaligmaker eene zeer sterke getuigenis af van zijne éénheid met den Vader en derhalve van zijne Godheid. Deze groote waarheid, dat Hij God is, verkondigde Hij op den laatsten avond van zijn leven meerdere malen; want vooral nu moesten de Apostelen, die weldra hunnen Meester als mensch zouden zien lijden en sterven, er van overtuigd zijn, dat die Meester God was; om die overtuiging te bevestigen en onwankelbaar te maken ,

ocr page 192

174

beriep Jesus Zich ook nu weder op de wonderen, welke zijne Apostelen Hem hadden zien verrichten, en zeide tot hen, gelijk Hij zoo dikwijls tot de Joden gezegd had: Gelooft om de werken! En terstond daarop gaf Hij hun een nieuw bewijs van zijne gelijkheid met God den Vader, door te zeggen: Al wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, dat zal Ik doen, opdat de Vader verheerlijkt worde in den Zoon. Zoo gij Mij iets in mijnen naam zult vragen, dat zal Ik doen.

Verder beloofde Jesus, dat de Heilige Geest tot zijne Apostelen komen zou. Indien gij Mij liefhebt, zeide Hij, onderhoudt mijne geboden; en Ik zal den Vader vragen, en Hij zal u eenen anderen Parakleet geven, opdat deze met u blijve in eeuwigheid; den Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet ziet noch Hem kent; gij echter zult Hem kennen, omdat Hij bij u blijven en in u zijn zal. De Parakleet, de Heilige Geest, dien de Vader in mijnen naam zal zenden. Hij zal u alles leeren en u al, wat Ik u gezegd heb, indachtig maken.

Eindelijk nam Jesus afscheid van zijne Apostelen, zeggende: Vrede laat Ik u; mijnen vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld dien geeft, geef Ik hem aan u. En daar dit afscheidswoord een pijnlijken indruk op de Apostelen maakte, liet de Zaligmaker er op volgen: Dat uw hart niet verontrust worde noch vreeze. Indien gij mij liefhadt, zoudt gij u zeker verblijden, omdat Ik tot den Vader ga ; want de Vader is grooter dan Ik. Ik zal niet veel meer met u spreken. Want de vorst dezer wereld komt, doch hij heeft niets aan Mij. (Dit beteekent: de duivel is gereed om den grooten strijd tegen Mij te beginnen; wel heeft hij geen macht over Mij, maar uit vrijen wil en vrije gehoorzaamheid aan het gebod mijns Vaders, lever ik Mij zeiven over in de macht der duisternis.) Maar opdat de wereld erkenne, dat Ik den Vader liefheb en doe zóóals de Vader Mij bevolen heeft, staat op, laat ons van hier gaan!

De naam Parakleet, waarmede God de Heilige Geest hier genoemd wordt, beteekent eigenlijk een te hulp geroepene en kan ook door helper, waarsprekcr, vertrooster vertaald worden. In het Hollandsch wordt de Heilige Geest gewoonlijk de Trooster genoemd.

Indien gij Mij lief hadt, beteekent niet, dat de Apostelen Christus niet

ocr page 193

175

liefhadden, maar dat hunne droefheid over zijn heengaan niet in overeenstemming was met hunne liefde voor Hem.

De Vader is grooter dan Ik, zeide Christus, nadat Hij. een oogenblik te voren, verklaard had, dat Hij gelijk is aan den Vader. Deze twee uitspraken hebben betrekking op de twee naturen van Christus; als God is Hij den Vader in alles gelijk; als mensch is Hij minder dan de Vader.

LXXVI. Vervolg van Christus' Afscheidsrede.

Veel sprak Christus nog onder weg tot zijne Apostelen om hen te onderrichten, te vertroosten en tegen de bange toekomst, welke hen wachtte, te versterken. Hij begon met hun de gelijkenis van den wijnstok voor te stellen. Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman. Elke rank, die in Mij geen vrucht draagt, zal Hij wegnemen ; en elke, die vrucht draagt, zal Hij reinigen, opdat zij meer vrucht voortbrenge. Blijft in Mij en Ik in u. Gelijk de rank geen vrucht kan dragen uit zich zelve, als zij niet blijft in den wijnstok, zoo ook gij niet, als gij niet in Mij blijft. Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Die in Mij blijft en Ik in hem, draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. Zoo iemand niet in Mij blijft, zal hij worden buitengeworpen, gelijk de rank, en verdorren ; en men zal ze vergaderen en in het vuur werpen , en zij brandt.

In Christus blijven wil zeggen: met Hem vereenigd blijven door de liefde: Gelijk de Vader Mij bemind heeft, zegt Hij, heb ook Ik u bemind. Blijft in mijne liefde! Indien gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven; gelijk ook Ik de geboden mijns Vaders onderhouden heb, en in zijne liefde blijf. Dit is mijn gebod : dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad.

Verder voorspelde Christus zijnen Apostelen den haat, welken zij van den kant der wereld te wachten hadden: Indien de Lwereld u haat, weet dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Zoo gij van de wereld waart, zou de wereld beminnen wat het hare was; daar gij echter niet van de wereld zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u. Gedenkt mijn woord, dat ik u gezegd heb : een dienaar is niet meer dan zijn heer ; hebben zij mij vervolgd, ook u zullen zij vervolgen. Na zijne Apos-

ocr page 194

176

telen op nieuw den Heiligen Geest beloofd te hebben, die met en door hen getuigenis zou afleggen, ging Hij voort met hun te voorspellen, wat zij om wille van zijnen naam zouden te lijden hebben, Niet alleen zouden de Joden hen uit de Synagogen verbannen, maar, zeide Jesus, het uur komt, dat al wie u doodt, meenen zal Gode dienst te doen. En dit zullen zij u aandoen, omdat zij noch den Vader

noch Mij kennen.

Om de Apostelen te troosten over zijne aanstaande scheiding van hen, sprak Jesus: Ik zeg vi de waarheid; het is u nuttig, dat Ik heenga; want indien Ik niet wegga, zal de Parakleet niet tot u komen; maar indien Ik wegga, zal Ik Hem tot u zenden. Hij zal u alle waarheid leeren. Hij zal Mij verheerlijken, want van het mijne zal Hij ontvangen en het u verkondigen. Alles, wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij zal van het mijne ontvangen en het u verkondigen. — Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: gij * zult schreien en weenen, doch de wereld zal zich verheugen; gij echter zult in droefheid zijn; maar uwe droefheid zal in vreugde veranderen. Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verheugen, en niemand zal u uwe vreugde ontnemen.

Toen Jesus eindelijk aan het slot van zijne afscheidsrede gekomen was, zeide Hij: Ik ben van den V ader uitgegaan en in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld en ga Ik tot den Vader. Bij het vernemen dezer zoo duidelijke verklaring, riepen de Apostelen uit: Zie, nu spreekt Gij openlijk en zegt geene gelijkenis! Tevens beleden zij hun geloof aan hetgeen hun Meester zeide: Wij gelooven, dat Gij van God zijt uitgegaan. Jesus antwoordde hun: Gelooft gij nu? Ziet, het uur komt en is reeds gekomen, dat gij verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en Mij alleen zult laten. Doch Ik ben niet alleen, omdat de Vader met Mij is. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat gij vrede moogt hebben in Mij. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed! Ik heb de wereld overwonnen.

ocr page 195

177

LXXVII. Het Hoogepriesterlijk Gebed des Heeren.

De laatste woorden, welke onze Zaligmaker uitsprak, voor Hij zijn lijden begon , waren een prachtig en verheven gebed tot zijnen hemelschen Vader; eerst bad Hij, als mensch, om zijne eigene verheerlijking, en vervolgens bad Hij voor zijne Apostelen en voor alle Christenen. Met ten hemel geslagene oogen sprak Hij:

Vader! het uur is gekomen; verheerlijk uwen Zoon, opdat uw Zoon u verheerlijke, gelijk Gij Hem macht gegeven hebt oyer alle vleesch, opdat Hij aan allen. die Gij Hem gegeven, hebt, het eeuwig leven schenke. En dit is het eeuwig leven: dat zij U kennen, den eenigen waren God, en dien Gij gezonden hebt, Jesus Christus. Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb het werk volbracht, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu verheerlijk Mij, Gij Vader! bij U zeiven met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.

Ik heb uwen naam geopenbaard aan de menschen, welke Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren de uwen, en Gij hebt hen aan Mij gegeven; en uw woord hebben zij onderhouden. Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik, maar voor dezen, die Gij Mij gegeven hebt; immers zijn zij de uwen; — ën al het mijne is het uwe, en het uwe is het mijne; — en ben Ik in hen verheerlijkt. Heilige Vader! bewaar hen, die Gij Mij gegeven hebt, in uwen naam, opdat ^ij één zijn, gelijk ook Wij. Zoolang ik met hen was, bewaarde Ik hen in uwen naam; en niemand hunner ging verloren, behalve de zoon des verderfs (Judas). Ik vraag niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den booze. Heilig hen in de waarheid! Uw woord is waarheid. Gelijk Gij Mij in de wereld gezonden hebt, heb ook Ik hen in de wereld gezonden. En voor hen heilig Ik Mij zeiven, opdat ook zij in de waarheid mogen geheiligd zijn.

Doch niet voor hen alleen bid Ik , maar ook voor degenen , welke door hun woord in Mij zullen gelooven, opdat allen één zijn, gelijk Gij, Vader! in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld geloove, dat Gij Mij gezonden en hen liefgehad hebt, gelijk Gij ook Mij hebt

12

ocr page 196

178

liefgehad. Vader! Ik wil dat, waar Ik ben, ook degenen,, die Gij Mij gegeven hebt, met Mij zijn, opdat zij, mijne heerlijkheid zien, welke Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondvesting der wereld. Rechtvaardige Vader! De wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend, dat Gij Mij gezonden hebt. En ik heb hun uwen naam bekend gemaakt en zal dien bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij bemind hebt, in hen zij, en Ik in hen.

LXXVIII. Christus' Doodsangst.

Jesus ging nu over de beek Kedron naar den voet van den olijfberg. En Hij zeide tot zijne Apostelen: Gij allen zult in dezen nacht aan Mij geërgerd worden; want er staat geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. Maar nadat Ik zal verrezen zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Petrus, die niet kon ge-looven, dat hij zich aan zijnen Meester ergeren zou, riep uit: Al werden ook allen aan U geërgerd, ik toch niet! Waarop Jesus hem antwoordde : Voorwaar, Ik zeg u, heden, in dezen nacht, eer de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. Nogmaals sprak Petrus den Verlosser tegen en zeide: Al moest ik ook met U sterven, ik zal U niet verloochenen! Nu begonnen ook de andere Apostelen in denzelfden zin als Petrus te spreken.

Aan den voet van den olijfberg lag een hof^ Gethsemani geheeten, waarheen Jesus Zich in de laatste dagen dikwijls begeven had; ook Judas was er meermalen met zijnen Meester geweest en wist, dat deze ook nu daar zou heen gaan. Dezen hof ingegaan zijnde, wilde Jesus, dat alleen Petrus, Jacobus en Joannes Hem verder zouden vergezellen; tot de overigen zeide Hij: Zit hier neder, terwijl ik derwaarts ga en bidde.

Terwijl hij nu met de drie Apostelen verder den hof binnenging, begon Hij bedroefd en beangst te worden; en Hij zeide tot hen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij! Toen verwijderde Hij Zich een steenworp ver, en nederknielend op den grond om te bidden, geraakte Hij in bangen doodstrijd. Hij viel

ocr page 197

179

op zijn aangezicht en smeekte zijnen Vader, dat het lijdensuur, indien het kon geschieden, van Hem mocht voorbijgaan: Vader! bad Hij, alles is U mogelijk; neem dezen kelk van Mij weg! Doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt. Jesus' lijdenskelk werd niet weggenomen; want de wil zijns hemelschen Vaders, waaraan Hij Zich, hoezeer zijne menschelijke natuur voor het lijden terugschrikte, gehoorzaam onderwierp, was, dat Hij den bitteren kelk der smart tot den laatsten druppel toe zoude ledigen. Jesus wilde dit ook; maar het gezicht van de folteringen, die Hij zou moeten verduren, en die in dit oogenblik, alle te gelijk met hare gruwzame bijzonderheden voor zijne oogen stonden, vervulde zijne ziel met zulk een doodelijken angst, dat zijne menschelijke natuur bijna bezweek onder het gewicht der smart. Ach! terwijl Hij daar kermend op den grond ligt uitgestrekt, perst de benauwdheid zijner ziel Hem een bloedig zweet uit het lichaam, en als droppelen bloed valt het van zijn aangezicht op de aarde. — Zóó leed Hij in dit ontzettend oogenblik; zóóveel heeft Hem onze verlossing gekost.

Na eenigen tijd ging Hij naar de plaats, waar Hij zijne drie Apostelen gelaten had, en vond hen ingeslapen. Terwijl Hij hen wekte; sprak Hij tot Petrus: Simon, slaapt gij! Hebt gij dan niet één uur met Mij kunnen waken ? En allen vermaande Hij, dat zij zich toch door het gebed tegen het naderend uur van gevaar zouden versterken. Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring komt. De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. Daarna begaf Hij Zich weder naar de plaats, waar Hij gebeden had, en smeekte op nieuw: Mijn Vader! indien deze kelk niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinke, uw wil geschiede ! En wederom moest Hij, bij zijne Apostelen teruggekeerd, hen uit den sluimer wekken; zóó bezwaard waren hunne oogen. Terwijl zij op zijne minzame berisping beschaamd stilzwegen, verwijderde Hij Zich nog eens en herhaalde ten derde male hetzelfde gebed van gehoorzame onderwerping.

En nu was de bange strijd volstreden. Een engel uit den hemel verscheen, om de bijna bezweken kracht van Jesus' lijdende menschheid te versterken; en toen Hij bij zijne Apostelen terugkeerde, was Hij weder dezelfde, zooals

ocr page 198

i8o

zij Hem vroeger altijd gezien hadden. Slaapt nu en rust! riep Hij hun toe; ziet, het uur is gekomen, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der zondaars. Staat op, laat ons gaan! ziet, hij, die Mij verraden zal, is nabij! Jesus voegde Zich nu met de drie Apostelen weder bij zijne overige leerlingen.

LXXIX. Christus' Gevangenneming.

Zoodra Judas de zaal des laatsten avondmaals verlaten had, was hij tot de Joodsche oversten gegaan, om hun te zeggen, dat hij nu zijne aan hen gedane belofte wilde vervullen. Terstond had men eene bende bijeenverzameld; deze bestond uit dienaars van den hoogen Raad en uit een gedeelte der Romeinsche bezetting, aangevoerd door haren hoofdman. Zij was met zwaarden en stokken gewapend en van lantaarnen en fakkels voorzien; ook hadden zich eenige opperpriesters, 'tempel-oversten en ouderlingen bij haar aangesloten.

Judas ging hen vooruit. Opdat zij zich in den persoon niet zouden vergissen, had hij hun een teeken gegeven, zeggende: Dien ik een kus zal geven, Hij is het: grijpt Hem en leidt Hem behoedzaam weg. Zoodra hij nu zijnen Meester zag, trad hij op Hem toe en zeide: Gegroet, Meester 1 en Hij kuste hem. Jesus ontving dien verraderlijken kus en sprak: Vriend! waartoe zijt gij gekomen? Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus ? Ofschoon het afgesproken teeken nu gegeven was, viel de bende den Zaligmaker toch niet aan; het oogenblik , waarop Jesus Zich aan zijne vijanden wilde overgeven, was nog niet daar, en eerst moest het nog zonneklaar blijken, dat Hij Zich liet gevangen nemen, enkel en alleen omdat Hij het wilde.

Hij treedt dan op de bende toe en vraagt: Wien zoekt gij? — Jesus, den Nazarener, is het antwoord. En Jesus zegt-: Ik ben het. Op dit woord deinzen zij verschrikt terug en vallen op den grond. Nadat zij zich weder hebben opgericht , vraagt Hij ten tweeden male: Wien zqekt gij ? Wederom antwoorden zij : Jesus den Nazarener. En Hij spreekt: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. En op zijne

ocr page 199

i8i

leerlingen wijzend, gaat Hij gebiedend voort: Indien gij dus Mij zoekt, laat dezen gaan! Nu treden er eenigen uit de bende voorwaarts, om de hand aan Jesus te slaan. De leerlingen, dit ziende, roepen: Heer, zullen wij er met het zwaard op inslaan? Doch Petrus wacht niet op Jesus' antwoord; met een zwaard , dat hij onder zijn kleed verborgen had, doet hij een slag naar een dienaar des hooge-priesters, Male hits geheeten , en houwt hem het rechteroor van het hoofd.

Laat af! niet verder! gebood Jesus zijnen Apostelen, en tot Petrus in het bijzonder sprak Hij; Steek uw zwaard in de scheede! Want allen, die het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Den kelk, welken de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken ? Of meent gij, dat Ik mijnen Vader niet kan bidden, en Hij mij niet aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ten dienste stellen zal? Hoe zullen dan de Schriften, dat het aldus moet geschieden, vervuld worden? Na deze woorden gesproken te hebben, raakte Jesus het oor van den gewonden Malchus aan en genas hem door een wonder.

Nu was het oogenblik gekomen, waarop de Zoon des menschen zou overgeleverd worden in de handen der zondaars. Doch eerst nog richtte Jesus een bestraffend wóórd tot die Joodsche oversten, welke tusschen de dienaars en soldaten stonden, om hun de laagheid hunner handelwijze onder het oog te brengen en hen nogmaals, te doen erkennen , dat Hij niet bezweek voor hun geweld, maar dat Hij Zich vrijwillig in hunne macht stelde. Als tegen eenen moordenaar, sprak Hij, zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken, om mij te vangen, Dagelijks was Ik bij u in den tempel en leerde Ik; en gij hebt Mij niet gegrepen. Maar dit is uw uur en de macht der duisternis.

Jesus stak nu zijne handen uit en liet Zich binden. Toen zijne Apostelen dit zagen, namen zij de vlucht. Petrus echter en een andere leerling volgden de bende, die met Jesus in haar midden naar Jeruzalem trok, van verre. Op den weg vertoonde zich ook nog een jongeling in zijn linnen slaapkleed en volgde den stoet een eind ver. Doch, zoodra men hem bemerkte, greep men hem, en slechts door zijn kleed in de handen zijner aanvallers te laten , kon hij hun ontkomen.

ocr page 200

I 82

LXXX. Christus voor den Hoogen Raad.

De Zaligmaker werd eerst naar Annas, den schoonvader des hoogepriesters, en vervolgens naar den hoogepriester Kaïp/ias gevoerd, in wiens huis reeds eenige leden van den hoogen Raad vergaderd waren. De hoogepriester begon Jesus te ondervragen over zijne leerlingen en zijne leer; hij hoopte uit den mond des Heeren het een of ander te vernemen , dat aanleiding tot eene beschuldiging geven kon. Jesus antwoordde hem: Ik heb openlijk tot de wereld gesproken; Ik heb altoos geleerd in de Synagoge en in den tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij ? Ondervraag hen, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb. Dit antwoord bracht Kaïphas in verlegenheid, want hij vond er niets in, wat hij kon alkeuren. Een der naast Jesus staande gerechtsdienaars • mei'kte deze verlegenheid zijns meesters op en, om hem daaruit te helpen, gaf hij den Zaligmaker eenen slag in het aangezicht, zeggende: Antwoordt Gij aldus den hoogepriester? Met goddelijke kalmte sprak Jesus tot den ellendeling, die Hem zoo gruwzaam mishandeld had: Indien Ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad; doch indien goed, waarom slaat gij Mij ?

Na deze voor den Verlosser zoo grievende, voor den hoogepriester en al de overige raadsheeren, die den moed-willigen gerechtsdienaar niet bestraften, zoo onteerende gebeurtenis, begon de eigenlijke zitting van het Sanhedrin, welks leden nu voltallig vergaderd waren. Het doodvonnis was reeds eenigen tijd geleden, terstond na de opwekking van Lazarus, over Jesus uitgesproken; maar de moord, waartoe men besloten had, moest onder het uiterlijke eener rechtspleging vermomd worden; en daartoe diende deze nachtelijke zitting van den hoogen Raad.

Volgens de Joodsche wet waren er getuigen, minstens twee , noodig, eer een beschuldigde mocht gevonnisd worden ; de rechters hadden dan ook gezorgd, dat er getuigen waren, die nu opstonden. Doch al, wat zij zeiden, was onwaarheid, en daarenboven spraken zij elkander onophoudelijk tegen, zoodat de rechters niets vonden, dat hun

ocr page 201

I83

■slechts tot voorwendsel dienen kon om een schijnbaar wettig doodvonnis tegen Jesus uit te spreken. Eindelijk traden er twee getuigen op, die verklaarden, dat zij Jesus hadden hooren zeggen, dat Hij den tempel Gods, den met handen gebouwden tempel, kon afbreken en in drie dagen weder opbouwen. Ook deze getuigenis was valsch, want de ^in van hetgeen Jesus, drie jaren geleden, gezegd had, werd geheel verdraaid; ook stemden de twee getuigen in het aanhalen der woorden van Jesus niet overeen. De raads-heeren hechtten dan ook aan deze laatste beschuldiging even weinig waarde als aan de vorige, en de hooge-priester beproefde op nieuw den Zaligmaker, die gedurende het getuigenverhoor gezwegen had, te doen spreken. Antwoordt Gij, vroeg hij, niets op hetgeen dezen tegen U getuigen? Jesus bleef zwijgen. Toen sprak de hoogepriester: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt of Gij de Christus, de Zoon Gods zijt.

Op deze vraag antwoordde Jesus plechtig en met majesteit; Gij hebt het gezegd; Ik ben het. En Hij voegde er bij: Gij zult den Zoon des menschen zien, gezeten aan de rechterhand der kracht Gods en komend op de wolken des hemels. Nauwelijks heeft Kaïphas deze woorden vernomen , of hij scheurt zijne kleederen en roept uit: Hij heeft God gelasterd! Dan spreekt hij de raadsheeren aan: Wat behoeven wij nog getuigen ? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord ! Wat dunkt u ? En aller uitspraak luidt: Hij is des doods schuldig.

Zoo werd dan de Heer Jesus door den hoogen Raad der Joden veroordeeld, enkel en alleen omdat Hij verklaard had, de Messias, de Zoon Gods te zijn; omdat Hij , gelijk zijne vijanden het uitdrukten. Zich zeiven tot God had gemaakt. Dikwijls in zijn leven had Hij door woorden en daden getuigenis van zijne Godheid gegeven; maar de plechtigste en treffendste van al zijne verklaringen was deze, welke Hij nu voor den hoogen Raad aflegde, bij den levenden God bezwoer en, door er voor te sterven, zal bevestigen.

ocr page 202

i8o

zij Hem vroeger altijd gezien hadden. Slaapt nu en rust! riep Hij hun toe; ziet, het uur is gekomen, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der zondaars. Staat op, laat ons gaan! ziet, hij, die Mij verraden zal, is nabij! Jesus voegde Zich nu met de drie Apostelen weder bij zijne overige leerlingen.

LXXIX. Christus' Gevangenneming.

Zoodra Judas de zaal des laatsten avondmaals verlaten had, was hij tot de Joodsche oversten gegaan, om hun te zeggen, dat hij nu zijne aan hen gedane belofte wilde vervullen. Terstond had men eene bende bijeenverzameld; deze bestond uit dienaars van den hoogen Raad en uit een gedeelte der Romeinsche bezetting, aangevoerd door haren hoofdman. Zij was met zwaarden en stokken gewapend en van lantaarnen en fakkels voorzien; ook hadden zich eenige opperpriesters, quot;tempel-oversten en ouderlingen bij haar aangesloten.

Judas ging hen vooruit. Opdat zij zich in den persoon niet zouden vergissen, had hij hun een teeken gegeven, zeggende: Dien ik een kus zal geven, Hij is het: grijpt Hem en leidt Hem behoedzaam weg. Zoodra hij nu zijnen Meester zag, trad hij op Hem toe en zeide: Gegroet, Meester! en Hij kuste hem. Jesus ontving dien verraderlijken kus en sprak: Vriend! waartoe zijt gij gekomen? Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus? Ofschoon het afgesproken teeken nu gegeven was, viel de bende den Zaligmaker toch niet aan; het oogenblik , waarop Jesus Zich aan zijne vijanden wilde overgeven, was nog niet daar, en eerst moest het nog zonneklaar blijken, dat Hij Zich liet gevangen nemen, enkel en alleen omdat Hij het wilde.

Hij treedt dan op de bende toe en vraagt: Wien zoekt gij? — Jesus, den Nazarener, is het antwoord. En Jesus zegt': Ik ben het. Op dit woord deinzen zij verschrikt terug en vallen op den grond. Nadat zij zich weder hebben opgericht , vraagt Hij ten tweeden male: Wien zqekt gij ? Wederom antwoorden zij: Jesus den Nazarener. En Hij spreekt: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. En op zijne

#

ocr page 203

i8i

leerlingen wijzend, gaat Hij gebiedend voort: Indien gij dus Mij zoekt, laat dezen gaan! Nu treden er eenigen uit de bende voorwaarts, om de hand aan Jesus te slaan. De leerlingen, dit ziende, roepen; Heer, zullen wij er met het zwaard op inslaan? Doch Petrus wacht niet op Jesus' antwoord; met een zwaard , dat hij onder zijn kleed verborgen had, doet hij een slag naar een dienaar des hooge-priesters, Malchus geheeten, en houwt hem het rechteroor van het hoofd.

Laat af! niet verder! gebood Jesus zijnen Apostelen, en tot Petrus in het bijzonder sprak Hij: Steek uw zwaard in de scheede! Want allen, die het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Den kelk, welken de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken? Of meent gij, dat Ik mijnen Vader niet kan bidden, en Hij mij niet aanstonds meer dan twaalf .legioenen engelen ten dienste stellen zal? Hoe zullen dan de Schriften, dat het aldus moet geschieden, vervuld worden ? Na deze woorden gesproken te hebben, raakte Jesus het oor van den gewonden Malchus aan en genas hem door een wonder.

Nu was het oogenbiik gekomen, waarop de Zoon des menschen zou overgeleverd worden in de handen der zondaars. Doch eerst nog richtte Jesus een bestraffend wóórd tot die Joodsche oversten, welke tusschen de dienaars en soldaten stonden, om hun de laagheid hunner handelwijze onder het oog te brengen en hen nogmaals, te doen erkennen , dat Hij niet bezweek voor hun geweld, maar dat Hij Zich vrijwillig in hunne macht stelde. Als tegen eenen moordenaar, sprak Hij, zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken, om mij te vangen. Dagelijks was Ik bij u in den tempel en leerde Ik; en gij hebt Mij niet gegrepen. Maar dit is uw uur en de macht der duisternis.

Jesus stak nu zijne handen uit en liet Zich binden. Toen zijne Apostelen dit zagen, namen zij de vlucht. Petrus echter en een andere leerling volgden de bende, die met Jesus in haar midden naar Jeruzalem trok, van verre. Op den weg vertoonde zich ook nog een jongeling in zijn linnen slaapkleed en volgde den stoet een eind ver. Doch, zoodra men hem bemerkte, greep men hem, en slechts door zijn kleed in de handen zijner aanvallers te laten , kon hij hun ontkomen.

ocr page 204

182

LXXX. Christus voor den Hoogen Raad.

De Zaligmaker werd eerst naar Annas, den schoonvader des hoogepriesters, en vervolgens naar den hoogepriester Kaïphas gevoerd, in wiens huis reeds eenige leden van den hoogen Raad vergaderd waren. De hoogepriester begon Jesus te ondervragen over zijne leerlingen en zijne leer; hij hoopte uit den mond des Heeren het een of ander te vernemen, dat aanleiding tot eene beschuldiging geven kon. Jesus antwoordde hem: Ik heb openlijk tot de wereld gesproken ; Ik heb altoos geleerd in de Synagoge en in den tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij ? Ondervraag hen, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb. Dit antwoord bracht Kaïphas in verlegenheid, want hij vond er niets in, wat hij kon alkeuren. Een der naast Jesus staande gerechtsdienaars -merkte deze verlegenheid zijns meesters op en, om hem daaruit te helpen, gaf hij den Zaligmaker eenen slag in het aangezicht, zeggende: Antwoordt Gij aldus den hoogepriester ? Met goddelijke kalmte sprak Jesus tot den ellendeling, die Hem zoo gruwzaam mishandeld had: Indien Ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad; doch indien goed, waarom slaat gij Mij ?

Na deze voor den Verlosser zoo grievende, voor den hoogepriester en al de overige raadsheeren, die den moed-willigen gerechtsdienaar niet bestraften, zoo onteerende gebeurtenis, begon de eigenlijke zitting van het Sanhedrin, welks leden nu voltallig vergaderd waren. Het doodvonnis was reeds eenigen tijd geleden, terstond na de opwekking van Lazarus, over Jesus uitgesproken; maar de moord, waartoe men besloten had, moest onder het uiterlijke eener rechtspleging vermomd worden; en daartoe diende deze nachtelijke zitting van den hoogen Raad.

Volgens de Joodsche wet waren er getuigen, minstens twee, noodig, eer een beschuldigde mocht gevonnisd worden; de rechters hadden dan ook gezorgd, dat er getuigen waren, die nu opstonden. Doch al, wat zij zeiden, was onwaarheid, en daarenboven spraken zij elkander onophoudelijk tegen, zoodat de rechters niets vonden, dat hun

ocr page 205

i83

■slechts tot voorwendsel dienen kon om een schijnbaar wettig doodvonnis tegen Jesus uit te spreken. Eindelijk traden er twee getuigen op, die verklaarden, dat zij Jesus hadden hooren zeggen, dat Hij den tempel Gods, den met handen gebouwden tempel, kon afbreken en in drie dagen weder opbouwen. Ook deze getuigenis was valsch, want de .zin van hetgeen Jesus, drie jaren geleden, gezegd had, werd geheel verdraaid; ook stemden de twee getuigen in het aanhalen der woorden van Jesus niet overeen. De raads-heeren hechtten dan ook aan deze laatste beschuldigingquot; even weinig waarde als aan de vorige, en de hooge-priester beproefde op nieuw den Zaligmaker, die gedurende het getuigenverhoor gezwegen had, te doen spreken. Antwoordt Gij, vroeg hij, niets op hetgeen dezen tegen U getuigen? Jesus bleef zwijgen. Toen sprak de hoogepriester: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt of Gij de Christus, de Zoon Gods zijt.

Op deze vraag antwoordde Jesus plechtig en met majesteit: Gij hebt het gezegd; Ik ben het. En Hij voegde er bij: Gij zult den Zoon des menschen zien, gezeten aan de rechterhand der kracht Gods en komend op de wolken des hemels. Nauwelijks heeft Kaïphas deze woorden vernomen , of hij scheurt zijne kleederen en roept uit: Hij heeft God gelasterd! üan spreekt hij de raadsheeren aan; Wat behoeven wij nog getuigen ? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord ! Wat dunkt u ? En aller uitspraak luidt: Hij is des doods schuldig.

Zoo werd dan de Heer Jesus door den hoogen Raad der Joden veroordeeld, enkel en alleen omdat Hij verklaard had, de Messias, de Zoon Gods te zijn; omdat Hij , gelijk zijne vijanden het uitdrukten, Zich zeiven tot God had gemaakt. Dikwijls in zijn leven had Hij door woorden en daden getuigenis van zijne Godheid gegeven; maar de plechtigste en treffendste van al zijne verklaringen was deze, welke Hij nu voor den hoogen Raad aflegde, bij den levenden God bezwoer en, door er voor te sterven, zal bevestigen.

ocr page 206

184

LXXXI. Bespotting van Christus. Verloochening

van Petrus.

Toen het doodvonnis uitgesproken was, ging de hooge Raad uiteen, en de Heer Jesus werd aan den moedwil der gerechtsdienaars overgelaten. Deze lieden wisten, dat hun tegenover hunnen gevangene alles geoorloofd was, en dat zij hunnen meesters eenen dienst bewezen, door Hem op het grievendst te honen en op het wreedaardigst te mishandelen. Zij spuwden Hem in het aangezicht en sloegen hem met vuisten ; daarmede niet tevreden, en om de god-delooze bespotting tot het uiterste te drijven, bedekten zij zijn aangezicht, en gaven zij Hem kaakslagen, terwijl zij zeiden: Profeteer ons, Christus! wie is het, die U geslagen heeft? En Jesus duldde al dien smaad en al die smart; Hij opende zijnen mond niet; als een schaap, dat zwijgt voor dengene die het scheert, zoo deed Hij zijnen mond niet open.

Terwijl Hij deze mishandeling onderging, werd zijn hart nog door een ander lijden pijnlijk verscheurd; het was gedurende datzelfde gedeelte van den nacht, dat Petrus zijnen Meester verloochende.

De leerling, met wien Petrus den Verlosser, toen deze gevangen werd weggevoerd, van verre gevolgd was, wist zich toegang in het huis des hoogepriesters te verschaffen en bij de portierster te bewerken, dat ook Petrus werd binnengelaten. Zoo kwam Petrus in het voorhof, dat is: op eene opene binnenplaats van het hoogepriesterlijk paleis ; hij vond daar een aantal knechts en gerechtsdienaars gezeten rondom een vuur, dat men ontstoken had, daar de nacht koud was; Petrus mengde zich onder deze schare en warmde zich aan het vuur. Terwijl hij daar stond, naderde hem de dienstmaagd, die de deur voor hem ontsloten had, en vroeg hem: Zijt ook gij niet uit de leerlingen van dezen mensch ? En de verwarring ziende, waarin hare vraag den Apostel bracht, riep zij tot de rondom staande dienaars , terwijl zij Petrus aanstaarde: Deze was ook met Hem! Toen verloochende Petrus zijnen Meester en zeide: Ik ben het niet, vrouw! ik ken Hem niet; ik weet noch versta wat gij zegt. Nu wilde hij zich aanstonds, verwijderen:.

ocr page 207

185

en ging reeds door eene der openstaande deuren van het voorhof, toen eene tweede dienstmaagd hem in den weg trad en den dienaars toeriep: Deze was ook met Jesus den Nazarener! Dit woord deed Petrus van besluit veranderen en terugkeeren naar de plaats van zijnen eersten val; hij wilde niet, dat de dienaars bij het vuur hem voor een leugenaar zouden aanzien. Toen hij op het punt was van het voorhof te verlaten, had hij eenen haan hooren kraaien; maar in zijne verwarring had hij aan de voorspelling van Jesus zeker niet gedacht.

Zoodra Petrus weder bij de dienaars stond, Opraken meerderen tegelijk hem aan : Zijt ook gij niet een van zijne leerlingen? En hij verloochende zijnen Meester voor de tweede maal en zeide met eenen eed: Ik ben het niet; ik ken den mensch niet. Daarna lieten de dienaars Petrus omtrent een uur lang met rust; dit uur brachten zij door met den Zaligmaker te mishandelen en te bespotten, en Petrus was uit de verte getuigen van Jesus' vernedering en smart. Toen de onmenschen moede waren van den Verlosser te honen en te pijnigen, ontmoetten zij Petrus weder, en een van hen, die deel had uitgemaakt van de bende, welke Jesus had gevangen genomen, vroeg aan Petrus: Heb ik u niet in den hof met Hem gezien ? Petrus antwoordde ontkennend; maar men geloofde hem niet en begon te roepen: Waarlijk, gij zijt een van hen! Gij zijt immers ook een Galileër! uwe spraak verraadt u! En de ongelukkige Apostel verloochende Jesus voor de derde maal : met vloeken en zelfverwenschingen zwoer hij: Ik ken den mensch niet, van wien gij spreekt.

En de haan kraaide voor de tweede maal. Tegelijk sloeg Petrus zijne oogen naar den Zaligmaker, en Jesus keerde Zich om en zag den gevallen Apostel aan. Deze blik brengt aan Petrus de voorspelling te binnen: Eer de haan tweemaal kraait, zult gij mij driemaal verloochenen; hij erkent, wat hij gedaan heeft en hoe diep hij gevallen is. En op hetzelfde oogenblik bekeert hij zich; hij verlaat het rampzalige huis des hoogepriesters, en, buiten gekomen , begint hij bitter te weenen.

ocr page 208

186

Kinderen! leert uit het voorbeeld van Petrus, dat gij, wilt gij uwe deugd bewaren en getrouw blijven aan uwen goddelijken Meester, de gevaarlijke gelegenheden vermijden en nooit te veel steunen moet op uwe eigene kracht of op uwe goede meening. Als Petrus, wiens geloof zoo levendig, wiens liefde zoo vurig, wiens meening zoo goed was, toch zoo diep viel, toen hij, op zich zei ven vertrouwend, zich vermetel aan het gevaar blootstelde, — wie van ons moet dan niet vreezen voor zijne eigene zwakheid en niet zijne eenige hoop vestigen op den bijstand dei-genade , welke God nooit weigert aan hem, die er in nederigheid om bidt! — En, hebt gij het ongeluk gehad van uwen goddelijken Meester te verloochenen door de zonde, dat dan Petrus' berouw u ten voorbeeld zij! Na zijne bekeering zondigde hij nooit meer; en zijnen val heeft hij zijn leven lang beweend.

ft

LXXXII. Tweede vonnis van den hoogen Raad. Christus' overlevering aan Pilatus.

dood van Judas.

Het was een regel der Joodsche rechtspleging, dat des nachts geen doodvonnis mocht worden uitgesproken ; derhalve vergaderde de hooge Raad, zoodra de dag begon aan te breken, op nieuw, om de nachtelijke uitspraak te bekrachtigen. Deze tweede zitting werd waarschijnlijk niet in het huis van Kaïphas, maar in een der tempelgebouwen, waar het Sanhedrin gewoonlijk vergaderde, gehouden.

Na dan den Zaligmaker weder voor de rechtbank te hebben doen verschijnen, vroegen de rechters Hem; Zoo Gij de Christus zijt, zeg het ons! Jesus antwoordde: Indien Ik het u zeg, zult gij mij niet gelooven; en indien Ik u ook vragen doe, zult gij Mij niet antwoorden noch loslaten. En daarna herhaalde Hij wat Hij in den nacht gesproken had: Van nu af zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Gods. — Dus zijt Gij de Zoon Gods? vroegen zij. En Hij antwoordde: Gij zegt het ; Ik ben het. Om deze verklaring was het den rechters te doen; zoodra Jesus ze had afgelegd, riepen zij allen uit: Wat verlangen wij nog getuigenis? Immers hebben wij zeiven het uit zijnen mond gehoord!

De Zaligmaker werd nu, geboeid, overgevoerd naar het rechthuis van den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus; de raadsheeren vergezelden Hem, om Hem daar te beschuldigen en door den landvoogd ter dood te doen ver-oordeelen. Van deze overvoering des Verlossers was Judas

ocr page 209

18;

getuige, en hij zag nu, dat zijn Meester door den hoogen Raad ter dood veroordeeld was. Wroeging en wanhoop overweldigen zijne ziel, en hij loopt den tempel in naaide zaal, waar hij eenigen der ouderlingen en opperpriesters ziet, die hem het bloedgeld hebben uitbetaald; dit geld heeft hij in zijne hand en hij wil het hun teruggeven, terwijl hij zijne gruweldaad belijdt en roept: Ik heb gezondigd, verradend onschuldig bloed. Zij wijzen hem verachtend af en zeggen: Wat gaat het ons aan? Gij moogt toezien! En Judas werpt hun de zilveren geldstukken voor de voeten en ijlt heen naar eene eenzame plaats, en daar verhangt hij zich met een strop. En toen zijn lichaam daarna voorover nederviel op den grond, barstte het midden door, en al zijne ingewanden werden uitgestort.

Toen Judas zich verwijderd had, namen de opperpriesters de geldstukken op en zeiden tot elkander: Het is niet geoorloofd ze in de offerkist te werpen, want het is een bloedprijs. En zij besloten het geld te besteden tot aankoop van eenen akker buiten Jeruzalem, die aan een pottenbakker behoorde, en dien zij tot eene begraafplaats voor vreemdelingen wilden inrichten, Die akker ontving en behield den naam van bloedakker.

LXXXIII. Christus voor Pilatus.

De Sanhedristen lieten den Zaligmaker door gerechtsdienaars in het rechthuis binnenleiden; zij zelve echter gingen er niet binnen, want zij vreesden, dat het intreden van de woning eens heidens hen verontreinigen en hun beletten zou dien dag het Paschen te eten. Het was toen omtrent zes ure in den morgen. De landvoogd trad naar buiten en vroeg aan Jesus' vijanden: Welke beschuldiging brengt gij in tegen dezen mensch ? De Joodsche oversten antwoordden : Indien deze geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd! — Neemt gij Hem, hernam Pilatus, en oordeelt Hem volgens uwe Wet! Zij antwoordden: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen. De Joodsche oversten wilden namelijk, dat Pilatus den Verlosser zou veroordeelen en overeenkomstig de Romeinsche wetten doen straften; daarom begonnen

ocr page 210

i88

zij dan ook, zonder van het door den hoogen Raad reeds gevelde vonnis te spreken, Jesus als een staats-misdadiger voor te stellen. Wij hebben bevonden, zeiden zij, dat deze het volk verleidt en verbiedt schatting te betalen aan den keizer en zegt Christus de koning te zijn.

Ofschoon Pilatus zeer goed wist, dat deze beschuldigingen valsch waren, en dat de Joodsche oversten Jesus uit nijd hadden overgeleverd, wilde hij den aangeklaagde toch ondervragen en, het rechthuis binnengaande, deed hij Hem voor zich brengen. Zijt Gij de koning der Joden ? vroeg Pilatus. Jesus antwoordde met eene wedervraag: Zegt gij dit uit u zeiven, of hebben anderen het u over Mij gezegd ? — Ben ik een Jood ? riep Pilatus uit; uw volk en uwe opperpriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan? Nu zeide Jesus met plechti-gen ernst: Mijn Rijk is niet van deze wereld; indien mijn Rijk van deze wereld was, zouden mijne dienaars zeker strijden, opdat Ik den Joden niet werd overgeleverd: nu echter is mijn Rijk niet van hier. — Dus zijt Gij een koning ? vroeg Pilatus. En Jesus antwoordde : Gij zegt het; Ik ben Koning. Daartoe ben Ik geboren en daartoe in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven; al wie uit de waarheid is, hoort mijne stem. Van deze verhevene woorden begreep Pilatus niets en, het onder-. houd afbrekende door den lichtzinnigen uitroep: Wat is waarheid! stond hij op en ging weder naar buiten om aan de Sanhedristen te zeggen: ik vind geen schuld in dezen mensch. Doch de vijanden des Heeren stoorden zich aan deze verklaring des landvoogds niet; zij gingen voort met Jesus te beschuldigen en drongen gedurig onstuimiger op zijne veroordeeling aan. De Zaligmaker was inmiddels ook naar buiten gevoerd; en toen Hij op al hetgeen de Joden zeiden volstrekt niets antwoordde, vroeg Pilatus Hem: Hoort Gij niet, hoeveel getuigenissen men tegen U aflegt ? Zie, van hoeveel zij U beschuldigen! Doch Hij bleef zwijgen, zoodat de landvoogd zich zeer verwonderde.

De Sanhedristen hadden bij het inbrengen hunner aanklachten ook van Jesus' werkzaamheid in Galilea gewag gemaakt en gezegd, dat hij ook daar het volk had opgeruid. Pilatus vroeg dan, of Jesus een Galileër was, en toen

ocr page 211

189

die vraag bevestigend beantwoord werd, meende hij een middel gevonden te hebben, om zich van de zaak, waarin men hem getrokken had, af te maken, zonder de Joodsche oversten al te zeer tegen het hoofd te stooten. Herodes namelijk, de viervorst van Galilea, bevond zich bij gelegenheid van het paaschfeest te Jeruzalem; en Pilatus vond goed, Jesus tot dien vorst te zenden , daar deze beter dan hij in staat was te oordeelen over de volksopruiing, welke men zeide dat in Galilea had plaats gehad.

Toen Jesus, geleid door eene wacht en gevolgd door eenigen zijner beschuldigers, voor Herodes verscheen, was deze zeer verheugd, want reeds sedert lang had hij verlangd Jesus zien; ook rekende hij er op, dat de Verlosser om Zich de bescherming eens vorsten te verwerven, aanstonds bereid zou zijn tot het verrichten van een of ander wonderteeken. Hij begon Hem dan allerlei vragen te doen; maar Jesus sprak geen enkel woord tot hem, en ook tegenover de beschuldigingen, welke de schriftgeleerden en opperpriesters inbrachten, bewaarde Hij hetzelfde stilzwijgen. Herodes wreekte zich daarover op eene lage wijze. Daar hij geen vonnis over Jesus kon uitspreken, omdat er zelfs geen schijn van misdaad bestond, gaf hij Hem over aan de verguizing van zijne hofdienaars en lijfwachten, deed Hem vervolgens, om met zijne koninklijke waardigheid den spot te drijven, een blinkend wit kleed over de schouders hangen, en zond Hem zoo naar Pilatus terug. — Van dezen dag af hield de vijandschap, die er tusschen Pilatus en Herodes bestaan had , op, en zij werden vrienden.

De wijze, waarop Herodes den Zaligmaker behandeld had, bewees duidelijk, dat de vorst Hem niet schuldig aan eenige misdaad had bevonden. Pilatus riep dan de oversten en het volk, dat nu reeds iiï menigte voor het rechthuis stond, samen en sprak: Gij hebt dezen mensch tot mij gebracht als iemand, die het volk verleidt; en ziet, in uwe tegenwoordigheid Hem ondervragend, heb ik in dezen mensch geen schuld gevonden aangaande hetgeen waarvan gij Hem beticht. Doch ook Herodes niet; want ik heb u tot hem verwezen, en ziet, er is (gelijk Herodes door Hem aldus terug te zenden getuigt) niets door Hem bedreven, dat den dood verdient. En op deze zoo plech-

ocr page 212

190

tige verklaringquot; van Jesus' onschuld liet Pilatus, die den haat der Joodsche oversten toch eenigszins wilde bevredigen, volgen: Derhalve zal ik Hem, na Hem gekastijd te hebben, vrijlaten. Met deze kastijding bedoelde de landvoogd de straf der geeseling. Het schijnt echter, dat de Joden zijn voorstel luide afkeurden, zoodat hij terstond inzag, dat het hem op deze wijze niet gelukken zou de woedende vijanden van Jesus tevreden te stellen. Toen nam hij zijne toevlucht tot een ander middel.

De Romeinsche landvoogden waren gewoon, bij gelegenheid van het paaschfeest den Joden toe te staan, éénen veroordeelden misdadiger door hunne keus van den dood en uit de boeien te verlossen. Daar nu Pilatus wist, dat de voornamen van Jeruzalem de eigenlijke vijanden des Heeren waren, rekende hij er op, dat het volk, indien dit over Jesus lot beslissen moest, Hem van den dood zou bevrijden; zooveel te meer hield hij zich hiervan overtuigd, daar hij tegênover Jesus eenen booswicht plaatsen kon, op wien de keus des volks, meende hij, onmogelijk kon vallen. Er bevonden zich namelijk in de gevangenis drie misdadigers, die tot den kruisdood veroordeeld waren en dien eigen dag hunne straf moesten ondergaan; denkelijk had Pilatus dien dag tot de uitvoering van het vonnis bepaald , om de afgrijselijke strafoefening tot een waarschuwend voorbeeld te doen dienen ook voor die Joden, welke geene inwoners van Jeruzalem waren. De drie veroordeelden waren struikroovers en moordenaars; de misdadigste van hen heette Barabbas; en dezen plaatste Pilatus tegenover Jesus, toen hij het volk vroeg; Wien, wilt gij, zal ik u vrijlaten: Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt?

Terwijl nu Pilatus op zijnen rechterstoel zat om, zooals hij verwachtte, het vonnis der bevrijding, op verlangen des volks, over Jesus uit te spreken, kwam er een bode tot hem, die hem uit naam zijner echtgenoote zeide: Laat u niet in met dien Rechtvaardige, want veel heb ik heden in een droomgezicht om zijnentwil geleden. Van het korte oponthoud , door dit bericht veroorzaakt, maakten de opperpriesters en ouderlingen gebruik, om het volk, waaronder zich een groot aantal van hunne dienaars en handlangers bevond, tot het vragen der bevrijding van Barabbas over

ocr page 213

i9i

te halen. Toen dan Pilatus voor de tweede maal vroeg : Wie van de twee wilt gij, dat li worde vrijgelaten? riepen de Joden : Weg met dezen, en laat ons Barabbas vrij! Verschrikt vroeg Pilatus; Wat wilt gij dan, dat ik met den Koning der Joden doen zal? En uit de menigte klinkt de moordkreet: Kruisig, kruisig Hem ! Nogmaals roept de landvoogd ; Wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik vind geene doodschuld in Hem ! Ik zal hem dus kastijden en vrijlaten ! Maar het gegil der woedende opperpriesters en der razende Joden verdooft zijne stem, en niets anders wordt meer gehoord dan de akelige bloedschreeuw; Kruisig Hem!

Pilatus nu, ziende dat de onstuimige menigte elk oogen-blik dreigender werd en op het punt scheen van in oproer los te breken, oordeelde, dat de eisch der Joden geschieden zou. Wel deed hij nog ééne poging, waarvan niets te verwachten was, en welke alleen diende, om de onrechtvaar-heid van den lafifen rechter sterker te doen uitkomen en het bewijs te leveren, dat Pilatus, zelfs op het oogenblik dat hij Jesus' bloed ging vergieten, niet het minst aan diens onschuld twijfelde. Hij deed een waschbekken brengen en wiesch zijne handen ten aanzien van de geheele menigte , terwijl hij met luide stem uitriep: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen Rechtvaardige! Gij moogt toezien! En nu schreeuwde het volk: Zijn bloed zij op ons en op onze kinderen!.

LXXXIII*. Het bloedig lijden des Verlossers.

Barabbas werd nu in vrijheid gesteld, en ofschoon Pilatus het doodvonnis over Jesus nog niet vormelijk uitsprak, deed hij toch met de uitvoering daarvan een begin maken. Dit begin was de vreeselijke geeseling, welke bij de Romeinen gewoonlijk aan de voltrekking der kruisstraf voorafging, en welke zoo gruwzaam was, dat de veroordeelden er dikwijls onder bezweken. Onze Zaligmaker werd door de soldaten ontkleed en aan den geeselpaal gebonden; en toen werd zijn heilig lichaam wreedaardig verscheurd en met bloed en wonden overdekt. Na deze ijselijke marteling bracht men Jesus naar een voorhof van het rechthuis, en daar kwamen al de

ocr page 214

192

krijgslieden samen om Hem, dien zij den Koning der Joden hadden hooren r^oemen, te bespotten, Zij hingen Hem een rooden soldatenmantel om, die het vorstelijk purper moest verbeelden; in plaats van eene koninklijke kroon drukten zij eenen krans van doornen op zijn hoofd, en voor schepter gaven zij Hem eenen rietstok in de hand. En toen kwamen zij voor Hem nederknielen, zeggende: Wees gegroet, koning der Joden! en dan sloegen en spuwden zij Hem in het aangezicht; anderen namen het riet uit zijne handen en sloegen daarmede op zijn hoofd en op de doornenkroon; en bij eiken slag drongen de scherpe punten der doornen dieper in Jesus' hoofd en maakten daar pijnlijker wonden.

In dezen deerniswaardigen staat zag Pilatus den Zaligmaker weder, en meer nog dan te voren werd hij door medelijden bewogen. Hij kwam op de gedachte, om nog ééne poging bij de Joden te wagen; want hij meende dat, als zij Jesus* in den jammerlijken staat, waarin Hij nu gebracht was, aanschouwden, hun dorst naar zijn bloed bevredigd zou zijn, en zij op de verdere voltrekking van het doodvonnis niet meer zouden aandringen. Hij gaf dan bevel om Jesus naar buiten te brengen. Voor Hem uitgaande , sprak hij het volk aan: Ziet, ik breng Hem tot u naar buiten, opdat gij weten moogt, dat ik geen schuld in Hem vind. Terwijl hij dit zeide, trad Jesus uit het rechthuis met de doornenkroon op het hoofd en omhangen met den spotmantel. Pilatus wees op Hem en riep het volk toe: Ziet, de mensch! Doch aanstonds begonnen de opperpriesters, met hunne dienaars te schreeuwen : Kruisig, kruisig Hem! Toornig antwoordde Pilatus: Neemt gij Hem en kruisigt Hem! want ik vind in Hem geen schuld. Maar zij hoorden hem niet en schreeuwden voort: Wij hebben eene Wet en volgens de Wet moet hij sterven, omdat Hij Zich tot Gods Zoon gemaakt heeft. Aldus werden de vijanden des Heeren, ondanks zich zeiven, gedwongen tot het noemen der ware reden van hunnen onverzoenlijken haat; aldus moest het voor de rechtbank des landvoogds blijken, evenals het voor den hoogen Raad der Joden gebleken was, dat de dood van Jesus geëischt werd, eenig en alleen omdat Hij verklaard had, de Messias, de Zoon van den levenden God te zijn.

ocr page 215

193

Het' hooren van deze geheel nieuwe beschuldiging maakte Pilatus' weerzin, om den Heer Jesus aan het kruis te doen nagelen, nog grooter: hij vreesde zich misschien aan een wezen van hoogeren oorsprong te vergrijpen. Nogmaals ging hij naar binnen, deed Jesus voor zich brengen en vroeg Hem: Van waar zijt Gij? En toen de Zaligmaker op deze vraag stilzweeg, zeide Pilatus toornig en dreigend: Spreekt gij niet tot mij ? Weet gij niet, dat ik macht heb U te kruisigen en macht heb U vrij te laten? Nu antwoordde Jesus en gaf den landvoogd tevens te verstaan, vanwaar Hij was: Gij zoudt volstrekt geen macht tegen Mij hebben, tenzij het u van boven gegeven ware. Daarom heeft hij (de hooge Raad der Joden), die Mij aan u overleverde, grooter zonde.

Pilatus ging weder naar buiten, meer dan ooit besloten om de uitvoering van het doodvonnis niet te laten doorgaan. Doch toen namen de Joden hunne toevlucht tot bedreigingen: Zoo gij dezen vrijlaat, riepen zij, zijt gij geen vriend des keizers ! Deze 'kreten, waarmede de Sanhe-dristen dreigden Pilatus bij den Romeinschen keizer te zullen aanklagen van samenspanning met iemand, die zich tot koning der Joden opwierp, deden den landvoogd bezwijken : de eigenbelang-zucht zegevierde over zijn nog overgebleven gevoel van rechtvaardigheid. Jesus werd op nieuw naar buiten gebracht, en Pilatus, gezeten op zijnen rechterstoel, sprak tot de Joden: Ziedaar uw koning! Woedend en razend gilden de Joden: Weg, weg! Kruisig Hem! Nog eens vroeg Pilatus: Zal ik uwen koning kruisigen ? En de opperpriesters riepen: Wij hebben , geen koning dan den keizer! Toen liet de landvoogd den Verlosser ter kruisiging wegvoeren. — De rechtspleging bij Pilatus was omstreeks elf ure tén einde.

LXXXIV. De Kruisweg.

De plaats, waar de doodstraf moest voltrokken worden, was een jage rotsachtige heuvel, even buiten den stadsmuur gelegen en Golgotha of Kalvarië (dat is: hoofdschedel) ge-heeten; de afstand tusschen het rechthuis van Pilatus en de kruin van dezen heuvel was nog geen kwartier uur gaans.

ocr page 216

194

Daar alles voor de voltrekking der kruisstraf aan drie veroordeelden in gereedheid was gebracht, ging men, zoodra het beslist was, dat Jesus d.e plaats van Barabbas moest innemen, op weg. Men ontnam den Zaligmaker den spotmantel en trok Hem zijne eigene kleederen weder aan; daarop legde men het kruis op zijne schouders, want de veroordeelden moesten dat zelf naar de strafplaats dragen. Tegelijk met den Verlosser werden de twee moordenaars, insgelijks met hunne kruisen beladen, naar Golgotha gevoerd. Eene groote menigte volks volgde hen.

Toen de Heer Jesus een eind weegs was voortgegaan, kon Hij den last van zijn kruis niet langer torschen: zijne krachten waren uitgeput door bloedverlies en door de wreede mishandelingen, welke Hij had ondergaan; en, wilden de soldaten Hem niet zien bezwijken vóór zij Golgotha bereikt hadden, dan moesten zij Hem hulp verlee-nen. Juist kwam hun een man, Simon geheeten en van Cyrene, eene }oodsche volkplanting in Afrika, geboortig, te gemoet, die van het veld naar de stad terugkeerde. Dezen verplichtten zij het kruis van Jesus te dragen, en daarmede beladen steeg hij achter den Verlosser de helling van Kalvarië op.

Onder de menigte, welke Jesus volgde, waren ook eenige vrouwen uit Jeruzalem, die haar medelijden met het bitter lijden des Heeren door geween en luide klachten openbaarden. Jesus keerde Zich tot haar en sprak eene schrikkelijke voorspelling uit tegen de rampzalige stad, die nu de maat harer gruwelen vol maakte door haren Messias te vermoorden en nu het goddelijk strafgericht niet meer kon ontgaan. Dochters van Jeruzalem ! zeide Hij, weent niet over Mij , maar weent; over u zelve en over uwe kinderen! Want ziet, er zullen dagen komen, dat men tot de bergen zal beginnen te roepen: valt op ons! en tot de heuvelen: bedekt ons! Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal dan aan het dorre geschieden!

Behalve deze bijzonderheden, welke de Evangelisten hebben opgeteekend, vermeldt de Christelijke overlevering nog, dat de Zaligmaker drie malen onder den last zijns kruises ter aarde is gevallen; dat eene medelijdende vrouw.

ocr page 217

195

onder den naam van Veronica bekend, Hem eenen doek aanbood om zijn aangezicht af te drogen, en dat Hij het afbeeldsel van zijn gelaat in dien doek achterliet; eindelijk , dat Jesus op zijnen kruisweg zijne heilige Moeder ontmoette.

De kruisweg, dien Christus heeft afgelegd, is de heiligste weg der wereld, en van de vroegste tijden af bestond onder de Christenen van Jeruzalem de godvruchtige oefening van de voetstappen des Verlossers op dien weg te volgen en daar zijne liefde en zijn lijden te overwegen. Om dien heiligen weg, van Pilatus' rechthuis af tot aan het graf, waarin Christus' lichaam werd nedergelegd, te kunnen bewandelen, reisden ontelbaar vele Christenen uit alle landen en in alle eeuwen naar Jeruzalem. In latere tijden werden er ook op andere plaatsen kruiswegen gemaakt of opgehangen, en werd de oefening van den kruisweg, waaraan zeer vele aflaten door de Pausen verbonden zijn, algemeen. Zeker toonen wij onze dankbare wederliefde jegens den Verlosser, die voor ons geleden heeft en gestorven is, op eene verhevene en tegelijk hoogst nuttige wijze, door het godvruchtig houden van den kruisweg.

LXXXV. Kruisiging en dood van Christus.

Eer de kruisiging begon, bood men den Zaligmaker eenen drank aan, bestaande uit wijn, gemengd met bittere mirre, die eene bedwelmende en verdoovende kracht had, en waarvan men de veroordeelden liet drinken, opdat zij de hevige pijn der aannageling aan het kruis minder zouden voelen. Jesus proefde daarvan maar wilde niet drinken, omdat Hij zijn lijden met volle bewustzijn wilde ondergaan. Daarna rukten de soldaten Hem de kleederen van het lichaam en nagelden Hem met de handen en de voeten aan het kruis. Op gelijke wijze werden de twee moordenaars behandeld. Hunne kruisen stonden, het eene ter rechter-, het andere ter linkerzijde van het kruis des Verlossers; zóó werd de profetie vervuld, die Jesus den vorigen avond aan zijne Apostelen had te binnen gebracht : En met de boosdoeners is Hij gerekend.

Te midden der hevige pijn, welke Jesus leed, toen de nagelen door zijne handen en voeten gedreven werden, sprak Hij het eerste der zeven kruiswoorden, die Hij ons, als eene overdierbare gedachtenis aan onzen stervenden Verlosser, heeft willen achterlaten. Vader, bad Hij, vergeef het hun! want zij weten niet wat zij doen.

ocr page 218

196

Boven het hoofd der kruiselingen werd een bord bevestigd , waarop hunne misdaad geschreven stond ; ook bovenaan het kruis van Jesus was zulk een bord geplaatst, en daarop had Pilatus in drie talen: in het Hebreeuwsch, in het Latijn en in het Grieksch, doen schrijven: Jesus de Nazarener, de Koning der Joden. De opperpriesters gevoelden , hoe vernederend dit opschrift voor hen en hun volk was, en eenigen hunner begaven zich naar Pilatus en vroegen hem: Schrijf niet: de koning der Joden, maar: dat Hij gezegd heeft: Ik ben de koning der Joden. Doch de landvoogd wees hen af, zeggende: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven; en de titel van Jesus' kruis bleef onveranderd.

De kleederen der gekruisigden waren de buit der krijgsknechten, die met de uitvoering der doodstraf belast waren, en dus werden Jesus' kleederen het eigendom van de vier soldaten, die Hem aan het kruis hadden genageld. Dezen maakten van de opperkleederen vier deelen; doch den lijfrok, die zonder naad en van bovenaf aan één stuk geweven was, wilden zij niet scheuren, maar besloten er om te loten. Daarna zetten zij zich neder, om de wacht te houden bij het kruis. Aldus werd eene groote profetie vervuld: Zij hebben mijne kleederen onder elkander verdeeld en over mijn gewaad het lot geworpen.

De vijanden van den Heer Jesus hadden nu hun doel bereikt; maar hun haat was niet bevredigd; die monsters vonden er nog vermaak in, den stervenden gekruisigde te bespotten. Lasterend en het hoofd schuddend gingen zij voorbij het kruis en spraken tergend tot Jesus: Ha Gij, die den tempel Gods afWeekt en in drie dagen weder opbouwt, red U zeiven! Zoo Gij de Zoon Gods zijt, kom dan af van het kruis ! Sommigen zeiden spottend tot elkander : Anderen heeft hij gered, Zich zeiven kan Hij niet redden! Indien Hij Israels koning is, dan kome Hij nu af van het kruis, en wij gelooven aan Hem! Weder anderen riepen: Hij heeft op God vertrouwd: dat die Hem redde, indien Hij in Hem behagen heeft! Immers heeft Hij gezegd : Ik ben de Zoon Gods! Ook de Romeinsche soldaten namen deel aan die lasteringen der Joden en zeiden spottend tot Jesus: Zoo Gij de koning der Joden zijt; red U zeiven!

ocr page 219

197

Nog iemand anders opende zijnen mond, om den Zaligmaker te honen : ook één van de moordenaars, die dezelfde straf als Hij ondergingen, bespotte Hem en zeide: Indien Gij de Christus zijt, red dan U zeiven en ons! De andere moordenaar, op wien het geduld, waarmede Jesus leed, diepen indruk had gemaakt, en die in zijne ziel overtuigd was, dat Hij, dien men, als ware Hij de meest schuldige, tusschen de twee andere kruiselingen had opgehangen, geen misdadiger was, bestrafte zijn voormaligen makker in de boosheid en sprak hem toe: Vreest ook gij God niet, daar gij dezelfde straf ondergaat ? En wij zeker met recht, want wij ontvangen wat onze daden verdienen ; maar deze heeft niets kwaads gedaan. Op dit eigen oogenblik schonk God dien goeden moordenaar de gave des geloofs; hij wendde zich tot Jesus, dien hij als den Messias erkende, en bad: Heer! gedenk mijner, als Gij in uw Rijk zult gekomen zijn! Jesus antwoordde Hem: Voorwaar Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.

Toen de Verlosser aan het kruis genageld werd, was het omtrent middag; en kort na den middag verduisterde de zon, en werd het nacht op de aarde. Deze wonderbare duisternis duurde evenlang als de doodstrijd van Jesus. Dicht bij zijn kruis stonden nu zijne heilige Moederende Apostel Joannes; ook bevonden zich daar Maria, de echt-genoote van Kleophas, en Maria Magdalena. In dit uur van ondenkbare smart werd ten volle bewaarheid, wat de grijze Simeon in den tempel aan de heilige Maagd voorspeld had, toen hij haar zeide: Door uwe ziel zal een zwaard gaan. Als nu Jesus zijne Moeder en den leerling, dien Hij het meest liefhad, daar zag staan, zeide Hij tot zijne Moeder: Vrouw, zie, uw zoon! en vervolgens sprak Hij tot Joannes: Zie, uwe Moeder. Met deze woorden beval Hij zijne Moeder aan de zorg van den Apostel aan en droeg dezen den last op, haar als zijne eigene moeder te beminnen en al de plichten van een liefhebbend kind jegens haar te vervullen. Van dat eigen uur nam Joannes de heilige Maagd tot zich. — Echter heeft het woord, dat Jesus tot zijne Moeder en zijnen getrouwen leerling sprak, nog eene andere beteekenis. Joannes vertegenwoordigde onder het kruis al de Christenen, en door hem aan Maria tot zoon te geven,

ocr page 220

198

heeft Jesus alle Christenen tot Maria's kinderen gemaakt en hun allen toegeroepen: Ziet, uwe Moeder!

Tegen drie uren na den middag begon de duisternis te verminderen, en toen was ook het ontzaglijk oogenblik nabij, waarop de Heer Jesus sterven zou. Hij, die het Lam Gods was, dat geofferd werd voor de zonden dei-wereld , wilde de straf dier zonden ten volle dragen en daarom al de bitterheid van den dood smaken. Eenzaam en verlaten wilde Hij sterven , beroofd niet alleen van alle menschelijke hulp, maar ook beroofd van het genot dei-zaligheid, welke het gevolg was van zijne onverbreekbare éénheid met God. Eensklaps slaakte Hij een luiden kreet: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten! Eenigen zijner vijanden, die deze woorden hoorden en het door Hem gesprokene: mijn God, mijn God! dat in het Hebreeuwsch Eli, Eli! luidde, moedwillig verdraaiden, riepen spottend uit: Ziet, Hij roept Elias! Een oogenblik later vroeg-Jesus een weinig drinken tot lafenis van zijn brandenden dorst; Ik heb dorst, klaagde Hij. Terstond doopte een der soldaten eene spons in een nabijstaand vat met azijn , stak ze vervolgens op een riet en hield ze zoo voor den mond van Jesus. Zelfs deze lafenis werd den Zaligmaker door zijne onmenschelijke vijanden misgund : Houd op! riepen zij den soldaat toe, laat ons zien, of Elias komt om Hem te helpen!

Zoodra Jesus den azijn uit de spons had uitgezogen, zeide Hij, wetend dat nu alles, wat de Profeten over zijn lijden voorspeld hadden, vervuld was, en dat Hij den kelk, dien de hemelsche Vader Hem te drinken gegeven had, tot den laatsten druppel toe had geledigd: Het is volbracht. Daarna riep Hij met luide stem: Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest! En onder het uitspreken dezer woorden boog Hij zijn hoofd neder en stierf. — De groote strijd is volstreden, het Offer der eeuwige verzoening is gebracht, het verlossingswerk is voltooid, de wereld is gered.

LXXXVI. Wonderen bij Christus' dood. Begrafenis.

Door schrikwekkende wonderen werd het sterven van

ocr page 221

199

den menschgeworden God aangekondigd. De aarde beefde, de steenrotsen spleten vaneen, de graven werden geopend, en vele lichamen der ontslapene heiligen verrezen; na Jesus' verrijzenis uit hunne graven gegaan zijnde, kwamen die verrezene heiligen te Jeruzalem en verschenen aan velen. In den tempel scheurde het voorhangsel, dat het Heilige der heiligen afsloot, in twee stukken van boven tot beneden: dit was het teeken, dat de Israëlietische eere-dienst had opgehouden te bestaan.

Groot was de ontsteltenis op den Kalvarieberg. De Ro-meinsche hoofdman, wien de handhaving der orde op de strafplaats was aanbevolen, had reeds, toen de Heer Jesus zijne laatste kruiswoorden op een zoo luiden toon uitspraken onmiddellijk daarna stierf, uitgeroepen: Waarlijk, deze mensch was een rechtvaardige! En nu hij de wonderen aanschouwde, welke Jesus' dood vergezelden, was hij, gelijk ook zijne onderhoorige soldaten, van eerbiedigen schrik doordrongen, en zij zeiden: In waarheid, deze was de Zoon Gods. Ook de overigen, die zich op den Kalvarieberg bevonden, keerden, op hunne borst slaande, naar de stad terug. Al de vrienden van den Zaligmaker en de vrouwen, welke Hem uit Galilea gevolgd waren, aanschouwden van verre alles wat er gebeurde; onder deze vrouwen bevond zich, behalve Maria Magdalena en de echtgenoote van Kleophas, ook nog Salome, de huisvrouw van Zebe-deüs; insgelijks hadden de H. Moeder Gods en de Apostel Joannes den Kalvarieberg niet verlaten.

De vijanden des Heeren hadden zich intusschen naar Pilatus begeven en hem verzocht, dat hij den dood der kruiselingen, door het verbrijzelen hunner beenen, zou doen bespoedigen, opdat hunne lijken nog vóór den avond van de kruisen konden afgenomen en begraven worden; de reden van dit verzoek was, dat de Sabbath, die weldra beginnen zou, een bijzonder groote en heilige Sabbath was, en het met de heiligheid van dien dag zou strijden, als er in de nabijheid van Jeruzalem drie menschen aan het kruis hingen. Pilatus voldeed aan dit verzoek en zond soldaten naar Golgotha, om de beenen der gekruisigden te verbrijzelen en hen vervolgens, na zich verzekerd te hebben dat zij dood waren, van de kruisen af te nemen.

ocr page 222

200

Eenige oogenblikken na hef vertrek dezer soldaten meldde zich een der aanzienlijkste mannen van Jeruzalem, de raadsheer Josef van Arimathea, die een geheim leerling des Heeren was, bij den landvoogd aan en verzocht, dat het lichaam van Jesus hem zoude geschonken worden, daar hij het op eene eervolle wijze wenschte te begraven. Pilatus vroeg met verwondering, of Jesus dan reeds gestorven was; hij liet den hoofdman, die de wacht op Golgotha gehouden had, roepen, en nadat deze verklaard had, dat Jesus dood was, schonk hij het lichaam des Heeren aan Jozef. Deze spoedde zich naar den Kalvarie-berg. Daar hadden de door Pilatus gezondene soldaten de beenen der twee gekruisigde moordenaars in stukken geslagen en hen gedood; toen zij echter zagen, dat Jesus niet meer leefde, hadden zij het verbrijzelen zijner beenen achtergelaten; evenwel had een hunner, om zich te ver-• zekeren, dat Hij, eer men Hem van het kruis afnam, waarlijk dood was, zijne lans dwars door • het lichaam des Heeren gestoken; en terstond was er bloed en water uit de breede wond gevloeid.

Het heilig lichaam des Heeren werd nu van het kruis genomen. Terwijl Jozef hiermede bezig was, verscheen ook de raadsheer Nikodemus op de strafplaats; hij bracht eene groote hoeveelheid kostbare specerijen aan; deze werden met het heilig lijk in het lijnwaad gewikkeld, dat Josef gekocht had, en vervolgens droeg men het lichaam des Verlossers naar het graf. In de nabijheid van Golgotha lag een hof, die aan den raadsheer Josef behoorde; daarin was een nieuw, in eene steenrots uitgehouwen graf, waarin nog nooit een lijk had gerust. In dit graf, hetwelk wij ons als eene diepe nis moeten voorstellen, legde men het lichaam des Heeren neder en wentelde vervolgens een grooten steen voor de opening. De heilige vrouwen waren achter het lijk gegaan en hadden nauwkeurig toegezien', waar het werd nedergelegd ; want het was haar godvruchtig voornemen, het lichaam haars Meesters, wanneer de Sabbath zou voorbij zijn, nogmaals te balsemen.

Op den Sabbath verschenen eenige leden van den hoogen Raad op nieuw voor Pilatus en zeiden: Heer ! wij hebben ons herinnerd, dat die verleidèr, toen Hij nog leefde, gezegd

ocr page 223

201

heeft: Na drie dagen zal ik verrijzen. Gebied derhalve dat het graf tot op den derden dag bewaakt worde, opdat misschien zijne leerlingen niet komen en Hem wegstelen en aan het volk zeggen: Hij is van de dooden verrezen. En de laatste dwaling zal erger zijn dan de eerste. Pilatus gaf hun ten antwoord: Gij hebt eene wacht, gaat en bewaakt gelijk gij goedvindt. Zij' plaatsten dan soldaten bij het graf des Verlossers en verzegelden daarenboven den steen, die de opening der rotsspelonk sloot.

De ziel van Jesus was, terstond na hare scheiding van zijn lichaam, ter helle nedergedaald. Dit wil zeggen, dat zij zich begaf naar die plaats van rust en vrede, waar de Heiligen des Ouden Testaments hunnen Verlosser verbeidden. Daar bracht Jesus aan die rechtvaardigen , welke gedurende hun leven op aarde in Hem geloofd en op Hem gehoopt hadden, de zalige tijding, dat zij spoedig met Hem den hemel zouden binnengaan.

Niets is meer in staat, om ons hart met dankbare liefde voor onzen Verlosser te vervullen, dan de godvruchtige overweging van zijn bitter lijden en sterven. Denkt er dikwijls aan, kinderen 1 en, zoo dikwijls gij een kruisbeeld aanschouwt, zegt dan l)ij u zeiven: zóó lief heeft Jesus mij gehad! zóóveel heeft Hij voor mijne zaligheid willen lijden! — De opgave der uren, waarop de groote gebeurtenissen van den laatsten avond en den laatsten dag van Jesus' sterfelijk leven voorvielen, moge u die overweging vergemakkelijken. Deze uren zijn wel niet alle met gelijke zekerheid in de heilige Evangeliën aangewezen, maar kunnen toch met groote waarschijnlijkheid opgegeven worden.

Donderdag 's avonds hield Christus, nadat de zon was ondergegaan, den paaschmaaltijd met zijne leerlingen en wiesch hunne voeten. Omtrent negen ure stelde Hij het H. Sakrament des altaars in. Tegen elf ure kwam Hij in den hof van Gethsemani, en werd omtrent middernacht gevangen genomen. Te één ure werd Hij door den hoogen Raad ter dood veroordeeld en daarna bespot, 's Morgens te vijf ure sprak de hooge Raad voor de tweede maal het doodvonnis over den Verlosser uit; te zes ure werd Hij aan Pilatus overgeleverd. Omstreeks acht ure werd Hij door Herodes bespot; te tien ure gegeeseld en met doornen gekroond, te elf ure naar Kalvarië gevoerd en koit voor den middag aan het kruis genageld. Van twaalf tot drie ure hing Hij levend aan het kruis. Ongeveer te vier ure werd Hij met eene lans doorstoken en vervolgens van het kruis afgenomen en begraven; te zes ure rustte zijn lichaam in het graf.

LXXXVII. Verrijzenis van Christus.

De heilige vrouwen uit Galilea kochten des Zaturdags avonds, nadat de Sabbath geëindigd was, nog nieuwe

ocr page 224

202

specerijen en begaven zich den volgenden morgen, nog vóór de zon opging, op weg naar het graf, om het lichaam haars geliefden Meesters te balsemen. Dat men den steen verzegeld had, wisten zij niet; de eenige moeielijkheid, welke zij voorzagen, was de zwaarte van den steen; daarover spraken zij onder het voortgaan met elkander: Wie zal ons den steen van den ingang des grafs afwentelen ? Toch vervolgden zij haren weg in de hoop, dat het haar gelukken mocht het lichaam van Jesus te bereiken.

Doch dat lichaam was reeds niet meer op de plaats, waar zij het zochten: de Heer Jesus was reeds uit het graf verrezen. Is er, behalve God en zijne engelen, nog iemand getuige geweest van het heerlijk wonder der verrijzenis? Wij weten het niet, maar wij gelooven vastelijk, dat de heilige Moeder Gods haren Zoon gezien heeft op het eigen oogenblik zijner glorievolle opstanding uit het graf, en dat Hij haar, vóór alle anderen, in de vreugde zijner verrijzenis heeft doen deelen, omdat zij, meer dan alle anderen, in het lijden zijns kruises had gedeeld.

De soldaten, die bij het graf de wacht hielden, hadden den verrijzenden Zaligmaker niet gezien. Maar eer nog de duisternis van den nacht geheel geweken was, werden zij plotseling verschrikt door eene sterke aardbeving; tegelijk daalde een engel des Heeren uit den hemel, wentelde den steen van de opening des grafs weg en zette zich daarop. Het gelaat van dezen hemelgeest, die het ledige graf kwam ontsluiten ten bewijze dat de Heer Jesus niet meer daarin was, schitterde als de bliksem, en zijn kleed was wit als sneeuw. Hevig ontstelden de wachters er. half dood van schrik namen zij de vlucht. — Toen dit geschiedde, waren de heilige vrouwen nog niet buiten Jeruzalem gekomen.

Door op den derden dag uit het graf te verrijzen, vervulde Christus de profetie, die Hij dikwijls èn aan zijne leerlingen èn aan de Joden gedaan had; daardoor bewees Hij, dat Hij, gelijk Hij had gezegd, de macht had om zijn leven af te leggen en om het weder aan te nemen; dat Hij den dood en de zonde, waardoor de dood in de wereld kwam, overwonnen heeft en waarlijk de Verlosser is, die alle menschen van de zonde bevrijden en uit den dood redden kan. Door zijne verrijzenis uit het graf toont Hij, meer nog dan door al de andere wonderen, die Hij verricht heeft, dat Hij God is. Omdat Hij verklaard had de Zoon van den levenden God te zijn, hebben zijne vijanden Hem aan het kruis doen sterven;

ocr page 225

203

was Hij dood gebleven, Hij zou de Zoon van den levenden God niet zijn; maar nu Hij, schitterend van heerlijkheid en vol van onsterfelijk leven, uit den dood opstaat nu is Hij waarlijk de Zoon van den levenden God.

LXXXVIII. Christus' verschijningen op den Paaschdag.

Maria Magdalena was de andere vrouwen vooruitgesneld en zag, toen zij in de nabijheid van het graf kwam, dat de steen niet meer voor de opening der grot lag. Aanstonds kwam de gedachte bij haar op, dat men het lichaam des Heeren in den nacht had weggenomen, en, omkeerend, liep zij naar de stad terug om dit aan Petrus mede te deelen. Bij Petrus vond zij ook Joannes en zeide tot hen: Men heeft den Heer uit het graf weggenomen, en wij weten niet, waar men Hem gelegd heeft.

De andere vrouwen waren ondertusschen bij het open graf gekomen en er binnengegaan. Terwijl zij rondstaren, verslagen en ontsteld, omdat zij het lichaam des Hoeren niet vinden, zien zij eensklaps twee engelen in witte en schitterende kleederen. Een van deze, die aan de rechterzijde van de grafspelonk gezeten is, zegt tot haar: Vreest niet! Gij zoekt Jesus, den Nazarener, den gekruisigde; Hij is niet hier! Wat zoekt gij den Levende bij de dooden ? Hij is verrezen, gelijk Hij gezegd heeft. Ziet hier de plaats, waar men Hem nederlegde! En toen de eerste schrik der vrouwen voorbij was, gingen de engelen voort: Herinnert u, hoe Hij, toen Hij nog in Galilea was, tot u gesproken heeft, zeggende: de Zoon des menschen moet in de handen der zondaars overgeleverd en gekruisigd worden, en ten derden dage verrijzen. Maar gaat nu spoedig en boodschapt aan zijne leerlingen en aan Petrus, dat Hij verrezen is. En ziet, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft. Nog huiverend van vrees, maar toch met een hart vol vreugde, gingen de vrouwen heen om den haar opgedragen last te vervullen.

Petrus en Joannes hadden zich, terstond na het ontvangen van Magdalena's bericht, op weg begeven; Joannes liep Petrus vooruit en, bij het graf gekomen, boog hij zich, om daarin te zicn, en ontdekte de linnen doeken, waarin het lichaam des Heeren was gewikkeld geweest. Onder-

ocr page 226

204

tusschen was ook Petrus genaderd en ging met Joannes de grot binnen; en nu zagen zij, dat de zweetdoek, die het hoofd van Jesus bedekt had, niet bij de overige doeken, maar op eene afzonderlijke plaats opgerold lag. Na zich eenigen tijd bij het graf te hebben opgehouden, keerden de Apostelen, vol verwondering over hetgeen geschied was, naar Jeruzalem terug.

Doch Maria Magdalena, die hen gevolgd was, bleef alleen bij het graf en weende. Zich bukkend om in het graf te zien, aanschouwde zij, evenals hare gezellinnen te voren, twee engelen in witte kleederen; de eene zat aan het hoofdeinde, de andere aan het voeteneinde der grafspelonk. Vrouw! waarom weent gij? vroegen zij haar. Maria antwoordde; Omdat men mijnen Heer heeft weggenomen, en ik niet weet, waar men Hem gelegd heeft. Terwijl zij dit zeide, keerde zij zich om en zag den Heer Jesus zeiven. Zij herkende Hem echter niet, maar meende den hovenier te zien en -dacht, dat deze misschien het lichaam haars Meesters had weggenomen. Toen Jesus haar dan vroeg: Vrouw! waarom weent gij ? wien zoekt gij? antwoordde zij: Heer! indien gij Hem hebt weggedragen, zeg mij, wakr gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen! Nu maakte Jesus Zich aan haar bekend en zeide: Maria! Dit ééne woord was voldoende; Maria herkende haren Heer en, onder den uitroep: Mijn Meester! viel zij aan zijne voeten neder. Jesus gelastte haar tot zijne broeders te gaan en hun te zeggen: Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, mijnen God en uwen God.

Terwijl dit bij het graf gebeurde, waren de overige vrouwen bezig met aan de Apostelen en andere leerlingen des Heeren te boodschappen wat zij gezien en gehoord hadden. Zij waren nog op weg, toen Jesus haar te gemoet kwam en tot haar zeide: VVeest gegroet! Zij herkenden hem terstond , knielden voor Hem neder, omhelsden zijne voeten en aanbaden Hem, Hij zeide tot haar: Vreest niet! Gaat, boodschapt aan mijne broeders, dat zij naar Galilea gaan: daar zullen zij Mij zien. Verrukt van vreugde snelden de heilige vrouwen, met wie zich nu ook Maria Magdalena weder vereenigde, naar de leerlingen, om hun te melden, dat zij den Heer gezien hadden. Evenwel vonden zij geen geloof,

ocr page 227

205

en, wat zij spraken, klonk als dwaasheid in de ooren van die het hoorden.

•Spoedig echter deed een nieuwe verschijning van Jesus veler twijfel ophouden; zij viei ten deel aan Petrus; en door het woord van dezen Apostel, wien de Zaligmaker den last had opgedragen om zijne broeders in het geloof te versterken, werden velen der leerlingen van de waarheid der verrijzenis overtuigd.

De verrijzenis des Heeren werd te Jeruzalem ook aan diens vijanden bekend gemaakt. De soldaten , die de wacht bij het graf hadden gehouden, gaven aan de Joodsche oversten bericht van hetgeen zij gezien hadden. Terstond werd er eene vergadering belegd en besloten, de soldaten door eene groote som gelds om te koopen tot het verspreiden van leugens: zij moesten zeggen, dat zij op hun post in slaap waren gevallen, en dat toen de leerlingen van Jesus het lijk uit het graf hadden weggestolen. Dit hadden zij, terwijl zij sliepen, gezien! — Het aangeboden geld en de belofte der Sanhedristen, dat zij het bij den landvoogd goed zouden maken, deed de soldaten toestemmen; zij strooiden uit, wat men hun had voorgezegd, en velen geloofden en verhaalden het verder.

LXXXVIII*. Vierde en vijfde verschijning des Heeren.

In den namiddag van denzelfden Zondag waren twee van Jesus' leerlingen op den weg naar Emmaus, een vlek, niet ver van Jeruzalem gelegen; de een heette Kleophas. In treurige stemming spraken zij met elkander over de gebeurtenissen der laatste dagen en over hetgeen zij dien morgen van de vrouwen gehoord hadden; dat Jesus aan die vrouwen verschenen was, wisten zij nog niet. Terwijl zij nu voortwandelden, voegde Jesus zelf Zich bij hen; echter herkenden zij Hem niet en hielden Hem voor een vreemden reiziger. Jesus vroeg hun, wat het onderwerp van hun gesprek en de reden hunner treurigheid was. Daarop zeide Kleophas: Zijt gij alléén vreemdeling in Jeruzalem, en weet gij niet wat aldaar in deze dagen geschied is? — Wat ? vroeg Jesus. En nu verhaalden zij, hoe Jesus van Nazareth, een Profeet, machtig in werken en woorden

ocr page 228

206

voor God en al het volk, door de opperpriesters en oversten ter dood veroordeeld en gekruisigd was geworden. Wij echter, zoo gingen zij voort, hoopten dat Hij het was, die Israël verlossen zoude; maar bij dit alles is het nu de derde dag, sinds deze dingen geschied zijn. Doch ook hebben eenige vrouwen uit de onzen, die voor het daglicht bij het graf geweest zijn, ons doen ontstellen: daar zij namelijk zijn lichaam niet vonden, zijn zij gekomen, zeggende, dat zij ook eene verschijning gezien hebben van engelen, die zeggen dat Hij leeft. En eenigen uit de onzen zijn naar het graf gegaan en hebben het aldus bevonden gelijk de vrouwen gezegd hadden ; maar Hem zeiven hebben zij niet gevonden.

Jesus nam nu het woord op en zeide: O gij onverstan-digen en tragen van hart om alles te gelooven, wat dé profeten voorzegd hebben! Moest dan de Christus dit niet lijden en aldus in zijne heerlijkheid binnengaan? Vervolgens gaf Hij hun uitlegging van al de voorspellingen, die door Mozes en de profeten aangaande den Messias gedaan waren. Onder dit gesprek waren zij te Emmaus gekomen. Daar Jesus zich hield, als wilde Hij verder gaan, deden de leerlingen moeite, om Hem zijn intrek bij hen te doen nemen, en zij zeiden: Blijf bij ons! want het wordt avond en de dag is reeds gedaald. Toen trad Hij met hen binnen. Aan het avondmaal nam Hij het brood, zegende en brak het en reikte het hun toe. Op dit oogenblik werden hunne oogen geopend, en zij herkenden Hem; doch Hij verdween uit hunne oogen. En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandend in ons, terwijl Hij op den weg sprak en ons de Schriften verklaarde? Terstond gingen zij weder op weg naar Jeruzalem.

Da ar gekomen vonden zij de Apostelen met eenige anderen vergaderd; Thomas alleen was afwezig. Zoodra zij de zaal, waarvan men de deuren, uit vrees voor de Joden, zorgvuldig gesloten hield, binnentraden, riep men hun toe: De Heer is waarlijk verrezen en aan Simon verschenen ! Zij verhaalden nu, wat er op den weg naar Emmaus gebeurd was, en hoe zij den Heer Jesus in het breken des broods herkend hadden.

De leerlingen hadden zich aan tafel gezet en luisterden

ocr page 229

207

nog naar het verhaal der Emmaus-gangers, toen op her onverwachtst Jesus zelf in hun midden stond en hen toesprak: Vrede zij u! Ik ben het; vreest niet! Zij waren uitermate verschrikt, en eenigen dachten aan eene spookverschijning. Jesus bestrafte hunne kleingeloovighcid en zeide vervolgens: Beschouwt mijne handen en voeten, dat Ik het zelf ben; betast en beziet; een geest heeft immers geen vleesch en geene beenderen, gelijk gij ziet dat Ik heb. Daarna toonde Hij hun zijne handen en voeten en ook zijne zijde. En om alle onzekerheid nog verder bij hen weg te nemen, vroeg Hij : Hebt gij hier iets om te eten? Zij boden Hem een stuk van een gebraden visch en eene honigraat aan, en Hij at er van voor hunne oogen en deelde vervolgens de nog overgebleven spijze onder hen uit.

Op dien eigen avond stelde Jesus het H. Sakrament der boetvaardigheid in. Plechtig sprak Hij tot zijne Apostelen: Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zehd Ik u. Daarna blies Hij over hen en sprak: Ontvangt den Heiligen Geest! Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven; en zvier zonden gij zult houden, die zijn gehouden.

Omdat Christus aan zijne Apostelen, en aan hunne rechtmatige opvolgers, de macht verleend heeft om de zonden te vergeven ot . te houden, heeft de bedienaar van het h. Sakrament der boetvaardigheid, opdat hij kunne oordeelen, welke zonden vergeven en welke gehouden moeten worden, recht den gewetenstoestand van dengene, die dit Sakrament ontvangen wil, te kennen, en is deze dus verplicht den toestand zijns gewetens bloot te leggen en zijne zonden, althans zijne doodzonden, oprecht te belijden. Deze belijdenis heet Biecht, en met dezen naam duiden wij gewoonlijk het H. Sakrament der boetvaardigheid aan.

LXXXIX. Christus' verheerlijkt leven op aarde.

Bij de verschijning des Zaligmakers aan zijne Apostelen was Thomas niet tegenwoordig; en toen de anderen hem de blijde tijding brachten, dat zij den Heer gezien hadden , wilde hij hunne getuigenis niet aannemen, maar zeide: Als ik in zijne handen het indruksel der nagelen niet zie, en mijnen vinger in de plaats der nagelen niet

ocr page 230

2o8

steke, en mijne hand niet legge in zijne zijde, zal ik het niet gelooven. Op den eerstvolgende!! Zondag waren de leerlingen wederom ter zelfder plaatse vergaderd, en nu was Thomas bij hen. En, terwijl de deuren gesloten waren, kwam Jesus op nieuw tot hen, stond in hun midden en sprak: Vrede zij u! Daarop wendde Hij Zich tot Thomas en zeide tot hem: Steek uwen vinger hierin en bezie mijne handen, en breng uwe hand vooruit en leg ze in mijne zijde; en wees niet ongeloovig, maar geloovig ! Thomas wierp zich aanbiddend voor Jesus neder en riep uit: Mijn Heer en mijn God! Meer kon hij niet uitbrengen; maar die twee woorden, welke hij sprak, waren de oprechtste en volledigste belijdenis van zijn volmaakt geloof. Jesus zeide hem: Omdat gij mij gezien hebt, Thomas! hebt gij geloofd; zalig zij. die niet gezien en geloofd hebben.

Jesus heeft na zijne verrijzenis nog veertig dagen op aarde* doorgebracht; gedurende deze dagen bleef Hij niet bestendig bij zijne Apostelen, maar verscheen Hij hun van tijd tot tijd en vertoefde dan langer of korter in hun midden. Kort na den eersten Zondag na Paschen verlieten de Apostelen Jeruzalem en keerden terug naar Galilea en de oevers van het meer Genesareth. Op een avond deed Petrus aan eenigen zijner medeleerlingen het voorstel om den volgenden nacht aan de vischvangst te wijden; zij namen zijn voorstel aan en begaven zich met hem in een schip. Zij waren zeven in getal: Petrus, Jacobus en zijn broeder Joannes, Thomas, Nathanaël en nog twee anderen. Toen zij, na den geheelen nacht vruchteloos te hebben gearbeid, tegen het aanbreken van den dag weder naar land terugroeiden, stond Jesus aan den oever; de leerlingen zagen maar herkenden Hem niet. Jesus riep hun toe: Kinderen! hebt gij niet eenige toespijs ? Zij antwoordden: Neen! De Zaligmaker hernam: Werpt het net uit ter rechterzijde van het schip, en gij zult er vinden. Zij deden het, en toen zij het net weder wilden optrekken, was het zoo vol, dat zij het niet konden binnenhalen. Aan dit wonder herkenden zij hunnen Meester. Het is de Heer! roept Joannes tot Petrus; en nauwelijks heeft deze dit woord vernomen, of hij trekt zijn opperkleed, dat hij

ocr page 231

2og

afgelegd had, ijlings aan en springt in zee, om zwemmend en wadend den oever, waarvan zij nog twee honderd ellen verwijderd waren, te bereiken. De overigen roeiden naar land, terwijl zij het net met de visschen door het water medesleepten.

Toen zij bij Jesus gekomen waren, zagen zij een kolenvuur aangelegd, waarop een visch te braden lag, en ook brood. De Zaligmaker zeide hun: Brengt van de visschen, welke gij nu gevangen hebt. Zij haalden het net op den oever en telden honderd drie-en-vijftig groote visschen; ondanks deze buitengewone vangst was het net toch niet gescheurd. Jesus riep nu zijne leerlingen tot het ontbijt, dat Hij door zijne almacht voor hen had gereed gemaakt; en in hun midden gezeten, deelde Hij het brood en den gebraden visch onder hen uit.

Nadat zij ontbeten hadden, richtte Jesus het woord tot Petrus en vroeg hem: Simon , zoon van Joannes ! bemint gij Mij meer dan dezen? Petrus antwoordde: Ja, Heer! Gij weet dat ik U liefheb. En Jesus zeide hem: Weid mijne lamineren! Daarna vroeg Hij andermaal: Simon, zoon van Joannes! bemint gij Mij ? En wederom gaf Petrus hetzelfde antwoord: Ja, Heer! Gij weet dat ik U liefheb. Jesus herhaalde: Weid mijne lammeren! Ten derden male vroeg Jesus: Simon,- zoon van Joannes! hebt gij Mij lief? Nu werd Petrüs bedroefd: deze driemaal herhaalde vraag riep hem zijne drievoudige verloochening van zijnen Meester zoo levendig in het geheugen terug; en hij riep uit: Heer! Gij weet alles; Gij weet dat ik U liefheb. En Jesus zeide tot hem: Weid mijne schapen! — Aldus stelde de Zaligmaker den Apostel Petrus aan tot opperherder zijner geheele kudde, dat is: zijner geheele Kerk, en vervulde Hij al de groote beloften, welke Hij vroeger aan Petrus gedaan had. Aan den oever van het meer Genesareth heeft Christus den eersten Paus aangesteld, en van dit oogenblik af treedt het Pausdom in het leven, om onsterfelijk, evenals de Kerk zelve, voort te bestaan tot aan het einde der eeuwen.

Vervolgens voorspelde Jesus aan Petrus, dat hij den marteldood sterven en bepaaldelijk door den kruisdood God verheerlijken zou. Toen gij jonger waart, zeide Jesus

14

ocr page 232

2 IO

tot hem, gordet gij u zelf en gingt waarheen gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uwe handen uitsteken, en zal een ander u gorden en voeren waarheen gij niet wilt. Volg Mij! Na deze woorden stond de Zaligmaker op en verwijderde Zich; Petrus volgde Hem en, zich omkeerend en ziende dat ook Joannes volgde, vroeg hij zijnen Meester naar het toekomstig lot van dezen Apostel. Jesus trad daarover in geene nadere verklaring, maar gaf een duister antwoord, hetwelk voor sommigen eene aanleiding werd om te meenen, dat de Apostel Joannes niet zoude sterven; deze meening was echter geheel verkeerd, daar hetgeen de Zaligmaker gezegd had er volstrekt geen grond voor opleverde.

Eene andere verschijning des Heeren had plaats op eenen berg in Galilea, waarheen de elf Apostelen zich, op last huns Meesters , begeven hadden, vergezeld door eene groote schaar van aanhangers en leerlingen des Zaligmakers, zoodat er nieer dan vijfhonderd broeders te zamen waren. Ook verscheen Hij nog aan den Apostel Jacobus en aan al de Apostelen, tot wie Hij, gedurende de veertig dagen van zijn verheerlijkt leven op aarde, veel sprak over het Rijk Gods, dat is, over zijne heilige Kerk, welker leeraai's, priesters en bestuurders de Apostelen zouden moeten zijn. Hij zeide tot hen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dus in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle schepsel; leert alle volken, hen doopend in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, hen leerend onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. Na hun op deze plechtige wijze hunne groote zending verleend te hebben, gaf Hij hun de macht, om door het doen van wonderen aan de wereld te bewijzen, dat zij waarlijk de gezanten waren van Hem, die alle macht heeft in den hemel en op de aarde, omdat Hij God en dus de Heer van hemel en aarde is. En Hij besloot met de belofte: Ziet, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.

Deze belofte heeft de Zaligmaker schitterend vervuld. Het is nu meer dan ayiKtien honderd jaren geleden, dat Hü ze uitsprak, en al die jaren

ocr page 233

211

hebben de onfeilbaarheid er van bewezen. J)e Katholieke Kerk, welker eerste Paus Petrus en welker eerste Bisschoppen de Apostelen waren, heeft gedurende al die jaren getoond, dat de Heer Jesus met haar is; want anders zou zij reeds lang door hare aardsche en helsche vijanden verdelgd zijn geweestmaar omdat Jesus, de almachtige God, haar beloofd heeft: Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld, daarom was zij onvergankelijk. En even onvergankelijk zal zij zijn in de eeuwen, die nog komen zullen tot aan het einde der wereld; want de onfeilbare belofte van den Heer Jesus kan nooit eene leugen worden.

Toen Christus aan zijne Apostelen den last opdroeg om te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, openbaarde Hij, duidelijk en volledig, het verhevenste geheim van ons geloof, het geheim van de allerheiligste Drieëenheid, dat is: van één God in drie Personen, welke zijn: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. Dit geloofsgeheim belijden wij, zoo dikwijls wij het gebed: Glorie zij den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest! uitspreken, en zoo dikwijls wij het teeken des kruises maken en zeggen: In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, amen.

XC. Hemelvaart van Christus.

De-arbeid der Apostelen moest te Jeruzalem beginnen; daarom zond Jesus hen naar deze stad terug en gebood hun, na zijne hemelvaart Jeruzalem niet te verlaten, totdat Hij den Heiligen Geest, de belofte des Vaders, zou gezonden hebben, en zij met kracht uit den hooge zouden zijn aangedaan; lang zouden zij niet behoeven te wachten, want, zeide Hij, Gij zult gedoopt worden met den Heiligen Geest, niet lang na deze dagen. Op de vraag zijner Apostelen, of Hij dan ook spoedig het koninkrijk van Israël herstellen zou, gaf Hij ten antwoord: Het komt u niet toe tijden of oogenblikken', welke de Vader in zijne macht bepaald heeft, te weten. Maar gij zult de kracht van den Heiligen Geest, die over u komen zal, ontvangen, en gij zult Mij getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiteinde der aarde.

Jesus leidde hen nu, op den veertigsten dag na zijne verrijzenis, uit Jeruzalem naar Bethania en steeg met hen op den olijfberg. Daar sprak Hij hun zijne laatste woorden toe en gaf hun zijnen laatsten zegen. En terwijl Hij met opgeheven handen dien zegen over hen uitsprak, zagen zij Hem van de aarde ten hemel varen, totdat eene wolk Hem aan hunne oogen onttrok. Toen zij Hem, nadat Hij reeds uit hun gezicht verdwenen was, nog bleven nastaren,

ocr page 234

212

stonden er eensklaps twee engelen in witte kleederen naast hen, die tot hen zeiden: Mannen van Galilea! wat staat gij hier naar den hemel op te zien ? Deze Jesus, die van u ten hemel is opgenomen, zal alzoo komen, gelijk gij Hem-ten hemel hebt zien varen. De Apostelen knielden nu neder om hunnen verheerlijkten Meester te aanbidden, en keerden daarna, vol van vreugde, naar Jeruzalem terug, om daar de komst van den H. Geest af te wachten.

De Heer Jesus was zijne glorie binnengegaan, en Hij zit aan de rechterhand Gods. Daar blijft Hij in eeuwigheid het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt; de Verlosser der wereld, die de verdiensten van zijn lijden en sterven aan zijnen hemelschen Vader opdraagt en, door zijne heilige Kerk, tot rechtvaardiging en heiliging der menschen toepast; de Hoogepriester des Nieuwen Testaments , die Zich zeiven eeuwig ten offer brengt. Daarom heeft Hij in zijn verheerlijkt lichaam de teekenen zijner wonden willén behouden, en zag de H. Joannes, toen hij Hem later in zijne glorie aanschouwde, een Lam staan, als geslacht. En aan het einde der tijden zal de Heer Jesus, die opgeklommen is ten hemel en zit aan de rechterhand Gods, zijns almachtigen Vaders, komen om te oordeelen de levenden en de dooden, en om aan al zijne uitverkorenen deel te geven in zijne onsterfelijke heerlijkheid. Dan zal Hij ook hunne lichamen heerlijk doen verrijzen uit het graf en hen, met ziel en lichaam, den hemel binnenvoeren, waar zij met Hem zullen leven en heerschen in eeuwigheid.

ocr page 235

TWEEDE TIJDVAK.

VROEGSTE GESCHIEDENIS DER KERK VAN

CHRISTUS.

De vroegste geschiedenis der Kerk van Christus wordt hoofdzakelijk beschreven in het boek van de Handelingen der Apostelen, dat door den evangelist Lukas geschreven is. Vele berichten, vooral over de laatste helft der eerste eeuw na Christus, vinden wij in de brieven der Apostelen. Deze zijn één-en-twintig in getal, waarvan veertien van Paulus, één van Jacobus den mindere, twee van Petrus, drie van Joannes en één van Judas Thaddeüs. Van den Apostel Joannes bezitten wij daarenboven nog een boek, dat de Openbaring genoemd wordt.

EERSTE AEDEELING.

DE KERK VAN CHRISTUS IN PALESTINA.

XCI. Verkiezing van den Apostel Mathias. Neder-

DALING DES H. GEESTES.

De plaats, waar de Apostelen in de dagen, die na Jesus' hemelvaart tot aan de nederdaling des H. Geestes verliepen, hoofdzakelijk hun verblijf hielden, was de opperzaal van een huis te Jeruzalem. Hier waren zij allen, één van ziel en met heilige volharding, in het gebed vereenigd met Maria, de Moeder van Jesus, de heilige vrouwen en de bloedverwanten des Heeren; vele andere leerlingen voegden zich bij hen, zoodat er somtijds meer dan honderd personen ' vergaderd waren. Dagelijks begaven zij zich naar den tempel om God te loven en te danken.

Op een dier dagen van voorbereiding tot het ontvangen des H. Geestes stond Petrus, het hoofd der Apostelen, in het midden der broeders, die toen ten getale van bijna honderd en twintig vereenigd waren, op, om hun aan te kondigen, dat er een nieuwe Apostel in de plaats

ocr page 236

2 IO

tot hem, gordet gij u zelf en gingt waarheen gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zult gij uwe handen uitsteken, en zal een ander u gorden en voeren waarheen gij niet wilt. Volg Mij! Na deze woorden stond de Zaligmaker op en verwijderde Zich; Petrus volgde Hem en, zich omkeerend en ziende dat ook Joannes volgde, vroeg hij zijnen Meester naar het toekomstig lot van dezen Apostel. Jesus trad daarover in geene nadere verklaring,, maar gaf een duister antwoord, hetwelk voor sommigen eene aanleiding werd om te meenen, dat de Apostel Joannes niet zoude sterven ; deze meening was echter geheel verkeerd, daar hetgeen de Zaligmaker gezegd had er volstrekt geen grond voor opleverde.

Eene andere verschijning des Heeren had plaats op eenen berg in Galilea, waarheen de elf Apostelen zich, op last huns Meesters, begeven hadden, vergezeld door eene groote schaar van aanhangers en leerlingen des Zaligmakers, zoodat er meer dan vijfhonderd broeders te zamen waren. Ook verscheen Hij nog aan den Apostel Jacobus en aan al de Apostelen, tot wie Hij, gedurende de veertig dagen van zijn verheerlijkt leven op aarde, veel sprak over het Rijk Gods, dat is, over zijne heilige Kerk, welker leeraars, priesters en bestuurders de Apostelen zouden moeten zijn. Hij zeide tot hen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dus in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle schepsel; leert alle volken, hen doopend in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, hen leerend onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. Na hun op deze plechtige wijze hunne groote zending verleend te hebben, gaf Hij hun de macht, om door het doen van wonderen aan de wereld te bewijzen, dat zij waarlijk de gezanten waren van Hem, die alle macht heeft in den hemel en op de aarde, omdat Hij God en dus de Heer van hemel en aarde is. En Hij besloot met de belofte: Ziet, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.

Deze belofte heeft de Zaligmaker schitterend vervuld. Het is nu meer dan rtyitttien honderd jaren geleden, dat Hij ze uitsprak, en al die jaren

ocr page 237

211

hebben de onfeilbaarheid er van bewezen. Dc Katholieke Kerk, welker eerste Paus Petrus en welker eerste Bisschoppen de Apostelen waren, heeft gedurende al die jaren getoond, dat de Heer Jesus met haar is; want anders zou zij reeds lang door hare aardsche en helsche vijanden verdelgd zijn geweest; maar omdat Jesus, de almachtige God, haar beloofd heeft: Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld, daarom was zij onvergankelijk. En even onvergankelijk zal zij zijn in de eeuwen, die nog komen zullen tot aan het einde der wereld; want de onfeilbare belofte van den Heer Jesus kan nooit eene leugen worden.

Toen Christus aan zijne Apostelen den last opdroeg om te doopen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, openbaarde Hij, duidelijk en volledig, het verhevenste geheim van ons geloof, het geheim van de allerheiligste Drieëenheid, dat is: van één God in drie Personen, welke zijn: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. Dit geloofsgeheim belijden wij, zoo dikwijls wij het gebed: Glorie zij den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest! uitspreken, en zoo dikwijls wij het teeken des kruises maken en zeggen: In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, amen.

XC. Hemelvaart van Christus.

Dc-arbeid der Apostelen moest te Jeruzalem beginnen; daarom zond Jesus hen naar deze stad terug en gebood hun, na zijne hemelvaart Jeruzalem niet te verlaten, totdat Hij den Heiligen Geest, de belofte des Vaders, zou gezonden hebben, en zij met kracht uit den hooge zouden zijn aangedaan; lang zouden zij niet behoeven te wachten, want, zeide Hij, Gij zult gedoopt worden met den Heiligen Geest, niet lang na deze dagen. Op de vraag zijner Apostelen, of Hij dan ook spoedig het koninkrijk van Israël herstellen zou, gaf Hij ten antwoord: Het komt u niet toe tijden of oogenblikken', welke de Vader in zijne macht bepaald heeft, te weten. Maar gij zult de kracht van den Heiligen Geest, die over u komen zal, ontvangen, en gij zult Mij getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiteinde der aarde.

Jesus leidde hen nu, op den veertigsten dag na zijne verrijzenis, uit Jeruzalem naar Bethania en steeg met hen op den olijfberg. Daar sprak Hij hun zijne laatste woorden toe en gaf hun zijnen laatsten zegen. En terwijl Hij met opgeheven handen dien zegen over hen uitsprak, zagen zij Hem van de aarde ten hemel varen, totdat eene wolk Hem aan hunne oogen onttrok. Toen zij Hem, nadat Hij reeds uit hun gezicht verdwenen was, nog bleven nastaren,

ocr page 238

212

stonden er eensklaps twee engelen in witte kleederen naast hen, die tot hen zeiden: Mannen van Galilea! wat staat gij hier naar den hemel op te zien ? Deze Jesus, die van u ten hemel is opgenomen, zal alzoo komen, gelijk gij Hem-ten hemel hebt zien varen. De Apostelen knielden nu neder om hunnen verheerlijkten Meester te aanbidden, en keerden daarna, vol van vreugde, naar Jeruzalem terug, om daar de komst van den H. Geest af te wachten.

De Heer Jesus was zijne glorie binnengegaan, en Hij zit aan de rechterhand Gods. Daar blijft Hij in eeuwigheid het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt; de Verlosser der wereld, die de verdiensten van zijn lijden en sterven aan zijnen hemelschen Vader opdraagt en, door zijne heilige Kerk, tot rechtvaardiging en heiliging der menschen toepast; de Hoogepriester des Nieuwen Testaments, die Zich zeiven eeuwig ten offer brengt. Daarom heeft Hij in zijn verheerlijkt lichaam de teekenen zijner wonden willen behouden, en zag de H. Joannes, toen hij Hem later in zijne glorie aanschouwde, een Lam staan, als geslacht. En aan het einde der tijden zal de Heer Jesus, die opgeklommen is ten hemel en zit aan de rechterhand Gods, zijns almachtigen Vaders, komen om te oordeelen de levenden en de dooden, en om aan al zijne uitverkorenen deel te geven in zijne onsterfelijke heerlijkheid. Dan zal Hij ook hunne lichamen heerlijk doen verrijzen uit het graf en hen, met ziel en lichaam, den hemel binnenvoeren, waar zij met Hem zullen leven en heerschen in eeuwigheid.

ocr page 239

TWEEDE TIJDVAK.

VROEGSTE GESCHIEDENIS DER KERK VAN

CHRISTUS.

De vroegste geschiedenis der Kerk van Christus wordt hoofdzakelijk beschreven in het boek vau de Handelingen der Apostelen, dat door den evangelist Lukas geschreven is. Vele berichten, vooral over de laatste helft der eerste eeuw na Christus, vinden wij in de brieven der Apostelen. Deze zijn één-en-twintig in getal, waarvan veertien van Paulus, één van Jacobus den mindere, twee van Petrus, drie van Joannes en één van Judas Thaddeüs. Van den Apostel Joannes bezitten wij daarenboven nog een boek, dat de Openbaring genoemd wordt.

EERSTE AFDEELING.

DE KERK VAN CHRISTUS IN PALESTINA.

XCI. Verkiezing van den Apostel Mathias. Neder-

daling des H. geestes.

De plaats, waar de Apostelen in de dagen, die na Jesus' hemelvaart tot aan de nederdaling des H. Geestes verliepen, hoofdzakelijk hun verblijf hielden, was de opperzaal van een huis te Jeruzalem. Hier waren zij allen, één van ziel en met heilige volharding, in het gebed vereenigd met Maria, de Moeder van Jesus, de heilige vrouwen en de bloedverwanten des Heeren; vele andere leerlingen voegden zich bij hen, zoodat er somtijds meer dan honderd personen ' vergaderd waren. Dagelijks begaven zij zich naar den tempel om God te loven en te danken.

Op een dier dagen van voorbereiding tot het ontvangen des H. Geestes stond Petrus, het hoofd der Apostelen, in het midden der broeders, die toen ten getale van bijna honderd en twintig vereenigd waren, op, om hun aan te kondigen, dat er een nieuwe Apostel in de plaats

I

ocr page 240

214

van Judas moest verkozen worden; het moest iemand zijn van degenen, die van den beginne af tot de leerlingen des Zaligmakers hadden behoord. Men stelde twee mannen voor, die men voor het meest geschikt hield, om tot de hooge waardigheid van Apostel verheven te worden ; hunne namen zijn Jozef Bars abas en Mathias. Daarop vereenig-den de vergaderden zich in het gebed en spraken: „Gij, Heer! die aller harten kent, toon Gij wien Gij uitverkoren hebt, één van deze twee, om de plaats te ontvangen van dit ambt en apostolaat, waarvan Judas afgevallen is om heen te gaan naar zijne plaats. Toen wierpen zij het lot, en dit viel op Mathias, die nu als de twaalfde Apostel met de elf anderen medegerekend werd.

De vijftigste dag sedert de verrijzenis des Heeren brak aan, en, ongeveer te negen ure in den morgen, waren de Apostelen met de andere leerlingen in ééne plaats vergaderd. En eensklaps ontstond er uit den hemel een gedruisch als van een opkomenden hevigen wind en vervulde het geheele huis, waar zij gezeten waren. En er verschenen hun verdeelde tongen als van vuur, en op ieder hunner zette het zich neder. En allen werden vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken in verschillende talen, naar dat de Heilige Geest hun gaf uit te spreken.

Ziedaar de groote gebeurtenis, die op den eersten Chris-telijken Pinksterdag te Jeruzalem plaats had. Op dien dag, waarop de derde Persbon der H. Drieëenheid in zichtbare gedaante over de Ajoostelen nederdaalde en Zich persoonlijk met hen vereenigde, trad de Kerk van Christus de wereld in, vertoonde zij zich in de volheid van haar onvergankelijk leven en begon zij haar goddelijk werk tot verlichting, heiliging en zaligmaking der menschen.

De nederdaling des H. Geestes had, evenals de verrijzenis van Christus, op een Zondag plaats; daarom ontving de Zondag den naam van dag des lieer en, en vierden de Christenen, volgens het voorschrift der Apostelen , niet meer den Zaterdag maar den Zondag.

Merkt vooral op, kinderen! hoe de H. Petrus, van het begin af, als hoofd der Apostelen en als Opperherder der Kerk optreedt. Dit ziet gij reeds bij de verkiezing van den Apostel Mathias en in de volgende hoofdstukken zult gij Petrus onophoudelijk hooren spreken en zien handelen als den Paus der Kerk en de plaatsbekleeder van Christus op aarde.

A

ocr page 241

215

XCII. Eerste prediking van Petrus. De kerk van

Petrus.

Een groot aantal Joden, niet alleen uit Palestina, maar ■ook uit andere landen, bevond zich te Jeruzalem om het Pinksterfeest te vieren; de drie werelddeelen, Azie, Europa en Afrika, waren in de Joodsche hoofdstad vertegenwoordigd. Toen het wonderbaar gedruisch, dat de nederdaling •des H. Geestes aankondigde, vernomen werd, stroomde eene menigte menschen, verbaasd en verschrikt, samen naar de plaats, waar de Apostelen zich bevonden; en aller ontzetting steeg ten top, toen zij, in tegenwoordigheid der Apostelen gekomen, hen in verschillende talen hoorden spreken. Buiten zich zeiven van verwondering riep men elkander toe: Zie! zijn niet dezen allen, die spreken, Galileërs ? Hoe hoorden wij dan ieder onze taal, waarin wij geboren zijn? Terwijl de opgetogen menigte aldus sprak, waren er ook eenige lichtzinnige spotters, die de Apostelen beschimpten en uitriepen: Dezen zijn vol van zoeten wijn! Nu stond Petrus op en, omringd door zijne mede-apostelen, opende hij zijnen mond om, voor de eerste maal, aan eene talrijke menigte het Evangelie in den naam van Christus te verkondigen. Na met een enkel woord de spotters beschaamd te hebben, wees hij in hetgeen nu gebeurde de vervulling aan van de profetie: Ik zal van mijnen Geest uitstorten over alle vleesch. En ook op mijne dienstknechten en op mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten, en zij zullen profeteeren. Vervolgens ging hij aldus voort:

Israëlietische mannen! hoort deze woorden: Jesus, den Nazarener, eenen Man, dien God onder u betuigd heeft door krachten en wonderen en teekenen, welke God door Hem in uw midden heeft gewerkt, gelijk ook gij zelf weet, — Hem, die naar Gods bepaalden raad en voorwetenschap werd overgeleverd, hebt gij door de handen van godde-loozen gemarteld en ter dood gebracht. Hem heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn! Verheven dan door Gods rechterhand, en de belofte des H. Geestes van den Vader ontvangen hebbende, heeft Hij dezen welken gij ziet en hoort, uitgestort. Dat dan het geheele huis

ocr page 242

2l6

Israels met volkomen zekerheid wete, dat God Hem én tot Heer én tot Christus gemaakt heeft, dien Jesus, dien gij gekruisigd hebt.

De redevoering van Petrus maakte diepen indruk, want dezelfde H. Geest, die door den mond des Apostels sprak, deed diens woord in de harten van velen zijner hoorders indringen en daar vruchten van geloof en boetvaardigheid voortbrengen. Vol berouw spraken zij tot Petrus en de andere Apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoordde: Doet boetvaardigheid, en ieder van u worde gedoopt in den naam van Jesus Christus, tot vergiffenis uwer zonden; en gij zult de gaven des Heiligen Geestes ontvangen. Nog veel meer sprak Petrus en met het heilrijkste gevolg; want drie duizend menschen geloofden in den Heer Jesus en werden op dienzelfden dag, door het ontvangen des Doopsels, kinderen van de heilige Kejk.

Aldus was de Kerk van Jeruzalem gevestigd. De Christenen , die haar uitmaakten, waren volhardend in de leering der Apostelen en in de gemeenschap van het breken des broods en in de gebeden. Zij luisterden naar de prediking der Apostelen en leerden de geloofswaarheden , welke dezen hun verkondigden, gedurig beter kennen; zij vierden het heilig Misoffer eu ontvingen het Lichaam en Bloed des Heeren in het H. Sakrament des altaars en vereenigden zich tot openbare gebeden. Door de banden der innigste liefde met elkander vereenigd, hadden zij slechts één hart en ééne ziel; niemand hunner wilde iets bezitten, wat niet evenzeer aan zijnen broeder zou toebehooren; zij verkochten wat zij hadden en stelden de opbrengst hunner goederen ter beschikking van de Apostelen, opdat dezen daarvan aan allen, naar gelang van behoefte, zouden mededeelen. Zoo kwam het, dat er onder de broeders geen enkele noodlijdende was.

De geur van heiligheid, waarin de eerste Christenen leefden, verspreidde zich ook naar buiten; allen, die hen zagen, werden met eerbied voor hunne deugd vervuld en bejegenden hen met achting; en bij het aanschouwen en vernemen van de vele wonderen, waardoor de Apostelen de waarheid hunner prediking bevestigden, werd geheel

ocr page 243

217

Jeruzalem doordrongen van vrees, en velen geloofden in den Heer Jesus, zoodat het getal der Christenen dagelijks toenam.

De Godsvereering der eerste Christenen van Jeruzalem was dezelfde als nu de onze is, en wij erkennen hen waarlijk als onze oudere broeders in het geloof. Dat ook hunne deugd en vooral hunne onderlinge liefde ons ten voorbeeld zijnl opdat het woord des Heeren ook op ons van toepassing moge wezen, gelijk het zoo ten volle van toepassing was op hen: Ddaraan zullen allen erkennen dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij liefde hebt voor elkander.

XCIII. Genezing van een kreupelgeborene en

gevolgen daarvan.

Op zekeren namiddag, niet lang na Pinksteren, begaven zich de apostelen Petrus en Joannes naar den tempel, waar liet uur des avondoffers vele Israëlieten vereenigd had. Bij eene der tempelpoorten', die den naam droeg van dc schoone y zat een bedelaar, die kreupelgeboren en zoo verlamd was, dat hij volstrekt niet gaan kon; dagelijks droeg men hem naar de genoemde poort, en daar vroeg hij de aalmoezen der tempelgangers. Toen deze ongelukkige de twee Apostelen zag, richtte hij ook tot hen zijne bede om eene liefdegift. Zij bleven voor hem stilstaan, en Petrus zeide tot hem: Zie ons aan! Hij vestigde zijne oogen op hen in de hoop, dat hij iets van hen zou ontvangen. Toen sprak Petrus: Zilver of goud heb ik niet; maar wat ik heb, dat geef ik u: in den naam van Jesus Christus, den Nazarener, sta op en wandel! Tegelijk vatte hij den kreupele bij de hand en hief hem op; deze was op het eigen oogenblik volkomen genezen; van vreugde huppelend en God verheerlijkend ging hij met de twee Apostelen den tempel binnen.

Allen, die zich daar bevonden en den kreupelen bedelaar zeer goed kenden, waren verbaasd en ontzet, en met eerbiedigen schrik vestigden zij hunne oogen op de Apostelen. Nu sprak Petrus: Israëlietische mannen! wat zijt gij hierover verbaasd of wat staart gij ons aan, alsof wij door eigen vermogen of kracht dezen man hadden doen wandelen! De God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob, de God onzer vaderen, heeft

ocr page 244

2 I 8

zijnen Zoon Jesus verheerlijkt , dien gij hebt overgeleverd én verloochend voor het aangezicht van Pilatus» toen deze van oordeel was Hem vrij te laten. Doch gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend en geëischt, dat een moordenaar u werd losgelaten; maar den Gever des levens hebt gij ter dood gebracht. Dezen heeft God van de doo-den opgewekt, waarvan wfj getuigen zijn. En door het geloof in zijnen naam heeft zijn naam dezen man, dien gij gezien hebt en kent, gesterkt; en het geloof dat door Hem is, heeft dezen volkomene gezondheid ten aanschouwe van u allen verleend. En nu, broeders! ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk ook uwe oversten (want ook dezen, hoe snood hun gedrag tegen Jesus ook geweest was, zouden toch den Heer der glorie, indien zij Hem gekend hadden, niet gekruisigd hebben). Maar God heeft hetgeen Hij te voren verkondigd had door den mond van de Profeten: dat zijn Christus lijden zou, aldus vervuld. Doet dan boetvaardigheid en bekeert u, opdat uwe zonden worden uitgewischt. Vervolgens bewees Petrus uit de H. Schrift, hoe al de Profeten den tijd, die nu aangebroken was, voorspeld hadden, en vermaande allen, die hem hoorden, nogmaals om zich van hunne boosheid te bekeeren.

Doch nu werd hij eensklaps onderbroken door den hoofdman der tempelwacht, die met eenige priesters en Sad-duceën op de twee Apostelen aanviel, hen gevangen nam en, daar het reeds te laat was om hen voor den hoogen Raad te brengen, hen tot den volgenden morgen in verzekerde bewaring stelde. Dit geweld, den gezanten van Jesus aangedaan, belette evenwel niet, dat Petrus' redevoering rijke vruchten voortbracht; velen geloofden, en het getal der Christenen, de mannen alleen gerekend, wies tot vijf duizend aan.

Den volgenden dag vergaderde het Sanhedrin onder het voorzitterschap van Annas en Kaïphas. Petrus en Joannes alsook de genezen kreupele stonden voor de rechtbank en, op den genezene wijzend, vroeg men aan de Apostelen: Door welke kracht of door welken naam hebt gij dit gedaan? Toen antwoordde Petrus, vervuld van den H. Geest:

ocr page 245

2 19

Oversten des volks en ouderlingen, hoort! Indien wij heden geoordeeld worden ter oorzake van de weldaad aan eenen kranken mensch, waardoor deze gezond geworden is, zoo zij aan u allen en aan het geheele volk Israels bekend: door den naam onzes Heeren Jesus Christus, den Nazarener, dien gij gekruisigd hebt, dien God van de dooden heeft opgewekt, door dien naam staat deze hier gezond voor uwe oogen. Hij is de steen, die door u, de bouwlieden, verworpen is, die tot hoeksteen geworden is; en in niemand anders is de zaligheid. Want er is onder den hemel geen andere naam den menschen gegeven, waarin wij moeten zalig worden.

De rechters waren verbaasd, en niemand was in staat Petrus tegen te spreken. Zij geboden de twee Apostelen buiten de rechtzaal te voeren , en toen spraken zij tot elkander. Wat zullen wij dezen menschen doen? daar er immers door hen een wonder is gewerkt, bekend bij al de inwoners van Jeruzalem; het is openbaar, en wij kunnen het niet loochenen! En zij besloten den Apostelen het stilzwijgen op te leggen en hen met strenge straf te bedreigen, indien zij nogmaals in den naam van Jesus tot iemand durfden spreken. Petrus en Joannes werden weder binnen geroepen en vernamen, dat zij in het vervolg vol-• strekt niet meer in den naam van Jesus mochten spreken of leeren. Hun beider antwoord was. Oordeelt zelf, of het recht is voor God, naar u meer dan naar God te luisteren! Wij toch kunnen over hetgeen wij gezien en gehoord hebben niet zwijgen. Hadden de rechters niet gevreesd voor het volk, zij zouden de twee Apostelen voor deze edele onverschrokkenheid zwaar hebben doen boeten; nu konden zij niets anders doen dan hunne ijdele bedreigingen herhalen en Petrus en Joannes laten vertrekken.

Dezen keerden tot de hunnen terug en verhaalden, hoe zij, door de kracht Gods, de eerste overwinning over de vijanden van Christus behaald hadden. Eenparig verhieven toen allen hunne stem tot God en baden: Heer! Gij zijt het, die den hemel en de aarde, de zee en alles wat daarin is gemaakt hebt. Zie neder op hunne bedreigingen en verleen uwen dienaren met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uwe hand uitstrekt tot

ocr page 246

220

genezingen en tot het geschieden van teekenen en wonderen door den naam van uwen heiligen Zoon Jesus. Zoo baden zij, en God gaf hun het bewijs, dat Hij hen verhoorde: de plaats, waar zij .zich bevonden, schudde, en allen werden op nieuw vervuld van den H. Geest en verkondigden met nieuwe geestdrift het woord Gods.

XCIV. Ananias en Saphira. De Apostelen voor den

hoogen raad.

De Kerk van Jeruzalem genoot nog vrede, en het getal harer kinderen vermeerderde dagelijks. Onder dezen was een Leviet, Jozef geheeten en van het eiland Cyprus geboortig- Hij verkocht, gelijk vele anderen deden, zijnen akker en legde den daarvoor ontvangen prijs aan de voeten der Apostelen neder. Zijne bekeering was eene groote vreugde voor de Apostelen, die hem den bijnaam gaven van Barnabas, dat is: zoon der vertroosting.

De gemeenschap van goederen, waarin de eerste Christenen van Jeruzalem leefden, was een gevolg van vrije verkiezing. Wie uit ware godsvrucht zijne goederen verkocht , beoefende daardoor de Christelijke volmaaktheid; maar niemand was verplicht zich van zijne goederen te ontdoen. Nu waren er twee echtgenooten, Ananias en Saphira, die ook hunnen akker verkochten, doch toen zij het geld, dat zij er voor ontvingen, in handen hadden, konden zij er niet van scheiden; evenwel wilden zij toch in de oogen der Apostelen en hunner medechristenen doorgaan voor menschen, die volstrekt niet gehecht waren aan het aardsche, en maakten zij te zamen de afspraak, om een gedeelte der ontvangen som achter te houden en de Apostelen te bedriegen, door hun het andere gedeelte, als ware dit de geheele opbrengst, aan te bieden.

Ananias verscheen te midden van de vergadering der Christenen en legde het geld voor de voeten der Apostelen neder, voorgevend dat het alles was, wat hij ontvangen had. Petrus, die door de openbaring des H. Geestes wist, wat Ananias met zijne vrouw in 't geheim afgesproken en gedaan had, sprak tot hem: Ananias! waarom heeft de Satan uw hart bekoord, om te liegen tegen den Heiligen

ocr page 247

221

Geest en van den prijs des akkers achter te houden? Waarom hebt gij dit in uw hart opgenomen ? Gij hebt gelogen niet tegen de menschen maar tegen God! Nauwelijks hoorde Ananias deze woorden, of hij viel dood op den grond neder. Zijn lijk werd door eenige jongelingen opgenomen en naar het graf gedragen. Omtrent drie uren later kwam Saphira binnen, niets wetend van den treurigen dood haars' echtgenoots. Ook zij nam den schijn aan, alsof het door haren man gebrachte geld de volle opbrengst des akkers was , en toen Petrus haar vroeg : Zeg mij , vrouw ! of gij den akker voor zóóveel verkocht hebt? antwoordde zij: Ja, voor zóóveel. Petrus hernam: Wat dan .toch heeft ulieden doen samenstemmen om den Geest des Heeren op de proef te stellen? Juist kwamen de jongelingen, die het lijk van Ananias hadden weggedragen de deur binnen, en Petrus, op hen wijzend, zeide tot Saphira: Zie, de voeten van hen, die uwen man begraven hebben, zijn aan de deur en zij zullen ook u uitdragen, Oogenblikkelijk viel Saphira op den grond en stierf; haar lijk werd door dezelfde jongelingen naast dat van haren echtgenoot begraven. Allen, die dit rampzalig voorval vernamen, werden met vrees vervuld voor de straffende rechtvaardigheid van God, die op zulk eene geduchte wijze het gezag der Apostelen gehandhaafd had.

Het getal der Christenen groeide voortdurend aan, en de achting, welke men hun toedroeg, vermeerderde dagelijks. Vooral Petrus, het hoofd der Kerk, stond bij het volk-van Jeruzalem in hoog aanzien; wanneer hij door de stad ging, droeg men de kranken naar buiten en plaatste de bedden, waarop zij lagen, langs den weg, dien de Vorst der Apostelen komen zou, opdat slechts de schaduw van Petrus op de lijders vallen mocht, en dezen van hunne krankheden zouden genezen worden. Ook uit de naburige steden trokken talrijke scharen naar Jeruzalem, zieken en bezetenen met zich voerend, om voor hen genezing en verlossing uit de macht des boozen geestes bij de Apostelen te zoeken; en die allen werden genezen.

Naarmate de Kerk van Jeruzalem in bloei toenam, vermeerderde ook de nijd in het hart der Joodsche oversten. In stilte, waarschijnlijk des avonds of in den nacht, deden

ocr page 248

zij de Apostelen oplichten en in de openbare gevangenis opsluiten. Den volgenden morgen belegde de hoogepriester eene vergadering van den hoogen Raad en zond de gerechtsdienaars , om de Apostelen uit den kerker te halen en voor de vierschaar te brengen. De gerechtsdienaars gingen en ontsloten de deuren der gevangenis ; maar daar binnen vonden zij niemand. Want in den nacht had een engel des Heeren den kerker geopend en de Apostelen, zonder dat iemand der wachters het bemerkt had , daaruit geleid , hun tegelijk den last opdragend om den volgenden morgen weder naar den tempel te gaan en tot het volk te spreken als naar gewoonte. Gehoorzaam aan dit bevel hadden de Apostelen zich reeds vroeg naar den tempel begeven, en daar verkondigden zij de leer des eeuwigen levens, toen de gerechtsdienaars hen in de gevangenis zochten. Dezen keerden tot hunne meesters terug en berichtten: Wij hebben wel den kerker met alle zorg gesloten gevonden en de wachters, die voor de quot;deuren stonden; doch toen wij de gevangenis openden, vonden wij niemand daar binnen.

Groot was de ontsteltenis der raadsheeren , die niet konden begrijpen, wat er in den nacht gebeurd was; doch weldra kwam iemand boodschappen: „Ziet: de mannen die gij in de gevangenis hebt gezet, staan in den tempel en leeren het volk! Nu gelastte de hoogepriester terstond eenen hoofdman, naar den tempel te gaan en de Apostelen voor de rechtbank te voeren. De hoofdman begreep, dat het hem niet geraden was geweld te gebruiken: het volk, dat in den tempel was, zou hem en zijne soldaten gesteenigd hebben; dus verzocht hij de Apostelen hem te volgen, en dezen verschenen vrijwillig voor den hoogen Raad.

De hoogepriester begon: Hebben wij u niet uitdrukkelijk bevolen, dat gij niet zoudt leeren in dien naam ? en ziet: gij hebt Jeruzalem met die leer vervuld, en gij wilt het bloed van dien mensch op ons doen komen. Petrus antwoordde : Men moet aan God meer dan aan menschen gehoorzaam zijn. De God onzer vaderen heeft Jesus, dien gij aan het kruis gehangen en gedood hebt, opgewekt; Hem heeft God door zijne rechterhand verheven tot Vorst en Zaligmaker, om bekeering en vergiffenis van zonden aan Israël te schenken. En getuigen hiervan zijn wij en

ocr page 249

223

de H. Geest, dien God gegeven heeft aan allen die Hem gehoorzaam zijn. Bij het vernemen van deze taal werden de rechters verscheurd van spijt en woede, en reeds deed men het voorstel om de Apostelen ter dood te veroordeelen.

Doch nu stond een der beroemdste raadsheeren , Gamaliel geheeten, op en, nadat de Apostelen verwijderd waren, vermaande hij zijne ambtgenooten om niet met overijling te werk te gaan. Hij wees op twee voorbeelden van mannen , die zich ook een aanhang hadden weten te verwerven, maar spoedig verdelgd waren zonder zelfs een spoor achter te laten. Zoo zal ook, zeide hij, het werk der Apostelen, indien het uit de menschen is, verbroken worden, maar is het uit God , dan zult gij het niet kunnen verbreken, opdat gij misschien niet bevonden wordt ook tegen God te strijden. Deze wijze redeneering beteugelde de woede der rechters in zooverre, dat zij hun moorddadig plan opgaven; evenwel was men te zeer verbitterd, dan dat men de Apostelen met eene enkele bedreiging wilde vrijlaten. Zij werden gegeeseld en , na hun het prediken in den naam van Jesus op nieuw streng verboden te hebben, liet men hen vertrekken. En zij gingen heen, zich verheugend , dat zij waardig gerekend waren, voor den naam van Jesus smaad te lijden. Doch aan het verbod van den hoogen Raad dachten zij zelfs niet; zij hielden niet op, zoowel in den tempel als in bijzondere huizen, het Evangelie van Jesus Christus te verkondigen.

Het voorbeeld der Apostelen, die zich verheugden, toen zij smaad en pijn geleden hadden om wille van hunnen goddelijken Meester, moeten wij trachten na te volgen. Dikwijls gebeurt het, dat wij, wanneer wij onverschrokken voor ons geloof uitkomen en onzen plicht getrouw betrachten, verachting of bespotting te lijden hebben; nooit moeten wij ons daaraan storen en altoos bedenken, dat zóó veracht of bespot te worden geene oneer maar eene eer is. En zouden wij somtijds om onze getrouwheid aan God meer nog dan verachting of bespotting moeten ondergaan, denken wij dan aan de Apostelen en aan het woord van Christus: Zalig zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid!

De straf, welke Ananias en Saphira ondergingen, zij voor u, kinderen! eene waarschuwing tegen de zonde van leugentaal! Zeker zal de leugen slechts zelden eene zoo zware zonde zijn als de misdaad van die iwee leugenaars tegen den H. Geest; maar toch staat er van de zonde dei-leugentaal in het algemeen geschreven: De mond, die liegt, doodt de ziel; en: leugenachtige lippen zijn den Meer een gruwel.

ocr page 250

224

XCV. De heilige martelaar Stephanus.

Ofschoon tot nog toe al de Christenen bekeerlingen uit de Joden waren, werden zij toch onderscheiden in Hebreen, die de taal van Palestina spraken, en Grieken, die, uit andere landen afkomstig, Grieksch spraken. Nu gebeurde het, dat de laatsten redenen meenden te hebben om te klagen, dat, bij de dagelijksche uitdeeling van onderstand aan de behoeftigen, hunne weduwen minder goed verzorgd werden dan die der Hebreeuwsche Christenen. De Apostelen riepen dan de geloovigen van Jeruzalem te zamcn en zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat wij het woord Gods nalaten en tafels bedienen. Ziet dus om, broeders ! naar zeven mannen uit uw midden, die van goede getuigenis en vol zijn van den Heiligen Geest en van wijsheid, opdat wij hen over dit werk aanstellen; wij echter zullen volharden in het gebed en in de bediening des woords. Men koos dan zeven mannen , onder wie Stephanus en Phi lippus de eersten waren; de Apostelen legden hun onder gebed de handen op en wijdden hen tot Diakens. Deze naam beteekent bedienaars en werd aan de nieuw gewijden gegeven, omdat de bediening der armen en der weduwen hun werd toevertrouwd. Dit was echter geenszins hunne eenige of verhevenste be-bediening; ook verkondigden zij het Evangelie en waren zij voorname medewerkers in den grooten arbeid dei-Apostelen.

De H. Stephanus was een man vol van geloof en van den Heiligen Geest, en hij deed wonderen en grootc teekenen onder het volk, ter bevestiging van de waarheid der leer, welke hij verkondigde. Zijn ijver haalde hem den haat op den hals van eenige ongeloovige Joden, die tegen hem opstonden en twistredenen met hem hielden, waarbij zij echter altoos door hem overwonnen werden, daar niemand weerstaan kon aan zijne wijsheid en aan den H. Geest, die uit hem sprak. Nu besloten zij zich op hem te wreken, en dit besluit brachten zij op de laagste wijze ten uitvoer.

Eerst zochten zij eenige gewetenlooze mannen op, die zich leenen zouden om voor den hoogen Raad getuigenis tegen Stephanus af te leggen, en daarna beschuldigden

ocr page 251

225

zij den heiligen Diaken van lastering tegen Mozes en tegen God. De hooge Raad deed hem gevangen nemen, en nu traden de valsche getuigen aanstonds op en zeiden; Deze mensch houdt niet op (lasterlijke) woorden te spreken tegen de heilige plaats en de Wet. Want wij hebben hem hooren zeggen, dat die Jesus, de Nazarener, deze plaats verwoesten en de instellingen, welke Mozes ons gegeven heeft, veranderen zal. Terwijl Stephanus aldus valschelijk beschuldigd werd, zagen de rechters, dat zijn aangezicht straalde en schitterde als het aangezicht van eenen engel.

De hoogepriester vroeg hem, of hetgeen de getuigen gezegd hadden waar was. Op deze vraag antwoordde Stephanus, door de geschiedenis der Joden, van Abrahams roeping af tot aan het bouwen van den tempel ■door Salomon, in het kort te verhalen; en daarna zeide hij tot zijne rechters: Gij, hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren! gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uwe vaders, zoo ook gij ! Wien der profeten hebben uwe vaders niet vervolgd? Ja, gedood hebben zij ■degenen, die vooruit de komst verkondigden van den Rechtvaardige, wiens verraders en moordenaars gij nu geworden zijt. Kreten van woede en tandengekners ver-dooven de stem van Stephanus. Hij echter slaat zijne oogen naar den hemel en aanschouwt daar de heerlijkheid Gods en den Heer Jesus, die staat aan de rechterhand zijns hemelschen Vaders. En hij roept uit: Ziet, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen staande aan de rechterhand Gods. Nu vallen de rechters, schreeuwend en hunne ooren stoppend, op hem aan en werpen hem uit de rechtzaal; daar wordt hij aangegrepen en buiten de stad gesleept om gesteenigd te worden.

De valsche getuigen, die de eerste steenen op hem moesten werpen, legden hunne opperkleederen neder aan de voeten van een jongen man, die bekend stond als een eerste ijveraar voor de Joodsche instellingen en die den wreeden dood van Stephanus uit geheel zijn hart goedkeurde ; deze jonge man heette Saidiis.

Terwijl het lichaam van Stephanus door de steenen gekneusd en verpletterd werd, riep hij biddend uit: Heer Jesus! ontvang mijnen geest! En op zijne knieën neder-

1

15

ocr page 252

226

vallend bad hij nog met luide stem: Heer! reken hun deze zonde niet toe! En daarna ontsliep hij in den Heer.. Het heilig lichaam van den eersten martelaar der Kerk van Christus werd door godvreezende mannen met plechtig rouwbedrijf ter aarde besteld.

Leert van den H. Stephanus, kinderen! hoe gij vergeven moet aan degenen, die u kwaad doen. Hoe heerlijk schoon was op de lippen van den stervenden martelaar dat gebed voor zijne moordenaars! Hoe volmaakt volgde hij zijnen goddelijken Meester na, die ook om vergiffenis, voor zijne beulen gebeden had! Hoe getrouw vervulde hij het gebod, door dien Meester aan hem en aan ons allen gegeven; Bemint uwe vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen, die u vloeken, en bidt voor die u vervolgen en lasteren.

XCVI. De heilige diaken Philippus.

Met den marteldood van den H. Stephanus begon voor de Kerk van Jeruzalem eene algemeene vervolging; de hooge Raad vaardigde bevelen uit om de Christenen met geweld uit'te roeien. Voor niemand waren deze bevelen meer welkom dan voor Saulus. Hij drong in de huizen der geloovigen, die hij kende, binnen, deed mannen en vrouwen in de gevangenis werpen, geeselde hen in de Synagogen en stemde er in toe, als zij ter dood werden gebracht. Zóó hevig woedde de eerste vervolging te Jeruzalem, dat alle Christenen deze stad ontvluchtten, om zich in Judea en zelfs in Samaria te verspreiden ; de Apostelen echter bleven te Jeruzalem en waren er veilig onder de bescherming huns goddelijken Meesters, wiens wil het was, dat zij de Joodsche hoofdstad, die het middelpunt der Kerk was, nog niet zouden verlaten. Door de verspreiding der Christenen werd het Evangelie in verschillende steden en vlekken van Judea en Samaria aan velen bekend gemaakt; predikers gingen rond en verkondigden er het woord Gods. Aldus diende de haat der Joodsche overheden tot meerdere uitbreiding der Kerk.

Onder de predikers des Evangelies bekleedde de Diaken Philippus eene eerste plaats. Hij had zich naar de stad Samaria begeven en bekeerde daar velen ; want de Samaritanen luisterden met gretigheid naar zijne prediking en waren opgetogen van vreugde bij het zien der wonderen,, die Philippus verrichtte.

ocr page 253

Te Samaria woonde zekere Simon, die zich met toover-kunsten ophield en grooten opgang had gemaakt, zóó zelfs dat het volk hem voor een wezen van hooger oorsprong aanzag en hem de groote kracht Gods noemde. Toen deze Simon, bekend onder den naam van Simon den toovenaar, zag dat de Samaritanen hem begonnen te verlaten, de leer des Evangelies aannamen en zich lieten doopen, sloot ook hij zich bij de Christenen aan, ontving het Doopsel en bleef vervolgens bestendig bij Philippus, wiens wonderwerken hem grootelijks verbaasden. De bekeering van den toovenaar was echter slechts geveinsd, en denkelijk hield hij de wonderen , die de heilige Diaken verrichtte, ook voor een gevolg van tooverij, en hoopte hij van hem een en ander te kunnen leeren, waarmede hij dan later zelf zijn voordeel zou kunnen doen.

De blijde tijding, dat Samaria het woord Gods had aangenomen , werd te Jeruzalem aan de Apostelen gebracht; en Petrus vertrok met Joannes naar Samaria, om, door de oplegging hunner handen, aan de nieuw bekeerden den H. Geest mede te deelen. Want Philippus, die slechts Diaken was, kon wel het H. Sakrament des Doopsels, maar niet dat des Vormsels toedienen. De twee Apostelen deden dan de gedoopten te zamen komen en, na voor hen gebeden te hebben , legden zij hun de handen op ; en toen ontvingen zij den Heiligen Geest. Simon de toovenaar was getuige van deze heilige plechtigheid, maar in zijne booze ziel was de genade des H. Geestes niet nedergedaald. Toen hij nu de wondergaven zag, welke tegelijk met de uitstorting des H. Geestes aan de gevormde Christenen geschonken werden, wenschte ook hij het vermogen te bezitten, om door de oplegging zijner handen dergelijke gaven te kunnen mede-deelen. Hij begaf zich tot de Apostelen, bood hun geld aan, en zeide: Geeft ook mij deze macht, dat ieder, wien ik de handen opleg, den H. Geest ontvange. Met strenge verontwaardiging gaf Petrus hem ten antwoord: Uw geld zij met U ten verderve! omdat gij de gave Gods voor geld verkrijgbaar hebt geacht, Gij hebt geen deel noch lot aan deze leer (dat is: gij zijt geen waar Christen), want uw hart is niet oprecht voor God. Doe dus boete voor deze uwe boosheid en bid God, of u misschien deze gedachte

ocr page 254

228

uws harten vergeven worde. Sidderend van vr.ees voor de straf, waarmede de Apostelen hem bedreigden, sprak Simon: „Bidt gij voor mij tot den Heer, opdat niets van hetgeen gij gezegd hebt over mij kome! Met reden mag men twijfelen, of dit woord oprecht gemeend was ; althans is Simon een goddeloos bestrijder des Christendoms en een duivelskunstenaar gebleven, en noemde men hem later den vader der ketterijen.

Nadat de twee Apostelen de Christenen van Samaria in het geloof bevestigd hadden, vertrokken zij weder naar Jeruzalem; op hunne terugreis verkondigden zij het Evangelie in vele dorpen en vlekken der Samaritanen. Ook Philippus ontving van een engel des Heeren eene zending, die hem verplichtte het land van Samaria te verlaten. Hij moest zuidwaarts gaan naar den weg, die van Jeruzalem naar Gaza liep. Terstond gehoorzaamde Philippus en, op den aangewezen weg gekomen , zag hij een aanzienlijk man op een wagen gezeten, naderen. Deze was de voornaamste kamerdienaar der koningin van Ethiopië; hij beleed den Israëlietischen godsdienst en was te Jeruzalem geweest, om God in den tempel te aanbidden; nu las hij, terwijl hij op zijnen wagen reed, het bock van den profeet Isaias. Philippus, die, op bevel van den H. Geest, tot dicht bij den wagen genaderd was, hoorde hem de profetie lezen, waar Isaias zegt: Als een schaap werd hij ter slachting geleid, en gelijk een lam stom is voor dengene die het scheert, zoo deed Hij zijnen mond niet open. Philippus vroeg nu den Ethiopiër: Meent gij te verstaan wat gij leest ? Deze antwoordde : Hoe zou ik dit kunnen , zoo niet iemand mij onderricht? Tevens verzocht hij, dat Philippus zich naast hem op den wagen zou nederzetten. En nu vroeg hij: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit ? van zich zeiven of van iemand anders ? Philippus bracht nu den kamerdienaar tot de kennis van den Heer Jesus en leerde hem, dat deze de Zoon Gods en de Zaligmaker der menschen is, en dat allen in Hem moesten gelooven en gedoopt worden. De Ethiopiër nam deze leer met een oprecht hart aan en wenschte niets vuriger dan als Christen in zijn land terug te keeren. Toen zij nu aan eene plaats waar water was, gekomen waren, riep hij uit: Ziedaar water! Wat

ocr page 255

belet, dat ik gedoopt worde? — Zoo gij van ganscher harte gelooft, antwoordde Philippus, is het geoorloofd. En de kamerdienaar zeide: Ik geloof dat Jesus Christus de Zoon Gods is. Nu steeg Philippus niet hem uit den wagen en doopte hem. Terstond daarna werd hij door den PI. Geest weggevoerd, zoodat de gedoopte hem niet meer zag; deze vervolgde met een hart vol van vreugde zijne terugreis naar zijn vaderland.

Philippus werd verplaatst near de stad Azot, waar hij eene predikingsreis begon , die hij voortzette in al de steden langs de Middellandsche zee, totdat hij te Caesarea kwam, waar hij zich vestigde.

XCVII. Bekeering van den Apostel Paulus.

Saulus, de woedende vervolger der eerste Christenen, was een Israëliet, uit den stam van Benjamin, geboortig van Tarsus, de hoofdstad van Cilicië, eene provincie van klein-Azië; hij bezat het voorrecht van Romeinsch burger te zijn. Zijne opvoeding had hij ontvangen te Jeruzalem in de school van den beroemden-Gamaliël, en hij behoorde, evenals zijn meester, tot de sekte der Pharizeën. Terwijl hij zich op de studie toelegde, had hij in zijne jeugd nog het handwerk van tentenmaken aangeleerd, hetwelk hij ook later somtijds uitoefende.

Toen de Christenen van Jeruzalem zich aan de vervolging, welke in deze stad woedde , door de vlucht onttrokken hadden, en Saulus de voorwerpen van zijnen haat niet meer vinden kon, werd hij nog veel meer verbitterd op de belijders van Jesus' naam, tegen wien hij bedreiging en moord ademde. Nauwelijks vernam hij, dat eenige verjaagde Christenen in Damaskus eene schuilplaats hadden gevonden, of hij vroeg aan den hoogepriester lastbrieven, welke hem machtigden, alle Christenen, die hij te Damaskus vinden kon, zoowel mannen als vrouwen, geboeid naar Jeruzalem te voeren. Hij verkreeg deze lastbrieven en begaf zich terstond met een toereikend gevolg op weg.

Reeds is hij nabij Damaskus gekomen, als hem eensklaps een helder licht uit den hemel omstraalt; in dit licht verschijnt hem de Heer Jesus; Saulus ziet Hem en,

ocr page 256

230

terwijl hij bedwelmd ter aarde nederstort, hoort hij eene stem, die hem toesjoreekt: Saulus, Saulus! waarom vervolgt gij Mij ? Sidderend vraagt Saulus: Wie zijt Gij, Heer? En de Heer antwoordt; Ik ben Jesus, dien gij vervolgt. Het is u hard met de hielen tegen den prikkel te slaan. En Saulus, overwonnen en bekeerd door de Almachtige kracht der goddelijke genade, spreekt: Heer, wat wilt Gij, dat ik doen zal ? Jesus zegt hem: Sta op en ga de stad in; daar zal u gezegd worden, wat gij doen moet. Tevens openbaarde de Zaligmaker hem, dat Hij hem tot de heidenen zenden zou, om hunne oogen te openen, hen uit de macht des duivels te verlossen en tot God te be-keeren, opdat ook zij, door het geloof in Christus, vergiffenis van hunne zonden zouden ontvangen.

De gezellen van Saulus waren ook ter aarde gevallen, doch hadden den Heer Jesus niet gezien; ook hadden zij wel een geluid vernomen, maar niet gehoord wat de stem gesproken had. Zij waren spoedig weder opgestaan, terwijl hun aanvoerder nog op den grond lag uitgestrekt. Eindelijk-richtte hij zich op en, zijne oogen opslaande, bemerkte hij, dat hij blind geworden was. Men nam hem dan bij de hand en leidde hem naar Damaskus, waar hij in het huis van zekeren Judas werd opgenomen. Daar bleef hij drie dagen zonder iets te eten of te drinken, alleen bezig met het gebed en de overweging van de groote dingen, die God aan hem had gedaan. Terwijl hij in de aanbidding van zijn nieuwen Meester verslonden was, had hij een gezicht : een man, dien hij kende, kwam tot hem en legde hem de handen op om hem van zijne blindheid te genezen.

Deze man was Ananias, een uitstekend deugdzaam Christen van Damaskus. Hij onving van den Heer Jesus den last om Saulus te gaan opzoeken. Heer! zeic'.e Ananias, ik heb van velen aangaande dien man gehoord, hoeveel kwaad hij aan uwe heiligen te Jeruzalem gedaan heeft; en hier heeft hij macht van de opperpriesters, om allen, die uwen naam aanroepen, in de boeien te slaan. Doch de Heer hernam: Ga! want deze is Mij een uitverkoren werktuig, om mijnen naam te brengen voor volken en koningen en de zonen Israels. Ik toch zal hem toonen, hoeveel hij om wille van mijnen naam moet lijden. Ananias

ocr page 257

•ging nu naar Saulus, legde zijne handen op diens hoofd ■en sprak: Saulus, broeder! De Heer Jesus, die u verschenen is op den weg, waarlangs gij kwaamt, heeft mij gezonden, opdat gij zien zoudt en vervuld zoudt worden met den Heiligen Geest. Op hetzelfde oogenblik vielen er als schubben van Saulus' oogen af, en hij ontving het gezicht terug. Daarna werd zijne ziel in het heilig Doopsel gereinigd van hare zonden, en Saulus was Christen.

Hij bleef slechts eenige dagen te Damaskus, maar maakte toch van dezen korten tijd gebruik, om in de Synagoge der Joden onbeschroomd te belijden, dat Jesus de Messias en de Zoon Gods is. Toen begon reeds de onverzoenlijke haat, waarmede de Joden den nieuwen geloofsverkondiger tot het einde van zijn leven toe vervolgden. Uit Damaskus vertrok Saulus naar Arabic, waar hij drie jaren in afzondering doorbracht, om zich voor te bereiden tot het vervullen van de taak, welke zijn goddelijke Meester hem zoude opleggen. Daar ontving hij vele nieuwe openbaringen cn leerde de waarheden des Christendoms kennen, welke hij als Apostel zou moeten prediken, en welke hij later getuigde niet ontvangen te hebben van menschen, maar •door de openbaring van Jesus Christus.

Toen Saulus uit Arabic naar Damaskus terugkeerde, was deze stad in de macht gekomen van den Arabischen koning Aretas. Zoodra de Joden vernamen, dat hun vijand zich weder in hun midden bevond, maakten zij het plan om hem te dooden. De stadhouder des konings werkte met hen mede en had reeds aan de poortwachters bevel gegeven, om Saulus, indien hij trachtte te ontvluchten, gevangen te nemen. Doch hij werd door eenige Christenen des nachts uit een venster, in eene mand langs den stadsmuur, naar beneden gelaten en ontkwam aldus aan de handen zijner vijanden.

Saulus begaf zich nu rechtstreeks naar Jeruzalem, om Petrus te zien en aan hem, dien hij als het hoofd dei-Kerk en den stedehouder van Christus kende, zijne hulde te bewijzen. De Christenen, die te Jeruzalem, waar de vervolging had opgehouden, waren gebleven of teruggekeerd , ontweken Saulus; doch Barnabas verschafte hem toegang tot Petrus en Jacobus, de twee eenige Apostelen,

ocr page 258

die zich toen te Jeruzalem bevonden ; dezen namen henv met liefde op, en gedurende vijftien dagen verkeerde hij broederlijk met hen. Doch toen de Grieksche Joden, met wie hij twistredenen hield, het op zijn leven toelegden,, oordeelden de Christenen het raadzaam, dat hij Jeruzalem weder verliet. Zij deden hem uitgeleide tot Caesarea, en van daar reisde hij naar zijne vaderstad Tarsus.

XCVIII. Apostolische reis van Petrus.

De vrede der Kerk was weder hersteld en door geheel Judea en Samaria werd zij opgebouwd en vervuld van de vertroosting des Heiligen Geestes. De Apostelen reisden rond, om de nieuwe gemeenten te bezoeken en het H. Sakra-ment des Vormsels tóe te dienen! zóó kwam het, dat Saulus slechts twee Apostelen te Jeruzalem aantrof. Jacobus (de mindere) was bestemd om, als Bisschop van Jeruzalem, zijnen zetel in deze stad te vestigen; Petrus echter, het hoofd der Kerk, trok overal rond en bezocht al de gemeenten van Palestina.

Te Lydda bekeerde hij eene menigte Joden door een treffend wonder. Hij. vond daar een man, Aeneas geheeten, die zoodanig verlamd was, dat hij reeds sedert acht jaren het ziekbed niet had kunnen verlaten. Petrus sprak tot hem: Aeneas, de Heer Jesus Christus geneest u. Oogen-blikkelijk stond de lamme op en was volkomen genezen. De inwoners van Lydda en vele anderen uit de vlakten van Sarona erkenden de kracht Gods en bekeerden zich tot den Heer.

Niet ver van Lydda lag de zeestad Joppe; daar woonde eene heilige vrouw, Tabitha of Dor kas geheeten , die door hare goede werken en hare liefde tot de armen uitschitterde. Zij werd krank en stierf. Terstond vaardig;de men twee mannen naar Lydda af, om Petrus te bidden, dat hij zonder uitstel naar Joppe komen zou. Petrus ging er heen, en aanstonds geleidde men hem naar de opperzaal van Dorkas' huis, waar men het lijk had nedergelegd. Rondom de overledene stonden weenende vrouwen, arme weduwen, die luid jammerden en den Apostel, toen hij binnentrad, de kleederen en rokken toonden, welke hare

ocr page 259

O ^ ^

- JO

gestorven weldoenster voor haar gemaakt had. Petrus doet allen de zaal verlaten, knielt dan neder bij het lijk en bidt; daarna spreekt hij: Tabitha. sta op! De doode opent hare oogen en, het gelaat van Petrus ziende, zet zij zich overeind. Hij reikt haar de hand en helpt haar van haj3,r doodbed opstaan; vervolgens roept hij de Christenen en de arme weduwen weder binnen en geeft hun de dierbare vrouw levend terug. Deze gebeurtenis was spoedig in de geheele stad bekend , en velen geloofden in den Heore Jesus, die dit heerlijk wonder door zijnen Apostel had gewerkt.

Terwijl Petrus te Joppe bij zekeren lederbereider, Simon genoemd, zijn verblijf hield, was de gelukkige dag nabij gekomen, waarop de toegang tot de Kerk van Christus ook voor de heidenen zou ontsloten worden; en aan niemand anders dan aan Petrus, wien Christus de sleutels van het Rijk der hemelen gegeven had, kwam het toe, de poort van dat Rijk voor de heidenen te ontsluiten.

In de groote stad Caesarea woonde de Romeinsche hoofdman Cornelius. Ofschoon hij heiden was, diende hij toch den waren God en was hij, met geheel zijn huisgezin, godvreezend ; hij gaf vele aalmoezen en bad veel. Op eenen namiddag was hij weder biddend, toen hij in geestvervoering geraakte en eenen engel Gods zag binnentreden, die hem zeide: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn opgeklommen ter gedachtenis voor het aangezicht van God. En nu , zend mannen naar Joppe en ontbied zekeren Simon, die bijgenaamd wordt Petrus; deze zal u zeggen wat gij doen moet. De engel verdween, en Cornelius zond aanstonds twee zijner huisgenooten met een zijner soldaten naar Joppe.

Tegen het middaguur van den volgenden dag had Petrus zich op het platte dak van het huis, waar hij woonde, begeven om te bidden; en terwijl hij bad, geraakte hij in eene verrukking des geestes. Het was hem, alsof de hemel openging en een groot linnen laken, dat aan de vier hoeken vastgebonden was en een wijden schoot vormde, naar de aarde afzakte. In dien schoot zag Petrus allerlei dieren, waarvan velen behoorden tot die soorten, welke de Joden onrein noemden en, volgens hunne Wet, niet mochten eten.

ocr page 260

234

En hij hoorde eene stem , die tot hem zeide : Sta op, Petrus! slacht en eet! De Apostel antwoordde: Geenszins, Heer! want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten. Doch de stem hernam: Wat God rein gemaakt heeft, noem gij dat niet onheilig! Tot driemalen toe aanschouwde Petrus dit gezicht en hoorde hij de hemelsche stem spreken; toen rees het laken weder omhoog en verdween in den hemel.

Terwijl Petrus over deze wonderbare verschijning nadacht , stonden de drie gezanten van Cornelius voor de deur van het huis en vroegen naar den Apostel. Op dit oogen-blik sprak de H. Geest tot Petrus: Zie, die mannen vragen naar u; sta dus op, klim af en ga met hen zonder aarzeling ; want Ik heb hen gezonden. Petrus ging naar beneden en zeide tot de mannen: ik ben degene, dien gij zoekt; wat is de reden, waarom gij gekomen zijt ? Zij verhaalden hem, hoe Cornelius door een engel was vermaand geworden , om Petrus te doen ontbieden en zich door hem te laten onderrichten. Nu begreep de Apostel, wie afgebeeld waren door die in zijn oog onreine, maar door God rein gemaakte dieren. Hij verzocht de gezanten dien dag bij hem te blijven, en vertrok den volgenden dag met hen en zes Christenen uit Joppe naar Caesarea.

Cornelius had zijne bloedverwanten en beste vrienden in zijn huis vergaderd, en wachtte zelf in het voorhof zijner woning den Apostel af. Toen deze binnentrad, knielde Cornelius voor hem neder; doch Petrus hief hem aanstonds op, zeggende: Sta op! ook ik ben een mensch, — en ging toen met den hoofdman naar de zaal, waar de uitgenoodig-den hem verwachtten. Nadat Cornelius verhaald had , wat hem overkomen was, zeide hij: Nu derhalve staan wij hier allen voor uwe oogen om alles te hooren, wat u door den Heer bevolen is. Daarop sprak Petrus aldus:

In waarheid, ik erken dat God den persoon niet aanziet, maar dat onder elk volk degene die Hem vreest en gerechtigheid doet, Hem welbehagelijk is. God heeft het woord gezonden tot de zonen Israels, vrede verkondigend door Jesus Christus; deze is aller Heer. Gij weet immers het woord, dat geschied is door geheel Judea, te beginnen van Galilea, na het doopsel, dat Joannes predikte: hoe God Jesus van Nazareth gezalfd heeft met den H. Geest

ocr page 261

en niet kracht, Hem, die rondtrok weldoende en allen, welke door den duivel overweldigd waren, genezend, omdat God met Hem was. En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft in het land der Joden en te Jeruzalem , Hij, dien zij aan het hout opgehangen en gedood hebben. Hem heeft God ten derden dage opgewekt en verleend, dat Hij geopenbaard werd, niet aan al het volk, maar aan de door God voorbestemde getuigen, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij van de dooden verrezen was. En ons heeft Hij bevolen, den volke te prediken en te betuigen, dat Hij degene is, die door God gesteld is tot Rechter van levenden en dooden. Van Hem getuigen al de Profeten, dat allen. die in Hem gelooven, door zijnen naam vergiffenis van zonden verwerven.

Nog sprak Petrus, toen de H. Geest op Cornelius en de zijnen nederdaalde; zij begonnen vreemde talen te spreken en God te verheerlijken. Toen zeide Petrus: Kan wel iemand het water weren, dat dezen niet zouden gedoopt worden, die den Heiligen Geest ontvangen hebben evenals wij ? En hij gebood hen te doopen in den naam des Heeren Jesus Christus.

Na eenige dagen te Caesarea vertoefd te hebben, keerde Petrus naar Jeruzalem terug. De tijding van de opneming der heidenen in de Kerk was daar vóór hem aangekomen en had groot opzien gebaard en zelfs bij menigeen misnoegen verwekt. De Christenen namelijk, die vóór hunne bekeering den Israëlietischen godsdienst beleden hadden, verkeerden in de dwaling, dat de heidenen, die zich tot het Christendom wilden bekeeren, vooraf tot den Joodschen godsdienst moesten overgaan. Doch toen Petrus hun de toedracht der zaak verhaalde, en zij hoorden, dat hij op uitdrukkelijk bevel van God tot Cornelius was gegaan, en dat de H. Geest op de heidenen, nog vóór zij gedoopt waren, was uitgestort geworden, toen verheugden zij zich en verheerlijkten God, zeggende: Zoo heeft dan God ook den heidenen de bekeering ten leven geschonken!

De Kerk breidde zich ondertusschen naar alle kanten uit, en er bestonden reeds Christen-gemeenten in Phoenicië, op het eiland Cyprus, in het land van Cyrene aan de noord-

ocr page 262

236

kust van Afrika, en vooral in de groote en volkrijke hoofdstad van Syrië, Antiochië. Hier begon men ook aan de heidenen het Evangelie te prediken, en velen van hen bekeerden zich. Toen de Apostelen te Jeruzalem dit vernamen, zonden zij Barnabas naar Antiochië; deze verheugde zich zeer over de rijke vruchten, welke hij daar vond, en hij vermeerderde ze door zijnen apostolischen arbeid. Toen hij weldra behoefte had aan eenen medearbeider, herinnerde hij zich zijnen vriend Saulus; hij reisde naar Tarsus en ^ keerde met den toekomstigen Apostel der heidenen naar Antiochië terug. Gedurende een vol jaar bleven beide aldaar werkzaam, en God zegende hunne pogingen dermate , dat de gemeente van Antiochië weldra alle andere in talrijkheid en bloei overtrof. De leden dezer gemeente waren de eersten, die den glorievollen naam van Christenen ontvingen.

Uit Jeruzalem kwamen van tijd tot tijd buitengewone leeraars, die de gave der profetie bezaten, naar Antiochië. Een hunner, met name Agabus, voorspelde een aanstaanden hongersnood, die vooral Judea hevig teisteren zou. Daar deze ramp het zwaarst moest drukken op de Christenen van Jeruzalem, die door de vervolging van alles waren beroofd geworden, besloten de geloovigen van Antiochië, allen naar vermogen bij te dragen om den nood hunner arme broeders te verlichten; de bijeengebrachte liefdegiften werden door Barnabas en Saulus naar Jeruzalem overgebracht. — De Christelijke overlevering meldt, dat ook de Apostel Petrus een tijdlang te Antiochië zijn verblijf gehouden en zijnen bisschoppelijken zetel in die stad scevesti^d heeft.

O O

XCIX. Petrus' verlossing uit de gevangenis.

Het Joodsche land had in de laatst verloopene jaren zeer groote veranderingen ondergaan, en was nu weder vereenigd onder den schepter van eenen koning. Deze heette Herodes Agrippa en was een kleinzoon van Herodes den groote. Herodes Antipas was door den Romeinschen keizer verbannen geworden; de landvoogd Pilatus had, reeds eenigen tijd te voren, hetzelfde lot ondergaan.

ocr page 263

2 37

Onder de middelen, welke koning Agrippa gebruikte om zich de gunst der Joden te verwerven, behoorde ook de vervolging der Christenen. Hij sloeg zijne handen aan sommigen van de Kerk en vergreep zich eindelijk aan een der twaalf Apostelen: Jacobus, den broeder van Joannes, doodde hij met het zwaard. Deze was de eerste der Apostelen, die den palm des martelaarschaps verwierf. Toen de goddelooze koning zag, hoezeer de gunstige gezindheid der Joden te zijnen opzichte na den dood van Jacobus vermeerderd was, ging hij verder en liet ook Petrus te Jeruzalem gevangen nemen en in den kerker opsluiten om hem, wanneer het paaschfeest, dat juist ge-' vierd werd, voorbij zou zijn, voor het volk te brengen en in het openbaar de doodstraf te doen ondergaan. Met de meeste strengheid werd Petrus bewaakt: zijne gevangenis was met eene ijzeren deur gesloten, en zestien soldaten hielden de wacht; zelfs wanneer Petrus sliep, was hij met ketenen aan twee soldaten, die naast hem sliepen. vast-geboeid.

Onophoudelijk steeg het gebed der Kerk voor haren gevangen Opperherder ten hemel op. Ondertusschen ging de paaschweek voorbij, en was de nacht reeds gevallen, die, in de meening van Herodes, de laatste nacht van Petrus' leven wezen zou. In dien nacht sliep Petrus in den kerker, met elke hand vastgekluisterd aan een soldaat, die aan zijne zijde nederlag; voor de deur bevonden zich andere soldaten, en weder andere hielden verder de wacht.

En zie, eensklaps schittert de duistere gevangenis van een hemelsch licht, en naast Petrus staat een engel des Heeren, die hem aanstoot en ontwaken doet, zeggende: Sta spoedig op! De Apostel staat op, want de ketenen, die zijne handen kluisterden, zijn daarvan afgevallen. Omgord u, spreekt de engel, en bind uwe schoenen aan. Petrus doet het. En de engel zegt nog eens: Doe uwen mantel om en volg mij! De Apostel volgt den engel, zonder goed te weten wat er eigenlijk met hem gebeurde. Door den engel geleid, gaat hij den eersten en tweeden wachtpost voorbij en komt aan de ijzeren poort; deze opent zich van zelve; hij is buiten de gevangenis, volgt

ocr page 264

238

den engel nog eene straat ver en ziet hem dan eensklaps uit zijne oogen verdwijnen. Nu eerst kwam Petrus tot volle bewustheid en, zijnen God dankend, riep hij uit: Nu weet ik in waarheid, dat de Heer zijnen engel ge-, zonden en mij verlost heeft uit de hand van Herodes en uit al de verwachting van het volk der Joden!

Hij begaf zich naar het huis van Maria , de moeder van Joannes Mar ens; daar waren vele geloovigen ver-eenigd om gezamenlijk te bidden voor den Opperherder der Kerk. Petrus klopt aan de deur des voorhofs, en eene dienstmaagd, Rhode geheeten, komt nader om te vragen, wie in den nacht wenscht binnengelaten te worden. Doch nauwelijks hoort en herkent zij de stem van Petrus, of, verbijsterd van vreugde, vliegt zij, zonder de deur te openen, naar binnen om daar uit te roepen, dat Petrus voor de deur staat! Niemand kon die al te blijde tijding gelooven; Gij zijt van uwe zinnen! zeiden sommigen, en anderen meenden, dat het niet Petrus in persoon, maar zijn engel-bewaarder was. De Apostel ging intusschen voort met kloppen, totdat men de deur opende en hem levend en gered aanschouwde. Hij verhaalde nu, welk wonder er geschied was om hem uit de gevangenis te verlossen, en droeg aan de vergaderde geloovigen den last op, van aan Jacobus, den Bisschop van Jeruzalem, en aan al de Christenen dezer stad mede te deelen, wat er gebeurd was. Daarop vertrok Petrus naar elders.

Den volgenden morgen waren de bewakers van de gevangenis aan de hevigste ontsteltenis ten prooi. Ofschoon zij volkomen onschuldig waren, vreesden zij toch, dat de koning zijne teleurstelling op hen wreken zou. Hunne vrees was niet overdreven: Herodes deed hen met den dood straffen. Ongeveer twee jaren later onderging hij zelf zijne straf. Hij bevond zich te Caesarea en ontving in 't openbaar een gezantschap van de Phoeniciërs, die hem hulde kwamen brengen en zijne gunst afsmeeken. In den vollen luister zijner koninklijke majesteit zat hij op zijnen troon en hield eene redevoering tot de gezanten. Toen hij eindigde, begroette het volk hem met luid gejuich, en laffe vleiers riepen uit: Dit zijn woorden van een God, niet van een mensch! Op dit eigen óogenblik slaat hem een

ocr page 265

239

engel des Heeren ! Plotseling overvalt hem eene ondragelijke pijn, die zijne ingewanden verscheurt. Men draagt hem naar zijn paleis; zijne doodelijke kwaal verergert; levend wordt hij reeds aangetast door het bederf des doods en, door de wormen verteerd, sterft hij na vier dagen van onlijdelijke smart.

Het koninkrijk van Herodes Agrippa werd, daar zijn zoon te jong was om zelf te regeeren, een tijd lang door Romeinsche landvoogden bestuurd; later werd die zoon, onder den .naam van Herodes Agrippa II. koning over een klein gedeelte van het Rijk zijns vaders; over Judea, Samaria en Perea bleven Romeinsche landvoogden het bevel voeren.

i

ocr page 266

TWEEDE A ED EE LING.

DE KERK VAN CHRISTUS ONDER DE HEIDENEN.

C. Petrus' Pausschap te Rome.

Na het verhaal van de wonderbare verlossing van den Apostel Petrus uit de gevangenis te Jeruzalem, lezen wij in de H. Schrift alleen deze woorden: En uitgegaan zijnde vertrok hij naar eene andere plaats; doch waarheen hij zich toen begaf, wordt niet vermeld. De Christelijke overlevering quot;echter zegt, dat Petrus, nadat hij in verscheidene gewesten van klein-Azië het Evangelie gepredikt had, naar Rome is gegaan en daar zijnen pauselijken zetel heeft gevestigd. Deze Christelijke overlevering wordt ons medegedeeld door heilige mannen , die in den tijd der Apostelen reeds leefden, onder anderen door den H, Clemens, die een leerling was van den Apostel Paulus en later zelf Paus werd; door den H. Ignatius, een leerling van den Apostel Joannes, en door den heiligen Bisschop Papias, die ook dien Apostel nog gekend had.

Doch het voornaamste bewijs voor de waarheid, dat Petrus de eerste Paus van Rome geweest is, wordt gegeven door de gehoorzaamheid, welke de geheele Christelijke wereld, en vooral de Bisschoppen van alle landen, altoos aan de Pausen van Rome betoond hebben. Overal en door allen werd altoos het oppergezag van de Pausen van Rome erkend , en dit om geene andere reden dan deze : de Pausen van Rome zijn gezeten op den stoel van Petrus en zijn dus de wettige opvolgers van dien Apostel, welken Christus zelf tot Opperhoofd zijner Kerk heeft aangesteld.

De H. Petrus is gedurende vijf en twintig jaar Paus van Rome geweest. Doch vóór hij naar Rome ging, was hij reeds Paus; hij werd het bij Christus' hemelvaart en bleef

ocr page 267

241

liet tot aan zijnen marteldood : zijn pausschap duurde in het geheel vier en dertig jaren ; geen zijner opvolgers heeft zoolang geregeerd als hij,

Niet voortdurend bleef Petrus te Rome; zelfs schijnt het, dat hij van de vijf en twintig jaren, die er tusschen zijne komst te Rome en zijnen marteldood verliepen, slechts eenen betrekkelijk korten tijd in zijne pauselijke stad heeft doorgebracht.

Uit Rome zond Petrus zijne afgezanten naar andere landen, om er de Kerk van Christus te stichten. Zoo zond hij zijnen leerling, den evangelist Marcus, naar de stad Alexandrie in Egypte, en ook wordt verhaald, dat hij meerdere leerlingen naar Gallië zond, zooals toen het tegenwoordige Frankrijk genoemd werd.

Cl. Eerste evangelie-reis van Paulus.

Nadat Barnabas en Saulus de liefdegiften der Christenen van Antiochië aan de broeders te Jeruzalem hadden overgemaakt, vertrokken zij weder naar Antiochië; Joannes Marcus, die de neef van Barnabas was, vergezelde hen.

Korten tijd daarna zeide de H. Geest: Zondert Mij Saulus en Barnabas af tot het werk, waartoe Ik hen aangenomen heb. Dit werk was de verkondiging van het P^vangelie onder de heidenen, gelijk de Heer zelf tot Saulus gezegd had: Ik zal u ver weg tot de heidenen zenden. De twee geroepenen waren aanstonds bereid; onder vasten en bidden werden hun de handen opgelegd, en werden zij tot bisschoppen gewijd. Daarna gingen zij, vergezeld door Joannes Marcus, te Seleucia scheep en voeren naar het eiland Cyprus ; dit trokken zij geheel door en kwamen te Paphos, waaide Romeinsche landvoogd Scrgius Paidus zijn zetel had. Deze wenschte ook in de leer van Christus onderwezen te worden en liet de twee Apostelen ontbieden. Zij kwamen en vonden in zijn paleis zekeren Elymas, die een soort van toovenaar was en bij den landvoogd in hoog aanzien stond. Toen deze bedrieger bemerkte, dat de prediking van Saulus diepen indruk op den landvoogd maakte, werkte hij den Apostel tegen. Deze, in heiligen toorn ontstoken en vol zijnde van den H. Geest, zag hem in

16

I

ocr page 268

242

de oogen en sprak hem toe: O gij, vol van allerlei bedrog en allerlei valschheid, kind des duivels, vijand van alle gerechtigheid! Gij houdt niet op, de rechte wegen des-Heeren te verdraaien! Nu dan, zie, de hand des Heeren is op u: blind zult gij zijn en eenen tijd lang de zon niet zien! Oogenblikkelijk was het nacht voor Elymas, en rondtastend zocht hij iemand, dien hij bij de hand kouvatten. Voor den landvoogd voltooide dit wonder het werk der genade: hij geloofde, zich verwonderend over de leer des Heeren, die door zulke teekenen bevestigd werd.

Saulus veranderde nu zijnen naam in PauLtis en vertrok met Barnabas naar klein-Azië; Joannes Marcus keerde naar Jeruzalem terug. De twee Apostelen trokken de provincie Pamphylië door en kwamen te Antiochië, de hoofdstad van Pisidië. De Joden, die in deze stad woonden, hadden eene Synagoge, welke ook bezocht werd door sommige heidenen , die den waren God kenden en aanbaden, en , ofschoon zij niet tot den Joodschen godsdienst overgingen, zich toch met de Israëlieten ter godsvereering vereenigden. Naar die Synagoge gingen Paulus en Barnabas op den eersten Sabbath na hunne aankomst, en zij werden door de oversten uitgenoodigd, om, indien zij een woord van opwekking tot het volk wilden richten, vrij te spreken. Nu stond Paulus op en, door een teeken zijner hand, het volk tot aandachtige stilte vermanend, hield hij eene redevoering, waarin hij hun den Heer Jesus Christus verkondigde. De inwoners van Jeruzalem en zijn oversten, zeide hij, hebben van Pilatus geëischt, dat zij Jesus, ofschoon zij geene doodschuld in Hem vonden, ter dood mochten brengen. En toen zij alles volbracht hadden, wat over Hem geschreven stond, heeft men Hem van het hout afgenomen en in het graf gelegd. Maar God heeft hem ten derden dage van de dooden opgewekt, en Hij is, vele dagen lang, gezien geworden door degenen, die tegelijk met Hem van Galilea naar Jeruzalem waren opgegaan en tot nu toe zijne getuigen zijn bij het volk. Wij nu verkondigen u de belofte, die aan onze vaders gedaan is; want God heeft ze vervuld, door Jesus op te wekken. Het zij u derhalve bekend, mannen broeders! dat u vergiffenis van zonden door Hem wordt aangekondigd, en dat door Hem ieder,.

ocr page 269

243

die gelooft, gerechtvaardigd wordt van alles, waarvan gij door de wet van Mozes niet kondt gerechtvaardigd worden. (Want vergiffenis van zonden kon de Mozaïsche wet op zich zelve niet schenken). Veel meer sprak Paulus, en zijne rede maakte zooveel indruk , dat men hem en Barnabas verzocht, den volgenden Sabbath weder het woord te voeren.

Toen het nu weder Sabbath was, vereenigde zich eene zeer groote menigte, om het Woord Gods te hooren. Doch juist deze buitengewone geestdrift des volks wekte den naijver der Joden op, en zij die, ééne week geleden, met eerbied naar de prediking van Paulus geluisterd hadden, begonnen hem nu tegen te spreken en zelfs hem en Barnabas met hoon en lasteringen te overladen. Nu zeid'en de twee Apostelen tot de Joden: Tot u moest het woord Gods het eerst gesproken worden; maar, omdat gij het afstoot en u des eeuwigen levens onwaardig oordeelt, ziet, zoo wenden wij ons tot de heidenen. Want aldus heeft de Heer het ons geboden. Deze verklaring vervulde de heidenen met groote vreugde; velen van hen geloofden, en het woord des Heeren werd verbreid in de geheele stad en in de gansche landstreek. Doch nu toonden de Joden, dat zij de verklaarde vijanden des Christendoms waren. Daar zij geen geweld konden gebruiken , stookten zij eenige aanzienlijke vrouwen op en wisten, door dezer tusschenkomst, te bewerken, dat Paulus en Barnabas verdreven werden. De Apostelen gingen heen en schudden het stof hunner voeten af tegen de vijanden van Jesus' naam. De geloovigen, die zij tot kinderen der Kerk gémaakt hadden, volhardden op den goeden weg en werden , zelfs te midden der beproeving, vervuld met vreugde en met den H. Geest.

De Apostelen gingen naar Ikonium en predikten daar het Evangelie met het beste gevolg; zoowel uit de Joden als uit de heidenen bekeerden er zich velen tot het geloof

. _ o

in Christus. Maar ook was er een groot getal Joden, die zich niet wilden bekeeren, en dezen wisten, door het rond-verspreiden van allerlei laster, de bevolking van Ikonium in twee partijen, waarvan de eene het met de Apostelen, de andere met de Joden hield, te verdeelen ; vervolgens stookten zij een oproer aan, in de hoop, dat het hun, te midden der verwarring, die daaruit ontstaan zou, gelukken mocht

I

ocr page 270

244

zich van Paulus en Barnabas meester te maken en hen te steenigen: de Apostelen werden echter» nog bij tijds van het hun dreigend gevaar verwittigd en onttrokken zich door de vlucht aan de woede hunner vijanden.

CII. Vervolg van Paulus' eerste evangelie-reis.

Van Ikonium begaven Paulus en Barnabas zich naar Lystra, en zetten in deze stad en hare omstreken hunnen apostolischen arbeid voort. Eens bevond zich onder de toehoorders van Paulus een man, die kreupel geboren en aan beide zijden lam was; iedereen wist, dat de ongelukkige nooit had kunnen gaan. Paulus vestigde zijnen blik op dezen man en zag, dat hij vastelijk geloofde, dat dezelfde macht, die reeds zoovele kranken en gebrekkigen genezen had, ook hem gezond kon maken. Op eens onderbrak Paulus zijne rede en riep met luide stem tot den lamme: Sta op uwe voeten recht op! Terstond springt de genezene op en wandelt voor de eerste maal in zijn leven.

Onbeschrijfelijk groot was de indruk, dien dit wonder op al de aanwezigen maakte, en kreten van bewondering vervulden de lucht. En toch waren dit geen kreten ter eere van den God, wiens almacht zich zoo heerlijk had geopenbaard ; helaas ! de arme heidenen van Lystra dachten slechts aan hunne fabelgoden en meenden, dat Paulus en Barnabas twee van die goden waren, die zich in men-schengedaante vertoonden. Terwijl Paulus voortging met prediken, geraakte de stad in onstuimige beweging, en snelde de samengeloopen menigte naar buiten, waar een tempel van Jupiter stond, om den priester van dien tempel te melden, dat Jupiter in de stad gekomen was. Terstond was de priester gereed om zijnen God de verschuldigde eer te bewijzen, en weldra trok hij, gevolgd door het volk, met offerstieren en bloemkransen naar het huis, waar de Apostelen, onbewust van hetgeen er plaats had. zich nog bevonden, en maakte hij toebereidselen tot het opdragen van een afgodisch offer ter eere van de twee vermeende godheden.

Nu eerst bemerken Paulus en Barnabas wat er gaande is ; terwijl zij van spijt en verontwaardiging hunne kleederen

ocr page 271

245

scheuren, werpen zij zich midden onder de menigte en roepen: Mannen! waarom doet gij dit ? Ook wij zijn stervelingen , menschen gelijk gij! En wij verkondigen u, dat gij van deze ij delheden u bekeeren moet tot den levenden God, die hemel en aarde en zee en alles, wat daarin is, gemaakt heeft. Ter nauwernood gelukte het den twee Apostelen, de opgewonden menigte te bedaren en den voortgang der offerande te stuiten; eindelijk toch trok de priester met zijn gevolg weder af.

Eenigen tijd daarna kwamen er Joden uit Antiochië naar Lystra, om de predikers des Evangelies ook in deze stad tegen te werken. Zij slaagden er in, een gedeelte van het gemeen op te hitsen en over te halen, om met hen eenen aanslag te doen op het leven van Paulus, die vooral het voorwerp was van hunnen haat. Zij overvielen hem als gemeene struikroovers en, toen zij hem buiten de stad gesleept hadden, wierpen zij hem met steenen zoo lang en geweldig, dat hij voor dood liggen bleef. De Christenen van Lystra snelden, zoodra zij het gruwelbedrijf vernamen, naar buiten, zeker met het doel om hunnen vermoorden leermeester te begraven. Doch God had hem in het leven behouden en reeds door een wonder genezen ; hij stond op en ging met de Christenen de stad binnen. Den volgenden dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe, waar hij het Evangelie predikte en vele bekeerlingen maakte.

Na eenigen tijd te Derbe vertoefd te hebben, keerden de twee Apostelen langs denzelfden weg, dien zij gekomen waren, terug; denkelijk stonden zij nu onder de bescherming der Romeinsche overheid; althans wedervoer hun op hunne terugreis geen leed. Zij bevestigden de geloovigen in de verschillende steden, waar zij gepredikt hadden, en vermaanden hen, standvastig te blijven in het geloof, hen leerend, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Rijk Gods. Het belangrijkste echter wat zij deden was het aanstellen van priesters in elke der nieuw gestichte gemeenten : plechtig wijdden zij dezen, onder vasten cn gebed , en namen vervolgens afscheid van de geloovigen, hen aanbevelend aan den Heer Jesus, in wien zij nu geloofden. Na nog in de steden Perge en Attalia het woord Gods verkondigd te hebben, gingen Paulus en Barnabas

ocr page 272

246

weder scheep en voeren naar Antiochië in Syrië terug, vanwaar zij, ruim drie jaren «geleden, hunne apostolische reis begonnen hadden. In eene vergadering der geloovigen verhaalden zij, hoezeer God hunnen arbeid gezegend had, en bleven toen een geruimen tijd bij de leerlingen van Antiochië.

Als de H. Schritt vermeldt, dat Paulus en Barnabas in de door hen gestichte Christengemeenten priesters aanstelden, dan moeten wij dit zóó verstaan, dat zij zoowel Bisschoppen als gewone priesters wijdden en de Bisschoppen in de grootere, de priesters in de kleinere gemeenten aanstelden. Want, ofschoon de bisschoppelijke waardigheid altijd van de priesterlijke is onderscheiden geweest, maakte men toch in het begin dei-Kerk dikwijls geen onderscheid in de iwmeii, waarmede Bisschoppen en priesters werden aangeduid.

CIII. Kerkvergadering van Jeruzalem.

Eenige Christenen uit Judea, die met overdreven ijver voor de wet van Mozes, welke zij, ook na gedoopt te zijn, bleven naleven, bezield waren, verwekten eene niet geringe stoornis in de Kerk van Antiochië. Deze Christenen verkondigden er namelijk eene groote dwaling door te leeren : Indien gij niet besneden wordt naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet zalig worden; terwijl Christus zelf had gezegd : Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Paulus en Barnabas verzetten zich met kracht tegen deze onchristelijke dwaalleer, en, om ze met wortel en al uit te roeien en te beletten, dat zij zich verder uitbreidde, werd er besloten, dat Paulus en Barnabas met eenige anderen naar Jeruzalem zouden gaan, ten einde met de Apostelen en de priesters, die daar waren, te beraadslagen over de vraag: of de wet van Mozes verplichtend was voor de Christenen.

Het antwoord op deze vraag was eigenlijk voorlang reeds gegeven, en wel door het hoofd der Kerk zelf; want Petrus had , toen hij te Caesarea heidenen in de Kerk opnam, hen volstrekt niet verplicht om de wet van Mozes te onderhouden. Maar wat reeds eene uitgemaakte zaak was, zou nu plechtig en vormelijk door de Kerkvergadering te Jeruzalem worden uitgesproken en afgekondigd, en tevens zou dan de dwaling, die sommigen begonnen

ocr page 273

247

te verspreiden, veroordeeld worden. Voor Paulus bestond cr nog eene bijzondere reden,, waarom hij zich naar Jeruzalem begaf. Hij wilde namelijk een duidelijk en openbaar bewijs geven, dat er tusschen zijne prediking en die der oudere Apostelen geen verschil bestond, en dat hij en zij ééne en dezelfde waarheid, één en hetzelfde Evangelie verkondigden.

In gezelschap van Barnabas, zijnen leerling Tit us en eenige anderen, kwam Paulus te Jeruzalem aan en vond daar Jacobus, den Bisschop van Jeruzalem, den Apostel Joannes en hem, wiens tegenwoordigheid vooral vereischt werd, den Paus Petrus, die uit Italië naar Palestina was teruggekeerd; of er nog meer Apostelen waren, weten wij niet. Nadat Paulus en Barnabas verslag hadden gedaan van hunnen arbeid onder de heidenen, stonden er eenigen op, die vroeger tot de sekte der Pharizeën behoord hadden en nu beweerden, dat men de heidenen, die tot het Christendom overgingen, moest besnijden en tot het onderhouden der Mozaïsche wet verplichten. Paulus en Barnabas kwamen met alle kracht tegen deze bewering op, en weldra bleek het, dat de oudere Apostelen volmaakt met hen overeenstemden.

Nadat alle voorafgaande beraadslagingen afgeloopen waren , hield de Kerkvergadering hare plechtige eindzitting. Petrus, het hoofd der Kerk, begon met te vermelden, hoe God, reeds lang geleden, door hem de heidenen in de Kerk had doen opnemen , en hoe Hij, door den H. Geest uit te storten over de bekeerde heidenen evenzeer als over de bekeerde Joden, getoond had, dat er geen onderscheid tusschen deze beiden was; derhalve, daar God zelf de heidenen, zonder besnijdenis, had aangenomen, zou het verkeerd zijn, hen tot het ontvangen daarvan te verplichten of hun het zware juk der Mozaïsche wet op te leggen. En daarna sprak Petrus het Christelijk geloof uit; Dooide genade des Heeren Jesus Christus gelooven wij zalig te worden op gelijke wijze als ook zij. De geheele vergadering zweeg; ook degenen, die nu wisten, dat zij gedwaald hadden, zwegen; want zij hadden de onfeilbare uitspraak van Petrus gehoord.

Nu stond de Apostel Jacobus op en stelde een maatregel

ocr page 274

248

van voorzichtigheid voor, ten einde den vrede tusschen de Christenen uit de Joden en die uit de heidenen beter te bewaren. De eersten namelijk, die de verordeningen der Mozaïsche wet op hoogen prijs stelden, konden niet goed zien, dat de anderen deze verordeningen geheel verwaarloosden; daarom stelde Jacobus voor, aan de Christenen uit de heidenen aan te schrijven, dat zij zich onthouden moesten van het vleesch der dieren, welke aan afgoden geofferd waren, of welke niet geslacht maar verstikt waren geworden, inzonderheid van bloed te eten; dit immers was in de oogen der Joden een gruwel. Bij deze voorschriften voegde Jacobus een bijzonder verbod tegen ontucht.

Nadat het voorstel van Jacobus was goedgekeurd, ging de vergadering over tot het kiezen van twee mannen, die met Paulus en Barnabas naar Antiochië zouden reizen, om de genomen besluiten daar bekend te maken. De keus viel op Judas Barsabas en Silas, die ook Sylvanus genoemd werd. Zij werden belast met een brief van den volgenden inhoud :

De Apostelen en de priesters , broeders , aan de broeders--uit de heidenen in Antiochië en in Syrië en Cilicië, heil!

Daar wij vernomen hebben, dat eenigen, van ons uitgegaan zijnde, wien wij geen last hadden gegeven, u door woorden verontrust en uwe ziel in verwarring gebracht hebben, zoo hebben wij, te zamen vergaderd zijnde, goedgevonden, mannen uit te kiezen en tot u te zenden met onze zeer geliefde Barnabas en Paulus, menschen die hun leven hebben opgeofferd voor den naam onzes Heeren Jesus Christus. Wij hebben dan Judas en Silas gezonden,, die ook zelve mondelings u hetzelfde zullen berichten. Want het heeft goedgedacht den Heiligen Geest en ons, u geen meerderen last op te leggen dan dit noodzakelijke: dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is-en van bloed en van het venstikte en van ontucht. U hiervoor wachtend, zult gij wel doen. Vaartwel!

Groot was de vreugde der Christenen van Antiochië,. toen deze brief hun in eene plechtige vergadering werd voorgelezen; zij behoefden nu niet meer te vreezen, dat hun vrede zou verstoord worden. Judas Barsabas keerde na eenigen tijd naar Jeruzalem terug, doch Silas bleef te Antiochië en werd de boezemvriend van den apostel Paulus.

ocr page 275

-49

Het verbod der Kerkvergadering ten opzichte van het eten van bloed en het vleesch van verstikte dieren was slechts plaatselijk en tijdelijk, dat wil zeggen; het werd slechts gegeven voor die plaatsen, waar het noodig was om den vrede tusschen de Christenen uit dc Joden en die uit de heidenen beter te bewaren ; en het bleef slechts van kracht, zoolang de reden, waarom het gegeven was, bleef bestaan. Later werd dit verbod door de gewoonte van zelf opgeheven.

CIV. Tweede evangelie-reis van Paulus.

Niet lang na de Kerkvergaderingquot; van Jeruzalem gaf Paulus aan Barnabas zijn verlangen te kennen om de gemeenten , die zij op hunne vorige Evangelie-reis gesticht hadden, andermaal te bezoeken. Barnabas was terstond bereid, doch stelde voor, Joannes Marcus weder mede te nemen; dit voorstel keurde Paulus niet goed, en hij gaf de voorkeur aan Silas. Zoo kwam het, dat er, in plaats van ééne, twee Apostolische reizen ondernomen werden: Barnabas vertrok met Joannes naar Cyprus; Paulus reisde met Silas door Syrië en Cilicië en kwam weder in de steden Derbe en Lystra. Daar ontmoette hij een edelen jongeling, Timotheüs, over wien hij de beste getuigenissen ontving en dien hij tot zijn medearbeider verhief. Overal waar Paulus kwam, maakte hij de besluiten der Kerkvergadering bekend en schreef het onderhouden daarvan aan de gemeenten voor. Toen hij nu in de provinciën Phrygië en Galatië het Evangelie verkondigde, gebood de H. Geest hem en zijnen twee medewerkers, hunne prediking in klein-Azië te staken ; daarom veranderden zij van richting en trokken westwaarts voort, totdat zij de zeestad Troas bereikten. Hier vernam Paulus de reden, waarom hij Azië verlaten moest. In den nacht had hij eene verschijning: een man, die zich als een Macedonier deed kennen, sprak biddend tot hem: Kom over naar Macedonië en help ons! Nu wist Paulus, wat God van hem verlangde: Macedonië was de naast-bijgelegene provincie van Europa; Europa dus, een nieuw werelddeel, wachtte hem !

Eer Paulus de stad Troas verliet, ontving hij een vierden medearbeider, Lucas, den schrijver der geschiedenis, die wij verhalen. Met hem, Silas en Timotheüs ging Paulus scheep, stapte te Neapolis aan land en trok aanstonds naar de groote stad Philippi. Op een Sabbath begavert

ocr page 276

250

Paulus cn de zijnen zich naar het bedehuis, dat de Joden buiten de poort dezer stad hadden, en verkondigden het Evangelie aan eenige vrouwen, die zij er vonden.

Eene dezer vrouwen , Lydia, die handel dreef in purperen stoffen en zeer deugdzaam was, verzocht, nadat zij met haar huisgezin gedoopt was, dat Paulus en zijne drie gezellen hunnen intrek zouden nemen in haar huis; dezen voldeden aan haar verlangen, en zij herbergde hen gedurende hun verblijf te Philippi, waar Paulus het geluk had de grondslagen te leggen eener later zeer bloeiende Christengemeente.

Eens, toen de vier Evangelie-predikers weder naar het Joodsche bedehuis gingen, dat zij in eene Christelijke kerk veranderd hadden, werden zij gevolgd door eene slavin, die een waarzeggenden geest had en door hare waarzeggerijen groot gewin bezorgde aan de meesters, wier gemeenschappelijk eigendom zij was. Deze slavin achtervolgde de gezanten van Christus, luide roepend: Deze menschen zijn dienaars van den allerhoogsten God, die u den weg der zaligheid verkondigen! Toen zij dit geroep meerdere dagen achtereen herhaald had, gebood Paulus den geest: ik beveel u, in den naam van Jesus Christus, van haar uit te gaan! En oogenblikkelijk verliet de booze geest zijne prooi, en had de slavin al haar waarzeggend vermogen verloren. Maar daarmede was tevens de winst verdwenen, welke zij haren meesters verschafte. Dezen waren woedend, maakten zich bij de eerste gelegenheid de beste van Paulus en Silas meester, en sleurden hen naar het marktplein, waar de overheden der stad, naar Romeinsche gewoonte, de rechtspleging uitoefenden. Hier klaagden zij hen aan; Deze lieden brengen, daar zij Joden zijn, onze stad in oproer, en zij verkondigen zeden, welke het ons, omdat wij Romeinen zijn, niet geoorloofd is aan te nemen of tc volgen. De verachte naam van Joden was reeds genoeg om Paulus en Silas in de oogen der rechters van misdaad te overtuigen ; en toen nu daarenboven eene opgeruide volksbende samenliep en wraak riep tegen de twee vreemde leeraars, deden de rechters hen, zonder eenig onderzoek, geeselen en in de gevangenis werpen, waar zij in den binnensten kerker gebracht en op de strengste en pijnlijkste wijze geboeid werden.

ocr page 277

251

Zoo wreedaardig werden de twee onschuldige dienaars van Christus mishandeld. Doch zij beklaagden zich niet, want zij wisten, om wille van wien zij schande en smart verduurden; integendeel zij verheerlijkten hunnen godde-lijken meester en, toen het reeds middernacht geworden was, hoorden de overige gevangenen hen met luide stem bidden en lofliederen zingen ter eere van God. En zie, eensklaps beeft de aarde; al de deuren der gevangenis springen open, en de boeien van al de opgeslotenen worden verbroken. De gevangenbewaarder schrikt wakker, gordt zijn zwaard aan en vliegt naar de kerkers; daar vindt hij de deuren openstaan en, meenend dat de gevangenen zijn losgebroken, trekt hij in vertwijfeling zijn zwaard, om zich te doorsteken. Doch Paulus roept hem toe: Doe u zeiven geen leed, want wij zijn allen hier! De gevangenbewaarder doet licht brengen; ook zijne huisgenooten en bedienden komen op de been; en nu, na alles onderzocht te hebben, is hij overtuigd, dat hier eene hoogere macht gewerkt heeft, erkent hij Paulus en Silas voor gezanten der Godheid en valt hij sidderend voor hunne voeten neder. Zij doen hem opstaan, en, terwijl hij hen uit den kerker naar zijn woonhuis geleidt, spreekt hij hen toe: Heeren! wat moet ik doen om zalig te worden? Zij antwoorden: Geloof in den Heer Jesus ! en gij zult zalig worden , gij en uw huis.

In het huis des gevangenbewaarders kwamen nu allen, die daartoe behoorden, te zamen, om naar de prediking van Paulus en Silas te luisteren; zij geloofden en ontvingen alle, in dienzelfden nacht het heilig Doopsel! Zoo beloonde God het lijden zijner dienaars. Ook hunne lichaamssmarten werden zooveel mogelijk gelenigd: de gevangenbewaarder wiesch hunne wonden en zette hun vervolgens eenen maaltijd voor. Tegen den morgen was hij verplicht hen naar de gevangenis terug te brengen. Doch spoedig kwam hij tot hen met de blijde tijding: De overheden hebben gezonden ofri u vrij te laten; gaat dan uit en vertrekt in vrede! Maar Paulus wilde niet op deze wijze ontslagen worden, opdat het later den schijn niet zoude hebben, dat hij en Silas uit de gevangenis ontsnapte misdadigers waren. Hij bezat het middel, om de overheden van Philippi tot eerherstel te dwingen, want hij was Romeinsch burger, en

ocr page 278

252

door hem te doen geeselen hadden de rechters zich aan eene zware overtreding der Romeinsche wetten schuldig gemaakt. Derhalve sprak hij tot den gevangenbewaarder: Zij hebben ons, Romeinsche burgers, onveroordeeld, in het openbaar gegeeseld en in den kerker geworpen; en zouden zij ons nu heimelijk daaruit voeren ? Niet aldus ! Maar laten zij zelve komen en ons uitgeleide doen! Toen de overheden vernamen, dat hun barbaarsche willekeur zich aan Romeinsche burgers vergrepen had, kwamen zij tot Paulus en Silas, baden hen om verschooning en verzochten, dat zij zoo goed zouden zijn de stad te verlaten. Zij voldeden aan dit verzoek, maar eerst gingen zij, als vrije mannen, naar het huis van Lydia en namen daar afscheid van de geloovigen; vervolgens reisden zij, Lucas en Timotheiis achterlatend, naar Thessalonika.

In deze voorname stad hadden de Joden eene Synagoge, waarin Paulus op drie achtereenvolgende Sabbath-dagen het Evangelie verkondigde; eenige Joden bekeerden zich, maar vooral van diegenen, welke, zonder den Joodschen godsdienst te belijden, den waren God vereerden, namen velen het Christendom aan; zoodat er in zeer korten tijd te Thessalonika eene bloeiende gemeente bestond. Deze gezegende uitslag wekte weder den nijd op der ongeloovige Joden; zij verwekten een oproer in de stad en vielen toen op het huis aan, waarin Paulus en Silas hun intrek hadden genomen, met het doel om hen van het leven te berooven. Gelukkig vonden zij hen niet; doch nu grepen zij Jasou, den eigenaar des huizes, en sleepten hem met: nog eenige andere Christenen voor de rechtbank , terwijl zij schreeuwden : Die stadsberoerders zijn ook hierheen gekomen ! Jason heeft hen gehuisvest! En dezen handelen alle tegen de bevelen des keizers, daar zij zeggen dat er een andere koning is, Jesus. De overheden der stad hielden Jason en zijne mede-Christenen gevangen; doch, beter ingelicht zijnde, ontsloegen zij hen nog denzelfden dag. Ofschoon Paulus en Silas nu van de zijde der overheden niets te vreezen hadden, drongen de geloovigen er toch op aan, dat zij zich niet aan een nieuwen aanslag hunner boosaardige vijanden blootstellen, maar de stad verlaten zouden. Zij begaven zich dan naar Beroea, waar Thimotheüs zich weder bij hen voegde.

ocr page 279

2 •

Tc Beroea vonden zij beter gezinde Joden , die met gretig-heid naar hunne prediking luisterden en zich in groot getal bekeerden : ook vele heidenen , zoowel mannen als vrouwen, vooral uit den aanzienlijken stand, omhelsden het Christendom. Doch weldra kwamen er eenige Joden uit Thessa-lonika over, om Paulus te Beroea te vervolgen. De geloovigen drongen hem, uit vrees voor zijn leven, hunne stad en zelfs Macedonië te verlaten; en Paulus vertrok, vergezeld van eenige broeders, naar Griekenland; Timotheüs en Silas bleven achter om het begonnen werk te Beroea en te Thessalonika verder voort te zetten. Toen Paulus te Athene gekomen was , namen zij, die hem vergezeld hadden, afscheid ; de Apostel bevond zich nu alleen in de beroemdste stad van Griekenland.

CV. Vervolg der tweede reis. Athene en Korinthe.

Ofschoon Paulus voornemens was slechts korten tijd te Athene te vertoeven, wiide hij toch, dat deze stad, die het middelpunt der wetenschap en beschaving was, de stem van den Apostel der heidenen zou vernemen. Niet alleen predikte hij in de Synagoge der Joden, maar ook op een der stadspleinen trad hij in gesprek met eenige wijsgeeren, tot wie hij, ten aanhoore van eene groote schare volks, sprak over den waren God , die hemel en aarde geschapen heeft, en over zijnen menschgeworden Zoon, Jesus Christus, en over de onsterfelijkheid der zielen en de toekomstige opstanding. Sommige Atheners dreven den spot met Paulus' leer; anderen echter waren nieuwsgierig om meer van hem te hooren en, opdat hij beter tot velen tegelijk zou kunnen spreken, voerden zij hem naar eenen heuvel, midden in de stad gelegen en onder den naam van Areopagus, dat is: heuvel van Mars, bekend. Midden op dien heuvel staande, hield hij de volgende redevoering tot het volk: Mannen van Athene! Ik zie, dat gij onder alle opzichten, als het ware, overgodsdienstig zijt. Want voorbijgaande en uwe godenbeelden beschouwend, heb ik ook een altaar gevonden, waarop geschreven stond : aan eenen onbekenden God. Wat gij dan zonder kennis vereert, dat verkondig ik u. God, die de wereld en alles, wat daarin is, gemaakt

ocr page 280

254

heeft, Hij, Heer zijnde van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, noch wordt, alsof Hij iets behoefde, door menschenhanden gediend; immers is Hij degene, die aan allen leven en adem en alles geeft. En Hij heeft het geheele geslacht der menschen uit éénen (stamvader) gemaakt, opdat zij zouden wonen over de gansche oppervlakte der aarde, bepalend (voor ieder volk) vastgezette tijden en de grensperken hunner woonplaats; opdat zij God zouden zoeken, of zij misschien Hem tasten en vinden mochten; ofschoon Hij niet ver is van een iegelijk onzer. Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook sommigen uwer dichters gezegd hebben: want wij zijn ook zijn geslacht. Daar wij dan Gods geslacht zijn, moeten wij niet meenen, dat de Godheid gelijk is aan goud of zilver of steen, aan een beeldwerk van men-schelijke kunst en vinding. God nu, de tijden dezer onwetendheid (dat is: van den afgodendienst) voorbijziende, verkondigt thans den menschen, dat zij alle overal boetvaardigheid. moeten doen; want Hij heeft eenen dag vastgesteld , waarop Hij de wereld met rechtvaardigheid zal oordeelen door eenen Man, dien Hij (tot Rechter) bestemd heeft; daarvan aan allen de verzekering gevend, door Hem van de dooden op te wekken.

Hier viel men den Apostel in de rede, en begon hem, omdat hij van de opstanding uit de dooden sprak, te bespotten; Wij zullen u daarover andermaal hooren! riepen zij en keerden hem den rug toe. Eenige mannen echter volgden hem, lieten zich verder door hem onderrichten en geloofden; onder dezen was de rechter Dionysius.

Van Athene ging Paulus naar Korinthe, de volkrijkste en bloeiendste handelstad van Griekenland. Hij nam er zijnen intrek bij een bekeerden Jood, Aquila geheeten, die met zijne vrouw Priscilla uit Rome, waaruit keizer Claudizis de Joden verbannen had, naar Korinthe was gekomen. Deze Aquila was tentenmaker, en bij hem arbeidde de Apostel om aldus in zijn onderhoud te voorzien. Nadat Silas en Timotheüs ook te Korinthe aangekomen waren, begon Paulus in de Synagoge der Joden openlijk te verkondigen, dat Jesus de Messias was. Aanstonds ondervond hij van de zijde der Joden den hevigsten wederstand.

ocr page 281

255

zoodat hij hunne Synagoge verliet, zeggende: Uw bloed kome op uw hoofd! Ik ben er rein van! (dat is: ik heb geen schuld aan uwe verwerping, waarvan gij zelf de oorzaak zijt.) Van nu af zal ik tot de heidenen gaan.

Een heiden, Tit us Justus, die vroeger reeds tot de dienaars van den waren God had behoord, bood nu den Apostel zijn huis aan, om daarin het Evangelie te verkondigen en de geheimen van den Christelijken godsdienst te vieren. Vele Korinthiërs bekeerden zich, en ook eenige Israëlieten, onder wie de overste der Synagoge, Krispus, geloofden in den Heer Jesus.

Gedurende al den tijd, dien Paulus te Korinthe doorbracht, had hij veel te lijden van de onverbeterlijke Joden, wier haat toenam , naarmate de arbeid des Apostels meer vruchten droeg. Doch Paulus werd door eene troostvolle openbaring gerust gesteld, dat zijne vijanden hem niet zouden schaden. Vrees niet, zeide hem de Heer Jesus in een nachtgezicht, maar spreek en zwijg niet! Want Ik ben met u, en niemand zal u aanranden om u kwaad te doen. Daarenboven gaf de Verlosser zijnen dienaar de verzekering, dat zijn v/erk voortdurend zou gezegend worden, daar zeer vele Korinthiërs uitverkoren waren, om door zijne bediening tot de Kerk van Christus gebracht te worden.

Toen de Apostel reeds een geruimen tijd te Korinthe had gearbeid, waagden de Joden eenen aanslag op hem, bij gelegenheid der aankomst van een nieuwen landvoogd van Achaja, die te Korinthe zijnen zetel had. Zij wisten zich van Paulus meester te maken en brachten hem voor den rechterstoel des landvoogds, hem beschuldigend, dat hij de menschen overreedde, om God te dienen op eene wijze, die in strijd was met de Wet. Doch Gallio, zoo heette de landvoogd, verleende hun geen gehoor. Indien er, zeide hij, eenig onrecht of misdadig bedrijf gepleegd was, zou ik u, o Joodsche mannen! naar billijkheid aan-hooren; doch is er spraak over uwe Wet, dan moogt gij zelf toezien; daarover wil ik geen rechter zijn.

Eindelijk was de tijd gekomen, dat Paulus de stad Korinthe verlaten moest. Hij nam afscheid van de geloovigen en ging scheep, om naar Syrië terug te keeren. Het schip deed Ephesus, de hoofdstad der provincie Jonië, aan en bleef

ocr page 282

256

daar eenige dagen liggen. Van dezen korten tijd maakte Paulus gebruik om op eenen Sabbath naar de Synagoge, welke de Joden te Ephesus bezaten, te gaan en tot hen te spreken. Zij ontvingen hem met liefde en verzochten hem in hun midden te blijven; echter kon hij nu aan dit verlangen niet voldoen, maar beloofde: Ik zal tot u weder-keeren, zoo God het wil. Van Ephesus voer Paulus naar Caesarea, ging van daar naar Jeruzalem, om er de Kerk te groeten, en keerde eindelijk naar Antiochië terug. Zijne tweede Evangelie-reis, die omtrent drie jaren (van het jaar 51 tot het einde van 53) geduurd had, was nu geëindigd.

Gedurende den tijd, dien Paulus te Korinthe doorbracht, schreef hij twee brieven aan de geloovigen van Thessalonika om hun heilzame onderrichtingen en vermaningen te geven. Deze brieven zijn onder de veertien brieven, welke wij van den apostel Paulus bezitten, de oudste. De oudste Schriften des Nieuwen Testaments zijn zij echter waarschijnlijk niet: althans zijn de meeste geleerden van oordeel, dat de h. Mattheüs zijn Evangelie reeds eenige jaren vroeger geschreven had.

CVI. Derde evangelie-reis van Paulus.

Slechts weinig rust gunde zich de Apostel Paulus, en reeds in het begin van het volgende jaar begon hij zijne derde Evangelie-reis; hij bezocht de gemeenten, die hij in Galatië en Phrygië gesticht had, en begaf zich vervolgens naar Ephesus. In deze stad was een nieuwe geloofsverkondiger opgestaan, Appollo, een uitstekend geleerde Jood uit Alexandrië, wiens kennis van het Christendom echter nog zeer gering was, daar hij zelfs niet wist, dat er een ander Doopsel bestond dan het doopsel van boetvaardigheid, hetwelk, dertig jaar geleden, door den H. Joannes den Dooper was toegediend geworden. Toch sprak Apollo in de Synagoge der Joden met ijver over Jesus en kondigde Hem als den Messias aan. Door Aquila en Priscilla, die Paulus van Korinthe naar Ephesus begeleid hadden en in deze stad gebleven waren, werd Appollo tot de volledige kennis gebracht van het Christendom, dat hij nu met geheel zijn hart omhelsde; vervolgens begaf hij zich naar Korinthe en arbeidde daar met veel vrucht voor het heil der door Paulus gestichte gemeente.

ocr page 283

257

Toen de Apostel, eenigen tijd na Apollo's vertrek, te Ephesus aankwam, vond hij er een twaalftal leerlingen, die hij voor gedoopte Christenen hield en aan wie hij vroeg, of zij ook reeds in het Sakrament des Vormsels den Heiligen Geest hadden ontvangen. Zij antwoordden; Maar wij hebben niet eens gehoord of er een Heilige Geest is! Zulk eene onwetendheid was onbestaanbaar bij menschen, die gedoojjt waren in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes ; derhalve vroeg Paulus: Waarmede zijt gij dan gedoopt geworden? — Met den doop van Joannes, zeiden zij. En Paulus hernam; Joannes doopte het volk met een doopsel van boetvaardigheid, zeggende, dat zij moesten gelooven in dengene, die na hem komen zou, dat is: in Jesus. Aanstonds waren de twaalf mannen, die in hun hart Christenen waren, ofschoon zij nog niet tot de zichtbare Kerk behoorden, bereid om het Sakrament des Doopsels te ontvangen: het werd hun toegediend; daarna vormde Paulus hen door de oplegging-zijner handen, en zij ontvingen den Heiligen Geest.

Gedurende de eerste drie maanden predikte Paulus in de Synagoge der Joden; doch toen werd hij door de onge-loovige partij genoodzaakt deze Synagoge te verlaten. Hij verzamelde de Christenen in het huis van zekeren Tyranncs, waar hij eene ruime tot school ingerichte zaal vond; daar predikte hij nu dagelijks en vierde de heilige geheimen met de Christen-gemeente. Twee jaren lang verkondigde hij op deze wijze het Evangelie, niet alleen aan de inwoners van Ephesus, maar ook aan een groot aantal vreemdelingen, Joden en heidenen, zoodat allen, die in het westelijk gedeelte van klein-Azië woonden, het woord des Heeren hoorden. In deze twee jaren deed Paulus waarschijnlijk meermalen kleine reizen door de omliggende gewesten, en bezocht hij ook Korinthe voor de tweede maal. Door groote wonderen bevestigde God de prediking des Apostels; niet alleen ontvingen de zieken door de aanraking zijner handen de gezondheid terug, maar ook, wanneer men de kleedingstukken, welke hij gedragen had, op de kranken en bezetenen legde, werden dezen genezen en uit de macht van den boozen geest verlost.

Eens kwamen er te Ephesus zeven rondreizende Joodsche

in

.L

ocr page 284

258

cluivel-bezweerders aan, die, na gehoord te hebben, hoe Paulus, door den naam van Jesus aan te roepen, de booze geesten uitdreef, meenden ook zelf zich van dien naam te kunnen bedienen. Twee van hen zouden het op eenen bezetene beproeven en spraken: Ik bezweer u bij Jesus, dien Paulus predikt! Terstond gaf de booze geest ten antwoord : Jesus ken ik, en wie Paulus is, weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij? Tegelijk sprong de bezetene woedend op zijne twee bezweerders los, scheurde hun de kleederen van het lijf en sloeg hen vervaarlijk, zoodat zij bloedend en met wonden bedekt zijne handen ontvluchtten. Dit voorval werd spoedig in de geheele stad bekend; velen van degenen, die zich met zwarte kunsten hadden bezig gehouden, bekeerden zich en verbrandden hunne tooverboeken in het openbaar, ten bewijze van de oprechtheid hunner bekeering.

De laatste dagen van Paulus' gezegend verblijf te Ephesus werden verbitterd door een treurig voorval, dat zijn leven weder in het- grootste gevaar bracht. In die stad stond een prachtige tempel, toegewijd aan de heidensche godin Diana. Een kunstenaar, met name Demetrius, vervaardigde en verkocht zilveren afbeeldingen van dien tempel en verdiende daardoor niet alleen zelf veel geld, maar verschafte ook een bestaan aan verscheidene zilversmeden en arbeidslieden, die voor hem werkten. De handel van dezen Demetrius was, naarmate het getal Christenen te Ephesus en in de omstreken toenam, achteruit gegaan; want wie eenmaal overtuigd was, dat Diana en al de overige afgoden niets anders dan ijdele verzinsels waren, kocht geene zilveren Diana-tempeltjes meer. Demetrius besloot eene poging te wagen, om den vooruitgang van het Christendom te stuiten en zich tevens op Paulus te wreken. Hij riep al zijne werklieden en allen, die van hem afhankelijk waren, te zamen en wist hen tot gramschap en woede op te winden. Zij stormen naar buiten en loopen door de straten der stad, schreeuwend: Groot is de Diana der Ephesiërs! De wilde bende wordt elk oogenblik grooter, en van alle kanten voegt het gemeen zich bij den razenden troep; de meesten weten niet eens wat er eigenlijk gaande is, maar dringen toch mede, onder verwarde kreten, naar het huis, waar men meende Paulus te zullen vinden. Hij

ocr page 285

259

was er echter niet; maar men vond twee zijner vrienden, die men naar het stadsplein, waar de volksvergaderingen gehouden werden, medesleepte. Paulus wilde beproeven, of zijn woord het volk kon bedaren, en maakte zich gereed om naar het plein te gaan; doch de Christenen, in wier midden hij zich bevond, alsook eenige overheidspersonen, die zijne vrienden waren, weêrhielden hem. Op het plein bereikte ondertusschen de wanorde het toppunt, en bijna twee uren lang weergalmde de lucht van het razend gegil: Groot is de Diana der Ephesiërs! Eindelijk toch begon men moede te worden en tot bedaren te komen. Toen sprak de stadsschrijver, een aanzienlijk en wijs man, het volk toe en zeide: Mannen van Ephesus! Wie toch onder de menschen weet niet, dat de stad der Ephesiërs eene vereerster is van de groote Diana ? Daar dit dus niet kan worden tegengesproken, behoort gij u rustig te houden en niet voorbarig te handelen. Want gij hebt deze menschen hier gebracht, ofschoon zij noch heiligschenners zijn noch uwe godin gelasterd hebben. Indien Demetrius en de kunstenaars, die bij hem zijn, eene aanklacht tegen iemand hebben, — er worden rechtszittingen gehouden en er zijn landvoogden; dat men elkander aanklage! Begeert gij echter iets anders, dan kan het in eene rechtmatige vergadering uitgemaakt worden. Want wij loopen gevaar, dat wij om het oproer van heden beschuldigd worden, daar er voor dezen volksoploop geene reden bestaat, waardoor wij ons zouden kunnen verantwoorden. Deze wijze toespraak had het gewenschte gevolg: de menigte ging uit een en de stad keerde tot de orde terug.

Kort na dit oproer verliet Paulus Ephesus, want hij wilde op nieuw Macedonië en Griekenland bezoeken en vervolgens naar Jeruzalem reizen. Maar nog veel verder strekte zijn brandende ijver voor de eer van God en de zaligheid der menschen zich uit; Ook Rome moet ik zien! had hij reeds uitgeroepen; en zelfs Rome was hem niet genoeg: nog verder wilde hij voort, om ook in Spanje de banier des kruises te planten.

Hij voer dan van Ephesus naar Troas en stak van daar naar Macedonië over, waar hij de Christenen bezocht en het Evangelie predikte tot aan de grenzen van

ocr page 286

200

Illyrie. In het begin van den winter kwam hij wederom te Korinthe, waar hij de drie wintermaanden doorbracht.

Tijdens zijn verblijf te Ephesus schreef Paulus eenen brief aan de Christenen van Galatie, vooral om hen te waarschuwen tegen de dwaling , welke sommigen, tegen de uitspraak der Kerkvergadering van Jeruzalem in, verspreid hadden: dat de naleving der wet van Aiozes noodzakelijk ter zaligheid was. Aan de Korinthiërs schreef de Apostel twee brieven, den eerste uit Ephesus, den tweede uit Macedonië en toen hij te Korinthe den winter doorbracht, schreef hij eenen brief aan de Christenen van Rome, in welke stad de H. Petrus de Kerk gesticht en zijnen pauselijken zetel gevestigd had. Het geloof der Christenen van Rome werd toen reeds, gelijk Paulus getuigde, vermeld en met lof verkondigd in de geheele wereld.

CVII. Vervolg van Paulus' derde reis.

Na het einde van den winter vertrok Paulus van Korinthe naar Jeruzalem, om de liefdegiften der Christenen van Macedonië en Griekenland aan de arme broeders in Palestina te brengen. Daar hij vernam, dat de Joden hem lagen legden, maakte hij de reis niet rechtstreeks over zee, maar over Macedonië waar hij te Philippi den H. Lucas vond, die van nu af zijn meester niet meer verliet. Na het paasch-feest vertrokken zij naar Troas, waar zij zeven dagen vertoefden. Op den Zondag vierde Paulus aldaar met zijne reisgezellen en de Christenen van Troas de heilige geheimen van het Lichaam en Bloed des Heeren. Des avonds bleef Paulus, daar hij den volgenden dag vertrekken wilde, zeer lang met de Christenen vergaderd; het was reeds middernacht, en nog ging hij voort met tot hen te spreken. Aan het einde der opperzaal, waarin men zich bevond, had men een venster, dat aan de straat uitkwam, opengezet, en daarin had een Jongeling, Eutychus gehee-ten, plaats genomen. Hij werd door den slaap overweldigd met dat rampzalig gevolg, dat hij achterover uit het venster en van eene vervaarlijke hoogte op de straat nederviel. Men vloog naar beneden en vond daar, wat men verwachten moest, eenen te pletter gevallen doode. Men nam het lijk op en droeg het in huis. Paulus was ook naar beneden gegaan en stond naast den doode. Hij legt zich op hem neder en omvat hem met zijne armen; daarna richt hij zich weder op en zegt tot de rondom staande

ocr page 287

Christenen: Zijt niet ontsteld! want zijne ziel is in hem. En allen zien, dat de doode herleeft, en leiden hem naaide opperzaal terug. Paulus bleef zich met de broeders onderhouden, totdat het licht werd, en nam toen afscheid van hen.

Hij voer nu met zijn reisgezelschap langs de kust van klein-Azië tot Milete. Daar riep hij de Bisschoppen en priesters, die hij te Ephesus en in de omliggende gemeenten had aangesteld, tot zich om afscheid van hen te nemen. Toen zij vergaderd waren, sprak hij aldus tot hen:

Gij zelve weet, hoe ik, van den eersten dag af dat ik in Azie gekomen ben, ten allen tijde met u verkeerd heb, den Heer dienend met alle ootmoedigheid en onder tranen en beproevingen, die mij door de lagen der Joden overkomen zijn; hoe ik niets van hetgeen nuttig was heb achtergehouden, dat ik u niet verkondigd en geleerd zou hebben, in het openbaar en van huis tot huis betuigend aan Joden en aan heidenen de bekeering tot God en het geloof in onzen Heer Jesus Christus. En nu ziet, gebonden in den geest, ga ik naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar overkomen zal, behalve dat de Heilige Geest mij in elke stad betuigt en zegt, dat boeien en verdrukkingen mij te Jeruzalem wachten. Maar voor niets hiervan ben ik bevreesd, noch reken ik mijn leven dierbaarder dan mij zeiven, zoo ik slechts mijnen loop volbrengen mag en de bediening des woords, welke ik van den Heer Jesus ontvangen heb, om getuigenis te geven van het Evangelie der genade Gods. En nu ziet, ik weet dat gij mijn aangezicht niet meer zult zien, gij alle, onder wie ik rondging predikend het Rijk Gods. Daarom dan betuig ik u op den dag van heden, dat ik rein ben van aller bloed (dat het mijne schuld niet is, zoo iemand van u of van de u toevertrouwden afvallig wordt en verloren gaat); want ik heb, zonder terughouding, u den ganschen raad Gods verkondigd. Geeft acht op u zelve en op de geheele kudde, over welke de H. Geest u gesteld heeft tot Bisschoppen, om te besturen de Kerk Gods, welke Hij Zich door zijn bloed verworven heeft. Ik weet, dat er na mijn vertrek tot u zullen ingaan roofzieke wolven, die de kudde niet sparen; ook uit u zelve (dat is: uit de Christenen) zullen

ocr page 288

202

mannen opstaan, die verkeerde dingen leeren. om de leerlingen afvallig te maken achter zich. Derhalve waakt! in uwe gedachtenis bewarend, dat ik, drie jaren lang, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder van u met tranen te vermanen. En nu beveel ik u aan God en aan het woord zijner genade; die machtig is op te bouwen en erfdeel te geven onder al de geheiligden. Niemands goud en zilver of kleed heb ik begeerd, gelijk gij zelve weet; want voor hetgeen mij en dengenen, die met mij waren, noodig was, hebben deze handen dienst gedaan. In alles heb ik u getoond, dat men, aldus arbeidend, de zwakken moet ondersteunen en zich het woord herinneren des Heeren Jesus; want Hij heeft gezegd: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.

Nu zweeg Paulus en knielde neder; allen knielden met hem, en hij bad met hen allen. En er ontstond een groot geween van allen; zij vielen Paulus om den hals en kusten hem, want hunne ziel was diep bedroefd om hetgeen hij gezegd had: dat zij zijn aangezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide tot aan het schip.

Hij voer nu met de zijnen naar Petara; daar gingen zij over op een Phoenicisch vaartuig en kwamen te Tyrus, waar het schip zeven dagen bleef liggen om te lossen. Paulus bracht deze dagen door in het gezelschap dei-Christenen van Tyrus. Onder hen waren eenigen, die de gave der profetie bezaten en den Apostel voorspelden, dat hem te Jeruzalem groote rampen zouden treffen. Hunne aankondiging bevreemdde hem volstrekt niet; immers wist ook hij zelf, door de openbaring des H. Geestes, dat hem te Jeruzalem boeien en verdrukkingen wachtten; maar hij wist ook, dat hij Gods wil volbracht door zijn lijden te gemoet te gaan; en dit was hem genoeg. De Christenen van Tyrus vergezelden hem, toen hij weder vertrekken ging, met hunne vrouwen en kinderen tot aan het strand, waar zij alle eenparig met den Apostel en zijne gezellen nederknielden en baden. Het laatste gedeelte der zeereis werd nu spoedig afgelegd ; te Ptolemaïs verlieten Paulus en de zijnen het schip en gingen over land naar Caesarea, waar zij hunnen intrek namen bij den diaken Philippus. Hier ontmoette Paulus den j^rofeet Agabus; deze nam den

ocr page 289

263

gordel des Apostels, bond zich daarmede voeten en handen «n sprak: Dit zegt de H. Geest: den man, wien deze gordel toebehoort, zullen de Joden te Jeruzalem aldus binden, en zij zullen hem in, de handen der heidenen overleveren. Nu begonnen de Christenen van Caesarea en ook de reisgezellen van Paulus te weenen en hem te smeeken, dat hij toch niet naar Jeruzalem zoude gaan. Doch hij zeide tot hen: Wat doet gij te weenen en mijn hart te bedroeven ? Ik ben immers bereid , niet alleen gebonden te worden maar ook voor den naam des Heeren Jesus te Jeruzalem te sterven ! Dit woord deed allen zwijgen, en zij berustten in den wil van God, zeggende: De wil des Heeren geschiede!

CVIII. Paulus' gevangenschap te Jeruzalem.

Zoodra Paulus en zijne reisgezellen te Jeruzalem waren aangekomen, bezochten zij den H. Jacobus, den Bisschop dezer stad, bij wien zr al de priesters vergaderd vonden. Paulus deed hun het verhaal van hetgeen God door zijne bediening onder de heidenen gedaan had, en allen werden vervuld met dankbare blijdschap en verheerlijkten God.-Doch tevens gaven zij Paulus kennis van de kwade geruchten, welke er ten zijnen laste onder de nog altijd Joodschgezinde Christenen van Jeruzalem en Palestina verspreid werden; dat hij namelijk het naleven der wet van Mozes als ongeoorloofd voorgesteld en zijn best zou gedaan hebben, om bij de Joden, die onder de heidenen woonden, de instellingen des Ouden Testaments in minachting te brengen. Deze geruchten nu waren geheel en al valsch; want Paulus had wel geleerd, overeenkomstig de uitspraak der Kerkvergadering van Jeruzalem, dat de onderhouding der Mozaïsche wet niet noodzakelijk was ter zaligheid, maar nooit, dat het verboden was die Wet te onderhouden, en ook had hij nooit iets gezegd of gedaan, om den Israë-lietischen godsdienst te doen geringschatten. Ook Jacobus en de hoofden der Kerk van Palestina waren overtuigd, dat men den Apostel der heidenen belasterd had; maar toch vonden zij het raadzaam, dat hij zijnen eerbied voor de instellingen van Mozes openlijk zoude toonen. Daar er

ocr page 290

264

nu juist vier mannen waren, die van eene afgelegde Nazareer-gelofte moesten ontslagen worden , stelde Jacobus voor, dat Paulus de kosten der offeranden, welke bij die gelegenheid moesten worden gebracht, zou dragen, en ook zelfs gedurende een korten tijd, de verplichtingen des Nazareaats op zich zou nemen. Dan zouden allen erkennen, dat de tegen hem ingebrachte beschuldigingen geen waarheid bevatten. Paulus volgde den raad van zijnen ouderen broeder en begaf zich naar den tempel.

Doch eenige dagen later werd hij in den tempel gezien en herkend door eenige Joden uit Klein-Azië, die ter viering van het Pinksterfeest te Jeruzalem gekomen waren. Dezen vallen op hem aan, luid schreeuwend: Te hulp! Israëlietische mannen! Dit is de mensch, die aan allen overal leeringen verkondigt tegen het volk en de Wet en deze plaats! De menigte, die zich in de voorhoven des tempels bevindt, geraakt in onstuimige beweging, welke zich weldra- aan de stad mededeelt. In het midden eener wilde bende wordt de Apostel onder verwenschingen en slagen buiten den tempel gedrongen; en nu zou het met Paulus gedaan zijn geweest, indien niet Lysias, de bevelhebber der Romeinsche soldaten, die op den burcht Antonia in bezetting lagen, eensklaps met een groot getal krijgslieden tusschen beide was gekomen. Hij joeg de woedende bende uit elkander en maakte zich van den deerlijk mishandelden Apostel meester. Terstond deed hij hem met twee ketenen boeien en gaf bevel, hem naar den burcht te voeren. Het volk drong zoo onstuimig op den gevangene aan, dat de soldaten genoodzaakt waren, hem de trappen van den burcht op te dragen. Zoodra men uit het gedrang was, sprak Paulus den bevelhebber in het Grieksch aan : Is het mij geoorloofel iets tot u te zeggen? Verbaasd vroeg Lysias: Kent gij Grieksch ? Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen een oproer verwekt en vier duizend moordenaars naar de woestijn gevoerd heeft ? Lysias meende namelijk, dat hij eenen beruchten Egyp-tischen opstandeling voor zich zag. Paulus zeide hem : ik ben een Jood van Tarsus in Cilicië, burger eener niet onvermaarde stad. Ik bid u, sta mij toe tot het volk te spreken. De bevelhebber gaf hem verlof, en nu hield

ocr page 291

265

Paulus, staande op de trappen van den burcht, eene redevoering tot het volk, waarin hij hun in het kort de geschiedenis van zijn leven verhaalde. Eene poos luisterden zij in stilte toe; maar toen hij hun zeide, hoe de' Heer Jesus hem tot de heidenen gezonden had, begonnen zij oorverdoovend te gillen en, terwijl zij zich de kleederen van het lijf rukten en stof boven hunne hoofden in de lucht wierpen, te schreeuwen: Weg van de aarde met zoo iemand! want het betaamt niet, dat hij leeft!

Daar Paulus Hebreeuwsch gesproken had, en Lysias deze taal niet verstond, wist deze niet, wat het woedende getier der Joden beteekende: hij deed den Apostel binnen den burcht voeren en gaf bevel hem te geeselen, ten einde hem door deze foltering tot de bekentenis te brengen van hetgeen hij misdaan had. Reeds bond men Paulus aan den geeselpaal, toen hij den hoofdman, die het toezicht over de strafoefening houden moest, toesprak: Is het ulieden geoorloofd een Romeinsch burger, en dat onveroordeeld, te geeselen ? De hoofdman ging terstond naar den bevelhebber en zeide: Wat gaat gij doen ? deze man is immers Romeinsch burger! Lysias kwam nu zelf tot Paulus en, na zich overtuigd te hebben, dat deze waarlijk het Romeinsch burgerrecht bezat, deed hij hem losbinden en van alle boeien bevrijden.

Den volgenden dag bracht Lysias, die weten wilde, waarvan de Apostel beschuldigd werd, hem voor den hoogen Raad der Joden, vergaderd onder het voorzitterschap van zekeren Ananias, die hoogepriester geweest was en zich nu de hooge waardigheid waarschijnlijk slechts aanmatigde. Paulus begon te spreken: Mannen broeders! Ik heb met een volkomen goed geweten voor God gewandeld tot den dag van heden toe. Deze waardige aanhef maakte Ananias zoo toornig, dat hij aan de gerechtsdienaars beval Paulus op den mond te slaan. Toen zeide de Apostel: God zal u slaan, gij, witgepleisterde muur! Zit gij hier, om mij te oordeelen volgens de Wet, en beveelt gij tegen de Wet mij te slaan? Bij het hooren dezer woorden riepen de omstanders uit: Vloekt gij den hoogepriester Gods! Paulus zeide tot hen: Ik wist niet, broeders! dat hij hoogepriester was; want er staat

.1

i

ocr page 292

266

geschreven: eenen vorst uws volks zult gij niet vloeken.

Paulus, die zeer goed begreep, dat er van zulk eene vergadering geen recht of billijkheid te verwachten was, maakte nu, door zijne rechters tegen elkander in het harnas te jagen, een einde aan de zitting van den hoogen Raad. Deze bestond namelijk uit Farizeën en Sadduceën; de laatsten loochenden de toekomstige opstanding der dooden, terwijl de eersten ze met alle kracht verdedigden. Toen Paulus nu zeide: Ik ben een Parizeer , een zoon der Farizeën; om de hoop en de opstanding der dooden sta ik voor de rechtbank, gaven de Farizeën luide hunnen bijval te kennen; de Sadduceën spraken hen tegen, en weldra hoorde men niets anders dan een verward geschreeuw. Eindelijk namen de Farizeën geheel en al de partij voor Paulus op en riepen: Wij vinden niets kwaads in dezen mensch! Hoe, indien eens een geest tot hem gesproken heeft of een engel.... Nu werd de wanorde zoo groot, dat Lysias ,quot; die de zitting bijwoonde, vreesde, dat men Paulus in stukken zou scheuren; hij deed hem dus door zijne soldaten naar den burcht terugvoeren.

Den volgenden nacht verscheen de Heer Jesus aan Paulus en zeide hem : Wees standvastig! Want gelijk gij getuigenis hebt afgelegd te Jeruzalem, zoo moet gij ook te Rome getuigenis afleggen. Nu wist de Apostel, dat •zijn wensch om Rome te zien, vervuld zou worden.

Des anderen daags meldden zich bij de Joodsche oversten een veertigtal mannen aan, die verklaarden, dat zij de gelofte gedaan hadden van geen spijs of drank te zullen gebruiken, eer zij Paulus vermoord hadden. Deze-samenzwering kwam echter ter kennis van een neef des Apostels, die er bericht van gaf aan zijnen oom en vervolgens aan Lysias. De bevelhebber oordeelde het noodig, Paulus terstond uit Jeruzalem te verwijderen, en zond hem, zoodra het nacht geworden was, onder bescherming van eene sterke afdeeling soldaten, naar Caesarea, waaide landvoogd Felix woonde. De brief, dien Lysias aangaande Paulus aan Felix schreef, was van den volgenden inhoud:

Dezen man heb ik, tusschen beide komend met het krijgsvolk, aan de Joden ontrukt, toen hij door hen gevat

ocr page 293

26/

en op het punt was van gedood te worden; daar ik vernomen had, dat hij Romeinsch burger was, en de schuld willende kennen, welke zij hem ten laste legden, heb ik hem voor hunnen Raad gevoerd. Ik heb bevonden, dat hij aangeklaagd wordt wegens twistpunten hunner Wet, maar niet schuldig is aan eenige misdaad, welke den dood of de boeien verdient. Toen men mij echter bericht had gegeven aangaande hinderlagen, welke zij hem gelegd hadden, heb ik hem tot u gezonden, ook aan'zijne beschuldigers doende weten, dat zij hunne aanklacht bij u hebben in te brengen. Vaarwel!

CIX. Paulus' gevangenschap te Caesarea.

Op den vijfden dag na Paulus' vertrek verschenen Ananias en eenige ouderlingen voor den rechterstoel van Felix, om den Apostel daar te beschuldigen. In hunnen naam sprak een pleitbezorger, Tertulhts geheeten, die zeide: Deze mensch is, gelijk wij bevonden hebben , een pest en iemand, die oproer verwekt onder al de Joden in de geheele wereld , en een hoofdopstandeling van de sekte der Nazarenen; ook heeft hij getracht den tempel te ontheiligen. Wij hebben hem dan gegrepen en volgens onze wet willen oordeelen; doch de overste Lysias, tusschenbeide komend, heeft hem met groot geweld uit onze handen gerukt en bevolen. dat zijne beschuldigers tot u zouden gaan; van Lysias kunt gij zelf berichten inwinnen aangaande al deze dingen, waarvan wij hem beschuldigen.

Op een wenk van den landvoogd nam Paulus het woord en sprak: Daar ik weet, dat gij sinds vele jaren rechter zijt over dit volk, zal ik mij welgemoed verantwoorden. Immers kunt gij vernemen, dat het niet meer dan twaalf dagen geleden is, sedert ik opging om te Jeruzalem te aanbidden. En zij hebben mij noch in den tempel gevonden, terwijl ik met iemand twistte of een volksoploop verwekte, noch in de Synagogen, noch in de stad; ook kunnen zij u datgene, waarvan zij mij nu beschuldigen , niet bewijzen. Dit echter beken ik u, dat ik overeenkomstig de leer, welke zij eene sekte noemen, mijnen Vader en God alzoo dien: alles geloovend, wat in de Wet en de Profeten ge-

ocr page 294

268

schreven staat, op God hopend, welke verwachting ook zij zelve hebben, dat er eene verrijzenis van rechtvaardigen en onrechtvaardigen wezen zal. Hierin nu beijver ik mijzelven: dat ik ten allen tijde een geweten zonder schuldbewustzijn hebbe voor God en voor de menschen. Vervolgens verhaalde Paulus den landvoogd, hoe zich de zaken te Jeruzalem hadden toegedragen, en Felix geloofde hem meer dan zijne beschuldigers. Tot dezen zeide hij : Wanneer de overste Lysias zal zijn afgekomen, zal ik u hooren; en met dit bescheid konden zij naar Jeruzalem terugkeeren. Paulus werd in verzekerde bewaring gehouden, maar met alle zachtheid behandeld; al zijne vrienden mochten hem bezoeken en dienen.

Eenige dagen later moest hij opnieuw voor Felix en diens gemalin Drusilla verschijnen; zij verlangden, hem te hooren spreken over het geloof in Christus. Hij voldeed hunnen wensch , maar toen hij ook de zedeleer des Christendoms behandelde en over rechtvaardigheid en zuiverheid sprak en op het toekomstige oordeel wees, dat ieder mensch zou moeten ondergaan, kon Felix het niet langer uithouden; hij werd bevreesd en zond Paulus weg, zeggende: Ga heen voor ditmaal! ten gelegener tijd zal ik u ontbieden.

Ofschoon de landvoogd ten volle van Paulus onschuld overtuigd was, stelde hij hem toch niet in vrijheid; hij hoopte namelijk, dat de Apostel de Christenen tot het bijeenbrengen van eene grootc som gelds bewegen en deze den landvoogd als losprijs zou aanbieden; zelfs schaamde hij zich niet, dit aan den Apostel, met wien hij zich meermalen onderhield, te verstaan te geven. Zoo gebeurde het, dat Paulus, gedurende twee jaren van zijne vrijheid beroofd bleef. En toen Felix, na die twee jaren, door den keizer teruggeroepen werd, liet hij, om den Joden eene gunst te bewijzen, Paulus als gevangene achter.

De opvolger van Felix was Por eins Fe si us. Toen hij Jeruzalem bezocht, bestormden de Joodsche oversten hem met het verzoek, dat hij Paulus naar Jeruzalem en ter beschikking van den hoogen Raad zou stellen; zij waren namelijk van plan den Apostel onderweg te doen vermoorden. Festus antwoordde hun, dat zij te Caesarea tegen hunnen

ocr page 295

269

vijand moesten optreden, werwaarts hij zich, tien dagen later, begaf; eenigen van de voornaamste Sanhedristen vergezelden hem. Wel brachten dezen zware beschuldigingen tegen den Apostel in; maar zoodra hun bewijs gevraagd werd, moesten zij zwijgen en aldus zelf bekennen, dat hunne aanklacht valsch was; zoodat Paulus volstaan kon met te zeggen: Ik heb niets misdaan, noch tegen de Wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer. De landvoogd, die gaarne den Joden eene gunst wilde bewijzen , was niet ongenegen Paulus naar Jeruzalem te doen vervoeren; echter was hij te rechtschapen om hiertoe bevel te geven, tenzij Paulus er vrijwillig in toestemde. Hij vroeg den Apostel dan; Wilt gij opgaan naar Jeruzalem en aldaar over deze dingen voor mij terecht staan ? Paulus antwoordde : Ik sta voor des keizers rechtbank; daar moet ik geoordeeld worden. Den Joden heb ik geen kwaad gedaan, gelijk gij zelf beter weet. Want heb ik kwaad gedaan of iets gepleegd, dat den dood verdient, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets waar is van hetgeen dezen mij ten laste leggen, kan niemand mij aan hen prijs geven. Ik beroep mij op den keizer! Elk Romeinsch burger had het recht zich op de keizerlijke rechtbank te Rome te beroepen; Festus zeide dus tot Paulus: Op den keizer hebt gij u beroepen : tot den keizer zult gij gaan.

Eenige dagen later kwam koning Agrippa II met zijne zuster, Berenice, den landvoogd bezoeken en gaf zijn verlangen te kennen, den Apostel te hooren. Festus bepaalde dan eene plechtige terechtzitting op den volgenden dag, en Paulus werd geboeid voor den koning gebracht. De landvoogd sprak: Koning Agrippa en gij alle, die hier met ons tegenwoordig zijt! Gij ziet den man, aangaande wien de gansche menigte der Joden mij te Jeruzalem heeft aangesproken, eischend en roepend, dat hij niet langer behoorde te leven. Ik echter heb bevonden, dat hij niets gedaan heeft, wat den dood verdient. Doch daar hij zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb ik geoordeeld hem op te zenden. Echter heb ik niets bepaalds over hem aan den vorst te schrijven. Waarom ik hem voor ulieden en inzonderheid voor u, koning Agrippa, heb doen brengen, opdat ik, na gedaan onderzoek, iets te schrijven hebbe.

ocr page 296

270

Want het komt mij ongerijmd voor, eenen gevangene op te zenden en de beschuldigingen tegen hem niet te doen kennen. Agrippa zeide nu tot den Apostel: Het is u geoorloofd voor u zeiven te spreken. Paulus strekte zijne geboeide hand uit en begon:

Gelukkig acht ik mij, koning Agrippa! dat ik mij aangaande alles, waarvan de Joden mij beschuldigen , heden voor u zal verantwoorden, vooral dewijl gij met alles bekend zijt, zoowel met de gebruiken als met de strijdvragen onder de Joden. Ik bid u dan, dat gij mij geduldig gelieft aan te hooren. Hij verhaalde nu, hoe hij van zijne jeugd af, als Pharizeër, de Joodsche wet zoo getrouw mogelijk had nageleefd; hoe hij de Christenen eerst vervolgd had, maar daarna, op den weg naar Damaskus, eene hemelsche verschijning en de zending ontvangen had, om het Evangelie aan de heidenen te verkondigen. Daarop ging hij voort: Derhalve, koning Agrippa! ben ik der hemelsche verschijning niet ongeloovig geweest ; maar ik heb het eerst aan die van Damaskus en vervolgens te Jeruzalem en in het geheele land van Judea en aan de heidenen gepredikt, dat zij boete doen en zich tot God bekeeren moesten, werken doende der boetvaardigheid waardig. Om deze reden hebben mij de Joden, toen ik in den tempel was, gegrepen en gepoogd te dooden; maar, geholpen door den bijstand Gods, sta ik tot op den hui-digen dag, getuigenis afleggend voor kleinen en grooten, niets zeggend buiten hetgeen de Profeten en Mozes verkondigd hebben, dat geschieden zou ; dat de Christus lijden moest, dat Hij, de Eersteling uit de opstanding der dooden, licht zou verkondigen aan het volk der Joden en aan de heidenen.

Toen de landvoogd deze woorden hoorde, riep hij met luide stem uit: Gij spreekt onzin, Paulus! de vele studie maakt u uitzinnig! Paulus antwoordde: Ik spreek geen onzin, uitmuntende Festus! maar woorden van waarheid en gezond verstand. De koning toch, tot wien ik dan ook met vrijmoedigheid spreek, weet van deze dingen; immers is hem, naar ik meen, niets hiervan onbekend, daar niets hiervan in eenen hoek geschied is. En rechtstreeks het woord tot Agrippa richtend, vroeg Paulus hem: Gelooft

ocr page 297

271

gij, koning Agrippa! aan de Profeten ? en deze vraag beantwoordend, liet hij volgen: Ik weet, dat gij aan hen gelooft. Agrippa zeide; Bijna overreedt gij mij om een Christen te worden. En Paulus hernam : Ik wensch en bid tot God, dat, én bijna én geheel, niet alleen gij, maar ook allen die mij hooren, heden zóó worden mogen als ik ben, — uitgenomen deze boeien.

Diep getroffen stonden allen op en verklaarden, dat | Paulus niets had gedaan, wat den dood of de boeien verdiende; en Agrippa zeide tot Festus: Deze man kon vrijgelaten worden, indien hij zich niet op den keizer beroepen had.

De gevangenschap van Paulus te Jeruzalem en te Caesarca duurde ruim twee jaren. Koning Agrippa II was de laatste Joodsche vorst; de landvoogd Festus stierf spoedig en werd opgevolgd door Albinus. Eer deze aankwam, deed de hoogepriester Ananus eenigen der meest aanzienlijke Christenen van Jeruzalem, en onder dezen den Apostel Jacobus (den mindere) ter dood brengen. Jacobus werd gesteenigd en, daar hij nog niet geheel dood was, door een voller met een slag van een zwaren stok afgemaakt. Deze Apos el en Martelaar is de schrijver van den eerste der Katholieke of algemeene brieven.

CX. Overvoering van Paulus naar Rome.

Paulus werd met meerdere gevangenen ingescheept, om naar Rome te worden overgevoerd. De hoofdman Julius, die het bevel had over de soldaten, welke de gevangenen moesten geleiden, behandelde den Apostel met de meeste zachtheid en stond hem toe te Sidon aan land te gaan, om de Christenen dier stad te bezoeken en zich van het noodige voor de reis, dat zij hem met liefde aanboden, te voorzien. Te Myra ging men over op een groot schip, dat voor Italië bestemd was; na opneming der gevangenen en der Romeinsche soldaten, had het twee honderd zes en zeventig zielen aan boord.

De reis was van het begin af niet voorspoedig geweest, en nu was men verplicht, eene haven op de zuidkust van het eiland Kreta binnen te loopen. Paulus gaf den-raad om daar te overwinteren: Mannen! zeide hij, ik zie, dat de vaart met groote schade en gevaar, niet slechts voor lading en schip maar ook voor ons leven, geschieden zal.

ocr page 298

2/2

De stuurlieden echter meenden niet, dat er zooveel gevaar was, en de hoofdman Julius hechtte meer waarde aan hun gevoelen dan aan dat van Paulus. Men voer dus weder af; doch nu stak er een vreeselijke storm op, die vele dagen achtereen aanhield. Reeds had men den geheelen ballast en zelfs het meest onontbeerlijke scheepsgereed-schap over boord moeten werpen, en nog daagde er geen uitkomst. De moedeloosheid werd algemeen en zoo groot, dat men sedert dagen zelfs niet meer aan voedsel dacht, want niemand zag eene andere toekomst dan den dood te gemoet. Doch nu trad Paulus op eenen morgen in het midden der schepelingen en sprak tot hen: Wel had men, o mannen! naar mij moeten hooren en niet van Kreta wegvaren en zich voor deze ramp en dit verlies behooren te vrijwaren. En nu vermaan ik u goeden moed te houden, want het leven van niemand onder u zal verloren worden; alleen het schip zal vergaan. Want dezen nacht stond bij mij een engel van den God, wien ik toebehoor en wiens dienaar ik ben, en zeide mij, Vrees niet, Paulus! Gij moet voor den keizer staan, en zie, God heeft u al degenen die met u varen, geschonken. Derhalve weest welgemoed, mannen! Want ik geloof God, dat het zóó geschieden zal als mij gezegd is. Doch wij moeten op zeker eiland vervallen. Tegen het midden van den veertienden nacht, toen niemand meer wist, op welke hoogte men zich bevond, meende het scheepsvolk te bespeuren, dat er land in dc nabijheid was. Nu was het gevaar ten top gestegen, want elk oogenblik kon het schip op eene zandbank stooten of tegen de klippen verbrijzeld worden, en dit te midden van een duisteren nacht. In allerijl wierp men de ankers uit en was zoo gelukkig de vaart van het schip te stuiten, dat nu liggen bleef. De matrozen maakten onderling het plan om het schip te ontvluchten, zich met de sloep te redden en al de overigen aan hun lot over te laten; doch Paulus, die hun voornemen begreep, waarschuwde den hoofdman en de soldaten, zeggende: Indien dezen niet op het schip blijven, kunt gij niet behouden werden! De soldaten hakten nu met hunne zwaarden de touwen los, waaraan de sloep hing; deze viel in het water en werd door de golven weggeslagen.

ocr page 299

2/3

Toen de dag aanbrak, vermaande Paulas allen om voedsel te nemen en herhaalde zijne verzekering, dat niemand zou omkomen; daarop nam hij brood, dankte God ten aanzien van allen • en begon te eten; al de schepelingen volgden zijn voorbeeld. -Men kon bet land nu duidelijk zien en besloot het schip door de branding heen op het strand te zetten, om het, zoo mogelijk, nog te behouden. Alles wordt over boord geworpen, de ankers worden gelicht, het zeil opgehaald, en het schip loopt op het land aan. Doch eensklaps stoot het, terwijl men het strand bijna meent bereikt te hebben, op eene zandplaat ; de voorsteven schiet vast, en nu is het achterste deel van het vaartuig in weinige oögenblikken door de geweldige golven uit elkander en in stukken geslagen.

In dit ontzettend oogenblik spraken de Romeinsche soldaten ervan, hunne gevangenen te dooden, opdat dezen niet naar land zwemmen en ontvluchten zouden; doch Julius verzette zich tegen deze onmenschelijkheid en gaf rtllen vrijheid, om zich 'zoo goed zij konden te redden, lui zoo geschiedde het, dat allen behouden aan land kwamen; alleen het schip was verloren, juist zooals Paulus voorzegd had. De bewoners van het eiland, dat nu bevonden werd Melita (later: Malta) te zijn, namen de schipbreukelingen met de meeste liefde op. De eerste zorg was een groot vuur op het strand te ontsteken van takken en rijshout, dat men van alle kanten te zamen droeg. Ook Paulus had een bundel dunne takken bijeengeraapt en wierp die op het vuur, toen eeno adder, die er in verscholen was geweest, hare tanden in zijne hand sloeg. Met ontzetting zagen de eilandbewoners het dier, dat zij als doodelijk vergiftig kenden, aan de hand des Apostels hangen, en zij meenden, dat hij een groot booswicht was, die op deze wijze door den hemel gestraft werd. Doch Paulus schudde de adder van zijn hand af in het vuur en leed niets kwaads. Toen nu de eilanders, die verwachtten, dat hij zou opzwellen en dood nedervallen. zagen, dat hem niet het minste leed geschied was, fluisterden zij elkander toe, dat hij eene Godheid wezen moest.

Men deed nu, wat men kon, om de schipbreukelingen onder dak te brengen; Paulus en zijne twee gezellen,

iS

ocr page 300

274

Lucas cn Aristarchus, werden, gedurende de drie eerste dagen, door Pnblius, den bevelhebber des eilands, geherbergd. Daar zijn vader, die bij hem woonde, zwaar krank was, ging Paulus naar het ziekbed, legde den kranke zijne handen op en genas hem. Dit wonder werd spoedig bekend, en nu kwamen allen, die met kwalen bezocht waren, redding bij den Apostel zoeken. Alle bewoners van Melita bewezen hem en zijnen reisgenooten groote eer, en toen Paulus na drie maanden vertrok, voorzagen zij hem van alles, wat hij en de zijnen op de verdere reis behoefden. Aldus deed Gods voorzienigheid de schipbreuk van Paulus strekken tot heil der goede eilandbewoners, die' door den Apostel tot het geloof in Christus werden gebracht.

In het begin van het volgende jaar werd de reis voortgezet tot Puteoli; daar bleef Paulus zeven dagen bij de Christenen en trok vervolgens over land naar Rome. De Christenen quot;dezer stad kwamen hem, meerdere uren ver, te gemoet; hunne liefde deed goed aan zijn hart; Goll dankend en met nieuwe kracht vervuld, trad hij Rome, de hoofdstad der wereld, binnen.

CXI. Paulus' verblijf te Rome.

De Apostel Paulus werd te Rome met eene zeer in het oog loopende onderscheiding behandeld. Men bracht hem in geene gevangenis, maar stond hem toe zelf eene woning voor zich te huren, waar hij volle vrijheid van handelen had en bij zich kon ontvangen wien hij goedvond. Alleen werd hij, opdat iedereen weten zou, dat hij een gevangen man was, voortdurend door een soldaat bewaakt, aan wien hij met een keten was vastgeboeid.

Drie dagen na zijne aankomst liet Paulus de voornaamste Israëlieten. uitnoodigen, om tot hem te komen. Zij voldeden aan zijn verlangen, en hij sprak tot hen; Mannenbroeders! Ofschoon ik niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke zeden, ben ik uit Jeruzalem gevangen in de handen der Romeinen overgeleverd. Dezen wilden mij, na mij verhoord te hebben, vrijlaten, omdat er geen doodschuld in mij was. Toen echter de Joden zich hiertegen verzetten,

ocr page 301

275

ben ik genoodzaakt geworden mij op den keizer te beroepen, niet alsof ik eenige aanklacht tegen mijn volk had in te brengen. Na aldus de reden te hebben opgegeven , waarom hij zich te Rome bevond, zeide hij nog, om te toonen, hoezeer zijn hart vrij was van alle vijandige gezindheid tegen de Joden: Om wille der hoop van Israël ben ik met deze keten gebonden. Toen nu de Joden hun verlangen te kennen gaven om Paulus over de leer, welke hij verkondigde, te hooren spreken, liet de Apostel hen cenen dag bepalen, waarop zij tot hem wilden komen; cn toen zij en nog anderen met hen vergaderd waren, sprak hij, van den morgen tot den avond, over het Rijk Gods en bewees uit Mozes en de Profeten al hetgeen in den Heer Jesus was vervuld geworden. De vruchten van dezen eersten arbeid des Apostels waren niet talrijk : wel geloofden sommigen zijner hoorders hetgeen hij zeide, maar anderen geloofden het niet; men geraakte met elkander in twist en scheidde in groote oneenigheid. Paulus bracht hun nu te binnen, hoe de profeet Isaias de weder-spannigheid en de verstoktheid der Joden had voorspeld, cn sprak ten slotte: Het zij u dus bekend, dat deze zaligheid Gods den heidenen gezonden is; en dezen zullen hooren.

Paulus bleef gedurende twee volle jaren in het door hem gehuurde huis wonen en ontving er allen, die hem kwamen bezoeken; met alle vrijmoedigheid en zonder verhindering predikte hij het Rijk Gods en al hetgeen den Heer Jesus Christus betreft. Zijne gevangenschap strekte tot heil van vele zielen en tot verheerlijking van Christus' Kerk. Voor het hoogste gerechtshof der wereld legde hij getuigenis af van den Heer Jesus, en zelfs tot in het paleis des keizers drong het Evangelie door.

In de twee jaren zijner gevangenschap te Rome schreef Paulus meerdere brieven: een aan de Ephesiërs, een aan de Philippensen, een aan de Kolossensen, een aan de Hebreen en een aan Philemon. Deze was een aanzienlijk burger van Kolosse, wiens slaaf Onesinins hem ontvlucht was en zicli naar Rome begeven had. Daar had Paulus hem tot het Christendom bekeerd , en nu zond hij hem naar zijnen heer terug met eenen brief, waarin de Apostel aan Philemon om vergiffenis vroeg voor het door Onesimus begane misdrijf.

Tegen het einde waarschijnlijk van Paulus' gevangenschap, schreef de H. Lucas het boek van de Handelingen der Apostelen, hetwelk

ocr page 302

eindigt met het bericht, dat Paulus twee jaren te Rome bleef. Vóór dit boek had de 11. Lucas zijn Evangelie reeds geschreven. — Het Evangelie van den II. Marcus is nog. vroeger dan dat van Lucas opgesteld.

CXII. Besluit van de imjuelsche geschiedenis.

Twee jaren na zijne aankomst te Rome werd Paulus weder in vrijheid gesteld en ondernam hij nieuwe Kvangelie-reizen. Te Kphesus liet hij zijnen leerling Timotheüs achter, dien hij tot Bisschop wijdde en met het bestuur der gemeente van Kphesus belastte. Na vertrokken te zijn, schreef hij aan Timotheüs eenen brief, waarin hij hem, vooral ten aanzien der hem toevertrouwde geloovigen , dc heilzaamste en hartelijkste vermaningen gaf.

Eene andere reis deed de Apostel naar het eiland Kreta, waar hij zijnen leerling Titus als Bisschop achterliet; ook aan dezen schreef hij vervolgens eenen brief van denzelfden inhoud als die aan Timotheüs. Ook verkondigde l'aulus het quot;Evangelie in Spanje.

Daarna kwam de Apostel weder te Rome. Dc vervolging der Christenen, die den schandelijken naam van keizer Nero voor eeuwig met den vloek des geheelen menschdoms beladen heeft, woedde toen reeds sinds twee jaren, en ook Paulus geraakte op nieuw in dc gevangenis. Toen hij wist, dat zijn einde nabij was, zond hij zijnen tweeden brief aan Timotheüs. Ik word reeds ten plengoffer uitgestort, schreef hij, en de tijd mijner ontbinding is nabij. Den goeden strijd heb ik gestreden, den loop heb ik voleindigd, het geloof heb ik bewaard. Verder is voor mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, welke de Heer, dc rechtvaardige Rechter, mij geven zal op dien dag; echter niet aan mij alleen, maar ook aan hen, die zijne komst liefhebben.

De Apostel Petrus heeft den laatsten tijd van zijn leven met Paulus te Rome in dc gevangenis doorgebracht. Wanneer Petrus voor de laatste maal naar Rome kwam, weten wij niet; het is echter waarschijnlijk, dat de twee brieven, welke wij van hem bezitten, gedurende zijn laatste verblijf in zijne pauselijke stad geschreven zijn Deze brieven van Petrus zijn niet aan eene gemeente in het bijzonder, maar aan de Christenen in het algemeen, en vooral aan die

ocr page 303

van klein-Azië, gericht. Zeer veel overeenkomst bestaat er tusschen den tweeden brief van Petrus en den korten brief van den Apostel Judas-Thaddeiis.

De 29ste Juni van het jaar 67 was de dag, waarop de Apostelen Petrus en Paulus de kroon der martelaren verwierven ; Paulus werd onthoofd, Petrus gekruisigd. Daar hij zich onwaardig rekende, op geheel dezelfde wijze als zijn goddelijke Meester te sterven, werd hij op zijn verzoek, met het hoofd omlaag aan het kruis vastgenageld.

Drie jaren later onderging Jeruzalem de straf voor het verwerpen van den Messias en den moord van Gods mensch-geworden Zoon. Het werd door de Romeinen ingenomen en geheel vernield; van den tempel bleef de eene steen niet op den andere, zooals de Heer Jesus voorspeld had. De verwoesting van Jeruzalem was tevens het einde van den Israëlietischen godsdienst en van het volksbestaan der Joden.

[Meerdere Apostelen hebben den ondergang van Jeruzalem overleefd ; het langst echter mocht de Kerk op aarde zich verheugen in het bezit van den H. Joannes, den leerling, dien Jesus het meest liefhad en wien Hij stervend zijne heilige Moeder had aanbevolen. De H. Moeder Gods stierf te Jeruzalem en werd in den hof van Gethsemani begraven; doch op den derden dag werd zij weder ten leven opgewekt en met ziel en lichaam in den hemel opgenomen. De H. Joannes is de eenige Apostel, die niet als martelaar gestorven is. Wel werd hij te Rome veroordeeld, om levend verbrand te worden, en in eenen ketel met kokende olie geworpen; maar God behield hem door een wonder in het leven. Toen verbande hem de keizer naar het eiland Patmos. Zijne laatste jaren bracht hij te Ephesus door en stierf daar in zeer hoogen ouderdom.

Behalve zijn Evangelie, heeft de H. Joannes drie brieven en het boek der Openbaring geschreven; zijnen eersten brief schreef hij gelijktijdig met zijn Evangelie in het laatst van zijn leven. In het boek der Openbaring beschreef hij de profetische gezichten, welke hem op het eiland Patmos getoond waren. Deze gezichten zijn de voorspelling van de zegepraal des Christendom over het Jodendom en het heidendom ; zij zullen hunne volle vervulling eerst ontvangen

ocr page 304

2/8

bij dc voleindiging der eeuwen. Het laatste gedeelte van Joannes' Openbaring is eene heerlijk schoone beschrijving van het hemelsch Jeruzalem, dat is, van het Rijk dei-eeuwige zaligheid. Met deze beschrijving zullen wij deze Bijbelsche geschiedenis besluiten.

Ik zag een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan; en de zee is niet meer. En ik, Joannes, zag de heilige stad, het nieuw Jeruzalem, van God uit den hemel nederdalen, versierd als eene bruid, die opgetooid is voor haren man. En ik hoorde eene sterke stem van den troon zeggen: Ziedaar de woonplaats van God met de menschen, en Hij zal met hen wonen.

En zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal met hen zijn als hun God. En God zal allen traan afwisschen van hunne oogen; en de dood zal er niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch smart zal er meer zijn; want het vorige is voorbijgegaan. En Hij, die op den troon zat, zeide: Zie , Ik maak alles nieuw ! — Ik zag geen tempel in die stad. Want haar tempel is de Heer, de almachtige God, en het Lam. En de stad behoeft noch de zon noch de maan om in haar te schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en haar luchter is het Lam. Niets, wat besmet is , zal haar binnengaan , noch wat gruwel en bedrog pleegt; slechts degenen, die geschreven staan in het boek des levens van het Lam.

Geenerlei vloek zal er meer zijn; maar de troon van God en van het Lam zal in haar zijn, en zijne dienaren zullen Hem dienen, en zij zullen zijn aangezicht zien , en zijn naam zal staan op hunne voorhoofden. En nacht zal er niet meer zijn, en zij zullen geen behoefte hebben aan lamplicht of zonlicht, omdat God de Heer hen zal verlichten, en zij zullen koningen zijn in de eeuwen der eeuwen.

EINDE VAN HET TWEEDE DEEI

ocr page 305

TIJD-TAFEL

van de voornaamste gebeurtenissen

DER

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS

VAN HET

NIEUWE TESTAMENT.

33 Dood, verrijzenis en hemelvaart van Christus.

34 Marteldood van den H. Stephanus.

35 Bekeering van den apostel Paulus.

39 Bekeering van den heidenschen hoofdman Cornelius. 42 Marteldood van Jacobus (den meerdere). Vertrek van

Petrus naar Rome.

46—49 Eerste Evangelie-reis van Paulus. 50 Kerkvergadering van Jeruzalem.

51- 53 Tweede Evangelie-reis van Paulus.

55—58 Derde Evangelie-reis van Paulus.

58 Begin van Paulus' gevangenschap.

60 Vertrek van Paulus naar Rome.

61—63 Gevangenschap van Paulus te Rome.

67 Marteldood van Petrus en Paulus.

70 Verwoesting van Jeruzalem.

ocr page 306

INHOUD.

Blad,;.

J. De vier Evangeliën...........3

11. Jesus Christus is God...........5

HL Zacharias en Elisabeth....................7

IV. Maria en Jozef.............8

V. Menschwording van God den Zoon......9

VI. Bezoek van Maria bij Elisabeth.......11

VII. Geboorte van Joannes den Dooper......12

VIII. Huwelijk van Maria en Jozef 13

IX. Geboorte van Christus..........14

X. Besnijdenis. Opdracht in den tempel.....16

XI. Aanbidding der Wijzen. Vlucht naar Egypte Kindermoord ...............17

XI1. Terugkeer uit Egypte Verblijf te Nazareth ... 2c

XIII. Joannes de Dooper............23

XIV. Doop van Christus............24

XV. Christus in de woestijn..........25

XVI. Getuigenissen van Joannes tien Dooper over Christus 27

XVII. Eerste roeping van Christus' eerste leerlingen . . 28 XVIH. Christus' wonderen, beschouwd als liet groot bewijs

zijner Godheid.............30

XIX. De bruiloft te Kana...........32

XX. Eerste paaschfeest. Nikodemus. Verblijf in Judea . 33 XXI. Gevangenneming van Joannes. Vertrek van Christus

uit Judea...............36

XX11. Christus' verblijf in Samaria........37

ocr page 307

INHOUD.

Bladz.

XXIII. Aankomst in Galileo., (rcnezing van den zoon eens hofbeambten..........39

XXIV. Wonderdadige vischvangst. Roeping der vier eerste Apostelen ..........41

XXV. Eerste verblijf van Christus te Kapharnaüm 42 XXVI, Eerste Evangelie-reis door Galilea en het land

der Gerazenen...........44

XXVII. Genezing van eenen lamme te Kapharnaüm 47

XXVIII. Roeping van den apostel Mattheüs. ... 49

XXIX. Opwekking van de dochter van Jaïrus . . 51

XXX. Tweede reis van Christus naar Jeruzalem . 53 XXXI. Beschuldiging van Sabbatschennis door Christus

wederlegd............56

XXXII. Uitverkiezing der twaalf Apostelen .... 58

XXXIII. Ue prediking op den berg . ,.....60

XXXIV. Genezing van den dienstknecht eens hoofdmans 67 XXXV. Opwekking van eenen jongeling te Naim . 68

XXXVI. Gezantschap van Joannes den Dooper . . 69

XXXVII. Onthoofding van Joannes den Dooper . . 70

XXXVIII. De boetvaardige zondares.......71

XXXIX. Wederlegging van den laster der schriftgeleerden 73

XL. De gelijkenissen van het Rijk der hemelen . 76 XLI. Prediking te Nazareth en in andere steden

van Galilea............79

XLII. Zending der twaalf Apostelen. Vermaningen

hun gegeven. Hun terugkeer......80

XI ,111. Wonderdadige spijziging van meer dan vijfduizend menschen.........84

XI,IV, Terugkeer naar Kapharnaüm......85

XI,V. Christus' leer over het H.Sakrament des Altaars 87 XLVI. Onderricht van Christus over de inzettingen

der Pharizeën...........89

XLVII. De Kanaanietische vrouw.......91

XI,VIII. Christus' verblijf in Ganlanitis Tweede won-

derspijziging . ...........92

2 OI

ocr page 308

INHOUD.

BI adz,

XI.IX. De apostel Petrus tot steenrots der Kerk ver

heven ..............94

L. Eerste duidelijke voorspelling van Christus'

lijden en dood . ..........96

LI. Christus' verheerlijking op den berg Thabor 97

IJl. Genezing van een doofstommen bezetene . 99

LUI. Laatste verblijf van Christus te Kapharnaüm 100 1JV. Prediking der twee en zeventig leerlingen.

Vertrek uit Galilea.........103

LV. Christus op het Loofhuttenfeest te Jeruzalem 107

LVI. De overspelige vrouw........-109

LVII. Christus' prediking in den tempel . . . 110 LVI1L Genezing van een blindgeborene .... 114 1 ,IXV. erder verblijf van Christus in en bij Jeruzalem 118 LX. De gelijkenissen van den evangelist Lucas . 120 LXI. Christus op het feest der tempelwijding. Vertrek naar Perea..........126

LXII. Christus verblijf in Perea.......128

LXIII. Verder verblijf van Christus in Perea . . . 131 LXIV. Opwekking van Lazarus. Moordbesluit van

den hoogen Raad. . . ......135

LXV. Verblijf van Christus in de omstreken van

Jericho.............138

LXVI. Zalving van Christus te Bethania Judas . . 142

LXVII. Christus intocht in Jeruzalem. 144

LXVIII. Maandag van de goede week......148

LXIX. Dinsdag van de goede week......149

l.XIX*. Vervolg van de gebeurtenissen op Dinsdag

in de goede week..........153

LXX. Woensdag van de goede week. Christus laatste

tempelbezoek...........15 A

LXXI. Christus' voorspellingen over de verwoesting

van Jeruzalem en het laatste oordeel . . . 159

LXXI*. Het laatste oordeel...... . . 163

LXXI1. De paaschmaaltijd.........166

282

ocr page 309

2S3

INHOUD.

LXXIII, Voetwassching Aanwijzing des verraders . LXXIV. Instelling van het H. Sakrament des altaars l.XXV. Verdere gebeurtenissen in de zaal des avond-maals. Betrin van Christus' afscheidsrede .

O

LXXV1. Vervolg van Christus' afscheidsrede. . . LXXVII. Het Hoogepriesterlijk gebed des Heeren .

LXXV11I. Christus' doodsangst........

LXXIX. Christus* gevangenneming......

LXXX. Christus voor den hoogen Raad .... LXXXI. Bespotting van Christus Verloochening vai

Petrus.............

LXXXII. Tweede vonnis van den hoogen Raad. Christus overlevering aan Pilatus. Dood van Judas.

LXXXI1I. Christus voor Pilatus........

LXXXIII*. Het bloedig lijden des Verlossers . .

LXXXIV. De kruisweg..........

LXXXV. Kruisiging en dood van Christus . . . LXXXVI Wonderen bij Christus' dood. Begrafenis.

LXXXVII. Verrijzenis van Christus.......

LXXXVI II. Christus' verschijningen op den Paaschdag LXXXVIII*. Vierde en vijfde verschijning des Heeren 1.XXXIX. Christus' verheerlijkt leven op aarde .

XC. Hemelvaart van Christus......

XCI. Verkiezing van den apostel Mathias. Neder

daling des H. Geestes.......

Eerste prediking van Petrus. De Kerk vai

Jeruzalem...........

Genezing van eenen kreupelgeborene en ge

Rlnxlz. töy 170

172 T 75

1 77 178

180

182

184

186

187 191

'93 '95 198

201 203 205 207 211

213

2 15 2 1 7

220 224 226 229 2? 2

XCII.

XCIII.

XCIV. Ananias en Saphira. De Apostelen voor den

volgen daarvan .

hoogen Raad

De heilige martelaar Stephanus . De heilige diaken Philippus . . Bekeering van den apostel Paulus Apostolische reizen van Petrus .

XCV. XCVI. XCVI1. XCVIII.

ocr page 310

INHOUD.

niadz.

XCIX. Petrus' verlossing uit de gevangenis . . . 236

C. Petrus' Pausschap te Rome .....240

Cl. Eerste Evangelie-reis van Paulas.....241

Cll. Vervolg van Paulus' eerste Evangelie-reis . 244

CIII. Kerkvergadering van Jeruzalem.....246

CIV. Tweede Evangelie-reis van Paulus .... 249

CV. Vervolg der tweede reis. Athene en Korinlhe 253

CVI. Derde Evangelie-reis van Paulus .... 256

CVI1. Vervolg van Paulusquot; derde reis.....260

CVIII. Paulus' gevangenschap te Jeruzalem . . . 263

CIX. Paulus' gevangenschap te Caesarea .... 267

CX. Overvoering van Paulus naar Rome . . . 271

CXI. Paulus' verblijf te Rome.......274

CXII. Besluit van de Bijbelsche geschiedenis . . 276

284

ocr page 311
ocr page 312

5j3 Sft

E/tj coELE-SYRtE V-

PALESTINA,

N[EUWE TESTAMENT.

iljiim^^!^\S% K£t ■ l

aa| ML^IH %

.■4) ! JKw^^n/lo^fesaifta. c Jmft,

'mÊ

^JtoiiTj.^A gt; i DalnwJ-Ulliapm \ { f 1

v 4ft f^8»0® .^HstaSfc^Sv ^j11^

pS^r%V, ^4^1

IMr v^T%.-..#fe^ ^ f 1 /-fquot;quot;quot;

VrC^' #Ja}^%t -f' ^

i Pf^dé^hia^ ^^))})/))M Attkaroii ƒquot; | \

'ÊÊfj*^ amp; l ,ll:tgt;4«^r' 'quot;■

Betl 1 1 S 1 ^0 3* ^^■l'frli^ffoolis

V ,__ # ,.« % jei —f # J fe

% ik ^ife #lLli tt

\ 1 V.. V- '^4^^,,,^ 31 ^ ^ *amp;lir^jix X'

32 •U

50

ocr page 313
ocr page 314
ocr page 315

handboek

DER

Bijbelsche Geschiedenis

VAN HET

OUDE EN NIEUWE TESTAMENT,

DOOR

wijlen j. c. h. muré,

PASTOOR TE LEIDEN.

Met voorrede v. d. ZKerw. Heer G. A. A. Loots,

regent der r.k. kweekschool te hoorn. MET KERKELIJKE GOEDKEURING.

Oude Testament.

DERDE DRUK.

i --j--

G. F. THÉONVILLE,

(voorh. J. W. van Leeuwen, Maarsraansst.)

Steenschuur 9, Leiden.

1898

ocr page 316

Drukkerij Théoxville, Steenschuur 9, Leiden.

ocr page 317

VOORREDE VAN DEN TWEEDEN DRUK.

Dit Handboek is te beschouwen als eene verkorting der Nieuwe Uitgave mijner Bijbelsche Geschiedenis des Ouden en Nieuwen Testaments, en als geschreven met het hoofddoel, om het te doen dienen bij een meer ontwikkeld, mondelingsch onderwijs in de Bijbelsche Geschiedenis. Bij de vergelijking met de eerste uitgave van het Plan d boek in 1864, zal men op meerdere plaatsen grootere of kleinere veranderingen vinden. De reden daarvan is in mijn grooter werk aangegeven.

De orde, welke ik gevolgd heb, is, zonder uitzondering, de historische; eene tijdtafel der voornaamste gebeurtenissen van het Oude Testament is, tot vergemakkelijking van het overzicht der geheele geschiedenis, aan dit eerste deel toegevoegd; van het voor de tijdberekening zoo moeilijke tijdvak der koningen vindt men op blz. 197 eene afzonderlijke tafel.

Volledig mag dit Handboek heeten in dien zin, dat het alle voorname gebeurtenissen der Bijbelsche' Geschiedenis bevat en al datgene, wat noodig is om die geschiedenis als een ordelijk geheel en in haren samenhang te leeren opvatten; ook van die tijdvakken der Joodsche geschiedenis, waarvan de H. Schrift geen melding maakt, is, hoewel zeer in het kort, een overzicht gegeven.— Van den anderen kant heb ik het doel, waartoe dit Handboek dienen moet, altijd zóó in het oog gehouden, dat ik alles vermeden heb, wat, aan wien ook en onder welk opzicht ook, den minsten aanstoot zou kunnen geven.

ocr page 318

VOORREDE VAN DEN TWEEDEN DRUK.

De aanmerkingen, welke achter vele hoofdstukken geplaatst zijn, dienen hoofdzakelijk om in de personen en gebeurtenissen des Ouden Testaments de voorafbeeldingen van Christus en van zijne heilige Kerk aan te wijzen, of om de zedelijke toepassing van het een of ander verhaal te vergemakkelijken. Altijd zijn die aanmerkingen zeer kort.

Op het kaartje van Palestina vindt men alle plaatsen, welke in het Handboek genoemd worden, aangewezen.

Ten slotte richt ik nog een woord tot u, jeugdige vrienden! voor wie dit Handboek bestemd is. Ik heb bij het schrijven daarvan altijd aan u gedacht; en daar ik weet, dat gij vooral houdt van leerboeken, waarin het nuttige met het aangename verbonden is, heb ik er mij in 't bijzonder op toegelegd, dit Handboek zóó samen te stellen, dat gij, — ik durf het vertrouwen, — het geen vervelend boek vinden, maar het met genoegen lezen en bestudeeren zult. Neemt het van mij aan met mijnen hartelijksten wensch, dat het u dienen moge tot vooruitgang in nuttige en heilzame kennissen en tegelijk tot eene aansporing om de voorbeelden van deugd, welke de Bijbelsche Geschiedenis u aanbiedt, na te volgen; dan zal het zeker iets bijdragen tot bevordering van uw wezenlijk en waarachtig heil.

Wordt deze wensch vervuld, dan mag ik God danken, dat Hij mijnen arbeid gezegend heeft; dan mag ik ook aan u vragen, dat gij mijner somtijds in uwe gebeden wilt indachtig zijn.

J. C. H. MURÉ,

Pastoor.

Leiden ,

Feestdag van Maria's Onbevlekte Ontvangenis.

1881.

ocr page 319

VOORREDE VAN DEN DERDEN DRUK.

Dit Handboek is, blijkens de voorrede van de tweede uitgave, geschreven »om het te doen dienen bij een meer ontwikkeld, »mondelingsch onderwijs in de Bijbelsche Geschiedenisquot; en daarom zoo volledig gemaakt, dat het — zonder »aan wien ook en onder »welk opzicht ook den minsten aanstootquot; te kunnen geven, — »niet »alleen alle voorname gebeurtenissen der Bijbelsche Geschiedenis »bevat, maar ook al datgene, wat noodig is, om die geschiedenis »als een o r d e 1 ij k geheel en in haren samenhang te leeren »opvattenquot;. Daarenboven is het voorzien van korte aanmerkingen, die in de personen en gebeurtenissen des Ouden Testaments de voorafbeeldingen van Christus en van zijne heilige Kerk aanwijzen of de zedelijke toepassing van het een of ander verhaal gemakkelijker maken.

Zietdaar zoovele aanbevelingen van dit boek! Wie toch zal beweren, dat de schrijver met zijn wijsgeerigen geest, zijn diepe kennis van de H. Schrift, zijn rijke levenservaring in dit boek niet ten volle geeft, wat hij er in belooft en er in- erkent ?

Tot aanbeveling van het gebruik van dit Handboek strekt ook, dat de onderwijzer in de bekende groote Bijbelsche Geschiedenis

ocr page 320

VOORREDE VAN DEN DERDEN DRUK.

van denzelfden schrijver (waarvan dit boekje een verkorting is) een schoon Handboek voor zich zeiven vindt, waarin hij stof genoeg heeft om het door de leerlingen gelezene nog mondeling met aanmerkingen van allerlei aard aan te vullen.

Vinde dan ook deze uitgave, gelijk de vorige, haren weg, velen leerlingen en onderwijzers, volgens den wensch des schrijvers, tot aangename 1 e e r i n g.

G. A. A. LOOTS,

Regent van de R. K. Kweekschool, ê

Hoorn,

Feestdag van de H.H. Martelai'en van Gorknm.

1898.

ocr page 321

INLEIDING.

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS, HAAR NUT EN WAARDE.

Geschiedenis is verhaal van hetgeen gebeurd is.

Men kan verhalen wat gebeurd is met een enkelen mensch of met een zeker volk of met het geheele menschelijk geslacht; en zoo verkrijgt men de geschiedenis van een persoon, van een volk, van de wereld.

Tot de wereldgeschiedenis behoort op de eerste plaats alles wat God gedaan heeft, om Zich zeiven aan de menschen te openbaren, zijn Rijk onder hen te vestigen en hen tot hunne bovennatuurlijke bestemming te geleiden; de geschiedenis, welke deze goddelijke werkzaamheid in het bijzonder vermeldt, heet geschiedenis der Openbaring.

De geschiedenis der Openbaring, van de schepping der wereld af tot aan den dood der Apostelen, wordt hoofdzakelijk ontleend aan den Bijbel of de heilige Schrift en draagt dus den naam van Bijbelsche of heilige, gewijde geschiedenis.

De Bijbel is de verzameling van boeken, 72 in getal, welke door godvruchtige en heilige mannen op ingeving en onder bijzondere leiding des H. Geestes geschreven en door de H. Kerk, in de algemeene kerkvergadering van Trente, plechtig als heilige boeken afgekondigd zijn. De lijst dier heilige boeken noemt men kanon.

Onze Heer Jesus Christus is het middelpunt der geheele Openbaring, want om Hem en door Hem is alles; de Bijbelsche geschiedenis moet dus in tweeën verdeeld worden; het eerste deel is de geschiedenis

l

ocr page 322

der Openbaring als voorbereiding tot dc komst van Christus; het tweede is de geschiedenis der Openbaring in den goddelijken Persoon van Christus zei ven; het eerste deel heet het Oude Testament, het tweede het Nieuwe Testament. Daaruit volgt, dat het Oude Testament vooral beschouwd moet worden als eene voortgezette, altoos duidelijker wordende voorspelling en voorafbeelding van het Nieuwe Testament, als het licht des dageraads, dat zich, lang voor de opkomst der zon , reeds over de aarde verspreidt en gedurig helderder blinkt,, totdat de zon zelve aan den hemel verschijnt; daaruit volgt insgelijks, dat men het Oude Testament niet begrijpen of liever verkeerd begrijpen zal, wanneer men het niet hoofdzakelijk opvat in zijne voorbeduidende beteekenis.

De Bijbelsche geschiedenis overtreft elke andere geschiedenis onder alle opzichten. Al hare berichten zijn volkomen zeker, want de Bijbel is het woord Gods; haar onderwerp is 200 waardig mogelijk, want het is de goddelijke Openbaring; hare wijze van behandeling is onnavolgbaar schoon, want de Heilige Geest zelf bestuurde de pen van hare eerste schrijvers; hare beoefening is boven alles nuttig, want alles wat geschreven staat is tot onze onderrichting geschreven; hare kennis dient niet slechts tot verlichting van het verstand, maar tevens tot verbetering van het hart, want nergens anders wordt de beminnelijkheid der deugd en de boosheid der zonde zoo naar waarheid en met zooveel overtuigende kracht voorgesteld; nergens vindt men voorbeelden, die zoo luide spreken tot het hart en zoo sterk tot navolging aansporen.

Derhalve moet de Bijbelsche geschiedenis met heiligen eerbied gelezen en bestudeerd worden; niet alleen om personen en gebeurtenissen te leeren kennen, maar vooral om, door het kennen daarvan, beter in staat te wezen Gods wijze voorzienigheid te bewonderen, zijne strenge rechtvaardigheid te vreezen, zijne liefdevolle goedheid te beminnen en te danken, zelf godvruebtiger te worden en behagelijker in Gods oogen. En opdat dit groote doel bereikt worde, is niets beter dan de lezing of de studie der Bijbelsche geschiedenis met een kort gebed te beginnen en te eindigen.

ocr page 323

3

GEBED

voor de lezing of de studie.

»

Open, o God! mijn verstand en mijn hart voor uwe heilige Openbaring, opdat ik U, uwe oneindige macht, wijsheid en liefde altoos beter kennen, en U met een blij gemoed altoos ijveriger dienen moge; door Christus onzen Heer. Amen.

GEBED

na de lezing of de studie.

Geef, o God! dat het goede zaad, hetwelk Gij in mijn hart hebt uitgestrooid, daar wortel se hie te en vruchten voor tbr enge tot uwe eer en tot mijne zaligheid; door Christus onzen Heer. Amen.

ocr page 324

EERSTE DEEL.

Geschiedenis des Ouden Testaments.

De geschiedenis van het Oude Testament of van de Openbaring Gods tot voorbereiding der wereld op de komst van Christus, wordt in drie groote tijdvakken verdeeld:

EERSTE TIJDVAK.

Vroegste Geschiedenis: van Adam tot Abraham; van de schepping der wereld tot 2210 voor Christus.

TWEEDE TIJDVAK.

Geschiedenis van het volk Gods: van Abraham tot Salomon.

Dit tijdvak is in drie afdeclingen gesplitst:

Eerste Afdeeijng. Wording van het Israëlitische volk: van

Abraham tot Jozef; 2210—1849.

Tweede Afdeeling. Vorming van het Israëlitische volk: van

Mozes tot Saul; 1570—1055.

Derde Afdeeling. Bloei van het Israëlitische volk : onder David en Salomon; 1055—975.

DERDE TIJDVAK.

Geschiedenis van het veri'al des Joodschen volks: van Salomon tot Christus.

Dit tijdvak is ook in drie afdeelingen gesplitst:

Eerste Afdeeling. Geschiedenis der Rijken van Jnda en Israël:

van Roboam tot Sedekias; 975—588.

Tweede Afdeeling. Gevangenschap en terugkeer der Joden :

van Sedekias tot Nehemias; 588—430.

Derde Afdeeling. Geschiedenis der Joden onder de Machabeën : van Onias III tot Joannes Hyrkanus; 180—135.

ocr page 325

EERSTE TIJDVAK.

VROEGSTE GESCHIEDENIS.

De gebeurtenissen , welke tot dit tijdvak behooren , staan beschreven in het eerste der vijf boeken van Mozes, dat het boek der Schepping genoemd wordt en het oudste boek der wereld is. Tusschen de schepping en het schrijven van dit boek ligt wel eene ruimte van zeer vele eeuwen, maar toch zijn er, uithoofde van het lange leven der eerste menschen , tusschen Adam en Mozes slechts weinig tusschen-personen geweest. Adam, bijvoorbeeld, leefde nog gelijktijdig met Lamech, den vader van Noë; Lamech leefde gelijktijdig met Sem, den zoon van Noë. En toch verliepen er tusschen de schepping van Adam en den dood van Sem meer dan 2100 jaren.

1. Schepping der Wereld. Instelling van den Sabbath.

In den beginne schiep God hemel en aarde; dat wil zeggen, dat God door zijnen almachtigen wil den hemel en de aarde met alles, wat daarin is, deed ontstaan; dit bedoelen wij, wanneer wij zeggen, dat God hemel en aarde uit niets geschapen heeft.

De aarde was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond ; en de geest Gods zweefde over de wateren.

En God sprak: Er zij licht! en het werd licht. En God scheidde het licht van de duisternis; het licht noemde Hij dag en de duisternis noemde Hij n a c h t. Dit was de eerste dag.

God sprak: Er zij een uitspansel in het midden der wateren! En Hij noemde het uitspansel hemel. Dit was de tweede dag.

ocr page 326

God sprak: Het water onder den hemel vloeie samen in ééne plaats, en het droge koine te voorschijn! En Hij noemde het droge aarde, het verzamelde water noemde Hij zee.

God sprak: De aarde brenge voort gras en kruiden en vruchtbooinen ! En de aarde bracht alle planten voort. Dit was de derde dag.

God sprak: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels! En Hij maakte de zon en de maan om de aarde bij dag en bij nacht te verlichten en om tot tijdmeters te dienen; oOk maakte Hij de sterren. Dit was de vierde dag.

God sprak : Dat het water visschen voortbrenge, en dat er vogels vliegen in de lucht! En God schiep alles, wat in het water leeft, en alle vogelen naar hunne soort. Dit was de vijfde dag.

God sprak: Dat de aarde voortbrenge levende dieren naar hunne soort, vee en kruipend gedierte en wilde dieren der aarde! En het geschiedde zoo. Daarna schiep God den mensch. Dit was de zesde dag.

Voltooid waren nu hemel en aarde en al hunne pracht. God zag alles wat Hij gemaakt had , en het was zeer goed.

En Hij rustte op den zevenden dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En Hij zegende den zevenden dag en heiligde dien.

Deze dag was de Zaterdag, die rustdag of Sabbath genoemd werd, en waarop de Joden zich van allen arbeid onthouden moesten. Omdat onze Zaligmaker op Zondag uit het graf verrezen en de H. Geest op Zondag over de Apostelen is nedergedaald, is voor ons, Christenen, de Zondag, in plaats van den Zaterdag, de dag des He er en geworden.

II. Schepping der Engelen. Val van de booze Geesten.

Ofschoon de schepping der engelen niet uitdrukkelijk in de H. Schrift verhaald wordt, is het toch zeker dat de engelen vóór den mensch door God geschapen zijn. Door Hem, zegt de apostel Paulus, sprekend over den Zoon Gods, is alles geschapen wat in den Hemel en op de aarde is, het zichtbare en het onzichtbare ; en tot nadere verklaring

ocr page 327

van dat onzichtbare voegt hij er bij: hetzij Tronen, hetzij Heerschappijen , hetzij Vorstendommen , hetzij Machten. — Met deze namen worden verschillende rangen van engelen aangeduid. — En God vroeg aan Job: Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? toen de morgensterren te zamen Mij loofden, en alle zonen Gods jubelden? Morgensterren en zonen Gods beteekenen hier de engelen.

De engelen zijn zuivere geesten, die, op grond der H. Schrift, in negen koren of klassen verdeeld worden; behalve de vier opgenoemde rangen, vermeldt Paulus op eene andere plaats de Krachten: daarenboven vinden wij Cherubijnen en Serafijnen, Engelen en Aartsengelen opgegeven.

Eerst waren alle engelen goed en gelukkig , doch eenigen stonden uit hoogmoed tegen God op en werden booze geesten of duivelen. Toen ontstond er een groot gevecht in den hemel: Michaël en zijne engelen streden tegen den draak, en tegen Michaël de draak en zijne engelen ; maar deze overwonnen niet, en hunne plaats werd niet meer gevonden in den hemel; zij werden uitgeworpen en nedergestort in den afgrond der hel; in het Eeuwige vuur, dat voor den duivel en zijne engelen bereid is geworden. De duivelen zijn verworpen voor eeuwig; God heeft, zegt de apostel Petrus, de engelen, die zondigden, niet gespaard, maar hen met de ketenen der hel in den afgrond neêrgesleurd en aan de foltering overgegeven, om hen te bewaren voor het oordeel.

lil. Het eerste Menschenpaar.

Toen God op den zesden scheppingsdag alle dieren dei-aarde gemaakt had, sprak Hij, die één in wezen en drievuldig in Personen is: Laat Ons den mensch maken naar ons beeld en gelijkenis; en dat hij heerschappij voere over de visschen der zee en over de vogelen des hemels en over de dieren en de geheele aarde. En God schiep den mensch naar zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem.

God vormde het lichaam des menschen uit het slijk der aarde en blies in zijn aangezicht den adem des levens: en

ocr page 328

8

de mensch leefde als een geestelijk en tegelijk stoffelijk wezen , bestaande uit eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam. God noemde den mensch Adam, dit is: zoon der aarde.

Van het begin af had God het Paradijs geplant, dat is: een overschoenen lusthof; in het midden daarvan stonden bvee boonien; de eene was de boom des levens, wiens vrucht den mensch voor den dood zou bewaard hebben; de andere was de boom der kennis van goed en kwaad, die voor Adam een boom der beproeving wezen zou. God plaatste Adam in dien lusthof om hem te bebouwen en te bewaren. Want de mensch moest zijn tijd niet in ledigheid doorbrengen, maar de krachten zijns lichaams en de vermogens zijner ziel door werken ontwikkelen en in aangenamen arbeid zijne vreugde vinden.

God had aan den mensch eenen vrijen wil gegeven, opdat hij zijnen Schepper met vrijheid gehoorzamen en door getrouwe naleving van Gods gebod zijne eigene eeuwige zaligheid verdienen zou. Dit gebod was zeer gemakkelijk te onderhouden. Eet, sprak God tot Adam, van alle boomen in het Paradijs; maar van den boom der kennis van goed en kwaad moogt gij niet eten; want op den dag, dat gij daarvan eet, zult gij sterven. Indien de mensch gehoorzaamheid aan God weigerde, zou hij den tijdelijken dood sterven door scheiding der ziel van het lichaam , den geestelijken dood door scheiding der ziel van God, den eeuwigen dood door de eeuwige verwerping.

Daarna voerde God de dieren tot Adam om te zien, hoe hij ze noemen zou; want Adam bezat de gave der taal, welke een onmiddelijk geschenk van God is; en hij gaf aan elk dier zijnen passenden naam.

1 ot dus verre was Adam de eenige mensch op aarde. Doch God had gezegd: Het is niet goed dat de mensch alleen zij; laat Ons hem eene hulpe maken, hem gelijk. En God zond aan Adam een diepen slaap en nam toen eene zijner ribben, welke Hij tot eene vrouw vormde; en Hij voerde haar tot Adam, die haar later Eva, dat is moeder van alle levenden, noemde. Aldus werd het huwelijk door God zelf ingesteld en werden Adam en Eva gemaakt tot de stamouders van het geheele menschelijk geslacht.

ocr page 329

9

De twee eerste menschen leefden in het Paradijs volkomen gelukkig; zij waren onschuldig zonder nog te weten wat kwaad was; zij waren rechtvaardig en heilig door het bezit der heiligmakende genade; zij waren geliefde kinderen Gods en erfgenamen des hemels ; God verkeerde vriendelijk met hen, niets kon hun schade of pijn doen, en nooit zouden zij sterven.

IV. Zonde van de eerste Menschen.

De duivel, nijdig over het geluk der menschen , verleidde hen tot zonde. Hij verborg zich in het lichaam eener slang en vroeg aan Eva, die zich alleen in de nabijheid van den boom der kennis van goed en kwaad bevond, waarom God verboden had daarvan te eten. In plaats van den verleider aanstonds den rug toe te keeren, liet Eva zich met hem in en zeide: Van de vrucht dezes booms heeft God ons verboden te eten en die aan te raken, opdat wij misschien niet sterven. De duivel antwoordde: Volstrekt niet zult gij den dood sterven; integendeel, God weet, dat op den dag, waarop gij van dien boom eten zult, uwe oogen zullen opengaan, en gij zult gelijk goden zijn, kennende het goed en het kwaad. Toen geloofde Eva den duivel meer dan God ; zij zag, dat de vrucht goed was om te eten ; zij nam haar en at. Daarop verleidde zij Adam, die ook van de verboden vrucht at.

Nauwelijks was de eerste zonde gepleegd, of de ongelukkige menschen gevoelden de noodlottige gevolgen daarvan ; daar zij hunne onschuld verloren hadden, zagen zij met schaamte, dat zij naakt waren , en zij hechtten bladeren van een vijgeboom aan elkander om zich te dekken. Kort daarna hoorden zij de stem van God en zij verborgen zich tusschen de boomen van het Paradijs. Waar zijt gij? vroeg God aan Adam. Hij antwoordde: Ik hoorde uwe stem in het Paradijs en ik vreesde, omdat ik naakt ben; en ik verborg mij. De Alwetende vroeg wederom: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Is het niet omdat gij gegeten hebt van den boom, waarvan Ik u geboden heb niet te eten ? Adam trachtte nu de schuld van zich af te schuiven: De vrouw, zeide hij, welke Gij

ocr page 330

10

mij tot gezellin gaaft, heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten. — Waarom hebt gij dit gedaan ? sprak God toen tot Eva ; en ook deze wilde zich verontschuldigen en antwoordde : De slang heeft mij bedrogen en ik heb gegeten.

V. Straf der eerste zonde. Belofte des Verlossers.

God is een liefdevolle vader maar ook een streng rechter en straffer van het kwaad. Op de eerste plaats wendde Hij Zich in gramschap tot de slang en sprak: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder alle dieren dei-aarde. En daarop zeide Hij meer rechtstreeks tot den Satan ; Ik zal v ij andschap stellen tusschen u en de vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad; z ij z a 1 u den kop verpletteren. — Ziedaar het eerste Evangelie, dat is: de eerste blijde boodschap, dat de Verlosser komen zal. Die vijandin van Satan is de gezegende Maagd en Moeder Gods Maria; zij zal in en door haren goddelijken Zoon den kop der slang verpletteren, dat is, den duivel overwinnen.

Nadat God deze heerlijke belofte, die van nu af de éénige hoop voor den gevallen mensch inhield , gedaan had , sprak Hij het vonnis over dc menschen uit. Tot Eva zeide Hij: In smart zult gij kinderen baren en gij zult onder het gezag van den man staan en hij zal over u heerschen. En tot Adam : Om uw werk zij de aarde gevloekt! doornen en distels zal zij u voortbrengen. In het zweet uws aan-schijns zult gij uw brood eten , totdat gij wederkeert tot de aarde, waaruit gij genomen zijt; want gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeer en.

Aldus kwam de dood door de zonde in de wereld. Maar veel rampzaliger verwoesting had de zonde in de ziel der menschen aangericht: zij hadden de heiligmakende genade, waardoor de ziel voor God leeft, verloren: hun verstand werd verduisterd, hun wil verzwakt en in hen ontstond de kwade begeerlijkheid. En eindelijk: de hemel zou voor hen gesloten en de rampzalige eeuwigheid hun deel geweest zijn na dit leven, indien de Verlosser, welken God beloofd had, ook hun Verlosser niet geweest was; om wille der verdiensten van den toekomstigen Zaligmaker

ocr page 331

11

spaarde God Adam en Eva en verleende hij hun de genade van boetvaardigheid en bekeering.

De schuldige menschen mochten nu niet langer in het Paradijs blijven; eerst maakte God voor hen kleederen van vellen, waarmede Hij hen bedekte, en toen dreef Hij hen uit het Paradijs; ervoor plaatste Hij Cherubijnen met vlammende zwaarden om den weg tot den boom des levens te bewaken.

De zonde van Adam is voor alle menschen, die op natuurlijke wijze van hem voortkomen, eene erfzonde geworden, en op die allen gingen de rampzalige gevolgen dier zonde, zoowel naar de ziel als naar het lichaam, over. Door éénen mensch , zegt de apostel, is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood; en alzoo is op alle menschen de dood overgegaan; omdat allen in dien éénen gezondigd hebben. Op dezen regel is slechts ééne uitzondering ; Maria is nooit door erfzonde bevlekt geweest.

VI. Kaïn en Abel.

De twee oudste zonen van Adam waren Kaïn en Abel; deze was schaapherder, gene bebouwde den akker. Beiden droegen aan God offers op, want God zelf had aan onze eerste ouders het offeren reeds geleerd; Kaïn offerde van de vruchten zijns akkers. Abel van de eerstelingen zijner kudde. God zag met welbehagen neder op het offer van Abel, maar niet op dat van Kaïn , omdat Abel rechtvaardig , doch Kaïn boos was. Toen werd Kaïn jaloersch op zijnen broeder; hij ontstak in hevigen toorn en, gelijk dit bij nijdigaards altoos het geval is, zijn aangezicht viel ervan in. God waarschuwde en vermaande Kaïn; Waarom zijt gij vertoornd, en waarom is uw aangezicht ingevallen ? Zult gij niet, indien gij goed doet, loon ontvangen, doch, als gij kwaad doet, staat dan de zonde niet aanstonds voor de deur? Bedwing de neiging tot zonde en beheersch die! Maar Kaïn luisterde, niet, en zijn nijd groeide aan tot doodelijken haat. Eens zeide hij tot Abel: Laat ons naar buiten gaan. Abel ging met hem en, toen zij op het veld waren, sloeg Kaïn Abel dood.

Spoedig hoorde Kaïn de stem van God, die vroeg: Waar is Abel, uw broeder? De goddelooze moordenaar antwoordde met onbeschaamde vermetelheid: Ik weet het

ocr page 332

10

mij tot gezellin gaaft, heeft mij van dien boom gegeven , en ik heb gegeten. — Waarom hebt gij dit gedaan ? sprak God toen tot Eva ; en ook deze wilde zich verontschuldigen en antwoordde : De slang heeft mij bedrogen en ik heb gegeten.

V. Straf der eerste zonde. Belofte des Verlossers.

God is een liefdevolle vader maar ook een streng rechter en straffer van het kwaad. Op de eerste plaats wendde Hij Zich in gramschap tot de slang en sprak; Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder alle dieren dei-aarde. En daarop zeide Hij meer rechtstreeks tot den Satan : Ik zal v i j a n d s c h a p stellen tusschen u en de vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad; z ij z a 1 u den kop verpletteren. — Ziedaar het eerste Evangelie, dat is: de eerste blijde boodschap, dat de Verlosser komen zal. Die vijandin van Satan is de gezegende Maagd en Moeder Gods Maria; zij zal in en door haren goddelijken Zoon den kop der slang verpletteren, dat is, den duivel overwinnen.

Nadat God deze heerlijke belofte, die van nu af de éénige hoop voor den gevallen mensch inhield , gedaan had , sprak Hij het vonnis over de menschen uit. Tot Eva zeide Hij : In smart zult gij kinderen baren en gij zult onder het gezag van den man staan en hij zal over u heerschen. En tot Adam : Om uw werk zij de aarde gevloekt! doornen en distels zal zij u voortbrengen. In het zweet uws aan-schijns zult gij uw brood eten, totdat gij wederkeert tot de aarde, waaruit gij genomen zijt; want gij zijt stof cn tot stof zult gij wederkéeren.

Aldus kwam de dood door de zonde in de wereld. Maar veel rampzaliger verwoesting had de zonde in de ziel der menschen aangericht: zij hadden de heiligmakende genade, waardoor de ziel voor God leeft, verloren: hun verstand werd verduisterd, hun wil verzwakt en in hen ontstond de kwade begeerlijkheid. En eindelijk: de hemel zou voor hen gesloten en de rampzalige eeuwigheid hun deel geweest zijn na dit leven, indien de Verlosser, welken God beloofd had, ook hun Verlosser niet geweest was; om wille der verdiensten van den toekomstigen Zaligmaker

ocr page 333

11

spaarde God Adam en Eva en verleende hij hun de genade van boetvaardigheid en bekeering.

De schuldige mcnschen mochten nu niet langer in het Paradijs blijven; eerst maakte God voor hen kleederen van vellen, waarmede Hij hen bedekte, en toen dreef Hij hen uit het Paradijs; ervoor plaatste Hij Cherubijnen met vlammende zwaarden om den weg tot den boom des levens te bewaken.

De zonde van Adam is voor alle menschen, die op natuurlijke wijze van hem voortkomen, eene erfzonde geworden, en op die allen gingen de rampzalige gevolgen dier zonde, zoowel naar de ziel als naar het lichaam, over. Door éénen mensch, zegt de apostel, is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood; en alzoo is op alle menschen de dood overgegaan; omdat allen in dien éénen gezondigd hebben. Op dezen regel is slechts ééne uitzondering : Maria is nooit door erfzonde bevlekt geweest.

VI. Kaïn en Abel.

De twee oudste zonen van Adam waren Kaïn en Abel; deze was schaapherder, gene bebouwde den akker. Beiden droegen aan God offers op, want God zelf had aan onze eerste ouders het offeren reeds geleerd; Kaïn offerde van de vruchten zijns akkers. Abel van de eerstelingen zijner kudde. God zag met welbehagen neder op het offer van Abel, maar niet op dat van Kaïn , omdat Abel rechtvaardig , doch Kaïn boos was. Toen werd Kaïn jaloersch op zijnen broeder; hij ontstak in hevigen toorn en, gelijk dit bij nijdigaards altoos het geval is, zijn aangezicht viel ervan in. God waarschuwde en vermaande Kaïn: Waarom zijt gij vertoornd, en waarom is uw aangezicht ingevallen ? Zult gij niet, indien gij goed doet, loon ontvangen, doch, als gij kwaad doet, staat dan de zonde niet aanstonds voor de deur? Bedwing de neiging tot zonde en bcheersch die! Maar Kaïn luisterde, niet, en zijn nijd groeide aan tot doodelijken haat. Eens zeidc hij tot Abel: Laat ons naar buiten gaan. Abel ging met hem en, toen zij op het veld waren, sloeg Ka'in Abel dood.

Spoedig hoorde Kaïn de stem van God, die vroeg: Waar is Abel, uw broeder? De goddelooze moordenaar antwoordde met onbeschaamde vermetelheid: Ik weet het

ocr page 334

12

niet; ben ik de bewaker mijns broeders ? Maar de Alwetende hernam: Wat hebt gij gedaan ? De stem van het bloed uws broeders roept tot Mij van de aarde. Derhalve zult gij vervloekt zijn op de aarde, die haren mond geopend heeft en het bloed uws broeders uit uwe hand heeft ontvangen. Als gij haar bebouwen zult, zal zij u hare vruchten niet geven; een zwerver en vluchteling zult gij zijn op de aarde. Onder deze schrikkelijke veroordeeling brak Kaïn's verhard gemoed, maar om tot wanhoop over te slaan. Mijn gruwel is te groot, riep hij uit, dan dat ik vergiffenis zou verdienen ! Ieder die mij vindt zal mij dooden! Doch God, die niet wilde, dat menschen den broedermoordenaar straffen zouden, sprak; Neen, dat zal niet geschieden! Al wie Kaïn doodt, zal zevenvoudig gestraft worden. En God merkte hem met een teeken, opdat niemand het wapen zou de hand aan hem te slaan. Toen vluchtte Kaïn

O

weg naar het land zijner ballingschap.

Adam en Abel waren afbeeldingen van Christus. Gelijk Adam de verderfberokkende stamvader der menschen was, is Christus de heilaanbrengende stamvader van het nieuwe geslacht, die daarom ook tweede en nieuwe Adam genoemd wordt; gelijk Adam den vloek der zonde droeg en de aarde met zijn zweet besproeide, heeft Christus de straffen onzer zonden gedragen en, toen Hij zijn bitter lijden begon, de aarde met bloedig zweet bevochtigd.

Abel was rechtvaardig, was de eerste herder, werd door zijnen broeder uit nijd gedood: Christus is de Rechtvaardige bij uitnemendheid, is de goede Herder, en werd door de Joden, zijne broeders naar het vleesch, uit nijd om het leven gebracht. Het offer van Abel, dat God met welbehagen aannam, was eene voorspelling van het Offer, dat Christus aan het kruis opdroeg en dagelijks in de H. Mis vernieuwt; en evenals het bloed van Abel, roept ook het bloed van Christus tot God in den hemel, doch niet om wraak maar om ontferming en genade.

Vin Vermenigvuldiging en zedebederf der Menschen.

God schonk aan Adam en Eva tot vergoeding voor Abel eenen ■ anderen zoon, die den naam van Setii ontving en de tweede was van de tien Patriarchen of aartsvaders vóór den zondvloed. Al deze Patriarchen bereikten eenen zeer hoogen ouderdom: Adam zelf werd 930 jaren, Seth 912, Mathusala, de oudste van allen, werd 969 jaren en stierf in het jaar van den zondvloed. Dit lang leven was

ocr page 335

13

eene genade, door God aan het geheele menschelijk geslacht geschonken. Want in die vroegste tijden was de mondeling-sche overlevering het eenige middel, om de goddelijke Openbaring te bewaren en de belofte des Verlossers levendig te houden. Op de overleveringen nu werd door het lange leven der Patriarchen het zegel der waarheid gedrukt; zoo kon bijvoorbeeld Noë na den zondvloed verhalen en aan anderen leeren , wat zijn eigen vader van Adam gehoord had.

De nakomelingen van Seth wandelden op de wegendes Heeren. Enos onderscheidde zich door bijzondere godsvrucht; Henoch was een profeet en een boetprediker; hij stierf niet, maar werd van de aarde weggenomen; vóór het laatste oordeel zal hij met den profeet Elias weder op aarde terugkeeren.

Doch onder de afstammelingen van Kaïn werden ondeugd en zedebederf hoe langer hoe erger. Kaïn zelf bouwde de eerste stad; door zijne afstammelingen werd de kunst om tenten te bouwen, ijzer te smeden en op de harp te spelen uitgevonden.

Langzamerhand groeiden de twee afdeelingen der men-schen tot geheele volken aan; de goeden werden kinderen Gods, de kwaden kinderen der inenselien genoemd. Maar toen de eersten zich met de laatsten vermengden, weken ook zij van den weg der deugd af en werd de ondeugd algemeen ; sommigen , die om hunne buitengewone lichaamsgrootte reuzen heetten , overtroffen de anderen in boosheid.

Toen zeide God; Ik zal verdelgen van de aarde den mensch dien Ik geschapen heb, en alle dieren en alles wat kruipt en de vogelen des hemels. Evenwel schonk Hij aan de zondige menschen nog een uitstel van 120 jaren, opdat zij tijd zouden hebben om zich te bekeeren.

VIII. De Zondvloed.

Te midden der goddeloozen leefde een rechtvaardige, de aartsvader Noë, die een volmaakt man was en genade gevonden had voor den Heer. God gebood Hem eene ark te bouwen , dat is : eene goote , langwerpig vierkante kist, welke geschikt was om op het water te drijven. Want, zeide God, Ik zal een watervloed over de aarde brengen,

ocr page 336

12

niet; ben ik de bewaker mijns broeders ? Maar de Alwetende hernam: Wat hebt gij gedaan? De stem van het bloed uws broeders roept tot Mij van de aarde. Derhalve zult gij vervloekt zijn op de aarde, die haren mond geopend heeft en het bloed uws broeders uit uwe hand heeft ontvangen. Als gij haar bebouwen zult, zal zij u hare vruchten niet geven; een zwerver en vluchteling zult gij zijn op de aarde. Onder deze schrikkelijke veroordeeling brak Kaïn's verhard gemoed, maar om tot wanhoop over te slaan. Mijn gruwel is te groot, riep hij uit, dan dat ik vergiffenis zou verdienen! Ieder die mij vindt zal mij dooden! Doch God, die niet wilde, dat menschen den broedermoordenaar straffen zouden, sprak: Neen, dat zal niet geschieden! Al wie Kaïn doodt, zal zevenvoudig gestraft worden. Kn God merkte hem met een teeken, opdat niemand het wagen zou de hand aan hem te slaan. Toen vluchtte Kaïn weg naar het land zijner ballingschap.

Adam en Abel waren afbeeldingen van Christus. Gelijk Adam de verderfberokkende stamvader der menschen was, is Christus de heilaanbrengende stamvader van het nieuwe geslacht, die daarom ook tweede en nieuwe Adam genoemd wordt; gelijk Adam den vloek der zonde droeg en de aarde met zijn zweet besproeide, heeft Christus de straffen onzer zonden gedragen en, toen Hij zijn bitter lijden begon, de aarde met bloedig zweet bevochtigd.

Abel was rechtvaardig, was de eerste herder, werd door zijnen broeder uit nijd gedood; Christus is de Rechtvaardige bij uitnemendheid, is de goede Herder, en werd door de Joden, zijne broeders naar het vleesch, uit nijd om het leven gebracht. Het offer van Abel, dat God met welbehagen aannam, was eene voorspelling van het Offer, dat Christus aan het kruis opdroeg en dagelijks in de H. Mis vernieuwt; en evenals het bloed van Abel, roept ook het bloed van 'Christus tot God in den hemel, doch niet om wraak maar om ontferming en genade.

VIH Vermenigvuldiging en zedebederf der Menschen.

God schonk aan Adam en Eva tot vergoeding voor Abel eenen • anderen zoon, die den naam van Scth ontving en de tweede was van de tien Patriarchen of aartsvaders vóór den zondvloed. Al deze Patriarchen bereikten eenen zeer hoogen ouderdom: Adam zelf werd 930 jaren, Seth 912, Mathusala, de oudste van allen, werd 969 jaren en stierf in het jaar van den zondvloed. Dit lang leven was

ocr page 337

13

eene genade, door God aan het geheele menschelijk geslacht geschonken. Want in die vroegste tijden was de monde ling-sche overlevering het eenige middel, om de goddelijke Openbaring te bewaren en de belofte des Verlossers levendig te houden. Op de overleveringen nu werd door het lange leven der Patriarchen het zegel der waarheid gedrukt; zoo kon bijvoorbeeld Noë na den zondvloed verhalen en aan anderen leeren , wat zijn eigen vader van Adam gehoord had.

De nakomelingen van Seth wandelden op de wegendes Heeren. Enos onderscheidde zich door bijzondere godsvrucht; Henoch was een profeet en een boetprediker; hij stierf niet, maar werd van de aarde weggenomen; vóór het laatste oordeel zal hij met den profeet Elias weder op aarde terugkeeren.

Doch onder de afstammelingen van Kaïn werden ondeugd en zedebederf hoe langer hoe erger. Kaïn zelf bouwde de eerste stad; door zijne afstammelingen werd de kunst om tenten te bouwen, ijzer te smeden en op de harp te spelen uitgevonden.

Langzamerhand gloeiden de twee afdeelingen der men-schen tot geheele volken aan; de goeden werden kinderen Gods, de kwaden kinderen der vienschen genoemd. Maar toen de eersten zich met de laatstcn vermengden, weken ook zij van den weg der deugd af en werd de ondeugd algemeen ; sommigen , die om hunne buitengewone lichaamsgrootte reuzen heetten , overtroffen dc anderen in boosheid.

Toen zeide God; Ik sal verdelgen van de aarde den mensch dien Ik geschapen heb, en alle dieren en alles wat kruipt en de vogelen des hemels. Evenwel schonk Hij aan de zondige menschen nog een uitstel van 120 jaren, opdat zij tijd zouden hebben om zich te bekeeren.

VUT. De Zondvloed.

Te midden der goddeloozen leefde een rechtvaardige, dc aartsvader Noë, die een volmaakt man was en genade gevonden had voor den Heer. God gebood Hem eene ark te bouwen , dat is : eene goote , langwerpig vierkante kist, welke geschikt was om op het water te drijven. Want, zeide God, Ik zal een watervloed over de aarde brengen,

ocr page 338

14

en alles, wat op aarde is, zal sterven. Maar met u zal Ik mijn Verbond gestand doen; gij zult in de ark gaan, gij en uwe zonen, uwe vrouw en de vrouwen uwer zonen , en van alle dieren zult gij één paar in de ark opnemen.

Noë geloofde aan het woord van God en bouwde de ark tot behoud van zijn huis. Zij was 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog; zij had drie verdiepingen , eenen ingang van ter zijde en een groot venster; van binnen en van buiten werd zij met pek bestreken. Toen de ark gereed was, gaf God aan Noë bevel, met de zijnen en met de dieren in de ark te gaan; want, zeide Hij, nog zeven dagen, en Ik zal het doen regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. Na die zeven dagen begon de zondvloed en God zelf sloot de deur der ark. De bronnen des afgronds en de sluizen des hemels werden geopend en het wassende water hief de ark in de hoogte. Het steeg hoe langer hoe hooger, bedekte de geheele aarde en klom 15 ellen boven de bergen; alle rnenschen werden verdelgd met alles wat op aarde leefde; alleen Noë, en die met hem in de ark waren, bleven behouden. — De zondvloed had plaats 1656 jaren na de schepping van Adam.

Vreeselijk strafoordeel Gods over de zonden! welks verschrikkelijkheid slechts door het laatste oordeel zal overtroffen worden. De toenmalige wereld, zegt de apostel Petrus, werd door het water overstroomd en verging, doch de hemelen en de aarde, die nu zijn, worden bewaard voor het vuur, tot den dag des oordeels en der verwerping van de goddelooze rnenschen. — Laten wij wijzer zijn dan de onboetvaardige tijdgenooten van Noë!

De ark was eene afbeelding der Katholieke Kerk. Buiten de alleen zaligmakende Kerk is geen behoud te vinden, omdat niemand God tot Vader kan hebben, die de Kerk niet tot Moeder heeft; de Kerk bevat allerlei volken ; zij heeft slechts éénen ingang; zij is een schip op de zee der wereld; zij is zwak in stoffelijke kracht, maar onoverwinnelijk sterk door de macht van haren goddelijken Stichter. En gelijk de ark meer in de hoogte rees naarmate de zondvloed toenam, zoo dienen de vervolgingen der wereld altijd om de Kerk meer te verheffen en te verheerlijken.

IX. Einde van den Zondvloed. Noë's Dankoffer.

Honderd en vijftig dagen bedekte het water de aarde. Toen deed God eenen wind over de aarde waaien'; de regen hield op en het water begon te vallen; eenigen tijd

ocr page 339

15

later rustte de ark öp het gebergte van Armenië. Daarna werden de toppen der bergen weder zichtbaar, en Noe liet eene raaf en vervolgens eene duif uitvliegen; de laatste keerde spoedig naar de ark terug, daar de aarde nog met water bedekt was. Zeven dagen later liet Noë de duif op nieuw uitvliegen, en nu kwam zij naar de ark-terug met een groen olijftakje in haren bek, ten bewijze dat de boomen hunne kruinen reeds boven het water verhieven ; nogmaals zeven dagen later werd de duif weder uitgelaten en nu keerde zij niet meer terug. Toen begreep Noë dat de aarde droog was. Hij opende de ark van boven , maar verliet haar niet, eer God tot hem gezegd had : Ga uit dc ark, gij met al de uwen en al de dieren, en betreedt de aarde!

De acht menschen, die nu de éénige menschen op aarde waren, verlieten de ark, waarin zij één jaar en tien dagen waren opgesloten geweest. Noë bouwde een altaar en droeg aan God een offer op om Hem voor zijne redding te danken. Met welgevallen nam God dat offer aan en Hij beloofde plechtig , dat Hij de aarde nimmermeer vervloeken zou om wille van de menschen. Ziet, zeide God, Ik sluit mijn Verbond met u en met uw nageslacht na u, dat nimmer meer een zondvloed de aarde verwoesten zal. Ik zal mijnen boog (den regenboog) stellen in de wolken, en die zal het teeken zijn van het Verbond tusschen Mij en de aarde. Bij deze zelfde gelegenheid gaf God aan de menschen twee bijzondere wetten; de eerste was het verbod van vleesch met bloed te eten; dc tweede luidde: Al wie menschcnbloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden.

X. Slot van Noë's geschiedenis.

De drie zonen van Noë, die nu omtrent honderd jaar oud waren, heetten Sein, Cham cn jap/iei. Met hen begon Noë de aarde te bebouwen ; ook plantte hij eenen wijngaard. Daar hij de bedwelmende kracht van den wijn niet kende, gebeurde het, dat hij, buiten zijn schuld, dronken werd en , zonder behoorlijk gedekt te zijn , in slaap viel. In dezen toestand zag hem zijn zoon Cham en, vergetend, dat een kind altoos verplicht is zijne ouders te eeren, liep hij naar

ocr page 340

i6

zijne broeders en verhaalde hun op spottenden toon wat hij gezien had. Doch deze brave zonen namen aanstonds eenen mantel en bedekten hunnen slapenden vader. Toen Noë ontwaakte en vernam wat er gebeurd was, sprak hij eenen vloek uit over Kanaan , den zoon van Cham , en eene zegening over Sem en Japhet.

Noë leefde na den zondvloed nog 350 jaren, 950 jaren in het geheel; zijn zoon Sem werd 600 jaren oud, maar daarna duurde het leven der menschen niet meer zoo lang.

Kindereneert uiuen vader en uwe moeder, cn volgt het voorbeeld van Sem cn Japhet; clan zult gij, evenals zij, gezegend wezen; maar wie zich tegenover zijne ouders gelijk Cham gedraagt, heeft slechts vloek te wachten.

Noe was eene afbeelding van Christus; hij arbeidde vele jaren aan de ark en predikte boetvaardigheid; Christus arbeidde vele jaren lang tot stichting zijner Kerk en predikte: Doet boetvaardigheid, want het Rijk der hemelen is nabij. Bij Noë alleen was redding te vinden van den tijdelijken dood; bij Christus alleen is redding te vinden van den eeuwigen dood.

XI. Toren van Babel. Verspreiding der Menschen. a1.( ;emeene aegoderij .

Na den zondvloed namen de menschen spoedig in aantal toe. Onder hen leefde zekere Ncmrod die zeer machtig was en het eerste koninkrijk stichtte.

De menschen woonden nog bij elkander en spraken nog allen dezelfde taal. En zij zeiden: Laat ons eene stad bouwen en eenen teren , wiens spits tot aan den hemel reikt! Dit wilden zij doen uit trotschheid en tevens om een middelpunt van vereeniging te hebben. Zij begonnen te bouwen, maar God belette hen den arbeid te voltooien, want God wilde, dat de menschen zich over de geheele aarde zouden verspreiden. Daarom verzuurde Hij luinnc spraak, zoodat zij elkander niet meer konder. verstaan Toen waren zij verplicht uit elkander te gaan. De stad ontving den naam van Babel of Baby Ion, welk woord verwarring beteekent.

De nakomelingen van Sem bleven in Azië; die van Cham gingen grootendeels naar Afrika; die van Japhet trokken naar den kant van Europa.

ocr page 341

i7

Dc menschen vielen nu van de eene boosheid in de andere, totdat zij eindelijk de kennis van den éénen waren God, die hemel en aarde geschapen heeft, geheel of gedeeltelijk verloren; zij vereerden en aanbaden valsche goden, en de afgoderij werd algemeen. Sommigen vereerden de zon, de maan en dc sterren ; anderen aanbaden menschen en dieren; weder anderen waren zoo dwaas, dat zij goddelijke eer bewezen aan beelden van hout of metaal, die door menschenhanden gemaakt waren. Met die afgoderij was de grootste ondeugd verbonden, en de verblinde heidenen meenden zelfs, dat zij , om aan hunne goden te behagen, zich aan allerlei zonden moesten overgeven. Zoo vestigde de duivel zijn rijk op aarde, en werd hij aanbeden in plaats van God; want de afgoderij was dnivelendienst, gelijk de H. Geest zelf zegt: Al de goden der heidenen zijn duivelen.

Ook nu nog zijn er vele millioenen ongelukkige heidenen op aarde over. Laten wij dan God danken, dat Hij ons onttrokken heeft aan de macht der duisternis en overgebracht in het Rijk van den Zoon zijner liefde. Laten wij ook bidden voor de bekeering der heidenen en Gods zegen afdragen over den arbeid der geloofsverkondigers, die het Evangelie prediken aan de heidensche volken.

ocr page 342

TWEEDE TIJDVAK.

GESCHIEDENIS VAN HET VOLK GODS.

Van Abraham tot Salomon 1^2210—975 voor Christus).

God wilde de menschen niet geheel verloren laten gaan; wat Hij in het Paradijs beloofd had, zou Hij vervullen: de Verlosser zou eenmaal komen om de ongelukkige wereld te redden, en derhalve moest de wereld op de komst van dien Verlosser worden voorbereid. Tot dat einde koos God het Israëlitische volk uit tot zijn volk, dat Hij met bijzondere zorg wilde besturen en geleiden, om het geloof in den waren God en de hoop op den beloofden Verlosser, door middel van dat volk, op de aarde te bewaren en ook aan andere volken mede te deelen.

EERSTE AFDEELING.

WORDING VAN HET ISRAËLITISCHE VOLK.

Van Abraham tot Jozef (2210-—1849).

XII. Roeping en gehoorzaamheid van den Aartsvader

Abraham.

Abraham, die eerst Abram heette, werd in. het jaar 2210 voor Christus geboren; hij was een nakomeling van Sem en de zoon van Thare. Hij woonde in het land der Chaldeën te midden van afgodendienaars; doch hij zelf vereerde den waren God. Hij werd door God uitgekozen om de stamvader te worden van het Israëlitische volk. God zeide tot hem: Vertrek uit uw vaderland en uit het huis uws vaders, en kom naar het land, dat Ik u toonen

ocr page 343

19

zal. Ik zal u maken tot een groot volk. Ik zal u zegenen en uwen naam groot maken. En in u zullen gezegend worden alle geslachten der aarde. Met deze laatste woorden gaf God aan Abraham te kennen, dat de Verlosser der wereld, in wien alle geslachten zullen gezegend worden, naar zijne menschelijke natuur van hem zoude afstammen. Aldus herhaalde God de belofte, die Hij in het Paradijs gedaan had, en wees nu ook het geslacht aan, waaruit de Verlosser, naar zijne menschelijke natuur, zoude geboren worden.

Abram gehoorzaamde terstond en kwam met zijne vrouw, welke toen Sarai heette, en met zijnen neef Lot in het land Kan aan; Abraham was toen 75 jaren oud.

Dit land ligt aan de oostkust der Middellandsche zee. Het heet Kanaan omdat de afstammelingen van Kanaan, den zoon van Cham, er woonden; ook woonden cr de Philistijnen, naar wie het land Palestina genoemd wordt; verder draagt het den naam van het beloofde land, omdat God het aan Abrahams geslacht beloofde, en van het heilige land, omdat Christus daar geleefd heeft. Daar het buitengewoon vruchtbaar was, noemt de h. Schrift het een land, vloeiend van melk en honig.

De roeping van Abraham was eene groote genade, waaraan hij getrouw beantwoordde; — wij moeten altoos God danken voor de genade der roeping tot het ware geloof, maar ook altoos daaraan beantwoorden door gehoorzaam te zijn aan Gods geboden.

XIII. Lotgevallen van Abram tot aan de Besnijdenis van zijn Huisgezin.

Toen Abram in Kanaan gekomen was, verscheen God hem en sprak: Aan uw geslacht zal Ik dit land geven. Abram bouwde op die plaats een altaar en trok, daar hij een zwervend herder was, met zijn vee dieper het land in. Spoedig werd hij door een hongersnood gedwongen naar Egypte te gaan, waar hij eenigen tijd bleef endoor Gods bijzonderen zegen zeer in rijkdom toenam.

Toen hij in Kanaan was teruggekeerd, ontstond er twist tusschen zijne herders en die van zijn neef Lot, omdat de weiden te klein werden voor hun beider vee. Omdat Abram voor oneenigheid vreesde, haalde hij zijnen neef over om in vrede van elkander te scheiden, want, zeide hij : Wij zijn immers broeders. Zie, het geheele land ligt vóór u;

ocr page 344

20

gaat gij links, dan zal ik rechts gaan; verkiest gij de rechterzijde, dan zal ik ter linker trekken. Lot was niet zoo edelmoedig als zijn oom, en koos wat hij voor het beste hield. Hij ging naar de schoone vlakte, die door de rivier , den Jordaan , doorsneden werd , en vestigde zich in de stad Sodoma.

Abram had zich zeer edel tegenover Lot gedragen en ontving daarvoor de verdiende belooning; want God beloofde hem op nieuw, dat Hij het geheele land Kanaan aan zijn geslacht zou geven, en dat zijn geslacht zou vermenigvuldigd worden als het stof der aarde. Abram trok kort daarna meer zuidelijk op en woonde te Hebron, waar hij weder een altaar bouwde om aan God zijne offers op te dragen.

Terwijl Abram voorspoed genoot, werd zijn neef door eene groote ramp getroffen. Eenige koningen deden eenen inval in het dal, waar Lot woonde , brachten vele menschen om het leven en voerden de anderen met hunne bezittingen gevangen mede; onder de gevangenen was ook Lot met zijn huisgezin. Abram ontving het bericht van deze ramp en was terstond gereed, om de ongelukkigen bij te staan. Hij wapende al zijne onderhoorigen, trok de roovers achterna, haalde hen in, sloeg hen op de vlucht en verloste zijnen neef en al de overige gevangenen, terwijl de geheele buit in zijne handen viel. Op den terugtocht kwamen hem twee koningen te gemoet: Melchisedech, de koning van Salem , dat later Jeruzalem genoemd werd , en de koning van Sodoma. Melchisedech was tevens priester van den a lier hoog sten God; hij droeg aan God een offer van dank-zegging op voor de behaalde overwinning ; dat offer bestond uit brood en zvijn, welke offerspijs hij vervolgens aan Abram en zijne strijders aanbood. Daarna sprak hij plechtig den zegen over Abram uit: Gezegend zij Abram dooiden allerhoogsten God, die hemel en aarde geschapen heeft; en gezegend zij God , de Allerhoogste , die ce vijanden in uwe handen geleverd heeft. De koning van Sodoma dankte Abram voor de redding van zijn volk en was bereid hem den geheelen buit af te staan. Maar de edelmoedige overwinnaar wilde volstrekt niets voor zich zeiven behouden ; hij wilde niet dat iemand anders behalve God

ocr page 345

21

alleen ooit zou kunnen zeggen ; ik heb Abram rijk gemaakt.

Abram zou volkomen gelukkig geweest zijn , indien hij eenen zoon had gehad; maar hij was reeds hoog van jaren en bleef kinderloos. Kij was daarover zeer bedroefd en, toen God eens op eenen avond tot hem zeide: Vrees niet, Abram! Ik ben uw beschermer en uw overgroot loon, — klaagde hij : Ik zal gaan sterven zonder kinderen, en een vreemde zal mijn erfgenaam zijn. Doch God antwoordde: Neen , maar uwen eigen zoon zult gij tot erfgenaam hebben. En God voerde hem naar buiten en zeidequot;: Zie op naar den hemel en tel de sterren, als gij kunt! Zóó talrijk zal uw geslacht zijn. En Abram geloofde aan God, en het werd hem gerekend tot gerechtigheid.

Kort daarna werd Abrams zoon Ismaël geboren; de moeder van dezen zoon was echter niet Sarai, de huisvrouw van Abram, maar Agar, hare Egyptische dienstmaagd, welke zij, gelijk in die tijden geoorloofd was, aan haren echtgenoot ten huwelijk gegeven had. Ismaël groeide voorspoedig op en was reeds een knaap van 13 jaar, toen God wederom aan Abram verscheen en hem toesprak: Ik ben de almachtige God, wandel voor Mij en wees volmaakt! Uw naam zal niet meer Abram maar Abrahan\ zijn, omdat Ik u tot vader van vele volken gesteld heb; koningen zullen uit u voortspruiten; met u en uwe nakomelingen zal Ik mijn Verbond gestand doen, een eeuwig Verbond. Al het mannelijke onder u zal besneden worden, opdat dit ten teeken zij van het Verbond tusschen Mij en u. Elk kind van het mannelijk geslacht zal, acht dagen na zijne geboorte, besneden worden. Verder veranderde God ook den naam van Sarai in Sara, dat is, vorstin, en beloofde dat zij eenen zoon ter wereld zou brengen, die Isadk heeten zou, en uit wien volken en koningen zouden voortspruiten. Abraham volbracht in geloovige gehoorzaamheid aan God, met geheel zijn huisgezin, het gebod der besnijdenis. Hij was toen 99 jaren oud.

Melchisedech, koning en priester, was eene afbeelding van Christus die ook Koning en Priester tegelijk is. Het offer van Melchisedech, dat uit brood en wijn bestond, was eene voorspelling van het heilig Offer der Mis, waarin Christus' waarachtig Vleesch en Bloed, onder de gedaanten van brood en wijn, aan den

ocr page 346

22

hemelschen Vader opgedragen en vervolgens als voedsel der zielen genuttigd wordt. Er staat dan ook van Christus geschreven: Gij zijt Priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech.

Gelijk de besnijdenis het kenteeken was der Israëlieten, zoo is het heilig Doopsel, waarvan de besnijdenis een afbeeldsel was, het merkteeken der Christenen; wie dat onuitwischbaar merkteeken in zijne ziel ontvangt, is daardoor verplicht getrouw te zijn aan het verbond, dat hij met God en den Heer Jesus Christus gesloten heeft; wie dat verbond door overtreding van Gods geboden schendt, is een valsch en trouwloos mensch, omdat hij in zijne ziel het teeken van den Christen draagt en toch leeft alsof hij geen Christen is.

Abraham geloofde aan God, zegt de H. Schrift, en het werd hem- gerekend tot gerechtigheid. Het geloof van Abraham was niet een werkeloos en dood geloof, zooals ook de duivelen hebben, maar een geloof, dat door de werken volmaakt geworden is. Ook ons zou het niet baten het ware geloof te bezitten, als wij het niet in onze daden toonen, door overeenkomstig ons geloof te leven.

XIV. Bezoek van drie Engelen bij Abraham^

Op zekeren dag zat Abraham onder den ingang zijner tent, toen er drie mannen tot hem naderden. Hij dacht dat het vreemde reizigers waren, ging hun te gemoet en verzocht hen, zoo vriendelijk en dringend als hij kon, dat zij toch zijne woning niet zouden voorbijgaan, zonder uit te rusten en zich met spijs en drank te versterken. En toen de drie mannen aan zijnen wensch voldeden, was Abraham zoo verheugd, alsof hem het grootste geluk overkomen was. Hij zocht zelf het beste kalf uit zijne kudde om het aan zijne gasten voor te zetten ; zijne vrouw Sara moest koeken bakken van fijne tarwebloem; hij bracht boter en melk aan, en terwijl de drie mannen aanzaten, stond hij zelf naast hen, om hen te bedienen.

Na den maaltijd vernam Abraham, dat zijne gasten geene mensch en waren, maar engelen in menschelijke gedaante. Want de voornaamste der drie zeide tot hem: Over een jaar zal ik weder tot u komen, en dan zal uwe huisvrouw Sara eenen zoon hebben. Sara, die achter de deur der tent stond en deze woorden hoorde, kon niet gelooven, dat zij zoo gelukkig worden zou, en begon te lachen. Doch de engel wist, wat zij in het verborgen deed, en sprak : Waarom lacht Sara? Is er dan iets moeielijk voor God?

De drie engelen stonden op en sloegen den weg in naar

ocr page 347

23

Sodoma; Abraham vergezelde hen. Op den weg zeide de voornaamste der drie: Zou ik voor Abraham kunnen verbergen wat ik voornemens ben te doen ? Het wraakgeroep van Sodoma en Gomorrha is zeer sterk geworden, en hunne zonden vreeselijk zwaar. Ik wil er heengaan en zien, of hunne werken zóó zijn, als het geroep er van tot mij gekomen is. Toen gingen de twee andere engelen voort naar Sodoma; de derde, die de Heer genoemd wordt, bleef bij Abraham. Deze was zeer verschrikt bij het vernemen der ramp, welke Sodoma dreigde te treffen, en hij bad voor de ongelukkige inwoners dier goddelooze stad : Indien er vijftig rechtvaardigen in de stad waren, zoudt gij dan die plaats niet sparen om wille der vijftig rechtvaardigen , indien zij daar waren ? De Heer antwoordde : Indien ik vijftig rechtvaardigen in Sodoma vind, zal ik de geheele stad om hunnentwil sparen. Abraham vreesde, dat er geen vijftig brave menschen in de stad zouden te vinden zijn, en sprak wederom: Daar ik eens begonnen ben te spreken tot mijnen Heer, zal ik voortgaan, al ben ik slechts stof en asch. Indien er aan de vijftig eens vijf ontbraken ? De Heer zeide; Ik zal de stad niet verdelgen, als ik daarin vijf en veertig rechtvaardigen vind. Overtuigd van Gods oneindige barmhartigheid, daalde Abraham nog meer af, van veertig op dertig, op twintig en eindelijk op tien; en ook toen nog sprak de Heer; Om wille van tien rechtvaardigen zal ik de stad sparen. Toen verliet de Heer Abraham , en deze keerde naar zijne tent terug.

De dienstvaardige liefde en de hartelijke gastvrijheid van Abraham is voor ons een voorbeeld, dat wij vooral ten opzichte van armen en hulpbehoevenden moeten navolgen. Breek den hongerige uw brood, heeft God gezegd, en leid de armen, die geene woning hebben, uw huis binnen. Wat wij aan de armen doen, wordt door Christus gerekend, alsof wij het aan Hem zeiven gedaan hebben.

De waarde der deugd is onbegrijpelijk groot in de oogen van God: eene geheele groote stad, vol van booze menschen, zou Hij gespaard hebben ter wille van slechts tien rechtvaardigen. Groot is ook de kracht van het gebed, dat een heilig mensch, gelijk Abraham was, tot God voor de zondaars opzendt. Laat ons dan veel bidden voor de arme zondaars.

ocr page 348

24

XV. Ondergang der Steden in het Dal Siddim.

Het schoone dal, waarin Sodoma en Gomorrha met nog drie andere steden lagen, heette Siddim; de menschen, die daar woonden, waren zeer slecht. Toen de twee engelen tegen den avond te Sodoma kwamen, namen zij hunnen intrek bij Lot, die braaf gebleven was onder de goddeloozen. De booz.e inwoners der stad verzamelden zich des nachts voor zijne deur om de twee vreemdelingen, die zij in het huis hadden zien gaan, te mishandelen. Zij wilden de deur openbreken; doch de engelen sloegen hen met blindheid. Nu spraken dezen tot Lot: Voer al de uwen uit deze stad, want wij zijn door God gezonden om dit oord te verwoesten. Tegen het aanbreken van den morgen voerden de engelen Lot met zijne vrouw en zijne twee dochters buiten de stad, en zeiden tot hem: Red u zeiven, zie niet om , blijf niet stilstaan , maar spoed u voort naar den berg.

En God deed op Sodoma en de andere steden zwavel en vuur uit den hemel regenen; zij werden geheel verdelgd met al hare inwoners en al het land rondom. De vrouw van Lot, die het waarschuwend woord des engels niet geloofde, zag om en werd in eene zoutzuil veranderd. Abraham zag uit de verte den zwarten rook van de verbrande steden omhoog stijgen; het dal Siddim was in een groot meer van zout water veranderd , dat den naam ontving van zout zee of doode zee.

Door de steden Sodoma en Gomorrha tot asch te verbranden en geheel te verwoesten, heeft God, zegt de Apostel Petrus,een voorbeeld gesteld voor hen, die goddeloos leven; de straf dezer steden is eene afbeelding van de eeuwige straffen der hel.

Kinderen! vlucht het gevaar, vooral het gevaar der zonde, vlucht zonder omzien! want wie het gevaar bemint zal daarin vergaan. Denkt aan de vroitiv van Lot, heeft onze Zaligmaker zelf gezegd.

XVI. Geboorte van Isaak. Verdrijving van Agar en Ismaël. Opoffering van Isaak. Dood van Sara.

Eén jaar later, toen Abraham juist honderd jaar oud was , werd Isaak, het kind der belofte , geboren. Het groeide voorspoedig op tot vreugd van iedereen, behalve van zijnen broeder Ismaël, die 14 jaren ouder en een woeste knaap

ocr page 349

25

was; hij durfde zelfs Lsaak bespotten en vervolgen. Toen Sara dit zag, eischte zij dat Abraham de slavin Agar en haren zoon Ismaël uit zijn huis zou wegzenden. God keurde dit goed en zeide tot Abraham, dat hij doen moest, wat Sara verlangde; doch Hij beloofde tevens, dat Hij ook Ismaël tot een groot volk zou maken, omdat deze de zoon van Abraham was. Toen zond Abraham de dienstmaagd met haren zoon weg.

In de woestijn, welke zij moesten doortrekken, verdwaalden zij ; het water, dat zij hadden medegenomen, was reeds opgebruikt, en Ismaël vooral werd hevig door den dorst gefolterd. Nog een tijd lang zocht Agar naar eene bron, maar eindelijk bezweek haar zoon; zij legde hem onder eenen boom en zette zich op eenigen afstand neder met de oogen van hem afgewend , omdat zij hem niet kon zien sterven , en zij weende luid. Eensklaps hoorde zij eene stem, die haar toeriep: Agar! wat doet gij ? Vrees niet! Sta op, neem uw kind en houd zijne hand vast; want Ik zal hem maken tot een groot volk. Het was een engel, dien God tot Agar zond, en tegelijk opende Hij hare oogen , zoodat zij eenen waterput ontdekte ; zij gaf haar kind te drinken, en beiden waren aan den dood ontrukt. Zij bleven in de woestijn wonen, en Ismaël werd de stamvader der Arabieren.

Abraham had reeds vele en groote bewijzen van gehoorzaamheid aan God gegeven; maar de zwaarste beproeving moest nog komen. God riep hem en zeide: Neem uwen zoon, uwen eeniggeborene, dien gij liefhebt, lsaak, en ga naar het land des Gezichts (Moria), en daar zult gij hein offeren tot een brandoffer op een der bergen, die Ik u toonen zal.

Abraham gehoorzaamde aanstonds. Vóór het aanbreken van den dag stond hij op, kloofde hout voor het offer, laadde het op zijnen ezel en ging met lsaak en twee knechten op weg. Op den derden dag zag hij den berg, dien God voor het offer bestemd had. Toen deed hij de knechten met den ezel wachten; alleen met zijnen zoon besteeg hij den berg. lsaak droeg het hout voor het offer. Abraham het vuur en het offermes. Mijn vader! vroeg lsaak, hier is wel vuur en hout; maar waar is het slachtoffer voor

ocr page 350

20

het brandofifer ? En Abraham antwoordde: God zal Zich voorzien van een slachtoffer ten brandoffer, mijn zoon !

Zij kwamen op den top des bergs; Abraham bouwde het altaar en stapelde het hout daarop; dan bond hij zijnen zoon, die nu wist, dat hij zelf het slachtoffer wezen moest, en zich gehoorzaam aan den wil van God onderwierp , en legde hem op het hout. Abraham nam het mes in zijne hand en hief zijnen arm omhoog, toen er eene stem uit den hemel klonk: Abraham, Abraham! — Hier ben ik, antwoordde hij. En de engel sprak: Strek uwe hand niet uit tot den knaap en doe hem niets! Nu weet Ik dat gij God vreest, en uwen eenigen zoon niet gespaard hebt om Mij.

Abraham ontbond nu zijnen zoon, en in diens plaats offerde hij eenen ram, die met zijne horens in de struiken verward was. En God zeide tot hem: Omdat gij dit gedaan en uwen éénigen zoon om mijnentwil niet gespaard hebt, zal Ik u zegenen en uw geslacht zoo talrijk maken als de sterren des hemels en als het zand, dat aan het strand der zee is. Uw geslacht zal de poorten zijner vijanden bezitten, en alle volken der aarde zullen in uwen Nakomeling (dat is, in den Verlosser Jesus Christus) gezegend worden, omdat gij aan mijn woord gehoorzaamd hebt.

Abraham keerde naar zijn huis terug. Toen Isaak bijna 37 jaren oud was, stierf zijne moeder Sara en werd begraven in eene spelonk bij Hebron, welke Abraham tot een familie-graf kocht. Daarna trok hij meer zuidelijk op en vestigde zich te Bersabee, op de grenzen van Kanaan.

Abraham leert ons, dat wij alles, zelfs liet dierbaarste wat wij , hebben, moeten opofferen, als God het van ons vraagt, en altoos gehoorzaam moeten zijn ook wanneer wij de redenen van Gods geboden niet kunnen begrijpen.

De opoffering van Isaak is de grootste voorafbeelding van het Offer des Kruises. Christus was ook de éénige, de welbeminde Zoon des hemelschen Vaders; Hij werd ook op eenen berg gekruisigd, en droeg zelf het hout des kruises op zijne schouders; Hij liet zich gewillig-4^ uit gehoorzaamheid aan zijnen Vader aan het kruis vastnagelen, j

XVII. Huwelijk van Isaak. Dood van Abraham.

Abraham was reeds 140 jaar en dacht dat hij spoedig sterven zou; vóór zijnen dood wilde hij aan zijnen zoon eene brave huisvrouw geven. Hij riep zijnen oudsten en

ocr page 351

27

vertrouwdsten dienaar en gelastte hem te gaan naar het land , waar Abraham vroeger gewoond had, om daar eene echtgenoote voor Isaak te zoeken; want hij wilde niet, dat Isaak met eene dochter van de goddelooze inwoners van Kanaan huwen zou. Nadat de dienaar gezworen had, den wil zijns heeren getrouw te volbrengen, reisde hij af met vele knechten, tien kameelen en rijke geschenken , en kwam te Haran, waar Nachor, de broeder van Abraham, zich vroeger gevestigd had. Het was avond, toen hij buiten de stad bij eenen waterput stil hield. Toen bad de trouwe dienaar: Heer God ! sta mij heden bij en doe barmhartigheid met mijnen heer Abraham. Zie , ik sta bij den waterput, en de dochters uit de stad zullen komen om water te putten. Laat nu de maagd, die, als ik haar te drinken vraag, zeggen zal: drink, en ook aan uwe kameelen zal ik te drinken geven: laat zij degene zuezen, die Gij voor uwen dienaar Isaak bestemd hebt. Zoo liet de brave dienaar de keus aan God zeiven over.

Er kwam nu eene jonge dochter, Rcbekka , die de dochter van Bathuel en de kleindochter van Abrahams broeder Nachor was. Zij vulde hare kruik met water en wilde weder terugkeeren. De gezant vroeg haar: Geef mij een weinig water uit uwe kruik te drinken! Terstond was zij bereid en zeide: Drink, mijn heer! ook voor uwe kameelen zal ik water putten, totdat zij allen gedronken hebben. Toen zij de dieren gedrenkt had, haalde de gezant gouden oorringen en armbanden te voorschijn en, ze haar gevend, vroeg hij : Wiens dochter zijt gij ? zeg het mij, of er in uws vader huis verblijf voor mij is? Zij antwoordde: Ik ben de dochter van Bathuel, den zoon van Nachor en Melcha. Wij hebben ook stroo en hooi in overvloed en ruime plaats ten verblijf. Nu boog de gezant zich aanbiddend neder en sprak: Gezegend zij de Heer, de God van mijnen heer Abraham, die mij langs den rechten weg geleid heeft in het huis van den broeder mijns heeren!

Rebekka was reeds naar hare moeder gesneld, om hare geschenken1 te toonen. Toen haar broeder Laban ze gezien had, spoedde hij zich naar den gezant en riep hem toe: Kom binnen, gezegende des Heeren! Ik heb het huis en de plaats voor de kameelen in gereedheid gebracht. De

'

L

ocr page 352

28

gezant ging met hem; doch vóór hij aan den maaltijd aanzat, zeide hij; Ik zal niet eten, eer ik mijnen last heb uitgesproken. Hij verklaarde nu, wie hij en wie zijn heer was, wat hij bij den waterput gebeden, en hoe God zijn gebed verhoord had , en vroeg de toestemming van Bathuel en Laban tot het huwelijk van Rebekka met Isaak. Toen zij alles vernomen hadden, erkenden zij in hetgeen gebeurd was, de beschikking Gods en zeiden; Zie, Rebekka staat voor u; neem haar en vertrek, opdat zij de echtgenoote zij van den zoon uws heeren , gelijk de Heer gesproken heeft.

Den volgenden dag werd de terugreis reeds aanvaard. Toen zij in de nabijheid van Bersabee kwamen, zag Rebekka in de verte eenen man in het veld wandelen. Wie komt ons daar te gemoet? vroeg zij. Dat is mijn meester, Isaak, zelf, antwoordde de gezant. Terstond steeg Rebekka van haren kameel af en bedekte zich met haren sluier. Isaak leidde haar in de tent zijner overledene moeder en nam haar tot huisvrouw.

Abraham leefde na dien tijd nog .35 jaren en mocht zijne kleinkinderen nog zien; hij stierf in den ouderdom van 175 jaren en werd door zijne twee zonen, Isaak en Ismaël, naast zijne huisvrouw begraven; zijne heilige ziel ging binnen in het verblijf, waar de rechtvaardigen des Ouden Testaments in rust en vrede woonden, totdat Christus den hemel voor hen zou openen. Isaak was de erfgenaam van al de bezittingen zijns vaders. — Abraham stierf in het jaar 2035 voor Christus.

XVIII. Isaaks Lotgevallen.

Twintig jaren na haar huwelijk bracht Rebekka op denzelfden dag twee zonen ter wereld, de eerstgeborene heette Ezau, de andere Jakob. Van deze twee kinderen had God te voren reeds voorspeld, dat de jongste den oudste overtreffen zou. Jakob werd een stil en eenvoudig herder, maar Ezau was een wilde jager. Hei: gebeurde eens, dat Ezau vermoeid en hongerig van het veld kwam, terwijl Jakob juist bezig was met het bereiden van linzen-moes. Zoodra Ezau die spijs zag, vroeg hij : Geef mij van dat roode kooksel daar, want ik ben afgemat. Doch

ocr page 353

29

Jakob hernam : Verkoop mij dan uw eerstgeboorte-recht. — Wat baat mij het eerstgeboorte-recht ? riep Ezau. En Jakob zeide: Bezweer het mij dan ! Ezau zwoer en verkocht hem alzoo zijn eerstgeboorte-recht. Dit was een recht van groote waarde, want de oudste zoon ontving een dubbel deel van de vaderlijke erfenis en werd, na den dood des vaders, het hoofd van het huisgezin en van den geheelen stam. Daarenboven ging het Verbond, dat God met de aartsvaders gesloten had, op den oudsten zoon over. Maar de lichtzinnige Ezau dacht daar niet aan; hij at en dronk en ging henen.

Isaak werd door God op bijzondere wijze gezegend en nam zeer toe in rijkdom. Daarbij herhaalde God aan hem al de beloften, welke hij aan Abraham gedaan had , vooral de groote belofte van den Verlosser: Aan u en uw geslacht zal Ik al dezen landen geven, sprak God tot Isaak, Ik zal uw geslacht talrijk maken als de sterren des hemels, en in uwen Nakomeling zullen alle volken der aarde gezegend worden. Isaak woonde eenigen tijd in het land der Philistijnen, waarheen hij, toen er een hongersnood in Kanaan heerschte, vertrokken was; doch toen de Philistijnen hem uit jaloerschheid begonnen te kwellen en te benadeclen, keerde hij naar Bersabee terug, waar hij een altaar stichtte en in grooten voorspoed leefde.

Te midden van dien zegen werd zijn huiselijke vrede verstoord door Ezau , die huwelijken sloot met Kanaanitische vrouwen en zijne ouders daardoor zeer bedroefde. Evenwel bleef Isaak zijnen zoon Ezau toch als den eerstgeborene beschouwen, en toen hij oud en blind geworden was, wilde hij zijnen aartsvaderlijken zegen over Ezau uitspreken. Hij riep hem en zeide: Neem uwe pijlen en uw boog en ga op de jacht; zoodra gij eenig wild gevonden hebt, moet gij het toebereiden, gelijk ik het gaarne eet, en het mij brengen: daarna zal ik u zegenen, eer ik sterf. En Ezau ging aanstonds uit.

Rebekka had deze woorden gehoord. Zij had haren zoon Jakob bijzonder lief; daarenboven wist zij, dat God zelf Jakob boven Ezau gesteld had, en dat Ezau zijn eerstgeboorte-recht aan Jakob had afgestaan; daarom meende zij, dat niet Ezau maar Jakob den aartsvaderlijken zegen

ocr page 354

28

gezant ging met hem; doch vóór hij aan den maaltijd aanzat, zeide hij: Ik zal niet eten, eer ik mijnen last heb uitgesproken. Hij verklaarde nu, wie hij en wie zijn heer was, wat hij bij den waterput gebeden, en hoe God zijn gebed verhoord had , en vroeg de toestemming van Bathuel en Laban tot het huwelijk van Rebekka met Isaak. Toen zij alles vernomen hadden , erkenden zij in hetgeen gebeurd was, de beschikking Gods en zeiden; Zie, Rebekka staat voor u; neem haar en vertrek, opdat zij de echtgenoote zij van den zoon uws heeren , gelijk de Heer gesproken heeft.

Den volgenden dag werd de terugreis reeds aanvaard. Toen zij in de nabijheid van Bersabee kwamen, zag Rebekka in de verte eenen man in het veld wandelen. Wie komt ons daar te gemoet ? vroeg zij. Dat is mijn meester, Isaak, zelf, antwoordde de gezant. Terstond steeg Rebekka van haren kameel af en bedekte zich met haren sluier. Isaak leidde haar in de tent zijner overledene moeder en nam haar tot huisvrouw.

Abraham leefde na dien tijd nog .35 jaren en mocht zijne kleinkinderen nog zien; hij stierf in den ouderdom van 175 jaren en werd door zijne twee zonen, Isaak en Ismaël, naast zijne huisvrouw begraven; zijne heilige ziel ging binnen in het verblijf, waar de rechtvaardigen des Ouden Testaments in rust en vrede woonden, totdat Christus den hemel voor hen zou openen. Isaak was de erfgenaam van al de bezittingen zijns vaders. — Abraham stierf in het jaar 2035 voor Christus.

XVIII. Isaaks Lotgeyallen.

Twintig jaren na haar huwelijk bracht Rebekka op denzelfden dag twee zonen ter wereld, de eerstgeborene heette Ezau, de andere Jakob. Van deze twee kinderen had God te voren reeds voorspeld, dat de jongste den oudste overtreffen zou. Jakob werd een stil en eenvoudig herder, maar Ezau was een wilde jager. Het gebeurde eens, dat Ezau vermoeid en hongerig van het veld kwam, terwijl Jakob juist bezig was met het bereiden van linzen-moes. Zoodra Ezau die spijs zag, vroeg hij : Geef mij van dat roode kooksel daar, want ik ben afgemat. Doch

ocr page 355

29

Jakob hernam : Verkoop mij dan uw eerstgeboorte-recht. — Wat baat mij het eerstgeboorte-recht? riep Ezau. En Jakob zeide: Bezweer het mij dan ! Ezau zwoer en verkocht hem alzoo zijn eerstgeboorte-recht. Dit was een recht van groote waarde, want de oudste zoon ontving een dubbel deel van de vaderlijke erfenis en werd, na den dood des vaders, het hoofd van het huisgezin en van den geheelen stam. Daarenboven ging het Verbond, dat God met de aartsvaders gesloten had, op den oudsten zoon over. Maar de lichtzinnige Ezau dacht daar niet aan; hij at en dronk en ging henen.

Lsaak werd door God op bijzondere wijze gezegend en nam zeer toe in rijkdom. Daarbij herhaalde God aan hem al de beloften, welke hij aan Abraham gedaan had , vooral de groote belofte van den Verlosser: Aan u en uw geslacht zal Ik al dezen landen geven, sprak God tot lsaak, Ik zal uw geslacht talrijk maken als de sterren des hemels, en in uwen Nakomeling zullen alle volken der aarde gezegend worden, lsaak woonde eenigen tijd in het land der Philistijnen, waarheen hij, toen er een hongersnood in Kanaan heerschte, vertrokken was; doch toen de Philistijnen hem uit jaloerschheid begonnen te kwellen en te benadeelen, keerde hij naar Bersabee terug, waar hij een altaar stichtte en in grooten voorspoed leefde.

Te midden van dien zegen werd zijn huiselijke vrede verstoord door Ezau , die huwelijken sloot met Kanaanitische vrouwen en zijne ouders daardoor zeer bedroefde. Evenwel bleef lsaak zijnen zoon Ezau toch als den eerstgeborene beschouwen, en toen hij oud en blind geworden was, wilde hij zijnen aartsvaderlijken zegen over Ezau uitspreken. Hij riep hem en zeide; Neem uwe pijlen en uw boog en ga op dc jacht; zoodra gij eenig wild gevonden hebt, moet gij het toebereiden, gelijk ik het gaarne eet, en het mij brengen: daarna zal ik u zegenen, eer ik sterf. En Ezau ging aanstonds uit.

Rebekka had deze woorden gehoord. Zij had haren zoon Jakob bijzonder lief; daarenboven wist zij, dat God zelf Jakob boven Ezau gesteld had, en dat Ezau zijn eerst-geboorte-recht aan Jakob had afgestaan; daarom meende zij, dat niet Ezau maar Jakob den aartsvaderlijken zegen

ocr page 356

3°

ontvangen moest. Dit was ook de wil van God; doch de wijze, waarop Rebekka en Jakob het aanlegden om hun doel te bereiken, werd door God wel toegelaten maar niet goedgekeurd.

Rebekka spoorde haren zoon Jakob aan om zijn ouden, blinden vader te bedriegen, door zich voor zijnen broeder Ezau uit te geven. Jakob durfde eerst niet. Gij weet, zeide hij, dat mijn- broeder Ezau ruig en bewassen is, en dat ik glad van huid ben. Indien mijn vader mij eens tot zich trok en betastte, zou hij, vrees ik, meenen dat ik hem bespotten wilde, en in plaats van zegen zou ik vloek over mij brengen. Doch Rebekka hernam : Die vloek kome op mij ! Hoor slechts naar mijne stem en breng wat ik gezegd heb. Zij wilde namelijk, dat Jakob twee geitebokjes zoude halen, welke zij op de wijze Van wildbraad zou bereiden; daarmede moest hij dan tot zijnen vader gaan en zich houden alsof hij Ezau was. Daarenboven trok zij hem de beste kleederen van Ezau aan, en wond de vellen der bokjes om zijne handen en om zijnen hals. Zóó ging dan Jakob met het gebraad naar zijnen vader. Wie zijt gij ? vroeg de blinde. Jakob antwoordde: Ik ben irw eerstgeborene, Ezau; ik heb gedaan gelijk gij mij bevolen hebt; richt u nu op en eet van mijne jacht, opdat uwe ziel mij zegene. Tsaak vroeg weder: Hoe hebt gij zoo spoedig het wild kunnen vinden, mijn zoon? Jakob hernam: Het was Gods wil, dat ik zoo spoedig vond, wat ik verlangde. Isaak meende nu duidelijk, dat hij de stem van Jakob hoorde, en zeide: Kom nader, mijn zoon! laat ik u betasten, om mij te overtuigen dat gij mijn zoon Ezau zijt. En de blinde werd misleid door de vellen, waarmede Jakob's handen omwonden waren. Het is wel de stem van Jakob, zeide hij, maar de handen zijn Ezau's handen. Nogmaals vroeg hij: Zijt gij mijn zoon Ezau? Ja, was het laatste antwoord.

Nadat hij gegeten en gedronken had, zegende Isaak zijnen zoon: God geve u van den dauw des hemels en van het vette der aarde overvloed van koren en wijn! Dat volken u dienen, en stammen voor u zich buigen! Wees de heer uwer broeders! Die u vloekt, die zij gevloekt; die u zegent, die worde vervuld van zegeningen!

ocr page 357

3i

Juist had Jakob zijnen vader verlaten, toen Ezau van de jacht terugkeerde en tot Isaak ging om den beloofden zegen te ontvangen. Verwonderd vroeg de blinde: Wie zijt gij dan? En toen hij ten antwoord kreeg: Ik ben uw eerstgeborene zoon Ezau, riep hij verschrikt uit: Wie is hij dan, die mij reeds het wildbraad bracht, waarvan ik gegeten heb, vóór gij hier kwaamt? Hem heb ik gezegend, en hij zal gezegend zijn. Deze laatste woorden bewijzen, dat Isaak in het gebeurde den vinger Gods erkende. Ezau zeide nu: Vader, zegen ook mij! Isaak antwoordde: Uw broeder is met list gekomen en hij heeft uwen zegen ontvangen. Nu werd Ezau toornig en riep: Terecht is zijn naam Jakob (dat is : onderkruiper). Eerst ontnam hij mij het eerstgeboorte-recht, nu rooft hij mijnen zegen. Daarna begon hij luid te weenen en sprak: Hebt gij dan, vader! slechts ééne zegening? Zegen, bid ik u, ook mij! Isaak had toen medelijden met zijne smart en zeide: In de vruchtbaarheid der aarde en in den dauw des hemels van boven zal uw zegen zijn. Van het zwaard zult gij leven, maar uwen broeder dienen; echter zal er een tijd komen, dat gij zijn juk van uwen hals zult afschudden.

Ezau voedde van dien dag af booze plannen tegen zijnen broeder en besloot hem, wanneer zijn vader zou gestorven zijn, te dooden. Rebekka bemerkte dit en raadde haren beminden zoon aan, het vaderlijke huis te verlaten en naar hare geboorteplaats te vluchten , waar hij dan tevens cene echtgenoote kiezen kon. Toen Jakob afscheid nam van zijnen vader, zegende deze hem opnieuw : De almachtige God zegene u en doe u vermenigvuldigen, opdat gij moogt worden tot eene menigte van volkeren ; aan u en aan uw geslacht na u schenke Hij den zegen Abrahams, opdat gij bezitten moogt het land, dat Hij uwen grootvader beloofd heeft. Toen vluchtte Jakob alleen en te voet naar Haran.

Voorzeker een groote dwaas is hij, die, gelijk Ezau deed, voor een vergankelijk genot een kostbaar goed en heilige voorrechten opoffert. Ziet toe, vermaant ons de apostel Paulus, dat niemand aan Gods genade ontbreke en een verachter des heiligen worde evenals Ezau, die voor ééne spijze zijn eerstgeboorte-recht verkocht. Want weet; dat hij, ofschoon hij later den zegen verlangde te erven, toch verstooten werd.

ocr page 358

3°

ontvangen moest. Dit was ook de wil van God; doch de wijze, waarop Rebekka en Jakob het aanlegden om hun doel te bereiken, werd door God wel toegelaten maar niet goedgekeurd.

Rebekka spoorde haren zoon Jakob aan om zijn ouden, blinden vader te bedriegen, door zich voor zijnen broeder Ezau uit te geven. Jakob durfde eerst niet. Gij weet, zeide hij , dat mijn- broeder Ezau ruig en bewassen is, en dat ik glad van huid ben. Indien mijn vader mij eens tot zich trok en betastte, zou hij, vrees ik, meenen dat ik hem bespotten wilde, en in plaats van zegen zou ik vloek over mij brengen. Doch Rebekka hernam; Die vloek kome op mij ! Hoor slechts naar mijne stem en breng wat ik gezegd heb. Zij wilde namelijk, dat Jakob twee geitebokjes zoude halen, welke zij op de wijze van wildbraad zou bereiden; daarmede moest hij dan tot zijnen vader gaan en zich houden alsof hij Ezau was. Daarenboven trok zij hem de beste kleederen van Ezau aan, en wond de vellen der bokjes om zijne handen en om zijnen hals. Zóó ging dan Jakob met het gebraad naar zijnen vader. Wie zijt gij? vroeg de blinde. Jakob antwoordde; Ik ben uzv eerstgeborene, Ezau; ik heb gedaan gelijk gij mij bevolen hebt; richt u nu op en eet van mijne jacht, opdat uwe ziel mij zegene. Isaak vroeg weder: Hoe hebt gij zoo spoedig het wild kunnen vinden, mijn zoon? Jakob hernam: Het was Gods wil, dat ik zoo spoedig vond, wat ik verlangde. Isaak meende nu duidelijk, dat hij de stem van Jakob hoorde, en zeide: Kom nader, mijn zoon! laat ik u betasten, om mij te overtuigen dat gij mijn zoon Ezau zijt. En de blinde werd misleid door de vellen, waarmede Jakob's handen omwonden waren. Het is wel de stem van Jakob, zeide hij, maar de handen zijn Ezau's handen. Nogmaals vroeg hij: Zijt gij mijn zoon Ezau? Ja, was het laatste antwoord.

Nadat hij gegeten en gedronken had, zegende Isaak zijnen zoon: God geve u van den dauw des hemels en van het vette der aarde overvloed van koren en wijn! Dat volken u dienen, en stammen voor u zich buigen! Wees de heer uwer broeders! Die u vloekt, die zij gevloekt; die u zegent, die worde vervuld van zegeningen!

:

ocr page 359

3i

Juist had Jakob zijnen vader verlaten, toen Ezau van de jacht terugkeerde en tot Lsaak ging om den beloofden zegen te ontvangen. Verwonderd vroeg de blinde: Wie zijt gij dan ? En toen hij ten antwoord kreeg: Ik ben uw eerstgeborene zoon Ezau, riep hij verschrikt uit: Wie is hij dan, die mij reeds het wildbraad bracht, waarvan ik gegeten heb, vóór gij hier kwaamt ? Hem heb ik gezegend , en hij zal gezegend zijn. Deze laatste woorden bewijzen, dat lsaak in het gebeurde den vinger Gods erkende. Ezau zeide nu: Vader, zegen ook mij! lsaak antwoordde: Uw broeder is met list gekomen en hij heeft uwen zegen ontvangen. Nu werd Ezau toornig en riep: Terecht is zijn naam Jakob (dat is : onderkruiper). Eerst ontnam hij mij het eerstgeboorte-recht, nu rooft hij mijnen zegen. Daarna begon hij luid te weenen en sprak : Hebt gij dan , vader! slechts ééne zegening ? Zegen, bid ik u, ook mij! lsaak had toen medelijden met zijne smart en zeide: In de vruchtbaarheid der aarde en in den dauw des hemels van boven zal uw zegen zijn. Van het zwaard zult gij leven, maar uwen broeder dienen; echter zal er een tijd komen, dat gij zijn juk van uwen hals zult afschudden.

Ezau voedde van dien dag af booze plannen tegen zijnen broeder en besloot hem, wanneer zijn vader zou gestorven zijn, te dooden. Rebekka bemerkte dit en raadde haren beminden zoon aan, het vaderlijke huis te verlaten en naar hare geboorteplaats te vluchten , waar hij dan tevens eene echtgenoote kiezen kon. Toen Jakob afscheid nam van zijnen vader, zegende deze hem opnieuw: De almachtige God zegene u en doe u vermenigvuldigen, opdat gij moogt worden tot eene menigte van volkeren ; aan u en aan uw geslacht na u schenke Hij den zegen Abrahams, opdat gij bezitten moogt het land, dat Hij uwen grootvader beloofd heeft. Toen vluchtte Jakob alleen en te voet naar Haran.

Voorzeker een groote dwaas is hij, die, gelijk Ezau deed, voor een vergankelijk genot een kostbaar goed en heilige voorrechten opoffert. Ziet toe, vermaant ons de apostel Paulus, dat niemand aan Gods genade ontbreke en een verachter des heiligen worde evenals Ezau, die voor ééne spijze zijn eerstgeboorte-recht verkocht. Want weet, dat hij, ofschoon hij later den zegen verlangde te erven, toch verstooten werd.

ocr page 360

32

XIX. Jakobs Reis en Verblijf bij Laban.

Jakob was omtrent twintig uren van de vaderlijke woning verwijderd, toen hij zich op eenen avond onder den blooten hemel met zijn hoofd op eenen steen te rusten nederlegde. Hij droomde en zag eene ladder, die op de aarde stond en. tot den hemel reikte, en langs welke Gods engelen opklommen en nederdaalden; omhoog zag hij God zeiven, die op het boveneinde der ladder rustte en vol van liefde zijne oogen op hem gevestigd hield. En God sprak tot Jakob: Ik ben de Heer, de God van Abraham en van Isaak. Het land , waarop gij slaapt, zal Ik aan u en uw geslacht geven. En uw geslacht zal talrijk zijn als het stof der aarde; en in u en in uwen Nakomeling zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Ik zal uw geleider zijn, waarheen gij ook gaat, en Ik zal u terugvoeren in dit land en niet verlaten, totdat ik alles, wat Ik gezegd heb, zal vervuld hebben.

Toen Jakob ontwaakte, riep hij vol eerbied uit: Voorwaar, de Heer is hier! en ik wist het niet. Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Het is hier niets anders dan het huis Gods en de poort des hemels. Hij richtte den steen, waarop zijn hoofd gerust had, tot een gedenkteeken op en zalfde dien met olie; de heilige plaats ontving den naam van Bethel, dat is, huis Gods. Vol vertrouwen reisde hij nu voort en kwam eindelijk in de nabijheid van Haran bij eenen waterput, waar hij eenige herders vond. Broeders, vroeg hij, van waar zijt gij? — Van Haran.— Kent gij dan Laban, Nachors zoon? -— Zeer goed. — Is hij welvarend? — O ja, en zie, daar ginds komt zijne dochter Rachel met hare kudde. Jakob maakte zich nu aan zijne nicht Rachel bekend, en werd vervolgens door Laban met hartelijke vriendschap in huis opgenomen.

Jakob hoedde de kudde van zijnen oom en toonde, dat hij een zeer bekwaam herder was. Laban wilde hem loon geven en liet het aan hem zeiven over dit te bepalen. Toen zeide [Jakob, dat hij zeven jaar lang dienstbaar wilde zijn, indien] hij dan Rachel tot echtgenoote ontvangen zou. Laban keurde dit goed; doch toen de zeven jaren voorbij

ocr page 361

33

waren, bedroog hij zijnen neef en gaf hem, in plaats van Rachel, zijne oudere dochter Lia ten huwelijk, en eischte dat Jakob, om Rachel te bekomen, hem nogmaals zeven jaren dienen zou. Jakob bewilligde hierin. Zijn huisgezin groeide nu spoedig aan, en hij kreeg elf zonen en ééne dochter ; de namen der zonen waren, RubenSimeon , Levi, lt;1 Jnda, Dan, Nephiali, Gad, Aser, Is sac har, Zahnlon ; de jongste, wiens moeder Rachel was, heette de naam

der dochter was Dina. Toen de veertien dienstjaren voorbij waren, wilde Jakob naar zijn vaderland terugkeeren. Laban echter liet hem niet vertrekken, maar beloofde hem een gedeelte van zijn vee te zullen afstaan, opdat Jakob ook zelf eigendom bezitten zou. Jakob liet zich weder vinden; en ofschoon zijn gierige schoonvader alles deed wat hij kon om hem te benadeeleir, vermeerden zijne bezittingen door Gods zegen en zijne eigene bekwaamheid zoozeer, dat hij, zes jaren later, een zeer rijk man was.

De heilige plaats, waaraan Jakob den naam gaf van Huis Gods, is eene afbeelding van onze kerken, die huizen van God zijn, omdat onze Heer Jesus Christus daar in het H. Sakrament des altaars wezenlijk tegenwoordig is. In onze kerken klimmen de Engelen ook op naar den hemel, om onze gebeden aan God op te dragen, en dalen zij weder van den hemel neder, om de gaven van God aan ons te brengen.

XX. Jakobs Lotgevallen tot aan den Dood van Isaak.

Jakob bemerkte, dat zijn schoonvader en zijne schoonbroeders zijnen rijkdom met geene goede oogen konden aanzien, en hoe langer hoe vijandelijker tegen hem werden ; daarenboven ontving hij van God den last om naar zijn geboorteland terug te keeren. Toen nu eens Laban zich voor eenige dagen van huis begeven moest, nam Jakob de gelegenheid waar om met zijn huisgezin en zijn vee te vertrekken. Hij was reeds ver voortgereisd, toer# Laban zijn vertrek vernam; toornig riep deze terstond al zijne bloedverwanten te zamen en trok gewapend op, om Jakob met geweld te [doen terugkeeren of hem anders alles, wat hij bezat, te ontnemen. Hij haalde zijnen schoonzoon in, toen deze reeds dicht bij Kanaan gekomen was; doch

ocr page 362

34

God beschermde Jakob. Hij zeide tot Laban in eenen droom; Wacht u een hard woord tegen Jakob te spreken! De ontmoeting liep toen zeer goed af, en Laban sloot met zijnen schoonzoon een verbond van vriendschap; daarop keerde hij naar Haran terug, en Jakob reisde voort naar den Jordaan, om dien vervolgens over te trekken en in Kanaan te komen.

Jakob hoopte wel, dat de toorn van zijnen broeder Ezau bedaard zou wezen, maar was toch zeer bevreesd. Toen gaf God hem de verzekering dat Hij zijn helper wegen zou: Jakob zag namelijk eene menigte engelen, die hem te gemoet kwamen, en riep verheugd uit: Dit is het leger Gods! Hij zond nu boden vooruit naar zijnen broeder Ezau. De boden kwamen terug met de boodschap: Ezau zelf snelt u tegemoet met 400 man! Jakob meende nu, dat hij verloren was; echter bleef hij op God vertrouwen. God van Abraham, bad hij. God van mijnen vader Isaak! red mij uit de hand van Ezau, want ik ben zeer beangst voor hem, dat hij mij overvalle en al de mijnen ombrenge. Hij koos toen uit zijne schapen, koeien, geiten, kameelen en ezels rijke geschenken uit en zond die onder het opzicht van trouwe dienaars Ezau te gemoet. In den volgenden nacht voerde hij zijne vrouwen en kinderen met zijne kudden over eene beek, om ze meer in veiligheid te brengen , en wilde ook zelf daarover gaan, toen hij eensklaps tegenover zich eenen man zag staan, die hem aangreep en met hem zvorstelde tot aan den morgen toe. Toen wilde de man, dien Jakob voor eenen engel erkend had, weggaan ; doch Jakob zeide: Ik laat u niet gaan tenzij gij mij gezegend hebt. De engel zegende hem en veranderde ook zijnen naam in Israel, zeggende: Daar gij tegen God sterk zijt geweest, hoeveel te meer zult gij sterk zijn tegen de menschen ? — Israël beteekent: held Gods.

De zon kwam juist op, toen Jakob de plaats der worsteling verliet * tegelijk ontdekte hij in de verte de schittering der wapenen van Ezau's leger. Jakob ging zijnen broeder te gemoet en boog zich zevenmaal voor hem ter aarde neder. En Ezau snelde tot hem, drukte hem aan zijn hart en kuste hem onder het storten van vreugdetranen. Daarop vroeg hij : Wie zijn deze allen? behooren zij u? —

ocr page 363

35

Het zijn de kinderen, antwoordde Jakob, die God mij geschonken heeft. En de vrouwen met hare kinderen kwamen zich voor Ezau nederbuigen. Deze vroeg verder: Wat beduiden die kudden, welke ik ontmoet heb? — Het zijn geschenken, sprak Jakob, die ik vooruitgezonden heb, opdat ik genade mocht vinden voor mijnen heer. Doch Ezau hernam: Ik bezit zeer veel, mijn broeder! behoud gij het uwe. Maar Jakob smeekte; Neen, niet zoo, bid ik u; als ik genade in uwe oogen gevonden heb., ontvang dan dat kleine geschenk uit mijne handen ! Ezau voldeed toen aan het verlangen zijns broeders en keerde naar zijn land terug; Jakob trok over den Jordaan cn vestigde zich nabij de stad Sic hein, waar hij een altaar bouwde en eenen waterput groef.

Terwijl Jakob daar woonde, ging zijne dochter Dina eens naar de stad en werd er op.eene erge wijze mishandeld. Hare twee broeders Simeon en Levi namen daarover, buiten weten van hunnen vader, verschrikkelijke wraak en vermoordden al de mannen van Sichem, ofschoon deze geen schuld hadden. Jakob was zeer verontwaardigd en bedroefd over die onrechtvaardige en wreede handeling, en durfde niet langer op deze plaats blijven; het was ook de wil van God, dat hij vertrekken zou. Eer hij naar Bethel, de heilige plaats, waar God hem vroeger verschenen was, op reis ging, riep hij al de zijnen te zamen, en gebood hun al de afgodische beelden en versierselen, die zij uit Haran hadden medegenomen, van zich af te werpen ; allen gehoorzaamden en Jacob begroef beelden en sieraden in eenen diepen kuil.

Te Bethel had Jakob wederom eene verschijning van God, die al zijne vorige beloften herhaalde. Vervolgens trok Jakob voort naar Hebron, waar zijn oude vader nog leefde. Toen hij nabij de stad Bethlehem gekomen was, werd zijn zoon Benjamin geboren, maar tegelijk stierf zijne echtgenoote Rachel, die langs den weg begraven werd. Te Hebron zag Jakob zijnen vader terug; zijne moeder Rebekka was reeds overleden. Isaak leefde na dien tijd nog 13 jaren, en toen hij in den ouderdom van 180 jaren gestorven was, werd hij door Jakob en Ezau begraven naast de lijken van Abraham, Sara en Rebekka.

ocr page 364

36

Naar Jakobs nieuwen naam Israël, worden zijne nakomelingen Israëlieten geheeten. Joden heeten zij naar Jnda, den vierden zoon van Jakob. De naam Hebreen beteekent menschen, die over de rivier getrokken zijn, en werd aan de Joden gegeven, omdat hun stamvader Abraham over de rivier den Euphraat naar Kanaan gekomen was.

Jakob en Ezau zijn in hunne verzoening beiden voor ons een voorbeeld. Als wij iemand beleedigd hebben, moeten wij evenals Jakob, ons vernederen en ons best doen om het gedane onrecht te herstellen; en als iemand ons beleedigd heeft, moeten wij, even- / als Ezau, geen wraak nemen maar vergeven en zelfs over het voor-' gevallene niet meer spreken.

XXI. Jozef door zijne Broeders mishandeld.

De tien oudste zonen van Jakob waren geen brave menschen, doch Jozef was een voorbeeld van deugd. Wanneer zijne broeders kwaad deden, volgde hij hun voorbeeld niet, en toen eenigen eens eene groote misdaad bedreven, zeide hij het, gelijk het zijn plicht was, aan zijnen vader. Geen wonder dat Jakob zijnen deugdzamen zoon op eene bijzondere wijze liefhad; eens toonde hij die liefde door hem een schoon kleed, een veelklenrigen rok, ten geschenke te geven. Toen werden zijne broeders zoo nijdig, dat zij hem geen goed woord meer konden toespreken.

Het gebeurde nu dat Jozef twee droomen had , die hij in zijne eenvoudigheid aan zijne broeders verhaalde: Ik verbeeldde mij dat wij op den akker schoven bonden, en dat mijne schoof rechtop stond, en dat uwe schoven zich in het rond voor de mijne nederbogen. En een anderen keer zeide hij tot hen ; Ik zag in den droom de zon, de maan en elf sterren zich als nederbuigen voor mij. Toornig riepen de broeders hem toe: Zoudt gij dan onze koning wezen, en wij onderworpen zijn aan uwe heerschappij ? Ook zijn vader berispte hem en zeide: Zouden ik, uwe moeder en uwe broeders ons ter aarde buigen voor u ? Doch later dacht Jakob, dat die twee droomen van Jozef toch wel eene voorspelling van God konden wezen,- de

ocr page 365

37

broeders echter haatten Jozef hoe langer hoe meer, en dachten er zelfs aan hunnen broeder van kant te maken.

Eenigen tijd daarna bevonden de zonen van Jakob zich met het vee huns vaders in de omstreken van Sichem, twintig uren van Hebron. Jozef was niet met hen gegaan, maar werd door zijnen vader gezonden om naar den welstand zijner broeders te vernemen. Terstond was hij bereid om de reis te aanvaarden; hij trok het schoone kleed aan, dat hij van zijnen vader ontvangen had, en ging op weg. Te Sichem gekomen, vond hij echter zijne broeders niet, maar vernam dat zij nog zes uren verder, naar Dothan, gegaan waren. Op nieuw wandelde Jozef voort, totdat hij eindelijk de kudden en de tenten zijner broeders in het oog kreeg. Deze zagen hem ook naderen en spraken tot elkander: Daar komt de droomer! laat ons hem doodslaan en hem in een ouden put werpen! en wij zullen zeggen, dat een wild dier hem verscheurd heeft; en dan zal het blijken, wat zijne droomen hem baten. Ruben, die de oudste was, zeide nu; Vermoordt hem niet, maar werpt hem levend in gindschen put. Dit zeide Ruben met het doel om Jozef later in stilte te verlossen.

Ondertusschen was Jozef genaderd. Zijne broeders grepen hem eens'klaps aan, scheurden hem het schoone kleed van het lijf en wierpen hem in den drogen put. Doof voor zijn bidden om genade, gevoelloos voor zijn angstig geschei, gingen zij aan den maaltijd zitten. Ruben had zich intusschen verwijderd. Terwijl zij aten, zagen zij eenige Arabische kooplieden voorbijtrekken, die naar Egypte gingen. Toen zeide Juda tot zijne broeders; Waartoe dient het, dat wij onzen broeder om het leven brengen ? Het is beter hem te verkoopen en onze handen niet te bevlekken: hij is toch onze broeder. Nu werd Jozef uit den put opgetrokken en voor twintig zilveren geldstukken aan de Arabische kooplieden als slaaf verkocht.

Toen de broeders zich verwijderd hadden, kwam Ruben in stilte bij den put terug om Jozef daaruit te verlossen en naar zijnen vader te laten terugkeeren; doch hem niet meer vindend, scheurde hij zijne kleederen en vloog naar de anderen, roepend; De jongeling is er niet! en ik, waar berg ik mij ? Zij verhaalden hem wat er gebeurd was, en

ocr page 366

38

daarop brachten zij hun plan om Jakob te bedriegen ten uitvoer. Zij slachtten eenen bok, doopten het verscheurde kleed van Jozef in het bloed en zonden iemand naar hunnen vader met de tijding: Dit hebben wij gevonden; zie of het al dan niet het kleed van uwen zoon is. Zoodra Jakob het bloedige overblijfsel van zijnen lieveling aanschouwde, riep hij weenend uit: Het is het kleed van mijnen zoon! een wild dier heeft hem verslonden, een dier heeft Jozef verscheurd! Zijne zonen kwamen eenigen tijd later terug en wilden hem troosten; maar hij sprak: Treurend zal ik nederdalen tot mijnen zoon in het graf. Zoo zat de troostelooze grijsaard weenend neder in gescheurde kleederen en bedekt met rouwgewaad.

Onze Zaligmaker werd ook door de Joden, wier broeder Hij was naar zijne menschelijke natuur, benijd en gehaat; door een van zijne Apostelen, die Hij bijzonder beminde, werd Hij voor dertig • zilverlingen verkocht; maar ook voor Hem was vernedering en

lijden de weg naar zijne heerlijkheid.

llfr

XXII. Jozef in Slavernij en Gevangenis.

Jozef werd naar Egypte gevoerd' en aldaar gekocht ^ ( door PutipJiar, den overste der koninklijke lijfwacht. Hij moest nu slavenwerk verrichten; maar God zegende het huis van den Egyptenaar om wille van Jozef, zoodat Putiphar zijnen slaaf lief kreeg en hem het opzicht gaf over zijn geheel huis. Doch na tien jaren trof hem eene zware ramp. De vrouw van Putiphar wilde hem tot groot kwaad verleiden, maar Jozef luisterde niet naar haar en zeide : Hoe kan ik zulk ecu kwaad doen en zondigen tegen mijnen God? Eens, toen hij ergens in huis alleen was, kwam zij weder bij hem en greep hem bij zijnen mantel vast, doch Jozef nam de vlucht en liet zijnen mantel in hare handen. Nu beschuldigde de ondeugende vrouw den braven jongeling van het kwaad, dat zij zelve bedreven had ; haar man was zeer vergramd en liet Jozef aanstonds in de gevangenis werpen.

God beschermde hem ook in den kerker en maakte hem behaaglijk in de oogen van den opzichter der gevangenis, die Jozef met het oppassen der andere gevangenen

ocr page 367

39

belastte. Nu gebeurde het, dat twee voorname hof bedienden CMl van den Egyptischen koning Pharao in de gevangenis werden gebracht; de een was de opperste der bakkers, dt andere de opperste der schenkers. Op zekeren morgen waren deze twee mannen zeer treurig. Jozef vroeg de reden daarvan, en zij antwoordden: Wij hebben eenen droom gehad, en er is niemand om ons dien uit te leggen. — Is die uitlegging niet eene gave Gods ? hernam Jozef; en vol vertrouwen op God voegde hij er bij : Verhaalt mij, wat gij gezien hebt. De schenker sprak het eerst; Ik zag voor mij eenen wijnstok met drie ranken achtereenvoigens groeien, uitbotten, bloesem en eindelijk rijpe druiven dragen. En ik had den beker van Pharao in mijne hand,

en ik nam de druiven en perste ze uit in den beker en gaf dien toen aan Pharao. God openbaarde aan Jozef de beteekenis van dezen droom, en hij zeide: De drie ranken beteekenen drie dagen. Nog drie dagen, en Pharao zal aan u denken en u in uwe vorige bediening herstellen; gij zult hem , evenals vroeger, weder den wijnbeker aanbieden. En nu verzoek ik u: als gij weder gelukkig zijt,

denk dan aan mij en wees mijn voorspreker bij den koning,

opdat hij mij uit deze gevangenis verlosse; want ik ben weggestolen uit het land der Hebreen en onschuldig in dezen kerker opgesloten.

Nu verhaalde de bakker, wat hij gedroomd had : Ik droeg drie broodkorven op mijn hoofd; in den bovensten korf was allerlei gebak, en de vogels des hemels kwamen daarvan eten. Jozef zeide: De drie korven beteekenen drie dagen. Nog drie dagen, en Pharao zal uw hoofd afhouwen en u aan een kruis ophangen, en de roofvogels zullen uw vleesch eten.

Na drie dagen vierde Pharao zijnen geboortedag. Den schenker, wiens onschuld nu bekend geworden was, stelde hij in vrijheid, en den bakker deed hij ter dood brengen en aan den schandpaal ophangen, juist zooals Jozef voorspeld had. De schenker was echter ondankbaar genoeg om Jozef te vergeten, en deze moest nog twee jaren in de gevangenis blijven.

ocr page 368

40

Jozef tusschen de twee gevangenen, waarvan de eene in eer hersteld en de andere gedood wordt, is eene schoone afbeelding van onzen Heer Jesus Christus, die tusschen twee boosdoeners aan het kruis hing, en aan den ééne de hemelsche heerlijkheid beloofde.

Kinderen! leert van den heiligen jongeling Jozef, wat gij doen moet om de deugd, en vooral de deugd van zuiverheid, te bewaren. Vooreerst moet gij altoos denken dat God u overal ziet, en als de duivel of iemand anders u tot kwaad wil verleiden, moet gij zeggen ; Hoe kan ik zulk een kwaad doen en zondigen tegen mijnen God? En ten tweede moet gij de verleiders en alle personen, die gevaarlijk zijn, ontvluchten en liever alles verliezen dan de zuiverheid uwer ziel bevlekken. Niets op de wereld is zoo dierbaar en zoo behagelijk in de oogen van God en van zijne heilige engelen als eene kuische ziel.

XXIII. Jozefs Verlossing, Verheffing en Bestuur.

God zond twee droomen aan den koning van Egypte. Hij meende te staan aan den oever van de groote rivier den Nijl, en zag zeven vette koeien uit het water op het land stijgen en grazen. Daarna kwamen zeven magere koeien uit de rivier op ; en de magere koeien verslonden de vette geheel en al, en bleven toch even mager als te voren. De koning werd wakker, maar viel spoedig weder in slaap en droomde voor de tweede maal. Nu zag hij eenen korenhalm, waaruit zeven schoone en volle aren opgroeiden; vervolgens kwamen er zeven ledige en verschroeide aren te voorschijn, en deze verteerden de eerste zeven, zoodat er niets van overbleef.

Pharao riep des morgens alle Egyptische wijzen en droomuitleggers te zamen; maar niemand kon zeggen, wat de droomen des konings beduidden. Toen eindelijk dacht de opperste der schenkers aan Jozef, en hij verhaalde aan Pharao, hoe een Hebreeuwsch jongeling aan hem en den opperste der bakkers, toen zij te zamen in de gevangenis waren, alles voorspeld had, wat hun later overkomen was. Terstond beval Pharao Jozef aan hst hof te brengen. Men schoor hem den baard af, gaf hem andere kleederen en voerde hem tot den koning. Ik heb droomen gehad , en er is niemand die ze kan uitleggen , zeide Pharao tot Jozef; maar gij zijt, naar ik hoor, een zeer bekwaam droomverklaarder. Jozef antwoorde: Niet ik, maar God zal eene gunstige uitlegging geven aan den koning. Nu

ocr page 369

41

verhaalde Pharao, wat hij gedroomd had. Jozef zag de toekomst voor zich open en zeide terstond, dat de twee droomen des konings één van beteekenis waren, en dat God aan Pharao geopenbaard had, wat Hij voornemens was te doen. De zeven vette koeien en de zeven volle korenaren beteekenden zeven jaren van overvloed ; de zeven magere koeien en de zeven ledige aren beteekenden zeven jaren van hongersnood. Eerst zouden er zeven jaren van groote vruchtbaarheid komen, en daarna zeven jaren, waarin niets groeien zou, en waarin de vorige overvloed geheel verteerd zou worden. Verwonderd en verschrikt zagen allen Jozef aan, die voortging: Nu derhalve zie de koning uit naar een wijs en kundig man en stelle dien aan over geheel Egypteland; en dat deze het vijfde deel van de opbrengst der vruchtbare jaren in de magazijnen beware, opdat er voorraad zij tegen de zeven jaren van hongersnood, en het land niet van gebrek verga.

Uit alles, wat Jozef gesproken had, straalde zooveel wijsheid uit, dat de koning tot degenen , welke hem omringden , zeide: Zouden wij eenen man kunnen vinden, die, gelijk deze, vol is van den geest Gods? En daarop sprak hij tot Jozef; Omdat God u dit alles geopenbaard heeft, is er niemand zoo wijs als gij. Gij zult zijn over geheel mijn huis, en het gansche volk zal uwe bevelen gehoorzamen; slechts door den koningstroon zal ik boven u verheven zijn. Zie ik heb u gesteld over geheel Egypteland. Tegelijk stak Pharao zijn eigen ring aan den vinger van Jozef, schonk hem het vorstelijk kleed en den halsketen, en deed hem rijden op den eerewagen, terwijl een heraut voor-afging en riep: Buigt de knie, en weet dat deze gesteld is over het geheele land van Egypte.

Zoo was Jozef ojj éénen dag van een gevangen slaaf veranderd in onderkoning van een groot land. Hij onving een nieuwen naam, die Behouder der zvereld beteekende, en trad in het huwelijk met eene adellijke jonkvrouw, die hem twee zonen schonk, Manasses en Ephraiin. Hij sloeg nu terstond de handen aan het werk; hij reisde het geheele land door, deed in alle steden magazijnen bouwen en daarin het vijfde gedeelte van het koren, dat in overvloed groeide, te zamen brengen en bewaren. Aldus gingen

ocr page 370

42

de zeven vruchtbare jaren voorbij. Toen mislukte de oogst het eene jaar na het andere; reeds in het tweede jaar had het volk gebrek en riep tot den koning om brood. Gaat tot Jozef, zeide toen Pharao, en doet wat hij u zeggen zal. Jozef begon nu het opgelegde koren te verkoopen, en er was zulk een voorraad, dat hij ook andere volken, die dicht bij Egypte woonden, van levensmiddelen kon voorzien. Toen vooral erkenden allen, dat hij den naam van Behouder der wereld waarlijk verdiende.

Jozef was in zijne verheffing, evenals in zijn lijden, eene afbeelding van den Verlosser. Christus trad vol van heerlijkheid uit den kerker van zijn graf te voorschijn; zijn hemelsche Vader, die de Koning aller koningen is, plaatste Hem op een troon van glorie; voor Hem buigen zich de knieën van allen, die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn. Onze Heer Jesus Christus is door zijn lijden en sterven de Behouder der wereld geworden, en allen, die hongeren cn dorsten naar de rechtvaardigheid, moeten tot Hem gaan, vooral in het H. Sakrament des altaars, waar Hij zijn eigen vleesch en bloed geeft tot spijs en drank onzer zielen.

Leeren wij uit de geschiedenis van Jozef, altoos op God te vertrouwen en nooit ontevreden te zijn, wanneer een of ander ongeluk ons treft. Dikwijls gebruikt God dat ongeluk als middel, om ons later tot een groot geluk te brengen. Als Jozef niet voor slaaf verkocht en niet in de gevangenis geworpen was, zou hij geen onderkoning van Egypte geworden zijn.

XXIV. Eerste Reis van Jozefs Broeders naar Egypte.

£./ c yi

De hongersnood heerschte ook in het land Kanaan, waar vader Jakob met zijne zonen woonde. Het was nu reeds vele jaren geleden, dat hij Jozef verloren had ; zijne zonen hadden zich in dien tijd bekeerd en waren nu brave menschen geworden; zij dachten, evenals hun vader, dat Jozef dood was. In het tweede jaar van den hongersnood vernam Jakob, dat er in Egypte koren te koop was, en hij sprak tot zijne zonen: Gaat naar Egypte en koopt ons levensmiddelen, opdat wij niet van gebrek omkomen. Terstond gingen de tien oudste broeders op reis; den jongste. Benjamin, hield de vader bij zich, want hij dacht nog aan Jozef en vreesde, dat er aan Benjamin, die nu zijn lieveling was, iets kwaads zou overkomen.

De broeders kwamen met hunne ezels in de hoofdstad

ocr page 371

43

van Egypte aan cn gingen naar het gebouw, waar de onderkoning zich bevond. Zoodra zij hem zagen, bogen zij zich voor hem neder en vielen met hun aangezicht ter aarde. Jozef had hen aanstonds herkend en, toen zij daar voor hem geknield lagen, dacht hij aan den droom zijner jeugd, die nu vervuld werd. Wat zal Jozef nu doen ? zich wreken? Neen! daaraan denkt hij niet eens; maar hij wil zijne broeders beproeven en zien, of zij zich verbeterd hebben.

De broeders stonden weder op, maar zij herkenden Jozef, die altijd met zijnen Egyptischen naam genoemd werd, niet. Van waar komt gij? vroeg Jozef. Hij sprak Egyptisch en hield zich, alsof hij de Joodsche taal niet kende; een tolk vertaalde zijne woorden, en de broeders antwoordden: Wij komen uit het land Kanaan om levensmiddelen te koopen. Jozef hernam; Gij zijt verspieders; gij zijt gekomen om te zien, waar het land onbeschermd is. Verschrikt antwoordden de broeders: Neen, heer! uwe dienaars zijn gekomen in vrede, zonder kwade bedoeling. Maar Jozef hield vol: Het is niet zoo; gij zijt gekomen om de opene plaatsen van het land te verspieden. Zij verklaarden nu verder, wie zij waren: Wij zijn broeders, twaalf in getal, zonen van éenen man, die* in Kanaan woont ; de jongste broeder bleef bij onzen vader, de andere is niet meer. -—• Wat vreugde voor Jozef, te hooren, dat zijn vader en zijn broeder Benjamin nog leefden! Hij deed echter, alsof hij niet geloofde, wat de broeders verklaard hadden, en zeide: Nu zal ik u op de proef stellen. Zendt één van u, om uwen jongsten broeder te halen ; en gij zult gevangen blijven, totdat het bewezen is, of gij waarheid gesproken hebt. En Jozef liet hen alle tien naar de gevangenis brengen.

Drie dagen later deed hij hen weder voor zich komen en sprak veel vriendelijker: Doet wat ik u zeg, en gij zult leven; want ik vrees God. In plaats van negen, zou hij er slechts één gevangen houden; de anderen mochten naar Kanaan terugkeeren, om den jongsten broeder te halen. De broeders waren zeer verslagen; nu kwam het hun in de gedachte, wat zij vroeger aan Jozef gedaan hadden, en zij zeiden tot elkander: Dit hebben wij verdiend, omdat wij gezondigd hebben tegen onzen broeder; wij zagen de

ocr page 372

44

benauwdheid zijner ziel, toen hij ons smeekte, maar wij hoorden hem niet; daarom komt deze kwelling over ons. Jozef hoorde en verstond al deze woorden, en werd er zoodanig door getroffen, dat hij zich verwijderen moest; want hij kon zijne tranen niet inhouden. Vervolgens werd Simeon voor de oogen der overigen geboeid en weggevoerd. De zakken der negen anderen werden met koren gevuld, en Jozef gaf bevel om het geld, dat zij betaald hadden, boven in een der zakken van iederen broeder te leggen.

Zeer bedroefd vertrokken zij en kwamen aan eene herberg, waar zij zouden overnachten. Een hunner opende daar eenen korenzak, om zijnen ezel voeder te geven, en riep uit: Het geld is mij teruggegeven! ziet, daar ligt het in den zak! Allen waren verschrikt en zeiden: Wat laat God ons nu overkomen! Nu zou de onderkoning misschien denken, dat zij dieven waren !

Zij kwamen te huis en verhaalden aan Jakob, wat hun wedervaren was. Bij het uitschudden der zakken, vonden zij al hun geld terug; dit vermeerderde hunne verslagenheid ; doch de oude vader was vooral bedroefd, omdat de onderkoning Benjamin wilde zien. Ach, klaagde hij. Jozef is niet meer, Simeon is gevangen, en gij zoudt ook Benjamin wegnemen? Al deze rampen komen op mij! En hij wilde Benjamin niet laten vertrekken. Mijn kind zal niet met u gaan, zeide hij; als hem iets overkwam in dat vreemde land, dan zoudt gij mijne grijze haren met jammer in het graf doen dalen.

Er gingen eenige maanden voorbij, en de voorraad was bijna verteerd. Gaat weder een weinig spijs voor ons koopen, zeide Jakob. Toen sprak Juda: Die man heeft gezworen, dat wij zijn aangezicht niet meer zullen zien, als wij onzen jongsten broeder niet medebrengen. Wilt gij Benjamin met ons laten gaan, dan zullen wij optrekken en het noodige voor u koopen; wilt gij het echter niet, dan zullen wij niet gaan. Ik blijf borg voor Benjamin ; indien ik hem niet terugvoer en aan u niet wedergeef, zal ik voor altoos schuldig zijn aan zonde tegen u.

Toen gaf vader Jakob eindelijk toe. Moet het zoo wezen , zeide hij zuchtend, doet dan wat gij wilt. De broeders namen geschenken mede voor den heer van Egypte en

ocr page 373

45

eenc dubbele som geld, om het teruggevondene weder te geven en om nieuw koren te koopen. Toen zij vertrokken , zegende de grijze vader hen: Mijn God, de Almachtige, make dat die man u genadig zij, opdat hij Simeon en Benjamin met u late terugkeeren. — O, had Jakob geweten, wie die man was, voor wien hij zoozeer vreesde!

XXV. Tweede Reis.

Zoodra Jozef zijne broeders terug zag, gebood hij zijnen-hofmeester hen naar zijn paleis te geleiden en eenen maaltijd voor hen gereed te maken. De broeders wisten niet, waarom zij terstond het gebouw, waar het koren verkocht werd, moesten verlaten, en meenden dat zij, om het geld, dat zij in hunne zakken gevonden hadden, naar de gevangenis gebracht werden. Toen zij bij de deur van het paleis gekomen waren, zeiden zij tot den hofmeester, dat zij het teruggevondene geld weder hadden medegebracht, en ook ander geld, om nu koren te koopen; dat zij niet wisten, wie het vorige geld in hunne zakken gelegd had. De hofmeester zeide : Vreest niet! Uw God en de God uws vaders heeft schatten in uwe zakken gelegd ; want het geld, door u aan mij betaald, heb ik in orde bevonden. Tevens verhaalde hij hun, dat zij dien middag met den onderkoning zouden eten. Simeon kwam nu ook bij hen, en allen waren gerust en verheugd.

Tegen den middag kwam Jozef en, terwijl de broeders zich nederbogen en hunne geschenken aanboden, vroeg hij, altoos door middel van zijnen tolk: Is uw oude vader nog in leven en gezond? — Uw dienaar, onze vader, leeft nog en is gezond, antwoordden zij. Daarop sloeg Jozef zijne oogen op Benjamin en zeide: Dit is dan uw jongste broeder, over wien gij gesproken hebt; en tot Benjamin zeide hij: God zij u genadig, mijn zoon! Meer kon hij niet spreken, en hij moest zich aanstonds verwijderen in een ander vertrek, om door tranen lucht te geven aan

' O

zijn overstelpt gemoed.

Men zat aan tafel, en de broeders verwonderden zich zeer, dat zij juist volgens hunnen ouderdom geplaatst waren ; doch zij hielden dit voor een toeval. Benjamin werd met

ocr page 374

44

benauwdheid zijner ziel, toen hij ons smeekte, maar wij hoorden hem niet; daarom komt deze kwelling over ons. Jozef hoorde en verstond al deze woorden, en werd er zoodanig door getroffen, dat hij zich verwijderen moest; want hij kon zijne tranen niet inhouden. Vervolgens werd Sii/woH voor de oogen der overigen geboeid en weggevoerd. De zakken der negen anderen werden met koren gevuld, en Jozef gaf bevel om het geld, dat zij betaald hadden, boven in een der zakken van iederen broeder te leggen.

Zeer bedroefd vertrokken zij en kwamen aan eene herberg, waar zij zouden overnachten. Een hunner opende daar eenen korenzak, om zijnen ezel voeder te geven, en riep uit: Het geld is mij teruggegeven! ziet, daar ligt het in den zak ! Allen waren verschrikt en zeiden : Wat laat God ons nu overkomen! Xu zou de onderkoning misschien denken, dat zij dieven waren !

Zij kwamen te huis en verhaalden aan Jakob, wat hun wedervaren was. Hij het uitschudden der zakken, vonden zij al hun geld terug; dit vermeerderde hunne verslagenheid ; doch de oude vader was vooral bedroefd, omdat de onderkoning Benjamin wilde zien. Ach, klaagde hij, Jozef is niet meer, Simeon is gevangen , en gij zoudt ook Benjamin wegnemen? Al deze rampen komen op mij! En hij wilde Benjamin niet laten vertrekken. Mijn kind zal niet met u gaan, zeide hij ; als hem iets overkwam in dat vreemde land, dan zoudt gij mijne grijze haren met jammer in het grat doen dalen.

Er gingen eenige maanden voorbij, en de voorraad was bijna verteerd. Gaat weder een weinig spijs voor ons koopen, zeide Jakob. Toen sprak Juda: Die man heeft gezworen, dat wij zijn aangezicht niet meer zullen zien, als wij onzen jongsten broeder niet medebrengen. \\ ilt gij Benjamin met ons laten gaan, dan zullen wij optrekken en het noodige voor u koopen; wilt gij het echter niet, dan zullen wij niet gaan. Ik blijf borg voor Benjamin : indien ik hem niet terugvoer en aan u niet wedergeef, zal ik voor altoos schuldig zijn aan zonde tegen u.

Toen gaf vader Jakob eindelijk toe. Moet het zoo wezen , zeide hij zuchtend, doet dan wat gij wilt. De broeders namen geschenken mede voor den heer van Egypte en

ocr page 375

45

ccne dubbele som geld, om het teruggevondene weder te geven en om nieuw koren te koopen. Toen zij vertrokken ,

zegende de grijze vader hen: Mijn God, de Almachtige,

make dat die man u genadig zij, opdat hij Simeon en Benjamin met u late terugkeeren. — O, had Jakob geweten, wie die man was, voor wien hij zoozeer vreesde!

XXV. Tweede Reis.

^ L'Z ■

Zoodra Jozef zijne broeders terug zag, gebood hij zijnen' hofmeester hen naar zijn paleis te geleiden en eenen maaltijd voor hen gereed te maken. De broeders wisten niet, waarom zij terstond het gebouw, waar het koren verkocht werd,

moesten verlaten , en meenden dat zij, om het geld, dat zij in hunne zakken gevonden hadden, naar de gevangenis gebracht werden. Toen zij bij de deur van het paleis gekomen waren, zeiden zij tot den hofmeester, dat zij het teruggevondene geld weder hadden medegebracht, en ook ander geld, om nu koren te koopen ; dat zij niet wisten,

wie het vorige sreld in hunne zakken lt;relelt;jd had. De hof-

O O O O

meester zeide: Vreest niet! Uw God en de God uws vaders heeft schatten in uwe zakken gelegd; want het geld, door u aan mij betaald, heb ik in orde bevonden. Tevens verhaalde hij hun, dat zij dien middag met den onderkoning zouden eten. Simeon kwam nu ook bij hen, en allen waren gerust en verheugd.

Tegen den middag kwam Jozef en, terwijl de broeders zich nederbogen en hunne geschenken aanboden, vroeg hij, altoos door middel van zijnen tolk: Is uw oude vader nog in leven en gezond? — Uw dienaar, onze vader, leeft nog en is gezond, antwoordden zij. Daarop sloeg Jozef zijne oogen op Benjamin en zeide: Dit is dan uw jongste broeder, over wien gij gesproken hebt; en tot Benjamin zeide hij: God zij u genadig, mijn zoon! Meer kon hij niet spreken, cn hij moest zich aanstonds verwijderen in een ander vertrek, om door tranen lucht te geven aan

' O

zijn overstelpt gemoed.

Men zat aan tafel, cn de broeders verwonderden zich zeer, dat zij juist volgens hunnen ouderdom geplaatst waren ;

doch zij hielden dit voor een toeval. Benjamin werd met

ocr page 376

46

bijzondere onderscheiding behandeld en met veel meer eer dan de anderen; de broeders zagen het wel, maar waren er volstrekt niet jaloersch om; zij aten en dronken in vroolijkheid.

U ^ ^ Den volgenden morgen zouden zij vertrekken. Jozef wilde hen nog op ééne proef stellen : zij hadden vroeger door broederhaat gezondigd; nu moesten zij dat door broederliefde weder herstellen. Hij beval zijnen hofmeester de zakken der elf broeders te vullen, het geld weder daarin te leggen, en daarenboven zijn eigen zilveren beker in den zak van den jongste te verbergen.

^ De broeders verlieten de stad even opgeruimd als zij

de eerste maal neerslachtig waren ; doch nauwelijks waren zij buiten dc poort, of Jozef zond hun zijnen hofmeester achterna, om hen aan te houden en van diefstal te beschuldigen. Dc hofmeester haalde hen in en riep: Waarom vergeldt gij goed met kwaad ? Dc beker, dien gij gestolen hebt, is die, waaruit mijn heer zelf drinkt; zeer slecht hebt gij gehandeld! Met verontwaardiging antwoordden zij : Hoe zouden wij goud of zilver gestolen hebben uit het huis uws heeren ? Indien bij een uwer dienaren gevonden wordt wat gij zoekt, dan zal die sterven, en wij zullen de slaven zijn van uwen heer. De hofmeester hernam: Hij, bij wien de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn; de overigen zullen zonder schuld zijn.

Reeds waren allen bezig met liet openen hunner zakken; de hofmeester begon zijn onderzoek van den oudste af; op het geld, dat weder in dc zakken lag, sloeg hij geen acht, en de broeders meenden reeds, dat hunne onschuld bewezen was, toen, bij het uitschudden van Benjamins korenzak, de beker te voorschijn kwam.

Zonder een woord te spreken, laadden zij de zakken op hunne ezels en keerden naar de stad terug; niemand dacht er aan, om Benjamin in het ongeluk te verlaten. Zij verschenen voor Jozef en wierpen zich ter aarde neder. Waarom hebt gij dit gedaan? vroeg Jozef. Juda sprak: Wat zullen wij aan mijnen heer antwoorden? hoe ons rechtvaardigen? God straft eene misdaad, die Hij in uwe dienaren gevonden heeft. Zie, wij allen zijn uwe slaven.—-Neen! zeide Jozef, die den beker genomen heeft, die is

ocr page 377

:r mijn slaaf; gaat gij vrij terug naar uwen vader. Toen

;n trad Juda een weinig nader en sprak: Ik bid u, mijn

in heer! laat uw dienaar een woord spreken, en word niet toornig. De eerste maal hebt gij ons geboden onzen jongsten

ef broeder mede te brengen, en wij verhaalden het aan onzen

:r vader. Doch hij wilde zijn geliefd kind niet laten gaan,

)r en zeide tot ons; als hem iets op den weg overkomt, dan

;r zult gij mijne grijze haren met jammer in het graf doen

;r dalen. Zoo ik derhalve tot onzen vader terugkeerde zonder

t den jongeling, aan wiens ziel zijne ziel hangt, dan zon hij sterven. Ook ben ik borg gebleven en ik heb beloofd,

ij dat ik, zoolang ik leef, schuldig tegen mijnen vader wezen

n zal, als ik zijnen zoon niet terug breng. Ik zal derhalve

;r uw slaaf blijven in de plaats van den jongeling; doch laat

gt; hem naar huis gaan met zijne broeders; want zonder den

n jongeling kan ik niet tot mijnen vader terugkeeren, opdat

n ik niet getuige zij van de smart, die mijnen vader treffen zal. it Nu kon Jozef zich niet langer inhouden ; hij deed alle ^ ^

n vreemden uitgaan, begon luid te weenen en riep : Ik hen

it Jozef! Leeft mijn vader nog? Zijne broeders konden van

n schrik geen woord uitbrengen; doch Jozef riep hen tot

n zich : Komt dichter bij mij! Ik ben Jozef, uw broeder,

, dien gij verkocht hebt naar Egypte. Weest niet beangst;

; want tot uw heil heeft God mij vóór u naar Egypte gezonden. Sedert twee jaren is nu de hongersnood in het

; land begonnen; maar er zijn nog vijf jaren over, waarin

'; men niet zal kunnen ploegen noch oogsten. Spoedt u en

n gaat tot mijnen vader en zegt hem , dat zijn zoon Jozef nog

d leeft, dat God mij aangesteld heeft tot heer over geheel

s Egypte; dat hij tot mij kome zonder uitstel. En gij zult wonen in het land Gessen, en gij zult dicht bij mij zijn;

n en daar zal ik u onderhouden, opdat niet ook gij en uw

_1 huisgezin en al, wat gij bezit, omkomt. Verkondigt mijnen

j vader al mijne heerlijkheid en alles, wat gij in Egypte

J gezien hebt; haast u en voert hem tot mij! Toen omhelsde

: Jozef Benjamin en al zijne broeders, en allen weenden

s van vreugde.

s ; De koning van Egypte vernam, dat de broeders van Jozef gekomen waren. Hij verheugde zich daarover en

y beval, dat men hun wagens zou medegeven voor hunnen

ocr page 378

48

vader en voor de vrouwen en kinderen. Jozef gaf hun allen, en vooral aan Benjamin en voor zijnen vader, rijke beschenken en liet hen toen vertrekken.

XXVI. Jakobs Reis naar Egypte en Verblijf aldaar.

Zoodra de broeders bij hunnen vader wederkwamen, riepen zij hem tegen: Uw zoon Jozef leeft! en hij is het, die heerscht over geheel Egypte! Jakob kon het eerst niet gelooven; maar toen zijne zonen hem alles verhaald en de koninklijke wagens met al de prachtige geschenken getoond hadden , sprak hij : Het is mij genoeg, als mijn zoon Jozef nog leeft! Ik wil gaan en ik zal hem zien, eer ik sterf. tl, Men vertrok van Hebron en kwam te Bersabee op de grenzen van Kanaan. Hier verscheen God aan Jakob en zeide hem: Vrees niet naar Egypte te trekken, want daar zal Ik u tot een groot volk maken. Ik zal met u daarheen gaan, en Ik zal u vandaar weder terugvoeren; en Jozef zal u de oogen sluiten. Getroost reisde Jakob nu verder en kwam met zijne zonen en kleinkinderen, zes en zestig in getal, in Egypte aan.

Juda was vooruitgegaan, om aan Jozef de komst van Jakob te boodschappen. Jozef reed hem in het land van Gessen te gemoet; toen hij hem zag, sprong hij uit zijnen wagen, viel zijnen vader om den hals en weende in zijne omhelzing. Jakob zeide: Nu zal ik verheugd sterven, daar ik uw aangezicht gezien heb, en ik u in leven achterlaat.

A Kort daarna verschenen vijf broeders voor den koning

quot; en verzochten hem, daar zij schaapherders waren, in het land Gessen te mogen wonen. De koning sprak tot Jozef: Het land van Egypte ligt vóór u ; doe hen wonen in het beste gedeelde, en geef hun het landschap Gessen. Later geleidde Jozef ook zijnen ouden vader tot den koning. De eerbiedwaardige grijsaard zegende Pharao, en toen deze hem naar zijnen ouderdom vroeg, antwoordde hij: De dagen mijner omzwerving zijn honderd en dertig jaren; weinig en kommervol, en zij reiken niet tot aan de dagen mijner vaders, welke zij hebben omgezworven. Na andermaal den zegen over Pharao uitgesproken te hebben, verliet Jakob hem. Hij leefde in Gessen nog zeventien jaren,

ocr page 379

49

omringd door de liefdevolle zorgen van zijnen doorluchtigen zoon, den beschermengel zijns ouderdoms. —Jakob kwam in Egypte in het jaar 1920 voor Christus.

Jakob noemde zijn leven op aarde eene omzwerving. Zoo moeten ook wij ons leven beschouwen, want de aarde is ons waar vaderland niet, maar eene piaats, waar wij als vreemdelingen rondzwerven en als pelgrims naar den hemel voortreizen. Welbeminden, vermaant ons de apostel Petrus, ik bid u, als uitlandigen en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleeschelijke begeerten, die strijd voeren tegen de ziel.

Van Jozef leeren wij, hoe wij onze ouders moeten beminnen en bijstaan, als zij onze hulp behoeven. Wie God vreest, zegt de H. Geest, eert zijne ouders en dient als zijne meesters degenen, die hem het leven schonken. Mijn zoon! draag zorg voor uwen vader in zijn ouderdom en bedroef hem niet in zijn leven, want de weldaad, die gij uwen vader bewijst, zal niet vergeten worden.

XXVII. Laatste Levensdagen van Jakob. Zijn Dood en Begrafenis. Dood van Jozef.

Toen Jakob 147 jaren oud was, voelde hij zijn einde naderen. Hij ontbood zijnen zoon Jozef en deed hem zweren ,

dat hij het lijk zijns vaders niet in Egypte, maar in Kanaan bij Abraham en Isaiik, begraven zou. Eenigen tijd daarna C C/lt;P. werd hij krank, en Jozef kwam weder tot hem met zijne twee zonen, Manasses en Ephraim. Jakob wilde nu, zooveel hij kon, Jozef beloonen voor al het goed, dat deze aan zijnen vader en zijne broeders bewezen had, en daarom verhief hij Jozef, ofschoon deze bijna de jongste zijner zonen was, tot den rang van eerstgeborene, en schonk hem een dubbel aandeel in zijne erfenis. Deze erfenis was het land Kanaan, dat later onder de nakomelingen van Jakobs zonen zou verdeeld worden ; nu nam Jakob Manasses en Ephraim, de zonen van Jozef, als zijne eigene zonen aan, opdat deze beiden later stamhoofden zouden worden, en Jozef aldus de vader vay twee stammen wezen zou.

Jakob wilde de twee zonen van Jozef zegenen, en Jozef knielde met hen voor zijnen vader neder. Toen legde de grijsaard zijne rechterhand op het hoofd van Ephraim en zijne linker op het hoofd van Manasses, want hij wist,

dat de jongste der twee grooter worden zou dan de oudste.

En hij zeide: De God, die mijn hoeder is van mijne

ocr page 380

So

jeugd af tot op dezen dag, zegene deze kinderen; en dat zij mogen groeien tot eene menigte op aarde. t De andere zonen van Jakob waren nu ook rondom zijn C ziekbed vergaderd. God opende toen de toekomst voor de ^ oogen van den stervenden aartsvader, en hij voorspelde, wat later aan de afstammelingen zijner zonen overkomen zou. Boven al de anderen stelde hij Juda, omdat uit den stam van Juda koning David en vooral de Verlosser dei-wereld , volgens zijne menschelijke natuur, zou geboren worden. Juda! sprak Jakob, u zullen uwe broeders loven! Voor u zullen zich buigen de zonen uws vaders! De J.lö- schepter zal aan Juda niet ontnomen worden, totdat Hij komt die gezonden zal worden; en Hij zal de ver-. wachting der volken zijn.

Na al zijne zonen toegesproken te hebben, legde Jakob C zijn hoofd neder en stierf; Jozef kuste weenend het aangezicht zijns vaders en sloot hem de oogen. Het lijk werd gebalsemd , en geheel Egypte rouwde over den vader van den onderkoning; daarna volgde de plechtige begrafenis. Jozef en zijne broeders , vergezeld door een stoet voorname Egyp-tenaars, trokken naar Kanaan en begroeven het dierbare overschot huns vaders in de spelonk van Abraham bij Hebron.

Toen zij in Egypte teruggekeerd waren, vreesden de broeders, dat Jozef hen nu misschien straffen zou, en zij zonden iemand tot hem, om nogmaals, in den naam huns vaders, vergiffenis te vragen. Jozef begon te weenen toen hij hoorde, dat zijne broeders nog aan de oprechtheid zijner liefde twijfelden, en hij zeide tot hen: Vreest niet! ik zal u en uwe kinderen blijven verzorgen. Hij leefde na den dood zijns vaders nog 54 jaren ; vóór zijn dood voorspelde hij aan zijne broeders, dat God hunne nakomelingen naar het land Kanaan zou terugvoeren, en verklaarde, dat dan ook zijne beenderen moesten medegenomen en in Kanaan moesten begraven worden. En toen stierf hij, 110 jaren oud, in het jaar 1849 voor Christus.

Jozef heeft eenen onsterfelijken naam op aarde achtergelaten en een heerlijk voorbeeld van kinder- en broederliefde, van trouw en zuiverheid, van geduld in lijden, van nederigheid in voorspoed, van onvermoeiden arbeid en van grootmoedige vergevensgezindheid, welke geen andere wraak kent dan kwaad vergelden met goed.

ocr page 381

5i

XXVIII. Beproeving en Geduld van Job.

In den tijd der aartsvaders leefde er in het land Hus een rijk en godvruchtig man, Job geheeten; hij had zeven zonen en drie dochters, vele dienstboden en eene groote menigte vee. Hij was tevens de priester van zijn huisgezin en droeg offers op voor zijne kinderen.

God liet toe, dat deze heilige man door den duivel zwaar beproefd werd; want God wilde toonen, dat Job niet om tijdelijke belangen en aardsche belooningen godvruchtig was, maar uit ware deugd; daarenboven wilde God den heiligen man Job tot een voorbeeld van geduld maken voor de geheele wereld. Daarom dan gaf Hij alles, wat Job bezat, in de macht van den duivel over.

Eenigen tijd daarna waren al de kinderen van Job bij hunnen oudsten broeder ten maaltijd genoodigd. Daar komt een der herders aan Job het bericht brengen, dat de ossen en de ezelinnen door Arabische roovers weggevoerd en al de herders vermoord zijn. Terwijl deze nog spreekt, komt een tweede zeggen, dat de bliksem de schapen gedood heeft; een derde meldt, dat de kameelen geroofd zijn, en eindelijk brengt een vierde de allernoodlottigste tijding, dat een stormwind het huis, waarin de kinderen van Job vereenigd waren, heeft doen instorten, en dat zij allen verpletterd zijn geworden.

Job stond op en scheurde zijne kleederen van droefheid ; maar hij morde niet tegen God; aanbiddend wierp hij zich ter aarde neder en sprak: De Heer heeft het gegeven , de Heer heeft het genomen; zooals het den Heer behaagde, is het ge se hied; dat de naam des Heer en gezegend zij !

Nog zwaarder moest Job beproefd worden. God liet toe, dat de duivel hem met eene pijnlijke en afschuwelijke ziekte sloeg, welke hem van het hoofd tot de voeten met booze zweren bedekte; toen werd Job uit de samenleving der menschen verbannen en zat hij op eene plaats, waar men de vuilnis wegwierp. Het zware lijden van Job werd nog verbitterd door de bespotting zijner vrouw, die niet verdragen kon, dat hij in zijne godsvrucht volhardde; maar de arme lijder zeide tot haar: Als wij het goede aannamen

ocr page 382

52

nit Gods hand, waarom zonden wij het kwade niet aannemen ?

Toen kwamen er drie vrienden van Job, om hem te beklagen; maar als zij zijne ellende zagen, konden zij geen woord spreken en zaten zwijgend met hem op den grond. Eindelijk begon Job te jammeren en te wenschen dat hij sterven mocht; en nu spraken ook zijne vrienden, doch niet om zijn lijden te verminderen, maar om hem nog meer te kwellen. Zij wilden hem namelijk doen bekennen, dat hij door zijne zonden al zijn lijden verdiend had, daar zij verkeerdelijk meenden, dat een rechtvaardig mensch nooit door onverdiend lijden kan getroffen worden. Job daarentegen hield naar waarheid vol, dat slechte menschen in dit leven dikwijls voorspoed genieten, terwijl de deugdzamen onder rampen zuchten.

'Nadat zij veel over dit onderwerp gesproken hadden, verscheen God in een onweder en bestrafte de vrienden van Job, omdat zij niet gesproken hadden, zooals het behoorde. Doch op het gebed van Job vergaf God hunne verkeerdheid. Job ontving daarop de gezondheid terug; God schonk hem zeven zonen en drie dochters, en hij werd nog eens zoo rijk en gelukkig als hij vroeger geweest was.

Job is voor alle menschen een groot voorbeeld van geduld in lijden en van vertrouwen op God, wiens raadsbesluiten over ons altoos vol van wijsheid en liefde ziin. Ook is hij eene afbeelding van Christus, die de rechtvaardigheid zelve was, van het hoofd tot de voeten met wonden overdekt en in zijn lijden nog bespot werd, maar weder tot een nieuw en glorievol leven verrees. Op dien Verlosser, die eens alle rechtvaardigen in zijne heerlijkheid zal doen deelen, hoopte Job: Ik weet, zeide hij, dat mijn Verlosser leeft, en dat ik op den jongsten dag uit de aarde verrijzen zal; en ik zal wederom bekleed worden met mijne huid en in mijn vleesch zal ik mijnen God zien. Ik zelf zal Hem zien, en mijne oogen zullen Hem aanschouwen. Deze mijne hoop is nedergelegd in mijnen boezem.

ocr page 383

TWEEDE AFDEELING.

VORMING VAN HET ISRAËLITISCHE VOLK.

(1849 -1055.)

XXIX. Slavernij der Joden in Egypte.

Dc Israëlieten hebben in het geheel 430 jaren in Egypte gewoond. Van het begin af namen zij op eene bijzondere wijze in aantal toe en mochten spoedig den naam van volk dragen. Doch deze grootheid wekte den nijd op van de Egyptenaren, en toen er een nieuwe koning, die Jozef niet gekend had, op den troon kwam, begon men de Israëlieten te onderdrukken. Ziet, zeide die koning, het volk der zonen Israels is talrijk en ons te machtig. Komt, laten wij met overleg hen verdrukken, opdat zij niet nog meer vermenigvuldigen en niet, als er tegen ons een oorlog uitbreekt, zich met onze vijanden vereenigen. De Joden moesten nu zware lasten opbrengen en hard werken ; vooral gebruikte men hen tot het vervaardigen van tichelsteenen, hetwelk de moeilijkste en ongezondste arbeid was; en daarbij werden zij door Egyptische opzichters nog bespot en mishandeld.

Dit middel baatte echter niet, want de Joden namen nog meer in aantal toe dan te voren. Toen nam de wreede koning andere maatregelen, totdat hij eindelijk aan zijne onderdanen hét bevel gaf, om alle knaapjes, die bij de Israëlieten geboren werden, in het water te werpen en te verdrinken.

God liet deze rampen aan de Joden overkomen om te beletten, dat zij zich met de Egyptenaren vermengden en langzamerhand den heidenschen godsdienst van Egypte overnamen; ook moest de verdrukking dienen, om de Joden te doen verlangen naar hunne verlossing uit Egypte en hunnen terugkeer in het land Kanaan. Zóó gebruikt God dikwijls het kwaad, dat menschen doen, tot een goed doel.

ocr page 384

54

XXX. Mozes' Geboorte, Opvoeding en Vlucht

uit Egypte.

^ 2^ In de hoofdstad van Egypte woonden twee brave echt-genooten, Aviram en Jochahcd; zij hadden eene dochter, die Maria, en een zoon, die Aaron heette. Toen hun weder een zoon geschonken werd, was het bevel van Pharao, om alle knaapjes te verdrinken , reeds gegeven , en de arme ouders waren in den uitersten angst voor hun dierbaar kind. Drie maanden had de moeder het in stilte verborgen, maar toen durfde zij het niet langer bij zich houden, want als een dienaar des konings het bestaan van het kind bemerkte, dan was het zeker verloren.

De moeder besloot dan haar kind te vondeling te leggen , in de hoop dat het door een of anderen Egyptenaar zou worden opgenomen. Zij nam een rieten korfje, bestreek dat met pek, om het waterdicht te maken, legde haar kindje daarin en belaste hare dochter Maria, het korfje in de rivier, den Nijl, op eene plaats, die tot badplaats diende, dicht bij den oever neder te zetten. Maria deed het en verschool zich in de nabijheid om te zien, wat er met haar broertje gebeuren zou.

Tas drijft het korfje op het water, of de dochter des konings komt op die plaats , doet eene harer dienstmaagden het korfje halen, opent het en ziet het schreiend kindje. De goedhartige prinses zegt met medelijden: Het is een van de kinderen der Hebreen! Nu komt Maria uit haren schuilhoek te voorschijn en vraagt aan de prinses, of zij eene Hebreeuwsche moeder wil gaan halen, die het kind kan opvoeden. Ja, ga! zegt de prinses, en Maria snelt naar huis en komt met hare eigene moeder terug. Jochabed hield zich, alsof het kind haar vreemd was, en ontving het van de prinses, die tot haar zeide: Neem dit kind en voed het voor mij op; ik zal u uw loon geven.

Jochabed keerde met haren zoon naar huis terug. God dankend, die op zulk eene wondervolle wijze het uitverkoren kind in het leven bewaard had. Toen het grooter was geworden, bracht Jochabed het bij de dochter des

ocr page 385

55

konings, die het als haar eigen zoon aannam en het den naam gaf van Mo zes, dat is: uit het water opgenomen.

Mozes werd, overeenkomstig zijnen rang van koninklijk prins, opgevoed en onderwezen in alle wetenschappen der Egyptenaren. Van zijne ouders had hij vernomen, wie hij was; zij hadden hem den waren God leeren kennen en aanbidden en hem de geschiedenis verhaald van zijn volk. Met smart zag Mozes, hoe dat volk verdrukt en mishandeld werd; dikwijls begaf hij zich naar de plaatsen, waar de Joden hun hard slavenwerk verrichtten en sprak met hen, om hen te bemoedigen en met hoop op verlossing te vervullen. Op zekeren dag zag hij, hoe een Egyptisch opzichter eenen Israëliet mishandelde en sloeg. Dat kon Mozes niet verdragen; hij zag rond, of niemand hem gadesloeg, wierp zich toen op den Egyptenaar, s/oeg hem dood en verborg zijn lijk onder het zand. Den volgenden dag kwam hij weder op dezelfde plaats, en, twee Joden te zamen ziende vechten, zeide hij tot den eene: Waarom slaat gij uwen naaste? De Jood antwoordde hem: Wie heeft u gesteld tot overste en rechter over ons? Wilt gij ook mij doodslaan, gelijk gij gisteren den Egyptenaar gedood hebt? Verschrikt riep Mozes uit: Hoe is dat bekend geworden? Hij vernam nu, dat hij verraden was en dat de koning reeds bevel had gegeven, om hem te dooden; in alle haast nam hij de vlucht naar Arabic, waar de Madianieten woonden; daar werd hij opgenomen door Jeth ro, met wiens dochter Sep hor a hij in het huwelijk trad. Mozes weidde nu de kudde van zijnen schoonvader.

De wegen der goddelijke voorzienigheid zijn wondervol en aanbiddelijk. Pharao had er vooral belang bij, dat Mozes om het leven kwam, en God beschikte het zóó, dat Mozes aan het hof des konings werd opgevoed. Mozes was hier eene afbeelding van Christus, die ook in de eerste dagen van zijn leven door eenen koning ter dood gezocht, maar door Gods voorzienigheid behouden werd.

XXXI. Roeping van Mozes.

Mozes was veertig jaren oud, toen hij uit Egypte vluchtte, en veertig jaren leefde hij als schaapherder en bereidde zich in de eenzaamheid voor tot de gewichtige taak, welke God hem zou opleggen. In dien tijd nam de verdrukking

ocr page 386

56

der Israëlieten toe; een nieuwe Pharao was koning geworden, maar hij mishandelde de ongelukkige slaven even wreedaardig als zijn voorganger. Luide jammerkreten stegen uit de werkplaatsen der Joden naar den hemel op, en God hoorde hun geschrei.

Eens was Mozes met de kudde, welke hij weidde, dieper de woestijn binnengedrongen tot aan den berg Hor eb. Daar zag hij een braambosch , dat brandde maar niet verteerde ; naderbij gekomen, hoorde hij uit de vlammen eene stem, die hem toeriep: Mozes, Mozes! En God, die in het brandend braambosch tegenwoordig was , ging voort: Nader hier niet! Doe de schoenen van uwe voeten! want de plaats, waar gij staat, is een heilige grond. Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. Mozes bedekte zijn aangezicht, want hij durfde niet opzien tot God. De Heer sprak verder: Ik heb de verdrukking van mijn volk in Egypte gezien ; en Ik ben nedergedaald om hen te verlossen uit de handen der Egyptenaren en hen uit te voeren naar een goed land, dat vloeit van melk en honig. En u zal Ik tot Pharao zenden, opdat gij de kinderen Israels uit Egypte voert. ■— Wie ben ik, zeide Mozes, dat ik tot Pharao zoude gaan en de zonen Israels uit Egypte zou uitvoeren? God antwoordde: Ik zal met u zijn. Nu sprak Mozes: Zie, ik zal gaan tot de zonen Israels en hun zeggen: de God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden. Als zij mij vragen: Hoe is zijn naam ? wat moet ik hun dan antwoorden ? God zeide: Ik ben; die Ben. Aldus zult gij hen toespreken: Hij die is heeft mij tot u gezonden. En zij zullen naar u luisteren. Dan zult gij naar den koning gaan en hem zeggen: de Heer, de God der Hebreen, heeft ons geroepen; wij moeten gaan in de woestijn, om Hem offers op te dragen. Ik weet, ging God voort, dat Pharao u niet vrij zal laten gaan, tenzij gedwongen door eene sterke hand. Want Ik zal Egypte slaan met al mijne wonderlijke plagen; daarna zal hij u laten vertrekken. Daarbij voorspelde God nog aan Mozes , dat de Israëlieten , beladen met vele kostbaarheden, Egypte zouden verlaten. Mozes vroeg nu van God een teeken, waardoor hij zijne zending zou kunnen bewijzen. En God zeide: Wat houdt

ocr page 387

57

gij in uwe hand? — Eenen staf. — Werp hem op den grond! ■ Mozes deed het, en de staf was in eenc slang veranderd. Grijp ze bij den staart, zeide God; en zoodra Mozes ze aanraakte, was de slang weder een staf.

Mozes, die vreesde niet in staat te zijn om de taak, welke God hem oplegde, te vervullen, bad nog, dat God iemand anders mocht zenden; toen gaf God hem zijnen broeder Aaron, die zeer welsprekend was , tot medehelper; en nu was Mozes bereid te gehoorzamen. Hij nam afscheid van zijnen schoonvader, liet zijne vrouw en kinderen bij hem achter en ging naar Egypte. Zijn broeder Aaron kwam hem te gemoet, en nu begaven beiden zich tot de oudste Israëlieten, aan wie zij mededeelden wat God hun bevolen had. Toen zij hun woord door wonderen bevestigden , geloofden de ouderlingen, dat God hen gezonden had, en het geheele volk aanbad en dankte God.

De naam, dien God Zich zeiven gaf, toen Hij zeide; Ik beu ; die Ben, is de naam jehova.

XXXII. Mozes en Aakox voor Pharao.

Mozes ging met zijnen broeder naar den Egyptischen ^ j koning en sprak: Jehova, de God van Israël, zegt: laat mijn volk uittrekken, opdat het Mij oftere in de woestijn. De trotsche Pharao vroeg spottend: Wie is Jehova, dat ik naar zijne stem zou luisteren? Ik ken geen Jehova, en het volk laat ik niet gaan. Mozes en Aaron herhaalden hunnen last; toen werd de koning toornig en riep uit: Wat durft gij, Mozes en Aiiron, het volk aftrekken van hun werk? Voort naar uwen arbeid!

Zoo ongelukkig liep de eerste poging af. en de gevolgen er van waren nog ongelukkiger, daar de Joden nog meer verdrukt werden. Zij hadden namelijk tot het vervaardigen van tichelsteenen veel gekapt stroo noodig; dit was hun tot nog toe gegeven geworden, maar nu moesten zij zeiven het strop zoeken en halen, en toch dagelijks evenveel steenen leveren. Zij hebben ledigen tijd, zeide de koning, en daarom roepen zij: Laat ons gaan en onzen God offeren ! Verplettert hen onder den arbeid, opdat hun de lust verga van naar leugens te luisteren. Als nu de werkmeesters het

ocr page 388

58

getal steenen onmogelijk konden leveren, werden zij ge-geeseld; en, wanneer zij zich bij den koning beklaagden, joeg hij hen weg, zeggende: Gij hebt te veel tijd! weg van hier! aan het werk!

De Joden werden toen vergramd op Mozes en Aaron : Gij hebt ons nog hatelijker gemaakt bij Pharao en zijne dienaars, morden zij en lieten den moed geheel zinken. Zoo ver wilde God het laten komen, om duidelijk te toonen, dat Hij alleen de redder was van zijn volk. Hij zeide tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Pharao doen zal! Zie, ik heb u gesteld tot God over Pharao, en uw broeder Aaron zal uw profeet zijn. Wederom gingen de twee broeders tot den koning, en nu deed Aaron het eerste wonder; hij wierp den staf op den grond, en die veranderde in eene slang. Pharao ontbood zijne toovenaars , en deze bootsten door middel van geheime kunsten het wonder na, en brachten ook slangen te voorschijn; doch de slang van Aaron verslond de andere slangen. Op het hart van Pharao maakte dit alles geen indruk, en hij zond de godsgezanten weg, zonder hun verzoek in te willigen.

De toover-vvondcren, welke de Egyptische duivelskunstenaars deden, geschiedden door de hulp van den boozen geest: de duivel kan wel geen eigenlijke wonderen verrichten, maar toch, wanneer God het hem toelaat, vele dingen doen, welke alle menschelijke kracht ver te boven gaan.

XXXIII. Dilt;: Plagen van Egypte.

God had tot Mozes gezegd : Ik zal maken, dat Pharao de Israëlieten met geweld uit zijn land zal uitdrijven; en deze voorspelling werd nu vervuld door vreeselijke plagen en rampen, welke God over Egypte en den koning komen deed.

Eerste plaag. Den volgenden morgen wachtte Mozes den koning op, toen deze naar den Nijl ging, en sprak hem toe: Tot nog toe hebt gij niet willen luisteren naar het bevel des Heeren. Zie, ik zal met mijnen staf slaan op het water der rivier, en het zal in bloed veranderd worden. Het geschiedde alzoo. Al het water in den Nijl, in de kanalen, vijvers en bakken bedierf, zoodat niemand het drinken kon. Dc Egyptische toovenaars bootsten het

ocr page 389

59

wonder na, door water rood en drabbig te maken als bloed. Pharao weigerde de Joden te laten vertrekken.

Tweede plaag. Zeven dagen later kondigde Mozes aan C £ den koning de plaag der vorschen aan. En Aaron strekte zijne hand uit over de wateren van Egypte; een geheel leger van vorschen bedekte het land, drong in alle huizen door en bezoedelde zelfs de ovens en baktroggen. De toovenaars konden wel vorschen te voorschijn brengen,

maar den koning niet van de walgelijke dieren verlossen.

Toen riep Pharao Mozes en Aaron en beloofde dat hij den Joden vrijheid zou geven om te gaan offeren, indien de plaag ophield. Wanneer wilt gij, dat het ongedierte verdwijnen zal ? vroeg Mozes. Morgen, antwoordde Pharao.

Ik zal doen volgens uw woord, hernam Mozes, om u te doen erkennen, dat niemand gelijk is aan onzen God. Den volgenden morgen waren alle vorschen dood; maar de valsche koning hield zijne beloften niet.

Derde plaag. Mozes voorspelde eene nieuwe plaag. Aaron sloeg met zijnen staf op de aarde, en eensklaps gonsde de lucht van muggen, die bij geen millioenen te tellen waren, en menschen en dieren pijnigden. De Egyptische toovenaars beproefden weder hunne kunst, maar zij vermochten niets en moesten bekennen: De vinger Gods is hier. Doch de koning bleef hardnekkig.

Vierde plaag. Op de muggen volgden vliegen van allerlei soort, tegen welker pijnlijke steken en vurige beten geen mensch zich beveiligen kon. Mozes had deze plaag vooruit aan den koning aangekondigd en hem daarbij gezegd, dat de Joden die in het land Gessen woonden, niets zouden te lijden hebben. De trotschheid van Pharao begon een weinig te bukken, en hij wilde aan de Joden verlof geven om aan hunnen God te offeren, maar in Egypteland zelf.

Mozes zeide: Dat is onmogelijk! wij moeten drie dagreizen ver in de woestijn trekken, om de offers op te dragen, zooals de Heer het ons bevolen heeft. Pharao gaf toen verlof om te gaan ; maar zoodra al de vliegen op het gebed van Mozes verdwenen waren, verbrak de koning zijn woord. Hij hoopte misschien, dat de macht van Jehova nu zoude zijn uitgeput.

Vijfde plaag. God zond nu eene verschrikkelijke pest Cp

ocr page 390

6o

onder het vee, en in geheel Egypte stierven paarden, ezels, kameelen, runderen en schapen in groote menigte; doch bij de Joden kwam geen enkel dier om. De koning kwam niet tot inkeer.

Zesde plaag. Mozes en Aaron stonden weder voor den koning en wierpen eene handvol asch in de lucht; op hetzelfde oogenblik werden menschen en dieren met zweren bedekt, zoodat de toovenaars, die bij den koning waren, het van pijn niet konden uithouden.

Zevende plaag. Toen de koning hardnekkig bleef, sprak Mozes tot hem: Jehova, de God der Hebreen, gebiedt: laat mijn volk vrij, opdat het Mij offere! Want nu zal Ik al mijne verschrikkingen op u, uwe knechten en uw volk uitgieten. Morgen op ditzelfde uur zal Ik het doen hagelen, gelijk het nog nooit in Egypte gehageld heeft. Den volgenden dag hief Mozes zijnen staf naar den hemel op, en er brak een vreeselijk onweder los; hagel en vuur viel op Egypte neder, en de steenen waren zoo zwaar, dat menschen en dieren verpletterd, alle veldgewas stuk geslagen, boomen gekneusd en gebroken werden. Nu was Pharao door schrik verbrijzeld: Ik heb gezondigd, sprak hij tot Mozes en Aaron; bidt den Heer, dat donder en hagel ophouden, en ik zal u laten gaan. Mozes antwoordde : Ik zal mijne handen tot God opheffen, en de donder zal ophouden, en er zal geen hagel meer vallen; echter weet ik, dat gij en uwe dienaren God den Heer nog niet vreest. En Mozes bedroog zich niet: de koning volhardde in zijne boosheid.

^ !q Achtste plaag. Op bevel van God kondigden Mozes en ''Aaron den koning aan, dat het geheele land met sprinkhanen zou overdekt worden, zoodat er geen groen blad in Egypte zou overblijven. De dienaars van Pharao werden bevreesd en zeiden tot hem : Ziet gij dan niet, dat Egypte te gronde gaat? Hij vroeg aan Mozes: Wie van u moeten uitgaan om te offeren? — Wij allen, antwoordde Mozes, met kinderen en grijsaards, met zonen en dochters, met schapen en runderen. — Nooit, hernam Pharao, laat ik u met uwe kinderen gaan! En hij deed de twee broeders uit zijne tegenwoordigheid wegjagen. Den volgenden dag was het land met eene ontelbare menigte sprinkhanen

ocr page 391

6i

bedekt, zoodat men nergens den grond kon zien. Wederom riep nu Pharao uit: Ik heb gezondigd tegen uwen God en tegen u! Maar bidt toch uwen God, dat Hij dezen dood van mij wegneme! Mozes bad, en God zond een sterker;

wind, die de sprinkhanen opnam en in de Roode zee wierp.

Negende plaag. Toen het verlof om te vertrekken nog niet gegeven werd. sprak God tot Mozes: Steek uwe hand uit naar den hemd , en er zij dikke duisternis over het land van Egypte. Mozes deed het, en op één oogenblik was het in het geheele land. Gessen alleen uitgezonderd, stikdonkere nacht. Niemand kon een ander mensch zien, niemand durfde van zijne plaats opstaan, en het licht, dat men ontstak, verdreef de duisternis niet. Drie dagen duurde die akelige nacht. Pharao zeide tot Mozes: Trekt uit en offert den Heer; uwe kinderen mogen met u gaan; maar uwe schapen en runderen moeten hier blijven. Mozes antwoordde : Al onze kudden zullen met ons uittrekken, geen klauw zal daarvan achterblijven! — Weg van hier! riep de toornige koning; als gij nog eens onder mijne oogen lt;• ' / komt, zult gij aanstonds sterven ! — Het zal geschieden, zooals gij zegt, hernam Mozes, ik zal uw aangezicht niet meer zien. Doch hoor eerst het woord des Heeren; In het midden van den nacht zal Ik in Egypte komen, en dan zullen al de eerstgeborenen sterven, van den oudsten zoon des konings af. Dan zal er groot geschrei wezen in het gansche land ; dan zullen uwe dienaars tot mij komen en mij bidden te vertrekken met al het volk. En dan zullen wij vertrekken. Na deze schrikkelijke bedreiging verliet Mozes den koning1.

Al dc plagen van Egypte waren groote wonderen van God. Daarom ontstonden die plagen op één oogenblik en op den wenk van Mozes, troffen zij het geheele land te gelijk, hielden zij op het gebed van Mozes oogenblikkelijk op, volgden zij zoo spoedig op elkander; daarom ook bleven de Joden bevrijd. — De hardnekkige Pharao is het beeld van die verstokte zondaars, welke hunne ooren sluiten voor de stem des Heeren en alle vermaningen in den wind slaan, totdat zij onherstelbaar verloren zijn.

XXXIV. Het Paaschoffer. ,,

Het was in het begin van de maand April of, zooals de Joden zeiden, Nisan, toen Mozes en Aaron in naam

ocr page 392

62

van God aan al de Israëlieten bevel gaven om - een lam of een geitebokje voor eenen heiligen maaltijd gereed te maken. Dat lam moest op den veertienden dag der maand geslacht worden, en met het bloed moesten de Joden de posten hunner deuren besprenkelen; want, in het midden van den volgenden nacht, zou de Heer door Egypte gaan en al de eerstgeborenen met den dood slaan; maar de huizen, die geteekend waren met het bloed van het offerlam, zou Hij voorbijgaan.

De beenderen van het heilig lam mochten niet gebroken worden; het moest aan het vuur gebraden en geheel opgegeten worden; bij het vleesch mochten de Joden niets gebruiken dan ongedeesemd brood en bittere kruiden; zij moesten bij den maaltijd geheel reisvaardig zijn, met schoenen aan de voeten en den staf in de hand ; en met haast moesten zij eten : Want zeide God, het is des Hoeren Paschen. Het woord Paschen beteekent voorbijgang en moest den Joden herinneren, dat God, toen Hij de eerstgeboren der Egyptenaren sloeg, de huizen der Israëlieten voorbijging. Het gedenkfeest dier groote gebeurtenis droeg daarom later den naam van paaschfeest, het heilige lam werd paaschlam enpaasehojfer geheeten. Als uwe kinderen, zeide Mozes, u vragen zullen: Wat beteekent deze feestviering? antwoordt hun dan: het is het offer van den voorbijgang des Heeren, toen Hij in Egypte de huizen van Israel's zonen voorbijging, de Egyptenaren slaande en onze huizen sparend. Toen het volk deze voorschriften vernomen had, keerde ieder naar zijn huis terug om het bevel des Heeren te volbrengen.

Het paaschlam der Joden was de grootste voorspelling en voorbeduiding van Christus, het Lam Gods, dat de zonder der wereld wegneemt; de apostel Paulus geeft aan Christus den naam van Paaschlam, als hij zegt: Ons Paaschlam, Christus, is geslachtofferd. Toen Christus Zich zeiven aan het kruis geofferd had, werden zijne beenderen niet verbroken, en zijn heilig Bloed, waarmede onze zielen besproeid worden, redt ons van den eeuwigen dood. En het geslachtofferde Lam Gods heeft zijn eigen Vleesch en Bloed tot spijs en drank gegeven, en aan allen, die tot zijne Kerk behooren, geboden ten minste eens in het jaar, en wel met Paschen, deel te nemen aan zijn heiligen maaltijd en het H. Sakrament van het Lichaam en Bloed des Heeren te ontvangen.

ocr page 393

63

XXXV. Dood der Eerstgeborenen. Uittocht der Joden.

Terwijl de Joden in diepen eerbied hun eerste paasch-feest vierden, steeg er een ijselijk gehuil in Egypte ten hemel op. God sloeg al de eerstgeborenen; duizenden stierven in één oogenblik; in elk huis, zoowel in het paleis des konings als in de armste hut, was een lijk; ook in de stallen van het vee en op de weiden heerschte dezelfde dood. Nu gebood Pharao aan Mozes en Aaron: Gaat, trekt weg van mijn volk, gij en de zonen Israels! gaat en offert uwen God ! De Egyptenaren baden en smeekten, dat de Joden toch vertrekken zouden, want anders, riepen zij, zijn wij allen des doods! Zelfs gunde men hun den tijd niet om hun brood te bakken, zoodat zij het onge-deesemde deeg rauw moesten medenemen. De Joden vroegen, volgens het bevel van God, van de Egyptenaren gouden en zilveren vaten en kleederen, welke zij mochten vorderen als vergoeding voor hetgeen hun ontnomen was en als loon voor hunnen harden arbeid; zij ontvingen het in zulk eene hoeveelheid, dat zij eenen rijken buit uit Egypte medevoerden. — De beenderen van den aartsvader Jozef namen zij ook met zich; later begroeven zij die in de nabijheid van Sichem.

Zij trokken nu op naar eene plaats, Sokoth geheeten, waar zij elkander opwachtten; zij waren zeshonderd duizend mannen en in het geheel bijna twee mihoen zielen sterk, behalve de vele vreemdelingen, die hen vergezelden. Zij werden nu in meerdere afdeelingen gesplitst, opdat de verdere tocht in goede orde zou kunnen geschieden. Mozes kondigde een nieuwe wet af, dat namelijk alle eerstgeborenen van het mannelijk geslacht, zoowel van de menschen als van het vee, aan God moesten worden. toegeivijd; het eerstgeboren jong van een dier moest geofferd, de eerstgeborene zoon moest losgekocht worden. Deze wet diende ter herinnering, dat God de eerstgeborenen der Egyptenaren geslagen, maar die der Joden gespaard had. — De Israëlieten verlieten Egypte in het jaar 1490 voor Christus.

ocr page 394

64

XXXVI. Tocht der Joden naar en door de Roode Zee. Ondergang van Pharao met zijn Leger.

C IS Toen de Israëlieten op de grens van Egypte en de Arabische woestijn gekomen waren, ontvingen zij een nieuw bewijs van Gods vaderlijke goedheid. Eene wonderbare kolom, die zich des daags als eene donkere wolk en des nachts als een lichtgevende vuurzuil vertoonde, ging voor hen uit, om hen op hunnen weg te geleiden. Zoo kwamen zij aan het strand der Roode zee.

f I lt;•/ De koning van Egypte had spoedig berouw, dat hij aan de Joden, die zijn volk als slaven dienden, de vrijheid gegeven had, en besloot nog ééne poging te wagen, om hen opnieuw in zijne macht te brengen. Hij riep zijne soldaten op de been en trok zelf, aan het hoofd van een groot leger, de Joden achterna; tegen het vallen van den nacht zag hij de Israëlitische legerplaats. Aan vluchten was voor de Joden geen denken, daar de zee hen tegen hield. Zij werden met vreeselijken angst vervuld en begonnen tegen Mozes te morren en te roepen: Wat moest gij ons uit Egypte leiden ? Veel beter was het de Egyptenaren te dienen dan in de woestijn om te komen! Doch Mozes zeide hun: Vreest niet, maar houdt moed en geeft acht op de wonderen, die God heden werken zal. Die Egyptenaren, welke gij nu ziet, zult gij nimmermeer zien j,n eeuwigheid ! God zal voor u strijden, en gij zult zwijgend toezien.

Het was nacht geworden, en God sprak tot Mozes; Hef uwen staf omhoog en steek uwe hand uit over de zee, en deel ze in tweeën! opdat de zonen Israëls midden door de zee aftrekken naar het droge. En de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de Heer ben! De wolkkolom plaatste zich toen tusschen de Joden en het Egyptische leger; naar voren verspreidde zij een helder licht, doch waaide Egyptenaren zich bevonden was het stikdonker.

En Mozes strekte zijne hand uit over de zee. Hare wateren verdeelden zich en lieten eenen breeden weg in hun midden; de Joden gingen droogvoets door de diepte tusschen het onbeweeglijke water door. Toen de dag

ocr page 395

65

begon aan tc breken, zagen de Egyptenaren hunne vijanden niet meer op de plaats, waar deze den vorigen avond geweest waren; en eindelijk bemerkten zij den wonderweg over den drogen bodem der zee en in de verte de achterste Israëlieten, die op dien weg voortgingen. Nu meende Pharao, dat diezelfde weg ook voor hem open stond; hij rukte met zijn leger de vluchtelingen na tot in het midden der zee. Toen was het uur der goddelijke wraak gekomen. Eensklaps ontstond er een hevig onweder; de aarde beefde onder de voeten der Egyptenaren, en hun geheel leger raakte in verwarring. Laat ons vluchten voor Israël! riepen zij uit; want Jehova strijdt voor hen tegen ons! Maar het was te laat. De Joden hebben de overzijde bereikt, en Mozes strekt zijne hand uit over de zee; de wateren keeren terug in hunne plaats, de golven overstroomen en bedekken de Egyptenaren, en allen, tot den laatsten man toe, worden in de zee begraven.

De dankbare vreugde der kinderen Israëls deed de woestijn daveren van hun luiden lofzang; Laat ons den Heer lofzingen, want glorievol werd hij verheerlijkt! Het paard en den berijder wierp hij in zee!

De doortocht door de Roode zee was eene voorafbeelding van het H. Sakrament des doopsels. Gelijk er voor de Joden geen ander middel was, om Pharao's slavernij te ontvluchten, dan de weg dooide zee, zoo is het Doopsel het eenige middel, om verlost te worden van de slavernij des duivels; in het H. Doopsel wordt de macht van den helschen koning vernietigd, want de gedoopte is niet meer onder zijne heerschappij. Na door de zee getrokken te zijn, bevonden de Joden zich in de woestijn, door welke hun weg liep naar het beloofde land; zoo bevindt zich de gedoopte Christen in de woestijn dezer wereld, om voort te reizen naar den hem beloofden hemel. En op die reis wordt de Christen geleid door een onfeilbaren gids, door het geloof, dat, als eene lichtgevende vuurkolom, hem den weg aanwijst naar zijn zalig vaderland.

XXXVII. Tocht der Joden door de Woestijnen

Sur en Sin.

Van het strand der Roode zee begon voor de Joden de lange tocht, die veertig jaren duren zou, gedurende welke zij allen, slechts twee uitgezonderd, zouden sterven. Het land, waarin zij zich nu bevonden, was steenachtig

ocr page 396

66

Arabic, en werd, wegens zijne onvruchtbaarheid, woestijn genoemd. In het Zuiden van die woestijn lag de berg Horcb, waar God aan Mozes verschenen was, en waarheen de Israëlieten zich nu , op het goddelijk bevel, moesten begeven. De reis, welke zij te doen hadden, was lang en moeielijk, zooals zij reeds na drie dagen ondervonden: zij hadden namelijk geen water meer, en toen zij eindelijk eene bron vonden, konden zij het water niet drinken van bitterheid. Op hun morrend geroep om water bad Mozes tot God; en God wees hem een hout, dat hij in de bron wierp, en nu was haar water zoet en drinkbaar. Ter gedachtenis aan dit eerste wonder in de woestijn, noemde men de plaats, waar het geschied was, Mara, dat is, bitterheid.

Zij trokken nu voort naar Elim, een bekoorlijk oord, waar zij waterbronnen en palmboomen vonden; daar rusten zij eenige dagen uit en kwamen toen in een ander gedeelte der groote woestijn, dat Sin heette; het gedeelte tusschen Klim en Egypte droeg den naam van Sur.

De levensvoorraad was ondertusschen verteerd, en de Joden hadden geen spijs meer. Wederom morden zij tegen Mozes en Aaron: Ach ! waren wij door de hand des Heeren gestorven in Egypte, toen wij bij de vleeschpotten zaten en brood aten in overvloed! Waarom hebt gij ons in deze woestijn gevoerd, om hier de geheele menigte van honger te doen sterven. God hoorde hun ondankbaar gemor, maar strafte hen nog niet; in zijnen naam spraken Mozes en Aaron tot het volk: Dezen avond zult gij weten dat het de Heer is, die u uit Egypteland gevoerd heeft, en morgen zult gij 's Heeren glorie aanschouwen.

Tegen den avond vielen er wachtels, eene soort van patrijzen, in de legerplaats der Joden neder, in zulk eene menigte, dat men ze met de hand kon grijpen. Den volgenden dag was de grond bedekt met kleine witte korrels; en Mozes zeide: Dit is het brood, dat de Heer u te eten gegeven heeft.

Dit hemelsche brood, dat den naam van Manna ontving, eaf God aan de Joden alle dagen , zoolang hunne omzwerving

in

noodig

de woestijn duurde; zij moesten eiken dag in den

zooveel verzamelen, als zij voor dien da:

ocr page 397

67

hadden; alleen des Vrijdags vergaarden zij een dubbele maat, omdat op den Sabbath geen manna gevonden werd, en die dag in heilige rust aan God moest worden toegewijd.

Men had mogen verwachten, dat de Joden, na al deze bewijzen van Gods goedheid, dankbaarheid en vertrouwen zouden getoond hebben; maar hunne booze natuur deed hen spoedig vergeten, wat God voor hen gedaan had, en,

toen zij niet lang daarna te Rap hi dim, dicht bij Horeb, weder gebrek aan water hadden, morden zij nog erger dan te voren en dreigden zelfs Mozes te steenigen. Toen sprak God tot Mozes: Ga met eenigen der oudsten vóór het volk uit. Zie, Ik zal voor uwe oogen staan op de steenrots van Horeb; sla op de rots, en er zal water uitvloeien, opdat het volk drinke. Mozes sloeg met zijnen staf op de rots, en aanstonds stroomde het water in overvloed.

Op diezelfde plaats werden de Joden aangevallen dooide Amalckieten. Mozes stelde een aantal mannen onder Joznc en zond hen tegen de vijanden ; hij zelf stond op eenen heuvel en bad tot God. Zoolang hij zijne handen omhoog geheven hield, overwonnen de Joden, maar als hij zijne armen liet zakken, kregen de Amalckieten de overhand. Hij werd echter te vermoeid en kon zijne armen niet ten hemel gestrekt houden ; doch twee mannen ondersteunden ze tot aan den avond, en nu behaalde Jozue de overwinning. Op deze wijze toonde God aan de Israëlieten, dat zij de zegepraal verschuldigd waren, niet aan hunne wapenen, maar aan den bijstand des hemels en aan het gebed van Mozes.

Men bevond zich nu in de nabijheid der plaatsen, waar ^ ^ Mozes als schaapherder had rondgedwaald. Zijn schoonvader Jcthro kwam hem bezoeken en vierde met de Joden een dankfeest, waarbij hij zelf, daar hij priester was, de offers opdroeg. Hij gaf zijnen schoonzoon den raad, dc wijste en godvruchtigste mannen tot rechters over het volk aan te stellen; Mozes volgde dien goeden raad en vermaande de rechters; Oordeelt volgens recht zoowel den burger als den vreemdeling. Hoort den geringe evenals den groote, en maakt geen onderscheid van personen;

want het is Gods oordcel. Jcthro nam daarop afscheid,

doch liet zijnen zoon Hobab bij Mozes blijven.

•f

ocr page 398

I

68

Het hout, dat het bittere water zoet maakte, was eene schoone afbeelding van het hout des kruis es: want niets is zoo geschikt, om de bitterheid des levens dragelijk en zoet te maken, als de overweging van Christus' lijden en sterven.

Het manna was de heerlijkste voorspelling van het H. Sakrament des altaars, gelijk onze Zaligmaker zelf gezegd heeft: Ik ben het levend brood, Ik, die uit den hemel ben nedergedaald. Het brood dat Ik geven zal, is mijn Vleesch voor het leven der wereld. Niet gelijk uwe vaders het manna gegeten hebben en gestorven zijn; die dit brood eet, zal leven in eeuwigheid.

XXXVIII. Wetgeving or Sinaï.

Zeven en veertig dagen na den uittocht uit Egypte kwamen de Joden in de woestijn van Sinaï, waar God hun zijne heilige Wet wilde geven. Hij gelastte Mozes aan het volk te zeggen: Indien gij mijne stem hooren en mijn Verbond onderhouden wilt, dan zult gij Mij wezen een uitverkoren bezit uit alle volken, een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk. Het geheele volk antwoordde : Alles, wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen. Daarop gebood God, dat de Joden zich twee dagen zouden voorbereiden en heiligen, want op den derden dag, den vijftigsten dag na Paschen, zou de Heer zelf op den berg Sinaï nederdalen ; die berg moest rondom met palen afgezet worden, en niemand mocht hem te nabij komen.

Op den derden dag daalt er eene zwarte wolk over den berg af; uit die wolk ratelt de donder en schieten naar alle kanten bliksemstralen uit, en de lucht davert van den klank der bazuinen. Het volk schaart zich, bevend van schrik, rondom den voet des bergs, die geheel in vuur staat. In dien vuurgloed daalde God neder met duizenden heilige engelen. En God kondigde de tien geboden af.

I. Ik ben de Heer uw God; gij zult geen vreemde goden voor mijn aangezicht hebben; gij zult u geen gesneden beeld of gelijkenis maken; gij zult die niet aanbidden noch godsdienst aandoen.

II. Gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdelijk gebruiken.

III. Gedenk dat gij den Sabbathdag heiligt.

c/

c u

IV. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven.

■

ocr page 399

69

V. Gij zult niet doodslaan.

VI. Gij zult geen overspel bedrijven.

VII. Gij zult niet stelen.

VIII. Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis geven.

IX. Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren.

X. Gij zult zijn huis niet begeeren, noch zijn land, noch zijn dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn eze] , noch iets wat hem toebehoort.

Toen God ophield met spreken, baden de doodelijk verschrikte Israëlieten, dat Mozes hun zou toestaan naar hunne tenten terug te koeren. Treed gij liever nader, zeiden zij, en verneem alles wat de Heer u bevelen zal; en dan zult gij het zeggen aan ons; en wij zullen het hooren en het doen. Het volk mocht toen naar zijne tenten terug-keeren; Mozes klom op den berg om door God onderwezen te worden en later als profeet des Allerhoogsten de wetten des Heeren' aan het volk bekend te maken. Bij deze gelegenheid voorspelde hem God den volmaakten Profeet, die in de volheid der tijden komen zou, om de volle waarheid aan de wereld te verkondigen : Eenen Profeet, die op u gelijkt, zal Ik hun opwekken;/// /iet midden hunner broeders; mijne woorden zal Ik in zijnen mond leggen, en Hij zal tot hen spreken al wat Ik Hem gelasten zal. Die zijne woorden niet hooren wil, op dien zal Ik het wreken.

De Profeet, welken God hier aan Mozes beloofde, en van wien Mozes de duidelijkste voorafbeelding was, is onze Verlosser, gelijk dit later door den apostel Petrus en den martelaar Stephanas verklaard werd.

De wetgeving op den berg Sinaï geschiedde te midden van onweder en vuur, om dc Joden, door vrees voor de grootheid en de majesteit van God, tot het onderhouden zijner geboden aan te sporen. Gelijk de wet des Ouden Testaments op den vijftigsten dag na het eerste Joodsche paaschfeest gegeven werd. zoo werd ook op den vijftigsten dag na het eerste Christelijke paaschfeest dc wet des Nieuwen Testaments, door de nederdaling des H. Geestes over de Apostelen, afgekondigd.

De hen geboden zijn door God zei ven aan de menschen geopenbaard en ter onderhouding voorgeschreven; niet alleen aan de Joden zijn zij gegeven maar ook aan ons. Christenen; en zelfs meer aan ons dan aan de Joden, omdat wij tot eene veel volmaaktere naleving van die goddelijke geboden verplicht zijn. Laten wij dan dagelijks de tien geboden in ons geheugen terugroepen, om ze altoos voor onze oogen te hebben en er ons gedrag altoos naar te regelen.

ocr page 400

70

XXXIX. Hkt Verbond van de Joden met God.

Toen Mozcs van den berg nederdaalde en aan het volk mededeelde, wat God hem bevolen had, beloofde het volk opnieuw: Al wat de Heer gezegd heeft, zullen wij doen. Aldus sloten zij een I 'cvbond met God, en dit Verbond moest nu plechtig bekrachtigd worden.

Mozes schreef de goddelijke wetten in een boek, bouwde aan den voet van den Sinaï een altaar en richtte daarbij twaalf zuilen op, overeenkomstig het getal der twaalf stammen Israels. De offerdieren werden geslacht, en de helft van hun bloed werd in schalen opgevangen. Toen de offers opgedragen waren, las Mozes het boek des J er honds aan het volk voor; allen antwoordden: Wij zullen gehoorzaam zijn. Daarna doopte Mozes eenen tak in het offerbloed en besprengde het geheele volk daarmede, zeseende: Dit is het bloed des J er bouds, dat God met u

oo

gesloten heeft op al deze ivoor den,

Op bevel van God stegen nu Mozes en Aaron met zijne twee oudste zonen, en zeventig ouderlingen den berg tot zekere hoogte op) daar zagen zij den God van Israel, die door deze verschijning het Verbond ook van zijne zijde bekrachtigde.

Na den afloop van deze groote plechtigheid moest Mozes weder op den berg bij God komen; hij gaf het bevel over het volk aan zijnen broeder Aaron, en beklom met zijnen dienaar jozue den berg, totdat hij in de duistere wolk-verdween ; zeven dagen later werd Mozes op den top des bergs geroepen, waar de heerlijkheid des Heeren zich als een brandend vuur vertoonde.

Het Verbond, dat God met de Joden sloot, was het Oude Tcstanicn/, de voorbereiding en afbeelding van het Nieuwe. Van het Oude Testament was Mozes de middelaar, van het Nieuwe is het Jesus Christus, de éenige Middelaar Gods en der menschen. Het Oude Testament werd met bloed ingewijd; het Nieuwe is voor eeuwig bekrachtigd in het goddelijk Offerbloed van Christus, die zelf zeide, toen Hij in het laatste avondmaal den wijn in zijn eigen bloed veranderde: Dit is mijn Bloed des Niewwen Testaments. Het Oude Testament was onvolmaakt en voorbijgaand ; het nieuwe Testament is volmaakt en duurt in eeuwigheid.

ocr page 401

7i

XL. De stkenen Wettafelen. Afgoderij Joden. Straf.

Mozes bleef veertig dagen en veertig nachten op den berg; in al dien tijd at hij geen brood en dronk water. Daarna ontving hij van God tnlt;cc stccncn tafelen, waarop de wet der tien geboden door den vinger Gods geschreven was; de drie eerste geboden, welke rechtstreeks op God betrekking hebben, stonden op de eerste, de zeven andere geboden op de tweede tafel.

Ondertusschen meende het volk, dat aan Mozes een ongeluk overkomen was, en dat zij hem niet meer zouden terugzien. Het verdroot hun langer in de woestijn te blijven, en met oproerige kreten riepen zij tot Aaron : Maak ons goden, die ons kunnen vooruitgaan! want wij weten niet, wat aan Mozes overkomen is. Aaron durfde hun geen wederstand bieden, maar wilde hun den lust naar een godenbeeld doen vergaan, door de gouden oorringen hunner vrouwen en kinderen daarvoor te vorderen ; hij dacht, dat zij deze niet zouden willen geven, maar hij vergiste zich, en de oorringen werden terstond afgestaan. Toen liet hij ze samensmelten tot eenen klomp, waaraan men den vorm gaf van een kalj, een namaaksel van eenen Kgyptischen afgod. En nu riepen de ondankbare dwazen juichend uit; Ziedaar, o Israël! uwe goden, die u uit Egypte gevoerd hebben!

vierden de Joden een gruwelijk feest afgod; zij droegen hunne en stonden vervolgens op. te spelen en te dansen.

punt van den heiligen berg te vertot hem, uw volk heeft gezondigd. Zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en dat hebben zij aanbeden en daaraan offers gebracht. Stom en verpletterd van schrik hoorde Mozes deze aankondiging, terwijl God voortging: Ik zie, dat dit volk onbuigzaam hardnekkig is ; laat Mij toe, dat mijne gramschap tegen hen ontsteke, en dat Ik hen verdelge; en Ik zal u maken tot hoofd van een volk, grooter en machtiger dan dit. Doch Mozes,

der

heiligen h ij geen

Den volgenden dag ter eere van hunnen offers op, zij aten en om rondom het beeld Mozes was op het laten. Ga, zeide God

gouden dronken

ocr page 402

72

brandend van ijver voor de eer van God en van liefde voor zijn volk, bad: Waarom, o Heer! zou uw toorn ontbranden tegen uw volk? Laat toch de Egyptenaren niet zeggen: Hij heeft hen uit het land gevoerd, om hen op het gebergte te dooden en hen van de aarde te verdelgen. Verbeef de boosheid van uw volk ! Gedenk uwer

o ö

dienaren. Abraham, Isaiik en Jakob, wien Gij gezworen hebt: Ik zal dit gansche land geven aan uw geslacht, en gij zult het voor altijd bezitten. Door dit gebed verwierf Mozes, dat zijn volk niet terstond verdelgd werd; nog bad hij in het bijzonder voor zijn schuldigen broeder.

Hij daalde van den berg af, met de twee steenen wettafelen in zijne armen, en vond Jozue op de plaats, waar hij hem vóór veertig dagen verlaten had. Beneden gekomen, hoorden zij het getier van het uitgelaten volk. Daar is krijgsgeschrei in de legerplaats! zeide Jozue. Doch Mozes hernam : Neen ! dat is geen kreet van aanval noch geroep van vluchtelingen ; ik hoor de stem van zingenden. Naderbij gekomen, aanschouwen zij de dansende menigte rondom het opgerichte kalf. Bij dat gezicht ontsteekt Mozes in heiligen toorn, en hij werpt de wettafelen neder en verbrijzelt ze tegen den grond.

Op de verschijning van Mozes stuiven de afgodendienaars uit elkander; in één oogenblik ligt het kalf op den grond en in het vuur, en het wordt tot stof verbrand en vermalen. Mozes sprak nu het eerst Aaron aan ; Wat heeft dit volk u misdaan, dat gij de allergrootste zonde over hen gebracht hebt? Terwijl Aaron zich trachtte te verontschuldigen, zag Mozes, dat de Joden in de verte nog voortgingen met hunne afgodische spelen. Nu riep hij luide: Al wie voor Jehova is, voege zich bij mij! De geheele stam van Levi schaarde zich om hem henen. En hij gebood, dat zij hunne zwaarden zouden nemen en allen dooden, die zij nog met afgoderij bezig vonden. De Levieten gehoorzaamden, en op dien dag vielen er duizenden door het zwaard. Daarna was de orde hersteld, en zeide Mozes tot de Levieten: Heden hebt gij uwe handen den Heer gewijd, opdat u zegen gegeven worde.

ocr page 403

73

XLI. Boete van het Volk. De nieuwe Wettaeelen.

Dc rampzalige dag van zonde en wraak was voorbij, en het schuldige volk erkende de grootheid van het gepleegde kwaad. Mozes beloofde dat hij om vergiffenis voor hen bidden zou. En hij smeekte tot God: Helaas, allerzwaarst heeft dit volk gezondigd. Maar, vergeef hun deze schuld; of, als Gij dit niet doet, wisch mij dan uit uw boek, dat Gij geschreven hebt. God antwoordde; Die tegen Mij gezondigd heeft, hem zal Ik uit mijn boek uit-wisschen. En daarop liet Hij volgen; Ga, trek op van deze plaats, gij en uw volk; en Ik zal mijnen engel voor u uitzenden. God zelf wilde namelijk niet meer in het midden des volks mede optrekken.

Mozes maakte het volk bekend met hetgeen God hem gezegd had ; dat zij naar het beloofde land konden optrekken , maar zonder God. Allen treurden bij deze tijding, en Mozes bad zoo lang, totdat God zeide; Welaan, Ik zal doen wat gij gezegd hebt. En hij nam de Joden weder als zijn volk aan. Aan zijnen heiligen dienaar schonk God eene bijzondere genade; Mozes moest met twee nieuwe tafelen den berg beklimmen, want God zou daarop de Wet wederom schrijven; daarenboven wees Hij hem eene rotskloof aan, waarin hij staan moest, omdat God zelf hem daar voorbij zon gaan. Op het oogenblik der hemelsche verschijning bad Mozes nogmaals om vergiffenis, en God antwoordde; Ik zal het Vei-bond sluiten.

Mozes bleef wederom veertig dagen en veertig nachten, in vasten en gebed, op den berg; God schreef de tien geboden op de nieuwe tafelen, en Mozes keerde daarmede naar de legerplaats terug, want zijn aangezicht straalde van heerlijkheid en schoot liehthoornen uit, zoodat hij in het vervolg zijn gelaat met eenen sluier bedekken moest, wanneer hij tot het volk sprak.

Evenals Mozes veertig dagen vastte, eer hij de Wet des Heeren aan het volk van Israël verkondigde, heeft onze Zaligmaker, vóór Hij het werk zijner prediking begon, veertig dagen in eenzame afzondering en in vasten doorgebracht — Evenals Mozes op den berg Sinaï verheerlijkt werd, zoodat zijn aangezicht van hemelschen luister straalde, is Christus op den1 berg Thabor verheerlijkt geworden, zoodat zijn aangezicht schitterde als de zon.

ocr page 404

74

XLII. De Tabernakel en zijn Tüebehooren.

De eerste arbeid, die nu verricht moest worden, was /I de bouw der heilige tent, waarin God, als in een eigen huis, onder zijn volk wonen wilde. Alles, wat daartoe noodig was, moest door vrijwillige giften worden samengebracht , welke allen dan ook met de meeste bereidvaardigheid aanboden; daarenboven moest ieder Israëliet, die den ouderdom van twintig jaren bereikt had en op de volkslijst opgeschreven werd, een halven sikkel (ruim 60 cents) hoofdgeld als heilige schatting betalen. Allen, die bekwaam waren om tot de voltooiing van het huis des Heeren de hand te leenen, moesten mede arbeiden; God zelf stelde twee werkmeesters aan: Beseleël en Ooliah. Toen alle schatten bijeengebracht waren, en deze hadden bijna de waarde van één millioen guldens, begon men den arbeid volgens de voorbeelden, welke God zelf aan Mozes op den berg getoond had.

De heilige tent of de tabernakel was een langwerpig vierkant gebouw van kostbaar hout; van boven werd het gedekt door prachtige tapijten ; zulk een tapijt sloot ook den ingang, die aan de oostzijde was, en een ander, dat binnen in den tabernakel hing, verdeelde hem in tweeën; het achterste en kleinste vertrek heette het Heilige der heiligen, het voorste en grootste werd het Heilige genoemd.

In het Heilige der heiligen stond de ark des Ver bonds. Deze was eene langwerpig vierkante kist, van binnen en van buiten met goud overtogen en door een deksel, verzoendeksel geheeten, gesloten ; daarop stonden of knielden twee gouden Cherubijnen of engelen-beelden. In de ark lagen de twee tafelen der Wet, en boven dezelve was God in eene geheimvolle wolk tegenwoordig. Van daar zal Ik u bevelen geven, had Hij tot Mozes gezegd, en tot u spreken, boven het verzoendeksel en van tusschen de twee Cherubijnen.

In het Heilige stond het reukaltaar, dat geheel met goud overtrokken was; de tafel der toonbrooden, die ook geheel met goud was belegd, en de gouden kandelaar met zeven armen. De lampen van dien kandelaar werden

ocr page 405

^ 75

eiken namiddag ontstoken en brandden tot 'den morgen ; op tafel lagen altijd twaalf brooden, die eiken Sabbath vernieuwd werden; op het reukaltaar werden tweemaal daags geurige specerijen ten offer verbrand. Al de wierooks-vaten, schenkkamien, schalen en bekers, welke in het Heilige gebruikt werden, waren van fijn goud.

üe tabernakel was omringd door het voorhof, dat is een ruim, langwerpig vierkant plein, afgesloten door verzilverde kolommen, waaraan een linnen behangsel hing. In het voorhof, recht tegenover den ingang der tent, stond het groote met koper bekleede brandoffer-altaar, waarop de gewone offers werden opgedragen ; tusschen dit altaar en den tabernakel stond het koperen waschvat, dat diende voor de reinigingen der priesters. In het voorhof gingen allen binnen, die offers kwamen opdragen ; in het Heilige mochten alleen de dienstdoende priesters ingaan; in het Heilige der heiligen alleen dc hoogepriester, en , in den regel, slechts ééns in het jaar.

Het Joodsche heiligdom was eene afbeelding van onze kerken. Deze zijn ook in drieën verdeeld: het Heilige der heiligen is ons tabernakel, waar onze Heer Jesus Christus in het Allerheiligste waarlijk tegenwoordig is; het verzoendeksel is het altaar, waarop dagelijks het Bloed des Nieuwen Testaments aan God wordt opgedragen tot verzoening der zonden. Aan dat altaar leest de priester onder de H. Mis het Evangelie, dat de wet van Christus is. — Het Heilige is ons priesterkoor; daar stijgt de wierook ten hemel op; daar verspreidt de godslamp haar licht; daar staat dc communiebank die dc heilige tafel is, waaraan wij het Brood des levens ontvangen. — Het voorhof is het schip of het ruim onzer kerken, waarin het gcloovige volk zich vergadert. Daarin staat de doopvont, waarin de zielen gereinigd worden van de smet der erfzonde; en in plaats van het brandofferaltaar, waarop dieren geofferd werden tot verzoening van schuld, staat daar de biechtstoel, waar dc boetvaardige zondaar zich zclven, in berouw en belijdenis zijner schuld, slachtoffert om de vergiffenis zijner zonden te verwerven.

XLIII. Mozaïsche Wet.

De Mozaïsche wet bestond uit twee zeer verschillende gedeelten; het eene is de zedenwet, die niet alleen aan de Joden maar ook aan de Christenen gegeven is, en waarvan onze Verlosser zeide: Ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar om haar te volmaken. Het andere was-

ocr page 406

/6

alleen voor de Joden verplichtend en omvatte de voorschriften voor [hunnen eeredienst en hunne burgerlijke wetten. Want ^e Joden moesten in alles toonen dat zij het volk Gods waren: Gij zult heilig zijn, zeide God, omdat Ik heilig ben.

I. ZEDENWET.

De zedenwet is niets anders dan de wet der tien echoden ,

o '

duidelijker verklaard en toegepast.

Eerste gebod. Hoor Israël, de Heer onze God is een éénig God. — Den Heer uwen God zult gij vreezen en Hem alléén dienen. -— Vervloekt is hij die afgoden maakt of vereert; zij zijn den Heer een gruwel. — Alle waarzeggerij , alle raadplegen van toovenaars en wichelaars is verboden; toovenaars en valsche profeten moeten sterven. — Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uwe ziel en uit al uw vermogen.

Tweede gebod. Gij zult zweren bij den naam des Heeren ; maar gij zult niet valsch zweren noch den naam van uwen God ontheiligen. — Die den naam des Heeren gevloekt heeft, moet met steenen dood geworpen worden ; — deze straf werd in de woestijn, op uitdrukkelijk bevel van God, aan een godslasteraar voltrokken. — Vervul zonder uitstel de belofte, die gij den Heer gedaan hebt.

Derde gebod. De zevende dag is de rustdag des Heeren. Gij zult dan geen werk doen, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uwe dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch de vreemdeling, die binnen uwe poorten is ; uw slaaf en slavin moeten dan rust hebben , evenals gij. — Een sabbathschenner, die in de woestijn den dag des Heeren door hout te sprokkelen ontheiligd had, werd op bevel van God met den dood gestraft.

Vierde gebod. Iedereen vreeze zijnen vader en zijne moeder; wie zijnen vader of zijne moeder slaat of vloekt, zal sterven. — Ouders moeten hunne kinderen vooral in de Wet onderwijzen. — Overheden moeten geëerd en gehoorzaamd worden, en niemand vloeke den vorst des volks. — Sta op voor een grijs hoofd en heb eerbied voor den persoon des ouden. — Gij zult uwen naaste be-

ocr page 407

77

minnen gelijk u zelven ; ook den vreemdeling, die in uw land woont, zult gij liefhebben gelijk u zeiven.

Vijfde gebod. Wie een mensch met opzet doodt, wie iemand rooft en als slaaf verkoopt, moet sterven. Niemand mag zijne slaven mishandelen, en wie een ander kwetst wordt zwaar gestraft. — Gij zult uwen broeder niet haten in uw hart; gij zult geen wraak zoeken, noch der be-beleediging uwer medeburgers indachtig zijn. — Ik beveel u , dat gij uwe hand opent voor uwen behoeftigen en armen broeder. Doet geen kwaad aan weduwe of wees; want Ik

O .'

zal hun geschrei hooren, en mijne gramschap zal tegen u ontsteken. — I Iet geld, dat de arme geleend heeft, mag niet met geweld teruggevorderd worden.

Zesde gebod. Alle onkuischheid is streng verboden, en op de zwaarste zonden tegen de zuiverheid staat de doodstraf.

Zevende gebod. Pleegt geen onrecht met de el, het gewicht of de maat; uwe waag zij zuiver en uwe gewichten onvervalscht; bedriegt uwe naasten niet door leugens. Aan uwen broeder zult gij geld leenen zonder woeker. — Gij zult den daglooner zijn loon niet onthouden en het niet bij u laten overnachten ; opdat hij niet tegen u roepe tot God, en het u tot zonde worde aangerekend.

AeJitste gebod. Wie voor de rechtbank valsche getuigenis aflegt, moet de straf ondergaan, welke op de misdaad staat, welke hij den andere ten laste legt. —Alle kwaadspreken, laster en achterklap is verboden. — Vlucht de leugentaal; wees geen aanbrenger noch oorblazer onder het volk.

Negende en tiende gebod. God verbiedt niet alleen uiterlijke overtredingen met woorden of werken, maar ook alle inwendige zondige begeerten; de ware deugd moet uit het hart voortkomen, en God kan geen behagen vinden in een volk, dat Hem met de lippen eert, maar welks hart ver van Hem is.

In het eerste gebod zegt God: Gij zult u geen gesneden beeld of gelijkenis maken; gij zult die niet vereeren of godsdienst aandoen. God verbiedt hier het maken en vereeren van afgodsbeelden, van zilveren of gouden goden; maar God verbiedt niet het maken van alle beelden, want dan zou God zelf tegen de Wet gezondigd hebben, toen Hij aan Mozes gebood, twee gouden beelden van engelen te maken en op het deksel der ark te plaatsen.

ocr page 408

78

11. CEREMONIËEL-WET.

Door het woord Ceremoniën verstaat men godsdienstplechtigheden, en de Ceremoniëel-wet der Joden omvat alle voorschriften over den Israëlitischen godsdienst. Deze godsdienst was óf openbare godsdienst óf meer bijzondere godsdienst. Tot den openbaren godsdienst behoorden de wetten over de offers, de priesters en de feesten.

I. Over de offers. Zij waren naar den aard van het geofferde: bloedige en onbloedige; de eerste waren slachtoffers, omdat de offerdieren geslacht en op het altaar geheel of gedeeltelijk verbrand werden; de tweede waren spijs- en drankoffers, en bestonden hoofdzakelijk uit brood en wijn; daarenboven uit olie, wierook en zout.

Naar de wijze van offering en naar hun doel werden de gewone offers in drie soorten verdeeld: 1° het brandoffer, aldus genoemd omdat het offerdier geheel verbrand werd. Zulk een offer werd alle dagen , des morgens en des avonds , opgedragen. Het bijzondere doel van het brandoffer was de aanbidding van God. — 2° Het zoenoffer, dat ook zondeoffer en schuldoffer heette, diende tot verzoening van hem, die de Wet onopzettelijk, door onwetendheid of overijling, overtreden had. Wie zulk een offer bracht, legde zijne handen op het hoofd van het offerdier en beleed zijne schuld. — 3° Het vrede-offer werd aldus ge-genoemd, omdat hij, die het opdroeg in staat van vrede met God moest zijn. Het diende om God voor zijne weldaden te danken, of om zich van gedane geloften te kwijten; het werd ook wel uit godsvrucht vrijwillig opgedragen ; vandaar heette het ook dankoffer, gelofte-offer en vrijwillig offer. Wie zulk een offer bracht, hield daarvan met zijn huisgezin een heiligen feestmaaltijd.

De offers van het Oude Testament hadden uit zich zeiven geen kracht om vergiffenis van zonden te schenken; het is onmogelijk, zegt de apostel Paulus, dat door het bloed van stieren en bokken zonden worden weggenomen.

Wanneer de Israëliet zijn offer opdroeg met waar berouw over zijne zonden en in den geest der boetvaardigheid; wanneer dan de priester voor hem bad; wanneer hij zijn offer bracht in ge-loovig vertrouwen op den beloofden Verlosser, — dan schonk God

ocr page 409

79

hem de vergiffenis zijner zonden, om wille der verdiensten van Christus en zijn heilig Kruisoffer.

De offers der Joden waren eene afbeelding van het Offer van Christus. Dat offer is bloedig en onbloedig tevens; bloedig werd het ééns op het kruis, onbloedig wordt het dagelijks, onder de gedaante van brood en wijn, op onze altaren aan God opgedragen. Dat heilig offer geef t aan God de hoogste vereering en aanbidding; het is het zoenoffer voor de zonden der wereld, het is de volmaaktste dankzegging voor Gods weldaden en doet de genade van ' God over ons nederdalen. Dat Offer dient ook tot den heiligen maaltijd, dien Christus in zijne Kerk heeft aangerecht, en waaraan allen, die rein van harte zijn, in de heilige Communie deelnemen. .

II. Over de priesters. Elke godsdienst, welke eenen eeredienst en offer heeft. moet ook eene priesterschap hebben ; van het begin af waren de Israëlietische aartsvaders ook priesters, maar nu koos God één geslacht tot het priesterschap uit: Aciron en zijne nakomelingen zouden alléén de priesters des Heeren zijn. Aan het hoofd der priesters stond do h oogep r ie ster.

Het gewaad der priesters was zeer eenvoudig en bestond uit een wit linnen kleed; doch de hoogepriester had, behalve dit gewaad, nog een ander zeer prachtig kleed. Over het gewone priesterkleed droeg hij een hemels-blauwen overrok, die van onderen rondom bezet was met gouden schelletjes en granaatappelen; daarover hing de ephod, dat is, een rijk geborduurd en met gouddraad doorweven schouderkleed; op zijne borst droeg de hoogepriester het borstschild, welks voorzijde bezet was met twaalf edele steenen , waarop de namen der twaalf stammen stonden. Tot het hoofdhulsel des hoogepriesters behoorde een gouden diadeem, waarin de woorden heilig den Heer gegraveerd waren.

Behalve de priesters werd de geheele stam Levi door God aan den dienst des heiligdoms verbonden. De Levieten moesten de priesters in hun heilig werk bijstaan, het heiligdom bewaken, den tabernakel met zijn toebehooren vervoeren en dragen; ook waren zij belast met het godsdienstig onderwijs.

De priesters cn Levieten behoefden niet voor hun eigen onderhoud te zorgen en ontvingen later geen erfdeel in het land Kanaiin. Ik ben uw deel en uwe erfenis, zeidc God tot hen. Daartegenover stond God de tienden, welke

ocr page 410

78

II. CEREMONIKEL-WET.

Door het woord Ceremoniën verstaat men godsdienstplechtigheden, en de Ceremoniëel-wet der Joden omvat alle voorschriften over den Israëlitischen godsdienst. Deze godsdienst was óf openbare godsdienst öf meer bijzondere godsdienst. Tot den openbaren godsdienst behoorden de wetten over de offers, de priesters en de feesten.

I. Over de offers. Zij waren naar den aard van het geofferde: bloedige en onbloedige; de eerste waren slaehtoffers, omdat de offerdieren geslacht en op het altaar geheel of gedeeltelijk verbrand werden; de tweede waren spijs- en drankoffers, en bestonden hoofdzakelijk uit brood en wijn; daarenboven uit olie, wierook en zout.

Naar de wijze van offering en naar hun doel werden de gewone offers in drie soorten verdeeld: 1° het brandoffer, aldus genoemd omdat het offerdier geheel verbrand werd. Zulk een offer werd alle dagen , des morgens en des avonds, opgedragen. Het bijzondere doel van het brandoffer was de aanbidding van God. — 2° Het zoenoffer, dat ook zondeoffer en selinldoffer heette, diende tot verzoening van hem, die de Wet onopzettelijk, door onwetendheid of overijling, overtreden had. Wie zulk een offer bracht, legde zijne handen op het hoofd van het offerdier en beleed zijne schuld. — 30 Het vrede-offer werd aldus ge-genoemd, omdat hij, die het opdroeg in staat van vrede met God moest zijn. Het diende om God voor zijne weldaden te danken, of om zich van gedane geloften te kwijten; het werd ook wel uit godsvrucht vrijwillig opgedragen ; vandaar heette het ook dankoffer, gelofte-offer en vrijwillig offer. Wie zulk een offer bracht, hield daarvan met zijn huisgezin een heiligen feestmaaltijd.

De offers van het Oude Testament hadden uit zich zeiven geen kracht om vergiffenis van zonden te schenken; het is onmogelijk, zegt de apostel Paulus, dat door het bloed van stieren en bokken zonden worden weggenomen.

Wanneer de Israeliet zijn offer opdroeg met waar berouw over zijne zonden en in den geest der boetvaardigheid; wanneer dan de priester voor hem bad; wanneer hij zijn offer bracht in ge-loovig vertrouwen op den beloofden Verlosser, — dan schonk God

ocr page 411

79

hem de vergiffenis zijner zonden, om wille der verdiensten van Christus en zijn heilig Kruisoffer.

De offers der Joden waren eene afbeelding van het Offer van Christus. Dat offer is bloedig en onbloedig tevens; bloedig werd het ééns op het kruis, onbloedig wordt het dagelijks, onder de gedaante van brood en wijn, op onze altaren aan God opgedragen. Dat heilig offer geeft aan God de hoogste vereering en aanbidding; het is het zoenoffer voor de zonden der wereld, het is de volmaaktste dankzegging voor Gods weldaden en doet de genade van ' God over ons nederdalen. Dat Offer dient ook tot den heiligen maaltijd, dien Christus in zijne Kerk heeft aangerecht, en waaraan allen, die rein van harte zijn, in de heilige Communie deelnemen.

II. Over de priesters. Elke godsdienst, welke eenen eeredienst en offer heeft, moet ook eene priesterschap hebben ; van het begin af waren de Israëlietische aartsvaders ook priesters, maar nu koos God één geslacht tot het priesterschap uit: Adron en zijne nakomelingen zouden alléén de priesters des Heeren zijn. Aan het hoofd der priesters stond de hoogepriestcr.

Het gewaad der priesters was zeer eenvoudig en bestond uit een wit linnen kleed; doch de hoogepriester had, behalve dit gewaad, nog een ander zeer prachtig kleed. Over het gewone priesterkleed droeg hij een hemels-blauwen overrok, die van onderen rondom bezet was met gouden schelletjes en granaatappelen; daarover hing de cp/iod, dat is, een rijk geborduurd en met gouddraad doorweven schouderkleed; op zijne borst droeg de hoogepriester het borstschild, welks voorzijde bezet was met twaalf edele steenen, waarop de namen der twaalf stammen stonden. Tot het hoofdhulsel des hoogepriesters behoorde een gouden diadeem, waarin de woorden heilig den Heer gegraveerd waren.

Behalve de priesters werd de geheele stam Levi door God aan den dienst des heiligdoms verbonden. De Levieten moesten de priesters in hun heilig werk bijstaan, het heiligdom bewaken, den tabernakel met zijn toebehooren vervoeren en dragen ; ook waren zij belast met het godsdienstig onderwijs.

De priesters en Levieten behoefden niet voor hun eigen onderhoud te zorgen en ontvingen later geen erfdeel in liet land Kanaiin. Ik ben uw deel en uwe erfenis, zeicle God tot hen. Daartegenover stond God de tienden, welke

ocr page 412

8o

de Joden Hem moesten opbrengen, aan de Levieten af; deze moesten daarvan wederom de tienden aan de priesters geven.

III. Over de feesten. De Joden hadden drie hoogfeesten, iquot; Het Paaschfeest, dat zeven dagen duurde en ook het feest der ongedeesevide brooden genoemd werd, omdat men in die zeven dagen geen ongedeesemd brood eten mocht. De Israëlieten waren op doodstraf verplicht Paschen te houden. Op den tweeden paaschdag werd de eerste schoof der gerst aan God opgeofferd: vóór dien tijd mochten de Joden van het nieuwe graan niet eten, 2° Het Pinksterfeest, dat is, het feest van den vijftigsten dag, viel zeven weken en één dag na Paschen en duurde één dag; het werd ook het feest der weken, het oogstfeest en de eerstelingen-dag genoemd , omdat daarop de eerstelingen der tarwe geofferd werden. Daar de Wet juist op den vijftigsten dag na Paschen gegeven werd, was het Pinksterfeest tevens de gedachtenis der wetgeving op den berg Sinaï. — 30 Het Loofhutten-feest viel in den herfst en duurde acht dagen; het was het dankfeest voor de weldaden, die God aan de Joden bewezen had, toen Hij hen in tenten of hutten had doen wonen, nadat Hij hen uit Egypte verlost had. Tevens dankte men God dan voor de ingezamelde vruchten.

Behalve deze drie hoofdfeesten werd elke eerste dag der maand, die altijd met nieuwe maan begon, gevierd, hij heette nieuxve-inaandag. De Joden hadden een kerkelijk jaar, dat met de maand Nis an, waarin Paschen viel, en een burgerlijk jaar, dat zes maanden later begon ; de eerste dag van het burgerlijk jaar was een plechtige feestdag.

De groote verzoendag, die door de Joden ook groote of lange dag genoemd wordt, was een dag van algemeene boetvaardigheid en viel tien dagen na Nieuwjaar, vijf dagen vóór het Loofhuttenfeest. Op dien dag was een streng vasten voorgeschreven. De hoogepriester ging op dien dag in het heilige der heiligen, met het bloed van eenen jongen stier, dien hij als zoenoffer voor zich zelven geslacht had, en vervolgens met het bloed van eenen bok, die als zoenoffer voor de zonden des volks geslacht was; een andere bok werd in de woestijn gejaagd, nadat de hoogepriester zijne handen op diens hoofd gelegd en belijdenis

ocr page 413

8i

gedaan had van de zonden des volks. Dit offer was het voornaamste zoenoffer des Ouden Testaments en daarom ook de voornaamste voorafbeelding van het Kruisoffer. God zelf had van den grooten verzoendag gezegd: Op dien dag zal verzoening geschieden over u en reiniging van al uwe zonden ; zuiver zult gij worden voor den Heer. Daarom moesten de Joden dien dag in berouw en boetvaardigheid doorbrengen: Wie op dien dag niet bedroefd is, die zal verdelgd worden uit zijn volk.

Behalve deze feesten worden in de wet van Mozes nog twee heilige tijden voorgeschreven: het Sabbat/ijaar en het Jubeljaar. Het eerste was een jaar van rust voor de aarde. Zes jaren, sprak God, zult gij uwen akker bezaaien en uwen wijngaard besnoeien. Maar in het zevende jaar zal het Sabbath zijn voor de aarde; dan zult gij den akker niet bezaaien, noch den wijngaard besnoeien. Men behoefde in dat jaar voor geen gebrek te vreezen; want God had gezegd: Ik zal mijnen zegen over u geven in het zesde jaar en het zal vruchten van drie jaren voortbrengen. In het Sabbathjaar mocht de Israëliet zijnen armen broeder niet dwingen tot teruggave van geleend geld; daarom noemde men het ook jaar van vrijlating.

Ook werden de Israëlieten, die zich in eens anders dienst verkocht hadden, weder vrij.

Om de vijftig jaren had men een groot Sabbathjaar, dat Jubeljaar heette; al de voorrechten van het Sabbathjaar golden ook voor het Jubeljaar; daarenboven keerden verkochte huizen en landerijen tot hun vorigen eigenaar terug.

IV. Over den meer bijzonderen godsdienst. Het voornaamste hierover zijn de spijs- en reinigingszvetten der Joden. De spijswetten waren voorschriften omtrent verboden spijzen ; de Joden mochten namelijk geene onreine dieren en vooral geen bloed of bloedig vleesch eten. Ook menschen konden in sommige gevallen, bijvoorbeeld door het aanraken van lijken, onrein worden; dan moesten zij bepaalde reinigingen, die vooral in wasschingen en baden bestonden, ondergaan en zich , zoolang de onreinheid duurde, uit het; heiligdom verwijderd en van hunne huisgenooten afgezonderd houden. Al deze verordeningen dienden om

ocr page 414

82

de Joden door middel van uiterlijke reinheid tot zuiverheid des harten en tot heiligheid aan te sporen.

Onder de geloften, waardoor iemand of iets aan God werd toegewijd, waren vooral het Nazareaat en de Bange lof te van groot belang. Door het Nazareaat werd iemand Nazareër, dat is, afgezonderde voor God; hij moest zich , zoolang de gelofte duurde, van wijn en sterken drank onthouden en zijne haren laten wassen. De ban of banvloek was eene gelofte, waardoor men iemand of iets tot onherroepelijk eigendom van God en, in den regel, tot dood en vernietiging wijdde. Wie zich vergreep aan iets, dat door bangelofte aan God gewijd was, werd met den dood gestraft.

III. BURGERLIJKE WETTEN.

I. Persoonlijke vrijheid. De Israëlieten mochten niet als slaven verkocht worden. Indien een Jood zich uit armoede in den dienst van een ander verkocht, duurde zijne dienstbaarheid nooit langer dan zes jaren; wilde echter de dienstknecht zijnen meester niet verlaten, dan kon hij zich, maar op eene zeer moeielijke wijze, tot levenslange dienstbaarheid verplichten. De Joden mochten wel slaven hebben uit andere volken , maar moesten ook deze menschelijk behandelen.

II. Familie-betrekkingen. Het Jinivelijk was in het Oude Testament nog zeer onvolmaakt: een man mocht meer dan ééne vrouw hebben, en ook kon de huwelijksband door echtscheiding verbroken worden. Wanneer een gehuwd man stierf zonder kinderen na te laten, was zijn broeder verplicht de weduwe tot vrouw te nemen , opdat de naam des overledenen niet zou uitsterven.

Wanneer een ondeugende en weerspannige zoon naar de vermaning en bestraffing zijner ouders niet wilde luisteren, kon hij voor de oudsten der stad gebracht worden, en, wanneer zijne zware schuld bewezen was, dan, zeide God, zal het volk zijner stad hem met steenen dood werpen, opdat geheel Israel het hoore en siddere 1

III. Eigendomsrechten. De Joden waren geen eigenlijke eigenaars van het land, dat God hun schonk; zij waren zooveel als pachters, en God was de landheer. Daarom

ocr page 415

83

moest dc verdeeling van het land, die tusschen de familiën gemaakt werd, onveranderd blijven. Aan de priesters en Levieten, die geen gedeelte van het land in bezit ontvingen, moesten acht en veertig steden tot woonplaats worden afgestaan.

Behalve de tienden aan de Levieten , moesten de Joden ook een gedeelte hunner inkomsten aan de armen afstaan; daarenboven was de milddadigheid jegens de behoeftigen hun ten sterkste aanbevolen; zoo mochten zij de hoeken hunner akkers niet geheel afmaaien, de op het veld vergeten schoven niet ophalen, geene nalezing houden bij den oogst der olijven en druiven: de vreemdelingen, weduwen en weezen moesten ook hun deel hebben.

IV. Openbare macht. Door Aiozes waren reeds rechters over het volk aangesteld; de stamhoofden en de oudsten hadden ook deel aan het bestuur; vóór er koningen waren, berustte het oppergezag in den regel bij den hoogepriester.

In elke stad moest eene rechtbank wezen, en daarenboven was er één hoogc Raad, die uit priesters bestond. De doodstraffen waren de steeniging en de dood door het zwaard; somtijds hing men het lijk des misdadigers aan een paal ten toon, en in andere gevallen werd het verbrand. De éénige lijfstraf, die de Wet bepaalde, bestond in stokslagen, welke het getal van veertig nooit mochten te boven gaan. Bij verwondingen met boos opzet gold de wet: Gelijk hij gedaan heeft, zóó zal hem geschieden. De-dief moest dubbele, en in eenige gevallen, vier- en vijfdubbele vergoeding geven.

De eigenmachtige bloedwraak van de familie eens vermoorden tegen den moordenaar werd door de Wet wel niet geheel verboden; maar er moesten toch in het land zes vrijsteden worden aangewezen, waarheen hij, die een ander gedood had, vluchten, en waar hij, wanneer hij geen opzettelijke moordenaar was, veilig wonen kon.

Tot den krijgsdienst waren alle Joden, dc Levieten uitgezonderd, van hun twintigste jaar af, verplicht.

V. Verhouding tot andere volken. Tegenover de bewoners van het land Kanaan, die door God zeiven ten ondergang veroordeeld waren, moesten de Joden zich als vijanden gedragen; doch met andere volken mochten zij

ocr page 416

84

alle burgerlijke betrekkingen onderhouden. Ook mochten deze volken, indien zij wilden, tot het Jodendom geheel of gedeeltelijk overgaan ; die dit deden werden Proselieten , dat is, toetredenden of aankomelingen genoemd.

XLIV. Inwijding van den Tabernakel en de Priesters. Paaschfeest.

In ruim zes maanden was de tabernakel en zijn toe-behooren gereed, en ontving Mozes bevel, om tot de plechtige inwijding daarvan en van de priesters en Levieten over te gaan.

Het geheele volk kwam voor de heilige tent te zamen; Aaron en zijne vier zonen stonden voor Mozes, en deze bekleedde zijnen broeder met het hoogepriestelijk gewaad. Daarna zalfde hij den tabernakel en alles, wat daarin en in het voorhof stond, met balsemolie en goot vervolgens de overige olie op het hoofd van Aaron uit; de vier priesters werden ingekleed en moesten daarna met den hoogepriester nog zeven dagen in heilige afzondering doorbrengen.

Op den achtsten dag droeg Aaron het eerste offer in zijne nieuwe waardigheid op, en sprak hij plechtig den zegen over het volk uit. God verheerlijkte deze plechtigheid door een schitterend wonder. De wolk, die de Israëlieten tot hiertoe geleid had, daalde op den tabernakel neder, en de glorie des Heeren vervulde het heiligdom; tegelijk schoten stralen vuurs uit die wolk op het altaar, waarop de offers nog lagen, en verteerde die geheel. Zoo werd door God zeiven het heilige vuur ontstoken, dat in het vervolg nimmer mocht uitgedoofd worden.

De Levieten werden door den hoogepriester tot dienaren des heiligdoms afgezonderd en den Heer als een bijzonder eigendom toegewijd. De wijding gold, evenals bij de priesters, niet alleen voor hun persoon maar tevens voor al hunne nakomelingen; alleen de hoogepriesters werden in het vervolg ieder in het bijzonder gewijd.

Toen de wijdingsfeesten, die met groote plechtigheid en vreugde gevierd werden, afgeloopen waren, vierde men het paaschfeest, daar er sedert den uittocht uit Egypte

ocr page 417

nu een jaar verloopen was. Eenige Israëlieten konden het paaschlam op den bepaalden dag niet eten en ontvingen door Mozes van God bevel, om ééne maand later hun Paschen te houden; dit bevel was een blijvend voorschrift voor degenen, die in het vervolg door wettige redenen belet zouden zijn het paaschfeest met de anderen te vieren.

Eer men van den berg Sinaï wegtrok, moesten twee van de pas gewijde priesters. Nadab en A bin, de twee oudste zonen van Aaron, hunne heiligschennende vermetelheid met hun leven boeten. Op zekeren dag traden zij het heiligdom binnen met hunne wierooksvaten, waarin zij, zonder zich aan de goddelijke voorschriften te storen, gewoon vuur inplaats van heilig vuur gelegd hadden; beiden vielen dood neder bij den ingang des tabernakels. Aldus leerde God aan alle volgende priesters, dat zij vooral eerbied moesten hebben voor Gods huis en de voorschriften des Hoeren stiptelijk moesten onderhouden. De twee andere zonen van Aaron, die nu de eenige priesters waren, heetten Eleazar en Ithamar.

XLV. Volkstelling. Optocht van Sinaï.

Al de strijdbare mannen van twintig jaar en daarboven werden door Mozes en Aaron op eene volkslijst opgeschreven; hun getal beliep 603,550 man, die in vier legerafdeelingen gesplitst werden, juda stond aan het hoofd van de eerste, Ruben van de tweede, Ephraim van de derde en Dan van de vierde afdeeling. De dienstdoende Levieten waren 8580 in getal; deze legerden zich rondom den tabernakel en werden door de vier legerkorpsen omringd. Wanneer men optrok, had Juda de voorhoede en sloot Dan den tocht; in het midden gingen de Levieten, die de heiligdommen droegen. Het teeken tot optrekken en tot rusten werd door God zeiven gegeven. Wanneer de Joden hunne legerplaats verlaten moesten, steeg de wolk, die de heilige tent bedekte, omhoog; zoodra de priesters dit zagen, bliezen zij op zilveren bazuinen, en het leger zette zich in beweging. Men ging voort, totdat de wolk nederdaalde en het teeken tot rusten gaf. Bij het opnemen der ark riep Mozes uit: Sta op, Heer! en

ocr page 418

86

dat uwe vijanden verstrooid worden voor uw aangezicht! En als men haar weder nederzette, zeide hij; Keer terug, Heer! tot de menigte van het leger Israels!

Nadat de Joden bijna één jaar in de woestijn van Sinai vertoefd hadden, steeg de wolk boven den tabernakel omhoog, en de optocht naar Kanaiin begon.

XLVI. Tocht naar de Grenzen van KANAaN.

Tusschen den berg Sinaï en het land Kanaan lag de ^roote woestijn Pharan, welke de Joden nu moesten doortrekken. De vermoeienissen van de reis maakten het volk weldra ontevreden. Wie zal ons vleesch te eten geven ? vroegen zij klagend ; wij denken aan de visschen , die wij om niet aten in Egypte; voor den geest komen ons de komkommers en de watermeloenen en de uien en het knoflook. Onze ziel is uitgedroogd; onze oogen zien niets anders dan manna. Toen Mozes deze ondankbare taal hoorde, werd hij diep bedroefd. Waarom, bad hij tot God, heb Gij den last van dit gansche volk op mij gelegd? Waar vind ik vleesch om het aan zulk eene menigte te geven ? Ik kan den last van dit geheele volk niet alleen dragen, want het is mij te zwaar. Is echter uwe meening anders, laat mij dan sterven en genade vinden in uwe oogen. Uit eerbied sprak Mozes niet duidelijk uit, wat hij eigenlijk wilde vragen. God evenwel verhoorde den wensch van zijnen dienaar: Hij beloofde, dat Hij Mozes zeventig inannen tot medehelpers geven, en den volgenden dag het volk met vleesch verzadigen zou.

Mozes koos zeventig mannen uit de oudsten der stammen en verscheen met hen voor den tabernakel. God gaf hun deel in dien zelfden geest, waarmede tot nog toe Mozes was vervuld geweest, en zij begonnen terstond te profeteeren. Zijne andere belofte vervulde Qod , door weder eene groote menigte zvachtels in de legerplaats der Joden te doen nedervallen. Bij deze gelegenheid bleek het, hoe datgene, waarnaar de menschen met de grootste vurigheid verlangen , voor hen zeer noodlottig kan zijn : de Joden aten van het vleesch der vogels met zulke onverzadelijke gulzigheid, dat velen krank werden en stierven; de plaats, waar dit

ocr page 419

87

gebeurde, ontving ten aandenken den naam van: Graven der begeerlijkheid. Te Haseroth moest Mozes ondervinden, c./ y dat zijn broeder Aaron en zijne zuster Maria zich tegen hem verzetten uit jaloerschheid over zijne verhevenheid en voorrechten. Heeft dan, zeiden zij, de Heer door Mozes alléén gesproken? Sprak Hij niet evenzeer door ons? Mozes verdroeg hunne beleedigingen met geduld, maar God verdroeg ze niet. Terstond moest Mozes met Aaron en Maria voor den tabernakel verschijnen, en God sprak tot de twee schuldigen : Waarom hebt gij u niet ontzien de eer te krenken van mijnen dienaar Mozes? En op het eigen oogenblik werd Maria door de melaatschheid getroffen. Aaron erkende en beleed nu zijne schuld en smeekte zijnen broeder, dat hij voor hem en zijne zuster bij God wilde tusschenbeide komen. Mozes bad, en Maria werd weder genezen.

XLVII. Verkenning van Kanasn, Oproer, Straf en Aftocht van het Volk.

Tegen het begin van den herfst kwamen de Joden te Kadesbarne aan het gebergte, dat de zuidelijke grens van het land Kanaan uitmaakte. Mozes zeide hun : Ziedaar het land, dat de Heer uw God u schenkt! Trekt op en neemt het in bezit, gelijk de Heer onze Goci tot uwe vaders gesproken heeft; vreest niet en weest onversaagd. Op verlangen van het volk zond Mozes nu twaalf mannen, om het land te verkennen; onder hen bevonden zich Jozue en Kaleb. Zij trokken het geheele land door en keerden na veertig dagen terug, een zwaren druiventros en andere vruchten medebrengend als bewijzen van de uitstekende vruchtbaarheid des lands.

Toen zij, ten aanhoore van al het volk, verslag deden van hetgeen zij gezien hadden, zeiden zij: Wij zijn gekomen in het land, waarheen gij ons gezonden hebt, dat in waarheid van melk en honig vloeit, gelijk uit deze vruchten kan erkend worden. Maar zijne bewoners zijn allermachtigst, zijne steden groot en met muren omringd. Een reuzengeslacht hebben wij er gezien ! In het Zuiden, op bergen, langs de zee en bij den Jordaan wonen sterke

-

ocr page 420

88

volken. Bij het hooren dezer woorden, op vreesachtigen toon door lafaards gesproken, werd het volk doodelijk verschrikt en begon tegen Mozes te morren. Te vergeefs riep de moedige Kaleb uit: Wij zijn sterk genoeg om het land te overweldigen! Maar de tien andere verkenners riepen luider dan hij: Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is machtiger dan wij! Het volk, dat wij gezien hebben, is van buitengewone grootte; wij hebben daar eenige monsters uit het reuzengeslacht gezien, bij wie wij klein schenen als sprinkhanen! Door deze over-drevene berichten vermeerdert ieder oogenblik de angst van het ontstelde volk; zij luisteren niet meer naar de

stem van wij toch gekomen in binnen voere in zwaard , opdat maar schreeuwen en

Mozes

in Egypte ! ach , waren groote woestijn ! Dat toch God ons niet dat land, opdat wij niet vallen door het onze vrouwen en kinderen niet de prooi

huilen : Ach , waren wij toch om-God

gestorven deze


worden der vijanden! Eindelijk is het geheele leger in oproer, en stijgt van alle kanten de kreet omhoog: komt, kiezen wij ons eenen aanvoerder en trekken wij , naar Egypte terug! Nogmaals beproeven Jozue en Kaleb, met gevaar voor hun eigen leven, de woedende benden tot bedaren te brengen. Het land, dat wij doorreisd hebben, roepen zij, is een best land! Als de Heer met ons is, zal Hij er ons binnenvoeren, en ons een land, vloeiend van melk en honig, geven. |Zijt toch niet weerspannig tegen den Heer, en niet bevreesd voor het volk van dat land! Zij zijn zonder eenige bescherming; met ons is de Heer! Vreest niet! Maar alles is te vergeefs, en reeds grijpen de razende Joden naar steenen om de twee helden dood te werpen, — als eensklaps de wolk boven den tabernakel van verschrikkend en dreigend vui,r begint te stralen. En Gods stem klinkt: Hoelang zal dit volk Mij hoonen en weigeren Mij te gelooven, bij al de wonderen, die Ik voor hen gedaan heb? Ik zal hen dan met de pest slaan en hen vernielen. En u (zeide God tot Mozes) zal Ik maken tot hoofd van een volk, grooter en sterker dan dit. Mozes had zich met zijnen broeder met het aangezicht ter aarde nedergeworpen, en bad nu om genade voor het ondankbaar en weerspannig volk; maar God, die oneindig

ocr page 421

3

-

89

en rechtvaardig is, trok het doodvonnis, dat Hij nu voor de jk tweede maal, had uitgesproken, niet weder in; wel zou Hij, ;fs om wille van zijnen dienaar Mozes, de uitvoering van d;t m vonnis uitstellen, maar tegelijk verzekerde Hij, dat van :rs al degenen, die zijne majesteit en zijne wonderen in p- | Egypte en in de woestijn gezien hadden, niemand het at land zoude zien , dat Hij aan hunne vaders beloofd had. :n Allen , die den ouderdom van twintig iaren bereikt hadden , )ij zouden hun graf vinden in de woestijn; allen, behalve r- Jozue en Kaleb, die belooning in plaats van straf verst diend hadden.

Ie Zoo hadden de Joden dan eindelijk door herhaalde

ni ongehoorzaamheid en voortdurend morren en muiten zich

i- zelven in het ongeluk gestort. Zij hadden geroepen: Ach,

2t waren wij 'omgekomen in deze woestijn! en God zeide:

it Zoo waar Ik leef: gelijk gij ten mijnen aanhoore ge-

:)i sproken hebt, zóó zal Ik u doen ; in deze woestijn zullen

n uwe lijken liggen. En uwe kinderen, van wie gij gezegd

:, hebt, dat zij eene prooi der vijanden zouden worden, die

ir zal Ik binnenleiden, opdat zij het land zien, dat u niet

:t heeft behaagd. Uwe kinderen zullen rondzwerven in de

)t woestijn, veertig jaren lang; en zij zullen voor uwen afval

i, boeten, totdat de lijken hunner vaders vergaan zijn in

, de woestijn.

d Toen de opgewondenheid des volks voorbij was, en men

g de straf der tien aanstokers van den opstand, welke

,t terstond door God geslagen werden en stierven, gezien had,

e en vooral toen MozeS het bevel des Heeren : Breekt morgen

s op en keert terug in de woestijn naar de Roode Zee, had

ii afgekondigd, begrepen de Joden, hoe verkeerd zij gedaan

ii hadden. Den volgenden dag kwamen gewapende benden

e tot Mozes en zeiden: Wij zijn bereid op te gaan naar de

j plaats, waarvan de Heer gesproken heeft: want wij hebben

, verkeerd gedaan. Mozes waarschuwde hen, dat God het

t nu niet meer wilde, dat zij Kanaan niet mochten binnen-

1 gaan. Toch waagden zij eene poging, maar werden met

i een groot verlies door de Amalekieten en Kanaanieten

t teruggeslagen. Daarna bleven de Joden nog langen tijd te

t Kadesbarne gelegerd, om vervolgens weder de woestijn in

r te trekken en gedurende 38 jaren daarin om te dolen.

ocr page 422

9°

De 40 jaren van de omzwerving der Joden moeten gerekend worden van den uittocht uit Egypte tot aan den intocht in Kanaan. — Leeren wij uit deze droevige geschiedenis, dat God in zijne barmhartigheid wel lang uitstelt, maar dat, als de dag der vergelding komt, de straf zijner vergramde rechtvaardigheid zooveel te zwaarder is.

XLVI1I. Oproer van Kore. Bevestiging van aarons Priesterschap.

Niet lang waarschijnlijk na den aftocht van Kadcsbarnc, werd de uitverkiezing van Aarons geslacht tot het priesterschap de aanleiding tot een vrceselijk oproer. Een Leviet, Kore geheeten, maakte met 250 aanzienlijken, aan wier hoofd Da than en Abiron stonden, cene samenzwering tegen Mozes en Aaron. Genoeg met u, sprak Kore tot hen, want het geheele volk is heilig, en de Heer is onder hen. Waarom verheft gijlieden u dan boven het volk des Heeren? Mozes bad tot God en zeide toen tot de zamen-zweerders: Morgen zal de Heer doen kennen, wie Hem toebehooren. Neemt, gij, Kore, en al de uwen, ieder zijn wierooksvat; doet daar morgen vuur in en legt er reukwerk op voor het aangezicht des Heeren; en wien Hij zal uitverkiezen, die zal de heilige zijn.

Mozes deed echter al, wat hij kon, om de hoogmoedige oproermakers van hun voornemen te doen afzien, maar vruchteloos. Den volgenden morgen kwam Kore met zijne 250 aanhangers voor den tabernakel; zij stonden aan de eene zijde en Aaron aan de andere. Dathan en Abiron bevonden zich in hunne tenten, en eene grootc menigte, door de verleiders opgestookt, omsingelde het voorhof. Eensklaps verschijnt de heerlijkheid Gods boven den tabernakel, en uit de wolk klinkt de stem des Heeren tot Mozes: Beveel het geheele volk zich te verwijderen van de tenten van Kore, Dathan en Abiron! Mozes begeeft zich naar die tenten en gebiedt: Verwijdert u van de tenten dezer goddelooze menschen en raakt niets aan van hetgeen hun toebehoort, opdat gij niet medegesieept wordt in hunne zonden. Een oogenblik later scheurt de grond open, en zinken menschen en tenten in den afgrond weg; te gelijk worden de 250 mannen, die bij den tabernakel

ocr page 423

91

staan, door het vuur uit de wolk getroffen en gedood. Zóó handhaafde God het gezag van Mozes en het priesterschap van Aaron.

Den volgenden dag verzamelde zich de menigte, die door de gestrafte oproermakers verleid was, op nieuw en drong op Mozes en Aaron aan, roepend en tierend: Gij hebt het volk des Heeren gedood! Schrikkelijk strafte God dit tweede oproer; eene vernielende plaag brak uit en sloeg in korten tijd 14,700 menschen met den dood.

Opdat nooit meer een dergelijke opstand zou uitbarsten, wilde God de uitverkiezing van Aaron tot het priesterschap ^ ; door een heerlijk wonder bevestigen. De hoofden dei-twaalf stammen moesten ieder eenen staf, waarop de naam van hunnen stam geschreven stond, aan Mozes brengen; ook Aaron gaf zijnen staf. Mozes legde de dertien staven voor de ark des Verbonds, want God had beloofd: De staf van hem, dien Ik uitverkoren heb, zal bloeien. Den volgenden dag werden de staven, ten aanzien van al het volk, weder te voorschijn gebracht. En ziet, twaalf waren doode stokken gebleven, maar de staf van Aaron was in een levenden tak van een amandelboom veranderd. Allen zagen het en huldigden Aaron op nieuw als den uitverkoren hoogepriester. De wonderstaf werd in de verbondstent bewaard, waar vroeger ook een vat met manna tot gedachtenis geplaatst was geworden.

IDe staf van Aaron, die eerst dood en daarna levend was, is eene afbeelding van onzen Zaligmaker, die dood was, toen Hij op goeden Vrijdag in het graf werd nedergelegd, en op Faschen vol _ van onsterfelijk leven uit het graf te voorschijn kwam.

IXLIX. Laatste Woestijnreis. Eerste Overwinningen.

Er waren nu 38 jaren verloopen, sedert de Joden van den berg Sinaï naar het beloofde land optrokken; weinige [ii mannen van boven de zestig jaar bevonden zich onder hen, en deze weinigen wisten, dat zij spoedig sterven moesten. Het volk was in de woestijn bij Kades gelegerd;

daar stierf Maria, de zuster van Mozes, in den hoogen ouderdom van minstens 130 jaren. De Joden hadden weder

ocr page 424

92

gebrek aan water en, evenals vroeger, morden zij ook nu tegen Mozes en Aaron. Deze baden tot God: Hoor het geroep van dit volk en open hun uwen schat, eene bron van levend water, opdat zij verzadigd worden en hun gemor ophoude. En God gebood Mozes; Neem uwen staf en vergader het volk, gij met uw broeder Aaron, en spreek tot de steenrots voor hunne oogen, en zij zal water geven.

Dit bevel des Heeren volbracht Mozes niet ten volle en niet met die waardigheid, welke God van hem vorderde. Het gemor van het volk deed hem in toorn ontsteken, en driftig sprak hij : Hoort, gij muitelingen en ongeloovigen ! zullen wij uit deze steenrots voor ulieden water kunnen doen vloeien ? Kn in plaats van tot de rots te spreken, zooals God geboden had, sloeg hij tweemaal daarop; eisprong water uit in grooten overvloed, zoodat menschen en kudden dronken. Maar de Heer sprak tot Mozes en Aaron: Dewijl gij Mij niet geloofd hebt om Mij te heiligen voor de zonen Israels, zult gij deze volken niet binnenleiden in het land, dat Ik hun geven zal.

Mozes zond nu gezanten tot de Edomieten en Moabicten, om het verlof te vragen van door hun land naar Kanaan te mogen trekken; dit verlof werd echter geweigerd, zoodat de Joden verplicht waren een grooten omweg dooide woestijn te maken. Op den berg Hor stierf Aaron in den ouderdom van 123 jaren, en werd zijn oudste zoon Eleazar tot Hoogepriestcr aangesteld. Terwijl de Joden gedurende 30 dagen rouw pleegden, viel de koning van Ar ad hen aan ; doch hij werd geslagen en verdelgd op dezelfde plaats, waar de Joden vóór 38 jaren voor de Amalekieten en Kanaanieten hadden moeten onderdoen.

Op hunnen verderen tocht door de woestijn begon het oude gemor weder: Wij hebben geen brood en geen water! Onze ziel walgt reeds van dit allerflauwst voedsel. Hiermede bedoelden zij het manna. Tot straf zond God vurige slangen onder het volk, die velen beten en deden sterven. Nu riepen zij tot Mozes: Wij hebben gezondigd door tegen den Heer en tegen u te morren; bid, dat Hij de slangen van ons wegneme. Mozes bad en ontving van God ten antwoord: Maak eene slang van koper en richt ze op tot tecken; wie gebeten is en die slang aanziet, zal

ocr page 425

93

leven. Mozcs deed, wat God hem bevolen had, en ieder, die gebeten was en de koperen slang aanzag, werd genezen.

De Joden trokken nu ten Oosten van de Doode zee en van den Jordaan op Kanaan aan. Met de Moabieten en Ammonieten mochten zij, omdat deze volken van Lot, den neef van Abraham, afstamden, geen oorlog voeren; maar toen Sc kon, de machtige koning der Amorrieten, hun met een leger te gemoct kwam, versloegen zij hem en namen zijn land in bezit. Een tweeden oorlog voerden zij tegen Og, den koning van het uitgestrekte Rijk Basan; ook dat land, waartoe zestig met muren versterkte steden behoorden, veroverden zij geheel, zoodat zij nu meester waren van een groot gebied ten Oosten van den Jordaan. Zij trokken vervolgens weder terug en legerden zich in de velden van Moab ten Noorden der Doode zee.

De straf, wélke Mozes, de groote vriend des Heeren, voor eene zeker niet zware overtreding ondergaan moest, leert ons altoos te vreezen voor de strenge rechtvaardigheid van God, die ook kleinere zonden, zonder aanzier van personen, straft.

De koperen slang was eene afbeelding van Christus aan het kruis; onze Zaligmaker heeft zelf gezegd: gelijk Mozes de slang heeft omhoog geheven in de woestijn, zoo moet de Zoon des menschen omhoog geheven worden, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren ga maar het eeuwige leven hebbe. Wanneer onze zielen door den beet der helsche slang gewond zijn en wij in geloof en vertrouwen opzien naar het heilig kruis, dan schenkt God, om wille der verdiensten van Christus' lijden en sterven, ons de genade, om den dood der zonde niet te sterven, maar genezen te worden en te leven in eeuwigheid.

L. BALAaM.

Ba lak, de koning der Moabieten, in wier nabijheid de Joden gelegerd waren, beproefde in overeenstemming met de Madianieten, een middel te vinden om de Joden in het verderf te storten. Hij zond gezanten tot een profeet, Balaam- geheeten, die aan den Kuphraat woonde, en liet hem verzoeken te komen om de Israëlieten te vervloeken. Doch God sprak in den nacht tot Balaam: Ga niet met hen en vloek dat volk niet, want het is gezegend. De profeet was gehoorzaam en zond de gezanten weg. Doch toen de Moabietische koning eene tweede poging deed, ging Balaam mede, nadat God hem daartoe verlof gegeven

ocr page 426

94

had, zeggende : Ga met hen , doch slechts zóó, dat gij doet wat Ik u bevelen zal.

Op den weg kwam in Balaam de gedachte op, om, door den vloek over de Joden uit te spreken, het geld te verdienen , dat Balak hem aanbood; toen werd God vertoornd op hem. De ezelin, waarop hij reed, zag eenen engel met uitgetogen zwaard en durfde niet voortgaan ; en , als Balaam , die de verschijning niet zag, het dier sloeg, klonk hem eensklaps uit den mond der ezelin eene menschelijke stem tegen: Wat heb ik u gedaan? Waarom slaat gij mij? Tegelijk zag Balaam den engel, die hem in naam van God toesprak: Ik ben gekomen om u tegen te houden, want uw weg is boos en tegen Mij. Nu bekende de profeet zijne schuld: Ik heb gezondigd; doch nu, indien het u mishaagt dat ik ga, zal ik terugkeeren. Doch de engel hernam; Ga voort met deze mannen, maar wacht u iets anders te spreken, dan Ik u gebieden zal.

De koning bracht den profeet op eenen berg, vanwaar hij het gezicht had op de tenten van de Israëlietische legerplaats. Doch, in plaats van de Joden te vloeken, sprak Balaam een profetischen zegenwensch over hen uit. De koning riep toornig uit: Wat doet gij? om mijne vijanden te vervloeken heb ik u ontboden , en gij integendeel zegent hen! Balaam antwoordde: Kan ik iets anders spreken, dan de Heer mij geboden heeft. De koning beproefde het tot drie malen toe: maar toen de profeet de Joden bleef zegenen, zond hij hem smadelijk weg.

Eer hij vertrok, zeide Balaam nog: Ik zal Hem zien, maar nog niet; ik zal Hem aanschouwen, maar niet van nabij! Eene Ster zal opgaan uit Jakob en een Schepter zal oprijzen uit Israël. En toen verliet hij den koning.

De laatste woorden van den profeet waren eene voorspelling van den Verlosser, die naar zijne menschelijke natuur een afstammeling van Jakob was. Balaam noemt Hem Ster en Schepter, omdat Hij als eene schitterende ster boven den nacht der zonde zou opgaan en den koninklijken schepter voeren zou over de door Hem verloste wereld.

LI. Zonde en Straf der Joden.

De profeet Balaam hield zich op bij de Madianieten en gaf aan hen den raad om de Joden, bij gelegenheid van

ocr page 427

95

een afgodisch feest, tot wellust en tot afgoderij te verleiden. Dit gelukte; vele aanzienlijke Israëlieten gingen naar de altaren van den afgod Beëlphegor en kwamen in de legerplaats terug, om anderen door hun slecht voorbeeld te besmetten. God beval aan Mozes, de afvalligen terstond aan galgen op te hangen, en Mozes gebood aan de rechters de mannen, die zich den afgod hadden toegewijd, te dooden. Maar dit gebod werd niet vervuld, en het kwaad nam toe in plaats van op te houden. Toen zond God eene verwoestende plaag onder het volk, en overal werd de grond met lijken bedekt. Terwijl het verschrikte volk naar den tabernakel vluchtte, ging Zam.bri met eene Madianietische vrouw eene tent binnen. Phineës, de zoon des hooge-priesters, zag hen en, in heiligen toorn ontbrandend, greep hij eene lans, snelde hen achterna en doorstak hen beiden. Dit voorbeeld gaf moed aan vele anderen; de schuldigen werden gestraft, en dc plaag hield op; 24,000 menschen waren om het leven gekomen.

Mozes zond nu, op last van God, een leger onder bevel van Phineës tegen de Madianieten ; dezen werden geslagen en gedood; ook Balaam werd omgebracht. Toen de Israëlietischc soldaten met • een menigte vee en vele kostbaarheden terugkeerden, bevonden zij, dat zij niet éenen man verloren hadden. Phineës ontving tot belooning dc verzekering, dat het hoogepriesterschap door hem en zijne nakomelingen zou bekleed worden.

Lil. Laatste handelingen en vermaningen van Mozes.

Kort na deze gebeurtenissen hielden Mozes en Eleazar eene nieuwe volkstelling, waaruit bleek, dat het leger bijna even sterk was als vóór 38 jaren, doch dat de Levieten met 1000 zielen vermeerderd waren. Onder al de opge-schrevenen was, behalve Jozue en Kaleb, niemand meer van degenen, welke op de eerste lijst gestaan hadden.

Mozes was nu 120 jaar en wist, dat zijn tijd gekomen was; hij. bad tot God: Dat de Heer eenen man aanstelle over dit volk. die het kunne aanvoeren en geleiden, opdat het volk des Heeren niet zij als schapen zonder herder. En God sprak: Neem Jozue, den zoon van Nun, en leg

ocr page 428

96

uwe hand op hem. Gij zult hem bevelen geven ten aanzien van allen en een gedeelte van uwe heerlijkheid, opdat al de zonen Israels hem gehoorzamen. Mozes deed, wat God hem beval; toen Jozue bij den tabernakel stond, sprak God tot het nieuwe opperhoofd: Wees moedig en dapper; want gij zult de zonen Israels binnenvoeren in het land, dat Ik hun beloofd heb; en Ik zal met u zijn.

Mozes verdeelde nu het reeds veroverde land ten Oosten van den Jordaan onder de stammen Ruben, Gad en de helft van Manasses, op voorwaarde, dat deze stammen de voorhoede zouden uitmaken van het leger, dat het eigenlijke Kanaan ten Westen van den Jordaan nog veroveren moest. Over de toekomstige verdeeling van dat land onder de negen overige stammen en de andere helft van Manasses, maakte hij de noodige beschikkingen en gaf meerdere voorschriften over hetgeen de Joden doen moesten, wanneer zij over den Jordaan zouden getrokken zijn, vooral over het uitroeien der afgodische bewoners van Kanaan. Maar boven alles besteedde hij de laatste maand zijns levens, om de wet van God op nieuw af te kondigen en zijn volk tot het getrouw naleven dier Wet aan te sporen. Meermalen riep hij de Joden bij den tabernakel te zamen en sprak tot hen :

Gij weet dat ik u geboden en instellingen geleerd heb , zooals de Heer mijn God het mij bevolen heeft; zóó zult gij ze nakomen in het land, dat gij zult bezitten, en ze onderhouden en metterdaad volbrengen.

Weet dan heden en overdenkt het in uw hart, dat de Heer, Hij zelf. God is omhoog in den hemel en omlaag op aarde, en dat er geen andere is; onderhoudt zijne voorschriften en geboden, die ik u geef, opdat het u welga en uwen zonen na u, opdat gij lang wenen moogt in het land, dat de Heer uw God u schenken zal. Dan zult gij gezegend zijn in de stad en gezegend op den akker; gezegend de vrucht van uwen schoot en de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee, de kudden uwer runderen en de stallen uwer schapen. Gezegend uwe schuren en gezegend uw voorraad. Gezegend zult gij zijn bij uwen ingang en bij uwen uitgang. De Heer zal uwe vijanden, die tegen u opstaan, voor u doen nedervallen, en alle

ocr page 429

97

volkeren der aarde zullen zien, dat de naam des Heeren over u is aangeroepen, en zij zullen u vreezen.

Maar als gij de stem van den Heer uwen God niet wilt hooren, dan zullen al deze vervloekingen op u komen en u aangrijpen: vervloekt zult gij dan zijn in de stad en vervloekt op den akker; vervloekt uwe schuur en vervloekt uw voorraad; vervloekt de vrucht van uwen schoot en de vrucht van uw land, de kudden uwer runderen en uwer schapen ; vervloekt gij bij uwen ingang en vervloekt bij uwen uitgang. Dan zal God over u doen komen hongersnood en gebrek en verderf over al uwe werken.

Ziet dan, heden heb ik voor uwe oogen het leven en het goede gesteld, en daar tegenover den dood en het kwade, opdat gij den Heer uwen God moogt liefhebben en op zijne wegen wandelen. Kiest dan het leven, opdat gij leven moogt, gij en uw geslacht! Bemint den Heer uwen God en gehoorzaamt aan zijne stem en hecht u vast aan Hem; opdat gij moogt wonen in het land, dat de Heer aan uwe vaders Abraham, Isaak en fakob gezworen heeft te zullen geven.

Toen Mozes zijne onderrichtingen en vermaningen geëindigd had, gaf hij het boek, waarin hij zelf de goddelijke wetten had geschreven, aan de priesters en de oudsten des volks, en gebood, dat in het vervolg, elk Sabbathjaar, de geheele Wet, gedurende het Loofhuttenfeest, aan al de Israëlieten moest worden voorgelezen; het boek moest in het Heilige der heiligen naast de ark nedergelegd en bewaard worden.

L1I1. Afscheid en Dood van Mozes.

Weinige dagen voor zijnen dood ontving Mozes van God eene treurige openbaring. Zie, sprak God tot hem, gij zult rusten met uwe vaderen; en dit volk zal in het land, waar het ingaat om te wonen, zich hechten aan valsche goden; daar zal het Mij verlaten en het Verbond dat Ik met hen gesloten heb, verbreken. Dan zal mijn toorn tegen hen ontbranden op dien dag, en Ik zal hen verlaten, en alle rampen en ellenden zullen hen treffen, zoodat zij zullen zeggen op dien dag: ja waarlijk, omdat God niet met ons is, zijn ons die ongelukken overkomen.

ocr page 430

98

Om nu dc Joden tc waarschuwen en zooveel mogelijk voor dien afval van God te bewaren, maakte Mozes op goddelijke ingeving een lied, dat van buiten geleerd en gezongen moest worden. Daarin werden vooruit de rampen opgeteld, welke het ondankbare volk in later tijd treffen zouden; en als de dagen van ongeluk zouden gekomen zijn, dan zou dat lied voor de Joden eene getuigenis wezen van Gods straffende rechtvaardigheid en van hunne eigene boosheid.

Op den laatsten dag zijns levens sprak Mozes dat lied, hetwelk tevens zijn afscheid was, voor het vergaderde volk uit; daarna gaf hij hun zijnen laatsten zegen en ging, op bevel van God, geheel alleen naar den berg Nt'bo om daar tc sterven. Op den top van dien berg wachtte God zijnen dienaar. Hij deed hem het geheele land Kanaan in de lengte en in de breedte aanschouwen en zeide tot hem; Dit is het land, waarvoor Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb, zeggende: aan uw geslacht zal Ik het geven. En toen stierf Mozes in de armen van zijnen God. Terwijl zijne zalige ziel met de Heiligen des Ouden Testaments in Abrahams schoot rustte, werd zijn lijk door God zei ven begraven; waar het heilige graf van Mozes was, heeft nooit een mensch geweten. — Mozes stierf in het jaar 1450 voor Christus.

Geen profeet, get ijk aan Mozes, stond meer op in Israël; toen hij derhalve aan dc Joden verklaarde: Eenen Profeet uit uw geslacht en uit uwe broeders, die op mij gelijkt, zal dc Heer uw God u opwekken; Hem zult gij hooren, —kon hij niemand anders bedoelen dan Christus, die de Profeet bij uitnemendheid is.

LIV. Het laxd Kaxahx ex zijne Kewoxers.

De Bijbelsche geschiedenis tot aan den dood var. Mozes staat beschreven in de vijf boeken igt;an Mozes; het volgende boek, dat dc geschiedenis van 17 jaren bevat, draagt den naam van Joznr, die er dc hoofdpersoon en de schrijver van is.

Kanaan was een klein maar schoon land aan de Mid-dellandschc zee; het grensde ten Noorden aan het gebergte van den Libanon, ten Zuiden aan de woestijn van Arabic ten Oosten aan de bergen van Galaad en woest-Arabië; in grootte was het omtrent aan Nederland gelijk. Het was uitstekend vruchtbaar. De Heer uw God, had Mozes aan

ocr page 431

99

de Joden gezegd, zal u brengen in een goed land, een land van tarwe en gerst en wijngaarden, vol van vijgen, granaatappelen, olijven en honig, een land, waarin gij overvloed zult hebben van alles.

Kanaan werd voor het grootste gedeelte bevolkt door

O O

afstammelingen van Cham, den ondeugenden zoon van Noë; zij werden geregeerd door opperhoofden, die den titel van koning voerden, ofschoon zij waarschijnlijk slechts eéne stad met het daartoe behoorend gebied onder zich hadden. De voornaamste volken waren de PJiilistijnen en Phoeniciers, die echter beiden niet tot de eigenlijke Kanaanieten behoorden.

De godsdienst der Kanaanieten was eene afschuwelijke cn zedelooze afgoderij; hunne voornaamste afgoden heetten Baal, Astaroth of Astarte en Moloch. De boosheid van die volken was zoo hoog geklommen , dat God het vonnis clcr verdelging over hen uitsprak en aan de Joden het bevel gaf om ze allen uit te roeien; daarom heette de oorlog, welken de Joden tegen die volken voeren moesten, verdelgings-oorlog.

LV. Toebereidselen voor den intocht in Kanasn.

Nadat de dertig rouwdagen over Mozes voorbijgegaan waren, en het volk aan Jozue gehoorzaamheid beloofd had, sprak God tot den nieuwen aanvoerder: Mozes, mijn dienaar, is gestorven. Sta op en trek met al uw volk over den Jordaan naar het land, dat Ik aan Israels zonen geven zal. Niemand zal u kunnen wederstaan, zoolang uw leven duurt; gelijk Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet verlaten. Wees dapper en vol moed! Want gij zult het land door het lot verdeden onder dit volk.

Jozuc zond nu twee mannen over den Jordaan, om de stad Jericho, waarop de eerste aanval geschieden moest, in het geheim te verkennen. Zij deden dit en namen tegen het vallen van den avond hunnen intrek in het huis van eene vrouw, die Rahab heette en in den waren God geloofde. Deze vrouw redde hun leven. Want de koning van Jericho, die te weten gekomen was , dat er zich Joodsche verspieders in de stad bevonden, zond soldaten, om hen

ocr page 432

IOO

gevangen te nemen ; Rahab echter verborg de twee mannen en bracht de soldaten in den waan, dat de spionnen, na bij haar geweest te zijn, de stad reeds verlaten hadden; terstond gingen toen de soldaten op weg, om de vluchtelingen , eer zij de rivier overstaken, te achterhalen. Nu bond Rahab een lang touw aan een harer vensters, dat aan den walmuur uitkwam ; de verspieders klommen naar beneden, verscholen zich in het gebergte en kwamen na drie dagen behouden in de legerplaats terug. Zij verhaalden, wat zij gezien hadden, en zeiden ten slotte: De Heer heeft het gansche land in onze handen geleverd, want al zijne inwoners zijn van schrik verslagen.

Jozue gaf nu de bevelen tot den optocht. Tot de stammen van Ruben, Gad en half-Manasses sprak hij: Herinnert u het woord van Mozes: uwe vrouwen en kinderen mogen met uw vee aan deze zijde der rivier blijven, maar de bloem uwer mannen moet vóór uwe broeders optrekken en strijden, totdat ook zij in het bezit van hun erfland zijn. Zij antwoorden : Alles, wat gij ons gebiedt, zullen wij doen, en, waarheen gij ons zendt, zullen wij gaan. Wie u tegenspreekt en aan al uw bevelen niet gehoorzaamt, dat hij sterve! Jozue zonderde uit deze moedige mannen eene keurbende van 40.000 man voor den grooten oorlog af; de overigen bleven achter tot beschermimr hunner bezit-

«rgt; o

tingen.

Acht dagen voor Paschen was alles gereed om op te trekken. Na drie dagen , zeidc Jozue, zult gij over den Jordaan en in het land trekken, dat de Heer uw God u geven zal. In den nacht braken zij op en den volgenden morgen zagen zij de rivier.

LVI. Doortocht door den Jordaan. Besnijdenis.

Paaschfeest.

De rivier de Jordaan was op de hoogte der stad Jericho zeer breed en diep; daarbij was zij in het voorjaar, door het smelten van de sneeuw op de bergen, hoog gezwollen en tot boven aan hare oevers vol water. De Kanaanietische vorsten, die zeer goed wisten, dat het nu onmogelijk was de rivier met een leger van een half millioen mannen, met eene driemaal zoo groote menigte vrouwen en kinderen ,

ocr page 433

IOI

met have cn vee, over te steken, maakten zich om de nabijheid der Joden niet ongerust en deden geen moeite, om zich in staat van verdediging te stellen; de Joden zouden nog lang moeten wachten, eer de zomerhitte hun het doorwaden der rivier mogelijk zou maken.

Zóó dachten zij; maar Jozue wist, door goddelijke openbaring, wat er gebeuren zou. Vijf dagen voor Paschen gebood hij; Wanneer gij de ark des Verbonds en de priesters, die haar dragen, zult zien, staat ook gij dan op en volgt hen, die vooruitgaan, opdat gij den weg moogt jennen, dien gij gaan moet. Want zulk eenen weg hebt gij nog nooit betreden. Toen de morgen aanbrak, namen de priesters de heilige ark op en traden op de rivier aan. Zoodra hun voet het water aanraakte, weck dit terug naar het midden der rivier; zij werd kleiner en smaller, eindelijk was zij geheel droog en haar bodem was een weg geworden voor de voeten der Israëlieten. Dezelfde almachtige arm, die de Roode zee, veertig jaren geleden, in tweeën gedeeld had, hield nu het water der groote rivier tegen. Dc priesters traden toen met de ark naar het midden en bleven daar staan, terwijl de Joden droogvoets naar den overkant trokken.

Jozue beval twaalf steenen op te richten op de plaats, waar de priesters gestaan hadden, en twaalf andere steenenquot; uit den Jordaan mede te nemen. Nadat allen waren doorgetrokken, volgden de priesters met de ark, cn de rivier stroomde weder als te voren. De Joden trokken nu, twee uren ver, het land in en sloegen te Galgala hunne legerplaats op; daar werden de twaalf medegedragen steenen tot een gedenkteeken opgericht, en Jozue zeide: Wanneer uwe kinderen vragen zullen, wat deze steenen beteekenen, leert hun dan, hoe Israël over den drogen bodem door dezen Jordaan getrokken is, toen de Heer uw God de wateren voor uw aangezicht uitdroogde, gelijk Hij voorheen de Roode zee had uitgedroogd, totdat wij er waren doorgegaan.

Het Paaschfeest zou nu over vier dagen voor de eerste maal in Kanaan gevierd worden; omdat men echter in de woestijn de besnijdenis, zonder welke niemand aan den paasch maaltijd deel mocht nemen, had achtergelaten,

ocr page 434

102

moesten de Joden eerst besneden en weder in den vollen zin tot volk Gods geheiligd worden. Daarna werd het paaschlam op den veertienden dag der maand Nisan geslacht en gegeten; het hoogfeest werd gevierd en de Joden aten van de vruchten des lands. Toen hield het manna op van den hemel te vallen.

LVII. iNNKMINt; VAN JKRICHO.

Groot was de verslagenheid der Kanaanietische vorsten, toen zij vernamen, dat de Joden zich eensklaps in hun land bevonden ; zij hadden nog geene legers bij elkander gebracht en konden dus niets tegen hunne vijanden ondernemen. Jozue wachtte van zijn kant op liet bevel van God tot het beginnen van den oorlog. Kens had hij zich geheel alleen buiten het legerkamp begeven, toen hij plotseling eenen krijgsman met uitgetogen zwaard voor zich zag staan. Onbevreesd vroeg Jozue; Zijt gij de onze of van de vijanden? Neen, antwoordde de vreemde krijger, maar ik ben de vorst van des Hecren leger. Jozue wierp zich voor dien hemelschen veldheer neder en zeide: Wat gebiedt mijn heer aan zijnen knecht? En de engel, want de krijgsman was een engel, sprak: Zie, ik heb Jericho en zijnen koning en al zijne strijders in uwe hand geleverd.

Op last van God beval Jozue eenen plechtigen optocht, met de ark des Verbonds, rondom de muren van Jericho te houden; de priesters en het volk bliezen daarbij op bazuinen. Zes dagen achter elkander had deze optocht plaats; op den zevenden dag ging men zevenmaal rondom de stad, en Jozue gebood: Heft aan uw geschrei want God levert de stad aan u over! Al het volk schreeuwde nu luidkeels, al de bazuinen en trompetten schetterden, en de mnrcu der stad vielen ineen, zoodat de Joden van alle kanten in de stad konden binnendrinlt;ren. Rahab en degenen ,

o o

die in haar huis waren, werden alleen gespaard; de geheele stad .werd vernield en in brand gestoken, en Jozue sprak den vloek uit over dengene, die het zou durven wagen de muren van Jericho weder op te bouwen. De Joden keerden naar Galgala terug, en Rahab bleef bij hen wonen.

De inneming van Jericho was eene afbeelding van de overwinning, die de godsdienst van Christus behalen zou op de macht

ocr page 435

los

der heidensche wereld. Wat de Joden deden om de muren der sterke vesting te doen vallen, was, op zich zelf beschouwd, nutteloos en dwaas. Zoo waren ook de apostelen en hunne opvolgers zwak, en scheen hunne onderneming, om de wereld te bekeeren, eene dwaasheid te zijn; maar God deed de machten des heidendom.^ bezwijken voor de zwakheid van de predikers des gcloofs, en de dwaasheid van liet kruis zegepralen over de wijsheid der wereld.

LVIIL Verovering van Haï.

Jozue zond eenige mannen, om naar de sterkte van de vesting Haï, die niet ver van Jericho lag, te onderzoeken. Zij kwamen terug en berichtten dat twee of drieduizend man genoeg zouden zijn, om de stad in te nemen; doch toen Jozue 3000 man zond, werden dezen afgeslagen. God openbaarde aan Jozue, wat de oorzaak dezer nederlaag was. Een Israëliet had namelijk een zonde van heiligschennis gepleegd door, bij de verwoesting van Jericho, zich een gedeelte van den buit, waarover de banvloek uitgesproken was, toe te eigenen en heimelijk te verbergen. Jozue deed door liet heilig lot onderzoeken, wie de schuldige was, en het lot wees Achaii aan, die toen bekende, dat li ij een kostbaren mantel en ook goud en zilver gestolen en in zijne tent onder de aarde begraven had. Hij onderging zijne straf en werd gesteenigd.

Daarna gaf God aan Jozue bevel om tegen Haï op te trekken, en beloofde de overwinning. Jozue vertoonde zich met een klein leger in de nabijheid der stad; zoodra de koning van Haï hem zag, verliet hij de vesting met al zijne soldaten om de Joden te bestrijden. Doch nu drongen 5000 Israëlieten, die zich verborgen hadden, de stad binnen en staken haar in brand; de koning en zijn geheel leger vielen door het zwaard. Den buit mochten de Joden onder elkander verdeelen, en zij keerden daarmede naar hunne legerplaats terug.

LIX. Verbond met de Gabaonietex. Kerste

al,gemeene veldslag.

Toen de Kanaanietisehe koningen den ondergang van Jericho en Haï vernamen, besloten zij, een gelijk lot vreezend, hunne macht te vereenigen en gezamenlijk tegen de Joden te strijden. Doch de inwoners van Gabaon, eene

ocr page 436

104

groote stad, die niet door een koning maar door een Raad van ouderlingen bestuurd werd, sloegen eenen anderen weg in. Zij zonden een gezantschap naar Jozue, om een verbond met hem te sluiten; doch, daar zij wisten, dat Jozue, wanneer hij hen als Kanaanieten kende, geen vrede met hen maken zou, deden de gezanten zich voor, alsof zij van een verwijderd land, buiten de grenzen van Kanaan gelegen, kwamen ; zij deden versleten schoenen en kleederen aan en namen oud en uitgedroogd brood mede en belaadden hunne ezels met oude zakken. Toen Jozue hen vroeg, vanwaar zij kwamen, gaven zij ten antwoord: Wij komen uit een ver land en begeeren vrede met u te maken. Zie, deze brooden hebben wij, toen wij onze huizen verlieten om tot u te komen, warm medegenomen; nu zijn zij verdroogd en verkruimeld door den langen duur ; nieuwe zakken hebben wij met wijn gevuld; nu zijn zij gebroken en gescheurd; de kleederen, die wij aan hebben, en de schoenen aan onze voeten zijn door de langdurigheid dei-verre reis versleten en bijna verteerd. Jozue geloofde hen; het verbond werd besloten en met eenen eed bekrachtigd.

Kort na hun vertrek werd het bedrog ontdekt. Jozue trok terstond met een leger op en verscheen op den derden dag voor Gabaon. Hij wilde echter zijn gegeven woord niet breken, omdat het bezworen was bij den naam van den Heer, den God van Israel; maar toch legde hij aan de Gabaonieten tot straf op, dat zij het hout hakken en het water dragen moesten, dat noodig was voor den offerdienst in het heiligdom des Heeren. De Gabaonieten onderwierpen zich gaarne aan de hun opgelegde straf, en Jozue keerde naar Galgala terug.

De vorsten van Kanaan waren zeer verstoord over den afval van Gabaon, en vijf koningen trokken met hunne legers op, om de Gabaonieten te straffen. Jozue ontving de tijding, dat Gabaon belegerd werd, en voerde terstond zijne soldaten tegen de belegeraars aan; hij sloeg hen op de vlucht, en zij namen de wijk naar Bethhoron, waar zij zich tusschen de bergen aan de verdere vervolging dei-Joden poogden te onttrekken. Maar toen kwam God tusschenbeide. Op het gebed van Jozue vielen er zulke zware hagelsteenen uit de lucht, dat de Kanaanieten ge-

ocr page 437

io5

wond en verpletterd op den grond werden geworpen. Ondertusschen naderde de avond; toen strekte Jozue zijnen arm uit naar de lucht en riep: Sta, zon, boven Gabaon! maan , boven Ajalons vallei i En het licht week niet var; den hemel, het bleef dag, en de Israëlieten konden hunne overwinning voltooien. De vijf koningen hadden de vlucht genomen en zich in een bergspelonk verborgen; Jozue deed hen voor zich brengen en, toen zij in het midden des legers stonden, sprak hij tot zijne soldaten: Vreest niet, maar weest sterk en vol moed! want aldus zal de Heer doen aan al uwe vijanden, tegen wie gij strijdt. Daarna ondergingen de koningen de doodstraf. Jozue veroverde achtereenvolgens al de steden van zuidelijk Kanaan , met uitzondering van Jeruzalem, en keerde vervolgens naar zijne legerplaats terug.

* Het groote wonder, dat God op het gebed van Jozue deed, is eene sterke bevestiging van hetgeen onze Zaligmaker gezegd heeft: Voor hen, die gelooft, is alles mogelijk; en alles, wat gij, geloovend, in het gebed vraagt, ;ult gij ontvangen.

LX. Tweede Veldtocht.

In de lente van het volgende jaar vereenigde Jabin, de koning van Asor, de legers van noordelijk Kanaan in de nabijheid van het meer Mcrom; de macht, die hij samenbracht, was ontzettend groot en vooral geducht door ruiterij en strijdwagens. Jozue voerde terstond zijne soldaten tegen die vijanden aan; hij had eenen weg van meer dan dertig uren langs den Jordaan af te leggen, maar volbracht dezen tocht met zooveel spoed, dat hij in de nabijheid der Kanaanieten was, eer zij er aan dachten. Vrees hen niet! zeide God tot hem; morgen op dit eigen uur zal Ik dezen allen overleveren, om verslagen te worden voor Israels aangezicht. Den volgenden dag behaalden de Joden eene schitterende zegepraal; hunne vijanden werden omgebracht of op de vlucht gedreven, en van het groote leger bleef niets anders over dan hetgeen zich in de vestingen opsluiten of tusschen de bergen verschuilen kon. De hoofstad Asor werd ingenomen en verbrand. De paarden en krijgswagens der Kanaanieten moesten de Joden, op bevel van God, dooden en verbranden.

I ; m

Fir'''Hl

II fii

|t|

j

fclp lil

ii Pt HïS ' ?

ocr page 438

io6

Na deze twee groote overwinningen voerde Jozue nog vijf jaren lang oorlog tegen de Kanaanieten: hij was altoos overwinnaar en ten laatste meester van het land, dat God aan de Joden beloofd had. De stad Jeruzalem had hij echter niet kunnen innemen, noch de machtige Philistijnen kunnen onderwerpen; daarenboven waren de Kanaanieten op verre na niet geheel verdelgd. Toch was nu de tijd gekomen, om het land Kanaan onder de stammen te verdeelen. God sprak tot Jozue: Gij zijt oud en grijs geworden (hij was juist 100 jaar), en nog is het land niet door het lot verdeeld; welaan dan , wijs aan de negen stammen en aan den halven stam van Manasses hunne bezittingen aan.

Terwijl Jozue dit bevel volbracht, werd de tabernakel, die zeven jaar te Galgala gestaan had , overgebracht naar Silo, eene stad, die midden in het land, tusschen Sichem en Bethel gelegen was.

LXI. Plechtige Bezwering van het Verbond.

Mozes had in de laatste dagen zijns levens bevolen, dat de wet van God door de Joden, nadat zij zich in Kanaan gevestigd hadden , plechtig moest bezworen worden. Om dit kbevel te volbrengen, trok men naar de stad Sic/iem , die in een dal lag, dat aan de eene zijde door den berg Garirdm , aan de andere door de steenrots Hebal afgesloten werd. Kerst werden op Hebal offers opgedragen en steenen opgericht, waarop Jozue de Wet deed schrijven; daarna verdeelde hij het volk in tweeën, zoodat zes stammen op den berg Garizim, en zes op de rots Hebal verzameld waren. In het midden stonden de priesters, die de ark-des Verbonds droegen, en eenige Levieten, die met luide stem de zegeningen voorlazen, welke in de wet van Mozes uitgesproken waren over hen, die Gods geboden wilden onderhouden, en de vervloekingen, waarmede zij bedreigd werden, die de goddelijke voorschriften zouden overtreden. Op elke zegening moesten allen , die op den Garizim waren , en op elke vervloeking allen, die op den Hebal stonden, Amen! zoo geschiede het! antwoorden. En de Levieten begonnen:

ocr page 439

io7

Gezegend hij, die den Heer alleen aanbidt cn geene afgoden dient! — Amen! spraken de zes stammen op den Garizim.

Vervloekt hij, die afgodsbeelden maakt en op geheime plaatsen verbergt! —■ Amen! klonk liet van den Hebal.

Gezegend hij, die zijnen vader en zijne moeder eert! — Amen !

Vervloekt hij, die niet eert zijnen vader en zijne moeder ! — Amen !

En zoo daverde twaalf malen het Amen der zegening, en twaalf malen het Amen der vervloeking van de twee bergen af. De laatste uitspraak, die alle de andere insloot, was:

Gezegend hij , die al dc voorschriften dezer Wet onderhoudt en naleeft! — Amen !

\rervloekt hij, die niet alles bewaart en vervult, wat in de Wet bevolen is! — Amen!

De groote plechtigheid werd door de voorlezing van Mozcs' wetboek besloten, cn het volk, na het Verbond met God hernieuwd en bezworen te hebben, keerde met de heilige ark naar Silo terug.

De afkondiging van zegen en vloek op deze twee bergen is eene afbeelding van het laatste oordcel. Dan zullen de menschen ook in tweeën verdeeld zijn; tusschen hen staat de Zaligmaker, die als Rechter levenden en dooden komt oordcelen; Hij spreekt zegen en \ lock uit: komt gczegcndoi! — goat vervloektencn dc eeuwigheid antwoordt op zijne uitspraak; Amen!

LXII. Vkrdkkunc van iikt Bkkookdk Lam». Ykktrkk dks ovkr-jordaansciikn lkgkrs.

Vóór Jozue het land verdeelde, schonk hij aan den dapperen grijsaard Ka leb, zijnen vroegeren metgezel bij dc verkenning van Kanaan, als eene belooning voor diens trouw, dc omstreken der stad Hebron, waarin zich een geslacht van reuzen, Knaks-kindcren geheeten, ophield. Kaleb nam Hebron in, en zijn schoonzoon OthoniH veroverde de sterke vesting Dabir. Dit eere-erfdeel van Kaleb lag in het gebied van den stam Juda, dat het eerst aangewezen werd; vervolgens ontvingen Kphraim cn de halve stam van Manasscs hun erfdeel. Daarna deed Jozue het overige land opmeten cn verdeelde het, door-het heilige

ocr page 440

io8

lot, onder de zeven andere stammen. Het land over den Jordaan was reeds door Mozes verdeeld geworden; nu de voorwaarde, welke deze gesteld had, vervuld was, bekrachtigde Jozue die verdeeling. Hij sprak tot de over-Jordaansche soldaten , die altijd de voorhoede in de oorlogen hadden uitgemaakt; Gij hebt alles gedaan, wat Mozes u bevolen had; ook mij hebt gij in alles gehoorzaamd, uwe broeders hebt gij in den langen oorlogstijd niet verlaten. Daar nu de Heer uw God rust en vrede geschonken heeft aan uwe broeders, moogt gij terugkeeren naar uwe tenten en naar het land uwer bezitting, dat Mozes u over den Jordaan toegewezen heeft. Doch bewaart zorgvuldig de geboden, welke Mozes u gegeven heeft, bemint den Heer uwen God en wandelt op al zijne wegen, onderhoudt zijne bevelen, hecht u vast aan Hem en dient Hem met geheel uw hart en geheel uwe ziel. Na den zegen van Jozue ontvangen te hebben, trokken zij over den Jordaan naar hunne vrouwen en kinderen. Aan den oever der rivier richtten zij een groot steenen gedenkteeken op in den vorm van een altaar, dat in het vervolg tot getuige dienen moest van hunne éénheid met de Israëlieten, welke in het eigenlijke Kanaan, ten Westen van den Jordaan, woonden.

Neemt men nu de kaart van Palestina in de hand, dan vindt men Jnda, den grootste en machtigste van al de stammen, in het Zuiden van Kanaan. De stam Simeon, de kleinste en onaanzienlijkste, had zijne bezittingen in het land van Juda en kon zich in het woestijnland der Amalekieten verder uitbreiden. Boven Juda lagen Benjamin en Dan; deze laatste grensde, evenals Juda, ten Westen aan het land der nog niet overwonnen Philistijnen. Tot Benjamin behoorde de stad Jeruzalem, welke niet geheel veroverd was, daar het sterke kasteel op den berg Sion nog in de macht was der Jebuzieten. Meer noordelijk lag het groote gebied van Ephraint; dan volgden IssacJiar en west-Manasses, vervolgens Zabulon , Aser en NepJitali, dat tot aan het gebergte Libanon reikte. Ten Westen dezer drie stammen lag het land der Phoeniciërs, die langs de Middellandsche zee woonden en geene vijanden der Joden waren. Nephtali grensde ten Oosten aan oost-Manasses, beneden hetwelk Gad en eindelijk Rnhen lag.

ocr page 441

log

De stam van Levi ontving geen erfdeel, maar in al de stammen werden eenige steden aangewezen tot woonplaats voor de priesters en Levieten; de priesters ontvingen 13 steden in Juda, Benjamin en Simeon; de Levieten 35 steden in de overige stammen. Ook werden er zes vrijsteden aangewezen ; Bos or, RainotJi-Galacid en G au Ion ten Oosten, en Kedes, Siehem en Hebron ten Westen van den Jordaan. Eindelijk schonk men aan Jozue een afzonderlijk erfdeel, waar hij de stad TI ia m n a iJi - Sa re bouwde en zijnen zetel vestigde.

LXIII. Jozue's Afscheid en Dood.

Jozue bestuurde zijn volk gedurende tien jaren in vrede. Toen hij 1 10 jaren oud was en zijn einde voelde naderen, riep hij het volk tot eene groote vergadering te Siehem samen. Hij herinnerde hen aan al de weldaden, welke God hun bewezen had en sprak: Nu dan, vreest den Heer en dient Hem met een volmaakt en oprecht hart; werpt weg de goden, die uwe vaderen gediend hebben, en dient den Heer! Of schijnt het u kwaad toe, dat gij den Heer dient, dan wordt u keus gelaten! Kiest heden wat u behaagt, wie gij het meest verplicht zijt te dienen : of de goden, die uwe vaders gediend hebben, óf de goden der Amorrieten, in wier land gij woont. Ik echter en mijn huis, wij zullen den Heer dienen. Al het volk antwoordde : Het zij verre van ons den Heer te verlaten en vreemde goden te dienen! Jozue hernam: God is heilig en zeer naijverig, en Hij zal uwe misdrijven en zonden niet voorbijzien. Als gij Hem verlaat en vreemde goden dient, zal Hij zich tegen u keeren en u slaan en verderven. — Neen, niet zoo! riep het volk, maar wij zullen den Heer dienen ! Jozue zeide : Gij zijt getuigen, dat gij zeiven u den Heer verkozen hebt om Hem te dienen. En al het volk antwoordde: Ja, wij zijn getuigen! Den Heer onzen God zullen wij dienen en aan zijne geboden gehoorzaam zijn.

Zoo was het verbond met God op nieuw bevestigd. Jozue schreef al hetgeen gesproken was in het boek van 's Heeren wet, en richtte eenen grooten steen op en zeide: Ziet, deze steen zal voor u een getuige zijn , opdat gij het soms

ocr page 442

I IO

niet later zoudt willen loochenen en lieden tegen den Heer uwen God.

Jozue stierf niet lang daarna. De hoogepriester Eleazar volgde hem spoedig in het graf en werd opgevolgd door zijnen zoon Phineïs.

De dood van Jozue viel in het jaar 1433 vóór Christus.

Jozue, die zijn volk van cleszelfs vijanden verloste cn in het beloofde land binnenvoerde, is eene voorafbeelding van Christus, die de macht van de vijanden onzer ziel gebroken, en den hemel, dien de zonde gesloten had, voor ons weder geopend heeft. Deze voorbeduiding werd ook aangewezen door de overeenkomst van den naam Jozue met den heiligen naam Jcsus: Jozue is in hetHebreeuwsch dezelfde naam als Jcsus in het Gricksch.

LXIV. Toestand des Joodschkx Volks na Jozue's dood.

Het nu volgende Bijbelboek heet het boek der Rechters en is hoogst waarschijnlijk door den profeet Samuel geschreven. Het bevat een tijdvak van ongeveer drie eeuwen en loopt van Jozue's dood tot het hoogcpriesterschap van Heli. Gedurende dit tijdvak wekte God meermalen mannen op. die de rechten der Joden tegen hunne vijanden handhaafden cn voor eenigen tijd een einde maakten aan de rampen, waarmede God de Joden om hunnen afval gestraft had. Zulke mannen werden Rechters genoemd, dat is, wrekers van het recht des Heeren cn des Joodschen volks.

Daar Jozue geen opvolger benoemd had , was de eenheid des volks, zooals die tot nog toe bestaan had, verdwenen, en stonden de verschillende stammen van nu af aan meer op zich zeiven. Kort na den dood van Jozue besloot men in eene vergadering te Silo tot het voortzetten van den oorlog tegen de Kanaanieten; God zelf wees den stam van Juda aan als dengene, die den strijd weder beginnen moest. Met Simeon vereenigd behaalde Juda schitterende overwinningen; de stad Bezck werd ingenomen en haar koning Adonibezek levend gevangen. Deze wreedaard had in vroegere oorlogen zeventig vorsten in zijne macht weten te krijgen, en hen, na hunne handen en voeten verminkt te hebben, als honden onder zijne tafel doen kruipen; hij werd eveneens behandeld en stierf kort daarna. Ook de stad Jeritzalem, die de Jebuzieten weder veroverd hadden werd ingenomen en verwoest; echter konden de Joden het kasteel ojj den berg Sion niet bemachtigen. Vervolgens

ocr page 443

111

behaalde het leger van Juda eenige overwinningen op de Philistijnen. De stammen Ephraim en Manasses volgden het voorbeeld van Juda en veroverden de stad Bethel.

Evenwel duurde deze goede gezindheid niet lang. In plaats van de Kanaanieten geheel uit te roeien, vergenoegde men zich met hen schatplichtig te maken; zij keerden toen uit de landen, waarheen zij gevlucht waren, naar hunne vorige woonplaatsen terug, knoopten betrekkingen met de Joden aan cn sloten verbonden met hen. Eens zond God cenen engel om de Israëlieten te waarschuwen en te bedreigen; het baatte niet en het kwaad werd erycr.

O O

Eindelijk sloten de Joden huwelijken met de Kanaanieten, en toen vergaten zij hunnen God, vervielen tot afgoderij en dienden Baiil en Astaroth. Het kon niet anders of deze afval van God moest door rampen gevolgd worden. Onder de slagen van Gods rechtvaardigheid bekeerden ook de Joden zich weder; maar nauwelijks had God hen uit de macht hunner vijanden, in wier handen Hij hen om hunne zonden had overgeleverd, verlost, of de teruggekeerde voorspoed deed de kiem der goddeloosheid weder opschieten; zij vielen op nieuw af en maakten zich nieuwe straffen waardig. Zoo ging het onophoudelijk, gedurende het gehcele tijdvak der Rechters.

LXV. Tafkkkki.kx uit dkx tijd dek Regeerixgloosiikid.

De stam van Dan was zeer talrijk en had slechts weinig land om te wonen, daar de Philistijnen nog meester waren van het grootste gedeelte van het gebied, dat Jozue aan dc zonen van Dan had aangewezen, en dezen den moed niet hadden, om de Philistijnen aan te vallen en te verdrijven. Zij zonden dus vijf mannen, om naar nieuwe woonplaatsen uit te zien. Deze gezanten reisden naar het Noorden van Palestina en overnachtten onder weg bij zekeren Michas, waar zij een zilveren godenbeeld vonden, dat vereerd werd, en waarvan een Leviet, Jonathan ge-heeten, priester was. Zij trokken vervolgens verder, totdat zij eene stad vonden, die La'is heette en door vreedzame menschen bewoond werd. Nu keerden zij ijlings terug cn boodschapten: Wij hebben een zeer rijk en vruchtbaar

ocr page 444

r

-

I 12

land gezien; verzuimt dc gelegenheid niet, toeft niet! Laat ons gaan en het in bezit nemen! Het zal geen moeite kosten. Terstond waren 600 Danieten gereed om met vrouwen en kinderen naar dat nieuw verblijf te verhuizen. Toen zij voorbij het huis van Michas kwamen, zeiden de gezanten, die daar overnacht hadden, tot den Leviet: Ga met ons! is het u niet beter priester te zijn van een ge-heelen stam dan van een enkel huisgezin? De Leviet liet zich vinden, hielp de heiligdommen van Michas stelen en vergezelde de Danieten. Deze overvielen de inwoners van Laïs, vermoordden hen allen en staken de stad in brand ; vervolgens bouwden zij eene nieuwe stad en noemden haar Dau. Het zilveren beeld werd er opgericht, en de Leviet verrichtte er den heiligschennenden eeredienst.

Een nog veel schandelijker voorval had plaats te Gahad in den stam van Benjamin. Een Leviet reisde met zijne echtgenoote van Bethlehem naar het land van Ephraim en ging, toen het reeds nacht geworden was, Gabaa binnen, waar hij in het huis van een braven grijsaard werd opgenomen. De inwoners van die stad waren godde-looze menschen, die in den nacht de vrouw van den Leviet zoo gruwzaam mishandelden, dat zij den volgenden morgen dood voor de deur van liet huis gevonden werd. De Leviet maakte aan het geheele volk bekend, wat er gebeurd was, en de verontwaardiging was zoo algemeen, dat men eenparig besloot de gepleegde misdaad streng tc straffen. De Benjamieten trokken echter partij voor Gabaii en, in plaats van de booswichten uit te leveren, zonden zij soldaten ter verdediging van de goddclooze stad. Aldus onstond er een verwoede burgeroorlog. Twee malen werden de verbondene stammen door de Benjamieten met een vreesolijk groot verlies afgeslagen; doch bij den derden aanval namen zij Gabaa in en versloegen het geheele leger van Benjamin, waarvan slechts 600 mannen overbleven, die de vlucht namen en zich in eene vesting opsloten. Al de steden en dorpen van Benjamin werden nu uitgemoord en verbrand, zoodat er van den geheelen stam niet meer dan de 600 gevluchten overig waren. Toen hadden de andere stammen spijt over hetgeen zij gedaan hadden; zij boden aan de Benjamieten in de vesting den

ocr page 445

ii3

vrede aan en stelden hen, ofschoon door zeer ongeoorloofde middelen, in staat den bijna uitgeroeiden stam weder te doen herleven. — In die dagen, zegt de H. Schrift, was er geen koning in Israël, maar iedereen deed wat i hem recht toescheen.

I

LXVI. De Rechters Othoniël, Aod en Samgar.

De eerste straf voor de misdaden en de afgoderij der Joden deed God over hen komen door middel van Chusan-Rasathaim, eenen roof koning uit het land ten Noorden van Palestina. Hij zakte met zijn leger naar Kanaan af, plunderde het land en dwong de inwoners zware schattingen ; op te brengen. Reeds acht jaren lang had deze ramp geduurd , toen de Joden eindelijk begrepen, wat de reden was van hun ongeluk ; zij deden boetvaardigheid , bekeerden zich en smeekten om redding. Toen Othoniël, de dappere schoonzoon van Kaleb , de verbeterde gezindheid des volks zag, stelde hij, gedreven door Gods Geest, zich aan het hoofd van een leger , trok de roovers, die weder in Kanaan | gevallen waren, te gemoet en behaalde eene groote over-I winning met dat gevolg, dat het land, in het Noorden ' althans, veertig jaren rust had onder Othoniël, die tot aan zijnen dood Rechter bleef.

Ondertusschen werden de over-Jordaansche stammen I gekweld door Eg Ion, den koning der Moabieten; deze | trok eindelijk zelfs over den Jordaan, nam Jericho in en | verplichtte de Joden hem schatting te betalen. Achttien Ijaren had deze overheersching geduurd, toen Aod, een Benjamiet, aan het hoofd der gezanten, die de schatting I moesten brengen, naar Jericho ging. Hij gaf voor, dat hij | den koning een gewichtig geheim had mede te deelen, en werd zonder getuigen in de tegenwoordigheid van Eglon toegelaten. Van deze gelegenheid maakte hij gebruik om den koning te doorsteken, zonder dat iemand het bemerkte, en zich in stilte te verwijderen. Toen de Joden deze daad vernamen, ontwaakte hun moed; zij snelden te wapen, trokken onder aanvoering van Aod tegen de Moabieten op en vernietigden al hun macht in Kanaan; eene rust van tachtig jaren was het gevolg dezer overwinning.

ocr page 446

114

Samgar was een landbouwer, die reuzenkracht bezat. Eens werd hij, terwijl hij zijnen akker beploegde, door eene bende van 600 Philistijnsche stroopers overvallen; doch hij bood zulken dapperen wederstand , dat de roovers op de vlucht gingen; zij werden achtervolgd en betaalden allen hunnen overmoed met den dood.

De verschillende tijdvakken van dienstbaarheid en van rust, welke in het boek der Rechters opgegeven worden, moet men zóó verstaan, dat het ééne gedeelte van het land vrede genoot, terwijl het andere onder rampen en verdrukking zuchtte. Ook bestuurden de Rechters slechts één of meerdere stammen, niet het geheele volk.

De verraderlijke wijze, waarop Aod den Moabitischen koning om het leven bracht, was, op zich zelve beschouwd, eene slechte daad, welke door de H. Schrift dan ook wel verhaald, maar volstrekt niet goedgekeurd wordt.

LXVII. Debbora en Barak.

Vooral in het Noorden van Kanaan hadden de Joden het goddelijk bevel tot uitroeiing der ou^le bevolking veronachtzaamd ; derhalve waren de Kanaanieten daar langzamerhand sterker geworden en, eene eeuw na den dood van Jozue, hadden zij het land van den Libanon weder in hunne macht, en bestond er weder een groot Rijk, welks koning, evenals de vroegere. Ja bin heette. Zoodra de Kanaanieten sterk genoeg waren, toonden zij aan de Joden, dat de vriendschap, waarin zij met hen leefden, slechts veinzerij was, en behandelden zij hen als vijanden. En God liet toe, dat de Joden wreedaardig onderdrukt werden door degenen, die zij hadden kunnen en moeten uitroeien. Twintig jaren lang had Jabin de Israëlieten op alle mogelijke wijzen gekweld, toen hij zijnen veldheer Sisara bevel gaf, om met een ontzaggelijk leger aan de Joden den laatsten slag toe te brengen en hen geheel tc verdelgen. Zóó ver moest het komen, eer de Joden zich tot God bekeerden; doch toen riepen zij zijnen bijstand in , en Hij schonk hun redding.

Niet ver van de stad Bethel woonde eene heilige vrouw, Debbora geheeten, die eene profetes was. Op goddelijke ingeving ontbood zij Barak, eenen dapperen held uit den stam van Nephtali, en verzekerde hem, dat God hem

ocr page 447

ii5

had uitgekozen om de vijanden der Joden te bestrijden, en dat God hem de zegepraal zou schenken. Tevens voorspelde zij hem, dat de overwinning door eene vrouw zou voltooid worden. Met de hulp van Debbora gelukte het Barak een leger bijeen te brengen van 10,000 man, die voornamelijk tot de stammen Nephtali, Zabulon en Issachar behoorden ; hij vatte daarmede post op den berg Thabor. Zoodra Sisara dit vernam, voerde hij zijne soldaten tegen de Joden aan. Toen sprak Debbora tot Barak; Ga! want dit is de dag, dat de Heer Sisara in uwe handen levert! Zie, Hij zelf is uwe aanvoerder! Barak daalt van den berg af, en God slaat het groote leger der Kanaanieten met schrik en verwarring; zij nemen de vlucht, en de Joden behalen de schitterendste overwinning.

De veldheer Sisara was de algemeene slachting ontkomen en vluchtte alleen en te voet voor Barak, die hem op het spoor was. Vermoeid en van dorst versmachtend kwam hij bij de tenten van herders, die afstammelingen waren van Hobab, eei] zoon van Jethro, den schoonvader van Mozes. Jahel, de echtgenoote van den herdervorst Haber, herkende Sisara en noodigde hem in hare tent, waar hij weldra in een diepen slaap lag. Toen nam Jahel eene lange puntige pin en sloeg die door de slapen van zijn hoofd, totdat ze vaststak in den grond. Juist naderde Barak. Kom, riep Jahel hem toe, ik zal u den man toonen, dien gij zoekt!

Barak voerde vervolgens zijn leger tegen den koning Jabin zelven aan, behaalde eene tweede overwmning en vernietigde de macht der Kanaanieten; eene rust van veertig jaren was de vrucht dezer zegepraal.

LXVIII. Gedeon en zijne Zonen.

Nieuwe zonden hadden nieuwe rampen op de Joden doen nederdalen. De Madianieten, vereenigd met andere herdersstammen, deden invallen in het land; wanneer de oogst op het veld stond, kwamen zij met hun vee en bleven in Kanaan totdat alles verteerd was; en als zij aftrokken, roofden zij nog alles weg, wat onder hun bereik viel. De Joden waren zóó verslagen en zonder

ocr page 448

116

moed, dat zij zich in de holen hunner bergen verborgen of in de vestingen opsloten, zoolang de stroopers zich in Kanaan ophielden. Voor de achtste maal waren die roover-benden reeds in aantocht, toen de Israëlieten zich voor God vernederden en beterschap beloofden.

Een engel, in menschengedaante, werd door God gezonden naar Ephra in West-Manasses, waar Joas woonde, wiens jongste zoon Gedeon bezig was met het dorschen van een weinig graan. De Heer is met u, dappere held! sprak de engel tot hem. Gedeon, die meende, dat een gewoon vreemdeling voor hem stond, antwoordde: Ach, mijn heer! als de Heer met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen ? Waar zijn dan zijne wonderen, die onze vaders ons verhaald hebben, zeggende: de Heer heeft ons uit Egypte gevoerd ? Maar nu heeft God ons verlaten en in de hand van Madian geleverd. De engel hernam: Gij zult Israël uit de hand van Madian verlossen. Weet, dat Ik u zend. — Ik bid u, mijn heer! vroeg Gedeon, hoe zal ik Israël redden ? Zie, mijne familie is de geringste in Manasses, en ik ben de jongste in mijns vaders huis. Nu openbaarde de onbekende zich als een gezant van God en zeide: Ik zal met u zijn; gij zult de Madianieten verslaan, als waren zij één man.

De engel bevestigde, op verzoek van Gedeon, zijn woord door een wonderteeken. Toen Gedeon hem vleesch en brood bracht en dit op eene rots nederzette, raakte de engel de spijzen met zijnen staf aan; en eensklaps schoot er uit de rots eene vlam , die alles verteerde. Tegelijk verdween de engel.

In de nabijheid der stad Ephra stond in een boschje een afgodsaltaar, dat aan Gedeons vader toebehoorde; op bevel van God hakte Gedeon in eenen nacht al de boomen om en wierp het altaar omver. Toen de mannen van Ephra den volgenden morgen de verwoesting zagen en wisten, wie de dader was, riepen zij tot Joas: Eever ons uwen zoon uit, opdat hij sterve! want hij heeft het altaar van Baal vernield en het bosch omgehouwen. Joas antwoordde, dat Baal, daar hij immers God was, zelf zijnen vijand wel kon straffen en hem, eer het licht van den volgenden dag aanbrak, doen sterven. Dit vond men

ocr page 449

ii;

goed; en toen men zag, dat Baal niets deed, prees men de moedige daad van Gedeon. Deze riep nu de Israëlieten ten oorlog op en verzamelde, terwijl de Madianieten hunne tenten in de vallei van Jezrahel opsloegen, een leger van 32,000 man uit de stammen Manasses, Zabulon, Aser en Nephtali.

God gaf aan de Israëlieten, op verzoek van Gedeon, door een dubbel wonderteeken de verzekering zijner bescherming. Gedeon spreidde gedurende den nacht een wollen vacht onder den blooten hemel uit: den volgenden morgen was de grond rondom droog, maar de vacht zelve geheel doortrokken van den dauw; den tweeden nacht deed hij hetzelfde, en nu bleef de vacht droog, terwijl alles in het rond door den dauw bevochtigd was.

Ofschoon de Madianieten meer dan viermaal zoo sterk waren als de Joden, sprak toch God tot Gedeon: Gij hebt veel soldaten; maar in hunne handen zal Madian niet worden overgeleverd, opdat Israël later niet roeme tegen Mij en niet zegge: door mijne eigene kracht ben ik bevrijd geworden. Gedeon moest dus afkondigen, dat allen die bevreesd waren, naar hun huis mochten terug-keeren ; en toen bleven er slechts 10,000 over. Andermaal zeide God: Nog is er veel volk! Gedeon moest hen nu naar de bron voeren en laten drinken; en allen, die bij het drinken nederknielden om water te scheppen, moesten achterblijven ; alleen zij, die het water uit de holle hand slorpten, mochten deelnemen aan den strijd. Van deze laatsten waren er slechts 300. En nu sprak God: Door deze driehonderd mannen zal Ik u verlossen.

Zoodra het nacht geworden was , verdeelde Gedeon zijne 300 mannen in drie afdeelingen, gaf hun ieder eene bazuin en eene aarden kruik, waarin een brandende fakkel verborgen was, en beval, dat zij allen moesten doen, wat zij hem zagen verrichten. Zwijgend en onzichtbaar naderen zij de tenten, waarin de Madianieten slapen , en verspreiden zich door de legerplaats. Op één oogenblik slaan zij allen hunne kruiken in stukken, zwaaien met de eene hand den brandenden fakkel, houden in de andere de bazuin, waarop zij blazen, en schreeuwen: Voor Jehovei en voor Gedeon! De Madianieten rillen wakker, grijpen hunne

ocr page 450

118

zwaarden, slaan blindelings in het rond en vermoorden elkander. De achtergeblevene soldaten van Gedeon stormden nu ook op de vijanden los en, toen de morgen aanbrak, was de legerplaats met lijken opgevuld, en vluchtte het overschot der Madianieten naar den Jordaan. Daar werden zij door den stam van Ephraim reeds opgewacht en op nieuw geslagen. Gedeon vervolgde hen over de rivier en behaalde nogmaals eene overwinning; vier Madianietische koningen verloren het leven.

Toen Gedeon zegevierend terugkeerde, spraken de Israëlieten tot hem: Wees onze koning! Maar de edele held sloeg dit aanbod af. Noch ik noch mijn zoon zal over u heerschen , maar de Heer zal uw Koning zijn. Hij bleef veertig jaar Rechter over Israël, en gedurende dien tijd bleef het volk getrouw aan God.

Maar na zijnen dood verviel het weder tot afgoderij, en bouwde men zelfs te Sichem eenen tempel voor Baal. Met de goddelooze inwoners van die stad maakte Abimelech , een der zonen van Gedeon, eene samenzwering tegen het huis zijns vaders; hij trok met eene bende booswichten naar Ephra, overviel zijne broeders en deed hen allen, 69 in getal, op éénen steen vermoorden. Daarna keerde hij naar Sichem terug en werd tot koning uitgeroepen; zijne macht vermeerderde, en hij deed gedurig strooptochten door het land. Eens was hij weder uit Sichem afwezig, toen Joatham, de jongste zoon van Gedeon. die aan den broedermoord ontsnapt was, zich op eene hoogte van den berg Garizim vertoonde en het volk tot zich riep. In eene schoone gelijkenis stelde hij hun voor, hoe ondankbaar en misdadig zij zich tegen zijnen vader, hunnen redder, gedragen hadden door al zijne zonen te vermoorden, en hoe dwaas zij hadden gehandeld dooiden ellendigen Abimelech tot hunnen koning te verheffen; tevens voorspelde hij hun, dat Abimelech en zij elkander wederkeerig zouden verslinden. Daarop vluchtte hij weg.

Zijne voorspelling werd drie jaren na Abimelechs verheffing vervuld. Toen deze weder de stad verlaten had, maakten de Sichcmieten oproer en sloten de poorten voor Abimelech ; hij wist echter op eene verraderlijke wijze in Sichem te komen, vermoordde al de inwoners der stat!

ocr page 451

ii9

cn vernielde haar geheel en al. Duizend inwoners hadden zich in een sterken toren opgesloten, doch Abimelech stak den toren in brand en deed allen in de vlammen omkomen. Zoo schrikkelijk werden de Sichemieten voor hunne goddeloosheid gestraft.

De koning trok nu naar de stad Thebes, om haar op gelijke wijze te behandelen. Deze stad had ook een toren , waarin eenige inwoners gevlucht waren. i Reeds was Abimelech bezig met hout rondom dien toren op te stapelen , toen eene vrouw eenen steen van boven nederwierp, die-het hoofd van den koning raakte cn verpletterde. Zijn aanhang liep aanstonds uit elkander, en de vrede was hersteld. Aldus vergold God het kwaad, dat Abimelech tegen zijnen vader gedaan had door het vermoorden zijner broeders.

Gedeon is de edelste en roemvolste held uit het tijdvak van de Rechters, een voorbeeld van vertrouwen op God cn van moedige zelfopoffering. Vooral was hij verheven. toen hij geen koning wilde worden, maar God alléén als Koning van Israël erkende. Hierdoor was hij eene afbeelding van Christus, die, toen het volk Hem koning wilde maken, de vlucht nam, en nooit zijne eigene eer zocht, maar slechts ile eer van dengene, die Hem gezonden had.

LXIX. Jepiite kn andere Rechters.

Van den Rechter 1/iola uit Issachar, die 23 jaren, en Jaïr, die 22 jaren in het over-Jordaansche het volk bestuurde, zijn geene bijzonderheden bekend; ook niet van de latere Rechters Abesan uit Benjamin, Ahialon uit Zabulon, en Abdon uit Kphraim; de eerste was 7, de tweede 10, de derde 8 jaar Rechter.

Na den dood van Jaïr vielen de Joden weder schandelijk af en pleegden erger afgoderij dan ooit te voren; tot straf daarvoor kwamen zij onder de macht der Ammonieten , die hen, en vooral de over-Jordaansche stammen, op de gruwzaamste wijze, gedurende 18 jaren, beroofden en mishandelden. Door de overmaat der ellende kwamen zij eindelijk tot inkeer, zij vernielden de afgodsbeelden en dienden God weder.

Toen de Ammonieten op nieuw in aantocht waren , verzamelden zich de strijdbare Israëlieten, doch zij hadden

ocr page 452

I 20

geen opperhoofd ; en, ofschoon de over-Jordaansche stammen beloofden, dat zij het bestuur over al het land ten Oosten des Jordaans aan dengene, die hen ten strijde wilde voeren, zouden afstaan, niemand daagde op. Zij herinnerden zich toen een hunner stamgenooten, Jephte geheeten, dien zij vroeger uit hun land verbannen hadden en die thans het hoofd eener Arabische roofbende was. Zij zonden gezanten tot dien hoofdman, om hem het bevel over het Joodsche leger en het opperbestuur over Galaad (zóó noemde men het over-Jordaansche) op te dragen. Hij kwam en werd tot vorst van Galaad uitgeroepen. Eerst beproefde hij met de Ammonieten in eene schikking te treden; maar, toen zij niet wilden, verzamelde hij alle strijdbare mannen van Galaad te Maspha, waar hij zich gevestigd had. Eer hij optrok, deed hij aan God de gelofte van, indien hij als overwinnaar terugkeerde, den eerste, die hem uit zijn huis te gemoet zou komen, den Heer als een brandoffer te zullen opdragen. Jephte versloeg de Ammonieten en ontnam hun twintig steden. Toen hij in zegepraal zijne woning naderde, kwam hem zijne dochter aan het hoofd van meerdere maagden te gemoet, om hem feestelijk in te halen. Op haar gezicht, scheurde Jephte zijne kleederen en riep uit: Wee mij! mijne dochter! ik heb mijnen mond geopend tot den Heer, dat wil zeggen : ik heb de gelofte uitgesproken, en ik kan het niet veranderen ! — Vader, antwoordde de maagd, zoo gij uwen mond tot den Heer geopend hebt, doe mij dan al, wat gij beloofd hebt, daar u wraak en overwinning op uwe vijanden geschonken is. Zij vroegen verkreeg twee maanden uitstel, om met hare speelgenooten op de bergen te treuren , en daarna deed de vader haar, zooals hij de gelofte had afgelegd. En alle jaren kwamen de maagden van Israël te zamen, om, gedurende vier dagen, de dochter van Jephte te beklagen.

Jephte werd weldra verplicht tot een nieuwen oorlog, nu niet tegen vijanden van Israël, maar tegen den stam van Ephraim, die uit jaloerschheid en nijd de over-Jordaansche stammen aanviel. Een vreeselijk bloedbad werd er aangericht, en van de 42,000 Ephraimieten, die over den Jordaan getrokken waren, keerde geen enkele terug.

ocr page 453

121

Na deze overwinningen bleef Jephte nog zes jaar vorst van Galaad.

De gelofte van Jephte was, daar hij een menschenoffer bedoelde misdadig en met de wet van Mozes in strijd; en hij had die gelofte volstrekt niet mogen vervullen. Moge zijne onwetendheid en zijne verkeerde opvatting van de kracht zijner gelofte zijne schuld verminderen of zelfs geheel wegnemen; de opoffering zijner dochter moet toch als een ijselijk kwaad veroordeeld worden.

De onschuldige dochter, die zich zonder tegenspraak en uit gehoorzaamheid aan haren vader ter dood liet brengen, was eene schoone afbeelding van Christus, die de eeuwige Onschuld was en uit gehoorzaamheid aan zijnen hemelschen Vader Zich zei ven vrijwillig opofferde.

LXX. Samson.

Terwijl de Ammonieten door Jephte verslagen werden, richtten de Philistijnen in het Westen van Kanaan altijd grootere verwoestingen aan ; om hen te tuchtigen, wekte God eenen held op, met ontzettende reuzenkracht Êegaafd ; jammer, dat zijne deugd niet aan zijne uitstekende gaven beantwoordde.

Te Saraa in den stam van Dan, woonde Manue, aan wiens huisvrouw een engel eenen zoon beloofde, die Samson heeten zou; hij moest Nazdrcër wezen, en nooit mocht eene schaar zijn hoofd aanraken. Hij zal, zeidc de engel, beginnen Israel te verlossen uit de hand der Philistijnen.

Toen Samson jongeling geworden was, ging hij eens naar Thamna, eene Israëlietische stad, die de Philistijnen veroverd hadden; daar zag hij eene heidensche dochter, en, bij zijne ouders teruggekeerd, wilde hij, dat deze haar voor hem ten huwelijk zouden vragen. Zijne ouders berispten hem en vroegen : Is er dan voor u geene vrouw onder de dochters van uw volk, dat gij eene echtgenoote nemen wilt uit de Philistijnen, die heidenen zijn? Doch, toen hij volhield, gingen zij met hem naar Thamna. Onderweg verwijderde hij zich van hen en ging in de wijnbergen, waar eensklaps een jonge leeuw brullend op hem aanviel. Maar hij greep het roofdier in zijne armen en scheurde het vaneen; aan zijne ouders zeide hij er niets van.

De verloving had plaats, cn een jaar later ging Samson

ocr page 454

122

weder met zijne ouders naar Thamna, om de bruiloft te vieren. Nieuwsgierig om te weten, wat er van den verscheurden leeuw geworden was, ging hij zien en vond het afgeknaagde en uitgedroogde geraamte; in den kop had een zwerm wilde bijen zijnen honig verzameld. Samson nam er eene honigraat uit, at en gaf er van aan zijne ouders, zonder hun te zeggen, waar hij ze gevonden had.

Op de bruiloft gaf Samson aan dertig gasten een raadsel op; Uit den vraat kwam spijs, en zoetheid kwam uit den geweldige. Konden zij het in zeven dagen raden, dan zou hij hun ieder een stel kleederen geven; konden zij het niet, dan [moesten zij hem ieder een stel kleederen verschaffen. Door middel van Samsons echtgenoote, die hem zoolang plaagde, totdat hij haar het raadsel verklaarde, en die toen zijn geheim openbaarde, wonnen de gasten de weddingschap: Wat is er zoeter dan honig, en wat is er sterker dan een leeuw ? vroegen zij hem en verklaarden hem , op welke wijze zoetigheid uit den geweldigen vraat gekomen was. Samson verliet hen toornig, ging naar de stad Askalon, geraakte in twist met de Phili-stijnen en sloeg er dertig dood; met hunne kleederen betaalde hij de verloren weddingschap en ging zonder zijne vrouw naar zijn huis.

Daar zijn schoonvader meende, dat hij zijne vrouw verlaten had, gaf hij haar aan iemand anders tot echtgenoote en wees Samson, toen deze kort daarna terugkwam, af. Deze werd nu woedend en riep uit; Van heden af heb ik geen schuld, wanneer ik kwaad doe aan de Philistijnen! Het was juist in den tijd van den oogst. Samsom ving in de bergen 300 jakhalzen of wilde honden, bond die, twee aan twee, met de staarten aan elkander, maakte tusschen elke twee een brandenden fakkel vast, en joeg ze toen in de korenvelden der Philistijnen. Oogenblikkelijk vloog alles in brand; niet alleen werden alle halmen en schoven, maar ook wijnbergen en olijfgaarden eene prooi der vlammen. De Philistijnen, die meenden, dat Samson hun deze onmetelijke schade berokkend had uit haat tegen zijnen schoonvader, staken diens huis in brand en kwamen , om Samson te bevredigen, hem verhalen, dat zij dit gedaan hadden. Maar hij riep; Al hebt gij dit gedaan,

ocr page 455

123

toch zal ik mij nog meer op u wreken, en dan zal ik rusten! Kn hij verpletterde allen, die onder het bereik van zijne vuisten kwamen.

Daarna vertrok hij naar het land van Juda en verborg zich in eene spelonk. Toen de Philistijnen met een leger in Juda vielen en verklaarden, dat het hun alleen om Samson te doen was, beloofden de mannen van juda den reus te zullen vangen, en kwamen met 3000 man op hem af. Hij liet hen eerst zweren, dat zij hem niet zouden dooden, en zich vervolgens binden en tot de Philistijnen voeren. Kene afdeeling van 1000 man nam hem over, om hem naar . hun legerkamp te brengen. Tot zóó lang liet hij zich bespotten, maar langer niet. De Geest des Heeren grijpt hem aan, hij breekt cle twee nieuwe touwen , waarmede men hem gebonden had, aan stukken, springt op zijne verschrikte vijanden los en slaat met een ezelskakebeen, dat hij op den grond vindt, zoo geweldig op hen in, dat er eene menigte dood en gewond rondom hem henen ligt, en niemand van de 1000 man meer over is. Na deze vreeselijke inspanning had Samson hevigen dorst, en nergens in den omtrek was water; hij bad tot God: Gij hebt, door de hand van uwen dienaar, deze groote overwinning geschonken; ach, ik sterf van dorst en zal in de handen der heidenen vallenGod verhoorde zijn gebed en deed eene wonderbron ontspringen, waaruit Samson zijnen dorst laafde.

Zóó werd de voorspelling, door den engel aan Samsons ouders gedaan, vervuld; hij begon Israël te verlossen uit de macht der Philistijnen; maar het bleef bij een begin, en een redder van zijn volk werd hij niet, ofschoon hij nog 20 jaren na zijn eerste optreden leefde. Hij gaf zich namelijk over aan zijne booze hartstochten en zocht bij de Philistijnen, die hij had moeten beoorlogen, de bevrediging van zijne zondige lusten. Eens was hij naar de Philistijnsche stad Ga sa gegaan en bracht daar den nacht door. Zijne vijanden, die te weten waren gekomen, dat hij zich in hun midden bevond, sloten de poorten en plaatsten daarbij wachten, om hem den volgenden morgen, als hij de stad verlaten zou, te dooden. Echter kwam hij in den nacht, rukte de poortdeuren

ocr page 456

124

met de stijlen uit den grond en droeg ze op zijne schouders naar eenen heuvel in de .nabijheid. Later leefde hij in ongeoorloofde vriendschap met eene ondeugende vrouw, Dalila geheeten, die voor eene groote som gelds aan de Philistijnen beloofd had , hem te verraden en over te leveren. Daartoe was het noodig, dat zij het geheim zijner boven-menschelijke kracht kende. Deze bestond in zijne toewijding aan God, waarvan zijne lange haren het uiterlijke teeken waren. Zeg mij toch, sprak Dalila tot hem, waarin uwe reuzenkracht gelegen is en waarmede men u zoude moeten binden, zoodat gij niet zoudt kunnen loskomen! Ken tijd lang poogde hij haar te misleiden, maar eindelijk bezweek hij voor haar vleierij en zeide haar, dat zijne kracht hem verlaten zou, indien zijne haren afgeneden werden. Zij gaf terstond hiervan kennis aan de Philistijnsche overheden, die soldaten zonden, welke zich, toen Samson weder bij Dalila komen zou, in haar huis verborgen. Hij kwam en viel in slaap; in stilte sneed men hem nu zijne lange haren af, en toen was de Geest des Heeren van hem geweken; de Philistijnen staken hem de oogen uit en sleepten hem, met twee koperen ketenen geboeid, naar Gaza, waar zij hem in de gevangenis wierpen en tot het draaien van den molen dwongen.

In vernedering en lijden bekeerde zich Samson tot God , en hij ontving, tegelijk met het groeien zijner haren, zijne reuzenkracht weder terug. Eenige maanden later vierden de Philistijnen een feest in den tempel van hunnen afgod Dagou. Onze God, zongen zij, heeft onzen vijand in onze handen geleverd, Samson, den verwoester onzer velden, den verdelger onzer mannen! Om zich in zijn ongeluk te verlustigen en zoo hunne vreugde te vermeerderen, deden zij den blinde uit zijnen kerker halen. Men plaatste hem tusschen de twee groote kolommen, waarop de tempel voornamelijk rustte, want daar konden allen hem zien; behalve al de voorname Philistijnen, waren er 3000 menschen in dien tempel vereenigd. Samson verhief in stilte zijn hart tot God en bad om zijne kracht van vroeger, ten einde de vijanden van zijn volk te straffen en zijne schande door een roemvollen dood uit te wisschen. Eensklaps slaat hij zijne armen om de twee hoofdkolommen van den

ocr page 457

125

tempel. Dat ik sterve met de Philistijnen! roept hij uit, en rukt de kolommen omver. De tempel stort ineen, en duizenden worden verpletterd en met puin bedekt. Aldus stierf Samson, en zijn dood was grooter ramp voor de vijanden van Israël dan alles, wat hij hun in zijn lever; gedaan had.

Na Samsons dood bleef de toestand van Israël dezelfde, behalve dat de overheersching der Philistijnen steeds drukkender werd. De hoogepriester in die dagen was//r//, een zwak man, wiens twee ondeugende zonen, OpJini en P/iineës, de priesterlijke bediening, welke zij te Silo bij den tabernakel verrichtten, schandelijk ontheiligden. Heli werd hoogepriester in het jaar 1155 voor Christus.

LXXI. Geschiedenis van Ruth.

De schoone geschiedenis van Ruth staat in den Bijbel achter het boek der Rechters in een afzonderlijk boek beschreven ; meestal houdt men Samuel voor den schrijver er van. Onder welken Rechter Ruth geleefd heeft, weten wij niet zeker; misschien wel ten tijde van Gedeon.

Tn de stad Bethlehem leefde een man, Elimelech ge-hecten, met zijne vrouw Nocmi en zijne twee zonen; ten tijde van een hongersnood zagen zij zich verplicht, hun vaderland te verlaten en naar de Moabieten te verhuizen; daar traden de twee zonen in het huwelijk met Moabietische dochters, wier namen Ruth en Orpha waren. Elimelech was toen reeds overleden, en zijne beide zonen volgden hem spoedig in het graf, zoodat de arme weduwe overbleef met hare twee schoondochters, die beiden kinderloos waren. Nadat Noëmi tien jaren in het vreemde land gewoond had, keerde zij naar Kanaan terug, om onder haar volk te sterven. Orpha en Ruth gingen met haar, want de brave dochters wilden hare oude schoonmoeder niet verlaten. Doch, toen zij aan de grenzen van het Joodsche land gekomen waren, sprak Noëmi tot haar: Keert terug, naar het huis uwer moeder. God zij barmhartig jegens u, gelijk gij jegens de overledenen en jegens mij geweest zijt; Hij geve u rust te vinden in de huizen van nieuwe echtgenooten. Beiden begonnen toen te wcenen en antwoordden: Wij willen met u gaan naar uw volk. Doch

ocr page 458

126

Nocmi zcidc: Keert terug; mijne dochters! Waartoe gaat gij met mij ? Doet het niet, bid ik u; want uwe ellende bedroeft mij nog meer, en de hand des Heeren is tegen mij uitgegaan. Orpha gehoorzaamde toen en nam afscheid, maar Ruth bleef bij hare schoonmoeder en sprak: Waarheen gij gaat, ga ik; waar gij blijft, daar zal ook ik blijven; uw volk zal mijn volk, uw God mijn God wezen. Waar gij sterven zult, daar wil ook ik sterven, en daar zal ook mijn graf zijn.

Noëmi en Ruth kwamen dan eindelijk te Bethlehem aan. Zij hadden volstrekt niets om van te leven; maar Ruth wist, dat de Joodsche wet aan de armen de vrijheid toestond, van op de akkers de aren, welke de maaiers lieten vallen, op te rapen; daar het nu juist tijd was van den oogst der gerst, zeide zij tot hare schoonmoeder: Als gij het beveelt, zal ik naar het veld gaan en de aren oplezen. — Ga, mijne dochter! antwoordde Noëmi. En in den vroegen morgen ging Ruth op weg om, ter liefde harer schoonmoeder, haar even vernederend als moeilijk werk te beginnen.

Gods voorzienigheid geleidde haar op don akker van Booz, een zeer rijk en tevens zeer godsdienstig man. Zij had daar eenige uren gerstaren opgeraapt, toen Booz op zijnen akker kwam. De Heer zij met u! groette hij de maaiers, en deze antwoordden: De Heer zegene u! Toen hij die vreemde vrouw zag, vroeg hij : Wie is die jonge dochter? Zijn opzichter zeide: Dit is die Moabietische vrouw, welke met Noëmi uit het land van Moab gekomen is; zij is van den morgen af tot nu toe in het veld bezig geweest, zonder zelfs voor een oogenblik naar huis terug te gaan. Booz, die de geschiedenis der deugdzame jonge vrouw reeds vernomen had, zeide nu tot haar; Hoor, mijne dochter! ga op geen anderen, akker aren lezen; want ik heb mijnen knechten bevolen, dat niemand u lëed doe; en ook als gij dorst hebt, ga dan naar de vaten en drink van het water, dat ook de maaiers drinken. Ruth boog zich voor hem neder en sprak: Hoe komt het, dat ik genade vind in uwe oogen, en dat gij u gewaardigt acht te slaan op mij, vreemde vrouw? Booz hernam: Men heeft mij alles verhaald wat gij voor uwe

ocr page 459

127

schoonmoeder gedaan hebt. De Heer vergelde u voor wat gij gedaan hebt, en moogt gij van den Heer, Israels God, tot wien gij gekomen zijt en onder wiens vleugelen gij uwe toevlucht hebt genomen, daarvoor het volle loon ontvangen! Des middags mocht Ruth met de maaiers eten en des avonds sloeg zij hare aren uit en keerde met eene groote hoeveelheid gerst naar hare schoonmoeder terug.

Toen Noëmi vernam, op wiens akker zij geweest was en wie haar zoo vriendelijk behandeld had, riep zij uit: Die man is van onze familie! Zij verhaalde nu aan Ruth, dat Booz een bloedverwant van Elimelech was en dus, volgens de Joodsche wet, het recht had, om eenen akker, dien Elimelech vroeger uit armoede had moeten verkoopen , van den tegenwoordigen bezitter tegen betaling terug te eischen ; maar dat aan die lossing van den akker de verplichting verbonden was, om met Ruth, daar zij eene kinderlooze weduwe was, in het huwelijk te treden. Echter gaf Noëmi aan Ruth den wijzen raad, aan Booz niet te laten bemerken, dat zij de betrekking, waarin zij tot hem stond, kende. Zij bleef dus aren lezen, totdat de oogsttijd geheel voorbij was, en voorzag vervolgens door anderen arbeid in de behoefte harer schoonmoeder.

Booz had niet meer met Ruth gesproken, maar zooveel te meer op haar gelet en hare deugd, hare zedigheid, hare opofferende liefde leeren waardeeren. Twee maanden later sprak hij tot haar: Gezegend zijt gij van den Heer, dochter! want gij hebt uw liefdewerk jegens uwe schoonmoeder nog overtroffen door uw deugdzaam en zedig gedrag, en de geheele stad weet, dat gij eene voortreffelijke vrouw zijt. Vervolgens verzekerde Booz haar, dat hij haar tot zijne vrouw zoude nemen, indien een andere bloedverwant, die den overledenen Elimelich nader bestond dan Booz, van zijn recht afstand wilde doen. Deze bloedverwant werd ondervraagd en zeide tot Booz: Maak gij gebruik van mijn recht, dat ik verklaar gaarne af te staan. En toen nam Booz de brave Ruth tot echtgenoote. Alle inwoners van Bethlehem verheugden zich in het geluk der Moabietische vrouw; en, toen de oude Noëmi den zoon van Ruth aan haar hart drukte, juichten hare gebuur-vrouwen haar toe: Nu hebt gij eenen vertrooster uwer

ocr page 460

128

smart, ecncn steun uws oudcrdoms! want hij is hct kind uwer schoondochter, die u bemint en u veel beter is dan zeven zonen!

De zoon van Booz en Ruth heette Ohcd en was de grootvader van koning David; Booz was een afstammeling van Rahab, die bij de inneming van Jericho gespaard werd. Ruth en Rahab beiden behooren tot de stammoeders van den Verlosser der wereld.

Volgt Noëmi in haar geduld, Booz in zijne milddadigheid jegens de armen, Ruth in hare zedigheid, haren ootmoed en hare kinderlijke liefde; dan moogt gij, wanneer armoede en lijden u treffen, gerust vertrouwen op de voorzienigheid van God, die van de zijnen gezegd heeft: Ik ben met hen in de verdrukking, Ik zal hen redden en verheffen.

LXXII. Geboorte en Opvoeding van Samuél.

De boeken, die nu in den Bijbel volgen, heeten de Boeken der Koningen en zijn vier in getal; het eerste, dat juist eene eeuw omvat, werd voor het grootste gedeelte geschreven door Samuel.

Te RamatJia woonde de Leviet FJkana, die op de hooge feestdagen getrouw naar Silo ging, waar de tabernakel stond, om den Heer te aanbidden en zijne offers op te dragen. Eens bevond hij zich daar met zijne huisvrouw Anna, die zeer ongelukkig was, omdat God haar geene kinderen schonk. Diep bedroefd nam zij hare toevlucht tot God en legde de gelofte af: Heer! als Gij aan uwe dienstmaagd eenen zoon zult schenken, dan zal ik hem den Heer geven voor geheel zijn leven, en geen schaar zal aan zijn hoofd raken. Het gebeurde nu . dat de hooge-priester Heli juist tegenwoordig was en, het gedrag van Anna verkeerd uitleggend , meende, dat zij te veel gedronken had. Toen hij haar met barsche woorden berispte, antwoordde zij: Ach neen, mijn heer! want ik ben eene diep ongelukkige vrouw, en heb geen wijn gedronken noch iets, wat dronken maken kan; maar ik heb mijn hart voor het aanschijn des Heeren uitgestort. Nu sprak Heli: Ga in vrede! de God van Israël geve u wat gij Hem gevraagd hebt.

God gaf haar veel meer dan zij gevraagd had, want zij werd de moeder van Samuel, een der verhevenste en heiligste mannen, die God onder zijn volk heeft opgewekt. Toen het kind hare zorg niet meer behoefde, bracht zij

ocr page 461

129

het naar Silo en zeide tot den hoogepriester: Ik ben die vrouw, welke hier voor u stond den Heer biddend. Om dezen zoon bad ik, en de Heer heeft mij gegeven wat ik Hem gevraagd heb; daarom ook wijd ik hem voor geheel zijn leven aan den Heer toe. En zij werd vervuld van den Geest Gods en sprak een heerlijken lofzang uit, waarin zij het koninkrijk van den toekomstigen Verlosser voorspelde.

De jonge Samuel groeide op in de schaduw des heiligdoms en nam toe in behagelijkheid bij God en de menschen. Geheel anders ging het met de twee zonen van den hoogepriester, Op/ini en Phinees; deze slechte priesters werden dagelijks ondeugender en gedroegen zich tegenover de Israëlieten, die kwamen offeren, op eene zoo schandelijke wijze, dat velen het vervullen hunner godsdienstplichten achterlieten. Heli wist wel, dat zijne zonen zoo goddeloos te werk gingen, en hij berispte hen ook wel; maar wat hij als vader en hoogepriester had moeten doen, de deugnieten namelijk met strengheid straffen en hunne boosheid met geweld tegengaan, dat deed hij niet; hij verwaarloosde zijnen plicht en liet hen begaan. Toen kwam God zelf tusschenbeide; door eenen profeet liet Hij aan Heli zeggen , dat het hoogepriesterschap hem zou ontnomen worden, en dat zijne twee zonen op éénen dag zouden sterven.

Eens, toen de hoogepriester den nacht doorbracht in het voorhof des tabernakels, sliep de jeugdige Samuel in zijne nabijheid. En God de Heer riep Samuel. Deze antwoordde: Hier ben ik; en mecnend, dat hij de stem van Heli gehoord had, spoedde hij zich tot den hoogepriester, zeggende: Hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. — Ik heb u niet geroepen, antwoordde Heli, begeef u weder ter ruste. Samuel gehoorzaamde, maar hoorde tot drie malen toe dezelfde stem en ging telkens tot den hoogepriester. Deze begreep nu, dat God den jongeling riep en zeide: Ga weder slapen, en als Hij u nogmaals roept, antwoord dan: spreek. Heer! want uw dienaar luistert. En God riep wederom: Samuel, Samuel! De jongeling antwoordde: Spreek, Heer! want uw dienaar luistert. En nu openbaarde God hem, dat Hij vreeselijke rampen over

9

ocr page 462

13°

Heli en zijn huis zou uitstorten, omdat deze wist, dat zijne zonen slecht handelden, en hij hen niet bestraft had.

Den volgenden morgen moest Samuel alles aan Heli verhalen; en toen deze het gehoord had, zeide hij : De Heer doe wat goed is in zijne oogen. Samuel begon nu zijne werkzaamheid uit te breiden; zijn naam werd bekend door het geheele land, en spoedig wist geheel Israël, dat Hij dc getrouwe profeet des Heeren was. God verscheen hem meermalen in Silo en deelde hem zijne bevelen mede, en Samuel verkondigde het woord des Heeren aan geheel Israël.

Samuel en zijne moeder Anna zijn afbeeldingen van Christus en zijne heilige Moeder Maria. Van Christus staat ook geschreven, dat Hij toenam in behagelijkheid bij God en de menschen; en de lofzang van Anna heeft zeer veel overeenkomst met dien, welken Maria uitsprak, nadat zij moeder Gods geworden was.

Kinderen! leert vooral van den jongen Samuel, God te dienen in uwe jeugd en u door de slechte voorbeelden, welke anderen somtijds geven, niet van uwen plicht te laten afhouden.

LXXni. Uiteinde van Heli. Wegvoering en terugbrenging van de Ark des Verbonds.

De Philistijnen, die door de heldendaden van Samson zeer verbitterd waren geworden, vielen met een groot leger in het land van Juda ; de Joden trokken hun tegemoet, doch werden geslagen. Toen spraken de ouderlingen: Laat ons de ark des Verbonds uit Silo tot ons brengen, en zij kome in ons midden, opdat zij ons redde uit de hand onzer vijanden. Heli stond dit toe, en zijne twee zonen gingen met de ark naar het leger. Toen de Philistijnen vernamen, dat de God der Joden in hun midden gekomen was, werden zij eerst zeer verschrikt; maar spoedig herstelden zij zich, toen hunne aanvoerders hun toeriepen: Hebt moed, Philistijnen! dient de Hebreën niet, gelijk zij u hebben gediend ; weest dapper en strijdt! Er werd weder slag geleverd ; en de Joden leden eene vreeselijke nederlaag : 30.000 man sneuvelden, Ophni en Phineës werden gedood, en de ark des Verbonds viel in de handen der vijanden. — Zoo leerde God aan dc Joden, dat'hun behoud niet in de verbondsark, maar in hunne getrouwdheid aan Hem gelegen was.

ocr page 463

I3i

De hoogepriester, die 98 jaar oud en blind geworden was, zat in bange verwachting bij de poort van Silo, want zijn hart vreesde voor de ark des Heeren. Daar komt een bode aangesneld met gescheurde kleederen. Velen loopen hem te gemoet, hooren de treurige tijding, die hij brengt, en vervullen de lucht met hun angstgeschrei. Heli vraagt: Wat is dat voor een geschrei en voor eene opschudding ? De soldaat antwoordt: Ik kom uit het gevecht, dezen dag ben ik van het slagveld weggevlucht. — Wat is er gebeurd, mijn zoon? — Israël is op de vlucht voor de Philistijnen; eene groote slachting is onder het volk aangericht; daarbij zijn uwe twee zonen Ophni en Phineës gesneuveld, en de ark Gods is genomen ! Zoodra Heli dit hoort, valt hij duizelend achterover van zijnen zetel op zijn hoofd neder, breekt zijnen nek en sterft oogen blik kei ijk. Aldus werd Heli door Gods hand geslagen, omdat hij, wetend, dat zijne zonen ondeugend waren, hen niet bestraft had.

De Philistijnen keerden met de ark naar hun land terug en plaatsten haar te Azot in den tempel van hunnen afgod Dago/i. Maar God liet niet toe, dat zijn heiligdom door de heidenen bespot werd. Den eersten morgen vonden de Philistijnen het beeld van hunnen afgod voorover op den grond liggen, en den tweeden morgen waren zijne twee handen en zijn hoofd van den romp afgescheiden. Tevens zond God eene ziekte onder de inwoners van Azot, die met pijnlijke zweren bedekt werden; deze ziekte brak overal uit, waar men de ark heenvoerde; en, toen daarbij het land nog door eene andere plaag, eene ontzaggelijke menigte muizen , gekweld werd , besloot men de ark terug te zenden. De Philistijnsche priesters gaven den raad, de ark te plaatsen op eenen wagen, bespannen met twee koeien, wier zuigende kalveren men in eenen stal zou opsluiten. Indien nu deze koeien, geheel van zeiven, den weg naar het land der Joden insloegen, dan zou men daaruit weten, dat de plagen door den God van Israël waren overgezonden; doch indien de koeien naar den stal gingen, waarin hare jongen waren , dan moesten die plagen aan het toeval worden toegeschreven. — De koeien gingen recht naar de Joodsche stad Bethsames en bleven op eenen

ocr page 464

132

akker, waar men juist aan het maaien was, stilstaan. De ark was zeven maanden in het bezit der Philistijnen geweest.

De Bethsamieten en vele anderen, die de ark kwamen zien, maakten zich aan erge oneerbiedigheid en heiligschennis schuldig; toen zond God eene plaag onder het volk, waaraan 50,000 menschen stierven. De ark werd vervolgens overgebracht naar de stad Kariathiarim, die ook Gabaa genoemd werd, en bleef in het huis van Abinadab; zij kwam in het vervolg niet meer in den tabernakel te Silo terug.

Als God de zonde van heiligschennis tegen de ark des Verbonds zoo streng strafte, hoeveel zwaarder straf heeft hij dan niet te wachten, die zich aan de zonden van heiligschennis tegen het aanbiddelijk Sakrament des altaars schuldig maakt! — De straf der Bethsamieten moet iedereen leeren altijd eerbiedig te zijn in de Kerk, waar God zelf op eene geheel bijzondere wijze tegenwoordig is.

LXXIV. Samuels bestuur. Instelling van het Koningschap.

Samuel verhief nu zijne stem tot het volk en vermaande hen, de vreemde goden uit hun midden weg te werpen en den Heer alleen te dienen ; dan zou de Heer hen verlossen uit de hand der Philistijnen. Allen luisterden naar de stem van den profeet. Hij verzamelde toen het volk te Masp ha, en daar hielden zij eenen grooten vastendag, terwijl zij hunne schuld beleden en beweenden. Ondertusschen bad Samuel tot God, die terstond toonde, dat Hij altijd bereid is, den berouwvollen zondaar in genade aan te nemen. Want de Philistijnen hadden vernomen, dat de Joden te Maspha vergaderd waren, en trokken met hunne legers op die stad aan. Hevig verschrikten de Joden bij de nadering hunner geduchte vijanden en zij smeekten Samuel: Houd toch niet op voor ons te roepen tot den Heer, onzen God, opdat Hij ons redde uit de hand der Philistijnen. Samuel bad en droeg een offer op voor het behoud des volks. Nog was de offerplechtigheid niet ten einde, toen de Philistijnen reeds den aanval begonnen. Doch zie! daar breekt eensklaps een vreesdij k onweder boven hun leger los; dit geraakt in verwarring en neemt de vlucht. Nu snellen de Israëlieten hunne vijanden achterna en behalen eene groote overwinning juist op dezelfde plaats, waar zij

ocr page 465

133

in den vorigen oorlog die ijselijke nederlaag geleden hadden. De Philistijnen durfden geen nieuwen aanval meer wagen en moesten zelfs de steden, die zij vroeger veroverd hadden, teruggeven. Israël genoot gedurende al den tijd van Samuels bestuur rust en voorspoed.

Dezen tijd gebruikte Samuel om jaarlijks het land door te reizen, overal de orde te herstellen, de misbruiken uit te roeien en als rechter uitspraak te doen in de geschillen des volks. Hij stichtte ook scholen, die den naam van profeten-scholen droegen, en waarin jongelingen bij elkander leefden om de godsdienstige wetenschap te beoefenen en de wet van Mozes zoo volmaakt mogelijk na te leven ; zij werden profeten-zonen of profeten-leerlingen, ook wel profeten genoemd.

Twintig jaar lang had Samuel met den besten uitslag gearbeid aan de verbetering van zijn volk, toen hij zijne twee zonen tot mederechters aanstelde; zij volgden liet voorbeeld huns vaders niet, maar lieten zich door geldzucht tot verdraaiing van het recht verleiden. Toen kwam er een gezantschap uit de ouderlingen van Israël tot Samuel en sprak: Zie, gij zijt oud geworden, en uwe zonen wandelen niet op uwe wegen. Stel eenen koning over ons aan, opdat hij onze rechter zij, gelijk ook alle volken er een hebben. quot;Samuel raadpleegde God en ontving ten antwoord : Hoor naar de stem des volks in alles wat zij tot u spreken. Eerst echter moest hij hun voorhouden, welke rechten hun koning zou hebben, en dat het juk van een aardschen koning hen veel zwaarder drukken zou dan het juk van Jehova, die tot nog toe hun eenige Koning geweest was. Doch zij lieten zich niet afschrikken. Ook wij zullen gelijk staan met alle volken, en onze koning zal onze rechter zijn en voor ons uittrekken en onze oorlogen voor ons voeren.

Het vragen der Joden om een koning was verkeerd, omdat het voortkwam uit gebrek aan vertrouwen op God en uit trotschheid; doch de instelling van het koningschap zelve was niet tegen den wil des Heeren; deze instelling was integendeel nuttig en in zekeren zin noodzakelijk, want het Oude Testament moest de voorafbeelding van Christus zijn. Christus nu is Profeet, Hoogepriester en Koning; dus moesten er in het Oude Testament ook koningen, evenals hoogepriesters en profeten, zijn.

ocr page 466

134

LXXV. Uitverkiezing en Huldiging van Saül tot Koning.

De man, dien God tot eersten koning van Israël uitverkoren had, was Saül, de zoon van een landbouwer. Cis geheeten en woonachtig te Gabad in den stam van Benjamin. Het gebeurde dat de ezelinnen van Cis vermist werden en Saül met een knecht op weg ging, om ze te zoeken. In de nabijheid van Ramatha, waar Samuel woonde, kwam de knecht op de gedachte, aan den profeet inlichting over de verlorene dieren te vragen. Toen zij de poort der stad binnenkwamen , kwam Samuel hen te gemoet. Want den vorigen dag had God tot hem gezegd; Morgen op ditzelfde uur zal Ik eenen man uit het land van Benjamin tot u zenden; hem zult gij zalven tot koning over mijn volk Israël. Zoodra nu Samuel Saül zag, vernam hij de stem van God : Dit is de man, van wien Ik u gesproken heb; deze zal mijn volk regeeren. De profeet bewees aan Saül de grootste eer; na hem gezegd te hebben, dat de ezelinnen reeds terug waren, noodigde hij hem ten maaltijd , behandelde hem als een gast van hoog aanzien en bood hem in zijn eigen huis een nachtverblijf aan. Saül wist niet, wat hem overkwam, want de profeet sprak volstrekt niet van de openbaring, welke hij ontvangen had.

Den volgenden morgen ging Samuel met Saül uit de stad. Zeg uwen knecht, dat hij vooruit en doorga, zeide de profeet, doch blijf gij eene poos stilstaan, opdat ik u een woord des Heeren verkondige. Dan brengt Samuel eene oliekruik te voorschijn en stort de heilige zalfolie op het hoofd van Saül uit; vervolgens geeft hij hem een kus en spreekt plechtig; Zie, de Heer heeft u gezalfd tot koning over zijn erfdeel; gij zult zijn volk verlossen uit de handen van de vijanden, die het omringen. Daarna voorspelde de profeet aan Saül drie ontmoetingen, die hij vóór zijne tehuiskomst hebben zou, en die hem tot een teeken zouden zijn, dat hetgeen Samuel gedaan had, op last van God geschied was.

Eenigen tijd later riep Samuel het volk te Maspha te zamen en zeide: Dit zegt de Heer, de God van Israël: Ik heb Israël uit Egypte gevoerd en u verlost uit de hand

ocr page 467

135

van de Egyptenaren en uit de hand van alle koningen, die u verdrukten. Gij echter hebt heden uwen God, die alléén u uit al uwe rampen redde, verworpen en gezegd: stel eenen koning aan over ons! Nu dan, steat voor het aangezicht des Heeren volgens uwe stammen en familiën. Want de keus des konings moest door het heilig lot, dat is, door de aanwijzing van God zeiven, bekend gemaakt worden. Het lot viel op den stam van Benjamin, toen op de familie en eindelijk op den persoon van Saül. Deze had zich verborgen, maar werd spoedig gevonden en in het midden der vergadering opgeleid, boven welke hij met hoofd de schouders uitstak. Toen riep Samuel: Voorwaar! gij zietdengene, dien de Heer verkoren heeft! Want niemand onder al het volk is hem gelijk! En de menigte riep juichend uit: Leve de Koning!

Nadat Samuel het koningsrecht, dat hij in een boek had opgeschreven, aan het volk had afgekondigd, keerde ieder naar ' zijne woonplaats terug; velen brachten geschenken aan Saül. maar sommige kwaadwilligen zeiden met verachting: Zal déze ons heil kunnen aanbrengen? De Koning hoorde het wel; maar sloeg er geen acht op; hij ging naar Gabaa en arbeidde weder op de akkers van zijnen vader. — Saül werd koning in het jaar 1095 voor Christus.

LXXVI. Eerste Oorlog van Saül. Aftreding van Samuel.

Ondertusschen had Na as, de koning der Ammonnieten, zich tot een inval in het over-Jordaansche uitgerust; hij drong tot de stad Jabes door en belegerde haar. De overheden dier stad zonden met allen spoed gezanten naar Gabaa, en dezen kwamen daar juist aan, toen Saül met twee ossen van den akker naar huis terugkeerde. Zoodra hij de tijding hoorde, greep de Geest des Heeren hem aan, en hij gevoelde, dat nu de tijd gekomen was, om tetoonen, dat hij de door God uitverkoren koning der Joden was. Hij neemt een zwaard, hakt zijne twee ossen in stukken, zendt daarmede boden door het gansche land met het bevel: Wie niet aanstonds uittrekt en Saül en Samuel niet volgt, met diens ossen zal aldus gedaan worden!

ocr page 468

136

Deze krachtige oproeping werd beantwoord, en geheel Israël snelde te wapen en verzamelde zich te Bezek. In den nacht voerde Saül zijn leger over den Jordaan, overviel zijne vijanden, versloeg eene menigte van hen en joeg de overigen op de vlucht. Nu juichte het geheele volk den koning toe, en men wilde degenen, die zich vroeger zoo beleedigend tegen hem uitgelatert hadden, straffen. Maar de edele vorst wilde geen wraak nemen en zeide: Niemand zal gedood worden op dezen dag, want heden heeft de Heer verlossing gewerkt in Israël.

Eer de Israëlieten uit elkander gingen, hield Samuel eene groote volksvergadering te Galgala, om het koningschap te bevestigen en zelf afstand te doen van zijn gezag. Ziet, sprak hij, ik heb uwe stem gehoord in alles wat gij tot mij gezegd hebt, en ik heb eenen koning over u aangesteld, en van nu af gaat de koning voor u uit. Getuigt van mij voor den Heer en voor zijnen gezalfde: heb ik aan iemand eenen os of ezel ontnomen ? heb ik iemand onrecht gedaan? heb ik iemand verdrukt? uit iemands hand een geschenk aangenomen? Allen riepen eenparig: Gij hebt ons geen onrecht gedaan en gij hebt ons niet verdrukt, niets uit iemands hand aangenomen. Daarop ging de edele grijsaard voort: Ziet, de Heer heeft u eenen koning gegeven. Indien gij den Heer vreest en dient, dan zult gij en uw koning den Heer uwen God volgen. Maar als gij weêrspannig zijt, dan zal de hand des Heeren op u zijn en op uwe vaders. En God bevestigde het woord, dat zijn profeet sprak, door een wonder; want bij een helderen hemel begon het eensklaps, op Samuels gebed, te donderen en te regenen. Het volk beloofde, sidderend van angst, getrouw te zullen blijven aan God; Samuel verzekerde hun, dat hij voor hen zou blijven bidden en zou voortgaan hun den goeden en rechten weg te leeren. Daarna keerden allen naar hunne steden terug.

LXXVII. Geschiedenis van Saül tot aan

zijne verwerping.

Saül behield een leger van 3000 man onder de wapenen ; over een derde gedeelte daarvan voerde zijn zoon Jonat/ias

ocr page 469

137

het bevel. In de nabijheid van Gabaa, waar Jonathas zich bevond, hadden de Philistijnen een fort in bezit gehouden. De dappere zoon des konings kon dit niet dulden en versloeg de vijandelijke bezetting, waarop de Philistijnen den oorlog verklaarden. Saül riep de Joden wederom te Galgala onder de wapenen, maar dezen waren zoo verschrikt voor de overmacht der Philistijnen, dat velen van hen de vlucht namen of zich in holen en bergspelonken verscholen, zoodat de Philistijnen ongehinderd tot midden in Kanaan konden voorttrekken.

Slechts een klein getal soldaten had Saül te Galgala kunnen vereenigen, en ook dezen waren zeer neerslachtig en moedeloos, vooral ook ten gevolge der afwezigheid van Samuel. De profeet had namelijk aan Saül beloofd, dat hij zelf te Galgala zou komen, om door een plechtig offer den zegen van God over de Israëlietische wapenen af te roepen. Maar Samuel kwam, naar de meening des konings-, niet spoedig genoeg. Toen werd Saül ongeduldig en gebood, dat men hem de offerdieren zoude brengen. En hij droeg zelf het offer op. Dit was eene aanmatiging der priesterlijke waardigheid en eene misdaad, waartegen God zelf de doodstraf had uitgesproken. Nauwelijks had Saül het offer opgedragen, of men berichtte, dat Samuël aankwam. De koning ging hem te gemoet; maar de profeet sprak dreigend: Wat hebt gij gedaan? De koning trachtte zijne verkeerde handelwijze te verschoonen ; maar Samuel zeide tot hem: Gij hebt dwaas gehandeld en de voorschriften van den Heer uwen God niet onderhouden, zooals Hij u bevolen heeft. Hadt gij dit niet gedaan, dan zou de Heer nu reeds uw koningschap over Israel bevestigd hebben voor altoos. Maar neen! uw rijk zal niet meer verrijzen; eenen man naar zijn hart heeft de Heer Zich uitgekozen en hem bevolen, vorst te zijn over zijn volk, daar gij niet hebt onderhouden, wat de Heer bevolen heeft. Daarna ging Samuel weg. Het Israëlietische leger liep geheel uiteen, en ten laatste moest de koning met slechts 600 man terugkeeren naar Gabaa, waar hij zich met zijn zoon Jonathas vereenigde. In die stad bevond zich ook de hoogepriester met de ark des Verbonds.

Gabaa lag op eene hoogte, die door eene diepe kloof

ocr page 470

138

gescheiden was van eene andere rots, waarop een voorpost der Philistijnen gelegerd was. Eens sprak Jonathas in stilte tot zijnen wapendrager: Kom, laat ons oversteken naar den wachtpost dier heidenen. Misschien helpt God ons, want het is voor den Heer niet moeielijk redding te schenken, hetzij door velen, hetzij door weinigen. De wapendrager antwoordde: Doe alles wat u behaagt; ik zal met u zijn overal, waar gij wilt. De twee helden dalen, zonder dat iemand hunne verwijdering bemerkt, naar beneden, klimmen op handen en voeten tegen de andere rots op, bereiken de punt, overvallen de Philistijnen en dooden er twintig. De anderen vluchten naar hun leger, en nu toonde God door een wonder, dat Hij zelf den dapperen koningszoon tot de stoute onderneming had aangespoord. De Philistijnsche soldaten werden door blinden schrik geslagen en geraakten in eene ijselijke verwarring. Saül ontving daarvan bericht en vernam tevens, dat zijn zoon met diens wapendrager afwezig was; terstond snelde hij met zijn volk naar de legerplaats dei-vijanden ; van alle kanten kwamen uit bosschen en berg-holen Joden tot hem, en zijn leger groeide tot 10,000 man. De Philistijnen namen in allerijl de vlucht en werden door de overwinnaars nagezet, totdat de nacht inviel.

Saül had zich bij deze gelegenheid zeer onbezonnen gedragen. Om te beletten dat zijn volk door het gebruiken van spijs in de vervolging der vijanden vertraagd zou worden, had hij in onberaden drift den banvloek uitgesproken tegen dengene, die vóór den avond eenig voedsel zou nuttigen. Jonathas nu, die dit niet wist, had bij het vervolgen der vijanden in een bosch, waar veel wilde honig was, een stuk honigraat met de punt zijner lans uitgestoken en dit gegeten. Uw vader, zei toen een soldaat, heeft den banvloek uitgesproken tegen hem, die iets eten zou. — Dan heeft mijn vader verkeerd gedaan, antwoordde de prins; had het volk zich door voedsel mogen versterken, dan zou de nederlaag onzer vijanden veel grooter geweest zijn.

Toen nu het Joodsche leger van de vervolgingen der vijanden was teruggekeerd, meende Saül te bemerken, dat zijn uitgesproken vonnis door iemand overtreden was, en

ocr page 471

139

hij riep uit met een eed: Zoo waar de Heer, Israels Redder, leeft! al is mijn zoon Jonathas de schuldige, hij zal zonder genade sterven ! Spoedig bleek het, dat Jonathas, onwetend, tegen het gebod zijns vaders gehandeld had. Ik heb, sprak hij, van de punt der lans, die ik in mijne hand had, een weinig honig geproefd; welaan, ik zal sterven! Ea de onbesuisde koning zwoer op nieuw: God moge mij straffen, als gij den dood niet sterven zult, Jonathas! Doch nu riepen de soldaten: Hoe, zou Jonathas sterven, hij, die deze groote overwinning in Israël bevochten heeft ? Dat is onrecht! Zoo waar de Heer leeft! geen haar zal van zijn hoofd op de aarde vallen! Zóó werd het leven van den edelsten en dappersten Israëliet gespaard.

Deze zegepraal was het begin der groote overwinningen, welke Saül en zijn neef Abner, die zijn veldheer was, gedurende eene reeks van jaren, op al de rondom Israel gelegen volken behaalden, en waardoor de koning zijne macht en zijnen roem naar alle zijden uitbreidde. Maar dankbaar voor de gunsten, welke God hem schonk, was de koning niet; en hij vergat hoe langer hoe meer, dat zijn eerste plicht was gehoorzaamheid aan Jehova.

Eenige jaren later gebood Samuel hem, in naam van God, oorlog te voeren tegen de Amalekieten en dat volk geheel uit te roeien; niemand mocht gespaard en niets mocht buit gemaakt worden. Saül versloeg de Amalekieten , doch stoorde zich in het geheel niet aan het gebod des Heeren: hij gaf zijn volk verlof om te plunderen en voor zich te behouden wat zij wilden; hij spaarde den koning Agag het leven, hield vervolgens een zegetocht en ging eindelijk naar Galgala, om er heiligschennende offers op te dragen. Samuel kwam ook te Galgala. De koning trad hem te gemoet en sprak: Ik heb des Heeren gebod volbracht. — Vanwaar dan, vroeg Samuel, dat geblaat van schapen en dat geloei van runderen, dat ik hoor ? Saül antwoordde: Het volk heeft de beste schapen en runderen bewaard, om ze den Heer uwen God te offeren ; het overige hebben wij vernield. Na deze tweede leugen sprak Samuel ernstig en streng; Laat mij u verkondigen, wat de Heer mij dezen nacht geopenbaard heeft. Omdat gij des Heeren

If l!

ocr page 472

140

gebod verworpen hebt, heeft de Heer u verworpen, dat gij niet meer koning zult zijn. Saül bekende nu wel zijne schuld, doch niet oprecht en niet uit waar berouw, maar omdat hij vreesde onteerd te worden in de oogen zijner soldaten, indien de profeet van hem wegging. Hij verzocht, dat Samuel met hem zoude gaan, doch deze weigerde en ging heen. Saül greep toen den profeet bij zijnen mantel en scheurde er eene sli}) van af. Toen sprak Samuel: Heden heeft de Heer het gebied over Israël van u afgescheurd en het gegeven aan een ander, die beter is dan gij. Hij deed vervolgens aan den koning Agag de doodstraf voltrekken en verliet Saül, om hem niet weder te zien. (

LXXVIII. Zalving van David tot Koning van Israël.

De oude Samuel treurde en weende over de verwerping van Saül. Toen sprak God tot hem: Vul uwen hoorn met olie en kom, dat Ik u zende tot Isaï van Bethlehem ; want Ik heb onder zijne zonen Mij eenen koning verkoren. Isaï, of anders Jesse, had acht zonen , van welke de jongste David heette. Deze jongeling had van God de uitstckendste gaven , zoowel naar de ziel als naar het lichaam , ontvangen. Hij was zeer schoon van gelaat, had de kracht van een reus en den moed van een held. Daarvan had hij duidelijke bewijzen gegeven door eens eenen leeuw en een ander maal eenen beer, die de kudde zijns vaders, welke hij weidde, overvielen, om het leven te brengen. Nog veel meer schitterde hij uit door zijn verheven verstand en zijn vurig, godvruchtig hart, dat zich in de eenzame woestijn dikwijls uitstortte in heilige liederen, welke hij zong en door zijn harpspel begeleidde.

Toen Samuel te Bethlehem kwam , droeg hij eerst, gelijk God hem bevolen had, een offer op en riep toen Isaï, die hem zijne zeven oudste zonen achtereenvolgens voorstelde. Maar God zeide telkens tot den profeet: Ook dezen heeft de Heer niet uitverkoren. Toen vroeg Samuel aan Isaï: Zijn dit al uwe zonen? — De jongste is nog over, antwoordde Isaï, en weidt de schapen. David werd nu geroepen, en, zoodra Samuel hem zag, vernam hij de stem des Heeren: Zalf hem, want hij is het. Samuel nam

ocr page 473

Hi

zijnen hoorn met olie en zalfde David midden onder zijne broeders. En van dat oogenblik af daalde de Geest des Heeren over den toekomstigen koning neder en bleef op hem.

Saül had zich ondeftusschen geheel en al aan zijne booze neigingen overgegeven, en een kwade geest plaagde hem. Zijne dienaars kwamen op de gedachte, dat de muziek hem misschien eenige verlichting geven zou, en een hunner zeide : Ik heb eenen zoon van Isaï uit Bethlehem gezien, die een bekwaam harpspeler is en tegelijk een krachtvol en moedig man, wijs in zijne woorden en schoon van gestalte, en de Heer is met hem. Terstond liet nu Saül Isaï verzoeken zijnen jongsten zoon naar het hof te zenden. David kwam en speelde voor Saül op zijne harp, en de kwade geest des konings week van hem, zoodat zijn gemoedstoestand zeer verbeterde. Niet lang daarna keerde David, die den titel van vorstelijk wapendrager ontvangen had, naar zijnen vader terug en weidde de kudde weder gejijk vroeger.

LXXIX. David ex Goliath.

Eenigen tijd later moest Saül weder tegen de Philistijnen te velde trekken. Toen de twee legers tegenover elkander stonden, trad er uit het Philistijnsche kamp een man te voorschijn, die aan de Israëlieten voorstelde, den oorlog door eenen tweestrijd te beslissen : één uit het leger der Joden moest tegen hem vechten, en naarmate de strijd afliep, zouden of de Joden of de Philistijnen zich overwonnen verklaren. De kampvechter , die dit voorstel deed , was Goliath, een reus van eene vervaarlijke lengte en kracht; op zijn hoofd stond een koperen helm, en een harnas van koperen schubben bedekte zijn borst; zijne beenplaten en zijn ijselijk groot schild waren ook van koper; zijne lans. was zoo dik als een weversboom en haar ijzeren punt scheen wel een muur te kunnen doorboren. Toen de Joden dien vreeselijken strijder zagen, verborgen zij zich van schrik in hunne tenten; zelfs de veldheer Abner en de dappere Jonathas waren bang voor Goliath. Deze hoonde en tergde de Joden. Ik versmaad de gelederen van Israël, schreeuwde hij; geeft mij eenen man, die tegen mij in tweegevecht optrede.

ocr page 474

142

In het leger van Saül bevonden zich de drie oudste zonen van Isaï; deze zond eens zijnen jongsten zoon om naar hunnen welstand te vernemen. David kwam in het leger en zag, hoe de Joden eensklaps achteruit weken, want Goliath trad weder — het was reeds voor de veertigste maal — te voorschijn. Hebt gij dien man gezien, vroegen de verschrikte soldaten aan David , die daar nader komt ? Want om Israël te beschimpen komt hij! Derhalve zal de koning aan dengene, die hem zal verslaan, groote rijkdommen schenken, en hij zal hem zijne dochter tot echtgenoote geven. David had den reus wel gezien, maar zonder bang te worden. Wat is dan toch, riep hij uit, die Philistijn, die heiden, die de gelederen van den levenden God heeft versmaad ? Deze woorden kwamen spoedig ter oore van den koning, die David roepen deed maar in hem zijnen vroegeren harpspeler niet herkende. Niemand behoeft te vreezen wegens dien Philistijn, sprak David tot den koning; ik zal gaan en tegen hein strijden. Saül, die het schoone en tengere gelaat van David zag, zeide: Gij kunt dezen Philistijn niet weerstaan noch tegen hem strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijne jeugd af. Doch David deed den koning begrijpen, dat hij niet zoo zwak was als hij er uitzag; hij verhaalde, hoe hij zonder wapenen eenen leeuw en eenen beer verslagen had, en riep uit: Zóó zal het ook dezen heiden gaan ! Sta mij nu toe te gaan en de schande des volks weg te nemen; want wie is die heiden, die zich verstout heeft het leger van den levenden God te hoonen ? De Heer, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuw en beer, Hij zal mij redden uit de hand van dezen Philistijn ! Toen zeide Saül: Ga, en de Heer zij met u!

De koning gaf bevel zijne eigene wapenrusting den herder aan te gorden; doch David, die zich daarin niet bewegen kon, vroeg om in zijn herdersgewaad den reus te gemoet te mogen gaan. Hij zocht toen uit eene beek vijf zware gladde keisteeenen, nam zijn slinger in de eene hand en zijn herderstaf in de andere hand, en trad in de vlakte tusschen de twee legers.

Goliath komt van de andere zijde aan; doch zoodra hij David ziet, roept hij woedend uit; Ben ik dan een

i

ü'

Hij

I

i Éi

ocr page 475

143

hond, dat gij met een stok op mij afkomt ? Kom tot mij , en ik zal uw vleesch ten prooi geven aan vogels en roofdieren! David antwoordt hem: Gij komt tot mij met zwaard en lans en schild ; maar ik kom tot u in den naam van den Heer der heirscharen, den God van Israels legers, die gij heden gehoond hebt. De Heer zal u in mijne hand leveren, opdat de geheele aarde wete, dat er een God is in Israël; opdat al dit volk erkenne, dat de Heer redding schenkt zonder zwaard of speer! Goliath nadert nu met de lans in zijne hand; ook David treedt vooruit, terwijl hij een zijner keisteenen in het midden van zijnen slinger legt, welks twee uiteinden hij vasthoudt; dan blijft hij stilstaan, zwaait den slinger eenige malen in het rond en laat één der twee einden schieten; de zware steen vliegt fluitend door de lucht en raakt den Philistijn aan het voorhoofd met zulk een kracht, dat hij in de wond steken blijft. Het groot gevaarte ploft voorover op den grond; David snelt toe, zet hem den voet op het lijf, trekt hem zijn eigen zwaard uit de scheede en honzut hem daarmede het hoofd af.

De Philistijnen namen gillend de vlugt; de Joden vervolgden hen en versloegen het grootste gedeelte van hun leger. David kwam, met het hoofd van Goliath in zijne hand, bij den koning, die nu den zoon van Isaï herkende. Hij keerde niet meer naar zijns vaders huis terug, maar bleef nu voor goed in den dienst des konings. Hij ging met Saül naar Gabaa terug, en overal waar zij doortrokken zong men hun toe: Saül versloeg er duizend, en David tienmaal duizend!

David was eene voorafbeelding van Christus, die den helschen Goliath overwon en Zich van diens eigene wapenen, van zijne en zijner handlangers boosheid, bediende om hem het hoofd te verpletteren.

Laat David ons een voorbeeld zijn in onzen strijd tegen den duivel; deze is wel veel sterker dan wij, maar als wij in de kracht Gods tegen hem strijden, dan mogen wij zeker zijn van de overwinning.

LXXX. Davids Verblijf aan het Hof van Saül.

Tusschen David en prins Jonathas ontstond weldra de innigste en hartelijkste vriendschap; bij den koning echter bleef de overwinnaar van Goliath niet lang in gunst, en

ocr page 476

144

de gedachte, dat David misschien de man zou zijn, die door God tot den troon van Israël geroepen was, vervulde Saül met achterdocht. Daarbij kwam de jaloerschheid om de welverdiende hulde, die het volk aan David schonk.

De woorden van het zegelied : Saül versloeg er duizend en David tienmaal duizend! maakten den koning zoo nijdig en vertoornd, dat hij weder onder de macht kwam van zijnen kwaden geest. David nam toen zijne harp en trachtte Saül door zijn spel tot bedaren te brengen; maar deze wierp eensklaps zijne lans naar David, om hem te doorboren. De moordaanslag mislukte; maar in de zwarte ziel van Saül stond van nu af het besluit vast, om David van kant te maken; echter durfde hij in het openbaar niets tegen hem ondernemen , omdat het volk den jongen held te zeer beminde; derhalve zocht hij list en verraad. Hij had eene dochter Mie hol geheeten, voor wie David liefde had opgevat; toen de koning dit bemerkte, liet hij hem weten, dat Michol zijne echtgenoote worden zou, indien hij honderd Philistijnen versloeg. Saül hoopte, dat David zich roekeloos in het gevaar begeven en sneuvelen zou; doch spoedig verscheen deze voor den koning met het bewijs, dat hij niet honderd maar tweehonderd vijanden verslagen had. Saül moest nu zijn woord houden en Michol aan David schenken, die door dit huwelijk tot koninklijk prins verheven werd. Dit maakte Saüls haat zooveel te bitterder, en eens beval hij aan zijne dienaren, David, indien zij er kans toe zagen, om het leven te brengen. Gelukkig had Jonathas dit gehoord; hij waarschuwde zijnen vriend en wist zelfs zijnen vader tot betere gedachten te brengen; maar toen, korten tijd daarna, Saül voor de tweede maal zijne lans naar het hoofd van David wierp, nam deze de vlucht naar Ramatha, waar de grijze Samuel woonde. Saül zond soldaten en kwam eindelijk zelf, om zijnen vijand gevangen te nemen; maar Gods voorzienigheid waakte zóó zichtbaar over David, dat de koning zich zeiven en zijn plan geheel vergat; ook over hem kwam de Geest des Heercn, en hij profeteerde en bleef eenen dag en eenen nacht in het midden der profetenleerlingen , zoodat ieder , die het vernam , met verwondering uitriep; Is ook Saül onder de profeten!

ocr page 477

145

Ondertusschen was David naar Gabaa teruggekeerd, om met zijnen vriend Jonathas te overleggen, wat hij doen moest. Deze edele prins wilde nogmaals eene verzoening beproeven; David zou zich op eene veilige plaats buiten de stad verbergen, en, wanneer er gevaar was, zou Jonathas zelf het hem komen berichten. Ga dan in vrede! sprak de prins ten slotte, en de Heer zij met u, gelijk Hij met mijnen vader geweest is! En, wanneer eenmaal de Heer alle vijanden van David zal hebben uitgeroeid van de aarde, doe dan, indien ik nog leef, de barmhartigheid des Heeren met mij; en, als ik gestorven ben, zoo wees jegens mijn huis genadig ten einde toe. Zóó sprak Jonathas, die zeer goed wist, dat niet hij zelf maar David, na den dood des konings, regeeren zou. De twee vrienden zwoeren elkander op nieuw eeuwige liefde en maakten eindelijk de volgende afspraak: na het feest, dat ophanden was, zou Jonathas met zijnen boog naar buiten gaan en in de nabijheid der plaats, waar David verscholen was, drie pijlen afschieten. Indien hij dan tot den knaap, die de pijlen ophaalde, riep: De pijl ligt niet zoo ver! dan kon David te voorschijn komen; riep de prins echter: De pijl ligt nog verder! dan was dit een teeken, dat Davids leven in gevaar was.

Op den tweeden dag van het feest kwam het gesprek op David, en zeide Saül tot zijnen zoon: Meent gij dat het mij verborgen is, dat gij den zoon van Isaï tot uw eigen verderf liefhebt ? Want, zoolang de zoon van Isaï op aarde leeft, kunt noch gij noch uw koninkrijk bestaan. En nu, breng hem tot mij! hij is een kind des doods! Jonathas waagde te zeggen: Waarom moet hij sterven ? wat heeft hij gedaan? Maar de woedende koning greep naar zijne lans en deed hem zwijgen. Den volgenden morgen ging Jonathas uit de stad , schoot drie pijlen af en zond zijnen knaap om die te halen. Zie, daar ligt de pijl voor u uit! riep hij toen; David hoorde dit woord en wist nu, dat er geen hoop meer was. Jonathas zag rond en bemerkte niemand in den omtrek; toen zond hij den jongen weg en snelde naar de schuilplaats van David, om voor het laatst afscheid te nemen. Weenend omhelsden de twee vrienden elkander, en de prins zeide: Ga in vrede! Alles

10

ocr page 478

146

wat wij bezworen hebben in den naam des Heeren tusschen ons en onze kinderen, dat blijve in eeuwigheid! en David vluchtte weg.

Een trouwe vriend, zegt de h. Geest, is een sterk schild; die zulk eenen vindt, vindt een schat. Niets is te vergelijken met een oprechten vriend, en geen gewicht van goud of zilver haalt bij de kostbaarheid zijner trouw.

LXXXI. David op de vlucht voor Saül.

Geheel alleen , ongewapend , zonder voedsel of huisvesting, kwam David te No be aan. Naar deze kleine stad was, eenigen tijd geleden , de tabernakel overgebracht geworden , en de hoogepriester Achiinelech woonde daar. Hoe, vroeg deze, toen hij David zag, gij alleen en niemand met u? David bediende zich van eene leugen: De koning heeft mij eene zending opgedragen. Niemand, gebood hij, mag weten, waarom gij gezonden zijt en welke bevelen ik u gegeven heb. Mijn gevolg heb ik op eene bepaalde plaats bescheiden. Als gij nu iets bij de hand hebt, al zijn het slechts vijf brooden , geef ze mij, of wat gij ook vinden moogt. De hoogepriester had geen gewoon brood, maar gaf aan David de toonbrooden , die in den tabernakel op de gewijde tafel gestaan hadden. Ook liet hij David het zwaard van Goliath, dat vroeger bij het heiligdom ter bewaring was nedergelegd, medenemen.

Met schrik ontdekte nu David eenen man, die alles gezien had; het was Doeg, de opperherder des konings. Daar hij wist, dat Doeg een valschaard was, die hem zeker verraden zou, vluchtte hij ijlings uit het gebied van Saül en ging naar de Philistijnsche stad GetlL, welker koning Ach is heette. Maar de dienaren des konings herkenden hem, en nu was Davids leven in het grootste gevaar. Evenwel ontkwam hij den dood, door zich als een krankzinnige aan te stellen; de koning, die David wilde redden, liet hem toen vertrekken; hij keerde naar het Joodsche land terug en verschool zich in eene bergspelonk bij Odullavi. Hier voegden zich zijne ouders en broeders met meerderen van zijne stamgenooten bij hem, zoodat hij weldra aan het hoofd stond van 400 dappere

ocr page 479

147

mannen. Om alle treffen met Saül te vermijden en ook om zijne bejaarde ouders in veiligheid te brengen, trok hij over den Jordaan naar de Moabieten, waar hij zijne ouders achterliet; hij zelf keerde met zijne soldaten, op bevel van God , spoedig weder naar het land van Juda terug Saül was woedend en beschuldigde al zijne hovelingen, dat zij tegen hem samenspanden, omdat niemand hem aanbracht, waar David zich ophield. Toen sprak de valsche Doeg: Ik heb den zoon van Isaï gezien te Nobe bij den hoogepriester Achimelcch, die voor hem den Heer geraadpleegd en hem voedsel, alsook het zwaard van Goliath gegeven heeft. De koning gebood terstond, den hoogepriester met al de andere priesters van Nobe naar Gabaa te voeren. Achimelech verklaarde, dat hij volstrekt niets van de vijandschap des konings tegen David geweten en gemeend had, dat deze een bevel des konings volbracht. Maar Saül schreeuwde den priesters toe: Den dood zult gij sterven, Achimelech'! gij en het geheele huis uws vaders! En hij beval: Slaat hen dood, die priesters des Heeren, want zij zijn voor David! Doch geen enkele soldaat durfde de hand slaan aan de gewijden des Heeren. Toen riep Saül tot Doeg: Gij dan, maak deze priesters af! En Doeg was slecht genoeg om het bloed van vijf-en tachtig weerlooze, onschuldige priesters te vergieten. De bloeddorstige koning was nog niet tevreden, maar liet de geheele stad Nobe met vrouwen en kinderen uitmoorden. — Zulk een verfoeilijke booswicht was koning Saül reeds geworden!

David ontving bericht van dezen moord door Abiathar, eencn zoon des hoogepriesters, die had kunnen ontvluchten. Ik wist het op dien dag, riep David uit, dat Doëg alles aan Saül verraden zou! Ik ben schuldig aan al dit vergoten bloed ! Doch blijf gij met mij en vrees niet. Abiathar bleef bij David en volgde zijnen ongelukkigen vader op in het hoogepriesterschap.

Schuldig aan den moord der priesters was David zeker niet, want hij had onmogelijk kunnen voorzien, dat zijn gedrag bij den hoogepriester zulke gevolgen zou hebben ; maar toch had hij door zijne leugentaal Achimelech overgehaald om in zijn belang te handelen, en alzoo aanleiding gegeven tot de gruwelijke misdaad. Kinderen! laat deze geschiedenis u eene waarschuwing zijn, om

ocr page 480

148

nooit uwe toevlucht te nemen tot leugens, ten einde u uit den nood te redden, maar liever altoos in oprechtheid en waarheid te vertrouwen op God.

LXXXII. Eerste Veldtocht van Saül tegen David.

De Philistijnen deden eenen inval in Juda en belegerden de stad Keïla; David brandde van verlangen om de vijanden van zijn volk te straffen, en deed door den hoogepriester God raadplegen. God antwoordde: Ga, gij zult de Philistijnen slaan en Keïla ontzetten. David trok met zijn leger, dat nu 600 man sterk geworden was, op, versloeg de vijanden en trok de bevrijde stad binnen. Toen Saül dit vernam , drong eene booze vreugde in zijn hart, want, nu David zich in eene vesting bevond, meende hij hem zeker in zijne macht te zullen krijgen. Maar, eer de koning zijn leger naar Keïla voerde, had David, door God gewaarschuwd, die stad reeds verlaten en zich weder in het woeste bergland van Juda begeven, waar Saul hem wel vervolgde maar niet bereiken kon.

Ook Jonathas zocht zijnen vriend, en zijne liefde wist hem te vinden. Vrees niet, sprak hij tot David, want de hand mijns vaders zal u niet kunnen bereiken; gij zult koning worden over Israël, en dan zal ik de eerste zijn na u! Helaas! het verlangen van den edelen prins, om zijnen vriend op den troon van Israël te aanschouwen, mocht niet vervuld worden!

De inwoners der stad Ziph, in welker nabijheid David zich nu ophield, gingen tot den koning en boden zich aan, om hem door de bergen den weg te wijzen, ten einde hij zijnen doodvijand zou kunnen bereiken en verdelgen. Saül riep verheugd uit: Al heeft hij zich ook in den grond verborgen, ik zal hem opsporen! David geraakte nu in het grootste gevaar; de koning had hem overal opgejaagd en had reeds de rots, waarop hij zich bevond, van alle zijden omsingeld, toen God uitkomst verleende. Saül ontving namelijk de tijding, dat de Philistijnen in zijn land gevallen waren, en moest ijlings aftrekken.

Het duurde echter niet lang, of hij zette de vervolging voort en drong met 3000 man in de woestijn van Engaddi,

ocr page 481

149

tot in de onmiddelijke nabijheid van David door. Deze bevond zich met zijne mannen in eene groote en diepe spelonk, waarin ook de koning op eenen middag binnenging om in de koelte eenigen tijd te rusten. David en de zijnen, die in het duistere achtergedeelte waren, konden zien, hoe de koning, die geheel alleen was, binnentrad, zich nederlegde en insliep. Ziedaar nu de dag, fluisterden de soldaten tot David, waarvan de Heer tot u gezegd heeft: Ik zal u uwen vijand overleveren, opdat gij met hem handelen zoudt naar uw welgevallen. David gaf hun geen antwoord, maar ging, geheel alleen, met het ont-bloote zwaard in zijne hand, naar den slapenden koning, en sneed eene slip van zijnen mantel af. Bij de zijnen teruggekeerd sprak hij: Daarvoor beware mij God, dat ik mijne hand zou slaan aan hem, die de gezalfde des Heeren is! En toen zijne soldaten den koning wilden dooden, stelde hij zich tusschen hen en den vorst, en liet niet toe, dat iemand den slapende naderde.

Saül ontwaakte en verliet de spelonk zonder iets bemerkt te hebben. Op eens hoort hij eene stem: Heer, mijn koning! Hij keert zich om en ziet David, die de afge-snedene mantelslip omhoog houdt en hem toespreekt: Waarom luistert gij naar lieden, die u zeggen dat David kwaad zoekt tegen u ? Zie, heden hebben uwe oogen gezien, dat God u in de spelonk in mijne hand geleverd heeft; het kwam mij voor den géést u te dooden, maar mijn oog spaarde u. Want ik sprak : laat ik mijne hand niet uitstrekken tegen mijnen heer, omdat hij Johova's gezalfde is. Integendeel, o mijn vader! zie en herken de slip uws mantels in mijne hand, en weet dat, toen ik ze afsneed, ik mijne hand niet heb willen uitsteken tegen u. Overtuig u en zie, dat ik geene booze plannen voed noch misdadig ben tegen u. Gij echter belaagt mij en staat mij naar het leven. De Heer oordeele tusschen mij en u, en Hij zij mijn wreker op u! Saül bezweek voor de kracht van Davids deugd. Hij begon te weenen en zeide; Is dit niet uwe stem, mijn zoon David ? Gij zijt rechtvaardiger dan ik! want gij hebt mij goed gedaan, maar ik heb u kwaad vergolden. En heden hebt gij getoond, hoe de Heer mij in uwe hand geleverd heeft, en gij mij niet

ocr page 482

ISO

hebt gedood. Dat God u dan vergelding schenke voor hetgeen gij mij heden gedaan hebt! En nu, daar ik weet dat gij allerzekerst koning zult worden en het rijk van Israël in uwe hand zal zijn, zweer mij bij den Heer, dat gij mijn geslacht niét zult uitroeien. David zwoer den gevraagden eed, en daarna trok Saül met zijn leger naar Gabaa terug, terwijl David zich naar ecne andere woestijn begaf.

Veel grooter overwinning behaalde David toen hij Saül spaarde, dan toen hij Goliath versloeg, omdat hij in de spelonk over zich zeiven en over de booze neigingen der bedorven natuur had gezegevierd. Leert van hem, nooit kwaad met kwaad te vergelden, maar het kwaad te overwinnen door het goed.

LXXXIII. Dood van Samuel. Nabal en Abigail.

Omtrent dezen tijd stierf de groote en heilige profeet Samuel; geheel Israël beweende hem en huldigde zijne uitstekende verdiensten.

David bevond zich in de nabijheid der stad Karmel, waar Nabal woonde, een zeer rijk man, wiens herders veel dienst hadden van Davids soldaten, die hen en hunne kudden tegen wilde dieren en roovers beschermden. David meende terecht aanspraak te mogen maken op eenige vergelding en zond, toen Nabal het feest van het scheren der schapen vierde, tien zijner mannen, om hem, op grond van bewezene diensten, een klein geschenk te verzoeken, opdat ook David en de zijnen zich zouden kunnen vroolijk maken. Doch Nabal weigerde niet alleen, maar beleedigde David op de ergste wijze. Wie is die David, zeide hij, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn tegenwoordig meer dan te veel slaven, die hunnen meesters ontloopen zijn! Zou ik mijn brood en mijn water en het vleesch der dieren, die ik voor mijne scheerders geslacht heb, nemen en schenken aan lieden, die ik niet weet, waar van daan zij zijn. Toen David dit antwoord vernam, ontstak hij in hevige gramschap en trok aanstonds met 400 man naar Karmel, om bloedige wraak te nemen.

Een van Nabals knechten had de onbeschofte taal van zijnen meester tegen de mannen van David gehoord en gaf daarvan kennis aan Abigail, de echtgenoote van Nabal.

ocr page 483

151

Na haar verhaald te hebben, welke goede diensten David en zijne mannen aan Nabal bewezen hadden, zeide hij tot haar: Zie derhalve en overweeg, wat u te doen staat, want er is kwaad besloten tegen uwen echtgenoot en tegen uw huis. Abigail begreep terstond de grootheid van het gevaar, dat allen dreigde; zonder haren man iets te zeggen, deed zij een rijk geschenk van brood en vleesch, wijn, geroost koren, rozijnen en vijgenkoeken bijeenbrengen en op ezels laden; met eenige dienaren ging 'zij zelve op weg, om het David aan te bieden. Deze was woedend van toorn en zwoer, dat er van alles wat Nabal toebehoorde, den volgenden dag niets meer zou overig zijn. Abigail hoorde deze verschikkelijke woorden, snelde David te gemoet, wierp zich voor zijne voeten neder en sprak: Ach, mijn heer! luister naar de woorden uwer dienares! Sla geen acht op dien onredelijken Nabal, want hij is een dwaas ; maar ik , uwe dienares , heb uwe knapen , welke gij gezonden hadt, niet gezien. Neem dan nu dit geschenk aan, dat uwe dienstmaagd aan u, haren heer, gebracht heeft, en geef het aan de mannen, die u volgen. Het was gelukkig voor David, dat deze wijze en deugdzame vrouw hem te gemoet gekomen was; anders zou hij, door gramschap verblind, eene groote misdaad begaan en vele onschuldigen om het leven gebracht hebben. Nu kwam hij tot zich zeiven en riep uit: Gezegend zij de Heer, de God van Israel, die u heden mij heeft te gemoet gezonden! en gezegend gij, die mij heden belet hebt, bloed te storten en wraak te nemen met mijne hand! Want, waart gij niet bijtijds mij te gemoet gekomen, Nabals huis zou, vóór het licht van morgen, geheel verdelgd zijn geweest. Hij nam toen de geschenken aan en trok naar zijn kamp terug.

Abigail vond bij hare tehuiskomst haren man aan den maaltijd in staat van dronkenschap. Toen hij den volgenden dag weder bij zijne zinnen was, verhaalde zij hem, welk doodsgevaar hem en al de zijnen boven het hoofd gehangen had. Hij verstijfde van schrik, werd ziek en stierf tien dagen daarna. Abigail werd eenigen tijd later de echtgenoote van David.

T

*

ocr page 484

152

David waarschuwt ons hier tegen de zonde van gramschap. Had God hem niet weerhouden, hij zou de geheele familie van Nabal, ook de voortreffelijke Abigail, om het leven hebben gebracht. Bedwing dus altijd uwen toorn en wacht u vooral voor besluiten of handelingen, waartoe de gramschap u zou trachten aan te zetten.

LXXXIV. Tweede Veldtocht van Saül tegen David. Davids Verblijf te Sikeleg.

De indruk, dien Davids edelmoedig gedrag op Saül gemaakt had, was niet van langen duur; en toen de Ziphieten andermaal kwamen aanbrengen, dat David zich in hunne nabijheid vertoond had, was de koning laag genoeg, om met zijnen veldheer Abner en 3000 man tegen zijnen vijand uit te trekken. Op eenen avond kwam Saül aan den voet van steile rotsen en gebood, daar het nachtleger op te slaan, niet denkend', dat David zich aan den anderen kant dier rotsen bevond. Deze klom in den helderen nacht naar boven en zag duidelijk de tenten van het koninklijk leger. Met Abisai, een zijner dapperste helden, steeg David naar beneden en drong tusschen de slapende soldaten door tot aan de tent van Saül. De koning lag op zijn veldbed; naast hem stond zijn lans en zijn drinkbeker. Nu fluistert Abisaï in het oor van David: Heden heeft God uwen vijand in uwe hand geleverd; laat ik hem met de lans vasthechten aan den grond; één stoot slechts! geen tweede zal noodig zijn. Maar David antwoordt: gij zult hem niet dooden! Wie toch zal zijne hand slaan aan den gezalfde des Heeren, en onschuldig zijn! Neem dan nu de lans, die aan zijn hoofdeinde staat en zijnen waterbeker, en laat ons heengaan! Abisaï gehoorzaamt, en de twee helden verlaten de legerplaats even ongemerkt, als zij daarin waren binnengedrongen.

De morgen brak aan, toen David op de punt van eene rots stond en riep: Abner! antwoordt gij niet Abner! — Wie zijt gij, antwoordde de veldheer, die schreeuwt en de rust des konings verstoort? David hernam; Waarom hebt gij dan uwen heer en koning niet bewaakt? Er is iemand in uw kamp gekomen om uwen koning te vermoorden. Ga eens zien, waar de lans des konings is en waar de waterbeker, die bij zijn hoofd stond ! Ondertusschen

ocr page 485

153

was Saül ontwaakt, en de stem, welke hij hoorde, herkennend, vroeg hij : Is het niet uwe stem, die ik hoor, mijn zoon David ? — Ja, heer en koning! was het antwoord van David, die nu den koning zijne ondankbare handelwijze op strengen toon onder het oog bracht. Ik heb gezondigd, riep Saül toen uit; keer tot mij terug! nooit meer zal ik u kwaad doen. David, die te veel ondervonden had dan dat hij den koning mocht vertrouwen, hernam : Ziedaar de lans des konings! Laat iemand uwer dienaren komen om ze te halen. En de Heer God zal iedereen vergelden naar zijne rechtvaardigheid en zijne trouw. Gelijk uw leven kostbaar geweest is in mijne oogen, zoo moge mijn leven kostbaar zijn in de oogen des Heeren, en Hij redde mij uit allen nood! Saül sprak nog; Gezegend zijt gij, mijn zoon David! uwe bestemming zult gij bereiken, en uwe heerschappij zal duurzaam zijn. Toen trok de koning met zijn leger af; hij had zijnen grootmoedigen vijand voor de laatste maal gezien.

Daar David zich in het gebied van Saül niet veilig rekende, zocht hij voor de tweede maal een toevluchtsoord bij den Philistijnschen vorst Achis, die zeer verheugd was, eenen dapperen veldheer aan het hoofd van 600 geoefende soldaten tot bondgenoot te ontvangen, en hem de stad Sikeleg tot verblijf aanwees. Eenigen tijd had David daar doorgebracht, toen er een nieuwe oorlog tusschen de Philistijnen en de Israëlieten uitbrak, en Achis ook hem opriep om tegen Saül te strijden. David gaf een zeer dubbelzinnig antwoord ; Nu zult gij weten, wat uw dienaar doen zal; en hij trok met zijne 600 mannen op. Doch de andere Philistijnsche vorsten vertrouwden David niet en deden hem het leger verlaten; na drie dagen kwam hij weder te Sikeleg. Daar vond hij verwoesting en vlammen. Want de Amalekieten hadden van de afwezigheid der mannen gebruik gemaakt, om de stad te overvallen; zij hadden haar uitgeplunderd, de vrouwen en kinderen gevangen weggevoerd en toen de stad in brand gestoken. De soldaten van David waren radeloos en vervulden de lucht met jammerkreten; aan hunnen aanvoerder gaven zij de schuld van de ramp en eenigen riepen reeds : Steenigt hem! David echter liet den moed niet zakken; op bevel

ocr page 486

.154

van God joeg hij terstond de roovers na. Twee honderd zijner mannen moesten door vermoeidheid in de woestijn achterblijven; de overigen snelden voort, vonden eenen halfdooden slaaf, die hun den weg wees, en kwamen eindelijk aan een dal, waar de roovers in overdaad en dronkenschap het feest hunner overwinning vierden. Als razenden vielen de Joden op hen en richtten een ijselijk bloedbad aan ; de gevangenen werden verlost, en in zegepraal keerde men , met buit beladen , naar Sikeleg terug en begon de stad weder op te bouwen.

LXXXV. De Tooveres van Endor.

Terwijl David deze overwinning behaalde, stonden de Philistijnen in de vlakte van Jezrahel tegenover de Israëlieten, die onder Saül en Jonathas op het gebergte Gelboë gelegerd waren. De koning had allen moed en nog meer alle vertrouwen op God verloren; in den uitersten nood besloot hij, tot duivelskunst zijne toevlucht te nemen, en zeide tot eenige vertrouwelingen: Zoekt mij eene vrouw, die eenen waarzeggenden geest heeft. Hij vernam, dat er te Endor, eene niet ver verwijderde stad, zulk eene vrouw-woonde , en ging, toen het donker geworden was, met twee gezellen op weg; in den nacht kwam hij aan het verblijf der tooveres en verlangde, dat zij eenen afgestorvene uit de dooden zou oproepen. De slimme vrouw, die denkelijk haren nachtelijken bezoeker, ofschoon deze zich verkleed had, aan zijn lange gestalte herkende, zeide: Gij weet toch wel, hoe Saül toovenaars en waarzeggers uit het land heeft uitgeroeid; waarom dan spant gij mij eenen strik, om mij te doen ombrengen. De koning antwoordde : Ik zweer het u bij den Heer, dat u om déze dooden-bezwering geen leed geschieden zal. De vrouw maakte nu toebereidselen tot eene geestvertooning en vroeg na eenigen tijd: Wien moet ik voor u oproepen ? De koning zeide: Samuel. Op het eigen oogenblik gilde de tooveres van schrik; want in plaats van een spook, zooals zij vertoonen kon, zag zij werkelijk eene menschengedaante uit de aarde oprijzen. Waarom bedriegt gij mij ? riep zij uit; gij zijt immers Saül zelf! De koning zag de verschijning nog niet

ocr page 487

155.

en zeide: Vrees niet! wat ziet gij? Hoe is zijn uitzicht ?— Een grijsaard rijst op, en hij is in eenen mantel gewikkeld. — En waarlijk, het was de profeet Samuel zelf, die door God gezonden werd, om den boozen koning zijn naderend einde en de nederlaag van zijn volk aan te kondigen. Waarom verontrust gij mij door mij te doen oproepen? vroeg Samuel. De tooveres nam nu de vlucht, en Saül zeide; ik verkeer in grooten nood; want de Philistijnen strijden tegen mij, en God heeft mij verlaten ; dus heb ik u geroepen, opdat gij mij zoudt toonen, wat ik doen moet. Nu sprak de profeet: God zal u het rijksgebied ontnemen en het aan David geven. God is het, die de rampen, welke gij lijdt, heden op u nederstort. Morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn; maar ook het leger van Israël zal de Heer leveren in de handen der Philistijnen. Samuel verdween, en Saül viel bewusteloos op den grond. De tooveres en zijne twee gezellen brachten hem weder bij; in denzelfden nacht keerde hij naar de legerplaats terug en kwam tegen het aanbreken van den morgen daar aan.

De verschijning van Samuel was volstrekt niet een gevolg van tooverkunst, maar het werk van God. Eene tooverheks kon de heilige ziel van den profeet niet op aarde doen terugkeeren, en de duivel kon dat evenmin; ook bewees de vrouw zelve, door haar angstig gillen, zeer duidelijk, dat hetgeen zij zag haar eigen werk niet was. Saül geloofde wel, dat de toovenares den profeet kon oproepen; maar daaruit blijkt alleen dat hij, gelijk slechte men-schen gewoonlijk zijn, zeer bijgeloovig was.

LXXXVI. Saüls Nederlaag en Dood.

De maat der gruwelen van den verworpen koning was nu vol, en de dag zijner straf was gekomen. De Philistijnen begonnen den aanval en klommen tegen de hoogte van Gelboë op; de Joden konden hen niet tegenhouden, en het gevecht werd algemeen. Op alle punten werden de Israëlieten geslagen en op de vlucht gedreven. Slechts twee afdeelingen hielden stand; over de eene voerde Saül, over de andere Jonathas het bevel. Deze edele held streed voort, totdat zijne dapperen rondom hem bezweken waren en hij zelf, met zijne twee broeders, een roemvollen dood stierf. Nu keerden de vijanden al hunne macht tegen den

ocr page 488

ïSÖ

koning, die zelf doodelijk getroffen werd. Trek uw zwaard en doorsteek mij, opdat niet soms die heidenen komen en mij onder hoon doen sterven, gebood hij zijnen wapendrager. Doch deze wilde zich niet met het bloed zijns konings bezoedelen. Toen sloeg Saül de handen aan zich zeiven en doorstak zich niet zijn eigen zwaard. De dood des konings maakte een einde aan den strijd; allen, die konden, vluchtten naar den Jordaan en verspreidden overal de noodlottige tijding: De slag is verloren! de koning en zijne zonen zijn dood! Den volgenden dag vonden de Philistijnen de lijken van Saül en zijne drie zonen, die zij naar de stad Bethsan brachten en aan den walmuur ten toon hingen. God echter wilde niet, dat deze lijken eene prooi werden van roofvogels. De inwoners der stad Jabes trokken over den Jordaan en namen in den nacht de vier lijken van den muur, begroeven ze en vierden een rouwfeest van zeven dagen. Aldus vergolden zij de weldaad, welke Saül hun vroeger bewezen had, door hen uit de handen der Ammonieten te verlossen.

David wist nog niets van hetgeen er gebeurd was. Op den derden dag na zijne terugkomst te Sikeleg kwam een Amalekiet tot hem, die hem den diadeem en den gouden armband van Saül bracht, welke hij in den nacht aan het lijk des konings ontnomen had. Indien deze bode de waarheid gezegd had, zou David hem zeker beloond hebben; maar hij meende met liegen verder te zullen komen en stortte zich zeiven in den ondergang. Hij verhaalde namelijk, dat hij bij toeval op het gebergte Gelboë gekomen was en Saül had gevonden, leunend op zijne lans, terwijl de vijanden op hem aandrongen; dat de koning toen gezegd had: Kom nader en doorsteek mij! want doodelijke angst heeft mij aangegrepen, en al mijne levenskracht is nog in mij ; en dat hij toen den koning had gedood. David scheurde weenend zijne kleederen en bracht met al de zijnen den geheelen dag in vasten en gejammer door; hij dacht niet meer aan het kwaad, dat Saül hem gedaan had, maar slechts aan den rampzaligen dood van Israels koning; en hoe bloedde zijn hart om den vriend, wiens trouw hij gehoopt had eenmaal te kunnen beloonen!

ocr page 489

157

Tot den Amelekiet sprak David: Hoe . hebt gij niet gevreesd uwe hand uit te steken om den gezalfde des Heeren te vermoorden? Uw bloed komt op uw hoofd, want uw eigen mond heeft tegen u getuigd en gesproken: ik heb den gezalfde des Heeren omgebracht. En de ongelukkige onderging zijne straf. David wijdde een lied aan de nagedachtenis der gesneuvelde helden en bestemde het tot een volksgezang, dat de namen van Saül en Jonathas moest doen voortleven. — Saül stierf in het jaar 1055 voor Christus.

ocr page 490

DERDE AFDEELING.

BLOEI VAN HET ISRAËLIETISCHE VOLK.

David en Salomon (1055—975).

De geschiedenis van deze afdeeling, welke 80 jaren omvat, staat beschreven in het tweede en de eerste helft van het derde boek der Koningen, en in het eerste en het begin van het tweede boek Paralipomenon; deze boeken zijn door verschillende personen en op verschillende tijden samengesteld.

LXXXVII. David Koning over den Stam van Juda.

Na God geraadpleegd te hebben over hetgeen hem te doen stond, vertrok David met al de zijnen uit Sikeleg en vestigde zich in en bij de stad Hebron. Daar kwamen de hoofden van den stam Juda tot hem en boden hem de kroon over dien stam aan; David meende voldoende redenen te hebben om dit aanbod niet te weigeren en werd, in den ouderdom van 30 jaren, tot koning over den stam van Juda gezalfd. Zijn eerste werk was dank te zeggen aan de inwoners van Jabes voor de eer, welke zij aan de lijken van Saül en diens zonen bewezen hadden ; tevens liet hij hun weten : Uw heer Saül is wel gestorven, inbaar de stam van Juda heeft mij tot zijnen koning gez'alfd. Evenwel gevoelden noch de Jabesieten, noch een der andere stammen lust, om den nieuwen koning van Juda te erkennen; en, toen de veldheer Abner een overgebleven zoon van Saül, met name Isboseth, tot koning uitriep, verklaarde zich het geheele volk tegen David; alleen de stam Juda bleef hem getrouw. Zoo was het land in tweeën verdeeld: David zetelde te Hebron, en Isboseth te Mahanaim, eene stad in het over-Jordaansche. Deze Isboseth was een onbeduidend man, die slechts in naam koning was; de man, die het land eigenlijk

ocr page 491

159

regeerde, was Abner, de neef van Saül, een even dapper als rechtschapen held.

David wilde, zooveel het in zijn vermogen was, den burgeroorlog vermijden en zijn gebied niet uitbreiden ten koste van Israëlietisch bloed. Toen echter Abner met een leger kwam afzakken, moest David zijne grenzen beschermen en zond zijnen eersten veldheer Joab, den broeder van Abisai, met de soldaten van Juda, om Abner in het oog te houden; evenwel mocht Joab zich wel verdedigen, maar niet aanvallen. Toch kwam het, ten gevolge van een spiegelgevecht, dat zeer ongelukkig afliep, tot eene bloedige botsing, waarin Joab de overhand hield. David verloor bij die gelegenheid een zijner dapperste strijders, Asaël, Joabs jongsten broeder, die zijn al te vurigen moed met den dood bekocht en door Abners hand verslagen werd.

De verdeeldheid van het Israëlietische Rijk duurde in het geheel zeven en een half jaar. Langzamerhand begon men in David den rechtmatigen koning van het geheele volk te erkennen, en werd de wensch algemeen, dat al de stammen onder zijnen schepter mochten vereenigd worden. Eindelijk zag ook Abner zelf in, dat hij verkeerd gedaan had door zich tegen David te verklaren, en besloot de eenheid van Israël te herstellen door zich aan den koning van Juda te onderwerpen. Nadat hij de noodige voorbereidingen gemaakt had, verscheen hij aan het hoofd van een aanzienlijk gezantschap voor David, die hem met de hartelijkste vriendschap ontving en de eer bewees, die hem toekwam. Abner vertrok weder, en David mocht verwachten, dat hij, binnen weinige dagen en zonder de minste stoornis van de rust des lands, door eeheel Israël

' o

als koning zou gehuldigd worden.

Joab bevond zich niet te Hebron, toen Abner bij David kwam; en juist was deze vertrokken, toen hij terugkeerde en vernam, wat er had plaats gehad. Hij vreesde in den ouden veldheer eenen mededinger, voor wien hij misschien zelf later zou moeten onderdoen, en besloot hem uit den weg te ruimen. Hij zond Abner een bode achterna, die hem in naam des konings verzocht nogmaals naar Hebron te komen; Abner keerde aanstonds terug; Joab wachtte

ocr page 492

i6o

hem op en vermoordde hem. Zoodra David deze gruweldaad vernam, riep hij uit: Ik ben onschuldig aan het bloed van Abner! en zeker zou hij den lagen moordenaar met den dood gestraft hebben, indien hij niet gevreesd had voor zijn leger, dat Joab vereerde en beminde. Hij schonk Abner eene vorstelijke begrafenis en sprak ten aanhoore van allen: Gelijk iemand valt voor snoode verraders, zoo zijt gij gevallen! Den ganschen dag vastte en weende hij, en hij zeide: Weet gij dan niet, dat heden een vorst gevallen is, de grootste held in Israël ?

Bijna op denzelfden tijd werd Isboseth te Mahanaim door twee moordenaars om het leven gebracht. Zij begaven zich naar Hebron en brachten het afgehouwen hoofd bij David , zeggende : Ziehier het hoofd van uw vijand Isboseth , den zoon van Saül. Gloeiend van verontwaardiging hoorde David de twee booswichten aan, die zich op hunne misdaad beroemden en durfden meenen, dat hij daarmede zoude gediend zijn. Hij deed hen terstond ombrengen; maar het hoofd van Isboseth legde hij met eere in het graf van Abner neder.

LXXXVIII. David Koning van geheel Israël. Overbrenging der Ark naar Jeruzalem.

De belofte, door God aan David gedaan, werd nu geheel vervuld; hij werd voor de derde maal gezalfd en was nu koning van geheel Israël. Door een roemvol heldenfeit wilde hij zijn koningschap aan de omliggende volken aankondigen. jfei'nsalevi, de sterkste vesting van het Rijk , die nog nooit geheel in de macht der Israëlieten geweest was, wilde hij veroveren en tot zijne hoofdstad verheffen. Hij eischte den burcht Sion op; maar de Jebusieten, die daarin waren, dreven den 'spot met hem: zoozeer vertrouwden zij op de onoverwinnelijke sterkte hunner muren. Nu beloofde David, dat degene, die het eerst binnen de vesting kwam, de eerste veldheer zou zijn. Joab hoorde dit; met een aantal mannen met leeuwen-aangezichten, vlug als klipgeiten, deed hij wat onmogelijk scheen, nam den burcht in en verkondigde aan het verbaasde leger,

ocr page 493

i6i

dat Jeruzalem ingenomen was en dat de koning zijne hoofdstad kon binnenrukken. David koos den burcht Sion tot zijne woonplaats, omringde hem met een nieuwen muur en noemde hem Davids stad.

De inneming van Jeruzalem had twee gevolgen: een vriendschapsverbond met Hirarn, den koning van Tyrus in Phoenicië, en een oorlog met de Philistijnen. Deze werden door David tweemaal geslagen en in hun land teruggedreven. Den tijd van rust, die nu volgde, besteedde David tot regeling van zijn Rijk en tot verfraaiing zijner hoofdstad, waartoe koning Hirarn hem, vooral door het leveren van cederhout, in staat. stelde. Doch ééne zaak ging hem boven alles ter harte. Hij begreep, dat Jeruzalem de hoofdstad des koninkrijks niet wezen kon, indien zij niet tegelijk het middelpunt van den godsdienst was, en zijne godsvrucht verlangde naar de nabijheid van Jehova. Derhalve bouwde hij op den berg Sion eene tent om de ark des Ver bouds daarin te plaatsen.

Hij riep het geheele volk te zamen, en in plechtigen optocht trok men naar de stad Kariathiarim. Men plaatste de ark op een nieuwen wagen, bespannen met ossen, die geleid werden door Oza en A/iio, de zonen van Abinadab in wiens huis de heilige ark omtrent 70 jaren was bewaard geweest. Zulk eene wijze van vervoer was in strijd met de Wet, welke gebood, dat de ark op de schouders der Levieten moest gedragen worden. Deze overtreding der Wet was zeker niet opzettelijk, maar gaf toch aanleiding tot een treurig ongeluk.

Op zekere plaats sprong een der ossen ter zijde en bracht den wagen een weinig uit het evenwicht; Oza sloeg toen zijne hand aan de ark , om haar tegen te houden , en viel oogenblikkelijk dood neder. Deze ramp veranderde de vreugde in droefheid; David durfde zelfs den tocht niet voortzetten en plaatste de ark in het huis van eenen Leviet, met name Obededont. Drie maanden later werd zij naar Sion overgevoerd, en nu werden alle voorschriften der Wet nauwkeurig in acht genomen. Onder liet feestgezang van zeven koren, het schallen van bazuinen en trompetten, het klinken van handtrommels, harpen en bekkens, naderde de ark, door de Levieten gedragen,

11

ocr page 494

102

Jeruzalem; en zoo dikwijls de dragers stilstonden, werden offers opgedragen.

De koning zelf ging, als een Leviet gekleed, voor de ark uit, God lofzingend, zijne harp slaande en huppelend van heilige vreugde. En toen de ark in hare tent was nedergezet, werden nieuwe offers opgedragen, en de offerspijs aan het volk rondgedeeld. De hoogepriester Abiathar bleef te Jeruzalem; doch bij den tabernakel, die van Nobe naar Gabaon overgebracht was, stond Zadok aan het hoofd van den offerdienst.

Toen David in zijn paleis terugkeerde, ontving hem zijne gemalin Michol met hoonende spotternij; zij had hem voor de ark zien uitgaan, deel nemend in den zang en den feestdans van het volk, en hem in haar hart veracht ; nu bespotte zij hem , omdat hij zich , gelijk zij meende , te veel vernederd had. Maar de edele koning antwoordde haar: Voor Jehova zal ik spelen en nog geringer worden, dan ik ooit geweest ben, en nederig zal ik zijn in mijne eigene oogen. De trotsche vrouw werd door God gestraft en bleef kinderloos.

De stad Jeruzalem, die nu de stad Gods geworden was, is eene afbeelding van het nieuwe Jeruzalem, met welken naam de Kerk van Christus, die dc waarachtige stad Gods is, door Profeten en Apostelen is genoemd geworden. Het oude Jeruzalem werd later verwoest, maar het nieuwe Jeruzalem blijft in eeuwigheid.

Y.

LXXXIX. Gods Beloften aan David.

De godvruchtige koning werd door ééne gedachte gekweld; hij zelf woonde in een paleis, en de ark Gods had slechts eene tent tot verblijfplaats. Dit mocht, meende David, niet langer zoo blijven: een prachtige tempel moest te Jeruzalem oprijzen, om aan de geheele aarde te verkondigen, dat God de Heer in die stad wilde wonen. De koning gaf zijn voornemen te kennen aan den profeet Nathan, die het ten volle goedkeurde. Doch in den nacht ontving Nathan van God den last om aan David te zeggen, dat hij van zijn voornemen moest afzien; en den volgenden dag kwam de profeet op nieuw tot David en zeide hem in naam van God: Niet gij zult Mij een huis bouwen om

ocr page 495

163

daarin te wonen. Gij hebt goed gedaan met den wil te hebben, om mijnen naam een huis te bouwen; gij echter zult dat niet doen, want gij zijt een oorlogsman, die veel bloed vergoten en groote oorlogen gevoerd hebt. Maar een zoon sal u geboren worden, die een zeer vreedzaam man zal zijn; daarom zal hij de Vreedzame heeten; en Ik zal rust en vrede geven in Israël, alle zijne dagen. Hij zal viijnen naam een huis bonwen. Als uwe dagen vol zijn en gij met uwe vaders rust, dan zal Ik uwen zoon na u verheffen en zijn Rijk bevestigen. Ik zal zijnen koningstroon vastzetten voor eeuwig. En uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid vopr uw aanschijn, uw troon zal vaststaan voor altoos.

Zoodra de profeet vertrokken was, ging David naar de tent, waar de ark des Heeren rustte, om daar in tegenwoordigheid van God zijn dankbaar hart in gebeden en lofzangen uit te storten. Want de koning begreep, dat hem veel meer was beloofd geworden dan een roemvolle zoon en eene lange rij van gekroonde nakomelingen. Als immers zijn koninkrijk duren zon in eeuwigheid, dan moest de Verlosser der wereld, die de Gezalfde bij uitnemendheid is, volgens zijne menschelijke natuur, tot de afstammelingen van David behooren en de Zoon van David zijn. Daarom vooral was David buiten zich zeiven van vreugde, en kon hij geen woorden vinden, om de dankbaarheid , die zijn hart vervulde, uit te spreken.

Ue aanwijzing van den Verlosser wordt hoe langer hoe duidelijker en bepaalder. Abraham erkende Hem als zijnen Nakomeling door Isaiik; Jakob wees den stam van Juda aan, waaruit Hij zou geboren worden; nu wordt de familie genoemd, waartoe Hij behooren zal, en tevens verklaard, dat de koningen, die David zullen opvolgen, stamvaders van Christus naar het vleesch zullen zijn.

XC. Davids Overwinningen en Bestuur.

David behaalde vele en groote overwinningen op al de omliggende volken en breidde de grenzen van zijn Rijk naar alle kanten uit. In het Westen dwong hij de Philistijnen tot het opbrengen van schatting; in het Noorden onderwierp hij een groot gedeelte van Syrië; in het Oosten en

ocr page 496

164

Zuiden maakte hij de Moabieten en Edomieten cijnsbaar aan Israël; zijn gebied reikte in het Zuiden tot aan de Roode zee en in het Noorden totaan de rivier den Èuphraat; het besloeg, met inbegrip der schatplichtige volken, eene oppervlakte, die het door Jozue verdeelde Kanaan viermaal in uitgestrektheid overtrof.

Na al die overwinningen genoot Israël vrede en voorspoed onder zijnen wijzen , rechtvaardigen , teeder beminden koning.

Onder de beroemdste mannen, die David in den oorlog en in het rijksbestuur ter zijde stonden, verdienen vooral vermeld te worden de veldheeren Joab en Abisai, de hoogepriesters Abiathar en Zadok, en de bevelhebber der lijfwacht Banajas. Tot bclooning van heldenmoed had David eene soort van ridderorde ingesteld, waartoe 37 dapperen behoorden. Drie hunner hadden eens eene ongehoorde heldendaad verricht. Toen in het begin van Davids regeering de Philistijnen de stad Bethlehem bezet hielden, had hij eens, in tegenwoordigheid van drie zijner krijgers, uitgeroepen: O, mocht iemand mij een dronk water verschaffen uit den put bij de poort van Bethlehem! Jesbaam, Eleazar en Semma zeiden niets, maar gingen op weg, braken door de Philistijnen heen, schepten het water en boden het hunnen koning aan. Verschrikt over het gevaar, waaraan de drie helden zich hadden blootgesteld, nam David het water aan, maar dronk het niet. De Heer verhoede, zeide hij, dat ik dat doe! Zou ik het bloed dezer mannen drinken, daar zij met gevaar voor hun leven mij het water hebben gebracht! En hij stortte het water uit als een dankoffer aan God. — 2'ulke soldaten had David, en zóó beminden zij hem.

Onder de rijksgrooten van David behoorden ook zijne zonen, die onderling halve broeders en allen nog beneden de twintig jaar waren. De oudste heette Am/ion, en van de overigen zijn vooral Absalom en A don ia s bekend; eene volle zuster van Absalom heette Tharnar. Onder de prinsen van het hof verkeerde ook MipJiiboseth , de zoon van Davids vriend Jonathas; aan dezen jongeling vergold David de weldaden, die hij vroeger van diens vader genoten had.

ocr page 497

i6s

XCI. Oorlog tegen de Ammonieten en Syriërs.

De Ammonietische koning Naas stierf en werd dcor zijnen zoon Hanon opgevolgd. Daar David in vriendschappelijke betrekking met de Ammonieten stond, vaardigde hij een gezantschap af, om den nieuwen koning van zijne deelneming in het verlies, dat hij geleden had, te verzekeren. Doch de lichtzinnige Hanon hoonde de Israëlietische gezanten op de grievendste wijze: hij deed hun den baard half afscheren, hunne kleederen tot aan de heupen afsnijden en hen zoo over de grenzen jagen. Hij wist, wat op zulk eene beleediging volgen zou: dus trok hij zijn leger samen, kocht 32,000 man hulptroepen van den Syrischen koning Adarczer, en wachtte de Israëlietische krijgsmacht af, die onder Joab en Abisai recht op de Ammonietische hoofdstad Rabba aantrok. De twee broeders behaalden ieder eene schitterende overwinning

o

en keerden, met roem overladen, naar Jeruzalem terug. De machtige Adarezer liet het echter niet hierbij, maar verzamelde al zijne macht en zond zijnen veldheer Zobach met een vervaarlijk groot leger in het veld; nu trok David zelf aan het hoofd van al zijne soldaten de Syriërs te gemoet, bracht hun een vreeselijke nederlaag toe en dwong Adarezer den vrede te vragen en schatting aan Israël op te brengen.

Het volgend jaar zond David zijnen veldheer Joab om den oorlog tegen de Ammonieten door de inneming hunner hoofdstad te voltooien. Na eene belegering van eenige maanden was Joab meester van Rabba en verzocht, dat de koning zelf zou komen om de stad in bezit te nemen ; David deed dit, plaatste de kroon van Hanon op zijn eigen hoofd, ten teeken zijner opperheerschappij, en schonk ze vervolgens aan Sobi, den broeder van Hanon.

XCII. Davids diepe val. Geboorte van Salomon.

De treurige geschiedenis van Davids diepen val had plaats gedurende de belegering van Rabba door Joab. De koning, die te Jeruzalem gebleven was, zag op zekeren dag Bethsabee, de vrouw van een zijner dapperste helden,

ocr page 498

166

en verleidde haar tot overspel; vervolgens gaf hij Joab in het geheim bevel, om Urias, den echtgenoot dier vrouw, bij de bestorming van Rabba, op den gevaarlijksten post te stellen en hem dan zonder hulp te laten, zoodat hij door de vijanden moest worden omgebracht. Dit geschiedde, en Urias stierf den heldendood, niet wetend, dat de koning eigenlijk zijn moordenaar was. Vervolgens nam David Bethsabee tot echtgenoote, die moeder werd van eenen zoon.

Zoo vreeselijk diep viel de groote koning David. God had medelijden met den zondaar en openbaarde aan den profeet Nathan, wat er gebeurd was. Deze ging tot den koning en sprak: Er leefden in dezelfde stad twee mannen; de eene was rijk, de andere arm. De rijke had schapen en runderen in groote menigte. De arme had niets anders dan één schaapje, dat hij gekocht en opgevoed had; het was in zijn huis groot geworden, tegelijk met zijne kinderen; het at van zijn brood en dronk uit zijnen beker en het sliep in zijnen schoot; het was hem als eene dochter. Toen nu eens een vreemdeling bij den rijke te gast kwam, nam deze niet van zijne eigene schapen of runderen, om dien vreemdeling eenen maaltijd aan te rechten, maar hij roofde het schaap van den armen man en bereidde het tot spijs voor den gast, die tot hem gekomen was. De koning riep vol verontwaardiging uit: Zoo waar de Heer leeft! des doods schuldig is de man, die dat gedaan heeft. En Nathan zeide: Gij zijt die man. Aldus spreekt de Heer, Israels God : Ik heb u tot koning gezalfd over Israël; Ik heb u gered uit de hand van Saül; Ik heb u al de bezittingen geschonken van uwen vorigen heer; Ik heb u het rijk van Israël en Juda gegeven; en als dat weinig is, zal Ik nog veel meer daarbij voegen. Waarom dan hebt gij uws Heeren woord versmaad, om kwaad te doen voor mijn aangezicht? Urias hebt gij met het zwaard omgebracht, hem vermoord met het zwaard der Ammonieten, en zijne echtgenoote hebt gij u tot vrouw genomen. Omdat gij dit gedaan hebt, zal het zwaard niet wijken van uw huis, nimmermeer ! Zie, Ik zal rampen uit uw eigen huis over u doen komen. Gij hebt het in het geheim gedaan, maar Ik zal

ocr page 499

167

het doen ten aanzien van geheel Israël, in het gezicht der zon.

Verpletterd door schaamte en droefheid stamelde de koning; Ik heb gezondigd tegen den Heer. Zijn berouw was oprecht, en daarom schonk God hem vergiffenis. Nathan zeide: Ook heeft de Heer uwe zonde weggenomen : gij zult niet sterven! Maar, omdat gij door uwe misdaad aan de vijanden des Heeren stof tot lastering hebt gegeven, daarom za.' de zoon, die u geboren is, sterven.

David bad en smeekte om het kind te mogen behouden; maar hij moest zijne straf dragen, en het kind stierf op den zevenden dag. Daarna ging David naar de tent, waaide ark stond, om openlijk zijne schuld te belijden en genade af te smeeken van den barmhartigen God, die het oprecht berouw nooit versmaadt en den waarlijk boetvaardigen zondaar altijd vergiffenis schenkt.

Een jaar later gaf God aan David het duidelijkste bewijs, dat Hij hem weder in genade had aangenomen: Bethsabee schonk hem den zoon, die hem vroeger beloofd was; het kind ontving den naam van Salomon, dat is, Vreedzame, en God zond Nathan om eenen nog schooner naam aan het kind te geven: Jedideja/i, dat is, Lieveling des Heeren.

Laat Davids zonde voor ons eene waarschuwing zijn; de val der sterken moet de zwakken doen beven. En laat Davids berouw en boetvaardigheid voor ons een voorbeeld zijn. David heeft gezondigd, maar ook boete gedaan, geweend en gezucht: hij heeft zijne misdaden erkend, om vergiffenis gesmeekt, zijn ongeluk betreurd, gevast, gebeden en zijne schuld voor alle volgende eeuwen beleden. Daarom ontving hij vergiffenis van God, die nooit een zondaar verstoot, als deze met berouw en vertrouwen tot Hem terugkeert.

Wij leeren uit deze geschiedenis, dat er, na de vergiffenis der zonde en de kwijtschelding der eeuwige straf, dikwijls tijdelijke straffen overblijven, welke in dit leven, of anders hiernamaals in het vagevuur, moeten ondergaan worden. David had vergiffenis ontvangen, maar moest toch zwaar boeten voor zijne misdaden.

XCIII. Amnon en Absalom.

De voorzegging van Nathan, dat David door rampen uit zijn eigen huis zou getroffen worden, ging schrikkelijk in vervulling. Amnon, de oudste zoon des konings, mis-

ocr page 500

168

handelde zijne halve zuster Thamar op de schandelijkste wijze en haalde zich daardoor den doodelijken haat op den hals van haren vollen broeder Absalom, die zijne voornemens twee jaren lang verborgen hield maar niettemin het onveranderlijk besluit gevormd had, om den hoon zijner zuster in het bloed van den goddeloozen roover harer eer af te wasschen. Eindelijk bood zich eenc geschikte gelegenheid aan. Absalom vierde het feest van het scheren zijner schapen, en noodigde Amnon met al zijne andere broeders ten maaltijd. Terwijl men aan tafel zat, werd Amnon overvallen en vermoord. Absalom nam de vlucht naar het land van Gessur en bleef drie jaren, bij den koning Tholm ai, den vader zijner moeder, v /

David treurde al dien tijd om Amnon, dien hij met eene onverdiende voorliefde beminde, en wilde aan Absalom gecne vergiffenis schenken noch hem veroorloven terug te keeren; en toen het eindelijk den veldheer Joab gelukte, genade voor den prins te verwerven, mocht deze den koning toch niet onder de oogen komen, maar moest te Jeruzalem als een gevangene in zijn huis blijven. Nadat deze strenge behandeling twee volle jaren geduurd had, liet Absalom door Joab aan den koning berichten, dat hij het zóó niet langer kon uithouden en liever sterven wilde dan uit de tegenwoordigheid zijns vaders verbannen te blijven. Joab ging nogmaals tot den koning, en zijne zending gelukte volkomen: Absalom werd geroepen, en toen hij zich voor Davids voeten nederwierp, hief deze hem op en kuste hem. Het was echter geene oprechte liefde, die Absalom zoozeer naar het einde zijner straf deed haken ; integendeel voedde hij toen reeds booze plannen tegen zijnen ouden vader, die niet denken kon, dat deze zoon hem weldra vreeselijke rampen berokkenen en in eene zee van smarten dompelen zou.

XCIV. Opstand van Absalom. Davids vlucht.

Absalom had het goddelooze plan gevormd, zijnen vader door laag verraad van den troon te stooien, en, zoodra hij in al de rechten, welke zijne hooge geboorte hem gaf, hersteld was , begon hij dat plan met alle sluwheid

ocr page 501

169

uit te voeren. Om de oogen van het volk te verblinden, vertoonde hij zich van nu af altijd in vorstelijke praal. Wanneer hij in het openbaar verscheen, reed hij op eenen vorstelijkén wagen, omringd door ruiters, en deed hij eene lijfwacht van vijftig man voor zich uitgaan; om onder de rijksgrooten en staatsdienaars medestanders te vinden, spaarde hij goud noch groote beloften; vooral wist hij door kruipende vleierij de gunst te winnen van het volk, dat hem toch reeds, wegens zijne uitstekende schoonheid van gelaat en lichaamsvorm en voorai om zijn lang en prachtig hoofdhaar, met bewondering aanzag. Wanneer de koning rechtsprak, stond Absalom bij de poort van het paleis en riep allen, die eene rechtzaak hadden voor te stellen, tot zich. Minzaam vroeg hij dan naar hunne belangen, en, al hadden zij ook ongelijk, toch zeide hij altoos; Uwe zaak schijnt mij goed en rechtvaardig toe; maar er is niemand door den koning aangesteld om uwe belangen te onderzoeken. O, was ik rechter over het land! Ik zou volgens recht oordeelen! Zoo lasterde hij zijnen vader en was hij oorzaak dat menigeen , die onvoldaan van Davids rechtbank terugkeerde , den ouden vorst voor eenen dwingeland en eenen rechts-verkrachter aanzag en als zoodanig aan anderen bekend maakte. Daarbij behandelde Absalom al de Joden, die te Jeruzalem kwamen, met de grootste gemeenzaamheid, weigerde de hulde, die zij hem wilden bewijzen, omhelsde en kuste hen. Aldus stal hij het hart des volks, en velen in Israël koesterden den wensch, dat Absalom hun koning wezen mocht.

Toen alles gereed was voor den opstand, gaf Absalom zelf het teeken daartoe. Hij vroeg zijnen vader verlof om naar Hebron te gaan, ten einde daar een plechtig offer, ter vervulling eener voorgewende gelofte, op te dragen. Ga in vrede, zeide David. Het feest duurde meerdere dagen, en velen, die het met Absalom hielden, begaven zich uit alle oorden des Rijks naar Hebron. Op den vooruit bepaalden dag werd hij tot koning uitgeroepen; bijna gelijktijdig barstte de opstand door het gansche land uit, en overal werd de kreet aangeheven: Absalom is koning te Hebron!

ocr page 502

170

Te Jeruzalem kwam de tijding van het gebeurde te Hebron aan en tevens het noodlottig bericht: Gansch Israël is op de hand van Absalom! David zag op één oogenblik, dat hij het offer was van het schandelijkst verraad. Hij was wel omringd door eenige dappere en getrouwe vrienden , die met vreugde hun bloed voor hem zouden vergoten hebben ; maar wat vermocht hij tegen Absalom, die reeds met een ontzaggelijk leger naar Jeruzalem optrok? Daarom zeide hij: Laat ons vluchten! Haast u uit te trekken, opdat Absalom ons niet overvalle en verderf brenge over ons en de stad met het zwaard verwoeste. Allen, die bij hem waren, antwoordden: Alles wat onze heer en koning gebiedt, zullen uwe dienaren gaarne doen.

Zoo vluchtte David uit Jeruzalem. Hij ging te voet, omringd door zijne lijfwacht, en velen volgden hem met luid geween. Buiten de stad zag hij eene bende van 600 soldaten uit de Philistijnsche stad Geth , die hij eerst kort geleden in dienst genomen had, en die nu met hem wilden gaan. Keer terug, zeide hij tot Ethai, den bevelhebber dier mannen; kort geleden kwaamt gij tot mij ; en zoudt gij nu gedwongen worden met ons te vluchten ? Ik zal wel gaan waarheen ik kan. Keer gij terug en voer de uwen met u; en God zal uwe trouw jegens mij beloonen. Maar de edele Ethai wilde zijnen heer niet verlaten. Bij Jehova en bij het leven van mijnen koning! riep hij uit; overal waar gij zijt, in leven of in dood, daar zal ook uw dienaar zijn !

Alen sloeg den weg in naar den Jordaan en kwam bij de beek Kedron. Daar voegden zich de twee hoogepriesters bij den koning, alsmede de Levieten, die de ark des Verbonds droegen. Abiathar droeg een offer op, om Gods genade over den koning en het volk af te smeeken, en daarna begon men den olijfberg te beklimmen. David wilde echter niet, dat de ark des V^erbonds hem vergezellen zou. Breng de ark Gods naar de stad terug, zeide hij tot Zadok; indien ik genade vind in de oogen des Heeren, zal hij mij doen wederkeeren en mij haar en zijnen tabernakel wederom laten aanschouwen ; maar indien Hij gezegd heeft: Ik heb in u geen behagen meer, — ik ben bereid; Hij doe wat goed is in zijne oogen.

ocr page 503

I/I

Toen namen de twee hoogepriesters afscheid van hem en keerden met de ark naar Jeruzalem terug. David besteeg nu den olijfberg, blootsvoets en met bedekt hoofd. Daar vernam hij eerst, wie zijn eigenlijke verrader en zijn gevaarlijkste vijand was : Achitophel heette de booswicht, die een der voornaamste leden van den rijksraad geweest was en het volste vertrouwen des konings genoten had; hij vooral had de samenzwering van Absalom zoo goed doen gelukken. Toen David dit vernam, riep hij uit: O God! maak Gij toch het beleid van Achitophel tot dwaasheid ! God verhoorde dit gebed ; want op hetzelfde oogenblik snelde Chnsai, die Davids bijzondere vriend was en in schranderheid niet ver beneden Achitophel stond, tot den koning, om hem in de ballingsshap te vergezellen. Maar de koning zond hem terug naar Jeruzalem ; want het was beter, dat hij zich in schijn aan Absalom onderwierp, daar hij dan in staat zou zijn de plannen van Achitophel te verijdelen.

De treurige stoet daalde van den olijfberg af en zette den tocht naar den Jordaan voort. In de nabijheid van Bakurim stond een man, Senieï geheeten, die een bloedverwant van Saül was en David altijd gehaat en verfoeid had. Zoodra hij den ongelukkigen koning zag, begon hij te roepen; Weg, weg met u, man des bloeds! Belials kind ! Op u heeft de Heer doen nederkomen al het bloed van Saüls huis. Terecht treffen u rampen, omdat gij een man des bloeds zijt. Tegelijk wierp hij naar den koning met steenen en kluiten aarde. David boog zwijgend het hoofd; maar zijn veldheer Abisai, die naast hem ging, gloeide van toorn en zeide: Zal die doode hond mijnen heer en koning vervloeken? En de hand aan zijn zwaard slaande, vroeg hij aan David: Laat mij gaan en hemden kop van den romp houwen! — Laat hem, sprak de koning, laat hem vloeken! Ziet, mijn zoon, mijn eigen zoon staat mij naar het leven; hoeveel meer dan deze Benjamiet! Misschien ziet Jehova neder op mijn lijden, en zal Hij mij goed vergelden voor deze vervloeking van heden. De avond was nu gevallen, en men zocht eene geschikte plaats, om eenig voedsel te nuttigen en den nacht door te brengen.

ocr page 504

1/2

Wat is David groot in zijn lijden! Leert van hem, u met geduld te onderwerpen aan God, wanneer Hij u lijden overzendt; beschouwt dat lijden altijd als eene toelating van God en zegt dan met David: Ik ben bereid; de Heer doe wat goed is in zijne oogen! Leert van hem in smaad en vernedering op God te vertrouwen ; en, als booze menschen u beschimpen of zelfs vervloeken, zegt dan; God zal mij goed vergelden voor deze vervloeking.

Toen onze Zaligmaker op den laatsten avond van zijn leven Jeruzalem verliet, volgde Hij denzelfden weg, dien David ging; ook Hij, verraden door een zijner vrienden, ging over de beek Kedron naar den olijfberg, en bad daar, met nog grooter onderwerping dan David: Vader, niet mijn wil, maar uw wil geschiede!

XCV. Absalom te Jeruzalem. Zijn strijd en ondergang.

Den volgenden dag kwam David in de nabijheid van den Jordaan, en deed Absalom zijnen intocht in Jeruzalem; niemand bood hem wederstand, en alles heulde met hem. Hij vergaderde zijne voornaamste aanhangers en beraadslaagde, wat nu te doen stond. Achitophel bood aan, om met 12,000 soldaten terstond David na te zetten en hem in den nacht te overvallen. Hij is nu vermoeid en tot geen tegenweer in staat, sprak de valschaard; en als het volk dat hem vergezelt, de vlucht genomen heeft, dan zal ik den verlaten koning dooden en al het volk als één man terug voeren. De ontaarde zoon keurde dit voorstel goed, en Achitophel maakte zich gereed, om met het leger te vertrekken. Absalom wilde echter ook den raad van Chusai hooren; deze begreep, dat het plan van Achitophel zijnen koning zeker in het verderf zou storten, en zeide tot Absalom: Dezen keer heeft Achitophel eenen raad gegeven , die niet goed is. En hij deed een ander voorstel. Absalom moest geheel Israël onder de wapenen roepen, zich dan zelf aan het hoofd des legers stellen, zijnen vader met groote overmacht aanvallen en hem dan met allen, die met hem waren, verdelgen. Dezen raad gaf Chusai, om aan David tijd te laten, ten einde hij over clen Jordaan trekken en zich in veiligheid zoude kunnen stellen.

Chusai had zoo overtuigend gesproken, dat Absalom en de geheele vergadering de uitspraak deden: De raad van Chusai is beter dan die van Achitophel. Zóó verijdelde God de booze plannen van den verrader zijns

ocr page 505

173

konings en weldoeners. Chusai zond terstond bericht aan de hoogepriesters, wier twee zonen Jonathas en Ac/ii?naas zich buiten Jeruzalem verscholen hadden, om den dienst van boden te verrichten ; door middel van eene dienstmaagd werd hun de last medegedeeld, den koning aan te sporen, nog in dien eigen nacht over den Jordaan te trekken; want Chusai vreesde, dat Absalom weder tot zijn eerste plan zou terugkeeren. De twee trouwe jongelingen bereikten in den nacht de legerplaats van David ; deze gaf terstond bevel om op te breken, en den volgenden morgen bevond hij zich met de zijnen aan de overzijde van den Jordaan in veiligheid.

Achitophel was zich zeiven geen meestér meer, toen hij vernam, dat Chusai boven hem gesteld, en hij voor den raad, voor de soldaten, voor geheel Jeruzalem onteerd was. Verteerd door wroeging en gekwetsten hoogmoed, reed hij naar zijn geboorteplaats Gilo en verhing zich met een strop. Hij was een voorbeeld van Judas door zijnen dood, gelijk hij het geweest was door het verraden zijns meesters.

David vestigde zich in de stad Mahanaim, waar vroeger Isboseth gewoond had. Hij werd door zijne over-Jordaansche onderdanen met opene armen ontvangen; ieder bracht hem om strijd, wat hij en zijn gevolg behoefden; vooral onderscheidden zich Machir, in wiens huis Miphiboseth vroeger een verblijf gevonden had, en de rijke Berzellai, die het onderhoud voor het huis des konings voor zijne rekening nam. Ook So bi, de koning de Ammonieten, werkte mede tot verlichting van Davids rampspoed. Tegelijk trokken er dagelijks nieuwe soldaten de stad binnen, zoodat David spoedig een leger had, wel klein in getal, maar bestaande uit mannen, die allen bereid waren te sterven voor de heilige rechten van hunnen koning.

Absalom had eene groote menigte te wapen gebracht en trok met Amasa, dien hij tot veldheer benoemd had, over den Jordaan tegen zijnen vader op. Hoezeer het vergieten van Israëlietisch bloed David tegen de borst stuitte, hij moest, wilde hij niet in Mahanaim belegerd worden, zijn leger in het veld brengen. Hij splitste zijne troepen in drie afdeelingen en gaf het bevel daarover aan

ocr page 506

174

Joab, Abisai en Ethai; echter wilde hij ook zelf mede ten strijd trekken. Doch alle soldaten, die voor zijn dierbaar leven vreesden, verzetten zich tegen dat voornemen. Neen, koning! riepen zij, gij trekt niet met ons uit! Het is beter, dat gij tot onze bescherming in de stad blijft. — Ik zal doen wat u goeddunkt, antwoordde de koning, en hij bleef bij de poort der stad staan, terwijl zijne strijders uittrokken. Telkens wanneer een bevelhebber voorbijging, gebood hij luidde, zoodat allen het hoorden ; Spaar mij mijnen zoon Absalom !

In een bosch werd de slag geleverd; het groote leger van Absalom kon niet vereenigd blijven en werd door de helden van David bij gedeelten geslagen, in verwarring gebracht en op de vlucht gedreven; zeer velen vonden in kuilen en moerassen den dood, en Absaloms goddelooze strijd kostte aan 20,000 Israëlieten het leven. De snoode zoon vluchtte geheel alleen op een muilezel voort; zijn helm was hem van het hoofd geslagen, en zijne lange haren slingerden om zijne schouders. Terwijl hij door een dichtbewassen gedeelte van het bosch met allen mogelijken spoed voortreed, voelde hij zich eensklaps bij de haren gegrepen door een afhangenden tak van eenen eikeboom; zijn muilezel schoot onder hem door, en Absalom hing tusschen hemel en aarde. Een soldaat zag hem hangen en berichtte het aan Joab; deze veldheer, het belang van den staat meer tellend dan den wensch van Davids vaderhart , snelde naar de aangewezene plaats en doorstak den rampzalige met drie lansen; zijn lijk werd in eenen kuil geworpen en met steenen bedekt. Joab riep nu zijne soldaten van de verdere vervolging der oproermakers terug; de strijd was geëindigd en de opstand onderdrukt.

Voor David had de overwinning zijner dapperen alle waarde verloren, toen hij het ellendig uiteinde van zijnen zoon vernam; de arme vader beweende den ondankbare, die hem zoo gruwzaam beleedigd had en sprak, zuchtend en klagend: Mijn zoon Absalom! Absalom, mijn zoon! ach, had ik mogen sterven in uwe plaats! Absalom, mijn zoon! mijn zoon, Absalom!

Het lot van Abs;ilom is eene waarschuwing voor alle kinderen,

om nooit hunne hand op te heffen tegen hunne ouders; tevens is

ocr page 507

175

het eene voorspelling', dat de booswichten, die oproer maken tegen het wettig gezag, gewoonlijk slecht aan hun einde komen.

XCVI. Davids terugkeer naar Jeruzalem.

David trok nu weder van Mahanaim naar den Jordaan. Een der eersten welke hem te gemoet kwamen, was Senieï, die zich voor zijne voeten nederwierp en smeekte: Ach, mijn heer! reken mij de misdaad niet toe en gedenk niet, hoe uw knecht u gehoond heeft op den dag dat gij, heer mijn koning! uit Jeruzalem uitgingt. De koning schonk grootmoedig vergiffenis aan zijnen vijand en zwoer, dat hij niet sterven zou. Hij trok vervolgens over de rivier en kwam te Galgala, waar zich eene groote menigte volks vereenigd had, om den koning in plechtigen optocht naar Jeruzalem terug te voeren.

Hier braken nieuwe onlusten uit. De stam van Juda namelijk was den anderen stammen vóór geweest, en van hun afgevaardigden bevond slechts de helft zich te Galgala, toen de tocht naar de hoofdstad beginnen zou. Niet zonder reden beschouwden de gezanten der andere stammen dit als een onrecht, dat men hun aandeed, en vroegen aan de mannen van Juda, waarom zij aldus gedaan hadden. Dezen antwoordden bitter en hoonend: Omdat de koning ons nader is dan u ! — Neen, riepen de anderen, tienmaal meer behoort de koning aan ons dan u! Want zij waren tien stammen, en Juda slechts één. Toen nu de twist totquot; openlijke vijandschap ontaardde, stookte zekere Seba een nieuw oproer aan. Wij hebben geen deel aan David! schreeuwde hij; keer terug naar uwe tenten, Israël! En allen, behalve die van Juda, verlieten den koning, die vervolgens zijne hoofdstad binnentrok.

De volkstwist te Galgala had wel voor het oogenblik geene erge gevolgen, maar was toch het begin van den haat tusschen Juda en de overige stammen, welke haat later de tien stammen voor altoos van Juda zou afscheuren. Nu reeds hadden de tien stammen zich den naam van Israël bij uitsluiting toegekend en zich, evenals in het begin van Davids regeering, vijandig tegenover Juda geplaatst. — Dat er niet meer van twaalf, maar slechts van elf stammen gesproken wordt, heeft zijne reden daarin, dat Benjamin, sedert Jeruzalem de hoofdstad van het Rijk was geworden, bij Juda ingelijfd en dus als zelfstandige stam verdwenen was.

ocr page 508

176

w

XCVII. Laatste voorvallen onder Davids Regeering.

Seba had zich met zijnen aanhang naar het Noorden van het Rijk begeven. David beval Amasa, dien hij den rang van veldheer had laten behouden, tegen de oproerlingen op te trekken; doch toen Amasa binnen den bepaalden tijd niet gereed was, zond David eenige keurbenden onder Abisai, den broeder van Joab, die mede trok en inderdaad de aanvoerder was. Toen nu Joab onderweg het leger, dat Amasa verzameld had, ontmoette, vermoordde hij op de meest verraderlijke wijze dezen veldheer, die door den koning boven hem gesteld was. Kort daarna maakte Joab een einde aan den opstand. Want toen hij de stad Abe la, waarin Seba zich bevond, dreigde te bestormen, indien de oproermaker niet werd uitgeleverd, wierpen de inwoners het hoofd van Seba over den walmuur; zoo werd de rust hersteld.

In de laatste jaren zijner regeering bracht David, door eene zeer onvoorzichtige daad, waartoe hij door eerzucht en hoogmeed aangespoord werd, een ijselijk onheil over zijn volk. Hij beval Joab het geheele land door te trekken en eene volkstelling te houden, waarschijnlijk met het doel om de verplichting tot krijgsdienst zwaarder te maken. Joab schrikte voor dezen last terug en waarschuwde den koning, dat die telling aan Israël tot zonde zou gerekend worden ; maar David hield vol, en Joab moest gehoorzamen. Eer het geheele volk opgeschreven was, kwam reeds de toorn des Heeren over Israël, en erkende de koning zelf, dat hij grootelijks gezondigd en zeer dwaas gehandeld had. Maar God had het zwaard zijner gerechtigheid opgeheven , en de schuldigen zouden de verdiende straf niet ontgaan. De profeet Gad ontving van God den last om den koning die straf aan te kondigen, en daarenboven hem zeiven de keus te laten doen tusschen drie rampen: óf een hongersnood van drie jaren, óf een ongelukkigen oorlog van drie maanden, óf eene pest van drie dagen. Overweeg nu derhalve, zeide de profeet, en beslis, wat ik antwoorden moet aan Hem, die mij gezonden heeft. David kon geen keus doen en riep uit; Verschrikking van alle kanten! Doch het is mij beter te vallen in de

ocr page 509

177

handen des Heeren dan in de handen der menschen; want Gods barhartigheid is groot!

God zond zijnen verderfengel met het zwaard in de hand naar het land van Israël, en de pest viel op het volk en begon ook te Jeruzalem te woeden. Toen gebood God aan den engel: Het is genoeg; trek nu uwe hand terug. Er waren 70.000 offers gevallen.

Terwijl David met de oudsten van Jeruzalem om genade bad, zag hij eensklaps den verderfengel, die het ontbloote zwaard naar de stad gekeerd hield. Hij wierp zich plat ter aarde neder en riep smeekend: Ach God! ik ben het die gezondigd heb, ik heb de volkstelling geboden. Dat dan uwe hand zich keere tegen mij en tegen mijns vaders huis, maar dat uw volk niet sterve! De profeet kwam andermaal en zeide tot den koning: Sta op en bouw den Heer een altaar op den dorschvloer van Ornan. Deze dorschvloer lag op den Mor ia, een der bergen, waarop Jeruzalem gebouwd was; het was dezelfde berg, waarop de aartsvader Abraham zijnen zoon had willen opofferen, en waarop koning Salomon later den tempel bouwde. David kocht dien dorschvloer, en bouwde daarop een altaar. Toen het offerdier daarop was gelegd, daalde er vuur uit den hemel neder en verteerde het offer, ten bewijze dat God weder verzoend was met zijn volk.

Het aantal strijdbare mannen bedroeg bij de vermelde volkstelling ongeveer anderhalf millioen ; de Levieten waren 38,000 man sterk. Uit dezen koos David de geschikste personen uit tot rechters, die hij over het geheele Rijk verdeelde; de andere Levieten moesten de priesters in hun heilig dienstwerk bijstaan ; 4,000 Levieten waren met dc bewaking van het heiligdom belast, en 4,000 anderen vormden het heilig muziekkoor. De priesters werden door David verdeeld in 24 familiën, die ieder eenen oppersten priester aan het hoofd hadden, en elkander, naar eene vaste volgorde, in het waarnemen van den heiligen dienst aflosten

XCVI1I. Zalving van Salomon.

Het laatste levensjaar van David was begonnen; hij was afgeleefd en uitgeput van krachten en wist dat zijn einde naderde.

12

ocr page 510

178

De prins Adonias maakte van den toestand van verzwakking naar ziel en lichaam, waarin de koning verkeerde, gebruik om zich, nog bij het leven zijns vaders , op den troon te verheffen. Op zekeren dag, toen Adonias zijnen aanhang, waartoe ook de veldheer Joab en de hoogepriester Abiathar behoorden, tot eenen offermaaltijd bij de fontein Rogcl, even buiten Jeruzalem, genoodigd had, begaf zich de profeet Nathan met Bethsabee tot koning David, om hem de eerzuchtige plannen en den toeleg van Adonias te openbaren. Bethsabee herinnerde hem aan zijnen eed, dat niemand anders dan Salomon zijn opvolger wezen zou. David antwoordde haar: Gelijk ik u gezworen heb, zeggende: uw zoon Salomon zal na mij regeeren en hij zal op mijnen troon zitten in mijne plaats, zóó zal ik heden doen. Terstond gebood hij den hoogepriester, Zadok, en Banajas, den bevelhebber der lijfwacht, Salomon in plechtigen optocht naar den vijver Gihon, die buiten de stad, aan den tegenovergestelden kant van Rogel lag, te geleiden; Nathan en Zadok moesten hem daar tot koning zalven.

De jonge prins reed op de muilezelin zijns vaders en werd omringd door de koninklijke lijfwachten en voorafgegaan door ecne onafzienbare menigte volks; bij den vijver goot Zadok de heilige zalfolie op zijn hoofd uit; de trompetten schaterden, en allen riepen vol vreugde uit: Leve koning Salomon! Toen David zijnen zoon wederzag, sprak hij: Gezegend zij de Heer, de God van Israël, die heden mijne oogen dengene doet aanschouwen, dien Hij op mijnen troon doet zitten. En de dienaars des konings wenschten David geluk en zeiden: Groot make God den naam van Salomon boven uwen naam, en heerlijk zijnen troon boven uwen troon !

Zoodra Adonias vernam wat er gebeurd was, nam hij de vlucht. Salomon liet hem weten, dat hij, indien hij zich rustig gedragen wilde, niets behoefde te vreezen; daarop keerde Adonias naar Jeruzalem terug en huldigde openlijk-zijnen broeder. — Salomon werd gezalfd in het jaar 1015 voor Christus; hij was toen 18 jaren oud en had reeds een zoon, Rob aam geheeten.

ocr page 511

179

XCIX. Laatste handelingen en dood van David.

David had zich gedurende zijne geheele regeering beijverd, om alles in gereedheid te brengen, wat zijn zoon voor het bouwen van der; tempel zou noodig hebben; onmetelijke schatten had hij verzameld, bekwame werklieden en kunstenaars te Jeruzalem vereenigd, en zelf naaide voorbeelden, welke God hem in hemelsche gezichten getoond had, teekeningen vervaardigd van de gebouwen, de heilige vaten en andere sieraden des tempels. Vooral in de laatste dagen zijns levens werd hij verteerd door den ijver voor Gods huis. Mijn zoon ! sprak hij tot Salomon , de Heer zij met u! Wees gelukkig en bouw het huis voor den Heer uwen God, gelijk Hij van u gezegd heeft. De Heer geve u ook wijsheid en verstand, opdat gij Israël regeeren en de wet van den Heer uwen God, kunt onderhouden. Zie, in mijne armoede heb ik schatten verzameld voor het huis des Heeren : honderdduizend talenten gouds, duizend maal duizend talenten zilvers; het koper en ijzer is niet te wegen ; hout en steenen heb ik bereid voor alle bouwwerk; ook hebt gij vele kunstenaars, steenhouwers en werkmeesters in hout, uitstekend bekwaam in eiken kunstarbeid, om het werk tot stand te brengen. Welaan dan, doe het! En de Heer zal met u zijn.

als bouwheer des tempels, maar ook als Salomon de heilzaamste lessen van zijnen den weg der gansche aarde, zeide David; wees man! Onderhoud al de wetten van

Niet alleen vorst

vader. Ik heb moed en

ontving

den Heer uwen God, opdat gij wandelen moogt op zijne wegen, en de Heer zijne woorden gestand doe, die Hij tot mij gezegd heeft; Indien uwe zonen voor Mij wandelen in waarheid en met geheel hun hart en geheel hunne ziel, dan zal uw geslacht den troon van Israël blijven bezitten. In het bijzonder beval David de zonen van zijnen weldoener Berzcllai aan Salomons dankbaarheid aan, en waarschuwde hij den jongen vorst tegen twee slechte en zeer gevaarlijke mannen, den veldheer Joab • en den majesteitschenner Semeï.

De groote plechtigheid der kroning van Salomon wilde David nog bijwonen. Uit alle oorden van het rijk kwamen

ocr page 512

i8o

de aanzienlijken te Jeruzalem samen; nadat talrijke offers opgedragen waren, werd dc nieuwe koning, ten aanzien van al het volk, op nieuw gezalfd en besteeg hij den troon zijns vaders. Allen juichten hem toe en beloofden hem gehoorzaamheid; en God bekleedde hem met eene vorstelijke majesteit, zooals vóór hem geen koning van Israël bezeten had.

Alle wenschen van David waren nu vervuld; hij stierf in den ouderdom van 70 jaren en 6 maanden, na zeven en een half jaar te Hebron en 33 jaren te Jeruzalem geregeerd te hebben ; zijn lichaam werd op den berg Sion begraven. — Hij stierf in het jaar 1014 voor Christus.

David was de grootste onder de koningen van Israël; zijne nagedachtenis is altijd in zegening gebleven, en met eerbied noemen ook wij den naam van den edelen en verheven vorst, den gewijden zanger, den grooten profeet, den heiligen boeteling, den vader van onzen Heer Jesus Christus naar het vleesch.

C. De Psalmen.

Het bock der Psalmen is eene verzameling van 150 heilige gezangen, waarvan dc meeste door David zijn opgesteld ; vandaar worden zij allen gewoonlijk de Psalmen van David genoemd. De Psalmen kunnen, naar hunnen inhoud, tot vijf klassen gebracht worden:

Historische leerdichten, waarin de oude geschiedenis der Joden en de wonderlijke leiding Gods bezongen worden.

Zedelijke onderwijzingen, waarin het geluk der deugd-zamen en het ongeluk der boosdoeners beschreven worden.

Lofgezangen tot verheerlijking van God als Schepper en Regeerder der wereld en als Beschermer van zijn uitverkoren volk.

Treurzangen, waarin de dichter in tijden van verdrukking klaagt en om redding smeekt. Tot deze klas behooren de bekende zeven boetpsalmen, welke de uitdrukking zijn van Davids berouw en hoop op vergiffenis zijner zonden.

Messiaansche Psalmen, welke profetieën zijn van den toekomstigen Verlosser.

De Psalmen waren de voornaamste gebeden der Joden

ocr page 513

i8i

cn onmisbaar bij de openbare uitoefening van hunnen godsdienst, waaraan zij vooral zin en beteekenis verleenden. De Joden vonden in de Psalmen hunne geheele geschiedenis, al de waarheden, die zij gelooven, en al de voorschriften, die zij, om godsdienstig te leven, onderhouden moesten; vooral vonden zij daarin de duidelijkste voorspellingen van den Messias, die hunne hoop en verwachting was.

In de Katholieke Kerk maken de Psalmen een voornaam gedeelte der kerkelijke gebeden uit; in elke heilige Mis worden Psalmen gelezen, en van het Brevier-gebed dei-priesters zijn de Psalmen het hoofdbestanddeel. De heilige Vaders zeggen, dat het boek der Psalmen eene rijke bron is van goddelijke waarheid, eene samenvatting van alle zedewetten, een voor ieder toegankelijke en nooit uit te putten schat des levens; in dat boek heerscht een welsprekendheid en eene poësie vol hemelsche zalving; daarin vindt de ziel troost en opbeuring in alle lijden, het verstand verlichting, het hart heilige verkwikking. En ieder, die Gods majesteit, almacht, wijsheid en voorzienigheid loven, de barmhartigheid des oppersten Rechters afsmeeken, hulp in eiken nood vragen, Gods goedheid voor ontvangene weldaden danken wil, — ieder, die geleerd en gesticht wil worden, vindt in de Psalmen alles wat hij verlangen kan. — Ook als dichtstukken beschouwd, zijn de Psalmen onvergelijkelijk schoon en verheven.

Cl. De Messiaansche Psalmen.

In de Psalmen van David vinden wij zeer vele profetiën over den Messias, welker vervulling in Christus door de heilige schrijvers van het Nieuw Testament is aangewezen. Er zijn echter vijf Psalmen, die bij uitstek den naam van Messiaansche dragen, omdat zij in hun geheel, : rechtstreeks en onmiddelijk op Christus slaan. Eén van die Psalmen, de aistc^ stelt Christus voor in zijn lijden; de vier anderen, de 2de, de 44st:e, de 71ste en de 109de, bezingen Hem in zijne verheerlijking en in zijn werken als Koning der verloste wereld. Hier volgen eenige zeer voorname teksten.

ocr page 514

i82

In den lijdenspsalm wordt Christus voorgesteld , hangend aan het kruis en sprekend:

Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten! — Ik ben een worm en geen mensch, de smaad der menschen en de verachting des volks. Allen, die Mij zien, bespotten Mij ; zij spreken met hunne lippen en schudden met hun hoofd (zeggende); Hij heeft op den Heer vertrouwd: dat die Hem redde! dat die Hem verlosse, daar Hij in Hem behagen heeft! — Al mijne beenderen zijn vaneen gerukt; mijne tong kleeft aan mijn gehemelte. Zij hebben mijne handen en mijne voeten doorboord. Zij hebben mijne beenderen geteld. Zij hebben mijne kleederen onder elkander verdeeld en over mijn gewaad het lot geworpen. In den 2den Psalm spreekt Christus:

De Heer heeft tot Mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden geteeld. Vraag van Mij, en Ik zal U de heidenen geven tot uw erfdeel en tot uw bezit de grenzen der aarde.

In Psalm 109 noemt David den Messias zijnen Heer en spreekt:

De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: zit aan mijne rechterhand, totdat Ik uwe vijanden stelle tot voetbank uwer voeten. — De Heer heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedech.

In deze twee Psalmen wordt de Godheid van Christus duidelijk uitgesproken. Christus is, naar zijne goddelijke natuur, de Zoon van God, niet in dien zin, waarin ook menschen kinderen Gods genoemd worden, maar in dien zin, dat Hij uit God, zijnen hemelschen Vader, geboren is; daarom moet Hij ééne en deselfde natuur hebben als God de Vader en dus God zijn, evenals de Vader God is. David noemt Christus uitdrukkelijk God in den 4431011 Psalm, waar hij Hem toespreekt:

Uw troon, o God! is in eeuwigheid der eeuwigheid! Gij bemint de rechtvaardigheid en Gij haat het onrecht; daarom, 0 God! heeft uw God U gezalfd met den olie der vreugde. En tot de Kerk, die de heilige Bruid van Christus is, zegt hij: Hoor, o Dochter! en zie en neig uw oor en vergeet uw volk en uws vaders huis! Want

ocr page 515

I83

de Koning zal behagen nemen in uwe schoonheid; Hij immers is uw Heer; aanbid hem dan !

In den jisten Psalm wordt de regeering van Christus over de verloste wereld beschreven en van Hem gezegd: Hij zal blijven zoolang zon en maan duren, van geslacht tot geslacht. — Alle koningen der aarde zullen Hem aanbidden, alle volken zullen Hem dienen. — En in Hem zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

Ook de verrijzenis van Christus heeft David in een anderen Psalm aangeduid, toen Hij in den persoon des Verlossers zcide:

Gij (o God) zult mijne ziel niet verlaten in de hel (dat is, in de onderwereld) noch uwen Heilige het verderf laten zien.

Als wij al de voorspellingen, welke wij in de Psalmen vinden, in de hoofdtrekken samenvatten, dan staat het volgende beeld des Messias voor onze oogen:

Hij is de Nakomeling, de groote Zoon, doch tegelijk de Heer van David. Hij is Koning, de Regeerder van alle volken en de Overwinnaar van al zijne bestrijders. Hij is de Zoon van God, eeuwig uit den Vader geboren; Hij is God. Hij lijdt de grootste smarten en sterft aan een kruis. Maar hij rijst weder uit het graf, Hij zit aan Gods rechterhand, heerscht eeuwig en geniet eeuwige aanbidding. Hij is Priester naar de orde van Melchisedech en stelt een blijvend Offer in en eencn Maaltijd, waaraan alle menschen deelnemen. Hij sticht eene kerk, die eeuwig blijft en alle volken der aarde omvat.

v «

CII. Aanvang van Salomons regeering. ' p d

De deugdzame Salomon wilde, bij den aanvang zijner regeering, zich zeiven en geheel zijn volk plechtig aan God toewijden. Hij ging dan met alle aanzienlijken en overheidspersonen naar Gabaon, waar de tabernakel met het brandoffer-altaar stond, en vierde daar een dankfeest van meerdere dagen; duizend offers van aanbidding en dankzegging werden aan God opgedragen. In eenen nacht verscheen hem God en zeide hem: Vraag wat gij wilt dat Ik u geve. En Salomon sprak: Ik ben slechts een

ocr page 516

184

zwak jongeling ik weet nog niet hoe te handelen. Geef uwen dienaar dan een leerzaam hart; geef mij wijsheid en verstand, opdat ik in staat zij uw volk te richten en onderscheid te maken tusschen goed en kwaad. Dit gebed was hoogst welgevallig aan God, en Hij antwoordde: Omdat gij dit gevraagd hebt en niet rijkdom en bezit en eer, niet de zielen van die u haatten noch ook een lang leven; maar omdat gij gevraagd hebt wijsheid en verstand om mijn volk te kunnen richten, — zie, Ik heb u gedaan naar uwe woorden; Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven. Maar ook, wat gij niet gevraagd hebt, heb Ik u gegeven; rijkdom en bezit en glorie zal Ik u schenken, zoodat geen van de koningen , noch vóór u noch na u, aan u gelijk zal zijn. En indien gij, evenals uw vader gedaan heeft, op mijne wegen wandelt en mijne geboden en voorschriften onderhoudt, zal Ik uwe dagen lang maken. Te Jeruzalem teruggekeerd, droeg Salomon ook voor de ark des Verbonds talrijke offers op.

Het eerste bewijs, dat de jonge koning van zijne wijsheid gaf, was eene daad van straffende rechtvaardigheid tegenover zijnen broeder Adonias, den veldheer Joab en den hoogepriester Abiathar. Deze drie waagden voor de tweede maal eenen aanslag tegen den koning en rekenden zoozeer op zijne jeugdige onbedrevenheid, dat zij hem zeiven wilden overhalen tot eene daad, waardoor hij de rechten, die zijn oudere broeder Adonias op den troon meende te hebben, openlijk erkennen zou. De wijze Salomon doorzag echter het geheele plan der samenzweerders, zoodra zij den eersten stap tot de uitvoering daarvan deden, en veroordeelde hen ter dood. Het vonnis werd aan Adonias en Joab voltrokken; Abiathar werd om reden zijner heilige waardigheid niet omgebracht maar van het hoogepriesterschap afgezet. Banajas werd veldheer, en Zadok was van nu af alleen hoogepriester.

Ook Sevieï maakte zich weldra aan overtreding schuldig, die hem den dood deed ondergaan. Salomon had namelijk, om wijze redenen, aan dezen gevaarlijken man Jeruzalem tot woonplaats aangewezen en hem op doodstraf verboden, die stad te verlaten. Toen nu Semeï eens, zonder

ocr page 517

i85

verlof gevraagd te hebben, eene reis deed naar het land der Philistijnen, vervulde de koning zijn vroegere bedreiging.

Nu was er niemand meer over, die Salomons regeering bemoeilijken kon; het rijksgebied was bevestigd in zijne hand ; hij beminde den Heer en wandelde naar de voorschriften van David zijnen vader.

Eens gebeurde het, dat twee vrouwen voor zijnen rechterstoel verschenen. Zij woonden in één huis en waren, bijna gelijktijdig, moeder geworden van eenen zoon. Niet lang na de geboorte stierf, in eenen nacht, een der twee kinderen; de moeder stond in stilte op, nam het lijkje en legde het in de plaats van het levende kind der andere vrouw, zonder dat deze ontwaakte. Den volgenden morgen ontdekte deze het bedrog en zag haar kind in de armen der andere moeder. Doch gene hield nu vol, dat het levende kind het hare was en wilde het niet teruggeven. Zoo verschenen zij, twistend en scheldend, voor den koning en zwoeren beider , de moeder te zijn van het levende kind. Daar er noch getuigen , noch uiterlijke teekenen waren , gebood Salomon eindelijk: Brengt mij een zwaard! en toen dit gebracht was, zeide hij : Hakt het levende kind midden door, en geeft ieder de helft! Hij wist wel, dat nu het onderscheid tusschen de moeder en de bedriegster moest aan den dag komen. Op het hooren van zijn bevel riep de eene vrouw: Goed! dan zullen wij geen van beiden het hebben! Maar de ander sprak: Ach, heer, geef haar het levende kind en dood het niet? Toen zeide Salomon: Geef aan deze het kind, want zij is de moeder. Allen, die dezen uitspraak hoorden , werden met ontzag vervuld en erkenden, dat de wijsheid Gods in hem was.

CI1I. De Tempel.

In het vierde jaar der regeering van Salomon begon men den tempel te bouwen. De Phoenicische koning Hiram, die ook Davids vriend geweest was, voldeed gaarne aan Salomons verzoek tot het leveren van het kostbare cederhout, dat in vlotten over zee naar Joppe en vervolgens over land naar Jeruzalem gevoerd werd. Tot vergoeding

ocr page 518

186

leverde Salomon jaarlijks eene hoeveelheid granen, wijn en olie. Ook zond Hiram eenen kunstenaar van den eersten rang, die ook Hiram heette, naar Jeruzalem. Salomon riep in zijn Rijk alle bekwame werklieden op. Deze waren 30,000 in getal en werden in drieën verdeeld, om elkander maandelijks af te wisselen. Eene veel grooter menigte werd gebruikt tot het verrichten van het zware en grove werk. zooals het dragen en trekken van lasten, het uitgraven en vervoeren van rotsblokken. Hiertoe echter bezigde Salomon geene Israëlieten maar de afstammelingen der oude bevolking van Kanaan.

God zelf had den berg Moria aangewezen als de plaats, waar de tempel verrijzen moest. Doch de bovenvlakte van dezen berg had te weinig omvang; dus deed Salomon eerst eenen ontzaggelijk dikken muur optrekken, die dezelfde hoogte had als de berg, en vervolgens de ruimte tusschen dien muur en den berg met aarde aanvullen; aldus werd de Moria in den tempelberg herschapen.

De eigenlijke tempel was in den vorm aan den ouden tabernakel gelijk , doch eens zoo lang en breed , en driemaal zoo hoog. Aan de voor- of oostzijde werd een voorportaal of portiek aangebouwd, en rondom de drie andere zijden van den tempel liep eene galerij van drie verdiepingen ; in den tempelmuur, welke boven die galerij uitstak, bevonden zich de vensters. Van binnen werden de muren met cederhout beschoten, dat prachtig gebeeldhouwd en geheel met goud overtogen werd; de deuren waren van gelijke stof en maaksel. Voor de portiek stonden twee koperen kolommen van reusachtige grootte en allerkun-stigste bewerking.

De tempel had twee voorhoven; het binnenste was het voorhof der priesters, het buitenste was voor het volk bestemd. In het priestervoorhof stond het groote brandoffer-altaar, het waschvat, dat om zijne grootte, koperen zee genoemd werd, en tien kleine waschvaten, die men verplaatsen kon. In het Heilige der heiligen stonden twee vergulde engelenbeelden, onder wier vleugelen de ark des Verbonds rusten moest. In het Heilige stoncl weder het reukaltaar en aan beide zijden vijf gouden kandelaars en vijf toonbrooden-tafels. Het buitenste voorhof was door

ocr page 519

18;

een muur omringd, waartegen gebouwen stonden, die dienden tot bewaarplaatsen der tempelschatten, tot spijs-zalen en tot verblijf der priesters en Levieten. Op de plaats, waar de tempel verrees, hoorde men geen hamer of bijl; want de steenen en andere bouwmaterialen werden buiten het bouwterrein geheel afgewerkt en zoo volkomen pas gemaakt, dat men ze slechts in elkander te voegen en met cement te bevestigen had: zóó bekwaam waren de bouwmeesters, en zulk eencn eerbied had men voor het huis des Heeren.

CIV. Inwijding van den Tempel.

Tsfa zeven jaar was de tempel volbouwd in het jaar 1003 voor Christus; de plechtige inwijding had plaats ééne week vóór het Loofhuttenfeest. Dc tabernakel en al zijn heiligdommen waren reeds vroeger naar den berg Sion gebracht, om nu, tegelijk met de ark des Verbonds, naar den tempel te worden overgevoerd. De Levieten droegen de heilige ark, Salomon ging met al zijne rijksgrooten voor haar uit; 120 priesters bliezen op bazuinen, en al de Levietische zangkoren begeleidden den tocht met hunne heilige muziek , terwijl eene onafzienbare menigte den trein volgde. Zoo dikwijls de dragers stilstonden, werden offers opgedragen. Men kwam op den tempelberg aan ; de koning beklom zijn koperen troon en de priesters droegen de ark den tempel binnen. Zoodra zij haar in het Heilige der heiligen geplaatst hadden en weder uit den tempel traden, daverde de geheele berg van den lofzang: Looft den Heer, want Hij is goed! Want eeuwig is zijne barmhartigheid. Tegelijk daalde de duistere wolk, die de Israëlieten in de woestijn boven den tabernakel hadden zien zweven, op den tempel af; Jehova nam bezit van zijne heilige woning, en de heerlijkheid des Heeren vervulde den geheelen tempel.

Salomon stond nu op, zegende het volk en sprak vervolgens : Gezegend zij de Heer, de God van Israël! die alles wat Hij tot mijnen vader David gesproken heeft, metterdaad heeft vervuld. Daarna knielde hij neder, breidde zijne armen naar den hemel uit en sprak luide zijn inwijdings-

ocr page 520

i88

gebed ten aanhoore van al het volk, dat zijne smeekingen in stilte met die van zijnen koning vereenigde;

Heer, God van Israël! Niemand is aan U gelijk, God omhoog in den hemel en omlaag op de aarde! Is het dan te gelooven, dat God waarlijk met de menschen op aarde woont? Als de hemelen der hemelen U niet kunnen bevatten, hoeveel minder dit huis, dat ik gebouwc heb! Maar het is slechts gesticht, opdat Gij moogt nederzien op het gebed van uwen dienaar; opdat Gij uwe oogen opent dag en nacht over dit huis, over de plaats waarin Gij beloofd hebt, dat uw naam zou worden aangeroepen; opdat Gij de smeekingen verhoort van uwen knecht en van uw volk Israel. Al wie in deze plaats zal bidden, verhoor hem uit uwe woning, uit de hemelen, en wees genadig!

Nadat de koning zijn gebed geëindigd had, naderden de priesters om het eerste offer op te dragen. Alles was gereed en het hout, waarop het geslachte offerdier lag, zou ontstoken worden, toen eensklaps een vuurstraal uit den hemel op het altaar nederschoot en de offerhouten vlammen deed. Allen zagen het en wierpen zich in aanbidding ter aarde neder voor God, die nu wederom, evenals in de woestijn van Sinaï, het heilige vuur zelf ontstoken en den Joodschen offerdienst op nieuw door een heerlijk wonder bekrachtigd had.

Gedurende twee weken vierde het volk te Jeruzalem feest. In dien tijd verscheen God andermaal aan Salomon en zeide tot hem : Ik heb uw gebed gehoord en Ik heb Mij deze plaats uitverkoren tot een huis des offers, opdat mijn naam daar zij in eeuwigheid, en mijne oogen en mijn hart daar blijven alle dagen. En als gij voor Mij wandelt in oprechtheid des harten en in rechtvaardigheid en alles doet wat Ik u bevolen heb, dan zal Ik den troon van uw koningschap over Israël bevestigen in eeuwigheid. Maar indien gij en uwe kinderen u van Mij afkeert en mijne geboden niet onderhoudt maar heengaat, om vreemde godheden te dienen en te aanbidden, dan zal Ik Israël wegvagen uit het land, dat Ik hun gegeven heb, en den tempel, dien Ik mijnen naam geheiligd heb, zal Ik verwerpen uit mijn aangezicht. Dan zal Israël zijn tot een schimp en een spot voor alle volken. En dit huis zal

ocr page 521

189

worden tot een voorbeeld: ieder die er voorbijgaat, zal verstomd staan en zeggen: Waarom heeft de Heer zóó gedaan aan dit land en aan dit huis? En men zal antwoorden : Omdat zij den Heer verlaten hebben, den God hunner vaderen, en omdat zij andere goden aangenomen en die aanbeden en gediend hebben, daarom zijn al die rampen over hen gekomen. — Eene schrikkelijke voorspelling, die aan de Joden en aan hunnen tempel ten volle is vervuld geworden.

CV. Salomons luistervolle regeering.

Tot de groote bouwwerken, welke Salomon tot stand bracht, behoort vooral het koninklijk paleis, dat hij in de nabijheid van den tempel deed optrekken. Het was een gebouw van nooit gehoorde pracht en rijkdom, en men arbeidde daaraan dertien jaren lang. Een gedeelde daarvan was het verblijf der dochter van den Egyptischen koning, met wie Salomon zich in het begin zijner regeering in het huwelijk verbonden had. In dat paleis stond de koningstroon van ivoor en goud, een meesterstuk, dat in geen Rijk der aarde zijne weêrga vond. In het voorhof van het paleis hingen 500 gouden schilden te pronk, die eene waarde hadden van twee millioen guldens; ook waren al de vaten en alles, wat tot de tafel des konings behoorde, van zuiver goud; zilver had in Salomons dagen geen waarde!

De koning omringde zijne hoofdstad met een nieuwen muur en bouwde den sterken Davidsburcht op den Sion; vele steden in zijn rijk deed hij met vestingwerken versterken, en nieuwe steden bouwde hij zoowel in als buiten Kanaan. Hij had wagen- en ruiter-steden, waarin zijne talrijke ruiterij in garnizoen lag; 1400 wagens had hij, 4000 wagenpaarden en 12000 rijpaarden.

Onder de regecring van Salomon genoot het geheele volk al de zegeningen, welke macht en rijkdom aan een koninkrijk kunnen schenken. Iedereen woonde zonder eenige vrees onder zijnen wijngaard en zijnen vijgeboom, van Dan af totaan Bersabee. De bevolking nam toe; het land toonde nu eerst voor goed zijne wonderbare vrucht-

ocr page 522

190

baarheid, en van alle kanten stroomde het goud naar Kanaan. De koophandel droeg veel bij tot de welvaart des rijks ; Israël stond in handelsverkeer zoowel met Egypte als met Arabië en Indië; doch vooral ontwikkelde zich de scheepvaart en de zeehandel, welken Salomon, in ver-eeniging met de Phoeniciërs, voornamelijk dreef op Tharsis en het rijke goudland Ophir.

Aan de inkomsten des konings, die, behalve den cijns der schatplichtige volken, veertig millioen gulden bedroegen, beantwoordde zijne hofhouding. De spijzen, die dagelijks voor de maaltijden van het vorstelijk huis werden aangevoerd , waren voldoende om de bevolking eener geheele stad te voeden: er waren, om alleen van vleeschspijzen te spreken, dagelijks noodig, behalve wild en gevogelte, dertig runderen en honderd schapen. ^

CVI. Salomons wijsheid. Bezoek der Koningin

van Saba.

Veel meer dan door rijkdom en glorie schitterde Salomon uit door zijne wijsheid; hij was wijzer dan alle menschen, en zijn naam was beroemd bij alle volken in het rond. Ook bezat hij de uitgebreidste wetenschap: hij handelde over het geboomte, van den ceder op den Libanon af tot aan de hysop-plant (eene soort van mos), die tusschen den muur uitgroeit; over viervoetige dieren, vogels, kruipend gedierte en visschen. In vele geschriften heeft Salomon zijne wijsheid en wetenschap nedergelegd; drie zijner boeken zijn in den Bijbel bewaard gebleven. Het eerste heet het boek der Spreuken. Spreuken zijn korte en meestal puntige gezegden, waarin nuttige waarheden, lessen der ondervinding of levensvoorschriften worden uitgesproken. Het tweede wordt de Prediker genoemd, omdat Salomon daarin onder den naam van Prediker optreedt. De hoofdinhoud daarvan is: al het aardsche is slechts ijdelheid en kan den mensch geen ware rust geven; de wijze moet een godvruchtig leven tot zijn deel verkiezen: dit alleen kan geluk aanbrengen. Het derde boek is een dichtstuk en heet het Hooglied; het is eene zinnebeeldige voorstelling van de geestelijke liefde, welke de rechtvaardige ziel met

ocr page 523

I9i

God vereenigt, eene voorstelling der liefde van Jehova voor zijn volk Israël, en vooral eene voorspelling van de liefde van Christus voor zijne heilige Kerk.

De roem van Salomons wijsheid verspreidde zich in al de omliggende Rijken; uit alle volken en van alle koningen kwamen gezanten, om zijne wijsheid te hooren en hem geschenken te brengen. De koningin van Saba, eene landstreek in Arabië, ondernam zelve de reis naar Jeruzalem om den koning, van wiens matelooze kennis zij zooveel hoorde, met eigen oogen te zien en zijne wijsheid op de proef te stellen. Salomon beantwoordde al hare vragen en loste alles op, wat zij kon voorstellen. Toen zij daarenboven al zijne pracht aanschouwde en vooral den heerlijken tempel, dien hij gebouwd had, en de offers, welke hij daarin opdroeg, was zij buiten zich zelve van verwondering en sprak zij: Het woord is waar, dat ik in mijn land gehoord heb van uwe groote daden en van uwe wijsheid. Ik geloofde de berichtgevers niet, totdat ik zelve gekomen ben en met mijne oogen gezien en mij overtuigd heb, dat de helft mij niet was gemeld. Gelukkig uwe dienaren, die gedurig voor uw aangezicht staan en uwe wijsheid hooren ! Gezegend zij de Heer uw God, die u geplaatst heeft op den troon van Israël! Na rijke geschenken aan den koning aangeboden en nog kostbaarder tegengeschenken van hem ontvangen te hebben, keerde zij naar haar land terug.

i

De wijze Salomon was eene voorafbeelding van Christus, die de eeuwige wijsheid zelve is; de koningin van Saba was eene afbeelding van de heidensche volken, die van verre tot Christus kwamen, om de hemelsche leer, welke hij door zijne Kerk predikt, te hooren en geloovig aan te nemen.

CVII. Laatste jaren van Salomons regeering.

Salomon heeft niet ten einde toe in het goéde volhard; hij bezweek voor de verleidingen der grootheid en der weelde, en vergat den God, die hem zoo hoog verheven had; en toen veranderde zijne wijsheid in dwaasheid, en zijne glorie in schande. Door de weelde verblind, verbond hij zich, tegen het uitdrukkelijk gebod des Heeren, met vele heidensche vrouwen, en deze bedierven zijn hart,

ocr page 524

192

zoodat hij eerst toeliet, dat zij te Jeruzalem hare afgoden vereerden, en vervolgens ook zelf vreemde goden volgde en zich aan afgoderij schuldig maakte; zelfs deed hij, tot openbare ergernis van zijn volk, op den olijfberg nabij Jeruzalem, tempels bouwen voor de afgoden zijner echt-genooten. De straf voor zulke misdaden bleef niet achter; God zelf sprak tot Salomon: Omdat gij dit gedaan hebt, zal Ik uw Rijk uit elkander scheuren en het geven aan uwen knecht. Evenwel zal Ik, om wille van mijnen dienaar David en van de stad Jeruzalem, niet het geheele Rijk (aan uw geslacht) ontnemen, maar eenen stam geven aan uwen zoon.

Ofschoon deze straf eerst na den dood van Salomon zou voltrokken worden, ondervond hij toch de gevolgen zijner zonden reeds bij zijn leven ; in het Zuiden maakte de Idumeër Adad oproer; in het Noorden stond Rason op en onttrok het land van Damaskus aan de heerschappij van Israël; doch eene veel ergere ramp dreigde onder het Joodsche volk zelf los te breken. De jaloersche naijver der tien stammen tegen Juda kwam weder boven, en velen werden, niet zonder reden, zeer ontevreden, vooral om reden der gedurig zwaardere belastingen, welke ter bestrijding der verkwistingen van het hof opgelegd en gevorderd werden. Deze oproerige gezindheid des volks was niet ontgaan aan eenen man van uitstekende bekwaamheid en grooten moed, Jeroboam geheeten en uit den stam van Ephraim afkomstig. Hij was zelfs bereid tot het beginnen van den opstand en verhief zijne hand tegen den koning; echter mislukte zijne poging en moest hij de vlucht nemen naar Egypte, waar de koning Sesak hem met opene armen ontving. Op zijne vlucht ontmoette hem de profeet Ahias, dien God zelf gezonden had. Deze scheurde zijnen mantel in twaalf stukken en zeide toen tot Jeroboam; Neem tien stukken voor u! Want aldus spreekt de Heer, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk uit Salomons hand scheuren en u tien stammen geven. Gij zult koning zijn over Israël. Indien gij dan naar al mijne geboden luistert en op mijne wegen wandelt en doet wat recht is voor|Mij, mijne wetten onderhoudend gelijk mijn dienaar David gedaan heeft, dan zal Ik met u zijn

ocr page 525

193

en u een bestendig huis bouwen. En Davids geslacht zal Ik vernederen , docJi niet voor altoos.

De rampzalige Salomon stierf, na 40 jaren geregeerd te hebben, in het jaar 975 voor Christus.

Er is in het geheele Oude Testament geen ijselijker voorbeeld van de verwoesting, die de zonde in den mensch kan aanrichten, dan de val van Salomon. Hij, de groote Koning, de wijste van alle menschen, de lieveling des Heeren, is bezweken; — wie staat, hij zie dan toe dat hij niet valle! Salomon leert ons, hoe gevaarlijk rijkdom en aardsche grootheid zijn; want deze verleidden hem tot weelde, de weelde maakte hem een slaaf van zinnelijk genot en eindelijk een afgodendienaar.

God wilde Davids geslacht vernederen, maar niet voor altoos. Want de belofte, aan David gedaan, zou vervuld wórden; eenmaal zou de groote Koning uit dat geslacht optreden, Christus, de Zoon van David; aan Hem zou God den troon van zijnen vader geven ; Hij zou heerschen in Jakobs huis in eeuwigheid, en aan zijn Rijk zou geen einde zijn.

L

13

ocr page 526

DERDE TIJDVAK.

GESCHIEDENIS VAN HET VERVAL DES JOODSCHEN VOLK.

Het Joodsche volk daalde langzamerhand van het toppunt zijner grootheid neder, totdat het eindelijk ophield een volk te zijn en in ballingschap werd weggevoerd.

Doch om wille van den Verlosser, die, naar zijne men-schelijke natuur, volgens Gods onfeilbare belofte, de Zoon van Abraham en David wezen zou, behield God een overschot uit de Joden, en werd Jeruzalem voor de tweede maal de stad Gods. Evenwel verhieven de Joden zich niet weder tot hunne vroegere, voor altoos verdwenen grootheid , en herwonnen zij slechts voor een korten tijd hunne onafhankelijkheid, om daarna onherstelbaar te vallen. Toen was de tijd nabij, waarop Christus zou geboren worden.

Door hunne verspreiding onder de heidensche volken werden de Joden de leermeesters der heidenen en deelden zij ook aan dezen de goddelijke openbaringen mede, welke zij van den beginne af ontvangen hadden, en de zekere hoop op de komst van Hem, die de Verwachte aller volken was.

EERSTE AFDEELING.

GESCHIEDENIS DER RIJKEN VAN JUDA EN ISRAËL (975—588 voor Christus.)

CVIII. Scheuring van het Israëlietische Rijk.

De geschiedenis van deze lange en gewichtige afdeeling staat beschreven in het 3de en 4de boek der Koningen en in het 2de boek Paralipomenon; daarenboven in de boeken van sommige Z1J Profeten, vooral van Isaias en Jeremias. / en

ocr page 527

195

Rob o am, de zoon van Salomon, volgde zijnen vader op en werd terstond door den stam van Juda gehuldigd. De andere stammen echter wilden zich niet onvoorwaardelijk onderwerpen, maar belegden eene vergadering te Sic hem en noodigden Roboam uit zich ook derwaarts te begeven ; aan het hoofd der vergadering stond Jeroboam, die na Salomons overlijden aanstonds uit Egypte was teruggekeerd. Toen Roboam met zijnen rijksraad te Sichem gekomen was, spraken de oproerige stammen hem toe: Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; verlicht gij derhalve nu dat juk een weinig en verzacht de hardheid et van uws vaders bestuur; dan zullen wij u onderdanig zijn. ld De koning verzocht drie dagen uitstel, ten einde over het d. verzoek des volks na te denken. Zijne oude en wijze n- raadsheeren spoorden hem aan tot zachtheid en toegeef-Dn lijkheid; doch de koning, die zelf een dwaas was, veren smaadde hunnen raad en luisterde naar onverstandige de jongelingen , welke hem ojDstookten, om het volk nog te ch tergen en hun, in plaats van verlichting, nog hardere en verdrukking te beloven. Op den derden dag verschenen ijd de hoofden opnieuw voor Roboam om zijn besluit te verte nemen. Hij gaf hun ten antwoord: Mijn vader heeft u ^e- een zwaar juk opgelegd : ik zal uw juk verzwaren ; mijn vader heeft u met roeden gegeeseld: ■ ik zal u geeselen en met schorpioenen. Zoodra het verbitterde volk dit koninklijk en besluit vernam, riep het woedend uit: Wat deel hebben ke wij aan David! wat erfenis aan den zoon van Isaï! Trek :re naar uwe tenten, o Israël! en gij, David, regeer uw Ier eigen huis! Roboam zag nu te laat, hoe verkeerd hij gedaan had; hij zond zijnen schatmeester Adurarn om eene poging te wagen, ten einde het volk te bedaren; maar deze werd gesteenigd, en de koning zelf beklom ijlings zijnen wagen en redde zijn leven door de vlucht.

Zoodra hij te Jeruzalem was teruggekeerd, riep hij een ontzaggelijk groot leger te wapen, om de afvallige stammen tot onderwerping te dwingen. Doch God deed hem door j eenen profeet zeggen: Gij zult niet optrekken en niet ^ i strijden tegen uwe broeders; iedereen keere terug naar lio-e I zÜn huis, want Ik heb dat gedaan. Men gehoorzaamde en erkende den nieuwen staat van zaken als onveran-

ocr page 528

196

derlijk. Het gebied van Roboam ontving den naam van rijk van Jnda; het andere rijk heette rijk van Israël, en daarvan werd Jeroboam de eerste koning.

Roboam is een waarschuwend voorbeeld tegen onbezonnenheid; door den wijzen raad van bejaarde en verstandige menschen in den wind te slaan en naar lichtzinnige jongelingen te luisteren, verloor hij het grootste gedeelte van zijn koninkrijk. Kinderen vooral moeten in zaken van belang raad vragen aan degenen, die ouder en voorzichtiger zijn dan zij; voor hen in het bijzonder geldt het woord des H. Geestes; Verwaarloos de leer der ouden niet, want van hen zult gij leeren wijs en verstandig te zijn.

De volgende tafel geeft een overzicht van de gelijktijdige koningen van Juda en Israël. Opdat men bij de Israëlietische koningen de verschillende stamhuizen kunne onderscheiden, zijn de namen van diegenen, welke niet tot het vorige stamhuis behooren, met zwaardere letters gedrukt. »

Achter den naam van eiken koning vindt men het aantal regeerings-jaren, dat de H. Schrift hem toeschrijft; daarbij echter houde men in het oog, dat gedeelten van jaren altijd voor geheele jaren gerekend worden, en dat sommige koningen een tijd lang met hunnen voorganger of opvolger te zamen geregeerd hebben.

ocr page 529

197

JUDA. ISRAËL.

Vóór Chr.

975 Roboam, 17 .... . Jeroboam, 22. a

958 Abia, 3. l/3

955 Asa, 41.

954 • •.........Nadab, 2. qO 4

953 ...........Baasa, 24. — — — - CS

930 ...........Ela, 2. ~

929 ...........Zambri, 7 dairen. —

929 ...........Amri, 12. - amp; amp; e/

9rquot;...........Achab, 22, £/3

914 Josaphat, 25 - _ ---S^2.

^97...........Ochozias, 2. S W

■ t ■ • o......Joram' I2- -

009 Joram, 8.

885 Ochozias, 1. 8'/Z.

884 (Athalia, 6,).....jehu, 28. SWz,

878 Joas, 40. - — - ' ~ S3 é

^56...........Joachaz, 17. SS*!

839 Amasias, 29.....Joas, 16.

025 ■ • ..........Jeroboam II, 41.

810 Ozias, 52. , , _ ^

7 4...........Regeeringloosheid.

773 ...........Zacharias, 6 maanden. -J ^3

772 ...........Sellum, 1 maand.-/2.

772 ...........Manahem, 10. ■ 7 V 2.

7quot;1...........Phaceia, 2. quot; / 3 /

759 ...........Phacee, 20. - 7J 6

758 Joatham, 16. - ____ _ ___p 30

742 Achaz, 16. - ^----— —. _ y 3

739 ........... Regeeringloosheid.

73° • • • -........Osee, 9. - - /7 3 •«i

727 Ezechias, 29. - _ _ _ __

ï l ' ......j ■ 2 ■ ■ Weg7gt;oerzng der hen stammen.

096 Manasses, 55. lt;5 ƒ ^

643 Amon, 2. S-

641 Josias, 31. js

610 Joachaz, 3 maanden. quot; Oo

610 Joakim, 11. 1* 6 d

606 Begin der Babylonische gevangenschap, d ^ amp;

599 Jechonias, 3 maanden. *gt;'-* 5

598 Sedekias, 11. 5-^6

588 Wegvoering van Ju da. yg^

ocr page 530

198

if'

CIX. Juda. Regeering van Roboam en Abia.

I

Koning Roboam gedroeg zich in het begin zijner regeering onberispelijk en versterkte zijn Rijk door vele steden met muren te omringen. Gedurende dien tijd kwamen uit de tien stammen vele familiën, die den godsdienst dei-vaderen niet wilden verlaten, en vooral priesters en Levieten, zich in het Rijk van Juda vestigen.

Evenwel volhardde de koning slechts drie jaren in zijne goede gezindheid; eene zijner vrouwen, Macicha, gaf het voorbeeld van afgoderij , en dit werd spoedig door velen gevolgd; op verschillende plaatsen verrezen altaren en beelden, en op de heuvelen werden bosschen aangelegd, waarin men al de gruwelen der afgoderij pleegde.

God liet dien afval niet ongestraft. Ue Egyptische koning Se sak viel in Juda en belegerde zelfs Jeruzalem. Toen de nood ten top geklommen was, en de inwoners reeds aan het overgeven der stad dachten , verscheen de profeet Semeïa in hun midden en zeide: Dit zegt de Heer: gij hebt Mij verlaten, en Ik heb u verlaten in de hand van Sesak. Deze woorden maakten diepen indruk; de Joden erkenden de ware oorzaak van hunne ramp en terwijl zij uitriepen; De Heer is rechtvaardig ! deden zij boetvaardigheid en smeekten om redding uit het gevaar. En God verleende hun hulp. Hij deed Sesak behagen vinden in het aanbod van een grooten losprijs, dat men hem deed; de koninklijke schatkist en de tempelschat moesten geheel uitgeput en daarenboven de gouden schilden van Salomon opgeofferd worden ; met dezen mateloozen buit verliet de Egyptische koning het diep vernederde Juda.

1«

Roboam regeerde in het geheel 17 jaar; hij bleef een slecht koning; doch op het volk had de harde straf beteren invloed gehad, want er werd veel goeds in Juda gevonden. De koning had Abia, den zoon der goddelooze Maiicha, tot opvolger benoemd; deze volgde den slechten weg zijns vaders, zoodat de Heer hem , na eene regeering van slechts 3 jaren, met den dood sloeg. Hij heeft zich beroemd gemaakt door de groote overwinning op het Rijk van Israël,

welke in het volgende hoofdstuk zal verhaald worden.

!i

ocr page 531

199

CX. Israël. Regeering van Jeroboam.

Jeroboam bleef korten tijd te Sichem en vestigde toen zijnen zetel te Therza. Hij begon zijne regeering met de invoering van eenen valschen godsdienst; want hij vreesde dat zijne onderdanen, indien zij volgens de wet van Mozes naar Jeruzalem gingen, om God in den tempel te aanbidden , langzamerhand tot de onderworpenheid aan het huis van David zouden terugkeeren. Hij deed dan tzvec gouden kalveren vervaardigen en het eene te Bethel in het Zuiden, het andere te Dan in het Noorden van zijn Rijk oprichten, terwijl hij aan het volk liet verkondigen:

Gaat niet meer op naar Jeruzalem! Ziedaar, Israei, uwe goden, die u uit Egypte gevoerd hebben! En het volk was bedorven genoeg, om aan de oproeping van den god-deloozen koning gehoor te geven; het ging te Bethel en te Dan aanbidden. Vele brave Israëlieten, en vooral de priesters en Levieten, verhuisden toen naar Juda. Jeroboam stelde eene nieuwe priesterschap aan, om den heiligschen-nenden offerdienst bij de gouden kalveren te verrichten.

Op eenen feestdag, dien Jeroboam had ingesteld, ging hij zelf naar Bethel en, voor het altaar staande, strooide hij wierook in het offervuur. Eensklaps verscheen een profeet uit Juda en riep uit: Altaar, altaar! zie, een zoon zal geboren worden aan Davids huis, Josias zal hij heeten; hij zal op u offeren de priesters, die nu wierook op u ontsteken, en menschenbeenderen zal hij op u verbranden. En zijne voorspelling door een wonder bevestigend, ging hij voort: Dit is het teeken, dat de Heer gesproken heeft:

ziet, het altaar zal vaneen scheuren, en de asch, die daarop ligt, zal worden uitgestort. De koning onsteekt in toorn en beveelt, terwijl hij zijne hand naar den man Gods uitstrekt: Grijpt hem! Doch op hetzelfde oogenblik verdort zijne hand, en vaneen. Nu smeekte

de diep vernederde vorst, dat de profeet voor hem zoude v bidden; deze deed het, en Jeroboam was terstond genezen:-quot; to

Deze waarschuwing en deze drie wonderen maakten op den koning geen blijvenden indruk; hij verhardde in zijne boosheid. Ook de godsgezant liet zich door een anderen profeet, die te Bethel woonde, tot ongehoorzaamheid

ocr page 532

200

tegen Gods gebod verleiden en werd daarvoor gestraft: toen hij naar Juda wilde terugkeeren, werd hij dooreenen leeuw aangevallen en gedood.

Eenige jaren later gaf God den schuldigen vorst nogmaals eene geduchte les. Zijn zoon werd gevaarlijk ziek, en de koning, bezorgd voor het leven van zijn geliefd kind, zond zijne echtgenoote naar Silo tot den profeet A/iias, dcnzelfde, die hem vroeger zijne verheffing tot koning voorspeld had. De koningin had zich verkleed, maar de profeet, die van ouderdom blind geworden was, hoorde nauwelijks hare voetstappen, of hij sprak: Kom binnen, vrouw van Jeroboam! waarom veinst gij iemand anders te zijn ? Ik heb een harden last aan u. Ga en zeg aan Jeroboam : aldus spreekt de Heer, Israels God: ik heb u koning gemaakt over mijn volk Israël. Maar gij hebt u vreemde en gegoten goden gemaakt en Mij hebt gij verworpen. Daarom zal ik rampen brengen over het huis van Jeroboam en zijn geslacht verdelgen tot den laatste toe. — En gij, ga naar uw huis; op het oogenblik dat gij de stad binnengaat, zal het kind sterven. Toen de koningin te Therza aankwam, stierf het kind; de koning-kwam echter niet tot inkeer.

Gedurende de laatste jaren zijner regeering brak de vijandschap tusschen Israël en Juda in woedenden oorlog uit. Van beide kanten werd alles, wat de wapenen dragen kon, opgeroepen, en eene macht in het veld gebracht, grooter dan ooit te voren. De zonen van Juda waren slechts half zoo talrijk als het leger van Jeroboam, maar zij en hun koning Aóia vertrouwden op God en behaalden eene schitterende overwinning, waarbij Israël meer dan de helft zijner mannen verloor. Jeroboam overleefde deze vrceselijke nederlaag niet lang en stierf na eene regeering van 22 jaren.

De kalveren-dienst, die door Jeroboam ingevoerd werd en, zoolang het Rijk der tien stammen bestond, voortduurde, was, ten minste in het begin, geen eigenlijk gezegde afgoderij, maar grove verbastering van de Jehova-vereering; men hield namelijk de kalveren voor afbeeldingen van God en waande Hem in die beelden te vereeren. In de keus der beelden kan men eene navolging zien der Egyptische afgoderij.

ocr page 533

201

CXI. Juda. Regeering van Asa.

Ruim één jaar voor den dood van Jeroboam was de koning van Juda, Abia, door zijnen godvruchtigen zoon Asa opgevolgd geworden; deze vorst deed wat recht was voor de oogen des Heeren, evenals zijn vader David. Den tijd van vrede, dien God hem schonk, besteedde hij vooral om de afgoderij in zijn Rijk uit te roeien; één misbruik echter schafte hij niet af. Dit misbruik bestond daarin, dat men op sommige heuvels offers aan God opdroeg ; ook in de goede dagen van Salomon had men dit reeds gedaan. Deze offerdienst was volstrekt geen afgoderij , maar toch verboden, daar alleen in den tempel van Jeruzalem offers mochten, opgedragen worden. Onder al de brave koningen van Juda is er slechts één geweest, die dit misbruik afschafte en de offerhoogten vernietigde.

In het 15de jaar van Asa kwam Zara, de koning van Ethiopië, met een ontzaggelijk groot leger in Juda. Asa trok hem te gemoet; zijne macht was wel gering tegen die der vijanden, naar vóór den veldslag bad hij: Heer, voor U staat het gelijk, redding te verleenen door weinigen of door velen. Help ons. Heer, onze God! Want in vertrouwen op U en op uwen naam zijn wij tegen deze menigte opgetrokken. Het vertrouwen van den koning werd niet beschaamd; hij versloeg de Ethiopiërs en keerde met een rijken buit naar Jeruzalem terug, waar men een plechtig dankfeest vierde, en het Verbond met Jehova op nieuw bezwoer.

Minder goed gedroeg zich Asa, toen hij aangevallen werd door Bacisa, koning van Israël, die zich met den Syrischen koning Benadad tegen Juda verbonden en reeds de stad Rama ingenomen had. Asa zond een gezantschap naar Damaskus, om Kenadad eene groote som gelds aan te bieden, indien hij zijn verbond met Baasa breken en een inval in het Rijk van Israël doen wilde. De Syrische koning liet zich vinden en zond in het land van Nephtali een leger, dat vele steden veroverde en Baasa dwong Rama te verlaten. Asa bereikte dus zijn doel, maar op een laffe en onedele wijze. God zond den profeet Hanani, om den koning, die meer op de Syriërs dan op de hulp des Heeren

ocr page 534

202

vertrouwd had, te bestrafifen ; doch Asa werd zoo vertoornd tegen den godsgezant, dat hij hem in de gevangenis deed werpen; echter keerde hij spoedig weder op den weg der deugd terug en regeerde nog lang daarna tot heil van zijn volk. De twee laatste jaren van zijn leven werd hij zeer gekweld door eene pijnlijke ongesteldheid zijner voeten ; en ook toen maakte hij zich aan eene fout schuldig, want in plaats van zijne toevlucht tot God te nemen , vertrouwde hij uitsluitend op de bekwaamheid zijner geneesheeren.

Hij stierf na eene regeering van 41 jaren; zijn lijk werd met buitengewone eer in Davids stad, de begraafplaats der koningen, bijgezet.

CXII. Israël. Regeering van Nadab, Baasa, Ela, Zambri en Amri.

Terwijl Juda onder den godvruchtigen Asa in macht en aanzien toenam, was het Rijk van Israël het bloedig tooneel van verwarring en omwenteling. De zoon en opvolger van Jeroboam heette Nadab en was een slecht vorst. In het tweede jaar zijner regeering werd hij, toen hij de stad Gebbethou belegerde, vermoord door den krijgsoverste Baasa, die zich van den troon meester maakte en het geheele geslacht van Jeroboam uitroeide, zooals de profeet Ahias voorspeld had. Deze koning regeerde 24 jaren en over het algemeen voorspoedig; doch hij ging voort op den zondigen weg van Jeroboam, zoodat God hem deed aankondigen, dat ook zijn geslacht zou verdelgd worden. Dit geschiedde onder zijnen zoon Ela. Toen deze zijnen veldheer Amri met het leger naar Gebbethon gezonden had, werd hij te Therza vermoord door Zambri, die zich tot koning uitroepen en de geheele familie van Baasa deed ombrengen.

Toen de soldaten den dood van Ela vernamen , weigerden zij Zambri te erkennen, en verhieven hunnen veldheer Amri tot koning. Deze trok terstond naar Therza, waar Zambri het paleis in brand stak en in de vlammen omkwam, slechts zeven dagen nadat hij Ela vermoord had. Nu wierp zich zekere Thebni tot koning op; de helft van Israël koos zijne partij, de andere helft verklaarde zich

ocr page 535

203

voor Amri, en gedurende vier jaren werd het land door burgeroorlog verwoest; na dien tijd wend Amri koning van het geheele Rijk. Hij behield den troon vervolgens nog ruim 7 jaren, en deed meer kwaad in de oogen des Heeren dan al zijne voorgangers. Onder zijne regeering, die in het geheel 12 jaren duurde, werd de stad Samaria gebouwd , die van nu af de hoofdstad van het Rijk der tien stammen werd.

CXIII. Israël. Regeering van Achab. De Profeet

Elias.

Achab is de goddelooste koning geweest, die over Israël geregeerd heeft, en zijne heidensche echtgenoote Je sabel moet een afschuwelijk monster van boosheid genoemd worden. Op haar aanstoken bouwde de koning in zijne hoofdstad eenen tempel voor den afgod Baal, en voerde de schandelijkste afgoderij in. Om te beletten dat de naam van Jehova geheel vergeten werd in Israël, wekte God den profeet Elias op, een der heiligste en grootste mannen des Ouden Testaments. Gekleed in een haren mantel en met een lederen riem omgord, verscheen hij voor Achab en sprak: Er zal in deze jaren dauw noch regen zijn, niet eer dan ik het zeggen zal. Na deze woorden verdween hij even plotseling als hij gekomen was.

Zijne bedreiging werd terstond vervuld: geen druppel regen of dauw bevochtigde de aarde; niets groeide en er ontstond een ijselijke hongersnood. Ue koning en zijne echtgenoote gaven de schuld dezer ramp aan den profeet en deden hem overal zoeken om hem te dooden; maar te vergeefs. Jezabel werd toen zoo woedend, dat zij allen, die zich in de profeten-scholen aan Jehova hadden toegewijd , liet vermoorden; slechts honderd mannen bleven gespaard.

Elias was ondertusschen veilig onder de bescherming van God. Op bevel des Heeren had hij zich in eene woeste streek bij den Jordaan verborgen; daar dronk hij het water eener beek , en eiken morgen en eiken avond brachten de raven hem vleesch en brood. Een jaar later zond God hem naar eene arme weduwe, die te Sarepta, in het land van Sidon, woonde. De profeet kwam daar aan, toen de

ocr page 536

204

vrouw juist bezig was met het sprokkelen van eenig dor hout, en hij vroeg haar om een weinig water en eene bete broods. Ik heb geen brood, antwoordde zij, tenzij een handvol meel in het vat en een weinig olie in mijne kruik. Zie, ik zoek hier een paar stukjes hout, om in mijn huis eenen koek te bakken voor mij en mijn kind, opdat wij dien eten en dan sterven. Elias zeide haar; Vrees niet, maar ga en doe wat ik gezegd hebt. Echter moet gij van dat meel eerst voor mij een kleinen koek bakken en mij dien brengen; daarna zult gij het doen voor u en uwen zoon. Dit toch zegt de Heer, Israels God: het meelvat zal niet ledig worden, en de olie in uwe kruik zal niet verminderen, totaan den dag, waarop de Heer regen zal schenken aan de aarde. De vrouw deed zooals de profeet haar gebood; en haar voorraad van meel en olie, waarvan zij, haar zoon en Elias dagelijks aten, bleef even groot, bijna drie jaren lang. Nog door een ander wonder beloonde God de liefde van de weduwe, die haar laatste brood aan zijnen profeet gegeven had. Haar zoon werd eensklaps ziek en stierf, en Elias vond haar in radelooze smart met het lijkje van haar eenig kind in hare armen. Geef mij uw kind, zeide hij; toen legde hij het doode lichaam op zijn rustbed en bad: Heer, mijn God! laat toch de ziel van dit kind terugkeeren in zijn lichaam ! En de ziel keerde terug; met den knaap aan zijne hand kwam de profeet weder bij de gelukkige moeder, zeggende : ziedaar, uw zoon leeft!

Drie jaren en zes maanden had de droogte geduurd, toen God tot Elias sprak: Ga en vertoon u aan Achab, opdat Ik regen geve over de aarde. Zoodra de koning den profeet zag, vroeg hij: Zijt gij degene, die Israël beroert? Elias hernam: Niet ik heb Israël beroerd, maar dat doet gij en uws vaders huis, gij, die 's Heeren wetten hebt overtreden en Baal gevolgd zijt. Maar roep nu uw volk samen op den berg Kar mei bij mij, en vergader daar de 450 profeten van Baal en de 400 profeten der bosschen, die van Jezabels tafel eten. Achab gehoorzaamde , en op den bepaalden dag bevond hij zich met de priesters van Baal en eene groote menigte volks op den Karmel.

Elias verscheen en sprak het volk aan: Hoelang hinkt

ocr page 537

205

gij naar twee kanten ? Is Jehova God, volgt Hem! Is het Baal, volgt hem! Ik ben alléén overgebleven als profeet van Jehova; de profeten van Baal zijn vierhonderd en vijftig mannen. Dat ons twee ossen gegeven worden; laten zij zich eenen kiezen, hem in stukken houwen en op het hout nederleggen ; maar dat zij er geen vuur onder brengen ; en ik zal eveneens doen met den anderen. Roept gij dan de namen aan van uwe goden, en ik zal den naam van mijnen God aanroepen , en de God , die door vuur antwoordt, die zal God zijn. Al het volk riep : Zeer goed is dit voorstel!

De priesters van Baal bouwden een altaar, stapelden het hout daarop en legden het offerdier op het hout. Toen begonnen zij te roepen: Baal, verhoor ons! Maar het baatte hun niet. Elias dreef den spot met hen en zeide: Roept harder! hij is immers God ! Maar misschien is hij in gesprek met iemand, of zit hij in de herberg, of is hij op reis! Of wellicht slaapt hij, zoodat hij wakker moet worden gemaakt! De priesters werden nu razend; zij schreeuwden en gilden, staken zich met priemen en kerfden hun lichaam met messen.

Nadat dit afschuwelijk bedrijf van den morgen af tot drie uur na den middag geduurd had, gebood Klias het volk: Nadert tot mij! Eerst maakte hij rondom zijn altaar eene wijde groeve en legde toen zijn offer op het hout. Daarna beval hij vier groote kruiken met water te vullen *cn over offer en altaar uit te gieten; dit liet hij nog tweemaal herhalen, zoodat het water langs alle zijden van het altaar afstroomde, en de groeve rondom er door gevuld was. Dan verhief hij zijne stem en bad: Jehova, God van Abraham en Isaak en Israël! toon heden dat Gij Israels God zijt, en dat ik uw dienaar ben en dit alles volgens uw bevel gedaan heb. Verhoor mij. Heer, verhoor mij! opdat dit volk leere dat Gij God de Heer zijt, en dat Gij hun hart weder tot U hebt bekeerd. Nauwelijks heeft hij deze woorden gesproken, of een vuurstraal schiet uit den hemel neder en verteert het offerdier, het hout, de steenen van het altaar en zelfs het water in de groeve. Al het volk werpt zich ter aarde neder, en de berg davert van den kreet: Jehova is God! Jehova is God!

ocr page 538

2o6

De afgodspriesters ondergingen de straf des. doods, welke God zelf tegen afgodsprofeten had uitgesproken. Daarna zeide Elias tot Achab: Sta op, eet en drink, want het geruisch van zwaren regen is reeds daar. Hij zelf steeg op den berg en bad in stilte tot God. Na eenigen tijd zond hij zijnen dienaar, om uit te zien naar den kant der zee, of er nog geene wolk kwam opzetten. God beproefde het geduld van zijnen profeet, want eerst toen de dienaar voor de zevende maal was gaan zien, ontdekte hij een klein wolkje. Zoodra Elias dit vernam, liet hij Achab weten: Span uw wagen aan en rijd weg, opdat de regen u niet overvalle. De hemel werd nu met zwarte wolken bedekt, de wind stak op, en de regen viel met stroomen neder.

Toen de goddelooze Jezabel vernam, wat er op den Karmel gebeurd was, en hoe hare afgodspriesters gedood waren, zwoer zij, dat zij, dienzelfden dag nog, Elias zou doen sterven. De profeet nam aanstonds de vlucht en kwam op de zuidelijke grenzen van Juda; toen zond hij zijnen dienaar terug en ging alleen de woestijn in. Hij was zeer moedeloos en meende, dat zijne zending tot bekeering van zijn volk mislukt was. Zich onder een hoogen struik nederzettend, zuchtte hij: Heer, laat mij sterven! en hij viel in slaap. Eensklaps stond aan zijne zijde een engel, die hem aanraakte en toesprak; Sta op en eet! Hij ontwaakte en vond aan zijn hoofdeinde eenen*brood-koek en eene kruik met water. Hij at en dronk en sliep weder in. Andermaal zeide hem de engel : Sta op en eet, want een lange weg wacht y./Hij stond op, at en dronk wederom en wandelde in de kracht dier spijs, veertig dagen en veertig nachten, totaan den berg Gods, Horeb. Daar sprak God tot hem: Elias, wat doet gij hier? Hij antwoordde: Met ijver heb ik geijverd voor den Heer, den God der heirscharen, want de zonen Israels hebben uw Verbond verlaten, uwe altaren verwoest, uwe profeten met het zwaard gedood ; ik alleen ben over gebleven, en zij zoeken mijn leven om het mij te ontnemen. God sprak: Ga naar buiten en sta op den berg voor des Heeren aangezicht. Want de rfeer zon voorbijgaan. Toen loeide er een stormwind, en daarna ontstond er eene aardbeving,

l

éi

ocr page 539

207

cn daarop volgde bliksemvuur ; maar noch in den stormwind , noch in de aardbeving, noch in het vuur was de Heer. En na het vuur hoorde Elias het suizen eener zachte koelte Toen bedekte hij zijn aangezicht met zijnen mantel, want nu ging God hem voorbij.

Eer Elias den heiligen berg verliet , ontving hij van God den last, om naar Damaskus te gaan en Hazaël te zalven tot koning van Syrië; ook moest hij Je hu zalven tot koning van Israël en Eliseüs tot profeet. Elias ging op nieuw door de woestijn; hij vond Eliseüs, die op den akker zijns vaders ploegde, en wierp zijnen mantel over hem heen; Eliseüs begreep die handeling en was terstond bereid den profeet te volgen.

In het Oude Testament werden drieërlei personen gezalfd: profeten, priesters en koningen. Dit was eene voorspelling, dat Christus, die de Gezalfde bij uitnemendheid is. Profeet, Priester en Koning wezen zou. — Eliseüs, die alles verliet om Elias te volgen, was een waardig voorganger der heilige Apostelen, die ook, op het woord van Christus, alles verlieten en Hem volgden.

X Het brood, dat Elias eten moest, om gesterkt te worden voor zijne lange reis door de woestijn en om den berg Gods te kunnen bereiken, is eene heerlijke afbeelding van het goddelijk Brood, dat Christus in het H. Sakrament des altaars ons gegeven heeft, opdat wij, daardoor gesterkt, zouden kunnen voortgaan door de woestijn dezer wereld en komen tot den berg Gods, den hemel.

De verschijning van God aan Elias was eene groote voorspelling van de volmaakte verschijning Gods in Christus. Op den berg Horeb of Sinaï was God, toen Hij de wet des Ouden Testaments gaf, te midden van verschrikking verschenen ; nu verschijnt Hij op dienzelfden berg in een zacht windgesuis. Zoo moest ook eenmaal de wet der vrees en der strengheid vervangen worden door de wet der zachtheid en der liefde.

CXIV. Vervolg der geschiedenis van Elias en Achab.

Achab was na het wonder op den Karmel minder goddeloos dan te voren; hij liet de dienaars van God met rust èn geloofde weder in Jehova, wiens bijstand hij dan ook op eene schitterende wijze ondervond in eenen oorlog tegen de Syriërs. Deze waren in het 17de jaar van Achabs regeering, onder hun koning Benadad, in Israël gevallen en drongen tot Samaria door, welke stad zij belegerden. God zond eenen profeet, wiens naam onbekend is, tot

ocr page 540

208

Achab, om hem te zeggen: Ik zal deze overgroote menigte in uwe hand leveren, heden; opdat gij weten moogt, dat Ik de Heer ben. Achab geloofde het woord van Jehova, ook toen de profeet verklaarde, dat God de overwinning schenken zou door de voetknechten van de landvoogden der provinciën. Deze soldaten werden terstond bijeengeroepen; zij waren slechts 232 in getal. Vol vertrouwen op de hulp, hun door God beloofd, liet Achab de poort der stad voor die soldaten openen ; zij overvielen de Syriërs en brachten hun leger in verwarring; toen snelden de 7000 overige soldaten van Samaria ook toe, en God verleende hun eene volkomene zegepraal. Het volgende jaar zakte Benadad met een nieuw leger naar Israël af: Achab vertrouwde wederom op de hulp van den Almachtige, viel de Syriërs aan en bracht hun een bloedige nederlaag toe. Benadad vluchtte met het overschot zijns legers in de vesting Aphck; doch hare muren stortten in en verpletterden de Syrische soldaten. Toen zond Benadad zijne dienaren, gekleed in zakken en met koorden om den hals, tot Achab om genade tc smeeken; en Achab was dwaas genoeg, om den Syrischen koning als vriend en bondgenoot aan tc nemen, zonder de minste schadevergoeding te eischen of de behaalde overwinningen tot voordeel van zijn volk tc doen dienen. Om Achab voor deze dwaasheid te straffen, zond God eenen profeet tot hem, die hem zeide: Omdat gij een man, die des doods schuldig was, hebt laten gaan, zal uw leven voor zijn leven, uw volk voor zijn volk geëischt worden.

Kort na dezen oorlog pleegden Achab en zijne vrouw Jezabel eene verfoeilijke misdaad. In de stad JezraJiel hadden zij een lustpaleis, dat hun tot zomerverblijf diende; naast de tuinen daarvan lag een wijngaard , die aan Naboth toebehoorde, en dien de koning gaarne aan zijne eigene bezittingen zou hebben getrokken. Naboth echter wilde den wijngaard niet verkoopen, omdat deze de erfgrond zijner vaderen was; en de koning werd bijna ziek van spijt en gramschap. Toen zeide Jezabel tot hem: Ik zal u den wijngaard van Naboth geven. De goddelooze vrouw schreef nu eenen brief aan eenige oude booswichten, die te Jezrahel rechters waren, en gelastte hun, Naboth te

ocr page 541

2og

beschuldigen van eene misdaad, waarop de straf des doods en de verbeurdverklaring zijner goederen stond; zij moesten twee deugnieten omkoopen tot het afleggen van valsche getuigenis tegen den onschuldige. Dit bevel werd uitgevoerd; twee. mannen getuigden tegen Naboth: Hij heeft God en den koning gelasterd; daarop werd hij gevonnisd en buiten de stad gesteenigd. Zoodra Jezabel de tijding daarvan ontving, zeide zij tot Achab: Neem den wijngaard van Naboth in bezit; want hij leeft niet meer maar is dood! De snoode koning, die aan zijne vrouw verlof gegeven had, om alles te doen wat zij goedvond , reed aanstonds uit Samaria, om zich den wijngaard toe te eigenen.

Op den weg trad hem de grijze profeet Elias tegen, die door God den koning te gemoet gezonden was, en sprak hem toe: Dit zegt de Heer: gij zijt een moordenaar en daarbij een roover. Op deze plaats, waar de honden Naboths bloed gelekt hebben, zullen de honden ook uw bloed lekken. Ik zal ramp brengen over u, en Achabs geslacht verdelgen tot den laatsten man. Maar ook van Jezabel heeft de Heer gezegd: de honden zullen Jezabel verscheuren op het veld van Jezrahel. Deze vreeselijke bedreigingen brachten den koning tot inkeer; hij veranderde zijn vorstelijk gewaad en vastte. God zag met welbehagen neder op zijn berouw en sprak tot Elias: Hebt gij gezien, dat Achab zich voor Mij vernederd heeft? Daarom zal ik de ramp niet in zijne dagen, maar in de dagen van zijnen zoon, over zijn huis doen komen.

Achab werd spoedig, door de verleiding zijner vrouw, weder de oude deugniet, ja nog erger booswicht en schandelijker afgodendienaar dan ooit te voren. En toen spaarde God hem niet langer; een ellendige dood maakte een einde aan zijn misdadig leven.

CXV. Juda. Regeering van Josaphat.

In het Rijk van Juda was de goede koning Asa opgevolgd geworden door zijn edelen en godvruchtigen zoon Josaphat. Hij arbeidde met het beste gevolg aan de inwendige verbetering zijns koninkrijks. Hij zond priesters

14

ocr page 542

2 IO

en Levieten naar alle steden van Juda, om, met het boek van 's Heeren wet in de hand, overal het volk in de godsdienst te onderrichten. Ook hij zelf deed eene reis door zijn gansche gebied, om zijne onderdanen tot den God hunner vaderen te doen terugkeeren. In elke stad stelde hij rechters aan en zeide hun: Ziet toe wat gij doet; want niet het recht eens menschen spreekt gij, maar des Heeren, en elke uitspraak zal op u zeiven nederkomen. Te Jeruzalem stelde hij een opperst gerechtshof aan. Gods zegen rustte op dezen voortrefifelijken koning, en de macht van Juda nam onder zijn regeering zoozeer toe, dat niemand tegen hem oorlog durfde voeren, en de Philistijnen en Arabieren hem schatting betaalden.

Toch heeft Josaphat één misstap begaan, die de nood-lottigste gevolgen gehad heeft voor zijn huis en zijn volk. In de meening, dat een nauwe vereeniging van zijn Rijk met dat van Israël niet anders dan heilzaam werken kon, zocht hij de vriendschap van den goddeloozen Achab en bewerkte zelfs een huwelijk tusschen zijnen zoon Joram en Achabs dochter At/ia Ha. Niet lang daarna brak er een nieuwe oorlog uit tusschen Syrië en Israël, en Josaphat trok met zijn leger naar Samaria om Achab bij te staan. Vóór men naar Ramoth-Galacid, welke stad Benadad in zijne macht had, optrok, wilde Josaphat God over de onderneming raadplegen. Achab keurde dit goed, en deed zijn Baals-profeten, 400 in getal, aan het hof verschijnen; zij voorspelden niets anders dan geluk. Toen Josaphat die afgodendienaars zag, vroeg hij verontwaardigd : Is hier dan geen profeet des Heeren, opdat wij het ook aan hem kunnen vragen? — Ja, antwoordde Achab; één is er nog overgebleven; doch ik haat hem, omdat hij mij geen goed, maar altoos kwaad voorspelt; het is Michcas. Op verlangen van Josaphat werd deze ware profeet geroepen. Eerst beloofde hij, op spottenden toon, eenen goeden uitslag, evenals de leugen-profeten van Baal g^edaan hadden ; maar ten laatste sprak hij; Ik heb geheel Israël verstrooid gezien op de bergen, als schapen zonder herder; en de Heer zeide : dezen hebben geen meester! — Heb ik het u niet gezegd, sprak Achab tot Josaphat, dat; hij mij geen goed maar altijd kwaad voorspelt? En hij deed Michéas

ocr page 543

21 I

in de gevangenis werpen en beval, hem met alle hardheid te behandelen, totdat ik, zeide hij, in vrede terugkeer. Michéas hernam : Zoo gij in vrede terugkeert, heeft de Heer niet door mij gesproken. Hoort het, alle volken !

Daar Achab geen geloof sloeg aan de bedreiging van Michcas, en Josaphat zijn eens gegeven woord niet wilde breken, trokken de twee koningen ten strijd. Achab was beangst en kleedde zich, om niet herkend te worden, als een gewoon soldaat;; Josaphat droeg zijne vorstelijke wapenrusting en streed op een koninklijken wagen. De Syrische koning nu, die wel tegen Achab maar niet tegen den machtigen Josaphat strijden wilde, had aan de bevelhebbers zijner krijgswagens last gegeven, om uitsluitend den koning van Israël op te zoeken en te dooden. Zoo gebeurde het, dat de Syriërs, die Josaphat voor den koning van Israël aanzagen, hem overrompelden en op het punt waren van hem om het leven te brengen; gelukkig bemerkten zij nog bijtijds hunne vergissing. Josaphat werd gespaard; maar Achab, die zich wel voor de vijanden maar niet voor God had kunnen onkenbaar maken , vond den dood. Een Syriër schoot, zonder bepaald doel, eenen pijl af; die pijl trof Achab in de borst en verwondde hem doodelijk ; hij stierf dienzelfden dag. Zijn leger werd geslagen en nam de vlucht. Zijn lijk werd naar Samaria gevoerd en daar begraven. Toen men zijnen wagen, waarin zijn bloed gevloeid was, in eenen vijver reinigde, kwamen de honden het bloed van Achab lekken.

Josaphat sloot vrede met Benadad en keerde naar Jeruzalem terug. De profeet JeJuc kwam hem te gemoet en zeide hem: Gij verleent bijstand aan den goddelooze en houdt vriendschap met hen, die den Heer haten; en daarom verdiendet gij wel den toorn des Heeren; maar in u zijn goede werken gevonden, want gij hebt de afgods-bosschen uit Juda doen verwijderen en uw hart bereid gemaakt, om den Heer, den God uwer vaderen, te zoeken. Door deze godspraak wist Josaphat, dat de geleden nederlaag de straf was voor zijn verbond met Achab, doch dat hij verder op Gods zegen rekenen kon.

De overwinning van den Syrischen koning gaf moed aan de Moabieten, Ammonieten en Edomieten om eenen

li

ir

I'S

ocr page 544

212

plundertocht in Juda te ondernemen; en met zulk eene menigte drongen zij het land binnen, dat er aan geen tegenhouden meer te denken was. Maar Josaphat vertrouwde op God ; hij liet in geheel zijn Rijk eenen vastendag afkondigen en riep zijn volk in den tempel samen, om de bescherming van Jehova af te smeeken. De koning bad : Heer, God van onze vaderen! Gij zijt God in den hemel, en Gij heerscht over alle Rijken der volken ; in uwe hand is sterkte en macht; aan U kan niemand wederstaan. Zie de zonen van Amnion en Moab en van het gebergte Seïr pogen ons uit het bezit te verdrijven, dat Gij ons geschonken hebt. Zult Gij dan, o onze God! ons geen recht verschaffen tegen hen ? Wij toch hebben geen macht genoeg, om wederstand te bieden aan die menigte, welke ons overstroomt ; maar, nu wij niet weten wat wij moeten doen, blijft ons alleen dit over, dat wij onze oogen wenden tot U. Een der aanwezige Levieten voelde zich eensklaps door den Geest der profetie aangegrepen en sprak: Dit zegt de Heer: vreest niet en zijt niet beangst voor die menigte! Want niet gij zult strijden, maar God! Morgen zult gij tegen hen optrekken, en gij zult zien, hoe de Heer u helpt.

Vroeg in den volgenden morgen trokken de Joden uit Jeruzalem. Voorop gingen de Levietische zangers, die het loflied aanhieven: Looft den Heer, want Hij is goed! waarop al het volk antwoordde: Want eeuwig is zijne barmhartigheid. En terwijl de tonen van dat lied ten hemel opstijgen, dalen schrik en verwarring op de vijanden neder; zij houden elkander voor verraders, vallen met het zwaard op elkander aan en gaan eindelijk op de vlucht. De Joden vonden geen leger meer, maar slechts een menigte lijken en eenen grooten buit, dien zij onder dankliederen naar Jeruzalem voerden. En alle volken in het rond werden met schrik vervuld, toen zij hoorden, hoe Jehova gestreden had tegen de vijanden van Israël.

Niet minder ondervond Josaphat de hulp des Heeren, toen hij later met Joram, die toen in Israël regeerde, op nieuw tegen de Moabieten te velde trok. De legers van Juda en Israël bevonden zich in eene dorre woestijn en hadden geen water, zoodat de versmachtende soldaten eene prooi moesten worden van de Moabieten, die in hunne

p

ocr page 545

213

nabijheid gelegerd waren. Josaphat verloor echter den moed niet en vroeg: Is hier geen profeet, door wien wij den Heer kunnen raadplegen ? Hij vernam, dat Eliseiis in de nabijheid was, en ging met Joram naar den man Gods. Eliseiis gebood vele grachten in het dal te graven en sprak: Gij zult geen wind hooren noch regen zien; toch zal dit dal vol water staan, en gij zult drinken, gij en uwe dienaren en uw vee. En dit is weinig in 's Heeren oogen. Ook zal Hij Moab in uwe handen leveren.

In den nacht g-roef men breede kanalen in den verschroeiden grond; en toen het morgen werd, deed Gods almacht eene zoo groote menigte water de woestijn in-stroomen, dat al de kanalen gevuld werden en overliepen. Menschen en dieren dronken en waren aan den dood ontrukt. De Moabieten zagen met verbazing, dat het dal, waarin hunne vijanden gelegerd waren, overstroomd was ; zij wisten, dat daar geen water was, en misleid door den rooden weerschijn, dien de stralen der zon veroorzaakten, riepen zij uit: Dat is bloed! de verbonden koningen zijn in den nacht slaags geraakt en hebben elkanders legers vernield. Op nu, Moab! naar den buit! De Moabieten snellen naar de Joodsche legerplaats, waar zij slechts lijken meenen te vinden, en vallen in de handen hunner vijanden; nu wordt de grond inderdaad met bloed bedekt, en de macht van Moab geheel vernietigd. Zoo was de dubbele profetie van Eliseiis volkomen vervuld geworden.

Josaphat verhief in het laatst van zijn leven zijnen zoon Joram tot mede-regent; hij wist. zeker niet, dat die zoon reeds door zijne goddelooze echtgenoote Athalia in een booswicht veranderd was; en toen de brave en edele koning, na eene roemvolle regeering van 25 jaren stierf, vermoedde hij niet, welke ijselijke rampen zijn volk boven het hoofd hingen.

CXVI. Israël. Regeering van Ochozias. De Profeet

Elias.

In het rijk van Israël volgde Ochozias zijnen vader Achab in het rijksgebied en ook in de goddeloosheid. Eens viel hij van het balkon eener opperzaal van zijn

.

ocr page 546

214

paleis en werd zwaar gewond. Hij zond toen gezanten naar de Philistijnsche stad Akkaron, waar de afgod Baal onder den naam van Beëlzebub bijzonder vereerd werd, om te vragen of hij zou genezen. De oude Elias ging op last van God de gezanten te gemoet en zeide: Is er dan geen God in Israël, dat gij Beëlzebub, den afgod van Akkaron, gaat raadplegen ? Dit derhalve zegt de Heer (tot uwen koning); van het ziekbed, waarop men u gelegd heeft, zult gij niet opstaan, maar den dood zult gij sterven. De gezanten keerden terug en boodschapten hunnen koning, wat hun overkomen was. Deze vroeg: Wat was het uiterlijk van dien man, en hoe was hij gekleed? Zij antwoordden : Hij droeg een haren kleed en eenen lederen gordel om zijne lendenen. — Het is Elias! riep de koning woedend uit en zond terstond een hopman met vijftig soldaten, om den profeet gevangen te nemen. Elias zat op de kruin eens heuvels, toen de bende naderde en de hopman hem, zeker wel op spottenden en hoonenden toon, toeriep: Man Gods! de koning gebiedt u af te komen! De profeet antwoordde: Indien ik een man Gods ben, dan dale er vuur uit den hemel en vertere u en uwe vijftig! En terstond schoot de bliksem neder en veranderde de soldaten in verbrande lijken. Toen de koning zijne krijgslieden niet zag terugkeeren, zond hij vijftig andere, die zich even vermetel en onbeschaamd jegens den dienaar des Heeren gedroegen en ook op dezelfde wijze gestraft werden. Een derde hopman, die wederom met eene even groote bende gezonden werd, wierp zich voor Elias op de knieën en smeekte: Man Gods! spaar mijn leven en dat uwer dienaren, die bij mij zijn! Zie, vuur is uit den hemel gedaald, en het heeft de twee hoplieden met hunne soldaten verteerd; doch nu bid ik u, heb medelijden met mij! Toen beval God Elias met dezen hopman mede naar Samaria te gaan. De profeet stond onbevreesd voor koning Ochozias en sprak: Dit zegt de Heer: omdat gij gezanten hebt gezonden, om Beëlzebub, den afgod van Akkaron , te raadplegen, zult gij den dood sterven. En daarna verwijderde zich Elias, zonder dat iemand hem met een vinger durfde aanroeren. Ochozias stierf kort daarna; slechts twee jaar had hij geregeerd.

ocr page 547

215

De profeet Elias had nu zijne laatste zending volbracht, en, daar hij wist, dat hij niet lang meer op de aarde zou rondwandelen, ging hij afscheid nemen in de profetenscholen , welke hij met zijnen geest bezield had en als eene kostbare gedachtenis in Israël achterliet Te Galgala, waarheen hij zich het eerst begaf, voegde zijn getrouwe dienaar en leerling Eliseüs zich bij hem. Gezamenlijk gingen zij nu naar Bethel, en van daar naar Jericho en verder naar den Jordaan. Meermalen onder weg zeide Elias tot Eliseüs, dat hij zoude achterblijven; doch, daar deze ook wist, dat zijn meester spoedig de aarde zou verlaten, bleef hij hem vergezellen. Zij kwamen te zamen aan den Jordaan. En Elias sloeg met zijnen mantel op het water, en de rivier verdeelde zich; beide mannen gingen er door. Nu zeide Elias tot zijnen gezel: Vraag wat gij wilt, dat ik u doen zal, voor ik van u word weggenomen ? Eliseüs, die niets anders wenschte dan de waardige opvolger te worden van zijnen grooten meester, sprak: Ik bid u, laat uw geest dubbel in mij zijn. Elias hernam: Gij hebt iets moeielijks gevraagd ; evenwel, indien gij mij ziet, als ik van u word weggenomen, zult gij verkrijgen wat gij gevraagd hebt.

De twee heilige mannen wandelen voort en spreken met elkander. Eensklaps bevinden zij zich midden in eenen storm; een vurige wagen met vurige paarden scheidt Eliseüs van zijnen meester, en Elias stijgt door den stormwind ten hemel op. Eliseüs zag hem, en wist nu, dat God hem geschonken had wat hij had gevraagd. Zijn meester had hem een kostbaar aandenken achtergelaten in den mantel, die van zijn schouders gevallen was en nu op den grond lag. Eliseüs nam dezen op en keerde terug naar den Jordaan, die zich ook voor zijne voeten verdeelde, toen hij met den mantel zijns meesters op het water sloeg. Toen de profeten-leerlingen van Jericho hem door de rivier zagen gaan, riepen zij elkander toe: De geest van Elias rust op Eliseüs! Zij wierpen zich voor hem neder en huldigden hem als hunnen meester. Vijftig mannen werden uitgezonden, om het lijk van Elias te zoeken, ofschoon Eliseüs hun zeide, dat zij dit niet moesten doen. Zij keerden na drie dagen terug zonder iets gevonden te hebben.

ocr page 548

2l6

De groote profeet Elias mocht later, met Mozes, de glorie van Christus op den berg Thabor aanschouwen. Hij zal, vóór het laatste oordeel, met den ouden aartsvader Henoch, op de aarde terug-keeren om boetvaardigheid te prediken. Hij was ook eene voorafbeelding van den H. Joannes den Dooper, die in den geest en in de kracht van Elias, de Voorlooper van Christus wezen zou.

CXVII. De profeet Eliseüs.

Het leven van dezen profeet was eene aaneenschakeling van wonderen, en hij was de duidelijkste voorafbeelding van den wonderdoenden Zaligmaker. Toen hij zich te Jericho ophield, klaagde men hem over de slechte gesteldheid des waters. Hij nam toen een vat met zout en wierp het zout in de bedorven bron, met de woorden: Dit zegt de Heer: Ik heb dit water gezond gemaakt; noch dood, noch onvruchtbaarheid, zal meer daarin zijn. En het water had al zijne verderfelijke eigenschappen verloren.

Van Jericho ging hij naar Bethel. Uit deze stad kwam hem eene bende baldadige knapen te gemoet, die hem waarschijnlijk aan zijne kleeding voor een profeet des Heeren erkenden en hem onder het schreeuwen van: kaalkop ! kaalkop ! bespotten. Eliseüs sprak een vloek over hen uit in den naam des Heeren. En oogenblikkelijk schoten twee beren uit een bosch te voorschijn, die op de jonge deugnieten aanvielen en er twee en veertig verscheurden of verwondden.

De profeet ging nu naar den berg Karmel en woonde in een der grotten. Dikwijls reisde hij naar Samaria en naar de profeten-scholen ; de koning Joram, die door zijne tusschenkomst, met Josaphat de Moabieten overwonnen had, vereerde hem hoog.

Op een zijner tochten kwam eene weduwe tot hem en verhaalde hem, dat haar overleden man schulden had achtergelaten, en dat haar onbarmhartige schuldeischer nu hare twee zonen tot slaven wilde maken. Zeg mij, wat hebt gij in uw huis? vroeg de profeet. Uwe dienstmaagd, antwoordde de weduwe, heeft niets in huis dan eén weinig olie. Eliseüs zeide haar: Ga en vraag van al uwe geburen ledige vaten, niet weinig, te leen, en schenk al die vaten vol. De vrouw deed dit, en God vermenigvuldigde hare

ocr page 549

21/

olie zoodanig, dat zij een groot getal vaten daarmede vullen kon. Toen zeide Eliseüs: Verkoop de olie en voldoe uwen schuldeischer, en leeft, gij en uwe zonen, van het overschot.

In de stad Sunam woonde een reeds bejaarde Israeliet met zijne deugdzame echtgenoote; zoo dikwijls Eliseüs door die stad trok, bleef hij in hun huis eenigen tijd rusten en werd door hen met spijs en drank verkwikv. Eens zeide de vrouw tot haren echtgenoot: Ik bemerk, dat dit een heilige man Gods is, die dikwijls bij ons voorbijkomt. Laat ons dus voor hem eene kleine opperzaal bouwen, en daarin voor hem een bed plaatsen en eene tafel, eenen stoel en eene lamp, opdat hij, wanneer hij tot ons komt, aldaar verblijve. De man vond dit goed, en toen nu Eliseüs andermaal door Sunam trok, nam hij met zijnen dienaar Giëzi, zijnen intrek in het voor hem bereide verblijf. De goede vrouw nu had slechts één verlangen : dat zij eenen zoon mocht hebben; maar zij had de hoop van moeder te zullen worden reeds opgegeven. Doch Eliseüs verzekerde haar: Toekomend jaar, op dezen eigen dag, zult gij eenen zoon ontvangen hebben. God vervulde de belofte van zijnen dienaar; doch toen het kind eens zijnen vader op den akker vergezelde, klaagde het over hevige hoofdpijn; een knecht droeg het naar huis, en weinige uren later stierf het in de armen zijner moeder. Deze legde het lijkje op het bed van den profeet, liet terstond eene ezelin zadelen en spoedde zich naar den berg Karmel, waar Eliseüs woonde. Zij wierp zich schreiend aan zijne voeten neder en klaagde hare bittere smart. De profeet gebood zijnen dienaar Giëzi: Neem mijnen staf in uwe hand en ga! Gij zult mijnen staf op het aangezicht van het kind leggen. Giëzi vertrok, doch de moeder wilde den profeet niet verlaten, en deze ging eindelijk zelf met haar. Giëzi kwam hem reeds op den weg te gemoet en berichtte, dat hij gedaan had, wat hem bevolen was, maar zonder eenig gevolg. Eliseüs sloot zich nu op in de opperzaal, waar het lijkje lag, en bedekte dit, gelijk Elias weleer te Sarepta gedaan had, met zijn eigen lichaam. Het kind opende zijne oogen, en de moeder ontving haren zoon uit den dood terug.

ocr page 550

2l8

Eens bevond Eliseüs zich in de profetenschool van Galgala, en zou met zijne leerlingen den maaltijd gebruiken, die uit een moes bestond van wilde kruiden, welke men in het veld plukte. Een van de leerlingen had, zonder het te weten, vergiftige planten ingezameld; zoodra men van het kooksel proefde, riep men verschrikt uit: Man Gods! de dood is in de pot! De profeet strooide toen een weinig meel in den ketel, en het vergiftigde moes was in een onschadelijk voedsel veranderd. Omtrent dienzelfden tijd ontving Eliseüs van eenen godvruchtigen Israëliet twintig gerstebrooden ten geschenke en gelastte zijnen dienaar, ze aan de leerlingen voor te zetten. Doch deze zeide: Wat beteekent dit, om het aan honderd mannen aan te bieden? Eliseüs herhaalde zijn gebod, er bijvoegend: Want dit zegt de Heer: zij zullen eten, en er zal overschieten. En de spijs werd zoo vermenigvuldigd, dat allen aten en men nog overhield. Op een anderen tijd was hij bij den Jordaan, waar men hout kapte voor het bouwen van nieuwe hutten. Onder het kappen schoot van eene bijl het ijzer af en viel in de rivier. De profeet wierp een stuk hout in het water ter plaatse, waar het ijzer gezonken was, en dit dreef terstond boven, zoodat men het met de hand grijpen kon.

Het schitterend licht, dat God in den persoon van dezen grooten profeet en wonderdoener ontstoken had, verspreidde zijnen glans ook in de naburige heidensche landen. Nadman, de opperbevelhebber van de Syrische krijgsmacht en een der eerste en machtigste mannen van het koninkrijk, was melaatsch geworden en had alle hoop op genezing verloren. Zijne vrouw had eene Israëlietische dienstmaagd, die in hare jeugd veel van Eliseüs' wonderwerken gehoord had en eens tot hare meesteres zeide: Indien mijn heer slechts bij den profeet was, die in Samaria is! die zou hem zeker van zijne melaatschheid genezen hebben. Naaman vernam deze woorden, luisterde naar den raad van de slavin en trok weldra met een groot gevolg en met rijke geschenken naar het land van Israël. Zijn koning had hem eenen brief medegegeven voor den koning van Israël, waarin geschreven stond: Als gij dezen brief ontvangt, weet dan, dat ik Naaman tot u gezonden

ocr page 551

219

heb, opdat gij hem van zijne melaatschheid zoudt genezen. Koning Joram verschrikte bij het lezen van dezen brief en riep uit: Ben ik dan God, dat ik macht heb over leven en dood? En hij meende, dat de Syrische koning slechts eene nieuwe reden zocht om den vrede met Israël te verbreken. Eliseüs zond zijnen dienaar om tot Joram te zeggen: Laat hem tot mij komen, en hij zal weten , dat er een profeet in Israël is!

De Syriër verscheen dan met zijne paarden en wagens voor de deur der woning van Eliseüs. Deze zond zijnen dienaar naar buiten met het bevel: Ga en wasch u zevenmaal in den Jordaan, en uw vleesch zal weder gezond zijn. Naaman had gedacht, dat de profeet meer achting voor zijnen rijkdom zou getoond hebben, en sprak toornig tot zijn gevolg; Ik had gemeend, dat hij tot mij uitgaan en, staande, den naam van den Heer zijnen God aanroepen en de plaats der melaatschheid met zijne hand aanraken en mij genezen zou. Zijn de vloeden van Damaskus niet beter dan al de rivieren van Israël, dat ik mij daarin zou wasschen en gereinigd worden? En hij wilde vertrekken zonder den profeet te gehoorzamen. Doch zijne dienaars zeiden tot hem : Vader ! ook indien de profeet u iets moeie-lijks had voorgeschreven, zoudt gij het zeker hebben moeten doen; hoeveel te meer, nu hij u zeide; wasch u en gij zult rein worden. Naaman begreep nu, dat zijne dienaars gelijk hadden ; hij baadde zich zevenmaal in den Jordaan, en hij werd volkomen genezen. En niet alleen was de zieke gezond geworden, de heiden was daarenboven in eenen dienaar van den waren God veranderd. Onmiddelijk keerde hij naar den profeet terug en riep uit: In waarheid weet ik, dat er nergens op aarde een andere God bestaat, behalve alleen in Israël. Daarop smeekte hij , dat Eliseüs de geschenken zijner dankbaarheid zou aannemen; maar de profeet weigerde alles, en liet den genezene in vrede vertrekkken.

Het zien van Naamans rijkdom had echter de oogen verblind van Giëzi, Eliseüs' dienaar. Zoodra hij buiten het oog zijns meesters was, liep hij den Syriër achterna; deze steeg zelf van zijnen wagen en kwam Giëzi te gemoet, die nu verhaalde, dat er, een oogenblik na zijn vertrek,

ocr page 552

220

twee profeten-leerlingen gekomen waren, en dat Eliseüs verzocht, dat Naaman voor hen één talent zilver en twee wisselkleederen zoude geven. De Syriër gaf hem nog een talent meer, en zond twee knechten, met hem mede om den schat te dragen. Giézi verborg zijnen buit op eene veilige plaats en begaf zich weder tot zijnen meester. Waar komt gij vandaan, Giëzi? vroeg de profeet. Uw dienaar is nergens heengegaan, antwoordde de leugenaar. Toen sprak Eliseüs: Denkt gij dan, dat mijn geest niet tegenwoordig was, toen de man van zijnen wagen steeg en u te gemoet kwam. Nu hebt gij dan kleederen ontvangen en geld, om olijf-boomen en wijngaarden, schapen en runderen, knechten en dienstmaagden te koopen! Maar ook de melaatschheid van Naaman zal u aankleven, u en uw geslacht voor altoos! Op hetzelfde oogenblik werd de ongelukkige wit als sneeuw.

CXVIII. Israël. Regeering van Joram. De Profeet Eliseüs.

Na den dood van den goddeloozen koning Ochozias kwam zijn broeder Jorani op den troon; hij hield wel den dienst der gouden kalveren in stand, maar pleegde geen afgoderij en vernielde zelfs eenige beelden van Baal. Onder zijne regeering mislukte de oogst in het Rijk van Israël zeven jaren achter elkander, en werd het land daarbij onophoudelijk verontrust door de invallen der Syriërs. Echter konden dezen bijna nooit hun doel bereiken, daar de profeet Eliseüs, door goddelijke openbaring, altijd hunne plannen vooruit kende en den koning waarschuwde. Toen Benadad hiervan kennis kreeg, zond hij eene afdeeling van zijn leger naar Dothan, waar de profeet zich bevond, om hem gevangen te nemen. In den nacht omsingelden de Syrische soldaten de stad; des morgens zag de dienaar van Eliseüs de paarden en strijdwagens en snelde onder het geroep van: Wee, wee! tot zijnen meester. Vrees niet! zeide deze, want met ons zijn er meerderen dan met hen. Toen bad hij, dat God de obgen van den dienaar zoude openen; God deed het, en de dienaar zag hei leger Gods, eene menigte vurige paarden en wagens, die den berg, waaraan Dothan lag, bedekten.

ocr page 553

221

Ondertusschen naderde eene bende vijanden de poort der stad. Eliseüs ging hun tegemoet, terwijl hij bad: Heer, sla dit volk met blindheid! Bij hen gekomen zeide hij: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volgt mij en ik zal u den man wijzen, dien gij zoekt. En in zinsverbijstering volgen zij hem drie uren lang, tot in Samaria. Toen bad de profeet opnieuw: Heer, open hunne oogen, opdat zij zien! En de soldaten, plotseling tot zich zeiven komend, zagen zich midden in de hoofdstad van Israël. Koning Joram vroeg, of hij de Syriërs moest dooden; doch Eliseüs zeide : Neen! gij hebt hen immers niet door uwe wapenen gevangen gemaakt. Geef hun te eten en te drinken, en laat hen terugkeeren naar hunnen heer.

Bij een volgenden oorlog was Benadad gelukkiger en belegerde zelfs Samaria, welke stad spoedig de prooi werd van den vreeselijksten hongersnood, zoodat men schatten betaalde voor de onreinste spijzen. Op zekeren dag was de koning op den walmuur, toen eene vrouw, die met hare geburin twistte, hem toeriep: Deze vrouw sprak met mij af; geef uwen zoon, opdat wij hem heden eten; en mijnen zoon zullen wij morgen eten. Wij hebben dus mijn kind gekookt en gegeten. En den dag daarop zeide ik haar: geef nu uwen zoon, opdat wij hem eten. Maar zij heeft hem verborgen. Bij het hooren dezer woorden scheurde de koning zijn opperkleed, en de omstanders zagen, dat hij daaronder een haren boetekleed droeg. Tegelijk werd hij woedend tegen den profeet Eliseüs, die zich in de stad bevond en hem redding beloofd had; in eene vlaag van wanhopigen toorn gaf de koning aan een soldaat bevel, den profeet terstond te onthoofden. Doch een oogenblik later snelde hij zelf naar de woning van Eliseüs en riep klagend uit: Zie, zooveel ramp berokkent ons de Heer! wat zal ik nog van den Heer hopen? Toen sprak de profeet: Hoort het woord des Heeren: morgen op dit zelfde uur, zal er in de poort van Samaria eene maat meelbloem voor één sikkel, en twee maten gerst voor één sikkel te koop zijn. De koning en allen, die bij hem waren, geloofden het woord van den profeet; slechts één hoofdman zeide spottend: Al liet God koren uit den hemel regenen, kan het toch niet

ocr page 554

222

waar zijn, wat gij spreekt. Eliseüs antwoordde hem: Met uwe oogen zult gij het zien, maar er niet van eten.

In den volgenden nacht zaten vier melaatsche mannen buiten de stadspoort. Komt, zeiden zij tot elkander, laat ons naar het Syrische kamp vluchten! Spaart men ons, wij behouden het leven; doodt men ons, welnu, wij moeten toch sterven! Zij dalen den berg af, naderen de tenten, maar vinden nergens wachten ; zij roepen, maar niemand antwoordt. Zij gaan eene tent binnen; geen mensch is daarin; wel vinden zij spijs en drank en allerlei kostbaarheden , wel staan paarden en muilezels bij de tenten vastgebonden, maar soldaten zijn er in de legerplaats niet meer. Zij vallen op het voedsel aan en daarna op den buit.

Welk wonder was er dan geschied? — In den avond hadden de Syriërs het getrappel van paarden gehoord met het rollen van strijdwagens en het gekletter van wapenen. Toen hadden zij gemeend, dat er een groot leger in aantocht was om de Israëlieten te hulp te komen , en God had hen met zulk eencn schrik geslagen dat zij de vlucht namen, alles achterlatend en zelfs hunne wapenen wegwerpend om sneller te kunnen loopen!

De vier mclaatschen brachten de tijding der verlossing in de stad; twee ruiters werden uitgezonden en vonden de gehcele legerplaats ledig; toen stroomde het volk uit de poort, en de voorraad was zoo groot, dat de profetie van Eliseüs letterlijk vervuld werd. Om wanorde te voorkomen , stelde de koning bij de poort, waar de levensmiddelen verkocht werden, eenige soldaten onder bevel van den hoofdman, die de belofte van den profeet den vorigen dag niet had willen gelooven; toen deze het aandringende volk bedwong, geraakte hij onder den voet en werd vertreden; hij had den overvloed wel gezien, maar er niet van gegeten.

Na deze wondervolle verlossing had denkelijk de vroeger verhaalde genezing van Naaman plaats; en toen koning Benadad kort daarop zelf krank werd en vernam, dat de profeet Eliseüs op weg naar Damaskus was, zond hij hem een zijner rijksgrooten met kostbare geschenken te gemoet, om te vragen of hij van zijne ziekte herstellen zou. Toen Eliseüs den afgezant, die Hazaël heette, zag,

ocr page 555

223

weende hij. Waarom weent mijn heer? vroeg Hazaël. Omdat ik weet, welk kwaad gij doen zult aan de zonen Israels. — Hoe zou ik dat kunnen doen ? vroeg de Syriër andermaal. En nu sprak de profeet: De Heer heeft mij getoond, dat gij koning van Syrië zult worden.

Hazaël was sinds lang het hoofd eener geheime samenzwering tegen zijnen koning. Den volgenden morgen kwam hij in het vertrek, waar de zieke vorst sliep; hij nam eene deken, doopte die in water, drukte ze op het aan-gezichts des konings en verstikte hem. Hij zelf besteeg den troon.

CXIX. Juda. Regeering van Joram en Ochozias.

Zoodra de edele Josaphat in het graf zijner vaderen rustte, toonden Joram en zijne gemalin Athalia, wie zij waren. Joram begon met den moord van zijne zes broeders ; hij richtte afgodsbeelden op in de steden van Juda en bouwde zelfs te Jeruzalem eenen tempel voor Baal. Athalia en hare zonen beroofden den tempel van Salomon en brachten zijn kostbaarheden naar den Baalstempel over.

De straffen des hemels volgden spoedig. De Edomieten stonden op en wierpen het juk der onderhoorigheid aan Juda af. Ergere rampen werden den goddeloozen koning aangekondigd door eenen brief van den profeet Elias, die reeds sinds eenige jaren niet meer op aarde was. Zie, stond er in dien brief geschreven, de Heer zal u met uw volk , uwe kinderen , uwe echtgenooten en al uwe bezittingen , met zware rampen slaan; en gij zult gefolterd worden door eene verschrikkelijke ziekte uwer ingewanden , totdat deze langzaam, dag aan dag, uit uw lichaam zullen uitgaan. De uitvoerders der goddelijke wraak waren de Philistijnen en de Arabieren, die het land van Juda plunderden en alles wegroofden, wat tot het huis des konings behoorde; ook zijne vrouwen en zonen, Athalia en haar jongste zoon uitgezonderd , werden weggevoerd of vermoord.

Den koning zeiven wachtte een erger lot. Aangetast door de ziekte, welke Elias hem voorspeld had, bracht hij twee jaren in ondragelijke smarten door en eindigde toen zijn eerloos leven als een voorwerp van afschuw voor

ocr page 556

224

geheel zijn volk, dat zijn lijk onwaardig oordeelde om in de koninklijke begraafplaats te rusten. Hij had na den dood zijns vaders slechts 5 jaren geregeerd, maar toch lang genoeg om het Rijk van Juda diep te vernederen en met ellende te vervullen.

Zijn jongste zoon Ochozias had hem in den veldtocht tegen de Arabieren niet vergezeld en was in leven gebleven ; hij werd koning en was geen minder booswicht dan zijn vader. Met den koning van Israël, die zijn oom was, streed hij gelukkig tegen de Syriërs, die zich van de vesting Ramoth-Galadd hadden trachten meester te maken. Daar Joram van Israël in den veldslag gewond was geworden , gaf hij het bevel over zijn leger, dat te Ramoth bleef, aan zijnen krijgsoverste Jehu, en vertrok zelf naar Jezrahel; Ochozias volgde zijnen oom spoedig daarop. De twee koningen, de zoon en de kleinzoon van Achab, waren nu met de goddelooze Jezabel in dezelfde stad ver-eenigd; dit geschiedde volgens den wil van God, want de tijd was gekomen, waarop het vonnis der verdelging, door Elias over het geslacht van Achab uitgesproken, zou voltrokken worden.

CXX. Israël. Regeering van Jehu.

Eliseüs gelastte een zijner leerlingen: Neem deze kruik met olie in uwe hand en ga naar Ramoth-Galaad. Daar zult gij Jehu zien; roep hem uit het midden zijner gezellen en geleid hem in een binnenvertrek. Neem dan de oliekruik en giet ze op zijn hoofd uit en zeg: aldus spreekt de Heer: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël. De profeten-leerling ging en vond de legerhoofden bij elkander vergaderd. Hij trad binnen en sprak: Ik heb een woord tot u, o krijgsoverste! — Wien van ons allen bedoelt gij ? vroeg Jehu. U, o krijgsoverste! was het antwoord. Jehu geleidde den man in een afgezonderd vertrek; deze stortte toen de olie uit op Jehu's hoofd en zeide hem: Aldus spreekt Jehova, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over 's Heeren volk Israël. Gij zult het huis van Achab, uwen heer, uitroeien, en Ik zal het bloed van mijne profeten en van al mijne dienaren wreken op Jezabel;

ocr page 557

225

Ik zal het geheele geslacht van Achab verdelgen tot den laatste toe; Ik zal doen aan Achabs huis gelijk Ik gedaan heb aan het huis van Jeroboam en van Baasa. En Jezabel zullen de honden verscheuren op het veld van Jezrahel, en er zal niemand zijn om haar te begraven. Toen de andere oversten vernamen, dat God Jehu tot koning verheven had, huldigden zij hem als hunnen vorst; al de soldaten waren verheugd en riepen: Jehu is koning!

Jehu vertrok met eene sterke ruiterbende, zoo snel hij kon, naar Jezrahel; de twee koningen reden hem uit die stad te gemoet. Hunne wagens waren juist op den akker, die vroeger aan Naboth had toebehoord, en Joram vroeg: Is alles in vrede, Jehu? — Wat vrede! antwoordde de wreker Gods; de afgoderijen en de vele tooverijen uwer moeder Jezabel duren nog voort! Op het hooren van deze taal riep Joram tot den koning van Juda: Verraad! en hij wendde zijne paarden om, ten einde de stad weder te bereiken. Doch .Jehu schoot hem eenen pijl tusschen de schouders, die hem het hart doorboorde en hem dood in zijnen wagen necerwierp.

Ochozias, de koning van Juda, nam de vlucht; doch hij werd nagezet, gewond en later omgebracht.

Jehu deed nu zijnen intocht in Jezrahel. Voor een der geopende vensters van het paleis, dat tegen den stadsmuur gebouwd was, stond Jezabel. Hoonend riep zij Jehu toe: Kan er vrede zijn voor eenen Zambri, die zijnen meester vermoord heeft? Jehu zag naar boven en bemerkte achter de koningin twee of drie kamerdienaars. Werpt haar naar beneden! riep hij, en een oogenblik later waren de grond en de stadsmuur met haar bloed bespat, en vertrapten de paarden haar misvormd lijk. Toen Jehu aan tafel zat, zeide hij: Gaat en ziet naar die gevloekte, en begraaft haar: zij is toch eene koningsdochter. Men ging, maar men vond niets meer dan haar schedel en stukken van hare handen en voeten: — de honden hadden Jezabel verscheurd en verslonden. Toen Jehu dit vernam, sprak hij: Het is het woord des Heeren, dat Hij door zijnen dienaar Elias gesproken heeft.

quot;Jehu bracht vervolgens al de leden van Achabs geslacht om het leven; maar de vreeselijke man ging veel verder

15

ocr page 558

226

dan God hem bevolen had, en maakte zich aan vele moorden schuldig, zoodat God zelf later zeide: Ik zal het bloed van Jezrahel op het huis van Jehu wreken. Toen hij de hoofdstad van Samaria in zijne macht had, deed hij al de priesters van Baal in den afgodstempel te zamen komen en vervolgens ombrengen; al de afgodsbeelden en altaren werden daarna verbrand, de tempel zelf omvergehaald, en de plaats, waar hij gestaan had, veranderd in een openbaar vuilnisriool. Maar de oude ergernis, die de eerste koning van Israël had ingevoerd, duurde voort: Bethel en Dan, met hunne gouden kalveren, bleven onder Jehu en opvolgers de plaatsen , waar men Jehova kwam vereeren. Gelukkig was de regeering van Jehu niet. De Syrische koning Hazaël behaalde vele overwinningen en ontnam aan Israël al zijn over-Jordaansche bezittingen. Jehu regeerde 28 jaren en liet den troon aan zijnen zoon J oacJiaz.

CXXI. Juda. Regeering van Athalia.

Terwijl in Israël het geslacht van Achab werd uitgeroeid, verhief het zich in Juda op den troon. De koning Ochozias, die slechts den ouderdom van 23 jaren bereikt had, liet geene andere dan kleine kinderen na; hiervan maakte zijne moeder Athalia gebruik om zelve te heerschen. Doch dit was haar niet genoeg; de snoode vrouw, die, niet minder dan hare moeder Jezabel, de gezworene vijandin van God was, wilde het door Jehova uitverkoren geslacht van David geheel uitroeien; de eenige vorstelijke afstammelingen van dien koning waren de jonge kinderen van Ochozias, die tegelijk de kleinkinderen van Athalia zelve waren. En het monster gaf bevel, om al die onschuldige kleinen te vermoorden; dit bevel werd uitgevoerd : en toch bereikte de koningin haar doel niet.

Er leefde nog eene kleindochter van den braven koning Josaphat, de godvruchtige Josabeth, echtgenoote van den edelen hoogepriester Jojada. Deze vrouw had het moorddadig plan der koningin vooruit geraden en bij tijds het jongste kind van Ochozias, een wicht van slechts één jaar, uit de slaapzaal der koningskinderen weten te ver-

ocr page 559

22/

wijderen; later zal zij de koningin hebben doen gelooven, dat dit kind gestorven was, zoodat de moordenares zich overtuigd hield, dat er geen enkele telg van David meer leefde.

Zonder schaamte of vrees, gaf Athalia zich nu met haren aanhang aan al de gruwelen over, welke haar vader Achab te Samaria gepleegd had ; Baal werd te Jeruzalem openlijk gediend. Echter was de koningin sluw genoeg om de uitoefening van den waren godsdienst niet te beletten; dit zou het volk al te zeer verbitterd hebben.

Ondertusschen groeide de kleine Joas op onder de oogen des hoogepriesters; hij leefde verborgen in den tempel en wist niet beter, of hij was een outaarknaap, aan den dienst des heiligdoms verbonden. Toen hij zeven jaar oud was , meende Jojada , dat de tijd gekomen was om hem op den troon zijner vaderen te herstellen. De hoogeprifister maakte het groot geheim aan eenige getrouwen bekend; deze reisden in stilte het land door, om in alle steden aan de Levieten en de hoofden der voornaamste familiën, op wier trouw men rekenen kon , de aanstaande verlossing aan te kondigen en hen tegen eenen bepaalden dag in den tempel te ontbieden. Met zooveel voorzichtigheid ging men te werk, dat de koningin, zelfs op den dag der beslissing, niets bemerkte dat haar reden tot onrust gaf.

Op dien dag was er eene groote menigte in den tempel vereenigd. Jojada gaf aan de Levieten en aan de andere verdedigers der goede zaak de wapenen, welke weleer door David uit den oorlogsbuit aan God waren toegewijd, en plaatste hen rondom den koperen troon, die in het voorhof des tempels stond. En toen verscheen hij met zijnen doorluchtigen voedsterzoon, die de kroon op zijn hoofd en de rol, waarop de wet des Heeren geschreven stond, in zijne hand droeg. Jojada zalfde hem, de tempel daverde van het geschal der bazuinen, het handgeklap der menigte en de blijde kreten van ; Leve de koning!

Athalia hoorde in haar paleis het ongewone gedruisch en begaf zich naar den tempel. Zoodra zij het kind, dat zij meende vermoord te hebben, op den troon zag, schreeuwde zij; Verraad! verraad! Jojada gaf aan de hoplieden bevel, haar buiten den tempel te voeren; niemand

ocr page 560

228

trok partij voor haar, en het zwaard maakte een einde aan haar misdadig leven. De hoogepriester deed koning en volk het Verbond met God plechtig vernieuwen, en allen beloofden, dat zij weder het volk des Heeren zouden zijn. De Eaals-tempel werd op dienzelfden dag vernield, de afgodspriester Mathan gedood, en Jeruzalem was weder de stad van God.

CXXII. Juda. Regeering van Joas en Amasias.

Ofschoon de hoogepriester, toen hij zijn volk van Athalia verloste, honderd jaren oud was, had hij toch nog kracht genoeg om, als voogd van den jongen koning, het begonnen werk voort te zetten. Hij begon met de herstelling van den offerdienst en van den tempel zeiven, die door de afgodendienaars niet alleen van zijne sieraden en kostbaarheden beroofd, maar ook moedwillig beschadigd was. Het werk vorderde echter zeer langzaam en was, 23 jaren later, nog niet voltooid. Evenwel mocht de grijze hoogepriester den in zijnen luister herstelden tempel toch nog aanschouwen, want hij bereikte den buitengewonen ouderdom van 130 jaren; men bewees hem koninklijke eer en begroef hem in het vorstengraf op den berg Sion,

Indien koning Joas tegelijk met zijn geestelijken vader gestorven was, zou hij eene plaats naast Asa en Josaphat verdiend hebben, want hij deed wat goed was in de oogen des Heeren, al de dagen van den hoogepriester Jojada. Maar later werd hij door goddelooze vleiers, overblijfselen uit den tijd van Athalia, bedorven, en hij week zoover af van den goeden weg, dat hij het plegen van afgoderij weder toeliet. Op zekeren dag kwam de Geest Gods over Zacharias, den zoon van den hoogepriester Jojada ; staande tusschen den tempel en het altaar, sprak hij : Waarom overtreedt gij het gebod des Heeren tor uw onheil ? Waarom hebt gij den Heer verlaten, opdat Hij u verlate? Joas hoort die woorden en wordt woedend ; zonder eerbied voor de heilige plaats, voor den profeet, die in den naam van God spreekt, voor den zoon van den man, aan wien hij leven en kroon verschuldigd is, beveelt hij Zacharias te steenigen. De profeet werd tusschen den tempel en het

ocr page 561

229

altaar met steenen doodgeworpen; stervend sprak hij : De Heer zie en vergelde het!

De vergelding volgde reeds één jaar later. Joas werd door den Syrischen koning Hazaël overwonnen en moest, met opoffering van al zijne bezittingen en van den tempelschat , eenen schandelijken vrede koopen; kort daarna werd hij door twee hovelingen op het ziekbed, waarop hij nederlag, vermoord; men oordeelde zijn lijk onwaardig om in de begraafplaats der koningen te rusten. Zijne regeering had 40 jaren geduurd.

Zijn zoon en opvolger Amasias begon ook goed, maar volhardde niet. In eenen oorlog tegen de Edomieten huurde hij voor 100 talenten 100,000 man hulptroepen van Joas, die toen in Israël regeerde. Doch toen die troepen aangekomen waren, zeide een profeet tot Amasias : O koning! laat het leger van Israël niet met u uittrekken. Indien gij meent, dat de uitslag des oorlogs afhangt van de sterkte des legers, dan zal God u doen overwinnen door uwe vijanden ; want het komt God toe te helpen of op de vlucht te drijven. Amasias vertrouwde op God en dankte het hulpleger af. Daarna trok hij alleen tegen de Edomieten op en behaalde eene schitterende overwinning. Doch toen veranderde zijne goede gezindheid geheel en al, zoodat hij de afgodsbeelden der Edomieten mede naar Jeruzalem voerde; en hij zelf vereerde die beelden en brandde daarvoor wierook. God zond hem eenen profeet, die hem zeide; Waarom hebt gij goden vereerd, die machteloos waren om hun eigen volk uit uwe hand te. redden? Maar Amasias wees hem vol trotschheid af, zeggende: Zwijg, of ik laat u dooden! en hij volhardde in de boosheid.

Het afgedankte hulpleger had, terwijl Amasias tegen Edom streed , een gedeelte van Juda geplunderd ; een oorlog tusschen Juda en Israël was daarvan het gevolg; Amasias werd geslagen en gevangen genomen. De koning van Israël kwam zelf naar Jeruzalem, deed een groot deel van den muur der stad afbreken, roofde al het goud en zilver, dat in den tempel en in het paleis te vinden was, en keerde toen naar Samaria terug. Amasias behield het leven en de kroon nog 15 jaren na deze nederlaag; toen werd er eene

i

;

i i

■i 11

I

■ll

I

im IÉ

'.y

I ■i

it

ocr page 562

230

samenzwering tegen hem gesmeed; hij trachtte zich door de vlucht te redden , maar werd achterhaald en omgebracht. Op zijne regeering, die 29 jaren geduurd had, volgde in Juda een allerellendigst tijdvak van bijna 12 jaren, gedurende welke het land aan regeeringloosheid ten prooi was.

CXXIII. Israël. Regeering van Joachaz en Joas. De profeet Eliseüs.

Het Rijk van Israël verkeerde, toen JoacJiaz den troon besteeg, in een zeer ongelukkigen staat, ten gevolge der overwinningen van Hazaël, koning van Syrië. Deze toestand verergerde nog onder de regeering van Joachaz. Hazaël stierf wel, maar zijn zoon, Benadad II, zette den oorlog voort; Israël werd diep vernederd en eindelijk zoo machteloos gemaakt, dat zijn geheele leger niet grooter meer was dan 100.000 man met 50 ruiters en tien strijdwagens. In dezen uitersten nood bad Joachaz tot God, en God schonk aan Israël eenen redder in den zoon des konings, jfoas, die eenigen tijd met zijnen vader te zamen, en na diens dood alleen regeerde.

Had deze koning de gouden kalveren van Bethel en Dan niet laten bestaan, hij zou niet alleen een beroemd maar ook een braaf vorst geweest zijn; onder hem en zijnen zoon bereikte het rijk der tien stammen het toppunt van bloei.

Kort na den dood van Joachaz werd de profeet Eliseus, die nu een hoogbejaard grijsaard was, doodelijk krank; koning Joas begaf zich terstond tot hem. Haal eenen boog met pijlen, sprak de profeet tot Joas; deze deed het en spande den boog. Eliseüs ging voort: Open nu het venster aan de oostzijde en schiet een pijl af. En toen de pijl in de richting van Syrië wegvloog, riep hij uit: Het is een pijl van 's Heeren hulp, een pijl van hulp tegen Syrië! Gij zult de Syriërs slaan tot vernielens toe. Daarop gebood hij den koning met de overige pijlen op den grond te slaan ; Joas gehoorzaamde en sloeg drie malen op de aarde ; toen ontstelde Eliseüs en sprak: Hadt gij vijf of zes of zevenmaal geslagen, gij zoudt Syrië geheel verdelgd

ocr page 563

231

hebben; nu echter zult gij het slechts drie malen verslaan. Spoedig daarna stierf de profeet.

In hetzelfde jaar werd het land verontrust door Moa-bietische roovers Eens gebeurde het, dat eenige mannen eenen gestorvene naar het graf droegen, toen zij in de verte de roovers bemerkten. Juist waren zij dicht bij de spelonk, waar het lichaam van Eliseüs rustte, en om spoediger te kunnen vluchten, wierpen zij hun lijk daarin. Maar nauwelijks raakt de doode het heilig overblijfsel van den profeet aan, of hij richt zich op en leeft weder. Aldus verheerlijkte God het graf van zijnen getrouwen dienaar.

Wat Eliseüs in het laatste uur zijns levens voorzegd had, geschiedde. Zoodra Joas in het veld verscheen , keerde de kans des oorlogs ten voordeele van Israël; de Syriers werden herhaalde malen geslagen, en Joas nam al de steden , welke Hazaël overweldigd had, weder terug. Doch hij zette zijne zegepraal niet door; in plaats van de Syriërs in hun eigen land te bestoken, keerde hij zijne overwinnende wapenen tegen het ongelukkige rijk van Juda. Hij stierf korten tijd na zijne overwinning op Amasias, en liet den troon, dien hij 16 jaar lang met roem bekleed had, aan zijnen zoon Jeroboam.

CXXIV. Regeering van Jeroboam II. De Profeten

Amos en Jonas.

Deze koning, dien men, om hem van den stichter des Israëlietischen Rijks te onderscheiden , Jeroboam den tweede noemt, regeerde 41 jaren en voerde het rijk der tien stammen tot eene nooit gekende hoogte van welvaart en luister. Hij breidde de grenzen van zijn gebied uit, onderwierp Coelesyrië, dwong de Syriërs tot het betalen van schatting en gaf aan Israël eene grootheid terug, die aan de dagen van David en Salomon herinnerde.

Deze voorspoed bracht het volk tot weelde en zedeloosheid; tegelijk met den rijkdom groeide de ondeugd aan. God wekte eenen profeet op, die Anws geheeten en een arm herder was; hij predikte vooral te Bethel en verweet het volk zijne trotschheid, onrechtvaardigheid en ver-

ocr page 564

232

drukking van de armen; hij voorspelde, dat God Israël straffen en het geheel verdelgen en onder de heidensche volken verstrooien zou; maar men luisterde niet naar zijne vermaningen en bedreigingen. Evenmin werd het misdadige volk tot inkeer gebracht door de vreeselijke rampen, welke God in het laatst der regeering van Jeroboam overzond: droogte en hongersnood, aardbeving en pest; het ondeugende volk keerde niet terug tot den Heer. Na den dood van Jeroboam verviel dan ook het rijk van Israël zeer spoedig tot de diepste ellende, en was zijn ondergang niet ver meer verwijderd.

Amos is een van de profeten, wier geschriften wij in den Bijbel bezitten. Deze profeten zijn 16 in getal; de vier eersten worden groote profeten genoemd en zijn: Isaias, Jeremias, Ezechiël en Daniël; de twaalf anderen dragen den naam van kleine prof eten en heeten; O see, Joël, Am os, A bdias, Jonas, Mie hé as, Nahum, Habakuk, Sophonias, Aggéns, Zacharias en Malachias. Tot hunne 16 boeken behoort nog een 17de, geschreven door den ge

heimschrijver van Jeremias. — Amos en Jonas zijn de oudsten dezer profeten; het boek van dezen laatste bevat het verhaal van zijne zending als boetprediker naar Ninive, de hoofdstad van het groote Assyrische wereldrijk.

CXXV. Geschiedenis van Jonas.

De profeet Jonas ontving van God den last: sta op en ga naar Ninive, de groote stad, en predik daar; want hare boosheid is voor Mij opgestegen. Doch Jonas wilde die zending niet volbrengen, want hij vreesde denkelijk, dat, wanneer Ninive zich zoude bekeeren, het volk van Israël zeker zou verworpen worden. Hij ging dan naar de zeehaven Joppe en begaf zich op een schip, dat juist gereed was om naar Tharsis te vertrekken. Maar God zond een hevigen stormwind, die het schip in gevaar bracht van te vergaan. Al de schepelingen riepen tot hunnen God om redding, en wierpen de gansche lading over boord; Jonas alleen sliep beneden in het schip. De stuurman deed hem ontwaken. Wat ligt gij te slapen ? riep hij hem toe; sta op! roep uwen God aan! misschien gedenkt God onzer en ontkomen wij den dood. De storm hield aan, en het scheepsvolk kwam op de gedachte, dat er misschien onder hen iemand was, die door de wraak

ocr page 565

233

des hemels vervolgd werd. Komt, spraken zij tot elkander, laat ons het lot werpen en onderzoeken, om welke reden deze ramp ons overkomt. Er werd dan geloot, en het lot viel op Jonas. Allen vroegen hem; Zeg ons, waarom ons dit onheil treft? Wat hebt gij gedaan? Van welk land zijt gij en waar gaat gij heen ? Jonas antwoordde ^ Ik ben een Hebreër, en ik vrees den Heer, den God des hemels, die zee en land gemaakt heeft. En hij bekende, dat hij door zijne ongehoorzaamheid den toorn des Heeren over het scheepsvolk gebracht had. Wat moeten wij u doen, opdat de zee bedare? vroegen zij; en hij zeide: Neemt mij op en werpt mij in de zee; dan zal de zee bedaren. Want ik weet, dat om mijnentwil deze zware storm u overvallen heeft. De schepelingen intusschen spanden al hunne krachten in om de kust te bereiken, doch te vergeefs; de storm nam in woede toe. Eindelijk moesten zij het bevel van den profeet volbrengen. Wij bidden, o Heer! zeiden zij, doe ons niet vergaan om het leven van dezen man, en breng over ons geen onschuldig bloed! Gij immers, o Heer! hebt gedaan gelijk Gij gewild hebt. En zij namen Jonas op en wierpen hem in de zee. Oogenblikkelijk verminderde en bedaarde de storm.

God wilde Jonas niet doen sterven. Hij had een groot zeemonster in de nabijheid van het schip gezonden; dit slokte den profeet op zonder hem eenig leed te doen. Hij bleef drie dagen en drie nachten in het ingewand van dien visch, en daarna gebood God den visch, hem op het strand uit te spuwen.

Voor de tweede maal sprak God nu tot Jonas: Ga naar Ninive, de groote stad, en predik daar de prediking, die Ik u zeg. De profeet gehoorzaamde, kwam in de Assyrische hoofdstad, doorliep hare straten, eene dagreize ver, en riep: Nog veertig dagen, en Ninive zal verwoest worden. De Ninivieten geloofden het woord, dat God door Jonas sprak, en zij deden boetz'aardigheid■, dcVomng zelf gaf het voorbeeld en beval allen te vasten en te • bidden en zich te bekeeren van hun zondigen weg en hunne booze werken. En God erbarmde Zich over hen en voerde de gedreigde straf niet uit.

Jonas had, na zijne zending volbracht te hebben, buiten

ocr page 566

2 34

de stad eene hut van loof gebouwd en verbleef daarin, om te zien, wat aan Ninive zou overkomen. De veertigste dag ging voorbij, en de stad werd gespaard. Toen werd hij bitter bedroefd, want nu Ninive gespaard bleef, meende hij, dat de ondergang van zijn eigen volk zeker was. Hij bad: Heer! neem mijne ziel van mij weg, want de dood is mij beter dan het leven. God leerde hem op eene gevoelige wijze, hoe onredelijk zijn droefheid was. Hij had in éénen nacht boven de tent van Jonas eenen wonderboom doen opgroeien, die met zijne breede bladeren den profeet tegen de hitte der zonnestralen beschutte. Doch een giftig insect stak in den wortel van dien boom, en hij verdorde in éénen nacht. Den volgenden morgen werd Jonas door de hitte der zon hevig gekweld, en wederom bad hij om den dood. Toen zeide hem God: Meent gij met recht bedroefd te zijn om den wonderboom? — Ja, met recht! antwoordde Jonas. En God sprak: Gij zijt bedroefd om eene plant, waarvoor gij niets gedaan hebt en die gij niet hebt doen groeien, die in éénen nacht geboren en in éénen nacht vergaan is ; — en zou ik dan Ninive niet sparen , die groote stad, waarin meer dan honderd en twintig duizend menschen zijn, die het onderscheid niet kennen tusschen hunne rechter- en linkerhand, en zoovele dieren!

De profeet Jonas was eene groote voorafbeelding van Christus; dit heeft onze Zaligmaker zelf verklaard, toen Hij zeide; Gelijk Jonas drie dagen en drie nachten in het ingewand van den visch geweest is, zóó zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn.

CXXVI. Juda. Regeering van Ozias en Joatham. De profeet Isaias.

Toen Ozias, de zoon van den vermoorden Amasias, den ouderdom van 16 jaren bereikt had, werd hij door het geheele land tot koning uitgeroepen. Hij was een braaf vorst, die deed wat behagelijk was in de oogen des Heeren; onder hem rees het Rijk van Juda weder op uit de ellende, waartoe de vorige slechte koningen het gebracht hadden. Ozias voerde eenen zeer gelukkigen krijg tegen de Philistijnen en de Arabieren, en maakte de Ammonieten weder cijnsbaar. Hij herstelde de muren

ocr page 567

235

zijner hoofdstad en versterkte haar door het bouwen van nieuwe torens; en het vólk genoot onder zijne lange regeering, die, van den dood zijns vaders af gerekend, 52 jaren duurde, vrede en voorspoed.

In het laatst van zijn leven liet deze goede koning zich door hoogmoed tot eene misdaad verleiden, die hem een treurig uiteinde berokkende. Eens in den tempel zijnde, matigde hij zich eene priesterlijke bediening aan: hij nam een rookvat en wilde daarmede het Heilige binnengaan om reukwerk te offeren. De hoogepriester Azarias en de andere priesters hielden hem tegen en zeiden: Het is uwe bediening niet, Ozias! den Heer wierook te offeren; dat is de zaak der priesters, der zonen van Aaron, die gewijd zijn tot dat dienstwerk. Verlaat het heiligdom! veracht het niet! want God de Heer zou het u niet tot eer rekenen. Doch de koning luistert niet; toornig bedreigt hij de priesters en wil voortgaan naar het altaar, als eensklaps aan zijn voorhoofd eene witachtige vlek zichtbaar wordt. Terstond zien de priesters, dat hij door de melaatschheid getroffen is, en als een onreine wordt hij uit het heiligdom verdreven. Hij bleef melaatsch tot aan zijnen dood toe en leefde in een afgezonderd huis, terwijl zijn zoon Joatham in zijne plaats regeerde en na zijnen dood koning werd Deze vorst was een der braafste koningen van Juda; hij regeerde 16 jaren in groote voorspoed. Hij versierde den tempel door het bouwen eener nieuwe poort, die de allerhoogste genoemd werd.

Het volk van Juda toonde geen dankbaarheid voor de weldaden, waarmede God het onder deze twee goede koningen begunstigde; integendeel nam het zedebederf gedurig toe, en pleegde men zelfs, ofschoon niet in het openbaar, afgoderij. De profeet Isaias stelde deze ondankbaarheid van zijn volk voor in eene schoone gelijkenis:

Mijn beminde had een wijngaard op een vetten heuvel. Hij omtuinde hem en zuiverde hem van steenen en beplantte hem met edele wijnstokken. En hij verwachtte, dat de wijngaard druiven zou voortbrengen , maar giftbeziën heeft hij voortgebracht.

Nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda! weest rechters tusschen mij en mijnen wijngaard. Wat

ocr page 568

236

had ik aan mijnen wijngaard nog moeten doen, hetwelk ik daaraan niet heb gedaan? Waarom heeft hij, toen ik druiven verwachtte, giftbeziën voortgebracht?

Nu dan zal ik u toonen wat ik mijnen wijngaard doen zal. Ik zal zijne omheining wegnemen, en hij zal ter vernieling zijn; ik zal zijnen muur verbreken en hij zal zijn ter vertrapping. Ik zal hem woest maken; hij zal noch besnoeid noch gezuiverd worden; distels en doornen zullen daarin opschieten, en aan de wolken zal Ik gebieden daarop niet te regenen.

De wijngaard toch van den Heer der heerscharen is het huis Israels, en de mannen van Juda zijn de planten zijns welbehagens. Ik wachtte dat zij recht zouden doen, en zie, ondeugd! en gerechtigheid, en zie, zonden-geschrei!

De profeet Isaias, die de koning der profeten genoemd wordt, werd door God ter prediking gezonden in hetzelfde jaar, waarin koning Ozias stierf. In een hemelsch gezicht aanschouwde hij God, gezeten op een hoogen troon en omringd door Seraphijnen, die onophoudelijk elkander toeriepen en zeiden : Heilig ! heilig ! heilig! de Heer, de God der heirscharen! vol is de gansche aarde van zijne heerlijkheid! En Isaias zeide: Wee mij ! dat ik gezwegen heb, daar ik een man ben met onreine lippen , en ik den Koning, den Heer der heirscharen met mijne oogen heb gezien! Toen vloog een der Seraphijnen tot hem en raakte zijnen mond aan met een gloeiende kool die hij met de tang van het altaar genomen had, en hij zeide: Zie, dit heeft uwe lippen aangeraakt, en uwe ongerechtigheid zal weggenomen en uwe zonde uitgewischt worden.

Daarna sprak God: Wien zal ik zenden en wie zal onze gezant zijn ? En Isaias antwoordde : Zie, hier ben ik, zend mij.

CXXVII. Israël. Regeering van Zacharias, Sellum, Manahem, Phaceia en Phacee. De prcfeet Osee.

De dood van koning Jeroboam II werd in het Rijk van Israël gevolgd door een grenzenlooze verwarring, gedurende welke het zedenbederf van het volk vreeselijk toenam, gelijk de profeet Osee predikte: Er is geen waarheid in

ocr page 569

237

het land, geen barmhartigheid; geen kennis van God; maar het stroomt over van laster en leugen en moord en overspel. Daarenboven gaf men zich over aan al de gruwelen der afgoderij.

Elf jaren na Jeroboams dood gelukte het zijnen zoon Zacharias zich op den troon te verheffen, doch slechts voor zes maanden; toen werd hij vermoord door Selluin, en deze weder, ééne maand later, door Manahem, die zich ruim io jaren staande hield. Onder zijne regeering begonnen de Assyriërs, die toen het machtigste volk der wereld waren, hunne veroveringen ook naar den kant van Palestina uit te breiden; echter gelukte het Manahem, den inval in zijn Rijk af te koopen voor de som van duizend talenten, welke hij aan den Assyrischen koning Phul aanbood.

Manahem was van al de Israëlietische koningen na Jeroboam II de een,:ge, die eenen natuurlijken dood stierf; zijn zoon Phaceia, die hem opvolgde en even slecht was als hij, werd, na twee jaren geregeerd te hebben, vermoord door Phacee, die het koninkrijk weder een weinig ophief uit de diepte der ellende, waarin het gezonken was. In het laatst zijner regeering was hij zelfs machtig genoeg om zich , in vereeniging met Ra sin, koning van Syrië, tot eenen oorlog tegen het Rijk Juda uit te rusten. De twee koningen stelden zich niets minder voor dan het geslacht van David geheel van den troon te stooten, het Rijk van Juda, waarover de goddelooze Achaz koning was, van zich afhankelijk te maken en daarover eenen onderkoning aan te stellen ; zij hadden zelfs hunne keus reeds gevestigd op den zoon van zekeren Tabeel. Zij bereikten hun doel wel niet, maar brachten toch aan het Rijk van Juda vreeselijke slagen toe, gelijk in het volgende hoofdstuk zal verhaald worden.

De koningen van Assyrië, die inde Bijbelsche geschiedenis voorkomen, zijn: PJiul, Theglafhphalasar, Sahnanasar, Sargon, Sennacherib en Asarhaddon. — Medië scheurde zich na den dood van Sennacherib, omtrent 710 voor Christus, onder Dejokes, en Baby-lonië, ongeveer een eeuw later, onder Nabopolassar, van Assyrië af. Het Assyrische Rijk werd toen door de vereenigde Mediërs en Chaldeën of Babyloniërs geheel ten onder gebracht, en de hoofdstad Ninive ingenomen tusschen de jaren 610 en 606 voor Christus.

ocr page 570

236

had ik aan mijnen wijngaard nog moeten doen, hetwelk ik daaraan niet heb gedaan?quot;Waarom heeft hij, toen ik druiven verwachtte, giftbeziën voortgebracht?

Nu dan zal ik u toonen wat ik mijnen wijngaard doen zal. Ik zal zijne omheining wegnemen, en hij zal ter vernieling zijn; ik zal zijnen muur verbreken en hij zal zijn ter vertrapping. Ik zal hem woest maken; hij zal noch besnoeid noch gezuiverd worden ; distels en doornen zullen daarin opschieten, en aan de wolken zal Ik gebieden daarop niet te regenen.

De wijngaard toch van den Heer der heerscharen is het huis Israels, en de mannen van Juda zijn de planten zijns welbehagens. Ik wachtte dat zij recht zouden doen, en zie, ondeugd! en gerechtigheid, en zie, zonden-geschrei!

De profeet Isaias, die de koning der profeten genoemd wordt, werd door God ter prediking gezonden in hetzelfde jaar, waarin koning Ozias stierf. In een hemelsch gezicht aanschouwde hij God, gezeten op een hoogen troon en omringd door Seraphijnen, die onophoudelijk elkander toeriepen en zeiden: Heilig! heilig! heilig! de Heer, de God der heirscharen! vol is de gansche aarde van zijne heerlijkheid! En Isaias zeide: Wee mij! dat ik gezwegen heb, daar ik een man ben met onreine lippen, en ik den Koning, den Heer der heirscharen met mijne oogen heb gezien! Toen vloog een der Seraphijnen tot hem en raakte zijnen mond aan met een gloeiende kool die hij met de tang van het altaar genomen had, en hij zeide: Zie, dit heeft uwe lippen aangeraakt, en uwe ongerechtigheid zal weggenomen en uwe zonde uitgewischt worden.

Daarna sprak God: Wien zal ik zenden en wie zal onze gezant zijn ? En Isaias antwoordde : Zie, hier ben ik, zend mij.

CXXVII. Israël. Regeering van Zacharias, Sellum, Manahem, Phaceia en Phacee. De profeet Osee.

De dood van koning Jeroboam II werd in het Rijk van Israël gevolgd door een grenzenlooze verwarring, gedurende welke het zedenbederf van het volk vreeselijk toenam, gelijk de profeet Osee predikte: Er is geen waarheid in

ocr page 571

1

237

het land, geen barmhartigheid; geen kennis van God; maar het stroomt over van laster en leugen en moord en overspel. Daarenboven gaf men zich over aan al de gruwelen der afgoderij.

Elf jaren na Jeroboams dood gelukte het zijnen zoon Zacharias zich op den troon te verheffen, doch slechts voor zes maanden, toen werd hij vermoord door Se Hum, en deze weder, ééne maand later, door Manakern, die zich ruim 10 jaren staande hield. Onder zijne regeering begonnen de Assyriërs, die toen het machtigste volk der wereld waren, hunne veroveringen ook naar den kant van Palestina uit te breiden; echter gelukte het Manahem, den inval in zijn Rijk af te koopen voor de som van duizend talenten, welke hij aan den Assyrischen koning Phnl aanbood.

Manahem was van al de Israëlietische koningen na Jeroboam II de eenige, die eenen natuurlijken dood stierf; zijn zoon Phaceia, die hem opvolgde en even slecht was als hij, werd, na twee jaren geregeerd te hebben, vermoord door Phacee, die het koninkrijk weder een weinig ophief uit de diepte der ellende, waarin het gezonken was. In het laatst zijner regeering was hij zelfs machtig genoeg om zich , in vereeniging met Ra zin , koning van Syrië , tot eenen oorlog tegen het Rijk Juda uit te rusten. De twee koningen stelden zich niets minder voor dan het geslacht van David geheel van den troon te stooten, het Rijk van Juda, waarover de goddelooze Achaz koning was, van zich afhankelijk te maken en daarover eenen onderkoning aan te stellen; zij hadden zelfs hunne keus reeds gevestigd op den zoon van zekeren Tabeel. Zij bereikten hun doel wel niet, maar brachten toch aan het Rijk van Juda vreeselijke slagen toe, gelijk in het volgende hoofdstuk zal verhaald worden.

De koningen van Assyrie, die inde Bijbelsche geschiedenis voorkomen, zijn: Phnl, Theglathphalasar, Salmanasar, Sargon, Sennacherib en Asarhaddon. — Medië scheurde zich na den dood van Sennacherib, omtrent 710 voor Christus, onder Dejokes, en Baby-lonie, ongeveer een eeuw later, onder Nabopolassar, van Assyrië af. Het Assyrische Rijk werd toen door de vereenigde Mediërs en Chaldeën of Babyloniërs geheel ten onder gebracht, en de hoofdstad Ninive ingenomen tusschen de jaren 610 en 606 voor Christus.

i

ocr page 572

238

CXXVIII. Juda. Regeering van Achaz. De profeet

isaias.

Achaz, de zoon van den braven Joatham, was de goddelooste en hardnekkigste booswicht, die uit het tijdvak der koningen bekend is ; hij overtrof zelfs Achab in gruwelen. Niet alleen voerde hij den dienst van Baal weder in, maar vereerde ook den afschuwelijken Moloch ; het koperen beeld van dien afgod werd in een dal bij Jeruzalem opgericht, en, wanneer het gloeiend gestookt was, legde men onschuldige kinderen in zijn armen; de godvergeten koning gaf zelf het voorbeeld en leverde zijne eigene kinderen over, om ter eere van den afgod' verbrand te worden.

De straffen der goddelijke wraak vielen toen van alle zijden op het Rijk van Juda neder. Phacee, de koning van Israël, en Razin , de koning van Syrië, brachten Achaz twee ijselijke nederlagen toe en belegerden zelfs Jeruzalem, terwijl de Edomieten in het Zuiden en de Philistijnen in het Westen, het land plunderden en verwoestten. Achaz was in zijne hoofdstad opgesloten en kon niets anders dan zijnen ondergang voorzien, toen de profeet Isaias door God tot hem gezonden werd, om hem te zeggen, dat hij voor de twee koningen niet moest vreezen, daar God niet zou toelaten, dat zij, gelijk zij van plan waren, het uitverkoren geslacht van David zouden verdelgen. Bij deze gelegenheid deed Isaias eene van zijne grootste voorspellingen over den Verlosser der wereld, d\e. u\t eene zuivere Maagd zou geboren worden. Want toen Achaz het woord van den profeet, dat God hulp verleenen zou, niet geloofde, zeide hem Isaias: Vraag u een teeken van den Heer uwen God, omlaag in de diepte of omhoog in den hemel! Spottend antwoordde de koning: Ik zal niet vragen en den Heer niet op de proef stellen. Toen sprak Isaias: Hoort dan, gij huis van David! De Heer zelf zal u een teeken geven: zie de Maagd zal ontvangen en eenen Zoon baren; en zijn naam zal genoemd worden: Emmanuel, dat is, God met ons.

ocr page 573

239

De zending van Isaias was voor koning Achaz vruchteloos ; deze booswicht wilde niets weten van den God zijner vaderen. In plaats van bij Jehova hulp te zoeken, zond hij gezanten, met groote geschenken , naar den Assyrischen koning Th eg la thphalasar, die zich juist met zijn leger op weg bevond naar Syrië en weldra dat land binnentrok ; daardoor werd Razin verplicht het beleg van Jeruzalem op te breken en zijn eigen Rijk te verdedigen; ook Phacee trok af om zijn over-Jordaansch gebied te beschermen. Zoo werd Achaz van zijne vijanden verlost in het vierde jaar zijner regeering.

Razin en Phacee beproefden te vergeefs de geweldige macht der Assyriërs tegen te houden. Damaskus werd ingenomen, Razin gedood, geheel Syrië overweldigd, en de inwoners in ballingschap weggevoerd. In ditzelfde lot deelden de Israëlieten, die ten Oosten van den Jordaan en in het gebied van Nephtali woonden; ook zij werden gevangen weggevoerd, niemand weet waarheen. Koning Phacee werd in hetzelfde jaar vermoord door O see. — Deze eerste wegvoering der Israëlieten had plaats in het jaar 739 voor Christus.

Achaz nam na dien tijd in boosheid toe; eerst liet hij het brandofifer-altaar wegnemen van de plaats, waar het door Salomon gesteld was; toen stal en vernielde hij al de sieraden en heilige vaten des tempels, en eindelijk deed hij den tempel sluiten en schafte hij den Israëlietischen godsdienst af. In alle hoeken van Jeruzalem en in alle steden van Juda verrezen nu de beelden en de altaren der afgoden.

In die dagen sprak Isaias :

Hoort, hemelen! luister, aarde! want de Heer spreekt. Ik heb kinderen opgevoed en hoog verheven; maar zij hebben Mij veracht. De os kent zijnen meester, en de ezel de krib zijns heeren; maar Israël kent Mij niet, mijn volk heeft dat verstand niet. Wee dat zondig geslacht, dat volk, belast met boosheid, dien misdadigen kinderen! Zij hebben den Heer verlaten, den Heilige Israëls hebben zij gelasterd en Hem den rug toegekeerd. — Wat heb ik aan de menigte uwer offers? zegt de Heer. Ik walg er van 1 als gij uwe handen uitstrekt, zal Ik

ocr page 574

240

mijne oogen van u afwenden; en als gij lange gebeden spreekt, zal Ik u niet hooren, want uwe handen zijn vol van bloed !

Gelukkig duurde de regeering van Achaz in het geheel slechts 16 jaren. Toen stierf hij, pas 36 jaren oud, en hij werd niet bij zijne vaderen begraven. Zijn zoon Ezechias volgde hem op, en was een even schitterend voorbeeld van deugd, als zijn vader een afschuwelijk monster van boosheid geweest was.

CXXIX. Israël. Regeering van Osee. De profeet Micheas. Einde van het Rijk: der tien stammen.

Negen jaren nadat Osee den vorigen koning vermoord had, besteeg hij den reeds waggelenden troon van Israël en regeerde eenigen tijd in rust; maar de ondeugd des volks nam schrikbarend toe. De profeet Micheas zeide daarover;

Wee mij! want ik ben gelijk geworden aan iemand, die na den wijnoogst druiven leest; er is geene druif meer om te eten. Weg zijn de braven uit het land; er is geen rechtvaardige meer onder de menschen. Allen loeren op bloed ; de broeder jaagt zijnen broeder ten dood. De zoon hoont zijnen vader, de dochter staat op tegen hare moeder, en ieders huisgenooten zijn zijne vijanden. — Ik zal Samaria gelijk maken aan een hoop steenen op een veld; hare muren zal Ik nederwerpen en hare grondslagen bloot leggen.

Deze voorpelling werd weldra vervuld. Eerst werd Israël door de Assyriërs onder hunnen koning Salmanasor schatplichtig gemaakt; en toen Osee in het geheim een gezantschap naar den koning van Egypte zond, om hulp te vragen ten einde het Assyrische juk af te schudden, werd het vonnis der verdelging over Israël uitgesproken. Het land werd verwoest, Samaria, na een beleg van twee jaren, ingenomen en in eenen puinhoop veranderd, Osee in de gevangenis geworpen, en het overschot des volks in ballingschap naar Medië weggevoerd.

Aldus eindigde het Rijk der tien stammen in het jaar 721 voor Christus; het had 254 jaren bestaan. Deze straf

ocr page 575

241

overkwam den zonen Israels, omdat zij gezondigd hadden tegen hunnen God, omdat zij vreemde goden gediend en de afgoderij der heidenen nagevolgd hadden. God had hen door zijne profeten gewaarschuwd en gezegd: Keert terug van uwe booze wegen, onderhoudt mijne voorschriften en godsdienstige instellingen; maar zij luisterden niet. Zij maakten zich twee gegoten kalveren; zij dienden Baal; zij hielden zich op met wichelkunst en waarzeggerij ; zij verkochten zich om kwaad te doen tegen den Heer, om zijne gramschap te tergen. Toen werd de Heer hevig vertoornd op Israël; Hij vaagde hen weg uit zijne oogen, en de stam van Juda bleef alléén over.

Waarschijnlijk werden niet alle inwoners van het Rijk der tien stammen weggevoerd, en bleven er vooral armen en landbouwers achter; ook waren er, tijdens den laatsten oorlog, velen naar Egypte gevlucht. Over het lot van degenen, welke naar Medië gevoerd werden, hebben wij geene zekere berichten.

CXXX. Het land van Israël na de wegvoering

der tien stammen.

Toen de Assyrische legers het land van Israël verlieten, was het eene uitgeplunderde en ontvolkte wildernis. Doch later bracht de Assyrische koning Asarhaddon nieuwe bewoners naar Israël over, die allen afgodendienaars waren. God wilde echter niet, dat Zijn naam geheel zoude vergeten worden: Hij zond leeuwen onder de inwoners, en dezen begrepen die plaag als eene straf van den God des lands. Zij zonden dan een verzoekschrift aan den koning Asarhaddon; De volken, die gij in de steden van Samaria hebt doen wonen, kennen den eeredienst van den land-God niet; daarom heeft Jehova leeuwen onder hen gezonden, en zie, deze dooden hen, omdat zij niet weten, hoe zij den God des lands moeten vereeren. Asarhaddon zond toen een der weggevoerde priesters naar Samaria terug; deze vestigde zich te Bethel en leerde aan het volk denkelijk den kalverendienst van Jeroboam; echter bleef men toch ook voortgaan met de afgoden te dienen.

Over dit gemengd geslacht, gedeeltelijk uit heidensche stammen, gedeeltelijk uit achtergeblevene en later terug-

16

ocr page 576

242

gekeerde bewoners van het Rijk Israels bestaande, zwijgt de Bijbelsche geschiedenis geheel en al; alleen weten wij, dat de godsdienstige toestand langzamerhand, vooral door den invloed van het naburige Juda onder zijn braven koning Josias, veel verbeterde; de afgoderij hield op, en ook de kalverendienst verdween; en, als wij, 185 jaren na de wegvoering der tien stammen, de bewoners van het voormalige Israël, onder den naam van Samaritanen, voor het eerst weder in de geschiedenis ontmoeten, vinden wij in hen vereerders van den waren God.

Hierin erkennen wij de beschikking der voorzienigheid van God , die niet toeliet dat het uitverkoren land , hetwelk bestemd was om eenmaal de werkplaats te wezen van den Verlosser der wereld, weder terugzonk in de afgoderij, waaruit God zelf het had opgeheven.

CXXXI. Regeering van Ezechias. De profeten Isaias en Joel.

Het eerste bevel, dat Ezechias uitvaardigde, was den tempel te openen en te reinigen. Hij riep de priesters en Levieten te zamen en sprak hen toe : Hoort mij, Levieten ! en heiligt u zeiven; reinigt het huis van den Heer, den God uwer vaderen en neemt alle onreinheid weg uit het heiligdom. Onze vaders hebben gezondigd en kwaad gedaan voor het aanschijn van den Heer onzen God, door Hem te verlaten; zij hebben hun aangezicht afgewend van den tempel des Heeren en hem den rug toegekeerd. Daarom ontstak 's Heeren gramschap tegen Juda en Jeruzalem; Hij leverde hen over ter beroering en ten ondergang en ter bespotting, zooals gij ziet met uwe oogen. Het is dan nu mijn verlangen, dat wij het Verbond met den God van Israël sluiten; dan zal Hij de hevigheid zijns toorns van ons afwenden.

Zestien dagen besteedde men, om alle afgodische verfoeiselen uit den tempel en zijn voorhoven te verwijderen ; daarna vierde Ezechias met zijn bekeerd volk een plechtig verzoeningsfeest. De tijd, waarop men volgens de Wet het Paaschfeest vieren moest, was intusschen voorbijgegaan, en Ezechias besloot, het Paschen ééne

ocr page 577

243

maand later te houden. Niet alleen zijne eigene onderdanen , maar ook die van Israël. waar toen Osee nog koning was, riep hij op, om deel te nemen aan het feest; echter kwamen er uit Israël slechts weinigen; maar geheel Juda stroomde naar den tempel, en de toevloed van het volk was zoo groot, dat er, sedert de regeering van Salomon, geen feest te Jeruzalem was gevierd geworden, gelijk aan het Paschen in het eerste jaar der regeering van koning Ezechias. Na afloop der plechtigheden trokken de feestelingen het geheele land door, om het van afgoderij te zuiveren ; bij deze gelegenheid werd ook de koperen slang van Mozes, die men altoos bewaard maar in den laatsten tijd afgodisch vereerd had, op bevel des konings vernield.

Zoo was, in zeer korten tijd, het goddelooze volk van Achaz in het braaf en godsdienstig volk van Ezechias veranderd; de voorspoed keerde in Juda terug, en de edele koning regeerde 14 jaar in vrede. Maar toen kwamen de Assyriërs onder hunnen koning Sennacherib weder opzetten ; tegen deze machtige vijanden was Ezechias niet bestand, en hij besloot al zijne krachten binnen Jeruzalem samen te trekken, ten einde die stad zoo lang mogelijk te verdedigen. Om de rampen eener belegering af te weren, zond hij gezanten naar Sennacherib ; deze beloofde Jeruzalem te zullen sparen, indien men hem eene groote som in goud en zilver betaalde. Ezechias bracht de geëischte som bijeen , en Sennacherib nam ze aan, ofschoon hij niet eens dacht aan het nakomen zijner belofte.

In deze hachelijke omstandigheden werd Ezechias onverwachts door eene doodelijke ziekte getroffen. De profeet Isaias kwam tot hem en zeide: Stel orde op uw huis, want gij zult sterven. De koning begon te weenen en bad in stilte tot zijnen God: Heer! ik bid U, gedenk hoe ik in getrouwheid eh oprechtheid van hart voor U gewandeld heb, en hoe ik gedaan heb wat goed is in Uwe oogen. Isaias had het voorhof van het paleis nog niet verlaten, toen God hem op nieuw tot den koning zond; want God had Ezechias willen beproeven, niet willen doen sterven. De profeet stond weder voor het ziekbed en zeide: Aldus spreekt de Heer, de God van uwen vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uwe tranen gezien: Zie, Ik

ocr page 578

244

heb u genezen; over drie dagen zult gij opgaan naar den tempel des Heeren. Daarenboven zal Ik vijftien jaren aan uwe dagen toevoegen; nog meer: Ik zal u verlossen uit de hand van den koning der Assyriërs, en deze stad zal ik beschermen om wille van Mij zeiven en van mijnen dienaar David.

Om te toonen dat de koning niet door natuurlijke middelen, maar door de almacht van God genezen werd, legde Isaias eenige vijgen op het gezwel, dat de zetel der ziekte was: door dit uit zich zelf krachteloos middel zou Ezechias de gezondheid terugontvangen. Dit werd hem door een heerlijk wonderteeken bevestigd. Er was in het paleis een zonnewijzer, waarschijnlijk bestaande uit een trap, op wier treden de afdalende schaduw der zon het verloop der uren aanwees. Nu vroeg Isaias den koning, of hij wilde dat de schaduw tien trappen afdalen of zooveel naar boven zoude rijzen. Ezechias koos het laatste; de profeet bad tot God, en de schaduw ging weder terug langs de tien trappen , waarlangs zij reeds was nedergedaald.

Weinigen tijd na zijne wonderbare genezing ondervond Ezechias, wat trouweloos en meineedig geweldenaar de Assyrische koning was. In plaats van Jeruzalem, gelijk hij beloofd had, te sparen, zond Sennacherib zijnen veldheer Rabsaces met een gedeelte van het leger naar die stad; hij zelf zette het beleg van Lachis voort. Rabsaces vroeg een mondgesprek met koning Ezechias, en deze zond drie zijner rijksgrooten buiten de stad, tot wie de Assyrische veldheer op de onbeschaamdste wijze over koning Ezechias en over den God der Joden sprak. Zoo luid hij kon riep hij, opdat de soldaten, die op de muren waren , het zouden hooren : Laat Ezechias u niet bedriegen , want hij zal u niet kunnen redden. En laat hij u geen vertrouwen inboezemen op Jehova en u niet zeggen: Jehova zal ons zeker verlossen. Of hebben dan de goden der volken, ieder zijn land, gered uit de hand van den koning der Assyriërs? Hebben zij Samaria uit mijne hand gered ? En zou Jehova dan Jeruzalem kunnen verlossen uit mijne hand? Toen koning Ezechias deze godslasteringen, welke de verwaande heiden tegen God uitsprak, vernam, scheurde hij zijn gewaad uit droefheid over de beleediging,

ocr page 579

245

die zijnen God was aangedaan; en met een boetkleed omgord, ging hij naar den tempel. In zijnen naam ging een gezantschap den profeet Isaias vragen, dat deze door zijn gebed raad en uitkomst bij God zoude zoeken. Isaias zeide tot de gezanten: Meldt dit aan uwen koning: aldus spreekt de Heer: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord heb, waarmeê de knechten van den Assyrischen koning Mij gelasterd hebben. Zie, hij zal een gerucht hooren, en hij zal wederkeeren naar zijn land, en Ik zal hem in zijn land doen vallen door het zwaard.

Het gerucht, dat Sennacherib met schrik vervulde, was : dat Tharaka, de koning der Ethiopiers, met een ontzaglijk leger opgetrokken was om een inval in Assyrië te doen. Sennacherib was dus verplicht naar zijn eigen land terug te keeren ; echter wilde hij eene laatste poging wagen om Jeruzalem te veroveren en trok met al zijne macht tegen die stad op. Eerst schreef hij aan Ezechias eenen brief, opgevuld met dezelfde lasteringen als zijn veldheer had uitgesproken. De koning van Juda ging met dien brief naar den tempel, legde hem open neder voor de oogen des Heeren en bad: Heer der heirscharen, God van Israël! Hoor a! hetgeen Sennacherib geschreven heeft om den levenden God te hoonen. Ja, Heer! de koningen van Assyrië hebben volken verdelgd en hunne landen verwoest en hunne goden in het vuur geworpen. Want dat waren geen goden, maar werk van menschcnhanden, hout en steen; en die hebben zij vernield. Nu dan. Heer, onze God? red ons uit zijne hand, opdat alle Rijken der aarde weten, dat Gij alléén de Heer zijt. Nauwelijks had de koning dit gebed uitgesproken , of Isaias liet hem zeggen ; Sennacherib zal deze stad niet binnengaan, hij zal geen pijl daarin schieten; langs den weg dien hij gekomen is, zal hij terugkeeren, spreekt de Heer.

In den avond van dienzelfden dag kwam het groote Assyrische leger in de nabijheid van Jeruzalem, en den volgenden dag zou de aanval met alle mogelijke kracht gedaan worden. Maar in den nacht voer de engel der verdelging door de legerplaats en versloeg in weinige uren duizenden en duizenden soldaten; den volgenden morgen was het veld rondom Jeruzalem met 185,000 lijken bedekt.

ocr page 580

246

Toen erkende Sennacherib, dat Jehova niet gelijk was aan de goden der heidenen, die hij overwonnen had; met het overschot zijns legers nam hij de vlucht naar zijn land, waar hij zijne woede koelde op de gevangen Joden uit het Rijk der tien stammen, van wie hij er velen liet vermoorden. Later werd hij in den tempel van zijnen afgod, door twee zijner eigene zonen om het leven gebracht.

.De 15 jaren, welke Ezechias na deze wondervolle redding nog regeerde, werden door den grootsten voorspoed gekenmerkt. Hij bezat groote schatten cn werd hoog vereerd door alle volken in het rond. Eens echter liet hij zich door zijne grootheid en zijnen rijkdom verleiden tot ijdelheid en hoogmoed. Want toen er een Babylonisch gezantschap te Jeruzalem kwam, om hem geluk te wenschen en geschenken aan te bieden, leidde hij de gezanten in al zijne schatkamers rond en toonde hun al zijne bezittingen. Zoodra de gezanten vertrokken waren, zond God den profeet Isaias tot den koning, om de Babylonische gevangenschap aan te kondigen. Zie, sprak hij, de dagen komen, dat alles wat in uw huis is en wat uwe vaders verzamelt hebben tot op dezen dag toe, weggevoerd zal worden naar Babyion. Daarenboven zullen er uit uwe eigene nakomelingen gevangen genomen worden, om dienaars te zijn in het paleis des Babylonischen konings. Ezechias vernederde zich voor God cn zeide: Moge er in mijne dagen althans vrede en waarheid zijn! Deze wensch werd vervuld, en hij stierf in ongestoorde rust, na 29 jaren geregeerd te hebben; geheel Juda treurde om het verlies van den voortreffen ij ken koning, en aan zijn lijk schonk men eene cereplaats in het graf der vorsten.

De profeet Joël, over wiens persoon niets bekend is, spoorde het volk tot boetvaardigheid aan, zeggende: Bekeert u tot Mij, zegt de Heer, uit geheel uw hart, met vasten en met weenen en rouwgeklaag; scheurt uwe harten en niet uwe kleederen, en bekeert u tot den Heer uwen God; want hij is goedertieren en barmhartig, lankmoedig en groot van ontferming en bereid om het kwaad te vergeven.

ocr page 581

247

CXXXII. Regeering van Manasses en Amon.

Wie kon het verwachten, dat de deugdzame Ezechias eenen booswicht gelijk Manasses tot zoon zou hebben! Deze was, toen zijn vader stierf, slechts 12 jaren oud, en toonde een monster Van boosheid te zijn, nog afschuwelijker zelfs dan zijn grootvader Achaz geweest was. Wederom stak de koperen Moloch zijne gloeiende armen naar onschuldige kinderen uit; wederom werden er afgodsbeelden opgericht in de voorhoven des tempels, ja, in den tempel zeiven plaatste Manasses het beeld van de liederlijke godin Astarte. Nooit, zelfs niet onder de oude Kanaanieten, welke Jozue op Gods bevel verdelgd had, waren Jeruzalem en Juda getuigen geweest van zulke gruweldaden, als er onder koning Manasses gepleegd werden. God zond profeten om tot bekeering te vermanen en de vreeselijkste straffen aan te kondigen; doch Manasses lachte met die bedreigingen en vermoordde de profeten des Heeren; hij vergoot veel, zeer veel onschuldig bloed en vervulde Jeruzalem daarmede van het eene einde tot het andere. Volgens eene oude overlevering heeft hij ook den profeet Isaias eenen wreeden dood doen sterven door hem door midden te zagen.

Een inval van de Assyriërs maakte einde aan de misdaden van den booswicht; zij namen Manasses gevangen en voerden hem geboeid naar Baby Ion. Gods genade volgde hem in zijnen kerker; te midden van vernedering en lijden erkende en beleed Manasses zijne schuld en smeekte God om vergiffenis. En God, die den boetvaar-digen zondaar nooit verstoot, versmaadde ook het berouw van Manasses niet; daarenboven stelde Hij hem in de gelegenheid, om het bedreven kwaad weder, zooveel mogelijk, goed te maken. Hij verzachtte het hart van den Assyrischen koning, en deze schonk den gevangene de vrijheid terug. Manasses keerde in zijn rijk weder, maar geheel veranderd; terstond verbood hij de afgoderij, vernietigde alle beelden en altaren, die hij had opgericht, herstelde den tempeldienst en gebood aan geheel Juda: Dient Jehova, den God van Israël! Hij overleefde zijne

ocr page 582

248

bekeering nog vele jaren; en het tweede gedeelte zijner regeering was rustig en voorspoedig. Toen hij stierf, waren er, sedert den dood van Ezechias, 55 jaren ver-loopen.

Zijn zoon Anion volgde hem wel in zijne misdaden maar niet in zijne boetvaardigheid en werd na twee jaren vermoord. Men riep zijn zoon Josias, ofschoon deze een kind van acht jaar was, tot koning uit.

CXXXIII. Regeering van Josias. De profeten Jeremias, Nahum en Sophonias.

De jonge Josias werd door brave mannen opgevoed, welke in Gods hand het middel waren om aan Juda eencn koning te schenken, die door geen zijner voorgangers in deugd overtroffen werd, die op de wegen van David wandelde, zonder af te wijken, noch ter rechter- noch ter linkerhand. Zoodra hij op zestienjarigen leeftijd zelf de regeering aanvaardde, kondigde hij het besluit af, om Jehova volgens de voorschriften der wet van Mozes te dienen. Overal roeide hij de overblijfselen der afgoderij uit, niet alleen in Juda, maar ook in het voormalig Rijk van Israël; hij vernietigde ook de afgodstempels, welke Salomon op den olijfberg gebouwd had, en deed de hoogten, waarop men tot nog toe, ook onder de godvruchtige koningen, aan den waren God ongeoorloofde offers had opgedragen, verdwijnen.

Op zijnen tocht door het land van Israël kwam hij te Bethel en vond daar het altaar, waarop de eerste koning der tien stammen geofferd en den kalveren-dienst begonnen had. Josias deed het altaar verbrijzelen en de beenderen van de kalveren-priesters, die daar begraven waren, tegelijk met het altaar verbranden; doch het graf var den profeet, die vóór meer dan drie eeuwen voorspeld had wat nu gebeurde, bleef ongeschonden. /va j- ti'J i'0

In het 18de jaar zijner regeering gaf Josias bevel tot het herstellen van den tempel; al het volk van Juda en ook de Joden, die in het verwoeste Israël woonden, droegen gaarne van het hunne bij tot bestrijding der

ocr page 583

249

onkosten, die gemaakt moesten worden om aan het huis des Heeren zijn ouden luister terug te geven. Toen de hoogepriester Helkias de binnenste vertrekken des heiligdoms onderzocht, vond hij het boek der Wet, dat door Mozes zeiven geschreven was. Een der schriftgeleerden las dat boek aan den koning voor, en deze scheurde zijne kleederen, toen hij de woorden der Wet en al de vreeselijke bedreigingen, welke Mozes tegen de overtreders der Wet uitgesproken had, hoorde voorlezen. Hij zond Helkias aan het hoofd van een gezantschap naar Holda, eene profetes, die te Jeruzalem woonde. Gaat, zeide hij, en raadpleegt den Heer voor mij en voor de overgeblevenen van Israël en voor Juda, wegens al de woorden van dit teruggevonden boek ; want hevig is des Heeren toorn tegen ons ontstoken , daar onze vaders niet geluisterd hebben naar de woorden van dit boek, om alles te doen wat ons is voorgeschreven. Holda antwoordde: Aldus spreekt de Heer: Zie, Ik zal rampen brengen over dit land en zijne bewoners, al de rampen, welke geschreven staan in dit boek, dat men voor den koning van Juda gelezen heeft, omdat zij Mij verlaten en aan valsche goden geofferd hebben; daarom is mijn toorn tegen dit land ontstoken, en hij zal niet geblnscht worden. Maar aan den koning van Juda zult gij zeggen; Aldus spreekt de Heer: Omdat gij u voor God vernederd , uwe kleederen gescheurd en geweend hebt voor Mij, zult gij in vrede rusten in uw graf, opdat uwe oogen geene van de rampen, welke Ik over dit land brengen zal, aanschouwen. Josias hoorde dit vonnis der verwerping van zijn volk in nederigheid aan en besloot, zoolang hij leefde, voor het heil zijner onderdanen alles te doen wat in zijn vermogen was.

In eene groote vergadering deed hij nu de Wet uit het teruggevonden boek van Mozes aan het geheele volk voorlezen , en vervolgens wekte hij hen op tot het plechtig vieren van het aanstaande paaschfeest; allen volgden zijne oproeping, en nog nooit was het groot feest met zooveel godsdienstige nauwgezetheid gevierd geworden als in het 18de jaar van dezen godvruchtigen koning, van wien de H. Schrift getuigt, dat geen der vorsten vóór hem zich zóó volkomen met hart en ziel tot God keerde

ocr page 584

250

en zóózeer alle krachten inspande tot nauwgezette naleving der wet van Mozes.

Doch de Joden bleven niet volharden in hunne goede gezindheid, en het vonnis der verwerping, door God over het rijk van Juda uitgesproken, zou weldra vervuld worden. Ook Juda, zoo sprak God door den profeet Jeremias, zal Ik wegdrijven voor mijn aangezicht, gelijk Ik Israël weggedreven heb; Ik zal verwerpen Jeruzalem, de stad mijner keuze, en den tempel, waarvan Ik gezegd heb: Mijn naam zal daar zijn.

In het laatste jaar der regeering van Josias, die in het geheel 31 jaren duurde, wilde de Egyptische koning Nec/iao met zijn leger door Palestina naar Assyrië trekken ; Josias trachtte hem dit te beletten, maar werd geslagen en stierf aan de wonden, welke hij in den veldslag ontvangen had. Het geheele rijk rouwde over hem, en de profeet Jeremias maakte klaagliederen op hem, om zijne nagedachtenis te vereeren.

Deze groote profeet behoorde tot het geslacht van Aaron en werd in het 13de jaar der regeering van koning Josias tot het profetenambt geroepen. God sprak toen tot hem: Eer gij geboren werd, heb ik u geheiligd en u bestemd tot profeet onder de volken. Jeremias zeide: Ach, Heer God! zie, ik weet niet te spreken, want ik ben jong. Maar God antwoordde hem: Zeg niet dat gij jong zijt; want waarheen Ik u ook zend, zult gij te gaan, en al datgene wat ik u gebied, zult gij te spreken hebben. Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u om u te redden. En God strekte zijne hand uit en raakte den mond van Jeremias aan, zeggende: Zie, ik heb mijne woorden in uwen mond gelegd ; heden heb Ik u gesteld over volken eri over koninkrijken, opdat gij zoudt uitroeien en verwoesten en verdelgen, ook opbouwen en planten.

Onder de regeering van Josias leefden ook de profeten SopJionias en Nahiirn. De eerste voorspelde vooral de inneming van Jeruzalem door de Babyloniërs, de tweede de verwoesting der Assyrische hoofdstad Ninive.

ocr page 585

251

CXXXIV. Dk Koningen Joachaz en Joakim.

De Profeten Jeremias en Habakuk.

hI-U~ 07-

Josias liet drie zonen na : Eliakim, Joachaz en Mathamas ; deze laatste was slechts tien jaren oud. Joachaz werd tct koning uitgeroepen en verzamelde terstond al zijne macht, om den dood zijns vaders op den Egyptischen koning te wreken. Doch het leger van Juda werd andermaal verslagen, en Nechao bemachtigde zelfs Jeruzalem. Hij zette Joachaz, die niet langer dan drie maanden geregeerd had, af en stelde Eliakim tot koning aan; hij veranderde diens naam in Joakim en dwong hem tot het opbrengen van eene zware schatting. Joachaz werd gevangen naar Egypte gevoerd en stierf daar.

Onder Joakim, die een zeer slecht vorst was, staken dc ondeugd en de afgoderij in Juda, en vooral in Jeruzalem , het hoofd weder op. Op zekeren dag ontving de profeet Jeremias van God den last om in den tempel de ondeugd des volks te bestraffen. In het voorhof staande, predikte hij: Aldus spreekt de Heer: Indien gij niet naar Mij luistert en niet hoort naar de woorden van mijne dienaren, de profeten, zal Ik dezen tempel gelijk maken aan Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek voor alle volken der aarde. Allen, die deze bedreiging hoorden , stoven in woede op, grepen den profeet en riepen: Hij moet sterven! De vorsten van Juda daagden Jeremias voor hunne rechtbank, en daar werd hij door de priesters en het volk beschuldigd van heiligschennis, omdat hij geprofeteerd had tegen den tempel en tegen de stad. Doch de vorsten spraken hem vrij. Op dezen man, zeiden zij, rust geene doodschuld ; immers heeft hij tot ons gesproken in den naam van den Heer onzen God. / - - gt;

In het vierde jaar der regeering van Joakim, toen het Assyrische Rijk reeds opgehouden had te bestaan, maakte Nabuchodonosor, de koning der Chaldeën, een begin met zijne veroveringen, waardoor hij in korten tijd Babylonië tot de voornaamste mogendheid van Azie verhief. Hij overwon de Egyptenaren en ontnam hun al de landen, die zij bemachtigd hadden; daaronder behoorde ook Juda, en weldra belegerde en veroverde Nabuchodonosor de stad

ocr page 586

252

Jeruzalem en deed Joakim onderdanigheid en jaarlijksche schatting beloven. Daarna trok de overwinnaar af en voerde eenigen der aanzienlijkste jongelingen uit Juda als gijzelaars met zich mede; onder deze bevonden zich Daniël, Ananias, Misacl en Azarias

Met deze wegvoering, in het jaar 606 voor Christus, beginnen de zeventig jaren der Baby Ionische ballingschap. Jeremias profeteerde in hetzelfde jaar: Aldus spreekt de Heer; Omdat gij naar mijne woorden niet geluisterd hebt, zal Ik zenden en vereaderen alle volken van het Noorden en mijnen dienstknecht Nabuchodonosor, den koning van Babyion; en Ik zal hen brengen over dit land en over zijn bewoners en over alle volken in het rond. En dit gansche land zal woest en wild zijn, en al deze volken zullen den koning van Babyion onderworpen zijn, zeventig jaren lang. Maar als de zeventig jaren vol zijn, zal Ik den koning van Babyion en zijn volk straffen, om wille hunner ongerechtigheid, en Ik zal het land der Chaldeën maken tot een eeuwige woestenij.

Niet door woorden alleen maar ook door sprekende voorbeelden trachtte Jeremias zijn volk tot God terug te voeren. Er leefde onder de Joden een zwervende herders-stam, waarschijnlijk bestaande uit nakomelingen van Hobab, den zoon van Mozes schoonvader Jethro, die zich tegelijk met de Israëlieten in Kanaan gevestigd hadden. Deze herders volgden de oude aartsvaders in deugd en eenvoudigheid van zeden na; zij werden Rechabieten genoemd naar Rechab, den vader van een hunner voornaamste vroegere opperhoofden, Jonadab. Deze Rechabieten hadden, bij den laatsten inval der Chaldeën, de wijk genomen naar Jeruzalem en werden nu door Jeremias, op bevel van God, in eene der spijszalen des tempels tot eenen maaltijd uitgenoodigd, waarbij de profeet hun ook wijn voorzette. Doch de leefwijze, welke Jonadab aan de Rechabieten had voorgeschreven, hield in, dat zij zich van wijn moesten onthouden; en de brave herders weigerden er van te drinken. Wij zullen het niet doen, zeiden zij, want onze vader Jonadab heeft ons bevolen: gij zult geen wijn drinken noch uwe kinderen tot in eeuwigheid. Toen sprak Jeremias tot de Joden, die zich in het voorhof des tempels

ocr page 587

253

bevonden: Jonadabs woorden waren krachtig genoeg, daar zijne zonen aan het voorschrift huns vaders gehoorzaamden ; doch Ik heb tot u gesproken van den vroegen morgen af, maar gij gehoorzaamdet Mij niet. En ik heb mijne profeten tot u gezonden om u te zeggen : dat ieder zich bekeere van zijnen boozen weg! maar gij hebt Mij niet gehoord. En Jeremias voorspelde op nieuw rampen over Juda en Jeruzalem; maar aan de brave Rechabieten beloofde hij, dat hun stam niet zou uitsterven.

Een ander maal ontving de profeet van God bevel, om al de bedreigingen, die hij reeds tegen de Joden had uitgesproken, op te schrijven. Baruch, de geheimschrijver van Jeremias, volvoerde dit bevel en, toen er eene groote menigte in den tempel vergaderd was, las hij het boek der profetieën van Jeremias aan het volk voor. Deze lezing maakte diepen indruk op de vorsten van Juda; zij wilden terstond den koning raadplegen, doch gaven tevens aan Baruch den raad zich met zijnen meester te verbergen. Joakim wilde ook hooren wat het boek bevatte; doch nauwelijks waren er eenige bladzijden van gelezen, of hij rukte den voorlezer het boek uit de hand, sneed het in stukken en wierp het in het vuur. Tevens beval hij, Jeremias en Baruch gevangen te nemen; en, had men hen kunnen vinden, zij zouden door den goddeloozen koning ter dood gebracht zijn.

In het zevende jaar zijner regeering weigerde Joakim de hem door Nabuchodonosor opgelegde schatting te betalen ; tot straf werd zijn land aan plundering prijs gegeven , en zwermen van roovers overstroomden het ongelukkige Juda en verwoestten alles te vuur en te zwaard. Vier jaren later kwam Nabuchodonosor zelf voor de tweede maal Jeruzalem belegeren. Drie maanden te voren was Joakim , die in het geheel elf jaren geregeerd had , overleden ; men had zijn lijk, evenals het onreine overblijfsel van een gestorven dier, weggeworpen buiten de poorten van Jeruzalem , juist zooals de profeet Jeremias het hem voorspeld had.

Zeer waarschijnlijk leefde in de laatste jaren van Joakim de profeet Habakuk, die de verwoesting van Juda door de Chaldeën , maar ook den ondergang van het Babylonische Rijk en de toekomstige verlossing der Joden voorspelde.

ocr page 588

254

CXXXV. De Koningen Jechonias en Sedekias. De Profeten Jeremias en Ezechiël.

Na Joakims dood had zijn zoon Jechonias den titel van koning aangenomen. Toen Nabuchodonosor Jeruzalem belegerde, begaf zich de jonge vorst, die slechts 18 jaar oud was, met zijne moeder en voornaamste rijksgrooten naar het vijandelijke kamp, om lijfsbehoud af te smeeken. De Chaldeeuwsche koning voldeed dezen wensch, maar strafte Jeruzalem vreeselijk voor den afval onder Joakim. Hij veroordeelde Jechonias tot levenslange gevangenis, voerde de bezetting der hoofdstad en nog ruim 3000 der voornaamste ingezetenen in ballingschap weg en roofde al de schatten uit den tempel en het koninklijk paleis. Hij stelde Mathanias, den jongsten zoon van koning Josias , tot bestuurder van Juda aan , maar veranderde zijnen naam in Sedekias, opdat iedereen weten zou, dat de nieuwe vorst niets meer dan een stadhouder van den Babylonischen koning was.

Jechonias werd naar Babyion gevoerd; aan de andere bannelingen wees Nabuchodonosor eene verblijfplaats aan bij de rivier Chobar. Onder hen bevond zich de groote profeet Ezeehicl, een man van priesterlijke afkomst, die in het vijfde jaar na zijne wegvoering tot het profeten-ambt geroepen werd. Hij zag toen , in het midden eener donkere , van vuur doorstraalde wolk, God den Heer, gezeten op een schitterenden troon, die gedragen werd door vier Cherubijnen, die op menschen geleken en ieder vier aangezichten hadden: het eerste was als van een mensch, het tweede gaf eenen leeuw, het derde eenen stier, het vierde een arend te kennen. En God sprak tot hem: Menschenzoon ! sta op uwe voeten; Ik zal tot u spreken. Hij ontving den last, om alles, wat God hem openbaren zoude, vrijmoedig te prediken. Daarop naderde hem eene hand, die een boekrol, aan beide zijden beschreven, voor hem uitspreidde ; daarop stonden klaagliederen , treurzangen en wee. God gebood hem die rol te eten, en het werd in zijnen mond zoet als honig.

Een jaar later werd hij door den Geest Gods naar Jeruzalem in den tempel gevoerd en zag daar de schandelijke

ocr page 589

255

afgoderij, welke de Joden, tot zelfs in het heiligdom des Heeren, bedreven. Daarop zag hij zes mannen naderen, ieder met zijn vernielwapen in zijne hand, en in hun midden was er één, die een inktkoker aan zijnen gordel had. Deze moest al de braven, die nog in Jeruzalem waren, op hun voorhoofd teekenen met eene letter, welke den vorm had van een kruis; de zes andere mannen ontvingen bevel om door de geheele stad te gaan en allen, behalve de geteekenden, te doodeng

' Dit gezicht was eene duidelijke voorspelling van den naderenden ondergang der stad. Sedekias sloot in het vierde jaar zijner regeering een geheim verbond met meerdere vorsten , om gezamelijk het Babylonische juk af te schudden ; evenwel durfden deze vorsten niet tot dadelijkheden overgaan , en wisten zij hunne plannen voor Nabuchodonosor geheim te houden, terwijl het vuur des opstands bleef smeulen, en men eene gunstige gelegenheid afwachtte om den oorlog tegen Babyion te beginnen. In het negende jaar der regeering^van Sedekias meende men, dat de geschikte tijd gekomen was; doch toen was ook Nabuchodonosor van alles onderricht en reeds met een geducht leger in aantocht om de oproerlingen te straffen. Hij trok het eerst op Jeruzalem aan en sloeg het beleg om die stad.

Sedekias vroeg den profeet Jeremias om raad. Deze profeet had van den beginne af den opstand tegen Babyion zoo sterk mogelijk ontraden ; ook nu antwoordde hij, dat men zich zonder uitstel onderwerpen en overgeven moest, daar anders het geheele volk zou verdelgd worden. Daar Nabuchodonosor kort na zijne aankomst het beleg weder moest opbreken, om tegen een Egyptisch leger, dat tot hulp der Joden in aantocht was, te strijden, lachte men met de bedreigingen van den profeet. Doch deze zeide: Het leger, dat uitgetogen is om u te helpen, zal terug-keeren naar zijn land; de Chaldeën zullen wederkomen en deze stad belegeren, en zij zullen haar innemen en met vuur verbranden. Door deze voorspelling haalde hij zich den doodelijken haat op den hals van den koning en vooral van Jeruzalems grooten. Op zekeren dag wilde hij zich naar zijne vaderstad Anathoth begeven, doch werd bij de poort van Jeruzalem aangehouden en beschuldigd, dat hij

ocr page 590

256

tot de Chaldeën wilde overloopen. Hij werd voor de rechtbank gesleept cn, ofschoon hij geheel onschuldig was, deden de rechters hem geeselcn en in eenen diepen kelder werpen. Zijne voorzegging werd spoedig vervuld. Nabucho-donosor versloeg het Egyptische leger en verscheen weder voor Jeruzalem. Sedekias verzachtte toen de gevangenis van Jeremias een weinig; deze echter ging voort met den ondergang der stad , indien men haar niet vrijwillig overgaf, te voorspellen, totdat eindelijk de voornamen van Jeruzalem, op hun gedurig aanhouden, van den koning verlof verkregen om den profeet van het leven te berooven. Om zijnen dood zoo pijnlijk mogelijk te maken, lieten zij hem nederzakken in een regenput, waarin geen water, maar slechts eene dikke laag modder was, ten einde hem daarin langzaam te doen wegzinken en verstikken. Een zwarte kamerdienaar des konings, die zooveel wreedheid niet kon aanzien, verhaalde dit aan den koning en kreeg van hem verlof, den profeet, indien het nog mogelijk was, aan den dood te ontrukken. Nog bijtijds trok hij den profeet uit den put cn redde hem het leven.

Inmiddels was de nood in de stad hoog geklommen; er heerschte gebrek aan levensmiddelen, er onstond hongersnood, en dagelijks stierven er velen; de onbegraven lijken besmetten de lucht en de vreeselijkste van alle plagen, de pest, woedde onder de rampzalige inwoners. Nog vermaande Jeremias den koning om de poorten voor de Chaldeën te openen, en verzekerde, dat de stad dan zou gespaard worden; maar te vergeefs. En toen had voor Jeruzalem het laatste uur geslagen.

In het elfde jaar van Sedekias bestormden en veroverden de Chaldeën Jeruzalem; de koning vluchtte, maar werd achterhaald en met zijne kinderen naar de stad Reblata opgezonden, waar Nabuchodonosor zich bevond. Hij werd onmenschelijk streng gestraft: eerst werden zijne kinderen voor zijne oogen vermoord, en toen stak men hem de oogen uit, sloeg hem in boeien en voerde hem naar Babyion, om daar in de gevangenis tc sterven. Zóó werd de profetie van Ezechiël letterlijk vervuld: Ik zal hem voeren naar Babylon in het land der Chaldeën ; hij zal het niet zien en er sterven.

ocr page 591

257

Deze inneming van Jeruzalem had plaats in het jaar 588 voor Christus; tusschen het begin der regeering van Saül, den eersten koning der Joden, en de wegvoering van Sedekias liggen 507 jaren.

In het profetisch gezicht van Ezechiël, waarvan in dit hoofdstuk gesproken is, vinden wij eene heerlijke voorspelling der reddende kracht van het kruis 7'an Christus. Evenals het voorhoofd van diegenen, welke in Jeruzalem behouden moesten worden, geteekend werd met eene letter, die den vorm van een kruis had, zoo zal ook het teeken des heiligen Kruises, op den laatsten dag des oordeels, de uitverkorenen doen erkennen. Laten wij dan dikwijls het heilig kruisteeken met eerbied en godsvrucht maken, opdat wij verdienen mogen, ook op dien grooten dag er mede geteekend te worden.

CXXXVI. Verwoesting van -Jeruzalem. Wegvoering van het Volk. Toestand van Juüa na de wegvoering. De profeten Jeremias en Abdias.

Jeruzalem bleef ruim eene maand lang prijs gegeven aan de Chaldeeuwsche soldaten; daarna zond Nabucho-donosor zijnen veldheer Nabuzardan, om het over de stad uitgesproken vonnis te voltrekken. De voornaamste inwoners werden ter dood gebracht; alle kostbaarheden, die nog in den tempel waren, werden er uit genomen, de muren der stad omvergeworpen, en eindelijk werd dc tempel en de geheele stad in brand gestoken en tot den grond toe vernield. De tempel had, sedert de inwijding door Salomon , 415 jaren gestaan.

Den profeet Jeremias behandelden dc Babyloniërs met den grootsten eerbied en lieten hem volle vrijheid. Daardoor was het hem mogelijk, de ark des Verbonds met het reukaltaar en de overblijfselen van den ouden tabernakel voor ontheiliging te bewaren. Op last van God bracht hij deze heiligdommen naar den berg, waarop Mozes gestorven was, en verborg ze daar in eene spelonk, waar zij nooit meer Werden teruggevonden. Ook was het heilige vuur van het brandoffer-altaar door eenige priesters in een diepen drogen put verborgen geworden.

Nabuzardan gaf Jeremias de keus om óf mede naar Babyion te gaan, waar hem hooge eer w achtte, öf bij de

ocr page 592

258

Joden, die in Juda zouden achtergelaten worden , te blijven ; de profeet koos het laatste, want hij wilde zijn ondankbaar volk niet verlaten. In dien tijd schreef hij zijne schoone treurzangen over den val van Jeruzalem en gaf nog heilrijke vermaningen aan de Joden, die op het punt waren van naar Babyion te vertrekken. Hij had zich naar Maspha begeven, de verblijfplaats van den landvoogd Godolias, dien Nabuchodonosor over Juda had aangesteld.

Deze Godolias was een edel en godvruchtig man uit een der aanzienlijkste geslachten van Juda; onder zijn zacht bestuur zouden de achtergeblevene Joden veel gelukkiger hebben kunnen zijn dan onder hunne laatste goddelooze koningen, indien zij niet zich zeiven nieuwe rampen hadden op den hals gehaald.

Na het vertrek des Babylonischen legers nam de bevolking van Juda langzamerhand weder toe; vele vluchtelingen keerden terug, en onder dezen ook krijgslieden, zoowel bevelhebbers als soldaten; de landvoogd nam hen met goedheid op en beloofde hun, dat zij, als zij in vrede hunne akkers wilden bebouwen, niets zouden te vreezen hebben. Onder de teruggekeerde krijgsoversten bevond zich zekere Ismahel, een valsche booswicht, die zich in schijn aan Godolias onderwierp, maar eigenlijk gekomen was, om den landvoogd te vermoorden en, geholpen door de Ammonieten, een nieuwen opstand tegen Babyion te smeden. lïens noodigde Godolias Ismahel met tien mannen , die tot de geheime samenzwering behoorden, ten maaltijd; aan tafel brachten de deugnieten den landvoogd om het leven, en dwongen daarop, bijgestaan door hunne partij, alle inwoners van Maspha, met hen de wijk te nemen naar het land der Ammonieten. Dit werd echter door een anderen krijgsoverste, Jo/ianan geheeten , verhinderd ; onder hem vereenigden zich nu de Joden. Hun toestand was hopeloos, want zij hadden de ijselijkste wraak van den Chaldeeuwschen koning te verwachten. Daarom besloten zij naar Egypte te vluchten. Te vergeefs pcogde Jeremias hen van dit voornemen af te brengen; zij luisterden niet naar hem en trokken naar Egypte, hem en Baruch met zich medevoerend. Zeer spoedig verzonken zij daar in de afgoderij, en verdwenen zonder eenig spoor achter te laten.

ocr page 593

259

Jeremias overleefde den ondergang van zijn volk denkelijk niet lang ; na zijnen dood vertrok Baruch naar Babyion. Een klein getal Joden was nog in Juda achtergebleven; dezen werden, vier jaren na de verwoesting van Jeruzalem, naar Babyion weggevoerd.

Omtrent dezen tijd leefde de profeet Abdias, wiens profetie eene aankondiging is van den ondergang der Edomieten, die zich altoos, en vooral in de laatste oorlogen, wreed en verraderlijk tegen de Joden gedragen hadden.

De profeet Jeremias was door de lotgevallen zijns levens eene voorafbeelding van Christus. Evenals hij werd ook de Zaligmaker door zijn eigen volk en vooral door de voornamen van Jeruzalem versmaad, mishandeld en herhaalde malen met den dood bedreigd.

CXXXVII. De Messiaansche Profetieën.

De zending der profeten in het Oude Testament had een dubbel hoofddoel: zij moesten door hunne vermaningen en bedreigingen het volk van den weg der ondeugd en der afgoderij afhouden en tot God terugroepen ; maar zij moesten ook, en voornamelijk, de verkondigers wezen van de toekomst, de predikers en voorloopers van den Messias, den Verlosser der wereld. Al de profeten wezen dan ,'ook, óf door hunne woorden, óf door de wonderen, die zij werkten, óf door de lotgevallen huns levens, op Christus en het rijk, dat Hij op aarde stichten zou; echter hebben sommige profeten den Zaligmaker zoo duidelijk aangetoond en de bijzonderheden van zijn leven, zijn werken en lijden, de stichting en de inrichting zijner Kerk, met zulke nauwkeurigheid beschreven, dat hunne voorzeggingen in eenen meer eigenlijken zin Messiaansche profetieën moeten genoemd worden. Van deze zijn hier eenige der voornaamste opgeteekend :

Zie, de dagen komen, spreekt de Heer, dat Ik aan David een rechtvaardigen Spruit verwekken zal; als Koning zal Hij regeeren, en Hij zal wijs zijn en recht en gerechtigheid oefenen op de aarde. En dit is de naam, waarmede men Hem noemen zal: Heer, onze Rechtvaardige (Jeremias).

Een Spruit zal opschieten uit den wortel van Jesse, en

ocr page 594

200

ccnc Bloem uit zijnen wortel verrijzen. En op Hem zal rusten de Geest des Heeren: de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van wetenschap en godsvrucht; en de Geest der vreeze des Heeren zal Hem vervullen.

Op dien dag zal dc wortel van Jesse staan tot banier der volken; tot Hem zullen dc volkeren bidden, en zijn graf zal heerlijk zijn. (Isaias).

Een Kind is ons geboren en een Zoon is ons geschonken ! De heerschappij rust op zijnen schouder, en zijn naam zal genoemd worden: Wonderbare, Raadgever, God, Sterke, Vader der toekomstige eeuw. Vredevorst. Op den troon van David en over zijn koninkrijk zal Hij zitten, om dit te bevestigen van nu af tot in eeuwigheid (Isaias).

En gij, Bethlehem Ephrata ! zijt klein onder de duizendtallen van Juda; uit u zal mij uitgaan Hij die Heerscher zal zijn in Israël; en zijn uitgang is van den beginne, van de dagen der eeuwigheid (Michéas).

Sta op, word verlicht, Jeruzalem! want uw licht is gekomen en dc glorie des Heeren over u opgegaan. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en nacht de volken; maar over u zal de Heer opgaan, en zijne heerlijkheid zal in u verschijnen.

Volken zullen wandelen in uw licht, koningen in den glans, die van u is opgegaan. Hef uwe oogen op in het rond en zie! Dezen alle verzamelen zich, komen tot u! van verre snellen uwe zonen aan, van alle kanten verrijzen uwe dochters. Dan zult gij het zien en overvloed hebben; uw hart zal verbaasd zijn en zich verwijden, als der zeeën menigte zich tot u keert, der heidenen macht tot u komt. Uit Saba zullen zij alle komen, goud en wierook aanbrengend en den Heer lofzingend (Isaias).

De stem eens roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt recht in de wildernis de paden van onzen God! Alle dal zal gevuld, en alle berg en heuvel geslecht; het kromme zal recht, het hobbelige tot eene effen baan worden.

Verhef uwe stem met kracht, gij, die de blijde boodschap brengt aan Jeruzalem ! verhef ze, vrees niet, zeg

ocr page 595

201

aan Juda's steden: ziedaar uw God! Gelijk een Herder zal Hij zijne kudde weiden, de lammeren zal Hij in zijnen arm vergaderen en op zijnen schoot opheffen, de zoogende schapen zal Hij zelf dragen (Isaias).

God zelf zal komen en u verlossen! Dan zullen de oogen der blinden geopend worden, ontsloten de ooren der dooven, dan zal de kreupele springen als een hert, en de tong der stommen ontbonden worden.

Mijn lichaam bood Ik hun, die Mij sloegen, en mijne wangen hun, die Mij den baard uitrukten; mijn aangezicht keerde ik niet af van hen, die Mij scholden en bespuwden (Isaias).

Wij zien Hem , den verachte en den minste der menschen , den Man van smarten, die de ellende kent. In waarheid! Hij draagt onze kwalen. Hij torscht onze smarten. Om onze ongerechtigheden is Hij verwond, om onze misdaden is Hij verbrijzeld; de kastijding tot onzen vrede, is op Hem, en door zijne striemen zijn wij genezen geworden. Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde, en Hij opende zijnen mond niet; als een schaap zal Hij ter slachting geleid worden, en als een lam voor dengene die het scheert, zal Hij zwijgen en zijnen mond niet opendoen. Om de zonden van mijn volk heb Ik Hem verslagen (Isaias).

Ik zal mijnen Geest uitstorten over alle vleesch. Op mijne dienstknechten en dienstmaagden zal Ik in die dagen mijnen Geest uitstorten (Joel).

Ik kom om alle volken en talen te verzamelen. En uit degenen die behouden zijn, zal Ik er zenden naar de heidenen aan de zee, naar Afrika en Lydië, naar Italië en Griekenland, naar de verre eilanden, naar degenen, die niet van Mij gehoord en mijne heerlijkheid niet gezien hebben. En zij zullen mijne heerlijkheid aan de heidenen verkondigen, en al uwe broeders uit alle volken aanvoeren. En Ik zal er uit hen tot priesters en Levieten kiezen, zegt de Heer (Isaias).

Zie, de dagen zullen komen, zegt de Heer, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een Nieuw Verbond sluiten zal. Ik zal mijne Wet stellen in hun binnenste, ze schrijven in hun hart (Jeremias).

ocr page 596

202

Ik zal over hen een Herder verwekken, die hen weiden zal, mijnen Dienaar David. En ik, de Heer, zal hun tot God zijn, en mijn Dienaar David zal Koning zijn in hun midden. En Ik zal hen tot één volk maken, en één Koning zal over allen heerschen. Ik zal met hen een Verbond des vredes sluiten; het zal een eeuwig Verbond met hen zijn. Ik zal mijn heiligdom in hun midden stellen voor eeuwig. (In deze profetie van Ezechiel wordt Christus zelf met den naam van David aangeduid.)

In den vorm van een profetisch gezicht vinden wij bij Ezechiël eene voorspelling der Kerk van Christus, waarvan het uit Babyion terugkeerende Israël eene voorafbeelding was. De profeet werd door den Geest Gods gevoerd op een veld, dat vol was van doodsbeenderen. Toen hij, op bevel van God, daarover profeteerde, werden zij met vleesch en pezen bedekt; nogmaals profeteerde hij, en de dooden werden weder levend. Daarop zeide God tot hem : Menschenzoon! alle deze beenderen zijn het huis van Israël. Zeg derhalve tot hen: aldus spreekt God de Heer: Zie, Ik zal uwe graven openen en u binnenleiden in het land Israëls. En wanneer Ik uw graven geopend en u uit uwe graven uitgevoerd, en Ik mijnen Geest in u gegeven heb, en gij leven zult, o mijn' volk! dan zult gij weten, dat Ik de Heer ben. En ik zal u doen rusten in uw land.

Dit gezicht was tevens eene voorspelling van de opstanding der dooden bij het laatste oordeel en de tweede komst van Christus. Ook daarover hebben de profeten gesproken :

Ik zal teekenen stellen in den hemel en op de aarde: bloed en vuur en damp van rook. De zon zal veranderd worden in donkerheid, en de maan in bloed, eer de dag des Heeren komt, de groote en vreeselijke! Ik zal alle volken verzamelen en hen voeren naar het dal van Josaphat, en daar zal Ik oordeel over hen houden. Dat zij opstaan, de volken, en opgaan naar het dal van Josaphat! want daar zal Ik zitten om alle volken in het rond te oor-deelen (Joël).

ocr page 597

203

CXXXVIII. Geschiedenis van Tobias.

Tobias was een oprecht en godvreezend Israëliet. die tot het Rijk der tien stammen behoord had. Van zijne jeugd af diende hij God volgens de voorschriften der wet van Mozes; en mochten ook al zijne landgenootcn den waren godsdienst verzaken voor den kalverendienst, welken hun eerste koning had ingevoerd, Tobias ging naar Jeruzalem, om den Heer in den tempel te aanbidden.

Na de inneming van Samaria werd hij met zijne vrouw Anna en zijnen zoon, die ook heette, naar Assyrie

gevoerd. Daar hij, ook te midden der heidenen, zijne deugd niet verloochende, maakte God hem welgevallig in de oogen van den Assyrischen koning, die hem eene onbeperkte vrijheid verleende en zelfs tot een aanzienlijken post bevorderde, zoodat Tobias tot de gegoede inwoners van Ninive behoorde. Van dien rijkdom, welken de gunst des konings hem schonk, maakte hij vooral gebruik tot het oefenen van liefdewerken jegens zijne arme medegevangenen; onder andere leende hij eens tien talenten zilvers aan zijnen bloedverwant Gabelus, die te Rages, eene stad van Medië, woonde.

Doch toen Sennacherib, die koning van Assyrië geworden was, de Joden haatte, nam de voorspoed van Tobias een einde; toch bleef hij zijn brood met de hongerigen deelen, de naakten kleeden en zorgen voor de begrafenis der Joden, die stierven of omgebracht werden. Toen Sennacherib, na onder de muren van Jeruzalem door God verslagen te zijn, te Ninive terugkeerde, vervolgde hij de ongelukkige bannelingen nog meer dan te voren en liet velen hunner dooden; Tobias begroef de lijken der omgebrachte Israëlieten. Toen de koning dit vernam, veroordeelde hij ook Tobias ter dood; deze redde wel zijn leven door de vlucht, maar verloor al zijne bezittingen.

Na den dood van Sennacherib veroorloofde de nieuwe koning hem naar Ninive terug te keeren, en was hij weder in staat zijne liefdewerken voort te zetten. Eens op eenen feestdag was er in zijn huis een maaltijd, beter dan naar gewoonte, aangerecht; hij zond zijnen zoon om eenige arme stamgenooten tot zijne gasten te noodigen. Deze

ocr page 598

264

berichtte bij zijne wederkomst, dat hij weder het lijk van eenen Israëliet op de straat had zien liggen. Terstond verliet Tobias den maaltijd , nam het lijk op zijne schouders , droeg het naar zijn huis en verborg het, om, wanneer de avond zou gevallen zijn, het in stilte te begraven. Zijne naburen keurden zijn gedrag af en zeiden: Reeds is om zulk eene daad het doodvonnis tegen u uitgesproken; en begraaft gij nu wederom de dooden ? Doch Tobias vreesde God meer dan den koning en ging met zijne liefdewerken voort. Op zekeren dag had hij weder lijken begraven, en legde hij zich, vermoeid, tegen den buitenmuur zijner woning neder, om een weinig te rusten. Boven in dien muur was een zwaluwen-nest, en daaruit viel hem drek op de oogen, met dat rampzalig gevolg, dat hij geheel blind werd. Daarenboven verviel hij op nieuw tot armoede.

God liet hem deze beproeving overkomen, opdat voor de nakomelingen zijn geduld tot een voorbeeld wezen mocht, evenals dat van den heiligen Job; want Tobias morde niet tegen God, maar volhardde in de vrees des Heeren. Zijne verwanten bespotten hem. Waar is nu, zeiden zij, uwe hoop, om welke gij aalmoezen gaaft en dooden begroeft ? Doch hij antwoordde: Spreekt zoo niet! wij verwachten immers dat leven, hetwelk God geven zal aan hen, wier geloof in Hem nooit bezwijkt. Eens gebeurde het, dat ook zijne goede huisvrouw, die dagelijks in eene weverij moest gaan arbeiden, vergramd op hem werd. Zij had namelijk een geitebokje ten geschenke ontvangen, en toen zij het naar huis bracht, en de blinde het diertje hoorde blaten , vreesde hij, dat het misschien door dengene, die het aan zijne vrouw gegeven had, gestolen was; en hij zeide: Geef het dan terug aan den eigenaar, want wij mogen geen gestolen goed eten of aanraken. Toen werd Anna toornig en deed haren man bittere verwijtingen over zijne vroegere milddadigheid jegens de armen. Dit maakte den blinden lijder bedroefd tot den dood toe, en hij bad dat God zijne ziel in vrede tot Zich mocht nemen, omdat de dood hem beter was dan het leven.

Op denzelfden dag dat Tobias zijn bedroefd hart voor God uitstortte, smeekte, ver van Ninive, eene andere ongelukkige, dat het God behagen mocht een einde aan

ocr page 599

265

haar lijden te maken. Het was Sara, de eenige dochter van Tobias' neef Raguel. Zij werd wreedaardig gekweld door eenen boozen geest, die reeds zeven mannen, welke haar tot echtgenoote hadden willen nemen, om het leven had gebracht. Nu gebeurde het op zekeren dag, datSara eene van haars vaders dienstboden berispte, die zoo toornig werd, dat zij de onschuldige jonkvrouw met verwenschingen overlaadde en haar zeide: Mogen wij nooit een zoon of eene dochter zien van u, moordenares uwer mannen! Wilt gij ook mij dooden, gelijk gij reeds zeven mannen hebt omgebracht ? Sara sloot zich op in een eenzaam vertrek en vastte drie dagen, terwijl zij God bad, haar van hare schande te verlossen of anders haar van de aarde weg te nemen. Maar bij al haar leed bezweek haar vertrouwen op God niet. Het is eene zekerheid, sprak zij, voor ieder uwer dienaars, dat hij, indien hij beproefd is geworden, gekroond; indien hij in verdrukking is geweest, bevrijd zal worden.

Het gebed van Tobias en Sara steeg tegelijk op tot voor den troon van Gods barmhartigheid, en Hij zond den aartsengel Raphael, om den blinden grijsaard en de gekwelde maagd te genezen.

Tobias meende, dat hij spoedig sterven zou, en, omdat hij niets aan zijne vrouw en zijnen zoon kon nalaten dan de tien talenten welke hij eertijds aan Gabelus geleend had, verlangde hij, dat zijn zoon naar Medië zou reizen om dat geld te ontvangen. Hij riep dan zijnen zoon tot zich en nam afscheid van hem; want hij vreesde dat hij niet meer leven zou, als zijn zoon van de lange reis zou zijn teruggekeerd.

Hoor, mijn zoon! sprak hij, de woorden mijns monds. Als God mijne ziel heeft opgenomen, begraaf dan mijn lichaam; en uwe moeder zult gij in eere houden al de dagen haars levens. Houd al de dagen van uw leven God in uwe gedachte; wacht u ooit toe te stemmen in de zonde of de geboden van den Heer onzen God te ver-waarloozen. Geef aalmoezen van hetgeen gij bezit; hebt gij veel, geef dan overvloedig; hebt gij weinig, tracht ook van dat weinige bereidvaardig mede te deelen. Want de aalmoes zal aan allen, die ze geven, eene groote ge-

ocr page 600

206

rustheid zijn voor den allerhoogsten God. Mijn zoon ! wacht u voor alle onkuischheid. Laat nooit uwe gedachten of uwe woorden door hoogmoed beheerschen. Heeft iemand eenigen arbeid voor u verricht, geef hem terstond zijn loon. Wat gij niet wilt, dat een ander u doe, wacht u dat ooit aan een ander te doen. Zoek altijd raad bij wijze menschen en zegen God te allen tijde.

Na deze heerlijke vermaningen, welke geen kind ooit vergeten moet, verklaarde Tobias aan zijnen zoon zijn verlangen, dat hij naar Rages zoude reizen om de tien talenten van Gabelus terug te vragen. Tobias gaf hem de schuldbekentenis, welke hij vroeger ontvangen had, en raadde hem aan naar een goeden reisgezel uit te zien.

De jonge Tobias ging naar buiten en vond spoedig eenen aanzienlijken jongeling, die als reiziger gekleed was. Deze jongeling was de aartsengel Raphael in menschelijke gedaante. Tobias vroeg hem of hij den weg naar 'Medie kende; de engel antwoordde, dat hij dikwijls daar geweest was en dan zijnen intrek bij Gabelus te Rages genomen had. Vol vreugde verhaalde Tobias zijne ontmoeting aan zijnen vader, en leidde den onbekenden jongeling binnen. Deze groette den blinde met de woorden : Vreugde zij u altijd! — Wat vreugde zal mij zijn, antwoordde de grijsaard, daar ik in duisternis zit en het licht des hemels niet aanschouw ? De engel hernam; Houd goeden moed! spoedig zult gij door God genezen worden. De oude Tobias vroeg nu: Zoudt gij mijnen zoon naar Gabelus kunnen geleiden ? uw loon zal ik u geven, wanneer gij wederkeert. De engel zeide: Ik zal hem geleiden en weder tot u terugvoeren. Toen Tobias den engel naar zijnen naam vroeg, gaf deze ten antwoord: Ik ben Azarias-quot;, de zoon van den grooten Ananias. — Gij zijt uit een voornaam geslacht, zeide de oude vader. Daarop gaf hij aan de twee jongelingen zijnen zegen: Reist gelukkig! God zij op uwen weg, en zijn engel begeleide u! Zoodra zij vertrokken waren, brak Anna in tranen en klachten los; doch haar echtgenoot troostte haar, zeggende: Ween niet! onze zoon zal behouden aankomen en behouden tot ons terugkeeren; en uwe oogen zullen hem zien. Want ik geloof, dat Gods goede engel hem vergezelt en alles voor

ocr page 601

26/

hem ten beste keert. Toen droogde Anna hare tranen af en klaagde niet meer.

Wat de engel aangaande zich zei ven aan Tobias zeide, was geen leugen; want hij sprak niet als hemelgeest maar als dienaar der twee Israëlieten, aan wie hij openbaarde niet, wat hij inderdaad was, maar wat hij voor hen wilde zijn. Misschien had hij ook de gedaante van Azarias aangenomen.

CXXXIX. Vervolg der geschiedenis van Tobias.

De twee reizigers gingen éénen dag voort langs den Tiger, de groote rivier, waaraan Ninive lag. Des avonds wiesch Tobias zijne voeten in de rivier, toen een groote visch op hem toeschoot. De engel zeide hem dien visch te grijpen; een gedeelte er van werd gegeten en het overschot gezouten; doch het hart, de gal en de lever moest Tobias in het bijzonder bewaren, omdat, zeide de engel, het hart en de lever, wanneer men ze op brandende kolen legde, eenen rook verwekten, die alle booze geesten verdreef, en de gal een geneesmiddel was voor witte vlekken in de oogen.

Zij kwamen eindelijk aan de stad , waar Raguel woonde ; de engel wilde in diens huis overnachten en zeide daarbij aan Tobias, dat deze verplicht was de dochter van Raguel tot vrouw te nemen, omdat zij eene erfdochter was en dus, volgens de wet van Mozes, slechts de echtgenoote mocht worden van eenen man uit het geslacht haars vaders.

• o

Tobias, die de treurige geschiedenis van Sara kende, openbaarde den engel zijne vrees, dat ook hij door den boozen geest zou gedood worden; doch zijn reisgenoot verzekerde hem, dat hij niets behoefde te vreezen.

Zij kwamen dan bij Raguel, die hen met vreugde ontving, toen hij hoorde, dat Tobias de zoon van zijnen neef was; hij weende van vreugde en riep uit: Zegen zij u, mijn zoon! want gij hebt een goeden en besten vader! Eer men aan tafel ging, vroeg Tobias aan Raguel om de hand zijner dochter. Deze verschrikte hevig en gaf geen antwoord; doch toen de engel zeide: Vrees niet haar aan hem te geven, want met dezen godvreezenden jongeling moet uwe dochter verbonden worden, legde Raguel de

}

ocr page 602

268

hand van Sara in die van Tobias en sprak : De God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob zij met u! Hij vereenige u en schenke u zijnen vollen zegen! En het huwelijksverdrag werd beschreven.

Des avonds begaven de jonge echtgenootcn zich naar het vertrek, dat voor hen in gereedheid was gebracht. Tobias deed nu wat dc engel hem vooruit had gezegd. Hij legde een gedeelte van de vischlever en het hart op het vuur; en toen de rook daarvan opsteeg, greep dc aartsengel Raphael den boozen geest en boeide hem in de woestijn van Opper-Egypte. Tobias en Sara brachten een gedeelte van den nacht in het gebed door; daarna legden zij zich neder en sliepen gerust onder de bescherming van God.

Raguel werd dien nacht door vrees en angst gekweld; hij verwachtte niets anders, dan dat hij den volgenden morgen den dood van zijnen dierbaren schoonzoon zou te betreuren hebben, en eer de dag aanbrak, was hij met zijne knechten bezig aan het delven van een graf. Doch spoedig werd zijne onrust in zalige vreugde veranderd. Hij en zijne huisvrouw loofden God uit geheel hun hart en spraken: U zegenen wij, Heer, God van Israël! omdat het niet geschied is gelijk wij meenden. Want Gij hebt ons barmhartigheid bewezen en den vijand, die ons vervolgde, van ons uitgedreven. Gij hebt U ontfermd over twee ééniggeborenen! Geef, Heer! dat zij U nog meer mogen prijzen!

Men vierde nu in volle vreugde bruiloft; Tobias ontving de helft der bezittingen van Raguel, maar moest daarentegen beloven, dat hij veertien dagen bij zijne schoonouders blijven zou. Toen sprak hij tot zijnen liefdevollen reisgezel: Broeder Azarias! neem gij, bid ik u, lastdieren en dienstknechten cn ga naar Gabelus te Rages, om het geld te ontvangen en hem op mijne bruiloft te noodigen. Want gij weet het zelf: mijn vader telt de dagen, en als ik één dag tc lang uitblijf, zal zijne ziel bedroefd worden. De engel voldeed het verlangen van zijnen vriend en keerde met het geld en Gabelus zeiven terug. Deze omhelsde Tobias en riep uit: De God van Israël zegene u, want gij zijt de zoon van een goed en

ocr page 603

269

rechtvaardig man, die God vreest en aalmoezen geeft. Zegen over uwe huisvrouw en over uwe en hare ouders! Moogt gij uwe kinderen zien en de kinderen uwer kinderen tot in het derde en vierde geslacht!

Toen de veertien dagen voorbij waren, wilde Tobias naar zijne ouders terugkeeren. Raguel nam afscheid en zeide: Des Heeren heilige engel vergezelle u op de reis en voere u behouden naar uw huis; moogt gij uwe ouders in gezondheid aantreffen, en mogen mijne oogen uwe kinderen aanschouwen, eer ik sterf; En Sara ontving van hare ouders deze vermaningen: Eer uwe schoonouders, bemin uwen echtgenoot, bestuur uw gezin en uw huis, en gedraag u zelve onberispelijk.

Evenals Tobias op zijne reis door eenen engel begeleid en tegen alle gevaren behoed werd, worden ook wij alle, op onze reis door dit leven, vergezeld door eenen engel, dien wij daarom onzen engelbewaarder noemen. Laten wij, gelijk Tobias deed, ons altijd aan de zorg diens engels toevertrouwen en vooral naar zijne raadgevingen luisteren.

De ingewanden van den visch , dien Tobias ving, hadden uit zich zelve geen de minste kracht, noch om booze geesten te verdrijven, noch om witte vlekken in de oogen te genezen, maar waren slechts uiterlijke middelen, waarvan God, die alleen wonderen kan doen, Zich bij deze gelegenheid wilde bedienen.

CXL. Slot der Geschiedenis van Tobias.

Daar men, uithoofde van het vee, dat men mede-voerde , slechts zeer langzaam kon voorttrekken, stelde de engel aan Tobias voor, dat zij beiden vooruit zouden reizen; want te Ninive werden zij met smartelijk ongeduld verwacht. De oude Tobias had reeds met bezorgdheid gevraagd: Waarom zou toch mijn zoon toeven? Doch Anna vooral was hare smart geen meester. Ach , mijn zoon! klaagde zij, waarom hebben wij u laten wegreizen, u, het licht onzer oogen, den staf van onzen ouderdom, den troost van ons leven, de hoop van ons geslacht! Te vergeefs trachtte de blinde haar gerust te stellen; zij was ontroostbaar. Eiken dag 'ging zij buiten de stad op al de wegen, langs welke haar kind kon'[komen; daar zat zij dan op eenen heuvel uit te zien in de verte, en als zij

ocr page 604

2yo

dan des avonds naar huis terugkeerde, was hare smart verdubbeld. Eindelijk zag zij hem in de verte aankomen; zoo snel zij kon, spoedde zij naar huis om haren echtgenoot de blijde tijding te brengen; en weldra omhelsden zij en haar man hunnen teruggekeerden zoon.

Zoodra zij in huis waren, aanbaden zij God. Toen bestreek de jonge Tobias, volgens het voorschrift des engels, de oogen zijns vaders met de gal van den visch ; de witte schellen, die de oogen bedekten, Meten \os, ende grijsaard zag weder. Heer, God van Israël! riep hij uit, ik zegen U, omdat Gij mij gekastijd en mij genezen hebt. Zie, ik aanschouw Tobias, mijnen zoon! Zeven dagen later kwam Sara met de knechten en dienstmaagden, de schapen, kameelen en verdere bezittingen van haren echtgenoot; en men vierde de tweede bruiloft. Toen overlegden vader en zoon te zamen, welk loon zij aan den jongeling, die hen zoo gelukkig had gemaakt, geven zouden; beide vonden goed, hem de helft van alles, wat zij nu bezaten, aan te bieden. Zij riepen hem dan ter zijde en smeekten hem, dat hij hun aanbod niet zoude afslaan. Toen sprak de engel:

Looft den Heer des hemels en verheerlijkt hem voor alle levenden, want Hij heeft barmhartigheid met u gedaan. Het gebed met vasten en aalmoezen-geven is beter dan . schatten van goud op te leggen. Want de aalmoes bevrijdt van den dood, en zij is het, die van zonden reinigt en barmhartigheid en het eeuwige leven doet vinden. Ik openbaar u dan de waarheid en verberg het geheim voor u niet. Toen gij met tranen uwe gebeden storttet, de dooden begroeft, uwen maaltijd verliet en de lijken des daags in uw huis verborgt en des nachts in het graf legdet, — toen droeg ik uw gebed op aan den Heer. En omdat God welgevallen in u had, was het noodzakelijk dat gij door lijden beproefd werdt. Maar nu heeft God mij gezonden, om u te genezen en Sara, de echtgenoote uws zoons, van den boozen geest te verlossen. Want ik ben de engel Raphael, een van de zeven, die voor den Heer staan. Sidderend van schrik wierpen de twee mannen zich op hun aangezicht ter aarde neder. Doch de engel zeide hun: Vrede zij u! vreest niet! Want door den wil van God was ik bij u; zegent hem en zingt Hem lof!

ocr page 605

2/ I

De engel keerde naar den hemel terug; vader en zoon bleven drie uren lang in aanbidding nederliggen; toen stonden zij op en verkondigden de wonderwerken des Heeren. De oude Tobias werd vervuld met den Geest der profetie en voorspelde de toekomstige glorie van het nieuwe Jeruzalem, dat de Kerk van Christus is.

Hij leefde, na van zijne blindheid , die vier jaren geduurd had, genezen te zijn, nog 42 jaren. Toen hij sterven ging, riep hij zijnen zoon en diens zeven zonen tot zich en sprak : Mijne zonen! luistert naar uwen vader. Dient den Heer in waarheid en beijvert u te doen, wat Hem welbehagelijk is. Beveelt ook aan uwe kinderen dat zij gerechtigheid doen en aalmoezen geven, opdat zij aan God denken en Hem zegenen altijd oprecht en uit al hun vermogen. Blijft niet hier; maar wanneer gij uwe moeder naast mij in één graf begraven hebt, vertrekt dan uit deze stad, want ik zie dat hare boosheid haar weldra ten ondergang voeren zal. De heilige grijsaard stierf, 102 jaren oud. Toen ook zijne huisvrouw Anna aan zijne zijde in het graf rustte, vertrok de jonge Tobias naar Medië en woonde bij zijne schoonouders. In den ouderdom van 99 jaren stierf hij; men begroef hem met vreugde, omdat hij in de vrecze Gods geleefd had en gestorven was. Ook zijn geslacht bleef in de deugd volharden.

Laat ons het woord van den engel Raphael nooit vergeten: Omdat God welgevallen in u had, was het noodzakelijk, dat gij door lijden beproefd werd. Dat woord bevat den zoctsten troost voor iedereen, aan wien God het een of ander lijden overzendt. — Leeren wij ook, hoe groot de kracht der goede werken is; bidden vasten en aalmoezen geven is beter dan aardsche schatten te verzamelen ; de goede werken reinigen van zonden en bevrijden van den dood; want wie die werken in staat van genade verricht, ontvangt vergiffenis van zijne dagelijksche zonden en kwijtschelding van tijdelijke straffen; en wanneer iemand, in staat van doodzonde, met eene goede meening, die werken doet, wordt zijne ziel daardooi-meer geschikt gemaakt, om de genade der bekeering te ontvangen en, door daaraan te beantwoorden, den eeuwigen dood te ontgaan.

CXLI. De geschiedenis van Judith.

De geschiedenis, welke in het boek Judith verhaald wordt, had waarschijnlijk plaats kort vóór den ondergang van het Assyrische Rijk, gedurende de minderjarigheid van Josias, koning van Juda.

ocr page 606

272

De koning, die in deze geschiedenis Nabuchodonosor genoemd wordt, is niet dezelfde vorst, die Jeruzalem verwoest heeft, maar waarschijnlijk een zijner voorgangers, die tijdelijk meester was van Assyrië. De Medische koning Arphaxad is denkelijk dezelfde als Phraortes, tweede koning van Medië.

De Assyrische koning Nabuchodonosor had Arphaxad, den koning van Medië, overwonnen en wilde alle volken der aarde aan zijn gebied onderwerpen. Daar dezen echter weigerden hem als opperheer te erkennen, zwoer hij, dat hij zich zou wreken, en zond tot dat einde zijnen veldheer Holofernes met een ontzaggelijk leger over den Euphraat. Toen deze zich te Damaskus bevond, kwamen de gezanten dier volken tot hem, om zich aan den koning van Assyrië te onderwerpen. Holofernes behandelde hen evenwel als vijanden en verwoestte hunne tempels; want zijn meester wilde, dat de overwonnen volken geene andere godheid zouden huldigen dan Nabuchodonosor.

Toen de Joden dit vernamen, smeekten zij God, dat Hij zijne heilige stad en zijnen tempel tegen de woeste heidenen zou verdedigen. De hoogepriester Eliakim (waarschijnlijk dezelfde, die in de geschiedenis van koning Josias Hclkias genoemd wordt,) zond uit Jeruzalem brieven en gezanten tot de bewoners van het voormalige Rijk der tien stammen, om hen tot weêrstand aan te sporen, ten einde zooveel mogelijk te beletten, dat de Assyriërs naar Jeruzalem kwamen. De Israëlieten, die deze opwekking ontvingen, besloten, in vertrouwen op de goddelijke hulp, welke Eliakim hun toezegde, alles te doen wat in hun vermogen was.

Holofernes werd woedend, toen hij vernam , dat de Joden zich niet wilden onderwerpen. In zijn leger bevond zich Achior, het opperhoofd der Ammonieten, die aan den veldheer den raad gaf, eerst te onderzoeken, of de Joden al dan niet getrouw waren aan hunnen God; want, zeide hij: Nooit kon iemand hun leed doen, behalve wanneer zij den dienst van hunnen God verlieten. Onderzoek derhalve , of zij eenige schuld hebben in de oogen van hunnen God ; laat ons dan tegen hen optrekken, want dan zal Hij hen zeker aan u overleveren; zijn zij echter niet schuldig voor hunnen God, dan zullen wij hen niet kunnen weder-

ocr page 607

273

staan, want hun God zal hen verdedigen, en wij zullen tot schande worden voor de gansche aarde. Op het hooren van deze taal riepen allen verontwaardigd uit: Wie is deze, die zeggen durft, dat de Israëlieten zouden kunnen weerstand bieden aan koning Nabuchodonosor en aan zijne legers? En Holofernes beval, Achior in de handen der Israëlieten over te leveren, om hem later, tegelijk met hen, te doen omkomen: de trotsche veldheer wilde hem toonen, dat er geen God bestond behalve Nabuchodonosor! Eenige soldaten voerden den Ammoniet tot in de nabijheid der Joodsche vesting Bethnlia en bonden hem vast aan eenen boom. Daar werd hij door Israëlietische soldaten gevonden en binnen de vesting gebracht. Toen de, oüderlingen der stad van hem de godslasterlijke bedreigingen van Holofernes vernamen, baden zij: Heer, God van hemel en aarde! Zie hunnen hoogmoed en onze nederigheid; toon, dat Gij niet verlaat, wie op U hopen, en vernedert, wie op zich zelve vertrouwen en op hunne krachten snoeven. En tot Achior zeiden zij: De God onzer vaderen, wiens macht gij verkondigd hebt, zal u deze belooning schenken, dat gij veeleer hunnen ondergang aanschouwt. Achior werd in het huis van Ozias, den bevelhebber der stad , geherbergd.

Den volgenden dag verscheen Holofernes met zijn gansche leger voor Bethulia. Daar deze stad uit slechts één bron, welke buiten de muren lag, door een kanaal van water voorzien werd, deed de veldheer deze bron stoppen, om de inwoners door den dorst tot de overgave te dwingen. Twintig dagen later was al de voorraad van water binnen de vesting verbruikt, en het volk begon Ozias de overgave der stad te eischen : zij wilden liever vallen door het zwaard dan van dorst versmachten. Ozias antwoordde: Houdt nog moed, broeders! en laat ons nog vijf dagen op Gods ontferming wachten. Misschien zal Hij zijne gramschap van ons afwenden en glorie geven aan zijnen naam. Komt er na vijf dagen geene hulp, dan zullen wij doen, wat gij gevraagd hebt.

Er woonde te Bethulia eene aanzienlijke weduwe, Judith geheeten, die met eenige dienstmaagden in godvruchtige afzondering leefde en in de geheele stad bekend en vereerd was om hare reine deugd. Toen zij vernam wat Ozias aan

18

ocr page 608

274

het volk geantwoord had, liet zij hem met de twee oudsten der stad bij zich noodigen en bracht hun onder het oog, hoe verkeerd zij gedaan hadden met God als het ware de wet voor te schrijven en den tijd te bepalen, binnen welken Hij hen helpen moest; zij vermaande hen, zich onvoorwaardelijk aan Gods heiligen wil te onderwerpen en te bedenken, dat de straf, welke zij ondergingen, minder was dan hetgeen zij verdiend hadden. Ozias en de ouderlingen namen hare bestraffing in nederigheid aan en vroegen, dat zij voor hen zoude bidden. Judith zeide: Gelijk gij erkent, dat mijn woord uit God was, weest zoo ook overtuigd, dat hetgeen ik mij voorgenomen heb te doen, uit God is, en bidt, dat Hij mijn plan doe gelukken. Dezen nacht zult gij aan de poort der stad staan, en ik zal met mijne dienstmaagd uitgaan. Vraag niet, wat ik ga doen, en men doe niets anders dan den Heer onzen God voor mij bidden. Ozias antwoordde haar: Ga in vrede, en de Heer zij met u tot bestraffing onzer vijanden.

Judith bracht dien dag en een groot gedeelte van den volgenden nacht in boetvaardigheid en gebed door. Daarop legde zij hare gewone rouwkleederen af en tooide zich met al de sieraden, die zij sedert den dood van haren echtgenoot niet meer gedragen had; en God vermeerderde nog hare schoonheid. Tegen het aanbreken van den morgen verliet zij de stad met hare dienstmaagd, die eene lederen flesch met wijn, eene kruik met olie, eenen spijszak met mondbehoeften en eenig linnen droeg. Ozias en eenige ouderlingen stonden aan de poort, maar niemand zeide of vroeg haar iets. In stilte biddend ging Judith naar buiten en daalde langs de helling van den berg, waarop Bethulia lag, naar beneden. Spoedig kwam zij bij de Assyrische voorposten. Vanwaar komt gij en waarheen gaat gij ? vroegen haar de soldaten. Zij zeide; Ik ben eene dochter der Hqbreen; ik ben hun ontvlucht, dewijl ik weet, dat zij u ter plundering zullen overgeleverd worden, omdat zij zich niet vrijwillig hebben willen overgeven. Daarom dacht ik bij mij zelve: laat ik tot den veldheer Holofernes gaan om hem hunne geheimen te openbaren.

De leugens, waarvan Judith zich bediende om haar doel te bereiken , zijn zeker niet goed te keuren, ofschoon zij misschien van

ocr page 609

275

meening was, dat zij zulke middelen tegen de vijanden van God en haar volk mocht gebruiken. Ten opzichte van Judiths gansche gedrag moeten wij opmerken, dat zij niet uit eigen beweging maar op bijzondere ingeving Gods handelde, en dat zij dus op Gods bijzondere bescherming rekenen mocht in de groote gevaren, waaraan zij hare deugd blootstelde.

CXLII. Vervolg der geschiedenis van Judith.

De soldaten geleidden Judith naar de tent van hunnen veldheer. Deze sprak haar vriendelijk toe, schonk haar terstond al zijne gunst en overlaadde haar met eerbewijzen. Hij gaf haar eene prachtige tent tot verblijfplaats en gelastte zijnen kamerdienaar Vagao zorg voor haar te dragen. Judith verlangde geene andere spijs te gebruiken dan die zij zelve had medegebracht; Holofernes verwonderde zich daarover en vroeg: Maar wat dan, als dit opgebruikt is? Judith antwoordde hem; Uwe dienstmaagd zal niet alles hebben opgebruikt, eer God door mijne hand gedaan heeft, wat ik mij heb voorgenomen. Zij bracht drie dagen in het Assyrische legerkamp door in strenge afzondering, gebed en boetvaardigheid. Eiken nacht verliet zij, ingevolge verkregen verlof, met hare dienstmaagd de legerplaats, om haar gebed te storten en zich in de bron van Bethulia door godsdienstige wasschingen te reinigen; vervolgens vastte zij den geheelen dag en nuttigde eerst tegen den avond eenig voedsel.

Op den vierden dag legde Holofernes een groot gastmaal aan en noodigde ook Judith uit, om daaraan deel te nemen; zij voldeed aan zijn verlangen, doch gebruikte slechts van hare eigene spijzen. De veldheer was buiten mate vroolijk en dronk meer wijn dan hij nog ooit gedaan had. Het was nacht geworden, en alle gasten waren heengegaan ; volgens den wil van Holofernes bleef Judith met hare dienstmaagd in zijne tent; hij zelf was in dronkenschap op zijn rustbed nedergevallen en lag in een diepen slaap. Vagao had de tent niet geheel afgesloten, omdat Judith hem gezegd had, dat zij ook dien nacht wilde uitgaan om te bidden. Toen alles stil geworden was, opende Judith de tent en gelastte hare dienstmaagd daar buiten te staan en uit te zien. Zij zelve stond voor het rustbed

ocr page 610

276

van den veldheer en bad in stilte: Versterk mij, Heer, God van Israël! zie neder in dit oogenblik op het werk mijner handen, opdat ik volbrenge, wat ik gemeend en geloofd heb door U te vermogen. Aan het hoofdeinde der legerstede hangt het slagzwaard van Holofernes ; Judith neemt en ontbloot het; nogmaals bidt zij: Heer God! versterk mij in dit uur! Dan grijpt zij den veldheer bij de haren, slaat hem twee malen in den hals en houwt hein zijn hoofd van zijn lichaam. Zij wentelt vervolgens den romp van het bed af op den grond, wikkelt het hoofd in eene der gordijnen en verbergt het in den spijszak, dien hare dienstmaagd draagt.

Beiden verlaten ongehinderd de legerplaats en komen aan de poort van Bethulia. Van verre roept Judith den wachten toe: Opent de poort, want God is met ons! Hij heeft groote dingen gedaan in Israël! Weldra was zij door eene groote menigte met lantaarnen en fakkels omringd en sprak luide: Looft den Heer onzen God, die niet verlaat , wie op Hem vertrouwen ; in dezen nacht heeft Hij door mijne hand den vijand van zijn volk verslagen. Zij haalde het afgehouwen hoofd te voorschijn en ging Voort: Ziedaar het hoofd van Holofernes, den veldheer der Assyrische krijgsmacht, en ziedaar de gordijn van het bed, waarop hij in zijne dronkenschap nederlag! Zoo waar de Heer leeft: zijn engel heeft mij bewaard en mij zonder smet van zonde, tot u teruggeroepen. Looft den Heer, gij alle! want Hij is goed, want eeuwig is zijne barmhartigheid!

Allen aanbaden God en juichten Judith toe: U heeft de Heer gezegend in zijne kracht, want door u heeft Hij onze vijanden te niet gedaan. En Ozias zeide tot haar: Gezegend zijt gij, dochter! boven alle vrouwen op de aarde! Gezegend de Heer, die u bestuurd heeft, om het hoofd van den aanvoerder onzer vijanden af te houwen! Toen Achior het hoofd van den vreeselijken Holofernes zag, viel hij van schrik in onmacht; daarna sprak hij tot Judith: Onder alle volken, die uwen naam zullen vernemen, zal om u de God van Israël verheerlijkt worden. En hij bekeerde zich tot den waren godsdienst.

Men hing, op bevel van Judith, het hoofd van Holo-

ocr page 611

277

femes aan de buitenzijde van den stadsmuur op en deed tegen het aanbreken van den dag eenen uitval uit dc vesting. De Assyrische legerhoofden spoeden zich naaide tent des veldheers, om hem daarvan bericht te geven, en Vagao ging in de tent om zijnen meester te wekken. Voor het voorhangsel, dat het slaapvertrek afsluit, staande, klapt hij in zijne handen; geen antwoord ontvangend, heft hij het tapijt op; — daar ligt de onthoofde romp op den grond in een plas van geronnen bloed. Gillend vliegt hij naar de tent van Judith, vindt die ledig en begrijpt nu alles. Eéne Hebreeuwsche vrouw, schreeuwt hij, heeft het huis van Nabuchodonosor met schande bedekt! Want ziet, Holofernes ligt op den grond! hij heeft geen hoofd meer! Deze tijding bracht het geheele leger in verwarring; -de soldaten werden van angst en schrik bijna radeloos en namen ijlings de vlucht. De Israëlieten uit Bethulia en de omliggende steden vervolgden hen tot aan de grenzen van Palestina, en keerden met een grooten buit terug.

De hoogepriester en alle priesters van Jeruzalem kwamen naar Bethulia om Judith te zien en te vereeren; zij spraken haar toe: Gij zijt de glorie van Jeruzalem, gij de vreugde van Israël, gij de eer van ons volk! omdat gij de kuischheid bemind en in zuiverheid geleefd hebt, daarom heeft de hand des Heeren u kracht gegeven, daarom zult gij gezegend zijn in eeuwigheid. Al het volk van Bethulia trok vervolgens naar Jeruzalem, om daar offers aan God op te dragen. Judith genoot, zoolang zij leefde, de hoogste eer en stierf in den ouderdom van 105 jaren.

Judith was in hare overwinning van Holofernes eene vooraf beelding van de heilige Moeder des Verlossers, die den helschen vijand van Gods volk overwonnen heeft; de H. Kerk begroet Maria met dezelfde woorden, welke de priesters van Jeruzalem tot Judith spraken: Gij zijt de glorie van Jeruzalem, gij de vreugde van Israël, gij de eer van ons volk.

ocr page 612

TWEEDE AFDEELING.

GEVANGENSCHAP EN TERUGKEER DER JODEN.

(588—430.)

Deze afdeeling omvat eene tijdruimte van 158 jaren; het eerste gedeelte der geschiedenis van die jaren is grootendeels beschreven in het profetische boek van Daniël, het tweede gedeelte in de twee boeken van Esdras, waarvan het eene door Esdras, het andere door Nehemias geschreven is.

CXLIII. De Babylonische gevangenschap.

De Joden, die Nabuchodonosor in ballingschap had weggevoerd, waren hoofdzakelijk in tweeën verdeeld; het eene gedeelte woonde in en bij Babyion zelf, het andere in de nabijheid der rivier Chobar, waar zich ook de profeet Ezechiël bevond. Over het algemeen was het lot der bannelingen zeer dragelijk; de Chaldecuwsche koning schonk hun veel vrijheid en zelfs eenigen voorspoed; de volkplanting te Babylon had een eigen bestuur en eigene rechters, en men vond daar sommige rijke Joden. Onder Evilmerodach, den opvolger van Nabuchodonosor, nam de goede behandeling der Israëlieten nog toe; deze vorst verloste Jechonias, koning van Juda, uit de gevangenis, waarin hij 37 jaren had doorgebracht, en verhief hem zelfs tot den rang van vorst. Deze vrij gunst ige toestand, waarin de Joden te Babyion verkeerden, was oorzaak, dat de meesten van hen later, toen zij verlof kregen om naar hun land terug te keeren, daarvan geen gebruik maakten.

Ook onder godsdienstig opzicht waren de Joden in de ballingschap beter dan in den laatsten tijd hunner koningen. BarucJi, die zich na den dood van den profeet Jeremias naar Babyion begeven had, arbeidde met vrucht onder zijne landgenooten; op zijne prediking deden allen, zoowel grooten als geringen, boetvaardigheid; zelfs zonden zij

ocr page 613

279

eenig geld naar den priester Joakim, die zich met eenige anderen in de nabijheid van Jeruzalem ophield en verzochten , dat offers zouden opgedragen worden op het altaar ter plaatse, waar de tempel gestaan had.

Evenwel waren er onder de bannelingen ook eenigen, die zich meer lieten gelegen liggen aan den tijdelijken voorspoed , dien zij in Babyion genoten , dan aan de beloften , welke God aan Israël had gedaan. De profetische werkzaamheid van Ezechiël en Daniël had vooral ten doel, te beletten, dat de Israëlieten in het aardsche verzonken, hen in den geest van boetvaardigheid te bevestigen en in hen het verlangen op te wekken en levendig te houden om, wanneer de tijd hunner straf zoude voorbij zijn, terug te keeren naar het land , waaraan Gods beloofde zegeningen verbonden waren.

CXLIV. Daniël en zijne gezellen aan het Babylonische hof. Susanna.

Nabuchodonosor had, 18 jaren vóór de verwoesting van Jeruzalem, eenige aanzienlijke jongelingen uit Juda naar Babyion doen voeren; de schoonsten en verstandigsten van dezen stelde hij onder het bijzonder opzicht van den opperste zijner kamerdienaars, Asphenez geheeten, en gelastte, dat zij overeenkomstig hunnen rang opgevoed en in alle wetenschappen zouden onderwezen worden, opdat zij, na drie jaren, als edelknapen in zijn paleis zouden kunnen dienen. Onder deze uitgelezenen behoorden Daniël, Ananias, Misaël en Azarias, of, gelijk men hen in Babyion noemde , Baltassar, Sidrac/i, Mis ach en A bdenago ; deze overtroffen al hunne makkers in deugd en getrouwheid aan Gods geboden.

De koning had bevolen, aan al de jongelingen de spijzen zijner eigene tafel voor te zetten en hun van zijnen wijn te drinken te geven; doch Daniël en zijne drie gezellen vonden geen behagen in deze onderscheiding, welke wel eervol was, maar hun niet toeliet, de wetten van Mozes aangaande de verbodene spijzen te onderhouden. Daniël verzocht dan, dat men hem en zijnen vrienden eenvoudiger voedsel zoude geven ; dit verzoek werd echter door Asphenez

ocr page 614

28o

afgeslagen, omdat hij vreesde, dat de vier jongelingen , zoo zij minder goede spijs ontvingen, er ook minder goed zouden uitzien. Toen deden zij hetzelfde verzoek aan Malassar, die hen bedienen moest, en Daniël voegde er bij; Neem gedurende tien dagen de proef met ons, en geef ons slechts veldvruchten te eten en water te drinken; vergelijk dan ons voorkomen met dat der andere knapen, die van 's konings spijzen eten , en handel met uwe dienaren naar bevinden. Deze proef werd genomen, en na tien dagen zagen de vier deugdzame jongelingen er bloeiender en vroolijker uit dan al de overigen; nu mochten zij op dezelfde wijze blijven voortleven.

God beloonde hen overvloedig voor hunne nauwgezette deugd. Hij schonk hun zooveel wijsheid en kennis, dat de koning, toen zij hem drie jaren later werden voorgesteld , vol verbazing uitriep, dat zij tienmaal kundiger waren dan al de wichelaars en geleerden van zijn geheel koninkrijk.

Daniël had daarenboven van God bovennatuurlijke wetenschap ontvangen en die wijsheid, welke in hem den toe-komstigen profeet reeds deed kennen. Nog in zijne jeugd gaf hij daarvan een treffend bewijs.

In eene Joodsche volkplanting nabij Babylon was Joakim , een rijk en deugdzaam Israëliet, de voornaamste ingezetene, en zijne woning diende tevens tot raadhuis. Zijne echtgenoote heette Susanna, de deugdzame dochter van godvreezende ouders. De volkplanting werd bestuurd door twee rechters, en eens waren er twee oude booswichten, die hun bedorven hart onder den schijn van deugd hadden weten te verbergen, aangesteld. Zij maakten te zamen het plan, om de godvreezende Susanna tot groot kwaad te verleiden; want zij hadden hunne oogen afgewend, om niet naar den hemel te zien noch te denken aan de rechtvaardige oordeelen Gods.

Op zekeren dag hadden de twee deugnieten zich in den boomgaard achter het huis van Joakim verborgen, toen Susanna zich geheel alleen daarin bevond; zij liepen op haar aan, eischten, dat zij om hunnentwil aan God en hare deugd verzaken zou, en dreigden dat zij haar, indien zij zich verzette, van overspel zouden beschuldigen en de doodstraf doen ondergaan. De deugd-

ocr page 615

28i

zame vrouw dacht in dat oogenblik aan Gods tegenwoordigheid; hare verleiders zeiden wel, dat niemand hen zag, maar zij wist, dat uit den hemel een alziend oog op haar gevestigd was en antwoordde zuchtend: Het is mij bang van alle kanten! Doe ik dit, dan ben ik des doods (want de zonde doodt de ziel); doe ik het niet, dan zal ik aan uwe handen niet ontkomen. Maar het is mij beter, onschuldig in uwe handen te vallen, dan te zondigen voor de oogen des Heeren! En zij begon, zoo luid zij kon, om hulp te roepen. Doch nu volvoerden de booswichten hunne bedreiging; zij verklaarden, dat zij Susanna op de schandelijkste van alle misdaden betrapt hadden en eischten, dat zij overeenkomstig de wet van Mozes, zou gesteenigd worden.

Den volgenden morgen kwam het volk in groote menigte voor het huis van Joakim samen. Susanna werd gedaagd en verscheen met hare kinderen, hare ouders en andere betrekkingen ; allen, die haar kenden, weenden over haar ongeluk, waarvan men geloofde, dat zij zelve de schuld was. Toen legden de twee rechters de volgende getuigenis af: Toen wij alleen in den boomgaard wandelden, kwam deze met twee dienstmaagden daarin; zij sloot de deuren van den boomgaard en zond de dienstmaagden van zich weg. Daarna kwam tot haar een jong man, die verborgen was geweest, en zondigde met haar. Wij liepen op hen toe, maar konden hem niet grijpen, daar hij sterker was dan wij; en na de deuren geopend te hebben, vluchtte hij weg. En als wij haar gegrepen hadden, vroegen wij, wie de jonge man was, maar zij wilde het ons niet zeggen. Hiervan zijn wij de getuigen. Het volk hield deze getuigenis voor waar en veroordeelde Susanna tot de straf der steeniging. Weenend riep zij uit: Eeuwige God, die het verborgene kent! Gij weet, dat zij valsche getuigenis tegen mij hebben afgelegd. En zie, ik sterf, ofschoon ik niets gedaan heb van hetgeen dezen met boos opzet tegen mij verzonnen hebben.

Men voerde haar naar de strafplaats , toen een jongeling , die op den weg stond, met sterke stem tot de voorbijtrekkende menigte riep: Ik ben onschuldig aan haar bloed! Het was Daniël, door God daarheen gezonden, om de

ocr page 616

282

onschuld te redden en de boosheid te straffen. Wat is dat voor een woord, dat gij gesproken hebt ? vroeg hem het volk. En Daniël antwoordde : keert terug naar de gerechtsplaats , want zij hebben valsche getuigenis tegen haar afgelegd.

Daniël, die door goddelijke openbaring wist, wat er gebeurd was, gebood, de twee rechters van elkander te scheiden en den eene voor hem te brengen. Oude booswicht! sprak hij tot hem, zoo gij haar gezien hebt, zeg dan, onder welken boom zaagt gij hen met elkander spreken ? — Onder eenen mastikboom, was het antwoord. En Daniël hernam; Wel hebt gij gelogen tegen uw eigen hoofd! Want zie, de engel Gods zal u in tweeën klieven. De tweede werd nu voorgebracht, nadat de eerste verwijderd was, en Daniël sprak; Gij Kanaaniet! de drift heeft uw hart verleid. Zeg mij, onder welken boom hebt gij hen verrast, terwijl zij met elkander spraken? — Onder eenen steeneik, antwoordde deze in tegenspraak met den eerste. Daniël zeide hem: Ook gij hebt tegen uw eigen hoofd gelogen! Want de engel des Heeren, die het zwaard heeft, wacht om u midden door te houwen.

Al het volk loofde God, die de redder is van wie op Hem vertrouwen. De twee oude deugnieten ondergingen de straf, die zij Susanna hadden toegedacht, en Daniël werd van dien dag af groot in de oogen van zijn volk.

Susanna heeft door hare heldhaftige beoefening van de deugd der zuiverheid eene plaats verdiend naast den heiligen aartsvader Jozef en de eer, van altoos kuische Susanna genoemd te worden. Haar voorbeeld roept ons allen toe: al zou ook een verleider uwer onschuld u het grootst mogelijke kwaad kunnen en willen doen, geef nooit toe, maar zeg, evenals Susanna zeide: het is mij beter onschuldig in uwe handen te vallen, dan te zondigen voor de oogen des Heeren. God laat niet toe, dat zij, die in den strijd tegen de zonde op Hem vertrouwen, beschaamd worden.

CXLV. Geschiedenis van Daniël en zijne gezellen onder koning NaBUCHODONOSOR.

Eenige jaren nadat Daniël en zijne drie vrienden aan het Chaldeeuwsche hof gekomen waren, had koning Nabuchodonosor eenen droom, dien hij zich des morgens niet meer kon herinneren. Hij ontbood zijne droomuitleggers

ocr page 617

283

en toovenaars en eischte, dat zij hem zouden zeggen, wat hij gedroomd had; en toen zij verklaarden, dat dit hun niet mogelijk was, werd hij toornig en beval, al de wijzen van Babyion te dooden. Terwijl dit wreede gebod werd uitgevoerd, ging Daniël tot den koning en beloofde, dat hij hem na eenigen tijd zijnen droom zeggen en ook de uitlegging daarvan geven zou. Daarop vereenigde hij zich met zijne drie gezellen in het gebed, en God openbaarde hem in den nacht, wat voor een menschelijk verstand onmogelijk te weten was.

Den volgenden morgen stond hij voor den koning; deze vroeg hem: Meent gij waarlijk in staat te zijn mij den droom, dien ik gezien heb, en zijn beteekenis bekend te maken ? Daniël antwoordde: Het geheim, waarnaar de koning vraagt, kunnen hem geene wijzen, wichelaars of waarzeggers verklaren; maar er is een God in den hemel, die de geheimen openbaart, en Hij heeft u doen weten, wat er in de verste tijden geschieden zal. Aldus is uw droom : gij zaagt als een groot standbeeld voor uwe oogen staan en het aanzien daarvan was schrikwekkend. Het hoofd van dat beeld was van het fijnste goud, zijne borst en armen waren van zilver, zijn buik en zijne lendenen van koper, zijne beenen van ijzer, zijne voeten waren half ijzer en half leem. Gij zaagt alzoo toe, totdat ervan eenen berg een steen, zonder toedoen van handen, werd losgescheurd ; deze trof het beeld tegen de ijzeren en leemen voeten en verbrijzelde die. Tegelijk werden ijzer en leem, koper, zilver en goud vergruisd; maar de steen, die het beeld verslagen had, werd tot eenen grooten berg en vervulde de gansche aarde. Ziedaar uw droom. Nabucho-donosor herinnerde zich nu duidelijk, dat hij dit alles juist zóó in zijn droom gezien had. Daniël gaf verder de uitlegging: het gouden hoofd beteekende Nabuchodonosor zeiven; na hem zou een tweede, minder groot wereldrijk ontstaan, en daarna een derde en een vierde; deze Rijken werden door het zilver, door het koper en door het ijzer en leem aangeduid. En dan, sprak de profeet, zal de God des hemels een koninkrijk doen opstaan, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; het zal al die andere Rijken verpletteren en te niet doen, maar

ocr page 618

284

zelf staan in eeuwigheid. (Dit eeuwige koninkrijk is de Kerk van Christus.)

De koning zelf was zoodanig in bewondering opgetogen, dat hij voor den profeet nederknielde en hem goddelijke eer wilde bewijzen. Doch Daniël wees hem op dengene, dien men alleen aanbidden mag, en toen riep de koning uit: Waarlijk ! uw God is de God der goden, en de Heer der koningen! Hij verhief Daniël tot opperhoofd van al de wijzen, en stelde op verzoek van Daniël, Sidrach, Misach en Abdenago aan tot bestuurders der provincie, waarvan Babyion de hoofdstad was.

De indruk, dien dit bewijs van Gods alwetendheid op Nabuchodonosor gemaakt had, was niet duurzaam, en hij verviel weder in afgoderij. Hij deed een gouden beeld vervaardigen en in eene vlakte nabij de hoofdstad plaatsen; bij de plechtige inwijding moesten al de rijksgrooten samenkomen; de drie landvoogden Sidrach, Misach en Abdenago waren ook tegenwoordig; Daniël echter was afwezig. Vóór de plechtigheid begon , maakte een koninklijk heraut bekend, dat allen, wanneer de muziek het teeken gaf, zich ter aarde moesten nederwerpen om het gouden beeld te aanbidden, en dat de overtreding van dit gebod met den vuurdood zou gestraft worden. En om deze straf aanstonds te kunnen voltrekken werd de vuuroven , waarin de schuldige zou geworpen worden, reeds te voren ontstoken.

Eensklaps daverde de geheele vlakte van den klank der muziek; en alle aanwezigen vielen voor het gouden beeld ter aarde neder. Slechts Sidrach, Misach en Abdenago bogen hun hoofd niet. Terstond werden zij voor den koning gebracht en beschuldigd. Is het waar, sprak deze, dat gij mijne goden niet vereert en het gouden beeld, dat ik heb opgericht, niet aanbidt? Nu derhalve, als gij bereid zijt, werpt u neder en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb ; zoo niet, gij wordt aanstonds in den gloeienden vuuroven geworpen; en wat God is er, die u uit mijne hand zal redden ? De drie mannen zeiden: Het is niet noodig, dat wij u hierop antwoord geven. Zie, onze God kan ons uit den brandenden vuuroven redden en uit uwe handen, o koning! bevrijden; wil Hij dit niet doen:

ocr page 619

285

weet toch, dat wij uwe goden niet vereeren en het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, niet aanbidden. Van woede opzwellend beveelt Nabuchodonosor den oven zevenmaal feller dan naar gewoonte te stoken, de landvoogden te binden en in den vuurgloed neder te storten. De beulen werpen brandstoffen in het vuur; de vlam verheft zich hoog in de lucht, en de oven gloeit zoo ontzettend, dat de mannen, die de drie martelaren er in werpen, door de hitte verstikt worden.

Sidrach, Misach en Abdenago vallen gebonden in het vuur; maar het doet hun geen leed ; het verteert slechts de koorden, waarmede zij geboeid zijn, doch raakt zelfs hunne kleederen niet aan. Want gelijk met hen daalde een engel des Heer en in den oven neder; hij dreef al de hitte naar buiten, zoodat het binnen in den oven was, als waaide er een koele wind. En met den engel wandelden de drie martelaren in het midden der onschadelijke vlammen en zongen eenen heerlijken lofzang van dankzegging aan God.

Daar de oven van boven open was, kon Nabuchodonosor van zijn hoogen troon daarin zien. Verschrikt vraagt hij aan zijne rijksgrooten: Hebben wij niet drie mannen, gebonden, in den oven doen werpen? — Voorzeker, o koning! is het antwoord. En hij roept uit: ziet, ik zie vier mannen, ongeboeid, wandelen in het midden des vuurs, en er is geen letsel aan hen; en de gedaante des vierden is als die van eenen godenzoon! Hij snelt zelf naar den oven, doet dien openen en spreekt: Sidrach, Misach en Abdenago, dienaars van den allerhoogsten God! treedt uit en komt! En terwijl de engel naar den hemel opvoer, traden zij te voorschijn, en nu zagen de verbaasde Babyloniërs, dat er zelfs geen haar van het hoofd der martelaars verschroeid was. Nabuchodonosor riep uit: Geloofd zij de God van Sidrach, Misach en Abdenago! die zijnen engel gezonden en zijne dienaars, die in Hem geloofden, gered heeft. Derhalve beveel ik, dat wie den God van Sidrach, Misach en Abdenago durft lasteren, sterven zal; want er is geen andere God, die zulke verlossing schenken kan. En de drie martelaars werden in hunne vorige waardigheid hersteld.

ocr page 620

286

In het laatst zijner regeering werd Nabuchodonosor weder door eenen droom verschrikt. Hij zag eenen boom, wiens kruin den hemel raakte, en die gezien werd totaan het uiteinde der aarde. Eensklaps daalde een hemelwachter neder en riep; Houwt dien boom om en kapt zijne takken, schudt zijn loof af en verstrooit zijne vruchten. Maar laat den stam zijner wortels in de aarde blijven! Bindt hem in het grasveld daar buiten met een keten van ijzer en koper; hij worde bevochtigd door den dauw des hemels, en hebbe met de dieren zijn deel van het gras der aarde. Zijn menschelijk hart worde hem tegen een dierenhart verwisseld; en dat er over hem zeven tijden voorbijgaan! De koning begreep zeer goed, dat die boom een menschelijk persoon beteekenen moest, en vroeg aan Daniël de uitlegging van zijnen droom. De profeet zeide: De boom, dien gij gezien hebt, zijt gij, o koning! Men zal u uit het midden der menschen verstooten, en bij de dieren zal uwe woning zijn; gras zult gij eten als een os en door 's hemels dauw besproeid worden; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkend hebt, dat de Allerhoogste heerschappij voert over het Rijk van menschen en dit geeft aan wien Hij wil. Dat de stam van de wortels des booms móest gespaard worden, beteekent, dat uw Rijk u zal blijven, nadat gij erkend hebt, dat er eene macht in den hemel is. Derhalve, o koning! koop uwe zonden af door aalmoezen en uwe ongerechtigheden door barmhartigheid jegens de armen, misschien zal God u uwe misdaden vergeven.

Een jaar later wandelde Nabuchodonosor op het platte dak van zijn paleis en beschouwde met hoogmoedige vreugde de prachtige stad, welke hare grootte en haren luister vooral aan hem te danken had. En hij sprak tot zich zeiven; Is dit niet het groote Babyion. dat ik tot zetel des koninkrijks gebouwd heb door de kracht van mijn vermogen en de glorie mijner heerlijkheid? Op hetzelfde oogenblik klonken hem uit den hemel dezelfde woorden tegen, die Daniël een jaar geleden tot hem gesproken had; hij werd waanzinnig, gedroeg zich als een dier en at gras als een os; men moest hem binden

ocr page 621

28/

cn uit de samenleving der menschen en de oogen zijner onderdanen verbannen.

Toen de zeven tijden (misschien maanden) voorbij waren ontving hij zijn verstand terug en geloofde nu in den eenigen, waren God. Hij zelf maakte aan zijne onderdanen alles bekend wat hem wedervaren was, en eindigde met deze woorden: Nu derhalve loof, prijs en verheerlijk ik, Nabuchodonosor, den Koning des hemels, daar al zijne werken waarheid, al zijne wegen recht zijn, en Hij hen, die in hoogmoed wandelen, vernederen kan.

De drie Babylonische martelaars leeren ons hoe wij; wanneer menschen iets van ons zouden vorderen, wat met Gods geboden in strijd is, meer aan God moeten gehoorzaam zijn dan aan de menschen en niet moeten vreezen voor hen, die wel ons lichaam maar niet onze ziel kunnen dooden. Vergeet het nooit: God kan u uit elk lijden verlossen; ivil Hij dit niet doen , en laat Hij toe, dat gij lijdt om de gerechtigheid, dan moogt gij op u zelve toepassen wat onze Zaligmaker gezegd heeft: Zalig zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid, want hunner is het Rijk der hemelen.

Nabuchodonosor ,verd opgevolgd door zijnen zoon Evilmerodach , onder wiens regeering misschien de twee volgende voorvallen uit het leven van den profeet Daniël plaats hadden.

CXLVI. Bel en de draak.

Daniël bevond zich met den nieuwen koning, wiens vriend hij was, in de stad Babyion. De koning vereerde een afgod Bel, en vroeg eens aan Daniël: Waarom aanbidt gij Bel niet ? Daniël antwoordde: Omdat ik geene goden vereer, die handenwerk zijn, maar den levenden God, die hemel en aarde geschapen heeft en heerschappij voert over alle vleesch. — Meent gij dan, vroeg de koning weder, dat Bel geen levende God is ? Ziet gij dan niet, hoeveel hij dagelijks eet en drinkt? Daniël lachte en zeide: Laat u niet bedriegen, o koning! Bel is van binnen klei en van buiten metaal, en heeft nooit iets gegeten!

Er werd namelijk dagelijks in den tempel van Bel een groote maaltijd aangerecht; en de afgodspriesters deden het dwaze volk gelooven, dat Bel de spijzen in den nacht gebruikte. Toen Daniël dit alles bedrog noemde, werd de koning vergramd, liet de zeventig priesters van den afgod

ocr page 622

288

roepen en zeide hun: Zoo gij mij niet zegt, wie deze gerechten eet, zult gij sterven; bewijst gij echter, dat Bel ze eet, dan zal Daniël sterven, omdat hij tegen Bel gelasterd heeft.

De spijzen en de wijn werden nu door den koning zeiven opgezet; daarna sloot hij zelf de deur des tempels en verzegelde die met zijnen ring; doch Daniël bestrooide in het geheim den geheelen vloer des tempels met asch. Den volgenden morgen waren de koning en Daniël reeds vroeg bij den tempel. Zijn de zegels ongeschonden ? vroeg de koning. Daniël vond ze in orde, en de deur werd geopend. Alle spijs en drank was verdwenen, en de koning riep uit: Groot zijt gij, o Bel! en er is bij u geen bedrog! Maar Daniël wees lachend op den grond en zeide: Zie toch van wie deze voetstappen zijn! Nu bleek het, dat de priesters met hunne vrouwen en kinderen des nachts, door eenen onderaardschen gang en een onder de offertafel verborgen luik, in den tempel kwamen en feest hielden van den godenmaaltijd. De bedriegers werden met den dood gestraft; Daniël vernielde met goedvinden van den koning, het beeld en den tempel van den afgod.

Men vereerde te Babyion ook eenen draak, van welken de koning tot Daniël zeide: Van dezen kunt gij toch niet zeggen, dat hij geen levende God is; aanbid hem dus! Daniël antwoordde: Den Heer mijnen God aanbid ik, omdat hij de levende God is; dit echter is geen God. Geef mij verlof, o koning! en ik zal den draak dooden zonder zwaard of stok. Hij kreeg verlof en kookte een mengsel van pek, vet en haar, en stak het ondier eenige klompen daarvan in den muil. Het verslond ze en berstte. Ziedaar uw God ! zeide toen Daniël.

Het volk van Babyion geraakte op het hooren van hetgeen Daniël gedaan had, in opstand en drong woedend op den koning aan, roepend; De koning is een Jood geworden ! Bel heeft hij vernield, den draak gedood en de priesters omgebracht! En zij dreigden hem te vermoorden, indien hij den profeet niet in hunne handen overleverde. De koning, die waarschijnlijk te weinig krijgsvolk tot zijne beschikking had, kon Daniël niet beschermen; deze werd

ocr page 623

289

gegrepen en in den leeuwenkuil geworpen. Doch God beschermde zijnen dienaar, en ofschoon men aan de leeuwen zes dagen achtereen geen voedsel gaf, raakten zij Daniël toch niet aan. Nog een ander wonder deed God, opdat de profeet niet van honger zoude sterven.

In het land van Juda had de profeet Habakuk een moes gekookt, dat hij in eenen schotel, waarin hij ook eenig brood gebrokt had, naar de maaiers bracht, die op den akker arbeidden. Eensklaps verscheen hem een engel, die hem gebood, dat voedsel te brengen aan Daniël in den leeuwenkuil. Heer! sprak Habakuk, ik heb Babyion nooit gezien en den kuil ken ik niet. Toen vatte de engel hem bij zijne haren en voerde hem door de lucht tot boven den kuil. Daniël, dienaar Gods, riep Habakuk uit, neem het maal, dat God u gezonden heeft. Daniël riep uit: O God, Gij zijt mijner indachtig geweest en hebt niet verlaten hen, die U liefhebben! En hij at, terwijl de engel Habakuk naar zijn land terugvoerde.

Op den zevenden dag kwam de koning bij den leeuwenkuil om Daniël te beweenen, doch zag hem in het midden der wilde dieren zitten. Groot zijt Gij, Heer, God van Daniël! riep hij uit. Nu bevrijdde hij den profeet en erkende luidde de wondermacht des Heeren. De belhamels van het oproer werden in den kuil geworpen, en in een oogwenk door de uitgehongerde leeuwen verslonden.

CXLVII. Daniël ex koning Baltassar.

De laatste koning van het Babylonische Rijk was Baltassar, onder wien de stad Babylon in het jaar 538 voor Christus ingenomen werd door de vereenigfde macht der Medi' rs en Perzen , onder aanvoering van den beroemden Cyrus. Onder dien laatsten koning was Daniël waarschijnlijk van zijne hooge waardigheid ontzet geworden en leefde verborgen.

De profeet was reeds een hoogbejaard grijsaard, toen de voorzeggingen der vroegere profeten over den ondergang van liet Babylonische Rijk vervuld werden. De stad Babylon was reeds een geruimen tijd door hare belegeraars ingesloten, doch in die stad heerschte geen vrees; hare

19

ocr page 624

290

muren waren onoverwinnelijk sterk , hare verdedigers talrijk als een volk, en men had levensvoorraad voor twintig jaren.

Koning Baltassar vierde met zijne duizend rijksgrooten een schitterend feest; tegen den avond , toen de luidruchtige vreugde der dronkenschap het toppunt bereikt had, beval de koning, dat men de gouden en zilveren vaten, die Nabuchodonosor uit den tempel van Jeruzalem geroofd had, brengen zou, om daaruit den wijn ter eere dei-afgoden te drinken. Dit bevel werd volbracht, en de afgodendienaars ontheiligden op de schandelijkste wijze de bekers en schalen, welke eertijds bij den offerdienst van Jehova gebezigd waren.

Doch eensklaps wordt het doodelijk stil in de feestzaal. Boven aan een der muren, tegenover de lichtkroon, ver-toonen zich vingers als van de hand eens menschen; zij schrijven eenige woorden en verdwijnen, maar het schrift blijft staan. De koning bezwijkt bijna van schrik, en al zijne rijksgrooten zijn van angst verpletterd , want niemand is in staat het schrikbarend schrift te lezen ; de Babylonische wijzen worden geroepen, maar hunne kennis schiet te kort. Toen de koningin vernam, wat er in de feestzaal gebeurd was, dacht zij aan Daniël, en zeide dat er in Babyion één man was, die alle wijzen ver overtrof en zeker het onverstaanbare schrift verklaren zou. Spoedig verscheen nu de profeet. De koning deed hem dezelfde beloften, welke hij aan de wijzen reeds gedaan had: Indien gij het schrift lezen en mij de verklaring er van geven kunt, zult gij in purper gekleed worden, een gouden keten om uwen hals dragen, en de derde vorst zijn in mijn koninkrijk. Daniël antwoordde: Behoud uwe geschenken en geef zc aan een ander; doch het schrift zal ik voor u lezen en u de uitlegging er van geven, o koning! Daarop bracht hij Baltassar onder het oog, hoe trotsch en heiligschennend deze zich gedragen had tegen den God, die zijne macht aan Nabuchodonosor had geopenbaard, en sprak eindelijk: Dit is het schrift, dat daar geschreven staat: mane, thekel, phares. En dit is de uitlegging: Manc, geteld heeft God uw Rijk en een einde daaraan gemaakt; Thekel, gewogen zijt gij op de waag en te ligt bevonden; Phares, verdeeld

ocr page 625

291

is uw koninkrijk en gegeven aan de Mediërs en de Perzen.

De koning schonk Daniël de toegezegde belooningen; maar in denzelfden nacht werd Babyion ingenomen en Baltassar van het leven beroofd. Darius de Me dier was zijn opvolger.

CXLVIII. Daniël en koning Darius.

Onder dezen koning klom Daniël tot het toppunt van aardsche grootheid. Darius verdeelde zijn onmetelijk koninkrijk in 120 provinciën, welker bestuurders weder aan drie vorsten onderworpen waren; de eerste van deze drie was Daniël. De andere rijksgrooten zochten, door nijd gedreven, naar een middel, om hem in het verderf te storten. Zij wisten te bewerken, dat de koning een bevel uitvaardigde, waarbij het aan iedereen verboden werd, gedurende dertig dagen eenige beden te richten tot wien ook, behalve tot den koning, onder bedreiging, dat hij, die het wagen zoude in dien tijd tot God of mensch te bidden, in den leeuzvenkuil zou geworpen worden. Darius kondigde dit bevel af, en nu waren Daniëls vijanden zeker van hunne zaak, want de wetten van Medië en Perzië veroorloofden zelfs den koninsr met, een eens openbaar gemaakt besluit te herroepen.

Daniël was gewoon driemaal daags in eene opperzaal van zijn huis neder te knielen en zijn gebed tot God op te zenden; hij opende dan de vensters, die uitzagen naar den kant, waar de tempel van Jeruzalem gestaan had. Daar hij zich ook nu aan die godvruchtige gewoonte hield, verschenen zijne vijanden weldra voor den koning en spraken: O koning! hebt gij niet bevolen, dat al wie in dertig dagen tot een der goden of menschen zou bidden, behalve tot u , in den leeuwenkuil zou geworpen worden? — Ja, antwoordde Darius, en wel door een besluit, dat niet mag herroepen worden. En zij zeiden: Daniël stoort zich niet aan uwe wet en uw besluit; driemaal daags doet hij zijn gebed. De goede koning ontstelde hevig op het hooren van den naam zijns vriends; maar hij durfde zijn woord niet herroepen en moest

ocr page 626

292

eindelijk zijnen gunsteling ter straf overleveren. Daniël, een grijsaard van meer dan tachtig jaren, ging onver-schokken den marteldood te gemoet; de koning zelf vergezelde hem, en toen men hem in den kuil nederliet, riep hij hem nog toe: Uw God, dien gij altijd dient. Hij zal u redden. Eer hij den kuil verliet, verzegelde hij den steen, die er den ingang van sloot, met het rijks-zegel, opdat er niets tegen Daniël zoude geschieden. Het schijnt dus, dat de koning voor zijnen vriend minder onheil duchtte van de zijde der leeuwen, die in den kuil waren, dan van Daniëls vijanden, die zich er buiten bevonden.

Toch was de koning, ofschoon hij wel zal geweten hebben, dat de profeet reeds eenmaal door zijnen God uit den muil der leeuwen gered was, bekommerd over het lot van zijnen vriend; hij weigerde alle spijs en sliep den geheelen nacht niet. Reeds zeer vroeg ging hij den volgenden morgen naar den leeuwenkuil, en riep weenend uit: Daniël, dienaar van den levenden God ! zou uw God , dien gij altijd dient, u van de leeuwen hebben kunnen verlossen? En ja! God had weder zijne almacht getoond! De stem van Daniël klonk hem tegen: Mijn God heeft zijnen engel gezonden en tie muilen der leeuwen gesloten ; zij hebben mij geen leed gedaan. Darius deed nu den profeet aanstonds uit den kuil voeren en diens vijanden daarin werpen; nog eer zij den bodem bereikt hadden, waren zij reeds door de leeuwen verscheurd. De koning kondigde een nieuw bevel af en verplichtte al zijne onderdanen, den God van Daniël, den Levende, den Eeuwige, te vereeren en te vreezen.

Koning Darius regeerde, na de inneming van Babyion, slechts twee jaren; in het jaar 536 voor Christus kwam Cynts, de stichter van het Perzische Rijk, aan het bestuur. Daniël leefde zeker nog tot het derde jaar van dezen koning. Meer is ons van hem niet bekend. Het hoofddoel zijner profetische zending was, gelijk uit zijne geschiedenis blijkt, de verspreiding der kennis van den waren God onder de heidenen. Door zijnen invloed werd ook het lot dei-Joden, vooral wat de vrije uitoefening van hunnen godsdienst betrof, veel verbeterd, en hunne aanstaande bevrijding uit de ballingschap voorbereid.

ocr page 627

293

CXLIX. De Messiaansche profetieën van Daniël.

Dc toekomst werd aan Daniël gewoonlijk geopenbaard in profetische gezichten, waarvan een engel hem de verklaring gaf; twee zeer belangrijke voorspellingen over den Verlosser der wereld worden hier vermeld.

In eenen nacht zag hij de zee beroerd worden dooiden strijd der vier winden. Toen werden er tronen gezet, en de Oude der dagen (de eeuwige God) zat neder. Zijn kleed was wit als sneeuw, en de haren van zijn hoofd waren als blanke wol; vuurvlammen waren zijn troon; duizendmaal duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal honderdduizenden omringden Hem. En zie, met de wolken des hemels kwam iemand als een Zoon des menschen, en Hij naderde tot den Oude der dagen. En de Oude der dagen gaf hem macht en eer en heerschappij; alle volken, stammen en talen zullen Hem dienen; zijn macht is eene eeuwige macht, die niet weggenomen wordt, en zijn koninkrijk is onverderfelijk. — Deze Zoon des menschen is Christus, en zijn eeuwig koninkrijk is de heilige Kerk.

Op een anderen tijd bad Daniël in vasten en boetvaardigheid om genade en ontferming voor zijn volk. De aartsengel Gabriel kwam toen tot hem en zeide: Daniël! nu ben ik uitgegaan, om u te onderrichten en te doen begrijpen. Geef dus acht op het woord en versta het gezicht:

Zeventig weken zijn afgekort over uw volk en over uwe heilige stad, opdat de overtreding gedelgd, aan de zonde een einde gemaakt, de ongerechtigheid uitgewischt, de eeuwige rechtvaardigheid aangebracht, gezicht en profetie vervuld, en de Heilige der heiligen gezalfd worde. Van den uitgang des bevels, om Jeruzalem weder op te bouwen, tot aan Christus den Vorst, zullen er verloopen zeven weken en twee-en-zestisj weken. En na de twee-en-zestie weken zal de Christus gedood worden. In dc ééne (de zeventigste) week zal Hij het Verbond bevestigen met velen ; in het midden der week zullen slacht- en spijsoffer ophouden.

Dc weken, waarvan in deze profetie gesproken wordt, zijn jaar-weken, dat is, tijdperken van zeven jaren, zoodat 70 weken gelijk

ocr page 628

294

zijn aan 490 jaren. De zeventigste week begon, toen Christus, na gedoopt te zijn, door de nederdaling des H. Geestes gezalfd werd. In het midden dier week, dat is, ongeveer drie en een half jaar later, stierf Christus, en deed zijn volmaakt Offer de offers des Ouden Testaments ophouden.

CL. Terugkeer der Joden onder Zorobabel.

. /,/, ,. De zeventig jaren der Babylonische gevangenschap waren in het jaar 536 voor Christus verloopen; in dat jaar begon de wereldheerschappij van den Perzischen koning Cyrus. God had, bijna 200 jaren te voren, door den profeet Isaias gesproken: Ik ben het, die tot Cyrus zeg; Mijn herder zijt gij en mijnen vollen wil zult gij volbrengen. Ik zal voor u uitgaan en de grooten der aarde vernederen, opdat gij weten moogt, dat Ik de Heer ben, Israels God, die u roep bij uwen naam, om wille van Jakob, mijnen dienaar, en van Israel mijnen uitverkorene. Ik heb hem (Cyrus) opgewekt, om recht te doen; hij zal mijne stad opbouwen en mijne gevangenen vrijlaten, niet voor losprijs of geschenken, zegt de Heer, de God der heirscharen.

Het bevelschrift, waardoor Cyrus aan de Joden de vrijheid schonk, om naar hun land terug te keeren, luidde aldus: Alle koninkrijken der aarde heeft de Heer, de God des hemels mij gegeven. En Hij heeft mij bevolen, Hem een huis te bouwen te Jeruzalem in Judea. Wie onder u behoort tot zijn volk? Zijn God zij met hem! Hij trekke op naar Jeruzalem in judea en houwe het huis van den Heer, Israels God. Daarenboven beval Cyrus, dat al de Joden, die niet naar hun land wilden gaan, de terugkeerenden met hun geld en hunne bezittingen moesten bijstaan; ook gebood hij, de heilige vaten, welke Nabuchodonosor uit den tempel van Jeruzalem geroofd had, aan de bevrijde bannelingen terug te geven.

Het getal dergenen, die bereid waren Babylonië, dat hun een tweede vaderland geworden was, te verlaten, was niet groot en bedroeg, met inbegrip van slaven en slavinnen, nog niet ten volle 50,000 zielen. Aan het hoofd der terugkeerenden stonden de landvoogd Zorobabel, de kleinzoon van koning Jechonias, en de hoogepriester Jozue. Zij kwamen zonder ongeval in Judea aan; vóór zij uit elkander

ocr page 629

295

gingen, bepaalden Jozue en Zorobabel, dat men op den eerstvolgenden nieuwjaarsdag de eerste openbare godsdienstplechtigheid zou vieren. Al het volk vereenigde zich op dien dag rondom het altaar, dat gebouwd was op de plaats , waar de tempel gestaan had ; vervolgens vierde men het Loofhuttenfeest, en daarna keerde het volk, op nieuw aan God toegeheiligd, naar zijne steden terug.

CLI. Bouw van den tweeden tempel. DE profeten aggeüs en Zacharias.

In hetzelfde jaar maakte men een begin met den tempelbouw , en toen de grondslagen gelegd waren, vierde het volk van Jeruzalem een heilig vreugdefeest. Evenwel waren er enkele grijsaards, die niet in de algemeene blijdschap deelden. Zij hadden den heerlijken tempel van Salomon gezien en begrepen, dat het nieuwe heiligdom in grootheid en pracht het oude niet zou evenaren; en daarom waren zij bedroefd en braken in klachten uit. Doch hunne klaagtonen stierven weg in de blijde kreten der opgetogen menigte.

De inwoners van het voormalige rijk der tien stammen, die nu den naam van Samaritanen droegen, vaardigden een gezantschap aan de Joden af met het verzoek : Laat ons met u bouwen, want wij zoeken uwen God, evenals gij.

Zorobabel, Jozue en de hoofden der stamhuizen konden dit verzoek niet toestaan; en toen begonnen de Samaritanen hen op alle mogelijke wijzen te- kwellen en in hunnen arbeid te hinderen, zoodat zij eindelijk verplicht waren den bouw te staken; zelfs beschuldigden hunne vijanden hen bij het Perzische hof van oproerige gezindheid tegen Perzië en wisten het door allerlei laster eindelijk zoover te brengen, dat de derde koning van dat rijk aan de Joden het opbouwen van hunnen tempel verbood.

Dit verbod was wel onder den volgenden koning, den beroemden Darius Hystaspes, niet meer van kracht, maar toen bleek het, dat de ijver der Joden zeer verminderd was, en dat velen meer bezorgd waren om

ocr page 630

296

woonhuizen voor zicli zeiven, clan om het huis des Heeren te bouwen. God wekte twee profeten op, Aggeüs en Zacharias, die het volk met kracht tot het hervatten van den heiligen arbeid aanspoorden. Omdat mijn huis woest ligt, sprak God door den mond van Aggeüs, en omdat gij spoed maakt, een ieder voor zijn eigen huis, daarom is het den hemel verboden u dauw te geven, en der aarde verboden u hare vrucht te schenken, daarom riep Ik de droogte over het land. Deze prediking had het gewenschte gevolg: men sloeg de handen weder aan het werk, en vier jaren later was dc tempel herbouwd en werd plechtig ingewijd in het jaar 516 voor Christus, het zesde jaar der regeering van koning Darius. Het eerste paaschfeest werd in het nieuwe heiligdom plechtig gevierd; dit feest was voor de Joden nu niet alleen de gedachtenis van dc verlossing hunner vaderen uitKgypte, maar ook van hunne eigene bevrijding uit de Babylonische ballingschap.

CLI1. Terugkeer der Joden onder Esdras.

Zeven en vijftig jaren na de voltooiing van den tempel, in het jaar 459 voor Christus, verzocht Esdras, een priester en zeer kundig schriftgeleerde, van den Perzischen koning Artaxerxes verlof, om met de Babylonische Joden, die naar hun vaderland wilden terugkeeren, naar Judea op te trekken. De koning stond dit toe en verhief Esdras tot' bestuurder der Joodsche provincie, hem volmacht verleenend om rechters aan te stellen en het volk in den godsdienst te onderwijzen ; daarenboven gaf de koning hem rijke geschenken mede voor den tempel te Jeruzalem.

Esdras riep nu zijne geloofsgenooten in Babylonië op, en ruim 1500 Israëlieten waren bereid met hem naar Judea te vertrekken ; bij hen voegden zich nog 40 Levieten en 220 mindere dienaars des hciligdoms. Nadat men eerst eenen algemeenen vasten- en bededag gehouden had, om van God een voorspoedige reis af te smeeken, trok men op en kwam, drie en een halve maand later, te Jeruzalem aan. Esdras zag met diepe droefheid, dat er onder de vroeger teruggekeerde Joden erge misbruiken waren in-

ocr page 631

297

geslopen, en vooral, dat velen huwelijken gesloten hadden met heidensche vrouwen , en dat, tengevolge daarvan , zich onder de Israëlieten weder sporen van afgoderij begonnen te vertoonen. Weenend en met gescheurde kleederen begaf hij zich naar den tempel en knielde daar neder, om luide de schuld van het volk te belijden. Velen schaarden zich rondom hem en werden op het hooren zijner woorden en het zien zijner tranen diep bewogen. Eindelijk sprak Sechenias, een der stamhoofden, tot hem: Wij hebben gezondigd tegen onzen God, door uit de volken des lands vreemde vrouwen te nemen ; maar als daarvoor boetvaardigheid is in Israël, laat ons dan nu een verbond sluiten met den Heer onzen God, om al die vrouwen en kinderen, die uit haar geboren zijn, weg te zenden. Sta op, o Esdras! u komt de beslissing toe; en wij zullen met u zijn. Alle aanwezigen stemden met dezen braven Israëliet in, en, met de hulp van God, slaagde Esdras er in de ergernis te doen verdwijnen en de orde volkomen te herstellen.

De zevende maand van het kerkelijk jaar werd door Esdras uitgekozen, om zijnen grooten arbeid, de godsdienstige hervorming van zijn volk, te beginnen. Hij riep al de Joden te Jeruzalem samen, om hun de wet van Mazes voor te lezen. Toen de Israëlieten de voorschriften des Heeren en de straffen, waarmede God de overtreders der Wet bedreigd had, vernamen, begonnen zij luid te weenen. Esdras wilde echter niet, dat de plechtige feestdag in droefheid werd doorgebracht, üeze dag, sprak hij, is den Heer onzen God geheiligd! Treurt niet en weent niet! Eet en drinkt en «jeeft een deel aan hen, die zich niets

X O gt;

bereid hebben ; want de vreugde des Heeren is onze sterkte.

Op den volgenden dag werd de voorlezing der Wet voortgezet, en op den 15den dag der maand vierde men Loofhuttenfeest, en gedurende de acht dagen, die dat feest duurde, woonde men in looverhutten, die men gebouwd had, en van eiken dag werd een gedeelte besteed aan het voorlezen der Wet. Na den afloop hielden allen een alge-meenen boete- en vastendag, om hunne schuld voor God te belijden en het Verbond met God plechtig te hernieuwen.

ocr page 632

298

CLIII. Nehemias. Herbouw van Jeruzalem.

In het twintigste jaar van den Perzischen koning Artaxerxes vernam Nehemias, die den eerepost van koninklijk schenker bekleedde, dat de stad Jeruzalem altijd nog in een ellendigen toestand verkeerde, dat haar muur vernield en hare poorten verbrand waren. Deze verwoesting was denkelijk het werk geweest van de vijandige Samaritanen. Nehemias was daarover zeer bedroefd, en toen de koning hem eens naar de reden zijner smart vroeg, zeide hij: Ach, koning! hoe zou mijn gelaat niet droevig zijn, daalde stad der graven mijns vaders verwoest is en hare poorten vernield zijn door het vuur? — Wat verlangt gij dan? vroeg de koning. En Nehemias, na een oogenblik tot God gebeden te hebben, antwoordde: Indien het den koning goeddunkt, zend mij dan naar Judea, naar de stad van het graf mijns vaders; en ik zal haar opbouwen. Artaxerxes benoemde toen Nehemias tot landvoogd van Judea en schonk hem de uitgestrektste volmacht tot het herbouwen der muren en vestingwerken van Jeruzalem. Doch Nehemias moest beloven, dat hij na een bepaalden tijd weder tot den koning zou terugkeeren.

Zoodra de nieuwe landvoogd het doel zijner komst aan de voornaamsten der Joden bekend maakte, waren allen terstond bereid, en aanstonds sloeg men de handen aan het werk. Doch nu toonden de Samaritanen, wier opperhoofden Sanaballat, Tobias en Gosem heetten, hunne oude vijandschap tegen de Joden; eerst poogden zij het opbouwen van Jeruzalems muren voor te stellen als eene daad van oproer tegen Perzië, en toen dit niets baatte, besloten zij de Joden onverwachts te overvallen, de werklieden te dooden en hunnen arbeid te verwoesten. Nehemias echter ontving bericht van hun plan en wapende al zijne werklieden, zoodat de Samaritanen geen lust gevoelden eencn aanval te wagen. In het vervolg bleef a.tijd de eene helft der mannen onder de wapenen, terwijl de andere arbeidde; en men zette het werk met on vermoeiden ijver voort, met de eene hand als het ware bouwend en met de andere het zwaard houdend. De Samaritanen beproefden

ocr page 633

299

meermalen door listig bedrog den landvoogd in hunne handen te krijgen, maar Nehemias liet zich nooit in de strikken vangen, welke zijne vijanden hem spanden.

Eindelijk waren de muren geheel voltooid, en was Jeruzalem in zijn vorigen luister hersteld. Toen de volken in het rond het werk aanschouwden, dat ondanks alle hindernissen tot stand was gebracht, erkenden zij daarin den vinger Gods en werden met eerbied en vrees vervuld.

CLIV. Bestuur van Nehemias. De profeet Malachias.

Vóór de aankomst van Nehemias hadden eenige rijke Joden van eene groote duurte der levensmiddelen gebruik gemaakt, om zich ten koste hunner arme broeders te verrijken. Zij hadden het graan opgekocht en het slechts voor zeer hooge prijzen willen afstaan; toen waren de armen verplicht geweest schulden te maken en geld te leenen; de rijken eischten woekerwinst en, daar hunne schuldenaars niet bij machte waren te betalen, namen zij hunne landerijen en wijnbergen in bezit en dwongen hen zelfs, hunne kinderen tot slaven te verkoopen.

Zoodra de verdrukten de godsvrucht en edelmoedigheid van Nehemias hadden leeren kennen, namen zij eenparig hunne toevlucht tot hem. Helaas! Weten zij, onze zonen en dochters brengen wij onder het juk der dienstbaarheid, en wij hebben niets om hen los te koopen! En vreemden bezitten onze akkers en wijnbergen ! Niemand was beter in staat, om ai het schandelijke van het gedrag der woekeraars te beseffen dan Nehemias, die van het oogenblik zijner aankomst af de schitterendste bewijzen van belangloosheid en milddadigheid gegeven had, zoo zelfs, dat hij afstand had gedaan van alle schatting, welke'hij als landvoogd kon vorderen. Hij riep de woekeraars tot eene vergadering samen en sprak hen toe: Wij hebben, gelijk gij weet, naar ons vermogen onze broeders, die verkocht waren aan de heidenen, vrijgekocht; zult gij uwe broeders dan verkoopen ? Het is niet goed, wat gij doet. Ook ik, mijne broeders en mijne onderhoorigen, hebben aan zeer velen geld en koren geleend: — laat ons gezamelijk van de terugvordering afzien! Laat ons de schuld kwijtschelden,

ocr page 634

3 00

die wij te vorderen hebben ! Geeft hun heden hunne akkers , wijnbergen, olijfgaarden en huizen terug. Nehemias bereikte zijn doel ten volle, en allen beloofden, dat zij zouden doen, wat hij verlangde.

Toen Jeruzalem, na den herbouw zijner muren, weder zijnen ouden omvang had, was de bevolking dier stad niet meer met haar grootte in evenredigheid. Nehemias liet dus door eene loting beslissen , wie verplicht zouden zijn zich metterwoon binnen Jeruzalem te vestigen ; en niet minder dan een tiende gedeelte der geheele bevolking was noodig, om de hoofdstad van een voldoend getal inwoners te voorzien.

De inwijding van den stadsmuur geschiedde met groote plechtigheid. In twee koren verdeeld, waarvan het eene door Esdras werd aangevoerd , gingen de priesters , Levieten en hoofden des volks boven op den walmuur de geheele stad rond en vervolgens den tempel binnen. Waarschijnlijk werd bij deze gelegenheid het heilige vuur, dat tijdens de verwoesting van Jeruzalem in een drogen put verborgen was, teruggevonden. Toen men dien put onderzocht, vond men er slechts drabbig water in ; Nehemias deed dit uitscheppen en de offers, die op het altaar lagen daarmede besproeien. Toen dit geschiedde, was de zon achter de wolken verborgen; maar, zoodra zij eenigen tijd later te voorschijn kwam en'hare stralen op het altaar schoot, ontbrandde er een groot vuur, dat de offers verteerde. Allen, die het wonder aanschouwden, loofden God, en Nehemias bad : Heer, God, Schepper van alles! Neem het offer aan voor geheel uw volk Israël! Bewaar en heilig uw erfdeel! Bevestig uw volk in uwe heilige plaats, gelijk Mozes gesproken heeft.

Na de Joodsche provincie twaalf jaren bestuurd te hebben , keerde Nehemias naar Perzië terug. Van dat oogenblik af slopen al de misbruiken, tegen welke hij geijverd had, weder binnen : men sloot weder verbodene huwelijken en ontheiligde den Sabbath door het drijven van koophandel; vooral de hoogepriester Eliasib maakte schandelijk misbruik van zijne macht. In die dagen wekte God MalacJnas op, den laatste van de profeten des Ouden Testaments; hij bestrafte vooral de priesters, wier slecht gedrag eene ergernis was voor het volk.

ocr page 635

3° i

Bitter griefde het Nchemias, toen hij eenige jaren later weder te Jeruzalem kwam, te moeten zien, dat de vruchten van zijnen arbeid zoo spoedig waren verloren gegaan. Met nieuwen ijver roeide hij de misbruiken uit en herstelde weder de orde onder hot volk en den geregelden dienst in den tempel.

CLV. De Messiaansche profetieën van Aggeüs, Zacharias en Malachias.

Nog een korten tijd, spreekt de Heer der heirscharen, en Ik'zal den hemel en de aarde beroeren, de zee en het droge, en alle volken zal Ik beroeren. En de door alle volken Verlangde zal komen, en Ik zal dit huis (dat is: den nieuwen tempel) met heerlijkheid vervullen. De heerlijkheid van dit huis zal groot zijn boven die van het eerste (Aggeüs).

Zie, Ik zend mijnen engel (dat is, mijnen gezant of voorlooper, Joannes den Dooper), en hij zal den zveg bereiden voor mijn aangezicht. En terstond zal tot zijnen tempel komen de Heerscher, dien gij zoekt, en de Engel des Verbonds, dien gij verlangt (Malachias).

Ik zal mijnen Dienaar, den Opgang, doen komen; Hij zal op zijnen troon zitten en heerschcn, en Priester zal Hij wezen (Zacharias).

Verheug u zeer, dochter van Sion ! juich , dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, de Rechtvaardige, de Heiland! arm en rijdend op eene ezelin, en op een veulen, het jong eener ezelin (Zacharias).

Zij wogen mijn loon af; dertig zilverlingen. — En de Heer zeidc tot mij : werp hem weg voor den pottebakker, den heerlijken prijs, waarop Ik door hen geschat ben. En ik nam de dertig zilverlingen en wierp ze weg in het huis des Hoeren voor den pottebakker (Zacharias).

Zwaard, verhef u tegen mijnen herder! zegt de Heer der heirscharen: sla den herder, en de schapen zullen verstrooid worden (Zacharias),

Ik zal over David's huis en over de inwoners van Jeruzalem uitstorten den geest van genade en van gebeden. En zij zullen zien op Mij , dien zij doorstoken hebben;

ocr page 636

302

en zij zullen Hem beweenen, met een geween als over een eenigen zoon, en rouw bedrijven over Hem, gelijk men pleegt te rouwen bij den dood eens eerstgeborenen. Op dien dag zal er voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem eene bron geopend wezen tot af-wassching des zondaars en der onreine (Zacharias).

Ik heb geen behagen in u, zegt de Heer der heirscharen en zal geene offergave uit uwe hand aannemen. Want van den opgang der zon tot den ondergang is mijn naam groot onder de volken, en op alle plaatsen wordt geofferd en mijnen naam een rein offer opgedragen (Malachias).

Zie, Ik zal u den profeet Elias zenden, eer de gr oote en vreeselijke dag des Heer en komt. Hij zal het hart der vaders tot de zonen en het hart der zonen tot hunne vaders bekeeren, opdat Ik niet kome en de aarde sla met vervloeking (Malachias).

CLVI. Geschiedenis van Esther.

Te Susan, eene der hoofdsteden van het Perzische rijk, woonde Mardocheüs, een Israëliet uit den stam van Benjamin, die een aanzienlijken post aan het hof bekleedde. Hij was de voedstervader van zijne ouderlooze nicht Esther, die hij in den Joodschen godsdienst onderwees en opvoedde, ofschoon men te Susan niet wist, dat zij tot de Israëlietische ballingen behoorde.

De Perzische koning Assuerus (die in de ongewijde geschiedenis Xerxes genoemd wordt) had bij zekere gelegenheid zijne gemalin Vasthi verstooten, en deed in het zevende jaar zijner regeering (ongeveer 480 voor Christus) de edelste maagden uit zijn koninkrijk verzamelen , om uit haar eene nieuwe gemalin te kiezen. Ook Esther werd in het paleis gevoerd, zonder dat men wist, dat zij tot de Israëlieten behoorde; na eenigen tijd viel op haar de keus des konings; hij zette haar de kroon op het hoofd en schonk haar den titel van koningin.

Niet lang daarna bewees Mardocheüs, die tot lid van den rijksraad verheven was, den koning eenen gewichtigen dienst; hij ontdekte namelijk eene geheime samenzwering

ocr page 637

303

tegen het leven des vorsten en kwam zelfs de namen te weten van de twee kamerlingen, die Assuerus zouden vermoorden. Terstond gaf hij Esther daarvan bericht; de zaak werd waar bevonden, de twee schuldigen met den dood gestraft, en de gebeurtenis in de jaarboeken van het koninkrijk opgeteekend.

Omtrent dezen tijd wist zekere Aman, die een Amale-kiet van afkomst en een monster van boosheid was, zich in de gunst des konings in te dringen , met zulk een goed gevolg, dat hij, vijf jaren na de verheffing van Esther, tot de eerste waardigheid des rijks was opgeklommen; zelfs gaf Assuerus bevel, dat men zijnen gunsteling vorstelijke eer bewijzen en de knie voor hem buigen moest. Mardocheüs was de eenige, die niet voor Aman wilde nederknielen; en toen men hem tot het volgen van het voorbeeld der overigen trachtte te overreden, kwam hij er voor uit, dat de godsdienst, welken hij beleed, hem niet veroorloofde zijne knieën voor iemand anders dan voor God alleen te buigen.

Vreeselijk was de woede van den hoogmoedigen Aman, toen hij zag, dat Mardocheüs hem durfde verachten; en toen hij vernam, dat deze zijnen godsdienst als de reden van zijn gedrag opgaf, keerde hij zijnen haat tegen al de Joden: één hunner had hem beleedigd, allen zouden daarvoor boeten!

Aman kende den koning genoeg om te veronderstellen, dat deze er niets uit maken zou, het bloed van duizenden te vergieten, indien zijn gunsteling dit verlangde. Hij ging dus naar zijn huis en deed door het lot onderzoeken, welke dag het geschiktst was voor de verdelging der Joden: de 13de dag der laatste maand van het jaar werd aangewezen. Daarop begaf hij zich naar den koning, stelde de Joden voor als een ongehoorzaam en oproerig volk en zeide: Als gij het goedvindt te bevelen, dat dit volk verdelgd worde, dan zal ik tienduizend talenten in uwe schatkist storten. Assuerus antwoordde: Het geld, dat gij belooft, zij het uwe; doe met het volk, wat gij goedvindt! Tegelijk trok hij zijnen zegelring van zijn vinger en gaf dien aan Aman, die nu macht had om te doen, wat hij wilde.

ocr page 638

304

Aanstonds werden cr naar al dc bevelhebbers der Perzische provinciën boden afgezonden met het moordbevel, dat op den i^en dag der laatste maand van dat jaar geen enkele Jood meer in leven mocht zijn ; ook te Suzan werd hetzelfde besluit afgekondigd. Zoodra Mardocheüs kennis droeg van het gevaar, dat zijn volk bedreigde, was al zijne hoop op Esther alleen gevestigd, daar hij begreep, dat, als God zijn volk van den ondergang wilde redden, de koningin daartoe het middel wezen moest. Doch het was hem niet mogelijk tot haar door te dringen. Hij kleedde zich dan in rouwgewaad en liep weeklagend door de straten der stad en in dc nabijheid van het paleis; hij hoopte namelijk dat deze of gene hem herkennen en met Esther over hem spreken zou. Dit gelukte, en weldra zond de koningin een harer vertrouwde dienaren tot haren pleegvader, om naar de reden van zijnen rouw te vernemen. Aan dezen dienaar gaf Mardocheüs een afschrift van het moordbevel mede en gelastte hem, de koningin aan te sporen, om tot den koning te gaan en genade voor haar volk af te smeeken. Esther liet hem antwoorden, dat zij niet tot den koning mocht naderen, want dat iedereen, die ongeroepen voor hem verscheen, terstond gedood werd; dat de koning wel aan zoo iemand genade kon schenken door hem zijn gouden schepter toe te reiken, maar dat zij op dat gunstbewijs niet durfde rekenen, daar de koning in den laatsten tijd zich weinig aan haar liet gelegen liggen, en zij reeds gedurende eene geheele maand niet bij hem geroepen was. Mardocheüs deed haar andermaal zeggen, dat zij toch tot Assuerus gaan moest, daar immers ook haar leven door het moordbevel bedreigd was, en voegde er bij: Wie weet of gij niet juist om in deze omstandigheid te kunnen optreden, tot koningin verheven zijt. Toen antwoordde Esther: Vergader al de Joden en bidt voor mij; houdt drie dagen vasten. ook ik zal met mijne dienstmaagden vasten; daarna zal ik tot den koning gaan, tegen dc wet, zonder geroepen te zijn; ik zal mij aan het gevaar des doods blootstellen.

Mardocheüs en al de Joden van Susan deden wat Esther verlangde en zond vurige gebeden op tot God. De koningin zelve omgordde zich met een boetekleed, bestrooide haar

ocr page 639

305

hoofd met asch, vastte en bad: Heer, mijn God! help mij, die alleen ben, die buiten U niemand anders tot helper heb. Leg gepaste woorden in mijnen mond voor de oogen van den leeuw, en buig zijn hart tot haat tegen onzen vijand. God, machtig boven allen! verlos ons uit de hand der goddeloozen, en red mij uit*/mijnen angst!

De derde dag was gekomen. Esther kleedde zich in haar prachtgewaad en ging met twee dienstmaagden naar de zaal, waar de koning, blinkend van goud en edele steenen, in het midden zijner staatsdienaars gezeten was. Assuerus, die haar ongeroepen ziet verschijnen , gloeit van gramschap, en Esther, doodelijk verschrikt, valt onmachtig neder in de armen der dienstmaagd, die haar ondersteunt. Maar op dat oogenblik verandert God den toorn des konings in medelijden; hij snelt zelf tot Esther en spreekt tot haar: Esther, wat is u ? Ik ben uw broeder; vrees niet! Gij zult niet sterven; want niet voor u, maar voor al de anderen is die wet gemaakt. Kom dan en raak den schepter aan ! Toen de koningin weder tot zich zelve gekomen was, verzekerde Assuerus haar, dat al wat zij verlangde, haar zou worden toegestaan, al ware het zelfs de helft van zijn koninkrijk. Zij verzocht, dat de koning dien eigen dag met Aman bij haar zoude komen op den maaltijd, dien zij bereid had. Assuerus beval terstond Aman te roepen; en toen het uur gekomen was, zat hij met zijnen gunsteling aan de tafel der koningin. Esther openbaarde echter haar verzoek niet, maar verzocht, dat de koning ook den volgenden dag wederom met Aman haar gast zou willen zijn.

Esther leert ons, hoe wij ons tot gewichtige en gevaarlijke ondernemingen moeten voorbereiden. Wanneer wij gevoelen, dat onze kracht te zwak en onze moed te gering is. zoeken wij dan hulp bij God, die nooit zijnen bijstand weigert aan hen, die in nederigheid en vertrouwen hunne toevlucht tot Hem nemen.

CLVII. Vervolg der geschiedenis van Esther.

Opgetogen van vreugde verliet de trotsche Aman na de voorbeeldclooze eer, die hem te beurt gevallen was, het paleis; maar door het voorhof stappend veranderde zijne blijdschap in woede en spijt, want daar zag hij

20

ocr page 640

3O6

Mardocheüs zitten, die zich zelfs niet verwaardigde voor hem op te staan. Te huis gekomen barstte hij in klachten los en verklaarde, dat zijn rijkdom, zijne eer en verheffing voor hem niets waardig waren, zoolang hij den Jood Mardocheüs bij de poort van het paleis moest zien zitten. Zijne vrouw en vrienden gaven hem toen den raad : Laat terstond eene hooge galg oprichten, en zeg morgen aan den koning, dat Mardocheüs daaraan worde opgehangen; zóó zult gij vroolijk met den koning naar den maaltijd kunnen gaan. Deze raad beviel Aman, en eene galg, vijftig el hoog, werd nog dienzelfden avond bij zijn huis opgericht.

De koning kon dien nacht niet slapen en gebood, dat men hem een en ander uit de jaarboeken van het koninkrijk zou voorlezen. Tegen den morgen las men het bericht over de samenzwering, welke Mardocheüs verijdeld had. Welke belooning heeft Mardocheüs voor deze daad van trouw ontvangen? Niets heeft hij tot loon ontvangen, antwoordden de dienaars. De koning dacht eene poos na, hoe hij zijne dankbaarheid jegens den redder van zijn leven het best zou kunnen toonen, en vroeg eindelijk: Wie is er in het voorhof? Aman bevond zich daar, want de brandende dorst naar wraak had hem reeds vroeg uit zijn huis gejaagd. Hij werd geroepen, en Assuerus vroeg hem: Wat moet gedaan worden aan eenen man, dien de koning wenscht te vereeren ? Aman, die er niet aan twijfelde, of de koning bedoelde hem zeiven, zeide; De man, dien de koning verlangt te vereeren, moet gekleed worden in koninklijk gewaad, en moet gezet worden op een paard, waarop alleen de koning rijdt, en moet de koninklijke kroon op zijn hoofd ontvangen; en de eerste van ['s konings rijksgrooten moet het paard bij den toom leiden en door de straten der stad uitroepen; aldus wordt hij geëerd, dien de koning wenscht te vereeren! Assuerus begreep waarschijnlijk zeer goed, dat zijn vermetele gunsteling koninklijke eer voor zich zeiven vroeg, en antwoordde, om hem diep te vernederen: Haast u! neem het kleed en het paard, en handel volgens uwe woorden met den Jood Mardocheüs, die voor de poorten van het paleis gezeten is. Wacht u, iets achter te laten van hetgeen gij gezegd hebt! Een uur later reed Mardocheüs in vorstelijke

ocr page 641

307

pracht door de straten van Susan, en Aman trad met den toom van het paard in zijne hand, voor hem uit, luid roepend: Zulk eene eer is hij waardig, dien de koning wenscht te vereeren.

Aman ging dien dag niet zoo vroolijk naar het gastmaal der koningin, als hij gedacht had. Aan tafel vroeg Assuerus : Wat is uw verzoek, Esther? al vraagt gij de helft van mijn rijk, gij zult het hebben. Esther sprak nu zonder iets te verbergen: Indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, o koning! spaar dan mijn leven, waarom ik smeek, en mijn volk, waarvoor ik bid. Want wij zijn ven-aden, ik en mijn volk, om verpletterd, vermoord en vernietigd te worden. Ach, dat men ons als slaven en slavinnen verkocht ! De ramp zou te dragen zijn, en zuchtend zou ik zwijgen; maar nu hebben wij eenen vijand, wiens wreedheid op den koning terugvalt. — Wie is hij, en wat is zijne macht, dat hij zich verstout dit te doen? riep de koning toornig uit. Die vijand, antwoordde Esther, die snoode belager van ons, het is deze Aman! Assuerus verlaat de eetzaal en gaat naar buiten; Aman werpt zich op zijne knieën en kruipt voor de voeten van de koningin, biddend om zijn leven. Daar hoort hij den koning reeds met meerderen terugkeeren, en in doodsangst valt hij op het rustbed, waarop Esther aan tafel aanlag. Wat, schreeuwt de binnentredende vorst, durft hij zelfs de koningin aanranden in mijne tegenwoordigheid, in mijn huis! Reeds slepen de kamerlingen Aman weg, als een hunner zegt: Zie, de galg, die hij bereid had voor Mardocheüs, den redder van 's konings leven, staat bij het huis van Aman! vijftig ellen is zij hoog! — Hangt hem daaraan op! beveelt Assuerus; en weinige minuten later zagen de Joden van Susan het lijk van hunnen vijand aan de hooge galg hangen.

Toen Assuerus vernam, dat Mardocheüs de oom en pleegvader der koningin was, verhief hij dezen in de plaats van Aman tot eersten vorst des koninkrijks en gaf hem verlof, om alles te doen, wat hij en Esther goed zouden oordeelen, om de Joden van den ondergang te redden. Daar het vroeger gegeven bevel, volgens de wetten van Medië en Perzië, onherroepelijk was en dus

ocr page 642

3o8

niet kon ingetrokken worden, schreef Mardocheüs aan alle Joden, dat zij zich in de steden samentrekken en wapenen moesten om, wanneer de 13de dag der laatste maand gekomen was , hunne vijanden eveneens te behandelen als dezen van plan geweest waren hen te doen. De Joden namen vreeselijke wraak, en het getal dergenen, die zij om het leven brachten, beliep niet minder dan 75,000. Tot gedachtenis aan deze gebeurtenis werden de 14de en 15de dag der laatste maand door Esther en Mardocheüs als jaarlijkeche feestdagen ingesteld onder den naam van Purimfeest.

De geschiedenis van Esther toont ons allerduidelijkst, hoe Gods voorzienigheid zich dikwijls van zwakke middelen en van schijnbaar toevallige omstandigheden bedient, om groote en gewichtige gebeurtenissen te doen plaats hebben. De wegen van Gods wijsheid zijn onnaspeurlijk, maar wat Hij wil, bereikt hij altijd onfeilbaar zeker.

CLVIII. Geschiedenis der Joden tot aan het tijdvak der Machabeën. Het Boek der Wijsheid en Ecclesiasticus.

De inhoud van dit hoofdstuk is niet ontleend aan de H. Schrift, daar deze over het tijdvak van ongeveer 250 jaren, dat op het bestuur van den landvoogd Nehemias volgde, volstrekt geene berichten heeft.

Zoolang het Perzische Rijk bestond, hadden de Joden in Palestina rust; het bestuur over de Joodsche provincie kwam hoe langer hoe meer in handen van den hoogepriester, ofschoon deze altijd onderworpen was aan den Perzischen opperlandvoogd. Niet lang na Nehemias bouwden de Samaritanen op den berg Garizini eenen tempel, die, na omtrent drie eeuwen bestaan te hebben, door den beroemden Machabeër Joannes Hyrkanus verwoest werd.

Omtrent het jaar 330 voor Christus maakte Alexander de Groote, koning van Macedonië, een einde aan de Perzische heerschappij en vereenigde bijna de geheele wereld onder zijnen schepter. In het begin van zijnen veldtocht tegen Azië belegerde deze koning de zeestad Tyrus in Phoenicië en vroeg hulptroepen aan de Joden.

ocr page 643

309

Jaddus, die toen hoogepriester was, antwoordde, dat de Joden trouw gezworen hadden aan den koning van Perzië en dus niet de wapenen tegen hem mochten voeren.

Deze weigering vertoornde Alexander dermate, dat hij, na Tyrus en Gaza ingenomen te hebben, op Jeruzalem aantrok, om zich op de Joden te wreken. Jaddus schreef openbare gebeden uit en vereenigde zijn volk in den tempel, om Gods bescherming over de stad af te smeeken.' God verscheen den hoogepriester in eenen nacht en gebood hem, de poorten van Jeruzalem te openen en, met al de priesters en al de ingezetenen, alle in witte kleederen gedost, Alexander tegemoet te gaan. Men deed zoo; en toen Alexander den hoogepriester aan het hoofd van dien plechtigen optocht aanschouwde, ging hij tot hem en knielde voor hem neder. Zijne bevelhebbers dachten, dat hij eensklaps zijn verstand verloor, en een hunner vroeg hem, waarom hij eenen Joodschen hoogepriester aanbad. Alexander antwoordde: Niet den hoogepriester aanbid ik, maar den God, wiens dienaar hij is; en hij verhaalde, hoe die God hem vroeger in hetzelfde gewaad als Jaddus droeg, verschenen was en hem de overwinning van Perzië had toegezegd. De koning behandelde de Joden als vrienden en schonk hun groote voorrechten.

Alexander regeerde nog geen 13 jaren; na zijnen dood werd zijn onmetelijk Rijk in stukken gescheurd , en voerden •zijne bevelhebbers onderling oorlog, tot dat er in het jaar 301 voor Christus vier groote koninkrijken ontstonden, waarvan Egypte en Syrië de voornaamste waren. De Joden kwamen onder Egypte, welks koningen alle den gemeen-schappelijken naam van Ptolemeüs droegen; zij namen gedurende den tijd , dat hun land ecne Egyptische provincie was, zeer in macht en aanzien toe; een hunner hooge-priesters uit dien tijd, Simon geheeten, 'wiens lof in de H. Schrift vermeld wordt, verdiende door zijne deugd den eernaam van Simon den rechtvaardige. In dien tijd vestigden zich vele Joden 'n Egypte, en vooral in de stad Alexandrië.

In de eerste helft der derde eeuw voor Christus werden te Alexandrië de HebreeuwscJie Bijbelboeken in het Grieksch vertaald. Deze overzetting was eene hoogst belangrijke gebeurtenis , want de Grieksche taal mocht toen de wereld-

ocr page 644

3io

taal genoemd worden, zoodat de vertaling der H. Schrift in die taal het middel was, om de geheele wereld bekend te maken met de goddelijke openbaringen en de beloften van den Verlosser. Omtrent denzelfden tijd werd het boek Ecclesiasticus geschreven door Jesus, Sirachs zoon, eenen burger van Jeruzalem, en vervolgens door diens kleinzoon in het Grieksch vertaald onder den titel van: Wijsheid van Jesus, Sirachs zoon. De naam Ecclesiasticus (dat is kerkelijk) werd aan dat boek gegeven, omdat men er zich bij het kerkelijk onderricht veel van bediende. Een aantal jaren later werd een ander bijbelboek, het boek der Wijsheid geheeten, door een onbekenden heiligen Israëliet in het Grieksch geschreven.

Ongeveer twee eeuwen voor Christus bracht de Syrische koning Antiochus de groote de Joden onder de heerschappij van Syrië; toen brak er voor Judea een tijd van vreesdijke rampen aan.

ocr page 645

DERDE AFDEELING.

GESCHIEDENIS DER JODEN ONDER DE MACHABEËN. (180—135.)

De geschiedenis dei' Joden gedurende dit tijdvak van 45 jaren staat beschreven in de twee boeken der Machabei'n, waarvan het eerste in het Hebreeuvvsch, het tweede in het Grieksch door onbekende schrijvers opgesteld is.

CLIX. De tempelroover Heliodorus.

De Syrische koning, Antiochus de groote, moest na vele overwinningen eindelijk voor de macht der Romeinen bukken, die hem diep vernederden en eene zware oorlogsschatting oplegden. Zijn zoon en opvolger heette Seleukus IV en begunstigde de Joden in het begin zijner regeering op eene bijzondere wijze, zoodat zij onder het bestuur van hunnen edelen hoogepriester.ö//^///, rust en vrede genoten.

Doch zekere Simon, een Benjamiet en opzichter des tempels, geraakte in twist met den hoogepriester, en om zich te wreken, openbaarde hij aan Apollojiiuslandvoogd van Coele-Syrië, dat de tempelschat eene groote menigte goud en zilver bevatte, welke de koning, indien hij wilde, zich kon toeëigenen. Zoodra de koning dit bericht door tusschenkomst van Apollonius vernam, zond hij zijnen opper-schatmeester Heliodorus met een gewapend gevolg naar Jeruzalem. Onias bekende, dat er veel goud en zilver in den tempel aanwezig was, maar zeide tevens, dat dit geld grootendeels aan weduwen en weezen toebehoorde, en zekerheidshalve in den tempel ter bewaring was neder-gelegd. Niettegenstaande deze verklaring meende Heliodorus het bevel zijns meesters toch te moeten volbrengen, en bepaalde den dag, waarop hij den schat in bezit zou nemen. Deze tijding vervulde geheel Jeruzalem met ontsteltenis, en allen baden tot God, dat Hij zijnen heiligen tempel tegen de Syriërs zoude beschermen.

ocr page 646

312

Op den bepaalden dag verschijnt Heliodorus met eene afdeeling soldaten in het tempelgebouw, v/aar de schatkisten stonden. Eensklaps vertoont zich een hemelsch ruiter in eene gouden wapenrusting en gezeten op een rijk opgetuigd paard; dit werpt Heliodorus met de voorste hoeven ter aarde; tegelijk staan er aan zijne zijde twee jongelingen, schitterend van schoonheid en in prachtig gewaad, die hem met geweldige slagen geeselen , tot dat hij meer dood dan levend wordt weggedragen. Zijne soldaten erkenden de macht van Jehova en smeekten den hoogepriester, dat hij voor hunnen meester bidden zou. Onias droeg een offer op voor zijn behoud, en de twee engelen, die hem gestraft hadden, verschenen hem andermaal en spraken; Dank het den priester Onias, want om zijnentwil heeft God u het leven geschonken. En gij, die door God ge-geeseld zijt, verkondig aan allen zijne grootheid en zijne macht! Heliodorus herstelde en keerde naar zijn land terug ; en toen de koning later nogmaals iemand met hetzelfde doel naar Jeruzalem wilde zenden, zeide de schatmeester: Indien gij eenen vijand hebt, zend dien daarheen en gij zult hem gegeeseld terug ontvangen, zoo hij er het leven afbrengt. In die plaats toch is waarlijk eene kracht Gods ; want Hij, die in den hemel woont, bezoekt en beschermt die plaats, en wie er komt om kwaad te doen, dien slaat en verdelgt Hij.

Onder den hoogepriester Onias kwam er een brief te Jeruzalem aan van de Spartanen, die zich de broeders der Joden noemden, daar zij zich ook voor afstammelingen van Abraham hielden; zij verzochten het bondgenootschap der Israëlieten, hetwelk Onias gaarne toestond.

Heliodorus vermoordde in het jaar 176 voor Christus zijnen koning en zette zich de kroon op het hoofd; één jaar later moest hij vluchten voor Antiochus IV, broeder van Seleukus; deze Antiochus droeg den bijnaam EpipJianes, dat is, doorluchtige.

CLX. Diep verval van den Joodschen Staat.

Er leefde te Jeruzalem eene reeds vrij sterke partij, die ten gevolge van den gestadigen omgang met de heidenen, in zeden en levenswijze volkomen heidensch geworden was; aan het hoofd dezer partij stonden Simon, de

ocr page 647

313

Benjamiet, en Jason, de broeder van Onias. De rechtschapen hoogepriester deed alles, wat hij kon, om de orde tegenover de steeds toenemende goddeloosheid der deugnieten te handhaven ; toen hij echter zag, dat zijne pogingen niets baatten, ging hij zelf naar Antiochië, de hoofdstad van Syrië, om de hulp van den nieuwen koning in te roepen. Doch zijn broeder Jason bood den koning eene groote som geld aan, indien deze hem tot hoogepriester wilde verheffen; daarbij beloofde hij, Jeruzalem geheel en al in eene heidensche stad te zullen veranderen. Antiochus stemde aanstonds toe, hield Onias gevangen, benoemde Jason tot hoogepriester en zond hem als zijn stadhouder naar Jeruzalem terug. Deze booswicht voerde nu heidensche spelen in, richtte heidensche scholen op en maakte, dat de tempeldienst bijna geheel verwaarloosd werd.

Drie jaren later wist Melenaüs, een broeder van Simon, Jason den voet te lichten, door aan Antiochus eene nog grootere som voor het hoogepriesterschap te bieden; Antiochus liet zich weder vinden, en Jason moest de vlucht nemen. Door toedoen van Menelaüs, die zijn voorganger nog in boosheid overtrof, werd de tempel bestolen en de brave hoogepriester Onias vermoord.

Eenigcn tijd later deed Jason met eene bende Ammonieten eenen inval in Jeruzalem en bracht velen, die zich tegen hem verklaard hadden, om het leven; doch nu kwam Antiochus zelf met een leger, om de Joden voor hunnen opstand, gelijk hij het noemde, te straffen. Drie dagen lang liet hij zijne soldaten plunderen en moorden ; hij beroofde den tempel van al zijne schatten en kostbaarheden, en liet, toen hij aftrok, eene Syrische bezetting achter onder bevel van Philippus, die zijnen meester nog in wreedheid overtrof. Twee jaren later werd Jeruzalem, denkelijk ten gevolge der opstoking van Menelaüs, voor de tweede maal uitgemoord; de stad zelve werd verwoest en verbrand, hare muren gedeeltelijk geslecht, en de tempel op de schandelijkste wijze ontheiligd. De inwoners, die zich hadden kunnen redden, namen de vlucht, zoodat Jeruzalem de woonplaats werd van vreemdelingen; in den burcht op den berg Sion, welken men door nieuwe muren en torens versterkte, werd eene sterke bczetttng van

ocr page 648

314

Syrisch krijgsvolk gelegd. — De goddelooze Menelaüs ontving later zijn verdiend loon: op bevel van den volgenden koning werd hij, tot straf zijner misdaden, in eenen aschtoren nedergeworpen en gesmoord.

CLXI. Godsdienst-vervolging. Israëlietische

martelaars.

De haat van koning Antiochus was minder tegen de Joden als volk dan tegen den waren God gericht; hij besloot, den naam van Jehova van de aarde te verdelgen, en kondigde, in het jaar 167 voor Christus, de wet af, dat al zijne onderdanen de Grieksche afgoden moesten aanbidden. Nu werd de tempel van Jeruzalem aan Jupiter toegewijd, en het beeld van dien afgod op het brand-ofifer-altaar in het voorhof des tempels geplaatst; heilig-schennende offers werden daaraan opgedragen. Eveneens bouwde men afgodsaltaren in al de steden van Judea, dwong de Joden de heidensche feestdagen te vieren, en vooral door het eten van zwijnenvleesch, hunnen godsdienst te verzaken ; wie getrouw bleef aan Jehova, werd onder wreede martelingen ter dood gebracht. Twee moeders werden beschuldigd van aan hunne kinderen de besnijdenis gegeven te hebben; men hing haar de gewurgde kinderen om den hals, voerde haar aldus door de stad rond en wierp haar vervolgens van de muren te pletter. Eens hadden zich eenige Israëlieten op eenen Sabbath naar eene spelonk buiten de stad begeven, om den dag des Heeren in het geheim te vieren; het werd verraden, en de bevelhebber Philippus zond eene afdeeling soldaten , die allen, welke zich in de spelonk bevonden, door het vuur deden omkomen.

Eene heerlijke martelkroon verwierf zich de schriftgeleerde Eleazar, een grijsaard van negentig jaren. Zijne beulen wilden hem dwingen het vleesch te eten van een zwijn, dat men aan de goden geofferd had; maar hij gaf aan eenen glorievollen dood de voorkeur boven een eerloos leven. Toen hadden zijne beulen zelf medelijden met zijne grijze haren. Men beloofde, dat men hem in stilte ander vleesch, dat hem niet verboden was, zou geven, en

ocr page 649

3i5

spoorde hem aan om daarvan te eten, opdat het den schijn zoude hebben, alsof hij van het offervleesch genuttigd had, en hij op die wijze den dood zou ontgaan. Hij antwoordde: Liever wil ik in het graf nederdalen 1 Want het past onzen leeftijd niet te veinzen; vele jongelingen, meenende, dat de negentig-jarige Eleazar tot het heidendom was overgegaan, konden dan door mijne veinzerij ook zelf verleid worden; en ik zou zoodoende schande en vloek laden op mijnen ouderdom. Want al zou ik nu ook bevrijd worden van de straffen der menschen, de hand van den Almachtige zou ik, noch levend noch dood, ontvluchten. De heilige grijsaard werd wreedaardig gefolterd; toen hij onder de slagen bezweek, bad hij: Heer! Gij weet, dat ik, die den dood had kunnen ontkomen, hevige pijnen lijd in mijn lichaam; maar naar de ziel verduur ik ze gaarne, omdat ik U vrees. En de martelaar ging de rust der zaligen binnen.

Terzelfder tijd werd God verheerlijkt door den glorievollen marteldood van ecne heilige moeder met hare zeven zonen, bekend onder den naam van: de Machabeesche broeders. Antiochus zelf had hen voor zijnen rechterstoel gedaagd. Nadat de geeselslagen hun lichaam reeds hadden verscheurd, sprak de oudste broeder tot den koning: Wat vraagt gij en wat wilt gij van ons vernemen ? Wij zijn bereid liever te sterven dan de voorvaderlijke wetten van God te overtreden. De woede des dwingelands verandert in helsche razernij; hij gebiedt den jongeling, die gesproken heeft, de tong uit de keel te snijden, doet hem het vel van zijn hoofd met de haren afstroopen, hem handen en voeten afkappen, en hem, aldus vreeselijk verminkt maar nog levend, in eene gloeiend gemaakte pan werpen en langzaam verbranden. De moeder en hare zes zonen zagen dit ijselijk tooneel aan en wekten elkander op, om onverschrokken te sterven. Allen werden op dezelfde wijze gemarteld; een hunner bood zijne handen en zijne tong aan de beulen aan, terwijl hij zeide: Ik heb ze uit den hemel; maar nu het Gods wetten geldt, tel ik ze niet, want ik hoop ze van Hem terug te ontvangen. Een ander sprak den koning toe; Gij zijt zelf een sterveling, hebt macht onder de menschen en doet, wat gij wilt. Doch denk niet,

ocr page 650

3i6

dat ons geslacht van God verlaten is. Heb slechts geduld, gij zult zijne groote macht leeren kennen, hoe Hij u en uwe nakomelingen treffen zal.

De jongste zoon was nog alleen over. Antiochus beloofde hem rijk en gelukkig te zullen maken, indien hij zijnen godsdienst verzaakte; maar het heilige kind luisterde niet eens naar den koning. Toen spoorde deze de moeder aan , dat zij haren zoon zou overhalen om, door gehoorzaamheid aan 's konings bevel, den dood te ontgaan. De heldhaftige vrouw omhelsde haren laatsten zoon, boog zich over hem neder en sprak: Kind! ik bid u, aanschouw den hemel en de aarde en al wat daarin is, en weet, dat God dit alles en het menschelijk geslacht uit niets gemaakt heeft. Zóó zult gij dezen beul niet vreezen, maar de waardige deelgenoot uwer broeders worden. Onderga den dood! opdat ik u in de ontferming met uwe broeders moge terug ontvangen. De jonge martelaar riep nu met heilige geestdrift tot zijne beulen; Wat toeft gij? Ik gehoorzaam niet aan het bevel des konings, maar aan de geboden der Wet, die ons door Mozes gegeven is. En gij, zeide hij tot Antiochus, verhef u niet in ijdele verwachting: gij zijt het oordeel van den almachtigen en alles zienden God nog niet ontvloden! Mijne broeders zijn, na een kort lijden doorstaan te hebben, deelgenooten geworden van het Verbond des eeuwigen levens; en ik offer, evenals zij, mijn leven en mijn lichaam op voor onze vaderlandsche wetten, God biddend, dat Hij Zich spoedig over ons volk ontferme, en dat Hij u door slagen en straffen dwinge te erkennen, dat Hij alleen God is! De laatste martelaar werd nog wreeder gepijnigd dan zijne broeders; na hem onderging ook de moeder den dood om met al hare kinderen in de eeuwige zaligheid vereenigd te worden.

De Machabeesche martelaars worden door de Katholieke Kerk als Heiligen vereerd, en jaarlijks vieren wij op den eersten Augustus hunne gedachtenis. De genade, die hen tot zulke heldendeugd in staat stelde, werd aan hen, evenals aan al de geloofshelden des Ouden Testaments, geschonken om wille der verdiensten van den Verlosser, in wien zij geloofden en op wien zij hoopten; zoowaren de martelaars onder de oude Wet heerlijke vruchten der reeds vooruitwerkende kracht van Christus' lijden en sterven en schitterende voorafbeeldingen van Hem, die de Koning der martelaren is.

ocr page 651

317

CLXII. Mathathias en zijne zonen.

Te Modin, eene kleine stad in het Westen van Judea, woonde de hoogbejaarde priester Mathathias, die bij het uitbreken der godsdienst-vervolging Jeruzalem verlaten had, om God in stilte te kunnen dienen; hij had vijf zonen: Joannes, Simon, Jttdas, bijgenaamd de Machabeïr, Eleazar en Jonathas. Toen de afgezanten van koning Antiochus het geheele Joodsche land doortrokken, om overal de afgoderij in te voeren, kwamen zij te Modin. Zij bouwden een altaar en riepen de inwoners op, om aan de afgoden te offeren; velen gehoorzaamden, doch Mathathias en zijne zonen weigerden standvastig. De afgezanten spraken den priester toe: Treed gij het eerst toe en volbreng het bevel des konings, gelijk alle volken en de mannen van Juda en die te Jeruzalem gebleven zijn, gedaan hebben; dan zult gij en uwe zonen tot 's koning vrienden behooren en met goud en zilver en met vele geschenken verrijkt worden. Mathathias antwoordde met luide stem: Al gehoorzamen alle volken aan koning Antiochus, ik en mijne zonen en mijne broeders, wij zullen aan de Wet onzer vaderen gehoorzaam zijn. Nauwelijks heeft de waardige priester deze woorden gesproken, of een afvallige Jood treedt uit de menigte op het altaar toe, om voor aller oogen aan de afgoden te offeren. Mathathias voelt het vuur des gods-dienstigen ijvers in zijne ziel ontbranden: hij wreekt de eer van God en doodt den onbeschaamden afgodendienaar bij het altaar. Nu snellen ook zijne zonen en meerdere anderen toe; de zendelingen des konings en het krijgsvolk, dat hen vergezelt, worden verslagen of verdreven, het altaar wordt omvergeworpen en verbrijzeld.

Mathathias maakte nu zijn besluit, om zich met geweld tegen de Syrische verdrukking te verzetten, bekend en riep allen, die ijver hadden voor de wet des Heeren, op om hem te volgen. Hij begaf zich naar de woeste gebergten van Juda, waar zijn aanhang langzamerhand vermeerderde, daar uit verschillende steden vele oprechte Israëlieten zich bij hem aansloten. Eer de vluchtelingen door den band van cén gezag vcreenigd waren, trof hen eene ijselijke

ocr page 652

318

ramp. In eene groote bergspelonk hadden zich duizend personen , zoo mannen als vrouwen en kinderen, verborgen. Hun verblijf werd verraden aan den bevelhebber van den burcht Sion, en deze deed den ingang der grot door zijne soldaten bezetten. Daar het Sabbath was, en de opgeslotene Israëlieten meenden, dat ook de zelfverdediging op dien dag verboden was, verkozen zij den dood boven hetgeen zij voor een overtreding van de wet des Heeren aanzagen: allen werden omgebracht. Mathathias en de zijnen waren zeer verslagen bij het vernemen van den ondergang hunner broeders; en er werd besloten en overal afgekondigd, dat men in het vervolg op den Sabbath niet aanvallen, maar wel, indien de vijand aanviel, zich zoo dapper mogelijk verdedigen zou.

De aanhang van Mathathias vermeerderde ondertusschen , en weldra was hij sterk genoeg om zijne schuilplaatsen te verlaten en den heiligen krijg te beginnen. Hij trok het land door, vernielde de afgodsaltaren en handhaafde de wet des Heeren. Vele Joden, die vroeger bezweken waren, bekeerden zich; anderen, die in hunnen afval volhardden, werden met den dood gestraft of verplicht het land te verlaten. De Syriërs hadden waarschijnlijk te weinig soldaten in Judea, om het hoofd te kunnen bieden aan de strijders Gods.

Zoo mocht de edele Mathathias den zegen des hemels over het door hem begonnen werk zien nederdalen; doch de voortzetting van dat werk vorderde jeugdiger en sterker armen. Nadat hij één jaar aan het hoofd der getrouwen gestaan had, werd hij door God uit dit leven opgeroepen. Hij vermaande zijne zonen, die rondom zijn sterfbed verzameld waren, tot moed en volharding, bovenal tot vertrouwen op God. Hij wees zijnen zoon Simon aan als dengenc, die hen door zijne wijsheid moest leiden, en den dapperen Judas, den Machabeër, als hunnen veldheer. Daarna zegende hij hen en werd tot zijne vaderen verzameld ; zijn lichaam rustte in het vaderlijke graf te Modin , en alle braven in Israël beweenden den heiligen priester. — Hij stief in het jaar 166 voor Christus.

De naam Machabeër beteekent dapper strijder en was oorspronkelijk de bijnaam van Judas alleen; later werden al zijne broeders

ocr page 653

319

en ook degenen, die met hen streden of om wille der gerechtigheid vervolgd werden en vroeger vervolgd waren, Machabeën genoemd ; daarom geven wij ook aan de zeven broeders-martelaars gewoonlijk den naam van Machabeesche broeders.

CLXIII. Judas de Machabeër.

Judas werd met algemeene stemmen tot opperhoofd gekozen, en zijne macht groeide aan tot 6000 strijdbare mannen. De eerste overwinning behaalde hij op Appollonius, den Samaritaanschen onderlandvoogd ; de tweede op Seron , die het bevel voerde over de Syrische legers in Coele-Syrië. Zijne kracht bestond vooral in zijn vertrouwen op God: Het is, sprak hij tot zijne soldaten, voor den God des hemels hetzelfde, redding te schenken door velen of door weinigen. Zij komen tot ons, om ons, onze vrouwen en kinderen te verdelgen en ons te berooven ; maar wij zullen strijden voor ons leven en onze wetten. God zelf zal hen voor ons aangezicht nederslaan! En gij, vreest hen niet!

Toen koning Antiochus de berichten van deze zegepralen ontving, sprak hij het vonnis der geheele verdelging over Judea uit; daar er echter ook in zijne Perzische provinciën wanorde heerschte, en hij verplicht was met de helft zijner macht daarheen te trekken, belastte hij zijn veldheer Lysias met den oorlog tegen de Joden : de koning beval hem al de Israëlieten te vermoorden of in slavernij te verkoopen, Jeruzalem geheel te vernietigen en Judea onder nieuwe volksplantingen te verdeelen.

Lysias zond een leger van 40,000 voetknechten en 7000 ruiters naar Judea; het bevel daarover gaf hij aan drie veldheeren: Ptolomeüs, den nieuwen landvoogd van Coele-Syrië, Nikanor en Gorgias. Een groot getal slavenhandelaars voegde zich bij het leger, om de Joden aanstonds te kunnen koopen. De vijanden drongen door tot Emmaus ; Judas hield met de zijnen te Maspha een vastendag en smeekte Gods zegen over zijne wapenen af; velen zijner soldaten waren echter bevreesd voor het groot getal hunner vijanden, en slechts 3000 dapperen trokken met Judas tegen de Syriërs op. In den avond vatten zij dicht bij Emmaus post, en Judas sprak hen toe: Houdt u bereid om morgen slag te leveren tegen deze heidenen, die tegen

ocr page 654

320

ons zijn samengekomen, om ons en onze heiligdommen te verdelgen. En gelijk het in den hemel besloten is, zóó geschiede het!

De Syrische veldheer Gorgias scheidde zich met 6000 man van het hoofdleger af, om in de duisternis om de legerplaats der Joden heen te trekken en hen in den rug te vallen. Judas verneemt dit; terstond rukt hij zoo stil mogelijk tegen Nikanor en Ptolemeüs op, die meenden, dat zij niet vóór den volgenden dag zouden te strijden hebben; in den nacht wordt hun leger overvallen; Judas richt onder hunne soldaten eene groote slachting aan en steekt hunne legerplaats in brand. De Syriërs verloren 9000 man en namen de vlucht; toen Gorgias den volgenden morgen het heldenfeit der Joden vernam, week ook hij naar het land der Philistijnen. De Joden verzamelden eene rijken buit, waarvan zij een groot gedeelte afstonden voor de armen , weduwen en weezen ; den volgenden Sabbath gebruikten zij om God voor de schitterende overwinning, die Hij hun verleend had, te danken.

Het jaar daarop kwam Lysias zelf met 60,000 voetknechten en 5000 ruiters, om de vorige nederlaag te wreken. Judas, die nu een leger van 10,000 man onder zijn bevel had, trok hem onverschrokken te gemoet, viel aan en dwong hem met een verlies van 5000 man de vlucht te nemen en naar Antiochië terug te keeren. Na deze tweede overwinning was Judas meester van het land. Toen sprak hij tot zijne soldaten: Onze vijanden zijn verslagen; laten wij nu opgaan om het heiligdom te reinigen en op nieuw in te wijden. Zij kwamen te Jeruzalem. Bij het gezicht van de akelige verwoesting des tempels, van zijne met gras en struiken begroeide voorhoven en het gruwzaam ontheiligde altaar, scheurden zij hunne kleederen en weenden over den hoon, dien de heidenen God hadden aangedaan.

Judas gelastte een gedeelte zijner mannen de Syriërs, die in den burcht op den berg Sion waren, onophoudelijk te verontrusten en te beletten , dat zij iets tegen de stad ondernamen; tegelijk droeg hij aan de priesters, die gedurende de godsdienst-vervolging standvastig gebleven waren, den last op, om den tempel te reinigen en alles in dien staat te herstellen, waarin het volgens de Wet wezen

ocr page 655

321

moest. Met ijver werd dit heilige werk ter hand genomen en voortgezet; men bouwde een nieuw brandoffer-altaar, en na eene onderbreking van ruim 3 jaren , werd de eere-dienst weder begonnen in het jaar 163 voor Christus. De plechtige inwijding van den tempel had plaats op den zelfden dag, waarop men, drie jaren geleden, daarin het eerste afgodisch ofifer had opgedragen. Het feest der tempelwijding werd ten tijde van Christus nog als een feest van den eersten rang gevierd.

Judas maakte den tempelberg tot eene sterke vesting en liet daarin eene bezetting achter ten einde te beletten, dat de Syriërs, die altijd den burcht Sion in hunne macht hielden, stoornis aanrichtten. Hij wendde nu zijne wapenen tegen de Edomieten en Ammonieten ; zijn broeder Simon trok naar Galilea, om de daar wonende Israëlieten tegen hunne vijanden te beschermen ; en overal, waar de Macha-beën zich vertoonden, vloog de zege reeds voor hunne vanen uit: zóó zegende God de wapenen zijner strijders. Meer dan eens gaf Hij hun, door hemelsche verschijningen, de zichtbare bewijzen zijner hulp. Eens trokken zij biddend tegen hunne vijanden op, toen zich eensklaps aan de spits hunner gelederen een ruiter vertoonde, die in witte kleederen en gouden wapentuig, met de gevelde speer in de hand, voor hen uitging. Een andermaal daalden er, midden onder een gevecht, vijf strijders, gezeten op paarden met gouden toornen, uit den hemel neder; twee hunner namen Judas in hun midden en beschermden hem ; tegelijk slingerden zij p|ien en bliksemschichten op de verschrikte vijanden neder(.

Nog op eene andere wijze toonde God , dat de herstelling van het Joodsche volk zijn werk was, en dat Hij de Machabeën als de uitvoerders van zijnen wil had uitgekozen. Judas had namelijk, toen hij over den Jordaan trok, om de daar wonende Joden te beschermen, een gedeelte zijner troepen in Judea achtergelaten onder bevel van twee zijner legerhoofden. Jozef en Azarias, aan wie hij uitdrukkelijk verboden had krijg te voeren. Toch wilden dezen nog oorlogsroem behalen en deden eenen aanval op de stad Jamnia; maar zij werden met een zwaar verlies afgeslagen, want zij waren niet van het

21

ocr page 656

322

geslacht dier mannen, door wie redding aan Israël geschonken werd. De geleden nederlaag had echter geen verdere nadeelige gevolgen, daar Judas zijne gevallen broeders geducht wreekte en de Philistijnen versloeg.

In den veldslag tegen de Edomieten had Judas wel de overwinning behaald, maar toch velen der zijnen verloren. Toen men hunne lijken opzocht, vond men onder hunne kleederen kostbaarheden verborgen, die aan de afgoden waren gewijd geweest en door de Joden niet mochten in bezit genomen worden. Judas vermaande zijne soldaten, dat zij zich toch van alle overtreding der Wet zouden onthouden ; vervolgens verzamelde hij eene groote som gelds, welke hij naar Jeruzalem opzond, ten einde een offer te doen opdragen tot verzoening van de zonden der gesneuvelden. Hij deed dit, omdat hij goed en godvruchtig dacht over de opstanding, daar het anders overbodig en ijdel zou geweest zijn voor de overledenen te bidden. Het is dus, zegt de H. Schrift, eene heilige en heilzame gedachte, te bidden voor de overledenen, opdat zij van hnnne zonden verlost worden.

De H. Kerk leert ook, dat het goed en heilzaam is te bidden voor de overledenen, opdat hunne zielen, indien zij in het vagevuur zijn, van hare zonden en van de straffen, welke zij nog moeten lijden, verlost worden.

CLXIV. Vervolg der geschiedenis van Judas. Dood van Antiochus.

Koning Antiochus was naar Perzië vertrokken. Toen hij de nederlagen zijner legers vernam, werd hij razend van woede en gaf zijnen soldaten bevel, om aanstonds terug te keeren; hij zou, zeide hij, het gehecle land der Joden in een kerkhof veranderen. Maar God sloeg den hardnekkigen booswicht met eene ongeneeslijke en afzichtelijke ziekte zijner ingewanden; hij hield toch vol en zette den terugtocht met verdubbelden spoed voort, totdat een val uit zijn wagen hem op het bed der smarten nederwierp. Nu nam zijne ziekte ontzettend toe, en hij werd gesteld tot een ijselijk toonbeeld van Gods wrekende gerechtigheid. Het bederf, dat anders de lijken na den

ocr page 657

323

dood verteert, greep hem bij zijn leven aan; de stank, dien hij verspreidde, was voor niemand te verdragen, de wormen kropen hem uit het lichaam. Toen erkende hij, dat Gods hand hem getroften had, en dat hij gestraft werd voor zijn onmenschelijk gedrag tegen de Joden en zijn heiligschennenden oorlog tegen God; toen deed hij allerlei beloften, dat hij Jeruzalem in eer herstellen, dat hij de Israëlieten met weldaden overladen, ja dat hij zelf Jood zou worden, indien hij slechts den dood ontkomen mocht; het baatte hem niet, en hij stierf eenen rampzaligen dood in hetzelfde jaar, waarin de Joden te Jeruzalem het feest der tempelwijding vierden. Zóó was de voorspelling van den jongsten der Machabeesche broedersmartelaars vervuld : door slagen en straffen had God den booswicht gedwongen te erkennen, dat Hij alléén God is.

De volgende koning heette ook Antiochus en had den bijnaam Enpator, dat is, uit eenen edelen vader. Hij zette den oorlog tegen de Joden voort en kwam zelf naar Judea met een verbazend groot leger: het bestond uit: 100,000 voetknechten en 20,000 ruiters en was daarenboven versterkt door 32 tot den strijd afgerichte olifanten, die op hunnen rug houten stellaadjes droegen, waarin zich soldaten bevonden. Daar de koning slechts 13 jaar oud was, vergezelde hem zijn voogd Lysias, die het rijk bestuurde. Judas bereidde zich door een vasten van drie dagen tot den strijd; toen trok hij den vijand te gemoet en behaalde in twee gevechten de overwinning, doch moest in den grooten veldslag voor de overmacht wijken. Bij deze gelegenheid stierf Eleazar, de broeder van Judas, den heldendood. In de hitte van den strijd zag hij eenen zoo rijk geharnasten olifant, dat hij, ofschoon ten onrechte, meende, dat de koning zelf daarop gezeten was. Hij baande zich een weg tot bijeen onder het dier en stak het zijn zwaard in den buik ; het stortte dood neder en verpletterde hem in zijnen val.

Judas trok naar Jeruzalem terug en verschanste zich achter de muren van den tempelberg, waar de Syriërs hem weldra kwamen belegeren. De Machabeesche helden verdedigden zich dapper, ofschoon zij geen andere hoop hadden dan op een roemvollen dood, toen God op het onverwachts

ocr page 658

324

uitkomst verleende. Een zekere Philippus, die eigenlijk tot voogd van den jongen koning benoemd was, maar voor Lysias had moeten vluchten, had te Antiochië, tijdens de afwezigheid van den koning, opstand gemaakt en de stad reeds in zijne macht, zoodat Antiochus met Lysias aanstonds naar zijn Rijk moest terugkeeren. Hij bood Judas den vrede aan, werd in de tempelvesting ontvangen en stelde zelfs vóór zijn vertrek Judas tot zijnen krijgsbevelhebber en tot landvoogd van Jndea aan. — Met deze aanstelling van Judas in het jaar 162 voor Christus begon de regeering van de Machabeesche vorsten.

Indien deze koning langer geregeerd had, zou er voor de Joden denkelijk een tijd van rust gevolgd zijn, doch hij werd reeds het volgende jaar onttroond en met Lysias ter dood gebracht door Demetrhis, den zoon van den vroegeren koning Sclenkns. Onder dezen koning brak de oorlog op nieuw uit; de naaste oorzaak er van was zekere Alkimus, die door den Syrischen koning tot hoogepriester was benoemd. Daar hij echter, ten tijde der godsdienstvervolging , tot de afvalligen behoord had, wilden de Joden hem niet erkennen en behandelden hem met minachting. Om zich te wreken ging hij naar Antiochië en hitste den koning tegen de partij der Machabeën op. Demetrius zond een zijner landvoogden, Bacchides, aan het hoofd vaneen leger naar Judea, in schijn om den twist tusschen den hoogepriester en de Machabeën bij te leggen, doch inderdaad om Judas en diens voornaamste aanhangers gevangen te nemen. Judas voorzag dit gevaar, verliet Jeruzalem en stelde zich met de zijnen in veiligheid. Bacchides en Alkimus deden vele getrouwe Israëlieten om het lever, brengen; eenigen tijd later vertrok de eerste weder naar Syrië, na Alkimus in het hoogepriesterschap bevestigd te hebben.

De booze Alkimus vervolgde ml de brave Joden met heidensche wreedheid, en alles, wat slecht was, stak het hoofd weder op. Doch weldra ondervonden de deugnieten, dat de Machabeër nog leefde. Judas bracht Alkmius zoodanig in het nauw, dat deze op nieuw te Antiochië hulp moest gaan vragen. Nu kwam de veldheer Nik an or met een groot leger naar Jeruzalem; hij had een gesprek met Judas en werd door de edele deugd van den Joodschen

ocr page 659

325

held dusdanig getroffen, dat hij hem een tijd lang als vriend behandelde. Doch de ellendige Alkimus klaagde den veldheer bij den koning aan, en deze gaf Nikanor bevel, Judas aanstonds geboeid naar Antiochië te zenden. De veldheer, die wel tegen Judas strijden maar hem niet verraden wilde, liet hem tijd om te ontvluchten en trok toen tegen hem in het veld. Nikanor werd geslagen en kwam, vol schaamte en spijt, te Jeruzalem terug, waar hij zijne hand tegen den tempel ophief en zwoer, dat hij, zoo de Machabeer niet in zijne macht geleverd werd, den tempel geheel verwoesten en Jehova's altaar aan den God der dronkenschap wijden zou. Na nieuwe troepen uit Syrië ontvangen te hebben, trok hij naar Bethoron, waar Judas zich met slechts 3000 man ophield en, vol vertrouwen op God, het vijandelijke leger van 35,000 man afwachtte. In den nacht vóór den strijd zag Judas, in een droomgezicht, den heiligen hoogepriester Onias, die met uitgestrekte armen tot God bad voor het Joodsche volk. Daarna aanschouwde hij eenen anderen grijsaard, schitterend van heerlijkheid. En Onias zeide tot Judas: Deze bemint zijne broeders en het volk Israëls, deze bidt veel voor zijn volk en de geheele heilige stad; hij is Jeremias, de profeet Gods. Toen gaf Jeremias aan Judas een gouden zwaard, zeggende: Ontvang dit heilig zwaard van God ten geschenke; daarmede zult gij de vijanden van mijn volk Israël verslaan. De soldaten van Judas waren reeds helden ; wat moesten zij dan wezen, toen zij vernamen, wat hun aanvoerder in den nacht gezien had! De overwinning, die zij den volgenden dag behaalden, was dan ook zonder voorbeeld. De eerste, die sneuvelt, is Nikanor zelf; zijn dood brengt het geheele leger in verwarring; het zwaard der Machabeën bedekt den grond met lijken en jaagt de overblijvenden op de vlucht; dezen worden door het toegestroomde landvolk overvallen en afgemaakt, en van het groot leger blijft geen man over. Judas trok zegevierend Jeruzalem binnen; het hoofd van Nikanor en de rechterhand , die hij tegen den tempel had opgeheven, werden tegenover dezen opgehangen, en de dag, waarop deze overwinning bevochten was, werd een jaarlij ksche feestdag.

Na deze zegepraal sloot Judas een verbond met de

ocr page 660

326

Romeinen, die de Joden onder hunne vrienden opnamen. Daar hij niet wist, dat men geen vriend of bondgenoot der Romeinen kon zijn zonder tegelijk hun slaaf te wezen, meende hij het welzijn van zijn volk door dezen stap te bevorderen, ofschoon hij daardoor den grondslag legde tot den ondergang.

Nauwelijks ééne maand na de nederlaag van Nikanor daagde een nieuw Syrisch leger op onder Bacchides. — Judas, die misschien te veel op de hem beloofde hulp der Romeinen rekende, was niet strijdvaardig en kon slechts 800 getrouwen rondom zich vereenigen. Dezen baden hem dat hij vluchten zou, om zich eerst te versterken, maar hij riep uit: Neen! niet vluchten voor hen! Is onze tijd gekomen, laten wij dan onverschrokken sterven voor onze broeders en geen vlek werpen op onze glorie! De slag werd geleverd, en de kleine heldenschaar deed wonderen van dapperheid en versloeg zelfs den rechtervleugel van het Syrische leger. Doch eindelijk bezweek zij, en Judas zelf sneuvelde. Zijn lijk werd door zijne broeders in het vaderlijke graf te Modin bijgezet, en alle oprechte Israëlieten beweenden den held en klaagden : Hoe is de sterke gevallen , hij die de redder was van het volk Israels!

Gelijk de profeet Jeremias en de hoogepriester Onias voor de Joden baden, zoo bidden de Heiligen in den hemel voor ons, die met hen tot ééne en dezelfde Kerk behooren. Daarom is het goed en nuttig de voorspraak dier Heiligen met eerbied en vertrouwen in te roepen.

CLXV. JONATHAS DE MACHABEÊR.

Na den dood van Judas in het jaar 161 voor Christus, werd de slechte partij , geholpen door de Syrische soldaten , geheel meester in Judea. De drie broeders van den Machabeër hadden met eenige weinigen de wijk genomen naar eene woestijn in het Zuiden des lands; met algemeene stemmen koos men Jonathas, den jongsten zoon van Mathathias, tot bevelhebber. Bacchides trok tegen hem op, en Jonathas versterkte zich op den oever van den Jordaan; hij zond de bagaadje , misschien ook de vrouwen en kinderen, onder geleide van zijnen broeder Joannes naar eenen bevrienden herdersstam; doch onderweg werd Joannes door Moabietische

ocr page 661

327

roovers overvallen en gedood. Ondertusschen was het leger van Bacchides genaderd; de Joden deden een verwoeden uitval en versloegen omtrent duizend vijanden; daarna sprongen zij in de rivier en zwommen naar den anderen oever.

Bacchides en de hoogepriester Alkimus hadden nu geene vijanden meer te bestrijden ; in vele vestingen werden sterke Syrische bezettingen gelegd; de kinderen der voornaamste Joodsche familién werden in den burcht op den berg Sion als gijzelaars opgesloten, en het land scheen voor goed ten onder gebracht. Alkimus sloeg zijne handen aan den tempel- en deed een van zijn muren afbreken; doch toen was de maat zijner gruwelen vol; eene beroerte maakte in weinige dagen een einde aan zijn leven. Zonder een nieuwen hoogepriester aan te stellen, verliet Bacchides Judea, twee jaren na den dood van Judas. Deze aftocht was waarschijnlijk een gevolg van het verbod, door de Romeinen aan den Syrischen koning gedaan, om tegen de Joden oorlog te voeren.

Jonathas keerde nu in het land terug en, ofschoon hij geene vijandige houding aannam , vermeerderde zijn aanhang dagelijks, en werd hij door de goede partij als hoofd des volks erkend. De afvallige Joden riepen toen Bacchides weder te hulp; hij kwam en noodzaakte de Machabeën naaide woestijn te vluchten; doch zij deden hem door herhaalde aanvallen en kleine gevechten zooveel afbreuk, dat hij eindelijk hunne voorslagen van vrede aannam en zwoer, nooit meer met een leger in Judea te zullen verschijnen. Daarop begaf Jonathas zich naar MacJnnas en bestuurde het volk. Later steeg zijne macht, naarmate Syrië door gedurige omwentelingen verzwakt werd. De gijzelaars die in den burcht Sion opgesloten waren, werden uitgeleverd en Jonathas vestigde zich te Jeruzalem. De koning Alexander Balas. die zich voor een zoon van den goddeloozen Antiochus uitgaf en algemeen daarvoor gehouden werd, verhief Jonathas tot hoogepriester en schonk hem het purper met eene gouden kroon. Nadat deze gedurende 18 jaren met evenveel wijsheid als kracht het volk bestuurd had, werd hij door den Syrischen veldheer Thryphon in eene hinderlaag gelokt, gevangen genomen en later omgebracht.

ocr page 662

328

CLXVI. Simon de Machabeër.

Er leefde nog één zoon van Mathathias, Simon, die reeds hoog bejaard was maar toch niet aarzelde, zich aan het hoofd des volks te stellen en den strijd tegen de verdrukkers van Israël voort te zetten. Hij verplichtte Thryphon het land te verlaten, deze keerde naar Antiochië terug en verhief zich door koningsmoord op den troon. In een ander gedeelte van het Syrische Rijk had zich een vroeger verdreven koning, Demetrius geheeten, staande gehouden ; deze was nu de rechtmatige vorst van Syrië, en tot hem zond Simon een gezantschap, om te beloven, dat de Joden zijne bondgenooten tegen Thryphon zouden zijn. Tot belooning verklaarde Demetrius de Joden vrij cn onafhankelijk. Zóó werd het juk der heidenen, dat ruim vier en een halve eeuw op Israël gedrukt had, weggenomen, en het jaar 142 voor Christus werd het eerste jaar van de nieuwe Joodse he jaartelling, onder Simon, hoogepriestcr, opperbevelhebber en vorst der Joden. Een jaar later dwong Simon de Syrische bezetting op den berg Sion zich over te geven , en nu was het laatste spoor der onderworpenheid verdwenen.

Het tijdperk van voorspoed en geluk, dat nu volgde, mocht eene vergoeding heeten voor den geleden tegenspoed ; iedereen bebouwde weder zijnen akker in vrede en woonde onder zijnen wijngaard en onder zijnen vijgeboom, zonder verontrust te worden. Wel deed een volgende Syrische koning, die weder Antiochus heette, den Joden den oorlog aan, maar zijn veldheer Kendebeüs werd door Judas en Joannes, de dappere zonen van Simon, geslagen, zoodat de Joden na dien oorlog veel machtiger waren dan te voren.

Simon regeerde in het geheel 8 jaren; een ellendige booswicht maakte een einde aan zijn leven. De grijze hoogepriester, die alleen voor zijne onderdanen leefde, maakte, vergezeld van zijne zonen Judas en Mathathias, eene reis door zijne staten en kwam ook te Jericho, waar zijn schoonzoon Ptolerneüs bevelhebber was. Deze ontving hem luisterrijk en richtte te zijner eer een groot gastmaal aan; doch aan tafel deed hij den hoogepriester met diens

ocr page 663

twee zonen en gevolg door verborgen soldaten vermoorden. Het plan van dezen laffen moordenaar was de Joden op nieuw onder de heerschappij van Syrië te brengen; doch Simons zoon Joannes, die als krijgsbevelhebber te Gazara zijn verblijf hield, ontkwam den aanslagen van Ptolemeüs en volgde zijnen vader als vorst en hoogepriester op in het jaar 135 voor Christus.

CLXVII. Geschiedenis der Joden tot aan Christus.

In de H. Schrift wordt de geschiedenis der Joden niet verder beschreven dan tot aan den dood van Simon.

Joannes, die den bijnaam Hyrkanns had, voerde in het begin zijner regeering een ongelukkigen oorlog tegen Syrië, doch werd daarna zoo machtig, dat hij door de uitgestrektheid van zijn gebied alle Israëlietische vorsten na Salomon overtrof. Hij vernieuwde in het Qtle jaar zijner regeering het verbond met de Romeinen, die hem den titel van Koning schonken. Hij stierf na eene roemvolle regeering van 29 jaren; hij was een dapper, edel en godvruchtig vorst geweest, die met eer den naam van Machabeër gedragen had; hetgeen van geen zijner opvolgers kan gezegd worden.

Zijn zoon Aristobulns maakte zich, ofschoon hij slechts één jaar regeerde, aan de grootste misdaden schuldig; zijn broeder Alexander Janneüs, een uitstekend veldheer maar tevens een verfoeilijke booswicht, volgde hem op en behield den troon gedurende 27 jaren te midden van buitenlandschc oorlogen en binnenlandsche beroeringen. Deze werden voornamelijk veroorzaakt door de verdeeldheid tusschen twee Joodsche sekten, de Pharizem en de Sadduceëu, welke laatsten veel aanhang hadden onder de voornamen des lands, terwijl de eersten vooral de mindere klassen des volks op hunne hand hadden. Daar de Pharizeën het ontevreden volk gedurig opstookten, en de koning zich door zijn slecht gedrag hoe langer hoe meer gehaat maakte, ontstond er eindelijk een woedende burgeroorlog, die zes jaren duurde en aan 50.000 Joden het leven kostte; Alexander werd op den rand des ondergangs gebracht, maar behield toch eindelijk de overhand.

ocr page 664

33°

Na hem regeerde zijne weduwe Alexandra gedurende 9 jaren vrij voorspoedig. Zij liet twee zonen na : Hyrkanes II en Aristobulus II; de laatste maakte zich van den troon meester en regeerde 6 jaar, ofschoon zijn oudere broeder, vooral geholpen door den Idumeër Antipater, hem den troon betwistte. Beide broeders riepen toen de hulp der Romeinen in; dezen maakten zich van het Joodsche land meester. De beroemde veldheer Pomp ejus nam Jeruzalem met geweld in, voerde Aristobulus gevangen naar Rome, en stelde Hyrkanus aan tot hoogepriester en afhankelijk vorst; een groot gedeelte van het land voegde hij bij Syrië, dat ook nu eene Romeinsche landvoogdij geworden was. Zoo verloren de Joden in het jaar 63 voor Christus hunne onafhankelijkheid.

Zes jaren hadden de Joden vrede onder Hyrkanus II, die in naam, en Antipater, die inderdaad regeerde. Na dien tijd maakten zoowel Aristobulus, die uit de gevangenis wist te ontsnappen, als zijne twee zonen Alexander en Antigonus herhaalde malen opstand; telkens kwam dan de Syrische landvoogd de orde herstellen, hetgeen den ongelukkigen Joden altijd schatten gelds en duizenden menschenlevens kostte. De groote Julius Caesar bevestigde het gezag van Hyrkanus en Antipater; deze laatste gaf aan zijnen zoon Herodes het bestuur van Galilea.

Herodes was een jongeling van uitstekende talenten en helfdhaftigen moed; daarbij verstond hij de kunst om de Romeinen te vleien in de hoogste mate, zoodat hij met rassche schreden naderde tot zijn doel, dat geen ander was dan koning der Joden te worden. Dit gelukte hem; door de voorspraak van Antonius werd hij, toen hij te Rome kwam, tot koning der Joden aangesteld. Terstond trok hij naar Jeruzalem op om die stad in te nemen. Daar had zich Antigonus, door de hulp der Parthen, van den troon meester gemaakt; Herodus moest de hoofdstad een jaar lang belegeren en nam haar toen stormenderhand in; Antigonus werd onthoofd, en met hem eindigde de regeering van het Machabeesche huis in het jaar 36 voor Christus.

De nieuwe vorst, die den naam van Herodus den Groote droeg, toonde spoedig, dat zijne uitstekende bekwaam-

ocr page 665

33i

heden door zijne zedelijke verdorvenheid nog verre overtroffen werden; zijne wreedheid en vele misdaden hebben hem tot een afschuwelijk monster gemaakt, waarop de vloek van alle volgende eeuwen rust.

Door de verheffing van koning Herodes was de voorspelling van den aartsvader Jakob vervuld: de schepter was nu aan Juda ontnomen, want hij was in de hand v^n een vreemdeling, een Idumeër; dus zou de Verwachte dër volken weldra gezonden worden. De Verlosser der wereld werd dan ook in het laatst der regeering van Herodes geboren.

Het voornaamste werk, dat Herodes tot stand bracht, was de herbouw des tempels, waartoe hij in het 18de jaar zijner regeering het besluit opvatte, en waarvan het voornaamste gedeelte na bijna tien jaren voltooid werd. Heerlijk was die tempel door zijne schoonheid en uiterlijke pracht; maar veel grooter heerlijkheid zou daaraan geschonken worden door den menschgeworden Zoon van God, die in dien tempel optreden, bidden, onderwijzen en wonderen werken zou. Welhaast zal Hij komen ! Tot nog toe had God de wereld op zijne komst voorbereid; welhaast zal die wereld de blijde boodschap vernemen, dat Hij gekomen is, dien zij verwachtte: Jesus Christus, onze God en Zaligmaker.

Einde van het eerste deel.

ocr page 666

TIJD-TAFEL

VAN DE

Voornaamste Gebeurtenissen

DER

Bijbelsche Geschiedenis van het Oude Testament.

2/00 2210 2135 2124 2()0(gt;i\\ i

2110 2050 ^ ^2035

1973 1959 1953

1930

iH hu 1929

1920

iS\u t903

i7(ftt849

I Schepping van Adam cn Eva. 130 Geboorte van Seth.

687 Geboorte van Mathusala.

930 Dood van Adam.

1056 Geboorte van Noë.

1558 Geboorte van Sem.

1656 Zondvloed. Dood van Mathusala. 2006 Dood van Noë.

Voor Clir.

Geboorte van Abraham.

Abraham komt in Kanaan.

Geboorte van Ismaël.

Ondergang van Sodoma en Gomorrha. Geboorte van Isaak.

Geboorte van Jakob en Ezau.

Dood van Abraham.

Jacob vlucht naar Mesopotamië. Geboorte van Jozef.

Jakob keert terug naar Kanaan.

Dood van Isaak.

Jozef wordt onderkoning van Egypte. Jakob komt in Egypte.

Dood van Jakob.

Dood van Jozef.

ocr page 667

333

Voor Chr.

1570 Geboorte van Mozes. /V^O

1490 Uittocht der Joden uit Egypte. Wetgeving op Sinaï. I i00

1450 Dood van Mozes. Intocht der Joden in Kanaan. /3/gt;0

1433 Dood van Jozue. J 3 c. 3

1155 Heli wordt hoogepriester.

1115 Dood van Heli. Bestuur van Samuel.///9/5

1095 Regeering van Saül. fOTO

1085 Geboorte van David.V/)

1055 David wordt koning over Juda. lOU)

1048 David wordt koning van geheel Israël, ff) b 3

1033 Geboorte van Salomon. 8S

1015 Zalving van Salomon.

1014 Dood van David.

1003 Inwijding van den tempel. ^ 5'^

975 Dood van Salomon. Scheuring van het Rijk.^lt;30

De regeeringsjaren der koningen van Juda en Israël zijn op blz. 197 opgegeven.

758 Roeping van den profeet Isaias. yvo

721 Einde van het Rijk van Israël,

636 Judith verslaat Holofernes.

629 Roeping van den profeet Jerernias.^J

606 Begin der Babylonische gevangenschap. De profeet Daniël

komt te Babyion.

593 Roeping van den profeet Ezechiël.

588 Einde van het Rijk van Juda. 51 J

536 Terugkeer der Joden onder Zorobabel.

516 Inwijding van den tweeden tempel.

479 Esther wordt koningin.

459 Terugkeer der Joden onder Esdras.

446 Nehemias wordt landvoogd over Judea. y/Squot;

301 De Joden komen onder Egypte.

290 Omtrent dit jaar werd de H. Schrift in het Grieksch vertaald.

199 De Joden komen onder Syrië.

180 Heliodorus in den tempel gestraft.

176 Begin der regeering van Antiochus Epiphanes.

ocr page 668

334

Voor Chr.

167 Invoering der afgoderij te Jeruzalem. Mathathias begint den heiligen krijg.

165 Begin der overwinningen van Judas den Machabeër.

163 Herstel van den Israëlietischen godsdienst.

162 Begin der regeering van het Machabeesche huis.

1^0 161 Dood van Judas. Jonathas volgt hem op.

157 Vrede met Syrië. Jonathas bestuurt het volk.

152 Jonathas wordt hoogepriester.

/V2.I43 Dood van Jonathas. Simon volgt hem op.

142 De Joden worden onafhankelijk.

135 Dood van Simon. Joannes Hyrkanus volgt hem op.

106 Aristobulus.

105 Alexander Janneüs.

78 Regeering van Alexandra.

69 Aristobulus 11.

63 De Joden komen onder de Romeinen. Hyrkanus 11.

40 Herodes wordt tot koning der Joden aangesteld.

36 Herodes neemt Jeruzalem in.

19 Herodes besluit tot den herbouw des tempels.

ocr page 669

INHOUD.

Blac'z.

I. Schepping der wereld. Instelling van den Sabbath . . 5

II. Schepping der Engelen. Val van de booze geesten . . é

III. Het eerste menschenpaar............7

IV. Zonde van de eerste menschen.........9

V. Straf der eerste zonde. Belofte des Verlossers .... 10

VI. Kaïn en Abel................11

VII. Vermenigvuldiging en zedebederf der menschen ... 12

VIII. De zondvloed................13

IX. Einde van den zondvloed. Noë's dankoffer.....14

X. Slot van Noë's geschiedenis...........15

XI. Toren van Babel. Verspreiding der menschen. Alge-

meene afgoderij...............16

XII. Roeping en gehoorzaamheid van den aartsvader Abraham 18

XIII. Lotgevallen van Abraham tot aan de besnijdenis van zijn huisgezin................19

XIV. Bezoek van drie engelen bij Abraham.......22

XV. Ondergang der steden in het dal Siddim......24

XVI. Geboorte van Isaiik. Verdrijving van Agar en Ismaël.

Opoffering van Isaak. Dood van Sara.......24

XVII. Huwelijk van Isaak. Dood van Abraham......26

XV11I. Isaaks lotgevallen..............28

XIX. Jakobs reis en verblijf bij Laban.........32

XX. Jakobs lotgevallen tot aan den dood van Isaak • • • 33

XXI. Jozef door zijne broeders mishandeld.......36

XXII. Jozef in slavernij en gevangenis.........38

XX111 Jozefs verlossing, verheffing en bestuur......40

XXIV. Eerste reis van Jozefs broeders naar Egypte .... 42

XXV. Tweede reis................45

XXVI. Jakobs reis naar Egypte en verblijf aldaar.....48

ocr page 670

INHOUD.

Bladz.

XXVII. Laatste levensdagen van Jakob. Zijn dood en begrafenis. Dood van Jozef............49

XXVIII. Beproeving en geduld van Job.........51

XXIX. Slavernij der Joden in Egypte.........53

XXX. Mozes' geboorte, opvoeding en vlucht uit Egypte. . 54

XXXI. Roeping van Mozes.............55

XXXII. Mozes en Aaron voor Pharao.........57

XXXIII. De plagen van Egypte............58

XXXIV. Het Paaschofifer..............61

XXXV. Dood der eerstgeborenen. Uittocht der Joden ... 63

XXXVI. Tocht der Joden naar en door de Roode zee. Ondergang van Pharao met zijn leger........64

XXXVII. Tocht der Joden door de woestijnen Sur en Sin . . 65

XXXVIII. Wetgeving op Sinaï.............68

XXXIX. Het verbond yan de Joden met God......70

XL. De steenen wettafelen. Afgoderij der Joden. Straf. . 71

XLI. Boete van het volk. De nieuwe wettafelen • ... 73

XLII. De tabernakel en zijn toebehooren.......74

XLIII. De Mozaïsche wet.............75

XLIV. Inwijding van den tabernakel en de priesters. Paasch-

feest..................84

XLV. Volkstelling. Optocht van Sinaï........85

XLVI. Tocht naar. de grenzen van Kanaan.......86

XLVII. Verkenning van Kanaan. Oproer, straf en aftocht van

het volk.................87

XLVIII. Oproer van Kore. Bevestiging van Aarons priesterschap 90

XLIX. Laatste woestijnreis. Eerste overwinningen.....91

L. Balaam.................93

LI. Zonde en straf der Joden...........94

LIL Laatste handelingen en vermaningen van Mozes . . 95

Llll. Afscheid en dood van Mozes.........97

LIV. Het land Kanaan en zijne bewoners.......98

LV. Toebereidselen voor den intocht in Kanaan .... 99

LVI. Doortocht door den Jordaan. Besnijdenis. Paaschfeest 100

LVII. Inneming van Jericho............102

LVIII. Verovering van Haï. ............103

LIX. Verbond met de Gabaonieten. Eerste algemeene veldslag 103

LX. Tweede veldtocht. .............105

LXI. Plechtige bezwering van het Verbond......106

336

ocr page 671

INHOUD.

Bladz.

LXII. Verdeeling van het beloofde land. Vertrek des over-

Jordaanschen legers............107

LXIII. Jozue's afscheid en dood..........109

LX1V. Toestand des Joodschen volks na Jozue's dood . . 110

LXV. Tafereelen uit den tijd der regeeringloosheid . . . 111

LXVI. De rechters Othoniël, Aod en Samgar.....113

LXVI1. Debbora en Barak............114

LXV1I1. Gedeon en zijne zonen...........115

LX1X. Jephte en andere rechters..........119

LXX. Samson...................121

LXX1. Geschiedenis van Ruth...........125

LXX11, Geboorte en opvoeding van Samuel......12S

LXX111. Uiteinde van Heli. Wegvoering en terugbrenging

van de ark des Verbonds..........130

LXXIV. Samuels bestuur. Instelling van het koningschap . 132

LXXV. Uitverkiezing en huldiging van Saül tot koning. . 134

LXXV1. Eerste oorlog van Saül. Aftreding van Samuel . . 135

LXXV1I. Geschiedenis van Saül tot aan zijne verwerping. . 136

LXXVI1I. Zalving van David tot koning van Israël .... 140

LXXIX. David en Goliath.............141

LXXX. Davids verblijf aan'het hof van Saül.....143

LXXX1. David op de vlucht voor Saül........146

LXXXII. Eerste veldtocht van Saül tegen David.....148

LXXXIII. Dood van Samuel. Nabal en Abigail......150

LXXXIV. Tweede veldtocht van Saül tegen David. Davids

verblijf te Sikeleg.............152

LXXXV. De tooveres van Endor.......... . 154

LXXXVI. Saüls nederlaag en dood . . . .......155

LXXXV1I. David koning over den stam van Juda.....158

LXXXV1II. David koning van geheel Israël. Overbrenging der

ark naar Jeruzalem............160

LXXX1X. Gods beloften aan David..........162

XC. Davids overwinningen en bestuur.......163

XC1. Oorlog tegen de Ammonieten en Syriërs .... 165

XCI1. Davids diepe val. Geboorte van Salomon . . . . 165

XC111. Amnon en Absalom.............167

XC1V. Opstand van Absalom. Davids vlucht.....168

XCV. Absalom te Jeruzalem. Zijn strijd en ondergang. . 172

XCVI. Davids terugkeer naar Jeruzalem.......175

337

ocr page 672

INHOUD.

Bladz.

XCVII. Laatste voorvallen onder Davids regeering. . . . 176

XCVIII. Zalving van Salomon............177

XCIX. Laatste handelingen en dood van David.....179

C. De Psalmen...............1S0

CL De Messiaansche Psalmen..........181

C1L Aanvang van Salomons regeering.......183

CIII. De Tempel................185

CIV. Inwijding van den Tempel..........187

CV. Salomons luistervolle regeering........189

CVI. Salomons wijsheid. Bezoek der koningin van Saba , 190

CVIl. Laatste jaren van Salomon's regeering.....igi

CV11L Scheuring van het Israëlitische Rijk......194

CIX. JUDA. Regeering van Roboam en Abia.....198

CX. Israël. Regeering van Jeroboam.......199

CXI. Juda. Regeering van Asa..........201

CXII. ISRAËL. Regeering van Nadab, Baasa, Ela, Zambri

en Amri................202

CXIII. Israël. Regeering van Achab. De profeet Elias . . 203

CXIV. Vervolg der geschiedenis van Elias en Achab. . . 207

CXV. JUDA. Regeering van Josaphat........209

CXVI. Israël. Regeering van Ochozias. De profeet Elias . 213

CXVII. De profeet Eliseüs.............216

CXVIII. Israël. Regeering van Joram. De profeet Eliseüs . 220

CXIX. Juda. Regeering van Joram en Ozochias.....223

CXX. Israël. Regeering van Jehu.........224

CXXI. Juda. Regeering van Athalia.........226

CXXI1. Juda. Regeering van Joas en Amasias......228

CXXIII. Israël. Regeering van Joachas en Joas. De profeet

Eliseüs.................230

CXXIV. Israël. Regeering van Jeroboam II. De profeten

Amos er Jonas..............231

CXXV. Geschiedenis van Jonas...........232

CXXVI. Juda. Regeering van Ozias en Joatham. De profeet

Isaias.................234

CXXVII. Israël. Regeering van Zacharias, Sellum, Marahem,

Phaceia en Phacee. De profeet Osee......236

CXXVII 1. Juda. Regeering van Achaz. De profeet Isaias. . . 238 CXXIX. Israël. Regeering van Osee. De profeet Michéas.

Einde van het Rijk der tien stammen......240

338

ocr page 673

INHOUD.

Bladz.

CXXX. Het land van Israël na de wegvoering der tien stammen 241

CXXX1. Regeering van Ezechias. De profeten Isaias en Joel 242

CXXXII. Regeering var; Manasses en Amon......247

CXXXIII. Regeering van Josias. De profeten Jeremias, Nahum

en Sophonias..............248

CXXXIV. De koningen Joachaz en Joakim. De profeten Jeremias

en Habakuk..............251

CXXXV. De koningen Jechonias en Sedekias. De profeten

Jeremias en Ezechiël...........254

CXXXV1. Verwoesting van Jeruzalem. Wegvoering van het volk. Toestand van Juda na de wegvoering. De

proleten Jeremias en Abdias.........257

CXXXVII. De Messiaansche profetiën.........259

CXXXVIII. Geschiedenis van Tobias..........263

CXXXIX. Vervolg der geschiedenis van Tobias.....267

CXL. Slot der geschiedenis van Tobias.......269

CXL1. Geschiedenis van Judith..........271

CXLII. Vervolg der geschiedenis van Judith......275

CXL1II. De Babylonische gevangenschap.......278

CXL1V. Daniël en zijne gezellen aan het Babylonische hof.

Susanna................279

CXLV. Geschiedenis van Daniel en zijne gezellen onder

koning Nabuchodonosor..........282

CXLV1. Bel en de draak.............287

CXLVII. Daniël en koning Baltassar.........289

CXLVI11. Daniël en koning Darius..........291

CXLIX. De Messiaansche profetiën van Daniël.....293

CL. Terugkeer der Joden onder Zorobabel.....294

CLI. Bouw van den tweeden tempel. De profeten Aggeüs

en Zacharias..............295

CL1I. Terugkeer der Joden onder Esdras......296

CLIII. Nehemias. Herbouw van Jeruzalem......298

GL1V. Bestuur van Nehemias. De profeet Malachias . . 299 CLV. De Messiaansche profetiën van Aggeüs, Zacharias

en Malachias..............301

CLV1. Geschiedenis van Esther..........302

CLVI1. Vervolg der geschiedenis van Esther.....305

CLV1II. Geschiedenis der Joden tot aan het tijdvak der Ma-

chabeën. Het boek der Wijsheid en Ecclesiasticus 308

339

ocr page 674

INHOUD.

Bladz.

CLIX. De tempelroover Heliodorus.........311

CLX. Diep verval van den Joodschen staat.....312

CLXI. Godsdienst-vervolging. Israëlietische martelaars. . 314

CLXII. Mathathias en zijne zonen.........317

CLXII1. Judas de Machabeër..............

CLX1V. Vervolg der geschiedenis van Judas. Dood van

Antiochus...............322

CLXV. Jonathas de Machabeër..........326

CLXVI. Simon de Machabeër...........328

34°

CLXV1I. Geschiedenis der Joden tot aan Christus .... 329

/

ocr page 675

\

■ -J'

A

ocr page 676
ocr page 677

mmm

mmmm

■- .

b I »;• . •? i t

• r ' »•*- v ' .• - '

f iA- frl*.-*

- cc /hty -

tfr! f/lQi lt; i lt;J-* ■(- |

, / / . '

/S éU-, ' Je T

'ü

'. ■■ . v ;

ocr page 678

I