SLEUTEL DES HEMELS.
VerzaiBfliii en Verklarii Jer Alatcn,
verbonden aan de meest gebruikelijke voorwerpen van godsvrucht,
DOOR
T. TT, ei. B-a.rg:t,
o. s.'S?
Kerkelijk Goedgekeurd.
CUYK n/d Mtias,
JOS. J. VAN LINDERT,
V. ⢠71'
APPROBATIONES.
Servatis alias de Jure servandis, typis mandari permittimus.
UdzE, 5 Jul. 1891..
M. MANDERS,
Mag. Sea. 0. 3. C.
IMPRIMATUR.
Haaren, 10 Aug. 1891.
F. BRONSGEEST,
Libr. Oeos.
VOORWOORD.
De talrijke aflajen, welke de Opperherders der H. Kerk aan de rozenkransen, kruisbeelden, me-daljes, scapulieren en aan verschillende oefeningen van godsvrucht gehecht hebben, zijn zeker wel geëigend den ijver te doen ontvlammen van een ieder, die zijne zaligheid behartigt en begeert lafenis te brengen aan de geloovige zielen in het vagevuur.
Vele dezer aflaten, alsmede de voorwaarden, waaronder zij uitsluitend te verdienen zijn, worden door de geloovigen niet genoeg gekend, zoodat maar al te dikwijls het doel der Pausen bij het verleenen der aflaten, liet geestelijk voordeel der geloovigen, wordt gemist.
Daarom hebben wij getracht in dit nederig werkje den geloovigen eene, wel is waar beknopte, maar toch zooveel mogelijk volledige kennis te geven van de voornaamste voordeden, voorrechten en aflaten aan de zoozeer gewaardeerde en verspreide voorwerpen van godsvrucht verbonden, en tevens van de voorwaarden en vereischten, die ter verkrijging dier gunsten in acht genomen moeten worden.
Om daarin wel te slagen, hebben wij ons bediend van de âRaccolta di Orazioniquot;, die Z. TI. Leo XIII in 1886 te Rome heeft laten uitgeven dooiden Kardinaal Prefekt der II, Congregatie; van de âAuthentieke Besluiten der II. Congregatiequot;, uitgegeven in 1S83 op last van Z. 11. Leo XIII; van de âAuthentieke Rescripten der II. Congregatiequot;, verzameld en uitgegeven door den WelEerw. P. Joseph Schneider, S. J., en van meerdere achtenswaardige schrijvers, die over de stof, welke in dit werkje vervat is, hebben gehandeld.
Moge de Algoede geven, dat bovengenoemd doel door dit boekje bereikt worde, dan zal schrijver dezes zijne moeiten genoegzaam beloond achten.
J. v. D. B.
O. S. C.
VOORAFGAAND ONDERRICHT
over de
Aflaten in het Algemeen.
Gelijk ieder goed werk, in staat van genade verricht, voor de ziel ten minste twee verschillende vruchten oplevert, nl.: de vrucht van verdienste, welke bestaat in de vermeerdering der heiligtnakende genade en der eeuwige heerlijkheid, die Gods rechtvaardigheid ons schenkt tot loon onzer goede werken, en de vrucht van voldoening, waardoor wij de tijdelijke straffen der zonden kunnen uitwis-schen ; zoo heeft elke zonde, hetzij klein of groot, in de ziel ook ten minste twee verschrikkelijke uitwerksels, welke de godgeleerden schuld (reatus culpac) en straf (reatus poenae) noemen.
Indien de mensch, versierd met den schat der heiligmakende genade, eene doodzonde bedrijft, worden daardoor de liefdebanden, welke tusschen God en hem door de genade gelegd waren, verbroken. De schuld (reatus culpae), welke hij als gevolg hiervan moet dragen, is: dat hij een voorwerp van afkeer wordt in de oogen van God, en de straffen (reatus pocnae), welke hij daardoor inloopt, zijn: de eeuwige verwerping, eeuwige dood en verdoemenis onder de dwingelandij des duivels.
Beleedigt daarentegen de mensch God door eene dagelijksche zonde, dan blijft wel is waar het wezen der liefde Gods ongeschonden, omdat hij niet beroofd wordt van de heiligmakende genade, doch het vuur dier liefde wordt er merkelijk door verkoeld. Het gevolg hiervan is, dat hij door die beleediging de schuld (reatus culpae) op zich laadt : van in een staat van mishagen aan God te verkeeren, en daarenboven de straffen (reatus poenae) op den hals haalt, die
uit haren aard slechts tijdelijk zijn en dus hier in dit leven of in het vagevuur moeten worden uitgeboet.
Dank aan Gods barmhartige goedheid kunnen de droevige gevolgen der zonden nog worden weggenomen. De schuld en de eeuwige straffen, door de doodzonde veroorzaakt, worden vergeven door eene rouwmoedige Biecht, of door een volmaakt berouw met den wil om te biechten. De schuld en de tijdelijke straffen der dagelijksche zonden worden kwijtgescholden door het H. Sacrament der Biecht of andere goede werken. Heeft de zondaar een berouw, zoo volmaakt als de goede moordenaar aan het kruis, dan krijgt hij alsdan die uitwerking ten volle, d. i. evenals door het H. Doopsel eene algeheele kwijtschelding. Docli niet zelden, en zooals de godgeleerden zeggen gemeenlijk blijven er na de vergiffenis der schuld en eeuwige straf nog tijdelijke straffen over. De II. Schriftuur levert ons hiervan duidelijke en treffende voorbeelden. Adam
â IO â
verkreeg de vergiffenis voor zijne ongehoorzaamheid, zooals in Sap. X: \ ^ gezegd wordt en toch bleven hem naar de Gen. Ill: 17 â19 nog vele tijdelijke straffen ter uitboeting over. Nathan verzekerde aan David, dat God de ^ zonde van overspel en moord ter wille van zijn oprecht berouw had weggenomen, maar tevens kondigde hij hem aan dat de zoon, die geboren was, hem door den dood ontrukt zou worden. 2. Reg. XII: 13. 14. Het is onnoodig nog andere voorbeelden aan te halen, om die waarheid te staven, daar de Kerkvergadering van Trente verklaart: âhet is valsch en strijdig met het woord Gods te beweren, dat door den Heer telkens met de schuld ook de geheele straf wordt kwijtgescholdenquot;quot;, sess. XIV, c. 8.
Als wij van den eenen kant de leer der H. Kerk en van den anderen kant \ het getal en de boosheid onzer zonden beschouwen, wat moeten wij dan niet denken over de straffen, die wij daardoor hebben ingeloopen ? Mogen wij al
hopen, dat God in zijne oneindige barmhartigheid ons de schuld en de ectnuigc straf der zonden zal hebben kwijtgescholden, wie kent dan nog de hoeveelheid en den duur der lijdelijke straffen, die nog ter uitboeting overblijven? Vermits de Hemel geen plaats van boete, maar van vergelding is, en zooals in het boek der Veropenbaring XXII, 27, gezegd wordt: niets dat bevlekt is het rijk der hemelen zal binnengaan, moeten wij die rekening van tijdelijke straffen tot den laatsten penning voldoen, óf hier in dit leven door goede werken, zooals: bidden, vasten, aalmoezen geven enz., óf wel in het Vagevuur zoolang lijden, tot wij volkomen voldaan hebben. Dewijl de boetewerken, waardoor wij God voldoening geven, meestal ver beneden de straffen, die wij te ondergaan hebben, blijven en het alzoo te vreezen is, dat ons in het ander leven nog veel te boeten overblijft, heeft onze goddelijke Zaligmaker in zijn grenzelooze goedheid een onuitputbaren schat vergaderd
van zijne eigene voldoeningen^ die eene oneindige waarde hebben, en die bijgevolg oneindig grooter zijn dan al de straffen, welke wij voor onze zonden hebben verdiend. Hierbij voegde Hij nog de vrucht der rijke voldoeningen, welke aan de goede werken der allerheiligste Maagd verbonden waren en op Haar zelve niet konden worden toegepast, omdat zij nooit eene zonde, hoe gering ook, heeft bedreven; en de overvoldoeningen der Heiligen, die tot delging hunner geringe schulden zeker niet die mate van voldoening behoefden, ais zij door hunne buitengewone boetplegingen gebracht hebben.
âDie hemelsche schatquot;, zegt Paus âClemens VI, âis niet in een lijkkleed âgewikkeld en in een akker begraven, âmaar den H. Petrus, den drager der âsleutels, en diens opvolgers, zijnen âplaatsbekleeders op aarde, toevertrouwd, âom dien op eene zegenrijke wijze aan âde geloovigen uit te deelenquot;. (i).
(') in Extvav. âUnigenitusquot; (de poen. et remis.)
â 13 â
^ Uit die onuitputbare bron put de H. ' Kerk en deelt bij wijze van aflaten daarvan aan de geloovigen uit.
Een aflaat is ecne door de j Kerk buiten de Biecht verleende kwijtschelding van die tijdelijke straffen, welke men na de vergeving der zonden, hier in dit leven of in het vagevuur nog moest uitboeten.
De aflaten vergeven dus geene zonde, zelfs geene dagelijksche; ook niet de eeuwige, maar slechts de tijdelijke straffen worden door de aflaten kwijtgescholden, en eerst dan, als de zonden, waardoor wij ons die straffen hebben op den hals gehaald, reeds zijn vergeven. Van den anderen kant echter zijn de aflaten niet enkel kwijtschelding der voormalige kerkelijke straffen, welke voorheen den boetelingen werden opgelegd. Deze leering werd reeds in de bulle van Leo X tegen Luther en latei-in die van Pius VI tegen de valsche Synode van Pistoja uitdrukkelijk ver-
I
â 14 â
worpen. Wij zouden inderdaad met de vrijspraak der kerkelijke boete alleen weinig gebaat zijn, daar wij in dat geval des te langer in het Vagevuur zouden inoetea lijden of te strenger vrijwillige boete doen.
Men onderscheidt twee soorten van aflaten, volle en gedeeltelijke aflaten.
Een volle aflaat is de algeheele kwijtschelding der tijdelijke straffen, verschuldigd voor alle zonden, die, wat de schuld en eeuwige straf betreft, reeds zijn vergeven.
Veronderstel dus iemand had het geluk een vollen aflaat in zijne geheelc volheid te verdienen en kwam oogen-blikkelijk daarna te sterven, zoo iemand zou onmiddellijk den hemel ingaan.
Een gedeeltelijke aflaat is slechts de kwijtschelding van een deel dier straffen; en zoo zijn er aflaten van 40, van 100, van 500 dagen enz. Men moet nochtans bemerken, dat men door dusdanige aflaten geenszins, gelijk sommige menschen meenen, 40 of 100
dagen enz. het lijden des Vagevuurs verkort; doch dit beteekent volgens het algemeen gevoelen der godgeleerden, dat men door dusdanige aflaten kwijtschelding bekomt van zooveel tijdelijke straffen, hier of in het Vagevuur, als men zou bekomen hebben met eene boet-pleging te doen van 40, 100 dagen enz., volgens de regelen, die in de eerste tijden der H. Kerk in gebruik waren.
Met recht dus verklaart het Concilie van Trente: âdat het gebruik der aflaten âvoor het Christenvolk zeer heilzaam is.quot; sess. XXV, deer. de Indulg. Volgens de leer der H. Kerk kunnen de aflaten ook toegepast worden op de zielen in het Vagevuur. Het gevoelen van de valsche Synode van Pistoja, als zij, naar het voorbeeld van Luther, haar leedwezen te kennen gaf, omdat men ook op de overledenen aflaten toepaste, werd door Paus Pius VI i1) verworpen âals
(') Bul: âActorem fideiquot;.
â ió â
âvalsch, roekeloos, vrome ooren kwet-âsend, vol onbillijkheid tegenover de Pausen, alsmede tegenover het gebruik âen het gevoelen der gansche Kerk.quot;
Waarlijk indien het een katholiek leerstu'. is, hetwelk in de oudste litur-n^eén wordt beleden en door de Pausen luide is verkondigd, dat de zielen der afgestorvenen, krachtens de gemeenschap der Heiligen, door de gebeden en goede werken der levenden kunnen geholpen worden, waarom zou dan de Kerk den schat der overvloedige voldoeningen van Christus en de Heiligen niet mogen openen, om de lijdende zielen des Va-gevuurs ter hulp komen? Wel heeft zij over haar geen rechtsmacht meer; wel kan zij haar dus niet, gelijk de levenden, rechtstreeks vrijspreken van de nog overblijvende tijdelijke straffen endaar-voor uit den kerkdijken schat voldoen; maar zij kan toch de overvloedige voldoeningen van Christus en de Heiligen aan de goddelijke rechtvaardigheid aan-bieden met de gegronde hoop, dat God
â 17 â
die geestelijke schatten als delging voor de schuld, welke de afgestorvenen nog te kwijten hebben, zal aannemen.
Om deze reden verleent de Paus de aflaten voor de overledenen altijd âbij wijze van voorbedequot; (per modtcrn snf-fragii).
Hierbij is echter op te merken, dat slechts die aflaten aan de geloovige zielen in het Vagevuur kunnen worden toegevoegd, welke door den Paus als zoodanig verklaard zijn. Zoo derhalve niet uitdrukkelijk in het Indult der vergunning staat uitgedrukt, dat de aflaat ook toe-voegelijk is aan de geloovige zielen in het Vagevuur, kunnen wij hem slechts voor ons zeiven verdienen, (i).
Tot het verdienen van eiken aflaat worden de volgende voorwaarden ver-eischt:
('). N.B. Bijna alle aflaten, in dit werkje vervat, zijn toepasselijk op de geloovige zielen in het Vagevuur; is dit niet het geval, dan zullen wij het op de plaats zelve aangeven door de woorden; met toepasselijk.
â i8 â
1°. Men moet ten minste de alge-mecne meening hebben om de aflaten te verdienen (Raccolta bl. XII).
Met betrekking tot dit punt beschou wt men het als voldoende, dat men b. v. 's morgens het voornemen make van al de aflaten te verdienen, welke men gedurende den dag kan verdienen en dat men ze tevens bestemme voor zich zei-ven of ze toepasse op eéne enkele, of op meerdere bepaalde, of in 't algemeen op alle geloovige zielen in het Vagevuur.
2°. Men moet in staat van genade zijn, ten minste als men het laatste werk, voor den aflaat vereischt, volbrengt; omdat een dood lid der Kerk aan de geestelijke goederen, die door de levensgemeenschap met Christus en de heiligen ons toevloeien, geen deel heeft. S. Thom. suppl. q. 27, a. I.
Bij het verleenen der gedeeltelijke aflaten wordt gewoonlijk de sacramen-teele Biecht niet voorgeschreven, maar in de plaats daarvan de clausuul gesteld: âfew minste met rouwmoedig hartquot;
â T9 â
zooals wij later meermalen zullen aantreffen. Deze woorden beteekenen volgens eene verklaring der H. Congr. der Afl. 17 Dec. 1870, dat de staat van genade ook voor het verdienen der gedeeltelijke aflaten wordt gevorderd. Hij derhalve, die reeds in staat van genade is, behoeft geen akte van berouw te verwekken, doch wie zich in staat van doodzonde bevindt, moet zich eerst noodzakelijk met God verzoenen, ten minste door eene ware akte van volmaakt berouw met het ernstige voornemen om te biechten. D. A. n0. 427. (!)
(1). Nota. Tot meer gemak zullen wij de âDecrcta Authentica Sacra Congregationis Indul-gentüs sacrisque Reliquiis praposiUe abanno 1668 ad annum 1882, edita jussu SS. D. N. Leonis PP. XIII; Ratisbonse, etc. Pustet. 1883 met de beginletters: D. A.; en de Rescripta Authentica Sacra Congr. Indulg.... necnon Summaria Indulgentiarum quse collegit Josephus Schneider, S J., S. Congr. Consultor. Ratisbonje, Pustet, 1885, met die van R. A. aangeven.
De Nouvelle Revue Théologique zullen wij aanhalen met de letters: N. R.
20 â
3°. Men moet persoonlijk en godvruchtig al de opgelegde werken, op den aangegeven tijd en wijze, en zooals het doel vordert en dit in de Breve der vergunning staat uitgedrukt, volbrengen.
Indien dus een der voorgeschreven werken, zegt de Raccolta bl. XIII, of in zijn geheel, of in een belangrijk onderdeel, 't zij door onwetendheid, 'tzij door nalatigheid, 't zij door onmogelijkheid wordt achterwege gelaten, of eene voorwaarde van tijd, plaats enz., om welke reden dan ook voorgeschreven, niet wordt vervuld, verdient men den aflaat niet, uitgenomen wanneer het voorgeschrevene op wettige wijze in iets anders door den machthebbende is veranderd.
De werken, die men reeds uit anderen hoofde verplicht is te volbrengen, zijn in den regel niet voldoende om de aflaten te verdienen; aldus kan een priester b. v. door middel der kerkelijke Getijden niet voldoen aan de gebeden tot het
verdienen der aflaten door den Paus voorgeschreven. H. Congr. der Afl. 29 Mei 1841, D. A. n0 291.
De werken, die gewoonlijk worden voorgeschreven om een vollen aflaat te verdienen, zijn ; de Biecht, de H. Communie, het Bezoek eener kerk of van eene openbare bidplaats en de godvruchtige Gebeden.
a. Wanneer de Biecht tot het verdienen van een vollen aflaat voorgeschreven wordt, dan is zij voor allen verplichtend, al zijn zij zich ook van geene doodzonde bewust; doch de sacramen-teele absolutie wordt niet vereischt voor hen, die slechts dagelijksche zonden te biechten hebben. H. Congr. der Afl. 19 Mei 1759, 20 Aug. 1S22, 15 Dec. 1841, 6 Mei 1852, D. A. n0 214, 253, 29S._ 359-
Zij, die de loffelijke gewoonte hebben ten minste eens in de week, zoo zij niet wettig belet zijn, hun biecht te spreken, kunnen alle aflaten verdienen, welke in die week voorkomen, zonder
22 â
op nieuw te biechten, mits zij in staat van genade blijven. H. Congr. der Afl. 9 Dcc. 1763. D. A. n0 231.
Volgens een later besluit der H. Con-greg. der Afl. 12 Maart 1855 strekt zich dit voorrecht uit tot alle plaats- en persoonlijke aflaten, ja zelfs tot den aflaat van Portiuncula. D. A. n0. 364; R. A. n0 363.
Door het woord -week moet verstaan worden eene tijdsruimte van zeven dagen ; zoodat degene die de gewoonte heeft eiken Zaterdag tot het H. Sacrament van Boetvaardigheid te naderen, zonder twijfel aan de verplichting der Biecht voldoet. H. Congr. der Afl. 23 Nov. 1878. D. A. n0. 439 en 25 Febr. 1886. N. R. XVIII, 257.
Voor sommige diocesen is wegens gebrek aan biechtvaders dit Indult nog uitgestrekt ten gunste dier geloovigen, welke de vrome gewoonte hebben geregeld te biechten binnen de veertien dagen. Doch dit Indult moet door den Bisschop ten gunste zijner eigene dio-
â 23 â
cesanen worden aangevraagd. Raccolta bl. XIX.
Insgelijks is het in sommige diocesen, wegens gebrek aan een genoegzaam getal biechtvaders, toegestaan den aflaat van een feestdag te verdienen, met eene Biecht, die men binnen de acht dagen vóór den feestdag gedaan heeft, alhoewel men de gewoonte niet heeft alle weken te biechten. H. Congr. der Afl. 28 Sept. 1838, 15 Dec. 1841. D. A. 264, 295.
b. De H. Communie moet waardig zijn, d. i. men moet in staat van genade tot de H. Tafel naderen.
Als niet het tegenovergestelde blijkt uit het Stuk der vergunning mag men de H. Communie ontvangen in eene kerk naar verkiezing, ofschoon de aflaat ook plaatselijk en aan een bepaalde kerk is verbonden. Raccolta bl. XIX.
Volgens de verklaring der H. Congr. der Afl. 10 Mei 1844 kan de H. Communie, geschied in den Paaschtijd, volstaan om, èn te voldoen aan het gebod der H. Kerk, én den vollen aflaat te
â 24 â
verdienen, vallende op dien dag: uitgezonderd de Jubilé-aflaat. D. A. 327.
Door eenzelfde Biecht en Communie kan men op denzelfden dag meerdere volle aflaten verdienen, al zijn voor ieder daarvan de Biecht en de H. Communie voorgeschreven, mits men de andere voorwaarden vervulle. H. Congr. der Afl. 29 Mei 1841 en 29 Febr. 1864. D. A. 291, 399.
Zoowel de enkele Biecht als de Biecht met de H. Communie, kunnen door alle geloovigen geschieden op den dag, onmiddellijk voorafgaande aan dien, waarop eenige aflaat is vergund ; doch alle andere werken moeten volbracht worden op den dag zeiven, d. i. van middernacht tot midderpacht, zoo de aflaat niet van af de eerste Vespers is vergund. H. Congr. der Afl. 6 Oct. 1870 en 12 Jan. 1878. D. A. 426, 434.
Paus Pius IX stond door een Decreet van 18 Sept. 1862 aan alle geloovigen, die wegens ziekte niet in staat zijn hun huis te verlaten, welwillend de gunst
â 25 â
toe, alle reeds verleende volle aflaten, alsmede die in de toekomst door de Pausen worden toegestaan, te kunnen verdienen, mits zij, na waarlijk en rouwmoedig gebiecht te hebben, en na vervulling van alle andere voorwaarden, die mochten zijn opgelegd, in de plaats der H. Communie getrouw eenig ander godvruchtig werk volbrengen, hun door hunne respectieve biechtvaders opgelegd. D. A. 393.
Hiervan zijn zij die in communieteit leven uitgezonderd; doch door een Decreet van 16 Jan. 1886 heeft Paus Leo XIII diezelfde gunst verleend aan de zieken en afgeleefde grijsaards, die in eene reli-gieuse communieteit leven en niet in staat zijn de kerk of kapel te bezoeken, of de andere voorgeschreven werken te volbrengen. Acta S. Sedis XVIII, 462.
De Indulten, welke wij hebben aangehaald bij de Biecht en H. Communie, kunnen gewoonlijk niet worden toegepast bij den aflaat van Jubilé of bij wijze van Jubilé.
â 26
c. Het Kerkbezoek is het binnengaan van eene heilige plaats, uit beweegreden van geloof en godsdienst, met de meening daar God te aanbidden of Hem te vereeren in een zijner heiligen. Rac-colta. bl. XXI.
Het Kerkbezoek is tot het verdienen der volle aflaten niet noodig, zoo het niet uitdrukkelijk wordt opgelegd Rac-colta. ib.
Wordt in het Indult der vergunning eene te bezoeken kerk bepaald aangewezen, b. v. de parochiekerk of de kerk van eene reguliere Orde, dan moet het bezoek noodzakelijk in die aangewezene kerk geschieden, uitgezonderd het geval van wettige commutatie of verandering. Raccolta. ib.
Wordt de kerk, die bezocht moet worden, niet bepaald aangeduid, maar slechts gezegd: âmits men eene kerk bezoekequot; of iets dergelijks, dan kan het kerkbezoek volbracht worden in iedere kerk of openbare bidplaats. Raccolta. ib.
Volgens een Decreet der H. Congr.
- 27 â
der Afl. van 22 Aug. 1842 moetende bidplaatsen, canoniek opgericht in kloosters, seminariën, of andere conventen, waartoe den geloovigen gewoonlijk geen openbare toegang wordt verleend, ten opzichte van dit kerkbezoek niet als openbaar beschouwd worden. D. A. 310.
Wanneer men op denzelfden dag verschillende aflaten wil verdienen waarvoor, ieder afzonderlijk, het bezoek van eene kerk of openbare bidplaats ver-eischt wordt, is het niet voldoende slechts éénmaal die kerk of bidplaats binnen te treden en daar geruimeren tijd te blijven; maar ingevolge het Decreet van 29 Febr. 1864 is het noodig, dat men zooveelmalen de kerk bezoekt, als men aflaten wenscht te verdienen. Daarbij wordt gevorderd, dat men na ieder bezoek de kerk verlaat, om er daarna op nieuw binnen te treden. D. A. 399.
Uit eene verklaring der H. Congr. der Afl. 19 Mei 1759 blijkt, dat het Kerkbezoek even goed vóór, als na het vol-
â 28 â
brengen der overige godvruchtige werken kan geschieden. D. A. 214.
Uit kracht van het bovenaangehaald Decreet van 18 Sept. 1862, kunnen de geloovigen, die om voortdurende ziekte of sleepende kwaal belet zijn hun huis te verlaten, van hun eigen biechtvader verkrijgen, dat hij het Kerkbezoek ver-andere in eenig ander goed werk. Diezelfde gunst heeft Paus Leo XIII door het bovenvermeld Decreet van 10 Jan. 1886 ook toegestaan aan de zieken en afgeleefde grijsaards van religieuse communiteiten.
d. De godvrtichtige Gebeden moeten geschieden volgens voorschrift van de Vergunning; doch gewoonlijk worden zij niet bepaald aangeduid en slechts in het Indult der vergunning voorgeschreven : godvruchtig te bidden volgens de intentie van Z. H. den Paus, of voor de gewone doeleinden.
Door godvruchtig bidden verstaat men een gebed, waarbij men de woorden goed uitspreekt, zonder zich bezig te
â 29 â
houden met een ander verstrooiend werk. Beringer âles Indulgencesquot;. I. 358.
Volgens de intentie, enz. deze intenties zijn meestal de uitbreiding van het katholiek geloof, de verheffing onzer Moeder de H. Kerk, de bekeering der zondaren, de eendracht onder de Christenvorsten, en de uitroeiing der ketterijen. Volgens een besluit der H. Congr. der Afl. 12 Juli 1847 behoeft men al die bijzondere doeleinden niet in het geheugen te roepen; doch het is voldoende als men bidt volgens de intentie van Z. H. den Paus. D. A. 344.
Als de godvruchtige gebeden niet bepaald zijn aangeduid, is het aan de godsvrucht der geloovigen overgelaten de gebeden te doen welke zij verkiezen. H. Congr. 29 Mei 1841. D. A. 291.
Volgens eene verklaring van Z. H. den Paus Leo XIIT, 13 Sept. 1888 moeten de gebeden mondelings geschieden, schoon het zeer nuttig en loffelijk is telkens ook een inwendig gebed er bij te voegen. Acta S. Sedis XXI, 192.
â SO â
Men beschouwt in het algemeen als | voldoende, als men vijfmaal het Onze Vader en vijfmaal het Wees gegroet | godvruchtig bidt.
Ingevolge eene beslissing der H. Congr. ^ der Afl. 18 Sept. 1862 is het geen f vereischte, dat de gebeden, tot het ver- 1 dienen der aflaten voorgeschreven, geknield worden uitgesproken, uitgezonderd het geval, dat het Stuk der vergunning het anders voorschreef. D. A.
389-
Insgelijks mogen de gebeden, tot het verdienen der aflaten, beurtelings worden gezegd, zooals men dat gewoonlijk doet bij den Rozenkrans, de Litanie enz. H. Congr. der Afl. 26 Febr. 1820. D. A. 249.
Ten gunste der ongelukkige doofstommen, die in de onmogelijkheid ver-keeren de voorgeschreven gebeden te s verrichten, heeft de H. Congr. der Afl. 16 Febr. 1852 besloten : 1° dat het voldoende is dat zij de kerk bezoeken, (wanneer deze voorwaarde is opgelegd)
â v â
en hun verstand tegelijk met de gevoelens van hun hart tot God verheffen ; 2° dat zij, als de gebeden in Jt openbaar worden uitgesproken, op dezelfde wijze hun verstand en hart tot God verheffen, mits zij maar lichamelijk met de andere geloovigen terzelfder plaats aanwezig zijn; 3° dat hunne eigene biechtvaders voor het afzonderlijk uitspreken der gebeden hun andere godvruchtige werken, die eenigszins uitwendig getoond worden, daarvoor kunnen opleggen. D. A. 355.
De tijdruimte, waarin genoemde voorgeschreven werken moeten verricht worden, noemt men den tijd van den aflaat.
Indien het Indult der vergunning uitdrukkelijk toestaat met de eerste vespers te beginnen, dan duurt de tijd van den aflaat van 's namiddags vóór den feestdag tot den ondergang der zon, d. i. tot de avondschermeing van den feestdag zei ven. Raccolta XXII.
Is echter dit niet uitdrukkelijk toegestaan dan duurt de tijd van den aflaat van middernacht tot middernacht van
â 32 â
den feestdag zeiven. H. Congr. der Afl. 12 Jan. 1878. D. A. 434.
Alhoewel men genoemde vereischten zoo nauwkeurig mogelijk tracht te volbrengen, gebeurt het nochtans zeer zeldzaam, dat de volle aflaat in zijn geheel verdiend wordt. Wijl het volgens de leer van den H. Alphonsus âzeker is dat de dagelijksche zonde, die, wat de schuld betreft, niet vergeven is, onmogelijk kan vergeven worden wat aangaat de straf', is het duidelijk, dat men met eene enkele, hoewel geringe dagelijksche zonde (of ook met de werkelijke genegenheid tot die zonde) geen algeheele kwijtschelding der tijdelijke straf ontvangt. Nochtans zal Gods goedheid zooveel kwijtschelding van tijdelijke straffen verleenen, als de goede gesteltenis, waarin men de voorwaarden heeft vervuld, verdient. En dit is het, wat ons moet aansporen om ons met de meeste zorg van alle zondige gehechtheid te zuiveren, opdat, indien wij ook al den vollen aflaat in zijn geheel niet kunnen
â 33 -
verdienen, tenminste toch het grootste mogelijk gedeelte daarvan verwerven.
Gelijk wij op bl. 24 gezien hebben, kunnen de geloovigen op een zelfden dag meerdere volle aflaten verdienen, wanneer deze gehecht zijn aan verschillende oefeningen van godsvrucht, mits voor ieder afzonderlijk de voorgeschreven werken, uitgenomen Biecht en Communie, herhaald worden ; doch volgens de uitdrukkelijke verklaring der H. Congr. der Afl. 7 Maart 1678 kan een en dezelfde volle aflaat slechts eenmaal op een dag worden verdiend, uitgenomen het geval, dat het duidelijk en helder in de Vergunning staat uitgedrukt, dat dezelfde volle aflaat meermalen per dag kan verdiend worden, zooals de aflaat van den 2n Augustus, gewoonlijk die van Portiuncula genoemd, en meer andere. D. A. n0. 18,
Zoo dikwijls een volle aflaat is toegestaan op alle âfeestdagen des Heerenquot;, moet men door deze woorden de voor-S. d. H. in.
â 34 â
naamste feestdagen verstaan, te weten; Kerstmis, 's Heeren Besnijdenis, Driekoningen, Paschen, 's Heeren Hemelvaart en Sacramentsdag. Op gelijke wijze, wanneer een volle aflaat is toegestaan op alle feestdagen der allerheiligste Maagd Maria, moet men dit verstaan van de voornaamste feesten, namelijk ; de Onbevlekte Ontvangenis, de Geboorte, de Boodschap, de Zuivering en de ten Hemelopneming. Verder wanneer er een gedeeltelijke aflaat is vergund voor alle andere feestdagen des Heeren en der Moeder Gods, kan die aflaat slechts verdiend worden op die feestdagen, welke gevierd worden door geheel de Kerk. H. Congr. der Afl. 18 Sept. 1862. D. A. 392.
Indien er een volle of gedeeltelijke aflaat op alle feesten der H.H. Apostelen is toegestaan, moeten deze woorden, zoo verstaan worden, dat zij den voornaamsten feestdag d. i. sterfdag van iederen Apostel beteekenen, zooals blijkt uit hetzelfde Decreet der H. Congregatie.
â 35 â
Bovendien werd bij Decreet van 16 Febr. 1852 vastgesteld, dat de dage lijk-sche volle aflaat, vergund voor het bezoek eener kerk of openbare bidplaats, door iederen geloovige slechts eens in het jaar kon worden verdiend, niet uitzondering alleen van het geval, dat in de Vergunning duidelijk gezegd wordt, dat de volle aflaat inderdaad voor iederen geloovige eiken dag kan verdiend worden. D. A. 356.
Uit kracht van een Decreet âUrbis et Orbisquot; door Z. H. Pius IX gegeven 9 Augustus 1852, worden alle aflaten, die reeds verleend zijn, of in de toekomst nog zullen worden toegestaan voor zekere feestdagen of voor kerken, ter gelegenheid dezer feestdagen, verschoven met de solemniteit of plechtige viering dier dagen. D. A. 360.
Eerste Deel.
Over verschillende Kransen, andere voorwerpen van godsvrucht en eenige godsvmchtoefeningen.
Rozenkrans of Krans der H. Maagd.
Reeds van ouds bestond onder de kluizenaars, die in de eerste eeuwen der Kerk in groote menigte in de woestijn woonden, het gebruik dikwijls gedurende den dag hetzelfde gebed ten hemel op te zenden. Om te weten hoe dikwijls zij reeds met hunnen God gesproken hadden en nog dien dag zich tot Hem moesten wenden, bedienden zij zich van steentjes of houten bolletjes die zij aan hunnen gordel met zich ronddroegen. Aldus lezen wij onder anderen van den
â 37 â
Abt Paulus (f 342), dat hij dagelijks 300 maal hetzelfde gebed deed en telkens met kinderlijken eenvoud een steentje in zijnen schoot wierp uit vrees zijn Heer en God ontrouw te zijn, zoo hij Hem de beloofde schuld niet betaalde.
In de Ve eeuw maakte de H. Brigida, patrones van Ierland, zich het gebruik der woestijnbewoners ten nutte. Om het getal harer gebeden gemakkelijk te onthouden, verbond zij een zeker getal koralen te zamen bij wijze van kroon. Dat gebruik, eerst ingevoerd in haar klooster, verspreidde zich weldra overal. Bij het openen van het graf der H. Geertrudis (f 659) vond men bij haar een snoer van paarlen, hare trouwe leidsman bij het verrichten harer gebeden. Kortom in de XIIe eeuw was het gebruik van dusdanige kroon, waarvan men zich onder het gebed bediende, in alle klassen der maatschappij verspreid.
Doch dc Rozenkrans heden ten dage in gebruik is, zegt het Roomsch Brevier, eene zekere wijze van bidden, waardoor
- 3» -
wij vijfmaal het Gebed des Heeren tusschen zooveel tientallen van het Wees gegroet inlasschen, bij elk tiental eene godvruchtige overweging voegende over de Geheimenissen onzer Verlossing. Deze wijze van den Rozenkrans te bidden is volgens de getuigenis van verschillende Pausen door den H. Dominicus in zwang gebracht.
Toen in het begin der XIIIe eeuw de ketterij der Albigensen vooral in Frankrijk hare verwoestingen uitbreidde, ondernam de H. Dominicus, die kort te voren den grondslag der Predikhee-ren Orde gelegd had, dien stroom van goddeloosheid te stuiten. Om hierin des te beter te slagen, nam hij zijne toevlucht tot de H. Maagd. Hierop verscheen hem (zoo wordt verhaald) de Hemelkoningin en beval hem, den Rozenkrans onder het volk te versprei-del! als een bijzonder behoedmiddel tegen ondeugd en ketterij.
De Heilige bracht de hem opgelegde taak zoo ijverig mogelijk ten uitvoer en
â 39 â
weldra zag hij zijn arbeid met onge-hoorden uitslag bekroond. Officium ss. Rosarii. lect. 4.
Om ons een denkbeeld te vormen van de verhevenheid van den H. Rozenkrans, behoeven wij ons slechts te herinneren, dat Maria, de hoogverhevene Moeder-Maagd, den Rozenkrans door de tusschen-komst van den H. Dominicus aan de Kerk geschonken heeft. Dit voorzeker zou genoeg wezen om den Rozenkrans in bijzondere achting te houden. Aan deze beweegreden paart zich nog eene andere, voortkomende uit de innerlijke waarde van deze oefening van godsvrucht. De Rozenkrans, zooals het woord zelf zegt, is een krans van rozen. Nu die rozen zijn de drie verhevenste gebeden van Gods H. Kerk: a. het gebed des He er en, dat door Jezus-Chris-tus, de Eeuwige Wijsheid zelve, is opgesteld, en waarvan ieder woord met den stempel van Gods eeuwige Wijsheid is voorzien; b. de groe te nis des Engels, opgesteld door den aartsengel Gabriël,
â 4° â
de H. Elisabeth, moeder van den grootsten profeet, en de H. Kerk, bruid van den Godmensch; c. het Glorie zij, enz., de vertolking van het âHeilig, Heilig, Heilig, is de Heerquot;, dat de engelen dag en nacht voor den troon der aanbiddelijke Drieëenheid zingen en met dezelfde verrukking van nooit vermoeide liefde zullen zingen in eeuwigheid.
Zoo bestaat dan de Rozenkrans uit honderd vijftig witte rozen uit den tuin van Maria. Die honderd vijftig witte rozen zijn door een bloem uit den tuin van Jezus Christus, en door eene andere bloem van louter goddelijke schoonheid, wier driedubbel blad het beeld der H. Drievuldigheid draagt, in vijftien tientallen afgedeeld. En die vijftien afdee-lingen stellen de vijftien grootste Geheimen van Jesus' en Maria's Leven, Lijden en Verheerlijking voor : de groene bladeren der roos verbeelden de blijde Geheimen ; de scherpe doornen beteekenen de droevige herinnering der smarten van Jesus en Maria; de sierlijk gekleurde
â 41 â
bloesem-kroon geldt als zinnebeeld der glorierijke Mysteriën. Terecht wordt dus de naam van âRozenkrans^' aan die schoone reeks van gebeden gegeven.
Hoe aangenaam aan God en aan Maria moet die krans van geestelijke bloemen niet zijn?
Kan men diensvolgens verwonderd zijn, dat de H. Maagd den Rozenkrans op bijzondere wijze begunstigt? dat zij in menigvuldige gevallen den geloovigen te hulp kwam, die Haar door 't gebed van den Rozenkrans vereerden ? Te wijd-loopig, al de gunsten, al de blijken van moederlijke bescherming aan te halen en den krachtigen invloed te doen uitschijnen, welken dit heilzaam gebed op het hart der Hemelmoeder uitoefent. De lezer vergenoege zich met de herinnering der groote weldaden, die aanleiding gaven tot de instelling van den plechtigen feestdag van O. L. V. Rozenkrans.
Geen wonder dan, dat de Opperherders der H. Kerk in hunne rustelooze zorgen
â 42 â
voor het heil der zielen en het algemeen welzijn van Kerk en Staat zoo dikwijls aanspoorden tot het bij uitstek gezegend Rozenkrans-gebed.
Ten volste overtuigd van het vermogen van dit gebed, trachtten zij de ge-loovigen nog meer hiertoe aan te zetten, door met milde goedheid de schatkist te openen, die hun door Jezus Christus ter beschikking is toevertrouwd.
Aflaten gehecht aan de Rozenkransen
gewijd door de Predikheeren of eenen anderen daartoe gemachtigden Priester.
(Raccolta bl. 204).
Benedictus XIII vergunde door zijne Breve âSanctissimusquot; van den 1 3 April 1726, aan alle geloovigen, die godvruchtig en ten minste met rouwmoedig hart, of wel den geheelen Rozenkrans van 15 tientjes bidden, ofwel het derde gedeelte daarvan :
â 43 â
Een ajlaat van 100 dagen voor ieder Onze Vader of voor ieder Wees gegroet.
Een vollen ujlaat eens per jaar op een dag naar verkiezing aan wie, gedurende een geheel jaar, iederen dag 15 tientjes, of ten minste het derde gedeelte bidt. (Voorwaarden: rouwmoedige Biecht, H. Communie en bidden tot intentie van den Paus.)
Paus Pius VII vergunde bij Breve 16 Febr. 1808 aan alle geloovigen, die den Rozenkrans godvruchtig bidden op het uur, hun daarvoor aangewezen;
Een vollen aflaat eens per jaar op een dag naar verkiezing. (Voorwaarden : Biecht, H. Communie en bidden tot intentie van Z. H. den Paus. (1)
Paus Pius IX verleende bij Decreet van de H. Congr. der Afl. 12 Mei 1851,
Daar slechts aan de leden der Broederschap van den âGedurigen Rozenkransquot; een bepaald uur is aangewezen om den Rozenkrans te bidden, schijnt deze aflaat ook slechts alleen door de leden van genoemde Broederschap verdiend te kunnen worden.
â 44 quot;
na voorafgaande bevestiging der vermelde aflaten, aan alle geloovigen, die godvruchtig en ten minste met rouwmoedig hart, in vereeniging met anderen, het derde gedeelte van den Rozenkrans bidden, hetzij te huis, of in de kerk, of in bidplaatsen, zoowel bijzondere als openbare ;
Een aflaat van 10 jaar en even zooveel quadragenen eens per dag te verdienen.
Een vollen aflaat op den laatsten Zondag van iedere maand, mits men ten minste driemaal in iedere week op bovenvermelde wijze het derde deel van den Rozenkrans gebeden hebbe en, na een waarlijk rouwmoedige Biecht en H. Communie, eene kerk of openbare bidplaats bezoeke en daar eenigen tijd bidcle volgens de meening van Z. H. den Paus.
VOORWAARDEN.
Tot het verdienen van bovenvermelde aflaten is het noodzakelijk, dat de Rozenkransen gewijd worden door de reli-gieusen van de Orde der Predikheeren of eenen anderen daartoe gemachtigden Priester, en dat men onder het bidden van den Rozenkrans de Geheimen van het Leven, het Lijden en de Verrijzenis enz. van O. H. Jezus Christus overwege, volgens het Decreet der H. Congr. der Afl. 12 Aug. 1726, goedgekeurd door Bene-dictus XIII.
Deze Paus verklaarde nog daarenboven in zijne constitutie : âPretiosusquot; van den 26quot; Mei 1727- § 4-, dat ongeletterde personen, die tot overweging der goddelijke Geheimen niet in staat zijn, volstaan met het godvruchtig bidden van den Rozenkrans; echter was het uitdrukkelijk verlangen van den Paus, dat dusdanige personen zich beijveren de gewoonte zich eigen te maken van het overwegen der H. Geheimen onzer Ver-
â 4« â
lossing volgens het doel der instelling van den Rozenkrans. Raccolta 295 en 206.
Men moet gedurende het bidden den Rozenkrans in de handen houden en zich volgens gewoonte daarvan bedienen. Indien nochtans twee of meer personen te samen bidden, is het, volgens eene vergunning der H. Congr. der Afl. 22 Jan. 1858, voldoende, dat één persoon den Rozenkrans in de handen houdt, mits de overigen alle uitwendige bezigheden ter zijde stellen en zich met dengene, die den Rozenkrans in de handen houdt, in het gebed vereenigen. D. A. 384. (!)
Ook moet men den Rozenkrans van 15, of het rozenhoedje of kroontje van 5 tientjes, achtereenvolgens bidden zonder merkbare onderbreking. H. Congr. der Afl. 22 Jan. 1858. D. A. 385.
(') N.B. Deze bijzondere vergunning is slechts toegestaan voor het bidden van genoemden krans der H. Maagd, docli niet voor het bidden van andere kransen, b. v. die der H. Brigitta enz. Beringer âles Indulgencesquot;. I bl. 366 en 377.
Zij betreft alleen de aflaten door Bened. XIII toegestaan, en geene andere. Zie D. A. 3S4.
- 47 â
Bij het wijden van den Rozenkrans is het voorgeschreven formulier verplichtend. H. Congr. 29 Febr. D. A. 401. Zie dit formulier in het Derde Deel.
Men raadplege verder de âAlge-meene Bemerkingenquot;.
GEHEIMEN TE OVERWEGEN ONDER HET BIDDEN VAN DEN ROZENKRANS.
De blijde Geheimen.
I. De Boodschap den Engels. II. Het Bezoek van Maria aan Hare Nicht Elisabeth.
III. De Geboorte van Christus.
IV. De Opdracht van Christus in den
tempel.
V. De Vinding van het verloren Kind Jezus.
Droevige Geheimen. I. De Benauwdheid van Christus in
het Hofje.
II. De Geeseling van Christus. III. De Kroning van Christus met doornen.
- 4« â
IV. De Kruisdraging van Christus. V. De Kruisiging van Christus.
Glorierijke Geheimen.
I. De Verrijzenis van Christus.
II. De Hemelvaart van Christus.
III. De Zending van den H. Geest.
IV. De ten Hemel-Opneming van Maria. V. De Kroning van Maria in den Hemel.
Men kan den Rozenkrans besluiten met het bidden der Litanie van Loretten.
Alle geloovigen, die genoemde Litanie ten minste inet rouwmoedig hart en godvruchtig bidden, verdienen :
Een ajiaat van 300 dagen telkens.
Een vollen aflaat op de vijf verplichte feestdagen der allerh. Maagd, nl.: O. L. V. Onbevlekte Ontvangenis, Geboorte, Boodschap, Zuivering; en ten Hemel-Opneming, mits zij ze dagelijks bidden en op elk der aangehaalde feestdagen tot de H. H. Sacramenten naderen, eene kerk bezoeken en daar met godsvrucht bidden tot intentie van Z. H. H. Congr. der Afl. 30 Sept. iSiy. Raccolta 275-
N.B. Het is streng verboden daarin iets te veranderen of bij te voegen zonder toestemming van den H. Stoel. H. Congr. der Riten. 2 Aug. 1631, 3 April 1821 en 5 Aug. 1839.
â 49 â
Aflaten verbonden aan de Rozenkransen of Kransen der
H. Maagd,
gewijd door de Kruisheeren.
(Raccolta bl. 193.)
Onder al de aflaten, welke de Opperherders der H. Kerk aan de Rozenkransen verleend hebben, mogen terecht de aflaten, welke zij aan de Rozenkransen verbonden hebben, indien die door de Kruisheeren gezegend worden, onder de bijzonderste gerekend worden. Daar de Pausen door het verleenen van die buitengewone gunst toonen, hoezeer zij verlangen, dat ieder Christen zulk een schat waardeere, laten wij hier eene volledige verklaring van dien kostbaren aflaat en deszelfs echtheid volgen.
Verklaring. Zoo dikwijls men aan Rozenkransen of Rozenhoedjes der H. Maagd, gezegend door de Kruisheeren, slechts één Onze Vader of één S. d. H. iv.
â SO â
JVi-es gegroet godvruchtig bidt, kan men een aflaat verdienen van 500 dagen, toevoegelijk aan de geloovige zielen in het Vagevuur, zonder dat het hiertoe noodig zij een geheel Rozenhoedje te bidden, of de meening te hebben dit te doen, en de H. Geheimen te over wegen.
Echtheid. Deze aflaat is volkomen echt en wettig. Den 20 Augustus 1516 zond Paus Leo X den toenmaligen Magister-Generaal, Wilhelmus a Rivo, eene Breve, die met de volgende woorden eindigde : âEn daarenboven steu-ânende op de barmhartigheid van den âalmachtigen God en het gezag zijner âgelukzalige Apostelen Petrus en Paulus, âstaan wij barmhartig in den Heer toe âen verleenen mildelijk aan alle Chris-âten-gcloovigen, die aan de zoogenaamde âRozenkransen der H. Maagd, door U âen uwe opvolgers in liet vervolg van âtijd gezegend, godvruchtig één Onze
â 5i â
â Vader of IVees gegroet bidden, zoo âdikwijls zij dit zullen gedaan hebben, âeen aflaat van 500 dagen, ondanks wat âer zij voorafgegaan en pauselijke con-âstitutiën en verordeningen of wat er verder mée in strijd mocht zijn.quot;
âGegeven te Rome bij S' Pieter onder âden visschersring, den 20 Augustus van âhet jaar der menschwording onzes Hee-âren 1516, het vierde jaar van ons paus-âschap.quot; (1).
O) âEt insuper de omnipotentis Dei misericordia âet beatorum Petri et Pauli Apostolorum ejus auc-âtoritate confisi, Christifidelibus in rosariis Beatee âMariee nuncupatis per te et successores tuos pro âtempore benedictis, orationem dominicam vel salu-âtationem angelicam devote dicentibus, quoties id âfecerint, indulgentiam quingentorum dierum mise-âricorditer in Domino concedimus et largimur, non âobstantibus prtemissis ac constitutionibus et ordi-ânationibus apostolicis ceterisque contrariis quibus-âcumquequot;.
âDatum Romcu apud sanctum Petrum sub annulo âpiscatoris die 20 Augusti, anno incarnationis 5,Dominicce, millesimó quingentesimo sexto âdecimo, pontificatus nostri anno quarto.quot;
(Apographum authenticum in bibliotheca seminarii Leodiensis.)
â 52 â
Daar de Kruisheeren-Orde door de Fransche revolutie zoodanig geleden had, dat zij haren ondergang nabij scheen, werden na den dood van den laatsten Magister-Generaal, Guibertus Dubois, (f 21 Oct. 1796) de overgeblevene leden krachtens Besluit der Propaganda sedert onder de gehoorzaamheid gesteld van een Commissaris-Generaal. De HoogEerw. Heer H. v. Wijmelenberg, aan wien deze waardigheid den 23 Dec. 1841 werd opgedragen, (l) was er spoedig op bedacht, dat door het afsterven van den laatsten Magister-Generaal, ook het privilegie van den Rozenkrans zonder daadwerkelijke vrucht bleef. Diensvolgens wendde hij zich in 1842 tot Z. H. den Paus Gregorius XVI met verzoek: aan den Commissaris-Generaal der Orde dezelfde macht te willen verleenen in het wijden der Rozenkransen, welke sedert 1516 aan den Magister-Generaal der Orde was toegestaan. Zijn verzoek
(') Den 25 April 1853 gekozen tot Magister-Generaal der Orde.
â 53 â
werd den 15 Sept. 1842 door Rome ingewilligd. (Apographum in tabulario convent us S. Agatha:).
Drie jaar later, den 13 Juli 1845, maakte dezelfde Paus Gregorius XVI den aflaat toevoegelijk aan de geloovige zielen in het Vagevuur en gaf tevens aan den Commissaris der Orde de volmacht, om in elk van zijne kloosters éénen priester aan te stellen, die de Rozenkransen met den aflaat van 500 dagen mocht verrijken. (Apographum anth. in tabulario conventns S. Agat/ue).
In 1848, 9 Jan. werd deze laatste volmacht nog uitgebreid door Z. H. Pius IX: Hij stond den Commissaris der Orde toe, eiken priester der Orde om eene billijke reden, b. v. als hij op reis is of als de gedelegeerde belet zou zijn, te mogen aanstellen, om in zijn plaats de Rozenkransen te wijden en er den aflaat van 500 dagen aan te hechten. (Apograph, anth. in tabnl. convcntns S. Agathce).
Ofschoon al deze stukken behoorlijk
â 54 â
door de kerkelijke overheid nagezien en voor echt erkend waren, werd nochtans in de laatste jaren, vooral in Frankrijk, dat buitengewoon privilegie, aan de Kruisheeren-Orde verleend, meermalen in twijfel getrokken.
Door een beroemd en gezaghebbend tijdschrift (Nouvelle Revue Thcologiqne) werd het ongegronde dier twijfelingen overtuigend bewezen. (1)
Het betoog van genoemd tijdschrift bracht er veel toe bij, dat de kostbare aflaat meer en meer gekend en gewaardeerd werd. Uit alle landen der wereld ontvingen de Kruisheeren nu aanzoek om Rozenkransen te wijden. Doch dewijl bij velen de aflaat te onbescheiden voorkwam, werd hun twijfel wegens deszelfs echtheid niet genoeg weggenomen. Dientengevolge wendden verschillende Aartsbisschoppen en Bisschoppen zich naar Rome en zonden onophoudelijk vragen naar de H. Congr. der
(') Tom. XI, 248 et seqq.
â 55 â
Aflaten om inlichting over de echtheid van genoemden aflaat. Dit gaf aanleiding dat de zaak voor den oppersten rechterstoel der Roomsche Congregatie der Aflaten werd gebracht. Deze vaardigde na een rijp onderzoek den 15 Maart 1884 een Decreet uit, goedgekeurd door Z. H. den Paus Leo XIII, waarbij uitgemaakt werd :
1° Dat de aflaat der Kruisheeren niet moest herroepen worden, noch uit gebrek aan echtheid, noch om onbescheidenheid, noch om eenige andere reden.
2° Dat het niet noodig was den aflaat op nieuw te bevestigen, als reeds genoeg bevestigd.
30 Dat het niet noodig is den Rozenkrans gansch rond te bidden, om dien aflaat te kunnen verdienen.
40 Dat het niet dienstig is, de macht, om zulken aflaat aan de Rozenkransen te hechten, aan anderen toe te staan; en derhalve het eene gunst is, uitsluitend aan de Kruisheeren-Orde eigen. (!)
('). Quum innumerce propemodum quaestiones
- 56 -
BEMERKINGEN.
Sommigen zijn van gevoelen, dat de Kruisheeren de macht hebben, om niet alleen Rozenkransen van 15 of Rozenhoedjes van 5 tientjes met den aflaat van 500 dagen te verrijken, maar daarenboven de eigenlijke Kransen der H. Brigitta, der Zeven Smarten en meer andere, die ter eere van de allerheiligste Maagd gebeden worden.
et dubia sacra Congregationi Indulgentiis Sacris-que Reliquiis pnepositae exhibita fuerint, nomine etiam Archiepiscoporum et Episcoporum de authen-ticitate Indulgentiis dierum quingentorum a Leone Papa X Litteris in forma Brevis datis die 20 Au-gusti 1516 concessce et quodammodo confirmatie a Summus Pontificibus Gregorio XVI et Pio IX, rescriptis Sacra; Congregationis de Propaganda Fide dierum 13 Julii 1S45 et 9 Jan. 1848, quamlucrari dicuntur Christifideïes, quoties in Rosariis BeatEE Maria; nuncupatis et benedictis a Magistro Gene-rali Ordinis Sanctaï Crucis vel a sodalibus ejusdem Ordinis, a Magistro Generali ad id specialiter de-putatis, Orationem dominicam vel salutationem angelicam devote recitaverint. Sacra eadem Congregatie, ut Christifidelium tranquillitati prospiceret, rem [mature perpendere et absolvere constituit. Qua oblata opportinutate, qusesitum etiam est de
â 57 â
Tegen dit gevoelen verklaarde zich reeds vroeger de Magister-Generaal der Kruisheeren, openlijk in het bovenvermeld tijdschrift: Nouvelle Revue
necessitate recitandi tertiam saltern partem Rosarii B. V. Marise, ut Indulgentia illa acquiri possit, quem-admodum fortasse innuere videbantur verba, quibus Romani Pontifices prsefatas Indulgentias adamussim adnexas Rosariis a Magistro General! dicti Ordinis benedictis concesserunt. Insuper quum plures sacerdotes turn a Sanctissimo Domino Nostro Papa, tum a Sacra ipsa Congregatione privilegium ex-postulaverint Rosaria benedicendi cum applicatione Indulgentiae, quam ipsis sodales Crucigeri adnec-tunt, qusesitum quoque est de hitjusmodi precibus exaudiendis vel respuendis.
Quae omnia sequentibus dubiis propositis com-plexa sunt;
lo Utruvi Indulgentia quingentorum dierum quoties in Rosariis per Crucigeros benedictis oratio dominica, vel salutatio angelica devote dicatur re-vocanda sit.
a) vel uti apocrypha, sen ratione dubicc authen-ticitatis.
b) vel uti indiscreta, seu ratione indiscretcc con-cessionis.
c) vel ob alias extrinsecas rationes.
Et quatenus negative ad omnes I dubii partes.
IIo Utrum eadem Indulgentia rata habenda sit et confirmanda, vel potius dicenda sit ratihabitione et confirmation c non indigere.
_ 58 -
Thcologiqne. (!) En terecht, zooals-blijkt uit het volgende ;
In de Breve der vergunning wordt alleen melding gemaakt, dat de Magister-Generaal der Kruisheeren met aflaat van 500 dagen kan verrijken de zoogenaamde Rozenkransen der H. Maagd (rosariis B. M. V. nuncupatis) ; van de Kransen, die een anderen uitwendigen vorm hebben, zooals die der H. Brigitta, der 7 Smarten, enz. is geen letter in de Breve te vinden. Welnu volgens de uitdrukkelijke verklaring der H. Congr, der
Ulo Utnim pro acquirenda eadem Indulgentia necesse sit integrum Rosarium devote recitare.
IVo Utrum expediat aliis etiam Sacerdotihus concedi privilegium benedicendi Rosaria cum appli-catione Indulgentia: quo gaudent Sodales Crucigeri?
Et Patres Eminentissimi in Congregatione General! habita die li Martii 1884 in Aedibus Apostolicis Vaticanis rescripserunt:
Ad I. Negative in omnibus.
Ad 11. Non indigere.
Ad III et IV. Negative.
Die vero 15 eiusdem mensis et anni, facta ab infrascripto Sacrce Congr. Secretario relatione, SS. Dominus Noster Leo Papa XIII Patrum Cardinalium responsiones benigne approbavit.
(»). Tom. XI, 252.
â 59 â
Afl. 15 Jan. 1839 bestaat de zoogenaamde Rozenkrans der H. Maagd slechts uit 150/5 tientjes D. A. 268.
Derhalve hebben de Kruisheeren uit kracht van bovenaangehaalde Breve slechts de macht, om den aflaat van 500 dagen te hechten aan de Rozenkransen van 15 en 5 tientjes en geenszins aan de Kransen der H. Brigitta, of van de 7 Smarten enz., omdat deze niet onder den naam van Rozenkransen der H, Maagd kunnen gerangschikt worden ; maar volgens de verklaring der aangehaalde Congregatie daarvan geheel onderscheiden zijn, zoowel in gebed als samenstel. Zie verder âAlgemeene Bemerkingenquot;.
Datum Romse, ex Secretaria S. Congregationis Indulgentiis Sacrisque Reliquiis praipositcc, die 15 Martii 1884.
Al. Card. Oreglia a S. Stepliano, Praefectus. Franciscus Delia Volpe, Secretarius.
Acta S. Sedis xvi, 404.
â 6o â
Krans der H. Brigitta.
Deze Krans wordt aldus genoemd, omdat de H. Brigitta, prinses van Zweden, gestorven te Rome in 1373 en heilig verklaard in 1391, deze heeft ontworpen en verspreid.
Deze heilige, wereldberoemd door de Openbaringen, waarmede zij werd begunstigd, stelde, om de vereering der allerheiligste Moeder des Heeren uit te breiden, een Krans samen uit 6 tientjes, ter gedachtenis der 63 jaren, welke Maria, naar men zegt, hier op aarde heeft geleefd, alsmede ter gedachtenis harer 7 Smarten en 7 Vreugden.
Aan elk tientje bidt men eens het Onze Vader, tienmaal het Wees gegroet en eens het Geloof (in plaats van Glorie zij . .); op het einde nog eens het Onze Vader om het getal 7 en driemaal het Wees gegroet om het getal 63 volledig te maken.
AFLATEN. (Raecolta bl. 190.) I. Uitsluitend voor wie den eigenlijken Krans van Brigitta van 6 afdeelingen bidden.
Paus Leo X vergunde bij Bulle van 10 Juli 1515, aan wie alleen, of in ver-eeniging met anderen godvruchtig ge-melden Krans bidt:
Een aflaat van 7 jaren en 7 quadra-genen, en:
Een aflaat van 100 dagen voor elk Onze Vader, elk Wees gegroet, en elk Geloof. (1).
Paus Benedictus XIV, bij Breve van den 15 Januari 1743, genoemde aflaten bekrachtigende, verleende bovendien :
Een vollen aflaat in het uur des doods voor wie gewoon zijn geweest gemelden Krans minstens eens per week te bidden, wanneer zij alsdan, na voorafgaande Biecht en H. Communie, met godsvrucht hunne ziel Gode aanbevelen, of ten minste met rouwmoedig hart den zoeten
('). Om dezen aflaat te verdienen moet mende intentie hebben den Krans van 6 tientjes gansch rond te bidden. H. Congr. der Afl. 29 Mei 1841. D. A. 291 ad 8.
â 02 â
Naam van Jezus aanroepen, wanneer zij dit met den mond niet vermogen.
Een vollen aflaat voor wie de gewoonte heeft gehad gemelden Krans gedurende eene geheele maand te bidden, en op een dag naar verkiezing derzelfde maand, na te hebben gebiecht en gecommuniceerd, eene kerk bezoekt en daar bidt voor de gewone doeleinden van Z. H. den Paus.
Een aflaat van 40 dagen aan hen, die genoemden Krans bij zich dragen, en op het teeken der klok geknield bidden voor eenen of anderen stervende.
Een aflaat van 20 dagen voor hen, die, terwijl zij genoemden Krans bij zich hebben, met leedwezen over hunne zonden, het gewetensonderzoek verrichten en driemaal het Onze Vader en driemaal het Wees gegroet bidden.
Een aflaat van 100 dagen aan hen, die gemelden Krans bij zich dragende, op een dag welken ook de H. Mis hooren, of bij de verkondiging van Gods woord zijn, of de H. Teerspijze begeleiden, of een afgedwaalde terugbrengen
â «3 â
op den weg der zaligheid, ofeenig ander godvruchtig werk verrichten ter eere van O. H. Jesus Christus, van de allerheiligste Maagd of van de H. Brigitta en daarbij 3 Onze Vaders cn 3 Wees gegroete «bidden. II. Uitsluitend voor wie zonder onderbreking ten minste 5 tientjes van dezen Krans bidt, waarvan elk tientje bestaat uit één Onze Vader, lo IVees gegroeten en één Geloof.
Paus Clemens XI vergunde bij Bulle, âDe salute gregisquot; van den 22 Sept. 1714: Een vollen aflaat op een dag naar verkiezing voor hem, die een geheel jaar lang dagelijks 5 tientjes van gemelden Krans bidt. (Voorwaarden : Biecht, H. Communie en bidden tot intentie van den Paus.)
Benedictus XIV verleende bij Breve, boven aangehaald :
Een vollen aflaat voor wie de gewoonte hebben genoemden Krans van 5 tientjes ten minste eens per week te bidden, en, na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht en gecommuniceerd, op den feestdag der H. Brigitta (8 Oct.) hunne eigene parochiekerk bezoeken, en daar bidden op bovengemelde wijze.
- 64 -
VOORWAARDEN.
Om bovenstaande aflaten te verdienen is het een vereischte, dat men zich bediene van een Krans der H. Brigitta, bestaande uit 6 afdeelingen, of van een Kroon van 5 of 15 tientjes, gezegend door de Oversten der reguliere Koor-heeren van den allerh. Verlosser, of door andere priesters dierzelfde Orde, welke daartoe gemachtigd zijn, of eindelijk door elk ander priester, die daartoe de noo-dige volmacht heeft ontvangen. (1)
Om de aflaten, gerangschikt onder n0 I, bf die aangehaald zijn onder n0 II, te verdienen, doet het niet ter zake van welk soort van Krans men zich bediene, hetzij die uit 6, hetzij die uit 5 of 15
(â ). De H. Stoel verleent tegenwoordig met de volmacht, om aan voorwerpen van godsvrucht de Apostolische aflaten te hechten, tegelijkertijd ook de macht om de Rozenkransen te brigitteeren. Die volmacht kan elk biechtvader verkrijgen, mits hij het aanvrage. Zie formulier in het Derde Deel.
- 65 -
tientjes besta, doch dit hangt alleen af
van de wijze van bidden. Bidt men aan een gebrigitteerden Krans, hetzij van 6, hetzij van 5 of 15 tientjes, op de wijze gelijk wij boven bi. 60 hebben aangegeven, dan kunnen de aflaten, gerangschikt onder n0 I verdiend worden, mits de overige vereischten volbracht worden. Bidt men aan genoemde Kransen slechts 5 tientjes, waarvan elk tientje bestaat uit één Onze Vader, 10 Wees gegroe ten en eens het Geloof, dan kunnen slechts de aflaten, welke onder n0 II zijn aangegeven, worden verdiend.
Indien men den Krans der H. Brigitta op deze laatste wijze bidt, is het volgens een Decreet der H. Congr. der Afl. van den 20 Mei 1886 niet noodig, dat men op het einde er één Onze Vader en 3 Wees ge groeten bij voege; doch het Geloof moet na elk tientje altijd gebeden worden in plaats van Glorie zij.
Op welke wijze men den Krans der H. Brigitta bidt, het wordt in geen geval S. d. II. v.
â 66 â
vereischt, dat men mediteerc ⢠over de J, i 5 Geheimen van O. H. J. C. M. Congr. der Afl. i Juli 1839. D. A. 273.
Als men genoemden Krans beurtelings bidt, wordt vereischt, dat elk een ,, gebrigitteerden krans in de handen houde en zich daarvan naar gewoonte bediene. Beringer âles Indulgencesquot; I, 366.
Zie verderâAlgemeene Bemerkingenquot;.
Krans der zeven Smarten.
Wij hebben dezen Krans te danken aan de zeven Stichters van de klooster-Orde der âDienaren van Mariaquot;, heden ten dage algemeen gekend onder den naam van âOrde der Servietenquot;.
Om de zeven Smarten van Maria meer bijzonder te vereeren en aldus de geloovigen deelachtig te maken aan de hemelsche bescherming hunner Patrones, verspreidden deze HH. mannen een Krans, samengesteld uit zeven zeventallen, waarvan elk één Onze Vader en zeven Wees gegroeten bevat ter eere
â 67 â
der zeven Smarten van Maria. Op het einde voegt men er nog 3 Wees gegroetcn bij ter gedachtenis van de zeven Tranen der allerh. Maagd.
AFLATEN. (Raccolta bi. 201.)
Paus Benedictus XIII vergunde bij Breve : âRedemptoris Dominiquot; 26 Sept. 1724 :
Ecu aflaat vail 200 dagen voor ieder Onze Vader en voor ieder Wees gegroet, aan alle geloovigen, die na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht, of althans met het ernstige voornemen van te willen biechten, dezen Krans bidden in de kerken van de Orde der Servieten.
Een aflaat van 200 dagen aan wie deze godsvrucht, op welke plaats dan ook, in beoefening brengt op de Vrijdagen, op alle dagen in de Vaste en op den feestdag van het octaaf der zeven Smarten van de allerh. Maagd Maria.
â 68 â
Een aflaat van roo dagen, wanneer gemelde oefening verricht wordt op een plaats, of op een dag van het jaar welke ook.
Een aflaat van 7 jaren en evenzooveel quadragenen, wanneer men den geheelen Krans bidt, hétzij alleen, hétzij in gezelschap van anderen.
Paus Clemens XII, bij Breve: âuni-geniti filii Deiquot; van 12 December 1734 bekrachtigde bovengenoemde aflaten en voegde er nog de volgende bij :
Een aflaat van 100 jaar aan de ge-loovigen, die gemelden Krans onmiddellijk hebben ontvangen van een kloosterling der Orde der Servieten, telkens als zij dien, na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht, of met het vaste voornemen van te willen biechten, godvruchtig bidden.
*Een aflaat van 150 jaar, wanneer men dien godvruchtig bidt op de Maandagen, Woensdagen en Vrijdagen, en opde verplichte feestdagen, mitsmen waarlijk rouwmoedig biechte, den Krans op
â 69 â
bovenvermelde wijze ontvangen hebbe, en dien bij zich drage.
*Een aflaat van 200 jaar aan alle geloovigenj die genoemden Krans na een nauwkeurig gewetensonderzoek, en na eene rouwmoedige Biecht godvruchtig bidden en daarbij een gebed voegen tot intentie van den Paus.
Een aflaat van 10 jaar aan hen, die een der genoemde Kransen bij zich hebben, dien dikwijls bidden, en na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht en gecommuniceerd, de H. Mis bijwonen, of met vereischte aandacht het woord Gods aanhooren, of het Allerh. Sacrament vergezellen, als het naar een zieke wordt gebracht, of vijanden verzoenen, of zondaren tot boetvaardigheid terugbrengen, ofwel met godsvrucht 7 Onze Vaders en 7 Wees gegroeten bidden, of eenig geestelijk of tijdelijk werk van barmhartigheid verrichten, ter eere van O, H. Jezus Christus, van de allerh. Maagd Maria, of van den een of anderen Heilige, hun patroon.
â -JO â
*Ecn vollen aflaat eens per jaar, aan allen, die de godvruchtige gewoonte hebben dienzelfden Krans viermaal elke week te bidden, op een dag naar verkiezing waarop zij, na waarlijk rouwmoedig te hebben gebiecht en gecommuniceerd, dien met godsvrucht bidden.
Een vollen aflaat eens in de maand aan hen, die hem eene gansche maand dagelijks bidden. (Voorwaarden, rouwmoedige Biecht, Communie en bidden tot intentie van den Paus.)
Paus Pins IX heeft bovengenoemde aflaten bekrachtigd bij Rescript der H. Congr. der Afl. van den 18 Juli 1877.
VOORWAARDEN.
Om gemelde aflaten te kunnen verdienen is het eene vereischte, dat de Kransen gewijd zijn door de Oversten van de Orde der Servieten, of door anderen van dezelfde Orde door dezelfde Oversten daartoe gemachtigd, ofwel.
â 7i â
volgens eene vergunning van Paus Leo XIII, 19 Jan. 1884, door elk ander priester, die daaitoe de macht heeft ontvangen. Raccolta 203. R. A. 652.
Bij het wijden van die Kransen moet men zich noodzakelijk van het voorgeschreven formulier bedienen. H. Congr. 29 Febr. 1864 D. A.401. (Zie dit formulier Derde Deel.)
Daarenboven wordt gevorderd, dat men onder het bidden van dezen Krans de voornaamste Smarten, welke de H. Maagd gedurende het leven en bij den dood van Haar goddelijken Zoon onderstaan heeft, opzegge en daarover medi-teere. Doch dewijl ongeletterde personen, en zelfs zij die meer onderwezen zijn, niet altijd in staat zijn tot overweging, heeft Z. H. Leo XIII door een Rescript van den 15 Mei 1886 verklaard, dat voornoemde aflaten, uitgenomen die met een * geteekend zijn, ook kunnen verdiend worden door die geloovigen, die, om welke redenen dan ook, gedurende het bidden van den Krans de
â 72
Zeven Smarten van Maria niet opzeggen noch daarover mediteeren, mits zij de overige voorwaarden vervullen. Rac-colta. ib.
Zie hier in 't kort die Zeven Smarten van Maria.
1. De Voorzegging van Simeon
2. De Vlucht naar Egypte.
3. Het Verlies van Jezus.
4. De Ontmoeting van Jezus.
5. De Dood van Jezus.
6. De Afdoening van het kruis.
7. De Begrafenis van Jezus.
Zie verder â Algemeene Bemerkingenquot;.
Kransje der Onbevlekte Ontvangenis.
Dit Kransje, ontworpen door P. Bona-ventura de Ferraris, een minderbroeder Capucijn in 'tjaar 1845, heeft zich welhaast overal verspreid en menigvuldige genaden bekomen.
liet bestaat uit 12 ÃVces gcgroetcn en 3 Onze Vaders, en men bidt het als volgt:
â 73 â
âGezegend zij de heilige en Onbevlekte Ontvangenis der allerheiligste Maagd Mariaquot;. Vervolgens bidt men eens het Onze Vader, viermaal het Wees gegroet, en eens het Glorie zij. Deze gebeden herhaalt men driemaal.
AFLATEN. (Raccolta. bl. 300.)
Z. H. Paus Pius IX verleende bij Breve van den 25 Juni 1855, aan alle geloovi-gen, die eene maand lang dagelijks, ten minste met rouwmoedig hart en godvruchtig dit Kransje hebben gebeden:
Een vollen aflaat, te verdienen op den dag, waarop men waarlijk rouwmoedig biecht en communiceert.
Een aflaat van 300 dagen telkens als men het ten minste met rouwmoedig hart en godvruchtig bidt.
VOORWAARDEN.
Dit Kransje moet gezegend worden door een P. Capucijn, of wel door eenen
â 74 â
anderen priester, die van hunnen Generaal of van den. H. Stoel daartoe de macht heeft ontvangen. Zie âAlgemeene Bemerkingenquot;.
Kruisen, Kransen en Rozenkransen van het H. Land.
De Eerbiedwaardige Paus Innocentius XI vergunde bij Breve âUnigeniti Dei fïliiquot; van 28 Jan. 1688, bevestigd door Innocentius XIII bij Decreet van de H. Congregatie der Aflaten 4 Juni 1721, alle geloovigen, die een der Kransen, Kruisen of ook Rozenkransen (van andere voorwerpen, zooals Medaljes enz. wordt geen melding gemaakt), die de HH. Plaatsen en HH. Relikwieën van het H. Land hebben aangeraakt, bij zich dragen, de volgende aflaten :
1. Ecu vollen aflaat in het stervensuur, indien zij, na met waar berouw gebiecht en gecommuniceerd te hebben, of zoo dit niet mogelijk is, tenminste
â 75 â
berouwvol met liet hart, als zij het met den mond niet vermogen, godvruchtig den Naam van Jezus aanroepen.
2. Een vollen aflaat op de navolgende feestdagen: Kerstmis, Driekoningen, Hemelvaart, Pinksteren, Drievuldigheid, H. Sacramentsdag, O. L. V. Zuivering, Maria-Boodschap, Maria-Hemelvaart, Maria-Geboorte, St. Jan den Dooper, Petrus en Paulus, Andreas Jacobus, Joannes, Thomas, Philippus en Jacobus, Bartholomeus, Matheus, Simon en Judas, Mathias en Allerheiligen.
Om op gemelde dagen den vollen aflaat te verdienen moet men ten minste eenmaal in de week een der volgende gebeden verrichten, te weten: of de kerkelijke Getijden, of de kleine Getijden der H. Maagd, of de Getijden der Overledenen, of de zeven Boetpsalmen, of de Trappsalmen, of het Kransje Onzes Heeren, of eene van de Kransen der H. Maagd, of den Rozenkrans (van 15 tientjes) of het derde gedeelte van^den
M Q t sl
_ 76 -
Rozenkrans bidden; ofwel moet men de gewoonte hebben; of de christelijke Leer te onderwijzen, of de gevangenen in den kerker, of de zieken in de gasthuizen te bezoeken, of de armen te helpen, of de H. Mis bij te wonen, of die te doen, als men priester is. Men moet daarenboven op bovengenoemde feestdagen tot de H.H. Sacramenten naderen en godvruchtig bidden voor de uitroeiing der ketterijen en scheuringen, voor de uitbreiding van het katholiek Geloof, voor den vrede en de eendracht onder de Christen-vorsten, en voor de overige noodwendigheden der H. Kerk.
3. Een af laat van 7jaren en evenzooveel qua dragenen, indien zij dezelfde werken op de andere feesten des Heeren en der H. Maagd verrichten.
4. Een aflaat van 5 jaren en evenveel qtiadragenen, mits zij eiken Zondag, of op eenen anderen feestdag in het jaar, die werken doen.
5. Een aflaat van 100 dagen, die zulks doen op eiken anderen dag des jaars.
â 77 â
6. Een aflaat van 200 dagen, die de gevangenen in den kerker of de zieken in de gasthuizen zullen bezoeken en hen door een goed werk zullen bijstaan, of de christelijke Leer in de kerk zullen onderwijzen, of het te huis zullen doen aan hunne kinderen, naastbestaanden en dienstboden.
7. Een aflaat van 100 dagen, die, bij het kleppen der kerkklok, 's morgens, of 's middags, of 's avonds de gewone gebeden âde Engel des Heeren enz.quot; zullen doen, of zoo zij deze niet kennen, eenmaal het Onze Vader en het Wees
(!) Hier valt op te merken, dat daarbij alle geloovigen, die eiken dag op het teeken der klok, des morgens, of 's middags, of 's avonds na zonsondergang, geknield en godvruchtig âde Engel des Heerenquot; bidden met 3 Wees gegroeten, eens in de maand op een dag naar verkiezing kunnen verdienen :
Een vollen aflaat (voorwaarden: Biecht, H. Communie en bidden tot intentie van den Paus).
Een aflaat van 100 dagen op alle andere dagen van het jaar, telkens als zij met rouwmoedig hart en godvruchtig genoemd gebed bidden. Benedictus. XIII, bij Breve âInjunct.e nobisquot; 14 Sept. 1724.
_ 7» -
gegroet zullen bidden; of ook, wanneer zij bij het luiden van de doodsklok den psalm âde Proflmdisquot;, of, indien zij denzelven niet kennen, eens het Onze Vader en het Wees gegroet zullen bidden ; of die des Vrijdags godvruchtig het Lijden en Sterven van O. H. Jezus Christus overdenken en alsdan 3 Onze Vaders en Wees geg roeten zullen bidden ; of die met waar berouw over hunne zonden, en het vaste voornemen zich te verbeteren, hun geweten zullen onderzoeken, en met godsvrucht 3 Onze Vaders en 3 Wees ge groeten zullen
Dezelfde Paus bij Rescript van de H. Congr. der Afl. 5 Dec. 1727 verklaarde dat de regulieren van beider geslacht en de andere personen, die in communiteit leven, wanneer zij op het teeken dei-klok âde Engel des Heerenquot; niet kunnen bidden, omdat zij alsdan door de eenc of andere oefening van den regel worden bezig gehouden, desniettegenstaande genoemde aflaten kunnen verdienen, mits zij die gebeden verrichten onmiddellijk na afloop dier oefeningen.
Paus Benedictus XIV bevestigde den 20 April 1742 gemelde aflaten en schreef daarenboven voor, dat die gebeden alle Zondagen van 't jaar, te
â 79 â
bidden ter eere der Aüerh. Drievuldigheid, ofwel 5 Onze Vaders en 5 Wees gegroet en ter gedachtenis van de 5 wonden van O. H. J. C.
8. Een aflaat van 200 dage7i, die de gewoonte hebben, om ten minste eenmaal per week, een der Kransen, of Rozenkransen, of de kleine Getijden der allerh. Maagd, of die der Overledenen, of de Vespers, often minste een Nocturne met de Lauden, of de zeven Boetpsalmen met de Litanie en de gebeden, die daarop volgen, te bidden.
beginnen met de eerste Vespers, cl. i. van 's Zaterdags namiddags, staande moeten verricht worden, en dat gedurende den Paaschtijd, die begint met het âAlleluja' onder de Mis van Paaschzaterdag en eindigt met de Mis van Zaterdag na Pinksteren, in plaats van âde Engel des Heerenquot; de Antiphoon: âVerheug U Koninginquot; met vers en volgende oratie staande worden gebeden.
Alwie nochtans âVerheug U Koningin etc.quot; niet van buiten kennen, kunnen alsdan volstaan met âde Engel des Heerenquot; te bidden, 0111 de aflaten te verdienen.
Paus Pius VI stond bij Rescript der H. Congr. der Propaganda 18 Maart 1781 toe, dat op die plaatsen, waar de klok niet geluid
â So â
9. Een aflaat van 50 dagen, die het een of ander voorbereidend Gebed verrichten vóór het opdragen der H. Mis, vóór de H. Communie, of vóór het lezen der kerkelijke Getijden, of van de kleine Getijden der H. Maagd; of die met godsvrucht ten minste één Onze Vader en Wees gegroet bidden voor de geloovigen die op sterven liggen. Zie R. A. bl. 349 en volgende. D. A. n. 78.
wordt, alle geloovigen diezelfde aflaten verdienen, mits zij ongeveer op den aangehaalden tijd met rouwmoedig hart en godvruchtig gemelde gebeden verrichten.
Paus Leo XIII vergunde bij Rescript der H. Congr. der Afl. 3 . April 1884, dat alle geloovigen, die om wettige redenen verhinderd zijn âde Engel des Hoerenquot; geknield te bidden, of het teeken der klok niet kunnen hooren, toch de aflaten verdienen, mits zij 's morgens of tegen den middag, of 's avonds aandachtig en godvruchtig âde Engel des Heerenquot; en de 3 Wees gegroeten met het vers en volgende oratie, en gedurende den Paaschtijd âVerheug Uquot; met vers en oratie bidden.
Alwie genoemde gebeden niet kennen of niet kunnen lezen, moeten dezelve vervangen door 5 Wees gegroeten. Raccolta. 195.
â 8i â
N.B. Ofschoon genoemde voorwerpen geen zegening behoeven, daar die door de aanraking der H.H. Plaatsen en H.H. Relikwieën van Jerusalem wordt vervangen, is het nochtans ten strengste verboden, dezelve te verkoopen, tegen andere voorwerpen te verruilen, of te leenen met het inzicht op anderen de daaraan verbonden aflaten over te dragen, gelijk staat uitgedrukt in de Decreten van gemelde H. Congregatie van 4 Juni 1721 en 11 Febr. 1722 D. A. 78 en 82.
Zie verder âAlgemeene Bemerkingenquot;.
Apostolische Aflaten, gehecht aan Kransen, Rozenkransen, Kruisjes, Kruisbeelden, Beeldjes en Medaljes.
Ofschoon de Pausen reeds van de eerste tijden af gewoon waren, voorwerpen van goud, zilver of ander metaal te wijden en aan de Christen-geloovigen uit te deelen, waaraan de Pauselijke zegening en de uitdeeling van Kruisen,
_ 82 â
Kransen, Medaljes, enz., haar oorsprong ontleende, schijnt het nochtans, dat vóór de i6e eeuw aan deze voorwerpen geen aflaten verbonden werden. Toen nu Paus Sixtus V, bij de verbouwing der basiliek van Lateranen, tusschen de invallende muren, zeer vele gouden Medaljes en andere voorwerpen had gevonden, waarop het H. Kruis stond afgedrukt, liet hij deze uitdeden en vergunde vele aflaten aan hen, die een daarvan bij zich droegen, mits zij de daartoe voorgeschreven werken volbrachten, gelijk blijkt uit zijne Constitutie âLaude-mus viresquot; van i Dec. 1587 (Theod. a Sp. S. de Indulg. II. 207 en volgende.)
Zijne opvolgers hechten niet alleen aflaten aan de door hen gewijde Medaljes, maar ook aan Kransen, Rozenkransen, Kruisen, Kruisbeelden, enz., overwegende, dat zulks bij de Christen-ge-loovigen het geloof verlevendigt, alsook de akten van aanbidding jegens God, en van vereering jegens de allerh. Maagd en de Heiligen vermenigvuldigt.
- «3 -
AFLATEN.
Al wie in het stervensuur godvruchtig zijne ziel Gode aanbeveelt, en overeen-eenkomstig de onderrichting van Bene-dictus XIV z. g. opgenomen in zijne Constitutie van den 5 April 1747 âPia Materquot; bereid is den dood met onderwerping aan zijnen H. Wil aan te nemen, en daarbij met een waar berouw, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, en als dit niet kan, ten minste berouwvol met het hart, als hij het niet met den mond kan doen, den allerh. Naam van Jezus zal hebben aangeroepen, verdient :
Een vollen aflaat.
Voor de overige volle en gedeeltelijke aflaten, dezelfde als die aan de Kruisen en Kransen van het H. Land zijn verbonden, uitgenomen, dat bij de feestdagen onder n0 2, bi. 75 aangehaald, daarenboven nog de feestdag van Paschen, van O. L.V. Onbevlekte Ontvangenis en van den H. Joseph moet gevoegd en de
- «4 -
200 dagen onder n0 8 in ioo dagen moeten veranderd worden, gelieve men R. A. bl. 345 en volgende te raadplegen.
Bemerking. Z. H. Paus Leo XIII, die de Kjst der Apostolische Aflaten den 23 Febr. 1878 op nieuw heeft gepubliceerd, bevestigt hierbij het Decreet van Bene-dictus XIV, z. g. den 19 Aug. 1752 uitgegeven, waarbij Z. H. uitdrukkelijk verklaart, dat hij niet bedoelt, dat door dusdanige gewijde Kruisbeelden, Medal-jes enz. op de altaren te plaatsen, dezelve geprivilegieerd worden, noch dat de Missen, gedaan door een priester, die ze bij zich draagt, daardoor geprivilegieerd zijn. (!).
(') Men noemt een privilegieerd altaar, waaraan Z. H. de Paus het volgende voorrecht heeft verbonden : zoo dikwijls een priester op dusdanig altaar de H. Mis opdraagt voor de ziel van een overledene, die in Gods gratie is gestorven, verkrijgt hij uit de schatkist der H. Kerk voor die ziel een vollen aflaat, die uit zich zeiven de kracht heeft haar aanstonds uit het Vagevuur te verlossen, zoo het God behaagt.
Eene H. Mis is geprivilegieerd, wanneer de
- 85 -
Insgelijks heeft dezelfde Paus verboden, aan wien ook, die stervenden bijstaan, om hen met die Kruisbeelden den zegen met den aflaat in articulo mortis te geven, zonder eene bijzondere schriftelijk verkregen Vergunning, dewijl dezelfde Paus Benedictus XIV daarin voldoende voorzien heeft bij bovengenoemde Constitutie âPia Materquot;.
VOORWAARDEN.
Om voornoemde aflaten te verdienen moeten de Rozenkransen, Kruisjes, Me-daljes, enz. gewijd zijn door Z. H. den Paus, of eenen anderen daartoe gemachtigden priester. (!).
Daarenboven moeten de geloovigen een der vermelde gewijde voorwerpen.
priester, op welke plaats ook, daardoor dezelfde voorrechten en gunsten bekomt, als dat hij dezelve op een privilegiöerd altaar opdroeg.
(') Wijze, waarop men die macht kan verkrijgen, zie formulier Derde Deel.
hetzij een Kruisje, hetzij een Rozenkrans, ^ hetzij een Beeldje of Medalje, bij zich dragen.
Indien zij ze niet bij zich dragen is het noodzakelijk, dat zij die in hunne 4 eigen kamer, of in eene andere gepaste plaats van hun woonhuis bergen, en dat zij de gebeden, tot het verdienen van eiken aflaat voorgeschreven, godvruchtig verrichten, terwijl zij een der genoemde voorwerpen bij zich dragen of voor zich hebben.
Uitgesloten van de concessie des Apostolischen zegen zijn de gedrukte of geschilderde afbeeldingen, insgelijks Kruisen, Kruisbeelden, Beeldjes en Me-daljes van tin, van lood, of van de eene of andere breekbare, of verslijtbare stof.
De Afbeeldingen moeten Heiligen voorstellen, die reeds heilig verklaard zijn, of opgenomen in naar eisch goedgekeurde Martelaarsboeken. Zie verder âAlgemeene Bemerkingenquot;.
- 87 -
Kruisbeeld gewijd voor den Kruisweg.
De zieken en die christenen, welke zich of in den kerker bevinden, of op zee, of in ongeloovige landen, of die werkelijk in de onmogelijkheid zijn (!) de Staties van den Kruisweg, opgericht in de kerken of openbare bidplaatsen, te bezoeken, kunnen dezelfde aflaten winnen, als zij, die dezelve bezoeken, mits zij een Kruisbeeld, ten dien einde gewijd, in hunne handen houden en gedurende dien tijd godvruchtig en met een ten minste rouwmoedig hart (zonder merkwaardige onderbreking) 14 Onze Vaders, Wees gegroeten en Glorie zij
^). Volgens de âInstructie de stationibus S. Via Crucisquot; uitgegeven op bevel van den Generaal der Franciscanen en in 1884 goedgekeurd door de H. Congr. der Afl., moet men hierdoor geen volstrekte maar slechts zedelijke onmogelijkheid verstaan, d. w. z. elke waarlijk gegronde reden, waardoor men soms belet is de Staties van den Kruisweg te bezoeken, b. v. op reis zijn, ver van de kerk verwijderd wezen.
â 88 â
bidden, en op het einde 5 andere Onze Vaders, Wees ge groeten en Glorie zij ter eere van de vijf wondén, met neg één Onze Vader, Wees gegroet en Glorie zij voor den Paus. D. A. 3S7, Rac-colta 112.
Om de godsvrucht tot het lijden van O. H. J. C. meer en meer te vermeerderen en de geloovigen in de gelegenheid te stellen, de aflaten van den Kruisweg op de zielen van het Vagevuur te kunnen toepassen, stond Paus Leo XIII, den 19 Januari 1884, welwillend toe, dat, wanneer meerdere personen werkelijk belet zijn, zich naar eene plaats te begeven, waar de Kruisweg is opgericht, en onderling 20 Onze Vaders, Wees gegroeten en Glorie zij, als boven vermeld, bidden, het voldoende is dat één hunner het daartoe gewijd Kruisbeeld in zijne handen houde, mits de overigen alle uitwendige bezigheden ter zijde stellen en zich met dengene, die het Kruisbeeld in de handen houdt, in het gebed vereenigen. Acta S. Sedis XVII, 402.
- 89 -
Ten gunste van die personen, die wegens ernstige ziekte niet in staat zijn 20 Ome Vaders, Wees gegroeten en Glorie zij ... te bidden, heeft Z. H. Leo XIII, 19 Sept. 1890 den tegen-woordigen Minister-Generaal der Minderbroeders Observanten de volmacht verleend, om, zoolang deze dat hooge ambt bekleedt, toe te staan, dat zij desniettegenstaande de aflaten kunnen verdienen, mits zij in plaats van genoemde gebeden mondelings eene akte van berouw verwekken, het smeekgebed âTe ergo quaesumus tuis famulis subveni, quos pretioso sanguine redemisti.quot; (Wij bidden U dus, (Heer) kom uwe dienaren te hulp, welke Gij door uw kostbaar bloed hebt vrijgekocht) opzeggen en daarenboven 3 Onze Vaders, Wees gegroeten en Glorie zij ... bidden, of, wat de 3 Onze Vaders, Wees gegroeten en Glorie zij betreft, ten minste zich in den geest met een der aanwezigen in gebed vereenigen, die deze gebeden voorzegt. N. R. XXIII, 14.
_ 9° â
VOORWAARDEN.
De Kruisjes, waarop een Christusbeeld is geschilderd of gegraveerd, zijn niet voldoende om de aflaten te verdienen, doch het is eene vereischte, dat op de kruisjes een Christusbeeld van koper, of eene andere harde stof gehecht of ten minste, volgens de verklaring der H. Congr. der Afl. 24 Mei 1883, een weinig is verheven.
De Kruisbeelden moeten gezegend worden door de Oversten van de Orde der Minderbroeders-Observanten, of door eiken anderen priester, die daartoe van den Generaal dier Orde, of wel van den H. Stoel de bijzondere macht heeft ontvangen. Zie verder âAlgemeene Bemerkingenquot;.
â 9' â
Bemerking over den Kruisweg.
Wij oordeelen het nuttig hier de voorwaarden aan te gever, die vereischt worden, om de aflaten, aan de beoefening van den Kruisweg verbonden, te kunnen verdienen, dewijl die oefening, door den gelukzaligen Leonardus a Portu Mauritio âeene onuitputbare mijn van genadequot; genoemd, zoo algemeen is onder de geloovigen.
Al wie godvruchtig den Kruisweg bezoekt, kan. behalve de ontelbare voor-deelen, die daaraan zijn verbonden, daarenboven alle aflaten verdienen, door de Pausen aan de geloovigen toegestaan, die in persoon de H. H. Plaatsen van Jerusalem bezoeken. (!) Raccolta bl. uo en volgende.
Om de aflaten, aan de beoefening van den Kruisweg verbonden, te kunnen winnen, wordt gevorderd:
(') Door de II. H. Plaatsen van Jerusalem moet men alleen de Staties van den Kruisweg van Jerusalem verstaan. Beringer I, 285â286.
â 92 â
1°. Dat de Kruisweg naar behooren en wettig zij opgericht.
2°. Dat men bij het bezoeken van den Kruisweg volgens zijne vermogens het Lijden van onzen goddelijken Verlosser J. C. overwege. Raccolta bl. ui.
Het is zonder twijfel een godvruchtig en loffelijk gebruik bij iedere Statie te bidden: wij aanbidden U.... Onze Vader .... Wees gegroet... Ontferm U onzer enz., doch als de oefening van den Kruisweg afzonderlijk wordt gedaan, zijn noch deze, noch eenige andere mondgebeden, noch de zes Onze Vaders, die gewoonlijk op 't einde van den Kruisweg tot intentie van Z. H. gezegd worden, noodzakelijk tot het verdienen der aflaten, alleen eene korte overweging wordt alsdan gevorderd. D. A. 257, 259. Raccolta ib.
3°. Dat men van de eene Statie tot de andere ga, in zoover de menigte der bezoekers, of de ruimte der plaats, waar de 14 Staties zijn opgericht, dit toelaat.
â 93 â
H. Congr. 26 Febr. 1841. D. A. 287. Raccolta ib.
Wanneer bij de plechtige oefening van den Kruisweg stoornis zou ontstaan, zoo alle geloovigen van de eene Statie tot de andere gingen, heeft de H. Congr. der Afl. 6 Aug. 1757 de wijze, door den H. Leonardus a Porta Mauritio aangegeven, ter navolging voorgesteld: âdat alsdan de geloovigen op hunne plaats blijven en alleen een priester met twee dienaren van de eene Statie tot de andere ga en voor elke Statie stilstaande de gebruikelijke gebeden voor-zegge, en de geloovigen daarop antwoordenquot;. D. A. 210.
Indien wegens de ruimte der kerk of om andere plaatselijke gesteltenissen de geloovigen moeilijk den priester, die de gebeden bij de Staties voorbidt, kunnen verstaan, mag de priester, die de gebeden verricht, zonder dat daartoe eene bijzondere toestemming wordt vereischt, zich plaatsen op den predikstoel, of op elke andere plaats, waar
â 94 ^
hij kan verstaan worden, mits een tweede priester, vergezeld van twee dienaren, terzelfder tijd de Staties rondga en bij elk dezer zich een weinig ophoude. Rescript der H. Congr. de Propaganda, van den i Maart 1884.
40 Dat de oefening van den Kruisweg achtereenvolgens geschiede, zonder merkwaardige onderbreking. H. Congr. der Afl. 22 Jan. 1858. D. A. 385.
Eene kleine onderbreking evenwel, vooral als men geene uitwendige bezigheden verricht, belet niet dat men de aflaten winne; zoo kan men de oefening van den Kruisweg onderbreken om de H. Mis te hooren, te communi-ceeren, te biechten enz.
Voor de aflaten, aan de beoefening van den Kruisweg verbonden, is de Biecht of H. Communie niet gevorderd, alleen de staat van genade is voldoende.
Volgens een Decreet der H. Congr. der Afl. 1 Maart 1819 kunnen de aflaten, aan de oefening van den Kruisweg
â 95 â
gehecht, ten alle tijden, dag en nacht verdient worden. D. A. 245.
Zooals wij op bi. 33 gezien hebben, kan een en deselfde volle aflaat slechts éénmaal op een dag verdiend worden, uitgenomen dat het duidelijk in de Vergunning staat uitgedrukt, dat dezelfde volle aflaat meermalen per dag kan worden verkregen. Daar het nu volgens de verklaring der H. Congr. der Afl. 10 Sept. 1883 uit de bewijsstukken niet blijkt, dat de aflaten, aan de oefening van den Kruisweg verbonden, zoo dikwijls kunnen verdiend worden, als men genoemde oefening herhaalt, R. A. 443, is het geredelijk af te leiden, dat de volle aflaten van den Kruisweg slechts ééns per dag kunnen verdiend worden. Dit neemt niet weg dat de oefening van den Kruisweg meermalen per dag zeer heilzaam is: i0 omdat wij daar de overgroote liefde van Jezus leeren kennen en onze ondankbaarheid inzien, 2° omdat wij daar alle soorten van deugden leeren beoefenen, waarvan
- 96 -
Hij ons het voorbeeld heeft gegeven en 3° om de menigvuldige gedeeltelijke aflaten, die daardoor kunnen verkregen worden.
Volgens de wenken der H. Congr. der Afl., uitgegeven op last van en met goedkeuring der Pausen Clemens XII, 3 April 1731 en Benedictus XIV 10 Mei 1742, moeten de geloovigen de oefening van den Kruisweg niet verrichten onder het H. Sacrificie dei-Mis, of andere godsdienstoefeningen, of wanneer er eene zoodanige toeloop van volk is, dat daardoor stoornis zoude ontstaan. D. A. 100.
Medal je of Kruis van den Heiligen Benedictus.
Deze Medalje stelt op de eene zijde het Kruis, het werktuig onzer Verlossing, voor, en op de andere zijde wordt de H. Benedictus afgebeeld, houdende in
â 91 â
zijne rechterhand een Kruis, waardoor hij zoovele wonderen verrichtte. Behalve de beeldtenis van het H. Kruis en die van den H. Benedictus, ziet men op de Medalje een zeker getal letters, die, elk voor zich, een latijnsch woord vertegenwoordigen. Deze verschillende woorden vormen te zamen eenen zin, die de strekking der Medalje duidelijk te kennen geeft.
Tusschen de vier armen van het Kruis staan de vier letters: C. S. P. B. zij beteekenen: Crux Sancti Patris Bencdicti d. i. Het Kruis van den heiligen Vader Benedictus.
Op de rechte of staande lijn van het Kruis leest men: C. S. S. M. L. wat wil zeggen : Crux sacra sit mi hi lux d. i. Het heilig Kruis zij mij een licht.
Op de dwarslijn van hetzelfde Kruis leest men: N. D. S. M. D. wat be-teekent: Non draco sit mihi dux. d. i. de draak zij mijn geleider niet.
vu.
S. d. H.
- 9» -
Rondom de Medalje bevindt zich een meer lang opschrift, dat in de eerste plaats aanduidt den heiligen naam van Jezus, uitgedrukt door het monogram : I. H. S.; vervolgens komen, beginnende aan de rechterzijde, de volgende letters : V. R. S. N. S. M.V. S. M. Q. L. I. V. B.; het zijn de beginletters van deze twee versen;
Vade retro satana; numquam suade mihi vana.
Sunt mala quse libas, ipse venena bibas.
In het Hollandsch: Ga weg satan, raad mij nimmer uwe ijdelheden aan; de drank, dien gij schenkt, is het kwaad ; drink gij zelf het vergift.
Talrijke en onbetwistbare feiten bewijzen, dat de geloovigen door het godvruchtig gebruik der Medalje van den H. Benedictus te allen tijde buitengewone genaden hebben bekomen, zoo voor de ziel als voor het lichaam.
Uit de menigvuldige voorbeelden van wonderbare uitwerksels, welke F. Guéran-ger en meer andere schrijvers aanhalen,
blijkt dat zij godvruchtig gebruikt wordt in de volgende gevallen :
1. tegen vergiftiging, pest en andere ziekten;
2. voor de gelukkige geboorte der kinderen;
3. tegen de ziekten van het vee;
4. om gevaren te ontkomen;
5. tegen alle werkingen des duivels;
6. eindelijk (dat meer dan elk tijdelijk voordeel te achten is) om de bekeering te bekomen der zondaars, en om allerlei soort van bekoringen te verdrijven.
De beruchte J. B. Thiers, betichtte in zijne âVerhandeling over de bijgeloo-vigheden (') deze Medalje als verdacht en aangestoken van bijgeloof.
Om de geloovigen gerust te stellen en alle voorgewende bekommeringen der rationalisten te doen verdwijnen, gaf Paus Benedictus XIV, na een ernstig onderzoek, bij Breve âCoelestibus Ecclesiaequot;
(l). Dit werk is op de lijst der verbodene boeken geplaatst.
â IOO â
van 12 Maart 1742, degoedkeuringaan de Medalje met het Kruis, de beeldtenis van den H. Benedictus en de letters, welke de Medalje voorstelt. Hij bekrachtigde het zegeningsformulier, wat op de Medalje moet worden toegepast, en vergunde talrijke aflaten aan degenen, die godvruchtig de Medalje zouden dragen.
(AFLATEN. R. A. 199.)
I. Volle aflaat op de volgende feestdagen ; Kerstmis, Driekoningen, Paschen, 's Heeren Hemelvaart, Drievuldigheid, H. Sacramentsdag, Onbevl. Ontvangenis, Maria Geboorte, Maria Boodschap, Lichtmis, Maria Hemelvaart, Allerheiligen, feestdag van den H. Benedictus (21 Maart).
Om op genoemde dagen den vollen aflaat te verdienen moet men ten minste eenmaal in dc week een der volgende gebeden verrichten, te weten: of het
- IOI -
Kransje onzes Heeren, of den Rozenkrans, of het derde gedeelte van den Rozenkrans, of de Kerkelijke Getijden, of de kleine Getijden der H. Maagd, of de Getijden der Overledenen, of de zeven Boetpsalmen, of de Trappsalmen bidden; of wel moet men de gewoonte hebben een der volgende goede werken te doen, namelijk : kinderen of andere onwetende personen onderwijzen in de eerste beginselen der geloofsleer, of de gevangenen in de kerkers, of de zieken in de gasthuizen bezoeken, of armen helpen, of de H. Mis bijwonen, of die doen, als men priester is. Daarenboven wordt gevorderd, dat men op genoemde dagen tot de H. H. Sacramenten nadere en godvruchtig bidde tot intentie van Z. H. den Paus.
2. Volle aflaat voor degenen, die in het stervensuur godvruchtig hunne ziel Gode aanbevelen, en na voorafgaande Biecht en H. Communie, of zoo dit niet mogelijk is, ten minste berouwvol met het hart, als zij het met den mond niet
â I02 â
vermogen, de heilige namen van Jezus en Maria aanroepen.
3. Al wie op Witten-Donderdag en op Paaschdag, na rouwmoedig gebiecht en gecommuniceerd te hebben, godvruchtig bidden tot verheffing der H. Kerk en voor het welzijn van Z. H.den Paus, verdient dezelfde aflaten, welke de Paus verleent, door op die dagen openlijk aan het volk den pauselijken zegen te geven.
4. Aflaat en kwijtschelding van het derde deel der straffen, voor dengene, die door zijne goede voorbeelden en raadgevingen, een zondaar tot boetvaardigheid zal gebracht hebben.
5. Een aflaat van 20 jaar eens per week voor al wie eiken dag zal bidden voor de uitroeiing der ketterijen.
6. Een aflaat van 7 jaar en 7 quadragenen voor al wie de godvruchtige werken onder n0 1 aangegeven zal verrichten op de andere feesten des Heeren, der H. Maagd, en der H. H. Apostelen, alsmede op de feestdagen
â io3 â
van den H. Joseph, van den H. Maurus, den H. Placidus, de H. Scholastica, en de H. Gertrudis.
7. Een aflaat van 7 jaren en 7 quadragenm, voor alwie de H. Mis zal bijwonen, of die zal doen, als hij priester is, en daarbij zal bidden voor de welvaart der Christen-vorsten en voor de rust van hunne staten.
Voor de overige gedeeltelijke aflaten, ongeveer dezelfde als die aan dc Kransen en Kruisen van het H. Land zijn verbonden, gelieve men te raadplegen het werk van P. Guéranger bl. 134â140, of de R. A. bl. 161.
VOORWAARDEN.
De Medaljes moeten zijn van goud, zilver, koper, brons, of van een ander solied metaal en volgens voorgeschreven formulier gewijd worden door de
('). Zie dit formulier Derde Deel.
P. P. Benedictijnen of door eenen anderen priester, die door hunne Oversten daartoe is gemachtigd.
Om de Aflaten te verdienen wordt gevorderd, dat men de Medalje godvruchtig bij zich drage; doch tot het bekomen der overige voordeden is het voldoende, dat men ze in eene geschikte plaats van het woonhuis berge en daarvan naar omstandigheden een godvruchtig gebruik make. Hiertoe worden geene bijzondere gebeden voorgeschreven; nochtans is het zeer raadzaam, dat men ten minste eiken Dinsdag vijfmaal het Onze Vader ter gedachtenis van het Lijden des Heeren, driemaal het Wees gegroet ter eere van de Onbevlekte Maagd Maria, en driemaal het Glorie zij bidde, om de voorspraak van den H. Benedictus in te roepen.
Ook kan men deze gebeden herhalen, als men eene bijzondere gunst door de voorspraak van den H. Benedictus afsmeekt.
Daar deze Medalje, gelijk elk ander
â ids â
gewijd voorwerp, aan eenige algemeene voorschriften is onderworpen, raadplege men verder âAlgemeene Bemerkingenquot;.
Algemeene Bemerkingen.
Niemand kan voorwerpen met aflaten verrijken, zonder daartoe eene wettige volmacht te hebben ontvangen. Met die macht bekleed is het nog uitdrukkelijk verboden geschilderde of gedrukte afbeeldingen te wijden, (') insgelijks Kruisen, Kruisbeelden, Beeldjes en Me-daljes van tin, lood of van de eene of andere breekbare en verslijtbare stof. Nochtans mogen aan Rozenkransen en andere Kransen, in welken vorm ook, van tin, lood, hout, of van eene andere breekbare stof, als : koraal, albast, paarlemoer, marmer, enz., ja zelfs van glas, mits de koralen vast en sterk zijn, aflaten
('). N.B. Door het woord wijden verstaan wij eens en voor altijd de toevoeging der respectieve aflaten.
â io6 â
verbonden worden. H. Congr. der Afl. 20 Febr. 1820. D. A. 249, ad. 1 et 2.
Volgens een besluit der H. Congr. der Afl. van den 20 Febr. 1829 kunnen aan een en hetzelfde voorwerp verschillende aflaten worden gehecht. D. A. 249.
Aldus kan men aan een reeds gewij-den Rozenkrans nog andere wijdingen toevoegen, welke aan Rozenkransen van denzelfden uitwendigen vorm gegeven worden, maar niet die aan Rozenkransen van verschillenden vorm worden gehecht. Zoo kan aan een Rozenkrans, door de Dominicanen gewijd, b. v. wel de wijding der Kruisheeren gegeven worden, maar niet de wijding van den Krans der zeven Smarten of van de Kroon Onzes Heeren. En omgekeerd kan een Krans der zeven Smarten of de Kroon Onzes Heeren niet worden gewijd door de Dominicanen of de Kruisheeren. Beringer, âles Indulgencesquot;. I, 330.
Men moet nochtans in aanmerking nemen, dat, volgens het algemeen gevoelen, de geloovigen de aflaten dier
â io7 â
verschillende wijdingen met gelijktijdig kunnen verdienen door één en hetzelfde gebed; doch om aan de aflaten van iedere wijding deelachtig te worden, moeten zij telkens het gebed hernieuwen. Wanneer men dus aan een Rozenkrans bidt, die b. v. gewijd is door de Dominicanen en door de Kruisheeren, moet men vóór het bidden de intentie maken van welke wijding men de aflaten wil verdienen. Zou men evenwel geen intentie gemaakt hebben, dan mag men met grond veronderstellen, dat dan de wil der geloovigen is, de talrijkste aflaten te verdienen, en dat zij, aangezien de goedheid Gods, door die stilzwijgende intentiedie aflaten ook bekomen. N. R. III. 644.
Krachtens voornoemd Besluit der H. Congr. kunnen aan een en hetzelfde Kruisbeeld dan ook de apostolische aflaten (waaronder de volle aflaat in den doodstrijd zie bl. 83) en die van den Kruisweg toegevoegd worden.
Bij het wijden der Christusbeelden, worden de aflaten gehecht aan de beeldtenis
â io8 â
des Gekruisten, niet aan het kruis; zoodat men de beeldtenis, zonder gevaar van de aflaten te verliezen, van het eene kruis op 't andere kan hechten. H. Congr. der Afl. n April 1840. D. A. 281 ad 6.
Bij de Rozenkransen worden alleen de koralen gewijd; (1) aldus kan men, volgens het algemeen gevoelen, den draad of de keten, die de koralen vereenigt, vernieuwen, zonder gevaar van de aflaten te verliezen. Beringer I. c.
Ingelijks blijven zij hunne wijding behouden, ofschoon ook eenige koralen verloren gaan of gebroken worden. Alsdan kan men de koralen, die gebroken of verloren zijn, mits zij slechts een gering deel uitmaken, door nieuwe vervangen, zonder ze opnieuw te laten wijden. Revue cath. de Louv. III, 86.
De Apostolische Aflaten worden niet enkel aan de koralen, maar aan den ganschen Rozenkrans verbonden; van daar dat zij aan allerlei soort van Kransen, die met aflaat verrijkt worden, van welken vorm die ook zijn, kunnen gehecht worden.
â log â
De aflaten, verbonden aan gewijde voorwerpen, kunnen slechts verdiend worden door die personen, voor welke zij gewijd zijn, of die dezelve het eerst na de wijding gebruikt hebben, om de aflaten te verdienen. Decreet van Paus Alexander VII, 6 Febr. 1657. D. A. bl. 447.
Heeft men bijgevolg een gewijd voorwerp, hetzij een Medalje, hetzij een Christusbeeld, of Rozenkrans voor zijn gebruik in bezit, dan kan men hetzelve, zonder gevaar van de aflaten te verliezen, niet meer weggeven of verruilen. Doch als in dit geval de gewijde voorwerpen nog niet gebruikt zijn, mogen zij, volgens eene verklaring der H. Congr. der Afl. 16 Juli 1887, zonder verlies der aflaten, aan een ander en door dezen aan een derde of vierde worden geschonken. Acta S. Sedis XX, 63.
Het is echter volgens genoemd Decreet niet geoorloofd, wanneer men een gewijd voorwerp verloren of gebroken heeft, willekeurig een ander daarvoor in de plaats te stellen.
â no -
Ook mag men een gewijd voorwerp geenszins aan een ander leenen, ten einde dezen de aflaten mede te doelen ; in dat geval zoude dat voorwerp volgens hetzelfde Decreet van Alexander VII de aflaten verliezen. Indien nochtans iemand zijn gewijden Rozenkrans b. v. aan een ander zoude leenen, alleenlijk om het aantal Onze Vaders of Wees gegroeten te kunnen tellen, en niet om dezen de aflaten te laten verdienen, die er aan verbonden zijn, dan zou wel is waar geen van beiden de aflaten verdienen, maar volgens een Besluit der H. Congr. der Afl. 13 Febr. 1745 de Rozenkrans zijne wijding behouden. D. A. 151.
Zoo iemand buiten mijn weten, of tegen mijn wil, mijn Rozenkrans zou wegnemen, met het inzicht de aflaten te verdienen, waarmede hij verrijkt is, alsdan, dewijl er van mijnentwege geen schuld bestaat, waardoor ik strafbaar word, blijft mijn recht op de aflaten ongeschonden en bijgevolg de Rozenkrans in dat geval zijne wijding behouden. N. R. XIV, 202.
â Ill â
Men kan geen aflaten verdienen aan een gewijd voorwerp, dat men gevonden of geërfd heeft, alsdan is het eenigste middel het opnieuw te laten wijden. Beringen I, 334.
Met het inzicht om meer eerbied te doen opvatten voor gewijde voorwerpen, verbiedt de H. Congr. der Afl. 4 Juni 1721 uitdrukkelijk, op straf van de aflaten te verliezen, de voorwerpen nog na derzelver wijding te verkoopen. D. A. 78.
Daar er op geenerlei wijze handel mag gedreven worden met gewijde voorwerpen, verklaart de H. Congr. der Afl. 22 Febr. 1847 verder, dat de voorwerpen de aflaten verliezen, ingeval iemand Kruisbeelden, Medaljes, Rozenkransen enz. zou koopen, om te laten wijden, en ze vervolgens uit zoude deelen onder terugvordering van het geld, dat hij er bij den aankoop voor besteed heeft, zonder zelfs daaraan eenig voordeel te hebben. D. A. 344.
Dewijl eindelijk de uitdeeling der
â 112 â
gewijde voorwerpen geheel kosteloos moet wezen, mag men bij derzelvcr uitdeeling niets vragen of ontvangen, op welken titel ook, zelfs niet bij wijze van aalmoes, zonder gevaar van de aflaten te verliezen. H. Congr. der Afl. 16 Juli 1887. Acta. S. Sedis XX, 63.
Desniettemin mag een persoon, die door een ander is gelast Kruisbeelden, Beeldjes, Medaljes, Rozenkransen enz. te koopen en ze daarna te laten wijden, het verschoten geld terugeischen; want in dit geval koopt hij, die dusdanigen last geeft, de voorwerpen vóór de wijding bij middel van een tusschenpersoon. Daar aldus geen handel plaats grijpt met gewijde voorwerpen, verliezen zij den aflaat niet. N. R. XIV, 201.
Tweede Deel.
Over het Scapulier. 0)
Het scapulier, afgeleid van het latijn-sche woord âscapulaquot; is een schouderkleed, hoofdzakelijk samengesteld uit twee deelen van willekeurige grootte, die met een paar snoeren of linten zijn verbonden op zoodanige wijze, dat één deel op den rug en het ander op de borst kan nederhangen.
Men onderscheidt verscheidene soorten van scapulieren, doch slechts de vijf voornaamste zullen wij behandelen,
('). Ulrich, trésor spirituel; Labis, notices sur les Scapulaires; Pecoroni, breve notizia del l'abito di S. Maria addolorata; Raynaud, Scapul. Mar. ; Brocard, recueil d' instruction stir le Scapul ; Parvi Scap. Coerul. brevis notio; Sambucij, manuel de la Confrérie du Scap.
j S. d. H. vin.
namelijk: het scapulier der Allerh.
Drievuldigheid, van O. L. V. van Zeven Smarten, van O. L. V. van Kar mei, van de Onbevlekte Ontvangenis en van het Lijden.
Tot meer gemak geven wij eerst een geschiedkundig overzicht van deze vijf scapulieren, vervolgens zullen wij de voordeden en de aflaten' opsommen, die ér aan verbonden zijn en eindelijk de voorwaarden aangeven, die tot het genieten der voordeelen vereischt worden.
Geschiedkundig Overzicht der vijf Scapulieren.
§ I. Het Scapulier der Allerh. Drievuldigheid .
Dit scapulier heeft zijn oorsprong te danken aan eene veropenbaring aan den H. Joannes de Matha 1193. Toen Joannes zijne eerste H. Mis las, verscheen hem onder de opheffing der H. Hostie een Engel onder de gedaante van eenen
â lis â
schoonen jongeling. Deze was in het wit gekleed met een rood en blauw kruis op de borst, en aan beide zijden van den Engel was een slaaf te zien met zware ketenen beladen. Verdiept in het aanschouwen van deze verschijning, was Joannes langen tijd in verrukking, doch kwam eindelijk tot het besluit, dat God hem hierdoor geroepen had Christen slaven te verlossen. Om den Wil Gods des te beter te kennen, begaf hij zich naar een afgezonderd oord, niet ver van Gandelu, gelegen in het bisdom van Meaux, waar de H. Felix van Valois, die om zijnen ijver en boetvaar-digen geest groote vermaardheid had verworven, een kluizenaarsleven leidde. Beide deze H. H. mannen oefenden zich in den geest des gebeds en de grootste gestrengheden.
Eens nabij eene bron in gesprek zijnde over de oneindige goedheid Gods, kwam een hert naar de bron om te drinken. Tusschen deszelfs hoornen zagen zij een kruis juist zoo gevormd, als de
â ïl6 â
H. Joannes quot;het vroeger in zijn visioen bij den Engel had opgemerkt. Deze twee H. H. mannen besloten vervolgens eene Orde in te stellen, die tot doel had, de Christen-slaven uit de handen van hunne vijanden los te koopen, want naar hunne meening was dit de beteekenis der dubbele verschijning.
Om den Paus de goedkeuring der nieuwe Orde, welke zij beraamd hadden, af te smeeken, begaven zij zich op het einde des jaars 1197 opweg naar de eeuwige stad, alwaar Innocentius III op den stoel van den H. Petrus was gezeten. De H. Vader ontving die twee H.H. mannen met welgevallen in zijn paleis en verleende hun dikwijls een afzonderlijk gehoor. Toen de Paus den 28 Januari in de kerk van S'. Jan van Lateranen het H. Misoffer opdroeg, had hij dezelfde verschijning, als die Joannes de Matha gehad had in zijne eerste H. Mis. De Paus zag daaruit Gods H. Wil en bevestigde plechtig de Orde der Allerh. Drievuldigheid. De Opperpriester
â li? â
wilde, dat de ordebroeders een wit kleed, met een rood en blauw kruis op de borst, gelijkvormig aan dat der verschijning zouden dragen; en daar hij in de drievoudige kleur van dit kleed een zinnebeeld zag van de Drieëenheid, gaf hij aan de nieuwe Orde den naam van de Allerh. Drievuldigheid.
Het verlangen, dat de geloovigen toonden om aan de verdiensten der nieuwe kloosterlingen deelachtig te worden, deed de H.H. Stichters besluiten tot het instellen van eene wereldlijke broederschap onder denzelfden titel. Deze werd door de Kerk goedgekeurd en later verrijkt met menigvuldige aflaten. Tot teeken van geestelijke veree-niging ontvingen derzelver leden een scapulier, waaraan men echter een kleineren vorm gaf dan aan dat der Trini-tarissen, om het gemakkelijk onder de gewone kleederen te kunnen dragen.
Ziedaar den oorsprong van het scapulier der Allerh. Drievuldigheid, hetwelk men thans aan de geloovigen uitdeelt.
â ii8 â
S II. Het Scapulier van O. L. Vr. der zeven Smarten.
In het jaar 1233 op den feestdag van Maria's glorierijke Opneming ten Hemel, waren zeven edellieden der stad Florence, allen leden van een godvruchtig genootschap der H. Maagd, vergaderd om gezamenlijk den zegenpralenden intocht hunner Moeder te vieren. Op dat oogenblik verscheen Maria aan ieder van hen, en gaf hun te kennen, dat zij de wereld moesten verlaten, om eene meer volmaakte levenswijze te omhelzen. Zij gehoorzaamden bereidwillig aan de stem hunner Moeder, en na rijpelijk beraadslaagd te hebben met den gelukzaligen Ardingo, bisschop van Florence, over de wijze waarop zij hun voornemen zouden kunnen ten uitvoer brengen, verzaakten zij aan hunne waardigheden, verkochten hunne goederen en deelden de opbrengst er van aan de armen uit. Daarna gekleed in aschgrauw gewaad, betrokken zij eene arme hut in
â ii9 â
nabijheid der stad. Doch dewijl die armoedige schuilplaats te veel door de wereldsche personen bezocht werd, waren zij genoodzaakt zich te begeven naar een minder toegankelijk oord. De H. Maagd wees hun daarvoor den berg Senario aan, waar zij zes jaren in beoefening der strengste boetvaardigheid doorbrachten.
Terwijl zij den 25» Maart 1239 op Goeden-Vrijdag gezamenlijk hun gebed verrichtten, zagen zij de H. Maagd uit den hemel tot hen afdalen, omringd van eene talrijke schaar van hemelsche geesten, die verschillende voorwerpen in hunne handen droegen, waaronder de werktuigen van het Lijden, een palmtak, een schild waarop in gouden letters âDienaren van Mariaquot; was uitgesneden, de regel van den H. Augustinus, alsmede een zwart kleed van nieuwen vorm. De zeven kluizenaars verbaasd op het zien van zulk eene treffende verschijning wachtten met eerbied den wil der Koningin des hemels af. Maria
â I20 â
naderde hen met eene onuitsprekelijke welwillendheid, en hun al die voorwerpen toonende, zeide zij: âontvangt dit âkleed, dat ik u aanbied; ontvangt den âregel van den H. Augustinus, welken âgij volgen moet; arbeidt onder den ânaam van Dienaren van Maria door âde overweging van het Lijden mijns âZoons en van mijne Smarten aan uwe âheiliging en die der geheele wereld, âdan zult gij eens dezen palmtak van âhet eeuwig leven verkrijgenquot;. De H.H. kluizenaars namen het kleed der nieuwe Orde aan, en om eenieder deelachtig te maken aan de bescherming hunner Patrones, vervaardigden zij ten gunste der geloovigen een klein scapulier, van dezelfde kleur, vorm en stof als het hunne, hetwelk men sedert dien tijd den naam geeft van scapulier van O. L. Vr. der Zeven Smarten.
§ III. Het Scapulier van O. L. Vr. van Karmel.
Weinige jaren, nadat de goede Hemel-moeder, als eene andere Rebecca, een kleed van zegening aan hare kinderen in Italië gaf, verleende zij in Engeland diezelfde gunst.
De H. Simon Stock, uit eene adellijke familie van Engeland, trad op bevel van Maria in het jaar 1196 in de Orde der Karmelieten, waarvan hij in 1245 algequot; meene overste werd. Op een avond, dat de H. Simon in 't gebed was verslonden, verscheen hem de Allerh. Maagd te midden van eene menigte Engelen. Zij overhandigde den kloosterling een bruinkleurig kleed, terwijl zij hem zeide : âDit zal een onderpand zijn van bijzondere voorrechten voor U en al de zonen van den Karmel; wie daarmede (godvruchtig) zal sterven zal de eeuwige vlammen ontgaan.quot;
â 122 â
De waarheid van dit visioen, ons door den Eerwaarden Pater Swanington, orderbroeder en geheimschrijver des Heiligen achtergelaten, kan volgens den geleerden Kardinaal Prosper Lambertini, later Paus onder den naam van Ben. XIV, niet in twijfel getrokken worden. (Bened. XIV, de fest B. Virg. Cap. 6, num. 8.)
De zin dier belofte der H. Maagd kan natuurlijk niet zijn, dat iemand met dit scapulier bekleed van het vuur der hel bevrijd zal blijven, al stierf hij in doodzonde. Zoo iets te beweren ware eene godslastering. Maar hij, die het scapulier godvruchtig draagt, krijgt, krachtens de belofte door Maria gedaan, een bijzonder recht op hare bescherming tegen de gevaren vooral naar de de ziel.
Bovendien schonk Maria ten gunste der broeders en zusters van het scapulier nog een ander voorrecht, bekend onder den naam van het âZaterdagsche Voorrechtquot;, door de Pausen Joannes
â 123 â
XXII, Clemens VII, Pius V, Gregorius XIII en anderen goedgekeurd en bevestigd, alsook door de Congregatie der Inquisitie onder Paulus V, met de volgende woorden :
âHet is aan de Paters Karmelieten âgeoorloofd te prediken, dat het Christenvolk godvruchtig kan gelooven, âwegens den bijstand verleend aan de âzielen der religieusen en medebroeders âvan de Broederschap der Allerheiligste âMaagd van den Berg Karmel; namelijk âdat de allerzaligste Maagd de zielen der âreligieusen en medebroeders in Gods âliefde van hier gescheiden, die in hun âleven het kleed gedragen hebben, de âkuischheid volgens hunnen staat heb-âben onderhouden, de kleine Getijden âhebben gelezen, of als zij die niet âkunnen lezen, de Vastendagen der âKerk hebben onderhouden en Woens-âdag en Zaterdag zich onthouden heb-,,ben van vleeschspijzen (tenzij op die âdagen het Kerstfeest inviel), door hare âaanhoudende gebeden en liefdevolle
â 124
âvoorspraak en verdiensten en bijzon-âdere bescherming, na hunnen dood âvooral op Zaterdag, welke dag door âde Kerk aan dezelfde Allerh. Maagd is toegewijd, zal te hulp komen. R. A. 475-
Ten slotte zij hier nog opgemerkt met den voornoemden kardinaal Prosper Lambertini, dat de Pausen van Rome de devotie van O. L. Vr. van den berg Karmel met vele en groote aflaten hebben verrijkt, dat God vele wonderen heeft gedaan ten gunste van hen, welke aan die godvruchtige vereering zich toewijden, en dat het feest van O. L Vr. van den berg Karmel door de geheele Kerk wordt gevierd.
§ IV. Het Scapulier der Onbevl. Ontvangenis.
In het begin der XVIIe eeuw, toen de leer der Onbevlekte Ontvangenis een helderen luister verspreidde en de verheffing van dit voorrecht der
â 125 â
Allerh. Maagd van alle kanten tot een
geloofspunt werd aangevraagd, verkoos Maria dit tijdstip om een ander scapulier, dat nl. der Onbevlekte Ontvangenis, aan hare kinderen te schenken. De eerwaardige Ursula Benincasa, stichteres der Theatijnen-nonnen te Napels, werd door eene veropenbaring 2 Febr. 1617 geroepen dit scapulier te verspreiden. Die nederige maagd, wier deugden âheldhaftigquot; zijn verklaard door een Decreet van Paus Pius VI, werd beurtelings aan de hardste beproevingen blootgesteld en door buitengewone vertroostingen begunstigd. Bij een harer veelvuldige geestverrukkingen verscheen haar eens de Allerh. Maagd in een wit kleed, waaronder zij eenen mantel droeg van hemelsch blauwe kleur; zij was vergezeld van een koor van maagden, op dezelfde wijze gekleed, en hield het goddelijk Kind in hare armen. Met minzaamheid sprak Maria tot de nederige boetelinge, toen in eene zee van smarten gedompeld :
âschep moed, Ursula, verander uwe âzuchten in vreugdezangen, luister met âaandacht naar hetgeen mijn Jezus, die âook de uwe is, zal zeggenquot;. Daarop sprak het goddelijk Kind aldus; âIk âwil, dat gij een klooster bouwet, âwaarin volgens den regel der Eremijten en onder den titel der Onbevlekte âOntvangenis drie en dertig maagden, âgekleed in een kleed, in vorm en kleur âgelijk aan dat mijner Moeder, zullen âleven. Ik beloof dan overvloedige en âuitstekende genaden te schenken aan âallen, die den levensregel van het nieuw âgesticht zullen volgen en doen wat âhun in die heilige schuilplaats zal âworden voorgeschrevenquot;.
Ursula kon zich niet weêrhouden aan de H. Maagd haar leedgevoel te kennen te geven, dat die gunsten tot zoo klein getal zielen waren beperkt. Daarom bad zij dringend en ootmoedig hare goede Moeder diezelfde voordeden te schenken aan de geloovigen in de wereld, die met eene warme godsvrucht tot de
â 127
Onbevlekte Ontvangenis bezield, een klein kleed of het blauw scapulier zouden dragen. Oogenblikkelijk werd haar wensch verhoord, en tot verzekering hiervan, zag zij in diezelfde geestverrukking eene menigte Engelen, die om strijd ontelbare scapulieren over de wereld verspreiden. Van dien dag af begon ook de eerwaardige dienaresse des Heeren scapulieren der Onbevlekte Ontvangenis te vervaardigen en ze alom te verspreiden. En alvorens te sterven had Ursula den troost deze devotie overal gevestigd te zien.
§ V. Het Scapulier van het H. Lijden.
Dit scapulier is onder de geloovigen verspreid tengevolge eener verschijning, waarmede de goddelijke Zaligmaker op den vooravond van het Octaaf van den H. Vincentius a Paulo 26 Juli 1846 eene zuster van liefde begunstigde. Gelijk deze zuster aan den Generaal der
â 128 â
Lazaristen, die tevens overste van hare Congregatie was, verhaalde, had zij den Zaligmaker gezien niet een scharlaken scapulier in de hand, waaraan twee wollen linten van dezelfde kleur gehecht waren. Op de eene zijde was de beeldtenis van den gekruisten Jezus, aan den voet van het kruis bevonden zich de werktuigen van het Lijden en rondom het kruis stond te lezen : âheilig Lijden van onzen Heer Jezus Christus, maak ons zaligquot;. Op de andere zijde waren de allerheiligste Harten van Jezus en Maria afgebeeld, tusschen de twee Harten schitterde een kruis en rondom las men: âAllerheiligste Harten van Jezus en Maria, beschermt onsquot;. De godvruchtige zuster had later meermalen deze zelfde verschijning. Op den feestdag van Kruisverheffing 1846 hoorde zij uit den mond van den Zaligmaker deze troostvolle woorden : âallen die dit âscapulier dragen, zullen iederen Vrijdag âeene groote vermeerdering van geloof âhoop en liefde verkrijgenquot;.
â 129 â
Genoemde Generaal wijdde In 't eerst weinig aandacht aan die verschijningen; doch toen hij zich in Juni 1847 te Rome bevond, nam hij die gelegenheid waar, om daarover met Paus Pius IX te spreken. Z. H. aanhoorde den Generaal der Lazaristen niet alleen met de grootste belangstelling, rnaarr stond bij Rescript van den 25quot; Juni 1847 alle priesters der Missie volgaarne toe, dit scapulier te wijden en onder de geloovigen te verspreiden. Door een ander Rescript van den 21quot; Maart 1848 verkreeg hun Generaal de vergunning, om diezelfde macht aan alle wereldlijke en reguliere priesters mede te deelen.
Voordeelen aan het dragen der Scapulieren verbonden.
Aldiegenen, die een der vijf scapulieren godvruchtig dragen, mogen zich op eene bijzondere wijz:e in dit leven verheugen over de bescherming der S. d. II. ix
H. Maagd zoo naar de ziel als naar het lichaam ; doch vooral :n het uur des doods zal Maria hare kinderen niet verlaten. Behalve dit algemeen voorrecht deelen de leden der Broederschap van het scapulier der Allerh. Drievuldigheid, der Zeven Smarten en van Karmel in alle gebeden, boetedoeningen en goede werken, die niet slechts door deleden der Broederschap, maar ook in de Kloosterorde, waarmede zij vereenigd zijn, worden verricht. Ofschoon degenen, die het scapulier der Onbevlekte Ontvangenis en van het H. Lijden godvruchtig dragen, geen Broederschap uitmaken, hebben zij desniettemin deel in de goede werken der Orde en der Congregatie. Daarbij hebben de leden der bovengenoemde Broederschappen in het uur des doods recht op den Pauselijken Zegen met vollen aflaat. (}).
(') De Pauselijke Zegen met vollen aflaat in articuh mortis kan niet herhaald worden gedurende hetzelfde doodsgevaar, hoelang dat gevaar ook duurt âH. Congr. 23 Sept. 1775. D. A. 237 â ;
â 13» â
Na den dood zijn voor degenen, d!e het scapulier van Karmel of dat der Onbevlekte Ontvangenis godvruchtig hebben gedragen, alle H.H. Missen, welke tot hunne lafenis gelezen worden, geprivilegieerd, (i).
ook niet wanneer die Zegen ontvangen werd in staat van doodzonde, noch wegens herval in de zonde â H. Congr. 20 Juni 1836. D. A. 257â; evenmin kan de zieke persoon dien Zegen van meer dan één priester ontvangen â H. Congr. 5 Febr. 1841. D. A. 268 â, noch krachtens meer dan ééne Broederschap â H. Congr. 12 Maart 1855. D A. 362 â, dewijl de aflaat verkregen wordt in het werkelijk en niet in het vermeende uur des doods â H. Congr. 23 April 1675 D. A. 9â.De Zegen met vollen aflaat in articulo mortis kan gegeven worden onmiddellijk na het toedienen dei-laatste H.H. SacramentenâH.Congr. l8I)ec. 1885â, doch alleen in den vorm goedgekeurd door Bene-dictus xiv â H. Congr. 22 Maart 1879. D. A.444 â en het Confiteor moet, het geval van noodzakelijkheid alleen uitgezonderd, er bij gebeden worden, ook zelfs wanneer het reeds gebeden is bij de voorafgaande Biecht, H. Communie en laatste Oliesel.âH. Congr. 5 Febr. 1841. D. A, 286â. Om den vollen aflaat, die aan genoemden Zegen verbonden is, te verdiene.i moeten de zieken
('). Zie bl. 84 wat door eene geprivilegieerde Mis verstaan wordt.
â 132 â
Verder geeft het godvruchtig dragen van het scapulier van Karmel aanspraak op de twee groote voorrechten, waarover werd gehandeld bi. 21â24.
Eindelijk heeft de H. Kerk allen, die het scapulier godvruchtig dragen, in staat gesteld menigvuldige aflaten te verdienen.
overeenkomstig de onderrichting vanBenedictus xiv, opgenomen in zijne Constitutie van den 5 April, I747 Materquot;, bereid zijn den dood met onder
werping aan Gods 11. Wil aan te nemen en daarbij, na voorafgaande Biecht en H. Communie, of zoo dit niet mogelijk is, ten minste berouwvol met het hart, als zij het met den mond niet vermogen, den Allerheiligsten Naam van Jezus aanroepen.
Mocht een zieke het geluk niet hebben in zijn stervensuur door een priester te worden bijgestaan, die hem dien Pauselijken Zegen met vollen aflaat toedient, kan hij toch een vollen aflaat verdienen, wanneer hij een voorwerp in de handen houdt, of voor zich heeft, waaraan de apostolische aflaten zijn verbonden en dezelfde voorwaarden, als boven vermeld, vervult. Zie hierover bl. 81 â82.
â 133 â
Lijst der volle Aflaten. 0)
Bemerking. Hier vereenigen wij kortheidshalve de volle aflaten in ééne lijst. In die opgave zullen slechts de beginletters worden aangegeven van de scapulieren, waaraan de aflaten verbonden zijn, te weten : DâDrievuldigheidâ; S â Zeven Smarten â; K â Karmelâ; O â Onbevlekte Ontvangenis; L â Lijden â. Zoo dikwijls nu een scapulier door de beginletter wordt aangeduid, kan men een vollen aflaat van dat scapulier verdienen.
O). Deze lijst is opgemaakt volgens Summaria's, die goedgekeurd zijn door de Congregatie. Zie R. A. II. n0 35, 8o, 34, 57 en bl. 285. Wat de aflaten betreft, die de Pausen hebben toegestaan aan de kerken en kapellen van de Orde der Karmelieten, hebben wij slechts diegene genomen, welke in het Summarium van het Bullarium der Orde t. 2. bl. 200 zijn vervat; daar de overige, welke in sommige werkjes en op eenige gedrukte blaadjes voorkomen, óf wel alleen voor Spanje en Italië zijn toegestaan (Zie R. A. 11 n0 304), óf wel in geen enkel Summarium, dat door de H. Congregatie is goedgekeurd, zijn te vinden.
â 134 â
De voorwaarden tot het verdienen der volle aflaten zijn: Biecht, H. Communie, Kerkbezoek en de godvruchtige Gebeden tot de gewone intentie van den Paus. Zie daarover bl. 21 en volgende.
Daar het Kerkbezoek verschillend moet geschieden, lette men wel op de volgende punten :
1° Is de beginletter, waardoor de aflaten aan elk scapulier eigen aangegeven worden, op gewone wijze gedrukt, dan beteekent dit, dat er geen bepaalde kerk voor het bezoek is vereischt, en bijgevolg hetzelve, gelijk wij op bl. 26 gezien hebben, in iedere kerk of openbare bidplaats kan volbracht worden.
2° Is de beginletter cursief met een sterretje achter de letter gedrukt, dan moet de kerk der respectieve Kloosterorde bezocht worden; doch daar, waar er geen kerk der Kloosterorde bestaat, kunnen de leden der Broederschappen van Karmel en der Allerh. Drievuldigheid, volgens eene vergunning van Paus Pius IX 15 Januari 1855 en
â gt;35 â
30 Januari 1872, hunne eigene parochiekerk bezoeken en geene andere, zelfs niet de kerk der Broederschap, zoo deze niet tegelijkertijd parochiekerk is. Paus Leo XIII den 27 April 1887 deze vergunning bekrachtigende, verleende daarenboven aan de leden der Broederschap van de Zeven Smarten diezelfde gunst. Dengenen, die het scapulier der Onbevlekte Ontvangenis dragen, stond Pius IX den 3 Dec. 1847 toe, in genoemd geval elke kerk te mogen bezoeken, mits er een altaar zij der Allerh. Maagd.
30 Is de beginletter aangegeven met een vette letter, dan moet hierdoor verstaan worden, dat het bezoek moet geschieden in de kerk der respectieve Kloosterorde of der Broederschap; doch bij gebrek aan beiden, mag men van de vergunningen onder n0 2 aangehaald, gebruik maken.
â 136 â
Vaste Feesten en Sagen.
|
Dig |
FEEST. |
Scipulieten. |
|
Januari. | ||
|
6 |
Driekoningen...... |
O |
|
28 |
Verschijning der H. Agnes (!) |
I) |
|
Februari. | ||
|
2 |
O. L. V. Zuivering. . . |
imr* 0 |
|
4 |
H. Andreas Corsini. . . |
K* |
|
8 |
H. Joannes de Matha . . . |
D |
|
11 |
De zeven Stichters der Ser- | |
|
vieten Orde...... |
5* | |
|
14 |
Gelukz. Joannes Bapt. van de | |
|
Ontvangenis..... |
D* |
(I). N. B. Om den aflaat te verdienen moeten de leden der Broederschap van de allerh. Drievuldigheid, behalve tot de gewone intentie van den Paus, daarenboven voor de bevrijding der Christen slaven en hunne volharding in het geloof bidden op de volgende dagen : 28 Jan., 2 Febr., 8 Febr., 8 Sept., tweede Zondag van Octob., 20 Nov., 25 Nov., Aschwoensdag.
â «37 â
FEEST.
Maart.
H. Joseph .......
Gelukz. Joannes Maria Tom-
masi........
O. L. V. Boodschap . .
April.
H. Cajetanus......
H. Pellegrinus Laziosi. .
Mei.
Kruisvinding......
H. Angelus......
H. Maria Magdalena de Pazzi
Juni.
Gelukz. Paulus d'Areszo . H. Juliana van Falconie . H. Joannes Baptista. . H. H. Petrus en Paulus .
â 138 â
|
FEEST. Juli. Bezoeking der H. Maagd. . H. Michaël de Sanctis. . . O. L. V. van Karmel of op een dag onder het Octaaf. Augustus. Portiuncula. . . H. Albertus . . H. Cajetanus . . O. L. V. Hemelvaart H. Philippus Beniti H. Augustinus . September. O. L.V. Geboorte . . . Kruisverheffing . . . . Gelukz. Simon de Roxas. H. Michaël...... |
Seapnlieioi.
|
â «39 â
FEEST.
October.
H.H. Engelen bewaarders . .
H. Theresia.......
Feestdag des allerh. Verlossers .......
Sag
Scipulicrcn.
O
K* O
2 15
23
Z»*
November.
Allerheiligen . H. Andreas Avellinus H. Felix de Valois . O. L.V.Presentatie . H. Catharina . .
O O D
K* D
I
IO 20 21 25
December.
Onbevlekte Ontvangenis . Gelukz. Joannes Marinoni. Kerstmis......
K* O
O*
O
8 13 25
Jl
â I40 â
Beweegbare Feesten en Dagen, die niet op eenen vasten datum kunnen aangegeven worden.
FEEST.
Op den dag dat men het scapulier ontvangt.
Seipdioron.
DSKOL(i)
In het stervensuur, als men godvruchtig zijne ziel Gode aanbeveelt en bereid is den dood met onderwerping uit Gods hand te ontvangen en, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, of ten minste met een berouwvol hart, als het niet met den mond kan geschieden, den Allerh. Naam van Jezus zal hebben aangeroepen.
D S K O L (')
('). L. Niet toepasselijk.
|
â i4i â | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Maria en het Lijden ü. H. overwegen.
(quot;) Om den aflaat te verdienen der VII Smarten op Paschen, Maria Hemelvaart en O. L. V. Geboorte, moet men daarenboven nog 7 Onze Vaders en Weesgegroeten of de Vespers (Ier Overledenen bidden.
â 142 â
|
FEEST. Drievuldigheid..... Den eersten Zondag van elke maand........ Al wie in eene kerk der Orde of der Broederschap de processie, die gewoonlijk op een Zondag van elke maand met toelating van den Bisschop gehouden wordt, bij woont (!) Laatsten Zondag van Juli. Eens per maand op een dag naar vrije keuze voor al wie dagelijks gedurende eene So. 15 16 17 19 20 |
Scipnlicren. Solt 0 O D K S O |
(l) De leden der Broederschap van Karmel, die niet gemakkelijk bij die processie kunnen tegenwoordig zijn, kunnen daarvoor een godvruchtig bezoek doen aan de kerk der Broederschap.
De zieken, de gevangenen en die op reis zijn, en daardoor genoemd bezoek niet kunnen volbrengen, verdienen desniettemin den aflaat, zoo zij óf de kleine Getijden der H. Maagd óf 50 Onze Vaders en Weesgegroeten bidden en daarenboven met waar berouw over hunne zonden het vaste voornemen hebben zoodra mogelijk tot de H.H. Sacramenten te naderen.
â 143 â
FEEST.
maand 3 Onze Vaders, Wees gegrocten en Glorie zij.... zullen bidden ter eere der Allerheiligste Drievuldigheid.
Derden Zondag van September, of een dag gedurende het Octaaf, als men op den dag zeiven belet is. . . .
So.
SeipulicroB.
D
21
S (i)
(ï) Door een Decreet der H. Congr. 27 Jan. 1888 heeft Z. H. Paus Leo XIII op den 3den Zondag van September â feestdag der vu Smarten van Maria â, de volgende buitengewone gunst toegestaan :
Alle geloovigen kunnen in iedere kerk der Ser-vieten, en in iedere kerk, waar de Broedercchap van O. L. V. der vn Smarten wettig is opgericht, zoo dikwijls een vollen aflaat verdienen, als zij die kerk zullen bezoeken en daar telkens, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, bidden tot intentie van Z. H. den Paus. N. R. xxi. 478.
Bemerking. Daar in het Stuk der vergunning niet is uitgedrukt, dat de aflaat van af de eerste Vespers begint, moeten wij volgens de algemeene regels, zie bl. 33 besluiten, dat de aflaat slechts op den dag zeiven, d. i. van middernacht tot middernacht, kan verdiend worden.
â 144 â
|
FEEST. Den tweeden Zondag v. Oct. Den eersten en laatsten dag der Novene vóór of na Kerstmis ......... Eens per jaar gedurende de geestelijke afzondering. Eens per jaar gedurende het veertiguurs-gebed . . . Op den voornaamsten feestdag der Broederschap van 0. L.V. der VII Smarten . . . Alwie naar de ongeloovige landen vertrekt, om de Christenslaven te verlossen . . . Voor de verloste slaven op een dag der maand na hunne bevrijding...... Op den eersten werkdag die onmiddellijk volgt op Allerzielen, als dan met toelating van den Bisschop, het plechtig jaargetij gehouden wordt voor de overl. broeders en zusters der Broederschap . . So. 22 23 24 25 26 27 28 29 |
ScipttUorsn. I) O O AT^OS* 0 |
'dB.
- 145 â
Gedeeltelijke Aflaten.
§ I. Van het Scapulier der AUerh. Drievuldigheid.
Alle leden, die godvruchtig het Scapulier der Allerh. Drievuldigheid dragen, kunnen verdienen een aflaat van : 7 Jaar en 7 quadragenen : a. eiken dag, indien zij godvruchtig volgens de meening van Z. H. den Paus zesmaal het Onze Vader met Glorie zij.. en zesmaal het Wees gegroet met Glorie zij . . bidden ; b. met Kerstmis, Paschen, O. L. V. Hemelvaart en op den dag der verschijning der H. Agnes (28 Jan ), zoo zij alsdan genoemd gebed verrichten in eene kerk der Kloosterorde of der Broederschap; c. voor het bijwonen der processie, die maandelijks met toelating van den Bisschop gehouden wordt, mits zij te biechten zijn geweest; d. voor het beoefenen van een geestelijk of lichamelijk werk van barmhartigheid j S. d. H.
tot vergiffenis hunner zonden en verlossing der Christen-slaven.
5 Jaar en 5 quadragcnen als zij, zoo mogelijk met eene brandende kaars, het H. Sacrament vergezellen, als dit naar de zieken gebracht wordt, en voor hen bidden.
100 dagen, a. zoo dikwijls zij een overledenenaar het kerkhof vergezellen en bidden tot lafenis zijner ziel; lgt;. telkens als zij de H. Mis of andere goddelijke diensten bijwonen in eene kerk of kapel der Broederschap; c. zoo dikwijls zij tegenwoordig zijn bij de openbare of afzonderlijke vergaderingen der Broederschap; d. zoo dikwijls zij de armen herbergen of een ander godvruchtig werk of liefdewerk beoefenen.
Daarenboven verleende Paus Pius IX den 22 Maart 1847 nog 7 jaar en 7 quadra genen eiken dag, indien zij dagelijks gedurende een geheel jaar driemaal het Onze Vader, Weesgegroet en Glorie zij bidden ter eere der Allerh. Drievuldigheid.
â 147 â
§ II. Van O. L. V. der Zeven Smarten.
Alle Leden dezer Broederschap kunnen verdienen een aflaat van:
7 Jaar en 7 quadragenen, a. zoo zij, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, op O. L. V. Geboorte, Boodschap, Zuivering en Hemelvaart, eene kerk of kapel der Broederschap bezoeken en daar volgens de gewone intentie van Z. H. bidden; b. op alle Vrijdagen van het jaar, mits zij tot de H.H. Sacramenten naderen en vijf Onze Vaders en Wees ge groeten bidden ter gedachtenis van het bitter Lijden van J. Ch.
5 Jaar en 5 quadragenen zoo dikwijls zij het H. Sacrament, als het naar de zieken gebracht wordt, vergezellen en voor hen bidden.
IOO dagen, a. zoo men gezamenlijk in eene kerk der Broederschap de kleine Getijden der H. Maagd bidt; b. wanneer men gedurende het jaar met godsvrucht het bitter Lijden des Heeren of de VII Smarten van Maria overweegt,
â 148 â
vooral wanneer men Onze Vader, Wees gegroet met den lofzang âStabai Materquot; bidt in de kerken of kapellen der Broederschap, en andere geestelijke oefeningen doet, die men daar gewoonlijk verricht, en bidt tot intentie van Z. H. den Paus.
60 dagen voor elk werk van godsvrucht en barmhartigheid jegens den evenmensch.
s III. Van O. L. V. van Karmel.
De leden dezer Broederschap kunnen verdienen een aflaat van:
5 Jaar en 5 quadragenen, a. eens de
per maand, mits zij tot de H.H. Sa- dilt; cramenten naderen en bidden tot intentie
van den Paus; b. telkens als zij met uu eene brandende kaars de H. Teerspijze
vergezellen, als die naar de zieken wordt be
gebracht en voor hen bidden. mi
3 Jaar en 3 quadragenen op de dii
feestdagen der H. Maagd, die door ge- 5
heel de Kerk gevierd worden, mits zij, or
â 149 â
na gebiecht te hebben, communiceeren in eene kerk der Broederschap en daar bidden voor de gewone doeleinden van Z. H.
ioo dagen zoo dikwijls zij een werk van godsvrucht of liefdewerk verrichten, zooals: een lijk vergezellen dat naar 't kerkhof wordt gedragen, vijanden verzoenen, onwetenden in de eerste beginselen der waarheden van het geloof onderwijzen enz.
§ IV. Van de Onbevlekte Ontvangenis.
Allen, die godvruchtig het Scapulier der Onbevlekte Ontvangenis dragen, verdienen een aflaat van:
60 Jaar als zij dagelijks een half uur mediteeren.
20 Jaar, a. zoo dikwijls zij de zieken bezoeken om hun geestelijken of licha-melijken troost te verschaffen, of, zoo dit niet mogelijk is, 5 Onze Vaders en. 5 Wees gegroeten voor hen bidden ; b. onder het octaaf der feestdagen van
0. H. J. C., alsmede op de feestdagen der Heiligen van de Orden der Augustijnen, der Predikheeren, der Karmelieten, der Theatijnen en der Servieten.
7 Jaar en 7 quadra genen, a. op alle feestdagen der H. Maagd; b. zoo dikwijls zij te biechten en te Communie gaan ; e. als zij de H. Teerspijze vergezellen ; d. telkens als zij 7 Ome Vaders, Wees ge groeten en Glorie zij bidden voor een zieke, die de H. Communie ontvangt; e. op alle feestdagen waarop men een vollen aflaat kan verdienen met de kerk der Theatijnen te bezoeken; Æ. dagelijks als zij in de vespers het ,,Salve Reginaquot; zeggen en bidden voor de noodwendigheden der Kerk; g. eens per dag van af Septuagesima tot Palmzondag, als zij te Communie gaan en 7 Onze Vaders, Wees gegroeten en Glorie zij bidden voor de noodwendigheden der Kerk; h. op de feestdagen van Kruisvinding en Kruisverheffing, als zij dan een aalmoes geven ;
1. op drie Vrijdagen van iedere maand,
â iS« â
mits zij alsdan Communiceeren; j. op zeven dagen van eene novene vóór Kerstmis; k. alle Maandagen, als zij het H. Sacrament bezoeken.
5 Jaar en 5 quadragcnen dagelijks, als zij eene kerk der Theatijnen of elke andere kerk bezoeken en daar vijfmaal het Onze Vader, vijfmaal het Wees gegroet en vijfmaal Glorie zij bidden.
300 dagen dagelijks onder het octaaf van Pinksteren.
200 dagen zoo dikwijls zij het Woord Gods aanhooren.
60 dagen voor ieder godvruchtig werk.
50 dagen, a. telkens als zij met godsvrucht de H.H. namen van Jesus en Maria aanroepen ; b. zoo dikwijls zij in eene kerk één Onze Vader, Wees gegroet en Glorie zij bidden voor levenden en dooden.
Vervolgens verdienen zij tweemaal per maand de aflaten der zeven basilieken van Rome, zoo zij een gebed
storten voor de zeven Altaren van eene kerk der Theatijnen. 0)
Insgelijks tweemaal per maand de aflaten, die verleend zijn aan degenen, die het H. Graf en de Heilige plaatsen van Palestina bezoeken, mits men bidde in eene kerk der Theatijnen.
Bovendien genieten zij, volgens het Decreet der H. Congr. der Afl. 31 Maart 1856, het uitstekend voorrecht van alle aflaten te winnen, gehecht aan 't bezoek der zeven basilieken van Rome, der Heilige Plaatsen van Palestina, der kerk âPortiunculaquot; genaamd, en der grafstede van den H. Jacobus te Com-postella, zoo dikwijls zij bidden op welke plaats ook: zesmaal het Onze Vader, . zesmaal het Wees gegroet en zesmaal Glorie zij ter eere der Allerh. Drievuldigheid en der Onbevlekte Ontvangenis om van God de verheffing onzer Moeder de H. Kerk, de uitroeiing
(') Wat het bezoek der kevk aangaat, raadplege men wat wij bl. 135 gezegd hebben.
â gt;53 â
der ketterijen en den vrede onder de Christen-vorsten te verkrijgen, met inachtneming ncchthans van het Decreet der H. Congr. 7 Maart 1678 âDelatae Sa;piusquot;. Zie daarover eene verklaring bi- 33- _
§ V. Van het H. Lijden (niet toepasselijk).
(Pius IX. Rescript der Secr. der Breven 25 Juni 1847.)
Alwie het scapulier van het H. Lijden godvruchtig draagt, verdient een aflaat van:
7 Jaar en 7 quadragenen eiken Vrijdag, als hij tot de H.H. Sacramenten nadert en het Lijden van O. H. J. C. overweegt en bidt 5 Onze Vaders, 5 Wees ge groeten en 5 Glorie zij.
3 Jaar en 3 quadragenen eiken dag van het jaar, mits hij met rouwmoedig hart ten minste een halve uur het smartvol Lijden van onzen Zaligmaker overweegt.
200 dagen telkens wanneer hij met rouwmoedig hart het scapulier kust en
â 154 â
zegt: âWij bidden U dus, Heer, kom âuwe dienaren te hulp, die Gij door âuw kostbaar Bloed hebt vrijgekochtquot; (Te ergo quaesumus etc).
Aflaten der Statiën.
Ten slotte kunnen allen, die het scapulier der Allerh. Drievuldigheid, der Zeven Smarten, van O. L. V. van Karmel en der Onbevlekte Ontvangenis godvruchtig dragen, alle aflaten verdienen, verleend aan de bezoeken of statiën der voornaamste kerken van Rome. Deze aflaten zijn op bepaalde dagen in het Romeinsche Misboek aangegeven en bij Decreet van de H. Congr. der Afl. 9 Juli 1777 voor altijd bevestigd. De Aflaten, vergund aan de kerkbezoeken te Rome, zijn de volgende :
1. Op den feestdag der Besnijdenis, op Driekoningen, op de Zondagen van Septuagesima, Sexagesima en Quinquagesima 30 jaren en 30quadragenen.
â i5S â
2. Gedurende de veertigdaagsche Vaste: op Aschwoensdag en op den Vierden Zondag van de Vaste: 15 Jaren en 15 quadragenen; op Palmzondag 25 Jaren en 25 quadragenen; op Witten Donderdag, volle aflaat; op Goeden Vrijdag en op Zaterdag voor Paschen, 30 Jaren en 30 quadragenen; op al de andere dagen van de Vaste 10 Jaren en 10 quadragenen.
3. Op den Zondag van Paschen volle aflaat; op al de andere dagen van het Octaaf, op den feestdag van den //. Marais en op de drie Kruisdagen, 30 jaren en 30 quadragenen.
4. Op '5 Heeren Hemelvaart, volle aflaat.
5. Op Pinksteravond, 10 jaren en 10 quadragenen; op den Zondag van Pinksteren, en op al de dagen van het Octaaf, 30 jaren en 30 quadragenen.
6. Gedurende den Advent: op den derden Zondag 15 jaren en 15 quadragenen, op den eersten, tweeden en vierden Zondag, en op de drie
Quatertemperdagen van September en December, 10 jaren en 10 quadragenen.
7. Op Kerstavond in de Nachtmisse en in de Aurora-misse 15 jaren en 15 quadragenen, en gedurende den dag, volle aflaat, op de drie volgende dagen, 30 jaren en 30 quadragenen.
BEMERKING.
Deze aflaten kunnen verdiend worden op de gewone voorwaarden, d. i. voor de volle aflaten worden Biecht en Communie vereischt; voor de gedeeltelijke, dat men zich bevinde in staat van genade, of, zoo noodig, door eene ware akte van berouw, met het vaste voornemen om te biechten, zich in dien staat stelle. Daarenboven om aan de volle en gedeeltelijke aflaten deelachtig te worden, moet men op de bepaalde dagen eene kerk, die het voorrecht der statiën bezit, bezoeken en daar bidden tot intentie van Z. H. den Paus.
â 157 -
De kerk, welke moet bezocht worden is voor het scapulier der Allerh. Drievuldigheid en der Zeven Smarten eene kerk der Kloosterorde of der Broederschap, bij gebrek aan beiden de parochiekerk; voor het scapulier van O. L. V. van Karmel eene kerk der Kloosterorde, bij gebrek aan deze de parochiekerk; en voor het scapulier der Onbevlekte Ontvangenis eene kerk der Kloosterorde, en zoo deze niet op de plaats aanwezig is, elke andere kerk of openbare bidplaats.
VOORWAARDEN.
Over den vorm, stof en kleur.
Vorm. Het scapulier moet samengesteld zijn uit twee langwerpige vierkante deelen van willekeurige grootte, die met een paar snoeren of linten op zoodanige wijze zijn verbonden, dat één deel op den rug en het ander op de borst nederhange. H. Congr. der Afl.
_ 158 -
26 Sept. 1864. D. A. 408, en 18 Aug. 1868. D. A. 423 ad 5.
Stof. De scapulieren moeten allen van wollen stof vervaardigd worden; en wel moet die wollen stof zijn geweven. H. Congr. der Afl. 18 Aug. D. A. 423 ad 1 et 2.
Nochtans mogen er eenige sieraden op geborduurd worden, mits zij hunne kleur behouden, ib. ad. 3 et 4.
Kleur. Het scapulier der Allerh. Drievuldigheid heeft eene witte kleur, waarop een zichtbaar kruisje, waarvan de rechtstaande balk van roode en de dwarsbalk van blauwe wol, moet aanwezig zijn; het scapulier der Zeven Smarten is zwart; dat van O. L. V. van Karmel bruin of zwart; dat van de Onbevlekte Ontvangenis hemelsch of azuur blauw, en het scapulier van het Lijden, waarvan op de eene zijde de beeldtenis van den gekruisten Zaligmaker, en op de andere zijde de Allerheiligste Harten van Jesus en Maria moeten
â 159 â
afgebeeld zijn, heeft eene scharlaken kleur.
De linten of snoeren maken geen eigenlijk bestanddeel van het scapulier uit; bijgevolg is het onverschillig van wat kleur of stof ze zijn. Alleen het scapulier van het Lijden maakt op dit punt eene uitzondering; deszelfs linten moeten van dezelfde stof en kleur zijn als het scapulier zelf. Beringer I. 392.
Het voordeel, om zonder veel moeite meer gunsten te verkrijgen en een grooter getal aflaten te verdienen, heeft het loffelijk gebruik ingevoerd eenige scapulieren bijeen te dragen.
Alsdan is het, volgens eene beslissing der H. Congr. der Afl. 26 Maart 1887, goedgekeurd door Paus Leo XIII den 27 April van hetzelfde jaar, noodzakelijk dat de scapulieren onderscheiden zijn, d. i. dat het wezenlijk vier of vijf scapulieren zijn, waarvan elke dezer aan even zooveel of slechts aan een enkel paar snoeren vastgemaakt moet wezen, zoodat het eene deel van elk
scapulier op den rug en het ander op de borst nederhange (!), en dus niet voldoende, dat het slechts één scapulier is, waarop stukjes wollen stof van verschillende kleur vastgenaaid worden, zooals het door de meeste auteurs tot nu toe werd aangenomen.
Verder drage men bij het vervaardigen der scapulieren zorg, dat, wanneer verschillende scapulieren aan een enkel paar linten worden vastgemaakt, het kruisje van het scapulier der Allerh. Drievuldigheid zichtbaar blijve en de afbeeldigingen van het scapulier van het Lijden niet verborgen zijn door een der overige Scapulieren.
Eindelijk valt nog op te merken dat, wanneer het scapulier van het Lijden bij de overige wordt gevoegd en allen aan
(ï) Scapularia sint distincta, i. e. vere quinque scapularia, sive totidetn sive duobus tantum funi-culis unita, ita ut cujuslibet scapularis pars una ab humero, alia a pectore pendeat, non vero unum. tantum scapulare, in quo assuantur diversi coloris panniculi. Acta S. Sedis XIX. 557.
â i6i â
een enkel paar linten worden vastgemaakt, de linten alsdan van rood wollen stof moeten wezen, is dit niet het geval, dan is het onverschillig van wat kleur of stof de linten zijn.
Over de Zegening, Oplegging en het Ontvangen van het Scapulier.
De scapulieren aldus naar behooren vervaardigd, moeten gezegend worden door een daartoe gemachtigden priester en door deze ook worden opgelegd. H. Congr. der Afl. 16 Juni 1872. D. A. 430.
Indien een priester eene algemeene macht daartoe heeft ontvangen, mag hij ze zich zeiven ook opleggen. H. Congr. der Afl. 7 Maart 1840. D. A. 280.
Wanneer de geloovigen terzelfder tijd verschillende scapulieren wenschen te ontvangen, moet de priester, die tot derzelver zegening en oplegging is gemachtigd, volgens een besluit der H.
S. d. H. xi.
Congr. 27 April 1887, zoo dikwijls derzelver zegening en oplegging hernieuwen, als zij scapulieren verlangen, uitgenomen het geval, dat hij van den H. Stoel de bijzondere vergunning heeft ontvangen, ze alle tegelijk te zegenen en op te leggen door één enkel goedgekeurd formulier.
Uit eerbied voor het scapulier van O. L. V. van Karmel heeft de H. Congr. 27 April 1S87 toegestemd, dat het betaamde dit scapulier altijd afzonderlijk te zegenen en op te leggen, en diensvolgens besloten, voortaan geene vergunning meer te geven om het scapulier van O. L. V. van Karmel met de overige tegelijk door één enkel formulier te zegenen en op te leggen, en dat, alwie dusdanige vergunning vroeger had ontvangen, daarvan niet langer dan tien jaar, te rekenen van den dag, dat het Decreet is uitgevaardigd, kan gebruik maken. Acta S. Sedis XIX 557.
Zoo verscheidene personen tegelijk hetzelfde scapulier ontvangen willen,
â 163 â
kan, volgens een Decreet der H. Congr. 18 Aug. 1868, hetzelfde scapulier aan die personen achtereenvolgens opgelegd worden, doch het eerste scapulier, dat dan later elk hunner draagt, moet gezegend zijn. D. A. 421.
Het is echter alsdan, volgens een Decreet der H. Congr. der Afl. van den 18 April 1891, voldoende, dat de priester het formulier der oplegging slechts éénmaal, doch in den meervoudsvorm (Accipite fratres, vel sorores etc.) voorleze. Acta S. Sed. XXIII, 637.
Het scapulier der Allerh. Drievuldigheid moet gezegend worden zoo dikwijls men hetzelve vernieuwt, of het kruisje niet meer zichtbaar is (R. A. nquot; 29); doch de overigen mag men, als zij versleten of verloren zijn, zonder zegening door andere vervangen.
Er is geen ouderdom bepaald ten einde bekwaam te zijn om het scapulier te ontvangen. Daarom is het een lofwaardig gebruik, wanneer het scapulier der H. Maagd vroegtijdig aan kleine
â 164 â
kinderen wordt gegeven. Deze godvruchtige livrei stelt ze onder hare bescherming, hun tevens tot behoedmiddel dienende tegen de lichamelijke gevaren, waaraan de kinderen zoo blootgesteld zijn. Die oplegging is ook voldoende om, wanneer zij tot de jaren van verstand zijn gekomen, aan de aflaten en verdere gunsten, aan het dragen van het scapulier zoo ruimschoots verbonden, deelachtig te kunnen worden. H. Congr. der Afl. 29 Aug. 1864. D. A. 410.__
Over de Aanneming en het Inschrijven in een Register.
Om de voordeden te genieten en de aflaten te kunnen verdienen, is het niet voldoende, dat de scapulieren der Allerh. Drievuldigheid, der Zeven Smarten en van O. L. V. van Karmel gezegend en opgelegd worden door een daartoe gemachtigden priester; maar men moet ook in de respectieve Broederschappen
â i6s â
worden opgenomen. Daarenboven wordt gevorderd, dat derzei ver leden (zonder buitengewone vergunning van den H. Stoel) in een register dier respectieve Broederschappen worden ingeschreven. H. Congr. der Afl. 16 Juli 1887. N.R. XIX, 588. H. Congr. de Propaganda 30 Juli 1889. N. R. XXI, 484 en volgende.
Om gewichtige redenen had Gregorius XVI bij Decreet van 30 April 1838 toegestaan, dat de leden der Broederschap van het scapulier van O. L. V. van Karmel, alle aflaten, gunsten en voorrechten konden genieten, ofschoon zij niet in het register der Broederschap waren ingeschreven. D. A. bl. 470.
Doch volgens verklaring der H. Congr. der Afl. 18 Aug. 1868, was die vergunning niet toepasselijk op de Broederschappen der Allerh. Drievuldigheid en der Zeven Smarten. D. A. 421.
Toen onlangs aan Z. H. Paus Leo XIII het verzoek gedaan werd, die vergunning van Gregorius XVI ook
â 166 â
tot de overige Broederschappen van het scapulier uit te strekken, werd hierop niet alleen ontkennend geantwoord, maar daarenboven bij Decreet van 27 April 1887 de vergunning, door GregoriusXVI aan de Broederschap van O. L.V. van Karmel toegestaan, herroepen.
Bijgevolg is tegenwoordig de inschrijving in een register voor alle genoemde Broederschappen verplichtend.
Op die plaatsen nu, waar geen Broederschap van genoemde scapulieren bestaat, volge men de Instructie der H. Congr. 24 Jan. 1871, die zegt: dat in dit geval de priester, die den geloo-vigen de scapulieren wettig oplegt en hen in de Broederschappen aanneemt, een persoonlijk register houde en vervolgens bij tijd en gelegenheid de namen dier leden aan de naastbij gelegen respectieve Broederschap opzende, opdat zij in het register der respectieve Broederschap zelve worden ingeschreven. D. A. 42S. H. Congr. de Prop. 30 Juli 1889. N, R. ib.
â I67 â
Daar de geloovigen, die godvruchtig het scapulier der Onbevlekte Ontvangenis en dat van het H. Lijden dragen, volgens uitspraak der H. Congr. 27 April 1887 1. c. geen deel uitmaken eener Broederschap, wordt bijgevolg de inschrijving hunner namen in een register niet gevorderd en heeft dit, als het gebeurt, geen ander doel, als om den vooruitgang der devotie's te staven.
Over de Verplichtingen.
Er wordt vereischt, dat men het scapulier gestadig â dag en nacht â om den hals d. i. zoo drage, dat het eene gedeelte op den rug en het andere op de borst nederhange, en bijgevolg is het niet voldoende, het in den zak, of bij wijze van bandelier, halsdoek of gordel te dragen. H. Congr. der Afl. 12 Febr. T840. D. A. 277, 279.
Doch men is vrij hetzelve op het bloot lichaam of op de kleederen te
â 168 â
dragen. H. Congr. der Afl. 12 Maart 1855. D. A. 367.
Hetzelve gedurende een ganschen dag aflaten is genoeg, om op dien dag geen deel te hebben aan de gunsten. Alwie nochtans gedurende geruimen tijd, zelfs jaren lang, deze voorwaarde zou verzuimen, zou daarom niet ophouden lid te blijven van de Broederschap, waarin hij is opgenomen; diensvolgens behoeft hij, volgens eene verklaring der H. Congr. 27 Mei 1857, slechts het scapulier terug te nemen, om weêr aanstonds in het genot te treden der voorrechten, daaraan verbonden. D. A. 379.
Er worden, behalve genoemde voorwaarden, geene gebeden, noch bepaalde godsdienstoefeningen gevorderd, om deelachtig te worden aan de algemeene en bijzondere voordeden, aan het godvruchtig dragen van 't scapulier verbonden ; doch om de afzonderlijke aflaten te verdienen, moeten daarenboven nog de voorgeschreven gebeden en goede werken verricht worden, zooals die op
â i6g â
de plaats zijn aangewezen. Men weet ook, dat geen der voorschriften aangaande de scapulieren bepaald, of der voorwaarden vereischt, om de aflaten te winnen, op straf van zonde verplicht.
Bijzondere voorwaarden voor het Zaterdagsche Voorrecht,
Om aan dit buitengewoon voorrecht, waarover bl. r 22â 124 gehandeld is, deelachtig te worden, moet men behalve het onafgebroken blijven dragen van het scapulier van O. L.V. van Karmel, nog de volgende verplichtingen volbrengen: 1° Een ieder moet overeenkomstig zijn staat de zuiverheid bewaren, d. w. z. de onthouding in den weduwlijken, de huwelijkstrouw in den gehuwden en de zuiverheid in den ongehuwden staat. Doch deze verplichting belet niet van staat te veranderen, door bijv. te trouwen.
â IJO -
2° Zij, die de kleine Getijden der H. Maagd kunnen lezen, moeten dit dagelijks doen, uitgenomen die verplicht zijn tot de dagelijksche Getijden van het Brevier. H. Congr. 18 Aug. 1868. (!).
Die echter de kleine Getijden der H. Maagd niet kunnen lezen, moeten, behalve het getrouw onderhouden der Vastendagen van de Kerk, daarenboven alle Woensdagen en Zaterdagen des jaars vleesch derven, uitgenomen op Kerstdag. Bul van Joan. XXII en van Alex. V.
Aanmerking. Het staat niet vrij de eene of andere van deze twee verplichtingen te kiezen; maar de Getijden zijn verplichtend voor die kunnen lezen,
(!) De kleine Getijden der H. Maagd, bestaande uit een Nocturne van den dag met de Lauden en alle overige kleine Uren, moeten gebeden worden in het latijn en volgens den Romeinschen Ritus, uitgezonderd, wanneer men een eigen Ritus heeft, door den H. Stoel goedgekeurd. H. Congr. der Afl. 18 Aug. 1868. D. A. 419. Beringer Appen-dice II p. sect. I, 436.
â i7i â
en het onderhouden der Vastendagen der Kerk en de onthouding op alle Woensdagen en Zaterdagen voor die niet kunnen lezen.
Deze verplichtingen kunnen om wettige redenen van eenen daartoe gemachtigden priester, in of buiten den biechtstoel, in een ander godvruchtig werk veranderd worden. Beringer. Appen-dice II, 449.
Wanneer men gewoonlijk de voorwaarden vervult, verliest men genoemd voorrecht niet door een of anderen keer bedoelde verplichtingen te verzuimen. Brocard op. cit. C, 16, nquot; 24â25.
Gering zijn dus de verplichtingen, welke men te onderhouden heeft, en nochtans welke gunsten en voorrechten deelt het scapulier den geloovigen mede!
7^
Derde Deel.
Verzameling van verschillende Formulieren.
Benedictio rosariorum, B. Marise Virginia.
(Propria ordinis Pradicatorum)
Sacerdotes deferant regulariter stolam albam ea benedicendo.
v. Adjutorum... r. Qui fecit...
v. Domine, exaudi orationem meam. r. Et clamor, etc.
v. Dominus vobiscum. r. Et cum spiritu tuo.
Oremus. â Omnipotens et misericors Deus, qui propter eximiam caritatem tuam, qua dilexisti nos, Filium tuum, unigenitum, Dominum nostrum Jesum Christum, de coelis in terram descendere, et de beatissimse Virginis Mariae Do-min.-E nostra: utero sacratissimo, angelo nuntiante, carnem suscipere, crucemque ac mortem subire, et tertia die gloriose a mortuis resurgere voluisti, ut nos
â 173 â
eriperes de potestate diaboli: obsecra-mus immensam clementiam tuam, ut \Jioc signunt\ haec signa rosarii in hono-rem et laudetn ejusdem Genitricis Filii tui ab Ecclesia tua fideli \dicatuvi\ dicata benefdicas et sanctiffices, \eiqué\ eisque tantam infundas virtutem Spiritus sancti, ut quicumque \Jwc\ horum quodlibet secum portaverit, atque in domo sua reverenter tenuerit, et in \eo\ eis ad te, secundum hujus sanctse Societatis insti-tuta, divina contemplando mysteria devote oraverit, salubri et perseveranti devotione abundet, sitque consors et particeps omnium gratiarum, privilegio-rum et Indulgentiarum, quse eidem Societati per sanctam Sedem Apostoli-cam concessa fuerunt, ab omni hoste visibili et invisibili semper et ubique in hoe saeculo liberetur, et in exitu suo ab ipsa beatissima Virgine Maria Dei Genitrice tibi plenus bonis operibus praesentari mereatur. Per eumdem Dominum... R. Amen.
Deinde aspergantur aqua benedicta.
â '74 â
Benediotio coronse Septem Dolorum B. M. V.
(Propria or dints Servorum B. M. V.) Sacerdos superpelliceo ac stola alba indutus die at:
V. Adjutorium nostrum... R Qui fecit...
V. Dominus vobiscum. R. Et cum Spiritu tuo.
OREMUS. â Omnipotens et misericors Deus, qui propter nimiam charitatem, qua dilexisti nos, Filium tuum unigeni-tum, Dominum nostrum Jesum Christum, pro redemptione nostra de coelis ad terram descendere, carnem suscipere et crucis tormentum subire voluisti: obse-cramus immensam dementiam tuam, ut hanc coronam, in memoriam septem Dolorum Genitricis Filii tui ab Ecclesia tua fideli dicatam bede f dicas et sancti f fices, et ei tantam Spiritus sancti vir-tutem infundas, ut quicunque eam recitaverit, ac secum portaverit, atque in domo sua reverenter tenuerit, ab omni hoste visibili et invisibili semper et ubique in hoe sseculo liberetur, et in exitu suo a beatissima Virgine Maria
â 175 â
tibi bonis operibus coronatus pnesentari mereatur. Per eumdem Christum Do-minutn... R. Amen.
Deinde sacerdos aspcrgat coronam aqua bcnedicta. Postea earn porrigens dicat :
Accipe coronam Beatse Mariae Vir-ginis in memoriam septem Dolorum suorum contextam, ut dum cam ore lau da veris, ejus poenas toto corde com-patiaris. Amen.
Deinde bencdicens dicat: Pax et benedictio Dei omnipotentis, Patris, et Fi f lii, et Spiritus sancti, descendat super te {vel super vos) et maneat semper. â R. Amen.
Benedictio numismatum S. Benedicti.
(Propia Ordenis. S. Benedicti.)
Sacerdos henedicturns nu mis mat a S. Benedicti, incipit absolute:
V. Adjutorium nostrum in nomine Domini.
R. Qui fecit coelum et terram.
â 176 â
Exorcizo vos, numismata, per Deum Patrem f omnipotentem, qui fecit coelum et terram, mare et omnia quae in eis sunt. Omnis virtus adversarii, omnis exercitus diaboli et omnis incursus, omne phantasma satanae eradicare et effugareab his numismatibus, ut fiant omnibus, qui eis usuri sunt, salus mentis et corporis: in nomine Patris f omnipotentis, et Jesu f Christi Filii ejus, Domini nostri, et Spiritus sancti f Paracliti, et in caritate ejusdetn Domini nostri Jesu Christi, qui venturus est judicare vivos et mortuos, et saeculurn per ignem. R. Amen.
Kyrie, eleison. Christe, eleison. Kyrie, eleison. Pater noster, etc. {seere to).
V. Et ne nos inducas in tentationem,â R, Sed. libera nos a malo.
V. Salvos fac servos tuos, â R. Deus meus, sperantes in te.
V. Esto nobis, Domine, turris forti-tudinis, â R. A facie inimici.
V. Dominus virtutem populo suo dabit, â R. Dominus benedicet populum suum in pace.
v. Mitte nobis, Domine, auxiliutn de sancto, â r. Et de Sion tuere eos.
v. Domino, exaudi orationem meam,â r. Et clamor meus ad te veniat.
v. Dominus vobiscum, â r. Et cum spiritu tuo.
oremus. â Deus omnipotens, bo-norum omnium largitor, supplices te rogamus, ut per intercessionem S. Be-nedicti, his sacris numismatibus, litteris ac characteribus a te designatis, tuam benedictionem infundas; ut omnes, qui ea gestaverint, ac bonis operibus intenti fuerint, sanitatein mentis et corporis, et gratiam sanctificationis, atque Induigen-tias nobis concessas consequi mereantur, omnesque diaboli insidias et fraudes per auxilium misericordia; tuae effugere va-leant, et in conspectu tuo sancti et im-maculati appareant. Per Dominum nostrum, etc. r. Amen.
Oremus. â Domine Jesu Christe, qui voluisti pro totius mundi redemptione
XII,
S. d. H.
_ i78 -
de Virgine nasci, circumcidi, a Judaeis reprobari, Judae osculo tradi, vmculis alligari, spiais coronari, ciavis perforari, inter latrones crucifigi, lancea vulnerari et tandem in crace mori: per hanc tuam sanctissimatn Passioncni humiliter exoro, ut omnes diaboücas iasidias et fraudes expellas ab eo, qui nomen sanctum tuum his litteris ac characteribus a te designatis devote invocaverit, et eum ad salutis portum perducere digneris. Qui vivis et regnas, etc. R. Amen.
Benedictio Dei Patris omnipotentis, et Filii f, et Spiritus Sancti descendat super h;:EC numismata ac ea gestantes, et ma-neat semper. R. Amen.
{Deinde sacerdos aspergit numismata aqua benedictd). (1)
('). Pro cxteris coronis precatorüs, crucibus, sacris numismatibus, in hoe opusculo contentis, benedictio specialis non reqniritur; adeoque, ut ex decretis S. Congregationis Indulgentiavum, pneser-tim dierum II Aprilis 1840 et 7 Januari 1843 facile eruitur, pro i)enedictione horum objectonnn non alius ritus exigitur praeter signum crucis.
â 179 â
Benedictio et Impositio seapularis sanetissimse Trinitatis.
(Propria Ordinis SS. Trinitatis Redemptionis captivorttm).
Sacerdos indutus sitperpelliceo et stola ai bi coloris dicit:
v. Adjutorium nostrum, ctc. â R. Qui fecit coelum et terram.
v. Dominus vobiscum. â r. Et cum spiritu tuo.
Oremus. â Domine Jesu Christe, qui tegumen nostrae mortalitatis induere dignatus es: obsecramus immensam tu;e â largitatis abundantiam, ut hoe genus vestimenti, quod sancti Patres ad inno-centise et humilitatis indicium abrenun-tiantes saeculo ferre sanxerunt, tu ita bene f dicere digneris, ut hie famulus tuus {vel haec famula tua) N., qui {vel quae) hoe indutus {vel induta) fuerit vestimento, te quoque induere mereatur. Qui vivis et regnas per omnia saecula saeculorum. â r. Amen.
Postea aspergit aqua bencdicta.
Modus imponendi dictum scapulare.
v. Adjutorium nostrum, et.c. â r. Qui fecit coelum et terram.
v. Dominus vobisc un, â r. Et cum spiritu tuo.
Oremus. â Adesto, Domine, sup-plicationibus nostris: ut hunc famulum tuum {vel famulam tuam), cui in tuo nomine habitum Religionis sanctissimse Trinitatis imponimus, tu ita bene f dicere dignerjs, ut te largiente devotus (yel devota) persistat, et vitam consequi mereaturteternam. PerDominumnostrum Jesum Christum, etc. â r. Amen
Nunc imponitur sacrum scapulare a sacerdote diccnte:
Accipe habitum sanctissimse Trinitatis in augmentum fidei, spei et charitatis: in nomine Patris, et Filii, f et Spiritus sancti.
r. Amen.
v. Dominus vobiscum, r. Et cum spiritu tuo.
â i8i â
OREMUS. -â Omnipotens sempiterne Deus, qui dedisti famulo tuo (vel fa-mulse tuse) in confessione verae fidei Eeternse Trinitatis gloriam agnoscere, et in potentia majestatis adorare unitatem: quaesumus, ut ejusdem fidei firmitate ab omnibus semper muniatur adversis.
Deus, qui per sanctos Joannem et Felicem Ordinem sanctissimse Trinitatis, ad redimendum de potestate Sarace-norum capti vos, ccelitus instituere dignatus es: praesta, quaesumus, ut eorum suffra-gantibus meritis, a captivitate corporis et animae, te adjuvante, liberetur hic famulus tuus (vel haec famula tua). Per Christum Dominum nostrum. â R. Amen.
Suscipiat te sanctissima Trinitas in numerum confratrum consororumque Confraternitatis nostrae: et licet te in-digni suscipimus, in orationibus tarnen nostris precamur, ut tibi sanctissima Trinitas concedat tempus bene vivendi, constantiam perseverandi; et sicut nos hodie fraterna caritas spiritualiter jungit
â i82 â
in terris, ita divina pietas, qua; dilecti-onis est auctrix et amatrix, nos cum fklelibus suis conjungere dignetur in ccelis. PerChristum Domirmm nostrum.â R. Amen.
Dahir benedictio die en do: Pax et benedictio Dei omnipotentis, Patris f, et Filii f, et Spiritus f sancti, descendat super te {vel super vos), et maneat semper. â R. Amen.
Benedictio scapularis Septem Dolorum B. M. V.
(Propria Ordinis Servoruin B.M. V.) Sacerdos superpelliceo et stola alba indutus dicat:
V. Adjutorium... R. Qui fecit...
V. Dominus vobiscum. R. Et cum spiritu tuo.
OREMUS. â- Omnipotens sempiterne Deus, qui morte Unigeniti tui mundum collapsum restaurarc dignatus es, ut nos a morte seterna liberares, et ad gaudia regni coelestis perduceres; respice, quKsumus, super hanc familiam servorum
- 183 -
tuorum in nomine beatissimae Virginis septem Doloribus saucise congregatam, de cujus gremio hie famulus tuus (vel hïec famula tua) esse cupit (w/hi famuli tui, vel bae famulse tuse esse cupiunt), ut augeatur numerus tibi fideliter ser-vientium, et omnibus sseculi et carnis perturbationibus liberatus (libcrata, li-berati, liberatje), et a laqueis diaboli se-curus (secura, securi, securae), interces-sione ejusdem beatae Mariae Virginis, beatorum Augustini et Philippi ac septem nostrorum beatorum Patrum Ordinis Fundatorum, vera gaudia possideat (pel possideant). Per Christum Dominum nostrum. â â r. Amen.
Converses ad hahitinn {sen scapulare) super altare positum, saeerdos dicit :
Oremus. â Domine Jesu Christe, qui tegumen nostra; mortalitatis induere dignatus es: obsecramus immensam largitatis tuae abundantiam, ut hoc genus vestimentorum, quod sancti Patres nostri ad innocentiae humilitatisque indicium in memoriam septem Uolorum 13. Virginis
â 184 â
Mariae nos ferre sanxerunt, ita bene f dicere digneris, ut qui (vel quae) illis fuerit indutus (pel induta, seti fuerint induti vel indute), corpore pariter et animo induat (seu induant) te Salvatorem nostrum. Que vivis et regnas in ssecula sseculorum. â R. Amen.
Aspergit habiUim aqua benedicta, dicens: Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor; lavabis me, et super ni-vem dealbabor.
Sacerdos imponit habitum et cuilibet coram se genuflexo dicit:
Accipe, carissime frater fw/carissima soror), habitum Beate Mariae Virginis, singulare signum servorum suorum, in memoriam septem Dolorum, quos in vita et morte unigeniti Filii sui sustinuit, ut ita indutus (vel induta) sub ejus patro-cinio perpetuo vivas. â R. Amen.
Hortatur adscriptuni, ut regit las observet ad sacras Indulgentias asse-qucndas: denique dat benedietionem :
- i8S -
Benedictio Dei omnipotentis, Patris, ⢠et Fi f lii, et Spiritus Sancti, descendat super te (vel super vos) et maneat semper â r. Amen.
Formula benedicendi et imponendi scapulare B. M. V. de Monte Carmelo.
(Ab omnibus adhibcnda sacerdotibusfacKltatem habeniibus adscribendi Christi fideles Confraternitati ejusdem Scapularis. Sacra Cotigr. Rituum sub die 24 Jtili 1888. Acta S. Sedis, XXI, 433.^
v. Ostende nobis, Domine, miseri-cordiam tuam, r. Et salutare tuum da nobis.
v. Domine exaudi... v. Dominus vo-biscum.
Oremus. â Domine Jesu Christe, humani generis Salvator, hunc habitum, quern propter tuum tuaeque Genitricis Virginis Marise de Monte Carmelo amorcm servus tuus devote est delatu-rus, dextera tua sanctifica, ut eadem Genitrice tna intercedente, ab hoste maligno defensus in tua gratia usque ad mortem pcrscveret: Qui vivis.
â 186 â
Deinde aspergat aqua benedict a ha-bi tnm et postea ipsum imponat die ens:
Accipe hunc habitum benedictum, precans Sanctissimam Virginem, ut ejus meritis ilium perferas sine macula, et te ab omni adversitate defendat atque ad vitam perducat aeternam. Amen.
Deinde eiieat:
Ego, ex potestate mihi concessa, re-cipio te ad participationem omnium bonorum spiritualium quae, cooperante misericordia Jesu Christi, a Religiosis de Monte Carmelo peraguntur. In nomine Patris, et Filii, et Spiritus sancti. Amen.
Bene f dicat te Conditor coeli et terrje Deus omnipotens, qui te cooptare dignatus est in confraternitatem Beata; Maria; Virginis de Monte Carmelo, quam exoramus, ut in hora obitus tui conterat caput serpentis antiqui; atque palmam et coronam sempitenuu ha;re-ditatis tandem consequaris. Per Christum Dominum nostrum. â R. Amen.
Aspergat aqua benedieta.
- 187 -
Benedictio et impositio seapularis coerulei B. M. V. Immae.
(Pr of via Clericorum Regularium Theatinorum).
Qui snsceptums est scapula re, genujleciat, et sacerdos superpelliceo et stola alba indutus, capite detecto, dicat absolute:
V. Adjutorium ... R. Qui fecit...
V. Dominus vobiscum. R. Et cum spiritu tuo.
OREMUS. Domine Jesu Christe, qui tegimen nostras mortalitatis induere dig-natus es, tu^e largitalis clementiam hu-militer imploramus, ut hoe genus vesti-menti, quod in honorem et memoriam Conceptionis beate Marine Virginis immaculate, nee non ut illo induti exorent in hominum pravorum morum reforma-tionem, institutum fuit, bene f dicere digneris, ut hie famulus tuus, qui eo usus fuerit {vel haec famula tua, qua; eo usa fuerit, si plures srisccpturi sint, di-catur : hi famuli tui, qui eo usi fuerint, vel hae famulee tua;, qua; eo usa; fuerint), eadein beata Maria Virgine intercedente,
â 188 â
te quoquo induere mereatur {vel mere-anter). Qui vivis et regnas in saecula saeculorum. â R. Amen.
Postea sacerdos, nihil dicendo, asper-git scapzdare vel scapiilaria aqua bene-dicta; deinde illud imponit dicens :
Accipe, frater (vel soror), scapulare Conceptionis beate Marine Virginis immaculate, ut, ea intercedente, veterem hominem exutusfvel exuta), et ab omni peccatorum inquinamento mundatus mundata), ipsum perferas sine macula, et ad vitam pervenias sempiternam. Per Christum Dominum nostrum. â R. Amen.
Postea stdjungit:
Et ego, ex facultate mihi concessa, recipio te (vel vos) ad partipationem bononim omnium spiritualium, quae in Clericorum Regularium Congregatione ex gratia Dei fiunt, et quae per sancte Sedis Apostolicse privilegium concessa sunt. In nomine Patris, et Filii f, ct Spiritus sancti. â R. Amen.
â 189 â
Dcscrihat nomen ejus (vel nomina cornm) in libro consneto, et dicat trina vice, Jlexis genibus, Orationem sequen-tem vulgari sermone una cjcm adscripto (vel adscriptis):
Laudes ac gratige sint omni momento sanctissimo ac divinissimo Sacramento. Et benedicta sit sancta et immaculata Conceptio beatae Virginia Mariae, Matris Dei.
Hortetur fideles, ut hczc eloquia scepe scepius repetant ad indulgentias conse-quendas.
Benedictio scapularis rubri Passionis et sacratissimi Cordis D. N. J. C necnon et Cordis amantissimi ac compa-tientis S. Mariae Virginis Immaculatse.
(Propria congregationis Missionnm). Gennjlexo, qui siiscefturus est scapulare, sacerdos superpelüceo et stola rubra indutus,
capite detecto, dicat:
V. Adjutorium.... R. Qui fecit...
V. Dominus vobiscum, R. Et cum spiritu tuo.
â igo â
Oremus. â Domine Jesu Chrlste, qui tegumen nostrre mortatilatis induere dignatus, temetipsum exinanivisti, for-mam servi accipiens, et factus obediens usque ad mortem crucis: tu^e largitatis clementiam humiliter imploramus, ut hoe genus vestimenti, quod in honorem et memoriam dolorosissimae Passionis tuse tuique sacratissimi Cprdis, necnon et Cordis amantissimi ac compatientis immaculatae Matris tuje institutum fuit, atque ut illo induti hsec mysteria de-votius recolant, benedicere f digneris; ut hie famulus tuus, qui (vel hsec fa-mula tua, quae) ipsum gestaverit, te quoque, per tua merita et intercessionem beatissimse Virginis Mariae, induere mereatur. Qui vivis et regnas in sa;cula saeculorum. r. Amen.
Hie sacerdos sacrum scapulare aqua benedicta aspergit, ct illud imponit, dicens:
Accipe, carissime frater {vel carissima soror), hunc habitum benedictum, ut veterem hominem exutus {vel exuta),
1
â igi â
novumque indutus {vel induta) ipsum digne perferas, et ad vitam pervenias sempiternam. Per Christum Dominum nostrum.
R. Amen.
Deinde subjungit:
Et ego, ex facultate mihi concessa, recipio te [vel vos) ad participationem omnium bonorum spiritualium, quae per sanctse Sedis Apostolicae privilegium huic sancto scapulari in gratiam Con-gregationis Missionis concessa sunt. In nomine Patris, et Filii f, et Spiritus sancti. â R. Amen.
Denique dicatur trina vice versiculus sequens:
Te ergo qusesumus, tuis famulis sub-veni, quos pretioso sanguine redemisti.
Formula benedicendi et imponendi quinque (quatuor) scapularia.
Scil. Ord. SS. Trinitatis, Passiotiis D. N. J. C., (B. If. V. de Monte Carmelo),
Immaailatce Cmceptionis, et septem Dolorum B. M. V. approiata a Leone PP. XIII, die 29 Juli 1886. (').
V. Adjutorium nostrum in nomine Domini.
R. Qui fecit coelum et terram. V. Domine, exaudi, ctc. R. Et clamor meus, etc.
V. Dominus vobiscum. R. Et cum spiritu tuo.
OREMUS. â Domine Jesu Christe, omnium caput fidelium, et humani generis Salvator, qui tegrnem nostras
^). Indultum induendi Christifideles scapulari carmelitico commixtim cum aliis scapularibus non ampluis conceditur, ac illi omnes, quibus Indultum ipsum quocumque nomine vel forma ab Apostolica Sede est concessum, eo tantummodo ad decennium perfruuntur a die 27 Aprilis 1887 computandum.
â »93 â
mortalitatis induere dignatus es: obse-cramus immensam largitatis tu;u abun-dantiam, ut indumenta h;cc in obsequium SS. Trinitatis instituta, nee non in honorem et meinoriani doiorosissimae Passionis ture, in honorem beatissim;E Virginis Matris tuae sine labe conceptae, doloresque tuos ac vices peramanter dolentis (et Carmeli Ordinern suo pa-trocinio decorantis) ita bene f dicere et sancti t ficare digneris, ut qui (vel qus) ea assumpserint, eadem Genitrice tua intercedente, te quoque Salutare nostrum, corpore et anima induere mereantur: Qui vivis et regnas in saecula saeculorum.
R. Amen.
(Sacerdos aspergat aqua benedicta.)
Modus Induendi.
Sacerdos omnibus scapularia singillatim imponat, ac deinde foyinulam profei'at supra omnes simul.
i. Accipite habitum Ordinis SS. Trinitatis in fidei, spei, et charitatis
â 194 â
augmentum, ut induatisnovum hominem, qui secundum Deum creatus est in justitia et sanctitate.
2. Accipite scapulare Passionis Do-mini nostri Je;u Christi, ut veterem hominem exuti novumque induti, ipsum digne perferatis, et ad vitam perveniatis sempiternam.
3. (Accipite habitum Ord. B. M. V. de Monte Carmelo, ut ejus patrocinio ab omni errore et adversitate liberati, Domino fideliter serviatis).
4. Accipite scapulare devotorum B. M. V. sind labe conceptae, ut ejus in-tercessione ab omni inquinamento mun-dati, ad vitam perveniatis seternam.
5. Accipite habitum Servorum B. M. V. septem Dolores ejus devote recolentium, ut dolores ipsos assidue recogitantes, Passionem D. N. J. C. in corde et corpore vestro impressam ju-giter teneatis.
Ego, ex facultate apostolica mihi delegata, recipio vos in participationem
â i95 â
bonorum spiritualium et indulgentiarum, quibus praedicti Ordines seu Congrega-tiones pollent. In nomine f Patris, et f Filii, et Spiritus f Sancti, â R. Amen. V. Salvos fac servos tuos,
R. Deus meus, sperantes in te. V. Mitte eis auxilium de Sancto, R. Et de Sion tuere eos.
V. Esto eis, Domine, torris fortitudinis, R. A facie inimici.
V. Nil proficiat inimicus in eis, R. Et filius iniquitatis non apponat nocere eis.
V. Domine, exaudi....
V. Dominus vobiscum.
Oremus. â Adesto, Domine, sup-plicationibus nostris, et quibus in tuo nomine sacros habitus imposuimus, ita bene f dicere digneris, ut tuse gratte cooperantes, vitam consequi mereantur aeternam. Per Christum...
Benedictio Dei omnipotentis, t Patris, et f Filii, et Spiritus t sancti descendat super vos et maneat semper. â r. Amen.
â 196 â
Foi'mula rccitctur numero singnlari, si ujü tantnta pcrsonce sint scapularia imponenda.
Ritus benedictionis apsstolieas in articulo martis a saoardotibus ad id dalegatis impertiendse.
(A. Bened. XIV, in bulla Pia Mater, d. d. 5 Apr ills 1747 priccriplus.)
V. Adjutorium... R. Qui fecit...
Antiphona. Ne retniniscaris, Do-mine, delicta famuli tui (vel ancillse tuje), neque vindictam sumas de peccatis ejus.
Kyrie, eleison. Christe, eleison. Kyrie, eleison.
Pater noster.
V. Et ne nos inducas ia tentationem.
R. Sed libera nos a male.
V. Salvum fac servum tuum (vel ancillam tuam, et sic dcinccps.)
R. Deus meus, sperantem in te.
V. Domine, exaudi... R. Et clamor meus...
â 197 â
V. Dominus vobiscum. R. Et cum spiritu tuo.
OREMUS. -â Clementissime Deus, Pater misericordiarum, et Deus totius consolationis, qui neminem vis perire in te credentem atqua sperantem: secundum multitudinem miserationum tu-arum respice propitius famulum tuum N., quem tibi vera fides et spes Christiana commendant. Visita eum in sa-lutari tuo, et per Unigeniti tui passionen! et mortem, omnium ei delic-torum suorum remissionem et veniam clementer indulge, ut ejus anima in hora exitus sui te judicem propitiatum in-veniat; et in sanguine ejusdem Filii tui ab omni macula abluta transire ad vitam mereatur perpetuam. Per eumdem Christum Dominum nostrum.â Amen.
Tnm die to ab itno ex clericis adstan-tihus Confiteor, etc., sacerdos dicat: Misereatur... Deinde:
Dominus noster Jesus Christus, Filius Dei vivi, qui beato Petro Apostolo suo dedit potestaten! ligandi atque solvendi,
â 198 â
per suam piissimam misericordiam re-cipiat confessionem tuam, et restituat tibi stolam primam, quam in Baptismate recepisti; et ego facultate mihi ab apos-tolica Sede tributa, indulgentiam plena-riam et remissionem omnium peccatorum tibi concedo. In nomine Patris, f et Filii, et Spiritus Sancti. â Amen.
Per sacrosancta humanae reparationis mysteria remittat tibi omnipotens Deus omnes prsesentis et futurae vitae pcenas, paradisi portas aperiat, et ad gaudia sempiterna perducat. â Amen.
Benedicat te omnipotens Deus, Pater, et Filius, et Spiritus sanctus. â Amen. Si vero infirmus sit adeo mortiproxi-inus, ut neque confessiottis genera lis fa-ciendce, nequeprcemissarum preciim reci-tcindarum tempus suppetat, statim sacer-dos benedictioncm ei impertiatur dicens: âDominus noster etc.quot; Et si mors proxime urgeat, dicat: âIndulgentiam âplenariam et remissionem omnium peccatorum tibi concedo, in nomine Patris, âet Filii, et Spiritus sancti. Amen.
â «99 â
Rituale romanum, et Ceremoniale III Ord. S. Francisci, approbatum a Sacra Congr. Rituum die lüjunii 1883.
Formula petendi facultatem benedicendi pietatis objecta eisque applicandi Indulgentias Apostolicas.
Beatissimi Pater! â N. N., sacerdos dioecesis N., ad confessiones audiendas approbatus, ad S. V. pedes provolutus, humillime petit facultatem benedicendi coronas, rosaria, cruces, crucifixos, par-vas statuas ac numismata, eisque applicandi Indulgentias Apostolicas, non ex-ceptis lis, quse coronis S. Birgittae nun-cupatis adnexse sunt. Et Deus etc.
(quot;Ad Saeram Congregationem Indul-gentiarum â Rome, Cancellcria Apos-tolica }.
Formula petendi facultatem benedicendi cmces cum Indulgentiis Vise Crucis.
Reverendissime Pater! â N. N., sacerdos dioecesis N., humiliter petit facultatem benedicendi cruces cum Indulgentiis Viae Crucis.
Pro qua gratia etc.
(Ad Reverendiss, Patron Generalem Ordinis Minoruvi â Romce, Collegia S. Antonio, via Merulana.)
Formula petendi facultatem benedicendi et imponendi separatim varia scapularia.
Reverendissime Pater! â N. N., sacerdos direcesis N., petit humiliter facultatem benedicendi et imponendi.
1. scapulare SS. Trinitatis.
(AdReverendissim.Patrem Generalem Ordinis SS. Trinitatis Romce S. Tri-nita in Via Condotti.)
2. scapulare Septem Dolorum B. M. V.
(Ad Reverendiss. Patrem Prior em
â 20I -
Generalem Ordinis Servorum B. M. V.â Rovice, S. Marcello.)
3. scapulare B. M. V. de Monte Carmelo.
(Ad reverevdissumtm Pair cm Generalem Carmelitarum cxcalceatorum, Revue, via dclla Pavctteria vel ad reverendissim. Pat run Generalem Carm. caleeatorum: Romee, S. Maria Tras-pontina.)
4. scapulare cjemleum B. M. V. sine labe conseptae.
(Ad Reverendiss. Viearinm Generalem Co ngreg ation is Clerieornm Reg7i-% larium. â Romee, S. Andrea del la Valla.)
5. scapulare rubrum Passionis et sanctissimi Cordis D. N. J. C., necnon et Cordis amantissimi ac compatientis beataj Maria; Virginis immaculatae.
(Ad Reverendiss. P. Proenratorem Congregation is Missionis â Romee, Via del la Musione.)
Formula petendi facultatem benedicendi et imponendi quatuor scapularia sub unica formula.
Beatissime Pater! â N. N., sacerdos dioecesis Jf., ad confessiones sacramen-tales excipiendas approbatus, ad pedes Sanctitatis Vestrae provolutus, humiliter pelit facultatem benedicendi et impo-nendie sub unica formula quatuor scapularia, scilicet SS. Trinitatis, rubrutn Passionis D. N. J. Chr,, immaculate Conceptionis et Septem Dolorum B. M. V., quae ex facultate sibi a respec-tivis Ordinum Superioribus concessa singula seorsim jam potest benedicere et imponere. Et Deus etc.
(Ad Sacram Co ngrega tio nem Ri-tuum â Roma, Cancellaria Apo sialic a).
Xlamp;TSLOTJJD.
Bladz.
Voorwoord.............5
Voorafgaand onderricht over de aflaten in het algemeen.............7
EERSTE DEEL.
Over verschillende Kransen, andere voorwerpen van godsvrucht en eenige godsvrucht-
oefeningen............3^
Rozenkrans of Krans der H. Maagd. ... 36 Aflaten gehecht aan de Rozenkransen, gewijd door de Predikheeren of eenen anderen
daartoe gemachtigden Priester.....42
Voorwaarden............45
Geheimen te overwegen onder het bidden van
den Rozenkrans..........47
Aflaten verbonden aan het bidden der Litanie
van Loretten...........48
Aflaten verbonden aan de Rozenkransen, gewijd
door de Kruisheeren.........49
Bemerkingen............56
Krans der H. Brigitta.........60
Aflaten..............61
Voorwaarden............64
Krans der Zeven Smarten.......66
Aflaten..............67
204
Bladz.
Voorwaarden............70
De Zeven Smarten van Maria......72
Kranje der Onbevlekte Ontvangenis .... 72
Aflaten..............73
Voorwaarden............73
Kruisen, Kransen en Rozenkransen van het
H. Land.............74
Aflaten verbonden aan het bidden van âde
Engel des Heerenquot;. (').......77
Apostolische Aflaten, gehecht aon Kransen, Rozenkransen, Kruisjes, Kruisbeelden, Beeldjes en Medaljes..........81
Aflaten..............83
Voorwaarden............85
Kruisbeeld gewijd voor den Kruisweg ... 87
Voorwaarden............go
Bemerking over den Kruisweg......91
Medalje of Kruis van den H. Benedictus . . 96
Aflaten..............too
Voorwaarden............103
Algemeene Bemerkingen........105
TWEEDE DEEL.
114 114
118 121 124 127
Over het Scapulier.........
Geschiedkundig Overzicht der vijf Scapulieren Het Scapulier der Allerh. Drievuldigheid . liet Scapulier van O. L.Vr. der Zeven Smarten liet Scapulier van O. L.Vr. van Karmel . Het Scapulier der Onbevl. Ontvangenis . Het Scapulier van het H. Lijden .... Voordeelen aan het dragen der Scapulieren verbonden........... . .
129
â 205 â
Bladz.
Verhandeling over den Pauselijken Zegen met
vollen aflaat in articulo mortis. (') . . . 130
Lijst der volle aflaten........133
Vaste Feesten en Dagen.......136
Beweegbare Feesten en Dagen.....140
De groote Aflaat van O. L. V. der VII
Smarten, genaamd toties-qnoties. {l) . . 143
Gedeeltelijke Aflaten.........145
Van het Scapulier der Allerh. Drievuldigheid. 145
Van O. L. V. der Zeven Smarten . . . . 147
Van O. L. V. van Kar mei......148
Van de Onbevlekte Ontvangenis ... .149
Van het H. Lijden.........153
Aflaten der Statiën.........154
Bemerking............156
Voorwaarden...........157
Over den Vorm, Stof en Kleur.....157
Over de Zegening, Oplegging en het Ontvangen van het Scapulier......161
Over de Aanneming en het Inschrijven in
een Register...........164
Over de Verplichtingen .......167
Bijzondere Voorwaarden voor het Zater-dagsche Voorrecht.........169
DERDE DEEL.
Verzameling van verschillende Formulieren . 172
Benedictio rosariorüm, B. Mariie Virginis . 172
Benedictia corona; Septem Dolorum B. M. V. 174
Benedictio numismatum S. Benedicti . . . 175 Benedictio et impositio scapularis SS. Trini-
tatis..............179
â 2o6 â
Bladz.
Benedictioscapularis Septem Dolorum B. M.V. 182 Formula benedicendi et imponendi scapulare
B. M. V. de Monte Carmelo.....185
Benedictio et impositio scapularis coerulei B.
M. V. Immac...........187
Benedictio scapularis rubri Passionis . . . 189 Formula benedicendi et imponendi quinqua
(quatuor) scapularia........192
Ritus benedictionis apostolicne in articulo
mortis.............196
Formula petendi facultatem benedicendi pie-tatis objecta eisque applicandi Indulgentias
Apostolicas...........199
Formula petendi facultatem benedicendi cruces
cum Indulgentiis Viae Crucis.....200
Formula petendi facultatem benedicendi et
imponendi separatim varia scapularia . . 200 Formula petendi facultatem benedicendi et imponendi quatuor scapularia sub unica
202
formula
Bij den Uitgever Jos. J. van Lindert,
te Cuyk ajd Maas, is verschenen:
Een prachtig en geheel nieuw
Chromo-Prentje van den H. Joseph.
De keerzijde bevat het Gebed tot den 11. Joseph voor de Maand October, door Z. H. den Paus met Aflaten verrijkt.
Prijs: ioo Æ 1.25, 500 / S.625, 1000 / 10.00.
Hetzelfde Prentje is ook als Dubbel-Blaadje verkrijgbaar. Alsdan bevat het, behalve 't genoemde Gebed, nog Gebeden voor een Zaligen Staat en Dood.
Prijs : 100 Æ 2.00, 500 / 9.375, 1000 / 17.50.
Het Gebed tot den H. Joseph en hetzelfde Gebed, vermeerderd met de genoemde Gebeden, zijn ook op gewoon papier (beide in klein formaat, doch met zeer duidelijke letter en versierd met een schoone afbeelding van den H. Joseph) voorhanden; prijs respectievelijk;
100 / 0.20, 500 / 0.87s, 1000 / i-S0;
100 / 0.40, 500 / 1.75, 1000 / 3.00.
Een prachtig en geheel nieuw
CHROMO-PRENTJE VAN DE H. FAMILIE,
op een dubbel blaadje, bedrukt met het Formulier ten dienste van Christelijke Huisgezinnen die zich aan de H. Familie toewijden en het Dagelijksch Gebed voor de Beeldtenis der 11. Familie.
Prijs : 100 stuks / 2.00, 500 stuks / 9.375.
Genoemd Formulier en Gebed op gewoon wit papier, in klein formaat, doch met zeer duidelijke letter en versierd met eene afbeelding der H. Familie.
Prijs : 100 / 0.50, 500 / 2.00, 1000 / 3.50.
Wenken en Raadgevingen
voor
Jongelingen en Jongedochters,
door
Mgr. IX W. Cramer.
Naar de tweede Hoogduitsclie uitgave bewerkt door A. H. Potberg, R. K. Pr.
Dit werkje van den geleerden Duitschen priester, in 't Nederlandscli bewerkt door den Eerw. Heer Potberg, is vooral geschreven om in handen te komen onzer christelijke jongelieden van beiderlei kunne, vooral voor leden van Congregaties of H. Families, die hierin betrachtingen en raadgevingen vinden om de gevaren, die den levensweg der jeugd zoo onveilig maken, te kunnen ontgaan en tevens practische wenken om in alle omstandigheden, waarin jeugdige personen in 't leven der wereld, kunnen geplaatst worden, de zonde te vermijden en het ware godsdienstige leven te betrachten om daardoor den grondslag te leggen voor de dagen van den lateren leeftijd en om eenmaal de veilige haven der eeuwige zaligheid binnen te zeilen.
Wijl in onze taal nog, voor jongelieden, na 't verlaten van school en catechismus, geen dergelijk boekje bestaat en onze godsdienstige jeugd behoefte heeft aan eenen christelijken wegwijzer op 't gevaarvolle levenspad, verwachten wij van de uitgave van bovengenoemd werkje alle succes. Met het oog op eene al-gemeene verspreiding is de prijs uiterst laag gesteld.
Prijs : Æ 0.25, in linnen sLe npelbandje / 0.35.
v
. M
â I.'
m