!
-
VAN HET ZIEKBED
NAAR DEN
HEMEL
DOOR
H. J. H. RUSCHEBLATT,
Oud-Pastoor en Oud-Leer aar.
AMSTERDAM, F. H. J. BEKKER. 1892.
IMPRIMATUR.
A. M. C. v. COOT]I.
Lib}. Cens.
Amstei.odaiii,
Hac XV die Junii 1892,
VOORWOORD.
De Titel, op den Omslag afgedrukt, is te kort voor dit boekje en zondigt daardoor, dat hij niet alles aangeeft, wat in de volgende bladzijden aan den godvruchtigen Lezer ter behartiging wordt voorgehouden. Voluit geschreven moest hij luiden;
.Bediening der H.H. laatste Sacramen-âten; Plechtigheden en Gebeden der H. Kerk âvóór en na het sterven en bij het begraven. . Wat kunnen en moeten de Huisgenooten âvoor de zieken, voor de stervenden doen?quot;
INLEIDING.
Den mensch is het gesteld eenmaal te sterven en daarna het oordeel. (Hebr. IX, 27).
God heeft den dood niet g-emaakt, maar door de zonde is de dood in de wereld gekomen. Onsterfelijk naar de ziel, zoude de mensch ook door eene bovennatuurlijke gave Gods naar het lichaam onsterfelijk geweest zijn, zoo hij het gebod van zijn Schepper niet overtreden had. Helaas! Adam zondigde en in hem al zijne afstammelingen â de voorbestemde Moeder des Verlossers alleen uitgezonderd.
Het vonnis: gy zult den dood sterven, kwam dan ook neder op het geheele menschelijke geslacht.
6
Van dien dood weten wij zeker, dat hij eens, hetzij vroeger of later, allen treffen en uit het leven wegrukken zal, en dat hij het laatste, voor alle eeuwigheid beslissende oogenblik van 's menschen verblijf op aarde zal wezen.
Een ieder, die het leven heeft ontvangen, zal het moeten afleggen; wie deze wereld betreedt, moet ze op den door God bepaalden tijd wederom verlaten ; de wieg, waarin het pas geboren wicht te sluimeren gelegd wordt, is een vóórafbeelding van het graf, waarin het doode lichaam ter ruste begraven zal worden; de eerste schrede op den levensweg gezet, geleidt naar het einde van alles. Die wet door een beleedig-den en vergramden God uitgesproken, zal niemand sparen. IVaf mensch leeft er â vraagt de Psalmist â die den dood niet zien zal? (Ps. LXXXVIII, 49). En de wijze man antwoordt: ingang in het leven en uitgang uit het leven-is eenerlei bij allen. (Wijsh. VII, 6). Bij
7
allen zonder uitzondering van ouderdom of kunne, voor staat of stand.
Elke afstammeling van dien zoon der aarde, die het eerst geschapen is, wordt op dezelfde wijze in den schoot zijner moeder gevormd, ademt de alge-meene lucht in, geeft schreiend het eerste geluid en wordt met veel zorg opgekweekt; maar voor hem is de tijd van heengaan ook eens gekomen en allen gaan heen naar dezelfde plaats: uit het stof zijn zij geworden en tot stof keer en zij weder (Eccl. III, 20); niemand is er, die altijd zal leven, of die dit verhoopt. (IX, 5). Bedenk â liet God reeds voorheen verkondigen â dat de dood niet uicblijft en dat het verbond der onderwereld (de wet des doods) u bekend is gemaakt ; en het verbond der onderwereld is, dat men den dood moet sterven (Eccl. XIV, 12).
Dit vonnis, door een rechtvaardig God over ons allen geveld, zien wij
8
dagelijks door eene schrikwekkende ondervinding bevestigd. IVy hehben hier gcenc blijvende woonstede (Hebr. XIII, 14), roept de H. Paulus uit, en geen oogenblik gaat in ons leven voorbij, dat wij geene slachtoffers van de smartelijkste aller kwalen zien vallen. Ons lichaam draagt de kiem der ontbinding in zich en waar het oog zich wendt, overal ontwaart het een beeld van het plechtige van den rouw, van de verwoesting des doods. Van alle zijden â in onze familie, onder onze bekenden, van nabij en van uit de verte, hooren wij van dien prikkel der zonde gewagen. Geheele familiën zien we uitsterven, voorouders zijn heengegaan en de afstammelingen, welke hunne plaats innamen, zijn hen in den dood gevolgd.
Het eene geslacht trad op, maar om weldra van het tooneel dezer wereld te verdwijnen; een ander meende op een langeren duur van bestaan te mogen rekenen en moest, na een wijle,
9
zijn plaats voor een derde ruimen. Zoo is hier alles eene voortdurende wisseling en onafgebroken opvolging; een komen en een heengaan, totdat het voorspellend woord van den Profeet Ezechiël werkelijkheid voor een ieder wordt; het einde komt, het einde komt-, totdat de laatste der stervelingen den dood geproefd heeft. En kort is de spanne van den tijd, welke tusschen den geboorte- en stervensdag verloopt, al reikt hij tot over de grenzen van een hoogen ouderdom, kort in vergelijking met de eeuwigheid welke nimmer eindigen zal. Het leven is een damp, die voor een luttel tijds verschijnt en daarna vergaan zal (Jac. IV, 15), die opstijgt op de aarde, zich verheft in dâ¬; lucht en voor eenige oogenblikken door de stralen der zon beschenen wordt, maar weldra, door een opkomenden wind uiteengedreven, geen spoor meer achterlaat.
Derhalve, wij allen moeten sterven,
10
en God alleen weet hoe spoedig. Toch is het sterven niet eene ramp, wel het slechte sterven, in groote zonden, buiten de vriendschap met onzen Rechter. En het einde van ons leven beslist over eene gelukkige of rampzalige eeuwigheid. Niemand sterft tweemaal en, gelijk de dood is zal ook de eeuwigheid zijn. Een slecht leven kan nog op het laatste oogenblik goedgemaakt worden; een slecht sterven is onherstelbaar en de grootste van alle denkbare rampen.
De goede moordenaar bekeerde zich, toen hij reeds den dood nabij was, en was dienzelfden dag nog met Jesus in het Paradijs; Judas verhing zich in wanhoop en ging naar de plaats, welke hij door zijne zonden verdiend had. Al wie in de vriendschap met God sterft, heeft zijne ziel gered, alles gewonnen, den Hemel verdiend, en wel voor altijd; wie als vijand van God uit het leven scheidt, heeft alle geluk verloren, zijne
11
Zaligheid verbeurd, zonder dat hem eene hoop overblijft het verlorene te kunnen herwinnen, zonder vrooruitzicht op de mogelijkheid van herstel, zonder dat hij nog iets van Gods Barmhartigheid mag verwachten. Zooals hij sterft, blijft hij voor eeuwigheid, buiten de genade, met een wil ten kwade gekeerd, vervreemd van God, vijandig gezind tegen zijn groeten Weldoener en daarom aan eeuwige straffen prijsgegeven. Vreeselijk waar is de spreuk: van het oogenblik des doods hangt de eeuwigheid af en eens verloren te zijn duurt door de gansche eeuwigheid. De gerechtigcn zullen in den groot en oordeelsdag met groote vrijmoedigheid daar staan tegenover degenen, die hen verdrukten en die hunne werken verijdelden, en de goddeloozen, dit ziende, zullen met schrikkelijke vrees bevangen 'Morden en verbaasd staan over deze onvoorziene, onverwachte zaligheid. Berouw hebbende en van ziels-
12
benauwdheid zuchtende zullen zij tot elkander zeggen: dezen zijn het, die %vij eertijds uitlachten en tot een voorwerp van ons spotlied maakten. Wy dwazen, wij hielden hunnen levenswandel voor uitzinnigheid en hun uiteinde zonder eer. Zie eens, hoe zij thans gerekend worden onder de kinderen Gods, en hoe hun lot onder de Heiligen is. Wij waren dan afgedwaald van den weg der waarheid, en het licht der gerechtigheid bestraalde ons niet, en de zon des verstands ging niet voor ons op. Wij hebben ons afgemat op den weg der ongerechtigheid en des verderfs en moeielijke wegen bewandeld, maar den weg des Heer en hebben wy niet gekend. Voorbij gegaan is dat alles als een schaduw, als een bode die voorbijsnelt.... Zoo zullen de boosdoeners moeten weeklagen, want de hoop der goddeloozen is als een wolvlok, welke de wind wegwaait en als dun schuim, dat de storm ver-
13
drijft, en als een rook, welke door den wind verspreid wordt, en als het aandenken aan een gast van een dag, die voorbijging.... En welk zal hun lot wezen ? Strengen toorn zal de Heer scherpen tot een zwaard, en het aardrijk zal met Hem strijden tegen de on-zinnigen. Welmikkende bliksemschichten zullen uitgaan en als van den goedgespannen wolkenboog hun doel treffen. (Wijsh. V, 15, 21 en 22).
Geen enkele der Christenen kan zoo diep doordrongen zijn van het gewichtige, van het al beslissende der laatste oogenblikken uit het tijdelijk leven der menschen, als de Kerk van Jesus. Vandaar dat zij met eene meer dan moederlijke zorg hare kinderen ter zijde blijft, om hen te reinigen van elke zondesmet, te beveiligen tegen alle hen dreigende gevaren, te wapenen tegen de vijanden, welke hun in de
14
laatste stonden geene rust zullen laten, als te omkleeden met de wapenrusting Gods, opdat zij in dien kwaden tijd weerstand kunnen bieden en, na de eindoverwinning behaald te hebben, de kroon der eeuwige vergelding mogen verwerven. Zij, erfgename van Jesus' Liefde voor de onsterfelijke zielen, had hen altijd zoo innig liefgehad en geen der middelen verzuimd, welke zij van haren goddelijken Stichter ter heiliging der haar toevertrouwde panden ontving. Reeds dadelijk na hun geboorte nam zij hen op, wiesch hen rein van de besmetting der erfschuld, versierde hen met het gewaad der gerechtigheid en telde hen onder het getal van die gelukkigen, welke zij door de genade van den (xod van oneindige (Toedheid tot de zaligheid in den Hemel brengen wilde. Nauw waren hunne verstandelijke vermogens eenigszins ontwikkeld en hun het gebruik der rede geschonken, of zij leerde
i5
hun den Hemelschen Vader kennen, predikte de woorden des levens en de voorwaarden, waaraan het verwerven van een onvergankelijk geluk verbonden is. Ook de wil moest ten goede geneigd, de aangeboren zwakheid met eene kracht van boven versterkt worden. Een uitgebreider onderricht, een wijzen op het eeuwig Vaderland, het uitdeelen van alle genaden, waarover zij kon beschikken, waren evenveel hulpmiddelen door hare zorg aangewend, opdat geen van hare lidmaten het spoor bijster werd. Zij deelde hun de zeven gaven des H. Geestes mede en voedde hen met een goddelijke spijze, in wier kracht een ieder wandelen kon tot aan den berg (-rods. Wat zij vermocht, verzuimde zij nooit. Zooveel het aan haar lag, ontvingen allen, die in Christus geloofden, den H. Geest en dronken met vreugde uit de fonteinen des Zaligmakers. Zelfs het geknakte riet brak zij niet, maar
i6
den gevallene trachtte zij op te richten en bezielde hem met nieuwen moed, opdat hij voortaan den weg van Gods geboden zou bewandelen, ten einde toe.
Kan eene moeder de vrucht van haren schoot niet vergeten, minder nog zal de Kerk van Jesus een van hare kinderen uit 't oog verliezen, vooraleer zij het stoffelijk overblijfsel aan de aarde, waaruit het genomen was, toevertrouwd heeft en met grond hopen mag, dat de ziel in de aanschouwing van haren Schepper de eeuwige rust, na volstreden strijd, gevonden heeft. Neen, zij vergeet hen niet, die haar immer zoo dierbaar waren, die zij opgenomen, gevoed, verzorgd, geleid heeft tot op den laatsten stond des levens. Welke zijn dan wel de middelen â vraagt gij â door haar aangewend, om het eeuwig geluk te verzekeren van allen, die door het Bloed van haren goddelijken Stichter vrijgekocht en tot de eeuwige zaligheid geroepen zijn?
I?
De H.H. Sacramenten, zoogenaamd der stervenden, waarvan de toedieningdoor Jesus aan de Kerk is opgedragen en bevolen â de Plechtigheden en zegeningen, welke zij daarbij heeft ingesteld â de Gebeden, welke zij ten hemel opzendt â de Vermaningen, welke zij èn tot de deelnemende omstanders èn tot de zieken zeiven in hare liefderijke bezorgdheid richt â dit zijn de heilmiddelen door die teederminnende moeder in 't werk gesteld, opdat in den gevaarlijken strijd van het gewichtigste aller oogenblikken de zege behaald worde en de overgang uit dit tijdelijk naar het eeuwig leven gelukkig zij.
Aan geen twijfel kan het onderhevig zijn, dat de zieke zelf en, in een meer beperkten zin, ook de huisgenooten zich met den g-eest der Kerk moeten vereenigen, opdat hare werkzaamheid vruchten drage. Voorbereiding, medewerking met de genade, gevorderde
2
i8
zielstoestand, zijn voorwaarden, van welker vervulling- het bereiken afhangt van een doel, dat niets minder beoogt dan het zooveel mogelijk verzekeren van de eeuwige Zaligheid en â het moet erkend worden â eene ontzaglijk groote macht is daaromtrent aan allen in handen gegeven. Een ieder is met de genade, welke hem voorkomt, helpt en ondersteunt, de scheidsrechter over zijn eeuwig lot; door het goede gebruik der genade beslist de mensch over zijne zaligheid. Dit is zeker eene reden tot groote vrees, want wij allen zijn altijd zwak en blijven tot aan den laatsten ademtocht aan vele aanvallen des Satans blootgesteld, zóódat niemand zich veilig mag achten, vóórdat zijne ziel in vriendschap met God van deze wereld is gescheiden; maar van den anderen kant; ook een reden tot blijde hoop, omdat God ons allen tot de zaligheid roept en alle noodige middelen ter
19
bereiking van dat onvergankelijk geluk blijft aanbieden en met zoet geweld blijft opdringen. Hier mogen wij toepasselijk maken zoowel de troostvolle vermaningen, welke de H. Geest door den wijzen Salomon deed opschrijven: hebt goede gevoelens omtrent den Heer en zoekt Hem in oprechtheid des harten. Want Hij laat Zich vinden van die Hem niet op de proef stellen, en Hij vertoont Zich aan die op Hem vertrouwen (Wijsh. I, i en 2), als de vreugdezangen, welke David reeds vroeger had aangeheven: zoo velen op U, o Heer / wachten, zullen met beschaamd worden, ziet het bedrukten ! en verblijdt 21! Zoekt den Heer, en uwe ziel zal herleven. Want de Heer verhoort de noodlijdenden en zijne geboeiden versmaadt Hij niet. (Ps. XXIV, 3: LXVIII, 33).
20
Het is geenszins mijn plan in 't bree-de al de verplichtingen te bespreken, welke door zieken en stervenden vervuld moeten worden, opdat zij op waardige wijze de laatste H.H. Sacramenten ontvangen. Een geheel, lijvig boekdeel ware daartoe gevorderd. Eene geheel andere, minder omvangrijke taak heb ik mij voorgesteld en voorgaande bladzijden met geen andere bedoeling geschreven dan om op het hooge belang van de jongste oogenblikken des menschelijken levens te wijzen en reeds nu met een enkel woord van de moederlijke zorg der Kerk te gewagen voor hare kinderen, die in grooten nood verkeeren en buitengewone hulp behoeven â van die zorg, welke den lijdenden en stervenden Christen bewaakt, bijstaat en versterkt met alle genademiddelen, door eene almachtige Liefde haar ter uit-deeling toevertrouwd.
Deze bezorgdheid in het volle licht te
plaatsen is het doel, waarmede de volgende bladzijden aan de aandacht van alle Katholieken worden aanbevolen. Wat doet de Kerk, hoe bidt zij door de bediening en den mond van hare gewijde dienaren, ter heiligingvan een ziel, welke op het punt staat voor haren Rechter te verschijnen ?
Dit te beantwoorden is mijn voornaamste oogmerk met dit werkje, maar niet het eenige. Wat dienen de huis-genooten des geloofs, de zieken-oppas-sers, de omstanders, aanverwanten en vrienden van den zieke te verrichten; op wat wijze moeten zij zich vereenzelvigen met den wensch en met de inzichten der Kerk, hoe zich vereenigen met hare gebeden; wat wordt van hen gevraagd, opdat hun lijdende broeder of zuster tot het verlangen naar de laatste H.H. Sacramenten opgewekt, tot het waardig ontvangen daarvan voorbereid worde, wat opdat door den Priester die heilmiddelen op
22
behoorlijke, passende wijze kunnen toegediend worden. Ook op die vragen wensch ik het antwoord te geven, dat, gelijk eigene ondervinding mij geleerd heeft, nuttig, zelfs in vele gevallen noodig mag genoemd worden. Velen toch zijn onkundig omtrent hetgeen vereischt wordt in een vertrek, waar de Heer der Heeren weldra zal binnenkomen â vereischt in betrekking tot de reinheid, tot de geriefelijkheid, tot de orde van de ziekekamer â vereischt tot eene waardige ontvangst van den Priester, die het Allerheiligste bij zich draagt â vereischt ook, opdat zonder stoornis de kerkelijke plechtigheden kunnen verricht worden en de aanwezigen dien eerbied toonen en met die godvruchtige aandacht bezield zijn, welke evenzeer van hun levendig geloof getuigenis afleggen als stichtend voor anderen zijn. Velen ook begrijpen de ceremoniën niet, welke door de Kerk zijn voorgeschreven en vatten evenmin den
zin dier gebeden, welke door haren bedienaar gelezen worden. Eindelijk zijn zij slechts weinigen, die zich van hunne verplichting bewust zijn tegenover de zieken, aan wie de laatste H.H. Sacramenten reeds zijn toegediend.
Zou het dan gewaagd wezen te veronderstellen, dat eene vertaling der Kerkelijke gebeden, eene beknopte verklaring harer plechtigheden en eene korte aanwijzing van hetgeen in de ziekekamer dient gedaan en nagelaten te worden, niet overbodig zijn ? Mij dunkt, elke Priester moet wel eens de verzuchting geslaakt hebben: dat alle Katholieken niet beter ingelicht zijn omtrent hetgeen van hen gevorderd wordt, opdat geene oneerbiedigheid plaats grijpe; ook den wensch geuit hebben ; mochten zij allen de betee-kenis van alle handelingen en gebeden des Priesters begrijpen, opdat zij of wel reeds in gezonde dagen of minstens
24
op hunne lijdenssponde stichting en opwekking, troost en bemoediging vonden in alles, wat hunne Moeder, de H. Kerk, voor hen doet om hun dood kostbaar in de oogen van God te maken en door een genadig oordeel te doen volgen.
Zoo ik hoop, zullen de volgende bladzijden aan eene wezenlijke behoefte voldoen en het hare er toe bijdragen, dat de Troostmiddelen der Kerk door allen hoog gewaardeerd, met dankbaarheid en in de vereischte gesteldheid ontvangen worden, dat zoovelen als mogelijk is met volle teugen drinken aan die bronnen, welke door Gods Goedheid voor allen ontsloten zijn en springen ten eeuwigen leven.
§ 'â¢
OVER DE BIECHT.
Het Sacrament der Biecht, der H. Eucharistie en des H. Oliesels zijn de drie zoogenaamde laatste Sacramenten, de Sacramenten der Stervenden.
Het Sacrament, dat het eerste wordt toegediend, is het Sacrament der Biecht. Dit is ook het noodzakelijkste, als de Christen in den rampzaligen staat van doodzonde verkeert. Evenwel, geen waar Katholiek, al is hij zich van geene zware zonde bewust, zal verzuimen zich in dat heilzame bad van alle smetten, welke nog op zijne ziel mochten kleven, te reinigen, vóórdat hij de andere genademiddelen der Kerk ontvangt. Hij heeft immers geleerd, dat vurige liefde, meerdere godsvrucht,
20
volkomenere onderwerping aan Gods heiligen wil de belooningen zijn voor eene zorgvuldige voorbereiding, dat een rijker toevloeien van genaden volgt op eene volmaaktere zuivering des harten.
Dat groote nut reeds alleen, al zou ook eene dringende noodzakelijkheid haar er niet toe nopen, heeft aan de Kerk van Jesus al die wijze voorschriften ingegeven, welke zij gedeeltelijk door hare Priesters, gedeeltelijk door hare geloovigen als leiddraad voor hun gedrag in die gewichtige omstandigheden wil nageleefd zien. Wij zullen ze hier, voor zoover het doel van dit handboekje zulks ver-eischt, overnemen en allen, zonder twijfel, zullen hare moederlijke bezorgdheid bewonderen en zich getroost en bemoedigd gevcelen, als zij willen nadenken, aan welk een waakzame liefde hunne hoogste belangen door Jesus zijn aanbevolen.
27
Elke Priester, aan wien de zielzorg van Jesus' verlosten is toevertrouwd, moet de zieken, wier Geestelijke belangen hij te behartigen heeft, bezoeken. Zoowel de behoeften zijner onder-hoorigen en de door hem op zich genomene verplichtingen, als het gebod der Kerk vorderen dien liefdedienst.
Ook wil de H. Kerk, dat hij zich niet slechts dan eerst naar den zieke spoede, als zijn dienstwerk ingeroepen wordt; zij eischt van zijne liefde voor den naaste, dat hij zich zooveel doenlijk . vergewisse, wie door ziekte zijn aangetast, dat hij ook aan zijne parochianen op 't harte drukke hem de namen hunner zieken op te geven en hem liever te vroeg dan te laat te waarschuwen, als een of ander hunner huisgenooten op het ziekbed is geworpen. Hieruit volgt, dat de bezorgdheid van het hoofd des huisgezins en de offervaardigheid van den Priester moeten samenwerken, opdat elk ge-
28
vaarlijk uitstel vermeden en reeds bij tijds de gevvenschte maatregelen getroffen worden, om ter hulp te komen in den geestelijken nood van hen, die aan een lichamelijk lijden ten prooi zijn. Nalatigheid of onverschilligheid of onachtzaamheid van den kant dergenen, die den zieke het meest nabij zijn, kan betreurenswaardige en soms onherstelbare gevolgen na zich sleepen voor de lijders, en voor de nalatigen zeiven oorzaak zijn van grove overtredingen tegen het gebod der naastenliefde. Niemand mag zich aan de op hem rustende verplichting onttrekken om eene tijdige waarschuwing aan de pastorie te doen hooren.
Het is immers in vele gevallen onmogelijk voor de Priesters met juistheid te weten, wie al hunne hulp behoeven. Verre afstand, uitgebreidheid der parochie, veelvuldige bezigheden, een noodzakelijke afwezigheid en vele andere verplichtingen
t
29
dragen er toe bij, dat zij dikwijls onkundig- blijven van de ongevallen, welke in deze of gene familie plaats grijpen. Wie moet dan waarschuwen, wie om geestelijke hulp gaan vragen? In de eerste plaats zij, die bij den zieke inwonen, huisgenooten, of zij, die met hem in betrekking van bloedverwantschap of van huiselijk verkeer staan. Doch â wat God verhoede en wat van een katholiek huisgezin nauwelijks te veronderstellen is, mochten de genoemden in gebreke blijven aan hunne zware verplichting te voldoen, dan zouden vrienden, bekenden, geburen zich niet van dien plicht ontslagen mogen rekenen ; integendeel, zich moeten gehouden achten tot het inroepen van eene hulp, welke eenerzijds door de droeve omstandigheden gevorderd wordt en van de andere zijde allicht kon uitblijven, werd zij door eene deelnemende liefde niet gevraagd. Warme belangstelling
30
in de zaligheid van hun evenmensch, oprechte liefde voor anderen, ook de eerbied voor Gods genadegaven en het verlangen om door bezorgdheid voor het waarachtig geluk van hun evennaaste, voor zich zeiven een heilig stervensuur te verdienen, al die beweegredenen moeten hen over elke moeilijkheid doen heenstappen en voor geen offer doen terugschrikken.
Veel en groot ook zijn de voordee-len, welke zij door hun liefdedienst aan de zieken verzekeren. De Priester zal, aan hun roepstem gehoor gevend, met al de liefde van zijn warm hart en met al den ijver van zijn levendig geloof het huis van rouw en leed binnentreden, niet eens maar meermalen en zoo dikwijls hij het raadzaam oordeelt. Zijne lippen zullen niet alleen de waarheid prediken doch ook woorden van troost en bemoediging doen hooren; hij zal balsem weten te gieten in de diepste wonden en heeling aan
31
te brengen, waar schier aan verbete-ring gewanhoopt werd. Van aanneming van personen is bij hem geen spraak. Armen en veriatenen wekken het meest zijn medelijden op; zelfs aanstekelijke ziekten zullen hem niet afschrikken; vooral dierbaar zijn hem de ongelukkigsten, en groote zondaars met God wederom te verzoenen acht hij als een bijzonder gunstbewijs door zijn gebed van Gods Liefde verkregen. Maar in dat heilig dienstwerk moet hij ook ter zijde gestaan worden door allen, die in het geestelijk heil van den zieke belangstellen. Het vertrek minstens, waar de zieke ligt, moet door de huisgenooten ordelijk geregeld, op passende wijze gereinigd, van alle voorwerpen gezuiverd zijn, welke aanstoot geven en met die versierd, welke stichten kunnen. Men zij er van overtuigd en de ondervinding van el-ken dienstdoende geestelijke zal deze opmerking bevestigen: de inwonenden
32
hebben verplichtingen te vervullen, welke tot een waardig- ontvangen der laatste Sacramenten meer bijdragen dan gewoonlijk vermoed schijnt. Laten wij onze gedachten met alle duidelijkheid uitdrukken. Alles dient verwijderd te worden, personen en zaken, beelden en voorstellingen, waardoor bij den zieke herinneringen verlevendigd worden, welke aanleiding tot zonden kunnen zijn, welke bij hem gevoelens van afkeer, van haat of onzuivere liefde opwekken, welke hem in den geest terugvoeren naar een verleden, dat voor hem altijd afgesloten moet blijven. Niemand achte deze opmerking als van geene waarde. Wie onzer weet niet, dat het kwaad zoo gemakkelijk, wanneer de toegang tot het hart niet door groote waakzaamheid afgesloten is, door de zintuigen binnensluipt. Te eerder, omdat in die oogenblikken van soms harden strijd de duivel met nog meerdere list
33
dan anders elk middel te baat neemt, hetwelk tot zonde kan leiden. Tegen die gevaren moeten den lijder wapenen aangeboden worden, welke hem sterken, voorwerpen aan zijne aandacht voorgehouden, welke zijne gedachten van het aardsche afleiden en richten naar hetgeen hem aan gene zijde des grafs wacht. In de nabijheid van elk, ziekbed zij daarom een kruisbeeld geplaatst, waarop het oog van den zieke rusten kan, eene afbeelding der allerheiligste Maagd en van andere Heiligen, waardoor de soms sluimerende gevoelens van godsvrucht opgewekt of, bleven zij in hem leven, tot hoo-gere volmaaktheid opgevoerd worden. Ook het gewijde water ontbreke nimmer, opdat de verwachte Priester hem daarmede besproeie of hij zelf zich daarmede teekene ter afwering van de aanvallen der hel.
3
34
Veronderstellende, dat bovengenoemde voorzorgsmaatregelen met de gevorderde nauwgezetheid genomen zijn, kunnen wij nu met den man Gods het huis binnentreden en in bijzonderheden nagaan, wat hij, naar het voorschrift der Kerk en tot heil der ziel, zal verrichten.
Wij katholieken zijn, Gode zij daarvoor dank gebracht, innig hiervan overtuigd, en de zieke zal het tot zijn troost vernemen; des Priesters lippen bewaren de wijsheid en hij verkondigt de woorden des levens; hij is de dienaar Gods en door zijn mond vermaant God; als hij spreekt, spreekt hij Gods woorden en als hij bedient is het in de kracht Gods â alles opdat Jesus Christus verheerlijkt, en een ziel den hemel binnengeleid worde. Het eerste woord, door hem na zijne komst gesproken, is dan ook een woord van zegenwensch. âVrede zij aan dit huisquot; zegt hij en het antwoord
35
of door een ander of door hem zelven gegeven, luidt: âen aan allen, die daarin wonen,quot;
Dit woord is niet ijdel, maar het bevat volle waarheid; immers, zijne komst is vreedzaam, meer nog dan die van Samuël, toen deze in de plaats der inwoning van Isaï kwam om een van diens zonen tot koning over Israël te zalven; geen ander doel beoogt de Priester, dan vrede te brengen, vrede te werken, den eenig waren vrede, vrede met God. Daartoe strekken al zijne woorden, daarop doelen al zijne handelingen. Na dien wensch geuit te hebben, welke, krachtens zijne zending, tegelijk eene mededeeling is van den vrede, besproeit hij den zieke, diens rustbed en het geheele vertrek met wijwater, zeggend: âGij o Heer! zult âmij besproeien met hysop en ik âzal gereinigd worden; Gij zult âmij wasschen en witter dan âsneeuw zal ik worden.quot; Dit zijn
36
de verzuchtingen, welke de boetvaardige David eertijds slaakte, en welke de Kerk nu in den mond harer priesters legt, omdat de daarin geuite wensch het zielsverlangen van eiken Christen, inzonderheid als zijn einde nabij is, zijn moet, ook omdat de daarin uitgesprokene verwachtingen duiden op de geestelijke reiniging en heiliging-, welke de zalige uitwerkselen zijn van de H.H. Sacramenten door den Priester toe te dienen.
De laatste woorden zijn ook eene inleiding tot het groote werk, dat Gods gevolmachtigde nu gaat verrichten, tot een werk dat door zijne bemiddeling tusschen de ziel en haren God voltrokken wordt. Zoo hij niet genoegzaam met den toestand des zieken bekend is, zal de Priester eerst met wijze voorzichtigheid eenig onderzoek instellen omtrent den aard der ziekte, ook omtrent den staat, het leven en de gewoonten van den lijder, den tijd wanneer
37
deze de laatste maal g-ebiecht heeft, verder of deze van zijn komst verwittigd is of om een Priester gevraagd heeft. Dat een ieder, die daartoe in staat is, hem in dit onderzoek behulpzaam dient te zijn, behoeft nauwelijks aangestipt.
Dat de aan den biechtvader opgelegde verplichtingen, opdat elke zieke aan de liefderijke bezorgdheid der Kerk voor zijn geestelijk welzijn deel verkrijge, zich nog verder uitstrekken, meenen wij te mogen zeggen. Om namelijk de hoogste belangen van den zieke met des te grootere zekerheid te kunnen behartigen, zal de Priester alle zorg aanwenden om den zielstoestand van zijn biechtkind te leeren kennen, om hem te wapenen tegen de listen van den vijand, om te weten aan welke bekoringen vooral deze onderhevig is, door welke driften of hartstochten hij het meest bestookt wordt, welke vermaningen op hem het krachtigst zullen
3^
inwerken. Ook zal hij aan de I I. Schrift die woorden van troost en van bemoediging ontleenen, welke op het gemoed van den zieke het meeste indruk maken; wijzen op voorbeelden van Heiligen,' die ook vóór hunne bekeering zondaars waren, aansporen om op Gods Barmhartigheid te vertrouwen en de voorspraak van de allerheiligste Maagd, van den heiligen Josef en van zijn bijzondere Beschermheiligen in te roepen. Bovendien zal hij niet verzuimen te herinneren aan de verplichting, welke altijd geldt, maar vooral dringt, als het einde des levens nabij is, om orde te stellen op wereldsche aangelegenheden, wat eens anderen is aan den eigenaar terug te geven, te zorgen dat schulden betaald of minstens daartoe maatregelen getroffen worden en dat de uiterste wil duidelijk en volgens den eisch van rechtvaardigheid worde beschreven.
Gewis, niet alle zieken zullen dezelfde
39
vermaningen behoeven te vernemen, niet allen moeten op dezelfde verplichtingen gewezen worden. Hunne omstandigheden, hun toestand, hun vorig levensgedrag en de betrekkingen, waarin zij verkeeren, zijn hier beslissend. Slechts hebben wij willen doen uitkomen, met hoe groote zorg de Kerk waakt voor een gelukkigen overgang harer kinderen uit dit naar het andere leven, hoezeer zij zich beijvert, dat elke hindernis weggeruimd worde, welke aan een rustig scheiden uit deze wereld afbreuk kan doen. Even groote belangstelling in zijn waarachtig geluk vindt de zieke in deze verplichtingen, welke de Kerk aan hare geloovigên oplegt. Alwie aan eene zware ziekte lijdend is, moet of door een van zijne verwanten of, wanneer anderen in dien plicht te kort schieten, door den Priester omtrent het gevaar van zijn toestand ingelicht en er tegen gewapend worden, dat hij óf door de listen des
4°
duivels of door ij dele beloften des geneesheers of door misleidende voorstellingen van vrienden, of door ongegronde hoop op herstel, hethem dreigend gevaar uit het oog verlieze. Is het ook niet verkieselijker met vol verstand en bewustzijn de laatste H.H. Sacramenten te ontvangen dan door een onredelijk uitstel, waartoe de vijand van 's menschen zaligheid aanspoort, maar wat strijdig is met de hoogste belangen, minstens vele en groote voordee-len te missen en â wie durft zich daartegen beveiligd achten? â het gevaar te beloopen, dat de dood hem overvalt vóórdat hij door de H.H. Sacramenten gereinigd en geheiligd is? Het mag voor het menschelijk gevoel zoet zijn zich te wiegen in het vertrouwen, dat eene gewenschte beterschap weldra zal intreden, de verplichting vóór alles het heil der ziel te bezorgen staat op den voorgrond en mag door geene onwaarschijnlijke redeneeringen noch
4«
door onredelijke verwachtingen op zij geschoven worden. Hier doet zich de Christelijke kernspreuk hooren; ziel gewonnen, alles gewonnen, maar ziel verloren, alles verloren. Wat het zwaarste weegt, moet het eerst behartigd, moet het hoogst gewaardeerd worden. Helpen bovendien die genademiddelen niet veel, zoowel tot de noodige gemoedskalmte als tot berusting in Gods beschikkingen en daardoor tot die gelatenheid en tot dat geduld, welke ook op het lichamelijk welzijn heilzaam inwerken ? Men bedriege zich toch niet: het is eene slechte dienst, welke aan den zieke bewezen wordt, wanneer hij door valsche voorspiegelingen in een rust gedompeld wordt, waarin hij kan insluimeren, vóórdat de troost- en heilmiddelen der Kerk hem een veilig-heidsgeleide op zijne reis naar de eeuwigheid waren. Dan is het ongeluk onherstelbaar. En aan wie de schuld? Aan hen die, door misplaat-
4^
ste meewarigheid verleid, den lijder eenige kortstondige maar heilzame verontrusting te besparen wenschten, maar hem een lijden berokkend hebben, dat of geheel voorkomen of minstens had kunnen verminderd worden en nu, God weet hoe lang, hem hiernamaals pijnigen zal. Die zoogenaamde liefdedienst wordt alzoo eene werkelijke benadeeling, waarover niemand zich bitterder te beklagen zal hebben dan juist hij, die het voorwerp was van een mededoogen, dat veel goeds onthoudt en veel kwaads sticht. Dringen ook niet alle ascetische schrijvers er op aan, dat een ieder bezorgd zij de laatste H.H. Sacramenten te ontvangen met de gewenschte helderheid van geest en met het blijde bewustzijn, dat eene rijke bron van genaden hem geopend wordt, waaruit meerdere gunsten hem toevloeien naar evenredigheid van zijne betere voorbereiding. En wie is beter voorbereid dan hij die, nog
45
övêr het volle gebruik zijner geestvermogens beschikkende, zijn wil en hart kan dienstbaar maken aan de inwerking van Gods Barmhartigheid en zich vereenigen met de liefdevolle bedoelingen der Kerk en met de zaligende bediening des Priesters?
Wij mogen aannemen, dat de Katholieke huisgenooten of andere belangstellenden aan hunne verplichtingen beantwoord hebben, dat ook bij den zieke de vermaningen des Priesters in goede aarde gevallen zijn en reeds vele vruchten opgeleverd hebben, dat alle hindernissen bij den doodelijken kranke uit den weg geruimd zijn en dat deze, zich in zijn lot schikkend, bereid is met kalme berusting in Gods wil de H.H. Sacramenten te ontvangen, ofschoon zij op een mogelijk sterven duiden. De dienaar Gods kan alzoo aan don drang van zijn
44
minnend hart voldoening schenken en een liefdewerk verrichten, dat eene door de zonden gestorvene ziel tot het leven opwekken of dat leven, waar het niet uitgedoofd is, tot hoogere volmaaktheid opvoeren zal.
Na alle gewenschte inlichtingen ontvangen te hebben, gaat de Priester zich met den zieke alleen bezighouden, en in 't geheim; geene getuigen worden daarbij toegelaten; de zieke moet verzekerd zijn, dat hij door den biechtvader alleen gehoord kan worden en dat zijne woorden slechts opgevangen worden door iemand, wiens stilzwijgendheid stiller is dan die van het stomme graf. Al de aanwezigen moeten daarom zich verwijderen zonder dat ae Priester verplicht zij hen daartoe aan te manen. Ook wij moeten het geheim eerbiedigen van het onderhoud, van de uitstorting des harten, waarin de zieke den Priester deelgenoot maakt van alles, wat zijn gemoed bezwaart. Geen
45
oor mag afluisteren wat in die oogen-blikken geopenbaard, besproken wordt tusschen den vertegenwoordiger van God en een ziel, die zich van alle banden der zonde wil losmaken. Dit belet evenwel niet, dat wij hier de vertaling laten volgen der gebeden, welke de Priester overluid uitspreekt.
Nadat de zieke zelf den zegen des Priesters gevraagd heeft met deze woorden :
Eerwaarde Vader, geef mij uwen Zegen,
zegt de Priester, den biechteling zegenende :
de Heer zij in uw hart en in uw mond, opdat gij al uwe zonden behoorlijk moogt biechten, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen.
Daarop spreekt de biechteling de Voorbiecht:
Ik belijd aan God almachtig, aan de heilige Maria, altijd Maagd,quot;aan den heiligen Michaël Aartsengel, den heiligen Joannes den Dooper, de hei-
46
lige Apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen en U, Vader, dat ik zeer gezondigd heb door gedachte, woord en werk: door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne allergrootste schuld.
De biechteling verklaart, wanneer hij het laatst heeft gebiecht, belijdt zijne zonden op behoorlijke wijze en besluit met de volgende nabiecht:
Van deze en alle andere zonden, die ik nu niet indachtig ben, beken ik ootmoedig mijne schuld. Ik bid God om vergiffenis door het dierbaar Bloed van Jesus Christus, en vraag U, Vader, om een zalige pene-tentie en heilige Absolutie, als ik het waardig ben.
Wanneer de Priester tot hot geven der h. Absolutie mag overgaan, zegt hij, na eene penetentie te hebben opgelegd :
De almachtige God ontferme Zich over u, en vergeve uwe zonden, en geleide u tot het eeuwige leven. Amen.
Dan heft hij zijne rechterhand omhoog naar den biechteling en zegt;
47
Kwijtschelding, ontbinding en vergiffenis uwer zonden verleene u de almachtige en barmhartige Heer. Amen. Onze Heer Jesus Christus ontsla u; en ik, krachtens zijne volmacht, ontsla u van alle banden van excommunicatie en interdict, voor zoover ik zulks kan en gij het noodig hebt. Daarop; ik ontbind u van uwe zonden, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen.
Het lijden van onzen Heer Jesus Christus, de verdiensten van de heilige Maagd Maria en van alle Heiligen, al het goede wat gij gedaan en al het kwade, wat gij geduld zult hebben, strekke u tot vergiffenis der zonden, tot vermeerdering der genade en tot belooning van het eeuwigleven. Amen.
Naar gelang der lichamelijke omstandigheden, waarin de zieke verkeert, zal de Priester of wel dadelijk of eerst dan als het gevaar grooter wordt de twee andere H.H. Sacramenten toedienen. Evenwel zal hij in geen geval verzuimen tot geduld en overgave aan Gods H. wil, tot een volhardend gebed en het verwekken der drie god-
4«
delijke deugden, minstens â als de toestand des zieken geen meerdere inspanning toelaat â tot liefde- en berouwvolle verzuchtingen en het godvruchtig uitspreken der drie H. Namen van Jesus, Maria en Josef aan te sporen.
Ofschoon het overbodig kan schijnen, willen wij toch deze opmerking hier niet achterwege laten. Aan een ieder blijft, in alle omstandigheden des levens, de volledige vrijheid voorbehouden om bij eiken Priester van zijne keuze, mits deze tot het biecht hooren de noodige volmacht heeft ontvangen, zijne zonden te belijden, zelfs is het nuttig, dat de zieke aan dat altijd geldend recht herinnerd worde, opdat hij met minder schroom, met grootere vrijmoedigheid zijn gemoed ontlaste. En, bij welken Priester de biecht ook gesproken worde, de dienaar des Hee-ren zal niet in gebreke blijven om met alle hulpmiddelen, welke de liefde hem ingeeft, den biechteling zijne zelfbe-
49
schuldiging zoo gemakkelijk mogelijk te maken door gepaste vragen, door voorlichting, door hem aan de verschillende tijdperken en verhoudingen des levens te herinneren.
Het is hier de plaats om een opmerking te maken, welke allergewichtigst is en door niemand achteloos over 't hoofd mag gezien worden.
Een ieder van ons is menigmaal of oor- of ooggetuige ervan geweest, dat plotselinge sterfgevallen den een of andere uit het leven wegrukken vóórdat de geestelijke hulp van een Priester kan ingeroepen worden. Een ongelukkige val, het te water geraken, eene beroerte, eene aderbreuk, het getroffen worden door een vallend voorwerp, het bekneld worden tusschen machinen, een ongeluk op reis, deze en vele andere droeve omstandigheden voeren eensklaps den dood nabij en
4
50
brengen den christen geheel onvoorziens aan den rand des grafs. Ook kan het gebeuren, dat de ziekte onverwachts een noodlottigen keer neemt en met reden te vreezen is, dat de dood reeds een einde aan 't leven zal maken nog vóórdat de ingeroepene Priester aanwezig zij.
In die bijzondere gevallen, als geen Priester de vurig verlangde Absolutie geven kan, blijft nog een ander redmiddel over, waardoor ook hij zelfs, die zich met doodzonde bezwaard gevoelt, van den eeuwigen ondergang kan bevrijd worden! Ziehier, wat de Kerk leert, welke troostvolle waarheid zij verkondigt: âal wie, in doodsge-âvaar verkeerende en in de onmoge-âlijkheid zijnde om te kunnen biechten, âeen volmaakt berouw verwekt en het âvaste voornemen heeft om, zoodra de âgelegenheid hem gegeven wordt, zijne âzonden aan een Priester te belijden â. âdie ontvangt vergiffenis ook van zijne
5i
âdoodzonden, hoe vele en hoe groot âdie mogen zijn.quot; Men lette echter op de drie streng gevorderde voorwaarden : de zondaar moet niet kunnen biechten; zijn berouw moet volmaakt zijn; hij moet vast besloten zijn te biechten, zoodra hij kan.
Wat is God goed en vol van barmhartigheid ! moeten wij blijde danken, dat Hij in dien uitersten nood eenige van zijne anders dringende eischen laat varen om de ziel te redden, welke nog gered wil worden. Maar welke een dure verplichting rust ook én op den zondigen mensch zeiven om die laatste reddingsplank met beide handen aan te grijpen, opdat hij niet verloren ga, én op den evennaaste om hem in het goed gebruik van dit redmiddel, door onderricht, vermaning en opwekking, te helpen, opdat hij behouden blijve. De nood is dringend en het gevaar dreigend; de zucht naar zelfbehoud en de drang der liefde moeten alsdan, in
5^
het aangezicht des doods, en tei'wijl de zaligheid eener ziel op het spel staat, geene pogingen ter redding onbeproefd laten. Immers, ziel gewonnen, alles gewonnen.
Opmerking. Elke ziel moet van zonden gezuiverd en der zaligheid deelachtig gemaakt worden. Dit geldt ook van de kleine kinderen, die nog niet gedoopt zijn. Daarom moet hun, als zij in gevaar van sterven verkeeren, het Doopsel in huis worden toegediend en wel door dengene, welke dat Sacrament goed kan bedienen, desnoods door een der ouders. â Deze opmerking is zeker vreemd aan de door ons hier behandelde onderwérpen; maar moet de ziel van een stervend wicht niet eerst van de erfzonde gereinigd worden, vóórdat de Hemel haar openstaat?
§ n.
DE HEILIGE COMMUNIE.
âGij zult omtrent Paschen nuttigen het âLichaam des Heeren.quot; Onder straffe van doodzonde is elk katholiek gehouden aan dat gebod der Kerk te voldoen. Eene tweede verplichting door Jesus' vertegenwoordigster aan hare kinderen voorgeschreven is deze: âallen, âdie tot de jaren van onderscheid geko-âmen zijn, moeten, als geene geldige âredenen hen verschoonen, gesterkt âworden door het Brood des Levens, âvóórdat zij uit deze wereld scheiden.quot; In het eene geval zoowel als in het andere is de Priester voor zijn geweten en voor God verantwoordelijk, wanneer door eenige nalatigheid van zijnen kant een dier voorschriften niet
nageleefd wordt; doch niet minder schuldig zijn de leeken, mocht het door hun verzuim geschieden, dat aan de teedere zorg van de geestelijke Moeder voor aller heil en zaligheid niet beantwoord werd.
De bedreiging van Jesus zeiven: tenzij gij het Vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn Bloed drinkt, zult gij het leven in ti niet hebben â en de beloften der zegenrijkste vruchten: die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, heeft het eeuwige leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage .... die blijft in Mij en Ik in hem .... die zal om Mij leven, zal leven in eeuwigheid â deze dringende en afdoende redenen bewogen de Kerk de geboden, waarvan wij gewaagden, als streng verplichtend voor te schrijven. Niets toch verlangt zij vuriger dan dat al hare lidmaten, eerst door eene rouwmoedige Biecht van zonden gezuiverd en door de heiligmakende
genade met God vereenig-d, het eeuwigleven, dat is: het leven der genade bezitten door het nuttigen van de H. Communie, dat leven onderhouden, steeds in inniger vereeniging met den God-mensch treden en dan, eerst door de zaligheid der ziel en later ook door de verrijzenis des vleesches, de vervolmaking en de voleindiging van dat leven vinden in den schoonen Hemel.
Wie alzoo der geloovigen prijs stelt op een onvergankelijk, eeuwigdurend geluk in het verblijf der Zaligen bij God, zal niet nalaten zich, als het gevaar van sterven dreigt, te versterken en nauwer met Jesus te vereenigen door de nuttiging van 's Heeren Lichaam en Bloed. De H. Communie alsdan ontvangen wordt Viaticum, Teerspijze of Reispenning genoemd, omdat die goddelijke spijze, onderpand des eeuwigen levens, den zieke gegeven wordt als eene kracht en eene hulpe bij dien even
5 6
gcvaarvollen als gewichtigen overgang uit den tijd naar de eeuwigheid.
Voor die plechtigheid heeft de Kerk vele gebeden en voorschriften verplichtend gemaakt. Wel kunnen, om bijzondere omstandigheden, niet alle die verordeningen op alle plaatsen van ons vaderland nageleefd worden. Toch zullen wij ze hier vermelden, om te doen zien, met welken diepen eerbied eji met welke godsdienstige vereering de Kerkjesus' liefdegaven wil omgeven zien, en om aan allen duidelijk te maken, dat het voorbeeld der Kerk eene aansporing te meer zijn moet, opdat een ieder zich met alle hem ten dienste staande middelen beijvere de toediening van het allerheiligste der H.H. Sacramenten zoo plechtig en indrukwekkend, als mogelijk is, te maken.
In de gewone ciborie of in een kleiner, zilveren en van binnen verguld
ziekenbusje, geborgen in een wit zijden soms met goud bestikt zakje, dat met zijden koorden aan den hals gedragen en met zorgvuldige behoedzaamheid op de borst bevestigd is, wordt het H. Sacrament gedragen. Kan het om de plaatselijke omstandigheden, dan kleedt de Priester zich met superplie en stola en, zoo mogelijk, met witten koorkap. Onder een baldekijn van witte stof, voorafgegaan door een misdienaar, die licht draagt en de schel roert om de geloovigen tot eerbiedsbetuigingen op te roepen, treedt hij met ongedekten hoofde en al biddend den Psalm Miserere en andere kerkelijke gebeden, om alle genaden voor den zieke af te smeeken, voort tot aan het huis, waar zijn plicht hem roept. In een bijzonder geval, bij verren afstand, is het hem geoorloofd te paard te rijden, als andere geschikte voermiddelen ontbreken.
Helaas! men weet het: in vele streken yan ons vaderland moet op eene min-
58
der plechtige, zelfs op eenvoudige en onmerkbare wijze het Viaticum naar den lijder gebracht worden. â Wel een reden voor de Katholieken van de meeste onzer gewesten om met des te grootere bewijzen van geloof, liefde en dankbaarheid hun God en Zaligmaker te ontvangen, wanneer Hij Zich gewaardigt hun woning binnen te komen.
Vooreerst dient, zooals wij reeds boven aanstipten, maar nu met nog meerdere oplettendheid én het ziekbed én de ziekenkamer én de ingang des huizes gereinigd en naar ieders vermogen versierd, vooral van alles, wat eenigszins onbetamelijk kan heeten, gezuiverd te zijn.
Over de borst, tot onder de kin van den zieke, legge men een helder witten doek, opdat de H. Hostie of de Partikelen daarvan niet verloren gaan, wanneer deze of aan de vingers van den Priester mochten ontvallen of
59
door het hoesten of door een onvoorzien braken van den zieke uitgeworpen worden.
In het vertrek plaatse men, het liefst zoo dat de zieke daarop zijne oogen kan vestigen, een tafel met een wit linnen kleed overdekt. Daarop moeten staan minstens twee brandende waskaarsen met een kruisbeeld in 't midden, een glas of kommetje met wijwater en palmtakje, en een tweede glas met een weinig gewoon water, met slechts zóóveel water gevuld, dat de Priester daarin, na het geven der H. Communie, de toppen zijner vingers kunne afwasschen.
Gepast is het en geheel in overeenstemming met den aan het H. Sacrament verschuldigden eerbied, dat men den Priester, bij zijn intrede in het huis, met brandende kaarsen ontvange en dan neerkniele ter aanbidding van Jesus, die vrede komt brengen en zaligheid bewerken. Na zich van die
6o
eerbewijzing aan den God van alle Majesteit gekweten te hebben, staat de een of andere op en gaat voor den Priester uit om hem naar de ziekekamer te geleiden, terwijl de anderen volgen.
Zoodra de Priester het vertrek is binnen getreden zegt hij:
âVrede zij aan dit huis.quot; Antw.: âEn aan allen, die er inwonen.quot;
Als het allerheiligste Sacrament op de tafel geplaatst is, knielen al de aanwezigen ter aanbidding neder en ook de Priester maakt eene kniebuiging, neemt met het palmtakje wijwater, besproeit den zieke en het vertrek zeggende:
Gü, o Heer! zult mij met hysop besproeien, en ik zal gereinigd worden. Gij zult mij wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw.
Ontferm u mijner, O God! volgens uwe groote Barmhartigheid.
Bere zij den Vader enz.
Gij, o Heer! zult mij met hysop besproeien en ik zal gereinigd worden,
6i
Gij zult mij wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw.
P. Onze hulp is in den naam des Heeren.
a. Die hemel en aarde gemaakt heeft.
p. Heer! verhoor mijn gebed,
a. En mijn geroep kome tot U.
p- De Heer zij met u,
a. En met uwen geest.
Laat ons bidden.
Verhoor ons, Heilige Heer, Almachtige Vader, eeuwige God! en gewaar-dig uwen H. Engel uit de hemelen af te zenden, opdat hij allen, die in deze plaats wonen, beware, begunstige, be-scherme, bezoeke en verdedige. Door Christus onzen Heer. Amen.
De Priester onderzoekt nu of de zieke goed gestemd is, en bereidt hem voor.
Wenschelijk ware het evenwel, dat een der huisgen ooten dit liefdewerk reeds uitgeoefend had door met den zieke b.v. de volgende gebeden te bidden:
âO, mijn Jesus! ik geloof vastelijk alles, âwat Gij ons geopenbaard hebt, en door de âH. Kerk ons te gelooven voorstelt, in
62
â't bijzonder geloof en belijd ik, dat Gij âwaarlijk, wezenlijk en waarachtig met Ziel âen Lichaam, met Vleesch en Bloed, met âGodheid en Menschheid in het H. Sacra-âment des Altaars tegenwoordig zijt â dit âgeloof ik, omdat Gij, de eeuwige Waarheid, het gezegd hebt.
âO, mijn Jesus! ik hoop op U; ik hoop âvan U door de kracht van dit H. Sacra-âment te zullen verkrijgen de eeuwige âZaligheid en ook alles, wat mij daarvoor ânoodig en nuttig is â dit hoop ik, om-âdat Gij, almachtig, goed en getrouw, het âons beloofd hebt.
âO, mijn Jesus! Ik bemin U met den âVader en den H. Geest boven alles, uit âgeheel mijn hart, uit al mijne krachten â âzoo bemin ik U, omdat Gij met den âVader en den H. Greest, ons opperste âGoed en alle liefde waardig zijt.
âO, mijn Jesus! ik heb berouw over âalle zonden van mijn leven, omdat ik âU vergramd en beleedigd heb, die de âoneindige Goedheid en Liefde zelve zijt; âuit liefde tot U, haat en verzaak ik alle âzonden; voortaan wil ik U toebehooren
63
âen getrouw dienen alle dagen, die Gij âmij nog te leven geven zult.
âO mijn Jesus! ik aanbid U in het âSacrament des Altaars als mijn God en âSchepper, als mijn Verlosser en Zalig-âmaker. Ik ben niet waardig U te ontvan-âgen; toch verlangt mijn ziel naar den âsterken, eeuwigen God. Kom, reinig mij âvan mijne ongerechtigheden, zij mij een âtroost in mijn lijden, een kracht in de âbekoring en de belooning in de eeuwig-âheid.quot;
Voor het geven der H. Communie zegt de zieke, of in naam van hem, een der aanwezigen of de Priester:
Ik belijd aan God almachtig, aan de heilige Maria altijd Maagd, aan den heiligen Michaèl Aartsengel, aan den heiligen Joannes den Dooper, de hei-lige Apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen en u Vader, dat ik zeer gezondigd heb door gedachte, woord en werk: door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne allergrootste schuld. Daarom smeek ik de heilige Maria altyd Maagd, den heiligen Michael Aartsengel, den heiligen Joannes den Dooper, de heilige Apostelen
64
Petrus en Paulus, alle Heiligen en it Vader, voor mü tot den Heer onzen God te bidden.
Daarop antwoordt de Priester: De almachtige God ontferme Zich over u, vergeve uwe zonden en geleide u ten eeuwigen leven, Amen.
Kwijtschelding, ontbinding en vergiffenis uwer zonden verleene u de almachtige Heer. Amen.
Deze twee laatste gebeden des Priesters mogen â men merke dit wel op â niet in dien zin opgevat worden, alsof zij zonden-vergeving bewerken. Zij behelzen niets meer dan een smeekbede tot den goeden en almachtigen God opgezonden, opdat Hij ontfermend en barmhartig op den zieke moge neerzien. Van gelijke beteekenis is ook het Kruisteeken, dat de Priester bij het laatste gebed over den zieke maakt. Door te lijden en te sterven aan het Kruis, heeft Jesus der menschen verlossing bewerkt; door het maken van het Kruisteeken bidt de Priester voor den zieke de vruchten dier verlossing af.
65
Nu knielt de Priester ter aanbidding van het H. Sacrament nogmaals neder, neemt de H. Hostie uit het ziekenbusje, toont ze aan den zieke en, om alle omstanders ter aanbidding van Jesus' wezenlijke tegenwoordigheid op te wekken, zegt hij: Zie het Lam Gods, zie Hem die wegneemt de zonden der wereld; â en dan driemaal in naam van dengene, die de H. Communie ontvangt: â Heer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts een woord en mijn ziel zal gezond worden.
Nu eerst biedt de Priester den zieke de H. Teerspijs aan, onder het uitspreken van deze woorden;
Ontvang, Broeder (Zuster), tot Teerspijs het Lichaam van onzen Heer Jesus Christus, die u beware van» den boozen vijand, en u geleide tot het eeuwige leven. Amen.
Ook nu maakt de Priester, maar mst de H. Hostie, een kruis om te beduiden, dat hetzelfde Lichaam van Jesus tot Spijze gegeven wordt, wat
5
66
aan het Kruis als Zoenoffer voor de zonden der wereld den hemelschen Vader werd opgedragen, en om voor den lijder de genaden van Jesus'Zoendood af te bidden.
Na de H. Communie gegeven te hebben, wascht de Priester de vingers af, geeft dit water aan den zieke te drinken, en vervolgt:
De Heer zü met u,
En met uwen geest.
Laat ons bidden:
Heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God! wij bidden U met vertrouwen, dat het hoogheilig Lichaam van onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, aan onzen broeder (zuster), die het nu ontvangen heeft, moge strekken tot een onvergankelijk geneesmiddel, zoo voor het lichaam als voor â¢de ziel. Die met U leeft en regeert in de eenheid van den H. Geest, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Met dit laatste gebed is het liefdewerk van den Priester geëindigd wat betreft het geven van de H. Communie. Zoo hij, om welke redenen ook, niet onmid-
6?
dellijk daarna het H. Oliesel toedient en nog eene H. Hostie over is, geeft hij met het H. Sacrament dpn zegen aan den zieke en keert in dezelfde orde als hij kwam naar de kerk terug. Ook dan moet hem hetzelfde eergeleide bewezen worden, waarmede hij bij het binnentreden van het huis ontvangen werd.
Nog deze opmerking zij hier gemaakt. Niemand ergere zich, wanneer de Priester soms niet al de genoemde gebeden bidt en niet al de aangegevene plechtigheden verricht. Hij is bijwijlen, als het gevaar van sterven voor den zieke nabij is, verplicht zich te spoeden door het minder noodzakelijke achterwege te laten, opdat de zieke de andere genade-middelen niet derve. In deze omstandigheden moet aan het nut van den zieke boven het plechtstatige van de bediening der H.H. Sacramenten de voorkeur gegeven worden.
Het ware te wenschen, dat een der huisgenooten, als de Priester vertrokken
68
is, zich eenige oogenblikken nog met den zieke bezig hield en met hem bad. De godvruchtige gevoelens, door het ontvangen der H. Communie in hem opgewekt, levendig te houden en tot hoogere volmaaktheid op te voeren is van den eenen kant voor hem hoogst voordeelig en van de andere zijde voor dengene, die zich aan dat liefdewerk wijdt, een bron van groote verdiensten. De volgende verzuchtingen en schietgebeden kunnen daarvoor dienen. Doch ook nu beslisse des lijders toestand naar ziel en lichaam over de keuze en over het getal der gebeden, welke hem voorgezegd worden.
âIk heb Hem gevonden, Wien mijn ziel âliefheeft, met Hem wil ik vereenigd blijven, âHem zal ik niet loslaten.
âMijn Jesus! in U, de eeuwige waarheid, âgeloof ik; op U, de onbeperkte Almacht, âhoop ik; U, de oneindige Liefde, bemin ik. âAan U wil ik toebehooren in leven en in âsterven.
âVanwaar geschiedt mij de genade, dat
6g
âmijn Heer en mijn God Zich verwaardigt âtot mij te komen.
âIk offer dan ook aan U, mijn Jesus! âop mijn lichaam en mijn ziel, alles wat ik âheb en ben. Alles zij gewijd aan uwen âdienst, aan uwe eer. Handel met mij ânaar uw welgevallen. Niet mijn wil geschiede, maar de uwe. Voor U wil ik ,leven, voor U wil ik sterven. In uwe âhanden beveel ik mijnen geest. Mocht ik âin uwe liefde uit dit leven scheiden om âeeuwig met U verheerlijkt te worden. Is âhet uw wil, dan wensch ik ontbonden te âworden om bij U in den Hemel te zijn.
âDat uw Lichaam, mijn Jesus ! zoo even âdoor mij ontvangen, mij versterke, uwe Ziel âmij heilige, uw Bloed mij drenke, uw Lijden âmij redde, uw Dood mij levend make.
âO! mijn Jesus! verhoor mij. Verberg mij âin uwe wonden. Laat. niet toe, dat iets mij âvan U scheide. Bescherm mij tegen den âboozen vijand.
âRoep mij tot U in het uur des doods âen neem mij op onder het getal der Hei-âligen, die U in alle eeuwigheid loven.quot;
§ in.
HET HEILIG OLIESEL.
Meestal zal de Priester, na de H. Communie als Teerspijze gegeven te hebben, onmiddellijk daarna het heilig Oliesel toedienen. Doch, al wordt dit laatstgenoemde Sacrament ook op een anderen tijd den zieke toebediend, in allen gevalle is ook dan van toepassing wat wij boven (blz. 59) gezegd hebben omtrent de zindelijkheid van het ziekbed en van de ziekenkamer en omtrent de toebereiding van de tafel met haar toebehooren. Slechts dit verschil worde in acht genomen: wanneer de Priester de heilige Olie alleen bij zich draagt, behoeft hij niet met brandende kaarsen afgehaald noch bij zijn heengaan begeleid te worden; en
7i
ten tweede: vóórdat het H. Oliesel toebediend wordt, legge men op de tafel een stuk watten, waarmede de Priester de met de heilige Olie gezalfde ledematen, en een weinig wit brood, waarmede hij zijne vingers kan afwisschen; ook dienen het aangezicht, de handen en voeten van den lijder vooraf gereinigd te zijn.
Het Heilig Oliesel is een Sacrament, in hetwelk de zieken door de heilige zalving en het gebed des Priesters in hunne ziekten en hunnen uitersten nood verlicht en geholpen worden.
De H. Jacobus verkondigde de instelling daarvan met deze woorden: âIs er iemand onder u (gevaarlijk) âziek, hij hale de Priesters der Kerk â(der kerkelijke Gemeente, waartoe âhij behoort), en dat zij voor hem bid-â den, hem met olie zalvende in naam âdes Heer en, en het gebed des geloo/s â(onder de zalving uitgesproken) zal
72
â den zieke behouden (hem gezond maken, âindien dit strekt tot heil zijner ziel) âen de Heer zal hem opbeuren (zijne âziel opbeuren, haar bemoedigen door âeen groot vertrouwen op Gods Barm-âhartigheid in haar op te wekken, zóó âdat de zieke zijn lijden lichter draagt âen gemakkelijker weerstand biedt aan âde bekoringen des duivels) en indien âhij in zonden is, (nog eenige zonden âmocht te verzoenen hebben,) zij zullen âhem (als hij berouw er over heeft) âvergeven worden.quot; (Jac. V, 14).
Buitengewoon groot zijn alzoo de voordeelen, welke door dit Sacrament worden medegedeeld: 10. vermeerdering van heiligmakende genade; 20. vergeving van dagelijksche en zelfs van doodzonden, als de rouwmoedige zondaar ze óf aan den Priester niet meer belijden kan, óf ze niet meer indachtig is; 30. wegneming der gevolgen van de zonde, als: tijdelijke straffen, zwakheid naar den wil, kwade neigin-
73
gen; 40. geduld in het lijden en kracht in de bekoringen; 50. herstel der gezondheid, als dit den zieke zalig is.
Naarmate de genaden meerder en grooter zijn, welke door dit Sacrament medegedeeld worden, moet ook de ijver der geloovigen zich werkdadiger betoonen, opdat dit heilmiddel ter genezing van ziel en lichaam ontvangen worde. En den zieke zelve én den huisgenooten is de verplichting voorgeschreven te zorgen, dat de geschikte tijd niet ongebruikt voorbij ga. Te wachten totdat het sterven zeer nabij is, zou niets minder zijn dan een blootstellen aan het gevaar, dat dit troosten genademiddel door Jesus' Liefde voor de zieken alleen ingesteld óf in 't geheel niet óf met minder vrucht ontvangen werd. Ook kan niet met te veel nadruk het betreurenswaardig en bij sommige Katholieken diep ingeworteld vooroordeel bestreden worden, alsof door het toedienen van dit
74
Sacrament de zieke verontrust, de krankheid verergerd en de dood bespoedigd zou worden. Die zóó denken en dat vreezen, moeten wel een zeer verkeerd denkbeeld koesteren van Jesus' voorkomende bezorgdheid. Een door zijn minnend Hart uitgevonden middel, dat den zieke moet bemoedigen en met zoeten troost vervullen, de gezondheid kan teruggeven en zoo den dood afweren, zou eene tegenovergestelde uitwerking hebben! âBe-âlijdt toch niet alleen door woord maar âook metterdaadquot; â zouden wij aan al die kleingeloovigen willen toeroepen â âhetgeen u reeds in uwe prille âjeugd is geleerd en wat gij met over-âtuiging aangenomen hebt; doet aan âJesus' Liefde den smaad niet aan te âvreezen, dat Hij aan u, die om brood âvraagt, scorpioenen geven zal. Hebt âgij ook niet dikwijls gebeden, dat âhet u gegeven mocht worden in uwe âlaatste stonden met de H.H. Sacra-
75
âmenten der stervenden voorzien en âversterkt te worden? En als het geschikte oogenblik, hetzij voor u, hetzij âvoor anderen, gekomen is, zoudt gij âom ingebeelde redenen aarzelen óf u âzeiven die genaden te verzekeren óf âanderen in het verkrijgen daarvan be-âhulpzaam te zijn? Gij zoudt zoo dwaas âzijn een gevaar te zien, waar niets âminder dan groote en vele weldaden ânaar ziel en lichaam worden aangeboden?quot; Niemand mag het betwijfelen: elk uitstel kan den zieke van genaden berooven, welke hem in zijn toestand noodzakelijk zijn, het lijden dragelijker en het strijden gemakkelijker maken. Geen liefdedienst bewijzen alzoo aan hem diegenen, welke uit^X misplaatst medelijden, een werkelij^.. gevaar verbloemende, het zoover komen, dat hij zonder het te^issen aan de poorten der eeuwigheidquot;'staatj schier onvoorbereid en niet^jhtKecht- aan het aardsche, dat hij alMs moét ver1
è y'
76
laten. Neen, geen bewijs van ware belangstelling mag zulk eene handelwijze heeten, maar moet als een tee-ken van hardvochtigheid veroordeeld worden. Of is het niet onmeedoogend zijn naaste en wel een der meest hulpbehoevenden, bloot te stellen aan de mogelijkheid vele genaden ter zaligheid te derven?
Dat men toch op den wil der Kerk, op hare voorschriften lette en zich daarnaar richte. Zij, de zorgvuldige Moeder, het hooge gewicht van Jesus' liefdegaven beseffend, heeft bevolen, dat ieder Katholiek, die het gebruik zijner rede gehad heeft en gevaarlijk ziek is, het H. Oliesel kan en moet ontvangen. En niet dan eerst, wanneer een naaste gevaar van sterven aanwezig is; neen, volgens de algemeene zienswijze van hare geleerdste en gezaghebbende schrijvers, mag de Priester dit Sacrament toedienen aan allen, die zóó ernstig ziek zijn, dat er gevaar van
77
sterven bestaat, dat als gevolg der ziekte de dood kan gevreesd worden. Hieruit besluiten wij, dat èn de zieken zeiven èn de huisgenooten door hun plicht gehouden zijn er voor te zorgen, dat dit heilig en genadenrijk Sacrament ontvangen worde, zoodra als de kerkelijke wet dit veroorlooft. Al werd dan ook de zieke op die wijze aan den dood herinnerd, het zal hem niet ten nadeele verstrekken, integendeel hoogst voordeelig wezen, en grootere en meerdere genaden zullen hem toevloeien, bijaldien hij dit Sacrament ontvangt, terwijl hij bij volle kennis is, dan wanneer hij reeds het bewustzijn verloren heeft.
Evenwel, men make uit het gezegde niet deze valsche gevolgtrekking, dat diegenen het H. Sacrament niet mogen ontvangen, die in bewusteloozen toestand verkeeren: ook dezen mogen nog met dit heilmiddel ter zaligheid voorzien worden, mits zij te voren dat
78
Sacrament gevraagd of gevraagd zouden hebben, hadden zij er aan gedacht, of zoo zij een of ander teeken van berouw gegeven hebben. Nog deze opmerking zij op het hart van onze lezers gedrukt: het gebeurt soms, dat aan zieken, die aanvankelijk den Priester geweigerd hebben te ontvangen, toch, al schijnen zij buiten kennis te zijn, schietgebeden en acten van geloof, hoop, liefde en berouw ingefluisterd, de Absolutie gegeven en het H. Oliesel toegediend wordt. Deze handelwijze gaat uit van de niet ongegronde veronderstelling, dat de lijder wel bewustzijn heeft maar daarvan geene uiterlijke teekenen geven kan, en dat zijne inwendige gesteldheid ten goede veranderd is. In deze opmerking ligt ook voor de huisgenooten de vermaning opgesloten, dat zij dusdanige ongelukkigen niet aan hun lot overlaten, maar hun op alle mogelijke wijzen te hulp komen. Nimmer ook mogen zij vergeten, dat
79
z'j bij plotselingo gevallen van ern-stigoi aard minstens even spoedig, zoo niet eerder, bij den Priester dan bij den geneesheer hulp inroepen.
Ook wordt dit Sacrament aan die kinderen toegediend, welke het gebruik der rede reeds bezitten en geacht moeten worden tot het bedrijven van eenige zonde in staat te zijn.
De plechtigheden, door de Kerk bij het toedienen van het H. Oliesel voorgeschreven, laten wij hier volgen.
De Priester, de ziekenkamer binnentredend, zegt;
Vrede zy aan dit huis.
Antw.: En aan allen, die erin wonen.
Met de paarsche Stool omhangen plaatst hij de H. Olie op de tafel, laat den zieke met eerbiedigheid het Kruis vereeren en besproeit hem, alsook het vertrek en de omstanders in den vorm van een kruis met wijwater zeggende:
Heer! Gij zult mjj besproeien met
8o
hysop, en ik zal gereinigd worden. Gü zult mij wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw. Ontferm U mijner, O God! naar uwe groote Barmhartigheid.
Eere zij den Vader, enz.
Heer! Gij zult mij besproeien met hysop en ik zal gereinigd worden; Gij zult my wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw.
Mocht de zieke verlangen te biechten, dan zal de Priester zich gaarne bereid verklaren, hem te hoeren en op allerlei wijzen hem de belijdenis gemakkelijk te maken.
Zoo de tijd het toelaat en de toestand van den zieke het veroorlooft, richt nu de Priester eenige troostwoorden tot hem, onderricht hem over de instelling van het H. Oliesel, over de kracht en over de genaden, welke dit Sacrament meedeelt, en spoort hem aan tot het verwekken der acten van geloof, hoop, liefde en berouw, tot berusting in Gods wil en tot vertrouwen op diens Goedheid.
8i
Het zoude van groote liefde getuigen, zoo de zieken-oppasser zijn verpleegde vooraf had vóórbereid op het ontvangen van het H. Oliesel. De volgende gebeden, langzaam en met nadruk voorgezegd, bieden daarvoor een rijke stof.
âMoge ik door het heilig Sacrament, dat âGij, mijn goddelijke Zaligmaker! in uwe âgrenzenlooze Goedheid voor de zieken ingesteld hebt, gesterkt worden. Ik geloof, dat âdit Sacrament mij ook de gezondheid des âlichaams zal teruggeven, als dit voor mijne âzaligheid dienstig is, dat het mij verlich-âting in mijn lijden, sterkte tegen de âbekoringen en vergiffenis van zonden zal âschenken, waarvan ik onbewust voor U âschuldig ben. Ik dank U, mijn God! âvoor de instelling daarvan en verlang âvurig het te ontvangen, opdat ik meer en âmeer gereinigd worde van mijne zonden, âwelke ik gedurende mijn leven bedreven âheb. Vervul mijn hart met een grooten âafkeer voor de overtredingen uwer gebo-âden, met vurige liefde voor U, met volko-
6
82
âmene overgeving aan uwen heiligen wil, âopdat ik het heilig Oliesel waardig en âtot voordeel van mijn ziel en van mijn âlichaam ontvange.
âIk bid U, mijn God ! deel mij de ge-ânaden van dit heilig Sacrament mede, âopdat ik meer en meer van de smetten âmijner ziel gezuiverd worde. Helaas! hoe âdikwijls heb ik van mijne zintuigen mis-âbruik gemaakt om U te beleedigen. In âplaats van mijne ledematen te gebruiken âtot uwen dienst, heb ik ze tot werktuigen âder ongerechtigheid verlaagd.
âDoor het Doopsel was mijn lichaam âtot een tempel voor U gewijd en ik heb âdien ontheiligd. Ik bid U, mijn God! om âgenade en erbarming. Al mijne zonden âzijn mij van harte leed, vooral omdat ik âU, mijn opperste Goed en oneindige Liefde, âdaardoor vergramd, beleedigd heb. Neen! âvoortaan wil ik U niet meer beleedigen. âVergeef mij mijne schuld, en de dagen, âwelke Gij mij nog te leven zult geven, âzal ik aan uwen dienst wijden.
âO! dierbare Jesus! voor mij gekruisigd, âvoor mij gestorven, om de oneindige ver-
S3
âdiensten van uw lijden, wees mij genadig, âvertroost, versterk mij, schenk mij de ge-â naden van dit heilig Sacrament, en is het âuw wil, dat ik nu uit het leven scheide, âlaat mij dan binnengaan in uw Hemel-ârijk, opdat ik U kunne loven en bemin-ânen met uwe Engelen en Heiligen in âalle eeuwigheid.quot;
Zoodra de Priester zijn woord van vermaning- en onderrichting gesproken heeft, zegt hij de volgende gebeden :
Onze hulp is in den naam des Heeren,
A ntw. Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Pr. Heer! verhoor mijn gebed,
Antnu. En mijn geroep kome tot U.
Pr. De Heer zij met u,
Antia. En met uwen geest.
LAAT ONS BIDDEN;
Verleen, o Heer Jesus Christus! dat met het binnentreden van mij, uwen geringen dienaar, altijddurende gelukzaligheid, goddelijke zegen, heilzame blijdschap, vruchtbare liefde en blijvende gezondheid in dit huis mogen binnenkomen, dat alle booze geesten
84
van deze plaats wyken; dat de Engelen des Vredes hier tegenwoordig zijn en dat allé boosaardige tweedracht dit huis verlate.
Verheerlijk, o Heer! uwen heiligen Naam onder ons en zegen onzen handel en wandel; heilig onzen nederigen ingang, Gij die heilig en goedertieren zjjt en met den Vader en den H. Geest blijft, in de eeuwen der eeuwen. Antw. Amen.
Laten wij bidden en onzen Heer Jesus Christus smeeken, dat Hjj door zijnen zegen deze woning en allen, die er inwonen, zegene en hun den goeden Engel tot Beschermer schenke, dat Hij hen aan zijn dienst verbinde om de wonderen van zijne wet te betrachten; dat Hij alle vijandige machten van hen afwere, hen van alle vrees en onrust bevrijde en Zich ge waardige hen genadiglijk in deze woning in gezondheid te bewaren; Hij die met den Vader en den H. Geest leeft en regeert God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.
LAAT ONS BIDDEN :
Verhoor ons, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God! engewaar-dig uwen H. Engel uit den Hemel af te zenden, opdat hij allen, die in deze woning verblijven, beware, begun-
«5
stige, bescherme, bezoeke en verde-dige. Door Christus onzen Heer. Amen.
Laat soms de toestand van den zieke niet toe, dat al deze gebeden tot God opgezonden worden, dan kunnen zij, naar omstandigheden, of geheel of gedeeltelijk, weggelaten worden.
Nog eens wordt, als de tijd zulks veroorlooft, de algemeene schuldbelijdenis in het Latijn of in het Hol-landsch, hetzij door den zieke of een der aanwezigen, hetzij door den Priester gebeden:
Ik belijd aan God almachtig, aan de heilige Maria altijd Maagd, aan den heiligen Michaël Aartsengel, aan den heiligen Joannes den Dooper, de heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen en U, vader! dat ik zeer gezondigd heb door gedachte, woord en werk: door mijne schuld, door mijne schuld, door myne allergrootste schuld; daarom smeek ik de heilige Maria altijd Maagd, den heiligen Michaël Aartsengel, den heiligen Joannes den Dooper, de heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen
86
en U, vader! voor mij tot den Heer onzen God te bidden.
Daarop zegt de Priester;
De almachtige God ontferme Zich over u, vergeve uwe zonden, en geleide u tot het eeuwige leven. Antw. Amen.
Kwijtschelding, ontbinding en vergiffenis uwer zonden verleene u de almachtige en barmhartige Heer. Antw. Amen.
Vóórdat de Priester met de heilige zalving begint, spoort hij de aanwezigen aan, om voor den zieke te bidden, terwijl hij zijne heilige bediening uitoefent.
Door omstandigheden van plaats, tijd en personen, worde dan de keuze der gebeden bepaald. Verkieslijk is het, dat men een of ander der volgende neme.
87
Litanie ter eere van de allerheiligste Maagd Maria.
Heer! ontferm U onzer.
Christus! ontferm U onzer.
Heer! ontferm U onzer.
Christus! hoor ons.
God, hemelsche Vader! ontferm U onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld! ontferm U onzer.
God, H. Geest! ontferm U onzer.
H. Drievuldigheid, éc'n God! ontferm U onzer.
II. Maria,
H. Moeder Gods,
H. Maagd der Maagden,
Moeder van Christies,
Moeder der goddelijke genade,
Allerreinste Moeder, ij
Allerzuiverste Moeder, ^
Ongeschondene Moeder, §
Onbevlekte Moeder, ^
Minnelijke Moeder, ?
Wonderbare Moeder,
Moeder des Scheppers,
Moeder des Zaligmakers,
A llervoorzichtigste Maagd,
88
Eerwaardige Maagd, bid voor
Lofwaardige Maagd,
Machtige Maagd,
Goederlierene Maagd,
Getrouwe Maagd,
Spiegel der rechtvaardigheid,
Zetel der wijsheid.
Oorzaak onzer blijdschap,
Geestelijk vat,
Eerwaardig vat,
Uitmuntend vat van godsvrucht,
Geestelijke Roos,
'Joren van David,
Ivoren toren,
Guldeii huis,
Ark des Ver bonds.
Deur des Hemels,
Morgenster,
Behoud der Kr anken.
Toevlucht der Zondaren,
Troost der Bedrukten,
Hulp der Christenen,
Koningin der Engelen,
Koningin der Aartsvaders,
Koningiti der Profeten,
Koningin der Apostelen,
Sq
Koningin van alle Heiligen, tj)
Koningin der Marielaren. ^
Koningin der Belijders, §
Koningin der Maagden, ^
Koningin zonder vlek ontvangen, 5
Koningin van den allerheiligstefi Rozen krans,
Lam Gods! dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons Heer!
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons Heer!
Lam Gods! dat de zonden der wereldiveg-
neemt, ontferm U onzer Heer!
Christus! hoor ons,
Christus! verhoor ons,
Heer! ontferm U onzer,
Onze Vader enz.
Antiph. Onder moe bescherming nemen wij onze toevlucht, o H. Moeder Gods! verstoot onze gebeden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd vatt alle gevaren, o glorierijke en gezegende Maagd! onze Vrouw, onze Middelares, onze Voorspreekster, verzoen ons met uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon.
V. Bid voor ofis, H. Moeder Gods!
go
Ji. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Heer God! wij bidden U, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door dé boodschap des Engels de menschwording van Christus uwen Zoon gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de glorie der verrijzenis gebracht worden door denzelfden Jesus Christus onzen Heer. Amen.
Litanie van alle Heiligen.
Heer ! ontferm U onzer,
Christus! ontferm U onzer.
Heer! ontferm U onzer,
Christus! hoor ons,
Christus! verhoor ons.
God, Vader in den hemel! O
God, Zoon, Verlosser der wereld! | ^ God, Heilige Geest! -i g
H. Drievuldigheid, ée'n God! ^
H. Maria, bid voor ons.
Heilige Moeder Gods, bid voor ons.
Heilige Maagd der Maagden, bid voor ons. Heilige Michael, bid voor 'ons.
Heilige Gabriel, bid voor ons.
91
Heilige Raphael, bid voor ons-.
Alle H. Engelen en Aarisenge-hn,
Alle heilige koren der zalige Cjttsamp;en, Heilige Joannes de Dooper,
Heilige Josef,
Alle heilige Aartsvaders en F'nfe/en,
Heilige Petrus.
Heilige Paulus,
Heilige Andreas,
Heilige Jacobus,
Heilige Joannes,
Heilige Thomas,
Heilige Jacobus,
Heilige Bartholomeüs,
Heilige Matt he üs,
Heilige Simon,
Heilige Thaddeils,
Heilige Mathias,
Heilige Barnabas,
Heilige Lucas,
Heilige Marcus,
Alle heilige Apostelen en Evlisten, Alle heilige Leerlingen des jFdurcn, Alle heilige onschuldige KuiAren, Heilige Stephanus,
Heilige Laurent lus,
92
Heilige Vinceniius, bid voor ons. Heilige Fabianus en Sebastianus, Heilige Joannes en Paulus,
Heilige Cosmas en Damianus,
Heilige Gervasius en Protasius,
Alle heilige Martelaren,
Heilige Sylvester,
Heilige Gregorius,
Heilige Ambrosius,
Heilige Augustinus,
Heilige Hieronymus,
Heilige Martinus,
Heilige Nico lans,
Alle heilige Bisschoppen en Belijders,
Alle heilige Leeraars der Kerk,
Heilige Antonius,
Heilige Benedictus,
Heilige Bernardus,
Heilige Dominicus,
Heilige Franciscus,
Alle heilige Priesters en Levieten,
Alle heilige Moimiken en Kluizenaars,
Heilige Maria Magdalen a,
Heilige Agatha,
Heilige Lucia,
Heilige Ag ties,
93
Heilige Caecilia,
Heilige Catharina,
Heilige Anastatia, §
. .
Alle heilige Maagden en Weduwen,
Alle Heiligen Gods,
IVecs genadig, spaar ons Heer!
Wees genadig, verhoor ons Heer!
Van alle kwaad, verlos ons Heer l
Van alle zonden.
Van uwe gramschap,
Van een haastigen en onvoorzienen dood.
Van de listen des duivels,
Van gramschap, haat en allen kwaden wil.
Van den geest van onkuischheid.
Van bliksem en onweder.
Van den geesel der aardbeving.
Van pest, hongersnood en oorlog,
Van den eeuwigen dood.
Door het geheim uwer menschwording.
Door uwe komst,
Door uwe geboorte.
Door uw doopsel en heilig vasten,
Door mu kruis en lijden,
Door uwen dood en mve begrafenis.
Door uwe opstanding.
Door uwe wondervolle hemelvaart.
94
Door de komst van den H. Geest, den ' Vertrooster, verlos ons, Heer!
Op den dag des oordeels, verlos ons, Heer! Wij, zondaren, ivij bidden U, verhoor cns. Dat Gij ons wilt sparen.
Dat Gij ons tot ware boetvaardigheid
wilt brengen,
Dat Gij uwe heilige Kerk wilt besturen
en beschermen.
Dat Gij den apostolischen Stoel en alle kerkelijke overheden in den TI. Gods- ?? dienst wilt bewaren.
Dat Gij de vijanden der TI. Kerk wilt ?
vernederen, 5quot;
Dat Gij den christen Koningen en Vor- ^ sten vrede en eendracht wilt ver- quot; leenen, ⢠^
Dat Gij ons in uwen heiligen dienst wilt § bevestigen en bewaren, ^
Dat Gij onze harten tot hemelsche begeer- S;
ten wilt opwekken.
Dat Gij al onze ldoeners met de eeuwige
goederen wilt vergelden.
Dat Gij onze zielen en de zielen onzer broeders, vrienden en weldoeners voor de eeuwige verdoemenis wilt behoeden,
95
Dat Gij ons de vruchten der aarde â ^
wilt geven en bewaren,
Dat Gij aan alle overledene eeloovi- § ^ gen de eeuwige rust wilt geven, $ amp; Dat Gij ons gebed wilt ver hoor en, * Zoon Gods!
Lam Gods! dat wegneemt de zonden der
wereld, spaar ons. Heer!
Lam Gods! dat wegneemt de zonden der
wereld, verhoor ons. Heer!
Lam Gods! dat wegneemt de zonden der
wereld, ontferm U onzer,
Christus! hoor ons,
Christus! verhoor ons,
Heerl ontferm U onzer,
Christus! ontferm U onzer,
Heer! ontferm U onzer,
Onze Vader, enz.
PSALM 69.
O God! Kom mij te hulp. Heer! haast U om mij te helpen.
Dat zij beschaamd en bevreesd worden, die mijne ziel zoeken,
96
Dat zij terugwijken en zich schamen, die mij kwaad willen,
Dat zij terstond met schaamte terugwijken, die tot mij zeggen: Ha, Ha'.
Dat allen, die U zoeken, juichen en zich in U verheugen en dat zij, die uwe hulp liefhebben, gedurig zeggen: hoog geprezen zij de Heer!
Doch ik ben ellendig en arm, o God! help mij.
Gij zijt mijn Helper en Verlosser, Heer! toef niet.
Eere zij den Vader, enz.
Maak uwe dienaars zalig,
Mijn God! die in U hopen,
Heer! wees ons een sterke toren.
Tegen onzen vijand.
Laat de vijand niets tegen ons vermogen. En laat de zoon der hoosheid ons geen nadeel toebrengen.
Heer! handel niet met ons naar onze zouden. En vergeld ons niet naar onze boosheden. Bidden wij voor onzen Paus .... De Heer behoede hem, spare hem in het leven, make hem zalig op aarde en levere hem niet over aan den wil zijner vijanden.
97
Laat ons bidden voor onze weldoeners.
Heer! Gewaardig U, allen, die ons weldoen, om meen Naam met het eeuwig leven te vergelden. Amen.
Laat ons bidden voor de geloovigen, die overleden zijn.
Heer! geef hun de eeuwige rust en het eeuwige licht verlichte hen.
Dat zij in vrede nesten.
Amen.
Voor onze broeders, die afwezig zijn.
Mijn God! maak uwe dienaren, die op U hopen, zalig.
Zend hun hulp uit uw heiligdom.
En uit Sion bescherm hen.
Heer] verhoor mijn gebed.
En mijn geroep home tot U.
LAAT ONS BIDDEN.
O God'. Wien het eigen is altijd barmhartig te zijn en te sparen, verhoor onze bede, opdat wij, eA al uwe dienaren, die met de ketenen der zonde gebonden zijn, door de ontferming uwer Goedertierenheid genadig ontbonden worden.
7
9.8
Wij bidden Ã, Heer! verhoor de gebeden der smeekenden en spaar de zonden van hen, die Uschuld belijden, opdat Gij in uwe Goedertierenheid ons én vergeving én vrede schenkt.
Heer! toon ons genadig uwe onuitsprekelijke Barmhartigheid, opdat Gij ons van alle zonden vrij maakt en ons tevens de straffen kwijt scheldt, die wij door dezelve verdiend hebben.
O God! die door de zonden beleedigd, doch door de boetvaardigheid verzoend wordt, zie genadig neder op de gebeden van ttw volk, hetwelk tot U smeekt en wend de geesels uwer gramschap van ons af, die wij door onze zonden verdienen.
Almachtige, eeuwige God! ontferm Uover uwen dienaar, onzen Paus N ... , en geleid hem volgens uwe Goedertierenheid op den weg des eeuwigen levens, opdat hij door uwe hulp begeere hetgeen U behaagt en hetzelve met alle kracht volhrenge.
O God! van wien de heilige begeerten, de goede voornemens en alle rechtvaardige werken voortkomen, geef aan uwe dienaren dien vrede, welken de wereld niet kan geven, opdat onze harten genegen mogen worden tot
99
het volbrengen uwer geboden, en wij, van de vrees voor vijanden ontslagen, onder uwe bescherming in vrede mogen leven.
O Heer! ontvonk onze nieren en harten door het vuur van den H. Geest; opdat wij U met een zuiver lichaam dienen en met een rein hart behagen.
O God, Schepper en Verlosser van alle geloovigen! verleen aan de zielen van uwe dienaren en dienaressen vergeving van alle zonden, opdat zij de kwijtschelding, tiaar welke zij altoos verlangd hebben, door godvruchtige smeekingen mogen verwerven.
Wij bidden U, o Heer! voorkom al onze werken door den invloed uwer genade, en voltrek die door uwe medewerking, opdat al onze gebeden en handelingen altijd van U beginnen, en alzoo begonnett zijnde, ook door U voltrokken worden.
Almachtige, eeuwige God! die over levenden en dooden heerscht en U ontfermt over allen, die Gij te voren weet, dat door het geloof en de goede werken de uwen zullen zijn; wij bidden U ootmoedig, dat zij, voor welke wij ons hebben voorgenomen te bidden, hetzij zij nog in deze wereld leven, of reeds
IOO
door den dood van hier zijn weggenomen, op de voorspraak van al u-we Heiligen volgens uwe genadige Barmhartigheid vergeving van alle hunne zonden mogen verkrijgen, door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en heerscht in de eenheid des Heiligen Geesles, God in alle eeuwigheid. Amen.
Heer l verhoor mijn gebed,
En mijn geroep ka me tot U.
De almachtige en barmhartige Heer verhoor e ons. Amen.
En dat de zielen der geloovigen door Gods Barmhartigheid in vrede rusten. Amen.
Litanie van den Zoeten Naam Jesus.
Heer', ontferm U onzer,
Christus 1 ontferm U onzer,
Heer! ontferm U onzer,
Jesus'. hoor ons,
Jesus'. vei-hoor ons.
God, hemelsche Vader.' ontferm U onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld! ontferm U onzer.
IOI
God, Heilige Geest'.
Heilige Drievuldigheid, één God! Je sus! glans des Vaders,
fes us! gloed van het eeuwig licht, Jestis! Koning der glorie,
/esus! Zon der gerechtigheid,
Jesus! Zoon der Maagd Maria, Beminnelijke Jesus,
Wonderbare Jesus,
Jesus! sterke God,
Jesus! Vader der toekomstige eeuw, Jesus! Verkondiger van het groote
raadsbesluit.
Allermachtigste Jesus,
Allergeduldigste Jesus, Allergehoorzaamste Jesus,
Jesus! zachtmoedig en ootmoedig van harte, Jesus! beminnaar der zuiverheid,
Jesus! onze minnaar,
Jesus! God des vredes,
Jezus! oorsprong des levens,
Jestis! toonbeeld der deugden,
Jesus! ijver aar der zielen,
Jesus! onze God,
Jesus! onze toevlucht,
Jestis! vader der armen,
102
Jesus! schat der geloovrgen,
Jesus! goede herder,
Jesus! waarachtig licht.
Je sus ! eeuwige wijsheid,
Jesus ! oneindige goedheid,
Jesus! onze weg en ons leven,
Jesus! vreugde der Engelen,
Jesus! Koning der Patriarchen,
Jesus! Meester der Apostelen,
Jesus! Leer aar der Evangelisten,
Jesus! sterkte der Martelaren,
Jesus! licht der Belijders,
Jesus! zuiverheid der Maagden,
Jesus! kroon van alle Heiligen,
Wees genadig, spaar ons Jesus !
Wees genadig, verhoor ons Jesus ! Van alle kwaad, verlos ons Jesus ! Van alle zonde.
Van uwe gramschap.
Van de lagen des duivels,
Van den geest der onkuischheid.
Van den eeuwigen dood,
Van de verwaarloozing uwer inspraken. Door het geheim uwer heilige Mensch-
wording.
Door uwe geboorte.
103
|
Door |
uwe kindsheid. | |
|
Door |
uw allergoddelijkst leven, | |
|
Door |
uwen arbeid, |
5! |
|
Door |
uw doodsstrijd en lijden. | |
|
Door |
uw kruis en verlatenheid. |
«O |
|
Door |
uwe smarten. | |
|
Door |
uw dood en begrafenis. | |
|
Door |
uwe verrijzenis. |
5$ |
|
Door |
uwe hemelvaart. | |
|
Door |
uwe vreugden. | |
|
Door |
uwe glorie. | |
|
Lam |
Gods! dat wegneemt de zonden |
der |
wereld, spaar ons Jesus !
Lam Gods! dat wegneemt de zonden der
wereld, verhoor ons Jesus!
Lam Gods! dat wegneemt de zonden der
wereld, ontferm U onzer Jesus!
Jesus! hoor ons.
Jesus! verhoor ons.
Onze Vader enz.
De Naam des Heeren zij geloofd,
Van nu af tot in eeuwigheid.
LAAT ONS BIDDEN.
Heer, Jesus Christus! die gezegd hebt: Vraagt en gij zult verkrijgen, zoekt en gij
io4
zult vinden, klopt en n zal opengedaan worden ; wij smeeken U, geef ons, op ons bidden, het vuur uwer goddelijke liefde, opdat wij U van ganse her harte met woorden en met werken mogen beminnen en nimmer ophouden U te loven.
Geef, o Heer ! dat wij altijd uwen Heiligen Naam vreezen en tegelijk beminnen; want nooit berooft Gij hen van uwe leiding, die Gij in de hechtheid uwer liefde vestigt. Door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U leeft en hcerscht in de eenheid des //. Geestes, God, in alle eeuwen der eeuwen. Amen. â
EEN DER ZEVEN BOETPSALMEN.
Ontferm U mijner, o God! naar uwe groote Barmhartigheid.
En naar de menigte uwer ontfermingen, delg mijne boosheid uit.
Wasch mij meer en meer van mijne ongerechtigheid en reinig mij van mijne zonde.
Want ik erken mijne ongerechtigheid, en mijne zonde staat mij altijd voor oogen.
Tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan
io5
wat in uwe oogen kwaad was, opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden en overwint, als Gij geoordeeld wordt. Want zie ik ben in ongerechtigheid ontvangen en m zonden ontving mij mijne moeder. Want zie, Gij bemint de waarheid; het onbekende en verborgene uwer Wijsheid hebt Gij mij doen kennen.
Besproei mij met hysop en ik zal gereinigd worden, ivasch mij, en ik zal witter worden dan sneeuw.
Doe mij vreugde en blijdschap hoor en, en mijne vernederde beenderen zullen juichen.
Wend uwe oogen van mijne zonden af, en delg al mijne ongerechtigheden uit.
Schep in mij, o God! een rein hart, en vernieuw in mij den rechten geest.
Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem utuen H. Geest van mij niet weg.
Geef mij weder de vreugde uws heils, en ondersteun mij met een gewUiigen geest.
Ongerechtigen zal ik uwe wegen leeren en zondaren zullen zich tot U bekeeren.
Bevrijd mij, o God! van bloedschuld, o God, Gij God mijns heils! en mijne tong zal met blijdschap inue Gerechtigheid verheffen.
io6
Ontsluit, o Heer! mijne lippen, en mijn mond zal uwen lof verkondigen.
Want haddet Gij een offer begeerd, ik zou het voorzeker gebracht hebben; brandoffers behagen U niet.
Een offer aan God welgevallig is een gebroken geest; een vermorzeld en verslagen hart zult Gij, o God! niet versmaden.
Heer! doe naar uwe Goedheid aan Sion wel, dat de muren van Jerusalem gebouwd worden.
Dan zult Gij aan een offer van gerechtigheid lust hebben, aan gaven en brandoffers; dan zal men varren op uw altaar leggen.
Eere zij den Vader enz.
Nu wij, ten gerieve der geloovigen, de gebeden hebben overgeschreven, welke in deze omstandigheden de voorkeur verdienen, moeten wij wederom onze aandacht vestigen op de bediening van den Priester.
io7
Hij keert zich tot den zieke en bidt:
In den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes worde in u alle macht des duivéls vernietigd door de oplegging onzer handen en door de aanroeping van alle heilige Engelen, Aartsengelen, Aartsvaders, Profeten, Apostelen, Martelaren, Belijders, Maagden en van alle Heiligen te zamen. Amen.
Hierop zalft de Priester de vijf lichaamsdeelen, welke door God aan den mensch tot even zoovele zintuigen gegeven zijn, namelijk de oogen, ooren, den neus, den mond, de handen en voeten, en de borst. Doch bij vrouwen wordt de laatste zalving, eerbaarheids-halve, weggelaten.
Bij elke zalving maakt hij het kruis-teeken en spreekt het volgende gebed, waaruit tevens duidelijk wordt, waarom die ledematen met deH. Olie gezalfd worden.
io8
de Oogen: Door deze h'eilige zalving en door zijne goe-dertierensteBarmhar- g.
|
w ü: |
tigheid vergeve u de |
to pi | |
|
w |
Heer |
al wat gij door |
(D |
|
CD c* |
het gezicht |
lt; (D | |
|
n de Ooren: ^den Neus: |
Jgt; ii |
â het gehoor |
P |
|
gt;» M |
â den reuk |
amp; lt;D | |
|
2 den Mond: |
« Jgt; |
â den smaak |
C c - |
|
P lt;* |
en de spraak |
!gt; | |
|
g de Handen |
⢠99 Jgt; |
â het gevoel |
S lt;D |
|
de Voeten: |
» gt;» |
â den gang | |
|
de Borst: |
â de gedachten | ||
en begeerten des harten.
Mocht de Priester vreezen, dat het dreigend stervensgevaar van den zieke hem niet den noodigen tijd liet om al de zalvingen en gebeden op de voorgeschreven wijze te verrichten, kan en moet hij ze inkorten, evenwel onder verplichting alles, wat overgeslagen moest worden, aan te vullen, voor zooverre de omstandigheden zulks veroorloven.
De plechtigheid der toediening van het Heilig Oliesel wordt besloten met
log
deze gebeden, welke door den Priester uitgesproken worden en waarin de Heilige Kerk opnieuw hare bezorgdheid voor het lichamelijk en geestelijk welzijn en voor de eeuwige zaligheid van hare kinderen openbaart.
Heer! ontferm U onzer; Christus ! ontferm U onzer; Heer! ontferm U onzer. Onze Vader, enz.
En leid ons niet in bekoring,
A. Maar verlos ons van den kwade. P. Maak zalig uwen dienaar,
A. Mijn God! die in U hoopt.
P. Zend hem hulp, o Heer! uit uw
heiligdom,
A. En uit Sion bescherm hem. P. Wees hem, o Heer! een sterke toren,
A. Voor het aanschijn van den vijand. P. Laat de vijand niets tegen hem
vermogen,
A. En laat de zoon der boosheid zich
niet verstouten hem te schaden. P. Heer! verhoor mijn gebed, A. En myn geroep kome tot U. P. De Heer zij met u,
A. En met uwen geest.
110
LAAT ONS BIDDEN.
Heer God! die door uwen Apostel Jacobus gezegd hebt: âIs iemand onder âu ziek, dat hy de Priesters der Kerk âbij zich hale, en dat zij over hem âbidden, hem met olie zalvende in den âNaam des Heeren, en het gebed des âgeloofs zal den zieke behouden, en âde Heer zal hem opbeuren; en zoo hü âin zonden is, zij zullen hem vergeven âwordenquot;; wij smeeken U, die onze Verlosser zijt, genees door de genade des H. Geestes de krankheden van dezen zieke, en heel zijne wonden en vergeef zijne zonden, en verdrijf van hem alle smarten van ziel en lichaam, en geef hem door uwe Barmhartigheid de volkomen gezondheid, zoowel in-als uitwendig terug; opdat hij door de hulp uwer Barmhartigheid hersteld, tot het volbrengen van zijne vorige plichten wederom bekwaam worde. Die met den Vader en den H. Geest leeft en regeert-. God in de eeuwen der eeuwen. Amen.
LAAT ONS BIDDEN.
Wij smeeken, o Hoer! zie neder op
111
uwen dienaar N., die door de ziekte van het lichaam verzwakt is en verkwik de ziel, welke Gij geschapen hebt, opdat hij door kastijdingen verbeterd, moge gevoelen door uw heilmiddel behouden te zijn. Door Christus onzen Heer. Amen.
LAAT ONS BIDDEN.
Heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God! die door in de zieke lichamen de genade uwer zegening uit te storten, uw maaksel door eene veelvuldige Goedertierenheid bewaakt; verleen hier op de aanroeping van uwen Naam goedgunstig uw bijstand, opdat Gij uwen dienaar, van de ziekte bevr jjd en met de gezondheid begiftigd, met uwe rechterhand opricht, hem door uwe kracht versterkt, hem door uwe macht beschermt en hem met allen gewenschten zegen aan uwe heilige Kerk terugschenkt.
Door Christus onzen Heer. Amen.
Vóórdat de Priester huiswaarts keert, zal hij den zieke opwekken tot dankbaarheid aan God voor de ontvangene
112
weldaden, tot geduld in het lijden naar het voorbeeld van Jesus en van de Heiligen, tot vertrouwen op Gods Goedheid en Barmhartigheid om de oneindige verdiensten van den Verlosser, tot moed en volharding in den strijd tegen de bekoringen, tot vol-komene berusting in alles, wat God over hem beschikken zal.
Om, ook na zijn vertrek, nog zoo veel mogelijk voor het heil des zieken werkzaam te blijven, vermaant hij de omstanders om voor hem te blijven bidden, hem dikwijls met wijwater te besproeien en hem het kruis ter vereering toe te reiken.
Geen treffender en voor; de omstandigheden meer passend gebed kan den zieke, nadat hij de H.H. Sacramenten der Stervenden ontvangen heeft, voorgezegd worden dan het volgende:
âIk dank U, mijn Goddelijke Jesus! âdat Gij ook door het H. Oliesel mijne âziel gezuiverd, versterkt, geheiligd hebt.
ii3
âIk mag dan vertrouwen, dat nu al mijne âongerechtigheden gedelgd, dat al mijne âzonden vergeven zijn, dat al wat aan âmijne boetpleging heeft ontbroken, aangevuld is door de genaden van dat H. âSacrament. Voor zooveel mogelijk, wil ik ânu alle zorgen voor tijdelijke aangelegenheden laten varen, mij zeiven geheel en âal in. de armen werpende van uw onbe-âgrensde Barmhartigheid. Ik hoop, dat Gij âmij de gezondheid zult teruggeven, zoo âeen langer leven voor mijne zaligheid âvoordeelig is. Zoo niet, dan zal ik mij âverblijden, als ik met eene reine ziel de âeeuwigheid mag binnengaan; want één âdag in uwe voorhoven, in den Hemel, is âbeter dan duizend jaren op deze aarde. âNog deze bede, mijn Jesus! en versmaad âze niet. Om de oneindige verdiensten van âuw lijden en sterven smeek ik U; laat niet âtoe, dat ik de genaden, door de H.H. âSacramenten mij geschonken, wederom ver-âlieze; laat mij leven en sterven in uwe âliefde, opdat ik na mijn dood voor eeuwig âmet U vereenigd blijve. Amen.
8
§ IV.
DE PAUSELIJKE ZEGEN MET VOLLEN AFLAAT.
Met het toedienen der drie besprokene II. 11. Sacramenten zijn de schatten der Kerk niet uitgeput; ook is hare liefdevolle bezorgdheid, om het geluk der geloovigen aan gene zijde des grafs zooveel mogelijk te verzekeren, niet voldaan. Meestal zullen er, zelfs na een heilig ontvangen van de Sacramenten der Stervenden, nog tijdelijke straffen te boeten overblijven. Opdat de Kerk daarvan kwijtschelding verleene volgens de opdracht door Jesus haar gegeven om alles te ontbinden, volmachtigt zij hare Priesters in het stervensuur aan de zieken, met den Pauselijken Zegen, een vollen aflaat te schenken.
De voorwaarden voor het verdienen
115
daarvan en door Paus Benedictus XIV voorgeschreven, zijn de volgende:
a. dat dc zieke in doodsgevaar zij; h. dat de zieke die gunst gevraagd hebhe of zoude gevraagd hebben, als hij er aan gedacht had;
c. dat hij in staat van genade zij;
d. dat hij een waar berouiv heb be en God bovenal beminne;
e. dat hij de ongemakken en smarten zijner ziekte met geduld en tot boet-doening voor zijne zonden aanneme ; dat hij zich geheel aan Gods H. wil over geve, bereid om alles, ook den dood, als V God behaagt, tot boete voor zijne zonden te ondergaan, en dat hij den H. Naam Jcsns met het grootste vertrouwen aanroepe, ten minste met het hart, indien hij V niet kan met den mond.
De Priester, welke genoemde volmacht bezit, omkleedt zich minstens met een paarsche stool en, zoo hij niet
116
onmiddellijk na het heilig Oliesel dien zegen geeft, zegt hij, de ziekekamer binnentredende:
Vrede zy aan dit huis enz. besproeit den zieke, het vertrek en de aanwezigen met wijwater zeggende: Gij zultmij besproeien enz.ziebladz.7g.
Daarna zal hij den zieke over de kracht en uitwerking van dien zegen onderrichten, opwekken tot die acten van berouw, liefde en onderwerping, welke van hem gevorderd worden, hem vertrouwen inboezemen, dat hem door Gods Goedheid ook kwijtschelding van straffen en het eeuwig leven zal geschonken worden.
Hierop bidt hij de gebeden, welke de Kerk voor deze gelegenheid voorgeschreven heeft;
Dc Priester. Onze hulp is in den naam
des Heeren,
Aut'u. Die hemel en aarde
gemaakt heeft.
quot;7
Antiphoon. O Heer! wil de misslagen van uwen dienaar (of dienares) niet gedenken, en neem geen wraak over zijne (hare) zonden.
Heer! ontferm U onzer;
Christus! ontferm U onzer;
Heer! ontferm U onzer!
Onze Vader, enz.
En leid ons niet in bekoring.
Maar verlos ons van den kwade.
Maak uwen dienaar (of dienares) zalig,
Mijn God! die op U hoopt.
Heer! verhoor mijn gebed.
En mijn geroep kome tot U.
De Heer zij met u.
En met uwen geest.
LAAT ONS BIDDEN.
Allergoedertierenste God, Vader der Barmhartigheden en God van alle vertroosting, die niet wilt dat iemand, die in U gelooft en op U hoopt, verloren gaat; zie genadiglijk, naar de menigte van uwe ontfermingen, op uwen dienaar N. neder, wien waar geloof en christelijke hoop aan U aan-
118
bevelen. Bezoek hem in uw heil en verleen hem goedgunstig, door het lyden en den dood van uwen Eengeboren Zoon, kwijtschelding en vergiffenis van al zijne misslagen, opdat zjjne ziel in 't uur van zijn scheiden uit deze wereld in U een genadigen Rechter vinde en opdat zij, insgelijks in het bloed van uwen Zoon, van alle vlek gezuiverd, tot het eeuwige leven verdiene over te gaan. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
Nadat opnieuw de algemeene schuldbelijdenis of door den zieke zelven of door een der omstanders gebeden is, vervolgt de Priester:
De almachtige God ontferme Zich over u, vergeve uwe zonden en geleide u tot het eeuwig leven. Amen. Kwijtschelding, ontbinding en vergiffenis van uwe zonden verleene u de almachtige en barmhartige God. Amen.
Onze Heer Jesus Christus, Zoon van den levenden God, die aan den gelukzaligen Petrus, zijn Apostel, de macht van te binden en te ontbinden verleend heeft, neme door zijne goedertieren-
ng
ste Barmhartigheid uwe schuldbelijdenis aan en geve u het eerste kleed terug, hetgeen gij in den H. Doop hebt ontvangen; en ik, krachtens de macht mij door den Apostolischen Stoel geschonken, verleen u een vollen aflaat en de kwijtschelding van al uwe zonden.
In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen.
Door de geheimen van de allerheiligste verlossing des menschen, schelde u de almachtige God alle straffen kwijt zoo van dit tegenwoordige als van het toekomstige leven. Hij opene u de poorten van het Paradijs, en geleide u naar de eeuwige vreugden. Amen.
Zegene u de almachtige God, Vader, Zoon en H. Geest. Amen.
§ V.
AAN HET STERFBED.
De liefde der Kerk voor hare ge-loovigen â eene liefde van haren goddelijken Stichter geërfd â is even onuitputtelijk als onbegrensd. Zij omvat den geheelen mensch, in al diens levensverhoudingen en omstandigheden; zij tracht zich geheel van hem meester te maken om hem met w isse hand naar het zalig einddoel van zijne bestemming te geleiden. Geene poging laat zij daartoe onbeproefd en toont zich vindingrijk in het uitdenken van hulpmiddelen, welke haar in het bereiken van het beoogde doel kunnen steunen. Zelfs dan niet, als zij de genadegaven, haar door Jesus ter uitdeeling toevertrouwd, heeft aangewend, als zij
121
van de haar verleende volmacht ruimschoots gebruik heeft gemaakt, ook dan nog niet meent zij genoeg gedaan te hebben. Die Moeder, zoo rijk aan ondervinding en beter dan iemand anders vertrouwd met de geheimen van 's menschen hart, wetend ook dat de laatste oogenblikken van het leven altijd de gewichtigste, meestal de pijnlijkste en gevaarlijkste zijn, zendt hare gewijde dienaren naar het sterfbed van hare kinderen en legt hun woorden van troost en bemoediging in den mond, welke tot het hart gaan, doet hen bidden, zóó smeekend en dringend, dat alle Engelen en Heiligen als voorsprekers worden ingeroepen voor de ziel, welke waarschijnlijk spoedig voor den rechterstoel van God zal staan. Een genadig oordeel moet die ziel, hetzij vroeger of later, aan de vreugden des Hemels deelachtig maken; opdat echter dit geluk aan die ziel al ras na haar verscheiden van deze wereld
122
geworde, doet de Kerk een beroep op de liefde van hare Priesters en van alle geloovigen, spoort hun ijver aan en vraagt, dat zij toch den stervenden Christen blijven bijstaan, totdat de dood den nacht heeft aangebracht, waarin niemand meer verdienen, iets meer verliezen kan.
En zóó diep is zij van de noodzakelijkheid dier hulp overtuigd, zóó vol van belangstelling voor de eindoverwinning van hare in doodsstrijd verkeerende kinderen, dat zij zelve de meest voor die gelegenheid gepaste gebeden heeft opgesteld â gebeden welke moederlijke bezorgdheid voor het eeuwig heil van de stervenden ademen en tegelijk van haar onbeperkt vertrouwen getuigen op de oneindige Goedheid van God, op de onuitputtelijke verdiensten van Jesus Christus, op de voorspraak van de Engelen en Heiligen des Hemels.
Wij zullen ze vertaald hier laten
123
volgen, na eerst deze opmerkingen aan de aandacht van onze lezers aanbevolen te hebben.
Wanneer de ziekte al gevaarlijker wordt en de dood met rassche schreden nadert, zal de Priester den lijder meermalen komen bezoeken om hem troostwoorden toe te spreken en moed en vertrouwen in te boezemen, vooral om door de kerkelijke gebeden genade, zegen en kracht van God voor hem af te smeeken. Zelfs zal hij de huis-genooten op 't hart drukken, dat zij hem tijdig roepen, opdat hij dien liefdedienst aan den stervende kunne bewijzen.
Voor die gelegenheid plaatse men in de ziekekamer een tafeltje met een crucifix, een brandende kaars, wijwater en een palmtak.
Gelijk wij bij hel toedienen van het H. Oliesel opmerkten, kan ook bij het geven van den pauselijken zegen met vollen aflaat en het bidden van de
124
gebeden der stervenden de toestand van den zieke eenige wijziging en inkorting noodzakelijk maken, als hij namelijk den dood zóó nabij is, dat met reden gevreesd wordt of wel genoegzame tijd zal overblijven om al die gebeden te bidden en alle voorge-schrevene plechtigheden te verrichten.
Ook verlieze men niet uit het oog, dat het verdienen van bedoelden aflaat in geenen deele het winnen van andere aflaten belet, zoo slechts de daartoe gestelde voorwaarden vervuld worden.
De Priester moet de gebeden der stervenden in het latijn bidden. Niets belet echter, dat de bloedverwanten of vrienden die den zieke zijn komen bezoeken, wanneer zij bemerken, dat het smartelijk uur der scheiding niet verre meer af is, hem een der grootste bewijzen van liefde en hartelijke toegenegenheid geven door met den Priester mede te bidden of zeiven die gebeden den zieke voor te bidden, als men
125
vreest, dat de dienaar des Heeren niet tijdig- genoeg aanwezig of verhinderd zij te komen. Evenwel moet groote voorzichtigheid in acht genomen worden om niet te voortvarend al de volgende gebeden luid te bidden. Het gebed b. v: âvertrek, Christen ziel,quot; zou aan kleinmoedige zielen vrees inboezemen en zoo den dood bespoedigen kunnen. Zoolang men derhalve niet zeker is, dat de doodsstrijd reeds ingetreden is, late men dat achterwege en vergenoege men zich met het bidden der Litanie en met andere godvruchtige oefeningen, gezamenlijk met den zieke verricht.
In die bange stonden is het verwekken van de hier volgende acten zeer aan te prijzen en zal, als zij met nadruk en met godsvrucht voorgezegd worden, op den zieke eene heilzame werking uitoefenen en hem met die gevoelens bezielen, welke het hart van eiken stervende moeten vervullen:
âIk geloof in U, mijn God! Ik geloof
126
âalles, wat Gij geopenbaard en door de âH. Kerk te gelooven voorgesteld hebt; âomdat Gij de eeuwige Waarheid zelve zijt. âIn dat geloof wil ik leven en sterven. Ik âhoop op U, omdat Gij oneindig goed, al-âmachtig en getrouw in uwe beloften zijt.
âIk bemin U boven alles, uit geheel mijn âhart, omdat Gij ons opperste Goed, alle âliefde waardig, de oneindige Liefde zelve âzijt.
âMijn God! Het is mij leed, dat ik U âzoo dikwijls vergramd en beleedigd heb. âIk haat en verzaak mijne en alle zonden âuit liefde tot U. Van nu af aan, wil ik U âtoebehooren, U dienen.
âMijn Jesus! eens, misschien spoedig, âzal ik voor uw rechterstoel sïaan. Wees âmijn Verlosser en mijn Zaligmaker. Wees âmij genadig, mij barmhartig. Vergeef mij âmijne zonden. In leven en sterven wil ik âde uwe zijn. Ik wil sterven wanneer het âU behaagt. Door mijn dood wil ik U âverheerlijken en boeten voor mijne over-âtredingen. Geef mij de genade, dat ik in âvertrouwen op uwe oneindige verdiensten âen in uwe liefde uit dit leven scheide.
127
âInuwe handen beveelik mijn lichaam en ziel.
âMaria, Moeder van mijn Jesus! toon âdat gij ook voor mij eene Moeder zijt. âBid voor mij nu en in het uur van mijn âdood. Bid Jesus, uw Zoon, dat Hij mij âgenadig zij. O! goede, zoete, goedertie-ârene Maagd, tot u roep ik weenend en âzuchtend, vertoon mij aan uw Zoon, bc-âveel mij aan uw Zoon, verzoen mij met âuw Zoon. Versmaad mijne gebeden niet âin mijnen nood maar verlos mij van alle âgevaren.
âH. Josef! machtige Voorspreker voor âeen zaligen dood, H. Engelbewaarder, âaan wien God mijn ziel en lichaam heeft âaanbevolen, H. Barbara, aan wie God het âvoorrecht heeft gegeven ons in den doodsstrijd bij te staan, H.H. Patronen en âPatronessen, bidt voor mij de genade af âvan een heilig leven, van een zalig ster-âven, van volharding in Gods liefde ten âeinde toe.
âJesus, Maria, Josef! aan U geef ik mijn âhart en ziel.
âJesus, Maria, Josef! helpt mij in mijn âdoodsstrijd.
128
âJesus, Maria, Josef! laat mij in vrede âmet U van deze wereld scheiden.quot;
Opwekkend en bemoedigend is ock het volgend gebed, waarin de genade van een dood, kostbaar in Gods oogen, wordt afgesmeekt.
GEBED OM EEN ZALIG STERFUUR.
âBarmhartige God! ik aanbid U als mijn âOpperheer, in Wiens handen mijn leven âen mijn dood berusten. Ik onderwerp mij âgewillig aan het vonnis uwer Rechtvaardig-âheid over de zonde uitgesproken, aan de wet âdes doods; ik wil sterven, omdat Gij het âzoo besloten hebt. Van berouw over mijne âzonden en van liefde tot U doordrongen, âsmeek ik U de genade af mij een zali-âgen dood te verleenen.
âGod! hemelsche Vader! ontferm U âmijner; Gij hebt mij geschapen, breng âmij ook tot het doel, waartoe Gij mij ge-âschapen hebt. Gij hebt voor mij uw Zoon âin de wereld gezonden. Hij is voor mij âgestorven, opdat ik eeuwig leven zoude. âLaat, o barmhartige Vader! mijne ziel
I2Q
âniet verloren gaan, die duur U geschapen, âdoor uwen Zoon vrijgekocht, endoorden âHeiligen Geest geheiligd is.
âGod, Zoon, Verlosser der wereld! ont-âferm U mijner. Gij hebt, uit Liefde tot mij âde vreeselijkste smarten en den dood wiljan ondergaan, opdat ik in mijne smarten âen in mijn sterven een troost en eene âzekere toevlucht zoude vinden. Door deze âuwe Liefde bid ik U, sta mij bij in mij-ânen dood. Verwerp de ziel niet, die âU zooveel gekost heeft. Gedenk den âbitteren dood, dien Gij uit Liefde tot mij âgeleden hebt; laat mij onderworpen en âvoorbereid uit dit leven gaan.
âGod, Heilige Geest! ontferm U mijner. âGij hebt mij in den heiligen Doop en âdaarna zoo menigmaal door de heilige âSacramenten geheiligd. Gij zijt de troost âder bedroefden en de sterkte der zwak-âken; sterk en troost mij door uwen mach-âtigen bijstand, opdat ik in den doodsstrijd âniet bezwijke, maar alle bekoringen stand-âvastig wedersta en in Gods genade tot âaan het einde volharde.
âO Maria, heilige Moeder van mijn god-
9
13°
âdelijken Verlosser! verwerf van uwen âgoddelijken Zoon voor mij de genade, âden nog overigen tijd mijns levensgeheel âaan zijne liefde en zijnen dienst te wij-âden. Helaas, hoe dikwijls heb ik zijne âheilige geboden overtreden! Maar nu wil âik mijne liefde tot Jesus trachten te ver-âdubbelen. Verwerf mij, o Moeder van âbarmhartigheid! de gave der volharding âin het goede tot aan het einde mijns âlevens. Heilige Moeder Gods! ik beveel âmij in uwe bescherming; bid voor mij een âzalig sterfuur af. Ik ben een zondaar, uwe âgunsten onwaardig; maar door uwe voor-âbede hoop ik van den barmhartigen God, âdoor de oneindige verdiensten van Jesus, âuwen Zoon, de vergiffenis mijner zonden âen de genade van eenen zaligen dood te âverkrijgen, opdat ik in den hemel God âeeuwig aanbidden en beminnen en U, âheilige Moeder! daar eeuwig danken kan.
âH. Michaël, Aartsengel! mijn Engel âbewaarder! H. Josef, mijn Beschermheilige! âH. Barbara! alle Engelen en Heiligen âGods! bidt voor mij, dat ik in Gods genade âen vriendschap van deze wereld scheide
'31
âen in uw gezelschap God eeuwig moge âloven en prijzen. Amen.
Wanneer de Priester de ziekekamer is binnengetreden om de gebeden der stervenden te bidden, omhangt hij zich minstens met een paarsche stool en zegt:
Vrede zij aan dit huis,
Afitzv. En aan allen, die er in wonen-
Den zieke, diens leger en de kamer met wijwater besproeiend zegt hij: Gij zult mij met hysop besproeien o Heer! en ik zal gereinigd worden. Gij zult mij wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw.
Daarna zal hij den zieke het kruisbeeld voorhouden om het te kussen, hem met korte maar krachtige woorden aanmanend om al zijn hoop te stellen op de oneindige verdiensten vanjesus, die voor hem ook leed en stierf, om alles wat hem zalig is te verwachten van eene Liefde, die een rechtmatig vertrouwen niet beschamen zal.
Ook de gewijde' brandende kaars
132
geeft hij hem in de handen, om hem aan de troostrijke waarheid te herinneren, dat Jesus, het Licht der wereld, de oogen des geestes van een ieder wil verlichten, opdat niemand in den eeuwigen dood inslape; ook om hem de verplichting indachtig te maken, dat hij den beminden Bruidegom zijner ziel met eene brandende lamp moet tegemoet gaan, opdat Hij, die hem uit de duisternis der onwetendheid tot het hel schijnend licht van Gods kennis geroepen heeft, zijne ziel uit de schaduw des doods moge overvoeren naar dat onvergankelijk licht, waarin God troont.
Geknield bidt nu de Priester, te zamen met de aanwezigen, de kleine Litanie van alle Heiligen;
Heer! ontferm U onzer.
Christus! ontferm U onzer.
Heer! ontferm U onzer.
Heilige Maria,
Alle heilige Engelen en Aartsengelen,
H. Abel, f-
Alle Koren der Rechtvaardigen,
133
H. Abraham,
H. Joannes de Dooper,
H. Josef,
Alle h.h. Aartsvaders en Profeten, H. Petrus,
H. Paulus,
H- Andreas,
H. Joannes,
Alle h.h. Apostelen en Evangelisten,
Alle h.h. Leerlingen des Heeren,
Alle h.h. onnoozele Kinderen,
H. Stephanus,
H. Laurentius,
Alle h.h. Martelaren,
H. Sylvester,
H. Gregorius,
H. Augustinus,
Alle h.h. Bisschoppen en Belijders, H. Benedictus,
H. Pranciscus,
Alle h.h. Monniken en Kluizenaars, H. Maria Magdalena,
H. Lucia,
Alle h.h. Maagden en Weduwen.
Alle Heiligen Gods,
Wees genadig, spaar hem Heer!
134
Wees genadig, verlos hem Heer!
Van uwe gramschap,
Van het gevaar des doods.
Van een kwaden dood.
Van de straffen der Hel,
Van alle kwaad, 2.
Van de macht des duivels, w
Door uwe geboorte, gquot;
Door uw kruis en lijden, g
Door uwen dood en uwe begrafenis, ^
Door uw glorievolle verrijzenis, ®
Door uw wonderbare Hemelvaart, ^
Door de genade van den H. Geest,
den Vertrooster,
In den dag des oordeels. Wij zondaars, wij bidden U, verhoor ons.
Dat Gy hem wilt sparen, wjj bidden
U, verhoor ons.
Heer! ontferm U onzer.
Christus! ontferm U onzer.
Heer! ontferm U onzer.
Is de laatste doodsstrijd ingetreden, dan vervolgt de Priester onmiddellijk:
Vertrek, christen ziel! van deze wereld, in den naam van God, den almachtigen Vader, die u geschapen
'35
heeft, in den naam van Jesus Christus, den Zoon van den levenden God, die voor u geleden heeft, in den naam van den Heiligen Geest, die in u is uitgestort, in den naam der Engelen en Aartsengelen, in den naam der Tronen en Heerschappijen, in den naam der Overheden en Machten, in den naam der Cherubijnen en Seraphijnen, in den naam der Aartsvaders en Profeten, in den naam der h h Apostelen en Evangelisten, in den naam der h h. Martelaren en Belijders, in den naam der h h. Monniken en Kluizenaars, in den naam der hh Maagden en van alle Heiligen Gods- Heden zij uwe plaats in vrede en uwe woning in het h. Sion, door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer Amen.
GEBED.
âBarmhartige God, goedertierene God, God, die naar de menigte uwer Barmhartigheden de zonden derboet-vaardigen uitwischt en door genadige kwijtschelding de schulden van vorige misdaden te niet doet; zie in ontferming neder op dezen uwen dienaar N.
136
en verhoor hem op zijn smeeken, nu hy met gansch hartelijke bekentenis om vergiffenis van al zijne zonden bidt. Vernieuw in hem, goedertierenste Vader! al wat door aardsche zwakheid bedorven of al wat door het bedrog des duivels geschonden is, en vereenig dit lidmaat der verlossing met het lichaam uwer Kerk. Ontferm U, o Heer! over zijne zuchten, ontferm U over zijne tranen en neem hem, die zijn vertrouwen op uwe Barmhartigheid alleen stelt, aan in het verbond van uwe verzoening. Door Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
âDen almachtigen God beveel ik u, geliefde broeder! aan, en stel u in handen van Hem, Wiens schepsel gij zijt, opdat gij, wanneer gij de schuld der menschheid door den dood zult betaald hebben, moogt wederkeeren naar uwen Schepper, die u van het slijk der aarde heeft gevormd. Wanneer dan uwe ziel het lichaam verlaat, moge haar de luisterrijke schaar der Engelen tegensnellen, moge de gerechtsraad der Apostelen u te ge-moet komen, het zegepralende heir der witgekleede Martelaren u tegen-treden, de met leliën bekroonde menigte der klaar blinkende Belijders u omringen, het koor der Juichende
«37
Maagden u ontvangen en de omhelzing der zalige rust in den schoot der Aartsvaders u omarmen; het minzaam en blijde aangezicht van Jesus Christus vertoone zich aan u en dat Hij u een plaats toewijze onder hen, die Hem altoos ter zijde staan. Moogt gij niets kennen wat verschrikt in de duisternissen, wat knettert in de vlammen, wat martelt in de folteringen. De vervaarlijke satan met geheel zijnen aanhang wijke van u; hij siddere voor u, en vluchte weg in de ijselijke verwarring van den eeuwigen nacht, wanneer gij, omringd door de Engelen, zult aankomen. Dat God opsta en dat zijne vijanden verstrooid worden en dat allen, die Hem haten, voor zijn aanschijn vluchten. Mogen zij verdwijnen, evenals de rook verdwijnt ; gelijk het was wegsmelt voor het vuur, zoo mogen de zondaren vergaan voor het aanschün van God; en dat de rechtvaardigen aan een blij gastmaal aanzitten en juichen in het aanschijn Gods. Dat dan al de helsche legioenen ten schande worden en zich schamen, en dat de dienaren van satan zich nietvermeten uwen weg te verhinderen. Christus, die voor u gekruisigd is, bevrijde u van pijniging; Christus, die Zich gewaardigd heeft
138
voor u te sterven, verlosse u van den eeuwigen dood; Christus, de Zoon van den levenden God, plaatse u in de altijd bloeiende lusthoven van zijn Paradjjs en Hij, die ware Herder, er-kenne u onder zjjne schapen. Hij ont-binde u van al uwe zonden en wijze u eene plaats aan zijn rechterhand in het erfdeel zijner uitverkorenen aan. Dat gij uwen Verlosser van aanschijn tot aanschijn zien en, altijd in zijne tegenwoordigheid verblijvend, met zalige oogen de allerklaarste waarheid aanschouwen moogt. Moogt gij, onder de scharen der Zaligen geplaatst, de zoetheid van Gods aanschouwing genieten in de eeuwen der eeuwen. Amen.
GEBED:
Heer! neem uwen dienaar op in de plaats der Zaligheid, welke hy van uwe Barmhartigheid verhoopt.
A. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar van alle gevaren der hel, en van de strikken der straffen en van alle kwellingen. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, geiyk Gij Henoch en Elias verlost hebt van den algemeenen dood der wereld. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen die-
139
naar, gelijk Gij Noë verlost hebt van den zondvloed. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Abraham verlost hebt uit Ur, de stad der Chaldeeërs. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Job verlost hebt van zijn lijden. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Isaak verlost hebt van den offerdood en uit de hand van zijnen vader Abraham. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Loth verlost hebt uit Sodoma en uit de vlammen des vuurs. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Moses verlost hebt uit de hand van Pharao, den koning der Bgyptenaren. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Daniël verlost hebt uit den leeuwenkuil. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij de drie jongelingen verlost hebt uit den oven van het brandende vuur en uit de hand van den goddeloozen koning. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Susanna verlost hebt van de valsche beschuldiging. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen die-
140
naar, gelijk Gij David verlost hebt uit de handen van den koning Saül en uit de hand van Goliath. Amen.
Verlos, Heer! de ziel van uwen dienaar, gelijk Gij Petrus en Paulus verlost hebt uit de kerkers.
En gelijk Gij de allerzaligste maagd en martelares Thecla van drie allerwreedste pijnigingen verlost hebt, ge-waardig U ook zoo de ziel van dezen uwen dienaar te verlossen en doe haar met U zich verheugen in de hemelsche goederen. Amen.
GEBED:
Aan U, o Heer! bevelen wij de ziel van uwen dienaar N., en wij bidden U, Heer Jesus Christus, Zaligmaker der wereld, dat Gij niet weigert haar, om welke Gij uit Barmhartigheid op de aarde zyt nedergedaald, in den schoot uwer Aartsvaderen eene plaats aan te wijzen.
Erken, o Heer! uw schepsel, dat niet door vreemde goden, maar door U, den eenigen, levenden en waren God geschapen is. Want er is geen God buiten U, en er is niemand, die uwe werken kan doen. Verblijd, Heer! zijne ziel in uw aanschyn, en wees zijne vorige ongerechtigheden en onmatigheden niet gedachtig, die door
I4i
het geweld of den gloed der kwade begeerte verwekt zijn. Want, of-schoon hij gezondigd heeft, toch heeft hij den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest niet verloochend, maar geloofd en den ijver Gods heeft hy in zich gehad en den God, die alles geschapen heeft, getrouw aangebeden. Amen.
GEBED:
Wij bidden U, Heer! herdenk niet de zonden zijner jeugd en zijne onwetendheden, maar wees hem, volgens uwe groote Barmhartigheid, gedachtig in de glorie uwer Heerlijkheid. Dat de hemelen hem geopend worden, dat de Engelen zich met hem verblijden. Neem, Heer! uwen dienaar op in uw Rijk. Dat de heilige Michael, de Aartsengel Gods, die verdiend heeft de aanvoerder van het hemelheir te zijn, hem ontvange. Dat de heilige Engelen Gods hem te gemoet komen en de he-melsche stad Jerusalem binnenleiden. Dat de gelukzalige Apostel Petrus, wien door God de sleutels van het hemelrijk gegeven zijn, hem ontvange. Dat de heilige Apostel Paulus, die waardig is geweest een vat van uitverkiezing te zijn, hem helpe. Dat de heilige Joannes, de uitverkoren
142
Apostel Gods, aan wien de geheimen des Hemels geopenbaard zijn, zijn voorspreker zij. Dat alle heilige Apostelen, aan wie de Heer de macht heeft gegeven om te binden en te ontbinden, voor Hem bidden. Dat al de Heiligen en Uitverkorenen Gods, die in deze wereld voor den Naam van Christus folteringen doorstaan hebben, zijne voorsprekers zijn; opdat hij, bevrijd van de banden des vleesches, verdiene tot de heerlijkheid des hemelschen Rijks te komen, door de gunst van onzen Heer Jesus Christus, die met den Vader en den Heiligen Geest leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Als het oogenblik van sterven gekomen is, verdubbele men de gebeden, met gebogene knieën smeeke men voor den lijder de noodige genaden, vooral een zaligen dood, af. De H. Kerk geeft deze verzuchtingen aan : Jesus, Jesus, Jesus! In uwe handen, o Heer! beveel ik mijn geest. Heer Jesus Christus! neem mijnen geest aan. Heilige Maria! bid voor mij. Maria, Moeder van genade. Moeder van barmhartigheid, verdedig mij tegen den
Mo
vijand en neem mij aan in het uur des doods.
Houdt de doodsstrijd aan, dan fluistere men den zieke, met eene kleine tusschenruimte, een of ander der volgende schietgebeden in 't oor, al naar gelang van de omstandigheden en van den toestand des stervende :
âMijn God! ik geloof in U, die de âopperste Waarheid zijt.
âMijn God! ik hoop op U, die de 011-âeindige Barmhartigheid zelve zijt.
âMijn God! ik bemin U, die alle liefde âwaardig zijt.
âMijn God! het is mij leed uit den âgrond mijns harten, U zoo menigmaal âbeleedigd te hebben.
âO Jesus! wees mij een Verlosser, een âRedder in dit uur.
âIk vereenig mijn lijden en mijn doods-âstrijd met uw heilig Lijden en uwen hei-âligen Doodsstrijd.
âOntferm U mijner, o Heer! overeen-âkomstig uwe groote Barmhartigheid.
âOp U, o Heer ! heb ik gehoopt, en in âeeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.
144
âAllerzoetste Jesus, mijn Heer en Zaligmaker ! door de verdiensten van uw bitter en âheilig Lijden, smeek ik U, mij op te willen ânemen onder het getal uwer Uitverkorenen.
âMaria, genadenvolleMoeder, barmhartige âMoeder! bevrijd mij van de aanvallen âmijner vijanden, en neem mij onder uwe âbescherming in dit uur van mijnen dood.
âHeilige vader Josef! machtige voorspre-âker voor een zaligen dood ! bid, bid voor mij.
âHeilige Barbara! aan wie het bijzonder âvoorrecht is gegeven de Christenen in âhun laatste uur bij te staan, help mij âdoor uwe voorspraak bij God.
âMijn heilige Engelbewaarder! sta mij ânu vooral bij en verlaat mij niet
âMijne heilige Patronen, bidt Jesus en âMaria voor mij.
âJesus! om uwe heilige wonden, vergeef âmij mijne misslagen.
âJesus, Maria, Josef! ik geef U mijn âhart en mijn ziel en mijn leven.
âJesus, Maria, Josef! staat mij bij in âmijn doodsstrijd.
âJesus, Maria, Josef! laat mij in vrede âen in uw heilig gezelschap sterven.
âAllergenadigste Jesus, barmhartigheid! .,In uwe handen beveel ik mijnen geest.
De anderen, die het sterfbed omringen, zullen een treffend bewijs van hunne christelijke deelneming geven, zoo Yi], terwijl de Priester of een der aanwezigen zich uitsluitend met den stervende bezig houdt, voor hun zieltogenden broeder (of zuster) in het geloof blijven bidden, zoolang de doodsstrijd duurt. Het Rozenhoedje, de Litanie van de llerheiligste Maagd Maria of van al' Heiligen, de zeven Boetpsalmen vr n David, zijn de gebeden, welke voor die gelegenheid de voorkeur verdienen. Ook vergete men niet den lijder dikwijls, onder het maken van een kruis, met wijwater te besproeien en hem het crucifix te doen vereeren.
Wanneer de ziel het lichaam heeft verlaten, bidde men deze schietgebeden:
Komt te hulp: Heiligen Gods! Komt
io
146
te gemoet, Engelen des Heeren! Zijne ziel opnemende, haar voor het aanschijn van den Allerhoogste aanbiedende.
Moge Christus, die u geroepen heeft, u aannemen, en mogen de Engelen u in den schoot van Abraham geleiden, Zijne ziel opnemende, haar voor het aanschijn van den Allerhoogste aanbiedende.
Heer! geef haar de eeuwige rust, en het eeuwige licht verlichte haar.
Heer! ontfermU onzer. Christus! ontferm U onzer. Heer! ontferm U onzer.
Onze Vader â en leid ons niet in bekoring enz.
Heer! geef haar de eeuwige rust.
En het eeuwige licht verlichte haar.
Van de poorten der hel!
Verlos, Heer! zijne ziel.
Dat zij ruste in vrede. Amen.
Heer! verhoor mün gebed, en mijn geroep kome tot U.
De Heer zij mot u en met uwen geest.
LAAT ONS BIDDEN:
Aan U, o Heer! bevelen wij de ziel van uwen dienaar N., opdat hij, voor de wereld gestorven, voor U leve, en door de kwijtschelding van uw allerbarmhartigste Goedertierenheid wisch de zonden uit, welke hjj door
147
de zwakheid van den menscheiy-ken omgang bedreven heeft. Door Christus, onzen Heer. Amen.
PSALM 129.
Uit de diepten heb ik tot U geroepen, o Heer, Heer! verhoor mijne stem.
Laat uwe ooren luisteren naar de stem mijner smeeking.
Zoo Gij de ongerechtigheden gadeslaat, wie. Heer! zal bestaan?
Maar bij 17 is vergeving en om uwe wet, o Heer! vertrouw ik op U.
Mijn ziel vertrouwt op zijn woord, mijn ziel hoopt op den Heer.
Dat Israël op den Heer hope van den dageraad af tot den nacht toe.
Want bij den Heer is Barmhartigheid en bij Hem is overvloedige verlossing.
En Hij zal Israël verlossen van al zijne ongerechtigheden.
Het spreekt vanzelf, dat men zich bij die gebeden niet behoeft te bepalen. De ware liefde is niet zoo spoedig bevredigd maar zoekt en vindt ook lichtelijk nog andere oefeningen van godsvrucht, waardoor zij de van deze wereld gescheidene ziel in den geest
148
vergezelt tot voor den rechterstoel van Jesus, om diens Barmhartigheid te blijven inroepen en een genadig oordeel af te smeeken. Wij allen weten toch, dat de minste vlek voor een kortere of langere wijle den Hemel gesloten houdt, maar ook zijn wij overtuigd, dat onze smeekingen en goede werken kwijtschelding van straf kunnen verwerven voor die zielen, welke voor zich zelve niet meer verdienen kunnen. Een ieder ga daarom bij zijn medelijdend hart te rade en moge dan voor de afgestorvenen doen, wat hij wenscht, dat anderen eens voor hem, in dien vreeselijksten aller_ stonden, doen zullen.
Ook dit zij hier nog opgemerkt. Niet te spoedig maar eerst na eenig verloop van tijd, als volkomene zekerheid van den ingetreden dood verkregen is, mag het lijk volgens plaatselijk gebruik verzorgd worden. Somwijlen toch gebeurt het, dat de eene
149
of andere zieke gestor von schijnt maar inderdaad niet is. Wie in zulk een niet zelden voorkomend geval het lichaam bewegen of daaraan wasschingen verrichten of eene andere houding geven zou, stelde zich in gevaar het vonkje van leven uit te dooven en den dood te bespoedigen. Doch is geen twijfel meer mogelijk en de dood zeker, dan wijde men aan het stoffelijk overblijfsel die zorg, welke daaraan verschuldigd is en door de eerbaarheid toegelaten wordt. Eerst worde het gereinigd en dan in een wit tot de voeten en handen reikend kleed gehuld; dc mond en oogen worden gesloten, de handen gevouwen en de ledematen, welke wellicht in den laatsten doodsstrijd verwrongen zijn, in hunnen natuurlijken toestand teruggebracht. Een klein kruisje dient tusschen dc vingers van den overledene gestoken, ten teeken dat hij in den vrede des Heeren, in het geloof aan den Zaligmaker van de
i.io
wereld uit dit leven scheidde. Ook is het gepast, dat in de nabijheid van het lijk gewijd licht brande om aan te duiden, dat een kind des lichts gestorven is, dat de ziel leeft en het lichaam ten jongsten dage zal verrijzen. Gewoonlijk houdt men gewijd water gereed om daarmede het stoffelijk omhulsel te besproeien, waarin een ziel woonde die -â zooals gehoopt wordt â van hare zonden gereinigd is en na eenigen tijd met een verheerlijkt lichaam zal vereenigd worden.
§ VI.
IN DE KERK EN OP HET KERKHOF.
Evenals de Kerk voor hare geloo-vigen, gedurende hun leven op aard?, eene zegenbrengende Moeder was, eveneens blijft hun hare liefde verzekerd, ook na het afsterven. Het bewijs daarvoor mogen wij vinden in de zorg, welke zij èn aan het lichaam èn aan de ziel wijdt.
Steeds heeft zij grooten eerbied betoond aan het stoffelijk overblijfsel, aan het lichaam, dat een tempel van den Heiligen Geest en werktuig van deugden geweest is; dat ook eens verheerlijkt moet worden bij God. Schreef ook de H. Paulus reeds niet in zijn tijd: dat onze lichamen leden zijn van Christus;
152
dat wy verheerlijken en dragen moeten God in onze lichamen (i Cor. VI, 15, 20); dat wij een tempel Gods zijn (2 Cor. VI, 16); en Je sus Christus het lichaam onzer vernedering hervormen zal, zóó dat het gelijkvormig is aan het lichaam zijner heerlijkheid (Phil. Ill, 21). Wetend, dat, wat in verderfelijkheid, in onaanzienlijkheid, in zwakheid gezaaid wordt, in onverderfelijkheid, in heerlijkheid en in kracht zal verrijzen, was de Kerk altijd bezorgd om de lichamen van de Christenen, zoodra zij him aardsche loopbaan voleindigd hadden, op een waardige wijze ter aarde te bestellen en, alles wat een liefdevol aandenken van de overblij-venden ter vereering van de overledenen uitdacht en metterdaad in het werk stelde, door de viering van eene kerkelijke begrafenis te heiligen. En, wat vooral in onzen tijd, nu er eene strooming, om tot hcidensche gebruiken terug te keeren, zich al meer en
153
meer doet gelden, dient op den voorgrond gesteld te worden: de Christenen van alle eeuwen hebben altijd het gebruik der Heidenen, die hunne dooden verbrandden, als ongeoorloofd en be-leedigend voor de waardigheid der mensehelijke natuur, verafschuwd. Die rechtmatige afkeer vond zijn grond in en steunde op een meer dan mensehelijke beweegreden. Het woord des Scheppers in het Paradijs gesproken; in het zweet uws aaiischijns zult gij uw brood eten, totdat gij â wederkeert tot de aarde, waaruit gij genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij terugkeer en (i Mos. III, 19), en het later door den H. Geest ingegeven woord; een zwaar juk ligt op A da nis kinderen, van den dag af dat zij voortkomen uit den schoot van hunne moeder tot den dag toe dat zij begraven worden in de moeder van allen (Eccl. XL, 3) â â die uitspraken van God waren voor den Christen een luid-sprekende be-
154
dreiging, om het nimmer te vergeten, dat het verbranden van de lijken der redelijke schepselen een misdadig vergrijp is tegen de door God vastgestelde orde, die wilde dat de lichamen der afgestorvenen in den schoot der aarde tot stof vergaan, daar aan de vernielende krachten der ontbinding moeten overgeleverd worden. Reeds Tertuliaan, een schrijver uit de 2de eeuw, betitelt daarom de christelijke wijze van begraven met den eere-naam van âeen daad van godsvrucht, van âeenplichtmatigen, kinderlijken eerbied âjegens de dooden, van gehoorzaam-âheid aan Gods duidelijke wetquot; en â de voorstelling, alsof de Christenen de lijken daarom niet wilden verbranden, omdat zij meenden dat nog een gedeelte der ziel er in was overgebleven, als ongerijmd en onwaar verwerpend â legt hij allen nadruk op de overtuiging der geloovigen, die het verbranden verafschuwden als een wreedheid tegen
i5ö
de stem der natuur en ids eene misdaad aan de overblijfselen van dierbare afgestorvenen gepleegd. Dat de vervolgingszieke Heidenen zich van den tegenzin der Christenen tegen hun wijze van doen bewust waren, blijkt genoegzaam hieruit, dat zij de lichamen der Martelaren dikwerf of aan de wilde dieren ten prooi lieten of verbrandden en de asch in het water wierpen, om aan de overblij venden het genot en de vreugde te ontnemen, welke dezen vonden in het bewijzen van eerbied en vereering aan de verscheurde of verschroeide ledematen der verheerlijkte Bloedgetuigen.
Wat de kerkelijke plechtigheden betreft, welke reeds in de eerste eeuwen van haar bestaan de Kerk omtrent het begraven van de lichamen harer kinderen had voorgeschreven,
daarop kunnen wij hier niet verder ingaan. Genoeg zij het aan te stippen, dat wij ze schier alle terugvinden in de plechtigheden en gebeden, welke ook nu nog gebruikelijk zijn. Wij behoeven dan ook slechts de orde, bij het begraven der lijken van Katholieken in acht genomen, te volgen om ons te overtuigen, dat eerbied voor het stoffelijk omhulsel, waarin eens de ziel woonde, dat de overtuiging: het lichaam, hetwelk weldra in de aarde ter ruste moet gelegd worden, zal eens tot eene verheerlijkte opstanding opgeroepen worden, dat het verlangen om aan de ziel, nu zij reeds geoordeeld is, nog zooveel mogelijk hulp te ver-leenen, en om aan hen, die den dierbaren doode beweenen, woorden van troost te doen hooren, ook om alle aanwezigen aan hnn naderend einde te doen denken â dat die hooge beweegredenen de Kerk hebben aangespoord om met indrukwekkende plechtigheid
157
on met geboden vol hoop on vertroosting' do laatste eer te bewijzen aan hen, die gedurende hun leven met den liefdevollen naam van kinderen door haar begroet werden.
Als ceremoniën, welke de Kerk bij elke begrafenis voorschrijft, moeten do volgende opgemerkt worden. Aan het hoofdeinde der kist wordt het Kruis omhoog geheven of geplaatst om aan te duiden, dat de overledene in de Verlossing van Jesus geloofd en als een waar Christen geleefd heeft en hoopte door de verdiensten van Jesus' Kruisdood de verrijzenis ten eeuwigen leven te zullen verwerven.
Rondom de kist worden brandende kaarsen geplaatst en daarmede ook het lijk grafwaarts vergezeld ten tee-ken, dat Jesus, het licht der wereld, allen voor eeuwig zal verlichten, die in Hem geloofd en Hem gediend hebben en dat, terwijl do overledene in die zalige hoop uit deze wereld scheidde.
de ovcrblijvendon zich kunnen verblijden, nu wederom een van hunne medebroeders den laats ten strijd zegevierend besloten heeft. Meer dan eens wordt het lijk met wyioater besproeid, want dat lichaam, vroeger tempel van den H. Geest en werktuig van deugdzame daden, moet ter opstanding voor het leven in den Hemel voorbereid en geheiligd worden. Ook het bezigen van den wirrook is vol beteekenis en mag zoowel als het zinnebeeld van godvruchtig gebed gelden, dat als eene welriekende geur ten Hemel opstijgt en voor den afgestorvene verhooring vindt bij God, als van den aangena-men reuk der deugden, welke hij in zijn leven beoefend heeft.
Op vele plaatsen is het een oud en eerbiedwaardig- gebruik, dat het lijk in plechtstatigen optocht van het sterfhuis afgehaald en naar de kerk overgebracht wordt. Waar deze godvruchtige gewoonte jn zwang is, besproeit
159
de Priester hot lijk eerst met wijwater, bidt de Antiphoon: indien Gij, o Heer! de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan, den geheel'en psalm : uit de diepte heb ik tot U, oHeer! geroepen enz., besluit met: geef, o Heer; hem de eeuwige rust en het eeuwig licht verlichte hem en herhaalt de Antiphoon.
Vóórdat het lijk uitgedragen wordt, zal hij, om de weenenden te troosten en hen op de algemeene verrijzenis des vleesches te wijzen, de Antiphoon aanheffen : de vernederde beenderen zullen zich verblijden voor den Heer. Onderweg wordt de Psalm: Erbarm U mijner, o God! volgens de menigte uwer Barmhartigheden en andere Psalmen gebeden. Bij het binnentreden der kerk worden dezelfde gebeden uitgesproken, welke in gebruik zijn in die parochiën, waar de Priester het lijk aan den ingang der kerk ontvangt.
Eerst klinkt nog eens de jubelzang der hoop op een verheerlijkte opstanding
i6o
des lichaams: de vernederde beenderen zullen zich verblijden voor den Heer; dan worden Gods vrienden in den Hemel aangeroepen om hun machtigen bijstand te verleenen, opdat der ziel hare eeuwige rust in den schoot van God zoo spoedig mogelijk geschonken worde. Daarom volgt onmiddellijk het smeekgebed:
Heiligen Gods! komt ter hulpe, snelt toe. Engelen des Heeren! ontvangende zijne (hare) ziel, haar voor het aanschijn van den Allerhoogste aanbiedende.
Christus, die u geroepen heeft, neme u op, en de Engelen voeren u naar den schoot van Abraham. Ontvangende zijne (hare) ziel, haar voor het aanschijn van den Allerhoogste aanbiedende-
Heer ! geef haar de eeuwige rust en het eeuwige licht verlichte haar.
Reeds van de eerste eeuwen der Kerk dagteekent het godvruchtig gebruik, dat in tegenwoordigheid van het lijk op plechtige wijze de stichtende lijkdiensten gevierd worden. De
i6i
benaming âExequiaequot; van hetlatijnsche woord Exeqitï, dat âuitgeleide doenquot; beteekent, duidt aan dat de geloovigen gewoonlijk de lijkbaar tot in de kerk volgden, om daar voor den afgestorvene te bidden en vervolgens het lijk, na afloop der godsdienstige plechtigheden, grafwaarts te begeleiden.
De Heilige Augustinus en eene synode, welke in 397 te Karthago gehouden werd, spreken er van als van een algemeen gebruik, dat de H. Mis, terwijl het lijk in het midden der kerk stond, gevierd werd, niet alleen tot opluistering der begrafenis maar ook en wel vooral ten voordeele van de ziel des overledene. Onder de H. Mis brachten de geloovigen hunne offergaven, welke door den 11. Chry-sostomus als aalmoezen beschouwd werden, waardoor de gedachtenis van den doode vereerd en het gebed der armen voor de rust zijner ziel gevraagd werd.
11
102
Zoodra de H. Mis aan den God van Barmhartig-heid is opgedragen, plaatst de Priester zich tegenover het Kruis, aan de voeten van den doode, en geeft de absolutie, dat is: bidt de gebeden welke, volgens den Gregori-aanschen ritus, met het woord: absolve begonnen en daarom absolutie genoemd werden. De gebeden, bij die gelegenheid nu in gebruik, zijn de volgende:
Heer! treed niet in het gerecht met uw dienaar, want geen mensch zal hij U gerechtvaardigd bevonden worden, tenzij hem door U vergiffenis van alle zonden gegeven wordt. Moge derhalve, bidden wij, uw rechterlijke uitspraak hem niet ter neder drukken, wien het ware smeekgebed van een christelijk geloof aan U aanbeveelt, maar dat hij, met de hulp van uwe genade, het gerecht uwer v/raak verdiene te ontkomen, hy die tijdens zijn leven geteekend is geweest met het teeken der H. Drievuldigheid, Gij die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen-
163
Onmiddellijk op dat gebed om vergiffenis en om een barmhartig oordeel voor den afgestorvene volgen deze Antiphonen, welke de dienstdoende Priester of wel luid opleest of vers om vers met het koor zingt. De ziel van het lichaam gescheiden wordt daarin smeekende ingevoerd en, bevreesd voor het algemeen oordeel, dat ook haar wacht, huiverend van angst voor dien dag van gramschap en straf, smeekt zij, dat zij bevrijd moge blijven van den eeuwigen dood â zij en allen die met haar geoordeeld zullen worden:
Verlos my, Heer! van den eeuwigen dood op dien vreeselijken dag, wanneer de hemelen en aarde zullen bewogen worden, terwijl Gij komen zult om de wereld te oordeelen door het vuur.
Sidderend ben ik geworden en ik vrees, als het onderzoek zal komen en de toekomstige gramschap-
Wanneer de hemelen en aarde zullen bewogen worden.
164
Die dag zal zijn een dag van gramschap, van rampspoed en ellende, een groote dag vol van bitterheid.
Terwijl Gij zult komen om de wereld te oordeelen door het vuur.
Heer! geef hun de eeuwige rust en het eeuwig licht verlichte hen.
Verlos mij, Heer! van den eeuwigen dood op dien vreeselijken dag, wanneer de hemelen en aarde zullen bewogen worden, terwijl Gij zult komen om de wereld te oordeelen door het vuur.
Heer! ontferm U onzer.
Christus! ontferm U onzer.
Heer! ontferm U onzer.
Onze Vader, enz.
Middelerwijl het gebed des Heeren door alle aanwezigen in stilte wordt gebeden, besproeit de Priester het lijk driemaal aan weerszijden met wijwater om alle helsche machten daarvan af te weren, en bewierookt het op gelijke wijze, niet slechts uit eerbied voor het stoffelijk overblijfsel, dat een tempel van den H. Geest en een
165
werktuig van deugden was, maar ook om te beduiden, dat de overledene van de Kerk, welke zich op goede werken toelegt, een werkzaam lidmaat was, dat hij als van goeden geur voor God geleefd heeft en in Jesus Christus ontslapen is.
Hierop vervolgt de Priester:
En leid ons niet in bekoring,
Maar verlos ons van den kwade.
Van de poort der hel,
Verlos, Heer! zijne ziel.
Dat zij ruste in vrede.
Amen.
Heer! verhoor mijn gebed,
En mijn geroep kome tot U. De Heer zjj met u,
En met uwen geest.
Nog eens stijgt een bede der Kerk ten Hemel, voor den troon van God, om genade en ontferming te verkrijgen voor een ziel, welke door Jesus' Bloed vrijgekocht en Hem altijd zoo dierbaar was. In haar naam bidt do Priester:
i66
LAAT ONS BIDDEN:
O God! Wien het eigen is altijd te erbarmen en te sparen, wij bidden U ootmoedig voor de ziel van uwen dienaar N., welke Gij bevolen hebt heden van deze wereld te scheiden, dat Gij haar niet overlevert in de handen des vijands, noch voor altijd vergeet, maar uwe Engelen gebiedt haar op te nemen en naar het vaderland van het paradijs te geleiden, opdat zij, wjjl zjj op U gehoopt en in U geloofd heeft, de pijnen der hel niet verdure maaide eeuwige vreugde bezitte. Door Christus onzen Heer. Amen.
De plechtigheden in de kerk zijn geëindigd. Het H. Misoffer is voor de ziel aan God opgedragen; dringende gebeden zijn voor haar opgezonden, opdat zij weldra in de aanschouwing van de goddelijke Majesteit een ongestoord en eeuwig geluk smake, eene vreugde welke haar niet meer zal ontnomen worden. Rest nog, dat het dierbaar overschot volgens de
167
overoude Apostolische constitutiën onder het zingen van Psalmen naar den doodenakker uitgedragen en aan den moederschoot der aarde toevertrouwd worde, opdat het onder de schaduw des kruises van Jesus, voor Wien de ziel in haar lichaam gestreden en geleden heeft, in gewijden grond en verzameld tot die lichamen, welke reeds vroeger in de gewenschte rustplaats zijn neergelegd, den dag der algemeene opstanding verwachte.
Op die troostrijke waarheden doelt dan ook het gebed, dat gelezen of gezongen wordt bij het uitdragen van het lijk naar het Kerkhof.
Dat de Engelen u naar het Paradijs geleiden; dat de Martelaren bij uwe aankomst u opnemen en u overbrengen naar de heilige stad Jerusalem. Het koor der Engelen neme u op en dat gij met Lazarus, die eertijds arm was, de eeuwige rust moogt genieten.
Zoodra het lijk in 't graf is neer-
i68
gelaten, besproeit de Priester het met wijwater, opdat ook de ziel des afgestorvenen, door het Doopsel afgewas-schen en door plechtige doopbeloften aan God verbonden, deelachtig worde aan de zegeningen en gunsten door de Kerk bij het wijden van het kerkhof afgebeden, en opdat zij als een bijzonder voorwerp der moederlijke zorg van Jesus' stichting Gode nog eens worde aanbevolen. Door den mond van haren dienaar bidt dan ook de Kerk:
Heden zjj uwe plaats in vrede en uwe woonstede in het heilig Sion. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Nadat de Priester het lijk en het graf bewierookt heeft â waar dit gebruikelijk is â en de walm daarvan als een zinnebeeld van het tot God opstijgend gebed der Heiligen is opgegaan, wordt op de kist, aan het hoofdeinde, in het midden en aan het voeteneinde, het kruisteeken gemaakt, want door het Kruis is de gestorvene
169
verlost, onder het Kruis heeft hij gestreden, in het Kruis is zijn heil en verrijzenis. Gewapend met dit zege-teeken moet zijn stoffelijk overblijfsel rusten en later uit den doode verrijzen. Het gebed der Kerk stemt met die waarheden overeen:
Ik teeken dit lichaam met het tee-ken des h. Kruises, opdat het op den dag des oordeels verrjjze en het eeuwig leven bezitte. Door Jesus Christus, onzen Heer. Amen.
-Maar de overledene was van stof, zijn lichaam zal ontbonden worden en vergaan, vóórdat het de onbederfelijkheid kan aandoen. Ook de omstanders moeten te hunner onderrichting en opwekking, daaraan herinnerd worden. De Priester werpt dan driemaal een weinig aarde op de kist zeggende:
Heer » uit aarde hebt Gü hem gevormd, met beenderen en zenuwen hebt Gjj hem samengesteld; wek hem op ten jongsten dage. Door Jesus Christus, onzen Heer! Amen.
17°
Wij, Christenen, treuren niet als die geene hoop hebben. Jesus is voor allen gestorven en om onze rechtvaardiging verrezen. Daardoor is Hij ons leven en onze opstanding geworden. De dooden zullen dan eenmaal uit het graf verrijzen en, die in zijne liefde gestorven zijn, 'zullen voor eeuwig in den Hemel met Hem leven. Troostvolle gedachten voor die wëenen aan de groeve van een dierbaren overledene! De dood scheidt slechts voor een korte wijle, niet voor eeuwig; wij allen weten en hopen, dat wij, dóór Jesus' Bloed gereinigd en in zijnen vrede van deze wereld gescheiden, elkander zullen wederzien voor den troon van Jesus en dan altijd met Hem zullen zijn. Bemoedigend ook is die waarheid voor hen, die overblijven in den strijd des levens. De tijd hier in dit *dal van tranen aan den wedstrijd naar een onvergankelijke kroon te besteden is kort, de rust na de overwinning zoet
i7i
en de belooning- zal eeuwig duren. Hoe goed is de Kerk, met hoeveel tact weet zij zich naar de behoeften van het menschelijk hart te schikken, daar zij aan den rand van elk geopend graf al de lessen herhaalt, welke Jesus' verlossingswerk voor eiken Christen bevatten. Of worden die troostwoorden ons niet toegesproken, die bemoedigende aansporingen ons niet voorgehouden, als de Priester de volgende Antiphonen en den heerlijken lofzang van Zacharias bidt;
Ik ben de verrijzenis en het leven.
LOFZANG VAN ZACHARIAS;
Gezegend zij de Heer, de God van Israël, omdat Hij zyn volk bezocht en verlossing gewrocht heeft,
En een reddingshoorn voor ons opgericht heeft in het huis van David, zijn dienstknecht.
Gelijk Hij gesproken heeft door den mond van zjjn heilige aloude profeten;
Redding van onze vijanden, en uit de hand van allen die ons haten
172
Om Barmhartigheid te doen aan onze voorvaderen, en gedachtig te wezen aan zyn heilig verbond.
Aan den eed, dien Hjj zwoer aan Abraham, onzen Vader, dat Hij ons zou geven.
Dat wjj, uit de hand onzer vijanden verlost, Hem zonder vreeze dienen,
In heiligheid en gerechtigheid voor Hem al onze dagen.
En gij, kind! een profeet des Aller-hoogsten zult gjj genoemd worden; want gij zult den Heer voorafgaan, om zijne wegen te bereiden,
Om aan zijn volk kennis des heils te geven ter vergiffenis hunner zonden. Door de groote Barmhartigheid van onzen God, door welke ons de Opgaande uit den hooge bezocht heeft.
Om te verlichten, die in duisternis gezeten zijn en in de schaduwe des doods, ten einde ionze voeten te richten naar den weg des vredes.
Ik ben de verrijzenis en het leven; die in Mij gelooft, al is hjj ook gestorven, zal leven en al die leeft en in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven.
173
Ofschoon die gedachten aan Verlossing, Heiliging en aan den Vrede, aan den in genade afgestorvene verzekerd, ook troostvol zijn, welken balsem zij ook uitstorten in het door droefheid verscheurde gemoed der overlevenden, toch vergeet de Kerk niet, dat niemand den Hemel zal binnengaan, zoolang nog een enkele smet op de ziel kleeft of nog eene of andere straf te boeten is. Daarom bidt zij nogmaals van de Barmhartigheid Gods vergiffenis van zonden en kwijtschelding van straf af en laat den Priester zeggen;
Heer! ontferm U onzer,
Christus ! ontferm U onzer,
Heer! ontferm U onzer,
Onze Vader.
Na de kist met wijwater besproeid te hebben, vervolgt hij:
En leid ons niet in bekoring,
Maar verlos ons van het kwade. Van de poorten der hel,
Verlos, Heer! zijne ziel.
Dat zij ruste in vrede.
Amen.
I74
Heer! verhoor mijn gebed, en mijn geroep kome tot U.
De Heer zjj met u,
En met uwen geest.
LAAT ONS BIDDEN: Wü smeeken, o Heer! bewijs deze Barmhartigheid aan uwen overleden dienaar, dat hij voor zijne daden niet gestraft worde, die de begeerte had uwen wil te doen; opdat, gelyk hij hier door het ware geloof met de schaar der geloovigen verbonden was, hij ook zoo door uwe Barmhartigheid met de hemelsche koren ver-eenigd worde. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Heer! geef hem de eeuwige rust. En dat het eeuwig licht hem verlichte.
Dat hij ruste in vrede.
Amen.
Dat zijne ziel en de zielen van alle ge-loovige overledenen door Gods Barmhartigheid rusten in vrede. Amen.
Terwijl de Priester met de andere dienaars kerkwaarts terugkeert, bidt hij den Psalm âDe Profundis.
175
Geen grooter ongeluk kan de mensch zich zelf berokkenen â schreven wij in de inleiding â dan wanneer hij in doodzonde uit deze wereld scheidt; van den anderen kant; geen grootere genade zal den mensch kunnen gegeven worden, dan wanneer God hem de volharding schenkt ten einde toe, een zalig sterfuur.
Dit voor alle eeuwen beslissend oogenblik, gewichtiger dan dat onzer geboorte, waarvan ook een onverstoorbaar geluk of eene nimmer eindigende ellende afhangt, is voor een ieder, die deze woestijn van jammer en van wee intrad, immer nabij en daarmede het oordeel. Het einde komt, het einde komt, waarschuwde de Profeet Ezechiêl in naam van God en, spoediger dan wij gissen, zal ook in vervulling gaan, wat God er op volgen liet: Ik zal mijn toorn over u its tor ten en u naar uw wandel oordeclen. (Ez. VII, 2.)
Gode zij eeuwige dank! Door de
IJÃ
genade van onzen Verlosser Jesus Christus, is het den mensch gegeven zoo met die genade mede te werken, dat hij in dien vreeselijksten aller stonden niet bovenmate behoeft te vreezen, dat hij hopen mag in het oordeel Gods te zullen bestaan.
Wij kunnen, niet door eigen kracht, maar met de genade van God en door een waardig ontvangen van de H.H. Sacramenten der Stervenden onzen dood kostbaar maken in de oogen van God, zóódat alsdan voor ons, die in Gods liefde van deze wereld scheiden, het sterven zelfs een gewin zal zijn, omdat het een overgang wordt uit een ballingsoord naar het vaderland, uit een plaats van lijden en strijden naar een Paradijs, waar elke traan wordt afgedroogd, waar geen rouw noch droefheid, geen smart noch dood meer zijn zal, waar alles nieuw zal wezen, dewijl het vroegere is voorbijgegaan.' Voor die in den Heer gestorvenen ook een oordeel van Barmhar-
tigheid, geen toorn maar liefde, geen blijvende straf maar eeuwige belooning, geen schreien of jammeren maar verblijden en jubelen in den Heer!
Zalig zij, die in den Heer sterven! Zij zullen van hun arbeid uitrusten en hunne goede werken zullen hen volgen. Zij zullen hier geschreid en geweend hebben, maar dan zich verheugen, en niemand zal hun die vreugde ontnemen. Zij hebben gezaaid in tranen maar zullen maaien met gejuich ; al gaande en weenende hebben zij hun zaad uitgestrooid, maar zullen, dragende hunne garven, met blijdschap voor den Rechter verschijnen, omdat zij niet met ledige handen komen.
Wat zij voor de eer van God en de zaligheid van hun ziel geleden, al de inspanningen waaraan zij zich gewijd, al de óffers welke zij zich getroost hebben â het is voorbijgegaan, zoo snel als een schaduw voorbijvliegt, maar de verdiensten zijn gebleven en
178
zullen ten hunne gunste spreken voor den rechterstoel van den Heer Jesus Christus. Groote zelfoverwinning heeft de laatste strijd hun misschien gekost; menige band moest verbroken worden; aan menigen hartstocht het zwijgen opgelegd â maar zij hebben den strijd gestreden, hun loopbaan volbracht, het geloof bewaard; nu is de kroon der vergelding hun weggelegd, welke de rechtvaardige Rechter geven zal aan allen, die zijn komst liefhebben â dat is: die zóó hun plicht betracht hebben, dat zij voor 's Heeren komst niet behoeven bevreesd te zijn.
INHOUD.
V oorwoord.............blz. 4
Inleiding............................â 6
§ I. Over de Biecht................quot; 25
§ II. â H. Communie..........»»53
§ III. â het H. Oliesel..............»»7°
§ IV. De Pauselijke zegen............»»115
§ V. Aan het sterfbed..............â120
VI. In de Kerk en op het Kerkhof . . â IS1