ocr page 1

Vak 70 —

L-/ i— r\C.UZE

VAN EEN

LEVENSSTAAT,

beschouwd in bet liclit van (ieloofenRede.

DOOR WIJLEN

P. ADOLPH VON DOSZ S. J.,

Schrijver van „De Parel der Deugdenquot;. VERTAALD DOOR

JOSEPH WIT L OX.

KERKELIJK GOEDGEKEURD.

AMSTERDAM,

F. ir.tvr. bekkki;.

96. .

.ra

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

—-

W

Él

ocr page 5

DE KEUZE

LEVENSSTAAT,

lescMwd in let licit yan Geloof en Refle^--

ai

ocr page 6

Amstelodami

hac 17n die Dccembris 1895.

H. I. H. RUSCHEBLATÏ

Libri Cms.

IMPRIMATUR.


ocr page 7

Ik ben liet met den biograaf van wijlen Pater Adolph von Dosz, den „edelen edelmanquot;, den teederen en wijzen vriend des jonge-lings, volkomen eens, dat een boekje, zoo degelijk, zoo actueel en zoo aantrekkelijk als „De Keuzo van een levensstaat, beschouwd iu het licht van Geloof eu Redequot; ook ten onzent nut kan stichten.

Een hartelijke wensch: moge dit werkje niet minder worden gewaardeerd, een niet geringer debiet vinden, dan „De Parel der Deugdenquot;, waarvan duizenden exemplaren in den lande zijn verspreid, en welk nederig pennevruchtje door een bekend en bevoegd recensent in de „Studiën'quot; werd genoemd: een „in goud gevat juweeltje van het zuiverste water.quot;

Gods vruchtbaar makende zegen over hot werkje!

Wv J. W.

ocr page 8
ocr page 9

DE KEUZE VAN EEN LEVENSSTAAT.

HOOFDSTUK I.

DOEL EN WEGEN.

Wij zijn hier — beneden reizigers, gij weet het, dierbare! — wij zijn pelgrims, die naar een bepaald doel onze schreden richten. „Wij hebben hier geene blijvende woonplaats, maar zoeken eene toekomstige, — futuram inquirimus.' Deze reize begint met onzen eersten ademtocht op de wereld; zij eindigt eerst dan, wanneer onze loome voet den boord drukt van die groeve, welke ons vleeschelijk omhulsel moet ontvangen en ons gebeente bewaren tot op den grooten dag van het wereldgericht.

Do plaats, die wij zoeken en die wij

ocr page 10

8

moeten bereiken, is Hemel genaamd, Stad Gods, — Aanschouwing, Bezit der Oodheid. Hiervoor zijn wij bestemd! Wie deze plaats niet bereikt is op dwaalwegen geraakt.

Zulk een dwalen is onherstelbaar, want er is geen terugkeer naar het uitgangspunt mogelijk, „er is geen tijd meer,quot; — de „pelgrimstochtquot; is geëindigd, het „wonen' begint.

Wie eenmaal den drempel des tijds heeft overschreden, het huis der eeuwigheid is binnengegaan, blijft daar eeuwig, — hetzij nu in de woonsteê der eeuwige vreugde, hetzij in die van eeuwige smart en wroeging.

Plaatsen wij ons in den geest bij die dubbele poort. Daar komen zij aan, de met slof bedekte pelgrims der aarde; zij naderen in breede, bonte scharen: nu een krijgsman, een geneesheer, een rechter, een koopman, dan een priester, een geleerde, een monnik. Welk lot verbeidt hen aan gene zijde des drempels? Waant gij het zonder invloed op hun

ocr page 11

9

lot in de eeuwigheid, of zij tot dezen of tot genen staat hebben behoord? Zal God niet vragen: „Waarom hebt gij dien staat gekozen en hoe zijt gij dt-szelfs plichten nagekomen? hebt gij hem gekozen, omdat Ik het wilde, en hebt gij er in geleefd, zooals Ik het wilde?'

HOOFDSTUK II.

GOD HEEFT RECHT OP DEN MEKSCH EN OP GEHEEL DIENS BESTAAN.

Wij zijn niet uit ons-zei ven, het blinde toeval heeft ons niet op deze aarde geplaatst. Credo in unum Dewm, Pairem omnipotentem, Factorem cceli et terra;. God is onze Schepper, daarom ook onze Heer, onze Gebieder, enze Vader, ons alles; wij zijn Gods schepselen, daarom ook zijn eigendom, zijne onderdanen, zijne kinderen, de „schaapkeus zijner weide.' Door God geschapen, alles door

ocr page 12

10

Hem bezittende, zijn wij voor Hem, en ontvingen uit zijne handen alles slechts in bruikleen. Hij is ons einddoel; Hem moeten wij dienen, in Hem don oorsprong, het wezen van alle goed beschouwen ; zijn heilige wil moet ons steeds en overal, in alles en tot alles, een richtsnoer en eene fakkel zijn. Het is ons niet geoorloofd, dien heiligen wil te ontduiken, denzelven bij onzen wil achter te stellen, hem te wederstreven, te minachten. Door alle draden van ons bestaan op het innigst saamge-weven met God, wiens almachtig „wordt!quot; ons uit den schoot van het niet te voorschijn heeft geroepen, mogen wij onder geen voorwendsel trachten, ons van Hem los te rukken, ons, om zoo te spreken, in een toestand van onafhankelijkheid te plaatsen. Het beste, ja het eenig geoorloofde gebruik, dat wij van onzen vrijen wil kunnen maken, bestaat hierin : dat wij alles opvoeren tot zijn oorsprong, tot God namelijk die God is; — dat wij te allen tijde, en onder alle omstandigheden

ocr page 13

11

trachten 's Heeren wil te kennen en getrouw te volbrengen. Eene zelfstandigheid in den zin eener ^emancipatiequot; van God bestaat niet, en kan niet bestaan.

Behooren wij Gode geheel en al, dan heeft Hij ook recht op ons leven en op alles, waaruit dat leven bestaat: onze handelingen, onze werken; en die verrichtingen, die arbeid worden uitgelokt of geboden door den staat, dien wij ons verkozen. Zullen onze handelingen Gode aangenaam zijn, dan moet ook de bron, waaruit zij voortvloeien. Hem welgevallig wezen, — dan moet ook onze staat het uitwerksel zijn van den erkenden, met liefde en trouw volbrachten wille Gods.

Nog eene andere waarheid biedt zich aan ter overpeinzing. Is God de Heer van het individu, d. w. z.: van den op zichzelf staanden, in zich-zelf beschouwden mensch, dan is Hij ook heer en meester van de maatschappij, van de mensch-heid als één geheel beschouwd, 't Kan God derhalve niet onverschillig zijn,

ocr page 14

f

12

welke plaats ieder van zijne schepselen bekleedt in het groote gezin, weiks hoofd Hij, ons aller Vader, zelf is. „Onze j Vader, die in de Hemelen zijtquot; ; het is de taak des vaders, de huishouding te regelen, ieder lid van het gezin zijne plaats, zijne bezigheden aan te wijzen, de handelingen van ieder in 't bijzonder na te gaan, om ze tot aller heil te doen strekken.

:■

HOOFDSTUK Hl.

welke beïeekenis heeft het wooed

„staat' ?

„Staatquot; (stand) beteekent eene permanente (blijvende, duurzame) betrekking, waarin ieder mensch in het bijzonder zich bevindt tegenover de groote mensche-lijke samenleving, waarvan hij deel uitmaakt. Door den „staatquot; wordt ons een bepaalde werkkring aangewezen, waarin

ocr page 15

13

wij van onze lichamelijke gaven of geestestalenten partij moeten trekken, om der maatschappij nuttig te zijn en tegelijkertijd ons-zelven een bestaan, vrij van zorgen, te verschaffen of te behouden. De „staatquot; legt ons bepaalde verplichtingen op, voor welker getrouwe naleving wij ons geweten en dikwerf ook der maatschappij verantwoordelijk zijn. Door den staat, in engeren zin genomen, wordt de algemeene en bijzondere vorming, welke het grootste deel der jeugd voor zich eischte, beëindigd.

De „staat* is de bepaalde vorm, welken ons leven aanneemt, wanneer wij den drempel der jeugd overschrijden, den vorm, dien ons leven zal behouden, totdat eene storing van buiten intreedt of onze lichaams- of geesteskrachten ons begeven.

Wat in een leger de verschillende „wapens' zijn, de militaire rangen, de posten, die aan elk soldaat in 't bijzonder worden toevertrouwd, — dat zijn in de menschelijke samenleving de verschillende staten des levens.

ocr page 16

14

Wat aan een lichaam de versohillende ledematen zijn, — dat zijn aan het lichaam der menschheid de bijzondere, tot verschillende staten en standen behoorende personen, beschouwd in hunnen arbeid en in hunne betrekking tot elkander. Wat in een uurwerk de raderen en de radertjes zijn, de schroefjes en de veereu, — dat zijn in de maatschappij de heerschende en ondergeschikte, in elkaar grijpende, elkander noodzakelijk makende, op elkander bestendig invloed uitoefenende staten des levens.

HOOFDSTUK IV.

WAT VERSTAAT MEN ONDER ,ROEP' ?

De mensch ontvangt verschillende roepen, en hij wordt op verschillende tijden geroepen. Op de eerste plaats roept vaak en luide het geweten. Het geweten, die stemme van God in ons bin-

ocr page 17

15

nenste, roept schier onopboudelijk, roept dringend, waarschuwend, vermanend, berispend, prijzend, aansporend, terughoudend.

De genade roept. O, hoe dikwerf noodigt zij ons uit tot bekeering, hoe vaak spoort zij ons aan tot het goede, wil ons reinigen, opbeuren, als 't ware niet heiligen drang opvoeren tot de kruine der volmaaktheid!

Gebeurtenissen roepen. Maar ook hier is bet eigenlijk de genade, die be-teekenisvolle, roerende voorvallen benuttigt, om, een begaafd prediker gelijk, op overredende wijze tot ons hart te spreken, hetzelve met heilzamen schrik te vervullen, zachtkens en weldadig te ontroeren, aan God te ketenen of tot een offer te bewegen.

Daar het; zooals wij bereids hebben gezien, Gode niet onverschillig kan zijn, hoe wij ons leven gebruiken (dat leven toch is z ij n eigendom!), en daar Hij met onbetwistbaar recht van ons vordert, dat wij Hem steeds en overal dienen, —

ocr page 18

16

zal Hij in zijne wijsheid en goedheid niet verzuimen, den mensch vooral in d i o ure verlichtend, onderwijzend, raadgevend, roepend ter zijde te staan, waarin het voor hem geldt, een duurzaam standpunt in te nemen, zijnen natuurlijken talenten en verworven bekwaamheden eenen bepaalden werkkring aan te wijzen, zich bij de menschelijke samenleving op passende manier aan te sluiten.

Het uitwerksel van dien goddelijken invloed ter eene, — dat van het onderzoeken en beproeven door den mensch zelf ter andere zijde, noemt men „roepingquot;. Roeping tot een staat is derhalve de roepstem van ons hart en der genade, eene roepstem, welke aan het verstand, door de Eeuwige Wijsheid verlicht en bestierd, ernstig en liefdevol den raad schenkt: Gij zult dien staat omhelzen, — God wil het; hij is voor u de beste, gij zult daarin gelukkig worden : hij is u w staat!

ocr page 19

17

HOOFDSTUK V.

DE KEUZE VAN EEN STAAT IS UITERMATE GEWICHTIG.

Gij onderneemt eene reis. Het geldt eene bij uitstek gewichtige zaak: aan 't eind uwer reis wacht u eene rijke erfenis, welke u heer en meester van een onberekenbaar fortuin moet maken en u eene eervolle, blijde toekomst verzekeren. Na eene vermoeiende, tijdroovende voorbereiding begint gij uw tocht. Reeds hebt gij een vrij aanzienlijk deel der reize afgelegd; maar och! daar ziet gij een kruisweg vóór u, zoodat gij verplicht zijt, inlichtingen te vragen omtrent de richting, door u in te slaan. Misschien uit onverschilligheid, misschien uit lichtzinnigheid, misschien uit valsche schaamte, misschien ook ten gevolge van een te onstuimig, te hartstochtelijk verlangen naar het doel uwer reize, een onmatig verlangen, dat u geen oogenblik ruste

2

ocr page 20

18

gunt, — laat gij datgene achterwege, waartoe het gezond verstand en uw welbegrepen belang u aansporen. Gij ijlt voort, — en slaat, helaas! een weg in, die u ver en altijd verder van het doel uwer reize moet voeren. Te laat bemerkt gij uw dwalen; gij hebt het gunstige oogenblik laten voorbijgaan, de rijke erfenis ontsnapt u, — gij blijft arm, zooals voorheen, of dwaalt voortaan doelloos rond. Uw leven gaat in einde-loozen rouw verloren; nauwelijks vindt gij kracht, om, altijd vruchteloos, te beproeven, het nadeel te herstellen, dat gij u-zelven dwaas of moedwillig hebt berokkend.

Met vluggen tred, vurigen moed en kloppend harte ijlt de mensch door de lentejaren van zijn leven. Op eens klinkt de roep : blijf staan! Een „kruiswegquot; ligt vóór hem: De tijd der algemeene voorbereiding is voorbij, die van de b ij-z oudere gaat beginnen.

Nu behoort de jongeling te weten, welk pad hij moet inslaan. De hooge

ocr page 21

19

ernst van dit oogenblik kan alleen worden miskend door dengene, die de overtuiging, dat hij een bepaald doel heeft te bereiken, dwaselijk van zich poogt te werpen, of in boosaardigen overmoed het verband tusschen tijd en eeuwigheid loochent.

Ja, dierbare jongeling, plechtig is dit oogenblik! Hoe diep waret gij te beklagen, wanneer gij ooit zoudt moeten spreken : „Ach! konde ik terugkeeren, en nog eens jong worden, en nog eenmaal kiezen, en een anderen staat omhelzen !' Hoe rampzalig waret gij, indien gij eenmaal, op uwe stervenssponde uitgestrekt, moest getuigen: „Ach! had ik nooit dezen staat gekozen! waarom ben ik in de ure der beslissing niet voorzichtiger geweest! waarom heb ik niet rijper nagedacht! waarom heb ik God en mijn geweten niet geraadpleegd! waarom toomde ik mijne hartstochten niet in, — waarom verwierp ik niet die ijdele vooroordeelen! Ware ik toch in die verheven, gewichtige zaak metgroo-

ocr page 22

20

teren ernst, met meer zelfstandigheid te werk gegaan! waarom verloor ik mijne h e m e 1 s c h o belangen uit het oog !

Ware ik toch....., maar ach, ■— het

is te laat!quot;

HOOFDSTUK VI.

VAN DE KEUZE VAN EEN LEVENSSTAAT HANGT ZEER DIKWIJLS DE EEUWIGHEID AF.

Meent gij misschien, dat bij de keuze van een levensstaat slechts tijdelijke belangen gelden ? dat die keuze met de eeuwigheid in geene, of bijna geene betrekking staat ? dat gij slechts voor een tijdelijk bestaan hebt te zorgen, slechts te zoeken hebt naar eene gelegenheid, om van uwe talenten en bekwaamheden behoorlijk partij te trekken ?

Maar hoe!..... zijn wij dan voor d e

wereld geschapen ? En is een beter,

ocr page 23

21

een li o o g e r leven onze bestemming, — zal dan niet dit leven in betrekking staan tot ons leven op deze aarde, gelijk de werking tot de oorzaak, gelijk de gevolgtrekking tot het beginsel?

Zóó is het: Eenmaal verschijnt gij vóór 's Heeren rechterstoel: „Leg verantwoording af van uw rentmeesterschap !quot; zal God dan spreken ; „hoe hebt gij geleefd ? welk goed verrichttet gij ? welk kwaad hebt gij bedreven ? hebt gij mijn wil vervuld? hebt gij Mij gediend? hebt gij Mij in daad en waarheid liefgehad?* Gods geboden zijn geenszins van eene zuiver abstracte natuur; als belichaamd dringen zij in eiken toestand des levens op den voorgrond, en zijn in dezen staat gemakkelijker, in genen moeielijker te vervullen. Elke staat heeft zijne eigenaardige verplichtingen. Om ons behoorlijk daarvan te kwijten, hebben wij Gods genade en bijstand noodig.

De Heer, naar luid der H. Schrift „rijk, en milddadig jegens allen,quot; verleent den mensch,. — behalve een vol-

ocr page 24

22

doenden, strikt noodzakelijken bijstand, — nog bijzondere gratiën, die men gevoegelijk „genaden van staat' kan noemen. Op deze genaden van slaat heeft in elk geval slechts degene recht, die zijnen staat overeenkomstig den godde-lijken wil heeft gekozen. Deze genaden van eene bijzondere bescherming, van eene bijzondere leiding, deze kostbare genaden van bemoediging en troost, steunen den mensch in de moeilijkheden i des levens, hoeden hem in gevaren en verleenen hem hulp, opdat hij zijne zaligheid gemakkelijker, zekerder, wellicht zelfs volmaakter kunne bewerken.

Stel u een groothandelaar voor. Hij zendt een jonkman op reis, duidt hem den weg aan, dien hij te volgen heeft, voorziet hem van al het noodige en vult zijne beurs rijkelijk met geld. Maar zie: de jongeling maakt een omweg, bezoekt een speelhol, verliest zijn reisgeld en schrijft nu aan zijn patroon: „Ik ben hier, doch kan niet verder reizen, want ik heb geen geld meer.' — „Maar hoe

ocr page 25

23

is het mogelijk, dat gij u d a a, r bevindt ? ' antwoordt de patroon, „stond die plaats op liet reisplan, dat ik u heb voorgelegd? Gaf ik u geld, om het te verspelen ? Nu is het uwe zaak, te zien, hoe gij weder te huis komt!quot; — Wellicht ontslaat hij den licbtzinnigen jonkman en kiest zich een uitvoerder van zijn wil, in wien hij meer betrouwen kan stellen.

Zoo zal in dezen staat en deze omstandigheden de goddelijke genade u bijstaan, u liefdevol helpen; in genen staat echter, in gene omstandigheden, waarin gij u tegen den wil van God bevindt, zal zijne genade door uwe i schuld werkeloos blijven, en gaat gij wellicht ten gronde. Zoo sleept inder-i daad niet zelden eene slechte keuze van een levensstaat ook een slecht leven na zich, een slecht leven een slechten dood, een slechts dood eene slechte eeuwigheid, d. i. de hel; — dus, in rechtstreeksche opvolging, de slechte keuze van een levensstaat het eeuwig ongeluk.

ocr page 26

24

Gij ziet nu den samenhang: eenmaal wordt gij geoordeeld naar uw doen en laten; uw doen en laten is geheel afhankelijk van de plichten, door uw staat opgelegd, en beantwoordt volmaakter aan de billijke verwachting van God, naar gelang de genade werkzamer is, die Hij, in aanmerking van uw goeden wil, u verleent, opdat gij zijne wenschen ten opzichte uwer toekomstige loopbaan moget vervullen.

HOOFDSTUK VII.

VAN DE KEUZE VAN EEN LEVENSSTAAT HANGT NIET ZELDEN DE STOFFELIJKE WELVAART AF.

Onmogelijk kan een mensch tevreden en gelukkig zijn, wanneer zich telkens de gedachte aan hem opdringt: ik bevind mij niet op mijne plaats. Hij gelijkt, om zoo te spreken, een verstuikt lichaams-

ocr page 27

25

deel; het veroorzaakt den anderen ledematen pijn en hindert dezelve in de verrichting van hun arbeid.

Een levensstaat, dien wij uit vrijen wil omhelsden, doch welke ons niet past, blijft immer moeilijk; wij voelen ons daarin bekneld, gehinderd; wij gaan daarin gebukt onder den last van het bewustzijn, dat wij door eigen schuld eene overijlde, hoogst schadelijke handeling hebben verricht, of wel wij geven ons daarin over aan eene wrokkende onverschilligheid, welke den toestand nog verergert. Hoogst pijnlijk is de gedachte aan eene toekomst, waarvan met reden kan worden verondersteld, dat zij in moeilijkheden en steeds toenemenden afkeer aan het verleden niets zal toegeven.

En nog uit eene andere oorzaak wordt dengene, die zijne roeping mist, nooit een duurzaam geluk ten deel. Er kunnen moeilijke, buitengewoon ernstige toestanden voorkomen, het ongeluk kan wreed treffen: — Waar zal men kracht vinden.

ocr page 28

26

om den rampspoed te dragen? Zal niet telkens de folterende gedachte weder-keeren: het is mijne eigen schuld? Waarom ben ik dat geworden? Waarom heb ik dien staat omhelsd? Wel kan de geoefende arm des stuurmans het brooze vaartuig menige klip doen ontwijken; maar voortdurend zonder gunstigen wind zeilen, elke medewerking der elementen ontberen, —■ hoe afmattend is dat, hoe ontmoedigend, hoe gevaarlijk! En daarbij kan, naar Seneca's woord, degene, die niet eens weet, naar welke haven den steven te richten, geen wind den zijnen noemen.

ocr page 29

27

HOOFDSTUK VIII.

VELE JONGELINGEN VERZUIMEN, UIT LICHTZINNIGHEID, ONVERSCHILLIGHEID OF LAFHEID, BIJ DE KEUZE VAN EEN LEVENSSTAAT VOLGENS DEN WIL VAN GOD TE HANDELEN.

Vrij dikwijls gebeurt het, dat jonge-lingen door huiselijke of andere dringende omstandigheden zich als het ware verplicht zien, een zekeren staat te omhelzen, zoodat van eene keuze in den eigenlijken zin des woords geen sprake kan zijn. Doch er zijn vele anderen, vooral onder dezulken, die zich aan do studiën wijden, wien geene uitwendige beletselen in den weg staan, zoodat zij in deze aangelegenheid van zoo hoog belang met rijp beraad en voorzichtigheid te werk kunnen gaan.

Doch helaas! hoe velen zijn er, die bij de keuze van een levensstaat in geenen-

ocr page 30

28

deele van een wijs en edel karakter doen blijken! Na eene jeugd, vaak reeds door lage hartstochten ontwijd, door misstappen bezoedeld, beleven zij eindelijk de ure der beslissing.

Vragen zij nu hun geweten om raad? Smeeken zij nu om het licht van Boven? Denken zij er nu aan, Gods wil en inzichten te leeren kennen ? Letten zij genoegzaam op de belangen hunner ziel en trachten zij de keuze van een levensstaat met die belangen in overeenstemming te brengen ? Houden zij er rekening mede, dat de tijdelijke belangen immer aan de eeuwige belangen ondergeschikt blijven? Is er hun iets aan gelegen, den evenmensch, der maatschappij nuttig te zijn, en zich als een bruikbaar lid bij laatstgenoemde in te lijven?

Neen, niets van dat alles: De eenen zijn te lichtzinnig, om er aan te denken, dat men op hoogere belangen moet letten, en dat misschien God-zelf in die aangelegenheid een woordje zou willen medespreken.

ocr page 31

29

De anderen zijn dermate onverschillig, dat hun zelfs de vraag overbodig schijnt: Wat is Gods wil ? welke inzichten heeft Hij met mij? welke plaats heeft zijne Voorzienigheid mij in bet groote gezin der menschheid aangewezen? Nog anderen zijn te laf, zij schrikken er voor terug, God om raad te vragen; deden zij het, dan waren zij verplicht, zijn heiligen wil te vervullen, — en wie spreekt hun borg, dat God niet een o f-fer van hen zal eischen! En tegen elk offer voeden zij een hevigen afkeer; glad en effen moet hun levenspad zijn, — daarom geen berg, geen afgrond, geen doornstruiken, geene oneffenheid, geene schroeiende middagzon! Ga dan uws weegs, en bekommer u niet om Hem, van Wien gij alles ontvingt, door Wien gij alles zijt! „Ondankbare,quot; zal Hij u eens toeroepen, „Ik heb u tot mijnen wijnberg gemaakt en u uitverkoren; uwe talenten ontvingt gij uit mijne hand, — verstand, geheugen, alles behoort mij toe! Wasdom en vruchten, — Ik schonk ze

ocr page 32

30

u; ieder dauwdropjen des zegens kwam van Mij! En gij, gij handelt, alsof gij Mij niet wildet kennen? gij wilt niets van Mij weten? gij handelt, kiest, bepaalt, — zonder Mij, wel licht i n s t r ij d met mij n wil?— Hoe zal Ik met dezen wijnberg handelen ? Ik zal het u zeggen, ondankbare: „Wegnemen zal Ik zijne omheining, en hij zal verwoest worden; nederwerpen zijne muren, en hij zal vertreden worden. Tot eene wildernis zal Ik hem maken; hij zal gesnoeid worden, noch omgespit, en distelen en doornen zal hij voortbrengen, en den wolken zal Ik bevelen, dat zij hem niet met regen besproeien.'

Zoo kan het gebeuren, dierbare jongeling — en zoo gebeurt het, helaas! te dikwerf.

ocr page 33

31

HOOFDSTUK IX.

VELE JONGELINGEN LATEN ZICH BIJ DE KEUZE VA.N EEN LEVENSSTAAT SLECHTS DOOR TIJDELIJKE BELANGEN GELEIDEN.

't Is buiten kijf, dat de meeste men-schen verplicht zijn, door de'uitoefening van een beroep in hun levensonderhoud te voorzien. Het physieke leven eischt, dat men het voede en steune, en het recht van zelfbehoud is een der voortreffelijkste, die de mensch bezit. Maar het is duidelijk, dat bedoeld recht op zeer verschillende wijze kan worden uitgeoefend, dat schier altijd bij de uitoefening van dat recht hoogere belangen kunnen worden gediend; — dat het woord des Zaligmakers te allen tijde zijne volle kracht moet behouden: „Zoek eerst het Rijk der Hemelen en zijne gerechtigheid.quot;

Jammer genoeg, houden de meeste

ocr page 34

32

jongelingen, dwaas of vermetel, geene rekening met die groote waarheid, en weten hunne tijdelijke belangen niet aan hoogere en betere ondergeschikt te maken. De wereld en nogmaals de wereld dringt op den voorgrond. En waar blijft God, die zulk een onbetwistbaar recht op onzen dienst beeft? Waar blijft de toepassing van Christus' woord: „Wat baat het den mensch, dat hij de geheele wereld wint, maar schade lijdt aan zijne ziel?quot; — „Ik weet nog niet, wat ik moet worden,quot; zeggen vele jongelieden, vaak dan nog, wanneer zij reeds vóór langen tijd eene beslissing hadden moeten nemen; „dit vak bevalt mij niet, dat nog minder, d i t beroep wordt reeds te veel uitgeoefend, dat biedt geen vooruitzichten ; hier verdient men te weinig, ginds kan men het niet tot eene flinke hoogte brengenquot;.... Hoort gij? — immer stoffelijke, veelal zuiver uitwendige beweegredenen !

Hoe dikwijls spreekt iemand: „Ik geloof niet, dat het Gods heilige wil is,

ocr page 35

33

dat ik dien staat omhelze; ik heb alles rijpelijk overdachten kwam tot het besluit, dat groote gevaren mij daar wachten. Ik zoude in dien staat niet gelukkig worden, omdat God mij eene andere bestemming schijnt aan te wijzen. Ik ben gaarne bereid, overeenkomstig zijn wil te handelen; maar God deelt mij dien wil niet mede; ik wacht tevergeefs, dat Hij mij roepe,' —hoe dikwijls hoort men van een jongeling zulke taal? O gij, kortzichtigen, die alleen de korte spanne tijds in het oog houdt, instede van met uw blik door te dringen in de ruimte der eeuwigheid, van die eeuwigheid, waarop uw aardsch leven zooveel invloed uitoefent! Geld, rang, welvaart, - ziedaar de spillen, waarom alles wentelt; en de arme ziel, — wanneer handelt men rechtvaardig te haren opzichte, d. w. z.; wanneer houdt men rekening met hare behoeften, met hare wenschen? En God, onze Heer, ons alles, — wan-j neer wordt zijne voorlichting ingeroepen? Wanneer verdiept men zich in

ocr page 36

34

de overpeinzing van zij n e raadgevingen, van z ij n wil ?

Vooruit dan, lichtzinnige, roekelooze, zelfzuchtige, wereldsche jongelingen! Laat God buiten spel, vergeet Hem, schuift Hem ter zijde; — en uw geweten ? Welaan, luistert niet naar zijne stem, legt dien lastigen raadgever het zwijgen op! Vooruit! — maar och, ziet wel toe, hoe en wanneer gij aankomt. . . . Daar stormt een ongebreideld ros voorbij, daarop een bleek, willoos ruiter; waarheen, verlorene, kinds des doods, — waarheen ? „Waar de luim van het paard mij heenvoert.' Over oneffen, gevaarlijke wegen? door bosch en struik? door gloeiende zandsteppen? in den afgrond? — Welaan, geluk op uw wilde jacht!

ocr page 37

35

HOOFDSTUK X.

HOE RIJKER BEGAAFD EEN' JONGELING IS; DES TE MEER HANGT AF VAN DE KEUZE VAN EEN LEVENSSTAAT.

God is de uitdeeler van de gaven des geestes, zoowel als van die des lichaams. Hij verdeelt in zijne wijsheid do geschenken, die Hij voor ons, zijne kinderen, heeft bestemd. Ontvangen wij veel, ontvangen wij minder, — van alles moeten wij partij trekken, wij zijn dit aan God, aan on s-zel ven, aan den eveii-mensch verschuldigd.

Het gebruik der talenten hangt nauw saam met den levensstaat; deze toch is j de eigenlijke sfeer van den individuee-len arbeid.

Gij begrijpt dus, o jongeling, in welke betrekking talenten en roep tot elkander staan. Gij bevroedt, dat van de keuze van een levensstaat meer afhangt, naarmate de jongeling door 's Heeren mild-

ocr page 38

36

heid rijker is begaafd. Het beekje, dat, zijne oorspronkelijke bedding verlatende, beproeft, zich een nieuwen loop te graven, zal zeker niet zooveel onheil aanrichten als de groote, woeste bergstroom, die buiten zijne oevers treedt.

Zie : de wateren stijgen, verbreiden zich in alle richtingen, werpen alles vóór zich neder, slepen alles met zich mede, bedreigen huis en stal, woud en veld, inensch en dier; en keeren zij eindelijk tot hunne bedding terug, dan getuigen aangespoelde zandmassa's, achtergelaten vuilnis en ontwortelde boomen van den doortocht des vijandelrken elements op verboden wegen; dan gelukt het eerst na langen tijd en ten prijze van noesten arbeid, de sporen der aangerichte schade weg te vagen. Een begaafd jongeling, die beschikt over eene voldoende mate van wilskracht, en de richting, hem door God aangewezen, inslaat en behoudt, is ongetwijfeld tot goede en groote dingen geroepen; wanneer hij daarentegen

ocr page 39

37

„buiten zijne oevers treedtquot; en verboden wegen opzoekt, zal hij groot onheil stichten en zich en anderen aanzienlijke schade berokkenen.

HOOFDSTUK XI.

HET is ZEER NADEELIG VOOE DE MAATSCHAPPIJ, DAT ZOOVELE JONGELINGEN ALS 'T WARE BLINDELINGS EEN STAAT OMHELZEN.

De betrekking der verschillende levensstaten tot een rijk, eene gemeente, om alles in éen woord samen te vatten: tot de maatschapp ij, is gelijk aan die van de 1 edem ate n tot het lichaam. In de evenredigheid, in de welvaart, in de kracht en bekwaamheid van elk verschillend lidmaat berust de schoonheid, de gezondheid, de sterkte en de bruikbaarheid van het gansche lichaam; daarentegen wordt het lichaam door een

ocr page 40

88

ziekelijk lidmaat misvormd, ontsierd, gehinderd, gepijnigd. Zoo wordt ook door menschen, die zich een staat hebben verkozen, waarin zij niet te huis behoo-ren, een staat, welke hun niet past, 1 een staat, waarvoor zij door God niet waren bestemd, aan de welvaart der geheele maatschappij op min of meer gevoelige wijze nadeel berokkend. Dit is vooral toepasselijk op die staten, welke door den graad van ontwikkeling, dien zij eischen, door den ernst der plichten, die zij opleggen, door de aanraking met talrijke medemenschen, waartoe zij aanleiding geven, een bijzonder gewicht bezitten.

Stel u b. v. eene groote parochie voor, aan wier hoofd geen ijverige, waardige zielzorger staat, doch een ongeroepen huurling, die, God weet waarom en hoe, het heiligdom des priesterschaps is bin-j nengeslopen. Hoe zouden daar onder het bestuur van een waardig herder, bewust van den verheven ernst zijner taak, vroomheid en tucht bloeien ! Het

ocr page 41

39

woord Gods zoude er dikwijls en met vuur worden verkondigd, de heilige Sacramenten zouden er dagelijks op stichtende wijze bediend en ontvangen worden; de armen zouden liefderijke hulp erlangen, de jeugd eene vrome leiding en degelijk onderricht. Ongetwijfeld werd deez' gelukkige kudde een spiegel voor andere parochiën! Van onberekenbaar nut ware het voorbeeld, door den herder in zijn eigen persoon gesteld: zijne innige vroomheid, zijn ongerepte levenswandel, zijne belangeloosheid, zijn onverdroten ijver, zijne zachtmoedige vriendelijkheid, zijne onuitputtelijke milddadigheid jegens den arme, — kortom: alle priesterlijke deugden, welke door den waren roep zoo krachtig worden gesteund, en die over eene parochie Gods rijken zegen afroepen!

En nu de tegenstelling; — het huis Gods verwaarloosd, de H. Diensten bijna eene parodie, het woord Gods ontwijd, het onderricht verzuimd, de biechtstoel gehaat, de communiebank ledig, de zieken vergeten, de jeugd aan zich-zelve over-

ocr page 42

40

gelaten, de gemeente wellicht geërgerd, verwaarloosd, door twisten verdeeld, den wolven prijs gegeven ; — overal onkruid, overal doornen .... en dat alles sedert tien, sedert twintig jaren....!

't Ligt niet in onze bedoeling, hiermede te zeggen, dat ieder, die de plichten van zijn staat verwaarloost, zonder ware roeping dien staat heeft gekozen. Wij begeeren slechts, aan te toonen, dat onwaardige sleur en verregaande plichtsverzaking op de eerste plaats worden aangetroffen bij dengene, die, uit gebrek aan ware, begeesterde roeping, de plichten van zijn staat minder ernstig opvat, de weinige krachten, waarover hij beschikt, ras voelt afnemen, en niet of bijna niet in den geest zijner plichten van staat weet door te dringen, i Hoeveel onheil sticht zulk een indringer, die, elke hoogere wijding missende, geen deel krijgt aan dien bijzonderen zegen en die milde gratiën, welke God gewoon is den trouwen vervuilers van zijnen heiligen wil te schenken!

ocr page 43

41

En hoeveel menschen zouden er leven, die zich n i e t op hunne plaats bevinden ? Werd deze betrekking, dit ambt, gene waardigheid in hunne plaats door anderen bekleed, geroepen en door God gezegend, hoeveel hooger zou dan het recht staan, de maatschappelijke orde ! Met hoeveel ijver zou dan de heilige vreeze Gods worden aangekweekt! Met hoeveel liefde zou men den evenmensch ter hulpe zijn! Hoeveel krachtiger zou de eer van God worden bevorderd! Hoeveel welvaart zoude er dan in gemeenten en parochiën, in rijken en werelddeelen heerschen!

ocr page 44

42

HOOFDSTUK XII.

VELE JONGEUNGEN VERZWAREN OF VERIJDELEN ZELFS DE GOEDE KEUZE VAN EEN LEVENSSTAAT,

DOOR HUN VOORAFGAAND SLECHT LEVEN.

Het mag ons niet bevreemden, dat zoo menig jongeling in zijne latere ontwikkeling verre blijft beneden datgene, wat zij, die 's jongelings meer dan gewonen aanleg kenden, van hem hadden verwacht. Dit moet geenszins altijd aan minder gunstige omstandigheden worden toegeschreven: dikwijls dragen de vroeg ontketende hartstochten, de losheid der zeden, de ondeugden, die in het geheim ontkiemen en voortwoekeren, daarvan de schuld. Van waar zou, bij eene zoo vergaande moreele verwildering, de ernst der levensbeschouwing komen ? Van waar het zuivere begrip in zake de keuze van een levensstaat ? Van waar de zedelijke

ocr page 45

43

kracht, om zich boven den sleur van het alledaagsche te verheffen, om naar hooge, edele dingen te streven ?

Het hart verwereldlijkt, het karakter ontzenuwd, de wil verslapt, de geest verdwaald op woeste wegen, het lichaam van zijn adeldom beroofd, een geschonden heiligdom gelijk, — de geheele jongeling neergezonken in het slijk, teruggedrongen in de lage sferen der ondeugd ; — en zulk een ontaarde ziel zoude zich om den roep van God bekreunen ? Heeft zij het recht, te verwachten, dat God haar zal lief koozen, bevoorrechten, wellicht haar tot buitengewone, grootsche dingen bestemmen ?

Zulk een jongeling stelt zich de vraag: Wat zal ik worden ? — Wat gij worden zult, gij, wiens bloeme der onschuld verkleurd is en verwelkt, — gij, wiens weekelijkheid zoo lang reeds verwoestend op uwen geest en uw lichaam heeft gewerkt? — gij, wiens jeugd als een woest droombeeld voorbijsnelde? - gij, af kecrig van ernst en waardigheid, wars van elk

ocr page 46

44

offer, geene zelfbeheersching kennende? Wat zult gij worden ? Inderdaad, God de Heer konde schier in verlegenheid geraken, ook dan, wanneer gij, bereid zijn wil te volgen, Hem de vraag steldet: Wat moet ik worden? Wanneer hadt gij ooit een helder en juist denkbeeld van het grootsche doel, waarvoor God u schiep, van de heerlijke bestemming, u toegedacht? welk begrip hadt gij, het schepsel, van uwe betrekking tot God, den Schepper? — was het ooit uw streven, Gods wil te leeren kennen, dien heiligen wil te volbrengen? — Wat zal

ik worden----? En wanneer het Gods

bedoeling ware geweest, u in den wel-doenden schaduw des heiligdoms eene plaats te bereiden ? En wanneer gij die goddelijke bedoelingen door uw nietswaardig leven hadt verijdeld? En wanneer gij u onbekwaam hadt gemaakt, niet slechts om gehoor te geven aan de roepstem van uwen God, maar ook om die roepstem te vernemen? Wat zal ik worden ? En vereischt ook niet elke

ocr page 47

45

staat als fundament de vreeze Gods, als boawsteeiien geloof, rechtvaardigheid, matigheid, sterkte en wijsheid, als hecht-middel liefde, — liefde tot God, naastenliefde, welbegrepen liefde tot zich-zel-veu? — En gij beschikt over niets van dat alles, gij bezit slechts eenig kalk-puin en wat steenbrokken ? Waar is het begin dier grond- en hoeksteen-deugden, waar de oefening, waar de bekwaamheid? Wat zal ik worden?

HOOFDSTUK XIII.

DE VERSCHILLENDE STATEN EN LEVENSRICHTINGEN IN 'T ALGEMEEN.

Men konde welhaast in verzoeking komen, de verschillende standen te onderscheiden in arbeidende en g e-nietende. Intusschen, de H. Schrift wil van die verdeeling niets weten. Het vonnis, tegen den zondigen mensch

ocr page 48

46

uitgesproken, luidt voor een ieder: Ju het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten.' En op eene andere plaats lezen wij: „De vogel wordt geboren om te vliegen, de mensch om te arbeiden.quot; Daarom is elke mensch tot den arbeid veroordeeld, maar niet allen tot den zelfden. Een stand der ledig-loopers, een stand derzulken, die anderen voor zicli laten arbeiden en zelf niets doen, is er niet en kan er niet zijn; hiervoor heeft God ons niet geschapen, hiervoor heeft Hij ons niet met geestestalenten en lichamelijke gaven toegerust. Alleen de naar geest of lichaam gebrekkige mensch is niet tot arbeiden verplicht. Er bestaan echter verschillende soorten van arbeid: Geestesarbeid, lichamelijke arbeid, en eene derde soort, die wij „gemengdquot; zullen noemen. Beschouw het menschelijk lichaam; het bezit een aantal ledematen, sterk gevormd, gespierd, tegen vermoeienis gehard, en daarom op de eerste plaats geschikt voor uitwendige verrichtingen.

ocr page 49

47

Doch er zijn ook teedere lichaamsdee-len, die de rechtstreeksche helpers en werktuigen der ziel mogen heeten; eindelijk vindt men organen, die als het ware in zeer nauw verband met de ziel staan en deelnemen aan haar denken en voelen.

Zoo zijn er klassen van menschen, die God voornamelijk tot den handenarbeid roept. Zij verschaffen zich-zelf en anderen voedsel, kleeding, huisvesting en wat verder tot onderhoud en welvaart van het menschelijk lichaam noodig of nuttig is.

De taak van anderen is het, hunnen medemenschen de hoogste goederen der aarde te bezorgen en te behouden : Waarheid, recht, orde, gezondheid en leven, het vreedzame bezit hunner eigendommen.

Nog anderen bestieren de zielen en geleiden haar, terwijl zij-zelf den Allerhoogste op voortreffelijke wijze dienen, door den aan klippen zoo rijken oceaan des levens naar de haven van het eeuwige Vaderland. —

ocr page 50

48

Zoo wordt door de eenen de verrichting van hand of voet waargenomen, door anderen die van oog, mond, -hoofd en hart. Niemand benijde zijn evenmenseh om de plaats^ welke hij inneemt; ieder neme hier op aarde de taak op zich, hem door God aangewezen; ieder trachte naar best vermogen, z ij n e taak behoorlijk te vervullen.

Wonderbare harmonie, — bij zoo groot eene verscheidenheid van levensstaten! Is de eene verhevener dan de andere, toch wordt door allen meer of minder invloed op elkaar uitgeoefend ; zij maken elkander als 't ware noodzakelijk, helpen en volmaken elkander. Het geestesleven is afhankelijk van het lichamelijk bestaan, het lichamelijke leven wordt door den geest gereinigd, verheven, verrijkt en veredeld. Zoo grijpt alles in elkaar; en bevond zich hier beneden iedereen op zijne plaats, vervulde elke mensch getrouw de taak, hem door den Albe-stierder aangewezen, dan zou de mensch-heid een reusachtig, maar niettemin wel-

ocr page 51

49

gebouwd, gezond en krachtig licliaam vormen, in niet geringer mate bewonderenswaardig, dan het firmament met zijne ontelbare planeten, die, als zoovele stomme en toch zoo heerlijk welsprekende getuigen der goddelijke wijsheid en almacht, rusteloos op de haar aangewezen banen voortschrijden, totdat liet den Schepper behaagt, haar bestaan te doen ophouden of te wijzigen.

HOOFDSTUK XIV.

DE RECHTSWETENSCHAP,

Wij achten het nuttig, eene bijzondere opmerkzaamheid te wijden aan die staten, welke een zekeren graad van ontwikkeling vereischen, of ter oorzake van hunne algemeenheid en den invloed, welken zij uitoefenen, zeer belangrijke elementen der maatschappij vormen. Wij zullen eene korte, maar zakelijke be-

ocr page 52

50

schouwing wijden aan den werkkring dier levensstaten, en daarbij de aandacht vestigen op de gevaren, welke de mensch, zoowel in den tijd der voorbereiding als bij de uitoefening der beroepsbezigheden, kan ontmoeten.

's Menschen kostbaarste goederen ter wereld door het wapen des woords tegen onrechtvaardige aanslagen te verdedigen, en de burgerlijke toestanden in betrekking tot die goederen te regelen en de orde daarin te handhaven, —ziedaar de bestemming der mannen van het ree lit. Inderdaad, — eene schoone taak, wanneer men, zich daarvan kwijtende, de beginselen van het eeuwige recht tot grondslag neemt, en de meest strenge onpartijdigheid bewaart. Natuurlijk rechtsgevoel, degelijke kennis der staatswetten, rechtschapen inborst, onwrikbare belangeloosheid, — ziedaar zoovele vereischten om met vrucht te kunnen arbeiden en zich niet aan zware misslagen plichtig te maken. En juist de omstandigheid, dat voor het meerendeel juristisch gevormde

ocr page 53

51

mannen de hoogste plaatsen in het moderne staatswezen innemen, en schier uitsluitend die ambten hekleeden, waarvan het heil der volken, ja zelfs de bloei van den godsdienst afhangt, wijst nadrukkelijk op het onmiskenbare gewicht van dezen lak der menschelijke wetenschap, en vermaant met grooten ernst tot een nauwkeurig onderzoek van zulk een levensstaat en tot wijze voorzichtigheid bij het nemen eener beslissing van zoo hoog belang. Een hoofdge vaar, door dezen staat medegebracht is hierin gelegen, dat vaak invloeden van buiten zich laten gelden, invloeden, die het recht naar persoonlijke belangen pogen te verwringen. Nog grooter wordt het gevaar, wanneer een Staat, door vooroordeelen misleid, door macht verblind, door partijzucht verdeeld, willekeurige, draconische wetten geeft, en j zijnen dienaren beveelt, verordeningen I uit te voeren, die met de algemeene beginselen des rechts en met de natuur-j lijke rechten van alle onderdanen of van

ocr page 54

52

een deel hunner in schreeuwende tegenspraak zijn.

En in welke gevaren komt vooral het geweten van een ambtenaar, wanneer de Staat hem beveelt, zijne hulp tot handhaving van wetten te leenen, wier doeleinde het is, Christus' H. Kerk in boeien te slaan, haar goddelijke zending te bemoeielijken, hare heiligste rechten te krenken ! Te eener zijde het geweten, het rechtsgevoel, de achting voor het feitelijke en historische recht van het oudste en grootste aller christelijke kerkgenootschappen ; ter andere de vrees voor den Staat, de strijd om het bestaan, de hoop op- en het verlangen naar bevordering: — welk eene mate van wijsheid, welk een moed is er noodig, om behouden tus-schen deze klippen door te stevenen !

ocr page 55

53

HOOFDSTUK XV.

DE GENEESKUNDE.

Onder de goederen der aarde zijn leven en gezondheid de kostbaarste. Aan het behoud dezer goederen wijdt zich de geneeskunde. Hoeveel dank zijn degenen waard, die, ten prijze van zware offers en dikwijls met gevaar voor eigen leven, aan het lichamelijke welzijn hunner medemenschen tijd, rust en krachten wijden!

Een bekwaam, rechtschapen geneesheer is een ware engel voor de mensch-heid: hij lenigt smarten, droogt tranen, schenkt bemoediging en troost, en belet niet zelden de nadering des doods. En ook der ziel kan hij nuttig wezen; want dikwijls biedt zich voor hem de gelegenheid, zieken tot christelijk geduld te vermanen, hunne gedachten opwaarts te voeren tot in den Hemel, die zich straks voor hen gaat ontsluiten.

ocr page 56

54

Dagelijks komt de geneesheer in aanraking met de menschelijke ellende. Arme menschenkinderen! Zij wringen zich voor hem in de hevigheid hunner smarte, zij slaken schier onder zijne handen hun laatsten zucht, onder zijne oogen stort het broze omhulsel der benauwde ziel ineen ! .... Moeten zich niet ernstige gedachten aan den geneesheer opdringen? Wordt hij niet dikwerf en nadrukkelijk herinnerd aan het beslissende oogenblik, waarop zich ook voor hem de poorten der eeuwigheid gaan ontsluiten, het oogenblik, waarop ook hij den alwetenden, onomkoopbaren Rechter over zijn geheele doen en laten rekenschap heeft te geven ?

Onwillekeurig stellen wij ons-zelven de vraag; hoe is het mogelijk, dat er zooveel ongeloovige, goddelooze genees-heeren worden aangetroffen? Buiten kijf dragen de hoogeschool, de studie en de invloed der professoren daarvan de grootste schuld. Inderdaad biedt de studie der medicijnen menig gevaar.

ocr page 57

55

De anatomie, de kennis van zoovele dingen, die voor de jeugdige nieuwsgierigheid langer verborgen hadden moeten blijven, de lichtzinnigheid der studie-makkers, — dat alles werkt samen om öf de nog ongerepte onschuld te belagen, of den reeds ontketenden hartstocht nog onstuimiger te maken. En is de jonge man tot op zekere diepte in den afgrond der zedeloosheid afgedaald, dan is de vervvaarloozing der godsdienstplichten, het loochenen van die waarheden, welke voor de zinnen het meest hinderlijk zijn, ja zelfs de algeheele terzijdeschuiving van den godsdienst en eene openlijke vijandschap tegen denzelven met vrij groote zekerheid te wachten. Een feit i is het, dat onder geen stand meer uitersten worden aangetroffen, —• heidendom, recht- en wanngeloovig en practisch Christendom, — dan onder de genees-heeren.

ocr page 58

56

HOOFDSTUK XVI.

HET ONDERWIJS.

De jeugd opvoeden, d. w. z.: de talenten. haar door God verleend, ontwikkolen, haar vormen, haar gids zijn naar het door God aangewezen doel, — welk een schoone, welk eene loonende, welk eene verdienstelijke taak!

Maar wordt die taak door de meesten aldus opgevat? Helaas, neen! Wetenschap, en nog eens wetenschap, dikwijls een ijdel streven, dikwijls eene terzijdestelling van al het hoogere, het bovennatuurlijke, — eene miskenning van het écnig groote doel, van het alleen noodzakelijke, waartoe alles behoort te geleiden, waarin zich alles behoort op te lossen!

Er zijn eene menigte onderwijzers, die uit beginsel aan de school slechts de bestemming toekennen, den mensch voor dit leven te vormen, zijne lichamelijke begaafdheden en geestestalenten zooveel

ocr page 59

57

mogelijk te volmaken. Wat betreft het overige, meencn zij, dit is eene zaak van huiselijk belang, schikt zich van-zelf, en behoort in geen geval in de school te huis. — Dwaasheid! En is dan niet de knaap, de jongeling gedurende lange jaren, en vooral in die levensperiode, welke onder zedelijk en godsdienstig oogpunt den meest beslissenden invloed op de toekomst uitoefent, dagelijks vijf, zeven, negen of meer uren aan de zorgen van het huisgezin onttrokken? En versmaden het nu de onderwijzers, ook opvoeders in den hoogeren zin des woords van deze hun toevertrouwde kinderen te zijn, dan is het nadeel schier onherstelbaar, en wreekt zich het verzuim op het huisgezin, op den staat, op de geheele maatschappij.

Nog erger is het in die landen, waar do staat het geheele onderwijs aan zich heeft getrokken, en aan de Kerk slechts de rol van toeschouwster veroorlooft, of haar ten minste geen noemenswaardigen invloed op de wetenschappelijke vorming

ocr page 60

58

der jeugd heeft gelaten. En wanneer nu het. geheele onderwijs zoogenaamd ,neutraal' is geworden, d. w. z.: wanneer daarbij geen sprake meer is van God, van een positief Christendom, van plichten, die uit hoogere, bovennatuurlijke gronden voortspruiten, van haat tegen do zonde om de zon de-zelve, van streven naar rechtschapenheid en deugd oin de deugd-ze 1 ve, hoe kan het dan bevreemding wekken, dat de jeugd allengs verwildert, dat zij eiken breidel poogt af te werpen, dat zij, in weerwil van het uitwendige, blanke pleisterwerk, den graven gelijk is, die vuilnis en modder in hunnen schoot verbergen ?

Kan het verwondering baren, dat dusdanig onderwijs mannen vormt, die zich vijanden der Kerk toonen, en, schoon overvloeiende van , humaniteit en men- ; schenwaarde,quot; wilde dieren gelijken, die onophoudelijk schade aanrichten in 's Heeren wijngaard, en zich in laatdun-kenden trots zoover vergeten, dat zij meenen, de hoop te mogen koesteren,

ocr page 61

59

door hun „licht' de duizend- en nogmaals duizendjarige fakkel der goddelijke Openbaring te kunnen verduisteren?

Deze bemerkingen, mijn jonge vriend, hebben ten doel, u op de klippen te wijzen, die men in dezen stand ontmoet, ja, tegen welke men door de strooming des tijds als met geweld wordt geslingerd. Verzet u met kracht tegen dien stroom, wanneer uwe keuze op dit beroep mocbt vallen. Word geen mis vormer, geen verwoester van zielen, door God en alleen voor God naar zijn evenbeeld geschapen; word veeleer een vormer — een vormer van kinderen, geroepen om Gods beeld te weerspiegelen, — over welke heerlijke taak de H. Chrijsostomus vol geestdrift uitroept: „Wat is grooter, wat is verhevener, dan zielen leiden, karakters vormen, dan jongelingen opvoeden en ontwikkelen? Naar mijne meening, verdient hij, die jongelingen weet te leiden en harten te vormen, den voorrang boven ieder schilder, ieder beeldhouwer, ieder kunstenaar.'

ocr page 62

60

En nog eene andere klip dient aangewezen: zij is hoogmoed genaamd. Niet ten onrechte verklaart de H. Schrift: „Veel wetenschap maakt opgeblazen.'' Dat er evenwel ook eene deemoedige wetenschap bestaat, dit bewijzen ons zoovele Heiligen, vooral die lichten der Kerk, met wier geleerdheid nog thans, na duizend en meer jaren, ontelbare mannen, begeerig naar de wetenschap van het heilige, zich spijzen. In den gloed dier zonnen trachten zij de vruchten van hun eigen, moeitevollen arbeid en rusteloos zoeken te doen rijpen.

HOOFDSTUK XVH.

DE SOLDATENSTAND.

Jammer genoeg kunnen de menschen niet lang in vrede naast elkander leven. Eerzucht, hebzucht, wraakzucht maken de wereld tot een strijdperk, waarin wilde

ocr page 63

61

dieren elkaar vervolgen, bevechten, vernietigen. De eene valt aan, de andere verdedigt zich. Stroomen bloeds drenken de aarde, steden gaan in vlammen op, verminkten jammeren, gevangenen zuchten, stervenden kreunen, tranen vloeien om de offers van den wreeden krijg.

Behalve de ontelbare personen, die zich uit dwang onder het vaandel moeten scharen, om den staat tegen een werkelijk of vermeend onrecht te beschermen, zijn er nog eene menigte anderen, wier roeping het is, den bedreigden vadergrond te verdedigen, den overmoedigen vijand te bekampen en te tuchtigen.

Het is schoon, ja verheven, goed en bloed voor het vaderland, voor het geluk, de vrijheid en de rust zijner medeburgers veil te hebben. Het is zelfs eene soort van martelaarschap, aan verminking, misschien aan den dood voor de rechtvaardige zaak en met eene zuivere meening zich bloot te stellen; zonder twijfel loont God mildelijk eene zoo verheven toewijding.

ocr page 64

62

Maar wie zal bestrijden, dat wegens twee groote gevaren, waarin de soldaat bestendig verkeert, een ernstg onderzoek aan de keuze van zulk een levensstaat moet voorafgaan ?

Openbaren zich in oorlogstijd te vaak verwildering, hardvochtigheid, wreedheid en overmoed, — in vredestijd zijn gemak-en genotzucht, lediggang en ruwheid nauwelijks minder grimmige vijanden voor iederen krijgsman in het bijzonder, dan de vijanden van buiten in het veld, in de sterkte of in het kamp.

En heeft de vrede, het kazerneleven, de omgang met ruwe, verdierlijkte kameraden, of wel met meer beschaafde, doch niet minder lichtzinnige, niet minder ,geblaseerde,quot; aan ijdelheid en zinnelijkheid overgegeven lieden de zeden des jongen mans bedorven, — is het dan te verwachten, dat hij, wanneer de oorlog uitbreekt, plotseling een ander mensch zal worden, zich zal bekeeren, slechte gewoonten zal afleggen, het menschelijke opzicht met voeten treden, dat hij dan

ocr page 65

63

met een rein hart de tallooze gevaren te gemoet zal snellen, die hem dagelijks naar het leven staan en hem in een oogwenk voor den rechterstoel van den alwetendeu, rechtvaardigen God kunnen voeren ?

Nog grooter is een ander gevaar, dit namelijk, deel te nemen aan moord en onrechtvaardigheid. Er zijn, helaas! vorsten en machtvoerders, die om de meest zelfzuchtige, afkeurenswaardige beweegredenen vreedzame naburen den oorlog aandoen, rechtmatige heerschers van hunne kronen berooven, zich geheele landen toeëigenen en over vreemde have beschikken, als hadden zij daarop een onbetwistbaar recht. Het is buiten kijf, dat ook hier gewetensvragen kunnen rijzen, wier oplossing even gewichtig als moeilijk is.

ocr page 66

64

HOOFDSTUK XVIII.

HET KOOPMANSVAK.

Het is niet verboden, rijk te zijn, ook niet, naar eene onafhankelijke positie in de maatschappij te streven, voor zich en de zijnen de toekomst te verzekeren.

Het is slechts verboden, op ongeregelde wijze naar rijkdommen te streven, zich op ongeregelde wijze daaraan te hechten, ze op ongeregelde wijze te gebruiken. Eeuwig waar blijft het woord der H. Schrift: „Die zich moeite geven om rijk te worden vallen lichtelijk in de strikken van Satan ;quot; en op eene andere plaats: „De wortel van alle kwaad is de hebzucht.quot;

De handelsstand streeft op de eerste plaats naar tijdelijk gewin; hierbij echter is een zuiver inzicht, is maat, zelf-beheersching en strikte rechtvaardigheid geboden. Wie zich voorneemt, dien staat te omhelzen, behoort in zich de over-

ocr page 67

65

tuiging te vestigen, dat er grenzen zijn, grenzen door God afgebakend, welke men nooit en onder geen voorwendsel mag overschrijden.

Het gevaar ligt voornamelijk hierin, dat de koopman leeft van hetgeen hij verdient, en ruimer leeft, naarmate het liem gelukt, meer te verdienen, terwijl andere standen doorgaans meer of minder vaste inkomsten ter beschikking hebben, b.v.: door bedongen salarissen; en dergelijke inkomsten worden, meer dan die eens koopmans, vaker en meer verworven door geestesarbeid. De koopman heeft dus rechtstreeks gewin en bezit in het oog, terwijl b.v. de arbeid van een rechter, van een leeraar, van éen geneesheer meer ideale zijden vertoont, hoewel zulk een arbeid ook tijdelijke voordeelen oplevert.

Het is waar: deze stand heeft iets aanlokkelijks. Terwijl andere standen meestal in eene zekere afhankelijkheid van hooger geplaatsten verkeeren, is de koopman zijn eigen meester, wordt

5