-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Vak 22

/

4, O

/C © O

H/ amp; O

BIJBEL? ^ *7 NIS.

DP]

£ tgt; amp;

aTs^ ^

p £■ A ®

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Vak 22

T3E

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS.

TEN DIENSTE VAN HET

CATECHETISCH ONDERWIJS.

DOOR

J. H. DONNER.

DERTIENDE DRUK.

LEIDEN. - D. DONNER. 1894.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.

De Bijbelsche Geschiedenis ten dienste van het Catechetisch onderwijs te bewerken was sinds lang mijn voornemen en wensch. Eindelijk is het er toe gekomen.

Bij de bewerking heb ik mij eenigszins ontwikkelde leerlingen voorgesteld, van wie men verwachten kan, dat zij zich door eigen onderzoek voor het te ontvangen onderwijs zullen voorbereiden. Met het oog hierop zijn de beantwoorde vragen in elke les weinige, maar de onbeantwoorde zooveel te meer. Evenwel zal de leerling, wanneer hij zich de moeite geeft de bijgebrachte Schriftuurplaatsen na te slaan en opmerkzaam te lezen, de onbeantwoorde vragen gemakkelijk kunnen beantwoorden. Meer heb ik van dit vragenboek niet te zeggen.

Moge het blijken, dat inhoud en vorm dienstig geoordeeld en bevonden worde om de jeugd van 's Heeren Gemeente in de kennis van de feiten der Heilige Schriften te onderwijzen en te doen toenemen.

Leiden, October 1881. J, H. DONNER.

-ocr page 10-

VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.

Eene tweede oplage is spoediger noodig, dan ik had durven verwachten. Het gunstig oordeel der pers, waarvoor ik dankbaar ben, heeft hiertoe zeker veel bijgedragen. Vernam ik van anderen geene aanmerkingen, zelf heb ik die wel. De eerste oplage laat, wat betreft de juiste opgave der Schriftuurplaatsen, wel iets te wenschen over; in dezen tweeden druk zijn die feilen verbeterd.

Dat dit vragenboek ook voor minder ontwikkelde leerlingen bruikbaar is, behoeft geene aanwijzing: niet alle onbeantwoorde vragen zijn voor alle leerlingen zonder onderscheid gesteld.

Leiden, Januari 1882. J. H. DONNER.

-ocr page 11-

n

INHOUD.

1. Inleiding..................................

Blz.

1.

1. De Geschiedenis des Ouden Testaments.

§. 1. Van de Sclieppinj tot den Zondvloed. (1656).

2. De schepping...............................

Blz.

3.

3. De zondeval...............................

)}

i.

4. De twee geslachten.........................

6.

5. De vermenging en het oordeel................

7.

§. 2. Van den Zondvloed tot de roeping van Abraham. (2083).

6. Het nieuwe raenschengeslacht.................

Blz.

9.

7. De afval en uitverkiezing....................

n

10.

§. 3. Van AirahaE tot Mozes. (2508).

8. Abraham in Kanaan.........................

Blz.

12.

9. De belofte van een zoon.....................

13.

10. De zoon der belofte, Izak....................

15.

11. Van Izak tot Jakob.........................

16.

12. Jakobs vlucht en verblijf bij Laban............

18.

13. Jakob en zijne zonen.......................

19.

14. Jozef in Egypte............................

21.

15. Jakob en zijne nakomelingen in Egypte........

22.

16. Mozes, Israels redder.......................

23.

17. Mozes voor Farao, en Israëls verlossing........

n

25.

§. 4. Van Israéls uittocht uit Egypte tot Saul, Israëls eersten koning. (2909),

18. Israël in de woestijn tot aan Sinaï.............

Blz.

27.

19. De wetgeving..............................

28.

20. Vervolg............................

30.

i 21. De omzwerving in de woestijn................

32.

22. Het laatste jaar der omzwerving..............

34.

23. Intocht en verovering van Kanaan.............

36.

24. De tijd der Eichteren........................

38.

25. Vervolg.........................

»

41.

§. 5. Van Saul, IsraSls eersten koning, tot de Bahjlonische wegvoering. (3398).

26. quot;Van Saul tot Darid ..................

Blz.

43.

27. Davids regeering...................

45.

28. Salomo's regeering..................

n

48.

29. De scheuring des rijks................

49.

-ocr page 12-

INHOUD.

30. Van Jerobeam tot Achab.................... Blz. 51.

31. Van Achab tot Jehu......................... „ 53.

82. Van Jehu tot den ondergang van het Bijk van Israël „ 55.

33. Van Behabeam tot Joram.................... „ 57.

34. Van Joram tot Hiskia....................... » 59.

35. Van Hiskia tot de wegvoering naar Babel..........61.

§. 6. Van de Babyloniscte wegvoering tot de komst van Christus. (4000).

36. Der Joden verblijf in Babel tot den uittocht.... Blz. 65.

37. De Joden weder in Palestina tot Maleachi...... „ 67.

38. Van Maleachi tot Christus.................... „ 69.

89. Vervolg.................................... » Till. De Geschiedenis des Nieuwen Testaments.

§. 1. Van de gekorte van Christus tot de uitstorting des Heiligen Geestes. (34).

1. De aankondiging............................ Blz. 74.

2. Van 's Heilands geboorte en jeugd............. „ 76.

3. De doop en verzoeking............................................78.

4. Jezus te Jeruzalem.......................... «

5. Jezus wederom in Galilea.................... » 81.

6. Jezus gaat terug naar Galilea................ r

7. Jezus' verdere werkzaamheden in Galilea....... „ 84.

8. Wonderen, lijdensaankondiging en de verheerlijking „ 87.

9. Jezus op het Loofhuttenfeest................. „ 89.

10. Jezus in het Overjordaansche................. « 91-

11. Jezus te Jeruzalem........................... »

12. Het Avondmaal, Gethsemané, de gevangenneming „ 95.

13. Jezus veroordeeld en overgegeven om gekruisigd

te worden................................. i 97.

14. Het kruislijden, de dood en begrafenis......... „ 98.

15. De opstanding en hemelvaart................. » 100.

§. 2. Van de uitstorlinj des Heiligen Geestes tot de verwoesting van Jeruzalem. (70).

16. De uitstorting des Heiligen Geestes............ Blz. 102.

17. De eerste gemeente......................... n

18. De voortgang van de prediking des Evangelies.. „ 106.

19. De bekeering van Paulus..................... n 107.

20. Paulus' Eerste zendingsreis................... » 10®-

21. Paulus' Tweede zendingsreis.................. » Hl-

22. Vervolg................................... «

23. Paulus' Derde zendingsreis................... » Ui-

24. Paulus' gevangenschap te Cesarea en Bome..... „ 116.

25. Slot....................................... .. 1:t9-

-ocr page 13-

De Bijbelsche Geschiedenis.

EERSTE LES.

Inleiding.

1. Wat verstaat gij door de Bijbelsche geschiedenis?

Het verhaal der gebeurtenissen, waardoor God Zich geopenbaard heeft tot de voorbereiding en stichting van zijn Koninkrijk door Jezus Christus, onzen Heere.

a. Wat onderscheidt de Bijbelsche geschiedenis van elk andere?

b. Waarom heeft God Zich inzonderheid in en door gebeurtenissen geopenbaard ?

i c. Is er in den gang dier gebeurtenissen niet eene toenemende helderheid Tan openbaring waar te nemen?

d. In en door Wien is de openbaring Gods voleindigd en volmaakt? Hebr. 1 : 1.

2. Welke zijn de bronnen voor de Bijbelsche geschiedenis ?

De boeken des Ouden en Nieuwen Testaments, en onder deze bizonder de geschiedboeken.

3. Hoe kunnen de boeken van het 0. T. naar hun inhoud en vorm verdeeld worden?

Zij kunnen verdeeld worden in: Historische, Profetische en Dichterlijke boeken.

a. Er zijn in het O. T. 17 Historische, 16 Profetische en 6 Dichterlijke boeken.

h. Noem de namen dier boeken afzonderlijk.

4. Hoe worden de boeken van het N. T. verdeeld?

De boeken van het N. T. worden verdeeld in Historische boeken, Brieven en één Profetisch boek.

B. G. 1

-ocr page 14-

2

a. Welke zijn de 5 Historische boeken van het N. T. ?

b. Van wie zijn de 21 brieven, en hoe veel van ieder der schrijvers?

c. Van wien is het boek der Openbaringen, en waarom heet dit zoo?

5. Over hoe veel tijd loopt de Bijbelsche geschiedenis ?

De Bijbelsche geschiedenis loopt over een tijd van

bijna 4100 jaren, dat is; van de Schepping der wereld tot de Uitstorting des Heiligen Geestes en de stichting der eerste Christelijke gemeenten.

6. Hoe wordt de Bijbelsche geschiedenis verdeeld?

In twee groote deelen: in eene Oud-Testamen-

tische en Nieuw-Testamentische geschiedenis.

a. Waarop rust deze verdeeling ?

fc. Welke is de verhouding tusschen deze beide deelen der Bijbelsche geschiedenis ?

7. Hoe verdeelt men de geschiedenis des. Ouden Testaments ?

In eene geschiedenis vóór de wet, dat is van de Schepping tot Mozes, en in eene geschiedenis na do wetgeving, dat is van Mozes tot Christus.

8. Hoe lang is de tijd vóór de wet, en hoe verdeelt gij dien?

Het is eene tijdruimte van 2508 jaren, en wordt verdeeld: van de Schepping tot den Zondvloed, van den Zondvloed tot Abraham, van Abraham tot Mozes.

9. Tot wanneer loopt de tijd na de wet, en hoe wordt deze tijd verdeeld?

De tijd na de wet loopt tot 4000 na de schepping, en wordt verdeeld: van Mozes tot Saul, Israels eersten koning; van Saul tot de Babylonische wegvoering; van de Babylonische wegvoering tot Christus.

-ocr page 15-

De Geschiedenis des Ouden Testaments.

I. TAN DE SCHEPPING TOT MOZES.

§ 1.

Van de Schepping tot den Zondvloed. (1656). (Gen. 1—7.)

TWEEDE LES.

De schepping.

1. Waarmede hegint de Bybelsche geschiedenis? Met het verhaal van de schepping van hemel en

aarde. Gen. 1:1 — 2 : 25.

а. Hebben wij in Gen. 1 en 2 twee afzonderlijke scheppingsverhalen ?

б. Hoe kwam Mozes tot kennis van hetgeen hij omtrent de schepping verhaalt? 2 Tim. 3; 16a.

c. Wat is scheppen? Ps. 33 : 9. Hebr. 11 : 3.

d. Door wien heeft God alle dingen geschapen? Joh. 1:3. Col. 1 : 16.

2. In hoeveel tijd heeft God hemel en aarde geschapen 1 In opzicht tot de stof in één oogenblik, maar in

opzicht tot de verdere ordening in zes dagen.

а. Hoe was de aarde bij het begin? Gen. 1 : 2.

б. Wat heeft God op elk van die zes dagen gedaan? Gen. 1 : 3-31.

c. Zijn dit dagen of grootere tijdperken geweest? Gen. 1 : 5,

8, enz. verg. Exod. 20 : 11.

rf. Bespeurt gij ook opklimming in en overeenstemming tns-schen het werk der zes dagen?

e. Welke bestemming gaf God aan den zevenden dag? Gen. 2:2, 3.

-ocr page 16-

4

3. Wanneer schiep God den mensch ?

God heeft op den zesden dag de eerste menschen, Adam en Eva, geschapen.

a. quot;Waaruit is Adam geschapen, en vanwaar was Eva? Gen.

2 : 7, en 18—22.

i. Is het geheele menschengeslacht uit Adam en Eva? Hand. 17:26.

c. Schiep God nog andere redelijke en zedelijke wezens dan den mensch? Ps. 104=: 4. Col. 1 : 16.

4. Hoedanig schiep God de eerste menschen ?

G-oed en naar zijn evenbeeld, opdat zij God, hunnen Schepper, recht kennen en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zouden.

а. Wat beteekent het, dat God den mensch naar zijn heeld schiep? Gen. 1:26, 27. Ef. 4:24. Col. 3:10.

б. Waarover gal' Hij hem de heerschappij? Gen. 1 : 26.

c. Waar plaatste God den eersten mensch? Gen. 2 : 15.

d. Welke was het eerste gebod, dat God aan den mensch gaf, en met welk doel? Gen. 2 : 16, 17.

5. Waartoe schiep God alle dingen?

Tot zijne verheerlijking en tot zaligheid zijner redelijke schepselen. Eom. 11: 36. Ps. 8.

DERDE LES.

De zondeval.

1. Zijn de eerste menschen gehoorzaam gebleven aan het gebod Gods?

Neen; zij zijn ongehoorzaam geworden, en hebben gegeten van den boom der kennis des goeds en des kwaads.

a. Hebben zij lang in het geluk van hun rechtstaat gedeeld?

-ocr page 17-

5

5. Door wien zijn zij verleid geworden? Gen. 3 : 1. Joh. 8 : 44:. Openb. 12 : 9.

c. Hoe legde de verleider het aan, en welke was de eerste zonde? Gen. 3:1-5. 2 Cor. 11 : 3. Jak. 1 : 14, 15.

d. Hoe kon de rechtgeschapen mensch tot de zonde verleid worden ?

2. Ondervonden onze eerste ouders aanstonds dat zij gezondigd hadden?

Ja; de bedreiging Gods liet zich niet wachten: zij gevoelden zich aanstonds ellendig, waren bevreesd en verborgden zich voor God.

a. Is- hunne overtreding niet gering te noemen? Eom. 5 : 17a, 18a.

6. Wat beteekent het, dat hun beider oogen geopend werden, en zij gewaar werden, dat zij naakt waren? Gen. 3: 7. Openb. 3 : 17.

3. Hoe handelde God met hen, nadat zij gezondigd hadden ?

God riep hen tot verantwoording, en veroordeelde eerst den satan en zijn werktuig, de slang. Gen. 3:9-15.

а. Hoe gedroegen Adam en Eva zich, toen God hen tot verantwoording riep? Gen. 3:8—12. Job 31: 33.

б. Welk oordeel sprak God over den satan en zijn werktuig uit? Gen. 3 : 14, 15.

c. Ligt er in het oordeel over den satan ook een heilvolle belofte voor den gevallen mensch, en wat houdt die in? Gen. 3 : 15.

(7. Hebben onze eerste ouders iets van die belofte verstaan? Gen. 4 : 1.

4. Hoe handelde God verder met Adam en Eva? God bevestigde zijne bedreiging in de aankondiging van smart, moeitevollen arbeid, en den dood. Gen. 3:16-19.

a. Waarom voerde God de bedreiging des doods niet aanstonds uit?

-ocr page 18-

6

b. Had God alleen den liehamelijken dood bedreigd? Ef. 2:1. Kom. 6 : 23.

c. Zondigde de eerste mensch alleen voor zichzelven? Bom. 5 ; 12 — 19.

d. Deelt ook de natuur in de straf en de gevolgen der eerste zonde? Bom. 8:19 — 22.

5. Waardoor bevestigde God al aanstonds zijn uitgesproken oordeel over den mensch?

Daardoor, dat onze eerste ouders verdreven werden uit het Paradijs.

a. Is die verdrijving uit het Paradijs enkel een straf? Gen. 3:22,

6. Spreekt de Schrift ook van een ander en beter Paradijs? Openb. 2 : 7.

jy L VIERDE LES.

WfV , V

De twee geslachten.

1. Welke zijn de eerste zonen van Adam en Eva? Kaïn en Abel, de eerste eeu landbouwer, de tweede

een schaapherder.

* Hebben Adam en Eva meer zonen en doehteren gehad? Gen. 5:3, 4.

2. In welke mate openbaarde zich de zonde bij Kaïn ? Dat hij zijn broeder Abel benijdde, haatte en doodde.

а. Wat gaf hiertoe aanleiding? Gen. i : 3—5.

б. Welke was de dieperliggende oorzaak? 1 Joh. 3 : 12.

c. Vanwaar het onderscheid tussohen Kaïn en Abel? Hebr. 11 : 4.

d. Is Kaïn niet door God gewaarschuwd, en hoe is hij door God bestraft en gestraft? Gen. 4:6, 7, 9—16.

3. Werd in de plaats van Abel aan Adam niet een andere zoon geboren?

Ja; Eva baarde een zoon, en noemde hem Seth. Gen. 4:25.

-ocr page 19-

7

* Wat zegt de Schrift, dat men in de dagen van Seth's zoon, Enos, begon te doen, en wat beteekent dit? Gen. 4:26.

4. Waarin hebben zich de nakomelingen van Kaïn onderscheiden ?

Kaïns nakomelingen, het geslacht van de kinderen der menschen, onderscheidden zich door hunne uitvindingen, maar ook door hunne toeneming in allerlei boosheid en geweldenarij.

a. Wat weet gij van Lamech, Kaïns nakomeling? Gen. 4:19, 23, 24.

b. Wat wordt aan zijne zonen toegeschreven? Gen. 4 ; 20—22.

5. Wat weet gij van Seth's nakomelingen ?

Seth's nakomelingen, het geslacht der kinderen

Gods, kenmerkten zich door hun geloof en godsvrucht; onder hen blonken mannen als Henoch en Noach uit, van wie getuigd wordt, dat zij met God wandelden.

(i. Het geslachtsregister van Adam tot Noach. Gen. 5 : 1 — 32.

h. Welke waarde hebben de geslachtsregisters in de H. Schrift voor ons?

c. Heeft Henoch ook tegen den afval en de goddeloosheid zijner tijdgenooten getuigd? Judas : 14, 15.

d. quot;Waardoor heeft Henoch Gode behaagd; en is hij weggenomen, opdat hij den dood niet zien zou? Hebr. 11:5.

e. Kunt gij uit het geslachtsregister ook berekenen omtrent welken tijd Henoch geleefd heeft?

VIJFDE LES.

De vermenging en het oordeel.

1. Hebben Seth's nakomelingen in hun geloof en godsvrucht volhard1?

Neen; zij zijn afgeweken, en hebben zich vermengd met Kaïns goddelooze nakomelingen, waardoor de boosheid op aarde menigvuldig werd. Gen. 6:1, 2.

-ocr page 20-

8

o. Kan deze heillooze vermenging wel kort vóór den zondvloed geschied zijn ?

b. Hoe verklaart gij het, dat het kwade zóó de overhand kon verkrijgen ?

2. Tot welke uitersten der zonde kwam het in Noachs dagen'}

Dat de aarde vervuld werd met wrevel, en alle vleesch zijn weg verdorven had, en God een groo-ten watervloed over de aarde bracht. Gen. 6:3 — 13.

cr. Hoe beschrijft de Heiland ons de dagen van Noach? Matth. 24:37—39. Luk. 17:26, 27.

6. Wie vond genade in de oogen des Heeren, en zouden er buiten Noach niet meer godvruchtigen geweest zijn? Gen. 6 : 8.

c. Heeft God het eerste menschengeslacht ook nog tijd van bekeering gegeven? Gen. 6:3. 1 Petr. 3:20.

3. Hoe heeft God Noach en zyjn gezin behouden'?

God beval Noach een ark of groot schip te bouwen, waarin hij, zijne vrouw, en zijne drie zonen, benevens hunne vrouwen behouden zijn. Gen. 7:7.

a. Waarvan moest Noach de ark bouwen, en welken vorm, verdeeling en afmeting had zij? Gen. 6 : 14—16.

h. Is al het gedierte omgekomen? Gen. 7 : 8—10.

4. Hoe hoog namen de ivateren van den vloed de overhand ?

De wateren namen gansch zeer de overhand op de aarde, zoodat alle hooge bergen, die onder den ganschen hemel zijn, bedekt werden. Gen. 7:19.

a. De overleveringen aangaande een grooten vloed.

h. Draagt onze aarde ook de sporen van een algemeenen vloed ?

c. Van welk oordeel is de zondvloed een voorbeeld? Luk. 17 : 26. 2 Petr. 3 : 5—7.

-ocr page 21-

9

§ 2.

Van den Zondvloed tot de Roeping van Abraham. (2083).

(Gen. 8—11 : 30.)

ZESDE LES.

Het nieuwe menschengeslacht.

1. Welk bewijs van zijne godsvrucht gaf Noach, toen hij met zijn gezin uit de ark gegaan was ?

Hij bouwde den Heere een altaar, en bracht Hem offeranden van al het reine vee, en van al het rein gevogelte. Gen. 8 : 20.

а. Wat deed Noach om te weten of de aarde droog was? Gen. 8 : 7—12.

б. Hoelang is de zondvloed op de aarde geweest? Gen. 7 : 11. 8 : 13, 14.

2. Heeft God Zich na den zondvloed aan Noach ge-openhaard ?

God heeft Zich toen aan Noach geopenbaard door beloften, geboden en de oprichting van zijn verbond.

a. Welke beloften deed God aan Noach, en welke geboden gaf Hij hem? Gen. 9 : 1 — 7.

b. Welk verbond richtte God met Noach en alle levende ziel op, en met welk teeken bevestigde Hij dit? Gen. 9 : 8 — 17.

3. Wat getuigt God ook na den zondvloed van den mensch ?

Dat het gedichtsel van 's menschen hart boos is van zijne jeugd aan. Gen. 8 : 21.

a. In wien van Noaohs zonen zien wij dit al aanstonds bevestigd? Gen. 9:22.

b. Ontdekt Chams gedrag niet een boos bestaan des harten, en verschijnen daarentegen Sem en Jafet ons niet in een allergunstigst licht? Gen. 9:23.

c. Waarom spreekt Noach: „Vervloekt zij Kanaan?quot; Wie was Kanaan? Gen. 9:25 en 10:6.

-ocr page 22-

10

d. Wat beteekenen de woorden, waarmede Noach Jafet zegent? Gen. 9:27.

4. Wat zijn Noachs drie zonen geworden?

Zij zijn de stamvaders van een nieuw menschen-geslacht geworden, dat zich naar den wil van God over de geheele aarde verspreid heeft.

а. Welk gedenkstuk hebben wij van de herkomst der volken uit Noachs zonen? Gen. 10.

б. Heeft dezen volkerentafel groote belangrijkheid voor de geschiedenis, ook voor die van het Koninkrijk Gods?

c. De nakomelingen van welken zoon van Noach hebben het eerst gedeeld in de zegeningen van Gods genade?

ZEVENDE LES.

Afval en uitverkiezing.

1. Hebben zich de nakomelingen van Noachs zonen aanstonds over de aarde verspreid?

Neen; zij wilden tegen het bevel Gods bij elkander blijven, en bouwden daarom eene stad en een hoogen toren. Gen. 11:1—4.

а. Was het op zichzelve kwaad, dat zij een stad en toren wilden bouwen?

б. Waar lag dan hun kwaad in, en van welke zonden getuigt hunne poging? Gen. 11:4.

c. Welke geweldige man speelde in dit bedrijf een hoofdrol ? Gen. 10 : 8 — 10.

2. Hebben zij hun werk volvoerd?

Neen; God heeft hunne spraak verward, zoodat zij ophielden met bouwen, en verstrooid werden over de geheele aarde. Gen. 11:5—9.

a. Waarom noemde men die stad Babel? Gen. 11:9.

h. Is het goed, dat er onderscheidene volken en talen ontstaan zijn?

-ocr page 23-

11

c. Welke geschiedenis in het N. T. staat tegenover die der spraakverwarring ?

3. Waardoor kenmerkt zich dit tijdvak?

Door een snellen en diepen afval van God, waarbij dit nieuwe menschengeslacht in afgoderij en allerlei goddeloosheid en ontucht verzonk.

a. Wat is afgoderij, en hoe vervielen de mensehen daartoe ? Bom. 1 : 21—23.

b. Welke gruwelen gaan met haar gepaard? Eom. 1:21—32.

c. Zie de volgende Schriftaurplaatsen, ten bewijze van den afval, de afgoderij en de gruwelijke ontucht van dit tijdvak; Gen. 15 : 166. Jozua 24 : 2. Exod. 34 : 13. Gen. 18 : 20.

4. Was dan de ware kennis en dienst van God geheel verloren gegaan?

Neen; God had ook in dezen tijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade, vooral onder de nakomelingen van Sem, die aan zijne belofte, in het Paradijs gedaan, vasthielden.

а. Het geslachtsregister van Sem tot Abraham. Gen, 11 : 10—27.

б. Is er grond voor om aan te nemen, dat Job omtrent het einde van dit tijdvak geleefd heeft?

5. Wat deed God in dezen tijd tot de voorbereiding van zijn Koninkrijk onder alle volken der aarde?

God verkoor Abraham, en riep hem uit Ur der Chaldeën naar Kanaan, om uit hem een volk zijns eigendoms te doen voortkomen, dat een zegen voor alle volkeren der aarde zou worden.

a. In wien zouden Abrahams nakomelingen een zegen worden voor alle volken? Gen. 22 : 18.

b. Heeft God Zich aan de volken buiten Israël geheel onbetuigd gelaten? Hand. 14:16, 17.

-ocr page 24-

12

§ 3.

Van Abraham tot Mozes. (2508.) (Gen. 11:31—Exod. 13:16.)

ACHTSTE LES.

Abraham in Kanaan.

1. Heeft Abraham het bevel Gods, Ur der Chaldeën te verlaten, gehoorzaam opgevolgdquot;?

Ja; Abraham heeft door het geloof het bevel Gods gewillig opgevolgd, en heeft zijn land en maagschap en zijns vaders huis verlaten, om te gaan naar het land, dat God hem wijzen zou.

а. Hoe heette Abrahams vader, en wie waren Abrahams broeders? Gen. 11 : 27.

б. Wie gingen met Abraham nit Ur der Chaldeën? Gen. 11:31

c. Wist Abraham, toen hij uit zijn land toog, waar hij komen zou, en is hij rechtstreeks naar Kanaan getrokken? Hebr.

11 : 8. Gen. 11 : 31. 12 : 5.

d. Welke belofte deed God aan Abraham, toen Hij hem riep Gen. 12 : 1 — 3.

2. Welke belofte deed God aan Abraham, toen hij in Kanaan kwamquot;?

Toen Abraham met zijne huisvrouw Sara en zijn neef Lot in Kanaan was gekomen, verscheen de Heere hem, en zeide: „Aan uw zaad zal Ik dit land geven.quot; Gen. 12; 7.

a. Hoe heetten Abraham en Sara toen, en hoe later? Gen.

12 : 5. 17 : 5, 6, 15, 16.

b. Wat was Abrahams eerste werk, toen hij in Kanaan kwam

c. WerdAbrahambezittervanKanaan?Hand. 7 : 5.Hebr.ll:9,136.

d. Welke volksstammen vond Abraham in Kanaan? Gen. 12 : 6. 15 : 19—21.

-ocr page 25-

13

3. Is Lot met Abraham blijven samenwonen ?

Neen; Lot scheidde zich van Abraham af, en koos

de vlakte der Jordaan, tot Sodom toe. Gen. 13 : 11,12.

a. Wat gaf hiertoe aanleiding, en hoe gedroegen zich Lot en Abraham bij die gelegenheid? Gen. J3:5 —12.

b. Heeft Abraham Lot ook bijgestaan, en hoe kwam Abraham aan die macht? Gen. 14:12 —16.

c. Wie kwam Abraham tegemoet, toen hij wederkeerde van het slaan der koningen? Gen. Ié : 17—20. Ps. 110 : 4. Hebr. 7 : 1—6.

4. Ondervond Abraham in het begin van zijn wonen in Kanaan ook tegenspoed?

Ja; een hongersnood in Kanaan noodzaakte hem voor een tijd naar Egypte af te trekken, waar hij en Sara in groote ongelegenheid kwamen.

a. Was deze ongelegenheid geheel zonder huu toedoen? Gen. 12 : 11 — 13.

h. Bedde de Heere hen nochtans? Gen. 12 : 17 — 20.

c. Is Abraham later nog eenmaal uit Kanaan geweken, en wat overkwam hem en Sara toen? Gen. 20 : 1 —18.

d. Waar woonde Abraham doorgaans in Kanaiin, en wat bouwde hij op zijne woonplaats? Gen. 13: 18.

NEGENDE LES.

De belofte van een zoon.

1. Had Abraham ook kinderen, toen hij in Kanaan kwam ?

Toen Abraham in Kanaan kwam, had hij geene kinderen, en nochtans beloofde God hem: „Aan uw zaad zal Ik dit land geven.quot; Gen. 12: 7a.

a. Hoe oud was Abraham toen? Gen. 12 : 4.

i. Noemde God aanstonds Sara als de moeder van Abrahams zaad?

-ocr page 26-

14

c. Heeft God zijne belofte ook herhaald en plechtig bevestigd? Gen. 15.

d. Hoelang heeft God Abraham beproefd, en waartoe diende deze beproeving? Gen. 12:4. 21:5.

2. Was Ismaël de zoon der belofte niet?

Neen; Ismaël, Hagars zoon uit Abraham, was de

zoon der belofte niet, met wien God zi]n verbond wilde oprichten. Rom. 9; 7, 8.

а. Deed Sara goed met hare dienstmaagd Hagar aan Abraham ter vrouwe te geven, en heeft zij er de gevolgen ook van ondervonden? Gen. 16.

б. Wat is er tot versohooning van Abrahams gedrag in het nemen van Hagar bij te brengen?

c. Had Abraham Ismaël lief, en wat begeerde hij voor hem van God? Gen. 17 : 18.

cl. In hoeverre heeft God Abraham voor Ismaël verhoord? Gen. 17 : 20. 25 : 13—18.

3. Welke belofte en instelling gaf God Abraham?

God gaf aan Abraham de verbondsbelofte, hem

en zijn zaad na hem tot een God te zijn, en verzegelde die door de instelling der besnijdenis.

а. Hoe oud was Abraham en Sara toen? Gen. 17 : 17.

б. Gold deze verbondsbelofte alleen Abraham en zijnen nakomelingen? Hand. 2:39. Gal. 3:29.

c. Werd Abraham en zijn geheele huis besneden? Gen. 17 : 23—27.

cl. Welke belofte deed de Heere nog bij deze gelegenheid? Gen. 17 : 15—22.

4. Wel/ce heuglijke aankondiging ontving Abraham niet lang hierna ?

De Heere verscheen Abraham aan de eikenbos-schen van Mamre, en deed hem de heuglijke aankondiging, dat hem ter gezetter tijd een zoon uit Sara zou geboren worden.

a. Hoe verscheen de Heere aan Abraham, en wat is er merkwaardig in deze verschijning? Gen. 18 : 2, 13, 14.

-ocr page 27-

15

b. Kon Sara het gelooveu? Gen. 18: 11—15.

c. Welke bekendmaking kreeg Abraham omtrent Sodom en Gomorra, en wat deed Abraham hierop? Gen. 18 ; 17—22, 23-33.

d. Is Abrahams gebed voor Sodom en Gomorra verhoord, en wie zijn er nit die steden behouden? Gen. 19 : 17—30.

TIEXDE LES.

De zoon der belofte, Izak.

1. Heeft God zijne belofte aan Abraham vervuld? Ja, ter gezetter tijd is hem de zoon der belofte,

Izak, uit Sara geboren. Gen. 21: 2.

a. Waarom heette deze zoon Izak?

b. Verheugden zich allen in Abrahams huis over Izaks geboorte? Gen. 21:8, 9.

c. Spotte Ismaël enkel uit baldadigheid? Gal. 4:29, 30.

d. Is Hagar en haar zoon in Abrahams huis gebleven? Gen. 21 : 10—21.

e. Bij welke gelegenheid treffen wij Ismaël later aan ? Gen. 25:9.

2. Wachtte Abraham nog eene zivare geloofsbe-proeving ?

De zwaarste geloofsbeproeving wachtte Abraham nog: God gebood hem zijn zoon Izak tot een brandoffer te offeren. Gen. 22:1, 2.

* Waarom was deze geloofsbeproeving voor Abraham de zwaarste? Gen. 17 : Idb. Eom. 9 : 76.

3. Heeft Abraham het hevel Gods aan Izak volvoerd ? Toen Abraham gereed stond het te volvoeren,

heeft God het hem verhinderd.

a. Waardoor alleen kon Abraham zulk eene onvergelijkelijke gehoorzaamheid bewijzen? Hebr. 11:17—19.

b. Is door deze daad zijn geloof ook volmaakt geworden, en welken eerenaam ontving hij? Jak. 2 : 21 — 23.

-ocr page 28-

16

c. Is de offerande van Izak ook een voorbeeld van de offerande van Christus, en staat hiermede ook de belofte in verband, die God Gen. 22 : 18 aan Abraham deed?

4. Wat verhaalt de Schrift van Abrahams verder leven tot zijnen dood?

Dat Abraham na Sara's dood zich Ketura tot eene vrouw nam, bij wie hij zonen verwekte, en dat hij voor Izak eene vrouw zocht, waarna hij, 175 jaren oud zijnde, in het geloof op de belofte ontslapen is.

а. Hoe oud was Sara, toen zij stierf? Gen. 23 : 1.

б. Waartoe kocht Abraham den akker Machpela? Gen. 23 : 3 — 20.

c. Hoe handelde Abraham omtrent de zonen zijner bijwijven ? Gen. 25 : 6.

d. Van waar en door wien liet Abraham eene vrouw voor Izak zoeken? Gen 24:1 — 67.

«. Heeft Abrahams persoon ook hooge beteekenis voor de geschiedenis, inzonderheid voor die van het Godsrijk?

ELFDE LES.

Van Izak tot Jakob.

1. Werd het huwelijk van Izak en Rebekka ook met kinderen gezegend?

Na twintigjarige echtvereeniging, verhoorde God Izaks gebed, en hem werden uit Rebekka twee zonen geboren, Ezau en Jakob.

a. quot;Wat had God vóór de geboorte van Ezau en Jakob van hen aan Kebekka voorzegd? Gen. 25 : 23. Rom. 9 : 11, 12. h. Onderscheidden Ezau en Jakob zich ook van elkander, en droegen Izak en Rebekka hun eene gelijke liefde toe ? Gen. 25 : 27, 28.

-ocr page 29-

37

2. TFie der öeide zonen werd door Izak tot erfgenaam der belofte gezegendquot;?

Izak wilde Ezau zegenen; doch Rebekka wist dit te verhinderen, zoodat Izak Jakob zegende, en deze, en niet Ezau, de erfgenaam der belofte werd.

a. Hield de aartsvaderlijke zegen niet iets meer in dan de toezegging van stoffelijke zegeningen?

h. Wat heeft Kebekka gedaan, opdat niet Ezau, maar Jakob den zegen zou ontvangen, en welk aandeel had Jakob hierin? Gen. 27 : 1—29.

c. Hoe moeten wij over Ezau oordeelen? Gen. 25 : 30—32. 26:34, 35. 27:41. Hebr. 12:16, 17.

d. Moeten wij in het beoordeelen van deze geheele geschiedenis niet rekening houden met hetgeen God tot Bebekka gesproken had? Gen. 25:23!). Rom. 9:11, 12.

3. Wat deed Rebekka om Jakob aan Ezau's wraak te doen ontkomen?

Zij drong bij Jakob aan om naar Haran, naar haar broeder Laban te vluchten. Gen. 27:42 — 45.

a. Onder welk voorgeven wist zij de eigenlijke oorzaak van Jakobs vlucht voor Izak te verbergen? Gen. 27 : 46.

h. Heeft Izak in Jakobs vertrek naar Haran bewilligd, en wat gaf hij aan Jakob bij zijn vertrek naar Haran? Gen. 28:1—5.

4. Eoe oud was Izak, toen hij stierf?

Izak was 180 jaren toen hij stierf, en is door zijne zonen Jakob en Ezau begraven. Gen. 35:27, 28, 29.

* Welke opmerkingen hebt gij, wanneer gij Izak met Abraham vergelijkt?

B. a.

-ocr page 30-

18

TWAALFDE LES.

Jakobs vlucht en verblijf bij Laban.

1. Wat overkicam Jakob op zijne vlucht naar Pad-dan-Aram tot Laban?

God verscheen hem des nachts in eenen droom, en beloofde aan Jakob met hem te zijn, en hem en zijn zaad het land te geven, waarop hij lag te slapen. a. Waar lag Jakob te slapen? Gen. 28 : 11.

h. Wat zag Jakob in zijnen droom, en wie stond op dien

ladder? Gen. 28:12, 13a.

c. Mocht Jakob zulk eene gunstige verschijning Gods verwachten; wat getuigt hij er zelf van; en waartoe verbond hij zich? Gen. 28 ; 16—22.

2. Wat is Jakobs wedervaren bij Laban geweest? Jakob heeft van Laban eerst zijne oudste dochter

Lea, en daarna zijne tweede dochter Rachel tot vrouw gekregen, en hoewel Laban hem menigmaal bedrogen heeft, is hij toch tot grooten rijkdom gekomen.

a. Hoe lang heeft Jakob bij Laban gediend? Gen. 31 : 38. h. Waarin bedroog Laban hem eerst, en waarmede later?

Gen. 29:16—28. 31:38 — 42.

c. Wat was er voor Jakob uit Labans gedrag te leeren?

3. Wat deed Jakob, toen hij twintig jaren bij Laban geweest was?

Jakob heeft toen op Gods bevel met al de zijnen en al zijne bezittingen Laban verlaten, om terug te keeren naar Kanatln. Gen. 31:1 — 3.

a. Gaf Labans gedrag Jakob ook aanleiding tot zijn vertrek?

Gen. 31 : 4—16.

h. Hoe heeft Jakob Laban verlaten, en is dit goed te keuren?

Gen. 31 : 17—21.

c. Heeft Laban Jakob achterhaald, en hoe liep die ontmoeting af? Gen. 31 ; 22 — 55.

-ocr page 31-

19

d. Was het goed, dat Rachel de Terafim uit haars vaders hnis medenam, en wat doet dit ons zien?

4. is Jakob op zijn verderen tocht naar Kanaan niets kwaads overkomen?

Neen; hoewel Jakob zeer vreesde, toen hij vernam, dat Ezau hem met 400 man tegemoet trok, heeft God hem dezen toch met vrede doen ontmoeten.

quot; Wat deed Jakob nit vrees voor Ezau? Gen. 32 : 3—20.

5. Waardoor heeft God Jakob, toen Ezau hem tegemoet trok, bij vernieuwing van zijne gunst verzekerd?

God heeft Jakob bij vernieuwing van zijne gunst verzekerd, toen Hij Zich te Pniël aan hem openbaarde, en hem den eerenaam van Israël gaf.

a. Waardoor verwierf zich Jakob dien eerenaara, en met wien streed Jakob daar? Gen. 32 : 28. Hozea 12 : 5.

h. Hoe was de ontmoeting tusschen Ezau en Jakob? Gen. 33 : 1—16.

c. Waar vestigde zich Jakob het eerst in Kanaan, en wat bouwde hij aldaar den Heere? Gen. 33: 17 — 20.

DERTIENDE LES.

Jakob en zijne zonen.

1. Hoe veel kinderen had Jakob?

Jakob had, behalve ééne dochter, twaalf zonen.

* Zijn deze kinderen allen nit Lea en Rachel geboren, en welke zijn hunne namen? Gen. 35:23—26.

2. Hoe gedroegen zich de kinderen van Jakob?

De zonen van Jakob, inzonderheid Ruben, Simeon en Levi, hebben het leven van hun vader verbitterd.

* Wat gebeurde te Sichem met Jakobs dochter Dina, en hoe gedroegen Simeon en Levi zich jegens de Sichemieten? Gen. 34.

-ocr page 32-

20

3. Reeft Jakob ook bewezen, dat hvj met zijn huis den Heere wilde dienen?

Jakob heeft dit bewezen, toen hij, bij zijn opbreken van Sichem, zijn huisgezin beval: „Doet weg de vreemde goden, en reinigt u, en verandert uwe kleederen.quot; Gen. 35 : 2.

a. Hoe lang heeft Jakob te Sichem gewoond?

b. Op wiens bevel trok Jakob van Sichem op, en waarheen moest hij trekken? Gen. 35 ; 1.

c. Vanwaar waren die afgoden in Jakobs huisgezin? Gen. 31 ; 19, 30, 34.

d. Welke zoon werd Jakob omtrent dezen tijd geboren, en wie verloor hij? Gen. 35:16 — 20.

4. Aan wien hebben Jakobs zonen zich het snoodst vergrepen ?

Aan hun broeder Jozef, dien zij haatten, omdat hij door Jakob boven hen geliefd en onderscheiden werd.

a. Welk bewijs van liefde en onderscheiding gaf Jakob aan Jozef, en deed hij daar goed aan? Gen. 37 : 3.

I. Werd Jozef ook van God bemind en onderscheiden? Gen. 37 : 5—11.

5. Hoever ging de haat van Jakobs zonen tegen hun broeder Jozef?

Zij hebben hem eerst willen dooden, maar op Juda's voorspraak lieten zij hem in het leven, en verkochten hem als slaaf naar Egypte.

a. Wie van Jakobs zonen, behalve Jada, bewees eene betere gezindheid jegens Jozef, en wie waren het wreedst tegen hem? Gen. 37:21, 22, 29, 30.

b. Aan wien word Jozef verkocht, en is het niet opmerkelijk, dat deze kooplieden juist op dit oogenblik kwamen? Gen. 37 : 25-28.

c. Deze kooplieden worden Gen. 37 : 25, 27, 28. 39 : 1 Ismaëlie-ten, en Gen. 37 : 28, 36 Midianieten genoemd; vanwaar dit?

d. Hoe zochten Jozefs broeders hun snood bedrijf voor hun vader Jakob te verbergen? Gen. 37 : 31—35.

-ocr page 33-

21

VEERTIENDE LES.

Jozef in Egypte.

1. Bij wien kwam Jozef in Egypte?

Jozef kwam in Egypte bij Potifar, een hoveling van Farao, die hem uit de hand der Ismaëlieten tot slaaf kocht. Gen. 39 :1.

a. Bewees de Heere niet, dat Hij met Jozef was? Gen. 39 : 2—6.

b. Is Jozef ook gevaarlijk verzocht, en heeft God hem niet zwaar beproefd? Gen. 39 ; 7—20. Ps. 105 ; 18.

c. Welke ontmoetingen had Jozef in de gevangenis? Gen. 39 : 21-40 : 23.

d. Welk oogmerk had God met deze beproeving van Jozef? Ps. 105 : 19.

2. Hoe heeft God Jozef verlost en verhoogd?

God deed Farao ongewone droomen droomen, die niemand dan Jozef kon uitleggen, en waarom de koning hem tot hoog aanzien en groote macht verhief.

a. Welke waren die droomen, en wat beteekent het, dat de koeien uit de rivier opkwamen? Gen. 41 : 1 — 8.

h. Wat gaf aanleiding, dat Jozef bij Farao bekend werd, en hoe legde hij 's konings droomen uit? Gen. 41 : 9 — 32.

c. Welken raad gaf Jozef aan den koning, en hoe vergold de koning hem? Gen. 41 : 33 — 44.

d. Hoe oud was Jozef toen; met wie trouwde hij; en hoe heetten zijne zonen, die hij had, voor dat Jakob in Egypte kwam? Gen. 41 : 45 — 52.

3. Wat gaf aanleiding, dat Jakob met zijn huisgezin naar Egypte trok?

Jakobs zonen kwamen in Egypte om koren te koopen; en nadat Jozef hen beproefd en zich aan hen bekendgemaakt had, begeerde hij, dat zijn vader en zijne geheele familie zou afkomen naar Egypte.

a. Is het niet vreemd, dat Jozef zijn vader zoo lang onkundig heeft gelaten, dat hij leefde en in aanzien was?

-ocr page 34-

22

h. Hoe beproefde Jozef zijne broeders, en met welk oogmerk? Gen. 42—44.

c. Handelde Jozef niet te streng met hen, en deelde Jakob niet mede in die beproeving? Gen. 42:36—38.

d. Kon Jakob het aanstonds gelooven, dat Jozef nog leefde? Gen. 45 : 26.

4. Is Jakob naar Egypte afgetogen?

Ja; Jakob is, nadat God tot hem gesproken had; „Vrees niet van af te trekken naar Egypte,quot; met zijn gansche geslacht derwaarts afgetogen. Gen. 46:3.

a. Hoe oud was Jakob toen? Gen. 47 : 9, 28.

b. Waar verscheen de Heere aan Jakob? Gen. 46: 1 — 4.

c. Hoe was zijne ontmoeting met Jozef, en hoe werd hij door Farao ontvangen? Gen. 46 : 28 — 34. 47 : 1 —10.

d. Waar woonde Jakob en zijne zonen in Egypte? Gen. 46 : 34. 47:11.

VIJFTIENDE LES.

Jakob en zijne nakomelingen in Egypte.

1. Hoe lang heeft Jakob nog in Egypte geleefd? Jakob heeft in Egypte nog 17 jaren geleefd, en is,

nadat hij Jozefs beide zonen en zijne eigene zonen gezegend had, in vrede ontslapen.

a. Wat geschiedde er bij het zegenen van Manasse enEfraïm?

Gen. 48 : 8-20.

h. Tan Wien heeft Jakob in het zegenen zijner zonen geprofeteerd, en op wien zijner zonen ging de belofte van den Messias over? Gen. 49:8—12.

c. Waarmede heeft Jakob stervende zijn geloof aan de belofte Gods bewezen? Gen. 49:18, 29—33.

2. Wat vreesden Jozefs broeders, toen hun vader Jakob gestorven was ?

Zij vreesden, dat Jozef hun al het kwaad vergelden zou, dat zij hem hadden aangedaan.

-ocr page 35-

23

a. Wat gaven zij voor? Gen. 60 : 15—17.

b. Welk merkwaardig en liefderijk antwoord gaf Jozef hun? Gen. 50 ; 19—21.

c. Hoe oud is Jozef geworden? Gen. 50 : 22, 23.

d. Wat beval hij omtrent zijn gebeente, en waarom beval hij niet, gelijk Jakob, dat hij aanstonds na zijn dood in Kanaiin zou begraven worden? Gen. 50 : 24, 25. Hebr. 11 ; 22.

8. Welke bedoelingen had God met de komst en het verblijf van Jakob en zijne nakomelingen in Egypte?

God wilde Jakobs nakomelingen in Egypte tijdelijk afzonderen, opdat zij zich met de afgodische volken van Kanaan niet zouden vermengen, en tot een zelfstandig volk worden.

a. Was er gevaar voor die vermenging in Kanaiin? Gen. 34.

h. Was er in Egypte minder gevaar voor die vermenging? Gen. 46 : 346.

c. Stond Israëls afzondering in Egypte ook in verband met de belofte van den Messias?

4. Bleven de Egyptenaren, na den dood van Jozef en zijne broeders, gunstig gezind omtrent de Israëlieten ?

Neen; de Egyptenaren hebben na den dood van Jozef en zijne broeders de Israëlieten zwaar verdrukt.

a. Waarom verdrukte de nieuwe koning de kinderen Israels? Exod. 1 : 6 — 10.

b. Waarin bestond die verdrukking, en welke uitwerking had zij? Exod. 1:11—22.

c. Wat had God met deze verdrukking van Israël voor?

ZESTIENDE LES.

Mozes, Israels redder.

1. Wie werd in den tijd van Israels zwaarste verdrukking geboren?

Mozes, de zoon van Amram en Jochebed, uit het

-ocr page 36-

24

huis van Levi, die door God behouden, aan Farao's hof werd opgevoed, opdat hij de redder zijns volks zou worden.

a. Hoe is Mozes bij het leven gespaard? Exod. 2 : 1—10.

h. Kwam Mozes niet tot hoog aanzien aan Farao's hof? Exod. 2 : 10. Hand. 7 : 21, 22.

c. Diende Mozes' opvoeding en verblijf aan Farao's hof ook tot ziine vorming om redder zijns voiks te worden? Hand. 7:22.

2. Tot welken leeftijd is Mozes aan Farao's hof gebleven ?

Toen Mozes veertig jaren oud was, moest hij uit Egypte vluchten, omdat hij een Egyptenaar verslagen had, waarom Farao hem wilde dooden.

а. Bij welke gelegenheid en waarom versloeg hij den Egyptenaar? Exod. 2:11 — 15.

б. Wat meende Mozes dat zijne broederen, de Israëlieten, zouden verstaan? Hand. Y : 25.

c. Welke keus deed Mozes? Hebr. 11 : 24—26.

3. Waar vond Mozes een veilig verblijf, toen hij uit Egypte vluchtte ?

Mozes vond, toen hij uit Egypte vluchtte, een veilig verblijf in Midian, bij den priester Jethro, met wiens dochter Zippora hij zich in het huwelijk begaf.

a. Is Jethro dezelfde met Behuël en Hobab? Exod. 3:1. Exod. 2 : 18. Num. 10 : 29.

5. Hoe veel kinderen heeft Mozes uit zijn huwelijk met Zippora gehad? Exod. 18 : 1—4.

4. Wat gebeurde Mozes, toen hij veertig jaren in Midian geweest icas ?

De Engel des Heeren verscheen Mozes in een brandend braambosch, aan den berg Horeb, en zond hem naar Farao, tot verlossing van zijn volk Israël.

a. Was de verdrukking van Israël,quot; gedurende Mozes' verblijf in Midian, nog toegenomen? Exod. 2 : 23.

-ocr page 37-

25

6. Wie is do Engel des Heeren, en hoe noemde Hij Zich? Exod. 3 : 6. verg. Hand. 7 ; 30—32.

c. Wat was merkwaardig van het brandende braambosch, en wat beteekende dit? Exod. 3:2, 3.

d. Met welken naam openbaarde Zich God aan Mozes? Exod. 3 : 14.

e. Was Mozes gewillig den goddelijken last uit te voeren, en welke teekenen gaf de Heere hem, en waarvan waren deze zinnebeelden? Exod. 4 : 1—17.

ZEVENTIENDE LES.

Mozes voor Farao, en Israels verlossing.

1. Met welken last des Heeren kwam Mozes het eerst tot Farao?

Mozes had in last tot Farao te zeggen: „Alzoo zegt de Heere, de God van Israël: Laat mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!quot; Exod. 5:1.

«. Wie vergezelde Mozes voor Farao? Exod. 4:14—16. b. Waarom gaf de Heere hem eerst dien last?

2. Vonden Mozes en Aaron gehoor bij Farao? Mozes en Aaron vonden zoo weinig gehoor bi)

Farao, dat deze den arnbtlieden bevel gaf, het werk der Israëlieten nog meer te verzwaren.

a. Waarin bestond die verzwaring van het werk der Israëlieten? Exod. 5:6 —19.

i. Welk verwijt deden de kinderen Israels aan Mozes en Aaron, en hoe gedroeg Mozes zich hieronder? Exod. 5 ; 20—24.

3. Waardoor heeft God Farao eindelijk gedwongen Israël te laten trekken?

God bracht, op Mozes' woord, tien zware plagen

-ocr page 38-

26

over Egypte, waardoor Farao eindelijk gedwongen werd Israël te laten trekken.

а. Welke waren die plagen, werden zij ook bij toeneming zwaarder, en welke was de laatste?

б. Wat deden de Egyptische toovenaars, en waarvoor houdt gij hetgeen zij deden? Exod. 7 ; 22. 8 : 7, 18, 19.

c. Hoe gedroeg Farao zich onder die plagen; en wat betee-kent het, als er nu eens staat: „Farao verzwaardde zijn hart,quot; en dan weder; „De Heere verhardde Farao's hart?quot; Exod. 8 : 32. 10 ; 27.

d. Hebben de Israëlieten ook geleden van de plagen, die over Egypte kwamen? Exod. 8 : 22, 23. 9 : 4, 6, 26. 10 : 23.

11 : 5—7.

4. In welken nacJit trokken de Israëlieten uit Egypte ? In den nacht, in welken God alle eerstgeborenen

in Egypte sloeg, van de menschen af tot de beesten toe.

a. Stierven de eerstgeborenen der Israëlieten ook, en wat was

het teeken van hnnne verschooning? Exod. 12 : 12, 13. amp;. Wat moesten de Israëlieten doen, vóór zij uittrokken?

Exod. 12 : 1—28.

c. Wat boteekent het woord pascha, en had deze instelling nog eene hoogere beduidenis? 1 Cor. 5 : 7, 8.

5. Hoe groot ivas het getal der kinderen Israels, dat uit Egypte trok?

De kinderen Israels waren omtrent zeshonderd duizend, mannen alleen, behalve de kinderkens. Exod. 12:37.

a. Wie vermeerderden bij den nittocht dit getal nog? Exod.

12 : 38.

b. Zijn de kinderen Israëls ledig uit Egypte gegaan, en kwam hun dit toe? Exod. 3 : 21, 22. 12 : 35, 36.

c. Hoe lang hebben de Israëlieten in Egypte gewoond? Verg. Exod. 12 : 41 met Hand. 7:6 en Gal. 3:17.

-ocr page 39-

27

n

11. VAN MOZES TOT CHEISTUS.

§ 4.

ag

Van Israels uittocht uit Egypte tot Saul,

Israëls eersten koning. (2909.)

dt

(Exod. 13:17—1 Sam. 8:22.)

e-jn

ACHTTIENDE LES.

?quot;

Israël In de woestijn tot aan Slnaï.

ie

1. Langs welken weg zijn de Israëlieten uit Egypte

3.

naar Kanadn getrokken?

Zij trokken van Raméses naar Sukkoth, en van daar

?

naar Etham, het noordelijke punt van de Roode of

n

Schelfzee. Exod. 12 : 37. 13 : 20.

s-

a. Was dit de kortste weg, en -waarom leidde de Heere hen

op dien weg? Exod. 13 ; 17.

as

b. Waardoor wees God Israël den weg? Exod. 13 ; 21, 22.

00 CO

i

CO O

a?

c. Welk bevel ontvingen zij te Etham, en waarom? Exod.

14 : 1—4.

2. Hoe heeft God Israël door de Roode Zee geleid?

God heeft Israel op het droge door do Roode Zee

geleid; maar Farao en zijn leger, die hen achterna

d

jaagde, in de zee doen omkomen.

a. quot;Wat deed God om Israël alzoo door de Zee te leiden?

d.

Exod. 14 : 13 — 31.

6. Waarom deed de Heere de Egyptenaren in de Zee omko

d.

men? Exod. 14 : 17, 18.

c. Gaven Mozes en de kinderen Israëls den Heere geen lof

m

voor hunne wonderbare redding? Exod. 15:1 — 21.

3. Waar kwamen de Israëlieten toen zij de Roode

er O'

Zee waren doorgegaan ?

Zij kwamen in de woestijn van Arabië, en leger

den zich eerst te Mara, daarna te Elim, en vervol

gens in de woestijn Sin. Exod. 15 : 22—16 :1.

-ocr page 40-

28

a. Hoedanig was het water te Mara, en hoe werd het zoet? Exod. 15 : 23—25.

b. Wat vonden zij te Elim? Exod. 15 : 27.

4. Vanwaar verkregen de Israëlieten hun levensonderhoud in de woestijn?

God heeft de Israëlieten in de woestijn wonderdadig met manna gevoed, en hen even wonderdadig van water voorzien.

a. Vanwaar was het manna, en op welken dag werd het niet gevonden? Exod. 16 : 4—24, 25—36.

h. Hoe gaf God den Israëlieten water? Exod. 17 : 1—7. Num. 20 : 11.

c. Met welk oogmerk heeft God Israël zoo wonderdadig in de woestijn onderhouden? Deut. 8:2—6.

5. Wat overkwam den Israëlieten nog, eer zij zich in de woestijn van Sinaï legerden ?

Te Eafidim werden zij door de Amalekieten verraderlijk aangevallen, maar God stond zijn volk bij, zoodat zij hunne aanvallers versloegen.

a. Door wien, en hoe gaf God den Israëlieten de overwinning? Exod. 17 : 8 —13.

h. Welk gedenkteeken van deze overwinning richtte Mozes op? Exod. 17 : 14—16.

c. Wie kwam Mozes om dezen tijd bezoeken, en welken raad gaf hij hem? Exod. 18.

NEGENTIENDE LES.

De wetgeving.

1. Wat ging aan de wetgeving op Sinaï vooraf? Aan de wetgeving op Sinaï ging vooraf eene plechtige verbondmaking tusschen den Heere en Israël.

a. Wat beloofde God in dit verbond aan Israël, en welke verplichting nam Israël op zich? Exod. 19:3—8.

-ocr page 41-

29

b. Wie diende bij deze verbondmakiug als middelaar? Exod. 19 : 3. Hand. 7 : 38.

2. Onder welke teekenen heeft God de wet op Sinaï gegeven 1

Onder de ontzaglijke teekenen van donder en bliksem, ook rookte en beefde de berg, toen de Heere op denzelven nederkwam. Exod. 19; 18.

а. Hoe had Israël zich tot het ontvangen der wet voor te bereiden? Exod. 19 : 10 —15.

б. Waarom geschiedde de wetgeving onder zulke teekenen, en kenmerkt dit ook de Oade bedeeling in onderscheiding van de Nieuwe? Deut. 4: 9 —12. Hebr. 12 : 18—24.

3. Roe worden de wetten onderscheiden, welke Mozes op Sinaï van God ontving ?

Zij worden onderscheiden in: de wet der tien geboden of de zedelijke wet; de schaduwachtige wetten, of wetten, die den openbaren godsdienst beschreven; en de burgerlijke wetten.

4. Welke dier wetten kan men Israels grondwet noemen ?

De wet der tien geboden of de zedelijke wet, omdat al de andere wetten op haar gegrond zijn.

a. Yan welke andere wetten is voornamelijk het 4e gebod de grondslag, en van welke wetten het 5e gebod?

h. Heeft Jezus ook op de eenheid van alle wetten Gods gewezen? Matth. 5 : 17—19. 22 : 37—40.

5. Hoe ontving Mozes de wet der tien geboden van God ?

Mozes ontving de wet der tien geboden op twee steenen tafelen, beschreven met Gods vinger. Deut. 5 : 22. 9 :10.

a. Zijn die oorspronkelijke tafelen behouden gebleven, en heeft Mozes geene andere gemaakt? Deut. 9 : 16, 17. 10 : 1, 2.

-ocr page 42-

30

b. Wat is de hoofdsom der tien geboden, en hoe worden zij verdeeld? Deut. 6 : 5. Rom. 13 : 9. Matth. 22 : 36—4:0.

6. Met welk oogmerk gaf God aan Israël de wet der tien geboden en al de andere wetten?

God gaf Israël al deze wetten, opdat het als een afgezonderd volk Hem alleen dienen zou, en voorbereid worden tot de komst van Christus.

a. Tot welke kennis moest inzonderheid de wet der tien geboden Israël brengen? Bom. 3 : 206.

b. Werd Israël door de andere wetten afgezonderd van alle andere volken? Ef. 2 : 14, 15.

c. Wie is het einde der wet, en zocht en vond de ware Israëliet in Christus niet zijne zaligheid? Bom. 10:4.

TWINTIGSTE LES.

Vervolg.

1. Wat Melden de schaduwachtige wetten in?

De schaduwachtige wetten hielden voorschriften in omtrent den plechtigen dienst, dien Israël Jehova te wijden had.

* Is het sehriftnurlijk deze wetten schaduwachtige te noemen, en van Wien waren zij de afschaduwing? Hebr. 10 ; 1. Col. 2 : 17.

2. Waarin bestond de plechtige dienst, dien Israël Jehova te wijden had?

Voornamelijk in het doen van offeranden, die de priesters dagelijks en op hooge feesten in en vóór den tabernakel den Heere te brengen hadden.

3. Hoe was de tabernakel afgedeeld, dien Mazes op Gods bevel in de woestijn heeft opgericht?

De tabernakel was afgedeeld in twee deelen: het heilige en het heilige der heiligen, en van

-ocr page 43-

31

alle zijden omgeven door eene ruimte, die het voorhof genaamd werd.

a. Had Mozes tot het maken van den tabernakel niet meer dan één bevel van God? Exod. 25 : 9, 40.

b. Geef eene beschrijving van den tabernakel.

c. Wie hebben den tabernakel vervaardigd, en vanwaar de bouwstoffen? Exod. 31 : 2 — 6. 35 : 4—29.

d. Wat stond er in het voorhof? Exod. 27 :1—8. 30; 17—21. Wat in het heilige? Exod. 30 : 1 —10, 25 : 23—30. 25 : 31—39.

Wat in het heilige der heiligen? Exod. 25:10 —16, 17—22.

e. Wat scheidde het heilige van het heilige der heiligen, en welke beteekenis had die afscheiding? Hebr. 9 : 1—8.

4. Wie -verordende God tot bedienaren van den tabernakel ?

God verordende tot bedienaren van den tabernakel Priesters en Levieten, en stelde over hen één tot Hoogepriester.

a. Verkoor God de Priesters en Levieten uit alle stammen van Israël? Num. 18 : 1, 2.

b. Uit welk hui» van don stam van Levi waren de Priesters, en wie was de eerste Hoogepriester? Exod. 28 : 1.

c. Was het werk der Priesters en Levieten niet onderscheiden ? Num. 18:5 — 8.

d. Stonden de Priesters in de plaats van het volk voor God, en welk teeken, dat de Hoogepriester droeg, wees dit aan? Hebr. 5 : 1. Exod. 28 : 29.

5. Wat moesten de Priesters in de plaats des volks aan God brengen 1

Onderscheidene offeranden, zooals brand-, zoenen dankoffers.

ö. Wat beteekent het woord offeren?

igt;. In wiens plaats kwam het offer, en wat was het beteeke-nisvolle in het dierlijke offer? Lev. 17 : 11. Hebr. 9 : 22. Ef. 1:7.

-ocr page 44-

32

6. Wanneer brachten de Priesters de offeranden aan den Heere ?

De Priesters brachten dagelijks het morgen- en avondoffer, en bovendien talrijke offers op Israels heilige feesttijden.

* Het morgen- en avondoffer. Exod. 29 : 38—42. Num. 28 ; 3—8.

7. Had Israël vele heilige feesttijden ?

Israël had, behalve de drie groote feesten: het Paasch-, Pinkster- en Loofhuttenfeest, nog den groeten Verzoendag en de Nieuwe Maan- en Jaarfeesten.

а. Wat werd op het Paasch-, Pinkster- en Loofhuttenfeest herdacht, en hoe werden die feesten gevierd? Exod. 23 : 14—17. Deut. 16 : 1 — 16.

б. Welk offer werd op den grooten Terzoendag gebracht? Lev. 16 : 2—34.

c. Zie over de Nieuwe-Maanfeesten, Num. 10 : 10. 28 : 11—15, en over de Jaarfeesten, Lev. 25. Exod. 23 : 10, 11.

d. Waarom gaf God aan Israël den Zevenden dag en alle andere feestdagen? Exod. 31 : 13.

EENENTWINTIGSTE LES.

De omzwerving in de woestijn.

1. Hoe lang waren de Israëlieten aan Sinaï gelegerd ?

De Israëlieten waren omstreeks een jaar aan Sinai gelegerd, toen Mozes hen op Gods bevel deed opbreken om naar Kanaan te trekken.

a. Aan welke zware zonde maakten zij zich daar schuldig, en zien wij hieruit ook den invloed van hun verblijf in het afgodisch Egypte? Exod. 32 : 1—6.

b. Waar was Mozes, toen Israël het gouden kalf maakte, en waar Aaron? Exod. 32 : 7, 21 — 23.

-ocr page 45-

33

c. Hoe was Mozes onder dit gedrag des volks gesteld; welk gericht liet hij over de aanleggers uitvoeren, en wat deed hij voor het volk bij God? Exod. 32: 11—24, 25—29, 30 — 34.

2. Waar trokken de Israëlieten heen, nadat zij van Sinai ivaren opgetrokken?

Zij trokken tot aan de zuidelijke grens van Kan aan, naar Kades-Barnéa, van waar Mozes de twaalf mannen zond om Kanaan te verspieden.

a. Wat gebeurde er op dezen weg te Kibroth-Thaava, en wie waren de aanleggers ervan? Num. 11:1—6 en 18—35.

I). Waaraan maakten zich Mirjam en Aaron tegenover Mozes schuldig? Num. 12.

c. Op wiens last zond Mozes de verspieders, en waarom twaalf? Num. 13 : 1 — 3.

3. Brachten de verspieders een goed gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden?

Neen; maar zij brachten een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, zoodat het volk tegen Mozes en Aaron opstond, en een hoofd wilde opwerpen om weder te keeren naar Egypte.

a. Brachten al de verspieders een kwaad gerucht voort, en wat getuigden Jozua en Kaleb? Num. 13 : 27 — 33. 14 : 6—10.

b. Uit welken bitteren wortel sproot èn het kwaad gerucht, bij de verspieders, èn het oproer en de wederspannigheid des volks voort? Hebr. 3:12, 17 —19.

4. Welke straf hebben de Israëlieten wegens hun ongeloof en ongehoorzaamheid moeten dragen ?

De Israëlieten hebben tot straf voor hun ongeloof en ongehoorzaamheid nog 38 jaren in de woestijn moeten omzwerven, totdat allen, die boven de twintig jaren waren, in de woestijn zouden gevallen zijn.

a. Wat wilde de Heere eerst doen, en op wiens voorbede geschiedde dit niet? Num. 14:11 —19 en 20 — 37.

-ocr page 46-

34

h. Wie zonderde God van dit oordeel uit? Num. 14 : 38.

5. Wat is er gebeurd in de 38 jaren van het om-siverven der Israëlieten in de woestijn ?

Van het gebeurde in die 88 jaren weten wij zeer weinig. Mozes gaat dit treurige tijdvak bijna stilzwijgend voorbij, en beschrijft alleen het gebeurde in het laatste jaar.

* Mozes verhaalt uit het 38jarige tijdvak alleen den opstand van Korach, Dathan en Abiram. Num. 16 en 17; en in Num. 33 : 17—36 noemt hij de legerplaatsen op, waar de Israëlieten in die jaren vertoefd hebben. Lees Ps. 90 en zie Amos 5 : 25, 26, en Hand. 7 : 42, 43.

TWEEËNTWINTIGSTE LES.

Het laatste jaar der omzwerving.

1. Waar vindt men hetgeen er gebeurd is in het laatste jaar van Israels omzwerving in de woestijn ?

Men vindt dit voornamelijk in het boek Numeri, Hfdst. 20 — 27 en Hfdst. 31 — 35, alsmede een gedeelte in Deuteronomium.

a. Wie stierven in het laatste jaar, en waar? Nam. 20 : 1, 23 — 29.

b. Waarover twistte het volk te Kades in de woestijn, en heeft Mozes hier den Heere evenzoo geheiligd, als hij aan den rotssteen bij Horeb deed? Nnm. 20 : 2—5, 6—13. Verg. Exod. 17 : 5 — 7.

2. Wat gaf aanleiding tot de laatste wederspannig-heid van Israël in de woestijnquot;?

Dat zij, zoo dicht nabij Kanaiin, nog eenmaal terug moesten op den weg der Schelfzee.

a. Wie dwong Israël tot dien omweg? Num.20 : 14—22 en 21: 4.

i. Waarmede strafte God het volk, en wat moest Mozes tot hunne genezing oprichten? Num. 21:6 — 9.

-ocr page 47-

c. Was de opgerichte koperen slang een zinnebeeld der genezing? of werd zij opgericht ten teeken, dat zij de zonde des volks droeg? Joh. 3 ; li, 15.

3. Konden de Israëlieten zonder eenigen strijd of tegenstand Kanadn van de Oostzijde intrekken?

Neen; de Israëlieten vonden ook aan die zijde sterken tegenstand; zij hadden te strijden met Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, maar de Heere gaf hun de overwinning.

4. Wat deed Balak, de koning der Moabieten, toen hij vreesde, dat de Israëlieten ook zijn land zonden nemen ?

Balak, de koning der Moabieten, zond boden tot Bileam, den zoon van Beor, in Mesopotamië, opdat deze zou komen en Israël vloeken. Num. 22.

a. Wie verhinderde Bileam Israël te vloeken, en wat heeft hij in stede daarvan Israël moeten doen? Num. 22:12, 35. 23 ; 5.

h. Heeft Bileam Israël toch geen groot kwaad toegebracht, en welk loon heeft hij verworven? Nam. 31 : 8, 1G. Joz. 13 : 22. Openb. 2 ; 14. 2 Petr. 2 : 15.

c. Vanwaar had Bileam zoo veel kennis van Jehova en van Israëls betrekking lot Jehova?

5. Onder welke stammen verdeelde Mozes het land, dat door hem aan de Oostzijde der Jordaan ingenomen was?

Mozes verdeelde dit land onder de stammen van Ruben en Gad en den Halven-stam van Manasse. Num. 32:33.

a. Waarom viel dit land aan die stammen ten deel? Num. 32 : 1.

h. Waartoe verplichtte Mozes hen? Nam. 32 : 6—27.

6. Wat weten wij van Mozes'' uiteinde?

Dat Mozes, 120 jaren oud, op den berg Nebo, aan

-ocr page 48-

36

gene zijde van de Jordaan, naar des Heeren mond, gestorven is. Deut. 84:1 — 7.

a. Heeft Mozes Israël niet in Kanaan gebracht, en waarom niet? Nnm. 20:7—12. Dent. 32:50—52.

h. Was dit Mozes niet smartelijk, en heeft de Hoore het hem niet vergoed? Deut. 3 ; 23—27. 32 : 49.

c. Heeft Mozes ook van Christus gesproken? Deut. 18:15.

d. Welke plaats neemt Mozes onder de profeten des O. T. in? Deut. 34: 10—12. En wat getuigt de Heere zelf van Mozes? Num. 12 : 6—8.

DRIEËNTWINTIGSTE LES.

Intocht en verovering van Kanaan.

1. Wie heeft de Israëlieten in Kanaan gebracht1?

Jozua, de zoon van Nun, uit den stam van Efraïm,

is na Mozes' dood de leidsman van Israël geworden, en heeft hen in Kanaan gebracht.

o. Was Jozua al vóór Mozes' dood tot leidsman aangesteld, en hoe geschiedde dit? Num. 27 • 15—23.

h. Heeft de Heere Jozua ook na Mozes' dood in zijn ambt bevestigd, en beloofde het volk Jozua gehoorzaam te zijn ? Joz. 1 : 1 — 9, 16 — 18.

c. Is het getal der Israëlieten gedurende de 40jarige omzwerving in de woestijn af- of toegenomen? Yerg. Num. 1 : 46 met Num. 26 : 51.

2. Waar zijn. de Israëlieten door de Jordaan getrokken ?

De Israëlieten zijn tegenover Jericho door de Jordaan getrokken, nadat Jozua het land en Jericho had laten verspieden.

a. Wat gebeurde er met de verspieders te Jericho, en waaruit blijkt het geloof van Raehab, bij wie zij hun intrek hadden genomen? Joz. 2 : 1 — 24. Hebr. 11 : 31.

-ocr page 49-

37

h. Hadden de Israëlieten er tot de verovering van Kanaiin belang bij, dat Jericho het eerst in hun bezit kwam?

c. Wat heeft God gedaan, opdat de kinderen Israëls droogvoets door de Jordaan zonden knnnen trekken? Joz. 3 : 14—17.

d. Wat richtte Jozua in de Jordaan en te Gilgal op, en waartoe? Joz. 4 : 9, 20, 21—24.

e. Welke uitwerking had het vernemen van Israëls wonder-dadigen doortocht door de Jordaan op de bewoners van Kanaan? Joz. 5:1.

3. Hoe is Jericho in de handen der Israëlieten gevallen ?

God heeft Jericho in de handen der Israëlieten gegeven: op het bazuingeklank der priesters, en het gejuich des volks, viel de muur der stad onder zich.

a. Wie verscheen aan Jozua, om hem bevelen te geven in betrekking tot de inneming van Jericho ? Joz. 5 : 13—15 en 6 : 2 — 5.

h. Wat liet Jozua al het volk te Gilgal doen, en welk feest werd daar gevierd? Joz. 5:2 —12.

c. Zijn Bachab en hare betrekkingen gespaard? Joz. 6 ; 22—25.

d. Waarom werd Jericho tot een steenhoop gesteld, en al het kostbare den Heere verbannen? Joz. 6:24, 26, 27.

e. Wie maakte zich schuldig aan het verbannene, en hoe werd hij ontdekt en gestraft? Joz. 7:1 — 26.

4. Was de Heere verder met Jozua en de Israëlieten in de verovering van Kanaan t

Ja; de Heere streed voor Israël, zoodat Jozua in twee veldslagen, eerst op de zuidelijke en vervolgens op de noordelijke Kanaanietische stammen eene volkomene overwinning behaalde, en hun land voor Israël in bezit nam. Joz. 10:40—42. 11:1 — 28.

a. Hoe veel koningen heeft Jozua verslagen, en hoe lang heeft hij om de verovering van Kanaan gekrijgd? Joz. 12:24. 14 : 7 verg. met vs. 10.

h. Was het op Gods bevel, dat de Israëlieten de inwoners

-ocr page 50-

38

doodden en den buit den Heere afzonderden? Joz. 11 : 11 — 15.

c. Heeft Jozua al de inwoners van Kanaiin uitgeroeid? Richt. 3:1 — 4.

d. Hoe hebben de Gibeonieten de Israëlieten bedrogen, opdat zij niet verdelgd zouden worden? Joz. 9:3—27.

e. Welk recht had Israël op de verovering en de inbezitneming van Kanaiin? Gen. 13 : 14— 17.

5. Hoe hebben de stammen Israels elk hun erfdeel in Kanaan verkregen ?

Jozua heeft door het lot aan elk der stammen hun erfdeel toegewezen. Joz. 14 :1. 18 :10.

a. Onder hoeveel stammen is het land aan deze zijde der Jordaan uitgedeeld, en waarom kreeg Levi geen erfdeel gelijk de andere stammen? Joz. 14 : 1—5. Num. 18 : 20. h. Waar werd de tabernakel geplaatst? Joz. 18 : 1.

6. Bleef Jozua tot aan zijn dood de belangen des volks behartigen ?

Ja; Jozua bleef, gesteund door den hoogepriester Eleazar, tot aan zijn dood de belangen des volks behartigen, gelijk uit de laatste hoofdstukken van zijn boek blijkt.

a. Hij regelde de verdere verdeeling des lands. Joz. 18 — 21; waakte voor de eenheid der stammen, 22 : 1 — 34; vermaande het volk tot getrouwheid aan Jehova, en vernieuwde het verbond des volks met Jehova, hun God.

23 : 1—24; 28.

h. Hoe lang heeft Jozua nog in de rust van het aardsche Kanaan gedeeld, voordat God hem in de rust van het hemelsche Kanaan overbracht? Verg. Joz. 14 : 7, 10 met

24 : 29.

VIERENTWINTIGSTE LES.

De tijd der Richteren.

1. Waardoor kenmerkt zich de tijd der Bichteren? De tijd der Richteren kenmerkt zich aan de eene

-ocr page 51-

39

zijde door Israels afvalligheid en Gods tuchtiging, en aan de andere zijde door Israels bekeering en Gods uitredding. Richt. 2 :18, 19.

2. Weken de Israëlieten na dm dood van Jozua aanstonds van den Heere af?

Neen; wij lezen; „Israël nu diende den Heere ai de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden.quot; Joz. 24 :31. Richt. 2: 7.

3. Wanneer begonnen de Israëlieten af te wijken van den Heere en andere goden te dienenquot;?

Toen er een ander geslacht was opgestaan, dat den Heere niet kende, noch ook zijn werk, dat Hij aan Israël gedaan had, verlieten de Israëlieten den Heere en dienden de afgoden. Richt. 2:8 — 13.

a. Vreesde Jozua er niet reeds voor, dat Israël tot afgoderij vervallen zou? Joz. 23:6 — 8. 24:2, lé, 15.

h. Door wie en hoe werden de Israëlieten tot de afgoderij verleid? Richt. 3 : 1—7.

c. quot;Waarom liet de Heere nog zoo vele heidenen in Kanaan overblijven, en hoe handelden de Israëlieten met hen? Richt. 3 : 1. Exod. 23 :28—30. Richt. 1 : 27—36.

4. Door welke volken heeft de Heere de Israëlieten om hunne herhaalde afvalligheid tot afgoderij getuchtigd ?

De Heere heeft de Israëlieten om hunne afgoderij getuchtigd door de Syriërs, Moabieten, Ammonieten, Amalekieten en Filistijnen, die hen bij herhaling bestreden en onderdrukten.

5. Hoe verloste de Heere zijn volk menigmaal uit de hand hunner vijanden?

quot;Wanneer de nood op het hoogst was, verwekte de Heere mannen, die, öf persoonlijk, öf als legerhoofden, Israël uit de hand hunner vijanden verlosten.

-ocr page 52-

40

а. Hoe worden deze mannen genoemd, en waarin waren zij onderscheiden van de koningen? Richt. 2 : 16.

h. Er zijn veertien Richteren geweest: Othniël, Ehud, Sam-gar, Barak, Gideon, Thola, Jaïr, Jeftha, Ebzan, Elon, Abdon, Simson, Eli, Samuël.

c. Wat hebben Othniël, Ehud en Samgar gedaan tot verlossing van Israël? Richt. 3 : 8 —11, 12—30, 31.

б. Wie wekte Barak op tot den strijd tegen Sisera? Debóra, eene profetes, wekte Barak op tot den

strijd tegen Sisera, den krijgsoverste van Jabin, wiens leger hij geheel verslagen heeft. Richt. 4:1 — 16.

a. Wie doodde Sisera, en hoe oordeelt gij over die daad ? Bieht. 4 : 17 — 24.

b. Welk lied zong Debóra? Eieht. 5.

7. Hoe verloste Gideon Israël van de hand der Mi-dianieten ?

Gideon versloeg honderd en twintig duizend Midia-nieten met eene bende van 800 man.

a. Wie riep Gideon om Israël van de hand der Midianieten te verlossen, en wat gebeurde er bij die roeping? Bicht. 6 : 11—24.

b. Wat beval de Heere aan Gideon, en waardoor verkreeg hij den naam van Jerubbaal? Bicht. 6 ; 25—32.

c. Welke teekenen vroeg Gideon van God, en met welke mannen, en op welke wijze versloeg Gideon de Midianieten ? Bicht. 6:33 — 40. 7:1—7, 8—25.

rf. Wie twistten met Gideon, en waarom strafte hij de burgers van Sukkoth en Pniël? Bicht. 8 : 1—3, 4 — 21.

e. Wilde Gideon wel iets anders wezen dan waartoe Goci hem geroepen had, en wat werd Gideon en zijn huis tot een valstrik? Bicht. 8 : 22, 23, 24—27.

f. Bij welke gelegenheid sprak Jotham, Gideons zoon, de schoone fabel van de boomen, die een koning over zich begeerden? Bicht. 9.

-ocr page 53-

41

VIJFENTWINTIGSTE LES.

Vervolg.

1. Van welke Richteren zijn ons geene krijgsbedrijven bekendquot;?

Van de Eichteren Thola, Jaïr, Ebzan, Elon en Abdon zijn ons geene krijgsbedrijven bekend, en sommigen van hen hebben gelijktijdig met andere Richters over verschillende deelen des lands geregeerd. Richt. 10:1-5. 12:8-15.

2. Wie heeft de Ammonieten verslagen ?

De Richter Jeftha, nadat hij hun tweemaal boden gezonden had, om hen tot den vrede te vermanen. Richt. 11:12-28.

a. quot;Wat weet gij van Jeftha's afkomst, en hoe werd hij Israels aanvoerder? Eicht. 11 : 1 — 3, 4—11.

b. Welke gelofte deed Jeftha, en op welke wijze heeft hij die vervuld? Richt. 11:30—40.

3. Waartoe had God Simson bestemd'?

God had Simson bestemd om een Nazireër te zijn, en dat hij beginnen zou Israël te verlossen uit de hand der Filistijnen. Richt. 13 : 5.

a. Wie heeft Simsons geboorte aangekondigd, en wat weet gij van zijne ouders? Bicht. 13 : 1 — 24.

b. Welke aanleiding zocht Simson om met de Filistijnen in strijd te komen, en hoe heeft hij hen bestreden? Richt. 14, 15.

c. Was zijn gedrag altijd in overeenstemming met zijne roeping, en hoe is zijn einde geweest? Richt. 16.

d. Moeten wij niet veel in Simsons gedrag verklaren uit den tijd, waarin hij leefde en werkte?

4. Hoe leeren wvj uit de laatste verhalen, in het boek der Richteren medegedeeld, den toestand van Israël kennen1?

Wij leeren uit die verhalen den toestand van Is-

-ocr page 54-

42

raël in dien tijd kennen als diepvervallen, zoowel wat betreft het zedelijke en godsdienstige als het burgerlijke leven. Eicht. 17—21.

a. Dragen die verhalen ook de bewijzen» dat er, in weerwil van het diep verval, toch nog goede elementen in Israël waren ?

1). Welke geschiedenis uit den tijd der Richteren wordt ons in het boek Ruth verhaald?

5. Wie waren de twee laatste Richteren in Israël?

Eli, de hoogepriester, en Samuël, de profeet.

a. Was Eli in alles een getrouw priester, en hoe handelden zijne zonen, Hofni en Pinehas? 1 Sam. 2 : 12—17.

h. Welk oordeel liet God Eli aanzeggen? 1 Sam. 2 : 27—36. 3 : 11—14, 16 — 18.

c. Heeft de Heere dit oordeel nog bij het leven van Eli over zijn huis gebracht, en wat geschiedde er met de arke Gods? 1 Sam. 4.

6. Wat is Samuël voor Israël geweest?

Samuël, de zoon van Elkana en Hanna, is door zijne profetische en richterlijke werkzaamheid tot grooten zegen voor Israël geweest; hij mag Israels hervormer genoemd worden.

a. Waar bracht hem zijne moeder, toen hij nog zeer jong was, en waarom deed zij dit? 1 Sam. 1 : 24—2 : 1 —11.

h. Hoe is Samuël door God tot profeet geroepen, en werd hij ook als profeet door Israël erkend? 1 Sam. 3:1—15, 19—21.

c. Wat beteekenen de laatste woorden van 1 Sam. 3:1?

7. Welke hervorming bracht Samuël onder Israël teiveeg ?

Dat de kinderen Israels de Baiils en 'Astaroths wegdeden en weer den Heere alleen dienden. 1 Sam. 7 :4.

a. Heeft God door Samuöl Israël ook verlichting gegeven van het juk der Filistijnen? 1 Sam. 7 : 7 —15.

-ocr page 55-

43

h. Wat waren de profetenscholen, door Samuel gesticht? 1 Sam. 10 : 5 — 12. 19 : 20. 2 Kon. 6 ; 1 — 6.

8. Wat begeerde het volk van Samuël, toen hij oud geworden was, en zijne zonen in zijne plaats regeerden?

Toen Samuël oud geworden was, begöerde het volk, dat hij een koning over hen zou zetten, gelijk al de volken hadden. 1 Sam. 8:5.

a. Had Samuël hiertoe reden gegeven, en smartte hem die eiseh des volks niet zeer? 1 Sam. 12 : 3, 4. 8:6.

T). Hadden Samuëls zonen geene aanleiding gegeven tot ontevredenheid bij het volk? 1 Sam. 8 : 3.

c. Wien verwierpen de Israëlieten iu de verwerping van Samuël? 1 Sam. 8:7—9.

d. Was het op zich zelve zondig, dat Israël een koning begeerde, en lag het niet in het plan Gods Israël een koning te geven? Deut. 17 : 14—20.

§ O.

Van Saul, Israëls eersten koning tot de Babylonische wegvoering. (3398).

(1 Sara. 9 : 1—2 Kon. 25 : 21. Vgl. 1 Kron. 10 : 1—2 Kron. 36 ; 21.)

ZESENTWINTIGSTE LES.

Van Saul tot David.

1. Wien moest Samuël op Gods bevel tot koning over Israël zalven ?

Saul, den zoon van Kis, uit den stam van Benjamin.

a. Hoe kwam Saul met Samuël in aanraking, en waardoor bevestigde God Sauls zalving? 1 Sam. 9 : 1 —10 : 1—13.

h. Waardoor is Saul in de tegenwoordigheid des volks als hun koning aangewezen, en waren allen met zijne keuze tevreden? 1 Sam. 10 : 17—27.

-ocr page 56-

44

c. Welke daad van Saul gaf aanleiding, dat al het volk hem met blijdschap tot koning maakte? 1 Bam. 11.

d. Hoe nam Samuël afscheid als Eichter? 1 Sam. 12.

2. Hoe wilde de Heere, dat de koningen van Israël regeeren zouden?

Daar de Heere zelf Koning over zijn volk was, zoo wilde Hij, dat de koningen van Israël onder Hem en in gehoorzaamheid aan zijn woord zijn volk regeeren zouden.

a. Was de Heere Israels koning, en hoe noemt men die regee-riugswijze over Israël? Deut. 33 : 5. Num. 23 : 21.

h. Welk voorschrift wordt in Deut. 17 : 18, 19 aan de koningen over Israël gegeven?

3. Regeerde Saul onder den Heere en in gehoorzaamheid aan diens bevel?

In den beginne regeerde Saul zoo, maar daarna werd hij hoogmoedig en eigenwillig, waarom hij als koning door den Heere verworpen werd.

а. Was Saul voorspoedig in den oorlog tegen Israëls vijanden? 1 Sam. 14:47, 48.

б. Welke was Sauls eerste, en welke zijne tweede daad van ongehoorzaamheid, waardoor het ongenoegen Gods over hem kwam? 1 Sam. 13 : 7—14 en hfdst. 15.

c. Wie kondigde Saul het oordeel zijner verwerping aan, en hoe gedroeg Saul zich bij die aankondiging? 1 Sam. 15 : 13—31.

d. Wat was het zwaarste oordeel Gods over Saul? 1 Sam. 16 : 14.

4. Wien had God bestemd, om in Sauls plaats koning te worden?

David, de zoon van Isaï, uit den stam van Juda, was door God bestemd om Sauls opvolger te worden.

a. Was de stam van Juda niet reeds door God als de koninklijke stam aangewezen? Gen. 49:10. Num. 2:3. Bicht. 1 : 2. Ps. 78 : 68, 70.

b. Wie waren Davids voorouders? Euth. 4:17—22.

c. Wat weet gij van Davids jeugd? 1 Sam. 16 : 11. 17 : 34, 35.

-ocr page 57-

45

d. Verhaal Davids zalving; en werd hij aanstonds koning? 1 Sam. 16 : 1—13.

e. Hoe kwam David aan Sauls hof? 1 Sam. 16 : 17—23.

5. Hoe gedroeg Saul zich jegens David, nadat David Goliath verslagen had?

Saul toonde zich zeer genegen jegens David, hij hield hem bij zich, en maakte hem krijgsoverste. * Wie werd Davids vriend en wapenbroeder ? 1 Sam. 18 : 1—4.

6. Bleef Saul zich zoo gunstig jegens David gedragen ? Neen; Sauls gunstige gezindheid jegens David verkeerde weldra in naijver en doodelijken haat, zoodat David om zijns levens wille Saul ontvluchten moest.

a. Waardoor werd Sauls naijver tegen David opgewekt, wat wilde hij hem doen, en wolke lagen legde hij hem? 1 Sam. 18: 5—9, 10—14, 15 — 30.

b. Wat heeft Saul David tot tweemaal willen doen? 1 Sam. 18 : 10, 11. 19 ; 9, 10.

c. Waar vluchtte David heen, wiens vriendschap kwam hem onder de vervolging van Saul zeer te stade, en wie vluchtten tot David? 1 Sam. 19 : 18. 20 : 1—43. 22 : 2, 20.

d. Heeft Saul David ook achtervolgd in de woestijn, waar vond hij hem, en hoe gedroeg zich David jegens Saul? 1 Sam. 23:7—28. 24:2—23. 26:1—25.

e. Waar was David in den laatsten tijd van zijn omzwerven? 1 Sam. 27.

f. Waren deze beproevingen ook heilzaam voor David? Ps. 119 : 67, 75.

ZEVENENTWINTIGSTE LES.

Davids regeering.

1. Wanneer is David koning geworden?

Toen Saul in den slag tegen de Filistijnen omgekomen was, kwamen de mannen van Juda tot

-ocr page 58-

46

David te Hebron, en zalfden hem aldaar tot koning. 2 Sam. 2: 4.

a. Hoe is Saul omgekomen, en wie viel ook in dien slag?

1 Sam. 31 : 1—6. 2 Sam. 1 : 1—16.

h. Wat toont ons Davids klaagzang over Sauls en Jonathans dood? 2 Sam. 1 : 17—27.

c. Wie werd koning over de andere stammen? 2 Sam. 2 : 8, 9.

d. Was er eene goede verstandhouding tusschen David en Isboseth, en tusschen hun beider krijgsoversten, Joab en Abner? 2 Sam. 2 : 12—3 : 1, 27.

2. Hoe lang regeerde Isboseth over de andere stammen 1 Isboseth regeerde over de andere stammen ruim

zeven jaren, en is door twee van zijne oversten laaghartig omgebracht. 2 Sam. 4:2—7.

# Hoe heeft David de moordenaars van Isboseth vergolden?

2 Sam. 4 : 8—12.

3. Verkozen de andere stammen, na Isboseth's dood, David ook tot hunnen koning1?

Ja; na Isboseths dood verkozen ook de andere stammen David tot koning, en zalfden hem te Hebron. 2 Sam. 5:1 — 3.

a. Hoe oud was David, toen hij koning werd, en hoe lang

heeft hij geregeerd? 2 Sam. 5:4, 5.

h. Welke stad verhief David tot de hoofdstad des lands en tot zijne residentie, en wie woonden nog daarin? 2 Sam. 5:6—9.

4. Heeft David vele overwinningen behaald?

David heeft vele overwinningen behaald, en daardoor het gebied van Israël en zijne heerschappij naar alle zijden uitgebreid.

a. Zie van Davids overwinningen 2 Sam. 8 en 10. h. AanWien schreef David zijn overwinningen toe? Ps. 18:33—51.

5. Is Davids regeering ook gezegend geweest voor den dienst Gods onder Israël?

Ja; David heeft, als een man naar Gods harte, op

-ocr page 59-

47

meer dan ééne wijze den bloei van den waren godsdienst onder Israël bevorderd.

а. Waarheen voerde hij de arke, en waartoe verhief hij daardoor Jeruzalem? 2 Sam. 6. Ps. 68.

h. Wat begeerde David den Heere te bouwen, waarom is dit hem niet toegestaan, en wat heeft hij er nochtans voor gedaan? 2 Sam. 7 : 1—11. 1 Kron. 29 : 1—22.

c. Waardoor heeft David als dichter de Kerk Gods van zijnen tijd en van alle volgende tijden aan zich verplicht? 2 Sam. 23 : 1.

б. Welke groote beloften deed de Heere aan David?

De Heere beloofde David, dat de troon van Israël

erfelijk zou blijven in zijn geslacht, en dat uit zijn geslacht de Messias zou voortkomen. 2 Sam. 7 : 12 — 17.

• In welke Psalmen heeft David van den Messias gesproken?

7. Wat valt er in Davids leven te betreuren ?

Zijne zonde van overspel met Bathseba, en de

zonde van de telling des volks.

а. Heeft David die zonden ook beleden en betreurd? 2 Sam. 12:1—12. Ps. 32, 51. 2 Sam. 24: 10, 17.

h. Welke straffen Gods volgden er aanstonds op die beide zonden van David? 2 Sam. 12 : 14. 24 ; 12, 13.

8. Heeft David ook veel smart van zijne kinderen beleefd ?

Ja; van zijne zonen Amnon, Absalom en Adonia.

«. Welk kwaad bedreef Amnon? 2 Sam. 13 : 1 — 20.

б. Verhaal Absaloms opstand, en zijn einde, en hoe David er zich onder gedroeg. 2 Sam. 15—19.

c. Wanneer poogde Adonia in zijns vaders plaats koning te worden, en is hem dit gelukt? 1 Kon. 1:5—10, 11—53.

-ocr page 60-

48

ACHTENTWINTIGSTE LES.

Salomo's regeering.

1. Wie is David in de regeering opgevolgd!

Zijn zoon Salomo, dien David, kort voor zijnen dood, in zijne plaats tot koning zalven liet.

a. Welken raad gaf David vóór zijn sterven aan Salomo, en

wat droeg hij hem op? 1 Kon. 2: 1 — 4, 5—10.

h. Welke zijn Davids laatste woorden? 2 Sam. 23 : 1—7.

2. Was Salomo een waardig opvolger van zijn vader David?

Ja; Salomo vreesde gelijk zijn vader David den Heere, en de Heere gaf hem niet alleen groote wijsheid, maar ook rijkdom en eere.

a. Welk bewijs van zijne godsvrucht gaf Salomo, toen hij

koning werd? 1 Kon. 3 : 3 — 15.

h. Welke proeven gaf Salomo van zijne wijsheid, en wat bezitten wij nog van hem, waaruit zijne wijsheid blijkt? 1 Kon. 3:16—28. 4:29 — 34.

c. Wie kwam Salomo uit verren lande bezoeken? 1 Kon. 10 : 1 — 13.

3. Wat heeft Salomo den Heere gebouwd ?

Salomo heeft den Heere een prachtigen tempel te

Jeruzalem gebouwd.

a. Hoe lang is over dezen tempel gebouwd, en wie hielpen

Salomo in het bouwen? 1 Kon. 6:37, 38. 1 Kon. 5. h. Heeft Salomo bij de inrichting van den tempel het. grondplan van den tabernakel behouden?

c. Wat had er bij de inwijding des tempels plaats? 1 Kon. 8.

4. Waardoor kenmerkte zich de regeering van Salomo ? De regeering van Salomo kenmerkte zich door

een duurzamen vrede en een ongekenden bloei en welvaart des volks. 1 Kon. 4 :24, 25.

a. Wie had den grond tot dezen vrede en welvaart gelegd?

-ocr page 61-

49

6. Met welke volken knoopte Salomo handelsbetrekkingen aan, en wat deed hij voor de scheepvaart? 1 Kon. 10 : 22—29.

5. Is Salomons regeering zoo gezegend voor Israël gebleven ?

Neen; toen Salomo, op het einde zijns levens door zijne vreemde vrouwen tot afgoderij verleid werd, en den Heerè verliet, begon hij het volk met drukkende diensten te bezwaren. 1 Kon. 11:1—8. ]2;4.

6. Welk groot kwaad heeft Salomo door zijne zonde van afgoderij aan het Rijk toegebracht?

Dat, toen Salomo's zoon, Rehabeam, aan de regeering kwam, het Rijk in tweeën gescheurd werd.

a. Welke tegenstanders verwekte de Heere aan Salomo? 1 Kon. 11:14—22, 23—25, 26—40.

i. Hoe heeft de profeet Ahia de scheuring des Rijks aangekondigd, en hoe gedroeg zich Salomo jegens Jerobeam? 1 Kon. 11 ; 29—39, 40.

c. Is Salomo wedergekeerd tot den Heere? Pred. 1 : 2.

NEGENENTWINTIGSTE LES.

De scheuring des Rijks.

1. Wat gaf aanleiding tot de scheuring des Rijks? Dat Rehabeam bij het aanvaarden der regeering

weigerde aan de grieven des volks tegemoet te komen.

a. Welke grieven had het volk, waren ze billijk, en wie was de hoofdleider des volks? 1 Kon. 12:1—4.

b. Welk antwoord gaf Eehabeam aan het volk, en wie waren zijne raadslieden? 1 Kon. 12:5 —14.

c. Welk antwoord gaf het volk Eehabeam weder? 1 Kon. 12:16.

2. In hoeveel deelen scheurde nu het Rijk?

In twee deelen, waarvan het eene, de stammen van Juda en Benjamin, bij Rehabeam bleef, terwijl

B. G. 4

-ocr page 62-

50

het andere, de tien overige stammen, Jerobeam tot zijn koning verkoor.

a. Was deze scheuring ook voorbereid? Zie van den naijver van Efraïm: Richt. 8:1. 12 : 1, 2. 2 Sam. 19 : 9—15,

b. Heeft Eehabeam ook nog gepoogd de Tien stammen weer onder zich te ;brengen, en keurde de Heere dit goed? 1 Kon. 12 : 21—24.

3. Hoe worden de beide Rijken genoemd?

De twee stammen worden gewoonlijk het Rijk van Juda en de tien stammen het Rijk van Israël of Efraïm genoemd.

a. Waarom -worden de Tien stammen ook wel Efraïm genoemd ?

b. Welke stad was eerst de hoofdstad van het Rijk van Israël, en welke later? 1 Kon. 12 ; 25. 14 : 17. 16 : 24.

Lijst der Koningen.

Aanvang der regeering. Jada. Israël.

Vóór Chr.

981..............Rehabeam.. . .Jerobeam.

963..............Abia.

961..............Asa.

960..........................Nadab.

958..........................RaOsa.

936..........................Ela.

934..........................Zimri.

934..........................Omri.

923..........................Achab....

920..............Josafat...............

903..........................Ahazia . ..

902..........................Joram.. ..

895..............Joram.

891..............Ahazia.

890..............Athalia......Jehu.

884..............Joas.................

862..........................Joahas.

846..........................Joas.

844..............Amazia.

Profeten.

Elia. Eliza.

. Joül.

. Jerobeam II......Jona.

831.

-ocr page 63-

51

Aanvang der regeering. Juda. Israël.

Vóór Chr.

815.............Uzzia

790........................Begeeringloosheid

777...........................Zacharias....

776...........................Sallum......

776...........................Menahem....

765...........................Pekahia.....

763..............Jotham ......Pekah.......

746..............Achas....................

743........................Regeeringloosheid

734...........................Hozea.......

730..............Hiskia....................

725....................Verwoesting des Rijks

701..............Manasse..................

645..............Amon....................

643..............Josia.....................

612..............Joahas...................

611..............Jojakim..................

599..............Jojachin..................

598..............Zedekia...................

588..............Verwoesting des Rijks......

HET RIJK VAN ISRAËL.

DERTIGSTE LES.

Van Jerobeam tot Achab.

1. Hoedanig waren de meeste koningen van Israël? De meeste van de negentien koningen, die over

het Eijk van Israël geregeerd hebben, waren goddeloos, en hebben het volk tot beeldendienst en afgoderij verleid.

a. Uit hoeveel verschillende koninklijke huizen waren de koningen van Israël?

b. Hoe zijn vele van die koningen op den troon gekomen?

2. Welke koning bracht Israël het eerst tot beeldendienst en afgoderij?

Jerobeam, die, om het volk af te houden van den

Profeten.

-ocr page 64-

52

tempeldienst te Jeruzalem, twee gouden kalveren oprichtte, een te Bethel en een te Dan.

o. Was deze kalveren- of stierendienst bij de Israëlieten geheel onbekend? Exod. 32 : i.

h. Onder welk voorgeven trachtte Jerobeara dezen dienst der kalveren bij het volk aannemelijk te maken? 1 Kon. 12 : 28.

c. Heeft Jerobeam al het volk, en ook de Priesters en Levieten tot den kalverendienst kunnen verleiden? 2 Kron.

11 : 13—17.

d. Wie maakte hij tot priesters, en waarom? Verg. 1 Kon.

12 ; 31 met 2 Kron. 13 : 9.

e. Heeft God Jerobeam ook laten waarschuwen, en heeft God ook zijn huis bezocht? 1 Kon. 13 en 14 : 1—19.

3. Welke koningen zijn na Jerobeam gevolgd tot Achab toe?

Nadab, Baësa, Ela, Zimri en Omri, die allen in den weg van Jerobeam gewandeld hebben.

a. Wie was Nadab, hoe lang regeerde hij, en hoe is hij omgekomen? 1 Kon. 14:20 en 15:25—28.

h. Wat deed Baësa, en welke profeet getuigde tegen hem? 1 Kon. 15 : 29—16 ; 1 — 7.

c. Wie bracht Ela om, en wie stelde zich tegen Zimri, en hoe is Zimri omgekomen? 1 Kon. 16 : 8—10, 14—20.

d. Wie maakte Samaria tot de hoofdstad des Eijks? 1 Kon. 16 ; 23—27.

4. Wie overtrof al zijne voorgangers in boosheid en afgoderij ?

Achab, de zoon en opvolger van Omri, van wien geschreven staat, dat hij zichzelven verkocht had, om te doen wat kwaad is in de oogen des Heeren. 1 Kon. 21: 20.

а. Overtrof hij al zijne voorgangers in goddeloosheid? 1 Kon. 16 : 30.

б. Welke afgoderij voerde Achab bij Israël in, en door wie liet hij zich hiertoe ophitsen? 1 Kon. 16:31—33. 21:25.

c. Was de afgoderij van Baiil dezelfde met die van het Bosch ?

-ocr page 65-

53

5. Welke voorname profeten hebben geleefd onder de regeering van Achab en zyjne naaste opvolgers?

De profeten Elia, de Thisbiet, en Eliza, de zoon van Safat. 1 Kon. 17:1. 19:19 — 21.

a. Wat was het ambt en het werk der profeten, en in welke tijden verwekte God de meeste en voornaamste profeten?

h. Welk oordeel heeft Elia aan Achab aangekondigd, en waarheen moest Elia voor Achab vluchten? 1 Kon. 17 : 1—3.

c. Hoe onderhield de Heere Elia aan de beek Krith, en hoe bij de weduwe te Zarfath? 1 Kon. 17:4: —24.

d. Wat deed Elia op den berg Karmel om het volk van den Baaldienst weder te brengen tot den dienst van Jehova? 1 Kon. 18 : 17 — 38.

e. Welke uitwerking had het gebeurde op den Karmel op het volk, op Achab en Izébel? 1 Kon. 18 : 39 —19 : 1, 2.

f. Waarheen vluchtte Elia voor Izébels bedreiging, en wat overkwam hem op den weg? 1 Kon. 19 : 3—8.

g. Zag Elia den toestand van Israël ook donkerder in dan deze was, en hoe heeft de Heere hem bemoedigd en onderwezen? 1 Kon. 19 : 9 —18.

EENENDERTIGSTE LES.

Van Achab tot Jehu.

1. Zijn Achab en Izébel in hun kwaad blijven voortgaan ?

Achab en Izébel zijn niet slechts in hun kwaad blijven voortgaan, maar hebben het nog erger gemaakt, waarom zij beiden, naar het woord van Elia, jammerlijk en schandelijk zijn omgekomen.

a. Bewijs dat Achab en Izébel het nog erger gemaakt hebben. 1 Kon. 21 : 1—16, 25, 26.

b. Elia's voorspelling van Achabs en Izébels einde, en welken indruk die voorspelling op Achab maakte. 1 Kon. 21 : 17—29.

-ocr page 66-

54

c. Welke koning van Juda verbond zich met Aehab in den strijd tegen de Syriërs, wat kondigde de profeet Mieha aan, en hoe is Achab in dien strijd gevallen? 1 Kon. 22 ; 1-39. 2 Kron. 18.

d. Hoe en wanneer is Izébel omgekomen? 2 Kon. 9 : 30—37.

2. Wie volgde Achab op?

Zijn zoon Ahazia. die, na twee jaren geregeerd te hebben, stierf, en opgevolgd is door zijn broeder Joram.

a. Week Ahazia af van den weg van zijn vader Achab en van zijne moeder Izébel, en hoe stelde hij zich tegen Elia?

1 Kon. 22 ; 52 — 5i, en 2 Kon. 1 : 1 —18.

b. Wandelde Joram in al het kwaad van zijn vader Achab en van zijne moeder Izébel? 2 Kon. 3 ; 1—3.

3. Hoe heeft God het einde van Elia bekroond?

Elia heeft als Henoch den dood niet gezien, maar God

heeft hem met een onweder ten hemel opgenomen.

a. Waar en hoe geschiedde die opneming, en wie was er bij

tegenwoordig? 2 Kon. 2:1 —13.

h. Is er ook verband tnsschen al het wonderdadige in Elia's leven en zijne wegneming, en wat was die wegneming voor Eliza, en voor al zijne tijdgenooten ?

4. Wie heeft Elia's werk voortgezet?

Eliza, die door Elia tot profeet gezalfd is, en op wien, bij Elia's heengaan van de aarde, twee deelen van diens geest gekomen zijn.

a. Verhaal de roeping van Eliza tot profeet. 1 Kon. 19 : 19—21.

b. Bleek het aanstonds, dat er twee deelen van Elia's geest op Eliza gekomen waren? 2 Kon. 2 ; 14, 15.

c. Welke wonderen, die Eliza gedaan heeft, worden ons

2 Kon. 4 verhaald ?

d. Verhaal de genezing van Naiiman den Syriër. 2 Kon. 5.

e. Welk wonder verrichtte Eliza aan de Jordaan, wat geschiedde er te Dothan, en te Samaria? 2 Kon. 6 : 1—7 ; 20.

f. Is Eliza ook te Damaskus geweest, en wien zalfde hij daar tot koning over Syrië? 2 Kon. 8 : 7 —15. Verg. 1 Kon. 19 : 15.

-ocr page 67-

55

5. Wat deed Jehuquot;?

Jehu heeft het huis van Achab uitgeroeid, en is in plaats van Joram koning van Israël geworden.

a. Wie was Jehu, door wien werd hij gezalfd, en op wiens last heeft hij Achabs huis uitgeroeid? 2 Kon. 9.

b. Waarom roeide Jehu den dienst der gouden kalveren niet uit, en was zijn hart wel volkomen voor God? 2 Kon. 10 : 18—31.

c. Heeft Eliza's werkzaamheid als profeet ook invloed gehad op den staatkundigen en godsdienstigen omkeer onder Jehu? 1 Kon. 19 : 16 en 2 Kon. 9 : 1.

TWEEËNDERTIGSTE LES.

Van Jehu tot den Ondergang van het Rijk van Israël.

1. Hoe lang heeft Jehu over Israël geregeerd1?

Jehu heeft 28 jaren over Israël geregeerd, en is

opgevolgd door zijn zoon Joahas. 2 Kon. 10:35, 36.

* Welke koning onderdrukte Israël zwaar onder de regeering van Joahas, wat deed Joahas, en heeft de Heere Zich ook over zijn volk ontfermd? 2 Kon. 13:3—7 en 22, 23.

2. Boor wien is Joahas opgevolgd?

Door zijn zoon Joas, onder wiens regeering de profeet Eliza gestorven, is.

a. Met welken koning van Juda is Joas in oorlog geweest, en met welken uitslag? 2 Kon. 14:8 —14.

h. Is Joas ook met Eliza in aanraking geweest, en hoe was Joas omtrent Eliza gezind? 2 Kon. 13 : 14 —19.

c. Welk wonder geschiedde er op de aanraking van Eliza's gebeente? 2 Kon. 13:20, 21.

3. Wie was de vierde koning uit het huis van Jehu ?

Jerobeam II, de zoon van Joas, een dapper vorst,

die, gelijk zijn vader, zegevierend tegen de Syriërs streed. 2 Kon. 14 :16.

-ocr page 68-

56

a. quot;Wat bracht Jerobeam II weder aan Israël en wie had dit voorzegd? 2 Kon. 14:25—27.

b. Welke profeten behalve Jona hebben in den tijd van Jerobeam II geleefd, en wat hebben zij van Israels gods-dienstigen en zedelijken toestand in dien tijd getuigd? Hozea 1 : 1, 4. 4 : 1 — 19. Amos 1:1. 4 : 12.

4. Hoe lang heeft Zacharias over Israël geregeerd ?

Zacharias, de zoon van Jerobeara 11. de laatste

koning uit het huis van Jehu, heeft slechts 6 maanden over Israël geregeerd. 2 Kon. 15; 8, 9.

a. Wie doodde Zacharias, en wie werd zijn opvolger? 2 Kon. 15 ; 10, 11.

b. Welk woord des Heeren werd er over Jehu's huis volbracht? 2 Kon. 10:30. 15:12.

5. Hoeveel koningen heeft het Rijk van Israël nog na Zacharias gehad?

Vijf koningen: Sallum, Menahem, Pekahia, Pekah en Hozea.

a. Van welk rijk werd Israël dooi-quot; Menahem afhankelijk? 2 Kon. 15 : 19, 20.

b. Hoe lang regeerde Pekahia, en wat deed Tiglath-Pilézer, de koning van Assyrië, onder de regeering van Pekah? 2 Kon. 15: 23, 29,

c. Met welken koning verbond Pekah zieh tegen Achas, den koning van Juda? 2 Kon. 15:87. 16:5. Jes. 7:1.

d. Hoe komt u de toestand van het Kijk van Israël onder deze vijf koningen voor?

6. Hoedanig is het einde van het liyk van Israël geiveest ?

Het Rijk van Israël is onder Hozea door Salmanezer, den koning van Assyrië, geheel verwoest; hij overweldigde Samaria en voerde Israël weg naar Assyrië.

a. Waarom deed Salmanezer dit? 2 Kon. 17 : 3—6.

b. Waarom heeft de Heere dit kwaad over het Eijk van Israël gebracht? 2 Kon. 17 : 7—23.

c. Zijn de Tien stammen als volk wedergekeerd uit Assyrië?

-ocr page 69-

57

7. Wie werden de beivoners van het ontvolkte land der Tien stammen?

De koning van Assyrië bracht verschillende volksstammen uit zijn gebied naar de steden van Samaria over, en liet hen het ontvolkte land bewonen.

o. Welken godsdienst hadden deze volksstammen, en hebben zij ook den godsdienst Tan Israël leeren kennen? 1 Kon. 17 : 24—34.

b. Waar vindt gij deze volken later in de geschiedenis? Ezra 4. Neh. 4 : 2. Luk. 9 : 52, 53. 17 ; 16. Joh. 4 : 9, 39, 40. Hand. 8 : 25.

HET EIJK VAN JÜDA.

DRIEËNDERTIGSTE LES.

Van Rehabeam tot Joram.

1. Waarin onderscheidde zich het Rijk van Juda boven het Rijk van Israëlquot;?

Hierin, dat het Rijk van Juda den tempeldienst te Jeruzalem behield, en dat de koningen van dit Rijk allen uit het geslacht van David waren, wat niet zonder invloed is gebleven op den doorgaans beteren toestand en langeren duur van dit Rijk.

a. Het Kijk van Israël heeft 250 en het Rijk van Juda 387 jaren bestaan.

b. Negentien koningen en ééne koningin hebben over Juda geregeerd.

2. Hoe ging het met het Rvjk van Juda onder Rehabeam ?

In het begin van Rehabeams regeering werd het Rijk zeer gesterkt, vooral omdat er velen uit het Rijk der Tien stammen tot Rehabeam in Juda en Jeruzalem kwamen.

a. Welke stam bleef bij Juda, en wie waren het, die uit Israël tot Kehabeam kwamen? 1 Kon. 12 : 20, 21. 2 Kron. 11 ; 1. 3. 12. 13—17.

-ocr page 70-

58

b. Wanneer begonnen Eehabeam en zijn volk de wet des Heeren te verlaten, en waartoe zijn zij vervallen? 2 Kron. 12 : 1. 1 Kon. 14 ; 21—24.

c. Hoe heeft de Heere de zonde van Eehabeam en zijn volk bezocht? 1 Kon. 14:25—28.

d. Was er ook krijg tussohen Eehabeam en Jeroboam? 1 Kon.

14 : 30.

3. Wie volgde Behabeam op ?

Zijn zoon Abia, die in al de zonden zijns vaders wandelde, en zich nochtans in den strijd tegen Je-robeam beroemde, dat hij en Juda den Heere niet verlaten hadden. 1 Kon. 15 :1 — 3 en 2 Kron. 13 : 4—12.

4. Wat weet gij van Asa, den zoon en opvolger van Abia?

Dat Asa in weerwil van zijne zwakheden een godvruchtig en dapper koning was, die de afgoderii in Juda uitroeide, den dienst des Heeren herstelde, en eene glansrijke overwinning behaalde.

a. Zie van zijne godsvrucht en hervormingen 2 Kron. 14 : 11.

15 : 1—18.

b. Zijne overwinning 2 Kron. 14 : 12—15.

c. Welke zwakheden leest men van Asa? 2 Kron. 16 : 1—10, 12.

d. Welke profeten leefden er in zijn tijd? 1 Kron. 15 : 1. 16 : 7.

5. Door wien is Asa opgevolgd ?

Door zijn zoon Josafat, die den Heere zocht, en de hervorming zijns vaders in Juda voortzette. 1 Kon. 15:24.

а. Wat heeft Josafat tot voortzetting der hervorming in Juda gedaan? 2 Kron. 17 : 6 — 9. 19 : i-—11.

6. Met wien maakte hij een verbond, en hoe is hij hierover bestraft? 2 Kron. 18 : 2, 3. 19 : 1—3. 20 : 35—37.

c. Heeft Josafat in Juda verkregen wat hij met zijne hervormingen beoogde? 2 Kron. 20:33.

б. Wandelde Joram, de zoon en opvolger van Josafat, in de wegen zijns vaders?

Neen; Joram is een der goddelooste koningen van

-ocr page 71-

59

Juda geweest; hij nam de dochter van Achab, Athalia, tot vrouw, en diende, gelijk Achabs huis, de afgoden. 2 Kon. 8: 16-24.

а. Wat richtte hij te Jeruzalem op? 2 Kon. 11:18. 2 Kron. 21:11.

б. Hoe handelde Joram met zijne broeders? 2 Kron. 21:4. c. Wiens geschrift is nog tot Joram gebracht, en hoedanig

was zijn einde? 2 Kron. 21 : 12—15, 18—20.

VIERENDERTIGSTE LES.

Van Joram tot Hiskia.

1. Door wien is Joram opgevolgd'?

Door zijn zoon Ahazia, die, onder den invloed van zijne moeder Athalia, evenals zijn vader Joram, in de wegen van het huis Achabs wandelde. 2 Kron. 22:2 — 5. * Wie heeft Ahazia gedood? 2 Kron. 22 : 5 — 9.

2. Wat deed Athalia, nadat Ahazia gedood was? Toen Athalia zag, dat haar zoon dood was, bracht

zij al het koninklijke zaad van het huis van David om, en maakte zich meester van den troon.

а. Wie werd aan Athalia's moordzucht ontrukt, en door wie? 2 Kron. 22 : 11, 12.

б. Hoe lang heeft Athalia geregeerd? 2 Kon. 11:3, i.

3. Hoe oud was Joas, toen hij koning werd?

Toen Joas zeven jaren oud was, heeft de hooge-

priester Jojada hem in den tempel tot koning gezalfd en doen uitroepen. 2 Kron. 23:1 — 11.

o. Hoe kwam Athalia aan haar einde? 2 Kon. 11 : 13 —16.

2 Kron. 23 : 12 — 15.

h. Hoe leeren wij uit dit verhaal den hoogepriester Jojada • en den priesterstand uit dien tijd kennen?

4. Hoe heeft Joas geregeerd?

Joas deed wat recht was in de oogen des Heeren, zoolang de hoogepriester Jojada leefde, maar na diens

-ocr page 72-

60

dood verliet hij den Heere en diende de afgoden. 2 Kon. 12:1-3. 2 Kron. 24:1-3.

a. Wat heeft Joas voor den tempel gedaan? 3 Kron. 24 : 4—14.

b. Wie verleidden Joas om af te wijken van den Heere? 2 Kron. 24 : 17, 18.

c. Aan welke zware misdaad heeft Joas zich schnldig gemaakt, en hoe is zijn einde geweest? 2 Kron. 24 : 19 — 26. Verg. Matth. 23 : 35.

5. Wie iverd, nadat Joas gedood was, koning ?

Amazia, de zoon van Joas, die in den beginne

voorspoedig regeerde, maar later vele rampspoeden over zijn volk bracht, en zelf is gedood geworden.

а. Hoe handelde Amazia met degenen, die zijn vader gedood hadden? 2 Kon. 14:5, 6. 2 Kron. 25:3, 4.

6. Wat deed Amazia, nadat hij de Edomieten geslagen had, en hoe ontving hij den profeet, die hem over zijne afgoderij bestrafte? 2 Kron. 25:5—13, 14—16.

c. Welken koning van Israël daagde hij uit tot den strijd, en met welk gevolg? 2 Kon. 14; 8 — 14.

(I. Hoe is Amazia aan zijn einde gekomen? 2 Kon. 14; 19, 20.

б. Door wien is Amazia opgevolgd?

Door zijn zoon Azaria of Uzzia, die veel goeds aan het rijk toebracht, maar vanwege zijnen hoogmoed door God met melaatschheid geslagen is.

а. Tegen wie streed Uzzia, hoe ver breidde hij zijn Rijk weer uit, en wat bevorderde hij vooral? 2 Kron. 26 : 6—15.

h. Wilde Uzzia ook meer dan koning wezen, en waarmede heeft de Heere hem gestraft? 2 Kron. 26 : 16 — 23.

7. Wanneer is Jotham zijn vader Uzzia als koning opgevolgd 1

Jotham werd reeds bij het leven van Uzzia rijksbestuurder, en is na diens dood koning geworden. 2 Kon. 15 : 5, 32, 33.

«. Heeft Jotham zich gunstig boven zijn vader Uzzia onderscheiden? 2 Kon. 15:34. 2 Kron. 27:2, 6.

б. Maakte Jotham ook veroveringen? 2 Kron. 27 : 5.

c. Hield onder de regeering van Uzzia en Jotham de gods-

-ocr page 73-

61

dienstige en zedelijke ontwikkeling des volks gelijken tred met de stoffelijke welvaart? 2 Kon. 15 : 35, 37. 2 Kron. 27 : 26. en zie voorts Jes. 2 : 5 — 9. 5 : 18—23.

8. Wie werd koning na Jothams dood?

Zijn zoon Achas, die in goddeloosheid en afgoderij Achab, den koning van Israel, evenaarde.

a. Welke gruwelijke afgoderij voerde Achas bij Juda in ? 2 Kon. 16:36, 4. 2 Kron. 28:26—4.

b. Welke koningen streden tegen Achas en sloegen hem, welke hulp wees Achas af, en bij wien zocht hij hulp? 2 Kon. 16:5, 6, 7 — 18. 2 Kron. 28:5—15, 16—25 en Jes. 7.

VIJFENDERTIGSTE LES.

Van Hiskia tot de wegvoering naar Babel.

1. Wie volgde den goddeloozen Achas in de regeering op?

Zijn godvruchtige zoon Hiskia, die zijn leven gewijd heeft aan de uitroeiing der afgoderij, en de herstelling van den dienst des Heeren in Juda. 2 Kon. 18 ■ 1, 2.

a. Welk buitengewoon getuigenis van Hiskia's godsvrucht bezitten wij? 2 Kon. 18:3—6. Welke profeet stond Hiskia terzijde ?

b. Zie van de uitroeiing der afgoderij 2 Kon. 18:4. 2 Kron. 81 : 1; van de reiniging des tempels en de herstelling van den tempeldienst 2 Kron. 29:3—36; van de viering van het paaschfeest 2 Kron. 30.

c. Waarom trok Sanherib tegen Jeruzalem op en belegerde hij het; hoe gedroeg zich Hiskia onder die belegering, en wat is er met Sanheribs leger gebeurd? 2 Kon. 18 : 13—■ 17. 18—21, 22—37. 19 : 1—19, 20—34, 35—37.

d. Hiskia's krankheid, gebed, wonderdadige genezing en verlenging van zijn leven. 2 Kon. 20: 1 —11. Jes. 38.

e. Waar lezen wij de eerste aankondiging van de wegvoering van Juda naar Babel, en naar aanleiding waarvan? 2 Kon. 20 : 12—16, 17, 18.

-ocr page 74-

62

2. Welke twee koningen, die op Hiskia volgden, brachten het volk weer tot afgoderij ?

Eerst Hiskia's zoon Manasse, en daarna Manasse's zoon en opvolger Amon. 2 Kron. 33:1, 21.

a. Waaraan maakte Manasse zich nog meer schuldig dan aan afgoderij, hoe heeft God Manasse getuchtigd, en met welke uitwerking? 2 Kon. 21:2 — 9, 10—16. 2 Kron. 33:2—9, 10 — 20.

h. Heeft Amon zich ook vernederd gelijk Manasse, en hoe kwam Amon aan zijn einde ? 2 Kron. 33 : 22—25.

3. Hoe heeft Josia geregeerd ?

Josia, de zoon van Amon, heeft als een der god-vruchtigste koningen van Juda geregeerd, en niets onbeproefd gelaten om het ver afgeweken volk weder tot den Heere te brengen.

«. Bij welke gelegenheid werd het wetboek teruggevonden en welken indruk maakte dit op Josia? 2 Kon. 22 : 3—20.

b. Het uitroeien der afgoderij, en de viering van het paasch-feest. 2 Kon. 23:1 — 15, 19, 20, 21—23.

c. Welke profetie is door Josia vervuld? 2 Kon. 23: 14—18. Verg. 1 Kon. 13 : 2.

cl. In welken strijd mengde zich Josia, en hoe kwam hij om? 2 Kon. 23 : 29, 30.

4. Hoe veel koningen hebben na Josia nog over Juda geregeerd ?

Vier koningen: Joahas, Jojakim, Jojachin en Ze-dekia, die allen goddeloos waren.

5. Hoe lang regeerde Joahas?

Joahas, de zoon van Josia, regeerde slechts drie maanden, toen Farao Necho hem afzette en zijn broeder Eljakim in zijne plaats stelde. 2 Kon. 23:31 — 33.

a. Wie gaf aan Eljakim den naam Jojakim? 2 Kon. 23: 34:.

h. Onder welke wereldmacht kwam èn Egypte èn Palestina en bijna geheel Azië? 2 Kon. 24 : 7.

c. Wat deed Nebukadnezar, toen Jojakim tegen hem rebelleerde? 2 Kon. 24:1 — 4. 2 Kron. 36:5—7.

-ocr page 75-

63

d. Vanwaar rekent men het begin van de Babylonische wegvoering? Dan. 1:1.

6. Wanneer belegerde Nebukadnezar voor de tweede maal Jeruzalem ?

Onder den koning Jojachin, dien hij met de aan-zienlijksten des volks en de rijke tempelschatten naar Babel voerde. 2 Kon. 24:8 — 16. 2 Kron. 36:9, 10.

а. Is Dauiël onder Jojachin of onder Jojakim naar Babel gevoerd? Dan. 1 ; 1 — G.

б. Welke profeet is onder Jojachin weggevoerd ? Ezech. 1 : 1—3.

7. Wat deed Nebukadnezar eindelijk?

In het elfde jaar van Zedekia, na eene belegering van bijna twee jaren, nam Nebukadnezar Jeruzalem in, verwoestte de stad en den tempel, en voerde Zedekia en zijn volk gevangen naar Babel, waarmede het Eijk van Juda een einde nam.

а. Waarom kwam Nebukadnezar weer tegen Jeruzalem ? 2 Kon. 24 ; 20amp;. 2 Kron. 36 : 13.

б. Welke profeet was reeds sedert Josia werkzaam in Juda, en hoe is het met hem gegaan onder de belegering der stad? 2 Kron. 35 : 25. Jer. 28, 32, 37, 38.

c. Van wien verwachtte Zedekia nog altijd hulp, en wie waarschuwde hem hiertegen? Jer. 37 : 1 — 10.

cl. Wat deed Nebukadnezar Zedekia ondergaan, en hoe was hij omtrent Jeremia gezind? 2 Kon. 25:4—7. Jer. 39: 11—14. 40 : 6.

8. Ontvolkte Nebukadnezar Juda geheel?

Neen; hij liet eenigen overig tot wijngaardeniers en akkerlieden, over wie hij Gedalia tot landvoogd stelde. 2 Kon. 25:12, 22.

а. Waar had Gedalia zijne residentie, wie heeft Gedalia gedood, en was zijn dood geen groot verlies voor de achtergeblevenen? 2 Kon. 25 : 23 — 25. Jer. 40 : 7 — 41 : 18.

б. Waarheen vlnchtte het overgebleven volk na Gedalia's dood, hoe is het met hen in Egypte gegaan, en is de profeet Jeremia ook met hen naar Egypte getrokken? Jer. 42, 43, 44.

-ocr page 76-

64

Oorzaken van den ondergang der Beide Rijken.

1. Liet zich zulk een treurige uitkomst van Israels geschiedenis verwachten ?

Neen; bovenal niet als wij terugblikken op de dagen van David, toen, onder de gezegende regeering van dien grooten koning, de Israëlietische natie alles bezat om een groot en machtig volk te worden.

2. Waarin hebben wyj de oorzaak te zoeken van deze treurige uitkomst?

In het algemeen in de diepe verdorvenheid van het menschelijk hart, waarop Israël geene uitzondering maakte, en in het bizonder in hunne doorgaande neiging tot de afgoderij.

3. Zyjn er ook bijkomstige oorzaken, die tot deze uitkomst hebben medegeicerkt?

Ja; en onder deze vooral de verdeeldheid tusschen de beide groote stammen Juda en Efraïm en de daaruit gevolgde scheuring des Rijks.

4. Hebben wij in die uitkomst ook een heilig bestuur Gods op te merken tot vervulling van zijn raad'?

Ja gewisselijk; Israël mocht geen wereldrijk worden, het moest, zij het ook om zijne zonden, zijne uitwendige macht en heerlijkheid verliezen, om het geestelijk heil, dat het in zich droeg, voort te brengen en er in te deelen.

а. Staan hiermede ook in verband de beloften bij de profeten aangaande den Messias, zoowel in zijne vernedering als in zijne grootheid?

б. Is Israël in zijne vernedering in Babel ook een voorbeeld van den Messias, en welke profeet wijst hierop ? Jes. 49—54.

-ocr page 77-

65

§ 6.

Van de Babylonische Wegvoering tot de Komst van Christus. (4000.)

(Vgl. Dan. 1 —10, Ezra, Nehemia, Esther en het Eerste boek der Makkabeën.)

ZESENDERTIGSTE LES.

Der Joden verblijf in Babel tot den uittocht.

1. Wat weten wij van den toestand der Joden in Babel ?

Dat de Heere hen in Babel met mate gekastijd, en hun zelfs vele bliiken van zijne trouw en goedheid bewezen heeft, waardoor hun ballingschap aanmerkelijk verlicht is. Jer. 30; 11.

a. Hebben de Babyloniërs de Joden soms niet zwaar verdrukt? Zie Jes. 47 : 6. 51 : 13, 14.

h. Wat viel den Joden in Babel het smartelijkst? Ps. 137.

2. Behielden de Joden in Babel nog iets van hun eigen volksbestaan?

Hoewel de Joden in Babel geen eigen volksbestaan hadden, gelijk in hun land, bleven zij toch eenige zelfstandigheid behouden.

а. Behielden zij hunne oudsten en eigen rechtspleging ? Ezeeh, 14 : 1. 20 : 1. Jer. 29 : 1.

б. Genoten zij ook vrijheid tot uitoefening van bedrijven enz. ? Jer. 29 : 4 — 7.

c. Hielden de Joden in Babel ook openbare godsdienstoefeningen, en op welke wijze?

3. Wat bracht veel toe tot begunstiging der Joden in Babel?

De verheffing van Daniël en zijne drie vrienden, en de wonderdadige blijken van Gods almacht tot redding van Daniël en zijne drie vrienden.

a. Welke eer viel Daniël en zijne drie vrienden te beurt, en waarom? Dan. 1 : 18—21. 2 : 1—49. B. G. 5

-ocr page 78-

66

6. Welke wonderdadige blijken van zijne almacht heeft God in Babel gegeyen, en bij welke gelegenheid? Dan. 3 : 1—30. 6 : 1 — 29.

4. Welk oogmerk had God met de gevangenschap der Joden in Babel?

De Babylonische gevangenschap moest bovenal dienen om de Joden weer te doen erkennen, dat de Heere God is, en hen te genezen van de afgoderij.

a. Waren de ervaringen der Joden in Babel berekend voor dit oogmerk Gods? Hozea 2:5, 6. Deut. 4:27 — 30.

b. Hebben de profeten Ezechiël en Daniël ook tot dit oogmerk aan bun volk te Babel gearbeid, en met welke uitkomst? Ezech. 14:1—11.

c. Welk gedeelte van Jesaja's profetieën was het troostboek voor de weggevoerden in Babel? Jes. 40 — 66.

5. Wien verwekte God tot verlossing der Joden uit Babel ?

Kores of Cyrus, den koning der Perzen, die de Babylonische heerschappij vernietigde, en den Joden vrijheid gaf naar hun land weder te keeren.

а.'De hoeveelste wereldmacht was de Perzische, en welke merkwaardige profetie is er aangaande Kores bij Jesaja? Dan. 2:32, 39. Jes. 44:28—45:1 — 5.

6. Wat gebeurde er in den nacht, toen de Perzen Babel innamen? Dan. 5.

c. Welk bevelschrift deed Kores uitgaan? Ezra 1 : 1—4.

б. Onder de leiding van wélke mannen zijn de Joden uit Babel getrokken?

Onder de leiding van Zerubbabel en Jozua trokken omtrent 50000 Joden uit Babel naar hun vaderland.

a. Uit welk geslacht was Zerubbabel, en wie was Jozua? Matth. 1 : 12, 13. Zach. 3 : 1.

fc. Waarom bleven er zoo veel Joden in Babel achter?

c. Liet Kores de Joden ledig uit Babel gaan, en waren er ook vermogenden onder hen, die naar hun land wederkeerden? Ezra 1 : 5 —11. 2 : 65 — 69.

-ocr page 79-

67

ZEVENENDERTIGSTE LES.

De Joden weder in Palestina tot Maleachi.

1. Wat was het eerste werk van de wedergekeerdm in Palestina'?

Hun eerste werk was de herbouwing van Jeruzalem en den tempel, waarin zij al aanstonds door de Samaritanen verhinderd werden.

a. Wat begeerden de Samaritanen, en waren de Joden in hun goed reeht dit te weigeren? Ezra i ; 1—3.

b. Wat deden de Samaritanen om den herbouw van Jeruzalem en den tempel te verhinderen? Ezra

c. Waren de Joden zeiven ook traag geworden om te boawen, en hebben de profeten Haggaï en Zaeharia hen hierover ook vermaand en bestraft? Haggaï 1 : 3—li. Zach. 8 : 9.

2. Wanneer is de tempel voltooid, en tot den dienst des Ileeren ingewijd?

Twintig jaren na de wederkeering uit Babel, nadat Darius, de koning der Perzen, een vernieuwd bevelschrift tot vergunning van den herbouw des tempels gegeven had. Ezra 6:1 — 13, 14—22.

3. Hoedanig was, nog vele jaren na de wederkeering, de toestand van den nieuwen Joodschen staat in Palestina ?

Uit hetgeen Ezra en Nehemia tot hervorming deden, zien wij, dat er nog altijd veel wanorde en zonden heerschten, en dat de- wedergekeerden weinig ijver betoond hadden tot den herbouw van Jeruzalem.

4. Wie was Ezra?

Een schriftgeleerde uit het hoogepriesterlijke geslacht, die meer dan 50 jaren na den herbouw des tempels naar Jeruzalem kwam, en er de wet Gods onderwees en handhaafde.

-ocr page 80-

68

а. Kwam Ezra alleen, en welke koning begunstigde Ezra bij zijn optrekken naar Jeruzalem? Ezra 8 : 1 —14. 7 : 11—28.

б. Welke zonde had Ezra bij de wedergekeerden te bestrijden, hoe deed hij dit, en met welk gevolg? Ezra 9 : 1 —10 ; 19.

5. Wat goeds heeft Nehemia aan Jeruzalem en de Joden toegebracht?

Nehemia, de schenker van den Perzischen koning Arthasasta, kwam 13 jaren na Ezra te Jeruzalem, en heeft krachtig de voltooiing van Jeruzalems muren bevorderd, en ernstig tegen de heerschende zonden des volks gestreden.

a. quot;Waardoor werd Nehemia bewogen naar Jeruzalem te gaan? Neh. 1 : 1—4. 2 : 1—6.

b. Vond Nehemia ook tegenstand bij den herbouw van den muur, welke maatregelen nam hij tegen de lagen en het geweld der viianden, en op Wien vertrouwde Nehemia? Neh. 4, 5, 6.

c. Ezra ondersteunt Nehemia, Neh. 8—10. Nehemia yvert tegen hen, die vreemde vrouwen genomen hadden, en tegen de ontheiliging van den Sabbat. Neh. 13 : 15—28.

6. Hebben de achtergeblevene Joden in het Perzische rijk ook eene bizondere uitredding Gods ondervonden?

Ja; onder de regeering van Ahasveros of Xerxes I, toen een hoveling, Haman, den helschen aanslag smeedde om alle Joden, die zich in het rijk bevonden, op éénen dag te doen ombrengen.

a. Wat bewoog Haman hiertoe? Esther 3 : 1—6.

h. quot;Wie was Mordechai? Esther 2:5—7, 21—23.

c. Welk bevelschrift wist Haman van den koning te verkrijgen? Esther 3 : 7—15.

7. Hoe heeft God den aanslag van Haman verijdeld, en de Joden uit dit groote gevaar gered?

God heeft Hamans aanslag verijdeld en de Joden gered door een bizonder bestuur zijner voorzienigheid en door het overleg van de koningin Esther, de pleegdochter van Mordechai.

-ocr page 81-

69

а. Denk aan den slapeloozen nacht van Ahasveros. Esther

6 : 1 — 14.

б. Hoe is Esther koningin geworden, en hoe legde zij het aan om Haman te ontmaskeren? Esther 1 en 2. 5 : 1—8.

7 : 1—6.

c. Hoe is Haman vernederd en gestraft, welke wraak mochten de Joden nemen, en op welk feest gedenken zij deze uitredding? Esther 7 : 7—10. 8 : 1-17. 9 ; 1—6, 17—32. tf. Welke opmerking hebt gij omtrent het boek Esther?

8. Wie sluit de rij der Oud-Tesiamentixche profeten? Maleachi, die omstreeks 400 jaren vóór Christus leefde, en de laatste aankondiging van de komst van den Messias en zijn Voorlooper gedaan heeft. Mal. 3:1.

a. Kondigt Maleachi de komst van den Messias alleen aan als een dag des heils, of ook als een dag des oordeels? Mal. 3 : 2-5. 4: 1 — 3.

b. Hoedanig was de godsdienstige toestand des volks en der priesters in Maleachi's tijd? Mal. 1:6 —14.. 2:1—17.

ACHTENDERTIGSTE LES.

Van Maleachi tot Christus.

1. Welke zijn de bronnen voor de geschiedenis van Maleachi tot Christus?

De bronnen voor de geschiedenis van dit tijdvak, waarin de stem der profeten zweeg, zijn voornamelijk de boeken der Makkabeën, de geschriften van den Joodschen geschiedschrijver Josefus, en sommige profetieën van Daniël.

а. Tot welke boeken behooren de boeken der Makkabeën, en waarom heeten die apokriefe boeken?

б. Wanneer leefde Josefus?

c. Welke profetieën van Daniël spreken van dezen tijd? Dan. 2 ; 39 — 41. 8 : 20 — 25.

-ocr page 82-

70

2. Is de kennis der geschiedenis van dit tijdvak belangrijk'?

Ja; omdat er in dit tijdvak aanmerkelijke veranderingen hebben plaats gegrepen in den staatkundigen, godsdienstigen en zedelijken toestand van het Joodsche volk.

3. Zijn de Joden onder de heerschappij der Perzen gebleven ?

Eeen; toen Alexander de Groote het Perzische rijk aan zich onderwierp, werden ook de Joden aan zijne heerschappij onderworpen.

а. Waardoor wordt in het gezicht Tan Daniël Alexander de Groote aangeduid? Dan. 8 ; 5, 21.

б. Is Alexander de Groote ook te Jeruzalem geweest, en is hetgeen Josefus hiervan verhaalt in alles betrouwbaar?

4. Onder wien kwamen de Joden na den dood van Alexander den Groote?

Na Alexanders dood (323) kwamen de Joden onder de heerschappij der Ptolemeën, koningen van Egypte, waaronder zij meer dan 100 jaren gebleven zijn.

a. Ptolemeüs Lagus veroverde Palestina op Syrië, bracht 100,000 Joden naar Egypte over, en behandelde de Joden met zachtheid en welwillendheid.

h. De Joden hebben, zoolang Palestina tot Egypte behoorde, doorgaans vrede en voorspoed genoten.

c. In dien tijd had ook de overzetting van het Oude Testament in het Grieksch plaats, de zoogenoemde „Overzetting der Zeventigen,quot; waardoor de H. Schriften van Israël toegankelijk werden voor andere volken.

5. Wie ontrukte Palestina aan Egypte?

Antiochus de Groote (203), waardoor de Joden

onder Syrië kwamen, en van den Syrischen koning Antiochus Epifanes zwaar en wreed onderdrukt zijn.

a. Antiochus Epifanes bedoelde met zijne wreede vervolgin-

-ocr page 83-

71

gen niets minder dan den Joodschen godsdienst nit te roeien en het heidendom te doen zegevieren. Hij nam Jeruzalem in, moordde er schrikkelijk, plunderde de stad, ontheiligde den tempel door er het beeld van Jupiter in te plaatsen en aan dezen afgod te wijden.

b. Zie wat Daniël van Antiochus Epifanes geprofeteerd heeft. Dan. 11:36—45.

NEGENENDERTIGSTE LES.

Vervolg.

1. Heeft deze vervolging van Antiochus Epifanes den Joden enkel kwaad toegebracht?

Neen; want zij heeft bij de Joden, vooral bij den priester Mattathias en zijne vijf zonen, een heiligen en krachtigen ijvergeest voor den dienst van Jehova en tegen den afgodsdienst verwekt.

«. Mattathias gaf het eerste teeken van tegenstand. De getrouw gebleven Joden sloten zich bij hem en zijne zonen aan om de Syriërs te verdrijven. Judas de Makkabeër heroverde Jeruzalem en reinigde den tempel. Onder Simon, Mattathias' zoon, werden de Joden weer onafhankelijk van de Syriërs.

5, Welk feest der Joden had zijn ontstaan aan de tempelreiniging door Judas den Makkabeër te danken? Joh. 10:22.

2. Hoe zyjn de Joden onder de Romeinen gekomen ?

Nadat de Joden gedurende 100 jaren onder vorsten uit de Makkabeën een onafhankelijk volk geweest waren, riep Aristobulus II de hulp der Eomei-nen in tegen zijn broeder Hyrkanus, en de Romeinen maakten de Joden van zich afhankelijk (63).

a. Onder Johannes Hyrkanus (135—107) werden de Edomie-ten door de Joden overheerscht en gedwongen den Joodschen godsdienst aan te nemen.

h. De Romeinen maakten den Idumeër Antipater tot land-

-ocr page 84-

72

voogd over Judea en lieten aan Hyrkanus de Hoogepries-terlijke bediening.

3. Hoe werd Herodes, bijgenaamd de Groote, koning ?

Herodes, de zoon van Antipater, die door zijn huwelijk met Manamne, de kleindochter van Hyrkanus, een schijn van recht op den troon had, is door de Eomeinen tot koning verheven.

a. Wat weet gij van Herodes' wreedheid, en weet gij ook waardoor hij, in weerwil van zijne wreedheid, zoolang in de gunst des volks gebleven is? Joh. 2 ; 20.

b. Herodes is gestorven in het jaar 750 na de Stichting van Borne, 1 of 2 jaren na de geboorte van onzen Heere Jezus Christus, den waren Koning Israëls.

4. Hoedanig was de godsdienstige gesteldheid des volks in dien tijd ?

De godsdienstige gesteldheid van het Joodsche volk in dien tijd was allertreurigst: de ware kennis Gods was bijna geheel verloren, on- en bijgeloof hadden de overhand, waarvan de jammerlijkste verdeeldheden het gevolg waren.

5. Welke waren die verdeeldheden?

Die verdeeldheden bestonden op godsdienstig gebied tusschen de eigengerechtige sekte der Farizeën, de ongeloovige sekte der Sadduceën en de dweepzieke Esseën.

a. Wat beteekent de naam Farizeën, en drukt die ook iets van hunne gezindheid en gevoelens uit?

h. Welke gevoelens hadden de Sadduceën? Hand. 23 : 8.

c. Vinden wij de Esseën ook in het N. T. genoemd?

d. Waren de Herodi^nen ook een godsdienstige sekte?

-ocr page 85-

VERDEELING

VAN DE

GESCHIEDENIS DES NIEUWEN TESTAMENTS.

H00FDVERDEEL1NG.

I. Van de Geboorte van Christus tot de Uitstorting des Heiligen Geestes.

II. Van de Uitstorting des Heiligen Geestes tot de Verwoesting van Jeruzalem.

ONDERVERDEELING.

I.

1. Van 's Heilands Geboorte tot zijnen Doop.

2. Van zijnen Doop tot het Eerste Paaschfeest.

3. Van het Eerste Paaschfeest tot het Purimfeest.

4. Van het Purimfeest tot den Dood van Johannes den Dooper.

5. Van den Dood van Johannes tot het Loofhuttenfeest.

6. Van het Loofhuttenfeest tot 's Heeren Laatste lijden.

7. Van 's Heeren Laatste lijden tot zijne Opstanding.

8. Van zijne Opstanding tot de Uitstorting des Heiligen Geestes.

II.

1. Van de Uitstorting des Heiligen Geestes tot de Bekeering van Paulus.

2. Van de- Bekeering van Paulus tot de Verwoesting van Jeruzalem.

-ocr page 86-

De Geschiedenis des Nieuwen Testaments.

I. Van de Geboorte van Christus tot de Uitstorting des Heiligen Geestes. (34.)

EERSTE ONÜEEAPDEELING.

Van 'sHeilands Geboorte tot zijnen Doop.

EEESTE LES.

De aankondiging.

1. Wie is de hoofdpersoon in de geschiedenis des Nieuwen Testaments'?

De Heere Jezus Christus, de van God beloofde en door Hem in de volheid des tijds gezonden Zaligmaker van zondaren.

а. Wat heeft God aangaande den persoon en het werk van Christus laten voorzeggen? Jes. 7 : li. 9 : 5 en Hfdst. 53. Deut. 18 : 18.

б, Was het ook voorzegd uit wie, waar en wanneer Christus zou geboren worden? Gen. 3:15. 22:18. 49:10. 2 Sam. 7 : 12—16. Mioha 5 : 1. Hag. 2:7, 8. Dan. 9 : 24.

c. 'Waarom wordt de tijd van Christus' komst in het vleesch „de volheid des tijdsquot; (Gal. 4 : 4) genoemd, en hoe heeft God dien tijd bij Israël en bij de volken buiten Israël voorbereid ?

2. Welke aankondiging ging aan die van de geboorte van Christus vooraf?

De aankondiging van de geboorte van Johannes den Dooper, den wegbereider voor Christus.

• De voorzegging aangaande Johannes. Mal. 3:1. 4 ; 5.

-ocr page 87-

75

3. Hoe geschiedde die aankondiging ? IJ/

Een engel des Heeren verscheen aan den priester Zacharias, terwijl deze in den tempel dienende was, en boodschapte hem de geboorte van een zoon uit zijne huisvrouw Elisabeth.

a. Welk getuigenis wordt van Zacharias en Elisabeth gegeven ? Luk. 1 : 6.

i. Kon Zacharias het gelooven, 'waarom niet, en welk teeken ontving hij? Luk. 1 : 18—20.

c. Welke roeping zou Johannes te vervullen hebben? Luk. 1 : 15-17.

d. Wat geschiedde er bij Johannes' geboorte, en welken lofzang zong Zacharias? Luk. 1 : 57—79.

e. Hoe en waar is Johannes tot zijn werk voorbereid? Luk. 1 : 80.

4. Wie ontving de heuglijke aankondiging, dat uit haar de Christus zou geboren worden?

Maria, eene maagd uit Nazareth, ontving door den engel Gabriel de heuglijke aankondiging, dat uit haar, door de kracht des Heiligen Geestes. de Christus Gods zou geboren worden.

a. Van wien was Maria de verloofde, en uit welk geslacht waren Jozef en Maria? Luk. 1 : 27, 32. 2 : 4, 5. Matth. 1 : 1 — 16.

b. Welken verheven naam, welke éénige eigenschap, en hooge eere kende de engel toe aan Hem, die uit Maria zou geboren worden? Luk. 1:32, 33, 35.

c. Waarmede versterkte de engel Maria's geloof, vond zij het bevestigd en tot welke geestverrukking werd zij opgevoerd ? Luk. 1 : 36—56.

d. Welke verschijning viel aan Jozef te beurt en waarom? Matth. 1 : 19—23.

-ocr page 88-

76

TWEEDE LES.

Van 's Heilands geboorte en jeugd.

1. Waar is onze Heere Jezus Christus geboren?

Te Bethlehem, in Judea gelegen, is de Immanuël,

God met ons, de Verlosser van zondaren geboren.

а. Wat drong Jozef en Maria op dien tijd naar Bethlehem te gaan, en was hierin ook een zichtbaar Godsbestuur ? Luk. 2 : 1 — 5.

б. Onder welke omstandigheden is de Heiland te Bethlehem geboren? Luk. 2:7. 2 Cor. 8 : 9.

2. Aan wie is de geboorte van Christus het eerst bekendgemaakt ?

Aan eenige herders in de velden van Bethlehem, wien een engel des Heeren verkondigde: „U is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.quot; Luk. 2; 11.

a. Op welken tijd en waartoe waren die herders daar?

b. Bleef die engel alleen,, en welk lied zong die menigte van het heir des hemels? Luk. 2 : 13, 14.

c. Hebben de herders de boodschap der engelen bevestigd gevonden, en welke beteekenis had de mededeeling der herders voor Maria? Lak. 2 ; 15—20.

3. Wat geschiedde er met Maria's eerstgeborene op den achtsten en veertigsten dag?

Op den achtsten dag werd het Kindeken besneden, en op den veertigsten dag is het door zijne ouders den Heere in den tempel voorgesteld.

a. Waarom moest Jezus besneden worden, en welken naam ontving Hij? Luk. 2 : 21. Gal. 4:4.

ft. Was die voorstelling ook door God geboden? Exod. 13 : 2 en Lev. 12.

c. Wat geschiedde er bij de voorstelling in den tempel, en getuigt dit ook van het verlangen naar den Messias in die dagen? Luk. 2 : 25—38.

-ocr page 89-

77

4. Welke eere werd het kindéken Jezus toegebracht?

Eenige Wijzen van het Oosten kwamen te Bethlehem, en hebben het Kindeken aangebeden en met rijke geschenken vereerd.

a. Welke aanwijzing hadden die Wijzen gehad, en waar zochten zij het eerst den geboren Koning der Joden? Matth. 2 : 1—9.

b. Welk helsch voornemen vatte Herodes op, waarom en hoe heeft God dit verijdeld? Matth. 2 : 13, 14.

5. Waarheen zijn Jozef en Maria met het kindeken Jezus voor den moordaanslag van Herodes gevlucht t

God beval Jozef in een droom met het Kindeken en zijne moeder naar Egypte te vluchten, waar zij gebleven zijn tot den dood van Herodes.

a. Welk bloedbad richtte Herodes te Bethlehem aan, en hoe is dit te rijmen met een rechtvaardig en liefderijk Godsbestuur? Matth. 2 : 16.

h. Welke profetie is volgens Mattheus toen vervuld? Matth. 2 : 17, 18.

c. Waarheen keerden Jozef en Maria uit Egypte terug, waar lag Nazareth, en was dit eene aanzienlijke stad? Matth. 2 : 23. Joh. 1 : 47.

6. Wat weet gij van Jezus' leven tot zijn dertigste jaar ?

Dat Jezus te Nazareth in nederigheid is opgevoed, en daar geleefd heeft, totdat Hij, dertig jaren oud zijnde, als Profeet onder zijn volk optrad. Luk. 2:51.

a. Wat getuigt Lukas van Jezus in zijne jeugd? Luk. 2 : 40, 51, 52.

h. Is ons geen enkele geschiedenis uit Jezus' jeugd bewaard, en hoe leeren wij Jezus daaruit kennen? Luk. 2 : 41—50.

c. Zijn er ook redenen op te geven, waarom wij zoo weinig weten van Jezus' leven tot aan zijnen doop?

-ocr page 90-

78

TWEEDE ONDERAFDEELING.

Van zijnen Doop tot het Eerste Paaschfeest.

DERDE LES.

De doop en verzoeking.

1. Waardoor is Christus tot zijne openbare ambtsbediening ingewijd?

Door den doop van zijn Wegbereider Johannes.

2. Wat had Johannes reeds vóór Jezus'' optreden gedaan?

Johannes, die eenige maanden vóór Jezus in het openbaar optrad, had door zijn prediking en doop het Joodsche volk op de komst van den Messias voorbereid.

a. Wanneer trad Johannes op, en waar? Luk. 3 : 1 — 3. h. Hoe was zijn optreden, wat predikte hij, en welke was

de uitwerking van zijne prediking? Luk. 3 : 3—14.

c. Wat verwachtte het volk van Johannes, wat heeft Johannes van zichzelven en van Christus getuigd? Luk. 3 : 15, 16, 17. Joh. 1 : 19—27.

3. Wat geschiedde er bij den doop van Christus? Bij den doop van Christus werd de hemel geopend,

en de Heilige Geest daalde op Hem, en eene stem uit den hemel getuigde: „Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelken Ik mijn welbehagen heb.quot; Matth. 3 :16, 17. Luk. 8 : 22.

a. Kende Johannes Jezus, toen Deze tot hem kwam om gedoopt te worden? Matth. 3 : 16, 17. Joh. 1 : 31—34. h. Waarom liet Jezus Zich door Johannes doopen, en welke beteekenis had die doop voor Jezus? Matth. 3 : 15. Hand. 10 : 38a.

-ocr page 91-

79

4. Wat volgde er onmiddellijk, nadat Jezus gedoopt was ?

Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

а. Hoe lang, hoe menigmaal, en waartoe Is Jezus door den duivel Terzoeht? Matth. 4 : 1 —11. Luk. 4 ; 1—13.

б. Waarmede overwon Jezus den duivel, en wat heeft Hij met deze overwinning bewezen? Hebr. 4:15. 1 Joh. 3 : 86.

c. Is er ook verband tnsschen de verzoeking des Heeren en die van den eersten menseh ?

d. Liet nu de duivel voor altijd van Jezus af? Luk. 4 : 13.

5. Wat was 's Heüands werk, nadat Hij uit de woestijn der verzoeking was wedergekeerd?

Nu de Heiland, na zijnen doop en zijne verzoeking, openlijk als leeraar optrad, was zijn eerste werk eenige discipelen om Zich te verzamelen.

а. Wie waren zij, en bij wien vond Jezus hen ? Joh. 1 : 35—52.

6. Verhaal eenige bizonderheden van deze eerste kennismaking.

б. Waar vinden wij Jezus na de roeping zijner eerste discipelen'?

In Galilea, vanwaar Hij opging naar het Paasch-feest te Jeruzalem. Joh. 2:12, 13.

a. Wat woonde Jezus te Kana in Galilea bij, en wie was daar ook? Joh. 2:1, 2.

h. Wat begeerde Maria van Jezus, wat was zijn eerste wonder, en waarom deed Hij dit? Joh. 2:3 —11.

-ocr page 92-

80

DERDE ONDEBAFDEEIilNG.

Van het Eerste Paaschfeest tot het Purimfeest.

VIERDE LES.

Jezus te Jeruzalem.

1. Welke daad heeft Jezus hij gelegenheid van het Paaschfeest te Jeruzalem gedaan?

Jezus heeft bij die gelegenheid in heiligen ijver voor het huis zijns Vaders den tempel te Jeruzalem gereinigd.

a. Waardoor werd de tempel ontheiligd, en hoe kon zoo iets geschieden? Joh. 2 : 14 —17.

h. Heeft Jezus dit later nog eenmaal gedaan? Matth. 21:12, 13.

c. Hoe namen de Joden deze daad van Jezus op, en hoe beantwoordde Jezus hen? Joh. 2 : 18—22.

2. Welk merkwaardig nachtelijk gesprek des Heeren uit dien tijd is ons bewaard gebleven 1

Zijn gesprek met Nikodemus over de wedergeboorte.

а. Wie was Nikodemus, en waartoe kwam hij des nachts tot Jezus ? Joh. 3:1, 2.

б. Wat zeide de Heere Jezus tot Nikodemus, verstond Nikodemus den Heere, en hoe kwam dit? Joh. 3:3, 4. 1 Cor. 2 : 14.

c. Wat verklaarde Jezus van het beginsel en de noodzakelijkheid der wedergeboorte, en heeft Hij in dit gesprek Nikodemus ook gewezen op het verband tusschen de wedergeboorte en het geloof in Hem? Joh. 3 : 5—21.

3. Waar was Johannes de Booper toen werkzaam?

Johannes doopte toen te Enon bij Salim, maar is

niet lang daarna door Herodes in de gevangenis geworpen.

ffl. Welk treflend getnigenis heeft Johannes te Enon van Christus gegeven? Joh. 3:25 — 36.

h. Welke Herodes wierp Johannes in de gevangenis, en wie dreef Herodes daartoe aan? Mark. 6: 17—20.

-ocr page 93-

81

4. Bleef Jezus te Jeruzalem en in Judea ?

Neen; Jezus verliet Judea en ging weder naar Galilea, op welke reis Hij zijn weg door Samaria nam.

o. Wat bewoog de Heere Jezus Judea te verlaten? Joh. 4 : 1—3. Matth. 4:12. Mark. 1 : 14. Luk. 4:14.

b. Welke ontmoeting, en welk gesprek had de Heere aan de fontein van Jakob ? Joh. 4: 4—26.

c. Welke vrucht had Jezus' prediking te Samaria? Jch. 4 : 28—42.

VIJFDE LES.

Jezus wederom in Galilea.

1. Welk tweede wonder heeft Jezus in Galilea gedaan ?

Hij genas er den zoon van een koninklijk hoveling,

die te Kapernaüm woonde.

o. Waar was Jezus, toen de koninklijke hoveling tot Hem kwam? Joh. 4 : 46a.

b. Wat is een wonder, en welke kenmerken draagt deze genezing dat het een wonder is?

c. Was er ook geloof noodig om de wondermacht des Heeren te ervaren? Matth. 13 ; 58. 17 : 20.

d. Waartoe verrichtte de Heere Jezus wonderen; hadden zijne wonderen geene hoogere beteekenis dan de tijdelijke zegeningen, die zij bewerkten; en zou de Heere Jezus, indien Hij geene wonderen gedaan had, wel de Verlosser van de schuld en macht der zonden kunnen zijn?

2. Hoe ging het Jezus in zijn vaderstad Nazareth?

De inwoners van Nazareth prezen zijne prediking,

maar ergerden zich aan Hem, omdat Hij hun ten genoegen geene wonderen wilde doen.

a Welke profetie las Jezus in de synagoge te Nazareth, en op Wien paste Hij die toe? Luk. 4 : 17—27.

b. Hoe ver ging de ergernis van de inwoners van Nazareth? Luk. 4 : 28 — 30.

c. Welke stad van Galilea verkoos Jezus tot zijne woonplaats? Matth. 4:13 — 16. Luk. 4:31.

B. G. 6

-ocr page 94-

82

3. Waren al de Galileërs zoo kwaad gezind jegens den Heere Jezus, als de inwoners van Nazarethquot;?

Neen; Johannes zegt, dat de Galileërs Hem ontvingen, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had. Joh. 4:45.

4. Wat weten wij van Jezus' werkzaamheid in dien tijd in Galilea ?

Dat Jezus geheel Galilea omging, leerende in hunne synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwaal onder het volk. Matth. 4; 23.

a. Maakte Jezns' prediking ook groeten indruk, en wat be-teekent het, dat Hij leerde als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden? Mark. 1 : 22. Lnk. 4 : 32.

fe. Welke wonderen heeft de Heere Jezus in dien tijd gedaan? Mark. 1 : 23—45. Luk. 4 : 31—44.

5. Welk teeken heeft Jezus in dien tijd nog gedaan ?

Het teeken van de wonderdadige vischvangst, bij

welke gelegenheid Jezus Simon Petrus en Andreas, Johannes en Jakobus riep om Hem te volgen.

a. quot;Wie waren zij, en wat zeide Jezus, dat Hij van hen maken wilde? Luk. 5 : 10.

ö. Is deze roeping dezelfde als die waarvan wij Joh. 1 : 35—52 lezen, en wat onderscheidt beide roepingen ? Luk. 5 : 1 —11.

6. Op welk feest vinden wij Jezus weer te Jeruzalem ?

Op het Purimfeest, bij welke gelegenheid de Heere

een, die 38 jaren krank geweest was, aan het badwater Bethesda genas. Joh. 5:1 — 16.

a. quot;Waaraan dachten de Joden op dit feest, en wanneer werd het gevierd?

h. Is die kranke ook naar zijne ziel genezen? Joh. 5: 146.

c. quot;Wekte die genezing ook de vijandschap der Joden op, en welke opmerkelijke getuigenissen heeft de Heere naar aanleiding hiervan gegeven aangaande zijn persoon, waardigheid en betrekking tot den Vader? Joh. 5 : 15—47.

-ocr page 95-

83

VIEKDE ONDERAFDEELING.

Van het Purimfeest tot den Dood van Johannes den Dooper.

ZESDE LES.

Jezus gaat terug naar Galilea.

1. Welk wonder verrichtte de lieere Jezus bij zijne terugkomst in Galilea?

De genezing van een geraakte, die op een bed tot Jezus gebracht werd. Mark. 2:1 — 12.

a. Wat deden zij, die den geraakte droegen, om hem tot Jezus te brengen? Mark. 2:3, 4.

h. Waaraan ergerden zich de Schriftgeleerden, die er bij tegenwoordig waren, en bewees Jezus ook, dat Hij de overlegging hunner harten kende? Mark. 2: 6 —10.

2. Kwam Jezus in Galilea ook in strijd met de Farizeën en Schriftgeleerden?

Ja; bij gelegenheid van de roeping van Levi, en toen zijne jongeren op een sabbat aren plukten, en Hij zelf op een anderen sabbat een mensch met eene verdorde hand genas. Mark. 2:13 — 28.

а. Waaraan ergerden zich de Farizeën en Schriftgeleerden in het huis van Levi, en welk getuigenis des Heeren aangaande het doel van zijne komst op aarde hebben wij hieraan te danken? Mark. 2 : 16, 17.

б. Wat leerde Jezus omtrent het vasten, en door welke gelijkenis stelde Hij dit in het licht? Luk. 5 : 33—39.

c. Heeft de Heere Jezus Zich tegen den sabbat verklaard, of tegen de kleingeestige en wettische onderhouding van den sabbat door de Farizeën en Schriftgeleerden? Luk. 6 : 3 — 5, 6—9.

3. Bleef het tusschen Jezus en de Farizeën en Schriftgeleerden bij een woordenstrijd?

Neen; de haat en vijandschap der Farizeën ging

-ocr page 96-

84

zoo ver, dat zij met de Herodianen samen raad tegen Jezus hielden, hoe ze Hem dooden zouden. Mark. 3:6.

а. Wie waren de Herodianen?

б. Ondervond Jezus in Galilea enkel tegenstand? Mark. 3 : 7, 8.

4. Waartoe was nu de tijd voor den Heere Jezus gekomen? ■

De tijd was nu voor den Heere Jezus gekomen, om Zich uit zijne volgelingen een eigen gesloten apostelenkring te kiezen.

a. De namen der twaalf apostelen zijn: Simon Petras en Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs, Thomas en Mattheüs, Jakobus de zoon van Alfeüs, en Judas of Thaddeüs, Simon de Kananiet en Judas Iskariot.

h. Wie zijn Cefas (1 Cor. 15:5, Gal. 2 : 9), Nathanaël (Joh. 1 : 46. 21 : 2), Levi (Luk. 5 : 27) en Lebbeüs (Matth. 10 : 3)?

c. Welk beroep oefenden zij uit, en waarom zou Jezus juist deze meer eenvoudige menschen gekozen hebben?

d. Welken last en welke macht ontvingen zij? Mark. 3 : 14, 15.

e. Waren de twaalven in eene goede school, om voor hunne hooge roeping gevormd te worden?

ZEVENDE LES.

Jezus' verdere werkzaamheden in Galilea.

1. Welke belangrijke rede heeft Jezus kort na de roeping der twaalf apostelen gesprokenquot;?

De bergrede, die ons Mattheüs Hfdst. 5-7 in zijn geheel bewaard heeft.

a. Waarom noemen wij die rede de bergrede, en op welken berg is zij gesproken?

b. De bergrede heeft drie deelen: van Hfdst. 5:1—20 de inleiding, van 5 : 21 — 7 : 23 de rede zelve, van 7 : 24—27 het beslnit.

-ocr page 97-

85

c. Inhoud en doel: het Koninkrijk Gods te doen kennen; wie zijne onderdanen zijn; welke zijne eischen en voorrechten zijn; en dit tegenover de ongeestelijke, doode en huichelachtige leeringen en werken der Farizeën en Schriftgeleerden.

2. Welke twee wonderen deed Jezus, toen Hij van den berg afgeklommen was?

De genezing van den dienstknecht van den hoofdman te Kapernaüm, en de opwekking van den zoon eener weduwe te Naïn.

а. Waarin bestond het groote geloof van dien hoofdman? Luk. 7 : 1 — 10.

б. Welke macht bewees de Heere Jezus door de opwekking van dooden? Luk. 7 : 11—16.

3. Wat liet Johannes de Dooper uit de gevangenis aan Jezus vragen ?

Johannes zond twee van zijne discipelen tot den Heere Jezus met de vraag; „Zijt Gij degene die komen zou of verwachten wij een ander?quot; Luk. 7; 19.

a. Waarom liet Johannes dit vragen, voor zich of voor zijne discipelen? Luk. 7 : 19—23.

b. Wat getuigde Jezus tegen de schare van Johannes, en welke gelijkenis paste Hij op het volk toe?Luk. 7 : 24—35.

4. Hebben wij uit dezen tijd ook een treffend bewijs van Jezus' liefde tot het verlorene ?

Ja; in hetgeen Jezus in het huis van Simon, den Farizeër, aan eene zondares toeliet en toesprak. Luk. 7:36-50.

a. Was deze zondares Maria Magdalena, en wat liet Jezus haar toe ?

b. Met welke gelijkenis bestrafte de Heere Simon, en hoe bemoedigde en troostte Hij die zondares ?

5. Heeft Jezus in dien tijd niet vele gelijkenissen gesproken ?

Ja; Mattheüs deelt er zeven mede, die Jezus in dien tijd tot de schare en zijne jongeren gesproken heeft.

-ocr page 98-

86

а. Matth. 13 : 1—52. De gelijkenissen van den zaaier, het onkruid onder de tarwe, het mosterdzaad, het zuurdee-sem, den schat in den akker, den koopman in paarlen en het vischnet.

б. Waaraan ontleende Jezns zijne gelijkenissen, en sprak Jezus alleen in gelijkenissen om zijn onderwijs voor de schare te verhelderen? Matth. 13 : 10 —17.

c. De gelijkenissen dienen om het Koninkrijk Gods voor te stellen in zijn oorsprong, aard, voortrelfelijkheid, macht en toekomst, maar ook om den Koning, de onderdanen, de eischen en zegeningen van dat Koninkrijk kenbaar te maken.

6. Waarheen heg af Jezus Zich aan den avond van den dag, waarop Hij het zevental gelijkenissen sprak ?

Jezus voer aan den avond van dien dag met zijne discipelen over naar het land der Gadarenen, waar Hij eene bezetene genas. Mark. 4:35. 5: 1 — 16.

a. Waaraan leden de bezetenen, en over wien bewees Jezus zijne macht in het genezen van bezetenen ? Mark. 5 : 1—20.

h. Wat stak er op, toen Jezns wederkeerde, waren de jongeren ook bevreesd, en wat deed Jezus? Mark. 4:37—41.

c. Wiens dochtertje wekte Jezus op, toen Hij uit het land der Gadarenen wederkwam? Mark. 5:22 — 43.

d. De Heere Jezus heeft door dit drietal wonderen zijne macht betoond over den duivel, de onbezielde natuur en den dood.

7. Wiens dood is omtrent dien tijd voorgevallen? De dood van Johannes den Dooper, dien Herodes

in de gevangenis liet onthoofden.

a. Bij welke gelegenheid liet Herodes Johannes onthoofden, en hoe werd Herodes er toe gebracht? Mark. 6:21—27.

h. Hebt gij over dien dood van Johannes in verband tot zijne roeping als Wegbereider voor Christus ook iets op te merken?

-ocr page 99-

87

VIJFDE ONDERAFDEELING.

Van den Dood van Johannes tot het Loofhuttenfeest.

ACHTSTE LES.

Wonderen, lijdensaankondiging en de verheerlijking.

-1. Waarheen begaf Zich Jezus met zijne discipelen op het vernemen van Johannes' doodt

„Als Jezus dit hoorde,quot; zegt Mattheüs, „vertrok Hij van daar te scheep, naar eene woeste plaats alleen.quot; Matth. 14:13.

a. Hoe noemt Lukas die plaats, en waar lag zij? Luk. 9 : 10. h. quot;Waar waren de twaalven juist van teruggekomen? Luk. 9 : 1—6, 10.

2. Welk wonder verrichtte de Heere Jezus in die woeste plaats ?

De Heere spijzigde hier vijf duizend menschen met vijf brooden en twee visschen. Mark. 6:32—44. Joh. 6:1-14.

a. Omtrent welken tijd geschiedde dit wonder, en is Jezus ook op het Paaschfeest te Jeruzalem geweest? Joh. 6 : 4. h. 's Heilands belangrijke rede in de synagoge te Kapernaüm, Joh. 6 : 22—65. Petrus' belijdenis, 67—69. Eerste zinspeling op den verrader, 70, 71.

c. quot;Welke uitwerking had deze rede op velen, die Jezus tot nu toe gevolgd waren? Joh. 6 : 66.

3. Is Jezus in dien tijd ook buiten het Joodsche land geweest?

Ja; Hij ging naar de landpalen van Tyrus en Sidon, en genas aldaar het dochtertje van eene Ka-naneesche vrouw. Mark. 7:24—30.

a. Was Jezus eerst niet hard tegen die vrouw, en hoe en waardoor heeft zij Hem overwonnen?

-ocr page 100-

88

b. Leert ons deze geschiedenis ook in welke verhonding de Heidenen tot dien tijd stonden tot het Koninkrijk Gods?

c. Welk wonder verrichtte de Heere te Dekapolis? Mark. 7 ; 31—37.

4. Waar spijzigde de Heiland voor de tweede maal eene groote schare?

Te Dekapolis, waar Jezus vier duizend menschen met zeven brooden en eenige vischjes spijzigde. Mark. 8:1—9.

5. Wat begon Jezus in dien tijd zijnen discipelen te vertoonen ?

„Dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesters en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.quot; Matth. 16 : 21.

a. Is deze voorwetenschap van den Heere Jezus ook een bewijs Tan zijne Godheid?

b. Welke belijdenis heeft Petrus vóór deze lijdensaankondiging afgelegd, welken naam en welke macht gaf Jezus hem, en wat zeide Petrus, toen Jezus zijn lijden aankondigde? Matth. 16:18—20, 21—24.

6. Wat gebeurde er na deze eerste lijdensaankondiging ?

's Heilands verheerlijking op den berg. Matth. 17:1-8.

a. Wie verschenen daar aan den Heere Jezus, en waarover spraken zij met Hem? Luk. 9 : 30, 31.

h. Welke hemelstem werd er gehoord? Matth. 17:5.

c. Wat zeide Petrus, en verstond hij het later ook beter? Matth. 17:4. 2 Petr. 1:17, 18.

7. Heeft Jezus nog eenmaal zijn lijden voorzegd?

Ja; kort vóór Hij Galilea verliet en opging naar

het Loofhuttenfeest te Jeruzalem, sprak Hij nog eenmaal tot zijne jongeren van zijn lijden, dood en opstanding. Mark. 9 :30—32.

-ocr page 101-

89

а. Vóór de Heere naar het Loofhuttenfeest opging, zond Hij zeventig discipelen uit.

б. Met welken last zond Hij hen uit; waarin verschilden deze zeventig van de twaalf discipelen; hoe keeren zij weder en hoe ontvangt Jezus hen? Luk. 10 : 1—24.

ZESDE ONDEEAFDEELING.

Van het Loofhuttenfeest tot 'sHeeren Laatste lijden.

NEGENDE LES.

Jezus op het Loofhuttenfeest.

1. Welken weg nam Jezus uit Galileo, naar Jeruzalem tot het Loofhuttenfeest 1

Jezus ging tot dit feest in alle stilte op, en nam zijn weg door Samaria. Luk. 9:51.

а. Waaraan herinnerde het Loofhuttenfeest? Lev. 23 : 39—43.

б. Waarom ging de Heere in het verborgen op naar dit feest? Joh. 7 : 1—10.

c. Wat bejegende Jezus en zijnen discipelen in Samaria? Luk. 9:52—56.

d. Welke familie bezocht Jezus op deze reis? Luk. 10 : 38—42.

2. Hoe was men op het Loofhuttenfeest omtrent Jezus gezind?

De gezindheid des volks omtrent Jezus op het Loofhuttenfeest was zeer verschillend en strijdig: „Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare.quot; Joh. 7:12.

a. Wat riep Jezus op den grooten dag van het feest? Joh. 7 : 37, 38.

h. Wat wilden de Overpriesters en Schriftgeleerden Hem doen; is hun dit gelukt, en welke overste van de Farizeën sprak voor Jezus? Joh. 7:32, 45, 46, 50—52.

-ocr page 102-

90

3. Welk oordeel sprak Jezus over de overspelige vrouw uit ?

Jezus heeft geen oordeel over deze vrouw uitgesproken, Hij wilde geen rechter over haar zijn.

а. Waarom wilde Jezus geen rechter over deze vrouw zijn, en hoe beschaamde Hij de Farizeën en Schriftgeleerden? Joh. 8 : 6 — 11.

б. Heeft de Heere in Joh. 8 ook ingewikkeld van zijn lijden gesproken, en wat verklaarde Hij van zijn eeuwig voorbestaan? Joh. 8:28, 58.

4. Welk wonder heeft de Heere Jezus in die dagen te Jeruzalem verricht ?

De Heere gaf aan een blindgeborene het gezicht.

a. Om welke oorzaak meenden de discipelen, was deze man blind geboren, en welke verklaring gaf Jezus er van? Joh. 9 : 2—5.

h. Wat wekte dit wonder bij de Joden op; hoe beantwoordde de blindgeborene hun, en is de blindgeborene ook tot het geloof in Christus gekomen? Joh. 9 : 8—41.

5. Welk feest woonde Jezus te Jeruzalem nog hij?

Het feest van de Yernieuwing des tempels. Joh.

10:22.

a. Dit feest had zijn oorsprong te danken aan de tempelreiniging door Judas den Makkabeër, en werd gevierd op den 2 5sten van de maand Kisleu, die met onzen December overeenkomt.

h. Waarschijnlijk heeft Jezus den tijd tusschen het Loofhuttenfeest en het feest van de Vernieuwing des tempels in Galilea doorgebracht. In dezen tijd is te plaatsen hetgeen wij bij Lukas vinden van Hfdst. 11 —13 : 21.

-ocr page 103-

91

TIENDE LES.

Jezus in het Overjordaansche.

1. Waarheen ging Jezus na het feest van de Vernieuwing des tempels?

De klimmende vijandschap der Joden noodzaakte den Heere Jeruzalem te verlaten en over den Jor-daan te gaan naar Bethabara. Joh. 10:39, 40.

а. Welk getuigenis gaf Jezus van Zichzelven? Joh. 10 : 27—30.

б. Wat wilden de Joden Hem doen? Joh. 10 : 31.

2. Waar leest gij hetgeen Jezus in het Overjordaansche gedaan en gesproken heeft?

Bij den evangelist Lukas van Hfdst. 13: 22- 17:10.

а. Jezus' antwoord op de vraag van een: „Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden?quot; 13:23 — 30.

б. Men boodschapt den Heere, dat Herodes Hem dooden wil, en 's Heeren antwoord. 13:31—35.

c. Jezus op een maaltijd bij een overste der Farizeën; de genezing van een waterzuchtige; de gelijkenis van een mensch, die een grooten maaltijd bereidde, en van een die een toren wilde bouwen enz. 14 : 1—35.

d. De gelijkenissen van het verloren schaap, de verloren penning, den verloren zoon, den onrechtvaardigen rentmeester, en van den rijken man en Lazarus. 15 : 1—16 : 31.

e. De discipelen bidden om vermeerdering des geloofs. Luk. 17:1—10.

3. Wat drong den Heere het Overjordaansche te verlaten ?

De tijding, die de zusters van Lazarus Jezus uit Bethanië deden toekomen: „Heere! zie, dien Gij lief hebt is krank.quot; Joh. 11: 1 — 3.

o. Vertrok de Heere dadelijk naar Bethanië, en waarom niet? Joh. 11:4—15.

h. Hoe leeren wij Jezus aan het graf van Lazarus kennen? Joh. 11 : 33—36.

c. Welke uitwerking had dit wonder des Heer en op hen die er bij tegenwoordig waren? Joh. 11 : 45, 46.

-ocr page 104-

92

4. Wat deden de Overpriesters en Farizeën nu?

Zij vergaderden den Kaad, en beraadslaagden om

Jezus te dooden.

a. Uit hoeveel leden bestond de Groote Baad der Joden, wie waren daarin vertegenwoordigd, en wie was de voorzitter ?

b. Welken raad gaf Kajafas? Joh. 11 : 51—63.

5. Waar week nu Jezus voor de aanslagen der Joden heenquot;?

Jezus week met zijne discipelen naar Efraïm, een stad op de grenzen van Samaria, en bleef daar, totdat Hij opging naar het ophanden zijnde Paaschfeest.

Op de reis van Efraïm naar Jericho;

a. De genezing van 10 melaatsehen. Luk. 17 : 11—19.

b. Jezus spreekt over het Koninkrijk Gods, en hoe en wanneer Hij komen zal. Luk. 17 : 20—37.

c. De gelijkenissen van de weduwe en den onreohtvaardigen rechter, en van den Farizeër en den tollenaar. Lak. 18 : 1 — 14.

d. De vraag der Farizeën en het antwoord des Heeren over de echtscheiding; hoe Jezus de kinderkens ontvangt en de ontmoeting met den rijken jongeling. Matth. 19 : 3—30.

e. De gelijkenis van den heer, die arbeiders in zijnen wijngaard huurt. Matth. 20 : 1—16.

f. Derde lijdensaankondiging, de bede van Salome voor hare beide zonen, en de genezing van twee blinden bij Jericho. Matth. 20 : 17 — 34.

6. Voor wien was 's Heilands bezoek te Jericho hij uitnemendheid gezegend ?

Voor een overste der tollenaren, Zacheüs genaamd, aan wien de Heiland bewees, dat Hij gekomen was om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

a. Wat deed Zacheüs om Jezus te zien, en welk bewijs gaf hij van zijne bekeering? Luk. 19 ; 1—10.

b. Welke gelijkenis sprak Jezus, omdat Hij nabij Jeruzalem was? Luk. 19 : 11—28.

-ocr page 105-

93

ZEVENDE ONDEEAFDEELING.

Van 'sHeeren Laatste lijden tot zijne Opstanding.

ELFDE LES.

Jezus te Jeruzalem.

1. Hoe veel dagen vóór het Paaschfeest kwam Jezus te Bethanië?

Johannes zegt: „Jezus dan kwam zes dagen vóór het Pascha te Bethanië.quot; Joh. 12: let.

a. Op welken dag kwam Jezus te Bethanië?

b. Wat werd den Heere in het huis van Simon den melaatsche te Bethanië bereid; wie zalfde hem daar; hoe openbaarde zich daar Judas, en wat was hiervan het gevolg? Joh. 12 : 1 — 8. Matth. 26 : 6—16.

2. Welken intocht hield de Heere Jezus binnen Jeruzalem ?

De Heere Jezus heeft een waarlijk koninklijken intocht in Jeruzalem gehouden: gezeten op eene ezelinne werd Hij door de schare der feestelingen met luide Hosanna's begroet. Mark. 11:1 — 10.

a. Was dit ook voorzegd? Zaoh. 9 : 9.

b. Hoe kwam de Heere aan die ezelin en haar veulen, en was dit eene afspraak met den eigenaar van het veulen? Mark. 11 : 2 — 6.

c. Wat deed het volk nog meer dan Jezus met Hosanna's te begroeten? Matth. 21:8.

d. Hoe namen de Farizeën dit alles op, wat antwoordde Jezus hun, en onder welke gemoedsaandoeningen trok Jezus Jeruzalem in? Luk. 19:39 — 44.

3. Wat deed Jezus op den dag van zijnen intocht in Jeruzalem ?

Markus zegt, dat Jezus in den tempel ging, alles rondom bezag, en aan den avond weder uitging naar Bethanië met de twaalven. Mark. 11:11.

-ocr page 106-

94

4. Wat deed Jezus op den volgenden dag?

Jezus ging wederom naai- Jeruzalem, waar Hij de koopers en de verkoopers uit den tempel dreef, en de schare onderwees. Matth. 21; 12, 13.

a. Wat deed Jezus op den weg van Bethanië naar Jernzalcm? Matth. 21 : 18—22.

b. Wie begeerde Jezus te zien, wat sprak Jezus naar aanleiding van dit aanzoek, en welke stem werd er gehoord? Joh. 12 : 20—50.

5. Waar was Jezus op den daaropvolgenden dag? Jezus ging wederom van Bethanië naar Jeruzalem,

en sprak tot de schare zijne laatste reden.

a. 's Heeren antwoord op de vraag der Overpriesters en Schriftgeleerden: „Door wat macht doet Gij deze dingen?quot; Matth. 21 : 23—27.

b. De gelijkenissen van de twee ongelijke zonen, en van den wijngaard. Matth. 21 : 28—46.

c. De strikvragen over de schatting en de opstanding, en Jezus' antwoorden. Mark. 12 : 13—27. Luk. 20 : 20—40.

d. De bestraffing der Farizeën en Schriftgeleerden, en Jezus' laatste dreigende profetische woorden over Jeruzalem. Matth. 23 : 1—12, 13 — 39.

6. Heeft Jezus dien dag niet meer gesproken ?

Ja; toen Hij met zijne discipelen Jeruzalem was uitgegaan, zette Hij Zich met hen neder op den Olijfberg, en sprak zijne profetische rede tot hen. Matth. 24:3.

a. Waarop wezen de discipelen den Heere, en wat vroegen zij aan Hem? Mark. 13 : 1—4.

b. Jezus profeteerde zijnen discipelen de verwoesting van Jeruzalem, zijne wederkomst en het einde der wereld. Matth. 24:4—51.

c. Hij waarschuwde zijnen discipelen door de gelijkenissen van de tien maagden en van de talenten, en eindigde met de schildering van het laatste oordeel. Matth. 25 : 1—46.

-ocr page 107-

95

TWAALFDE LES.

Het Avondmaal, Gethsemané, de gevangenneming.

1. Wat kondigde de Heiland twee dagen vóór het Pascha zijnen jongeren aan ?

De Heiland kondigde zijnen jongeren twee dagen vóór het Pascha aan, dat Hij op dit Paaschfeest zou worden overgeleverd, om gekruisigd te worden. Matth. 26 :1, 2.

a. Wat bepaalde de Joodsche Raad omtrent het gevangennemen en dooden van Jezus? Matth. 26 : 3—5.

h. Wat gaf aanleiding, dat niet de bepaling der vijanden, maar Jezus' woord vervuld werd? Matth. 26 ; 14—16.

c. Zou Judas alleen om den prijs van de dertig zilverlingen de verrader zijns Meesters geworden zijn?

2. Wanneer zond de Heere twee van zijne discipelen naar Jeruzalem om het Pascha te bereidenquot;?

De Heere zond die discipelen Donderdagmorgen van Bethanië naar Jeruzalem, waar zij op zijn aanwijzen eene toegeruste opperzaal vonden en het Pascha bereidden. Matth. 26:17 — 19.

a. Waarom gaf de Heere dit bevel zoo geheimzinnig ?

h. Is deze lastgeving ook een bewijs van 's Heilands goddelijke wetenschap?

3. Welhe nieuwe instelling gaf de Heiland, toen Hij met zijne jongeren het Pascha at?

Toen de Heiland met zijne jongeren het Pascha at, stelde Hij het Heilig Avondmaal in tot gedachtenis van zijn lijden en dood. Matth. 26:26 — 29.

а. Wat deed de Heiland zijnen discipelen vóór het Paasoh-maal en waartoe? Joh. 13 : 1 — 20.

б. Welk verband is er tussohen het Pascha en het Heilig Avondmaal, en wat verzekert ons het Avondmaal? Matth. 26 : 28.

-ocr page 108-

96

c. Wien ontdekte, en wien waarschuwde de Heere aan het Avondmaal? Matth. 26 : 21—25. Luk. 22 : 31—38. Joh. 13 : 21—38.

d. 's Heilands laatste gesprekken en laatste gebed. Joh. 14—17.

4. Waarheen begaf Zich Jezus uit de Paaschzaal met zijne discipelen?

Naar den hof Gethsemané, waar Hij, nadat Hij aldaar een zwaren zielestrijd had doorgestaan, gevangengenomen is.

а. Waarom ging de Heere naar Gethsemané, en ging Hij alleen in dien hof? Matth. 26 : 36, 37.

б. Gevoelde Jezus ook behoefte aan de tegenwoordigheid zijner jongeren, en hebben zij Hem iets toegebracht? Matth. 26 : 38, 40, 43. Mark. 14 : 34, 37, 40.

c. Waardoor werd deze zielestrijd verwekt, en hoe hoog ging deze strijd? Luk. 22 : 44.

d. Waardoor overwon Jezns in dien zwaren en bangen strijd? Hebr. 5:7, 8.

5. Boor wie en hoe is Jezus gevangen?

Door eene bende, die door zijne vijanden afgezonden en door Judas geleid werd; maar zij konden de handen niet aan Hem slaan, vóórdat Hij het hun toeliet.

a. Wist dan Judas waar Jezus was? Joh. 18 : 2.

b. Welk bewijs van zijne macht gaf Jezns zijnen vijanden, en wat bedong Hij voor zijne jongeren? Joh. 18 : 4—-9.

c. Wie wilde Jezns verdedigen, en begeerde Jezus dit? Matth. 26 : 51, 52. Luk. 22 : 49—51.

d. Heeft Jezus in zijne overgave ook zijne vrijwillige gehoorzaamheid aan den wil des Vaders bewezen? Matth. 26 : 53—56.

-ocr page 109-

DERTIENDE LES.

Jezus veroordeeld en overgegeven om gekruisigd te worden.

1. Waarhenen bracht men den gevangen en gebonden Jezus?

Voor den Joodschen Raad, waar Hij valsch beschuldigd, als godslasteraar ter dood veroordeeld en smadelijk mishandeld werd.

a. Is Jezus eerst voor Annas gebracht? Joh. 18 ; 13, 24.

b. Hoe ging het bij het onderzoek van Jezus in den Kaad toe; waarvan werd Jezus beschuldigd; waaruit bleek de valschheid en waarmede beantwoordde Jezus die beschuldiging? Matth. 26 : 59—63a.

c. Op welke belijdenis is de Heere ter dood veroordeeld? Matth. 26 : 6S -66.

d. Welke mishandeling leed Jezus voor den Joodschen Raad en' welke smart deed Petrus Hem aan? Mark. 14:65. Matth. 26:67—75. Joh. 18:15—18, 25-27.

e. Hoe kwam Petrus tot berouw, en wat was het einde van Judas? Luk. 22:61, 62. Matth. 27:3 — 10. Hand. 1:18.

2. Aan wien leverde de Joodsche Baad den Heere Jezus nu over?

Aan den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus, van wien zij eischten, dat hij het uitgesproken doodvonnis aan den Heere Jezus voltrekken zou.

a. Waarom voerde de Joodsche Eaad zelf het doodvonnis niet uit, en was hierin ook een Godsbestuur? Joh. 18 : 31, 32.

b. Hebben de Joden voor Pilatus de ware reden gezegd, waarom zij Jezus veroordeeld hadden? Luk. 23:2.

c. Welk gesprek hield Pilatus eerst met Jezus? Joh. 18 : 33—38.

d. Hield Pilatus Jezus voor schuldig? Luk. 23 : 4.

3. Wat deed Pilatus om zich aan den gerichtshan-del over den Heere Jezus te onttrekken?

Pilatus zond den Heere naar Herodes, den Viervorst van Galiléa, die bij gelegenheid van het feest te Jeruzalem was.

B.ö. 7

-ocr page 110-

а. Welke aanleiding had Pilatus om Jezus tot Herodea te zenden? Luk. 23 : 6, 7.

б. Hoe ontving Herodes Jezus; welke smaadheid deed hij Hem aan; en hoe droeg de Heere Jezus dit alles ? Luk. 23 ; 8 — 12.

4. Wat heeft Pilatus eindelijk gedaan ?

Na tot verscheidene reizen openlijk Jezus' onschuld beleden te hebben, en gepoogd Hem los te laten, gaf hij Hem eindelijk over om gekruisigd te worden.

a. Hoe leeren wij Pilatas uit dezen gerichtshandel kennen; welke poging om Jezus los te laten wendde hij nog aan ; en wat bewoog hem tegen zijne overtuiging in Jezus over te geven? Joh. 18 : 39, 40. 19 : 12. Mark. 15 :15a.

h. Wat liet Pilatus Jezus nog doen, voor hij Hem overgaf; en welke bespotting deden de krijgsknechten den Heere aan? Mark. 15 : 156—2ü.

c. Wat riepen de Joden, toen zij in hunne blinde woede Jezus verwierpen? Joh. 19 : 15. Matth. 27 : 25.

d. Hoe verduurde de Heere Jezus al dit lijden? 1 Petr. 2 : 22, 23.

VEERTIENDE LES.

Het kruislijden, de dood en begrafenis.

1. Waarheen leidden zij den Heere Jezus om gekruisigd te worden?

Naar den heuvel Golgotha, bij Jeruzalem, en aldaar kruisigden zij Hem tusschen twee moordenaren.

a. Wat beteekent de naam Golgotha, en waarom moest Jezus buiten Jeruzalem lijden? Hebr. 13 : 12.

b. Wat gebeurde er op den weg naar Golgotha? Luk. 23 : 26 — 31.

c. Was de kruisstraf eene Joodsche strafoefening; wat maakte de kruisstraf zoo zwaar, en waarom moest Jezus juist deze straf ondergaan? Joh. 18:31, 32. Gal. 3:13.

lt;?. Welk opschrift stond er boven Jezus' kruis; wat deed men met zijne kleederen, en wat bood men Hem aan? Joh. 19 : 19—22, 23, 24. Matth. 27 : 34.

-ocr page 111-

99

2. Wat heeft de Heere Jezus inzonderheid onder zijn lijden aan het kruis bewezenquot;?

Dat Hij Zich vrijwillig en gehoorzaam, met volle bewustzijn, en vervuld van de onbegrijpelijkste liefde in den dood overgaf.

а. Is de Heere Jezus aan het kruis ook nog verzocht om Zichzelven te verlossen, en kon Hij het?Matth. 27 : 39—43.

б. Waaruit sprak bovenal 's Heeren bewustzijn en liefde, en welke zijn de woorden door den Heere Jezus aan het kruis gesproken?

3. Waardoor werd het kruislijden voor den Heere Jezus zoo zeer verzivaard ?

Zijn kruislijden werd niet alleen verzwaard door den smaad, hoon en lastering zijner vijanden, maar bovenal omdat Hij in dat lijden den toorn Gods tegen de zonden droeg.

а. Is Jezus ook van zijne medekruiselingen gelasterd geworden? Matth. 27 : 44. Luk. 23 : 39—43.

б. Uit welke klacht spreekt al de diepte van Jezus' lijden aan het kruis? Matth. 27 : 46.

c. Droeg Christus in zijn lijden den toorn Gods tegen de zonden? Jes. 53 : 5. Rom. 3 ; 25, 26. Gal. 3 : 13. 2 Cor. 5 : 21.

4. Hoelang leed de Heere Jezus aan het kruis, eer Eij den Geest gaf?

Toen de Heere Jezus des namiddags drie uur den geest gaf, had Hij ruim zes uren aan het kruis geleden. Mark. 15: 25, 33, 34, 37.

a. Stierf Jezus met zijn volle bewustzijn? Joh. 19 : 28—30.

b. Heeft God den Heere Jezus in zijn sterven ook verheerlijkt; waardoor; en welke uitwerking had dit op de schare? Matth. 27 : 51—54. Luk. 23 : 48.

c. Hoe heeft men zich willen verzekeren, dat Jezus waarlijk gestorven was, en was dit noodig? Joh. 19: 31—37.

d. Wat heeft de Heere Jezus zelf verklaard omtrent het doel van zijn lijden en sterven? Matth. 20 : 28. 26:28. Joh. 10 : 11, 15.

-ocr page 112-

100

5. Wie hebben het lichaam van Jezus van het kruis afgenomen en begraven?

Nikodemus en Jozef van Arimathéa hebben het lichaam van Jezus van het kruis afgenomen en in een graf gelegd.

a. Wie waren Nikodemus en Jozef; welke eere deden zij Jezus in zijnen dood aan; en wie aanschouwden dit? Joh.

19 : 38—42. Luk. 23 : 50—56. Jes. 53 : 9.

6. Werd het graf ook verzegeld en bewaakt? Matth. 27 : 62—66.

ACHTSTE ONDERAFDEELING.

Van zijne Opstanding tot de Uitstorting des Heiligen Geestes.

VIJFTIENDE LES.

De opstanding en hemelvaart.

1. Is de Heere Jezus in den dood gebleven ?

Neen; maar Hij is ten derden dage uit de dooden opgestaan.

a. Wat is er tij zijne opstanding gebeurd? Matth. 28 : 1—4.

b. Wie waren aan dien morgen uitgegaan om het graf te bezien en Jezus' lichaam te balsemen? Joh. 20 : 1. Mark. 16 : 1.

2. Aan wie is de Heere Jezus na zyne opstanding verschenen ?

De Heere Jezus is na zijne opstanding gezien geworden van zijn elf discipelen, en van vele anderen zijner volgelingen.

a. Aan wie en hoeveel maal verscheen de Heere Jezus op den dag zijner opstanding? Joh. 20 : 1 —18. Matth. 28 : 9, 10. Luk. 24: 34. 1 Cor. 15 : 5. Luk. 24 : 13—33. Joh.

20 : 19-23.

h. Aan wie acht dagen later? Joh. 20 : 24—29.

c. Welke andere verschijningen weet gij nog? Joh. 21 : 1—14. Matth. 28:16 — 18. Mark. 16:14. 1 Cor. 15:6, 7.

-ocr page 113-

101

d. Waartoe dienden deze verschijningen; en welke bewijzen leveren zij voor de waarheid van Christas, lichamelijke opstanding ?

e. Verwachtten de volgelingen van Jezus dat Hij uit de dooden zou opstaan; en waren zij aanstonds genegen het te gelooven?

f. Is Jezus ook aan zijne vijanden verschenen, en waarom niet? Hand. 10 : 40, 41.

3. Wat is door de opstanding van Jezus Christus bewezen ?

Door de opstanding van Jezus Christus is krach-tiglijk bewezen, dat Hij de Zoon van God en de vol-komene Zaligmaker van zondaren is. Eom. 1:4. 4: 25.

4. Hoe lang bleef Jezus na zijne opstanding nog op aarde?

De Heere Jezus is na zijne opstanding nog veertig dagen op aarde gebleven, in welken tijd Hij aan zijne jongeren is verschenen en tot hen gesproken heeft over de dingen van het Koninkrijk Gods. Hand. 1: 3.

a. Ging de Heere na zijne opstanding op dezelfde wijze met zijne discipelen om als vóór zijne opstanding ?

b. Welke belofte deed Jezus nog aan zijne discipelen, en waar wilde Hij dat zij tot de vervulling dier belofte blijven zouden? Hand. 1:4, 5, 8.

c. Welken last en macht gaf Jezus zijnen discipelen: wien moesten zij het Evangelie prediken? Joh. 20 : 21—23. Matth. 28 : 19. Mark. 16 : 15 — 18.

5. Van waar is de Heere naar den hemel gevaren ?

De Heere Jezus is van den Olijfberg voor het

oog van zijne jongeren naar den hemel gevaren, en is gezeten aan de rechterhand Gods.

a. Hebben zijne discipelen Hem zien henenvaren, en wie verzekerden hun dat de Heere Jezus in den hemel is opgenomen? Hand. 1 : 10, 11.

b. Waar leest gij, behalve in het Boek der Handelingen, in het N. T. meer van Jezus' hemelvaart?

-ocr page 114-

102

c. Hoe waren de discipelen gesteld, nadat Jezus ten hemel gevaren was, en waarheen keerden zij terng ? Luk. 24 : 52, 53.

d. Was deze verhooging van Christus noodzakelijk en wat is zij voor de gemeente? Ps 68 : 19. Ef. 4 : 8. Filip. 2 : 9—11. Hebr. 7:25, 26. Joh. 14:1, 2.

e. Hoe groot was het getal discipelen en discipelinnen van den Heere Jezus, die te Jeruzalem op de belofte des H. Geestes wachtten, en wie treffen wij onder hen aan? Hand. 1 : 14, 15.

f. Wie werd in Judas' plaats tot apostel verkozen, en hoe ging deze verkiezing toe? Hand. 1 : 15—26.

II. Van de Uitstorting des Heiligen Geestes tot de Verwoesting van Jeruzalem. (70).

EERSTE ONDEBAPDEELING.

Van de Uitstorting des Heiligen Geestes tot de Bekeering van Paulus.

ZESTIENDE LES.

De uitstorting des Heiligen Geestes.

1. Waardoor bewees de Heere Jezus, dat Hij aan de rechterhand Gods verhoogd ivas?

Door de uitstorting des Heiligen Geestes, tien dagen na zijne hemelvaart. Hand. 2:33.

а. Op welken Joodschen feestdag werd de Heilige Geest uitgestort ; en is er ook verband tusschen het Joodsche Pinksterfeest en de uitstorting des Heiligen Geestes? Hand. 2 : 1. Exod. 34 : 22.

б. Welke bediening nam nu een aanvang; en hoe hebben wij het te verstaan, dat de Geest er vóór Jezus' verheerlijking niet was? 2 Oor. 3 : 6. Joh. 7 : 39.

2. Hoe geschiedde de uitstorting des Heiligen Geestes ?

De Heilige Geest werd uitgestort onder de teekenen

van een geluid, gelijk als van een geweldigen gedrevenen wind, en van tongen als van vuur. Hand. 2 : 2,3.

-ocr page 115-

103

a. Is het komen des Heiligen Geestes ook voorbereid? Geef hiervoor plaatsen in het Oude en Nieuwe Testament.

h. Is er ook verband tusschen de teekenen van vuur en wind en den persoon, het werk en de gaven des Heiligen Geestes, en openbaarde God Zich meermalen onder deze teekenen? Gen. 3 : 8. 1 Kon. 19 : 11, 12.

3. Wat was het onmiddellijk gevolg van de uitstorting des Heiligen Geestes?

De apostelen, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, begonnen met andere talen te spreken en de groote werken Gods te verkondigen. Hand. 2:4.

a. Spraken de apostelen in andere talen dan hun moedertaal, en waartoe diende deze gave? Hand. 2 : 8 —11.

b. Was het spreken in andere talen de eenige gave, die de Heilige Geest aan de apostelen mededeelde? 1 Oor. 12:7—11.

4. Welken indruk maakte dit alles op de saamge-vloeide menigte?

Zij ontzetten zich allen, en sommigen werden twijfelmoedig, maar anderen zeiden spottende: „Zij zijn vol zoeten wijns!quot; Hand. 2; 7, 12, 13.

5. Wat deed Petrus nu?

Petrus, staande met de elven, verhief zijne stem, en verkondigde de schare, dat Jezus van Nazareth, dien zij gekruisigd hadden en door God verhoogd was, dit alles had uitgestort wat zij zagen en hoorden.

а. Hoe beantwoordde hij eerst de spotters? Hand. 2 : 14, 15.

6. Waarop beriep hij zich, en waar leest gij die profetieën?

c. Stelde hij het volk ook hunne zonden voor oogen, en wat hun dreigde, indien zij den verhoogden Messias niet erkenden? Hand. 2 : 23, 24, 33—86.

б. Welke gezegende en onovertroffen uitwerking had de eerste prediking van Petrus?

Dat de schare verslagen uitriep: „Wat zullen wij doen, mannen broeders ?quot; en er omtrent drie duizend zich bekeerden en in Christus geloofden. Hand. 2 : 37.

-ocr page 116-

104

a. Welken raad gaf Petras aan die verslagenen, en welke belofte deed hij hun? Hand. 2:38, 39.

b. Gaven zii aan dien raad gehoor, en waarin volhardden zij? Hand. 2:41, 42.

c. Waardoor kenmerkte zich deze eerste Christelijke gemeente, en wie deed haar toenemen? Hand. 2:44—47.

ZEVENTIENDE LES.

De eerste gemeente.

1. Waardoor werd de jeugdige gemeente des Heeren bevestigd en uitgebreid'?

Door de prediking der apostelen, waaraan God krachtig getuigenis gaf door teekenen en wonderen en bedoelingen des Heiligen Geestes.

a. Welke was de hoofdinhoud van de prediking der apostelen, en waarop drongen zij ernstig aan? Hand. 4:2. 3 : 19.

h. Verrichtten de apostelen vele wonderen? Hand. 3 : 1 —10, 5 : 12, 15, 16.

c. Breidde de gemeente zich krachtig nit, en kwamen er ook uit de priesters tot het geloof in Christus ? Hand. 4:4. 6:7.

2. Hoedanig was de toestand der eerste gemeente?

De toestand der eerste gemeente mag een Paradijs-toestand genoemd worden: zij kenmerkte zich door een blijmoedig geloof, door eene voorbeeldelooze liefde en een heiligen wandel.

a. Het blijmoedig geloof der gemeente. Hand. 2 : 47. 5 : 41.

h. Hoe ver ging de liefde der eerste gemeente ; en is zij in de wijze, waarop zij die betoonde, voor de kerk van alle volgende eeuwen een verbindend voorbeeld ? Hand. 2 : 45. 4 : 84—37.

c. Welken invloed oefende de gemeente door dit alles uit op degenen, die buiten waren? Hand. 2 : 43, 47. 5 : 13.

d. Zocht de satan ook een groot nadeel aan de eerste gemeente toe te brengen, en waaraan doet ons dit denken? Hand. 5 : 1 —11. Gen. 3 : 1—6. Matth. 4 : 1 —11.

-ocr page 117-

105

3. Hield de eerste gemeente reeds hare afzonderlijke godsdienstige bijeenkomsten ?

Ja; uit de gemeenschap des geloofs en der liefde werden al aanstonds zulke bijeenkomsten tot het gemeenschappelijk gebed en de breking des broods in de eerste gemeente geboren.

a. Onttrokken de apostelen en de gemeente zich aanstonds van het opgaan naar den tempel? Hand. 3 : 1. 2 : 4601.

b. Wat hebben wij te verstaan door het „van huis tot huis brood brekenquot; der gemeente? Hand. 2 : 466.

c. Welke bediening stelden de apostelen in tot regeling van de verzorging der armen? Hand. 6 : 1—6.

4. Tegen wie richtte zich het eerst de vervolgingquot;?

Tegen de apostelen, die door hunne prediking en

wonderen den doodelijken haat van den Joodschen Raad tegen den Nazarener bij vernieuwing opwekten. Hand. 4:1, 2.

a. Wat deed de Joodsche Kaad deu apostelen? Hand. 4 : 1—7. 5 : 17-42.

h. Hoe verantwoordde Petrus zich, en hoe verdroegen de apostelen de vervolging tot gevangenis en geeseling toe ? Hand. 4 : 8—20. 5 : 41.

5. Wie werd de eerste bloedgetuige?

Stéfanus, een der eerste diakenen der gemeente te Jeruzalem, die om zijne belijdenis van Jezus dooide Joden gesteenigd is.

a. Wat staat er van Stéfanus, en waarvan beschuldigde men hem voor den Joodschen Eaad ? Hand. 6:8—14.

b. Wat toonde Stéfanus in zijne verdediging voor den Eaad aan; Wien weerstonden de Joden; en welke uitwerking had zijne redevoering? Hand. 7 : 1—54.

c. Wien zag Stéfanus, en wat bad hij stervende voor zijne vijanden? Hand. 7 : 55—60.

d. Wie bewaarde de kleederen der getuigen bij Stéfanus' steeniging? Hand. 7 : 58.

-ocr page 118-

106

ACHTTIENDE LES.

De voortgang van de prediking des Evangelies.

1. Welken gang nam de prediking des Evangelies na den dood van Stéfanus?

Na den dood van Stéfanus is het Evangelie eerst in Judea en Samaria, en daarna buiten Palestina gepredikt geworden.

a. quot;Wat gaf aanleiding tot de prediking des Evangelies buiten Jeruzalem; was het eene zware vervolging; en is hierin niet het bestuur van den Heere der gemeente zichtbaar? Hand. 8 : 1—4.

b. Bleven de apostelen onder die vervolging te Jeruzalem? Hand. 8 : 1amp;.

2. Wie predikte het Evangelie in Samaria1?

Filippus, een der eerste Jeruzalemsche diakenen,

predikte met ongemeenen zegen het Evangelie in Samaria.

a. Wie werden uit Jeruzalem naar Samaria gezonden, en waartoe? Hand. 8 : 14 — 17.

h. Door wien werden Petrus en Johannes te Samaria verzocht, en hoe sloeg Petrus die Terzoeking af? Hand. 8: 18—24.

c. Waarheen keerden Petrus en Johannes terug, en wat deden zij op hun terugreis? Hand. 8 : 25.

d. Waren er spoedig vele gemeenten buiten Jeruzalem in Palestina? Hand. 9:31, 32.

3. Aan wien predikte Filippus op den weg van Jeruzalem naar Gaza het Evangelie?

Aan eenen Moorschen kamerling, die wederkeerde van te aanbidden te Jeruzalem.

а. Gingen er dan ook Heidenen op, om te aanbidden te Jeruzalem, of was de kamerling een Jodengenoot?

б. Hoe kwam Filippus met den kamerling in aanraking en waaruit nam Filippus aanleiding hem Christus te prediken? Hand. 8 : 26—35.

c. Op welke belijdenis doopte Filippus den kamerling, en hoe ontkwam Filippus uit het gezicht van dezen? Hand. 8 : 36—40.

-ocr page 119-

107

4. Wie was de eersteling uit de Heidenen, aan wien Petrus het Evangelie verkondigde?

Cornelius, een Romeinsch hoofdman te Cesarea, die op goddelijken last Petrus ontbood, om van hem te vernemen, wat hij doen moest. Hand. 10:1 — 8.

a. Was deze Cornelius nog een heiden, toen hij Petras ontbood? Hand. 10 : 28, 45. 11:1.

b. Welk onderricht ontving Petrus door het gezicht van het linnen laken? Hand. 10:9—20.

c. Welk bewijs gaf de Heere dat de Heidenen, die geloofden, in dezelfde voorrechten deelden, als de geloovigen uit de Joden? Hand. 10 : 44, 45.

d. Namen de geloovigen uit de Joden het goed op, dat Petrus aan de Heidenen het Evangelie verkondigd had, en is hunne ontevredenheid verklaarbaar? Hand. 11 : 1—18. Vgl. Efeze 3 : 2—6.

TWEEDE ONDEBAPDEELING.

Van de Bekeering van Paulus tot de Verwoesting van Jeruzalem.

NEGENTIENDE LES.

De bekeering van Paulus.

1. Wien had God bestemd tot apostel der Heidenen ?

Saulus van Tarsen, een der hevigste vervolgers der eerste Christenen, was door God bestemd, en is door den Heere Jezus geroepen tot apostel dei-Heidenen. Gal. 1:15, 16.

а. Waar was Saulus geboren en opgevoed, en tot welke seete behoorde hij vóór zijne bekeering? Hand. 21 : 39. 22 : 3, 26—28.

б. Waar hebben wij Saulus reeds ontmoet; hoe woedde hij tegen de Christenen; en waaruit werd deze hevige vervol-gingszucht bij hem geboren? Hand. 7:58. 26 : 9—11. 1 Tim. 1 : 13.

-ocr page 120-

108

2. Waar is Saulus door den Heere Jezus bekeerd en tot apostel geroepenquot;?

Paulus is op den weg naar Damaskus bekeerd en door den Heere Jezus zelf tot apostel der Heidenen geroepen.

a. Waarom ging Saulus naar Damaskus? Hand. 9:1, 2.

h. Ging de verschijning van den Heere Jezus en zijne stem tot Saulus ook gepaard met eene innerlijke openbaring, en welken omkeer bracht dit bij Saulus teweeg? Gal. 1 : 15, 16. Filip. 3 : 126. Hand. 9:5, 6.

c. Welke waarneming hadden zij, die met Saulus reisden, van hetgeen er gebeurde? Hand. 9:7. 22:9. 26: 14«.

d. Waarheen geleidden zij Saulus; wie kwam tot hem; en waartoe? Hand. 9 : 8 —18.

e. Waar heeft Saulus het eerst Christus gepredikt, en aan welk gevaar is hij te Damaskus ontkomen? Hand. 9 : 20— 25. 2 Cor. 11 : 32, 33.

f. Waar lezen wij, dat hij ook Paulus genaamd is? Hand. 13 : 9.

3. Wanneer kwam Paulus na zijne bekeering weder te Jeruzalem?

Paulus kwam eerst drie jaren-na zijne bekeering weder te Jeruzalem, waar Barnabas hem tot de apostelen leidde.

a. Wie was Barnabas? Hand. 4:36. 11:22—24.

h. Schonken de geloovigen te Jeruzalem Paulus aanstonds vertrouwen? Hand. 9 : 26—28. Gal. 1 : 18—24.

c. Welk gevaar dreigde Paulus te Jeruzalem en waarheen zonden hem de broeders? Hand. 9 : 29, 30.

4. Hadden de Christenen in dien tijd ook nog eene vervolging te verduren?

Ja; van Herodes Agrippa, den kleinzoon van Herodes den Groote. die in dien tijd Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard doodde en ook Petrus in de gevangenis wierp. (In 't jaar44n. Christus). Hand. 12:2.

a. Hoe is Petrus uit de gevangenis bevrijd? Hand. 12 : 5—17.

fc. Hoe strafte God Herodes? Hand. 12 : 18—23.

-ocr page 121-

109

TWINTIGSTE LES.

Paulus' Eerste Zendingsreis.

1. Waar begon Paulus1 bepaalde werkzaamheid in het Evangelie1?

Te Antiochië in Syrië, waar hij nevens Barnabas een geheel jaar in de gemeente werkzaam was.

а. Door wie was de gemeente te Antiochië gesticht, en waarom noemt men haar de moedergemeente uit de Heidenen? Hand. 11 : 19—21.

б. Welken naam kregen de geloovigen te Antiochië; waarom noemde men ze zoo; en hoeveel maal komt die naam in HN. T. voor? Hand. 11:26. 26:28. 1 Petr. 4:16.

c. Wie bracht Panlus te Antiochië; waar vond Barnabas hem; en waarom was Panlus te Antiochië de rechte man op de rechte plaats? Hand. 11 : 25.

2. Is Paulus bij eigene keuze tot zijne eerste zendingsreis onder de Heidenen uitgegaan'?

Neen; Paulus is benevens Barnabas door den Heiligen Geest aangewezen en door de gemeente te Antiochië uitgezonden tot het werk der bediening onder de Heidenen.

a. Hoe geschiedde deze aanwijzing des Heiligen Geestes; en wat deed de gemeente te Antiochië, vóór zij Paulus en Barnabas uitzond? Hand. 13:1—3.

b. Wie namen Paulus en Barnabas met zich op de reis? Hand. 13 : 5.

3. Waarheen begaven Paulus en Barnabas zich het eerst ?

Naar het eiland Cyprus, waar zij wel tegenstand vonden, maar waar hunne prediking toch gezegend werd tot bekeering van den stadhouder Sergius Paulus.

a. Wie weerstond Paulus en Barnabas, en zocht den stadhouder van het geloof af te keeren? Hand. 13 : 4—8.

b. Welk oordeel des Heeren trof Elymas op Paulus' bestraffing, en welke uitwerking had dit op den stadhouder ? Hand. 13 : 9—12.

-ocr page 122-

110

4. Welken zegen hadden zij op hunne prediking te Antiochië in Pisidië?

Dat aldaar niet alleen vele Joden en Jodengenoo-ten, maar ook vele Heidenen tot het geloof in Christus gebracht werden.

a. Wie verliet Paulus en Barnabas, eer zij te Antiochië kwamen? Hand. 13 : 136.

b. Tot wie spraken de apostelen het eerst het Wcord Gods; was dit naar Gods ordening; en wat wekte te Antiochië de vijandschap der Joden tegen de apostelen op? Hand.

13 : 14—4:2, 45.

c. Hoe ver ging de vijandschap der Joden; en maakte deze vervolging Paulus en Barnabas ook bevreesd en kleinmoedig? Hand. 13 : 46—52.

5. Welke steden hebben Paulus en Barnabas op deze reis nog meer bezocht ?

Zij hebben op deze reis nog de steden Icónium, Lystre en Derbe bezocht, en aldaar het Evangelie gepredikt waarna zij wedergekeerd zijn naar Antiochië in Syrië.

a. Te Icónium ondervonden zij, bij grooten zegen op hunne prediking, ook heftigen tegenstand on vervolging. Hand.

14 ; 1—5.

b. Welk wonder verrichtte Paulus te Lystre; welke eer wilde men aldaar Barnabas en Paulus toebrengen; begeerden de apostelen die eer; en tot welk ander uiterste kwam het? Hand. 14 ; 6—19.

c. Is hunne prediking te Derbe gezegend geworden? Hand. 14 ; 20, 21a.

d. Waardoor bewezen Paulus en Barnabas hunne liefde en zorg voor de nieuw gestichte gemeenten? Hand. 14:215—23.

e. Brachten zij ook verslag uit van hun arbeid en ervaringen aan de gemeente, van waar zij uitgegaan waren? Hand. 14 : 27.

-ocr page 123-

Ill

EENENTWINTIGSTE LES.

Paulus' Tweede Zendingsreis.

1. Welke belangrijke vergadering heeft Paulus bijgewoond, vóór hij tot zijne tweede zendingsreis uitging?

De belangrijke vergadering van de apostelen en ouderlingen te Jeruzalem, waar besluiten genomen zijn omtrent de onderhouding der Mozaïsche wet door de geloovigen uit de Heidenen.

a. Wat gaf aanleiding tot het houden van deze vergadering? Hand. 15:1, 2.

b. Wanneer werd deze vergadering gehouden, en kan men haar eene Synode noemen?

c. Welk besluit nam de vergadering; en is hiermede voor altijd de strijd tusschen de Joden en Christenen over de besnijdenis en de onderhouding van Mozes' wet beslist? Hand. 15 : 20. Gal. 5 : 1—6.

2. Is Barnabas ook tot de tweede zendingsreis met Paulus uitgegaan?

Neen; de beide dienaren des Heeren verstonden zich niet over het medenemen van Johannes Markus, en scheidden van elkander.

a. Hoe oordeelt gij over dit verschil tusschen Paulus en Barnabas? Hand. 16 : 37—-89.

i. Waarheen ging Barnabas, en wien nam hij met zich; en waarheen ging Paulus, en wie vergezelde hem? Hand. 15 ; 39—41.

c. Vergezelde toen Lukas, de schrijver van het Boek der Handelingen, Paulus al op zijne reizen? Hand. 16 : 10.

3. Wien vond Paulus te Lystre, die hem gedurende zijn geheele volgende leven tot veel nut is geweest?

Paulus vond te Lystre Timotheüs, een jeugdig discipel, uitmuntende door gaven en geloof, en van wien Paulus begeerde, dat hij met hem zou reizen.

-ocr page 124-

112

a. Wat weet gij van Timotheüs' ouders, en welke opvoeding had hij genoten? Hand. 16 ; 1. 2 Tim. 3 : 15.

b. Achtte Paulns Timotheüs hoog, en had hij hem boven zijne andere medearbeiders lief? 2 Tim 1 : 2 — i. Filip. 2 : 19—22.

c. Waar is Timotheüs ouderling geweest, en wat heeft Panlus aan hem geschreven? 1 Tim. 1:3.

4. Heeft Paulus op deze reis weder het Evangelie in Klein-Azië gepredikt ?

Het was Paulus' voornemen dit te doen, maar de Heilige Geest heeft hem in de uitvoering van zijn voornemen verhinderd. Hand. 16:6 — 8.

a. Hoe verhinderde de Heilige Geest Paulns het Woord in Azië te prediken?

b. Welk oogmerk had de Heere met deze verhindering, en hoe is dit oogmerk aan Panlus ontdekt? Hand. 16:9, 10.

5. Welke was de eerste stad in Europa, waar Paulus het Evangelie verkondigde?

Filippi, eene stad in Macedonië, waar de eerste prediking van Paulus gezegend werd tot bekeering van eene purperverkoopster uit Thyatira, Lydia ge-heeten. Hand. 16: 13 — 15.

a. Wat staat er meer van deze vrouw, en wat beteekent dit? Hand. 16 : 14.

b. Wat gebeurde er met Paulus en Silas in Filippi; wie wordt als de tweede bekeerling in deze stad genoemd; en hoe werden Paulus en Silas uit den kerker ontslagen? Hand. 16:16 — 40.

c. Is er te Filippi ook eene gemeente gesticht, en is er eene innige betrekking tusschen die gemeente en Paulus blijven bestaan? Filip. 4:10 — 18.

6. Waarheen gingen Paulus en Silas van Filippi?

Naar Thessalonika, waar zij in de synagoge Christus verkondigden, en velen, vooral uit de godsdienstige Grieken, tot het geloof gebracht werden. Hand. 17: 1 — 4.

-ocr page 125-

113

Hadden Paulas en Silas te Thessalonika ook vervolging te verduren, en van wie ging die vervolging uit ? Hand. 17 : 5—8. Hoe zijn zij aan die vervolging ontkomen; waar predikten zij vervolgens; welk vereerend getuigenis wordt van de Bereërs gegeven; en zijn zij ook daar vervolgd ? Hand. 17 ; 9-15.

TWEEËNTWINTIGSTE LES.

Vervolg.

1. Waarheen begaf Paulus zich van Beréa ?

Paulus begaf zich van Beréa naar Athene, wer-

waarts Silas en Timotheüs den apostel volgden.

a. Waarom ging Paulas alleen van Beréa naar Athene ? Hand. 17 : 13, 14.

b. Hoe vond Paulus het te Athene, en wat verwekte dit bij hem? Hand. 17 : 16.

2. Vond Paulus in het afgodisch Athene gelegenheid om het Evangelie te verkondigen?

Paulus heeft in Athene overvloedig gelegenheid gevonden: hij predikte er in de synagoge der Joden en op de markt, en hield er eene welsprekende rede op den Areopagus.

o. Begrepen de Atheners Paulus' prediking, en waarom wilden zij hem toch hooren? Hand. 17 : 17 — 21.

b. Wat bestreed Paulus in zijne rede op den Areopagus; op welke wijze deed hij dit, en met welke uitkomst? Hand. 17 : 22—34.

8. In welke groote stad van Griekenland heeft Pau-his nog het Evangelie gepredikt?

In Corinthe, de hoofdstad van Achaje, waar Paulus kwam, nadat hij Athene verlaten had, en er Christus den Gekruisigde predikte.

a. Wat onderscheidde Corinthe van Athene?

h. Wie vond Paulus te Corinthe? Hand. 18:1—3.

B. G. 8

-ocr page 126-

114

c. Vond Paulus te Corinthe ook ernstigen tegenstand van de zijde der Joden, en hoe bemoedigde de Heere hem? Hand. 18 : 5—10.

d. Welken zegen zag hij op zijne prediking te Corinthe; wie was stadhouder van Achaje, toen zich de vervolging der Joden tegen Paulus herhaalde; en hoe gedroeg zich die stadhouder in deze zaak? Hand. 18 : 12 —17.

e. Hoe lang bleef Paulus te Corinthe? Hand. 18: 11.

f. Van Corinthe schreef Paulus zijne Twee Brieven aan de gemeente te Thessalonika; deze zijn Paulus' oudste brieven.

4. Waarheen reisde Paulus nu van Corinthe?

Van Corinthe scheepte de apostel af naar Azië,

deed Efeze aan, ging van Cesarea op naar Jeruzalem, en van daar naar Antiochië in Syrië.

a. Wie reisden met Paulus, en hoe verklaart gij Hand. 18 : IS';.

5. Waarom vertoefde Paulus niet langer te Efeze, en wie bleven daar? Hand. 18 : 19 — 22.

5. Wie kwam in dezen tijd te Efeze?

Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, machtig zijnde in de Schriften.

a. Hoe ver was Apollos in den weg des Heeren onderwezen? Hand. 18 : 25.

h. Wie leidden Apollos den weg des Heeren nauwkeuriger uit, en waarheen begaf hij zich van Efeze? Hand. 18 : 26—28. 1 Cor. 3 : 4—6.

DRIEËNTWINTIGSTE LES.

Paulus' Derde zendingsreis.

1. Bleef Paulus lang te Antiochië, eer hij zijne derde zendingsreis ondernam ?

Neen; gedreven door de liefde van Christus, om diens Koninkrijk verder uit te breiden en te bevestigen, ondernam Paulus al spoedig zijne derde zendingsreis.

-ocr page 127-

115

a. Panlus ondernam zijne derde zendingsreis in 53 of 54 na Chr.

b. Welke landschappen in Klein-Azië bezocht de apostel eerst om er de discipelen te versterken? Hand. 18 : 23.

2. Welke stad koos Panlus als het middelpunt van zijne werkzaamheid in Klein-Azië?

Paulus koos de stad Efeze, beroemd door haar tempel aan Diana, waar hij twee jaren met uitge-breiden zegen voor het Koninkrijk van zijnen Heer arbeidde.

а. Had Paulus beloofd te Efeze te komen? Hand. 18 : 216.

б. Wie vond Paulus te Efeze; heeft hij die discipelen gedoopt; en wat ontvingen zij door de oplegging der handen? Hand. 19 : 1 — 7.

3. Welke vrucht zag Paulus op zijn werk te Efeze?

Dat velen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit

de afgodische vereerders van Diana, geloofden en zich tot den Heere bekeerden.

a. Gaf God aan Paulus te Efeze ook ongewone krachten te doen; was dit te Efeze ook meer noodig dan elders; en hoe ging het hun, die het Paulus wilden nadoen? Hand. 19 : 11 —17.

h. Hoe bewezen zij die geloofden de waarheid van hunne bekeering van de afgoden tot den levenden God? Hand. 19:18—20.

4. Had Paulus te Efeze ook tegenstand en vervolging te verduren?

Ja; eerst van de zijde der Joden, en later verwekten zij, die hun gewin hadden uit den Diana-dienst, een gevaarlijk oproer tegen Paulus.

a. Wat deed Paulus, toen de Joden verhard werden en kwaad spraken van den weg des Heeren? Hand. 19 : 9.

h. Wie waren de aanleggers van dit oproer; en hoe wist de stadsschrijver de opgeruide schare tot bedaren te brengen? Hand. 19 : 23—40.

c. Paulus heeft uit Efeze geschreven: den Brief aan de gemeenten in Galatië, den Eersten Brief aan de Corinthiërs en den Brief aan de gemeente te Rome.

-ocr page 128-

116

5. Waarheen ging Paulus van Efeze ?

Van Efeze ondernam Paulus eene reis naar Europa, bezocht de gemeenten in Macedonië en Griekenland, bleef er drie maanden, en vertrok toen om de lagen der Joden naar Syrië. Hand. 20:1, 2.

a. Uit Macedonië zond Paulus zijn Tweeden Brief aan de Co-• rinthiërs.

h. Voor wie verzamelde Paulus op deze reis in de gemeenten gelden? 2 Cor. 8. Hand. 24:17.

c. Welke stad deed Paulus op zijne terugreize aan, en wat geschiedde daar? Hand. 20 : 5 — 13.

d. Van welke gemeente nam hij een roerend afscheid? Hand.

20 : 14—38.

6. Welke wetenschap had Paulus op deze reis van hetgeen hem te Jeruzalem wachtte?

Paulus wist, dat hem in Jeruzalem banden en verdrukkingen aanstaande waren, omdat de Heilige Geest dit van stad tot stad getuigde. Hand. 20: 22, 23.

а. Op welke wijze voorzegde Agabus te Cesarea aan Paulus w.at de Joden hem te Jeruzalem zouden doen? Hand.

21 : 8—12.

б. Wat betuigde Paulus, toen men sterk bij hem aanhield niet op te gaan naar Jeruzalem ? Hand. 21: 13, 14.

c. Hoe werd Paulus te Jeruzalem door de broeders ontvangen? Hand. 21 : 17.

VIERENTWINTIGSTE LES.

Paulus' gevangenschap te Cesarea en Rome.

1. Is het alzoo aan Paulus te Jeruzalem geschied, gelijk de Heilige Geest betuigd had?

Ja; bij een tempelbezoek van Paulus te Jeruzalem sloegen de Joden de handen aan hem, en zouden hem gedood hebben, indien Lysias, de bevelhebber der Romeinsche bende, hem niet aan hunne handen ontrukt had.

-ocr page 129-

117

a. Waartoe was Paulns in den tempel gegaan en gaf hij door dit te doen niet te veel toe aan de Christenen uit de Joden? Hand. 21:20—26.

h. Wat riepen de Joden, toen zij de handen aan Paulus sloegen? Hand. 21 : 27, 28.

c. Wat deed Lysias Paulns; hoe verantwoordde Paulus zich voor het volk, en tot hoelang werd hij aangehoord? Hand. 21 : 31. 22 : 1 — 22.

d. Begreep Lysias er iets van; waarmede wilde hij Paulus onderzoeken, en met beroep waarop ontging Paulus dit? Hand. 22 : 24—29.

e. Wat had er den volgenden dag in den Raad plaats, en gaf dit onderzoek Lysias meerder licht in Paulus' zaak? Hand. 23 : 1—10.

2. Wat drong Lysias om Paulus naar Cesarea over te brengen ?

Omdat Lysias eene samenrotting der Joden tegen Paulus ontdekt had, waarbij meer dan veertig van hen gezworen hadden noch te eten noch te drinken, totdat zij Paulus gedood hadden. Hand. 23:12 — 15.

а. Wie ontdekte aan Lysias deze samenzwering tegeu Paulus, en droeg hij ook groote zorg voor Paulus' veiligheid? Hand. 23 ; 16—33.

б. Hoe bemoedigde de Heere Paulus, en wat kondigde Hij hem aan? Hand. 23:11.

3. Was Paulus'' gevangenschap te Cesarea zwaar?

Neen; de beide stadhouders Felix en Pestus, onder wie Paulus te Cesarea gevangen was, hebben zijne gevangenschap verlicht, en stonden hem toe zijne vrienden te ontvangen en door hen gediend te worden.

a. Paulus' verantwoording voor den Hoogepriester en de Ouderlingen, die van Jeruzalem tot hem kwamen. Hand. 24 : 1—22.

b. Wat zocht Felix van Paulus te verkrijgen, en wat doet ons dit van zijne welwillendheid jegens Paulus denken? Hand. 24:28—27.

-ocr page 130-

118

c. Wie volgde Felix op ; hadden de Joden te Jeruzalem Paulas vergeten; en welke gelegenheid kreeg Paulus nog om ook voor een koning van Christus te getuigen? Hand. 25, 26.

4. Wat gaf aanleiding, dat Paulus van Cesarea naar Rome werd overgebracht?

Paulus' beroep op den Keizer, toen Festus hem voorstelde naar Jeruzalem op te gaan, om aldaar voor hem geoordeeld te worden.

а. Hoe leeren wij Festus uit dit voorstel kennen? Hand. 25 : 9. vgl. vs. 13—21.

б. Wat gaf Paulus recht zich op den Keizer te beroepen?

c. Paulus' reis van Cesarea naar Eome: de schipbreuk; de wonderbare r edding; het verblijf op Milete; het tegemoetkomen der broeders nabij Rome. Hand. 27 ; 1—28 : 1 —15.

5. Welk voorrecht genoot Paulus alsgevangeneteRome?

Dat Paulus te Eome, hoewel bewaard door een

krijgsknecht, toegelaten werd op zich zeiven te wonen en allen te ontvangen, die tot hem kwamen. Hand. 28: 16, 30.

a. Waaraan had Paulus deze vergunniog te danken?

b. Zocht Paulus te Rome ook in aanraking met de Joden te komen, waartoe, en met welk een uitslag? Hand. 28 : 17—29.

c. Kon hy er onverhinderd het Evangelie prediken; en is zijne prediking en gevangenschap ook gezegend geworden? Hand. 28 : 31. Fü. vs. 10. Filipp. 1 : 12—14. 4 : 22.

6. Wat weten wij van Paulus' uiteinde?

Volgens geloofwaardige berichten is Paulus onder

keizer Nero, in het jaar 68, te Rome onthoofd.

а. Waarmede eindigt Lukas het verhaal van Paulus' leven? Hand. 28 : 30.

б. Wat hebben wij te denken van eene eerste en tweede gevangenschap van Paulus te Home? Filipp. 1 : 24—26. Fil. vs. 22.

c. De brieven aan de Efeziërs, Colossensen, Filippensen en aan Filemon zijn uit Bome geschreven; evenzoo de brieven aan Titus en Timotheüs; maar de Tweede aan Timo-theüs uit Paulus' tweede gevangenschap, kort vóór zijn marteldood.

-ocr page 131-

119

VIJFENTWINTIGSTE LES.

Slot.

1. Van wie der twaalf apostelen weten wij iets met zekerheid ?

Alleen van Petrus, Jakobus en Johannes; van de lotgevallen der overige apostelen hebben wij geene zekere berichten.

a. Wat weten wij van Petrus en Johannes, buiten hetgeen in de Handelingen der Apostelen van hen verhaald wordt? 1 Petr. 5 : 13. Openb. 1 : 9.

h. Is Petrus bisschop te Rome geweest ?

c, Wat weten wij van Jakobus, den zoon van Zebedeüs? Hand. 12 : 1, 2.

d. Volgens de overlevering zouden alle apostelen, behalve Johannes, den marteldood gestorven zijn.

2. Wat weten wij van de verbreiding des Evangelies door de apostelen en hunne naaste opvolgers'?

Dat aan het einde der eerste eeuw het Evangelie door de apostelen en hunne naaste opvolgers reeds verbreid was in bijna alle landen, aan de Middelland-sche Zee gelegen.

а. Hoe ver was bij Paulus' leven het Evangelie reeds verbreid? Rom. 15 : 19.

б. De oorzaken en middelen tot deze voorspoedige uitbreiding des Evangelies waren: De buitengewoon krachtige werking van Gods Geest, de persoonlijkheid en gaven der apostelen, de onmacht van het Heidendom, en de voorbereiding van Joden en Heidenen tot het heil in Christus.

3. Wanneer is Jeruzalem verwoest, en zijn de Joden over de gansche aarde verstrooid ?

In het jaar 70 onzer jaartelling is naar 's Heilands voorzegging Jeruzalem door de Romeinen verwoest en zijn de Joden naar het rechtvaardig oordeel Gods over de gansche aarde verstrooid.

-ocr page 132-

120

n. De voorzeggingen van den Heiland omtrent de verwoesting van Jeruzalem. Matth. 24 : 15—22. Mark. 13 : 1, 2. Luk. 19:41 — 44 en 21 : 20—-22.

b. Waardoor hebben de Joden zich dit schrikkelijk oordeel allermeest waardig gemaakt? Matth. 27 : 25. Luk. 23 : 28—31.

c. Zullen de Joden voor altijd verstoeten blijven, nimmer • weder in Gods gunst aangenomen worden, en tot hun erfland terugkeeren? Rom. 11 : 25—29. Matth. 23 : 38, 39. Jer. 32:37—42. Zach. 14.

4. Wat gelooft gij van de toekomst van Christus' kerk ?

Dat Christus' kerk, spijt allen tegenstand en vervolging, zal staande blijven en zegevieren, totdat de aarde vol zal zijn van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.

-ocr page 133-

/

-ocr page 134-
-ocr page 135-

r

-ocr page 136-

r' v.,

■n quot; . f - »

.v - -

* -- x v^ gt;-

if:, f

quot;V V.:

• lgt; ^ JR *

- -4 *■*gt;quot;-

■gt; ■ \ ■

V V.. v, gr

% V V

gt;U^ quot; •gt;

Pquot; v-V, ^ •

/ *- ,i - ^r v .•—»

if Agt; :;. £\ H

t V

4. - ^ 'v v,. '

S ,4 - , %A-,.. -1 k «,

r- :v • •

v *». 1 v'£ i ^ \ -

/ , / y - .. ' .'•- ^

■gt; ^'-v- ^ .*■* j-», -Vi lt; ' , *i

Vi-gt;. quot; f/ ^-,.- -ii4.

gt;Vv v ^ ^lt;4

\J t- *- rv ■'. .. /X .«

■S VA

» ■-? i 1 ' gt; * ' . gt; ,- v V

A j

^ ,-'quot;V ' '4 ) \ gt; gt; f ^' ■ t- . r-J

V V V ■■ quot;i

s... . V • / -■*

* . w.

. , % ;

% ' ^ ^ y • ;gt;■ ;

.- ^ , f.4 VL

■| J c- t y ■.: ; .-V^- v

'; • / • 4 i ^ /' «*• ^

[-; ■ t { -hW rquot; -

I/ :/- -1. v

k U quot; l * v -v ^

V T . i

vi ^ ' ^tquot; Kr^lt;Ayt. ^ A -v L

,'Wr v ^ ■ * .Jx*

r ,H

. A-. ..'. .. Ji__