1
. â
1
i'1
ii Ij
i
â
'
VHP,
i 'j I-
â
|4f|
. gt; '
i
I
I
GEBEDEN EN GEZANGEN.
DE PROCESS!EVAN LEIDEN
NAAll
0. quot;^rouw van ^\ntwerpen
EN
rouw van ^cherpenheuvel.
MET KERKELIJKE GOEUKEUllING.
BÃBL CO NV.
:;y?£v.v:?â
Vv IvJ O- j I N ^
GEDRUKT voor rekening van het Bestunr,
1891.
Vak
IJÃ
KERKELIJKE GOEDKEURING.
IMPRIMATUR.
|
a turn in Warmond, die 28 Maji 1879. |
c. j. m. bottemakke, Libr. Cens. |
AAN DE GODVRUCHTIGE PELGRIMS.
Over de Bedevaart zelve naar Onze Lieve Vrouw van Antwerpen en Onze Lieve Vrouw van Scherpenlieuvel, volgen liieracliter (bladz. 1 tot 7) eenige wel te boliartigen opmerkingen een herinneringen. Wij kunnen dan liier volstaan met enkele toelichtingen bij het aanbieden van dit nieuwe Pelgrimsboekje, dat bepaaldelijk voor de bedevaartgangers naar die heiligdommen onzer goede Moeder gemaakt is.
De keuze der Gebeden, L i e d e r e n en M e-1 o d i ë ii, alsook de regeling der D a g o r d e, is geschied door Processie-Leden, die meermalen dieu bedetogt hebben gedaan en bij eigen ondervinding weten, wat daaromtrent voor de godsvrucht het dienstigste en tevens voor de Pelgrims het welbehagelijkste is. \\ ijl men reeds eenigen tijd naar zulk eene handleiding uitzag, twijfelen wij niet, of dit werkje zal in den geest der vrome Pelgrims en hun hoogst welkom zijn.
Men veroorlove ons ecne enkele nanwijziging,
AAN DE GODVRUCHTIGE PELGRIMS.
oorst betrekkelijk de G e b e d e n, dan over de Gezangen.
Meerendeels dient hier, uit den aard der zaak, het Rozenhoedje voor het gezamenlijk gebed, en menig rozenhoedje wordt er in die dagen gebeden. Daarom juist, men vorgeve ons de eenvoudige opmerking, is er zooveel te meer te zorgen, dat het niet in een jagtig lippengebed ontaarde. Men bidde het dus niet te haastig en hebbe aanhoudend de aangegeven m e e n i n g voor den geest, en lette bijzonder op het G e-h e i m, dat herdacht en de v r u c h t van hot Geheim, die daarbij gevraagd wordt. Ter verlevendiging van de aandacht, zijn de G e h o i-m e n met de v r u c h t er van, hoe bekend ook, toch zeer duidelijk in het boekje gedrukt. Zie bladz 93 tot 103. Zoo spreke men ook telkens met alle welgemeendheid die verzuchtingen tot Jesus' en Maria's H. Hart, alsook die korte gebeden voor onzen H. Vader en voor de Overledenen. Zie bladz. 94. Buitendien zullen de Pelgrims toch véél voor Z. H. den Paus, voor ons vaderland en voor de Overledenen bidden.
Zeer goed ook kunnen do Vier en t w i n t i g Aanbiddingen, naar de vier en twintig uren van dag en nacht, op bladz. 56 tot 63, ter voortdurende opwekking van de godsvrucht strekken.
VI
AAX DE OODVIirCHTIGE I'ELGIUMS,
Wat, nu de G e â /. a n g e n betreft, er zijn oenige L a t ij u s c h e K o r k z a 11 g e u opgenomen, welke de Pelgrims bij Imnne oefeningen behoeven, en ook, opdat er geen Hollandscli worde gezongen waar liet niet belioort.
De vele Hollandsclie Gezangen bevorderen de noodige afwisseling op de lange reis; doch ook daarbij zullen do Pelgrims zeiven wel gedenken, dat die Liederen te gelijk, en wol vooral, Gebeden moeten zijn en blijven, en zij dus, al zingende, aandachtig op den i n h o u d er van letten. Voor te overvloediger afwisseling lieeft men hier een aanmerkelijk getal van Liederen, met veel verscheidenheid van bekende melodiën. Lied 20 en 3G zijn gemaakt op de wijze; O Heros in vinei bilis (in het G r a d u a 1 e;) zingt men Lied 3(5 op de nieuwe melodie, dan leze men in hot refrein liever:
Verhoor, verhoor de heden Vau onze Pelgrimsledeu, en/..
In het belang der Pelgrims zijn do Gezangen hoofdzakelijk naar de 11 a g o r d e en du opvolgende Oefeningen, eu niet naar don eiscli van hun i n h o u d gerangschikt. Ze zijn deels uit ouder tijd, maar of reeds vóór jaren of nu, doch niet meer dan strikt noodig was, herzien ;â deels zijn ze van later dagen en soms ge-
VII
A.\X DE «ODVRrCriTIGE PELGIUMS.
wijzigd voor hot tegenwoordige dool, deels geheel nieuw. Wijl de bezorger van dit Pelgrimsboekje zich altijd de vrije beschikking over zijne vroegere uitgaven, tor meerdere verzekering van de gelijkvormigheid en getrouwheid der lezing, heeft voorbehouden en blijft voorbehouden, kon hij er nu, waarde Pelgrims! tot zijn inniggt; genoegen zulk een aantal van zijne Liederen aan toevoegen.
En hiermede neemt hij de vrijheid, zich bij leven en sterven in uw vroom gebed te bevelen, en wensoht u voor u zeiven, voor de uwen, voor ons vaderland en de ganscho Kerk veel zegen en vrucht op uwe zoo geliefde Bedevaart.
Overigens zal ieder zelf opmerken, dat dit boekje niet weinig bevat wat ook buiten den pelgrimstogt van nut kan wezen. Moge dan, dit bidden wij met u, op Maria's moederlijke voorspraak, Ciods welbehagen rusten op allen die het gebruiken en verbreiden.
quot;\V. â M a r i .i-B ij s ta n d dor Christenen. 24 Mei 1879.
P. V. D. P.,
Pr.
vin
Bldz.
Kerkelijke Goedkeuring............................Iv'
Aan de godvruchtige Pelgrims....................v
De bedevaart naar O. L. Vrouw van Antwerpen
en O. L. V. van Sclierpenlieuvol..............1
GEBEDEN.
Morgengebed................................8
Akten van Geloof, Hoop en Liefde............11
Litanie van den Allerh. Naam Jesus..........13
Wijze van de H. Mis te hooren, in vereeniging
met Jesus' H. Hart..............................16
Korte Bieclitgebede n.
Vóór de Bieclit..................................27
Na de Biecht....................................2!)
Korte Com m u n i e-o e f e n i n g e n.
Vóór do H. Communie.............
Na de H. Communie..............
Avondgebed..................................â¢'0
Akte van leedwezen of berouw................36
x ixuorj),
Bldz.
Litanie tot do II. Maagd Maria................38
L i t a ii i ë u.
Litanie tot O. L. Vroii'.v van Sclierpenlieuvol. . 43
Litanie van den H. Josef.........................48
Litanie ter eere van den H. Roclius..............53
G' e b e d e n onder de Vespers ot liet Lof. - Vier
en twintig Aanbiddingen van liet PI. Sakrament. 5fi
II. Kruisweg-oefening..............................63
ü e v ij f t i e u Cl e li e i m e n v a n d o n II.
II o z e n k r a n s.
De vijf blijde Geheimen........................93
De vijf droevige Geheimen......................96
De vijf glorierijke geheimen...... . . . . 99
LAÃIJNSCHE KERKZANGENquot;.
^ e n i C r e a t o r, - Sraeekzang tot den 11. Geest. 103 A d o r o ï e. - Aanbidding van hot H. Sakrament. 105 P a n g e lingua Ier de vertaling) - Lofzang
ter eere van het 11. Sakrament........ 107
De Litanie van Onze Lieve Vrouw, met het
Hollandsch refrein...............110
31 a g n i f i c at.-Lofzang van de H. Maagd Maria. 113 S a 1 v e 11 e g i n a. - Aan de Moeder van barmh. 114
De vertaling van S a 1 v e 11 e g i n a.......115
A ve 31 a r i a. - De Groetenis des Engels. . . 116 O sanctissima. - Aan de II. Maagd. ... 117
Stab at âM a t e r. - Klaagzang.........117
Lofzang Te Den m 130
I 'AGORDE MKT DE GEZANGEN. Eerstk dag.
1. Lied op onze Bedevaart. (Wat spoedt ge, o
Pelgrimsüharen I)............... 123
2. Ãitnoodiging tot den lof van Maria.....126
IXHOVD. XI
Bldz.
3. .Jubellied aan Maria, Onbevlekt Ontvangen . . 138
4. Angelus. (Gezant aan Maria).........130
5. Gegroet zijt gij, Maria! (O Hemelkoningin!). . 131 G. Wees gegroet, gij vol genade.........138
7. Hulde en Bede aan de H. Maagd. (Komt, heffen
wij een loflied aan)..............134
8. Smeeklied voor onzen H. Vader den Paus . . . 1.38 ü. Lofzang aan bet 11. Hart van Maria. (O Maagd,
o scboonlieid nooit volprezen ;).......140
10. Liefdezucht tot bet Kindje Josus en zijne H.
Moeder. (Hoor, o Zoete!)..........143
11. He Engel des Heeren............144
13. Maria, Töevlugt der zondaren.........143
13. L o f z a n g ter e e r e v a n het H. e n
0 ii 1) e v 1 e k t H a r t van M a r i a.
I. Vóór Jesus'lijden............148
14. II. Bij Jesus'lijden.............130
15. III. Xa Jesus'lijden.............131
16. De vijf blijde Geheimen van den 11. Hozenkr. . 133 IT. De vlueht naar ijirypte,............134
18. Smeekzang tot de Moeder der Zeven Smarten . 135
19. Maria,Koningin des hemels.(R e g i n a e o e li.)13S
30. Aan den H Aartsengel Michael. (O heros
1 n v i n c i b i 1 i s.).............139
31. Aan Maria eer! (Maria eer! wat liefde en luister
meng'len.)..................1B0
33. Aan Jesus' II. Hart..............163
33. Kiud'ren van Maria.........'.....163
34. Maria's Verheerlijking.............163
33. Geloofd z ij Jesus Christus!
I. : . . . . '.................168
II.......................169
III.......................170
xii inhoud.
Bldz.
26. Aan Josef eerl (ilet refrein.)........173
37. Do H. Familie, onze troost.........173
28. Gegroot gij, Sterro van liet meer! (Ave
m a r i s S t e 11 a).............174
39. Liefdegroet aan de H. Maagd en Moeder Gods. 175
30. Srneekb. tot de 11.Maagd.(ü wat zaligziolsgev.) 178
31. Loflied aan de 11. Moeder Gods. (Welkom,
trouwe Pelgrimscharen !)..........180
33. Loflied aan O. L. Vrouw van Antwerpen. . 183
33. Het Kruislied der Pelgrims. (Komt, Pelgrims !
ijlings opgestaan.).............185
34. Opwekking tot vertrouwen. (Welkom, Pelgr.1) 187
35. Bedev.lied. (O wat blijdschap voelt mijn hart!) 190 30. Aan Maria, Kruisheldin en Hijksvorstin . . 193
Lied 20 en 30 zijn gemaakt op de wijze: O H e r o s in-vincibilis (in het Graduale;) zingt men Lied 3G op de nieuwe melodie, dan leze men in het refrein liever: Verhoor, verhoor de heden Van onze Pelgrimsleden, enz.
37. Avondbede tot de H. Maagd. (Komt, nog
een groet en bede).............194
Tweede dag.
voob de h. communie.
38. Akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw. 190
39. Akten vóór de H. Communie. (Jesus ! Menscli-
geworden God.)...............197
40. De Heer eu de ziel. (Mijn feestdiscli is bereid) 199
na de h. communie.
41. Aan liet Allerheiligste............300
42. Akten na de H. Communie. (Nu heeft mijn
lieve Jesus dan) . ,............201
43. Toewijding aan den Heer. (Verborgen God !) 303
44. Welkom geheeten...............204
ga-
inhoud. xlli
Bldz.
45. Maria, behoud dur krankeii.........205
46. Smeeklied voor onzen H. Vader. (Na de H.
Communie. - (O God van onze altaren!) . 206
47. Smeekzang tot O. L. V. van Sclierpenheuv^l.
(Znlig' uur ! dat ons geleidde.)......208
48. Maria froosteresse. (Moeder des Heeren i) . 212 (De vijf blijde Geheimen, Lied 16, bladz 153)
49. De vijf droevige Geheimeu..........213
50. De vijf glorierijke Geheimen.........215
51. Vóór den Kruisweg..............216
52. Maria's zegenrijke bescherming.......217
53. Ter eere vanMaria.(0 beeld van't reinste leven) 219
54. Hulde eu Bede aan O. Ij. V. van Soherpenh. 221
55. Smeeklied tot Maria voor de Overledenen . 225
Dkrde dag
56. Het afscheidslied.(Vaarwel, vaarw, wij scheid.) 229
57. Lied op den Naam van Maria.......231
58. Dank en Bede aan Maria..........232
59. Danklied aan O. L. V. van Scherpeuheuvel. 234
60. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria . . . 236
61. Dé geboorte van Maria............237
62. Maria's Opdracht in den tempel.......239
63. Maria-Boodschap...............241
64. Het gebed te Nazareth............242
65. Maria-Bezoek.................244
66. Maria onder het kruis............245
67. Maria-Tenheraelopueming..........246
68. Liefde tot Maria...............347
69. Smeeklied tot Maria.............248
70. Avondzang...................251
71. Het Wees gegroet..............252
XIV INHOUD.
Hldz,
73. Ami Jesus eer 1................254
73. Aan Jesus denken is reeds zoet (J e s u dul-
c i s in o in o v i ;i)..............25(5
7 1'. Aiin den il Josef...............257
75. Bede aan den 11 Josef............258
76. Hulde en Bede aan den Jl. Josef......259
77 Loflied aan onzen 11 Engelbewaarder. . . . 301
78. Aan den II Joannes. . ...........263
!'â ) Loflied aan de II Moeder Anna......263
80. Smeekzaug aan de li Barbara, bijzondere
Patrones voor een zalio1 sterfuur.....265
81 Smeeklied aan don 11. Willibrordus, Apostel
en Patroon van Nederland.........366
83. Jubellied aan de HU XIX Martel, van Govk. 367
83. Schoon lied van het Allerlieiligste Sakrament 268
84. Gulden levensregelen.............270
85. Lofzang van hot 11 Sakrament.......373
80. Aanroeping van den 11. Geest. (V e n i
S a ii c t e S p i r i t u s)..........376
87. Smeeklied voor onzen 11. Vader.......277
88. Oud lied van het llozenkransje.......278
89. Aan de verheven Moeder onzes Zaligmakers.
(A 1 m a E e d e m p t o r i s M a t e r). . . 281
90. Licfdeklagt tot don zondaar.........383
DE BEDEVAART
NAAR
ONZE IiIBVj3 VilOUW VAN ANTWERPEN
EN
ONZE LIEVE VliOÃW VAN SCHEÃIPENHHUVÃL.
Wanneer eene bedevaart naar lieilige plaatsen, naar overblijfselen of beelden van Heiligen in den geest der Kerk geschiedt, is het eene vrome oefening, die niet enkel Gods dienaren en vrienden vereert, en verheerlijkt wie de Vader verheerlijkt (Jo xn, 26); maar het is Christus zeiven verhelfen in zijne trouwe navolgers en wederbeelden (i Cor. xi, 1). Het geeft tevens eene bijzondere opwekking voor ons eigen geestelijk leven, en doet ons met te meer drang en vertrouwen bidden.
Eene bedevaart toch, met godsvrucht gedaan, is eene openbare en eenparige belijdenis van
1
2
ons geloof; liet is, wegens de er mede verbonden moeijeljikheden en opofferingen, een eigenaardig middel, om het ligcliaam te versterven, voor de bedreven zonden te boeten en Gods barmhartigheid in te roepen.
Wijl de ware pelgrim zich dan voor eenige da^en aan alle aardsche zorgen onttrekt, heeft
O o '
hij een geschikten ti.jd, om ernstig aan den staat zijner ziel te denken; om zich, indien hij zijn geweten bezwaard mogt gevoelen, opregt tot God te bekeeren, of anders vooruitgang en volharding in de deugd af te smeeken.
Het gezigt zelf van die plaatsen, door het leven, de deugden of de voorspraak van Gods Heiligen verheerlijkt, en de nabijheid van hunne overblijfselen of bevoorregte afbeeldingen en heiligdommen; het voorbeeld van zooveel duizenden geloovigen, die daar sedert eeuwen kwamen bidden, gelijk gij zeiven het nu doet; dit alles en zooveel meer wekt de godsvrucht, het geloof en de liefde op, en doet met te grooter vertrouwen de gunsten vragen, welke gij door de bedevaart hoopt te verkrijgen.
3
En onze bedevaart beoogt de verheerlijking van de Koningin der Heiligen, van Jesusquot; moeder, en in haar van haren God en Zoon, die groote dingen aan haar heeft gedaan, en waarom ook alle geslachten haar zullen zalig prijzen (Lc i, 48 v). Onze bedevaart beoogt de verheerlijking van Maria in twee beroemde heiligdommen, waar de macht harer voorspraak sinds eeuwen heeft uitgeschenen: van Onze Lieve Vrouw van Antwerpen, doch bijzonder van Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel.
Laat ons dan, om deze bijzondere gebedsoefening met de meeste vrucht te volbrengen,
cl O 1
wél gedenken, wat wij op den pelgrimstogt te doen en wat wij te vermijden hebben.
Vóór alles, make men de bedevaart met eene goede meening, ter verheerlijking namelijk van God en zijne H Moeder ; ten eerherstel van allen smaad, door ongeloof, dwaling en zonde Jesus en Maria aangedaan. Vervolgens draagt gij uwe bedevaart aan God door Maria op, om door hare magtige voorspraak verhooring te verwerven van uwe gebeden, hetzij voor de groote belangen van de
Kerk en haar zigtbaar Hoofd den Paus ; voor de bekeering van ons vaderland ; van de zondaren, de ongeloovigen en de heidenen; of voor uwe eigene belangen en die van de uwen, van uwen mede-pelgrims en van allen die u aanbevolen zijn. En, gelijk gij weet: voor geestelijke belangen, zoo algemeene als bijzondere, bidt gij onvoorwaardelijk; maar tijdelijke gunsten vraagt gij slechts voorwaardelijk, als het namelijk Go d zoo behaagt en u zalig is.
Gij houdt eene bedevaart; gij moet dus, gelijk het woord zelf zegt, véél b i d d e n, doch niet werktuigelijk, achteloos of verstrooid; maar gij zult u beijveren, om met groote ingekeerdheid, aandachtigheid, vurigheid en met een groot vertrouwen te bidden, en tevens zorgzaam volbrengen wat er noodig is ter verwerving van den vollen aflaat, die aan de bedevaart verleend is. En opdat uw pelgrimstogt aan God meer behagelijk zij, zult gij u daartoe door eeue rouwmoedige en waardige Biecht en godvruchtige Communie voorbereiden, en bij alles de bescherming uwer verheven Moeder inroepen.
Wij hebben voor de vrome bedevaartgangers niet op te merken, dat zij zich op reis, in de verblijfplaatsen, en bijzonder in de kerken, met alle ingetogenheid moeten gedragen, zoodat zij elkander overal tot stichting en opwekking zijn.
Gedurende de processie blijven zij in twee ordelijke rijen geschaard, de vrouwen vooraan, dan de mannen; men zij indachtig, altijd, zooveel doenlijk aan te sluiten, zich niet van de processie af te zonderen, en in 't geheel zal men zich naauw-gezet aan de orde of regeling der oefeningen houden.
Ter verlevendiging van hun ijver zullen de pelgrims, gelijk reeds opgemerkt is, altijd voor oogeu hebben, dat zy te bedevaart gaan; te bedevaart naar twee bevoorregte heiligdommen van hunne beminde Moeder Maria; naar O. L. Vrouw van Antwerpen, sedert vier eeuwen, en O. L. Vrouw van Scherpenheuvel, sedert meer dan zes eeuwen beroemd en bezocht.
Daar kwamen ontelbare pelgrims, van nabij en van verre, van de hoogste zoo
O
geestelijke als wereldlijke waardigheid linn aller Moeder verheerlijken en aanroepen.
Uit eeue menigte van welbetuigde en onwraakbare wonderen en gebedsverhooringen, én naar het ligchaam én naar de ziel, zoo voor tijdelijke als voor geestelijke belangen, hetzij van bijzonderen of meer algemeenen aard, blijkt ontegensprekelijk, hoezeer het Gods welbehagen is, dat de voorspraak van zijne Moeder op die plaatsen bij Hem wordt ingeroepen. En zoo wij ook daar niet altijd verkrijgen wat wij vragen, wij weten van onzen Heer zeiven, dat geen goed gebed ijdel tot ons wederkeert; vooral niet, als er zoo velen in zijnen naam vergaderd zijn; want daar is Hij in hun midden (Mt xvm, 20) En hier te Scherpenheuvel, kwamen in een der laatste jaren niet minder dan honderd vijf en dertig geregelde processiën Maria vereeren en bidden, behalve de menigte van geloovi gen, die er, ook wel vereenigd, doch niet in processie, haar dierbaar beeld bezochten. De aartshertogen van Oostenrijk, Albertus en Isabella, die altijd eene bijzondere godsvrucht tot O. L. Vrouw van Scherpenheuvel toonden.
7
hebben in 1609 haar ter eer de er nog bestaande prachtige kerk gebouwd. Onder Maria's beeld leest gij daar de bemoedigende woorden:
IK BEMIN WIE MIJ BEMINNEN
Kinderen van Maria ! toonen wij dan onze liefde tot onze machtige en raededoogende Moeder, en zij zal, twijfelt er niet aan, in leven en sterven, hare trouwe liefde aan ons toonen.
Bid voor ons. Onze Lieve Vrouw van Scher-penheuvel.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
AMEN.
GEBEDEN.
MORGENGEBED.
Kom, H. Geest, vervul de harten uwer geloovigen, en ontsteek in hen het vuur uwer liefde.
v. Zend uwen Geest uit en zij zullen herboren worden.
R En Gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen
Laat ous bidden.
(jod, die de harten der geloovigen door de verlichting van den H. Geest hebt onder-rigt, geef ons, dat wij in denzelfden Geest de ware wijsheid erlangen, en ons door zijne vertroosting gedurig mogen verblijden. Door Christus, onzen Heer Amen.
9
Stellen wij ous in Gods heilige tegenwoordigiicid.
Wij gelooven vastelijk, o God, dat Gij hier tegenwoordig zijt, ons ziet, en hoort; dat al de gedachten en genegenheden, ja de ver-borgenste bewegingen van ons hart ü bekend zijn, en dat Gij bereid zijt, ons gebed te verhooren.
Laten wij God voor alle ontvangen weldaden bedanken, en wijden wij ons geheel aan zijne dienst toe.
Mijn Heer en mijn God, wij bedanken U zeer ootmoedig voor al de genaden, die Gij, in uwe overgioote barmhartigheid, ons tot heden toe verleend hebt; en wel voornamelijk, dat Gij ons gedurende deze dagen zoo vele en buitengewone middelen ter hand stelt, om U, o goede God, ijverig te kunnen dienen ; is het niet wederom een uitwerksel uwer goedheid, dat wij dezen dag mogen beleven ? Daarom willen wij dien geheel tot uwe dienst besteden. Wij dragen U alle gedachten, woordm en wei ken er van op. Zegen ze, o mijn God, opdat er geene zij, die niet bezield worde door uwe liefde en niet strekke tot uwe meerdere eer.
10
Laten wij een vast voorenraen maken, om de zonden te vlugten en de deugi te beoefenen.
Aanbiddelijke Jesus, goddelijk voorbeeld der volmaaktheid, naar hetwelk wij moeten leven; wij willen alles aanwenden, om ons meer en meer aan ü gelijkvormig te maken: ootmoedig, zuiver, geduldig, ijverig in het gebed, verdraagzaam en zachtmoedig jegens elkander, en in alles onderworpen aan nwen heiligen wil; wij zullen ons bevlijtigen, om niet meer in die zouden te vallen welke wij zoo dikwerf bedreven hebben, en die wij op-regt verlangen te verbeteren.
Smeeken wij hiertoe den bijstand der goddelijke genade af.
Maar, mijn God, Gij kent onze zwakheid, wij vermogen niets zonder den bijstand uwer genade; weiger ons die toch niet, verleen hulp naar onze behoefte; geef ons genoegzame kracht, om al het goed te beoefenen dat Gij van ons verwacht, en om met geduld al de moeijelijkheden en tegenspoeden te verdragen, die het U zal believen ons over te zenden Amen.
Onze Vader, Wies gegroet. Ik geloof in God den Vader, enz.
11
Laten wij de aliten van Geloof, Hoop eu Liefde verwekken.
Akte van Geloof.
Mijn Heer eu mijn God, ik geloof, dat Gij één zijt in wezen en drievuldig in Personen; dat de tweede Persoon der H. Drievuldigheid voor ons is mensch geworden, en gestorven, en dat Gij het goede loont en het kwade straft. Dit en alles wat Gij geopenbaard hebt en door de Heilige Kerk te gelooven voorstelt, geloof ik vastelijk, omdat Gij de oneindige waarheid zijt, die het ons geopenbaard hebt. In dit geloof wil ik leven en sterven.
Heer, vermeerder mijn geloof.
Akte van Eoop.
Mijn Heer eu mijn God, ik hoop met een vast betrouwen, door de verdiensten van Jesus Christus van IJ te zullen verkrijgen den hemel en alle middelen daartoe noodig ; dit hoop ik, omdat Gij het beloofd hebt, die oneindig magtig, goed en getrouw in uwe belofte zijt. lu deze hoop wil ik leven en sterven
Heer, vermeerder mijne hoop
Akte van Liefde.
Mijn Heei- en mijn God, ik bemin (J bovenal, en nit geheel mijn hart, omdat Gij het opperste goed in ü zeiven. en alle liefde waardig zijt; ik bemin mijnen evennaaste gelijk mij zeiven om ü, en .wensch, dat alle menschen U beminnea. In deze liefde wil ik leven en sterven.
Heer, vermeerder mijne liefde.
LITANIE
van den AUerh. Naam Je sus.
Heer, ontferm ü onzer.
Christus, ontferm U onzer.
Heer, ontferm ü onzer.
Jesus, hoor ons.
Jesus, verhoor ons.
God, hemelsche Vader, ontferm ü onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm ü onzer.
God, Heilige Geest, ontferm U onzer.
Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer.
Jesus, glans des Vaders,
Jesus, gloed van het eeuwig licht,
13
Jesus, Koning der glorie,
Jesus, zou der regtvaardigheld,
Jesus, Zoon der Maagd Maria,
Beminnelijke Jesus,
Wonderbare Jesus,
Jesus, sterke God,
Jesus, Vader der toekomende eeuw,
Jesus, Verkondiger van het groote raadsbesluit,
Allermagtigste Jesus,
Allergeduldigste Jesus, g
Allergelioorzaamste Jesus,
Jesus, zachtmoedig en ootmoedig van harte, g Jesus, Minnaar der zuiverheid,
Onze Minnaar, 9
God des vredes, 2
Oorsprong des levens.
Toonbeeld der deugden,
IJveraar der zielen,
w Onze God,
$ Onze toevlugt,
1-5 0
Vader der armen,
Schat der geloovigen,
Goede Herder,
Waarachtig licht.
Eeuwige wijsheid,
Oneindige goecllieicl,
Onze weg eu ons leven,
Vrengd der Eucjelen,
o O
Koning der Aartsvaders,
§ Meester der Apostelen,
C/3
Leeraar der Evangelisten,
Sterkte der Martelaren,
Licht der Belijders,
Zuiverheid der Maagden,
O 1
Kroon van alle Heiligen,
Wees genadig, spaar ons, Jesus,
Wees genadig, verhoor ons Jesus, Van alle kwaad, verlos ons, Jesus, Van alle zonde.
Van uwe gramschap.
Van de listen des duivels.
Van den geest der onkuischheid.
Van den eeuwigen dood,
Van het verwaarloozen uwer inspraken, Door het geheim uwer H. Menschwordin Door uwe geboorte,
Door uwe kindschheid.
Door uw goddelijk leven.
Door uwen arbeid,
Door uw doodstiijd en lijden,
15
Door uw kruis en uwe verlatenheid,
Door uwe smarten,
Door uwen dood en uwe begrafenis.
Door uwe verrijzenis.
Door uwe hemelvaart,
Door uwe vreugden.
Door uwe glorie,
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons, Jesus.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons, Jesus.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer, Jesus.
Jesus, hoor ons.
Jesus, verhoor ons.
Laat ons bidden.
Heer Jesus Christus, die gezegd hebt: vraagt
' o O O
en gij zult verkrijgen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal geopend worden; wij smeeken U, verleen ons, op ons bidden, het vuur uwer goddelijke liefde, opdat wij U met geheel ons hart, onzen mond en onze werken beminnen en nimmer ophouden ü te loven.
Geef, Heer, dat wij eene voortdurende vrees en liefde hebben voor uwen H. Naam ; want
IG
nooit berooft Gyj hén van uwe leiding, die Gjj in de heclitheid uwer liefde vestigt. Door onzen lieer J. C., uwen Zoon, die met IJ leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
WIja2 VAN DE H. MI3 TS HO ORE IJ,
ia vereeniging met Jesus' II. Hart.
(Pater Franco vrij gevolgd en verkort.)
Deze oefening, welke men langzaam en al nndcnkend vcrrigt, beveelt zich aan door de volgende voordeden :
1. Zoo vereenigt men zich met den priester gedurende de ge-heele offerhandeling,' en neemt men zelf meer waarlijk deel in de H. Mis.
3. Men eert het ITart van Jesus in al de gesteltenissen, waarin het zich onder het lijden bevond, en men vertegenwoordigt zich levendiger Jesns* inwendige smarten.
3. Men treedt in de gevoelens en aandoeningen van dit H. Hart, en kan er zich ligter en dieper van doordringen.
4. Zoo wordt liet bijwonen van de H. Mis meer een inwendig gelied van den geest en eene heilzame overweging.
5. Gaat men in de H. Mis te Commnuie, dan is de aldus opgewekte stemming eene uitnemende voorbereiding, om met meer vrucht het H. Sakrament te ontvangen, en den Heer te hartelijker voor die genade te danken.
Gebed vóór de H. Mis.
(Uit de schriften der Z. Margareta Maria.)
Eeuwige Vader, gedoog, dat ik U het Hart van Jesns, uw welbeminden Zoon opdraag,
17
gelijk liet zelf zich aan ü ten offer brengt Gewaardig U dit offer aan te nemen met al de begeerten, genegenlieden, bewegingen en handelingen van het H. Hart. Neem het aan tot voldoening voor mijne zonden en tot dauk-zesffins voor uwe weldaden. Neem het aan,
CT O ~
om mij door de verdiensten van Christus al de genaden te schenken, die ik behoef, en vooral de genaden der volharding ten einde toe. Neem het aan met alle akten van liefde, van aanbidding en lof, op aarde en in den hemel, waarmede wij ons allen te zamen hier vereenigen, opdat wij uwer oppermajesteit te behagelijker mogen wezen. Amen.
I.
Van het begin der H. Mis tot het Evangelie.
Jesus' Hart in droefenis en gebed.
Gij zijt bedroefd en bidt, o mijn lieve Zaligmaker! Want alwat uw oog ziet, uw oor verneemt, het drenkt uw Hart met bitterheid.
De betreurenswaardige toestand der gan-sche wereld, de misdaden der menschen, de ongeregtigheden van geheel de aarde, zooveel zielen, die zich storten in het verderf, de
2
18
beleedigingen, uwen hemelsclieu Vader aangedaan, nw naderend lijden, dat nog voor velen, door linn eigen schuld, vruchteloos zal zijn : dit alles vervult U met eene onbeschrijfelijke droefheid en smart. Ach, roept Gij ons toe, mijne ziel is tot den dood toe bedroefd.
Ik zelf, o mijn God, ik zelf vermeerder uwe smart; want Gij ziet den ongelukkigen staat mijner ziel. mijne traagheid en nalatigheid; mijne ontrouw en weerstand aan de seuade:
O '
Gij ziet, hoe weinig berouw ik heb over mijne zonden, en hoe weinig ijver voor mijne verbetering. Gij zijt er over bedroefd, en ik ben er ongevoelig over; ik. die zuchten moest en weenen, ik geef mij over aan dwaze vreugde en gevaarlijke vermaken; en tot mijne te grooter verantwoording, denk ik er niet eens aan, om mijne toevlugt te nemen tot het gebed.
Hart van mijn Jesus, gij bidt en ik bid niet ; of zoo ik al bid, bid ik kwalijk, met zóó weinig aandacht, innigheid en ijver, dat mijn gebed geene verliooring verdient. 0 mijn God, leer mij bidden, en geef, dat ons gebed,
19
uit kracht van dit offer, hetwelk wij te zamen met den priester ü opdragen, welbehagelijk zij in uwe oogen ; in die hoop smeek ik U voor het heil mijner ziel, wier ellende Gij ziet en wier behoefte Gij kent.
Genadige Jesus, ik smeek U ook voor al degenen voor wie ik verpligt ben te bidden ; voor mijne ouders, bloedverwanten, vrienden en weldoeners, zoo levende als overledene; voor allen, die hier vergaderd, of in ons gebed bevolen zijn.
En bijzonder smeek ik U voor onze Moeder de H. Kerk; voor onzen H. Vader den Paus ; voor alle en voor onze Herders; voor onze geëerbiedigde Koningin en haar Huis, en al de Vorsten van volken en rijken ; voorde bekeering van ons Vaderland, voor alle dwalenden en ongeloovigen. Stort, menscheu-minnend Hart, uwe mildste zegeningen over
o O
allen uit, en maak hun hart meer en meer gelijkvormig aan u ; ik vereenig mij met uwe droefheid, uw gebed en offer, en zoo vertrouw ik, bij ü, mijn Jesus, genade te zullen vinden. Amen.
20
II.
Van het Evangelie tot de Opheffing (Elevatie.)
Hel Hart van Jesns diep vernederd en miskend.
Goedertierene Verlosser, wat vernederingen en smaadheden heeft uw minnelijk Hart verduurd ! Gij werd als een misleider des volks, als een rustverstoorder en booswicht, van regtbank tot regtbank voortgesleurd ; by Annas gebragt en bij Caiphas, en daar op het smadelijkst bejegend, en in het aangezigt geslagen; bij Herodes uit spot met een wit kleed omhangen; bij Pilatus achter een roo-ver en moordenaar gesteld, en daarbij, onder al dat heen- en wedervoeren, langs de straten met de beschimpingen en verguizingen van het opgehitste volk overladen.
O Koning van glorie, wat al vernederingen voor uw Hart, maar ook wat toonbeelden van deugd voor ons; welk eene zachtmoedigheid, geduldigheid, welk eene liefde! Gij bidt nog voor hen die ü beleedigen, en offert uw lijden voor hen zelfs op die U zoo wreed vervolgen.
Zoo, goede Jesus, wildet Gij boeten voor deu smaad, door de zonden uwen hemelschen
21
Vader aangedaan; zoo ons leeren, hoe wij ons, naar uw voorbeeld, moeten vernederen en alle hoovaardij verfoeijen. Nu nog, op dit oogenblik, hier op het altaar, hoe vernedert Gij ü uit liefde tot ons. En toch : nog blijft de hoogmoed in ons heerschen, nog ben ik vol eigenliefde, nog zoo ij del en ligtgeraakt. Mijn Heer en mijn God! ik beken het tot mijne beschaming, ik kan nog zoo weinig van de menschen verdragen uit liefde tot U, die alles verdragen hebt uit liefde tot mij ; de minste vernedering hindert en ontstemt mij ; ja, wekt mij tot drift en afkeerigheid.
Is dat uw leerling zijn en ü erkennen als mijn goddelijken Meester ? Moet Gij dan alleen dien bitteren kelk drinken, en ik er niet in deelen ? Neen, mijn aanbiddelijke Zaligmaker, die zachtmoedig en ootmoedig van harte zijt, ik zal van ü leeren, gelijk Gij het verlangt, zachtmoedig en ootmoedig te zijn. Als mijne zwakke natuur zich daartegen verzet, zal ik op uw voorbeeld zien, uwe genade inroepen, mij tot uw liefderijk Hart wenden en dringend bidden: 0 Hart van mijn Jesus, zoo diep vernederd en mis-
22
kend, help mij toch, opdat ik mijne ligtge-
raaktheid, mijne opvliegendheid en hoovaar-
digheid meer en meer moge overwinnen. Amen.
III.
Van de Opheffing tot de Communie.
Het Hurt van Jesus lijdend, en stervend op het kruis.
Voor ons menschgeworden God, tot welk eeu staat zie ik ü gebracht in nw verder lijden, en vooral in uwe smartelijke geeseling. Aan eene kolom gebonden, wordt Gij door bloeddorstige benlen met roeden en riemen wreedaardig verscheurd, over geheel uw lig-chaam doorstriemd en met wonden overdekt. Gij hadt gedaante noch schoonheid meer; en uogtans blijven de haat en woede U folteren ; en uit spot kroonen zij U nog met doornen, en geven U ten schepter een rietstaf in de handen.
Ach mijn Jesus! wat heeft toen uw Hart bij al die martelingen en verguizingen gevoeld ? Gelaten, gehoorzaam, vol liefde onder-werpt Gij ü aan de beschikkingen uws Vaders ; Gij draagt Hem uw lijden op voor ons, en vraagt om die pijnen, om dat bloed en die smaadheden, vergiffenis voor onze
23
voor mijne zouden .... Gij beschouwt ü en geeft U als het slachtoffer voor onze zaligheid en ter verzoening van den door ons belee-digden God.
Oneindig barmhartige Verlosser, Gij lijdt alles voor mij, in uw lichaam, in uwe ziel, in uw liefderijk Hart; en ik, ondankbare, ik wilde niets lijden voor U; de minste smart verdriet mi] en maakt mij alligt ongeduldig Ik ontzie en koester mijn lichaam met eene overmatige zorg, en vergeet wat het heeft misdaan, en dat het een lichaam des doods is en strenge boetvaardigheid moest plegen.
En, o goedertierene Jesus, na die onmen-schelijke geeseling, doornenkrooning en al die bespottingen, hebt Gij nog zoovéél te lijden, om uw offer te voltooien ik zie ü, met uw kruis beladen, onder onuitsprekelijke pijnen, onder allerlei hoon en smaad, moeizaam opgaan naar den Calvarieberg; gedoog, dat ik U volge op uw bloedig spoor. Ach mijn God en Zaligmaker, wat zie ik! U, daar eindelijk aangekomen; op dat scbandhout uitgerekt; aan dat kruis vastgenageld met handen en voeten; U aan dat schandhout opgeheven
24
en zoo lang daaraan hangende op uwe wonden; en dan stervende uit liefde tot ons, en tot hen zelfs, die U dien smartelijken en smadelijken dood aandeden! . .. Wat kan ik, medeplichtige, op dat gezicht spreken? hoe het veelvuldig gevoel van mijn hart uitdrukken?
O hoe leert Gij ons aan het kruis de gestrengheid van Gods regtvaardigheid, de groote waarde onzer ziel, de boosheid en afschuwelijkheid der zonde, en de verschrikkelijke straf, die zij verdient. Maar ook: hoe leer ik hier de onmetelijke liefde kennen van uw goddelijk Hart, voor ons na uwen dood met eene lans doorstoken en geopend. En ik gedenk het niet, of veel te weinig en te ongevoelig, dat ook ik aan al dat lijden door mijne zonde en ondankbaarheden heb toegevoegd; dat G ij ook v o o r m ij en helaas! ook door m ij zoovéél hebt verduurd. En ik zucht niet eens over mijne tallooze nalatigheden en overtredingen, ik die
O O '
hier, schaamrood van zielsberouw over mijne schuld, mijne oogen niet moest durven opslaan tot ü.
Maar toch, o mijn Jesus, nog is uw Hart voor mij open, zijn uwe armen uitgestrekt.
25
om mij in ontferming te ontvangen, als ik rouwmoedig tot TJ wederkeer, en vol vertrouwen redding zoek bij U. Dagelijks nolt;T vernieuwt Gij op onbloedige wijze uw bloedig offer van het kruis; gedoog dat ik met U dit geheimvol offer des altaars opdrage, en hiermede het oifer van geheel mij zeiven en vooral van een verbrijzeld en verootmoedigd hart vereenige; ik smeek ü, dat het aldus voor ü een offer van welbehagen moge zijn. Amen.
IV.
Van de Communie tot het einde der H. Mis.
Het Bart van Jesus verborgen in het graf.
Zoo werd dan, mijn geslagtofferde Verlosser, uw ligchaam in het graf gelegd, en wil-det Gij ook deze overgroote vernedering ondergaan. Welk een toestand voor den welbeminden Zoon Gods ! Afgesloten van geheel
O O
de wereld, verborgen in den schoot der aarde, bedekt met de schaduwen des doods, zoo ligt mijn Jesus daar neder ! . . . Het graf zelf, waarin Hij rust, behoort hem niet toe: de Zoon des menschen heeft, gelijk Hij sprak, geene plaats waar Hij zijn hoofd op neder-
26
legt; en toch blijft ook ziin gestorven en begraven ligchaam allerinnigst met zijne godheid vereenigd.
O mijn verborgen God en Zaligmaker, hier-dan leert Gij ons, hoe ook wij aan ons zeiven moeten sterven, en ons leven met U in God verborgen moet zijn. Ik moet mij losmaken van het aardsche, mij aan de wereld en mij zeiven onthechten, de verborgenheid beminnen, en mijn waar geluk zoeken in altoos inniger vereeniging met ü, mijn Jesus, die ons leven zijt en onze verrijzenis, zoodat hij die in U blijft, het leven heeft en in eeuwigheid niet zal sterven.
Want hier ook, o Heer van leven en dood, hier in het graf is uwe magt gebleken, en is de glorie voor den Zoon des menschen opgegaan, Gij, verwinnaar van de wereld en de zonde, verwinnaar ook van den dood en het graf en al de magten der hel, Gij zijt verrezen en nu gezeten aan de regterhand uws Vaders, en ontvangt de verheerlijking van hemel en van aarde. Ach, om de liefde van uw goddelijk Hart, geef ons deel in uwe verdiensten; om dit offer, dat wij
27
U vereenigd aanbieden, zie genadig op ons neder, en verleen ons wat wij voor onze volharding behoeven, en wat wij ü op onzen pelgrimstogt, door de voorspraak van uwe en onze Moeder, eenparig afsmeeken
Allerbarmhartigste Jesus, laat ons toch blijven in ü, en wil Gij blijven in ons, en neem ons op in nwe eeuwige woonsteden, om U daar voor altijd te loven, te danken en te beminnen in de vergadering der uitverkorenen. Ik bid U, wil ten onderpand van dit geluk in den hemel den zegen bekrachtigen, dien de priester op aarde geeft in des naam des Vaders en des Zoons en des H. O'eestes. Amen.
KORTE BIECHTGEBSDEN.
Vóór de Biecht.
Dank God voor zijne weldaden.
Ik dank U. mijn God, voor al uwe weldaden, en bijzonder voor de groote genade van het ware geloof. Ik dank U, dat Gij mij zoo dikwerf in de genademiddelen uwer li Kerk dott dtelen ; en ik smeek onze lieve Moeder Maria, dat zij mij helpe danken, en
23
bidden, om deze biecht met veel vrucbt te mogen doen.
Vraag licht om uwe zonden wel te kennen.
Barmhartige Zaligmaker, die het ware licht, zijt en allen mensch verlicht, die in deze wereld komt ; verlicht mijn geest en mijn hart, opdat ik al mijne overtredingen en verzuimenissen wel moge inzien, rouwmoedig beweene, en openhartig aan uwen dienaar als aan U zeiven belijde.
Onderzoek nu oplettend uw geweten: wat gij gedacht, gesproken, gedaan, of verzuimd hebt; ga ook de pligten van uwen staat en uwen hoofdfout na, en spreek vervolgens aldus:
Heer Jesus Christus, waarachtig God en waarachtig mensch, mijn Schepper en Verlosser, het is mij leed uit den grond van mijn hart, dat ik ü, mijn Heer en mijn God, beleedigd heb, U, wien ik als het Opperste Goed, bovenal moest beminnen en nu ook zóó wensch te beminnen.
Ik neem mij vastelijk voor, niet meer te zondigen, alle gelegenheden van zonden te vermijden, nu rouwmoedig en openhartig te biechten, en de boete, die mij opgelegd zal worden, godvruchtig te volbrengen.
29
Eu tot voldoening voor mijne zonden, draag ik ü uw heilig leven, lijden en sterven en al den prijs van uw voor ons vergeten bloed op, met al de verdiensten van uwe Onbevlekt Ontvangen Moeder Maria, van uwen beminden Voedstervader Josef, van onze geliefde Beschermlieiligen, en van al uwe Heiligen.
En ik vertrouw van uwe oneindige barm-
o
hartigheid, dat Gij mij al mijne schulden zult vergeven, en de genade verleenen, om een heilig leven te leiden en ü ten einde toe getrouw te dienen.
God, wees mij, zondaar, genadig.
Jesus, Davids Zoon, ontferm U mijner.
Erbarming, mijn Jesus. Amen.
Ga nu tot deu Priester en kniel voor hem neder, alsof gij voor Christus zeiven wiens plaats hij bekleedt, nederknieldet.
Na de Biecht.
Ik dank U, allerbarmhartigste Jesus, dat Gij met mij, onwaardigen zondaar, zooveel mededoogen en geduld liebt getoond, mij tot ü getrokken en mij in uwe goedertierenheid weder vergiffenis en kwijtschelding van schuld verleend hebt.
Neem, Heer, deze mijne ootmoedige schuld-belijdeuis goedgunstig aan; en wat er ontbroken mogt hebben aan liet openleggen mijner zonden, of aan mijn berouw: gelief dit door uwe oneindige barmhartigheid aan te vullen, en mij voor geheel ontbonden te houden in den hemel.
Geef mij uwe hulp, dat ik ü niet meer mishage, maar U getrouw diene; geef het, Heer, op de voorspraak van uwe glorierijke Moeder, altijd Maagd, van onze Gorkumsche Martelaren, die dit 11 Sacrament met zooveel godsvrucht ontvingen, en van al uwe Heiligen, die van het begin der wereld U hebben behaagd, God van ontferming, die leeft en regeert door al de eeuwen der eeuwen, Amen.
Opdracht van Christus' H. leven en lijden.
Allerbeminnelijkste Vader, tot voldoening voor mijne zonden en tot verbetering mijns levens, draag ik U het volmaakte leven op van uwen Ãéngeboren Zoon, en al wat Hij voor ons, ondankbaren verduurd heeft van het eerste oogenblik zijner Menschwording af, tot het oogenblik dat Hij aan het kruis,
31
met luid geroep en gebogen hoofd, U zijnen geest overgaf; en ik smeek IJ, om zijne oneindige verdiensten, dat Gij al mijne zonden uitdelgt. en mij de genade verleent van liever duizendmaal te sterven, dan ü. mijn Opperste Goed, mijn allerbeminnelijkste Vader, op nieuw te beleedigen. Geef, dat ik van nu af ü alleen beminne, aan U alleen zoeke te behagen, die alleen alle liefde van alle schepselen verdient. Amen.
Gelooft en gedankt zij onze Heer Jesus Christus. Amen.
KORTE COMMUNIE-OEFENINGEN.
Vóór de H. Communie.
Verzuchtingen van verlangen en van liefde tot Jcsus, welke men langzaam eu ovenvegender wijze spreekt.
Kom, mijn allerliefste Jesus, naar wien ik zoo vurig heb verlangd; kom nu, mijn goddelijke Bruidegom, in mijn hart ; kom, Heer, en neem bezit van eene ziel, die naar U verzucht en meer en meer met U wenscht vereenigd te worden door altijd hooger en
32
inniger liefde. Ik bemin ü, mijn Jesus, en begeer U nog meer te beminnen, ü, die ons bet eerst en ten einde toe hebt liefgehad. Ik bemin U bovenal, omdat Gij de Liefde zelve, en het hoogste en opperste Goed zijt, en buiten U kan niets mijn dorstend hart verzadigen.
0 mijn Jesus, tot U roep ik dan met al de vermogens mijner ziel; tot U, licht van mijn geest, liefde van mijn hart, kracht van mijn zwakken wil. Kom toch, mijn Welbeminde, kom tot mij, opdat ik naar ligchaam en ziel geheel en onverdeeld de uwe moge wezen en blijven voor altijd. Mijn God en mijn Al, ontsteek in mij het vuur uwer liefde, opdat ik U welbereid en met de meeste vrucht moge ontvangen. Lam Gods, dat de zonder der wereld wegneemt, reinig mij van alle smet; Heilig Ligchaam en Bloed van mijn Zaligmaker, wees nu het voedsel mijner ziel; beminnelijke Jesus, kom en vervul mijne begeerten, kom tot mij en vertoef niet langer, opdat ik U bezitte en altijd leve door U. Amen, Tot de H. Maagd.
Ook tot u, H. Maagd, Moeder van Jesus, bid ik in dit genaderijk oogenblik om hulp
33
en bijstand. Wij zijn in deze heilige plaats gekomen, om nwe bijzondere voorspraak in te roepen : laat de eerste der genaden, die wij door uwe tusschenkomst verwerven, deze zijn, dat wij met reine harten naderen tot den troon van het Onbevlekte Lam. Verkrijg voor ons. Onbevlekte Maagd, dat deze II. Communie, welke wij op het punt zijn van te ontvangen, strekken moge tot meerder eer van God. tot zaligheid onzer ziel, tot ver-betering van ons leven, en dat wij de vruchten daarvan mogen genieten in eeuwigheid.
O o O
Amen.
(Zie ook do gezangen.)
Na de H. Communie.
Welkom, mijn Jesus, dierbare Bruidegom, Welbeminde mijner ziel, welkom in mijn hart;. . . ik aanbid ü ;. . â ik dank ü ; . .. ik loof U ;. . . Gij alleen zijt mij genoeg; ik wil niets buiten U; ik wil niets dan U beminnen, mijn God en mijn Al, die nn in mijne ziel rust:. . . ik ben geheel de uwe, en wensch het door vuriger liefde nog meer te worden en altijd te blijven. Gij in mij en ik in U ; ... o laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.
36
de gedachten, do genegenheden, en de ver-horgenste bewegingen van ons hart U bekend zijn, dat Gij bereid zijt, ons gebed te ver-li oor en.
Bedanken wij God voor zijne weldaden.
Hemelsche Vader, welk een dank zullen wij U brengen voor al het goede wat wi] van U genoten hebben. Gij hebt ons geschapen, met het dierbaar bloed van uwen Zoon verlost, en zelfs heden heeft uwe goedheid ons naar lichaam en ziel nog 700 mildadig gespijsd; want hoevele en buitengewone gunsten en genaden mochten wij dezen dag van uwe vaderlijke goedheid ontvangen. Geef, 0 God! dat wij aan zooveel weldaden niet een dankbaar hart beantwoorden, U opregt dienen en beminnen en nooit ophouden U te loven. Amen.
Bidden wij om de kennis onzer zonden.
Heilige Geest, licht der harten, maak ons het kwaad indachtig, dat wij van daag bedreven, en geef ons een groot berouw over al onze zonden.
Akte van leedwezen.
Mijn Heer en mijn God, het is ons leed
37
uit den grond van ons hart, dat wij mvc goddelijke majesteit hebben vergramd. Wij haten en verzaken de zonden uit liefde tot U, en nemen ons vastelijk voor, met de hulp uwer genade boetvaardigheid te doen, en U, o God ! nooit meer te beleedigen. Amen.
Wij belijden voor den almagtigen God, voor de H. Maria, altijd Maagd, voor den H. Aartsengel Michael, den H. Joannes den Dooper, de HH. Apostelen Petrus en Paulus, en voor alle Heiligen : dat wij zeer gezondigd hebben met gedachten, woorden en werken, door onze schuld, door onze schuld, door onze allergrootste schuld. Daarom smee-ken wij de H. Maria, altijd Maagd, den H. Aartsengel Michael, den li. Joannes den Dooper, de HH Apostelen Petrus en Paulus, en alle Heiligen, tot den Heer onzen God voor ons te bidden.
De almogende God ontferme zicli over ons, vergeve ons onze zonden, en geleide ons ten eeuwigen leven. Amen.
De almagtise en barmhartige Heer verleene ... . . « ons kwijtschelding, ontbinding en vergiffenis
van onze zonden. Amen.
38
Laat ons Lidilmi voor de levenden en overledenen.
Stort, Heer, uwe genade uit over onze ouders, bloedverwanten, weldoeners, vrienden en vijanden : bescherm al onze overheden, zoo geestelijke als wereldlijke; help de armen, de gevangenen, de bedroefden, de rei-zio-ers. de zieken en de stervenden ; bekeer
O 7
de zondaars, ea onze dwalende broeders, en verlicht de ongeloovigen. God van goedheid en genade ! heb medelijden met de zielen in het vagevuur, maak een einde aan hare pijnen en geef aan allen de eeuwige rust. Amen
LITANIE.
tot de 11. Maagd Maria.
Heer, ontferm ü onzer,
Christus, ontferm U onzer.
lieer, ontferm IJ onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Cod, hemelsche Vader, ontferm u onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm ü onzer.
God, Heilige Geest, ontferm U onzer.
I
39
H. Drievuldighèid, ééa God, ontferm ü onzer.
Heilige Maria, bid voor ons
Heilig Moeder Gods,
Heilige Maagd der Maagden,
Moeder van Christus,
Moeder der goddelijke genade,
Allerreinste Moeder.
Allerzuiverste Moeder,
Ongeschonden Moeder,
Onbevlekte Moeder,
Minnelijke Moeder,
Wonderbare Moeder, ET
Moeder des Scheppers, . ^
Moeder des Zaligmakers, §
Allervoorzigtigste Maagd, o
Eerwaardige Maagd, S
Lofwaardige Maagd,
Magtige Maagd,
Goedertierene Maagd,
Getrouwe Maagd,
Spiegel der regtvaardigheid,
Zetel der wijsheid.
Oorzaak onzer blijdschap,
Geestelijk vat.
Eerwaardig vat,
O
40
Uitmuntend vat van goclsvmclit,
Geheimzinnige roos,
O '
Toren van David,
Ivoren toren,
Gulden huis,
Ark des verbonds,
Deur des hemels,
Morgenster,
Behoud der kranken, Squot;!
ïoevlugt der zondaren, ^
Troosteres der bedrukten, 8
Hulp der Christenen, 0
Koningin der Engelen, ^
Koningin der Aartsvaders,
Koningin der Profeten,
Koningin der Apostolen,
Koningin der Martelaren,
Koningin der Belijders,
Koningin der Maagden,
Koningin van alle Heiligen,
Koningin zonder vlek ontvangen,
O O '
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons. Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons. Heer.
41
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm (J onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Onze Vader, enz.
Gabed.
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlugt. Heilige Moeder Gods, verstoot onze gebeden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o glorierijke en geze gende Maagd
Wij bidden U, Heer, bezoek onze woningen, en verdrijf verre van haar alle listen des vijands; dat uwe heilige engelen daarin wonen, om ons in uwen vrede te bewaren, en dat uw zegen altijd over ons blijve Door Christus, onzen Heer. Amen.
Bewaar ons, Heer, terwijl wij waken en behoed ons terwijl wij slapen, opdat wij met Christus gewaakt hebbende, in vrede mogen rusten.
Bid voor ons. Heilige Bewaarengelen, en gij onze Heilige Patronen, beschermt ons gedurende dezen nacht en geheel ons leven, en vooral in het uur van onzen dood Amen
42
Jesus, van Nazareth, Koning der Joden: Bewaar mij voor een haastigen en onvoorzie-nen dood. Amen.
Jesus, Maria, Jozef! ik geef (J mijn hart en mijne ziel
Jesus, Maria, Josef! staat mij bij in den doodstrijd.
Jesus, Maria, Josef! laat mij eens in uw heilig gezelschap in vrede rusten. Amen.
HET LIED: Avondbede tot de Allerheiligste Maagd: Komt nóg een i^roet en bede.
UTANIÃN.
LITANIE
VAN DE
ALLERHEILIGSTE MAAGD MARIA,
bijzonder vereerd en aangeroepen TN DE KERK VAN SCHERPE NHEUVEL.
Heer, ontferm ü onzer.
Christus, ontferm U onzer Heer, ontferm II onzer Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God, hemelsche Vader, ontferm U onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.
God, Heilige Geest, ontferm U onzer.
44
Heilige Dnevuldiglieid,een God, ontferm U c Heilige Maria, bid voor ons.
Maria, uitverkoren Dochter van God den Vader,
Maria, verheven Moeder van God den Zoon,
Maria, vlekkelooze Bruid van God den H. Geest,
Aller minnelij kste Moeder, die door ontelbare gunsten getoond hebt, dat het u aangenaam is, in Scherpenheuvel geëerd en aangeroppen te worden.
Allerzoetste Moeder, die de Christen moeders bij de geboorte hunner kinderen ondersteunt.
Allerzuiverste Moeder, die voor uwe kinderen de schoone deugd van zuiverheid vraagt,
Alierbarmliartigste Moeder, die door uw vermogend gebed voor de blinden het gezigt, voor de dooven het gehoor, voor de stommen de spraak verwerft, Allermagtigsto Moeder, die bij onverhoed-sche gevaren het leven uwer kinderen beschermt,
45
Allermeédootrendhte Mt)eder, die de ver-
o '
la te no weduwen de liulpelooze weezen en alle verstootelingen der wereld met nwe liefde vertroost, Allerlmlpvaardigste Moeder, die den scliip-breukeling redt en in de gelukkinre
iÃ) O O
haven doet aanlanden, Allergoedertierenste Moeder, die voor zoo vele hopelooze zondaren berouw en vergiffenis verkrijgt.
Allerbeste Moeder, die ons van de wieg tot het orraf met nwe teederste zorgen
O a
omringt en bewaakt,
Allerliefdadigste Moeder, die den doodstrijd uwer dienaren verzacht en hunne zielen ten hemel voert,
Maria, behoud der kranken, die ons zoo dikwijls van besmettelijke ziekten en andere kwalen verlost hebt,
Maria, hulp der Christenen, die altijd een open moederhart hebt voor regtvaar-digen en zondaren,
Maria, luister der Heilige Kerk, onder wier albeschermenden Naam niemand aan zijne zaligheid moet wanhopen,
46
Maria,alleiToemrijkste Maagd,die in het gezegend Scherpenlieuvel sfcroomen van ge nade en barmhartigheid doetnederkomen, Maria, hoogverheven Koningin, wier troon omringd is van legioenen engelen, al-tiid gereed, om op uw bevel uwe dienaren ter hulp te snellen.
Op uwen glorierijken zetel, Maria, help Ten allen tijde en op alle plaatsen, Als de duivel, de wereld en het vleesch
ons bestrijden.
Als droefheid en tegenspoed ons drukken. Als ziekten en armoede ons overvallen. Als pest,oorlog en hongersnood ons treffen. Als op aarde ons niets meer troosten kan. Als ons laatste uur zal slaan,
Als wij uwen magtigen bijstand zullen
afsmeeken,
Door uwe Heilige en Onbevlekte Ontvangenis,
Poor uw inwendig en nederig leven,
Door uwe geestelijke vreugden,
Door uwe hartverscheurende smarten.
Door uwe verheven deugden,
Door uwe wonderbare glorie,
47
Door uw uioederiyk vermogen op het Hart
van Jösus, uwen Zoon, Maria, help ons. Lam Gods, dat de zonden der wereld weg-
neemt, spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegr-
7 O
neemt, verhoor ons, Heer Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer, Heer Christus, hoor ons â Christus, verhoor ons.
v. Bid voor ons. Moeder van alle Hulp-. li. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
GEB3D.
O allerheiligste Moeder Gods, Koningin van hemel en aarde, aan wie de vorsten der wereld hunne kroonen en landen toewijden, en die nogtans u gewaardigt ons tot uwe kinderen aan te nemen, o Maria, die onze Moeder geworden zijt onder het kruis van uwen stervenden Zoon Jesus, wij nemen met een kinderlijk vertrouwen onze toevlugt tot u ; want wij weten, dat eerder hemel en aarde zullen vergaan dan dat gij uwe hulp zoudt weigeren aan degenen die u aanroepen. 0 minzame Maagd, zie toch genadig op ons
43
neder, ontvang ons in uwen moederlijken schoot, opdat wij, verkwikt door nwe zoete weldaden, en ondersteund door een vast geloof, eene sterke hoop en eene vurige liefde, Jesus en n altijd meer en meer beminnen, uwe sclioone deugden navolgen en alzoo ver-
O O
dienen, door u in al onzen nood geholpen te worden en eindelijk het geluk bekomen van met u, in den hemel. God eeuwig te loven en te danken voor al de gunsten en zegeningen, welke Hij ons door uwe magtige tnsschenkomst verleend heeft. Amen, LITANIE
van den H. Josef.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm ü onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, hoor ons. â Christus, verhoor ons. God, liemelsehe Vader, ontferm U onzer. God, Zoon, Verlosser der wereld, ontf. U onzer. God, Heilige Geest, ontferm ü onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer. H. Maria, bid voor ons.
H. Moeder Gods, bid voor ons.
H. Maagd der Maagden, bid voor ons.
49
H. Josef, bid voor ons.
Bruidegom van Maria,
Voedstervader van Jesns.
Man naar Gods hart,
Getrouwe en wijze dienaar,
Bewaarder der zuiverheid van Maria,
Medehulp van Maria,
Die om Maria met bijzondere genade
begunstigd zijt,
O gij zoo zuiver in maagdelijkheid, Gij zoo diep in ootmoedigheid.
Gij zoo vurig in liefde,
Gij zoo hoog in beschouwing.
Die door den Heiligen Geest zelven regt-
vaardig zijt verklaard.
Die in de goddelijke verborgenheden boven
anderen verlicht zijt geweest, Die door den Engel in liet geheim der
Menschwording onderwezen zijt. Die met Maria, uwe bruid, welke bevrucht
was, naar Bethlehem gereisd zijt. Die, in ⢠de herberg geene plaats vindende, in een stal zijt gaan vernachten, Die waardig geacht zijt, bij Christus te wezen, toen Hij bij zijne geboorte in
50
eene krib gelegd werd,
Die, toen Christus besneden werd, zijnen
naam Jesus genoemd hebt.
Die met Maria het Kind Jesus in den
tempel hebt opgedragen,
Die, op het woord van den Engel, met Jesus en Maria naar Egypte gevlugt zijt, Die na Herodes' dood met het Kind en zijne Moeder naar het land van Israël zijt wedergekeerd,
Die, toen het Kind Jesus te Jerusalem gebleven was. Het vol droefheid met Maria zijne Moeder, gezocht hebt, Die Hem, zittende in het midden der leeraren, na drie dagen met blijdschap gevonden hebt.
Aan wien de Heer der heeren op aarde
is onderdanig geweest.
Wiens lof in het Evangelie vermeld wordt, Man van Maria, uit welke Jesus geboren is.
Patroon der H. Kerk,
Onze voorspreker, hoor ons, H. Josef. Onze besmermer, verhoor ons, H. Josef. In onzen nood, help ons. H. Josef.
51
In al onze benauwdlieden,
In het uur van onzen dood,
Door uwe allerheiligste trouw,
Door uwe vaderlijke zorg en teederheid,
Door al uw arbeid en zwoegen.
Door al uwe deugden.
Door al uwe verdiensten.
Wij, die u als beschermer aanroepen,
bidden u, verhoor ons.
Dat gij Jesus wilt bidden, om vergiffenis
onzer zonden te verkrijgen.
Dat gij ons steeds aan Jesus en Maria
gelieft aan te bevelen,
Dat gij voor alle maagden en ongehuw-den de gaaf van zuiverheid gelieft te verwerven.
Dat gij voor de gehuwden eene onbevlekte getrouwheid en heilige eendragt wilt verkrijgen,
Dat gij voor alle vergaderingen eene volmaakte liefde en overeenstemming wilt verwerven,
Dat gij de vaders der huisgezinnen in het opvoeden hunner kinderen wilt behulpzaam zijn,
52
Dat gij alle vergaderingen, die u bij-
zonderlijk zijn toegedaan, wilt be- lt; j gunstigen,
Dat gij allen die op uwe hulp betrou- § gj wen. altijd en overal, wilt bescliermen, q 2 Dat gij alle geloovigen en de gansche » ^
H.Kerk door uwe voorbede wilt helpen. Lam Gods, dat de zouden der wereld wegneemt, spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons. Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer.
Jesus Christus, hoor ons.
Jesus Christus, verhoor ons.
Heer, ontferm U onzer Christus, ontferm ü onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Ome Vader enz.
Bid voor ons, H Josef.
Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden.
Wij bidden ü, Heer, dat wij door de verdiensten van den Bruidegom der allerheiligste
Maagd en Moeder Gods Maria geholpen worden, opdat ons door zijne voorspraak gegeven worde, wat wij door ons zeiven niet kunnen verkrijgen. Die leeft en regeert in de eeuwen der eenwen. Amen.
LITANIE
ter eere van den H. Roch ts.
Heer, ontferm ü onzer.
Christus, ontferm ü onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
God, hemelsche Vader, ontferm U onzer
God, Zoon, Verlosser der wereld, ontf. U onzer.
God, H. Geest, ontferm ü onzer.
H. 1 'rievuldigheid, één God, ontferm U onzer.
H Maria bid voor ons.
Koningin der belijders, 0;
H. Roehus,
Belijder van Jesus Christus, g
Getrouwe dienaar des Heeren, ... 0 Vijand van de ijdelheid der wereld, 5
Spiegel van boetvaardigheid.
Spiegel van geduldigheid,
54
Voorbeeld van godsvrucht,
Troost der bedrukten,
Hulp der ongelukldgeu,
Toevlugt der zieken,
Magtige Patroon tegen den vreeselijken
geesel der pest,
Beschermer der geloovigen,
H. Kochus, kom ons te hulp. H. Rochus, bid den Heer.
Opdat wij uwe deugden navolgen.
Opdat wij hier op aarde als vreemdelingen mogen leven,
Opdat wij aan de lijdenden, naar ons vermogen, hulp en troost toebrengen. Opdat wij in alle lijden geduldig mogen wezen.
Opdat wij onze zonden, waarvoor wij de strengste straffen verdienen, door tranen van ware boetvaardigheid uitwisschen, Opdat wij in het voornemen van deugdzaam te leven, mogen versterkt worden, Opdat onze zielen van de vlekken der zonden, en onze ligchamen van de besmetting der pest mogen bewaard worden. Opdat wij en allen die hunne toevlugt tot
55
uwe voorspraak nemen, voor een haastigen dood mogen behoed worden, H. Rochns, bid den Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor ons. Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer.
Jesus, licht der Belijders, hoor ons.
Jesus, licht der Heiligen, verhoor ons.
v. Bid voor ons, H. Rochus,
r. Opdat wij van den geesel der pest mogen bevrijd blijven.
Laat ons bidden.
God, die aan den H. Rochus, uwen getrouwen dienaar, de genade hebt verleend, om door het teeken van het heilig Kruis hen te genezen, die met de pest besmet waren ; wij bidden U, door zijne verdiensten en voorspraak, ons door uwe barmhartigheid voor het gevaar dezer besmetting en voor een haastigen en onvoorzienen dood te behoeden. Door onzen Heer Jesus Christus, uwen Zoon. Amen.
56
GEBEDEN ONDER DE VESPERS OF HET LOF.
VIER EN TWINTIG AANBIDDINGEN
VAN HET
Allerheiligste Sakraraent des altaars.
Op de vier en twintig uren van dag: en nacht, ten eerherstel vau allen smaad, aan Jesus in zijn Lieftle-geheim aangedaan.
1. Ik aanbid U, verborgen God, en belijd, dat Gij alleen allen lof waardig zijt. Om de goddeloosheden, voor uw aanschijn bedreven, offer ik ü de aanbiddingen op, [J door de H. Maagd, nwe Moeder, van het eerste oogen-blik uwer Ontvangenis toegebracht.
Geloofd zij altijd hel Allerheiligste Sakra-ment. Amen.
2. Ik aanbid ü, menschgeworden God en onder ons wonende, en belijd dat Gij oneindig beminnelijk zijt. Om de oneerbiedigheden, voor nw aanschijn bedreven, offer ik U de eerbiedigheid ea verliesrlijking op van al de Engelen en Aartsengelen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sacrament. Amen.
3. Ik aanbid U, zachtmoedige Verlosser, en belijd, dat Gij waarlijk eenwig zijt. Ten eerherstel voor do lasteringen, ü aangedaan,
offer ik U de lofzangen op van gelieel het koor der hemelsche Vorstendommen.
Gelooid zij altijd het Allerheiligste Sukra-inent. Amen.
4. Ik aanbid ü, Opperheer van het heelal, en belijd, dat Gij van alle anderen onafhankelijk zijt. Om alle ongodsdienstigheden, jegens U begaan, offer ik U de godvruchtige genegenheden op van de hemelsche Heerschappijen.
Geloofd zij altijd het Allerhtiligsie Sakra-ment. Amen.
5. Ik aanbid U, ware Koning van mijn hart, en ü alleen belijd ik als den Koning aller eeuwen. Om alle zonde van gramschap en toorn, voor nw aanschijn begaan, offer ik ü den ijver op van alle hemelsche Troonen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Salcra-ment. Amen.
6. Ik aanbid TJ, waakzame Herder mijner ziel, en belijd, dat Gij oneindig goed en alle liefde waardig zijt. Voor alle schuldige ou-wetendheden, die ons zoo menigmaal tot zonde brengen, offer ik U de verheven kennis op der Cherubijnen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste. Sakra-ment- Amen.
53
7. Ik aanbid U, mijn beminde en eenige Bruidegom, en belijd, dat Gij oneindig getrouw zijt. Tegen alle traagheid en laauwbeid in uwe dienst, offer ik U de vurigheid op der Serafijnen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sahra-ment. Amen.
8. Ik aanbid U, mijii teedere en opregte zielevriend, en belijd, dat Gij alleen onsterfelijk en onveranderlijk zijt Voor alle moedeloosheid en wanhopigheid, waardoor Gij beleedigd wordt, offer ik (J de vaste hoop op van al de Heilige Aartsvaderen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment. Amen.
9. Ik aanbid ü, mijn allerbeminnelijkste Vader, en belijd U als de bron en het beginsel van mijn wezen. Voor alle smadelijke dwalingen omtrent LT, offer ik U het geloof op der Apostelen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment. Amen.
10. Ik aanbid U, mijn genadige Regter en belijd, dat Gij oneindig barmhartig zijt, Voor de zondige twijfelingen over uwe waarachtige tegenwoordigheid in dit H. Geheim,
59
offer ik U de onwankelbaarheid op der Evangelisten.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment. Amen.
11. Ik aanbid U, mededoogende Bestunr-der mijner ziel, en belijd, dat Gij oneindig wijs zijt. Tegen de wraakgierigheden, voor nw aanschijn gepleegd, offer ik U de gedaldigheid op der Martelaren
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment, Amen.
12. Ik aanbid ü, onze goedgunstige Voorspreker bij den Vader, en belijd, dat Gij oneindig magtig zijt. Voor alle nalatigheden in uwe dienst, offer ik U al de zielzorg op der Heilige Bisschoppen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sahra-ment. Amen,
13. Ik aanbid U, allerheiligst slagtoffer, en belijd U als de bron der genaden en zegeningen die over onze zielen komen. Om allen roof en ongeregtigheid, voor uw aanschijn begaan, offer ik ü de mildadigheid op dei-Heilige Pausen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sak ra-ment. Amen.
60
14. Ik aanbid U, mijn hemelsche en onvergelijkelijke Meester, en belijd, dat Gij oneindig iu goedheid zjjt. Voor alle ergernissen en ontstichtelijkheden, in uwe tegenwoordigheid gegeven, offer ik ü den ijver op der Heilige Geloofspredikers.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sahra-ment. A men.
15. Ik aanbid U, Oorsprong en Behoeder van mijn leven, en belijd, dat Gij het eeuwig leven hebt en geeft te hebben. Ten herstel van alle heiligschennis, aan U en voor uw aanschijn gepleegd, offer ik U de godsvrucht op van alle Heilige Belijders.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sak ramen/. Amen.
16. Ik aanbid U, onze goddelijke Zielespijs, en belijd, dat Gij aangenamer zijt dan alle wereldsche zoetheden. Tegen alle vloektaal en zondige eedzweeringen, voor uw aanschijn gedaan, offer ik ü al de woorden op, tot uw lof gesproken door de Heilige Leeraars der Kerk.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment Amen.
17. Ik aanbid U, hemelseh Manna, en be-
61
lijd, dat Gij genocgelijker zijt dun alle aard-sche keurgerechten. Voor zoo menige onma-
O O
tiiHieid en overdaad, ott'L'r ik ü de onthouding
O ' O
en versterving op der Heilige Kluizenaars.
Gelooid zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment. Amen.
18. Ik aanbid U, goddelijke Vertrooster van mijn hart, en belijd, dat Gij oneindig mild en edelmoedig zijt in uwe gaven. Tegen de bespottingen en vervolgingen van uwen Priesters, offer ik ü, beminnelijke Zaligmaker, al de eerbiedige hulde op, door de Priesters U toegebracht.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment. Amen.
19. Ik aanbid U, o zaligmakend Tegengift
7 O c? O
der zonde, en belijd, dat gij oneindig magtig zijt om de zouden weg te nemen. Voor alle schuldige verstrooidheden in uwe tegenwoor-
O o
digheid, offer ik U de aandachtigheid op dei-Heilige Monniken.
Geloofd zij altijd, het Allerheiligste Salcra-ment. Amev.
20. Ik aanbid U, Heilige en eeuwige Hooge-priester, en belijd, dat Gij alle eerbewijzingen
62
der meiischen waardig zijt. Om allen smaad, U in uw H. Sakrament aangedaan, offer ik U de diep-innige liefde op der Heilige Maagden.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakrament. Amen.
21. Ik aanbid U, onvergelijkelijke Offeraar en Offerande, en belijd, dat Gij de allerhoogste en oneindig zijt in waardigheid. Voor alle oneerbiedigheden jegens ü onder de H. Mis, offer ik U de vrome verheerlijking op dei-Heilige Weduwen.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakrament. Amen.
22. Ik aanbid ü, altijd-brandende Liefde, en belijd, dat Gij de harten in uw heilig liefdevuur kunt en wilt ontsteken. Voor alle zondigheden in uwe goddelijke tegenwoordigheid, offer ik U de reinheid op aller Heilige Vrouwen.
Geloofd zij altijd, het Allerheiligste Sakrament. Amen.
23. Ik aanbid U, mijn God en beminnelijke Zaligmaker, en belijd U als den Verlosser aller menschen. Voor alle kwade gedachten en begeerten in uwe tegenwoordigheid, offer
63
ik U de aanhoudende zielsverrukkingen op aller Gelukzaligen in ü.
Geloofd zij altijd het Allerheiligste Sakra-ment. Amen.
24. Ik aanbid ü, eeuwig Woord Gods, onder dit Liefdegeheim verborgen, en belijd U als het allerwaardigste voorwerp mijner liefde. Voor alle ondankbaarheden jegens U, offer ik U de dankbaarheid op, U voortdurend door de allerheiligste Maagd Maria betoond.
Geloofd zij altijd bet Allerlieiligste Sa-li ramen t. Amen.
H. KRUISWEG-OEFENING.
VOORBEREIDING.
(Voor het altaar.)
|
Actiones nostras, quae-sumus, Domine, aspiraudo praeveni et adjuvando pro-sequere, ut cuncta nostra oratio et operatio a te semper incipiat et per te eoepta finiatur. Per Christum Domi-num nostrum. Amen. |
Wij bidden U, Heer, wil al onze handelingen met uwe ingeving voorkomen en met uwe hulp bijblijven, opdat al ons bidden en werken door U altijd begonnen, en door U begonnen, voleind worde. Door Christus, onzen Heer. Amen. |
04
Akte van berouw.
Mijn Heer en mijn God. mijne zonden zijn mij leed uit den grond van mijn hart, niet alleen omdat ik daardoor den hemel verloren en de hel verdiend heb, maar ook omdat ik daardoor U, die mijn opperste goed en alle liefde waardig zijt, heb vergramd; ik haat en verzaak de zonde uit liefde tot ü, en ik neem mij vast voor, met de hulp uwer genade mijne zonde te biechten, mijn leven te te beteren, en liever te sterven dan U ooit met eenige doodzonde te vergrammen.
Ik offer U deze godvruchtige oefening op tot gedachtenis van alle smaiten, die Gij voor mij. onwaardigen zondaar, op uwen kruisweg hebt geleden.
Ik verlang de aflaten te verdienen, door uwe H. Kerk aan deze oefening verbonden, en ik wil bidden naar die meening, welke de H. Kerk heeft vastgesteld. Ik vereenig mij met uw goddelijk Hart, en ik smeek nederig om uwen bijstand, o mijn genadige Verlosser5 opdat ik deze oefening zoo volbrenge, dat ik uwe barmhartigheid in dit leven en nwe glorie in alle eeuwigheid verwerve Amen.
65
I Statie.
Christus wordt ter dood veroordaAd. v. Wij aanbidden ü, Christus, en loven U. e. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Zie den mensch! (Joannes xix.)
Antiphoon. Zij hebben mij overgeleverd in de handen der goddeloozen, en onder vijanden hebben zij mij weggestooten.
v. Zij hebben raad gehouden tegen het leven van den Regtvaardige,
e. En onschuldig bloed hebben zij veroordeeld. (Ps. xcm.)
Overweging.
Ziet den mensch! de Onschuld met de goddeloozen ; Christus, het Lam zonder vlek (Exod. xi), wordt onder de misdadigers geteld en veroordeeld. (Is lui). Ach! ik ben het, die gezondigd heb (11 Kon xxiv), maaide z e heeft niets kwaads gedaan (Lc. xm). Ik heb slecht gehandeld, ongeregtigheid heb ik voortgebracht, smart heb ik ontvangen en boosheid heb ik ter wereld gebragt (Ps. vu). Heer, ontferm ü over mij, ongelukkigen zon-
G6
daar, eu geleid ons in uwe regtvaardigheid (Ps, v), en treed niet in liet oordeel met uwen dienaar; want in uw aanschijn zal geen levende geregtvaardigd worden. (Ps cxlii,)
v. Om uwe Heilige Onschuld,
' li. Heer, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O alleronschuldigste Jesus, die niet gezonden zijt om de wereld te oordeelen, maar opdat de wereld door U zou behouden worden (Jo. ui, 17): schenk ons de genade, dat wij in dit leven ons zeiven oordeelen, om niet eenmaal volgens onze misdaden geoordeeld te worden (i Oor. n), maar dat wij, van de zonden vrijgesproken, en boven alles de regt-vaardigheid van Gods rijk zoekende (Mt. vi), onder de regtvaardigen geteld mogen worden. Amen.
Ov.~e Vader. â Wees gegroet. v. Ontferm ü onzer.
R. Heer, ontferm U onzer.
II Statie.
Christ us neemt hel kruis op zijne schouders v. Wij aanbidden U, Christus, en loven U.
67
K. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Als een Lam is Hij ter slag thank gevoerd. (Is. lui.)
Antiphoon. Hij heeft zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises. (Phil, n.)
v. Gij zijt uitgegaan tot redding van uw volk.
R. Tot redding van uwen Gezalfde. (Hab. m.)
Overweging.
Wee mij, ongelukkigen zondaar! mijne misdaden drukten als een zware last op mij (Ps. xxxvii), en ik ben mij zeiven tot last geworden (Job vu); de banden der zondaren hebben mij omvangen (Ps. cxvxn), en de misdaden zijn boven mijn hoofd uitgegaan (Ps. xxxvii). Maar Gij, o Heer, hebt mijne boeijen verbroken (Ps cxv); ik verfoei al mijne zonden en ik zal thans met vreugde mijn kruis opnemen en U volgen ; want uw juk is zoet en uw last is ligt (Mt. xi) Zie, o God, ik ben bereid, goed en kwaad uit uwe hand aan te nemen, omdat Gij een barmhartige Vader zijt en iederen zoon kastijdt, dien Gij liefhebt. (Hebr. xn.)
68
v. Om uw heilig kruis,
R Heer, ontferm ü onzer.
Laat ons bidden.
O allergeduldigste Jesus, die, om de vreugd, U voorgesteld, uw kruis gedragen heb (Hebr xn): laat ons van U leeren, ons zeiven te verloochenen en ons kruis opnemend, U te volgen (Mt. xvi); opdat wij door vele verdrukkingen het Rijk Gods mogen binnengaan (Hand. xiv), en U met alle Heiligen prijzen en verheffen in de eeuwen der eeuwen. R. Amen. (Dan. m.)
Onze Vader. â Wees gegroet. v. Ontferm U onzer.
e. Heer, onferm U onzer.
III Statie.
Christus valt voor de eerste maal onder zijn kruis. v. Wij aanbidden U, Christus, en loven ü. e. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op zijn aangezigt. (Mt. xxvi, 39.)
Antiphoon. Ik ben ellendig geworden en was neêrgedrukt, diep bedroefd ging ik den geheelen dag rond. (Ps. xxxvu.)
G9
v. Ik ben mijnen vijanden tot smaad geworden.
e. Zij hebben mij gezien en hunne hoofden geschud. (Psalmen.)
Overweging.
Ziet, Hij ligt ter aarde, Hij die opheft degenen die vallen, die oprigt degenen die verbrijzeld zijn (Ps. cxliv); Hij ligt ter aarde, voor wiens gelaat de zuilen des hemels sidderen en beven (Job xxvi); al zijne beenderen zijn geschokt (Jer. n); en toen Hij gevallen was, had Hij niemand die Hem op-rigtte (Eccl. iv).
Maar hoe barmhartig is God jegens ons zondaren! Hij zelf valt ter aarde, opdat wij zouden opstaan; Hij zelf bewaart ons door zijne genade, opdat wij niet vallen in de zonde, en Hij duldt niet, dat wij boven onze krachten beproefd worden (i Cor. x, 13). Maar zie toe, o mensch! die meent te staan, opdat gij niet valt (aid.); trek aan de wapenrusting des geloofs, opdat gij tegen de listen des duivels kunt blijven staan (Eph. vi.) v. Door uw heilig lijden.
e. Heer, ontferm U onzer.
70
Laat ons bidden.
O barmhartigste Jesus, die gekomen zijt om te zoeken en zalig te maken hetgeen verloren was (Lc. xix): versterk ons door uwe genade, opdat wij nimmer in zonde vallen, en degenen niet mogen vreezen, die het lig-chaam dooden, maar hem, die en ligchaam én ziel kan verderven in de hel (Mt. x). Ja, mogen wij ons leven haten in deze wereld, opdat wij het bewaren voor het eeuwige leven (Jo. xii); en onze ligchamen tot een levend, heilig, Gode welbehagelijk offer opdragen. R. Amen. (Rom. xn.)
Onze Vader. â Wees gegroet. v. Ontferm U onzer.
r. Heer, ontferm U onzer.
IV Statie
Christus ontmoet zijne bedroefde Moeder. v. AVij aanbidden U, Christus en loven U. u. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Zie uwe Moeder. (Joannes xix.)
Antiphoox. O gij allen die voorbijgaat, geeft acht en ziet toe, of uwe smart is, gelijk de mijne. (Klaagl. i)
71
v. Mijne oogen zijn verduisterd van het w eenen,
r. Omdat zij, die my troostte, van mij ver-wyderd is.
Overweging.
Waartneê zal ik u vergelijken, o Maria, of waarmeê zal ik u afbeelden, o dochter van Jerusalem ? waarmeê zal ik u gelijk stellen en u troosten, dochter van Sion ? want groot als de zee, is uwe smart (Klaagl. 11.) Gij, de heerseheresse der volken, zijt als eene weduwe geworden 1 en uw hart is onder smarten bedolven, omdat gij vervuld zijt van bitterheid (Klaagl. i). O Maria, in uwe droefheid wil ik aan uwe zijde staan (Ps. sc): mijne ziel neemt deel in uw lijden; bid voor mij, opdat naar de menigvuldigheid dei-smarten in mijn hart, de vertroostingen des Heeren mijne ziel verblijden (Ps. xcm).
En Gij, o Heer, maak zalig den zoon uwer dienstmaagd (Ps. lxxxv).
v. Om de verdiensten van uwe Heilige Moeder.
ii. Heer, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
0 Jesus, Zoon van Maria, dat het zwaard
van droetlieid, Araavmede het hart uwer allerzoetste Moeder in het lijden doorstoken is (Lc 11), ook ons hart treffe, en schenk tranen aan onze oogen, opdat wij eens voor immer in den Heer verblijd mogen zijn (Phil, iv); en gelijk uw lijden overvloedig in ons is, alzoo ook onze vertroosting overvloedig moge wezen. R. Amen. (n Cor. i.)
Onze Vader. â Wees gegroet v. Ontferm U onzer.
r. Heer, ontferm U onzer.
\ Statie.
Simon wordt gedwongen, het kruis van Christus te dragen
v. Wij aanbidden U, Christus, en loven U, ii. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Zij vonden eenen mensch van Cyrene, met name Simon; dezen dwongen zij om het kruis te dragen. (Mt. xxvn.)
Anthiphoon. Ik sloeg mijn oog ter regter zijde, en ik zag en er was niemand, die mij kende. (Ps. cxli.)
v. Mijne vrienden hebben mij verlaten. r. En die mij belagen, hebben de overhand scekrejjen.
o o
73
Overweging.
Ik wachtte of iemand medelijden zou hebben, en er was niemand; en of iemand zou troosten, en ik vond niemand (Ps, lxviii); want de nood is zeer nabij, en er is niemand die helpen kan (Ps. xxi). Maar zal ik, o Heer, ü dan ook verlaten? Gij zijt zwak, en zou ik niet deelen in uwe zwakheid? (i Cor. xu.)
Zie, o mijn God, mijn hart is bereid: stort, o Jesus, geheel uw lijden in mij over; want omdat Gij in het vleesch geleden hebt daarom moeten ook wij ons met die zelfde gedachte wapenen (i Petr. iv) Waarom? Omdat onze tegenwoordige kortstondige en ligte verdrukking in ons eene bovenmate uitnemend eeuwig gewigt van heerlijkheid werkt. (11 Oor. iv.)
v. Door uwe droevige verlatenheid.
li. Heer, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O armoedigste Jesus, die de wijnpers alleen getreden hebt (Is. xxxvr), en niemand aan uwe zijde hadt; wil ons niet verlaten in den tegenspoed; maar verleen, bidden wij U,
74
dat wij elkanders lasten dragen tot onder-lingen troost, en dat wij alles aan onze naasten doen, wat wij verlangen dat zij ons zullen doen (jo xvi); elkander verdragende in liefde. R Amen. (Eph. iv).
Ome Vader, â Wees gegroet. v. Ontferm ü onzer.
r. Heer, ontferm U onzer.
VI Statie.
Veronica droogt hef aangezigt van Jesus af. v. Wij aanbidden ü, Christus en loven U. b. Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
O God, onze beschermer, zie in hel aangezigt van uwen Gezalfde. (Pa. lxxxiii.)
Antipiioon. Ik ben een worm en niet een mensch, de spot der menschen en de verachting des volks. (Ps xxi.)
v. Dat zijn gelaat over ons schijne. (Ps. lxvi) e. Want ik zal hem nog belijden: het heil van mijn gelaat en mijn God (Ps. xlii) Overweging.
Zie op, o mensch, naar het gelaat van uwen Christus; ziedaar het gelaat wat de engelen wenschen te aanschouwen (i Petr. i) ;
het is misvormd; en Hij die geheel schoon is van gestalte boven de zonen der menschen (Ps. xliv), is geworden als een melaatsche, de verachte en laagste der menschen (Is. xm); geene schoonheid noch bevalligheid is in Hem. (Aid.)
Ik heb Hem aangezien, en Hij was geen mensch, want zijn gelaat was misvormd van wonden. (Jer. iv.) Gij, o Heer, toon ons uw gelaat, en wij zullen zalig zijn. (Ps. lxxix.) v. Om uw bloedig zweet.
e. Heer ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O allerschoonste Jesus, die den mensch naar uw beeld gemaakt hebt, wend uw gelaat niet van ons af (Ps. xxvi), maar verleen ons genadigliik. dat wij op ü alleen onze oogen vestigen, en het voorbeeld, dat Gij ons hebt nagelaten, beschouwende, uwe voetstappen mogen volgen (i Petr. iv); opdat wy,v\ verdienen, ons eenmaal eeuwig in het aum-schouwen van uw goddelijk wezen talver-heugen. R. Amen. , *v
Onse Vader. â Wees gigraet. s /' , ⢠â v. Ontferm U onzer. / â¢s'
e. Heer, ontferm IJ onzerV v. -lt; '
76
VII Statie
Jesus valt ten tweeden male onder zijn kruis. v. Wij aanbidden U, Christus, en loveu U. e. Omdat Gy â oor uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Ziedaar het Lam Gods, dat de zonden der wereld icegneemt. (Joan, i.)
Antiphoon. Hij heeft zich zeiven voor ons als een offer en Slagtoffer overgegeven, Gode tot een aangenamen geur (Eph. v.)
v Hij zelf heeft onze zonden in zijn lig-chaam gedragen op het hout. (i Petr, n.)
e. Hij die geen zonden heeft gedaan, en in wiens mond geen bedrog is gevonden. (Aid.)
Overweging. O onbegrijpelijke kracht der liefde! God valt onder het kruis, om mij zondaar, die in de diepte van het slijk verzonken en door mijne vijanden verdrukt ben, op te heffen. O oneindige goedheid van mijnen Verlosser! zie, mijne vijanden, die mij kwelden, zijn magteloos geworden en gevallen (Ps. xxvi). Want de Heer heeft hen verpletterd, en zij konden niet meer opstaan en onder mijne voeten zijn zij neergestort (Ps. xvn). Zij allen
77
die de boosheid doen, zijn gevallen, zij zijn uii-gedreven, en zij konden niet staan (Ps. xxxv.) Want Gij, o Heer, hebt mij geholpen (Ps. lxxxv.) in de kracht van uwen arm. Wees gezegend,
O O '
o Heer, uwe barmhartigheid zal ik in eeuwigheid lofzingen. (Ps. lxxxviii.)
v Om uwe wreede smarten k. Heer, ontferm ü onzer.
Laat ons bidden.
0 allerzachtmoedigste Jesus, die de verslagenen van harte geneest (Ps cxlvi), en den dood des zondaars niet wilt, maar dat hij zich bekeere en leve (Ezech. xvni); geleid ons door uwe barmhartigheid tot bekeering (Rom. 11) ; schenk ons krachten, om op te staan uit de zonden en verleen goedgunstig, dat wij voortaan ons lichaam kastijden en dienstbaar maken (i Cor. ix), en spoedig waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrengen (Mt. in). R. Amen.
Onze Vader. â Wees gegroet. v. Ontferm ü onzer.
e. Heer, ontferm ü onzer.
VIII Statie.
Christus troost de weenende vrouwen. v, Wij aanbidden ü, Christus, en loven U.
78
r. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
De goede herder geeft zijn leven voor zijne schapen, (jo. x.)
Antiphoox. Jerusalem, Jerusalem, laat uwe tranen vloeijen als een stroom, dag en nacht, en nimmer zwijge de appel van uw oog. (Jer. Klaagl. 11.)
v. Myne oogen zijn vergaan van het wee-nen, en mijn binnenste is geschokt.
R. Daar kind en zuigeling versmachtten op
de straten der stad. (Jer Klaagl n.)
Overweging.
Wee mij ongelukkige! ik weende over hem
die bedroefd was, en mijne ziel had medelijden (Job. xxv); maar zij dacht niet aan de zonden en het kwaad, wat zij zelve gedaan heeft. O, wie geeft water aan mijn hoofd en eene bron van tranen aan mijne oogen, opdat ik dag en nacht weene? (Jer. ix.) Want mijne zonde is altijd tegen mij (Ps. l); ik zal mijn hart als water uitstorten voor het aanschijn des Heeren (Jer. Klaagl. i), en mijne legerstede met tranen besproeijen (Ps. vi); want mijne boosheid is te groot, dan dat ik vergiffenis verdiene; â doch, waarom zijt
79
gij treurig, mijne ziel, en waarom bedroeft gij mij ? (Ps. xLi.) Is de Heer niet genadig en barmhartig, langmoedig en vol barmhartigheid ? Gelijk een vader zich over zijne zonen erbarmt, zoo erbarmt zich de Heer over degenen die Hem vreezen, omdat Hij weet van welk maaksel wij zijn (Ps. cu). Hij heeft mijne ziel van den dood bevrijd en mijne oogen van tranen (cxiv), en de barmhartigheid des Heeren is boven al zijne werken (Ps, cxliv).
v. Om uwe tranen en verzuchtingen r. Heer, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O barmhartige Jesus, die uw leven voor uwe schapen hebt gegeven (Jo. x), geduldige en barmhartige God (Joël n), maak ons zachtmoedig en barmhartig (Mt. v), opdat wij niet alleen onze naasten gelijk ons zeiven, om U, beminnen, maar opdat wij ook onze vijanden beminnen en dengenen die ons haten, wèl doen ter liefde van U. R. Amen.
Onze Vader â Wees gegroet. v. Ontferm ü onzer.
ii. Heer, ontferm U onzer.
80
IX Statie.
Christus valt ten derde male onder het kruis .
v. Wij aanbidden ü, Christus, en loven U. e. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Ik ben geslagen en vernederd bovenmate. (Ps. xxxvn). Antipuoon. Ik ben geworden als een mensch die niet hoort, en die geen tegenspraak in zijnen mond heeft. (Aid.)
v. Mijn hart siddert en mijne kracht heeft mij begeven.
e. En het licht mijner oogen is in mij niet meer (Ps. xxxvu).
Overweging.
Hemelen! staat verbaasd (Jer. n). Zie, God, de sterk e en magtige in den strijd, is een man van smarten geworden, en die de zwakheid ondervindt (Is. lvii). Zijne kracht is verborgen (Hab. xin); van den voetzool af tot de kruin zijns hoofds is niets gezonds aan Hem; het zijn wonden, striemen en bloed (Is. i). Waarlijk, onze krankheden heeft Hij gedragen, en onze smarten heeft Hij op zich geladen. (Is. lui), die geene zonden heeft
81
gedaan (i Petr. i) Maar ik heb gezondigd, o mijn Jesus, mijne ongelukken en zonden drukken U, omdat Gij een man des bloeds zijt (11 Kon. xvi) ; in uw bloed hebt Gij ons verlost (Openb. v), en door uwe striemen zijn wij genezen (i Petr n) O allergrootste liefde, waarmede Gij ons bemind hebt! (Eph. 11) Wie geeft mij, dat ik voor U sterve V o mijn Heer en mijn God! (Jo. xx.) Want ik weet, indien wij met U zijn gestorven, dat wij ook met ü zullen leven, (n Tim u.)
v. Om uwe angsten en benaauwdheden. R. Heer, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O allerbeminnelijkste Jesus, die geen behagen schept in den ondergang der menschen (Wijsh i), versterk ons, bidden wij U, door uwe genade, opdat wij niet vallen in onze zwakheden, maar vele vruchten brengen in boetvaardigheid (Lc vm), en eindelijk met uwe Heiligen door de enge poort de eeuwige glorie binnengaan. R Amen. (Lc. xm.)
Onze Vader. â Wees gegroet. v. Ontferm U onzer.
B. Heer, ontferm U onzer.
82
X Statie.
Christus luortlt van zijne kleederen beroof'!. v. Wij aanbidden U, Christus, en loven ü. k Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Zij hebben mijne Ideederen onder elkander verdeeld, en over mijn kleed hebben zij het lot geworpen, (Ps. xxt.)
Antimoon. Mijne lendenen zijn vol smarten, en er is geen gezondheid in mijn vleesch. (Ps. xxxvn.)
v. De schaamte van het gelaat heeft mij overdekt. (Ps. xlhi.)
k. Gij hebt mij gesteld tot spot en schimp van die rondom ons zijn. (Aid.)
Overweging.
Aanschouw, mijne ziel, uwen Verlosser beroofd van ziine kleederen; Hij, die alles gekleed heeft (Gen. i). Hij is de spot der menschen en de verachting des volks geworden (Ps. xxi). En zal ik, ellendige zondaar, mij verhoovaardigen in purper en in zijde; ik zie mijnen Schepper van zijn kleed beroofd, en Hij heeft zelfs geen steen waarop Hij zijn hoofd kan laten rusten ? Daarom zal
H3
ilc klagen en jammeren, o Heer, en aim en naakt zal ik rondgaan (Midi, i); zonder kleed ben ik ter wereld gekomen en zonder kleed zal ik wederkeeren (Job i). Wat is liet tocb, dat ik verlangd heb op deze wereld, en wat heb ik gewild op aarde? (Ps. lxxii.) Ach, wanneer zal ik komen en voor het aanschijn van mijnen God verschijnen? (Ps. xli,) Want naar Hem verlangt mijne ziel; wie zal mij van Christus' liefde scheiden; verdrukking? ot' angst? of honger? of naaktheid? Maar in dit alles zijn wij overwinnaars om Hem, die ons heeft liefgehad. (Rora vm.) Ik ben de uwe, o Heer, maak my zalig. (Ps. cxviir.) v Om uwen dorst.
r. Heer, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O allernederigste Jesus, die ons bemind hebt. en in uw bloed van de zonden hebt afgewasschen (Openb. i): verleen, bidden wij U. dat wij, in witte kleed eren gekleed worden. opdat wij niet beschaamd voor U staan (Openb III); en wij, zooals wij onze ledematen hebben overgegeven om der onreinheid en ongeregtigheid dienstbaar te zijn ter ongerechtigheid, evenzoo onze ledematen over-
84
geven om der gerechtigheid dienstbaar te zijn tot heiliging. R. Amen. (Rom. vi,)
Onze Vader. â Wees gegroet. y. Ontferm U onzer.
ii. Heer, onferm U onzer.
XI Statie.
Christus wordt aan het kruis genageld. v. Wij aanbidden ü, Christus, en loven ü. r. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
De hoorn des levens (Opetib. n) is met nagelen doorboord.
Antiphoon. Mijn uitverkoren wijngaard, ik heb u geplant, hoe zijt gij in bitterheid verkeerd, zoodat gij mij kruisigdet?
v. Zij hebben mijne handen en voeten doorboord.
r. Zij hebben al mijne beenderen geteld. (Ps. xxi.)
Overweging.
Zie op, o mensch! Jesus strekt zijne armen uit op het kruis, en noodigt ons tot zijne omhelzing; ik zal dus mijne handen tot mijnen Heer uitstrekken (i Kon. xxiv); want ik leef in het geloof van den Zoon Gods; die mij
85
bemind heeft en zicli zeiven voor mij heeft overgeleverd (Gal. n.) Waarom zouden wij dus niet niedegaan en met Hem sterven (Jo 11)? want ik ben bereid voor den Naam van den Heer Jesus Christus niet alleen gebonden te worden, maar ook met Hem te sterven (Hand. xxi); en het is mij goed den Heer aan te kleven (Ps. lxxii). Ach! ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn Phil. 1); opdat, hetzij ik leei, ik voor Christus leve, hetzij ik sterf, ik voor Christus sterve (Rom. xiv); en Gij, o Heer, ga niet weg van mij, armen zondaar. R. Amen. (Ps. xxxiv.)
v. Om uwe Heilige Wonden.
11. Heer, ontferm ü onzer.
Laat ons bidden.
O allergoedertierenste Jesus, die uit liefde
o
tot ons uwe armen op het kruis hebt uitgestrekt, doorboor onze handen en voeten, en breng geheel uw lijden in ons over, opdat wij ons beijveren U, Jesus, den Gekruiste, boven alles te kennen (1 Cor. n), en de versterving des kruises gedurig in ons ligchaam ronddragen (11 Cor. iv), en alleen onzen roem stellen in het kruis van onzen Verlosser R. Amen. (Gal. iv.)
86
Onsc Vader. â Wees gegroet. v. Ontferm U onzer.
e. Heer, ontferm U onzer.
XII Statie Jesus sterft aan het kruis v. Wij aanbidden ü, Cliristus, en loven U. u. Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Jesus de Nazarener, de Koning der Joden. (Jo. xix.)
Agt;tiphoon. Nadat Ik zal verheven zijn, zal Ik alles tot Mij trekken (Jo. vi.)
v. Op eenen steen heeft Hij mij verheven. e. En nu heeft Hij mijn hoofd verheven boven mijne vijanden. (Ps. xxvi.)
Overweging.
Luister, mijne ziel! en sidder; Christus de Heer op het kruis is gesteld tot ondergang van velen (Lc. 11); want de zondaren kiezen liever den dood dan het leven (Jer vm), omdat zij voor zich den Zoon Gods op nieuw kruisigen (Hebr. vi) Maar ik wil niet belmoren tot dit allerboost geslacht (Jer. vm) mijne zonden zijn mij van harte leed; Gij hebt mij vrijgekocht in uw bloed en Gij zijt
87
mij tot zaligheid geworden (Ps. cxvn). Ik beken het, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U. (Lc. x v,) Zie in zonden ben ik ontvangen, en in zonden heeft mijne moeder mij gebaard (Ps. l). Maar wij hebben bij den Vader eenen Voorspreker Jesus Christus (i Jo. 11) ; deze is de Middelaar tusschen God en den mensch (i Tim it) ; door dezen hebben wij toegang tot den Vader (Eph. n). Ontferm U mijner, o God, en verderf mijne ziel niet met de goddeloozen (Ps. xxv). v. Om uwen smartelijken dood K Heer, ontferm ü onzer.
Laat ons bidden.
O Jesus, ware wijnstok, waarvan wij de ranken zijn (Jo. xvj, dat de wereld voor ons, uit liefde tot U, gekruisigd zij, en wij aan de wereld (Gal. viJ ; opdat wij, als uwe ware ledematen, ons vleesch met de zonden en de begeerlijkheden kruisigende (Gal. m), en, dood aan de zonden, der regtvaardigheid leven (i Petr. iiigt;, en zooals wij allen in Adam sterven, ook in U levend gemaakt worden. R. Amen. (i Cor. xv).
On~e Vader. â Wees cfeyroet.
88
v. Ontferm U onzer.
r. Heer, ontferm U onzer.
XIII Statie.
[let ligchaam van Christus loordt van het
kruis afgenomen.
v. Wij aanbidden U, Christus, en loven U. ii. Omdat gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.
Hij is verbrijzeld om onze misdaden (Is. lui.) Antiphoon. Zoozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eenigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd (Rom. vm).
v. Hij zelf is de verzoening geworden voor onze zonden (Jo. n).
r. Hij is geslagtofferd, omdat Hij zelf gewild heeft (Ts. liti).
Overweging.
Gegroet, o Heilig Kruis! waaraan het ge-heele werk onzer verlossing volbragt is. Gezegend hout, waardoor de geregtigheid geschiedt! (Wijsh. xiv.) Op u is het Leven, Christus Jesus, gestorven; en voor allen is Hij gestorven (i Cor. v) Bekeert u dan, zondaren ! bekeert u tot Hem uit geheel uw hart (Joel n);
89
want de Zoon des menschen is niet gekomen, om zielen te verderven, maar om ze te behouden (Lc ix). Luistert wat de Heer zegt: »Ik wil den dood des zondaars niet, maar dat de goddelooze zich van zijnen weg bekeere en levequot; (Ezech. v). Laten wij dan leven, maar niet voor ons; want wij behooren ons zeiven niet toe; wij zijn immers gekocht voor een grooten prijs (i Cor. vi); maar laten wij voor Hem leven, die voor ons gestorven is (t Cor. v); voor ons is het leven Christus, en sterven een gewin (Phil. i). v Om de afneming van uw kruis.
r Heer, ontferm U onzer
Laat ons bidden.
O allerzoetste Jesus, die, toen Gij van het kruis waart afgenomen, in den schoot uwer Moeder gerust hebt, maak ons los van alle gehechtheid van de zonden, opdat wij, den ouden mensch afleggend met zijne ondeugden en begeerlijkheden, den nieuwen aandoen in gerechtigheid (Eph, iv), en niet meer naar het vleesch leven, maar de werken des vleesches dooden (Rom. vin), en niet meer gelijkvormig zijn aan de wereld, maar ver-
90
anderd worden naar de vernieuwing van ons gemoed. R Amen. (Rom. vn).
Onze Vader. â Wees gegroet. v. Ontferm U onzer R. Heer, ontferm U onzer.
XIV Statie.
Christus wordt gelegd in een nieuw steenen graf.
v. Wij aanbidden U, Christus, en loven U. r. Omdat Gy door uw heilig kruis de wereld verlost hebt
Het is vulbragt. (Jo. xix.)
Antiphoon. Op Hem heeft God demisdaden van ons allen gelegd. (Is. lui.)
v. Hij heeft zijne ziel aan den dood overgeleverd
r. En Hij werd onder de misdadigers geteld, opdat Hij zijn volk levend zoude maken. (Aid.)
Overweging.
Nadat Jesus van het kruis was afgenomen, werd Hij in zuiver lijnwaad gewonden (Mt. xxvii), en gelegd in eene nieuwe grafstede, (Aid.) Waarom ? Deze Hoogepriester, die heilig is, onschuldig, onbevlekt, afgezonderd van de zondaren (Hebr. js), wil niet
91
verblijven in eene onreine bezoedelde plaats Luister, mijne ziel! wat Jesus u zegt: »Geef Mij uw hart, opdat Ik daarin ruste; want het is mijn vermaak, met de kinderen der menschea te zijn.quot; Ach, mijn God, ik heb een onzuiver en bezoedeld hart; waarlijk, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek slechts met een woord, en mijne ziel zal gezond worden (Mt. vin). Ik hoop op uwe barmhartigheid, en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden (Ps. xxx). Zie mijn hart is bereid (cvm). Kom, opdat aan mijn huis heil wedervare (Lc xix). Welaan mijne ziel. Hij die u geschapen heeft, wil in uwe tente wonen (Eccli. xxiv). Mijn welbeminde is de mijne, ik ben de zijne (Hoogl. vin).
v. Om uwe heilige begrafenis li. Heer, ontferm U onzer.
Laat ons bidden.
O allerheiligste Jesus, die, in de kracht van uw wondervol Sakrament, ü eene woonplaats in onze harten hebt willen bereiden, verleen genadiglijk, dat wij na het ontvangen van uw allerheiligst Ligchaam. voortaan geene plaats aan den duivel verleenen (Eph iv); maar
92
dat wij, gestorven aan de zonden, en met U begraven, ook met U in de nieuwheid des levens wandelen (Aid.), die leeft en regeert in de eeuwen der eeuwen. R. Amen.
Onze Vader â Wees gegroet.
v. Ontferm ü onzer.
r. Heer, ontferm ü onzer.
Voor het altaar teruggekeerd, bidt de priester;
V. Ora pro nobis, virgodo- V. Bid voor ons, o Maagd
lorosissima. vol van smarten.
R. Ut digni efficiamur pro- R. Opdat wij de beloften van
missionibus Christi. Christus waardig worden.
Oremus. Laat ons bidden.
Interveniat pro nobis, quae- Heer Jesus Christus, wij smee-
sumus, Domine Jesu Christe, ken, dat de Gelukzalige Maagd
nunc et in hora mortis nos- Maria, wier allerheiligste ziel
trae apud tuam clementiam in het uur van uw lijden met
beata Virgo Maria, eujus sa- een zwaard van droefheid door-
cratissimam animam, in hora boord werd, nu en in het uur
tuae passionis^ doloris gladius van onzen dood, bij uwe goeder-
pertransivit. Qui vivis et reg- tierenheid onze voorspraak zij;
nas Deus in saecula saeculo- die leeft en regeert. God, door de
rum. Amen. eeuwen dor eeuwen. Amen.
Volgens godvruchtig gebruik kan men de plegtige oefening sluiten met het bidden van vijf Onze Vaders en vijf Wees g/'groeten, met Glorie zij den Vader : naar de meening van Z. H. den Paus. Deze Onze Vaders en Wees qegroeten worden echter, bij den gewonen Kruisweg,
93
niet noodzakelyk gevorderd voor de aflaten.
Als men de kruisweg-oefening doet met een daartoe gewijd kruisje, dan zijn de zes Onze Vaders en Wees gegroeten wel noodzakelijk tot het verdienen van de aflaten.
In Rome sluit de plegtige kruisweg-oefening met den zegen van het H Kruis.
DE VIJFTIEN GEHEIMEN
VAN DEN
I.
De vijf blijde Geheimen EERSTE GEHEIM.
De Boodschap des Engels aan Maria, en het Geheim der Menschwording.
VRUCHT DES GEHEIMS.
De nederigheid.
Zie, o Jesus! op mij neder, en dat eene diepe nederigheid mij aan den rijkdom uwer barmhartigheden deelachtig make.
94
Tiet Geloot; Onze Vader, drieinafil IVees gegroet,
Glorie zij den Vader, enz. Onze Vader; tienmaal Wees gegroet; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart van Jesus, Onbevlekt Hart van Maria, moge men U overal en altijd kennen, beminnen, eeren en navolgen.
Neem, Heer! onzen heiligen quot;Vader, den Paus, onder uwe goddelijke bescherming.
Dat de geloovige zielen, door Gods barmhartigheid, rusten in vrede. Amen
TWEEDE GEHEIM.
Het hezoelc der H. Maagd aan Elisabeth.
VRUCHT DES GEHETMS.
De liefde tot de naasten.
0 Maria! die zooveel overvloedige zege-
o o
ningen in het huis van Elisabeth hebt aan-gebragt, bezoek ook mijne arme ziel, opdat zij, gelijk Joannes de Dooper, door uwe voorspraak gezuiverd worde
Onze Vader; tienmaal Wees gegroet; Glorie zij den Vader. enz.
Goddelijk Hart enz. Zie hierboven.
95
Igt;EK»Ã: GEiïEin
De GehnorU onzen fheren Jesus Christv. *
VRUCHT DES GRHETMS.
De armoede.
0 Mavia! onze Moeder! ontdoe ons van alle gehechtheid aan de goederen dezer wereld, opdat wij, de armoede van Jesns navolgende waardig worden eens in den hemel de goederen te bezitten, welke Hij ons beloofd heeft.
Onze Vader; tienmaal JVers /jegrnet ; Glorie zij den Vader. enz.
Goddelijk Hart enz Z i e b 1 04.
VIERDE GEnEIM
T)e Ondrant va.n .Te.ni.i in den tempel.
VRUCHT DES GEHETMS.
De gehoorzaamheid.
O Maria! liever wil ik sterven, dan de geboden Gods en der Kerk te overtreden, en mij aan de gehoorzaamheid te onttrekken, die ik aan het Opperhoofd der Kerk, onzen H. Vader, den Pans, den Stedehouder van Christus op aarde, verschuldigd ben.
Onze Vader; tienmaal Wees gegroet : Glorie zij den Vader. enz.
Goddelijk Hart enz. Zie bl. 94.
96
VIJFDE GEHEIM.
Jesus' Terugvinding in den tempel.
VRUCHT DES GEHEIMS.
Het zoeken naar Jesus.
0 Jesus! die mij gezocht hebt, toen ik U ontvlugtte, zult Gij U van mij verwijderen, nu ik U zoek?
0 Maria! die Jesus met zooveel ijver gezocht en gevonden hebt, verwerf mij de genade, Hem te vinden en Hem, door de zonde, nimmer meer te verliezen
Onze Vader; tienmaal Wees gegroet; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Z i e b 1. 94.
II.
De vijf droevige Geheimen.
1.
ZESDE QEHEIM.
Jesus' Doodsangst in Gethsamané.
VRUCHT DES GEHEIMS.
Het berouw.
0 Jesus! die mijne 'zonden met bloedige tranen beweend hebt, geef mij dat inwendig, bovennatuurlijk en opregt berouw, zonder
97
hetwelk geene ware bekeering mogelijk is.
Onze Vader; tienmaal Wees gegroet : Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie b 1. 94.
2.
ZEVENDE GEHEIM.
Jesus' Geeseling.
VRUCHT DES GEHEIMS.
Het verlangen tot boetdoening.
0 Jesus! leer ons in ons lichaam boete doen, om de beleedigingen te herstellen, welke U door de menschen worden aangedaan en om, zoo voor hen, als voor ons zeiven, den geest der boetvaardigheid en de vergeving der zonden te verwerven.
Onze Vader: tienmaal Wees gegroet ; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Z i e b 1. 94.
3
ACHTSTE GEHEIM.
Jesus' Krooning met doornen.
VilUCHT DES GEHEIMS.
De versterving der eigenliefde.
O Jesus! ik smeek U bij uwe doornen-krooning, doe mij den hoogmoed, den ijdelen
7
98
roem, de eerzucht haten, en laat de vrees van aan de menschen te mishagen, mij toch nooit uwen aanbiddelijken wil doen miskennen.
Onze Vader-, tienmaal Wees gegroet-, Glorie zij den Vader-, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie bl 94.
â i.
KEGENDE GEHEIM
Jesus' Kruisdraging
VRUCHT DES GEHEIMS. Het verdragen van de inoeijelijkheden des levens.
Ik neem, o mijn God! de moeielijkheden van mijnen staat aan als kruisen, door uwe barmhaitigheid, ter mijner heiliging uitgekozen.
Onze Vader-, tienmaal Wees gegroet-. Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie b 1. 94.
5.
TIENDE GEHEIM.
Jesus' Kruisiging.
VRUCHT DES GEHEIMS.
De liefde tot Jesus en Maria.
0 Jesus! die voor ons aan het kruis se-storven zijt, doe ons door uwe genade aan de
99
zonder sterven, om voortaan niet dan voor uwe liefde te leven. Gij, Moeder van smarten ! die ons tot uwe kinderen hebt aangenomen, maak dat wij u als onze Moeder beminnen.
Onze Vader; tienmaal [Vees gegroet; Glorie zij den Vader, vnz.
Goddelijk Hart enz. Zie b 1. 94,
III.
De vijf glorierijke Geheimen
i.
EliFOE GEHEIM.
Josus' Verrijzenis.
VRUCHT DES GEHEIME.
De bekeering.
0 Jesus! verrezen van den dood, tref de vervolgers der waarheid en de zondaren met uw helder en vermogen licht; doe hen van den dood der zonde tot het leven der genade overgaan, en schenk ons allen eene volkomene verandering des harten.
Onze Vader ; tienmaal IVees gegroet; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie b 1. 94.
100
3.
TWAALFDE GEHEIIVI.
Jesus' Hemelvaart.
VEÃCHT DES GEHEIMS.
Het verlangen naar den hemel.
Houd moed, geloovige ziel! zoo gij Jesus eenmaal in den hemel volgen wilt, weet dan, dat gij slechts door opoffering daartoe zult geraken.
O Jesus! maak onze harten los van deze wereld, en trek die tot ü.
Onze Vader; tienmaal Wees gegroet; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie b 1. 94.
3.
DERTIENDE GEHEIM.
De Nederdaling des Heiligen Geestes.
_ /
VRUCHT DES GEHEIMS.
De ingetogenheid en zuiverheid.
O Jesus ! daar uwe leerlingen in de stilte en afzondering den H Geest ontvangen hebben, zoo geef ons den geest van ingetogenheid, op-
101
dat het vuur uwer liefde onze harten zuivere en ontvlamme.
Onze Vader; tienmaal Wees gegroet; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie bl. 94.
4
VEERTIENDE GEHEIM.
De Opneming van de H. Maagd ten hemel.
VRUCHT DES GEHEIMS.
De genade van een zaligen dood.
Heilige Maagd! verwerf mij de genade, om de banden der zonden te verbreken, opdat mijn laatste oogenblik het begin zij van mijn eeuwig geluk.
Onze Vader ; tienmaal Wees gegroet; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie b 1. 94.
5.
VIJFTIENDE GEHEIM
De Krooning van de H. Maagd.
VRUCHT DES GEHEIMS.
Het vertrouwen op de E. Maagd.
Heilige Maria! zie het vertrouwen, hetwelk wij in uwe voorspraak stellen: bescherm ons,
102
bescherm ons Vaderland en bewaar in dit «e-west den dierbaren schat van het Roomsch, Katholiek en Apostoliesch Geloof.
Onze Vader ; tienmaal Wees gegroet ; Glorie zij den Vader, enz.
Goddelijk Hart enz. Zie b 1. 94.
LATIJNSCHE KERKZANGER
VENI CREATOR.
Smeekzang tot den IT. CSeest.
Veni, Creator Spiritus, Meutes tuorum visita,
Imple superna gratia,
Quae tu creasti pectora
Qui diceris Paraclitus, Altissimi donum Dei,
Fons vivus, ignis, charitas, Et spiritalis unctio.
104
Tu septiformis raunei-e, Digitus paternae dexterae, Tu rite promissum Patris, Sermone ditans guttura.
Accende lumen sensibus, Infunde amorera cordibus, Infirma nostri corporis Virtu te firmans perpeti.
Hostem repellas longius, Pacemque dones protinus, Ductore sic te praevio, Vitemus omne noxium.
Per te sciamus, da Patrem, Noscamus atque Filium, Teque utriusque Spiritum, Credamus omni tempore.
Deo Patri sit gloria. Et Filio, qui a mortuis Surrexit, ac Paraclito, In saeculorum saecula. Amen.
105
ADORO TE
Aanbidding van bet H. Sa Sir anient.
Adoro Te devotè, latens Deitas,
Quae sub his figuris Verè latitas:
Tibi se cor meum totum subjicit,
Quia Te contemplans totum deficit. Ave Jesu, Pastor fidelium,
Adauge fidem omnium in Te credentium.
In cruce latebat sola Deitas,
Sed hic latet simul et humanitas:
Ambo tamen credens atque confitens,
Peto, quod petivit latro poenitens.
Ave, Jesu, Pastor fidelium,
Adauge fidem omnium in Te credentium.
Pie pellicane, Jesu Domine,
Me immundum munda tuo sanguine:
Cujus una stilla salvum facere
Totum mundum quit ab omni scelere
Ave Jesu, Pastor fidelium,
Adauge fidem omnium in Te credentium.
106
RANGE LINGUA.
LiOfzang ter eere van bet H. Sakrament.
1. Pange, lingua, gloriosi
Corporis mysterium,
Sanguinisque pretiosi,
Quern in mundi pretium Fructus ventris generosi,
Rex effudit gentium.
2. Nobis datus, nobis natus
Ex intacta Virgine,
Et in raundo conversatus,
Sparso verbi semine,
Sui moras incolatus Miro clausit ordine.
3. In supremae nocte coenae
Recumbens cum fratribus, Observata lege plene Cibis in legalibus,
Cibum turbae duodenae Se dat Suis manibus.
107
RANGE LINGUA.
Liofzang ter eere van bet II. Sakrament.
W ij z e : als het Vaandellied en vele Benedietien.
1. Wil, mijn tong! 't Geheim des Heeren,
't Lichaam, allen roem te groot, 't Kostbaar Bloed met lofzang eeren,
Dat de vrucht uit ed'len schoot. Dat de Heer van wie regeren Ten rantsoen der aard vergoot.
2. Ons gegeven, ons geboren,
Uit een maagdelijken Bruid,
Heeft Hij de aard' ten woon verkoren. Strooit het zaad des woords er uit, Tot Hij 't leven. Hem beschoren, Met een wondere orde sluit.
3. 't Laatst, dien avond van zijn leven,
Met zijn broed'ren aan den Disch, Heeft Hij, als het voorgeschreven Paaschmaal trouw gehouden is,
Zelf zich hun ten spijs gegeven In dit nieuw Geheimenis.
108
4. Verbum caro, panem verum
Verbo carnem efficit,
Fitque sanguis Christi merum,
Et si sensns deficit, Ad firmandum cor sincerum Sola fides sufficit.
5. Tantum ergo Sacramentum
Veneremur cernui, Et antiquum documentum
Novo cedat ritui;
Praestet fides supplementum Sensuum defectui.
6. Genitori, Genitoque
Lans, et jubilatio,
Salus, honor, virtus quoque Sit et benedictio,
Procedenti ab utroque Compar sit laudatio.
109
4. 't Woord, in 't vleescli tot ons gekomen,
Maakte brood zijn vleesch door 't woord. Wijn zijn bloed, dat uit ging stroomen ;
Zoo geen zin 't Geheim doorboort : 't Is genoeg voor 't hart des vromen, Dat hij hier 't geloof slechts hoort.
5. Eeren wij dan, diep-gebogen.
Een zoo Heilig Sakrament ;
De oude schaduw is vervlogen,
O 1
In dit nieuw Geheim volend;
Wat de zinnen niet vermogen:
o
't Worde door 't geloof gekend.
1
Lof van alle jubelkoren
Zij met dank en zegentoon.
Beider Geest, als Hun, beschoren Op hun éénen glorietroon.
110
DE LITANIE
van ouze L.leve Vrouw.
Kyrie eleison Christe eleison.
Christe, audi nos.
Christe, exaudi nos.
De Vrouwen. Maria, Maria, wij bidden u! Ach help ons nu, en in den dood. O allerzuiverste Maagd Maria!
Pater de coelis, Deus,
Miserere nobis Fili Redemptor mundi Deus,
Miserere nobis.
Vr. Maria, enz Spiritus Sancte, Deus,
Miserere nobis.
Sancta Trinitas, unus Deus,
Miserere nobis.
Vr. Maria, enz Sancta Maria,
Sancta Dei Genitrix,
Sancta Virgo Virginum, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Mater Christi,
Mater divinae gratiae.
Ill
Mater purissima, Ora pro nobis.
Vr Maria, enz.
Mater eastissima,
Mater inviolata,
Mater intemerata, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Mater amabilis,
Mater adtnirabilis,
Mater Creatoris, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Mater Salvatoris,
Virgo prudentissima,
Virgo veneranda, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Virgo praedicanda,
Virgo potens,
Virgo clemens, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Virgo fideles,
Speculum justitiae,
Sedes sapientiae, Ora pro nobis
Vr. Maria, enz.
Causa nostrae laetitiae, Vas spirituale,
Vas honorabile, Ora pro nobis. Vr. Maria, enz
112
gt;⢠. â - ⢠\
Vas insigne devotionis,
Rosa mystica,
Turris Davidica, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Turris eburnea,
Domus aurea,
Foederis area, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Janua coeli,
Stella matutina,
Salus infirmorum, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Refugium peccatorum,
Consolatrix afflictorum,
Auxilium Christianorum, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Regina Angelorum.
Regina Patriarcharum,
Regina Prophetarum, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Regina Apostolorum,
Regina Martyrum,
Regina Confessorum, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Regina Virginum,
Regina Sanctorum omnium,
118
Regina, sine labe eoncepta, Ora pro nobis.
Vr. Maria, enz.
Agnus Dei, â qui tollis â peccata mundi, â Parce nobis, Domine.
Vr. Maria, enz Agnus Dei, â qui tollis â peccata mundi, â Exaudi nos, Domine.
Vr. Maria, enz.
Agnus Dei, â qui tollis â peccata mundi, â Miserere nobis.
Vr. Maria, enz.
Christe. audi nos.
Christe, exaudi nos.
Kyrie eleison,
Christe eleison.
Vr Maria, enz.
MAGNIFICAT.
Lotzang van de H. itlaagd Maria.
Magnificat* anima mea Dominum.
Et exultavit spiritus meus* in Deo salutari meo. Quia respexit humilitatem ancillae suae:* ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes ge-nerationes
s
114
Quia fecit mihi magna qui potens est :* et sanctum nomen ejus.
Et misericordia ejus a progenie in progenies,* timentibus eum.
Fecit potentiam in bracliio suo :* dispersit superbos men te cordis sui.
Deposuit potentes de sede,* et exaltavit hu-miles.
Esurientes implevit bonis,* et divites dimisit inanes.
Suscepit Israël puerum suum,* recordatus misericordiae suae.
Sicut locutus est ad patres nostros,* Abraham, et semini ejus in saecula
Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto
Bicut erat in principio, et nunc et semper,* et in saecula saeculorum. Amen.
SALVE REGINA.
Aan tie Moeder van barmbartigtaeid.
1. Salve Regina, Mater misericordiae, vita,
dulcedo, et spes nostra, salve
2. Ad te clamamus exules, filii Evae Ad te
115
suspiramus, gementes et flentes in hac lacrymarum valle
3. Eja ergo, advocata nostra, illos tuos mise-
ricordes oculos ad nos converte.
4. Et Jesum, benedictum fruetum ventris tui,
nobis post hoe exilium ostende.
5. 0 clemens, o pia, o dulcis Virgo Maria
SALVE REGINA.
LiOfiied aan de Moeder van barmliartiglieid
Wijze: 0 vijf werelds klare liclitâ¢! of; Zing,
mijn ziell liet Vijftal Wonden.
1. Wees gegroet, o Koninginne!
Moeder, gij vol teed're minne,
Gij ons leven, hoop, zoo zoet,
Wees, Maria! wees gegroet;
Bid voor ons, Maria!
2. 't Is tot ü dan, dat wij vlugten.
Onder tranen en veel zuchten;
T5t u rijst ons klaaggeschal In dit aardsche tranendal;
Bid voor ons, Maria!
11(3
8 O dan nu, wil voor ons spreken,
't Goedig oog slaan op ons smeeken, Gij, die altoos voor ons pleit, Moeder van barmhartigheid! Bid voor ons, Maria!
4. En na dit ons ballingsleven.
Toon ons Jesus, hoogverheven,
Heil'ge vrucht van uwen schoot; Toon Hem ons bij onzen dood; Bid voor ons, Maria!
5. O dan. Moeder vol ontferming!
Toon ons, kind'ren, iw bescherming
O gij Maagd! zoo vroom, zoo zoet. Wees, Maria! wees gegroet: Bid voor ons, Maria!
AVE MARIA.
De groetenis des Engels.
Ave Maria, gratia plena, Dominus tecum, benedicta tu in mulieribus, et benedictus fruc-tus ventris tui, Jesus
Sancta Maria, Mater Dei, ora pro nobis.
117
peccatoribus, nunc et in hora mortis nostrae. Amen.
O SANCTISSIMA.
Aan de H. Maagd.
0 sanctissima, o piissima, dulcis Virgo Maria.
Mater amata, intemerata, ora, ora pro nobis.
STABAT MATER.
Klaagzang.
Stabat Mater dolorosa Juxta crucem lacrymosa, Dam pendebat Filius ;
2- Cujus animam gementem
Contristatam et dolentem Pertransivit gl adius
0 quam tristis et attlicta Fuit illa benedicta Mater Unigeniti:
3
118
Quae moerebat, et dolebat, Et tremebat, cum videbat Nati poenas inclyti.
Quis est homo, qui nou fleret, Christi Matrem si videret lu tauto supplieio ?
Quis posset non contristari, Piam Matrem contemplari Dolentem cum Filio ?
Pro peccatis suae gentis Vidit Jesum in tormentis Et flagellis subditum,
Vidit suum dulcem Natum Morientem decolatum, Dum emisit spiritum.
Eja Mater, fous amoris, Me sentire vim doloris Fac, ut tecum lugeam;
Fac ut ardeat cor meum In amando Christum Deum, Ut sibi complaceam
119
11. Sancta Mater, istud agas, Crucifixi fige plagas
Cordi meo valide;
12. Tui Nati Vulnerati, Tam dignati pro me pati
Poenas mecum divide.
13. Fac me vere tecum flere, Crucifixo condolere,
Donec ego vixero;
14. Juxta crucem tecum stare, Te libenter sociare
In planctu desidero.
15. Virgo Virginum praeclara,
Mihi jam non sis amara,
Fac me tecum plangere;
16. Fac ut portem Cliristi mortem, Passionis fac consortem.
Et plagas recolere.
17. Fac me plagis vulnerari,
Cruce hac inebriari,
Ob amorem Filii
120
18. Inflammatus et accensus, Per te, Virgo, sim defensus
Tn die jndicii.
19. Fac me cruee custodiri, Morte Christi praemnniri,
('onfoveri gratia;
'20 Quando corpus morietur, Fac ut aniraae donetnr Paradisi gloria. Amen.
LOFZANG TE DEUM.
Te Denm laudamus: Te üominum confi-témur.
Te aetérnum Patrem; omnis terra vene-ratur.
Tibi omnes Angeli: Tibi coeli, et universae potestates,
Tibi Cherubim et Serapliin : incessabili voce proclamant;
Sanctus, Sanctus, Sanctus, Dorainns Deus Sabaoth.
Pleui simt coeli et terra: majestatis glome tuae.
121
Te gloriosus Apostolorum chorus, Te Proplietarum lauclabilis numerus, Te Martyrum candiflatus laudat exércitus. Te per orbem terrarum, sancta confitétur Ecclesia,
Patrem immensae majestatis,
Venerandum tuum verum et unicum Filium, Sanctum quoque Paraclitum Spiritum. Tu rex gloriae, Christe.
Tu Patris sempiternus es Filius.
Tu ad liberandum suscepturus hominem: non horruisti Virginis üterum.
Tu devicto mortis acüleo: aperuisti credenti-bus regna coelorum.
Tu ad dexteram Dei sedes, in gloria Patris. Judex créderis esse venturus.
ââ Te ergo quaesumus, tuis famulis sub-veni; quos pretioso sanguine redemisti.
Aeterna fac cum sanctis tuis; in glorianumerari. Salvum fac populum tuum, Domine: et be-nedic hereditati tuae.
Et rege eos: et extolle illos usque in atérnum. Per singulos dies, benedicimus Te Et laudamus nomen tuum in saecelum: et in saecuium saeculi
122
Dignare, Domine, die isto: sine peccato nos custodire
Miserere nostri, Domine: misere nostri.
Fiat misericordia tua, Domine, super nos: quemadmodum speravimus in Te.
In Te, Domine, speravi: non confundar in aetérnum.
DAGORDE MET DE GEZATVGEIV,
VOOB DE
PROCESSIE VAN LEIDEN
NAAR
O. L. Vrouw van Antwerpen
EN
O. L. Vrouw van Scherpenheuvel.
Eerste dag.
Onder het H. Misoffer wordt gezongen : V e n i Creator, {hladz 103); na de Consecratie A d o r o Te (hladz. 105), en Magnificat (hladz. 113). Na de Communie:
1.
LIED OP ONZE BEDEVAART.
(Wat spoedt ge, o Pelgrimscharen!)
quot;Wijzen: O beeld van 't reinste leven O Jo/.ef! Voedstervjtder ; O beeld der schoone liefde! -- en het Sjiaanselie volkslied.
Eenigen.
1. Wat spoedt ge, o Pelgrimscharen ! Ter vrome beêvaart heen,
Laat ge aardsche zorgen varen En denkt aan God alleen ?
124
Allen.
Wij zijn hier vreemdelingen, Ons doel is niet op aard',
Maar in Gods hemelkringen : Zoo leert de bedevaart.
Eenigen.
2. Wat spoedt ge o Pelgrimscharen !
Ter heil'ge Hoogtijds-Mis ; En knielt gij om de altaren En Jesus' Liefdedisch ?
Allen.
Is Hij niet hier beneden
Als Pelgrim voorgegaan ? Hem volgen onze schreden Op onze pelgrimsbaan.
Eenigen.
3. O Goddelijke goedheid !
Daar is Hij ons ten spijs, En smaken wij de zoetheid Van 't hemelsch paradijs !
Allen.
Daar wordt voor 't aardsche leven
Ons alle troost en kracht,
Daar alle hoop gegeven Voor onzen stervensnacht.
12u Eenigen.
4. Wat spoedt ge, o Pelgrimscharen!
Ter dierb're beeldt'nis heen En brengt er jaar aan jaren Uw lof- en smeekgebeên ?
Allen.
Wij eeren onze Moeder
In haar bevoorregt oord,
Waar Jesus, onze Broeder,
Sinds eeuwen haar verhoort. Eenigen.
5. Daar danken wij en zingen
Haar glorie en haar min. En vragen zegeningen Van 's hemels Koningin.
Allen.
Zoo daalt genade neder
Voor ons in allen nood ; Gesterkt gaan wij dan weder, Voor leven en voor dood.
Na de Litanie voor Z. H. den Paus, huh men vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet, om van God. door Maria's voorspraak, eene voorspoedige reis af te smeeken.
126
In Jen spoortrein zingt en bidt men als volgt. Eerst dit Lied.
2.
UITNOODIGING TOT DEN LOP VAN MA.RIA.
W ij z e : Mijn stem, nu laat u zoetjes hooien,
en eigen melodie.
1. Komt, spoedt u! komt Maria prijzen:
Zij is zoo groot;
Met snaar en stem haar eer bewijzen, Tot aan den dood.
fBroeders, Zusters, zwijgt nu niet,
Zwijgt Maria's grootheid niet.
Maar verheft haar in uw lied.
Wees gegroet, wees gegroet, wees gegroet,
[Maria!
2. Lokt uit uw speeltuig zoete klanken!
Zij is zoo goed ;
En laat uw stem haar zingend danken. Met big gemoed.
fBroeders, Zusters ! zwijgt nu niet.
Zwijgt Maria's grootheid niet.
Maar enz. als hoven.
3. Vlecht, maagden ! om Maria te eeren,
Een leliekrans ;
Eens moge uw leliewit verkeeren
127
In hemelglans.
fBroeders, em.
4. 0 moeders ! reeds uw zuigelingen
Zijn haar gewijd ;
Vrij moogt gij hare zorg bezingen : Zij waakt altijd.f
5. Gij, vaders ! hoe vermoeid van 't zwoegen,
Zingt haar ter eer:
't Wordt offerand en zielsgenoegen: Wat wilt gij meer?t
6. O jong'ling ! wijd uw schoonste jaren
Aan deze Maagd :
Zij redt uw onschuld uit gevaren,
Zoo gij het vraagt.f
7. Wanneer de schapen veilig grazen
In klaverwei',
Dan moet de herder 't loflied blazen Op zijn schalmei.f
8. En, scheep'ling! komt na 't stormgeklate
De kalmte weêr,
Bezing dan vrij, voor lucht en water, Maria's eer \
9. Wanneer de dagtoorts met haar stralen
In 't Oosten glimt,
128
Zij hoore, hoe tot haar drie malen Het Ave klimt f
10. En spreidt de zon in 't heete Zuiden Haar glans en gloed,
Dan moet de bedeklok weêr luiden Ten Engelgroet.f
11 Maar zinkt het licht naar de avondlanden,
En daalt de nacht.
Heft dan tot haar uw hart en handen : Groot is haar magt.f
12 Wij op deze aarde vreemdelingen,
Gaan bevend voort;
Zij leidt ons, die haar liefde zingen.
Naar 't vaderoord.f Em rozenhoedje voor de leden der Processie, opdat de verlangens van hen die deze bedevaart houden, vervuld ivorden, als het hm zalig is.
3.
Jubellied aan Maria, Onbevlekt Ontvangen.
W ij z e : Wees gegroet op kindertoon, en vele bekende melodiën.
1. Lieve Moeder van den Heer!
Laat ons om uw zetel drinjren.
Laat uw kinderen u ter eer
129
't Zielverrukkend feestlied zingen; 't Moet weêrklinken luid en blij: Moeder, onbevlkkt zut gij !
2 't Heeft reeds 't wijde wereldrond, En herscheppend, overklonken,
't Woord door Pius' mond verkond. En uw kind'ren, vreugdedronken, Jub'len op uw feestgetij:
Moeder, onbevlekt zut gjj !
3. Neen, dat loflied zwijgt niet meer; Tot aan 's werelds verste palen.
Zullen met het hemelsch heer Al uw kind'ren 't luid herhalen, 't Woord van 't zalig jubeltij: Moeder, onbevlekt zut gij !
4. En we voegen dank en beê Aan de blijde feestgezangen ;
Wie, wie dankt niet met ons mee Voor al 't heil door u ontvangen, In het zalig jubeltij.
Moeder, onbevlekt zut gij !
5. Zonnezuiv're Moedermaagd!
Om de glorie u gegeven,
Hoor ook wat ons hart u vraagt;
9
130
Dat wij na een schuldloos leven Eeuwig jub'leu aan uw zij :
Mouuhr, onbhvlkkt zijt gij !
I.
ANGELUS.
{Gezant aan Maria )
Eigen melodie.
Eenigen.
Gezant aan Maria
is de Engel geweest ; Eu zij heeft ontvangen
van den Heil gen Geest. Allen.
Gegroet, gegroet,
Maria ! gegroet;
o o 7
Gegroet, gegroet,
o O ~ '
Maria! gegroet
o o
of:
Ave, Ave,
Maria! Ave; Ave, Ave,
Maria! Ave.
Eenigen.
Zij sprak ; »Zie de dienstmaagd
des Heeren, zij hoort ;
lol
»Het moge geschieden
o o
aau mij naar uw woord.quot; Allen, als boven.
Eenigen.
3. En vleesch is geworden
het Woord, God de Zoon, Eu nam in ons midden
zijn blijvende woon. .Allen als boven.
Eenigen.
4 Wilt gij voor ons bidden,
die God hebt gebaard. Zoo worden wij Christus'
beloften eens waard. Allen.
Gegroet, gegroet, enz. of; Ave, Ave, enz.
Een rozenhoedje voor hen die zich in onze gebeden hebben aanbevolen, of voor wie wij verplicht zijn te bidden.
5.
GEGROET ZIJT GIJ, MARIA.
W ij z e : Gelüoltl zij Jesus Christus.
1. 0 Hemelkoningin!
Ik zing uit kindermin:
Gegroet zijt gij, Maria!
|
132 | |||
|
2. |
Wat heil Leeft niet voor de aard' |
1( | |
|
Dat liemelscli woord gebaard: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! | |||
|
. 3. |
De heimacht stond ontsteld, |
1 | |
|
Toen u Gods Engel meldt: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! | |||
|
4. |
Die groet had het begin |
1 | |
|
Van 's werelds redding in: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! | |||
|
5. |
Daarom zong wijd en zijd | ||
|
De Kerk ten allen tijd: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! | |||
|
6. |
Nóg zingt in vreugd en smart, | ||
|
Elk dankbaar kinderhart: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! | |||
|
7. |
Ja, Moeder van Gods Zoon! | ||
|
Wie juicht niet op dien toon: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! | |||
|
8. |
De hemel gaat ons voor. | ||
|
Daar zingt heel 't Engelkoor: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! | |||
|
9. |
En wij in quot;t aardsche stof. | ||
|
Wij zingen tot uw lof: | |||
|
Gegroet zijt gij, Maria! |
133
10. Als Satan ons bekoort,
Wij spreken, 't magtig woord : Gegroet zijt gij, Maria !
11. Wij roepen in den nood.
En nu en in den dood :
Gegroet zijt gij, Maria !
12. En eens in 's hemels stee,
Dan juichen we eeuwig meê ;
Gegroet zijt gij, Maria !
O.
WEES GEGROET, GIJ VOl, GENADE.
Wijzen: Laten wij ons nederbuigen; â Vjiamlollied en Oosten-rijksch volkslied â Pins-lied. â Heuvels, dalen, en/,.; â St. Joset' bij de kribbe; â Onbevlekt zijn de Eng'len-reijen; â Hoor, o zoete! â en vele Benedictiën.
1. Wees gegroet, gij vol genade,
ü Maria, Moedermaagd !
Die van alle Jnda's docht'ren
't Meest den Schepper hebt behaagd.
2. Gij, die onder alle vrouwen
Uitverkoren zijt geweest.
Om den Zoon van God te baren,
Door de werking van zijn Geest.
3. Mét u zij de Vrucht gezegend.
Die, door mven maagdenschoot
134
Aau de zuchtende aard' geschonken, Ons verloste van den dood.
4. O Maria! om uw deugden
Thans verheven bij Gods troon,
Stort, o Moeder! uw gebeden Voor ons, zondaars, tot uw Zoon.
5. Bid, zoolang we in zielsgevaren
Zwerven in dit aardsche dal;
Maar vooral wil ons gedenken,
Als de dood ons naken zal.
(5. Bied, o Moeder! bied uw kind'ren Zóó uw liefderijken hand,
Dat wij veilig door dit leven Opgaan naar ons Vaderland. 7. Amen, Amen ! het geschiede.
Wat ons kinderhart u vraao-t,
O '
0 dan juichen we eeuwig, eeuwig Met u, glorierijke Maagd ! Een rozenhoedje voor den bloei Jer II Kerk. 7.
HULDE EIV BEDE AAN DE H. MAAGD.
(Komt. heffen wij een loflied aan.)
ij z p a ; De Engel des Ileeren ; â Komt, broeders ! heft een loflied aan ; â Wien Keerlandscli bloed.
1. Komt. heffen wij een loflied aan,
Luid klimm' het op van de aard',
135
Tot voor den troon, waar de Eng'len staan:
't Zij met hun lied gepaard. Wij zingen op den toon van 't stof,
En knielen voor u neêr, Wij staam'len dankbaar uwen lof, 0 Moeder van den Heer !
2. Dat onze lof u niet mishaag',
0 Hemelkoningin !
Al is de toon van t stof te laag.
Hij dring' ten hemel in. Wat sterv'ling, die zóóveel vermocht,
Wat haalt er bij uwe eer?
Nooit is uw hulp vergeefs gezocht! O Moeder van den Heer!
3. Uw ootmoed was zoo gadeloos.
Zoo minlijk in Gods oog.
Dat u zijn Zoon tot Moeder koos
En neerkwam van omhoog; O Morgenster der zaligheid !
Hij daalde op aarde neêr,
De Redder, eeuwenlang verbeid, O Moeder van den Heer !
4. In woede sloeg de ontroerde hel
Om quot;t heil van ons geslacht.
Toen u de Aartsengel Gabriël
136
De hemelboodschap bracht. Hoe Satan dreig' bij eiken tred,
Wij vreezen liem niet meer: Uw Zoon heeft hem den kop verplet, O Moeder van den Heer!
5. Hoe lieflijk klonk der Eng'len toon
Voor de eerste maal op aard',
Toen gij, o zuiv're Maagd ! Gods Zoon
In Bethl'em hebt gebaard: Het hemelkopr juicht in ons lot
En daalde om 't kribje neer:
Het zag â een menschgeworden God! U â Moeder van den Heer!
6. Wij roepen nóg met heel de Kerk
Door de eeuwen heen u aan:
Heeft Jesus 'teerste wonderwerk
Niet op uw beê gedaan?
Ach, zie beschermend van omhooo-
_ quot;O
Hier op uw kind'ren neêr.
Aanschouw ons met meêdoogend oog, O Moeder van den Heer!
7. Toen Jesus aan het kruishout hinc,
O '
Ons 't eeuwig heil verwierf,
Gaf Hij u aan zijn lieveling,
Eer Hij voor allen stierf;
137
Gij werdt zijn Moeder, hij uw kind,
W ij deelen in die eer:
En óns hebt gij als hém bemind, O Moeder van den Heer !
8. Uw Moeder is zij, Pelgrimscliaar!
Die u getrouw bemint;
Zeg, zeg in alle zielsgevaar :
Ach Moeder! hoor uw kind ! Zie, lieve Moeder, vol gena,
Zie op uw Pelgrims neer :
Uw liefde heeft geen wederga, O Moeder van den Heer !
9. Ach, Moeder van Barmhartigheid!
Onttrek uw hulp ons niet;
Als ons de wereld lokt en vleit
En gij ons wank'len ziet.
Of Satan ons zijn strikken zet,
Door wellust, goud of eer:
Ach, dat uw voorspraak ons dan redd', O Moeder van den Heer !
10. Wanneer behoefte ons dreigt of drukt.
Of ramp bij ramp ons slaat;
Als wat we ook pogen wreed mislukt.
Ons alle hoop vergaat;
Als ons deze aard' geen troost meer biedt.
138
Zie gij dan op ons neer,
En weiger ons uw hulp toch niet, O Moeder van den Heer !
11. Als 't albeslissend sterfuur slaat,
En quot;s levens licht verdwijnt Voor de eeuwigheid, die opengaat
En aan de ziel verschijnt:
Ach, dat ik dan mijn brekend oog.
Mijn Moeder ! tot u keer',
üw zoeten blik ontmoete omhooo-,
O'
O Moeder van den Heer!
12. Beveilig onze Pelgrimsbaan,
En waak aan onze zij' ;
Hoor, Moeder! hoor uw kind'ren aan
En blijf ons altoos bij.
Wat lot ons in dit leven beid',
U zingen wij ter eer ;
U zingen we eens in eeuwigheid, O Moeder van den Heer!
8.
Smeeklied voor onzen H. Vader den Pans.
M ij ze u; O beeld van t reinste leven! â O Josef Voedstervader; â O beeld der schoonste liefde! en het Spaansche volkslied. Eenigen.
1. U, Moeder ! nooit volprezen,
ü zij ons pelgrimslied.
139
Nu nosf één gunst bewezen ;
o o
Gij smaadt deez' bede niet. Allen.
fWij smeeken u te gader.
Zooveel ons hart vermag :
Geef Leo. onzen Vader, Een blijden zege-dag.
Eenigen.
2. Gij schonkt in 't beêvaart-vieren
Ons reine zielevrengd : Zoo blijve uw gunst ons sieren Met vlekkelooze deugd.
Allen.
Wij smeeken u te gader, '-vz. en soo vervolgens.
Eenig en.
3. Maar ach, maar ach ! wij vreezen,
Zoo zwak toch is uw kind; Wil onze Moeder wezen,
Beminnend en bemind, f Allen.
4. Al de eer, deez' beêvaarttijden
U door Gods Kerk gedaan. Wij komen 't zaam u wijden. En bieden 't heden aan.f
140
5. Wil 't oord en beeld gedenken,
Dat uw triomfen meldt,
Der Kerk de zege schenken,
Die ons uw liefde spelt.f
6. U, Moeder! nooit volprezen,
CJ zij dit beêvaartlied ;
Nu nog één gunst bewezen :
Gij smaadt deez' bede niet.f Een rozenhoedje voov onzen H. Vadee. â Vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet voor de overledene Pausen, Bisschoppen en Priesters.
O.
Lofzang aan het II. Hart van Maria.
(O Maagd, o schoonheid nooit volprezen!)
W ij z e n , als Mari a-Bezoek,
en: O Kerstnacht, een der langste nachten.
1. O Maagd, o schoonheid nooit volprezen! O Moeder van 't oneindig Wezen,
Wat luister schittert van uw troon; De Seraf, aan zichzelf onttogen.
Juicht, voor uw glorie neergebogen: O Koningin ! wat zijt gij schoon.
2. Wij derven in het aardsche duister 't Genot nog van uw hemellnister,
141
Maar smaken toch uw liefdegloed; De Seraf zinge uw heerlijkheden: Wij dan, wij juichen hierbeneden;
0 Moedermaagd! wat zijt gy goed. Ach, konden onze kinderklanken U voor de ontelb're gaven danken, Ons toegevloeid door uwe hand; Ontvang voor al die zegeningen,
Maria ! van uw gunstelingen.
Hun hart ten eeuwig liefdepand. Zie, Moeder, altoos goed en teeder! 0 zie met welbehagen neder,
Op 't offer van ons kinderhart! 0 moog' het immer 't uwe wezen,
Geen onheil is ons dan te vreezen:
Wij zijn getroost in alle smart. Dan spauu' de wereld vrij haar strikken, Dan dreig' de hel ons met haar schrikken,
Wat vijand onze ziel bestrijd'; Wij weten, wij, op wie wij hopen. Uw moederhart staat voor ons open,
O gij, die onze toevlucht zijt !
Met u dan zullen wij verwinnen. Wij blijven eeuwig u beminnen. En zien u op uw glorietroon;
142
I)an zullen met cle hemelkringen, Ook wij, o Moeder ! eeuwig zingen: Wat zijt gij goed, wat zijt gij schoon!
lO.
LieldeznclU tot liet kindje Jesns en zijne 11 Moeder.
(Hoor, o Zoete !)
Wijzen: Heuvels, dalen; â Pius-lied; â St.Josef bij de kribbe;â Oostenrijkseli volkslied; â Laten wij ons nederbuigen, en vele Benedictien.
1. Hoor, o Zoete!
Onze groete.
Die we n, lieve Moeder ! biên;
Toon ons, armen,
Toch erbarmen.
Laat, laat ons uw Kindje zien.
2. Wil geheugen,
Dat wij brengen
Lentebloesems, lentedicht;
Dat we waken,
't Harte maken Tot een rustplaats voor uw Wicht.
3. O die Zonne,
Liefdebronne,
Die gij als uw' God bemint,
Geef', o Reine,
143
Ons dat kleine,
Geef ook ons uw godlijk Kind.
4. Laat ons zamen Naar betamen, â¢
Lelies vlechten tot een kroon,
't Hart, zoo louter Als liet outer-
Wasliclit, wijden aan uw Zoon.
5. En Hem drukken, Met verrukken,
En Hem wiegen auii de borst, Die alleene Naar dat eene
Lieve kleene Kindje dorst.
6. En dan sluiten Alles buiten.
Om met hem alléén te zijn.
En te geven Heel ons leven.
Alles aan het Kindekijn.
Een rozenhoedje voor onze overledene ouders,
kinderen, broeders en zusters; â Vijfmaal hel
Onze Vader en Wees gegroet voor de overle-
o o
dene leden van deze Processie.
144
11.
ȣ ENGEL Igt;ES 1IEERE1V.
ii: Komt, hetfen wij een loflied aan; â Komt, broeders heft een loflied aan, â en: Wien Neèrlandsch bloed.
Wanneer liet blijde morgenlicht Na 't nachtlijk duister daagt,
Vervul dan trouw uw kinderpligt, En groet de Moederuiaagd :
O O
»0 Moeder Gods! wij bieden u
»Den groet, dien de Engel bood; »Maria! help ons, zondaars, nu,
»En ook in onzen dood.quot;
En als de klok op 't middaguur,
Op nieuw zich hooren doet.
Herhaal dan weêr vol liefdevuur:
Maria ! wees gegroet;
»0 Moeder Gods! wij bieden u
»Den groet, dien de Engel bood; »Maria ! help ons, zondaars, nu,
»En ook in onzen dood.quot;
En als de dag ten einde spoedt. Nog eens dien groet gebragt. Nog eens; Maria ! wees gegroet.
Bewaar ons in den nacht;
»0 Moeder Gods! wij bieden u »Den groet, dien de Engel bood;
145
»Maria ! help ons, zondaars, nu, »En ook in onzen dood.quot;
Laat ons bidden.
4. O God ! stort uw genade neer Op 't menschelijk geslacht,
Dat juiclit, wijl Gabriël weleer
Die blijde boodschap bragt;
Geef ons door 't lijden en den dood
Van Christus uwen Zoon,
Uw bijstand hier in allen nood. En eenmaal 't eeuwig loon.
12
Maria, Toevlugt tier zondaren.
W ijzen; Laten wij ons nedorbuigen; - St. Josef bij de kribbe; Pins-Iied: - Oo stenrijkscli volkslied; - Heuvels, dalen ; - Onbevlekt zijn de Eng lenreijen; - Vaandellied, - en vele Benedictiën.
1. Groote Koningin der heem'len !
Hoog gezeten op uw troon.
Waar ontelbare Eng'len weem'Ien Voor het aanschijn van uw Zoon;
I.aat ons 't eergestoelte naken,
W aar u 't eeuwig loflied rijst;
Laat ons hart de zoetheid smaken. Dat het ook uw liefde prijst.
2. Wie heeft immer n gebeden,
o '
En is troostloos heengescaan?
O O
10
146
Wie vereerde n hierbeneden.
En gij hoordet hem niet aan? Vromen! Wilt het luide tuigen,
Van uw wieg door haar bewaakt; Wilt uw dank'bre knieën buigen,
Zondaars ! door haar vrijgemaakt. Zij, ja ! heeft voor u gesproken,
Zij, zij heeft uw ziel gered;
Ligt uw slavenjuk verbroken.
Zondaar ! 't is door haar gebed. Nimmer, neen ! heeft ze afgewezen
Wie bij haar zijn toevlucht zocht; Hoeveel beden tot haar rezen,
't Blonk te meer wat zij vermogt. Gij, die uwe ontelb're zonden
Klimmen deed met dag en uur. Eeuwig waart gij reeds verslonden
Door het wrekend hellevuur:
Maar uw Moeder bleef nog spreken,
Keerde uw naderende straf:
Wil dan om haar voorspraak smeeken,
En gena, daalt op u af.
Werp u, zondaar! in hare armen :
Zij, uw toevlugt bij den Heer, Zij, een Moeder vol erbarmen.
147
Ziet goedgunstig op u neer;
Kunt gij nóg haar hulp versmaden,
Die zij telkens u weêr biedt ? Zondaar, zondaar! laat u raden. En verstoot haar liefde niet. (3. Wil haar droeve klagten hooren, Hoe zij minlijk tot u spreekt;
i Kind ! zult gij mij 't hart doorboren, »Dat voorlang van weedom breekt? » t Zwaard ging door de ziel mij henen !
»ïoen ik onder 't kruishout stond »En mijn stervend Kind zag weenen, »Gansch van hoofd tot voet doorwond.
7. »Was die troost mij bijgebleven :
»Dat zijn dood het heil verwierf, »Gij wilt mij dien troost niet geven, »Zoo Hij vruchteloos voor u stierf; sHoor dan, zondaar! hoor mij smeeken:
»0 keer weder tot uw Heer!
»'k Zal als Moeder voor u spreken, »Hij dan wordt uw Vader weêr.quot; â
8. Zóó, vol teeder mededoogen,
Zóó, met uwe ziel begaan,
Zóó, met liefdestralende oogen.
Spreekt u nog uw Moeder aan.
148
Zal die taal uw hart niet winnen,
Dat ge uw zondig leven haaf;
Dat ge uw' Jesus gaat beminnen,
En Hem nimmermeer verlaat ?...
9. Moeder ! ja, quot;k wil de uwe wezen,
'k Heb gezegd en keer nu weêr;
Doet mijn zondental mij vreezen. Gij beveelt mij aan den Heer.
Zie hier ben ik, diep misdadig.
Maar vermorzeld van berouw: Ach ! maak mij uw' Zoon genadig. Hem nu zweer ik eeuwig trouw.
Een rozenhoedje voor de békeering van de zondaren en alle afgedwaald en in ons vaderland. â Vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet voor de zielen van degenen die geene bijzondere voorsprekers hebben.
13.
LOFZANG
ter eere van het H. en Onbevlekte Hart van Maria.
W ij z e n : Lieve Moeder van dea Heer! en : Wees gegroet op kindertoon, en vele bekende melodien.
I.
Vóór Jesus' lijden
1. Laat nu de aarde op blijden toon 't Duizendstemmig feestlied zingen.
149
Reeds weerklinkt om 's Heeren troon 't Lofgezang der hemellingeu ;
't Ruisch' der Moeder van den Heer En haar heilig Hart ter eer!
2. Spiegel, gij! van Grodes magt, Die voor de erfsmet u beveiligd,
En u onder 't aardsch geslacht Zich ten woontent heeft geheiligd, Heiligdom van Gods gena,
Tempel zonder wederga !
3. Vlekloos Hart! wie zal uw lof. Wie uw zaligheid bezingen!
De Eng'len van het hemelsch hof Spreken in hun hooge kringen.
Neen zij spreken nimmer uit.
Wat dit heilig Hart omsluit.
4. Voor het magtig zonnelicht Wijkt de stille starrenluister ;
Maar de zon haalt 't aangezigt En haar stralen weg in 't duister Voor de glorie van de Maagd, Die aan 'thart van God behaagt.
5. Reiner dan ooit sneeuwvlok viel. Waardig hier haar God te aanschouwen,
150
Was de nederige ziel Der gezegendste aller vrouwen;
Op die schoonheid zag de Heer Van zyn hoogen zetel neêr.
Een rozenhoedje voor Z. D. H. den Bisschop.
14.
II.
Bij Jesus' lijden.
1. Toen nu 't Woord in uwen schoot, Moedermaagd ! was neêrgekomen,
En, bereid ten offerdood,
Knechtsgestalt had aangenomen,
O wat hebt ge een liefdegloed In uw Moederhart gevoed.
2. Hoe was toen uw Hart verheugd.
En in liefdevuur verslonden,
Want gij droegt der heem'len vreugd; Maar, o Moeder! eens ook wonden Al de schichten van de smart Uw beminnend Moederhart.
3. U doorgriefde wond bij wond Door geheel uw lijdend leven ;
Maar toen ge onder 't kruishout stondt, En uw' Zoon den geest zaagt geven,
151
En een speer zgn zij' doorstak, Ach! wie meldt, hoe 't hart u brak.
4. Uit dat lichaam, zoo verscheurd. Vloeit een bloedstroom voor haar neder;
Wie, wie is er die niet treurt Met een Moederhart zoo teeder : Maat'loos als de onmeet'bre zee, Is Maria's boezemwee.
5. Ach ! droog hare tranen af.
Rijs, o Koning van het leven !
Rijs weer uit het duister graf; En van glorielicht omgeven,
Troogte uw aangezicht de smart Van 't gebroken Moederhart. Een rozenhoedje voor onzon ZEw. Pastoor. 15.
III.
Bfa Jesus' lijden.
1. Wees, Maria! wees getroost:
Lang zal 't lijdensuur niet wezen.
Eer de derde morgen bloost.
Ziet ge uw' Zoon, uit 't graf gerezen, Vrij van smart en vrij van smaad, In 't ontsterflijk lichtgewaad.
152
2. Daar, daar ziet zij reeds haar God, Haar beminden Zoon genaken,
En een nameloos genot Voelt zij uu haar Hart doorblaken,
Tot Hij, in triumf gekeerd.
Aan des Vaders zij' regeert.
3. Rust'loos zucht haar minnend Hart, Nu ze op aard' nog moet verwijlen;
O zy wil van liefdesmart Opwaarts naar haar Jesus ijlen,
Die in 's Vaders heerlijkheid
Reeds haar zetel toebereidt.
4. Als het maagd'lijk Was voor 't vuur, Voelde zij haar Hart verteren,
En versmacht naar 't zalig uur, Dat de stem haar roep' des Heeren ;
Toen kwam Jesus haar te moet,
Eu zij stierf van liefdegloed.
5. Heilig Harte ! vrij van smet.
Troost voor wie op u vertrouwen.
Hoor ons kinderlijk gebed, O gezegendste aller vrouwen !
O O
Vraag nu, vraag van 't godlijk Lam,
Dat zijn liefde ons hart ontvlatnra',
153
Een rozenhoedje voor onze Zielzorgers en Biechtvaders, zoo levende, als overledene.
16.
De vijf blijde Geheimen van den H. Rozenkrans.
Eigen melodie.
Eenigen. Gods vaderoog sloeg de aarde ga, Een Engel daalt met spoed : »Wees, â sprak hij, â o gij vol gena, vMaria ! wees gegroet.quot;
Allen. f Maria Koninginne !
0 gij vol moederminne,
Sta ons bij in allen nood, In den dood, Maria!
1. Nauw heeft ze uit Gods gezant gehoord.
Wat 's Heeren wil behaagt:
Of zij stemt in â en't eeuwig Woord Nam 't vleesch aan uit de Maao-d.
O
f Maria Koninginne ! enz.
2. En zij, die 's werelds Schepper droeg,
Is tot haar Nicht gegaan. Om dienend waar de nood het vroeg,
O '
Aan hare zij' te staan. (fMaria.)
3. Zij trekt naar Davids kleine stad â
Daar baart zij 't godlijk Kind,
154
Dat mét haar 't hemels heir aanbad, En zij in doeken windt.f
4. Zij bood het God ten offer weer
In Salems tempelstee :
»Laat nn, â sprak Simeon, â o Heer! »[Jw dienaar gaan in vreê,quot;-j-
5. Wat blijdschap voelde uw moederhart,
Maria ! nu ge uw Kind,
Zoo lang gezocht met zooveel smart, In 's Heeren tempel vindt, f Een rozenhoedje voor onze te huis gebleven broeders, zusters, bloeduerwanfen en loeldoeners. 17.
lgt;e vlagt naar Egypte.
Wijzen: Is arbeid 't lot, - eu : O groote God! wat ziju uw tabernakels.
1. O zie Gods Zoon, zijn Moeder, Voedstervader,
Te middernacht als vlugtelingen gaan!
Hoe blikt zij om, of daar geen vijand nader',
Die moeder, die haar jagend hart hoort slaan.
2. Zij spoeden voort langs duist're, vreemde wegen,
Om 't godlijk Kind te ontvoeren aan den moord;... Wat angstkreet is daar sidd'rend opgestegen !
O Moeder! hebt gij 't klaaggeschrei gehoord ?
3. Zij spoeden heen naar 't land hun aangewezen,
Dat Isrels God en Isrels kind'ren haat Ach wat gekerm is ginds weer opgerezen !
Vlugt, Moeder! vlugt: het bloedig moordstaal gaat!...
155
4}, Maar is uw Kind dan dalt;lr 't gevaar ontweken,
Waar eens zijn volk de^slavenboeijen droeg?
Waar men nog oer dan nu in BetliFems streken, Den zuig'ling bij het eerste licht versloeg?
5. Moet 's Vaders Zoon met d'afgodsdienaar leven.
Die voor zijn oog een schandgedrogt aanbidt?
Of wil Hij da.ir zijn! Vader glorie geven,
Waar 't schuldig volk in diepen doodsnacht zit?...
6. Geheimvol ja! is Jesus' vlugt en zwerven.
Geheimvol is zijn ballingschap op aard'!
O vlugt'ling Gods! O Adam! gij moest sterven,
O balling! voor uw Eden vlamt het zwaard!
7. Slijt de Onschuld zelf als balling 't eerste leven.
Als vreemdeling bij 't zondig heidendom:
O juich! nu wordt de vrijheid ons hergeven:
Als Isrel eens, roept God zijn' Zoon weerom!....
8. Hij ook. Hij kwam door eigen voorbeeld leeren :
Geen vaste woon is u op aard' verleend ;
Wie God behoort zal tot Hem wederkeereu:
Maar 't Godsgezin wordt in Gods huis vereend.
9. O dan, Gods Zoon, Gods Moeder, Voedstervader!
Voer om uw vlugt, onschuldig Huisgezin! En ballingschap, ons ballingen, U nader.
En eens bij U de vaderwoning in!
Een rozenhoedje voor eigen meening.
18.
Smeekzang tot de Moeder der Zeven Smarten.
Wijzen: Stabat Mater; â HeiFge Geest! kom laat uw stralen; en als liet Kerstlied: Juicht, o menschen !
1. O gij droevigste aller vrouwen!
Laat ons, Moeder! vol vertrouwen
156
En vol deernis tot u gaan;
Ziet ge ons met uw smart bewogen, Heb met ons ook mededoogen :
Hoor, ach hoor nw kind'ren aan !
2. Hoor, ach hoor, ons om de smarte, Die u ging door 't moederharte
Bij het woord van Simeon; Hoe doorgriefde u 't vrees'lijk lijden, Dat uw Jesns door moest strijden, Eer Hij dood en hel verwon.
3. Hoor, ach hoor ons om de smarte. Die u ging door 't moederharte,
Toen gij Bethl'em om den dood Van zijn wichtjes hoorde kermen, En gij met uw Kindje in de armen Bevend naar Egypte vloodt.
4. Hoor, ach hoor ons om de smarte. Die u ging door 't moederharte
Bij 't verliezen van uw Kind, Dat ge eerst na drie lange dagen. En veel vragen en veel klagen, In den tempel weder vindt.
5. Hoor, ach hoor ons om de smarte. Die u ging door 't moederharte.
Toen ge uw Zoon ter dood zaagt gaan,
En Hem onder 't kruishout hijgend, Afgemarteld, nederzijgend,
't Smart'lijk oog op u zaagt slaan. Hoor, ach hoor ons om de smarte, Die u ging door 't moederharte,
Toen gij, met uw Zoon gewond, Mét Hem al zijn pijnen lijdend,
En den wreeden doodkamp strijdend, Onder 't bloedig kruishout stondt. Hoor, ach hoor ons om de smarte,
Die u ging door 't moederharte,
Toen, als alles was volhragt.
Gij uw' Zoon. van 't kruis genomen, In uwe armen neer zaagt komen.
Toen aan al uw kind'ren dacht! Hoor, ach hoor ons om de smarte. Die u ging door 't moederharte.
Toen ge uw' Zoon, in 't graf geleid, Aan uwe oogen heel onttogen, Diep-bewogen neergebogen.
Eenzaam, Moeder! hebt beschreid. Moeder dan der Zeven Smarten ! Trouwe troost der droeve harten !
Sta, o sta uw kind'ren bij.
Dat we dragen al de dagen
158
's Levens plagen zonder klagen,
Leer ons lijden zooals gij.
10. Ach, dat ik genezing vonde Van de wonde mijner zonde,
Die ik pleegde keer op keer ;
Voer, o Moeder van erbarmen !
Voer mij in de broederarmen Van uw lieven Jesus weer.
11. Ach! dat mij uw beê verwerve,
Dat ik leve, dat ik starve
In de liefde van uw Zoon ;
Dat ik, zegenrijkste Vrouwe !
Eens uw heerlijkheid aanschouwe Waar gij zetelt naast zijn troon.
Een rozenhoedje voor hen die zich bijzonder in de gebeden der Processie hebben aanbevolen. 19
Maria, Koningin des Hemels.
EEGINA COELI.
W ij z e : Gegroet, o Hemelkoningin !
1. Verblijd u, 's hemels Koningin!
Ave Maria. Want dien gij droegt vol moedermin,
Ave Maria.
159
Verblijd u, 's hemels Koningin!
Want dien gij droegfc vol moedermin, Ave, Ave, Ave Maria.
(En zoo vervolgens.)
2. Hij, naar zijn woord, stond op uit 't graf,
Ave Maria. Bid God genade voor ons af.
Ave Maria.
3. De Heer verrees : o wees verblijd,
Ave Maria.
Maria! die zyn Moeder zijt.
Ave Maria. Een rozenhoedje voor een zaligen dood, en voor diegenen die op dit oogenblik zelf sterven.
20.
Aan den H. Aartsengel Michaël.
O HEROS INVINCIBILIS.
Eigen melodie.
(Voorzanger.)!. Kom, onverwinb're hemelheld !
(Allen.) Vorst Michael! // Kom bij ons strijden toegesneld
Allen.
f Voor ons gebeden, Voor ons gestreden,
\ Vorst Michael j
(Voorz.) 2. Gij voert ons aan in't worstelperk,
(Allen.) Vorst Michael {
Gij groote Strijder voor Gods Kerk! (f Allen.)
160
(Voorz.) 3. Al t Geestental der hemelsfeer,
(Allen) Vorst Michael! n Een deel is 't van uw magtig heer. (f Allen.)
(Voorz.) 4. Door alle land, door alle zee.
(Allen.) Vorst Michael! w Strijdt ge onze strijden met ons mee. (Allen.)
(Voorz.) 5. Door u, geduchte zegeheidj
(Allen.) Vorst Michael 1 n Ligt Lucifer terneérgeveld. (Allen.)
(Voorz.) 6. O Held, die voor Gods glorie brandtt
(Allen.) Vorbt Michael | v Bescherm ons eu ons Vaderland, (f Allen.)
(Voorz ) 7. Roep de Eng'len, roep elk onderdaan,
(Allen.) Vorst Michael j w Ten strijd op om uw legervaan, (f Allen.)
(Voorz.) 8. Verplet alom 't vijandig heer,
(Allen.) Vorst Michael] n En geef ons vrede en vreugde weer. (t Allen.)
Een rozenhoedje voor de ZEw. geleiders en geestelijken, die in ons gezel schap zijn,
21.
Aan Maria eer!
(Maria eer! wat liefde en luister meng'len.)
W ij z e : Maria leev?.
1. Maria eer ! wat liefde en luister meng'len Zich in dit hart, van alle smetten vrij! Maria eer! u, Koningin der Eng'len,
161
U, Moeder vol gena! u zingen wij. Maria, Moeder!
Ach, hoor uw kind;
Eer aan Maria!
Die ons zoo teer bemint.
2. Maria eer! komt, laat ons nederknielen,
Ze is Dochter Gods, Gods Moeder, Godes
[Bruid ;
Maria eer ! de toevlucht onzer zielen:
Door hare hand stort God zijn gunsten uit. Maria, Moeder! em.
3. Maria eer ! zou ik haar ooit vergeten?
'k Zonk liever neer in 't immer-zwijgend graf; En zou ik eens geendankbaar kind meer heeten: Breek liever dan, o God! mijn dagen af. Maria, Moeder ! enz.
4. Maria eer ! zoo 'k in haar liefde leve,
'k Ben, als haar kind, voor kwaad noch [dood bedacht; De laatste klank, die van mijn lippen zweve, Zij, Moeder ! nog een teed're liefdezucht. Maria, Moeder! enz.
Een rozenhoedje, on het doel onzer reis nogmaals dringend aan de tl. Maagd aan te hevelen.
11
162
22.
Aan Jesus' II. Hart.
W ij z e n : Lieve Moeder van den Heer! - Wees gegroet op kindertoon, eu vele bekende mclodien.
1. Hart van mijn gekruisten Heer !
Beeld en bron der hoogste liefde,
Hart van Jesus ! toen een speer U nog in den dood doorgriefde,
Boodt gij water ons en bloed,
Tot een dubb'len levensvloed.
2. Zaal'gend Hart van d'Offeraar ! Heilfontein van liefde en leven,
Nog blijft ge altijd op 't altaar U voor ons ten offer geven,
Zijt Ge ons. Heer ! op wond're wijs, Daar ten zoen en zielespijs.
3. Teeder Hart! voor ons doorwond,
Breid uw stroomen van genade
Wijder uit met eiken stond.
Dat er alle ziel in bade,
Godlijk Hart! dat eindloos mint. En zoo weinig liefde vindt.
4. Geef liet, Jesus ! nu nog meer :
Wij zijn immers u te nader,
Min'lijk Hart van onzen Heer !
163
Sinds ons aller dierb're Vader,
Die zich reeds bij n verblijd, Ons aan u heeft toegewijd.
5. Wij dan, hoe de vijand woedt,
Wij dan blijven op u hopen,
God'lijk Hart! oneindig goed,
Altijd voor ons, zondaars, open.
Beeld en bron der eeuw'ge min!
Zegen ons en ons gezin.
Een rozenhoedje voor de zielen der leden die dit jaar overleden zijn.
23.
Klnd'ren van Maria.
Eigen melodie.
REFEEIN.
Kind'ren van Maria !
Op uw pelgrimsbaan.
Heft nu 't Alleluja,
Heft uw loflied aan.
1. Op haar moederbede
Tot haar Zoon en Heer,
Daalt zijn liefde en vrede
In de harten neer.
Kind'ren van Maria ! enz.
164
2. 's Vijands legerscharen
Vlieden vol van schrik;
Ons blijft zij bewaren
Met haar moederblik.
Kind'ren van Maria! enz.
3. Haar zijn wij gegeven,
Toen haar Jesus stierf,
En ons 't eeuwig leven
Door zijn dood verwierf.
Kind'ren van Maria! enz.
4. Roept op al uw wegen.
Roept uw Moeder in:
Nooit, neen, zonder zegen
Laat zij haar gezin.
Kind'ren van Maria ! enz.
5. Moeder ! blijf ons leiden
Naar de hemelwoon;
Breng ons, bij 't verscheiden,
Tot uw God en Zoon.
Kind'ren van Maria! enz.
Vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet voor de hekeering dergenen die in gewoonte en naaste gelegenheden van zonden leven.
165
Maria's Verheerlijking.
W ij z e van het Rozenkransje.
1. Zie, daar klimt naar d'eeretroon
Naast haar Zoon,
In de hoogste hemelzalen,
's Heeren Moeder : Eng'len ! spoedt
In 't gemoet.
Om haar jub'lend in te halen.
2. Steekt bazuin en loftrompet !
Vrij van smet Is haar glans, als van uw zonnen ; Hém droeg ze in haar maagdenschoot,
Die den dood En de helslang heeft verwonnen.
3. Strooit hier Edens bloemen uit
Voor de Bruid Van den Heer der legerscharen: Die omlommerd is geweest
Van den Geest,
En des Vaders Zoon mogt baren.
4. Stemt voor 's hemels Koningin
't Feestlied in, Niminer-zwijgende Eng'lenkoren!
106
Laat ook in uw lofgesclial, Vad'rental!
Laat de stem der eeuwen hoeren.
5. Breidt uw gulden vleugelslag;
~ O O
Op deez' dag Schitt'rend uit, o Clierubiinen ! En waar gij om 't godlijk Lam Staat in vlam,
Jubelt mee, gij Serafijnen !
6. Maar daar treedt Gods eeuwige Zoon
Van zijn troon,
Om zijn Moeder in te halen : Zie, met welk een minlijkheid Hij haar leidt Door de hoogste hemelzalen.
7. Stemmen, harpen, alles zwijgt.
Waar zij stijgt,
Om haar glorie aan te staren ;
Eu verrukt nog zoekt haar 't oog,
O O'
Waar ze omhoog,
O 7
Tot haar troon is opgevaren.
8. Zacht kwam om haar aangezigt
o o
't Zonnelicht,
Als een glorie toegegleden ;
167
En de maagdelijke maan Ging er staan,
Ten schabel voor hare schreden.
En zij draagt de sterrekroon, Die de Zoon Haar vereerde als Rijksvorstinne Haar aanschouwde van omhoog 's Vaders oog,
Met een onheschrijfh're minne.
En de Geest omstraalt zijn Bruid Toen is luid Weer der Eng'len zang gestegen, Die zij dankt met zoeten lach ; Sinds deez' dag.
Lacht ze in glorie ons ook tegen.
Laat ook onze zegetoon Tot uw troon.
Glorierijke Moeder ! rijzen ;
Laat ook ons, ontgloeid van min, Koningin !
Met het hemelkoor u prijzen.
Zie, o Moeder van den Heer ! Op ons neer ;
Toon uw kind'ren mededoogen.
168
Dat we aan 't eind des pelgrimsbaan Tot u gaan En nw glorie schouwen mogen.
Een rozenhoedje voor de zieken en ongelukkig en, die deze Processie, vergezellen.
25.
Geloofd zij Jesns Christus..
W ij z e : Gegroet zijt gij, Maria!
I.
1. Als 't eerste duister breekt,
Ontwaakt mijn hart en spreekt :
Gelooft zij Jesus Christus !
2. De heiige feestklok luidt En roept het plegtig uit:
Geloofd zij Jesus Christus !
3. Wat is de schoonste klank ?
De zoetste toon van dank ?
Geloofd zij Jesus Christus !
4. In 's Heeren heilig huis Is 't eerste beêgesuis :
Geloofd zij Jesus Christus !
5. In mijn gelukkigst uur,
Zing ik met liefdevuur :
Geloofd zij Jesus Christus !
169
Bij al wat ik begin,
Roep ik met hart en zin: Geloofd zij Jesus Christus !
En wat mijn werk ook zij, Ik zeg er vrolijk bij :
Geloofd zij Jesus Christus !
II.
De schoonste vruchten kweekt Het hart, dat altijd spreekt; Geloofd zij Jesus Christus !
Bij spijzen en bij drank,
Is dit mijn vrome dank : Geloofd zij Jesus Christus !
Zoo zing ik vroeg en spa, Als 'k bid of werken ga: Geloofd zij Jesus Christus !
En nooit verveelt de groet. Zoo schoon, zoo wonder zoet: Geloofd zij Jesus Christus :
Als treurigheid mij plaagt, Dan roep ik onversaagd: Geloofd zij Jesus Christus !
Bij 's levens zielsverdriet,
170
Vind ik mijn troost in 't lied Geloofd zij Jesns Christus !
In nood en bitt're smart,
Roep ik met mond en hart: Geloofd zij Jesus Christus !
Droef om mijn schuld te moê, Zucht ik mijn Jesus toe : Geloofd zij Jesus Christus !
De magt der helle vliedt Voor dit mijn zoete lied ; Geloofd zij Jesus Christus ! III.
Pe liefelijkste lof Is ook in ?s hemels hof; Geloofd zij Jesus Christus !
Des Vaders eeuwig woord Klinkt daar en eeuwig voort: Geloofd zij Jesns Christus !
Zingt, menschenkind'ren ! luid, Zingt jubelend het uit; Geloofd zjj Jesus Christus!
Heel 't aardrijk in het rond,
171
Weêrklinke telken stond :
Geloofd zij Jesus Christus !
5. Als 't licht ten einde spoedt,
Zij dit de laatste groet:
Geloofd zij Jesus Christus !
6. De duisternis wordt dag,
Voo1* wie slechts zingen mag ;
Geloofd zij Jesus Christus !
7. Mijn hart houdt sluim'rend wacht, 't Zingt in den stillen nacht:
Geloofd zij Jesus Christus !
8. Ja, nog mijn ziele spreekt,
Als reeds mij 't harte breekt:
Geloofd zij Jesus Christus !
9. Zingt, hemel, aarde, zee !
Zingt al wat ademt mee :
Geloofd zij Jesus Christus !
10. 't Weerklinke wijd en luid
Voor Hem, eeuw in eeuw uit: Geloofd zij Jesus Christus !
Vijfmaal hel Onze Vader en Wees gegr voor de leden dezer Processie, die vaders moeders zijn.
172
26.
Aan Josef eer!
AV ij z e : Maria leev*!
1. Aan Josef eer! die naam doet liefde ontvonken;
Aan Josef eer! die naam vervoert ons hart; Aan Josef eer! ik voel mij vreugdedronken, Aan Josef eer! die naam verbant de smart, f Mijn goede Vader !
Duld, dat uw kind U smeekend nader'.
Daar ge ons zoo trouw bemint.
2. Aan Josef eer! zoo juicben de Eng'lenscharen,
Aan Josef eer! zoo juicbt de sterveling; Aan Josef eer! zoo juich ik aan de altaren, Aan Josef eer! zoo dikwerf ik daar zing. f Mijn goede Vader! enz.
3. Aan Josef eer! naam, dien zijnkind'ren minnen;
Aan Josef eer! die naam is troost en smart; Aan Josef eer! die naam helpt ons verwinnen; Aan Josef eer! aan Josef heel ons hart. \
4. Aan Josef eer! als droefheid mij komt plagen,
Aan Josef eer! wat God ook mij beschikk'; Aan Josef eer! bij nachten en bij dagen.
Aan Josef eer! tot aan mijn jongsten snik. f
173
5. En kom ik eens in 't rijk der zaligheden, Geniet mijn ziel het alvergeldend goed, Dan is 't uw naam, o Josef! 'fc zijn uw beden, Waaraan ik dan mijn heil ook danken moet.f Vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet voor de leden dezer Processie, die jongelieden zijn.
27.
De II. Familie, onze troost.
W ij z e n : De vlugt naar Egypte; â O groote God! wat zijn uw tabernakels.
1. Is arbeid 't lot, door God ons hier beschoren,
't Is zoet, voor wie zijn Zoon zelv' werken ziet;
't Is 't beste deel, door Jesus zich verkoren;
Is 't ons geen troost in 's werelds zielsverdriet! f O Huisgezin, ten toonbeeld ons geschonken!
Wij willen trouw uw leven gadeslaan:
Moog' dit gezigt uw liefde in ons ontvonken,
En troostend licht bij 't lijden op doen gaan!
2. Ach, denken wij, als we onder kommer bukken:
Mijn Jesus zelf was arm, zoowel als wij;
f O Godsgezin! wat jamm'ren ons dan drukken.
Ze worden zoet, voor wie ze draagt als gij O Huisgezin, ten toonbeeld ons geschonken! enz.
3. Wij willen naar geen aardsche schatten streven:
Was Jesus arm: -â is de armoe dan niet schoon? Is 't zwoegen zwaar, â ten offer is 5t verheven,
En Jesus geeft zijn hemel ons tot loon!
f O Huisgezin, ten toonbeeld enz.
174
4. De smart duurt kort, en eind'loos is 't verblijden:
O troosten we ons iu 't heinelsch Huisgezin;
De Heer geeft kracht, om mét Hem hier te lijden,
En voert ons eens zijne eeuw'ge blijdschap in. f O Huisgezin, ten toonbeeld enz.
Een Rozenhoedje voor de kinderen, wier ouders deze Processie vergezellen.
28.
Gegroet gij, Sterre van het meer!
AVE MAEIS STELLA.
W ij zen: AVij groeten u, o zuiv're Maagd! â Gulden levensregelen; â Aan Jesus deuken is reeds zoet; â O Kindje Jesus! arm als wij; â en: Gegroet, o Hemelkoningin!
1. Gegroet gij, Sterre van het meer!
Verheven Moeder van den Heer,
En altoos Maagd ; gij, Hemelpoort!
Die ons 't verbeide heil beschoort.
2. Wat Gabriel u heeft verkond,
Neemt 't Ave van zijn Englenmond;
Keer Eva's naam ten zegengroet,
Dat ge ons in vrede vest en hoedt.
3. Wil zondaars van hun boei ontslaan. Breng voor de blinden 't heillicht aan, Verdrijf ons kwaad met alle straf,
Smeek al het goede voor ons af.
175
4. O toon ons, dat gij Moeder zijt,
Dat Hij, die zicli uw Zoon belijdt,
Door u eens tot ons heil gebaard.
Door u ook ons gebed aanvaard'.
5. Der Maap-den zonderlintre bloem:
O O
Zachtmoedige! der zachten roem.
Ik bid, dat ge onze schuldboei slaakt. Zachtmoedig ons en zuiver maakt.
G. Verleen een reine levensbaan.
Beveilig 't pad waarop we gaan.
Opdat wij. Jesus ziend', verheugd Te zaam steeds juichen in zijn vreugd.
7. Zij God den vader lof en eer.
Met Christus, d'allerhoogsten Heer!
Zij de eigen roem den Geest bereid. Den Drie eene eer in eeuwigheid !
29.
Liefdegroet aan de H. Maagd en Moeder Gods.
W ij z e n : Gegroet gij, Sterre van het meer 1 â Gulden levensregelen; â Gegroet, o Hemelkoningin! â Aan Jesus deuken is reeds zoet; â O Kindje Jesus! arm als wij; â en O Willibrord! die van ornlioog.
1. Wij groeten u, o zuiv'rc Maagd!
Door wie ons 't heillicht is gedaagd; Wij groeten u op uwen troon,
0 Moeder van Gods een'gen Zoon !
176
2. O reine Maagd! o ed'le bloem ! Vol hemelgeur, der maagden roem ! Als kristallijn, zoo schitt'rend rein, O smettelooze heilfontein!
3. 0 Zetel, waar de Wijsheid straalt! Waar 't eeuwig Woord is neergedaald, Die door zijn Geest de waarheid leert. En in zijn Kerk steeds triomfeert.
4. Geen wereld- of geen hellemagt. Of wat er opstond uit den nacht,
Heeft ooit de waarheid haar ontroofd. Want Jesus blijft haar god'lijk Hoofd !
5. Gij zijt die Onbevlekte Maagd,
Wier moederbeê aan God behaagt; Die, alverwinnend in den strijd, Der kerk een trouwe toevlugt zijt.
6. Gij, oorzaak onzer zielevreugd.
Wier komst heel de aarde heeft verheugd, Ontvang uit kinderlijk gemoed, O Moeder ! onzen liefdegroet.
7. Beveel ons aan uw godlijk Kind, Dat ons ten eind' toe heeft bemind. Dat in den smartelijksten dood Voor ons zijn laatste bloed vergoot.
177
8. 0 Davids Toren van ivoor ! Wijd-schitt'rend in den zonnegloor,
Door goddelijke hand gesticht,
Waar alle wapenmacht voor zwicht.
9. Gij, Arke van het Nieuw Verbond ! Op u is mijne hoop gegrond;
De Serafijnen daalden neer
Om 't gulden Huis van d'Opperheer.
10. O Hemelpoorte ! rijk en schoon,
Door u kwam de ongeschapen Zoon, Hij, 't eeuwig Woord, Hij werd uw Kind, Zoo teeder heeft Hij ons bemind !
11. O Morgensterre ! lieflijk zacht.
Na zulk een eeuwenlansen nacht : Gij kondigt 't blijde heillicht aan. Dat voor het aardrijk op zal gaan.
12. Gij, Toevlugt der verloren ziel! Die jammerlijk van God verviel, O Troosteres in allen nood !
Gij redt ons uit den eeuvv'gen dood.
13. O Hulp van 't Christelijk gezin.
Gij aller Heil'gen Koningin !
Ach toon in onzen jongsten strijd,
Dat gij ons aller Moeder zijt!
178
14. Hoor, Moeder ! met ous lot begaan,
Hoor de u gegeven kind'ren aan; Uw Zoon heeft onze schuld geboot,
Wees, goede Moeder ! wees gegroet.
15. Gegroet, Gods Dochter, op uw troon ! Gij, Moeder van Gods eeuw'gen Zoon ! Gij, Bruid van God den Heil'gen geest! Die voor en na zijt Maagd geweest!
Aankomst te Antwerpen.
PLEGTIGE HOOGDIENST MET ORKEST.
ï'yools-
Vereering van i/e ReHkune der H. Maagd, waaronder gezongen wordt :
SO
S«ueelib*?«le tot «le il. ^laa^tl.
(O wat zalig zielsgevoel.)
Wijzen: Lieve Moeder van den Heer! â en: Wees gegroet op kindertoon.
1. 0 wat zalig zielsgevoel
Bi] den troon hier onzer Moeder!
Hier nu zwijge 't aardsch gewoel,
Jesus ze^t ; Ziet hier uw Broeder !
Diep gebogen in liet stol',
Zingen wij Maria's lot'.
179
2. Open, open vrLj uw hai-t,
Hoe ook onder 't leed gebogen ;
Hier is troost voor alle smart:
Heft hier vol vertrouwen de ooo-en
O
Tot uw Moeder zonder smet,
Die op onze zuchten let.
3. 't Eerst dan wat ik vragen zal,
o '
't Is de kennis mijner kwalen.
Zonden welligt zonder tal,
Die ik niet kan achterhalen;
Dit, Maria! is mijn nood,
Dreigt mij met onzaal'gen dood.
4. Ach Maria ! zie ons aan ;
't Leven is vol zielsgevaren,
Waar zoo velen in vergaan;
Wil toch. Moeder ! ons bewaren,
0 Maria, Ster der zee I Hoed ons voor het eeuwig wee.
5. Zie, met tranen in het oog.
Staren wij op vroeger wegen ;
Gaat soms onze blik omhoosr,
o'
's Heeren gramschap vlamt ons tegen ;
0 Maria ! bid voor mij.
Dat ik óók nog zalig zij.
5
180
6. Bid, o Moeder ! bid uw Kind,
Dat ik om zijn bloed en wonden,
Dat ik toch genade vind'
En vergeving myner zonden :
Voor de kracht van uw gebed Staat de gansche hel ontzet.
7. Onbevlekte Moedermaagd !
't Is tot li dan dat wij vlugten, Gij verhoort wie tot u klaagt,
Laat geen zondaars troost loos zuchten ; Maagd en Moeder, goed en trouw!
Vraag voor ons een waar berouw.
8. Reeds genaken wij het oord Van uw zoetste zegeningen.
Waar gij de arme Pelgrims hoort. Die daar uwe liefde zingen ;
Smeek voor ons de gunst daar af Van volharding tot aan 't graf.
31.
Liollled aan de H. Moeder CSods.
(Welkom, trouwe Pelgrimscliaren !)
quot;W ij z e n : Ave roba sine spina ; â en: Minlijk lichtend van den hoogen.
1. Welkom, trouwe Pelgrimscharen ! Die hier weer, als zooveel jaren,
181
Om uw Moeder komt vergaren, Aan Maria onze groet !
Liefste Jesus ! uwe Moeder Schonk ons eenmaal ü als Broeder, Als Verlosser en Behoeder :
0 Maria ! wees gegroet.
Wees gegroet, o lang verbeide ! Wie ons eeuw aan eeuw voorzeide. Die het leven ons bereidde,
Jesus' Moeder ! wees gegroet.
Gij, o Maagd uit koningsbloede ! Heilig schild, dat ons behoedde Tegen Satans list en woede,
0 Maria! bid voor ons.
Gij zoadt boven alle vrouwen,
Om uw vroomheid en vertrouwen, God eens als uw Kind aanschouwen: Jesus' Moeder ! wees gegroet.
's-Heeren Engel uit den hoosren
O O
Zaagt gij, Moeder! ingetogen Aan uw voeten neêrgebogen,
O O '
0 Maria! wees sregroet.
O O
Toen gij, op uw maagd'lijk schromen, 't Groote wonder hadt vernomen,
182
Is het Woord tot u gekomen :
Maagd en Moeder ! wees gegroet.
8. Negen maanden zijn vervlogen, En wat zie ik voor mijne oogen ! Hij, uw Kind, de God des hoogen ! . .
Moeder Gods! wees, wees gegroet.
9. O wat zit gij daar bewogen,
Vol van moederlijk meêdoogen,
Jesus' tranen af te droogen:
Droeve Moeder ! bid voor ons.
10. En uw Bruidegom verslagen,
Voegt zich bij uw teeder klagen, Om den hemel hulp te vragen:
Droeve Josef! bid voor ons.
11. Maar de juichende Eng'lenkoren Doen hun vreugdezangen hooren Voor het Kindjen, ons geboren:
Blijde Moeder ! bid voor ons.
12. Luid weerklinkt het op de velden ; Herders, die van 't licht ontstelden, Hooren eer en vrede melden :
Blijde Moeder! bid voor ons.
13. Om veiheugd u hier te ontmoeten, En voor onze schuld te boeten,
183
Dat nu voert ons aan uw voeten : 0 Maria ! bid voor ons.
14. Dat wi] nooit uw liefde derven,
Maar altijd uw gunst verwerven,
In ons leven en ons sterven :
Moeder ! dat is onze beê.
15. Geef het, Moeder! nooit volprezen.
Hier te leven zonder vreezen.
Eeuwig eens met u te wezen,
In des hemels zaal'gen vree.
32.
Loflied aan O. Li. Vrouw van Antwerpen.
W ij z e : O beeld van 't reinste leven.
Eenigen.
1. Maria ! hier ter Stede
Tuigt alles u ter eer ;
Tuigt uw verhoorde bede Bij God, uw Zoon en Heer.
Allen.
Hier draagt haar tempeltoren Haar naam de wolken in ;
Hier is zij de uitverkoren Beschermster van 't gezin.
Eenigen.
2. Hier heeft de Lieve Vrouwe
Haar gunst-kapel en beeld,
184
Waar zij reeds zóóveel rouwe En zielsmarb heeft geheeld. Allen.
Reeds viermaal honderd jaren,
Rijst hier Maria's faam ;
Hier weken doodsgevaren
Op 't smeeken in haar naam. Eenigen.
3. O ! grooter liefdeteeken
Gaf hier de Lieve Vrouw : Wat dwaalleer op kwam steken, De Schelde-stad bleef trouw. Allen.
Wie ook Gods Moeder hoonde, Hier beeld en kruis vertrad En helschen moedwil toonde: Trouw bleef Maria's Stad. Eenigen.
4. O hier dan, in deez' tijden,
Ons in 't geloof gesterkt! Gesmeekt voor wie 't bestrijden. Wat wond'ren 't immer werkt. Allen.
U ja! die over de aarde De dwaalleer deedt vergaan.
185
ü, die ook ons bewaarde,
U roepen wij hier aan.
Eenigen.
5. Wil, Moeder ! ons verwerven,
Dat wij en ons gezin Als trouwe kind'ren sterven,
En 't oud geloof verwirm'.
Allen.
0 mogten allen leven
Als kind'ren uwer waard; Zij, Moeder ! 't ons gegeven Ten vrucht der bedevaart.
In den spoortrein van Antwerpen naar Si-chem. Zie hoven, hladz. 160, Gezang 21 : Aan Maria eer! en wat daar verder volgt. Aankomst aan het station te Sichem. De Processie met ontrolde banieren schaart zich in orde ; de vromoen vooraan, de mannen volgen.
33.
Het Krnislied der Pelgrims.
(Komt, Pelgrims! ijlings opgestaan.)
W ij z e: Gegroet, o Hemelkoningin!
1. Komt, Pelgrims ! ijlings opgestaan !
A ve Maria.
186
Verheft liet Kruis, ontrolt de vaan,
A ve Maria. De heilbauier der Christenheid,
lgt;ie ons naar Scherpenheuvel leidt. Ave, Ane, Are Maria.
2. Gegroet, o alverwinnend Kruis !
Ave Maria. Ge ontsloot ons 't hemelsch Vaderhuis,
Are Maria. En aan uw voet nam zij ons aan, De Moeder, die wij eeren gaan.
A ve, Are, Ave Maria. (En zoo vervolgens,)
3. Breng ons vereend tot onzen Heer, En voer ons hier blijmoedig weêr, En gansch van alle schuld gered, Die soms nog onze ziel besmet.
4. Verdelg daar, Jesus ! door uw kracht. Verdelg er alle zondemagt,
Dat wij geen kwaad ooit meer begaan, Maar tot den bloede wederstaan.
5. Wat Satans list of woede poog', Uw dienaar heft uw Kruis omhoog, W aarmeê hij onbezweken strijdt,
En zich, ook stervend, nóg verblijdt.
187
6. Door 't Kruis is alle last hem zoet; Een balsem wordt voor hem uw bloed: De nag'len iu uw voet en hand,
Ze strekken hem tot liefdepand.
7. De wonden in uw Heilig Hart
V erzachten hem de stervenssmart;
En zal hij voor uw oordeel staan,
Hij ziet ze vol vertrouwen aan!
8. Ach Jesus ! spaar 't gekrookte riet, Verstoot een droeven zondaar niet.
Maar stel ons aan uw regterhand En geef ons deel in 't Vaderland.
9. 0 dat ook deze pelgrimstogt Ons dit geluk bereiden mogt.
En wij, van 't aardsche stof ontdaan, In 't bruiloftskleed dan vóór ü staan. 10. Gi] dan, die door uw Kruis verwint. En ons ten einde toe bemint,
Verlosser op uw glorietroon !
Geef aan uw Pelgrims 't hemelsch loon. 3-4,
Opwekliins tot vertrouwen,
(Welkom, Pelgrims !)
quot;Wij zo: Nato quot;Deo.
1. Welkom, Pelgrims! bij ons blij ontmoeten;
.188
Zingt hier, juicht hier! wilt hier Jesus groeten; Want zijn liefde kent voor u geeu palen, Hoort Hem roepen, duizend duizend malen: t Komt tot My, gij allen!
Die door heilloos schuldbedrijf Waart gestooten En gesloten Uit mijn hemelsch lustverblijf.
2. Plengt hier tranen, laat uw droefheid hooren : 'k Werd voor u uit eene Maagd geboren; 'k Heb voor u den dood van 't kruis geleden, Stervend heb Ik nog voor u gebeden.
f Komt tot Mij, gij allen ! enz.
3. O Ik wil u al het mijne geven;
ü verwerft mijn bloed, mijn dood het leven, Zoo gij slechts met Mij uw kruis wilt dragen Niet meer over leed en last wilt klagen, t Komt tot Mij, gij allen ! enz.
4. Zijt gij, zondaar ! nóg zoo diep gevallen, Klimt uw schuld ook boven maat en tallen : Wil niet vreezen, zoo ge u gaat bekeeren, Kom dan ! Ik zal u mijn wegen leeren.
f Komt tot Mij, gij allen ! em.
5. Zegt vaarwel aan al uwe euveldaden,
Waar ge u thans nog mede voelt beladen ;
189
Zijt gij eenmaal van uw schuld ontbonden, Keert dan, keei t niet weder tot uw zonden, f Komt tot Mij, gij allen ! em.
6. Nooit zal ik uw misdaad meer gedenken, 'k Zal u weder al mijn liefde schenken ; Wilt dan welgemoed te beevaart spoeden, 'k Zal u weder op uw togt behoeden.
f Komt tot Mij, gij allen ! enz.
7. Dank, o Jesus ! voor uw gunstbewijzen, Immer zal mijn loflied tot U rijzen;
'k Ga myn vreugd aan uwe Moeder melden, Vrolijk trek ik over land en velden ; f Daar roep ik : Maria !
Jesus' Moeder ! uw gebed.
Zoo lieftallig,
Godgevallig,
Heeft mij van den dood gered.
8. Zoo dan hoop ik, weêr gena te ontvangen, En ik spoed in vurig zielsverlangen, Jesus ! door de zoetste hoop gedreven. Om uw lieve Moeder lof te geven.
f Daar roep ik : Maria ! em.
9. Laat ons, naar wij 't heilig doel meer naken, Meer als ware Pelgrims op ons waken ; Dan zal 's Heeren geest ons hier verzeilen.
190
Blijde ons voor Maria's beeldt'nis stellen, f Paar roep ik: Maria ! enz
10. Neem hier, Jesns ! onze dankb're groeten ; Mogen we ü nog menigmaal ontmoeten ! Laat uw Engel â ns den weg bereiden, Veilig ons naar Scherpenheuvel leiden ; Zoo roep ik : O Jesns !
Wees in 't Heilig Sakrament,
Wees op lieden,
Wees aanbeden,
Door 't geloof ons welbekend.
IÃT DE KEH.K T3 SICHEM.
Toespraak en Benedictie.
Bij het uittrekken van de kerk ;
Bedevaartlied.
(O wat blijdschap voelt mijn liart!) Wijzen; Lieve Moeder van deti Heer! â en: quot;Wees gegroet O]) kindertoon.
1. O wat blijdschap voelt mijn hart! Zoete dag van 't pelgrimsleven !
Neen, mijn ziel kent hier geen smart In deez' stille, heil'ge dreven,
Waar het hart van liefde brandt En verzucht naar 't Vaderland.
191
2. Laat ons zamen op deez' grond Voor den Schepper nederknielen ;
Danken wij met hart en mond, Uit het inniffst onzer zielen,
O 7
Hem, die ons zijn liefde toont. God, die in deez' tenten woont.
3. Dank zi] U dan toegebragt. God, Drievuldig in Personen!
Vader ! wil uw liefde en magt Heden aan uw kind'ren tooneu :
Naar Maria's heuveltop Streven wij al biddend op.
4. Laat ons nu in vrede gaan..
Laat uw zegen ons verblijden
Op onze aardsche pelgrimsbaan. Dat wij onverwonnen strijden Tegen wereld, vleesch en hel.
En des vijands zielsgekwel.
5. Wees gem-oet, o Moedermaagd !
o o ' O
Naar wier lusthof we opwaarts trekken,
Leer ons alwat u behaagt,
Alwat ons tot deugd kan wekken ; ü te zoeken is de zucht,
U te vinden zij de vrucht.
192
--
6. Dank en glorie zij aan God,
Eén in wezen, drie Personen !
Die met eeuwig lieilgenofc
O O
's Levens pelgrimschap zal loonen :
Strijdt dan. Pelgrims ! om den prijs. Die u wacht in 't Paradijs.
Ken rozenhoedje, om in goede gesteldheid des harten de Bedevaartsplaats binnen te trekken.
3«.
Aan Maria, Kruisheldin en Rijksvorstln.
W ij z e : Vorst Michael!
(Voorzanger.) 1. Hier, onverwoanen. Kruisheldin !
(Allen.) Eu Rijksvorstin! w Hier roepen wij uw voorspraak in;
Hoor, hoor de beden Der Pelgrimsleden,
O Koningin!
(Voorz.)
U
(Allen.) (Voorz.)
2. Op Scberpeulieuvels dierb'reu top, (Allen.) O Kruisheldin!
Gaat onze srneeking tot u op; ( f Hoor, hoor de beden
Der Pelgrimsleden, \ O Rijksvorstin!
3. Daar, eeuw aan eeuw, drong schaar bij schaar,
(Allen.) O Kruisheldin ! Om 't Wonderbeeld en 't gunst-altaar. f (Allen.) Hoor, hoor de beden.
(yl/s hierboven 3.)
(Allen.)
193
%
(Vooras.) 4. Wij smeekeu voor het Hoofd der Kurk,
(Allen.) O Kruislieldiu! â Dat God uw Zoon Paus LEO sterk', (f Allen.)
(Voorz.) 5. Hoor ons voor Jesus' Heil'ge Bruid,
(Allen.) O Kruisheldin !
w Weer brak alom de lielmagt uit. (f Allen.)
quot;(Voorz.) 6. Vertreed op Seherpenheuvels top,
(Allen). O Kruisheldin ! w Vertreed weer Satans slangenkop, (f Allen.)
(Voorz.) 7. Hier ook, voor ons, vraag moed en kracht,
(Allen ) O Kruisheldin!
w Dat nooit uw kind zwicht' voor zijn magt. (f Allen.)
(Voorz.) 8. Dat we altijd, waar ook, zooals hier, .
(Allen.) O Kruisheldin! it U volgen bij de kruisbanier, (f Allen.)
(Voorz.) 9. Hier staat uw woord tot alle kind,
(Allen.) O Kruisheldin!
u Ik, ik bemin wie mij bemint, (f Allen.)
(Voorz.) 10. Ja, Moeder! u in vreugd en smart,
(Allen.) O Kruisheldin!
h U geven wij ons dankbaar hart. (f Allen.)
(Voorz.) 11. Het blijve u hier ten allen tijd,
(Allen.) O Kruislieldin!
ii En eens divirboven toegewijd, (f Allen.)
PLEGTIGE INTOGT TE SCHERPBNHEUVEL.
Voorafgegaan door het muziek-korps van de Miraculeuse Kapel der H. Moeder Gods.
Plegtig Lof.- Toesp raak.- Avondgebed.
Daarna wordt gezorK/en :
13
194 37.
Avondbede tot de II. Maagd.
(Komt, nóg een groet en bede.)
Wijzen: Maria's beeld te midden; â O God van onze altaren en: Smeeltlied tot Patroonheiligen.
1. Komt, nóg een groet en bede
Maria toegebragt!
o O
En dan in 's Heeren vrede
Den slaap weer ingewacht,
Gerust en wel te moede,
Vertrouwend op haar hoede,
Maria, Maria, Moeder ! zegen ons.
2. In 't beeld omgloord van stralen.
Met dat gelaat zoo zacht.
Zien we u in 's hemels zalen.
Van waar ge ons tegenlacht, Ons die hier aan uw voeten U, lieve Moeder! groeten,
Maria, Maria, Moeder! zegen ons.
3. Maria, zoo vermogend !
Bid gij voor ons den Heer, Ach Moeder! zie meêdoogend Op d' armen zondaar neêr ;
Geleid der zwakken schreden,
195
Hoor aller vrome beden,
Maria, Maria. Moeder! bid voor ons.
4. Wij bidden u te gader
Bi] 't einde van deez' dag. Vraag, Moeder ! onzen Vader,
Wiens wakend oog ons zag. Dat Hi} ons kwaad verschoone, Het goede ons eenmaal loone, Maria, Maria, Moeder! bid voor ons.
5. Beveilig uwe kind'ren.
Waak, Moeder! dezen nacht, Dan zal geen ramp ons hind'ren.
Dan is ons rusten zacht; Dan ziet ge ons spoedig weder, O Moeder goed en teeder !
Maria, Maria, Moeder! wees gegroet.
6. Gegroet, gij vol genade,
Gij, Moeder van den Heer! Het klinke, â wie u smade, â
Te luider u ter eer.
O wil met de Eng'lenzangen, Ook onzen groet ontvangen,
Maria, Maria, Ave, wees gegroet!
Gelegenheid om te biechten.
|
196 | ||
|
Tweede «lag. | ||
|
Morgengebed. â Toespraak en opwekking tot de. | ||
|
H. Communie. â H. Mis van dankzegging. | ||
|
V |
óór de H. Communie zingt men: | |
|
38. |
4. | |
|
Akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw. | ||
|
Wij |
zen, als het Kerstlied: Juicht, o mensehen! â Heil'ge Geest | |
|
kom laat uw stralen, â en: Stabat Mater. | ||
|
Akte van Geloof. | ||
|
1. |
Ik geloof en zal gelooven | |
|
Wat Gods Kerk, verlicht van boven, | ||
|
i |
Voorstelt als geopenbaard; |
5. |
|
Gij, mijn God! Gij kunt niet falen, | ||
|
En uw Kerk kan nimmer dwalen. | ||
|
Naar Gij zélf ons hebt verklaard. | ||
|
2. |
U belijd ik, nooit volprezen | |
|
Drie Personen, één in Wezen, | ||
|
God de Vader, Geest en Zoon ! | ||
|
God de Zoon kwam tot ons neder, | ||
|
Stierf, verrees, en keert eens weder, | ||
|
't Kwaad ten straf, en 't goed ten loon. |
w | |
|
Akte van Hoop. | ||
|
3. |
Vader! 'k hoop, dat Ge ons zult geven |
(Ee |
|
Om uw Zoon het eeuwig leven, | ||
|
â ⢠| ||
197
Met al quot;fc geen ons heil vervult; k Hoop het vast, daar Gij almogend, Goed, getrouw en mededoogend, 't Geven kunt, en wilt, en zult.
Akte van Liefde.
4. Heer! ik wil uit hart en zinnen U steeds bovenal beminnen.
Want Gij zijt het Opperst Goed ; En om U bemin ik allen.
Die ik naar uw welgevallen A.ls mij zelv' beminnen moet.
Akte van Heron\v.
5. God van goedheid ! heel mijn harte Is vol rouw en boetesmarte,
Om al 't kwaad door mij begaan; 'k Wil het U ter liefde haten,
Nooit, o nooit U meer verlaten :
Neem mij in ontferming aan !
3».
AKTEN VOOR DE 11. COMMUNIE.
(Jesus ! Menschgeworden God.)
W ij z c ii: Lieve Moeder van den Heer! â en: Wees gegroet op kindertoon.
(Eenigen.)i Jesus ! Menschgeworden God, Die niet in uw woord kunt falen.
198
Gij rust hier in 't Sakrament; Kan 't mijn geest niet achterhalen, ( God der waarheid ! 'k tuig het nu, (Allen.) ^ Jesus ! j]- geloof in ü.
(Eenigen.)2. God van almagt, liefde en trouw!
'kBen beschaamd om al miin zonden.
Maar Gij. Heer! hebt ze uitgewischt
In het bloed van zóóveel wonden,
^ Vol betrouwen kom ik nu,
'' ( Goede Jesus ! 'k hoop op U.
(Eenigen.)3. God van liefde en opperst Goed !
Gij wilt spijzen ons en drenken,
In 't Geheim der hoogste min
Heel n zei ven aan ons schenken,
( Liefste Jesus ! kom, kom nu, (Allen) ,
f Ach myn ziel verzucht naar U.
(Eenigen.) 4. 'k Ben niet waardig, groote God !
Dat Gij ingaat in mijn harte ;
Spreek, Heer! spreek een enkel
[woord,
En, doorwond van liefdesmarte, (Allen) S Schrei ik : Jesus ! kom toch nu, ( Kom, o kom ! ik smacht naar U. (Eenigen.)5. 'k Zal dan aan den Heil'gen Disch U, mijn Jesus ! gaan ontvangen,
199
U, mijn' God, mijn' grooten God, Aan mijn zalig harte prangen, £ Goede Jesus! kom toch nu, (Allen.) ^ Kom, o kom ! ik snel tot ü.
40.
DG HEER EN DE ZIEL.
(Mijn feestdiscli is bereid.)
W ij z e : Mijn gastmaal is bereid.
De Heer spreekt.
1. / Mijn feestdiseh is bereid,
Ik wil uw Gastvriend wezen,
Vergeet mijn majesteit,
En nader zonder vreezen;
Ik wacht met ongeduld: kom, mijn geliefde! kom, Beminnen wij elkaar als bruid en bruidegom.
De ziel.
Akte tan Geloof.
2. 'k Geloof. Heer! maar ach, sterk Mijn al te zwak gelooven
In liefde's Wonderwerk:
Mijn God kwam neer van boven.
Mijn God is waarlijk spijs in 't Heilig Sakrament! O liefde niet bemind, o liefde niet gekend!
Akte van Verlangen.
O goddelijke Disch!
Waar 't Vleesch en Bloed mijns Ileeren Der zielen feestmaal is.
200
Wie zou u niec begeeren?
Mijn kranke ziel verzucht, verkwijnt van liefdesmart:
O kom, mijn Bruidegom! kom in mijn smachtend hart.
Akte van Hoop en Uetde.
Heil mij, liet uur is daar,
Mijn Bruidegom gaat komen.
Hij wacht mij op 't altaar.
Ik ga dan zonder schromen....
Hier ben ik, kom, mijn God!... Maria, bid voor mij!
O Jesus, Jesus, kom! treedt, Eng'len! aan mijn zij.
Onder de H. Communie: Magnificat. Zie hladz. 113. (Luiksche wijze.)
Na de H. Communie.
41.
AAN HET ALLERHEILIGSTE.
W ij z e : Maria leev'.
1. U, Jesus! eer, om ons zoo diep verborgen
In 't Sakrament van uwe onpeilb're min;
Hier waakt Ge altijd, van d' avond tot den morgen,
En trekt om ons uw gloriestralen in.
Mijn God en Koning!
Mijn Opperheer!
U, in uw woning»
U, Jesus! dank en eer.
2. U dank en eer! van alle tong en talen.
Van wat op aarde en in den hemel leeft;
Ten boete blijv' heel 't wereldkoor herhalen:
Aan Jesus eer! die ons zich zelv' hier geeft.
Mijn God en Koning! enz.
201
3. U dank en eer! maar ach, die zwakke klanken,
Zij kunnen U, die in ons midden troont.
Voor zulk een gunst, zoo eind'loos groot, niet danken.
Veel minder nog, als Ge in ons binnenst woont.
Mijn God en Koning! enz.
4. O geven wij voor liefde liefde weder:
Zij trekke ons hier naar Jesus' tempelkoor;
Daar werpen we ons ten dankbaar offer neder.
Dat onverdeeld en eeuwig Hém behoor'.
Mijn God en Koning!
Dan vieren wij,
In 's hemels woning.
Uw eind'loos lofgetij.
42.
ARTJBIV NA OE H. COMMIIMIE.
(Nu lieeft mijn lieve Jesus dan.)
W ij ?, e n ; Komt, heffen wij een loflied aan; â Komt, Broeders ! heft een loflied aan, â en: De Engel des Heeren.
1. Nu heeft mijn lieve Jesus dan
Zich mij tot spijs gegeven,
Die mijn verkwikte ziel bewaar'
In quot;t eindelooze leven ;
Ach, goede God ! Uw smeeken wij :
Blijf ons nu eeuwig bij.
2. Zoo is dan waarlijk 's Vaders Zoon
Tot mijne ziel gekomen,
En heeft zijn zetel in mijn hart.
202
Mijn zondig hart genomen ; Ach God ! ach God! U smeeken wij Blijf ons nu eeawig bij.
O dat ik al de stemmen had, Die opgaan van deze aarde, En 't nimmer-zwijgend hemelkoor
Zich aan mijn loflied paarde! U, God! U, God ! aanbidden wij,
Blijf ons nu eeuwig bij. 'k Aanbid, ik loof, ik dank ü, God
Ach, zie mijn tranen beven ; Wat zal ik, goede Jesus ! [J Voor zóóveel liefde geven? U, God ! ü, God! ü danken wij. Blijf ons nu eeuwig bij.
Ik wil, mijn Jesus ! wat ik ben.
Mijn hart, mijn vreugd en lijden. Mijn leven en mijn stervensuur
Ten offerand U wijden;
U, God ! U, God ! beminnen wij, Blijf ons nu eeuwig bij.
Maar zwak is onze ziel, o Heer!
Als 't ligt-bewogen riet;
Almagtig God ! wij smeeken U :
203
Verlaat, verlaat ons niet;
Nog eens, nog eens dan smeeken wij : Blijf ons toch eeuwig bij !
43.
Toewijding aan den Heer.
(Verborgen God!)
W ij z e n : O groote God! wat zijn uw tabernakels; â Is arbeid 't lot, â en: De vlugt naar Egypte.
1. Verborgen God! onzigtb're Gloriekoning!
Hoe lieflijk is uw tabernakeltroon;
Hier koost Ge om ons uw zegenrijke woning,
Hier zijt Gij ons ten pand van 't eeuwig loon.
2. Welzalig, die met TJ hier mag verblijven.
Aan 't altaar op uw liefdeblikken wacht;
Wat is een eeuw in 's werelds lustbedrijven Bij 't oogenblik, met U hier doorgebragt?
3. Hier is de bron van hemelzaligheden,
't Is voorsmaak hier van 't alvervullend Goed ; Barmhartig God! hier stort ik mijne beden,
En uw gena stroomt uit in overvloed!
4. Ja, méér nog. Heer! met duizend zegeningen
Voorkomt Gij al de wenschen mijner ziel! Wat wedermin, wat dank moet mij doordringen.
Waar ik zoo digt voor Jesus' aanschijn kniel.
5. Hier wil Hij mij ten zielespijs zich geven.
Ontvang ik Hem, mijn god'lijk Offerlam;...
Hier staart een vlugt van Eng'len die me omzweven. Verrukt het aan, dat Josus tot mij kwam!
204
Wat wuft genot zou langer mij bekoren,
fvu 'k Jesus zelv', en liartfaan liart begroet? 'k Wil, Jesus! ü, en TJ alléén behooren. Zoo slechts uw kracht voor ontrouw mij behoed.
Ilecrsch over mij, die Vorst van dood en leven,
Heersch over mij, die Lielilekoning zijt! Wijk,j5wereld! wijk: wat heil hebt gij te geven Aan 't zalig hart, dat zich in God verblijdt.
44.
WELKOM GEHEETEN.
Eigen melodie.
Welkom geheeten,
Mijn Jesus ! in ons hart.
O blij geweten!
O zoete liefdesmart!
Die met uw vleesch mij voedt, Door U mij leven doet,
Ik zal U nooit vergeten ; Nog eens ü, Jesus zoet! Welkom geheeten!
Dank zal ik zingen.
Zijn bloed was mij ten drank ;
Gij, Hemellingen !
Zegt gij met mij Hem dank, Die om zijn zetel zweeft, Hem eeuwig glorie geeft,
203
Nu hier ons komt omringen,
Daar Jesus in ons leeft,
Dank zal ik zingen. 3- Aan Jesus geven
Zal ik mijn hart en ziel.
Voor heel mijn leven !
Wat mij ten deele viel.
Het peilt geen aardsch verstand, 't Is door geen menschenhand Nog immer neêrgeschreven,
'k Wil hart en ziel ten pand Aan Jesus geven.
45
Maria, behoud der kranken.
W ij z e n : Komt, broeders ! heft een dinklied aan ; Komt, heffen wij eeu danklied aan, â en : De Ea^el des Heeren.
1. Wie ging bij krankte of zielsverdriet,
Maria ! tot uw troon.
En voelde daar uw voorspraak niet
Bij Jesus,- uwen Zoon?
Wie blind of doof, beroofd van taal,
U, Moeder ! heeft gesmeekt. Getroost is hij zoo menigmaal:
Hij ziet, of hoort en spreekt.
2. De kreup'le kwam met wank'len tred.
Verlamden droeg men aan;
206
Hier is van 't verre krankte-bed
De beê tot u gegaan,
Van ouders reeds in stervensnood.
Of kind'ren van 't gezin :
Gij hebt gered uit leed en dood, O Hemelkoningin !
3. U, goede Moeder ! u zij dank,
Die zóóveel smart geneest;
Helaas ! ook wij, wij zijn zoo krank,
Vooral naar hart en geest; Red, Moeder ! wie op u vertrouwt.
Ofschoon hij dikwerf viel,
Wees hier, Maria! ons behoud En red toch onze ziel.
46.
Smeeklied voor onzen II. Vader.
Na de H. Communie.
(O God van onze altaren!)
Wijzen: Maria's beeld te midden; â Komt, nóg een kinderbede,â en: Smeeklied tot Patroonheiligen.
1. O God van onze altaren !
Gedaald weêr in ons hart :
Gij weet, hoe wij ons scharen
Om Leo in zijn smart;
Zie op ons smeeken neder,
207
Voor hem, uw plaatsbekleeder :
0 Jesus! o Jesus! hóór toch, hoor ons aan.
2. Gedoog, dab voor hun Vader
Het U verwant Gezin Eenparig tot U nader',
Ontgloeid in kindermin;
O moge in al zijn lijden Hem onze beê verblijden:
O Jesus! o Jesus! hóór toch, hoor ons aan.
3. Blijf, Jesus ! hem bestralen,
Hem sterken met uw kracht;
Laat Leo zegepralen
Op alle helsche magt;
En laat op al wie dwalen Uw licht en liefde dalen :
0 Jesus! o Jesus! hóór toch, hoor ons aan.
4. Zoo smeeken IJ de Leden
Van 't U gewijd Gezin,
En met hun broederbeden
Stemt uwe Moeder in;
Met haar en ons te gader.
Bidt ook uw Voedstervader:
O Jesus! o Jesus! hóór dan, hoor ons aan. Vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet, om den vollen aflaat te verdienen.
206
Hier is van 't verre krankte-bed
De beê tot u gegaan,
Van ouders reeds in stervensnood.
Of kind'ren van 't gezin :
Gij hebt gered uit leed en dood, O Hemelkoningin !
3. U, goede Moeder ! u zij dank,
Die zóóveel smart geneest;
Helaas ! ook wij, wij zijn zoo krank,
Vooral naar hart en geest; Red, Moeder ! wie op u vertrouwt.
Ofschoon hij dikwerf viel,
Wees hier, Maria! ons behoud En red toch onze ziel.
46.
Smeeklied voor onzen II. Vader.
Na de H. Communie.
(O God van onze altaren!)
Wijzen: Maria's beeld te midden; â Komt, nóg een kinderbede,â en: Smeeklied tot Patroonheiligen.
1. O God van onze altaren !
Gedaald weêr in ons hart :
Gij weet, hoe wij ons scharen
Om Leo in zijn smart;
Zie op ons smeeken neder,
207
Voor hem, uw plaatsbekleeder :
0 Jesus! o Jesus! hóór toch, hoor ons aan.
2. Gedoog, dab voor hun Vader
Het U verwant Gezin Eenparig tot U nader',
Ontgloeid in kindermin;
O moge in al zijn lijden Hem onze beê verblijden:
O Jesus! o Jesus! hóór toch, hoor ons aan.
3. Blijf, Jesus ! hem bestralen,
Hem sterken met uw kracht;
Laat Leo zegepralen
Op alle helsche magt;
En laat op al wie dwalen Uw licht en liefde dalen :
0 Jesus! o Jesus! hóór toch, hoor ons aan.
4. Zoo smeeken IJ de Leden
Van 't U gewijd Gezin,
En met hun broederbeden
Stemt uwe Moeder in;
Met haar en ons te gader.
Bidt ook uw Voedstervader:
O Jesus! o Jesus! hóór dan, hoor ons aan. Vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet, om den vollen aflaat te verdienen.
21Ã
't Is weêr zonde tegen God!
Bleef men waken, bleef men vlugten,
O 7
Vol van afschuw voor het kwaad, Bleef men trouw tot God verzuchten, 't Kwam niet tot dien jammerstaat.
7. Toch niet van gena verstoken,
Zagen wij naar redding uit,
En het hart van rouw gebroken.
Snelden wij tot Josefs Bruid ; Tot Maria, die ons wachtte
Hier, aan 't heilrijk feestaltaar. Baden wij bij dag en nachte :
Red ons uit ons doodsgevaar !
8. God zij lof! wij zien u weder,
Moeder van barmhartigheid! Zie ontfermend op ons neder.
Gij die voor de zondaars pleit; Ja, Gezegendste aller vrouwen,
Wij, al is de schuld ook groot, Wij toch komen vol vertrouwen: Red uw kind'ren uit den dood !
9. Wil dan in deez' boetedagen.
Nu wij zuchten voor uw troon. Wil voor ons vergeving vragen. Moeder! bij uw lieven Zoon ;
211
Vraag het oin zijn diepe wonden,
Want als gij geen redding biedt,
Toont de boosheid onzer zonden Ons de hel reeds in 't verschiet.
10. Maar gij. Moeder! blijft nog spreken
Voor een diep gevallen kind ;
Gij zult 's Heeren gramschap breken, Dat ik nó» ontferming vind'.
O O
Neen, 't is nimmer nog vernomen,
' O
Dat ge een zondaar hebt versmaad : Zie ook óns dan tot u komen, Om verlossing van ons kwaad.
11. Eens ook, als ons oog verduistert,
't Hoofd reeds in den dood zich buigt, Als de mond naauw 't woord meer fluistert,
Dat van zielsberouw getuigt;
Als de ziel zich gaat ontbinden
Tot de reis der eeuwigheid.
Laat ons. Moeder! u nog vinden,
Die ons aan uw hand geleid'.
12. 't Is ook, Moeder! voor die dagen,
A.ls ons alle kracht ontzinkt.
Dat we nü reeds bijstand vragen,
Dat reeds nü ons smeeklied klinkt; Zóó nog hopen we eens te sterven
212
In de liefde van uw Zoon :
Laat ons hier die gunst verwerven, Hier by nw genadetroon.
48,
MARIA TROOSTERESSE.
(Moeder des Heeren !)
Eigen melodie.
Allen.
1. f Moeder des Heeren! ?
'k Wil u vereeren,
0 troost voor 't hart in smart; Groot als nw lijden,
Is uw verblijden,
0 gij zoo goed, zoo zoet!
Eenigen,
2. Gij schenkt verkwikking aan de zielen,
Die tot u roepen in den nood ; Gij pleit voor wie in zonden vielen En redt hen van den eeuw'gen dood, Allen.
f Moeder des Heeren ! evz. Eenigen.
3. Uw teed're hand droogt onze tranen.
Uw zoete stem verzacht ons wee;
213
Wie zich liet diepst verlaten wanen, Gij zijt hun bij met uwe beê. f
4. Uw moederhart, zoo vol meêdoogen,
Is met ons aller leed begaan ;
Gij ziet ons met verblijdende oogen In leven en in sterven aan. f
5. Wat ramp of kruisen mij dan treffen,
Ik wijd ze aan u, mijn Moeder! toe; Ik zal tot u mijn blik verheffen,
En blijf in smart nog blij te moê. f HET GEBED VAN DEN H. ROZENKRANS, De vijf blijde Geheimen. {Zie bladz. 93.)
Daarna zingt men Lied 16 op hladz. 153: Gods vaderoog sloeg de aarde ga, enz.
De vijf droevige Geheimen. (Zie hlmlz. 96.)
Daarna zingt men dit Lied.
4».
lgt;e vijf droevige CSelielnien.
Eigen melodie.
Eenigen,
Wie is er, Moeder ! die het meldt, Hoe u het harte brak,
214
Toen 't zwaard, van Simeon voorspeld, U zevenwerf doorstak.
Allen.
f Maria, Koninginne !
O gij vol moederminne,
Sta ons bij in allen nood,
In den dood, Maria !
Gij zaagt den Heer, Gethsemané !
Bedroefd tot in den dood;
Hoe 't bloed, dat de angst Hem storten deê. Op de aarde nedervloot.
f Maria, Koninginne! enz.
Eenigen.
Mijn Jesus ! ach, wat folterino-!
O
'k Zie diepe wond bij wond,
De striemen van de geeseling,
1 'ie Gij voor ons doorstondt. f Nu mengt de moedwil pijn en hoon
Wreedaardig ondereen :
Ruw vlecht de beul een doornen kroon
Om 's Heeren hoofd nog heen ! f Mijn Jesus sleept, bedekt met bloed,
Zijn kruis naar Golgotha;
Wie onzer draagt niet welgemoed Voortaan zijn kruis Hem na. f
215
5. Hij sterft, aan 't smart lijk kruis gehecht, Zip Moeder ziet het aan !
Ach, toen is 't zwaard zoolang voorzegd, Diep door haar ziel gegaan ! f
De vijf glorie rijke Geheimen.
(Zie bLads. 99.)
Daarna zingt men dit Lied.
50
Oe vijf glorierijke Gebelmen.
Eigen melodie.
Eenigen.
Juich, Moeder! juich, uw Zoon regeert
In opperheerschappij :
Uw droefheid is in vreugd verkeerd. Gij heerscht nu aan zijn zij'.
Allen.
f Maria, Koninginne ! em. als boven hl. 214.
1. De Heer, de Heer is opgestaan.
En leeft nu voor altijd !
O dood! gij jaagt geen vrees meer aan; Uw prikkel gingt ge kwijt, f
2. Daar klimt hij door de sterrenbaan,
hen Eng'lenpaar daalt neêr.
216
En kondigt delf Apost'len aan : »Zóó keert Hij eenmaal weêr.quot; f
3. Hij zendt hun d'afgebeden Geest,
Die licht en krachten geeft; De Apost'len tuigen 't onbevreesd, Dat Jesus weder leeft, f
4. Toen gij, o Maagd ! van liefde stierft,
Schonk Hij u 't rijksgebied.
Dat ge in uw mart'laarschap ver wier ft. En thans met Hem geniet, f
5. Daar werd gij door uw eigen Zoon
Gekroond tot Koningin,
En schittert naast zijn glorietroon Voor uwe moedermin, f
PLEGTIGE KRUISWEG.
(Zie bladz. 63.)
Eerst zingt men op de wijze van Stabat Mater: 51.
1. Laat mij, met uw smart voor oogen, Goede Jesus! vol meêdoogen Overwegen wat Gij leedt;
Hoe Gij, de Onschuld, voor mijn zonden Overdekt van smaad en wonden.
Tot den dood toe voor mij streedt.
217
2. Dank en wederliefde vragen,
Dat ik vaak uw lijdensdagen
Met rouwmoedig hart beschouw;
Moge ik dan voor U ontgloeijen,
Méér nog mijne schuld verfoei]en, En haar boeten door berouw.
Onder den Kruisweg zingt men Stab at Mater. Ziebladz. 117.
Wijding van rozenkransen, medailles, enz. Aanstrijking aan het Miraculeuse beeld van voorwerpen van godsvruchi.
Oplegging van het Miraculeuse Ifeld, waaronder men zingt Lied 6, op bladz. 133: Wees gegroet, gij vol genade.
Lied 30, op bladz. 178: O wat zalig zielsgevoel! en het hier volgende Lied. 52.
Maria's zegenrijke Bescherming.
Wijzen: O Godsgeziu! o drietal Leden; â O gij die boven de Engelenkoren, â en: Juicht, juicht met ons, o Hemellingen!
1. Wel hem, die van zijn kinderjaren De Koningin des hemels eert,
En bij het nad'ren der gevaren.
Het oog naar zijne Moeder keert. Wel hem, die onder haar bescherming. Bij 's werelds wisselenden loop.
218
Den blik gevoelt vail Gods ontferming, Die ons vervult met zoete hoop.
2. Wel hem, die van des levens morden
O
Maria tot zijn Moeder heeft,
Met haar voor 's werelds oog verborgen,
Op aarde voor den heoiel leeft; Wel hein ! want, neen ! hij zal niet dwalen, Geleid aan hare moederhand ;
Hij ziet reeds 't loon van verre stralen. Dat hem verbeidt in 't Vaderland.
3. Wat zegt vermaak aan de aarde ontsproten,
Dat nimmer onze ziel verzaadt 'â¢
En, is 't in zondeschuld genoten,
Den Schepper om het schepsel smaadt ; Maar zalig zij, die vrij van vlekken, Op s Heeren heil'ge wegen gaan : Zij zijn het, die Gods liefde trekken, Hij ziet hen uit zijn hemel aan.
4. 0 Moeder Gods ! die vol genade,
Ook vol van alle deugden waart,
Maria ! sla uw kind ren gade.
Hier biddend om uw beeld vergaard; O stort op ons, in quot;t stof gebogen, Uw moederlijken zegen uit;
219
Wees gij liet, zoo wij 't vragen mogen, Die in den dood onze oogen sluit.
Plegtig Lof, waaronder tweede feestpreek.
Processie mat het Miraculeuze beeld der H. Maagd door Scherpenheuvel, ouder hegeleiding van musiek.
Onder de Processie zingt men : De Litanie van O. L. Vrouw in het Latijn, me', het Hollandsch refréin. Zie bladz. 110 53.
Ter eere van Maria.
(O beeld van 't reinste leven.)
Wijzen: O Josef! VoedstervaderO beeld der sehoone liefde! -eu: liet Spaausclie volkslied.
Eenigen.
1. 0 beeld van quot;t reinste leven,
Maria, Josefs Bruid !
Zoo wij ons hart u geven.
Gij deelt uw gunsten uit.
Allen.
fAch, dat ik u beminne,
In blijdschap en in smart;
Druk diep, myn Koninginne ! Uw beeldt'nis in mijn hart.
£etiigen
2. O Josefs Bruid, mijn Moeder !
220
Mijn trouwe toeverlaat!
Werd niet uw Zoon mijn Broeder, Die nooit uw beê versmaadt ?
Allen.
Ach, dat ik u beminne, en zoo vervolgens. Eenigen.
Ach, was ik rein van zonden,
O vlekkelooze Maagd 'â¢
Ik zou uw lof verkonden,
Gelijk het u behaagt. (Allen, f)
'k Zou met uw trouwe scharen.
En 't juichend hemelheer,
Mijn dankbaar loflied paren.
En jub'len u ter eer. f
Helaas ! hoe moet ik klagen,
Dat ik, onwaardig mensch,
U zóó niet kan behagen.
Als ik het vurig wensch. f
Maar 'k wil mij alle dagen.
Mijn Moeder ! u ter eer, Grodvruchtiger gedragen.
En dienen mijnen Heer. j
Magnificat. Zie blad:. 113.
221 54.
HULDE EN BEDE AAN 0. L. VROUW VAN SCHERPENHEUVEL.
Wijze: Gezant aan Maria.
I.
Eenigen.
1. O lieflijke dreven !
o zegenrijk oord !
Waar gij, hoogverheven
Moeder ! ons hoort.
Allen.
Als menig jaar,
zoo komt weêr vol min, Uw pelgrimschaar,
en roept u hier in, Eenogen,
2. Uw Heuvel aanschouwde
de magt uwer beê : Wie kwam en vertrouwde,
hij keerde vol vreê.
Allen.
Een eeuwental
vermeldt het in 't rond Met dankgeschal :
't Is heilige grond !
222 Eenigen.
3. Veel tongen en talen
bezongen om strijd, Wat wij ook herhalen,
hoe goed gij hier zijt. Allen.
O Maagd ! uw kroon,
mv glorie en eer,
't Blijft als de troon
en 't woord van den Heer. Eenigen.
4. Uw loflied zal rijzen,
't zal. Moeder! uw magt En zalig u prijzen
door alle geslacht.
Allen.
Als de aarde zwijgt,
de hemel toch niet:
Daar stijgt, daar stijgt
u 't eindeloos lied. Eenigen.
5. De Heer toch der heeren,
uw God en uw Zoon, Wil eeuwig u eeren,
uw liefde ten loon.
223
Allen.
Hoor, Moeder! hoor,
daar ge ons zoo bemint, Uit 's hemels koor,
't u smeekende kind.
II.
Eenigen.
Wij bidden te gader,
Beschermster der Kerk ! Dat God onzen Vader,
Paus Leo versterk'.
Allen.
Paus Leo lev !
God steune zijn troon ! Aan Pius gev'
Hij 't zaligste loon ! Eenigen.
Bid Jesus, o Moeder !
dat Hij zich ontferm'. Als Herder en Hoeder,
de zijnen bescherm'. Allen.
O zoet genot!
dat ge altijd, o Maagd ! Voor ons bij God
verkrijgt wat gij vraagt.
224
Eeuigen.
8. Zoo wil dan de Koren
van hemel en aard', En óns ook nu hooren,
bier óm u vergaard. Allen.
Tot u, tot u
gaan beden en lied, Dat gij toch nu
vol liefde op ons ziet.
Eenigen.
9. Voor ons die hier strijden,
ach, bid in dit uur, En al wie nog lijden
in quot;t louterend vuur. Allen.
0 Moedermaagd!
o dat uw gebed, Dat God behaagt,
de zondaren redd', Eenigen.
J.0. Zij nieuw heel ons leven
en vruchtbaar in deugd, 't Zij Jesus gegeven,
in lijden en vreugd.
225
Allen.
Bid voor ons nu,
in al onzen nood;
Roep ons tot u,
in 't uur van den dood.
Hierna zingt men Lied 23, hlaih. 163 :
Kind'ren van Maria!
In de Kapel teruggekeerd, bidt men daar een uur voor verschillende meeningen.
Avondgebed.
Daarna Lied 10 , bladz. 142: Hoor, o Zoete! «h
55.
SMEEKLIED TOT MARIA VOOR DE OVERLEDENEN.
W ij z e n : Wees gegroet, o Koningiune ! â en: O vijf werelds klare lichten!
1. Uit de diepe boetekolken
Dringt de weeklagt naar de wolken Al der dooden, die dit uur Lijden in het lout'rend vuur,
f Heer! ontferm TJ hunner.
En gij, Moeder der genade !
Sla hun smart'tijk zuchten gade,
226
Ach, wil hun ten toovlugt zijn,
In hun onuitspreekb're pijn :
liid voor hen, Maria !
2. Aan des levens leed ontheven, Is aan 't lichaam rust gegeven;
Maar de ziel! zij rust niet eer,
Vóór zij opgaat tot den Heer: f Heer, ontfenn ü hunner.
3. Uit Gods ademing ontsproten, Uit zijn leven voortgevloten,
Is voor haar geen heilgenot
Dan in 't blij gezigt van God : f Heer ! ontferm U hunner.
4. Wat al smart de ziel ook drage, Hoe de wroeging rust'loos knage :
Verre van haar God te zijn,
Is haar allerfelste pijn !
f Heer, ontferm U hunner.
5. Hoe doorfolterd ook van binnen. God toch. God alléén beminnen
En hem derven!.... wat gemis !...
Groot, ach! als Gods glorie is : f Heer ! ontferm U hunner.
6. Of zij zuchten, smeeken, kermen, Rustloos roepen om ontfermen,
Neen ! het baat bij Gods gemis, 't Baat hun tot geen lafenis : f Heer ! ontferm U hunner.
7. Zij dan, in hun onvermogen.
Klagen ons met smeekende oogon :
»Wist gij, die op aarde zijt,
»Wist gij, wat een ziel hier lijdt! f Heer ! ontferm U hunner.
8. Zij, ach ! die zoo droevig klagen,
't Zijn onze ouders, kind'ren, magen, 't Is een ziel, - ach wat verwijt! Die door ons die smarten lijdt !... f Heer ! ontferm ü hunner.
9. Wil, genadig God ! vergeven Wat zij tegen ü misdreven.
Eindig, eindig hunne straf,
Wisch hun laatste smetten af: f Heer ! ontferm U hunner. 10. Laat hen, die toch ü beminden,
Laat hen nu ontferming vinden : Om het lijden van uw Zoon,
Geef hun 't langverbeide loon : f Heer ! ontferm U hunner.
228
11. Geef him, die in kerkernachten Naar uw vaderblik versmachten,
Geef hun in uw aangezicht De eeuw'ge rust en 't eeuwig licht: fHeer ! ontferm U hunner.
12. Nog eens, voor ü neêrgebogen,
Smeeken we ü : Heb mededoogen !
oer hen uit den langen nacht In de glorie die hen wacht:
Heer! ontferm U hunner.
En gy. Moeder der genade !
Sla hun smart'lijk zuchten gade,
Ach wil hun ten toevlucht zijn,
In hun onuitspreekb're pijn :
Bid voor hen, Maria !
Derde dag.
MORGENGEBED. - H. MISOFFER.
H. Communie.
Daarbij zingt men de Liederen van den Tweeden dag bij de H. Communie, bladz. 196 vv.
quot;V E B, T K, E IK.
In de Kapel zingt men :
229
56.
Het Afscheidslied!.
(Vaarwel, vaarwel, wij scheiden.)
W ij z e n : O beeld van 't reinste leven! - O Josef! Voedstervader, eu: liet Spaansche volkslied.
Vrouwen.
1. Vaarwel, vaarwel, wij scheiden,
Maria's dierbaar oord !
Schoon 't zoet is, hier te beiden.
Waar zij haar kind'ren hoort. Mannen.
Vaarwel, o goede Moeder !
En blijve in allen nood Uw Zoon ons tot Behoeder,
In 't leven en den dood.
2. Vr. Doch schoon wij huiswaarts keeren.
Ons dankbaar hart blijft daar, En 't zal u trouw vereeren Aan uw geliefd altaar.
M. O mogt hij, die vermeten
Durft spotten met ons lied,
O mogte hij 't eens weten,
Wat daar de ziel geniet!
3. Vr. Dat teeder klagen, kermen.
Dat heilig smeekgeweld.
|
«r | ||
|
230 | ||
|
Die kreten om ontfermen : | ||
|
Geen tong die 't immer meldt! | ||
|
M. 't Geloof dier smeekelingen. | ||
|
Hun hoop tot in den dood, | ||
|
Hun liefdevlammend dringen. | ||
|
Waar 't harte vol bij schoot. | ||
|
4. Vr. Nog trillen ons die klanken |
T~i | |
|
Van 't magtig pelgrimskoor, |
L | |
|
Dat loven, smeeken, danken | ||
|
De ontroerde ziele door. | ||
|
M. Wij zullen 't luid verkonden, | ||
|
In 't vaderland gekeerd. | ||
|
Hoe daar uit duizend monden |
1 | |
|
Gods Moeder wordt vereerd. | ||
|
5. Vr. Door Neêrlands vruchtb're dreven. | ||
|
Weerklinke 't pelgrimslied. | ||
|
En neen ! zoolang wij leven. | ||
|
Zwijge onze lofzang niet. |
2 | |
|
M. Moge aller harte gloeijen | ||
|
Van trouwe kindermin, | ||
|
1'' # m En deugd en godsvrucht bloeijen | ||
|
j In aller huisgezin. | ||
|
| 6. Vr. Vaarwel, vaarwel, wij scheiden, | ||
|
' |
0 Maagd ! van uw altaar. | |
LSI
Moog' God ons hier weer leiden Te beêvaart, 't ander jaar !
Allen.
Vaarwel, o goede Moeder !
En blijve in allen nood Uw Zoon ons tot Behoeder,
In 't leven en den dood. De zegen met het Allerheiligste. Bij het uittrekken zingt men :
57.
Ued op den naam van Maria.
Wijze: O Moeder Gods! o reinste Maagd!
1. Maria's naam, die 't hart verblijdt, Zij dit ons dankbaar lied gewijd;
Haar moedernaam zoo zoet, zoo groot, Is ons een troost in allen nood,
Is ons een kracht tot in den dood.
2. Ach ! bij uw moedernaam zoo zoet, Wij bidden u, dat ge ons behoedt; Gij, die de heislang hebt verplet,
Gij zijt het, die door uw gebed,
Maria ! uwe kind'ren redt.
Roep ik tot u in zielsverdriet,
Neen, Moeder ! gij verstoot mij niet;
3.
232
Hebt gij van ons uw naam verstaan, Gij ziet ons uit den hemel aan. En ongetroost laat ge ons niet gaan.
In allen nood, tot in den dood, Weerklinkt uw naam, zoo zoet, zoo groot; Wie weet niet, dat gij 't kind aanschouwt, Dat op uw moedernaam vertrouwt. Naast God op u zijn hope bouwt.
Ach zegen dan deez' pelgrimschaar.
Die optoog naar uw feestaltaar :
A.an u die aller Moeder zijt,
Wier zoete naam ons hart verblijdt.
Zij dit ons dankbaar lied gewijd.
58.
Dank en bede aan iHaria.
W ij z e: Is arbeid 't lot.
O 't is wel pligt, o Moeder vol meedoogen!
Dat wij bij 't heil, uw kind'ren weer geschied, Gedenken, hoe ge, altijd met ons bewogen.
Vol liefde van uw zetel nederziet.
Aan u de dank van onze pelgrimscharen!
Geen zang vermeldt wat gij voor ons vermogt;
Maar, Moeder! vraag, dat wij de vrucht bewaren \an al uw liefde op onzen bedetogt.
Hebt gij ons niet, van 's levens eersten morgen,
Kaar ligchaam en naar ziel getrouw behoed?
233
In onze jeugd, hoe bleeft gij voor ons zorgen,
O Moeder, gij! wees duizendmaal gegroet.
f Aan u de dank enz.
3. Bij ondank zelfs, zoo snood door ons bewezen.
Vergat gij nog de u dierh're kind'ren niet; Zij duizendmaal uw moederhart geprezen,
Dat ge ons ook toen, Maria! nooit verstiet.
f Aan u de dank enz.
4. Blijf. Moeder! blijf de toevlugt onzer zielen.
Voltrek uw werk: behoed ons voor het kwaad;
Het smart ons diep, dat wij zoo dikwerf vielen.
Behoed ons toch, dat ons geen vijand schaad'.
Dan zingen eens uw dankb're pelgrimscharen In eeuwigheid wat gij voor ons vermogt;
Dan zullen we ook bij u de vrucht vergaren, O Moedermaagd! van dezen bedetogt.
(Deze laatste 4e stroof wordt herhaald.) De Liederen worden afgewisseld met het bidden van den H. Rozenkrans.
In den spoortrein gebruike men de Liederen, die bij de heenreis in den spoortrein gezongen zijn; men zie ook bladz. 107, en 115, en de Liederen, die. achter deze Dagorde volgen, bladz. 236 vv.
D« meeningen, waarvoor men bidt, zijn : Een rozenhoedje om eene voorspoedige terugreis.
Ken rozenhoedje tot dankzegging voor de afgelegde reis.
2 54
Een rozenhoedje, om de vruchten dezer pelgrimsreis te bewaren.
Een rozenhoedje ter afwering van alle gevaren naar ziel en ligc/taam.
Een rozenhoedje voor de zieken, die leden zijn der Processie.
Een rozenhoedje, om de verbetering en uitroei jing van ons hoofdgebrek te verkrijgen.
Een rozenhoedje, voor de bekeering van degenen die in gewoonte van zonden leven.
Een rozenhoedje voor de zegepraal der tl. Kerk
Aankomst te Roozendaal.
PLEGTIG LOF, MET DE SLOTPREEK. Vereering van de relikwie der
H. Maagd, waaronder gezongen wordt, als volgt.
59
DAMLIED AAN 0. L. V. VAK SCHERPENHEDVEL.
W ij z e n : Gegroet, o Hemelkoningin! â Gulden levensregelen ; â Wij groeten n, o zuiv're Maagd! â O Moeder Gods! o reinste Maagd! â O Kindje Jesus! arm als wij, â en: Smeeklied aan den H. Willibrordus.
I. Zie, Moeder ! ons hier zaamgeschaard. Aan 't eind' van onze bedevaart; Wij brengen, voor uw troon geknield, Den dank, die aller hart bezielt.
235
2. Gij, onze hoop en toeverlaat!
Gij hoedt ons trouw voor alle kwaad ; Gij bidt bij uwen lieven Zoon,
Dat Hij ons zijn gena betoon'.
3. O Moeder Gods en altoos Maagd ! Gij hebt van eeuwig Hem behaagd ; Verborgen Roos ! der maagden bloem, Gij 's werelds vreugd en 's hemels roem !
4. Gij zijt de tent, waar God in rust!
Mijn zoete hoop en zielelust;
In u, die aller toevlugt zijt,
Is ook uw pelgrimschaar verblijd.
5. O Koningin van 's hemels hof!
Gods Eng'len zingen daar uw lof,
En wij te dezer Heil'ge stee.
Wij zingen met hun Koren meê.
6. Laat Cherubijn en Serafijn De tolken onzer liefde zijn :
Wij, zondaars, vallen voor u neêr, 0 Moeder van den Opperheer !...
7. Maar toch, gij hoort ons pelgrimslied. En smaadt ons dankgestamel niet; Vertoon ons aan uw lieven Zoon :
Gij zijt zoo digt bij zijnen troon.
236
In den spoortrein.
Zie de Liederen die hier volaen.
60.
DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MARIA.
W ij z e n, als het Vaandellied en het Oostenrijksche volkslied ; ~ St. Josef bij de kribbe; -Pius-lied; -Onbevlekt zijn de Eng'lèn-rijen; â Laten wij ons nederbuigen; â Zie ons. Moeder! öpgctögcn, â en vele Benedictien.
1. Laat mij nog een lofzang wekken,
Schoonste ! wie den hemel mint;
Blanke Lelie zonder vlekken,
Roze die geen weerga vindt !
Held re ster aan 's hemels kimmen,
Smettelooze morgengloor!
Laat mijn zangtoon tot u klimmen,
Bloem van Juda's maagdenkoor !
2. U mogt nooit het vonnis treffen,
Dat er kleeft aan 't aardsch geslacht: God wilde u den vloek ontheffen,
We ons doemt in Satans raagt.
Hij, die vóór alle eeuw regeerde,
Heer van leven is en dood.
Hij was 't die zijn Moeder eerde,
Toen zij werd in Anna's schoot.
3. Haar zou de eeuw ge Geest omzweven,
En zijn Bruid mogt niet bevlekt,
In wie Hij den God van 't leven Eens het aardsche leven wekt.
237
Goddelijk, Drieëenig Wezen !
Vader, Zoon, en Heil'ge Geest!
Eeuwig zij de gunst geprezen,
Die Gij aar» dit kind beweest.
4. Satan sloeg in nieuwe woede.
Toen hij quot;t vreemd geheimnis zag, En zijn nederlaag vermoedde Uit Maria's wordinsjsdas;.
O O
Was hij nimmer nog geweken.
Greep hij 't kiemend leven aan ;
Hier, hier is zijn magt bezweken.
Hier hem de eerste buit ontgaan.
5. God van eindeloos ontfermen !
Zie ons aan met vaderoog;
Wil voor Satan ons beschermen,
Die ons vaak aan U onttoog;
En gij, Moeder vol genade!
Die de helslang hebt verplet.
Vraag, dat ons geen zonde schade.
Maagd ! Ontvangen vrij van smet.
61.
De Oeboorte van Maria.
Wijzen: O Godsgezin! o drietal leden! â en: O gij, die boven de Eng'lenkoren.
1. Wat ster verschijnt aan 's hemels bogen! Wat stralen scheem'ren in 't verschiet!
238
Zoo zacht een licht rees voor onze oogen
In heel den loop der eeuwen niet. Is 't licht, zoo blijde ons toegeblonken,
De sterre niet van Jesse's Spruit ? Is daar geen zang ons toegeklonken, Aan de uitverkoren Hemelbruid ?
2. Reeds lacht het morgenrood ons tegen,
En kondigt met zijn vriend'lijk licht De heilzon aan, die opgestegen.
Den nacht vaagt voor haar aangezicht. Ja. zalige aarde ! stem uw zangen,
Zij kwam. zij kwam, de hemelmaagd. Door wie wij 's Vaders Zoon ontvangen, Het Lam, dat onze schulden draagt.
3. Een jubeltoon dringt door de graven.
Een lichtstraal door der dooden nacht; Straks valt de boei der kerkerslaven.
En uit is 't met de hellemacht!
Blij juicht het koor der hemellingen,
En de Eng'lenschaar ziet vol van min Op 't kindje neer, dat zij reeds zingen Als hunne en onze Koningin.
4. Ook wij, wij knielen dankend neder
Om uwe wieg, o heilig kind !
239
Uw leven brengt ons 't leven weder :
Hem baart ge ons, die den dood verwint. Laat, laat ons God eenstemmig pry zen.
Het heiluur onzer redding slaat: Maria leeft! de Zon gaat rijzen,
Wees welkom, schoone Dageraad !
62.
Maria's opdragt la den Tempel.
Eigen melodie.
1. Wie is het, die den heil'gen drempel
Zoo blij te moede binnenstreeft ? Wie 't minlijk kind, dat in den tempel
Den Heer haar jeudig leven geeft ? Het is de Maagd, door God verkoren.
Van alle zondesmet bevrijd,
Die Hem alleen wil toebehooren,
En algeheel en voor altijd !
0 kindje vol aanminnigheden !
Waar 's Heeren oog verrukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij heden Geheel aan Hem ten offer bied'.
2. Hoe lieflijk. Heer is uwe woning,
Zoo roept ze in zielsverrukking uit; Gij zijt mijn Schepper, Gij mijn Koning :
240
Neem mij voor eeuwig tot uw Bruid ! En Hem gewijd is 't eenzaam leven
Der vlekkelooze tempelmaagd ; Zij kent geen zoeter zielestreven, Dan al te doen wat Hém behaagt.
O
O kindje vol aanminnigheden ! enz.
Daar schenkt zij Hem haar lentedagen, Door 's werelds blikken niet bespied, Maar God heeft in zijn Bruid behagen,
Die Hem de reinste liefde biedt: Zoo staat in de eenzaamheid der dalen.
Verborgen voor des wand'laars oog, De reine lelie stil te pralen,
En beurt haar blanken kelk omhoog. O kindje vol aanminnigheden! enz.
O dat ook wij ons hart en leven.
Met de uitverkoren Moedermaagd, Geheel aan God ten offer geven.
En immer doen wat Hém behaagt. Maria! die in 't hoogste lijden
Uw trouw betoondet aan uw woord, O vraag, dat wie den Heer zich wijden.
Hem geven wat Hem toebehoort. O kindje vol aanminnigheden! em.
241
63
Harla- Boodschap.
Wijzen, als ]ict Vaiitidellied, Oostenrijksche volkslied eu Pius-lied; â Hoor, o zoetel â St. Josef bij de kribbe; â Laten wij ons nederbuigen; â Zie ons, Moeder! opgetogen, â Onbevlekt zijn de Eng'lenrijen; â en vele Benedhtien.
1. Jub'lend wil ik u bezingen,
Moedermaagd ! die op uw troon,
In het hoogst der hemelkringen,
Zijt gezeten naast uw Zoon;
De Eng'len om u opgevaren,
Blijven met verrukt gemoed In het diep geheimnis staren Van U beider liefdegloed.
2. quot;t Vloekwoord, op ons uitgesproken,
Klevend aan den schoot der vrouw. Werd voor u alleen verbroken,
In wie God eens wonen zou;
Vóór die heilzon op ging varen.
Schoot voor 's werelds wachtend oog. Vlekloos uit den nacht der jaren Uwe morgenster omhoog.
3. 's Heeren Engel werd gezonden.
Die, van vruchtbaar licht omhuld, U de boodschap kwam verkonden.
Die 't erbarmingsplan vervult;
Ja de hemel huwde aan de aarde :
1G
|
242 | ||
|
Hij, dien gij in Bethl'ems stal | ||
|
Zonder pijn of smarte baarde, | ||
|
Was de schepper van 't heelal ! |
2 | |
|
4. |
Dan wat zang komt hier te stade. | |
|
Meldt Maria's liefdevuur: | ||
|
Hoogste liefde der genade. | ||
|
Hoogste liefde der natuur ! |
3 | |
|
Neen. geen tong heeft dit vermogen : | ||
|
Chrisfnen ! zoo gi] 't wilt verstaan, | ||
|
Wendt dan naar het kruis uwe oogen. | ||
|
En ziet daar die Moeder aan !.... |
4 | |
|
5. |
Daiir is 't, dat ze in liéfdesmarte | |
|
't Offer van haar Jesus deelt, | ||
|
En Hij aan haar moederharte | ||
|
Ons als kind'ren aanbeveelt; |
5 | |
|
Moeder dan, door God gegeven ! | ||
|
Bid voor ons, bid uwen Zoon, | ||
|
Dat Hij eens in 't eeuwig leven | ||
|
Ons zijn heerlijkheid vertoon'. |
6 | |
|
| |
64. | |
|
Het gebed te Nazareth. | ||
|
Wijze: Maria! wil gedoogen. | ||
|
1. |
Gods ongeschapen Zoon, |
n i |
|
Gedaald van d'eeuw'gen troon. |
243
Ligt hier te Nazareth Geknield in zielsgebed.
Met haren Zoon en Heer,
Knielt ook Maria neer,
En Josef aan hun zij',
Voegt er zijn smeeking bij. 0 God ! welk een gezigt! . . .
O O
Het heiligst Drietal ligt, Die Moeder, Vader, Zoon ! Aanbiddend voor uw troon. Wat dan, wat gaat hier om, In 't arme heiligdom ?. . .
Hier biedt het nieuw Gezin U 't offer zijner min. Een Moeder, Vader, Kind ! Beminnend en bemind !
Brengt U voor 't eerst op aard' Een glorie Uwer waard.
Ik werp mij aan hun zij'; Om hen, neem ook van mij En heel mijn huisgezin. Het offer onzer min. Om 't wonderzoet gebed In 't arme Nazareth,
244
Zie welgevallig, Heer!
Op al de ruijuea neêr.
65
^larla-Bezoek.
ijzen: Kersnacht, een der langste nachten, â en: O Maagd, o schoonheid nooit volprezen!
Gods Moeder, 's hemels Koninginne,
IJlt, in haar teed're naastenminne,
Naar Juda s stad met snellen tred, En over 't hoog gebergte henen, Om ned'rig dienstb're hulp te leenen
Aan hare nicht Elisabeth.
Naauw komt ze er groetend ingetreden, Of hare nicht voelt op haar schreden
Het nad'ren van haar God en Heer! Voelt zich van heilgena doordrongen : Haar kind, van blijdschap opgesprongen,
Geeft in haar schoot zijn' Jesus eer. Drie maanden wijdt er in 't verborgen Maria hare teerste zorgen
Aan 't allerned'rigst dienstbetoon : O liefde ! o toonbeeld, ons sfeceven,
o O '
Maria dient!.... en Eng'len zweven
Rondom de Moeder van Gods Zoon ! 0 gunstbezoek ! op hare schrede Droeg ze ook haar Jesus met zich mede,
245
Eu 's werelds heil die woning in : Beschermster ! Moeder ! ons gegeven, Ach, in dit kommervolle leven,
Bezoek ook ons en ons gezin !
Ach dat uw Zoon van zonde ons heilig'. Ons huis voor alle kwaad beveilig'.
Ons zegene en ons huisgezin:
O dan, â dat is ons zoet vertrouwen, â Gaan we eens, gezegendste aller vrouwen! Met Hem en u ten hemel in.
06
Maria onder bet Krnls.
Eigen melodie.
Maria! 'k zie uw Zooii aan 't bloedig kruishout hangen,
U zevenmaal gewond, aan zijne voeten staan;
Gij zijt daar, om zijn blik, zijn zuchten op to vangen:
Zie, Moeder! naar uw Kind, Hij ziet u stervend aan. âO Vrouwe, zie uw Zoon! o Zoon, zie uwe Moeder!quot;
Zoo sprak Hij, en zijn oog daalt zeeg'nend op ons neer; U, Moeder! gaf Hij ons, zich zei ven ons tot Broeder,
Helaas! wat geven wij voor zooveel liefde weer ?
Toen, Moeder! hebt gij ons tot kind'ren aangenomen,
O draag met ons Hem op, wat Hem ons harte biedt; Zie duizenden tot u, bij duizendtallen stroomen.
Versmaad, o teed're Maagd! ons aller bede niet. Wil, Moeder! bij uw Zoon voor ons gena verwerven. Ons troosten in den nood, ons sterken in den strijd;
246
Eu in ons stervensuur, denk, hoe ge uw Kind zaagt sterven, Maria! toon ons dan, dat ge onze Moeder zijt.
67.
^lar ia-Ten he melopnem ing.
Wijzen, als het Vaandellied, het Oosten rij ksche volkslied en het Pius-lied; â St. Josef bij de kribbe; âOnbevlekt zijn de Eng'len-reijen; -- Laten wij ons nederbuigeu; â Zie ons. Moeder ! opgetogen; ~ Hoor, o Zoete! â en vele Benedietien.
1. Wie, wie zie ik opwaarts zweven,
Van liet zonnelicht omvloeid,
Van een kroongesternte omgeven,
Dat haar om het voorhoofd gloeit! Eng'len dartelen en spreijen
Edens bloemen voor haar voet.
Waar zij onder 't blij geleijen Naar haar Welbeminde spoedt.
2. quot;t Is de Maagd, van God verkoren.
Door der vad'ren stem voorzeid.
Die uit Davids stam geboren.
Eeuwen zuchtend was verbeid ;
Zij, na zooveel bange jaren,
Zij moest in een herderstal,
quot;t Wichtje door een wonder baren,
Dat de God was van 't heelal.
3. Blij dan zij haar lof' gezongen !
Van geslachte tot geslacht,
Worde door ontelb're tongen
247
's Werelds dank haar toegebragt : Zij, zij is het, die aan de aarde
Heil en vrede wedergaf;
Want liet wichtje, dat zij baarde, Sloeo- ons Satans kluisters af.
O
4. 0 dat we immer met vertrouwen,
In het leven, in den dood,
Opwaarts naar Maria schouwen,
Die haar kind'ren nooit verstoot; Waar Gods Eng'len neergebogen
Staan oin d' eeuw'gen glorietroon. Deelt zij Jesus' rijks vermogen. En beveelt ons aan haar Zoon.
5. Luide moet ons lied dan rijzen
Om de glorie die haar kroont. Luide Jesus' liefde prijzen.
Die oneindig haar beloont.
Heden dan met de Eng'lenkringen
Juichen wij, vervoerd van min. Maar, nog aardsche bannelingen. Roepen we ook haar voorspraak in. 68
Liefde tot Maria.
Eigen melodie.
1. Ja! 'k voel iu mij Maria's liefde leven,
't Is mij zoo zoet, te zingen van haar lof;
|
. ' v - 248 | ||
|
0 kou ik haar zoo groot een glorie geven, Als de Eug'lenschaar in 't reine hemelhof. fO Moeder ouzes Heeren! Welzalig die u eeren, Welzalig hij. die n zijn liefde wijdt, Wien gij ook met uw wedermin verblijdt. | ||
|
2 |
Neen, 'k zoek geen heil in ijd'le schijnvermaken, In wuft genot, gelijk de wereld biedt; Mag ik hier slechts Maria's liefde smaken, 'k Ben rijk genoeg, o meer verlang ik niet | 0 Moeder onzes Heeren! enz.f | |
|
3. |
Komt 's werelds glans, of vleitaal mij bekoren. Lokt zij mij aan met haar betoov'rend goed: Dan ruische mij Maria's naam in de ooren, Die liefdeklank is boven alles zoet If |
2. |
|
4. |
01 als ik zucht bij droeve jammerslageu. En stil mijn leed in 't weenend hart omsluit, Een Moeder heb ik, die haar kind hoort klagen, Ik spreek haar naam, en al mijn smart heeft uit.f |
3. |
|
5. |
Wat dan verkeere in 's levens wisselkringen, 'tZij 't vlugtend uur mij vreugd of lijden bied': Het blijft mij zoet, Maria's lof te zingen, Welzalig hij, die hare gunst geniet if | |
|
69 Smeeklied tot -Maria. |
4. | |
|
OM EEN ZALIG LEVEN EN STEEVEN. | ||
|
1. |
Eigen melodie. Ootmoedig vallen we u te voeten, 0 goede Hemelkoningin ! |
5. |
249
Gedoog, dat we u eerbiedig groeten, Als kind'ren van uw huisgezin.
fZoo wij u smeeken Wat God behaagt:
0 wil dan voor ons spreken, Gij, teed're Maagd !
Uw Zoon zal 't schenken
Wat gij Hem vraagt.
En 't kind gedenken.
Dat tot u klaagt.
2. Wij bidden met bewogen harten,
O goede Hemelkoningin !
Gedenk ons om uw Zeven Smarten, Als kind'ren van uw huisgezin.
fZoo wij u smeeken em.
3. Wil ons uw trouwen bijstand geven,
0 goede Hemelkoningin !
Zoolang we in ballingschap hier leven. Wij kind'ren van uw huisgezin.f
4. Wij bidden u, wil u ontfermen,
0 goede Hemelkoningin !
Wil ons, 'tzij rijk of arm, beschermen. Als kind'ren van uw huisgezin.f
5. Ach bid. dat Jesus onze zonden,
0 goede Hemelkoningin !
250
Ons kwijtschelde om zijn dierb're wonden, Als kind'ren van uw huisgezin.f
G. Dat we altoos om varffevinjc zuchten,
O O »
0 goede Hemelkoningin !
En zorgzaam alle zonden vlugton, Als kind'ren van uw huisgezin.f
7. En zijn we in zielesmart of' lijden,
O goede Hemelkoningin !
Wil gij ons met uw troost verblijden. Als kind'ren van uw huisgezin.f
8. Naakt eens voor ons het uur van scheiden,
O goede Hemelkoningin !
Ach, help ons tot den dood bereiden, Ons, kind'ren van uw huisgezin.f
9. Dekt reeds de doodskleur onze wangen,
O goede Hemelkoningin !
Laat ons uw moederhulp erlangen, Als kind'ren van uw huisgezin.
10. Als Satans listen ons bekoren,
O goede Hemelkoningin !
Laat ons uw zoete stem dan hooren. Ons, kind'ren van uw huisgezin.f
11. Kom dan, o kom de hoop ons geven,
O goede Hemelkoningin !
251
Vau 't eeuwig zalig glorieleven, Ons, kind'ren van uw huisgezin, f 12. En in het uur van ons verscheiden, O goede Hemelkoningin !
Ach ! wil ons tot uw Jesus leiden, Als kind'ren van uw huisgezin, 'tis. Dan zal Hij rekenschap ons vragen, 0 goede Hemelkoningin !
Als Heer en Rechter onzer dagen, Ons, kind'ren van uw huisgezin, f
14. Spreek dan, spreek dan voor ons, o Moeder!
O goede Hemelkoningin !
Bij uwen Zoon en onzen Broeder, Als kind'ren van uw huisgezin, f
15. Verwerf, dat wij in 's hemels hoven,
O goede Hemelkoningin !
Met alle Heiligen u loven,
Wij kind'ren vau uw huisgezin, f 70.
.A^OHSTIDZ^llSrG--
TV ij z e: Ave rosa sine spina.
1. Minlijk-lichtend van den hoogen.
Diep in 't blaauw van quot;s hemels bogen, Ziet gii als met mededoogen.
Goedige Avondster ! ons aan :
252
Vriend'lijk straalt gü altijd neder, Of t een blik is zoet en teeder,
Dien een Moeder altijd weder Op ons broedertal laat gaan.
2. Dooft de vreugdezon haar stralen,
Zien wij d' avond om ons dalen. Gij gedoogd niet, dat wij dwalen,
Trouwe Ster! gij toont uw licht; t Is ons in ons pelgrimsleven,
Van den lijdensnacht omgeven,
A.ls een straal, die uit komt zweven, Van Maria's aangezicht.
3. Zal het laatste licht ons stralen, s Levens avond voor ons dalen,
't Brekend oog in nacht gaan dwalen :
Hemelster! blijf voor ons staan; In den doodsnacht, vol verschrikken, Wil ons, Moeder ! met uw blikken. Vol van liefde en licht, verkwikken: Wenk ons, tot u op te gaan !
71.
Het quot;Wquot;ees GS-ecj-i-oei;.
(Wees gegroet op kindertoon.)
W ij z c : Lieve moeder van den Heer ! â en vele melodien.
I. Wees gegroet op kindertoon.
Wees gegroet, Maria ! Moeder
253
Van Gods Eéngeboren Zoon, Onzen menschgeworden Broeder ; ü, die onze Moeder zijt,
U zjj ook mijn lied gewijd !
2. Alle gunst vond gij bij God, Alle volheid van genaden ;
Ach, zij ook zijn gunstgenot Mij ten troost op 's levens paden Moeder Gods ! o bid voor mij, Dat ik Hem gevallig zij.
3. Mét u is uw God en Heer ! Wie zou u geen glorie geven ?
O mogt ik ook Hem ter eer, Altijd in zijn liefde leven ! Bid, Maria ! bid voor mij, Dat dit al mijn streven zij.
4. Wie zal ons uw heil'ge jeugd, Wie, gezegendste aller vrouwen !
Vol genade en vol van deugd, Al uw heerlijkheid ontvouwen ? Bid, Maria! bid voor mij. Dat ook ik gezegend zij.
5. Ja, dat mij uw God en Zoon, Aller Zaligmaker, zegen'!
254
Stroom' zijn liefde en gunstbetoon Op uw smeekgebed mij tegen ! Moeder Gods! o bid voor mij, Dat uw Zoon myn Jkstjs zij.
6. Lieve Moeder ! o mijn vreugd ! Bid voor mij, en bid voor allen,
Die door godsvrucht, reine deugd. Streven naar uw welgevallen; Bid voor ons in allen nood,
En in 't uur van onzen dood.
72.
JESXJS EETU Na de H. Communie.
Wijze: Dat Jesus lev'! â en eigen melodie.
1. Aan Jesus eer!
Zoo stijve ons dankbaar smeeken,
Aan Jesus eer! door aarde en hemelheer!
O zoete naam, dien ik nimmer kan spreken, Of 'k voel te feller in liefde me ontsteken,
Aan Jesus eer!
2. Aan Jesus eer!
Is 't lied der Cliristenseharen,
Aan Jesus eer! Hem, onzen God en Heer,
Die al wie trouw om Hem henen vergaren.
Trouw in den strijd voor zijn naam zal bewaren, Aan Jesus eer!
255
Aan Jesus eer!
Mag ook de zondaar zuchten,
En tot zijn Heer ga Mij rouwmoedig weer; Geen boet'liiig, neen! heeft zijn wrake te duchten, Hij heeft alleen in zijne armen te vlugten, Aan Jesus eer i
Aan Jesus eer j Is 't lied van 't zielsvertrouwen,
Aan Jesus eer! zoo roepen we immer weer ;
IToe langer toch wij zijn wonden beschouwen, Hoe méér ons ook onze zonden berouwen. Aan Jesus eer j
Aan Jesus eer !
Is 't lied der hemelzalen,
En 't Eng'lenheer valt diep aanbiddend neer; Dat moet heel de aard' met haar tongen en talen. Dat al wat is door alle eeuwen herhalen, Aan Jesus eer!
Aan Jesus eer!
Nog eens het aangeheven!
Aan Jesus eer! en immer, immer meer ! Aan Hem alléén zij van mi af ons leven, Aan hem gehéél ons ten offer gegeven! Aan Jesus eer !
Aan Jesus eer i Zoo blijve ons danklied stroomen,
Aan Jesus eer! voor eeuwig onzen Heer! Hij zélf. Hij zélf is nu in ons gekomen.
Hij zélf heeft ons tot de zijnen genomen: Aan Jesus eer!
256
73
Aan .Itisns deuken is reeds zoet.
JESU DULGIS MEMORIA.
quot;Wijzen: Gegroet, 0 Hemelkoningin! â Wij groeteu u, o zuiv're Maagd! â Gulden levensregelen; â Gegroet gij, Sterre van liet meer! â en: O Willibrord! die van omhoog.
1. Aan Jesus denken is reeds zoet,
't Geeft ware blijdschap aan 't gemoed ; Maar Jesus' zoete bijzijn gaat Voor honig en al wat bestaat.
2. Niets zoeters brengt een zangtoon voort, Niets streelenders wordt ooit gehoord, Aanminnigers wordt niets gedacht
Dan Jesus, door God voortgebragt.
3. O Jesus ! hoop voor al wie boet.
Wat zijt Gij voor den smeek'ling goed, Voor wie U zoekt, hoe teêrgezind,
Maar wat voor hém wel, die ü vindt!
4. Geen tong, neen, spreekt het immer uit. Geen letter, die het ooit beduidt:
Wie 't smaakte dit geheimenis.
Hij weet, wat Jesus minnen is.
5. Wees, Jesus ! onze ziele vreugd.
Die 't loon eens wezen zult der deugd ;
257
Zy onze roem in U alleen,
Door al der eeuwen eeuwen heen.
74.
-A-A-TsT XDEIST HC. JOSEF.
Wijze; Wees gegroet, o Voedstervader!
Eenigen. i. Heil'ge Josef! trouwe Hoeder Van nw god'lijk Voedsterkind, Die uw' Jesus heel uw leven Onuitspreeklijk hebt bemind: ( Heil'ge Josef! vraag dat wij
\ Hem beminnen zoo als gij.
Eenigen. 2. Heil'ge Josef! die nw' Jesns In uw stulpje met u hadt. Vaak van d'arbeid tot Hem opziend, Stil en innig Hem aanbadt: ^ Heil'ge Josef! vraag dat wij
l Jesus dienen zoo als gij.
Eenigen. 3. Heil'ge Josef! door Gods Zone In uw ned'rig werk verligt. Daar Maria 't oog vol liefde Op haar Kind en Bruigom rigt: i) Vraag, dat in hun aanschijn wij
( Ons verblijden zoo als gij.
Eenigen. 4. Heil'ge Josef! die in de armen Van nw Bruid en Pleegkind stierft,
17
Allen.
Allen.
Allen.
258
En voor uw getrouwe liefde 't Loon der eeuwigheid verwierft: Heil'ge Josef! vraag dat wij Zalig sterven zoo als gij.
75.
Bede aan. cl en Josef.
Wijzen: het Spaansche volkslied;â 0 beeld van 'treinsteleven,â en: O beeld der schoone liefde.
1. O Josef! Voedstervader
Van Jesus, onzen Heer,
Wij treden biddend nader,
En knielen voor u neer;
Want in uw vaderarmen
Draagt gij het godlijk Kind;
't Zal onzer zich erbarmen.
Wijl 't uw gebed bemint.
2. Wil, Josef! voor ons vragen,
Dat wij in 's levens lot Ons naar zijn wil gedragen,
Getrouw aan zijn gebod.
Wil door uw beê verwerven,
0 trouwe Toeverlaat!
Dat wij den hemel erven,
A.ls eens ons sterfuur slaat.
3. Wij smeeken u te gader.
Patroon van Jesus' Kerk !
Allen,
259
Blijf, Josef! ons ten vader,
Ten steun bij al ons werk ; Vraacr ons niet Jesus' Moeder
Zyn linlp in allen nood. En blijf ons trouw ten hoeder, Van nu tot in den dood.
76.
HÃLDE EN BEDE AAN DEN H. JOSEF.
W ij z e: 11. Josef! trouwe Hoeder.
1. Wees gegroet, o Voedstervader
Van Gods menschgeworden Zoon ! Duld, dat ons Gezin u nader',
U vol eerbied hulde toon',
U, aan wien de Heer van 't Al Zijn geliefden Zoon beval.
2. Wees gegroet, o trouwe Hoeder
Van Gods uitverkoren Maagd ! Die haar Jesus, onzen Broeder, In haar moederarmen draagt;
O 7
Koninklijke Bruidegom â
Hoofd van 's werelds heiligdom.
3. Wees gegroet, o hoogverheven
Gunst'ling van Gods Heil'gen Geest Hoe onschuldig is uw leven,
260
Hoe behaag'lijk Hem geweest, Dat Hij, Josef! u aanschouwd, U zijn Bruid heeft toevertrouwd. U vereerd dan, u gebeden,
Hoofd van t Heilig Huisgezin ! Waar het leven al der Leden Oifer was der hoogste min ;
Waar, door Vader, Moeder, Zoon, 't Huis werd tot Gods tempelwoon. Daar is 't beeld der Godsgezinnen, 't Stil begin der aardsche Kerk ; Daar de voorsmaak van 't beminnen, Dat eens 't loon is naar ons werk, Als wij, zaamhereend, in 't licht Wonen van Gods aangezigt! 't Is uw lust, o goede Vader
Van 't Gezin aan God gewijd ! Dat het u vrijmoedig nader',
Daar ge ons aller voorspraak zijt; Bid voor ons dan en ons werk, Ons gezin en Jesus' Kerk.
Vader Josef! teed're Moeder!
Heft uwe smeekende ouderhand Tot uw Jesus, onzen Broeder Voor ons dierbaar Vaderland :
261
â â
Eén geloof, één zelfde min Voere ons zaam tot één Gezin !
Ti.
i
â Tt-
LOFLIED AAN ONZEN H. ENGELBEWAARDER.
Wijzen: Ons geboren is een Kind; â Aan den H. Joannes; Vreedzaam wandelt ster bij ster.
1. U, die om den zetel dient
Van den Heer der heeren,
Zijn Gezant, mijn Zielevriend,
'k Wil u dankbaar eeren.
2. Gij, die eeuwig u verblijdt
In het godlijk wezen,
Maar ook mijne vreugd hier zijt, Engel! wees geprezen.
3. Gij omzweeft mij nacht en dag,
Schutsgeest, mij gegeven !
Moge ik rein in vroom ontzag Voor uw bijzijn leven !
4. Gij, ja ! blijft mij onverdiend
Al uw liefde toonen :
Laat mij, teed're Hemelvriend ! U met liefde loonen.
5. Gij geleidt, verlicht, behoedt.
Trouwe Gids ! miji! schreden ;
262
Gij ook sterkt mijn zwak gemoed Door uw smeekgebeden,
Veilig is mijn levensbaan,
Wie mij ook bestrijden;
U, mijn Engel! roep ik aan.
Gij zult mij bevrijden.
Blijf, o blijf in allen nood Mijner u ontfermen.
Maar vooral, wil bij mijn dood. Wil mij dan beschermen!
Als mijn ziel aan de aarde ontgaat. Wil mij niet begeven :
Voer haar, trouwe Toeverlaat!
In het eeuwig leven.
78
-A-A-KT IDElSr ZE-Ã. JO-A-HSTHSTIBS.
ijzen, als: Aan den IT. Engelbewaarder; â Ons geboren een Kind, â en: Vreedzaam wandelt ster bij ster.
Uitverkoren bloedverwant Van 't Gezin des Heeren,
U, die onze bede hoort.
Moet ons loflied eer en.
Grooter bragt geen vrouw ooit voort. Naar het woord des Heeren :
263
U, die onze bede hoort,
Moet ons danklied eeren.
3. Gij, die 't Godslam van nabij
Ons hebt aangewezen,
Wees door onze broeder rij,
Heilheraut! geprezen.
4. Leden wij van 't Godsgezin,
Dat we eenparig eeren,
Roepen we ook uw voorspraak in, Bloedverwant des Heeren !
5. Hoor de bede gunstig aan,
Die wij .op doen rijzen :
Wil ook ons op 's levensbaan 't Godslam altoos wijzen.
79
»
IjofliecL aan. cle ü- ^Eoeclex'.Ajn.aaa-
W ij z e n : Lieve Moeder van den Heer ! â en : Wees gegroet op kindertoon.
1. Moeder Anna ! luid en blij
Moet ook u mijn loflied rijzen ;
Moeder van Gods Moeder, gij,
'k Moet uw nieuwe glorie prijzen:
Straalt er op de dochter eer, 't Schittert op de moeder weêr.
264
2. Ver reeds als de lichtstraal schiet, Vloeit van duizend dankb're tongen
t Nauw-verkondigd zegelied : t Wordt door de Eng'len meegezongen, 't Godlijk-stil geheimenis,
Dat in u voltrokken is.
3. Wonder zonder wederga !
Vlekloos hebt gij haar ontvangen,
Door uws Heeren heiigena,
t Kind dat ge aan uw hart mogt prangen Anna ! ja alleen uw kind Is aldus door (Jod bemind !
4. En ik zou niet luid en blij ü in uwe dochter prijzen!
Moet niet aller eeuwen rij t Loflied voor u op doen rijzen !
Wie is als uw vlekloos kind,
Wie ooit heeft als zij bemind !
3. Van uw dochter zonder smet Straalt de weerglans op u neder:
Keert, o Anna ! uw gebed Pot haai Zoon ooit vruchtloos weder ? Moeder van Gods Moeder, gij.
Bid dan, Anna ! bid voor mij.
265
SO
SmeelczaTig- aa,3a d.e KC. Bar-tostxa,
DljzoMere Patrones voor een zalig sterlnur.
Wijzen: Gegroet, o Ilemelkonin^in! â Wij groeten u, o zuiv're Maagd! â Gulden levensregelen;âO Willibrord! die van omhoogGegroet gij. Sterre van het meer! --0 Moeder Gods! o reinste Maagd! âen: O Kindje Jesns! arm als wij.
1. O teed're Maagd en Mart'lares !
Aloude, trouwe Patrones
Der zielen in haar jongsten strijd : Dat dan uw blik ook mij verblijd'!
2. Niet door slechts eene stervenssmart : Dooi' dood- aan doodkamp ging uw hart, Eer gij, o Barbara ! door 't zwaard
Van 's vaders hand ten hemel vaart.
3. Naar 't offer, voor 't geloof gebragt, Is ook uw glorie en uw magt;
Ons Neêrland tuigt het luide mee:
Niet onverhoord laat God uw beê.
4. Hier roept sinds eeuwen 't vroom gezin Voor 't stervensuur uw voorspraak in: En, 't zij dan traag of ras genaakt, Wie heeft uw troostblik niet gesmaakt.
5. Gedenk mij, goede Barbara !
Dat ik toch sterve in Gods gena,
2G(5
En Jesus, eei- ik de aavde ontzweef,
Zich mij ten zaal'ge Teerspijs geef.
81.
Smeeklied aan den II Wlllibrordns,
Apostel en Fairoon van KeJerianl
quot;W ij z e n : Wij groeten u, o zuiv're Maagd! â Gegroet, o Hemelkoningin ! â Gegroet gij, Sterre van het meer! â O Moeder Gods! o reinste Maagd! âO Kindje Jesus! arm als wij, â en : Gulden levensregelen.
1. O Willibrord ! die van omhoog Ons gaslaat met beschermend oog,
Hoor 't nageslacht der vad'ren aan. Met wie gij zelf hebt omgegaan.
2. Zie Neerland aan, uw roem en kroon, Gij onze Apostel en Patroon !
Hier hebt gij, moedig Godsgezant!
Hier Jesus' heilbanier geplant;
3. Hier half een eeuw zijn naam verbreid, Zijn Bruid een' zetel toebereid.
Hier door uw ijver en gebed Mijn vad'ren uit den dood gered.
4. Ach ! elfmaal ging een eeuwkring rond, Sinds gij hier Satans rijk verwont;
En nu ! ach meer dan 't half geslacht â Het zonk terug in 's vijands magt.
267
Geliefde Vader en Patroon !
Zie Neêrland aan, uw roem en kroon : Bid, Willibrord! bid bij den Heer,
Dat al wie doolt eens wederkeer'. 6. Ach voer hen met uw trouw gezin, Ach voer ook hén uw glorie in :
O gij, die 't kruis hier hebt geplant. Bid voor uw dierbaar Nederland !
82.
JUBELLIED AAN DE H. XIX MARTELAREN VAN GORKÃM.
Wijzen, als Lied 81 en 80.
1. Tot u, o Gorkumsch Heldental! VVeerklinke luid mijn lofgeschal;
Tot u, door wie mijn ziel ontgloeit. Van dankb'ren jubel overvloeit.
2. Gedenk ik, hoe ge op onzen grond Uwe onverwelkb're kroonen wont, Dan juich ik bij uw heldenmoed:
Ook ik ben van uw Neêrlandsch bloed.
3. Ik juich, daar ge in den dood niet buigt. Maar trouw voor 't Hoofd der Kerk getuigt,
o O 7
En nu, door Pius' hand gekroond. Als Heil'gen in Gods glorie troont.
4. Ik juich, als gij zoo onversaagd Maria Moeder prijst en Maagd
268
En onze en 's hemels Koningin: Verrukt stemt heel mijn ziel het in !
5. Maar sterft gij voor 't Geheimenis, W aar Jestjs zelf ons voedsel is : Dan, naamloos is mijn ziel verblijd, Dat ik het ook met u belijd.
6. Dat ik met u één God, één Heer, Eén geest, één ligchaam, doop en leer In de ééne Moederkerk beken,
En onverdiend haar kind ook ben.
7. Drie eeuwen vloden sedert heen. En ons en uw geloof is één :
O voer' het, bij één hoop, één min. Ook ons uw Kerk der glorie in!
83.
SCHOON LIED VAN HET ALLERHEILIGSTE SAKRAMENT.
Eigen melodie.
Eeae stem.
1. O Christen ! sterk
't Geloof, en merk Dit liefdewerk.
Waar God algoed Met vleesch en bloed.
Hij zelf u voedt.
269
Allen.
fWees, o Jesu !
Die ons steeds nu Hier in 't vleesch U Bezitten doet,
0 Jesu zoet!
Wees, wees gegroet.
Eene stem.
2. fDaar in dien krans
Der Remonstrans,
Is Christus gansch ; Van brood en wijn,
Daar enkel zijn Gedaante en schijn.
Allen.
fWees, o Jesu i em., ah bovev, eti zoo vervolgens.
Eene stem.
3. De Hostie daar,
De schijn voorwaar Van brood is 't maar ; 't Blijkt wel gewis
't Geheimenis;
Dat Jesus 't is. f
4. Kniel, kniel dan neer Voor d' Opperheer,
270
En vraag niet meer,
Hoe dat geschiedt;
Zie 't oog het niet.
't Geloof 't wel ziet. f
5. Met Cherubien En Serafien Wil hulde biên ;
Val voor Hem neer,
Geef, geef Hem eer,
Uw' God en Heer. f
6. Ach bij mijn dood En jongsten nood.
Wees, Hemelsch Brood !
Mijn zielespijs
Op mijne reis Naar 't Paradijs, f 84.
G-Tj-lcLeirx Xie-verLsr-eg-elein..
W ij z e n : Gegrroet, o Hemelkoningin! â Wij groeten u, o zuiv're Maagd! â O Willibrord! die van omhoog; â Aan Jesus denken is reeds zoet; â Gegroet gij, Sterre van liet meer ! â O Moeder Gods! o reinste Maagd! â en: O Kindje Jesus! arm als wij.
1. Welzalig die op God vertrouwt,
En op geen hulp van menschen bouwt;
271
Onmooglljk toch breekt God zijn woord, Van menschen is dit wel gehoord.
Bewaar uwe eer, hoed u voor schand': Eer is voorwaar een kostbaar pand ; Zoudt ge op verkeerde wegen gaan, Dan is het met uwe eer gedaan.
Verleent u God soms overvloed.
Verheft u niet op 't aardsche goed ;
Niet daarom is 't u toevertrouwd,
Maar dat ge er Hém meê dienen zoudt. Laat vroomheid, meer dan goud of goed, Gevallig zyn aan uw gemoed ;
Want als u 't aardsche goed ontschiet. Verlaat u nog de vroomheid niet.
Gedenk den arme t' allen tijd,
Als gij van God gezegend zijt;
Opdat niet li zy weggelegd.
Wat Christus van den Rijkaard zegt. Heeft iemand u iets goeds gedaan. Zoo denk er altijd dankbaar aan.
En ziet ge uw broeder in 't verdriet, Onthoud hem uw vertroosting niet.
Werk in de dagen uwer jeugd Met onvermoeide vlijt en vreugd ;
|
272 | ||
|
Want is de stroeve grijsheid daar, | ||
|
Dan valt u de arbeid al te zwaar, | ||
|
8. |
Verlaat u soms het wuft geluk, |
1 |
|
0 dat het niet te zeer u drukk' : | ||
|
Begin en eind' zijn niet gelijk. | ||
|
Doch allereerst: Zoek 't hemelrijk ! | ||
|
0. |
Zie toe, dat u geen drift ontvlamm'. |
1 |
|
Noch alle beuzeling vergramm' ; | ||
|
De drift verblindt, en onderscheidt | ||
|
Geen regt van ongeregtigheid. | ||
|
10. |
Vlugt alle praal en hoovaardij. | |
|
Opdat het niet uw onheil zij; |
w | |
|
Zoo menig had niet diep gezucht. | ||
|
Was praal en hoovaardij gevlugt. | ||
|
11. |
Beraad u wél: de tyd is boos. | |
|
De wereld valsch en goddeloos ; | ||
|
Hangt ge onbedacht der wereld aau, | ||
|
Het wordt niet ongestraft gedaan. | ||
|
12. |
Doe steeds wat regt is voor Gods oog. | |
|
Dat op u neêrziet van omhoog ; | ||
|
Trek u geen blaam van menschen aan: | ||
|
Want wie heeft allen ooit voldaan ? | ||
|
13. |
Zorg altijd, dat ge u wél bezint, | |
|
En 't einde ziet eer gij begint; |
273
Want eerst gedaan en dan bedacht,
Heeft velen in veel leed gebragt.
14. De dwaze steunt op tiid'lijk goed,
Dat als een schaduw henenspoedt; De wijze zoekt wat niet vergaat,
En kiest zijn God ten toeverlaat.
15. Roep God in al uw nooden aan,
Die, naar zijn woord, u bij zal staan ; Gewis ! Hij redt uit nood en dood Wie trouw volbrengt wat Hij gebood.
85.
liOtzang van bet H. Sa kram ent .
Wijzen, als het Oostenrijkscho volkslied, het Vaandellied en het Pius-Lied; â St. Josef bij de kribbe ; â Onbevlekt zijn de Eng'len-reijen; â Zie ons, Moeder! opgetogen; â Hoor, o Zoete ! â en vele Benedictien.
1. Laten wij ons nederbuigen
Voor dit Hoog Geheimenis,
Laat en mond en hart getuigen :
O O
Dat Gods eigen Zoon hier is.
Wat Hij sprak, het kan niet falen,
»'t Is mijn Ligchaam, 't is mijn Bloedquot;; En zijn Kerk, hoe kan zij dwalen.
Daar Gods eigen Geest haar hoedt ?
2. Hij dan rust hier voor onze oogen
In dit Heilig Sakrament,
274
Die in liefde en alvermogen
Mate noch beperking kent: Hij, wien de Engelen aanbidden
Op zijn lioogen hemeltroon, Hij kwam neder in ons midden, 's Vaders ongeschapen Zoon.
3. Die een Maagd heeft uitverkoren
En voor alle smet bewaard ; Die als Kind uit haar geboren.
Met ons wonen kwam op aard' ; Met ons werken, met ons weenen, 't Leven geven door zijn dood ; Die door graf en voorborgt henen, 's Hemels glorie ons ontsloot.
4. Hij, wiens offer wij belijden
In 't omsluijerd Sakrament, Hij is hier, als in 't verblijden
Van des hemels glorietent; Hij moet hier als daar geprezen.
Hij, dooi- wien wat ademt leeft! Die verwinnend eens verrezen,
Hier de onsterflijkheid ons geeft.
5. Hij is hier, die opgevaren,
Aan des Vaders zij' regeert; Die zich ons zal openbaren.
275
Als Hij op de wolken keert; Die ten troost in 't sterflijk leven,
Zélf zich hier ten onderpand Van de glorie wilde geven,
Die ons wacht in 't Vaderland.
6. Hij, ja! is de Heer der heeren.
Die hier alles tot zich trekt ; Die door liefde wil regeren;
En door liefde liefde wekt. Dat dan 't Ongeloof eens zwijge
Bij dit godlijk liefdeblijk;
Dat de liefdebede stijge :
«Laat toekomen, Heer! nw rijk.quot;
7. Glorie dan zij Hém gegeven,
Eindelooze lof en dank.
Die op d'avond van zijn leven
Ons zich gaf tot spijs en drank. Goede Jesus ! zie , wij knielen Diep-bewogen voor u neer;
Wees de Koning onzer zielen : Liefde toch vraagt liefde weer !
8. Al ons leven, lijden, strijden
Zij ten dank U toegebragt.
Alle zegen en verblijden.
Wat door U op aarde ons wacht;
270
Wil clan, Jesus ! wil ons geven,
Dat geen zonde ons van ü scheid', En wij U na 't sterflijk leven Zien in uwe heerlijkheid.
80.
-A-a-üi-oeipim-cr -van- den. ü. Ca-eest.
VENI S-VNCTE SPIRITUS.
Wijze, als het Kerslied; Juicht, omenschea! â eu: StabatMater.
1. Heil'ge Geest! kom laat uw stralen Uit den hemel op ons dalen,
Die der armen Vader zijt:
Kom, o Gever aller gaven !
Kom de droeve harten laven.
Dat uw heillicht hen verblijd'.
2. Zoete Gastvriend onzer zielen ! Levensbalsem voor wie vielen,
Rust bij 't zwoegen van den dag; Kom, o Laafbron! 't heete woelen Der ontgloeide drift verkoelen,
Troost in alle weecreklacr !
O O
3. Zalig Licht! o doe uw stralen In het diepst des harten dalen.
Van 't geloof in U vervuld;
Komt uw kracht ons niet doordringen.
Niet« dun in ons, stervelingen,
Niets is zo.idor schade of schuld.
4. Wil in ons 't onreine wisschen,
Wil 't verdorde in ons verfrisschen,
Heelen wat er wond ontvinjj:
O 7
Wil wat stug is in ons breken,
't Koude weêr in gloed ontsteken,
Rigten wat het spoor ontging.
5. Geef wie trouw in ü gelooven 't Zevengavental van boven,
Dat hen sterke in alle deugd ;
Geef hun, haar vergelding te erven.
Geef, o geef een zalig sterven.
Geef hun de eeuw'ge hemelvreugd.
87.
Smeeklied voor onzeu 11. Vader.
Wijzen, als liet Vaandellied, Pius-Lied eu het Oostenrijkscli volkslied; â St. Josel' bij de kribbe; â Laten wij ons neder-bnigen; â Onbevlekt zijn de Eng'lenreijen; â Zie ons. Moeder! opgetogen; â Hoor, o Zoete! onze groete, â en vele Benedietien.
1. Lofzingt, alle Christenscharen !
Jesus, hoe de helmagt woed',
Jesus blijft zijn Kerk bewaren,
Zich verworven door zijn bloed; Nam Hij Pius, vol van jaren,
Hij gaf Lko, die haar hoedt.
278
2. West en Oosten, Zuid en Noorden,
't Voelde 't hart van liefde slaan ; Liet in duizendvoude akkoorden Eén gejuich ten hemel gaan;
Hief, in tranen meer dan woorden, Eén gebed voor Leo aan :
3. »Laat, Heer! Vader Leo leven,
»Maar weêr zeet'lend op zijn troon ; »Hebt Gij hem uw kruis gegeven:
»Zie hij 't ook, ten lieldeloon, »Zeeg'nend over de aard' verheven: » Geef hem uw verwinningskroon !quot;
4. Pelgrims ! blijft die beê herhalen,
Eén van hart en één van min; »Laat toch. Heer! uw zegen dalen
»Op het Hoofd van uw Gezin ; »Laat uw groote glorie stralen :
»Geef, dat Leo overwinn'!quot;
88.
Ond Lied van bet Rozenkransje.
Eigen melodie.
1. Rozenkransjen ! u zij lof,
Uit den hof Van den hemel neêrgezonden,
279
Van verscheiden bloempjes schoon, Als een kroon,
Wel gevlochten en gebonden.
2. Edel kroontje, dat er staat
Voor sieraad Op het hoofd van Gods Vriendinne ; Gulden kroone, die bekroont En verschoont 's Hoogen hemels Koninginne.
3. Allerliefste roosplantsoen,
Altijd groen,
En gij draagt sneeuwitte rozen ;
Op elk blaadje zeer bekwaam Staat de naam Van Maria uitverkozen.
4. Kransje, dat u zoo behaagt,
Moedermaagd !
Waar men tusschen vijf robijnen Van ons Heeren Gods gebed, Wondernet,
Ziet uw frissche roosjes schijnen !).
5. Psaltertje ! gij maakt bevreesd
's Boozen geest,
1) De vijf O ii/. o Vaders on de tien Wees gegroet en.
280
Die eer Saül kwam bespringen, Als hij hoort de zoete taal Menigmaal Van 't Ave Maria zingen. Kostelijkste ketentjen,
Dat ik ken,
Beter was er nooit te vinden, Om den boozen vijand fel Van de hel Krachteloos en vast te binden. Kransjen ! als ik zonderling Voor een rins: U ga dragen aan mijn vinger : Tegen het hoovaardig vat Goliath
Zijt gij mij een Davids-slinger.
Gij verzelt mij waar ik ga, Waar ik sta ;
Zal ik ergens gaan of reizen, Met ii kort ik weg en tijd. Die 'k verslijt Met te lezen en te peizen.
Als ik in mijn kamertjen Met h ben.
281
In de kerk of in een hoekje:
Gij dient mij daar altemet Ten gebed,
Of voor een godvruchtig boekje.
10. Altijd ik u medevoer
Aan mijn snoer,
Leidraad ! die mij kunt geleiden Tot Maria's zoeten schoot In den dood.
Daar ik nimmer van moet scheiden.
11. Dat dit lieve kransje zij
't Snoer, dat mij Met Maria voeg' te zamen ;
En ik haar, die ik nu dien.
Moge zien In het eenwig leven. Amen.
89.
AAN DE VERHEVEN MOEDER ONZES ZALIGMAKERS.
ALMA. REDEMFTOMS MATER.
Wijze: Gegroet, o Hemelkoningin!
1. Verheven Moeder! uit wier schoot
Ave Maria. Ons aller Zaligmaker sproot;
Ave. Maria.
282
Verheven Moeder! uit wier schoot Ons aller Zaligmaker sproot;
Ave, Ave, Ave Maria.
(En zoo vervolgens.)
Gij, Hemelpoort! die open staat,
Ave Maria. Gij, Zeester ! die ons niet verlaat;
Ave Maria. Breng 't vallend volk, dat op wil staan,
Ave Maria. Breng gü liet uwen bijstand aan ;
Ave Maria. Die, waar natuur verbaasd op staart.
Ave Maria. Uw Heil'gen Schepper hebt gebaard ;
Ave Maria. Gij, Maagd, zoo vóór als na dien stond.
Ave Maria. Neem 't ave van des Engels mond ;
Ave Maria. En zie, o Moeder van den Heer!
Ave Maria. Ontfermend op ons, zondaars, neêr.
Ave Maria.
283
90
LIEF DEK Li 40T TOT Igt;E1V ZONDAAR.
Eigen melodie, en: O zalig, heilig Bethlehem!
Christus.
(Weinige stemmen.)
1. Mijn kind ! wat heb Ik u misdaan, Dat gij mijn roepstem niet wilt hooren;
Ik nam voor u de menschheid aan, 'k Ben in een stal voor u geboren.
'k Heb toen mijn kinderlijk gezucht. Mijn bloed reeds voor u opgedragen;
Ik ben voor u vervolgd, gevlugt:
Mijn kind! wat hebt ge om Mij te klagen?
De zondaar.
(Allen.)
Barmhartig God ! ik heb misdaan. Rouwmoedig val ik aan uw voeten;
Ach ! zie het kind ontfermend aan, Dat zijne ondankbaarheid wil boeten.
Christus.
(Weinige stemmen.)
2. 'k Heb dertig jaren u gezocht.
Voor u gearbeid en gebeden;
'k Heb wat geen sterv'ling ooit vermogt Voor u verdragen en doorstreden :
O
284
Ik ben bespot, bespuwd, gehoond, Voor u verscheurd door geeselslagen;
Met doornen is mijn hoofd gekroond. Mijn kind! wat hebt ge om Mij te klagen? De zondaar.
(Allen.)
Ach, goede Jesus ! 'kheb misdaan, Ik werp mij schreijend aan uw voeten;
Ach, zie het kind ontfermend aan, Dat zijne ondankbaarheid wil boeten. Christus.
(Weinige steramen.)
Mijn kind ! wat heb Ik u misdaan ? Ik ben, beladen met uw zonden.
Het bloedig kruispad opgegaan, Van hoofd tot voet bedekt met wonden.
Voor u, voor u ben ik gekruist;
Voor u heb 'k al mijn bloed vergoten: En gij, ach gij hebt Mij verguisd. Mijn zijde met een speer doorstooten. De zondaar.
(Allen.)
Ach, goede Jesus ! 'k heb misdaan. Ik stort mij snikkend aan uw voeten;
285
Ach, zie het kind ontfermend aan, Dat heel zijn zondeschuld wil boeten.
Christus.
(Weinige stemmen.)
4. 'k Vergaf u reeds zoo menig keer, 'k Vergaf u reeds zoo vele zonden,
En telkens kruisigt gij Mij weer. En telkens spot gij met mijn wonden.
Heb 'k daarom u met smart gezocht ? Heb 'k daarom met mijn eigen leven
Van dood en hel u vrijgekocht. Om smaad voor dank Mij weêr te geven ?
De zondaar.
(Allen )
Ach Jesus ! Jesus ! 'k heb misdaan. Ik stort mij snikkend aan uw voeten.
Ik wil den smaad, ü aangedaan, O Jesus ! heel mijn leven boeten.
Christus.
(Weinige stemmen.)
5. Heb 'k daarom, wat geen moeder doet, U, aan mijn feestdisch aangezeten,
ü met mijn eigen Vleesch gevoed ; Kunt ge alles, alles dan vergeten !...
28(3
O kind, mijn kind van zooveel smart Wat wilt ge langer Mij weêrstreven ?
Kom, stort u aan mijn open Hart, Bemin !... 'k wil alles u vergeven !
De zondaar.
(Allen.)
Mijn God! 'k verdien uw liefde niet. Ik val aan uw doorboorde voeten,
Die 'k met mijn tranen overgiet. Ik zal voor al mijn zonden boeten ;
Beminnen, Jesus ! wil ik ü:
Zult Gij dan alles mij vergeven
Beminnen, Heer ! en dankbaar nu Als boet'ling voor uw aanschijn leven.