'⢠(Or. ///Æ J 3quot;
I-1 -
VERDRAAGZAAMHEID.
VOLKSVOORDRACHT
GEHOUDEN VOOR DE AFDEELINGEN VAN âPATRIMONIUMquot; TE ZAA.NDAM EN TE ALKMAAE
DOOR
J. A. WORM SER.
AMSTERDAM, HÃVEKER amp; ZOON.
Druk van P. Groenendijk.
Den 4den Juni 1566 vond te Poitiers in Frankrijk het volgende voorval plaats. Een kundig, rechtschapen, ngver man, uit den burgerstand, de handschoenmaker Ma9on, werd door een groep zijner stadgenooten uit zijn huis gesleept, naar de marktplaats gesleurd, en op staanden voet levend verbrand. In minder dan een uur was alles afgeloopen.
In onzen tijd zou men zeggen, dat op hem de lynchwet werd toegepast. Nu wordt gewoonlijk iemand niet ngelynchtquot;, tenzij hij zich derwijze vergrepen heeft, dat allen, van welke denkwijze ook, terecht over zijne misdaad verontwaardigd zijn.
De misdaad, waardoor deze man die vreeselijke straf zich op den hals gehaald had, bestond daarin, dat hij zijn huis op dien dag niet met groen versierd had, terwijl a I zijn medeburgers wèl guirlandes van sparregroen en bloemen rondom hun deuren en vensters hadden gehangen.
De 4de Juni was Sacramentsdag. Geheel Frankrijk vierde dien dag, vooral in de zestiende eeuw, met grooten luister. Geheel Frankrijk ? Ja; op weinige uitzonderingen na. De ketters, Hugenoten genaamd, hadden andere denkbeelden over het sacrament, en vierden den dag niet. Macjon, de handschoenmaker, dien men verbrandde, was Hugenoot.
Frankrijk leefde toen onder het edict van Amboize, dat den Hugenoten een betrekkelijk zeer groote mate van godsdienstvrijheid verzekerde â of heette te verzekeren. Ma^on had niet tegen éene der wetten van zijn land gehandeld door het onversierd laten van de pui zijner woning. De menigte, die hem verbrandde, handelde beslist tegen de wet.
Toch kostte het de grootste moeite â niet van de openbare macht, maar van eenige vreemdelingen, om zijne vrouw en vijf kinderen, waarvan het oudste twaalf jaren oud was.
4
tegen de losgebarsten woede te beschermen, en hen van den dood te redden. Toch werd de zaak niet onderzocht, en geen van de hoofdaanleggers of uitvoerders gestraft.
Ik zeg gestraft; alleen met het oog op de overtreding van 's lands wet. Ik bedoel volstrekt niet, dat er z e d e-1 ij k een misdaad was gepleegd. Integendeel: ik wensch u juist uit te noodigen om dat met mij te onderzoeken.
Wat den 4den Juni 1566 te Poitiers gebeurde, schrijft men in de negentiende eeuw algemeen toe aan onverdraagzaamheid. En even algemeen vindt men onverdraagzaamheid afkeurenswaard. Het voorval te Poitiers wordt dus algemeen verafschuwd.
Overal vindt men echter kleine groepen van menschen, welke met deze veroordeeling van meergenoemd feit ontevreden zijn, en er rond voor uitkomen, dat zij die veroordeeling zonder nadere toelichting niet vertrouwen. Het is bun te vaag en te algemeen.
Tegenover deze kleine groepen staat de groote menigte, die met de omschrijving wèl tevreden is, en het voor uitgemaakt houdt, dat de minderheid, juist door haar aandringen op nadere omschrijving van het feit, toont dat z ij nog duchtig behept is met den geest van onverdraagzaamheid. En 't schjjnt wel, dat de meerderheid gelijk heeft. Immers: allen zijn het eens: de gebeurtenis te Poitiers vloeide voort uit onverdraagzaamheid. En daar niemand den ander nadere toelichting geeft, staat het ieder vrij om in zijn hart partij te kiezen öf voor Ma9on öf voor zijn (laat mij een verdraagzaam «neutraalquot; woord gebruiken) voor zijn verbranders. Maar dat blijft geheim; allen staan naast elkaêr; allen herhalen met geestdrift, wat dezer dagen een Fransch dagblad schreef naar aanleiding van het plan om voor den vermoorden (ik wil zeggen: den doodgestoken) admiraal de Coligny een standbeeld op te richten: «Dat standbeeld zal onze tijdgenooten aan dat dappere en ongebreidelde slag van Hugenoten herinneren , aan hun mannenmoed en heldenkarakter. Het is een miskend Frankrijk, dat voor ons geslacht opstaat,om het te leeren, dat vaderlandsliefde en godsdienst met hetzelfde vuur in dezelfde harten kunnen branden. Het verleden schijnt tot het heden te zeggen: Gij maakt mijne ongerechtigheden goed. Wees gezegend voor deze rechtvaardiging. Het is alsof Frankrijk zijn mantel op al zijne zonen werpt en zegt: «Hebt elkander lief zonder onderscheid van denkbeelden of godsdienst, ter eere van uw gemeenschappelijke moeder, het vaderland.quot; Allen geven elkaêr de rechterhand en wisschen met de linker tranen van aandoening, van medelgden, van verontwaardiging
over de onverdraagzaamheid weg, en zijn onder bedekking van nmoeders mantelquot; innig gelukkig en tevreden; vooral omdat niemand goed weet, waarom hij weent..... Daar wordt waarlijk door enkele spelbrekers, die buiten bleven staan, een tip van den mantel opgelicht en klinkt in 't geheimzinnig halfdonker de vraag op den man af: «Wie waren nu eigenlijk de onverdraagzamen: Maijon of zijne verbranders?quot;
Is het wonder, dat al de zonen onder den mantel terug-schreeuwen: nOnbeschaamden, dat zijt gij! Gr ij kunt niet verdragen, dat allen, «zonder onderscheid van denkbeelden of godsdienstquot; naast elkander zitten te dwepen ieder voor zich met hetgeen de ander verafschuwt, of liever verafschuwen zou, zoo we er nog onderscheid van denkbeelden of godsdienst op nahielden. G ij behoort tot de overgebleven »ongerechtigheden van het verledenquot;!
Die onder den algemeenen negentiende-eeuwschen mantel zitten, heel de beschaafde wereld door, zijn gedurig door de lastige en ongemanierde vraag opgeschrikt; »Onverdraagzaamheid is slecht; maar wie waren in dit of dat bepaalde geval de onverdraagzamen?quot; Ze hebben dus, vooral ter wille van de tot oordeelen onbevoegde kinderen en minder ontwikkelden die vraag op hun wijze, bevredigend moeten beantwoorden.
Nu schijnt het wel onwedersprekelijk vast te staan, dat het onfatsoenlijk is iemand te verbranden, omdat hij liever geen sparretakken boven zijne deur hecht. Men dient zelfs aan te nemen, dat men zoo iemand maar moest laten voor 'tgeen hij is, en geen notitie moest nemen van den man. ⢠Maar evenzeer is het onwellevend om, wanneer a 1 uw stadgenooten sparregroen en bloemen aan hun deurposten binden, voor éen enkelen dag in het jaar, terwijl ge weet, dat zij heel gaarne hetzelfde ook van u zouden zien, stijfkoppig te weigeren daar een paar stuivers voor uit te geven, en hardnekkig den zonderling uit te hangen. Ontstaan daardoor onaangenaamheden, dan mag men veilig aannemen, dat gij ze uzelven berokkend hebt. Wordt ge dan bij ongeluk door uw geachte stadgenooten verbrand, dan hebben zij zich wel misdragen, maar gij hebt de aanleiding daartoe gegeven. De menigte, die zooveel om bladeren en bloemen geeft, is gelijk aan groote kinderen; ze weet niet beter. Maar gij, die u daarboven verheven acht, gij hadt kunnen toegeven. Zoodat het ten slotte hierop neerkomt dat de man, die verbrand werd, zijne medeburgers tot dat uiterste gebracht heeft door zijn eigen onverdraagzaamheid.
Brengt ge nu daartegen in, dat de handschoenmaker Ma9on â om nu maar bij dezen martelaar te blijven â zijne
6
deur en vensters niet met sparregroen kon en m o c ht versieren, omdat zijn geweten, zijne geloofsovertuiging hem dat verbood, en omdat hij meende daardoor afgoderij te zullen bedrijven; omdat in zijne oogen elk sparretakje, dat op die wijze gebruikt werd, een hulde moest voorstellen, welke den almachtigen God onthouden werd, om haar aan een schepsel, en nog wel aan een stuk ouwel, te geven; dan ligt het antwoord gereed: «Als dat de reden van 's mans stijfkoppigheid was, dan was hij, met verlof gezegd, een g e k.quot; Ik dacht dat ge in 't midden wildet brengen, dat Ma^on niet zeer bemiddeld was, en dus had uitgerekend, dat hij het geld beter gebruiken kon. Of dat Ma^on een man van zaken was in den vollen zin des woords. die zóo gerekend had: n't Huis versieren gaat gepaard met den winkel sluiten en dat geeft een verlies van minstens zooveel of zooveel.quot; Of dat Ma^on meende, dat God en de heiligen er in 't geheel niets om gaven, hoe ze gediend werden, en eigenlijk de geheele santenkraam over boord had geworpen.
Als iets dergelijks de reden was geweest, dan zou het schande â tenminste jammer â geweest zijn, zulk een flink lid van de maatschappij ontijdig te doen sterven. Dan zou er ook iets grootsch geweest zijn in zijn dood, want dan was hij zijn tijd vooruit geweest. Maar als ik u wel begrepen heb, was Ma^on even fanatiek als al de anderen, en heeft hij roekeloos en onverantwoordelijk zijn leven gewaagd en gegeven voor iets, dat gij een beginsel noemt, maar dat ook een hersenschim kan heeten; of op zijn zachtst: voor iets, dat hij geloofde en dus niet eens zeker wist. Nu blijft er nog alleen plaats over voor medelijden met zijn hersens, maar eigenlijk niet meer met zijn lot. Versta mij wel; de behandeling hem aangedaan, is en blijft onbetamelijk, maar verwondert me niet meer.
Ge zult, wanneer gij eerlijk zjjt, mij niet tegenwerpen, dat ik u een caricatuur van de hedendaagsche opvatting van verdraagzaamheid en onverdraagzaamheid heb gegeven. Ge zijt zeker allen meermalen in de gelegenheid geweest om zulke denkbeelden op te vangen uit den mond of uit de geschriften van hen, die thans in vele opzichten en voor de meesten den toon aangeven.
Het is, helaas, maar al te waar, dat slechts éene soort van menschen buiten de algemeene zoogenoemde verdraagzaamheid wordt gesloten. En wel zij, die het onzienlijke boven het zichtbare stellen. Niet zij, die bet onzienlijke voor beter, hooger, belangrijker houden, maar die ook daarnaar
handelen en wandelen. En aangenomen voor een oogenblik, dat nog volstrekt niet uitgemaakt is, wat belangrijker moet genoemd worden, het zichtbare of het onzichtbare, dan zal toch wel ieder moeten toegeven, dat beide hun betrekkelijke waarde hebben, en geen van beide waarde loos is. Ja , zelfs als er niets onzienlijks bestaat en er dus geen God in den hemel is, dan nog moest het voor ben, die steeds den mond vol hebben van verdraagzaamheid , voldoende zijn, dat er menschen gevonden worden, die aan dat niet bestaande gelooven,om de verdraagzaamheid ook tot hen uit te strekken. De geheele wereldgeschiedenis , ook de tegenwoordige geschiedenis, toont echter zonneklaar, dat dit niet het geval is.
Dus is het niet te verwonderen, dat de vraag opkomt: Is het wel verdraagzaamheid, wat voor verdraagzaamheid uitgegeven wordt? Om daar een voldoend antwoord op te vinden, zal moeten vastgesteld worden, wat verdraagzaamheid i s.
Verdraagzaam wezen is genegen en instaat zijn om iets te dragen. Iemand, die iets draagt, is niet geheel vrij in zijn bewegingen; hem ligt een last op de schouders. Wie voor of van anderen iets draagt, is bovendien ook niet vrij in zijn doel; hij heeft zich gesteld in betrekking tot, zooniet in dienst van anderen.
Ver dragen beteekent dus, dat men niet alleen in de wereld is, niet op zichzelf staat, maar met anderen in aanraking komt, die ieder hun eigen lasten aanbrengen en op de schouders leggen, evenals wij dat aan die anderen doen. Verdraagzaam zijn jegens anderen wil dus zeggen, dat men met gewilligheid zich dien last laat opleggen, die moeite laat aandoen; dat men dien anderen genegen blijft, ofschoon zij ons dien last veroorzaken. Maar het beteekent volstrekt niet, dat men het billijk en rechtmatig vindt, dat die last wordt opgelegd. Nog minder dat men er onverschillig onder is. Iemand, die onverschilligheid voor verdraagzaamheid houdt, staat gelijk met den kruier, wien men een pak te dragen geeft, en die wegloopt zonder het pak zelfs aan te roeren.
Verdraagzaamheid wordt geroemd als iets schoons en goeds; ze wordt een deugd genoemd. En terecht. Maar daarmeê zijn we er volstrekt nog niet. Wie wijst mij den man, die mij opleggen kan om tegenover hem alle mogelijke deugden te beoefenen? Een deugd is â beschouwd uit het oogpunt van hen, die slechts de gewone verdraagzaamheid kennen â eigenlijk iets, aan welker bezit ik niets hoegenaamd doen kan. Ik ben deugdzaam of ik ben het niet, buiten mijn schuld. Deugdzaam zijn beteekent p i t in zich te hebben en
8
kracht. Een stuk katoen is deugdzaam, als het bruikbaar is voor het doel, waartoe de huismoeder het koopt. Is het slecht en zit er geen pit in, dan wijt zij dat niet aan het katoen zelf, maar aan den verkooper. Ze doet immers niet als de hond, die bijt in den steen, die hem trof, inplaats van in de hand, die den steen wierp?
Tot het beoefenen eener deugd ben ik alleen gehouden, wanneer mij het bewijs geleverd wordt, dat die deugd tege-lijkertijd mijn p 1 i c h t i s. Is verdraagzaamheid plicht? Op zichzelf beschouwd in geenen deele. Er moet wel terdege iemand boven mij staan, die met onbetwistbaar recht het mij gebiedt, anders heeft niemand eenig recht om van mij voor zich verdraagzaamheid te vorderen. In de meeste gevallen zal ook zelfs mijn eigenbelang het niet meêbrengen.
Er zijn slechts weinige menschen, die beweren dat er niemand boven hen staat, die gerechtigd is hun eenigen plicht op te leggen, zonder dat iemand Hem tot rekenschap van zijne daden roepen kan. De overgroote menigte erkent een Opperwezen of meer goden. Deze meerderheid kan men splitsen in twee deelen: en wel 1°. zij die wel het bestaan van een God gelooven, maar een God, die zich niet aan de menschen geopenbaard heeft; en 2°. zij die beweren eene openbaring van dien God te hebben, waaruit en waaruit alleen zij Hem kennen. Deze drieërlei soort van menschen zal ieder haar eigen opvatting van verdraagzaamheid blijken te hebben.
De atheïsten, of liever zij die voorgeven het te zijn, kennen in 't geheel de verdraagzaamheid niet anders dan bij name.-
Zij die het bestaan van een God vaststellen, zonder geloof aan de openbaring Gods, hebben eene verdraagzaamheid naar hun eigen model.
Degenen, die gelooven in de Heilige Schrift, hebben de verdraagzaamheid, die wortelt in deze openbaring Gods.
1°. Daar zijn menschen, die de verdraagzaamheid niet anders dan bij name kennen.
De naam klinkt ook hun wel schoon. En in 't ergste geval is het in deze wereld geraden zich te houden, alsof men er meê ophad. Niemand zal zeggen, dat hij verdraagzaamheid haat en in 't geheel niet verdragen wil. Immers hij heeft zoo goed als alle anderen noodig, dat zijn medemenschen die deugd tegenover hem beoefenen. Toch k a n de atheïst krachtens zijn beginsel niet verdraagzaam zijn. Een atheïst houdt zichzelf voor het hoogste wezen. Een God erkent hij
9
niet. Derhalve kan hij ook geen andere machten boven zich erkennen. Aan welke macht toch zouden die andere machten haar recht om over anderen te gebieden ontleenen? Voor den atheïst kan niets anders gelden dan het recht van den sterkste. Dat recht moet hij ook erkennen gew e 1 d te zijn in den slechten zin des woords.
Het socialisme kan niet heerschen, niet bloeien, ja zelfs niet eens goed bestaan, indien het zijn wortel niet vindt in deze grondgedachte: «Er is geen God.quot; Als die gedachte waar is, maar dan ook alleen, heeft men volkomen recht alle souvereiniteit te verwerpen, ook de nsouvereiniteit in eigen kringquot;, want dan bestaan er eigenlijk geen nkringenquot;. Wie ter wereld geeft een ander het recht om over mij te heerschen? Niemand; dat erkennen ook de Christenen. Maar de laatsten zeggen: »God kan dat recht verleenen.quot; En de eersten moeten, zoo ze principieel willen zijn, ook erkennen: nAls God bestond, zou Hij de eenige zijn, die daartoe het recht had.quot; Van het liberalisme op staatkundig gebied, dat gelijkstaat met het modernisme in de kerk, behoeven we thans niet te spreken. Dat is in den rechten zin des woords beginselloos, 't Wordt ook gaandeweg doodgedrukt. Het onttroont God, maar erkent Hem. Het huldigt gezag, maar ontkent het. Vandaar het verschijnsel, dat het liberalisme tegenover het socialisme even volkomen onverdraagzaam is als het socialisme tegenover het Christendom. Een man van denkkracht, van karakter, van beginsel, die niet erkent dat Jezus Christus is nGod boven allen te prijzen in der eeuwigheidquot;, behoort socialist te zijn. Want het Christendom is radicaal; èn het socialisme is radicaal, èn een man van beginselen is radicaal. De radix , de w o r t e 1, kan slechts in een der beide geestelijke sferen vastzitten; in den hemel of in de hel. De stof kan nooit de grond zijn voor een geestelijken wortel. En dat laatste willen juist de liberalisten.
Omdat de atheïst zichzelven voor zijn eigen God houdt, maar alle eigenschappen mist, die iemand God doen zijn, kan hij niet verdraagzaam wezen. De verdraagzaamheid kan slechts wortelen in souvereiniteit. Alleen Hij, die a 1-machtig is, kan booze machten verdragen. Alleen Hij, die volkomen wijs is, kan domheid verdragen. Alleen Hij, die de Liefde is, kan den baat verdragen. Maar de nagemaakte souverein, die geen haar tot zijn lengte, geen seconde tot zijn bestaan kan toebrengen, moet wel onverdraagzaam wezen. Hij kan den minsten invloed, die zich tegen hem dreigt te verheffen, niet verdragen, niet laten bestaan, want hij is er geen meester over. Hij moet een strijd op leven
10
en dood voeren tegen alles wat tegenover hem staat; ja tegen alles wat te eeniger tijd tegenover hem kan gaan staan. En dat is in éen woord alles. Want niemand kan weten, wat er uit een kiempje, zoo klein als een mosterdzaadje, eens groeien kan. Het is dus wijs het kiempje te vernietigen. Daarbi] komt voor den atheïst, dat hij volstrekt onzeker is, of zijn macht tot die vernietiging wel toereikend is. Hij is immers een mensch van gelijke beweging als alle andere menschen? En die andere menschen hebben precies dezelfde rechten als hjj. Een atheïst is eigenlijk niet iemand, die geen God erkent, neen, voor hem is het: zooveel menschen zooveel goden, ieder voor zich. En ik bid u, w a t is een God zonder eenig terrein hoegenaamd, waarover hij God wezen kan? De atheïst moet dus in ieder zijn natuurlijken vijand zien, evenals hij ieders natuurlijke vijand moet zijn. Zijn hand is tegen allen, want hij kan niet anders dan de hand van allen tegen zich achten.
De verdraagzaamheid van den atheïst is niet anders dan tijdelijke onverschilligheid. De man is voor 't oogenblik door eigenbelang tot zoogenoemde »verdraagzaamheidquot; geroepen. Of hij is voor 't oogenblik niet principieel genoeg.
Zij, die gelooven aan het bestaan van God, gaan ia twee groepen uiteen. Ea wel 1°. de groep die, geene openbaring erkennende, meent God te kennen door eigen vinding; en 2°. de groep, die belijdt niets van God of zijn bestaan af te weten, tenzij die God hun mededeele, openbare, d a t en wie Hij is.
De eerste groep is juist die, welke steeds den mond vol heeft van verdraagzaamheid en onverzettelijk alle onverdraagzaamheid zegt te verfoeien. Zij heeft ook eene verdraagzaamheid naar eigen model, en beoefent die zeer getrouw.
Deze richting erkent, dat er een God of dat er goden bestaan. Want de leer van het éengodendom, maar zonder erkenning van de openbaring Gods, is eigenlijk slechts eene inconsequentie. Waaraan, zoo vraag ik u, zal ik weten, dat er slechts een God bestaat? Niets van hetgeen ik rondom mij zie gebeuren of bestaan, leert mij dat. Het tegendeel is waar. Ik zie duidelijk minstens twee machten, die niet hetzelfde willen, maar elkander op leven en dood bestrijden. De schilder en de dweper mogen die twee machten «licht en bruinquot; noemen; dat is eigenlijk slechts een fantastisch praatje. nEecht en onrechtquot; kunnen ze ook niet heeteu. Wie maakt
11
uit wat recht is en wat onrecht? Dit zien we dagelijks: dat verscheidene, op zijn minst twee, hoogere machten voortdurend en onophoudelijk in botsing zijn met elkander, en dal de schepselen, met name de menschen, daartusschen liggen, weerloos, als tusschen bamer en aanbeeld. Ja, van dien strijd zijn w ij menschen de dupen. Zonder openbaring Gods is de leer der diepst gezonken heidenen de meest zuivere godsdienstvorm. Hoogere onweerstaanbare, geheimzinnige machten bestrijden elkander en trachten vergeefs elkander te vernietigen. Gij, o mensch, zijt de speelbal. Nauwelijks heeft de eene macht u geschapen, of de andere is er bij om u van het leven te berooven. Schijnt voor een oogenblik de zon des geluks voor u, straks komt een andere macht met donderwolken aandragen en zorgt, dat de bliksem inslaat in wat u het liefst en dierbaarst is. Ge zijt een ellendige slaaf! Daar zit niets anders voor u op dan zooveel doenlijk al die machten te vriend te houden. Wil de eene, dat ge uzelven foltert, welnu geesel uzelven in 's hemels naam ten bloede toe! Kan de andere voor een oogenblik afgeleid worden door den dood van uw kind, dat ge bemint als uw oogappel, werp, het ^ koste wat het wil, uw zoon in den muil des krokodils!
Eén ding tenminste kunt ge wellicht nog redden uit die ruïne van al wat geluk heet, en dat is, dat ge een flauw, gebrekkig gevoel overhoudt voor het onderscheid, dat g ij zelf maakt tusschen hetgeen u onrecht dunkt en dat wat gij voor recht houdt.
«Neen,quot; roepen de hoogverlichte mannen onzer eeuw, nuit dien toestand van barbaarschheid zijn de edelste en scherpzinnigste volken opgeklommen tot de leer van het monotheïsme, het éengodendom.quot;
Zou dat waar zijn? Maar zegt uw nuchter verstand u dan niet, dat de belijdenis van het éengodendom, maar zonder openbaring, en dus louter gegrond op de ervaring, de diepste wegzinking in onzedelijkheid is inplaats van een stijging en verheffing? Immers, wanneer ik zonder openbaring geloof, dat er slechts éen God is, dan schep ik mij een hoogste wezen zóo ongerijmd, zoo schandelijk, dat er geen naam voor te vinden is.
De heiden kan zich tenminste nog voorstellen, dat er goede wezens zijn, die de kwade tegenstaan en willens zijn de menschen te zegenen. De monotheïst zonder openbaring wischt in Godzelf alle verschil tusschen goed en kwaad, tusschen recht en onrecht uit, en maakt Hem tot de verpersoonlijkte onzedelykheid.
Wie de openbaring loochent en éen God erkent, is wel
12
gedwongen zich zijn Grod te scheppen. Hij is een heiden, al gelooft hij niet in veel goden. Hij maakt zijn God, al snijdt hij hem niet uit een stuk hout. Zijn gedachtenbeeld, zijn idéé van wat een God behoort te zijn, houdt hij voor zijn God en aanbidt en vereert hij. Nu is niets aangenamer en voordeeliger dan dat een hoogste Wezen, dat onbepaald over mij gebieden kan, 't minste goed dat ik doe, bovenmatig beloont, en 't grootste kwaad dat ik bega, goedig door de vingers ziet. Dat is streelend en weert alle onrust.
Vooral vervalt daarmede de eisch tot volkomen heiligheid; want zulk een wezen zou allerjammerlijkst met zichzelven in tegenspraak komen, indien het heiligheid in mij eischte. Heiligheid is uit den aard der zaak een zeer o n verdraagzame eigenschap. Zij haat alle onheiligheid doodelijk. Maar veredeling, verheffing, verbetering zijn niet volmaakt, doch streven er naar. Zij vinden het slechte al te leelijk, het goede a 1 te mooi. Ze zijn als de vogels, die slechts zelden een steunpunt voor hun voet behoeven. Ze zijn bovendien heel liefelijk, houden niet van catastrophen, laten alles geleidelijk gaan. Ze zijn in éen woord wat de menschen gewoon zijn liefde te noemen. Geconcentreerd vindt men ze in den God van het maaksel dezer aanbidders. Hun God is de liefde. En zoo roerend, zoo begoochelend wordt u dat voorgesteld, dat ge oppervlakkig geen onderscheid kunt zien tusschen het hoogheerlijk Schriftwoord: nGod is liefdeen deze godslastering, die ook zegt: nGod is liefde.quot;
Wie deze leer de zijne noemt, is verdraagzaam, evenals zijn God verdraagzaam is. Dat Opperwezen is zoo hoog, dat de aarde voor nHetzelvequot; te laag is; zóo groot, dat Het de belangen der menschen te klein voor zich moet achten; zóo verheven, dat Het op het kwade neerziet als de top van de rots op de golven heel beneden aan zijn voet.
Die God verdraagt alles, want eigenlijk raakt niets Hem recht. Hij ziet met een medelijdenden glimlach op de vergissingen der kindertjes neder, al bestaan die vergissingen ook uit moord en doodslag. Hij denkt altijd: «Ze weten niet beter; a 1 s ze beter wisten, zouden ze het wel laten.quot; Toen die God op 't schild is geheven, kreeg Hij van zijn onderdanen (die naam klinkt eigenlijk te hard, maar zoo kau ieder 't verstaan), dezen leefregel meê: nA 11 e s begrijpen is alles vergeven.quot; En aangezien een wezen van beperkt begrip moeilijk God kan zijn, houdt dat Wezen er geen straffen, maar enkel en alleen vergeving op na. Slechts éene soort van schepselen zou dat Opperwezen bijna niet kunnen begrijpen en dus ook bij n a niet kunnen vergeven ; en dat
13
zijn zij, die bij zulke en zooveel liefde nóg ongeroerd blijven en maar voortgaan met over volkomen heiligheid, afschuw van de zonde, en straf, zelfs eeuwige straf, te spreken.
Natuurlijk vormen de volgelingen van dat Opperwezen (volgeling is een beter woord dan onderdaan) zich naar hun ideaal. In den staat hebben zij gevangenissen, waarin de ongelukkigen, die nog zoo onontwikkeld en onverdraagzaam zijn, dat ze het bloed huns naasten vergoten hebben, worden verpleegd en verbeterd. Zij hebben opgemerkt, dat iemand bij die verpleging meer kans heeft van verdraagzaamheid te leeren, dan wanneer hij opgehangen wordt. Straf zou voor die ongelukkigen, die men moordenaars noemt, te hard zijn. De stumpers hebben al straf genoeg in de akelige herinnering aan hun daad. Dat het bloed van den verslagene van den aardbodem tot «het Opperwezenquot; om wraak zou roepen, is een harde gedachte uit den duisteren tijd van de kindsheid der menschheid. nHet Opperwezenquot; of nHoogste Wezenquot; is een onzijdig Iemand, zooals de geslachtsvorm van ndeszelfsquot; naam reeds aanduidt. Zoolang men nog een klein kind is, noemt men Het «de lieve Heerquot;, of nde goede Godquot;. Maar dat geschiedt om aan het onbeholpen begrip der jeugd tegemoet te komen. Het Opperwezen straft niet; want het begrijpt volkomen, waarom die zoogenaamde misdadiger zijn medemensch heeft verslagen en daarom vergeeft Het hem. Die man was krankzinnig; dat is immers ontoerekenbaar ?
Wat den godsdienst betreft, hebben zij een gemeenschap, die men met een verouderd woord «Kerkquot; noemt, maar die eigenlijk nChristendom boven geloofsverdeeldheidquot; moet heeten. Eene b e 1 ij de n i s, waaraan eene Kerk zou gebonden zijn, mag niet bestaan, aangezien iets dergelijks het voorname struikelblok voor alle verdraagzaamheid mag genoemd worden. Natuurlijk wil men ook geene kerk zonder belijdenisschriften. Maar deze moeten plechtig bewaard worden als eerbiedwaardige, voor hun tijd uitnemende, thans verouderde gedenkstukken van het eenvoudig geloof der vaderen. Wie er echter eenige bindende kracht aan toekent, zou daarmeê uitspreken dat hij, die zulks niet doet, eigenlijk in de kerk niet thuis behoort, zou dus met andere woorden onverdraagzaam zijn. Derhalve zijn in de kerk, naar hun ideaal, alle denkbare richtingen gangbaar. Alles wat de geesten beroert, mag, ja moet, in hun kerk nnagistenquot;. Deze beeldspraak veroordeelt henzelven. Zij herinnert niet aan het levende lichaam, waarin een gezonde geest werkzaam is, maar aan het pas ontzielde lijk, waarin de gisting der ontbinding
14
haar akelig werk voltooit. De Zone Gods, »de Stichter van den Christelijken godsdienstquot; genoemd, moet ook, zelfs in die ondergeschikte rol Hem toegewezen, goedvinden en dulden , dat naast zijne meening andere denkbeelden worden verkondigd en gehuldigd, die lijnrecht er tegen ingaan. Ook voor Hem is er immers plaats? Met volkomen verdraagzaamheid duldt men immers, dat Hij als Gods Zoon wordt aangebeden? Zie, duizenden leden der Christelijke kerk, ofschoon zij niet in den val des menschen, niet in de zonde, niet in de verlossing, door Jezus Christus verworven, gelooven, laten met roerende verdraagzame goedheid toe, dat Jezus, als de Zaligmaker der zondaren, wordt verheerlijkt! Past het Hem dus niet met verdraagzaamheid aan te hoeren, dat men Hem verwerpt?
De kerk kan dus slechts voor éene soort van menschen te eng zijn. Wie alle souvereiniteit, alle macht, alle vereering van de Gemeente opeischt voor Jezus Christus, en onverdraagzaam genoeg is om te meenen, dat zijne verachters daar niet thuis behooren, hebben 't aan zichzelf te wijten dat hun de deur gewezen wordt. Evenmin als de waarheid een akkoord kan aangaan met de leugen, evenmin kan de leugen het stellen met de waarheid. Dat de waarheid onverdraagzaam, en de leugen verdraagzaam schijnt te zijn, komt alleen hierdoor, dat de laatste zich in alle gestalten weet te wringen en duizend vormen kan aannemen, welke alle elkander eerbiedigen ; terwijl de waarheid steeds krachtens haar beginsel strikt eenvoudig is, en van geen halfheid weet.
Eeuw uit eeuw in rijst de niet ongegronde klacht ten hemel, dat de meeste menschen op volwassen leeftijd moeilijk geheel nieuwe denkbeelden in zich opnemen en verwerken. Men behoeft geen Luther te zijn om te weten, dat de kinderen de toekomst des volks zijn. Dat weet het liberalisme ook. Het heeft in de beginselen en de verhoudingen der dingen en instellingen een geweldigen omkeer teweeggebracht. Het heeft den staat tot zijn kerk gemaakt; met dogmatische leerstellingen, met onfeilbaarheid, met excommunicatie. En het heeft zulks gedaan nadat en omdat het de kerk tot een staat heeft vervormd, met volkomen vrijheid, niet van consciëntie, maar van woord en pers, mits het bij het woord blijve. In die nieuwe kerk moet een souvereine macht zijn. Wat Christus in zijne kerk is, is het denkbeeld «de Staatquot; in den staat. Staatsalmacht. Principieel antichris-t e 1 ij k is de staatsalmacht.
De kerk als staat ingericht is een losknooping van alle banden, een naaktlooperij, waarbij de ruimste mantel, die u
15
om de leden wordt geslagen, u een dwangbuis toeschijnt. Maar de staat tot kerk verbogen is een aanleggen en vastsmeden van onbreekbare boeien; een ijzeren juk, waaronder uw nek breekt, als hij niet buigt.
Welnu, het liberalisme heeft beide, kerk en staat, gedeformeerd, en wel zoo gedeformeerd, dat geen van beide meer past voor een vrij man. Even ondragelijk als het juk der tirannie is, waar vrijheid behoort te heerschen, even ondragelijk is het juk der ongebondenheid, waar de hoogste wil als wet moet gelden. Maar wie het eerste juk leert aanzien voor een fluweelen band, die weet ten leste niet beter of het tweede juk is de eigenlijke vrijheid.
Daartoe moet de mensch echter ook gedeformeerd worden. Ziedaar het principe der neutrale staatsschool.
De verdraagzaamheid van hen, die God en gezag erkennen, alleen omdat ze die voor zelfbehoud noodig hebben, brengt onfeilbaar de neutrale staatsschool met zich.
Daar leert de jonge burger niets als absolute waarheid erkennen, en dus ook niets voor absolute leugen houden. Alles heeft zijn betrekkelijke waarde, en niets heeft meer dan betrekkelijke waarde. Van de ideeën, die het n Opperwezenquot; over de dingen heeft, weten we niets met zekerheid , en dus blijft er niemand over, die onfeilbaar is. Het hoogste en edelste, waartoe ooit eenig mensch komen tan, is dat hij voortdurend naar waarheid zoekt. Als allen zoeken erkent ieder niet alleen voor zich, maar ook voor alle anderen, dat het niet gevonden is. Wanneer ik rechts zoek, ben ik immers onverdraagzaam, wanneer ik u kwalijk neem, dat gij links probeert. Als ik wist, waar de waarheid zich schuilhoudt, ja dan was het wat anders. Maar als niemand het weet? Wel, dan ben ik u zelfs dankbaar, wanneer gij ergens zoekt, waar bet naar mijne overtuiging nooit te vinden is. 't Is al prijzenswaard, dat ge meêzoekt. Allen moeten dus afgericht worden op zoeken. Maar wee den trotschaard, die meent, dat hij gevonden heeft. Als hij gelijk had, behoefden al de anderen niet meer te zoeken. Dan waren ze hun recht van bestaan als zoekers kwijt.
Nu ligt het in den aard der zaak, dat de vinder verdraagzaam kan zijn tegen wie nog zoeken. Maar evenzeer, dat zij, die maar altijd voortzoeken, omdat zij het vinden aanzien voor het ergste wat hun overkomen kan, of voor iets onmogelijks, verdraagzaam zijn jegens allen, die meêzoeken, ja zelfs jegens alle vinders, die het gevondene stilletjes voor zich houden; maar onverdraagzaam tegenover ieder, die aankon-
16
digt, dat men met zoeken kan ophouden, omdat reeds gevonden is wat men zocht. Zoo iemand zegt daarmede, dat hij verder, dat hij er beter aan toe is dan alle zoekers samen, en dat is onverdragelijk. Worden dus de zoekers tegen hem onverdraagzaam, dan is het volkomen zijn eigen schuld.
De staatsschool leert zoeken.
De Christeljjke school biedt het gevondene aan.
En daarom vraagt de Christelijke school alleen maar g e 1 ij k e vrijheid naast andere scholen. Maar de staatsschool kan niet anders dan een strijd op leven en dood aanbinden met de Christelijke.
En ziedaar de verhouding tusschen de beide groote soorten van menschen in éen woord geteekend. Er zijn vele zoekers, die nooit absoluut vinden willen. Er zijn weinige vinders, die niet meer behoeven te zoeken. De zoekers zijn jegens elkander allen verdraagzaam. Ze kunnen kwestie krijgen over de plaats, waar men zoeken moet; over de wijze, waarop men behoort te zoeken; maar niet over het zoeken zelf. Maar allen tezamen kunnen hen niet verdragen, die beweren gevonden te hebben. Want als dat waar is, dan is alle zoeken overbodig. Dat m ag dus niet waar zijn. Weg met hen!
De vinders daarentegen kunnen de zoekers verdragen. Zij kunnen het zoeken ook verdragen. Zij kunnen verdragen, dat zij uitgestooten worden, als quasi-vinders. Maar zij kunnen en mogen niet verdragen dat het gevondene wordt aangerand.
Onder die vinders, indien ze van de echte soort zijn, is er geen enkele, die niet volmondig erkent, dat over de geheele kwestie van zoeken en vinden voor hem een nieuw licht opging, zoodra hij vond.
Die hij vroeger zoekers noemde, zag hij toen als verlorenen; ook zichzelven.
Wat hij in het eerste oogenblik meende dat vinden was, leerde hij spoedig beschouwen als gevonden worden. En omdat hij gevonden werd, daarom vond hij.
Eén Zoeker slechts is er in zijn oogen: nDe Zoon des menschen is gekomen om te z o e k e n en zalig te maken wat verloren was.quot; En dan volgt voor hem: «Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet zochten.quot;
Dit bepaalt natuurlijk de verhouding des Christens tegenover alles wat hem omringt.
Verdraagzaamheid is daardoor voor den Christen niet slechts
17
een deugd; ze is zijn plicht. Hij gelooft in een God, die zich geopenbaard heeft en daardoor, daardoor alleen te kennen is. Die God is, naar zijne overtuiging, alleen te kennen voor wien nde Zoon het geopenbaard heeft.quot; Hij kent dien God uit zijn Woord. Hij kent Hem als de Souverein in volstrekten zin des woords. Hij kent Hem bovendien als de driemaal Heilige. En daarbij als d e Liefde. Zoo kent hij Hem ook bij ondervinding.
De Christen weet, hoe onmetelijk verdraagzaam God jegens hem is geweest en nog is. Maar ook dat die verdraagzaamheid Gods rust op het onmetelijkst offer, waardoor aan de h eiligheid Gods werd genoeg gedaan. En dat dit olfer werd geschonken en gebracht door de onmetelijkste liefde, vrije, ongehoudene liefde voor den zondaar, dien God uit loutere genade verdraagt.
Wat sluit dit in zich? Niets meer of minder dan dit, dat de onverdraagzaamheid Gods jegens de zonde juist even groot is als zijne verdraagzaamheid jegens den zondaar. Dat is de maatstaf voor ieder, die zich Gods eigendom weet.
Daardoor wordt veel, wat door de wereld geprezen wordt als edele verdraagzaamheid, in des Christens oog groote zonde tegen God. De leugen m a g hij niet verdragen. Hij is geroepen altijd en overal zonder aanzien des persoons tegenover haar de waarheid te plaatsen en te handhaven. nEerbied voor aller godsdienstige overtuiging,quot; die tegenwoordig algemeen verlangd wordt, kan en mag in zijn hart geen plaats vinden. En wel om tweeërlei reden. De laagste reden, die evenwel voor ieder voldoende moest wezen, is dat die eerbied volkomen onbestaanbaar is. Geen mensch ter wereld kan dien eerbied hebben. Hoe kunt gij eerbied hebben voor mijne overtuiging, wanneer ze naar uw oordeel leugen is? Hoe kan iemand, die Jezus van Nazareth houdt voor een buitengewoon edel mensch , maar van gelijke bewegingen als hijzelf is, eerbied hebben voor de overtuiging van den man, die voor dien Jezus de knieën buigt en Hem de aanbidding zijns harten brengt? Die man moet immers in zijne oogen een afgodsdienaar zijn ? En omgekeerd: hoe kan iemand, die Jezus Cbristus vereert als God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, eerbied hebben voor de overtuiging van den man, die dezen Jezus als een edel zondaar naast zich plaatst? Die man moet immers in zijne oogen een Godslasteraar zijn? Wilt ge een zeer grove proeve ervan, dat die eerbied niets dan goochelspel is? In Oost-Indië wonen menschen, wier godsdienstige overtuiging meébrengt, dat ze u slachten en het hoofd van den romp scheiden, wanneer ze
18
u ontmoeten. Daarnaar heeten ze Koppensnellers. Hier in Nederland, onder een glas bier en een sigaar, .kan men daar allen eerbied voor hebben. Maar laat een dier ver-draagzamen eens een Koppensneller ontmoeten, die het voornemen verraadt om zijn kop prijs te maken! In éen oogwenk zal de eerbied plaats maken voor een pistoolschot.
Maar er is een hooger reden, waarom de Christen geen n eerbied voor ieders geloofsovertuigingquot; mag hebben. Hij is geroepen te leven uitsluitend ter eere Gods. De zoogenaamde rgodsdienstige overtuigingquot; van wie God ontkent, haat, of veracht, komt de eere zijns Gods te na; is een leugen; mag niet geëerbiedigd; moet tegengestaan. «Een hond blaft wel, wanneer zijn meester aangeraakt wordtquot;, sprak Calvijn, nen zou ik niet getuigen, wanneer mijn God wordt aangerand ?quot;
Daarom is Ma9on, wiens levenseinde ik u daar straks herinnerde, geen dwaas, geen stijfkop, maar een der edelste van ons geslacht, een der hoogst begenadigden van Gods kinderen, een martelaar. Niet slechts een man, die door moordenaarshanden viel, maar een martelaar, dat is een man, die de eere zijns Gods boven zijn leven stelde en er alles voor over had. Een voor wien het woord des Heeren Heeren geldt: nHij zal alles beërven.quot;
Op dien dag een bloempje ter versiering van zijne huisdeur aangebracht, was voor hem godslastering. En zijn dood is dus geen gewone moord, niet enkel een misdaad, in een vlaag van betreurenswaardige, maar verschoon lij ke onverdraagzaamheid begaan; neen, zijn dood is nhet aanraken van Gods oogappelquot;;een misdaad, wanneer ze zelfbewust is begaan, waarvoor ngeen vergeving isquot;.
De volstrekte o n verdraagzaamheid, waar het de waarheid, de eere Gods geldt, die des Christens plicht is, sluit in zich: volstrekte verdraagzaamheid, waar het zijn eigen eere geldt ter wille van de eere Gods. «De liefde Gods is in onze harten uitgestort,quot; zegt de apostel Paulus. Daarom hebben de Christenen alles te verdragen, wat henzelven betreft. Geen heerlijker menschelijk voorbeeld van die onverdraagzaamheid en verdraagzaamheid tegelijkertijd, dan dat van den eersten Christenmartelaar Stefanus. Zoolang het de eere Gods geldt en hij met een enkel woordje zijn eigen leven kan redden, spreekt hij zijn rechters in dezerquot;voege toe: nGij hardnek-kigen en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaders, alzoo ook gij. Wien van de profeten hebben uwe vaders niet vervolgd ? En zij hebben gedood degenen, die tevoren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van welken gijlieden nu ver-
19
raders en moorders geworden zijt!quot; Maar â toen daarop hun harten borsten, zij de tanden tegen hem knersten, met groote stem riepen, hun ooren stopten, en eendrachtelijk op hem aanvielen, toen de steenworpen hem kneusden en wondden, toen zijn bloed stroomde en hij op het punt stond te sterven, riep hij alleen den Heere Jezus, om wiens wil hij stierf, om bijstand aan, en was zijn laatste woord: nHeere! reken hun deze zonde niet toe!quot;
Verdraagzaamheid dus voor alles, wat onszelven aangedaan wordt. Onverdraagzaamheid jegens alles, wat tegen God wordt gesproken en gedaan.
Eerbied â nooit voor de overtuiging, welke we niet eerbiedigen mogen. Maar eerbied voor de oprechtheid, voor de eerlijkheid, voor de zucht naar waarheid, waarmede de valsche overtuiging wordt voorgestaan. Want nooit is dwaling strafbaar.
In de Kerk gebondenheid van al haar leden aan de belijdenis, die men vrijwillig als de zijne koos door vrijwillig tot de gemeenschap toe te treden. Daar bestaat de verdraagzaamheid niet daarin, dat men alle mogelijke overtuigingen toelaat; maar daarin, dat de deur openstaat voor ieder, die deze belijdenis niet meer als de zijne erkent.
In den Staat: vrijheid van gedachte en woord. Maar geen vrijheid in schijn, geen bandeloosheid, geen schijnvrijheid, die de ergste tirannie is. Zonder erkenning van gezag kan geen staat, geen volk bestaan. Geen gezag is moge-lijk of denkbaar zonder Een, die boven alles staat, en met gezag bekleedt. Maar een belijdenis heeft de staat onmogelijk. Hij eerbiedige ieders conscientie. De staat moet er niet zijn om ons allen in zich op te lossen en van burgers tot atomen te maken. Hij bestaat juist om uw en mijn, om ons aller v r ij h e i d te handhaven. Op het terrein des geestelijken levens handhave hij die vrijheid, meer niet. Geen staatskerk! De verdraagzaamheid handhave de staat niet, door ons allen onze kinderen te ontnemen en ze allen naar z ij n zelfgekozen model te verkneden. Maar door te verdragen, dat wij ieder voor zich onze kinderen opvoeden naar onze overtuiging , naar onze inzichten. Geen staatsschool. Slechts de helpende hand, waar particulier initiatief tekortschiet. Maar uw en mijn vaderrecht moet verdraagzaam ge-eerbiedigd blijven.
Overal vrijheid van gedachte en conscientie alleen met de beperking, die noodig is om te voorkomen, dat mijne vrijheid niet uwe slavernij worde. Die beperking is de ver-
20
draagzaamheid wettelijk geregeld. Das geen socialistische, geen liberalistische, geen roomsche, geen anti-revolutionaire dwang. De ware vrijheid rust in de erkenning van Gods souvereiniteit.
Niet de eenvormigheid, maar de ware vrijheid redt en bolwerkt den staat en het volk. De onverdraagzaamheid heeft eerst recht den troon bestegen, toen aller overtuiging moest opgeofferd aan de overtuigingloosheid der neutrale school, toen. 't Christendom verwaterd, de geschiedenis des vaderlands vervalscht werd. Weg daarmeê! Zal er weer krachtig leven in ons volk komen, dat men beginne de overtuiging vrij te laten en hare ontwikkeling te ontboeien.
nSlechts hij, die waarlijk en zelfbewust partij gekozen heeft, kan waarlijk onpartijdig zijn.quot; Dat gulden woord van den grooten Groen van Prinsterer geldt voor alle volken en alle tijden. Het zij de leuze onzes volks! Daaruit wordt de verdraagzaamheid op maatschappelijk gebied geboren. En de Christenen vinden bovendien hun gedragslijn geteekend in deze uitspraak van hun hemelschen Koning:
»Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid , en dat gij de kwaden niet kunt dragen, en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden; en gij hebt verdragen, en hebt geduld, en gij hebt om mijns naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden.quot;