;;,1, -i'- Vi quot;--.^.^'^'-.'-^quot;.-';- ! ' â 'ï' -' ^ â¢-â 'V i â¢â :i.quot;-'-V;,;*VltXgt;it.;
6
IMPEIMATÃE. J)!]
M. F. DE BEEE, Sup. Gen. et Dec. ad hoc delegatus.
Datum Tilburgi 20 Maji 1885.
ld
Volgens Art. 25 der wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad n° 124) is het eigendom gewaarborgd.
St
HANDBOEKJE
DE COIREGAISTEK VAM 0. L. V.
BEVATTENDE
REGELEN , GEBEDEN EN GEZANGEN.
KERKEI.IJK; CÃOEIDCS-EKEXJDaU.
.%m^
1881 orgd.
TILBÃEG,
Stoomdrukkerij van het R. K. Jongens-Weeshuis. 1885.
Dec.
Het is ongelooflijk, welk groot nut personen van allen stand uit deze zoo loffelijke en godsdienstige instelling getrokken hebben.
BENEDICTrS XIV.
O, hoe zoet en aangenaam is het, broeders te zien, die zich vereenigen onder de schaduw der Onbevlekt ontvangen Maagd Maria! Lat de Heer ti zegene, beware en met zijne genade bijblijve !
(Door /.. il. Pius IX, den 12 December 1866, eigenhandig geschreven in het handboekje der Congregatie van O. L. V. Onbevlekte Ontvangenis, sedert 1361 bij het korps Pauselijke Zouaven opgericht.)
VOORREDE.
De rede en de ondervinding leeren overtuigend, dat de vereenigingen van godsdienstige menschen, bijzonderlijk als zij onder de bescherming der Allerheiligste Maagd Maria zijn ingesteld, zeer geschikt zijn om de godsvrucht te bevorderen , zoowel door den bij zonderen bijstand der H. Moeder Gods, welken zij overvloedig aan hare vereerders verleent, als door de veelvuldige godsdienstige oefeningen en gebeden, welke de leden, in den naam van Christus vergaderd, verrichten , en eindelijk door de heilzame onderrichtingen, die zij ontvangen, en door het wederkeerige goede voorbeeld , waardoor zij elkander ongevoelig, maar krachtdadig tot de deugd opwekken.
Daarom heeft Z. H. Paus Gregorius XIII, die steeds met den grootsten ijver bezield was, om de goddelijke eer op allerlei wijzen te bevorderen, niet geaarzeld door zijnen Apostolischen brief van den 2 November 1584, de Congregatie van O. L. V., welke in 1563 te Rome door de leden van het Gezelschap van Jezus was begonnen, te bevestigen en met aflaten te begunstigen; hij heeft ook aan den Generaal of den Vicaris-Generaal van genoemd Gezelschap de macht gegeven, dusdanige Congregatiën in al hunne collegiën voor de scholieren en ook voor anderen op te richten.
Z. H. Paus Sixtus V, overtuigd van het nut dezer instelling, bekrachtigde al de verleende gunsten, en machtigde bovendien den Generaal, de Congregatie, zoowel onder den titel van Maria Boodschap , als onder eene andere aanroeping, in alle collegiën, semina-riën, kerken en huizen van het Gezelschap
en in alle andere plaatsen aan hunne zorg toevertrouwd, op te richten en met de Hoofd-Congregatie te vereenigen.
De door zijne geleerdheid en godsvrucht beroemde Paus Benedictus XIV toonde ook op de klaarblijkelijkste wijze, hoezeer hij van het groote nut der Congregatie overtuigd was. Hij bekrachtigde en vermeerderde niet alleen de verleende gunsten, maar gaf zelfs eene bulle uit, waarin hij met veel welsprekendheid , het voordeel der Congregatie aantoont. « Het is ongelooflijk, zegt hij, welk groot nut personen van allerlei stand getrokken hebben uit deze lofwaardige en godsdienstige instelling, die overvloedig voorzien is van heilige en zalige regels, met bescheidenheid op de verschillende standen der Congreganisten toegepast, en die door den voorzichtigen ijver van de Directeurs bijzonder wordt verzorgd. Sommigen , getrouw in het bewandelen van den weg der onschuld en godsvrucht, welken zij van hunne teederste jaren onder de bescherming
dei' H. Maagd waren ingetreden, hebben het geluk gehad de zuiverheid der zeden, die aan alle christenen, maar vooral aan de kinderen van de H. Maagd betaamt, tot het schoonste voorbeeld van anderen , gedurende geheel hun leven te bewaren, en eindelijk de kroon der volharding te bekomen. Anderen , die van de jeugd af met eene tee-dere godsvrucht tot de Moeder Gods bezield, en daardoor tot een hoogen trap der goddelijke liefde verheven waren, hebben de ijdele en vergankelijke goederen en wellusten dezer wereld met eenen grooten en edelen moed verlaten, en een heiliger en veiliger staat in eene geestelijke orde omhelsd; en alzoo door de geloften aan het kruis van Jezus Christus gehecht, hebben zij de overige dagen van hun leven in het bevorderen van hunne eigene volmaaktheid en van de zaligheid van hunnen evenmensch doorgebracht.quot;'
« Wij, zoo gaat hij voort, die Ons met vreugde herinneren de heilige oefeningen van
9
deze Congregatie, die Wij, als lid der Congregatie van Maria Hemelvaart, in het Professiehuis der Sociëteit van Jezus te Rome, met veel geestelijken troost hebben bijgewoond , eer Wij tot hoogere waardigheden verheven waren, oordeelen, dat het onze herderlijke plicht is, deze instelling van echte en grondige godvruchtigheid , die de christelijke deugden en de zaligheid der zielen grootelijks bevordert, door onze Apostolische macht en milddadigheid te begunstigen en te bevoorrechten; en daarom hebben Wij al de gunsten en gratiën, die onze Voorzaten daaraan verleend hebben, door onzen Pauselijken brief van den April goedgekeurd , bevestigd , uitgebreid en vermeerderd, gelijk blijkt uit denzelfden brief.quot;
Z. H. Paus Leo XII bevestigde al de verleende gunsten, en in zijnen Apostolischen brief van den 7 Maart 18^5, breidde hij dezelve uit tot alle andere collegiën, seminariën, kerken en huizen , ofschoon zij niet tot het
10
Gezelschap van Jezus behoorden, mits de Congregatie wettig opgericht en met de Hoofd-Congregatie van Rome werd vereenigd.
Eindelijk, Z. H. Paus Gregorius XVI, de uitbreiding der Congregatie willende bevorderen, gaf aan onderscheidene Kerkoversten de macht, om dezelve in de plaatsen hunner Jurisdictie op te richten, met toevoeging van al de aflaten en gunsten, welke de Pausen er aan verleend hadden.
Wie zal, na zooveel ondubbelzinnige bewijzen van goedkeuring en aanmoediging, gegeven door de Opperhoofden der H. Kerk zeiven, nog twijfelen aan het groote nut, dat de Congregatiën van O. L. V. kunnen voortbrengen! quot;Wie ziet niet, dat deze godsdienstige instelling een zeer krachtig middel is, om de godsvrucht jegens de allerheiligste Maagd te bevorderen, en vooral de jeugd tegen de menigvuldige zielsgevaren onzer zedenbedervende tijden te behoeden!
Dat dan al degenen, die het geluk hebben
11
leden te zijn van deze Congregatie, zich verheugen, God er voor bedanken, en zich beijveren , om door de getrouwe onderhouding der Regelen en door een stichtend gedrag , alle menschen van het groote nut dezer lofwaardige instelling meer en meer te overtuigen, opdat dezelve steeds toeneme en bloeie, tot bevordering van de eer van God en den dienst der allerheiligste Maagd Maria.
GOEDKEU EIIVG.
Be hier volgende Regelen voor de Congregar nisten van O. L. V., hebben Wij nauwkeurig nagezien en zeer geschikt bevonden, om het doel der Congregatie te bereiken; waarom Wij dezelve goedkeuren en aan al de Congregatiën, die in de plaatsen onzer Jurisdictie reeds zijn opgericht, of in het vervolg zullen worden opgericht, ten gebruike aanbevelen.
Gegeven op den Huize Gerra onder Tinaren, op den feestdag van O. L. V. Boodschap 1855.
De Aartsbisschop van Utrecht, Apostolisch Administrator van 's-Bosch.
ZFHEa-ZBILIElSr
voob de
COUaREamp;AnSTEU YM 0. L. Y.
GETROKKEN UIT DE REGELEN DER
HOOFD-CONGREGATIE TE ROME.
------
Abt. 1.
Patronen.
De eerste en bijzondere Patrones der Congregatie is : de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, onder den titel van een harer feestdagen of geheimenissen, b. v. onder den titel van hare Onbevlekte Ontvangenis, van hare Hemelvaart, enz. Elke Congregatie mag ook nog een tweeden Patroon of eene tweede Patrones aannemen, b. v. den H. Aloysius, den H. Jozef, de H. Anna, enz.
14
Aet. 2.
Doel.
Het doel der Congregatie is : hare leden gevoelens van oprechte deugdzaamheid en van ware godsvrucht jegens de Allerheiligste Maagd Maria in te boezemen.
Aet. 3.
Titel der leden.
De leden dragen den schoonen en troostvol-len naam van Kindeeen van Mabia.
Aet. 4.
Middelen tot bereiking van het doel.
Om aan het doel der Congregatie te beantwoorden en den naam van kinderen van Maria waardig te dragen, moeten de leden zich onderscheiden , niet alleen door het dikwijls bijwonen van godsdienstige oefeningen en het veelvuldig ontvangen der HH. Sacramenten, maar voornamelijk door het vluchten van gevaarlijke gelegenheden, door het ijverig vervullen van de plichten van hunnen staat, en door oprechte liefde jegens elkander en jegens hunnen even-menseh, vooral jegens de armen en ongeluk-kigen. Zóó doende zullen zij hunne godsvrucht tot de H. Maagd niet enkel doen bestaan in gevoelens van eerbied en liefde, en in eenige
15
uitwendige oefeningen van godsvrucht te barer eer, maar zij zullen, gelijk ware kinderen, de deugden van hunne H. Moeder navolgen.
Art. 5.
Bestaar der Congregatie.
Het bestuur der Congregatie is samengesteld uit de volgende personen :
Een Eerwaarden Heer IHrecteur; een Prefect; twee Assistenten , en een Raad, welke bestaat uit één Secretaris en zes tot twaalf leden, daaronder begrepen de Prefect en de twee Assistenten.
Bovendien zal men , in zooverre dit noodig is, nog benoemen één Schatbewaarder, één Sacristaan, één Portier, één Foorlezer en eenige Zangers (1).
ABT. 6.
Directeur der Congregatie.
De Eerw. Heer Pastoor der Parochie is rechtens Directeur of Bestuurder der Congregatie , tenzij de Hoogeerwaarde Kerkoverste
1
Voor de Congregatie van vrouwspersonen leest men : Pre-
fccte, Secretaresse , Schat bewaarster , Sacristane of Kosteres y Portierster, Voorlezeres, Zangeressen.
16
van het Diocees het anders mocht bepalen. Het staat den Eerw. Heer Directeur vrij, een ander met zijne bediening geheel of gedeeltelijk te belasten.
Diegene, welke aldus de plaats van den Eerw. Heer Directeur bekleedt, zorge, niets te doen, wat met de inzichten of met het verlangen van den Eerw. Heer Directeur strijdig is.
Zonder voorkennis en goedkeuring van den Eerw. Heer Directeur, zal men nimmer iets veranderen , invoeren of verrichten, dat vap eenig gewicht is.
Aht. 7.
Prefect der Congregatie.
De Prefect moet, als hoofd der Congregatie, met een waren ijver voor de belangen der geheele Congregatie in het algemeen en van eiken Congreganist in het bijzonder bezield zijn, en hen allen door zijn godvruchtig gedrag trachten te stichten. Hij zal dus:
1. Zonder wezenlijk beletsel, nimmer verzuimen de vergadering bij te wonen.
2. Hij zorge, dat hij altijd tijdig bij dezelve tegenwoordig zij.
3. Ingeval hij werkelijk verhinderd is, moet hij hiervan bijtijds kennis geven aan den eersten Assistent, opdat deze in de vergadering zijne plaats bekleede.
17
4. Hij zal over liet gedrag der Congreganis-ten, zooveel als in zijn vermogen is, waken, en wanneer hij ziet of hoort, dat iemand onder hen zich slecht gedraagt, zal hij hiervan kennis geven aan den Eerw. Heer Directeur.
5. Hij zal niet dan om gegronde redenen toestaan , dat men van de Vergadering afwezig zij. Diegenen, die zonder verlof afwezig blijven, zal hij telkens aan den Eerw. Heer Directeur kenbaar maken.
6. Als iemand der Congreganisten ziek wordt, zal de Prefect zorgen, dat de zieke door de leden der Congregatie bezocht worde; hiertoe zal hij diegenen kiezen, welke, volgens de omstandigheden van plaats en personen, het best
j geschikt zijn, om den zieke te stichten en te vertroosten. Indien de ziekte toeneemt en gevaarlijk wordt, zal hij hem in de gebeden van al de Congreganisten aanbevelen, en zorgen, indien dit noodig zoude zijn , dat de zieke zelf of zijn biechtvader worde bekend gemaakt met het gevaar der ziekte, ten einde hij tijdig de H. Sacramenten der stervenden kunne ontvangen.
7. Indien de zieke sterft, zal de Prefect hiervan aan al de leden, zoo spoedig mogelijk, kennis geven , opdat zij den.overledene dagelijks in hunne gebeden gedenken en wel bepaaldelijk gedurende acht dagen den Psalm De Profundis of één Onze Vader en één PTees gegroet bidden en.
c 2
18
éénmaal de H. Communie opdragen tot lafenis zijner ziel. â Hij zal hen ook uitnoodigen en verzoeken , om, indien zij niet belet zijn , den lijkdienst en de begrafenis bij te wonen. De Prefect zal ook zorg dragen, dat er op kosten der Congregatie ten minste ééne Mis tot lafenis der ziel van den overledene worde gelezen.
8. Alle drie maanden zal bij de rekening van den Schatbewaarder, in het bijzijn van de twee Assistenten en van den Secretaris, nazien, en daarna aan den Eerw. Heer Directeur doen weten, in welken staat hij dezelve bevonden heeft; hij zal niet toelaten, dat men eenige uitgaven doe zonder zijne goedkeuring.
9. Hij zal nauwkeurig onderzoek doen naar het gedrag en de hoedanigheden van degenen, die zich bij hem aanbieden, om in de Congregatie te worden aangenomen; daarna zal hij hen bij de eerste Vergadering aan den Eaad voorstellen. quot;Wordt er nu in den Eaad met meerderheid van stemmen besloten, hen aan te nemen, dan zal de Prefect hiervan kennis geven aan den Eerw. Heer Directeur, en met dezes goedvinden hen als Aspiranten in de Congregatie opnemen.
10. Hij zal, of zelf, of door een der Assistenten , of door iemand der Raadsleden, die daartoe het best geschikt is, de Aspiranten onderrichten aangaande de Regelen, oefenin-
19
is gen en plichten der Congregatie; hij zal ook
ju niet verzuimen, den Eerw. Heer Directeur
;a te doen kennen, hoe de Aspiranten zich ge-
Je dragen, vooral als de tijd daar is, dat zij hun-
3n ne plechtige opdracht of toewijding aan de al-
fe- lerheiligste Maagd kannen doen.
m. 11. Bij het aanvaarden en bij het neder-
ag leggen van zijne bediening, zal hij met den
ie Secretaris den inventaris van al de tot de
in, Congregatie behoorende goederen en de alge-
en meene rekening van ontvangsten en uitgaven
en teekenen, opdat alles in goede orde aan zijne
ge opvolgers worde overgeleverd.
'ar Abt. 8.
sn,
re- Assistenten.
hij
a(i De Assistenten staan, ofschoon ondergeschikt
iet aalx den Prefect, met hem aan het hoofd der
an Congregatie. In het algemeen is het hun
tü® plicht, den Prefect in zijne bediening behulp-
let zaam te zijn, het ware belang der Congre-
de gatie zooveel mogelijk te bevorderen , en de Congreganisten door een goed voorbeeld te
31B' stichten. Hunne plichten in het bijzonder zijn
iie de volgende :
;en. 1. Zij zullen waken over het gedrag der
m- Congreganisten, vooral der Aspiranten, en van
20
hunne bijzondere overtredingen of misslagen aan den Prefect kennis geven.
2. Zij zullen de Aspiranten onderrichten aangaande de Eegelen, oefeningen en plichten der Congregatie, als zij hiermede door den Prefect belast zijn.
3. Bij afwezigheid of verhindering van den Prefect, bekleedt de eerste Assistent, en bij afwezigheid of verhindering van dezen, de tweede Assistent, deszelfs plaats.
4. Zij moeten tegenwoordig zijn, als de Schatbewaarder zijne driemaandelijksche rekening doet, en na elke nieuwe keuze , als de Prefect en de Secretaris den inventaris der Congregatie en de rekening van ontvangsten en uitgaven onderteekenen.
Aet. 9.
Secretaris.
De Secretaris, die altijd lid van den Raad moet zijn, heeft vooreerst al de verplichtingen welke de Raadsleden hebben (Zie art. 10); doch bovendien moet hij :
1. Zorgen voor al het schrijfwerk, dat er in de Congregatie voorkomt: hij moet dus drie boeken hebben. Het eerste bevat de naamlijst van al de Congreganisten, waarin aangeteekend zijn hun naam, voornaam, ouderdom, bedrijf, alsmede de dag hunner aanneming en opdracht.
21
Het tweede bevat de beslissingen van den Raad, die van eenig gewicht zijn; hij zal nochtans deze beslissingen niet inschrijven, alvorens het opstel van hetgeen moet worden ingeschreven, door den Eerw. Heer Directeur en door den Raad is goedgekeurd. Het derde bevat de verkiezingen , de overledene Congreganisten, de weldoeners, en degenen, die de Congregatie hebben verlaten of uit dezelve zijn weggezonden, zonder nochtans de oorzaak van het verlaten der Congregatie of van hunne wegzending uit dezelve er bij te voegen. â Deze boeken moet hij onder slot bewaren, en derzelver inzage aan niemand, behalve aan de Raadsleden, veroorloven.
2. Moet hij eene alphabetische lijst opmaken van al de Congreganisten, welke, als het gevoeglijk kan geschieden, in de kapel of bidplaats zal worden opgehangen.
3. Als de Schatbewaarder zijne driemaande-lijksche rekening doet, is !hij daarbij tegenwoordig ; ook onderteekent hij met den Prefect den inventaris en de algemeene rekening van ontvangsten en uitgaven.
Aet. 10.
Raadsleden.
De Raadsleden maken ook deel uit van het Bestuur der Congregatie, en moeten derhalve
22
ook met eeneu bijzonderen ijver de belangen der Congregatie behartigen; zij zullen dus :
1. Altijd tijdig bij de vergaderingen , hetzij van de Congregatie, hetzij van den liaad, tegenwoordig wezen, en in geval van wezenlijk beletsel, hiervan vooraf aan den Prefect kennis geven.
2. In den Eaad zullen zij met weinige woorden , vrijmoedig, doch met veel omzichtigheid en zedigheid , hun gevoelen zeggen aangaande de voorstellen, welke door den Eerw. Heer Directeur, of door den Prefect gedaan worden.
3. Zij mogen ook voorstellen doen in den Eaad ; maar het is zeer raadzaam, dat zij van hetgeen zij willen voorstellen, eerst aan den Eerw. Heer Directeur kennis geven, zooals in Art. 16 gezegd wordt.
4. Indien zij weten, dat iemand der Congre-ganisten merkelijke misslagen begaat, vooral als de Prefect dien persoon bijzonder aan hunne zorg hadde aanbevolen, dan moeten zij hiervan kennis geven aan den Eerw. Heer Directeur, of aan den Prefect, en getrouwelijk volbrengen , wat dezen hun dienaangaande zullen opleggen.
Abt. 11.
Schatbewaarder.
De Schatbewaarder zal;
1. Boekhouden van de ontvangsten en u
23
gaven, en alle drie maanden rekening doen aan den Prefect, in liet bijzijn van de Assistenten en van den Secretaris.
2. Hij zal alles bezorgen wat voor den dienst der Congregatie noodig is, maar niets doen zonder goedkeuring van den Prefect.
3. Vóór elke kiezing zal hij zijne rekening sluiten om behoorlijk goedgekeurd en onderteekend te kunnen worden. (Zie art. 7. 8.)
Abt. 13.
Sacristaan.
De Sacristaan of Koster moet nauwkeurig zorg dragen voor de kapel of bidplaats en voor al de voorwerpen, welke tot dezelve behooren; hij moet dus zorgen, dat de kaarsen op tijd worden aangestoken en uitgedaan, dat alles zindelijk bewaard blijve, dat de sieraden behoorlijk volgens de plechtigheden gebruikt worden. Hij zal ook eene lijst opmaken van al de meubelen en sieraden, welke het eigendom der Congregatie zijn; deze lijst zal hij bij elke nieuwe verkiezing den Prefect aanbieden, om onderzocht en onderteekend te worden.
Hij is in al zijn bedieningen geheel ondergeschikt aan den Prefect, zoodat hij , b. v. in het plaatsen van meubelen en van kaarsen , in het gebruiken en herstellen van sieraden, enz.
24
den Prefect moet raadplegen, en in alles naar diens goedvinden moet handelen.
Aet. 13.
Portier.
De Portier moet zorgen, dat de deur der kapel of bidplaats op den bepaalden tijd geopend en gesloten worde, en dat niemand zonder verlof van den Eerw. Heer Directeur de vergadering bijwone.
Overigens zal hij al de andere bedieningen, waarmede de Eerw. Heer Directeur goed zal vinden hem te belasten, nauwkeurig vervullen.
Ook zal hij de afwezige leden bij elke vergadering aanteekenen, en na het einde derzelve hunne namen aan den Prefect opgeven.
Nota. /x die plaatsen, waar men de vergaderingen houdt in eene kerk of in eene kapel van een klooster of liefdadig gesticht, zullen de Koster en de Fortier geene andere bedieningen verrichten, dan die welke hun bepaaldelijk door den Eerw. Heer Directeur worden aangewezen.
Aet. 14.
Voorlezer.
De Voorlezer zal, wanneer er geene onderrichting door den Eerw. Heer Directeur of
25
iemand door hem gelast, gegeven wordt, liet aangewezen punt in een geestelijk boek zóó langzaam en duidelijk voorlezen, dat hij door allen, die er tegenwoordig zijn, gemakkelijk kan worden verstaan. Over welke stof en hoelang hij moet lezen, zal door den Eerw. Heer Directeur, of bij onvoorziene gevallen, door den Prefect bepaald worden.
Aet. 15.
De Zangers.
De Zangers, die gekozen zijn, om in de Congregatie den lof van hunne H. Moeder Maria te zingen, gelijk de Engelen en Uitverkorenen in den Hemel doen, moeten er zich op toeleggen om goed te zingen, en in hunnen zang , in hun gelaat en in geheel hunne houding eene ware godsvrucht en zedigheid doen uitschijnen ; daarom zullen zij van tijd tot tijd bij elkander komen , om zich te oefenen , onder het bestuur van den Voorzanger, die daartoe aangesteld ia, en zonder uitdrukkelijk verlof van den Prefect nimmer afwezig blijven.
Men zal geen gezangen zingen, dan dezulke, welke statig zijn en tot godsvrucht opwekken.
De Voorzanger is in alles, wat zijne bediening betreft, ondergeschikt aan den Prefect, aan wien hij dus van alles, wat hij aangaande den zang verordent, rekening moet geven.
26
Aet. 16. lid
Kaads vergadering'. ®el
De Raadsvergadering zal gewoonlijk eens per neI1 maand plaats hebben , om te handelen over de
belangen der Congregatie. ^
De Raadsvergadering wordt door den Eenv.
Heer Directeur, en bij deszelfs afwezigheid, m*n
door den Prefect voorgezeten. ^
Al de leden van den Raad zullen zooveel mogelijk trachten bij dezelve tegenwoordig te ^eg zijn. Zij zullen al hetgeen in den Eaad verhandeld wordt, zorgvuldig geheim houden. fec
Nadat men eerbiedig het Veni Sancte Spiritus, enz. gebeden heeft, wordt het verhandelde dei-voorgaande zitting, door den Secretaris opgesteld, voorgelezen, en aan de goedkeuring van den Raad onderworpen. Daarop gaat men over tot de behandeling van nieuwe punten, waarop ieder lid van den Raad in weinige woorden , met omzichtigheid en zedigheid, doch met vrijmoedigheid , zijn gevoelen zegt.
I Zijn er de meeste stemmen vóór, dan wordt
het voorstel aangenomen; zijn er evenveel t
stemmen vóór als tegen, dan kan de Eerw. l
Heer Directeur, (indien hij zulks goedvindt), -v
de beslissing geven. Om de voorgestelde punten i
rijpelijk te kunnen onderzoeken, is het zeer 1
raadzaam, dat de Prefect of eenig ander raads- i
27
lid van dezelve eerst kennis geve aan den Eerw. Heer Directeur; als dit niet geschied is, zal de Eaad in deze zitting geen besluit nemen, tenzij de Eerw. Heer Directeur het uitstel noodeloos oordeelde.
Men sluit de Vergadering met het gebed: Sub tuum praesidium, etc. Onder uwe bescherming , enz.
De besluiten van den Eaad zijn niet geldig, indien er niet drie vierde gedeelte van de leden tegenwoordig zijn.
Eene langdurige afwezigheid van den Prefect , van de Assistenten of van eenig ander Eaadslid, is eene wettige reden, om. een ander in hunne plaats te doen verkiezen. De Eerw. Heer Directeur zal beslissen, of men tot deze kiezing zal overgaan.
Aet. 17.
Verkiezing van het Bestuur.
1. De kiezing zal jaarlijks plaats hebben.
De Prefect mag zonder reden geene twee achtereenvolgende jaren herkozen worden : doch hij kan altijd tot een ander ambt benoemd worden. De Eaad zal beslissen, of er genoegzame reden bestaat, om den Prefect meer jaren te herkiezen, doch in dit geval wordt vereischt, dat die Prefect (die in dit geval niet medestemt)
28
drie vierde der Btemmen hebbe, en als hij die meerderheid heelt, zal hij met nog twee andere candidaten, die de Raad gekozen heeft, aan geheel de Congregatie ter stemming voorgesteld worden, en bij de volstrekte meerderheid der stemmen, tot Prefect gekozen zijn.
2. De kiezing geschiedt op de volgende wijze :
Nadat de Prefect, de Assistenten en de overige leden van den Raad verzameld zijn, en na de verlichting van den H. Geest afgesmeekt te hebben, schrijft ieder op een briefje drie namen der Congreganisten, welke hij voor God de waardigste en geschiktste oordeelt, om het ambt van Prefect te bekleeden. De Eerw. Heer Directeur opent de briefjes in het bijwezen van geheel den Raad en de Secretaris teekent de benoemden aan, alsook hoeveel stemmen ieder der benoemden bekomen heeft.
3. De drie namen, die in den Raad de volstrekte meerderheid van stemmen bekomen hebben, worden daarna aan de geheele Congregatie kenbaar gemaakt. Men legt die voor het beeld van Maria boven drie doosjes, op zoodanige wijze, dat de kiezer de daarop geschreven namen goed kunne lezen; elk Congreganist(1)ontvangt een balletje, of eene boon , en gaat, volgens
1
Door Congreg:inisl verslaat men liier alleen hem, die reeds zijne opdracht gedaan heeft.
29
de oproeping van den Secretaris, dezeh'e ne-derleggen in een van deze drie doosjes. Wanneer alles geëindigd is, telt de Eerw. Heer Directeur in het bijzijn van den Eaad, de stemmen op, en hij, die de meerderheid heeft bekomen , wordt Prefect benoemd.
4. Om de keuze der twee Assistenten te doen, voègt men bij de twee namen, die overgebleven zijn, nog twee andere namen, welke door den Eaad gekozen worden, op dezelfde wijze als boven bij .Nquot; 2 is voorgeschreven. Men kondigt de vier namen voor geheel de Congregatie af, en men plaatst dezelve boven vier doosjes voor het beeld van Maria; elke Con-greganist ontvangt twee balletjes en gaat die nederleggen in een van de vier doosjes. De Eerw. Heer Directeur , in het bijzijn van den Eaad, telt de stemmen op, en zij, die de meerderheid hebben bekomen, worden tot Assistenten benoemd.
De twee Congreganisten , die geene stemmen genoeg gehad hebben, om tot Assistenten benoemd te worden , zijn rechtens leden van den Eaad. Nadat de kiezing van deze bijzondere ambtenaren aldus geschied is, leest men het Te Deum, of zingt een danklied, en de Vergadering wordt geëindigd volgens gewoonte.
5. De overige leden van den Eaad kunnen op twee verschillende wijzen gekozen worden,
30
namelijk : door den Eerw. Heer Directeur, met den nieuwgekozen Prefect, de twee nieuwe Assistenten en de twee liaadsleden, (welke alsdan op een ander oogenblik te zamen kunnen komen om deze keuze te doen), of wel onmiddellijk door geheel de Congregatie. In dit laatste geval, schrijft iedere Congreganist op een briefje zooveel namen als er leden van den Raad te kiezen zijn, en legt dit briefje voor het beeld van Maria neder. Deze briefjes worden dan door den Eerw. Heer Directeur geopend, in de tegenwoordigheid der vijf eerst-gekozen ambtenaren, en de meerderheid van stemmen beslist, welke de leden van den Raad zijn, die er nog ontbreken. â Men bedient zich van de eerste wijze in die plaatsen, waar de leden der Congregatie elkander niet genoegzaam kennen.
6. De Eerw. Heer Directeur met den Prefect en de twee Assistenten kiezen de andere ambtenaren, te weten; den Secretaris, den Schatbewaarder, den Sacristaan of Koster, enz.. Dezen allen, behalve de Secretaris, die eerst als Eaadslid moet gekozen zijn, mogen onverschillig in of buiten den Raad gekozen worden.
7. De geheele kiezing wordt daarna of in de volgende Vergadering afgekondigd; en de nieuw gekozen overheid neemt bezit van hare plaats en treedt in bediening.
31
Aet. 18.
Aanneming tot lid der Congregatie.
De aanneming in de Congregatie geschiedt als volgt:
Al wie in de Congregatie verlangt aangenomen te worden, moet zich bij den Prefect aanbieden.
Indien de Prefect met zijn gedrag en zijnen toestand niet bekend is, moet hij (a) een. nauwkeurig onderzoek daarnaar doen; (b) hem aan al de leden van den Baad voorstellen, ten einde hun gevoelen te kennen ; (c) als hij de meerderheid van stemmen van den Raad bekomt, hem aan den Eerw. Heer Directeur voorstellen;
(d) indien de Eerw. Heer Directeur het goedvindt , laat de Prefect hem weten, dat hij is aangenomen en schrijft hem als Aspirant op;
(e) in de volgende Vergadering geeft hij aan al de leden der Congregatie kennis van zijne opneming als Aspirant; (f) Ae Prefect zorge, dat hij wegens de Eegelen, oefeningen en plichten der Congregatie behoorlijk worde onderricht. (g) Nadat de proeftijd , welke ten minste drie maanden moet duren, zal zijn geëindigd , en nadat de Baad beslist, en de Eerw. Heer Directeur goedgekeurd zal hebben, dat de Aspirant als lid der Congregatie worde opgenomen, zal de Prefect in de volgende Vergadering aan al de tegenwoordig zijnde Congreganisten kennis geven van dit besluit.
32
Aet. 19.
De Opdracht.
De opdraclit geschiedt op de volgende wijze :
1. Men zingt of bidt den lofzang; Veni Creator, als naar gewoonte. Gedurende dezen lofzang zullen alle tegenwoordig zijnde leden, en vooral zij, die liet geluk hebben hunne opdracht te doen , den H. Geest vurig bidden, dat zij , door Hem verlicht, met eene oprechte godsvrucht jegens de H. Maagd mogen worden bezield, en zich gansch aan haren dienst mogen toewijden.
2. Na het bidden of zingen van den lofzang : Veni Creator, en nadat al de gewone gebeden verricht zijn, knielt de Aspirant neder voor het beeld van O. L. V., aan welks recht-terkant zich de Eerw. Heer Directeur, en aan welks linkerkant zich de Prefect bevindt.
3. Hij ontvangt eene waskaars in de hand en spreekt alzoo neergeknield de volgende opdracht of toewijding langzaam en met eene duidelijke stem uit:
Heilige Maria, Moeder Gods en Maagd, â ii N... , verkies u heden voor mijne Moeder, â mijne Beschermster en mijne Voorspreekster: â ik neem vast voor, u nooit te verlaten, â nooit iets iegen uwe eer te zeggen of te doen, noch te ge-
33
doogen, dat iets door mijne onderdanen daartegen gedaan worde. â Ik smeek u dan, ontvang mij voor uwen eeuwigen dienaar ; â sta mij in al mijne werken bij, â en verlaat mij niet in het uur van mijnen dood. â Amen. (*)
4. Zoodra hij zijne opdraclit gedaan heeft, zegt de Prefect, rechtstaande, met eene klare stem:
â Tot meerdere eer en glorie van God , tot bevordering van den dienst der allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, tot geestelijk welzijn en voorspoed van onze Congregatie, wordt N.... (worden NN....) aangenomen onder het getal der kinderen van Maria, in de Congregatie der jongelingen, (jonge dochters) ingesteld te.... onder den titel van.... en wordt (worden) deelachtig gemaakt aan al de genaden , voorrechten en gunsten, welke de Apostolische Stoel aan de Roomsche Hoofd-Congre-gatie vergund heeft.quot;
Indien er velen zijn, die hunne opdracht doen, dan behoeft de Prefect deze woorden slechts eens te zeggen, te weten, nadat allen hunne opdracht hebben uitgesproken; bij de woorden,
Z. D. H. Joannes Zwljscn , Aartsbisschop van Utrecht, Apostolisch Administrator van 's-Bosch, heeft goedgunstig verleend ccneu aflaat van 40 dagen aan al zijne onderhoorigen , zoo dikwijls zU . leden der Congregatie zünde, dit gewone formulier van opdracht godvruchtig en aandachtig zullen bidden.
c 3
34
worden NN...... noemt kij alsdan de namen van
degenen , die hunne opdracht hebben gedaan.
5. De Eerw. Heer Directeur neemt de waskaars uit de handen van den nieuwen Congre-ganist en hangt hem het gewijde kruis of de gewijde medalje der Congregatie om, zeggende:
Accipe signum Congregatiorns, ad corporis et animae defensionem , ut dioinae bonitatis gratia, et ope Muriae Matris tuae, aeiernam beatitudinem consequi nerearis. In nomine Palris, et Filii, et Spiritus Sancti. Amen. ('*)
6. Hierna doet de Eerw. Heer Directeur zijne gewone onderrichting of houdt eene korte toespraak, in welke hij degenen , die hunne opdracht hebben gedaan, en tevens al de Con-greganisten, tot ware en standvastige gods-Trucht jegens de H. Maagd opwekt.
7. Al de Congreganisten zullen deze opdracht elk jaar op den titelfeestdag hunner Congregatie gezamenlijk plechtig hernieuwen; dit geschiedt op de volgende wijze:
omvang hel kenmerk der Congregalic, lot bescherming voor lichaam en ziel, op,lal gij, door de g.nade van dcgoddelijkegoedhe.d en door den bijsland van Maria, uwe Moeder, dc eeuw ige gelnkzai.g-hcid mogel bekomen, In den naam dos Vaders, en des ïoons, en des Heiligen Geestes. Amen.
.
35
De Prefect, houdende eene waskaars in de Land, knielt eerbiedig voor het beeld der H. Maagd neder; al de andere leden plaatsen zich rondom hem op hunne knieën, en herhalen telkens gezamenlijk met luider stemme dat gedeelte der opdracht, hetwelk de Prefect op eenen langzamen en duidelijken toon heeft voorgezegd.
8. Op den feestdag van den tweeden Patroon der Congregatie , of op den Zondag onder het octaaf, kan men op dezelfde wijze als hiervoren gezegd is, zijne opdracht aan dezen Heilige doen met de volgende woorden;
Heilige N., machtige voorspreker bij God, â ik N. verkies u heden voor geheel mijn leven , â aoor eenen bijzonderen Patroon , Geleider en Bestuurder van mijne ziel en mijn lichaam, â van mijne gedachten , looorden eu werken, â van mijne verlangens en genegenheden, vttn mijne eer en goederen, â van mijn leven en mijnen dood. â Ik neem vast el ijk voor, uwen heiligen naam te verheffen en uwe eer te bevorderen , â zooveel het mij mogelijk zal zijn. â Ik bid u dan vurig , ontvang mij voor uwen eeuwigen dienaar;â-help mij in al mijne werken en verlaat mij niet in het uur van mijnen dood. â Amen.
36
Abt. 20.
Algemeene Vergadering.
De Vergadering voor al de Congreganisten zal gewoonlijk plaats hebben om de acht of ten minste om de veertien dagen. Bovendien zal het buitengewone Vergadering zijn op de feestdagen der H. Maagd, die als Zondag gevierd worden ; op het feest van den tweeden Patroon der Congregatie, of op den Zondag onder het octaaf, en zoo dikwijls de Eerw. Heer Directeur het in bijzondere omstandigheden nuttig zal oordeelen.
De Vergadering zal in gewone omstandigheden ongeveer één uur duren. Men begint dezelve met den Lofzang van den H. Geest Veni Creator, deszelfs Antiphone , vers en gebed , waarna de Antiphone, vers en gebed ter eere van Maria, volgens den tijd des jaars, gezongen of gebeden worden. Dan volgt het gebed, waarin men de meening maakt, met welke men de gebeden en oefeningen gaat verrichten ; â de Litanie van Lorette of van de Kinderen van Maria ; Litanie of gebed tot den tweeden Patroon; vijf Onze Vader en Wees gegroet om den aflaat te verdienen, en verder nog andere gebeden, als er nog tijd over is en de Prefect het goedvindt, b. v. 10 Wees gegroet ter eere van de 10 deugden van Maria, enz.
37
Na deze gebeden geschiedt de onderricliting of geestelijke lezing.
Men sluit de Vergadering met één of meer gezangen.
In de laatste Vergadering van elke maand geschiedt op het einde de uitdeeling der maand-briefjes.
Dit maandbriefje wijst aan , welken bijzonderen Patroon men , gedurende die maand , in al zijne noodwendigheden bijzonderlijk moet aanroepen ; het geeft ook eene grondspreuk tot overdenking , eene deugd tot beoefening , en eindelijk één of meer personen, die men bijzonder in zijne gebeden aan God zal aanbevelen.
Abt. 21.
De plichten van eiken Cougregauist.
1. Daar elk Congreganist zich op eene bijzondere wijze aan den dienst van Maria toewijdt; daar een ieder, bij zijne opdracht, voor haar beeld neergeknield , de H. Maagd Maria plechtig tot zijne Moeder, Beschermster en Voorspreekster verkiest, en daarbij het vaste besluit maakt haar nooit te zullen verlaten, nooit iets tegen hare eer te zullen doen of zeggen, noch te gedoogen, dat er door zijne onderdanen iets tegen gedaan worde; daar elk Congreganist dus in waarheid dienaar en kind van
38
Maria is, zoo is liet ook billijk , dat zij eene groote godsvrucht tot de allerheiligste Maagd hebben , dat zij elkander dikwijls tot hare liefde en vereering opwekken, en in elkanders harten een vurig verlangen trachten te ontsteken, om haren allerheiligsten Naam steeds te verheerlijken.
2. Zij zullen niet alleen aan den Eerw. Heer Directeur, maar ook aan den Prefect en aan allen , die in bediening boven hen gesteld zijn, den verschuldigden eerbied bewijzen , nimmer met minachting van hen spreken , en hun in alles stipt en met liefde gehoorzamen.
3. Alvorens hunne opdracht te doen , zullen zij, met goedvinden van den Biechtvader, eene generale biecht spreken van geheel hun leven , of van den tijd af, dat zij deze gedaan hebben. Wanneer zij hunne opdracht gedaan hebben , zullen zij ten minste elke maand eens tot de HH. Sacramenten naderen. De Prefect, de Assistenten , de Secretaris en de overige leden van den Eaad zullen ten minste alle veertien dagen de HH. Sacramenten ontvangen , altijd met goedvinden van den Biechtvader.
4. Zij zullen de A'ergadering nauwkeurig bijwonen : ingeval zij werkelijk verhinderd zijn, zullen zij hiervan tijdig aan den Prefect kennis geven , met opgave van de reden , die hen belet. Indien iemand dit mocht verzuimen, of
39
zonder verlof naliet de Vergadering bij te wonen , zal de Prefect hiervan onmiddellijk aan den Eerw. Heer Directeur kennis geven.
5. Zij zullen de geestelijke oefeningen, welke in de Vergadering plaatshebben, namelijk: de gezangen, de onderrichting, de lezing en de gebeden, niet uit gewoonte, maar met ware godsvrucht bijwonen , met het oprecht inzicht om Maria, hunne heilige Moeder, te vereeren, en met het oprecht verlangen, om derzelver overvloedige vruchten te genieten en aan de aflaten, die er aan verbonden zijn, deelachtig te worden.
6. Zonder uitdrukkelijk verlof van den Eerw. Heer Directeur, zullen zij niemand, die niet tot de Congregatie behoort, in de Vergadering brengen.
7. Zij zullen dagelijks des morgens, na God bedankt te hebben voor alle weldaden, zoo algemeene als bijzondere, welke zij van zijne oneindige goedheid hebben ontvangen, driemaal het Ome Vader en Wees gegroet bidden, ter eere van de Allerheiligste Drievuldigheid, eens de twaalf artikelen des geloofs en het Saloe Regina. â Des aoonds zullen zij hun geweten onderzoeken en daarna bidden driemaal het Onze Vader en Wees gegroet ter eere van de Allerheiligste Drievuldigheid en eens den psalm De profundis: Uit de diepten , enz. tot latenis der geloovige zielen.
40
8. Als een der leden van de Congregatie merkelijk ziek is, zullen alle leden voor hem bidden. Komt de zieke te overlijden, dan zullen zij allen, zoo veel mogelijk, zijnen lijkdienst bijwonen, en waar het de gewoonte is , dat de Congreganisten het lijk naar de begraafplaats dragen of ten minste vergezellen, zullen zij dit voorbeeld van christelijke liefde niet nalaten. Bovendien zullen zij voor hem gedurende acht dagen den psalm De profundis of één Ome Vader en Wees gegroet bidden en eenmaal de H. Communie opdragen.
9. Als kinderen van de allerheiligste en allerzuiverste Maagd Maria, zullen zij zorgvuldig alles vluchten, wat hen in gevaar van zonde kan brengen, en alles vermijden , waardoor zij aan anderen ontstichting zouden kunnen geven.
Hierom zullen zij alle verbodene en gevaarlijke gezelschappen en gelegenheden, den omgang met slechte en gevaarlijke personen, ook de minste onzedigheid in kleederen of gebaren, en eindelijk alle oneenigheid, allen twist en tweedracht onder elkander of met andere personen zorgvuldig vermijden.
10. Zij moeten niet alleen geene ontstichting geven, maar door hun gedrag anderen tot stichting dienen, en hen tot godsvrucht opwekken. Hierom zullen zij den Zondag en de Feestdagen heiligen door het bijwonen der heilige diensten, door het doen van den kruisweg en
41
andere oefeningen van godsvruclit; zij zullen ook op de werkdagen, als zij door hunne bezigheden niet belet zijn, de H. Mis bijwonen; eiken dag ten minste een rozenhoedje bidden, ten minste een kwartier meditatie en eene kleine geestelijke lezing doen. Zij zullen zich ook zooveel mogelijk beijveren , om werken van barmhartigheid te verrichten, door dagelijks, vooral bij de H. Mis en bij de H. Communie, te bidden voor de bekeering van de zondaars en ongeloovigen, hen dikwijls aanbevelende aan de HH. Harten van Jezus en Maria , â door de onderwijzing van onwetenden in de noodzakelijke punten van het H. Geloof, âdoor het bezoeken van armen en zieken, door het bijstaan der stervenden, â door het bevorderen van godsdienstige inrichtingen of genootschappen , enz. Zij zullen evenwel niets doen zonder toestemming van hunnen Biechtvader of van den Eerw. Heer Directeur, en als zij deze toestemming hebben bekomen, zullen zij zich in dit alles met die voorzichtigheid gedragen, welke de omstandigheden vereischen.
jS'ota. Wanneer een Congreganist zich voor eenigen tijd naar eene andere plaats moet hegeoen, zoodal hij in de onmogelijkheid is, de Vtrgadering bij te wonen, blijft hij toch, als lid der Congregatie , aan derzeleer voordeelen en verdiensten deel-
42
achlig , mits hij de Uegelen, zooveel hij kan, onder' houde. Indien in de plaats, waar hij verblijft, de Congregatie is opgericht, dan kan hij van den 1'erw. Heer Directeur of van den Prefect een getuigschrift van goed gedrag vragen, ten einde dit aan den tref eet aldaar te kunnen vertoonev, met verzoek om de Vergadering te mogen bijwonen.
Abt. 22.
Indien de Congregatie ooit mocht te niet gaan , dan zal het overblijvende geld en al de eigendommen der Congregatie tot liefdadige einden worden besteed.
Aet. 23.
Om de onderhouding dezer Eegelen te verzekeren , zal de Eerw. Heer Directeur zorgen, dat dezelve ten minste eens in het jaar aan de vergaderde leden worden voorgelezen. Overigens zal elk lid zich beijveren dezelve meermalen met aandacht te lezen, en trachten dezelve stipt na te leven, om Gods H. Wil op eene volmaakte wijze te volbrengen.
GEBEDEN
WELKE IN DE
CONGREGATIE VAN O. L VROUW
IN GEBEUIK ZIJN.
------[JU â
Des morgens.
Nadat men driemaal liet Onze Fader en Wees gegroet, ter eere van de Allerheiligste Drievul-diglieid , en de twaalf artikelen des geloofs heeft gebeden , roept men met godsvrucht de Allerheiligste Maagd aan , en smeekt men hare machtige bescherming af door het bidden van het Salve Regina;
Wees gegroet, Koningin, Moeder der barmhartigheid ; ons leven, onze troost en onze hoop, wees gegroet. Tot n roepen wij, bannelingen , kinderen van Eva. Tot u zuchten wij, kermende en weenende in dit tranendal. Welaan dan , onze Voorspreekster, keer uwe barmhartige oogen tot ons, en toon ons, na dit ballingschap, de gezegende vrucht uws lichaams, Jezus. O genadige, o meedoogende, o geliefde Maagd Maria '
44
Des avonds.
Men doet het onderzoek des gewetens op de volgende wijze :
1. Ziek stellen in de goddelijke tegenwoordigheid en God voor al zijne weldaden bedanken.
2. De verlichting van den H. Geest vragen.
3. Onderzoeken, wat men dien dag misdaan heeft, door gedachten , woorden en werken , tegen God, tegen zich zeiven en tegen den evenmensch : overdenkende de plaatsen, waar men geweest is, de personen , met welke men omgang heeft gehad , de dingen, die men verricht heeft, enz.
4. Daarover een waar berouw verwekken.
5. Zijne goede voornemens vernieuwen , en door de voorspraak van Maria de genade vragen,, om aan dezelve getrouw te blijven.
Daarna bidt men driemaal het Onze Vader en Wees gegroet, en eens den psalm De Prof nndis, zooals hier volgt:
De profundis clamavi Uit de diepten heb ad te , Domine : Domi- ik tot u geroepen, o ne , exaudi vocem me- Heer ; Heer , verhoor am. mijne stem.
Fiant aures tuae in- ⢠Laat uwe ooren luis-tendentes, in vocem de- teren naar de stem mij-precationis meae. ner smeeking.
Si iniquitates obser- Indien gij, o Heer, vaveris, Domine : Do-' de ongerechtiglieden mine, quis sustinebit ? gadeslaat: Heer , wie zal er kunnen bestaan ?
Quia apud te propi- Omdat er bij u gena-tiatio est, et propter de is, en om uwe wet legem tuam sustinui te, heb ik u, o Heer, lank-Domine. moedig afgewacht.
Sustinuit anima mea Mijne ziel heeft op in verbo ejus : speravit zijn woord gesteund , anima mea in Domino, mijne ziel heeft op den Heer gehoopt.
A custodia matutina i Dat Israël op den usque ad noctem , spe-! Heer hope , van den ret Israël in Domino, morgenstond tot den nacht toe.
Quia apud Domimim Want bij den Heer misericordia : et copio- is barmhartigheid , en sa apud eum redemp- bij hem is overvloedige tio. verlossing.
Et ipse redimet Isra- En hij zal Israël uit el, ex omnibus iniqui- al zijne ongerechtighe-tatibus ejus. den verlossen.
Requiem aeternam do- Heer , geef hun de na eis, Domine : et lux eeuwige rust, en het perpetua luoeat eis. eeuwige licht verschijne hun.
Requiescant in pace. Dat zij in vrede rus-Amen. ten. Amen.
46
In de Vergadering.
Teni, Creator Spiritus, Kom , Schepper, kom
o lieil'ge Geest, Mentes tuorum visita, Bezoek ons all' van
minst tot meest, Tmple superna gratia , Kom , en stort uw ge-
nadekraclit *___~
Quae tu ereasti peotora. In de harten door u
voortgebracht. Qui diceris Paraclitus, Gij zijt de Trooster
hoog geroemd, Altissimi donum Dei, Gij wordt de gave Gods genoemd,
ions vivus , ignis. De levensbron , delief-
chantas, degloed,
Et spiritalis unctio. De zalving van het recht gemoed.
'Ju septiformis miinere. Gij zijt van 's Vaders
rechterhand Digitus patcrnae dex- De vinger, en dat waar-
terae : dig pand ,
Tu rite promissum Pa- Die hart en toug zeer
t,ri8 , rijk begaaft,
Sermoneditausguttura, En met uw zeven giften laaft.
Accende lumen sensi- Geef, dat uw licht onz'
, ziel bestraal,
Infunde amorem cordi- En dat uw liefde in 't
bus:
Infirma nostri corporis Virtu te firmans perpeti.
harte daal,
En daar zoo zoet en
krachtig werkt, Dat al, wat zwak is r wordt versterkt.
47
|
Eostein repellas lon-gius , Pacemque dones pro- tinus , Ductore sic te praevio, Vitemus omne noxium. Per te soiamus da Pa- trem , Soscamus atque Fili-um. Teque utriusque Spiri-tum , Credamus omni tempore. Deo Patri sit gloria, Et Filio, qui a mortuis Surrexit, ac Paraclito, In saeeulorum saecula. Amen. Akt. Veni, Sancte Spiritus , reple tuorum corda fidelium , et tui amoris in eis ignem aceende. f. Emitte Spiritum tuum , et creabuntur. h}. Et renovabis fa-ciem terrae. |
Verdrijf den vijand van ons af, Verleen ons gunst in plaats van straf, Geleid ons langs de rechte baan , Opdat wij alle kwaad ontgaan. Maak, dat ons door u kenbaar zij De Vader, en de Zoon daarbij, En dat wij u, hun beider Geest, Belijden , dienen onbevreesd. Lof zij den Vader , lof den Zoon, Die door zijn dood den dood verwon; Lof aan u, die de Trooster zijt, Van nu af tot in eeuwigheid. Amen. Ant. Kom , heilige Geest, vervul de harten van uwe geloovigen, en ontsteek in hen het vuur uwer liefde. f. Zend uwen Geest en zij zullen geschapen worden. y. En gij zult het aanschijn der aarde vernieuwen. |
48
|
Oremus. Deus, qui corda fide-lium Sancti Spiritus illustratione docuisti, da nobis in eodem Spi-ritu recta sapere, et de ejus semper oonsolatio-ne gaudere. PerDomi-num nostrum Jesum Christum ïilium tu-um, qui tecum vivit et regnat in unitate ejus-dem Spiritus Sancti, Deus , per omnia sae-cula saeculorum. Amen. |
Laat ons bidden. O God, die de harten der geloovigen door de verlichting van den heiligen Geest hebt onderwezen, geef, dat wij door denzelfden Geest al wat recht is smaken, en ons altijd in zijne vertroosting verheugen. Door onzen Heer Jezus Christus, uwen Zoon , die met u leeft en heerscht, in de eenheid van denzelfden heiligen Geest, God , in alle eeuwen der eeuwen. Amen. |
Na het Veni Creator leest of zingt men eene der volgende Antiphonen van de H. Maagd, volgens de verschillende tijden des jaars.
Alma Redemptoris.
Van de Vesperen des Zaterdags vóór den Advent tot Kerstavond ingesloten.
Alma Redemptoris Ma- Teerhartige Moeder ter, quae pervia coelijdes Verlossers, altijd Porta manes, et stella : opene poort des Hemels maris, succurre cadenti, en sterre der zee ,
49
|
Siivgere qui curat, populo; tu quae ge-nuisti, Katura mirante , tu-um sanctum Genitoreni, Virgo prius ac poste-rius , Gabriëlis ab ore Sumens illud Ave , peccatorum miserere. V . Angelus Domini nuntiavit Mariae. r. Et eoneepit de Spiritu Santo. |
Kom liet zondige volk, dat uit zijne boosheid wenscht op te staan, te hulp; Gij , die tot verwondering der natuur, uwen Schepper gebaard hebt, en altijd maagd zijt gebleven, Gedoog, dat wij umet Gabriel groeten, en ontferm u over de zondaars. De Engel des Heeren heeft Maria geboodschapt. En zij heeft ontvangen van den heili-i gen Geest. |
Laat ous bidden.
Oremus.
|
Gratiam tuam, quae-sumus , Domir.e , men-tibus nostris infunde ; ut qui , augelo nunti-ante , Christi Filii tui incarnationem cognovi-mus, per passionem ejus et crucem ad resurrec-tionis gloriam perda-camur. Per eumdem Christum Dominum nostrum. Amen. |
V.rij bidden u, Heer, stort uwe genadein onze harten, opdat wij, die door de boodschap des Engels de menschwor-ding van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de glorie der verrijzenis gebracht worden. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen. |
4
50
Van Kerstavond tot Maria Lichtmis, dezelfde
Anti phone; maar het Vers en Gebed veranderen
als volgt:
f. Post partum virgo V. Na uwe baring inviolata permansisti. zijt gij ongescliondeu Maagd gebleven.
R). Dei Genitrix, in- Moedor van God,
tercede pro nobis. bid voor ons.
Oreinns. Laat ons biddeu.
Deus qui salutis a-ter- O God , die door de nae, beatae Mariae vir- vruchtbare maagdelijk-ginitate foeounda, hu- heid van de heilige mauo generi praemia Maria, de gaven der praestitisti: tribue ,1 eeuwige zaligheid aan quaesumus, ut ipsam het menschelijk ge-pro nobis intercedere slachtverleend hebt, wij sentiamus, per quam biddeu u, laat ons de meruimus auctorem voorspraak van degene vitae suscipere, Domi- gevoelen, door wie wij num nostrum Jesum verdiend hebben, de Christum Filium tuuni. bron des levens, onzen Amen. Heer Jezus Christus,
uwen Zoon, te ontvangen. Amen.
Ave Begina Coelornm.
Van Lichtmis tot Wit ten-Bonder dag.
Ave, Eegina ooelo- Wees gegroet, Ko-rum; ave, Domina ningin der Hemelen, Angelorum : j wees gegroet, Opper-
vorstiu der Engelen!
Dl
|
Salve , radix ; salve porta, ex qua mundo lux est orta. Gaude, Virgo glori-osa , super omnes spe-eiosa. A'ale, o valde decora, et pro nobis Christum exora. f. Dignare me lau-dare te , Virgo sacrata. IV. Da mihi virtutem contra liostes tuos. Oremus. Concede , misericors Deus, f'ragilitati nostrae praesidium; ut qui sanc-tae Dei Genitricis me-moriam agimus, inter-cessionis ejus auxilio a nostris iniquitatibus re-surgamus. Per eumdem Christum Dominum nostrum. Amen. |
Wij groeten u, o wortel ; wij groeten u, o poort, waaruit het licht voor de wereld is ontstaan. 1 Verblijd u , o roemwaardige en boven allen uitmuntende Maagd. Wees gegroet, o schoonste der maagden, en bid Christus voor ons. f. Gewaardig, dat ik u love, o heilige Maagd. lij. Geef mij sterkte tegen uwe vijanden. Laat ons bidden. | Barmhartige God, wil onze zwakheid ondersteunen, opdat wij, die de gedachtenis der heilige Moeder Gods vieren , door den bijstand van hare voorspraak uit onze zonden mogen opstaan. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen. |
52
ÃJegina t'oeli.
de Completen van Paaschnvond, tot de eerste Vespers der allerheiligste Drievuldigheid,
Van
|
Eegina coeli, laetare, alleluia. Quia quem meruisti portare , alleluia. Resurrexit, sicut dixit, alleluia. Ora pro nobis Deum, alleluia. V'. Gaude et laetare Virgo Maria , alleluia. i^. Quia surrexit Do- minus veie, alleluia. Oremns. Deus, qui per resur-rectiouem Filii tui, Do-mini nostri JesuChristi, mundum laetificare dig-natus es : praesta, qufc-sumus , ut per ejus Ge-nitricem Virgiuem Ma-riam, perpetuae capia-mus gaudia vitae. Per eumdem Christum Do-minum nostrum. Am. |
T erblijd u. Koningin des Hemels, alleluja. Want liij, dien gij waardig geweest zijttè dragen, alleluja. Is verrezen, gelijk bij gezegd beeft, alleluja. Bid God voor ons, alleluja. Verbeug en verblijd n, o Maagd Maria, alleluja. 'V. Want de Heer is waarlijk verrezen, alleluja. Laat ons bidden. O God, die door de verrijzenis van uwen Zoon, onzen Heer Jezus Christus, u gewaardigd hebt de wereld te verblijden, geef ons, bidden wij u, dat wij door zijne Moeder, de Maagd Maria, de vreugden van het eeuwige leven bekomen. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen. |
53
I
Salve Regina.
Van de eerste Vespers der allerheiligste Drievuldigheid, tot de Nonen van den Zaterdag vóór den Advent.
Salve, Eegina, Mater AVces gegroet, Ko-miserioordias; vita, dul- nicgin , Moeder der eedo , et spes nostra , barmhartigheid ; ons le-salve. ven, onze troost en on
ze hoop, wees gegroet.
Ad te claniarans exu- Tot u roepen wg , les filii Evae. ballingen, kinderen van
Eva.
Ad te suspiramus Tot u zuchten wij , gementes et tlentes in kermende en weenende hac laorymarum valle. in dit dal der tranen,
Eja ergo, advocata Welaan dan, onze nostra, illos tuos mise- middelares , keer uwe ricordes ocnlos ad nos barmhartige oogen tot eonverte. ons.
Et Jesum, benedie- En toon ons na dit turn fructum ventris ballingschap Jeztis, de tui, nobis post hoe ex- gezegende vrucht uws ilium ostende. lichaams.
O clemens, o pia , o O genadige, o mee-dulcis Virgo Maria. doogende , o geliefde Maagd Maria.
%T. Ora pro nobis, V. Bid voor ons, sancta Dei Genitrix. heilige Moeder Gods.
w. Ut digni eflicia- r). Opdat wij der mur promissionibus beloften van Christus C'hristi. waardig worden.
54
Oreums. Laat ons bidden.
Omnipotensserapiter- Almachtige , eeuwige ne Deus, qui gloriosae God , die, door de me-Virginis Matris Mariae dewerking van den hei-corpus et animam , ut ligen Geest, het lichaam dignum Filii tui habi- en de ziel der roem-taculum effici merere- waardige Maagd en tur , Spiritu Sancto Moeder Maria, tot eeno coöperante, prïcparasti; waardige woonplaats da, ut cujus commemo- van uwen Zoon bereid ratione Isetamur, ejus hebt, geef, dat wij, die pia interoessione ab in- ons in hare gedachtenis stantibus nialis et a verblijden , door hare morte perpetua libe- genadige voorspraak remur. Per eumdem van alle aanstaande Christum Dominum kwaad en van den eeu-nostrum. Amen. wigen dood bevrijd wor
den. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
---iof--
Na een dezer Antiphonen gelezen of gezongen te heiben , doet men het volgende
GEBED,
waarin men de meening maakt, met welke men de oefeningen gaat verrichten.
Om steeds aandachtig te bidden , laten wij ons voorstellen, dat wij in Gods tegenwoordig-
55
lieid zijn, en dat ziju alziend oog op een ieder van ons gevestigd is; ja, ciat het zelfs tot in het binnenste van ons hart nederziet. (Hier houdt men een weinig stil.)
O allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria! hier voor uw beeld nederknielende, en ons hart en onzen geest tot voor uwen troon verheffende , bidden wij u, sla toch uwe moederlijke oogen uit den Hemel op ons neder, en beschouw uwe kinderen, welke wederom in uwen naam vergaderd zijn. Aanhoor, o lieve Moeder, onze gebeden, en draag die voor ons aan uweu lieven Zoon, onzen Heer Jezus Cln-is-tus, op, opdat hij zich gewaardige dezelve gunstig te verhooren. In het vast vertrouwen dan, dat wij door u, o allerheiligste Maagd, door de voorspraak van onzen H. Patroon iS... en van alle Heiligen zullen verhoord worden gaan wij onze gewoonlijke oefeningen met de volgende intention verrichten; tot verhelling van onze Moeder de H. Eerk , voor onzen H. Vader den Paus en voor geheel de geestelijkheid , bijzonder voor den Eerw. Bestuurder van onze Congregatie , en voor alle herders dei-zielen ; tot eendracht der christen vorsten, tot uitroeiing der ketterijen , tot bekeering der on-geloovigen , tot verlossing der christen slaven, tot volharding der rechtvaardigen, tot bekce-
53
ring der zondaren, en voor allen , die ons in liet allerheiligste Hart van Maria maandelijks worden aanbevolen , en voor allen , die onze Congregatie, op welke wijze ook, verlaten hebben (*); insgelijks voor de weldoeners onzer Congregatie , tot welstand van de Hoofd-Con-gregatie en van alle christelijke vereenigingen, alsmede voor de Broeders en Zusters van dezelve ; voor allen, die zich in onze gebeden hebben aanbevolen , of van iemand onzer , gebeden voor zich of voor anderen verzocht hebben ; voor alle geloovige zielen ; eindelijk voor allen, aan wie wij of iemand van onze Congregatie , op welke wijze ook, wetende of onwetende , nog eenige verplichting zouden hebben.
Na dit gebed leest men godonichtig de Litanie van Lorelle of van de kinderen van Maria.
LITANIE VAN LORETTE.
|
Kyrie , eleison. Christe , eleison. Kyrie, eleison. Christe, audi nos. Christe, exaudi nos. |
Heer, ontferm u onzer. Christus, ontf. u onzer^ Heer, ontferm n onzer. Christus, hoor ons. Christus, verhoor ons. |
t*) nu laai men weg , als nog niemand de Congregalic veriaten heeft.
57
|
Pater de coelis Deus , miserere nobis. Fili lledemptor mundi Deus, miserere nobis. Spiritus Sanote Deus , miserere nobis. Sancta Trinitas , unus Deus, miserere nobis. Sancta Maria, era pro nobis. Sancta Dei genitrix , Sancta Virgo virginum, Mater Christi, Mater divinae gratiae, Mater purissima , p Mater castissima , p Mater iuviolata, o Mater intemerata, Mater amabilis Mater admirabilis , Mater Creatoris, Mater Salvatoris , Virgo prudentissima, Virgo venerauda, Virgo praedieanda, Virgo potens. |
God hcmelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontf. u onzer. God heilige Geest, ontferm u onzer. Heilige Drievuldigheid één God, ontferm u onzer. Heilige Maria, bid voor ons. Heilige Moeder Gods, Heilige Maagd der maagden , Moeder v. Christus, Moeder der goddelijke genade, AllerreinsteMoeder, ^ Allerzuiverste Moe- £ der, Ongeschonden Moe- § der, quot;â Onbevlekte Moeder, g Minnelijke Moeder, quot; Wonderlijke Moeder, Moeder des Scheppers , Moeder des Zaligmakers , Allervoorzichtigste Maagd , Eerwaardige Maagd, Lofwaardige Maagd, Machtige Maagd, |
58
|
Virgo clemens, ora nobis. Virgo lidelis , Speculum justitiae , Sedes sapientiae , Causa nostrae laeti- tiae, Vas spirituals, Vas lionorabile, Vas insigne devotio- nis , Eosa mystica, Turris Davidica, Turris eburnea, Domus aurea , Foederis area , Janua coeli, Stella matutina, Salus infirmorum , Eefugium peccato- rum , Consolatrix afflicto- rum , Auxilium christia- norum , Eegina Angelorum, Eegina Patriarcba- rum , Eegina Proplieta- rum , Eegina Apostolo-rum, |
pro Goedertierene Maagd , bid voor ons. j Getrouwe Maagd , Spiegel der rechtvaardigheid , Stoel der wijsheid , Oorzaak onzer blijdschap , Geestelijk vat, Eerwaardig vat, Uitmuntend vat van godsvrucht, C | Geestelijke roos , y s= Toren van David , pj | Ivoren toren, o Gulden huis , § b Ark des verbonds, ^ §â Deur des Hemels, 2 S' Morgenster, 5quot; Behoudenis der kran-ken , Toevlucht der zou- dareu , Troosteres der bedrukten , . Hulp der christenen, Koningin der Engelen , Koningin der Patriarchen , Koningin der Profeten , Koningin der Apostelen , |
59
|
llegina Martyrum, ora pro nobis. Eegina Confesso- q rum, g Eegina Virginnm, Eegina Sanctorum omnium, o Eegina sine labe ET! original! concepta, ⢠Eegina Sacratissimi Eosarii, Agnus Dei , qui tollis peccata mundi, paree nobis , Domine, Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, exau-di nos , Domine , Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis. Christe , audi nos. Christe , exaudi nos. Kyrie, eleison. Christe, eleison. Kyrie , eleison. Oremns. Defende , quaesumxis Domine , lieata Maria semper Virgine intercedente, istam ab omni |
Koningin der Martelaren , bid voor ons. Koningin der Belij- ders, £ Koningin der Maagden , Koningin van alle § Heiligen, o Koningin, zonder p erfsmet ontvangen. Koningin van den Allerh. Eozenkrans, Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt , spaar ons, Heer, Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, verboor ons, Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontf. u onzer. Christus, hoor ons. Christus , verhoor ons. Heer, ontferm u onzer. Christus, ontf. u onzer. Heer, ontferm xx onzer. Laat ous bidden. Wij bidden u, Heer, door de voorspraak van de H. Maria, altijd Maagd , bescherm van |
60
adversitate famiham, alien tegenspoed deze et toto corcle tibi pro- Vergadering, die van stratam, ab hostium gansclaer harte voor u propitms tnere cJemen- is nedergeworpen. en ter msidns. Per Domi- bevrijd baar genadig num nostrum Jesum van alle listen dei-C bristum, Inhum tu- vijanden. Door onzen nm, qui tecum vivit et Heer Jezus Christus, regnat m umtate Spiri- uwen Zoon, die met tus baneti, Deus, per u leeft en heerscht, omnia saecula saeculo- in de eenheid van den rum Amen. heiligen Geest, God, in
alle eeuwen dereeuwen. Amen.
Ij I T A. 1ST I E
DER
KINDEREN VAN MARIA,
Heer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Dochter van God den Vader, verheven boven
alle schepselen , heersch oner u/.ve kinderen. Moeder van God den Zoon en onze Moeder,
bescherm v.we kinderen.
Bruid van God den H. Geest, verkrijg de zaliri-heid uwer kinderen.
61
Moeder van macht, verkrijg voor uwe kinderen
eene sterke deugd ; o Maria verhoor ons. Moeder van liefde , verkrijg voor uwe kinderen eene vrome , edelmoedige en standvastige liefde tot God ;
Moeder, vol ijver voor de glorie van uwen goddelijken Zoon , verkrijg voor uwe kinderen eenen brandenden, voorzicktigen en klaarzienden ijver ;
Moeder, die u zuiver hebt kunnen bewaren, als eene lelie in het midden der doornen , verkrijg voor uwe kinderen die liefde der zuiverheid, die hen de minste vlek doet vreezen ; S»
Moeder, die nooit de tegenwoordigheid van g. uwen God uit het oog verloren hebt, verkrijg voor uwe kinderen de gunst van ^ dezelve altijd te bewaren, zelfs in het midden van het gewoel dezer wereld ; 3quot; Milddadige Moeder , verkrijg voor uwe kin- g deren de liefde der opoffering; 0
Altijd vreedzame Moeder, zelfs in uwe â = droefheid aan den voet van het kruis, verkrijg voor uwe kinderen dien geest van vrede , die hen ondersteunt in het midden der stormen van dit leven;
Moeder vol geloof, verkrijg voor uvse kinderen dien inwendigen geest, die hen God doet zien in alle schepselen; Zachtzinnige en ootmoedige Moeder, vraag voor uwe kinderen die deugden , welke Jezus beminde, en waarvan hij zulke treffende voorbeelden gaf;
Moeder, die God alleen tot getuige uwer werken zocht, verkrijg voor uwe kinderen.
nooit een ander inzicht te Iiebben , dan dat \a!1 hem te behagen : o Maria, verhoor ons. Zuiverste Maagd, verkrijg dat wij, door onze zedigheid, ons altijd als uwe ware kindereu toonen ; o Maria, verhoor ons.
Moeder, die de wereld en hare ijdelheid veracht hebt, verkrijg voor uwe kinderen de macht om te wederstaan aan hare verleidende be-koorlijklieden; o Maria , verhoor ons.
Door uwe Onbevlekte Ontvangenis; o onze Moeder , help v.we kinderen.
Door den ijver, waarmede gij u, drie jaren oud zijnde, aan God hebt opgeollerd ; o onze Moeder, help uwe kinderen.
Door uw heilig Hart, niet een zwaard door-
stoken; o onze Moeder, help uwe kinderen * Gij , die altijd zoo onderdanig waart aau den heiligen wil van God , verkrijg voor uwe kinderen , zich altijd naar denzelven te schik-ken ; o onze Moeder, verhoor uwe kinderen. Wj, die niemand verlaat, ondersteun in het midden der gevaren dezer wereld , degenen die u toegewijd zijn; o onze Moeder, verhoor moe kinderen.
Heilige Jozef', zuivere bewaarder van Jezus en
Maria , bid voor ons.
Heilige Joannes , die liet geluk gehad liebt uwe zorgen aan Maria toe te wijden, bid voor ons, H. Aloysius van Gonzaga en neilige Stanislaus, brandende van liefde tot Jezus en Maria, bidt voor ons.
Lam Gods, dat de zenden der wereld wegneemt , spaar ons, Heer,
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt , verhoor ons , Heer,
63
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
ontferm u onzer.
Christus, hoor ons,
Christus, verhoor ons.
lieer, ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
â £'. O Maria , vol van gratie ,
r). Van het hoogste des Hemels, zegen uwe kinderen.
Laat ous bidden.
O Jezus, die van uw kruis , Maria aan alle menschen tot Moeder hebt gegeven, en die ons eene nieuwe weldaad vergund hebt, met ons onder het getal harer uitverkorenen te stellen, maak dat wij , beantwoordende aan de gratiën die gij over ons uitstort, deze zoo troostende woorden waar maken : â Het is onmogelijk, dat â een waar dienaar van Maria verloren ga.quot; Om deze genade smeeken wij u , o Jezus, dooide teederheid van uw goddelijk Hart, door de verdiensten van uw heilig lijden , en door de voorspraak van uwe allerheiligste Moeder. Amen.
Daarna bidt men vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet, ter gewone meening der //. Kerk, om den vollen ajlaat te verdiénen.
Na deze vijf Onze Vader en Wees gegroet, bidt men de Litanie of een gebed tot den tweeden Patroon der Congregatie. Omdat op vele plaatsen de U. Aloysius, of de II. Jozef, of de H. Anna lot tweeden Patroon worden gekozen, volgen hier de Litanien van deze Heiligen.
C4
LIT AIsTIE
tee eeee van bek
H. ALOYSIUS TAI GOIZACtA.
Beschermer der jeugd.
Heer, ontferm u onzer.
Christus , ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus , verhoor ons.
God hemelsche Vader, ontferm n onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontf. u onzer. God H. Geest, ontferm u onzer. ttquot; JJ^J^digheid , één God, ontferm u onzer. H. Maria , beschermster van den H. Aloysius,
bid voor ons.
H. Aloysius ,
H. Aloysius, verrijkt door de zegeningen
des Heeren ,
H. Aloysius, vervuld met den H. Geest. £ H. Aloysius, waardige belijder van Jezus ^ Christus, ö
H. Aloysius, godvruchtige aanbidder van ° het Allerheiligste Sacrament des Altaars, 2 H. Aloysius , getrouwe dienaar der H. Moe- 5° der Gods,
H. Aloysius , edelmoedige verachter der wellusten dezer wereld,
65
H. AloysiuB , voorbeeld van het volmaakte leven , bid voor ons.
H. Aloysius, voorbeeld van ootmoedigheid, H. Aloysius , minnaar der armoede, H. Aloysius , volmaakt in gehoorzaamheid , H. Aloysius , wonderbaar in verduldigheid , H. Aloysius , zeer machtig in den Hemel, H. Aloysius, verdrijver der helsehegeesten, H. Aloysius, eer en luister der jeugd, tó H. Aloysius, beschermheilige der scholieren, P-H. Aloysius , navolger van het evangelisch lt; leven , o
H. Aloysius , spiegel der maagden , o
H. Aloysius , zoetaardigste trooster der be- a drukten, quot;
H. Aloysius, genezing der kranken , H. Aloysius, luister en sieraad der Sociëteit van Jezus,
H. Aloysius, klaarblinkend licht der H. Kerk, H. Aloysius, vermaard door menigvuldige mirakelen ,
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
spaar ons , Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
verhoor ons , Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm u onzer.
f. Bid voor ons , H. Aloysius ,
r). Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden.
God, uitdeeler der hemelsche gaven, die in den heiligen jongeling Alovsius eene wonderbare
c quot; 5
06
onschuld van leven met eene gelijke boetpleging vereenigd hebt, vergun ons door zijne verdiensten en gebeden, dat wij, die hem in zijne onschuld niet hebben gevolgd, hem in zijne boetvaardigheid navolgen. Door Christus, onzen Heer. Amen.
Wij bidden u, o Heer, dat al degenen, die volgens het voorbeeld van den H. Aloysius trachten te leven in de zuiverheid, waarin uw dienaar zoo wonderlijk heeft uitgeschenen, door de voorspraak van dien Heilige mogen bekomen , dat zij hunne ziel en hun lichaam zuiver en onbesmet tot het einde huns levens bewaren. Door onzen Heer Jezus Christus, uwen Zoon. Amen.
Gebed tot den U. Aloysius rau Gonzaga.
Heilige Aloysius, die door uwe getrouwheid in korten tijd den Hemel hebt verdiend, waar gij in volle glorie zijt, wij bidden u ootmoe-diglijk, dat gij ons, die nog in het droevig dal der tranen zijn, niet vergeet, maar voor ons van God wilt vragen eene bijzondere godsvrucht tot de allerheiligste Maagd en tot haren Zoon in het Allerheiligste Sacrament, eene oprechte liefde tot God en onzen evennaaste, opdat wij, volgens uw voorbeeld, deugdenrijk en minzaam zijnde op deze wereld, met u in den Hemel mogen geloond worden. Amen.
67
GEBED
om «le deugd van zuiverheid te vrageu.
O groote Heilige , die met eene engelachtige zuiverheid versierd zijt, aan uwe bescherming beveel ik, hoe onwaardig ik ook zijn moge, de zuiverheid van mijne ziel en mijn lichaam ; ik smeek u, door die engelachtige zuiverheid , mijn beschermer te willen ziju bij Jezus Christus, het Lam zonder vlek , en bij zijne H. Moeder, de Maagd der maagden. Behoed mij voor alle doodzonden; gedoog niet, dat ik mij met eenige onzuiverheid besmette. Als gij ziet , dat ik in bekoring of gevaar ben van te zondigen, verwijder alsdan van mij de onzuivere gedachten en genegenheden, doe mij denken aan de eeuwigheid en aan Jezus Christus, den Gekruiste, en druk diep in mijn hart een levendig gevoelen der vreeze Gods; dat de goddelijke lietde mij uwe deugden doe navolgen , opdat ik verdie ne deelgenoot te worden van uwe blijdschap in den Hemel. Amen.
Onze Vader. â⢠Wees gegroet.
â¢Vgt;TA.. t. h. Pius VII heeft den 6 Maart 1822 ten eeuwigen dage 100 dagen aflaat verleend aan degenen , die godvruclitig en met een rouwmoedig hart het bovenstaande gebed met e'en Onze Vader en Wees gegroet bidden.
⢠té-T-fe-ftSu----
i
08
LITAICIE
TEE EEBE
VAN DEN Hx JOZEF,
Heer, ontferm u onzer.
Christus , ontferm u onzer.
Heer, ontferm vi onzer.
Christus, hoor ons.
Christus , verhoor ons.
God hemelsche Vader, ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontf. u onzer. God H. Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer. H. Maria, bid voor ons.
H. Moeder Gods,
H. Maagd der maagden,
H. Jozef,
Beschermer van Jezus,
Bruidegom van Maria , y
Man naar Gods hart, JL
Getrouwe en wijze dienaar, ^
Bewaarder der zuiverheid van Maria, §
Medehulp van Maria , ^
Leidsman en troost van Maria , g
Die om Maria met bijzondere genaden be- ?
gunstigd zijt,
Allerreinste in zuiverheid.
Allernederigste in ootmoedigheid, AllerTurigste in liefde,
69
Allerverlievenste in beschouwing, bid voor ons.
Die door den H. Geest zeiven rechtvaardig
zijt verklaard ,
Die in de goddelijke verborgenheden boven
anderen verlicht zijt geweest,
Die door een Engel in het geheim der
inenschwording onderricht zijt,
Die met Maria, nwe Bruid, naar Bethlehem
zijt gereisd ,
Die, toen gij in de herberg geene plaats
vondt, in eenen stal hebt vernacht, Die waardig zijt geweest, bij Christus te wezen , toen Hij geboren en in eene krib gelegd werd,
Die met Maria het Kind Jezus in den td
tempel hebt opgeofferd ,
Die op het woord van den Engel met Jezus lt; en zijne Moeder naar Egypte zijt gevlucht, o Die na den dood van Herodes met Jezus 0 en zijne Moeder naar het land van Israël a zijt wedergekeerd , quot;
Die het Kind Jezus , dat te Jeruzalem was gebleven , met Maria vol droefheid hebt gezocht,
Die Hem na drie dagen met blijdschap gevonden hebt, zittende in het midden der leeraren,
Aan wien de Heer der heeren op de aarde
onderdanig geweest is ,
Bruidegom van Maria, uit welke Jezus geboren is,
Wiens lof in het Evangelie vermeld wordt, Onze voorspreker, hoor ons , H. Jozef.
Onze beschermer, verhoor ons , H. Jozef.
70
In al onzen nood , help ons , H. Jozef. tc In al onze benauwdheden , â
In het uur van onzen dood ,
Door uwe allerzuiverste trouw , =
Door uwe vaderlijke zorg en teederhoid ,
Door al uwen arbeid en zweet, r3
Door al uwe deugden, ^
Door al uwe verdiensten, ^
Door uw eeuwig geluk, r--
quot;Wij, die u als beschermer aanroepen, wij bidden u, verhoor ons.
Dat gij Jezus wilt bidden om vergiffenis
onzer zonden ,
Dat gij ons aan Jezus en Maria gelieft aan
te bevelen ,
Dat gij voor alle maagden en ongehuwden
de gaaf van zuiverheid wilt verwerven , ^ Dat gij voor de getrouwden eene onbevlekte getrouwheid en heilige eendracht wilt ver- c-werven, E.'
Dat gij voor alle vergaderingen eene vol- oquot; maakte liefde en overeenstemming wilt c verwerven , f
Dat gij de vaders der huisgezinnen in het lt; christelijk opvoeden hunner kinderen wilt B. behulpzaam wezen , -T
Dat gij alle oversten in de bestiering der- g genen, die htm zijn toevertrouwd, wilt 0 behulpzaam zijn, -j-
Dat gij alle vergaderingen , die u bijzonderlijk zijn toegedaan , wilt begunstigen , Dat gij allen, die op uwe hulp betrouwen,
altijd en overal wilt beschermen,
Dat gij alle geloovige zielen door uwe voorbede wilt helpen ,
Besobermcr van Jezus, wij bidden u, verhoor ons. Bruidegom van Maria, wij bidden u, verkoor ons. Heilige Jozef, wij bidden u, verhoor ons. Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt , spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt , verhoor ons , Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt , ontferm u onzer.
Christus , hoor ons.
Christus , verhoor ons.
Heer, ontferm u onzer.
Christus , ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
f. Bid voor ons , H. Jozef.
ly. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
Laat ons bidden.
O heilige Jozef, die in de omhelzing van Jezus en van Maria, uwe allerliefste Bruid, uit deze wereld gescheiden zijt, wij bidden u, dat gij ons willet te hulp komen met Jezus en Maria, als de dood ons leven zal eindigen, opdat wij in de omhelzing van Jezus, Maria en Jozef, onzen geest vol vertrouwen mogen geven. Door denzelfden Jezus Christus, onzen. Heer. Amen.
Wij bidden u , Heer, dat wij door de verdiensten van den Bruidegom uwer allerheiligste
72
Moeder geholpen worden; opdat ons door zijne voorspraak gegeven worde, hetgeen wij door ons zeiven niet kunnen bekomen ; die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.
quot;Wij smeeken u , o groote en machtige heilige Jozef, onze Patroon, gedoog, dat wij, die uwe kinderen zijn, deze Congregatie aan uwe bescherming komen aanbevelen ; en ge-waardig , dat wij u bidden om van Jezus, iiw goddelijk Voedsterkind, den zegen over dezelve te bekomen. Gedenk, dat wij niets anders voor oogen hebben dan de glorie van Jezus, van de allerheiligste Maagd Maria en de uwe. Wij zouden ons zeer gelukkig achten, indien wij uwen naam met de namen van Jezus en Maria door de geheele wereld mochten hooren weergalmen. O H. Jozef, gelief door uwe goedheid aan te vullen, hetgeen ons ontbreekt, tot welzijn van al uwe kinderen aan te zien het verlangen , dat zij hebben om uwen naam minnelijk te maken aan alle harten , en uwe bescherming voordeelig en nuttig te doen zijn aan allen, die u zullen aanroepen. Amen.
73
LITANIE
TEK EEBE VAN DE
HEILIGE MOEDER ANNA.
Heer, ontferm u onzer.
Christus , ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
Christus, hoor ons.
Christus , verhoor «ns.
God hcmelsche Vader , ontferm u onzer. God Zoon, Verlosser der wereld, ontf. u onzer. God H. Geest, ontferm u onzer. H. Drievuldigheid , één God, ontferm u onzer. H. Anna , bid voor ons.
Moeder der H. Maagd Maria ,
Eruid van Joachim ,
Ark van Noë,
quot;Wortel van Jesse,
Vruchtbare wijngaard.
Blijdschap der Engelen , S
Dochter der Patriarchen , p-
Vervuld van genade , g
Spiegel van gehoorzaamheid, o
Spiegel van verduldigheid , 0
Spiegel van barmhartigheid , 5
Spiegel van godvruchtigheid ,
Bolwerk der H. Kerk ,
Toevlucht der zondaren ,
Bijstand der Christenen ,
Verlossing der gevangenen,
Troost der getrouwden ,
Moeder der weduwen,
Beschermster der maagden,
P
74
Haven der zeevarenden, bid voor ons. Weg der reizenden, bid voor ons.
Gezondheid der kranken , bid voor ons. Troosteres der bedrukten , bid voor ons. Helpster dergenen, die n aanroepen , bid voor ons.
Xianx Gods, dat de zonden der wereld wegneemt
spaar ons , Heer.
Jjam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt
verhoor ons, Heer.
Jjam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.
ontferm u onzer.
Christus , hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Heer , ontferm u onzer.
Christus, ontferm u onzer.
Heer, ontferm u onzer.
i'. Bid voor ons , H. Anna ,
Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.
Laat ous bidden.
O God , die u hebt gewaardigd aan de H. Anna de genade te verkenen, de Moeder van uwen eenigen Zoon te baren, verleen ons genadiglijk , dat wij, die hare gedachtenis vieren, door hare voorspraak bij u mogen geholpen worden. Door denzelfden Jezus Christus, onzen Heer. Amen.
Heilige Anna, Moeder van Maria , ja , gij zijt de moeder van haar, uit wie Jezus, de Verlosser en Zaligmaker der mensclien, heeft
willen geboren worden. O heilige Vrouw, welke wij voor Patrones en medebeschei'inster onzer Congregatie verkozen hebben, gij waart voor Maria de bewaarster van den schat barer zuiverheid ; wij bidden u, groote Heilige, bewaar die deugd ook in ons , kinderen van Maria , en help ons tevens in alle andere deugden onze H. Moeder navolgen , opdat wij aan haar en Jezus haren Zoon aangenaam mogen zijn ; verkrijg voor ons van God een waar berouw , de vergiffenis onzer zonden en een zaligen dood. Bid voor ons, opdat Jezus en Maria steeds onzen geest en ons hart vervullen; geef, dat zij alleen onze vreugde, onze liefde, ons leven, en het eenige voorwerp van ons streven zijn ; ten einde wij door de tusschenkomat van eene Moeder, die Maagd gebleven , en door de verdiensten van eenen God, die mensch geworden is, hier eenen waren vrede genieten, welke dooiden eeuwigen vrede worde gevolgd. Amen. --toi--
3S'A DE KIEZJSG.
Te Deum Landamus.
U, o God, loven wij; u, o Heer, belijden wij.
IT, eeuwige Vader, eert de gansche aarde.
U roepen al de Engelen, de Hemelen, al de Machten ,
76
De Chcmbijneu en Seralijnen onoplaoudelijk toe :
Heilig, heilig, lieilig is de Heer, God der lieerseharen !
Hemel en aarde zijn vol van de Majesteit uwer glorie.
Het glorierijke koor der Apostelen , Het lofwaardig getal der Profeten, Het blinkende heer der Martelaren looft u , De H. Kerk belijdt u door geheel de aarde, Ã , Vader van oneindige glorie ,
Uwen hoogwaardigen, waren en eenigenZoon, Alsmede den Vertrooster den H. Geest. Christus, gij zijt de Koning der glorie. Gij zijt de eeuwige Zoon des Vaders. Gij hebt, wanneer gij, om den mensch te verlossen) de menschheid zoudt aannemen, den schoot eener Maagd niet geschroomd.
Gij hebt, nadat gij den schicht des doods overwonnen hadt, voor de geloovigen het rijk der Hemelen geopend.
Gij zit aan de rechterhand Gods, in de glorie des Vaders.
Wij gelooven, dat gij eens als rechter zult wederkomen.
^ ij bidden u dan, kom uwe dienaren te hulp , die gij door uw dierbaar Bloed verlost hebt.
Geef, dat zij, in de eeuwige glorie, onder het getal uwer Heiligen mogen zijn.
Heer, maak uw volk zalig en zegen uw erfdeel.
Bestier ken en verhef lieu tot in eeuwigheid.
Dagelijks loven wij u.
En wij prijzen uwen naam in eeuwigheid en in eeuwigheid der eeuwigheden.
Gewaardig u, o Heer, ons heden zonder zonde te bewaren.
Ontferm u onzer, Heer, ontferm u onzer.
Laat, o Heer, uwe barmhartigheid over ons komen, gelijk wij op u gehoopt hebben.
Op u , o Heer, heb ik mijne hoop gesteld , en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.
- âoa#^amp;ssgt;-â -VOOR DE BEBAADSIAOINO.
Veni, Sancte Spiritus.
Kom , heilige Geest, vervul de harten van uwe geloovigen, en ontsteek in hen het viiur uwer liefde.
i/. Zend uwen Geest, en zij zullen geschapen worden.
iy. En gij zult het aanschijn der aarde hernieuwen.
Laat ons biddeu.
O God , die de harten der geloovigen door de verlichting van den H. Geest hebt onderwezen, geef, dat wij door denzelfden Geest al
78
â wat recht is suiakeu, en ous altijd in zijne vertroosting mogen verheugen. Door onzen Heer Jezus Christus, uwen Zoon, die met u leeft en heerseht in de eenheid van denzelfden H. Geest, God, in alle eeuwen der eeuwen.
Amen. Onze Vader. â Wees gegroet.
âlt;-â¢â¢â¢âgt;-
ïfA DE BERiADSLltfING.
Snb tnum priegidinm.
Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o heilige Moeder Gods; verstoot onze gebeden niet in onzen nood, maar bevrijd ons altijd van alle gevaren, o roemwaardige en gezegende Maagd, onze Oppervorstin, onze Middelares, onze quot;Voorspreekster; verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon.
Onze Vader.â Wees gegroet.
Gebed tot den Patroon der maand.
O God, die mij elke maand een der Hemelingen voor Patroon aanwijst, gewaardig u, dooide voorspraak van den Heiligen jN., welken ik door uwe goedheid voor Patroon dezer maand heb bekomen, dat ik en al mijne bloedverwanten, vrienden en vijanden, de uitwerkselen uwer genade gevoelen , en dat ik , gewapend
79
met den bijstand uwer genade, die deugden moge oefenen , welke hij ons door zijn voorbeeld geleerd heeft. Door Christus, onzen Heer. Amen.
AFLATEN
VERLEEND AAN DE
CONGREGATIE VAN 0. L. V.
Volle Aflaten.
1. Op den feestdag van den titel der Congregatie.
2. Op den feestdag van den tweeden Patroon der Congregatie.
quot;VOTA. («) Deze twee aflaten kunnen niet alleen door de Congrc-ganislon, maar door ulle andere geloovigcu verdund worilen, mils zij biechten, commnnicecrcii en de kapel of bidplaats der Congregatie bezoeken en aldaar bidden volgens de gewone meening.
(6) Beide deze feestdagen mogen met vergunning van den Bigt;schop op ecnen an leren dag gevierd worden, op welken dag men dan ook de voornoemde afla'cn kan verdienen. In dit geval mag men eene â¢Hissa votiva van den heilige zingen, al is het ook dat op den verzetten dag een dubbel feesl (.festum duplex) in de Kerk gevierd wordt.
(cgt; Indien de Congregatie geen tweeden titel of patroon heeft, kan de Eerw. Heer Directeur alle jaren , met toelating van den Bisschop , een dag naar goedvinden voor den vollen aflaat, onder .quot;Vo 2 vermelJ , uitkiezen.
3. Op den dag dat men zijne opdracht doet.
4. Op de feestdagen van Kerstmis, Hemel-
80
vaart van Christus , Onbevlekte Ontvangenis , Geboorte, Boodschap en Hemelvaart van Maria.
Voor deze Uvcc wordt alleenlijk verzocht, dat men biechle en comtmiDiecerc in de kapel der Congregatie of in cene andere kerk.
5. Eens per week op den dag, dat de Congregatie vergadering houdt, mits men biechte, communioeere, de kapel der Congregatie be-zoeke en daar bidde volgens de gewone meeniiig.
NOTA. Waar men gewoon is do vcrgailciing na den middag ie houden, kan men dezen aflaat naar vei kiezing op denzeirjen ol'op den volgenden dag verdienen.
6. De volle aflaat, eens per week vergund , kan tweemaal 'sjaars door de Congreganisten worden verdiend zonder de bidplaats der Congregatie te bezoeken, mits zij eene andere kerkbezoeken , alwaar zij de H. Communie ontvangen , na het afleggen eener generale biecht, hetzij van geheel hun leven, hetzij van den tijd sedert de laatste generale biecht.
7. In het uur des doods.
8. De priesters, met het bestuur der Congregatiën belast, na ten minste eens voor altijd verlof van den Bisschop hiertoe bekomen te hebben , zoo dikwijls zij de leden of de bedienaars der Congregatiën, die met krankheid overvallen zijn, bezoeken, hen door geestelijke vermaningen helpen, hetzij om de ongemakken der ziekte geduldig te verdragen, hetzij om den dood gewillig van de hand des Heeren te ontvangen , en hen voor een beeld van den gekruisten Zaligmaker ten minste driemaal het
81
Onze Fader en Wees gegroet volgens de inzichten van den Paus en van onze Moeder de H. Kerk doen bidden , kunnen aan deze kranken eenen vollen aflaat toepassen op den dag, op welken I zij het Allerheiligste Sacrament des Altaars ontvangen hebben.
Aflaten van zeven jaren, zoo dikwijls zjj een der volgende goede werken verrichten.
1. Het lijk van eenen Congreganist of van eanen anderen geloovige naar de begraafplaats vergezellen.
2. Bij het luiden der klok, bidden voor de genezing of eenen zaligen dood van den zieke, of voor de rust der ziel van den doode.
3. De openbare of bijzondere vergaderingen, de goddelijke diensten, geestelijke samenspraken of vermaningen bijwonen.
4. Tegenwoordig zijn bij godvruchtige oefeningen, welke de Congregatie en hare Bestuurders voor de zielerust van een overleden Congreganist of van een anderen geloovige laten houden.
5. Mis hooren op werkdag.
6. Des avonds, vóór het slapen gaan, zijn geweten onderzoeken.
7. Arme zieken in gasthuizen of elders bezoeken.
8. De gevangenen bezoeken.
c 6
82
9. Met elkander verzoeDen degenen, die in tweedracht leven.
VEEKLASING.
Be leden der Congregatiën zullen al deze aflaten kunnen verdienen overal waar zij zich bevinden, indien zij in de kérk der plaats waar zij zün , of elders , zooals zü kunnen , verrichten hetgeen voorgeschreven is om zulke aflaten te verdienen.
Andere Aflaten
De Congreganisten kunnen al de Aflaten verdienen, welke verleend zijn aan de kerkbezoeken te Rome, mits zij op de dagen, waarop die vallen, de kapel der Congregatie, of in geval van afwezigheid, eene andere kerk of bidplaats bezoeken en aldaar zeven Onze Vader en. zeven Wees gegroet godvruchtig bidden.
Aflaten voor de Overledenen.
1. Al de bovengenoemde volle en gedeeltelijke aflaten kunnen aan de geloovige zielen des vagevuurs worden toegepast.
2. Het altaar van al de Congregatiën is geprivilegieerd voor al de priesters, die er IMis lezen tot lafenis der ziel van eenen overleden Congreganist.
3. Elk Priester-Congreganist, die Mis leest tot lafenis der ziel van eenen anderen Congreganist , kan hetzelfde voorrecht genieten , aan welk altaar het ook zij.
GEZANGEN
TEE
IEEDtIIE quot;V^VISr
rlt;jo i.
Onbevlekte ontvangenis yan Maria.
(1) Wijze; M. no 6 en N. M. nquot; 34 (2).
1.
Triomf! de donders slapen,
En 't onweer is voorbij ;
Heel de aarde juicht herschapen ,
Zij ademt eindlijk vrij.
Triomf- en dankgezangen !
De langverwachte Maagd Is onbevlekt ontvangen ! De gouden eeuwe daagt.
*
1
Zie de Melodiecn cn Ue JSieuwe Mclodiecn, beide uitgegeven te dezer drukkerij.
2
31. wijst de Melodieën en ?J. 51. de Nieuwe Melodieën aan.
84
2.
Triomf 1 de nacht is over;
De schoonste dageraad Hijst op en glimt door 't loover ,
In volle feestgewaad!
Zoo rees en blonk voor dezen
De vroegste regenboog ; En 't menschdom, als verrezen , Zag dankend naar omhoog.
3.
Zoo rijst in vollen luister
Een tempel uit het puin. Ziedaar, daar ligt de kluister !
Hef, Libanon, uw kruin! Nu rollen van de wangen
De blijde tranen af:
Triomf- en dankgezangen! Wij rijzen ook uit 't graf.
4.
O lelie , die beladen
Met dauw, zoo lieflijk bloeit, Bij doornen, tusschen blaadren Door zonnegloed geschroeid; Vergeet niet de woestijne ,
Die door uw gunst herleeft; Gedoog niet, dat ze kwijne , Die u gedragen heeft.
85
IN» S.
Geboorte van Maria.
Wijze : M. n0 26 en N. M. n0 21.
1.
De nacht had 't donker floers om 't aardrijk heengeslagen;
Door razernijen voortgestuwd,
Klom satan in triomf op zijnen zegewagen; Het aardrijk siddert nog en gruwt!
Woest uit den afgrond opgevlogen, Op zwarte vleuglen zweeft hij aan Met wraak en bliksemschietende oogen ;
Hij zweert: â het mensehdom zal vergaan !quot; Triomf, nu ligt hij neergedonderd ,
Met dubblen vloek vermaledijd ;
Nu huilt hij eeuwig afgezonderd :
Triomf, hij knarsetandt van spijt.
2.
Wie is die krijgsheldin, die zoo kan zegepralen.
En neerslaan de eindelooze ellend?
Ik zie het brandmerk nog van hare bliksemstralen
In satans voorhoofd diep geprent.
86
Hij schuimbekt vruoliteloos van woede :
Heel de aarde looft de krijgskeldin, En noemt haar minnelijke, algoede
En nooit volprezen koningin.
Triomf! enz.
3.
Het is des eenwgea Zoon, bekleed met alvermogen ,
Die , op het aardrijk neergedaald , Den vrede wedersohonk; maar wie had hem bewogen En over God gezegepraald ?
Is zij 't niet, die , vandaag geboren , De hemelwraak heeft vergenoegd ,
En zoo die eeuwge bliksemvoren
In satans voorhoofd heeft geploegd ? Triomf! enz.
4.
Zoo zweept in d'onweersnacht het waterrijk verbolgen,
Het schuim der baren naar omhoog; En lustig blinkt op eens voor reiz'gers, schier verzwolgen,
De liefelijke maan in 't oog.
Het onweer vlucht; de schepen vliegen
Den afgrond over zonder schroom , En mogen zich wellustig wiegen,
Als op een stillen vredestroom.
Triomf! enz.
87
5.
O Opperkoningiii van Hemel en van aarde ,
Strek op ons uit uw milde hand,
Die 't mensclielijk geslaolit van slavernij bewaarde,
En neem ons hart, dat voor u brandt, 't Is 't uwe , Moeder, 't moet 't leven,
Ja, 'tmoet u alles wijten dank;
Ontvang liet zonder 't weer te geven , Het wordt almogend, schoon zoo krank.
Triomf! enz.
---â--
rsr° 3.
Boodschap ran Maria.
Wijze : M. n0 7 en N. M. n° 8.
1.
Maria's hart, door liefdebrand Voor 'tmensclielijk geslacht verslonden. Had nauw naar 't hemelsch Vaderland Haar wensch gevleugeld opgezonden , Of ziet, met heerlijkheid omstraald, Uit Sion's zaalge lustpriëelen,
Daar komt een Engel afgedaald; Zij schrikt. .. doch hoort naar zijn bevelen.
88
2.
DE ENGEL.
Ik groet u, godd'lijk heiligdom , O schoonste werk van 't Alvermogen!
De voorbestemde tijd is om ,
En de voorzegging is voltogen.
God is met u; uw zuivre schoot, Die den Messias gaat ontvangen,
Zal 't menschdom redden van den dood Zoo luidt het goddelijk verlangen.
3.
M A E I A.
Wel hoe! 'k sta van verwondering stom Hoe, de Messias zijn geboren
üit mij, die God tot Bruidegom, Van kindsche dagen heb verkoren?
God is een wellustbron voor mij ; Wal kan mijn harte meerder vragen,
Dan in die zoete slavernij Te blijven al mijn levensdagen ?
4.
DE ENGEL.
't Is juist daarin , dat God zijn vreugd, Zijn welbehagen heeft gevonden;
Ku wil hij loonen uwe deugd : Uw maagdom zal niet zijn geschonden;
89
En brengt gij den Messias voort. Uw zoet geluk zal nog vermeeren.
JI A E I A.
Dat mij geschiede naar uw woord, Ik ben de dienares des Heeren.
5.
Zij zweeg, en 's Hemels afgezant Vloog juichend in de hoogte weder.
De Heiige Geest, vol liefdebrand ,
Daalt op de Maagd der maagden neder;
Het lichaam van 't almogend Woord Is in haar zuivren schoot ontvangen;
In 't hemelhof, met vol akkoord. Weergalmen nieuwe lofgezangen.
Kquot; 4.
Zui verhigsfeest van Maria of Liehtmisse»
Wijze ; M. n° 8 ea N. M. n0 1.
1.
Verstomt, o volkren , voor dit wonder:
Aanbidt Gods opperheerschappij !
De wet gebiedt.... de Wetverkonder, De Heiland koopt zich zeiven vrij !
90
Ziet haar tot 's Heeren tempel komen,
Wier arm liet godd'lijk Wichtje draagt; Ziet Jezus' Moeder, zonder schromen, Hem ofi'ren, dien de wet haar vraagt.
2.
Zij komt: ziedaar, drie offers sneven Voor één en 't eigenste altaar neer : De vrome grijsaard schenkt zijn leven ,
De Moedermaagd haar maagdlijke eer, En 't godd'lijk Kind zijn teedre leden.
â O Maagd , hoe wreedlijk zal uw hart âVan nu af voortaan zijn doorsneden â Door 't ijselijke staal der smart!
3.
âWat slachtbank is dit Lam beschoren!
âWelk bloedig altaar wacht het af, â Dit Kind , uit uwen schoot geboren!
âMaar zoo rijst 't menschdom uit het graf.quot; Lof, eer en dank zij God den Vader,
Lof, eer en dank zij God den Zoon, En God den Heilgen Geest te gader; Onz' harten zijn onze ofTerkroon.
9L
PU» S.
Naamfeest Tan Maria.
Wijze : M. na 9 en N. M. a0 26.
1.
UV zoeten naam,
Maria , 'k heb dien 't eerst geweten
Uw zoeten naam Aanriep ik al de handjes saam , Nog staamlend in de wieg gezeten, En 'k zal in 't doodsuur niet vergeten Uw zoeten naam.
2.
Uw zoete naam Is allerliefst muziek in de ooren;
Uw zoete naam Is meer dan honing aangenaam. De duivlen kunnen hem niet hooren; Hij is het merk der uitverkoornen, Uw zoete naam.
3.
Uw zoete naam Staat eeuwig in mijn hart geschreven.
92
Uw zoete naam Is zielespijs en drank te zaam. Hoe troostelijk verlaat ik 't leven ! Kog op mijn doode lip zal zweven Uw zoete naam.
No e.
Maria onder het krnis.
Wijze : M. n» 10 en N. M. n0 i.
1.
Droef stond de Moeder neergebogen, Beneven 'tkruis, dat Jezus droeg; De tranen rolden uit haar oogen,
Die ze onbeweeglijk op Hem sloeg. Aoh dan! wat moet er in dit harte,
Dit moederhart, zijn omgegaan! Hoe moest het grieven, 't zwaard van smarte t Hoe treurig ziet zij Jezus aan !
2.
â Ach , zucht ze , mocht ik zelve sneven !
âWat heeft mijn Jezus toch misdaan? âO Jezus! leven van mijn leven!
â Hoe ziet me uw stervend oog nog aan!quot;
93
Wie zou zijn hart niet voelen scheuren.,
Als hij die goede Moeder ziet Zoo bitterlijk haar Zoon betreuren En overstroomeu van verdriet!
3.
Helaas ! 't is voor onze eigen zonden,
Dat Jezus aan het vloekhout hangt, En, afgemarteld door de wonden ,
Naar eencn druppel vochts verlangt. Bedrukte Moeder, bron van liefde ,
Wat tranen heb ik u gekost!
Ach, of uw droefheid dwars doorkliefde Mijn zondig hart, zoo duur verlost!
4.
Doordrongen nu van medelijden ,
En met u snikkend om uw Zoon, Geef dat ik deelneme in uw lijden
En onophoudlijk rouw betoon';
Maak dat mijn hart, geheel verslonden
In goddelijken liefdegloed,
Verborgen in uws Jezus' wonden. Al mijne ondankbaarheid vergoed'.
â lt; â' gt;
94
into r.
Stabat Mater Dolorosa.
Wijze : M. n» 11 en N. M. n» 5.
1.
Kaast het kruis met schreiende oogen Stond de Moeder, diep bewogen ,
Waar de Zoon doornageld hing;
Toen door ziel en zuchtend harte , Overstelpt van wee en smarte, Een doorborend slagzwaard ging.
2.
Hoe bedrukt, hoe neergeslagen ,
Moest die teedre Moeder klagen
Om Gods eenig Kind, haar Zoon ! Ach! hoe streed zij; ach ! hoe kreet zij. En wat boezempijnen leed zij,
't Boemrijkst Kind aan 't kruis ten toon.
3.
quot;Wie kan tranen wederhoüen,
Jezus' Moeder zoo aanschouwen
Door zoo grievend leed verscheurd ?
95
Wie kan zonder diep erbarmen, Jezus' Moeder hooren kermen ,
Daar zij haren Zoon betreurt ?
4.
Voor de zonden van de zijnen Zag zij Jezus zóó in pijnen,
Door de felle geeselstraf; 't Dierbaar Kind zag zij hier lijden Gansch verlaten dood'lijk strijden, Eer de geest Hem nog begaf.
5.
Geef, o Moeder, bron van liefde, Dat ik 't leed , dat u zoo griefde,
Met u voele en met u klaag; Dat zijn gloed mijn harte winne , Dat ik Jezus , Godmensch , minne, Dat ik ook aan Hem behaag.
6.
Heiige Moeder, wil mij geven quot;Wonden, diep in 't hart gedreven: Jezus' kruis zij steeds mijn doel. Dat ik , schuilende in zijn wonden, Dus gefolterd, om mijn zonden, Deelend zijne smart gevoel.
Mocht ik klagen al mijn dagen, quot;Waarlijk al die smarten dragen ,
Tot mij 't sterfuur overviel !
Mij bij 't kruis met u vereenen,
Met u sterven, met u vreenen ,
't Is de wensoh van mijne ziel.
8.
Maagd, der maagden roem en zegen ! Wees, ach wees mijn zucht niet tegen
Gun mij , dat ik met u klaag. Doe mij strijden, doe mij lijden Christus striemen langs de zijden : Dat ik steeds daarvan gewaag !
9.
Doe mij door die slagen wonden, Dronken van dit kruis, verkonden, Wat de liefde uws Zoons vermag: 'k Ben ontvlamd, in liefde ontsteken; Wil toch zelve voor mij spreken In den jongsten oordeelsdag.
10. .
Doe mij door het kruis bewaren; Jezus' kruisdood moet mij sparen. Wiens genade mij verheugt.
97
Als mijn licliaam komt te sterven,
Geef, dat mijne ziel mag erven 's Hemels glorierijke vreugd.
--lt;oj5âa=gt;---
IV0 S.
Het Ijjden des Ueereu.
Wijze : N. M. n» 90.
1.
Het uur van pijn, liet uur van smarte , Geliefkoosd uur voor Jezus' harte.
Dat uur, zoolang verbeid, begint.
quot;Want zijne liefde deed Hem wensclien Naar pijn en dood, tot heil der menschen. Die Hij tot 't uiterst heeft bemind.
2.
Een bloedig zweet druipt van zijn leden Op 'tzien der ongerechtigheden
Van 'tmenschdom, waar Hij nu voor lijdt; 't Gewicht der Hem bereide pijnen , Die altegader Hem verschijnen,
Verzwaart zijn doodelijken strijd.
3.
Doch , schoon zijn krachten Hem ontzinken. Den laatsten druppel zal Hij drinken Van dezen kelk, Hem aangeboón; Hij laat zich grijpen , binden , sleuren , Met doorn en geesel zich verscheuren,
Zich tergen met geschimp en hoon. c 7
9»
4.
Geheel zijn Bohoonheid is verdwenen , Een worm gelijk heeft Hij geschenen,
Hij is volstrekt niet kenlijk meer. En wreeder nog aan 't kruis geklonken, In lijden zonder peil verzonken,
Sterft Hij: o mensch, uw God en Heer!
5.
Hij sterft!... natuur brengt Hem haar hulde... De mensch, ontslagen van zijn schulden,
Is in een nieuw verbond geleid. â God heeft zijn Zoon ten zoen gegeven Zoo juichen wij in blij herleven ,
â Geloofd zij Hij in eeuwigheid 1quot;
--
INquot; 1».
Heilig Hart Tan Maria.
Wijze : N. M. n0 19.
1.
Gelukkig zij, die hun betrouwen gronden In 't zuiver hart der goddelijke Maagd, En daar een rust en zoete woning vonden, Die satan zelf den schrik in 't harte jaagt! O zoet, o ndnlijk Harte, In blijdschap en in smarte,
Sinds dat ik u tot mijne schuilplaats koos, Gij waart, gij zijt, gij blijft mijn rnst altoos.
'99
2.
O teeder hart, daar 't zwaard zoo wreed in werkte, Wanneer gij leedt bij Jezus onder 'tkruis;
Gij zijt mijn troost, mijn wellust en mijn sterkte, Hoe ook de wind der tegenspoeden ruisch'. r, O zoet, o minlijk Harte , enz.
3.
ie...
, Geruste schans, door de Almacht zelf gewapend,
O heiligdom van vrede en liefdegloed,
Waar Jezus' hoofd zoo zachtjes lag op slapend, En vredevol onz' harten rusten doet.
O zoet, o minlijk Harte , enz.
4.
Geen dageraad kan liefelijker pralen; Gij spreidt uw glans, gelijk een heldre maan.
Als milde zon, alom uw zegestralen, En nimmer roept u iemand vruchtloos aan.
O zoet, o minlijk Harte, enz.
' 5.
i.
gt! Sla neer op ons uw medelijdende oogen,
Bied uwen Zoon ons hartverlangen aan;
O zoete Maagd, Hij zal onz' tranen drogen; s, Een moeder kan geen weigring ondergaan,
os. O zoet, o minlijk Harte , enz.
100
6.
O zoete bron, die overstroomt van zegen, Het is op u, dat onze zwakheid hoopt. Kom ons te hulp, en snel vooral ons tegen , Als langs de wang het koude doodzweet loopt. O zoet, o minlijk Harte, enz.
Nquot; lO.
Hemelvaart van Maria.
Wijze : M. Q° 12 ea N. M. nquot; 10.
1.
Triomf! hare oogen zijn geloken.
Triomf, de goddelijke min Heeft hare kluisters losgebroken :
Daalt, Englen! ziet, uw Koningin Rijst op door 't maatloos ruim der Heemlen
In Sions eeuwig vreugdehof.
O God , wat glans ! mijn oogen seheemren ! Hoort, hoe verrukkend galmt haar lof.
2.
Nu zwemt ze in wellust opgetogen,
Verslonden in het grondloos licht; Zij staart met liefdetraan in de oogen En met een glinstrend aangezicht
101
Van bij de Godheid aan, verheven,
Zoo hoog men nooit een schepsel zag. Maar 'kzwijg; het is mij niet gegeven - Te zingen zulk een groeten dag.
N» 11.
Hemelvaart van Maria.
quot;Wijze: N. M. n0 15.
Omringd van de Englenfchaar en glanzigste juweelen,
Bestijgt de Maagd haar glorierijken troon; Haar kroost om haar zien vormen hare kroon : Ziedaar den zoeten wensch, die nog haar hart kan streelen.
1.
Erken , gezeten in Gods vreugd, De stem van uw vergaarde lievelingen, Wij willen niet alleen uw zegepraal bezingen, quot;Wij wijden u ook onze jeugd.
Gij deedt ons hart in liefde ontvonken; Het moet aan u dan ziju geschonken, Verslonden gansch in liefdegloed; Het kan, het zal zoo zijn , het moet. Omringd van de Englenschaar, enz.
102
2.
't Is in uw hart, dat wij voortaan Een zoet verblijf, een schuilplaats zullen vinden. En altoos vaster ons aan deugd en heil verbinden, Met teedre liefde u toegedaan.
O beste Moeder, u te minnen, Uit gansoher harte, ziel en zinnen,
Dit is de vurige begeert,
Die dag en nacht ons ziel verteert. Omringd van de Englenschaar, enz.
3.
Hoe lang, o Moeder, moeten wij Den lauwerkrans der heerlijkheid nog derven ? Ach, mochten wij welhaast dit groot geluk verwerven ,
En zien uw schoonheid van nabij ! Wat wellust zullen wij dan proeven! Vliedt dagen , vliedt! waarom zoo toeven ? Wij zuchten naar dien blijden stond; Dan zingen we u met dankbren mond. Omringd van de Englenschaar, enz.
103
N- 13.
Eug-elschc Groetenis.
Wijze; M. n» 13 en N. M. nquot; 77.
1.
Wij groeten u met alle hemelkoren , Wij loven u, Maria, duizendmaal. God heeft uw hart tot lustprieel verkoren. En buiten God, zwicht alles voor u praal.
2.
Wij groeten u , o luister aller vrouwen !
En onder alle 't meest gebenedijd ; We aanroepen u met kinderlijk betrouwen; Gij zijt onz' hoop, onz' Moeder voor altijd.
3.
Gij , overstroomd van goddelijken zegen ,
Gebenedijd door Jezus, uwe vrucht, 't Geen overvloeit, maak dat het ons beregen, Woestijne, die naar levend water zueht.
4.
O wondre Maagd, die uwen Schepper baarde. Kom ons ter hulpe , nu en in dien stond. Dien laatsten stond, als nog uw naam op aarde Vertroostend zweeft op onzen veegen mond.
104
IN» 13.
Lof van Maria en geluk in haren dienst.
Wijze : N. M. n0 61.
1.
O wat geluk, een kind te zijn Van Jezus' minnelijke Moeder!
Zij is zijn hulp in nood en pijn, Zij geeft hem Jezus zelf tot broeder.
Het kan zijn vijand stout versmaan,
Zijn voorhoofd prijkt met 't woord : verkorent
Maria's kind verloren gaan ?
Keen , neen, haar kind ging nooit verloren.
Zoolang haar onze mond kan roemen, Zoolang ook zullen wij te zaam, Vereenigd in haar heilgen naam,
Maria onze Moeder noemen.
2.
Maria's alvermogendheid Bij baren Jezus kent geen palen :
En wie kon ooit haar teederheid Met aardsche woorden achterhalen ?
Een enkle blik van deze Maagd Doet gansoh het heir der helle beven;
Nauw heeft zij Jezus hulp gevraagd, Of 's vijands benden zijn verdwenen.
Zoolang, enz.
105
3.
O eeuwge vreugd van 't Hemelrijk, Vorstin der negen Englenkoren,
O wonder van het aardsohe rijk , Wat heil, door u te zijn verkoren, Om, in een broederlijken band, Uw schoone deugden na te streven,
En in uw dienst een onderpand Te vinden van het eeuwig leven ! Zoolang , enz.
4.
Mocht ik, ten koste van mijn bloed. De harten aller stervelingen
(J bieden , vol van liefdegloed, Als offers van beschermelingen !
Ten minste 't onze , u toegewijd, Zal altijd uwe goedheid roemen,
U, duizendmaal gebenedijd , U eeuwig onze Moeder noemen. Zoolang, enz.
106
IV» 14,
Geluk der Congreganisteu.
Wijze ; M. n» 39 en N. M. nquot; 62.
1.
O zoet genot van 't Heilig buis des Heeren,
Waar, rond 't altaar, de reine Moeder-Maagd Haar mantel spreidt om die haar komen, eeren, En Jezus toont, dien ze op haar armen draagt!
Wat zoeten zegen Stort ze op ons uit,
Als zomerregen Op het versmachtend kruid !
2.
'k Wil hier 't gewoel der wereld gansoh vergeten.
Die voor de jeugd verleidingsrozen strooit, In stille rust voor uw altaar gezeten,
Maar, Moeder, u , neen, u vergeet ik nooit.
Wat zoeten zegen, enz.
3.
Gij , die alreeds de wakende Englen schaarde Hond onze wieg , eer zich ons oog ontsloot, O Koningin van Hemel en van aarde, Wij blijven u getrouw tot aan den dood.
Wat zoeten zegen , enz.
107
No IS.
Geluk der Congreganisten.
Wijze : M. d» 14 en N. M. n0 63.
1.
Juicht, juicht met ons , o hemelingen, Wij zijn Maria toegewijd,
Die nimmer haar beschermelingen Zal laten zwichten in den strijd !
O stond van heil en zegeningen , Die over ons haar mantel spreidt!
Laat ons te zaam Maria zingen ,
Maria, zoo vol minzaamheid !
2.
'tls zij, die onzen Albehoeder,
Als schepsel bracht den Schepper voort
Zij, die als Dochter, Bruid en Moeder, Naast aan de Godheid toebehoort.
O stond van heil, enz.
3.
't Is zij , die ons met moederoogen Bewaakt van baren glorietroon ,
En wier gebeden al vermogen Bij Jezus, haren lieven Zoon.
O stond van heil, enz.
108
4.
't Is zij , die, als de woeste baren
Ons slingeren op klip en strand, Als fonklend zeester de gevaren
Verdrijft en toont ons 't vaderland. O stond van heil, enz.
5.
Haar naam zij dan in ieders harte,
Geprent met letteren van vuur, En nooit vermindren tijd noch smarten
Een liefdegloed, ons hart zoo duur. O stond van heil, enz.
in» ie.
Gelnk der Congregauisten.
Wijze: M. n» 8 ea N. M. n« 04.
1.
Gelukkig hij, die alle dagen
De Koningin der Englen dient, Die, met de Moeder te behagen,
Den Zoon ook heeft tot besten vriend. De wereld kan hem niet verleiden,
De vrede woont in zijn gemoed:
Kiets kan hem van zijn Moeder scheiden Hoe dreigende de hel ook woed'.
109
2.
O wereldling, uw gansolie glorie Zinkt in de duisternis van 't graf;
Maria's kind zingt daar victorie En legt het stofkleed vroolijk af.
Geen vreeze kan zijn wang ontverven, Zijn hart is rein en kalm ; hij zag
Zijn leven wolkloos vliên; zijn sterven Is 't einde van een sohoonen dag.
3.
De vuist aan 't vaste roer geslagen , Trotseert de stuurman 't golfgeklots ,
En stoot niet, hoe de stormen jagen , Met wand of kiel op ijzren rots;
Dus 't biddend oog tot u verheven , Volhardt uw dienaar blij en vrij ,
En tergt, wanneer er duizend beven, Des afgronds list en razernij.
4.
Heersch , Koningin der hemelseharen , Heersch over ons , u toegewijd;
Hij moet de wereld laten varen, Die voor uw zegevaandels strijdt.
Gij kunt de booze driften teuglen, En ons verhefien boven t' slijk ;
Spreid over ons besohermingsvleuglen , En voer ons op naar 't eeuwig rijk.
-o ti--
110
N» ir.
Veiligheid in den dienst van Maria.
Wijze : N. M. nquot; 58.
1.
Gelukkig zij, die in dit korte leven In gunste bij Maria staan;
Door welken storm op 's werelds zee gedreven Kon ooit het kind dier Maagd verloren gaan ? Aanriep men ooit, uit 't slijk der zonde, Vergeefs haar naam tot zielsbehoudenis ? Keen , nooit, hoe diep men zinken konde. Vergat zij, dat ze onz' Moeder is.
2.
Doorloopt, doorzoekt van 't noorden tot het zuiden,
Van oost tot west het aardsch gebied.
En zegt ons, wat die pronkgebouwen duiden, Die 't vragende oog alomme ziet ?
Getuigen zij niet aan onze aarde En toonen zij niet zonneklaar,
Hoe zij haar kindren steeds bewaarde Van zonden, onheil en gevaar?
Ill
3.
Ik smeek u clan , o mijne Eoninginne ,
Mijn hoop en liefde , vreugd en rust,
Geef, dat ik u steeds meer en meerbeminne; Dit is mijn wensoh, mijn hartezucht en lust.
Aeli, lieve Moeder, als ik dale Ten grave neder, o , verwerf.
Dat ik in 't strijden zegeprale , En juichend in uw armen sterf.
-oD»Clt;--
IVo IS.
Yoordeelen in den dienst Tan Maria.
Wijze : N. M. n0 57.
1.
Hoe verrukkend zijn de stonden,
Waarop 't krachtelooze kind In Maria heeft gevonden
Eene Moeder, die het mint!
Nu, nu kan 't zich stout verzetten
Tegen '3 vijands snooden band , En geheel,zijn heir verpletten Door Maria's onderstand.
Slolrijm.
O Moeder, schenk \i\v kindren Den schoonen zegekrans Van eeuwgen hemelglans,
112
Den krans , dien nooit zal liindren De roofgezinde tijd,
Die hier ons heil benijdt.
2.
Zalig, die ten allen tijde
Onder haren mantel schuilt: 'tls vergeefs, dat aan zijn zijde
De open afgrond hongrig huilt: Hem zal zij zich Moeder toogen ,
Hem met gunsten overlaan, Hem de bittere tranen drogen ,
Hem doen wandlen 's Hemels baan. O Moeder, schenk, enz.
3.
Voelt gij uw geweten knagen,
Beeft gij , zondaars, voor uw lot Op den laatsten dag der dagen ,
Hoopt! uw Moeder pleit bij God. Laat de rouw uw harte drukken,
Breekt den slafelijken band ,
En de donders zult ge ontrukken Aan des Rechters gramme hand. O Moeder, schenk , enz.
4.
Hebt gij de onschuld ongeschonden En in vollen glans bewaard,
113
Heeft uw voet het spoor gevonden,
Dat ook zij betrad op aard ,
Komt dan hier de voorproef smaken
Van de zoete hemelvreugd;
Komt dan altijd voor haar blaken,
't Oog gevestigd op haar deugd. O Moeder, schenk , enz.
IS» lO.
Aanroeping van Maria.
Wijze : N. M. n° 30.
1.
O lieve Moeder van den Heer, Ontvlam in liefdegloed Ons gemoed, ons gemoed, meer en meer.
2.
Die niet door dezen gloed wil blaken, Erkent gij zulk een voor uw kind ? En die voor ijd'le schijnvermaken Dit waar geluk geheel verzaken ,
Zijn zij niet ziende blind ?
O lieve Moeder, enz. c 8
Hi
3.
Het helsoli gebroed en wereld saamgezworen, Betrachten niets dan onzen ondergang;
Maar nimmer gaf uw kind den moed verloren : Uw voet verplet den kop der helsche slang.
O lieve Moeder, enz.
4.
Gelukkig zij, die al hun levensdagen TJ wijden met een vroolijk maatgezang;
Die uwen naam in 't gloeiend harte dragen, En u alleen behagen !
O lieve Moeder, enz.
]N0 SO.
Salve Eegina.
Wijze; M, n» 13 en N. M. n0 73.
1.
Wij groeten u, Vorstin van alle volken,
Wier lof zoo hoog bij de Englensohare klinkt.
Die vóór u drijft op glanzig witte wolken, Daar vreugdetraan in de opziende oogen blinkt.
2.
Wij groeten u, onz' hope , lust en leven, U , dageraad in d'eeuwig donkren nacht,
U, lieve duif, die elk zoo blij zag zweven, Toen ge aan 't heelal den vrede-olijftak bracht.
115
3.
Het is tot u, dat wij ons zucktend wenden,
Wij, Eva's diepgewonde nageslacht, Wij , erfgenamen van zooveel ellenden, Wij, ballingen; verstoot niet onze klacht.
4.
Sla neer op ons die medelijdende oogen,
Die u alleen, o Moeder, eigen zijn ; En weiger niet ons Jezus zelf te toogen; Een enkle blik zal heelen onze pijn.
5.
Gij zijt zoo goed, o lieve, o beste Moeder,
En gij verstaat ons hartezucht zoo wèl; Vérhoor onz' toch: is Jezus niet onz'Broeder, En wij uw schat, ontwoekerd aan de hel ?
Toewijding aan Maria.
Wijze: M. nquot; 3 en N. M. n0 51.
1.
Moeder vol van teederheid , Vol van zoete majesteit, Ons leven , hoop en vreugd, U wijden we onze jeugd.
116
2.
Ja onz' gansche levenstijd, Moeder, zij u toegewijd; Dan wachten wij voor loon Een onverwelkbre kroon.
3.
Die zijn leven u maar schenkt, Door den ouderdom gekrenkt. Schenkt een verwelkte roos , Beroofd van geur en bloos.
4.
Ook van uwe teedre jeugd Bloeidet gij in reine deugd; Dit noemt men niet in schijn Maar echte kindren zijn.
5.
Geef, o lieve Moeder, geef, Dat in ons uw liefde leev', Getrouw in vreugd en nood, Getrouw , ja, tot den dood.
117
ÃN» SS.
Vreugde der kinderen Tan Maria onder hare bescherming.
Wijze: M. nquot; 51 en N. M. n0 50.
1.
Kindren van Maria,
Zwaait de zegevaan ;
Zingt het alleluja,
Kooit kunt gij vergaan !
2.
Uit haar open handen Vloeit een zegenstroom;
Maar op zielsvijanden Slingren zij den schroom.
Kindren van Maria , enz.
3.
Leger in slagorde Vol ontzaglijkheid,
O! verplet de horde ,
Die ten afgrond leidt.
Kindren van Maria , enz.
113
4.
Voorbodin der zonne Sch-oone dageraad,
Die 'k mijn harte gonne, Met een blij gelaat.
Kindreu van Maria, enz.
5.
Liolit in duisternissen, Liefelijke maan;
Kan men 't voetpad missen, 't Oog op u geslaan ?
Kindren van Maria, enz.
6.
Mild in zegestralen,
Zonne der natuur.
Moeder, kom ons halen, In ons stervensuur,
Kindren van Maria, enz.
119
N» S3.
Dankzegging aan Maria.
Wijze : N, M. n0 G6.
1.
Ik dank u , die 't leven Ons weer hebt gegeven,
O Moeder vol zoetheid,
Die paalt aan de Godheid in macht en in goedheid.
Maria ! wier oogen ,
Zoo vol van meedoogen ,
Nooit laten ons gade te slaan; Ook nooit zal uw liefde in onz' harten vergaan.
2.
Ik dank u , enz.
O Moeder der minne ,
Onz' zuivere lust en onz' hartevriendinne. Maria , wier oogen , enz.
3.
Ik dank u, enz.
O moeder van vreugden, Verrukkende toonbeeld van tallooze deugden. Maria , wier oogen , enz.
120
4.
Ik dank u, enz.
O Moeder vol wonders ,
Die Maagd bleeft en baardet den Meester des Maria, wier oogen , enz. (donders.
5.
Ik dank u, enz.
Maria, wier handen Onz' vijanden keetnen met eeuwige banden. Maria , wier oogen , enz.
6.
Ik dank u, enz.
Maria, wier blikken Als levende bliksems, den afgrond verschrikken. Maria, wier oogen, enz.
7.
Ik dank u, enz.
O Moeder van zegen.
Kom snellend op 't einde des levens ons tegen. Maria , wier oogen , enz.
121
24..
Betrouwen der Congregauisten op Maria»
Wijze : M. n0 17 en N. M. n0 GO.
1.
Triomf! Maria's kindren,
Uw Moeder heeft gezegepraald!
Wat vijand kan u hindren ?
Zijn woede is nu bepaald.
De vrede en de gerechtigheid ,
Zijn de aardelingen toebereid : Triomf! Maria's kindren ,
Schept vreugd in veiligheid.
2.
Moet gij nog oorlog wagen Met wereld, vleesch en helseh gebroed ?
Zij komt u onderschragen,
Door kracht en heldenmoed.
De vrede, enz.
3.
Vreest niet de woeste baren Op de ongestuime wereldzee ;
Zij zal uw kiel bewaren Voor schipbreuk, angst en wee.
De vrede, enz.
122
4.
Na kort en weinig streven , Verwacht u 's Hemels lauwerkroon
Door haar in 't ander leven,
Erft gij een eeuwig loon.
De vrede, enz.
-»gt;D â¢Clt;--
N» SS.
Belofte van getrouwheid aan Maria.
Wijze ; N. M. n0 55.
Maria, nooit volprezen ,
Onz' hulp en troost in allen nood,
Wij zweren u te wezen Getrouw tot in den dood.
1.
Gedoog, dat wij, ellendig stof, Vereenigd met het hemelsch hof, Uitgalmen uwen zoeten lof;
Van in onz' kinderjaren Gevoelden wij uw zorg en vlijt; Uit duizenden gevaren
Heeft ons uw hand bevrijd.
123
2.
O groot verwantscliap, dat u bindt! De Vader kent in u zijn kind ,
Wijl u de Zoon als Moeder mint;
En, rijk in deugdensohatteu Zijt gij de Bruid des Heitgen Geest; Wie kan uw grootlieid vatten,
Tenzij in 't eeuwig feest ?
3.
Gij zegepraalt en lieersolit bij God; Uw wensch is Hem een zoet gebod;
En in uw lianden rust ons lot.
Ver boven de Englenkoren ,
Verheerlijkt door uw Zoon , vindt Gij Uw lust in ons te aanhooren,
Te zien van rampen vrij.
4.
Nooit heeft een mensch, hoe fel gekweld, Door aardsche ellende of helsch geweld, Vergeefs op u zijn hoop gesteld;
En vroeg men naar bewijzen ,
Er zou een algemeen geschreeuw Door heel de wereld rijzen,
Vernieuwd van eeuw tot eeuw.
---
124
Nquot; se.
Volharding in den dienst Tan Maria.
Wijze ; N. M. n» 56.
1.
Gij voor het heiligdom der Godheid neergebogen ,
O Serafs, die, gedaald uit 't grondelooze licht.
Met gouden vleuglen dekt uw glinstrend aangezicht,
Die 't driemaal-heilig zingt, in wellust opgetogen ;
Getuigt den heilgen eed, gezworen voor 't altaar :
Zoolang een druppel bloed zal door onze aadren zweven ,
Staan wij Maria voor en wij beminnen haar,
Haar, onze Koningin, haar, ons geluk en leven.
2.
Dat rondom, als een leeuw, die dreigt met fonklende oogen,
De helsche vijand briesche en zoek', wien hij verslind',
Maria's wakend oog rust altijd op haar kind.
En 't kind belacht den schroom , bespot het helsch vermogen.
Elkeen herhaal' den eed , enz.
125
In Oost, Noord, Zuid en West wordt haar triomf gezongen;
Met eenen sterken hiel vertrad zij 't slangen-hoofd ;
Zij heeft des afgronds macht een rijken buit ontroofd;
Den onderaardschen vorst zijn ijzren staf ontwrongen.
Elkeen herhaal' den eed , enz.
4.
Wij ook dus, onbeschroomd, trotseeren hel en wereld ,
Ja, wij vertrappen ze ook manhaftig met den voet,
Terwijl ons hart voor haar in zuivre liefde gloedt,
En uit het opziende oog erkentnistranen parelt.
Elkeen herhaal' den eed, enz.
Nquot; s-r.
De Congreganisten tot Maria.
Wijze; N. M. nquot; 59.
1.
O Moederlief, wees ons indachtig,
Stel onze smeeking voor aan God, Al uw gebeden zijn almachtig ; Al uwe wenachen zijn gebod.
126
O Moederlief, spreek tocli voor ons ten beste.
Dat Jezus ons van alle zonde ontsla , In zijne liefde ons meer en meer beveste , En eenmaal sterven doe in zijn gena.
Verkrijg dit, goede Moeder,
En onze wenschen zullen zijn voldaan. Maria, beste Moeder,
Ach, moge toch ons hart, van alle vrees ontslaan, U vuriglijk beminnen nu voortaan !
2.
O Moederlief, wij zijn uw kindren!
Ja, met één woord zijn we uit den nood; En onz' behoeften zijn zoo groot!
Spreek maar één woord, niets zal ons hindren. O Moederlief, spreek, enz.
3.
O Moederlief, in vreugdepsalmen
O, mochten wij uw zoeten naam,
Van nu af aan doen wedergalmen. Met heel het Hemelhof te zaam. O Moederlief, spreek, enz.
127
3V° S8.
Ave, maris stella.
Wijze : N. M. n0 74.
1.
Volglanzige ster op de baren,
Al davert de mast als een riet,
O toevlucht in alle gevaren ,
Wij vreezen de onstnimiglieid niet.
Waar 't ook dat de zeilen vlogen In stukken door de ruime lucht,
Slaan wij maar op u onze oogen.
Daar op uw wenk het onweer vlucht.
Volglanzige ster, enz.
2.
Gij hebt 't Hemelrijk ontsloten,
O wondre Moeder, altijd Maagd !
Ons met zegen overgoten
En 't doodlijk vonnis uitgevaagd ,
Volglanzige ster, enz.
3.
JSva schonk weleer ons 't leven,
Maar ach! zij bracht ons ook den dood.
Moeder! gij kunt beter geven,
Gij geeft de vrucht van uwen schoot.
Volglanzige ster, enz.
128
4.
Moeder Gods , toon alle stonden ,
Dat gij ook onze Moeder zijt; Breek de banden onzer zonden
En blijf onz' vesting in den strijd. Volglanzige ster, enz.
Maak, dat ook uw kind zoetaardig
En zuiver als uw harte zij;
Zijn wij zulken naam niet waardig ,
Gij blijft toch Moeder, sta ons bij. quot;Volglanzige ster , enz.
No SO.
Magnificat.
Wijze : N. M. n» 75.
Loof, mijne ziel, den Heer , in vreugdestroom verslonden,
Hem, wiens zoo gunstig oog uw nedrigheid aanziet.
't Is Hij, die van hun troon de trotsche vorsten stiet.
f
129
Mij maakt Hij Moeder Gods, en laat mij on-geschonden.
Loof, mijne ziel, den Heer, en juich in uw geluk ;
Hij heeft zijn dienares gewaardigd te beschouwen.
O zegen zonder grens ! heel de aarde is uit den druk ; .
Aan God zij volle roem, op Hem zij mijn betrouwen !
2.
Nu zullen mij voortaan de volkren zalig noemen,
En meest gebenedijd in 't menschelijk geslacht;
Hij heeft zijn wondren arm getoond in volle macht;
Dat 't al zijn heilgen naam en zijne goedheid, roeme.
Loof, mijne ziel, enz.
3.
Behoeftigheid heeft Hij met rijkdom overladen,
Ootmoedigheid heeft Hij doen klimmen op den troon ,
Aan Abraham beloofd zijn welbeminden Zoon
En Hem aan ons vergund, indachtig zijn genade.
Loof, mijne ziel, enz.
1?0
PW- 30.
Te Denm.
AVijze : M. n0 lö ea N. M. nquot; 86.
1.
Groote God! U loten wij , Onbepaald is uw vermogen;
Voor uwe opperheerschappij Buigt zich 't aardrijk opgetogen ; Gij bestondt vóór allen tijd, Blijvende eeuwig wat Gij zijt.
2.
Alles heft een loflied aan : Cherubijnen, Serafijnen ,
Duizenden Englen , die staan Eond uw troon om U te dienen , Alles roept U , nimmer moe,
Heilig , heilig , heilig ! toe.
3.
Al wat op uw vruchtbaar woord, Groote God der legerscharen,
Uit het niet sprong dankend voort, Alle schepslen , die ooit waren : Hemel, aarde en oceaan,
Alles heft een danklied aan.
131
4.
Op verrukkelijkeu toon ,
Zingt het heir der uitverkoren, Neergebogen voor uw troon; Martelaars, Apostelkoren,
Alles juicht in lofgeschal : Opperkoning van 't heelal.
5.
Grondkracht, waarop 't aardrijk draait, Door wiens hand ontelbre zonnen ,
Zijn door 't maatloos ruim gezaaid, Hoort Ge uw lof, o Onbegonnen,
Eenge Vader van 'tbestaan,
Door der christnen citer slaan ?
6.
Lof 't Drievuldig in persoon ,
'tEenig onbeaefbaar Wezen;
Lof U , Vader , lof ü , Zoon , Op denzelfden toon geprezen ;
Lof U , Geest, die 't al vervult, Waart, en zijt, en wezen zult.
7.
Gij , des Vaders eeuwig Woord, En té Bethlehem geboren ,
Gij , dien eene Maagd bracht voort, Door ü zelf daartoe verkoren. Gij vergoot uw dierbaar Bloed , En verwierfr ons 't hoogste goed.
132
8.
Aan des Vaders rechterhand Zijt Ge in heerlijkheid gezeten;
In ontzaggelijken stand,
Zult Gij , Hechter, ons geweten , Na het laatst trompetgeschal, Openbaren aan 't heelal.
9.
Sta dan uwe dienaars bij, Die voor U en met U strijden;
Die Gij met uw bloed kocht vrij, Toen U Golgotha zag lijden;
Stel ons , na dit tranendal,
Onder 't juichend Englental.
10.
Zie uw volk genadig aan,
Help het; zegen , Heer , uw erve.
Leid ons op de rechte baan, Dat geen vijand ons verderve ;
Open ons de gloriezaal,
quot;Wij zijn uwe zegepraal.
11.
Alle dagen zullen wij Uwe wondre goedheid prijzen ,
Aan uwe opperheerschappij Eindeloozen dank bewijzen.
Help in d'allerlaatsten strijd , Wie uw heilgen naam belijdt.
133
12.
Zoete Jezus , onze Heer ,
Stort meedoogend uwen zegen Op de christenvolkren neer;
Zie , ons bart klopt onverlegen : Op U , Jezus , hopen wij ;
Dat die hoop nooit ijdel zij !
--
INquot; 31.
Tot de HH. Engelen.
Wijze : N. M. n0 20.
1.
O glinstrend geestendom , miljoenen Englen-koren ,
Die God in vollen glans aanschouwt op zijnen troon ,
En 't zielverrukkend lied van lof en dank doet hooren,
Uw bijstand vraagt ons ook een dankbaar lied tot loon.
2.
Verkondigt dan met ons, dat God is goed en wonder,
Die iedren sterveling een prins van 't he-melsch Hof
Tot zijn bewaring geeft; wat plicht was ooit gegronder,
Dan een zoo goeden God te zingen dank en lof?
134
3.
O mochten wij u steeds in dankbaarheid gelijken, In reinen liefdegloed en in gehoorzaamheid,
En nooit een enklen stap van 't pad der deugd afwijken, gt;
Maar altijd dankbaar zijn voor uw gedienstigheid !
4.
Drukt diep in ons gemoed den schrik, den haat der zonden
En aller booze drift, die ons met ramp en kwaal
Steeds overhoopt; onz' ziel, door uwe hulp ontbonden ,
Haakt vrijer en verzucht naar 's Hemels blijde zaal.
5.
O vrienden, houdt niet op naar ons geluk te hijgen;
Veel andren minnen one, gelijk een bij't ge-bloemt ,
Gelijk een druivenrank den olm, om op te stijgen; Uwe liefde is rein, de hun moet baatzucht zijn genoemd.
6.
Gij dan, gezanten Gods, volglanzige Englen-scharen ,
Gij, ware vriendenstoet in voorspoed en in nood,
Licht onze stappen voor, verdrijft al de gevaren, En blijft onz' vrienden steeds in leven en in dood.
135
3S.
Tot den H. Jozef.
Wijze : N. M. 0° 6.
1.
O Jozef, hoop en vreugd der aarde, Maria's zuivre Bruidegom;
Wie kan bevatten uwe waarde, O luister van het Christendom!
Ach ! wil ons steeds beschermen, O Jozef, en verwerf, dat wij ,
In Jezus' en Maria's armen,
Ook eens ontslapen , zooals gij.
2.
De wijsheid Gods beval uw handen Haar allergrootste schatten aan;
Wie zou niet van begeerte branden, Om onder uwen schild te staan ?
Ach ! wil ons , enz.
3.
't Wordt andren heiligen gegeven
Hun God te aanschouwen na hun dood;
Gij , gij geniet Hem reeds in 't leven, Ja, gij omhelst Hem op uw schoot.
Achl wil ons, enz.
i li
136
4.
De stem van Jozuë, vol wonders ,
Sprak tot de zonne : â zon , blijf staan Maar gij gebiedt den God des donders,
Den God van sterren, zon en maan. Ach ! wil ons , enz.
5.
Mocht Hij ons uw volharding geven,
Die God, gehoorzaam aan uw stem; Hij is 't nu nog in 't ander leven; O Jozef, o, gebied het Hem.
Ach ! wil ons , enz.
--
Nquot; 33.
Tot den H. Aloysins van Gonzaga.
Wijze : M. n» 16 en N. 51. nquot; 12.
1.
Daalt, Englen , daalt uit 't hemelsch hof Met snaargeluid en zegevanen ;
Een ander Engel vraagt uw lof. Een Engel uit het dal der tranen.
Als Noë's duif, vloog hij 't gevaar Van de ongestuime wereld over;
Zingt zijnen lof met ons te gaar, En kroont zijn hoofd met gouden loover.
137
2.
Hij treedt manhaftig met den voet, Des werelds valsohe wellustrozen;
Voor ijdlen roem van vorstlijk bloed. Heeft hij de doornenkroon verkozen.
De leliebloem van zuiverheid Zal hij met doornenschut behoeden;
Met geesels van boetvaardigheid,
Zijn maagdlijk vleesoh gestafig bebloeden.
3.
O Aloysius , gij waart Een van Maria's lievelingen ,
Een zuivere Engel reeds op aard, Het voorbeeld aller jongelingen.
Indien wij uwe zuiverheid Niet volgden op zoo hooge trappen,
Verkrijg , dat we in boetvaardigheid Kloekmoedig nagaan uwe stappen.
4.
Lang had zijn hart naar U verzucht O opperst Goed , dat wij ook hopen !
De ziekte geeft hem volle vlucht En doet hem de Englenzalen open.
!Rijp voor den Hemel in zijn lent' , Laat hij blijgeestig de aarde varen,
In korten tijd heeft hij volend ;
Telt zijne deugden , niet zijn jaren.
138
IVo 34.
Tot den H. Stanislaus Kostka.
quot;Wijze : M. n» 17 en N. M. n° 31.
1.
Komt, Euglen , helpt ons roemen
Den heilgen Stanislaus , Die rein als leliebloemen , Die ook een Engel was.
Hij had een hart zoo gloedig,
Den Serafijn gelijk,
Een hart zoo edelmoedig , Een hart gansch goddelijk.
2.
Zijn hand had nauw geschreven, Zijn mond had nauw zijn lust, Met de oogen opgeheven ,
Maria's naam , gekust, Of 't hart, gansch opgetogen , Vloog naar Maria's troon : Die Moeder, gansch bewogen , Beval hem aan haar Zoon.
139
3.
Vervolgd door zijnen broeder
En door den Lutheraan , Koept hij tot zijne Moeder;
Zij biedt hem Jezus aan. En Jezus , met een lonkje
Van goddelijke min,
Schiet in zijn hart een vonkje, En maakt hem Serafin.
4.
De brand is te overvloedig , Hij loopt naar eene vliet. O Kostka , niet zoo spoedig !
Geef ons 't geen overschiet. Voor Jezus en Maria
Te branden , zooals gij, Is ook onz' wensch, o Kostka , Die gunst verlangen wij.
5.
Gij hebt in weinig jaren
Eene eeuwe lang geleefd , Indien het deugden waren ,
Die men te tellen heeft. Bekom ons ook, o Kostka , Een hart in deugden rijk, Voor Jezus en Maria
In liefde aan 't uw gelijk.
140
6.
Ons hart is als bevrozen ,
En als een dorre grond, Waarop nooit lenterozen ,
ScMer altijd onkruid stond; Gij kunt het vruchtbaar maken ;
Zeg het aan Moeder maar, En Moeder zal onz' zaken, Bij Jezus nemen waar.
IVquot; 3S.
Morgengebed.
Wijze: N. M. 0° 12.
1.
Mijn God , Gij geeft mij dezen dag , Geef ook, dat ik dien heilig make,
Dat, gansoh getrouw aan uw gezag , Ik tot de zaligheid gerake.
O Jezus , 'k wil naar uwe leer, Liefdadig zijn , van reine zeden ,
Godvruchtig , zacht, en te uwer eer, Ootmoedig in uw voetspoor treden.
141
2.
Geef mij een hart dat kan versmaan Goed , eer en wellust van de menschen;
Doe mijn geluk in TJ bestaan ,
Wees Gij het voorwerp mijner wenschen;
O mochte mijn geloofsbetuig',
In mijne werken klaarlijk blijken!
Dacht ik op U , mijn ooggetuig',
Nooit zoude ik van uw wegen wijken.
3.
Doordring mij , Jezus , door den schrik , Dien ons uw oordeel aan moet jagen;
En laat op ieder oogenblik Een liefdevlam uw hart behagen.
Gij zijt 't, dien ik beminnen moet; Waar Gij niet zijt, zijn ijdelheden;
Gij zijt ons al, o Jezus zoet,
Voor TJ wil ik deez' dag besteden.
---
142
N° 36.
ATondgebed.
Wijze : N. M. n0 8.
{
1.
Ach, dat de stilte van den nacht Mij aan mijn uiterst uur doe denken!
In stof en aseh bestaat onz' macht! In 't oordeel staan is maar een wenken.
Hoe ras vervliegt de tijd! wie zag Zijn snelle vlucht ooit trager zweven?
Zoo wordt gij, stervling , eiken dag Kaar de eeuwigheid vooruitgedreven.
2.
O slaap , het beeld van 's mensehen dood I Daaraan wil ik mijn ziel gewennen;
O uur van schrik , o uur van nood ! Die stond zal mij mijn lot doen kennen.
Helaas, wat is 't, dat mij behoedt ? Ik heb zoolang , zooveel misdreven !
Doch, Heer, uw goedheid geeft mij moed. Uw goedheid staakt mijn angstig beven.
143
3.
Hoe bracht ik dezen dag weer door Die nu voor altoos is verdwenen ?
Gaf ik aan uwe stem gehoor, Of durfde ik die der boosheid leenen ?
O God, zie op mijn droefheid neer: De nacht ontroert mijn bange leden,
gewaar mij voor uw dienst, o Heer f 'k Wil voortaan beter doen dan heden.
in» :s-r.
Veni Saucte Spiritus.
Wijze ; M. uquot; 43 en N. M. n0 45.
1.
Daal, o bron van alle goed,
Kom ons hart in liefde ontvonken ,
Daal , o bron van alle goed , En verrijk ons arm gemoed.
Al uw liefdevonken Op ons neergezonken ,
Al uw liefdevonken Dringen in 't gemoed.
't Wordt dus brandend weergeschonken Aan den God, die 't gloeien doet. Daal, o bron, enz.
144
2.
Daal, o schat der armen, neer. Daal, o Gever aller gaven.
Daal, o schat der armen, neer, Wij verlangen u zoozeer.
Dorsten wij , kom laven ; Wanklen wij, kom staven; Dorsten wij, kom laven ,
Met verfrisschingnat;
Breek onz' boeien , zijn wij slaven ; Dwalen wij, leid ons op 't pad. Daal, o bron , enz.
3.
Kust in arbeid , zalig licht, Zoete troost in bittre stonden , Kust in arbeid , zalig licht, Dat ons juk zoo zeer verlicht; Mochte ons zijn gezonden Zalving voor onz' wonden! Mochte ons zijn gezonden Uwe milde gaaf.
Totdat wij , met blijde monden , Danken U in 's Hemels haav'! Daal, o bron, enz.
jSS§3#®gt;â-
145
N» 38.
Tot den H. Geest.
Wijie : M. n0 33 en N. M. uquot; 46.
O, welk een lieflijk zielsgenot,
Wat lieilig vuur doorgloeit mijn aadren!
Erken, mijn ziel, erken uw God,
En loof den besten aller vaadren.
O zegen , o gelukkig lot! Kom, Schepper-Geest, kom zweven Op 't veld van dor gebeente; en zie, 't staat op vol leven.
1.
Hoort gij dit wilde feestgezang ? 't Is schijn van vreugd in slaafsche boeien.
Doorknaag hun hart, o wroegingslang , Terwijl zij 't hoofd met bloemen tooien,
En loopen in hun ondergang. Kom, Schepper-Geest, enz.
2.
Het opzicht spreekt, zij knielen laf;
Maar gij, met onweerstaanbaar wapen,
Gij , dood, perst hun geen zuchten af! Zij wanen, dat Gods donders slapen,
En dansen nog voor 't open graf. Kom, Schepper-Geest, enz.
c ^ 10
146
3.
Wel koe, als van verstand ontbloot, Zou ik met hen in schijnvermaken,
En in uw vaderlijken schoot,
O God ! uw heiige wet verzaken ?
Neen , Heer, o neen, 'k kies eer den dood. Kom , Schepper-Geest, enz.
Nquot; 30.
Morgenlied.
quot;Wijze: N. 51. n0 83.
1.
O alziend God, wiens oog mij rusten zag, En mij nu nog aanschouwt bij mijn ontwaken. Uw goedheid schenkt mij weder eenen dag, Die mij tot U, mijn Schepper, weer doet naken. Ik dank uwe Opperheerlijkheid, En offer Haar den dag van heden;
Mijn wensch is, dat Ze zij verspreid, Zoover als uw milddadigheid.
2.
Hoe menig uur zag ik met arendsvlucht, In de eeuwigheid verloren, henen snellen ?
Maar Gij verleent mijn smeeken en gezucht Nog dezen dag, om 't onheil te herstellen. Ik dank, enz.
147
3.
Misschien zie ik vandaag de laatste maal TJw sohoone zon 't onmeetbaar ruim verlichten;
Geef dan, eer ik ten grave nederdaal, Genade , om 't goed met ijver te verrichten. Ik dank, enz.
4.
O Heer! 't gevaar bedreigt mijn zwakke ziel; Bewaar mij door uwe Englen te allen tijde;
Dat ik vóór dezen avond nederkniel,
En te nwer eer mijn danklied moge wijden.
Ik dank , enz.
----
IN» 40.
Dag lied.
Wijie: AI. n» 18 ea N. JI. n» 84.
1.
De tijd der eerste jaren
Snelt henen als een schip Door 't schuim der woeste baren,
Bedreigd door storm en klip. Gelukkig zij , die geven
Aan de Opperheerschappij Den schoonsten tijd van 'tleven. Eer hij vervlogen zij!
148
2.
Wat tranen en wat zuckten
Perst op den rand van 'tgraf, O wereldsche geneugten ,
Uw valsoh genot niet af! Dat andren wierook branden
Voor hunne vijandin ;
Geeft God uw beste panden, Dan is verlies, gewin.
3.
Wacht niet tot de oude dagen,
dit vreeze dat de tijd , Op zijnen plunderwagen,
Met 't beste henen rijd'. Men moet het offer geven
Eer de ofl'erbloeme kwijn', Dan zal het eind van 't leven Een vroolijke avond zijn.
149
;no -ii.
Aan Maria, mijne onbevlekte Moeder.
Wijze : M. n» 19 en N. M. nquot; 1.
1.
O lelie, schoon en uitgelezen ,
Alleen van Adams vlek bevrijd !
U , reine Maagd, nog nooit volprezen, U zij mijn jubeltoon gewijd.
Ik voeg mij bij de hemelingen ,
Schoon nog bekleed met 't nietig stof;
Ja 'thist me uw reinheid te bezingen, Tot eer van God, tot uwen lof.
2.
Uit u, op wie alle eeuwen staren, Ontlook een roos , en 't zachte rood
Kaatste op het wit der leliebliiren, Wier kelk zich geurig, rein ontsloot.
quot;Wie is zoo groot en zoo verheven, Zoo needrig en zoo vlekkeloos,
Aan wie werd grooter gunst gegeven, Dan u, die God tot Moeder koos ?
150
3.
O duif, o lelie tusschcn doren!
Besloten hof, zoo wonderschoon !
Gij kunt alleen mijn hart bekoren. Ontvang mijn zwakken jubeltoon,
Getuige mijner zwakke krachten, 't Beminne u steeds uit gulle borst;
Hoe meer 'k uw zoetheid mag betrachten, Hoe meer'k naar aardsche onthechting dorst.
4.
O schoone zonder wedergade ,
Die zelfs de Godheid tot u trok ,
U smeek ik slechts om één genade, Ontroof mijn ziel aan helschen wrok :
Ach , zoo gij ziet dat satans strikken, Dat de afgrond voor mij open staat,
Snijd af, het zijn mijn laatste snikken.
Snijd heden af mijn levensdraad.
--
IN- 43-Wees gegroet.
Wijze; M. n0 20 en N. M. nquot; 73.
1.
quot;Wees gegroet op kindertoon ,
Wees gegroet, Maria, Moeder Van Gods eengeboren Zoon ,
Onzen Heiland en Behoeder;
ü, die onze Moeder zijt,
U zij ook mijn lied gewijd.
151
2.
Vol van gratie noemde u God, Vol van gunsten en genaden :
O, waar' dit ook hier mijn lot Op de smalle levenspaden!
Moeder Gods , o, bid voor mij, Dat ik die steeds waardig zij.
3.
God met u, o, welk een eer! Wie zal u dan tegenstreven ?
O, mocht ik ook God den Heer Als gij, recht ter eere leven ! Bid , Maria , bid voor mij , Dat Gods eer mijn streven zij.
4.
Heerlijk blonk reeds in uw jeugd Uw volstandig Godsvertrouwen ;
God beloonde uw stille deugd , Zeegnend boven alle vrouwen. Bid , Maria , bid voor mij ,
Dat ik die steeds waardig zij.
5.
Ook uw goddelijke Zoon ,
Onze Heer, zij mij ten zegen ,
Stroom' zijn liefde en gunstbetoon, Op uw smeekgebed, mij tegen. Moeder Gods , o , bid voor mij, Dat uw Zoon mijn Heiland zij.
152
6.
Lieve Moeder, o mijn vreugd, Bid voor mij , o , bid voor allen,
Die door godsdienst, reine deugd , Streven naar u^v welgevallen. Bid voor ons in allen nood ,
Tot in 't uur van onzen dood.
No 43.
Wees gegroet.
Wijze : M. nquot; 4 en N. M. n» 79-
1.
Wees gegroet, vol van genade,
O Maria, Moedermaagd ,
Die op een bijzondre wijze
Aan den Schepper hebt behaagd.
2.
Gij die onder alle vrouwen Uitverkoren zijt geweest,
Om den Zoon van God te baren,
Door de kracht van zijnen Geest.
3.
Met u zij de vrucht gezegend ,
Die uw maagdelijke schoot Aan het menschdom heeft geschonken , Tot verlossing van den dood.
153
O Maria , om uw deugden
Thans verheven bij Gods troon,
Moeder Gods , stort \nv gebeden , Voor ons, zondaars, bij xiw Zoon.
5.
Bid, terwijl we in zielsgevaren Zwerven in dit aardsche dal;
Bid voor ons , in 't uur bijzonder, Als de dood ons naken zal.
6.
Bied, o Moeder, bied uw kindren Zoo tiw liefderijke hand ,
Dat zij veilig dan vertrekken Kaar het hemelseh Vaderland.
7.
Amen , amen ! het geschiede , quot;Wat ons kinderhart u vraagt,
O , dan juichen we eeuwig , eeuwig Met u , glorierijke Maagd !
154
Nquot; 44.
Op de Geboorte der H. Maagd.
Wijze : N. M. n0 22.
1.
Edcn's onschuld was verloren,
Toen de slang haar stem liet liooren , De eerste vrouw schond Godes wet. Maar God deed die slang ras hooren, Dat een Vrouw zou zijn geboren, Die haar stout den kop verplet.
2.
Laat der vorsten hovelingen Op geboortefeesten zingen
Van vorstinnen dezer aard ;
Ik wil die Vorstin bezingen Met den stoet der hemelingen, Die den Heiland heeft gebaard.
3.
Slaakt geen zuchten , wereldlingen , ü past eer triomf te zingen ;
Davids nakroost baarde ons heil; Heden is die Vrouw geboren,
Door haar zijn wij uitverkoren ,
Onze vreugde kent geen peil.
155
4.
Op deez' dag deelt 's Hemels woiiiiig , Zelfs ook Christus, God en Koning,
In Maria's vreugdestond.
Serafs, Englen en Profeten Eoepen, om haar troon gezeten ;
Moeder van het heilverbond !
5.
Zouden wij dan , stervelingen ,
Hier op aard haar lof niet zingen ,
Die ons zooveel hulp verstrekt;
Hier beneên in 't rampvol leven ,
Tot we aan God den geest weergeven , Die zijn almacht heeft verwekt ?
6.
Dochter Gods , van onzen Vader !
Biddend treden wij u nader,
Moeder van den Middelaar !
Vreugd der Engelen, troost der menschen, Die bij God om voorspraak wenschen, Heil der uitverkoren schaar !
7.
Als we, o Maagd, onz' christenplichten Niet naar Jezus' voorbeeld richten,
Wees ons dan ten beukelaar,
Opdat duivel, hel en zonde Ons niet met den schicht doorwonden In het doodlijk zielsgevaar.
15(3
8.
quot;Wil het God , dat wij met rampen Hier op aard met doornen kampen.
Droog dan onze tranen af:
Toon ons dan, toe vaak de liefde, 'tFoltrend zwaard uw ziel doorgriefde. En u zeven wonden gaf.
9.
Als we aan 't einde van ons dagen, Stervende u om bijstand vragen ,
Dat nw oog dan op ons ziet:
Als dan bevende aan onz' lippen, Nog uw Naam eens zal ontglippen. Moeder, dan begeef ons niet.
3N°
Het Wees gegroet.
Wijze: M. n0 45 ea N. M. u0 80.
1.
Vergun dat wij u groeten,
Maria , lieilge Maagd ;
Gods gunst kwam u ontmoeten,
Wijl gij Hem hebt behaagd.
157
2.
Tot u, vol van genade , quot;Verheffen we onze stem;
Uw hulp kome ons te stade , Door uw gebed bij Hem.
3.
quot;Wil ons , o Maagd, verblijden , Met u is God de Heer;
üw bijstand helpe ons strijden Op aard, te zijuer eer.
4.
Gij , die van alle vrouwen De zegenrijkste zijt,
Bid voor die u beschouwen Als helpster te allen tijd.
5.
Gezegend moet Hij wezen , Dien gij ter wereld bracht;
Die Jezus heeft genezen Het menschelijk geslacht.
6.
Maria , Maagd , Gods Moeder ! Let steeds op onzen nood,
Bid voor ons onzen Hoeder, Zoo nu, als in den dood.
-âKSg4£3oâ--
158
IV° 46.
Lied tot lt;len H. Jozef.
Wijze: M. no 27 en N. M. n» 7.
1.
Heiige Jozef, vol betrouwen Brengen we u ons needrig lied;
TVant van aangenomen kindren Smaadt gij 't dringend smeeken niet.
Waker van den kleinen Jezus ,
Hoed ook ons in teedre jeugd;
Dan gewis voor God en menschen Groeien we op in eer en deugd.
2.
Mogen we altoos Jezus volgen Van de wieg tot aan het graf.
Die van ootmoed en van liefde Ons het schoonste voorbeeld gaf!
Waker, enz.
3.
Ach, bescherm ons heel het leven, Sta ons bij in ramp en smart.
Toon ons altijd , beste leidsman ,
Toon ons steeds uw vaderhart!
Waker, enz.
159
No fy.
Up de Geboorte der U. Maagd.
Wijze ; M. n0 39 ea N. M. n0 23.
1.
Treedt levend van geloof in gindsche woning I Het Kind, dat daar in't schomlend wiegje rust, quot;Wordt eens de moeder van den Hemelkoning, Der Englen vreugd en 's mensolien hartelust-O teedre Moeder!
Gij zijt, o Maagd , JTa d'Albelioeder,
Kaar wie mij 't harte jaagt!
2.
Komt, scharen we ons om 't heilvoorspellend Wichtje,
En lichten wij het wiegekleed omhoog : Verrukken we ons in 't minlijk aangezichtje, Dat eenmaal ons aanstaart met 't teedersteoog. O dierbre Moeder, enz.
3.
Zoo keert de dageraad zacht blozend weder.
En lacht ons toe in purpren morgenglans; Komt, buigen wij te zaam voor't Kindje neder. En sieren wij het op met bloem en krans! O lieve Moeder, enz.
160
4.
Brengt aan dan knop, en roos, en loof, en bloesem ,
En al liet sclioon, dat uit onz' aarde ontsproot; Want Jezus zien we al hangen aan haar boezem, En rusten zacht op haren moederschoot. Onschatbre Moeder, enz. -o -
1^0 40.
Aan de H. Moeder Gods.
quot;Wijze: M. n0 23 ea N. M. n0 13
1.
Lieve Moeder onzes Heeren ,
Die ook onze Moeder zijt,
Door gezang met u verkeeren Boeit liet hart, u toegewijd.
2.
O gij , Moeder vol genade !
Moeder van het godlij k Kind, Ons bijzonder slaat gij gade.
Daar gij 't jeugdig hart bemint.
3.
Ja , Maria lacht ons tegen ,
O, Maria is zoo goed !
Ach ! Maria geeft ons zegen ,
Vlietend mild uit Jezus' Bloed.
101
Want zij is voor heel het levea Ons ter hulpe in allen nood ,
En als Moeder ons gegeven,
In het uur van onzen dood.
5.
Goede Moeder, nooit volprezen,
Bid bij uwen lieven Zoon,
Dat de dienst, aan Hem bewezen, Eens ons schenke de eeiiwge kroon.
IVo 40.
De maand Tan Maria.
Wijze : M. n0 14 en N. M. u0 10.
1.
Wees welkom, welkom duizendmalen,
O maand , Maria toegewijd; Hoe wordt door uwe morgenstralen, Alreeds ons hart en ziel verblijd ! Verlangend zien wij alle jaren. Uw blijde nadring te gemoet. Om'zielenbloempjes te vergaren;
O schoone Meimaand! wees gegroet, c 11
162
2.
Maria , spiegel aller deugden ,
O Moeder Gods, der maagden roem, Der wereld troost, der Englen vreugde.
Aanvaard de frissche lentebloem, Het smeekgebed u opgedragen ,
Het lofgezang , u toegewijd ;
Begunstig ons met uw behagen ,
Toon, dat gij onze Moeder zijt.
3.
Welk ofiér zullen we u nog dragen
Met dezen schoonen lentetijd ? Een gift, die 't meest u zal behagen ;
Ons hart en onze dankbaarheid ; Opdat, nu alles gaat herleven ,
quot;Wij mogen bloeien in de deugd, Om u steeds nieuwen lof te geven, En met u eeuwig zijn verheugd.
SO.
De droeve Maagd te Bethlehemi
Wijze : M. n0 10 en N. M. n0 28.
1.
Ach, ziet, met de oogen rood bekreten,
Is naast de krib van 't godlijk Kind De heiige Moedermaagd gezeten ; De vreeslijk opgestoken wind
163
Woei gansch den nacht op Bethlem's akker.
Door 't krakend palmgetakt, en riep Met wild gehuil het Wichtje wakker, Dat op den schoot der Moeder sliep.
2.
In de armen heeft zij 't rondgedragen ,
Bij 't zacht gefluister van een lied;
Maar door 't geweld der onweersslagen In de open grot, sliep 'tKindje niet; Nu ligt Het woelend in de kribbe,
Met bolle handje in 't stroo verward, En lokt door 't pijnelijke kreunen, Een tranenvloed uit 't Moederhart.
3.
Ziet, beurtlings zit zij 't aan te staren,
En beurtlings slaat zij 't oog ter neer: â Mijn minlijk Kind ! hoe zal 'k U waren ?
Ik heb een hart, â en dan niet meer!quot; Zoo zegt ze ... heiige Maagd! daar waaien,
Door dwarrelwinden opgerukt,
De stoppels uit het stroo naar boven :
Ziet, hoe zij zich op 't Kindje bukt!
4.
Gij , ongeziene geestenwachten ,
Die rondzweeft door de naakte grot, Gij kent den weedom van de klachten Der droeve Moeder van uw God!
164
O , spreidt de breed ontplooide vleuglen
Om. 't Kind en zijne Moeder uit:
Stilt 't woedend bruisen van de stormen, Stilt in de palmen 't schel gefluit.
5.
Hoort, het gedruiseh. des storms schijnt over
Op 't stille veld van Bethlehem , En uitgeritseld 't palmenloover !
Hoort! ook met driewerf luider stem Zingt hier Maria wiegezangen ,
En 't godlijk Kind, het kreunen moe , Wil luistren naar haar zoete tonen , En sluit 't gebroken oogje toe.
6.
Nu is het zalige verlangen
Der blijde Moedermaagd voldaan!
Zij ziet op de bekreten waiigen
Van 't sluimrend Kindje (wel een traan Staat hier en ginder nog te beven)
Een stillen lach !. .. Kon schooner loon Der droeve Moeder zijn gegeven,
Dan zulk een glimlach van haar Zoon ?
(Mf
165
ZV» öl.
Maria onze Moeder.
Wijze; JI. n» 22 en N. M. n» 69.
1.
'k Boem uw grootheid niet, Maria ! Hoe, o telg uit David's stam ,
Vóór de tijden uitverkoren ,
't Woord des Heeren tot u kwam! .
2.
Kiet uw deugden, hoe gij needrig Aan des Heeren wil voldeedt;
Hoe de lelie uwer kuischheid ,
Bij dat heil geen krenking leed.
3.
yiet, hoe 't zwaard van scherpen weedom U door 't moederharte ging ,
Toen uw Zoon in 't kribje schreide,
Toen uw Zoon aan 't kruishout hing.
4.
Iviet den koninginnenluister,
Die u bij Gods troon omringt,
Waar een koor steeds jeugdige Englen U een nieuwen lofzang zingt.
166
5.
Neen , geen harp , zelfs niet van Mozes , Noch een David's zware luit,
(En hoe ik dan P) stort de tonen Voor zoo groot een lofzang uit.
6.
Maar uvr liefde wil ik loven,
Niet voor Jezus , 't godlijk Kind :
Ach! mijn harte weet zoo weinig, Hoe men in den Hemel mint.
7.
Golgotha zag , hoe ge ons mindet,
Waar gij onder 't kruishout kwaamt,
En ons allen, in Joannes,
Daar tot uwe kindren naamt!
8.
Dat, dat loof ik ; o ! wat liefde Voor het lijdend Adamskroost!
Waar de felste smarten knagen ,
Zendt gij 't eerst, o Moeder ! troost.
9.
O, hoe zalig , als ik biddend Voor uw beeltnis nederlag !
't Was , alsof ik uit den Hemel , Vriendlijk tot mij lachen zag.
167
10.
Ach, hoe zalig was het lijden,
Zoo ik slechts uw bijstand zocht 1
O , hoe zalig , hier te treuren ,
Als ik u beminnen mocht!
11.
Dan vergat ik alle zorgen;
In de wereld vaak alleen ,
Voelde ik biddend voor uw beeltnis , Liefde's koestring om mij heen.
12.
Ja, dan zag 'k u in den Hemel Biddend stijgen van uw troon ,
En dan vielt ge smeekend neder , Voor den zetel van uw Zoon!
13.
En dan badt gij voor uw kindren, Ja â ik voelde het â voor mij :
Op mijn wangen bleef de traan nog, En reeds was mijn harte blij.
14.
Glorie , liefde zij Maria ,
Die ons als haar kindren mint!
Zij, zij toont zich onze Moeder , Toonen wij ons dan haar kind !
168
3X° ÃS.
Op den H. Naam van Maria.
VTijze: M. n» 23 en N. M. nquot; 27.
1.
't Gedenken aan Maria's naam,
Is steeds zoo zacht voor 'tharte; Maar eindloos meer dan balsemvocht
Bij bittre boezemsmarte ;
Geen taal, waardoor 't is uitgedrukt Hoe deze naam de ziel verrukt.
2.
Maria's naam, Maria's naam
Verdrijft de sombre dampen,
Biedt licht aan 't allerdroefst gemoed ,
Dat tegen smart moet kampen. Dat steeds die naam geheiligd zij, Dat bidden en dat smeeken wij.
3.
't Eerbiedig noemen van dien naam
Kan 't koudste hart ontgloeien, Verbreken als door hooger kracht
Des zondaars slavenboeien.
Dat men alzoo, den Zoon ten prijs , Den naam der Moeder eer bewijz'!
1C9
4.
Geen tong , die ooit in woorden bracht.
Wat onuitspreekbren vrede Maria reeds haar dienaars biedt
Bij 't zwoegen hier beneden.
Nooit, nooit staat hij haar eerdienst af,. quot;Wien God een hart naar 't zijne gaf.
5.
Hen, die in reinheid van gemoed ,
Naar Christus' geest haar eeren , Hen staat ze altoos door ⢠oorspraak bij,.
Zelfs voor dat zij 't begeeren ;
Zij is hun steun in ramp en nood ,
Zij is hun toevlucht in den dood.
0.
O Moeder Gods, wees steeds gegroet ^
Gegroet met 's Engels woorden; Gegroet door alwie Christus dient,
In alle wereldoorden !
Ach, dat onze Ave's ook hierna Afwisslen door 't Alleluja!
170
Nquot; 03.
Maria's Hemelvaart.
Wijze: M. n» 21 en N. M. n» 17.
1.
Daal neer, o schaar van juichende Englenkoren, Die om Gods troon op zilvren wieken zweeft;
Die d'Engeltoon, wen Jezus was geboren , Van uit dit oord tot door de wolken dreeft.
2.
Daal neer, wil thans u om Maria scharen, Voer haar met harpezang tot Jezus op,
Roer thans met kracht op gouden lier de snaren Juich! de eedle Maagd klimt thans ten
(Hemel op.
3.
âEn de Engel daalt en licht van 't graf de zerken: âEn de aarde dreunt, door 't statig snaar-
(gebrom.quot;
Daar rijst zij op , geleund op Englenvlerken , Omringd door een der eêlste maagdendrom.
171
4.
Waarheen, o Maagd! waarlienen wilt gij togen?
Zoo zonder ons, de telgen van uw hart ? Ach, Moeder, ach! toon toch uw mededoogen; Zij dan ons deel dit aaklig dal van smart?
5.
Neen, 'tzij zoo niet! kom dra ons hier verlossen ;
Trek ons tot u, tot voor uw glorietroon; Wil, Moeder , daar met 't maagdenkleed ons
(dossen,
Ons kransen met een overwinningskroon. -quot;ggâ
No rgt; L.
De (xeboorte der H. Maagd.
Wijze ; M. n0 25 en N. M. nquot; 1.
1.
Gij, die in duisternis gezeten,
In zuchten zonder maat of peil, Verlangdet, dikwerf nat bekreten ,
Schept moed, ziet hier den dag van heil! Na zoo een reeks van bange nachten, Waarin de dood ons hield bekneld. Verschijnt voor die verlossing wachten De morgen, die ter redding snelt.
172
Dank God, mijn ziel, zij is geboren, Zij, die gansch rein , vol zaligheên En door God zeiven uitverkoren ,
Van de erfsmet vrij is, ons gemeen; Van de erfsmet vrij; want zij zal dragen
In haren kuischen maagdenschoot, Hem, in wien God stelt zijn behagen , Die ons zal redden uit den nood.
3.
Weldra zal nu de Zon verschijnen ,
De Heilzon, die , zoo rijk verguld, Den zwarten nacht zal doen verdwijnen,
De zon , die aller wensch vervult.
Juich dnn, ja juich, verrukt van vreugde
Juich ! al het menschelijk geslacht! Ach, of deez' heildag zoo verheugde, Dat onze ziel dien steeds betracht!
4.
O Maagd i die door deez' lofzang heden
Als nieuwgeboren wordt beschouwd , Bid, dat we , als nieuwgeboren leden ,
Gods liefde zien , die ons behoudt. En Gij, o Almacht, Goedheidsader,
Die door deez' Maagd ons heil bereidt. Ten spijt van helschen zielverrader,
Geef ook , dat ze ons ten Hemel leidt.
173
No SS.
Geboorte van de U. Maagd.
Wijze : M. n0 39 en N. II. aquot; 25.
1.
O Moeder Gods , wat feestfestoenen strenglen Zich om uw wieg, op dezen dag van vreugd ! Uw prille jeugd bewaakt een drom van Englen; Wat schouwspel, dat den Hemel zoo verheugt! Gij zijt mijn zegen;
Mijn hart, o Maagd !
Klopt u steeds tegen,
Wijl gij mij steeds behaagt.
2.
Wat ik beloof', getuigt gij, hemelingen.
En gij aanhoort, o Heemlen, wat ik zweer; Gewis, ik zweer, in ramp en zegeningen , Der heiige Maagd voor eeuwig liefde en eer. Gij zijt mijn zegen, enz.
3.
Ik bid en smeek , beroof mij van het leven ,
Ruk mij in 't graf, nog eer ik 't leven ken , Zoo ooit mijn hart iets anders aan zou kleven. Of zoo ik u, Maria! trouwloos ben.
Gij zijt mijn zegen; enz.
m
Nquot; se.
Aan Maria.
Wijze : M. n0 44 en N. M. n0 68.
1.
Moeder des Heeren, Moeder en Maagd !
Sooit heeft u iemaad Vruchtloos gevraagd.
Ik kom , o Maria ,
Tot u , als een kind ,
Dat u, als zijn Moeder, Recht hartlijk bemint.
2.
Moeder des Heeren, Moeder van God !
Ook mijne Moeder,
Zie op mijn lot.
Gij zijt mijn vertrouwen In voorspoed en nood gt;
Gij zijt mijn vertrouwen In leven en dood.
175
3.
Moeder des Heeren,
Moeder van mij!
Sta mij als Moeder,
Moederlijk bij.
O Moeder van Jezus !
Ik schenk u mijn hart,. Ik schenk u mijn liefde, In blijdschap en smart
4.
Moeder des Heeren,
Zegebodin !
Machtige Moeder,
Hemelvorstin ! Wij smeeken u needrig ,
Van alles ontbloot. Verstoot onze beden
Niet in onzen nood.
--
No ör.
De Boodschap Tan de H. Maagd.
Wijze: M. n» 27 en N. M. n» 7 of n» 30. 1.
Staak, o wereld, 't angstig zuchten,.
Uw gelukstaat wordt hersteld; Uw belager moet nu vluchten; De geboorte van een Held,
176
Die ziju macht hem zal ontwringen ,
Wordt geboodncnapt; eene Maagd, (Gij moogt Gode een danklied zingen), Heeft daartoe zijn oog behaagd.
2.
Aan Maria , de uitverkoren ,
Brengt een Engel Gods de maar, Dat uit haar zou zijn geboren
's Werelds Heer en Zegenaar :
Zij , de pronk van deugd en zeden,
Zal, -â dit spelt hij haar , â Gods Zoon In haar kuischen schoot nog heden Dragen, dalend van zijn troon.
3.
Gij , van de eerstling aller zonden ,
Door zijn schikking vrijbewaard,
Hebt bij Hem gena gevonden,
Uit uw schoot wordt Hij gebaard! Gij , o zuivre, â wil niet vreezen, â Zult, zegt de Engel, door de kracht Van zijn Geest, een Moeder wezen, Vol van troost voor 't aardsch geslacht.
4.
^k Heb zijn wil, â dat Hij gebiede, â
Nu uit uwen mond gehoord,
Zegt Maria; het geschiede
Aan zijn dienstmaagd naar uw woord
177
Zoo neemt de Eenge van den Vader
Uit deez' Maagd de menschheid aan Komt in 't sterflijk vleesoh ons nader, Om ons van den vloek te ontslaan.
5.
Toren van ivoor, met glansen
Van de Godheid zelf vervuld ! Gouden huis, vol eerekransen,
Die gij eeuwig dragen zult;
Ark van 't heilverbond des Heeren , Troost en heul in ramp en druk ! Leer ons steeds ons heil begeeren
Help ons tot het grootst geluk.
--
No SS.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Wijze: il. n» 28 en N. M. nquot; 36.
1.
Laat ik rustig van u zingen ,
Schoonste, die de Hemel mint; Waardig spreken van de dingen,
Die m'in u besloten vindt.
Schoon 't verstand niet kan bevatten Wat ge een waardigheid bekleedt. Haalt men uit verborgen schatten
Lof, die lastering vertreedt, o 12
178
Nooit heeft u de vloek getroffen,
Die den boozen Adam sloeg, Nimmer kont gij nederploffen
In den afgrond. Neen, reeds vroeg Was de vloekwet opgeheven
Voor u, onbevlekte Maagd!
Die de bron droegt van het leven, Door de Godheid onderschraagd.
3.
Ja, een Engel kwam 't ti zeggen ,
Dat gij , met Gods geest vervuld , (Een geheim niet uit te leggen),
Ons een Jezus baren zult;
God zal in u komen wonen,
Voorts als Kind , aan uwe borst Opgevoed , zijn liefde toonen, Lesschende aller zielen dorst.
4.
quot;VVie dan zoude u schuldig achten
Aan der eerste zonde smet ? Wat verwarring van gedachten ,
Die van voorrecht u ontzet, Als waart gij niet uitverkoren, Van der eeuwen eeuwigheid ,
Eein ontvangen , lein geboren ,
En tot Moeder Gods bereid !
179
5.
Onbevlekte , die wij groeten,
Leer ons , van den vloek bevrijd , Door berouw de zonden boeten,
Help ons in beproevingstijd. Onder die God welgevallen,
Laat ons eeuwig zijn geteld,
Door Hem , die u boven allen, Als een Moeder heeft gesteld.
ÃO.
Hemelvaart van Maria.
Wijze : M. n» 29 en N. M. nquot; 36.
1.
Wie zie 'k hier van de aard vertrekken
In de hoogte weggevoerd, Met juweelen zonder vlekken ,
En met paarlen rijk besnoerd ? Wie komt daar dus opgetreden,
Door Gods krachten ondersteund, Glinstrend, vol bevalligheden ,
Daar ze op haar beminde leunt ?
2.
Staak, mijn ziel, ja staak uw vragen;
'tis die uitgelezen Maagd,
Waardig 'sHemels kroon te dragen. Want zij heeft Gods oog behaagd.
180
Maagd , uit duizenden verkoren ,
Baarde zij den Hee:: van 't al,
Uit haar werd Gods Zoon geboren , In een armen beestenstal.
3.
Wie zal haren lof niet roemen ,
Die haar danklied heeft betracht, Dat men haar zou zalig noemen ,
Tot het laatste nageslacht ?
quot;Wie wordt dan niet opgenomen ,
Wiens gemoed wordt niet verrukt ? quot;Wie wenscht niet bij haar te komen , Schoon het vleesch den geest nog drukt ?
4.
Volg, mijn ziel, in al uw streven
't Voorbeeld van deez' Moedermaagd, Die, ten Hemel opgeheven,
Daar thans kroon en schepter draagt. Daar zult gij, bij 't puik der vrouwen,
's Heilands Moeder , die gij groet, Eindloos 't aanschijn Gods beschouwen En genieten 't eeuwig goed.
181
k° eo.
Hulde eu bede aan de H. Maagd Maria.
Wijze : M. nquot; 30 eo N. M n» 70.
1.
Komt, heflen wij een loflied aan, Ons lied klimme op van de aard ,
Tot voor Gods troon, waar de Englen staan 't Zij met hun lied gepaard.
Wij zingen met den loon van 'tstof, En knielen zingend neer;
Wij staamlen dankbaar uwen lof, O Moeder van den Heer!
2.
Dat onze lof u niet mishaag', O Hemel-koningin!
Al is de toon van 't stof wat laag, Hij dringt den Hemel in.
Geen mensoh , die ooit zooveel vermocht Niets evenaart uw eer,
üw hulp is nooit vergeefs gezocht, O Moeder van den Heer !
3,
Uw ootmoed was zoo gadeloos , Zoo kostlijk in Gods oog ,
Dat u zijn 2oon tot Moeder koos,
Toen Hem ons lot bewoog.
182
O Morgenster der zaligheid,
Hij daalde op aarde neer;
Uw deugd had ons dat heil bereid , O Moeder van den Heer!
4.
Verbaasd en woedend was de hel Om 't heil van ons geslacht ,
Toen u de Aartsengel Gabriel De hamel-boodschap bracht.
Nu spanne satan strik en net, Wij vreezen hem niet meer ;
Uw zaad heeft hem den kop verplet, O Moeder van den Heer !
5.
Der Bnglen reine Hemeltoon Klonk voor het eerst op aard ,
Toen gij , o zuivre Maagd ! Gods Zoon Hadt in een stal gebaard.
Het Englenkoor juichte in ons lot En daalde aanbiddend neer;
Het zag een menschgeworden God, O Moeder van den Heer.
6.
Wij roepen u in Jezus' kerk Als hulp en voorspraak aan ;
Hij heeft zijn eerste wonderwerk Op uw verzoek gedaan.
Ei, zie dan gunstig van omhoog Op uw vereerders neer;
183
Beschouw ons met uw moederoog , O Moeder van den Heer!
7.
Uw Zoon , toen Hij aan 't kruishout hing, Ons eeuwig heil verwierf,
Beval u aan zijn lieveling ,
Eer Hij voor 't menschdom stierf'.
Joannes' liefde ontving dit loon , Die gunst, die troostrijke eer;
Gij werdt zijn Moeder, hij uw zoon O Moeder van den Heer !
8.
Wil zoo ook onze Moeder zijn ;
Ons hart, dat Jezus mint,
Eoept tot u , uit deez' rampwoestijn: âAch , Moeder , zie uw kind !quot;
Zie , lieve Moeder van gena ,
Toch gunstig op ons neer!
Uw liefde is zonder wederga ,
O Moeder van den Heer 1
9.
Ach , Moeder van barmhartigheid ,
Onttrek uw hulp ons niet!
Als ons de wereld lokt of vleit;
Als gij ons wanklen ziet,
Als ze ons door wellust strikken zet, Of streelt door lof en eer,
Dat uwe voorspraak ons dan rodd', O Moeder van den Heer!
ISl
10.
Wanneer ons armoe dreigt of drukt,
Als ziekte of pijn ons kwelt, Als alles, wat wij doen , mislukt,
Als ramp op ramp ons knelt, Als niets op aarde ons troosten kan,
Ei, zie dan op ons neer,
Troost ons door uwe voorspraak dan, O Moeder van den Heer !
11.
Als eenmaal 't bange sterfuur slaat,
Als de aard geen vreugd meer heeft, Als geld en roem ons niet meer baat,
Wellicht slechts wroeging geeft. Als grootheid klein wordt in ons oog »
Met 's werelds ijdele eer ,
AVees onze helpster dan omhoog, O Moeder van den Heer !
12.
Bescherm ons zoo in eiken nood,
En sta ons altijd bij;
Vooral in 't uur van onzen dood,
Opdat het zalig zij,
En wij , om 't heil voor ons bereid
Met u Gods lof en eer Verheffen tot in eeuwigheid,
O Moeder van den Heer.
1S5
IVquot; ei.
Op het feest der Zuivering Tan de H. Maagd Maria.
Wijze: M. nquot; 46 en N. M. n» 2.
1.
Zij , die boven alle wetten
Van den heilgen Geest ontving, Voor haar, vrij van alle smetten,
Was geen wet van zuivering;
Maar niet laf zich te verschoonen, En zich beiden trouw te toonen, Geest en letter des gebods: Dit leert ons de Moeder Gods.
2.
Zij , die ons dien Koning baarde. Wiens gebied nooit einden zou, David's spruit, de hoogst eerwaarde^
Brengt de gift der armste vrouw. Bij zijn mindron zich te voegen, jSeedrig zich te vergenoegen,
Dit is hier de schoone leer Van de dienstmaagd van den Heer.
186
3.
Zij, in reinheid boven de Englen,
Aller maagden eer en roem ,
Komt zich met de onreinen menglen,
En verbergt haar leliebloem !
Met zijn gaven nooit te prijken,
Eiken lof bevreesd te ontwijken En te siddren voor den trots : Dit leert hier de Moeder Gods.
4.
Zij, niet vreezende ooit te dolen.
Zoo zij gaat waar God haar wenkt. Laat aan Hem het aanbevolen ,
Wat de wereld van haar denkt.
Nooit door eigenbaat gedreven Enkel voor Gods eer te leven :
Dit is hier de heldenleer Van de dienstmaagd van den Heer.
-C
TV* es.
Magnificat.
Wijze: N. M. nquot; 70.
1.
Maak groot, mijn ziel, maak groot den Heer, En zing Hem blijden lof;
Kniel dankbaar voor uw God ter neer,
187
Hij is alleen het heil, de vreugd, Waarin alleen, zich 't hart verheugt Aanbid Hem in het stof.
2.
Hij zag met welgevalligheid
Op mij, zijn dienstmaagd neer; Aan zijn onmeetbre Majesteit Bevallig door mijn needrigheid , Werd ik, van boven voorbereid , De Moeder van den Heer.
3.
Hierom word ik van elk geslacht,
Van dezen dag af aan ,
Gelukkig en vereerd geacht.
Gods naam zij heilig door 't heelal; De wonderen zijn zonder tal, Die Hij mij heeft gedaan.
4.
Zijn mededoogen duurt steeds voort
Van voor- tot nageslacht,
Wanneer het naar zijn wetten hoort Maar wee ! wanneer hoovaardigheid Het ijdelzinnig hart verleidt; Dan toont Gods arm zijn kracht.
188
5.
Hij rukt hen van hun zetels af, Die trotsch Hem wederstaan ; Verstrooit hen, als de wind het kaf. En trekt den arme uit het niet. Terwijl de rijke en zijn gebied Als nevelen vergaan.
6.
En hem, die in den tegenspoed Maar kinderlijk vertrouwt.
Beschenkt Hij met zijn overvloed ; Den rijke weigert Hij zijn goed, Die roem draagt op zijn overvloed En op zich zeiven bouwt.
7.
Hij nam zijn dienstknecht Israël
Tot zijnen gunstling aan ;
Hij deed hem naar belofte wel,
Gelijk Hij sprak tot Abraham ,
En aan 't geslacht, dat van dien stam In eeuwen zal ontstaan.
189
No 03.
Het Kerstfeest.
Wijze ; M. n0 31 en N. M. n0 38.
1.
O . hoe heerlijk , Hoe begeerlijk Is het Kerstfeest voor de ziel! Jezus kwam op aarde ,
Gaf der menschheid waarde , Dat heel de aard voor Jezus kniel'
2.
O , hoe heerlijk , Hoe begeerlijk Is het Kerstfeest voor de ziel! Dat ons loflied rijze,
Onze mond U prijze;
Jezus, dat elk voor ü kniel'!
3.
O , hoe heerlijk , Hoe begeerlijk Kerstmis, zijt gij voor de ziel! O, wat vreugd , wat zegen , Zendt dit feest ons tegen ; Och, dat elk voor Jezus kniel' !
190
O , hoe heerlijk Hoe begeerlijk Zijt gij, Kerstmis, voor de ziel! Zalige Englen zingen Om die zegeningen !
Dat de menscli dan nederkniel' l
5.
O , hoe heerlijk , Hoe begeerlijk Is het Kerstfeest voor de ziel! Jezus, welk een waarde Had uw komst op aarde : Dat voor ü al 't schepsel kniel' t
6.
O , hoe heerlijk , Hoe begeerlijk Is het Kerstfeest voor de ziel! Jezus Christus! Amen! Zingen wij te zamen ! Stervling , juich , aanbid en kniel
191
1V° 64. Het Kerstfeest.
W ijze : M. n» 5 en N. M. n0 3.
1.
quot;Wanneer Gods Zoon, Van 's Hemels troon Op aarde nederdaalde,
Zong de Englenstem Een zang voor Hem, Dien rots en wond herhaalde.
2.
En de Englentoon Trof, lief en schoon, Der leerzaam herdren ooren; ,, Gaat!quot; riep een stem â In Bethlehem,
â Daar is uw God geboren !quot;
3.
Op 't wonderwoord Gaan zij ras voort; En God bestiert hun schreden De Heer van 't al Wordt in een stal In waren geest aanbeden.
192
4.
O God ! o God !
Is dit dan 't lot,
TJ hier op aard beschoren ?
Die 't leven geeft Aan al wat leeft,
Zelf in een stal geboren ! â¢
5.
Ja, Hij is daar , De Middelaar,
Die 't menschdom vreê komt geven. Ginds vlucht de dood , Van macht ontbloot, En Jezus is ons leven.
6.
Ja, Jezus komt,
En de afgrond schroomt; Nu is zijn buit verloren.
En Godes Woord Heersclit eeuwig voort Op de aard, aldus herboren.
7.
En ieder jaar Zingt de Englenschaar Dien dag haar schoonste tonen ,
193
En 't menschdoin paart Zijn stem op aard Met hen, die boven wonen.
8.
Maar eens, o God !
Eens treft ons 'tlot.
Eens komt de dood ons wekken; Geef dan , dat wij Met de Englenrei
Hierboven 't lied voltrékken.
---
n» es.
Opdracht van Maria iu den tempel.
W^ze; M. n» 32 en N. M. n» 32.
1.
Als een bloempje tusschen hagen, Binnen Sion's tempelwand Voor het aanschijn Gods geplant, quot;Wijkt Maria voor de lagen ,
Die de booze wereld spant.
2.
Als een pas ontloken roze,
Met des Hemels dauw besproeid, Die de zonne tegengloeit,
Hangt de zoete , vlekkelooze Aan het altaar Gods geboeid, c 13
194
3.
Als een lelie uitverkoren ,
Zilverblank en zonder smet,
Die de maan in schaduw zet,
Staat het Maagdeken te gloren ,
Dat des satans kop verplet.
4.
Als 't viooltje zacht en teeder,
Dat in stille velden tiert,
En het groen der dalen siert,
Buigt het zedig Kindje neder,
Daar het zuchtjes opwaarts stiert.
5.
Zuchtjes stiert het, glansjes spreidt het. Geurtjes aamt het, zacht en zoet; Serafs , Kindjes eerestoet,
Hoort het spreken , en verbreidt het, Ach ! verbreidt het vol van gloed.
6.
,,'k Wijd U , God , mijn hart en zinnen , â Voor den tijd en eeuwigheên.quot; Hoort, zoo sprak het Kindje kleen ;
â God , mijn God ! 'k wil TJ beminnen , â U beminnen , Ã alleen !quot;
195
7.
, 'k Wil U dienen al mijn dagen, â Heer ! wat wilt Gij , dat ik doe ? ,, Is het mooglijk F staat Gij 't toe ? .God, mijn God! 'kwil U behagen, â Leer mij, Heere , leer mij , hoe !quot;
8.
, God, mijn God ! ik wil u loven, â Altijd loven, altijd aan !
â Van deez' sombre levenspaan , Stijg voor U mijn geest naar boven, â Blijf voor U mijn harte slaan.quot;
9.
, God , mijn God ! 'k wil voor U lijden â Smarten lijden zwaar en fel. ,, Is 't uw wil zoo , 't is mij wèl. , God , mijn God ! 'k wil moedig strijde â Tegen wereld, vleesch en hel.quot;
10.
, Lieve God , 'k wil alles derven , â Om steeds Maagd en rein te zijn; â Zend mij armoö , smaadheên , pijn , , Laat mij leven , laat mij sterven , â Maar bewaar mij Maagdelijn.
196
11.
â'kWil, mijn Schepper, U behooren, â TJ behooren, niet aan mij ;
â Tot ik , van het aardsche vrij ,
â Staan zal in uw Hemelkoren.
â Amen , amen ! dat 't zoo zij Iquot;
06.
Toewijding van zich zeiven aan Haria in hare Congregatie of Broederschap.
quot;Wijze: N. M. n0 52.
1.
Ik ben aan u !
Reeds onder 't kruis, waaraan de lust uws harten, Uw Jezus , 't wreedste leed doorstond ,
Sprak Hij met zijn bestorven mond : â Ziedaar uw kind, o Vrouw van smarten!quot; Ik ben aan u! Ik ben aan u!
2.
Ik ben aan u!
Reeds op den schoot van mijne lieve moeder, Maria , werd ik u gewijd,
Reeds toen bevaalt gij voor altijd Uw zoon , uw kind 1 den Albelloeder Uw dochter aan j
Ik ben aan u! Ik ben aan u!
197
3.
Ik ben aan u!
Reeds van dien stond, toen mijne kinderlippen Zich. 't eerst ontsloten voor de spraak, Maria , was 't mijn zoetst vermaak Uw naam mijn mond te doen ontglippen! Ik ben aan u! Ik ben aan u !
Ik ben aan u!
Ach in dat uur, toen 'k aan 't banket der Englen Voor de eerste maal mij heb gevoed , Wat was 't mij toen , Maria, zoet, Uw naam met Jezus' naam te menglen ! Ik ben aan u! Ik ben aan u !
5.
Ik ben aan u !
Van dien dag af, hoe menig duizendmalen Mocht ik die opdracht van mijn hart, O Moederlief, in vreugd en smart,
Voor uwe beeltenis herhalen !
Ik ben aan u ! Ik ben aan u !
6.
Ik ben aan u !
Maar op dit uur, zoo plechtig in mijn leven, !Nu gij mij in uw vriendenkring
198
Ontvangen wilt als lieveling , Wat vreugde doet mijn harte beven ! Ik ben aan u ! Ik ben aan u!
7.
Ik ben aan u!
Ja, voor altoos wil ik mij aan u wijden!. Maar, Koningin, ik ben niet waard Dat gij mij bij uw hofstoet schaart. Zoo wanklend in verleden tijden.
Ik ben aan u ! Ik ben aan u !
Ik ben aan u !
Ach, Moederlief! doe mij mijn schuld niet boeten! Verstoot, verstoot uw dienaar (dochter) niet. Die u een rouwend harte biedt,
Met tranen knielend aan uw voeten.
Ik ben aan u! Ik ben aan u !
Ik ben aan u !
Ik geef u thans mijn hart en ziel en zinnen.... Wat mij ook op deze aarde beidt,
Niets dat mij van uw liefde scheidt;
Neen! eeuwig wil ik u beminnen !
Ik ben aan u! Ik ben aan u!
199
10.
Ik ben aan u!
O Moeder Goda, zou 'k u nog ooit begeven Zou 't kunnen zijn ? .. .. Zoo gij 't voorziet Ach, laat mij sterven eer 't geschiedt, En knip den draad af van mijn leven.
Ik ben aan u'. Ik ben aan u!
n» «r.
Lofzang en Gebed.
Wijze ; M. n0 41 en N. M. n0 71.
1.
Ziet gij daar de wolken zweven
En de zon , in vollen glans, Hooger , hooger nog verheven ,
Sohittren aan des hemels trans ? Nog veel hooger , ver daarboven ,
Zetelt op haar liefdetroon , In het hoogst der Hemelhoven , Jezus' Moeder naast haar Zoon.
2.
O wat luister! o wat stralen!
O wat hartverblijdend licht Stroomt door 's Hemels wijde zalen Van haar maagdlijk aangezicht!
200
's Vaders eeuwig alvermogen
Straalt van hf.ar vorBtinnenstaf, 's Heilands wijsheid nit haar oogen, 's Geestes gloed haar boezem af.
3.
Maagdenreien, Englenscharen,
Cherubs , Serafs zonder tal Mengen stem en citersnaren
Met het blijdst bazuingeschal.
Allen juublen God ter eere ,
Om Maria's heil verheugd,
En de Moeder van den Heere Is de tweede hemelvreugd.
4.
Keedrig kind in Salem's tempel!
Arme Maagd in Nazareth!
Vrouw, verjaagd van Bethlem's drempel!
Moeder, onder 't kruis verplet! Liefste Moeder, in uw leven
Zoo gemarteld , zoo gehoond ,
En zoo roemrijk thans verheven,
En zoo glorierijk gekroond !
5.
Moeder, ach ! door al uw smarten
En door al uw heerlijkheên,
Zie de wenschen onzer harten,
Hoor, verhoor ons kinderbeên !
201
Moederlief, wij gaan verloren ,
Stelt gij satans macht geen perk : Moeder , ach ! stil Jezus' toren , Red ons en bescherm de Kerk!
N» 68.
Lofzang en opdracht Tan het hart aan Maria
Wijze: M. n0 42 eu N. M. n» 53.
1.
O Maagd , o schoonheid, nooit volprezen , Als Moeder Gods zoo hoog gerezen,
Wat luister schittert om uw troon ! De Seraf, aan zich zelf onttogen,
Juicht, voor uw grootheid neergebogen; O Koningin, wat zijt gij schoon !
2.
Al mist, Maria , 't aardsche duister , Het schouwspel van uw grootschen luister
Ons koestert toch uw liefdegloed.
Ja de Engel roeme uw heerlijkheden. Wij juichen juublend hier beneden ;
Maria! o, wat zijt gij goed!
202
3.
Dank , dank voor zooveel liefdedaden , Voor zooveel duizenden genaden , Gevloeid door uwe milde hand ! Ontvang voor al die zegeningen ,
Maria , van uw lievelingen
Hun hart tot eeuwig onderpand
4.
O Moeder , altoos even teeder,
O schouw met welgevallen neder
Op 't offer van uw dierbaar kroost! Schrijf in uw hand ons aller namen, Keem in uw hart onz' harten samen ! Dan, Moederlief, zijn wij getroost.
5.
Dan mogen vrij de winden tieren , De bliksems door het luchtruim zwieren,
En monsters hollen door de zee ; Vergeefsch hun razen, hunne woede; Wij zeilen onder uwe hoede Beveiligd naar de Hemelree.
6.
Daar zal geen vrees ons hart meer klemmen; Daar zingen wij met blijde stemmen,
Geschaard om uwen zegetroon, Uw naam tot lof en God ter eere :
Maria, Moeder van den Heere ,
Wat zijt gij goed ! wat zijt gij schoon ! ---lt; ⦠gt;
203
liS*.
Het Rozenkransje.
Wijze; M. n» 3i en N. M. n» 29.
1.
Eozenkransjen ! u zij lof,
Uit den hof Van den Hemel neergezonden , Van verscheiden bloempjes schoon,
Als een kroon Wel gevlochten en gebonden.
2.
Edel kroontje, dat er staat
Voor sieraad Op het hoofd van Gods vriendinne ; Gulden krone , die bekroont
En verschoont 's Hoogen hemels Koninginne.
3.
Allerliefste roosplantsoen,
Altijd groen,
En gij draagt sneeuwwitte rozen ; Op elk blaadje zeer bekwaam
Staat de naam Van Maria uitverkozen.
204
4.
Kransjen , dat u zoo behaagt,
Moedermaagd !
Daar men tusschen vijf robijnen Van ons Heeren Gods gebed,
Wonder net Ziet uw roosje tusschen schijnen.
5.
Psalterken! gij maakt bevreesd
's Boozen geest,
Die eer Saül kwam bespringen, Als hij hoort de zoete taal
Menigmaal Van 't Ave Maria zingen.
6.
Kostelijkste ketenken
Dat ik ken,
Beter was er nooit te vinden, Om den boozen vijand fel
Van de hel Krachteloos en vast te binden.
7.
Kransjen, als ik zonderling
Voor een ring U ga dragen aan mijn vinger, Tegen het hoovaardig vat Goliath
Zijt gij mij een Davids-slinger.
205
8.
Gij verzelt mij waar ik ga,
Waar ik sta,
Zal ik ergens gaan of reizen ,
Met u kort ik weg en tijd,
Dien 'k verslijt,
Met te lezen of te peizen.
9.
Als ik in mijn kamerken
Met u ben,
In de kerk of in een hoekje , Gij dient mij dan altemet
Ten gebed Of voor een godvruchtig boekje.
10.
Altoos, als 'k u medevoer
Aan mijn snoer,
Leiddraad , die mij kunt geleiden , Tot Maria's zoeten schoot,
In den dood,
Daar ik nimmer van moet scheiden.
11.
Dat dit lieve kransje zij 't Snoer, dat mij Met Maria voeg' te zamen,
En ik haar, die ik nu dien,
Moge zien In het eeuwig leven. Amen.
206
No T O.
Toewijding aau deo Heer na de U. Commnnie.
Wijze : M. n» 24 en N. M. n° 43.
1.
O groote God, wat zijn uw tabernakels Voor mijne ziel verrukkelijk en schoon!
Gij openbaart ons daar uw heilorakels,
Daar heft geloof en liefde zich ten troon.
2.
Gelukkig hij , die U daar mag beschouwen! En aan den voet van uwe altaren smacht!
Een eeuw, getoefd in aardsche praalgebouwen, Heeft niets bij 't stip, bij U hier doorgebracht.
3.
Ik dobber in een zee van zaligheden , En mijne ziel bezit al 't Hemelheil.
O goede God ! hoe voeren zwakke beden Voor mij den stroom van gunsten boven peil!
4.
Ja, de Almacht tart, door duizend zegeningen. Die zij mij schenkt, de wenschen mijner ziel;
Ik voel mijn hart van liefdevuur doordringen. Terwijl ik hier in zuchten nederkniel.
207
5.
Een talloos heir van Englen, die me omringen,
Bewondert stil de onzichtbre Majesteit. Benijdt mijn heil en knielt, o hemelingen, Aanbiddend neer in Gods aanwezigheid !
6.
En zou een goed, dat vlucht, mijn hart bekoren ?
Mijn hart, waarin de Godheid zelf verblijft ? !Neen, neen, mijn God ! ik wil U heel behooren, . Zoo uwe kracht in nood mijn zwakheid stijft.
7.
Heersch over mij, als Heer van dood en leven, Heersch over mij vooral door 't liefderecht; Wijk, wereld ! wijk, die mij geen heil kunt geven; Mijn hart blijft steeds aan Jezus vastgehecht.
quot;1.
De Heer is God.
Wijze : M. n0 35 ea N. 11. n» 47.
1.
De Heer is God ! de Heer is God!
Laat de aarde vroolijk juichen,
Voor Hem alleen zich buigen: Het kille Noord, het gloeiend Zuid Koept, Hem aanbiddend , uit;
Do Heer is God! de Heer is God!
208
2.
Hem dekken donkerheid en nacht, Hij wenkt, en bliksemschichten Doen de aarde siddrend zwichten; Geschokt tot in het ingewand, Erkent zij 's Heeren hand ,
En roept ontsteld : de Heer is God 1
3.
Maar om den troon des Heeren straalt Gerechtigheid en waarheid , Bij Hem is licht en klaarheid , De glans van zijnen troon verblindt; Een niet is 't menschenkind.
De Heer is God! de Heer is God !
4.
quot;Wee hem, die God den Heer veracht En zijnen naam durft honen, God zal zijn macht hem toonen, En hem beschamen in zijn waan; Gij volken, bidt Hem. aan.
De Heer is God! de Heer is God!
5.
Maar heil hem , die Jehova vreest; Gods hand zal hem beschermen, Hem leiden met ontfermen; Uit eiken nood, uit elk gevaar Eedt God hem wonderbaar.
De Heer is God! de Heer is God !
209
No -ys.
Gods goedheid.
â Wijze : M. n3 3G en N. M. nquot; 48.
1.
ü , goede God , U roemt mijn lied, Hoe zwak mijn toon ook zij ;
Want beter Vader leeft er niet,
Niet één zoo goed als Gij.
2.
Gij kleedt met menig groen en kruid Den barren heidegrond;
Gij stort den danvr er over uit In eiken morgenstond.
3.
Uw zon gaat over allen op , En streelt ons met haar gloed;
Gij zendt den vruchtbren regendrop, Die 't veld verkoelen doet.
4.
Gij zijt voor allen even goed : Elk schepsel, dat er leeft,
Vindt op uw aarde in overvloed Al wat het noodig heeft.
c 14
210
Yan U ontvang ik dag aan dag
Zoo menig zoet genot, Ik juich, omdat ik roemen mag Uw goedheid in mijn lot.
3Xquot; TS.
Onsterflgkheid.
Wijze; M. n0 37 en N. M, n0 50.
1.
Onder 't loof gedoken , Hangt de doode pop : Uit haar kluis gebroken , Stijgt de vlinder op.
2.
't Beeld van 't blij herleven,
Vlinder ! zijt gij mij :
'k Zal ook opwaarts zweven , Weer ontwaakt als gij.
3.
Eens leg ik den kluister
Van dit lichaam af.
En in schoonen luister Stijg ik uit het graf.
211
4.
'k Zweef op Euglenvlerken , Door geen stof geboeid , Waar in zaalge perken Eeuwig vreugde bloeit.
In den Advent.
Wijze : M. n» 45 en N. M. u0 33.
1.
O Wijsheid, uit God zelf geboren, Die 't groot al in uw weegschaal wikt, En alles zaeht en sterk beschikt; Ach! kom , wij wenschen U te hooren. Ach! kom, en wil ons krachtig leeren Den weg, die naar den Hemel leidt, En maken onze ziel bereid Om zich waarachtig te bekeeren.
2.
O God , die Isrels volk geleidde, Aan Mozes in het vuur verscheen, Uw wet schreeft in den harden steen, En 't met uw gunsten overspreidde; Ach ! wil tot ons ook nederkomen, Verlos door uwe sterke hand ,
En voer ons in 't beloofde land, Dat overvloeit van vreugdestroomen.
212
3.
O bloem, uit Jesse's stam te wachten! Op wien de vorsten zullen zien ! Tot wien het heidendom zal vliên, En zich door u gelukkig achten; O heilbloem, wil ten laatste ontspruiten, Laat ons beschouwen uwe kleur, Inademen uw zoeten geur En werpen 't slangengif naar buiten.
4.
O Gij, die zult den schepter voeren, Den sleutel dragen, die ontsluit;
Wiens macht door niemand wordt gestuit, quot;Wiens rijk ook niemand kan ontroeren; Ach, wil, o machtige! verschijnen, Verbreek de ketenen dergeen,
Die door benauwdheid en geween In hun gevangenis nog kwijnen.
213
ISTquot; VS.
Kerstlied.
VTijze : M. n» 38 en N. M. n0 40.
1.
Herders ! hoe ! ontwaakt gij niet P Wat is op dit uur geschied?
Eene stem van Hemelingen Klonk door de ongemeten kringen ; Gloria !
Gloria!
O, wat wonder mag deez' nacht Op den aardbol zijn volbracht! Want een vreugdespellend' glans, Straalde van den hemeltrans.
2.
Ach! ik hoorde een Englenstem, Zij riep ons naar Bethlehem: Van een maagd, door God verkoren, Is daar 't heilig kind geboren ;
Gloria !
Gloria!
O , de Schepper van 't heelal Ligt daar in een beestenstal;
Laat ons spoeden naar dat Kind, Toonen, dat ons hart Het mint.
214
Wat geschenken neem ik mee? Denk toch aan geen offervee ; Gij moet een goed hart opdragen, Dit kan 't godd'lijk Kind behagen. Gloria !
Gloria !
Ach, welk offer is te groot,
Voor dat Kind, dat God ons bood Komt, laat ons te zamen gaan , Biddend voor zijn wiegje staan!
4.
Welkom , Kindje , wees gegroet, Daar ge uw liefde ons blijken doet Welkom , dierbaar Kind, in 't leven ! Mogen we U onz' harten geven ? Godlijk Kind,
Dat ons mint,
Voor ons vloeit uw eerste traan, Neem onz' harten gunstig aan; Voor uw krib, o Opperheer!
Leggen wij deez' giften neer.
5.
Lieve Moeder van dit Wicht, Dat in 't arme wiegje ligt,
Boven allen uitgelezen ,
Moest gij , Jezus' Moeder, wezen ; Zuivre Maagd , Moeder-Maagd'.
215
Als ge in liefd'gevoel verrukt, 't Lieve Kind aan 't harte drukt, Bied het dan de harten aan , Die voor u en Jezus slaan!
Kerstlied.
Wijze : M. u0 21 ca N. M. n» 34.
1.
De vreugdtoon stijg' naar boven
Uit onbeklemde borst, Om 't blijde feest te loveu
Van 's Hemels Oppervorst, Die uit zijn gloriezalen,
O wonder van gena !
Op de aard kwam nederdalen : Elk zinge : Alleluja !
Het feestlied laat zich hooren
Van 't juichend christendom , Nu Jezus is geboren;
Het klinkt, weergalmt alom.
Zijne onbegrensde liefde,
Eiep Hem van 's Hemels troon, De smart, die 't menschdom griefde Bracht Hem in de aardsche woon.
216
3.
Hij komt, en de Englenkoren, Met Bchittrend licht omstraald,
Doen 't lied des vredes hooren , Die op onze aarde daalt.
Hij komt, de groote Koning, Bestierder van 'fcheelal,
Uit zijne Hemelwoning In eenen armen stal.
4.
In de arme krib gelegen , O dierbaar, godd'lijk Kind !
Verspreidt uwe armoe zegen In 't hart, dat deugd bemint.
Ontvang de oprechte hulde,
Die 't biddend hart U biedt;
Die vreugd , die ons vervulde, Brengt U een dankend lied!
5.
O liefderijke Moeder Van 't Kind, uw hart zoo waard.
Uw schoot heeft d'Albehoeder Geschonken aan deze aard.
Ontvang onz' zegenwenschen , O zuivre Moeder-Maagd!
Hij is het heil der menschen,
Dien ge in uw armen draagt.
217
ivo rr.
Aan Maria in de maand Mei.
Wijze: II. n° 12 en N. M. nquot; 11
1.
O gij , die boven de Englenkoren, Verheven zit naast Jezus' troon,
In eeuwgen luister Hem ziet gloren,
Dien Gij aanbidt, uw eigen Zoon;
O Koningin der Hemelingen !
Die 't eindloos heilig loflied hoort,
Waar Serafs uwen Naam bezingen,
Wees om onz' zangen niet gestoord.
2.
Helaas ! van uit het dal der aarde Zien wij naar Sion's burcht omhoog;
Hoe nietig is daar al de waarde,
Wat ook onz'zwakke menschheid poog'!
Wij staamlen , uwen Naam ter eere, Met kinderstem een sterflijk lied;
O mocht onz' zang den lof vermeeren Van U en Hem, die 'thart doorziet!
3.
Hij , die voor ons al zijnen luister Verliet en daalde in uwen schoot;
Hij , die op 's werelds aaklig duister Zijn redding aan ons menschen bood;
218
Hij stierf voor ons , die Albehoeder ;
Zijn kruis werd ons een zoenaltaar : Toen gaf zijn mond ons ü tot Moeder, Sinds zijn we uw kindren altegaar.
4.
Dit doet ons op \iw liefde hopen ,
O teedre Moeder van ons al!
Gij stelt voor ons uw hart steeds open,
Wat leed of ramp ons overvall'.
üw hulp wordt nimmer afgebeden ,
Of gij toont, dat ge uw kindren mint, Gij smeekt voor hen in tegenheden; Uw bede is machtig bij uw Kind.
5.
Aan u is in den loop der dagen
De schoonste maand des jaars gewijd , Die de aarde bloem en krans doet dragen,
En 's menschen oog en hart verblijdt; Uw schoonheid in der zaalgen dreven
Verrukt het hart der maagdenrei, Die uwe deugden volgde in 't leven, U eerde in ieder jaargetij.
6.
Gij spreidt den zachten geur der rozen
In 's Heeren lusthof om u heen ,
Daar, waar geen onschuld heeft te blozen En 't deugdzaam hart heeft uitgestreèn;
219
Gij doet den gloed der lelie pralen ,
Wier maagdlijk wit verheft uw glans ,
Ver schietend uwe zilvren stralen ,
Tot aan des Hemels hoogsten trans.
7.
Betrouwend bieden we u onz' beden , O lelieblanke Moedermaagd !
Als kindren tot hun Moeder treden ,
Vreest nimmer 'thart voor 'tgeen het vraagt.
Waak over onze lentedagen ,
Bewaar in ons die schoone deugd,
Die we in zoo broze vaten dragen ;
Zij blijve ons sieraad , onze vreugd !
8.
Wil ons voor eiken strik bewaren ,
Dien helsche list onze onschuld spreidt;
Behoed ons voor de zielsgevaren,
Waartoe des werelds geest verleidt;
Laat ons ons eigen hart mistrouwen ,
Welks neiging tot de zonde helt,
Maar op die heiige harten bouwen , Die Kind en Moeder openstelt.
220
De kinderen Tan Maria.
Wijze: AI. no 50 en N. M. n» 49.
Wij allen zijn Maria's kindren,
Onder 't kruis nam zij ons aan;
Zijn wij bij haar, niets kan ons liindren, En onz' harten zijn voldaan!
Maria,
Allen zijn we uw kindren;
Maria
Lacht ons als Moeder aan.
1.
We aanschouwen u, met de armen open, De hand omstraald met 't noodig gratie-licht:
Wat mag uw kind van u niet hopen ? God heeft uw troon naast zijnen troon gesticht. Wij allen zijn Maria's kindren , enz.
2.
Een sterrenkrans blinkt om uw schedel, Uw glans verdooft den felsten zonnegloed,
Gij trapt de maan, zoo lief, zoo edel; De helsche draak ligt plassend in zijn bloed. Wij allen zijn Maria's kindren, enz.
221
3.
Komt schrik ons teeder hart bespringen, Op 't zien van satans list en boos geweld....
Wie kan ons uit uw armen wringen ? Uw liefde, uw macht is tusschen ons gesteld.
Wij allen zijn Maria's kindren , enz.
4.
De wereld toont haar broze goedren,
Eoemt 't schijngeluk, dat hare minnaars streelt,
Terwijl gij , Moeder aller moedren , Het ware goed aan uwe kindren deelt.
Wij allen zijn Maria's kindren , enz.
5.
Weg, ver van hier, gij schandvermaken , Die lach en dans met zucht en tranen paart,
Men kan uw doodend gift niet naken, Waar Jezus' liefde ons ware vreugde gaart.
Wij allen zijn Maria's kindren, enz.
6.
Trek steeds tot u ons hart en zinnen O Koningin ran 't zalig Hemelhof,
Dattwij , naast Jezus , u beminnen , En eeuwig meer verheffen uwen lof.
Wij allen zijn Maria's kindren, enz.
-â
IV» T'O.
Op het feest der H. Moeder Anna.
Wijze : M. n° 50 en N. M. w 14.
O Anna , wij , Maria's kindren ,
Wij bieden u onz' hartegroet:
Smeek gij voor ons, niets zal ons hindren, Wat storm om onze hoofden woed'. O Moeder Anna,
Voor Maria's kindren ,
O Moeder Anna ,
Verwerf gij 't kalm gemoed.
1.
Wat luister glanst om d'achtbren schedel! Wat zachtheid straalt van 't minnelijk gelaat
Hoe fonkelt 't moederoog! hoe edel Is zij , die daar bij hare Dochter staat! O Anna, wij, Maria's kindren , enz.
2.
Wie is dat Kind van zegeningen, Dat zooveel liefde aan zijne Moeder biedt ?
Mijn hart voelt zich tot eerbied dwingen, Wen 't oog nu Moeder en dan Dochter ziet. O Anna , wij, Maria's kindren , enz.
233
3.
'k Erken de spruit der eedle vadren , Der koningen, aan Jesse's stam beloofd;
In haar zie ik de heilzon nadren ,
Die allen glans van aardsche praal verdooft.
O Anna, wij , Maria's kindren , enz.
4.
Door 's Vaders hart is ze uitverkoren Tot Moeder van den liefdevollen Zoon,
Die , uit haar kuischen schoot geboren , Voor 'smenschen heil verliet zijn Hemeltroon.
O Anna , wij, Maria's kindren , enz.
5.
De heiige Geest biedt haar zijn liefde,
Kiest haar tot Bruid, schenkt haar zijn godd'lijk Hart;
Zij wordt onz' Moeder; al wat griefde , Verliest door haar den angel van de smart.
O Anna, wij, Maria's kinderen , enz.
6.
Door u, o zaalge Vrouw, ontvingen Wij dezen kostbren schat, ons hart zoo waard;
Zie , bidden wij , op uwe gunstelingen Genadig neer, bescherm ons op deze aard.
O Anna , wij , Maria's kindren , enz.
224
7.
Maria is uw kind, onz' Moeder,
Smeek haar, die u als Moeder mint en eert,
Dat ze ons bij God, den Albehoeder, De deugden vraag', die gij ons hebt geleerd.
O Anna , wij , Maria's kindren, enz.
8.
Vraag haar een teeder mededoogen Met hen, wier hart een prangend leed beknelt;
Vraag haar, dat wij die liefd' beoogen, Waardoor ons hart met 'thare samensmelt.
O Anna, wij, Maria's kindren, enz.
9.
Verkrijg, dat we u en haar behagen, TJ beiden volgen in onwrikbre deugd,
En Jezus ons op 't eind der dagen Laat deelen in uw ongestoorde vreugd.
O Anna, wij , Maria's kindren , enz.
â gt;S»Clt;â--
N» «O.
Kerstlied.
Wijze : M. n0 40 en N. M. n» 43.
Koor.
quot;Welkom , lief Eind , dat Maria ons baarde! Komt, stervelingen , staat biddende stil:
Glorie aan God in den hooge'. op aarde 1 Vrede aan de menschen van deugdzamen wil.
225
1.
'k Haak, al lieb ik dons noch. doeken, ü in 'tstalken te bezoeken ,
Kindje met uw lief geziclit , Dat daar in een kribje ligt. God ! mijn hart begint te branden , 't Ileikt zoo lieflijk mij zijn handen , 't Kindje met zijn lief gezicht, Dat daar in een kribje ligt.
Welkom, lief Kind, enz.
2.
Mocht ik eens wat nader treden, Raken aan die teedre leden !
Kindje , waarom lacht gij zoo In uw arme wieg op stroo ? Kom, lief Wichtjen , in mijn armen, 'k Zal TJ aan mijn hart verwarmen. Kindje , waarom lacht gij zoo In uw arme wieg op stroo ? Welkom, lief Kind, enz.
3.
Maar ziet eens dat borstje jagen , Hoort die zuchtjes troosting vragen! Ach! aan mijn geprangd gemoed Doen zijn zuchtjes zoo een goed! c 15
226
Kindje, ziet Gij dan de smarten In het binnenste mijns harten ?
Ach, aan mijn geprangd gemoed Doen zijn zuchtjes zoo een goed ! Welkom, lief Kind , enz.
4.
Kindje, kunt Gij hen die lijden En die zuchten, zoo verblijden ?
'k Voel mijn hart, hoe 't lichter wordt, Kindje , daar Gij tranen stort!
Laat die rollen op mijn wangen,
Die daar aan uw oogjes hangen!
'kVoel mijn hart, hoe 'tlichter wordt. Kindje, daar Gij tranen stort!
Welkom , lief Kind , enz.
5.
'k Ga die lieve Moeder vragen ,
Kindje, die LT heeft gedragen ,
Of 'k mag blijven in den dood Aan uw zijde op haren schoot.
Wees, o Jezus! Gij mijn Broeder,
En die lieve Maagd mijn Moeder! Aan uw zijde op haren schoot Wil ik blijven tot den dood.
Welkom , lief Kind , enz.
IVo SI.
Ter eere van den H. Tiucentins.
Wijze ; gt;1. n' 46 ea N. M. n» 13.
1.
Welk een solioone dag van zegen
Rijst aan 's Hemels heldren trans , Lacht 't gevoelig harte tegen,
Vragend zang en zegekrans !
2.
'tls het feest van Jezus liefde,
Die in vollen luister glom ,
't Leed verzachtend , waar het griefde, Zegen bracht aan 't schepslendom.
3.
't Is het feest van Godes Englen, Die, den zaalgen held ter eer, Hem de lauwerkransen strenglen Voor den troon van d'Opperheer.
4.
'tls Vincentius, de vader
Van het hulpelooze kind,
Die door God en mensch te gader Als een Engel werd bemind.
228
5.
Hij, die Jezus' liefdedaden
Aan het lijdend mensehdom. bood, En door weldoen al zijn paden Teekende tot aan den dood.
6.
Hij, die alle tegenheden
Door zijn liefdrijk hart verwon,
Door Gods goedheid op zijn schreden Springen zag een zegenbron.
7.
Hij vraagt onze dankbre klanken ,
Hij, wiens geest op aard nog leeft, Hem zal 't christenhart nog danken Voor het goed, dat hij ons geeft.
Lofzang1: O gloriosa Virgiuum.
Wijze: M. n» 47 en N. 51. n» 72.
1.
O luistervolle , kuische Maagd ,
Wier hoofd een kroon van starren draagt,
Die Sion's burcht verlichten :
Hij is 't, die u geschapen heeft,
Dien ge aan uw borst het leven geeft,
Voor wien 't heelal moet zwichten.
229
Wat Eva's solinid haar kroost ontnam , Herstelt gij ons door 't vlekloos Lam,
Door Jez\is, dien gij baarde,
Die ons den toegang tot het maal Ontsloot van 's Hemels bruiloftszaal, En ons van druk bewaarde.
3.
O gulden poort, verheven troon, O hemelhof, waarin de Zoon
Des grooten Konings woonde ! De wereld werd, o Maagd! verheugd', Als 't leven zich , tot heil en vreugd , Door u aan ons vertoonde.
4.
Gezegend zijt Gij, god'lijk kroost, Die U een Maagd , tot Moeder koost,
Die ons gebed wilt hooren, Van eeuwen is ü lof geweest, Met Vader en den heilgen Geest In 'trijk der uitverkoren. Amen.
PU- ^3-
0 gloriosa Vlrginum.
Wijze: M. nquot; 47.
1.
O gloriosa Virginum,
Sublimis inter sidera,
Qui te creavit, parvulum Lactente nutris ubere.
230
2.
Quod Heva tristis abstulit, ïu reddis almo germine; Intrent nt astra flebiles ,
Coeli recludis cardines.
3.
Tu Begis alti janua
Et aula luois fulgida:
A itam datam per Yirginem , Gentes redemptae, plaudite.
4.
Jesu, Tibi sit gloria,
Qui uatus es de Virgine , Cum Patre, et almo Spiritu , In sempiterna saecula. Amen.
Lied van den H. Casimirus.
Wijze: M. n0 5 en N. M. n» 3.
1.
O Gij , die troont,
Waar Jezus vroont, Zie gunstig op ons neder; Ons zondig hart Verkwijnt van smart;
Toon xi onz' Moeder teeder.
231
2.
Verhoor onz' beên;
Stil het geween ,
Van die uw zegen vragen , Ten allen tijd Zal 't hart verblijd U dankend hulde dragen.
3.
Weer van ons af Der zonden straf,
Van 't onboetvaardig sterve Keen , neen , het kind Door bemind , Zal nooit genade derven.
4.
Klimm' kindertoon Tot voor den troon, Waarop gij zijt verheven; Dan volgen wij , Uw kindrenrei In Sion's zaalge dreven.
5.
Schenk ons nu deugd , Hierna de vreiigd Van met de Hemelingen, Vereend van geest, Op 't eeuwig feest
Maria's naam te zingen. -lt; ------ gt;--
TVquot; SS.
Opdracht van het hart aau Maria.
Wijze : AI. n» 53 ea N, M. n» 54.
1.
ICaadren wij nu Jezus' Moeder,
Zingen wij thans haar ter eer, Leggen wij te zaam onz' harten Hier blijmoedig voor haar neer.
2.
O Maria , zie , wij naadren
Vol betrouwen tot uw troon;
Smeek voor ons bij d'eeuwgen Vader En bij Jezus, uwen Zoon.
3.
Maria zij door ons
In eeuwigheid geprezen ;
quot;Want zij, die reine Maagd,
Die satans macht verwon, Is schooner dan de maan,
Meer flikkrend dan de sterren : Ja , door haar schittrend licht Verduistert zelfs de zon.
4.
Lieve Moeder, wees geprezen
Voor uw goedheid, voor uw macht. Blijf ons allen steeds beschermen,
Help ons eiken dag en nacht.
233
5.
Laat ons steeds uw goedheid roemen ,
Geef ons ijver voor uwe eer:
Maak, dat wij ook hier vervullen 't Heilig inzicht van den Heer.
G.
O laat ons hier toch ook
Haar heilig Hart vereeren : Dat Hart, waar iedereen
En hulp en bijstand vindt.
Vereenen wij ons dan
Door werken en gebeden,
Opdat haar heilig Hart Door ieder word' bemind.
7.
Wij bevelen vol betrouwen
Ons in uw beminlijk Hart;
Laat ons daar een schuilplaats vinden In gevaar, in vreugd en smart.
8.
link ons hart geheel van de aarde,
Maak het gansoh aan u gelijk, En voer ons met de Englenkoren Jfa den dood in 't Hemelrijk.
c 15*
234
iv» se.
Maria is onze hoop.
Wijze : M. nquot; 35 en N. M. nquot; 65.
1.
O Maria, wees geprezen !
Hoor mij , die uw kind wil wezen,
Wees geëerd in eeuwigheid ! Ja , hoor naar mijn kinderzangen , En wil 't lied in gunst ontvangen, Dat aan u is toegewijd.
2.
Maak, dat ik in deugden winne En u altijd meer beminne ,
Die zoo liefdrijk mij behoedt;
Geef mij lust en vlijt bij 't werken , Wil in 't goede mij versterken ,
Geef' mij in het strijden moed.
3.
Laat mij steeds uw goedheid prijzen, TT mijn liefde en dank bewijzen ,
Voor het goede , aan mij gedaan. Eeuwig wil ik u behooren,
Want een kind gaat nooit verloren , Dat door u wordt bijgestaan !
235
jv» sr.
Loflied aau Jezus Christus^
Wijze ; M. nquot; 49 en N. M. n° 44.
1.
Als 't eerste duister breekt, Ontwaakt mijn kart, en spreekt Geloofd zij Jezus Christus.
Bij al wat ik begin,
Roep ik met hart en zin : Geloofd zij Jezus Christus.
2.
En wat mijn werk ook zij, Ik zeg er vroolijk bij:
Geloofd zij Jezus Christus.
Zingt, menschenkindren , luid, Zingt jubelend het uit:
Geloofd zij Jezus Christus.
3.
Heel 't aardrijk in het rond Weerklinke te eiken stond; Geloofd zij Jezus Christus.
236
Als 't licht ton einde spoedt, Zij dit do laatste groet: Geloofd zij Jezus Christus.
4.
In nood en bittre smart,
Eoep ik met mond en hart: Geloofd zij Jezus Christus. Zingt, Hemel, aarde en zee. Zingt, al wat ademt, mee ; Geloofd zij Jezus Christus.
5.
Als treurigheid mij plaagt. Dan roep ik onversaagd ; Geloofd zij Jezus Christus.
Bij 's levens zielsverdriet Vind ik mijn troost in 'tlied: Geloofd zij Jezus Christus.
6.
Ja, nog mijn ziele spreekt. Als reeds mij 't harte breekt: Geloofd zij Jezns Christus. Weerklinke wijd en luid Voor Hem, eeuw in eeuw uit Geloofd zij Jezus Christus.
237
JV° «S.
Aau nijjue onbevlekte Moeder.
Wijze: M. iiquot; 18 cu N. M. uquot; 37.
1.
Wij prijzen vol vreugde de zuiverste Maagd, Wij prijzen ze in vroolijke zangen ;
Haar sckoonheid heeft eeuwig haar Schcpper Zij werd zonder zonden ontvangen, (beliaagd,
O reinste dor maagden , u prijze mijn lied !
Versmaad, ach, versmaad mijne zangen toch niet.
2.
Van 't hoogste des Hemels zag God op u neer, Zijn oog sloeg u liefderijk gade ;
Heeds vóór uw geboorte werdt gij door den Heer Vervuld met de grootste genaden;
Gij bleeft steeds van iedere zonde bevrijd ,
En eeuwig uw Heer en uw Schepper gewijd.
3.
Gelijk onder doornen de lelie bekoort, Zoo zijt gij het sieraad der vrouwen;
Ach, mocht ik, o Moeder van 't eeuwige Woord, Toch al uwe schoonheid aanschouwen !
O vleklooze Moeder, wat zijt gij toch schoon!
Gij deelt in de schoonheid vaa Jezus, uw Zoon.
238
4.
Nu leeft gij daarboven in cindloozc vreugd,
Waar de Englen u juichend omringen; Dc Hemel wordt thans door uw schoonheid ver-Die Cherubs en Serafs bezingen. (heugd, O luister des Hemels ! gij glinstert van licht, God zelfheeft uw troon naast den zijnen gesticht.
5.
O maagdlijke Moeder, o vleklooze Maagd,
Tot boven de sterren verheven ,
Bekom ons die deugd, welke 't meest u behaagt,
En leid ons tot 't eeuwige leven.
Daar zingen wij eeuwig rondom uwen troon ; O reinste der maagden, wat zijt gij toch schoon !
SO.
Tot lafenis der geloovige zielen.
Wijze : M. n» 54 on N. M. n0 87.
1.
Heiige Vader! uwe kindren
Zuchten thans in 't vagevuur ;
Wil hun smarten toch vermindren,
Schenk vergeving in dit uur. Ach! ontferm U , wees genadig ;
Eedding , Heer ! maar niet te laat; Zij verzuchten ook gestadig: Ach! verzacht onz' lijdensstaat.
239
2.
Goede Vader, wij verlangen
En wij smeeken onvermoeid , Om deez' ééne gunst te ontvangen ;
Breek den kluister, die hen boeit. Wij , wij willen hen bevrijden;
Om het bloed van uwen Zoon , Om zijn dood en bitter lijden,
Vader! voer hen naar uw troon.
3.
'tZijn uw dienaars, 'tzijn uw kindren ,
Die Gij , goede God, kastijdt; Wat toch kan hun smart vermindren P
Onze harten zijn bereid !
Zie op Jezus nogmaals neder;
O ! die naam is tl zoo zoet;
't Klinkt ook voor uw hart zoo teeder: Jezus' wonden, Jezus' bloed.
4.
O Maria , hoor onz' zangen ,
Hoor ons smeeken gunstig aan. Gij vervult steeds ons verlangen: Doe wat ge altijd hebt gedaan.
't Zijn uw kindren , die u smeeken
Voor uw kindren, heiige Maagd ; Wil hun boeien toch verbreken, Schenk hun, wat ons bart u vraagt.
240
Gij, Maria, zijt vermogend
Bij uw Jezus, onzen Heer;
Jezus! zie ook mededoogend.
Op die arme zielen neer.
Heiige Vader, schenk haar vrede,
Schenk haar Jezus, schenk haar U ; Dit zij onze laatste bede,
Ach ! verhoor, verhoor ons nu.
N» OO.
Peest Tan den zoeten Naam Jezus.
Wijze ; M. nquot; 55 ca N. M. n» 88.
1.
Hoe zoet, hoe streelend is uw Naam ,
O Jezus, voor mijn ooren ;
Geen zang is mij zoo aangenaam ,
Kan mij zoozeer bekoren.
'k Zeg, Jezus; en mijn hart herleeft.
Ach, mocht aan mijne lippen Zoo'n zoet geluid als Jezus geeft, Ten allen tijd ontglippen.
2.
Uw Naam schenkt vreugde aan mijn gemoed,
Wanneer 'k hem zie geschreven. In Jezus zie ik alle goed ,
In Jezus zie ik 't leven.
Wees eeuwig in mijn hart geprent,
W ees eeuwig in mijne oogen,
241
Uw sciioonlieid is aan mij bekend j Zij heeft mijn liart bewogen.
3.
O zoete naam! mijn hoop en troost,
Mijn sterkte in al mijn strijden;
Mijn hart, hoe diepe zuchten 't loost,
Kunt Gij in eens verblijden.
Geen wereld schaadt mij als ik wil:
'k Behoef dan slechts te spreken : âGeloofd zij Jezus!quot; en 'tis stil, 't Gevaar is reeds geweken.
4.
Wanneer de duivel mij bestrijdt,
'k Heb niets van hem te duchten : 'k Eoep : â Jezus 'k ben in veiligheid ,
De vijand moet gaan vluchten. Als duivel, wereld , vleesch te zaam,
Mijn zuiver hart belagen,
Dan roep ik Jezus' zoeten naam : En 't leger is verslagen.
5.
In tegenspoed, in druk en smart
'k Zal Jezus blijven noemen ; quot;Wat stormen woeden om mijn hart,
'k Wil Jezus altijd roemen.
De laatste zucht, die 't harte doet,
Ik hoop het, zal nog wezen : ,, O zoete Jezus ! wees gegroet, â O Jezus ! wees geprezen.quot;
242
r«i° 01.
Yerrflzeuis des Zaligmakers.
Wijze : M. n0 55 en N. 51. c0 Si).
1.
Erken uw God, o christenschaar!
Die menscli heeft willen wezen; 'k Verkondig u de blijde maar,
Dat Jezus is verrezen.
Aanbid hier de almaclit vau den Heer
En zing met blijde klanken :
Alleluia , aan God zij eer '
Hem willen wij bedanken.
2.
Kom , zie : in 't graf is Hij niet meer;
Hij lieeft don dood doen zwichten ïot kenmerk van zijn heiige leer
En kerk, die Hij kwam stichten. Erken zijn goddelijk gebod,
En wandel in zijn wegen;
Alleluja , schenk eer aan God ! Hij schenkt ons zijnen zegen.
3.
Bij de eerste scheemring legt Hij af
De windsels en de doeken,
En gaat, verrezen uit zijn graf, De Apostlen-schaar bezoeken.
243
Ziedaar de hoop op 't vaderland, De hoop op 't eeuwig leven ,
De onsterflijkheid, als onderpand Door Jezus ons gegeven.
4.
Erken , bemin uw God en Heer , Volbreng hier zijn bevelen ;
Dan zult gij volgens zijne leer,
Eens in zijn glorie deelen.
Wij sterven slechts voor korten tijd, Om eenmaal te verrijzen;
Verrijzen voor alle eeuwigheid Om Jezus daar te prijzen.
Geloofd zij Jezus, Godes Zoon ,
Die ons thans komt verblijden ! We ontvangen eens een eeuwig loon
Voor korten tijd te strijden. Dan zullen wij alle eeuwen door,
In Sion's vreugdezalen ,
't Alleluja met 'tEnglenkoor Ter eer van God herhalen.
BLADWIJZER,
ââ¢i j: j â¢â
BLADZ.
Voorrede..............5
Goedkeuring.............12
Patronen..............13
Doel,...............14i
Titel der leden............â
^Middelen ter bereiking van het doel.....â
Bestuur der Congregatie.........15
Directeur der Congregatie........â
Prefect der Congregatie.........16
Assistenten.............19
Secretaris..............20
Raadsleden.............21
Schuihewaurder............23
Sacristaan..............23
Portier...............24
Voorlezer..............â
Zangers..............25
Raadsvergadering...........26
Verkiezing van het bestuur........27
Aanneming tot lid der Congregatie.....31
De Opdracht.............32
Algemeene Vergadering.........36
Plichten van eiken Congreganist......37
Gebeden, welke iu de Congregatie in gebruik zijn.
BLADZ.
Bes morgens.............43
Des avonds.............44
Veni Creator.............4G
Antiphonen van de H. Maagd.......48
Gebed, waarin men de meening maakt. ... 54
Litanie van Lorette..........56
â â de Kinderen van Maria. ... 60
â â den Tl. Aloysius.......64
,, â den H. Jozef........68
â â de II. Moeder Anna......73
Te Denm Imidamus..........75
Veni Sancte Spiritus..........77
Suh tuum prcesidium..........78
Gebed tot den patroon der maand.....â
Aflaten...............79
Gezangen ter eere van Maria.
1. Onbevlekte Ontvangenis van Maria. . . 83
2. Geboorte van Maria........85
3. Boodschap van Maria........87
4. Zuiveringsfeest van Maria of Lichtmisse. 89
5. Naamfeest van Maria........91
6. Maria onder het kruis........92
7. Stabat Mater Dolorosa.......94
8. Het lijden des Heeren........97
9. Heilig Hart van Maria.......98
10. Hemelvaart van Maria.......100
11. â â â ......101
BLADZ.
13. ⢠Engelsche groetenis.........103
13. Lof van Maria en geluk in haren dienst. 104
14. Geluk der Congrerjanisten......106
15. â â .. .....10^
16. â â â ..... 108
17. Veiligheid in den dienst van Maria. . . 110
18. Voordeelen â â â â â ⢠⢠Hl
19. Aanroeping van Maria.......113
20. Saloe Regina...........114
21. Toewijding aan Maria........115
22. Vreugde der kinderen van Maria onder
hare heschermiiig............117
23. Dankzegging aan Maria. . . . . . 119
24. Betrouwen der Congreganislen op Maria. 121
25. Belofte van getrouwheid aan Maria. . . 122
26. Volharding in den dienst van. Maria. . 124
27. Be Congreganislen tot Maria.....125
28. Ave maris stella..........127
29. Magnificat............128
30. Te Beum............130
31. Tot de HU. Engelen........133
32. Tot den 11. Jozef.........135
33. â â â Aloysius van Gonzaga. . . 136
34. ,, â â Stanislaus Kostka.....138
35. Morgengebed..............140
36. Avondgebed...........1^2
37. Vera, Sancte Spiritus........143
38. Tot den H. Geest.........145
39. Morgenlied............14^
|
D2. |
ELADZ. | ||
|
03 |
40. |
Daglied............ |
147 |
|
04, |
41. |
Aan Maria, mijne onbevlekte Moeder. . |
149 |
|
06 |
42. |
IVees gegroet.......... |
150 |
|
07 |
43. |
152 | |
|
08 |
44. |
Op de geboorte der H. Maagd. . . . |
154 |
|
10 |
45. |
Het Vees gegroet......... |
156 |
|
11 |
46. |
Lied tot den H. Jozef. .... |
158 |
|
13 |
47. |
Op de geboorte der H. Maagd. . . |
159 |
|
14 |
48. |
Aan de II. Moeder Gods...... |
160 |
|
15 |
49, |
De maand van Maria...... |
161 |
|
50. |
De droeve Maagd te Bethlehem. . . |
162 | |
|
17 |
51. |
Maria onze Moeder........ |
165 |
|
19 |
52. |
Op den H. Naam van Maria..... |
168 |
|
21 |
53. |
Maria's Hemelvaart........ |
170 |
|
22 |
54. |
De geboorte der H. Maagd. .... |
171 |
|
24 |
55. |
173 | |
|
25 |
56. |
Aan Maria........... |
174 |
|
27 |
57. |
De boodschap van de H. Maagd. . . . |
176 |
|
28 |
58. |
De onbevlekte ontvangenis van Maria. . |
177 |
|
30 |
59. |
Hemelvaart van Maria....... |
179 |
|
33 |
60. |
Hulde en bede aan de H. Maagd Maria. |
181 |
|
35 |
61. |
Op het feest der zuivering van de H. | |
|
36 |
Maagd Maria......... |
185 | |
|
38 |
62. |
Magnificat........... |
186 |
|
40 |
63. |
Het Kerstfeest.......... |
189 |
|
42 |
64. |
191 | |
|
43 |
65. |
Opdracht van Maria in den tempel. . . |
193 |
|
15 |
66. |
Toewijding van zich zeioen aan Maria | |
|
46 |
in hare Congregatie of Broederschap. |
196 | |
BLADZ.
67. Lofzang en gebed.........199
68. Lofzang en opdracht van het hart aan
Maria............201
69. Het Rozenkransje.........203
70. Toewijding aan den Heer na de heilige
Communie...........206
71. Igt;e Heer is God.........207
72. Gods goedheid..........209
73. Onsterflijkheid..........210
74. In den Advent..........211
75. Kerstlied............213
76. â ............215
77. Aan Maria in de maand Mei., . . . 217
78. De kinderen van Maria.......220
79. Op het feest der H. Moeder Anna. . . 222
80. Kerstlied............224
81. Ter eere van den H. Vincenlius.....227
82. Lofzang: 0 gloriosa Virgimm. . . . 228
83. O gloriosa Virginum........229
84. Lied van den H. Casimints.....230
85. Opdracht van het hart aan Maria. . ⢠232
86. Maria is onze hoop........234
87. Loflied aan Jezus Christus......235
88. Aan mijne onbevlekte Moeder.....237
89. Tot lafenis der geloovige zielen. . . . 238
90. Feest van den zoeten naam Jezus. . . 240
91. Verrijzenis des Zaligmakers.....242
I
â