ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

^ J. . 4'f6v • M ft

H I STORIÊ

DER ALOUDE HEERLIJKHEID V ' Cquot;''~

SPRAELAND-OOSTRUM (VENRAY),

VAN DE

0. L Vr. Kapel met het mirakeleus beeld

en het gilde aldaar

DOOR

den Eerwaarden Heer

HVHsurt,. Jquot;os. J~a^nssen.

Kapellaan te Well.

ocr page 6

V ' .

ocr page 7
ocr page 8

■

.....

fi'f-

.....•........... '

... . .... .. ., ......

■

■■w 'rVy

8^ 4^ '•' 1 . •

iij

i fÉ'-ü I ......• ......

'

■

ocr page 9

Een woord vooraf.

Geruimen tijd bestond bij ondergeteekende het plan, de aan-teekeningen, welke hij nopens Oostrum, een twintigtal jaren geleden, uit het Venraysch kerk- en gemeente-archief getrokken had, uittegeven. Wellicht worden personen aangetroilen die belang stellen in de geschiedenis der aloude heerlijkheid Sprae-land—Oostrum, later in handen der heeren van Geysteren, en niet minder in datgene wat ons en ook ieder oprechten onverbasterden Venrayer dierbaar moet wezen: de kapel van Oostrum met haar schat, het mirakuleus beeld der Moeder Gods.

Sinds dien tijd is vermeld archief, dat na het afsterven van pastoor van Haeff menige wisseling heeft beleefd, door ons nimmer in een gezette studie geraadpleegd, en daarom beschouwe men dit werkje dan ook niet als geheel volledig; neen: wij gaven wat wij vonden. Deswege hopen we dat in een niet te lang verwijderd tijdstip de aanvulling door betere en jeugdiger krachten mag worden ondernomen.

De gedrukte bronnen door ons benuttigd, zijn in den tekst zeiven aangehaald.

Bij dezen betuigen wij onzen welgemeenden dank aan den WelEd. heer Rijksarchivaris A. J. Flament voor de onderrichtingen en de hulpvaardigheid, waarmede hij ons de studie der in het Rijks-Archief berustende oorkonden vergemakkelijkte.

Niet minderen dank aan den weleerwaarden heer rector J. Obers te Oostrum die, wars van alle kleingeestigheid, het archief der

ocr page 10

kapel ons ter inzage en studie bezorgde en steeds tot het geven van inlichtingen bereid was.

Met bovengenoemd doel voor oogen geeft de schrijver zijne notitiën ten beste en sluit met het bekende :

Non volo, nee valeo placitum me reddere cunctis; Sed volo, si valeo, posse placere bonis.

Well (Limburg), den 1 Juli ]89().

Mart. Jos. JANSSEN, Kapellaan.

ocr page 11

Inventaris van het Archief tier kapel Oostrum in het rectoraat aldaar.

I. Rente en Thijnsboeck der L. V. kapel Oostrum 1533—1578 met inlassching der fundaties. In perkamenten omslag en gemerkt „Gapelle Oostrumquot; nagezien door den Domeinen-ontvanger Willem Joseph Giesen.

II. Copie van het vorige register, geschreven door den zoon van

den rentmeester Randenrade. De copie werd den 11 Aug. 1016 authentiek verklaard door Gerith Henngst (1) pastoor ter Horst en Deken van 't district Kessel, verscheidene jaren na hare voltooiing. Ook gezien door Giesen.

III. Copie van het sub I vermeld Rente-en Thijnsboek met aanvulling tot 16G7 (een enkele tot 1742). Deze copie werd als echt erkend door schepenen en kerkmeesters den 13 Dec. 1G09. Het afgeschreven gedeelte is genomen naar de copie sub. n0 II.

IV. Kapelle-rekeningen 1719—1765 in één perk. band. De rekeningen 1739—1760 geschreven door Arnold Verblackt van Oostrum, rentmeester van 't huis Geysteren.

V. aj Pakket Kapelle-rekeningen 1796—1817 met bijlagen (van

1797—1805 zijn in duplo) meerendeels geschreven door den koster-schoolmeester Leonard Lemmen.

/gt;J Rekeningen der hulpkapel Oostrum 1828—1830—1843 met bijlagen.

rj Rekening-bijlagen 1865—1876.

lt;0

(1) (iertml llennst (Hyncx) werd 7 JuliJ 10(X) als pustoor van llorsl Kqiresenleerrt, hij schijnt U)27 overleden te zijn. Deze Kessellandsche Deken (hi.j zelf leekent ,,e^o (leranlus Henn^sUiis pastor Horstensis et totius region is Kesselensis archipr^sbyter) moei geplaatst worden blad/. 198 van Ha)gt;ets, Oeschiedenis van liet bisdom Roermond. Ui Deel.

ocr page 12

VI. Portefeuille: 1) Vlaslijsten 1798—1809. 2) Schuldbekentenissen 1747—1825 6 stuks. 3) 1484, Verdrag van 13 Sept. be-treffende de klooster-kapel 2 stuks.

4) Stukken betrekking hebbende op het proces van 1630. 5—6) Collatie der Vrijdagsche Mis 16G1 en van 1 beneficie 1771. 7) Gilde: zilver door het gild bezeten en afhalen der processie door het gild 1798, 1852.

H-9) Staat der goederen van kapel en vicarie, bestuur der hulpkapel.

10) Gieten der klok 1815 en correspondenties dienstregeling der kapel 1822.

VII. Bisschoppelijke Vasten- en zendbrieven 1856—1887 55 stuks.

ocr page 13

I.

Heerlijkheid Spraeland-Oostrum bare biotoric cn bccrcn

van de vroegste tijden totaandeFransche Omwenteling.

O O STRUM.

1. Topograph ie.

„Oostrumquot;, zegt Van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (8sle Dl. 184G), „is een dorp in Ópper-Gelder prov. Limburg, Distr., arr. en 6 ure N. ten W. van Roer-monde, kanton cn 1 uur NW. van Horst, gemeente en 3/.i u. O. van Venray; met 32 huizen en 190 inwoners, die meest in den landbouw hun bestaan vinden De inw., die alle R. K. zijn, hebben er eene kapel aan de Heilige Maagd toegewijd, welke tot de statie van Venra}' behoort en door eenen eigen kapellaan bediend wordt. Ook is er een dorpschool.quot;

Zoo was de toestand voor een halve eeuwen behalve de minder juist aangegeven afstanden en vermeerdering van bevolking, stemt hij met den hedendaagschen vrij wel overeen.

Oostrum (1), een gehucht der Limburgsche gemeente Venray,

,1 Ken ander Ooslnmi is j-Tle^cn in Frieslanrl in don omtrek van Doekum en dit uostrum maakt mei Jonwswier ééne Ned. Hervormde gemeente uit.

ocr page 14

onder welks parochie het van oudsher behoorde, vindt men in den loop der tijden verschillend geboekt, zooals: 1) Oesterham en Oos-terhani 1257, 1438 en 1451 • 2) Oester en en Oestrem 1375, 1400. 3) Oesterum en Oestrum 1450, 1485,1570, 1594. 4) Hosterhem 1588. 5) O strum 146G, 1G16, 16G5. (j) Oestenroy 1(328. 7) Oisterum en Oistrum 1405, 1532. 8) Oosterom 1670 en eindelijk Oostrum 1594. Welke laatste spelling tot heden is blijven voortbestaan. De afleiding duidt dus eene woning, verblijf of bosch in oostelijke richting aan, gelijk het ook werkelijk ten oosten der hoofdplaats gelegen is.

Van de eene zijde vormt Venray zijne grenzen, terwijl het oosten zuidwaarts door Geysteren, Wanssum en Oirloo omsloten wordt. De groote beek, in de Peelheide ontspringend, doorsnijdt het Oostrumsch grondgebied en stuwt langzaam hare wateren langs broekachtige lage weiden naar Geysteren, waar zij, even voorbij het kasteel, in de Maas valt. Drie molens, twee te Oostrum en een te Geysteren, worden door hare waterkracht in werking gebracht.

De bodem is overigens niet van het beste teel land, hoewel hij den noesten landman voldoende kan voorzien.

Rogge, haver, vlas, spurrie en aardappelen zijn producten die het meest getrokken worden; broeken en vennen verschaffen den turf.

De plaatselijke grondbenamingen zijn veelal eene trouwe afspiegeling van de uiterlijke en innerlijke gesteldheid des bodems en zoo geven : het Lintven, de Witte Vennen, het Oostrumsch veen, de Vellu, Broekvelgert, de Heesakker, de Distelakker, de Eykerwijk, de Hulst en andere ons een beknopt overzicht van Oostrum's aardrijkskunde.

2. Het kasteel Spraeland en de villa Oesterham.

Midden door het dorpje üostrum leidt een kronkelende weg van ongeveer tien minuten gaans ons op de plaats, waar in oude tijden zich eens het kasteel Spraeland (1) bevond. In die lage

1 Sprainnl, Sparlant, Spralank, mroslal spraHani goschrovon, dat hot moest do volksuitspraak sproalant nabij komt.

ocr page 15

weilanden kon men vroeger de grachten rondom den burcht met het water uit de voorbij vlietende molenbeek voeden; en al is de ridderhuizing ook sinds eeuwen verdwenen, zoo is nochtans hare standplaats duidelijk te onderscheiden. Een prachtige groep eiken uit de verte reeds zichtbaar, verheft fier hare kruinen hemelwaarts op de grondvesten der vroegere gebouwen. In den omtrek groote heidenvelden, nu gedeeltelijk met mastenbosschen beplant, grenzende aan lage moerassen, waartusschen de gagel of Brabantsche myrt welig tiert.

Eenige niet veel beduidende opgravingen, indertijd door wijlen Clemens Baron de Weichs de Wenne op dit rondeel ondernomen, brachten enkel middeleeuwsch aardewerk, stukken ijzeren of koperen potten aan het licht.

In de onmiddelijke nabijheid bevinden zich twee pachthoeven, in eigendom aan het Huis Geysteren beboerend; de eerste genaamd Groot-Spraeland, thans meestal onder den naam Spraeland bekend, werd voor een twintigtal jaren nieuw opgetimmerd; de tweede : Klein-Spraeland, meer dorpwaarts gelegen, werd volgens anker-opschrift in 1717 herbouwd en onderging in de laatste jaren meerdere veranderingen.

Aan den eenen kant is dit terrein door vermelde eikenboomen omgeven, waartusschen de Rosmolen verscholen ligt, en een groote karweg, welke vroeger van eerstgenoemde hoeve in rechte lijn op Oostrum aanliep, maar thans opgeheven is

De 11 eer en van Spraeland—Oostrum uit den stam van Ooy.

Met den burcht Spraeland was immer verbonden de villa dat is het landgoed, hoeve of dorp Oostrum ; alles onder het kerspel Raede of Venray gelegen, en hoogstwaarschijnlijk werden deze Oostrumsche hoeven en gronden door de lijfcigenStF van het vrijgoed (allodium) Spraeland, bewoond en beakkerd.

De oudste bezitters vrije heeren van Spraeland .vindt men in de 13'lc eeuw geboekt, zij stamden van het huis Ooy bij Nijmegen en voerden : drie zesbladerige rozen, waarboven een barensteel van vijf hangers in hun wapenschild.

ocr page 16

10

ZTH-lt-UTX

De breuk van dit wapen geeft ons een zijtak van het huis Ooy te kennen.

De Geldersche graven en hertogen der 13de en 14de eeuw waren er steeds op bedacht hun macht en gebied te vermeerderen en uit te breiden, door allodiale bezittingen der nobiles, oude edelen en vrije mannen, wier rechtsgebied zich veelal over kleine territoriën uitstrekte, te koopen, deze als leen terug te geven en hunne burchten als open hertogelijke huizen te gebruiken. Die edelen traden nu als leenmannen op, doch gewonnen daardoor meer rust, veiligheid en bescherming van hun gezin en goederen. Zoo ging het ook met Spraeland.

Gerard van Ooy.

die tusschen de jaren 1249 en 1270 voorkomt, deed zulks ten opzichte van den Gelderschen graaf Otto 11.

Frederik van den Sande geeft in zijn „Commentarius in Gelriae et Zutphaniae consuetudines feudales. Antvv. 1G74quot; de volgende leenacte:

„Nos Gerhardus de Oy notum facimus universis presentes lit-teras inspecturis, quod nos proprietatem ville nostre Oosterham cum omnibus suis attinentiis videlicet in jurisdictione, in acquis, in pascuis, piscariis, nemoribus, agris cultis et incultis, dedimus viro nobili domino Ottoni Comiti Gelriensi et suis posteris semper habendum, et ita quod dicta bona cum nostris posteris ab ipso Ottone Comité jure Zutphaniensi tenebimus et habebimus et

ocr page 17

— 11 —

cxinde ejus ligii homines integri erimus, presentiuin testimonio litterarum.

Datum anno Domini 1257 in die beati Petri ad Vincula. d. i.

Wij Gerhard van Ooy doen kond aan allen, die deze brieven zullen zien, dat wij den eigendom van ons dorp Oostrum met al zijn toebehoor, als in rechtsgebied, wateren, weiden, vischerijen» bosschen, bebouwde en onbebouwde landerijen aan den edelen heere Otto graaf van Gelre gegeven hebben, om ook door diens nakomelingen in bezit gehouden te worden, en wel zoo dat wij met onze nakomelingen genoemde goederen van denzelfden graaf Otto ten Zutphenschen rechte ter leen zullen houden en hebben, en diensvolgens zijne algeheele leenmannen zullen wezen, krachtens getuigenis dezer tegenwoordige brieven.

Gegeven in 't jaar onzes Heeren 1257, op den dag van Sint-Pieters Banden (1 Augustus).

Dit Zutphensch recht nu hield in, dat de leengoederen op den naastbestaande van den overledene terugvielen volgens de spreuk:

Dat naeste lijf

Die man voor 't wijf

d'Olste op ter straeten.

Bij elke nieuwe verheffing moest later als heergewaad of gerechtigheid betaald worden één pont goldt gelts (of 2 goudgulden).

Hierin verschilden zij van leenen ten Gelderschen rechte, dat deze overgingen zonder met ouderdom of geslacht rekening te houden. De oudste in de nederdalende lijn had echter het voorrecht op het hoofdgebouw : het huis met gracht en wal. Bij verheffing betaalden zij als heergewaede 15 goudgulden.

De leengerechtigden bleven, behoudens eenige wijzigingen, in zwang tot de Fransche omwenteling, toen de broeders van „Liberté, Egalité ou la mortquot;! met deze middeleeuwsche toestanden tabula rasa maakten.

Onze heer Gerhard van Ooy, ook genaamd Gerhard van Sprae-land, komt reeds voor in Februari 1249 als getuige van graaf Dirk van Kleef.

Als heer van Spraeland had Gerard ook alle tienden zoowel groote, smalle ah novalia in zijne villa, terwijl de graaf van Gelder

ocr page 18

in het begin dier eeuw nog eigenaar was der tienden en van het patroonsrecht van het kerspel Rode (1220), waaronder ook Oostrum kerkelijk ressorteerde. Hoe deze heeren in bezit der tienden gekomen waren ligt in het duister, maar door de schenking van graaf Gerard en zijne vrouw Margareta (1) verwierf het Cister-cienser klooster te Roermond het patronaat met de tienden en bosschen van Niewkerk, Aldekerk (beide bij Gelder), van Wetten en Venray of Rooy.

Het convent, dat gaarne zijne bezittingen vergrootte, za! denkelijk, met Gerard van Spraeland onderhandeld hebben voor den aankoop der tienden in eene streek, waar het reeds meerdere rechten bezat. Zulks had dan ook een gunstigen uitslag, want den 27 Sept. 1263 bekrachtigt Hendrik bisschop van Luik den verkoop der groote en kleine tiende door Gerard van Spraeland aan de Roermondsche abdij gedaan.

„Datum anno Domini millesimo ducentesimo sexagesimo tertio die sanctorum Cosme et Damiani martyrum.quot;

Den 16 November van hetzelfde jaar volgde de bevestiging van dezen koop van wege den landheer graaf Otto van Gelre. „Actum et datum apud Kessel.quot; Als getuigen dezer akte komen voor: Wilhelmus Comes de Kessel, Wilhelmus de Huerne, Lodewich de Randenraede, Gosuwynus de Milne, Florentin de Batenborch, Go-swinus de Borne, Theodoricus advocatus de Ruremonde, Thomas de Dry el.quot;

De afschriften dezer Latijnsche acte met nevengaande oude vertaling in het Nederduitsch bevinden zich in het Cartularium der Munsterabdij II Deel, bladz. 21 en 22. (2)

Als middeleeuwsch ridder vinden wij Gerard van Spraeland niet ledig maar in de krijgstroebelen dier dagen gewikkeld. De Lim-burgsche hertog Walram met den heer van Valkenburg en andere bondgenooten beproefden een aanslag op de stad Keulen, doch de toeleg mislukte en ook onze Gerard werd den 15 October 1268 door de Keulenaars gevangen genomen. (3)

(1) Deze stichters zijn in de .Munsterkerk beyruven, waar eeu praelill},' nmnsoleuni niet heider beekltenis, hunne assche bedekt.

'2) Slvré, Invontaris van het oud aivhief der gemeente Uoerniond. III, p. 2ü7.

(3) Over den toestand van hel Keulsehe stift onder het hestmtr van den aarlsbisseliop Kügelbrecht II van Valkenburg, leze men Habets, Kerk. gesch. 1. pag. ri7-l seqq.

ocr page 19

— 13 —

In Maart 1270 schijnt hij reeds uit de gevangenis ontslagen, want den 10 van die maand zweert hij voor zich en zijnen dooide Keulenaren gevangen genomen schildknaap aan de stad Keulen urvede onder borgstelling. Zulk eene Urphede, oirvede was, volgens Bilderdijk, IV. 341, eene belofte die men dikwijls afnam en met ecde staven deed, van geen wraak te zullen nemen wegens beleediging, die iemand rekenen mocht hem aangedaan te zijn, of toegevoegd leed : het was eene afzwering van de vete,

Gerards zonen bleven echter langer in de macht der oproerige Keulsche burgerpartij, want 20 Sept. 1270 verzoekt de Guliksche graaf Willem aan de stad deze gevangenen vrij te laten daar Gerard hem 200 marken betaald heeft.

Eenige dagen vroeger, 8 Sept., hadden Gerardus dominus de Spralant en Willem nobilis de Bruchusen eene oorkonde bezegeld nopens eene verzoening van Reinhold van Boirsheim met de stad Keulen.

Uit de overdracht zijner villa en den verkoop der tienden kan men niet ten onrechte besluiten, dat heer Gerard in geldverlegenheid geraakt was en de ridderlijke avonturen van zijn tijd dapper heeft meegemaakt.

Na hem treedt zijn gelijknamige zoon

Gerard (II) van Spraeland

op in het bezit der vaderlijke goederen. Tengevolge van den verkoop der tienden aan het Cistercienser convent te Roermond was tusschen dit gesticht en heer Gerard met zijne vrouw Mechtildis twist ontstaan over de novaaltiende, welke sedert den dood des verkoopers op het goed Spraeland onder het kerspel Venray geheven werden.

Bij minnelijke schikking zou het convent voortaan de tienden van alle pas ontgonnen landerijen heffen, waarvoor de echtelieden eene bepaalde som gelds ontvingen. 14 Dec, 1297. „Actum et datum anno Dni rnillesimo ducentesimo nonagesimo septimo in crastino beate Lucie virginis,quot; (1)

Als opvolger der echtelieden Gerard en Mechtildis komt voor

(1) sivró, Inventaris onz. Ill 220. Afschrifl in gemeld carlulai'inm mei eono ondo Neder lundsche vertuiing.

ocr page 20

— 14 —

Dirk van Spraeland

doch of deze een zoon of verdere bloedverwant was valt moeielijk te /.eggen, hoewel eene tijdruimte van 60 jaren het laatste gevoelen niet onaannemelijk maakt.

Genoemde Dirk treedt den 7 Febr. 1357 als getuige op bij de hawelijksche voorwaarden, te Maastricht opgesteld tusschen Phi-lippa, dochter van den Gulikschen hertog Willem en Godard van Heinsberg heer van Dalenbroeck.

Eenige jaren later maken meerdere erfgenamen of bloedverwanten aanspraak op de goederen. Den 17 April des dinsdaechs na Palmdach 1375 verklaart ridder

Daniel van Apeltern

afstand gedaan te hebben van zijne aanspraken op de tienden van Oesterem ten behoeve van de abdis en het convent van de Cister-cienser orde te Roermond. (1) Waarschijnlijk was deze ridder Daniel een Maaswaalsch edelman verwant aan de heeren van Ooy.

Zooveel is echter zeker dat de oude stam weldra verdwijnt en na een kwart eeuw Spraeland-Oostrum in het bezit is eener familie, waarvan inde Geldersche geschiedenis menig dapper feit is geboekt en die aan de hertogelijke Geldersche hofhouding kloeke dienaren heeft geleverd, n.1. het machtig geslacht der Broekhuysens, wier bakermat en stamzetel in het oude land van Kessel in het slot van Broekhuysen moet geplaatst worden.

Inmiddels herinneren ons nog eenige benamingen aan de aloude eigenaren en hun ridderlijk bedrijf. In de onmiddelijke nabijheid van Spraeland ligt „de Heerenpai'' of weide, verder vindt men onder Oostrum „den Valkenkampquot;, een veld, waar weleer deze vogels tot het edel jachtvermaak werden afgericht. Omtrent dien tijd schijnt het kasteel door oorlogsgeweld gebeukt, door zorgeloosheid en min gunstige ridderlijke fortuin der heeren vervallen, in puinen te zijn gestort; een verval waaruit het zich nooit meer verheven heeft. De volgende grondheeren schijnen er weinig belang, eer of voordeel in gezocht te hebben het huis Spraeland op te bouwen.

(1) Sivré, Invenl. 3' stuk, piij,'. Ui.

ocr page 21

\ Z

ocr page 22

— 16 —

waarvan zij nochtans den titel voerden en heerlijke rechten en inkomsten genoten. Bi) het volk draagt het heden ten dage den naam van „gezonken kasteelquot;, eene benaming waarschijnlijk veel later ontstaan, om in navolging van meerdere bekende plaatsen ook hier de sage van eene vervloekte ridderstede te hebben.

Vorenstaand plaatje uit het kadaster der gemeente Venray, geeft ons eene kleine grondteekening der tegenwoordige ligging.

De Hceren van Spraeland-Oostrum uit den stam van Broeckhuysen.

Broeckhuysen voert: doorsneden, boven van zilver beladen met negen zwarte hermelijnstaarten 5—4; beneden van Sinopel. Helm teeken een vlucht volgens het schild. Dekkleeden afwisselend zil ver en zwart.

ocr page 23

_ 17 _

In oorkonden van de 13de eeuw komt dit geslacht reeds voor; in 1338 treedt de familie in bezit van Wickrade, later vinden wij ze geërfd te Geysteren, in den Tielerwaard en in 't Kleefschland.

Een paar eeuwen verder zijn de Broeckhuysens (1) in meerdere takken en nevenlijnen verdeeld, verschillende benamingen aannemende naar hunne hofsteden en spijkers in het Geldersch Opperkwartier.

Reeds een halve eeuw na de verhefling van Gelre tot hertogdom was de stam Broeckhuysen geërfd in de waardigheid van

Hofmeester.

Will em van Br. gehuwd met de erfdochter Agnes Cock van Waardenburg kocht dit ambt den 7 Nov. 1390 van de echtelieden Jacob van Mierlaer en Joanna van Br. Willem was ook Ambtman des lands van Kessel. Op het einde der 14de eeuw treden de Br. op als heeren van het Maasdorp Geysteren, vroeger in bezit der ridders van Straelen tevens heeren van Vroenenbroeck (bij Gelder).

Als heer van Geysteren, Spraeland en Oostrum, waarvan hij ten jare 1401 den eigendom en heerlijkheid schijnt gekocht te hebben, komt nu voor:

Willem 1 van Broeckhuysen f 1415 heer van Spraeland en Oostrum, beleend 1402,

In den hertogelijken Hofraad van Reinold was men zeker tot de ontdekking gekomen, dat er aan ridder Willems rechtstitel op zijn Kesselsch dorp iets niet in den haak was, althans er ontstond deswege een krakeel tusschen den hertog en diens hofmeester.

Door tusschenkomst van goede vrienden werd dit geschil weldra bijgelegd en behield Remold, daar hij overtuigd was dat Willems voorzaten den eigendom der plaatsen bezeten had, aan zich en zijne erven het recht voor van leen, manschap, klokkenslag en beede. Deze minnelijke schikking kwam den 8 September 1406 tot stand. Dewijl echter Oostrum-Spraeland onder het Geldersch kerspel Venray of Rooy behoorde, liet de hertog den Venrayschen

(1) Broeckliuyseu ook fjeschi'i'Ven Hrok-lmsou on linichiisen, In ilo v.ilksiiltsiiniHk heet liet Broeckeso,

a

ocr page 24

— 18 —

schepenen in hun recht van bekering (1); ook in schattingen en regeering der gemeente zoude de heerlijkheid van Venraij afhangen, maar ook berechtigd zijn aan alle gemeentegronden.

De grenzen der jurisdictie van de eigen heerlijkheid begonnen in de buurtschap Lull, zoodat het grootste gedeelte van dit gehucht tot Oostrum behoorde. De veldweg aan het kapelletje of heiligen-huisje van St. Antonius van Padua naar den Boshuizen wijst nog tegenwoordig de oude jurisdictiescheiding aan.

De heeren uit de volgende eeuwen tituleerden zich: Heer en van Geysteren, Oirloo, Spraeland en Oostrum. In het Kerspel Oirloo (thans gemeente Venray) bezaten zij ook de tienden en het patronaat.

Wegens het verschil der graden van verwantschap, welke de Geldersche schrijvers tusschen de Broeckhuysens der 15de eeuw aangeven, plaatsen we hier een korte genealogische tafel, opgesteld naar den inhoud der oorkonden en andere bescheiden, die ons het meest een vast punt aanbieden:

(I) Het recht van beleering ; Beleering bestond eigenlijk hierin, dut de schepenen van Oostrum naar hunne Venraysclie ambtsbroeders tot het inwinnen van raad voor het vellen der vonnissen honden gaan. Maar waarscliijnlijk is hier onder recht van beleering tevens hel recht lot revisie te verstaan. Ondtl.lds, zegt de welKerw. heer Menlleners (Pnblicat. 1SS7 iiag. 72;. ging men niel In hooger beroep togen de winnende parllj, maar tegen de rechters, die het vonnis gestreken hadden, daarvandaan dat in moeielljke gevallen de schepenen onderrichting (lje;eering) haalden bij de bank, waarheen men van hun vonnis In hooger beroep kon gaan.

ocr page 25

Z lt;

» gt; I z

3 to

85 5D cd W

a:

O (/)

03

O K

G

üj co to M

T

3 05

a

ocr page 26

— 20 —

Willem II van Broeckhuysen 1429 heer van Oostrnm enz.

Na den dood van Willem 1 werd zijn zoon, ook Willem genaamd ten jare 1415 met Gej'steren, Spraeland en Oestrum beleend. (!) Hij schijnt in het begin van 1429 overleden, want op Dinsdag post Dominicam Lactare Jherusalem (halfvasten) ontving zijne moeder Agnese vrouwe van Br. tot Weerdenburg, Oosterham Spraeland en Geysteren, zooals haar die bezittingen van haar zoon Willem waren aangestorven.

„Ende doe dat geschiet was heeft de Vrouwe Agnese dat tsamen opgedragen en mijns gnadige heer heft daarmede beleent Johan van Broeckhuysen heer tot Loë. (■) Het erfhofmeesterschap was in den loop dier jaren, denkelijk door onderlinge regeling, beurtelings op broeders en neven overgegaan.

In 1415, Woensdag na S. Lambcrti, ontving het bovengenoemde Willem II, in 1427 verviel het weer aan Jan II van Broeckhuysen, in 1442 aan Gerrit Janszoon en na diens sneuvelen in den Hubertus-slag 1444 kreeg de heer van Loë het terug, die het bij testament in 1450 aan zijn achterneef Jan van Br. Gerritszoon vermaakte.

Johan van Broeckhuysen heer van Lot, Geysteren, Oostrnm en Spraeland 142!) —1450.

Deze was een der meest beduidende en bedrijvige ridders die de eerste helft der 15de eeuw aan Gelderland heeft opgeleverd. Beurtelings raad en in hofbediening der hertogen, streed hij nu eens als een fiere ridder voor den Vorst en nam hij bij andere gelegenheden deel aan de strooptochten, behept met de vernielingszucht der toenmalige heeren, die als vuige partijgangers de schamele bevolking uitplunderden en van hare goederen beroofden. Daar zijn huwelijk kinderloos bleef, verdeelde hij bij testament zijn overgroot vermogen tusschen de verschillende stammen en besteedde hij belangrijke inkomsten tot stichting van kloosters en andere geestelijke instellingen en zulks tot heil zijner ziel en herstel der schade in de strooptochten berokkend. Eindelijk toog ridder Jan, na een veel-

(1) HIJ bezegelde mede den bondsbrief van de (Jeldersche Ridderschap en steden, 3 Mei 1418. Slvre, inventaris I, p. 3.

ocr page 27

— 21 —

bewogen leven als pelgrim naar het H. Land, waar hij het tijdelijke met het eeuwige verwisselde. Hadde de man vier of vijf eeuwen vroeger geleefd, ongetwijfeld zou hij in zijne wijdbefaamde daden, met een gloriekrans, al ware hij ook een zwakkere dan die van Karei den Groote of Zwentibold, voor de oogen van meerderen geschitterd hebben. Wij zullen chronologisch, volgens de Geldersche geschiedschrijvers, de voornaamste gebeurtenissen uit zijn leven, wapenfeiten en stichtingen aangeven :

1431, ó April. Des Donersdaechs nae den heylghen paeschdage. Jan van Broeckhuysen, drost van het land van Kessel, schepenen en kerspellieden van Venray, Alard van Gruysdunck, pastoor van Lochem, en meerdere andere houden op het koor der Venraysche kerk een getuigenverhoor nopens eene overeenkomst, die vóór 32 jaren te Venlo gesloten werd tusschen den hertog van Gelder en het Cistercienser Convent van Roermond in betrekking tot de tienden van Roy. (Sivré, Inv. III, 265).

1431. Velen van den Gulikschen adel (waarvan uit aller naam gezegeld hadden Ulrich van Mentzingen en Jan van Plettenberg) lieten op dezen tijd vorst Arnold, Jan van Broeckhuysen, heer te Loe en Geisteren en Jan van Boedbergen, hopman te Erckelens, schriftelijk aanzeggen, dat zij hunne vijanden wilden zijn en hun te goeden tijd verzekeren en te passé brengen zulke brandstichtingen en strooperijen als de Gelderschen onlangs zoo in Gelder als in 't gebied van Gulick hadden gepleegd. (Slichtenhorst, Gel-dersse Geschiedenissen, 225).

1435. Arnold hertog van Gelder bekent schuldig te zijn aan Jan van Br. zijn hofmeester raad en ambtman en aan diens erven, zes duizend Overlandsche Rijnsche gulden, herkomende van geleende gelden en „verlaeckten costquot;. Dewijl de hertog die som om „oirloighswillequot; nu niet kan betalen, verpandt hij zijne renten, pachten, „thynsen, hoenre, grutquot; die hij heeft tot Raede in't land Kessel (Archief van Venray, zie Bijlage n0 III.)

ocr page 28

— 22 —

1430, 19 April. De erf hofmeester Jan van Br. bezegelt het ver-bond van ridderschap en steden van Gelderland. (Nettesheim, Ge-schichte der Stadt und des Amtes... Geldern. Crefeld 1863, 112. — Slicht en horst, 228 )

1438. De graaf van Meurs wilde zich in bezit stellen van meerdere goederen, die bij uitspraak aan Jan van Br. waren toegewezen. Deswege brengt deze de zaak voor den Gelderschen Vorst alsmede voor wat betreft de heerlijkheid Spralant en Oesterham, die als een erfleen bij de hertogen aan zijn vader Willem van Br. was gegund. (Sichtenhorst, pag. 232).

1439. Jan van Br. die zich voor erfdorst van 't hertogdom Gelder uitgaf, dreef opnieuw tegen den hertog, dat bij brieven van de vorige vorsten dat ampt ('t welk hem vooral in oorlogstijden, meermaals was te stade gekomen) aan zijne voorouders erfelijk was vergund en dat hij na dood van zijn vader en broeder, zelf met believen van den hertog, als erf-drost en hofmeester van een ieder was gegroet en aangezien. Hij had mede verschil en moeiten over 't recht van huysraed en wapens na de inneming van Amer-soyen en andere plaatsen en sloten bij hem aangenomen; verzoekende de Ridderschap en Steden hem hierin de hand te houden en getuigenis te mogen beleggen van lieden die onzijdig en aan den hertog niet gehouden waren. (Slichtenhorst, bladz. 232j.

1442. Arnold vorst van Gelderland beschuldigde om dezen tijd Vincent graaf van Meurs van zware en verreziende zaken: dat hij Geldersche kooplieden op vrije heerestegen had doen aanranden en uitschudden, de immuniteit of jus asyli der kerk te Kessel geschonden te hebben, waardoor deze onder interdict lag, en daarenboven zijn erf-drost en hofmeester Jan van Br. gaande uit 's Hertogen naam naar de vorstin van Brabant, handtastelijk aangehouden had omtrent de pael-steden van Brabant.

1442. „Toen ter tijd waren Arend van Blitterswyck en Jan van Br. tegens een recht-strijdigh; gelijk mede Jan Schenck van Nideggen, gevoeghd met Maes van Oest, Engelbert van Brent ende de

ocr page 29

— 23 —

dochter van Hendrik Schenck om eenige landen en sloten een bitter kooker-gevecht en groote spartelingh hadden met Jan van Ghemen, waervan wy, alzoo het eer recht- dan land-zaeken zijn, geen langer teemen willen maeken.quot; (Stichtenhorst, pag. 236).

1444 De geschilpunten tusschen vorst Arnoud en den bisschop van Luik, Jan van Hcinsberg, worden in der minne geschikt: namens den Gelderschen hertog werden afgevaardigd Jan Schel-lard. Boelman van Arendael, heer te Well en Jan van Br., heer van Loë en Geysteren, erfhofmeester.

1444. Gedurende de vijandelijkheden tusschen Gelder en Gulik was het Overkwartier meermalen het tooneel van woeste krijgsbedrijven, totdat eindelijk op St. Hubertusdag 3 Nov. te Linnich de legers slaags raakten en Arnold het onderspit moest delven. Van de Geldersche zijde werden gevangen genomen onze ridder Jan van Br., Evert van Wilp en Hendrik van Meer; onder de gesneuvelden telde men Gerrit van Br., heer van Waardenburg Jan's neef. Na het sluiten van den wapenstilstand werden de gevangenen vrijgelaten en ter eere met den „draegh-bandquot; behangen zegt Slichtenhorst, bladz. 238.

1445, Mei. — Ridder Jan van Br., heer te Loë en Ge3'steren, erfhofmeester der landen van Gelre, belooft het dorp, kerspel en gemeente zijner heerlijkheid ter Horst, in hare oude rechten te handhaven. (A. Steffens, Geschiedenis der aloude heerlijkheid en heeren van ter Horst .... Roermond, 1888 p. 210).

1440. Vredesonderhandelingen te Grave aangeknoopt tusschen Brabant en Gelderland. Als Geldersche gezanten verschijnen o. a. Jan van Br. de heeren van Meer en Wylack. De Brabanters klaagden toen den heer van Geysteren, Jan van Br., aan over menigerlei kwellingen en schaden hunnen burgers aangedaan, maar Jan wist door „wydloopige verschooningquot; en anders luydende kondschappen zijne tegendingers den mond te snoeren.quot; (Stichth., p. 240).

1447. Jan van Br. als gevangene van heer Willem van Buren in diens vijandelijkheden met den Gelderschen vorst. De hertog betaalt voor hem een losgeld van 3000 gulden. (M. J. Wolters,

i

ocr page 30

__ 24 —

Recherches sur l'ancien comte de Kessel et sur l'ancienne seig-neurie de Geisteren. Gand 1854,) p. 58).

1449. In het voorjaar was Jan van Br. weder bemiddelaar tusschen zijn vorst en eenige edelen en steden des hertogdoms. (Slichtenhorst, pag. 243).

1450. Vóór zijne buitenlandsche reis liet hertog Arnold te Lobith de Ridders en Steden ter dagvaart verschijnen om uit dezer Deputatie een raad van bestuur of regentschap f,e vormen. Het Üverkwartier stelde tot zijne gevolmachtigden aan Jan van Br. en Jan van Wickrath.

1438—1450. Tusschen die jaren verkoopt ridder Jan van Br. zi|nc tiende te Oirloo, rentende ongeveer GO vat rogge, aan de kloosterlingen van St Hieronymus te Roermond voor de som van 1100 goudgulden. De gelden sproten voort uit een legaat van Jan van Leuven.

1450, 10 Mei. Jan van Br., heer van Geysteren, geeft zijne toestemming tot de volgende stichting: Den 14 Juni 1444 hadden de provisoren der parochiale kerk van Geysteren en Maashees, ten behoeve van den rector van 't nieuw opgerichte Moeder Gods altaar eene jaarlijksche erfrente van elf malder rogge gesticht ten overstaan der gemeene laeten en van den Gelderschen burggraaf Hendrik van Merwyck.

Heer Jan van Br. geeft als collator der kerk niet enkel zijne toestemming, doch, wijl die rente voor 2 HH. Missen ter week niet voldoende is, vermeerdert hij ze met 2 malder, zich het recht van begeving voorbehoudende. (Kerkarchief Geysteren).

1450, 15 Mei. Maakt ridder Johan, alvorens naar 't H. Land te vertrekken, zijn testament of uitersten wii.(l) Gedaan op het slot Wissen bij Weze in tegenwoordigheid van den openbaren notaris Henricus Mol van Capellen en de getuigen Hendrik Kessel, doctor beider Rechten en scholaster te Xanten, Thcodoricus Nyell van

r /ie npigo nquot; i.

ocr page 31

Kallzer, vicarius in gemelde kerk, de schildknapen Pieter van Ooyen en Hendrik van Merwyck; voorts Willem Kelver, Jacob Spakelaer en Nikolaas de zangmeester, geloofwaardige getuigen uit het Keulsche en Luiksche bisdom.

Als uitvoerders van dit testament waren aangewezen:

Hendrik van Meer, ridder, heer van (St. Stephens) weerde (1); Wilhelm van Broeckhuysen, legum doctor; Dirk Schenck van Nydeggen, heer van Aiïerden (2); Johan Tengnagel van Merwyck alsmede Willem Spaen, pastoor ter Horst (3). Voor ieder dezer uitvoerders, welke de voltrekking op zich wilden nemen, bestemde de testator één zilveren beker (crusibile, kroes) ter waarde van 50 Rijnsche gulden.

Voor gemelden notaris en getuigen verschijnt dan de erentfeste ridder der heerlijkheden Geysteren en Loë (dit onder 't Keulsche bisdom gelegen), gezond naar den lijve, zijn verstand en zinnen wel machtig, en verlangt, zooals hij verzekert, in dit jubeljaar als pelgrim de reis naar de stad Rome te aanvaarden tot vergiffenis van alle zijne zonden. Terwijl nu zijn lichaam nog kracht bezit en de rede den geest beheerscht, wil hij deswege de getuigenis van zijn uitersten wil, testament of beschrijving van zijn laatste verlangen te boek stellen, waartoe een rustig overleg gevorderd wordt. Daar groote zwakte veelal den geest zoo pleegt te benevelen, dat zij niet enkel den oorsprong der tijdelijke dingen, maar ook de bestemming des menschen vergeet, tracht hij dien onvermijdelij-ken last te voorkomen en zoo goed mogelijk daarin te voorzien.

Mede met bepaalde toestemming en vrijen wil van vrouwe Anna van der Straeten, zijne tegenwoordige wettige echtgenoote, beschikt hij over geheel zijn goed en gereed, zoowel over de hem toekomende roerende en onroerende goederen als erfelijke bezittingen, hem door God geschonken of nog te verkrijgen.

fl) Ridder Hcndrih rrnt Meer was zoon van Hnybort van (quot;nlonlioiy heer van Boxmeer on Klisabolh van Poiershehn en si Slevenswoeri. Zijne echtgenoote was Christina, dochter van ridder Kduard van Hell (vooj/d van Huschbell hij Keulen) en heer van Haps. Kdnard was een bastaard van Keinoud IV van Gelder en Gullek. Hendrik van (Box Meer) zegelde met een schild beladen met een leeuw en bezaaid met blokjes. Als helmteelcen een bokken kop en hals.

(2) Dirk Schenck van AlTerden was een machlig heer en huwde de erfdochter van Aiven Alt id is van Buren, en was maarschalk van het hertogdom Kleef tH87.

(3) Willem Spaan komt reeds in Sepl. 1417 voor als pastoor ter Horst; hij was ook kapellaan der echtelieden Jan van Br. en Anna v. d. straeten.

ocr page 32

_ 26 —

Ridder Jan wenscht dit te volbrengen tot lof en eer van God, alsmede voor zijn eigen ziel en de zielen van zijne ouders en voorvaderen en van die zijner vrouw.

Ook geschiedt zulks, opdat, na zijn overlijden, tusschen de verwanten, erfgenamen, nabestaanden of alle andere die vermeenen er belang bij te hebben, geen aanleiding van twist, rechtsgedingen of wrevel gegeven worde.

Vooral echter opdat zijne ziel, van het aardsche omhulsel ontdaan, onder Gods barmhartigheid, met de Geloovigen in het he-melsch Hof opgenomen en de eeuwige heerlijkheid genieten mag, heeft hij, na aanroeping van 's Heeren naam, zijn testament of uitersten wil voor zich, zijneervenen alle nakomelingen, naar beste wijze en besten vorm gemaakt, geregeld en vastgesteld. Na zijn ziel, die hij hoopt dat in den schoot des vredes mag rusten, als zij deze aarde zal verlaten, aan den allerheiligsten Verlosser, de Moeder-Maagd en de geheele schaar der hemelingen in diepe godsvrucht aanbevolen te hebben, bestemt hij de reeds vermelde executeuren en hun lastgeving en bespreekt aan de voornaamste kerken eene gedachtenis of aandenken in geld.

Daar verder de testateur heer Johan zelf zegt, dat hij verschillende krijgsavonturen en oorlogen onrechtvaardig gevoerd en bestendigd had en de krijgvoerders, die zulks deden, hulp verleende, waaruit roove-rijen, brandstichtingen, manslagen en groote schade ontstonden en deze aan meerdere personen en plaatsen overkomen zijn, zoo geeft en vermaakt hij tot herstel, voldoening oi schadevergoeding eeuwig en erfelijk 150 Rijnsche gulden, keurvorster munt. Deze som was bestemd voor bepaalde personen en plaatsen, waarvan het wettig bewezen was, dat zij door den testateur en om zijnentwille en schuld aldus min rechtvaardig behandeld zijn, en dat voor zich, zijne erven en opvolgers, wie deze ook zijn mochten.

Om dit geld voortdurend te kunnen beuren, geeft hij vast en stedig, o. a. den hof genoemd de Canibeek, met al zijn aanhang en rechten, onder het tijdelijk gerecht en kerspel Weze gelegen.

Uitgezonderd hiervan zou zijn het recht op den Brutenwaard met den voorbij stroomenden Niers, die bij het slot Wissen zou blijven, maar daarentegen moest het Schewycksche water aan voornoemde hoeve toevallen.

Verder geeft hij de halve hoeve tot Bettenray onder het gericht

ocr page 33

— 27 —

ven Hülm (bij Goch) alsmede 1000 gulden, waarvoor hij veron-derpandde een rentbrief op de heerlijkheid Broekhi^sen, waartoe de bezitter van dit goed jaarlijks 50 erfmalder rogge zul aanwijzen.

Na den dood des testateurs zouden deze 150 gulden erfrente en het overige wat vermelde legaten nog afwierpen, jaarlijks aan schade geleden hebbende plaatsen en personen of hunne naaste erven naar rato verdeeld worden tot de volledige restitutie toe.

Mochten deze personen of plaatsen niet gevonden worden, dan kunnen de executeurs deze legaten ad pios usus besteden, naar mate hun voor het zielenheil des heeren testateurs en der benadeelde personen het geschiktst voorkomt.

De voornaamste stichting, welke Jan van Broeckhuysen tot stand bracht, is wel die van het klooster der Reguliere koorheeren te Oostnim, die wij later onder de afdeeling „Klooster Bethlehemquot; zullen bespreken.

Eene andere fundatie welke de ridder wenschte volbracht te zien, was een klooster van Karmelieter-Monniken te Zalt-Bommel onder het Utrechtsche bisdom, waartoe hij de noodige middelen aanwees, op voorwaarde dat in dit claustrum strenge kloostertucht moest heerschen.

Vervolgens schenkt hij aan de kapel in gen Walacker of Wallach (1), die ter eere Gods, aan de Zalige Maagd Maria, den heiligen Antonius en Laurentius toegewijd was, en ten behoeve viin den tijdelijken rector, een kamp of veld in de over-Rijnsche parochie Bislich gelegen, genaamd joncker Buedelskamp (2), waarop nochtans de last van terugkoop berustte.

Mocht dit jus retractionis geen goed verloop nemen, dan wijst hij voor de kapel andere inkomsten aan. Hij wil deze kapel tot parochie verheven en de bezitters van het goed Loë met het patronaat begiltigd zien.

p

(1) WuUuch, waaiijlJ het slot Loii lisjt, In het land van Kloet aan deze zl.lde van don Hljn, tuspchen Wesol en Rheinberyli. Het kwam in lie/it van ridder Goswin Steek, erfmaarschalk, die in U70 kinderloos overleed, waarop liet niet de kerkgift aan den hertog van Kleet verviel, die het in pundsehap iiityaf.

(2) Een joncker Jan Uudel was in bezit der hooriljkheld Dorrenwald en Venne (bij Warde en Mörmpter aan den Hljn geleden) 1401, 1411, 1431, waarschijnlijk bezat hij ook eigendom-nien te uislich bij xanten over den Rijn.

Hot good Knvadc bij Xaulen was ook bij jonckor Hudol bezeten, doch kwam later aan Jan van lirookhuyson. Hij en Anna van der straoten verkoopen in 1450 dit goed aan hun kapellaan Willem spaen, pastoor tor Horst, met beding het gedurende bun leven voor 91 Rhijnsche goudgulden to mogen terugkoopen. (Strange, !i heft).

ocr page 34

De erflater vermaakt ook erfelijk aan het altaar van het H. Kruis (1), in de parochiale kerk van Goch en voor diens vicaris eenige akkergronden onder Weeze, waarvan zijn huisbediende, Peter de Jongh, het vruchtgebruik behield.

Insgelijks geeft hij eeuwig aan het altaar van O. L. V. (1) in voornoemde Gochsche kerk en aan zijn rector tien malder rogge te Weeze te beuren.

Aan het Regulieren klooster in de Gaesdonck geeft hij eeuwig en erfelijk voor de memorie of jaardienst van hem, zijne echtge-noote en hunne ouders en voorzaten, op de Quatertemperdagen te houden :

1° vier malder rogge te heffen uit het Cloetsche goed te Baal, waarvan Peter de Jonghe ook den lijftocht heeft.

2° de slagen lands te Hülm genaamd in gen Schaldt.

Voor het H. Geest-altaar te Weeze (2) en zijn bedienaar geeft hij 200 Rijnsche gulden, waarvoor een kamp teruggekocht moest worden, eertijds ter name van wijlen Lambertus de Arena (van den Sande), kanunnik te Xanten.

Uit zijne nagelatene goederen verlangt hij eene jaarrente van zes malder rogge te doen koopen voor de Minderbroeders, Preekheeren en Augustijnen, die den termijn hielden in de plaatsen Loë, Wissen en Geysteren, jaarlijks aan ieder orde twee malder te leveren, waarvoor zij eene bestendige memorie zullen houden voor den testateur, zijne echtgenoote, dezer ouders en voorzaten.

Dan volgen de besprekingen van enkele legaten en de verdeeling zijner bezittingen tusschen de verschillende familieleden, beschikkingen welke echter door het magescheid van de executeurs en vrouwe Anna van der Straeten nader geregeld werden. (Zie bijlage N° II.

I: )u de vurige eeuw vnrjtaf uok ilc hfior van Wisse» onder Weese lt;le vicarlön vau het II. Kruis en hol alt arc Laniculatlonls li.M.V. lu de kerk vau Goch. Adolph Sclumlz werd den 30 Nov. 1717 als rector Uuneut. InKehuldlgd en was zulks uog 1722; in laatstgemeld jaar

w.is Hcnrlcus Weyemaiin vlcarius St. Cruris aldaar. (Lamentatie B.M.V. beteekent de klacht van i). 1.. Vrouw. Misschien de Zeven Weeën .

■gt;• In 17H klaagt de Weesche pastoor Egberl claessen, dat vele inkomsten der kerk zijn verloren gegaan en acht jaren later 1722) wordt hij eene kerkvisitatie gezegd, dat het H. (ieest-altaar nog in de zijbeuk staat, maar de vlcarie door den protestantschen jurisdictie heer van 't llertefeld gemorilflceerd of opgeheven is, en deze nu zelf de Inkomsten trekt.

ocr page 35

„Here Jolian van Broeckhusen toech pelgrimaedsc tot Jherusalem, ende voirt na Sante Katherinen (1) dair hi ind wege und velde doet bleef, sonder geboirt gelatenquot;, zooals eene chroniek van Waardenburg aangeeft (2).

„Joës autem de Broickhuysen (zegt Knippenberg, pag. 206) Coenobii in Ostrum fundator obiit in terra sancta anno 1452 die 17 December. Ita Obitarium coenobii.quot;—

Het sterfjaar 1452 schijnt echter niet juist te zijn, daar de weduwe Anna met de executeurs en erven een magescheid treft op „Onzer Lieven Vrouwen dag Nativitatis (8 Sept.) een duj'sent vier hondert en een en vyfïtich.quot; Ook Jos. Strange in zijne Beitrage zur Genealogie der adlichen Geslechter 5te Heft, bladz. 30, geeft 1450 aan: als het scheidingsjaar tusschen de erven van Jan Broekhuy-sen. Denkelijk is dus ridder Jan, in hetzelfde jaar van zijne afreize, 17 December 1450 in het Heilig Land overleden.

Zijne weduwe Anna stichtte in de kerk te Horst tot troost en heil van haar huisheer zaliger, harer en hunner beide ouders en voorvaderen zielen, een jaargetijde, waartoe zij 100 Overlandsche Rijnsche gulden besteedde. Bij testament schonk zij de Cambeek-sche hoeve en meerdere kleinoden aan het Oostrumsche klooster. Zie hier wat het Anniversariën-Boek van het klooster Bethlehem over beide echtelieden, bladz. 129 heeft:

„In den jaere ons Heeren 1450 heeft hr Jan van Broeckhuysen zr gedachten sijn testament gemaeckt ende deze stede gefundeert ter eercn Godts ende sijne Moeder Maria tot een Regulierenklooster, ende is in denselven jaere getrocken naer 't heilich lant van Jerusalem op wekken wegh hij is gestorven.

„Daernaer over 12 off 13 jaeren storff tot Gollen vrouw Anna van Broeckhu3'sen en ligt bij de Predikhceren aldaar begraven.quot;

Ziedaar in 't kort de historie van Jan van Broeckhuysen, een te lang vergeten ridderfiguur uit de 15de eeuw, bij wien de heldere glans van innige vroomheid en vaderlandslievenden moed door de donkere schaduw van woesten krijgsroof, wel een weinig verduisterd wordt, hoewel die schaduw echter voor de heldere stralen der naastenliefde moet wijken. En zijn diens stichtingen ook door de

il) Het bekende pelgrimsoord op den ber^r sinaï, waar de heilige Cuiliarina begraven is. (2' GelderscJu' Volksalmanak 1874.

ocr page 36

— 30

steeds opvolgende ondermaansche wisselvalligheden vernietigd of van bestemming veranderd, jaren, ja eeuwen heeft de vrome schepping van ridder Jan land en volk tot heil en zegen verstrekt. Moge daarom onze bescheiden studie er iets toe bijdragen om de memorie aan dien waarlijk roemrijken man uit het oude Kesselland levendig te houden !

Adriaan van Broeyckhusen heer van Geysteren, Spmeland en Oostrum (Twist om de heerlijkheid).

Ondanks het testament van ridder Jan en de daaropvolgende overeenkomsten tusschen de weduwe Anna van der Straeten en de executeurs, schijnt Adriaan van Broeckhuysen, zoon van Jan's broeder Willem, ten jare 1457 met de heerlijkheid beleend te zijn geworden. Niet lang daarna deden zich meerdere pretendenten op, was de erf-questie acht jaren later in vollen gang en denkelijk is het niet bij een „bitter kookergevechtquot;gebleven, om met Slichtenhorst te spreken.

Thijs van Eyll, de dappere krijger der Geldersche vorsten, die gehuwd was met Agnes van Broeckhuysen, zuster van Adriaan, maakte deswege aanspraak op de heerlijkheid en werd 1465 voor-loopig daarmede beleend, terwijl Cxothard van HarfF, landdrost van Gulick, gehuwd met Jan's zuster, zich mede ijverig bewoog.

De zoon van Thijs, genaamd Jan van Eyll, werd in 1468 beleend, insgelijks in 1473 en in 1493 wordt de beleening weder uitgesteld, totdat hij met den hofmeester van Harff „gescheiden werdquot;.

Godard van HarfTs zoon, ook genaamd Godard, werd 1470 beleend mits zijn oudere broeder Daem er mèe tevreden zou zijn. Deze echter stond zijn recht voor 6000 gulden af aan bovengemelden van Eyll en Adrian van Br. in 1483. „Middeler-wijl,quot; zegt Slichtenhorst, pag. 262, „is er door maekelary van Reinald van Broeck-„huysen en Arend van Blitterswyck (1) onder de kinderen van „Ridder Mathys van Eyl (die voor Wachtendonk was gesneuveld) „zoo een maegh-gescheyd getroffen, dat Adriaen van Broekhuysen, „neffens zyne broeders (lees : neveii) Jan en Siber van Eyl met

(1) Arnt vim Bllttorswijck's zuster Ciitimrina van Blilterswyck was gehuwd met^ibert van Eyll.

ocr page 37

„hunne erven te gelijk zouden besitten de Huysen en landen van „Geysteren en Spralandquot;. En daarmede wasten jare 140!) de deeling voltrokken der gezamenlijke heerlijkheden.

De ééne helft kwam aan: de andere helft aan:

de kinderen van Thijs van Eyll

en

Agnes van Broeckhuysen.

de kinderen van Adriaen van Broeckhuysen

en

Margareta van Arnhem.

De Heer en der halve heerlijkheid Geysteren, Spraeland en Oostrum uit den stam van Eyll.

Zij voerden op een veld van azuur eene gouden zwaardlelie. Als helmteeken een hertekop met gewei.

Jan I van Eyll. 14G8, 1515.

De Regeling van 14ö9 hield in, dat beide partijen huis en slot Ge3^steren, met toren, woning, voorbouwen evenals de heerlijke

ocr page 38

rechten gemeenschappelijk zouden bezitten. Vandaar dan ook dat later, in 1502, een verdrag gesloten werd, dat de Sc he Hart's als erven van Adriaen van Broeckhuysen het Jiooghe huis'quot; met de gracht tusschen den voorburg en wal zouden hebben en betrekken en de van Eylls den voorburg „het laghe huis'' bewonen.

Deze toestand van de twee adellijke familiën op één burg was destijds in het Overkwartier goed bekend, zoodat de oprichtings-bulle van het bisdom Roermond (15(31) onder de afdeeling m dominio de Kessel de aanwijzing bevat; Gheesteren. Huis hog he en Leg he hits.

Hoewel de moedige kampioen Mathys van Eyll reeds 1465 beleend werd, heeft hij zich echter niet lang in zijn aangevochte bezitting mogen verheugen ^ zijn zoon Jan mocht zich met de halve heerlijkheid te vreden stellen en kreeg met zijn broeder Sibert den halven griend of waard te Xanten. Jan van Eyll was ook heer van Baerloo bij Kessel, waarmede hij 1505 beleend werd, alsmede lid der Staten van Gelderland. Hij was 12 Julij 1483 gehuwd met Elisabeth van Ghotr, van het huis Caldenbroek onder Lottum, en leefde nog in 1515. Elisabeth voerde in zilvere drie horens van keel en weduwe zijnde legde zij ten jare 1525 den eersten steen van den monumentalen toren van Geysteren. nog een sieraad voor de geheele streek.

Het opschrift, in Gothische letters boven de torendeur in hardsteen aangebracht, luidt:

„Anno V« XXIIIJ en een doe lacht jouffer lysbet weduwe van Eyl dis tarns den irsten steen .

Tusschen ieder woord bevindt zich een ornament of krul.

Den 10 December 1528 overleed Elisabeth wed van Eyll, dochter van Alard van Ghoor en Bela van Kessel.

Jan II van Eyll en zijne medeheeren over de halve heerlijkheid Oostrum.

Het leen ging van den vader op zijn gelijknamigcn zoon Jan II van Eyll over.

In den Gelderschen krijg was het slot Geysteren in bezit gekomen van Karei van Spanje en door diens troepen bezet. Of zulks bij het leven van Jan I van Eyll of van zijn zoon heeft plaats gehad.

ocr page 39

- 33 —

kunnen wij als met het sterftejaar van eerstgemelde onbekend niet uitmaken, evenmin hoe lang de bezetting geduurd heeft. Op verzoek van beide eigenaren Jan van Eyll en Jan Schellart van Oppendorf verleende de Spaansche vorst hun den 4 Juni 1518 een Stylsaet (1) van 12 jaren, na welks verloop zij zelve weder den burg in bezit konden nemen en bezetten, en dat noch hij noch de Geldersche hertogen in deze tijdruimte eenig recht over Geysteren-Spraeland en Oostrum konden uitoefenen hetzij van klokkeslag, beden of belas'ingen.

Misschien is deswege de beleening wel tot 1532 uitgesteld (2). Jan ontvangt die „buirschap van Oestrum ende die hoffstadt van Spraelandt, met alle heuren Rechten enz. ende transporteert snlcx voort op:

Jacob van Domborc/i, Ridder, heer to Sint Agaten- ende to Sint Johans kereken stadtholder .... welcke hoffstadt ende buyrschap met allen heuren R(echt) ende toeb^ehoir) voorss. ende met der hoeger heerlicheyt van Spraelandt, Oesterum ende van der buyrschap, geh. Lu lie, aen beyden sijden der wege, mit ons huysfre aller inder Kerspel van Venrad gelegen 27 Sept. 1532.quot;

Deze Jacob van Domborch heer van S,e Aagtenkerken en Ste Jans-kerken (beide in Zeeland) was in hoog aanzien bij den Gelderschen vorst; zoo zond de hertog hem als Stadhouder van 't Overkwar-tier het land rond om de ketters inzonderheid de Lutherschen op te sporen en te vervolgen (3); in de eerste helft van 1534 was hij als hertogelijke Raad mede belast met het getuigenverhoor over het betwiste huwelijk tusschen Dirk Schenk van Nvdeggen op Bleyenbeek en Aleid Custers. Jacob van Domborch schijnt als Stadhouder vrij tyranniek te zijn opgetreden en als rentmeester geen voorbeeld te zijn geweest, want wegens zijne slechte administratie was hij over de w'mduizend gulden schuldig gebleven.

Wellicht is van Domborch op zijne dienstreizen met groote praal en machtsvertoon opgetreden, en heeft, op grooter voet levende, niettegenstaande een gunstig huwelijk en leengerechiig-

.1) stylsaet, slillo-zaet, schrijft siKhtcnhorst, is ocuc stll/ittiiij.', stilstand, verdrag. (2) Zie Pnblicntions lWt4 pa^. i-t' seq. U. de l'Kscaillcquot; I.es liefs dn haut-quartier de la Oueldre 1326—1598.

'8} Hahets, Kerkw. II 9.

8

ocr page 40

— 34 —

lieden in 't Overkwartier, zeer slordig met de finantiën omgesprongen. Het leen Oostrum en Spraland had hij, volgens accoord met Jan van Eyll, enkel in tocht, om vervolgens aan de gewone erven weder te keeren; het kan hem als Stadhouder ook wel te doen zijn geweest om in 't Overkwartier als gezeten heer begroet te worden; tot zulk accoord zal ridder Jan mits de noodige goede woorden en geld, zich door neef Jacob van Domborch wel hebben laten vinden. De Stadhouder toch was in huwelijk getreden met Jan's volle nicht Elisabeth Schenck van Nydeggen (weduwe van Otto van den Bylant heer van Well).

De Geldersche hertog was gelijk te begrijpen valt, uiterst ontevreden over de kwade administratie van zijn rentmeester, en om hem zijne ongenade te doen gevoelen, contiskeerde hij het leen Spraeland en Oostrum en beleende 20 Julij 1535:

Acrt van Grnythuys Magister en Jurium Licentiatus, raed van den hertog, die den eed 23 Aug. 1538 vernieuwde. Hij was een belangrijk personaadje in den Hofraad en zoo vinden wij hen bij alle gewichtige beraadslagingen en vredesonderhandelingen tegenwoordig.

Jan II van Eyll was wegens Geysteren altijd lid der Staten gebleven nog in 1555, en had buiten de heerlijke rechten meerdere perceelen akkerland te Oostrum in privaat bezit (in 1533 en volg.). Hij was gehuwd met Maria van Domburgen of Dovibnrch vrouwe van S1. Aactenkerke en van 't huis de Werve, dochter van boven-vermelden Stadhouder Jacob en diens 3de gemalin Agnes Ruichroc van de Werve van wie het huis de Werve bij Rijswijk (1) en wellicht heeft het gemeenzaam verkeer van Jan met neef Domborch aanleiding gegeven tot nadere kennismaking met diens dochter.

Zij is ten jare 1501 overleden en haar grafzerk, waarop nog de uitgesleten wapens van Eyll en Domburch (2) te onderscheiden zijn, en die vroeger de groeve in het koor der kerk dekte, is thans in den binnenmuur des torens gemetseld.

Als broeders van Jan II komen nog voor Willem van .ZyV/heer te Baerloo (1526), en Sybert van Eyll ook heer te Baerloo (1530).

1

In Z,-Holland lij 's Gravonluitfe.

ocr page 41

Deze drie waren tevens Broeders van het O. L Vr. Gild te Oostrum. Ken vierde broeder, Thijs van Eyll, was lid der Staten 1535—1548, eene zuster, Anna van Eyll, stierf den 9 Oct. 1539 als suppriorin der Munsterabdij te Roermond; eene tweede zuster Lucia van Eyll genaamd van Rijnen, vermeldt het necroiogium op 28 Dec. 1548 (1).

Jacob van Eyll, zoon van Jan II en Maria van Domborch, heer der halve heerlijkheid Spraeland, Oostrum en Geysteren,

1548—1592.

Hij werd den 20 Juni 1556 beleend (2) „alle versuijm verlatenquot; en geeft: zijne echtgenoote den 14 Mei van het volgend jaar den tocht der halve heerlijkheid Oostrum. Den 2 Juni 1550 werden tusschen hem en zijne aanstaande echtgenoote Elisabeth van Grocs-beek de huwelijks voorwaarden gesloten. Deze stierf te Geysteren den 5 Februari 1584 en werd in de parochiale kerk begraven, waar een prachtige grafsteen hare rustplaats dekte. Bij de verbouwing der kerk in de 6U jaren dezer eeuw is ook deze zerk in de binnenmuur nabij den toren geplaatst.

In het midden van de zerk ziet men in haut relief de albeel-dingen van Jacob en Elisabeth; de eerste draagt een puntigen knevel en snor, is omhangen met een kleinen riddermantel, waaronder zijn harnas uitkomt, aan zijn rechterhand ter hoogte van de voeten ziet men zijn helm met vederbos, aan zijn linkerhand steekt het gevest van het zwaard, zijn handen zijn op de borst gevouwen. Elisabeth heeft de handen m dezelfde houding, draagt een hoogen kraag en haar kleed hangt tot aan de voeten af in bijna gelijke breedte. Rechts van het wapen des mans de woorden : Espoir en Dieu; en links van dat der vrouw; Fortune passé.

Heraldisch rechts de 8 wapenkwartieren van Eyll, links van Groesbeek.

J Eyll. Domburch.

Goir. Werve.

5 Broeckhuysen. - Borsselen.

Sj Kessel. Treslong.

0) 7Ao Publications du Umtuui'^, »1!. XIII, p. 278. •gt;) 7ao. vorder Muas^onw, 1*gt;' deel 18a*) hl/.. 11.

ocr page 42

36 —

Groesbeek.

Goir.

Montfort. y Wetthem. Croy (2).

Vlodorp. Lijnden.

Eldercn.

Jacob van Eyll, die tevens erfkamerling van het hertogdom Kleef was, ging een tweede huwelijk aan met Helena Turcq en vestigde zich te 's-Gravenhage, waar hij ook begraven is.

Daardoor laat het zich verklaren dat de datum van overlijden van Jacob op de grafzerk te Geysteren niet bijgekapt is.

Eene merkwaardige gebeurtenis in betrekking tot het heerlijk bezit van Spraeland cn Geysteren had in de laatste jaren der IGde eeuw plaats. Om hunne afwezigheid of om welke redenen dan ook verkoopen Jacob van Eyll en Helena Turcq de heerlijkheid Geysteren, Oerloo, Oostrum en Spraeland aan hun medeheer en neef Adam Schellart van Oppendorf. In het Venraysch archief bevond zich het volgend authentiek afschrift door Hendrik van der Locht, landschrijver des ambts Kessel. De akte was van 22 Januarij 1002.

Jacob van Eyll en zijne echtgenoote Helena Turcq, heer en vrouw te Domburg, St. Aagtenkerke, Werve, erfkamerling des vorstendoms Kleef, verschijnen voor den openbaren notaris bij den Provincialen Raad des Hofs van Holland cn de leenmannen, en stellen tot hunne momboiren aan: Johan Kern genaamd Froen-hoven, Cornelis van Randenrade, Meuws Gerwis, Aert Loefs en Hendrik Boenen, om van hunnentwege voor stadhouder en leenmannen des leenhofs Guyk te compareren, voor de heerlijkheid Geysteren, Oerloo, Oostrum en Spraeland met verzoek deze goederen over te dragen aan hun neef en medeheer te Geysteren, Adam Schellardt van Oppendorf heer te Gürzenich, Schinnen, Doorenwaard enz. Ondert: Cornelis van Reinegen. — Wijck not.— Hoe het leenhof van Guyk hier te pas komt, is ons niet nader gebleken, daar het in de laatste beleeningen niet genoemd wordt.

Jacob van Eyll overleed te 's-Hage den 30 Nov. 1592 en werd ook aldaar begraven; zijn weduwe stierf in 1595.

ocr page 43

— 37 —

Gherardt van Eyll.

Hoewel de gebouwen, gronden en heerlijkheid bij verkoop van 1502 aan de Schellardts waren overgegaan, oefende een verwant van Jacob van Eyll, nog na dien tijd in Oostrum heerlijke rechten uit. Denkelijk was zulks eene der voorwaarden of werd de verkoop door de naastbestaanden niet gereedclijk aangenomen.

In 1598 waren de echtelieden Joncker Gherardt van Eyll en ^ frtw?/ Elisabeth van Broeckhuysen genaamd Oj'cn (van het kasteel Ooyen 0n^cr Broeckhuysenvorst) geërfd te Wanssum, waar zij een derde quot;V/TÏ L gedeelte der groote tiende bezaten. Jonker Gherit zwierf in krijgs-pt* s // dienst om en kwam in bovengemeld jaar, toen zijn tiende in beslag genomen werd. te Cranenburg van een krijgsavontuur terug.

Den 14 Julij 1G03 sloot hij in tegenwoordigheid van den Geys-terschen pastoor Johannes Floeris CFlorentii) met het Augus-tinessenklooster „Jerusalemquot; te Venray eene overeenkomst over het kost- en leergeld zijner dochter, juffer Elisabeth, die nochtans maar één jaar het onderricht der religieusen aldaar genoot.

In Mei 1G09 laat hij nog een persoon uit Oostrum dagvaarden over het zetten van een meiboom.

De opvolgers in zijne Wanssumsche tiende hadden de verplichting jaarlijks in de kerk van Geysteren een anniversanum te doen houden voor zijn ziclerust.

Den 12 Juni 1G07 wordt met Oostrum-Spraeland beleend Cornelia van Geysteren, „erv», haeres nevenquot; Jacob van Eyll. Haar huider (ophouder van het leen) was Gerhard Provinck van Deventer, Ambachtsheer van Crimpen aan den IJssel. Het vermoeden ligt voor de hand dat èn Cornelia, die in Holland schijnt gedomicilieerd te zijn, èn joncker Gherit nicht en neef van Jacob geweest zijn, personen die beide hier nog een weinig het heerlijk gezag (dat voortaan den Schellardts toekwam) staande hielden.

Nakomelingen dezer van Eyll, gehuwd met de Bocholt's onder Lobberich, die ook de tiende te Wanssum geërfd hadden, nomen later nog zitting in de Staten van 't Overkwartier wegens 't huis Geysteren; zoo Johan van Bocholt 1G56 f 1G78, Eduard Rein van ^ Bocholt 1G97. ^Yaal;sclMf«lijJc iüjri zij;,in 't bezit van de huizinge de Spieker (1) geweest. i /

(1) Spiekers, Spijkers, Dultsch Speieher, mauoir In 't Fransch, waren versterkte adellijke huizingen, welke in t'roottc ver beneden de burgen, kasteelen of sloten bleven. Men vond

ocr page 44

Dc familie van Sc/tellardt, half heer en sinds l')9ü heer van de heerlijkheid Oostrwn-Spraeland

Bij de verdeeling der heerlijkheid in 1469 kwam, gelijk wij hiervoor zagen, de helft van Geysteren cum annexis d.i. Oostrum aan de erven van ridder Adriaan van Broeckhnysen in huwelijk met Margareta van Arnhem. Dezer dochter

zo door liet ^eluclo Ovlt; rkwariicr. Soms, al riddonnai i^r erkend, waren ze hier en daarop (rnltfen a island van het hoofdslot gebouwd, en dienden tot bewoning van jongere zonen of doehlers, ook wel als huwelijks uitzet bij eene mésalliance.

ocr page 45

leeuw van sabel, getongd en genageld van keel; helmteeken een uitkomende leeuw tusschen een vlucht; als schildhouders rechts een leeuw, links een griffioen.

De familie, wier naam door haar zelve en anderen op verschillende wijze geschreven werd (want op dit punt der orthographie waren onze voorouders minder Juist), stamt uit het bisdom Keulen en had haren hoofdzetel te Gürzenich bij Keulen. Oudtijds werd zij ook genoemd van üppendorff gen. Schellard, wat aanduidt dat Oppendorf een harer oudste bezittingen geweest is.

Men vindt geschreven: ') Schellaerdt, Schellaert, Schellardt, Schellart, 1) Schelaert, Scheilart, Scellaert, met de noodige de, van of Oppendorp, Oppendorlï, Obendorff enz., al naar gelang

een Guliksche of Geldersche scribent aan 't werk was.

We zullen in den loop der verhandeling de meest gebruikelijke en met de volksuitspraak overeenstemmende schrijfwijzen volgen (1). De familie werd in den Gravenstand verheven in den persoon van Jan Albert van Schellardt d'Oppendorf f 1731.

Het medebestuur van dezen eersten Schellardt viel in een zeer bewogen tijd voor onze gewesten, want de Geldersche hertogen waren in strijd met de Bourgondische vorsten om het bezit van Gelderland.

Daar heer Frederik voor het hevigste van 't krijgsrumoer was gestorven, zoo vond zijne weduwe Ariaentje het raadzaam niet alleen te blijven en kreeg voor echtgenoot een „erentfester en tugenthafter manquot; Andries van Vischenich genaamd Bell, een krijgslustige en werkzame figuur in den benarden Gelderschen toestand. Hij was met Mathijs van Merwijk „ritmeesterquot; benoemd voor 't Overkwartier en toonde eene groote bedrijvigheid en kloeken raad in 1497 en 1490 bij de versterking der Geldersche stadswallen Deze echtelieden leefden nog in 1500.

De halve heerlijkheid ging over op Frederiks zonen:

1° Wynand Schellardt van Opbendorf

werd in 1504 wel beleend maar niet formaliter (naar den vorm) te boek gezet, wijl hij volgens Wolters, de verschuldigde rechten

1

verre zij niet Spraeland-Oostruni in betrekking slaat.

ocr page 46

niet gekweten had. Hij was genoemd na^r Wynand van Arnhem, een oom zijner moeder, en komt in 1518 nog als heer voor en was dus in weerwil der bovengemeldt weigering van leenautho-risatie als gebieder opgetreden. Wynand komt ook voor als broeder van het O. L. Vr. gild te Oostrum en stierf kinderloos, waardoor hij als opvolger kreeg zijn broeder :

2quot; Jan I Sc he Hardt van Oppendorf

had tot echtgenoote Caecilia van Vlodorp en schijnt 153.'} overleden te zijn een zoon nalatende :

Frederik II Sc he Hardt van Oppen iorf, heer van Schinnen.

Beleend 13 Decemb. 1533, hernieuwt den leeneed 2 April 1539 en 17 Mei 1544, en werd in 1539 bij de volle landschap te Arnhem vergaderd als heer van Rosande (een uur bezijden Arnhem) verklaard. Deze heerlijkheid was afkomstig van Margareta van Arnhem Jan's-overgrootmoeder (1). Hij had tot vrouw Maria van Pallandt, dochter van Johan v. P. heer zu Frechen, Bachum, landdrost van Gulick, ambtman te Wilhelmstein en diens echtgenoote Cfecilia von Hompesch.

Den 22 Augustus 1548 sloot hij eene overeenkomst met zijn familielid Bertram Raitz von Frentz over het patronaat te Oerloo en diens vicaria perpetua. (Kerkarchief Geysteren).

In 155G was hij niet meer onder de levenden.

Adam I of Daem Schellardt van Oppendorf, 1557 - f 1602,

krijgt den 7 Sept. 1557 uitstel tot verheffing van zijn leen, waarvan hij echter den 16 Oct. daaraanvolgende de acte passeert.

In 1558 was hij inden echt getreden met Walcrarna of Walrava van Voorst van den Doorenwaard, zijne leenvrouw voor Rosande-en heeft alzoo beide „den Doornweerd en Rosande aan zijn geslacht vast gemaeckt ende de dienstbare met de heerssende Heer-

(1) Zie SllclUenliorsl |i. Ui,

ocr page 47

„lyckheyd onder een gemenghtquot; zegt Slichtenhorst (1). Deze schoone bezittingen wekten echter nijdige begeerten bij de van Voorsten op, die den Doorenwaard bij gebrek aan mannelijke opvolgers als een sadelleen wilden beschouwd hebben. Die toeleg mocht echter niet gelukken, daar de Schellardts, zegt onze Gelder-sche advocaat, „na een hard en haperlyck ding-taelquot; in het bezit gehandhaafd bleven.

Na zijn dood treden achtereenvolgens als heeren van Oostrum-Spraeland op zijne zonen

1° Jau II Sche Hardt van Oppendorf heer van Dooreivaard, 1603.

werd den 10 Oct. 1G03 beleend door zijn gevolmachtigde Jan Goldstein.

Als weduwnaar van Cat har in a van Goltstein, erfdochter van Muggenhuysen, was hij in 1G02 hertrouwd met Ursula Scheijfart van Merode, erfvrouw van Borgharen, Argenteau en Her mal.

Hij was een lastig heer voor zijne Harensche onderdanen ne overlaadde bovendien de heerlijkheid zijner vrouw met zware schulden. Op kerkelijk gebied had hij geschil met bisschop Cuyckius over het kanoniek aandeel in de pastoreele tienden van Borgharen. Hij overleed te Argenteau den 20 April 1(514 en werd te Hermal begraven; zijne weduwe volgde hem in den dood den 16 Januarij 1622 (2).

De Doorenwaard ging over op zijn zoon Adam Willem van Schellardt, terwijl Oostrum c. a. reeds 1604 in het bezit kwam van zijn broeder:

2° Vincent Schellardt van Oppendorf 1604 — f 1617 Dec.

verhief het leen in 1604. nam zitting in de Staten van 1607 tot aan zijn dood in December 1617. Hij was de 5de zoon uit den echt van Daem Schellardt en Walerama van Voorst.

Hij had tot echtgenoote Elisabeth van Sc hagen (dochter van Jan van S. en Anna van Assendelft), wier zuster Adriana van Schagen gehuwd was met Jan van Wittenhorst, heer van Sons-feld (3) en Drongelen.

(11 zie Slichtenhorst p. 112,

(2) Zlc Publications de I.imbourg 1H73 pag. ir^j,

(3) Sonsfeid ligt bij Rees,

ocr page 48

I

/,W. /V)^ //,/~quot; quot; 7

/ /y^^r ' __/?/ // '/ ' ■

^ ~ _ 'V.Try, At/jWi/j .

^ ;/h )L^ if Vquot;gt;^ - quot;'X - - 4» _

De van Schagens's hadden hun oorsprong in Willem (f 1473), éérsten heer van Schagen in Noord-Holland, een natuurlijken zoon van hertog Albert van Beieren graaf van Holland.. Deze Willem had tot echtgenoote Aleydis van Hodenpijl en voerde deswege het Hodenpijlsche wapen zijnde een gouden veld beladen met drie rechterdwarsbalken van keel voor een vierendeel gebroken met het wapen van Beyeren, Henegouwen en Holland, een schild dat de familie van Beyeren- Schagen of Schagen voortaan bleef behouden. (1)

De weduwe Elisabeth van Schagen leefde nog in October 1630. Uit dit huwelijk sproten zes kinderen, waaronder Adam die volgt, Adriana (elders Maria genoemd) gehuwd met Winand van Eynat-. y^-ten, heer van Homburg, Opsinnich en Antweiler en Maria Wale-_

jVM (2) den 1 Juni 1027 getrouwd met Willem Taets van

me rongen (f 18 Sept. 1G57). Uit de echtverbintenis van Maria •■yè' alerama ontsproten 12 kinderen, waarvan een zoon bij eene

. schermutseling te Wanssum het leven inboette.

/f [//peVth -

' ///quot;quot;' De heerlijkheid pro indiviso [onverdeeld) beseten door de

gezamenlijke kinderen van Vincent Sch. van Obhendorf.

Den 26 Jan'ü 1617 deed Johan Guillem krachtens procuratie van de weduwe Elisabeth van Schagen leenverhefFmg voor jonker Daem Schellartz, oudste zoon van wijlen Vincent, zoo voor hem zelve als voor zijne broeders, alle nog onmondig, pro indiviso Geysteren en Oostrum bezittende. Den 26 November 1638 hernieuwt Adam voornoemd den leeneed door zijn gevolmachtigde Jan Guill. van de Waterschappe, schout te Ge3fsteren.

(Zie M. J. Wolters: „Recherches sur l'ancien comté de Kessel et sur l'ancienne seigneurie de Geysterenquot;. Gent 1854 pag. 117— 120, bijlagen nos 32 en 33, waar de leenacten in extenso zijn aangegeven).

(1) Kabinet van Nederlundsche en Kleefsche oiulhoden en goziglon I Deel pag. 113 Dordrecht 1770.

(2) In Nnyens, Gesch. der Ned. Beroerten, I, 2 vindt men, pag. 285 onder de lijst der Kath* edelen van Holland in 1C56 :

Xomen doniini| : GhyesstMibiircli-Taets d'Ameronghe. lila est e baronibns Scliellarl d'Olien-doriquot; et Geysteren. — Ibidem in castello sno Gliyessenbnroh propè Gorcoiniiim,

%

ocr page 49

Adam II Sc/ie Hardt van O-pfendorf 1639 -1662 heer van Sprae land ■Oostrum en Geysteren,

werd wegens Geysteren als lid der Staten aangenomen den 2 Dec. 1645 en was gehuwd met zijne volle nicht Aleidis van Wit-teuhorst, dochter van Jan van W. en Adriana van Schagen. Reeds sedert 1639 lag hij met de ^ enraysche schepenen overhoop wegens geschil van jurisdictie ol hoogheidsrechten, waaraan bij vonnis van het Souvereine Hof van Roermond de dato 18 Maart 1648 een einde gemaakt werd en men terugkwam op het bescheid van 8 Sept. 1406. Dit vonnis is in de Oostrumsche gerechtsprotocollen geboekt. (Zie bijlage nu VI).

De echtelieden lieten ten jare 1641 de in de heide (thans in de dennenbosschen) te Geysteren gelegene Sint Willibrordskapel herstellen, zooals een gedenksteen met hun gecombineerd wapenschild boven de kapeldeur te lezen geeft:

16 Adamus Schellaert 41 Baro d. Oppendorlï et Alyda Witenhorst Conjuges restaurarunt.

Dit steenen wapenbord met onderschrift zijn beide blijkens het verband der inmetseling, eerst eenigen tijd na de herstelling of opbouw geplaatst.

Adam Sch. overleed in den morgen van 2 November 1662, zijne vrouw was hem reeds 26 November 1654 in de eeuwigheid voorgegaan.

Oudtijds moest de pastoor van 't naburige Wanssum jaarlijks op 3 November te Geysteren bet Misoffer opdragen en tegenwoordig zijn bij het jaargetijde van Adam Schellardt. Hiervoor beurde hij een halve kroon, die hem door het adellijk huis betaald werd. (Maasgouw 5de Deel bladz. 1092).

Joh an Vincent Schellardt van Oppendorjf heere tot Geysteren, Oostrum, Oerlo, Spraclandt en Wanssum,

was een der beduidendste heeren van 't Overkwartier zoowel om zijne dienstbetrekkingen als wegens den geldelijken steun, dien hij

ocr page 50

, /7 / V , ^ T~'

tch^i'quot; mcM V ^

/ — 44 —

zijn Koning verleende. Hij had tot eerste echtgenoote Albertina , } ,, ) Louisa van Beyeren-Schagen, doch in welken familiegraad deze met //?lt;« t/ .zijn grootmoeder Lisbeth van Schagen stond is ons onbekend^ reeds ten jare 1G53 gaven de echtgenooten een raam in het pand vari n'euw gebouwde Mindcrbroedersklooster te \renray ten

E/fêt'^^^y.gcschenke, waarin hun beider wapenschild was aangebracht.

In Maart 1057 werd, na het afsterven van Marccllus van Gelder heer te Arcen, Jan Vincent door Koning Philips benoemd tot het gewichtig ambt van drost van Kessel, een titel waarop de benoemde immer veel prijs gesteld heeft.

Den 5 Maart bekent de Koning van Johan Vincent eene som van 70,000 ponden van veertig grooten Vlaamsche munt te hebben opgenomen tegen een interest van 6^/^ ten honderd; voor de zekerheid van dit kapitaal en interest verpandt de Koning de beden, subsidiën, licenten en andere rechten en inkomsten van het Over-kwartier.

De benoeming tot Drost van het ambt Kessel schijnt bij de Staten van 't Overkwartier kwaad bloed te hebben gezet, want reeds 3 Maart antwoordde de landvoogd don Juan van Oostenrijk, dat de zaak niet zoo was als zij door de Staten was voorgesteld; dat de vergeving van het Drostambt van Kessel niet bij wijze van verpanding geschiedde, maar bij enkele benoeming; dat Johan Vincent eene som, tegen rentebetaling, aan den Koning heeft voorgeschoten, was een feit, dat met de benoeming in geen verband stond. Overigens moest die geldverstrekking in deze tijds-standigheden beschouwd worden, als een uitstekende dienst aan den Koning bewezen. En daarmee was de interpellatie afge-loopen.

Reeds tijdens het leven zijns vaders had Jan ^ incent 10 Nov. 1658 wegens Geysteren zitting genomen in de Staten van t Overkwartier, waarvoor hij weldra gewichtige zendingen zou ondernemen.

Den 27 October 1GG2 krijgt hij met andere heeren eene instructie om naar Brussel te reizen, ten einde aldaar het geschil met den bisschop te beslechten en tevens te onderhandelen over het bedrag der beden en licenten, en geeft dan ook in brieven van Januari Mei 1663 verslag van zijne zending.

Den 2 Maart 1665 werd hij benoemd tot lid der commissie van onderzoek naar een rekwest door de geestelijkheid, eenige adellijken

ocr page 51

— 45 —

en geërfden ten platten lande aan den Landvoogd opgezonden (1).

In 1GGG vinden wij Jan Vincent als bouwmeester werkzaam in zijne heerlijkheid Gej'steren en te Venray; in gemeld jaar toch liet hij het kasteel Geysteren optrekken, zooals het heden ten dage nog is met zijne fraaie colonnade, cene reminiscentie aan den Spaan-schen tijd en stijl.

Aan den nieuwen bijbouw der kapel te Merseloo (thans door een andere vervangen) schonk hij in 1GG6 ook even als in 1G53 aan het Patersklooster, een raam waar onder do gekleurde wapenschilden van hem en zijne echtgenoote de volgende opschriften voorkwamen:

„Johan Vincent baron van Schellardt van OppendorfT heere tot Geysteren, Oostrum, Spraelandt etc.

Vrouwe Albertina van Schagen, vrouwe derselver her-

lichheden anno 1GG6.quot;


In hetzelfde jaar trof den Landdrost een gevoelige slag in huise-lijken kring, want, zegt het sterfregister van Geysteren: „Mevrouw Albertina Lowisa van Schagen vrouwe tot Geesteren etc. storff in 't 2 kinderbedde den 1 Sept. 1GGG tusschen Den 10 uhre voor-midd., het soontjen des avonts te vooren een weynich geboren ende van de vroevrou gedoopt sijnde.quot;

Bij den verkoop van meerdere Kesselandsche dorpen als heerlijkheden door de Spaansche kroon tot steun harer finantiën kocht Jan Vincent het naburige dorp Wmissum en voegde dien titel bij zijne overige heerlijke bezittingen.

Ten jare 1G70 was er questie of geschil over het eikenhout op gemeente staande; de koninklijke rentmeester vorderde nl bij verkoop den lOden penning, iets waartegen Jan Vincent opkwam, als strijdende met zijne rechten van grondheer op zijn dominium.

Den 27 Juni 1GÏ7 sloot hij op nieuw een accoord of regeling van schatting met de schepenen van Venray, waaronder Oostrum in dat punt ressorteerde. (Zie Bijlage n0 VII).

In Oostrum liet de Drost zich ten volle als heer gelden bij gelegenheid van besmettelijke ziekten, jachtovertredingen, herberg-

;l) Sivró, Inventaris van het oud archief der gemeente Roermond, -t'quot; stuk, Ijlz. 159,1C1, 308 en 344.

ocr page 52

— 46 —

politie en feiten tegen de eerbaarheid, gelijk het dagboek van den richterbode Jacop Jan Cuyppers ons op menige bladzijde te lezen geeft. We zullen dit ter gelegener plaatse melden.

Reeds een jaar na het overlijden zijner eerste echtgenoote trad Johan Vincent in 1667 in tweede echtverbintenis met Maria Henrica van Sc he Hart, een familielid uit den tak van Gürtzenich, waaruit negen kinderen geboren werden (zie in de genealogische tabel onder Bijlage iv VII geplaatst).

En daarna is „mijnheer Johan Vincent baron de Sciiellardt van Oppendorff Here tot Geysteren gestorven den 27 April 1683 omtrent 7 uhren 'savontsquot;.

'Johan Albert van Se he Hardt (f Oppendorff 1698, heer van Geysteren en Spraelandt (voor den eersten keer).

Hii was de tweede zoon uit het tweede huwelijk van Jan Vincent en volgde dezen op in de heerlijke rechten. Wanneer de leenverhefiing heeft plaats gehad vinden wij niet, wel dat hij in 1698 als gebiedende heer van Oostrum optreedt en naderhand de heerlijkheid Oostrum en Spraelandt afstond aan zijn jongeren broeder Philip Frederik Ambrosius van Schellardt, die reeds in 1700 den titel droeg van heer van Oostrum. Den verderen, levensloop van dezen heer Jan Albert zullen we naderhand vermelden, als hij na het overlijden zijns broeders ten 2cl': male als heer van Spraelandt optreedt.

Philip Frederik Ambrosius van Se he Hardt dquot;1 Oppendorff,

heer van Oostrnni, Proost van Aken,

Dit zesde kind uit het tweede huwelijk van Johan Vincent werd te Geysteren geboren den 26 Juni 1675 omstreeks 8 uren's morgens. Bij den H. Doop trad als peter op Ambrosius baron van Virmondt van de Duitsche orde te Gemert, vertegenwoordigd door den secretaris van 't huis Geysteren, Herman Morini Pottebacker, zijne plaatsvervangende peettante was Wilhelmina Caecilia van Bocholtz Vrouwe ter Horst; naar zijn peetoom droeg de doopeling dan ook

ocr page 53

— 47 —

den naam Ambrosius (1). L)c jongeling werd voor den geestelijken stand opgeleid, maar deze bestemming nam niet weg dat een adellijk machtsvertoon en ridderlijke grootheid de jeugdige borst van Ambrosius doortintelde met een gloed, die enkel met den dood van den 46jarigen man werd uitgedoofd. Zulke hooghartigheid, die wel niet al te best met de apostolische eenvoudigheid te rijmen is, was aan meerdere hoogere geestelijken uit dien tijd eigen.

Op 21 jarigen leeftijd werd de politieke loopbaan van Ambrosius geopend, door zitting in den landdag „onder de raadslieden des landsquot;. Naar opvolgende besluiten konden beschreven worden en hadden recht tot zitting ieder Katholiek edelman, die acht kwartier (vier van vaders- en vier van moederszijde) kon bijbrengen en in het bezit was van een erkend riddergoed. Het Landdagsreglement van 20 Dec. 1Glt;S0, dat meer dan eene eeuw van kracht was, stond toe dat vader een zoon, twee broeders, oom en neef te gelijk op den landdag verschenen, mits ieder van hen een riddergoed bezat. De oudere broeder had reeds zitting voor Geyste-ren en van waar zou nu Ambrosius met zijne acht adellijke kwartieren het gevorderd riddergoed bijbrengen ?

Op eene deftige wel ingerichte woonstede of hechte burg lette men niet, en het goed dat eens de ridders van Spraelandt bezeten hadden en dat voor het gewenschte doel aan den jeugdigen aspirant werd. afgestaan, was volgens de bepalingen der wet voldoende. Reeds eeuwen voor Ambrosius' tijd was de burg Spraelandt in puinen, maar wellicht heeft er toen nog een of ander brokstuk in of boven den grond van bestaan; doch 't was een riddergoed, hoewel onbewoonbaar, 't Scheen wel wat bar, maar aan de wet was voldaan.

Zoo werd nog in de vorige eeuw het brok toren, aan deSwalm gelegen, waar thans het spoor voorbijsnort, als titel van riddergoed benuttigd, om voor den opvolger in het bezit van den Aldenhof of huis Rathem de deuren der Staten te openen.

Philip Frederik Ambrosius Schellardt van OppendoriT werd alzoo den 9 Mei 109(3 wegens het huis Spraelandt tot de vergadering

(1) Anlljroslus bimm do l.orod Vinium li was ltn;iimaiiil.'i:iÉ der Dullscho orde to ocmci'l van 1G54—f 18 Maart 1684. zie Schutjes, Kerk. Gesch, 's Bosch ; art. Gemert.

ocr page 54

— 48 —

toegelaten en een paar jaren later zien wij hem optreden als gebiedende heer van Oostrum.

Den 21 April 1700 geeft hij uit Venray een bevel aan alle zijne onderdanen der heerlijkheid Oostrum om, buiten speciaal verlof, aan niemand eenige diensten te presteeren, op strafte dat deze hun niet zullen gevalideerd worden. De gerechtsbode wordt diensvolgens gelast dit ter behoorlijke plaatse af te kondigen en aan te plakken.

Den 19 Februari 1702 was hij te Roermond tegenwoordig bij de inhuldiging van Philips V (van Anjou) als hertog van Gelder.

Ten jare 1705 moest de generaal-majoor de Schellardt (broeder van den tijdelijken heer van Oostrum) zijne thynsboeken doen hernieuwen en veranderen en daar zulks niet gevoeglijk te Oostrum, waar de zinsgelders woonden, kon geschieden, had de te Venray wonende scholtis Bodinckhuysen, met de regeling dier registers belast, de lieden verzocht bij hem te Venray te komen. Tot het medewerken voor zulken administratieven arbeid wilden de Oostrum-sche niet buiten hunne heerlijkheid gaan, „vermits de quaede consequentie in het gevolgh van dyenquot;.

Heer Ambrosius verklaart hierop den 20 Juli „tot weghneminghe van alle quaede gedachtenquot;, dat een en ander niet het minst zal strekken tot nadeel voor de inwoners van Oostrum, maar dat zij zullen blijven in hunne oude gewoonten.

Ondertusschen was ons Oostrumsch heerschap tot eene aanzienlijke kerkelijke waardigheid bevorderd, de prelatuur van Proost van het Keizerlijk-Koninklijk Stift van O. L Vr. te Aken, van het Akensch munster of dom, in 't Latijn Regalis Basilica genaamd. In die hoedanigheid werd hij voortaan in de geschriften vermeld, en had wegens die betrekking o. a. het vergevingsrecht der pastorie van Erkelenz.

Den 21 Febr. 1707 bevorderde hij tot pastoor dier Geldersche stad Andreas Knippenbergh uit Helden, die van 1691 tot 1707 pastoor was van Overloon, een Cuyksch dorp in de nabijheid van Oostrum en Geysteren. Deze Knippenbergh, een bloedverwant van onzen geschiedschrijver, overleed als deken van 't district den 1 Nov. 1726.

Den 15 Juli 1710 had de Proost aan den Scholtis Wierix volmacht gegeven om de bouwhoeve, op de herstraet te Blitterswyck

ocr page 55

— 49 —

gelegen, over te dragen aan zijn oudsten broeder Johan Albert. Dezelfde volmacht werd vertoond van Bertram Degener van Schellardt, een jongeren broeder des Proosten.

Den 13 Sept. 1713 schitterde de keizerlijke Proost, Geldersch edelman en Oostrums heer, aan de zijde van Jan Garsilius baron van Dornick van Walbeek in den ridderstoet, die te Gelder de inhuldiging van Frederik Willem I opluisterde.

Den 5 Juli 1714 kocht hij uit handen van den Baron van Wil. deren, heer te Hegum, en diens echtgenoote Anna Gatharina Dumont de hoeve „den Beyenbruggenquot; te Meerloo, en vinden wij hem reeds hetzelfde jaar betreffende rechten van dezen hof in proces gewikkeld met den grondheer van Meerloo, Constant des H. Roomschen Rijks graaf van en tot Winckelhuysen, heer van Calcum. Morb enz.

De uitslag van dit rechtsgeding is ons niet bekend.

De residentie in zijne proostdij te Aken schijnt van Schellardt minder bevallen te hebben; een vrijer leven en meer grondheer-lijk optreden vond hij in zijn Oostrumsch gebied; want, na de kanonieke voorschriften betrekkelijk zijn verblijf te Aken volbracht te hebben, woonde hij ongeveer twintig jaren bij de kloosterzusters in 't Convent Betlehem, waar hij den 20 Juni 1721 overleed in den ouderdom van 4lt;! jaren en midden in die kerk tegenover het altaar begraven werd.

Gaarne schijnt de Proost vereerd te zijn geweest met het peterschap bij den H. Doop in familiën, welke in een ot andere dienstbetrekking tot hem stonden, ten minste wij vinden hem in de omliggende parochiën een tiental keeren als zoodanig geboekt over kinderen, die schier allen naar den hoogen peetoom Philip of Frederik genaamd werden.

Nu eens was „reverendissimus ac perillustris dominusr/peterquot;*quot; over het zoontje zijns pachters, een ander maal over een kind van een Oostrumschen schepen, dan weder over de telgen van den Geys-terschen koster of rentmeester enz., en onnoodig erbij te melden dat dan eene flinke pillegift uit de toparchale handen vloeide.

Hoe overigens de üostrumsche grondheer op zijn adel gesteld was, blijkt uit het volgende staaltje: Een Venrayer stugge boer had eensdaags, denkelijk na ruim gebruik van bier of „Wacheler waterquot; (jenever), tegen den adel der van Schellardts grof uitgevaren, dat het metal dat adellijk gerei niet veel beteekende, en bezigde daarbij uit-

4

ocr page 56

drukkingen, die men kieschheidshalve moeielijk kan weergeven. De proost was in zijne hooghartigheid onnoozel genoeg den boer voor de Rooysche Schepenbank te doen dagen en hem voor dit crimen attentatum of liever beuzelarij in proces te trekken. De uitslag, zoo hij in de Venraysche Gerichtsprotocollen voorkomt, is ons niet bekend.

De rustplaats van den Proost van het eertijds zoo luisterrijk Koninglijk Akensch Kapittel, is, door de slooping der kloosterkerk in den Franschen tijd, verlaten en onbekend.

Johan Albert van Sc he Hardt dquot; Oppendorff,

heer van Geysteren en Spraelandt (voor den 2den keer).

Hij werd op het slot Geysteren geboren den 6 November IGOD, en aan het in levensgevaar verkeerende knaapje door den pastoor van Oerloo de nooddoop toegediend, terwijl de ceremoniën naderhand door den Geysterschen herder Antoon Gieskens aangevuld werden. Zijn peter was Jan Albert van Schellardt heer van Doorenwaard, voor wie de eerw. heer Gerard Riquart optrad; zijne meter was de eerwaarde doorluchtige Vrouwe abdis van Burt-scheidt (bij Aken), vertegenwoordigd door de echtgenoote van den Scholtis Ant. van Litt.

Op 22jarigen leeftijd nam de ridder den 21 Oct. 1691 wegens Geysteren zitting in den landdag te Roermond.

Ten )are 1G98 trok hij naar den Paltz en huwde aldaar den 21 October „Eleonora Magdalena Anna von Metternich, der Chur-fürstin zu Pfalz Hofdame und Kammerfraulein.quot; Zij was eene dochter van Jan Frederik Vrijheer „von Metternich herr zu Nie-derberg. Heistert und Schirpenbroich, Churpfaltzlicher Geheimer Rath, Cammerer, Bergischer Oberjagermeister und Ambtman zu Monheimquot; f 1G91 en zijner echtgenoote Maria Anna Constantia Freiïn von Spiering. Het Geystersch register zegt, dat dit huwelijk voltrokken werd „praesente Aula et approbatione Serenissimi Electoris Palatiniquot;.

Bij de deeling der erfgoederen van Eleonora's kant viel dezen echtelieden het adellijk goed te Müng genaamd Elpenich ten deel; later kochten zij een deel van het huis Heistert en een hof te Oberzier,

ocr page 57

Den 13 Sept. 1713 woonde hij, evenals zijn broeder de Proost, de inhuldiging te Gelder bij en ging in den optocht tegenover Adolf Renier Antoon vrijheer van Gelder te Arcen.

Ten jare 1720 streed hij ten zeerste voor de belangen en rechten van Pruissisch Gelderland en liet de bezwaren, welke de Staten hadden, in druk verschijnen, waarover de zoogenaamde Interims-Commissie een niet malsch advies naar Berlijn opzond. Deze merkwaardige strijd voor de rechten van het oude Gelderland in kerkelijk en politiek opzicht vindt men omstandig beschreven in: „Fried. Nettesheim, Geschichte der Stadt und des Amtes Geldernquot; (Grefeld 18G3, bladz. 472—493).

Jan Albert was de eerste uit den tak Schellardt—Geysteren, die-den titel van graaf voerde; „zijne Excellentiequot; werd hij voortaan begroet en was general-luitenant der cavallerie in dienst van den Paltz en Ridder van de Sint Hubertus-orde, waarin hij later tot Kommandeur bevorderd werd.

Op den 31 Juli 1720 geven de echtgenooten volmacht aan Gerard Adolf Schluys, scholtis te Oostrum en hun rentmeester te Geysteren, om de twee hun toebehoorende bouwhoeven (allodiaal) te Blitterswijck gelegen, nl. Brouwershof en Coppenhof, te veronderpanden voor een som van 1800 pattacons ten behoeve van juffrouw Maria Agnes van Aefferden.

Na den dood van den proost Ambrosius ging zijne heerlijkheid Oostrum—Spraelandt over op Jan Albert en werd zijne excellentie daarmede beleend den 20 Febr. 1723 in den persoon van zijn gevolmachtigde den scholtis Schluys.

Niet lang bleef hij in dit rechtsgebied, want in het laatst van

1730 of begin van 1731 is hij uit deze wereld gescheiden en werd opgevolgd door zijn zoon:

Jan Willem Joseph Bernard graaf van ScheHardt (C öppendorf heer van Geysteren, Spraelandt—Oostruui.

Deze werd ten jare 1700 geboren te Dusseldorp, waar de latere graven van Schellardt hunne huizinge en residentie hadden. Hij was later kapitein van Z. Keiz. Majesteit en werd den 12 Febr.

1731 met de heerlijkheid Wanssum, de halve hooge heerlijkheid Oostrum, Spraelandt en de buurtschap Lull „met de gerechte

ocr page 58

— 52 —

wederhelftquot; dezer laatste beleend. Op dienzelfden dag werd ook Geysteren verheven.

Sedert de verdeeling van 1469, tusschen de Schellardt's en de van Eyll's nl., moest ieder dezer partijen de/^///der resp. heerlijkheden bi) het Hof ter leen verheffen, en zulks bij ieder versterf of overdracht. Ofschoon de latere bezitters heeren van gansche onverdeelde leengoedereji waren, bleef de eenmaal bij het Hof aangenomen term bestaan: 1/2 heerlijk. Geysteren, Oostrum enz., zooals 1731, 1740; om echter geene tweede verhelling of acte te passeeren, wat doelloos en omslachtig was, voegde men bij de uitdrukking „halve heerlijkheidquot; als aanvulling „met de gerechte wederhelftquot;, wat genoegzaam het geheel aanduidde.

Jan Willem was gehuwd met Alexandrina gravin van Renesse tot Eldereu, uit welken echt twee zonen en eene dochter geboren werden. Aan deze laatste, Eleonora genaamd, werd den 23 Aug. 1732 het H. Vormsel toegediend.

In 1740 was graaf Schellardt overleden, en zeven jaren later verzocht de gravin weduwe geb. Renesse aan den Edelen Hove te Gelder om eenige gelden te mogen negotieeren tot aflossing van een kapitaal staande ad G 0\0 en dit te vervangen door een ad 3^2 procent. Den 13 Nov. 1747 stond het Hof het gevraagde toe en werd uit Roermond den 27 Nov. daaraanvolgend de rentmeester Arnold Verblackt tot handelen gevolmachtigd. Het klooster Bethelem verschoot 1100 pattacons op Brouwershof lo. Blitters-wyck behalve 3 permissie ducatons aan 't kasteel aldaar, op onbezwaard goed.

In haar request aan het Hof zegt de douairière, dat aan haar bij deeling was toegevallen Va van verschillende kapitalen door de ouders van wijlen haar man van scholtis Aerts opgenomen; bij transactie met den vrijheer von Hatzfeld ingegaan over de „er-stadinghquot; der Zutphensche leenen nam zij nog Va er bij en bovendien de kapitalen welke haar man privatieve van gemelden schout tegen 6 0\o had gekregen. De moeder van haar „eheheerquot; had zooveel schulden nagelaten dat de revenuen hier en in 't land van Cuyk tot 1744 inclusief daartoe waren aangewend. Uit het huis Steirum in 't hertogdom Berg kwam wegens de schulden van de Schellardt ook niet veel terecht en bovendien had men te Dussel-dorp moeten procedeeren en reizen ondernemen.

ocr page 59

— 53 —

De afstraling van den keurpfaltzischen luister schijnt dus slecht op de grafelijke finantiën gewerkt te hebben, totdat eenige jaren later het testament van een adellijken suiker-neef uit Schinnen de snoeren der beurs in beweging zette.

Na den dood zijns vaders Jan Willem werd, den Aug. 1740, voor het leenhof te Gelder verheven o. a. de halve heerlijkheid Oostrum, Spraelandt en Lull, met de gerechte wederhelft, alles door Vrouwe Eleonora Magdalena van Metternich voor haren minderjarigen kleinzoon Adam. De hoogdeftige douairière Eleonora heeft echter niet lang deze beleening overleefd.

Een gewichtig feit, van groot belang voor het volgend leven van Adam Alexander, had plaats te Schinnen den 1G Sept. 1740. Op dien dag maakte de heer van Schinnen, Walraef Adam van Schel-lardt d'Oppendorff, die geene wettige kinderen naliet, zijn testament of uitersten wil Hij vermaakte daarbij alle zijne goederen, roerend en onroerend, het huis en heerlijkheid Schinnen in vruchtgebruik aan zijne nicht Maria Ernestina van Schellardt van Reulsdorff, en na dezer overlijden, in vollen eigendom aan den oudsten zoon van wijlen Jan Willem heer van Geysteren, of bij dezes ontstentenis, aan ieder andere den naam Schellardt dragende, naar goedvinden zijner nicht. ^ lJl)X

Dit testament werd den 3 Juli 1742 geopend en reeds 19 October werd Schinnen als Valkenburgsch leen door Reiner Gorten namens Maria Ernestina verheven.

Na den dood dezer laatste volgde den 7 December nrjdeleen-verheffing door den scholtis van Schinnen, namens Adam Alexander graaf van Schellardt te Geysteren, Schinnen, Oostrum-Spraelandt, Haen, Crapoel, etc., etc.

Onze graaf was gehuwd met Isabella Maria Regina Antonetta gravin van Hoensbroeck, aldaar geboren 11 Juni 1738. Zij was de zuster van Philippus Damianus, bisschop van Roermond (f 17 April 1793) en van Joseph Adolph van Hoensbroeck, oud kanunnik en koormeester van Trier (f te Blijenbeek onder Afferden 23 Nov. 1813).

Adam Alexander graaf van Sc heer van Gcysteren-Spra

ocr page 60

Uit hun huwelijk sproot een dochtertje Theresia, dat te Dussel-dorp door een ongelukkig toeval het leven verloor. Te Geysteren vertoefde hij zelden, zijn kasteel aldaar was tijdelijk door eene andere adellijke familie bewoond. Adam Alexander stond evenals zijne voorgangers hoog in aanzien bij het Keurvorstelijk Hof, hij was Geheimraad en kamerheer van seiner Kurfïlrst Durchlaucht.

Inmiddels waren de Franschen in deze landen binnengerukt en hadden de heerlijke rechten, heerlijkheden, adellijken voorrang en w it dies meer zij, vernietigd en de meeste oude dorpsheeren aan deze zijde van den Rijn waren veelal slechts groote grondeigenaren gebleven; hun autokratisch gezag was vervangen geworden door de destijds niet minder geduchte Liberté républicaine.

In dezen toestand besloot de graaf zijn testament te maken, waaraan den 25 Januarij 1804, te Dusseldorp gevolg gegeven werd. Behalve kerkelijke diensten en eenige legaten, stelde hij tot alge-meene erfgename aan zijne nicht Mimi of Marianne Louise van Hoensbroeek, destijds te Yenlo wonende en dochter van den broeder zijner vrouw Lotharius Frans Victor Hyacinthus, Markgraaf van en tot Hoensbroeck en dezer echtgenoote Sophia Charlotta Maria Catharina Walburgis, Rijksgravin van der Leyen en Hohen-Gerolsegg. -f- yi faA.

Dit testament werd geopend en voorgelezen te Dusseldorp den 7 Febr. 1804 en geregistreerd te Maastricht 20 Pluvióse an XII (10 Febr. 1804). Zie Bijlage N° IX.

M aria Anna Louisa van Hoensbroeck was in hare jeugd kanon-nikes van het Damesstift te Thorn, dat door de Franschen werd opgeheven , waarna de gravin zich metterwoon te Venlo vestigde. De regeling van meerdere zulke adellijke abdijen en stichtingen eischte enkel de voortdurende belofte van kuischheid van de abdis; doch den overigen klooster jonk vrouwen stond het vrij naar keuze in de wereld terug te keeren.

In dezen stand of onmiddelijk na de suppressie had de kanonnikes, die veel minder in erfgoed bezat dan haar broeder-stamheer, doch in hare hooge jaren nog eene vrouwe van statig voorkomen was, een huwelijksaanzoek gekregen van een Westphaalsch edelman.

Nauwelijks echter had de laatste heer uit den stam Schellardt-Geysteren, ten gunste der oud-kanonnikes getesteerd, ot op eens hadden Amor met Cupido en harten gn verlangens van adellijke

ocr page 61

— 55 —

candidaten vermeesterd, ja, „te peerd en te voetquot; werd de bezitster van Schinnen en Geysteren hulde gebracht.

Nicht Mimi schijnt echter het oud Hoensbroeksch devies „Verus amor nunquam peritquot;, eerst goed gelezen te hebben en reikte in 1806 hare hand aan den Westphaalschen getrouwe:

Caspar freiherr van Weichs zur Wenne, wiens kleinzoon thans Geysteren bewoont.

Ter wille van de oude rechtsverhoudingen tusschen de adellijke heeren van het huis Geysteren en Spraelandt, zoomede om de innige toegenegendheid welke de familie de Weichs de Wenne immer voor de O. L. Vr. kapel te Oostrum koesterde, volgt een kort genealogisch fragment, bijlage N0 VII.

En hiermede eindigen wij ons beknopt overzicht over de aloude heeren van Oostrum en Spraelandt, die tot aan den Franschen tijd aan het hoofd der heerlijkheid stonden, om vervolgens eenige bladzijden te wijden aan de beschrijving van het Schepengerecht met schout, secretaris en richterbode, de heerlijke rechten, leengoederen en verdere geschiedkundige voorvallen daarop betrekkelijk.

ocr page 62

Heerlijke Rechten.

In den beginne had de Heer van Oostrum in deze zijne heerlijkheid niet de hooge of crimineele jurisdictie, alleen had hij de lage gerechtigheid. Dit blijkt uit het hierachter (1) in zijn geheel medegedeeld, merkwaardig recordium, door de oudste inwoners van Venray gegeven in 1542. Toen getuigden 24 der oudsten van Ven-ray, waarvan de oudste 95 jaar oud was, en waaronder heer Pauwels vicarius aldaar, dat hun kondig was, dat de hooge heerlijkheid van Oostrum te weten klokkenslag, gebod, verbod, dienst, waken, bekeuren („broeckenquot;), schattingen, hooge beboeting („hoich-broeckquot;) en al wat tot de hooge heerlijkheid behoort, altijd heeft toebehoord gelijk met het kerspel Venray aan den hertog van Gelre, en den Heeren van Geysteren alleen de lage heerlijkheid tot een waarde van vijf marken (d. i. beboetingen die vijf marken bedragen). Als bewijs haalt een der ouden aan, dat hij zijn vader had hooren zeggen, dat de huislieden eens een misdadiger gevat hadden, die brand had willen stichten („wieken had gelegdquot;) en dat deze zong : „Sy huyden daer sy huyden, ick salsyn maecken muy-den, sy wachten dayr sy wachten, ick spreek myn lief!' bynachtenquot;. (Een lied dat moeielijk te verslaan is); dat terwijl hij zoo zat te zingen niemand den misdadiger durfde rechten, totdat Hertog Adolf zelf kwam om hem te oordeelen en deze heeft hem „setten laetenquot; tusschen „Oitioe ende Oesterum.quot; Verder verklaarde Jacob Goessens, dat eenigen tijd geleden, toen hij gerechtsbode te Venray was, hij te Oostrum een misdadiger gehaald had en te Horst bij Wittenhorst, die toen drossaard des lands van Kessel

1 CliarUT uil hel m-hUTlijk aivliiclquot; van Venray in hei Ki.jksaivliic.l Ie Maaslnrhl. '/Ac bijl. n.V

ocr page 63

Was, gevoerd heeft, alwaar den misdadiger de oog-en werden uitgestoken. Reeds in 1454 op sint Bartholomeus' avond (1) had hertog Arnold getuigd, dat Oostrum tot zijn klokkenslag, schattingen, beden „endeandersquot; van zijn kerspel van Venray behoorde; dat „ende andersquot; laat veel te denken over, en met het oog op het hier meegedeelde charter van 1542, zou ik meenen, dat daartbij in 1454 ook begrepen was de hooge justitie, die in 1542 ook nog tot de schepenbank van Venray behoorde.

Hoe het zij, later kwam de hooge justitie aan de Heeren van Oostrum, zooals blijkt uit het merkwaardig vonnis door het Sou-verein Hof te Roermond den 18 Maart 1648 geveld, in zake den gebiedenden heer Adam Schellardt van Oppendorf, en de Schepenen met de naburen van Venray en dat ons een juiste om-schrijving geeft van het rechts- en machtsgebied der heeren van Spraelandt-Oostrum.

Dit vonnis steunde op een bescheid van 8 Sept. 1406, welk bescheid echter niet van de hooge justitie spreekt, maar alleen dat het recht van manschap, klokkenslag en beden (belastingen) behoorden aan den Hertog, gelijk wij ter plaatse hebben aange* stipt. De Souverein of leenheer behield zich voor het recht van manschap, doeken slag en bede, wat voor den beleende ten gevolge had medehulp in krijgsdienst, het verschijnen ter dogvaart en geldelijke verplichtingen. Overigens hadden de Spraelandtsche heeren volkomen jurisdictie in hunne heerlijkheid; van daar het recht tot benoeming van Schout, Schepenen, Secretaris en richterbode, het politie-toezicht op openbare wegen en herbergen (ook feiten tegen de eerbaarheid ontgingen veelal niet aan zijn gestreng oog). In crimineele zaken had hij oudtijds gevangenis en galg, tevens de rechterlijke boeten, breuken enz. over geheel zijn dominium, de boomplanting der wegen, jacht en visscherij, hand- en spandiensten. Venray bleef in haar recht van beleering der Oostrumsche schepen, eveneens in het verdeelingsrecht der schattingen en andere lasten, alsmede in het beheer der gemeente goederen, voor zoover de Oostrumsche ingezetenen daarop berechtigd waren (Bijlage VI).

Vandaar dan ook dat de inwoners in 1G97 aan het Hof te

1 Olmrtor uil hot rccliuTlIJk archief vim Vrnray in hoi Uijksaivhlcf ti' Maasli-ichl : Zio bijl. IV

ocr page 64

Roermond meldden, dat zij op het punt van politie (1), uitschrijving der lasten, contributiën of anderszins onder Venray behoorden.

Steuerrechnungen, gemeente rekeningen, schatlijsten van onraeds-penningen, vee en ambachtsbelasting,hoofdgeld,consumptie, generale kapitatie, naderhand van Werbefreiheitsgeld, fixumlijsten vindt men van Oostrum geene; in alle deze zaken ressorteerde het onder Roy, evenals voor het armwezen onder het parochiaal bestuur.

Enkel het jurisdictioneele, de schepenbank met alle daaraan verbonden ambtsverrichtingen, werd te Oostrum uitgeoefend; vandaar spraken de Schepenen ook recht namens hun gebiedenden Heer of Vrouwe.

De vele pachten, erftlwnsen en lijfgewinsgoederen in Oostrum wijzen ons in het leenverband op het aloude bezit der villa Oesterham in handen der Spraelaendtsche heeren

De erfpachten, die het huis Geysteren in de vorige eeuw onder Lull en Oostrum trok, bestonden uit ongeveer 21 malder rogge.

De Thynsgoederen, veelal erfthins genaamd, daar de meesten erfelijk gevestigd bleven, waren bezittingen, waarop de last van een jaarlijks te leveren cyns of rente rustte. Deze opbrengst bestond of wel uit vruchten, naturaliën, ook wel hoenders, kapoenen, of eene bepaalde geldsoort, en waren bij hunne vestiging eene beduidende bron van inkomsten, die echter naar mate de economische toestanden veranderd waren, ook in waarde daalden. Deze goederen waren door den oorspronkelijken grondheer aan de gebruikers tegen die verplichtingen afgestaan.

Men had b. v. een census van eene bepaalde hoeveelheid of quantum wijns, zooals een mengelen, een kwart; een cijns van was, vooral ten behoeve van kerken; een cijns van hoenders of kippen; een cijns van geld b. v. 1 alt moerken, één pond Vlaamsch, 1 Brabantsch oort, enz.

Bij overdracht zulker thynsgoederen werd voor den heer de 12de penning betaald.

Verder vond men in de heerlijkheid lijfsgewingoederen. De benaming duidt aan, dat ze met den lijve gewonnen, geworven en verkregen werden en moesten overgedragen worden. Het waren oor-

T Heteelcem barKcrlIJkc administratie, volgens (Ie oorsproukeiyke betenkenls des woords.

ocr page 65

59

spronkelijk goederen, welke de landheeren aan hunne lijfeigenen ter beakkering overlieten, laetgoederen, en moesten veelal aan twee handen staan, Twee personen, twee lijven, twee handen moesten geboekt worden, stierf de eene hand dan moest eene andere in de plaats gesteld worden, en om niet dikwijls de overgangsrechten (hier de 10tlen penning) te betalen, koos men veelal jeugdige personen of kinderen.

Deze goederen van erfthyns en lijfgewin werden, niet gelijk allo-diale bezittingen, op het gewoon Schepenregister geboekt, maar de overdrachten, scheidingen, acten enz. werden verleden voor den grond- ot landheer, voor wien gewoonlijk diens officier of stadhouder van leenen optrad, en twee laeten of hofhoorige schepenen.

Deze goederen konden zonder verlof of consent van den grond-heer nóch verkocht, nóch verruild, nóch gesplitst worden en zulke vergunningen en overdrachten werden op des Heeren legerbocck ingevuld.

Werden in later tijd ook, tengevolge van gewoonte of reglementen, deze goederen ten overstaan van gewone Schepenen verkocht, dan was de toestemming van den oorspronkelijken hofheer of landheer toch altijd noodig.

Als voorbeeld geven we een paar acten van octrooi uit het laatst der vorige eeuw:

1773, 27 Augustus geeft de rentmeester Arnold Verblackt, gevolmachtigd door den hooggeboren heer Adam Alexander, graaf van Schellardt enz, verlof aan Jacob Vermeulen om zijn huis en erven onder üostrum „soo ten lijffgewins als ten erfthinsrechtenquot; staande aan het huis Geysteren, te verkoopen.

1789. „Permitteere mits deesen aan Henricus Biestervelts, omme te vercoopen en te transporteeren seekere veld-pasch, synde ten erlthins rechten aan 't hoogadelijck Huys Geysteren uytgeldende jaerlyx eenen brabantsch Stuver mits den Heere sijn goet recht voor te behoude. Aldus gegeven tot Venray den 15 9,ll'is 1789. Lamb. Verblackt.quot;

Niet enkel de aloude grondheeren of vroenhoven, ook kerken en gestichten hadden zulke goederen. Zoo was de kapel van O. L, Vr. van Oostrum grondheer van meerdere cijnsplichtige goederen en had dientengevolge haar eigen overdrachts- of cijnsboek. Als haar officier trad de pastoor van Venray, als laeten of hofhoorige sche-

; 'i

!

JlU «

lm

il ' Uü ; ' j.

ti i

'•

I

ocr page 66

- fiO —

penen, een tweetal schepenen van Oostrum op en als secretaris fungeerde de gerechtsschrijver der heerlijkheid. Bij zulke perceelen staat gewoonlijk in 't register : „ind ons lyeffrouw is daer landt' heer affquot;.

Gedurende de Fransche overheersching werd eene groote opruiming gehouden onder de rechten van thyns- en lijfgewins-goede-ren; meerdere wetten en besluiten komen in de „Bulletins des Loisquot; en de „Actes de Prefecturequot; deswege voor.

Enkele staaltjes van heerlijke rechten uit de 17de eeuw, in het dagboek van den richterbode Jacob Jans (1) opgeteekend, doen ons zien, dat het geen tirannieke handelingen waren, maar enkel maatregelen van bestuur en voorschriften, die in onze gemeentewetten, wetten op jacht en visscherij en dergelijke, niet het minste opzien baren. Ze vallen voor onder het bestuur van Johan Vincent, landdrost van Kessel:

1G65, 15 Febr., laat de gebiedende heer van Geysteren, naar aanleiding der uitgevaardigde plakkaten, aan alle zijne onderdanen der heerlijkheid Oostrum verbieden, dat iemand na 9 uren'savonds bier in de herbergen mag tappen of drinken, op verbeurte van 3 gulden, voor waard en gast. Op gelijke boete wordt verboden „vooijen te jagenquot;, geen kraamfeesten noch bruifloften te houden met meer dan 25 paar luiden.

Op 26 Nov. 1673 laat de heer aan de kerk afkondigen, dat niemand van Oostrum'zich na 9 uren 'savonds in eenige herberg mag bevinden „om te dryncken byer ofte waechholen waeter (2)quot; op boete van 3 goudgulden, en de waarden dobbel. — Op gelijke straf wordt het den „spuylluydenquot; ontzegd in de herberg of over de publieke straat te spelen, alsmede het plegen van alle baldadigheid of burengerucht. Zelfs de gerechtsbode of ieder ander, die zulke feiten niet ter kennisse bracht, beliep eene even hooge boete.

1666, den 26 April laat de „woleedele heer van Osterumquot; verbieden eenige meiboomen te houwen op straffe van 3 goudgulden; hetzelfde geldt voor alle die daarbij tegenwoordig zijn of daar die boomen gezet worden.

11 Op hel ItIJksarclüet te Maastrlrlu.

;-2) Waeehholeu = Jeneverstruik en wnecliholenwater = jenever. In Zuid I.linlmrji heet die slmik, wacheltern.

ocr page 67

16GG, den 20 Juni wordt afgekondigd, dat de inwoners van Oostrum moeten dienen, hand- en spandiensten verrichten op de heerbaan van Oerlo naar Vierlingsbeek, de inwoners van Lull op den weg van Geysteren naar Venray.

1GG7, den 9 Januari had Jan op Spraeland tegen zonsondergang onder de veldhoenders geschoten en die nageloopen, en krijgt diensvolgens bezoek van den richterbode.

1673, den 9 Mei moest de gerechtsdienaar op verzoek van Evert, den kamerling van Mijnheer, arresteeren Jan Claessen, Jan Faessen van Venray en Ruth Cuytten, omdat zij met eene waai of zegen in de Oostrumsche beek in de weiden aan 't visschen waren. Des anderendaags liet de baron het vischtuig ten huize van den bode halen.

1668, den 12 Nov. laat de scholtis verbod doen aan Trijn Brouwers haar huis te verlaten met beesten of kippen, alsmede geen mest van't erf te vervoeren „op pene als mijn heer belyeven salquot; (1).

16G8, den 23 Nov. verbieden de schepenen aan dezelfde persoon om vee met den hard uit te drijven en gelasten haar hond en katten te binden op „so hoege pene als mynheer gelyeven sal want Trijn haer misbruiktquot; (2).

Den 2G Nov. gebiedt de heer aan de naburen tot Lull, onder de heerlijkheid Oostrum gehoorende, die ten huize van Trijn Brouwers geweest waren „doen Trijnen Soen gestorven was aen de peestquot;, dat zij hun vee niet op den publieken weg mogen drijven, en zij afgezonderd van de menschen en uit de kerk moeten blijven, op verbeurte van 3 goudgulden.

1G70, 9 Nov. werd gepubliceerd, dat geen naburen van Oostrum zullen volgen eenigen bode of schutter van Venray, in zake arrest, gebod of panding; waarschijnlijk stond dit in verband met het geschil over de eikenboomen, van welke de koninkl. ontvanger de gewone landsrechten vorderde en waartegen de Heer zich had verzet.

1671—1674. Worden eenige personen gerechtelijk vervolgd wegens „haer oneerelijck levenquot;.

1(575, 15 Sept. laat de Baron door den bode afkondigen, dat de

,1 en 2, Waarschljiilijk uit vrees voor gevaar van besmeltin^: wegens de pent, /ie op 20 Nov, hierna.

ocr page 68

I

— é2 —

huislieden hunne honden zullen jukken. — Op de overtreding stond 2 goudgulden en het doodschieten der dieren door den jager of bode. v

1G76, den 22 Maart werd hetzelfde herhaald, doch nu op straffe van 3 gulden.

167G, den 30 Aug. Streng gebod van den Heer aan de inwoners van Oostrum op pene van 20 goudgulden, hunne honden te jukken „dat sy niet en loepen in de huyser daer die kranckheyt in isquot;.

ê

i

I

ocr page 69

Schepenbank te Oostrum.

Gelijk uit de oorkonden blijkt, had van oude tijden her, zeker reeds in het begin der 15cle eeuw, de villa Oostrum haar schepengerecht of bank, maar moest volgens bescheid van 1406 te Venray „ter bcleeringquot; gaan. Zulke hoofdvaart of beleeringsrecht werd bestendigd bij plakkaat van 1618, dat luidt: „Waert soo d'onder-richters hun niet wijs genoeg en vonden, om vonnis in saecke voor hun hangende te geven, sullen mooghen ten hoofde ofte leeringhe gaen ter plaetse, daersulcx van oudts plagh te geschiedenquot;.

De schepenbank bestond hier, gelijk elders, uit zeven schepenen, die uit de inwonende geërfden der heerlijkheid genomen, door den tijdelijken heer benoemd werden.. Alvorens hunne bediening te aanvaarden legden zij in handen van den scholtis den ambtseed af.

Hunne bediening was niet enkel het aanhooren en vonnis vellen in zake rechtsgedingen of strafzaken, het benoemen van voogden, gelijk bij onze kantongerechten of hoogere rechtbanken geschiedt, ook het politietoezicht en dat op het onderhouden der gemeente-verordeningen, het „beleydquot; of de heerschouw berustte bij de schepenen.

Een ander niet minder beduidend en omvattend werk was in handen der schepenen, nl. de ambtsbezigheden onzer notarissen. Voor scholtis, schepenen (ten minste twee hunner) werden de akten van verkoop of overdracht, verruilingen, schuldbekentenissen en hypothecaire inschrijvingen, magescheydingen (1), huwelijksche voorwaarden, testamenten en dergelijke, verleden en door den gerechtsschrijver of secretaris onderteekend, waarna het schepens-domszegel aan de akte kracht bijzette.

;i) Erfdeelingen,

ocr page 70

— 64 —

Voor testamenten of uiterste willen werd veelal slechts de aanwezigheid van twee schepenen met secretaris gevorderd.

In zaken, waarin zij zeiven of hunne familie onmiddelijk in betrokken waren, konden de schepenen niet fungeeren, maar werden de stoelbroeders van naburige plaatsen ter hulp geroepen.

Was de schepenbank door afwezigheid der schepenen of sterfgeval niet sterk genoeg, dan kon geen vonnis geveld worden, zooals de Oostrumsche schepenbank in 1612 overkwam bij het afsterven van Peter Vermeulen, en in 1(3:56, toen de pest hevig woedde en Jan Smits de eenig overgebleven schepen was. De oudste in dienstjaren kreeg in later tijd den naam van presidentschepen en verving meermalen den scholtis.

De Oostrumsche schepenen hielden hunne zittingen in de gerichtscainer, in het midden der vorige eeuw bij den medeschepen Lambert Laemers, later bij den waard of herbergier aan den watermolen.

De Geldersche Land- en Stadrechten vorderden, dat iedere Schepenbank haar eigen zegel zoude hebben tot bekrachtiging der van haar uitgaande akten. Waar het niet aanwezig was, moest het volgens dit wetboek gemaakt worden. Vele dezer zegels stellen een heilige, inzonderheid den kerkpatroon, voor met of zonder het wapen van den gebiedenden Heer; zij werden veelal onder aan de acte afgedrukt, in gewoon of groen was met eene papieren ster, of sierlijk uitgeknipte ruit overtrokken.

Het zegel, dat de Oostrumsche schepenen in de vorige eeuw gebruikten, stelt voor de H. Maagd Maria (zoo als bekend is, is O. L. Vr. Geboorte 8 Sept. het patroonfeest der kapel), met het Christuskind; zij draagt eene kroon en houdt in de linkerhand eenen schepter; randschrift: „Segel der schepens Oosteromquot;. De middellijn was 3,5 centimeter.

A.an het hoofd der bank stond de Schout of Scholtis door den Heer benoemd; ook deze ambtenaar moest, volgens het landrecht, ten overstaan of ter presentie der schepenen of van den vertegenwoordiger des Heeren, den eed alleggen van zijn ambt trouw te te vervullen. Hij trad in politie- en strafzaken, waarover hij het opzicht had, officieel, ambtshalve „nomine officiiquot; als klager op» legde de vonnissen ten uitvoer en vertegenwoordigde den heer; vandaar dat hij niet onbedreven in rechtszaken was en veelal uit

ocr page 71

— 65 —

den landadel, of oude bekende schepenfamiliën genomen werden (I). Crimineele misdaden tegen het gemeen recht werden in het land of het ambt van Kessel ambtshalve door den ambtman of zijn stadhouder vervolgd.

Eene der gewichtigste posten van de banken was de betrekking van gerechtsschrijver, later veelal secretaris genoemd. De afzonderlijke heerlijkheden hadden hun eigen schout en gerechtsschrijver dooiden tijdelijken heer benoemd, terwijl de overige dorpen of banken in den lande van Kessel gezamenlijk maar één laudscholtis en één landsciirijver hadden.

Bij de dikwijls zeer geringe kennis van wetten, gewoonten of rechtstoestanden, welke de landelijke schepenen bezaten, (meerdere waren destijds, hoewel met een gezond verstand begaafd en in landbouw ervaren, toch schrijvens onervaren'), berustte de geheele loop der werkzaamheden op de schouders van dien schrijver, van wiens kennis en ijver veel afhing.

De behoorlijke invulling der gerechtsprotocollen of gichtboeken was zijne taak, kortom alle schrijfwerk, ook het opstellen van de verschillende staten of tabellen, die als extraordinaire devoiren voorkomen, ging hun van de hand. Zeer dikwijls was hij met zijn superieur de scholtis de vraagbaak der schepenen en inwoners.

De partijen welke voor het gerecht traden waren meestal vertegenwoordigd door procureurs of advocaten, welke hunne behoorlijke aanstelling moesten hebben, ja zelfs mocht in later tijd geen rekwest of welk stuk ook, wilde het geldig wezen, door eenige personen aan de rechtbank opgezonden worden, zonder eerst door zulke rechtskundigen onderteekend te zijn

De laagste beambte bij de schepenbank was de richtersbode of bode, insgelijks door den heer te benoemen. Hij was, gelijk zijn naam aanduidt, de bode van den richter, vandaar dat hij de vonnissen moest beteekenen, citaties aanbrengen, beslag leggen op goederen enz., en hierin stemde zijne bediening in menig opzicht met onze deurwaarders overeen. Ten andere was hij belast met publicaties, omroepingen, uitroepen bij verkoopingen en het politietoezicht op jacht, visscherijen, vagabonden, herbergen enz. Zijne

(1) Mei voorkennis van tien Heer werd deseholtls somliids door lt;«.11 sulistilmit vervmwn, zoo was moester Jan van Bercoen In 1027 plnatüvervtuvymr van Jan Uulllamne uil kraclué vau volmacht hem verleend door vrouwe Kllsabeth van Schaden.

5

ocr page 72

— 66 —

bediening stond vroeger niet hoog in aanzien. Een dezer Oostrum-sche richterboden Jacop Jans Cuyppers was voor zijn tijd een merkwaardig man, en wij zullen later nog eens op zijne persoonlijkheid en bedrijf terugkomen.

Gelijk in de oude gerechtsprotocollen van den Lande van Kessel heelt men ook in die van Oostrum dezelfde rechtstermen van „gespunner banck — aan s Heeren I^oede getast eene ci clei niss gegeven, en gcHuclitiitgc gehalden. L)cze laatste teim stamt hei \an dequot;oude Germanen, die hunne tijden bij nachten berekenden, en beteekent zooveel als zitting van 't Gerecht, welke gewoonlijk om de 14 dagen plaats had. Geregeld komt hij het laatst in 1646 voor; de secretaris de Haen schref voortaan „Gerightsdagh gehouden of

gedingh gehoudequot;.

Een staaltje van het rechtsgebied des heeren van Geysteren over Oostrum hebben wij hiervoor reeds meegedeeld, ter zake van een gerechtelijk verhoor van oude inwoners van Venray. Ten tijde van hertog Adolf (quot;j-147() namelijk, alzoo om de jaren dat do heerlijkheid Spraeland-Oostrum tusschen de van Eyll's en de Schellardt's verdeeld was, hadden de inwoners van Oostrum een boosdoener gevangen, die aldaar brand gesticht had. Zij durfden hem echter niet vonnissen, zoolang (aldus zegt terber t. a. p) de deugniet een liedje zong, welks eerste strophe aldus luidde:

Sy huyden daer sy huyden,

lek sals yn maecken muyden,

Sy wachten daer sy wachten,

lek spreeck myn lieff by wachten (i;

En inderdaad hertog Adolf kwam persoonlijk te Oostrum, waar hij den misdadiger liet terechtstellen.

De verdere inhoud van dit lied is ons niet bekend, evenmin als de juiste beteekenis van die eerste strophe, maar er moet wel eene verbazende tooverkracht of heilige macht in gezeten hebben, die uitstekend werkte op het hart der vroede schepenen van Oostrum nu 400 jaar geleden, als ten minste Ferber het juist voorstelt. Ik meen, dat in het charter alleen maar te lezen is dat de schepenen, wijl zij toen de hooge jurisdictie misten, niet durfden vonnissen

(1) Ook Kerber deelt in zijn Geschichle der Familie Schenck von Nydeggen p. 206, dit liedje mede volgens een exemplaar in het charter, dat zich in het archief te Geysteren bevindt.

ocr page 73

- 67 —

en dat de booswicht hen bespotte, door een deuntje te zingen waar in van wachten spraak is.

De Franschen, die in de vorige eeuw hunne heilgaven voor de overwonnen volkeren ten beste hadden, waren met de aloude Geider-sche justitie-zaken niet gediend en hieven, zoo zij voorgaven tot betere verdecling en toepassing der justitie, de schepenbanken op.

Het Oostrumsch Schepen-archief werd naar de hoofdplaats Venray vervoerd en berust thans grootendeels op het Rijksarchief te Maastricht, d. \v. z. voor zoover het te Venray was, maar te Dusseldorf in het Staatsarchief kunnen ook bescheiden berusten, en daar moesten zij berusten als de Fransche wet is uitgevoerd. (1) Te Maastricht zijn aanwezig:

Gerechtsprotocolle 18 Jan. 1594—26 Mey 1615. Het tweede protocolle 6 Oct. 1615—1 Dec. 1626. 't Derde protocolle 18 Jam 1627—29 Maart 1639. verder; 1 Gerechtsprotocolle (ingeb. in perk.) 4 Oct. 1639—22 Jan. 1774 — dan: Overdrachtsprotocol (met arresten) enz. 6 Julij 17.'gt;!J— 5 Aug, 1797, alsmede de dag- en citatieboeken van den richterbode Jacob Jans Cuyppers.

Wij laten hier eene lijst van Schepenen, Schouten, Gerechtsschrijvers en Richterboden volgen, zooals zij ons in verschillende akten en stukken zijn voorgekomen, met enkele genealogische bi-zonderheden en eenige aanteekeningen uit de vermelde Gerichts-en Üverdrachtsprotocollen.

Schepenen 16lt;le eeuw.

Jan Willemkens 1514. 1535 (2) / Goerdt Vermoeien 1533/Jacob Decker 1533, Thijs Hueben 1535 / Theus Goessens 1562,1580, was in 1597 overleden / Jan Vermeulen 1562 Dirck Groenen 1572, 1595 / Ruth Vermoeien 1572 / Heyn Vermoeien 1580, 1601 Hueb Boensen 1596, 1609 / Jan Hermans 1595, 1609 / Lenardt Verros-mulen 1561 / Jacob van Spraelant 1567 / Hendrick de Smidt 1595, in 1598 al overleden.

(1) Do I' ranscliG wot bcpiuikle, dat do roohlorlijkf» {ircliiovon op dr f^riiIirMi dor arrondisse-ments rechtbaiik(^n worden verzamold, dat die van Ooslrum to Clovo, maai' lator zijn die documoiiten naar Dusseldorf ^cbraclu in hot Staalsaivhiof.

(2) De cijicrs duiden de jaren aan, waarin die sohepenon hoi oorsl en het laatst in de door ons geziene registers voorkomen.

ocr page 74

— 68

Schepenen 17d= eeuw.

Peter Symons 1608, 1618/Jan Beltgens senior 1G01 / Teus aen de Meuten 1601, 1610 / Thys Vaeghs 1616 / Jan Schoenmaekers 1609 / Peter Vermuclen 1609 (in 1612 reeds overleden) / Aert Cuppen 1615 / Anthonis Vermuelen 1609, 1618 / Jan Gaert Heynen 1611 / Seger Hermans Kill / Peter Smedts, April 1613 / Aert Seuren 1613 I Jan Smidts in 1636 alleen nog als schepen in leven / Peter Michels 1649 / Dirck van Rickel 1640, 1661 f vóór 1675; zijne huisvrouw, genaamd Gertgen en hij had ook herberg / Peter 1 heus Vermuelen 1644, 1681 (zijn zwager was Seger Princen) / Hendrick Coppen 1640, 1665 / Jan Herstraet 1679, 1691 / Seger Hendriks alias Prinsen gekozen den 29 Sept. 1652, wegens ziekte later beëedigd, nog 1661 / Peter Vermeulen 1649, 1669, zijne echtgenoote was Metgen Bom; hunne dochter Tunnisken maakt huwelijks-voorwaarden te Gennep 6 Dec. 1666 met Reyner Bosch/.

Janus Peters uit Lull beëedigd 10 Sept. 1652, nog in 1689 | Jan Derickx 1653, 1666 ] Peter Vaeghs Vermulen 1665, 1666 | Jan Seuren 1683, 1684 | Michiel Vermeulen beëedigd (! Oct. 1671 nog 16S6 | Toenis Vaeghs legt den eed af 25 Dec. 1684 | Dirck Toenissen beëedigd 15 Dec. 1684 | Toenis Geurts Dec. 1684, nog Dec. 1686 | Jan Verblackt 1689 Maart | Lambert Peters 1G90 | Jan Lemmen beëedigd 5 Dec. 1690 — President-schepen nog Dec. 1734 | Geurt Thoenis beëedigd 5 Dec. 1690 | Gherit Peters Hesen beëedigd 5 Dec. 1690 nog Dec. 1691 ] Dirck Basten 1693 | Jan Hesen en Jacob Jacobs beiden beëedigd 22 Maart 1698. ] Thunnis Poels beëedigd 15 Dec. 1694 was gehuwd met Elis. Vermeulen, nog Apr. 1724 | Jan Dircx alias Jan op Spraeland (pachter) beëedigd 15 Dec. 1694, was gehuwd met Anneke Herstraten, nog 1734 | Jan Vermeulen beëedigd 15 Dec. 1694.

Schepenen IS'1, eeuw.

Jacob Vermeulen 1715, 1721 | Lambert Laemers (meester smid) beëedigd 11 Sept-1715, nog Mei 1759 | Gerrit Koopmans (meester timmerman) beëedigd 1 Dec. 1734, nog Sept. 1744 [ 1 homas Millen beëedigd 1 Dcc. 1734, nog Mei 1759 ] Gerrit Lemmen beëed. 19 Sept 1744, nog 1754 | Joannes Jacobs beëed. 19 Sept. 1744 nog 1747 | Jacobus Vermeulen beëed. 18 Mei 1754, nog Dec. 1772 | Mathijs Hermans alias Nolt beëed. 25 Mei 1759, nog li72 \

ocr page 75

Jacobus Hermans beeed. 16 April 1761 nog 1714 | Geeret Rasten beëed. 16 April 1761, Aug. 17(.)7 | Jacobus Tylen beeed. 16 April 1761 I Hendrik Hensen beëcd. 2 Aug. 1775 nog Aug. 1797 |

Schouten der heerlijkheid Oostrnm —Spraelandt.

De eerste, die ons als scholtis is voorgekomen was Hendrik Van ' •

. ' • • /-r'

Randenraedt (Rindenrode) en zulks in 1579 en was nog in dienst-betrekking 1617. Hij was van de bekende familie, die de godvruchtige Johanna van Randenraede onder hare leden mocht tellen en voerde ook hetzelfde stamwapen : een geschakeerd schild beurtelings goud '1^ rn' en keel van 20 stukken. Hij was tevens rentmeester van het huis Geysteren en liet meerdere kinderen na. Een broeder Cornelis genaamd was scholtis te Schinnen; een zuster Anna was gehuwd met Jacobus Constant alias Timmermans.

Ja)i Guillaume van de Watcrschappe ook voorkomende onder de namen Johan Gulllem en Johannes Gwilielmi was eerst rentmeester op Geysteren (1617, 1623) en treedt in eene acte van 1627 als scholtis op. Hij stierf 5 Dec. 1653. Met zijne echtgenoote Enngar-dis van Randenraede had hij in zijne woonplaats Geysteren de volgende kinderen :

Elisabeth gedoopt 15 Maart 1624 peter: Henricus Randenraedt

meter : Elisabeth van Scage domicella.

Cornelis gedoopt 8 Maart 1626.

Henricus gedoopt 14 Maart 1G28 peter: de heer Willem van

Randenraedt. Official van 't bisdom.

Gilliam gedoopt 10 Oct. 1630.

Catharina Gertrudis 2 Dec. 1G32.

AV 'aterschap had een huis te Venlo en meerdere gronden te Oostrum en Geysteren. Bij zijn overlijden werd op verschillende perceelen arrest gelegd , alles wegens schulden en rekeningen dateerende reeds van 20 jaren herwaarts.

An than vis van Litt, van aft begin 1G54, was een bloedverwant van den verdienstvollen Venlooschen prior der kruisheeren Godfried van Litt. Hij overleed te Gyesteren 8 Augustus 1680, zijne weduwe

42/ ■

In yC Ji'i ^ ^

ocr page 76

— 70 —

Theodora Driessens den 4 Mci 1083. Aldaar werden hun de volgende kinderen geboren: Aleydis Joanna 1 Maart 1G55, peetoom: Adam Schellardt van Oppendorf, in wiens plaats kapitein Lem optrad, meter: Anna van Lom. Vincent Frederik 21 Mei 1657, peter: de landdrost Vincent Schellardt van Oppendorf f 13 Junij 1681, meter: Maria van Haren.

Na het overlijden van van Litt bleef de scholtisplaats eenige jaren onbezet; met de tijdelijke waarneming werd door den Baron Schellardt zijn leenstadhouder Everard Ketz belast, die tevens zijn cubicularius of kamerling was. Monsieur Evert stierf in den avond van 4 Dec. 1(584.

S' Joha)i van Dijk beëedigd 23 Dec. 1086, was gehuwd met Johanna Driessens weduwe van Godfried Verheijen. Hij stierf in de parochie Venray en werd aldaar den 20 Augustus 1720 begraven.

Gerard Adolf Schluys legde den 13 Oct. 1718 den eed als Schout af, welke bediening hij door den „Proostquot; (13 verkregen had. Meer dan 20 jaren was hij rentmeester van 't adellijk Huis en overleed 13 Feb. 1731 en werd den 1(3 daaraanvolgende in de Geystersche kerk begraven. Zijne weduwe Rosalia Berren overleed te Wanssum 9 Mei 1740 ten huize van haar heerzoon Adriaan Willem, die aldaar kapelaan was.

Hendrik Kutten werd bij patent van ö Maart 1731 door de douarière van Schellardt als Scholtis benoemd en den 15 daaraanvolgende beëedigd. Hi) overleed in zijne woonplaats Maashees 1 Juli 1745,als echtgenoot van Mechtildis Wijenbergh (-j-'J Sept. 1760) en bekleedde tevens den post van rentmeester van 't adellijk Huis.

Jan Joseph Lambotte, advocaat, legde als scholtis van Oostrum den diensteed af in 1745 en woonde te Venray, waar hij als weduwenaar van Anna Maria Christina Elsenitz, den 14 April 1741) een tweede huwelijk sloot met Maria Ida Con in x, uit Gelder (dochter van Simon Peter, Raad en Momboir en Cunera Gertrudis Portmans). Van af het najaar 1752 was hij Scholtis van Venray, en sedert het

.1) I'lilllp Fred, Ambfosius van schollai-rit, heer van Ooslrum, zie hiervoor,

ocr page 77

— 71 —

begin van 1757 ook te Afferden, insgelijks vervulde hij die betrekking te Grubbenvorst. De Schout overleed te Venray G Dec. 1^84, zijne weduwe Maria Ida Goninx den 25 Juni 1798 en voor dezer begravenis werden gedurende vier dagen driemaal daags de klokken in treurtoon geluid.

Kinderen uit het tweede huwelijk te Venray geboren waren o. a.: Alexandrina Leopoldina 27 Jan. 1751, naderhand religieuse in het klooster Jerusalem, gesupprimeerd 1802. JUur : ■ -1

Gunera Francisca Catharina geboren 10 April 1754 later gehuwd met Scholtis Haffmans.

Het wapen van Lambotte was: een ovaal schild waarin naast elkander drie tulpen met stengels, waarvan de middelste de grootste. Een open aanziende helm met eene markieskroon gedekt.

Johan Arnold Antoon Haffmans (zoon van Jan Nicolaas en Maria Teresia Willems) geboren te Gelder als Scholtis van Oostrum beëedigd 16 Febr. 1785 bleef in functie tot 179^/was justiz-commissar en eigenaar van het huis en de heerlijkheid Ooyen (onder Broekhuyzenvorst). Zijn echtgenoote Gunera Francisca Gatharina Lambotte overleed 15 Maart 1846.

Na den Franschen tijd was Haffmans grifïier van het vredegerecht ter Horst, Lid der Provinciale Staten van Limburg, en sedert 1819 Schout van Horst-Sevenum en stierf 16 Febr. 1828, oud 64 jaren. Hij was de grootvader van het bekende lid der 2e Kamer, Mr Leopold Haffmans. Arnold Haffmans was ook Scholtis te Well tot Juli 1792', waar hij het gemeente-archief inventariseerde.

Frans Hendrik Joseph Herckenrath, de laatste Scholtis 1 1798. Geboren te Weert 24 Oct. 1747 zoon van den medicijnen dokter Jan Gerard en Gatharina Petronilla Schouten, woonde beurtelings te Meerloo, Afferden en Well, in welke laatste plaats hij den 9 Oct. 1819 overleed. Zijne echtgenoote was Maria Mag-dalena Walburgis Pelman uit Dahlen.

ocr page 78

Cerechtsschrjvers of Secretarissen der heerlijkheid Oostrum.

In de registers komt het eerst als gerechtschrijver voor .sw;/ van den Scholtis Randenrade 1594—1(326.

Hij had een bizonder lastig schrift, veel gelijkende op hanepooten die over het papier heen en weer gespoord hebben. Ruim dertig jaren (met uitzondering van enkele andere inlasschingen) vulde onze gehciinschrijvende hanepoot de Oostrumsche protocollen in, tot hij vervangen werd door een meer geroutineerd schrijver:

Mathijs Alarts, landschrijver des ampts Kessel,1626—Dec. 1645; hij was eerst organist te Ven ray en vice-landschrijver toen hij in 1627 voorgoed met dit aanzienlijk ambt bekleed werd. Hij stierf 1663; zijn zoon Joannes Alarts was kanonik te Roermond en rector van 't klooster Oostrum.

Hendrik de 11 oen werd 12 Oct. 1648 aangesteld door Daem Schellardt d'Oppendorf en den 9 Febr. 1649 beëedigd, hij was 1652 nog in functie.

Joannes Roggen van 1666 af tot aan zijn overlijden omstreeks 1()81, was met dispensatie den 6 Jan. 1661 te (jeysteren gehuwd met Catharina van Litt (f 1703), bij wie hem vijf kinderen geboren werden. Roggen was ook secretaris te Meerloo 1666—1681, tevens secretaris en later, sedert 6 Julij 1671, Scholtis te Blitterswyck.

P au lus Paderborn van Sept. 1681 tot Dec. 1691, was van 1663 landschrijver van 't land van Kessel, maar door den verkoop der heerlijkheden werden zijn bezigheden merkelijk verminderd. Hij was rentmeester der Domeinen en woonde te Venray, waar hij den 29 October en zijne echtgenoote Sibilla Maes de Loockere den 3 November 1694 overleed. Ten jare 1667 gaven zij een nieuw raam ten geschenk^ aan de toen vergroote Kapel te xMerseloo, waarin hun gecombineerd wapenschild geplaatst was, zijnde rechts, op een veld van sabel een rechter dubbel getinneerde schuinbalk van goud, links een liggende halve maan de horens naar boven, vergezeld van drie merletten (2 boven, 1 onder) van sabel op gouden veld.

ocr page 79

- 73 —

Gerard vin Eyndt beëedigd den 22 Maart 1698, stierf te Venray en werd den 10 April 1721 aldaar begraven.

Hendrik Oltendorff procureur werd als gesubstitueerd secretaris den 20 April 1719 beëedigd om deze dienstbetrekking bij provisie te bedienen. Denkelijk had zulks plaats tijdens den ziekelijken toestand van van Eyndt.

In andere gevallen trad anders bij afwezigheid of ontstentenis van den gerechtsschrijver de jongste schepen als secretaris op en onderteekende de desbetreffende stukken.

Oswald Theodoor Lief keus 1721—1775, werd den 18 Mei 1690 te Maashees geboren uit het huwelijk van den postmeester Marcus en Esther van den Boom; zijn peetoom was Illustrissimus Domi-nus Oswaldus Comes van den Berch etc. (te Boxmeer). Hij legde den 16 Augustus 1721 den eed af als secretaris van Oostrum en huwde 30 Jan. 1733 te Venray Anna Margareta Saesen, f aldaar als president-schepen en gildebroeder van St. Nicolaas 1775; te WanssLim, waar hij ook secretaris was, maakte hij zich zeer verdienstelijk voor het behoud van 't archief (1). Hij voerde een gedeeld schild rechts en links hetzelfde : een keper waartusschen drie vijfpuntige sterren 2—1. 6 Juli 1747 beëedigd als schepen van Venray.

Gerard Adolf Knops 1775—1798, de laatste secretaris, was zoon van Jan Knops en Maria Theresia Schluys (dr van den Scholtis) geboren te Geysteren 26 Aug. 1745, beëedigd als secretaris 2 Aug. 1775, was Koninklijk Pruissisch Licentontvanger en gehuwd (te Wanssum) met Sibilla Kaeters. In 1798 was hij municipaal-agent en later adjoint de la mairie de Wanssum, waartoe Geysteren behoorde en koster zijner geboorteplaats, waar hij den 15 April 1803 aan eene beroerte overleed.

Richterboden.

Willem van Spraeland 1514 / Peter die Jonge 1533/Gerrit Bosnians 1535. /

{!) Zie Maasgouw (11. IX (1892) p. r,4.

ocr page 80

Peter van Schelburch 1561,1580 / Jacob Casters of de Cuester 1594.

Jan Hasenackers 1610 / Jan Beltgens 1611, 1631./

Jacop Jans Cuvppers van 1659 af, nog 1676,was in 1678 overleden. /

Bartholomeus Frodemont beëedigd 18 Dec. 1700.

Peter Saeren 1722.

Jacobus van Helden beëedigd 27 Nov. 1723.

Godefridus Hoben aangesteld en beëedigd bij provisie 7 Febr. 1725.

Joannes Brouwilders eed afgelegd 9 Juni 1736.

Thunnis Custurs beëedigd 22 Febr. 1749.

Jan Deegens beëedigd 25 Mei 1759, nog 1763 en volgg.

De Oostrumsche Richterbode Jacop Jans Cuijppers.

In het naburige land van Cuyksche dorp Overloon geboren, was hij een voor dien tijd zeer ontwikkeld man uit den gegoeden landbouwersstand, gelijk zijne nagelatene aanteekeningen bewijzen. In het geboortedorp hield hij een paard om bi) de min talrijke bezigheden op den akker ook huurvrachten te verrichten, waaraan zijne bedrijvigheid een winkel en herbergnering voegde, die de verzorging van een hut bijen niet uitsloot. Van 1630—32 was hij te Loon schatbewaarder en in de de rookhoender- en lammer-tiende van den Prins van Oran)e. De beroemde Pastoor der Keulsche St. Lupuskerk en beurzenstichter Joannes Roevers (Roverius) was zijn heeroom, de vroegere herder van Overloon, later 1634 van Beesel, hr Aert Verssefelt zijn zwager.

Of Jacob te veel ambachten had of welke oorzaken ook in 't spel waren, zeker schijnt zijn finantieele toestand gaandeweg aan 't dalen geraakt en moest hij zich naderhand met meer bescheiden, hoewel door velen geminachte, dienstbetrekkingen tevredenstellen. Overal waar hij zich bevond, hield hij echter trouw boek van zijn levensloop, zoodat men schier dag aan dag zijn bedrijf en de geschiedenissen in zijne omgeving voorgevallen, kan volgen. Te Overloon kostte in zijn winkel een „abéboeckquot; 1 stuiver, een „taeffelboeckquot; 2 stuivers; in 1633 heerschte in zijn geboortedorp de mazelen, op den Meidag van hetzelfde jaar richtten de „jongeestquot; (jonge gasten) of jongelingen o. a. den meiboom op aan de pas-toreele woning, voor welk huldeblijk de pastoor hun 8 vaenen bier vereerde.

ocr page 81

— 75 —

1

Wegens het krijgsrumoer moest Jacob den 24 Aug. 1635 met have en goed naar Venray vluchten, waar hij ten huize van Lisken van Helden een onderkomen vond. Den geheelen kleederen-inventaris van hem en zijne vrouw noteert hij puntig, opdat later alles goed terecht zou komen, wat ook gebeurde.

In den herfst van 't jaar 1()35 vestigt Jacob zich te Beesel, waar hij behalve zijn heer zwager ook nog een oom had wonen. Ook hier had hij wederom een winkel opgeslagen en geneerde zich met het bijengewin, terwijl hij zijn beschikbaren tijd, vooral om in het noodige levensonderhond te voorzien, besteedde aan het verrichten van gewonen handenarbeid ten dienste van heeren en boeren. Op last van den schepen Peter Quitten deed hij meerdere dienstreizen voor de gemeente o.a. naar Nijmegen, Bruggen, Cruchten, in 1640 naar Gulick om tijdingen in te winnen over het krijgsvolk, waarvoor hij alle dagen 14 stuiver loopend geld verdiende. Voor den pater van het Venloosche Klooster „de Weidequot;, dat te Beesel een tiende had, dorschte hij het koren, zoo ook voor het Kerkbestuur der parochie. Als koerier was hij in dienst der adellijke familiën van Lynden en von Baexevi op Nieuwenbroeck en moest hiervoor meerdere uitstapjes doen naar Someren in de Meijerij van 's Bosch, waar de Lindens verwanten hadden. Zijne vrouw was meermalen in daghuur bij dezelfde edellieden. Na zijn goederen aan zijn oom Jan Heijnen verkocht te hebben, vertrok Jacop in de lente 1642 naar Oostrum, waar hij ook zijn leven zou eindigen.

Op halfvasten 1642 aanvaardde hij aldaar de betrekking van koster en schoolmeester op voorwaarden door ons nader te vermelden. Na deze functies neergelegd te hebben was hij Richterbode der heerlijkheid Spraelandt-Oostrum, uit welk tijdstip een citatie-boek in verschillende quaternen, loopende van 14 Sept. 1660 — 30 Aug 1676, van hem aanwezig is.

Meerdere aanhalingen en afkondigingen van zijn gebiedende Heer zijn onder de rubriek Heerlijke Rechten pag. 62 aangehaald. P2en ander dagboek over zijn schoolmeesterschap, ambtsbetrekkingen te „ Venray en huiselijke aangelegenheden 1657—1675 fol. S3 in 8° is

op het Rijksarchief te Maastricht aanwezig, dat 's mans verderen levensloop meldt. Winkelier spelen was zijn aangeboren zwak, dat hij met zijn pedagogisch talent nader ontwikkelde, maar ook

ocr page 82

-TG-

als koster waren hem de handen tot boerenarbeid niet verlamd geworden, waarbij zijne ega hem trouw ter zijde stond. Enkele staaltjes:

1557 voor Jacob Thonissen den 4 Mei 1I2 dag lijnzaadland gespit 7 stuiv. — 9 Mei een dag turf gestoken 12 st.; met zijn vrouw den turf afgedragen 7 st. — 9 Juni 1I2 dag bulten gehouwen 7 st. in Sept. vlas gebraakt en gezwongen.

1661 voor Peter aen de Meulen in Juni in de Peel torf gestoken, op die Cloyéenbeek (Kluitenbeek) geiverkt, en op St. Anthonis-morgen.

1068 voor het Klooster naar den Peel geweest 13 stuiver per dag, item gewerkt op de Clottenbeek.

1067 arbeidt hij voor den heer van C^esteren aan de Rosmolen.

1669 Nov. en Dec. aan den ijskelder van mijnheer Rossen gestoken.

1670 Oct. en Nov. werkzaamheden aan de sluis.

Jacobs verdere ambtsbezigheden waren de volgende:

Van 1658 tot 1661 was hij belast met het nazien en teekenen der beesten vooral op de marktdagen van Venray en Wanssum, waarvoor hij vaste „gagiequot; bezoldiging of dienstloon ontving. Wegens gebrek aan nadere gegevens kunnen wij dit oüicie niet juist omschrijven. 1658 3 Oct. ontving hij van den ontvanger Wolter van Riemsdijk 10 st. op het teeckengelt op den merkt van Wanssum, 10 Nov. teekengeld van den Raetsenmarkt(l) 4guld. 16 st.

1659 31 Oct. van den ontvanger Gaert in gen Huis het teekengeld van de stieren die naar Luik gingen 2 st.

1660 9 Oct. „heb ick gecregen eenen man mit een vereken omtrynt bij Jacob Neesen buys ende ick heb hem gebroecht op het cantoer bij den ontfanger te Venray daervan ick ontf. 4 st. de meerrest en wete ick niet, ho dat gegaen is, hij wolde mit het vereken naar Helmont in Brabant.quot;

Roode Roede van Venray, 14 Mei 1662—10 April 1666.

„Op huyden anno 1652 so hebben die schepenen en geswoeren naobueren mij aengenoemen voer de royroey te weten die schepens en geswoeren van Venray, soo soelen sy mij geven soo Henrick Robben heeft te Wanssum en den aenvang is gedaen op den

1

Venraysehe markt.

ocr page 83

— 77 —

1

14 Mei op den myeddag.quot; Nu volgt eene opsomming van al de dagen die hij voor Venray gegaan heeft en eindigt:

„Den 10 April 1GG6 so compt Jan de Wilt en segt my de royroey op en dat my compt (1) sullen de schepens aen my voldoen en betaelen — voelgens Jan die wartheyt segt, maer my also geseyt.

Veldschutter voor Venray 11 Juni 1G71—1(374.

Den 11 Juny anno 1G71 so heeft den heere Landtscholtis en die sampelycke Schepenen van Venray my aengenoemen voer haeren schutter te schutten in de gemeenten van Venray so in peel, hey en broeck en op het lant en veeltweyen en vvaer het gelcegen moecht syn daer van sal ick hebben in dyt voerschreven jaer eens 12 malder ende daen alle jaer tot jaer 25 gl. en een paer schoen, den aenvanck is gedaen op den voerschreven daech ende ock alsdoen mynnen eede gedaen om te doen als behoert, ende die ick schudt van ider persoen X st. voer het schoet, dyt also gedaen ende hiervan is een gerychttelycke acte geschrieven van 4 wederseyden onderteeckent.

Gezworen teller der Oirloosche tiende.

Als leden der Geystersche grondheerenfamilie hadden de Sche-lardt's de korentiende onder (iroot- en Klein Oirloo tegelijk met de smaltiende o. a. lammeren en varkens; in de jaren 1GG9 tot 1G75 was Jacob bijgestaan door zijn zoon Mathys, beëedigd teller der tiend, waarvoor hij jaarlijks 15 gulden genoot.

Bij al zijne bezigheden had hij te Oostrum in den jare 1GG1 een nieuw huis laten bouwen, waartoe hij i5 roeden gronds van de gemeente bijkocht. De timmerman Hendrik Daemen voltrok het op eigen kosten, maar Jacob leverde alle timmerhout, kalk, leem, metselloon, strooi, ijzer en steenen, eene levering waardoor hij zich anno 1GG7 genoodzaakt zag 200 gulden op te nemen van suster Mary Gerits uit het klooster Bethlehem te Oostrum.

Het huwelijk van den richterbode was met 5 kinderen gezegend, die hij allen in zijn dagboek vermeldt met de pillegiften hunner resp. doopheffers en aanverwanten:

(1) Toekomt.

1

ocr page 84

Jacob Jans Cuyppers (in den beginne schreef hij: Cupers)

X

Geritghen Jacob

1) 1635 Pinksteravond (26 Mei) te Loon : geboren f Beescl 1641.

2) 1638 Maart 21 te Beesel Jeune ken.

3) 1641 Nov. 19, gedoopt Zondag 24 Nov., Anna-, peetoom : heeroom

Joës Roever — 8-4-0 holl. en zijn zwager de pastoor van Beesel.

4) 164;quot;) Maart 7 te Oost rum Jan^ peetoom o. a. Geert Gerits pas

toor onze neef van St. Anthonis.

5) 1646 Aug. 19 „ „ Mathijs gedoopt Venray den 15 Aug. Door familiebetrekking was Jacob voor zijn zoon in bezit gekomen eener rente ten behoeve zijner studiën. Wellicht kunnen de opgaven dezer inkomsten den lezer aanleiding geven tot nadere opsporingen dezer stichting en genealogische verhoudingen.

„Den ontfanckt van die rente in den Kloeckert dat mynnen soen Mathys overgewesen is van die execuytter van onsen heeroom zalyger die mynen soen heeft gemaeckt een rente van 39 rycdae-lers des jaers om daer op te moegen stuydiren is aengevangen in anno 1655 op synte Andryes apostel.

In anno 1655 op synte Andrya ontfangen van Jan in den Cloec-ker ad XV gl. loepent gelt item van 1656—1659.

Ontfangen int jaer 1660 van die rente uit den Cloeckert van Jan Claes als rentmeester van het Munster tot Ruremundt in den naem van Jan in den Cloeckert ad 15 gl. Clefs gulden.

In anno 1661 ontfangen Thys Cloeckers in den naem van mynnen soen Mathys van wegen syn costgelt van Jan in den Cloecker ad XV gl. ontfangen.

In anno 1662 ontfangen van Jan in den Cloecker van die rente van Dansius ten iersten oevergewiesen aen Thys Cloecker ad 13 gl. noch myn soen ontfangen aen boeter ad 2 gl. van Jan Cloecker.

In anno 1663 ontfangen van Jan inden Cl. van die rente van Dansius ten irsten oevergewiesen aen Thys Clockers ad XV gl. van pensione.

In anno 1664 oevergeweesen aan Thys Cloeckers ad 12 van Jan in den Cloeckert van die pensione van Dansius zaliger, rest 3 gl. van dit jaer.

ocr page 85

Van die rente tot Rees ten irsten ontfangen te hebben int jaer 1655 toe weten X rycdaeler, ieder rycdaeler te betaelen met 3 gl. Clefsge voeluatie dat myn soen toecompt van de rente van Roverius zaliger.

In anno IG5G ontfangen X rycd. Clefsge voeluatie.

In anno 1G57 ontfangen tot Rees van den Knoncknirtck (1) Spae-renmaecker 30 gl. Clefs gelt, waervan alle jaer quitantie afgegeven aen de heren, doen vertert 2 gl op die reese.

In anno 1658 ontf. van den E. vveerdigh here Sterremans tot Rees toe weeten X rycdaeler op den 5 Juny.

Anno 1(559 ontfangen het jaer 1658 vermigens quitant. daer wy voer gekoeft hadden 50 kannen honich „in den haenquot; doen vertert 2 gl. en drie daech uitgeweest.

Ontfangen in anno 1659 van Render Hopmans van de rente van Rees ad X rycdaeler Clefs gelt, vertert 2 g. 3 st.

Ontfangen van den Schollaster tot Rees van die rente van Dan-sius zal, X rjx. CI. ano 1660.

Ontfangen van den heere Conninck (1) Bensum in anno 1661, X rycd. van de rente Dansius, item 16(52—1663.

Noch ontfangen van heer Bensum buerder tot Rees van het capytel van het jaar 1664 ad X rycd. van een jaer pensione van zalyger heer Dansius, en die reyse vertert 2 gl. 4 st.quot;

Op veertienjarigen leeftijd, na het elementaire onderricht van zijn veel bedrijvigen papa genoten te hebben, ging zoon Thijs naaide Latijnsche Scholen te Venray, waar hij bij Thijs Clockers in den kost besteed werd voor 20 rijksdaalders, doende in loopend geld 63 guld. 3 st.

In Nov. 1661 kreeg hij een ander kosthuis bij Jenneken Cuypers, alwaar Mathijs zou slapen en „aen het vier zijn aen den beertquot; alle maanden te betalen 1 gulden en de vader zou op den koop toe een dag komen dorschen. De student was er vier jaren en het laatst werd afgerekend in December 1665. Zoon Thijs schijnt het niet verder dan tot de vijf scholen gebracht te hebben, want vier jaar later vinden wij hem in 's vaders zaak te Oirloo en Oostrum werkzaam.

(1; Kanoulk.

ocr page 86

— 80 —

De volgende notitie nopens de familie Van Dans, die te Venray in de Hofstraat woonde, is door ons uit het archief aldaar getrokken:

Jacob van Dans Sr (den alden)

I

Michiel van Dans 1554 I

Mattheus — Jan — Jacob van Dans reeds pastor en canonicus

1585; Deken te Rees Mettha van Dans maakt zijn testament X

29 Aug. 1596 Willem Jans gen. Roevers reeds 1599. alias Hopmans.quot;

De executeurs van het testament des dekens van Rees waren Ste phanus van Pluren senior et canonicus, Lambert Brauns van Weert vicarius, Joannes Heiskamp J. M. Lie. et praetor Reessensis.

De copie gecollationeert door Hend. van Bredbach notarius.

Eenige historische aan te eken ingen uit het archief te Venray en de Schepenregistt rs van Oostrum.

1584 in de maand Januari waren de Spanjaarden te Roy ingekwartierd en bij het vertrek van Appio Conti moest het kerspel nog 500 gulden uitkeeren. Terwijl dit volk er lag kwam er voor tien dagen nog het regiment Walen van Baron de Liques bij, dat gelegerd was te Oostrum, Lull en aan 't Eind te Venray en groote schade veroorzaakte door huizen en schuren af te breken.

1586 liet de Overste Schenck van Bleyenbeek de volgende personen halen of oplichten : Gueltjen Verheit, Hendrick aen de Meulen en Jacob de puester van Oostrum en hield hen zoolang gevangen, totdat Venray provisie van granen zou bezorgen.

(Reeckenboick fol. 59 V0, arch. Venray).

1587 werd het garnizoen te Well veranderd en nu liet Joseph Malagambo gevankelijk wegvoeren Arrien op Spraeland en Jacob de Cuester, wijl hij van 't kerspel gediend en torf wilde hebben. Dit opsluiten kostte 106 gulden.

ocr page 87

_ 81 —

1G01 December trad AeloefT van Gelre op als momboir of procureur voor het klooster Oostrum, in rechtsgeding.

1G02. Aan de inwoners van Oostrum en Lull wordt van wege den gebiedenden heer verboden „eerde oft strouzandquot; op's Heeren erven te laden.

1G02 Voornoemde Adolf van Gelre, als subsituut van den landdrost van Kessel, klaagt over Jan Hermans, dat deze zich ettelijke jaren geleden zou hebben plichtig gemaakt, sommige kerken-pachters voor ongeveer 20 gulden af te zetten, onder voorwaarde, dat hij te Roermond reconciliatie zou verkrijgen voor een ongeval onder dit gericht voorgevallen, hetwelk op de gemeene naburen verzocht of verhaald werd, maar vergeten had rekening af te leggen of restitutie te doen.

Over dit ongeval is verder niets bekend, doch wijl het geld door de pachters van kerkgoederen voorgeschoten was, mag men denken aan eene schending, violatie, van kerk of kerkeigendom, ot wel de aanranding van een of ander met kerkelijke immuniteit

• bevoorrecht persoon of daaruit gevolgde excommunicatie of interdict.

1(315, 20 Januari. In de genachtinge of rechtszitting daagt Peter Claes voor zich zelf en voor zijn broeder heer Jan Uaessen, pastoor van Sint Severijn te Keulen, zijnen zwager Theunis aen de Meulen, wegens geschil in familieaangelegenheden. Deze laatste had eene voordochter Mechtel of Mettel, welke ook te Keulen woonde. Als wij op het getuigenis der ouden mogen afgaan was de pastoor der St. Severijns parochie, de latere Wijbisschop van Munster, Johannes Claessen (Nicolaï) op den Boshuizen onder Oostrum geboren, in alle geval is hij een Venraysch parochie-kind. (Zie Maasgouw jg. 1881, bladz. 4ül en 4° deel jgg. 1882—83 bladz. G28 en G42).

1740, 1 Sept. De echteheden Martin Coopmans en Catharina Cremers nemen van de kapel een kapitaal van 100 gulden ad 5 0/0 en veronderpanden hun goed den Touwer te Lull.

1747. De erven Maria Theunissen verkoopen hun goed aan Aldert Pauwels en Alitga Boogers, beiast met 4 vat rogge aan devicarie

* te Oostrum.

1752 en 1759 een paar staaltjes „zur Culturgeschichtequot; uit het leven onzer voorouders!

9

ocr page 88

— 82 —

In een magescheid van April 1742 voor de Oostrumsche schepenen opgemaakt, tusschen Jan Oerickx, weduwenaar van Anneken Herstraeten, en diens kinderen, komt aangaande den schoonzoon Jan van Dick en diens echtgenoote Willemke de volgende verplichting voor:

„dat sy gehouden sullen wesen hunnen voers ouden vader te „onderhalden in cost ende dranck ende oock smorgens geven den „caffie, thee ofte een roomerken naer welgevallen van den voors. „Jan Derrick haeren vader, ende voorts soo als kinderen aen „hunne ouders verplicht sj'n te doen, ende in cas denselven vae-„der siek oil'te suchtigh soude worden, sullen de voorss. ehel. „gehalden wesen haeren vader te geven, alle het geene hij soude „van noode hebben, alnogh sullen de voorss. ehel. moeten betae-„len de doodkiste, de costen van begrall'enisse soo aen custer ende „Hr pastoir, ende de andere begraflenisse sal staen totter vollen „boedelquot;.

1759. Eene sterke boerenkoemeid, die tevens alle ander werk verrichten moest, verdiende per jaar:

als loon 13 gulden permissie,

als toebaat: „één tierteye schcrt, twee ellen grofwereke doek, „acht ellen hemdendoek, een paar klompen, één paar socken, één „paar hosen (kousen^) en één flessen (1) schortel (voorschoot).quot;

1747, 2G Juni. De aanpachter van den hof van den molen Johannes Cuenen (vroeger behoord hebbende aan Thönis Poels) pretendeert recht van doorvaart en schaapsdreef door en recht over het ge-meene broek. Op dato voorschreven werd het broek door den scholtis Lambotte en de schepenen „beleydquot; en werd ten algemee-nen nutte aan Johannes Ceunen van stonden aan verboien den weg over het broek als vaarweg of dreef te gebruiken. Hij moest den molenweg volgen en vervolgens door het dorp Oostrum Lmgs de kapel omvaren, alles op boete van drie goudgulden; bij verder attentaat zou de straf verdubbeld worden.

1764, G October, verkoopen de kinderen van Martin Custers hun ouderlijk huis en erf aan Arn. Verblackt. Het lag tegenover de kapel, noordwaarts de huizinge van gemelden Verblackt, westwaarts het „kapellehofkenquot; of moestuin van de kosterij, alsmede eene weide

(1) Vau vius,

ocr page 89

aan de Beek op den „Juffrouwenpasquot;. Dit huis was eenige jaren 1 iter nieuw opgebouwd en wordt in eigendom bezeten door den koster-winkelier M Verheijen, terwijl naast hetzelve in den tuin eene tweede woning met smidse is aangebouwd.

1771, 4 Mei. Voor scholtis en schepenen compareeren de echtelieden Arnold Verblackt en Jacomina Laemers alsmede hun heer-zoon Christiaan, pastoor te Geysteren, welke laatste afstand doet van zijn titel bij schepenakte van 8 April 17GD gesteld en zulks in handen zijner ouders. Deze stellen nu als wijdingstitel voor hun zoon Theodorus Vcrblack/, student in de theologie te Roermond, 1° een kapitaal van 400 patacons ad 3[l2 perc. staande op de gemeente Venray, 2° bovengemeld nieuw opgebouwd huis doende volgens de schatting 12 patacons aan huur, 3° eene weide of hooi-pas aan de steenenbrug.

Daar de pastoor van Geysteren ook voor zijn broeder afstand had gedaan van het beneficie der Oostrums;he kapel, bleek, dat hetzelve, afgetrokken de schattingen en bediening door anderen, nog zuiver ;32 patacons afwierp en dat dus de titel voldoende was.

1772, 25 November. Voor schepenen van Oostrum compareert ten huize van Jacobus Cremers, Joftrouw Gertruj van Kessel uit Rotterdam, geassisteerd door den scholtis Lambotte. Zij had met wijlen haar man heer Peter Simons zaliger, daar zij geene kinderen hadden, op elkander getesteerd voor notaris Johan van Gessel in Rotterdam [24 Sept. 1759].

Bij haar tegenwoordig testament legateert zij:

1° aan Joannes Ribbergh GOOguld. holl. met de „sackhorlogie 2° aan Catharina Man nay 400 guld.; 3° aan Helena Mannay item; 4° aan Mathijs Wolvers 4000 guld.; aan Maria van Kessel de „garnate ketting in het gok ingevatquot;, aan Koba Wolvers oock 2000 gulden en alles wat na aftrek der legaten nog zal overblijven; en daar Mathijs en Koba Wolvers nog minderjarig zijn, stelt zij tot voogden en executeuren aan Henricus van den Bergh en Dirck van Kessel.

1775,18 November. Anneken van der Linden (van de Lind,weduwe van wijlen Peter Heesen, staat hare goederen af aan hare zonen Gerardus en Joannes Heesen, en aan hare dochter Margareta Heesen, gehuwd met Peter Hoex. De familie Hoex-Heesen is door deze

ocr page 90

84 —

-4 fU / f

/

A ' /

2° Petronella Thunnissen.

Anna van der Linden, (van gen Lindt, acngen Lind, gelatiniseerd de Lindane, verwant aan de Horster beurzenstichters Joannes Muiiers en Christiaan Mullers (Molitoris), Smollers, Smulders of Mulders.

'I'

Gaspar van gen Lindt

x

1° Margareta Simons.

Jan Francis 1716, 8 Juni. peetoom: De proost van Aken, Schellardt.

Anna, gcb. Venray 12 Sept 1700 peetoom: V. D. Guilielmus van der Lindt,

meter: Anna van gen Lindt.

x

Peter Hesen of Heesen in Nov. 1775 reeds overleden.

1. Griet of Margareta Heesen (een enkele maal 2 Gerardus. 3. Jan,

17G2, 24 Oct. Peter Hoex.

Willem Hoexgeb. 3 Oct. 17G3, doopborgen Joannes Hoex en Anna van de Lind Vcnray 19 Mei 1814.

Gertrudis van Heyster geb. 31

Jan.1754 dr van Jan en

lt; Engelin Derix Brouwers.

,7c.

1778, 1 October. De Venrayer secretaris Lambert Verblackt en Laurens Verstraeten, schepen te Mill, worden als gerichtelijke mom-mers of voogden aangesteld over Jacomina Crcmcrs, minderjarige dochter van wijlen Jacobus Gremers en Francina Verblackt.

1781,10 Februari. Huwelijksche voorwaarden tusschen den jonkman Peter van Lijndt en Francina Verblackt, wed, Jac, Gremers.

1793, 26 September. Huw. voorwaarden te Roermond opgesteld tusschen den jonkman Joseph Hankx en Jacomina Gremers.

Geertrui gen.), 4, Willem geb. 27

Nov. 1735 peetoom, de eerw. heer Willem van der Linden.

Deze heer Willem van der Linden geb. te Horst omstreeks 1096 was kapellaan-schoolmcester te Oirloo 1721 —1730,kapellaan te Af-ferden 1730, waar hij den 7 Maart 1768 overleed.

12 Aug. 182G.

/

/A

ocr page 91

— 85 -

1781 den 10 Nov. legt de Geldcrsche Hofbodc M. Erps arrest op de goederen van den heer Baron Probst de Folleville (wiens rentmeester de kloosterrector tc Oostrum was) en zulks voor de som van 1000 gulden Hollandsch voor den heer Metzgens tc Gelder.

1785, 15 April. Gerechtelijk arrest op de goederen en mobilia van J. W. Punloivitz von Unbino, wegens geleverde eet- en drinkwaren en verdere benoodigdheden door zijne crediteuren. Het beslag wordt 25 Mei opgeheven.

1818. Het O. L Vr. Schuttersgild te Oostrum, dat in den Fran-schen tijd aan verval van krachten en bloedarmoede leed, begint te herleven; de. Broeders koopen voor gezamenlijke rekening eenige zilveren ornamenten.

1872, 15 Februari is ten Raadhuize te Venray aanbesteding van een nieuwe kiezelweg loopende van het dorp, door de Lull'sche steegen, Lull naar Oostrum ter lengte van 3020 meter. De oplevering moest 1 Aug. geschieden. Aangenomen en gemaakt door J. Verschuur van Oellelt voor 7G19 gulden. Later is deze grindweg van Oostrum naar Wanssum tot op de grenzen der gemeente doorgetrokken. Het traject Venray—Oostrum bleek, na de opening der spoorlijn, door het veelvuldig berijden en vrachtvaren niet stevig genoeg, en is sinds meermalen met groote kosten veranderd en met de stoomwals bewerkt.

1883, Vrijdag 1 Juni. Opening van de nieuwe lijn der Staatsspoorwegen Venlo — Nijmegen. Het station Venray komt op enkele minuten afstand van de kapel en bij deze regeling werd dc oude Molenbeek langs den Kiezelweg om het stationsterrein geleid en verlegd. Dien dag te Venray vlaggentooi en zang, begroeting van den feesttrein, toeten en blazen, groot vischmaal, menu superlin met keurige wijnen en Venrayer Havanna-cigaren „vuelta abajoquot;.

Nadien zijn meerdere nieuwe woningen, voor handel en herberg-nering in den omtrek verrezen.

ocr page 92

quot;O O

C O o

iT) bc

quot; S

l—• f-i

% O

(S) p

t ö

^ u

^2 -n

rt b

• fgt; gt;

a ü

^ -5

K* CA

c

•S s

Squot; ^

C

a

if) Z «a;

ct X

c

0)

h-

O e£ —4 DQ C£

UJ gt;

0)

'Bi o

«s

Ck)

c

co O

O

a

R

O gt;

O O

O

C/5

X

CJ

c

Cj *-gt; gt; rC

^ y Ö

£ J= K'

S W3 C

ra

c3 U

vT

Cj (—•

Ë u gt;— CJ

lt;Lgt;

T3

bD

CM

O

t/D

ZJ

O

c

G

gt;

d

c

V

w-

tr.

a

c

1^

0

/-N

c/ï

v co

i/-\

rs

rï

igt;«

P

fc/3

(75

^3 tbp

O C

iJ

0

10

iw^

C

'j

c rt i-I

quot;d C

'75

*-t t)

^ NJ

u o

Cj TD

O sz

u. -O -O

o U-

T! a T3

.5 i^lt; ^ TJ

C y

u ' »

.2 gt; 01 quot;O ^ c

^ x -

o

Ui (A

^ Sj

x ^ ^

Z3 LO

^ d

p ^

■- O

§ O

X. V ■

tn

u

trgt;

♦J

TJ

ON

U-J

1^.

u.

CJ

|CJ

t/ï

O

C-l

O

Xu

CJ

CJ

tr.

f-H

^ ^ ^ c c l

cT 0

1^

co

'S

U

ir1

tgt;s

«4 f-

1

CJ

G

s

:^p

,-Q

CJ CU

U

Ui

P

c

CU

rt

CJ

rt

gt;

C3

Ui

CJ

d

O

• ■ .

d»

O

CJ

;

T3

u. V quot;3

e

TJ rt

(S

— J=

i -

^2 O

CJ c

P O

o O

rt

'G gt;

^ T 1^

vC

O

a

b/D C

H

O lt;rï J CQ Ci

X

Z2 'o

-t

O

c

lt;L» Oh

2

'Sb

Cl. rt

Ji

^~N

co 'uJ

CO

c/T

rt

1 ^

U.

to

3

amp;p

HH

CJ

Ui U CJ

co

quot;cj

lt;-■

-y)

C

r-'

ON

3 V-.

T3

n

JJ

ty.

bO

2

O

C

CJ

: CJ

0

CJ CJ u. O

-Q

co

CJ

bC

CJ o lt;/) quot;p

ro

ocr page 93

1

II

*

'S1

, j i

H i ■

I

ocr page 94

De Rosino/cn cn de Rosniolenschc hoeve ouder Oostrnni,

Bij dc verdeelingen van de goederen der Schellardt's in het begin der vorige eeuw was de hoeve „dc Jonckhofquot; te Geysteren met den „Rosmolenquot; te Oostrum in andere handen gekomen, In het laatste kwartaal dier eeuw was het molentje in bezit van de Paula wo-njnde te Geysteren (reeds 17GG), waar meerdere kinderen van hem geboren werden. Elders wordt hij genoemd Hofraad. Op den 3 December 1771 legde dc Geldcrsche hofbode (1) Jan Gcorg Wolffram volgens ordonnantie van den 2den, namens de baronnes van Blu-mcnthal arrest op de goederen cn den Rosmeulen te Oostrum.

Een ander gedeelte der goederen onder Oostrum, evenals de tiende te Geysteren en dc hof „den Boomgaartquot; was icn deel gevallen aan Anna Theresia van Schellardt gehuwd met Ernest Hendrik baron dc Folcvillc. Uit dit huwelijk werd ten jare 17;37 te Dusseldorp geboren Jan Joseph Christoffcl baron de Folcvillc, proost der St. Adelbertskerk te Aken cm. overleden te Venray 22 Juli 181G. (Zie Maasgouw 5 Deel jgg. 1884 cn 85, bladz. 1121 cn volg.).

Dc heerlijkheid Wanssum en de hoeve bij den Rosmolen alsmede dc Spickersche goederen te Geysteren kwamen aan Maria Anna van Schellardt (f 21 Nov. 1759), gehuwd met Jan Willem Ferdinand vrijheer van Hatzfeld. Dezer erfgenaam Ernest van Hatz-feld had reeds in 1770 de heerlijkheid Wanssum aan de van Lynden van Blitterswijk verkocht. Door welke omstandigheden dan ook, werden goederen der van Hatzfeld's den 13 Mei 1772 te Geysteren gesubhastcerd en kwam de Rosmolender hoeve, ongeveer 22 morgen groot en genietende vrijdom van twee schattingen onder Venray in handen van de Overste Hofmcesteresse vrijvrouw von Blumenthal, geboren gravin von Harscamp. Den 15 December 1772 had voorde Oostrumsche scholtis en schepenen de overdracht plaats.

Den 2 Juli 1774 droeg deze de hoeve over aan den kapitein

(1) In hot rruisisch Ovrrkwartifr koi don dc adolUikc gofdcren niet vork och l, bezwaard of mot arrest idf^d worden dan itjc i locstcinmin^ van hot Kouvcreino Mof te (ioldor; vandaar dat de Hofbode do aai.zo^ingon en execiitios moest vorrieliten. Op gowono goederen word n imens de Schepenbank onkel de ricliterbode afgezonden.

ocr page 95

von Ilublein, wachtmeester en commandant van het Geldersche bataillon von Schiefen, en diens echtgenoote Carolina von Treyn. De aankooper verbindt den bouvvhof als onderpand ten voordeele van den heer Fournier tot Bellinghofen wegens een wisselbrief.

Den 7 Juli liet de kapitein von Hublein door den hof bode arrest leggen op de effecten en vruchten van den pachter Arnold Ariaens.

1791, 15 Juni draagt de „Justizcommissarquot; en scholtis Haffmans met de Oostrumsche schepenen namens den kapitein en deszelfs me-vrouwe (blijkens volnucht gegeven te Gelder 11 Juni aan den luitenant Karei von Gabain) de Rosmeulensche hoeve over aan Jan Bartholomeus Pattera als gevolmachtige (dd. Pannerden 11 Juni) aan den heer Johan Baptist van der Veecken.

In het begin dezer eeuw was de Rosmolen zelve tegelijk met den Rosmolensche hof wederom in bezit van het huis Geysteren. Op een nacht in de jaren GO brandde de hoeve geheel af en is sinds niet meer opgebouwd; een gedeelte der gronden werd nu door den molenaar beakkerd, een ander gedeelte met houtgewas beplant. Op de plaats der oude pachterswoning werd een jachthuis opgetrokken, terwijl de Rosmolen midden tusschen de bosschen gelegen den jachtlievenden adellijken eigenaar doet kennen aan het hert boven op de windspil geplaatst. Deze goederen liggen op de uiterste grens der gemeente Venray.

ocr page 96

Reguliere Kanonikken te Oostrum.

Krachtens testament van Vrijdag 15 Mei 1450 stichtte ridder Jan van Broeckhuysen, bezitter der heerlijkheden Geysteren in het Luiksch en van Loë in het Keulsch bisdom, alvorens in het jubeljaar de Roomsche reis te aanvaarden, het Augustijner convent op zijn erfgoed Oestrum.

Ter stichting en oprichting van een klooster der orde van reguliere kanonikken bij de kapel in zijn Overmaasche heerlijkheid Oostrum onder de parochie Rooy gelegen, geeft hij eeuwig en erfelijk :

Zijne hoeve gewoonlijk genaamd „den Mackenschen hofquot; in het kerspel (Vierlings) Beek onder voornoemd Luiksch bisdom, insgelijks zijne hoeve geheeten den hof „ter Maesenquot; te Kevelaer onder de parochie Weeze in de Keulsche diocese gelegen, en alle hare rechten en aanhoorigheden. Bovendien wil hij zijne tegenwoordige en toekomstige novaaltienden (1) onder Oostrum en daarbij eene som van 4000 Rijnsche gulden eens geven. Van deze som heeft hij „versetquot; en veronderpand twee rentebrieven betrekking hebbende op de inkomsten van Raede en het ambt Kessel. Degene welke na den door des testateurs deze brieven in bezit krijgen moeten eerst en vooral voor gemeld kapitaal van 4000 Rijnsche gulden (of voor elke 1000 dezer gulden jaarlijks volgens koers 50 erfmalder rogge) bepaalde waarborgen naar de keuze der uitvoerders vaststellen.

Het jaar daarna 1451 gingen de executeurs van 't testament met

(1) Dc oude grooto en kloino liciulo waren rcorts door ridder Gerard van Ooy, heer van Spraeland, ten jare aan liet Munster te Uoermond verkoeht.

ocr page 97

de weduwe Anna van der Straeten, een „magescheydquot; (deeling van familicgoederen tusschen bloedverwanten) aan waarbij de bovengemelde renten bevestigd bleven.

Het anniversariënboek van „Bethlehemquot; heeft het volgende : „In den jaer ons Heren 1450 heeft heer Jan van Broeckhuysen „zl. gedachtenis syn testament gemaeckt ende dese stede gefundeert „ter eere Godts ende syne moeder Maria tot een Regulierclooster, „en is in den selven jaere getrocken naer 't heilich lant van Jeru-„salem, op wekken wegh hy is gestorven.

„Daerna over 12 off 13 jaren storff tot Gollen vrouw Anna van „Broechuysen en ligt by de Predikheren aldaer begraeven.

„In den jare 1458 heeft de Prior van de Gaesdonck Helmicius „van Wesel dese plaetse aengenomen ende dan geset den eersten „Prior heer Hendrik van Erp ende heeft broeders aengenomen en „den plaets bewoont 11 of 12 jaren.quot;

Het waren dus de reguliere Augustijner kanoniken uit de stichting van den bekenden Geert Groete, wier moederhuis te Windis-heim bij Zwolle gelegen was, die de oprichting volgens testament ten uitvoer brachten. (Clerici et fratres vita; communis).

De Gaesdonk zond de eerstelingen naar Oostrum, en nadat deze de toestemming van den Venrayer pastoor erlangd hadden, bouwden zij huizinge en klooster naast de kapel van O. L. Vr., waarvan hun het gebruik tot uitoefening der kerkelijke diensten vrijstond. De reeds aanwezig zimde kapel vormde alzoo het uitgangspunt der stichting, die in hare nabijheid werd tot stand gebracht, (juxta Cappellam in villa de Oostrum )

Ruim een tiental jaren bewoonden de koorheeren het nieuwe klooster Oostrum, toen eene groote gebeurtenis, een schitterend wapenfeit in het Geldersche hertogdom verandering zou aanbrengen.

De droevige verhouding tusschen vader en zoon, de hertogen Arnold en Adolf, speelden dezen laatste de teugels van 't bewind in handen, echter niet zonder verzet der naburige vorsten. Jan I van Kleef viel plunderend in Gelderland, bedreigde het geheele Overkwartier en hield Wachtendonk, zonder dat de Geldersche vorst hiertegen veel vermocht uit te richten. Eindelijk kwam het den 2.'i Juni, daags vóór Sint Jan 1468, dicht bij Straelen aan de kapel der smartvolle Moeder in het Sand, tot een formeelen veldslag. De Geldersche krijgsmacht bestond uit GOD ruiters en GOOO

ocr page 98

voetknechten, allen met eikenloof als kenteeken getooid, benevens uit 200 paarden, welke de Keulsche aartsbisschop uit Kempen ter hulp gezonden had. De Kleefschen waren naar schatting 2400 ruiters en 5000 man voetvolk sterk. Vóór den slag gaven beide hertogen aan hun adellijke medestrijders, ter aanwakkering, den ridderslag; en als de vanen en banieren ontrold waren, sprak onze hertog van het paard en hield voor zijne getrouwen eene begeesterende redevoering. „Laat U, zoo riep hij, geen schrik op het lijf vallen, door het trompetgeschal en krijgsrumoer der Cleefschen, houdt moedig stand en doet wat U bevolen wordt; met Gods hulp en zijner lieve Moeder, onder wier leus wij vechten, zal de dag van heden ons eer en goed aanbrengenquot;. Driemaal stormde het Kleefsche heir er met een hevigen aanval op los, doch werd telken male met groot verlies teruggeslagen, wat echter niet verhinderde dat ook de Gelderschen vele dooden en gewonden hadden.

Drie Geldersche banierdragers Scheffard van Merode, Gerard van Vlodorp en de ons bekende Mathijs van Eyll, medeheer van Geysteren, Oostrum en Spraeland verloren het leven en zelfs werd de hertog op twee plaatsen door pijlschoten verwond. Ten laatste sloegen de Kleefschen op de vlucht, waarbij hun standaarddrager met 00 ridders en schildknapen gevangen genomen, alsmede de vaandels van hunnen hertog, de banieren der steden Soest en Wesel buit gemaakt werden. Vele legeraanvoerders, de ritmeesters van Uedem, Gennep en Cranenburg bleven op het slagveld en enkel met de grootste moeite werd hertog Jan door de Weselsche burgers gered en in veiligheid gebracht. De slag had den geheelen dag geduurd maar was voor de Gelderschen een der schitterendste overwinningen die ze in jaien behaald hadden.

Naar het vroom gebruik dier tijden moest het aandenken aan die roemvolle gebeurtenis door eene godsdienstige stichting vereeuwigd worden. Zoo had ongeveer een kwart eeuw vroeger de Guliksche hertog zijn zegepraal over de Gelderschen door de vestiging van een Kruisheerenklooster te Dusseldorp en de stichting-der St. Hubertusorde in dankbare herinnering gehouden.

Niet minder wilde Adolf, wiens kinderlijke liefde voor zijn vader overigens weinig aan de goddelijke geboden getoetst kon worden, de gedachtenis aan dezen heerlijken wapentriomf, op godsdienstige wijze bestendigen. Zijn voornemen was een klooster in

ocr page 99

de nabijheid van Straelen tot stand te brengen en daarom liet hij zijn oog vallen op de nieuwe stichting van Oostrum.

Al spoedig had deze, gelijk meermalen met nieuwe fondaties het geval is, niettegenstaande de gestelde rente, met mocijelijkheden te kampen. Ook het terrein in den omtrek was moerassig en nog niet geheel ter bebouwing bereid, en van den anderen kant, stond de Hertog zelve door de pandbrieven in nauwere verbinding met het Convent. Er werd besloten de stichting met renten en rechten van Oostrum over te plaatsen naar Mariensande bij Straelen.

De eerste aanvraag en toestemming moest uitgaan van het Kapittel van Windesheim aan den IJssel.

De Voorzitters van dit Kapittel zonden nu een smeekschrift naar Rome om van den regeerenden Paus Paulus II (14G4 —1471) de machtiging te bekomen de Oostrumsche fundatie met alle inkomsten en rechten naar het Sand bij Straelen te verleggen.

De redenen, waarop hun verzoek steunde, waren de volgende :

Dat de plaats van Oostrum voor den bouw van een klooster niet geschikt en passend was wegens de daar aangrenzende samen woning van meerdere vrouwenkloosters, alsmede van de talrijke bevolking en er dientengevolge „pocius ruina timenda quam struc-tura captandaquot; zou zijn.

Nog dat de Geldersche hertog alle moeite aanwendde voor de overplaatsing en den bouw te Straelen „ex certis cnusis animum suum moventibusquot;, uit zijne eigene goederen verder wilde voltooien cn de rente van 200 malder onaflosbaar vaststellende. (1) De hertog zou nog meer geven, hadde hem de macht en tijd niet ontbroken. (De niet uitgedrukte beweegredenen des hertogs zullen wel geweest zijn de victorie naar het gebruik dier tijden te gedenken op eene hem zoo min mogelijk kostbare manier, daarin geholpen door de regulieren, die allerwaarschijnlijkst liever Straelen dan Oostrum voor standplaats hadden).

Verder hadden zij door bemiddeling des hertogs de toestemming gekregen van den Straelschen pastoor Willem van Brede, Doctor beider Rechten, executeur des testaments van ridder Jan, alsmede die van Gobelinus rector der kapel van Mariensande.

gt;1) Nog iu d;'vorige eeuwMvordrn do mulders rogge door de domeinen aan de kloosterlingen ia quot;t laad vaa straelen uitbetaald.

ocr page 100

— 94 -

Jan van Broeckhuysen had onder zekere voorwaarden nog ecne som bepaald voor de vestiging van een Karmelieterklooster te Zalt-Bommel, doch wijl de Broeders van den Karmel er nog geen werk van gemaakt hadden of in gebreke gebleven waren dit te voltrekken, was dc bepaalde stichting op de gemelde koorhecrcn vervallen.

Op dit verzoekschrift van het Kapittel gelastte de H. Vader, den Cistercienser abt, Hendrik van Kloosterkamp bij Rheinbergh onder het Keulsch bisdom, om de Karmelieten en allen die rechtens moesten opgeroepen worden te dagvaarden, en na dezer afstand, aan gemeld Kapittel vergunning te schenken het klooster te Straelen te bouwen. De toegestane renten en goederen zouden ten eeuwigen dage aan het Kapittel te Windesheim onderworpen blijven.

De pauselijke goedkeuring volgde den 5 November 14G9.

De koorhecrcn van Oostrum hielden met hun Prior Gerardus Kerskorf op Allerzielendag van het volgend jaar 1470 hun plechtiger intocht in het nieuw Convent op 't Sand.

Niet alleen de leden der regeering van stad en land Straelen maar ook ridders en meerdere aanzienlijke familiën en weldoeners waren op dit najaarsfeest tegenwoordig, terwijl mede de reeds gemelde pauselijke commissaris abt Hendrik van Camp en dc openbare notaris Joannes Moer van Xanten de plechtigheid met hunne tegenwoordigheid vereerden.

De eerste prior te Oostrum was Henricus van Erp, die aldaar ten jare 1470 overleed.

In hetzelfde jaar was als zijn opvolger gekozen Gerard Kerskorf die de bliide inkomst te Straelen hield en reeds het volgend jaar 1471 overleed.

De derde prior was Peter van Gnliek, die in 1474 als zoodanig voorkomt en later de vierde prior werd te St. Elisabeth bij Nunhem. Hij leefde nog in 1484. Zijn anniversarium werd in November gehouden.

De vierde prior was Petrus van Aide kerk overleden in 148G.i

De Augustijnen van 't land, zaten intusschen het eerste tiental jaren niet op hun gemak. Hadden de Geldersche Karmelieten na de machtsverduistering van hertog Adolf, zich de stichting van Jan van Broeckhuysen bijzonder aangetrokken, of knaagde het ge-

ocr page 101

— 95 —

weten der koorheeren over de informaliteit, waarmede de pauselijke toestemming van Paulus II obreptitie zou verkregen zijn? Het fijne van de zaak is ons niet bekend, wel dat er iets niet 'in den haak was, en er om de gemoederen in rust te kregen, eene nieuwe bulle van Paulus' opvolger Sixtus IV (1471—1484) verscheen, die aan de translatie voorgoed de eindbeslissing gaf.

Bij sommigen toch was over de wettigheid twijfel gerezen en wel om de volgende redenen:

1quot;. Minder juist was opgegeven dat de plaats Oostrum ongeschikt was wegens de samenwoning van verschillende kloosters van het vrouwelijk geslacht. En inderdaad in het geheele land van Kessel was behalve de Norbertijner proostdij te Kessel zelfs geen enkel religieus huis dan het „Susteren Convent Jerusalemquot; te Venray, op een half uur afstand van Oostrum.

2°. Onjuist was als mede-reden der ongeschiktheid aangehaald de grootte of dichtheid der bevolking „propter populi multitudinem.quot;

De verslaggever van de toenmalige Oostrumsche bevolking had zeker geen onderzoek in loco ingesteld, nog na vier eeuwen is de menigte volks niet bijster groot.

3°. Werd gezegd dat de pastoor van Straelen Willem van Brede executeur van Joris testament was, iets wat zeker „minus veraciter expressum fuit.quot;

4°. De Cistersienser abt Hendrik van Klosterkamp had zich niet aan de termen zijner lastgeving gehouden, en was op Marien Sande zelve „qui locus insignis non estquot; overgegaan tot het ten uitvoer leggen zijner brieven. Hij scheen zich zoo spoedig mogelijk van de zaak afgemaakt, korten mette gezongen te hebben.

Het kapittel verzocht dus de concessie van Paulus II en de uitvoering van den Kamper lasthebber te willen bekrachtigen.

Sixtus IV beveelt zulks aan den Proost van St. Cunibertus te Keulen, aan de Dekenen der kerken van St. Paulus te Luik en van St. Victor te Xanten, met machtiging om elkander hiermede te belasten. Deze zouden de bul plechtig afkondigen en de tegenstrevers of hen die het kapittel van Windesheim in zijn bezit zouden hinderen door de kerkelijke Censuur of straffen tuchtigen (1).

1, zie; quot;Dor McrtoiTliolnquot; Wochenblutt tilr NlederrUeiiilsclie Onsdildito und Altnrlhums'amrte o.a. rlnilt J. IM.eutzeu in Fischcln (Red. L. Henrkhs in Wachtendonk) Jg. 1818 blz. 9 eu volggt. Oolc do daarop volgende jaargangen dor quot;NUidcri'heinisehe Geschiclitsfrem.dquot; 1881—1883,

ocr page 102

De bullc was gegeven te Rome den 3 April 1483. De vertaling van dit pauselijk schrijven, dat zich in het parochiaal archief te Straelen bevindt, luidt in Nederlandsche vertaling:

„Sixtus, Bisschop, Dienaar der Dienaren Gods, aan onze geliefde „Zonen den Proost van Sint Cunibert te Keulen en den Dekenen „der kerken van St. Paulus te Luik en St. Victor te Xanten „heil en apostolischen zegen! Heden hebben wij de brieven van „onzen voorganger Paulus II zaliger gedachtenis, waarin den be-„minden Zonen van het Windesheimer kapittel uit dc, orde der „Reguliere Koorheeren van St. Augustinus, in de Utrechter diocese, „de toestemming verleend werd om op het erf der Lieve Vrouwe „Kapel in het Sand onder het kerspel Straelen, in het Keulsch „bisdom, een klooster te stichten en op te richten, met ons appsto-„lisch gezag bevestigd en goedgekeurd. Insgelijks voor zooveel hun „aanging, alles wat betrekking had op de oprichting, overbrenging, „aanleg en toewijzing in hetzelfde schrijven vervat. Mede hebben „wij alle gebreken, welke misschien daarin mochten zijn binnenge-„slopen, verholpen zooals onze daarover uitgegeven brieven nader „inhouden.

„Dientengevolge gelasten wij U, omzichtige Heeren, door dit „apostolisch schrijven, dat gijlieden of twee of één uwer, als geknelde brieven U zullen aangeboden zijn, hetzij door U zeiven of „door een of meer anderen, al het bovengemelde op welke plaatse, „wanneer en zoo dikwijls het geschikt voorkomt, plechtig zult doen „afkondigen, en alles, zooals zulks door Ons goedgekeurd is, „onderhouden.

„Daarbij zult gijlieden niet toelaten, dat onze geliefde zonen „de Prior en het Convent van genoemd klooster van Windesheim „van gemelde orde, wegens het aangehaalde lastig gevallen worden, „beteugelend de weerspannigen of tegenstrevers met de kerkelijke „censuur met ter zijde stelling van 't appel, in weerwil van alles „wat wij in bovenvermelde brieven hiertegen zouden kunnen doen „gelden. En zulks al mocht er ook voor eenigen in gemeenschap „of afzonderlijk een apostolisch indult bestaan, dat zij noch met „interdict, suspensie of ban gestraft konden worden, door eenige „apostolische brieven die geen volledige, uitdrukkelijke en woordelijk aangehaalde melding maakten van dergelijke ontheffing.

„Gegeven te Rome bij Sint Pieter in het jaar van 's Heeren

ocr page 103

— 97 ~

„Menschwording duizend vier honderd drie en tachtig den 3 April „in het twaalfde jaar van ons Pausschap.quot;

In een beknopt verslag van dien tijd stond enkel vermeld dat de plaats des kloosters te Oostrum voor den prior en conven-tualen minder geschikt was om daar volgens hun staat en orde te leven.

De eerste dezer Pauselijke gevolmachtigden Jan van Arssen (1), Proost der Sint Cunibertus kerk te Keulen en van den H. Geest te Roermond volbracht zijn last in zijne residentieplaats Keulen op Woensdag den 7 Juli 1484, Hiermede was de zaak voor goed van de baan en het recht van de Reguliere Kanoniken bevestigd, die tot het jaar 1802 de Canonie bewoond en bezeten hebben. Een der laatst overgeblevene koorheeren uit het Sand van Straelen was de eervv. heer Jan Willem Bovens geb. te Urmond 1770, geprofest te Straelen ü Juni 1793, na de suppressie kapellaan te Swolgen 1803 — 1844 en overleden te Maashees (Noord-Brabant) 1 April 1860.

Den gehcelen executoriaalbrief van Jan van Arssen met ingelaschte pauselijke bescheiden, welke op het Rijksarchief te Maastricht aanwezig is, geven we als bijlage n0 X. De Straelsche kloosterlingen hadden dit stuk gemerkt „Execucio domini Johannis de Arssen super translantione conventus nostriquot; en het is met het zegel in rood was van den Roermondschen Proost voorzien.

(1) Het memoHobock Viiu hot voorniulig II. Goostkaplttcl tc Roennoiul lieort : 20 Aug. Ami-vemuium magisiri Joamii» de Arssen si. spiritus RurieiTiuii icasis nc Six'uniberlicolonlnisisecclo-sic rrcepositi, qui eonuilit Iiui,: etciosit' collegiate aiimiatiimmum II remim UencnK'm in auro pro suo aniiivcrsario singulis uiinis iiora^cndo juxta moroni. 01.IJl am.o Domini HSSponultiniu mensis Augusti, non est hic scpultus.quot; In 1474 was IiiJ pastoor van Kempen, in HTS komt liij voor ais aartsdiaken van Deutz lij Keulen.

ocr page 104

Reguliere Kanunnikessen te Oostrum.

„In den Jaere 1468 heeft hertog Aelff van Gelre die fondatie „mitten broederen transfereert en overgelacht tot Mariensande bij „Straelen, so is dese stede ledig bleven totten jaer 1474 wanneer „heer Peter van Gulick prior tot Mariensande en heer Derick van „Achelen pater van Well deze stede wederom geordineert ende „geërigeert hebben tot een Susteren convent — hebben Susters „vergadert en gemelte heer Peter van Gulick, Prior daerna tot „St. Elisabeth die onsen commissaris was, heefft 12 Susters ge-„kleet in den jaere 1477 ende daerna in den jaere 1478 de processie aff'genoemen in den regel van St. Augustinus.quot;

Ziedaar het eenvoudig beknopt verslag van de vestiging der kloosterzusters zooals meergemeld Anniversariënboek ons aangeeft.

Bij het vertrek der kanoniken waren deze met den Venrayschen pastoor overeengekomen, dat in de stede, zoo deze, om welke redenen dan ook, niet door eenige mannelijke ordensüeden of reguliere koorheeren zou bewoond worden, Augustijner kanonikessen of zusters dier orde konden geplaatst worden.

't Was de eerwaarde koorheer Dirk v in Ac/tel, pater van het vrouwenklooster te Well, die op aandrang van de Straelsche Regulieren de tweede stichting op zich nam en de nieuwe kolonie van uit het Maasdorp aanvoerdde. Well was dus het moederhuis der Oostrumsche bagijnen.

Behalve de aanwezig zijnde verlaten timmeringen der kanoniken schijnen de nieuwe kloosterlingen voorloopig geen groote gebouwen te hebben opgetrokken. Aanvankelijk hebben zij wel nevengebouwen geplaatst om eene doelmatige inrichting te verkrijgen. In het begin

ocr page 105

der IG1'0 eeuw schijnt men eene vergrooting te hebben willen ondernemen, want de pater-rector had om dien tijd 1G,000 tigchel-steenen ter zijner beschikking gereed. Of de gebouwen klaar waren en deze steenen nog overig blijkt niet, maar de pater leende ze aan de Venraysche kerk, toen in 1519 het portaal aan dc Markt-zijde getimmerd werd. Twee jaren later werden hem hiervoor 37 hornsche gulden te goed gedaan.

Zeer zeker zijn in den loop der tijden meerdere veranderingen aangebracht, is afgebroken en opgebouwd zooals overal geschiedde. Het buitenkwartier met daaraan verbonden waschhuis, thans nog overig, dateert eerst uit de vorige eeuw evenals de kloosterkerk die in den franschen tijd gesloopt is.

Tot het geheele gebouw verleenden slechts twee poorten vrijen toegang. Eene teekening van den kunstschilder J. de Beijer, dooiden hoogedel gestr. heer referendaris de Stuers aan het Prov. Oudheidkundig Genootschap van Limburg te Maastricht geschonken, geeft ons een gezicht op de kloostergebouwen der vorige eeuw.

In de middeleeuwen was het voor meerdere kloosters gebruikelijk hunne stichtingen of wel naar den patroonheilige te noemen, of hun een afzonderlijken naam toe te kennen, meestal ontleend aan bekende plaatsen uit het Heilig Land. Het Augustinessen Convent te Venray voerde den naam Je nis a lent, te Venlo droeg het vroegere Cellieten- later Annunciaten-klooster den naam Irans-Ccdrou, wijl het ook over eene beek gelegen was; te Gelder hadden de Reguliere Kanonikessen een convent Nazareth en te Oostrum werd haar gesticht met den naam Bethlehem begiftigd, doch wanneer men met dien titel begonnen is hebben we niet kunnen ontdekken.

Het volk noemde hier in den regel alle kloosterlingen paters en bagijnen zonder op de oorspronkelijke betcekenis dier woorden te letten.

Reeds een jaar na hare vestiging, 2 Dscember 1470, sloten de prior van Straelen, Peter van Gullek van Aldekerk als vertegenwoordiger zijner Conventualen, die aan de Wellsche zusters afstand hadden gedaan van hunne goederen in Oostrum, en de pastoor der parochie te \ enray eene overeenkomst of concordaat over hunne onderlinge verhoudingen.

ocr page 106

— 100 —

De Venrayer zielenherder was destijds Gysbertiis van der Gact, (gelatiniseerd de Foramine) (l). Kanunnik van Lubeck en Collecteur der Apostolische kamer, ook pastoor te Rotterdam, een veelbeduidend man in die bewogen tijden, opbouwer der grootsche en prachtige gothische kerk, die Venray meer dan vijf eeuwen tot sieraad en roem heeft verstrekt. Van der Gaet, een van Venray's grootste zonen, was een man wiens vernuft, ijver en godsdienstzin niet enkel den stoffelijken tempel deden verrijzen, maar ook den zielen tempel, het geestelijk leven wist op te bouwen en te onderhouden.

Deze overeenkomst komt in hoofdzaak op het volgende neer :

1° De zusters mochten ten bekwamen tijde het Goddelijk Ollicie of de kanonieke uren bidden of zingen, wijwater zegenen en het volk daarmede besprengen, de rector kon ook de biecht hooren, de H. Communie uitreiken en het laatste H. Oliesel toedienen aan de kloosterzusters en vaste commensalen, deze konden ook naar verkiezen de kerkelijke begravenis hebben binnen het kloos-tererf (infra cepta mon.)

2° De zusters mochten processie houden met vaandel en kruisen zelfs met het Venerabel en Reliquien, onder deelneming van het volk.

3° De rector mocht, op welken dag ook, in de kerk of op eene andere geschikte plaats, niet enkel voor de kloosterlingen maar ook voor alle anderen het woord Gods verkondigen.

4° Zij mochten alle offergaven ter gelegenheid van lijkdiensten, schenkingen en giften, onder welken titel ook gedaan, behouden om deze nuttig te besteden.

5° De pastoor stond zijne canonische portie of aandeel aan de zusters af.

0° Voor alle schaden welke de pastoor en de parochiekerk door bovengemelde vergunningen mocht lijden, betalen de kloosterzusters met Kerstmis aan den Herder drie goudgulden (munt van hertog

(1' Foi'amen licleeltem i opsmng, gilet. Gysboi't van der Gaet vond zijne grafstede op het h lügUoor jnist voor het hootdaltaar, waar eens een prachtige zerk met koueren platen zijn eerbiedwaardige assche dekte. (Zie Maasgouw 8 dl. 1S91 hladz. P.i? en voIg.^rfi^SK een halve ceaw geleden ten jare 1838 werd zeker uit historische kennis ol' dankbaarheldsgevoel. de kerk door een verknoeier der Christelijke kunst van het koor verwijderd en onder den toren gelegd, waar zij In een soort rommelkamer tot standplaats der klokkenluiders dient. WIJ schamen ons hier den naam van dien ridder van den Nederlandschen Leeuw te noemen, jjeiicta mulorura

ocr page 107

— 101 —

Arnold zal. gedacht.) of in hunne plaats drie gewone gulden wettige muntspecie) ter waarde van 43 Keulsche witpenningen.

7° Daarenboven zouden Gijsbert van der Gaet en zijne opvolgers, opdat de zusters niet door arbeid overstelpt werden en in vervolg van tijden Gode gerust dienen, haar in den Paaschtijd den H. Olie bezorgen toereikende voor het geheele jaar. (Zie Latijnsch stuk bijlage n0 XI).

Zoo was dan de grondslag gelegd tot een vreedzaam samengaan met den Herder der parochie, en van dien kant het mogelijke te werk cesteld om min stichtende verwikkelingen te voorkomen, maar de inkomsten-toestand van de nieuwe stichting liet nog veel te wenschen over.

De Koorheeren hadden met toestemming der overheid al de inkomsten aan de oorspronkelijke stichting verbonden, naar het Sand overgebracht, en lieten de Zusters in meer of min behoefti-gen stand hun verlaten gebouwen bewonen, van daar eene wrijving welke allengs in kibbelarijen en twistgeding ontaarde.

De inwendige kloostertucht kon onder zulke omstandigheden minder gedijen; het geestelijk leven leed onder den indruk dezer tijdelijke oneenigheden, die eindelijk 13 September (daags voor Kruisverheffing) 1484 door eene minnelijke schikking werden opgeheven. (Bijlage n0 XII).

Het Kapittel van Windesheim benoemde twee zaakgelastigden nl. Johannes den prior van O L. Vr. klooster bij Neuss (1) en Thomas prior van het klooster „Corpus Christiquot; te Keulen (2); als bisschoppelijk Luiksch commissaris voor Oostrum trad op Petrus van Gulick, prior van St. Elisabeth bij Nunhem die een zoo levendig aandeel in de nieuwe stichting had genomen.

De gevolmachtigden besloten, dat de Prior en 't Convent van Straelen die de gebouwen om Godswil aan „sommighe Susteren van den jofferen clostcr van Wellquot; overgegeven hadden, deze kloosterlingen ook ten eeuwigen dagen daarin zouden bevestigen nl. „alsulcke huess, hoffstaet ende alle ghetimmere mitten der capelle ass nu op der sclver steden steijt.quot;

(1) In 179*2 was to Neuss Praoposilus : Frans colwnbarli ; subprior: Martin Wobcrs, Thool. profess.: Hcrnar.l Clorck on KiiclKMiincistcr Tliood. liroich

(2) In 1702 word de canonic U» Keulen botilold : Kronloiclniamshorron, canoniri Kojjulares ord. s. Aujj. Subprior : Jan W illem Hues; rellarius; Joseph NVorner M'-itlono, saeristu: llenr. Jos. Zoll.

ocr page 108

— 102 —

Verders werd aan de zusters afgestaan oen tiende van omstreeks vier of vijf malder rogge en eene kleine weide, waartegen de kanonikessen verklaarden, dat zij zich voortaan nimmermeer zouden vermeten eenige geestelijke of wereldlijke rechten te vorderen van de stichting van Jan van Broeckhuysen. Deze overeenkomst was bekrachtigd met de zegels der 3 scheidsrechters alsmede van de kloosters Mariensande en Oostrum.

Hiermede waren de zaken voor goed geregeld, had ieder convent voortaan zijn eigen beheer en hield de betrekking tusschen beide gestichten op, uitgenomen het algemeen kapittelverbond en de daarvan uitgaande beschikkingen en benoeming der Rectoren.

Kloostcrbcstier.

Aan het hoofd der inrichting stond de Priorin of Maiersche bijgestaan door de Suppriorin (Suppriersche) en voor de innerlijke huishouding zorgde de Procuratrix (Procuratersse). Met de opleiding der nieuwelingen of novicen was de novicen-meesteres belast. In het klooster waren rcligosae gewielde zusters en

zusters, welke geene wiel of hulle droegen; bij hare inkleeding of professie ontvingen zij, ten minste in de vorige eeuw, een afzonderlijken kloosternaam ; tot de bedieningen in het klooster, werd door de zusters in kapittel vergaderd, de benoeming gedaan, zooals wij bij de keuze van mater Maria Feyen uit de Acta episcopalia zullen aangeven.

In IfiTl bestond het personeel uit den Rector, de priorin en 14 zusters, welke bij gelegenheid van een hoofdelijken omslag op de geestelijkheid van het Overkwartier respectievelijk 9, 3 en 14 gulden betaalden.

Den 2G Juli 1743 werd de clausuur, zooals die in het bisdom Roermond gebruikelijk was, ingevoerd. Gertrudis Sweijen was toen mater of priorin, Monica Janssen suppriorin en Jan Daniel Pirovano rector.

Uit de Acta Episcopalia van 1745 blijkt dat de kloosterlingen gedeeltelijk van den landbouw en gedeeltelijk van het werk barer handen leefden, tevens werd er (kost) school gehouden

Als geestelijk hoofd werd door het kapittel meestal een ordens-geestelijke uit de verschillende kloosters benoemd, die tevens de

ocr page 109

tijdelijke belangen des convents met de buitenwereld onderhield en regelde. Zijn titel was pater-rcctor eene benaming welke ook den seculiere geestelijken, welke van het midden der eeuw, af tot de helft der 18(le toe, door den Roermondschen bisschop als rectoren aangesteld, bijbleef. (1)

Voortaan met eigen bestuur begiftigd begon de kloosterlijke bedrijvigheid zich meer en meer te ontwikkelen , novicen werden aangenomen met wier inbreng of dote men weldra meerder grondbezit vermocht aan te koopen, waardoor in de toekomst het bestaan der kloostergemeente nader verzekerd werd, Van oudsher nam men ook vrouwelijke personen in de stichting op, die in de noodige kennis en handwerken onderwezen werden, of wel deze plaats uitgekozen hadden om hare laatste levensjaren buiten het gewoel der wereld in stille godsvrucht tc slijten.

Lijst van Religiensen en goederen.

De kleine tiende door de minnelijke schikking van 1484 door de Straelsche conventualen aan Oostrum gelaten, werd reeds in 1488 aan de abdis van 't Munster tc Roermond overgedragen , die hiervoor vier erfmalder rogge, staande op'sHeeren boek van Ge\rs-teren, in ruil teruggaf.

Deze pacht moest gelijk meerdere oude Spraelandsche goederen aan iwee handen staan , zoodat bij het afsterven van eene hand of bezitter, wederom een andere moest worden aangezet. (Zie over Thyns- en lijfgewinsgoederen blad. n. 58). Meestal stond de rector en één kloosterlinge of wel twee zusters tc boek. De rogge lag in Oostrumsche onderpanden.

Allengskens zocht het klooster naar dc toenmalige tijdsgebruiken, zijn grondbezit uit te breiden en zoo vinden wij het omstreeks 1533 in bezit der volgende perceelen :

Drie morgen land in de Eng aan de Lullsche Steeg; Wolters-pesken; een pas hergekomen van Hendrik Clacs; Goessens kamp;

(1) De ocnv. heer .1. A. van Hegolsom in zijn boekje quot;Onze I.ievo Vrouw van Ooslrnm, Troosteres dei' Hedrukten en liolioiidenls der Krankeuquot;. MaastrlelU si. l'aahisdrukkerl.i 1884 zest bladz. 12 ;quot;l)e priors (lees rectors) des kloosters wuren te gelljktertljd rectors der kapel.quot; 1)11 Is eene onjulsilield. eene kleine vlek welke het overigens lieve boekje aankleelt. (icvii enkele der kloosterrectors is rector der kapel geweest, deze hail hare eigene rectoren oC vicarissen en ollicianten.

ocr page 110

— 104 -

Verwersgoet; Gordtz Camp van der Moeien; Huyben goet van den Rosmoelen; de hofstadt an der porten; Jennekens goet van Beyk; deze erven waren allen belast met rogge en thins aan de O.' L. Vr. kapel.

In den loop onzer studie zijn ons de volgende namen van religieusen bekend geworden, die wij hieronder met cenige aan-teckeningen en geneal. fragmenten zullen wedergeven.

In 1488 komen voor de susters Petcrke van der Horst en suster Willem van de Grave,

In 1533 Suster Peter Jaspers van der Horst.

1490 maakt suster Aleyt van de W averen één erfmalder rogge aan 't convent; het was patrimonieel goed.

„ Sr. har ie van Triest.

15G0,15G4 Sr. Catharina Hagens later procuratrix f vóór 1602.

„ „ Sr. Lisbeth Cr cessen.

1597 Sr. Deel ken Groenen.

Sr. Maria Fyten alias Feyen procuratrix 1GÓ9, werd in 1009 als Priorin gekozen. Ziehier wat de Acta episcopalia van het bisdom Roermond onder het bestuur van den vicaris-generaal Jacobus van Oeveren dienaangaande melden:

1GG9, ]4Febr. Prfevia exhortatione nostra et facto scrutinio electa est in Priorissam canonice, Maria Feyen habens XI suffragia et statim post electionem preconisata et flatus terminus conventui in seq diem si quid contra electam aut electionem haberet.

15 Febr. Convocatus fuit totus conventus capitulariter et rogatus an aliquid haberet contradicendum et unanimiter responsum se acceptare electam in priorissam suam , quo facto a nobis fuit conlirmata et installata solemnitatibus requisitis.

1053, 1055. Sr. Anna Clabbers uit Well.

1007 Juni. Sr. Christina Michels procuratrix 1(573, Oct. 1084.

Sr. Stijneken llenskens deed professie 10 Juli 1G01 f 4 Oct. 1074.

Sr. Marie Gerrits 1G77.

ocr page 111

— 105 —

Sr. M. Clacsscns procuratrix 1705; Sr. Mechtildis Becrens procu-ratrix 1712. -i k- c(i. /«■li'r JUthiS'ji* óamp;eyeetj,

a/StflilU' t*7 l/jf-nri ^ w /ie.i i/ f-n-m iSW). / £ (i/tril t^r- j ^1quot;'''

''Sr. Lij she th Vermeulen IGGS, 16G7. ~A/rO^. (■Aiutf'V/.

Sr. Isabella van Schellardt | 8 Juni 1728.

Sr. Mechtildis Cleven alias Pottcbackcrs (1), geb Meerloo in Novemb. 1G88, deed professie 2 Sept. 1709, f 17 Juli 1739.

Sr. Lambertijn Laemers, d1' van den schepen meester Lambert Laemers, 1741, 1750, bespeelde het orgel der kapel.

Sr. Augustijn 1749, speelde insgelijks het orgel. Sr. Anneken 1724 maakt cingels voor de alben der kapel. Sr Anna Lisbct'i 172;5 maakte bloemen voor de kapel. Sr Petronella Vos 1759 dito. Sr Eli-saleth Lovcndael (novice) 1739 uit Vierlingsbeek.

Sr Dorothea Sehenek van Nydcggen. De Acta episcopalia onder Jacobus van Oeveren vic.-gen. (sede vacante), zeggen:

1GG7, 1 July. Consentimus in investitionem et professionem do-miccllai Theodora; Schenck filia; nobilis Domini Andrete Schenck pretoris generalis patrio; Kessclensis, in conventu de Oostrum, juxta conditiones initas inter dictum conventum et prastorem.

Zij was de dochter van den landscholtis Andrics Schenck en diens éérste echtgenoote Elisabeth Roemer, geboren te Sevenum 7 Juli 1G49, geprofest te Oostrum 10 Juni IGGS en aldaar overleden den 4 April 1740, oud 90jaar. (Zie Ferber, Geschichte der familie Sch. v. Nyd. pag. 70 en stamboom).

Sr Maria Caiharina Aerts, geboren te Svvolgen 4 Nov. 1723, procuratrix sedert 1745 f overleden 30 Januari 17G3; in het klooster werd zij genoemd Sr Anna Maria, zij was de dochter van Seger Aerts en Petronella Peeten en zuster van den Swolgenschen pastoor en landdeken van Kessel Arnoldus Aerts (f Grubbenvorst 24 Dec. 1809, oud 79 jaar).

1

Do i'.-imilic ('leven ooJendo lid ami «'iclil vjiu potlCnl akkcr uil. ^'ij bczilten eon Iniilen-gewoon j^roole te^icl niet email van haar wt rkplaals afkonisii^.

ocr page 112

— 106

Maria Catharina Sr. Marie Anna geb. 1723 17G3.

o.a. Antonius Aerts geb. 21 Mei 1761 5 Nov. 1827 stamvoerder.

Hcndricus Acrts geboren Swolgen 29 Dec. 1728 X 1754 Johanna Hebben Cgeb. 1732).

Seger

Swolgen 25 Juni 1765, Dominikaan te Wesel met den kloosternaam Pius 1786. Priester Dec. 1788. Pastoor te Isselburg

bij An holt ibid 28 Aug. 1796.

Aerts geb.

Arnoldus pastoor geb. 29 Juni 1731. Priester gewijd 21 Sept. 1754. Deken van Kessel 7 Juni 1798.

Jan Renier Aerts geb. 24 Juli 1776. Priester gewijd 1799. kapellaan ter Horst. Pastoor in O irioo


Zuster Kampers geboren te Weert op Hushoven en zuster v.in Colts geboren Weert op Laar ondergingen beide de suppressie 15 Sept. 1802 en leefden nog in het eerste kwartaal dezer eeuw. (1)

Sr Christina de Raedt geboren te Overloon (land van Cuyk) 30 Aug. 1711, uit het huwelijk van Gerit of Gerard de Raedt en de Venraysche Jacomijn Remmer. Door deze was zij verwant aan de Heldensche Knippenberghs. Christin's heeroom was de eerw. heer Jacobus Remmen, klooster-rector te Oostrum, die bij den H. Doop ook haar peter was. Zij werd geprofest den 28 October 1727 en overleed 20 Nov. 1742.

Hare zuster Maria Gertrudis de Raedt (geb. Overloon 22 Jan. 1715) trad in het Augustinessen klooster „Jerusalemquot; te Venray en deed aldaar professie 27 Sept. 1737 was eene „gewielde Susterquot; en bracht in 't Venraysch Jerusalem als doce :

300 patacon, 1 pistoel (muntstuk), 2 malder gerst, 1ji malder weyt, 2 schenken, 1 kalf, ^ aem wijns, 1 bed met toebehoor, 1 dozijn servetten, 1 zilveren lepel en vork, 2 telieren ende Heerom sal haer alle geven 2 ducaten tot speelgelt.

1

Wolwilleiulo modedecliiijj van den WEerw, heer Jan Mathijs I.eons (uit Wccrll pastoor te Oirloo.

ocr page 113

Jacob de Raedt

x gesubstitueerd Richter Gerarda RoelTen Jacobsdr

Gerardus de Raedt Heyltjen of Helena de Raedt

geb. 11 April 1077. Schepen te geb. 29 Juni 1G84 f 28 Juli 1755

Loon. X 15 Febr. 1703

x Peter Swijen. 27 Mei 1G9G Jacomijn Remmen uit Ven ray.

o, a. Thomas 8 Maart 1700

Gerard 3 A pr. 1708 Christina geb. 30

Aug 1711 peetoom : rd. dns. Jacob. Remmen reet. in Oostrum. Maria (Gertrudis)

22 Jan. 1715. peetoom ; Cornells Hoefnagels.

Petronella Swijen geb, 29 Juni 1708

Hendrina Sw. geb. 11 Febr. 17:3.

Catharina Swijen geb. 22 Juni 1715. f 13 Aug. 1743 X 10 Febr 1737. Abraham Janssen (1) uit Heumen, kosterschoolmeester en gesubstitueerd scholtis te Loon.

f 29 Maart 1772.


Over de Wellsche kloosterzuster Derisken Pauwels, over Sibilla Janssen, S1' Monica uit (iriet en de allerlaatste Oostrumsche kloosterlinge Sr Maria Agnes Aerts (f te Asten 18G2) zal later ter zijner plaatse gesproken worden, waar ook de lijst der maters of priorinnen en der klooster-rectoren volgt.

Eene lijst heeft nog de volgende obituana :

1G7G, Dec. 13. De suppriersche tc! Osterum (Lysbeth Vermeulen?) 1G80, Oct. 22. Een suster uit convent Oostrum.

„ „ 29. Suster Anna.

„ Nov. 15. Eene suster.

1

Dev.quot; Alii'Mliain Jaiissoii was de bot-over^rootvjulor van (1lt;mi st'hrijvor diver notitie. Dal valei' Abraham in spijt van hol (';ilvinlsiis,-h si'lioolro^lom Mil in don lando van (quot;tiyk hel ocr/.aam hcrocp van koMcr sch KilinoosUn' hlt;cl'l kunnen uiiocicin'ii, ja /clls ;ils substituut schonl, instriiniquot;iilo( r.lo, zal wel ;; licbixMi am do in-'onlcro (oegovendheid van ilou

(iriUifschcn ambtp'an on aan do ^onco! katliollcke bevolking van Loon.

ocr page 114

- 108 —

In dc twee laatst verviogene eeuwen was Oostrum in het bezit van meerdere kapitalen gelijk uit het volgend overzicht blijkt:

Bij acte van 9 Aug. 1070 bekennen de echtelieden Mathijs Hens-kens en Elisabeth Aertsen van het Godshuis Bethlehem opgenomen te hebben G03 gulden Venrayer munt en stellen bepaalde onderpanden.

1749, 1 Maart leent het huis Geysteren 1100 patacons ad 3 i/o, percent van het convent en stelt zijne erfpachter onder Oostrum-Lull, circa 21 milder rog^c tot pand.

Well. Het klooster had reeds 1659, 1G73 een kapitaal van 300 gulden op de gemeente Well, waarvan de intrest met Paschen verscheen.

1070. De kloosterrector Henricus van Haren plaatst nog een kapitaal van 400 gulden ad 40/o, éérste vervaldag 23 Sept. 1G77.

„ De eerw. matersse een van 1000 gulden ad 4 %, éérste vervaldag 17 Juli 1G77

Op het Huis Well had het convent Bethlehem twee kapitalen te samen 2.118 gulden permissie ad 31/2, vervielen St. Andries 174G, stond nog uit 17(50.

Item „ nog 1100 patacons specie ad 31'., %, verviel St. Jan 1740 17GO.

Oycn onder Broeckhuy/envorst. 1700. Een kapitaal van G50 gulden op Horrerkoeweide.

BUltcrsvjyck. 13 Feb. 1748 op Brouwerhof (afkomstig van Geysteren) eene som van 1100 gulden ad o]l2 percent.

Naar aanleiding van het Keizerlijk Decreet van 21 Aug. 1810 stonden op de gemeente afdeeling Well-Bergen, afkomstig van het klooster Oostrum nu ten name der Domeinen, twee kapitalen : een van francs 428G en 25 cent een van „ 303 en 88 „

4590 — 13

ocr page 115

Stichtingen en vervolg der geschiedenis.

Ten jare 1518 kwam het convent in bezit van een aanzienlijk grondterrein. Matthijs III heer van Kessel besteedde in bovengemeld jaar zijne twee natuurlijke dochter Elisabeth en Nccskcn van Kessel in het convent tegen 13 12 morgen bouwland, in het Oos-trumsch veld gelegen. De hierover gepasseerde akte, werd namens de schepenen van Oostrum, door Wynand van Oppendorf, heer van Geysteren bezegeld. (Zie Slanghen, Bijdragen tot de geschiedenis van het tegenwoordig hertogdom Limburg, bladz. 312).

Deze bezittingen werden niet allen verpacht, maar het klooster beakkerde zelf een niet onbeduidend gedeelte der gronden, van daar dat we in de oude bescheiden 1569, 1G28, een bouwknecht vermeld vinden, die de kloosterboerderij bestierde. Ook zegt een verslag dat de conventueelen gedeeltelijk van den landbouw leefden.

Een diefstal had in den winter 1593/94 in het convent plaats want de Ambtman van 't land van Kessel daagde den 18 Junij Willemke Vaecx voor de schepenbank te Oostrum wijl deze „hum geweldiglich heeft laeten geloestenquot; inbraak te plegen en spek met andere eetwaren te ontvreemden.

In den Geuzentijd ten jare 1572 leende pater-rector eenig geld aan de Zusters van Jerusalem te Venray, die toen naar Well en Nieuwklooster moesten vluchten. Deze som werd twee jaren later gerestitueerd.

Berokkende bovenaangehaalde diefstal, slechts eene geringe schade aan de kloosterlingen, erger zouden de soms half verwilderde soldatendrommen gedurende de Nederlandsche beroerten er huishouden. Tot „twee ende dry reysequot; werd het klooster door het

ocr page 116

- 110 —

krijgsvolk beroofd en uitgeplunderd en ten laatste van Rijksvolk. Wegens den daardoor ontredderden toestand van het Godshuis werden in 1GÜ2 ambtshalve gedagvaard Willem Wynantz, pastoor te Wanssum, heer Johannes Floeris, pastoor te Geysteren, alsmede der scholtis Hendrik van Randenrade en Peter Gerats, om den 1 Maart getuigenis af te leggen over deze bedrijven. De drie laatstgenoemden verklaarden, wel gehoord maar niet gezien te hebben, dut het voornoemde convent beroofd was geworden, de pastoor van Wanssum daarentegen bevestigt, dat hij en eenige naburen, destijds in het klooster geweest zijn, en kisten en kasten opengebroken, papieren en andere bescheiden verscheurd vonden liggen.

Waarschijnlijk is deze derde plundering geschied door de Rijkstroepen van den Westphaalschen Kreitz, die onder bevel van den graaf Van der Lippe het Kleefschland waren binnengetrokken en hunne promenade militaire tot Oostrum hebben voortgezet.

Eene andere gebeurtenis welke op de tijdelijke verhoudingen van het Oostrumsch convent een gunstiger invloed uitoefende, greep ten jare 1597 plaats.

Het Wellsche moederhuis der Reguliere Kannunikessen lag ten gevolge der oorlogen en der strooperijen van de in den omtrek zwervende ketters, grootendeels verwoest en de inkomsten waren niet meer toereikend voor het onderhoud der gebouwen en Zusters. Roermonds bisschop, Henrick Cuyckius, gaf dientengevolge den 12 Januari van gemeld jaar zijne toestemming tot de incorporatie of inlijving van het Wellsche klooster bij dat van Oostrum, zoodat de nog aanwezige conventualen naar Oostrum verhuisden, en de bezittingen met die van Bethlehem werden saamgesmolten. De laatste der Wellsche Zusters, welke tengevolge dezer regeling naar Oostrum waren overgekomen, was zuster Der is ken P ouwe Is, die den 15 September 1630 overleed. Een en ander geschiedde echter niet tot volle tevredenheid der Wellsche ingezetenen gelijk uit een verzoekschrift blijkt. Eenige jaren later had de Oostrumsche pater een proces te Well, waarin hij in 1G19 triumpheerde.

(Over het inlijvingsstuk zie Sivré Inventaris IV st, bladz. 13G.)

De eerste helft der IT0 eeuw schijnt intusschen rustig voor de bagijntjes te zijn voorbijgevloten tot dat ten jare 1G3Ü zich een hevige en min stichtende twist ontspon tusschen het klooster, gesteund door den adel van Geysteren en de schepenen met kerk-

ocr page 117

— Ill —

meesters over het bezit en bestier der kapel, waarin zij gezamenlijk de Goddelijke diensten verrichtten en bijwoonden. Deze twist, proces en vonnis waren gewichtig, wijl, naar de uitspraak van het Souvereine Hof door de bisschoppelijke Cancellarie bevestigd, het kapelbeheer tot aan den Franschen tijd geiegeld werd.

Onder de geschiedenis der kapel zullen wij dezen rechtsstrijd nader bespreken.

Eene nieuwe fondatie kwam weder het convent ten goede. Aangezien het klooster wegens zijne geringe middelen geen rector kon onderhouden, stichtten Jan van Lil/i en zijne zusjer Anna een eeuwigdurend beneficie? onder den titel en aanroeping van de Maagd Maria, van welke stichting en het onderhoud van den rector zij een kapitaal bestemden van 3000 gulden Venloosche munt.

Dit kapitaal zou bestaan uit de volgende goederen en renten:

1° Een huis tc Venloo op het Schriksel.

2° Een kapitaal van 40 Hollondsche gulden op de stad Zalt-Bommel.

3° Een kapitaal van 200 gulden op de tienden, genaamd die Sachtienden, tc Velden, toebehoorende aan den heer van Bocholt.

4° Twee morgen (jurnalia) akkerland te Blerick nabij het huis de Staai.

5° Een halven morgen akkerland te Tegelen.

0° Een halven morgen akkerland te Holt-Blerick en

7° Het kapitaal van een jaarlijksche rente van een daalder, gevestigd op het huis tc Venloo op het Helschriksel, toebehoorende aan Helena Overdyck.

Deze stichting werd den 9 Julij 1(557 door Jacobus van üeve-ren, lie. der Theologie Deken en Vicaris generaal goedgekeurd. (Sivré, Invent. IV stuk 302.)

De landsheeren in het Geldersch Overkwartier, zeker beanquot;--

7 O

stigd dat de kloosters tc rijk zouden worden, legden er zich op toe de aanwerving van onroerende goederen tegen te gaan. Meerdere plakkaten waren reeds met dat doel uitgevaardigd, doch naar het scheen met weinig gevolg, zoodat andermaal ten dien opzichte een strenger gebod gegeven werd. Deze ordonnantie was uitgevaardigd tc Brussel den 24 November 1G38 (zie Bijlage n0 XIII).

Ten jare 1005 zoude de klooster rector Joannes Alards betrekkelijk dit punt in moeielijkheden geraken. Uit het sterfhuis van

ocr page 118

— 112 —

den Schepen Dirk van Ryckel had de rector bij publieke veiling drie morgen bouwland aangekocht, waarop terstond het praatje liep dat ze voor het klooster bestemd waren, een gerucht dat allen schijn van waarheid voor zich had.

De heer van Oostrum-Spraeland, Johan Vincent Schellardt van Ohbendorf, drost van het ambt Kcssel, kwam zoowel nomine officii als uit eigenbelang tegen dezen koop op en zond zijn protest aan de Schepenbank ter registreering. Het was van den volgenden inhoud :

„Alsoo ick voor dese hebben verstaen als dat de Conventuale „tot Ostrum so directelick als indirectelick tot groot prejudicie „ende nadeel van myn heerlicke gerechticheyt so van erfthynse „als liefgevvinsgoederen tot hun syn treckende. So ist om sulcks „voor te commen als dat mits deze de schepenen van Oostrum „wordt belast hun nu voortaen niet meer te laete vinden in al-„sulcke acte die smaek hebbe van amortisatie ende by aldien het „tot descr uure is gesciet buyten onsen kennis so is dat ick mits „desen daer van ben protesterende begere omdat het selve hier „namaels bij UE. indachtig wil wesen, omni meliori modo sal „woorde geregistreert actum den G feb. 1GG5 : Jo: Vin: Ba: von „Schellaert von Oppendorff.quot;

Pater-rector Jan Alarts, zoon van den landschryver, was van zulk protest niet erg beschroomd en wist zich gansch eenvoudig, voor Schout en Schepenen te verantwoorden, want:

„Dit voerss. aen Eervv. Heere Joës Alarts, rector van het Con-„vent Oestrum, voorgelesen, heeft tot antwordt gegeven als dat „hy de 3 morgen lants van 't sterffhuyse van wijlen Dierick van „Ryckelt op heden voor den 2 en lesten zitzdagh vercocht ende aen „zyn Eerw. als lesten meestbiedende verbleven, hadde gecocht tot „Sijn Eerw. sellls gerieils sonder meeninge omt selve aen dooder „handt overlaeten dan met speciael consent van Syn Hoogh Eed. „den Heere van Geysteren aen wekken 't selve landt tot thins en „te gewin is gaende.

„J. Alarss. A.v. Litt.

„Hendryck Coppen, Peter Faechs Vermuelen.quot;

ocr page 119

In den zomer van 1040 was de eerwaarde Mater des convents Marie Sypkens eene groote injurie aangedaan door een zekeren Hendrik Jans Gueyt, zoodanig dat de zaak voor de Schepenbank diende. Op de zitting van 10 Juli verklaart baas Cuijt dit in dronkenschap te hebben gedaan; waarschijnlijk was hij vol^hê-lerwater geweest, en werd het zaakje nu op een accoord gegooid.

ocr page 120

Bouwing der Kloosterkerk in de 18de eeuw.

De merkwaardigste gebeurtenis in deze eeuw was voor het convent ontegenzeglijk de bouwing van een eigen kloosterkerk.

Tot dan hadden zij rechtens gebruik gemaakt van de aloude Maria-kapel van Oostrum, waarvan zij ook gedeeltelijk het bestier in handen hielden, maar hadden allerwaarschijnlijkst binnen de muren een oratorium privatum, een eigen bidplaats, doch eene eigene kapel of kloosterkerk hadden zij tot daaraan niet.

Op aandrang van den gebiedenden Heer van Oostrum, den Akenschen Proost Philip Ambr'osius van Schcllardt, werd met den bouw begonnen.

Aan de zuidzijde der gebouwen lag zij vlak aan de Molenbeek en was in 1721 reeds voltooid. Een der éérste begrafenissen die er in plaats vonden was die van den Proost, welke de laatste 20 jaren in het klooster zijne huisvesting genomen had, en voor het altaar begraven werd. Dit altaar was aan de H. Maagd Maria toegewijd, breed en hoog in renaissance stijl opgetrokken met zware kolommen omgeven. De koorvloer was in Namenschen steen geplaveid, een geschenk van Beatrix Wijnhoven, weduwe van Jan Versieyen, en moeder van de latere priorin Fr. Agnes Versieyen, In deze kerk en het kloosterpand werden ook de zusters begraven, terwijl vroeger of wel het parochiaal kerkhof te Venray of wel het terrein om de Oostrumsche kapel gelegen tot begraafplaats diende, gelijk opdelvingen, een kwart eeuw en ook een paar jaar geleden, aan het licht brachten. Meerdere geschenken en slichtingen werden voor dit gebouw besteed, zoo o. a. een uit Breyl, nl. een prachtige remonstrans, een geschenk dat echter eerst in de laatste helft

ocr page 121

I*

II

quot;7^

tymf

/n

115 —

1 v

na

dezer eeuw voltrokken kon worden, toen Bethlehem met zijne kloosterkerk reeds lang opgeheven waren.

Te Oostrum in 't convent woonde een tijd lang de persona van Üirloo, de clericus Franciscus Neuforge, protonotarius apostolicus, die tc üirloo den 21 Augustus 1747 overleed.

Konden de religieuzen zich verheugen in het bezit van een eigen Godshuis, de dood zou in het convent op eene verrassende wijze deze vreugde temperen. Ongeveer in ééne week, in Januarij 17(33, rukte de kwade koorts „febris malignaquot; niet minder dan zes kloosterzusters uit de levende gemeenschap: de Eerw. Moeder Gertrudis Sweyen, de suppriorin, de procuratrix Maria Anna Aerts, de novi-cenmeesteres en twee andere conventualen. Pastoor Arnold Aerts van Swolgen (zie bladz. 1U(J) heeft achter in het doop-, huwelijk- en sterfregister zijne parochie 1712—1798 een geslachtsboom zijner familie ingelascht, waarin hij het volgende meldt onder de „lilii parentum meorumquot;: „Nata 1723, 4 9bris Maria Catharina, postea „dicta Maria Anna, obyt febri maligna aet. ferè 40, procuratrix „actualis annis 18 in monasterio de Oostrum, 30 January 17(.)3. „Eadem circiter septimana, mater monasterii, suppriorisa, procu-„ratrix, novitiarum magistra et duae aliae sepultae sunt, ita pro „dolor!quot;

Volgens traditie overleed in de vorige eeuw in Bethlehem eene zuster aan den vreeselijken kanker, welke in Ijet lichaam dei-arme kloosterlinge zoodanig gewoed had, dat men het lijk in twee gedeelten moest kisten.

Klooster-Pensionnaat.

ii

Het bestaan des kloosters werd niet enkel bevestigd door landbouw, handenarbeid, vooral spinnen, en geschenken, zooals het ollicieel verslag aangeeft, maar ook de kostschool vormde eene niet geringe bron van inkomsten. Reeds in de 16de eeuw werden, zooals boven aangestipt is, kinderen „uitbestaedquot;, niet enkel in de kost, maar tevens in het aanleeren van nuttige handwerken en andere huishoudelijke bezigheden, waarbij men het onderwijs in de moedertaal, schrijven, rekenen, en het aanleeren der Fransche taal voegde (1).

Ï is

Imm 1

igt;i

u

1 Zie Nkttesuhim, Geschicliie der Srlmlcn im alten Herzojrilmm Gekleni, bladz. 421,

ocr page 122

— 116 —

Ecnige jaren na de stichting des kloosters was hierin het éénig pensionnaat in den lande van Kessel, dat echter nochtans zijn hoog-sten bloei eerst bereikte op het einde der vorige eeuw, toen in hetzelve jonge dochters uit de voornaamste familiën der landen van Kessel en Cuyk werden opgenomen (1). De laatste klooster-pensionaire was vicjufv. de weduzve van de Voort, geb, teGroeningen.— Vierlingsbeek 21 Dec. 1788, f te Beugen 24 Dcc. 1879.

Commensalen.

Gelijk in meerdere kloosters naiw ook Bethlehem vrome personen van het vrouwelijk geslacht als commensales perpetui, voortdurende, vaste kostgangers olquot; dischgenootcn, welke in sommige voorrechten der Congregatie of Orde deel hadden.

Veelal waren het bedaagde maagden of weduwen, welke, afgetrokken van de wereld, bij de Godgewijde jonkvrouwen haar leven in den dienst des Heeren wenschten te eindigen. Deels waren het ouderlingen die een gerusten ouden dag of verpleging in ziekten verlangden en die liefdediensten veelal niet onbeloond lieten. Een enkele maal was het bij uitzondering een mannelijk persoon, die verpleging behoefde. Tot woning was hun het buitenkwartier met daaraan verbonden waschhuis (thans als boerderij nog overig) aangewezen.

Wij willen uit de archieven en overdrachtsboeken eenige dier commensalen vermelden, zoowel tot kenschets der toenmalige kloostertoestanden als tot eene genealogische bijdrage van meerdere aanzienlijke familiën.

1757 den 5 Januari worden de Oostrumsche schepenen Lamert Laemers en Jacob Vermeulen met den secretaris Oswald Liefkens in het klooster Bethlehem geroepen om het testament te passeeren van juli rouw de weduzve Ger rit van de Renne, bijgestaan door den pater rector B. Moubach. Zij vermaakt hare goederen aan hare dochter, gehuwd met den raad Severs van Loon, wonende te Roermond, als universeele erfgename.

(1) Zlo v;iu Ilogolsoin. O. L. Vr. van Ooitrmn enz., bliulzz. 0 cn 12.

(2) Oostrum was hot hüste pensionnaat voor chimes en juirrouwen, dat langs Ui- heele Maasstreek en inhei land van Kleef gevonden werd, zoo verklaarde ten jare 1841 eene deftige oud-penslonnalro aan den toonmaligen kapellaan van Heek (hy Maastricht), den ISerw. heer J. M. Leens, thans pastoor te oirloo.

ocr page 123

— 117 —

1759 den 27 September overleed als commensaal in het convent Oostrum Henrina van Gnlick alias Bnuinans, weduwe van den schout Jan Aerdts en werd in de kerk barer woonplaats Broekbuysen begraven.

Het sterfregister van die plaats heeft het volgende:

f 1759, Septembris 27 obiit domicella Praetorissa Henrica van Gulick vidua Domini praetoris Joannis Aerds.— Obiit in Oistrum in conventu sanctimonialium canonissarum regularium, ast bic sepulta.

De echtelieden Jan Aerts Cof Aerdts) en Hendrica Boumans waren mede stamouders der bekende familiën Strauven en Borret.

Joannes Acris, geboren te Maashees (toenmaals parochie Geys-teren), den ;]1 Maart 1(570, uit het huwelijk van Leonard Jans'quot; Aerts en Anna Hermens, x te Broekhuyzenvorst den 11 Febr. 1701 met Hcndrina Bolivians (1) alias van Gulick, aldaar geboren 8 Aug. 1G75.

Zij woonden eerst te Broekhuysenvorst, later te Broeckhuysen.

Jan Aerts werd Secretaris der heerlijkheid Broeckhuysen 26 Sept. 1712, beëedigd den 20 Juni daaropvolgende en als scholtis dier heerlijkheid beëedigd 9 Juni 1717. /yj7

Hij stierf in zijne laatste woonplaats den 24 Maart als „Pagar-. chusquot;.

Deze echtelieden waren zeer gefortuneerd en op 27 Maart werd in de kerk van het naburige Swolgen hun anniversarium gehouden. De stichting ontstond uit „eene goede aalmoes wegens pretensie aen de kerk kwijtgeslagen in materiaal tot opbouw der kerk.

1) Tc Brockhuysonvorst bij de kerk liyt thans nog de stauihoeve genaamd quot;aau Boumuns,

ocr page 124

— 118 — Hun kinderen waren,

o. a. 1. Leonardus Petnis Aeris, geb. te Broeckhuysen-vorst ö Juni 1704, eerst kapellaan aldaar, sedert 1753 pastoor te Lottum f 22 Aug. 1773.

4. EleonoraMagdalena Frederica Aerts, geb.teBroeckhuysen 22 Juli 1717; de doopborgen waren: de bekende Aken-sche Proost Philip

Fred. Amb. Schellart en Eleono-ra Magdalena von Metternich, gravin

van Schellart: beiden lieten zich vertegenwoordigen.

2. Anna Maria Josepha Aerts; geboren te Broeckhuysen 1 Mei 1714,

X ter Horstö Mei 1737, Jan Jacob van Douve-ren, scholtis aldaar. Zij f 27 Dec. 1707 en den 30 op het Liev. Vrouw, koor ter Horst begraven.

3. An toon Adolf Jan Aerts; geb. Broek-huysen 21 Juli 1716, secretaris in Broeckhuysen 1748—1751, toen schout aldaar, was ontvanger van quot;t kasteel. Hij overleed 3 Juli 1770.

X

Anna Catharina Sy-l'crts, dr. van Sybert en Maria Cremers, geb. te Broeckhuysen 18 Feb. 17in, f 2 Sept. 1787,beiden in de kerk begraven, was in 1737 novice in Bethlehem te Oostrum.


o. a. Maria Pctronella

Sybertus, Henrina Aerts,geb. Broeckhuy-geb. Joa, geb. sen den 30 Deo 174(5,

25 Mei 20 Feb. peetoom rev. dns Pe-1743, 1745. trusSyberts, x aldaar

14 Jan.1772.

X ^

Joanna Catharina Aerts, geb. te Broeckhuysen 18 Oct. 1748, x te Broeckhuysen 26 Oct. 1779,


ocr page 125

— 119 —

y; X

Francisca Henrina, Mr. Theodoras An- Jan Joseph Strau-gcb. 25 Nov. 1758. tonius Borrct, consul- ven, rentmeester van

tissimus Dus, rent- 't Nieuwklooster on-meester der Duitscli dcr A sperden (bij Ordens Commanderie Kleef), geb. te Cont-tc Gemert, geb. te Ra- zen bij Montjoie, f As vcnstein 31 Juli 175G, perden 27 Oct. 17^4. f te Gemert op 't kasten! 15 Juni 1 78G (1).

Antoon Joseph Lambert Rorrct,geb.te Ge mert 12 Aug. 1782, Staatsraad, Commissaris des Konings in Limburg 12 Juni 1839—12 Jan. 1841, Gouverneur van Noord-Brabant 20 Apr. 1842, f te Delft 7 Sept. 1848.

Syberts te Broeckhuysen.

Jan Sjberts, koster te Broeckhuysen, f 13 Oct. 1(578, x 12 Juli 1054:

Johanna Janssen.

o. a. Sybertus S3rberts, geb. 2!) Sept. 1GÖ3 f 20 Sept. 1722.

X Maria Cremers alias van den Klef,

geboren te Maashees 30 Nov. lfgt;77,f te Broeck 13 April 1728.

(Haar broeder was Petrus Cremers (geb. 1GS7 x Joa Syberts) stamvader der Maasheesschefamilie Cremers(zie „Limburgquot;blz.128.)

Maria Syberts, geb. Joannes Syberts,geb. Maria CatharinaSy-

19 Juni 1707 x Wil- 17 Juli 1710, eerst as- berts,geb.l8 Feb.1716,

lem Potten. sistcnt te Alïerden,dan was in Maart 1737 no-

desservitor dcr kapela- vice te Oostrum (Beth-

nie te Wel), pastoor te lehem), huwde later

1703. pastoor zijner ge-

Brocckhuysen vorst _ , . St. Jan 1755 — 4 Mei Aerts, zoon van den boortcplaats 1 ((gt;;),f 5 ^ was daar deser. BroeckhuyserScholtis Jan. 1 (Bo te Ge dei ge- vjtor van af Au 1704, Jan Aerts.(Zie boven.) storvcn,teHroenr» voor het koor bcèraven.

«.T

,1 kou broeder van Mr. Theodor Antoon was quot;de Hoog Kenv. Vicaris Apostollcus Arnoldus l'Muard Aloysius Iliiborlus Horrol, geboren Uavonstcin nrjl, t pastoor te Reek •gt;amp; April 1R39. (Zie verder Publications 1881), blz. 20 seq. art. van Jlir. de Stuers.

Sybertus Potten,geb.

8 Maart 17.).), j.iicstei Rrnpri^hmrsenvorst Antoon Adolf Jan

ocr page 126

— 120 —

Voor het Lieve Vrouwe-altaar te Broeckhuysen ligt een zerk met het volgend wapen en opschrift:

! M®sMaia BjgeaAiE^Eis ®E

iHlIj'dAKIÊ ITftlE1L®(l1 M J@MAM

Z^Êfelf IT^ aC'fH]@ILTDS ILC SKDJEJ^/W JllS.®ÊKM WD^IIEINI @I£§|. '• liS® IZSP ®l£S

NAfCSir EM IE !ülÊJS)Eiamp;iMMM ©MILyeK ©IfSKSWiWO/rfM9i JEM X7 fËS W/^EMJTf SÊPTrÜ'MggR iMIl£¥ M/ASISLS LJIg.

O IF.

17G0 den 22 Augustus verschijnen de Oostrumsche schepenen in het convent ten verzoeke van juffrouw Godefrida Szveyen (zuster van de toenmalige overste of mater Sr Gertrudis Sweyen). Zij maakte tot algemeen erfgenaam haar neef Jacobus vande Steen te Arcen. Aan de kinderen van Peter Nabben, in huwelijk met Ca-tharina Sweyen, valt ieder een legaat van 100 permissie-gulden, eveneens aan de kinderen van Jan Sweyen en zijner echtgenoote Elisabeth. Haar petekind Henricus Sweyen, zoon van Jan voornoemd,

ocr page 127

krijgt extra 50 gulden. Het convent Bethlehem .'iOO gulden Kleefsch voor een solemneel jaargetijde.

1763 den 2 Februari worden de schepenen van Oostrum in het convent Bethlehem verzocht ter toezegeling van het besloten testament, dat den 29 Januari te voren, juffrouw Eva Maria van Wijkcrsloot in tegenwoordigheid van de medicijnendoktoren J. J. Herckenrath en G. .1. Knapen verzegeld had, en dat tegelijk met het te Utrecht op 9 Augustus 1T4() gepasseerd testament, effect moest sorteeren.

De testatrice overleed in het convent den 2i3 Februari 17G3, en den 22 Maart werd hare uiterste wilsbeschikking geopend. De voornaamste bepalingen waren :

1. Haar lichaam moest in de kerk van het convent Oostrum begraven worden.

2. Als universeele erfgenamen zullen optreden hare broeders Cornelis van Wijkersloot en Theodoras van W., alsmede hare zuster Juf1' Maria Wijkersloot in huwelijk met Cornelis van Wijn-gaerde, allen wonende te Utrecht, hare nicht Elisabeth van Duyn-kereken, nagelaten dochter van wijlen hare zuster Odilia van W. en den heer Nicolaas van Duynkercken.

3. Aan het convent Bethlehem 1000 guld. Holl. voor eene jaar-lijksche zingende Mis, nog 1000 guld. Holl. voor onkosten der begra-venis cn 200 gulden voor recreatie der religieusen.

4. Hare dienstmeid Mechtildis krijgt een legaat en eenige meubelen, evenals de rector van 't convent.

5. De kloosterkerk kreeg haar witte zijden kleederen, alsook haar ander zijden kleed, zwart en rood, voor ornamenten

G. De katholieke armen van Utrecht eens 1000 gulden Holl. en die van Oostrum 200 gulden, welke laatstede rector van 't convent zal uitdeelen. (Het geheele testament volgt als bijlage n0 XIV.)

1777 den (i Dec. Mevrouw A. B. Draper, weduwe van Jan Rudolph Smelicma van Dnirscma, tegenwoordig wonende in het klooster Oostrum, verzoekt aan de schepenbank een gerichtelijke bijstand ot momboir. Het gericht staat zulks toe en Thomas Keunen inwoner te Oostrum treedt als zoodanig op. Den volgenden dag 7 Dcc., verzoekt gemelde mevrouw benevens hare dochter in huwelijk met den heer P In lippens eenen bijstaanden momboir, wijl zij gaarne hun huis en hof, gelegen te Roermond op den

ocr page 128

steenweg zouden verkoopcn, en zij tot momboir „daertoe niet gevoegelyck en connen versoeckcn welgemelden heere Philippens soo om dessclfs affwescntheyt, als ter oirsaecke sy van malcandercn syn gescheydenquot;.

1793, 15 April. „Requeste aan den Eersaemen Gerichte der Heerlyckheyd Oostrumquot; door Josepha Jumef, geboortig van Strae-len, thans meerderjarig, wonende in 't klooster Oostrum tot een momboir, nl. Petrus van Eyndt. Al/.oo zij eene eenige dochter is, wil zij hare erfgoederen overgeven aan haren oom en hare tante Petrus Dorenbosch en Maria Kemkens binnen Straelen;zij vermaakt eenige legaten en een jaargetijde.

1794, 9 Dec. Voor de Oostrumsche schepenen testeert juf. Christina ten Bosch, zij geeft aan den rector Math. Eymaels de macht om hare begravenis te regelen, zooals zulks in het klooster voor de commensalen gebruikelijk is

Zij stelt tot erven hare nichten Johanna ten Bosch, huisvrouw van Jan Kleyn, Maria ten Bosch, huisv. van Jan Eesseling en Johanna Sterenberg. Item de kinderen van hare overleden neven Gerard Groottinck, Henricus Sterenberg en haar nicht Alyd Groot-tinck, in huwelijk gehad hebbende Laemert van der Beek. Tot executeur testam. stelt zij den heer Jan Besseling tot Amsterdam.

Zooals gemeld is had het klooster bij uitzondering een mannc-lijken commensaal of kostganger en zulks in de jaren 17S7 en 1788 nl. den heer Jan Bruyning, uit Amsterdam. Dit heerschap was sukkelend, had eene groote ulceratie aan zijn linker been en werd in 't buitenkwartier des kloosters (het gewoon verblijf der commensalen) verzorgd. Blijkens de proces-acten had Jan soms kwade luimen, was pruttelend en knorrig van humeur wat de Venraysche chirurgusJ Hoemoet zou ondervinden Van de ulceratie kwam het tot een proces over de rekening van 87 gulden en 18 st. Hollandsch die Bruyning te hoog vond. Op de zitting van 26 Februari 1788 verklaart de chirurgijn, dat hij zeer dikwijls voor des Brynings huis tot verbinding der wonden had geklopt, maar hem niet geopend werd en dientengevolge moest retourneeren, om andermaal terug te komen. Voorts had hij ook dikwijls vele beleedigingen moeten afwachten, als hij door andere patiënten belet zijnde, wat later als gewoonlijk gekomen was.

Hoemoet zegt verder, dat hij het eerst verzocht was den Bruyning

ocr page 129

— 123 —

te bedienen op den 2S Februari ITST en daarmede was voortge. gaan tot den 9 November 1787, uitgenomen van 1—4 Juli, toen de patient naar Venlo was gereisd, maar anders hem dagelijks verbonden had, en derhalve persisteert hij bij zijne aanklacht cum expensis.

De partijen konden het echter niet eens worden en nu werd de rekening opgezonden aan Z. Kon. Majts. medicinaal collegie te Gelder, op welks advies het „Königl. Preuss. Landes Administrations Collegiumquot; den 10 April 17S8 besliste:

„Dass man nicht zu hoch angesetzt finde — indem wann er sich „in ansehung dieser Curen, nach der Königlichen Medicinal ord-„nung gerichtet, und seine Giinge noch besonders libellirt hatte, sotane Rechnung sich noch weit hoher belaullen wurdequot;.

Jan schijnt nog geprutteld te hebben, want den 1G Juni daaraanvolgend moest hetzelfde Administrations Collegie nogmaals verklaren dat deszelfs verordening van !0 April c. a. „sein bewen-den behalt.quot;

Die verordening was onderteekend; v Plessman, v. Keverberg, Heinius Poell.

Moe het verder met „den Bruyningquot; en zijne ulceratie afgeloopen was, is ons niet gebleken.

Het meergemelde Anniversariënboek des convents, dat tevens Memorieboek was, had ook vele weldoeners des kloosters ingeschreven, tegelijk met meerdere merkwaardige feiten. Eenige uittreksels, zoover ze in onze aanteekeningen voorkomen, laten wij hier na de commensalen volgen.

Anniversarienboeck van het convent Bethlehem, bladz. 16 en volgg.

Januari 5. Heer Gessen Coninx, het anniversarium wordt gehalten na d' Octave Innocentium. Hij is in llS.'Jii overleden. Ten jare 1G30 resigneert hij als bedienaar der S'0 Annakapel te Blitterswyck,

Januari 9 overleed in 1044 Mr Johan Coninx.

Heer Goswinus Coninx, geboren te \rcnray in Juli 1594, zoon van Jan Coninx f schepen 1G29 en van Jaecxken of Jacoba, wonende „in de roosquot; was ook rector te Leunen.

ocr page 130

— 124 —

f 2G Februari 1755, heer Petrus Brnuzvcrs, ge we es .n capellaen te Roy (Venray), was als zoodanig aangesteld 23 Juni 1709.

f 14 Februari 1772, Ja com inn Lmners, echt. van Arnold Ver-blackt, heeft gemaakt 100 gulden Holiandsch tot oen zingend jaargetijde voor haar en de familie (zie hiervoor).

f 3 Mei 1710, Eva van Holsnet; zij had eene zuster Elisabeth, eene andere Catharina f 1G98, was Geestelijke Moeder van 't Paters-klooster, haar heeroom was Peter Verbcrckt, uit Maashees, pastoor van Venray en Deken van 'tland van Kessel.

Petrus Claessens (Nicolaï), vicaris van St. Lucia-altaar van Venray, pastoor van Bergen van af 1073; hij stierf aldaar op Palmzondag 11 April 1G8S en werd den 13 April begraven.

1707 legateert Elisabeth Versleyen, huisvrouw van zaliger den scholtis Bernt Portmans, 100 gulden staande op de gemeente Venray, het pensioen hiervan blijft aan hare nicht Sr Agnes Versieyen, suppriorin te Oostrum, later moet het dienen tot een vigilie en memorie.

Item heeft Baetje Wijnhoven, weduwe van Jan Versieyen en haar dochter Sr Agnes Versieyen 100 gulden gegeven voor een vloer van Namenschen steen in het koor der kloosterkerk.

(Aert Versieyen, schepen van-Venray, x Wendel van Eisen.)

o. a. Elisabeth Ver- Meditildis, Jan Versieyen, Arnold Versieyen,

sle yen, geb. 5 Feb. 1Ö17, geb. 15 Aug. 1627 geb. 3 Mei 1630

geb. 1615 v ^ X 28 Febr. 1649 pastoor Afferden 1656

BarthoIomeusMacs Bernt Portmans, Baetgen Wijnhoven 128 Oct. 1678.

. Werckens Zn. scholtis Venray,

o a. Agnes Versieyen. Peter Versieyen, Wendel Versieyen,

geb. 1658, geb 9 April 1660, X

deed professie te Oostrum X te Broeckhuysenvorst Aert Kessels,

8 Oct. 1684 28 febr. 168quot;) zij t als weduwe te Oirlo

Suppriorin, dan gedurende Jenncken op Wis. 17 Aug 1740.

33 jaar mater, t 26 Juni 1745 .

f 14 August 1084 Joannes Daemen pastor te Broeckhuysenvorst en landdeken van Kessel. Daemen alias Damiani geboren te Strae-„len (?) was eerst pastoor te Uedem (Kleefschhnd) en sedert 4 September 1G41 te Broeckhuysenvorst, waar hij, na den 15 Jan. 1G74 tot Deken benoemd te zijn, overleed.

ocr page 131

-—Sept. 1755. Gedachtenis van Helena of Heyltjen de Raedt, weduwe Peter Sweyen in Loon (zie hiervoor).

[)en 21 September l(j.'30, heer Rencrus van Boeckholt heer tot Macken heeft „ons convent gemacckt eens hondert veerthien gulden, wacrvoor men sal halden jaergetijdt, misse en vigilie. Dit gelt is aen den muyr neflens de beke gcleytquot; (1).

Macken, een kasteel onder Vierlingsbeek, behoorde reeds in het begin der lGdlt;! eeuw aan de familie van Boeckholt, 150S Arent van B. — in 1G0G aan vermelde Reinerus van Boeckholt. In 1624 was hij met de kerkmeesters vanOverloon in proces over de St. Theo-baldus pas of weide in de Spurkt te Ven ray, dat echter bij minnelijke schikking geregeld werd. Hij was een weldoener van Oostrum, in 1G2-1 was zijne erfdochter Anna van Boeckholt reeds gehuwd met Albert Bouwens van der Boye, landrentmeester. Uit dit huwelijk drie kinderen :

Catharina Francisca Jan Renicr B.van der Anna Margareta B. v. d. Boye, in IG-lü Boye, gcb. Roermond x

wondervol te Kevelaer 17 April R)4.'] Jan Hendrik baron

genezen. 1° x 1G71 Maria Isa- de Ketteler.

bella de Jfövinis uit (Zie later.)

Brussel f 1G7G;

2° X den 1G Sept.

1G77 met Lucia Maria van Cortenbach. erf-

voogd van Roermond (2).

in 1846 behoorden de eigendommen van Macken aan August Marie Chretien d'Overschie dc Macken, thans aan diens erven

„Den 27 September heer Johan van Goch pastor te Aefferden, „heft ons beset eens hondert gulden Ruremondssch, waervan ge-„halden wordt erffjaergetydt. Storll' aquot; 1G2G.

Over dezen ijvervollen priester en beurzenstichter, zie Jaarboekje van Alberd. Thijm 1895, bladz. 170 — 173 en Jos. Uabets : Studiebeurzen, pag. i3G, en Geschiedenis bisdom Roermond 111, pag. G09.

(1) Besteed.

(2) Door dit huwelijk kwam hei orfvougdschaiJ in bezil der lainilie Houwens van de Boye,

ocr page 132

— 12G —

't Was over de begrafenisrechtcn van zulke commensalen of weldoeners, dat de Venrayer pastoor Christiaan Hoeben in Februari 171)2 een heel gehaspel had en drukke correspondentie voerde met den kloosterrector Eymaels; alweer een „bitter kookergevecht!quot; Zulke kibbelarijen, soms van ernstigen aard, treffen we in de Kerkelijke Geschiedenis van het Roermondsch bisdom (III, 403—108) meermalen aan, en hoe ze in den regel afliepen kan men daar ter plaatse lezen. Of het hoofd van onzen pastoor onbestoken uit dien bijenkorf gekomen is, kunnen we echter niet melden.

li Pastoor Christiaan Hoeben, geboren Ie Uoormond 2ü Deo. 17.'«, sliimde uil de lierlici-^ ••de Heiquot; op den Herter.schen weg, was eerst pastoor van Herten, toen bij door de Munster abdis Maria Cfecilia van Eyck de Nunen, wier portret nog op de pastorij to Venraj aanwezig Is, als pastoor aldaar word voorgedragen. Hij aanvaardde zijne bediening in Juni 1708 en stier! 29 Md I8C5. Zijn zegel was als volgt: in een rond scliild een twecai'mig kruis, onder den voet en aan weerszijden ond( r den eersten arm twee zespuntige sterren l oven elkaar, boven het «ehild een zelfde ster.

ocr page 133

r

A

Fransche Tijd en opheffing des kloosters.

ï

Eindelijk sloeg ook voor Bethlehem het laatste uur zijns be-staans; wat in Frankrijk reeds voltrokken was, zou in het Roerdepartement wel uitgesteld maar niet kwijtgescholden worden. De kloosterinrichtingen aldaar stonden, zoowel wat hunne innerlijke en uiterlijke werkzaamheden, alsmede wat hunne bezittingn, tienden en rechten betrof, onder streng toezicht der Republikeinsche agenten. Reeds in Februari 1798 werd het aannemen van nieuwelingen verboden, een weinig later vergunden zij eigenmachtig eiken monnik of non de vrijheid uit de kloostergemeente te kunnen treden, ja beloofden in dit geval een vast jaargeld. De kloosters moesten volop betalen in de schattingen welke de Fransche veroveraars uitschreven en zoo werd o a. in de zittingen van het arrondissements bestuur of Bezirks Verwaltung (1) van Gelder, op 27 en 28 Januari 1795 gehouden, ecne contributie van viermil-lioen livres op dat gewest geheven, waarvan het contingent of quota van het canton Gelder op 857,142 livres gesteld was, in drie termijnen te betalen (voor 15 en 2G Pluvióse en G Ventóse—3 en 14 en 24 Febr. 1795). Het deel van de kloosters en geestelijke genootschappen bedroeg 0)3,182 livres, waarvan het convent Oostrum alléén voor zijne Wellsche bezittingen 900 livres moest opdokken.

(Ii Onder hol u.-sirn of aiTouaissemsut Ooldcru ressorteerde destijds Pruissisch en Oosten rijksoli Gelderland, Mours on Kloet (linker Uijaoover). — H,;t kanton Gelder bestond uit hei toenmalige Pruisisch Geider. In dio dagen, .lauuari-Septomber 1705, was kantonbestunrder te Gelder de folie republikeinsche advocaat (later notaris) Jau Willem Servaas Herckenrath (geb, te Weert 17-18 t In Noord-America).

ocr page 134

- 128 —

Art. 11 van gemeld besluit voegt er heel laconisch aan toe:

„Alle geestelijke corporaties zijn gemachtigd, niettegenstaande voorafgaande tegenstrijdige bepalingen, hare goederen te verpanden.quot;

Na het sluiten van het Concordaat werden in het bisdom Aken (waartoe het oude land van Kessel behoorde) bij consulair besluit van den 20 Prairial jaar X =- 9 Juni 1802 de kloosters opgeheven, waaronder ook Bethlehem begrepen was.

Na de ophelling bleven de rector Eymaels en eenige religieusen nog eenigen tijd een gedeelte der gebouwen als pachters bewonen, terwijl de overige veelal naar hare geboorteplaatsen terugkeerden, onder genot van een jaarlijksch pensioen ten laste van het Fran-sche gouvernement.

De laatst levende religieuse van Oostrum was Zuster Maria Agues Acrts, geboren te Asten in de Meierij van 's Bosch, geprofest te Oostrum ü Februari 1790; zij overleed in hare geboorteplaats in het gesticht van liefdadigheid den 31 Januari 1862 in den gezegenden ouderdom van 97 jaren. Haar bidprentje ingelijst, heeft langen tijd als een aandenken in het portaal der Oostrum-sche kapel gehangen.

Het klooster met de kerk werd den 25 Juni 180G in't openbaar te Aken verkocht. Aankooper was de toenmalige heer van Blit-terswijck, Barthold Baron de Cocq van Haeften , van de gereformeerde religie, die de kerk en het eigenlijke klooster deed sloopen, zoodat enkel het buitenkwartier of waschhuis overig bleef. Als eene bizonderheid kan dienen, dat zekere Vermeulen, genaamd Keute, als kind mede had helpen werken aan den bouw der kerk en op zijn stokouden dag andermaal zijne diensten beschikbaar stelde om hetzelfde gebouw te helpen afbreken.

Het nog bruikbare gedeelte werd naar Blitterwijck vervoerd om bij de groote verbouwing van het kasteel, vooral der stallingen, benuttigd te worden , terwijl het kloosterklokje naderhand in de Protestantsche kerk aldaar gehangen, en de vloertegels in twee vertrekken van het veerhuis gelegd werden (Zie Maasgouw I jg. 1879 bladz. 111).

Flet altaar kwam in de kapel van Leunen, het orgel in de paro-chiekerk van Grubbenvorst tereent. Flet mobilair des kloosters, zoover het niet verkocht was, werd door de zusters verdeeld of weggeschonken. Zoo kreeg de Overloonsche schatbeurder en boom-

ocr page 135

- 129

kweeker Martin Janssen van dc Conventualen eene schoone huisklok, welke hij in den rosdoek onder de kar naar Loon vervoerde. Deze klok is nog in gebruik der familie, en een schoon tafreel op hout, het vergaan der wereld of'swerelds ijdelheid voorstellende, is in het bezit van schrijver.' '/

Een grondplan der kloostergebouwen werd indertijd door Martin Goemans aan den toenmaligen Venrayschen kapellaan den Eerw. Heer Sax gegeven, welke teekening echter schijnt verloren te zijn gegaan.

In eene weide nabij den grindweg zijn nog sporen van de kloostervijvers of weiers zichtbaar.

De overige goederen werden eerst door de Domeinen verpacht en later verkocht, waarbij het buitenkwartier en waschhuis met de noodige grondstukken voor eene boerderij in handen kwamen der familie Jenneskens, wier erven, o. a. dc echtelieden Antoon Loonen en Elisabeth Jenneskens, ze nog bewonen en beakker.en.

Op het terrein der kloosterkerk en eigenlijk klooster waren twee aangebouwde woningen met stallingen opgericht, gedurende dc laatste halve eeuw in bezit der familie Goemans. Bovengemelde Martin Goemans, genaamd Klomp, die tevens kapelmeester was en den zondagspenning voor het herstel der kapel trouw met de schaal ophaalde, had bij testamentaire beschikking zijn erf onder zekere voorwaarden aan de Venraysche kerk vermaakt. Het kerkbestuur liet het geheel ; huizing, tuin en boomgaard ter gezamenlijke grootte van 29 aren en 70 centiaren den 2 October 1893 publiek in veiling brengen, waarbij het voor de som van 660 Ne-derl. gulden toegewezen werd aan het Raadslid Antoon Loonen, die het bij zijne overige oude kloosterbezittingen trok. (Zie kaartje pag. 130).

De Eerwaarde heer Eymaels, die na de suppressie tegelijk de kapel als rector of vicaris bediende, vertrok na zijne benoeming als vicaris-desservant van Geysteren , naar deze plaats, waar hij zijn intrek nam in de oude grootsch aangelegde pastorie.

Met hem vestigden zich te Geysteren de kloostervrouwen, welke nog te Oostrum onder zijne geestelijke leiding gebleven waren, om ook hier, zooveel de tijdsomstandigheden toelieten, den kloosterregel na te komen.

j ^A ( /■ t/' [S 'l ftS■ f ! i^•

—/ i .

ocr page 136

.

ocr page 137

- km —

De volgende overleden in de parochie Geysteren :

f 1823, 30 Decembris. Monica Janssen filia legit. Wilhelmi et Judith van Tuyl conjugum ex Griet (: nomen saecularis Monica; Janssen erat Sibilla Janssen:) religiosa velata in üostrum, et so-lemniter sepulta est in caemeterio 2 Januarij 1824.

f 1831, 12 Februarii. Receptis moribundorum Sacramentis Rom. Eccles. obiit reverenda mater Maria Josepha Lnlsdorjf ord. canon, regular. S. Augustini e conventu Oostrum aet. 90, et decima quinta febr. in caemeterio nostro sepulta est.

Deriske Pouwels of Pauwels was de laatste Wellsche kloosterzuster van Oostrum en overleed 25 Sept. 11^30.

Lijst der maters of Priorinnen van Bethlehem.

Aleydt van der Hcyden, lste priorin, f 14 Juni 1490.

1 rijn van Aerssen f 5 Oct. 1538.

Anna Gossens, f 3 Aug. 1557.

Aleyd van den Gracff, f 10 Juni 1586.

Johanna Col/arts, f 9 Dec. 1607.

Maria Sybkens, f 25 Januari 16G9, oud 69 jaar, was 38 jaren

in bediening.

Maria F ij ten (Feijen) alias Kesscls uit Wanssum, gekozen 14 Feb.

1669, f Nov. 1718.

Agnes Versieyen, geb. Venray, geprofest 8 Oct. 1684, f 26 Mei

1745, oud 87 jaren. (Zie pag. 114).

Gertrndis Swijen, gcb. te A reen, deed professie 1714, f 23 Jan. 1763,

Maria Agnes Engels, geb. te Helden, geprofest 23 Juli 1748,

gekozen als priorin 8 Febr. 1763—1775 28 April 1780.

Willulmina Smits, geboren te Puijflick (Maaswaal), geprofest

28 Oct. 1755, gekozen 30 Januari 1775, bedankt als mater.

ocr page 138

Maria Catharina Josepha Lulsdorf, geboren te Heppeneert bij

Maeseyck, geprofest 1770, als mater geko-3 Febr. 1790, onderging de suppressie 1802, vestigde zich te Geysteren, waar zij den 12 Febr. 1831 in den ouderdom van 90 jaren overleed en den 15 daaraanvolgende op het kerkhof begraven werd.

R. I. P.

Lijst der rectoren van het klooster Bethlehem te Oostrum.

Hendrik van Goeh, 1505, f 30 Januari 15**.

Johan van Santen, f 31 Jan. 1517.

Lcnardt Smits, f 1517.

Thijs van den Bergh, alias bruder Thijs van der Horst, f 16 Juli 1539.

Gysbrecht Goejer of Goijers, van Juni—October 1556.

Deze was eerst pater in het St. Agneten-convent der orde van St. Augustinus te Maaseyck, later te Culenborg bij zijne familie verblijvende, „daar heeft hij noet in eyn beyn gekregen : soe heb-..ben syne vrunden verkregen dat hi in eyn doester pater is gewor-„den, geheyten Oestrum. Hi is daer gekoemen in den braemant „(Juni) op einen Sondach doen men screef 56, des anderen daechs „na Franciscusdag op einen maendag is Gysbrecht Goyen weder „hier (te Maeseyk) comen te wone.quot; (Zie, Publications torn. VI 18(59, 3e en 4C livraisons.) (1).

Cornelius van Asselt, f 24 Nov. 1618.

Antonins Gooien, 1639.

7heodorus Bijn, 1654, f 7 Oct..... per multos annos rector.

De volgende zijn seculieren :

Johannes Alarts, reeds 1606, f 26 Oct. 1675, geb. Venray, zoon van den Kesselschen landschrijver Mathijs Alarts en Maria Groenen,

(1) Waarschyiiiyk bij zieklo of ontstentenis van een IdoosteiTector Meld lie pastoor nit iiet naburige Wanssum liet klooster; want zegt liet register; Willem Wynants, pastoor Ie Wanssum, heeft liet convent voorgestaan en gediend omtrent 28 jaren; hU t 1quot; Seiit. Kiln.

ocr page 139

— 133

zuster van den beurzenstichtcr Jacobus Groenen. Joannes werd den 15 Dec. 1651 cantor en domheer te Roermond, van welke bedieningen hij in Aug. 1657 afstand deed. Alarts was van St. Jan 1661 bedienaar van 't Officie in de kapel Oostrum en vicaris van het Beneficie SS. Jacobi, Crucis en Catharinae ter Horst.

Hcnricus van Haren werd den 12 Febr. 1670 door den bisschop als kloosterrector benoemd en stierf Si-Jan,ijigtri •

quot; 't

Jacobus Remmen alias Degens, benoemd 1709, f 1 Juli 1742. Hij werd vicaris S11quot;' IAicicO in de parochiekerk te Venray 27 Maart 1733 en ontving daarna de institutie.

De volgende rectors waren reguliere kanunniken van St. Augustinus-

Joannes Daniel Pirovano, geboren te Straelen uit eene schepenfamilie, rector 1742—1748. Den 12 Mei 1748 werd hij gekozen tot Prior van Mariensande bij Straelen en f 2(5 Juni 1753.

Bartholomeus Moubach was kloosterling van St. Elisabethsdal bij Nunhem, dan rector van Bethlehem, later prior van de Gaes-^

donck, f 7 Januari 1760/ V* ? Jfm* IJW■

Joannes Mathijs van de Mortel, geb. te Maeseyck, rector te Oostrum 1776, 1778, werd in 1789 tot 21ste prior gekozen van St. Elisabethsdal, waar hij als jubilaris den 15 Oct. 1795 overleed.

Wilhehnus Matthias Eymaels, geboren te Heythuysen 24 Februari 1754, zoon van Mathijs en Catharina Ramaekers, deed belofte te St. Elisabeth 14 Juni 1777, priester gewijd 11 Maart 1778, rector te Bethlehem (Oostrum) den 24 Juni daaraanvolgende, gesupprimeerd 15 September 1802, bediende de kapel Oostrum 1803 —

St. Jacob (25 Juli) 1811, vicaris te Geysteren 13 November 1810,

waar hij den 1 Juli 1822 's namiddags ten 6 ure overleed. Hij stichtte aldaar een anniversarium. tcfiw*

: /yirV

jij I

im

11'

:i'i; ü! li1,; ||!

lil

R. I. P. ■ -é ,

Toen de bagijntjes in September 1802 het kloosterhabijt moesten afleggen, werden na eenige jaren de gebouwen langzamerhand gesloopt; wat er nu nog van overig is, geeft op den eersten oogslag duidelijk een oud kloostergebouw te kennen, en toont ons wat er

ocr page 140

— 134 —

nog rest van de aloude oorspronkelijke stichting van ridder Jan van Broeckhuysen, Ook op dit oude klooster-overblijfsel van Oostrum is toepasselijk het afscheidsliedeken aan de abdij Binderen bij Helmond na hare sloping in 1658 (Publ. 1880, 369—372).

„Adieu! dan voor het laatst gy borgers ende Heeren.

Wanneer gy met uw kroost, hier nogmaals komt spanseeren, Zoo doet hun een verhael, zoo ick U heb gedaen En zegt: Hier is de plaets, waar Bethlem heeft gestaen!

( Wordt vervolgd).

ocr page 141

HISTORIE

DER ALOUDE HEERLIJKHEID

SPRAELAND-OOSTRUM (VENRAY),

VAN DE

0. L Vr. Kapel met het miraculeus beeld

en het gilde aldaar

DOOR

den Eerwaarden Heer

HVCsLirt, J~os. üquot;sirxssezx.

Kapellaan te Well.

ii. ■ :

ocr page 142

I

■l'

.....

■ : . ■ . ... ...

■ ■

IMséim

' ■ ■ ■•■ ' • ■ ' ■ • 8 ' ........yl .. .., ......',...., ;,'.

■ ■ . . . , , . ..... , . ... ' ................., •*gt;■*,.»« S'. -■■•- . ■i'cfii - V-ftf

■ .

■

■

„ .

l

i' i |Pgt; J

1!:

■ . |p. ..■..■. , , .

ocr page 143

II.

U IE

O. If. W. Kapel te Oostrum

(ONDER UK PAROCHIE VENRAY,)

met het daarin berustende miraculeus beeld.

In oorkonden wordt het eerst van de kapel melding gemaakt in de Luijksche registers ten jare 1400 (/.ie Habets Kerk. Gesch. I 256).

1400 Venrode — Capella in Oestrem.

148;quot;) Capella S. Marie in Oestrum.

1585 Capella S. Marie in Hosterhem.

De tegenwoordige kapel in zuiver gotische vormen is in verschillende tijden gebouwd, gelijk zulks duidelijk aan den binnenkant van koor en schip te bespeuren is. Het muurwerk van den toren op Romaansche wijze aangelegd werd slechts tot de hoogte van het kerkdak voltooid, toen men, om welke reden dan ook, den arbeid staakte en enkel een klein klokkentorentje van ongeveer 5 meter hoogte op den nok plaatste. Het muurwerk der kapel bereikt 9 meter.

ocr page 144

— 138 —

Dc aanleg van dezen toren (1) met steenen trap had onder een ruimte van tien meter vierkant, het muurwerk onder het leijeiv dak aan de noordzijde had 2 meter, aan de zuidzijde 1.90 breedte-

Het gebouw op dien kolossalen maatstaf te voltrekken heeft zeer zeker buiten het bereik der ingezetenen of der geldelijke hulpmiddelen gelegen, maar opmerkenswaardig mag het heeten dat, evenals in het naburige Oirloo, de kerk aan de noordzijde enkel blinde ramen heeft, zoodat men beide gebouwen gereedelijk aan denzelfden meester mag toeschrijven. Deskundigen stellen het tijdperk in het midden der l;')1'2 eeuw, tijdens of onmiddelijk na het bestuur van ridder Jan van Broeckhuysen, wiens invloed aan beide werken niet vreemd schijnt geweest te zijn.

Het patroon- of titel feest der Oostrumsche kapel is O. L. Vr. Geboorte, dat ook de kermis stelt nl. Zondag na 8 September, evenals dc Venraysche parochiekerk tot titulus heeft ^S. Petrus Banden (St. Petrus ad Vincula), 1 Augustus, in welks octaaf de kermis gehouden wordt. Dc tegenwoordige kadastrale grootte der kapel met toren is 12 aren GO centiaren (Sectie F n0 2;5;50).

In dc kapel zelve werden oudtijds geene parochiale diensten verricht; het doopen, trouwen, de H. Paaschcommunie en het H. Oliesel werden in en van uit de parochiale kerk bediend; het kerkhof om de groote kerk was ook de laatste rustplaats van Oostrum's ingezetenen. Een enkele maal stond de Venrayer pastoor toe, dat een huwelijk in de kapel gesloten werd; zoo b. v. 17G8 12 Juli, toen de schout van Oirloo, Jacobus Henricus Rutten, daar met Maria Christina Verblackt in den echt verbonden werd. Mede-getuige was de latere secretaris Lambert Verblackt: „Hi juncti sunt in sacello de Oostrumquot;, zegt het register, 't Was zeker gedaan ter wille van de Oostrumsche familie Verblackt en der eer van den Oirlooschen praetor.

Allerwaarschijnlijkst, ja als zeker kan men aannemen dat dc

1

Nopens dezen torenbouw, de redenen van wallis voltooing ons onbekend

2

«niet, als hij den grondslag gelegd heeft en niet voleindigen kan, allen, die het «zien, hem beginnen te bespotten zeggende; Deze mensch begon te bouwen, maar «heeft niet kunnen voleindigen«,

ocr page 145

- 139 —

oorsprong, stichting en uitbreiding der kerkgebouwen moet worden toegeschreven aan eene gebeurtenis, welke op het godsdienstig gevoel van het geloovig volk dier dagen zeer groeten invloed uitoefende en de grondslag legde van die teedere. devotie jegens de Moedermaagd, welke tot heden de onverbasterde Venrayers als het geheiligd erfdeel hunner voorvaders bewaren en in eere houden.

't Was de vinding en vereering van het Mirakeleuse beeld der Moeder Gods Maria (1), omtrent het midden der 14dc eeuw, ten tijde van de oude heeren van Spraeland.

Dit voor Oostrum en de geheele parochie zoo merkwaardig feit werd bij overlevering van vader op zoon door alle opvolgende eeuwen heen trouw voortgeplant en werd in de laatste tijden in schrift gesteld.

Wij laten hier de lezingen volgen welke de eerwaarde heeren Welters en van Hegelsom (deze laatste meer uitgebreid en oratorisch) in hunne beknopte beschrijvingen over Oostrum desaan-gaande geven:

Welters, pag. 249.

„Een welgesteld landbouwer zou bij het vlaswieden het bedoelde wonderbeeldje gevonden en tevens een stem gehoord hebben, die hem zeide: „Hier wil ik rusten.quot; Toen hij met zijn kostbaren vondst tehuis kwam, zeide hij tot de zijnen: „Als mijn vlas goed wordt zal ik op dat veld een kapelletje voor het gevonden Moeder-Godsbeeldje doen bouwen.quot; Reeds des anderen daags bevond de

van Hegelsom, bladz. 7.

„Het was op eenen schoonen zomerdag, omtrent het jaar 1350, dat een welgesteld landbouwer van Oostrum naar het veld ging, om zijn vlas te wieden. De zon neigde reeds ten ondergang en nog was de brave landman druk bezig. Maar zie, o wonder! daar stoot zijn hand tegen een hard voorwerp; het is een Lieve-Vrou-wenbeeldje; hij neemt het eerbiedig op, beschouwt het met verrukking en drukt het aan zijne


(i) H. Welters, rector in't Ursulinenklooster te Grubbeuvorst, in het werk : Maria's heiligdommen in Nederland en België — 's Hertogenbosch Maatschappij de Katholieke Illustratie z. j. (doch iSSaj, bladz. 246—251, waarbij eene atbeelding van het beeldje gelijk het op een troonje te Oostrum berust.

J. A. van Hegelsom in zijn werkje: Onze Lieve Vrouw van Oostrum, troosteres der bedrukten en behoudenis der kranken. Maastricht, St. Paulusdrukkcrij 1884. Het boekje heeft 113 bladzijden.

ocr page 146

— 140 —

boer zijnen vlasakker bloeiend en welig opgeschoten, terwijl het vlas uitmuntend gelukte, waarvoor dan ook de verheugde eigenaar een kapelletje op zijn eigendom deed bouwen en er aan het gevonden Maria-bceldje eene woonplaats gafquot; (1).

lippen. Van vreugde opgetogen, keerde hij met zijne kostbare vondst huiswaarts, toont aan de zijnen het zoo wonderbaar gevonden Lieve-Vrouwen-beeldje en geeft het de eereplaats in zijne nederige woning.

Toen hij het, den volgenden morgen, daar wilde gaan begroeten was het verdwenen.

Wat was er gebeurd? waar was zijn schat gebleven? zoo vroeg de goede landman, terwijl hij treurig en peinzend den weg afging naar zijn vlasakker. In gejaagdheid bereikt hij zijn vlas, niet wetende of hij nog hopen durft het dierbaar beeldje ooit weder te bezitten. Maar, o nieuw wonder! daar is het! Op dezelfde plaats waar het daags te voren gevonden was.

W aarom en hoe was het beeldje naar deze plaats teruggekeerd? wat zou Maria met dit beeldje voor hebben? wat zou hij er voor moeten doen? zoo vraagt hij met bezorgdheid zich zei ven af, terwijl hij diep bewogen zijn oog onafscheidbaar op zijn schat gevestigd houdt. In deze onzekerheid klinkt hem eene stem te gemoet: „Hier wil ik rusten!quot;


(i) In hetzelfde werk: Maria's heiligdommen bladz. 179 en volgg. staat eene bijdrage door S. Daems over O. L. Vr. van den Hlshout vereerd onder den titel v.in Wonderbare Moeder, waar eene soortgelijke wondervolle gebeurtenis van het rijpende vlas verhaald wordt.

ocr page 147

— 141 —

en van nu van af aan is zijn besluit genomen. Hij keert, van vreugde buiten zich zeiven, naar de zijnen terug en zegt: „Verheugt U met mij; het Maria-beeldje is teruggevonden; als mijn vlas goed gelukt, zal ik daar een kapelletje laten bouwen.

Hoe verbaasd stond hij op te zien; hoe groot was zijne verwondering, toen hij daags daarna op zijn veld kwam ! de vlasakker was op één nacht bloeiend en welig opgeschoten, en weldra mocht hij tot zich zeiven zeggen: „Nooit heb ik schooner vlas gerooid. De wil van Maria, door dit teeken des Hemels nogmaals erkend en bevestigd, spoort den vromen landman aan, onverwijld de hand aan het werk te slaan, en niet te rusten, alvorens haar wensch vervuld en de kapel voltrokken was.

Hoe gelukkig was de godvree-zende stichter, toen hij het miraculeus beeldje eene waardige plaats in de nieuw gebouwde Maria-kapel mocht geven!quot;

De vlasteelt was van oudsher nog in de helft dezer eeuw een hoofdgevvin voor den landbouwer in deze streken, het vulde zijne kist en laden met de schoonste stukken doek en bracht menig gereed stuivertje binnen.

Het vlas wordt gewoonlijk in het laatst van Maart, op sommige andere gronden begin April gezaaid. De eigenlijke wiedetijd (1)

(i) Wieden heet in het Venraysch dialect gèjen, naar liet Duitsch gaten, jaten. (fr. sarder).

ocr page 148

— 142 -

valt in de tweede helft van Mei en omstreeks het feest van Sint Jan Baptist staat het gewas in volle blauwe bloemen om in Augustus na de rijping geplukt te worden.

De bloeing van dit vlas te Oostrum had dus naar den gewonen loop der dingen en den natuurlijken groei der plant één volle maand te vroeg plaats gegrepen, en hierin lag voor den braven landman het bewijs der duidelijk te kennen gegeven goedkeuring aan zijn godvruchtig voornemen.

Het was dus op den grond van den vlasakker dat het eerste heiligdom ter eere van Maria opgericht was, de plaats waar sedert eeuwen niet enkel de Gelderlanders, maar ook de omliggende volkeren hunne hulde, hunne schatting van kinderlijke liefde en dank aan de Moeder des Heeren zouden brengen, waar duizendtallen een toevlucht in 's levens ellenden zochten, een plek van verkwikking in dit tranendal.

Daar werd de eerste woonstede en eereverblijf van de wondervol gevonden beeltenis opgericht.

Het beeldje is van eikenhout hoog 35 centimeter, beschadigd en zonder kunstwaarde en droeg eenige sporen van polychromie Het was oorspronkelijk noch met kroon noch met eenig soort van hoofdwrong of diadeem versierd, maar de mantel is bij wijze van hul of wiel over het hoofd omgeslagen, waaruit van beide zijden langs hoofd en hals lange haarvlechten te voorschijn komen. /gt;-

In de -Hftfcerhand heeft O. L. Vr. een scepter, op den linkerarm draagt zij haren goddelijken Zoon. Dit Jesu-kindje, dat volgens het gevoelen van wijlen pastoor Habets er later schijnt bijgemaakt, is in een eenvoudig gewaad en draagt in zijn linkerhand den wereldbol terwijl het zijne rechter zegenend opheft.

Het beeld was naar het gebruik der tijden gedurende honderd jaren lang gekleed (1) en zoo werd nog ten jare 187G door de firma F. Stolzenberg te Roermond eene verandering en verfraaing gemaakt aan den mantel en kleed van O. L. Arr. ter somme van fl. 15,20.

Eene gelukkige gedachte kwam tijdens de voorbereiding tot het

(i) Welke kleederen en sieraden dit beeld in 1665 had kan men zien in den inventaris op bladzijde 20 te vermelden.

ocr page 149

kroningsfeest (1884) bij den weleerwaarde rector van Hegelsom op, om evenals in het Zand te Roermond, het onlangs hersteld beeld, wederom zonder bekleedsel aan de vereering uit te stellen.

Tegelijk liet hij keurige prentjes vervaardigen, waarop het beeld in prachtgewaad en in den oorspronkelijken vorm is voorgesteld. De eerste werden bij den bekenden drukker van den apostolischen stoel 13. Kühlen in München-Gladbach vervaardigd, de latere naar eene te;kening van freule de Weichs de Wenne van Geysteren, in de steendrukkerij van F. A. Wartenbergh te Roermond.

Ook liet deze rector goed gelijkende gipsen afgietsels van het wonderbeeld vervaardigen, die eenvoudig doch smaakvol gekleurd een gunstigen indruk maken, en zelfs tot naar onze Oost-Indische bezittingen verzonden werden.

De oudste nog bekende afbeeldingen of prentjes van Oostrum dateeren uit de eerste helft der IT1'0 eeuw, zij zijn op perkament en hebben onder de beeltenis van O. L. Vr. het opschrift: „Mira-kelense beidt van O. L. Vr. in Oostrnuir Een dezer is nog in bezit van den WelEerw. heer Ramaekers, pastoor te Maasniel, die het in April 18G1 van Mejufr. Petronella Oomen, zuster van wijlen den President van 't Groot Seminarie te Roermond, ten geschenke kreeg.

Het heiligdom had reeds in de eerste eeuw na zijn bestaan eene voor dien tijd wijde vermaardheid, want men kan aannemen dar de plaats der keuze van de stichting van Jan van Broeckhuysen mede aan de beeltenis van O. L. Vr. mag worden toegeschreven, hoewel de ridder zulks niet aangeeft en slechts zegt dat hij de fundatie op zijn eigen dominium Oostrum wenscht gevestigd te zien.

Het klooster werd dan ook, gelijk wij boven zagen, naast de kapel die er toen reeds meer dan eene halve eeuw bestond opgetrokken: „juxta capellani in villa de Oestrum.quot;

Daar de Gonventualen aanvankelijk geen eigenlijk gezegde kloosterkerk bezaten, moesten zij dus gebruik maken van de O. L. Vr. kapel, iets wat door verloop van tijd allicht aanleiding tot verwikkelingen kon geven. Het parochiaal bestuur des Herders met de inwoners van het gehucht Oostrum, die de kapel als onder hun beheer en gebruik staande beschouwden, dulden destijds geen

ocr page 150

— 144 —

inbreuk op datgene wat zij meenden hun van rechtswege toe te behooren.

Denkelijk door toestemming te geven tot de oprichting van het oorspronkelijk bedehuis of wel door vergrooting of stichting van een tweeden bijbouw met toren in hunne heerlijkheid Oostrum geraakten de heeren van Geysteren in het bezit van het medepatronaat van het rectorschap der kapel, alsmede in dc vergeving der kosterij. Zij hadden dus aangeboren rechten op deze kerkelijke stichting, iets wat ook uit het testament en de volmacht voorliet nieuwe klooster blijkt.

Ridder Jan zegt, dat hij pia legata, vrome vermakingen, bestemd heeft ad furidandnni ct crigendum claustrmn de capella in dominis suo de Oestrum sita.

De pauselijke Breve van Sixtus IV, getuigt dat de ridder een klooster wenscht te stichten „sub parochia Venrada et fnudo capelle m Ostrnmquot;.

Het fundurn capelle. Dit fundum, grond of terrein, was alzoo in bezit van den erflater evenals hij beschikt over de vaste rechten op de kapel zelve, de Capella; van zijn kapel wilde hij eensamen-hangend kloostergebouw optrekken.

Wij vinden dan ook nergens eenig consent, toestemming of vergunning van welken eigenaar ook, van den omliggende bodem van het bedehuis, den oorspronkelijken vlasakker.

Hun recht op het Godshuis, welk recht ontstaan was uit de stichting van ridder Jan, dragen de koorheeren, gelijk vermeld is, bij accoord van 13 Sept. 1484 over aan de zusters derzelfde orde.

Bestuur der Kapel en oude stichtingen.

Twee kapelmeesters, ook wel kerkmeesters geheeten, evenals de kapel onder den naam kerk voorkomt, beheerden van oudsher de inkomsten, welke regeling tot het jaar 1G30 schijnt voortgeduurd te hebben. Uit de oudste nog aanwezig zijnde rekeningen en uit de rente- en thynsboeken laten wij een chronologisch overzicht volgen van dc stichtingen, uitgaven en voornaamste gebeurtenissen, welke in den loop van dat tijdvak plaats grepen.

1519 onder Leo X worden aflaten aan de Kapel verleend.

ocr page 151

— 145 —

1514, 8 Febr. „Der erber ind froemer Coe^ Sassensquot; slicht eene erfmis op alle zaterdagen te lezen, waarvan de vergeving of collatie aan de Kerkmeesters, Schepenen en gezamenlijke naburen van Oostrum toekomt, op vier erfmalder rogge. Deze H. Mis moest gelezen worden nadat de rector der kapel zijn dienst geëindigd had. Insgelijks vermaakt hij een vat rogge om de kapel te onderhouden.

1535, 8 Juni. Jan Steijnckens en Alitghen zijn huisvrouw geven en stichten „ter eeren goidtz ind onser liever Vrouwe tot Oesterum in die capellequot; eene vrijdagsche Mts ter eere der Passie O. H. Zij wijzen hiervoor vijf erfmalder rogge aan. Deze beide stichtingen zijn in het Rente- en Thijnsboek der Kapel ingevuld.

1535,21 September. „OpSt. Mattheusdag een conventie ind tractaetquot; gesloten tusschen den rector, heer Jan Schoenmaekers, en de Kerkmeesters, Schepenen en naburen over de regeling der diensten in de Kapel. „Item oick sail heer Johan alle onser liever vrouwen „daegen dess morgens syngen, ind verkondigen die aflaeten in „der capellen gegeven ind verleent.quot;

1550 heer Jan van den Bosshuvsen maakt bij testament een altaarsteen en „voort dwalen en induculenquot; van de kapel (inducüla beteekent volgens Mayer's lexicon : onderkleederen).

1562, 20 Januari. De Schepenen der dingbank Oostrum begeven zich naar Venray om een „kondschap der waerheytquot; af te eischen aangaande 3 missen „daer Peters Soen van Aederdenquot; priester op gewijd is. De ondervraagden verklaren dat Peter van Aefferden de Kerkmeesters, Schepenen en naburen gebeden heeft hem „te settenquot; in de drie missen totdat zijn zoon priester was en na dien tijd wilde hij de coilatiebrieven den Schepenen wederom ter hand stellen en veronderpandt deswege geheel zijn goed.

1502, 23 Januari Twee naburen van Oostrum verklaren hetzelfde: de ééne Mis was gesticht door Janus Vermeulen, de andere door Peter Loeckermans, de derde door Jan van den Boschusen, (volgens het Thijnsboek had Janus van der Moeien de Maan-

ocr page 152

— 146 —

dagsche Mis gesticht op 4 erfmalder rogge in het groot stuck, later in het goed den Boegaert.quot;)

1567 in Juli, de Kerkmeesters verkoopen ten overstaan van gerichtsboden en naburen een kamp lands groot vier morgen voor 100 Joachimsdaalders en twee daalders.

1599 werd reeds het miraculeuse beeld in processie omgedragen en zulks op kermisdag.

Telken jaar op Paaschmaandag werd van wege de Kapel eene verteering gehouden door den pastoor, volgens de gewone uitdrukking dier dagen „paepquot; genoemd, koster, zangers en kerkmeesters.

Met Vastenavond kregen de gezamenlijke mannelijke naburen van Oostrum een vierdel bier.

1602. Aan den pastoor van Wanssum, Willem Wynants, 16 stuiver wegens dienst te doen „doen die priester gevangen waren.quot; (1)

In dezen winter 1602/03 werden bij de kapel eiken en linden geplant die later verkocht werden.

1605. Komt gelijk op meerdere plaatsen eene uitgave voor op Goeden Vrijdag als wanneer de kerk gekeerd en gepoetst werd wijl er op dien dag toch geen diensten in plaats hadden.

1605. De verteering op Vastenavond voor de naburen was 1 ton bier doende 3 gulden. Die op Kermisdag, toen het beeld plechtig werd omgedragen 5 gulden en Lambert Lirtgens die vóór het beeld speelde ontving voor zijn spel (pijper ot' fluit) 18 stuiver, Tryn Vissers de vrouw die met het bewaren en verzorgen van het Mariabeeld belast was kreeg 1 gulden jaargehalt.

De uitgaven voor staven aan de berrie, waarop het beeld gedragen werd, beliepen 10 stv.

1605. Reparatie aan de brug: Het onderhoud van dc steenen brug „dair men geyt nae Oerloequot;, was ten laste der kapel. Om de kerk of

(i) Wellicht was de Venraysche geestelijkheid tijdens het beleg der stad Grave gevangen genomen.

ocr page 153

— 147 -

kapel dien last te verlichten hadden in het begin der 1 Gt,c eeuw Gondt van den Moellen, Abel van den Valderen en Katrijn zijn zuster, Grijet Duysen en Meth Beelkens, eene jaarlijksche inkomst van 3 vat en 1 lester roggen aan de kapel vermaakt, waarvoor zij bepaalde onderpanden aanwijzen,

In 1(515 moesten er voorslagen aan de brug gemaakt worden.

In 1745 eeno uitgave van 8 stuiv. voor eiken heesters die ten laste der kapel bij de brug werden geplant. In 1839 uitgave voor metselwerk.

I hans berust het onderhoud der brug op de gemeente Venray.

1G10. Een „aflaetsbrie£' gemaakt 20 st. Trijn Vissers was nog belast met het toezicht en verzorging van het miraculeuse beeld.

1011, 14 Augustus. Verdrag met de leidekkers die voor reparatie jaarlijks 4 vat rogge ontvangen, om het even of er in den loop des jaars ook als eens geen werkzaamheden verricht waren.

1G13. Verteerd met den pastoor toen hij het zielboek schreef 4 vaenen bier (de vaen had vier kannen, de oude kan l1/^ liter).

1G15. Nieuwe banken in de kapel.

1G1G. Een nieuwe kelk gemaakt, vervaardigd uit destijds koers hebbende koningsdaalders.

Venvikkelingen tusschen de kloosterzusters cn de behcervocr-ders der kapel resp. de naburen van Oostruin,

Gelijk boven is verklaard werd het klooster gedeeltelijk op het eigendom der O. L. Vr. kapel gebouwd, en wist zijne erven reeds van den beginne behoorlijk af te ronden door aankoop van omliggende perceelen en hoeven, zoodat de kerkgebouwen, behalve van den kant van den openbaren weg, allengs geheel door convents terrein omgeven werden. Op een grooten stap afstands stond eene haag die de scheiding uitmaakte.

Langzamerhand ontstond er .zekere wrijving tusschen de kloostergemeente cn de inwoners van Oostrum, eerst over het grondbezit, later over de rechten en het gebruik der kapel zelve.

We willen deze strijdigheden nader uiteenzetten, daar zij aanleiding gaven tot eene vaste overeenkomst van beheer dat tot aan

ocr page 154

— 148 —

dc Fransche Ovcrhccrsching heeft blijven voortbestaan, ten andere wijl ze een blik geven in het leven onzer toenmalige voorvaderen.

Het kloosterbestuur schijnt omtrent het midden der lGde eeuw zijn eigendomsrecht tot het uiterste toe te hebben willen doorzetten. Het klooster liet om zijn recht in stand te houden, ofschoon het overigens op andere plaatsen grond genoeg bezat, kuilen graven en zand delven langs de kerkmuren waardoor men genoodzaakt was ze door pijlers te stutten. Deze zandgraveiij geschiedde niettegenstaande de kerkgrond zich ruim een stap buiten het gebouw uitstrekte. Langs den zuidelijken muur stond struikgewas o. a. vlieren ruw opgeschoten, zelfs waren ei „aen der kerekmueren oock quaesicken (1) uijtgeslagen, wat nu wel juist niet voor het goede toezicht der kerkmeesters pleitte, maar voor de begijntjes een reden scheen te zijn, deze eigenmachtig af te kappen en door de haag heen op haar erf te trekken.

Het kon niet uitblijven of het vermaarde summum jus dei begijnen kwam in botsing met het dito geschatte recht der nabui en.

Ten jare 1569 werden getuigen opgeroepen: ouderlingen, voormalige kerkmeesters, vroegere akkerlieden van het klooster, die allen eenparig verklaarden dat het eigendom der kapel door dc

zusters geschonden was.

Twee Schepenen van het Hoofdgerecht ^ enray met den richter-bode Sixtus van Flodrop kwamen op verzoek der Oostrumsche Schepenen wijl het één kerspel was. den .31 Maart van gemeld jaar aldaar om de zaak in der minne tc schikken.

Dit gelukte. Pater, Mater en Conventualen beloofden dat zij de groeven zouden dempen en hiermede was dan deze twist geëindigd. Zie Bijlage n0 XIII.

Een tweede geschil dat grootere verhoudingen aannam en verdere gevolgen na zich sleepte, had zich lang aangekondigd en barstte ten jare 1G30 in alle hevigheid uit; 't was lang een gewapende vrede geweest, thans evenwel een proces in optima forma.

Geen Oostrumsch Schepengerecht, noch Venrayer hoofdvaart, maar het Souvereine Hof zelve te Roermond zou de zaak onder handen nemen.

(i) Kwazen of kwazaken zijn dunne takjes, rijsjes, uitspruitsels van hagen of boomen, struikjes die soms in muren wassen.

ocr page 155

— 149 —

Den 23 September des jaars 1 G.'ïü zond dc grilïier van het Hof Nicolaas Maen namens „Stadhouder, Cancelaer en Raeden des vorstendombs Gelrequot;, een citatie aan de schepenen, kerkmeesters en ingezetenen van Oostrum „sampt en besonder,quot; om den 8 October 's morgens ter „inganck van den Raedequot; in Roermond te verschijnen om met alle bewijzen in rechten zich in zake der ingesloten suppliek der conventualen van Oostrum, die mede moesten compareren, te verantwoorden. Met de kloosterlingen sloot zich mede aan de gebiedende Vrouw van Geysteren, Elisabeth van Schagen weduwe van Vincent Schellardt van Oppendorfl.

Deze suppliek cl rechterlijk aanzoek, namens de kloosterlingen door den Roermondschen procureur N. Fabri (1) onderteekend, was eene alles behalve malsche portie voor de eerzame schepenen. Deze kregen bittere pillen te slikken, maar of alles den toets der volle waarheid heeft kunnen doorstaan, blijkt geenszins uit het later geveld vonnis.

De suppliek is van den volgenden inhoud:

Aen Ed: hove van Gelderlant.

„Geven seer oytmoedelick te kennen die pater, mater ende semp telicke conventualen van Oostrum wesende van de ordre van St. Au. gustinus hoe dat sy supplianten aldaer tot Oostrum syn hebbende seker capelle totten selven Cloester mit alle syne appendentiën ende dependentien gehoerende, wy notoir is, ende blyckende by de copye authentyeque vande Brieven hier mit gaende, welcke capelle die ingezetene van Oostrum geduerende dese trobble tyden de facto occupert hebben, ende den oiler ende andere innecompsten der selver capelle nac hunne phantasye aen geloeghen van slempen ende drincken syn employerende tot groete ontstichtinghe van de geheele gemeynte en apparentelick oyck groot nadel ende prejuditie van hunne ziele salicheyt ende schaede des voorscreven convents.

ocr page 156

otTtc Goedtshuys gelyck 't selve 't HolV oyck onder anderen sal connen sien vuyt die missive dewelcke zijne hooclivv: den hoochw : h. Beschop geiiefl't hefft gehadt in faveur vande kerek ende cloyster aen 't iioll' te schryven ende hierinne wel soude connen ende moeghen versien nae teneur ende inhalt der canonycke constitutiün, maer raedtsommer gevonden hefft om verscheydene consideratiën, dat 't selve soude connen gescheyden deur autho-riteyt vanden hove mits hebbende die macht van d'executie mitter daet int werek te stellen, ende als oyck niet twyvelende olf 't hoff soude hierinne ende in sulcke godtlicke saecke dactehxk o\'ck versien, ende doen versien naer behooren, sonder dat noodich syn sal, dat de supplianten daervan langh sullen behooren te procederen, ende also de voorscreven van Oostrum te weten d'ingesetenen in der vrindtschappe versocht synde, geenen affstandt en begeren te doen, to seer aen desen offer ende geystelycke incompsten der cappelle verleckert synde, soo eest dat de voorscreven supplianten seer diensteliek syn versenekende, oyck doet die vroive toe Gisteren wesende patronersse der selveu capellc, dat den Ed. hove geheven wil den h. drossart des ampts Kessel daer onder dese capelle gelegen is, te committeren, om die van Oostrnm bij alle middelen en iveghen daertoe te halden, dat zij moghen affstandt doen van alsulcke on-godtlicke occupatie, van alsulcke geestelycke goederen, ende den supplianten deselve te laeten volgen nae behoeren, ende in cas van weygeringh offquot; vertreck deselve te verdachwaerden om mit schyn en bescheydt op sekeren competenten dagch voor desen hove te erschynen, te meer alsoe dit een capelle is daer in voor-tyden veel mirakelen plychten te gescheyden, dit doende ende was ondertekent N. Fabri.quot;

Zulk schrijven zette natuurlijker wijze kwaad bloed bij de Oos-trumsche inwoners die zich bij al de zoetsappige bezorgdheid dei-begijntjes niet onbetuigd lieten. Vier dagen voor den gestelden termijn 4 October 1630 was er eene rumoerige vergadering bij de kapel. Door klokgelui opgeroepen kwamen kerkmeesters, schepenen en naburen op het terrein om de kapel, op het zoogenaamde kerkhof, te samen en beloofden bij handslag, in plaats van eed, elkander de kosten in solidum te helpen dragen en deze naar den maatstaf der gewone contributie te verdeden, alsmede het proces tot het uiterste te vervolgen.

ocr page 157

De daarvan opgestelde akte bevat de onderteekening van acht en dertig deelnemers, waarvan de elf laatste later schijnen bijgevoegd te zijn, zoodat men kan aannemen dat minstens zeven en twintig inwoners die merkwaardige bijeenkomst bezocht hebben.

Reeds den 11 daaraanvolgende velde het hooge Hof der Gelder-sche Cancellarij een vonnis, „doende recht bij forme van reglementquot;, dat in hoofdzaak op het volgende neerkomt:

1° Het Hof verklaart dat den Conventualen recht toekomt op de Kapel van Oostrum volgens titel van 13 September 1484, behoudens dat de inwoners der buurt en een ieder wie ook vrijen toegang zullen hebben.

2° Dat de inkomsten der kapel zullen geadministreert worden door twee bekwame kerkmeesters te benoemen door de schepenen.

3° De vruchten en goederen der kapellanie of rectoraat en altaren zullen blijven ten behoeve hunner titularissen naar inhoud der stichting.

4° Wijl de voornoemde kapel „van aide tiden eene platse van „groete devotie was ter eere van de hej'lige moeder Godts ende „Maget Maria die zeer placht gevisiteert ende gefrequentiert „te worden van alle quartierenquot; (van Gelderland), werden ten einde „die aide viericheyt te verweckenquot; eenige maatregel genomen in betrekking tot de oilers.

De opbeuring derzelve zou door iemand uit het convent geschieden, die ze in een met twee sloten voorziene kast of blok zou doen, waarvan een sleutel bij den pater of mater, een tweede bij de voornoemde kerkmeesters zoude berusten.

Deze offers alsmede de opbrengst der door het klooster verkochte granen, was of vlas, moesten telken halven jare aan de kerkmeesters die een ontvangstbewijs dienden af te geven, uitgeleverd worden. De rekening moest jaarlijks gedaan worden aan den Bisschop van Roermond of zijn gecommiteerde met tusschen-komst van pater, mater of een hunner, alsmede van twee Oos-trumsche schepenen.

5° Deze offers en inkomsten moesten besteed worden voor de fabriek, ornamenten in dienst der kapel volgens advies van den Bisschop Het overschot zal volgens bevel van den Bisschop ten bate komen van het klooster, eveneens al hetgeen geofferd wordt in eieren, hoenders en dergelijke kleinigheden.

2

ocr page 158

— 152 —

0° Wordt bevolen, dat de originecle aflaatsbulle uit het jaar 1519 bij de conventualen zal berusten, welke deze echter op de solemneele dagen in de voornoemde kapel in 't openbaar zullen afficheren of aanplakken.

Deze verordening door den Roermondschen kerkvoogd goedgekeurd diende tot leiddraad der volgende rekeningen, waaraan ook zoo stipt mogelijk de hand werd gehouden.

Met het reglementeeren der voorgewende slemppartijen en de bezorgdheid der zusterkens voor het zielenheil der Oostrumsche naburen schijnt het Souvereine Hof zich niet ingelaten te hebben, alhoewel de suppliek er zich warm over maakte.

Niet lang daarna viel de bisschopstad en een groot gedeelte van het Overkwartier in de macht der Staten en werd de uitoefening van den Katholieken Godsdienst in deze streken zeer bemoeilijkt; 't was in den tijd der retorsie.

Het Hof te Arnhem had de functie overgenomen van het Roer-mondsche en de bescheiden en registers gedeeltelijk medegevoerd.

In die troebele dagen had dientengevolge ook geene formeele tenuitvoerlegging van het Roermondsche vonnis in de Oostrumsche questie plaats gehad en eerst in het begin van 1653 had het convent de sententie te Arnhem doen opzoeken en moest ze ter wille van de verjaring andermaal door het Hof doen berechten.

Vandaar een nieuwe suppliek door den procureur F. de Lion onderteekend, waarop den 18 Februari 1653 „de eersaeme, vrome onze lieve besondere schepenen ende kerekmeesters tot Oostrum soo sampt als besonderquot; andermaal naar Roermond gedagvaard werden om den 5 Maart e. k. nogmaals hetzelfde te hooren als den 11 October 163.0.

De zaak was nu voor goed afgedaan en van de baan en bij de bisschoppelijke visitatie te Venray den 18 Oct. 1668 gehouden wordt betredende Oostrum gezegd: „fiunt computus capellae annuo coram dominis Decano, pastore loei, rectore et duobus scabinis^ singulis annis juxta ordinationem de dato 11 Octobris 1G30. Repa-ratio capellae fit ex oblatis et aliis reditibus dictae capellae.quot;

Reeds eenige maanden vroeger had de Venraysche pastoor Matthias Roebroeck over deze regeling naar het bisschoppelijk Ordinariaat geschreven en ontving 10 Juli (1668) van den vicarius capitularis, Jacobus van Oeveren, het volgend antwoord:

ocr page 159

„Respondimus ad litteras Domini pastoris Venradiensis praeten-dentis jurisdictionem et dispositionem sacelli B. Mariae in Oostrum sicuti in omnibus aliis sacellis ejusdcm parochiae appendicibus contra monasterium monialium ibidem in Oostrum prout sequitur:

„Keverende Üomine! Sententiam Gancellariae quoad admini-strationem sacelli B. Mariae Virginis in Oostrum vidimus, exa-minavimus et approbavimus nee argumenta per R. tuam allegata subsistimus, administratores enim ac dominia rerum temporum intervallo mutantur et transferuntur qua non inquietabit monasterium in sua pacifica possessione. Hisce vale!quot;

Roebroeck, de Leuvensche Baccalaureus formatus, die ook al eens op den Kloosterkorf geklopt had, kreeg nu een rechtskundig snuifje van den vicaris, de groeten, de begijntjes voortaan met rust te laten; Hisce Vale!

Een register te Venray in het kerkarchief thans gemerkt n0 G1 heeft pag. 385 het volgende:

„Volgens sententie gegeven tot Ruremondc den 11 S^r 1030, ende int clooster tot Oostrum berustende, moet de reeckeninge van d'incomste revenuen en offer van de capelle tot Oostrum geschieden door de kerekmeesters aen den Eerweerdigsten Hcere bisschop van Ruremonde oft syne gecommitteerde met interventie van voorscreven Pater en mater ofte een van hun en van twee schepenen te Oostrumquot;.

Innerlijke toestand van de kapel.

Hoe het in de helft der ]7dc eeuw met de ornamenten der kapel gesteld was, geeft ons een inventaris te kennen, welke in Juni 1665, in tegenwoordigheid van rector, schepenen en kerkmeesters werd opgesteld, 't Was ter gelegenheid dat de nieuwe koster Arnoldus Joannis (Jansen Schreurs) deze van de weduwe Olivier Pytlingh overnam en bij handtasting trouwe bewaring beloofde,

„Copia van de ornamenten ende de meubelen.

Declaratie van ornamenten ende meubelen bij de wed. Olivier Pytlingh den Juni 1665 aen de kapclle van Osterum overge-levert ter presentie van schepenen ende kerkmeesters.

Jerstelyck vier alben, neghen amickten, drie cingels, vyf casuls, twee dienrocken, eenen kelck met een patene ende een lepelken,

ocr page 160

— 154 —

acht kelckdoexken, vyf corporale, vyf velums te weten swart, groen, blaeuw, root en geel, drie pallen, drie kelcksaxkens en rochele.

Drie altaerdoecken, twee pellen ende een linden, thien dweelen, vier cussens, twee missalen, acht doeckens tot lavabo, eenen vas-tcndoeck mit ruyten doerwerckt rontom met eenen cant, drie langh doexkens op het banxken van den altacr ende twee corten op de kleyn banxken van de syden altaerken (1), seven hant-doecken soo pellen als lynden.

De kleyn L. Vrouw (2) heeft met het Kyntien ieder een syl-vere krone ende ieder een ander, eene sylvere ketene met een groot sylvere Agnus Dei ende twee penninxkens, noch eensylvere keten met een groote sylveren penningh, ende twee sylveren ryn-ghen, een coralle noster (3) met seven sj^lveren groote corens, ende een sylvere medalie; noch vyf rocken, een wit van fyn sylvere stof, een gebluymt violet, een aschgrauw satyn, een root schaerlaeken, ende ander vyten gulden, geelen swarten, twee sylvere hullen. Daar syn vier tinnen bloempotten, ses aerde bloempotten met gemaeckte bloemen, noch vier gemaeckten bloemkens.

Vyf grote altaer luchters coper, ende twee tinnen, drie coperen hanchluchters, ende eenen coperen taeffelluchter en vyf (and)ere luchters soo groete als cleyne, twee crucifixen, een groen altaer-deken.

St. Anna heeft maer een kleedt; de groote L. Vrouw ter syden heeft drie kleeder ofte rocken, eenen witten gebluymden, eenen blauwen damasten, eenen rooden gebluymden, noch eenen quaeden rooden, ende twee sylveren hullen, twee swarte gette (4) nosters, ieder thien thientiens met thien sylveren groote corens noch een Agnus Dei, noch een root corallen noster met sevenenvertich sil-

(1) Wordt in de oude rekeningen of inventarissen van kleine altaartjes gesproken dan zijn daaronder schier altijd te verstaan troontjes met baldakijn, zelfs glazen kasten waaronder het beeld van dezen of genen heilige, naar de wijze dier dagen veelal gekleed, geplaatst was. Zulke „altaerkensquot; vond men voor ettelijke jaren nog in de meeste kapellen van het dekenaat Horst.

(2) Dit is het miraculeus beeld.

(3) Koster was een pater noster, soort rozenkrans of bidsnoer van koralen met zeven zilveren korrels.

(4) Gett = git.

ocr page 161

155 —

vere corens op de derde coral, met een groote medalie, ende een rinxken, noch twee croone voor L. Vrouw ende 2 voort kyndeken ende 6 voor de bruyte.

Noch synder dry smeken stof uytten blauwen ende witten totte barie ende twee voorhengselkens.

Noch eenen gebloemden doeck op de communiebancke uytten geelen ende witten, ende twee witte communledoecken eenen fynen en eenen groven. Noch eenen blauwen doeck ende twee lappen den eenen uytten blauwen ende witten, ende den anderen uytten rooden en witten, twee witte lynen hullen, noch een hulle.

Eenen wywatersketel, een lavoor (waschbekken), een lanterne, 2 tinne ampullen ende een aarden schootelken, 2 vaenen drie antependien vor den altaer van ons L. Vrouw behalven voor de kleyn altaerkens, noch een tinnen beker ende eenen gedraeyden swaerten biechstoel, noch een ysere vvaegh, yseren sweengel ende eenich ander ysere werek.

Noch twee aide nuesdoecken (1) met buytenwerk.

D......en geschreven bekenne lek onderschreven in

presentie van den heer Rector, Schepenen ende kerekmeesters op dato vs. ontfangen te hebben, waer van ick de Schepenen hand-tastinghe van trouwe bewaringhe hebbe gedaen.

Arnoldus Joannis.quot;

Troon voor het miraculeus beeld.

Oudtijds waren in de kapel twee altaren, het hoogaltaar en aan de Epistelzijde het H. Kruisaltaar. In den beginne berustte het miraculeus kruis op het hoofdaltaar totdat het op het laatste der 17de of begin der vorige eeuw op een afzonderlijk troontje werd uitgesteld, waarbij de zilveren en gouden ex-voto's in verschillenden vorm gehangen werden.

Meerdere krukken en andere gedachtenissen van genezingen aan Maria's voorspraak toegeschreven, berustten vroeger onder den toren.

(i) Aan eigenlijk gezegde neusdoeken of zakdoeken moet hier niet gedacht worden, neusdoeken noemt men in deze streek de halsdoeken der vrouwen, doeken

die somtijds met fijn gestikte randen of buitenwerk voorzien waren. Denkelijk waren zij bij sterfgeval aan de kapel vereerd.

ocr page 162

Dit troontje stond ter zijde van het H. Kruisaltaar, en werd onder het bestuur van rector Ramaekers door een sierlijken gotischen troon vervangen en zoo werd er ten jare 18G4 eene verandering aangeboden door de firma Cuijpers en Stolzenberg tot een bedrag van 50 Nederlandsche gulden.

Ten jare 1865 werd door den bouwkundige Seger Beckers van Ven ray een nieuw altaar gemaakt waarop het miraculeus beeld met troon geplaatst werd. De predikstoel werd lager geplaatst en in deszelfs plaats kwam dit altaar, maar door deze regeling werd in de kerk het uitzicht op het hoogaltaar zeer belemmerd.

Tot verfraaiing van dit altaar en troon gaven meerdere inwoners blijken van belangstelling o, a. de familie Poels te Oostrum (later ter Horst en Swalmen^ gevestigd): op de achterzijde van dit troonaltaar leest men: „IJ Maria! Bid voor vader \ 18 76, moeder f 18 21/li (gt;0 en voor ons allen. Lamb. Poelsquot;

Deze echtelieden waren Johannes Poels en Wilhelmina Janssen. Later zijn de zware gordijnen of vela achter het altaar vervangen door houten steekwerk, vervaardigd door H. Geelen, beeldhouwer te Roermond.

Van dezen troon en beeld met het onderschrift „Sancta Maria, Mater Driquot; d. i. Heilige Maria, Moeder Godsquot; werden bij de firma Romen te Emmerik vele gekleurde en ongekleurde gravuren in steendruk vervaardigd, waarop in het verschiet de kapel met omliggende woningen en processiën waren afgebeeld en er bij gemeld is,dat Oostrum (Venray) op den weg van Eindhoven naar Kevelaar lag. Als omschrift om het geheel was de considerans uit het vonnis van het Hof van Roermond d.d. 11 Oct. 1030 aangebracht: „Die capelle is van alden tiden een platze van groote devotie ter eeren van de H. Moeder Godts ende Magt Maria, die seer placht gevisiteerd ende gefrequenteert te worden van alle Quartieresquot;. (Oud Register der kapel MDGXXX).

Deze prenten hadden binnenwerks eene hoogte van 20 bij eene breedte van 12 centimeter en allen waren aan het mirakeleuse Beeldje van O. L. V. aangestreken door L. Ramaekers, rector der kapel.

Eene verandering welke uiterst doelmatig en sierlijk mag genoemd worden werd in den zomer van 1893 door den weleerwaarden rector. Obers, aangebracht. De schoone beeltenissen van

ocr page 163

het H. Kruisaltaar werden tot triomphkruis op zwierig ornament in den koorboog benuttigd, het troonaltaar met het miraculeus beeld op de plaats van het oude zijaltaar gesteld en de kansel, waarvan men vroeger het zoo doelmatige en sierlijk klankbord verwijderd had in zijn vroegeren vorm op zijne oude standplaats teruggebracht.

In de Meimaand 1896 waren om den troon van het miraculeus beeld 42 zilveren ex-voto's gegroepeerd, de meeste waren in den vorm van harten, armen, beenen, een paar schaapjes, een paard? een ander was voorzien met de beeldtenis van Sint Jan Evangelist. De volgende inschriften bevinden zich op eenige dezer geschenken:

1) Op de ster van den voormaligen Keizer van het O. L. Vr. Gild ,

„A. Paulzen Keizerquot;

2) H. Maria, bidt voor mij.

3) W. van der Linden geb. Brungs, Venray Mei 1880.

4) Maria Troosteres der bedrukten.

5j H. Hart van Maria bid voor ons!

6) Hulde en dank aan onze Lieve Vrouw van Oostrum ter blijvende herinnering aan de van haar ontvangen weldaden.

Horst, Juni 1893 (get.) A.......

Kelk,

„Anno 1(316 den 21 Decembris heft Jheronimus vanThorendie kerk tot Oestrum eenen kelck gemaekt voer ein summa van G gulden en V st. mit die verterde kosten, het stof is geweest totten kelck van cunnixdalder ende daertoe oevergulden ende gebruickt is voer 27 gulden goldt. Die kerekmeisters doen ter tijt s}'!! geweest Jan van Spraelant en Claes Schoenmeckers, Tijs Faechs als schepenquot;.

Deze kelk uit destijds koers hebbende Koningsdaalders gesmeed is in Romaansche stijl met een achtlobbige voet. terwijl het middenstuk of nodus later vernieuwd is. Op de bordvormige pateen of offerschaal evenals op den voet van den kelk bevindt zich het volgend opschrift:

f Maria f Cappell f Osterum f anno f 1616 f

ocr page 164

Een tweede kelk van Jongere dagteekening heeft noch eenig opschrift noch ecnige kunst- of historische waarde.

Klokken.

De oudste nog in den toren hangende klok dateerd uit het Jaar 1392, of zij echter oorspronkelijk voor Oostrum bestemd is geweest valt om meer dan ecne reden te betwijfelen.

1° Zij heeft eene doorsnede van 75 centimeter en het omschrift: f Anno Domini liCCCXCIJ mensis Septembris f ich keys Maria Magdalena.

In het begin der 17de eeuw loste Aert Saeren uit zijne kleine bouwhoeve vijftig rijder ad 24 stuiver het stuk, welke ten jare 1C12 besteed werden „totten kloek doen die clock vergoten is.quot;

„In 't jaer ons Heeren 1003 is tot Oostrum de kloek geborste in Augusty ende wederom hergoten in 't jaer 1004 ende ghedoopt in den naeme van S, Katryna duer last van schepen en nabueren Peter Hofs Henrick Coppen kericmeester; de peter Henrick Op de Blackt, de meter Eelyezabeth aende Meulen ende Katryna Coppenquot;.

Deze klok schijnt later weer gebarsten te zijn want in 1815 werd te Aerle-Rixtel de oude hergoten ; deze tweede klok heeft eene middellijn van 65 centimeter en tot opschrift: Henricns Petit me feeit anno 1815.

2quot; Zij wTeegt 330 halve kilo's of ponden.

De desbetreffende rekening in het archief der Kapel aanwezig heeft het volgende:

„De gemeente van Oosterum debet aan Henricus Petit klokgieter woonende te Aerle-Rixtel wegens het vergieten van het oud geborste klokje aldaar, als volgt:

Het oud klokje van Oosterum weegt 370 IP.

het nieuw klokje weegt 330 (C koomt volgens mondeling accoort zeve stuijvers per IC hollands geld voor gietloon. . / 115.10.

hierbij nog 5 pet. wat het nieuw klokje weegt voor lacatie dus IG1/? IC, deese getrokke van de 370 ir blijft 353]/2 IC, zoodat het oud klokje meerder weegt als het nieuwe 23 ^ hier voor 12 sts per tC terug,

maakt................./ 14.2.

Deeze getrokke van de bovesiaande somme blijft, ƒ 101.8.

ocr page 165

/ —.12

— 15'J —

-.8 .2

5J

Verschotte aan transportkosten van het oud klokje

van Melis (1) na de gieterij

nog voor de geps tot den riem om de klepel met

in de klok te hangen

als nog voor het overbrengen van het nieuw klokje

zoodat de geheele koste beloopen eenc somme van / 104.8. De bovestaande somme van een honderd vier guldens en agt stuijvers hollant aan mij voldaan te Oosterum den 12 Meij 1815. namens Petit—Fritsen.

Orgel.

Aanvankelijk was gelijk in meerdere landkcrken geen orgel aanwezig tot begeleiding van den zang of opluistering der godsdienstplechtigheden. Het Oostrumsch orgel schijnt eerst omtrent het midden der vorige eeuw in de kapel te zijn aangebracht. In de jaren 1739 en 174:0 werden voor het orgel en orgelmaken betaald 122 gulden en 12 stuivers; voor dien tijd vindt men geen uitgaven voor het orgelspel of trekken, welke posten voorliet eerst in 1741 voorkomen.

Dit orgel was geplaatst op het oxaal onder den toren, maar ten jare 180(3 werd dit zangkoor afgebroken en een nieuw oxaal achter in de kerk geplaatst, waarop ook het orgel zijne plaats vond, een werk dat de uitgave van 128 Kleefsche guldens vorderde. Hoewel de ruimte niet te groot was, stonden aan de straatzijde toch nog een paar banken onder het St. Antoniusbeeld voor betalende personen die niet tot het zangkoor behoorden. In 1834 had gedurende veertien dagen eene groote herstelling plaats, gedaan door den heer van Dinther, een werk dat 235 francs kostte.

Het orgel met oxaal vond ten jare 1874 wederom zijne oude bestemming onder den toren, waardoor de kapel veel aan ruimte en sierlijkheid won.

Het orgel werd tijdens de H. Diensten door eene kloosterzuster bespeeld. Suster Lambertijn Laemers bediende het orgel in 1741 alsmede nog in 17(55; een enkele maal komt voor suster Augustijn 1749 en van 1745—1748 Hermanus Brul, de zoon van den koster.

(i) Is Milhczc bij Bakel.

ocr page 166

— 1G0 —

die ook vergulder was; zij ontvingen voor het spelen en zingen van iedere Mis één schilling (ongeveer 18 cent van onze tegenwoordige munt), de calcant of orgeltrekker (met den riem) telken male 1 stuiver Kleefsch. Uit de rekeningen blijkt dat zulks 30 a 35 keeren per jaar plaats had. Later werd het orgelspel op een vast jaarlijksch traktement ad 25 Kleefsche gulden of 10.87 ^ hollandsch gesteld en de bediening door de opvolgende Venraysche schoolmeesters waargenomen :

Willem Zeelen 1T9G—180G,

Peter Frans Pubben 180G—1832, (geboren te Sevenum 25 April 1760, was ook voorzanger te Venray).

Joseph Oswald Poell 1833 vroeger onderwijzer, (geboren te Arcen 15 November 178G).

Naderhand verrichtten andere Venrayers dezen dienst en in den laatsten tijd is de koster van Oostrum tevens organist.

De calcant, orgeltrapper, in casu riemtrekker ontving jaarlijks voor zijne moeite fl. 1.18 later 2 fl., zoo 18-tl de weduwe Theu-nissen. De volgende trekster Catharina van Riswyck, welke dagelijks met allerhande bestellingen naar Venray marcheerde en deswege „de post van Oostrumquot; betiteld werd. was indertijd eene om hare kwinkslagen bekende persoonlijkheid. Haar opvolger in het trek- en trapofficie was Peter Hoex f 12 Sept. 1877.

Altaren.

Het oude hoofdaltaar waarop het miraculeus beeld rustte, werd in de laatste helft der 17deeeuw door een ander vervangen, in den stijl dier dagen: de renaissance.

De edele schenkster was de hoogwelgeboren Vrouwe gareta van der Boye, in leven echtgenoote van 'Jan Hendrik baron von Kettelcr.

Hun gecombineerd wapenschild stond boven het altaar en stelde voor:

Rechts: een gouden veld beladen met rooden crémaillère of ketelhaak (von Ketteler).

Links: een veld van sabel waarop een naar rechts gewende klimmende aanziende leeuw van goud., getongd van keel.

Zij was uit het geslacht des heeren Bouwens van der Boye, land-rentmeester van het Overkwartier, eigenaar van het kasteel Mac-

ocr page 167

ken onder Vieiiingsbeek (zie bladz. 125). Later kwamen do van der Boye's in het bezit der heerlijkheid Venray.

Den 21 Mei 1671 werden de huwelijksche voorwaarden gesloten tusschen haar en den aanstaanden echtgenoot baron von Ketteler en na dit kinderloos huwelijk vestigde de weduwe zich in het Augustinessenklooster „Jerusalemquot; te Venray, waar zij hare dagen in stille godsvrucht sleet. Het professieboek heeft over haar de volgende notitie:

„Anno 1090 den 13 January hier op ons plats woenende is in den Heere overleden de HooghWelgebore Mevrouwe Anne Mar-grita van der Boye, Baronesse de Kettelaer — die ons Closter met veele schoene ornamenten en andere weldaden vereert heeft, ende geordineert ons Sondaghse en H. daghse vrugh-misse tot haer intentie en onsen dinst, ut consideratie omdat wy maer eene misse en hadden, hetwelck seer ongelegen was soo dat de religieuse als ter krancke waere naer de Groete Kerck moste gaan. Hier toe heeft de WelEdHooghgebore Mevrouwe gegeven duesent gulden bb. die staen op dese gemeente ende Overste van ons closter gestelt tot vergifsters. Requiescat in pace. Amen quot;

Voornoemd altaar heeft met zijne piramiden uit het midden der vorige eeuw in de kapel gestaan tot in de Meimaand 1878, toen het werd afgebroken, waardoor een gebrandschilderd glas meer in het oog viel.

Het is een zoogenaamd gotisch vleugelaltaar, middeleeuwschen stijl en vervaardigd in de Roermondsche kunstateliers van Cuijpers en Stolzenbergh. De dichtgeslagen deuren bevatten twee schilderingen, de Geboorte van Christus ter Evangelie , de aanbidding der HH. Driekoningen ter Epistelzijde. Open zijnde geven vier zwaar vergulde tafereelen in hoog beeldwerk de oud testamentarische voorafbeeldingen van het H. Misoffer aan nl.:

1) Melchisedech offert brood en wijn, 2) Abraham slachtoffert zijn zoon Isaac, 3) De Joden eten het Paaschlam, 4) de mannaregen in de woestijn.

Op de tabernakeldeur zijn de zinnebeelden der Evangelisten voorgesteld, waar onder den uitstellingstroon hetvolgende opschrift geschilderd is:

Ecce thronus magni fulgescit regis et agni.

ocr page 168

— 162 —

Het zijaltaar van het H. Kruis aan den Epistelkant, zijnde het oud altaar van het officie der Vrijdagsche Mis, was eenvoudig, zelfs zonder kunstwaarde, meermalen veranderd nog in 1782 en werd in den zomer 1893 opgeruimd om plaats te maken voor het troonaltaar van het miraculeus beeld.

Beneficie en Officie in de kapel.

a. Beneficie.

De rector der kapel was enkel belast met het vervullen zijner ambtsbezigheden en het beheer zijner vicarie goederen of beneficium (non curatum), die buiten het toezicht der kapelmeesters bleven. De inkomsten bestonden uit vaste of erfpachten, meestal in rogge en het gebruik van eenige landerijen.

De dienstregeling was op Zon- en feestdagen zoo vroeg te Oostrum, het H. Misoffer wérd zoo vroeg opgedragen dat de inwoners weer tijdig te Venray den Hoogdienst konden bijwonen. Residentie of vast verblijf was niet gevorderd, vandaar dat de rector of vicaris deze dienst door andere geestelijken kon laten uitoefenen, en zelfs op andere plaatsen eene kerkelijke bediening vermocht waar te nemen.

De vergeving (collatie) berustte beurtelings bij den pastoor van Venray en den tijdelijken heer of baron van Oostrum resp. Geys-teren. In 1G66 was de toerbeurt aan den baron, in 1717 aan den pastoor, in 17(58 vergaf de baron en in 1771 weer de pastoor.

De eerste rector, die wij in bescheiden der l(3tle eeuw aantreffen was de eerw. heer Jan Schoenmakers 1538; de laatste vóór de Fransche Revolutie door den baron benoemde was Peter Antoon Hoeba.

Tot bevordering en steun van de inkomsten der kapel werd in 1759, na afstand door den eerw. heer Jan Mathijs van Straelen, pastoor te Boekei (land van Ravenstein) door de bestuurders der kapel een voorstel gedaan tot het voorloopige niet benoemen van een titularis. Dit voorstel vond ingang bij de geestelijke Overheid waarop de kapelmeesters zelve de pachten van het beneficie opbeurden en de H. Diensten volgens tarief aan den deservitor uitbetaalden, wat tot 17G8 duurde en zoodoende eene aanzienlijke bate aan de kerkekas bezorgde.

ocr page 169

— 163 —

b. Officie.

Het onicic (zooals in liet onderhavige geval) was eene kerkelijk goedgekeurde stichting van HH. Missen of andere oefeningen, die echter destijds niet meer als wijdingstitel werden erkend, en wier stabiliteit niet verzekerd was. Zulk oliicie werd in 1514 door Coenraad Sassens gefondeerd nl eene zaterdagsche Mis te „appliceren voer hem en zijne alderen zielenquot;.

Tot vergevers stelde hij aan de kerkmeesters, schepenenen naburen.

In 1535 stichtten Jan Steintgens en zijn echtgenoote Alcidis eene heilige Mis ter eere van de Passie des Heeren, alle Vrijdagen te lezen en wezen de kerkmeesters als collatoren aan.

Deze laatste stichting was reeds eene eeuw later teruggebracht (gereduceerd) op eene Vrijdagsche Mis in den Vasten en Advent (feestdagen uitgenomen). Beide stichtingen werden als één officie beschouwd, te vergeven door kerkmeesters en schepenen.

Daar dit patronaat in leekenhanden was werden verschillende geestelijken met de bediening belast, nu eens den klooster-rector of pater, dan een pastoor uit de buurt. Zoo vinden wij vermeld dienstverrichtingen van den eerw. heer Willem Wynants (f 17 Sept. 1G/3), pastoor van Wans sum, die ook het klooster trouw voorstond.

De opvolgende pastoors van Oirloo Rutgerus Woest (1584—1004) en de beurzenstichter Joannes Smollers (Molitoris) (1G04— f 29 April 1003) waren respectievelijk 1002 en 1G04, 1G12 in het bezit van dit oliicie.

Den 23 Juni 1GG1 werd Jan Alarts er mede voorzien en na zijn dood 1G75 werden, denkelijk tot vermeerdering der inkomsten voor een beter bestaan, de rectoren der kapel, steeds voorzien met dit oflicie, zoodat het beneficie en officie vereenigd de geheele dotatie des rectors uitmaakten. In 1730 waren de inkomsten 29 malder rogge waarop de last der schattingen drukte.

In 1794 was de opbrengst 29 malder en 3 vat waarvoor 87 daalder aan schatting betaald werd.

Daar de vroegere rectoren geene jurisdictie bezaten werden de buitengewone diensten in de kapel, als het mediteeren des Zaterdags in de vasten, het biechthooren, de catechisatie der jeugd, de gezongen H. Missen onder de L. Vr. Octaven door verschillende

ocr page 170

— 1G4 —

geestelijken uit de parochie verricht, wien daarvoor een extra-honorarium werd toegezegd.

Om een meer geregelde toestand in het leven te roepen waren de bestuurderen der kapel met de geestelijke Overheid overeengekomen om den tijdel ij ken rector voor deze diensten een vaste toelage van GO Kleefsche gulden toe te wijzen, wat de opvolgende vicarissen of rectoren tot aan de Fransche Overheersching genoten.

De eerste was de eerw. heer Petrus Driessens, die deservitor voor een ander was, de laatste de eerw. heer Hoeba voornoemd.

Lijst der rectoren van de Kapel tot aan de Fransche Revolutie.

Joannes Schoenmaekers, komt voor in de jaren 1535 en Sept. 1545; hy was broeder van het O. L. V. Gilde, f vóór 1570.

In 1594 komt voor als bediende of deservitor heer Jan van Hei .den, (hij verzocht zijn loon van de erven Derk Groenen.)

Michaël van den Heergraeef 1()44, bedankte in 1666 en werd later kanunnik. Bij bisschoppelijke dispositie van 9 Januari 1666 werd voor hem op het afgestaan beneficie een pensioen vastgesteld:

„— 1666 9 Januarii creavit Illmils Dominus (Eugenius Albertus d'Allamont) pensionem sex malderorum siliginis super beneficio B. M. V. in sacello de Oostrum sub parochia de Venrai a domino Michaele ab Herregraedquot; presbytero de consensu pastoris . . . ., quae pensio quotannis solvi debet praefato Domino Michaele ab Herre-graeff in festo Squot; Andreae apostoli, eritque primus terminus in festo S' Andreae proximo 1666 et sic de anno in annum et vita resignatoris durante tantumquot;. (Acta episcopalia).

Joannes Veriieyden geb. te Venray, benoemd als rector 11 Febr. 166G; hij was tevens vicaris der S' Antonius-kapel te Heukelom onder Afferden en werd 17 Febr. 1681 pastoor te Broeckhuysen, waar hij den 1 Juni 1722 in den ouderdom van bijna 87 jaren overleed. Hij deed afstand van het beneficie.

In 1695 en 1702 was deservitor sacelli in Oostrum Henricus Driessen van Venray.

Joannes van Vlocichoven, geboren te Venray 19 Nov. 1692, (zoon van Paulus en Catharina Cuylits alias Omen), rector te Oos-

ocr page 171

— 165 —

trum 1717, pastoor te Geysteren sedert S'Jan-Baptist 1721, waar liij den 4 Maart 1734 overleed. Ook hij deed vóór zijn dood afstand.

Marcus Joannes Rutten, geboren te Maashees ponder de parochie Geysteren) den 7 Sept. 1704, zoon van Hendrik Rutten en Esther van den Boom (weduwe van Marcus Liefkens); zijn peetoom was de eerw. heer Joachim Vcrberckt vicaris van het beneficie der H. Anna ter Horst. Marcus werd rector der kapel in 1727 doch resideerde in 1730 niet. Ten jare 17/32 werd hij pastoor te Balgoy en Keent en stierf den 21 Januari 1745.

Jan Mathvs van Straelen, geboren te'koenrfond; in 1755 liet hij het beneficie door den Venrayschen priester-schoolmeester Jan Raymaekers bedienen.

Van Straelen werd in 1751 kapellaan te Boekcl enden 13 Nov. 1755 aldaar als pastoor ingehuldigd en in 17()7 pastoor te Uden, waar hij den 25 Juli 1772 overleed.

In 1771 legde hij te Venlo ter perse: „Udensche devotie tot iie alderheyligste Maget en moeder Gods Mariaquot;. Onder de beel-van O. L. Vr. leest men het jaarschrift:

eCCe effigies Marlae eX tILIa UDensI.

In de volgende tusschenruimte bedienden het beneficie de hee-ren Petrus Driessens en Arnold Groetiiuvsen de latere pas. toor van Leuth en deken van Kriekenbeek (J- 27 Dec. 1801).

Ghristiaan Verblackt, geboren te Oostrum (Venray) 2(.i Juni 174G, zoon van den Geysterschen rentmeester Arnold en Jaco-mina Laemers, werd vicaris te Oostrum 2 December 17G8. Pastoor te Geysteren in 1771 stierf hij aldaar in den avond van den 8 Maart 1778 en werd nabij het O. L. Vr. altaar begraven.

Tiieodorus Verblackt, broeder des voorgaande, geboren 24 Mei 1749 werd tot vicaris voorgesteld 28 April 1771, geïnstitueerd den 21 Mei daaraanvolgende en tot Priester gewijd te Roermond 5 Juni 1773; hij werd 21 Juni 179G pastoor teMaasbree, deed afstand der kapel van Oostrum 1797, nam ontslag uit de kerkelijke bediening in 1811 en werd adscriptus aan de succursaal te Venray. Van Aug.—Oct. 1811 bediende hij wederom zijne vroegere kapel Oostrum. Den 14 November 181G werd hij belast met de fonda-ties van het oud beneficie van S' Nicolaas en Barthobmeus in de Venraysche parochiekerk en overleed er 28 November 1824.

ocr page 172

Petrus Antonius Hoeba geboren te Venray, was de zoon van den timmerman Hubertus Hoeba en Gertrudis Cremers; in Nov. 1750 werd zijn wijdingstitel vastgesteld. In 1780 werd hij vicaris B. M. V. 2d' fundationis en vicaris te Oostrum in 1797; tevens bediende hij de kapel op de Smakt. ZEervv. overleed den 3 Dec. 1802, oud 67 jaren. Ten jare 1783 waren heer Hoeba en zijn buurman Gerard Litjens als aanschietende geërfden in proces met de looiers (resp. het S' Crispinusgild) wegens beplanting van boomen bij de looikuipen aan de velkuil.

Na zijn dood trad weder als deservitor op de meermalen gemelde heer Petrus Driessens.

Diensten in de Kapel.

De tijdelijke rector der kapel was, zooals gezegd is, oorspronkelijk noch met zielzorg, noch met het bestuur der inkomsten van het godshuis belast; een enkele maal vinden wij hem soms met het catechetisch onderricht bemoeid. Vandaar dat bij feestoctaven van O. L. Vr., processiedagen en gedurende den vastentijd steeds eenige Paters Minderbroeders of andere heeren geestelijken uit de parochie, daar geregeld biechthoorden, het woord Gods verkondigden, de H. Communie uitreikten en andere functiën verrichtten.

Zoo kwamen de Venraysche Paters Franciskanen op de feestdagen der Moeder Gods en in de Octaven hulp verkenen minstens 7 keeren, bij welke gelegenheden zij met den vicaris bij pater-rector in het klooster te gast waren. Voor deze diensten waren op de begrootingen der vorige eeuw uitgetrokken 5 patacons doende 1G gulden permissie of 20 gulden en 15 stuiver Gleefsch welke aan de procuratien betaald werden.

Aan de procuratien werd mede vergoed het wasschen, herstellen en regelen van het linnen en kerkgewaden alsmede het leveren van den Miswijn, insgelijks moest de kapel aan het klooster betalen een jaargetijde van den pastoor van Singendonck (1743, 1705), dat pater-rector celebreerde.

Andere geestelijken uit de parochie kwamen mede, tot gerief der inwoners en toestroomende pelgrims, hunne diensten in Maria's heiligdom bewijzen. Biechthooren, zingende diensten in den vastentijd, leesmissen in de Octaven van O. L. Vr. Hemelvaart

ocr page 173

— 1G7 —

en Geboorte werden door verschillenden volbracht en als extraordinaire posten of dienstbetoon geboekt.

Zoo o. a. de eerw. lieer kapellaan Godfried Linders (1) 1737—1757 wegens biechthooren in de Vasten en de octaven en zingende Diensten.

(Hij stierf 2 Sept. 1770 en was in 't v/oorjaar van 1743 deser-vitor der pastorie). . gt; /'V- ■ ''

Lambertus de Vos (1) 1739—1740 wegens missen in de octaven (later rector monialium in Kalkar en kanunnik te Kranenburg).

Jan Albert Thomassen 1743—45, wegens het geven van catechismus, biechthooren in de Vasten en de octaven; (hij was vicaris van St. Antonius-altaar en zoon van den substituut-Scholtis f 176G).

Wilhelmus Saesen 1749, k. diensten in de Vasten (was officiant te Velsum en vicaris van Sint Anna f 1754.

Joannes Raemaekers deed behalve het aangenomen catechismus onderricht, ook nog meerdere diensten in de kapel van 1750--57, was schoolmeester te Venray 1744 en tevens sedert 1737 in bezit der kapellanie te Well (welke verplichtingen hij door anderen liet vervullen). Deze geestelijke stierf 3 October 17G7.

Petrus Driessens deed meerdere diensten en was plaatsvervangend rector of deservitor van 1759—17G8, insgelijks van 1802—03. Hij werd geboren te Venray 1 April 1734 en was de zoon van Peter en Maria Stroecken; zijn peetoom was de eerw. heer Michael Loijens. Door de collatoren, de barons van Hugenpoth te Macken, werd hij benoemd tot vicarius van het Sint Antonius-altaar 3 Sept. 17G7 en den 5 October daarna in bezit gesteld door den Deken J. B. Alberts, waarbij als getuigen optraden de kapellaan Ger. Antoon van der Crabben en Jan Leonard van Lendt deservitor der pastorie. Hij was professor der Latijnsche scholen tot 1793, toen zij aan de Minderbroeders werden overgedragen, en Pastoor van Venray van 7 Aug. 1805 tot f 29 Maart 1810. Hij was een zeer bedrijvig man, die met leede oogen het verval der Latijnsche scholen beschouwde, en van zijne werkkracht getuigt wel dat hij nog op 71 jarigen leeftijd den herderstaf zijner geboorteplaats durfde torschen. Driessens was

(1) Beider portretten op doek zijn in bezit van schrijver dezes.

3

ocr page 174

— 168 —

een persoon van strenge plichtsbetrachting en zeer gehecht aan de Mariakapel van Oostrum.

Op de feestdagen der Moeder Gods naderden vele personen te Oostrum tot de HU. Sacramenten, hun aantal mag, de tijden in aanmerking nemende, overgrcot genoemd worden. Ken vaste maatstaf biedt ons het aantal species of hosties die jaarlijks verbruikt werden.

Zoo in 1797 werden 525 groote en 1100 kleine hosties, van Juli 1800—Aug. 1801, 425 groote en 950 kleine hostie; genuttigd.

De Meditaties op de Zaterdagen in de Vasten, waarvoor de predikant een bepaald honorarium genoot, werden te dien tijde als volgt gehouden;

1811. Door den pastoor van Oirloo Jan Renikr Aerts.

1812. l door den Venrayer kapellaan Joannes Antonius Arts

1813. (later pastoor te Wanssum).

1814. „ „ „ „ Urselmans.

1815. „ „ pastoor van Oirloo, Cornklius Kemmelings.

181ü. „ „ kapellaan van Well, Martinüs Janssen, geboren te Oeffeit, in 1817 assistent te Gennep, in December 1817 te Well, waar hij 5 Maart 1818 definitief als kapellaan werd aangesteld; hij overleed als pastoor van Vlodorp in 1852.

1817. door den vicaris van Merselo, Jan Jacobus Arts.

Deze was geboren te Gemert, was aldaar professor der Latijnsche scholen en schreef eene Latijnsche grammaire; hij overleed in 1825.

In deze laatste jaren was de toevloed der pelgrims bijzonder groot, zooals uit de rekeningen der kapel ten duidelijkste blijkt.

Caicchismus voor tic jeugd.

In 1GGG vinden wij den rector Joannes Verheyden belast met het geven van dit onderricht, dat waarschijnlijk op Zon- en feestdagen plaats had. Later schijnt de rector des kloosters deze taak op zich te hebben genomen, want reeds van 1719 tot 173G werd door het kapelbestuur jaarlijks 3 gulden en 4 stuiver in handen van dien klooster-overste gesteld „aen de categismuskinder voor pryse.quot;

ocr page 175

— 1G9 —

In de volgende jaren gaven de heeren tegelijk met hun extraordinaire diensten het godsdienstig onderricht aan de Oostrumsche jeugd, een toestand welke echter niet doelmatig bevonden werd, want:

„Op den 18 December 1750 hebben wy capelmeesters, so or-donneerende de hooghweerdigsten H. Bisschop, accordeert met den bedienden hc J. Raemaekers dat hy Sondaghs den Catechismus in Ostrum soude houde voor 4 patacons jarlix.

Jannes Jaecops — Tomes Mellen.quot;

Sinds dien heeft dan ook de eerw. heer Raemaekers zich gedu-durende zeven jaren van die plichten gekweten. De latere rectoren der kapel of hunne plaatsvervangers treden nu voortaan, tot meer geregeld onderwijs, zeiven als catechisanten op, en deden ook de meditatie, het biechthooren en de HM. Diensten onder de octaven van Augustus en September.

Offers in de kapel.

Van oudsher brachten de geloovigen in de kapel hunne offers niet enkel in gouden, zilveren en koperen geldspecies, maar ook in veldvruchten, huisdieren en eieren.

Zoo was dan ten jare 1030 bepaald, dat de offeranden in eieren, hoenders en „diergelycke clynicheydenquot; tea behoeve van het convent zouden strekken.

(jelijk heden ten dage, zoo vond ook destijds niet meet gank-bare munt veelal haar koers naar de offerschaal, doch de kerk meesters wisten er raad mede, zoo o. a.

„1742 ontfangen voor quaey duyten dye verkocht syn 2-4-0.

1741) van quaetgelt aen den Joedt verkocht 2-17-0quot;.

De naturalia werden of wel in 't openbaar of wel in winkels bij particulieren te gelde gemaakt en voor de rogge was een kast of groot offerblok aanwezig, door welker gleuf men met de schop of „schoepquot; het koren kon inschudden.

Meerdere landbouwers hadden de vrome gewoonte een of meer hunner schapen een tijd lang te onderhouden ten dienste dei-kapel en na het scheeren brachten de schepers de wol naar den koster of kapelmeester, waar zij als fooi, enkele malen eene kleine vereering in geld, meestal een of twee schaapscharen of messen

ocr page 176

— 170 —

17;59 „ 3G „ „ 12-G O 1730 „ 28 „ „ 11-4 0

17G5....... 12-1G-0

1805 . . in Kleefsch 35 19 0 1813 . . „ 25-15-0

1831 . in hollandsch 2G,28

Tusschen de jaren 1830 — 43 nog kippen en halve koppen.

terugontvingen. l)c rekeningen der vorige eeuwen en het begin dezer eeuw hebben die posten ingevuld.

Het vlas werd bij bundels van één steen (of 5 pond) te saam gevoegd en zoo verkocht. Volgt de opbrengst van enkele jaren: 171i) wol SS1/.! pond tot. ] 6-18-0 vlas deed uit.

„ 27 steen en 3 pond in „ Kleefsch.

„ in hollandsch. . II. 17,70 offerde men behalve rogge ook

8- 5 -0 7-G-2 10-13-2 4-13-0 G8- 3 -0 G7 15-0


Ver teer ingen.

Zooals vroeger gemeld is had er op Paaschmaandag eene verteering of recreatie plaats van pastoor, koster, kerkmeesters en zangers of klerken. Met Vastenavond was er biergelag voor de gezamenlijke mannelijke ingezeten. Gelijk bekend is hadden onze voorvaderen de gewoonte op hunne rekendagen, bijeenkomsten en feestvergaderingen een stevige teug te drinken, iets wat destijds in de zeden en gewoonten lag, maar dat hiervan wel eens misbruik gemaakt werd, laat zich gereedelijk begrijpen. De angstige bezorgdheid der begijntjes in 1G30 over de voorgewende slemppartijen der naburen zal hierin wel zijn oorsprong gevonden hebben.

1. In de rekeningen der vorige eeuw komt voor, dat de Ven-raysche pastoor jaarlijks op Paaschdag 's namiddags het sermoon hield en deswege alsmede voor het overstaan der rekening de som van 2 gulden ontving.

2. Bestendig verschijnt de halve ton bier voor de naburen op den rekeningsdag.

3. De verteering op Paaschdinsdag.

Tot het gelag op den rekeningsdag werden later slechts uitge-noodigd (zoo in 1797) de pastoor, de kloosterrector, 2 schepenen,, 2 kapelmeesters en de gerichtsbode te samen zeven personen, die in plaats van het traditioneele bier, het middagmaal gebruikten. Deze

ocr page 177

— 171 —

post verviel bij de nieuwe regeling in het fransen tijdperk.

Bij de recreatie op Paaschdinsdag, later op Beloken Paschen waren tegenwoordig de kapelmeesters en de koster met zijn vrouw, die 's middags en ook des avonds zich eerzaam vermaakten. Deze verteering, welke het laatst met Beloken Paschen van 1830 gehouden werd, bedroeg toen slechts de som van 11. 1,71 Nederlandsch

Zielboek.

Op geregelde tijden werd in de kapel eene lijst afgekondigd van overleden weldoeners en al diegenen welke door hunne verwanten op dit register geplaatst werden. Voor de zielen dezer algestorvenen werd een afzonderlijk gebed verricht, terwijl de dienstdoende geestelijke voor het aflezen der namen in de vorige eeuw de som van 1 gulden en 12 stuivers permissie genoot.

Uit de rekeningen van 1720 — 17G3 volgt eene korte lijst „van degeene die iet aen de capel gemaeckt en gegeven hebben om naemen op het zielboeck te stellenquot; en van andere giften:

1720—21 van Lambert Peeters.........9-12-0.

„Hier is het wjTooksvat van gekoecht; de uitgave heeft: betaelt aen meester Amtoni Gudden voor het wyroeckvat 9-00.quot;

Van heer Jacobus van Lent (rector te Merselo 1G82—f 24 Sept.

1721)...................4-0-0

„van Lijsken Rutten en Jan Sueren, ieder 4-00 . . . 8-00

van Geurt Jacobs..............32-

Uyt handen van Lambert Lammers X ryxd: voor Guert Jacobs die datselve aen de capel gemaekt heeft.

1722 ontfangen van Wijlem Cuppen om zyne naem op

het zielboeck te stellen.............8-0 -0

van Thonis Guerts, en van Jacob Wynnen voor syn

moeder . . . . •..........................7-0-0

van Jan Derijckx om zijn vader Deryck Tonissen en Bertie zijn moeder op het boeck te stellen......4-0-0

1724 ontfangen van Wendel Maes (dr van Barth. Maes

en Elisab. Versieyen) voor op het boeck te setten. 6- 8 -0

1725 ontfangen van het boeck setten van Jan den Haerd . 2-0-0

1727 van Antieken Nabben ) , , , 12-0-0

wn t i van op het boeck te setten. o A

en Willem 1 leien ) 1 8-0-0

ocr page 178

1728 van Jan Linders van op het boeck te setten . . 8-0-0 1730—31 van te boeckstelling zonder naam aangifte in

het rekenboek..........12-1G

1732—33 .........25-

1734—36 .........12-11-

1737—38 .........8-0-0

1739 ontfangen 4 Sept. van Jan Buys 14 gulden hollans

dat aen de kapel gemaeckt was.....17-18-1

1742 „ van Arnoldus Teesen een ducaet tot een

aelmoes.............7-1-0

„ van Jan op Spraeland tot een aelmoes

een patacon, doet.........3-4-0

„ van Jan Hermans 2 due. voor een aelmoes. 8-0-0

„ van Lysbeth van Lerp door heer Linders. 4-0-0 „ door heer Hoefnagels tot een aelmoes G

pat. 2 schilling..........20-0-0

In de twee volgende jaren meer aelmoessen door anonymi.

1745 van Laurent Laemers voor syn vrou op 't Seil-

boek te setten.............4-0-0

1749 aelmoes van Gereth Beuijs.........G-14 0

van sijn hooghweerdigst heer bisschop van Rure-mund [Joannes Antonius de Robiano] tot een aelmoes ontfangen hetgeen hem quam van het

visiteeren der kapel een patacon.......3-4-0

175G een aelmoes van Kornelij van der Steen . . . 4-0-0

1757 een aelmoes van Kathrijn Smits......25-0-0

van Willemke Boers...........4-3-0

17G2 27 Feb. ontfangen een aelmoes van Maria Stermans. 10-19-0

17G3 van Wyllem Linders........,.. 16-0-0

Procession.

a. Op strum.

Voor dat andere processiën het miraculeus beeld kwamen vereeren, geschiedde reeds te Oostrum zelve de plechtige omdracht van dat miraculeuse beeld en zulks op den Kermisdag. Wij vinden reeds in 1599 van deze omdracht melding gemaakt en in 1605 de

ocr page 179

uitgave geboekt welke de speelman of pijper, die vóór het beeld optrok, voor deze zijne dienstverrichting ontving; denkelijk werd het beeld door zes jonkvrouwen, zoogenaamde Lieve Vrouwenmeiden of bruiden, op eene troontje of berrie gedragen. Op den inventaris van 1G65 staan behalve 2 vanen zes croone vermeld voor de „bruijte', steeds voorhanden zijnde of gereed liggende kroontjes of kransen, waarmede de hoofden der draagsters in den optocht getooid waren.

Hoe dikwijls in het )aar, behalve Kermisdag, en hoe lang deze omdracht heeft plaats gehad is ons onbekend, maar in de vorige eeuw wordt er geen melding meer van gemaakt.

De weleerw. heer rector Lodewijk Ramaekers herstelde onder zijn bestuur de aloude omdracht met het beeld, en koos hiervoor de groote weg van Oostrum naar Geysteren via Spraelant, doch later moest wegens de vitterijen in zake Processiën de omdracht tot het kerkhof om de kapel beperkt worden. Viermaal in het jaar had zulks des namiddags na het Lof op de voornaamste feesten van O. L. Vr. plaats; den 2° en kaatsten Zondag der Meimaand en op de twee Zondagen onder de Octaven van Maria Hemelvaart en Geboorte.

In den laatsten tijd, onder het bestuur van rector Obers, is deze omdracht nog tot alle Zon- en feestdagen in de Meimaand uitgebreid.

h. Venray.

Wanneer de processie uit de Moederkerk voor het eerst naar Oostrum ter bedevaart getogen is, is ons bij gebrek aan nadere bescheiden onbekend gebleven, maar zeer zeker had ze reeds ten jare 1721 getrokken. Vroeger ging Venray evenals meerdere andere dorpen uit deze streek b.v. Blitterswyck, Well enz.de in 1G42 ontstane bedevaartsplaats Kevelaer bezoeken, doch deze processiën zijn naderhand, gedeeltelijk ook om destijds voorkomende misbruiken tegen te gaan, opgeheven. In de rekeningen van het begin der vorige eeuw, die we allen doorlezen hebben, komen geregeld voor de uitgaven voor den vaandrager, de jonge dochters die de kaarsen brachten, enz.

Ten jare 1775 werd onder de oflerkaars der parochie een koperen plaat gehecht, waarop de figuren uit het Venraysch wapenschild gedreven waren n.1. de bijenkorf waarbij de kruislings liggende

ocr page 180

__ 174 -

St. Pietersleutels. Een later geschilderde plaat onder een andere waskaars geeft het gehcele wapen te aanschouwen.

Alles nam zijn geregeld verloop tot aan de fransche Republiek, toen de Centrale Administratie van het Roerdepartement, waaraan de apostaat Antoon Joseph Dorsch als commissaris van het Uitvoerend Bewind was toegevoegd, strenge maatregelen nam tegen elk uiterlijk godsdienstig vertoon.

Zoo kwam den 1(5 Juli 1798 (18 Messidor VI) weer een scherp besluit uit tegen het houden van processiën buiten de kerkgebouwen, dat met de volgende hatelijke considérant doorspekt was:

„Considérant qu'il est urgent de faire cesser cette violation des ordres supérieurs et d'éclairer Ie peuple sur les principes de la raison, en l'écartant des préjugés du fanatisme par lesquels 11 est encore aveugléquot;.. ..

Het begraven der afgestorvene geloovigen onder assistentie van den priester in ambtsgewaad was zelfs in geheel katholieke parochiën verboden, en zoo teekent de pastoor van Wanssum bij een sterfgeval op 9 Juli 1798 in het register aan: „Cessarunt hic publicae et solemnes functiones ecclesiasticaequot;.

Zoo vinden wij van de Venrayer processie naar Oostrum in 1799 vermeld:

July 25 de mans die de kaars gebrocht hebben . . . 6-10-0 „ 20 de vrouluij „ „ „ „ „ ... 5-13-0

eene uitgave welke of op eene groote verteering of op een groot aantal personen moet doelen.

Ziehier echter wat er gebeurd was. De openbare bedetocht was door het Fransch Gezag verboden, en nu trokken bij wijze van protest op St. Jacobsdag de manspersonen in groepen met de offerkaars bij zich naar het geliefde Oostrum, om zoo hunne hulde te brengen aan Maria, en de aloude processie levendig te houden; den volgenden dag op Sint Annadag, geschiedde hetzelfde door de vrouwelijke bevolking.

Bij dit protest is het dan ook gebleven en wachtte men gunstiger tijden af om de vroegere bedevaart naar Oostrum te herstellen.

Wel had men hier en daar beproefd bij het Concordaat, na de proclamatie van de vrije openbare uitoefening van den Katholieken Godsdienst, de publieke dienstverrichtingen in te voeren, maar de geest der vroegere republikeinsche heethoofden was nog niet

ocr page 181

— 175 —

behoorlijk afgekoeld en de novo vexatio, de oude drilling begon te herleven; eerst op het einde van 1804 „cessavit vexatioquot;, hield de plagerij en kwelling op.

Eerst in 1808 trok weer, na tien jaren onderbrekens de processie van Venray, op het Patroonfeest der kapel, 8 September, naar Oostrum. Nog in het begin dezer eeuw trok de Oostrumsche O. L. Vr. Gilde de Venraysche processie eenige minuten veld-waarts in tegemoet, een gebruik dat later in onbruik geraakte, en sinds dien niet meer hersteld is.

Sedert trekt de processie op O. L. Vr. Geboorte ten 8 ure uit de Parochiekerk, neemt haren weg door de Hofstraat en komt door de buurt Lull Oostrum binnen, waar ten 9 ure eene plechtige Hoogmis gecelebreerd wordt, waaronder Predicatie. Na den Hoogdienst wordt eenigen rusttijd genomen, waarbij den zangers, vaandragers, bruidjes, die de 2 offerkaarsen droegen, enz. eene verkwikking wordt aangeboden. De terugtocht heeft plaats door het Oostrumsch veld langs de Huls, het bidkapelletje der H. Moeder Anna op het Broekje of bruekske. Op dit kapelletje staat de volgende uitnoodiging te lezen;

o Mensch! Vergeet toch niet te eere,

Die moeder is van die den Heere,

Als reine Maget heeft gebaard Die zegen gaf voor vloek op aard!

Na het Venraysch veld gepasseerd te zijn wordt in de kloosterkerk der eerw. paters Franciscanen de zegen met het Aller-heiligte gegeven, waarna men door de Patersstraat, Groote Straat en Markt onder liet zingen van „Te Deum Laudamusquot; weer de parochiekerk binnentrekt.

Eene plechtige processie had plaats op liet feest van O. L. Vr. Geboorte, Maandag 8 Sept. 18G2, toen de kapel in het bezit gesteld zou worden eener reliquie van de allerzaligste Maagd, een schat die ze tot dusverre niet bezeten had. Met het pluviale bekleed droeg pastoor van Haeff het heilig overblijfsel, dat door de inwoners van Oostrum aan het bedehuisje van Sint Antonius van Padua werd opgewacht. In rijen geschaard stonden de schoolkinderen met veelkleurige vaantjes in de hand, en een groote schare mannen en vrouweu uit Lull, Boshuizen en Oostrum sloot

ocr page 182

zich aldaar vreugdevol bij den tocht aan om door het geheel met vlaggen versierde dorpje Maria's heiligdom binnen te treden.

Zeventig jaren had de bedevaartprocessie ongehinderd kunnen plaats grijpen, toen tusschen de jaren 1876 en 1880 van Regee-ringswege verschillende moeielijkheden werden in het leven geroepen, om deze uitingen van het katholieke leven in Limburg te belemmeren.

Op Zondag 8 September 1878, toen volgens oudergewoonte de processie uittrok, stond in de Hofstraat de marechaussee van Horst op wacht en maakte pastoor van Haeff proces-verbaal; hetzelfde had op dien dag plaats met de Horster processie naar Tienray, doch beide vervolgingen zijn in den steek gebleven.*ten jure 1891.

-lo—dtrt jrrar werd deze processie door G55 personen.meegemaakt.

c. Oirloo.

Deze processie, welke van de vorige eeuw dagteekent, bezoekt jaarlijks de kapel op het feest van O. L. Vr. Hemelvaart, 15 Augustus. Onder de offerkaars geven de woorden „Processie van Oirloquot; de herkomst te kennen. In 1890 werden door toedoen van den eerw. rector Jeuken van Castenray een sierlijk schild en kaars aangebracht als „Hulde aan O. L. V. Oostrum-Oirlo 1H90quot;. Na de fransche vervolging kwam sinds 1808 Oirloo geregeld ter beevaart.

d. Geysteren—Maashees.

♦

De oude parochie Geysteren, waaronder tot het jaar 1804 het Cuijksche dorp Maashees ressorteerde, kwam in de vorige eeuw geregeld Zondags in de Octave van O. L. Vr. Geboorte (Oostrumsche kermis) het genadebeeld bezoeken. De uitgaven, zooals gewoonlijk bij processiën plaats hadden, vindt men in 170.3, ook nog in 1793 geboekt. Sedert den Franschen tijd heeft deze bedetocht opgehouden.

Com in nu ie kind er en.

Te Venray bestaat het gebruik dat jaarlijks de kinderen die voor de eerste maal tol de H. Tafel worden toegelaten des Woens-

ocr page 183

- 177 —

dags voor dien heugel ijken dag (de laatste jaren den 2clen Zondag na Paschen) naar Oostrum trekken, daar het H. Misoffer bijwonen, om door tusschenkomst van Maria waardig den Zone Gods te mogen ontvangen.

De zeer eerwaarde heer Jac. Sax, vroeger kapelaan te Venray (van December 1844—October 1SÓ6), later provisor en professor aan het Seminarie van Roermond (f 1864), sloeg geen enkele maal over deze tocht, die immer onder de Paaschvacantie inviel, te verge' zeilen en zijne gebeden met de kinderlijke stemmen van Venray's jeugdige burgers te vereenigen, 't Was steeds voor den edelen man eene herinnering aan zijne H. Bediening te Venray uitgeoefend.

Schrijver dezes, was het ook gegund, kort na zijne priesterwijding, op Woensdag 1 Mei 1878 het H. Misoffer, aan het Oos-trumsch troonaltaar voor zijne kleine, weldra overgelukkige dorps-genooten te mogen zingen.

Bedetocht der studenten.

Jaarlijks van af 1862 togen op St. Aloysiusdag, patroonfeest der studerende jeugd, dc studenten van het Collegie, later Gymnasium der E.E. P.P. Franciskanen, naar Oostrum, om ook hunne hulde aan het miraculeus beeld te brengen. Onder leiding der Professoren trok de studentenschaar lofliederen zingend door Venray's straten over Lull naar Oostrum, de primi der verschillende klassen met vaandels, terwijl een zestal anderen de offerkaars overhandigden. Onder de Hoogmis, die het studentenzangkoor uitvoerde, was de feestrede waarna men door het veld huiswaarts keerde. Ten jare 1877 heeft deze pelgrimstocht het laatst plaats gehad. Om de beeldtcnis der Onbevlekte Ontvangenis, patrones van 't gymnasium, staat nog bij de kandelaar ter zijde van het altaar „Collegie van Venray 1862.quot;

Congregatie der jonge dochters van Venray.

In de Meimaand waren de congreganisten van O. L. Vr. ünb. Ontv. vereenigd met de leden dier vereeniging uit het pensionaat „Jerusalemquot; gewoon hare bedevaart naar Oostrum te doen. Op het schild harer kaars staat om de afbeelding van M aria Onb. Ontv. het omschrift: „Congregatie van Venray.quot;

ocr page 184

Behalve de schoolkinderen der verschillende afdeelingen, kwamen ook geregeld de schaapskooplieden der firma C. Raedts en C0 na hunne afrekeningsdagen veelal in Januari, een collectief bezoek aan Oostrum brengen. In de jaren van 70 kwamen de broederschappen der H. Familie van Boxmeer, Sambeek en Overloon ook ter bedevaart, maar deze vrome bezoeken zijn veelal verslapt of vervallen Beter hield het vroom gebruik der gehuchten Merseloo en Leunen stand, om hunne afgestorvenen bij het Miraculeus beeld te komen gedenken.

Processie van Eindhoven naar Kevelaer.

Deze bedevaart ondernam door de Peel te voet de reis naar Kevelaer, en trok in de laatste jaren van dezen tocht op O. L. Vr. Hemelvaart, met het O. L, Vr. Beeld, vaandels en al, processieswijs Venray binnen, waar overnacht werd.

's Anderdaags werd in den vroegen morgen in de parochiekerk de hoogmis gezongen, waarna men groepgewijze onder leiding der broedermeesters en vergezeld van de noodige huifkarren naar Oostrum trok, waar bij het miraculeus beeld eenigen tijd werd vertoefd, om via Well naar Kevelaer te vertrekken.

't Was in dezen tijd, dat de gekleurde platen van O. L. Vr. van Oostrum te Emmerik vervaardigd zijn met de aanwijzing der reisroute Eindhoven—Kevelaer. In het laatst der G0er jaren vertrok de processie voortaan per spoor naar hare bestemmingsplaats, maar toch knielen jaarlijks honderden Meijerijers, die uit Deurne, Vlierden, Bakel, Milheze, Helmond, Stiphout, Asten, Aarle—Beek, Lieshout, Lierop en dezer omtrek, te voet over Venray en Well naar Kevelaer trekken, bij O. L, Vr. te Oostrum neder, om ook hier de wonderdadige beeltenis van 's Heeren Moeder te vereeren.

Ckroniek (vervolg der) tot aan den Fransehen tijd.

1722 Aan den heer pastor tot Geysteren tot postgelt voor de

bulle om den aflaet te besorgen..........G-8-0

(deze pastoor was de oud-rector der kapel, Joannes Vlock-hoven, sedert 24 Juni 1721 pastoor van Geysteren.

ocr page 185

— 179 —

1722 Op de canonieke visitatie van zijn hooghweerde

waren verlopen...............2-5-0

1723 Aan de Oostrumsche kloosterzuster Anna Lisbeth

voor het maken van kunstbloemen voor de kapel 8-0 0

„ Voor een kolfje om de silveren lamp in te setten. 0-8-0

172G Het witten der kapel kostte........27-4-0

Voor verven en afzetten......., . . . 3-G O

De jonge dochters die toen de kapel gepoetst hadden kregen toen eene tractatie.

1729 Zuster Anna Lisbeth had alweer bloemen gemaakt

welke met het verschot te staan kwamen op.....3-12-0

1729 Noch aan de nieuw myskleren 2 kassuyllels ende

dienrocken .... ........... 100-28-18

1738 kwam een nieuw dak op de gerfkamer of sacristy.

1743 aan de suppriorin voor geleverde bloemen 8 guld.,

holl. in permissie...............10-4-2

1745 voor geleverde telders dye geverft syn boven voor

het wuffsel.................2-Ö-1

17GG een nieuw missaal of misboek.

„ aen moetje Saesen getelt voor een nieuw casuifel. 31-10-2 1747 aen Doermans voor het goet mee te brengen voor

het nieuwe ornament tsamen betaelt........89- 1 -2

Voor gelevert goet tot het ornament aen Etro betaelt 7-8-0 Aan vrouw van Melles voor het goldt aen een te setten

tot het ornament ..............4-0-0

Aen paeter van Rijel voor het maecken en ordonneren

van het ornament bet.............7-1-0

1747 aan moetjen Saesen een swart casuilfel gemaekt. 3-17-0

1751 en 1752 tot Ruremond van pyramiden betaelt (1) 25-19-0 Van geleverde kanten aen de nieuw anti-

pendiums...........11-3-2

„ aan paeter van Riell een nieuw anti-pendium te maken..............1-5-0

(1) Onder rector Lod. Ramaekers werden deze pyramiden op nieuw wit gekleurd en verguld waardoor aan de oude sierlijkheid veel afbreuk werd gedaan.

Pater Joannes van Riel (zegt het Franciskaner Recommandatieboek) sacerdos, praedicator, confessarius, sacrista zelosus ut et rector Chori obiit 2 Maji 1785 aet. 76, profess. 52, sacerdotii 50, jubil. 3.

ocr page 186

— 180 —

Acn Lenekc de naaister............0- S -0

1753 ( nieuwe banken voor de kapel vervaardigd door 34-2-0

1754 Joannes Gossens Mr. timmerman te Well. 35-17-0 175()f Het kapelbestuLir moest ze te Well laten afhalen. 44- 7 -2

1755 den 1!) Mertt hebbe wij uyt de kapel een grootte blaeuwe blecke doos met goldt ende silverwerek op de suppryers sel gebrocht ende den sleutel daer van is hyer in de kapelle sack eene kleynen sleutel.

1758 aan juffr. van Vechgel voor de geleverde waeren

tot een nieuw casulTel betaelt door heer Raaimaekers. . 57 12-0

1759 aan suster Petronella Vos voor geleverde bloemen

9 gulden Ivleefs — . ............7-14-0

17G1 aan Wilberdijn van Vechgel voor een kleet om

den preekstoel................8-5-0

17G2 aan pater van Leuven voor den orgel te repareren 8-19-0 aan het klooster verteering voor den paeter als

hij den orgel repareerde.........5-14-0

1704 Pater van Leuven den orgel gerepareert. ... 17 1-0 aan Jacop Stermans voor verteering van den pater

van Leuven..............7-7-0

1772 uitgaven door den kapelmeester Thomas Cuenen voor af-laatsbrieven.

1781 14 Mei door Thomas Kuenen kapelmeester 200 Kleefsche gulden voor den biechtstoel aan de kapel geleverd door M. Martin Boncour.

1782 leverde Martin Boncour te Roermond eene nieuwe communiebank, sacristiedeur, en bracht veranderingen aan het H. Kruis-altaar. (1)

178G Reparatie aan den toren en een nieuwe uurplank of cijferbord.

ocr page 187

— 181 —

Lijst der kapel- of kerkmeesters.

1 öJi.'S, 1535 Peter van Ac Herd en en Hendrik Boensen. 15(52 Derk Groenen en Peter Vermeulen.

vóór 1569 Dirk Vaeghs (2 of 3 maal), Willem Olyslagers Peter Vermeulen.

15G7 Dirk Groenen en Ruth Vermoeien.

15G9 Dirk Groenen (f 1595) cn Giclis. . .

1580 Goerdt Biynen of 13ryn — Hendrik de Smidt. 1595 Gerardt Lemmen — Goert Vermoeien.

1597 Jan die Wever cn Jan Brouwers.

1599 — 1600 Reinder Vergraest — Hendrik Hoeck.

1601—02 Thijs Vaeghs — Jan van Rysen.

1603—04 Thonis Vermueleiv— Aert Saeren.

1605

1607 Theus Coppens.

1608 Jan Brouwers — Jan Vertheinen,

1609 Thijs Vaeghs cn Jan Ruth Vermoelens zoen.

1610 Jan Vermoeien voornoemd.

1611 Hucb Boensen —■ Teus Gille.

1612 Teus Gille — Seger Hueben.

1(513 Willem Haencn.

1614—15 Willem Segers.

1615 Thijs Vaeghs.

161(5 Jan op Spraeland cn Glacs Schocnmaekers.

1618 Jacob, Tonis Vermoeien soen en Jan Smits.

1636 Peter aen de meulen — Jan Vacshs.

1640 Peter Vermeulen — Lambert Dirix.

1642 Jan Hocnen en Seger Hendriks genaamd Princen.

1643 Seger Prynsen — Thys Vermoeien.

1644 Thijs Vermoeien cn Hendrik Huijben.

1645 Jacob Basten.

1646 Jacob Basten en Hcndrich Jans Smijts.

1650 Jan Derks alias Jan op Spraelant en Peter Hendriks.

1651 Seger Necssen.

1656 Jacob Gerits — Aert Hendriks.

1660—61 Seger Hendriks alias Princen (1) en Hendrik Prangh.

(i) Seger Prinsen testeert i66y; eene dochter van hem was gehuwd met Jan Thijssen.

ocr page 188

— 182 —

1GG3 Peters Hofs en Hendrik Coppen.

1GG5 Hendrik Coppen en Mychel aen de Meulen.

1(506 Mychel aen de Meulen en Hendrik Huyps.

KUIT Hendrik Coeppen en Mychel aende Meulen.

1G79—80 Jan op de Rosmeulen en Antoon Vaeghs.

1(58-1 Jan Saeren.

1G89 Jan Verblackt en Jan Peelers.

1G90—91 Jan Lemmen.

1G93 Jan Hesen — Dirk Basten.

1G9G Lambert Peters en Jacob Jacobs.

1700—01 Gerrit Schreurs.

1708 Peter Janssen.

1709 Peter Heesen (Rosmulders) en Jan Creemers.

1719—21 Jan Bongers en Jacob van Helden.

1722—17:31 Jan Hermans.

1735—3G Michiel Basten en Jan Hermkens.

1739 aangesteld den 1G Augustus Thomas Millen en Thonis Aerts (1739—40).

174:1—1750 Thomas Millen.

1743—1747 en 1751—17G3 Arnold Verblackt.

1748—1751 Jan Jacobs (deze vertrok in 1751 uit Oostrum), 1751—1754 Jacobus Vermeulen.

1755 — nog 1771 Mathijs Hermans.

17G4—G5 Gerrit Basten.

1772 Thomas Kuenen (zijne echtgenoote was Margareta Seuren). 1785—1797 Peter van Eyndt (had volgens patentlijsten jenever-branderij en tapperij).

179G Lambert van Dyck.

1798—1802 Jacobus Kuenen.

1803, nog 1814 Joseph Hanckx. (1)

d) Joseph Hanckx was 1793 gehuwd met Jacomina Cremers, later met Maria Agnes Coonen (geb. te Helen bij Maaseyck d1' van Jan en Gertrudis Lucas); hij stierf in 1819.

De wquot;' Jos. Hanckx, Maria Agnes Coonen, trouwt in den herfst 1820 metHenricus van ter Velden (geb. te AfTerden 25 Januari 1775) wonende ter Horst als weduwnaar van Anna Catharina Hoogers met wie hij den 16 April 1799 te Afferden gehuwd was. Joseph's zoon P. M. Hanckx woonde in 1840 nog te Oostrum, zijne nakomelingen te Wanssum.

ocr page 189

- 183 —

1803 nog 1814 Hendrik Jeuckcn.

1803 nog 1823 Peter Vermeulen.

1828 nog 18'43 Gerard Thielen (deze familie vertrok later naar Lottum).

Koster-schoolmeester te Oostrum.

De kosterij der kapel stond ter begeving van den gebiedenden Heer, die na gemeenzaam overleg met de schepenen den titularis benoemde, denkelijk wijl de bediening der school voor de regeerders een gewichtig punt van volksbelang uitmaakte. Als inkomen werd hem van het kosterschap een vast jaargeld alsmede het gebruik der kosterij, die steeds door de kapel onderhouden werd, aangewezen; als leermeester genoot hij enkel het schoolgeld der kinderen. In den loop onzer studie kwamen ons de namen dei-volgende personen in die hoedanigheid voor:

Aert Noet 1599, 1015.

Jacop Jans Cuyppers van Overloon van halfvasten 1G42, nog in 1659.

Olivier Pytlinck, — was reeds in 1G57 te Oostrum gevestigd van uit Horst — 1GG1; zijne weduwe bediende het kosterschap tot St. Jan 1G65.

Arnoldus Janss Schreurs vanaf 24 Juni 16G5; nog in Oct. 1GG8.

Peter Rutten, Juli 1G70, 1671.

Jan Segers (Syegers) werd den 30 Nov. 1G73 doodgeschoten.

Meester Andries Maes 1G90 tot 1727.

De Weduwe Briil 1728, later hare zonen Antoon Brul 1740,1753 en Herman Brul 1754.

Jacobus H. Catelaen 1754 nog 17G5. (i/f3)

Leonardus of Lindert Lemmen 1794, f den 30 Mei 1823's mor-,

gens om 8 ure in den ouderdom van 70 jaren.'iï/'v» f1* /-'(y

Joannes Deenen 1823-1874, geboren te Ven ray 28 Oct. 1801 en gestorven op Palmzondag 25 Maart 1877 's namiddags om 2 ure;

(zijne echtgenoote Hermina Raaimakers geb. tc St. Anthonis 20 Aug. '

1810, overleed te Oostrum 23 Januari 1869).

De bediening van kosterschap en orgel waren in Deenen's laatste levensjaren toevertrouwd geweest aan Gerardus Verheyen (geb.

Oostrum 19 Maart 1855, f als onderwijzer te Well 10 April 1888)

ocr page 190

_ 184 -

en diens broeder Martinus Verheyen. Het schoolonderwijs werd door 's meesters zoon, Jacobus Deenen, voortgezet.

Martinus Verheyen (gehuwd met Antonetta van der JETeyden) koster en organist sedert 1877.

De eerst ons bekende koster had een vast inkomen van 2 mal-der rogge. Koster Jacob Jans Cuyppers had 4 malder rogge, 2 morgen land ter beschikking, een koe weyens, een tuin, één pond vlas „van die heylighen te versyenquot;, 2 gulden voor wasch-loon en 8 stuiver voor het smeeren der klokken.

Later hadden de kosters een fixum of vast bedrag van 5 malder en 3 vat rogge, in geld 17 permissie-gulden, dat later voor bijwerk tot 19 verhoogd en in 1790 met 25 gulden 11 stuiver en 1 oort Kleefsch uitbetaald werd.

Dit honorarium werd in 1830 den koster met fl. 11,12 of juister met 11 gulden 11 en een halve cent hollandsch vergoed.

Het buitengewoon poetsen en schuurwerk der kapel werd meer dan eens aan afzonderlijke personen extra betaald.

De kosterij tevens schoolhuis lag te üostrum op ruim eene kar breedte van de noordzijde des torens op den hoek van het zoogenaamde kerkhof met de voordeur naar den straatkant, zij was van stallingen voorzien en haar tuin met put lag aan de overzijde van den landweg. Eerst in 1877 werd deze woning tot sieraad van de kapel gesloopt.

Op ruime lokalen letten onze eerzame voorvaderen minder, want de tijd van schoolpaleizen was toen nog niet aangebroken. Daar het aantal leerlingen veelal niet groot was, kon de magister behalve zijn kosterschap er nog gemakkelijk een of ander beroep bij uitoefenen en zoo deed Lindert Lemmen, die tot zijne eer gezegd een bijzonder fraaie hand schreef, als wolspinner ook somtijds in het schoollokaal zijne spoel driftig snorren.

Het onderwijs beperkte zich tot lezen, schrijven en rekenen; wie verder wilde moest naar de hooge school te Rooy (Venray) gaan of naar de vijf scholen, het Latijnsch gymnasium op het kerkhof voor den hoofdingang der Groote Kerk gebouwd.

Het getal scholieren en hun schoolgeld geeft ons de koster Jacob Jans in zijn dagboelc aan.

Met Nieuwjaar 1046 had hij 23 scholieren.

„ Paschen waren er 18 „

ocr page 191

— 185 —

Met Pinksteren waren er 22 scholieren.

„ Allerheiligen „ 14 „

„ Nieuwjaar IG-iü waren er 11 scholieren.

„ Paschen „ „ 17

„ Pinksteren „ „ 20 „

„ Allerheiligen „ „ 15 „

Voor het vierendeel jaars ol' drie maanden werd door ieder leerling 10 stuiver betaald; een catechismus kostte toen 3 stuiver, een abéboek 1 stuiver 1 ort.

Sedert de Fransche üverheersching kwam het lager onderwijs onder bewind van het burgerlijk bestuur, hoewel de titularissen de gecombineerde dienstwoning voor school en kosterschap bleven bewonen, iets wat in volgende jaren op meer dan eene plaats verwikkelingen en moeielijkheden te weeg bracht tusschen Kerk en Gemeentebesturen. In den Belgischen tijd genoot de Oos-trumsche schoolmeester 50 francs salaris van de gemeente, en 21 cents per maand van ieder leerling en in het jaar, waarin dit verslag werd overgelegd, waren er 36 jongens en -i.J meisjes.

Het lokaal in de oude kosterij werd niet meer dienstig geoordeeld en deswege achtte het Venraysche Gemeentebestuur het noodig een nieuw gebouw vooraan in het dorp te doen oprichten, waarin meester Deenen zijne lessen op meer genefelijken voet kon geven. Na het eervol ontslag van dien waardigen ouderling en het ad interim voorgezette onderwijs van zijn zoon Jacobus werd met 1 Januari 1875 de heer Jan Derksen, tot dusverre hulponderwijzer te Well, als hoofdonderwijzer te Üostrum aangesteld, en was later tevens onderwijzer aan de Rijks normaalschool te Venray. Altijd ontbrak nog bij de school eene doelmatige woning, die dan weldra den 7 Mei 1877 te Venray door Burgemeester en Wethouders in het openbaar werd aanbesteed. Het bestek met teekening en voorwaarden lagen ter secretarie dei-Gemeente, waar ook inlichtingen gegeven werden, alsmede bij den ingenieur van den Waterstaat J. A. E. Musquetier te Roermond en den bouwkundige Beuyssen te Boxmeer. Het werk dat half October gereed moest zijn werd aangenomen door J. Niessen, metselaar te Bergen.

In den laatsten tijd is het aantal leerlingen zoo toegenomen, dat een tweede onderwijzer moest worden aangesteld.

ocr page 192

De Kapel onder en na de Fransche Overheersching.

Bij de geheel veranderde toestanden onder het Fransch bewind, het aanslaan der kerkelijke goederen van kapellen, beneficiën, de afschaffing der patronaatsrechten, waren krachtens de wet van 7 Thermidor an XI (2G Juli 1803), de marguilliers, kerkmeesters, belast met het beheer der renten en terugvordering voor de kerken. Ook was hun de zorg opgedragen over de kapellen die behouden bleven, maar moesten zij een afzonderlijk register dezer inkomsten hebben. Voordat echter een meer geregeld verloop kon plaats hebben, waren eenige jaren heengegaan en hadden de oude kapelmeesters, voor zooveel zij konden, hunne vroegere functiën waargenomen.

De bisschop van Aken, Marcus Antonius, had onder de nieuwe succursale Venray, üostrum als „chapelle auxiliairequot; (1), hulpkapel, behouden en den 27 Februari 1807 als beheervoerders benoemd: Joseph Hanckx, Peter Vermeulen en Hendrik Jeuken, zoo nog-thans dat zij aan den Venrayschen pastoor rekenplichtig bleven. Eenigen tijd later werd nogmaals uitdrukkelijk verklaard, dat de kapelgoederen door het bestuur der hoofdkerk moesten beheerd worden.

(i) Het decreet van 30 Sept. 1807 verstaat onder chapelle auxiliaire: chapelles aux églises établies sur la deraande d'une commune entière. Chapelles annexes daarentegen waren; chapelles aux églises établies sur la demande des principaux contri-buales de la commune. Een en ander gaf voor het geestelijke wel weinig of geen verschil, voor het tijdelijk beheer en den onderstand der dienstdoende heeren kon het echter van overwegend belang zijn.

ocr page 193

Ten jare 1823 5 November richtte de Staatsraad-Gouverneur der Provincie Limburg, C. de Brouckère, eene aanschrijving aan de kerkbesturen omtrent het beheer der goederen en inkomsten der kapellen, welke circulaire de Venraysche Schout, Frans Ver-blackt, in eensluidend afschrift aan de Oostrumsche kapelmeesters uitreikte. Den 19 Januari daaraanvolgende gaf de ontvanger der Venraysche kerkfabriek, M. van de Pasch, opdracht en last aan Peter Vermeulen te Oostrum om namens hem de renten en pachten der kapel en vicarie te ontvangen, en daarvan kwijting te geven, ten einde door den kerkeraad de noodige mandaten van de te doene uitgaven kunnen afgegeven worden. (Zie Bijlagen nos XVI-XVII).

De toestand door het Keizerlijk Decreet van 't jaar 1809 geordend en bestendigd, bleef tot de laatste jaren in voege.

Volgens artikel 40 van het „Algemeen Reglement voor de parochiale kerkbesturen in het bisdom Roermondquot;, dat den 1 Januari 1877 in werking kwam, kunnen de bijkerken of kapellen haar eigen bestuur verkrijgen, wanneer de Bisschop daarvoor toestemming geeft.

Daar dit laatste tot heden toe niet is geschied, blijft het tijdelijk beheer der Oostrumsche kapel en goederen nog steeds volgens den ouden voet aan het parochiaal kerkbestuur van Venray. De zoogenaamde kapelmeesters, die ook in de parochiekerk evenals de kerkmeesters, eene afzonderlijke zitplaats hadden, waren slechts belast met het collecteeren, enz.; zelfs de eenvoudigste reglemen-tatie over het vaststellen van het plaatsgeld op het oxaal behoorde wettig aan het parochiaal bestuur. Onder pastoor van Haelf droegen de kapelmeesters den troonhemel in de plechtige processiën op H. Sacramentszondag en Kermisdag.

Rectoren of vicarissen der kapel.

Tengevolge van het Concordaat tusschen Z. H. den Paus en den eersten Consul Napoleon gesloten, benoemde voortaan de Bisschop, zonder zich om eenig patronaatsrecht behoeven te bekommeren, tot de pastorijen van zijn diocees. Ook de andere dienstdoende geestelijkheid werd door den Kerkvoogd bij bepaalde kerken aangeschreven en hare jurisdictie of geestelijke rechtsmacht nader

ocr page 194

— 188 —

aangewezen. Daar de tienden en meerdere kerkelijke fondsen afgeschaft, aangeslagen of verduisterd waren, werd de bezoldiging der geestelijken gedeeltelijk door het Gouvernement verstrekt, terwijl voor het overige, de burgerlijke gemeenten, de kerkfabrieken of particulieren het hunne bijbrachten. De kerkelijke stichtingen, waarop lasten berustten, waren in de eerste jaren na het Concordaat aan de kerken teruggegeven, met de verplichting de diensten te laten verrichten. Dit geschiedde veelal naar den maatstaf der oude gewoonte of van het bisschoppelijk tarief.

De oude sacellanien of kapellanijen, rectoraten, vicariën, officies enz. waren als stichtingen en rechtspersonen opgeheven, en hunne goederen meestal op bovengemelde wijze bij die der kerkfabriek vereenigd, terwijl de voormalige titularissen op eene dienstaan-stelling van den Ordinarius, hunne ambtsbezigheden omschreven vonden.

Zoo was het ook te Oostrum gegaan. De laatste onder het patronaat van graaf van Schellardt benoemde rector Hoeba was den 3 December 1802 overleden, waarop zijn diensttijd met catechismus tot St. Jan-Baptist door den oud bekende van Oostrum, Petrus Driessens, werd waargenomen. De HH. Diensten op O. L. Vr. Onb. Ontvangenis, Lichtmis en Boodschap werden door den oud-kloosterrector Eijmaels verricht. Driessens zette zijne bediening voort tot S. Andries 1803 en meerdere buitengewone oefeningen werden in dit en volgende jaren door den hooggeboren heer Baron de Meer (1) (zoo celebreerde hij 8 September 1805 den Hoog-dienst) en eenige gesupprimeerde paters Minderbroeders van Venray verricht (o. a. pater J. van Rossum, pater A. T. Braekman).

Door de zorgen van den pastoor, de geestelijke overheid en het kapelbestuur kwam eene nadere regeling tot stand.

Een geestelijk zou voor vast aan de kapel verbonden worden, de H. Diensten en fundatiën verrichten alsmede het catechetisch onderricht houden tot gerief der inwoners van Oostrum, Lull en Boshuizen, dit alles onder toezicht van den pastoor.

(i) Albert Frans Baron de Meer, geboren op het huis Dalenbroeck, zoon van Frederik Victor en Albertina Carolina de la Tour, woonde langen tijd te Venray, was aldaar lid der Caecilia-broederschap voor heeren geestelijken en overleed er 20 December 1811 oud 76 jaren. In de wandeling (zie Publications Limb, tome XXVI jr. 1889 bladz. 136) werd hij „het baronnekequot; genoemd.

ocr page 195

— 189 —

Daar de goederen der oude vicarie enkel de fundatierechten opbrachten stelde het kerkbestuur voor den nieuwen rector met eene jaarlijksche som van 200 Kleefsche gulden tegemoet te komen en bovendien de buitengewone diensten met de Octaven, het mediteeren in de Vasten als anderszins extra door de kapel te vergoeden. Als éérste vaste rector treedt nu op de eerw. heer

Wilhelmus Matthias Eijmaels.

Na de suppressie des kloosters Bethlehem woonde hij nog met eenige religieusen als pachters in een zijvleugel van het voormalig kloostergebouw; van daar dan ook dat hij de wasch en het linnen der kapel kon verzorgen. Eijmaels trad in bediening 30 November 1803 en bleefs zulks doen tot St. Jacobsdag, 25 Juli, 1811. Hij overleed te Geysteren 1 Juli 1822. ^

Theodürus Verblackt.

Sedert het vertrek van rector Eijmaels naar Geysteren werd de voormalige rector der kapel of vicaris Verblackt, thans rustend te Venray, andermaal belast met de bediening zijner vroegere kapel en voltrok als zoodanig de verplichtingen in het H. Ministerie vanaf St. Petrus-Banden, 1 Augustus, tot 31 October 1811.

Melchior Laureijs.

Deze was een Belg van geboorte en lid van het Oratorium te Kevelaer welks suppressie hij in 1802 beleefde. Gelijk bekend is werd door den Roermondschen vicaris capitularis Antonius Bosman ten jare 1G4G de zorg over de Kevelaersche bedevaart aan de Oratorianen van den H. Philippus Nerius opgedragen en derhalve mag ons de benoeming van Laureijs en zijne aanstelling bij Maria's heiligdom te Oostrum, waar zijn tractement met 50 Kleefsche gulden verhoogd werd, geenzins bevreemden. Hij was te Oostrum in functie van 1 November 1811—1815. Vervolgens ging hij naar zijn geliefd Kevelaer terug, waar hij als laatste Oratoriaan den 30 November 1851 in den ouderdom van 90 jaren overleed.

ocr page 196

— 190 —

Joannes Theodorus Baltasar Raijmaekers

was een oud-Minderbroedcr van Venray en had met nog eenige andere kloosterlingen na de suppressie de gebouwen van het domein-bestuur gepacht en bewoonde dezelve nog in 1820. Na het vertrek van pater Melchior Laureijs fungeerde hij te Oostrum, maar kon in het vroegjaar 1822 den H. Dienst aldaar niet meer waarnemen. Hij overleed te Venray den 11 Juni 1822, oud 52 jaren.

Franciscus Roelofs,

een jeugdig Venrayer, den 2 Maart 1822 te Munster priester gewijd, P werd reeds den G April daaraanvolgende als rector te Oostrum JT benoemd doch bleef slechts drie maanden in bediening, daar hij reeds den 25 Juni 1822 als kapcllaan te Scvenum aangesteld werd.

De eerw. heer Frans Roelofs geboren te Venray 2 December 1797, studeerde aan het seminarie van het bisdom Aken te Keulen gevestigd, werd kapellaan te Maasbrce 12 October van hetzelfde jaar 1822, pastoor te Baerloo 21 Februari 1840, op zijn verzoek • overgeplaatst naar Wanssum 20 September 1850, waar hij den 25 Februari 18G2 overleed. Zijne ouders waren Antoon Roelofs en Antoinetta Arts.

Na het vertrek van den eerwaarden heer Roelofs was er moeije-lijk een vicaris voor Oostrum te vinden, daar het onvoldoende inkomen der stichtingen door de geringe draagkracht der ingezetenen aldaar slecht kon verbeterd worden. De Venraysche pastoor Lambertus van Elsberg met zijne kapellanen voorzagen wel naar vermogen in de H. Bediening, doch door de vele diensten in de parochiekerk en in de annexe der voormalige Minderbroeders was het hem onmogelijk Oostrum naar eisch te bedienen.

De eerwaarde heer van Issum uit Sambeek was wel bereid gevonden ten minste op Zon- en Feestdagen te Oostrum de H. Mis te lezen en catechismus te doen, doch had wegens zijne zwakke gezondheid hiervan moeten afzien.

Van Elsberg verzocht nu zijn confrater den eerw. heer Rudolf Berns, pastoor van het naburige Oirloo, om des Zondags twee H. Missen te willen doen, de vroegmis met instructie te Oostrum en de Hoogmis te Oirloo, daar beide plaatsen dan

;'W£/

ocr page 197

— 101 —

geholpen waren, Op de toestemining van den Oirlooschen Herder verzocht nu de pastoor van Venray den 8 December 1822 aan den administrator apostolicus van de toenmalige cantons Horst en Sittard, Joannes Arn. Barrett te Luik, de licentia binandi op Zondagen, alsmede op de verplichte en afgezette feesten, totdat de vacature aangevuld was (zie Bijlage n0 XVIIl).

Na de noodi^e volmacht trad nu gedurende anderhalf jaar als vicaris te Oostrum op de Oirloosche pastoor:

Henricus Rudolpitus Berns 1823—1824,

geboren te Gennep, werd in 1824 pastoor te Kessel, waar hij den 27 Maart 1857 in den ouderdom van 63 jaren overleed. Zijn portret bevindt zich bij de weduwe J. L. Otten-Nass vroeger te Heyen thans te Well. Op hem volgde de eerw. heer

Cornells van Dongen van 1824 tot het begin 1826,

geboren te Zeeland bij Uden, waar hij ook den 9 Januari 1843 overleed.

Een meer geregelde toestand volgde door de benoeming van den eerw. heer:

Henricus Joseph Oomen

van 11 Febr. 1826 — 14 Mei 1834 rector bij de O. L. Vr. te Oostrum.

Gedurende zijn verblijf te Venray bewoonde hij den zooge-naamden „wijnkelderquot;, een oud wijndepót der familie Oomen. Deze huizinge van bijzonderen bouwstijl lag in de groote straat, is thans geheel vertimmerd en bewoond door den tapper Paul Lutters. Het fixum of vast inkomen van den vicaris bestond destijds uit 120 gulden Ned. van de kapel; 13,05 voor de Meditaties in de vasten en 84,37 voor gefundeerde missen.

Over dezen merkvvaardigen Venrayer, die de éérste President van het hersteld Groot-Seminarie te Roermond en vicaris-gene-

ocr page 198

— 192 -

raai van het bisdom geweest is, en in zijne geboorteplaats begraven ligt, zie men Maasgouw 4de Deel jg. 1882—83 bladz. 0G4.

Jan Baptist Albert G. Rousseau

werd den 5 October 1834 tot rector benoemd en bedankte in het laatste van 1860. Zijn Eerwaarde was geboren te Hasselt (België) ten jare 1805, priester gewijd in 1828. Na met een pensioen van 492 gulden de H. dienst verlaten en Maastricht als domicilie gekozen te hebben, begaf de oud-rector zich naar het bisdom Luik waar hij den 2(5 Mei 1885 te Grand Axhe overleed. Hij was een neef der opvolgende geneesheeren J. B. Rousseau en Jos. Arnold Hub. Rousseau en wijl hij bij neef doctor zijn kosthuis had noemde onze bevolking hem in de wandeling „Üokters-heerke.quot;

Chroniek (vervolg der) van af den Franschen tijd tot op de helft dezer eeuw.

1802 een nieuwe haan op den toren, weegt 51/4 pond voor 11 guld. 10 st. Kleefsch, geleverd door den smid Peter Fleuren.

1806 het oud oxaal onder den toren afgebroken en een nieuw achter in de kerk gesteld kostte met andere reparatiën. 128 guld. 1 st.

1806 nog voor het witten der kapel betaald .... 59-7-0

1807 te Gelder betaald om volgens wettelijk voorschrift

de quitanties te laten zegelen, (met de reiskosten) . . 41-9-0

1807 den 20 Juni „ontfangen uit den omgang doen

sy hebben kommen bidden om regenquot;....... 7-9-0

20 Juni was dat jaar op een Zaterdag, op welken dag van oudsher de kapel door talrijke pelgrims bezocht werd.

1807 twee koperen kandelaars en 3 kasuifels met toebehoor gekocht van den ouden klooster-rector Eymaels ad. 40 gid. KI.

1823 11 Augustus, De kapel wederom laten witten.

1828 de pachten en goederen der vicarie en kapel herzien naar de officieeie opgaven van 1G Juli 1798, 15 Pluvióse an X en 7 Prai-rial an XIII (resp. 4 Febr. 1802 en 27 Mei 1805). (Zie Bijl. n0XIX).

1833 de Lindenboom op het üostrumsch plein bij het H. Huisjen omgekapt en een nieuwe (de tegenwoordig nog staande) geplant-

ocr page 199

1834 Groote orgelreparatie door van Dintcr.

1837. Bouw van een portaal aan de noordzijde, waarin het Mariabeeld uit het gesloopte H. Huisjen geplaatst werd. Tegelijk werd een Calvarieberg achter het koor opgericht. Het geheel kostte aan arbeidsloon, met bijlevering van eenige materialen, lijsten en frontispice, de som van 345 francs, bewerkt door F. Ver-straelen. Deze Calvarieberg werd later tusschen de sacristij en voorportaal geplaatst, doch is op zijne beurt, daar de overgroote beelden wegens hun vorm op het godsdienstig gevoel der tegenwoordige bezoekers geen gunstigen indruk meer maakten, eenvoudig weggeruimd. Als voetstuk voor het groot houten kruis diende een overblijfsel van de oude kunstvolle theotheca uit de parochiekerk, dat nog aan de kapel aanwezig is.

1851 21 September, de Gildebroeders ontwerpen een nieuw reglement.

18G6 1 Februari, stierf te Venray in de Hofstraat de oud-Burgemeester Frans Verblackt. AVijl zijne familie uit Oostrum herkomstig is, vermaakte hij aan de kapel een legaat van 150 gulden Nederlandsch, Hiervoor moet jaarlijks in de octave van Allerzielen een H. Mis gelezen worden voor den testateur en zijn verwanten. Na het stipendium voor den celebrant dient de rest tot opbouw en versiering der kapel. Dit kapitaal is besteed bij de toenmaals plaats gehad hebbende restauraties der kapel.

Simon Deckers maakt stichtingen in de kapel.

Het Heiligen huisje of kapelletje van O L. Vr.

Ongeveer in het midden van Oostrum op een soort plein bevond zich van oude dagen her een groote linde, onder welker takken een kapelletje of zoogenaamd heiligen Huisje stond met de beeltenis der Moeder Gods.

Dit gebouwtje, in den vorm van een pilaar ter manshoogte in baksteen opgetrokken, op de wijze, van het nog bestaand van Sint Jan te Merseloo, was daarenboven aan de vier zijden door traliewerk omgeven, waartusschen onder het leien dak het beeld geplaatst was.

In de ontvangsten ten jare 171G brachten de afgekapte takken van deze linde de som van 1-14 0 op.

ocr page 200

In 1825 werd er een kuip om die linde aangebracht door Jacob Vermeulen.

In 1831 was er nog eene uitgave aan den Waalschen leidekker Modave voor herstellingen van dit kapelletje.

In 1833 werd de oude linde door den timmerman Hendrik Jochyms gekapt, en ontving hij voor zijne moeite fr. 3,25 cent of 1,54 holl. Rij die gelegenheid werd het gedeeltelijk vervallen H. Huisje gesloopt en een nieuwe lindenboom, de nog bestaande, geplant.

Het Mariabeeld bleef voorloopig in de sacristie der kapel berusten, totdat het in 1837 in eene nis der kerkmuur tusschen twee kandelaars in het nieuw portaal geplaatst werd. Dit portaal werd in 1889 afgebroken en door een sierlijker vervangen.

Be de huisje van den H. Antonius van Padua te Lull.

Hoewel de vereering van den grooten wonderdoener van Padua sinds lang door schier geheel het Christenrijk verspreid was, nam te Venray de eeredienst van den H. Antonius, sedert de vestiging der Minderbroeders aldaar, ontegenzeggelijk eene hoogere vlucht.

Wanneer of door wien dit kapelletje ter eere van dien Heilige in de buurt Lull, op de uiterste grens der oude heerlijkheid Oostrum gelegen, gebouwd is, valt bij gebrek aan nadere bescheiden moeielijk te zeggen; denkelijk had dit plaats op het laatst der 17de eeuw.

Het onderhoud berustte bij het kapelbestuur te Oostrum, dat deswege ook meermalen 'sjaars het offerblok lichtte, gelijk uit de rekening van 1719 blijkt, een gebruik dat tot heden bleef voortbestaan.

Ten jare 1724 is het voor het grootste gedeelte, misschien wel geheel nieuw opgetrokken, blijkens de rekening volgens welke hiervoor nieuwe leien en ongeveer 2000 tichelsteenen gebezigd werden. Thans nog prijkt het heiligen huisje tusschen pijn, linden, en eiken en ontvangt menig bezoek van Antonius' trouwe vereerders.

Ludovicus Ramaekers

geboren ter Horst 18 October 1829, priester gewijd te Roermond 24 Maart 1855 door Mgr. Vrancken, kapelaan te Blitterswyck

ocr page 201

— 195 —

Juli 1855, item te Helden 5 Januari 1856, item te Venray October 1856, en rector aan de Lieve Vrouwe Kapel te Oostrum in April 18G1.

De benoeming van dezen ijverigen zielzorger was ecne weldaad voor Oostrum. In April 1861 benoemd werd zijn Eerw. door den HoogEerw. Heer Deken Verheggen verzocht, de functiën in de parochiekerk voorloopig te blijven uitoefenen, wijl er nog geen nieuwe titularis voor Venray was aangewezen. De H. Diensten te Oostrum werden in dien tusschentijd door de Eerw. Paters Minderbroeders verricht, 't Was een geschikte tijd om te Oostrum eene woning voor den rector te kunnen bouwen, daar het al lang ge-wenscht vast verblijf voor den dienstdoende geestelijke aldaar in eene wezenlijke behoefte voorzag. Met bekwamen spoed werd voorige-werkt om in den herfst gereed te zijn, waarbij het bestuur der parochie door aankoop van terrein het zijne bijdroeg. Om de kosten te dekken werden bij deze gelegenheid eene aanzienlijke hoeveelheid gouden en zilveren ex-voto's, als harten, armen, beenen, kruisjes, gouden kettinkjes met schuiven, oorbellen, welke bij sterfgevallen als anderzins aan het miraculeus beeld vereerd waren, te gelde gemaakt. Daardoor laat het zich verklaren dat er zoo weinig oude sieraden gevonden worden, de meeste zijn dan ook giften van lateren tijd. In December 1861 vestigde zich de eerw. heer Ramaekers in zijne nieuwe woning te Oostrum.

Aanstonds toog de rector aan 't werk en ontzag geene moeite om de uitwendige restauratie van toren en kerk te ondernemen waaraan de ingezetenen ieder naar vermogen bijdroegen, 't Was ook door 's mans aanwakkering dat niet enkel op de Zaterdagen, gelijk van oudsher, maar ook in de Meimaand en op de feestdagen der Moeder Gods, de stroom der beèvaartgangers uit de landen van Kessel en Cuijk zich verdubbelde, dat het vertrouwen op Maria's macht in de harten der geloovigen werd aangesterkt en meerdere broederschappen naar Oostrum optrokken, waarvan wij slechts willen vermelden het collegie van Ven ra}', de H. Fa mil ie n van Overloon, Boxmeer en Sambeek,

Een kort chronologisch verslag zal ook beter dan een breedsprakige rede, de werkzaamheden van den nooit vermoeiden arbeider in 'sHeeren wijngaard schetsen.

1865 Juli. Het troontje met het miraculeus beeld, opeen altaar geplaatst; de werkzaamheden en omwerking verricht door den bouwkundige Seger Bekkers te Venray, ad 80 gulden.

ocr page 202

— 196 —

1865. Dc schoone schilderij der bedevaart door den schilder Jan Adriaan van der Drift vervaardigd, en destijds geplaatst in het voorportaal.

Het tafereel heeft eene breedte van 1 meter 50 centimeter bij eene hoogte van 1 meter en stelt voor de kapel te üostrum met omtrek en meerdere processies o.a. eene Meyerysche, denkelijk doelende op den doortocht der Eindhovensche processie naar Kevelaer. Boven het geheel twee vliegende engelen die een banderol houden, waarop de volgende in jaarschrift aangebrachte vertolking van de 3lIc strophe van het Magnificat is uitgedrukt:

ziet! toCh Van nU af zaL leDer gesLaCht MIJ zaLIg heeten. (Luc. I, 48).

onderaan staat: L. Ramaekers, rector ad sanctam Mariam in Oostrum en J. A. van der Drift pinxit 1865.

Deze schilder van der Drift vertoefde in de jaren GO te Ven ray in het pensionaat der eerw. zusters Ursulinen en herstelde destijds in de parochiekerk al de altaarstukken, die echter tien jaar later, als overtollige sieraden werden verbannen.

Zie verder Maasgouw Deel 9, 1892, bladz. 9, waarde heer A. J. Flament dezen kunstschilder bespreekt en er bijvoegt, dat Jan Adriaan van der Drift geboren werd te 'sHage 1808 en te Weert den 23 Maart 1888 overleed.

Van Beurden in Maasgouw Deel 8, 1890—91, pag. 119, zegt: „Eigenaardig is eene schilderij der bedevaart, die in de kerk hangt, en door een Venraysch kunstenaar vervaardigd isquot;.

In den herfst 1893 is deze schilderij, wegens de bekrompen ruimte van het nieuw portaal, in de kerk zelve gehangen.

1865. 2 Juli. Pauselijke Breve, waarbij Pius IX, den vollen aflaat door zijn voorganger Pius VI op de zeven L. Vr. dagen verleend, uitstrekt tot al de octaafdagen van O. L. Vr. Hemelvaart en Geboorte, alsmede op het feest van den H. Aloysius.

18G(). Werden door meergenoemden Seger Beckers twee nieuwe eikenhouten koorbanken geplaatst, de éene voor 15 Augustus, de andere later, te samen............ƒ 200._

1866. Nieuwe banken, 18 in het schip en 3 langs

de zijden, door van den Brand te Broeckhuysen ... ƒ 300.—

1867. Twee nieuwe gebrandschilderde vensters op het koor geplaatst voor de feestdagen van O. L. Vr. door

ocr page 203

— 197 —

den Roermondschen kunstschilder Frans Nicolas, geschonken door den rector en diens familie. Zij kostten,

behalve het draadwerk............f 500.—

Het eerste aan den Evangeliekant van het hoofdaltaar stelt voor ile Onbevlekte Ontvangenis, liet bovenschrift luidt:

„Conceptio est hodie S1'quot;' Marine Virginis — cujus vita inclyta cunctas illust rat ecelesias.

Ter rechterzijde onder de afbeelding der Onbevlekte Ontvangenis staat:

Jota pnlchra es Maria et macula originalis non est in te. Tn gloria Jernsalern. Tji laetitia Israël.

Ter linker onder de beeltenis van Pius IX met de bulla dogma ti ca :

Ipsa con ter et caput tun ui. Gen. III, 13.

en onder het geheel: L. Ramaekers Rector te Oostrum 1S67.

Het tweede raam aan de Epistelzijde van het hoogaltaar stelt voor den H. Dominicus den Rozenkrans ontvangende, den hond met de fakkel naast zich. Onderschrift: Familie Ramaekers, Horst 1867.

1868, 1-1 October Pauselijke Breve, waarbij Pius IX meerdere gedeeltelijke aflaten aan de kapel verleend.

18G9. In den loop van dit jaar werden wederom zes nieuwe gebrandschilderde vensters geplaatst door denzelfden heer Frans Nicolas, insgelijks geschonken door de familie Ramaekers. De kosten, behalve het draadwerk door Jos. van der Loo te Venloo, bedroegen 1440 gulden, het tusschenwerk in tufsteen werd geleverd door O Grod, Stein- und Bildhauer te Kleef, voor ;!77 gulden.

Op deze acht prachtig geschilderde vensters berust ten laste dei-kapel een jaarlijksche verplichting van acht leesmissen voor de familie Ramaekers.

De ramen stellen voor:

1° Achter het hoofdaltaar, dat bij die gelegenheid van schilderij en kolommen ontbloot werd: De kroning van Maria in den Hemel.

Onderschrift: II. Maria verkrijg voor Lambert B. Ramaekers, f overl. 47 en Anna Maria Hoogen de eetnvige rust f overl.

Win 61.

2° voorstelling: De opdracht van het Kind Jesus in den tempel op O. L. Vr. zuivering (Lichtmis).

Onderschrift: II. Maria bid voor Anna Maria Ramaekers.

ocr page 204

— 198 —

3° voorstelling: Bezoek van Maria aan hare nicht Elisabeth.

Onderschrift: //. Maria verkrijg voor de overledene kinderen van L. Ramaekers en A. M. Hoogen de eenzvige rust.

4° voorstelling: De boodschap des aartsengels aan Maria.

Onderschrift: //. Maria bid voor Joannes Ramaekers '[IS..

5° voorstelling: De opdracht van de H. Maagd in den tempel.

Onderschrift: //. Maria bid voor Helena Ramaekers f 18 . . en haar eeltig kind Maria Helena Hoeijmaekers, non in het klooster te Grubbenvorst | 18 ..

G0 voorstelling: De geboorte Christi in den stal te Bethlehem.

Onderschrift: II. Maria verkrijg voor Mathijs Hoeymaekers, echtgenoot van H. Ramaekers (de eenzvige rust) f 18 17lu 52. (1)

1870 21 Sept. werd in de kapel door Mgr. Paredis kerkelijk opgericht de Broederschap van de Allerzaligste en Onbevlekte Maagd en moeder Gods, Maria, onder den titel van O. L. Vrouzo, Behoudenis der Kr anken!'' (Zie bijlage n0 XXI) en

1871 den 15 Augustus werd zij op verzoek van den Eerw. Rector met de aartsbroederschap in de kerk van den H. Laurentius te Parijs vereenigd. Later werd ook gezegend water ter eere van O. L. Vr. van Oostrum voor kranken beschikbaar gesteld. Het getal ingeschrevenen bedraagt tot heden (Juni 189(j) 7850.

1872. Werd in de lente de kapel fraai gepolychromeerd door den Venrayer kunstschilder Louis Custers. Op de binnenzijden van den koorboog staan de zinnebeelden uit de Litanie van Loreto. De onkosten van het geheele werk beliepen ruim derdehalf honderd Ned. Gulden.

1873. Werkzaamheden aan de kapel verricht door den stukadoor P. R. Lutters.

1874. Werden uit de offers der kapel wederom twee nieuwe gebrandschilderde vensters geplaatst, geleverd door dezelfde kun stenaars; het steenwerk te Weeze (Pruissen) afgeladen, werd door Oostrumsche karren aan het station aldaar afgehaald, en via Well over de Maas ter bestemming gebracht.

(i) De tabella genealogica der familie Ramaekers uit Horst volgt als bijlage n0XX.

ocr page 205

— 199 —

1° voorstelling: De Geboorte vim ü. L. Vr., het titelfeest der kapel.

Onderschrift: II. Maria bid voor de weldoeners uwer kapel(1).

2°. Die onder den toren stelt voor den troon van het miraculeus beeld te Oostrum zeilquot;.

Onderschrift:

Saneta Maria Mater Dei Mirakuleuze Beeld van 0. L. Vrouw te Oostruin. Bedevaartplaats.

Dat de ramen zoo geheel buiten het verloop der historische en bijbelsche gebeurtenissen gesteld zijn, is ongetwijfeld te wijten aan de op verschillende tijdstippen plaats gehad hebbende bestellingen.

In den loop van het jaar 1874 had een schoone verandering plaats: het oxaal dat voor de torenruimte in de kapel vooruitsprong en daardoor noodeloos plaats benam, werd afgebroken en het orgel in twee gelijksoortige kasten onder den toren gebracht. Eene schoone ballustrade sluit den torenhoog van het schip af. De onkosten met verdere verlloonen en werkzaamheden beliepen de som van 100 gulden.

1875. Nieuwe fraaie koperen luchters vervaardigd. De oude in de kapel waren veelal het werk van den bekenden Venrayschen koperslager Arnold Weyers. Deze woonde in de Hofstraat en quot;was 6 Mei 1772 gehuwd met Johanna Maria Groethuysen (f 1810), zuster van den deken Groethuysen. Eene andere zuster was gehuwd met den Meerlooschen koster van Haeff. Meerdere fraai bewerkte stukken van hem, vooral kandelaars, waren aanwezig in de kerken van Oostrum, Meerloo, Venray, Well.

1875 11 Juni. Pius IX verleent eene eeuwigdurende dagelijksche aflaat aan de kapel. De geheele 15reve met de Nederlandsche vertaling door een bekend Latinist vervaardigd, zooals zij beide op een fraaie tabel in de kerk hangende voorkomen, volgt als bijlage n° XXII.

1875. Daags na het Patroonfeest der kapel. Donderdag 9 September, werd eene H. Missie geopend door de EE. Paters Eran-ciskanen te Venray, waarin op Zondag den 12'1™ onder de Hoogmis

(i) In dit oude kerkraam stond het gebrandschilderd wapen der fomilie van Schellardt.

5

ocr page 206

— 200 —

het H. Missickruis gezegend werd. De broederschap der H. Familie van Boxmeer (op Zondag 29 Augustus) en later die van Sam-beek en Overloon bezoeken de kapel.

De dagen van den WelEerwaarden rector Ramaekers waren te Oostrum geteld; in het vroegjaar 1877, als pastoor te Maasniel benoemd verliet hij de plaats, waar hij ongeveer zestien jaren Maria's eer bevorderd had. Den 20 Februari werd hij als pastoor van Maasniel ingehuldigd, waar bij die gelegenheid om zijn portret te lezen stond;

eCCe VIr qUl pasCIt gregeM DlVI LaUrentll.

Op zijne nieuwe standplaats verkoelde geenszins de hooge ver-eering die hij in Maria's heiligdom te Oostrum had aangekweekt en onderhouden, en zoo richtte hij aldaar de Vereeniging of Broederschap van O. L. Vr. van altijddurenden bijstand, wier schoone Beeltenis in de parochiekerk van den H. Laurentius te Maasniel door talrijke pelgrims bezocht wordt, en vele zegeningen in den omtrek verspreid heelt.

Franciscus Martinus Cornelis Omes

geboren te Middelaar 3 September 1835, Priester gewijd te Roermond 21 Maart 1863, kapellaan te Wessem, item te Well 30 September 1865, te Heyen Juli 1870, en benoemd tot rector van Oostrum 4 Februari 1877.

Hoewel reeds geknakt in gezondheid kwam de ijverige man vol moed op zijne bestemmingsplaats en aanstonds had hij de plannen gereed om het werk van zijn bedrijvigen voorganger verder uit te breiden. In hetzelfde jaar werd de rectorswoning ot rectoraat merkelijk veranderd en tot den toren doorgetrokken; tevens werd om de omgeving der kapel te verfraaien de oude kosterij afgebroken. De door velen bewonderde versiering der kapel verraadde in meer dan een opzicht den aestetischen zin des rectors. Ook werd het oude beeld van St. Antonius abt, op nieuw gepolychromeerd en een prachtig beeld van St. Joseph in de kapel geplaatst. Reeds was er gedeeltelijke uitvoering gegeven aan zijn plan, om gelijk op meerdere plaatsen, de nieuwe devotie tot O. L. Vr. van Lourdes aan de kapel te verbinden, toen de dood een einde maakte aan zijn rusteloos streven.

ocr page 207

— 201 —

Den G April 1878 overleed rector Omes en werd den 10 daar] aanvolgcnd op het kerkhof te Venray, naast den HoogEenvaarden Heer Deken Verheggen, begraven.

Joannes Matthias Hubertus Canjels,

geboren te Venloo 22 Mei IH,'})], Priester gewijd te Roermond 9 April 1859, in hetzelfde jaar 30 December kapellaan te St. Odi-liënberg, in gelijke betrekking overgeplaatst naar Muasbree 30 September 18G2, Rector te Oostrum 12 Mei 1878.

Een langwijlige ziekte was het deel van dezen goedigen man, die weinig opgeruimde dagen te Oostrum mocht tellen en in den laatsten tijd zijn H. Dienstwerk door de heeren uit de parochiekerk en de WelEervv. Paters Franciskanen moest zien verrichten. Den 18 December 1882 maakte de dood een einde aan de kwelling en na den lijkdienst in de parochiekerk te Venray, werd het stoffelijk overblijfsel van den Eenv. Rector ter begravenis naar Venloo vervoerd.

Joannes Andreas van Hegelsom

geboren te Grubbenvorst 24 Maart 1841, Priester gewijd te Roermond 6 April 18G7, werd zijn Eenv. 1 October daaraanvolgende kapellaan te Tegelen enden 19 Maart 1874 als zoodanig naar Horst verplaatst. Rector te Oostrum benoemd 30 December 1882 vestigde hij zich in Januari 1883 met ter woon aldaar, als wanneer boven 't portaal der kerk de volgende tijdspreuk was aangebracht:

PaX IntrantI VeneranDo CapeLLae Vlrglnls reCtorl Joannl Van HegeLsoM!

Uit eene oude familie van Kessel., verwant aan den beroemden Keulschen vicaris-generaal en beurzenstichter. Jan van Swolgen, gesproten, was die rector niet alleen een ijvervol priester en redenaar gelijk zijne loopbaan te Horst bewees, maar ook een uitmuntend beoefenaar der Vaderlandsche historie, waarbij zijn open karakter menige vaste vriendschapsband wist te strengelen. Terstond bij

ocr page 208

— 202 —

zijne vestiging stelde hij ten gerieve der pelgrims het meermaals aangehaalde devotieboekje te samen, dat in 1884 te Maastricht verscheen. Op zijne aansporing vooral vervaardigde zijn aanverwant, de WelEenv. heer Gerardus Johannes Wijnhoven, het bekende „Oostrumsch Pelgrims-Liedquot;, dat het boekje besluit. Ook de eenvoudig reine doch gemoedverhefiende melodie of toonzetting is van denzelfdcn dichter (1).

Een merkwaardig feit, een lichtstraal in de eeuwen, zou den naam des rectors voor immer aan Oostrum verbinden.

Dat glanspunt in Oostrum's historie, die eeuwig gedenkwaardige dag voor de pelgrims is de kroning van het miraculeus beeld. Reeds lang hadden vrome en vurige vereerders van Maria den wensch gekoesterd de roemwaardige beeltenis van Gods moeder de eere der pauselijke kroning te beurt te zien vallen, toen de rector der kapel, de ijverige van Hegelsom, met het Hoofd van Venray's parochie, den WelEenv. Heer Henricus Wilhelmus Hubertus van Haeff, deswege een smeekschrift naar Rome opzonden, waarop van wege den Heiligen Vader allergunstigst beschikt werd. Z. H. Leo XIII gelastte zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid Monseigneur Joannes Augustinus Paredis, bisschop onzer Roermond-sche diocese, of eencn door dezen aan te wijzen gevolmachtigde, in zijnen naam de kroningsplechtigheid te verrichten. Deze heuglijke feestviering (2) werd bepaald op Zondag ouder de octave van O. L. Vr. Geboorte, 14 September 1884, waarom men besloot de jaarlijksche bedevaartprocessie van 8 September uit de parochiekerk tot dien dag te verschuiven.

De blijde mare vloog over het dorp en haar echo weerklonk in al de katholieke bladen van het bisdom en verre daarbuiten. Oostrum, ja geheel Venray was reeds op het laatst van Augustus in feestelijke stemming en druk in de weer zich voor te bereiden tot eene grootsche viering op den jubeldag der Onbevlekte, voor wier genadebeeld de Venrayer geslachten meer dan vijf eeuwen

(1) Van denzelfden schrijver verscheen: „De dies Jrae, Dag des toorns, vertaald en toegelicht door G. J. Wijnhoven, pastoor te Sevenum. Roermond, J. Romen 1887. Niet enkel voor jeugdige priesters en theologanten onzer Seminariën, maar ook voor ieder geloovige is het een boekje van ware beleering.

(2) Het programma der plechtigheid volgt als Bijlage n0 XXIII.

ocr page 209

— 203 —

vertrouvvvol hadden neergeknield. De adellijke familie de Weichs de Wenne van het naburige kasteel Geysteren, dat immer nauw met Oostrum verbonden was en der kapel steeds een warm hart toedroeg, schonk de gouden prachtige kronen om de hoofden van het Jesu-Kindje en Maria te sieren. Rij het naderen van den gedenkwaardigen dag begon men de kapel op te smukken met vanen, veelsoortige draperiën en toepasselijke opschriften. Hoog boven het torenspits der kapel wapperde de kruisbanier; een witte vaan met rood kruis; talrijke slanke hoornen met veelkleurige kransen en vlaggen getooid, waren, onder elkander met slinger-snoeren verbonden, langs het ijzeren staketsel der kapel geplant. Drie schoone praalbogen met dichtspreuken werden op den weg naar de hoofdplaats opgetrokken, alle gesteld door de inwoners van Oostrum en Lull, wien geen arbeid en moeite te zwaar viel, om iets bij te dragen tot opluistering van Maria's feest en waardige ontvangst der hooge gasten.

Eindelijk brak de langgewenschte dag, het Hoogtij der kroning aan.

In den voormiddag van den Zondag waren reeds de broederschappen der II. Familiën van Venlo en Blerick ter bedevaart overgekomen, waarvoor ten 10 ure de plechtige Hoogmis werd opgedragen door den Hoog Eerw. kanunnik Gust. J. H. H. Verzijl, provisor aan het groot seminarie te Roermond. Als diaken en subdiaken werd Z. H, Eerw. bijgestaan door de eerwaarde heeren Henr. J. F Joosten en Andr. Stassen, kapellaans en bestuurders der HH. Familiën te Venlo en Blerick. Onder dien Hoogdienst gezongen door het koor der Venloosche Broederschap onder leiding van Ed. Krips, hield de eerw. Jac. Verheggen, kapellaan van Meerloo de feestrede. Deels om de betrekkelijk geringe ruimte der kapel, veel te klein voor zulk een toeloop, deels om den luister te verhoogen en de eer der feestelijkheid aan Venray's grijze moederkerk te doen toekomen, was besloten de kroning in den statigen parochialen tempel van Sint Petersbanden te doen plaatsgrijpen. Het groote gotische gebouw met zijne middeleeuwsche fresco's, vooral het koor waarop een troon voor het miraculeus beeld, kwam in zijn smaakvoller), doch niet overladen tooi, overheerlijk uit. Groene sierplanten, door het Urselienenklooster „Jerusalemquot; bezorgd, temperden den veelkleurigen glans der omgeving.

ocr page 210

— 204 —

Inmiddels was in het middaguur het genadebeeld door den heer rector per wagen naar de groote kerk overgebracht, toen de opgetogen menigte reeds van alle kanten aansnelde.

Van over de Maas en den Peelkant kwamen zij te voet of met rijtuigen en zoowel de voorvaderlijke huifkar als de snelvarende tilbury's en landauers vulden Vonray's straten, tenvijl de namiddagtreinen van Noord en Zuid talrijke pelgrims aanvoerden. De Oos-trumsche we^ wemelde van menschen.

Z. D. H. Mgr. Paredis was omstreeks een uur van uit Tienray, waar Hij in de kapel het H. Misoffer had opgedragen, omgeven van de hoogeerwaarde heeren Mgr. P. J. Hoefnagels, Geheim-Kamerheer van Z. H. en Mgr. Dr Willi. Everts, Eere-Kamerheer van Z. H. en Directeur der scholen van Rolduc, beide kanunniken van het kathedraal-kapittel, op de pastorie te Venray aangekomen. Ten 2 ure verkondigde het majestueus klokgebrom uit Venray's eeuwenouden toren dat de plechtigheid zoude beginnen. Toen de geestelijkheid in de koorbanken en de adellijke familie van Geys-teren, waarvoor een afzonderlijk gestoelte naast den koperen adelaar op het beneden koor gesteld was, plaats hadden genomen, las vanaf het Hooge Koor de Zeer Eerwaarde heer Jacobus Geene, deken van Horst, de pauselijke kroningsbulle met luider stemme voor. Het ruime Godshuis scheen te klein, op de zijkoren en in de banken, stonden dubbele rijen vrome toeschouwers, een op de kniel-, een andere op de zitplaatsen, reikhalzend de plechtige stonde, het indrukwekkend oogenblik af te wachten.

Daar treden de Hoogeerwaarde Heer President van 't Seminarie Mgr. Hoefnagels, een van Venray's grootste en dierbaarste zonen, en Oostrum's rector de WelEerw. heer Joannes Andreas van Hegelsom voor den grijzen bisschop en bieden op een kussen de gouden kronen aan.

En vol aandoening plaatste de OOjarige kerkvoogd de kleinere op de kruin van het Jesu-Kindje en drukt de grootere op het hoofd der Onbevlekte Moedermaagd. Daarop weergalmen de machtige tonen van het „Magnificatquot;, beurtelings door priester en zangkoor aangeheven Maria ter eere, langs de beuken der kerk, waarna de eervv. heer Gerardus Lemmens, kapellaan ter Horst den kansel beklom om de feestrede uit te spreken.

Z.Eerw. schetste in duidelijke taal de beteekenis van Maria's

ocr page 211

kroning niet enkel bij hare ten Hemelopneming, maar ook de eer en hulde die 's Heeren moeder door de kroning van hare genadebeelden hier op aarde wordt aangedaan. Heeft Venray, zoo sprak de gewijde redenaar, veel waarop het roemen kan, zijn trotsch gothischen tempel, zijne kloosters met onderwijsinrichtingen van Europeesche vermaardheid, zijn bloeiende handelsstand, zijne vrome en geleerde mannen van ouderen en jongeren datum, dat alles wordt overtroffen door een schat, die de glorie der eeuwen trotseert, nl. Maria's heilige beeltenis in Oostrum.

Die machtige Beschermvrouw der Christenheid, is zulks op bijzondere wijze voor Venray's parochie geweest, onder hare hoede en het patronaat van den hemelschen sleutelvoogd Sint Pieter, is het oude Rooi, de parel der Peel, zichtbaar beschermd, en is daar immer het katholieke vaandel hoog gehouden. De eer die Maria heden door hare dienaars gewordt, is een diepgevoelde hulde van en een glorie voor Venray. Met gespannen aandacht gehoord, maakte deze rede van den Venrayschen priester een diepen indruk op de verzamelde menigte.

De stoet of processie die in plechtigen optocht Maria's gekroond beeld naar Oostrum zoo terugbrengen, zette zich in beweging en dank der afgekondigde volgorde en leiding der eerw. heeren kapel-laans en rectors ging de ontzaglijke menschenmassa geregeld voort.

Voorop het parochiaal kruisvaandel gevolgd door de kinderen met de onderwijzers, vervolgens de breede rijen der vrouwen, waarna de broederschappen der H. Familiën van Venlo, Blerick, Overloon en Venray, die beurtelings lofliederen zongen. Het zangerskoor der Groote kerk gevolgd door de Eerwaarde Broeders en Paters Franciskanen, de wereldlijke geestelijken allen in super-pellicium. Z. D. H. Mgr. Paredis omgeven door de Hoogecrw. kanunniken in ambtsgewaad ging den praalwagen vooraf. Herdertjes en bruidjes op kunstige wijze gegroepeerd vormden op den wagen de eerewacht van het H. Beeld, terwijl de adellijke familie de Weichs de Wenne te voet volgde en de fanfare „Euterpequot; op gezette tijden hare frissche accoorden deed hooren. Eene breede schare mannen uit alle standen sloot den optocht.

Langs het Groote Marktplein en de Hofstraat, alle in vlag en wimpel, trok men statig door de drommen van eerbiedige toeschouwers voorwaarts, duizenden en nogmaals duizenden, want een

ocr page 212

— 200 —

vluchtige telling bracht het aantal op meer dan tien duizendmen-schen, volgden biddend en jubelend Maria's zegetocht. In deze roerende omdracht waren velen diepbewogen bij het aanschouwen der aloude beeltenis, meerdere konden hunne tranen niet weerhouden en forsche mannen met baarden zagen wij een stille traan op hunne oogen wegpinken. Aan het einde des dorps nam de kerkvorst plaats in het galarijtuig en naderde men aan den kruisweg in de buurt Lull de eerste ark of triomphbocg, die tot opschrift had:

Heel Lull is nu verheugd van geest

Op Maria's blijde kroningsfeest.

Langs het bedehuisje van St. Antonius van Padua fraai opgesmukt, trok men den tweeden boog door, toen in het Oostrumsch veld reeds het gelui der klokken, de wapperende driekleur, de kwistig aangebrachte versieringen bij de derde eerepoort ons de feestelijke stemming van Oostrum's ingezetenen te kennen geven. Het schoone herfstweder was waarlijk een zegenend teeken des Hemels en een paar lichte stofwolken deden niet den minsten afbreuk aan de feestviering der geloovigen. Groot was de aandrang der duizenden, toen onder het zingen van het Oostrumsch pelgrimslied begeleid door de fanfare, de stoet genaderd was op de plaats waar eenmaal volgens de overlevering Maria's stem aan den landman gezegd had: „Hier wil ik rustenquot;. Door gelint en haag borst de menigte; op het gevaarlijk punt van den rand eens waterputs hadden meerdere zich eene standplaats uitgekozen, zelfs de boomen zagen op hunne takken rappe toeschouwers als andere Zacheüssen, een plaatsje veroveren. Nadat onder goede regeling der politie, de menigte zich om het miraculeus beeld voor de kapel opgesteld, geschaard had, en Z. D. H. in een faldistorium in het portaal gezeten was, beklom de weleerwaarde heer Andreas van Soest, pastoor te Well, eertijds kapellaan aan de O. L. Arr. kerk te Maastricht, het opgeslagen preekgestoelte om in de open lucht Maria's lof te verkondigen.

Machtig in woord, wees de predikant er op hoe de Moeder Gods in hare beeltenis door honderde jaarkringen heen, door tallooze pelgrims hoog vereerd was. Venraysche geslachten zijn opgekomen en heengegaan, andere geslachten hebben haar gevolgd, maar de

ocr page 213

liefde voor 's Heeren Moeder was in de harten der generaties gegrift gebleven. Maria is hier in de eeuwen aangeroepen door de jeugd, voor den gelukkigsten dag baars levens de eerste H. Communie, jongelingen en maagden betraden den drempel van dit heiligdom om hulp af te smeeken in de onstuimige levensjaren; zieken en afgestorvenen werden aan haar aanbevolen, ouders en kinderen, priesters en leeken volgden. De kinderen van den Seraphijnschen vader Franciscus knielden hier neder, om Maria's machtige voorbede, als zij het zendelingswerk des Verlossers op onze dorpen gingen voortzetten en heden, nu het ijzeren stoomros met zijn vliegende wielen tallooze vereerders heeft aangevoerd, krijgt de dankbetuiging en hulde eene nieuwe vlucht. Nauwelijks had de redenaar geëindigd of de Venraysche Herder Van Haeff, zong het solemneel Lof, waarna met afwijking van het Program, de Pauselijke Zegen door den Bisschop zelve gegeven werd.

Te Deum laudamus, „U o Groote God loven en danken wijquot;, klonkt uit duizende monden en harten, „U o Koning der Glorie die den Schoot der Maagd niet geschroomd hebtquot;, prijzen wij voor de eer Uwe onbevlekt ontvangene Moeder aangedaan.

En nadat de tonen der hymne waren weggestorven, verdrong zich het geloovig volk om de verheerlijkte beeltenis; de rijken der aarde gaven het goud en zilver, de armen het koperen penningske, de duizenden stortte blijmoedig het liefdeoffer voor de Koningin des Hemels. Prentjes en pelgrimsboekjes werden medegenomen als aandenken aan den hoogen dag, dien de pelgrims tot hun laatste stonde in herinnering zullen houden. De stoet werd nu ontbonden, en na eenige rust in de rectorswoning ge noten te hebben, werd ZDH. door de fanfare naar het Station uitgeleide gedaan, van waar Hij naar de mijterstad en de pelgrims naar hunne woonsteden wederkeerden, want de avond was ingevallen; zoo eindigde een der schoonste dagen in Oostrum's historie.

Behalve bovengenoemde hoogere geestelijkheid namen de volgende eerwaarde heeren uit het Dekenaat Horst deel aan de plechtige kroning:

Venray: de weleerw. heer pastoor van Haeff (f 18 Dec. 1884), de eervv. heeren kapellaans Lud. Aerts (thans pastoor te Poster-holt) en Henri Leon Tacken (thans pastoor te Beesel); de

ocr page 214

— 208 —

weleerw. rectoren van Hegelsom van Oostrum; Antoon Grubben rector van Leuven (thans pastoor te Well); Peter Frans Chris-tiaan Cremers, rector op de Smakt; Franciscus Dooremans rector in het Urselienenklooster (thans pastoor te Sevelen bij Gelder); de wel eerw. heer Jacobus Beerkens missionaris uit het bisdom Little-Rock (Noord-America), die toen wegens eene zware oogziekte in zijne geboorteplaats Venray vertoefde; de eerw. priesters-seminaristen Martin Matheus Jacobus Verbeek (thans kapellaan te Broekhuyzenvorst) en Henricus Asselberghs (thans pastoor te Ophoven bi) Maasej'ck) beide Venrayers.

Horst: de zeereervv. heer Deken Jacobus Geene (thans rustend tc Grubbenvorst), de weleerw. zeer geleerd heer Gerard Slits professor der Christelijke oudheidkunde, Bouw- en Schilderkunst te Rolduc (f 7 Februari 1888); de eerw heer kapellaan Ger. Lemmens (thans pastoor te Grubbenvorst) een Venrayer.

Broekhuyzenvorst: de eerw. heer kapellaan Joannes Augustinus Geurts (thans rector te Castenray).

Geysferen: de weleerw. pastoor Gerard Joannes Wijnhoven (thans pastoor te Sevenum), de dichter en toonzetter van het „Oos-trumsch pelgrimslied.quot;

Lottum: de eerw. heer kapellaan Antonius Hub. Janssen (thans pastoor te Einighausen) een Venrayer.

Meerloo: de eerw. heer kapellaan Jac. Joannes Verheggen (thans in ziine geboorteplaats Buggenum verblijvende )

Oirloo: de weleerw. heer rector van Castenray Petrus Matthias Litjens (f als pastoor te Beegden 31 Januari 1891).

Szvolgen: de weleerw. heer pastoor Jan Baptist Hub. Maessen.

Wanssum: de weleerw. heeren Gerard. Cornelis Hafmans (thans pastoor te Herkenbosch) en de kapellaan Clemens Aug. Gisbert Otten (thans pastoor te Wellerlooy.)

Uit het dekenaat Gennep.

Gennep: de weleerw. heer kapellaan Bernard Janssen (f als pastoor te Melick 28 Oct. 1895).

Aff er den: de eerw. heer kapellaan Peter Jan Janssen (thans rector te Leunen).

ocr page 215

— 209 —

Bergen: de vveleerw. heer pastoor Jan Hubert Ingendael (thans rustend te Echt )

Heyen: de eerw. heer kapellaan Martinus Hub van Otbergf-N (thans kapellaan te Afferden), een Venrayer.

Middelaer: weleerw. pastoor Engelbert Wismans (thans rustend in zijne geboorteplaats), een Venrayer.

Otter sum: eerw. heer kapellaan Antonius Sanders (thans pastoor te Arcen).

Well: weleerw. heer pastoor Andreas van Soest (f als pastoor-deken van Gennep 16 Januari 1891) en de eerw. heer kapel-laan Martin Joseph Janssen, een Venrayer.

Dekenaat Venloo.

Venloo: de eerw. heer kapellaan Hknricus J. F. Joosten (thans pastoor te Svvalmen) en Eduard Th. Krips.

Blerick: eerw. heer kapellaan Andreas J. Stassen (thans pastoor aldaar).

Verder uit:

Brunssum (dekenaat Schinnen): weleerw. heer pastoor Leon. Schrijen, vroeger kapellaan te Venray en

Overloon (dekenaat Cuyk): weleerw. heer pastoor Jan Joachim Deenen (thans pastoor te Puyflijk).

De grijze kerkvorst door wiens handen het miraculeus beeld van Oostrum gekroond werd, zou nog eenmaal het hooge geluk te beurt vallen, een ander beeld der Moeder Gods te mogen bekronen nl. te Thorn aan de Linden, toen de tijdwijzer ter eeuwigheid 188(5 als het eindjaar des levens aanwees.

„Het was op den 18 Juni van dat jaar dat onze hooggeschatte „kerkvoogd zijn schoone ziel aan haren Schepper teruggaf, om in „den Hemel, naar wij terecht vertrouwen, van zijnen langdurigen „arbeid uit te rusten en de onverwelkbare kroon te ontvangen, „welke Maria, viermaal door zijn hand op aarde gekroond, voor „haren getrouwen en vurigen dienaar bij den regtvaardigen Rechter „ongetwijfeld gereed hield.quot;

Met deze woorden meldt de coadjutor Mgr. Boermans het verscheiden van zijn verdienstvollen voorganger in zijn Herderlijk

ocr page 216

— 210 —

schrijven van 27 Juni 188G, waarmede Hij den geloovigen zijn optreden als Bisschop van Roermond aankondigt.

Deze vier plechtige kroningen, welke Mgr. Paredis heeft mogen verrichten waren de volgende:

1° Het Beeld van O. L. Vr. van het H. Hart te Sittard bij de Urselienen 11 December 1873. Donderdag in de octaaf der Onbevlekte Ontvangenis.

2° Het Miraculeus Beeld van O. L. Vr. op 't Zand te Roermond 19 Augustus 1877. Zondag in de octaaf van O^ L. Vr. Hemelvaart.

3° Het Mi raculeus Beeld van O. L. Vr. van Oostrum onder de parochie Venray 14 September 1884. Zondag in de octaaf van O. L, Vr. Geboorte.

4° Te Thorn aan de Linden 21 September 1885.

Ook de man, die zooveel geijverd had voor Maria's heerlijkheid, rector van Hegelsom mocht slechts drie en een half jaar den dag der kroning overleven. In den avond van 29 Februari 1888 overleed de rector in den ouderdom van bijna 47 jaren, en werd den 3 Maart op het kerkhof te Venray ter aarde besteld.

Pktrus Joannes Hubertus Obers,

geboren te Swalmen 19 Juli 1841, priester gewijd te Roermond (5 April 18(57, benoemd als rector in het klooster te Grubbenvorst 13 Mei volgende, rector in het Tertiarissenklooster te Mook 13 Januari 1870 en rector van de O. L. Vr. kapel te Oostrum 23 Maart 1888. /V/rKveLi 1 'iS,

Zijn weleerwaarde uit eene Grubbenvorster familie te Swalmen geboren, een neef van zijn voorganger van Hegelsom, begon reeds in denzelfden zomer met de uitwendige herstelling der kapel.

1888. Zomer, zijn de daken aan den Noord- en Zuidkant ge-heel en al hersteld. De kosten beliepen ü. 1212.

1889. In dit jaar is het oud torentje op den nok des daks gesloopt en een nieuw torentje naar de plannen van den architekt Joannes Jorna opgetrokken.

ocr page 217

_ 211 —

Gelijk wij weten, was de oude toren op een kolossalen maatstaf aangelegd, en naar dit plan voort te werken, bleek voor üostrum ondoenlijk. Het front van den ouden toren ter hoogte van het dak der kerk werd opnieuw bekleed, en hooger op een slank en sierlijk torentje, een waar sieraad voor de kapel, opgebouwd, dat aan legger en bouwkundige eer aandoet. Deze toren is 38 meter hoog.

Vooral uit Venray en Geysteren werd de weleerw. heer rector door welgemeende giften ondersteund.

Hij deze gelegenheid werd ook het portaal, dat in 1837 in minder passenden stijl aan de noordzijde der kapel was aangebouwd, gesloopt, en door een kleiner doch sierlijker vervangen; ook hadden eenige veranderingen in de rectorswoning plaats.

De uitgaven dezer werkzaamheden bedroegen 4728 gulden.

1891. Augustus. In de kapel een plechtig Triduum of dricdaagsche oefeningen door den eerwaarden pater Karmeliet Michaël Smits (een Venrayer), Procurator in 't klooster te Boxmeer.

Het werd gesloten in den avond van Maandag 17 Augustus.

1892. „'t Was in de Passieweek van 1892 dat de weleerwaarde rector Obers zijne 2quot;) jarige priesterwijding herdacht, doch wegens den H. Vastentijd werd hieraan geen uiterlijk feestbetoon bijgezet.

Maar daarom hadden zijne oud-leerlingen den jubilaris niet vergeten; van alle kanten gewerden hem persoonlijke geschenken die de bedienaar van Maria's heiligdom edelmoedig benuttigde om het volgend jaar menige schoone verandering in de kapel tot stand te brengen, zoowel aan het Triumphkruis als aan het troonaltaar, predikstoel en kinderbankjes. Zoo werden als huldeblijk en feestoffers geschonken:

2 prachtige communie-doeken uit het Franciscanessenklooster te Mook.

1 keurig afgewerkte stola door eene familie uit Cleve.

I altaardwaal met zeven el gehaakte kant erlangs, geschenk eener familie uit Essen en Materborn.

1 albe, door eene familie uit Cleve.

Verder uit Amsterdam, Rotterdam, Arnhem, Nijmegen, Helmond, Beek en Donk, Emmerich, Unna, Horde, Vorst, Minden en Oostrum een bedrag van ongeveer 500 Nederlandsche gulden.quot;

ocr page 218

— 212 —

1803. Zomer. Eene schoone en doelmatige verandering in de kapel aangebracht. Door de goede zorgen van den rector praalt de koorboog met een triumphkruis omgeven door de beelden van Maria en Joannes, alles op prachtig en zwierig aangebracht ijzeren loofwerk. Om het uitzicht op het hoofdaltaar vrij te hebben is de troon met het miraculeus beeld evenals de fraai gebeeldhouwde predikstoel verplaatst. Ter bevordering van het stemgeluid en om het min of meer kuipachtige aan den kansel te ontnemen, werd later ook het klankbord door Roermondsche kunstenaars in cere hersteld. De pelgrims konden zich met de O. L. Vr. feesten van deze op kunstzin gebaseerde regeling overtuigen en bekenden dat verandering hier werkelijk verbetering geweest is.

Onbekommerd om wereldsche loftuitingen gaat de weleerwaarde heer rector steeds met gepasten spoed voort zijne krachten in te spannen tot opluistering van Oostrum's heiligdom, en moge het Hem gegeven zijn nog lange jaren Maria's eer te bevorderen!

Lijst van Priesters en Kloosterlingen te Oostrum geboren of daar gewoond hebbende.

Over den Munsterschen Wijbisschop Joannes Claessen (Nicolai) zie hierboven. Het wapen dezer familie bestond uit twee kepers waartusschen drie pijlspitsen.

Laurentius Christian! (van den Eent) was den 4 Aug. IGO'J tegenwoordig bij de aanneming zijner zuster Christina van den Eent, als kloosterzuster in het convent Jerusalem; hij onderteekende: Reverendus dominus Laurentius Christiani Venradensis.

Den 3 September van hetzelfde jaar 1G09 wordt hij door bisschop Cuijckius ingehuldigd als pastoor te Swolgen, op denzelfden dag dat daar het hoogaltaar geconsacreerd werd. Ten jare 1G14 werd Laurens Christiani en Oostrum, naar elders gepromoveerd.

De eerw. Broeders:

Christiaan Verblackï, geboren te Oostrum (Venray) 26 Juni 174G, f pastoor te Geysteren 8 Maart 1778, en

Tiieodorus Verblackt, geboren te Oostrum (Venray) 24 Mei 1749, f Venray 28 November 1824.

(Zie bladzijde 31, lijst der rectoren.)

ocr page 219

)i' lt; ,

— 213 —

Nicola as van den Berg, geboren üostrum (Venray) 13 September 18G9, zoon van Willem en Anna Gertrudis Michels, werd priester gewijd te Roermond 10 Maart 1894, kapellaan te Blitters-wyk 15 September 1894. . Tw /hf f-

' / l.'i. 'J,n

Kloosterlingen^^/ƒ

Broeders van den 3llc Regel van S' Franciscus op Koningslust onder Helden.

1). Tiieodorus Hoex, geboren Oostrum (Venray) 29 Augustus 181G, zoon van Pieter en Anna Maria Kusters, deed professie 30 December 1851 en overleed te Helden 14 October 1890.

Broeder Benedictus.

2). Antonius Veriieijen, geboren Oostrum (Venray) 22 Mei 184G, zoon van Herman en Wilhelmina Hoex, geprofest 15 April 1874. Broeder Ludovicus.

3). Petrus Hoex, geboren Oostrum (Venray) 15 November 1871, zoon van Jan en Gertrudis van Hugten, geprofest 5 Juli 1893. Broeder Dominicus.

4). Antoon Hoex, geboren Oostrum (Venray) 15 November

1869, broeder van den voorgaande, geprofest 1 Mei 1895. Broeder. , , /

Paulus. -f ^ 'f aiWl Jt ^ i

^ / 7

Urse Hen en.

Gertrudis Wismans, geboren te Lull-Oostrums, dr van Martinus Wisman (f Januari 189G) en van Hendrina Trynes (f5 Juni 1880),

geprofest in het klooster „Jerusalemquot; te Venray onder den kloosternaam Zuster Cordula.

Johanna Verheven, geboren Oostrum 28 Juni 1850, dr van Herman en Wilhelmina Hoex, geprofest te Grubbenvorst in het klooster „de Voorzienigheidquot; den 2G Mei 1874; Moeder Maria Clothildis.

/j

ocr page 220

— 214 —

M aria Verheven, dr van Gerard en Anna Peeters, geboren te Eindhoven 31 December 1873, ingekleed te Grubbenvorst onder den kloosternaam Zuster Maria Oda.

Catharina Peters, geboren 8 September 1873, dr van Jacobus en Petronella Wismans, ingekleed te Posterholt onder den kloosternaam Zuster Maria van het H. Hart van Jezus.

Religiensen Tertiarissen.

Wii.iielmina Jenniskens, geboren Oostrum 27 Maart 1805, dr van Gerard en Maria Poels, geprofest te Heythuysen 21 Juni 1887, thans in het klooster te Silvolden bij Terborg (Gelderland). Zuster Georgia.

Duitse he zusters van de 5de orde van den //. Dominieus.

Petronella Jenniskens, geboren Oostrum 18 Februari 1808, zuster van voornoemde Wilhelmina, geprofest in het klooster „Marienthalquot; bij Venloo, 23 Januari 1890. Zuster Lucia.

Cohgregatie der Liefdezusters van den H. Car olies Borromeus.

Wilhelmina van Hiclden, geboren Venray 13 November 1804, dochter van Willem en Petronella Jenniskens, nicht van bovenvermelde zusters Georgia en Lucia, deed professie te Maastricht 4 November 1884, thans werkzaam in de R. C. Ziekenverpleging op de Heerengracht Amsterdam. Zuster Virginia.

Maria van Helden, geboren Venray 7 Juli 1808, zuster van voormelde Wilhelmina, deed professie te Maastricht 7 Februari 1891. Zuster Monica.

ocr page 221

Grilde van 0. L. Vr. te Oostrum.

Evenais in de meeste plaatsen van 't Geldersch Opper-kwartier had ook deze broederschap een godsdienstig karakter, gelijk men uit de naamlijst der leden kan afleiden, daar geestelijken en leeken, zoowel de edellieden van C^'steren als de eenvoudige landbouwers van Oostrum in dezelve waren opgenomen.

Onderlinge bijstand in en na dit leven door gebeden en offeranden, de verheerlijking van Gods Moeder en opluistering der godsdienstige plechtigheden schijnen het hoofddoel der vereeniging te zijn geweest.

De patrones van het geliefde bedeoord was ook de hemelsche beschermvrouw der Gilde.

Een tweede doel was de weerbaarheid en rustverzekering des dorps, daar deze schuttersgilden in den regel ten tijde van gevaar op wacht stonden en de boosdoeners vervolgden. Oefening in den wapenhandel, het schoone koning- en vogelschieten, het optrekken bij de inhuldiging van kerkelijke en wereldlijke overheden waren hiermede ten nauwste verbonden.

Een derde doel was de gezelligheid, het kameraadschappelijk samenzijn der broeders en zusters. Niet enkel werd te samen gebeden, voor elkanders veiligheid gezorgd, maar ook te samen zoude men zich vermaken en vrolijk zijn vooral op den koning-schut en teerdagen. Vele dorpsche gildebroeders van vroegeren tijd waren soms niet vrij te pleiten van zekere mate stijfhoofdig-

ocr page 222

— 216 —

heid en hardhandigheid, waartegen de reglementen wel zorgden, maar toch menige hevige oneemgheid niet verhinderen konden.

„Het oorspronkelijk schoone doel der gild niet meer indachtig, huldigden in lateren tijd sommige schutters meer den Heidenschen Bacchus dan de Christelijke Moedermaagd, zoodat meer dan eene zuip- en vechtpartij ten hunnen laste staat.

De Oostrumsche gilde (l) is ontstaan in de eerste helft der zestiende eeuw, minstens vóór 1535, gelijk o. a. uit de volgende van het kerkarchief afkomstige lijsten ten duidelijkste blijkt:

Copie.

Dit syn alle broeders und susters die noch in den leven syn van onser lieven frouwengilde te Oestrum A0 1570.

Her Jacob Verschuren pastor te Ray.

Jaspar van Tryft, Jenneken uxor.

Theus Goessen.

Jan Goessen, Peterken uxor.

Willem d'Alisleger, Willemker uxor.

Gerit Vermeulen, Thisken uxor.

Peter de Best, Bed uxor.

Gaert Gupers, Lysken uxor.

Jan Gupers, Gritgen uxor.

Rut Theus.

Jan van Alpen.

Gerit Nagels.

Henrick de Best, Gerten uxor.

Derick van Alpen, Geritgen uxor.

Gaert Lynnaerts.

Heijn Vermoeien, Met uxor.

Jan de Braband, Lenartgen uxor.

Goossen Vermeulen, Peterken uxor.

Peter Vermeulen, Libeken uxor.

(i) Wij gebruiken het woord gild, gilde, meestal in het vrouwelijk geslacht, het volk in deze streek zegt en schrijft de gild.

ocr page 223

— 217 —

Jan Koenen, Henrisken uxor.

Klaes Schomeker, Barber uxor.

Kerstgen Werkens, Gritgen uxor.

Jan Derick soen van Alpen, Perken uxor.

Gerit Tonisken Claessoen, Gert uxor.

Lysbeth Styn Beltgens dochter.

Jan van der Horst, Trijn uxor.

Jan Vermolen, Peierken uxor.

Zyl van Haef, Lysbeth uxor.

Jacob lluben, Styncken uxor.

Jan Boshusens.

Jan Lynnaertz, Igt;ely Uxor.

Gerit Verhiept.

Theus Jans, Peterken uxor.

Jan van Tweinen.

Jan Heldemans.

Henrick aendcn Stap, Lisken uxor.

Jan Jans soen van Alpen, Nael uxor.

Gisken opten Gent, Alyt uxor.

Dinis van Westenbeeck, Alercken uxor.

Lambert Smitz, Huepken uxor.

Derick Pouwels, Gertgen uxor.

Lambert Beltgens, Mercken uxor.

Jacob Rutgens, Libeken uxor.

Jan Belgens, Heilken uxor.

Jan van Kick.

Michel Gaert Heynen, Heil uxor.

Gesken Peter Hermans uxor.

Peter Peter Groenen soen.

(wat nu volgt is van eene andere latere hand).

Her Wilm passtor tot Wansum.

Thj's Faechs, Lisken de huisfrouw.

Jan aen geen Meulenn, Jetgen de (h.)

Jan Brouwers, Hcilke de (h.)

Hoeb Bonsen, Heies de (h.)

Jan Scliimmekers, Leinken de (h.)

ocr page 224

— 218 —

Peter Vermuelen, Percken de (h.)

Peter Sloets, Lein de huysfrou Seeger Hoebben Bertgen de lui3'sf.

Derick Deinj's, Mercken de liuysf.

Cop ie.

Dit syn alle bruders und susters die gestorven syn uter Onzer Lieve Vrouwen Bruederschap na Oestrum.

Mr. Henrick Wynter pastoor to Ray.

Her Jan Schomaekers pastor to Oestrum.

Her Jan van Hoelem.

Jan van Eill.

Sybert van Eill.

Wyllem van Eill.

W ynit van Oppendorp.

Gairt Vermolen, Lysken uxor.

Jan Willemkens, Bee! uxor.

Thys Iluben, Hilliken uxor.

Hueb van Aken, Katryn uxor.

Henrick Boenssen, Immel uxor.

Rener Boenssen oer soen.

Jan Shans, Neesken uxor.

Gobbele aenden Stap, Alitgen uxor

Jan oer soen.

Metis Roffers, Beel uxor.

Seger onder die Willig, Tryn uxor.

Jan Schocmeker, Beel uxor.

Gisken van Hoelem, Alyt uxor.

Henrick van Rosmoelen, Tryn uxor.

Gerit Bosnians, Gritgen uxor.

Willem die Laen.

Gaert Vermoeien, Lisken Uxor.

Henrich Vermoeien.

Jan Theus, Alit uxor.

Ruth Theus, Lisbeth uxor.

Willem Bcltgens, Henrisken uxor ende Styn uxor.

ocr page 225

— 219 —

Peter van Oss.

Jan Cupers, Mcth uxor.

Mens Cupers, Trijn syn suster.

Hermen Optenhof, Heilken uxor.

Arrien Schroers, Trin uxor.

Jan Hermans, Alit uxor ende Gertrudt uxor.

Alert Goermans, Gertrudt uxor.

Gerit Hermans, Mery uxor.

Jan Koenen, Jenniken uxor.

Claes Fossen.

Peter die Alisleger, Tryn uxor.

Henrick van Helden, Griet uxor.

Coenraet Rassen, Alvert uxor.

Lynnert Rassen.

Jan Stenskens, Alit uxor.

Gerit van Hoelem, Jenneken uxor.

Peter die jonge, Thysken uxor.

Met Theus Gaessen uxor.

Jan Lynnaertz.

Gryt Jan Heldemans uxor.

Peter van Aefferden, Lysbeth uxor.

Thonis Beltgens, Tryn uxor.

Jan Lennaertz.

Will em Beltgens, Henrisken uxor.

Jan Schoermans.

Lenert Van Rosmoelen, Tryn uxor.

Jacob Brouwers, Marieken uxor.

Rutgen aengen Eynd, Bilken uxor.

Willem Wilm Beltgens soen, Alit uxor.

Rut Belgens.

Thonis Beltgens, Tryn uxor.

Gerit van Schelberch, Derisken uxor.

(wat nu volgt is van eene latere hand dezelfde als boven) Heein Gobbels.

Itgen Gerit Nagels de huisfrou.

Jan Gaert Hcyneu, A.lyt de huisf.

Itgen Schroers.

ocr page 226

— 250 —

Thomas Deckers, Gcrtgen de hutsf.

Derich Verheien, Trin de huisf.

Kreken Mens, Jut de huisf.

Jan Meus, Fyken de huisf.

Jan Bocnssen, Wilmken de huist.

Tomas Claes, Bertgen de huisf.

t Peter Hermans.

Wilm van Heelden.

Peter Groeinen.

Belgen Jan Beungels soen, Stin de huist.

Goert Gerit Schrors huisf., noch Tryn de huisf.

Jacob Muelefels.

Ercken Claes, Neysken de huisf.

Hermen Kruckken, Gerten de huisf.

Peter Geryskens, Loeies de huisf.

Teus aen geen Muelen, Mychel de huisf

Tcus Sillen, Libbeken de huisf.

Wylm Seegers, Tryn de huisf.

Claees Kusters, Fyken de huisf.

Hanrick Groeinen, Hylleken de huisf.

Peter SteeuiT, Griet de huisf.

Thys Noodt Beel de huisf.

Jan Heesen, Geritgen de huisf.

Michel I .cm men, Gertgen de huisf.

Teus Cauwen, Neisken de huisf.

Gaert Groenen, Jenneken de huisf.

Jan Hobben, Eencken de huisf.

Derick Jaeken, Encken de huisf.

Tonys de Graeff, Wilmken de huisf.

(Naderhand nog bijgevoegd):

Jan van Aefder, Eleyzaebet.

Deryck van Hoelt, Perken syn huysfrow.

Gaert Heylkes, Ruet syn huysfrow.

Gaert Hoeben, Yrten husfrow.

Seger Hermes, Koeyn sjm huesfrou.

Jan Gaerts, Evese syn huesfrou.

Uit het feit dat 21 September 1535 de kerkmeesters en sche-

ocr page 227

— 221 —

penen den rector Jan Schoenmaekers verzochten tegelijk met de nabueren zijn best te doen om van den Royschen pastoor te verkrijgen, Jaarlijks op 21 Nov. (O. L. Vr. Presentatie) de lijkdienst of begenckenisse der overleden broeders en zusters te Oostrum te mogen houden, blijkt reeds genoegzaam het bestaan der gilde. Daar genoemde pastoor, meester Winter, tevens gil-debroeder was, kan men een gunstig advies verwacht hebben.

De bovenvermelde lijsten zijn door twee verschillende handen geschreven. De laatste helft is opgesteld tusschen de jaren 1070 en 1G13, daar Willem Wijnants, pastoor te Wanssum, die den 17 September 1(513 stierf, hier nog onder de levenden geboekt staat. Onder de eerst overledenen vinden wij den Venrayschen pastoor Mr. Hendrik Winter, die tevens notarius publicus was (zooals het praedicaat meester aanduidt) en in beide betrekkingen in de jaren 1533 en 1550 voorkomt.

Verder zien wij als overleden geboekt h. (1) Jan Schoenmaec-kers die als rector in akten van 1535 en 1545 verschijnt, alsmede h. Jan van Hoelem, Gisbert (zoon van eene Venrayer familie), die van 1515 tot aan zijn dood 1562 beneficiant van het altaar der H. Maagd te Ge3^steren was. Onder de adellijken komen voor de gebroeders Jan, Syberf^en Willem van Hyll (zonen van Jan en Elisabeth van Goir), die 1526 en 1555 leefden; verder Wynand Schellart van Oppendorf, die in 1504 en 1513 -voorkomt.

De overige namen vinden we in de Oostrumsche Schepenregisters en andere bescheiden schier allen terug.

Het éérste wat men in de troebele tijden der Nederlandsche beroerten van onze gild vermeld vindt, is eene bijdrage of schatting aan de Staten en een daaruitvoortvloeiend proces, welks ontstaan volgender wijze plaats had.

De Geldersche Landdag, in September 1577 te Nijmegen gehouden, had tot betere regeling zijner landszaken besloten uit ieder kwartier een bepaald aantal gedeputeerden te kiezen, die voortdurend vereenigd zouden blijven, terwijl voor het Overkwartier Venloo als zetelplaats aangewezen werd. De Spaansche stadhouder Don Juan had in Januari 1578 eene beslissende overwinning op de

i) h. of heer vóór den naam was in die tijden het diacriticum van een geestelijke.

ocr page 228

222

troepen der Generale Staten behaald, waardoor hij in het bezit van een groot gedeelte van Brabant en Henegouwen geraakte en de kansen van de Staten om de Spanjaarden uit de Nederlanden kwijt te raken, slecht begonnen te staan.

De mannen van de Gentsche Pacificatie en der Brusseler Unie, aartshertog Matthias van Oostenrijk, Willem van Oranje en anderen, vorderden nu van de afzonderlijke provinciën, waaronder ook Gelderland, eene opbrengst van geld en troepen om met vereenigde krachten het voortrukken van den vijand tegen te gaan.

In Februari eischten zij van de Geldersche steden den 40ste, van het platte land den 20ste man ter landsverdediging, iets waartegen de Gedeputeerden gegronde bezwaren inbrachten. Behalve de opbrengst der generale middelen (verbruiksbelasting) vorderde de aartshertog spoedig daarna, dat alle niet gewijde zilveren voorwerpen en juweelen van kerken, kloosters, sleden, gemeenten en broederschappen bijwijze van leening in beslag zouden genomen worden. In de stad Gelder kreeg de scholtis Bysterveld den 12 Maart de opdracht terstond eene beschrijving van de gouden en zilveren sieraden der parochiekerk met waardeberekening aan de Regeering op te zenden. Ook deze maatregel riep een hef-tigen wederstand in het leven en nu schijnt men zich met eene opbrengst naar de werkelijke waarde tevreden gesteld te hebben.

Hef/elfde had te Oostrum plaats, want hel gerichtsprotocol meldt het volgende:

„dat omtrent anno 1578 als de Gedeputierden van de Staeten te „Venlo waeren, woerden alle Reliquien ende monstrantien van de „Kercken deses quartiers die oock te Ven Ray gewerdiert woerden, „hebben de gesworen van Ro}' oyck onder andere gewerdiert dat „silverwerek der gilde t Oestrum.quot; Paulus Groenen Janssoen had hiervoor geld verschoten en deswege ontspon zich zestien jaren later, 1694, een proces, waarvan ons de uitslag onbekend is.

In de twee opvolgende eeuwen zijn ons weinig merkwaardige feiten uit het gildeleven bekend, maar zeker heeft zij met het ^ bekende doel voor oogen, onafgebroken naar hare usantiën en reglementen voortgeleefd. Telken jare op den 8 September had des namiddags het traditioneele koningschieten plaats en al waren hare inkomsten ook klein, toch wist ze met geringe middelen de

ocr page 229

_ 223 —

voorvaderlijke gezelligheid en hulpbetoon voor de overledenen voor te zetten. Zwierig zwaaide het vendel en lustig sloeg de trom, totdat de Fransche Republikeinsche roodbroeken het diepin-geworteld nationaal gildewezen een geduchten slag toebrachten.

Het hoofdsieraad der gilde-insignes was ongetwijfeld de zilveren koningsketen met den vogel, welke laatste als het palladium der gilde soms van ongemeen fraaie kunstbewerking getuigde en zorgvuldig bewaard werd. Geregeld hechtte iedere nieuwe koning jaarlijks eene zilveren, meestal ovale, gedachtenisplaat aan de keten, waarop de attributen van zijn bedrijf met het jaartal min of meer kunstig gegraveerd waren. De schutter, die driemaal den vogel had afgeschoten, droeg den pompeusen naam van Keizer van Gilde en had mede eene sierlijke plaat.

Als ontstaan uit en innig verbonden met de O. L. Vr. Kapel, had die broederschap haar zilverwerk steeds toevertrouwd aan de hoede der kerkmeester, die den vogel steeds zorgvuldig door de eeuwen heen bewaarden. Zoo getroostte zich o. a. het kapelbestuur ten jare 1015 eene uitgave van 3 stuivers „voer die doose daer den voegel in ligt.quot;

In het laatste kwartaal der vorige eeuw hadden de schutterijen, gilden en broederschappen in Opper-Gelder de aandacht van het Pruisisch bestuur tot zich getrokken. Waren die vereenigingen te rijk? dreven de leden in hunne vergaderingen eene politiek, die der Regeering te rumoerig voorkwam of voerden jenever en biergelagen de verhitte hersenen tot buitensporigheden?

De volgende circulaire, door het Koninglijk Pruisisch Landes-Administrations-Collegie uit Gelder verzonden, oppert het vermoeden, dat de bezorgdheid der heeren meer dan een bloot kennisnemen of statistische gegevens omvatte :

„Nachdem man zü wissen nötig bat:

1. Was für Schützen „Gezelschaftenquot; Gilden und Bruderschaften in der Herrlichkeit vorhanden sind?

2. Wie viel solche an jahrliche Einkünfte besit/.en?

3. Was für nötige und vor alters her fundirte Ausgaben beson-ders an Messen und Armen dieselbe davon zü bestreiten haben?

4. Wie viel nach deren Abzüg jarlich übrig bleiben? und

5. Wozü sotaner Ueberschüss verwand wird?

Als wird denen Regierern daselbst hiedürch anbefolen dieses

ocr page 230

— 224 —

genau und züv-erlassig aus zu mitteln, und solches dem Königl. LandesAdministrationsCollcgio binnen 4 wochen a Dato anzuzei-gen, und daran nicht der geringsten Mangel erscheinen zü lassen.

Geidern, den 27 Martij 1772.

Konigl. Preuss. Landes Administrat: Collegium des Herzogt. Geidern. (\v. g.) Plesmann, Recop, Portmans, Heinius, Poell, Hachelbüch.quot;

rat de Regeerders te Venray, die in hun dorp zelve drie schutterijen en vier gilden bezaten, over de Oostrumsche gild gerapporteerd hebben, is ons niet gebleken. In alle geval de jaar-lijksche inkomsten waren luttel.

Op den H. Kerstdag 25 December 1798 was de schuttersgild door de kapelmeesters Reinier Vullings en Jacobus Kuenen ten huize der weduwe van Eijndt ter vergadering opgeroepen. In deze samenkomst verklaarden de beide kapelmeester met een bedrukt gelaat dat zij wegens de tijdsomstandigheden het niet meer dorsten te ondernemen het zilver in bewaar te houden, en het mitsdien aan de gild overgaven, „maer niemandtquot;, schrijft Vullinghs, „heeft het in verwaer willen hebbenquot;.

De dappere schutters hadden de vlag gestreken, hun was het hart in de schoenen gezonken, want in Juli waren de scherpe besluiten tegen het houden van processiën buiten de kerken afgekondigd en iets later lieten de ontvangers der Domeinen een onderzoek instellen naar de roerende en onroerende goederen afkomstig van de opgeheven corporatiën en gilden, ten einde die als's lands eigendom te kunnen beheeren.

Wie zou nu gaarne den dierbaren vogel met zijn tooi in huis willen hebben?

W ijselijk besloten de confraters op dien dag, den heelen schat gewaardeerd op 50 Kleesche gulden, maar aan de kapel te schenken, doch mocht het gebeuren dat de gild ooit weder zoude verrijzen, eh alsdan de sieraden in gebruik wilde nemen, zoo zullen de broeders voor bewaargeld aan de kapel de helft dier waarde of 25 kleefsche gulden betalen,

Na enkele jaren van republikeinsche woede zag Oostrum weer zijne gild herleven, wel niet met den ouden glans en rechten, maar de broederschap van O. L. Vr was voor ondergang gered.

ocr page 231

— 225 —

en heeft, al was de hartslag des levens ook bij wijlen flauw, haar bestaan tot heden toe voortgezet.

In meerdere dorpen werden zelfs deze confrenes ten jare 1810 opgeroepen om deel te nemen aan de openbare feesten bij de geboorte van Napoleons zoon, den koning van Rome, gegeven. Ze werden daar zelfs op gemeente-kosten flink onthaald.

Oostrum betaalde zijn bewaargeld aan de kapel bij jaarlijksche termijnen; zoo lezen we in de rekeningen van:

1809, ontvangen van de Gild van den vogel (3-0-0 Kleefs.

1810, „ 3-0-0.

1813, van de gild van den vogel van twee jaar 4-0 0.

Of de rest der 25 Kleefsche gulden bijbetaald is, kunnen wij, daar de rekeningen der volgende jaren ontbreken, niet bevestigen, wel echter dat eenige jaren later al het oud zilverwerk verdwenen is. Denkelijk is het of wegens schuld of als liefdeoffer aan de kapel gegeven. Van al de voormalige insignes zijn slechts een drietal pieken of hellebarden, door de officieren, kapitein enz. gedragen, overig.

Reeds in het begin dezer eeuw liet de gild bij hare opkomst zich nieuwe koperen borstplaten, zoogenaamde „Scheerbekkensquot;, vervaardigen, van gelijken vorm en gravuur als die van de Ven-raysche schutterij het Hof. In spelling en graveerkunst hadden beide vereenigingen zich echter geen meester in 't vak uitgezocht.

De eerste steeds door den kapitein, die met de hellebaard de trom voorafging, gedragen, heeft tot opschrift:

vievat ❖ de ^ Schuteri •i1 van Ostrom

Daaronder, in een stralen krans het monogram der H. Maagd, waarboven eene kroon.

de tivcede „ vievat % de -r Schutri ^ van gt;1' Ostrom

de derde is gelijk aan n0. 2.

De sluiers der waardigheidsbekleeders en het vaandel zijn van nog jongeren tijd. Dit laatste heeft aan de eene zijde de beeltenis van de Onbevlekte Ontvangenis, aan de andere de zinnebeelden der schutters in een rondeel, sabel, trom enz., waaromheen de woorden: „Schutterij van O. L. Vrouw — Oostrum.quot;

Weinige jaren nadat de Franschen voor goed het land hadden geruimd, ademde men vrijer en scheen er nieuw leven in de Oostrumsche gelederen gekomen, 't Was ten jare 1818.

ocr page 232

— 22fi —

Om den hoofdpersoon van de schuttersgilde Z. M. den Koning deftig uitgedoscht te doen voorttreden, besloten de broeders bij de nieuwe keten en vogel ook een paar zilveren platen te hechten, die zij met het Lieve Vrouwe beeld [Kevelaerer vorm] lieten bezetten. Beide hebben onder de beeltenis hetzelfde opschrift:

„Te samen gekogt Oostrum den 8 Sept. 1818.quot;

Voor het éérst werd toen wederom na tal van jaren geregeld geschoten, en vindt men behalve de 2 vermelde nog een vijftal Koningsplaten tot 1822 aan de keten. De latere Koninglijke Hoogheden schijnen, om finantieele redenen, zich de eer der zilveren gravuren niet waardig geacht te hebben.

De eerste die op het feest van O. L. Vr. Geboorte Dinsdag 8 September 1818 den vogel in het zand deed tuimelen was de 23jarige jonggezel Matthijs Jeuken:

Zijne plaat heeft, onder:

n0 1 een landman met de pijp in den mond

terwijl hij een vruchtenwagen ment:

bovenschrift: Mathias Jeucken als Koning van ons Live Vrouwe Gilt tot Oostrum 1818 den 8 Septembre.

een landman varende een wagen:

Mathias Jeucken als Koning van ons Live Vrouwe Gilt tot Oostrum 1819 den 8 Septembre.

n0 3 Gerardus Klassen

Koning van O. L. Vr. Gilt tot Oostrum 1820 den 2 7bre.

een landman met de pijp in den mond aan 't spitten.

n0 2

bovenschrift:

ocr page 233

Boven een spittende landman :

nquot; 4

Gerard us Klassen Koning van O. L. Vr. Gilt

onder:

n0

tot Oestrum.

Joannes Vermeulen Koning van 't Lieve Vrouwe Gilt tot Oostrum 1822.

een landman met een pijpje in den mond aan 't ploegen.

De Oostrumsche Koningen uit dit eerste kwart eeuw schijnen bijzondere liefhebbers van hel aarden pijpje geweest te zijn, wij gunnen het Hunne Majesteiten nu nog van harte! Les rois aussi ont leurs délices.

Rustig ging ondertusschen het gildewezen zijn geregelden verloop, enkel onderbroken door de eer die Anïoon Pouwels genaamd de mulder, zich door het keizerschot veroverde, iets wat zijne vroegere ambtbroeders Mathijs Jeuken en Gerardus Klaessen niet hebben kunnen behalen. Wij hebben meermalen den krassen ouderling (nu sinds jaren ter rustej bij het optrekken naar den jaarlijkschen Hoogdienst fier met de keizerster op de borst en de sjerp over de schouders, lier op zijne waardigheid, tusschen de jongeren zien voortstappen. Inmiddels bleek ook eene nadere vaststelling der Statuten van de gild noodzakelijk, waarin de gilde-broeders in eene algemeene vergadering op Zondag na Oostrumsche Kermis, 21 September, 1851 gevolg gaven. Deze verordening, waarvan meerdere artikelen ontegenzeggelijk een ouderen gildebrief tot grondslag hebben, is van den volgenden inhoud :

ocr page 234

— 228 —

Reglement van de Onze Lieve Vrouwe Gild ie O os/rum. Gemeente Venay,

Art. 1.

Deze gild zal bestuurd worden door twee Gildmeesters, welke verpligt zullen zijn, alles ten voordeele der Gild in te rigten en te bestieren, en alle jaren op meerderheid van stemmen door de Gildbroeders, zullen moeten gekozen of herkozen worden.

Art. 2.

Deze Gildmeesters moeten na den afloop van hun jaar op Kennis-Dinsdag hunne rekening voor de Gildbroeders doen, en voor het te kort komend instaan.

Art. 3.

Er zal alle jaren op Kermis-Maandag in onze kapel eene Hoogmis gezongen worden voor de overledene Gildbroeders, en tot welvaart der levenden, waarin alle broeders moeten tegenwoordig zijn, op eene geldboete van vijf en twintig cent, en die niet bij het heentrekken tegenwoordig zijn vijf centen.

Art. 4.

Die belet zou zijn, deze Mis bij te wonen, moet daags te voren zijne reden van verschooning aan cenen der Gildmeesters bekend maken, en zoo deze verschooning twijfelachtig is, moet het bij meerderheid van stemmen door de Gildbroeders beslist worden.

Art 5.

Wanneer er een der Gildbroeders of deszelfs vrouw komt te sterven, moeten alle broeders de lijkdienst met de begrafenis

ocr page 235

— 229 —

bijwonen op ccnc boete van vijf en twintig centen. Hiertoe kan een plaatsvervanger, die zijne eerste H. Communie gedaan heeft, genomen worden.

Art. G.

En 's Zondags na deze begrafenis zal er in onze kapel 's namiddags om twee uren eenen Roosenkrans voor den overledenen gebeden worden, waarin alle broeders moeten tegenwoordig zijn op straffe eener boete van twintig cent. Hiertoe is de plaatsvervanger ook geldig als in vorig artikel.

Art. 7.

Alle jaren op Lieve Vrouwe Geboortedag, wanneer deze op geenen Zondag valt, zullen wij vogel schieten; ieder Gildbroeder moet met een goed geweer, op eene geordende manier mede naar den vogel en van daar weder terugtrekken, op eene boete van vijf en twintig cent; van liet geweer mede te dragen zijn alle officianten en Gildmeesters verschoond.

Art. 8.

Ieder Gildbroeder die mede teert moet mede op de trom betalen, hetgene wat door de Gildmeesters bepaald wordt.

Art. 9.

Geen vrouwspersoon, die niet woonachtig is in een huis, waarin een Gildbroeder is, of die geene achttien jaren oud is, mag mede den nieuwen koning beschenken.

Art. 10.

Ieder Gildbroeder mag, wanneer wij teren, zijne vrouw of wanneer hij ongehuwd is een vrouwspersoon mede brengen, doch deze moeten ten minste achttien jaren oud zijn. Alle jongere kinderen mogen niet in de gildkamer geduld worden.

ocr page 236

— 2;30 —

Art. 11.

Al degene, die, wanneer wij vergaderd zijn, hetzij om te teren, vogel te schieten, naar de kerk te trekken of anderzins, aanleiding geven tot twisten of vechten, betalen eene boete van vijf en twintig cent.

Die iemand slaat, stoot of aanrandt, eene boete van vijftig cent.

Die iemand scheldt of lastert of bijv. zegt: gij liegt het, betaalt eene boete van vijf centen.

Art. 12.

Alle jaren op Kermis-Dinsdag 's voormiddags om tien uren zullen de olliciersplaatsen ten voordeele der Gild, aan de meestbiedende voor een jaar verpacht worden.

Art. 13.

Ieder oilicier, hetzij vaandrig of tamboer, is verpligt zijn wapen of instrument onbeschadigd in te leveren, of beschadigd zijnde op zijne eigene kosten te laten herstellen; doch zou deze beschadiging in den dienst per ongeluk, of op eene verschoonbare wijze komen, dan kunnen zij door meerderheid van stemmen verschoond worden.

Art. 14.

Wanneer er na de sluiting en vaststelling van dit Reglement iemand onder deze Gilde wil gaan, moet hij voor zijne intrede betalen vijf en twintig cent, en die er uit wil gaan betaalt voor den uitgang zeven en tachtig cent.

Art. 15.

Wanneer er zich iemand aangeeft, om onder deze gild te gaan, of Gildbroeder te worden, moet het eerst door meerderheid van stemmen beslist worden, of hij aangenomen zal worden of niet.

ocr page 237

Art. IG.

Niemand kan of mag onder deze Gild aangenomen worden, dan die in Oostrum of Lull met vasten woon of gezeten zijn.

Art. 17.

De Gildbroeders, die niet verkiezen in de onkosten der Gild te betalen of deel te nemen, betalen op iederen Kermis-Dingsdag of vroeger in eens twintig, cent; doch dj/.c zijn aan alle kerkelijke diens en verpligt, met de straffen die er op staan gelijk de andere l roeders.

Art. 1«.

De bepalingen van dit Reglement mogen ten allen tijde veranderd en uitgebreid worden, mits de verandering of uitbreiding bij meerderheid van stemmen doelmatig geoordeeld worde.

Art. 19.

Tot geene stemming mag overgegaan worden, tenzij meer dan de helft der Gildbroeders te gelijk tegenwoordig zijn. Indien er evenwicht van stemmen mocht bestaan, zoo hebben de Gild-meesters de beslissende stem, wordende de niet tegenwoordig zijnde Broeders beschouwd zich met de meerderheid der stemmen te hebben vereenigd.

Art. 20.

De vorenstaande bepalingen, aldus voorgesteld, zijn door ons ondergeteekende Gildbroeders als verbindend aangenomen en onderteekend.

ocr page 238

— 232 —

Gedaan in onze vergadering te Oostrum den een en twintigsten September 1851.

H. Antoon Moorrees.

Antoon Woliers.

Jacobus van Heckum.

Michiel van Rijswick.

Peter Wolters.

Peter lloex.

Johannes Hoex.

Johannes Michels.

Peter Pouwels.

Antoon Pouwels (Landb.)

Jacobus Hendriks.

Jacobus Vermeulen.

Leonardus Achten.

Hendrikus Pouwels.

Paulus Jeuken.

Antoon Moorrees (zoon).

Johannes Jeuken.

Martinus van derven.

Thomas Janssen.

Gerardus Vermeulen.

Mathijs Jeuken.

Ruth Vullings.

Frans van Gerven.

Johannes Poels.

Jan Vullings,

Johannes van den Heuvel.

Martin Minten.

Gerardus Kamps.

Johannes van Rijswick.

Antoon Pouwels.

Peter van Bussel.

Gelijk bij het hoofdstuk „Processiënquot; is aangestipt, trok de Gild vroeger met vaandel en trom, doch ongewapend, op 8 September de processie uit de Venraysche moederkerk in het veld ter ver-

ocr page 239

welkoming te gemoet, een gebruik dat later in verval geraakte. In 1852 verzochten de Gildmeesters aan den pastoor en deken, Petrus Verheggen, dit gebruik hersteld te zien, wat nochthans op advies van den Administrator apostolicus niet werd ingewilligd en dan ook niet meer gevolgd is. (Zie bijlage n0 XXIII).

De jaarlijksche dienst voor de overledene Gildbroeders; op Ker-mis-Maandag in de Kapel, had plaats ten 7 ure en werd Zondags te voren in de parochiekerk van den kansel afgekondigd. Tot het jaar 1*70 werd hij geregeld door den pastoor gezongen, toen pastoor van HaefT den tijdel ijken rector met die taak belastte.

In de laatste tijden betaalde Johannes Verhaellquot; onder den titel van erfpacht of gildboete de somme van gld. 1,(35 Nederlandsch voor deze Mis.

Daar de schutroede staande op den weg tusschen het Oostrumsch Broek niet meer geregeld de schutters om zich heen vergaderd zag, had de toenmalige Rector Omes den wensch te kennen gegeven, de koninglijke platen als een offer om den troon van het miraculeus beeld te zien hangen, een wensch dien de Gildbroeders echter dood trommelden. Alleen werd door de familie van den overleden keizer. Pauwels, diens keizer^ster aan Maria's troon vereerd, waar ze zich bevindt met het opschrift:

„A. Paulzen Keizer.quot;

Op 8 Februari 1887 was de Oostrumsche O. L. Vr. gild in vol kostuum bij de plechtige inhuldiging van den WelEerw. Heer Willem Antoon Notermans als pastoor van Venray tegenwoordig.

En hiermede eindigen we onze korte beschrijving over de gilae van Oostrum, die in den loop der tijden ook het hare heeft bijgebracht tot verheffing van Maria's eeredienst in de aloude heerlijkheid Spraeland-Oostrum van het kerspel Venray.

ocr page 240

Rente- en Thynsboek der kapel Oostrum.

Het oudste gedeelte van dit register is omstreeks 1558 aangelegd, de rente-aangiften van af 1533 tot gemeld jaar zijn alle door dezelfde hand geschreven.

Een tweede gedeelte loopt van 1559—1578.

Een derde tot 1772.

De beide laatste bijschrijvingen zijn door kleinere letter aangegeven.

Dvt syn onser lyever frouwen Renthen tot Oesterum der kereken ayn wen ind yn wat onderpant sy geleghen syn: Voert van Tyndz und erfftaill ind anders onser 13'ever frouwen vurss. behoorende etc.

1. Item Jan Cuypcr ind Meth syn huysfrou (Jan Pouwelss ind Katherina syn huisfr.) gelden onser lyever frouwen tot Oesterum jaerlix iij ynckell malder Rogge die gelegen syn yn haer huys hoil ind hoflstat myt iiii1/^ mergen landtz.

Noch Jan ind syn huyssf. vursscreven gelden jaerlix iiij vait roggen ind is oock ynkelen rogh gelegen in iy2 mergen landtz die gelegen syn yn dat lyntfeyn.

ocr page 241

— 235 —

Noch 1 ynckel erffmalder roggen van gerydt bossmans wegen ind is oick gelegen in syn hoffstat vursscreven gilt tsamen IIII'/o mald rogge noch 1 summeren roggen gelegen yn vakken kamp ind ys oick ynckelen rogh.

Dit is nhu Jan Heesen.

Mod.) Nick's Hesen vursscreven Jans broeder.

2. Item Henrick Claes g3'lt onser leyver frouwen vurss. 2 malder ynckelen rogh uuter enen mergen pass gelegen aireneest der bagynen pass, dit selvige ll2 malder roggen gilt nu het clooster Oestrum die desen vurss. pass hebben. — Quere 6.

3. Item Jan Willemkens soen van Spraelant in Beell syn huysfr. gelden onser lyever frouwen jaerlix 1I2 ynckell erffmalder Rogge uut II mergen landtz die gelegen syn ynden heesacker.

Item Thijs Huybertz ind Myllicken ejus uxor een summeren ynckeis roghen gelegen yn een kempken yn dat Ivnt vcyn.

4. Item Wynken Met Leyssen swager gilt jaerlix 1 summeren ynckel erffroghs ende 1 vaet yn ij mergen landtz geheyten die eynghe gelegen ayn die lingsche zjxle.

5. Noch die selve 1 schepel ynckelen erffrogghe jaerlix uut enen mergen pass gelegen neven Goesens pass vander Moeien und weer dat saick dat dat onderpant n\ret guet genoch daer voer waer, sullen die kerekmeysteren dat voer suyeken yn Wynkens holl'stat.

Hier van gilt Wiilemken Middelburchs jaerlix 1makier rogh noch i voet roghe uuten iiollquot;. - Mode Gervt Beltiens.

(i. Item dat doester tot Oesterum gylt onser lyever frouwe jaerlix 1 ynkell erll'malder roggen uutter iij mergen landtz gelegen yn die eynge ayn die luylsche wech — noch 1 /2 ynkell erff malder roghe gelegen y'n Wolterspesken — noch dat Cloester vurss. gylt jaerlix ein summeren ynkell erff roghs — noch dat cloester een half malde1quot; erfs roggen vuth eenen pass hergekomen van Hanrick Claes tsamen ij malder en een summeren erffs roggen.

7. Item Jan de Snyer gilt onser liever frouwen jaerlix 1 vait roggen ynkell, gelegen yn een stuck landtz geheyten traet.

Nu de heer to Gevsteren.

ocr page 242

— 23G —

8. Item Heesken Cuypers gyldt onser liever frouvven jaerlix 1 summeren ynkels roggen yn der vallicken camp.

Dit is Derick Denis nu Hcnrick Huybberts.

Anno 1610 item Hueb Boensen maeckt ons lief vrouwe jaerlix cin ingemeke vut enen mergen pas gelegen in witte veijn. Mode Jacob Heuben.

Dit voorsscreven parseel heeft ghewonnen ende gheworvenjan Peters ende Weyii' del syn huvsvrou ende den boeck s}'n recht gedaen op huyden den 17 February 1667 ter presentie Jaenis Peters ende Jan Hofs.

Anno 16io item Claes Kusters niaekt ons liefvrouwe oeck ein ingemeke uuter enen pass gelegen in witte veyn.

Item heeft Teuss Vermullen gelacht een ort st. thienss tot behoeff van onsser liever vrouwen capell tot Oostrum yn enen pass omtrint groot wesende ij morgen unn een vierdendeell gelegen mitter eender syden neffens Teuss Vermullens erff voer syn dur, mitter ander sieden neffents die gemeynte, unde heefft Teuss voerge-noempt voer hem unde syn nakomelingen nu unde ten ewigen dagen die voorg. Capell gekozen tot eenen erffthienssheer. Actum in Aquot; sestien hondert twelff dem vier und J . twintichsten Juny yn tegenwordicheit heer Willem Wynandtz priester, unde Thiess Faichs unde Willem Zeger Olyslegers zaliger soon, kerckmeisteren der voorg. cap-pellen yn der tyt. — Modo Peter Vermeulen.

In den jaer 1640 hefft gewonnen ende geworven Peter Vermeulen ende Elysabyt syn luiysfrouw dyt vorssreven eerftquot; hier boven vernonit staet, ende het boeck syn recht gedaen in presensy twe schepen Hanryck Coppen, Derick van Rickell.

9. Item Thys Heysters gylt onser lyever frouwcn jaerlix iiij malcler ynkell erflquot; roggen die gelegen syn yn alsulcken onderpanden getyck hyer nae beschreven. In den iersten yn ij mergen landtz nellen ciil' Jan Bromanss, l1^ mergen yn broickvelgert, 1 mergen landtz beneffen den hulswech ind in syn huyss, hodquot; ind hoffstat, in voirt in all Tys vurss. erlF ind gnet.

10. Item Thys Heysters noch 1 malder roggen und 1 sommeren uter Jacop Deckers camp neyst Henrick Verheynnen erfl' und Claes Wyllemkens julix (?) erfflick.

Dit is Jan Schoemekers. — Modo Jaenis Peters.

11. Item Aellert van Hoelum gylt jarlix ij malder roggen ynkel gelegen yn iij mergen landtz neven Huyben van Aekens Coelhoff,

Modo Peter Hesen nu de erfgenaemen van Derick Peters Ileesen.

Item Gerardt (Jan) van der Moeien gylt jaerlix '/2 ynckell erff malder gelegen in iii mergen landtz die gelegen syn yndt land; stuck, ist saeck dat dat stuck niet goet.. .. Alert (Peter) Vermoeien gilt jaerlix '/j ynckel erfï malder rogge uutter

ocr page 243

— 237 —

l'/a niergen landtz die syn gehej'ten die eyckerwyck. — Noch eenen sester roggen jaerlix die Putcr 03'ck gilt tottcr bruggen.

Hier van gicfft Jan Coeninx het halff malder, mode Tiloester.

12. Item Gerydt Bossman gylt jaerlix ij ynkell malder roggen gelegen in syn huyss, hoff und hoflslat. — Dit is Jeuken Jans.

Modo Gaert Heilkens.

13. Item Jan Gordt Heynen gylt jaerlix iiij ynkele erff malder roggen indj's geordinyert ind gemackt tot die Gvvoensdagess mysse dat sal men terneysten suyeken nae Gerit Bossmanss huyss yn V'/j mergen landtz mytter hoffstat.

Dit is Jan Gielens. — Modo Gaert Gielens.

14. Item dat guet ter smyssen gylt onser lieven vrouwen jaerlix iiij malder roggen ynkelen erffrogh gelegen in XI mergen landtz die gelegen syn in den velde geheyten dat groet stuck ind is geordinyert ind gemaickt tot die Manendages mysse, die Jaenis van der Moeien gemaickt hefft.

Dit is nu den Boegaert.

15. Item Peter Verkynder gylt jaerlix iiij vait rogge gelegen in syn huys, hofi ind hoffstat. — Noch enen capuyn jaerlix.

Item Henrick Snyer und Lisken syn huysllVou sullen jaerlix gelden ij vaet roggen erllloes joeriens pachs.

Dit is aengesath Peter Brouwers qr. 27.

Modo Peter Vaeghs nu Jan Fachs.

10. Item Peter die Jong gylt jaerlix j ynkell malder roggen gelegen in tien ge\'st.

Is nu Libeken Heilkens. •— Modo Gaert Heilkens.

17. Item Jan die Vaycht gylt jaerlix ^ ynkel erff malder roggen gelegen yn syn cleyn hoifstadt.

Dit is Aert Zaeren. — Modo Hanrick Coppen.

18. Item Jan Beltgens ind Gertgen syn huysfr. gelden jaerlix iii1/^ ynkel erff malder roggen gelegen in XI mergen landz und is geordinj'ert ind gemackt tot die Saterdages mysse voer die Ander mysse.

Modo Geryt Beltiens nu Jacop Heesen.

ocr page 244

— 238 —

10. Item Katharijn (Alitgcn) Schoers gylt jaerlix j ynkel cif-malder roggen gelegen in die wey ind eril'tyns guet.

Noch die selve gylt jaerlix '/« malder loes roggen.

Dess hevff Ytgen gehant unde geveyst ind dat sellve eyrff tynsgut dat malder roggen inlyt tot tert^vt toe dat sy dat loest myt XVII hoorns gulden toe laessen daer ys aan und ouver geweyst ass rychter ind schepen Peter van Schelberch, Jan Vermeulen und Hein Vermeulen.

Dit is Derick Denis nu Henrick Huyberts.

20. Item Alytgen Jan Stcynkens huysfr. gylt jaerlix V vaet rogghen ynkelen rogh nutter 11 mergen landz gelegen bij Nyhen-borchs lant.

21. Item Henrick Goerdtz gilt jaerlix 1/2 malder ynkelen rogge gelegen in die hoffstadt ayn den vaeren nae Racy.

Dit is Claes Custers, nu de kappell.

22. Item Jan Theus gylt jairlix 1 malder rogge van wege Jan van Eyls heer tot Geysteren uuter tvve mergen lants gelegen nedens erft Jan Goert Heynen, schietende m\rtter enen eynde op die her-straet, hier syn aen und oever geweest als gerichsluyd Goert van den Moeien, Peter van Schelburch, Lenaert Verossmoelen.

Dit is Tonis Vermoeien. — Modo Jacop Tonissen.

Item Jan Decker (Jacop) gylt jairlix i symeren roggen gelegen yndt groetstuck huiss ende hoffstaet haldende VII morgen.

Item Lenss van den Boss gilt jaerlix iij vait roggen ynkels roghz gelegen yn enen mergen landz neffen erflf Jan van Moeff.

hem uuter twee mergen land/, vurss. hebben Reyner ind Theus van Holt 1 malder ynkelen erllquot; rogh jaerlix, daer hebben sy dat gewyn adquot; betailt onser liever vrouwen vurss.

Item noch syn tvve missen die ein gesticht van Johan Steinc-kens . . . 18 und die ander van Coen Sassen etc. die welcke vurss. missen dat gantze gericht, kerekmeisters ind sementlicke naburen gewalt hebben.

23. Den pacht van Koen Sassen missen is gelegen in Lambert Beltgens guet in XI mergen landtz ind is iii1^ erll'malder roggen.

Noch Derick die Vaecht ^ inckell malder roggen ind is gelegen int kleyn hoefken.

ocr page 245

— 239 —

Dit staet voor int 18 stuck op Jacop Heesen.

Dit staet voer uit 17 stuck op Heinrick Coppen.

Denis Vervvesterbeeck ind Meriken svn huvsfrovv hebben gewonnen ind geworven an twe handen i niergen landtz geheiten den geest my iter ener sleden gelegen neffen den geraeynen wech die van den Boschusen conipt, Ind mytter ander sleden neffen erff Jacop Heylkens, daer In ligt eln malder roggen jaerllx dat kumpt onzer lieve vrouwen ind ij st. brab. tot tins, hier over ind an geweest leus Gaessen, Lenert Verosmeulen ind Jan Vermoeien als schepen.

24. Jacob Rutgens ende Libeken syn huisfr. hebben gewonnen ende geworven aen twe handen 1 niergen landtz geheyten de geest mytter ener syden gelegen nclTen den gemeynen wech die vanden Boshuysen kompt, ind mytter ander syden nellen Jacops vurss. erve daer in licht een malder roggen jairlix dat kompt onze lieve vrouwen, ind ij st. br. tot thyns, hier over ind aen syn geweest Peter van Schelbergen, Heyn N'ermoelen, Clues Schoenmekers als gericht/luid, te vynden bij 1G.

Dit heeft ghewonnen ende gheworven ende den boeck syn recht ghedaen Tryen Nolten ende heeft daer af te boeck laeten setten Hendersken haere dochter ende Thyes den soon op huyden den 16 February 1667 ter presensye Jan Hofs, Peter aende Muelen.

2quot;). Dierick Groenen gilt jaerlix enen sester rogge totter bruggen gelegen in ij mergen landtz geheyten den eyckerwick.

Dit is nu Hanrick Groenen nu Jacop Heesetl Styeneke de huysvrou.

2G. Item Jan Vermoeien gilt jaerlix '/2 ynkell erfmalder rogge gelegen in iij mergen landtz die gelegen syn yndt lanckstuck, dit stuck vurss. hefft Jan vurss. verlacht myt Wilhem Alislegers ind heft ein part gehalden vanden stuk; ist saick dat dat stuk n3'et goet genoich enn weer voerden pacht vurss. van den stuck dat hy helt van den stuck vurss. soe seth hj' dat ander stuck dat hy ontfangen heit even groot widderom volmechtig in die plaetz ind sail draegen gelick dat ander ged iin heft. In by weren Peter van Schelberch als ein richterboedt, Teus Goessens ind Lenert Verosmeulen als schepen.

Dit is nu Claes Custers nu Seger Haenrycx Prins.

27. Peter Verheyen ende Peerken syn huisfrouw hebben gewonnen ende geworven aen twee handen een hofstadt gelegen

ocr page 246

neven erfl' Jan Ffaechts ende benefen sjm sclfs erff mit der ander syden daer in heft onse liefT vrouwe geldende jaerlix iiij vat rogghen.

Ende eenen capuyn gesciet in presentia Peter van Schelberch gerichtsboed, Teus Goessen ende Derick Groenen schepen.

Dit sclve stuck staedt voer int bocck geteykent vyffthien en is niet meer dan een stuck.

28. Gaert Brien gilt jaerlix iiij vat roggen van het testament van Ruth Pouwels ende Lysbeth syn huysfrouw ende ligt in een stuck landt geheyten den heesacker.

Dit is nu Jan Goert Heynen.

Dit heft Jan van Rysen uutgelost ende voldaen of betaelt nae beheer als mer int boeck geschreven staet.

Dit is den Geltpacht die de kerek Oestrum geldende heft ende waer die selvige pachten gelegen syn.

Jan Pouwels heft gehandt ende gevest der kereken Oestrum die summa van vief ende twintich rider, den rider ad vierendetwintich stuver, in alsucke onderpanden als daer den kereken Rogh pacht in ligt. Dcse viefendetwintich rider syn herkomen van verloopen pachten hier aen ende over geweest Peter van Schelberch, Derick Groenen, Ruth Vermoeien als Richter und schepen. Geschiet int jaer onss Heeren 1572.

Dit is Jan Meezen.

Derick de Vaecht heft gehandt ende gevest der kereken Oestrum de summa van vief ende tseventich rider, den rider ad vierende twintich stuver, gelegen in die kleyn hoffstadt beneffentz Heyn Vermoeien, hier aein und over geweest Peter van Schelberch richterboed, Teus Goessen, Derich Groenen schepen. Geschiet int jaer ons Heeren 1578.

Hier van gilt Acrt Cueppen vyfftich Ryder.

Die 25 rvder syn betaelt aende Aleph M1' Jan Groenen soen.

Deze vyfftich rieder heft Art Saeren uuter syn kleyn hofstat gelacht ende betalt ende svn totter kloeken gegaen doen die clock vergoten is in anno ióoXII (1612) in bywesen ais schepen Peter Siemens, Teus aendie Meulen, die kerekmeister Teus Cille en Willem Ilaenen, die richterbaed Jan Beltgens.

ocr page 247

— 241 -

Dit alsulken guet als erff rogh die onss liever vrouwen gemaeckt doir die kerckmej'sters inder tyt mit halden ind maicken sullen die brugghe dair men geyt nae Oerloe die gelegen iss.

In den yrsten Gordt van den Moellen helft gemaickt tot der bruggen 1 vaet roggen dat gelegen iss in Abels guet van den Valderen.

a. Item Abel van den Valderen ind Katryn syn suster hebben noch gemaickt 1 vait roggen erflick dat oick gelegen iss yn datselffguet vurss. Inde dese ij vat roggen vurss. gilt jaerlix Peter Truyen.

Gilt nu Zegcr Hermans, modo nu Jacob Heesen, nu Scigcr Handerickss genampt Prenss.

b. Item Gryet Duysens helft gemaickt l sester rogge dat nu ter-tyt gilt Gryetgen Baetgen Hermenss dochter ind is gelegen in iij verdel landz die gelegen syn nellen erlf Gordt Vermoeien ind Jan onder die wylligen.

Dit is Theus Vermoeien. Modo Peter Vermeulen.

Item Meth Beelkens heflt gemaickt i vait rogge erfflick die nu ter tyt gilt Jan onder die wylligen —■ i sester ind is gelegen in i'/» mergen landz geheyten Ps-c-kerwyck.

Und der anderen sester van dat vurscreven vait gilt nu tertyt Gordt Vermoeien und is oick gelegen in l]\., mergen Inndtz geheyten Eyckerwyck.

Dit is alsulcken Tyndz beboerende onss hever vrouwen tot Oesterum gelyck hyer nae beschreven.

Item in den yersten Jan Wyllemkens soen van Spralant (Derick Groenen) helft gewonnen ind geworlfen enen kamp gelegen inder Horren, uut weickz kamp vurss. Jan (Derick) vurs tot tyns jaerlix onser 13'ever vrouwen tot Oesterum ij quarten w\'ns.

c. Item des helf Alincn Itgens Schors umtreint een verdel van dem selvige kaemp daer sal si jaerlix uit gelden een van den ij quarten wyns anno (i.'ï. Noch sal Alitgen vorss. gelden een ort brab. van den steiggen tegen uren holf tot thyns. Item Derik is syn kan wyns erllicken ontslagen oevermitz overgilt van anderen int navolgende blat begrepen.

ocr page 248

_ 242 —

Dit voorss. parsed heeft ghewonnen ende gheworven ende den boeck syn recht gedaen Henrick Huybberts en Jennekcn syn huys-vrou ter presentie Jaenis Peters ende Peter Faechs op huyden den 17 February Kilgt;7.

d. Item bruder Tys van der Horst pater inder tyt der cloesters tot Oestrum und suster Peter Jaspers van der Horst, suster Kate-rina Haegens van der Horst ind suster Lysbet Crüssen hebben gewonnen ind gevvorflen Goesens kamp Vermoeien ind geit jaeriix tot tyns gelix vurs. 1 alt moerken.

c. Noch gewonnen dyt naebeschreven, In den irsten verwersguet uut welcken vurs. guc.t men gilt jaeriix tot tyns iiii1^ thyns gulden.

Item noch uut Gordtz kamp van der Moeien jaeriix iij th. gl.

Noch uut Huyben guet van den Rosmoelen jaeriix ij th. g.1

Noch uut Aleydt Verwers guet jaeriix ii1^ th. gl.

Noch uut holfst ander porten jaeriix 1 vlemff th. gl.

Noch uut Jennekens guet van Beyck jaeriix 1 pond wass ind I haen.

Summa des doester thyns vurs. geioept jaeriix in all XII tyns gl. 1 alt moerken enen vleemss ind l hoen ind 1 pont

wass.

Item dit vurss. heclft die pater bruder Tyss und suster Peter vurss. gewonnen ende gevvorflen in presencien richter ind schepen myt namen Jacob Deckers, Thys Huybers ind Jan Verheyen.

Later: Suster Katherina Hacgensvan der Horst ind suster Lysbet Croessen, schepeens: Jan Vermulen ind He\-n Vermulen.

Deze bovengemelte pcrs\ clcn heefft het convendt tot Osterum gewonnen ende geworven ende het boeck svn recht gedaen beheltelick jeder syns goeden rechten en hebben te boeck laeten setten suster Marya Fvtten ende suster Crystyn Henskens.

In 't jaer ons heeren 1667 ter presencie Hendryck Coppen ende Peter Teus Vcr-muelen als schepen den 17 February.

ƒ. Item Jan Steynckens huysfr. Alytgen (Syl unde Lysbet sjm huysfrouw) tot V verdel landz gelegen thegen onser lieven frouwen boem an die syde nae Raey ind ons lieff frow is daer landtheer a(f ind ys erfltyns guet uut welcke landt vurs. gilt Alitgen (^Syll) vurs. jaeriix to tyns I alt moerken ind Alitgen (Syll) vurs. hefft dit vurss. gewonnen ind geworffen soe men des gewoentlick is.

ocr page 249

— 243 —

Dit is Teus Zillen. — In den jaer 1640 hefft gewonnen ende geworven Peter Jansen ende Siterken syn huysfrouw dese V ferdel lans, hyer boven begrepen syn ende het boeck syn recht gedaen in presensy schepen Hanryck Coppen Derick van Rickeli.

g. Item Conraet die Bass ind Aluert sj'n huysfr. (Michel Derick Rameckers soen ind Jennicken s\'n huysfrou) hebben gewonnen ind geworffen dj'e Hatendonck ind gilt daer aff to tyns jaerlix iiij th. gl. ind ij hoenre. Ind Coenraet vurss. und Aluert (nnd iMichei vursc. ende Jennicken) syn huysf. bekennen onss lief vrow voer enen lantheer.

Noch van 1 verdel lantz jaerlix 1 brab. oirt van Gryt Sommer-mans wegen.

Dit lieelt den alden Jan Beltgens.

Item Jan Cueppers en Eva syn huisfrouw hebben gewonnen en dit guet van weickre guet sy alle jaerlixse pachten schuldich syn toe betaelcn.

Dit stuck heeft ghewonnen ende gheworven Michgel aenden Muelen ende Jenneken syn huysvrou ende den boeck syn recht ghedaen—op huvden den 17 February 1667 ter presensve Peter Faechs ende Jaenis Peters.

Item de Hatendonck dat te bevoorens was behant aen Michgel aendie Meulen ende Jenneken syn huysvrou is nu behant aen Jacop Lamberts ende Heylken syn huysvrou ende den boeck syn recht gedaen op den 20 Marty 1669 ter presensve Peter Paechs ende Jaenis Peters schepenen.

Item het veerdel lans van Gryet Somermans wegen heefft nu gewonnen en geworven en dein boeck syn recht gedaen Syeger Hendryckx alias Prins ende Jenneken syn huysvrou in anno 1667 den 17 February in presensie Mendryck Coppen Peter Teus Vermeulen als schepen.

Desen voorstaen Thins heefft gewonnen ende geworven Arnoldus Verblackt en Jacomina Laemers eheluyden van een halven mergen waervan den selven heefft een helffte synde een vierde paert van eenen morgen gelegen tegens het beginne busken over, betaelt jaerl. een duyt en een halff Holts hercomende van prinsen goet ende het boek syn recht gedaen met twe schillingen ten overstaen van den Heere pastoir Sonnemans, Laemert Laemers ende Jan Derrick Schepenen tot Ostrum den 9 Juny 1742.

My present O. T. Lielkens, secretaris.

Dezen voorsuienden thiens heefft gewonnen ende geworven Joannes Jacobs en Elysabeth van Helden eheluydens van een vierdel landt gikiende jaerl. een vierden-deel van een on brabants in presentie M1' pastoir Sonnemans, Laemert Laemerts ende Jan Derrick schepenen tot Ostrum den 9 Juni 1742. Ende dit boeck syn rechtgedaen.

My present O. T. Lieikens, secretaris.

h. Item Henrick Goirdtz int Peter syn soen (Peter van Schel-berch und Beel syn huysfrouw) hebben gewonnen ind geworfl'en

ocr page 250

— 244 —

die Hatendonck ind gelden dacr nut to tyns jacrlix ij th. gl. int 1 hoen jnd die smayll te3'nd beboert onser lyever vrouwen toe.

Dit is Clues Custers — nu de kappel.

Int jaer ons heeren XV'' LXX den XXIX'™ Decembris so heefft Derek Groenen onser liever vrouwen tot Oesteram opgedragen op Sint Andries jaerlix ende alle )aer te betalen twe stuvcr brabantz aen thyns voer Peter van Schelbergen, Teus Goessens, Lamert Beltgens als gericht/.luyden, dair toe heellt by onser liever vrouwen eens gegeven 1 brabantz gl. ende daer voer sal hy erflich ontslagen syn, 1 kan wyns die by der kereken placht te gelden geschiet myt wil en consent des gerichtz vurss. ende der kerekmeys-ters ende sal gaen uuter den langen pass by den valcken kamp gelegen.

Desen pas heft gewonnen ende geworven Jan Cueppers en Eva zyn huisfrouw.

Desen pas gheheyten den langen pas ghemampt daer van heefft Jenneken Heesen ghewonnen ende gheworven ende den boeck syn recht gedaen omtrent de heelfit van den voorss. pas ende beneffens haer te boeck doen setten.

Jan haeren oudsten soon ter preseytie Jaenis Peters, Jan hofs op huyden den 17 Febr. 1667.

Dit ander deel van den voorss. langhen pas heeft ghewonnen ende gheworven Jan Dericxende Thonis Guerts als mombers van de kynderen van zal0 Lambert Dericx ende den boeck syn recht ghedaen ende daer af te boeck doen stellen Derick Lamberts en Marye syn suster op huyden den 17 Febr. 1667 ter presentye Peter Faechs en Jaenis Peters.

i. Item Jan Beltgens ind Gertgen syn buysfr. hebben gewonnen ind geworflen Verwers guet gelegen — ind gelden jaerlix daer van tynden IX tyns gl.

Dit is den jongen Jan Beltgens.

Dit heeft ghewonnen ende hem te boeck laeten setten ende den boeck syn recht gedaen Geret Jacops Heesen niet syn broeder Derick op huyden den 16 February 1667 ter presencye Peter aen die Muelen, Jaenis Peters.

k. Item Jennesken Boensen ind Lysken syn buysfr. bebben gewonnen ind geworffen VII verdell landtz gelegen indt lyndtveyn alrenaest onser liever frouwen boem ind gelden daer uut jaerlicx tot tyns onser liever frouwen tot Oesterum tot tyns 1 alt moerken.

Item uut deze vurss. VII verdell landtz helft dat doester tot Oesterum erffelick ind jaerlix ij pont wass ind die pater bruder Tys ind suster Peter Jaspers vurss. hebbent dese ij pont wass oick gewonnen ind geworflen gelyck vurss.

Dit is lloeb Boensen — Dit voorss. parseel heeft ghewonnen ende gheworven ende

ocr page 251

— 240 —

den boeck syn recht ghedaen Jan Peters en Weyndel syn huysvrou op huyden den 17 February 1667 ter presentie Jaenis Peters ende Jan Dericx.

/. Item Jan Martens ind Leentken syn huysfr. hebben gewon nen ind geworden ii1^ mergen land/, geheyten den Dystelacker ind is gelegen nell/, erlT Wyllem Verhout ind den gemeynen wech ind gilt jaerlix onss liever vrouwen to tyns een alt moerken.

Dit is Thonis Vermoeien — Dit is Jacop van Bruggen die heft gewonnen en geworven in anno 1610 den 8 May als ein recht erffgenaem, Dit van Jacop van Bruggen gecoft ende betaelt en Jacop bedankt sich daervan goeder betalingen en Jaocp heft Toil issen opdracht gedaen mit hant halm ende mont voer die schepen en riebterboed Jan Hasenackers riebterbaed, Tens aen die Meulen en Sieger Hermens als schepens, die kerekmeisters Jan aen die Meulen en Sieger Hueben.

Ditt is Lamertt Deiickx ond Eencken syn huysvrou hebben gewonnen ond geworven ond syn boeck het rechtt gedaen bier over gestaen Derick van Rickell, Peter Vermuelen.

Dit parseel beeft ghewonnen ende gheworven Jan Dericx ende Thonis Guerts als mombers vande erfgenaeme Lambert Dericx en daer af te boeck doen stellen Derick Lamberts en Marya syn suster op huyd den 17 February 1667 ter presensy Peter Faechs en Jaenis Peters.

vi. Item Brien Gaert Brienss ind Liesbeth syn lu^'sfrow gebben bekant ind gemaickt unser liever vrouwen jaerlix ind alle jair then ewigen daegen toe ij st. brabants tot thins gelegen in iiij mergen landtz iil/2 mergen gelegen beneiTen erflquot; Dierick Vergraest, mytter ander sieden benellen Arnt Boschusen erff, ind i1^ mergen daervan gelegen bencU'en des cloesters erff und Gies van den Steen als voirgenoten is Jan van Riessen.

Item Jan van Riesen mackt der kereke tot Oestrum jaerlix 1 ort stuvers gelegen in twe mergen lantz ter eender sieden nefens Jan Heese ter ander sieden nelïens syns selfs weide. Gesciet in anno 1610 den 29 February.

Deze voorsscreven twee morgen syn ghewonnen ende gheworven en syn gelegen ten eenre syeden beneffens den thiendwech ende vorss. II1/., syn ghelegen voorhoefs daer mynheer synen thyns in heeft, dit heeft ghewonnen ende gheworven Gerart Jans Hesen ende Jenneken syn huysfrou.

Dit heeft ghewonnen ende gheworven ende den boeck syn recht ghedaen Geraert Jans Hesen en Jenneken syn huysfrou.

Deze voorss. parseelen is Jan Heesen beneffens syn moeder te boeck gestelt den 16 February 1667 ende den boeck syn recht ghedaen ter presensye Peter Faechs, Peter aendie Muelen.

11. Item Ruth Pouwels ende Lvesbeth syn huisfrouw hebben be-kandt und gemaeckt doen sy des wael mechtich waren mit haeren vrien will der kereken Oistrum in die eer onser liever vrouwen

ocr page 252

— 24G —

jacrlix cnde alle jaer viei' vat roggen in een stuck landt/, gelegen geheyten den heesacker daer niet voer in en ligt dan den thins die de kerek toe Oistrum daer uuth geldende heft, daervoer die kerekmeisteren derselver kereken sj'nde in der tyt alle jaer voer sullen doen ende halden updach Decollationis Joannis Baptiste een erH'jaergctyt ende laeten doen Misse mit ^Tif;ili en daein setten iij waskerssen ende laeten naemen opten predickstoell Brien Goertz ende Ruth Pouwels ende Lysbeth haerer beyder huisfrow geweest, ende deser selven rogh maich men loessen alle jaer toe weeten voer die somma van veertich Ryder veder, eenen ryder gereeckent ad vier ende twintich stuver brabants ende sal den yerstcn pacht hiervan verschienen in anno alsmen schrieven sail dusent viefhondert acht ende tsoeventich. Datum Oeistrum Aquot; 78 den 2!) Augusti etc.

Dit heft Jan van Rvsen uutgelost ende voldaen of betalt nae behoer als boven geschreven staet om uut te lussen.

Item Jacop Huben met Stynken syn huysfrouw gelden alle jaer drie malder roggen myn een summeren uut een stuck landts gelegen achter Gierkenspas ende Guperkenserf vyr mergen groet ende off saick weer dat dy kerekmeistren van Oestrum nyet waell betaelt weere ende dat onderpandt nyt guet genoch en weere sullen sy mogen voerdaen in alle sulken guederen sueken als Jacob heft mit Stynken vurs. hyer bynnen Oestrum.

Dit is t' kerkenlant achter Klaespas.

Dyt is alsulcken landt ind er 11 onser lyever frouwen beboerende.

Jtem iiij mergen landt/, gelegen achter die peess.

Noch i1/;) mergen landtz gelegen in dat lyntveyn neflen erll'Jan Boenssen.

Noch iij vcrdell landtz geheyten Bartmans Camp.

Item Peter van Scelbergen Tysken sin husfrou hebben gecoft iiij mergen landtz gelegen achter Gerkenpass ende beneven Cuperkens erllquot; daer uth gift Peter vurschreven iij malder roggen min 1 summeren.

Item och sych beveyl enige resten bleven van pechten dat salmen Peter vurschreven in allen sinnen goederen vurscr. soeken wy sy gelegen syn benen Ostrum.

Dit stuck landtz is oock int voergaende blat gheteeckent ende is t Kerckeulant.

ocr page 253

Indt jaer onss heren duysent vyffhondert drye ind dertich des Gwoensdages noc pynxten helit Peter van Nyhenburch ind lielye syn huysfr. gegeven myt oeren beyden vryhen vvyllc eynen mergen landtz Onser lyever vrouwen capell tot Oestrum van welcken vurss. landt die kerekmeisteren jaerlix uutrichten sullen Peteren ind Belyen vurss. hoer beyden leven lanck enen hornse gl. Peter ind Belye vurss. noe oere beyden doet hebben gegeven onser lyever vrouwen capelle gelyck vurss. ys etc. Nae doet oere beyden sullen die kerkmeisteren voer Peteren ind Belyen doen bidden then ewygen dagen toe op allen festdagen gelyck men dess gewoentelick is. Oerkundt der waerheyt hebben hyer over ind ayn gewest Jacob Decker ind Gairdt Vermoeien ind Peter die Jong als rychter ind schepen, Peter van Aef-ferden, Henrick Boenssen als kerkmeysters indertyt etc.

Item ollt saick were dat die kerekmeysters inder tyt wesende, desen vurss. mergen landtz verdeden olf verhantplychten tot nut-tichheyt ind profyt der vurss. kapellen onss lyever Irouwen sail Peter ind Belye vurss. sich verhalden ind versuecken aeyn ander guede onderpanden gehoerende totter vurss. capellen, ayn welcken hon dat gelyeven sal etc. sonder argelist.

item Jan Mychyls ind Heyl syn huysfr. ind Michell die soen hebben gemackt onser lyever Irouwen yn eyn eiiïtestament vyer ind sestich hornse gulden, dair die kerekmeysters in der tyt voer sullen dat jaergetyt doen halden myt iij waskerssen ind doen vigili daer-voer lesen. Ynd men sal dat jaergetyt doen hulden den yrsten frydach in den garstmaent (September).

item Jan Cuper ende Aleth syn husfrouw hebben gecolt een stucker eri's gelegen achter die pess nellen Willem Truyen ende Cupers eiil' daer uth gelden sy ^ malder rogge. Oft daer eenige resten op liepen die salmen versuecken aen alle syn goet oft syn erlf wy sy binnen Oestrum gelegen syn.

Dit steet bij Jan Heezen pacht uit i blat.

Item tussen Jan van Eyl heer te Geysteren indertyt ende Rener Boenssen solcken erlT als daer gelegen is Jan die Vaeycht ende Beelken syn huysfrow hebben dat erü' tussen beyden gecoft. Daer sullen Jan vurss. ende sinen huysfr. jaerlix een ynkell erllmalder roggen aef uutrychten unde betaelen, ende oft sich beviel dat daer eenige resten op liepen, die salmen in allen Jans vurss. goederen versoecken wy sy gelegen syn binnen Oestrum.

ocr page 254

— 248 —

Dit is den alden Jan Beltgens. Diet is nu Gerdt Hessen onde het gekochgt diet onderpantt van die schepen ondt kerckmeisters vor sommen adt vief een vieftich gulden ondt jarlickx zijn pacht tto bettalen daervan.

Item Syll Jans soen van Hoef ende Lysbeth syn huisfr. hebben ^ecoft eenen morgen lans geheyten den duysteren mergen tussen den olysleger ende Geret Borwater daer uthgilt Syel vurs. 1I2 malder roggen end oft daer enige resten op liepen van pachten die salinen in all sine guederen versoecken wy sy gelegen syn binnen Ostrum.

Dit is Theus Zillen. Mo do Peter Hesen de erfgenaeraen van Derick Peters Heesenitem Hensken Verhypt ende Lyesbeth syn huysfrouw hebben gegeven der kercken van Oestrum enen mergen landt/, gelegen in Peerken Symonss eriT vvaer van Peter vurss. die beterscap der kercken gegeven heft, dan hy blyft all jaer daer noch uut gelden der kercken vurss. een hal 11' malder roggen.

Dit is Peter Simons to Lull. Modo Jan Symons nu Gyesbert Joosten.

Heer Jan van denn Bovyfhuysen heft gegeven tot een erll testament dat dye kerck halden sail, eene altaersteen ende voert dweelen ende induclen thot meer anderen induclen dat hun seerwaell genucht dj't is geschj't anno LIX in byvvesen der schepenen ende gerichtsbaid nemptlich Jan Vermolen Peter van Aefferden ende Peter van Scelburch gerecht/duid.

Item den bruygpas dye dat gerycht van Ray helft gegeven die van de gemeynt is genoemen ende yss weer tot der gemeynt gegeven daer myt dye brugge myt onderhalden sael ende Geryth Engelkens ende Jan Deckers in dyen die den pass heft ende helden mit daer bekroeninge afcompt soe sail ons lyllrou aenfangen ende haldense selff. Hier S3'n oever ende aeyn gewest Poter vande Schelburch als ein bay ende Teus Gossen ende Lenert Verros-meulen als gerichtsluiden tot Oestrum, voertan Derj'ck Groenen ende Peterke Symons dertyt kerckmeisters. Dese brugge salmen halden als die kerck oer brugge helt Anno LXI.

Item Theis Hueben helft ontfange van onser lieffrouwen wegen XXX rijder gulden daer sal Thys Huben affgeven 1'/2 malder roggen jaerlix, dess sail Thys vurschreven vesten doen naest Henrick Ver-heyden, dess mach Thys Huben altyt loessen up synt Andryss daech.

ocr page 255

— 249 —

Item het iss toe weten dat die kerckmeysteren van onser lyeven vrouwen capelle toe Oesterum inder tyt wesende, myt namen Peter van Aefferden ind Henrick Boenssen ind hebben bekant, dat vur hem gekomen syn Gerydt Bosman, Jan Willemkens ind Tys Hubben als Richter ind schepen, tot Oesterum inder tyt anno duysent vyff hondert ind vyff end dartich den achten dach Juny ind hebben getuyget dat vur hem gekomen syn Jan Stheynckens ind Alitgen syn echte huysfrau sterck ind gesont doe sy des waill mechtich waeren op des heeren straeten myt oeren waill beraeden moet wylle ind hebben gegeven ind gemaickt ter ecren goidtz ind onser liever vrouwen tot Oesterum in die capelle, jairlix vylf erffmalder roggen. Die vyer malder roggen sullen die kerckmeysteren inder tyt der vurss. capellen voir laeten doen eyn erffmysse alle llrvdage ter eren der passien ons lyefz heeren ind dat vyllten malder roggen dair sal die vurss. capelle vur ha 1 den erffjairgetyden vur Jan Stheynckens, Alitgen syn huysfrau vurss. ind beyde hoer alderen. Dese vurss. vyff malder roggen heft Jan en Alitgen vurss. gemaickt ind ge-lacht in syn hoffstat uutgehalden ten weer saick dat dair ymant waer van oeren frynden die die hoffstat begerden, die sol die vurss. hoffstat behalden, ind richten die capell vurss. jairlix dair vur uut de vurss. vyff malder roggen ten ewigen dagen toe. Voirdt ist onsen vurss. schepen kundich dat Jan Steynckens zeliger gedech-ten spraick en begerden, dat die kerckmeysters inder tyt solden nemen enen bequemen pryester die hem beliefden ind oick Jan zeliger begert off dair einyge miysse ongedaen bleeff soe sullen die kerckmeisteren den priester vur elcke mysse korten eynen sester rogge. Oick so iss onse schepen vurss. kundich ind hebben getuget by alsoe, offt saick were dat die pastoer van Venray dese vurss. mysse nyet en wolde laiten doen in onser lieven frouwen capell vurss. off in den convent van Oesterum, soe sullen die kerckmeisteren dair toe verbonden ind gehalden syn myt Rayt der schepen van Oesterum ind der nabueren, dat sy die vier malder roggen vurss. sullen laeten backen ind geven den Ermen om goidtswyl alle jair ten ewigen dagen toe, wanneer die pastoer vurss. of ymant die vermeyndt die macht te hebben deze vurss. mysse te behynderen ind nyet en laeten doen etc.

ocr page 256

— 250 —

Int jair ons heren duisent vicfhondert en vicrthien upten achsten dach llebruary heft sich ergeven, dat die eerber und froemer Coen Sassens gegeven, gemaickt und verordineert heft in synen testament, cin erffmyss tlaeten lesen oil doen lesen then ewigen daegen toe, alle Saterdach inder capellen van onser liever vrouwen toe Oesterham gelegen binnen den kerspell van Venraedt in furwaerden ind manieren hier navolgende. Item die kerekmeisters schepen ind sementlicke nabueren van Oesterham sullen verordi-nieren ind kriegen enen priester die guet van leven is, ind den selven alle Saterdach als die Rector van onser lieven vrouwen capelle vurgenoempt syn miss ierst gelesen ind vuth heit, alsdan laeten lesen, in die eere Goedts almechtich, ind die reyne maeget Marie, miss van onser liever vrouwen in die vurss. capelle voir syn siele ind syn alderen sielen, dat Godt almechtich die selve inder evvicheyt benedigen will ind Coen vurss. heft gegeven ind gemaickt tot ein testament umb dese vurss. mj-ss laeten te doen (als vurss. steet) vier enckell erll'malder roggen, die welcke gelegen s}'!! toe Oesterham: inden irsten vierdehalll malder roggen gelegen in elll' morgen landt/, nu ther thiet gebruickt ind besidt Lambert Heltgens ind noch ein halll malder rogge gelegen toe Lull in Jan die Vaecht/. cleyn hoilstadt, inde die priester die dese vurss. myss doin ind lesen sail dese vier malder roggen vurss. alle jair hellen ind boeren umbtrint acht oil' verthien daege nae Sinte Andriess apostell, etc. Ind oll' gebreeck vielen inder betalingen sail ind mach alsdan die priester myt die kerekmeysters van Oesterham peinden oil' laethen peinden mytter gerichtzbade van Oesterham ain die vurg. onderpanden als recht is, wess totter betalinge toe ind off sich ergeve dat die vurss. priester enige missen van dese vurss. miss liet staen ind niet en lese, sullen ind maegen alsdan die vurss. kerkmeisters denselven priester voer ein yder myss korten drie stuver brabanss.

Item oil' sich ergeve dat die Rector van der vurss. capellen niet toelaeten noch gunnen en wolde dat men die mysse inder vurg. capelle doen solde, sullen ind moegen alsdan die vurss. kerekmeisters die selve myss in dat Cloester toe Oesterham laeten lesen, ind oil' sich ergeve dat die pater van Oesterham off pastor van Raey dat oick niet toe laethen noch gunnen en wolden, sullen alsdan die kerekmeysters van Oesterham van den vurg. rogghe

ocr page 257

— 251 —

ncmentlick vierdehalff malder rogge backen off laetcn backen tot broet, ind spienden dat in die vurss. capelle alle jaer then ewigen jaeren toe, up cenen gueden vridach then twe uren nae middage ind geven dat die erme luyden binnen den kerspell van Venraedt woenaftich syn umb Gaitz will. Item noch heft Geen vurss. gegeven die capelle toe Oesterham ein vat rogge umb die capelle toe onderhalden. Item noch heft (-oen vurss. gegeven ind gemaickt die kerekmeysters toe Oesterham voer hunne arbeidt ind loen, updat sy diese vurg. spinde alle jaer then ewigen dagen toe, halden, volbrengen ind vutrichten sullen, wae vurss. steet, alle jaer twee vat roggen sonder alle argelist ind dat op conditiën alsoe van alss daer geen missen voer den vurss. roggen gedaen en worden. In orkunde der waerheit dit allet woe boven beschreven steelh, stevich ind vestich toe halden en syn hier an ind overgeweest meister Gerit van Well als een notarius Derick Xanttens ind Ghiesbert Verholt als getu\rgen. Noch tot merer versekeronghe syn oick hier an ind oever geweest als gericht/luide Wilhem van Spralant als gerichtx.-bode, Jan Wilhemkens Jan Gaert Heynen als schepen tot Oesterham.

Int jaer ons heren duysent vyfhondert ind vyf in dertich op Sinte Mattheus dach nementlich den XXI Septembris is verdraegen ind gemaeck ein conventie ind tractaet tusschen heer Johan Schoemekerss rector der capellen ind kerekmeysters, schepen ind sementlick nabueren van Oesterum in furwaerden ind manieren hiernavolgende: Item heer Johan vurss. sail den dienst inder capellen vurss. doen woe dess van alst gewoentlich sy, nementlick dat heer Johan vurss. alle daige dess smorgens myss lesen sail in die vurss. capelle, ind die misse alle tiet soe vrouwe uuth hebben, dat die naburen noch tiet/, genoich ther hoegemisse thoe Raey kereken koemen muygen, des sullen die kerekmeysters van Oesterum, heer Johan vurss. alle jair vuth richten ind bet.ilen drie ind twintich reeder malder roggen ind vyfl horns gulden, ind sullen heer Johan guede betalinge daer van doen, alsoe dat den einen pacht den anderen niet raecken en sail, ind den/.elve pacht sal altyt verschenen up sinte Andriessdach apostell sonder argelist; item syn noch twee missen inder vurss. capellen gestifTtidn ind gemaickt nementlick des Vridaechz ind Saterdaechz welcke missen die kerek-

ocr page 258

— 252 —

meysters, schepen ind sementlicke naburen sullen laeten doen ind lesen enen bequemen priester, die sy daer toe onder sich eindrech-lich deputieren ind verordinieren ind sullen den selven priester die renthen daer toe gemaeckt ind gegeven syn laethen boeren ind hefTen, ind heer Johan vurss. alsulx bewillicht ind gecon-sentiert als ein Rector van der capellen s}'!! leven lanck woe voir beruyert, stevich ind vestich tho halden. Item oick sail beer Johan alle onser liever vrouwen daegen dess smorgens syngen, ind verkondigen die aflaeden inder capellen gegeven ind verleent syn, oick lesen verkundigen ind bidden voer dien verstorven naemen ind zielen huyn hantreyckinge totter vurss. capellen gegeven hebben soe veell ind wenich die coester hem voer lesen sail off in huyn zielboeck beschreven staen, dess sullen die kerkmeysters vurss. heer Johannen voorgenoempt noch besonder alle jaer wess tot ein heildompsfaert lanck durende, umb die ein den anderen middelerz tietz toe versuick, vuitrechten ind betalen enen Joachimdaler of die rechte werde daer voer. Item oft sich ergeve, dat heer Johan vurss. sieck off kranck worde, ind gein misse gedaen noch toe Oesterum gegaen en kunde, sail alsdan dess Vridaechs ind Satcr-daechz synen diensthalven aentreffende, sonder enige becronynge van den nabueren, vrijehe ind ledich syn, ind off sich dess swinters tieden ergeven mucht, dat sumtieden quaet weder weer, alss van snee, haegell ind regen ind niet bequeem en woer voer enen priester van Ray tot Oesterum tgoen, gestalt myss daer te doen, soil ind mach alsdan her Johan sonder enige becronynge van den vurss. nabueren tho buys blieven; wereth saeck oick dat H. Johan tot enige tieden muetwillich versumelick were ind die vurss. miss liet staen, salmen hem alsdan elck myss corten enen sester roggen ind vort sal beer Johan helpen vervorderen mytter sementlick naburen aen den pastor van Raey umb toe verkriegen ind toe verwerven begenckeniss toe halden voer alle susteren ind bruderen gestorven syn uuther onser liever vrouwen broederschap up onser liever vrouwen dach Presentationis alle jaer toe halden beheltelick den pastor van Raey syn gerechtichheiden daer van tgeven. Hier mede sullen heer Johan, kerckmeysters, schepen ind sementlicke naburen van Oesterum eindreffhck verliecken, vereinicht ind verdragen syn, ind allet woe voor beschreven steet, stevich ind vestich toe halden als ein maeghgescheydt ind allet sonder einyge argelist. Hier is

ocr page 259

ain ind over geweest als seghsluiden meyster Jacob van den Gact ind heer Derick Driessen priesters, als van heer Johanswegen ind der erentfesten ind froemen joncker Ties van Eyll ind Evert van Bell rentmeister als vanden vurg. sementlicken nabueren wegen. In orkonde der waerheit hebben die vurss, seggesluide dese cedulen met hunne gewoentlicken namen onderschreiven ind onderteickent. Ind deser cedulen sind twe alleens haldende myt letteren A. B. C. D. vuither den anderen gesneden etc. Datum int jaer maent ind dach woe voerbeschreven steet.

Wy Teus Goessens, ind Jan Vermoeien doen kund ind bekennen (als schepenen der dingbank tot Oestrum) dat wy schepen vurss. gefordert ind gedrongen syn om ons geboerlick loin van den kerckmeisters van Oestrum, nemplich Dirick Graeven, ind Peter Vermoeien toe Ray te gaen by Mr. Jacop van den Gaet ind heren Derick Driessen umb hen luyden vurss. ein kontschap der waerheyt af toe eyschen, syn wy schepen vurss koemen nemplick upt XXen dach des maentz January anno LXII allet in presentie der vurss. heren in meister Jacop van den Gaetz huys ind den vurss. heren afgevraecht alss van wegen der kerckmeysters voergenoempt, wat den heren vurss. kundich ind wittich ind indechtich weer van den drie missen daer Peters soen van Aefferden op verordineert wardt ind gewyet tot synen priesterschap. Daerop beyde die vurss. heren uns schepen vurss. antworden ind tuychden op hoir priesterschap, dat Peter van Aefferden die kerckmeisteren, schepen ind scmentlich naburen gebeden umb hem te lenen ind setten die drie vurss. missen der tyt toe ind soe lang wess syn soen Priester gewyehet weer ind verordineert, alsdan wold by den brieffvanden vurss. drie missen widdromb verhantreycken anden kerckmeisteren allet in behoiff der sementlicke naburen gelick voer, ind daer voergesath s}'!! alinger gueth dat daer geen gebreck in vallen soldt, ind dat-selviger guet vurss. to widderborcb gesath ind als vurss. Dese vurss. kondtschap van de vurss. twee heren hebben wy schepen vurss. bracht an Lenert Verosmuelen als an den darden schepen, welck Lenert vurss. bestendicht gelick vurss. An ind over dese vurss. getuich heft Dierick die Vaeght oick by gestaen als ein

ocr page 260

— 254 —

auditor ind bcstendicht dit vurss. sonder al argelist. In orkonde der waerheit soe wy schepen vurss. nyet lesen of schrieven kunnen, soe hebben wy schepen vurss. gebeden Johan van Gelre dat hy dese vurss. kontschap voer ons tot schepen getuich myt onse cristelick namen onderteyckenen will, dat ick Johan vurss. durch bede der vurss. schepenen gerne gedaen heb. Gegeven in den jaer maent ind dach wie boven.

Teus Goessen. — Jan Vermoeien. — Lenert Verosmuelen.

Wy Teus Goessen, Lenert van den Rosmuelen, ind Jan Vermoeien schepen der dengbanck tot Oesterham doen khund ind bekennen vermitz desen, dat vur ons comen syn, tot versuick dess rechten, ind alss van wegen der kerckmeysteren nemptlich Dierick Groenen ind Peter Vermoeien, daer wj' schepen vurss. toe verzocht syn om ons geboerlick loen Peterken Symons ind Wilhem die Aliesleger ind hebben voer ons schepen vurss. getuicht ind afgedraegen up haer man waerheit dat hun luyden kundich und wittich is wie dat ein tytlanck leden is dat Peter van AefTerden, die kerekmeysters, schepen ind sementlicke naburen gebeden (soe by synen soen totten priesterlicken staet helpen woldt) umb hem te lenen ind setten die drie missen derwelcke ein verordiniert ind gemaikt by Jannis Vermoeien, die ander by Peter Loecker-mans, ind die darde by Jan van den Boschusen, ther tvt toe ind soe lang wess syn soen priester gewyehet weer ind verordineert, alsdan wold hy den brieff van den vurss. drie missen widderomb restituiren ind verhantreyeken an den kerekmeisters alleth in ind tot behoeff der sementlicke nabueren gelick wie voir, ind dit vurss. heft Peter van Aefferden vurgenoempt beloeft aldus te voltrecken voer den rechten erkelingen gerichtlick, ind voer den sementlicken nabueren van Oesterham vurss. voer Gaert Vermoeien, Tiess Huben ind Jan Theus alss Schepen der tyt; voer dese geloefte stalt Peter van Aefferden syn gantse alinge guet tot widerborch voer dese vurss. gerichtzluden, erkelingen ind semenlicken nabueren vurss., dyt to vollentrecken ind toe voldaen gelick vurss. sonder all arglist. In orkunde der waerheyt want wy schepen vurss. noch lesen noch schrieven en kunnen ind durch gebreck unses gemeynen

ocr page 261

— 255 —

schepenamptz segcls, soe hebben wy schepen vurss. gebeden Johan van Gelre dat hy deze vurss. kontschap voer ons myt onsen cristlicken namen te onderhanteickenen dat ich Johan van Gelre durch bede der vurss. schepen gerne gedaen hebbe. Gegeven ind geschiet in den jaer ons heren duysent viefhondert ind LXII upt XXIII™ dach des maentz Januarj'.

Teus (ioessen. — Jan Vermoeien. — Lenert Verrosmuelen.

ocr page 262

BIJ-X^O-ZEIsT

Het tot dusverre onuitgegeven merkwaardig testament van ridder Jan van Broeckhuysen, Bijlage n. I, is het afschrift eener copie welke de monniken uit 't Land van Straelen in het begin der 17dc eeuw van het origineel schijnen te hebben genomen. Zij waren destijds in een proces gewikkeld over hunne inkomsten te Venray. De afschrijver moet of wel haastig te werk zijn gegaan of wel heeft het middeleeuwsch schrift slecht kunnen lezen, zulks bewijzen de zinstoringen, verkorting en gapingen welke in zijne copien I, II, III voorkomen.

ocr page 263

— 257 —

BIJLAGE N0. I.

15 Mei 1450.

Testament van Jan van Broeckhuysen.

[n nomine Domini. Amen. Anno ;i nativitate ejusdem millesimo, quadringentesimo quinquagesimo Indictione tertia decima, die vero veneris, quinta dicima mensis maii, hora primarum vel quasi, pontificatus sanctissimi in Ghristo patris et domini nostri Domini Nicolaï divina providentia papae Quinti, anno quarto; in mei notarii publici testiumque infrascriptorum ad hoe vocatorum pariter et rogatorum praesentia constitutus strenuus vir Dominus Johannes de Brouckhuysen miles Leodiensis, natus Dominus Dominiorum de Geysteren Leodiensis et Loë Coloniensis dioecesis, corpore sanus ac mentis et rationis compos, volens, ut asseruit, in hoe anno Jubileo iter ab remissionem omnium suorum peccatorum versus Urbem Roman arripere et peregrinari desiderans, dum in membris vigor viget corporis et ratio regit mentem, quam siquidem mentem adeo languor obnubilat, ut non solum temporalium reruin verum causa sui ipsius cogat ipsa languoris vehementia oblivisei condi-tionis humana inevitabile intendit debitum praevenire, et salu-brius providere ac ultimae voluntatis indicium et testamentum suum seu ultimae suae voluntatis ordinationem in quibus tran-quillae mentis rationis usus exigitur, sic de expresso consensu et libera voluntate Dominae Annae van der Straten praesentis uxoris legitimae conthoralis ejusdem domini Johannis militis testatoris eendere, ac de bonis et rebus ipsius et sibi debitis omnibus et singulis mobilibus et immobilibus ac haereditariis, praesentibus et futuris, ipsi a Deo collatis seu etiam conferendis ad laudem et honorem Dei ac animarum ipsius suae uxoris ac utriusque parentum et progenitorum disponere, ne post ipsius decessum inter ipsius cognatos, haeredes et propinquos seu quoslibet alios sua interesse

ocr page 264

— 258 —

praetendentes de et super bonis et rebus suis tanquam intestatis relictis contingat altercationum seu litium et rancorum fomitem contingere maxime ut anima ejus rebus humanis exuta, miserante Deo, cum fïdelibus in coelesti curia recipi et aeterna gloria per-frui mereatur, et Dei nomine invocato, testamentum seu ipsius ultimam voluntatem pro se et suis haeredibus ac successoribus quibuscunque via, causa, modo et forma melioribüs quibus potiut et debuit ac potest et debet fecit ordinavit et condidit in hunc qui sequitur modum:

Imprimis vero animam ipsius, dum earn ab hac luce migrare contigerit, Altissimo Domino nostro Jesu Christo, ejusque genitrici Virgini Mariae ac toti agmini civium supercoelestium in sinu pacis collocandam devotissime commendavit; deinde autem nominavit, elegit, constituit, ordinavit et fecit suos manufideles, fideicommis-sarios et executores praesentis testamenti seu ultimae voluntatis antedictos strenuos ac egregios viros Dominum Henricum de Meer militem dominum de Weerde, Dominum Wilhelmum de Broeck-huysen legum doctorem, Theodoricum Sch)'nck de Nydeggen dominum (de) AelTerden absentes tanquam praesentes, ac Johannem Teng-nagel de Merwyck armigeros et honorabilem dominum Wilhelmum Spaen rectorem parochialis ecclesiae ther Horst, Leodiensis et Colo-niensis dioecesis praedictae presentesac onus in et ad se sponte accep-tantes ita quod si non omnes hujusmodi testamenti seu ultimae voluntatis executionem intendere ac interesse possint commode neque velint quod tune tres, duo aut ipsorum ipsum maxime prosequi et ad plenum perducere possint seu possit effectum et si contingat aliquem vel aliquos dictorum manufidelium, fideicommissariorum seu executorum suorum mori ante executionem omnium praemis-sorum alii nihilominus infrascripta omnia et singula exequentur, vel si voluerint alium eligant loco ejus liceat quoque eis agere ac facere procuratorem et actorem ad omnia quae ex hujusmodi testa-mento seu ultima voluntate sunt exequenda quibus siquidem manu-(ïdelibus, fideicommissariis ac executoribus et cuilibet ipsorum testamenti seu ultimae voluntatis hujusmodi ipse Dominus Johannes miles testator, commisit, dedit et mandavit plenam liberam et omnimodam potestatem ac speciale et generale mandatum cum plena libera et generali administratione ut videlicet quod ipsi et cuilibet eorum se de bonis rebus mobilibus et immobilibus ac hae-

ocr page 265

— 259 —

reditariis, juribus, actionibus et dcbitis suis universis et singulis repertis aut reperiendis sine contradictione haeredum suorum vel alterius cujuscunque intromittant easque et a propria authoritate apprehendant, petant et exigant et ad se recipiant ac vertant et divertant, tradant et obligant pro infrascriptis restituendis et legatis solvendis ac alys omnibus et singulis exequendis, pront eis per dictum Dominum testatorem commissum fuerit et pront noverit saluti animae ipsius salubrius expedire; voluit tarnen atque etiam specialius commisit, quod debita ipsius ac injuste per eum unquam acquisita, de quibus constiterit aut aliquomodo constare possit, legitime pro me et ante omnia persolvantur, reddantur et restituantur de bonis ipsius antedictis et quod iiant exequiae suae decenter ac stipae et eleemosynae pauperum pro animae salute prout executori-bus suis praescriptis videbitur expedire, exinde ipse Dominus Johannes testator dedit et legavit tarnen Sedi Apostolicae llorenum Renen-sem, Domino Archiepiscopo Coloniensi pro tempore llorenum Renen-sem et fabricae majoris ecclesiae sancti Petri Coloniensis llorenum renensem, necnon Domino Episcopo Leodiensi pro tempore llorenum renensem et fabricae Ecclesiae Leodiensis llorenum Resensem, haec legata dumtaxat semel persolvenda. Etiam et legavit cuilibet executo-rum suorum onus executionis hujusmodi testamenti sen ultimae voluntatis acceptantium unum crusibile argenteum valoris quir.quaginta llorenorum Renensium aut quinquaginta Horenos renenses pro eodem. Insuper ipse Dominus Johannes testator cum temporibus in pre-teritis (?) se diversas gueiras agitasse ac agitare injuste et agitantibus auxilium, consilium, favorem el bospitalitatem praestitisse dixit, in et ex quibus rapinae, incendia, homicidia et damna magna diversis personis et locis subsecutae et facta forent, pro restitutione et satisfactione seu in recompensum damnorum certis personis aut locis de quibus legitime constiterit per eundem Dominum testatorum suique ob causaum atque culpam sic minus juste illatorum et factorum pro se, suis haeredibus et successoribus quibuscunque donavit et legavit perpetue et haereditarie centum et quinquaginta Horenos renenses monetae electorum Imperii, pro quibus perpetue percipiendis dedit et legavit perpetue et haereditarie bona infra-scripta: primo curtim dictam die hoff tot Cavibeeck cum juribus et pertinentiis suis universis in et sub judicio temporal! et parochia de Wese dictae Coloniensis diocesis sitam, salvo tarnen quod jus

ocr page 266

dictum die Bruttoi Weert cum aqua de Nyersa accurrente et attinente ipsi curtt perpctue et haereditarie manere debeat ad castrum Wyssc/ien et in illorum jurium et aquae locum econtra perpetue et haereditarie remanebit et spectabit ad ipsam curtim aqua dicta t/tri Sc/ieuycksche waeter, ulterius mediam curtim cum juribus pertinentiis suis dictum communiter die ha Iff hoff toe Bel/tcracdc in prochia de Boeghen et sub judicio temporali toe Hoedeninn ejusdem parochiae et dictae Coloniensis diocesis sitam, etiam mille Horenos renenses monetae supradictae semel in prompte persolvendos pro quibus impignoravit litteram confectam et loquen-tem super ducentis et quinquaginta maldris siliginis perpetue et haereditarie de et ex dominio de Broeckhuysen debitis videlicet quod ille cum ipsa littera post ipsius Domini testatoris obitum debetur,ante-quam ille habebit seu recipiet hujusmodi mille llorenos Renenses aut haereditarie quinquainta maldra siliginis annuatim pro illisjuxta cursum haereditariorum reddituum aut de sic solvendo eosdem executores certificabit ipsis executoribus dabit realiter et exolvet et assignabit: ac idem Dominus Johannes testator voluit et commisit quod post ipsius obitum hujusmodi centum et quinquaginta llorenos renenses haereditariorum reddituum et alia quae ex suprascriptis legatis eveniunt, annuatim ipsis cert s personis aut locis laesis et damnificatis et quorum bonus juste usus fuit aut ipsarum haeredibus proximioribus, si personae vel haeredes reperiri poterint, damna ipsa si legitime constiterint, unicuique secundum portionem suam passam usque ad realem restitutionem et satisfactionem condivi-dentur et contribuantur; alioquin pro sic restituendis in locis et parochys, in quibus damna hujusmodi facta et illata reperiuntur eleemosynae et alia pia opera condigna ementur et si de personis vel locis hujusmodi non posset constare pro quibus tamen ex-plorandis ipsi executores diligentiam facient exactam atque debi-tam, ex hinc voluit, mandavit et commisit quod hujusmodi legata percipienda ad pios usus prout eisdem executoribus ipsius Domini testatoris ac personarum laesarum animarum salutem salubrius expe-dire videtur convertentur et disponantur realiter et cum effectu.

Item exinde ipse Dominus Johannes restator pro aliis incertis, vagis et injustis acquisitis atque damnis et homicidiis in et ex gueiris hujusmodi ac aliis illicite exactis et factis pro se et suis haeredibus certa alia pia legata infrascripta ordinavit, disposuit et

ocr page 267

deputavit: primo legavit et dedit hacreditaric et perpctue ad fund dandum et erigendum de capella in Dominio suo de Oester om trans Mosam, in parochia de Raede dictac Leodiensis diococsis sita, clauste-rumordinis canonicorum regularium curtini suam dictam commu-niter die hoff tot Mac kern in parochia de Beeck ejusdem 1 .eodiensis dioecesis, necnon curtim appeliatnm die hoff ter Mae sen i n Kevclaer, dictae parochiae de Wese ejusdem Coloniensis dioecesis sitam, cum juribus et pertinentiis ipsarum universis ac etiam decimam suam novaliuin praesentem et futuram in Oesterom et cum hoc summam quatuor millium llorenorum Renensium monetae supradictae semel dandam pro qua summa litteras duas unam de et super redditibus toe Raede et reliqua super oflicio in Kessel ejusdem Leodiensis dioecesis confectas et loquentes, quamlibet litteram pro duobus millibus Horenorum Renensium hujusmudi impignoravit et ypothecavit, ita quod illi qui post ipsius Domini testatoris obitum litteras hujusmodi habebunt et recipient primo et ante omnina dictam summam quatuor millium Horenorum renensium aut pro quolibet mille dorenis Renensibus haereditarie annuatim juxta haereditarium cursum,quin-quaginta maldra siliginis vel executores praescriptos de sic solvendo certificabunt solvent dabunt et assignabunt realiter et cum elTectu.

Item ulteriusipse Dominus Johannes testator pro domus seu claustri ordinis Beatae Mariae Carmelitarum in oppido Saltbommel Trajec-tensis dioecesis fundatione et erectione legavit atque dedit Septuaginta quinque florenos renenses monetae supradictae haereditariorum et perpetuorum reddituum de bonis suis relictis comparandorum et mille florenos Renenses ejusdem monetae semel dandos, pro quibus litteram confectam et loquentem super ducentis et quinquaginta maldris siliginis ex Dominio de Broeckhuysen debitis, ut praes-cribitur, impignoravit ita quod ipse qui litteram hujusmodi post ipsum Domini testatoris obitum habebit et recipiet primo et ante omnia solvet hujusmodi mille florenos renenses aut assignet haereditarie quinquaginta maldra siliginis annuatim pro eisdem aut de sic solvendo executores honori certificabit. Etiam legavit et disposuit domum et haereditatem suam cum juribus et pertinentiis universis in eodem oppido Salt-Bommel sitam; voluit tarnen quod in eodem claustro ad ejusdem Ordinis observantiam astringant et obligent atque observantiam facient et tenebunt, alioquin ipsi executores hujusmodi legata ad alios pios usus prout noverint expedire or dinabunt et convertent.

ocr page 268

Item ulterius idem Dominus Testator legavit et dedit haereditarie et perpetue ad capcllam in gher Walacken in honorem Dei, Beatae Mariae Virginis ac sanctorum Anthonii et Laurcntii consecratam, et usum rectoris ejusdem pro tempore campum trans Rhenum in parochia de I3islick dictae Coloniensis dioecesis situm, dictum Joncker BucdelscJie camp, cum universis juribus et pertmentiis suis ad quondam Johannem Buedel armigerum pie memorie spectantem et eundem in vita quondam Stephano de Reno pro trecentis florenis renensibus sub redemptione expositum, ut asseritur, ad quam redemptionem faciendam ipsi executores diligentiam facient possibilem, sique redemptio hujusmodi fieri ac alias ad effectum deduci non posset, tunc trecentos llorenos Renenses pro redemptione hujusmodi campi depositos cedent ac alios ad ipsius capellae et rectoris ejusdem pro tempore commodum, et usum pro redditibus perpetuis et haereditariis comparandis; dedit legavit et manere voluit, etiam quoddam domistadium cum suis juribus et attinentiis, Ingher Walacken situm, quod Thomas de Holt scabinus opidi Xantensis de praesenti habet; insuper decimam suam novalium praesentem et futuram higher Walacken, et cum hoc summam centum et sexaginta maldrorum siliginis, ipsi Domino Testatori per Goiswinum Stecken debitam, pro qua summa redditus perpetui ad usum dictae capellae et rectoris ejusdem pro tempore comparentur; et voluit ipse Dominus Testator quod ilia capella cum praemissis et aliis redditibus ad illam spectantibus dotelur, et in parochialem Ecclesiam fundetur et erigatur, cuius tunc Rector sive Pastor pro tempore, ad illam per Dominuin et possessorem de haere-dibus ipsius domini 'festatoris dicti dominii de Loë pro tempore praesentatus, actu erit sacerdos vel infra annum tunc proximum ad sacerdotium promovetur et sub poena privationis ejusdem in eadem faciet residentiam personalem, nisi legitimis causis et ratio-nibus excusari et supportatus habere debeat.

Item idem Dominus Testator ulterius perpetue et haereditarie legavit et dedit ad altare St. Grucis in parochiali ecclesia Gogh situm et pro usu rectoris ejusdem pro tempore terram et bona myt den slack ende Pass in dicta parochia de Wese sita, in quibus ipse Dominus testator Petro de Jonghe familiari suo vitae ductum dedit.

Item legavit insuper et dedit ipse Dominus Testator perpetue et haereditarie ad usum aitaris sanctae Mariae Virginis in dicta

ocr page 269

— 263 —

Ecclesia de Gogh siti et pectoris ejusdem pro tempore, decern maldra siliginis ex communi censu siliginis in Wese recipienda et habenda, quae maldra siliginis possunt redimi cum ducentis Horenis renen-sibus monetae supradictae cum quibus e contra redditus perpetui ad dictum altare comparare debeant.

Item dedit et legavit ipse Dominus Testator perpetue et haere-ditarie ad monasterium in ghen Gaesdonck pro ipsius suae uxoris ac utriusque parentum et progenitorum memorys quatuor tempo-ribus anni servandis, primo: quatuor maldra siliginis ex curte in Harle sita dicta dat cloetsche guet, perpetue et haereditarie debita et percipienda, in quibus praedictus Petrus die Jonghe vitae duc-tum habet et exinde vulgariter dicta die sleghe toe Hoedenum in gher Schaldt, secundum quod id ipsum Üominum Testatorem devoluta existunt.

Item dedit et legavit ipse Dominus Testator haereditarie et perpetue ad usum altaris Sancti Spiritus, in parochiali ecclesia de Wese siti, et ipsius rectoris pro tempore ducentos Horenos Renenses, cum quibus reëmetur campus in parochia de Werda dictae Coloniensis dioecesis situs, per ipsum Testatorem quondam domino Lamberto de Arena canonico, dum vixit, ecclesiae Xan-tensis expositus, qui cum redemptus fuerit, spectabit et manebit perpetue et haereditarie ad altare supradictum, qui si redemptus fuerit ex tunc cum hujusmodi ducentis Horenis renensibus redditus perpetui et haereditarii ad idem altare comparentur.

Item ipse Dominus Testator voluit, ordinavit et commisit quod ex liliis quondam Gerardi de Werdenburgh, nepotis ipsius Domini Testatoris, qui castrum de Broeckhuysen obtinuerit post ipsius Domini Testatoris obitum, pro se solum habebit et retinebit olli-cium magnae curiae ducatus Gelriensis cum suis juribus et atti-nentiis universis ac litteram super ducentis et quinquaginta maldris siliginis de dominio de Broeckhuysen haereditarie et perpetue bebitis ut praedicitur, confectam. cum juribus suis, salvo quod primo et ante omnia antequam litteram hujusmodi recipiet, eaque et juribus suis utetur, summum duorum millium ilorenorum renensium monetae suprascriptae aut centum maldra siliginis perpetue et haereditarie pro eadem, pro quibus idem Dominus Testator hujusmodi litteram impignoravit, ut praedicitur, realiter dabit et solvet et assig-nabit vel executores praescriptos de sic salvendo certilicabit cum effectu.

ocr page 270

— 2G4 —

Item exinJe legavit atque dedit ct emi voluit praelibatus Dominus Testator dc bonis suis relictis sex maldra siliginis haercditariorum et perpetuorum reddituum can,(cun?) ordinum videlicet Minorum, Praedicatorum et Augustinorum terminariis in locis Loe, Wyssen ct Gcysteren, cuilibet eorum duo maldra, per dictos executores annuatim danda et ministranda, pro quibus ipsius Domini Testatoris, suae uxoris utriusque parentum et progenitorum memorias serva-bunt et tenebunt.

Item legavit et dedit ipse Dominus Testator perpetue et haereditarie Johanni van der Straeten nepoti natali dictae dominae Annae uxoris sua bona communiter dicta Neukensguet prope Karvcnum quae in feudum a Domino Morosen pro tempore possidcant et tenent.

Item ipse Dominus Testator legavit, dedit et dari voluit et com-misit Theodorico Lyenen de et ex bonis suis relictis quadringentos florenos Renenses monetae supradictae semel persoluendos, cum quibus campum per patrem suum expositum redimere debeat.

Item dedit ct legavit de et ex bonis suis relictis Johanni de Lyenen ducentos Horenos Renenses monetae supradictae, semel dandos pro perpetuis redditibus comparandis.

Item voluit ctiam ipse Dominus Testator quod post ipsius et dictae Annae uxoris suae obitum domicella Ida dc Stunell omnia et singula bona mobilia et immobilia ac haereditaria ad ipsos per obitum dicti quondam Johannis Budell qualitcrumque devoluta, de quibus in hujusmodi testamento scu ultima voluntate non disposuit seu dispositum esse repcritur, habebit et tcncbit.

item exinde Dominus Johannes Testator voluit, disposuit et ordi-navit quod eadem Domina Anna uxor sua sit Domina et usufruc-tuaria quamdiu vixerit in castro Loe dictae Coloniensis diocesis cum juribus, redditibus et attinentiis universis ct quod ctiam bonis mobili-bus ct immobilibus universis per eundem DominumTestatorem, ultra sua in hujusmodi testamento scu ultima voluntate ordinata et legata, relicta tempore exccutionis et ctiam quatuor annos immediate sequen-tes hujusmodi cxccutionem dicti testamcnti seu ultimac voluntatis absque ipsius Domini Testatoris haercdum ct aliorum quorum-cunque contradictione fruetur ct utctur, dc quibus una cum consiliis dictorum exccuiorum pauperibus Christi ct rectoribus claustrorum pracdictorum ct aliis pro pio usu prout salubrius videtur expe-dire, subveniat atque faciat et casu quo eadem Domina Anna

ocr page 271

— 205 —

uxor sua ad alia vota volaret tunc ipsa solum vitae due tam dicto Castro Loe cum juribus ct redditibus suis, ut praedicitui retineat nee aliis bonis, ut praefertur, uti debeat, sed ipsi cxecu-tores per deïn tempus de percipiendis bonis ex iisdem, sicut prac-dicitur, ex tunc disponere habebunt.

Item voluit, disposuit et ordinavit ipse Dominus Testator quod postquam hujusmodi testamentum seu ultima voluntas sua ad plenum completum et eiïcctum sortitum fuerit, quod tuncsingulac proles fratrum suorum defunctorum viventes in locum patris de-functi una cum aliis suis proximioribus haeredibus aut hujusmodi suorum proximorum haeredum pro mortuorum liberis et eorum successoribus cx corpore eorum descendentibus ad singula alia bona mobilia et immobilia ac haereditaria, de quibus in vita sua non disposuerit aequaliter, in stirpes succedere debeant, ita quod si unus fratrum unam vel decern proles haberet, proles ilia habebit vel illae habebunt solum jus fratris defuncti et non ultra et sic etiam in praelibatis sorore servare voluit; voluit tamen quod castra et feuda ipslus permaneant apud ipsius haeredes masculini sexus succedentes, qui tamen haeredibus suis foeminei sexus, quibus ilia deberemur juxta suorum amicorum dictamina et consilia pre-tium seu utinationem juxta ratam eis contingentem pro illis castris et feudis dabunt.

Item voluit etiam ordinavit et disposuit idem Dominus Testator quod caetera omnia ct singula bona immobilia et haereditaria ac quaecunque litterae et debita cum juribus suis ultra ordinata et disposita in hujusmodi testamento seu ultima voluntatc, quae a parentibus, progenitoribus et cognatis ipsius Domini Testatoris ad cjusdem Domini Testatoris, et quae etiam a parentibus proge nitoribus et cognatis dictae Dominae Annae, uxoris suae, pervene runt, etiam ad ipsius dominae Annae uxoris suae haeredes proxi miores deveniant ct evolvant.

Item voluit, etiam dictus Dominus Testator ac executoribussuis praescriptis commisit, quod pro jure sibi competente ex litteris Brabantiae non liant aliquae gueirae seu violentiae neque via facti aliquod desuper attemptetur, sed si quid alias posset de hujusmodi litteris consequi, id convertint iidem executores in pios usus ubi noverint expedire.

Item voluit, etiam ordinavit et disposuit ipse Testator quod nul

ocr page 272

— 266 —

lus haeredum suorum aut legatariorum post ipsius obitum de se bonis suis quibuscunque etiam haereditariis et legatis in hu jus-modi testamento seu ultima voluntate intromittat, nisi primo et ame omnia praesens testamentum seu ultima voluntas executa et ad effcctum debitum deducta fuerit, imo ejusdem executoribus ut illud seu iilam debite exequentur assistentiam possibilem faciant; et qui-cunque haeredum suorum aut legatariorum praesens testamentum seu ultimam suam voluntatem et ipsius executionem in parte vel in toto pe se vel personas interpositas impediverit vel impediri ordinaverit publice vel occulte, directe vel indirecte, quovis quae-sito colore, et contra hanc suam voluntatem fecerit vel eam non observaverit, aut extra judicium violenter vel in judicio conten-tioso institerit, dictus Dominus testator voluit quod ille a jure haereditatis sibi competente et legatis sibi factis, erit corpore priva-tus et seclusus penitus et ex toto, ac sit bonorum suorum expers ipsique haeredes et legatarii sui idipsum testamentum seu ultimam voluntatem observantes et eisdem executoribus assistentiam in executione eisdem facientes portionem haereditatis et legata illius impedientis, cujus portio pro tunc aliis observantibus pro rata accrescet, inter se aequaiiter condivident et tenebunt.

Noluit tarnen ipse testator eosdem executores deputatos vel sic deputandos aut ipsorum aliquem ad ultiorem dicti testamenti seu ultimae voluntatis executionem faciendam coarctare aut astrictos esse quam bona ipsius a se reliquenda seextendant, praeterea ipse Dominus testator voluit et de hoe etiam expresse protestatus fuit, quod si aliqua ultra praemissa de aliis bonis ipsius mobilibus, immobilibus et haereditariis quibuscunque sub sigillo suo proprio ordinavit seu per eum ordinata legitime reperta fuerint ea rata sint et valeant, viresque testamenti seu ultimae voluntatis obti-neant et una cum praemissis debitum executionis sortiantur eflec-tum, eodem scilicet vigore ac si omnia praesenti testamento seu ultimae voluntati forent separatim inserta, super quibus omni-modam potestatem sibi reservavit.

Voluit insuper Dominus Testator ac disposuit, ordinavit et desi-deravit ut haec premissa omnia et singula valeant jure testamenti seu ultimae voluntatis, quo jure si subsistere non possent, haec valeant jure codicillorum vel causa mortis et extremae voluntatis vel alias prout melius possent subsistere et valere, non obstan-

ocr page 273

— 267 —

tibus quod juris solemnitas non est totaliter in praemissis obser-vata, et dictus Dominus Johannes miles testator rogavit omneset singulos suos haeredes et eorum quemlibet venientes seu venien-tem ab intestato succedentes vel succedentem ex testamento hujus-modi vel aliquo jure, ut hujusmodi ordinata et disposita observent et adimpleant ac restitutionem et ordinationem et hujusmodi suae voluntati pareant et intendant et quemlibet eorum pareat et in-tendat realiter et cum eflectu. Ulterius ipse Dominus Johannes testator reservavit sibi in praemissis omnibus et singulis liberam potestaten! haec praemissa mutandi, corrigendi, specificandi, revo-candi ac eis addendi et detrahendi, dum, quando et quoties sibi hoc visum fuent expedite, quibus sic factis et expeditis ipsa Do-mina Anna, uxor dicti Domini testatoris, quae praemissis omnibus et singulis praesens fuit eaque omnia et singula sicut praemittitur, fieri vidit et audivit hujusmodi ultimae voluntatis ordinationem dicti Domini Johannis testatoris suae conthoralis cum legatis et totali ejus effectu pro se et suis haeredibus ac successoribus qui-buscunque ratificavit et approbavit ac inviolabiliter observare necnon post ipsius Domini Testatoris obitum executioni debite demandare facere et pro ipsius executione diligentiam et assisten-tiam possibiles facere ac realiter et cum effectu adimplere et fieri procurare neque in parte vel in toto contravenire vel con-traveniri ejus nomine permittere solemniter et solemni stipula-tione mihi notario publico infrascripto tanquam publicae et authen-dicae personae vitae (?) et legitime stipulantis et recipientis vice et nomine omnium et singulorum quorum interest, intererit, seu interesse poterit, quolibet in futurum facta interveniente sponte, voluntarie, et deliberate permisit et convenit, nisi idem maritus suus testator in vita sua de praemissis aliter duxerit disponendum. Super quibus omnibus et singulis praemissis idem Dominis Johannes miles testator sibi notario publico infrascripto unum vel plura publicum seu publica fieri petiit instrumentum et instrumenta ad

dictamen cujuslibet sapientis..... facti non mutata et in majus

robur ac evidens testimonium omnium et singulorum praemis-sorum ipse Dominus Johannes miles testator ac domina Anna uxor sua prescripta pro se et ipsorum haeredibus ac successoribus qui-buscunque praesens publicum testamenti seu ultimae voluntatis instrumentum sigillorum suorum propriorum appensionibus ex certis eorum silentiis muniri voluerunt ex mandarunt.

ocr page 274

- 2G8 —

Acta sunt hacc in dicto castro Wisschen sub anno indictionc, die, mense, hora et pontificatu, quibus supra, praerentibus ibidem egregiis, strenuis et discretis viris Domino Henrico Hessel utrius-que juris doctore, scholastico, Theodorico Nyell de Kallzer vicario in dicta ecclesia Xantensi, necnon Petro de Oye, Henrico de Merwyck armigeris ac Wilhelmo Kelver, Jacobo Spakelair et Nicolao Cantori dictae Coloniensis et Leodiensis dioecesis laïcis testibus fide dignis ad praemissa vocatis specialiter et rogatis.

Inferius erat scriptum: Ego Henricus Mol de Capella clericus Coloniensis dioecesis publicus imperiali auctoritate .... Xantensis notarius, quia praemissis omnibus et singulis . . . una cum praeno-minatis testibus praesens interfui, sicque fieri vidi et audivi, ideo hoc praesens publicum instrumentum per alium fidelem, me aliis arduis occupato negotiis, fideliter scriptum exinde confeci, sub-scripsi et publicavi in banc publicam formam redegi signoque et nomine meis solilis et consuetis una cum dominorum Domini Johannis de Broeckhuysen militis testatoris efDominae Annae van der Straeten sigillorum propriorum expensionibus ex certis cern. strecys signi rogatus et requisitus, in fidem et testimonium omnium et singulorum praemissorum.

In margine erat appositum et signatum: Henricus Mol de Capella. Inlerius erant apponsa duo sigilla expressa in cera viridi.

ocr page 275

— 269 —

B IJ LA GE N° I I.

1451.

Mage scheid tusschen Anna van der Sty ae ten zvedtcive van Joannes en de exerntorcn en erfgenamen van Jan van Broeckhuysen.

Copia copiae.

Toe weten dat een mynlyck, ind «ruttlick oeverdrach ind gc-scheyt gededinght ind gemaeckt is overmits den vrunden toe beyde syden daer over gebeden mit naemen heere Henrick van Meer ritter etc., heer Johan van Arenuaell heer tot Well etc., Eylbert van Alphen heere tot Honnepel etc., Derick Schynck van Nideggen heere tot Aefferden etc., Karle Spede heere tot Meerlair, Johan Tyngnageli van Meerwyck, Johan van 13rempt, Johan van Effden, Gerard van Oedenraede, Henrick van Meerwyck, Willem Keilever, Luell' van Üanli inde heere Willem Spaen pastoor ther Horst, tusschen Vrouwe Anna van Broeckhuysen ind van der Straeten etc. ind oock executoren heer Johan van Broeckhuysen fitters heere tot Loë ind tot Geysteren etc. saliger gedacht an die andre syde in forme ende manniere hierna beschreven dats te weten;

In den eersten, dat die executoren heren Johan van Broeckhuysen vurss alle guet dat.... bestorven is niet daervan vuytgcscheydcn, hebben ind behalden soelen nae inhal't eyns besegclden briellsocn daer opgegeven ind gemaeckt duerende van viertyene Sint Peters-daege ad cathedram nacstcommende oever vyer jacre; voirt soe sal die geene den dat ampt van den lande van Kessel toe deel

ocr page 276

— 270 —

vellet ind geboeren sal.... van der Horst daer toe gehoorendc, vrouwe Anna vurss. voir aen reght dat sy heeft aen der halven heertyekheit van der Horst u\'treycken ind ... . sy dat guet aen-vangen soelen twellf hondert Rynsche gulden, ind weert saeck dat vrouwe Anna voorss. binnen den tydt doet dat vurgemelt.... oft van stonden aen van leven ter doot quaeme, dat Godt verbyede, soe sal men gelyckewael ind nochtant die twelff hondert gulden vurss . . . ind wael betaelen vrouwe Anna vurss. erven, wanneer die geene dat guet vurgemelt aenvangen sal, den dat geboerende wurt; voert soe sal mevrouwe. . . . vurss. wanneer die vurgemelte maeghen ind vrunden die sloeten ind guede aenvaenghen soelen, daer toe nogh uytreyeken ind wael betaelen voer oir tocht ind recht,.. . sy aen Loë heeft achtien hondert rynsche gulden, ind der sal elck partye van den sessen partyen der erffgenaemen vuyttrechten drye hondert Rynsche gulden, ind weert saeck dat sy binnen twee jaeren van leven ter doot quaeme, dat Godt verbyde, soo soelen die achthondert Rynsche gulden vurss. doot, inde van geender weerde syn ind aen den erffgenaemen blyven, ind yst saeck dat sy die twee jaeren vurss. beleeft, als sy off Godt wilt sal, soo soelen die achtien hondert rynsche gulden voorss. kommen ind erven op vrouwe Anna vurss. off ursdair teynden (?) gebreeck, dat Godt verbyede, op oir erven; voirt soe soelen heer Gaerdt van Harve ritter, ind her Adriaen van Broeckhuysen gedeelt syn aen die heerlyckheden van Geys/ercn mit allen synen toebehoeren, behalven dat nae inhalt des testaments daer myt besat is in soelen hiervan wederomme uytreyeken twee duysent ind vyffhondert Rynsche guldens; voirt soe soelen Stass van Broeckhuysen, Goessen Stecke ind Frederik van Ruytenbi:rgii gedeelt syn aen die heerlyckheyden van Lof in Wallaecken mitten laeten van Wynnekendonk mit al den toebehoeren ind mit alle guede tot Loë gehoorende daer heer Jan van Broeckhuysen inne bestorven is, ind soelen hiervan wederom vuytrejxken dr^ye duysent ind twee hondert rynsche gulden vurss. ind mitten vyffhondert rynsche gulden uytbesteden als voorss. steet, ind nogh drye hondert r\'n-sche gulden dee uyt den ampt van Kessel gaen soelen, dat syn t' saemen duysent Rynsche gulden die geordonneert syn totten

clooster tot Bommel...... sal men hebben totten rynt.... daer

beneden gelegen, dat saemen syn .... vyff ind seventigh rynsche

ocr page 277

gulden s)aers; voirt soo soelen Alarts kinderen vax Broeck-iiuysen hebben ind gedeelt syn vylf duysent Rynsche gulden, der andere drye duysent uit Loë reycken sal, ind uyt Geysteren twee duysent Rynsche gulden. Voirt soo soelen Willem, Gerardt, ende Johan van Broeckhuysen gebruederen, hebben ende gedeylt syn an die-halve heerlyckheyt van der Horst, als h' 'Jan van Broeckhnysen, zaliger gedacht, die gecocht ende gegolden heeft in it nacinen drye deel van der helft, ind da er toe vnytter de Rynthen van Raede twee dnysent rynsche gulden dacr van sy jaerlyrx hebben soelen dat aen den Rynsche?/ oevere baend: tzvee homiert malder rogge 's jaers, dat een houder t malder vnytter rynthen vurss. bes at is tot ten clooster ter Oosterham, an hondert malder ire den selven clooster vnytter de brieven van den ampt Kesse I; voirt soo sal Willem van Kessel hebben dat ampt van den lande van Kes-sel, mitter halver heerlykheidt daer toe gehoerende ind sal daer-van uytreycken, gelyck vurss. is, dats te weten ten eersten dat die vrouwe van Broeckhuysen hebben sal twellT hondert Rynsche gulden voir oir reght van der halver heerlyckheyt van der Horst, ind daertoe Willem, Gerardt ende Johan van Broeckhuysen gebruederen, duysent ryntsche gulden ind nogh drye hondert ryntsche gulden toe vollerst den vyff en seventigh ryntsche gulden 's jaers totten clooster te Bommel; voort soo sal vrouwe Anna voirgemelt hebben ind behalden alle alsulcke scholt als ons h(,ere Genade van Cleve ind syn vader zaliger gedacht heere Johan van Broeckhuysen schuldigh waeren ind syn, ind alsulcke scholt Jonc-ker Gerardt van Cleve etc. Johan Budeel zaliger gedacht schuldigh was ind is; voort soo dan gebreecken ind aenspraecken vaesten tot Loë syn, soo sal Stass van Broeckhuysen, Goossen Stecke, ind Frederik van Ruytenbergh daertoe vollest hebben ind behalden alsulcke scholt Joncker Gerardt van Cleve heere Johan van Broeckhuysen zaliger gedacht schuldig is; voort soo soelen dese ses partyen voorgemelt gelj'ckerhander hebben alsulcke neder-laege gelt ende scholt als ons gnedige heere van Gel ren, heere Johan van Broeckhuysen zaliger gedag lit schuldig is, vuytgeschey-den, dat toe den ampt te handt bereckt is, dan want heere Johan vuyt heere Gaert van Harve nogh schuldigh is van geleen-den gelde, ind andersints, soo sal hy hiervan voorvuyt hebben ende behalden vyil hondert Rynsche gulden, oock die brieven van

ocr page 278

— 272 —

Brabant, die sal men halden nae inhalt des testaments; oock oft saecke zvaere, dat Wilhelm van Kessel aenden auipt van Kessel ind den anderen Rynthen van Ra ede van on se gttedigen he ere van Gelren, cenigen last ojt indight aevqnacine vanden he ere Johan zvegen voorss. hts tot desen daege toe geschiet were, dat soelen die erjfgenaemen vnr-gemelt seinentlyek den anderen helpen draegen; voort en soelen dese erffgenaemen voorgemelt egeene rede aenspraeke, nogh toespraccke meer hebben, nogh behalden van allen saecken bis toe desen daege toe aen vrouwe Anna vurss. ofte aenden erven, in soelen hier mit mynlick ind gunstelycke tot allen syden vergeleecken ind gescheyden syn, ind bey malkanderen dat oeren ten bysten ind hieromme sal men wederomme te daege komen, ind brieve maecken nae den byste forme ende maniere daer men t' allen tyden mit bewaert is; oock oft eenige partyen in eenige deel synder deylinge oft t'samen, ind oock den executoren ind nae halt des testaments besat is, eenigh leet, last oft hinder daer in gedraegen wurde van yemant den saecke die eyn malckanderen ind oock den executoren ind den besitten als vurss. gelyck uythelpen draegen, malck op onss sellfs cost, uytgescheyden Stass van Broeckhuysen, Goossen Stecke, Frederik van Ruytenbergh van der heerlyckheyt van Loe, oock oft eenige gebreecken hier n temaels tusschen desen partyen vurgemelt quaemen oilquot; vielen die soelen staen ter cleesnisse deser vurgemelt ollt t'mees-tendeel van een Ind want wy vrouwe Anna van Broeckhuj'sen ind van der Straeten, of ind Gaert van Harve ritter, Adriaen van liroeckhnysen ritter, Goossen Stecke erlfmaerschalck etc., Stass van Broeckhuysen, Frederik van Ruytenbergg, Willem, Gerardt en Johan van Broeckhuysen gebruederen, Willem van Kessel ind vort Agnesse, ind Margryet van Broeckhuysen zeliger Alarts dughteren dit vurgemelt gescheydt, soe vvoe dat begrepen is, vast, stede ende onverbreeckelyck te halden willen ind soelen ind malck den anderen, daer egeene kost, hynder oft schaede aendoen ende soelen nogh en willen, nogh van onser wegen te laeten geschieden, soo hebben wy vurgemelte Fxecutorcn ind malck den anderen gelooft dit als vurss is vast, stede en onverbreeckelick te halden eenigh tegen-scggen ind alles sonder argelist, ind hebben des in oirconde der waerheyt alle puncten ind vunvarden vurss. sementlyck ind elck besonder ons segelen hier beneden opt spacium des placcaets ge-druckt. Ind want wy Agnese inde Margryet van Broeckhuysen

ocr page 279

gesusteren, zeliger Alarts dughteren, selven egeene segclen en hebben, soo hebben wy gebeden ende bidden heere Johan vanAren-daill ritter heere tot Well etc. vurss . . geerne gedaen heb, omme bede wil Agnese ind Margryet gesusteren vurss. gesegeit in den jaere ons heren duysent vierhondert ind eyn en vyfTtigh op onser Lieve Vrouwen dagh na.... Onder waeren gedruckt elfl'segelen, ende eenen inden marge in goenen wassche.

B I J L A G E N0 I I I.

Copia.

Extract vuytten register van de segelen brieven ende andere documenten ende muniinenten aengaende de fundatie olTte erectie ende translatie des godtshuys van Ostrum nu Mariensande voer Straelen, Reguliers ordens van St. Augustyn ende derselver in-compsten.

Copie van den Pandtbrieff daerby hertoch Arnold van Gel re, verseth heeft aen Johan van Broeckhuysen, alle syne renten, pachten, thinsen, hoenre, beden etc. voor ses duysent overlendtsche rynsche guldens A0 1435.

(Clausula concernens).

Wy Arnold van den genaeden Goidts hertoge van Gelre ende Gulick ende Greve van Zutphen, doen condt allen luyden ende bekennen voor ons, onsen erven ende naercomelinghen dat wy schuldich syn van gerechter witlicher schuldt Joiian van Broeckhuysen heere tot Loe ende toe Geysteren, onsen erf holmeester, rait ende amptman etc. ende syncn rechten erven, als van geleenden gelde ende verlaeckten cost, dat hy ons volmacht ende gedaen heeft, in onsen orber tot onsen, ses duysent overlendtsche Rynsche

ocr page 280

gulden alsop datum dess brieffs gemunt syn oft ander guet paye-ment daervoer, dat daer voor guet sal syn in den tydt der be-taeling ende want hy ons ter tyt alsoo bewant is, dat wy Johan vurss. die summe gelts nu niet betaelen en connen om grooter last willen en costs wille den wy hebben en doen moeten omme ons oirloighswille daer wy in syn, soo hebben zvy Johan vurss. gesat ende setten met desen brieven in al onsen renten, gulden, pachten, thynsen, hoenre, greut ende in alle andere opkoemende beden ende andere saecken, niet uytgescheyden, die wy hebben tot Raede ende in onsen lande van Kessel, die onsen Rentmeester aldaer gewoonlick is en plege te heffen ende te boeren van ons wegen nae inhalt ons rentbeuck, soodat Johan vurss. die-selve gulden, pechte en renthen soe vurss. staen, alle weege heffen ende boeren sail, sonder afslagh, ende daer sollen wy hem inne halden, ende des eyn rechte were syn also lange theent wy onse renthen vurss. loessende werden, soe dat geboeren sal ende hiernae beschreven sal staen. Oock houl (?) wy altyt, ende wanneer Johan oft synen erven, des noit geboeren mach, also verren hy van onsen ampte van Kessel ontsat wurde, onse amptluyden soo goet hebben ende bevelen doen, Johan ofte synen erven die vurss. onsen renten vuyt doen peynden alsoducke als hun des noodt sal syn, aen allen den eynen daer sich dat geboeren magh, en wy en sollen hem egheenen hinder doen, noch laeten geschieden van niemanden aenden vurss. onsen renten in te wynnen, ende op te boeren sonder argelist, beheltlick Johan heere tot Wyckray, Johan van Beuren heere tot Aerssen, Johan van Boitbergh onsen erff-maerschalck haere brieven, die aen deselve onse renthen in onsen lande van Kessel bewesen syn, voor datum diss brieffs sonder argelist, ende maecken Johan ende syne erven mechtich met dese brieve dat hy den voorss. persoenen ende alle degeene, die in onsen renten ons landts van Kessel bewesen ende bebriefft syn, die wy oft onsen naecommelingen aff loissen moegen dat Johan ende syne erven vurss. die moegen affloissen van ons weegen, ende in onsen naeme ende halden dan die geloste renten aen hoen selven; beheltlick ons ende onsen erven dander lossen aen Johan ende synen erven van den renten in al der maten als wy ,4ie affloyssen solden tegens die voorss. persoenen ende ofte ymandt die soe bewesen ende bebriefft were aen onse renten vurschreven etc.

ocr page 281

— 275 —

Onderstond: Gecollationneert tegen het voorschreven register is daermede bevonden t' accordeeren by my.

Glerinx.

lager:

1435

Pandbrief van Hertog Arnold.

BIJLAGE N0 IV.

Wij Arnolt van den genaiden Goitz Hertoge van Gelre, ende van Gulick ende Greve van Zutphen, doin kont alsoe als onse ondersaeten van Oestrum tot onse clockenslage, schattingen, beden, ende anders tot onsen kerspel van Raede in onsen lande van Kessel gelegen altyt van aldtz gehoirt, ende gestaan hebben, ende want wy dan dieselve onse ondersaeten noich van yemant ver-kurt segen, ende veronrecht hedden, soe bekennen wy voir ons, onse erven, ende nakomelingen mit desen openen brieve, dal wy die selve onse ondersaeten van Oestrum oich voirtaen in hoeren alden rechten, ende gueden gewoenten halden soilen, als sy van altz gehadt hebben, beheltlich doch ons onsze heerlicheit, ende sy aen onsen kerspel van Raede vursz. te laeten blyven, als sy oick van aids dairan gehoirt ende geweest syn, ende bevelen dairomme Derick van der Horst onsen raet, ende Amptman tesz tyt onss lantz van Kessel, ende voirt alle den ghenen die onse amptluide desselve onss lantz van Kessel hyrnamaels werden soilen, die selve onse ondersate van Oestrum vursz. te halden, ende te doin halden in hoenen alden rechten ende gueden gewointen, als sy by onsen voir amptluyden aldaer, van aldsgehalden syn, ende hoin daerinne nyet te verkurttec, noch van nyemande te doin oilquot; te laten verkamen in enigerwysz, want wy dat alsoe gedaen, ende gehalden willen hebben, ende all sonder argelist. Orkonde onss segels aen

ocr page 282

desen openen brieff gehangen in den jair onsz Heeren Dusent vierhondert vierintvyfftich op sint Hartholomeus avont Apostel. Onder was vuythangende eenen segel gedruckt in rooden wasse, aen eenen parquementen stert.

Ghecollationeert tegen den originelen brieff by die van Venraidt by hunne requeste civili den 4cn Februari 1048 in de sake tegens den Heere tot Geysteren overgegeven, is daermedc van wordt tot wordt bevonden te accordeeren by my hieronder gheschreven Raedt ordinaris van syne Mts Raeds in Gelderland. 13. Poeyn.

H IJ L A G K Nquot; V.

In namen des Heren. Amen. Khondt ende openbaer s)' allenn denn ghenen dien dyt gegen\\;ordige openbaer Instrument vur-bracht, oeck werden sehen off hoeren lesenn, dat ynden jaer naeder geboerten onsens Salichmaeckers Jhesu Ghristi doemen schreyff du3'scnt vylfhondcrt ende twee und veirtich inder XVe indiction up Vrydach den veirtheinden dach des maentz Aprilis tusschen thyen unnd eyllf uyren vurmiddage Pausdoms dess allerhillichsten yn Goth Vaders unnd Heren Pauli van Got licker vursichticheit paus des drytten, yn synen achten jaeren. In myns openbaeren notary unnd getuygen hierondergeschreven tegenwordicheit erschenen yst den eirbare Gaertgen Kuppen Ge-rychtz baidt dess dorps ind Kerspell van Roy, unnd helft yn nhamen unnd van wegen dess durchluchtigen hoichgeborenen ver-moegenden fursten unnd lieren heren Wylhem hertoch toe Guylick Gelre, Gleve unnd Bergh, Grave toe der Marck, Zutphen und Ravensbergh here tot Ravenstein etc. unserem genedigen fursten und heren dese nacbeschreven mannenn (glick sy myt yren nhaemen thoenamen ende alss sy se Hls sachten alderdom) hieronderschreven stain, by oerenn Eyden s}' hoichgedachten unseren genedigen heren gedain affgefraeget, toe wetenn: her Pauwels vicarius toe Venray

ocr page 283

alt wesende omtrynt negentich jaircn, Jan van der Gaet alt wesende omtrynt vyfF unde tachentich jaeren, Jacob Jongen alt wesende ombtrent seessunde tachtentich jaeren, Jann Schoemaecker van LXXXII11 jaeren, Tcuken van Aecken van X(gt;\' jaeren, Heyn Mychels van LXXX jaeren, Wylhem Pauwels van LXXV jaeren, Goissen Koppens van LXXX jaeren, Wilhem die Bay van LXX\ )aeren, Meus Symons van [.XXX jaeren, Jacob Dryssenn van LXXV jaeren, Gerj't Lynsen vann LXXV' jaeren, Rutger Scherrer van [^XXII jaeren, Gaert van Haen van LXXXV jaeren. Herman Broeren vann LXXV jaeren, Meus Roll'ertz van LXX\' jaeren, Wylhem Berthenn van LXV jaeren, Theus van den Sandt van LX jaeren, Theus Oehemmen van LX jaeren. Peter Cuyper van LXXX 111 jaeren, Jacob Verholt van LV jaeren. Jan Groenen van LXXV jaeren. Jan Verstappen van LXXXIX jaeren unnd Jacob Goissens van LV1I jaeren, als die alste des kerspels van Ray wat 3'n khundich is van der herlicheit van (Jesterum oil dieselve oeck yhevverlt totter herlicheit van (ieistern gehoert hellt oder nyet. \\res ynn dayrvan khundich were, solden sy nyemant/ toe lieff oder leidt by oeren Eyden seggen. Üayrop sy toesaemen vurss. ende eyn yeder vann hen besunder by oeren Eyden ge-sacht, dat sy nyhe werk gehoert oder anders geweten en hebben noch huydichs dagen anders weten dan dat die hoighe herlicheit van Oesterum toe weten klockenslach, geboth, verboth, dienst, waecken, broecken, schattinge hoichbroeck unnd alles gheenen tot der lioigher herlicheit toestendich, alle tyt gehoert hell't ende noch, glick eyn unnd myt dein kersspel van Ray, unsen genedi-ghen genedighen hertoigh toe Gelre etc. unnd nyet tot den heren van Geisterenn dan alleyne dat die heren van Geisteren gehadt ind gebruickt hebben die lege herlicheit tott vyfl' mareken toe ende nyet -wyders. Oeck helft Jacob Verholt vurss. gesacht dat hy synen vader hell't hoeren seggen dat tot (Jesterum die huysluyde eynen gefangen hadden omdat hy weecken hadde ge-lacht, diewelcke sath ende sang alsus in ell'ectum: „Sy huyden daer sy huyden, ick sals 3rn maecken muyden, sy wachten dayr sy wachten, ick spreek myn lied by nachten etc.quot; Sus sitten syn-gende hell't nyemant/. den mysdediger rechtferdigen dorven sonder syn hartoch AlolT van Gelre etc. hoichlofflicker gedachten per-soenlich toe Oesterum erschenen, ende hebben den mysdediger

ocr page 284

— 278 —

rechtferdigen ende setten laeten, tusschen üirloc ende Oesterum. Noch heflt Jacob Goissens gesacht dattet ej'ne tyt geleden is als hy gerichtsbaydt toe Ray was, dat hy tot Oestrum eynen mysdediger gehalt ende ther Horst by Wyttenhorst der tyt Drost slant/, van Kessel gefoirt hefl't, dair den mysdediger syne ougen uytgestoec-ken worden. Vorder hebben die gemeyne nabuyren omstainde gesacht, dat sy yngelick nyhe werlt anders gehoert oder geweten hebben (offte noch) dan dat die hoeghe herlicheit van Oesterum eyne myt den van Ray glick vurss. gehoert en helft. Üyt \v3'llen S3' alle tyt wannyer es van noeden und dairomme wyder gefraight werden gerne vestlicher oeck by oeren Eydenn uytdraegen ende seggen etc. Dan allen diesen puncten vurss. helTt Gaertgen Baide vurgemelt protecteirt unnd van m}' openbairen notario begert dairvan toe instrumenteren unnd yn eyne opene form toe stellen inne oeck e^'n olfte meher sovyl ynn noet openen instrumenten oder instrumenta inder bester formen dairvan toe maecken ende myt toe deylen. Dj't woe vurss. is geschiet binnen Ray onder der lynden up den have genandt inder jair onss heren, indictio maende daighe uyre ind paesdombs vurss, in tegenwoordicheit der Eirbaren priesteren her Herman Claissen ende her Johann Versmaecken vicarien bynnen Ra}' Luydickx Kreisdombs den geloell'werdige getu\'gen sunderlingen hiertoe geroepen ende gebeden.

Unnd want ick Jacob Gladder van Nuyss clerck Coelnj^sz Bys-tombz van paeslicker ind keyserlicker macht openbaer notarius by obgemelte saecken unnd getuychenysse vurss. sampt den getuigen gewest unnd van Gaertgen Guppen vurg. gemelter maeten erfor-dert und gebeden syn unnd sulx gesien ind gehoirt hebben, daer-omme heb ick dyt openbaer instrument dairoever gestelt unnd myt myner eygener hant geschreven ende onderschreven dairtoe myt mynen gewoenlichen notariaet teicken geteickent toe getuy-chenyssen aller opgemelter dyngen erfordert und sunderlingenn gebedenen.

Merkteekcn des notaris bestaande in de letters I. C. dooreen, daaronder een eenhoorn naar links gezvend op een trapezium, dat zich op een trap v.in drie treden verheft. In den eenhoorn de letters: H-a-b-e-t Op de bovenste trede: Vincit. qui. patitur. Op de trede daaronder: Jacobus. Gladder, qui. supra. Op de onderste: Fortune, spero. regressum.

ocr page 285

Op de buitenzijde staat van cene latere hand: „Num.XVK Instrument van verificatie ais dat Oestrum aitiet by Raey toegehort helt. En daaronder schreef de Venrayschc secretaris Jan Benedictus Coebcrgh in het t)egin der 18e eeuw: Raeckt die gerechtigheidt van Venraey, wegens Oosterum.quot;

B I J L A G E N0 I.

Oude rechterlijke archieven.

Gerechtsprotokol 1(130-—1774 nquot; 't l.

Copie van de sententie van de jurisdictie van den HoochEdel-geb. Heere van Oosterum tegens de Gemcynte Venraey.

Gesien by den Hove de Requeste van schepenen ende samentlycke gemeyne Naebuyren des kerspels Venraey inden Ampte van Kessel, mirte ordonnantie van citatie in cas van purgement civile den XIIIl martii 1639 daerop verleent, tegens Adam Schellardt van Oppen-dorll' Heere van Gheysteren etc. om syne actie die hy aengaende 't hooch ende middel gericht in de Heerschappie tot Oosterum ver-ineynt te hebben in desen Raede t' interteren, ende de aenspraecke in de conclusie dyen volgende op de Rol Ie van den XII may 1()39 by den voorschreven Heere tot Gheysteren Aenleggheren tegens de voorsch. schepenen ende gemeyne ingesetene tot Venraey voorschreven mit hun gevueght syne majesteyts momboir verweerderen overgegeven, contenderende de voorschreven aenleggher ten eynde verclaert soude worden, dat hem is competerende de hooge ende leeghe jurisdictie inde Heerlichheytt ende gerichte van Spraelandt ende Oosterum mit t' gheene daer van dependiert, met de possessie ende genot van dj'en, ende oversulex de voorss. verweerders gecondcmneert soude worden van hunne onrechtmaetige usurpatie ende detentie afstant

10

ocr page 286

— 280 —

te doen, mitte opkomsten, soo genoeten, als die daer van genoten connen worden, aliasque omnia meliori modo et forma cum ex-pensis etc., de voorscreven verweerderen ter contrarien sustinerende tot dyen replycke, suplycke, tripl3'ckc ende quadruplycke van partyen mette bescheeden daerby geappliceert, gesien oock des Aenlegghers requesten civile vanden 28 en 30 January mette extracten vuyt het Register van de leenen gelegen in desen overquartier van Gelder-landt daerby annex mette twee andere s3'ne requesten van den 3cn ende 12en February, ende die requeste civile van de verweerderen den 24c January, 4, 11, 17, G, 18 February, ll,,e ende 1G Marty, mette rescriptien daertegens ingedient, gesien oock 't vonnis interlucutoir des XII February inde saecke gegeven, schrif-tuires van voldoeninge, applicaeten, stucken ende prothocollen van wegen des Aenlegger ende verweerders respectivelyck dyenvolgende geëxhibeert op alles wel ende rypelyck geleth :

't Hoif doende recht in naeme ende van wege syne MaJ. als Her-toch van Gelre etc. interinerende de requesten civile vanden aenleg-gher, ende rejicierende die van de verweerderen verclaert dat des voorsscreven aenleggher is competerende die volcoomene jurisdictie inde Heerlickheyt van Oosterum ende Spraelandt, ende 't gheene daer van dependeert, ordonnerende oversulex de verweerderen hem daerinne gheene vernere indracht te doen op de pene by de reformatie gestatueert, deselve condemnerende tot dyen aenden Aenleggher te restitueeren tgheene sy in praejudicie van dyen hem onthouden hebben, t' sedert de litis contestatie, blyvende nochtans syne Maquot;1 onvercort in sj'n recht van manschap, cloc-kenslach ende beeden, volgende t' bescheet vanden 8 September 1406 in de acten overgegeven als oock den impetranten van citatie in nun recht van beleeringe, soe sy dat tot noch toe hebben gehadt in regarde van die van Oosterum en Spraelandt voorsscreven, oock aen-gaende die collectie vande schattinghen, syne majesteits beeden ende andere lasten daerinne t voorscreven kerspel Venraey aengeslaegen wordt, insgelycx in t'gheene is dependerende van de regieringe van de gemeynte gehoorende tot t' selve kerspel Venraey, voor soo veel die van Oosterum en Spraelandt mit hun aengehoorighe tot t' gebruyek derzelver gemeynte berechticht syn, verclaerende die verweerderen om anders versocht ende gesustineert te hebben in maeten ende vuegen niet ontfanckbaer, die costen om redenen

ocr page 287

compenserende. Aldus gedaen tot Ruremunde den XVIII Martii KUS, Onder stout. Ter ordonnantie van den Hove ende zvas oudcr-tee keui

N. Maen.

Accordeert dese copie mitte origineele sententie bv my onderschreven.

G. van Eyndt, secretaris.

BIJLAG E N0 V I I.

Copie.

Alsoo voor desen seeckeren Accordt was opgericht ende inge-gaen over 't point van schattinge tusschen den hooghEd. hoogh-geb. heere, heere Johan Vincent baron van Schellaert van Oppen-dorfT heere tot Gysteren, Oostrum, Oerlo, Spraelandt, Wanssum etc., Drossardt des ampts Kessei etc. ten eenre, ende de schepenen, ende regeerders der heerlyckheyt Venraey, ter andere syden, ende alsoo het selve accordt naerderhandt van die van Venraey voorsschreven is opgeseyt worden, soo ist dat op heden den sevenen-twintichsten Junii XVL' sevenentseventich wederomme ende op nieuws over de voorsschreven schattingen onder de voorsschreven partyen is gemacckt ende getroffen desen naervolgende accordt, te weten, dat den voornoemden heere baron van Gysteren ten regarde van den voorleden jaere soo verschenen is geweest Sint Jan Baptista lestleden, sal volstaen mits betaelende eene somnie van een hon-dert pattacons eens, ende aengaende het toecommende, soo is besproken ende ingegaen dat syne hooghEd. t voorss. van nu voor-taen voor de schattingen sal geven ende wel betaelen eene somme van een hondert ende vyfftich pattacons jaerlycx, waervan de helfte ad vyO'entseventich pattacons verscheene sal weesen ende betaelt moeten worden, tegens toecommende St. Jan Evangelist in den winter, ende de andere vyffenseventich pattacons een halff jaer daernaer op Sint Jan Baptista inden somer, alswanneer men

ocr page 288

— 282 —

schryven sal XVT achtentseventich, sullende het voorss. accordt alsoo duyrcn, ende onderhouden worden, ten tyde van acht volgende jaeren, midts ten vier jaeren den cenen den anderen sulcx sal mogen opseggen, ende geduyrende desen accorde en sullen de bouwluydens van syne hooggKd. voorss. oock niettegenstaende dyen gehouden wesen te betaelen, ende te lasten alle andere set-tingen dewelcke boven de schattingen vuytgeseth sullen worden, als setgelderen, capitatien, beestcngelden, logeringen ende ander-sints benellens andere nabueren sonder yetvves vuyt te sluyten, oil te te reserveren, ende daer en boven, soo heeft syne hooghEd. voorss. belooft dese voorss. gemeente offte heerlyckheyt Venraey, met syne diensten in cas noodich ten t}de van eenige logeringen te secoureren, soo veel mogelyck, ende dyergelycke onheylen all te weren, naer possibiliteyt, alles sonder arghlist. In Oirconde ende in teecken der waerheyt, soo syn hiervan gemaeckt twee gelyckluydende acten van eenen inhouden ende by syne hooghEd. voorss. ende saementlycke schepenen ende gesworens der voorss. heerlyckheyt Venraey, soo mede daer over ende aen syn geweest, eygenhandich onderteeckent. Actum Venray die ut supra.

(Wy) Johan Vincent i3aron von Schellardt van Oppendorllquot;, M arie Henriette baronnesse von Schellardt van Oppendorll'. Jan van Lendt, Geret Lemmens,

Teuken Janss, Meens Maes,

Nicolas Martiny, Jan Gur'tyens,

Jan Vergelt.

L

ocr page 289

— 28a —

B IJ L A G E N0 VII I.

SCHELLARDT.

Joannes Vinccntius Baro dc Schellart Dominus de Gheystercn -f 27 April 1683

x 1GG7 ^ ,

Maria Henrica de Schellardt. ^

1°. Adam Wilhelmus patrinus: Adam Willem Gomes dc geb. 10 Oct. 10G8 circa Schellardt (per Joannem DaemsJ)

horam 2quot;il merid. gedoopt matrina: Dom. Wilhelmina Baronissa Seq. de Bronckhorst Domina in Horst (per

domicellam Josinam de Waell).

2°. Joannes Albertus patrinus: Joannes Albertus comes de geb. G Nov.lGGD, in neces Schellart dominus de Doorweert etc.(per sitate per pastorem de Oirlo reverendum dominum Gerardum Ri-sine caeremoniis baptizatus, quart), matrina: R 1:1 et illustris Domina sed postea a me suppletis. abbatissa in Borset (per Theodoram uxo-

rem domini praetoris).

Deze twee kinderen werden den 11 Mei 1G77 door bisschop Reginaldus Cools gevormd, de eerste met de naam Jan, de tweede met dien van Vincent; peter was Jan Arnold van Schellart.

3°. Aleidis Maria patrinus: Dominus de Slenderen (per geb. 12 Mei 1G71. dominum de fy-natten de üpsinnich).

matrina:.... de Schellardt, domina de Opsenich (per domicellam sororem dominae puerperae),

4°. Albertina Ludovica patrinus: Wilhelmus Baro de Bockholt geb. 24 Juli 1(572. (per dominum Joannem Arnoldum co-

mifem de Schellardt).

matrina: Domicella Frentz (per Theodoram N. uxorem van Lith praetoris).

ocr page 290

— 284 —

5°. quot;Wilhelmina Caecilia patrinus: dominus Joannes Godefridus gcb. 13 Febr. 1G74 dc Gelder dominus de Aersen (per Her 20 Oct. 1G82. mannum Morini Pottebacker).

matrina: domina Gaecila etc. de Boch-holtz domina de Horst etc. (per Theo-doram uxorem praetoris van Lith).

G0. Philippus Fredericus patrinus: D. Ambrosius Firmondt ordi-Ambrosius nis Tuetonici in Gemert, (per Herman-

geb. 20 Juni 1075 mane num Morini Pottebacker).

circa 8vum matutinam. matrina: .... per d. Willi, Caeciliam de

Bocholtz etc. dominam de Horst etc.)

7°. Johanna Elisabeth patrinus: Joannes Arnold Comes de geb. 23 Juni 1077. Schellardt (per Hermannum Morini

Pottebacker).

matrina: Domina Baronissa dc.....

Domina de Arsen (per uxorem praetoris van Lith.)

8quot;cn 90.Degener Bertrandus en gem cl li Franciscus Gaspar geb. 13 Januarii 1082 gt;}i1e caeremonii^ suppletis 22 Maji.

patrinus: Dominus Degener Bertrand de Loho (Loë) dominus de Wissen etc (per Paulum Paderborn).

patrinus: dominus Gaspar Schenck com-mendator (1) (per eundem).


(I) Over dezen Caspar Schenck van Nj-deggen Komniandeur der Duitsche Orde te Ordingcn en Sierstorflquot; -|- te Brussel 24 April 1^8 en te Afferden begraven, zie Ferbcr, Geschichte der Familie Schenk von Nydeggen, ins besonderc des kriegsobrist-en Martin Schenk von Nydeggen. Koln und Xetiss, L. Schwann, i860, blz. 55 en 5ü.

%7i •/

Qfifietin. -«i 'h-if'

y /ƒ , ^ Ij/VWltl j // ft^ c

ocr page 291

285

i

Maria Henrica van Schellart hertrouwt met:

Menardus Baron de Lehndorlïop 't huis Langendonk onderGrefrath

patrinus: Franciscus etc. comes de Schellardt.

geboren te Geysteren : 1) Assuerus

Franciscus Florentius geb. 11 Oct. 1G87 circ. 9111111 matu-tinam, in necess. baptizatus et die 13 caeremoniis suppletis,

patrinus: Dominus Johannes Arnoldus comités de Schellart, dominus de Gürt-senich (per reverendum: Dominum Joly).

matrina: domicella de Slenderen etc. (per dominam de Raveschot etc.)

2) Maria Anna .... geb. 3 Februari 1690.

i,

I

„Den 23 Augusti 1719 is van Greveraet overgebraght het doode lichaem van de aide mevrouw van Geysteren, die daghs te voeren omtrent den sonnenondergangh aldaer was overleden, genaemt Maria Hendrina gravinne van Schellardt uyt het huys van Gurt-senich, die erstmael getrouwt is geweest met den Heer van Geysteren, waernaer met den baron LindoriT, dessens lichaem is alhier begraeven den 24 Aug. omtrent den neugen uyren savonds ende de exequien of uytvaert staet gehouden te worden. De uytvaert is gehalden worden met groote solemniteit den 24 October van hetselve jaer.quot;

I

r

li

, ' / yïhur*')

.'vxfiKtJn Af'( /

lt;W.. /.

Ylt;;

--

!:i

■rf$(pu/x ipr

I

ramp;Mh Jt*» *lt;a1 '

i

ocr page 292

lt;U H

O U gt; ^

r—lt; Ti

'n ^

Dh 0

O c

^3 ^

^ .Si So c

£X ^ O rt

bDT3

O c

c: o

3 H

ocr page 293
ocr page 294

- 288 —

W1TTENH0RST.

Jan van Wittenhorst

x

Adriana van Schagen.

1° 3d,: zoon : Willem Vincent van W. heer ter Horst en Drongelen huwde 1G4G Wilhelmina van Bronckhorst, kinderloos 25 Mei 1669.^ ? V** tiUetuJ t* If fii* m , fmzjief **■ lt; iUUU/.

Boven in het hoofdaltaar der Paterskerk te Venray prijkt hun gecombineerd wapenschild.

2° IG70 Catharina Caecilia van Bochholt met dispensatie in den 3en en 4en graad.

Alyda van Wittenhorst x Adam Schellart van OppendoriT heer van Geysteren.

Josina van Wittenhorst x Johan Sigismond von Wylich freiherr zu Lottum, herr zu Grubbenvorst en Grondstein.

VON EVNATTEN ZU OBSINNICH.

Michael von Eynatten zu Obsinnich

x

Catharina von der Ahr ertvrouw van Antweiler.

Winand van Eynatten herr zu Homburg, Obsinnich u. Antweiler

x

Maria barones van Schellardt van Obbendorff te Geysteren, leefde

nog 1G71.

Johan Theobald van Eynatten, kinderloos 170G.

Catharina Isabella van Eynatten x Willem Theobald van Eynatten te Reimersdaal.

Maria Anna van Eynatten x Walraven vrijheer van Schellart te Schinnen.

ocr page 295

- 289 -

BIJLAGE N° IX.

Testament van Adam Alexander graaf van Sc he Hart van Oppendorf,

25 Jan nar i 1804.

Au Nom du Seigneur ainsi-soit-il.

Pour obvier a toutes les difficultés quelconques qui pourraient s'élever a raison de ma succession, j'ai érigé les dispositions de ma dernière volonté de la manière suivante, comme je fais et ordonne par les présentes; je veux en consequence:

1°. Que ma dépouille mortelle soit inhumée selon ma condition, et qu'outre les cérémonies religieuses de mes funérailles, il soit encore célébré trois cent messes par les pères Franciscains d'ici, pour le repos de mon ame.

2°. II sera payé aux pauvres de l'Institut de Charité de cette ville cent Rixdalers.

3°. De tout ce, dont je puis avoir le droit de disposer par testament, j'institue pour mon héritière universelle Madame la Com-tesse Mimi, ou Marianne de Hoensbroich, domiciliée a Venlo, de sorte qu'elle soit propriétaire absolue de tous les biens, que je lui délaisserai.

4°. Je lègue a Madame de Folvi née de Halle mille Rixdalers.

5°. Je lègue a Monsieur le Lieutenant comte de Schellard, cgalement mille Rixdalers.— Cependant si ces deux personnes, savoir la dame De Folvi et Monsieur le Lieutenant de Schellard se pré sumeraient d'attaquer ma succession par Proces ou de quelqu'autre manière ils seront déchus de leurs legs, et ceux ci obviendront a mon héritière universelle.

6°. Je veux expressément par les présentes que mon héritière conserve tous mes domestiques, au cas néanmoins qu'elle forma la moindre difficulté a eet égard je veux:

7°, Qu'il soit payé au cuisinier Louis Schuirman sa vie durante, les gages, qu'il a eu jusqu'a présent, et qu'il lui soit donné par mon héritière, et a son choix, le meilleur habillement de ma garde-robe, et que mon héritière tienne pour bon et inviolable ce

ocr page 296

— 290 —

que j'ai promis, dc lui dormer par un billet particulier, commc s'il était inséré de mot a mot dans les présentes.

^0. II sera pa3ré a la ménagère, ainsi qu'aux autres domestiques s'ils ne sont pas conserves par mon héritière, deux années de gages, avec celle courante, et donné a chacun ainsi qu'au cuisinier un habit de deuil.

9°. Je nomme pour executeur de mes présentes dispositions Monsieur le Général Baron de Gaugreben, dc manicre qu'il pourra substituer tel autre que bon lui semblera ou abandonner le tout a mon héritière.

10°. Tout ce qui sera trouvé écrit ou signé de ma main et ajouté a mon présent testament, sera considéré et tenu, comme s'il était exprimé de mot a mot dans le dit testament.

Si les présentes dispositions de ma dernicre volonté ne pour-raient subsister comme testament solemnel, alors )e veux qu'elles soient valables comme codicile, donation a cause de mort, ou de toute autre manière en droit. En foi dc quoi j'ai signé les dispositions de ma présente dernicre volonté dc ma main propre et requis les notaire et témoins ici présens, d'attester ma présente signature. A Dusseldorfl' ce vingt-cinq Janvier mille huit cent quatre. (signé:) G. v. Schellardt. A cóté étaient imprimés ses armes en cire rouge.—

Dusseldorff ce vingt-cinq Janvier mille huit cent et quatre a deux heures et demi de la nuit. Monsieur le comte Adam Alexandre de Schellard gissant malade dans son lit, remit a nous notaire et témoins soussignés spécialement requis, le présent écrit, déclarant qu'il contient sa dernière volonté laquelle il a fait mettre sur papier et dont il s'est fait donner lecture par une personne de confiance.

En foi de quoi Monsieur le Comte de Schellard a signé cette dernière volonté en notre présence, et nous a requis d'attester ses présentes signature et déclaration, et en conséquence de solcm-niscr ses dispositions a l'effet dc quoi nous notaire et témoins avons signé les présentes et muni dc nos sceaux. Ainsi fait dans la chambrc des malades dc Monsieur 1c Comte, sans avoir divert! a autres choses.

(Signé:) Jean Guillaume Packenius commc témoin spécialement requis, a cóté était son sceau.

ocr page 297

Jean Jacques Nolden comme témom spécialcment requis, a cóté était son sceau.

Jean Guillaume Clouth comme tcmoin spécialement requis, a cóté était son sceau.

Jean Jacques BLieking comme témoin spécialement requis, a cóté était apposé son sceau.

Pour la confirmation de eet acte fait sans interruption et des signatures de Monsieur le Comte de Schellard, ainsi que des témoins apposées en m:i présence (signé) Haager, notaire, spécialement requis a Pellet des présentes, a cóté était son sceau.

Ouvert et prélu a Dusseldorllquot; ce sept Février mille hu it cent qi.atre (signé:) Haager notaire.

Enregistré a Mastricht le vingt Pluvióse an doiue (10 Febr. 1H04).

1° pour le premier legs.........ƒ 2.50

2° pour le second............ ().2r)

.gt; pour le troisième..........„ (51.OJ

4° pour le quatrième..........„ öl.OO

5quot; pour le legs universel....... . . „ ;5.00

6° pour Ie legs éventuel au cuisinier.....„ ;5.()()

7° pour pareil legs aux autres domestiques au nom-bre présumé de trois.............!).—

Ir. 140.-— décime 14.58

1(50.;!;!

Total cent soixante francs trente trois centimes.

(signé:) Evrard.

Pour traduction lidèle de la langue allemande en francais, et copie collationné sur l'original.

(signé:) E, J. Lefebvre, notaire.

La présente, extracte par le soussigné André Michel Mendrix notaire public dans le département de la Roer, a Ia residence de Helden, d'une traduction lidèle de la langue allemande en francais, et copie collationnée faite et donnée par les citoj'ens Emmanuel Joseph Lelebvre et son confrère Théodor van Gulpen, notaires publics a Mastricht, departement de la Meuse Inférieure, sur l'original, qui est déposé pour minute auprès le dit Lefebvre confor-

ocr page 298

— 292 —

mément a Facte de dépot dressé par les dits notaires en date du vingt-huit pluvióse an douze. Enregistré a Mastricht le mèmc jour La dite copie collationnée signée du dit Lefebvre rendue a Madame Marie Anne de Hoensbroich ce ayant requis, fait a Helden le treize floréal an douze de la République Francaise (3 Mei 1804).

Hendrix,

notaire.

Enregistré a Gueldres ce 13 floréal an 12 IK 23 R. C. 4, recu cent dix centimes fubvention comprise.

Fin eau (?)

Bezijden in rood lak het teeken des notaris, stelt voor een maagd met weegschaal in de rechterhand, naar links gewend (heraldisch rechts) leunende op een steenen tafel met de woorden: leges et mores; rondom de woorden: Ressort du tribunal de paix d. Horst Koer. Onderschrift: Hendrix a Helden.

B IJL AGE N0. X.

1483, 3 April,— Bulle van Paus Sixtus IV waarbij toestemming tot overbrenging van het klooster der reguliere kanoniken van den H. Augustinus, congregatie van Windesheim, van Oostrum naar 't Sand bij Straelen.

Met executoriaal brief en vidimus van 7 Juli 1484.

Universis et singulis Christi fidelibus utriusque sexus tam eccle-siasticis eciam quorumcumque ordinum regularibus quam secu-laribus cuiuscumque dignitatis, status, preeminencie, gradus, ordinis vel condicionis fuerint, necnon collegiis, conventibus et communitatibus quibuscumque per civitates et dioceses Colonien-sem, Leodiensem et Trajectensem et precipue per inclitum duca-tum Gelrie aliasque ubilibet constitutis illique vel illis ad quem vel ad quos presentes litterae pervenerint ac quem vel quos sub-

ocr page 299

scnptum concernit negocmm seu concernere potent quomodohbet in futurum conjunctim vel divisim, Johannes de Arssen prepositus Sancti Cuniberti Coloniensis et sancti Spiritus Ruremundensis dicte Leodiensis diocesis ecclesiarum executorque ad infrascripta unacum cum certis nostris in hac parte collegis cum hac clausula; quatenus vos vel duo aut unus vestrum, si et postquam dicte littere vobis presentate fuerint per vos vel alium seu alios eciam a Sancta Sede apostolica specialiter deputatus, Salutem in domino sempitcrnam nostrisque hujusmodi ymmoverius apostolicis firmiter obedire mandatis; Litteras Sanctissimi in Christo patris et domini nostri dornini Sixti divina providentia pape quarti unam videlicet gratiosam (?) in lilis sericeis rubei croceique colo-rum aliam vero executoriam cum cordula canapea veris bullis plumbeis ipsius domini nostri pape more Romane curie impen-dentibus bullatas, sanas, integras et illesas, non cancellatas nec alias viciatas nequc in aliqua sui parte suspectas sed omni pror-sus vicio et suspicione cardites, nobis proparte venerabilium et religiosorum virorum dominorum capituli generalis in Wyndes-hem, prefate Trajectensis diocesis, ordinis sancti Augustini cano-nicorum regularium necnon prioris et conventus monastery beate Marie ad arenam prope Stralen, dicte Coloniensis diocesis, eius-dem ordinis, principalium in ipsis subinsertis litteris apostolicis principaliter nominatorum, coram notario publico et testibus infra-scriptis presentatas, nos cum ea, qua decuit reverencia, recepisse tenoribus subsequentibus: // SiXTUs episcopus Servus Servorum dei ad perpetuam rei memoriam, iis que pro divini cultus aug-mento et Christi fidelium animarum salute provide facta sunt, ut illibata persistant, libenter cum a nobis petitur nostri adjicimus muniminis firmitatem. Dudum siquidem felicis recordacionis Paulo pape II predecessori nostro pro parte dilectorum filiorum capituli in Windeshem, ordinis sancti Augustini canonicorum regularium, Trajectensis diocesis, exposito, quod quondam Johannes de Broichusen miles ducatus Gelrensis de bonis sibi a Deo collatis suum condiderat testamentum, in quo inter alia unum monasterium canonicorum dicti ordinis subjectum capitulo prefatis sub parro-chia Venrade et fundo capelle in Ostrum, Leodiensis diocesis, in dominio ejusdem Johannis fundari voluerat et optaverat ac funda-verat, accedente adhoc apostolica auctoritate et sedis apostolicc

ocr page 300

— 294 —

confirmacionc ct ad illud construendum eciam in dicto suo tes-tamento constituerat ct deputaverat duas curtes, unam videlicet sub parochia Beeck 'Ihomacken et aliam sub pa roc hi a Wese Icr-u i a sen nuncupatas, et quatuor milia Horenorum superioris monetc a quondam Adoipho duce Gelre pro decima ducentorum maldrorum siliginis et aliis parvis decimis in villa Rade singulis annis per-cipiendorum, et quod postmodum dilecti filii presidentes dicti capi-tuli, patres nuncupati, considerantes locum ipsum pro construendo monasterio propter contiguam diversorum monasteriorum feminei sexus illic cohabitacionem et populi multitudinem ac loci sterili-tatem et paludinem non fore aptum et convenientem, cum esset propter ilia pocius ruina timenda quam structura captanda, deli-berabant hujusmodi fundacionem convenicncius perlicere posse in fundo capelle beate Marie ad arenam sub parochia de Stralen, Coloniensis diocesis, et ad premissa laborante et cooperante ac principaliter fundare volente prefato duce, qui illam structuram in loco predicto ex certis causis animum suum moventibus de bonis suis proprys consummare et redditus sive pensionem ducentorum maldrorum siliginis predictorum illi perpetuo ascribere pro-ponebat et intendebat, quoad hoc dilectorum filiorum Wilhelmi de Brede, pastoris in Stralen, utriusque juris doctoris, executoris dicti testamenti predict! Johannis, et Gobelini rectoris predicte capelle beate Marie, per medium dicti ducis, consensum impetra-verant et obtinuerant ct eciam idem Johannes, qui in predicto suo tcstamento ccrta bona ordinaverat pro constructione nove domus fratrum ordinis fratrum beate Marie de Monte Carmelo sub regular! observancia dicti monastcrii beate Marie inventum in opido de Bomcl dicti ducatus construende, scripserat inde execu-toribus dicti testamenti cum esset in via ad terram Sanctam in qua postea obierat, quod si fratres dicti ordinis Carmellitarum de hujusmodi domo construenda nondum se intromiserant vcl per-ficere neglexerant extunc eciam ilia bona devolverentur in sub-sidium monastery canonicorum hujusmodi citius crigendi et per-fectius contirmandi, in qucm usuni ipsi executores, quia fratres predicti dc domo erigenda se non intromiserant, ipsa bona eisdem deputata juxta voluntatcm testatoris eisdem canonicis regularibus applicaverant ct ilia coram certis notario publico ct tcstibus fide-dignis renunciaverant. Ipse Paulus, predecessor, ducis et capituli

ocr page 301

— 295 —

predictorum supplicationibus inclinatus abbati monastcrii Campcn-sis Coloniensis diocesis ejus proprio momine non exprcsso, suis dedit littcris in mandatis, ut si et postquam vocatis dictis fratribus ordinis Carmellitarum ct aliis qui forent evocandi sibi dc renun-ciacionc et aliis premissis omnibus et singulis legitime constaret, renunciacionem predictain ea vice dumtaxat reciperet et admit-teret eaque per eum recepta ct udmissa capitulo prefatis fundandi et erigendi monasterium predictum in codem loco dc Stralen plenam ct libcram licenciam largiretur bonaque predicta tune concessa et imposterum concedenda dicto erigendo monasterio per-petuo concederet et assignarct, nccnon monasterium ipsum postquam siccrectumforctprcfato Capilulosubiceret et submitteret,prout in ipsius Pauli predecessoris littcris plenius continetur. Cum autcm, sicut exhibita nobis nuper pro parte capituli predictorum et dilec-tor filiorum Prioris et conventus dicti novi monastcrii beate Marie peticio continebat dilcctus lilius Menricus abbas dicti Monastcrii Campensis ad littcrarum predictarum executionem proccdcns, citatis coram co generaliter omnibus et singulis sua communitcr vel divisim interesse putantibus, dc consensu dictorum Wilhelmi ct Gobclini recepta prius per cum summaria informacione premis-sorum, capitulo prefatis ac Rectori et canonicis monastery sive domus dicti loei de üstcrum dicti ordinis Sancti Augustini fundandi, et erigendi novum monasterium in dicto loco ad Arenam licenciam concessit, ac domum dc Ostcrum bujusmodi cum omnibus juribus et pertinencys suis, fratresque sive canonicos et pcr-sonas illius ad eundem locum ad arenam transtulit bonaque eidem domui sive monasterio in Ostcrum concessa en concedenda eidem monasterio erigendo perpetuo concessit et assignavit prout in littcris ipsius Henrici abbatis desuper confectis plenius dicitur contincri. Et ut eadem peticio subjungebat, licet capitalum de Wyndeshem ac Rector et fratres sive canonici domus in Ostcrum hujusmodi litterarum et processuum predictorum vigore novum monasterium in dicto loco ad Arenam fundaverint derexerint illiusque nccnon bono-rum ct reddituum predictorum possessionem ante plures armos proxime decursos assccuti fuerint, prout ilia possident de present], quia tarnen minus veraciter in dictis littcris predecessoris predicti expressum fuit dictum locum dc Ostcrum propter contiguam diversorum monasteriorum feminei sexus cohabitationem ct populi

ii

ocr page 302

— 296 —

multitudincm, et quod Wilhelmus fuit executor testament! dictl Johannis, quodque dictus Henncus abbas lite non contestata et forma dictarum litterarum non servata sed summaric in dicto loco ad Arenam qui insignis non est ad executionem dictarum litterarum processit, dubitatur ab aliquibus premissa viribus non subsistere, pro parte capituli in Wyndeshem ac prioris et conven-tus predictorum nobis fuit humiliter supplicatum, ut litteris Pauli predeccssoris etHenrici abbatis predictorum ac erectioni, translationi, applicationii et assignacioni predictis pro illorum subsistencia (ir-iniori robur apostolice confirmacionis adjicere, aiiasque in premis-sis oportune providere de benignitate apostolica dignaremur. Nos igitur qui religionis propagacionem et divini cultus incrementum pro animarum salute intcnsis desideramus affectibus capitulum Wyndeshem ac prioris et conventus predictorum asserencium quod dilccti lilii capitulum fratrum dicti ordinis Carmelitarum et eciam executores dicti testamenti per publica instrumenta premissis suum prestiterunt assensum supplicacionibus inclinati Pauli predeccssoris prefati erectionem, translacionem et assignacionem pre-dictas et prout illas concernunt omnia ct singula in dictis litteris desuper confectis contenta ac indesecuta quecumque auctoritate apostolica tenore presencium approbamus ct confirmamus ac prc-sentis scripti patrocinio communimus, supplemusque omncs ct singulos dcfcctus, si qui forsan intcrvencrint in eisdcm, non ob-stantibus premissis ac constitucionibus et ordinacionibus aposto-licis, necnon capituli de Wyndeshem et ordinum predictorum juramento, confirmacionc apostolica vel quavis (irmitatc alia robo-ratis statutis et consuetudinibus, cetcrisquc contrariis quibus-cunque. Nulli ergo omnino homini liccat hanc paginam nostrc approbacionis, confirmacionis, communicionis ct supplcctionis in-fringere vel ei ausu temerario contraire. Si quis autem hoe at-temptare presumptcrit indignacionem Omnipotentis Dei et bca-torum Petri et Pauli apostolorum ejus se noverit incursurum. Datum Rome apud Sanctum Petrum anno incarnationis dominice millesimo quadringentcsimo octuagesimo tcriio, tci iio nonas apri-lis, pontificatus nostri anno duodecimo. SiXTUS cpiscopus servus servorum Dei dilectis liliis preposito sancti Cuniberti Coloniensis et sancti Pauli Leodicnsis et sancti Victoris Xanctensis Coloniensis dioccsis dccanis ecclesiarum salutem et apostolicam benedic-

ocr page 303

tioncm, Hodie litteras felicis recordacionis Pauli papc 11 prcdc-cessoris nostri, per quas dilectis filiis capitulo in Wyndeshem ordinis sancti Augustini canonicorum regularium Trajcctcnsis diocesis fundandi et erigendi monasterium in fundo capelie beate Marie ad Arenam sub parochia de Stralen Coloniensis diocesis licencia concedebatur ac prout illas concernebant omnia et singula erectionem translationem, applicationem et assignationem in eis-dem littcris contenta auctoritate conlirmavimus et approbavimus supplevimusque omnes et singulos delectus, si qui i'oisan interve-nerint in eisdem, prout in nostris inde confectis ütteris plenius continetur. Quocirca discretioni vestre per apostolica scripta mandamus, quatenus vos vel duo aut unus vestrum, si et postquani dicte littere vobis presentate fuerint, per vos vel alium seu alios premissa omnia et singula ubi, quando et quociens expediens fuerit, solemniter publicantes faciatis ea omnia, prout per nos approbata fuerint, inviolabiter observari, non permittentes dilectos (ilios priorem et conventum dicti monasterii ac capitulum de Wyndeshem dicti ordinis, cui subsunt, super premissis molestari, contra-dictores per censuram ecclesiasticam, appellacione postposita, com-pescendo, non obstantibus omnibus que in diens ütteris volu-mus non obstare. Seu si aliquibus communiter vel divisim a sede apostolica indultum existat, quod interdici, suspendi vel excom-municari non possint per litteras apostolicas non facientes plenam et expressam ac de verbo ad verbum de indulto hujusmodi men-cione. Datum Rome apud sanctun Petrum anno incarnacionis dominice millesimo quadringentesimo octuagesimo tercio, tercio nonas Aprilis pontiflcatus nostri anno duodecimo. Postquarlm quidem preinsertarum litterarum apostolicarum presentacionem et receptionem nobis et per nos, ut permittitur, factas, fuimus pro parte dominorum capituli in Wyndeshem ac prioris et conventus monasterii beate Marie in Arena principalium predictorum debita cum instantia requisiti, quatenus ad earundem litterarum apostolicarum et in eis contentorum executionem procedere eisque pro tuitione et conservatione litterarum et contentorum huiusmodi ad-versus molestatores quoshbet et alios sua communiter vel divisim lorsan interesse putantium sub censuris ecclesiasticis processus opor-tunos decernere et concedere dignaremur. Nos igitur requisicione huiusmodi iustam fore attendentes volentesque tlicias preinsertas

ocr page 304

— 29« —

litteras apostolicas et mandatum nobis illarum virtutc factum, rcvcrcntcr cxcqui, ut tcncmur, easdem preinsertas litteras et hunc nostrum processum et singula in eis contenta vobis universis et singulis, quibus ipse noster processus seu presentes nostre littere diriguntur, tenore presencium itimamus, insinuamus et notilicamus ac ad vestram et cujuslibet vestrum noticiam deducimus et deduci volumus per presentes, vosquc nichilominus et vestrum quemlibet auctoritate apostolica, nobis commissa et qua, ut prefectur, fungi-mur in hac parte, eodem tenore requirimus et monemus primo, secundo, tercio et pemptorie vobis et vestrum cuilibet in virtute sancte obedientie et sub infrascriptarum sententiarum penis dis-tricte precipiendo mandantes, quatenus more et intellectis presen-tibus et postquam illorum vigore pro parte dictorum dominorum capituli de Wyndeshem ac prioris et conventus monastery beate Marie in Arena principalium fueritis requisiti seu alter vestrum fuerit requisitus, eosdem dominos capitulum ac priorem et conventum principales in pacilica et quieta possessione translacionis et erec-tionis dicti monasterii sive domus beate Marie in arena prope Stralen necnon applicacionis, consignacionis, donacionis et conces-sionis bonorum, jurium, libertatum et privilegiorum, de quibus in jamdictis preinsertis litteris apostolicis lit mencio, in qua inpre-senciarum existunt, absque omni turbacione impedimento, vel mo-lestia, eosque possessione hniusmodi necnon jure translacionis, erectionis, consignacionis, donacionis et concessionis predictarum libere uti, frui et gaudere permittatur ac omnem molestiam om-neque impedimentum eciam quovis ecclesiastico vel seculari iudi-cio mediantibus ipsis dominis principalibus in et adversus pre-missa qualitercunque factam et factum deponatur et ab illis desistatur ac quilibet vestrum, quem idipsum concernuit negocium, permittat, deponat et desistat cum effectu. Inhibemus insuper vobis omnibus et singulis supradictis sub eisdem infrascriptarum sententiarum penis, ne dictis dominis capitulo de Wyndeshem ac priori et conventui monasterii beate Marie in Arena principalibus, quo minus possessione, translacione, erectione, con-signacione, donacione et concessione antedictis, juxta seriem dicta-rum litterarum apostolicarum libere et quiete uti, frui et gaudere possint impedimentum aliquod prestetis seu aliquis vestrum prestet per se vel alium seu alios, eciam quocumque iudicio prenotato

ocr page 305

— 290 —

mediante, publice vel occulte, directe vel indirecte quovis quesito colore. Quod si forte monicionibus, requisitionibus, inhibicionibus et mandatis nostris huiusmodi ymoverius apostolicis non paruetis cum effectu, nos in vos omnes et singulos antedictos et generaliter in contradictores quoslibet in hac parte et rebelles ac impedientes ipsos dominos capitulum de Wyndeshem ac priorem et conventum principales super premissis in aliquo ac eos impedientibus dantes auxilium,consilium vel favorem singulariter in singulos trium dierum^ quos vobis et ipsis super hoc pro omni delacione ac monicione canonica assignavimus lapso termino, exnunc prout extunc et prout exnunc excommunicacionis in capitula vero conventus et collegia quecumque in hj's delinquencia, suspensionis a divinis, et in ipso-rum delinquencium ecclesias, monasteria et capellas ac etiam com-munitates quaslibet contradicentes inobedientes interdicti ecclesias-tici sententias ferimus in hys scriptis et eciam promulgamus. Ceterum cum ad execucionem premissorum ulteriorem facien-dam nequamus ad presens pluribus alys prepediti negocys persona-liter interesse, universis et singulis dominis abbatibus, prioribus, prepositis, decanis, archidiaconis, scholasticis, cantoribus, custodibus, thesaurarys, sacristis, succentoribus tam cathedralium eciam metro-politanarum quam collegiatarum canonicis parochialiumque eccle-siarum rectoribus seu locatenentibus, eorundem plebanis, viceple-banis, capellanis curatis et non curatis, vicariis perpetuis, altaristis ceterisque prebyteris clericis notariis et tabellionibus pu-blicis quibuscumque per civitates, dioceses et loca supratacta aliis-que ubilibet constitutis auctoritate et tenore supradictis committi-mus plenarie vices nobis donee eas ad nos duxerimus revocandas, quos nos eciam eisdem auctoritate et tenore requirimus et monemus primo, secundo, tercio et peremptorie ipsisque et eorum cuilibet in virtute sancte obedientie et sub excommuninationis pena, quam in eos et eorum quemlibet simili trium dierum monicione previa ferimus in hys scriptis, nisi fecerint que mandamus districte principiendo man-dantes, quatenus accedentibus quo pro parte dictorum dominorum capituli de Wyndeshem ac prioribus et conventus principalium conjunctim vel divisim fuerint requisiti, seu alter illorum fuerit requi-situs, ita tarnen quod in hys exequendis alter alterum non exspectet nee unus eorum per alium se excuset prefatas litteras apostolicas et hunc nostrum processum omniaque et singula in eis contenta vobis

ocr page 306

omnibus ct singulis antedictis communiter vel separatim presentent, legant, intiment ct fidcliter publicare procurent, ipsosque dominos capitulum de Wyndeshem ac priorem et conventum principales in possessione, translacione, erectione, consignatione, donacione et concessione prenarratis usuque premissorum adversus vos omnes et singulos quibus presens noster processus dirigitur aliosque quoscumque tueantur atque defendant, nec eosdem dominos capitulum de Wjmdeshcm ac priorem ct conventum principales in et super premissis aliquatenus perturbari, molestari. vexari vel impe-diri permittant seu aliquis ipsorum permittat quoquomodo, et generaliter dicti subdelcgati nostri omnia et singula alia nobis in hac parte commissa plenarie exequantur juxta traditam a sede predicta nobis formam, ita tamcn quod iidem subdelcgati nostri nichil in prcjudicium dominorum capituli de Wyndeshem ac prioris et conventus principalium predictorum in premissis valeant attemptare nec in processibus per nos habitis vel habendis absol-vcndo vel suspendcndo aliquod annovare in illis autem que eisdem dominis capitulo dc Wyndeshem ac priori et conventui prin-cipalibus nocere poterunt in premissis scu in aliquo obesse, ipsis subdelegatis ct eorum cuilibet potestatcm omnimodam denegamus. Et si contigerit nos in premissis ulterius procedere, de quo nobis potestatcm plenariam reservamus, non intcndimus propterea coin-missionem nostram hujusmodi in aliquo revocare nisi de revoca-cione ipsa, spccialem et expressam in nostris litteris fecerimus mencionem. Per processum autem nostrum huiusmodi non intcndimus nostris in hac parte prciudicare collcgis quominus ipsi seu alter eorum, servato tamen hoc nostro prccessu in huiusmodi execu-ciones ncgocio procedere valeant seu alter eorum valeat prout sibi visum fucrit expcdire, prefatas quoque litteras apostolicas et hunc nostrum precessum volumus penes dictos dominos capitulum dc Wyndeshem aut priorem et conventum principales remanere et non per vos vel ipsos subdelegatos aut alium seu alios quoslibet ipsis invitis quomodolibct detineri, contrarium vero facientes pretactis nostris sententiis, prout in scriptis late sunt, ipso facto volumus subiacerc. Mandamus tamen copiam fiere de premissis earn petentibus ct habere debentibus, potencium quidem sumptibus ct expensis, absolucioncm vero omnium et singulorum qui dictas nostras sententias scu earum aliquam incurrerint scu incurrcrit quovis modo

ocr page 307

— 301 —

nobis vel superior! nostro tantummodo rescrvamus. In quorum omnium et singulorum fidem et testimonium premissorum presentes iitteras sive hoc presens publicum instrumentum huiusmodi nostrum processum in se continentes sive continens exinde fieri et per no-tarium publicum infrascriptum subscribi et publicari mandavi-mus nostrique sigilli jussimus ct fecimus appensione communiri. Datum et actum Colonic in domo habitacionis nostre sub anno a nativitate domini millesimo quadringentesimo octuagcsimo quarto, Indictione secunda, die vero Mercury septima mensis Julii, pontificatus sanctissimi domini nostri domini Sixti pape prefat1 anno terciodecimo, presentibus ibidem honorabilibus et discretis viris domino Johanne Franck de Langenbergh, canonico ecclesie Reate Marie in capitolio Coloniensis et Jacobo de Veteri Ecclesia sartore, laico prefate Coloniensis diocesis testibus ad premissa vocatis specialiter et rogatis.

Ex ego Rodolphus van der Masen de Hernen, clericus Coloniensis diocesis publicus sacra imperiali auctoritate et venerabilis curie Coloniensis notarius juratus, quia preinsertarum litterarum aposto-licarum presentatione et receptioni necnon censurarum fulminacioni, subdelegacioni ct huiusmodi processus decreto omnibusque alj's et singulis premissis, dum sic, ut premittitur, per venerabilem dominum Johannem de Arssen, prepositum ct executorem supradictum ac coram co fierent et agerentur unacum prenominatis testibus intcrfui eaque sic fieri vidi et audivi, idcirco presens publicum instrumentum manu mea propria scriptum exinde confeci ct in banc for-mam publicam redegi, signoque ct nomine meis solitis ct consuetis unacum prelibati domini prepositi ct executoris si^illi appensione §ubscripsi et signavi in fidem et testimonium omnium eorundem rogatus et rcquisitus.

Orig. op perkament met het zegel van Johannes de Arcen voorstellende: Cod de Vader in een zetel waarachter zich een behangsel uitstrekt, de rechter hand zegenend opheffend en in de linker een aardbol houdend; op zijne borst de H. Ceest; voor zich houdt hij tusschen de knieën een kruis waaraan Cod de Zoon hangt; ter weerszijden twee aanbiddende engelen.

ocr page 308

— 302 —

BIJLAGE N° XI.

1475. 2 December. — Gysberttts de For amine, pastoor van Venray geeft toestemmivg voor de stichting van het Vromvenklooster te Oostrum.

Universis et singulis praesentes nostras litteras visuris seuaudi-turis ego Gysbertus de Foramine, curatus seu rector parochialis ecclesiae St. Petri in Venraede Leodiensis diocesis, canonicus Lubi-censis et Camerae Apostolicae collector, quia in relatione sum-maria et alias in charta comperi et inveni religiosis dominis priori et conventui monasterii beate Maria in Arena prope Straelen, ordinis canonicorum regularium, locum monasterii in Oostrum, quem quondam inhabitaverunt, pro eorum competentibus vita et statu et ordine inibi deducendis non convenire habitoque consensu et assensu pracdeccssorum meorum, ut et in casu quo locus prae-fatus per veros religiosos sive canonicos regulares, quocumque defectu obstante, non possideretur, canonissae sive sorores ejusdem ordinis introducantur, idcirco per presentes notum facio quod libera mente ct spontanea voluntate ad honorem Dei Omnipoten-tis et suae Matris Virginis gloriosae Mariae sanctique Augustini, cpiscopi, doctoris eximii, populique mihi subjecti aedificationem et utilitatcm omnibus modis, via, jure, causa, quibus possum ac debeo, consensi et consentio pro me meisque dictae ecclesiae in Venrayde in futurum successoribus ct rectoribus, venerabilibus ac religiosis viris ac dominis Petro de antiqua Ecclesia priori ac conventui monasterii B. Mariae in Arena prope Stralen, ordinis canonicorum regularium Coloniensis diocesis, quod possint ac valeant erigere et fundare monasterium ct conventum sororum regularissarum ordinis S. Augustini episcopi, in bonis seu praediis suis in villa de Oostrum juxta capellam et in parochia mea praetacta situatis, in modum et formam subsequentium : Inprimis quod sorores hujusmodi divinum officium, boras canonicas et quae a superioribus ordinata fuerint, tempore convenienti et placito legere vel cantare possint, et etiam aquam benedicere et populo

ocr page 309

— 303 —

convenienti aspergere. Item quod rector sororum conventus supra-dicti vel cui ipse vices suas commiscrit, sororibus ac familiaribus, seu etiam continuis commensalibus confessiones audire, poeniten-tiam injungere, absolutionis beneficium impendere, sacramenta Eucharistiae et extremae Unctionis ministrare valeat et vitam func-torum corpora et alios hoc petentes infra cepta monasterii eorum ecclesiasticae tradere sepulturae, ipsorum et aliorum inibi etiam non sepultorum exequias, quoties eis placuerit, peragere, jure ecclesiae meae juxta antiquam consuetudinem in extraneis sepul-turis semper salvo. Item quod processiones cum vexillo et cru cibus et aliis quibusvis solcmnitatibus, ac etiam cum A enerabili Sacramento et reliquiis ac etiam exequiis peragendis populos sibi associando tempore convenienti et competenti facere et peragere possint. Item quod rector Sororum vel cui ipse injunxerit, Sororibus et familiaribus et aliis convenientibus diebus quibuscumque, in Ecclesia vel alio loco convenienti verbum Dei dicere ac prae-dicere possit. Item quod oblationes qualescunque, tuneralia, dona-tiones et legata ordini quocumque vel undecumque provenientium et provenientia seu quacumque rerum forma et materia mobilium vel immobilium, existentes vel existentia, recipere ac retinere ac in usus utiles convertere libere el licite valeant atque mei vel successorum meorum pro tempore antedictae parochialis ecclesiae ree to rum ulteriori requisitione consensu et voluntate. Item quod de omnibus ex quibus mihi et successoribus meis, ecclesiam Sancti Petri in Venrayde pro tune olllciantibus, debetur canonica ponio vel quomodocumque de jure et consuetudine .. . eisdem per omnia et singula conventui Sororum saepedicto pertineant. Insuper ipsa ne ecclesia parochialis in Venrayde ex praemissis imposlerum patiatur in aliquo detrimentum, Sorores praefatae monasterium ipsum inhabitantes, singulis annis in festo Natali Domini nostri Jesu Christi persolvant mihi et successoribus investitis pro tempore tres florenos aureos divae memoriae domini Domini Arnoldi Gelriae et Juliae ducis, aut pro iisdem tribus Horenis consuetis rerum valorem in alia moneta legali, videlicet quadraginta tres albos Coloniensis currentes. Insuper quoque Ego Gysbertus rector parochialis ecclesiae prefatae ac mei successores dictae ecclesiae pro tempore rectores seu vices-gerentes, ne ipsae Sorores labo-ribus fatigantur et ut quietius successu temporis Altissimo famu-

ocr page 310

— 304 —

lentur, propter Deum ministrabimus sine contradictione convcn-tui Sororum supramemorato, dum per ipsas seu earum legitimos procuratores requisiti fuerimus, tempore paschali sacrum oleum vel extremae Unctionis tctum annum eis sufficiens. In quorum omnium et singulorum fidem et testimonium sigillum quo in dicto Camerac apostolicae utor ollicio duxi praesentibus appenden-dum. Datum anno domini 147:quot;) die W0 Decembris.

Concordat cum litteris originalibus in campsa conventus Sororum de Oostrum asscrvatis, quod attestor et in lidem has litteras manu mca exaratas et subscriptas dabam Venradae IG Januarii 1788. C. Hoeben, pastor.

Afschrift in Register (il p. G3, in het kerkarchief te Venray.

B IJ LAGE N0 X I I.

1484, 14 September. — De prior en verdere conventualcn van het klooster Marienzand bij Stralen staan aan het vrouwenklooster te Oostrum de kapel aldaar af.

Wei Johanness, prior dess closterss uns liever Vrouwen by Nueiss Regular ordenss ende Thomas prior dess closterss tot unss Here lichams binnen Collen des selven ordenss, bekennen mitss deisen openen brieven dat wei daer toe geordenirt ende geschickt syn van unsen ghemeinen Capytell van Windesem en mytten erwerdighen heren Petro, prior des closterss tsinte Elizabeth in den lande van Horne gheleghen, commissario des closterss van Osterum van wegen des erwerdyghen heren Bisscopp toe Luck somyghe saken der twidracht uutstanden tusschen den clos-ter Maryenzand der selven orden by Stralen ende dat jofferen closter toe Osterum in den kersspell van Venraed ghelegen, nae

ocr page 311

— 305 —

dien dan wy dei saken van beider zyden ghchort ende undersucht hebben, so hebben wy einen gansen vrede in guder fruntscappen utghesproken daer beide dei partigh meide toe freden sullen wesen ende ewelicke bleiven: inden ersten also dy prior ende convent van Marienzand die stede ende closter mitter capellen Osterum ghclaten hebben ende sich transportirt hebben toe Marien/and van pausschlicher macht ende hebben dat closter, ende dei steden mytter capellen toe Osterum overgegeven um goetsswill somighe susteren van den jofferen closter van Well, daer toe gheropen ende ghehalt opdat der dinst Gaitz ende ein gotlich leven daer bleiven mucht ten cwyghen daghen, also dat dei susteren van Osterum daer nu woenachtich ende oer nakomelynghe erfflicke ende ewelich behalden sullen ende ghebrueken, alsulke huess, hofl-staet ende alle ghetimre mitten der cappellen alss nu op der selver steden steyt, ghelicker wyss die bruderss dat toe vueren te hebben ende ghebrueken plighen mit eine cleine thinde umtrint vier oflte vj'H malder roggen erfflicken Rinthen ungeverlick, ende myt eine kleine weiden alss dei nu gheleghen iss ende nit mere. Also dat die susteren vursscreven dese vursscreven eriTnyss hebben ende behalden sullen erfllick ende eweück voer oer ende oer nakom-lingh ende en sullen sich vorder nummermeer underwinden off staen myt enyghen rechten gheestelick oll'te werlick nae enighen guderen der dat closter van Marienzande hed ghekrighen van her Johanss wegen van fjiaickhusen, Uytter selighe ghedachtnys, van sein testament toe vollesten ure fundacien off ook nymant anderss van ure wegen sunder arghelist, ende deiser bryff sin twe van worden toe worden aliens sprekende der beede conventen van Marienzand ende Osterum vursscreven ellick een hebben sail. Ende in orkonde der waerheit sin beede dese brille besegeit mitsegelle unss Johanness, Thomass ende Petruss Priores ende commissarien vursscreven ende daer toe hebben beede convente van Marienzand ende van Osterum unss conventss seghell mit ure aire wyst ende wieten ock an desen breiff ghehanghen. Ghegheven int jaer unss heren dusent vierhondert ende vier en tachtentich opp dess heiligen cruess avent Exaltationis.

ocr page 312

— 30G -

BIJLAGE N0 XIII

1638, 24 November.

By den Koninck.

Lieve en getrouwe, AIsoo \vy geinformeert syn dat d' aemver-vinge vande onruerende goederen, die de luyden van doode handt syn doende, sich vermeenichfuldigen van dagh te daghe tot ver-smaedinghe en contraventien van onse ordonnantie, ende dat tot bedrogh der selver sy hun vervorderen alsulcke aenbewinningen te doen onder geleende naemen, y scryven U desen ten eynde ghy opt spoedigst, als ghy zult kunnen, ons suit hebben te dienen van advys op de middelen die ghy bequaem suit oordelen om daerinne te remedieeren, U ondertusschen ordonnerende terstonds sonder versteek te doen verbieden van onzent wegen daer publycque vuitroepinge inde plaetsen vande districte, daer men gewoon is publicatien ende vuitroepingen te doen, aen alle onse justicieren ende officieren ende andere van onsen vasallen ende onderdaenen van niet t' onfangen noch te passeren eenyge transporten noch onterffningen ende beërvingen noch eenyge wettelicke saecken van onruerende goederen, ten behoeve van kereken, cloesters, conventen, collegien, gasthuisen, broederschappen ofte andere luyden van dooder handt, op pene van nul li te}'t der selver met beveel aen alle die van doodder handt residerende binnen dit landt oft daer-buiten, van binnen viertigh daeghen naer de publicatie deser, t' exhiberen onder expurgatie van eeide, pertinente declaratien van de aenbeërffningen voersscreven, die sy end een yd er een van hun hebben gedaen sedert 30 jaren herwarts met uytdruckinge vande qualiteyt, prys ende lasten derselver, ende met wat tytele ende prys sy daer toe syn gekomen, op pene dat daerover informatie genomen sal worden ten hunnen costen ende de goederen in dyer vueghen by hun geacquireert ende versweegen acngesla-gen en gestelt onder onse handen. Ende de .voorscreven declaratie

ocr page 313

— 307 —

by U ontfangen synde, suit de selve terstonts seinden aende hoell President ende luyden van onsen secreten Raede; I' ondonnc-rende voirders te verbieden aen alle onse onderdaenen te vercoe-pen onruerende ofte Erflgoederen aende degheene van doeder handt oft hun te leenen hunnen naeme tot bedrogh als boven op pene van gcstrafft te worden nae vereysschen vande saecke, Ende dat deselve onderdaenen soovvel de vercoepers als coepers doende de transporte, ervingen ende ontervingen van hunne Krfl oil onruerende goederen sullen hebben mede Kedt te doen, dat alsulcke overdraghten niet gedaen en worden tot behoeve van ecnygen doede handt directelick noch indirectelick ende dat daervan notitie gehouden sal worden in de acten vande voorscreven ervinghen. Bevelende particulierlick aen N. onsen Momboir te besorgen dat aen allen t' geene voldaen worde sonder vutstel hiermede. Lieve en getrouwe Godt hebbe U in syne h. bewahringe. l'it onse stadt van Brussel den XXIIII Nov. JVas geparapheert.

Rep. v'. Onder stond. De Robiano.

Opscrift: Aen onse lieve en getrouwe de Cant/.elacr ende luden van onsen Raede in Gelderlandt. Ende besegeit van Sy. Maj. in roode hostie.

Onder stondt: Accordeert.

N. Maen.

BIJLAGE Nquot; XIV.

Copyc von dc toesegelingc van testament van juffroniv Eva Maria van I Vyckersloot.

Wy Jacobus Vermeulen en Jacobus Hermans schepenen, Oswald Theodorus, Liefkens secretaris der heerlyckhej't üostrum, doen condt en tuygen hiermede, dat wy ons op heden dato ondergesreven, ter requisitie van de jullVouw Eva Maria van Wyckersloot, vervoght hebben in het clooster Bethelem alhier binnen Oostrum gelegen alwaar de selve juffrouw sieck te bedde liggende, edoch haer ver-

ocr page 314

— 308 —

stant, sinncn en memorie volcoementelyck machtigh, soo aen ons gebleeken heeO't, aen ons ter handen gestelt heedt dit besloeten pampier met dry van haere cachetten toegesegelt, seggende- daer-inne te wesen haeren uyttersten wille, den welcken sy wylt dat naer haer doodt te saemen met haer testament van den 9 Augusti !74lj tot Utrecht opgericht, op de beste maniere, soo als sulx sal connen en moegen bestaen, effect sal sorteeren en achtervolght worden, al offschoen alle solemniteyten naer reghten gerequireert niet en weese geobserveert, alle deselve houdende voor geinse-reert, ons versoeckende dat aen haer hiervan acte van andor-secringe in forma mochte worden mede gede\'lt. in oirconde hebben wy voorss. schepenen en secretaris dese beneffens de voorss. juffrouw testatrice eygenhandigh onderteekent ende mede met ons schependombssegel becrachtight tot Oostrum den 2 February 1 7lt;!.'!. IVt/s cndcrtcekcnt: Eva Marie van Wykersloot, Jacobus Vermeulen schepen. Jacobus Hermans schepen. Onder stout m}' present en was onderieekent C). T. Lief kens secretaris.

Onder stonden dry signetten off cachetten in roeden lack, nogh onderstont het segel gedruyek op eene roede hostie en overdeckt met een wit pampier.

Accordeert b}' my O. T. Liefkens, secretaris.

Copye van Openingc.

Wy Jacobus Vermeulen en Jacobus Hermans schepenen ende ick Oswald Theodorus Liefkens secretaris deser Heerlyckheyt Oostrum verclaeren ende certificeeren mits desen dat wy op ver-soeck van den Eerw. Heere Mathyas van de Mortel, rector der Religieusen uit clooster alhier genoemt Bethelem, ons versoght hebben in het selve clooster, alwaer den gemelten Heere rector aen ons heelft overgelevert een besloote cohier off pampier by ons op den tweeden February laestleden beneffens wylen mejuffrouw Eva Maria van Wykersloot onderteekent, ende mit dry van haere signetten, beneffens ons schependombssegel wel ende naer behooren

ocr page 315

— 309 —

toegesegelt, waernaer wy door Antoni Verstractcn, richtcrbodc van enssum, gcautlioriseert ende bevolmachtight synde, door de Hcere Evcrard Wittert Heerc van Hogcland endc vrouwe Klisa-beth van Duynkercke echten luydens, mitsgaeders door de Heeren Theodorus van Wyckersloot, Cornells van quot;Wykcrsloot, Cornelis van Wingarden in houwelyck hebbende Maria van Wykersloot, b}' twc speciale actens van procuratie, de cene gepasseert voor borgemeestcren en regeerders der stadt Amsterdam den 17 deser maents meert ende d'andere voor Schout en borgemeestcren ende die van den gerichte der stadt Utrecht in dato den lö deses, beyde

r) ' j

in originali vertoont, voorgelesen ende aen ons overgelevert om in oepenen van het voorsscreven collier oilquot; testamente, naemens de voorsscreven constituanten als naeste bloetverwanten ende erll-genaemen ab intestato van wylen mergemelte jullrouw Eva Maria van Wykersloot, present te syn, syn versoght, dat tot de openinge van het geseyde cohier moghten worden geprocedeert, wekken volgens wy bovengemelte gerichtspersonen naer dat wy onsen schependombs segel benellens de dry signetten van wylen de meergemelte jullrouw van Wykersloot, voorts der selver ende onse ondertcekeninge hadden geagnosceert oll'te bekent ende de toesluytinge ongeschonden, ongevioleert mede volcomen bevonden hadden in presentie van den voorsscreven Antoni N'erstraeten het couveert papier hebben geopent: in het welcke wy bevonden hebben een testament oil' codicille van wylen meergemelte jullrouw van Wykersloot door haer op den negen en twintighsten January lestleden onderteekent in presentie ende onder attest der medici-nen doctoren Herkenrath ende Knapen, welck testament oilquot;codicil door my bovengemelten secretaris in presentie van den voor-screven bevolmachtigden Antoni Verstraeten van woort tot woort is voorgelezen. In oirconde van waerheyt hebben wy gerichtspersonen dese eygenhandigh onderteekent tot Oostrum den twee en twintighsten Meert Was on.icrtcekent: Jacobus Vermeulen,

Jacobus Hermans, O. 1. Liefkens, secretaris,

Accordeert by my O. T. Liefkens, secretaris.

ocr page 316

— 310 —

1763, 29 Januari. — Testament van Eva Maria Wykersloot.

Ick ondcrgeschreven overdenckende de broeshcyt van 't men-schen leven en dutter niet seekerder en is als de doot, en niet onseekerder als de uhre der selve en dat ick niet geerne uyt dese werelt soude willen scheyden, sonder alvoorens te hebben gedis-ponert over de goederen die ick door Godts miltheyt ontfangen hebben, kome hier mede mynen uyttersten will bekent te maecken.

Ten eersten recommandere myne Siele, soo haest sy van het lichaem sal syn gescheyden in de bermhertigheyt Godts, ende dat myn lichaem nacr costuyme van de plaets alhier in de kerek van het convent tot Oostrum sal ter aerde werde besteet.

Ten tweden verclaere ick te wesen myne universeele erfgenae-men, mynen broeder den heer Cornelis van Wykersloot, myne broeder den beer Theodoras van Wykersloot, myne suster juf-frouwe Maria van Wykersloot huysvrouwe van den heer Cornelis van Wyngaerde, myne nichte Elizabeth van Duynkcrcken naer-gelaete dochter van myne suster juffrouw Odilia van Wycker-sloot saliger door den heer Nicolaas van Duynkercken aen haer in echte verweckt, synde te saemen vier in getal jeder voor eene egaele portie, gelyck breder uytgedruyekt staet in myn testament gemaeckt tot Utrecht den 9 Augusti 174G.

Behalven noghtans dat myne suster juffrou Maria van Wykersloot huysvrouwe van den heer Cornelis van Wyngaerden ge-nootsaeckt sal wesen van met dese haer naergelaetene portie of eerfl'deel, haere kinders, in val dat sy genegentheyt hadde om in een clooster te gaan en aldaer religieus te worden hun te helpen tot dien staeth sonder sulx te korte aen hun erffdeel.

Ten derden legateere ick aen het convent tot Oostrum, Bethe-lem genaempt, eens duysent gulden Hollanse munte, voor een jaer-lyxe singende misse. Item legateere aen het selve convent tot Ostrum duysent gulden hollants voor de oncosten van myne be graffenisse, daerenboven legateere noch aen het selve convent voor eene recreatie der religieuse twee hondert gulden hollants, verder legatere aen den Eerw. rector van den Mortel tot Ostrum vyff hondert guld. Hollants; noch aen den selven come door deese te geven en te legateeren myn cabinet en schrifttaeffelken met alle

ocr page 317

311 —

myne porseleyn en schilderyen die ick alhier hebbe voor syne devoore en verdere redenen aen my bekent.

Veerders legateere voor eens aen myne tegenwoordige meyt Mechtildis twe hondert guldens hollants. Item het bedde mit syn toebehoor daer sy op slaept, alsoock een dousm van myne hem-dens, myne witte rocken en verdere myn nachtkleederen, wil oock dat tot laeffenisse van myne ziele suilen gcleesen worden in het convent tot Oostrum, naer myn doot hondert missen, en dat voor jeder misse sal betaelt worden twe schillingenj vants gelycke wil oock, als dat in de kerek tot Üirloe door den Eerw. Heere pastoor of jemant anders naer syn believen sullen gelesen worden naer myn doot. vyiltigh missen, jeder misse ad tsve schillingen.

Verders come aen de kereke van het convent te Oostrum te geven myne twe witte zyde kleederen, alsoock myn ander zyde kleet swaert en root voor ornamenten van de kereke van de parochie tot Oirloe myn swaert zyede kleet voor eene coorcappe met de costen van maecken.

Item legatere aan de Romsche catholycke armen tot Utrecht eens duysent gulden hollants, ende aen de armen tot Oostrum maecke ick voor eens twe hondert gulden hollants, weick twe hondert guldens den Eerw. Heer Rector tot Ostrum sal uytdeelen. Ten laetsten wil ick dat deese mynen laesten uytersten wille sal volbraght worden, als wesende gedaen mit gesont verstant en volcoomene sinne, sonder toedoen oil aenraeden van jemant willende dienvolgens en beyeerende dat de selve naer myne doot

O O J

sal plaets grypen en punctuelyck sal worden achtervolght, het sy by forme van testament, codicille oil' andersints, so een gelyck hetselve het beste can bestaen, alwaer het oock dat de vereysde solemniteyten daer by niet en waeren observeert, de welcke ick alhier voor geinsereert wille gehouden hebben, stellende by dese om sulx tot eilect te brengen tot executeur mynen voornoemden broeder den Heer Cornells van VVykersloot ende mynen swaeger den Heer Cornells van Wyngaerden, ende dat te saemen en een jeder int besonder, en dat mit alsulcke maght ende authoriteyt als voeghden of executeurs noodigh hebben j in teeken van wacr-heyt hebben dit eygenhandigh onderteekent tot Ostrum op heden 29 January 17G,J. W'as ondertcekent Eva Marie van Wykersloot. Nogh onderstont Wy ondergeschrevene versocht synde door mejullrouw

i

m ■ t ■ •

ft

1(.

12

ocr page 318

—quot; 312 —

van Wykersloot verclacrcn tc wesen dit hacr ej'gcn handt en met volle verstant en sinnen geschreven. IVas onderteekent P. J. Herckenrath M. Doctor, C. J. Knapen m. doctor.

Accordeert by my O. T. Liefkens, secretaris.

Copie van volmacht. •

L. S. Hooft.

Wy Burgemeesteren ende Regeerders der stadt Amsterdam, doen cond een egelyck dien het behoord certiiiceerende voor de waerheyt dat voor ons gecompareert syn d'Heer Cornelis Wittert Heere van het Hogeland etc. en vrouwe Elisabeth van Duyn-kercken ende selve vrouwe Elisabeth van Duynkercken, ten desen door haere voorn, man geadsisteert en geauthoriscert, synde sy vrouwe Elisabeth van Duynkercken de dogter en eenige naege-latene kind van vrouwe Odiiia van Wykersloot, en uyt dien hooffden met en benevens de Heere Cornelis van Wyngaerden haere oomen en moeye respectievelyck d' eenige erfl'genaemen ab intestato van juffrouw Eva Maria van Wykersloot den 23 Eebruary deses jaers in het clooster tc Oostrum, gelegen in het Hertogdom Gleve (sic), overleden, welcke verclaerden op de beste en bestendigste wyse regtens by deese machtig te maken Antoni Verstrate, bode tot Wansum specialyck om me uyt der constituantes namen en qualityd zig tc vervoegen aen het gemelte clooster te Oostrum, en aldaer naer costume locaal te versoecken en vervolgens te adsisteeren by het openen der besloetene, soo testamentaire als codicillaire dispositien door gemelte overledene Eva Maria van Wykersloot gepasseert, sulks verrigt synde in namen van ge-noemde constituanten te versoecken en lichten copie authenticq van gemelte dispositie, vervolgens in gesyde qualityd te proce-deeren tot het maeken van staat en inventaris der goederen by meergenoemde overledene naegelaten, alle noodige en gerequireerd wordende actens deswegens te passeeren en teekenen, en wyders desaengaande alles anders tc doen handelen en verrigten, wat de constituanten in hunne qualiteyt ecnighsints souden kunnen mogen

ocr page 319

— 313 —

en moeten doen, schoon tot t' eene of ander eenige nadere en speciaclder last mochten werden gerequireert, alle deselve houdende voor in dese geïnsereert onder belooiïte van voor vastgoed en waarde te sullen houden, al het geen door den geconstitueer-den uyt krach te deses sal worden gedaen en verricht, onder verband als naer rechten des t' oirkonden deser stede zesel ter saken, hieronder gedruckt en door een onser secretarissen onderteekent den 17 Maart 17G3. IVas onderleekent: V. Hooft. Ter zyeden stond een groot segel overdeckt mit een wit pampier en onder

Rhoy (?)

Accordeert b}^ my O. T. Lief kens, secretaris.

Eene bijna eensluidende volmacht was den 15 Maart 17G3 te Utrecht gepasseert voor Schout, Burgemeesteren en die van den Gerichte en onderteckent door den secretaris E. van Wackendorff.

De Heeren Cornelis en Theodorus van Wykersloot alsmede Cornelis van Wyngaerd, in huwelijk hebbende Maria van Wykersloot enz. machtigen Antoni Verstraeten, Richterbode te Wanssum. Deze volmacht plaatst Oostrum ook al abusief in 't and van Kleef.

BIJLAGE N0 XV.

Extraext geextrahcert uyt een gecopyeert en de geauien-tiscert kerekenboeck van. O stern in.

Kunden vervat tot beboellquot; der kereken ende kerekmueren anno (XV1) LXJ.X int cort by believen, nae voorlesing der gemeyner schepen int kort begrepen.

Peter Symons een alt man tuycht dat hy indercyt, doen hy kerekmeester was gegaen iu met Dirck Groenen syn midt gesel, tot Goert Vermoeien daer dat cloosters guet neest den kerekhoff streckende van her commen is, dat Guert vurss. bekant dat dat

ocr page 320

— 314 —

cloostcr daer bevoorens hadt laeten wegen eens deels neest der kerckenmueren, waer durch dat die kerck due mael pylers moeste setten laeten aen der mueren, daer Guert by geleyt wart, en sacht neen sy en hoeven daer niet van to seggen, sy sullen een treede ongeveerlick van den mueren blyven, want des kompt der kercken toe, ende dat sy aldaen dye cuylen hebben moeten vullen.

Derick Vaechrs schepen tuycht dat hy voor en nae tot II of dry mael toe kerckmeester is geweest en b}' synen tyde van cloostcr ny daer gehouwen noch gebruyck is geweest. Geret Vermuelen tuychden dat syn vader zei: eenmaels bekant heeft gehad dat die kerck wal eenen grooten treede tot oer gerechticheyt hedden van der mueren.

Willem ülislieger ende Peeter Vermoeien tuychden dat doen sy kerckmeysters waeren, aen der kerckmueren oock quaesicken uytgeslaegen, welcke die begynen hieuwen ende doer haer hechge toegen dwelcke sy becroonden ende wolden bclej'den, die begynen sachten onder deesen, waer onweetent geschiet ende keerdent van sich en alsoo wart in Peeter Vermoelens huys verbrant.

Dinnis van Westerbeck tuycht dat hy doen mael int clooster woonden ende was boumeyster en hadde sant gehaelt aen Willem Olisliegers cleflquot;, dat die Procuraterse tot hem sprack ick wyl dat niet langer doen, ghy syt te ley wy hedden wel se Ill's sant 5 Dinnis sprack waer sal ickt lacden, sy sprack lancks den kerekmuere, dat welcke Dinnis alsdoen deede en laechdent alsoo verre dat die kerckmeysters queemen mitten gerecht en bekroonden sulex, seg-gende dat gaet ons te nae, want daer ghy daer geleecht hebbt, dat halden wy voor der kercken guet ende dat sy dat selve al-doen met oeren boumeyster weederomme moesten laeten vullen d'welck hy sellls deede.

Goosen Verhypt, een Aeltman, t'getuyeh van Goert syn broeder gehoort hebbende, blyft daer by ende secht, dat op den hoeck van der mueren, nae den Richterbaedt placht een huys te staen die hel genoempt en teegen Dinnis over een huys en schuur en ny twist van dien gehoort en heeft.

Deenis tuycht oeck dat hy eenmaels ongeheyten wol houwen een vleegel gerde van vlieren holt, aldaer, en dat Peeter syn broeder een convents kint weesende tot hem sprak: broeder en hout dat niet, want het hoort der kercken toe, dat hy als doen verliet.

ocr page 321

— 315 —

Dc kerckmevsters Derick Groenen en Gielen syn met den gericht om oer loon gegaen totten Pater, Materse en Procuraterse hen laeten aensechgen, vermoeyt ghy U eenige gcrechticheyt acn den geenen, daer de kerckmeysters hebben laeten houwen, du nekt Tr dat sy U verkorten, doet nu wat daer toe, t' gericht sprack: hold3't voor U so segget, en maeckt ons mergen oft overmergen geen achterclap; t' Convent antwoorden helt dat die kerek voor oer soo en cruen en wys ons niet, maer dat vint sich tot syner tyt; die boode sprack: Procuraterse hoe meyndy dat tot synder tyt, wil dj't U krucyen dat doet nu, want dc kerek helt dat voor oer, oft sy willen daer wyders om doen, en dat al met recht, sy antworden neen sy en kruyden sich des niet.

Dat gericht van Venraedt Ziets van Flodrop, Jan Deckers, Herman Remmen, syn uyt begeerten der kerckmeysters gecommen om dit te besichtigen, de welcke spraecken nae de besichtinge; het geen dat ghy gedaen hebt heddis niet gedaen wy weeren ge-oorsaeckt geweest datselve te doen, wy syn een Kerspel, soldmen een kerekmuer ongraven off hinder doen; voort soo vraechden sy den kerckmeysters, wat begeerden, dat wy den Convent aensechgen sullen, s}^ spraken dat ghy gesien hebt, ende dat sy dc gatter toe maeken als voorhin geweest is; nae aengevcn van dien soo brachten sy voor antwordt sechgende wy be^eeren en doet hem geen schaede, wy hebben daer by gehadt Pater, Materse en Procuraterse hebbende hen geweesen sechgende dat sy die gatter vullen sullen gelick voor hin geweest syn t' geene dat het convent gedaen heeft en gestopt daer wy kerckmeysters Ziets by geleyt hebben. Anno ut supra den lesten meert dat Gericht van Raey is gecommen umb freede thoe maecken.

Deese extraext gecolationneert teegens t' vursscreven kereken-boeck synde geautenseert by Gerardus Henchst pastoor ter Horst onse Deeken des lants Kessel, is van woorde te woorde bevonden t' accordeeren by my hier onderscreven als scholtis te Ostrum deesen XXVden Ttembris 1630.

(w. g.) Johan Guilliame van den Watcrschappe.

ocr page 322

BIJLAGE Nquot; XVI

Vonnis van 11 October 1630.

Copia copic.

Gesien t' different opt Rcqueste voor desen Hoeve geresen tus sen de Pater, Mater ende anderen van de conventc van Oestrum supplianten ter eenre, met hun ge vu echt d' Vrouwe tot Ge5'steren, Ende de schepenen ende kerekmeesters van Oistenroy Gedaech-den, om t' comparecren met hun schyn ende bescheyt ter andere zyde.

Weelcken volgende de supplianten ten dage dienende by hun verbad vanden VJIIcn Octobris hebben gerepeteert hunne voor-screven Rcqueste (daer by zy hadde geconcludeert tot affstandt vande vorsscreven capelle ende incommen daer toe gchoerende. Ende vortaen die supplianten met den Offer ende de vorsscreven incomste te laeten beworden ende t' doen rekeninge ende reliqua naer breder inhouden vanden vorsscreven respective conclusie ende sustinue van den vorsscreven VIIIquot; Octobris) daertegens die vorsscreven gedaechden proponerende exceptie van praescriptie hebbe gesustineert dat sy by haerre overalde ende geprescribbeerde possessie zouden blyven, gelyck alle andere capellen onder Ven-roid gehorrende by hunne kerekmeesters worden geadministreert ende regeert; gesien tot dyen die titulen instrumenten ende be-scheeden by partyen te wederzyden inder vorss. verbadle geap-pliceert ende op alles geleth.

T hoff' doende recht by forme van reglement verclaert dat die van het vorsschreven convent recht competeert tot die vorsscreven capelle van Oistenroy ende dat solve hun sal volgen naer inhaldt vande bescheede ende titel in dato 's heyligen Cruice Verheffinge aevont vanden Jaere 148i om aldaer hunne dinst Godts te doen, behoudelick dat die in wonders van Oistenroy ende een ieder vuet devotie vry acces sal hebben totte selve capelle ende dat het in-necommen dewdek totte vorsscreven capelle is gelaeten sal worden geregeert ende geadministreert by bequaeme kerekmeesters t' stellen by de schepenen van Oistenroy, mitsgaeders die vruch-

ocr page 323

— 317 —

ten ende incommen van de cappclicrycn oft authaercn ten behoeve van den cappellaenen, ende, ende op den voet van de fon-datie der selver. Ende gemerckt die vorss. capelle van alden tiden een platse van groete devotie ter eeren van de heylige Moeder Godts ende Maget Maria die zeer placht gevisiteert ende gefre-quentiert te woorden van allen quartieren, ys goet gevonden om die aide vierricheyt te verwecken ende opdat die offerhanden des te gevuechclicker zoude worden ontfangen dat t' zelve zal geschieden by imanden vande vorsscreven convente ende het geoffert geit gesteelt worden in een besloeten cassc off blocke met twe sloetcn daeraff den eenen shietel zal weesen by den pater off maeter van den selve convente ende den anderen by de vorsscreven kerek-meesters ende sal den vorsscreven offer die zelve kerekmeesters alle halve jaeren gelevert worden, ende tot dien promtelicken die penningen te procederen van offranden, van graenne, wass ende vlasse die metten iersten gelcgcnthevt by die van het voorsscreven convente sullen vercocht worden alles onder behoerlicke recepisse daeraff t' leveren aen de voorsscreven pater ofte moeder ende op last van reeckeninge, bewyss ende reliqua by de vorsscreven kerekmeesters jaerlicks t' doen aen den Ferwichsten heere Risschop van Ruremonde ofte zynne gecommitteerde, met interventie van de pater ende mater oft een van hun ende vande twe schepenen van Oestenroy voorsscreven.

Verklaeren vorts dat t' vorsscreven innecommen ende offres ende die pennongen daer aff t' procederen zullen worden geëm-ployeeri tottc fahricke, ornamenten ende dinst van de voorsscreven capelle zoo den Eerwerdichsten heere Risschop oflquot; zynne gecommitteerde naer vorgaende communicatie metten vorsscreven pater mater ende kerekmeesters zal bevinden te behoorren ende zal t' ghenne boven het vorsscreven emploey metter tyt zoude moegen commen t' oeveren tvcscn tot behoeve'van hef vorsscreven convent ter ordonnantie van den vorsscreven Eernrrdichsten heere mitsgaeders tgeene zal worden geoffert in eyeren, hoenderen ende dyergelicke cleynichheyden. Ordonneeren daerenboven die tegenwordige kerekmeesters rekeninge, bewyss ende reliqua te doen van hunnen ont-fang ende administratie die zy tot nu toen gehadt hebben aenden zeiven Eerwerdichsten heere oft zynne gecommitteerde, Pater, Mater ende die vorsscreven twe schepenen ten eynde als voor

ocr page 324

— 318 —

ende b}' aldien die vorsscreven kerckmeestcrs tegenwordige cnde toccommende hun byde vorsscreven auditeurs van de rekeninge zoude beswaert vinden zullen hun moegen addresseeren aen desen hoeve ahvaer 03'ck zullen commen alle die andere differ die ter saecke van de vorsscreven ontfanck cnde administratie soude moege spruyte, om op alles recht gedacn te worden zoo behooren zall. Eeintclick wort oock geordonneert dat die originaelle Bulle van den afflacth van den jaere 1519, die vorsscreven capelle gegunt, zal worde gesteelt in de bewaernisse van die van het vorsscreven convente om op solemnele dagen in de zelve capelle publickelicke geaffigeert t' worden, die costen en redenen compenserende. Aldus gedaen ende geresolveert tot Ruremondt den XI Octobris anno 1630. Onderstondt: Ter ordonnantie vanden hoeve: ende was ondertheeckent N. Maen.

Gecollatioennert is bevonden t' accorderen by my Leonnardt Nabben, vice-secretaris in Venroidt

BIJLAGE N0 XVII.

Henricus Joannes Dei, et apostolicae sedis gratia; Episcopus Ruraemundensis, Primas Geldriae etc. etc.

Admodum reverendo Domino J. B. Alberts, Districtus Kesse-lensis Decano et Pastori in Horst nostrae dioecesis salutem in Domino.

Gum Beneficium B. M. V. in Oostrum sub parochia Venra-diensi ad praesens vacet, ac Rectore careat, per dimissionem et promotionem R. 1). G. Verblackt ad pastoratum de Geysteren, ultimi illius Rectoris ac Possessoris pacilici, et dilectus nobis in Christo R. I). G. Houben, Pastor Venradiensis asserens jus prae-

ocr page 325

— 319 —

sentandi Rectorcm idoneum ad pracfatum Beneficium toties quo-ties illud vacare contigerit, ad se pro hac vice et alternatim ad dominum temporalem in Oostrum spectare, dilertum nobis in Christo magistrum Theodorum Verblackt nostrae dioecesis cleri-cum tanquam habilem et idoneum ad praedictum Beneficium regendum et obtincndum Nobis, ad quos ejusdem admissio, insti-tutio, destitutio sou quaevis alia juris disposito, ratione dignitatis nostrae Episcopalis, spectare, ac pertinere dignoscuntur, litteratorie praesentaverit debite rogando ut pracfatum praesentatum ad praedictum Beneficium admittere, Rectoremque in eodem instituere vellemus, ae dignaremur. Nos, visis litteris proclamatorialibus debite executis, et Decreto audientiae Nostrae Episcopalis in contumaciam citatorum non comparentium hodie lato, praedictum praesentatum tanquam habilem et idoneum ad praefatum Beneficium admittendum, Rectoremque in eodem instituendum esse duximus, prout tenore praesentium admittimus et instituimus. Quo-circa tibi mandamus, ut eundcm, vel ejus legitimum mandatarium, praeviis professione Fidei et Juramento consuetis adhibitisque cae-remoniis et solemnitatibus de jure requisitis, in realem, corpora-lem et actualem praedicti Beneficii possessionem ponas, et inducas, vel per alium induci cures, ipsique de fructibus et emolumentis universis respondeas, seu quantum in te est, per alios respondere lacias jure tarnen nostro, et cujuslibet alterius in omnibus semper salvo. Datum Ruraemundae in Palatio nostro Episcopali hac 10 mensis maji 1771.

L. S. (e s.) H. J. Episcopus Ruraemundensis.

De mandati Illustrissimi ac Reverendissimi Domini mei P. Schoenmaeckers, secretarius.

In dorso: Vi retroscripti mandati induxi in realem corporalem ac actualem possessionem rectnratus scu beneficii B. M. Virginis in saccllo de Oostrum adm. R. D. C. Verblackt pastorem in Ge3's teren qua mandatarium D. magistri Theodori Verblackt clerici hujus dioecesis servatis servali solitis ac praesentibus testibus infrascriptis, in quorum fidem hoc manu propria scripsi ac cum adm. reverendis dominis testibus subscripsi in Oostrum 17 Maji 1771.

J. B. Alberts, decanus districtus Kessellensis J. Creemers,[pastor in VierlingsBeek J. M. jvan^den ^Mortel^ rector Oostrum.

ocr page 326

- 320 —

'

BIJLAGE N0 XVIII.

Marc—Antoine, Évcque d'Aix la Chapelle.

Messieurs les marguilliers nommés en vertu de la loi du 7 thermidor an XI (2(5 Juli 1803) étant chargés de l'aJministration des bienfonds et rentes formant la dotation des églises, et du recouvrement de leur produit le sont aussi des chapelles conser-vées dans rarrondisscment de la Paroisse oü de la succursale. Ils tiennent un registre particulier des hiens et revenues de ces chapelles, ils versent dans la caisse de la fabrique, organisée par nous, les sommes nécessaires a l'entretien ordinaire des chapelles et du culte autant qu'ils ont de fonds disponibles.

Au désir de Partiele 70 de la loi organique du 13 Germinal an X (8 April 1802), érigeant la fabrique de la chapelle auxiliaire in Oostrum sous la succursale de Venray, nous nommons par les présentes Messieurs Joseph Hankx—Pierre Vermeulen — et Henri Jeucken fabriciens de cette chapelle, les chargeant, d'en appliquer les revenues et de veiller a l'acquit des charges conformément au\' titres, d'avoir soin de l'entretien ordinaire de la chapelle, de la perception des collectes, des oblations, ainsi que de tout ce qui concerne le service intérieur^ — ils auront soin de tenir un état exact de leur recette et de dépenses, pour s'en justifier toute fois qu'on l'exigera, le Pasteur de la succursale, autant qu'il veut se rendre a leur assemblee, y doit présider.

Le mode de leur gestion sera plus amplement détaillé dans un mandement général, qu'on donnera a eet égard.

Aix la Chapelle le 27 février 1807.

(Sig.) M. W. Fonck, vic. gen.

„Wy ondergetekende kerekmeesters van de parochiale kerek van Venray bekennen hier meede ontfangen te hebben van de Heeren Joseph Hankx en Hendrick Jeuken gewesene capelmeesters van de capelle Ostrum eene rekening inhouydende de Revenuen van dezelve capelle van 1803. Venray den li) Juni 1807.

(w. g.) G. Manders—LeifTers.

■

M

;iL

ocr page 327

BIJLAGE N0 XIX.

Extrakt uit de aanschrijving van den 5 November 1823, omtrent het beheer der goederen en inkomsten der kapellen.

Het besluit van 13 September 1807 bepaalt, art. 13 dat de kapellen of annexen afhankelijk zullen zijn van de hoofd-of hulpkerken in het arrondissement, waarin dezelve zullen geplaatst zijn.

Hier uit volgt dat de goederen en inkomsten aan deze kapellen en annexen verbonden, door de kerkbesturen der hoofd- of hulpkerken;, moeten beheerd worden.

Echter heeit men ontwaard, dat in weerwil der opgedachte bepaling, zulks op vele plaatsen niet is ingevolgd, waardoor er eene onwettige en onregelmatige behcering der bedoelde inkomsten is ontstaan.

Ter geheele wegneming en voorkoming \an alle onregelmatigheid ten deze, heeft Zijne Excellentie de Heer Directeur generaal voor de zaken van den R. K. Eeredienst bij deszelfs depeche van 20 October 1823 n0 7459 de volgende maatregelen goedgekeurd, namelijk: dat de behcering der inkomsten van meergemelde auxil-liaire kapellen en annexen, aan de fibrieken der hoofd- en hulpkerken behoort, dat daarvan afzonderlijke en bijzondere aantee-keningen of registers zullen worden gehouden en dat deze inkomsten ten behoeve der kerken waarvan dezelve voortkomen, zullen worden besteed.

Dientengevolge zullen alle de titels en bescheiden aan de hoofd-of hulpkerken bij eene inventaris in dubbeld moeten worden overgemaakt, aangezien aan die kerkbesturen, alleen de vereischte hoedanigheid is toegekend, om de renten en inkomsten der kapellen of annexen te ontvangen, en om eindelijk, rekening en verantwoording hier van te doen.

Wij verzoeken UE. om deze bepalingen met de meeste zorg en spoed ten uitvoer te doen brengen, en om mitsdien de rekeningen dier kapellen en annexen, door de kerkbesturen waaronder dezelve behooren, opgemaakt, te doen overleggen.

ocr page 328

_ 322 —

Present de Heer Staatsraad Gouverneur, president, en de heeren Joppen, Kerens, Meesters, Schoenmakers en Petit.

De Gedeputeerde Staten der provincie Limburg, (was geteekend) C. de Rrouckere vt. Ter ordonnantie van dezelve De griffier der Staten (was geteekend) W. A. Pillera. Voor eensluidend afschrift uitgereikt aan de kapelmeesters van de kapel Oostrum, ten einde zich naar den inhoud dezer te kunnen gedragen.

te Venray den 13 November 1823. De Schout van Venray, (w. g.) F. Verblackt.

De ondergeteekende M. van de Pasch, trésorier van de kerke-fabriek van Venray, verzoekt en draagt tevens op aan den heere Peter Vermeulen, akkerman te Ostrum om voor hem en in zijnen naam de landpachten als alle andere renten en pachten der kapelle en vicarie van Ostrum, vervallen met St. Andries 1823 te ont-fangen, daarvan behoorlijke gespecificeerde quittanties te geven, en dadelijk na deszelfs ontfangst rapport van den aard en hoeveelheid aan hem trésorier te doen, ten einde door den kerkc-raad de noodige mandaten van de te doene uitgaven kunnen afgegeven worden, en verders met verplichting daarna zich te rechtvaardigen over de handelingen zooals hiervoren vermeld zonder eenige personeele directe of indirecte Liquidatie over deze ontfangsten of overgeschotene penningen—-dan als die der behoorlijk uitgegeven mandaten te kunnen doen of voorbrengen, opdat alles naar het besluit van de Ed. Groot Achtb. Heeren Gedeputeerde Staten van den 5 November 1823 kan ten uitvoer gebragt worden.

Venray den 19 Januari] 1824.

(w. g.) M. van de Pasch.

ocr page 329

— 323 —

Reverendissime Üomine Vicarie Generalis et administrator apostolice!

Misce Reverendissimae Dignitati Vestrae humillimc cxponere liceat, existere in vico Ostrum sub districtu parocliiae succursalis mihi commissae, saceilum 15. iM. V. consecratum in quo funda-tum est beneficium simplex seu vicaria non curata, cui annexa est obligatio legendi singulis diebus dominicis et festivis ac sabbathis per annum necnon singulis feriis G' per adventum et quadragesimam sacrum cum adplicatione ad mentem fundatorum, cui obligation!, deficiente vicario, successive satisfecerunt R. Pater Joannes Ramaekers Min. Recoil. 14 1 Junii a. c. defunctus et R. D. Franciscus Roelofs, modo vicarius in Maasbree, post cujus discessum, ob tenuitatcm redituum fundationis et impotentiam incolarum de Oostrum, ad contribuendum pro speciali vicarii cujusdam salario, frustra aliquem sacerdotem quaesivi, qui onus satisfaciendi dictis fundationibus in se assumere veiit.

Interim, opera vicariormn meorum, in eo, quantum licuit, hucusque providere studui; sed ex integro providere diebus dominicis et festivis ob labores in Ecclesia principali et annexa Recollectorum peragendos impossibile luit.

Cum autuin deficiente etiam in vicina Ecclesia succursali de Oirlo primissario, magna pars subditorum hujus Ecclesiae vici-niorem sacello de Ostrum cui pro audiendo sacro matutinali accedat, locum non habeat; hisce diebus sollicitavi Reverendum Dominum Herns pastorem in Oirlo, ut impetrata praevie a Reverendissima Dignitate vestra venia et facilitate necessaria binas diebus dominicis et festivis missas celebrandi, onus explendi prae-fatus in Sacello de Oostrum fundationes provisoric, doucc alius inveuiatiir Sacerdos, in commoditatem incolorum de Ostrum et dictae partis sua parochiae, suscipere velit, cui sollicitationi bic lubens consensit ut ex annexis ejus litteris ad me datis patet.

Hinc hisce tam meo quam praefati reverendi Domini pastoris nomine Reverendissimam Dignitatem vestram hisce humillime sup-plico quatenus attentis circumstantiis etiam in annexis praefatis litteris expressis Reverendo Domino Rudolpho Herns, pastori seu administratori ecclesiae succursalis de Oirlo veniam, praefatas in sacello de Ostrum fundationes provisorie, donee alius inveniatur

ocr page 330

— 324 —

Saccrdos, explcndi 'et cum in fincm nccessariam in diebus domi-nicis ct festivis cliam nupcrrime abrogatis binas missas, unam in Ostrum alteram in Ocrlo, celebrandi gratiose concedere dignetur. Qui profundissima cum vencratione subscribor.

Rnuie Dignitatis vcstrae scrvus infimus Venradii, 8va Dccembris. L. van Elsbergh.

BIJLAGE N0 XX.

Venradii hac 27 Novembris 1822.

Plurimum Revcrondc Domine Confrater pcrquam colende!

Frustra, ut novit Rcverentia vestra, hucusque ab obitu Reverendi Patris Ramaekcrs et a discessu Reverendi Domini Roclofs pcr-quisivi virum Ecclesiasticum pro peragcndis in saccllo dc Oos-trum fundationum officiis, et quamvis opera vicariorum mcorum in co, quantum licuit providerim: tamen ab opera in hujate cc clesia succursali ct annexa Recollcctorum dicbus dominicis et festivis peragenda impossibile mihi fuit in Ostrum ex integro providere.

Rcvcrendus Dominus van Issum ex Sandbcek, qui nuper para-tum se ostenderat ad missam cum cathechesi in Ostrum saltern dicbus dominicis et festivis celebrandam, datis nunc ad me Uteris se ob debilitatem sanitatis suae excusavit a susceptione hujusone-ris. Spes itaque saltern ad praesens non alfulget fore ut brevi aliqucm pro dictis fundationibus in Ostrum cxplendis obtineam ob defectum rcdituum ad honcstam sustentationem sacerdotis, qui alio non gaudet, quo aliunde sustentetur, oflicio, et ob pcnariam incolorum ad debite in his succurrendum.

ocr page 331

— 325 —

Interim non modo pro incolis dc üostrum, sed et pro magna parte parochianorum tuorum, qui, dcficiente in Ecclesia vestra, sacro matutinaii, commodiorem quam sacellum de Oostrum locum pro eo audiendo non habent summopere optandum est, ut, diebus dominicis et festivis, praesertim tempore hiemale, sacrum matuti-nale cum catechesi ibidem celebretur. Mine hisce diebus earn incidi in cogitationem opportune in hoc provideri posse, si Revcrentia vestra onus implendi fundationes in Sacello de Ostrum ad tempus suscipere dignaretur, donee alius pro iis implendis inveniatur sacerdos, ct si hunc in finem specialiter licentiam diebus dominicis et festivis bina sacra celebrandi, unum scilicet in sacello de Oostrum alterum in Ecclesia succursali de Oirlo a Rlil0 Domino Ad-ministratore Apostolico obtineat; et vix dubito, quin R11quot;^ Domi-nus Vicarius Generalis et administrator apostolicus, si Reverentia Vestra consentiat, banc ei facultatem libentur sit concessurus, cum in praesentibus circumstantiis tam in utilitatem magnae partis parochianorum vestrorum quam in commodum incolarum de Oostrum vergat, et penuria quoque parochianorum vestrorum non permit tat, ut sibi specialem vicarium aut primissarium adsciscant.

Rogo itaque humiliter, ut Revcrentia vestra mihi b:nevole respon-dere ac declarare dignetur, an ad onus praefatum cum licentia debita ct facilitate superiorum provisionaliter assumendum parata sit. Obtento enim vestro consensu indilate pro obtinenda dicta facilitate supplicabo, qui summa cum veneratione perenno,

Reverentiae vestrae servus obsequiosissimus L. van Elsbergh.

Plurimum Rdo Domino Domino Berns, pastori dignissimo in Oerlo.

ocr page 332

11

I

326

BIJLAGE N0 XXI.

Lijst van de Capelle paghten

onder Oostrum.

Maid. A

'at

Sp.

Het convent Betlehem levert

jaerlikx erfpaght. 0 —•

5

_ 2

2 _

0

— 0

Jacobus Stermans ....

.......0 —

1

— 2

......0 —

2

— 0

Leonaerdus Neyen ....

.......1 —

2

— 0

Henderik Mensen ....

.......0 —

1

_ 2

P. van Eyndt......

.......0 —

2

— U

Geret Jansen......

.......0 —

3

— 0

1

_ 2

G —

1

— 0

Maid. Vat. Sp.

Thomas Juckcn wegens gepaght land. 1 — 1 — 0 Henderick van den Voordt en Bertus Jansen wegens gepaght landt. . . . 0 — 4 — 2 Tomas Jueken wegens gepaght landt . 2 — 4 — O

Ilt;

Ié

Accordeert met de origineele registers Venray den 1(3 July 17(J8.

Reynier Vullings, capelmeester.

Eene ietwat latere opgave aan het bestuur heelt nog:

Het clooster Oosterum betaelt sins aen de capel 2 guld. 13 st.

Venraey den 15 Pluvióse 10dequot; jaar (4 Feb. 1802).

Reynier Vullinghs.

Ik ondergescreven capelmeester van Oostrum verklaere dat deze voorenstaende opgave oprecht is.

Venray, den 7 Prairial 13de jaar (27 Mei 180;)).

Hendrick Jeucken.

J

I

^ 1

ijd'

I ■

1 I

li i

I

R 'f

I

ocr page 333

Lijstc van de capytacle voor de capel Oosfrum.

De erfgenamen van Galden 200 pennissy aan percent in-

tei'est..............quot;... quot;7 — O — 0

De erfgenamen Peeter Bistervelts 200 dalder ad

4 percent...............8 — 0 — 0

De erfgenamen Simon Wismans 200 guld. perm.

acl 31/2................7_0 — 0

Aldert Janssen 4;)0 guld. Clefs ien persent 22 — O _ O

Cleefs: 15-loen permissie.

Op de gemeente Oud Kapitaal in Clefs,

747—;}—.'3: intrest 20 —;} — ()

Nieuw dito capitael •370 — 0—0: „ 11_5—0

» » n 300-0 — 0: „ 9_0 — 0

Onderteekeningen als boven.

40—8-0 Te samen in Cleefsch: 8G—15—0

Hulp-kapel te Oostrum: Bijlage der rekening van 1828.

Renten der kapel

Rogge, mud k.

Hanckx erfgenamen Jan Vissers Wed. Thielen Jan Hendrik van Hugten Antoon Achten Hendrik . Hanckx erfg. . . ,

van Bommel Willem. . Thielen Jan Hendrik. . . ingevolge koopacte door den notaris Pingen in dato 24 January 1825 en te Horst geregistreerd daaraanvolgende 7 Februari.

Reductie in geld. volgens de wettige waar dcring van het jaar.

0 »gt;

12

tl.

13—79

39

55

1—75

52

55

2—33

2

08

55

9-311/2

39

55

1—75

52

•)

55

6 — OO

78

55

3 491/0

39

?5

1—75

7

19

11

30—G9


13

ocr page 334

Huur of pacht der landerijen van 3,6 of 9 jaar, per jaar:

mud kop Bouwland

Peter Kersten 39

1 morgen aan den Boshuizen

fl.

2-

-I8I/2

Idem 05

1 'V 4 quot; 93 5' quot;

99

3-

—G4

Thielen Gerard 2 morgen Bouwland op de Klef

99

7-

—5ö

Goemans Antoon 2

„ „ in 't Oostr. veld

99

8-

-971/2

Wijnen Arnold 1

„ te Oostrum

99

4-

—25

Pouwels Jacob 1

95 99 99

99

4-

-721/2

JenneskensWillem l1^

„ weide aan den Horik

99

8-

-03

Pouwels Jacob 1lo

„ te Oostrum

99

2-

-30

11.

41

-621/2

Intressen van kapitalen .... fl. 10—18

bij particulieren........ 5—22

„ 1-82'2 G- 701/2 Totaal-Generaal fl. 101—24^2 Alles gedaan door Gerard Thielen gedelegeerde .kapelmeester.

Erfpagten en goederen van de vicarie van de Kapelle Oostrum.

Rogge. Mald. Vat. Spint.

Petrus Vermeulen.........

4 __

n —

0

Henricus Achten.........

4 —

ü —

0

Henric Jeuken tot Lull.......

3 —

0 —

0

De wed. Hoex tot Oostr. uit Heesengoed,

1 —

0 —

0

Anton Smits...........

1 —

0 —

0

Jan Volleberg Bruxke op het.....

1 —

0 —

0

1 —

4 _

0

Petrus Tyssen tot Lull.......

0 —

3 —

0

De wed. van Martin Verstraelen ....

4 —

3 —

0

Gerard Tielen Oostrum.......

0 —

3 —

0

0 —

4 —

0

Henric Tennissen.........

1 -

0 —

0

De lsli capellanie van Venray.....

4 __

0 —

0

20 —

5 —

0

ocr page 335

— 329 —

Een stuk land genaemt het Kempke te Oostrum, groot omtrent 1 morgen verpagt aan Peter Peters voor 20 fr. gelegen neven de weyde van Jan Michels de groote straat en den kleinen mistweg.

Twee weykens groot te samen ongeveer l3/4 morgen gelegen te Oostrum neven de groote straat, en de erven van Anton Smits en Petrus Cox verpagt aan Peter Peeters voor 5 fr.

Een bosken struykhout, groot ongeveer 21/2 morgen gelegen te Oostrum nevens het erf genamt den Kamp van Jan Tielen en de weyde van Anton Smits.

(Naar eene copie door den schout Frans Verblackt).

Hulpkapel te Oostrum. Bijlage der rekening van 1828.

Reductie in geld volgens Rogge. de wettige waardeering

Renten der vicarie.

mud.

k. van

het jaar.

Peter Vermeulen.

0

24 fl.

27.951/2

Henric Achten. . ,

3

121

13.971/2

Willem Jenneskens .

52'6—24

2.33

Gerard Thielen . .

2

601

II.641/2

De wed. Hoex. . .

1

56

6.99

Antoon Smits . . .

1

56

6.99

Jan Volleberg . . .

1

56

6.99

Erfg. Hanckx . . .

2

60

11.641/2

Peter Thyssen. . .

78

3.491/2

Wed. Verstraelen .)

7

02

31.45

Gerard Thielen . .

78

3.491/2

Paulus Pauweis . .

1

04

4.66

Jan Hendrik Thielen

1

56 volgens koopact van

24 Januari) 1825.

6.99

le Capcllanie . . . .

6

24

27.95i/2

Totaal. .

41

86

Jeuken Thomas . .

4

68

20.9G1/2

4 (.5

54 fl.

187,53

Huur of pachter der

vicarie.

Peter Peters 11. 4.72l/2 | denzelven T.OS1,^ |

Totaal fl. 199.34 Alles gedaan door Gerard Thielen, gedelegeerden kapelmeester

ocr page 336

— 330 —

B IJ L A G E N0 X X 11.

Lambertus Bartholomeus Ramaekers

geboren te Horst 1770 Sopt. 17, -f aldaar 1847 2 Oct.

x

Anna Maria Hoogen (familielid in den derden graad van

den hoogeervv. kanonik Jansen, beurzenstichter te Keulen.) geb. Horst 1786 20 Januari ibidem 1801 Nov. 27.

I. Petronclla Ramaekers geb. Horst 19 Maart 1809, -f 2 Febr. 1834 X 1830 Wilhelmus Hezen

a) Anna Catharina Hezen b) Petrus Jannnes Hezen geb. 5 Oct. 1831 geb. 4 Febr. 1834

geprofest in 't Ursulinen- geprofest in 't klooster te Weert

klooster te Venray 1858. 1859, te Megen 27 April 1876.

II. Wilhelmus Ramaekers geb. 1810 -f- 1845.

III. Joannes Ramaekers geb. 1815 -f te Maasniel 1 Dec. 1895.

IV. Maria Gertrudis Ramaekers geb. 1818 -f 13 Nov. 1876.

V. Helena Ramaekers geb. 22 Maart 1820

x Matthias Hoeijmaekers -f- 1852 Sept. 17.

Maria Helena Hoeijmaekers geb. ter Horst 19 Feb. 1853,

gekleed als Ursuline te Grubbenvorst 24 Oct. 1870,

geprofest aldaar 29 Oct. 1872 „moeder Aloysiaquot;

benoemd tot Révérende Mere 12 Juni 1876.

VI. Anna Maria Ramaekers geb. te Horst 8 Mei 1822 4 te Maas

niel 13 Januari 1889.

VII. Eleonora Ramaekers geb. 3 Nov. 1823 2 Mei 1850,

VIII. Petrus Ramaekers geb. 1 Nov. 1825 1 April 1847.

IX. Henricus Ramaekers geb.Horst 27 Aug. 1827, ibid. 12 Apr. 1886.

x 1863

Petronella Michels van Oostrum (Venray).

Lambert Bernard Ramaekers geb. te Horst 21 Juli 1866, Priester gewijd tc Roermond 22 Maart 1890, kapellaan te Heven 15 Sept. 1890, kapellaan te Helden Juni 1895. /éftv

ocr page 337

— 331 —

X. Ludovicus Ramaekers gcb. ter Horst 18 Oct. 1829, Priester gewijd te Roermond 24 Maart 1855 door Mgr. Vrancken, kapellaan te Hlittcrsvvyk Juli 1855, item te Helden Januari 185G, item Venray Oct. 185G, rector te Oostrum April 1861, pastoor te Maasniel 2 Febr. 1877, aldaar geïnstalleerd 20 Februari volgende.

BIJLAGE N0 XXIII.

JOANNES AUGUSTINUS

miseratione divina et sanctae Sedis apostolicae gratia Episcopu s R u rae m un den sis omnibus hasce visuris salutem in Domino!

Quum dilectus nobis in Ghristo magister L Ramaekers, rector ecclesiae auxiliaris in Ostrum sub parochia Venradiensi, nobis supplicaverit ut piam sodalitatem sub invocatione beatissimae et immaculatae Virginis Mariae Salutis Inlirmorum, CLijus finis est procurare s.mitatem corporalem et spiritualem, in sua sacella canonice erigere dignaremur, ut primario sodalitio in civitate Parisiensi erecto in ecclesia Sancti Laurentii aggregari in perpetuum possit, et omnes et singulas indulgentias tam plenarias quam partiales, quibus in praesentia potitur sodalitium Parisiense, vel quod illi in posterum concedi possint necnon caeteras quibus jam gaudet vel in posterum gaudebit spirituales gratias consequi valeat; nos pio desiderio annuentes, bonum istud opus, in salutem fidelium promovere volentes, dictam sodalitatem potestate nostra ordinaria

ocr page 338

— 332 —

canonice erigendam duximus in sacella de Oostrum, sub parochia Venradicnsi. Datum Ruracmundae hac 21 Sept. 1870.

Episcopus Ruraemundensis, f J. A. Pa red is

Concordat cum Original!

in fidem :

L. Ramaekers rector ad Sanctum Mariam in Oostrum 18 25/9 70.

B IJ LAGE N° XXI V.

PIUS P. P. IX.

Ad perpetuam rei memoriam.

Ad augendam fidelium religionem, animarumque salutem coc-lestibus Ecclesiae thesauris pia charitatc intenti omnibus et sin gulis utriusque sexus Christifidelibus vere poenitentibus, et con-fessis ac S. Communione refectis qui Ecclesiam B. Mariae Virg. de Oostrum intra limites Ecclesiae Parochialis Venradiensis in diocesi Ruremondensi, magno, uti asseritur, populi concursu frequentatam, uno, quo cuique eorum libeat, die singulis annis devote recitaverint, ibique pro Christianorum Principum concor-dia, haeresum extirpatione, peccatorum conversione, ac Sanctae Matris Ecclesiae exaltatione pias ad Deum preces effuderint, Plenariam omnium peccatorum suorum indulgentiam et remis-sionem, quam etiam animabus Christifidelium, quae Deo in cha-ritate conjunctae ab hac luce migraverint per modum suffragii applicari posse, misericorditer in Domino concedimus. In con-trarium facientibus, non obstantibus quibuscunque. Praesentibus, perpetuis futuris temporibus valitaris. Datum Romae apud Sanctum IVtrum sub annulo Piscatons die XI Junii MDCCCLXXV Pon-tificatis Nostri Anno Vigesimo nono.

E. Card. Asquinius.

ocr page 339

— 332a —

VERTALING DER PAUSELIJKE BREVE VAN II JUNI 1875.

PAUS PI US IX.

TER EEUWIGE GEDACHTENIS.

Uit vaderlijke liefde on/e aandacht vestigende op de hemelsche schatten der Kerk, verleenen wij welwillend in den Heer, ten einde de godsvrucht der geloovigen en het heil der zielen te vermeerderen, kwijtschelding van alle zonden en een vollen Aflaat,— die ook aan de zielen der Ghristen-geloovigen, welke in de liefde Gods uit dit leven gescheiden zijn, bij wijze van voorspraak kan worden toegevoegd, — aan alle Ghristen-geloovigen van beider geslacht en aan ieder in het bijzonder, als zij, na rouwmoedig gebiecht en gecommuniceerd te hebben, de kerk der H. Maagd Maria te Oostrum, binnen de grenzen der Parochie Venray, in het Bisdom van Roermond, alwaar, gelijk bericht wordt, een groote toeloop van volk is, eens in het jaar op een dag naar believen godvruchtig zullen bezoeken en aldaar een vroom gebed tot God zullen richten voor de eendracht der Christen Vorsten, de uitroeiing der ketterijen, de bekeering der zondaren en de verheffing van onze Moeder de H. Kerk. In weerwil van al wat hiertegen zou kunnen gelden, zal deze vergunning altijddurend van waarde zijn. — Gegeven te Rome bij S. Pieter onder den Visschersring, den XI Juni MDCCCLXXV het negen en twintigste jaar van ons Pausschap.

F. Kardinaal ASQUINI. (1)

1

Zijne Ltnin. Fabius Maria Asquini geboren te Fanagna den 14 Augustus 1802, Kardinaal in petto gehouden 22 Januari 1814, b jnoemd den 21 April 1845 met den titel van St. Stephanus op den berg Celius, was ook bij de opening van het Vatikaansch Concilie in 186c) tegenwoordig.

ocr page 340

■

ocr page 341

BIJLAGE N° XXV.

HEUGELIJKE FEESTVIERING

der

PLECHTIGE KEMIM

van het

Miraculeus Beeld van Onze Lieve Vrouw van Oostrum, namens Zijne Heiligheid Paus Leo XIII,

dook Z. D. H. Mgr. J. A. PARED1S, Bisschop van Roermond, of zijn gevolmachtigde.

OP ZONDAG 14 SEPTEMBER 188 4.

Igt; ROG BS V M M \.

1. Opening van het feest door het luiden der klok

ken, des namiddags 2 ure,

2. Afkondiging der Pauselijke Kronings-bulla, in de

Parochiekerk van Venraai, door den Zeer Ecrw heer J. Geene, Deken van Horst, om 21/o ure.

3. Plechtige Kroning van het Miraculeus beeld.

4. Kroningsrede door den WelEerw. heerG. Lemmens,

Kapeilaan te Horst.

5. Optocht naar Oostrum, om 3 ure. — Herdertjes,

bruidjes, praalwagen met het Miraculeus Beeld, Eanfaregezelschap.

Bij aankomst: „Oostrnnis Pelgrimsliedquot;. G. Feestrede te Oostrum door den Zeer Eerw. lieer A. van Soest, Pastoor van Well.

7. Plaatsing van het Miraculeus beeld in de kapel te

Oostrum.

8. Solemneel Lof door den Zeer Eerw. heer H. W.

H. van Haeef, Pastoor van Venraai.

9. Pauselijken Zegen met Vollen Aflaat door den Wel

Eerw. heer J. A. van H egelsom, Reet. v. Oostrum. 10. „TE DEUMquot;.

H. W. H. van Haeff, J. A. van Hegelsom. Pastoor van Venraai. Rector van Oosiruui.

De toezending van dit Programma dient tevens tot uituoodiging ter plechtigheid.

liorkdrukkcrij van J. VAN DEU MARCH. Venraai.

ocr page 342

— 334 —

BIJLAGE N0. XXVI.

Hoogwaardigste en Doorluchtigste Heer!

Jaarlijks heeft de schutterij van Oostrum eene zingende dienst, dit is van onheugelijke tijden zoo geweest; ook gedraagt zij haar wel, en omdat vroeger jaren deze schutterij de processie van de parochie, die op het feest van O. L. Vrouw Geboorte naar Oostrum trekt, eenige minuten van de kapel tegenkwam met vaandel en trom, nogtans zonder geweer, vraagt dezelve, of zulks wederom zou mogen plaats hebben; ik heb hierover niet beslist, omdat ik eerst UH.Ew.dens oordeel wilde hooren. Mogt ik dus eenige letteren antwoord hebben zoo haast mogelijk, zou mij hoogst aangenaam wezen die zich met de meeste hoogachting noemt.

Uwen ootmoedigen en gehoorzamen P. Verheggen, Past. en Deken.

Venray den 5den Aug. 1852.

Consuetudo in casu, tolerari quidem potest, directe tarnen per-mi tti vel approbari, non potest.

G 7'quot;,is 1852.

J. A. Paredis, administrator apostolicus.

ocr page 343

— 335 —

ADDENDA EN ERRATA.

In onze genealogische tafel bladz. 19 en 30 stelden wij Adriaan van Broeckiiuvsen en zijne zuster Agnes van Broeckhuvsen als kinderen van Willem van Br- Bij nadere inzage der stukken en blijkens een uitstreksel der stamlijst, welke wij aan de wel-willendheid des heeren H. de l'Escaille verdanken, blijkt: dat Adriaan en Agnes broeder en zuster waren van den stichter Jan van Br. heer van Loë en Geysteren. Volgend extract van Van Spaen licht het testament van ridder ,)an en het magescheid van 1451 nader toe.

Willem van Broeckhuysen x Agnes de Cock, erfvrouw van Waardenburg:

a. |Jan I van Br.

heer van Waardenburg en Amersoy

erf hofmeester 1415 f 1442.

x

Adriana van Brakel; hij vordert Oostnun en Spraelant van den graaf van Meurs terug.

b. Willem van Br.

wiens erfdeel op de moeder terugviel.

Hubert van Br. ridder, f vóór 1450.


1 Gerrit van Br.

erf hofmeester 1442 f 3 nov. 1444. X

Walrave van Brederode.

2 Staes van Br.

X Gertr. van Stryen.

3 Henrica van Br.

X Goswin Steek, erfmaarschalk t 1475-

4 Agnes van Br.

x

10 Frederik van Ruytenbergh. 2° Johan van Bellinckhoven.

d. Jan II van Br.

1427 erlhofmeester, stond dit ambt 1442 ai aan zijn neef, verkreeg

het weer 1444,

Drost van Kessel 1431-57 heer ter Morst

x

Anna van der Straeten van 't huis Wissen, stichters van 't Couvent Oostrum,

f. tot j. Zie ommezijde.


ocr page 344

Henrica van Br.

X 1418. Godard van Harff f 1468.

c. Gerarda van Br. X

Willem van Kessel.

/. Brlaan van Br.

X

Margareta van Arnhem.

(deze kregen Geysten en Oostrum.)

Agnes van Br. X

Mathias van Eyll.

Godard van Harft zur Kiershoven X 1454 Alverade van Witthem.

Agnes van Harff weduwe I494 X 1482 Dirk van Hackfort.


Jan van Eyll Sybert van Eyll.

/. Sweder van Br.

X

Bela van Walhusen.

//.AlardvanBr. X

Maria van Dorth.

Willem van Br. Gerard van Br. Jan van Br.

Agnes van Br. Margareta van Br.

ocr page 345

INHOUDSTAFEL

Een woord vooraf.........., 3

Heerlijkheid Spraeland—Oostrum, hare historie

en hoeren van de vroegste tijden tot aan de

Fransche Omwenteling................7

Oostrum............................7

1. Topographic......................7

2. Het kasteel Spraeland en de villa Oosterham 8 De Heeren van Spraeland —Oostrum uit

den stam van O03' ..............9

De Heeren van Spraeland—Oostrum uit

den stam van Broeckhuysen..........10

De familie van Schellardt, halfheer en sinds 1592 heer van de heerlijkheid Oostrum —

Spraeland............38

Heerlijke rechten...........50

Schepenbank te Oostrum.......03

Schepenen............07

Schouten.............09

Secretarissen...........72

Richterboden...........73

Eenige historische aanteekeningen uit het archief te Ven ray en de schepenregisters van Oostrum..........80

14

ocr page 346

— 338 —

Reguliere kanoniken te Oostrum.....!)()

Reguliere kanonikessen........98

Kloosterbestuur..........102

Lijst der religieusen en goederen .... 103

Stichtingen en vervolg der geschiedenis. . 109

Bouwing der kloosterkerk in de 18° eeuw. 114

Commensalen...........116

Anniversariumboek.........123

Fransche tijd en opheffing der kloosters . 127

Lijst der maters of priorinnen van het klooster 131 II. De O. L. Vr. Kapel te Oostrum met bet daarin

berustende miraculeus beeld......137

Bestuur der kapel en de oude stichtingen. 144 Verwikkelingen tusschen de kloosterzusters

en de beheervoerders der kapel respectievelijk de naburen van Oostrum. . . 147

Innerlijke toestand der kapel.....153

Troon voor het miraculeus beeld. . . . 150

Kelk . . ............157

Klokken.............158

Orgel..............159

Altaren.............160

Benelicie en Officie in de kapel .... 162

a) Beneficie...........162

b) Officie............163

Lijst der rectoren van de kapel tot aan de

Fransche Revolutie........164

Diensten in de kapel........166

Catechismus voor de jeugd . . ... 168

Offers in de kapel.........169

Verteringen............170

Zielboek........ .... 171

Processiën............172

a) Oostrum...........172

b) Venray...........173

c) Ooirlo............176

d) Geysteren—Maashees......176

Communiekinderen.......176

ocr page 347

— 339 —

Bedetocht der studenten.....177

Congregatie der jonge dochters van

Venray...........177

Processie van Eindhoven naar Kevelaer. . 178 Chroniek (vervolg der) tot aan den Fran-

schen tijd............178

Lijst der kapel- of kerkmeesters .... 181

Koster-schoolmeester........183

De kapel onder en na de Fransche Over-

heersching ...........180

Rectoren of vicarissen der kapel .... 187 Chroniek (vervolg der) van af den Fran-

schen tijd tot op de helft dezer eeuw. 192 Het Heiligenhuisje of kappelletje van

O. L. Vr...........193

Bedehuisje van den H. Antonius van

Padua te Lull.........194

Lijst van Priesters en kloosterlingen te Oostrum geboren of daar gewoond hebbende. 212

Gilde van O. L. Vr. te Oostrum.....215

Reglement der gilde.........228

Rente- en Thynsboek der kapel.....234

Bijlagen..............256

Errata et addenda..........335

ocr page 348

• ■ HM'M: V-......

5 •■:•!lt;

.......

■ ■■ quot;■ ■ .......

....... . :;.,i;,.

■ ■ ■ ■ ....... ■■ • ■ ■

.- ■ ■ ■ ■ ' •

Hi •• ---kWiVi#j£'.

ocr page 349

ALPH ABETISCHE TAFEL.

V

Aagtenkcrke (St.), .quot;G.

Aarle-Beek, 1 78.

Achelin, Dirk (van),pater van het vrouwenklooster te Well, 90.

Ac/i/eu, Hendrik, 327, 328, 329.

Adolf, hertog van Gelder, 5G, 06, 91,92,94, 98,277.

Aecken, Teucken (van), 277.

Aerlc-Rixtcl, 158.

^^r5j^«,Catharina(van), mater van het idooster te Oostrum, 131.

Aerts, Agnes, religieuse te Oostrum, 107; Anna, religieuse aldaar, 115; Anna Maria Josepha, 118; Antoon, 106; Antoon Adolf, 118, 119; Arnold,pastoor te Swolgen, landdeken van Kes-sel,105,100,115;EleonoraMag-dalena Frederica, 118;Francis-ca Henrica, 119; Hendrik, 106; Henrica,Joanna 118; Jan,schout te Oostrum, 117; Jan, schout te Broeckhuysen, 119; Jan Renier, pastoor te 0irlo,106, 160; Joanna Catharina,118; Leonard Jans zn,l 17; Leonard Petrus, pastoor te Lottum, 110;I,udovicus, pastoor te Posterholt, 207 ; Maria Agnes, religieuse te Oostrum, 128; Maria Catharina,religieuse te Oostrum, 105; Maria Petro-nella, 118; Seger, 105; Seger, pastoor te Isselburg, 106; Sy-bertus, 118; Thonis)182.

! Aertsen, Elisabeth, 100.

A ffcrdcu, 53, 71.

Affcrchu, (van), 71, 124, 164, 182; Peter, 145, 181,247, 248,249, 253, 254.

Alm, Catharina (van der), 288.

Aken, 48, 49, 88,128, 190.

AlartsJiiW 163; Joanna, 111; Joannes, rector van het klooster te Oostrum, 112,132, 133; Joannes, kanonnik te Roermond, 72; Mathys, 72, 132.

A lb er dingk Thijin, 125.

Alberts, J. B , deken van het land-dekenaat Kessel, pastoor te Horst, 167,318,319.


ocr page 350

— 342 —

Aldekerk, Petrus (van), prior te üostrum, 94.

Aldekerk (bosch), 12.

Aliesleger, Willem (die), 254.

Allamont, Eugenius Albertus (d'), bisschop van Roermond, 164.

Alphen, Aelbert (van), heer tot Hönnepel, 209.

Amerzoden, 335.

Amsterdam, 122, 211, 209, 312.

AnJiolt, 10(3.

Anscmbourg, Constantia Eugenia gravin (d'), 286.

Apcltcrn, Daniel (van), heer van Spraeland, 14.

Ar een, 25, 120,131.

Arena, Lambertus (de), kanonik te Xanten, 28, 263.

Arendael, Boelman (van), heer te Well; Jan, heer te Well, 269, 273.

Argentean, 41.

Ariens, Arnold, 80.

Arnhem, 150,218.

Arnhem, Margareta (van), 21,38, 40; Winand, 40.

Arnold, hertog van Gelder 21, 22, 23, 24, 57, 273, 275.

Arnold, hertog van Gulick en Kleef, 303.

Ars sen. Jan (van), proost van St. Cunibertus te Keulen en van den H. Geest te Roermond, aartsdiaken van Deutz, 97, 293, 301.

Ar/s, Antoinetta,190; Jan Antoon, pastoor te Wanssum, 168; Jan

Jacobs, leeraar der latijnsche school te Gemert, 1G8.

Asp er den, 119.

Asselberghs, Henricus, pastoor te Ophoven, 208.

Asselt, Cornelis (van), rector te Oostrum, 132.

Assendelft, Anna (van), 41.

Asten, 178.

Augnstyn, rcligieuse te Oostrum, 105,159.

Ei.

Bachurn, 40.

Baede, Gaertgen, 278.

Ba er le, 263.

Baerlo, 32, 287.

Baexem, (van), 75.

Ba kei, 178.

Balgoy, 165.

Batsen, Dirk, 182; Gerrit, 182; Jacob, 181; Michiel, 182.

Batenburg, Florentius, 12.

Bay, Willem (die), 277.

Beeek, 294.

Beek en Donk, 211.

Beek, Lamert (van den), 122.

Bid kens, Aleth, 147.

Beerens, Mechtildis, rcligieuse te Oostrum, 105.

Beer kens, Jacob, 208.

Bee se I, 75, 78.

Beieren, Albert (van), graaf van Holland, 42.

Bekkers^ Seger, 195.

Bell, Christina (van), 25; Eduard, haar vader, 25; Evert van, 253.


ocr page 351

— .343 —

Bellinckhoven, Johan (van), 335.

BcKgcvs, 74, 240, 243, 244,248; Lambert, 244, 250.

B dij ens, Germ, 235, 237.

Berch, Dominicus Oswald (van den), 73.

Bcj'q', Nicolaas (van den), 213;Wi 1-lem, zijn vader, 213.

Bcrgh, Hendrik(van den), 83; Matthias, rector te Oostrum, 132.

Bcrlyn, 51.

Berns, Henricus Rudolf, pastoor te Kessel, 191; Rudolf, pastoor te Oirloo, 190, 323, 325.

Berren, Rosalia, 170.

Bcrt/icm, Willem, 277.

Besse ling. Jan 122.

Bcttenray, 2f).

Beugen, 11G.

Beurden, (van), 196.

Beuyssen, 185.

Beyenbruggen, den, hoeve, 49.

Beyeren, Schagen, 42; Albertina Louisa (van), 44.

Biessen, Jan (van), 245.

Biestervelts, Henricus, 59.

Bislieh, 27, 2G2.

Bisiervelts, Petrus, 327.

Blaeekt, Hendrik (op), 758.

Bleriek, 111,203, 205.

Blüterszvyck,h\, 72, 108, 173, 180, 194,213; kapel der H.Anna,123.

BliUerszvyck, Arend (van), 30; Arnold, 22.

Bbunenthal, (van), 88.

Blyenbeek, 53.

Boekholt, Catharina Cecilia, (van).

288; Cecilia, vrouwe van Horst, 280;Eduard Reus, 37; Jan, 37; Wilhelmina Cecilia, 49; \\ril-lem, 283.

jj Bodinekhuyscn, schout te Venray, 48.

Boeek/iolt, Anna (van), 125; Rene-rus, heer van Macken, 125.

Boet/bergen, Jan (van), 21.

Boekei, 165.

Hendrik, 36,181,247,249; Hubcrtus(Hueb), 181, 236,244; Jan, 246; Jenneskcn,244; Re-nier, 247.

Boermans, bisschop van Roermond, 209.

Boers, Willem, 172.

Boitbergh, Johan (van), 274

ilonnnel, Willem (van), 321.

Boncour., Gertrudis, 180; Martin, 180.

Bongers, Jan, 182.

Boogers, Alitga, 81.

Boom, Esther (van den), 73, 165.

Borgharen, 41.

| Borman, Antonius, vicaris capitu-laris te Roermond, 189.

Born, Goswinus (van), 12.

' Borret, Arnold Eduard Aloysius Hubertus, apostolisch vicaris, 119; Antoon Jozef Lambert. Commissaris des Konings in Limburg, 119; Theodorus Antoon, rentmeester der comman-derie der Duitsche orde te Gc-mert, 119.

Borsselen, 45.


ocr page 352

— 344 —

Borzvater, Gerrit, 248.

Bosch, Christina (ten), 122; Joanna, 122; Maria, 122.

Boschuseu, Arnt, 24o; Jan (van

den), 145,254.

Boshuizen, 18,17G.

Bosman (Bossman), Gerrit, schout

te Oostrum, 7)5, 247, 248.

Boss, Lens (van), 238.

Bouweus van der Boyc, 101; Al-bert, Anna Margareta, 124,1G1; Catharina Francisca, Jan Re-nier, 125.

Bovcns, Jan Willem,regulier ka-

nonik te Mariensande, 97. Bovyshuysen, Jan (van den), 24S. Boxmeer, 178,185, 195, 200, 210. Braekmau, A. T., 188.

Brake!, Adriana (van), 325. Br aims, Lambert, 80.

Bredbaeh, Hendrik (van), 80. Brede, Willem (van), pastoor te

Stralen, 93,95,294.

Breder ode. Wal rave (van), 335. Brempt, Johan (van), 2G9.

Br ent, (van), 22.

Breyl, 114.

Broeekhnysen, 27, 35, 117, 108. Broeekhnysen (heeren van), hun wapen 10, 17; Adriaan(van) 30, 31, 32, 38, 270, 272; $riaan 330; Agnes, 30, 272, 335, 330; Alart, 271, 273, 330; Anna91; Elisabeth, 37; Gerard, 271,272; Gerarda, 330; Gerrit, 23, 330; Henrica,335,330; Hubert,336; Jan, heer tot Loeen Gcysteren, 20-27, 29, 90, 91, 94, 102, 134,

138, 143, 144, 250—259, 204, 267—209, 271, 272, 293, 305, 335; Joanna, 17; Margareta, 272, 330; Reinald, 30; Staefs, 270, 272, 330; Willem 1, 13, 17; Willem II, 20, 22, 25, 258,271, 230.

Broeckhuysenvorst, 37, 71, 108, 117,118, 124, 208. | Broehvelgest onder Oostrum, 8. ] Broegen, 200.

Br oer en. Herman, 277.

Broich, Theodoor, 444.

Bromans, 230.

Bronckhorst, Wilhelmina (van), 288, haar wapen, ibidem.

Brouckire, G. (de), 187, 322 | Brouwers, Engelen Dirk, 84; Jan, 181; Peter, 124, 237; Trijn, 61. | Brouwilders, Joannes, 74. i Bruggen, 75; Jacob (van), 245.

Brul, Antoon, 183; Herman, 159, 183.

Brunss, Brien Gaert, 245.

Brussel, 44, 111,125, 284. | Bruyuing, Jan, 122.

Bryneu, Goerdt, 181.

Bnedelskamp (hoeve), 127.

Budel(Buedel), Jan, 27, 262, 204. i Bucking, Jan Jacob, 291. | Buggenum, 208.

Buren, Aleidis (van), erfdochter van A reen, 25; Jan, heer van Arcen, 274; Willem, 23.

Burtschcidi 282. — Abdij, 283,

Buschbell, 25.

Buys Jan, 172.


ocr page 353

— 345 —

Cloeckcr, Jan (in den), 78.

Cloeckcrs, Matthias, 78.

Cloiith, Jan Willem, 291.

Cocqva7iHaeftcn,\icv\.\\o\d{dc),\2?gt;.

Cocq (Cock) van Waardenburg, Agnes (van); 17, 135.

Coebergh, Jan Benedictus, secretaris van Venray, 279.

Coeninx, Jan, 237.

Collarts, Joanna, mater te Oostrum, 131.

Colvenbach, Frans, prior van het O. L.Vr. klooster te Neuss, 101.

Coninxamp;osWm, rector te Leuven, 123; Jan, 123; Maria Ida, 70, 71; Simon Peter, 70.

Constant alias Timmermans, Jacob, 09.

Conti, Appio, 80.

Contzen bij Montjoie, 119.

Coolen, Antoon, rector te Oostrum, 132.

Cools, Reginaldus, bisschop van Roermond, 281.

Coouen, Maria Agnes, 182.

Coopmans, Martin, 81.

Coppcn, Catharina, 158; Hendrik, schepen van Oostrum en kerkmeester aldaar, 112, 158, 182, 239, 242, 243; Mattheus, 181.

Corten, Renier, 53.

CortcnbachXjWc'va Maria (van), 125.

Cox, Petrus, 329. j Gerard Antoon (van der),

I 107.

: Cranenburg, 37,92.

Creenters, Jan, 182; Jan, pastoor te Vierlingsbeek, 319.

/Jyn Thcodorus, rector te Oostrum, 132.

Bysterveld, schout te Gelder, 222.

C.

Calcum, 49.

Caldenbroek, 21.

Calis, (van), religieuse te Oostrum, 106.

Cambeek (de), hoeve, 201.

Joannes Matthias Huber-tus, rector te Oostrum, 201.

Gastrop, 287.

Catelaen, Jacob H., 183.

Christiani, Lambcrtus,pastoor te Swolgen, 212.

Cille, Mattheus, 181, 240.

Clabbers, Anna, religieuse te Oostrum, 104.

Cladder. Jan, 278.

Claes, Hendrik, 103,235; Jan, 278; Jan, rentmeester der Munsterabdij te Roermond, 78.

Cloessen, Egbert, pastoor te Weze, 28; Jan, 01; Jan, pastoor van St. Severinus te Keulen en wijbisschop van Munster, 81, 212.

Claessens, M., religieuse te Oostrum, 105; Petrus, pastoor van Bergen, 124.

Claissen, Herman, 278.

Clt-ef, hertog (van), 271.

Clcrck, Bernard, regulier kanonik van het O. L. Vr. klooster bij j Neuss, 101.

Cleve, Gerard (van), 271.

Cleven, Mechtildis, religieuse te Oostrum, 105.

15

ocr page 354

— 346 —

I).

Crcmers, Catharina, 81; Gertrudis, 166; Jacob, 83 84; Jacomina, zijnedochier, 83,84,182;Maria (alias van den Kief), 118, 119; Petrus, 119; Petrus Frans Christiaan, rector op de Smakt.

Crimpen, 37.

Crousen (Crucscn), Elisabeth, reli-gieuse te Oostrum, 104, 242.

Cray, 36.

Crnchten, 75.

Citcnen, Jan, 82.

Cucppers, Ant., 240; Jan, 244.

Cuester, Jacob (de), 80.

Ciilenberg, Hubertus (van), heer van Boxmeer, 25.

Ctiper^ Jan, 287.

Guppen, Gautgen, 278; Willem, 171.

Custers, Aleida,33; Nicolaas, 144; Thunnis, 74.

Custers (de Cnesier), Jacob, 74; Louis, 198; Martin, 82; Nicolaas, 239.

Cuyekius, Henricus, bisschop van Roermond, 41, 110,212.

Cuyk, 36.

Cuyper, Jan, 234; Peter, 277,

Cuypers en Stolzenberg, 156, 161.

Cuypers, Heerken, 236.

Cuyppers, Anna, 78; Jacob Jans, 46, 66, 67, 74, 78, 183, 184; Jenneken, 78, 79; Matthys, 78, 79.

Cuyt, Jan, 113.

Cuytteu, Ruth, 61.

Daemen, Hendrik, 77; Joannes, pastoor te Broeckhuysenvorst, landdeken van Kessel, 124.

Daenis, Jan, 243; S., 140.

Dahlen, 71.

Daith, Lueiï (van), 269.

Daelenbroeck, (huis), 118.

Daniels, 14.

Dans, Jacob(van), 30; Jan, kanonik en deken te Rees, 80; Mattheus, Mettha, Michael, 80.

Decker, Jacob,schout te Oostrum, 247;Jan,238.

Deckers, Jacob, 242; Jan, schepen van Venray, 248, 815; Simon, 193.

Deegens, Jan, 74.

Decnen, Jacob, 183; Jan Joachim, pastoor te Puyflijk, 209; Joannes, 183.

Deriekx (Deryck), Ja n, 82,244,245; Lambert, 244, 245.

Dirks, Jan, 181.

Derksen, Jan, 185.

Derrick, Jan,schepen te Oostrum, 243.

Deurrte, 178.

Dcntïj, 97.

Dick, Jan (van), 82.

Dinther, 159.

Dirix, Lambert, 181.

/?wfc/rt/'/t'«',(de),onderOostrum,8.

Doniburch (Domborch),35; Jacob (van), ridder, heer van St. Agatha, stadhouder te St. Jacobs-kerk, 33, 84; Maria (van), 34.


ocr page 355

Dongen, Cornelis(van), rector der kapel te Oostrum, 191.

Dooreinans, Frans, pastoor te Se-velen, 208.

Dorenzvaard[Doornweerd), 30,40.

Dornick, Jan Caiilius (van), 49.

Dorrenwalc/, 27.

Dorsch, Antoon Jozef, 174.

Dorth, Maria (van), 33G.

Douveren, Jacob (van), schout te Horst, 118.

Draper, A. R., 121.

Driessen, Dirk, 253; Hendrik, de-servitor der kapel te Oostrum, 164; Johanna, 70; Petrus, deser-vitor der kapel te Oostrum, 70 163, 165—168, 188; Theodora, 70. -

Drift, Jan Adriaan (van der), 296.

Drovgelen, 41.

Dry el, Thomas (de), 12.

Dryssenn, Jacob, 277.

Dninont, Anna Catharina, 49.

Dnsselrforf, 51, 52,54,88,290,291; — Kruisheeren, 92.

Dnynkereken, Elisabeth, 310, 312; Nicolaas, 121, 310.

Duysens, Margareta, 147., 241.

Dyek, Lambert (van), 182.

Z?j'Z',Johan(van), schout van Oostrum, 70.

Iv

Eelen, 182.

Eent, Christina (van den), 212.

Eindhoven, 156.

Einighansen, 208.

Effdev, Johan (van), 264.

Elderen, 36.

Elfgt;enicli,?iamp;Q\\\)Vgoed te Müng,50.

Elsburg (Elsbergh), Lambertus (van), pastoor te Venray, 190, 324. 325.

Eisen., Wendel (van), 124.

Elsenitz,K nna MariaChristi na, 70.

Emmerik, 156, 211.

Engelbrccht II van Valkenburg, aartsbisschop van Keulen, 12.

Eugelkens, Gerard, 24S.

Engels, Maria Agnes, maler te Oostrum, 131.

Erp, Henricus (van), prior te Oostrum, 91,94.

Erpraede, 27.

Erps, M., 84.

Everts, Willem, kanonik van Roermond, 203.

Eyck de Nnnen, Maria Cecilia (van), abdis der Munsterabdij te Roermond, 126.

Eykerivyk,[lt;\lt;t), onder Oostrum, 8.

Eyll, (van), 35; familiewapen 31; Anna (van), suppriorin der der Munsterabdij te Roermond, 35; Gerard, 37; Jacob, 35, 37; Jan I, 30, 31, 34; Jan II, 32, 34, 221, 238, 247,336; Lucia, genaamd Rijnen, 35; Matthias, 30, 31, 35, 92, 253, 336; Sibert, heer te Baerlo, 30, 31, 34, 221, 336; Willem heer te Baerlo, 34, 221.

Eymaels, 129; Matthias, rector der kapel te Oostrum, 122,


ocr page 356

— 348 —

133; Wilhelmus Matthias, rector te Oostrum, 133, 189.

Eynatten te Opsinnich, 283; Ca-tharina Isabella,288; Jan Theobald, Maria Anna, 288;Michiel, 288; Winand, 42,218.

Eynatten te Reimersdaal, Peter (van), 182; Willem Theobald, 288.

Eyndt, Gerard (van), 73, 281; Peter, 326.

F.

Fahri, Adam, 149; N., 149,150.

?aechs, Peter, 245; Matthias, schepen te Oostrum, 157.

Fa essen. Jan, 61.

Ferber, 66.

Fegen, Maria, mater van het klooster te Oostrum, 102.

Ferniondt, Ambrosius, ridder der Duitsche orde te Gemert, 284.

F lament, A. J. 196.

Fleuren, Peter, 192.

Flodorp, Sixtus (van), 148; Sicts schepen van Venray, 315.

Floris, (Floer is, F lor ent ii) Joannes, pastoor te Geysteren, 37, 110.

Foleville, Ernest Hendrik (de), 88; Joseph Ghristoffel, proost van St. Adelbertus te Aken, 85, 88.

Folvi de IIalle, (de), 289.

Fonek, M, W , vicaris-generaal van het bisdom Aken, 320.

For amine, Gisbertus, pastoor te Venray, 302, 303.

Franck de Langen berg l\. Jan, llt;a-nonik van O. L. Vr. in het kapi-tool te Keulen, 301.

Francken, Hcdwigis (van), 287-

Freehen, 40.

Frentz, 284.

Freyn, Carolina (van), 89.

Frodemont, Bartholomeus, 84.

Ftlrstenberg zu Bar beek, Clemens vrijheer (van), 286.

///Vw alias Fre3'en (ook Kessels), Maria, religieuse te Oostrum, 104, 131, 242.

Gaesdonek, Klooster der Regulieren kanoniken,28.

Gaet, Gysbert (van der), pastoor te Venray, 100,101, 253; Jan, 277-

Galen, Wilderich Alfred Antoon Max Leonard (van), 287.

Gcele7ï, H,, 156.

Geene, Jacob, deken te Horst, 204, 208.

Gelder,11,70,71, 85, 110,123,127. — Klooster Bethlehem, 99.

Gelder, hertog (van), 21, 277.

Gelder, Adolf Renier Antoon vrijheer (van), heer te Arcen, 51, 81; Jan Godfried, heer te Arcen 284; Marcellus, heer te Arcen, 44.

Gelre, Johan (van), 254.

Gemert, 119, 168, 284.

Gennep, 92, 168,191.

Gerats, Peter, 110.

Gerits, Giert, pastoor van St. An-


ocr page 357

— 349 —

tnonis, 78; Jacob, 181; Maria, religieuse te Oostrum, 77, 104.

Gerwis, Meeuws, 36.

Gessel, Johan (van), 83.

Geurls, Joannes Augustinus,rector te Castenray, 208.

Geysteren, passim.

Geystcren, Cornelia (van), 37.

Giclen, Jan Gerard, 237.

Antoon,pastoor te Geysteren, 50.

Gobelinus, 294.

Gobelinus, rector der kapel te Ma-riensande, 93.

Goch, 28. 262, 263.

Goch, Hendrik (van), rector der kapel te Oostrum, 132; Jan,pastoor te Afferden.

Goejer (Goyers), Gysbrecht, rector der kapel te Oostrum, 132.

6W;;/«7«,Martin,I29; Antoon,328.

Gocrdtz, Hendrik, 238.

Goertz, Brien, 246.

Goessen (Goessens), Mattheus, schepen van Oostrum, 240, 244, 248, 253, 254.

Goessens, Jacob, 277, 278; Jan, 56.

Cöü'r(Ghoir,Ghoor), 35,36; Alard (van), 32; Elisabeth, 32, 221.

Goltstcin, Catharina (van), 41.

Anna,mater van het klooster te Oostrum,! 31; Joanna,188.

Graeff, Aleidis (van den), matei-van het klooster te Oostrum, 131.

Grand-Asche, 192.

Grnngrehen, baron (van), 290.

Grave 23.

Grave, Willem (van de), regulier kanonik te Oostrum, 104.

Gravenhaqe, 36.

Grefrath (Greveracd), 285, 286.

Griet, Monica (uit), 107.

Grod, C., 197.

Groenen, Beelkens, religieuse te Oostrum, 104; Dirk, schepen van Venray, 164,181, 239, 240, 241,244,248,253,254,313,315; Jacob,133; Jan, 240, 277; Maria, 132; Paul us, 222.

Groeuingen- Vierlingsbeek, 11(.gt;.

Groesbeeck, 36; Elisabeth (van),35.

Groete, Geert, 91.

Groethuysen,S.\:wo\lt;\, pastoor van Leuth, deken van het dekenaat Kriekenbeek,! 65; JoannaMaria, 197.

Groot-Spraeland, 9.

Groottinek, Aleidis, Gerard, 122.

Grgt;ibbeu,knXoon, pastoor teWell, 200.

Grnbbenvorst, 71, 105, 128, 201, 208,214.

Gmysdnnck, Alard (van), pastoor van Lochum, 21.

Gruythnys, Aert (van), 34.

Gudden, An toon, 171.

Gueris, Antoon, 171, 244, 245.

Guillem, Jan, zie: vandeWater-schappe.

Gnlick 21, 75.

Gullek, Peter (van), prior te Oostrum en van het St. Elisabeths-klooster bij Nunhem, 94, 101.

Gullek, prior van het klooster Ma-riensande te Straelen, 98,99.


ocr page 358

— 350 —

Gnlick alias Boumans, Henricus (van), 117.

Gulpen, Theodorus(van), notaris te Maastricht, 291.

Gtiiigeits, Jan, 282.

Gnrzenich, 3G.

U.

Haagen, 291.

Habets, J., 125, 142.

Hachelbuch, 224.

Hackfort, Dirk (van), 336.

Haeff (van), pastoor te Venray, 187, 199; Henricus Wilhelmus Hubertus (van), 202, 207.

Haen, Gaert (van), 277 ; Hendrik, 72.

Haencn, Willem, 181, 240.

Haegens, Catharina, religieuse te Oostrum, 242.

Haes, Jan Willem, supprior van het klooster „Corpus-Christiquot; te Keulen, 101.

Haex, Peter, 1G0.

Ha ff mans. Jan Arnold Antoon, schout van Oostrum, Leopold, 71.

Haffmans, Gerard Cornells, pastoor te Herkenbosch, 208.

Hagen, Catharina, religieuse te Oostrum, 104.

Hanckx, Eug., 329; Jozef, 84,182, 186,320, 328; P.M., 182.

Haren, Henricus (van),rector der kapel te Oostrum, 108, 133; Maria, 70.

//rf^f,Agnes(van), 336; Daem,30;

Godard,30,336; Gothard, landdrost van Gullek, 30.

Harkotte, 287.

Harscamp (van), 86.

Harve, Gaert (van), 270, 271,272.

Hasenackers, Jan, 74.

Hasselt, 192,

Hatzfeld, (vrijheer van), 52; Jan Willem Ferdinand, 88.

Hebben, Johanna, 106.

Heerenpas (de), land onder Oostrum, 14

Heergraeff, Michiel(van den),rector der kapel te Oostrum, 164.

Hecsakker(d€) onder Oostrum, 8.

Hecse, Jan, 245.

Heesen,Gerard,83, 244; Jacob,237, 239; Jan, 235; Jenneken, 244; Joanna, 83; Margareta, 83, 84; Neelis, 235; Peter, 83,84, 182

Hegcis om, J oan nes A ndreas ( van), 103, 139, 143, 149,201, 208.

Hcguvi, 49.

Heinitis, 224.

Helden, 48, 131.

Helden, Elisabeth (van), 75, 243; Jacob, 74, 182; Jan, deservitor der kapel te Oostrum, 164; Maria, 214; Wil hel mi na, 214; Willem, vader der voorgaande,214.

lleinsberg, Godard (van), heer van Dalenbroeck, 14; Jan bisschop van Luik, 23.

Helmond, 178, 211.

Henckst, Gerard, pastoor te Horst en deken van het landdekenaat Kessel, 315.

Hendrik, bisschop van Luik, 12.


ocr page 359

— 351 —

Hendrik, abt der Cistcrcienscr abdij Kloosterkamp, 94,95,295, 29G, 297.

Hendriks, Ant., 181; Peter, 181.

Hendriks genaamd Princen, Se-ger, 181.

Hengst (Hyncx), Gerard, pastoor te Horst, ó.

Henn von Henneberg, Maria, 28(5.

Hensen, Hendrik, 326.

Henskeus, Christina, religieuse te Oostrum, 242; Matthias, 108; Styneken, religieuse te Oostrum, 104.

Heppeneert, 132.

Henckenrath, Frans Hendrik Jozef, schout van Oostrum, 71; Jan Godard, diens vader, 71; J. J., 121; JanWillem Servaas, 127; P.J., 312.

Hernial, 41.

Hermans, Jacob, schepen van Oostrum, 307, 308, 309; Jan, 172,182; Matthias, 182;Segcr, 241.

Hermans, Anna, 117; Sicgor, 245.

Hermkens, Jan, 182.

Hersiraeten, Anneken, 82.

Hosen. Jan, 182.

Hessel, Hendrik, scholaster te Xanten, 2G8.

Hessen, Gerdt, 248.

Heuben, Matthias, 248.

Heukelovi. Kapel van den H. Anton i us, 104.

Heydeitj—Aleidis (van der), mater des kloosters te Oostrum, 131.

Heyn, Michels, 277.

Hcynen, Jan, 75; Jan Gerard, schepen van Oostrum, 237, 240, 251.

Heysters, Gcrtrudis (van), 84; Jan, 84.

Heysier, Matthias, 23(3,

Hcythuysen, 133, 214.

Hezen, Anna Gatharina, Petrus Joannes, Willem, 331.

Hoben, Godefridus, 74.

Hoeba, Hubertus, 1GG; Peter An-toon, rector der kapel te Oostrum, 1G2, 1GG.

i| Hodenpyl, Aleidis (van), 42.

lloeben (Houben), Christiaan, pastoor te Venray, 12G, 304, 318.

Hoeff, Syll (van), 248.

Hoefnagels, Cornelis, 107; P. J., president van hetgroot-semina-rie te Roermond, 204.

Hoek, Hendrik, 181.

Hoelem, Jan (van), 221.

Hoemoet, J , 122.

Hoenen, Jan, 181.

Hoensbroeek, Jozef Adolf (van), oud-kanonik en koormeester te Trier, 52; Lotharius Frans Victor Hyacinth, 54; Maria Anna (Marianna), 54, 28G, 289, 292; Maria Regina Antoinetta, 53; Philippus Üamianus, bisschop van Roermond, 53.

Hoex, Antoon, 213; Jan,84; Petrus, 83, 84, 213; Theodoor, 213; Willem, 84; Wilhelmina, j' 213, 328.

\\ Hoeytnakers, Helena, 198; Maria


ocr page 360

— 352 —

Helena, overste der Urselinen te Grubbenvorst, 330; Matthias, 198,330.

Hojs, Jan, 23G.

Ho Isa et, Catharina (van), 124; Elisabeth Eva, 124.

Holt, Thomas (de), schepen van Xanten, 2(32.

Holt-Bier iel-, 111.

Hompesch, Cecilia (van), 40.

Hooft, V., 313.

Hoogcn, Anna Maria, 198,230.

Hoogers, Anna Catharina, 182.

Hof mans. Render, 79.

Horde, 210.

Horn, Willem (van), 12.

Horst, 56, 71, lOG, 176, 182, 183, 191, 197, 201,330,335.—Kerk aldaar, 29.

Horst, Dirk (van der), ambtman van Kessel, 275;Matthias, pater van het klooster te Oostrum, 242; Peterke, religieuse te Oostrum, 104.

Ilubben, Thys, schepen te Oostrum, 249.

Unben, Jacob, 246; Matthias, 254,

Hnblein (von), commandant van het Geldersche bataillon von Schiefen, 89.

11 ncben. Sieger, 181, 245.

Hiigeupotli, (baron van), 167.

11 ugten, Antoon (van), 327.

Hnlm, 27.

Hulst (de), onder Oostrum, 8.

Huyben, Hendrik, 181.

Huyberts (Huybberts), Hendrik, 235, 236, 238, 241,242.

Hnyps, Hendrik, 181.

I.

Ingendacl, Jan Hubertus, pastoor te Bergen, 209.

Issum, (van), 190.

J.

Jacob, Geritgen, 78.

Jacobs, Jacob, 182; Jan, 182, 243.

Jans, Jacob, 59.

Jans genaamd Roevers, Willem, 80.

Jansen,YiavtMS Gerrit, 326; Peter, 243.

Jauss, Teuken, 282.

Janssen, Abraham, substituutschout te Loon, 107; Aldert,327; Antoon Hubertus, pastoor te Einighausen, 208; Bernard, pas ■ toor te Melick, 208; Johanna, 119; Martinus, 129; Martinus, pastoor te Vlodrop, Martinus Jozef, 209; Monica, suppriorin te Oostrum,102,131; Peter, 182; Peter Jan, rector te Leunen, 208;Sibilla, 107; Wilhelmina, 156.

Jaspers, Peter, religieuse te Oostrum, 242, 244.

Jaspers van der Horst, Peter, religieuse te 0ostrum,l04.

Jenneskens, Willem, 328, 329.

y^««w/tlt;?;/.y,Elisabeth, 129; Gerard, 214; Petronella Wilhelmina, 214.


ocr page 361

— 353 —

ycnkeii,vccio\' te Castenray, 176; Hendrik, 183, 18(3, 320, 326; Matthias, koning der O L. Vr. gilde te Oostrum, 226,227,323; Thomas, 326.

Joannis, Arnoldus, 153, 155. Johannes, prior van het O. L. Vr.

klooster te Neuss, 101, 304. Jonge, Peter (die), 73.

Jongh, Peter (de), 28, 262, 263. Joosien, Gisbert, 248; Hcnricus, pastoor te Swalmen, 209; J. F.. 203.

Jopten, 322.

jumet, Josepha, 122.

U

Kacters, Sibilla, 73.

Kalkar, 167.

Kampen, religieuse te Oostrum, 106.

Karei, koning van Spanje, 32. Karei de Groote, 21.

Kelteier, Jan Hendrik (de), 125. Keiver, Willem, 25, 268, 269. Kemntelings, Cornelius, pastoor te

Oirloo, 168.

Kerens, Henricus Joannes, bisschop van Roermond,318, 322. Kent kens, Maria, 122.

Kempen, 92.

Kerkmeesters der kapel te Oostrum, 181—182.

Kern genaamd Frocnhoven, Jo-han,36.

Kerskorf, Gerard, prior te Oostrum, 94.

Kersten, Petrus, 328.

Kessel, 32,35, 175,191,201,261, 278, 335. — Drosambt, 44.

Kessel, Agnes(van), 109; Hela, 32; Dirk. 83; Elisabeth, 109; Hendrik, scholaster te Xanten, 24; Gertrudis, 83; Maria, 83; Matthias III, 109; Willem, 12, 271, 272,336.

Kessels, Aert, 124

Kctteler, Jan Hendrik (van), 1G0, zijn wapen, 160.

Ketz, Everard, 70.

Kevelaer, 125, 15(5, 178.

Kever berg (von), 123.

Keulen, 12, 13, 25,28,81,91,95, 96, 97, 190,287,301. —Kapittel van den H. Cunibertus, 95, 96.

Keunens, Thomas, 121.

Keuters, Anna Maria, 213.

Klassen, Gerard, koning van het O.L.V.gild te Oostrum,22(),227.

Kleef, IG, 127, 197.

Klein-Spraeland, 9.

Kleyn, Jan, 122.

Knapen, G. J.. 121, 312.

Knippenbergh, pastoor te O ver-loon, 48.

Knops, Gerard Adolf,73;Jan zijn vader, 73.

Kranenburg, 167.

Krips, Eduard, 203, 209.

Koppen, Goessen, 277.

Kor ff, Maximiliaan Frans-Xave-rius Fredericus Joh.-Nepomu-cenus Hubertus (von), 287.

Kosters-Se hooi meesiers teOost r u m, 183-185.

IG


ocr page 362

— 354 —

Kovinis, Maria Sibilla (de), 125.

Kuenen, Jacob, 182, 224; Thomas, 180.

Kilhlen, R., 143.

Knppeu, Gerard, 270.

Kusters, Nicolaas, 23G.

Lacmcrs, Jacomina, 83,124, 1G4; Lambert,105; Lambertyn, reli-gicuse te Oostrum, 105, 159; Lamert, schepen te Oostrum, 11G, 243; Laurent, 172.

Lamberts, Jacob, 243.

Lnmbotte, schout te Oostrum, 82, 83; Alexandrina Leopoldina, 71; Cunera Francisca Cathari-na, 70; Jan Jozef,schout te Oostrum, 70.

Lammers, Lambert, 171.

Laureys, Melchior, rector der kapel te Oostrum, 189.

Leens, Jan Matthias, pastoor te Oirloo, 106.

Lefebvrc, E. J., notaris, 291.

Lehndorff, Assuerus Franciscus Florentius, 285; Maria Anna, Menardus, 285.

Lemmen, Gerard, 281; Jan, 182; Leonard, 183,184.

Gerard,pastoor te Grub-benvorst, 208; Gerrit, 282,

Lendt, Jan Leonard (van), 1G7; Jan, 282.

Leut, Jacobus (van), 171.

Leo X, paus, 144.

Lerp, Elisabeth (van), 172.

Leunen. — Kapel aldaar, 128. Leyeu, Sophia Gharlotta Maria CatharinaWalburgis (van der), 54.

Leuven (van), 180.

Lief kens, Marcus, 73, 1G5; Oswald, secretaris te Oostrum, 116; Oswald Theodoor, secretaris te Oostrum, 73, 307, 308, 309, 313.

Lier op, 178.

Lieshout, 178.

Lind, Anna (van de), 84.

Linden, Anna (van der), 83, 84;

Willem, 84.

Linders, Godfried, 167; Jan, 172;

Willem, 172.

Lindorff, (Lehndorff), baron (van), 285.

Lindt, Anna aengen, 84; Gaspar, 84.

Lindt, Gerard (van der), 84; Guilielmus, 84; Jan Frans, 84; Willem, 84.

Linnich, 23.

Lintgens, Lambert, 146.

Lintven, (het), te Oostrum, 8. Lion, F. (de), 152.

Lippc, graaf (van der), 110. Liques, (de), 80.

Lith, (van), sJiout te Oostrum, 283; Aleydis Joanna, 70; Anna, 111, 112; Antonius, schout te Oostrum, 50,69; Catharina, 72; Godfried, prior der Kruishee-ren te Venlo, 69.

Litjens, Petrus Matthias, pastoor te Beegden, 208


ocr page 363

355

Lobberich, 57.

Lobith, 23.

Lodt, Hendrik (van der), 3G. Loe, 28, 262, 264.

Maastricht, 14, 54, G7, 97, 192,

202, 206, 214, 291, 292. Macken, kasteel te Vierlingsbeek,

125, 167.


Loe te Conradlheim en Wissen, Mackens/iof, (den), te Vierlings-

Clemens vrijheer (van), 286. beek, 90.

Loe-Mheer, Emma Maria Fran- Maen, Nicolaas, 149, 2lt;S1, 307.

cisca, 186; Frans, 386. Maes, Andreas, 183; Rartholo-Loeckermans, Peter, 145, 254. meus, 124;Meus, 282; Wendel, Loefs, Ant., 36. jj 171,

Zö//c;(Loe),Degener Bertrand(van), Mae sen, (ter), hoeve te Kevelaer,

heer van Wissen, 284. Lom, Anna (van), 71. Loo, Jos. (van der), 197.

90.

Maeseyck, 132,182,208.—Klooster van St. Agnes, 132.


Loockere, Sibilla Meus (dc), 72. Maessen, Jan Bapt. Hub., pastoor Loon, 129; Segers (van), 116. te Swolgen, 208.

Loonen, Antoon, 129. [ Malagambo, Jozef, 80.

Lovendael, Elisabeth, religieuse Mannay, Catharina, 83; Helena,

te Oostrum, 205. i 83.

Loyens, Michael, 167. Marcus Antonius, bisschop van

Luik.—Kapittel vandenH.Pau- Aken, 186, 320.

lus, 95, 96. i; Mariensande, klooster, 93, 95, 96,

Lull, 33, 51, 57, 80, 81, 85,175, 11 102,302,304,305. 177, 203,240.— Kapel van den Mariens, Jan, 244.

H. Antonius, 18, 194,206. Martigny, Nicolas, 202.

Lu tiers, P. R., 198. I Masen de 7/^««/,Rudolf (van der)

Lynden, (van), 36, 75. notaris te Keulen, 301.

Lynden van Blittersivyck (van), 88' Meer, Albert (van), 23; Albert Lyenen, Johannes, (de) 264;Theo- Frans (de), 188; Frederik, Vic-doricus, 264. tor, 188; Hendrik, heer van

Lyndt, Peter (van), 84. 11 St, Stevensweert, 23, 25; zijn

Lynsen, Gerrit, 277. zegel 25, 258, 269.

Meerloo, 49, 71, 72, 105,199. II. Meerseloo. — Kapel aldaar, 72.

Mentzingen, Ulrich (van), 21. Maasbrce, 165,190, 201, 323, 324. Merode, Schieffart (van), 92. Maashees, 24, 70, 73, 97, 117, Merwyek, Hendrik (van), 24, 25

119, 127, 176.

39, 264, 268; Matthias 39.

ocr page 364

— 356 —

Mctternich, Adam, 53; Eleonora Magdalena, 50, 53 118; Jan, Frederik, 50.

Mailen, Catharina (aen die), 150; Hendrik, 80; Jan, 245; Michiel, 181, 182, 243; Peter, TG, 181, 244; Teus, 240; Theunis, 81.

Menrs, 127.

Meurs, (graaf van), 22.

Henrs. Vincent (van), 22.

Michels, Anna Gertrudis, 2!3; Christina, religieuse te Oos-trum, 164; Jan, 329; Petronella, 339.

Middelburchs, Willem, 235.

Mierlaar, Jacob (van), 17.

Milhcze, 199.

J/zY/w,August Thomas, 182;Gos-winus (van), 182.

Minden, 210.

Moeien, Gerard (Gurd) (van den), 147, 236, 238,241; Jan, 145,237.

Moer, Jan, 94.

Mol van Hendrik,24,268.

Mout fort, 36.

Mook, 210.

Morb, 49.

Morini, Herman, 46.

Mörmpter, 27.

Mortel,lo-mnes Matthias(van de), rector te Oostrum, prior van St.Elisabethsdaal, 133,308,310, 319.

Monbach, Bartholomeus, rector te Oostrum, 116, 133.

Muelen, Peter (aen die), 245.

Mng-gen h uysen, 41.

Mul Iers, Joannes, 84.

Mtlnq, 50.

Munster, 109, 287. Munster-Gladbaeh ,143. Musquetier, J. A. E., 185.

Muttone, Joseph Werner, 101 Myc/iyls, Jan, 247.

X.

Nabben, Anna, 171; Peter, 120.

Nogel-Ittlingeu (von), 287. Ncessen, Segers, 181.

Neuferge, Frans, apostolisch pro-

tonotaris, 114.

Neuss, 278.

Negen, Leonard, 326.

Nicolas, Frans, 197.

Niers rivier, 26.

Nietiwenbroek, 75.

Nlessen, J., 185.

Nienivklooster bij Asperden, 109, 119.

Nietnvkerk, bosch, 12.

Noet, Aert, 183.

Nolden, Jan Jacob, 291. Noord-America, 127.

Notermans, Willem Antoon, pastoor te Venray, 233.

Nnu/iem, 94.

Nyell, Theodoricus, 25, 268. Nyhenburch, Peter (van), 247. Nymegen, 9, 75, 211, 221.

J.,rector teOostrum, 4,156, 173; Petrus Joannes Hubertus, rector te Oostrum, 210.


ocr page 365

Oedenraede, Gerard (van), 2G4.

Oeffeit, 168.

Oeheintnen, Theus, 277.

Oesf, Maes (van), 22.

Ocvercn, Jacobus (van), vicarius capitularis tc Roermond, 152.

(9?Wlt;w,passim.—Tiende aldaar,23.

Olne, Ernest Jozef Hubert A\Til-lem(d'), 287.

Olyslagers (Olislagers), Willem, 181,216,314; Segers, 236.

Omes, Franciscus Martinus Cor-nelis, rector der kapel te Oostrum, 200, 201,233.

O omen, Henricus Jozef, rector der kapel teüostrum, 101; Petro-nella, 143.

Oostenrijk, Matthias (van), 222.

Oostrum, passim.

Oostrnm in Vriesland, 7.

Ooy, kasteel bij Nymegen, 9.

Ooy, Gerard (van), 10, 11, 12,90

Ooy en, Pieter (van), 25.

Opbergen, Martinus Hubertus (van), 209.

Ophoven, 208.

Oppendorf, Winand (van), 109.

Oranje, Willem (van), 222,

Otten, Clemens August Gisbert, nastoor te Wellerlooy, 208.

Ottendorjf, Hendrik, 73.

O Ito, graaf van Gelre, 10, 12

Oye, Petrus (de), 268.

Oyen, kasteel, 37, 108.

Overdyek, Helena, 110.

Overloon, 74, 106, 125, 178, 483, 195.

Over se hie, August Maria Chris tiaan, 125.

V.

Packeuius, Willem, 290.

Paderborn, Paul us, 72, 284.

Pallandt, Johan (van), landdrost van Gulick, 41; Maria (van), 40.

Parcdis, Joannes Augustinus, bisschop van Roermond, 202, 204, 205,210,331,332,334.

Pasch, M. (van de), 187, 322.

Pattern, Jan Bartholomeus, 89.

Paulowitz von Hubino, J. W., 85.

Pan hts 11, paus, 93, 95, 96, 293, 294, 295, 297.

Pan lus III, paus, 276.

Pan lus, vicaris teVenray, 56, 276.

Paulzen, A., 187.

Pauzvels, Aldert, 81; Derisken, religieuse te Well, 107; Paulus, 328,329; Willem, 277.

Peeters, Anna, 214; Jan, 182; Lam-bertus, 171; Petronella, 105.

Pehnan, Maria Magdalena Wal-burgis, 71.

/V/V7-.y,Cornelia, 214; Jacobus, 214; Jan, 236,241,244; Lambert,!82; Peter, 329.

Petersheim, Elisabeth (van), 25.

Petit, Henricus, 158,322.

Petit-Fritsen, 158.

Petrus, prior van het s'Elisabeths-klooster te Nunhem, 304.

Ph Hippens, 121, 122.

Philips II, koning van Spanje, 44. ij Philips van Anjon, 48.


ocr page 366

— 858 —

lt;lt;■

I

Pi Her a, W. A., griffier der Staten van Limburg, 322.

Pingen, notaris, 327.

Pirovano, Jan Daniel, rector van het klooster te üostrur;, 102.

Pitts IX, paus, 19G, 199, 332.

Pitlynck, Olivier, 153, 183.

Plcssinan, 123, 224.

Plctfenberg, Jan (van), 21.

Plurev, Stcphanus(van), kanonik te Rees, 80.

Poell, 224; Henricus, 123; Jozef Oswald, 1G0.

Poels, Johannes, 15G; Lambertus, 156; Maria, 214.

Poeyen, B., 276.

Porimans, 224; Bernt, schout te Oostrum, 124; Cunera Gertru-dis, 70.

Poster holt, 207.

Potten, Sibertus, pastoor te Maashees, 119; Willem, 119.

Pouwels, Antoon, keizer van het Gilde van O. L. Vrouw te Oostrum, 227, 233; Derisken 110, 131; Jacob, 328; Jan, 254, 240; Ruth, 245, 24G.

Prangh, Hendrik, 181.

Prinsen, Seger, 181.

Provinck, Gerard, 37.

Prynsen, Seger, 101.

Pnbben, Peter Frans, 1G0.

Puyjlick, 131.

Pitlynck, Olivier, 153, 183.

R.

A^i/^Catharina (de),religieuse te

Oostrum, 10G; Christina, 107; Gerard, schepen te Loon, 106, 107; Helena, 107, 125; Jacob, 107; Christina Gertrudis, reli-gieuse te Oostrum, 106; Thomas, 100.

Raitz von Frentz, Bertram, 40

Ramaekers, Anna Maria, 197, 330; Bernard 330; Catharina, 133; Eleonora,330; Helena, 198,330; Henricus, 330; Hermina, 183; Joannes,lG7,171, 198,323,324, 330; Lambertus, 198,330; Lambertus Bartholomeus, 197, 330; Ludovicus, rector te Oostrum, pastoor te Maasniel, 143,156, 173,179, 194,196,197,200,330, 331,332; Maria Gertrudis, 330; Petronella Petrus Willem,330;

Randenraedt (Randenrade). A nna (van), 69; Cornelis, schout te Schinnen, 36,69; Henricus, 69; Hendrik, schout te Oostrum, 110; Irmgardis, 69; Lodevvijk, 12; Willem, officiaal te Roermond, 69.

Ravens te in, 119.

Raymaekers, Joannes Theodorus Balthazar, rector te Oostrum, 190.

Recop, 224.

Rees, 79.

Re in eg en, Cornelis (van), 36.

Reinond IV, graaf van Gelder en Gulick, 17,25.

Remmen, Herman,315; Jacob, rector te Oostrum, 106,107; Jaco-mijn, 106, 107.


ocr page 367

— 359 —

Renesse, Alexandina (de), 52.

Rome, Gerrit (van der), 1 10.

Rhcinberg, 94,

Ribbergh, Joannes, 83.

Rickell, Dirk van, 243.

Riel, Joannes (van), 179.

Riemsdijk, Wolter (van), 7G.

Riquart, Gerard, 283.

Riswyck, Catharina (van), 1G0.

Robben, Hendrik, 76.

Joannes Antoon (de), bisschop van Roermond, 172.

Roebroeck, Matthias, pastoor te Ven ray, 152.

Roe ff en, Gerarda, 107.

Roe lofs, Antoon, 190; zijn zoon, rector te Oostrum, pastoor te Baerloo, 190, 323.

Roemer, Elisabeth, 105.

Roermond 7, 14, 48,81,83,84,104, 116, 122, 125, 142, 143, 149, 152, 153, 156, 165, 180, 185, 191, 194, 201, 203, 210, 213, 281. — Souverein Hof, 57, 148, 152. — Munsterabdij, 21,90.

Roffertz, Meus, 277.

Roever, Joamp;rmcs, 78.

(Roverius), Joannes, pastoor der St. Lupuskerk te Keulen, 74.

Roggen, Joannes, 72.

Roiduc, 204.

Romberg, (von), 207.

Rome, 96, 296, 297, 332.

Romen, 156.

Rosmenlen, Jan (op de), 182.

Rosntenlen, Lcnert(van den), 254.

Rosmenlen (Rosmolen) te Oostrum, 9,88.

Rosande, 40.

Rossnm, J. (van), 188.

Rotterdam, 211.

Rousseau, Jan Bapt. Albert G.. rector te Oostrum, 192.

Ruiehroe van de Werve, Agnes, 34.

Rutgens, Jacob, 219.

AW/^Elisabetl^ni; Hendrik,70, 165; Jacob Hendrik, schout te Oirloo, 138; Rutten Marcus Jan, rector te Oostrum, pastoor te Balgoy, 165; Peter, 183.

Rnytenberg/t, Frederik (van), 270, 272, 325.

Ryekel, Dirk (van), schout van Oostrum, 112.

Rysen, Jan (van), 181, 250.

Ryswyck, 34.

S.

1

,! Saen, Trijn, 61.

1 Sneren, Aert, 158,181, 240; Jan, 182; Peter, 158.

!j Sa esc n, Anna Margareta, 78; Willem, 167.

Sambeek, 178,190,195.

Sande (de Arena), Lambertus (van de),

Sanders, Antoon, pastoor te Arcen 209.

Sandt, Theus (van de), 277.

i Santen, Johan (van), rector te Oostrum, 132.


ocr page 368

— 360 —

Sassens (Sassen), Koenraad, 145, [[ 103, 23«, 250.

itf.r,Jacobus, kapel laan te Venray, 129, 177.

Sch igen, Adam(van),42; Adriana, 41 — 43, 288; Albertina, 45; Elisabeth, 41, 42,44,(59, 149; Jan, 1 41; Maria Walerama, 42; Willem, 42.

S'hciffart van Merode, Ursula, 41.

Schelbergen, Peter(van),74, 238— jl 240, 243, 244, 24G, 248.

Schcllardt van Oppendorf, graaf j (van), 188,221,289,291; familie (van), 199; Adam (Daem), 3(5, 40, 41—43, 70, 72, 279, 288; Adam Alexander,53,54,57,zijn testament, 289,290; AdamWil-lem, 283; Albertina Ludovica, 283; Aleidis Maria, 283 ; Anna 1 Theresia, 88; Bertrandüs Dege-ner,49,284; Eleonora, 52;Frans, 285; Frans Caspar, 284; Fredc-rik,38,40;G.,290; Isabella, reli- [| gieuse te üostrum, 105;Jan, 23, 33, 40, 41; Jan Albert, heer van Dorenwaardt, 38, 39,43, 46, 50, 283; Jan Arnold, 283,284; Jan Vincent, 43—45, 4G, 112; Jan Willem, 51—53; Johanna Elisabeth, 284; Maria 288; Maria Anna,288; Maria Henrica(Hen-rietta),46, 282, 283, 285; Philip ■ ! pus Fredericus Ambrosius, proost te Aken, 46—48, 50,54, j 114, 118, 284;Theresia,54; Vin- | cent, drost van Kessel, 41, 42, 1 70, 149, 281, 282; Walraef

Adam, 53; WilhelminaCecilia, 284; Winand, 39.

Schcllardt van Rculsdorff, Maria Ernestina (van), 53,

Schcllardt van Ohsinnich, 283.

Schcllardt te Schinnen, Walraven (van), 288.

Sc hel tenia van Denrenc, Jan Ru-dolf, 121.

Schenck van Bleyer.beeck, 80

Schenck van Nydeggen, heer van AfFerden, 258, 269; Andreas, 105; Dirk, 25, 33; Dorothea, religieuse te Oostrum, 105; Kli-sabeth,34; Hendrik, 22; Jan» 22; Martin (van), 22; Willem, 25.

Schenck van Nydeggen, commandeur der Duitsche orde te Or-dingen en Sierstorf, 284.

Scherpenseel — Heuse h, M ar i a (va n), 286.

Scherrer, Rutger, 277.

Schinnen, 36, 53, 287.

Schluys, Adriaan Willem 70; Gerard Adolf, schout van Oostrum 51,70; Maria Theresia 73.

Schmising—Kersenbroich, Louisa Julia Johanna, 287; Maria Xa-veria, 287.

Schmitz, Adolf, 28.

Schoenmakers, 322; Jan, rector te Oostrum,145,162,164,221,251, 277; Nicolas 157, 181,239.

Schoenmacckers, P., secretaris van het bisdom Roermond, 319.

Schoers, Catharina, 238.

Schouten,Q.dXhdiVÏx\a. Pctronella,71.


ocr page 369

— 361 —

Schrenrs, Arnold Janss, 183.

Schreven, Lodewyk, 326.

Schnermans, Louis, 289.

Schryen, Leon, pastoor tc Bruns-sum, 209.

Segers, Jan, 181; Willem, 183.

Seveleii, 208.

Sevenutn, 105, 190, 202.

Sierstorf, 284.

Si Ivor den, 214.

Sit lard, 191.

Sixties IV, paus, 95, 96, 144,292, 293, 296, 300.

Sint- IVillibrordus-kapel te Geysteren, 43.

Slender en, (de), 283; vrouwe van Raveschot, 285.

Slits, Gerard, 20S.

Sniidt, Hendrik (de), 181.

Smits, Antoon, 328, 329; Catlla-rina, 172; Jan, 64,181; Leonard, rector te Oostrum, 132;Michiel, ka rmeliet te Box m eer, 210; Wil helmina, mater teOostrum,131.

Smollers (Molitorisj^oanncs, pastoor te Wanssum, 163.

Stiver, Jan (de), 235.

So meren, 75.

So men nans, Margareta, 243.

Sonneinans,\)Ws,\.oov te Venray, 243.

Sonsfeld, 41.

Spaen, Willem, pastoor tc Horst, 25,27, 258, 269.

Spakelaer, Jacob, 25.

Speeker, (de), 37.

Spiering, Maria Anna Constantia (van), 50.

Spede, Ka rel,heer van Mirlaer,269.

Spraeland, passim.

Spraeland, heeren (van), hun wapen,!), 10; Dirk (van), 14; Gerard. 11,13; Jacob, 268; Jan, 157,235; Mechtild, 13; Willem, j| 25,73.

Spraeland, Arrien op, 80; Jan op 172,181.

Stassen, Andreas J., pastoor te Ble-j| rick, 203, 209.

Steeke (Steck, Stecken), Goeswi-nus, 27, 262, 270, 272, 335.

Steen, Cornelius (van der), 172; Gies, 245.

Steen, Jacobus (van de), 120.

Steinigens, Jan, 163.

Sterenberg, Henricus Johanna, 122.

Ster mans, Jacob, 320; Maria, 172.

Steynkens, Jan, 145, 238, 242, 249.

Stiphout, 178.

Straelen, 91, 93, 96, 122, 124, 292, 294, 295, 297. - Klooster, 101. — Kapel, 91.

Straelen, Anna (van der), 25, 27, 28, 30, 91, 257, 264,265,267, 269,270,272,335; Jan Matthias, rector te Oostrum, pastoor te Bockel en Uden, 162, 165.

Siramven, Jan Jozef, 119.

Strey en, Gertrudis, 335.

Stroeeken, Maria, 167.

Stuers (de), 99.

Stunel, Ida (de) 264.

Swahn, 47.

Swalmen, 210.

Siueyen, (Swyen) Catharina, 120; Christina, 107 ; Gertruda, priorin te Oostrum, 102,107,114,


17

ocr page 370

— 362 —

120; Godefrides, 120; Hendri-na, 107; Peter, 107; Jan, 120.

Swolgen, 97,106,117,212.

Swolgen, Jan (van), 501.

Syberts,Knx\a. Catharina,religieuse te Oostrum, 118; Jan, 119; Johannes, pastoor te Broeckhuy-senvorst, 119; Johanna, 119; Maria, 119; Maria Catharina, 119; Sybert, 118, 119.

Symons, Jan, 248; Margareta, 84; Mens, 277; Peerken, 248; Pe-trus,83, 248,313;Peterken, 248, 254.

Sypkens (Sybkens) Maria, priorin te Oostrum, 113,131.

ïacken, Henri Leon, pastoor te

Beesel, 207.

ïaeis van Amcrongcu, Willem

(van), 42.

ïeesen, Arnold, 172.

legelen, 111, 201.

Tengnagel van Meezvyck, Jan(van),

25, 258, 269.

Tennissen, Hendrik, 328.

Ter borg, 214,

T/ieodoricus, voogd van Roermond, 12.

r/ieeuzuisscn, 160; Maria, 81. Thcus, Jan, 254.

7 It ie lea, G e ra r d,183,323, 329; Jan,

Hendrik, 327, 329.

Thomas, prior van het klooster „Corpus Christiquot; te Keulen, 101, 204.

Thomassen. San Albert, 167.

Thonissen, Jacob, 76.

Thor en, Hieronymus (van), 157. Thunnissen, Petronella, 84. Thyssen, Jan, 181; Peter, 329. Tulen, Gerard, 328; Jan, 329; Willem, 171.

Tienray, 176.

Tonr, Albertina Carolina (de la), 188.

Treslong, 35.

Trust, Maria (van), religieuse te

Oostrum, 304.

Truyen, Peter 241.

Try nes, Hendrina, 213.

Turcq, Helena, 36 Tyssen, Petrus, 328.

IJ.

Uden, 124, 165,191.

Ueden (van), 92.

Urselmans, 1(38.

Utrecht, 121, 308, 313.

V.

Vaeghs, Antoon 181; Dirk, 181, 253, 314; Jan (die), 181, 247, 250; Matthias, 181: Peter 237 Vaex, Willem (de}, 109. Valderen,khc.\ (van den), 147, 241;

Katharina, 147.

Valkenberg, heer (van), 12. Valkenkamp, (den), land onder

Oostrum, 14.

Velder, Henricus (ter), 182.

Veller, onder Oostrum, 8.


ocr page 371

Vcnlo, 54,114,197,203, 205,214, 221, 222; — Klooster „Maria Weidequot;, 75;—Klooster „Trans ■—Cedronquot;, 09.

Vcnne, 27.

Venray, passim. — Klooster der Franciscanen, 44,1G6, 167,178, 177,188,199.— Klooster „Jerusalemquot; der Augustinessen, passim.

Verbeeck, Martinus Mattheus Jacobus, 208.

Verb lac ki, Arnold 52, 57, 82, 83, 124, 182; Christiaan, pastoor te Geysteren, rector te üos-trum, 83, 165, 212, 318, 319; Frans, schout van Venra}', 187, 193, 322, 329; Francisca, 84; Jan 182; Lambertus, 59, 84; Maria Christina, 138; Peter, pastoor te Venray, landdeken van Kessel, 124; Theodorus, rector te Oostrum, 83,189,212, 319.

Vergeit, Jan, 282.

Vergraet, Reiner, 181.

Verheggenx Jacob, 203,208; Jan, 233; Petrus, pastoor te Venray, 195, 253.

Vcrheydeu, Jan, rector te Oostrum, pastoor te Broeckhuysen, 164, 1(58.

Vzrhyen, Antoon, 213; Gerard, 183, 214; Godfried, 70; Herman, 213; Jan,242; Johanna, 213; Maria, 83, 214; Martinus, 184; Peter, 239.

Ver holt, Gijsberl, 251;Jacob, 277.

Verkout, 245.

Verkynder, Peter, 237.

Vermeulen ( Vermoeien)', Antoon, 181, 238; Elisabeth, religieuse te Oostrum, 105; Goert, 181, 247, 254, 313; Hendrik, 239, 242; Jacob, 59, 109, 11G, 145, 307, 308, 309; Jan, 181, 23!),

242, 248, 253, 254, 255; Mattheus, 181, 236, 241 ; Peter, 64, 112, 181, 183,186,236,241,242,

243, 253,254,814,322,328, 329; Ruth, 181, 240.

Verosnienlen, Leonard, 238, 248,

253, 254, 255.

Verscheur, J., 85.

Versieyen, Agnes, mater te Oos-trum, 114, 124, 131; Arnold, pastoor te AfTerden, 124; Elisabeth 124,171;Jan, 114, 124; Mechtildis, Peter, Wendel, 124. Versinaeckeu, Joh an, 278. Verssefelt, Aert, 74, 79. Verstappen, Jan, 277.

Vers iraeten, A n t o o n, 309,312,313; Laurens, schepen van Mill, 84; Maria, 328.

Vertheinen, Jan, 181.

Vcrzyl, J. H. H., kanonik van

Roermond, 203.

Veteri ecclesia, Jacob (de), 301. Vierlingsbeeck, 59, 105, 125, 161. Vermondt, Ambrosius (van), 46. Vissers, Katharina 147; Jan, 327. Vlier den, 178.

Vloek hoven, Joannes (van), rector te Oostrum, pastoor te Geysteren, 164,178.


ocr page 372

— 364 —

Vlodorp, 36.

Vlodorp, Cecilia (van),40; Gerard, 92.

Volleberg, Jan, 32^, 329.

Voordt, Hendrik (van den), 32(),

Voorst Walerama (van) 40, 41, 110.

Vorst, 210.

Vos, Lambertus (de), kanonik te Kranenburg, 167; Petronella, religieuse te Oostrum, 105,180.

Vrancken, bisschop, 194.

Vrecken,i'AX\ Baptist (van der), 8!).

Vullings, Reiner, 224,326.

U .

Waardenburg, 335.

Wachtendonck, 91.

Waell, Josina (de), 2S3.

Wa lack en. Karei ingher, 262.

Wallach, 27.

Walram, hertog van Limburg, 17.

Wanssnui, 8, 43, 45, 70, 73, 76, 85, 88,'131, 190. 281,309, 312, 313.

Warde, 27.

Wiicrschappe,Qü t h a r i n a G c r t r u d i s (van de), 65; Cornell's,! icnricus, Elisabeth, 69; Jan Willem, schout te Geystcren,42,69,315; Willem (Gillian), 69.

Walienhergh, A., 143.

Waver en, Aleida (van de); religieuse te Oostrum, 104.

Webers, Marten, subprior van het O. L. Vr. klooster te Neuss, 101.

Weert, 71, 106,127.

Wegeviann, Henricus, beneficiant te Goch, 28.

Weichs de Wenne, 143, 203,205; Adolf (de), 286; Antonia, 286; Caspar, 55; 217; Clemens, 93, 286; Clemens Caspar, 286; Clemens Maria Hubertus, burgemeester van Wanssum, 286; Kugenia, religieuse te Munster, 287; FransXaverius,287; Fre-derik, 286; Joseph Maximihaan Maria Hubertus, 287; Maria Antonia Victoria Hubertina Petra, 287; Maria Louisa Maria Johanna Theresa Josepha Maria Theresia Frederica, 287 ; Maria Theresia, 286.

Well, 71, 80, 104, 108,109, 1G7, 1 78, 183,185,198,199.—Klooster aldaar, 101, 110.

Well, Gerrit (van), notaris, 251.

Welters, J., rector van het Ursulin-nenklooster te Grubbenvorst, 139.

Wenckelhnyseu, Constant (van),49.

Werdenbcrg, Gerard (van), 262.

Werve, 34-36.

Wesel, 27, 92. 106.

Wesel, Helmicius (van de), prior van de Gaesdonck, 91.

Wester beck, Denis, Peter, 314.

Wever, Jan (die), 181,

Weze, 24,26,28, 90,198, 259, 261-263, 294.

Weyers, Arnold, 199.

Wick rade, 17.

Wickrade, Jan (van), 23. 274,

Wierix, 48.


ocr page 373

Wildcren, baron (van), 49.

Wilhelmstein, 40.

Willem, graaf van Gulick, 13.

Willem ken,iamp;n, schepen vanOos-trum, 236, 241,249,251.

Wilp, Evert (van), 23.

Windcsheiin. — Kapittel, 94, 9o, 101,292,295-300,304.

Winter, Hendrik, pastoor te Ven-ray,221.

Wis, Jeuneken (op), 124.

Wisman, Engelbert, pastoor te Middelaar, 289;Gertrudis Mar-tinus, 213; Petronella, 214; Simon, 327.

Wissen, kasteel, 24, 2(5,28.

Wittenhorst, 278.

Wit/enliorst,h.\c\dh[\im), Jan, 41, 43, 288; Josina, 288; quot;Willem, heer van Horst cn Drongelen, ?88.

Wittert van Hoogland, Everardus (van), 309; Cornel is, 312.

Witte Venne (de), te Oostrum, 8.

Witt hein, Alverada (van), 36,336.

Woest, Rutger, pastoor te Oirloo, 163.

Wolff ram. Jan Gcorg, 88.

Wo If - Mettern ich, Livinus (van), 28(3.

Wolvers, Jacoba, Matthias, 83.

Wrede van Amede, Philippa (van), 286.

Wyek, notaris, 36.

Wyekersloot, Cornelis (van), 309-311,313; Eva Maria, 121,307, 308, 309; haar testament, 310;

Maria, 121, 309, 310; Odiha, 121,310, 312; Theodorus, 309, 310,313.

Wyenbergh, Mechteldis, 70.

Wykersloat, Eva Maria (van), Maria ; Odilia, 121.

Wylack, 23

Wylich, Johan Sigismund, vri)-heer van I .otium, heer te Grub-benvorst cn Grondsteen, 288.

Wynants, Willem, pastoor te Wanssum, 110, 146, 163, 221, 326.

Wyngaerde, Cornelis (van), 121, 309,318—313

Wynhoven, Beatrix, 114,124; (ie-rard Joannes, pastoor te Seve-num, 202, 208.

JVynen, Arnold, 328; Jacob, 171.

IVyssen, 264.

\

Kanten, 27, 32, 94. —Kapittel van

St. Victor, 95, 90.

/

Zaeren, Aert, 237.

Zdlt-Bominel,2C)\,2quot;i 1,294.-Kloos-ter der Karmelieten, 27, 90.

Zeeland bij Uden, 191.

Zeelen, Willem, 160.

Zeilen, Matthcus, 243.

Zoll, Henricus Jozef, 101.

Ziventibold, 21.

Zwolle, 91.


ocr page 374
ocr page 375
ocr page 376
ocr page 377
ocr page 378