V
â
TWAALFTAL
LIJDENSSTOFFEN
DOOR
Biblicthaek MINOERÃaOEDEHS WEEP
Derde, herziene druk.
R. BOERMA,
THEOLOGISCHE BOEKHANDEL TE GRONINGEN. 1893.
Gedrukt bij Gebroeders Hoitsema te Groningen.
H. d. L!
Vijfentwintig jaren is het geleden, dat de TTeere mij vergunde, U, die de oude beproefde leer onzer Vaderen lief had gekregen door genade met uwe harten, deze twaalf Lijdenstoffen van uwen dierbaren Zaligmaker Jezus Christus aan te bieden. Ik had, zooveel ik vermocht, mij daarin toegelegd (daar helaas de leer der algemeene wereldverzoening zoozeer in de kerk van Christus werd voorgestaan), om niet alleen het lijden van den Heere Jezus zelve, maar daarin boven alles ie doen uitkomen, dat Hij het vrijwillig op zich had genomen als de strafiijdende en sch uldovernemende Zoenborg, alléén voor dat volk, Hem van den Vader gegeven , uitverkoren in Hem, van vóór de grondlegging der wereld. In elk gedeelte van Zijn lijden heb ik getracht het borgtochtelijke aan te toonen, en hetgeen de lijdende Immanuël daardoor voor Zijn volk doorgestaan, verdiend en verworven heeft.
Daar deze leerredenen spoedig waren uitverkocht, en men bij herhaling mij opwekte te willen zorgen, dat zij nog voor vele belangstellenden verkrijgbaar mochten worden gesteld, vond ik geene vrijheid den uitgever van dezen eene nieuwe uitgave te weigeren. De drukfouten en onnauwkeurigheden zijn zooveel mogelijk verbeterd en er uit weggenomen.
Ik, die thans aan den avond van mijn leven ben genaderd, hoop en bid den Heere, dat Hij dit mijn gebrekkig werk ook nog moge zegenen, opdat er velen van den dwaalweg mogen worden afgebracht, en zij niet alleen tot ontdekking, maar ook tot vertroosting en bevestiging in het geloof moge strekken voor allen, die door genade heilzoekende zijn gemaakt.
Bedum, Juni 1S85. A. P. A. DU CLOUX,
J'.mer. Predikant.
Daar de vorige uitgaaf was uitverkocht, heeft de ondergeteekevde, die sedert van (?tu wijlen) Ds. A. P. A. Du Cloux het recht ontving tot de uitgave zijner leerrcdeneii, deze nieuwe, zorgvuldig nageziene, editie ter perse gelegd, om aan de vele aanvragen te kunnen voldoen. Mochten ze ook verder met zegen gelezen worden!
Groningen, December 1892. R. BOERMA.
Boekh.-Uitgever.
INHOUD.
Leerrede.
I. Gethsémané, Matth. XXVI : 36â44 ..........1.
11. De Gevangenneming van Jezus, Joh. XVIII : 2â9 25.
III. Het verhoor van Jezus voor den Hoogepriester,
Joh. XVIII: 12, 13, 19â23 ..............47.
IV. Jezus Christus ter dood veroordeeld, Mattheus XXVI : 63â68 ....'........67.
V. Jezus voor Pilatus, Joh. XVIII : 28â32 .... 91.
VI. Christus een Koning, Joh. XVIII : 33â38« . . 115. VII. Jezus voor Herodes, Lukas XXIII: 6â12 . . . 137.
VIII. Jezus en Barabbas, Matth. XXVII : 15â21 . . . 159.
IX. Jezus gegeeseld en met doornen gekroond, Matth.
XXVII: 26â30 ........... . 181.
X. Jezus uitgang uit Jeruzalem naar Golgotha en zijne aanspraak aan de dochteren van Jeruzalem, Lukas XXIII : 26â81 ........................203.
XI. De kruisiging, Joh. XIX : 18................227.
XII. Het is volbracht, Joh. XIX : 30..............249.
GETHSÃMANÃ.
LEERREDE I
OVER
MATT HEUS XXYI vs. 3Gâ42.
VOORZANG Ps. 116 vs. 1â4.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vertne?tigvuIdige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
âTrek uwe schoenen van uwe voetenquot;, zoo sprak God tot Mozes uit het brandende braambosch, rwant de plaats, waar gij staat, is heilig landquot;. Zoo, M. V., mogen wij elkander ook toeroepen wanneer wij ons nederzetten om de lijdensgeschiedenis van Jezus, onzen grooten God en Zaligmaker te overdenken. De ontzettendste gebeurtenis, die ooit door de wereld aanschouwd werd, is zekerlijk Zijn éénig lijden; en hoewel bare oogen er voor gesloten zijn, is dat het groote heilgeheim, hetwelk God naar Zijn vreêverbond Zijnen vrienden toont, wanneer zij door het geloof zien mogen op Hem, Die ook door dat lijden de verdienende oorzaak hunner eeuwige vreugde is geworden. Verzoening door voldoening is het
1
2
middelpunt van het goddeliike Evangelie. Het lijden van den Heere Jezus Christus uit dat oogpunt voornamelijk te beschouwen, is het doel, dat ik mij met deze en de volgende lijdensstoffen heb voorgesteld. Moge God de Heilige Geest u en mij dat lijden recht doen verstaan, ons geven dat wij geloovig, met toepassing en toeëigening voor ons zeiven, den lijdenden Immanuël mogen beschouwen als onzen schuldbe-talenden en schuldovernemenden Borg, en wij uit dat geloof dien troost genieten mogen, die daaruit in de ziel af- en nederdaalt; die schreiende over zijne verlorenheid en ellende door de zonde, tot Hem, het eenige Offerlam vliedt.
Bidden wij God met en voor elkander.
Mattli. 26 vs. 36â44.
In dit verhaal, M. V., hebben wij het begin van het gruwzame en smartvolle lijden van den Heere Jezus. Hij, die nu drie jaren als Profeet onder Israël gewandeld had, maakt zich gereed om als Hoogepriester, Zijn eigen leven te stellen tot een schuldoffer voor de zonden Zijns volks, die ééne offerande op te brengen, waardoor allen geheiligd worden, die door Hem tot God gaan; afgebeeld in al die offeranden, die den Heere in Zijnen tempel moesten worden toegebracht. Jezus had voor de laatste maal met zijne discipelen aan den Paasch-disch gezeten. Dat beteekenisvolle Israëlitische feest, waarop het Lam dat geslacht werd, Hem, in Zijn verzoenend lijden en sterven af heelde, en de besprenging van de deurposten met deszelfs bloed, zoo duidelijk de toerekening van Zijne zoenverdiensten, aan dezulken, die er door het geloof deel aan ontvangen zouden, te kennen gaf. Na het eten van het Paasch-Lam, had Hij het heilig Avondmaal onder de
3
twee teekenen ingesteld, waarbij al Zijne geloovigen aan Hem te gedenken hadden, daarna zong Hij den lofzang, dien wij Ps. 115 118 vinden. Hij had den discipel, die Hem verraden zoude, ontdekt; omringd door de elf andere discipelen, ging Hij uit naar den Olijfberg. Onderweg maakt Hij hen bekend, hoe zij in dezen nacht allen aan Hem geërgerd zouden worden, en toen Petrus daarop betuigde: âik zal nimmermeer aan U geërgerd wordenquot;, voorspelde Jezus hem met plechtigen nadruk: âvoorwaar! zegge Ik u, heden in dezen zelfden nacht, eer de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.quot; Aldus sprekende met zijne Apostelen komt hij in eene diepe vallei, het dal Jozafat's genaamd, en trekt Hij bij het schijnsel der maan de beke Kedron over, waar ook eenmaal David, barrevoets en den schedel omwonden, over getrokken was, toen hij voor Absalon vluchte, 2 Sam. 15 vs. 23. Nu lag Gethsémané voor Hem, den hof, waarin men gewoon was de olijven te persen, en ook daar wilde Hij als een olijf geperst worden. Luk. 12 vs. 50. Welaan, laat ons stilstaan: // amp; L/^ J
I. ij het (jeschiedvevhcKil van het zieleh'jdeii van Jezus in Gethsémané.
II. Nagaan, welk een lijden het geweest zij ? en voor wie Hij geleden heeft ?
IH. Met de toepassing eindigen.
I. Stilstaan- bij het geschiedverhaal van het zielelijden van Jezus in Gethsémané.
Het was nacht M. V., toen Jezus aan die plaats Gethsémané gekomen was. Voorheen was zij Zijne bidplaats geweest, thans wilde Hij aldaar niet alleen biddende strijden voor Zijn volk, maar ook den bitteren lijdenskelk voor hen ten bodem toe ledigen, en dat, opdat zij verschoond zouden blijven van
1*
4
het dragen van de straffen der zonden. Wij weten, dat de eerste Adam, het verbondshoofd van het menschelijke geslacht, in den lusthof Eden, door tegen God te zondigen, zich zeiven en al zijne nakomelingen, naar ziel en lichaam beide, ongelukkig en rampzalig had gemaakt, en zich den duivel had overgegeven. Welnu, de Heere Jezus, de tweede Adam, het Verbondshoofd van al dat volk, dat uitverkoren is in Hem, van voor de grondlegging der wereld, heeft ook in een' hof den strijd op leven en dood met hem willen strijden, om al de gegevenen des Vaders uit diens macht te verlossen, om hem, die het geweld des doods had, te niet te doen, om te verlossen, die met vreeze des doods al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren, Hebr. 2 vs. 14â15, om der gevangenen vrijheid uit te roepen en der gebondenen opening der gevangenis. Jes. G1 vs. 1. Terecht merkte daarom Augustinus op: âHet kwam best overeen, dat daar waar de menschelijke hoogmoed was gevallen, zich de Goddelijke barmhartigheid daarnaar toewendequot;.
Gethsémané binnentredende, zonderde hij acht van de elven af, en gebood hen: zit hier neder tot dat Ik henen ga, en aldaar zal gebeden hebben. Hij wilde dus dat zij aldaar wachten en vertoeven zouden. Hij kende Zijne discipelen en wist, wat elk hunner dragen konde. Ziet! elk van de kinderen des Heeren, mag zooverre met Hem gaan, als Hij wil en niet verder. Hij alleen wil alles voor de Zijnen doen en zijn. Hij wil voor hen waken en bidden, zorgen en strijden, worstelen en overwinnen; wij rusten, Hij wil arbeiden; Hij voortbrengen, wij genieten. Gelukkig wij, als Hij ons dat liefdegeheim recht leert verstaan en beoefenen om maar stil te zitten, en in het geloof uit te zien, te wachten en te verbeiden.
Drie Zijner discipelen nam Hij echter dieper met zich mede in den hof. Het waren Petrus, Johannes en Jacobus. Vragen wij waarom juist deze? en waartoe dat? Gij weet dat Petrus gezegd had, dat hij bereid was zijn leven voor Jezus te stel-
5
len, en met Hem in den dood te gaan; dat de beide andere Apostelen gemeend hadden, dat zij den drinkbeker konden drinken, dien Hii zoude drinken. Ja. dat zij gedoopt zouden kunnen worden met den doop, dien Hij moest ondergaan. Welnu, dat zoude nu blijken, de Heere wil hen ontdekken aan hunne dwaasheid en vermetelen eigenwaan. Bovendien waren deze drie discipelen aanschouwers geweest van Zijne heerlijkheid op Tabor; Hij wilde, dat zij nu ook ooggetuigen waren van Zijne diepe vernedering. I Petr. 5 vs. 1. Zulke van Jezus vrienden, die bijzondere bewijzen van Zijne genade ontvangen, worden daarna wel eens in zeer diepe wegen geleid, opdat zij in zich zeiven klein, nederig en ootmoedig zouden blijven. Zij, die met Jezus op Tabor verkeerd hebben, moeten ook gewoonlijk met Hem in Gethsémané en op Golgotha verkeeren. Hij nam deze drie Apostelen mede, niet opdat zij iets van Zijn lijden zouden dragen, neen ! Hij moest de pers alleen treden. Zij moeten slechts oor- en ooggetuigen zijn van het begin en den voortgang van Zijn lijden en van Zijne gewillige onderwerping aan hetzelve, en Zijne geduchte worsteling om Zijn volk vrij te koopen van het verderf en de eeuwige rampzaligheid. Met deze liefste vrienden een weinig voortgaande, beyon Hij droevig en zeer beangst te worden, en zeide tot hen: Mijne ziel is yeheel bedroefd tot der dood toe, blijft hier, en waakt met Mij. Markus zegt: Hij begon verbaasd en zeer beangst te worden. Lucas: dat Hij in zwaren strijd was. De Evangelisten kunnen bijna geene woorden vinden, waarmede zij de maat, de natuur, en het wezen van den zielestrijd van Jezus uitdrukken.
De Heer Jezus begon droevig te worden. Naar de grond-beteekenis van het woord, hebben wij daaronder geene uitwendige, maar eene inwendige droefheid te verstaan. Eene droefheid, waardoor men als het ware wegsmelt en bezwijkt.
Bij deze droefheid wordt verbaasdheid gevoegd, waardoor eene groote ontsteltenis wordt te kennen gegeven. Daarbij
6
werd Jezus zeer beangst, waardoor ons de groote benauwdheid wordt voorgesteld, die Hij ondervinden moest. Eene onuitsprekelijke zwaarmoedigheid legde zich op Zijne ziel neder, en een' geheimvollen angst omving Zijn gemoed. Een schrik greep Jezus aan, die door merg en been henendrong, en niet onduidelijk wordt het ons aangewezen, dat die angst te verklaren is uit verschijnselen zeiven, die van buiten op Hem aandrongen. Jezus begon te sidderen en te heven.
Bij Zijne discipelen komende, zeide Jezus; Mijne ziel is geheel bedroefd tot der dood toe. Eigenlijk staat er rondom bedroefd. Hij zag boven Zich den toorn des Almachtigen rookende tegen Hem, beneden Zich de macht der duisternis. Inwendig was Hij beladen met de zonde Zijns volks. Zoo groot was die droefheid, dat Hij belijden moest; âMijne ziel is geheel bedroefd tot der dood toequot;, zoodat Hij wel het einde Zijns levens zoude wenschen, of dat zij machtig was Hem te dooden. Deze droefheid konde dus wel niet hooger gaan. Zijne ziel, en waarlijk ons kan dit ook niet bevreemden , leed er onder. Zielelijden zooals wij menschen ons zulks niet voorstellen of verbeelden kunnen, drukte Hem.
Lukas maakt het ons eenigszins duidelijk; hij schrijft dat Jezus in zwaren strijd was, welke woorden eenen strijd te kennen geven, die men heeft als men met den laatsten vijand, den koning der verschrikking, den dood worstelt, of zoodanig eene angst en ontzetting, waarmede iemands hart bezet wordt, wanneer hij met eenen gewapenden vijand ten bloede toe zal strijden. Ja! in dien zwaren strijd, werd Zijn zweet als groote druppelen bloeds, die op de aarde afliepen. Dat bloedzweeten M. V., geeft ons de ontzettende angst, de doodelijke droefheid Zijner ziel te kennen; het lijden, dat de reine en heilige ziel van Jezus gevoelde. Daardoor beefde en sidderde Zijn gansche lichaam, perste het bloed uit Zijne aderen, dit deed Hem bloed zweeten.
Blijft hier en waald met mij, aldus sprak Hij tot Zijne vrienden, en scheidde Zich omtrent een' steenworp van hen.
7
Een weinig voortgegaan zijnde, begaf Hij zich in het gehed. Hij viel op Zijn aangezicht biddende en zeggende. Lucas zegt: dat Hij nederhiielde en bad. Markus: dat Hij op de aarde viel. Eerst dus nederknielende, maar de hooggaande angsten zieledroefheid, die Hij ondervond, maakte de banden Zijner lendenen los, zoodat Hij voorover op de aarde neder-viel. Zijn lichaam bezweek dus bijna onder de zielsangst, die Hij doorstond. Hij, de Heilige Israëls, lag daar als een worm in het stof te kruipen; Gode Zijne begeerte en Zijnen nood met smeeking en gebed bekend makende. Hij bad driemaal met sterk geroep en tranen. Mijn Vader! Abba Vader! Vader! bad Hij, indien het mogelijk is, laat deze-drinkbeker van Mij voorbijgaan. Doch niet gelijk Ik, maar gelijk Gij wilt.
Veel is er getwist en geschreven over dien drinkbeker. Wij gelooven, dat niemand hier op aarde hem naar waarde zal bevatten. Hiernamaals zullen de verlosten het eerst recht verstaan, het zal de inhoud van hun loflied daarboven uitmaken. Zekerlijk verstond Jezus daaronder het onuitsprekelijk zielelijden, hetwelk Hij thans onderging, Hem van Zijnen Vader, in zekere mate, gelijk drank in eenen beker ingeschonken , en op den hand gezet om dien te ledigen. Markus verklaart dien drinkbeker, door die ure. Dat zielelijden dus, hetwelk Hij toen gevoelde. Menigmaal wordt in de Schrift kruis en lijden onder het beeld van eenen drinkbeker voorgesteld. Jezus zelf, voorheen van Zijn aanstaand lijden sprekende, had aan de zonen van Zebedéus gevraagd: kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal? Bad Jezus, dat God Zijn Vader dien voorbij zoude laten gaan, of wegnemen, of Hem verlossen mocht uit die ure. Hij wilde daarmede te kennen gevén, als de Zaligmaker Zijns volks, verschrikt door de vreeze des doods, terwijl Zijne ziel zich bevond voor de poort des eeuwigen doods, en Zijn oog staarde in den afgrond des verderfs, dat Hij het ondervond, wat het te zeggen is, eeuwig van God verlaten, eeuwig
8
zonder God te moeten zijn , en dat God het angstig gevoel Zijns toorns wegnemen mocht. Hij bad, dat Zijn Vader, bij Wien al de druppelen, in dien drinkbeker uitgegoten, geteld waren, dien haast van Hem wegnemen mocht; dat dit verschrikkelijk lijden, Hem niet lang mocht drukken. Hij bad, indien het mogelijk ware-, niet, dat Jezus aan Gods Almacht getwijfeld hebbe, neen! Markus zegt: dat Jezus er bijvoegde, alle dingen zijn U mogelijk, wanneer het dus met de eere Gods, met Zijn eeuwig raadsbesluit en de zaligheid der Zijnen bestaan konde.
Hij bad zoo, niet omdat Hij niet gewillig was om te lijden, neen! maar om ons het duidelijk te toonen, dat Hij eene volmaakte menschelijke natuur bezeten, en in die natuur niet ongevoelig geleden heeft. In elk gebed onderwierp Hij Zijnen wil aan den wil Zijns Vaders, en daarom voegde Hij er bij: niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Bereid bleef Hij dus in alle opzichten om het Goddelijk welbehagen te doen, hoe benauwd en beangst Hij ook mocht zijn, zoodat Zijne heilige ziel bedroefd was tot den dood toe. Hij bewees ook met dit bidden, dat Hij uit den hemel was nedergedaald, niet opdat Hij Zijnen wil zoude doen, maar den wil Desgenen die Hem gezonden had, en dat dit Zijne spijze was op de aarde. Ziet! zoo bezitten wij, in dit Zijn bidden, een voorbeeld hoe ons bidden moet zijn, als wij in nood en in benauwdheid voor ons zei ven verkeeren; alles voor ons gesloten is, en geene uitkomst meer zien. God mag geen paal of perk gesteld worden. Onze wil moet aan Gods wil, zonder uitbeding aan onze zijde, onderworpen zijn en blijven; bidden mogen wij, ja! bij herhaling om afwending van het kwaad, dat ons dreigt, maar dan eerst zal het den naam van geloovig hidden kunnen dragen, wanneer dehooge, heilige, souvereine wil Gods boven alles door ons erkend en beleden wordt.
Opgestaan zijnde uit het gebed, begaf Hij zich tot Zijne discipelen, maar Hij vond ze slapende. Lucas teekent aan, dat zij door droefheid bedwelmd waren. Jezus sprak Petrus
9
aan, en zegt: Simon slaapt gij ? en daarna tot allen: kunt gij niet een uur met mij waken ? Eene vermaning voegde Hij er bij: waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt, de geest is teel gewillig, maar het vleesch is zwak. Wat is toch het kind Gods, aan zich zeiven overgelaten ? Een Petrus werd wederom een Simon, hij, die voor Jezus wilde sterven konde geen uur met Hem waken. Allen waren zij elkander daarin gelijk. Onbekwaam zijn en blijven de kinderen Gods, om uit zich zeiven te waken en te bidden. Niemand hunner kan uit het geestelijke leven, hetwelk hun in de wedergeboorte geschonken is, voortwerken; hun vleesch is en blijft door het verderf der zonde zwak en machteloos.
Voor de tweedemaal bad Jezus te ernstiger deze zelfde woorden. Nu was zijn gebed: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van Mij niet kan voorbijgaan, tenzij Ik hem drinke, Uwe wille geschiede, Gods raad en besluit moesten volbracht worden. Met zijne gansche ziel boog Hij zich biddende onder Gods wil. Bij Zijne discipelen komende vond Hij ze wederom slapende. Hen wederom aangesproken hebbende, wisten zij niet wat zij Hem antwoorden zouden. Wij vragen niet, als wij kennis aan ons eigen hart hebben, hoe zulks in deze vrienden van Jezus mogelijk was? want wij zijn ons dan bewust, dat de geestelijke traagheid zoo groot kan zijn, dat ook de ernstige vermaningen en opwekkingen ons lusteloos en onverschillig laten. Ook een kind Gods, als hij er bij gebracht mocht worden, zal zich deswegens voor God te beklagen hebben.
Hen latende, ging Hij wederom henen , en bad ten derdemaal, zeggende dezelfde woorden. De zielsangsten dreven Hem dus naar diezelfde plaats, waar Hij één en andermaal Zijne ziel voor God had uitgestort. Hij hield aan in het worstelen met God, tot dat Hij verhoord werd. God, Zijn Vader nam Zijne gebeden aan. Een engel komt uit den hemel, die Hem versterkte. Hij werd gezonden om Jezus, slechts omkerkerd door zondige menschen en verworpene onreine geesten, troost-
10
redenen toe te spreken, zekerlijk om Hem te wijzen op den eeuwigen raad des vredes, waarin Hij het op zich genomen had, het rantsoengeld voor zijne uitverkorenen te betalen, en op de heerlijkheid aan Hem op dat lijden toegezegd, op die vreugde, waarmede dat lijden zoude bekroond worden.
Toen kwam Hij tot Zijne discipelen, vond hen nog slapende, en zeide bestraffend tot hen: slaapt nu voort en rust, of gelijk de woorden nu voort, kunnen vertaald worden, slaapt en rust op een en anderen tijd. Ziet, voegde Hij er bij, de ure is nabij gekomen en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaars. Staat op, laat ons gaan, ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.
Ziedaar M. V., zoo beknopt en duidelijk mij zulks mogelijk was, u het geschiedverhaal van Jezus zielelijden in Gethsémané voorgedragen. Laat ons /,
II. Nagaan, welk een lijden het geweest zij ? en voor wie Jezus hetzelve geleden heeft?
Welk een lijden, is het zielelijden van Jezus geweest ? Gewichtige vraag! Wie zal haar naar waarde beantwoorden? Nochtans kunnen wy de grootheid van dat lijden eenigzins bevatten, wanneer wij ons voorstellen: Wie was Hij, die hier leed? Geen bloot schepsel, geen hemelling reeds in hooger sfeer geoefend in deugd en heiligheid, geen goddelijke Jezus, maar Jezus, Die was God geopenbaard in het vleesch, de sterke God, Die alles draagt door het woord Zijner kracht, de Leeuw uit den stam van Juda, de Held bij denwelken de Heere Zijn volk hulpe heeft besteld, door wiens kracht de helden Gods geheele heirlegers op de vlucht dreven. God, boven alles te prijzen in der eeuwigheid. Hij had de men-schelijke natuur uit de maagd Maria door de werking des Heiligen Geestes aangenomen, om in die natuur waarin de mensch gezondigd had, naar ziel en lichaam beide te lijden
11
en te sterven. Zijn gansche leven op aarde was een lijdensweg. Van af Zijne kribbe, waarin Hij als een hulpeloos -wicht nederlag, tot op het kruis, waaraan Hij, den door God vervloekten kruisdood stierf, heeft Hij geleden. Maar inzonderheid leed Hij en dat wel zielelijden aan het einde Zijns levens, Hij leed in Zijne menschelijke natuur, Zijne ziel was bedroefd tot den dood toe. Gaarne erken ik dat dit eenige lijden in Gethsémané diepte en hoogte voor ons blijft behouden, door ons niet te peilen of te meten, maar als wij het Profetisch woord, hetwelk zeer vast is , openen; ziet! hoe juist vinden wij dan daarin de vervulling van hetgene die mannen Gods van Hem hebben aangekondigd, Dien zij bekend maakten als den Verlosser Zijns volks. Jesaja voorspelde van Hem: âWaarlijk Hij heeft onze krankheden op zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen, doch wij achteden Hem, dat Hij geplaagd en van God geslagen en verdrukt was, maar Hij is om onze overtredingen verwond, en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld, Jes. 53 vs. 4, 5. Geeft deze uitspraak ons niet eenigszins, daar zij zoo letterlijk in den Heere Jezus is vervuld geworden, op, wat Hij in Gethsémané geleden heeft? Hier was Hij als een melaatsche, van God geplaagd, geslagen en doorwond, Ps. 32 vs. 7. Hier was Hij in dien toestand, waarin David van Hem sprak, een worm en geen man; die Hem, ook elders over deze verschrikkelijke angsten klagende doet uitroepen: âbanden des doods hadden mij omvangen, beken Belials verschrikten mij, banden der helle omringden mij;quot; waarom hij Hem biddende voorstelt: âverlos mij o God! want de wateren zijn gekomen tot de ziel; Ik ben gezonken in grondeloozen modder, -.vaar men niet staan kan. Ruk mij uit het slijk en laat mij niet verzinken ,quot; Ps. IS vs. 5; 69, vs. 2, 3. Zag men dit verschrikkelijke zielelijden niet afgebeeld en afgeschaduwd door het geld der verzoening of dien halven sikkel, die van de kinderen Israëls, tot lossing hunner zielen gegeven moest worden. Ex. 30 vs. 11 â 16. Dat geld was immers het ware rantsoen
12
en prijs der verzoening niet. Heeft de Heere Jezus zelf niet verklaard, de Zoon des menschen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen? Welnu dan, zagen wij dat alles niet aanvankelijk bevestigd toen de Heere Jezus beangst, bedroefd werd in Zijne ziel tut der dood toe, toen Hij in zwaren strijd als een worm in het stof kroop, en bloed gezweet heeft?
Ja! dat zielelijden is buitengewoon, bovenmenschelijk, eenig in zijne soort, alleen uit Zijne Hoogepriesterlijke tusschentreding te verklaren. Indien Hij zooveel in Zijne ziel leed om slechts Zijne leer te bevestigen, dan moeten wij er van getuigen; Hij bezat geen moed om voor haar te sterven. Leed Hij dat lijden alleen om ons een voorbeeld te geven , dan staan velen der bloedgetuigen, denkt slechts met mij aan Stefanus, boven Jezus, door Wien zij zalig zijn geworden. Wij gelooven, M. V., dat wij boven alles vast te houden hebben: Hij leed hier niet als Profeet, maar als de eenige Hoogepriester Zijns volks. Uitwendige lichaamssmarten hadden Hem toen nog niet getroffen, zij trofifen Hem daarna , Zijne ziel konde daarover dus niet tot den dood bedroefd wezen. Wat was dan, in zoo verre het ons vergund is in dit heiligdom der verlossing te zien, de oorzaak van het zielelijden van Jezus? De zonde was het, en de snoode overtredingen, hartstochten, Godslasterlijke gedachten en verkeerde werkzaamheden der zulken waren het, die door Hem zouden verlost worden, in één woord, de overtreding van de wet: Gij zult God boven alles lief hebben , en uwe naasten als u zeiven. Hier gevoelde Jezus in Zijne ziel wat eigenlijk de zonde is in hare naakte, afschuwelijke natuur, zoo als zij ziel en lichaam bederft, vervoert, en eeuwig rampzalig maakt. Hij zag het in, zoo als niemand het in die mate inzien kan, dat de zonde majesteitsschennis, verfoeielijke opstand tegen God is, en hare gevolgen ook niet anders dan de tijdelijke, geestelijke
13
en eeuwige dood kunnen zijn, bestaande in een eeuwig straflijden in de hel. In eigen Persoon ondervond Hij hier het heilige ongenoegen Gods over de zonde. Hebben wij den sleutel tot verklaring van dat zielelijden niet in handen|, in die uitspraak van Paulus: Dien, die geene zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij (namelijk de geloovigen) zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Heiangsten en benauwdheden waren het, die de Heer Jezus in Gethsémané in Zijne ziel ondervonden heeft. Hier betaalde Hij de zonden en schulden, die Hij zelve niet gemaakt had , maar die Hij als schuld betalend en schuldovernemend borg voor Zijn volk, hetwelk Hij zalig maakt, op zich genomen had, dat maakte Hem deze ure zoo bang. Hier stond Jezus als een schuldige in het gericht Gods, en het recht Gods is, dat degenen, die zulke dingen, namelijk zonden en ongerechtigheden doen, des doods schuldig zijn. De Heere, als de rechtvaardige Rechter, goot hier Zijne gansche verbolgenheid tegen de zonde over Hem uit. Ik weet het wel M. V,, dat de natuurlijke mensch dit niet gelooft en hij zich zoo iets niet in de verte kan voorstellen. Van daar zijn tegenstand tegen de leer der plaatsbekleedende voldoening van Jezus. Maar als wij onze ellende uit de wet Gods hebben leeren kennen, en in de waarachtige bekeering hebben mogen zien wat het is, tegen God te hebben gezondigd , de hel voor ons geopend is, wij God billijken en rechtvaardigen en ons zeiven veroordeelen, dan veroorzaakt zulks onuitsprekelijke smart en angst, siddering en beving, zoodat ons lachen in treuren, onze blijdschap in droefheid verkeert. En dat is dan nog maar om onze eigene zonden. Maar de Heilige Jezus had nooit zonde gedaan of gekend. Hij gevoelde hier de boosheid en de ellende voor tijd en eeuwigheid van al de zonden. Gevoeliglijk kwam Hem aan het hart de doodelijke aard der zonde en der begeerlijkheid, waardoor het verderf in de wereld en de
14
wanstaltigheid in het schepsel is. Zoodanig dat Hij in Zijne ziel de droevige gevolgen en bittere vruchten daarvan ondervond.
Daarbij kwam dat God Zijn Vader, Zijn vriendelijk aangezicht voor Hem verborg en Hem verliet, en wij weten dat voor Hem de aanschouwing van dit vriendelijk aangezicht, de hemel, en het ontwaar worden van Zijne Vaderlijken gunst. Zijne zaligheid op aarde was. Dat Goddelijk aangezicht zag Hij achter donkere wolken verborgen. Hij miste in deze ure allen vertrouwelijken omgang en toenadering tot God. Hij gevoelde eene Hem tot nu toe onbekende terugwijking van God. Hij stond hier als 't ware, als een veroordeelde voor God Zijn Rechter. Hij droeg hier den vloek der zonde. Hij was als van God verstooten en verlaten. Dat was Zijn bitter zielelijden. Zooveel te zwaarder voor Hem, daar Hij nu Zijnen Vader niet zonder wankelen konde gehoorzamen, Van daar Zijn roepen tot Hem, die Hem uit den angst des doods konde verlossen met roepingen , gebeden, tranen en verzachtingen. Van daar te midden van dat zielelijden die vrees, die Hem naar hulp en uitredding deed uitzien, maar die Hij eerst nog missen moest.
De ziel van Jezus leed, was bedroefd tot den dood toe, want God de Vader deed Hem den doodelijken aard der zonde gevoelen, doordien Hij Hem onderwierp aan de macht van den vorst der duisternis. Jezus zelf had het gezegd, de overste dezer wereld, dat is de duivel, komt, nu is het de ure der duisternis en Zijne ernstige opwekking aan Zijne discipelen was: waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking valt. De duivel zelf met al de machten der hel zijn tegen Hem losgelaten. Zij verzochten Jezus op het hevigste, en toonden Hem, zooveel doenlijk, de zwarigheid van het werk der verlossing, en stelden alle middelen in het werk om Hem te benauwen en te beangstigen. Hier streed Jezus met den satan eenen strijd op leven en dood.
15
Dat waren die banden der hel, die Hem omringden, zoo hooggaande was die strijd, dat Hij beefde en sidderde y dat Hij bloed zweette. Wie kan het ons zeggen, welke andere aanvechtingen en bestrijdingen daarmede nog gepaard gingen ? de grond van Jezus zielenood is in de gevallen geestenwereld te zoeken. Neen ! ook dit gelooft de onbekeerde niet, die nog een kind des duivels is, maar als. wij hem den dienst hebben opgezegd, dan leeren wij, hoe onderscheiden ook in trap en mate, iets daarvan voor ons zeiven kennen. Jezus ondervond zulks in de hoogste mate, dat was mede Zijn zielelijden. De duivel schoot vurige pijlen op Jezus af, zoodat Jezus zich tegenover hem gesteld ziende, van schrik en angst ineen kromp, maar hij had niets aan Hem.
Vragen wij nu, voor wie Jezus dat zielelijden geleden heeft ? Wij kunnen u ook daarop antwoordden, Jezus stond hier in Gethsémané als de schuldbetalende en schuldover-nemende borg van de zonden Zijns volks. Hij droeg hier den zwaren last der zonden van al de uitverkorenen, de gegevenen des Vaders, de voorgekenden in eeuwige liefde. Voor deze alleen had Hij zich in den eeuwigen raad des vredes vrijwillig aangeboden, om voor hen aan bet geschonden recht Gods te voldoen. Hij stond hier in hunne plaats in het gericht Gods, onder Gods toorn tegen de zonde bedreigd , om Zijne ziel voor hen tot een' losprijs, tot een rantsoen te geven. De Heere deed hier alle hunne ongerechtigheden op Hem aanloopen , om de overtreding Zijns volks was de plage op Hem. Hij leed dat lijden niet voor de gansche wereld, want Hij heeft voor dezelve niet willen bidden maar voor Zijn volk, dat Hij zalig zoude maken van hunne zonden. Hij droeg hier in hunne plaats den last des Goddelijken toorns, die nu tegen Hem als hunnen borg in al haar geweld losbrandde en Hem deed klagen: Ik draag uwe vervaarnissen, ik beu twijfelmoedig, Uwe hittige toornigheden gaan over Mij, Uwe verschrikkingen
16
doen Mij vergaan Ps. 88 vs. 16, 17. Ware Hij niet de Immanuël, de Godmensch geweest, gewis Hii ware onder dat lijden bezweken, maar nu was Hij in staat om het alles door te staan voor en in de plaats van den uitverkoren zondaar. Jezus gaf tot een rantsoen hier voor Zijne ziel over, zelf getuigde Hij, voor velen, dus niet voor alle menschen. Voor die velen, die kinderen des toorns van nature waren, leed Hij, en daar zij met de gansche wereld verdoemelijk waren voor God, eeuwiglijk zouden hebben moeten lijden, Hjj leed dat zielelijden voor hen, om hunne zielen uit de macht der hel, en uit de verschrikkingen des eeuwigen doods te verlossen, daarom moest Zijne heilige ziel als 't ware in de hel komen, en door den eeuwigen dood van rondomme bedroefd worden. Van God en menschen verlaten , moest Hij de pers alleen treden, en er was niemand van de volken met Hem. Tot geenen minderen prijs M. V., kon aan de geschondene heiligheids Gods, en het recht Gods, voor de uitverkorenen in Hem van voor de grondlegging der wereld, voldaan worden. Zoude God hen genade bewijzen, vergif-fénis schenken, dan moest God hunne zonden straffen in den Zoon Zijner liefde, en Hij leed het, omdat Hij hen vrijwillig had liefgehad met eene eeuwige liefde. Wel is die liefde onbegrijpelijk, dat Hij, de Godmensch, zoovele doodelijke droefheid onderging en dat voor zulke hellewichten , vijanden en goddeloozen, en moeten wij uitroepen ; zij gaat onze kennis te boven, wij erkennen zulks volgaarne , nochtans als God dit heilgeheim naar Zijn vreê-verbond aan Zijne vrienden toont, dan zinken zij er onder weg in aanbidding en bewondering, en dan smart het hunne zielen, dat zij Hem niet hartelijker liefhebben, die zoo groote goddelijke liefde voor hen gehad heeft. Geene andere dan de schapen, voor welke Jezus Zijn leven stelde, genieten de vrucht van dit zielelijden, en dat wel, dat zij door den Heiligen Geest, die de zoenverdiensten van Jezus aan
17
al Ziin volk toepast, over de zonde als zonde tegen God waarlijk en heiliglijk bedroefd worden, met eene droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt. Dat zij als verlorenen, als dood- en doemschul-dige zondaars met het vonnis des doods in hunne handen, tot dien Heiland en Zaligmaker vluchten en vlieden, in het arm zondaarsgeloof, de gave des Heiligen Geestes, en dat zij niet bezwijken onder de bestrijdingen en aanvechtingen en vuistslagen des satans, die zij allen in meerdere of mindere mate ondervinden, als zij zich opmaken om God in geest en in waarheid te dienen. Jezus heeft zulks in Gethsémané voor hen verdiend en verworven. Hebben zij nu lust en blijdschap in dien dienst, gelijk het den rechtvaardigen blijdschap is, recht te doen, en mogen zij zich verlustigen in den Heere, ook dat is voor hen de vrucht van Jezus zielelijden. Elke gewilligheid om voor God en menschen in schuld te vallen, elk waar gebed, dat zij bidden mogen, alle bereidwilligheid tot- en lijdzaamheid onder het lijden, dat zij hebben door te staan, en om alles te dragen, wat God in Zijne eeuwige wijsheid en liefde hen oplegt, en dat zij zwijgen en met David betuigen mogen: Ik zal mijnen mond niet open doen, want de Heere heeft het gedaan; het wordt aan dat volk geschonken , omdat Jezus, de aangebeden Bidder voor hen in Gethsémané, als een man die krachteloos was, gebeden heeft, Uw wille geschiedde, en als hun plaatsbekleedende Borg verhoord is geworden. Hier in dit leven, het beginsel des eeuwigen levens, dat zij in hunne harten gevoelen; en eens hunne eeuwige vrijspraak in het gericht Gods, het is omdat de Heere Jezus, hun groote God en Zaligmaker voor hen dat zielelijden in Gethsémané heeft doorgestaan. Hij was een worm en geen man voor hen, opdat zij eens de kroon des levens zouden dragen. Hij was onder hevigen strijd, zoodat Hij bloed zweette, om hen in den strijd des levens meer dan overwinnaars te doen zijn. Het zielelijden
2
18
van Jezus was straflijiien voor hen gedragen, opdat Zijn volk, zoo duur door Hem gekocht, zoude vrij gaan in het gericht Gods, en God wederom als Vader zouden kennen en eeuwig liefhebben.
lt;7
Ps. 6 vs. 4.
III. Laat ons eindigen met de toepassing.
Hier kom ik al dadelijk tot u met de vraag: heeft Jezus ook voor ons in Gethsémané geleden? leed Hij ook dat zielelijden in onze plaats ? Geen anderen troost in dit leven en bij ons sterven bestaat er voor ons zondaren, dan zulks voor ons zeiven op goede gronden te mogen gelooven en te weten. Dit nu maar aan te nemen en zich toe te eigenen, en daarop te vertrouwen, terwijl men met zija hart en leven de wereld en de zonde blijft dienen, en niets te bezitten dan eene uitwendige belijdenis der waarheid, met een burgerlijk zedelijk leven, en het beoefenen van eenige deugden en plichten, dat zal ons bedrogen in de eeuwigheid doen uitkomen. Och! wie weet hoe velen er nog onder u zijn, die onbekeerd zijn, die leven naar de zondige lusten en begeerlijkheden uws harten, en die niet kunt noch wilt gelooven, hetgeen wij u zoo dikwijls verkondigd hebben, dat het eiken onbekeerden zondaar verschrikkelijk zal zijn, te vallen in de handen des levenden Gods. In dat zielelijden van den Heere Jezus ziet gij den gruwelijken en doodelijken aard der zonden , een duidelijk bewijs van de gestrengheid en de rechtvaardigheid Gods, een spiegel van de hel, die u wachtende is, als gij zoo sterft als gij geboren zijt. Zoo gij aan deze zijde des grafs God uwen Rechter nog nimmer in waarheid om genade hebt leeren bidden, en in het arm zondaarsgeloof uw toevlucht tot Jezus hebt leeren nemen, met die bede: wees Gij, Heere Jezus! mijnen Borg. Ontferm U mijner!
19
wees mij genadig! Eenmaal, God weet hoe spoedig misschien , zult gij -voor Hem worden opgeroepen, en zult gi] in uwe zonden sterven. Vreeselijk zal het dan voor u zijn, eeuwig verloren te moeten gaan. Dan zal eene eeuwige angst en smart, en droefheid uw deel zijn; dan zult gij ondervinden, dat het kwaad en bitter is tegen God te hebben gezondigd. God is en blijft een verteerend vuur voor de werkers der ongerechtigheid. Moest de heilige Jezus in Gethsémané uitroepen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe! Als een worm in het stof der aarde kruipen, bloed zweeten, toen Hij in het gericht Gods stond om de verzoening der zonden Zijns volks te weeg te brengen, hoe verschrikkelijk moet het dan voor u zijn, die nog in de zonde leeft, voor eigene rekening den last des toorns Gods tegen de zonde bedreigd, te moeten dragen. Gij zult uitroepen: bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons voor het aangezicht des Heeren, maar de bergen en heuvelen zullen uw angstgeschrei in de hel niet hooren, u die het Bloed des Nieuwen Testaments onrein hebt geacht, die het Evangelie ongehoorzaam zijt gebleven, u zal God toeroepen; pen : weg van Mij in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijne engelen bereid is. Meent niet, dat ik u zoek te verschrikken, neen, ik kondig u zulks aan, om vrij te blijven van uw bloed, opdat hetzelve van mijne hand niet moge geëischt worden, dat u de eeuwige verdoemenis wacht, indien gij onverzoend met God blijft leven en zult sterven. Och! als de goedertierenheid Gods uwe harten niet bewegen moge tot de bekeering, mocht het dan de schrik des Heeren zijn. Heere! open Gij de oogen dier blinden die op Uwe barmhartigheid hopen, zonder te bedenken, dat Gij den schuldige geenszins onschuldig kunt houden. Och! dat de Heilige Geest hen nog overtuigen moge van zonde, gerechtigheid en oordeel, opdat zij als arme dood- en doem-schuldige zondaars , U hunnen Eechter rechtvaardigen en zich zeiven veroordeelen, vluchten en vlieden mogen tot
2*
20
Hem, Die hen allen verlossen kan, Uw Zoon Jezus Christus, die zoo bitterlijk leed in Gethsémané! Niemand uwer M. V., stelle zich zeiven gerust, met eene bloote toestemming der waarheid, die ik u voorgesteld heb. Geene belijdenis der waarheid, hoe zuiver ook, zal u in het gericht Gods doen vrij gaan. Geene vrome oefeningen zullen uwe arme zondaarszielen kunnen behouden. Uit ons zeiven kunnen wij bijna Christenen worden, niet verre meer zijn van het Koningrijk der hemelen, maar bijna en niet verre, is niet genoeg voor de eindelooze eeuwigheid. Uw kerkgaan, lezen en bidden, uwe uitwendige godsdienstigheid, hoe prijselijk ook, doen u nog geene ware Christenen zijn. Meenende in te gaan, zoudt gij, niets anders bezittende, niet kunnen. Heeft Jezus voor u in Gethsémané zielelijden geleden, zoo bloedig gestreden, zoo bij herhaling gebeden , dan zult ook gij met die droefheid uit God, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt, moeten leeren kennen: tegen U alleen heb ik gezondigd, en de zonde als zonde zal door u voor God moeten worden erkend en beleden. Gij zult u als een die des doods schuldig is, moeten hebben zien liggen , vertreden in uw bloed op het vlakke des velds. De trap en mate mogen onderscheiden zijn, maar niemand heeft deel aan het zielelijden van Jezus, die den strijd niet kent tegen den duivel, de wereld, en zijn zondig hart, en als een' die vruchteloos en machteloos is geworden door de zonde, uit den angst en de benauwdheid zijns harten, tot God heeft leeren roepen: Wees Gij mijn Helper, mijn Borg! en tot Jezus zijne toevlucht heeft genomen. Welnu, kent gij ook dit in de beoefening uws levens, als een arme, een ellendige te worstelen in het gebed, en niet los te laten, voor dat gii genade in de oogen des Heeren gevonden hebt, dan heeft God Zijn werk in u begonnen, en zal Hij het ook in u voleindigen, dan zal het met al uw werken, strijden en. bidden aan Jezus voeten in den dood moeten komen, gij niet kunnen gelooven en aannemen,
21
tenzij het u van Boven geschonken zij, en uwe grootste bezorgdheid zal zijn, om maar deel te hebben voor u zeiven aan Jezus lijden en sterven. Och, onderzoeke en be-proeve dan een iegelijk uwer zijn hart voor God, Die lust heeft aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste, en beware God u voor het zelfbedrog der zonde. Zonder uiterlijke zielesmart over de zonde, het werk des Heiligen Gees-tes in ons, heeft niemand deel aan het zielelijden van Jezus.
Zijn er onder u ontdekte en overtuigde zielen, die zich niet kunnen voorstellen, dat zulke als gij zijt en zoo als zij zich dagelijks voor God leeren kennen, deel zoudt hebben aan de Borggerechtigheid van Jezus ? Nu eens, wegen u uwe zonden niet zwaar genoeg op de ziel, dan wederom kunt gij niet bidden, durft gij uw bidden geen bidden noemen , en gevoelt gij u traag en lusteloos. Gij kent zoo weinig strijd, zoo weinige bange uren; wel moogt gij misschien zeggen, dat het uwe keuze geworden is, den Heere Jezus te zoeken, maar gij hebt Hem voor u zeiven nog niet gevonden. Gij vreest met al uwe overtuigingen nog eens verloren te zullen gaan. Daarbij komt, dat gij met uw vijandig en goddeloos hart bekend wordt, en het steeds erger wordt. Och! mocht het met u allen buiten hoop worden, God is op weg om u te ontblooten. Uwe werkheilige natuur zelf wil altijd nog iets verdienen. Jezus heeft voor al Zijn arm en ellendig volk, dat Hij lief gehad heeft met eene eeuwige liefde , den bloedigen strijd in Geth-sémané alleen gestreden, den drinkbeker alleen gedronken. Hij past Zijn zielelijden, en wat Hij daardoor verdiend en verworven heeft op de zielen toe, die Hij getrokken heeft uit de macht der duisternis. Ook gij behoort tot dezulken , indien gij maar recht ontdekt moogt worden aan de vijandschap, de goddeloosheid, de plage uwer harten. U ontbreekt niets dan, zoo als gij zijt en u door genade leerdet kennen, onbepaald en onbedongen aan Hem over te geven, u zeiven te verliezen en kwijt te worden, en
22
in Hem weder te vinden. Die medelijdende Iloogepriester wil ook met u te doen hebben. Zegt mij, wat is uw leven geworden ? Aan welk volk gevoelt gij u verbonden, al durft gij ook niet zeggen dat hun God en Heiland, uw God en Heiland is geworden ? Zoudt gij uw leven kunnen vinden in de wereld en in den dienst des duivels ? O ! wat onderscheidt u ? Wie werkte in u die keuze ? Wat is de oorzaak uwer tranen ? Beantwoordt voor u zeiven deze vragen. Verre zij het van mij u geloof op te dringen, gij zoudt het, indien gij waarlijk zondaarsbehoefte en zon-daarsnood hebt leeren kennen, van mij en niemand kun-, nen en durven aannemen. Och! mocht veel uw gebed zijn en blijven dat de Heilige Geest genadiglijk uit u moge wegnemen, wat nog tusschen Jezus en u bestaat. Niemand uwer stelle eenigen grond op zijne zielswerkzaamheden, het zijn alleen bewijzen, dat de Heere u heeft opgezocht, en bij het licht des Heiligen Geestes zult gij dat kunnen zien. De zoen verdiensten van den Heere Jezus, door Zijn bitter zielelijden verworven voor Zijn volk, in het arm zon-daarsgeloof omhelsd, zullen den eenigen grond uwer hope voor de eeuwigheid moeten zijn en blijven. Niemand uwer kan verder gaan dan de Heere Jezus wil. Houdt moed, gij verdrukten , ongetroosten door onweder voortgedrevenen! âZietspreekt de Heere, âIk heb uwe steenen zeer sierlijk gelegd.quot; U is en blijft het immers om Jezus te doen, zonder Hem kunt gij niet meer leven ; Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Och! kwame Hij heden tot u: ziet hier ben Ik !
Kinderen Gods! die door genade zeggen moogt, dat gij deel hebt aan Jezus zielelijden in Gethsémané, en dat Hij daar voor u geleden, voor u gestreden, voor u gebeden, voor u den drinkbeker geledigd heeft, gevuld met den droesem uwer zonden. Toen gij dat in waarheid gelooven mocht, was het in uwe zielen: wat zullen wij den Heere vergelden ? Maar toen is eerst de strijd begonnen; toen
23
hebt gi) eerst leeren kennen dat de geest wel gewillig, maar het vleesch zwak is, dat gi] niet bidden, niet waken kunt, zelfs geeu' uur, met den Heere Jezus. De een van u moge sterker, de andere zwakker zijn in het geloof , dit zult gij allen belijden moeten, dat, hoe verder gij gebracht en geleid moogt worden op den weg naar den hemel, gij hoe langer zoo meer leert inzien, dat, als Jezus voor u niet gebeden had dat uw geloof niet ophield, gij Hem verlaten zoudt hebben; dat, als Jezus voor u niet gestreden hadt, en nog niet streed, gij door uwe vijanden, ook de Zijne, zoudt overwonnen worden. Hoe meer afschuw, afkeer , haat en smart gij maar kennen en gevoelen moogt over de zonde, ook de minste zonde, die gij inwilligt, omdat zij scheiding maakt tusschen Jezus en uwe ziel, en u dat brengen mag in de diepte aan Zijne voeten, des te meer zult gij de kracht van Zijn lijden in Gethsémané aan uwe zielen ondervinden, om als een, die uit het vuur gegrepen is, Hem aan te kleven en aan te hangen.
Hoe lief heeft die dierbare Jezus u willen hebben om zooveel voor u te lijden, en te strijden, dat Hij van God verlaten als een worm in het stof kroop, bloed zweette, heiangsten en benauwdheden voor u doorstond, om voor u te betalen, hetgeen Hij niet geroofd had. Och, dat gij het nimmermeer vergeten moogt uit hoe grooten nood en dood gij door Hem gered zijt geworden. Elk uwer zonden is voor Hem een bittere druppel in dien drinkbeker, dien Hij voor u heeft gedronken. Uw weg zal moeten zijn om door vele verdrukking Gods koningrijk in te gaan. Onder al het kruis, dat God u om der zonden wil in dit leven toezendt, moogt gij bidden , bidden zelfs bij herhaling, dat God het afwende, maar niet gelijk gij, maar gelijk Hij wil. Niet altijd zullen het voor u zoete en aangename, maar ook zure en harde wegen zijn, die gij zult bewandelen. Uwe beste tijden zullen altijd zijn en blijven, als uw eigene wil, zin en lust verzwolgen zijn in den wille Gods, en gij
24
betuigen moogt; zoo waarachtig als de Heere leeft in de plaats, daar miin Heere de Koning zal zijn, 't zij ten doode, 't zij ten leven, daar zal Uw knecht voorzeker ook zijn. Gij hebt niets meer te doen om Gods gunst te verwerven; gij zijt geroepen om te genieten. Hij, Die voor u gestreden heeft in Gethsémané strijdt nog voor u en in u, gij strijdt tegen overwonnen vijanden. Hij, Die voor u gebeden heeft, bidt nog voor u en in u door den H. Geest, is het niet met woorden, dan met onuitsprekelijke verzuchtingen. O volk Gods! de H. Geest geve u veel te vluchten en te vlieden tot die geopende Fontein tegen de zonde en ongerechtigheid en bekwame u om in kruis en wederwaardigheden, in leven en in sterven, in den geloove in uwen Jezus te roemen, want bij Hem, de ware Arke des Verbonds, valt elke roem weg. Hij geve u veel te pleiten in den geloove, zoo zal Hij Zijn eigen werk in u kroonen; Hij is gereed aan u toe te passen , wat Hij voor u verworven heeft; Hij zal alles wel voor u maken. Amen.
Ps. 89 vs. 8.
De GeYangenneming Yan Jezus.
LEERREDE II
OVER
JOHANNES XVIII vs. 2â9.
VOORZANG Ps. 84 vs. 3â4.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door deri Heiligen Geest. Amen.
Menigeen, M. V., zag in Simson, dien God tot een' verlosser van Israël bestemd had, in zijne overlevering in de handen zijner vijanden, een zinnebeeld van hetpeen er geschied is met den Heer Jezus, de Verlosser Zijns volks. Simson werd verraden van zijne eigene vrouw Delila, Jezus van Judas één Zijner discipelen. Simson werd gebonden met touwen, Jezus is ook gebonden geworden; Simson ging zijne vijanden gewillig te gemoet, dat heeft Jezus ook gedaan. Hoe het ook zijn moge, dat is zeker, niet eerder voor dat het de macht en de ure der duisternis was, waren Zijne vijanden in staat hun boos opzet om den Heere Jezus gevangen te nemen en te dooden, te volbrengen. Gewillig was Hij, wetende welk lot Hem wachtte, om Zich Zijne vijanden aan te bieden. Gesterkt in Gethsémané in het ge-
26
bed, was Zijne taal tot Zijne discipelen, die Hij opwekken moest uit den slaap; Komt laat ons gaan; ziet! die mij verraadt, is nabij. Heden hoop ik met u de gevangenneming van Jezus te overdenken.
Bidden wij vooraf om Gods zegen.
Johannes XVIII vs. 2â9.
Jezus Christus, M. V., heeft naar ziel en lichaam beide geleden. Hevig was Zijne zielesmart in Gethsémané geweest. Gesterkt in den geest, had Hij dezelve doorgestaan, maar voor Hem is nu het doornenpad der lichamelijke smarten te betreden. âStaat op, laat ons gaan! hij is nabij, die mij verraadtaldus had Hij tot Zijne discipelen gesproken, wien Hij Zijn ongenoegen over hun slapen betoond had. Ja, Jezus wist het wel wat Hem wachtende was. Voor Zijn goddelijk alziend oog was niets verborgen, daarom konde Hij er bijvoegen: de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaars. Hij, de waarachtige Zoon van God, gaf Zich zeiven dien naam, omdat Hij als zoodanig Zich geopenbaard had om Zijn leven te stellen voor Zijne schapen. Welaan, laat ons:
I. Stilstaan hij het geschiedverhaal Zijner gevangenneming.
II. Het lijden van Jezus daarin nagaan.
III. Met de toepassing eindigen.
I. Stilstaan hij het geschiedverhaal van de gevangenneming van Jezus.
Terwijl Jezus, M. V., tot Zijne vrienden sprak, was Judas de verrader Hem reeds nabij. Hij is de leidsman geweest dergenen, die Jezus gevangen hebben. Ziet! schrijven Mat-theus en Lukas, Judas, één van de twaalve, kwam. Met
27
verwondering dus geven zij het te kennen dat één der twaalf uitverkorenen een verrader was geworden. Hij wist de plaats wè,ar Jezus zoo dikwijls met hen vergaderd was geweest. Hij, die drie jaren met Jezus had omgegaan, Zijne woorden gehoord, Zijne wonderwerken gezien, ja zelfs aan anderen het Evangelie gepredikt had, hij had openlijk Jezüs verlaten , den dienst des duivels verkozen, zich met de god-deloozen tegen Jezus vereenigd en zoo diep was hij gezonken, dat hij zelf hun leidsman was om Jezus te vangen. Die Judas was met al de uitwendige gaven, die hij boven velen ontvangen had, met al die uitwendige voorrechten, waarin hij gedeeld had, een onbekeerd zondaar gebleven, zijne openbare vijandschap tegen Jezus komt nu in het licht. Door geldzucht gedreven wordt bij een afvallige, een verrader, een voorganger dergenen, die Jezus dooden willen.
Judas had met zich medegenomen de bende krijgsknechten: de romeinsche soldaten, de dienaars, (eenige derzelve) der overpriesters en der pharizeën , en daarbij hadden zich eenige afgezondenen uit de overpriesters zelve, uit de schriftgeleerden en oudsten des volks gevoegd, zekerlijk om deze zending gewicht bij te zetten, en om ook op Judas toe te zien, opdat zij door hem, wien zij het bedongen geld gegeven hadden, niet zouden bedrogen worden. Met lantaarnen, fakkels, zwaarden en stokken waren zij gewapend alsof Jezus een erge misdadiger was, en opdat in geen opzicht hunne prooi hun zoude ontsnappen. Judas, die Jezus verried, had hen een teeken gegeven, waaraan de krijgsknechten en dienaars Jezus zouden kennen, en dat teeken was een kus, het bewijs van liefde en genegenheid, hetwelk tusschen bekenden en vrienden bestond, als zij elkander ontmoetten. Hij zelf had zich voorgenomen verborgen te blijven, daarom had hij gezegd, dien ik zal kussen, deze is het, grijpt Hem. Hij wilde zich aan Jezus voordoen als zijn vriend, de gevangenneming laat hij aan hen over.
Hoe diep kan een zondaar vallen, die van God wordt
28
overgegeven om kwaad te doen; wie zoude zulks ooit van een discipel van Jezus verwacht hebben, dat hij zoo laag en gemeen konde worden om zijnen Meester, zelfs met het vriend-schapsteeken, te verraden? Hoeveel afschuw wij ook voor zulk een bestaan en ook terecht koesteren, nochthans moeten wij zeggen : de mensch van nature is tot alle goddeloosheid in staat, hij is een gevleeschte duivel als God hem aan zich zeiven overgeeft.
Jezus wetende alles ivat Hem overkomen zoude, alles, ook in de minste bijzonderheden, omdat Hij de alwetende God was, ging tot hen uit, zekerlijk om aan Zijne vijanden te toonen, dat Hij gewillig was Zijn lot, dat Hij kende, te ondergaan, en dat Hij hen niet vreesde, die met zoovele voorzorgen en toebereidselen gekomen waren om Hem te vangen. Wien zoekt gij? Dit waren de woorden, waarmede Hij hen aansprak. Hij zelf openbaarde en ontdekte Zich dus aan hen. Zij antwoordden: Jezus den Nazarener! Met verachting voegen zij dat woord âNazarenerquot; bij Zijnen naam. Voor hen had de Heere Jezus ook geene gedaante of heerlijkheid. Indien zij Hem gekend hadden als den Messias Zijns volks, zij zouden zoo niet gehandeld hebben. Nog is de Heere Jezus niets dan een Nazarener, een bloot mensch, voor alle onbekeerde zondaars. Zij zijn met blindheid geslagen. Daaruit laat het zich verklaren dat er helaas! zoo-velen zijn ook onder die blinde leidslieden der blinden, die openlijk durven loochenen, dat Jezus God is.
âIk ben het!quot; zoo antwoordde Jezus hen, zij hadden dus naar Hem niet meer te zoeken. Johannes teekent aan, dat Judas, die Hem verried, ook hij hen stond. Hij was dus in het midden van de vijanden van Jezus, en was buiten staat om zijn snood verraad te volbrengen. Op dat woord: Ik ben het, zoo gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde. Als door eenen onzichtbaren bliksem zijn zij getroffen. God-lijke almacht ging bij deze woorden van Hem uit. Hadden zij durven zeggen en dat met verachting: Jezus den Naza-
29
rener zoeken wij, Hij toont hun, dat Hij de sterke God, de Vader der eeuwigheid is. Hij geeft hun het duidelijkste bewijs , dat Hij niet uit onmacht in hunne handen viel, maar geheel vrijwillig het lot onderging, dat zij Hem wilden doen ondergaan, Joh. 10 : 17. Ziet! daar liggen die sterke gewapende vijanden door één woord van Zijne lippen als dooden aan-» Zijne voeten; het ging hen als de Midianieten Rigt. 7, en als de Syriërs 2 Kon. 7, en wat zoude Jezus verhinderd hebben om ongedeerd van daar henen te gaan ? Zoo gaf Hij hun en de gansche wereld eene proeve van Zijne goddelijke onafhankelijkheid en majesteit. De stemme des Heeren is met heerlijkheid, de stemme des Heeren doet de woestijn beven, dit mogen wij hier op Jezus toepassen. Hij kon als Hij zulks gewild had Zijne vijanden met de roede Zijns monds geslagen en met den adem zijner lippen gedood hebben. Maar neen! dat wilde Hij niet, Hij vergunde de nedergeworpenen zich weder op te richten en op te staan. Eens, als die groote ontzettende Dag zijner toekomst daar zal zijn, en wij allen voor Hem verschijnen zullen ten oordeel , dan zullen al degenen, die niet gewild hebben , dat Jezus Koning over hen ware , Zijne vijanden die Hem hier in hun leven verworpen hebben, op zijn goddelijk machtwoord voor Hem nedervallen, maar nimmer meer opstaan, zij zullen nederstorten in de hel, in den eeuwigen dood; zij, die hier aan Zijne voeten niet gelegen hebben, om Hem de eere te geven, die Hem als Koning der eere, als den grooten God en Zaligmaker toekwam. Och! siddere een iegelijk voor die verschrikkelijke uitkomst van een in vijandschap tegen Jezus doorgebracht en gëeindigd leven; dezulken zullen nederstorten in het vuur, den duivel en zijnen engelen bereid en zullen daarin eeuwig blijven nederliggen.
Nadat de schare onder de toelating des Heeren weder was opgestaan , richt Hij op nieuw de vraag tot hen : W/en zoekt gij ? Zij zeiden andermaal: Jezus den Nazarener! Hoe is het mogelijk M. V., dat zij nogmaals zoo onbeschaamd, en
30
dat, nadat zij zulk een sprekend en geducht bewijs van Jezus macht, waardoor zij ter aarde waren nedergevallen, ondervonden hadden , diezelfde uitdrukking durfden bezigen ? Hoe is het mogelijk, dat de ondervondene barmhartigheid en langmoedigheid , zoodat zij nog niet ten verderve waren overgegeven , geen indruk op hunne harten had uitgeoefend ? Verwonderen wij ons daarover maar niet al te zeer. Dat is het bestaan van alle zondaars, die aan het oordeel der verblinding en der verharding des harten door God zijn overgegeven. Gods grootste zegeningen , geduchtste oordeelen en uitreddingen , die zij ondervonden , doen hun even ongevoelig blijven. Hun nek is een ijzeren zenuw, en hun voorhoofd koper, en zij gevoelen geene pijn, als de Heere hen geslagen heeft. âGij hebt ze verteerd,quot; zegt de Profeet, âmaar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen, zij hebben hunne aangezichten harder gemaakt dan eene steenrots.quot; âZij hebben geweigerd zich te bekeeren,quot; Jer. 5 vs. 3 Jes. 48 vs. 4. Zoodanig is het bestaan van die zondaars, wier lust en leven in de wereld en in de zonde is. Aan God denken zij niet. Wij zien dit rondom ons in het dagelijksch leven der menschen, en dan wordt het zoo bevestigd: Zal ook een moorman zijne huid veranderen of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd hebt kwaad te doen? Wéé hen ! die aan het oordeel der verharding van God zijn overgegeven. God geeft hun niet een hart om te verstaan , noch oogen om te zien , noch ooren om te hooren. Dat kon rechtvaardig, aan de zijde Gods M. V., het oordeel Gods over ons allen van wege onze zonden zijn. God zou onze harten kunnen verstokken om naar Hem niet te hooren; Deut. 29 vs. 4 , Exod. 4 vs. 21, 7 vs. 23, welk eene genade Gods, als het tot nu toe aan ons niet voltrokken is geworden, verwonderen wij ons daarover , met wegschaming voor God en Jezus, het allermeeste.
Met dezelfde bedaardheid als of er geen gevaar te vreezen was, biedt de Heere Jezus zich andermaal aan Zijne vijanden
31
aan , en zegt: Ik heb u gezegd, dat Ik het hen. Zij hadden dus niet noodig Hem te zoeken, was het hun om Hem te doen, ziet! Hij was gewillig Zich aan hen over te geven; welk een sterke herinnering van hetgene Hij met zulk eene uitwerking gezegd en elk hunner zoo verstaan had! Het is alsof Jezus zeggen wilde, zich verwonderende over hun ongeloof en de verharding hunner harten; Ik hen het. Maar nu voegde Jezus er bij: Indien gij dan mij zoekt, zoo laat deze henen gaan. De Heere Jezus zegt deze, onbepaald, met heenwijzing op de Zijnen , en niet mijne volgelingen of mijne discipelen; te recht is het opgemerkt, dat Jezus zich met veel wijsheid aldus uitdrukte. Hij wilde den geringsten schijn vermijden, om door Zijne vijanden beschouwd te worden als of Hij het hoofd eener partij ware. Deze Zijne woorden zijn geen verzoek of bede , die Hij aan Zijne vijanden doet, neen ! dat had Hij niet noodig. Het is het koninklijk bevelwoord , hetwelk Hij aan Zijne vijanden en dat met goddelijke almacht geeft, en tevens ook eenen wenk aan Zijne vrienden, wat zij te doen hadden. Hunne roeping was van de plaats des lijdens weg te gaan. Zij waren niet in staat om Hem te volgen op de wegen der vernedering, die Hij nu zoude moeten ondergaan ; het zoude buitendien hun leven en hunne vrijheid in gevaar gebracht hebben. Jezus wilde niet dat zij boven vermogen werden verzocht. Och! hadde Petrus dien getrouwen wenk van den Herder zijner ziel verstaan , Hij ware bewaard gebleven, om tegen 's Heeren wil te handelen. De goede Herder , die Zijn leven wilde stellen voor Zijne schapen kon hunne hulp ontberen , want Zijn rijk was niet van deze wereld.
Indien gij dan mij zoekt zoo laat deze henen gaan, dat was de machtige vrijbrief dien Zijne koninklijke hand hier voor Zijne vrienden uitreikte, en dien de duivel en al degenen , die hem ten dienste stonden , moesten gehoorzamen, ondanks zich zeiven; zoo toonde Hij Zijnen vijanden, dat Hem alle macht in hemel en op aarde geschonken was.
Opdat het woord vervuld zoude teerden , dat Hij gezegd had.
32
Uit degenen, die Gij mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren, daarmede besluit hier de Evangelist. Dat woord van den Heere Jezus moest nog waarheid worden, en het werd waarheid. Gij weet nu, dat Jezus deze woorden sprak in Zijn Hoogepriesterlijk gebed, Joh. 18 vs. 12 , daarbij voegende, dan den zoon des ver derfs, opdat de Schrift vervuld werd. Joh. 6 vs. 39, Het is niet te ontkennen, dat de Heere Jezus in de aangehaalde woorden, in de eerste plaats de eeuwige behoudenis en zaligheid van de gegevenen des Vaders, de uitverkorenen ten eeuwigen leven bedoeld heeft. Niemand hunner wier namen opgeschreven stonden in het boek des levens, had Hij verloren. Naar ziel en lichaam beide had Hij hen bewaard. Judas, de zoon des verderfs, alleen ging verloren. De anderen hadden zich zeiven niet, maar Hij had hen bewaard. Niemand hunner, geen Petrus zelfs, wedervoer eenig kwaad, zóó heeft de Heere eigen lijden vergetende, nog gezorgd voor Zijne geliefden; zóó toonde Hij in deze ure Zijne goddelijke heerlijkheid.
Mattheus verhaalt ons , hoe Judas de verrader gezegd had, dien ik zal kussen, dezelve is 't, grijpt Hem. Markus voegt er bij, dat hij gezegd heeft: leidt hem zekerlijk henen. Zoodra het nu maar geschieden konde, volbracht hij zijn goddeloos verraad. Wees gegroet liabbi! zegt hij tot zijnen Meester, en hij kuste Hem. Helaas, hoe diep kan de mensch in zonden vallen, hoe diep zonk die discipel van Jezus. Met de lippen noemde hij Jezus meester, ja! tot twéémaal toe, en met zijn hart heeft hij Hem, die hem nimmer leed deed, reeds aan Zijne vijanden overgeleverd, en komt hij met hen, om Hem te vangen. Het vriendschapsteeken zelfs durft hij te gebruiken om zijn verraad te volbrengen. Hij veinst nog een vriend van Jezus te zijn en te blijven , en blijde te zijn, dat hij Hem ontmoet. Welk eene verharding des harten! welk eene gruwelijke ondankbaarheid jegen Hem, Die zijn weldoener geweest was! welk eene verschrikkelijke geveinds-heid! Judas was een mensch van gelijke beweging als wij
33
allen; die geldzucht, hoe kan zij het schepsel vervoeren, overleveren in handen van den satan! Zulk een hart, zulk eene natuur als hij had, bezitten wij allen. Genade Gods alleen is het, indien wij voor die zonde bewaard blijven. De Judaskus M. V., is van ons geslacht het bewijs van den diepen afval van God, door onze zonden. Hoe zachtmoedig behandelt Jezus den verrader. Vriend, of gelijk er eigenlijk staat: medegenoot, zegt Hij, waartoe zijt gij hier gekomen ? Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met eenen his ? Elk dezer laatste woorden bezit een diepe beteekenis. Judas, gij Mijn discipel, Mijn medegezel, verraadt gij Mij, die u enkel liefde en goedheid bewees, met een' kus, het teeken der vriendschap? Judas, gij doet u voor alsof gij Mijn vriend zijt en gij voert moord in uw schild ? Onze mensche-lijke taal is te arm, om uit te drukken, hetgeen in die weinige woorden door Jezus gezegd wordt, dat alleen kunnen wij er onder schrijven: nooit heeft een mensch, zoo gesproken als deze mensch. En toch Judas viel niet neder, noch aanbad Hem. quot;Wee den onzalige! Het ware dien mensch beter geweest, niet geboren te zijn. De Heere Jezus kon ook in deze ure voor den hemel niet herwinnen, wat reeds ter helle gewijd was. Nu kwamen zij toe en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
II. Het lijden van den Heere Jezus daarin nagaan.
Grievend en smartvol was het lijden, hetwelk de Heere Jezus hier moest doorstaan. Hij, die steeds het land was doorgegaan goed doende, werd, alsof Hij een moordenaar ware, door eene bende krijgsknechten en gerechtsdienaars opgezocht, gegrepen, gevangen genomen, en als een misdadiger gebonden. quot;Wanneer wij ons M. V., het kiesche en teedere gevoel, dat Jezus had van Zijn lijden, Zijne onschuld, en hooge waarde, voorstellen, hoe moet het Zijn lijden verzwaard hebben, dat een man, die Zijn vriend heette,
3
34
een Zijner twaalf apostelen, de leidsman en voorganger van Zijne bittere vijanden konde zijn, dat Hij niet alleen, door hem verraden werd aan Zijne doodvijanden, maar dat hij zelfs het vriendschapsteeken bezigde, om Hem in hunne handen over te leveren. Ja! bitter was de beker dien Hij hier dronk, gevallen in de handen van menschen, wier harten voor alle indrukken, zoo als bij Zijne gevangenneming zoo duidelijk gebleken was, gesloten waren. En onder al dat verpletterend gewicht van lijden, schande en smart, zien wij Hem onbezweken. Alles wetende wat over Hem komen zoude, zegt Hij kalm en bedaard tot Zijne discipelen: laat ons gaan, ziet! hij is nabij, die Mij verraadt. Geen één Zijner goddelijke eigenschappen heeft Hij verloochend. Zijne goddelijke Almacht betoonde Hij, door Zijne vijanden als dooden aan Zijne voeten te doen nedervallen, Zijne koninklijke Majesteit bewees Hij, door gebiedend tot hen te spreken: indien gij Mij dan zoekt, zoo laat deze heengaan; Zijne oneindige, eeuwige, goddelijke liefde voor de Zijnen, die Hij lief gehad heeft ten einde toe, doordien Hij, over hen aangedaan, hun nog een vrijgeleide bezorgde.
Hoe gewillig was Hij, om dat lijden te ondergaan, Hij zelf ging Zijnen vijanden te gemoet, maakte zich aan hen bekend, en dat zelfs bij herhaling; welk eene langmoedigheid en zachtmoedigheid legde Hij aan den dag voor Judas en Zijne vijanden, zooveel liefde tegenover zulk een' woesten haat, zooveel minzaamheid tegenover zulke vijanden. Waarlijk nimmer aanschouwde de aarde zoo iets. Geen trek van toorn, van misnoegen, van vreeze op Zijn gelaat. Het is Hem genoeg getoond te hebben, dat het Zijn wil is, omdat het 's Vaders welbehagen was overgeleverd te worden. Zijne vijanden beven voor Hem, en vallen voor Hem neder, en men mag Hem binden, gevangen nemen en wegleiden.
Zijn lijden M. V., ziet dat is de verklaring van dit heilgeheim, leed Hij als de schuldovernemende Borg voor en in de plaats dergenen , die uitverkoren waren in Hem
35
van voor de grondlegging der wereld, Hij liet zich voor hen gevangen nemen, opdat zij, van nature gevangenen des duivels, losgelaten, en voor eeuwig verlost zouden worden van dat onzalig gezelschap van den duivel en zijne engelen, dat anders hun lot zoude geweest zijn. Met zelf-bewusthèid ging Hij henen om aan de geschondens gerechtigheid Gods voor hen te voldoen , omdat de mensch, vooraf gewaarschuwd en verboden, dat hij van den verbodenen boom niet zoude eten, want dat bij den dood zoude sterven, zulks nochtans moed- en vrijwillig tevens gedaan had, wetende dat het kwaad was. Hij ging Zijne vijanden bereidwillig te gemoet, om voor de onbereidwilligheid Zijns volks te boeten, en daarmede hunne schulden voor God te bedekken , en voor hen te verwerven, dat zij een gewillig volk zouden worden, om God te dienen. Toen God Adam geroepen had: waar zijt gij ? Verschuilde hij zich; Jezus sprak: Ik ben het! om die zonde voor hen te betalen , en te verwerven, dat ook zij, als God hen roepen zoude uit de duisternis tot het licht, zeggen zouden ; ziet hier zijn wij, wij komen tot U. Hij moest het ondervinden, dat zijne vijanden zoo verhard en verblind jegens Hem bleven, zoo tegen herhaalde waarschuwingen voortgingen in hunne zonden, om te boeten voor de hardheid en blindheid Zijns volks, aan Gods geschondene gerechtigheid daarmede voor hen te voldoen, en te verwerven dat zij als wederspannige en wederhoorige zondaars met God zouden verzoend worden om bij Hem te wonen, ja! dat zij vleeschen harten en geopende oogen des verstands zouden ontvangen en den H. Geest in Zijne waarschuwingen niet zouden wederstaan.
Toen Jezus zich aan Zijne vijanden overgaf en Zijne discipelen een vrijgeleide bezorgde, verwierf Hij voor hen en allen, die door hun woord in Hem gelooven zouden, dat zij vrij zouden gaan in het goddelijk gericht, en eeuwig zouden deelen in de vrijheid der kinderen Gods, naar het woord des Heeren: indien dan de Zoon u zal hebben vrijge-
3*
36
maakt, zoo zult gü waarlijk vrij zijn. En die loslating en vrijmaking heeft Hij voor hen verworven door Zich in hunne plaats, als een gebondene in het Goddelijk gerichttestellen. God, Zijn Vader, had Zijn gebed, als hun Hoogepriester voor hem uitgestort, verhoord.
Liet de Heere Jezus zich door eenen kus verraden, zulks â was hier als de schuldbetalende Borg Zijns volks. Verraderlijk had de satan hen met list in het paradijs gevangen, en waren zij, hem geloovende, van God afgevallen en hadden zij Gods gebod overtreden. En van dat oogenblik af heeft de zondaar, door God rechtgeschapen, vele vonden gezocht, en bezit hij, daar de Heere lust heeft tot waarheid in het binnenste, een arglistig, bedriegelijk en verraderlijk hart. Welnu, om voor dat verraad te boeten en dat aanhoudend en gedurig verraden van Jezus in hunne belijdenis, in de beoefening en in de praktijk van hun leven, ook dan als zij door het zaligmakend geloof den Heere Jezus zijn ingelijfd geworden, heeft Hij voor hen betaald, en om voor al Zijn volk te verwerven, dat zij niet voor eeuwig door eenen verradenden duivel en eene verradende wereld verslonden zouden worden. Ja! Jezus moest met een' kus verraden worden, om voor hen den kus des geloofs te verwerven; en dat zij volbrengen zouden hetgene geschreven staat: kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, Ps. 2. Jezus liet Zijn heilig lichaam door onreine handen aantasten om te betalen voor dat onrein behandelen van heilige zaken, waaraan helaas! Zijn volk van nature schuldig staat en zich zoo gedurig nog schuldig maakt, hetwelk zij zien, erkennen en belijden mogen, als God de H. Geest hen er bij bepaalt; en waar bleven zij met die schuld, hoe zouden zij haar uitwisschen, indien Jezus daarvoor voor hen niet aan Gods gerechtigheid had voldaan ?
De vijandengrepen Jezus, en Hij leed dit, opdat Zijn volk niet van God zou gegrepen worden en dat rechtvaardig tot hun eeuwig verderf, gelijk zij verdiend hadden. De
37
werktuigen des boozen grepen Hem, opdat de duivel en zijn aanhang Zijn volk wel aanvallen, maar nimmermeer , eens uit hunne macht verlost, zouden vatten. Hem, dien goeden Herder Zijner schapen , werd dit aangedaan , om voor hen te verwerven, dat zich Gods hand in genade, liefde en gunst tot hen zoude uitstrekken en zij God in het geloof zouden aangrijpen als hunnen verzoenden God en Vader in Hem.
Wanneer wij, M. V., het heilgeheim der verlossing van Gods volk in het lijden van Jezus geloovig mogen aanschouwen , dan zien wij ook in Zijne gevangenneming, voorafgegaan door het schandelijk verraad van Zijnen discipel, dat Jezus niet voor zich zei ven leed, maar als Hoogepriesterlijke Borg voor degenen, die aan Hem gegeven werden, en dat Zijn lijden hun strekte tot gerechtigheid. Daarmede voldeed Hij in hunne plaats aan de wrekende gerechtigheid Zijns Vaders voor hunne schuld. De vrucht er van konde niet anders zijn, dan verzoening en bevrediging met God voor al hunne gruweldaden en herstel in die gunst, reeds in hunnen stamvader Adam verloren. Daardoor zouden zij als vrijge-kochten des Heeren uit de gevangenis gaan en als vrijge-kochten des Heeren door den Geest des levens, naar de koninklijke wet der vrijheid, Gode en der gerechtigheid in tijd en eeuwigheid leven.
Ziet het natuurlijke oog van den zondaar dat borgtoch-telijke in elk der deelen van Jezus lijden niet, het is, omdat hem de toepassing daarvan door den Heiligen Geest in de overtuiging zijner zonden ontbreekt, en hij zijnen jammerstaat van nature niet ziet; daarom wordt hij verhinderd om de waarheid, die alleen zijne ziel kan vrijmaken, aan te nemen en aller zonden vijand te worden en de knoopen der ongerechtigheid los te maken. Hoe duidelijk nu wordt dat lijden van den Heere Jezus, M. V., als zoodanig in de Heilige Schriften, die van Hertï getuigen,.voorgesteld , daaruit zoude die Messias gekend worden, dien
38
God geven zoude tot een verbond des volks; zoo had David Hem klagende voorgesteld: vele varren hebben mij omsingeld , sterke stieren van Basan hebben mij omringd, en nog eens, honden hebben mi] omsingeld, een^vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven Ps. 22 vs. 13, 17, waarin zoo treffend het kruislijden van den Messias is afgebeeld, en wij in een kort bestek al de jammeren vinden samen gevat, die Hem in verschillende tijdstippen zijns levens bejegenden. Hoe duidelijk vinden wij de aankomst dezer bende vijanden, die heidensche krijgsknechten voorgesteld in die woorden : Alle heidenen hadden mij omringd; 't is in den naam des Heeren, dat ik ze ^verhouwen heb. Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn üitgebluscbt als een doornvuur; 't is in den naam des Heeren dat ik ze verhouwen heb. Ps. 118 vs. 10â12. Ja! de vijanden zouden met geweld en met alle harde werktuigen van verschrikking tegen den Messias aankomen. Zwaard ! lezen wij, ontwaak tegen mijnen Herder eh tegen den man die mijn medgezel is, spreekt de Heere der heirscharen ; slaat dien Herder , en de schapen zullen verstrooid worden, Zach. 13 vs. 7. God sprak alzoo, omdat Hij Zijne gramschap en Zijne oordeelen tegen Jezus als den Borg Zijns volks deedt komen. En daar de steen van de bouwlieden zoude verworpen worden, Ps. 118 vs. 22, daarom waren het ook hier de joodsche voorgangers die den goddeloozen hoop aanvoerden, zoo levendig voorgesteld bij de profeten Hozea en Zefanja, Hoz. 6 vs. 9 en Zef. 3 vs. 3 en 4.
Was Judas de leidsman dergenen, die Jezus vingen, David had het voorspeld : zelfs de man mijnes vredes, op wien ik vertrouwde , die mijn brood at, heeft de verzenen grootelijks tegen mij verheven, en op eene andere plaats gezegd: Het is geen vijand die mij hoont, anders zoude ik het hebben gedragen, en het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zoude ik mij voor hem verborgen hebben. Maar gij zijt het o mensch! als van
39
mijne waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende. Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden, wij wandelden in gezelschap ten huize Gods , Ps. 41 vs. 10, Ps. 55 vs. 13â15.
Ja, M. V. , als Jesaja voorspeld had, dat de Messias uit het gericht zoude worden weggenomen, Jes. 53 vs. 8, dan veronderstelt dit immers, dat Hij in het gericht zoude komen en dat konde niet geschieden of Hij moest als een misdadiger aangetast en gevangen genomen worden , en zoo moest Hij in dien toestand geraken, waarin Hij zijn zoude, als een weerloos Lam , en als een man die krachteloos is, en als een beslotene, die uit de handen der menschen niet kan komen, Jes. 53 vs. 7, Ps. 88 vs. 5, 9. Dat alles nu en zoo veel meer als wij zouden kunnen aanhalen uit de Schriften, hetgeen wij hier zoo duidelijk in Jezus gevangenneming zien bevestigd, bewijst het ons duidelijk, daar Hij niet voor zich zeiven leed, dat Hij dat alles lijden moest als de schuldovernemende en schuldbetalende Borg Zijns volks, opdat God, aan Wiens geschondene heiligheid en rechtvaardigheid moest voldaan worden, dat volk genadig zoude kunnen zijn, en wederom in gunst zoude kunnen aannemen.
Ps. 16 vs. 3 , 6.
Hl. Laat ons eindigen met de toepassing.
Hebben wij M. V. ook deel aan dat lijden van den Heere Jezus? Mogen wij voor ons zeiven op goede gronden hopen, dat dit lijden van Jezus ons ten goede komt? Gewichtige vragen, maar die wij nochtans met meerdere of mindere bewustheid voor ons zeiven zullen moeten beantwoorden, zullen wij in het gericht Gods, dat ons allen éénmaal wacht, vrij gaan. Helaas! alle onbekende zondaars, die het werk des Heiligen Geestes in hunne zielen niet ondervonden hebben, en daarom nog met lust den duivel, de
40
â wereld en de zonde dienen, en zonder eenige bekommering voortleven, zien hier als in een' spiegel, den jammerlijken en ellendigen zielestaat, waarin zij nog verkeeren, en het groote gevaar, hetwelk hun boven het hoofd hangt. Hoe verraderlijk handelt gij met God en met uwe eigene zielen. Het lokaas der zonde en het loon der ongerechtigheid, namelijk wereldsche eer en wereldsch goed, verleiden u , en in de ijdele genoegens en de wellusten , die de duivel en de wereld u aanbieden , zoekt gij uw geluk, en het is verborgen voor uwe oogen, dat op zulk een leven niet anders volgen kan en zal, dan eene eeuwige rampzaligheid. Gij zijt gevangenen, gebonden en geketend als in een' diepen kuil. Gij wordt vastgehouden door de banden uwer zondige, eigene wereldliefde. Groot is uwe ellende, en nog grooter uw gevaar, want als het niet bij u verandert, en gij zoo blijft als gij nu zijt, zult gij eerlang, wanneer gij daarop het minste bedacht zijt, overgeleverd worden in de handen der helsche benden. Hoe zult gij voor God uwen heiligen Rechter bestaan kunnen ? Helaas ! met ontroering zij het u gezegd: och! mocht het indruk op uwe harten maken, aan u zal het bevestigd worden, hetgeen gij van dien gast leest, die geen bruiloftskleed aan had: bindt dezen handen en voeten en werpt hem in de buitenste duisternis, aldaar zal eeuwig zijn weening der oogen en knersing der tanden. Wilt gij naar onze vermaningen niet luisteren, en gaat gij voort op uwen zondenweg, zoo waarachtig als God gesproken heeft, het zal aan u vervuld worden. Ach! hoe trouweloos handelt gij met God en met u zeiven. Misschien zelf niet willende ingaan , zoekt gij ook anderen te verhinderen en te verleiden. Gij lastert Gods naam, Gods volk, gij blijft vijanden dergenen, die u getrouw zoeken te vermanen, gij blijft het Evangelie ongehoorzaam, de toorn Gods blijft dan ook op u. Verschrikkelijk moet voor u het ontwaken in de eeuwigheid zijn, geteld te worden onder de verraders van Jezus, onder de vijanden Gods. Wij hebben medelijden met uwen toestand,
41
en blijven God uwe bekeering vragen. Och! of gij ontwaken, uwe groote ellende zien mocht, geen deel te hebben aan Jezus verzoenend lijden en sterven, en eenmaal voor eigen rekening den last des toorns Gods , tegen de zonde bedreigd, te moeten dragen. Haast u, behoudt u om uws levens wil, nog is het voor u het heden der genade, morgen wellicht niet meer en dan, eeuwig te laat.
Zijt gij uitwendig godsdienstig en voor het overige nog gebonden aan de wereld , zonder als schuldige voor God u zeiven te hebben leeren kennen en in waarheid uwe toevlucht tot den Heere Jezus te hebben genomen. Wat zal dat klatergoud, waarmede gij u zeiven opschikt, u baten ? daardoor zijt gij voor u zeiven nog buiten Gods koninkrijk. Bedriegt u zeiven niet, gij hebt met God te doen, die lust heeft aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste. Er is geen andere weg van behoudenis, dan hier de toepassende daad van Jezus zoenverdienste in u zeiven te ondervinden in de kennis van uwe ellende door de zonde, en van uwe door de zonden zoo verraderlijke harten. Zult gij deel hebben aan dat lijden van Jezus, dan zult gij bij Geestes licht het moeten zien, dat gij het waart, die den Heere Jezus door uwe zonden die smart, dat lijden hebt aangedaan , en uwe harten zullen er onder verbroken, uwe zielen er onder verslagen moeten worden, en gij zult gebracht moeten zijn tot eene ootmoedige erkentenis en belijdenis van uwen jammerstaat, en als dood- en doemschuldigen aan de voeten van den Heere Jezus moeten gebracht zijn. Die Judas was ook onder de vrienden van den Heere Jezus opgenomen, wandelde uitwendig met Hem, en zijn hart bleef verre van Hem. Och! vertrouwt niet op uwe mondbelijdenis, op uwe uitwendige rechtzinnigheid. Die van Sardis hadden ook den naam, dat zij leefden en zij waren dood. Vertrouwt niet op uw zoogenaamd goed hart, zoolang dat hart niet met eene onberouwelijke keuze den Heere Jezus is overgegeven ; zijt en blijft gij een verrader en verraadt gij Jezus dagelijks
42
in al uw doen en laten en gij ziet liet niet, en kent er geene smart over. Ik kan u allen niet te ernstig vermanen tegen het heillooze zelfbedrog der zonden, arglistig is ons hart meer dan eenig ding; wie zal het kennen ? Het koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht. Daarom nog eens, onderzoeke een iegelijk uwer zich voor God of hij wel deel heeft aan dat lijden van Jezus ? Vele voorrechten boven anderen genoot Judas, zoo ook hebt gij misschien veel boven anderen vooruit, als wij uitwendig zien op uw leven, misschien zijt gij overtuigd en overreed van de waarheid, hangt gij haar aan, rjijt gij er nu en dan mede ingenomen, ja! mogelijk wel eens daaronder ontroerd geworden. Wanneer gij daarop vertrouwt, bouwt gij uw huis op eenen zandgrond. Zoo die indrukken als een morgenwolk en een vroeg opkomende dauw voorbijgingen, en niets bij u achterlieten dan voornemens en beloften, in eigene kracht opgevat en spoedig wederom vergeten, en geene afscheiding der vijanden van Jezus bij u uitwerkte, en gij met uwe harten nog vereenigd zijt en blijft met de wereld, dan behoort gij onder de tegenstanders des Heeren en Zijns volks , al stelt gij u ook niet in de eerste gelederen van hen, die den Heere Jezus bestrijden, dan blijft gij Jezus verraden met eenen kus. Och! wat ik bidden mag, bidt den Heere toch dat Hij u een nieuw hart moge scheppen, en recht ontdekken moge door Zijn woord en Zijnen Geest, opdat gij eene onberouwelijke keuze doen moogt, den Heere Jezus alleen te dienen.
Bekommerden en heilzoekenden! velen uwer staan van verre. Die vraag van den Heere Jezus is u niet onbekend: Wien zoekt gij? U Heere Jezus! zult gij antwoorden, en gij zult er bijvoegen moeten: dat Hij u eerst gezocht, en zich zeiven aan u geopenbaard heeft, dat gij zonder dat nimmer naar Hem zoudt hebben uit- en omgezien. De vijanden vielen als dooden op dit Zijn machtwoord aan Zijne voeten, en ook gij, toen de Heere u liet zien wat en
43
wie gij van nature door uwe zonden waart geworden, hoe gij tegen God hebt overtreden, gij zijt aan Zijne voeten gevallen, en zijt begonnen tot Hem te roepen: dat Hij zich uwer wilde ontfermen; en hoe onderscheiden de weg uwer toebrenging ook moge geweest zijn, gij allen kunt geen rust, geen vermaak meer vinden in de wereld, en in de dingen waarin gij vroeger uwen lust hadt. Gij zijt bekend geworden, met uw zondig, boos, en arglistig hart, en moet u beschuldigen dat ook gij, even als Judas met de vijanden van den Heere Jezus, tegen Hem hebt zamenge-spannen. Ja! Hem ook tegen vele vermaningen en waarschuwingen even dikwerf verraden hebt met eenen kus. De Heere zal met zulken niet te doen kunnen of willen hebben, zóó klaagt gij dikwerf u zeiven aan, en nochtans vlucht gij niet van Jezus weg, maar blijft Hem in het verborgene en eenzame zoeken en vragen, dat Hij zich uwer ontfermen moge. O! als gij het eens gelooven mocht, dat Hij naar de stem uwer smeekingen zoude hooren , dat Hij u zoude willen antwoorden, en tot u spreken : âIk ben hetquot;, hoe gelukkig zoudt gij u gevoelen. Gij gevoelt u zeiven nog gebondenen des satans, gij zijt nog niet losgemaakt, gij durft niet gelooven, dat Hij voor u dat lijden zoude geleden hebben , en gij zijt u zeiven bewust, dat gij zulks voor u zeiven weten moet, zonder dat is er voor uwe zielen geene waarachtige vertroosting. Houdt moed, Jezus wil met zulke vijanden en goddeloozen als gij u zeiven hebt leeren kennen, te doen hebben. Van Hem, van Zijne waarheid, van Zijn volk, kunt gij immers niet meer wegblijven ? Uwe keuze is het door genade geworden om niet meer den duivel, de zonde en de wereld te dienen. Och! of gij het zien mocht, dat Hij niets van u verwacht, niets in u zoekt, maar alles u geven wil, wat gij noodig hebt om in het gericht Gods vrij te kunnen gaan. Nu hebt gij slechts het ééne oog gevestigd op uwe verdorvenheid door de zonde , en mogelijk denkt gij, dat het pak uwer zonden u niet zwaar genoeg
44
weegt, maar als het u eens door genade mocht geschonken ' worden het andere oog, ware het slechts met een gebroken oog, geloovig te vestigen op Zijn kruis, uwe zielen waren gered. Bidt veel om doorbrekend licht en genade. Wie weet, wat Jezus nog wederhoudt om tot u te spreken: Ik ben het. Weest verzekerd dat er nimmer een zondaar, die waarlijk Jezus zocht, van Hem is terug gewezen. Welk een snood en groot zondaar gij ook zip moogt, Zijn bloed reinigt van alle zonden. Met al het uwe zal het in den dood moeten komen aan Zijne voeten. Gij leert alles niet in eenen dag, maar als Jezus u Zijne zoenverdiensten wil toepassen, dan maakt Hij u bekend met de gruwelen en de zonden uwer harten, maakt u reddeloos en radeloos in u zeiven verloren, doet u Hem zoeken tot dat gij Hem gevonden hebt. Aan zulken, aan wie Hij de eerste daad Zijne goddelijke genade heeft verheerlijkt, zal Hij op Zijnen tijd ook datgene geven, waarnaar de begeerte hunner zielen zich uitstrekt. Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. De waarachtige bekeering des zondaars is een ontdekkingsweg, die door de vallei van zelfverloochening en zelfkennis ons brengt
in de plaats der rust.
Kinderen Gods! Voor u heeft de Heere dat lijden geleden. Voor u gaf Hij zich zoo gewillig over in de handen Zijner vijanden, opdat gij in Hem meer dan overwinnaars zoudt zijn over al de vijanden, met welke gij uiten inwendig zult hebben te strijden in dit uw lichaam der zonde en des doods. Door Zijne gewilligheid heeft Hij als Borg voor uwe onwilligheid betaald, en voor u verworven, dat gij een' gewillig volk zoudt zijn om God te dienen , en wanneer het u nu geschonken wordt, zonder bet minste uitbeding , Hem uwe harten in het geloof over te geven, dan geniet gij voor u zeiven de vrucht van dit Zijn lijden. Ja! telkens als gij bestreden, benauwd, aangevochten, uitroepen moet: in ons is geene kracht tegen de menigte der vijanden, en krachteloos in u zeiven aan Jezus voeten nedervalt.
r
i
f
45
betuigende: onze oogen zijn op U, verheerlijkt Hij Zijne Goddelijke kracht in uwe zwakheid. Wanneer gij afwijkt van den Heere , en wie uwer zal zijne afdwalingen verstaan? en in het geloof zeggen moogt: verblijd u niet over mij, o! mijne vijandin, wanneer ik gevallen ben , zal ik weder opstaan, Jezus , uw Jezus heeft dat hier voor u verworven. Wanneer het u geschonken mag worden met David door eene bende te loopen, en met hem te springen over een' muur, dat hebt gij alleen te danken aan Hem, die dat voor u verdiend heeft in Gethsémané. De trouw van Jezus voor u hier betoond , is onuitsprekelijk groot. O! dat uw geloof somwijlen zonder vreeze en wankeling is, en gij u met Mozes vast moogt houden als ziende den Onzienlijken, en uwe vijanden uitdagende , moogt uitroepen : al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zal geen kwaad vreezen, want uw stok en uw staf, die vertroosten mij, Jezus heeft het voor u verworven toen Hij sprak: indien gij dan Mij zoekt zoo laat dezen heengaan , en gij geniet er voor u zeiven de vrucht van, als het u geschonken wordt te pleiten op Zijne belofte : Ik, God, ben uw God, Ik heb u in Mijne beide handpalmen gegraveerd. Och! mocht gij allen tot uwe waarachtige vertroosting veel geloofslicht hebben in dit heilgeheim uwer verlossing, gij zoudt meer in belijdenis van zondeschuld, ootmoedig tot Hem naderen en in geloofsvertrouwen uwe wegen bewandelen. Gij zoudt meer vertroosting in verdrukking, blijdschap in droefheid, overwinning over uwe vijanden hebben. Och! dat gij allen er meer bij bepaald mocht worden, dat de Heere Jezus dat alles geleden en doorgestaan heeft, om u vrij te maken van de banden en boeien der zonden, waaraan gij gebonden zijt, en dat uit eeuwige liefde. Hij liet zich voor u verraden met eenen kus, om voor uw verraad te betalen. Hij liet zich voor u vangen en grijpen, opdat gij vrijgelatenen des Heeren zoudt zijn. Dat Zijne liefde u dringen moge tot wederliefde, terwijl Hij uw Heere is, zoo buigt u voor Hem neder. Belijdt Hem
46
vrijmoedig voor de -wereld, en zijt voor niets meer bevreesd dan om Hem te verraden.
Hij ziet bij u op getrouwheid, Hij zelf wil u door den Heiligen Geest, dien Hij voor u verworven heeft, getrouw maken. Dat dan veel uwe gebeden tot Hem zijn mogen, om de kracht van Zijn verzoenend lijden voor u ook in uwe zielen te mogen ondervinden tot heiligmaking uws levens. Hoe meer gij met uw boos, zondig, arglistig en bedriegelijk hart zult bekend worden, des te dierbaarder, onmisbaarder en noodzakelijker zal de Heere Jezus u tot en in alles worden ; niet alleen om Zijne Goddelijke liefde en getrouwheid jegens u te beschouwen, maar om ook van Hem gebruik te maken, zonder Wien gij niets kunt doen. Dat zal u leeren niet op u zeiven te vertrouwen, maar hoe langer hoe meer u zeiven in Hem te verliezen, kwijt te worden, en u aan Hem in leven en in sterven over te geven, om u in de nabg-heid Gods door en met uwen Jezus te doen leven, onder quot;Wiens vleugelen gij veilig zult rusten. Amen.
Ps. 72 vs. 11.
Het verhoor van Jezus voor den Hoogepriester.
LEERREDE III
OVER
JOHANNES XVIII vs. 12, 13, 19-- 23.
VOORZANG Ps. 89 vs. 3â7.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of ver menigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
Het licht, M. V., schijnt in de duisternis , maar wordt evenwel van de duisternis niet begrepen. Die uitspraak vindt gij in het Woord Gods en zij wordt bevestigd in het dagelijksch leven. De Heere Jezus alleen is het Licht, maar zoo verduisterd zijn wij door de zonde in ons verstand geworden, dat wij Hem niet verstaan. Ja! zoo verduisterd zijn onze oogen, dat wij in Hem geene gedaante of heerlijkheid zien, dat wij Hem zouden begeeren; Hem ontvluchten en ontvlieden , ons voor Hem verbergen , omdat onze werken boos zijn. Op het levendigst zien wij zulks in den Hoogepriester en den Joodschen raad. Hoe treurig en ellendig was het met hen gesteld, daar zij Hem openlijk verwierpen.
48
quot;Welaan! laat ons heden het verhoor van Jezus voor den hoogepriester overdenken. Schenke God ons bi] spreken en hooren Zijn licht, opdat wij recht zien mogen.
Joh. 18 vs. 12, 13, 19â23.
Nadat de Heere Jezus, M. V., den verraderlijken kus van Judas ontvangen hebbende, hem ernstig en zachtmoedig had toegesproken, strekte Hij gewillig Zijne handen uit om Zich te laten binden wanneer men dit verkiest. Zijne vijanden omsingelen Hem en grijpen Hem aan. Zijne discipelen dit ziende, roepen als uit éénen mond: Heere! zullen wij met het zwaard slaan, Luk. 22 vs. 47 ^en alvorens Jezus den tijd heeft hunne vragen te beantwoorden, heeft Simon Petrus, die vurige discipel, die nimmer zijn karakter verloochende, zijn zwaard reeds uit de schede getrokken, houwt op de schare in en treft Malchus den knecht des Hoogepriesters en hieuw hem zijn rechter oor af. quot;Wij behoeven in Petrus niet te prijzen, hetgeen hij zelf, naderhand beter wetende van welken geest een kind van God behoorde te zijn, niet aanprees. 1 Petr. 2 vs. 13â15, 20â23. Nochtans M. V., mogen wij zeggen, dat het liefde voor den Persoon van den Heere Jezus was, welke hem zich zeiven deed vergeten; hij had niet gehuicheld, toen hij verklaard had zijn leven voor Jezus te willen wagen, het was hem, alsof men hem zeiven aan het leven kwam, toen men zijnen Meester wilde aangrijpen.
Gemakkelijk kunnen wij, en ook terecht zeggen: hij had beter gedaan eerst het antwoord van Jezus af te wachten. Zijn drift was onverstandig, en het middel, waarvan hij zich bediende, onteerde hem. Maar als wij onszelven door genade recht hebben leeren kennen, dan moeten wij ons nog schamen, dat wij zoo gedurig onverschillig kunnen
49
aanhooren, dat de vijanden den Persoon van den Heere Jezus openlijk lasteren en verguizen. Petrus is het beeld van zoo vele Christenen, die werkeloos zijn, waar zij uit liefde voor Jezus vurig van geest behoorden te wezen; en op een' anderen tijd wederom door ontijdigen ijver het goede bederven. Van ons zeiven kunnen wij geen uur met Jezus waken; aan ons zeiven overgegeven zijn wij blind, dwaas en ijverloos , al is er ook liefde voor Jezus in de ziel, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad, en niet zelden, daar wachten, verbeiden, en uit zien naar het heil des Heeren zoo moeielijk en ondoenlijk is voor onze zondige natuur, handelen wij alsof het rijk van Jezus van deze wereld ware, en de Heere onze hulp noodig had.
âHoud op ! niet verder!quot; roept Jezus hem aanstonds toe, âsteek uw zwaard wederom in de schede.quot; Jezus had de zwakke verdediging van Petrus niet noodig, als Hij hulp had willen hebben, zou Zijn Vader Hem meer dan twaalf legioenen Engelen, op zijn minst een getal van 48000, bijgezet hebben. Nadat Hij dit gezegd had, raakte Zijne wonderdoende hand het door het zwaard getroffene oor aan en de genezing er van is op hetzelfde oogenblik volkomen volbracht. Dit was M. V., het laatste genezings-wonder, dat de Heere Jezus verrichtte, en dat nog wel aan een van Zijne bitterste vijanden. Hoe groot was Zijne goddelijke macht, terwijl Hij macht- en krachteloos scheen voor het oog der wereld ! Hoe onuitsprekelijk groot Zijne zondaarsliefde, om Zijne vijanden nog wel te doen! Hoe is het mogelijk dat Zijne tegenstanders, die er getuigen van waren, niet met diep ontzag en ootmoed aan Zijne voeten nedervielen? Dat ook Zijne laatste vermaning, die Hij tot hen richtte: âzijt gij tegen Mij uitgegaan als tegen eenen moordenaar met zwaarden en stokken om mij te vangen, dagelijks zat ik bij u, leerende in den tempel en gij hebt Mij niet gegrepenquot;, geen indruk op hunne harten maakte! Helaas! hunne harten waren verhard. Jezus zelf
4
50
geeft ons het antwoord op die vragen. Dit is, zegt Hij, uwe ure en de macht der duisternis. Onder de toelating Gods, wierd het hun, die de handlangers van den duivel waren, toegestaan, naar welgevallen met Hem te handelen. Daarom geeft Hij zich gewillig aan hen over. De schriften der Profeten zouden vervuld moeten worden. Al Zijne discipelen, alles verloren achtende, namen nu de vlucht. Allen worden zij aan Hem geërgerd, gelijk Jezus hen voorspeld had, en zij niet hadden kunnen gelooven. De vijanden grijpen Jezus nu aan, binden Zijne handen en brengen Hem als een misdadiger naar Jeruzalem. Welaan! laat ons na-
l'-l-Oi. oio^L cgt;ilt;_ ft/K /
gaan- ^ *
I. Het verhoor van Jezus voor den hoogepriester.^
II. Het lijden dat Jezus daar geleden heeft.
IH. Eindigen wij dan met de toepassing.
I. Wilde ik met u nagaan het verhoor van Jezus voor den hoogepriester.
De beker, dien Mij de Vader geeft, zal Ik dien niet drinken? Aldus had de Heere Jezus gesproken; vrijwillig in gehoorzaamheid en onderwerping aan God Zijnen Vader, wilde Hij zijn lot, dat Hij zelf gekozen had en kende, ondergaan. God wilde het zoo, daarom wilde Hij, daarom gaf Hij zich over. Nu liet Hij zich grijpen, men mag Hem boeien en als een' misdadiger wegleiden. Men bindt Jezus de handen, die handen, die zoovele ellendigen hadden geholpen en gezegend, die reine, vlekkelooze handen, die nooit iets misdaan hadden. Hoe gemakkelijk ware het Hem dien meerderen dan Simson, den Almachtige geweest, deze banden te verbreken, maar Hij liet het zich als een onmachtige en overwonnene welgevallen. Als een dief of moordenaar brengen zij Hem, maar toch in stilte, binnen Jeru-zalem. De weg is naar het hoogepriesterlijk paleis, daar
51
wachtte Hem de bloeddorstige hoogepriester. Eerst echter brachten zij Jezus naar Annas, die het vorige jaar hoogepriester was geweest, de schoonvader van Kajaphas, een oud zondaar, die zekerlijk zijne begeerte had te kennen gegeven om den gehaten Nazarener, als men Hem gevangen genomen had, te mogen zien. Welnu, dit genoegen wordt hem verschaft, hij mag Hem als een gebonden misdadiger zien. Er zijn uitleggers die meenen, dat het eerste verhoor van Jezus ten huize van dezen Annas gehouden is. Maar wij kunnen ons daarmede niet vereenigen, omdat Annas de hoogepriesterlijke waardigheid niet meer bezat, en dus ook geen recht had den Heere Jezus te verhooren, dat recht immers kent Jezus vs. '20 alleen aan Kajaphas toe. Niet onwaarschijnlijk is het, dat die Annas een gebouw bewoonde nevens het hoogepriesterlijke paleis gelegen. Hij was een man van veel invloed en hoog aanzien bij de Joden, daarom brachten zij Jezus eerst tot hem. Hoe het ook zijn moge, de vergadering van den Joodschen raad was spoedig bij Kajaphas bijeengeroepen. Nadat Annas zijne goddelooze oogen verlustigd had in het aanschouwen van Jezus, die gevangen genomen was, voerde men Jezus gebonden, gelijk Hij gekomen was, tot zijnen schoonzoon, en aldaar had nu het eerste verhoor van Jezus plaats.
Kajaphas begint Jezus te ondervragen over Zijne discipelen en Zijne leer. Hoe bedachtzaam en listig handelde hij, dat hij Jezus niet vraagde naar Zijne daden. Hij wist, dat zij niet te wederspreken waren, en dat zij luide getuigenis hadden afgelegd van de goddelijke zending van Jezus, als den waren Messias, en dat hij dan gedwongen zoude zijn geweest, ondanks zich zeiven, Jezus hulde te bewijzen; Kajaphas beschuldigt Jezus niet, maar ondervraagt Hem, en dat wel om Hem te verstrikken, en om iets te vinden, waarop hij Hem ter dood zoude kunnen veroordeelen; in zijn hart, gelijk hij het vroeger reeds had uitgesproken, had hij besloten, Jezus moet sterven. Juist omdat Kajaphas
4*
52
zoo onbestemd vraagde, geeft hij ons zijnen toeleg te kennen, om den gevangene in verwarring te brengen, en op deze wijze had hij hoop ook daarna de aanhangers van Jezus te kunnen vervolgen.
Kajaphas vraagde Jezus naar Zijne discipelen, naar al degenen dus die Hem aanhingen en in Hem geloofden. Hij wenschte te weten wat Jezus daarmede voor gehad heeft, om zich een aanhang te verzamelen, en sommigen hunner voor Zijn aangezicht in het Joodsche land uit te zenden. Hij deed deze vraag om Jezus van oproer te kunnen beschuldigen, misschien ook gelijk sommige denken om Jezus te beschimpen als of hij zeggen wilde, nu wij U gevangen genomen hebben, waar zijn nu Uwe discipelen? Hij vraagde Jezus ook van Zijne leer. Niet wie Hem macht gegeven had te leeren, en door welke macht Hij geleerd had, maar wel, wat de inhoud van Zijne prediking en leer geweest was. Hij bracht geene beschuldigingen tegen Jezus in, dien hij als een moordenaar gevangen heeft laten nemen, maar bij is begeerig om uit Zijnen mond iets te vernemen, waarop hij Jezus als een oproerige aan Pilatus zoude kunnen overgeven, en hij wist hoe deze voorheen met de oproerige Galileërs gehandeld had, dat zoude dan ook zekerlijk het lot van Jezus worden. Hij vraagde Jezus naar Zijne leer, opdat hij Jezus als één, die tegen de wet gezondigd had, Deut. 13 vs. 5, en die daarom gedood moest worden, openlijk zoude doen kennen. Kajaphas, M. V., die reeds met den joodschen raad beraadslaagd had Jezus te dooden, Joh. 11 vs. 53, en Jezus als een moordenaar gevangen had doen nemen, komt met zijne beschuldigingen niet voor den dag, maar zoekt op deze wijze zijn bloeddorstig voornemen aan Jezus te volbrengen, en met den schijn van recht zijn gruwelstuk te bekleeden. Hoe diep kan de mensch, die zich zeiven verkocht heeft om kwaad te doen, door God wordt overgegeven en losgelaten, in zonde en goddeloosheid zinken. Hoe diep was Israels hoogepriester gezonken; hij, die de
53
vertegenwoordiger van God bij het volk moest zijn, cn het goddelijke en menschelijke recht moest handhaven; die rechter moest wezen, schaamt zich niet meer, om als aanklager tegen een onschuldigen op te treden.
Jezus weigerde den hoogepriester geen antwoord. Hij erkent het gezag van Kajaphas, hoeveel afkeer en afschuw Hij ook van zijne boosheid, die Hij in zijn hart las, zal gehad hebben. Ik heb, dus sprak Jezus, vrij uitgesproken tot de icereld. Er staat eigenlijk, met vrolijke opening Mijns monds, dat is: klaar en duidelijk, met vrijmoedigheid heb ik gesproken in het openbaar. Ja, dat mocht Jezus getuigen, vrij uit had Hij tot de menigte gezegd, wie en wat Hij was, dat Hij hun Christus, hun Messias was, door God aan de vaderen beloofd. De discipelen der Herodianen hadden Zijne vrijmoedigheid erkend en betuigd: Meester! wij weten dat gij waarachtig zijt en den weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt, want Gij ziet den persoon des menschen niet aan, Matth. 22 vs. 16. Geen wonder ook, M. V., want alles wat Hij sprak, had Hij gesproken als de Heere uit den hemel, die openbaarde wat Hij zelf gezien en gehoord had. Hij wist, dat al wie uit de waarheid was, de geboorte uit de waarheid ontvangen had, Zijne stem hooren en Zijn woord erkennen zoude. Ik heb, aldus gaat de Heere Jezus voort, allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, daar de joden van alle plaatsen te zamen komen, en in het verborgen heb Ik niet gesproken. Waarlijk, duidelijker konde Jezus het aan Kajaphas niet toonen, dat Hij niet geschroomd had, openlijk Zijne leer te verkondigen, zoo dat zelfs wet- en schriftgeleerden er niets tegen hadden kunnen inbrengen. De synagoge en de tempel, waarin het volk gewoon was bijeen te komen om Zijn' godsdienst uit te oefenen, was Zijne school en openbaring der waarheid voor aller ooren Zijne leuze geweest. Nimmer had Hij iemand verboden de woorden die Hij sprak te verzwijgen. Had Hij somwijlen iets bijzonders aan Zijne apostelen geleerd,
54
wien het gegeven was de verborgenheid van het Koningriik der hemelen te verstaan, steeds ging zulks met het hevel gepaard: hetgeen ik n zeg in de duisternis, zegt het in het licht, en wat gij hoort in het oor, predikt dat op de daken, Matth. 10 vs. 27. Hi] had dus geen geheim verbond gesticht, geen werk der duisternis gewerkt, zelfs had Hij daarvan getuigd: die kwaad doet haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken riet bestraft worden. En had Kajaphas gevraagd naar Zijne discipelen, wat, zegt Jezus, ondervraagt gij mij? ondervraagt degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb. Ziet! deze iveten wat Ik gezegd heb. Wie weet, hoe velen daar onder den joodschen raad zitting hadden, die Hem hadden hoeren leeren, die zouden kunnen zeggen, wat Kajaphas begeerde te weten? Wel had Jezus het getuigenis van menschen niet noodig, maar hij eischte dat Zijne rechters allen, die Hem gehoord hadden, hetzij dan vrienden of vijanden voor hunne rechtbank roepen, en hun afvragen zouden, of zij in staat waren iets ten nadeele van Hem in te brengen, wat grond tot eene aanklacht of beschuldiging zoude kunnen geven. Ziet! M. V., de Heere Jezus eischte het onbeperktst mogelijk onderzoek. Hij beriep zich ten gunste van Zijne zaak op allen, die Hem gehoord hadden, elk toehoorder mocht gerust als een aanklager tegen Hem optreden ; Jezus schroomde geen onderzoek ten aanzien van Zijne leer, die de Zijne niet was, maar Desgenen die Hem gezonden had, en van Wien een iegelijk, die den wille Gods zouden willen doen, bekennen moest dat zij uit God was. Hoe duidelijk bewees Hij hier de ware Messias te zijn, van wien David geprofeteerd had. Ik boodschap de gerechtigheid in de groote gemeente. Ziet, mijne lippen bedwing ik niet Heere! Gij weet het, Uwe gerechtigheid bedek ik niet in het midden van mijn hart. Uwe waarheid en Uw heil spreek ik uit. Uwe weldadigheid en Uwe trouw verheel ik niet in de groote gemeente, Ps. 40 vs. 10, 11.
55
Terwijl Jezus bezig is aldus met ernst en vrijmoedigheid te spreken, hief een der dienaars van den hoogepiiester zijne hand op en sloeg Hem in het aangezicht, gaf Hem een kinnebakslag, zeggende: antwoordt Gij alzoo den hooge-priester? Die dienstknecht betoonde zich zijns heeren waardig, Spreuk. 29 vs. 2. Zekerlijk heeft hij door deze daad zich bij den hoogepriester aangenaam en verdienstelijk willen maken. In zijne blindheid komt het hem voor, dat een gevangene op dusdanige wijze den hoogepriester niet mag antwoorden, en hij verstout zich Jezus in het aangezicht te slaan, hij geeft Hem een kinnebakslag. Dit is de eerste der lichamelijke mishandelingen, waarvan Jezus daarna er zoo vele ondervonden heeft, eer de drinkbeker, dien Hij drinken moest, geledigd zoude zijn. Welk eene onbeschaamdheid van dien dienaar! En de goddelooze Kajaphas, die deze handelwijze had moeten straffen, berispte hem deswegen met geen enkel woord. Jezus echter antwoordde hem, indien Ik kwalijk gesproken heb, betuigt van het kwade, en indien wel, waarom slaat gij Mij? Hoe kalm en minzaam is dat antwoord tot dien laaghartigen dienaar des hooge-priesters? Jezus wijst hem op zijn onbetamelijk gedrag, op de lage mishandeling, die hij Hem aandeed. Slaan was geen wederleggen, Jezus had zich beroepen op allen, die Hem gehoord hadden, was nu Zijn openlijk spreken verkeerd, hij moest zulks aanwijzen; was het goed, waarom Hem dan mishandeld. Welk een lijdzaamheid, M. V., tegenover zoo vele boosheid! Terecht betuigde een oud kerkleeraar van deze mishandeling, den Heere Jezus hier aangedaan : âSchrikt gij, hemelen! en beeft gij, aarde! van wege het geduld des Zaligmakers en de onbeschaamdheid van dezen dienaar.quot; Ziet hier M. V., bevestigd : als Hij gescholden werd, schold Hij niet weder; als Hij leed, dreigde Hij niet, maar gaf het aan Hem over, die rechtvaardig oordeelt. Jezus leed wel lijdzaam, maar niet ongevoelig, Hij stelde de misdaad, aan Hem gepleegd, openlijk ten toon. Deze handelwijze Zijner
56
vijanden jegens Hem, geeft in dit eerste verhoor een openbaar getuigenis, dat zij niet in staat waren Zijne woorden te wederleggen.
II. Laat ons nu het lijden hetwelk de Heere Jezus daar geleden heeft, nagaan.
Het was M. V. een zwaar, smadelijk en bitter lijden, dat de heilige en onschuldige Jezus in deze oogenblikken moest ondergaan. Als een moordenaar geboeid, leide men Hem weg, vertoonde men Hem aan den goddeloozen Annas, bracht men Hem daarna voor den goddeloozen Kajaphas, en onderging Hij onschuldig daar die eerste smaadvolle, lichamelijke mishandeling door zoo vele anderen gevolgd, tot dat Hij zijn leven eindigde op het gevloekte kruishout. Hij, die zielen gezocht had te behouden van het verderf, die verlorenen had opgezocht, die ellendigen had geholpen, werd als de ergste der booswichten gegrepen en gebonden. Hij, Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchi-zedek, de eenige ware Hoogepriester, werd gebracht voor dien zondigen hoogepriester, die reeds besloten had Hem te dooden. Hij, de Schepper van hemel en aarde, staat hier als een booswicht voor het zondige schepsel, dat eeuwiglijk Zijnen toorn verdiend heeft. Hij, die het land doorgegaan was goed doende, en altijd met woorden en daden bewezen had dat men de machten, die door God over ons gesteld zijn, moest gehoorzamen, Hij moest zich van oproer hooren beschuldigen. Hij, de Leeraar der gerechtigheid bij uitnemendheid, dat Hij geleerd zoude hebben, hetgeen in strijd was met de heilige wet en het onfeilbare Woord des Allerhoogsten. Hetgeen Zijn lijden hier verzwaarde was, dat men Hem, den Heere der heerlijkheid, Gods eigen en eeniggeboren Zoon, een kinnebakslag durfde geven, en dat men zulks ongestraft mocht doen in tegenwoordigheid van den hoogepriester en den joodschen raad. Waarlijk
57
menschelijke taal is te arm om die smaadheid recht uit te drukken. Hoe zachtmoedig en langmoedig verdroeg Jezus dat lijden, en opdat ik dat ook hier aanmerke, welk een onderscheid in hetzelfde lijden tusschen Jezus en den eenigen Paulus; toen deze een dergelijken smaad ondervinden moest, werd hij uiterst verontwaardigd en sprak hij, God zal u slaan, gij gewittede wand, zit gij, om mij te oordeelen na de wet, en beveelt tegen de wet, dat men mij zal slaan. Hand. 23 vs. 3. Evenwel de Heere Jezus verdraagt deze smaadheid, niet omdat Hij er ongevoelig onder bleef, neen! maar omdat Hij alles met het uiterste geduld wilde doorstaan , wat tot betaling van de zonden en schulden voor de Zijnen aan Gods wrekende gerechtigheid noodig was.
Ja! de Heere Jezus leed hier om voor hen als schuld-overnemende en schuldbetalende Borg Zijns volks aan Gods gerechtigheid te betalen. Daarom liet Hij zich door den goddeloozen Kajaphas ondervragen, omdat zij door den rechter van hemel en van aarde anders ondervraagd zouden moeten worden over de overleggingen hunner zondige harten, en dan zouden zij beschaamd staan en verstommen. Zij zouden op duizend niet één kunnen antwoorden. Dat leed Hij als hun Borg zoo gewillig, om voor de onwilligheid Zijns volks te voldoen, daar zij dikwerf niet eens willen ondervraagd worden. Hij onderging dit lijden tevens ook, om voor hen te verwerven, dat zij vrijmoedigheid zouden bezitten, om te midden eener wereld, die in het booze ligt, met zachtmoedigheid rekenschap af te leggen van de hoop, die in hen is.
Jezus stond hier in het gericht, als een die schuldig was aan oproer en ketterij, als één, die het volk had zoeken te verleiden, omdat Zijn volk van nature aan die zonden schuldig staat, en deswegens verdiend heeft door God veroordeeld te worden. Of is het geen oproer tegen God, daar zij een vleesch omdragen, dat zich der wet Gods niet wil en ook niet kan onderwerpen, dat zij, gelijk zij in den eer-
58
sten Adam reeds gezondigd hebben, niet willen, dat God hun Koning, hun Wetgever zij? Is het geene ketterij, dat daar het verstand verduisterd is door de zonde, en men vervreemd is van het leven Gods, zich eenen weg voorstelt, die recht schijnt in zijne oogen maar wiens einde een weg des doods is, en dat, daar men den waren weg niet kent ? Is het geene verleiding ook van anderen, als men in zijne dwaasheid en blindheid door woord en werken oorzaak is, dat zoo velen ons volgen, en met ons den rampzaligen weg des verderfs bewandelen? Gewisselijk om voor die zonden Zijns volks aan Gods gerechtigheid te voldoen, leed Hij, hun Borg, dat lijden. Ja! om ook voor hen te verwerven dat zij zich zeiven over deze zonden voor God zouden aanklagen en veroordeelen, en alzoo niet in het oordeel Gods mochten komen, en om aan hen die belofte te vervullen, dat zij, vrijgesproken in het gericht Gods, in en door Hem, met Hem zitten zouden op twaalf troonen; zij, die Hem gevolgd zijn in de wedergeboorte, oordeelende de twaalf geslachten Israëls, wanneer de Zoon des menschen zou gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid. Matth. 19 vs. 28. In één woord, Jezus heeft hier met vrijmoedigheid geantwoord, toen men Hem naar Zijne leer, en gezwegen in liefde, toen men Hem naar Zijne discipelen vraagde, om door dit spreken en zwijgen, voor de Zijnen aan Gods gerechtigheid te voldoen voor al hunne ontrouw, hunne onverschilligheid en nalatigheid, waaraan ook zij schuldig staan voor God, en om voor hen te verwerven, dat het hun menigftiaal in de wereld, als zij aangevallen worden, gegeven worde te spreken en te zwijgen ter eere van God, die hen geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.
Wordt Jezus in Zijn aangezicht geslagen, ook deze groote smaadheid wil en moest Hij lijden, omdat Zijn volk waardig was om over het zondigen tegen de leer van God en Jezus voor eeuwig geslagen te worden, en omdat zij dooi blindheid, onbedachtzaamheid en hoogmoed hunne naasten zoo
59
dikwerf slagen toebrengen met gedachten, woorden en daden, en voor hen te verwerven, dat Zijne leer druipen zoude als een dauw in hunne harten, om hunne steenen harten te vermorzelen en te slaan. Ezech. 36.
Niets leed de Heere Jezus bji geval. Hetgeen Hij ter dezer ure onderging was van Hem, den waren Messias voorspeld geworden. Wanneer Hij geopenbaard zoude worden in het vleesch, zoude het joodsche volk, uit welks midden Hij moest voorkomen, en bijzonder hunne overheden , herders genaamd, in een zware afwijking bevonden worden, Ezech. 34. Zij zouden Hem den rotssteen Israels in vergetelheid stellen, Deut. 32 vs. 15. Zij zouden hunnen mond tegen Hem opsperren als een verscheurende en brullende leeuw, ja, aan Hem een gruwel hebben. Ps. 22 vs. 14. Jes. 49 vs. 7.
Ja! de Profeten hadden het voorzegd, dat, als de Christus in het midden van Zijn volk zoude wezen, en Zijne zaligmakende leer zoude voordragen, dat dan de vleeschgezinde overpriester en de voornamen des volks Hem onbeschaamd wegens Zijne leer met lasteringen, beschuldigingen en dergelijke zonden zouden aanvallen. âHare vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar, hare richters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken, tot aan den morgen. Hare profeten zijn lichtvaardig, gansch trouwelooze mannen, hare priesters verontreinigen het heilige, zij doen de wet geweld aan. De rechtvaardige Heere is in het midden van hen. Hij doet geen onrecht, alle morgen geeft Hij zijn recht in het licht, daar ontbreekt niets, doch de verkeerde weet van geene schaamte,quot; Zeph. 3 vs. 3, 5.
Dat men den Heere Jezus met listige woorden en ondervragingen zoude zoeken te verstrikken, is voorspeld in dien messiaanschen Psalm 38 vs. 13. âDie mijne ziel zoeken, leggen mij strikken en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen en zij overdenken den ganschen dag listen.quot;
Eindelijk, dat de Messias op Zijn aangezicht zoude gesla-
60
gen worden, is voorspeld geworden, als Immanuël sprekende wordt ingevoerd: âIk geef mijnen rug dengenen, die mij slaan, en mijne wangen dengenen, die mij het haar uitplukken , mijn aangezicht verberg ik niet voor smaadheden en speekselJes. 50 vs. 6. Terwijl een ander profeet voorspeld had ; Zij zullen den Richter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan , Micha 4 vs. 14.
Uit al deze voorzeggingen M. V., blijkt dus duidelijk, dat Jezus naar den bepaalden raad Gods dat alles heeft moeten en ook willen lijden, om de verlossing Zijns volks bij God uit te werken, opdat geene rechtmatige beschuldigingen meer tegen hen in het gericht Gods zouden worden ingebracht , en zij belijden zouden : Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? Ja! opdat zij genezen zouden worden van de heerschende macht des aange-borenen opstands tegen God. Nu Hij hunne krankheden op zich nam, en hunne smarten droeg, nu moesten zij zekerlijk genezen worden. Wanneer nu de waarlijk ontdekte zon-daarsziel achter het heilgeheim barer verlossing in het geloof tij Geestes licht zien mag, dan ziet zij de noodzakelijkheid van dit lijden van Jezus voor haar, dan is er behoefte om met geloofsvrijmoedigheid, op grond van deze zoenverdien-sten van den Heere Jezus, God te smeeken om verzoening voor die schuld, dat zij zoo dikwerf gezondigd heeft en nog zondigt tegen de leer van Jezus. Dan mag het wel eens gebeuren, dat zij in geloofsvertrouwen op Jezus ziende, ge-looven mag, dat voor al hare zonden door Hem volkomen betaald is geworden. Dan heeft zij de ondervinding, dat het haar in die ure als zij het noodig heeft, geschonken wordt, vrijmoedig voor Jezus en Zijne waarheid uit te komen. Het zijn voor de kinderen Gods hunne beste tijden, wanneer zij van zich zeiven afzien, en alleen zien mogen op datgene, wat Jezus voor hen in hunne plaats geleden en verworven heeft. Liefde tot Jezus vervult dan hunne zielen, en zij zeiven worden daaronder verootmoedigd en
61
verteederd, en zinken in bewondering en aanbidding aan Zijne voeten. Daar alleen is het hun in dit lichaam der zonde en des doods goed, ja! zalig, daar wordt het de kreet der ziel: wat zal ik den Heere vergelden voor deze Zijne weldadigheid? en dat kan hun dan zoo innig smarten, dat zij Hem niets kunnen toebrengen, dan een gansch onreine, melaatsche ziel.
Ps. 146 vs. 6.
III. Laat ons eindigen met de toepassing.
Hebben wij ook voor ons zeiven deel aan dit gedeelte van het lijden van Jezus? Heeft Jezus daar als een ge-bondene voor Kajaphas ook voor ons gestaan, zich naar Zijne discipelen en leer laten vragen, opdat wij in het gericht Gods vrij zouden gaan ? Heeft Hij die mishandeling van den dienaar des hoogepriesters ook voor ons geleden, opdat wij verschoond zouden blijven, om gelijk wij waardig zijn en verdiend hebben, eeuwig de vuistslagen des duivels te ondervinden? Och! of ik het van u allen M. V. geloo-ven mocht, dat God u dat heilgeheim uwer verlossing naar Zijn vreêverbond getoond had. Maar wie weet hoevelen er onder u zijn, die nog met de vijanden van Jezus mededoen. Zijne leer, Zijne waarheid wederstaan, Zijn volk vijandig zijn, en omdat gij Jezus in onverderfelijkheid niet voor u zeiven lief gekregen hebt, ook Zijne getrouwe dienaars tegenstaat. Helaas! de natuur van den zondaar is vijandig, de onbekeerde heeft geene zaligheid noodig. Ondertusschen heeft Jezus hier voor Zijn volk voor den rechter moeten staan in hunne plaats, eens zult gij voor den rechterstoel van God geopenbaard worden. God zal u ondervragen en onderzoeken over uwe leer, uwe woorden, uwen wandel en uwe werken, ja over al de zondige overleggingen uws harten. Dan zult gij daar voor eigen rekening staan, gij zult
62
verstommen voor Gods aangezicht. Uw lot voor eene einde-looze eeuwigheid zal verschrikkelijk zijn. Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, mijne hand uitgestrekt heb, en daar niemand was die opmerkte, en hebt Mijnen raad verworpen en Mijne bestraffing niet gewild, zoo zal Ik ook in ulieder verderf lacben. Ik zal spotten wanneer uwe vreeze komt. Ja, God zal u slaan met Zijnen ijzeren staf en scepter en in stukken slaan als een pottebakkers vat. Dan zult gij roepen tot de bergen en de steenrotsen: valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht Desgenen, die op den troon zit en voor den toorn des Lams. Maar het zal u niet baten, het zal voor eeuwig met u te laat zijn. Och! dat gij stil staan moogt op uwe zondige wegen, ophouden moogt den Heere Jezus, Zijn volk en Zijne waarheid te vervolgen. Nog is het ook voor u het heden der genade, morgen wellicht te laat, haast u dan, om uws levens wil. Valt voor den Heere Jezus neder, bidt Hem dat Hij u be-keere; zonder deel te ontvangen in de wedergeboorte aan Jezus en hetgeen Hij gedaan en geleden heeft, gaat gij voor eeuwig verloren.
Voor eeuwig verloren te gaan! ernstig woord. Dat zullen wij niet, denkt gij misschien, die uitwendig met de leer van Jezus vereenigd zijt, en geene bijzondere vijandschap tegen Hem en Zijn volk betoont. Ja! die mogelijk een afkeer hebt van zulken, die bekend staan, dat zij openbare vijanden van God en den Heere Jezus zijn. Laat ik u eens vragen, hebt gij u zeiven als zondaars voor God ook leeren kennen? Kent gij ook die smart, dat het uwe zonden waren, die Jezus dat lijden veroorzaakt hebben? Kent gij daarover ook die droefheid naar God, die eene onberouwelijke be-keering tot zaligheid werkt? Zijt gij ook als arme, verlorene, dood- en doemschuldige zondaars aan de voeten van den Heere Jezus gebracht? Is daar nog uwe plaats, tot dat gij genade gevonden hebt in Zijn volwichtig albetalend zoenbloed? Misschien vertrouwt gij, zoo als zoovelen in
63
onze dagen, dat dit lijden van Jezus ook u ten goede komt, dat gij zulks maar te gelooven en aan te nemen hebt, en zoo veel gij kunt, onbesproken in leven en wandel voor God en menschen moet verkeeren. Och, bedriegt u zeiven niet, meenende in te gaan, zoudt gij eenmaal niet kunnen.
God moge u uit kracht van onderwijs en opvoeding, of waardoor dan ook, voor grove uitspattingen der zonde en der goddeloosheid bewaard hebben, maar gij hebt de wedergeboorte noodig, zonder welke niemand Gods Koningrijk kan zien of ingaan. Als gij een van diegenen zijt, voor wie Hij zich binden, verhooren en smaden liet, dan hebt ook gij u zeiven als een gebondene zien liggen op het vlakke des velds, wentelende in uw bloed; dan zijt gij met uwe zonden en schulden in het gericht Gods gekomen, en als veroordeelde bij u zeiven hebt gij uwe toevlucht leeren nemen tot den Heere Jezus, wees Gij Heere! mijn Borg, ontferm U mijner, wees mij genadig! Trap en mate moge onderscheiden zijn, de H. Geest moet u dan overtuigd hebben van zonde, gerechtigheid en oordeel, en het worden dan uwe zonden, die Jezus dit lijden hebben aangedaan, uwe ongerechtigheden, waarmede gij Hem moed- en vrijwillig tevens gesmaad hebt. Och! mocht ik u van dien gevaarlijken grond kunnen afbrengen, waarop gij nu nog voor u zeiven staat. Vrede! vrede! droomende en geen gevaar kennende; wee! de geruste in Sion, de verzekerde op den berg van Samaria! Och! bidt God dat Hij u recht aan u zeiven als zondaars moge ontdekken, in het arm toevlucht-nemend zon daar sgeloof, u tot den Heere Jezus moge brengen, uwe blinde oogen moge openen, opdat gij zien moogt in het bedgeheim der verlossing. Geen andere weg is er voor u en een iegelijk onzer om getroost te leven, en éénmaal zalig te sterven, dan zich zeiven niet meer eigen te zijn, en te weten, dat Jezus ook in dit Zijn lijden voor ons als schuldbetalende en schuldovernemende Borg daar gestaan heeft, opdat wij vrij zouden gaan in het gericht Gods.
64
Ontdekte en overtuigde zielen! Staat gijlieden van verre, durft gij niet gelooven, dat zulken als gij zijt onder Gods volk zoudt behooren, en dat de Heere Jezus voor u dat lijden geleden heeft. Acht de eene van u zich misschien een te groote zondaar, en denkt een ander van u, dat uvre overtuiging door Gods Geest in u gewrocht de ware niet zal zijn, en zijn er andere, die zichzelven te diep onkundig beschouwen in de leer der waarheid, en niet gevoelig genoeg aangedaan over uwe zonden en schulden, daar M. V. komt het voor God maar op aan, of gij u schuldig voor Hem hebt leeren kennen, u zeiven hebt leeren veroordeelen, of het in uw dagelijksch leven is overgegaan. Jezus wil met vermoeiden en belasten te doen hebben. Hij wil blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben. Hij wil ze doen treden op de paden, die zij niet gekend hebben. Waarlijk het is geen kwaad teeken in u, dat gij bevreesd zijt of uwe overtuiging nog wel zaligmakend is; dat zal in u het gebed brengen en u doen uitroepen: Heere! doorgrond mij, zie! of er bij mij een schadelijke weg is. Dat geeft behoefte aan veel bidden om den H. Geest, die u in alle waarheid moet leiden. Al wat uit God in u gewekt wordt, zal bestreden worden. Wie weet, wat er nog tusschen Jezus en u bestaat, waarom gij in duisternis leeft en het licht van Zijn vriendelijk aangezicht mist. Maar geen nood, wanneer gij met de hand op het hart voor God moogt betuigen: Heere! gij zijt mij te sterk geworden. Gij hebt mij overmocht. Het bedelen bij den troon der genade staat u immers niet tegen, al wenschtet gij ook wel met meer gevoel en meerdere behoefte u daar henen te wenden ? Uwe keuze is immers onberouwelijk, zonder Jezus een eeuwig zielsverderf? En met niets minder kunt gij u immers troosten dan om het ook voor u zeiven te mogen weten, dat gij deel aan dat lijden van Jezus hebt? Welnu, de Heere zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven. In het verborgene wil Hij al Zijne kinderen wijsheid bekend
maken. De Heere is een verrassend God. Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht. Och! dat gij daaraan door genade veel behoefte in uwe harten moogt blijven gevoelen. Zij, die tot dat volk behooren waarvoor Jezus geleden heeft, leeren zich als arme, blinde en ellendige zondaars voor God kennen. Zij kunnen den Heere Jezus niet meer missen. Zij hebben den H. Geest noodig om hen te leeren, te leiden en te vertroosten.
Volk Gods! hoe gelukkig zijt gij, die deel hebt aan dat lijden van Jezus. Gij hebt in het gericht Gods gestaan. Gij zijt daaruit gered en verlost door Hem, die verzoening voor u gevonden heeft. Uwe roeping is het om altijd bereid te zijn tot verantwoording met zachtmoedigheid en vreeze aan een iegelijk die u rekenschap afeischt van de hope die in u is. Ziet gij op u zeiven, hoeveel stof tot klagen zal er dan nog niet bij u gevonden worden, dat gij zoo onvrijmoedig zijt om van die waarheid te getuigen, die God door Zijne genade aan uwe zielen geheiligd heeft. Ook voor die zonde en schuld heeft uw Jezus voor u geleden, gij zult er daarom niet in leven kunnen, maar haar ootmoedig in vin-denstijd aan Zijne voeten moeten belijden. Niets is onder Gods volk meer te beklagen, dan dat zij zoo weinig geloofs-licht in het lijden van Jezus hebben, en zoo zeldzaam in het eenzame daarmede werkzaam zijn. Och! mocht u dit meer in uw dagelijksch leven gegeven worden, dat zoude de rechte weg zijn om veel nabij God en nabij Jezus te verkee-ren en in Zijne gemeenschap te wandelen. Daardoor zouden uwe uit- en inwendige vijanden meer op de vlucht worden gedreven en Jezus zoude u als een bundelke mirrhe zijn , dat tusschen uwe borsten vernachtte , en al wat buiten Jezus was , zoude door u klein en laag geacht worden. Hij zoude dan in u wassen , gij minder worden. Geve God u die genade om uwe vrijmoedigheid niet weg te werpen. Wordt gij in de wereld ondervraagd, dan moogt gij overal en altijd betuigen, wat God u geleerd heeft; wordt gij in
5
66
navolging van Jezus geslagen met woorden of daden, och! dat gij met zachtmoedigheid moogt antwoorden en u verantwoorden met het oog op Hem, die n in die ure geven wil, wat gij noodig hebt tot spreken. Mocht God u uzelven veel doen verliezen in het eeuwig wonder uwer verlossing, en u de reinigende en heiligende kracht van Zijn lijden doen ondervinden , om Hem veel in het geloof te aanschouwen en van Hem te genieten. De tijd kan voorts kort zijn, wie weet hoe spoedig uw geloof in aanschouwen, uwe hoop , die gij op Jezus hebt, in bezit zal verwisselen. Eeuwig eens bij Jezus te zijn, uwen Jezus te zullen zien, om Hem te danken en te verheerlijken voor alles wat Hij voor u uit vrije, eeuwige genade en liefde heeft willen lijden, is het blijde vooruitzicht, dat u streelt. Uwe nieren verlangen wel eens zeer in uwen schoot. Dan zult gij naar de keuze uwer harten Hem eeuwig, oprecht belijden als uwen grooten God en Zaligmaker. Amen.
Ps. 27 vs. 7.
Christus ter dood
veroordeeld.
Jezus
LEERREDE IV
OVER
Mat tlx XXVI vs. 63â68.
VOORZANG Ps. 68 vs. H en 16.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
âMaar gij, wie zegt (jij, dat Ik hen ?quot; zoo vraagt de Heere Jezus, Matth. 16 vs. 15, Zijnen apostelen. Zij moesten zich zeiven dus bewust zijn , wie Christus is. Persoonlijke kennis van den Heere Jezus moesten zij dus voor zich zei ven hebben. Daar zal het voor een iegelijk onzer ook op aankomen. Het zaligmakend geloof in Hem, is de persoonlijke vereeni-ging van Jezus Christus met den door God uitverkoren zondaar. Wie dat geloof als gave Gods ontvangen heeft, kent Jezus Christus als de Zoon des levenden Gods, belijdt Hem met vrijmoedigheid als zoodanig in de wereld, die zich aan deze waarheid ergert. En van waar ontleent hij deze zijne vrijmoedigheid ? Van Hem , die zich , omdat Hij deze ver-
68
klaring heeft afgelegd, als een die des doods schuldig was, door Kajaphas en zijnen aanhang liet veroordeelen. Zoo wij waarlijk deelgenootschap aan dit Zijn lijden door genade ontvangen hebben , wij zullen van Jezus Christus , als den Zoon des gezegenden Gods, niet kunnen zwijgen, wij zullen van Hem moeten spreken. Och! gave God dat wij allen, die dit gedeelte van Jezus lijden zullen overdenken, bij aan- of voortgang of vernieuwing in bewondering en aanbidding over deze Zijne onuitsprekelijke liefde, in dit lijden betoond, aan Zijne voeten mochten nedervallen.
Heere Jezus! Heilig Gij Uw lijden aan de zielen van ons allen hier vereenigd, om te gedenken hoe Gij, onze groote God en Zaligmaker, valsch beschuldigd zijt, wegens Godslastering ter dood veroordeeld, laaghartig gesmaad en mishandeld zijt geworden.
Matth. 26 VS. 63â68.
Jezus , staande voor den goddeloozen Kajaphas, was, zoo als gij u, M. V., herinneren zult, ondervraagd naar Zijne discipelen en Zijne leer. Hij had vrijmoedig zich kunnen beroepen op allen, die Hem gehoord hadden. Hij had niets in het verborgene gesproken. Zij mochten vrienden en vijanden , die Zijne prediking hadden bijgewoond, oproepen en vragen , of zij in staat waren, iets op te geven, wat grond gaf tot eene beschuldiging of aanklacht. Nog bezig zijnde met spreken , hief één van de dienaren des hoogepriesters zijne hand op , en gaf Jezus eenen kinnebakslag , zeggende : antwoordt gij alzoo den hoogepriester ? Bedaard blijvende , was het wederantwoord van Jezus : indien ik kwalijk gesproken heb, betuigt van het kwade , en indien wel, waarom slaat
69
gij Mij? De liooge raad is verlegen, en zoekt nu getuigenis tegen Jezus. In hunne harten hadden zij besloten dat Jezus zoude sterven. Zij kunnen het niet langer dulden dat Jezus zoo openlijk hun godvergeten en vleeschelijk leven aanrandt, hunne huichelarij en geveinsdheid ten toon stelt, maar daar zij den moord, dien zij plegen wilden , met een schjin van recht willen omkleeden, daarom zoeken zij naar getuigenissen tegen Jezus. Ten laatste zijn er twee menschen gevonden, die tegen Jezus als beschuldigers willen optrekken. De één beweert dat Jezus gezegd heeft: Ik wil den tempel Gods afbreken en hem in drie dagen weder oprichten. De andere: Ik kan dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen. Zij misbruikten het woord, dat Jezus gesproken had: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik hem oprichten. Joh. 2 vs. 19. Hij had daarmede den tempel Zijns lichaams , en geenszins den tempel te Jeruzalem bedoeld. Deze getuigen echter bewezen zoo duidelijk dat zij elkander tegenspraken, dat zelfs de goddelooze Kajaphas er voor terugdeinsde , om zulke getuigen aan te nemen. Hij mocht, om zijne verlegenheid te verbergen, den Heere Jezus vragen, daar Jezus het stilzwijgen bewaarde: antwoordt Gij niets, wat getuigen deze tegen U ? Jezus bleef stilzwijgen. Zij waren Hem geen antwoord waardig, zoo min als hun getuigenis , dat zich zelve wederlegde. Nu zocht Kajaphas zich uit zijne verlegenheid door list en huichelarij te redden. Welnu ! laat ons :
I. Dit gedeelte der lijdensgeschiedenis beschouwen.
II. Het lijden van den Heere Jezus daarin nagaan. III. Met de toepassing eindigen.
I. Wenschte ik met u, dit gedeelte der lijdensgeschiedenis, te heschomven. Laat ons daartoe letten;
70
Op de vraag, die Kajaphas aan Jezus deed.
Op de goede belijdenis, die Jezus voor hem aflegde.
Op de ter dood veroordeeling van Jezus, welke daarop volgde.
Laat ons dan op de vraag, die Kajaphas aan Jezus deed, letten.
Kajaphas M. V., had gehoopt, dat Jezus Zich het een of ander woord van Zijn Messiasschap of Zijne betrekking op God zou laten ontvallen, maar Jezus had steeds een heilig stilzwijgen bewaard. Niet omdat Hij niet wist te antwoorden , maar omdat Hij tot zijne verdediging niets behoefde te zeggen, volkomen bereid was te lijden en te sterven. Hij zweeg, in de volkomene zelfbewustheid Zijner volle onschuld en heiligheid. Nu weet de listige hoogepriester zich van een wapen te bedienen , dat onvermijdelijk doel moest treffen. âIk bezweer Uzegt hij tot Jezus, âdat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon des gezegenden Gods.quot; Hij treedt hier niet alleen voor zich zeiven op, maar voor allen , die met hem op den rechterstoel van Mozes zaten. Vreezende dat Jezus wederom op zijne vraag zoude zwijgen, tracht hij Jezus daartoe door eenen eed te verplichten ; Gods heiligen naam gebruikt of liever misbruikt hij hier, om onder den schijn van ontzag en eerbied voor die Allerhoogste Majesteit, zijn goddeloos oogmerk te bereiken. Hoe diep was die man gezonken! Hij vraagt Jezus niet, meent Gij dat Gij de Zone Gods zijt? Leert Gij het? Wilt Gij daarvoor erkend en gehouden worden ? Maar hij doet eene beslissende, eene ernstige vraag: Zijt Gij het? Hij wil dus weten of Jezus de Messias, de Vorst is , zooals sedert Daniëls voorspelling de Verlosser verwacht werd. Dan. 9 vs. 24. Weten wil hij, of Jezus Diegene was, die door God van eeuwigheid daartoe was verordineerd, en in der tijd bekwaam gemaakt is, tot uitvoering van Zijn Middelaarsambt. Weten wil hij, of Jezus de Zoon des levenden of gezegen-
71
den Gods is ? Kajaphas wist, dat de beloofde Messias , Gods Zoon moest zijn ; duideljik toch sprak het Woord Gods van Hem, dien de Vader als Koning gezalfd had over Sion, den berg Zijner heiligheid , die ook Zijn Zoon was, dien Hij van eeuwigheid had gegenereerd. Ps. 2 vs. 6â7. Ps. 45 vs. 17. Ps. 102 vs. 26. Kajaphas wist, dat de Heere Jezus zich als zoodanig openlijk had bekend gemaakt, daar hij zeide: dat God Zijn eigen Vader was, Hem zeiven Gode even gelijk makende. Joh. 5 vs. 18. Hij wil van Jezus weten of Hij de Zoon des gezegenden Gods was, van den waarachtigen God, die de fontein is van allen zegen, die alle wezenlijk goed in zich zeiven bezit; met andere woorden de Zoon van den volzaligen God. Op deze vraag, onder eede geschied, mocht Jezus niet stilzwijgen. Hier gold hot de eer Zijns Vaders, die Hem gezonden had, om het groote werk der verlossing der Zijnen, in den eeuwigen Raad des vredes bepaald, te volbrengen. Hier konde Hij niet zwijgen, want het gold Zijne eigene eer en waardigheid, de gansche wereld moest er van onderricht worden, dat Hij de ware Messias was, den Zoon des levenden Gods, reeds als het Zaad der vrouw in het paradijs beloofd. Gen. 49 vs. 10. Hier wilde Hij niet zwijgen, want het gold de behoudenis van al dat volk, dat in Hem uitverkoren was voor de grondlegging der wereld. Indien Jezus nu gezwegen had, zij waren allen verloren geweest.
Het was eene verhevene vraag, die den Ileere ter beantwoording werd voorgelegd. Diepe stilte heerschte in de vergadering. Jezus doet Zijnen mond open. Voor en al eer Hij echter Zijn bepaald antwoord geeft, wil Hij aan Kajaphas en zijnen aanhang het bewijs leveren, dat Hij wist, dat deze vraag alleen voortvloeide uit loutere vijandschap tegen Hem als den Christus, die Hij in hunne harten las. Volgens Lucas zeide Hij: Indien Ik het u zeyye, gij zult het niet gelooven. Een moedwillig ongeloof was dus de grondslag hunner vraag. Zij kenden immers
72
de godspraken van den Messias, door Mozes en de profeten gegeven. Zoo zij dezen geloofden , zouden zij ook in Hem geloofd hebben. God zelf had Hem op onderscheidene tijden als zoodanig openlijk verklaard te zijn. Hij zelf had door Zijne wonderwerken bewezen, dat Hij de beloofde Christus was, de Zoon van God, maar zij geloofden niet, omdat zij niet van Zijne schapen waren. Hoe zouden zij Hem dan nu gelooven ? Buitendien Zijn antwoord, dat wist Hij, zoude vruchteloos zijn, âindien ook Ik u vrage, gij zult Mij niet antwoorden^quot; voegde Jezus er bij. Nog-tans betuigt Hij als in de tegenwoordigheid Gods met eene duidelijke belijdenis, dat Hij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods is. Hij antwoordt: Gij hebt het gezegd! Ik hen het. Ik ben het! ziedaar, de goede, ja! dierbare belijdenis! Jezus wist dat Zijne vijanden haar zouden misbruiken , om Hem te veroordeelen, maar Hij legde haar af, daar Hij de getuige der waarheid, de Messias Israëls was. Moedig treedt Hij hier te voorschijn en spreekt het woord uit, hetwelk Hij wist dat Hem ter dood zoude brengen. Niets dan de eere Gods voor oogen hebbende, was het de liefde tot dat volk , hetwelk de Vader aan Hem gegeven had, welke Hem dreef zich zeiven gewillig over te geven en daarop gevonnisd te worden, opdat Hij hen bevrijden zoude van het eeuwig vonnis der wet. â Toch Ik zegge u, voegde Jezus er bij, van nu aan zult gij zien, den Zoon des menschen zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels.quot; Zij mochten in Hem niet zien, dat Hij die was die thans voor hen stond als een geboeide misdadiger, als een bloot mensch, Hij zoude zitten ter rechterhand der kracht Gods , dat wil zeggen, een Goddelijk, Koninklijk gezag uitoefenen, totdat al Zijne vijanden zouden gezet zijn tot een voetbank Zijner voeten. Eens zekerlijk zoude het gansche huis Israëls weten , dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft. Niet alleen dat Hij die heerlijkheid zoude ontvan-
73
gen, neen! van nu aan zouden zij zulks zien, dat Hij kwam op de wolken des hemels, dat wil zeggen, dat zij niet lang daarna, ja! van dien tijd, dat zij Hem gedood zouden hebben, Zijne dadelijke, koninklijke macht zouden ondervinden , en dat wel in de uitbreiding van Zijn Evangelie , in de oordeelen, die Zijne vijanden en tegenstanders zouden ondervinden. Zij zouden dit zien, zij zouden er aanschouwers van wezen. Ja! willen wij die komst op de wolken des hemels in de eigenlijke beteekenis des woords .opvatten, dan heeft Jezus billen zeggen, dat zij Hem, dien zij nu als den Messias en den Zone Gods verwierpen, als Rechter van hemel en aarde, en ook als hunnen Rechter met hunne oogen zouden aanschouwen; dan zouden zij ondanks zich zeiven en dat tot hunne eeuwige rampzaligheid erkennen, hetgeen zij nu niet gelooven wilden, dat Hij de ware Messias was. Dan, hoe wij deze uitdrukking ook opvatten, dat is zeker, Zijne vijanden hebben een onwe-dersprekelijk bewijs gezien, dat Jezus Gods Zoon was, in die wonderen, die bij Zijne kruisiging en Zijnen dood voorvielen : zij zagen zulks in Zijne opstanding ten derden dage uit den dood, waardoor Jezus krachtelijk bewezen is Gods Zoon te zijn, naar den Geest der heiligmaking uit de opstanding der dooden. Zijne glorierijke hemelvaart en daarna de uitstorting des Heiligen Geestes op Zijne apostelen gaven een krachtig getuigenis, dat Hij, de Zoon des men-schen, aan Gods rechterhand gezeten was, terwijl daarna de wonderbare voortgang en kracht van Zijn Evangelie en het zichtbaar oordeel over de verwoesting van Jeruzalem, zoo duidelijk door Hem voorspeld, zoo vele sprekende bewijzen waren van Zijne Messiaswaardigheid en dat Hij de Zone Gods was, komende op de wolken des hemels ten oordeel.
Was het wel mogelijk, M. V., dat Jezus ondubbelzinniger beleed wie Hij was, dan hier? Er is niets waarover wij ons meer verblijden moesten, dan over deze goede
74
belijdenis : dat Hii is de Zoon van den eeuwig gezegenden God, de Heere, de Koning, de Rechter van het mensch-dom. Geen wonder dan ook dat er niets is, waaraan zich de vijanden meer ergeren en waarvan zij minder willen hooren, dan de hier door Christus heledene waarheid. De goddelooze Kajaphas scheurde op die betuiging zijne kleederen. Hij huichelt eene vreeselijke ontroerinlt;i; te ondervinden. Zijn hoogepriesterlijk kleed ontziet hij zelfs niet. Zijn afgrijzen, zijne gramschap spreekt in zijne gansche houding, en onder dat alles nogtans zal hij eene duivelsche blijdschap gevoeld hebben, dat Jezus niet had gezwegen, en dat Zijn antwoord hem den gewenschten grond opleverde, waarop hij onder den schijn des rechts, Jezus ter dood zoude kunnen veroordeelen. Onwetend echter, M. V., vertoonde hij hier, dat het hoogepriesterlijk sieraad van Aaron zoude verscheurd worden , nu de waarachtige priester in Christus verschenen was , dat de Joden hunne voorbeeldige priesterlijke heerlijkheid hadden verloren. Hij heeft God gelasterd , aldus durfde hij spreken, toen hij deze verklaring uit Jezus mond gehoord had. Kajaphas dus , heeft de goede belijdenis van Jezus, die zich de goddelijke natuur toeschreef, recht begrepen. Wat hebben wij nog getuigen van noode, gij hebt zelf Zijne godslastering gehoord, aldus spreekt hij tot de andere raadsheeren. Alle getuigen , wil hij zeggen, zijn nu onnoodig en overbodig. Zij hadden van Hem uit Zijnen mond gehoord, dat hij zich Gode gelijk stelde; men had dus niets anders te doen dan de wet toe te passen. Wat dunkt vlieden ? vraagt hij. De stemmen worden opgenomen, en al de rechters, die tegenwoordig waren, gelijk Markus aanteekent, brachten slechts ééne stem uit, voor den dood des Nazareners. Hij is des doods schuldig, zoo antwoordt de een na den anderen. Zij hadden nu niets anders te doen, dan de wet van Jehovah op de godslasteraars te handhaven. Lev. 24 vs. 16. Wij mogen gelooven dat twee raadsheeren Jozef van Arimathea en Nicodemus in deze vergadering
75
niet ontboden waren, althans van hen lezen wij dat zij in hun raad en handel niet bewilligd hebben, Luk. 23 vs. 51.
Hij is des doods schuldig. Zij allen vonnisden Jezus dus, omdat Hij naar hunne meening God gelasterd had. Daarmede verwerpen zij hunnen Messias , verdoemen zij den Heiligen God, versmaden zij den Rotssteen huns heils, veroordeelen zij Gods eigen Zoon. Helaas! zij weten niet wat zij doen. Onrechtvaardiger vonnis is er wel nooit uitgesproken op aarde. Wie heeft Jezus overtuigd van schuld ? â niemand ! Wat heeft Hij misdaan ? immers niets! Waarover M. Y., moeten wij ons meer verwonderen, over de blindheid en verharding van den joodschen raad, of over de lankmoedigheid Gods ? Ach! wat zal het zijn, wanneer zij, die na zoo éénstemmig Hem de doodstraf als een godslasteraar waardig oordeelen, met allen, die niet gewild hebben, dat Hij koning over hen zoude zijn, Zijne heerlijkheid aanschouwen, en uit Zijnen mond hunne eeuwige verdoemenis hoor en zullen ? Toen het vonnis des doods over Jezus was uitgesproken, handelden de vijanden met Jezus, gelijk weleer de Philistijnen met Simson. Zij spogen Jezus in het aangezicht, zij betoonden Jezus dus de diepste verachting. Markus zegt sommigen en de dienaars. Onder die sommigen moge de hoogepriester zelf niet geweest zijn, zekerlijk waren daaronder sommigen der raads-heeren, en geen wonder dan ook, dat de dienaars aan wie Jezus werd overgegeven, dat voorbeeld volgden. Het bleef daar echter niet bij, neen ! zij sloegen Zjin dierbaar aangezicht met vuisten en gaven Hem kinnebakslagen. Volgens Lucas hadden zij Jezus met een kleed overdekt en terwijl zij op Zijn aangezicht sloegen, riepen zij uit: Profeteer ons Christus, wie is het die U geslagen heeft ? Wie onzer kan zich deze gruwzame handeling en versmading, die Jezus onderging , zonder ontzetting voorstellen ? Dat gelaat, het achtbaarste en minzaamste , bespogen ; die spot na zooveel
76
uitgestaan leeds; dat schimpen met zijne hooge waardigheid, dat helsche lasteren? Het waren menschen van geliike beweging als wij zijn, die dit deden, zij zijn van ons geslacht. O! hoe diep kan de zondaar, van God overgegeven , vallen. Hoe diep, groote God, kan hij zinken, dat hij Uw eigen Zoon lastert en bespot. Och, dat er zulken onder de uitwendige belijders van Jezus niet meer gevonden mochten worden!
II. Laat ons nu het lijden van den Heere Jezus daarin nagaan.
Dit lijden van den Heere Jezus , was een smadelijk, een smartvol, een gruwzaam lijden. Hij, die zeggen koude: Vader! ik heb ü verheerlijkt op de aarde ; Wien niets zoo ter harte ging, dan de eere Gods , Hij wordt daar openlijk door den hoogepriester en den joodschen raad als een Godslasteraar veroordeeld, en dat Jezus, in Wiens mond nimmer bedrog was gevonden, Die vrijmoedig tot vriend en vijand konde zeggen: wie van u overtuigt Mij van zonden ? Hij, de Vorst des levens, werd openlijk tot de doodstraf verwezen. En wat daarbij vooral smartelijk voor Jezus moet geweest zijn, was, dat Zijne vijanden zulks deden onder plechtigen eede, als in de tegenwoordigheid Gods. Welk eene diepe vernedering onderging Hij, de Zoon Gods niet, dat Hij werd bespogen, geslagen en bespot ? Hij, het afschijnsel van Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, met vuil en stinkend speeksel bemorst. In Zijn aangezicht ontving Hij slagen, waarmede zij hunne hoogst mogelijke verachting van Zijn Persoon wilden betoonen. Daarbij behandelden zij Hem als een valschen profeet, spottende met Zijne profetische bediening; aanzienlijken en geringen wedijverden met elkander om Hem te benauwen. Waarlijk wanneer wij recht bij al die mishandelingen , die Jezus hier onderging, bepaald worden,
77
dan moet ons liart bewogen worden, dat de heilige, onschuldige Jezus zoo veel heeft moeten en willen ondergaan.
Heeft moeten ondergaan, zeide ik. Ja! was het niet voorspeld van den Messias , die Israël was toegezegd, dat de Steen van de bouwlieden zoude verworpen worden, Ps. 118 vs. 22. Hebben zij dat niet gedaan toen zii Jezus als Godslasteraar verwierpen? Heeft trillen ondergaan, mag ik er bijvoegen. Waar Jezus tot Zijne verantwoording had kunnen spreken, daar zweeg Hij stil, en waar Hij niet dan tot Zijn eigen doodsgevaar spreken konde, daar wilde Hij niet zwijgen , maar beleed Hij openlijk op de bezwering van den hoogepriester, dat Hij de Christus, de Zoon des levenden Gods was. Met welk eene lijdzaamheid onderging Hij dit lijden; waarlijk hier betoonde Hij zich tegenover Zijne bitterste vijanden als het Lam , dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders; Zijnen mond heeft Hij niet opengedaan; Hij, die door den adem Zijns monds Zijne haters had kunnen verdelgen, doet zulks echter niet, maar verdraagt de gruwelijke boosheid dezer menschen, die Hem als eenen Godslasteraar ter dood veroordeelen, omdat Hij, de goede belijdenis , dat Hij de ware Christus Gods was, had afgelegd. Wat bewoog Hem tot dat lijden zoo zwaar, zoo vreeselijk , zoo smadelijk , zoo onteerend ? Niets anders M. V. , dan Zijne wonderlijke liefde tot Zijn volk, voor hetwelk Hij in hunne plaats die belijdenis aflegde , en zich ter dood liet veroordeelen. Dit lijden van Jezus gelijk al Zijn ander lijden, leed Hij onschuldig als plaatsbekleeden-de, en schuldovernemende Borg van alle uitverkorene zondaars , om voor hunne zonden te betalen en aan de gerechtigheid Gods genoeg te doen, en voor hen te verwerven dat God hen wederom genadig en barmhartig zoude kunnen zijn.
Jezus werd hier gerechtelijk onderzocht , opdat Zijn volk in het gericht vrij zoude gaan. Hij lijdt dat de hoogepriester in zoo veel verkeerdheid tegen Hem opstond,
78
omdat zij van nature zulke verkeerden voor God zijn en bliiven, en om te verwerven dat Hi] de voorspraak Zijns volks bij God zij, en zij voor eeuwig voor den troon een Koninklijk priesterdom zouden zijn.
Jezus zweeg en antwoordde niets op hetgene valsche getuigen tegen Hem inbrachten. Omdat Zijn volk schuldig was voor God en zij tegen de ware beschuldigers , die tegen hen zouden kunnen opkomen, niets zouden hebben in te brengen. Jezus wilde niets antwoorden, om te betalen voor Zijns volks zondig en te veel spreken, en om ook voor hen te verwerven , dat zij Gode zwijgen zouden, als de Heere zulks van hen eischte ; met David zouden leeren in vele omstandigheden des levens, waarin zij gebracht zouden worden; Ik zal mijnen mond niet opendoen, want de Heere heeft het gedaan, Ps. 39 vs. 10.
Jezus liet zich bezweren bij den levenden God, omdat Zijn volk zich menigmaal schuldig gemaakt heeft van te zweren bij hetgeen geen God is, ja ! aan valsche eeden en onnoodig zweren. Hij verwierf voor hen , dat de Drie-eenige God zich met een verbondseed aan Zijn volk wilde verbinden: Ik zwoer u en Ik kwam met u in een verbond en gij werdt de Mijne, Ez. 16. Ja! ook dat Zijn volk godvruchtiglijk Gode een eed mogen doen, den Heere de hand mogen geven en met Hem in een verbond komen.
En zweeg de Heere Jezus op deze eedzwering niet, maar legde Hij eene vrijmoedige belijdenis af, dat Hij de Zone Gods was, het was om ook voor Zijn volk te verwerven dat zij met hart en mond vrijmoedig belijden zouden , dat Jezus de Zoon Gods is: Zoo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon Gods is, God blijft in hem, en hij in God, 1 Joh. 5 vs. 13, en dat zij Hem nu belijden mogen voor de menschen. In een woord, dat zij voor Gods naam, zaak en waarheid uitkomen, zelfs in gevaar des doods, gelijk zoovele martelaren gedaan hebben , het is omdat Jezus openlijk beleden heeft: Ik hen het,
79
die verborgenheid der godzaligheid , die groot is, heeft uitgesproken, dat Hij was God geopenbaard in het vleesch.
Is die vrijmoedige belijdenis door Kajaphas en Zijnen aanhang eene godslastering genoemd? Jezus, M. V., heeft hier willen lijden , dat men Hem daarvan beschuldigde omdat Hij in de plaats Zijns volks als hun Borg aan Gods gerechtigheid voor hen voldeed. Dat volk is in den natuurstaat schuldig met alle menschen aan die zonde, en al heeft God hen ook bekeerd, hoe dikwijls nog maken zij zich door hun toezien en stilzwijgen, als anderen God lasteren, aan zulke zonden schuldig. Dat niet alleen , maar ook hier heeft Hij voor hen verworven, dat zij door genade gruwen van hunne godslasterlijke harten, er eenen afkeer van hebben, en daarover, als zij het door de bestrijding des boozen in hen ontdekken, in schuld voor God zich verootmoedigen. En dat nu de innige begeerte hunner harten daarnaar uitgaat om den Drie-eenigen God, met ziel en lichaam beide te verheerlijken, het is omdat Jezus hier in het gericht van God voor hen als godslasteraar gestaan heeft, het is van wege de aangebrachte en verworvene gerechtigheid van hunnen Borg.
Sprak Kajaphas het doodvonnis over Jezus uit, en werd Jezus des doods schuldig verklaard, het was M. V. omdat Zijn volk met de gansche wereld, gevallen in Adam , des doods schuldig was. Overtreders zijn zij met alle menschen van het zesde gebod, gij zult niet doodslaan. De wet is geestelijk. Zij zijn doodslagers in hunne harten. Ja, zoo staan zij allen voor God als dood en doemschul-dige zondaars, en erkennen dat zij het waardig zijn, als de zoodanigen door God te worden veroordeeld , indien Jezus als hun Borg in hunne plaats dat niet geleden had. Ja! dat zij nu als veroordeelden tot den dood â en dit immers geschiedt in elke waarachtige bekeering tot God â voor God verschijnen, met het vonnis des doods in hunne harten, zich zeiven veroordetlen, en God rechtvaar-
80
digen en billijken als Hij het doodvonnis aan hen voltrekt, omdat zij bij Geestes licht zien en belijden mogen: tegen U, tegen U alleen hebben wij gezondigd! dat heeft de Heere Jezus hier voor hen verworven. Maar dat zij nu nimmer door God veroordeeld kunnen worden , maar in en om Christus het leven behouden zullen, dat heeft Hij hier voor hen verdiend. O ! wanneer wij het geheim dezer waarheid: Hij is des doods schuldig, recht mogen bevatten , dan zeggen wij, het was het recht Gods, dat degenen , die zulke dingen doen, des doods waardig zijn , en daarom moest de Borg, Jezus, dat vonnis des doods ondergaan , en was de straffe des doods, die ons den vrede aanbrengt, op Hem. Dat dus Zijn volk niet komen zoude in de eeuwige verdoemenis , maar van den dood overgaan zoude in het leven, daarom liet Jezus zich des doods schuldig verklaren, zoo wilde Hij veroordeeld worden , opdat Hij de machtige als een roof zoude deelen , en den satan zoude veroordeelen. Ja! nog eens , Jezus liet zich als een godslasteraar ter dood verwijzen, opdat Hij Zijn volk het eeuwige leven zoude kunnen toewijzen, en deelgenooten zoude maken van de eeuwige heerlijkheid.
Heeft Jezus eindelijk smaad, smart, verachting, bespotting en lastering moeten lijden, zooveel moest en wilde Hij lijden, om de verzoening der zonden Zijns volks bij God uit te werken; tot geen minderen prijs konden hunne zielen vrijgekocht worden van het eeuwig verderf. Van den Messias was het voorspeld; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel, Jes. 50 vs. 6. Jezus zelf wist zulks, want Hij had voorzegd, dat Hij bespot, smadelijk behandeld en bespogen zoude worden. Hij zoude zijn de verachtste en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten en verzocht in krankheid en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem. De smaadheden dergenen, die u smaden, zijn op Mij gevallen , aldus zoude de Messias klagen, Ps. 69 vs. 20.
81
Welnu Jezus leed ook dit als de Borg Zijns volks, omdat zij tegen God misdaan hadden. Heeft Adam niet met Gods bedreiging gespot? moet niet elk kind Gods zich zeiven voor God aanklagen als een versmader van den Rotssteen des heils ? Wie met zijn eigen diep bedorven en zondig hart door genade bekend is geworden, moet belijden , al kwam het ook niet tot de uitbarsting naar buiten , die zonde huisvest in mij. Welnu, daarom was die plage op Jezus. Door de zonde was de mensch gekomen onder de vuistslagen des satans, waardig geslagen te worden door den duivel en zijne dienaars. Welnu, Jezus moest als Borg ook dezen smaad lijden, om Zijn volk te reinigen van het vuile speeksel des satans, namelijk de zonden. Hij werd een man van smaad en smarten , en verdroeg dat zij Hem lasterden , om voor de lastering te voldoen welke de satan wel eens bij God tegen het volk van Jezus inbrengt, Zach. 3. Eindelijk Hij duldde dat men met Zijn profetisch ambt den spot dreef, omdat ook Zijn volk zoo menigmaal in hunne blindheid en dwaasheid de onderwijzingen van Hem verwerpt en niet acht, niettegenstaande dat zij weten, dat Zijn naam raad is, om ook in deze voor hunne zonden aan Gods gerechtigheid te voldoen.
Maar Jezus heeft niet alleen geleden om de straf der zonde Zijns volks te dragen, maar ook om voor hen te verwerven, dat zij met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren aanschouwen in het aangezicht van Christus, 2 Cor. 3. Te verwerven, dat al de bestrijdingen en aanvallen des duivels, ja! ook somtijds de vuistslagen, die hen onder de toelating Gods door den satan worden toegebracht, aan hunne zielen geheiligd worden. En is het deel van Gods kinderen, die getrouw in de wereld uitkomen voor Jezus Christus en Dien gekruist, dat de wereld met hen spot en hen smaadt, Jezus heeft het voor hen verworven, dat zij dien spot en smaad verdragen kunnen, dat als zij
6
82
ingeleid mogen warden in die bespottingen en smaadheden, die Hij voor hen verdragen heeft, zij er geduldig, gelaten en onderworpen onder mogen verkeeren, en wel eens ondervinden mogen, dat het juist de kenmerken van hun kindschap van God, en van hun deelgenootschap aan het lijden en sterven van Christus zijn, en hartelijk medelijden met hunne versmaders mogen gevoelen. Ja! nog eens, daar Gods volk niet anders dan door vele verdrukking het koningrijk Gods zal kunnen ingaan, heeft Jezus het hier voor hen verworven, dat alle instrument, dat tegen hen bereid wordt, niet zal gelukken, en alle tong die in het gericht tegen hen opstaat, zij dien zullen verdoemen, Jes. 54 vs. 17. O! de liefde van den Heere Jezus voor de Zijnen, ook in het ondergaan van dit lijden betoond, gaat alle verstand te boven. Wie waarlijk gelooven mag, dat heeft Jezus ook voor mij geleden, mij, verdoemelijk doodschuldig zondaar, hij zinkt weg in geloofsverwondering en aanbidding, en roept met eene bewogene ziel uit: het is mij te groot en te wonderlijk, ik kan daar niet bij.
Ps. 139 vs. 14.
III. Laat ons eindigen met de toepassing.
Wij hebben dit gewichtige gedeelte van het lijden van Jezus beschouwd. Openlijk is Jezus des doods schuldig verklaard, omdat Hij naar de meening Zijner vijanden God gelasterd had, en allerlei spot en smaad heeft men Hem aangedaan. Wat dunkt u nu M. V., heeft Jezus dit lijden ook voor ons in onze plaats geleden, om voor ons aan het door ons geschondene recht Gods te voldoen, opdat wij, godslasteraars en spotters van nature, in het gericht Gods zouden vrijgaan, en wederom in genade zouden worden aangenomen ? Och! of wij er allen deel aan mochten hebben.
83
Wie weet hoe velen God nog lasteren met hunne woorden, werken en harten ? Of zoudt gij deel hebben aan Jezus verzoenend lijden, die nog openlijk uwe godslasteringen uitspreekt ? Gij, die goddeloos leeft in de wereld , al hebt gij Jezus ook uitwendig beleden voor de menschen, maakt dat de naam Gods om uwentwil gelasterd worde. Gij, die in uwe harten zegt: de Heere doet geen goed, en Hij doet geen kwaad ? Zoudt gij deel aan dat lijden van Jezus hebben, die in uwe woorden en daden betoont, dat gij, al noemt gij God ook Vader met uwe lippen, den duivel en de wereld dient! Gij, die niet kunt nalaten met de waarheid te spotten, Gods volk te smaden ? Gij, verachters van Gods geboden en inzettingen! Gij, die den Zone Gods blijft verwerpen, en openbaar of heimelijk het met de vijanden van Jezus en Zijn volk eens zijt ? Wat dunkt u, als gij de hand op uw hart legt, overtuigt uw eigen geweten u niet, dat gij tot het volk van Jezus niet behoort. O! verschrikkelijke toestand, indien gij daarin blijft leven en zult sterven. God moge u in Zijne langmoedigheid verdragen, deze dingen moogt gij doen en Hij tot nu toe gezwegen hebben, eens zal God met vlammend vuur over u wrake doen. Gij zult, in die zonde stervende, het vonnis des eeuwigen doods niet ontgaan. De wet Gods, die gij overtreden hebt, zal u verdoemen. Het liefelijk Evangelie, waaronder gij geleefd hebt, zal tegen u getuigen. Uw eigen hart zal u veroor-deelen. Gij zult dan, maar helaas! te laat, voor eeuwig te laat! erkennen, dat gij des doods schuldig zijt. Godslasteraars en spotters ! zoo gij aan deze zijde des grafs niet bekeerd wordt, zoo gij tot Jezus niet leert vluchten en vlieden , zoo gij u zeiven voor God en menschen van wege uwe gruwelijke zonden en lasteringen niet leert veroordeelen , als die groote dag van Gods toorn zal komen , zult gij uitroepen tot de bergen en de steenrotsen : valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, die op den troon
6*
84
zit, en van den toorn des Lams! maar zij zullen uw angst-geschrei niet hoeren. O ! wat wi] u bidden mogen, houdt op met uw spotten, met uw nederzitten in het gestoelte der spotters, gij loopt gevaar, dat God eens heiliglijk met u zal spotten. Gij doet het eigen werk des duivels, en uit den mond van Jezus, die komen zal op de wolken des hemels, zult gij hooren: Gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid, Ik heb u nooit gekend. Wij mogen u nog verkondigen , bekeert u ! bekeert u ! waarom zoudt gij sterven ? nog is het ook voor u niet te iaat. De goddelooze verlate zijnen weg, en de ongerechtigde man zijne gedachten , en hij bekeere zich tot God. Hij vergeeft menigvuldiglijk, maar in geen anderen weg, dan in dien die God heeft uitgedacht, en in de volheid des tijds heeft daargesteld. Jezus alleen is die weg. Och! mocht gij stilstaan op uwe booze wegen en Hem te voet vallen, want niemand komt tot den Vader dan door Hem. Bidt, dat de Heilige Geest u overtuigen moge van zonde , gerechtigheid en oordeel, opdat gij als zulken, die des doods schuldig zijt, u zeiven moogt veroordeelen, en vluchten moogt tot het bloed van Christus, dat reinigt van alle zonden. Heere! doe Uw woord met onwederstaanbare kracht in de harten van hen ingang vinden , die U en Uwen gezalfden Christus nog bespotten, lasteren en versmaden , zij weten niet wat zij doen.
Wat dunkt u, M. V., van u zeiven. Denkt gij, wij behooren onder die spotters en versmaders en goddeloozen niet, daar heeft God ons voor bewaard. Wij hebben er een afkeer van, en zijn ingenomen met de waarheid; wij hopen dat Jezus ook voor ons zal geleden hebben, dat Hij ook onze Middelaar bij God moge zijn. Waarlijk, een groot voorrecht, als gij uitwendig voor zulke zonden tot nu toe zijt bewaard gebleven. Maar zijt gij wel bekend geworden met uwe zondige, booze en bedorvene harten ? Hebt gij u zeiven ook als des doods schuldig voor God leeren kennen ? Zijn uwe harten ook gebroken, uwe
85
zielen ook verslagen geworden ? Zijn uwe blinde oogen wel geopend geworden om te zien , dat het uwe zonden waren, die den Heere Jezus, dat smartvolle en smadelijke lijden hebben aangedaan ? Zijt gij wel als gansch verlorenen en ellendelingen in u zeiven aan Zijne voeten gebracht, met dien kreet der ziel, ontferm u mijner, Heere Jezus! wees my genadig! Och! dat gij u zeiven niet bedriegen moogt, dat gij, meenende in te gaan, eens ontdekken zult niet te kunnen. Daar moet meer zijn dan eene uitwendige hoogachting voor Jezus, voor Zijne waarheid, voor Zijn volk. De trap en mate van de verbrijzeling des harten moge onderscheiden zijn, met minder zult gij niet kunnen bestaan voor de eeuwigheid , dan met eene rechte kennis uwer ellende uit de wet Gods, en dan zijt gij aan de overtreding van alle geboden schuldig, want de wet is geestelijk , al bewaarde God u ook voor de uitwendige uitbarsting naar buiten, gij zult u zei ven voor God moeten aanklagen , veroordeelen , beschuldigen. Gij zult u zeiven, in een woord, als dood in zonden en in misdaden voor God moeten zien liggen, en geen raad meer bij u zeiven noch bij het schepsel moeten kunnen vinden, om u te redden van den eeuwigen dood. Zulken beginnen als ellendigen tot den Heere Jezus te roepen, voor zulken alleen is de weg der verlossing in Hem geopend, zulken leeren bidden : geef mij Jezus of ik sterf, buiten Jezus is niets, dan eeuwig zielsverderf, voor zulken krijgt de Heere Jezus gedaante en heerlijkheid , dat zij Hein begeeren. Onderzoekt u zeiven nu eens voor God, die lust heeft in waarheid en oprechtheid in ons binnenste, of gij door genade dat ook reeds hebt leeren kennen? Wat zal het u baten te geloo-ven: Jezus heeft ook voor mij geleden, als de toepassing van Zijn verzoenend lijden en sterven in eene waarachtige bekeering tot God , zich aan u niet verheerlijkt zal hebben ? Wat zal uwe hoop, daarin deel te hebben, ten gevolge hebben, wanneer de liefde Gods in uwe harten niet is
86
uitgestort? Arglistig is ons hart, meer dan eenig ding, doodelijk is het, wie zal het kennen ? Dat niemand zich zeiven dus misleiden moge, maar elk zich eens afvrage: Wie en wat de Heere Jezus voor hem geworden is ? Die zich zeiven in waarheid als een verlorene zondaar voor God heeft leeren kennen, voor hem is de Heere Jezus als Profeet , Priester en Koning onmisbaar geworden. Hij kent eenigermate het toevluchtnemend arm zondaars geloof tot Hem. Hij kan zich met een beredeneerd geloof, en een zien op Zijnen uitwendigen wandel niet te vreden stellen. Hij is bevreesd, die kennis aan zijn eigen hart gekregen heeft, voor het zelfbedrog der zoude. Hij heeft, zich zeiven verduisterd in zijn verstand hebbende leeren kennen, verstand met het goddelijk licht van den Heiligen Geest noodig, om het heilgeheim der verlossing recht te bevatten. Hij heeft behoefte aan het gebed: Heere! zend uw licht en waarheid neder. Hij kent geene rust, voor dat hij het weet, deel te hebben aan het borgtochtelijk en schuldbeta-lend lijden van den Heere Jezus. Niet die daar zeggen: Heere! Heere! zullen ingaan, maar die de geboorte uit God ontvangen hebben, deze alleen zullen Gods koningrijk zien en ingaan.
Wat dunkt u nu van u zeiven ? Er zullen onder u zijn, die van verre staan. Die niet zeggen durven, dat ook Jezus dit lijden voor u geleden heeft, nog steeds bevreesd zijt, dat zij tot dit volk, tot die velen niet behoo-ren, voor welke Hij Zijne ziel tot een rantsoen gegeven heeft. Wat ontbreekt u ? wat is de oorzaak dat gij u zeiven nog buitensluit ? Er heeft nog geen verliezen , geen kwijtworden, geen wedervinden van u zeiven in Jezus Christus bij u plaats, gehad. Ontkennen durft gij, die bekommerd zijt van w:ege uwe zonden, niet, dat het de keuze, de begeerte, het verlangen, het biddend uitzien bij u is, dat gij het eens recht voor u zeiven belijden mocht! Jezus is mijn Jezus, mijn Heere , mijn God : maar gij wordt
87
bestreden, nu eens dat de droefheid over uwe zon den niet sterk genoeg is , dan eens dat het met al het uwe nog niet als een die des doods schuldig is, aan de voeten van Jezus gekomen is, dan wederom wordt gij op uwe werkzaamheden , op uw leven gewezen. Ja! wie zal ze opnoemen, die bezwaren, die zich opdoen in dat leven van een zondaar , die ontdekt is geworden aan de; plage zijns harten , maar den eenigen troost in leven en sterven nog mist ? Zoo lang- hem doorbrekend licht en doorbrekende genade niet geschonken zijn, de Heilige Geest met zijnen geest getuigt dat hij een kind Gods is, gelooft hij het voor de gansche kerk Gods, maar sluit hij zich zeiven er buiten. O ! als God u gave te zien dat er geene kennis van zonde en ellende is, die ons in waarheid als ellendigen aan de voeten van Jezus brengt, zoo men niet een is van diegenen , voor welken Jezus geleden heeft, en dat de eerste zaligmakende werkzaamheden in elke overtuigde ziel, vruchten zijn van het kruis van Christus, gij zoudt afzien van al uwe tegenwerpingen, gij zoudt door het ongeloof uwer harten , u zeiven niet langer buitensluiten, maar nu is het bedekt voor uwe oogen. Misschien hebt gij in uwen eersten overtuigingsweg wel eens gewenscht en gebeden: Heere Jezus ! al moest ik mijn gansche leven ook aan uwe voeten kruipen, zonder dat ik wist dat gij mijn Zaligmaker zijt, wanneer ik maar niet meer tot de wereld en de zonde moge terugkeeren. Dat hebt gij in uwe harten begeerd, en wie weet, waaraan gij nog ontdekt moet worden, voordat Jezus tot uwe zielen van dien vrede spreekt, die alle verstand te boven gaat. Met al uwe werkzaamheden zal het nog in den dood moeten komen aan de voeten van Jezus. Gij zult als een die des doods schuldig is , als een vijand en goddelooze het leven moeten vinden, dat achter den dood ligt. De Heere zal gewisselijk komen. Hij zal niet achter blijven. Hij zal komen niet op uwen maar op Zijnen tijd. Houdt moed! in vindenstijd zal een ieder van
88
de vromen met ootmoed smeekend komen. Ik weet wel dat deze uitspraken ü niet vertroosten kunnen, en dat niemand iets kan aannemen, tenzij het hem van boven geschonken zij, maar ik weet ook, dat de Heere Jezus medelijden weet te hehben met uwe zwakheden en met uwe gebreken. Dat Hij belooft heeft Zijne hand tot de kleinen te willen wenden. Och! dat gij den dag der kleine dingen niet verachten moogt, daardoor heeft menigeen duisternis gebracht over zijne ziel. Belijdt vrijmoedig voor Gods volk en in de wereld , wat door genade uw zoeken, uw begeeren en uwe keuze geworden is. Zoekt veel in het verborgene en eenzame Gods aangezicht, daar wil God Zijn volk wijsheid leeren en Zijn heilgeheim openbaren. Laat Jezus toch niet los voor dat Hij u gezegend moge hebben. Het moge niet altijd zijn met die opgewektheid, die gij zoo gaarne zoudt hebben in uwe toenadering tot Hem , nochtans dat is zeker, waar God Zijn werk begonnen heeft, daar zal Hij het ook voleindigen en zijt gij een van de kleinen, voor welken Jezus zich liet veroordeelen, smaden en bespotten, dan zult gij u zeiven voor God veroordeelen van wege uwe erf- en dadelijke zonden , u zeiven aanklagen als een die den dood waardig zijt, u verwonderen over Gods lankmoedigheid, dat Hij u zoo lang gedragen en verdragen heeft in Zijne barmhartigheid, en blijven zoeken, vragen en bidden: is er een weg om de straf te ontgaan en wederom tot de genade te komen, en geene rust kennen voor gij als een vermoeide en belaste Jezus gevonden hebt, voor dat die ledigheid, die er nu nog bij u bestaat, door Hem zeiven vervuld is geworden.
Kinderen Gods! welk eene liefde, dat de Heere Jezus zooveel voor u heeft willen lijden, dat de Heilige zich voor u, als één die des doods schuldig was, liet veroordeelen; dat Hij zich liet slaan, bespotten en versmaden, opdat gij vrij zoudt gaan in het gericht van God. Het waren uwe ongerechtigheden, die de Heere op Hem deed aanloopen, de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem. Als er leven
89
gegund werd aan uwe zielen en gij bij Goddelijk licht recht inzien moogt in dat heilgeheim uwer verlossing, hoe ver-foeielijk wordt u dan de zonde, de minste zonde, waarvoor Jezus zoo geboet heeft, om u van de straf der zonde te verlossen, van de eeuwige verdoemenis, die gij waardig waart. Hoe teederder en nauwer uw leven voor God en menschen mag worden, in de veroordeeling van elke zonde, des te meer zult gij ook uit de vruchten van uw geloof verzekerd worden. Als het u veel geschonken mag worden door den Heiligen Geest , uwe zonden dagelijks te veroordeelen met een verbroken hart en eenen verslagenen geest, des te meer behoefte zult gij gevoelen om de reinigende en heiligende kracht van Jezus lijden in uwe zielen te ondervinden. Gedraagt u als ellendigen, schreef de Apostel, en als gij dat doen moogt, is de Heere Jezus u, die gelooft, dierbaar. Wat zegt het dan, dat gij den smaad , de bespotting en de veroordeeling der wereld moet ondergaan. Jezus heeft in uwe plaats dat alles verdragen, en nu ondergaat gij het, omdat gij niet van deze wereld zijt, want de wereld zal het hare liefhebben. Och! mocht het ook u geschonken worden te zwijgen in navolging van Jezus, als het u zeiven betreft, maar vrijmoedig te spreken, als het de eere Gods en de waarheid vorderen. Wordt gij bestreden en gekweld met allerlei godslastering, als u door genade geschonken wordt om met dat gruwelijk kwaad in den geloove tot Jezus te komen, om door hem daarvan verlost te worden, dan zult gij rust in het hart genieten, want Jezus heeft zulks hier voor u verworven. Door velerlei verdrukking uit- en inwendig te ondervinden, zult gij het Koninkrijk Gods moeten ingaan , hoe meer gij een oog des geloofs zult mogen hebben in datgene, wat Jezus hier voor u heeft willen lijden , des te lijdzamer, geduldiger en onderworpener zult gij zijn. Alle dingen zullen u, die God liefhebben, moeten medewerken ten goede, omdat Jezus voor u de goede belijdenis voor Kajaphas heeft afgelegd. Hij, de Heere! uw God en uwe
90
groote Zaligmaker ontfermt zich uwer en zorgt voor u. Hij zal komen op de wolken des hemels om Zijne en uwe sma-ders , Zijne en uwe vijanden te verdelgen. Gij, die als dood-en doemschuldigen aan Zijne voeten gelegen hebt en wien Jezus het leven geworden is , als Hij geopenbaard zal wezen, die uw leven is , zult gij ook met Hem geopenbaard worden in de heerlijkheid. Dan zult gij naar de lust en de keuze uwer zielen ontslagen van uw lichaam der zonde en des doods, Hem, die u zoo duur gekocht heeft, door zich des doods schuldig te doen verklaren voor u en in uwe plaats, lof, en eer, en aanbidding, en dankzegging toebrengen. Hem, den Christus Gods, eeuwig belijden als Dengene die u Gode gekocht heeft met Zijn bloed uit alle talen, volken, geslachten en natiën der aarde. Amen.
Ps. 72 vs. 6, 7.
JEZUS VOOR PILATUS.
or
LEERREDE V
OVER
JOHANNES XVIII vs. 28â32.
VOORZANG Ps. 32 vs. 1â3.
Genade, vrede en barmhartigheid sciienke of ver menigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
Al het lijden van den Heere Jezus M. V.! kan in 't algemeen , en elk deel in het bijzonder, met recht aangemerkt worden, als een spiegel van Gods strafeischende gerechtigheid. Hij, die het in den raad des vredes op zich genomen had, om aan het geschondene recht Gods te voldoen voor al de gegevenen des Vaders , waaronder niet alleen Joden , maar ook Heidenen waren, want ook dezen zouden vragen naar den wortel Isaï, die staan zal tot eene banier der volken , Hij moest ook aan dezen worden overgeleverd, opdat zij aan Hem, die van God en menschen vervloekt was , den dood des kruizes zouden volbrengen. Daarom is Jezus, de Heere der heerlijkheid, nadat Hij door Zijn eigen volk ter dood was veroordeeld, den wereldlijken heidenschen
92
rechter Pilatus overgeleverd geworden, om van hem gerechtelijk onderzocht en veroordeeld te worden. Dit is den Heere Jezus als Borg der uitverkorenen van den Heere alzoo geschied, opdat blijken mocht dat de rechtvaardige Rechter der gansche aarde, alle menschen zekerlijk voor Zijn rechterstoel zal doen staan, en ten iegelijk zal vergelden naar zijne werken. Gelukkig wij, indien Jezus daar op grond Zijner zoenverdiensten zal belijden: Vader! ik wil niet dat dezen in het verderf komen, Ik heb verzoening voor hen gevonden. Zegene God de lijdensoverdenking van heden daartoe ook aan onze zielen.
Bidden wij vooraf met en voor elkander om de genade des H. Geestes.
Joh. 18 vs. 28â32.
âDie geleden heeft onder Pontius Pilatusaldus staat er van den Heere Jezus geschreven, in de oude belijdenis der kerk. Naast den naam van Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere, staat dus den naam van dien heidenschen rechter, en daar moest hij staan, al ware het slechts opdat wij Gods hand en raad zouden opmerken, opdat de heilige onschuld van Jezus, zoo bij herhaling door dezen Zijnen wereldlijken rechter uitgesproken, alle eeuwen door zoude blijken, en vooral ook opdat Jezus onschuldig onder hem veroordeeld zijnde, ons daarmede van het streng oordeel Gods, dat over ons gaan zoude, bevrijdde. Jezus was tot de Zijnen, Zijn volk gekomen, maar de Zijnen hadden Hem niet aangenomen. In den hollen nacht gevangen genomen, had men hem eerst naar den ouden Annas, daarna geboeid als een misdadiger, naar het paleis van Kajaphas gevoerd.
93
Aldaar was hij schijnbaar verhoord, door valsche getuigenissen bezwaard geworden, en eindelijk, omdat Hij op de vraag des hoogepriesters : of Hij de Zoon Gods was, als in Gods tegenwoordigheid beleden had: Ik hen het! door al de raadsheeren als een Godslasteraar veroordeeld geworden ; ja! openlijk was het doodvonnis over Jezus uitgesproken geworden, en was Hij aan de baldadigheid der dienaars van den raad overgegeven, met wien sommigen Zijner rechters mede deden.
Toen zij hun boos opzet zoo verre gebracht hadden, wensch-ten zij zoo spoedig mogelijk van den door hen gehaten Profeet ontslagen te worden. Nog op dien zelfden dag willen zij Jezus in gezelschap van twee moordenaars, die gekruisd zouden worden, den dood doen ondergaan. Zij staan allen op, om Jezus in handen van den stadhouder Pontius Pilatus over te leveren , opdat deze het doodvonnis aan Jezus zoude voltrekken. Jezus, als een erge misdadiger geboeid, wordt onder den toevloed eener verbazende menigte, die nu zien mocht, dat Hij ter doodstraf was verwezen, daar henen gevoerd als het Lam naar de slachtbank, en Hij deed Zijnen mond niet open. Welnu! laat ons
I. Dit gedeelte der lijdensgeschiedenis beschouwen, en daarin letten op de wegleiding van Jezus naar Pilatus, en op het gene Hem daar hij Pilatus wedervoer.
II. Dan het lijden van den Heere Jezus, daar doorgestaan, overdenken, en daarna
III. Met het woord van toepassing eindigen.
Moge de Heilige Geest ons allen daarbij leiden en besturen.
I. Wenschten icij dit gedeelte der lijdensgeschiedenis te he-schouicen , en daarin letten op de wegleiding van Jezus naar Pilatus, en op hetgene Hem daar hij Pilatus wedervoer.
94
Zij dan leidden Jezus van Kajaphas in het rechthuis en het was 's morgens vroeg. Volgens Lukas gingen de leden des Joodschen raads zelve mede. Sedert twee jaren hadden de Romeinen aan de Joden het recht over leven en dood ontnomen. Daarom geleidden zij Jezus tot den heidenschen rechter, om de bevestiging en de voltrekking van het doodvonnis te eischen. Zij zeiven gingen mede in de hoop dat de landvoogd als hij hen zag, zonder nader onderzoek aan hunnen eisch zoude voldoen. Het was zeer vroeg in den morgenstond toen zij op weg gingen, om geen tijd te verliezen, opdat zij zoo spoedig mogelijk hun gruwelstuk voltooien mochten. Toen zij echter het stadhouderlijk paleis genaderd waren, gingen zij niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden ivorden, maar opdat zij het Pascha eten mochten. Zij gevoelden dus een gewetenshezaar, waaraan zij in de eerste drift niet gedacht hadden. Aan den avond van dien dag zouden zij, zooals zij gewoon waren, daar het Paschen was, het Paaschlam eten , den Paasch-maaltijd houden. Naar de wet moesten zij zich rein houden. Lev. 22 vs. 6. Nu meenden zij verontreinigd te zullen worden, wanneer zij het huis van eenen onbesnedene , van eenen heiden binnentraden. Die schijnheiligen! nergens was het hun in Gods Woord verboden het huis van eenen heiden in te gaan, maar wel gemeenschap met onbesnede-nen te houden, verbindtenissen met hen aan te gaan, Exod. 23 en Lev. 7. Niets anders dus dan eene geveinsde, over-drevene nauwgezetheid deed hen alzoo handelen. Zij ken-â nen geen gewetensbezwaar, gevoerd door hunnen bitteren haat en vijandschap tegen Jezus, om Hem, den heilige Israëls, onschuldig ter dood te veroordeelen. De mug zuigen zij uit, den kemel zwelgen zij door. Hoe te recht zeide daarom de Heere Jezus van hen, dat zij uitwendig gelijk waren aan wit gepleisterde graven, van binnen vol stinkende doodsbeenderen; dat zij zich bekommerden het buitenste des drinkbekers en des schotels te reinigen, die
95
van binnen vol roof en onmatigheid waren, Matth. 23 vs. 23. Hoe terecht sprak hij dat vreeselijke woord over hen uit: âWee n, gij geveinsden! wee u! gij schriftgeleerden en pharizeën!quot; Die blinde leidslieden der blinden! Het ware Paaschlam verwierpen zij moedwillig, en zij hekommeren zich daarover alleen om uitwendig in eene eigenwillige godsdienst den paaschmaaltijd te kunnen houden. Gruwelijke geveinsdheid! hoe diep kan de mensch zinken, wanneer hij door God aan zich zeiven wordt overgegeven. Hoe hedrie-gelijk, hoe arglistig is des zondaars hart! Hij kan zich zeiven wijs maken dat hij godsdienstig, ja! vroom is, door daarvan uitwendig voor het oog der wereld den schijn aan te nemen en heimelijk zich aan al zijne zondige lusten en begeerlijkheden overgeven , en den duivel, de wereld en de zonde met zijn hart blijven dienen. Ja! zoo als hier deze joden deden, de gruwelijkste boosheid en goddeloosheid plegen. Wee! driewerf wee dien zondaar, die waant dat hij de menschen bedriegende, ook God zal kunnen misleiden! De Heere, wiens oogen de gansche aarde doorloopen, om zich sterk te bewijzen aan degenen wier harten volkomen zijn tot Hem, en die niet aanziet wat voor oogen is, zal zulken eenmaal ontdekken. Is het niet hier reeds in het leven, dan zekerlijk wanneer zij voor Hem ten oordeel zullen verschijnen. De verwachting des huichelaars zal vergaan. God heeft alleen lust aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste. De reinen van hart zullen alleen God zien.
Maar wat deden nu die geveinsden ? Zij verzoeken beleefdelijk , dat Pilatus tot hen naar buiten mocht komen. Die Pilatus, dien wij hier voor het eerst ontmoeten, was een hooghartig Romein, die bet joodsche volk diep verachtte. Door den keizer als landvoogd over hen aangesteld , had hij zich meer dan eenmaal aan knevelarij en bloeddorstige wreedheid schuldig gemaakt, Lukas 13 vs. 1. Hij is, zoowel wat zijn bestuur over Judéa als zijn karakter
96
en zijnen dood betreft, zeer ongunstig in de geschiedenis zijns volks bekend, en naar het verhaal van een kerkvader, heeft hij zijn leven geëindigd, door in wanhoop de handen aan zich zeiven te slaan. In het rechtsgeding van den Heere Jezus verschijnt hij in een zonderling licht. Niet ten onrechte wordt hij daarin licht en duisternis genoemd. Hij was een mensch, die onophoudelijk op twee gedachten hinkte. Te naauwgezet om zijn geweten geheel te verkrachten, te weifelend om zijne betere overtuiging onverschrokken te volgen. Een mensch, zoo als er, helaas! bij duizenden onder ons menschen gevonden worden. Niemand meer eenig en niemand meer algemeen dan hij. Hij is eene treurige mengeling van menschenvrees en goedwilligheid, Hij bevorderde het kwade, daar hij de genade miste om het goede onbepaald te willen. Hij deed den wil des hemels, terwijl hij den wil der hel volbracht. Jezus heeft van hem verklaard: â Die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde /quot; In de handen van zulk een mensch is het lot van Jezus overgegeven. Pilatus voldoet dadelijk aan het verzoek der joden; hij veracht hun bijgeloof, maar naar de gewoonte der Romeinen, schikte hij zich zooveel in hem was, om hunne wetten en gewoonten te eerbiedigen. Hij ging tot hen uit, en verneemt naar de boodschap , welke men hem zoo vroeg in den morgenstond komt brengen. Zoodra echter toen hij bespeurde, dat men hem gebruiken wil om iemand, die door hen ter dood is veroordeeld, te doen kruisigen, herneemt hij zijne natuurlijke hooghartigheid en wil de reden weten, waarom men den gevangene wenscht terecht gesteld te hebben. Ja! daar hij de Joden kende, neemt hij de houding aan, alsof hij niet begrijpt dat de gevangene door hen gevonnisd is geworden, hij behandelt hen als aanklagers én vraagt: âwelke beschuldiging brengt gij in tegen dezen mensch ?quot; Deze zijne vrage was billijk en rechtvaardig, üe Romeinen hadden de gewoonte niet om eenig mensch uit gunst ter dood over te geven, eer
97
de beschuldigde en de beschuldigers tegenwoordig waren, en plaats van verantwoording heeft gekregen tegenover de beschuldiging; zoo verklaarde later Festus, Hand. 25 vs. 14. Zoo handelde ook hier Pilatus, en alleszins prijselijk is dit zijn gedrag. Hoe zeer overtreffen dus blinde heidenen daarin de joodsche rechters, die zoo openlijk Gods wet. die hun geschonken was, met voeten vertraden.
quot;Wij kunnen ons voorstellen, M. V.! dat deze vraag van Pilatus, hoe uiterst eenvoudig, door de onstuimige vijanden van Jezus niet verwacht was. Zij hadden op de vraag evenmin als op de behandeling der zaak tegen Jezus op zulk eene wijze volstrekt niet gerekend. Zij zijn verlegen. Zullen zij aan Pilatus zeggen, waarom zij Jezus ter dood hebben veroordeeld ? Dat durven zij niet doen, want zij houden er zich van overtuigd, dat Pilatus zich dan met de zaak niet zal willen bemoeien. Zij nemen eenen hoogen toon aan en willen Pilatus op hunne beurt in verwarring brengen. âLidien deze geen kwaaddoener geweest ware, zeggen zij, zoo zouden wij hem aan u niet hebben overgeleverd.quot; Het is, als of zij willen zeggen: wat denkt gij toch wel van den joodschen raad ? Zouden wij zoo laag, zoo diep gezonken zijn, dat wij eenen onschuldige uit ons volk tot strafvoltrekking tot u zouden brengen ? Zouden wij zulks gedaan hebben, indien wij niet oordeelden dat hij een booswicht, een kwaaddoener was ? één, in een woord, die zich waardig had gemaakt door den dood uit ons midden te worden weggenomen ? Zij geven daarmede dus niet onduidelijk te kennen, dat zij zich aan Pilatus niet dieper wilden onderwerpen, dan de meest dringende noodzakelijkheid hun gebiedt, en dat de oorzaak van hunne komst tot hem volstrekt niet was, dat hij de zaak zal onderzoeken, om zich dan aan zijn oordeel te onderwerpen, dat zij hem als beul en niet als rechter verkiezen.
Hoe goddeloos en onbeschaamd is deze hunne handel-
7
98
wijze! Hoe listig en bedriegelijk deed de duivel hen hier spreken! Waarliik, een iegelijk die kwaad doet, haat het licht en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden. Hoe onbeschaamd durven die godverge-tenen den Heere Jezus, dien grooten Weldoener , een kwaaddoener noemen. O! Heere Jezus, wat hebt Gij niet moeten hooren en lijden van hen, die Gij zoo getrouw hebt bijéén zoeken te vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens bijéénvergadert onder hare vleugelen ? Pilatus echter laat zich door hunne trotsche taal niet verbijsteren. Hij kent zijne menschen, hij vat argwaan op, hij doorziet hunne verlegenheid. quot;Welnu , als zij dan bleven weigeren om met hunne beschuldigingen tegen den misdadiger voor den dag te komen, zoo wijst hij hun aanzoek af en met spot en verachting voegt hij hun toe: âwanneer die mensch zulk een kwaaddoener is als gij voorgeeft, neemt gij hem dan en oordeelt hem naar uwe wetquot; Hij wil met andere woorden zeggen, vonnist en straft gij hem dan, als hij tegen uwe wet gezondigd heeft, zoo als gij zult goedvinden, ik heb dan daarmede niets te maken.
Het is ons duidelijk M. V. ! dat Pilatus hier openlijk die grootsprekers wilde vernederen. Hij, de trotsche Romein , wil zich tot geen blind werktuig van de joden doen gebruiken. Hunnen overmoed wil hij kastijden, en hen dwingen, dat zij in het openbaar hunne afhankelijkheid van hem zullen belijden.
Pilatus heeft zijn doel bereikt. Het hooge woord moet van de lippen. Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden. Het halsrecht was hun ontnomen, de scepter van Juda was begonnen te wijken, de wetgever van tusschen hunne voeten. De voorzienigheid Gods is op weg haren reeds aan-geduiden wil te volbrengen. Pilatus echter is met deze hunne vernedering en belijdenis nog niet voldaan. Standvastig blijft hij weigeren Jezus over te nemen, tot dat zij Hem beschuldigen, van het volk tot opstand verleid te
99
hebben; van het verbieden om den keizer schattingen te geven, en dat Hij zich zeiven voor den Christus, voor Koning had uitgegeven. Eerst na deze drieledige aanklacht liet Pilatus zich met de zaak in, en begint hij Jezus te verhoeren. Had Pilatus blijven weigeren den Heere Jezus over te nemen, hadden de joden met hun vonnis over Jezus uitgesproken, rechtuit voor den dag gekomen ,â hadden zij door hun hoogmoedig antwoord den landvoogd niet tegen zich ingenomen, waarlijk, dan ware Jezus niet gekruist geworden, maar vrijgelaten of met een lichtere straf gekastijd. Hoe wondervol is de raad des Heeren! Dien raad moesten de joden volvoeren.
Johannes teekent aan, opdat het woord van Jezus vervuld werd, beteekenende hoedanig een dood Hij sterven zoude. Wat had dan Jezus voorspeld? Niet alleen, dat Hij sterven zoude, maar hoedanig een' dood Hij ondergaan zoude. Hij had vooraf aan Zijne discipelen bekend gemaakt, dat hij op eene geweldadige wijze uit dit leven zoude worden weggerukt, aan een kruishout zoude sterven; dat Hij, na veroordeeld te zijn door den joodschen raad, van hen zoude overgeleverd worden in de handen der heidenen , en zulks met dit gevolg, dat Hij door eene schandelijke doodstraf ontijdig uit het leven zoude worden weggenomen.
Jezus had tot Nicodemus gezegd: dat Rij van de aarde zoude verhoogd worden , en opdat niemand die uitdrukking op Zijne verheerlijking zoude toepassen, voegde Johannes tot nadere verklaring er bij, beteekenende hoeda-nigen dood Hij sterven zoude, te weten, den dood eens opgehangenen. Hoog voor allen zoude Hij opgeheven, ten toon worden gesteld, gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd had. Duidelijk had de Heere Jezus tot de joden gezegd: wanneer gij den Zoon des menschen zult verhoogd hebben, dan zidt gij verstaan dat Ik die ben, Joh. 8 vs. 28. In Galilea zijnde , had Jezus openlijk verklaard: de Zoon des menschen zal den schriftgeleerden en overpriesters
100
overgeleverd ivorden en zij zullen Hem ter dood veroordeelen, en Hem den Heidenen overleveren, Hem bespotten, bespuwen, geeselen, kruisigen en dooden, Matth. 20 vs. 18, 19. Hoe nauwkeurig wist Jezus dus alles wat Hem zoude overkomen , en was Hij zich den dood bewust, waardoor Hij God zoude verheerliiken. Ziet! opdat dit Zijn woord vervuld werd, moesten de Joden de beliidenis afleggen: wij hebben geene macht om iemand te dooden. Ziet! M. V., hoe welberaden Jezus, Zijn lot kennende, dien dood te gemoet ging. God Zijn Vader zoude daardoor verheerliikt en liet volk', aan Hem door Zijnen Vader gegeven, daardoor gered worden. Geliik weleer de kinderen Israels , die van de vergiftige slangen gebeten waren, door geloovig op de opgerichte koperen slang te zien in het leven gespaard bleven, zoo ook zoude een iegeliik, die in Hem geloofde, met verderven , maar het eeuwige leven hebben. Zoo lang de tijd niet vervuld was, dien Hi] wist, dat door God daartoe bestemd was, ontweek Hii de listen en lagen Zijner vijanden , die Zijnen dood zochten, maar toen het de ure en de macht der duisternis was, ging Hij moedig en welberaden Zijnen vijanden te gemoet om zich vrijwillig in hunne bloeddorstige handen over te geven, ofschoon Hij hun het bewijs leverde, dat hij de Machtige bleef, als Hij zulks wilde om Zijn leven te redden. Hij wilde gehoorzaam zijn tot den dood, ja! den dood des kruises, en met kalmte voorspelde Hij, dat Hij met een doop gedoopt moest wor-den dat Hij eenen drinkbeker moest drinken, dat Hij vet -hoogd moest'worden, en alle deze uitdrukkingen beteeken-den hoedanig eenen dood Hij sterven zoude. Merkt nu met mij op, hoe al die voorzeggingen in al haren omvang door de uitkomst bevestigd zijn geworden. Wondervol bestuur Gods! hier moeten wij voor hetzelve nedervallen, en aanbidden in het stof. God had te voren alles bepaald, Jezus drong Zijne vijanden tot de vervulling geenszins door terging of wangedrag. De vijanden handelden vrijwillig
101
met vrije keuze om de woorden van Jezus te bevestigen en om dus de eer van Hem als Profeet, dien zij openlijk verwierpen en als hunnen Christus verloochenden, voor het oog der wereld te handhaven. Gods gangen zijn voorwaar in het heiligdom. Jezus woorden moesten vervuld worden. Daardoor is het bewijs voldingend geleverd, dat Hij was de Leeraar der waarheid, van God in de wereld gezonden , om als Priester Zich zeiven op te offeren voor de zonden Zijns volks, en om als Koning over hen te heerschen tot in eeuwigheid.
II. Overdenken wij nu het lijden van den Heere Jezus daar doorgestaan.
Zeer zwaar M. V., was het lijden, dat de Heere Jezus heeft ondergaan. Niet alleen dat Hij, die de weldoener van Zijn volk geweest was, hier openlijk door dat volk voor een kwaaddoener werd uitgemaakt, en als een snoode en gruwelijke booswicht door Zijn eigen volk werd uitgeroepen , maar zooverre dreef men de goddeloosheid jegens Hem, dat men openlijk Hem van misdaden durfde aanklagen, waaraan Hij ten eenenmale onschuldig was. Welk een hoon, welk een smaad deed men hier den heiligen en onschuldigen Jezus aan; en dat deden zij, die in Israël de roeping hadden ontvangen de onschuld te verdedigen en te beschermen. O ! daar zij zulks deden tegen de waarheid, doch echter onder den schijn van waarheid, hoezeer heeft de waarheidlievende ziel van Jezus daaronder moeten lijden ? Hij, die als de Zoon Gods geopenbaard was, opdat Hij de werken des duivels verbreken zoude; Hij, die in de wereld gekomen was, om het grootste kwaad, dat is de zonde, waardoor wij Gods toorn, en de eeuwige verdoemenis ons allen hebben waardig gemaakt, weg te nemen, Hij werd hier als de ergste booswicht, niet meer waardig om onder Zijn volk te wandelen, door hen uitgeworpen, en aan de
102
blinde heidenen overgeleverd. Kon er, wanneer wij al de weldaden ons voor den geest stellen, die Hij hun bewezen had, snooder en gruwelijker ondankbaarheid gepleegd worden? Zoo veel kwaad moest Hij voor zoo veel bewezen goed ondervinden, en dat nog wel van hen, die Zijne broeders en Zijn maagschap naar het vleesch waren. Te recht mocht de heilige ziel van Jezus hier klagen: Mijne erfenisse is mij geworden, als een leeuw in het woud, zij heeft hare stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik ze gehaat. In dit alles had de duivel zijne hand, om Jezus, ware het mogelijk, moedeloos te maken, dat Hij het werk der zaligheid zoude opgeven , daar Zijn eigen volk Hem als een ergen booswicht verwierp, en niets meer van Hem wilde weten. Hoe onuitsprekelijk groot moet de liefde van Christus voor Zijn volk geweest zijn, dat Hij zooveel verachting en smaad voor hen heeft willen doorstaan; zoo vele beschuldigingen zonder eenig antwoord heeft willen verdragen. Hij, die zich had kunnen redden en Zijn leven had kunnen behouden, heeft zulks niet willen doen om hen te redden, hun leven te behouden. O , wondervolle liefde ! wij kunnen haar bewonderen en aanbidden, maar bevatten kunnen wij haar niet, zij gaat onze kennis te boven. Juist om Zijn volk vrij te doen gaan in het gericht Gods, om hunnen mond daar eens met vrijmoedigheid te doen openen , stond Hij in het gericht voor Pilatus en hield Hij Zijnen mond gesloten.
Dit Zijn lijden beeft Hij geleden als hun schuld-overnemende Borg, in hunne plaats. Ziedaar wederom het heilgeheim van dit Zijn lijden. Jezus moest hier betalen, hetgeen Hij niet geroofd had. Hij verdroeg de schijnheiligheid der Joden, die zich aanstelden als of zij bevreesd waren den Sabbat te schenden, omdat Zijn volk, schuldig zoo als zij staan aan de volmaakte gehoorzaamheid van het vierde gebod des Heeren, deswegen Gods bedreigde straf verdiend hadden, en voor die schijnheiligheid, welke zij
103
menigmaal in de uitwendige vertooning om dien te heiligen aan den dag hebben gelegd , en daarbij gedurig zoo zondig en nalatig zijn in hunne voorbereiding tot des Heeren dag en Zijne heilige Sacramenten, die zij beiliglijk hadden waar te nemen, daar hunne roeping is: heiligt u en komt met Mij ten offer. Wie M. V., die bij Geestes licht zijn hart voor God op zijne wegen stelt, zal niet van al zijne uitwendige, geestelooze, hartelooze voorbereidingen moeten belijden , onrein onrein, zijn zij! Jezus droeg hier de schuld Zijns volks en verwierf hier door Zijne gehoorzaamheid voor hen die genade, dat de wet Gods in hunne harten wordt ingeschreven, en dat zij lust ontvangen om naar alle Gods geboden te leven , en inzonderheid ook, dat zij het rechte en ware Pascha in het geloof eten mochten, en dat zonder zuurdeesem der kwaadheid en boosheid in de ongezuurde brooden der oprechtheid en waarheid, 1 Cor. 5. vs. 7. Hier verwierf Jezus voor hen, dat zij alle schijnheiligheid in zichzelven en in anderen afkeuren en verfoeien, en tot nergens meer lust en begeerte hebben, dan om in alles oprecht en rein door Jezus gemaakt te worden. Dat toch is de grondkeuze van dat leven, door Zijn lijden en sterven voor hen verworven, door den Heiligen Geest in hunne levendmaking uit den dood van zonden en misdaden in hen opgewekt; en hunne smart en droefheid blijft het, wanneer zij dat in zich niet ontdekken.
Jezus Christus heeft het moeten lijden, dat de hei-densche rechter het vraagt: Welke beschuldigingen brengt gij in tegen dezen mensch f Omdat tegen Zijn volk met alle recht zoo vele beschuldigers zouden kunnen optreden: hun eigen geweten , de Wet, het Evangelie en de vorst der duis-ternie. De beschuldigers behoeven niet gezocht of gevraagd te worden, die staan gedurig voor God om hen te beschuldigen , en daarom moest Hij, in wien nimmer schuld gevonden is, hier in hunne plaats er na gevraagd worden, om voor hunne schulden te betalen, daar zijn tienduizend
104
talenten schuldig waren, en niets hadden om op die schuld af te doen. Ja! om ook hier voor hen te verwerven, dat hnnne rechtvaardige beschuldigers van God veroordeeld, en zij vrijgesproken zouden worden. Ja! dat zij getuigen zonden: zoo is er dan nu geene verdoemenis meer! Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? Rom. 8. Jezus verwierf hier voor de geloovigen , dat hun lijden geheiligd wordt, wanneer zij zoo dikwerf in de wereld, wanneer zij getrouw mogen zijn in hunne belijdenis, door eene wereld, die in het booze ligt, worden beschuldigd , gesmaad en gelasterd. Ja! dat zij ook nog wel eens uit het hart bidden mogen , om kracht en genade te mogen ontvangen, om den naasten hunne schulden te || vergeven en de verhooring van dit gebed mogen verkrijgen
in de levendige bewustheid, dat al hunne schulden om Jezus wil vergeven zijn, en dat in het smaken van dien vrede, die alle verstand te boven gaat, in dat bevredigd te zijn met God , en met alle schepselen. O ! dan genieten zij volop de vrucht van dat borgtochtelijk lijden van Christus in hunne plaats.
Christus is voor een kwaaddoener uitgemaakt, en dat Hij, die nooit kwaad gedaan heeft, en op Wiens lippen geen bedrog geweest is, en dat, omdat dat volk, hetwelk Hij zalig maakt van hunne zonden , zulke kwaaddoeners zijn tegen den Heere, hunne naasten en zich zeiven. Van nature is het een ondankbaar en hardnekkig volk, dat den Heere kwaad voor goed vergeldt; een geslacht van boosdoeners, allen zijn zij afgewerken, niemand is onder hen, die goed doet, ook niet tot eén toe, in ongerechtigheid geboren en in zonden ontvangen; boos is het gedichtsel van het hart, zelfs van hunne jeugd aan. O ! wat al kwaad hebben zij gedaan , en doen zij nog gedurig. Hier heeft Jezus in hunne plaats willen lijden, dat Hij met zooveel verachting voor een kwaaddoener werd aangewezen, om als hun Borg te betalen voor al hun
j
105
kwaaddoen, en voor hen te verwerven, dat zij nimmermeer in het gericht Gods als kwaaddoeners zouden worden veroordeeld. God ziet hen, die als walgelijk vertreden in hun bloed op de vlakte des velds liggen, en van wege hun kwaaddoen op duizend niet één kunnen antwoorden, in Christus als volkomen volmaakt gerechtvaardigden aan , en Hij doet hun niets als goed, uit kracht van Jezus gerechtigheid. Dat is het eeuwige wonder van vrije genade, waaronder zij, als zij de vrucht er van in hunne zielen genieten mogen, in bewondering en aanbidding wegzinken. Wanneer zij dat ondervinden mogen, is hunne ziel vertee-derd en verootmoedigd. Dan hebben zij behoefte om al dat onverdiende goede te erkennen , en kan het zulk eene zielsbe-hoefte en zielsbegeerte uitmaken , om er den Heere voor te danken. Dat voor zulke kwaaddoeners ! dat is en blijft hun een wonder. Nimmermeer dan in die oogenblikken, wordt de afschuw van kwaad te doen sterker gevoeld, en de behoefte erkend, om door 's Heeren genade niet alleen reinigende , maar ook heiligende genade te ontvangen. Ja! die tijd kan dan wel eens met zulk een hijgend verlangen te gemoet gezien worden, dat hij ontdaan van het lichaam der zonde en des doods (want daardoor is en blijft hij steeds een kwaaddoener) zal opgenomen worden in heerlijkheid, om God drie-eenig zonder kwaaddoen te danken, groot te maken en te verheerlijken. Begonnen de Joden Jezus hef-tiglijk te beschuldigen, o! de Heere Jezus moest ook dit als de Zoenborg zijns volks doorstaan, dat Hij stond als een gedaagde voor Zijnen rechter, en dat wel voor een heiden, om te verwerven, dat de Heidenen Zijn erfdeel wierden, en de einden der aarde Zijne bezitting, Ps. 2 , en opdat eens aan ai de heftige beschuldigers tegen Zijn volk het stilzwijgen zoude worden opgelegd en zij beschaamd, om Jezus wil, in het gericht Gods zouden worden afgewezen. Jezus verwierf hier voor hen, dat zij aan deze zijde des grafs, als gedaagden met het vonnis des doods in hunne
106
harten voor God zouden komen en met den Tollenaar uitroepen : O God ! weest ons zondaars genadig! Mogen wij gerechtvaardigd wederkeeren naar ons huis , dan verstaan wi] eerst, als vrucht van dat lijden van Christus als Borg in onze plaats, die uitspraak : wij dan gerechtvaardigd zijnde uit den geloove, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus, Rom. 5 vs. 1. Ja! dan zijn er oogen-blikken, dat wij met het hart gelooven en met den mond belijden: wij zullen in den oordeelsdag door den Rechter van hemel en van aarde worden vrijgesproken, en uit Jezus mond hooren: Gaat in, in het Koningrijk uws Vaders! Dan springen onze zielen in ons op van vreugde, dan is dat eeuwig vrij te gaan in het gericht Gods onze geloofs-verwachting, en betuigen wij: dat wij U, o God! en U, dierbare Jezus! en U, Heilige Geest! eeuwig zonder zonden en schulden eens zullen dienen en verheerlijken in verzadiging van vreugde. Drie-eenige God! het zal zijn door U, door U alleen , naar het eeuwig welbehagen ! Wat is het geluk dergenen groot, die in den geloove vereenigd met den lijdenden Christus, uit Hem hun leven genieten tot heiligmaking !
Geheel dat lijden van den Heere Jezus, M. V.! was duidelijk van Hem als den Messias voorspeld. Die mijne ziel zoeken, leggen mij strikken en die mij kwaaddoen spreken verderving en zij overdenken den ganschen dag listen , aldus profeeterde David van Hem , Ps. 38 vs. 13. Wat roemt gij u in het kwaad, o gij geweldige ? Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag. Uwe tong denkt enkel schade, als een geslepen scheermes werkende bedrog. Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen dan gerechtigheid te spreken, Sela! Gij hebt lief alle woorden van verslinding en eene tong des bedrogs , Ps. 52 vs. 3â6. O God mijns lofs! zwijg niet, want de mond der goddeloozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan , zij hebben met mij gesproken met eene valsche
107
tong, en met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld : ja zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. Voor mijne liefde stellen zij zich tegen mij, Ps. 109 vs. 1â4. Waarlijk hier wederom wierd het in vollen nadruk bevestigd: de Heere liet al onze ongerechtigheden op Hem aanloopen, de straf, die ons den vrede aanbrengt was op Hem ; daarom liet Jezus zich uit liefde voor Zijn volk, van de vuilste ongerechtigheden beschuldigen, als een kwaaddoener voor Pilatus stellen, om hun Verlosser te zijn.
Ps. 38 vs. 17.
Heeft de Heere Jezus ook voor ons dat lijden geleden ? Dan M. V., zullen wij bekend moeten geworden zijn met de arglistigheid en schijnheiligheid onzer zondige en bedorvene harten, ons zelven als kwaad- en boosdoeners voor God hebben leeren kennen, ons zelven bij God deswege hebben moeten beschuldigen en aanklagen, en dat het onze zouden geweest zijn, die den Heere Jezus dat lijden hebben aangedaan. Maar ik vrees helaas ! dat er menigeen onder ons gevonden wordt, die nog onbekend is gebleven met de diepe verdorvenheid zijns harten. Wanneer wij oppervlakkig die handelwijze der Joden gadeslaan, en hunne schijnheiligheid en uitwendige geveinsdheid, dan komt ons gevoel daar tegen op, en te recht keuren wij zulk een gedrag af. Maar als wij oogen ontvangen mogen om naar binnen te zien, zijn wij in den grond der zaak dan wel beter dan die Joden ? Wij kunnen zoo nauw van geweten zijn om uitwendig ons godsdienstig te betoonen voor het oog der wereld, ja zelfs ijveren om onder de eerste voorstanders te zijn van uitwendigen godsdienst en zedelijkheid, en ons daarbij weinig bekommeren en verontrusten hoe het in ons binnenste voor God gesteld is. Wij zijn er waarlijk niet te goed toe , om te trachten door uitwendige heiligheid onze rekening met God te vereffenen, en schotels voor Gods aangezicht te brengen , die wij uitwendig schoon
108
en zuiver houden, niRar van binnen vol roof en gulzigheid zijn. Dat eigengerechtige beginsel in ons is zoo groot. En al zijn wij ook zoo overdreven niet, dat wij meenen onze schuld met dat uitwendige te kunnen afbetalen, nochtans beschouwen wij het toch als afkortingen op onze openstaande rekening bij God. Daarom hoort gij den natuurlijken mensch spreken van tekortkomingen, maar geenszins van verlorenheid en volslagene onmacht, om iets op zijne groote schuld af te betalen, en tekortkoming veronderstelt immers altijd dat men iets, hoe gering het dan ook zijn moge, afdoet. Zal het noodig zijn u te herinneren, dat God den geheelen mensch wil hebben en geen gedeelte van hem, dat God niet te vreden gesteld kan worden met de verbetering van den ouden mensch; dat wij jammerlijk zullen teleurgesteld worden, indien wij meenen, dat de waarachtige bekeering eens zondaars bestaat in enkel uitwendige godsdienstige daden. Ik veronderstel, dat gij zulks weten zult, ofschoon wij menschen, zoo lang wij niet waarlijk door den Heiligen Geest van zonde, gerechtigheid en oordeel overtuigd zijn geworden, zulks in de praktijk van ons leven verloochenen. Maar ik vrees, dat er ook nog onder ons zijn, die den Joden niets toegeven in hunne verschrikkelijke schijnheiligheid en huichelarij wat het godsdienstige betreft, en heimelijk allerlei zonden en gruwelen plegen. Wie weet of deze Joden niet nog eens in het gericht Gods tegen velen van onze zoogenaamde Christenen zullen opstaan, en wien het dragelijker zal zijn in den oordeelsdag dan dezulken, die uitwendig den schijn van godsdienst aannemen, maar onder de openbare of heimelijke spotters met God en Zijn dienst in geest en in waarheid moeten gesteld worden. O! beve een iegelijk voor zulk een bestaan, eenmaal zal het ontdekt worden, wie weet of het niet reeds in dit leven zal geschieden; want God moge dikwerf niet meer hoorbaar spreken op aarde, Hij wil nog wel eens zichtbaar wreken; maar eens zal God zekerlijk
109
spotten als derzulken vreeze daar zal zijn en lachen in hun verderf. De verwachting des huichelaars zal vergaan. Mocht een iegelijk onzer inkeeren tot zich zeiven, want het hooze zaad der geveinsdheid ligt in de harten van ons allen. Indien het zich niet ontwikkelt en welig opschiet, het is omdat God zulks verhoedt. O! mocht het ons allen bij aan- en voortgang uitdrijven tot het gebed: Heere ! schep ons een rein hart, en vernieuw in het binnenste van ons eenen vasten geest. Wij hebben harten van binnen voor God stinkende van eigengerechtigheid, hoogmoed, haat en nijdigheid. Die bij Geestes licht er mede bekend geworden is, weet dat hij er waarlijk niet te goed toe is God en zijne medemenschen te bedriegen. Daarom mag het somwijlen , als zij dit recht zien mogen, wel eens door genade hunne bede zijn : Heere ! verlos van ons zeiven , en maakt het hunne vrees gedurig uit, dat zij nog als schijnheiligen zullen ontdekt worden , en de ware zaak , waarop het alleen bij God zal aankomen, de wedergeboorte , missen.
Jezus werd hier als kwaaddoener voorgesteld. Zoo Hij dat niet voor ons, in onze plaats, als borg geleden heeft, dan zullen wij eens voor eigene rekening als boos-en kwaaddoeners voor God gesteld, en verstoeten worden van Gods aangezicht en uit Zijnen mond vernemen: âgaat weg van mij gij vervloekten in bet eeuwige vuur, 't welk den duivel en zijnen engelen bereid is. O ! verschrikkelijk is het lot, dat u wacht, die nog geen deel aan den Heere Jezus in waarheid bezit. Hier in Zijn lijden kunt gij zien, wat uwe verwachting zal zijn. Vraagt gij, och! of gij het doen mocht: wat raad is er nog voor ons ? In u zeiven is geen raad, gij kunt tot uwe redding niets doen, gij zijt niet in staat om den toorn Gods , die op u ligt, en het oordeel der verdoemenis, hetwelk tegen u is uitgesproken, te niet te doen. Ziet van alle zelfredding en zelfhulp af, werpt u voor God neder en bidt Hem, dat Hij Zijne vrije genade nog aan u in Christus moge verheerlijken. Wij
110
vermogen niets dan u den eisch Gods te brengen: bekeert u en gelooft in den Heere Jezus Christus. Mocht God dat woord door den Heiligen Geest aan uwe zielen zegenen, zoodat gij als kwaaddoeners uwen toevlucht nemen mocht tot het kruis van Christus. Zijn bloed alleen reinigt van alle zonden. Haast u, behoudt u om uws levens wil, nog is voor u het heden der genade !
Zijn er onder u, M. V., die gelooven dat gij deel hebt aan dat lijden van Jezus. Mag ik u vragen waarop grondt zich dit uw geloof? Ik hoop toch niet op die uitwendige belijdenis, dat gij een zondaar zijt, en Jezus Christus geleden heeft en gestorven is om de wereld, en dus ook om u die daartoe behoort, zalig te maken. Meenende in te gaan en eens niet te kunnen, zoude dat niet verschrikkelijk zijn ? Onderzoeke dan een iegelijk onzer zich 'voor God, of hij zich in waarheid als een schuldige, een ellendige, een verlorene , een geveinsde, een boos- en kwaaddoener voor God heeft leeren kennen. Al bewaarde God ons ook voor de uitwendige uitbarstingen der goddeloosheid, het hart is onrein en diep bedorven, dat moet niet verbeterd maar vernieuwd worden en als Jezus voor ons dat lijden heeft geleden, dan past Hij deze Zijne verdiensten ook op ons toe, in de waarachtige bekeering tot God. Indien zulks geschiedt, leeren wij ons zeiven als red- en radelooze zondaars voor God kennen, leeren wij vluchten en vlieden tot het kruis van Christus, en met den tollenaar op onze borst te slaan, en van verre staande de oogen niet durvende opheffen, te bidden: o! God wees met ons verzoend ! zijt ons genadig! Indien er door genade geene onberouwelijke keuze tot God en Jezus, Zijn volk en Zijne waarheid is gekomen, geene afscheiding van de wereld , den duivel en de zonde, geen ernstig vragen en zoeken, ook in het verborgene en eenzame voor God, geen worstelen met God tot dat wij Jezus gevonden hebben, in één woord geene werkzaamheden van dat inwendige geestlijke leven, hetwelk in ons opgewekt wordt, wanneer God ons
Ill
doet opstaan uit den dood van zonden en misdaden, waarin wij nederliggen, dan is de godsdienst, hoe schoon uitwendig ook , niets dan een kleed , waarmede onze vuilheid en onreinheid voor het oog der wereld bedekt is. God heeft lust aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste. Doorgronde God ons dus, Hij zie of er bij ons een schadelijke weg is. Hij beware ons voor het zoo gevaarvolle zelfbedrog der zonde. Wij moeten arme en ellendige zondaars in ons zeiven worden, voor zulken alleen is de lijdende Immanuël onmisbaar en noodzakelijk.
Zijn er onder ons, die bij zichzelven zeggen: wij hebben zekerlijk nog geen deel aan dat lijden, dat kunnen wij niet gelooven, wij hebben zoo vele zonden, die zich aan ons vertoonen als afgronden om in weg te zinken. Wij zijn zulke geveinsden en schijnheiligen, zulke verbrekers van onze beloften; wij kunnen niet bidden , wij durven niet eens bidden. Waren wij de voorwerpen, voor welken de Heere Jezus geleden heeft en gestorven is, wij zouden Hem meer lief hebben; zoo onverschillig en lusteloos niet zijn: wij zouden zoo gebonden niet meer zijn aan de dingen dezer wereld; wij zouden geheel anders moeten zijn als wij ons nu bevinden. Ja, het is ggen wonder, dat als God is de vrijspreker, en wij de beschuldigers voor Hem worden, de duivel een lasteraar is, en alles inspant om zielen van Jezus af te houden, en hen wijst op dingen, die wel den angst en de vrees om verloren te gaan vermeerderen , maar nimmer waarachtige vertroosting aanbrengen. De duivel is listig, hij heeft een sterken bondgenoot in ons eigengerechtig en werkheilig hart; tegen dat omniet gezaligd worden, alleen uit vrije genade door de verlossing die in Christus Jezus is, daar staat onze natuur zoo vijandig tegenover. Onder-tusschen M. V.! zoo gij u zeiven als schuldigen voor God hebt leeren kennen, als geveinsden, als degenen die door uwe zonden Jezus dat lijden hebt aangedaan, o! dan kent gij ook bittere smart en droefheid over uwe zonden, dan
112
verschoont gij ze niet, dan belijdt gij ze voor God, dan billijkt en rechtvaardigt gij God in Zijne oordeelen, dan is het gebed de ademtocht uwer zielen geworden, en is het u om niemand buiten den Heere Jezus te doen, en gij kunt niet te vreden zijn, tenzij gij Hem gevonden hebt. Doorbrekend licht en genade hebt gij noodig, om te zien, dat Jezus juist zulke voorwerpen, als gij u leert kennen in zonden en ongerechtigheid, genadig wil zijn. Och, dat uwe oogen, die nu slechts zien op uwe zonden en uwe diepe ellende door de zonde, zien mochten op Zijn kruis, inzien mochten het heilgeheim der verlossing. Hij heeft alles alléén geleden en gedragen om de verzoening van Zijn volk met God te weeg te brengen. Nu is het eene groote genade u onder dat volk te mogen tellen, en rekenschap te kunnen afleggen, van de hope die in u is, maar nu is dat niet minder genade, als gij u als ellendigen hebbende leeren kennen, aan Zijne voeten moogt blijven liggen, totdat Hij zelf tot uwe zielen spreekt: âweest welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.quot; O! als gij nu maar hoe langer hoe meer met uwe zonden en schulden, met uw boos en geveinsd hart moogt bekend gemaakt worden, en van alle gronden in u zeiven moogt worden afgebracht, dan zal Hij gewisselijk komen en niet achterblijven, maar niet op uwen maar op Zijnen tijd. Komt allen, vermoeiden en belasten tot Hem, Hij zal u ruste geven!
Kinderen Gods! voor u heeft Jezus hier voor Pilatus willen staan, opdat gij zoudt vrijgaan in het gericht Gods. Om voor uwe geveinsdheid te betalen, leed hier uw Zoenborg; omdat er tegen u zoovele beschuldigers zouden kunnen opkomen, liet Hij zich beschuldigen. Daarmede heeft Hij verworven, dat Hij als de Christus, door het geloof in uwe harten zoude wonen, en dat Hij door Zijnen Geest zich daarin als Profeet, Priester en Koning zoude openbaren, en gij Hem als den zoodanigen niet alleen in het geloof zoudt aanschouwen, maar ook gebruik van Hem
113
zoudt maken. Nu is uwe roeping; gelijk gij Christus Jezus den Heere hebt aangenomen, wandelt alzoo in Hem. Als ellendigen in u zeiven immers zijt gij tot Hem gebracht , en hoe meer gij u als ellendigen kennen moogt, des te meer behoefte zal er door genade in uwe zielen worden opgewekt, om af te zien van u zeiven , en geloo-vig te zien op Hem, zonde voor u gemaakt, opdat gij zoudt zijn rechtvaardigheid Gods in Hem. O! mocht gij uwen Jezus geen oogenblik kunnen missen, mocht Hij u, die gelooft, en wien Hij dierbaar geworden is, hoe langer hoe dierbaarder en onmisbaarder zoo in en tot alles worden. Die oogenblikken , waarin het u vergund wordt in te zien in het heilgeheim uwer eeuwige verlossing, zijn zoo zalig, zoo onvergetelijk , zoodat gij dan wel eens betuigen moogt, dat uwe zielen huppelen van zielevreugd. De vrucht voor uwe zielen is dan bewondering, wegzinking en aanbidding , en het blijde vooruitzicht, dat gij Hem eens eeuwig zonder schuld zult dienen en verheerlijken in verzadiging van vreugde. Maar uwen weg door dit leven zal ook gelijkvormig moeten zijn, en meer en meer moeten worden aan dien weg, dien Hij voor u bewandeld heeft, en waarin gij geroepen wordt Hem te volgen. Gij zult ook door vele verdrukkingen het Koningrijk der hemelen moeten ingaan. Gij kunt er staat op maken, dat gij gedurig met uwe zonden in het gericht voor God zult moeten komen, en dat uit- en inwendig vele beschuldigingen tegen u zullen worden ingebracht. Maar dat zal uw zalig voorrecht zijn, als gij in den geloove Jezus als uwen voorspraak moogt bezitten, en uwe beschuldigers zult mogen wijzen op uwen Borg, die voor u genoeg heeft gedaan. Gij blijft in u zeiven boos- en kwaaddoeners, tot hinken, zinken en afdwalingen elk oogenblik gereed , maar gij zult er niet in leven kunnen, telkens zullen uwe zonden u uitdrijven tot Hem , die altijd leeft om voor u te bidden. O , geve God u die genade, dat gij hoe langer hoe meer u zelf en uwe
8
114
zonden voor God moogt aanklagen, dat zal u nauw, zeer nauw voor Hem doen leven, die u gekocht heeft met Zijn bloed! Mocht gij u om niets zoo zeer bekommeren, dan om maar in Jezus te blijven , gestaag af te zien van zelf-werken, en om van uwe vuile, eigene gerechtigheid gereinigd te worden. Er is niets veiliger en zaliger voor u, als dat stil en gerust blijven in uwen Jezus, dat geloo-vig zien op Zijn lijden en Zijn kruis. Wanneer God u veel die genade door den H. Geest schenkt, zult gij in het licht van 's Heeren aanschijn wandelen, vrijmoedigheid voor Hem hebben, en van Hem niet beschaamd worden in Zijne toekomst. Heden of morgen, eerlang zeker, breekt dat tijdstip voor u aan, dat gij met al de verlosten, naar de innige lust en begeerte uwer zielen, uwen Jezus zult groot maken en verheerlijken, dan zonder zonden en gebrek. Versterkt dan uwe harten, want de toekomst des Heeren genaakt. Amen.
Ps. 16 vs. 6.
CHRISTUS EEN KONING.
LEERREDE VI
OVEK
JOHANNES XVIII vs. 33â38a.
VOORZANG Ps. 39 vs. 7â8.
Genade, vrede en barmhartigheidschenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christies, door den Heiligen Geest. Amen.
Jezus Christus, M. V., heeft onder Pontius Pilatus eene goede belijdenis afgelegd. Hij heeft openlijk betuigd een Koning te zijn, die een koningrijk bezit, maar niet van deze wereld, Wiens onderdanen gekenmerkt zouden zijn door eene geboorte uit de waarheid. Eene hoogst gewichtige en dierbare belijdenis is zij, te recht mag zij eene goede belijdenis genoemd worden. Daarin heeft Jezus getoond dat Hij diegene was, die door God gezalfd was geworden als Koning over den berg Zijner heiligheid. Juist op dien machtigen grondpilaar rust het geloof van Zijne zoo duur gekochte gemeente; omdat Jezus haar almachtige Koning is zullen de poorten der helle haar niet overweldi-
116
gen. Omdat Zijn rijk niet van de wereld is, kan het met de wereld niet vergaan, omdat Zijne onderdanen uit de waarheid zijn, en Hij, hun Koning, de waarheid zelve is, daarom kunnen zij niet verloren gaan in eeuwigheid. Heden worden wij geroepen om dit gewichtige gedeelte der lijdensgeschiedenis te overdenken. Och! dat die Koning der eere zich aan de harten van ons allen mocht openbaren. Zoeken wij eerst met en voor elkander het aangezicht van den Koning der koningen in het gebed! â
Joli. 18 vs. 33- 38a.
Welke beschuldiging brengt gij in tegen dezen Mensch ? aldus had Pilatus tot de joden gesproken. Nu komen zij met eene drieledige overtreding tegen Jezus voor den dag. Wij hebben bevonden, zeggen zij, dat deze het volk verkeert, dat Hij verbiedt den keizer schatting te geven, dat Hij gezegd heeft de Christus, een koning te zijn. Zoo werd er misschien nimmer gelogen en gelasterd. Ontweek de Heere Jezus niet telkens de menigte, als deze, vervoerd door den indruk die Zijne wonderen op haar maakte, Hem als haren Koning wilde verheffen ? Predikte Hij dan niet openlijk : God te geven wat Godes , en den keizer wat des keizers was ? Was het niet kennelijk overal, dat, daar waar men aan Zijne leer gehoor gaf, vrede en rust heerscbte ? Met sluwheid zagen Zijne vijanden in, dat de misdaden , waarvan zij Jezus moesten beschuldigen, geene godsdienstige maar eene burgerlijke strekking moesten hebben , indien Pilatus zich deze zoude aantrekken. Welnu, zij bereiken onder Gods aanbiddelijk bestuur hun doel. De landvoogd acht de laatste beschuldiging, dat Jezus zich voor een koning der Joden had uitgegeven, de voornaamste. Was zulks de waarheid, dan volgde daaruit, dat Jezus het volk van de onderwerping aan den keizer
117
had zoeken af te trekken, en het aangespoord had hem schatting te weigeren ; zonder de Joden naar bewijzen voor hunne aanklacht te vragen, wendt hij zich dadelijk tot Jezus , en vraagt Hem eenvoudig: Zijt Gij de koning der joden ? De Heere is dadelijk met Zijn antwoord gereed. Gij zegt het. De toon en de wijze , waarop Jezus deze woorden uitspreekt, wekken de belangstellende nieuwsgierigheid van Zijnen rechter, om Hem nader daarover te hooren. Heden wenschte ik zulks met u te overdenken. Welaan, bepalen wij onze aandacht :
I. Bij de samenspraak van Pilatus met Jezus, die hier als beschuldigde voor hem stond.
II. Bij het lijden van den Heere Jezus hier doorgestaan. III. Eindigen wij dan met de toepassing.
Geve God, de Heilige God, ons allen de goede belijdenis van Jezus voor Pilatus hier afgelegd, recht op te merken en te verstaan , tot nut en heil voor onze zielen.
I. Letten wij op de samenspraak van Pilatus met Jezus, die hier als beschuldigde voor hem stond.
Zijt gij de koning der joden ? aldus vraagt hem Pilatus in aller tegenwoordigheid. Kort, bescheiden en krachtig zegt Jezus: Ja! Ik ben de koning der joden. De landvoogd is verbaasd. De joden echter grijpen deze gelegenheid aan om met vele woorden hunne beschuldiging te herhalen , en met dubbele woede zich op Zijne eigene belijdenis te beroepen , Mark. 15 vs. 3. Ja! wie kan het ons zeggen, wat zij nu al tegen Jezus inbrachten? Jezus ondertusschen bewaarde het stilzwijgen. Pilatus wenscht te vergeefs dat de beschuldigde, al ware het slechts één woord, Zijnen beschuldigers zoude laten hooren. Maar Jezus bleef zwijgen. Antwoordt Gij niets tegen zoo vele beschuldigingen? Hoort Gij niet, hoevele dingen zij U ten laste leggen ? Zoo vraagde Pilatus, maar Jezus
118
deed Zijnen mond niet open , wel wetende dat Zijne verdediging niet meer noodig was; en zelfs vruchteloos zoude wezen. Nu gaat de stadhouder nadenkend terug in het rechthuis, en beveelt dat men Jezus voor hem brenge. Hij wil tusschen vier oogen met den aangeklaagde spreken , opdat Jezus des te vrijmoediger Zijne ondervraging zoude beantwoorden. Jezus wordt dan ook voor hem gebracht, en nu begint de stadhouder zijn verhoor met de vraag: Zijt Gij de koning der joden'? Het is alsof hij zeggen wilde: zijt Gij diegene , die zulke gedachten van u zeiven koestert ? Pilatus wist, dat de joden een Verlosser, een Messias van Davids geslacht wachtende waren. Meermalen had hij zekerlijk van Jezus en Zijne daden gehoord, en daar nu zijn natuurlijk oog aan Jezus niets koninklijks zag, kon hij zich niet voorstellen , dat Jezus zou volhouden, dat Hij een koning was. Wij mogen veronderstellen , dat hij gehoopt zal hebben uit den mond van Jezus een ontkennend antwoord te mogen hooren, dan kan hij de gehate joden met hunne aanklacht afwijzen, want daar was in zijn binnenste eene stem die bem zeide : Jezus is onschuldig. Jezus echter bewijst hem dien gewenschten dienst niet. Hij, die tot nu toe gezwegen had, begint Zijn antwoord met een tegenvraag , want Hij wil weten in welk een zin Pilatus Zijn koningschap verstond. âZeyt gij dit van u zeiven ? of hebben het u anderen van Mij gezegd ?quot; In die woorden lag iets diep beschamends. Uit u zeiven , wilde Jezus zeggen, vraagt gij Mij dit zekerlijk niet, want als landvoogd had hij uit de woorden en daden van Jezus nimmer vernomen dat Hij zich als een koning opwierp. Hij was immers niet als een oproermaker bij hem bekend geworden. Hadden het anderen van Jezus gezegd; waar, wilde Jezus dan zeggen, zijn mijne beschuldigers ? Deze behoorden dan volgens de wet in het gericht tegen over Hem te staan. De rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw , zoo lezen wij in de Schrift, zoo betoonde zich Jezus hier. Hij brengt Pilatus vrijmoedig onder het oog, dat hij als rechter van het pad der geregtigheid afweek, om
119
de bloote beschuldigingen der Joden, zonder bewijzen gestaafd , aan te nemen , en het óp de uitspraak van den beschuldigde te doen aankomen, hetgene met getuigen moest worden goedgemaakt. In deze vraag lag ook opgesloten , hebt gij er voor u zeiven belang bij om te weten of Ik, en in welken zin, Ik een koning hen ? O ! M. V., als Pilatus deze vraag bevestigend voor zichzelven had kunnen beantwoorden , hoe gezegend zoude die ure voor hem geweest zijn. Jezus zoude zichzelven aan hem geopenbaard hebben , en hij een onderdaan Zijns koningrijks geworden zijn, maar helaas! nu bleef het verborgen voor zijne oogen. Daar was geen vragen om Jezus voor zichzelven recht te kennen, omdat hij geene zondaarsbehoefte kende ; zoolang de mensch die mist, heeft de Heere Jezus geene gedaante of heerlijkheid voor hem, dat hij Hem zoude begeeren. quot;Wie weet hoe velen onder onze zoogenaamde Christenen daarin nog dien blinden heiden gelijk zijn, dat zij allerlei ijdele en nieuwsgierige vragen, en nog nimmer eene heilzoekende vraag gedaan hebben ? In het paleis van Kajaphas zoude mogelijk op deze vraag van Jezus een gerechtsdienaar met een slag in Zijn heilig aangezicht geantwoord hebben, maar hier geschiedde aan Hem geen leed. Wel gevoelde Pilatus zich eenigzins beleedigd, gelijk blijkt uit zijn antwoord : ben ik een Jood ? alsof hij wilde zeggen : wat gaat mij uw Joodsche koning aan; meent gij dat ik eenige waarde aan uwe Joodsche verwachting hecht of mij daaraan laat gelegen leggen ? Zoo sprak hij in zijne blindheid. Hij wist niet dat die Verlosser ook een licht zoude zijn tot verlichting der Heidenen en dat zij den Messias der Joden zouden dienen en hunne koningen Hem hulde bewijzen , Ps. 72.
Met romeinschen trots liet hij op die woorden hen ik een jood f volgen: üw volk en de overpriesters hehhen U aan mij overgeleverd, ivat heht Gij gedaan. Pilatus erkent hier dus openlijk, dat de beschuldiging tegen Jezus ingebracht, valsch was, dat Jezus geen oproermaker was , dat hem als
120
landvoogd daarvan niets bekend was geworden. Daar nu echter Zijne eigene volksgenooten Hem aan Pilatus hadden overgeleverd , veronderstelt hij toch dat Jezus iets zal gedaan hebben, waardoor zij Hem zulk een bitteren haat toedragen. Dit nu wenscht hij van Jezus te weten.
Jezus heeft dan ook op zijne vraag dadelijk een antwoord gereed, hetwelk wij verheven en onnavolgbaar mogen noemen , waardoor de beschuldiging der joden , dat Hij verklaard zoude hebben de Christus, hun koning te zijn, in het rechte licht wordt gesteld. Hij antwoordde: Mijn koningrijk is niet van deze wereld. Jezus eigent zich dus een Koningrijk toe, hetwelk Hij met het volste recht, het zijne konde noemen, want het was Hem van God Zijnen Vader , Wien alles toe behoort, verordineerd en geschonken geworden. Hij was tot koning over Sion, de berg van Gods heiligheid, gezalfd geworden. Niemand zoude Hem dat rijk kunnen ontrukken of ontweldigen. Waarom woeden de Heidenen en bedenken de volken ijdelheid? Waarom stellen zich de koningen der aarde op en beraadslagen de vorsten te zamen tegen den Heere en Zijnen Gezalfde ? Gij zult ze in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Erkennende dus, dat Hij koninklijke rechten bezat, wilde Hij den landvoogd doen begrijpen, dat Rome van zijne heerschappij niets had te duchten. Zijn koningrijk tras niet van deze wereld, daarom behoefde Pilatus voor hem niet te vreezen. Zijn Koningrijk was een koningrijk der Hemelen. Hij, de Koning van dat rijk , was arm en nederig, een knecht die diende, daar wereldsche koningen met luister en rijkdom omgeven zijn en gediend worden. Ja! ook Hij had onderdanen , maar de meesten van hen zouden armen en verachten in deze wereld zijn, maar allen uit God geboren, enkel begenadigden in Hem, terwijl de onderdanen van de rijken dezer wereld uit allerhande menschen, zoowel kwaden als goeden bestaan. Zijn rijk had niet, gelijk de rijken dezer wereld , zijnen oorsprong uit de menschen , maar uit God , die in den eeuwigen raad des vredes, eer er nog een wereld bestond,
121
het den Zoon reeds verordineerd had. Dadelijk na den val in het Paradijs was het geopenbaard en opgericht, en het was niet gelijk de rijken dezer wereld beperkt binnen grenzen, maar zoude zich onbepaald uitstrekken over de gansche wereld. God zou den Zoon de einden der aarde geven tot Zijne bezitting en Hij zou heerschen van de zee en van de rivieren tot aan de einden der aarde, en bevatten de armen, kran-ken , zwakken en ellendigen, die nochtans rijk , gezond , sterk en heerlijk zijn in hunnen Koning. Hij, hun Koning, zou niet zitten op een aardscben troon gelijk de koningen dezer wereld, maar op eenen hemelschen troon aan de rechterhand Zijns Vaders. Geen scepter van goud of zilver zoude Hij zwaai-jen gelijk de koningen dezer aarde, maar Zijne onderdanen zoude Hij regeeren door Zijn woord en door Zijnen Geest, met den scepter der gerechtigheid. De goederen van dit Zijn rijk zijn niet gelijk die der aardsche rijken , alleen voor het vleesch , maar geestelijk , rechtvaardigheid , vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. Zijne onderdanen behoeven Hem geene schatting op te brengen, gelijk de koningen dezer wereld van de hunnen eischen, maar, daar Hij de herder is van Zijn volk, zal hun niets ontbreken. Wereldscbe rijken hebben sterkten en bemuurde steden noodig, en slechts lichamelijke vijanden, maar buiten Jezus behoeven de onderdanen van Zijn rijk geenen burgt, want Zijn naam is hun een vaste burgt, de rechtvaardige loopt er henen en wordt behouden. Buiten Hem behoeven zij geene wapenen, want Hij zelf strijdt voor Zijne onderdanen. Zij zijn sterk in Hem, hunnen Heere, en in de macht Zijner sterkte. Hij is rondom hen een vurige muur en zij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden , tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld , tegen de duisternis dezer eeuw , tegen de geestelijke boosheden in de lucht. De wapenen des krijgs Zijner onderdanen zijn niet gelijk die der wereld vleesche-lijk , maar geestelijk , krachtig door God tot nederwerping der sterkten, âMijn koningrijk zeicle Jezus is niet van de we-
122
reld.quot; Geen wonder dan ook dat het Zijn rijk te allen tijde kwalijk gegaan is in de wereld, dat het te strijden heeft tegen den god dezer eeuw, en Zijne onderdanen geenen uiter-lijken voorspoed naar de wereld te verwachten hebben, maar dat zij door vele uit- en inwendige verdrukkingen Zijn koningrijk zullen moeten ingaan. Al de rijken dezer wereld zouden vergaan , en hunne koningen zouden den scepter den een aan den anderen moeten overgeven, maar Zijn koningrijk zou nimmermeer eindigen, maar eeuwig duren; Zijne heerschappij zoude eene eeuwige heerschappij zijn, die niet vergaan zal en Zijn koningrijk zoude niet verdorven worden. Van Hem was getuigd: Uw troon, o God! is eeuwig-lijk en altoos.
âIndien Mijn koningrijk quot; dit voegde Jezus er bij, Vvan deze wereld ware , zoo zouden mijne dienaren voor mij gestreden hebben , opdat ik den joden niet ware overgeleverd.quot; Jezus had in Zijne omwandeling op aarde velen die, door Hem uitverkoren uit de wereld, Hem dienden , met lijf en ziel zich aan Hem verbonden gevoelden. Het behoefde Hem maar één woord te kosten en meer dan twaalf legioenen Engelen zouden Hem ten dienste gestaan hebben , maar noch Zijne hemelsche, noch Zijne aardsche onderdanen hadden Hem beschermd, toen Hij gegrepen werd. Hij had geene verdediging van hen verlangd, integendeel Hij had Zijne discipelen belast weerloos te blijven ; eenen Petrus die het zwaard getrokken had, daarover berispt. Juist omdat Zijn rijk niet van de wereldwas, daarom zeide Jezus: maar nu is mijn koningrijk niet van hier. Had Jezus zulks gewild , Hij ware den joden niet in handen overgeleverd, en uit dat alles kon Pilatus weten, dat de keizer niets van Hem als koning te vreezen had. Pilatus , wien het niet geschonken was de verborgenheid Zijns rijks te verstaan , gelijk geen natuurlijk mensch haar begrijpt, staat verbaasd over dat antwoord van Jezus. Daarom herhaalt hij zijne vraag : Zijt Gij dan een koning ? Het kwam hem ongerijmd voor, dat iemand een koningrijk had, dat niet van deze we-
123
leid is. Hij wordt nieuwsgierig om te weten , hoedanige koning Jezus dan wel wezen mocht.
Misschien dacht hij, dat Jezus zich volstrekt inbeeldde iets te zijn, hetgeen Hij toch niet was, en bevreemden moest het hem, dat iemand, die in zulk eenen deerniswaardigen toestand voor hem stond, als een misdadiger , die waardig was te sterven , aan hem overgeleverd , een koning zou zijn. Gij , vraagt hij Jezus, zijt Gij dan een koning ? Nu komt Jezus openlijk en rond met Zijne belijdenis voor den dag. âGij zegt, dat Ik een koning benquot; Eene spreekwijze, welke zoo veel beteekent, als: gelijk gij het zegt, zoo zegge Ik het ook. Ja ! Ik ben een koning. In eenen adem voegde Jezus er bij, opdat Zijn rechter Zijne ronde belijdenis goed zoude bevatten: Hiertoe hen Ik geboren, en hiertoe in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zoude. Een iegelijk die uit de waarheid is hoort Mijne stem.
Verhevene, indrukwekkende taal! Jezus beleed koning der joden en te gelijk koning der waarheid te zijn. Zijn koningrijk was een rijk der waarheid en wezenlijkheid, buiten hetzelve is niets dan schijn, inbeelding en leugen aanwezig. Door den afval van den mensch van God heeft de duivel een rijk van duisternis en leugen opgericht. Jezus, die het rijk des satans verbreken zoude, om al de gegevenen des Vaders uit diens macht te verlossen , richtte dat rijk op, waarin de goedertierendheid en de waarheid elkander zouden ontmoeten , de gerechtigheid en vrede elkander zouden kussen. De waarheid zoude de gordel Zijner lendenen wezen. Zegt Jezus , dat Hij der waarheid getuigenis moest geven, dan openbaart Hij zich hier als degene , die tot een getuige der volken gegeven was , om met woorden en werken die waarheid te ontdekken , welke de natuurlijke mensch niet kende, hoe men met God verzoend en bevredigd zoude kunnen worden. Hiertoe, zegt Jezus, ben 11c geboren, en daartoe was Hij in de wereld gekomen.
Dat geboren te zijn ziet op de menschwording van Jezus.
124
Hij was dus een geboren koning. Terecht vraagden dus de Oostersche wijzen , waar is de geborene koning der joden ? Pi-latus mocht het uitwendig aan Hem niet zien , Hij was mensch geworden om te zijn een koning Zijns volks, om over hen heerschappij te voeren. Hij was dat zaad der vrouwe, door God reeds in het Paradijs toegezegd, hetwelk den kop der slang zoude vermorselen. Die andere uitdrukking: hiertoe hen Ik in de ivereld gekomen, zegt nog meer dan geboren te worden. Hij, die in de wereld kwam , had dus vooraf reeds bestaan , en de koninklijke waardigheid bezeten, eer Hij als mensch geboren was. Hij was van den Vader uitgegaan, en in de wereld gekomen. Het Woord , hetwelk reeds in den beginne was. Niemand had ooit God gezien, de Eengebo-rene, die in den schoot des Vaders was, heeft hem ons verklaard. Tot geen ander einde was Hij in de wereld gekomen , dan om ons menschen van die groote waarheid getuigenis af te leggen: dat Hij de eenige offerande was voor de zonden, en dat men in Hem gelooven moet, zal men zalig worden. Dat nu zouden Zijne koninklijke bezigheden zijn, om van de waarheid met Zijne leer en Zijnen dood te getuigen; aardsche koningen hadden dus niets van Hem en Zijne koninklijke heerschappij te vreezen. Nadat Jezus nu den oorsprong van Zijn koningrijk had opgegeven, voegde Hij er bij: âeen iegelijk die uit de waarheid is hoort Mijne stem.quot;
Het is ons duidelijk , M. V., dat de Heere Jezus met deze uitdrukking Zijne onderdanen beschrijft, zij zijn geboren uit de waarheid. God alleen is de God der waarheid. Zij zijn dus uit God geboren, niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans. Zij zijn , zoo als ook geschreven staat, van God gebaard door het woord der waarheid. Wedergeboren niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad , door het levende en eeuwig blijvende woord Gods. Zulken hoorden Zijne stem , Zijn getuigenis namen zij aan, Hem erkenden zij als hunnen Leeraar en Koning. Zij geven zich door de krachtdadige en onwederstaanbare kracht
125
des Heiligen Geestes geheel aan Hem over , met verzaking en verloochening van den duivel, de wereld en de zonde, die zi) allen van nature dienden , ja hun begeeren en trachten is van dat oogenhlik om Hem maar gehoorzaam te zijn. Met nadruk zegt Jezus : een iegelijk, die uit de waarheid is , hoort Mijne stem. Daaraan waren Zijne onderdanen te onderscheiden van hen , die de wereld lief hadden en deze geboorte uit God misten. Zijne schapen alleen hooren Zijne stem en volgen Hem ; de waarheid alleen beminnen zij, zij is hun voedsel , zij zijn naar haar begeeriger dan naar goud , ja! veel fijn goud; zij is hun zoeter dan honig, ja! dan honigzeem, en daar de Heere Jezus alleen de waarheid is, is Hij alleen hun die gelooven dierbaar. Zij die den Heere Jezus tegenstonden , zij waren niet uit de waarheid , maar uit den vader der leugen , den duivel; geen wonder dan ook, dat zij zich stellen tegen Hem, den Getuige der waarheid.
Jezus bezigde daarom zoo vele woorden, om Pilatus, die het om waarheid scheen te doen te zijn , te overtuigen, dat de Joden Hem om geene andere oorzaak zoo vijandig waren, dan omdat hij hun de waarheid had gezegd, welke hun ondragelijk was geweest, van wege de vijandschap hunner harten tegen de waarheid.
Pilatus is verstoord. Hij begint te spotten. Hij antwoordt: wat is waarheid ? o! zoo het hem waarlijk te doen geweest ware om dit te weten, hij had die oogenblikken weten te waarderen , die hij met den Heilige alleen mocht doorbrengen. Hoe gaarne zoude de Heere Jezus hem meerder onderricht hebben willen geven, indien Hij betere gevolgen had kunnen voorzien. Helaas! Pilatus keert Jezus den rug toe; zonder eenig antwoord op Zijne vraag te wachten, gaat hij naar buiten en belijdt openlijk: ik vind geene schuld in dezen mensch! Dat dus doorziet hij terstond: eene zaak als deze, behoort niet bij hem gebracht te worden, eenen koning als deze behoeft men niet te vreezen. Bepalen wij ons nu.
126
II. Bij het lijden van den Heere Jezus hier doorgestaan.
Het lijden M. V., hetwelk de Heere Jezus hier doorstaan moest, was wederom zeer zwaar. Hij, de Zone Gods , de Koning der koningen, de Heere der heeren stond bier als een die zich eigenwillig Koning gemaakt had, voor een heiden om zich te verantwoorden. Hoe moet het den Heere Jezus gegriefd hebben , dat de Joden in hunne blindheid , Hem hunnen eeuwigen Koning , die eens met groote kracht en heerlijkheid op de wolken des hemels komen zal, om de gansche wereld te richten , overgaven aan eenen rechter, die niets op het oog had , hoe luide ook zijn geweten sprak voor Zijne onschuld, dan zijn eigen belang en zijne eigene grootheid. Hoe verzwaarde het Zijn lijden , dat Hij, die eene goede belijdenis van Zijn koningschap voor Pilatus aflegde , niet alleen door hem niet begrepen , maar uitgelachen , ja ! bespot werd. Waarlijk hier ondervond Jezus het in vollen nadruk : de rechtvaardige en oprechte is een spot, hij is een verachte fakkel, naar de meening desgenen, die gerust is. Jezus werd in Zijn persoon , in Zijne leer verworpen en versmaad. Wij mogen ons voorstellen, dat de duivel hier krachtig zijne hand in had, om Jezus te bezwaren en ware mogelijk Hem over te halen, terwijl het geschieden kende nog terug te treden. Hij zal Jezus ingefluisterd hebben; Ziet gij nu wel, joden en heidenen beiden verwerpen U en Uwe leer, wilt gij daarvoor lijden en sterven ? Ofschoon hij niet in staat was Hem te doen wankelen, want Jezus was zich zeiven bewust, dat de wereld als zoodanig Hem niet begrijpen konde, en dat Zijn getuigenis alleen vrucht zoude doen in degenen , die God Zijn Vader aan Hem gegeven had.
Hoe blinkt te midden van dat lijden de heilige onschuld van Jezus uit. Pilatus immers moest zelf erkennen dat hij de beschuldigingen Zijner vijanden niet geloofde, en daarbij werd hij door de inspraak van zijn geweten gedrongen om openlijk te betuigen , ook zelfs nadat Jezus bij herhaling ver-
127
klaard had, een koning te zijn: Ik vinde geene schuld in dezen mensch.
Welk eene wonderbare grootmoedigheid betoonde Jezus jegens Zijnen rechter door op diens vraag telkens zoo gepast, zoo duidelijk te antwoorden. Welk eene Goddelijke wijsheid straalde er in al Zijne woorden door, hoe gepast weet Hij het den blinden heiden onder het oog te brengen, dat Hij een koning was , als de ware Messias een geestelijk rijk moest bezitten , maar niet gekomen om het aardsche rijk des keizers te verstoren. Welk eene zonderlinge gewilligheid tot Zijn lijden , om Zich zoo gewillig en onderworpen aan het onderzoek en ondervraging van Pilatus over te geven, zoodat Hij geen enkele poging wilde aanwenden om Zijn leven te redden.
Zijn leven te redden, zeide ik daar, neen! dat wilde de Heere Jezus niet. Hier leed Hij als de schulddragende en schuld-overnemende borg van al Zijne uitverkorenen in hunne plaats. Zij hadden het verdiend en zich waardig gemaakt van wege hunne erf- en dadelijke zonden , voor Gods vierschaar te worden getrokken en nauw ondervraagd en onderzocht te worden ; maar opdat zij vrijgaan zouden in het gericht Gods, stond Hij, hun Bloedbruidegom en Borg hier in hunne plaats , daarom werd Hij als een schuldige hier terechtgesteld , opdat zij eens zouden kunnen verklaren : nu is er dan geene verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn. Hier heeft Hij voor hen verworven, dat eens al hunne beschuldigers niet alleen zouden worden afgewezen, maar hun een ruime ingang in Zijn koningrijk werd geschonken en zij zeiven eens met Hem rechters der wereld zouden zijn, Matth. 19 vs. 28.
Vragen wij naar de oorzaken , waarom de koninklijke waardigheid van den Heere Jezus zoo nauwkeurig moest onderzocht worden ? Het antwoord is gereed. Hij moest zoo diep vernederd worden, van wege de zondige zelfverheffing en den hoogmoed der Zijnen, eene der boezemzonden hunner harten, waarmede zij te strijden zullen hebben ten einde toe, en om hun te verwerven, dat zij God, Zijnen Vader,
128
niet alleen als profeten, maar ook als koningen zouden worden voorgesteld. Jezus heeft zulk een vrijmoedige belijdenis voor Pilatus willen afleggen, omdat zij helaas! God en de waarheid zoo dikwijls en zoo gedurig verloochenen in hun spreken en stilzwijgen ; geene geloofsvrijmoedigheid bezitten om uit zich zeiven in eene wereld, die in het booze ligt, te midden van een krom en verdraaid geslacht, hunne overtuiging uit te spreken; om ook voor deze hunne zonde te voldoen , ja! om ook voor hen dien vrijmoedigmakenden Geest te verwerven, die hun dikwerf moge geschonken worden om vrijmoedige belijdenis der waarheid af te leggen en dat hun wijsheid geschonken worde in die ure als zij het noodig hebben , om hunne monden te openen, en voor hunnen Koning en Zijne waarheid, trots alle gevaren die er aan verbonden zijn, uit te komen.
Jezus moest smaadheid hooren over de waarheid, die Hij zoo bij herhaling vrijmoedig beleed , omdat Zijn volk zich duizend en duizendmaal bezondigt tegen de waarheid. Heere! moeten zij wel betuigen, als zij door genade voor God hunne harten op hunne wegen mogen stellen, wie zal ook in dezen zijne afdwalingen verstaan? Juist om hier voor hunne zonden te voldoen, opdat de God der waarheid met hen te doen zoude kunnen hebben, leed Jezus hier als hun schuld-dragende Borg; ja! ook om te betalen voor hunne te groote onverschilligheid omtrent, en te weinige liefde tot de waarheid. Neen! met geene woorden is het uit te drukken, wanneer wij de bijzonderheden van het lijden van Jezus bij Geestes licht inzien en toepassen mogen op onzen verlorenen en ellendigen toestand door de zonde van nature, hoeveel Jezus uit liefde heeft willen lijden voor zulke afwijkers en verloochenaars der waarheid, als wij van nature in ons zeiven zijn en ook blijven. Wanneer het kind Gods geloovig daarmede werkzaam mag worden gemaakt, dan is het geloofsoog op den Heere, en waar Hij dan ook geroepen wordt om getuigenis der waarheid af te leggen, daar wordt
129
hij voorzichtig sprekende gemaakt. Wordt hij dan tot lijden geroepen, in navolging van Jezus, dan draagt de Heere Jezus zijn kruis en volgt hij geloovig het Lam, daar het met hem henengaat. Die behoefte, die het volk Gods somwijlen zoo levendig gevoelen mag, om Jezus in den geloove te vragen , dat Hij als Koning in hen heerschen en hunne geliefkoosde boezemzonden in hen ten onder brengen moge, het is de zalige vrucht van dit Zijn lijden voor Pilatus. Dat het een kind Gods wel eens tot bijzondere geloofssterkte en blijdschap mag zijn, dat het koningrijk van Jezus, de goederen en voorrechten Zijner onderdanen geestelijk zijn ; dat hij den vijand, die zijn geloof zoekt te doen wankelen, als hij hem wijst op zijne armoede, op zijne verdrukking in de wereld daarop wijzen mag, het is omdat Jezus zulks voor hem verdiend heeft. Ja, dat zij gelooven mogen de geboorte uit God te hebben ontvangen, en door het Woord en den Heiligen Geest daarin bevestigd en verzegeld worden , het is omdat Jezus gezegd heeft: een iegelijk die uit de waarheid is, hoort Mijne stem. O, welk een heil voor de ziel, zich van zulk eenen Koning een waar onderdaan te mogen gelooven , Zijne stem te hooren, als een blinde Hem te mogen volgen.
Dat lijden, M. V., hetwelk de Heere Jezus hier leed betaamde Hem, den Christus, die in zoo menigvuldige beloften Zijn volk was toegezegd en van welken de Godspraak geschied was, dat in Zijne dagen Juda zou verlost worden en Israël zeker zou wonen, Jer. 23 vs. 6. Hij zou als een schuldige voor den rechter staan , want de Heerscher en de Heerlijke, die uit het volk wezen en uit het midden van hen zou voortkomen en aan wien de Heere een deel van velen zou geven , zou in het gericht komen. De Heere zou alle hunne ongerechtigheden op Hem doen aanloopen, en ze van Hem eischen , Jer. 30 vs. 21. Jes. 53 vs. 12. Hij was de Vorst Messias, van Wien voorzegd was, dat Hij uitgeroeid zoude worden, Dan. 9 vs. 26. Geworden is Hij onder
9
130
de wet, opdat llü hen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkri^en zouden, Gal. 4 vs. 5. Hoe duideliik hadden de profeten voorspeld, dat Hij een koningrijk zou hebben en een Koning zou wezen , Ps. 72. Dat Zijn rijk niet van deze wereld zou zijn, maar dat Hij een arm Koning zou wezen, Zach. 9 vs. 9, en dat ook Zijne onderdanen een arm en ellendig volk zouden zijn, Zeph. 3 vs. 12. Maar dat Hij tevens ook zulk een Vorst en Gebieder zou zijn, dat Hij tevens een getuige zou zijn, Jes. 55 vs. 4. Wanneer wij dit alles nagaan, hoe juist is zulks dan in den Heere Jezus bevestigd, toen Hij daar voor Pilatus die goede belijdenis heeft afgelegd: Ja! Ik ben een koning.
Ps. 72 vs. 6.
III. Eindigen wij met de toepassing.
Heeft de Heere Jezus daar ook voor ons gestaan? Heeft Hij dat lijden ook voor ons geleden ? Deze goede belijdenis voor Pilatus voor ons afgelegd ? Behooren ook wij tot Zijn rijk, tot Zijne onderdanen? Hebben ook wij de geboorte uit de waarheid ontvangen , zoodat wij Zijne stem hooren ? Is Zijn naam ook voor ons eene uitgestorte olie? Kan er van ons ook gezegd worden , daarom hebben u de maagden lief? Och! of het zoo ware! Maar ik vrees dat voor velen van ons deze verborgenheid des koningrijks nog bedekt is. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, omdat het zich den wil Gods niet onderwerpt, ja! ook niet kan. Van nature is elk mensch stijf van hart, en ongenegen zich voor Jezus te buigen, en te bukken. Men leeft naar het goeddunken van zijn hart, geheel onafhankelijk, geen anderen teugel kent men, dan de vrees voor het schepsel. Wie weet van hoe menigeen het in onze goddelooze dagen nog waarheid is: een ieder doet wat recht is in zijne oogen. Velen
131
maken zich er af met hunne uitwendige belijdenis : Heere ! Heere! te zeggen. Al worden hun de voortreffelijkheden van Gods wet ook voorgeschreven, en hun de heilige rijksbevelen en verordeningen ten duidelijkste voorgesteld en voorgehouden , velen zetten er helaas! hunne harten niet op. Wie weet of er nog niet onder u zijn, die de heerschappij des Almachtigen verwerpen, die niet willen dat Jezus koning over hen is, die Zijne gezanten smaadheid aan doen, vijanden zijn van Zijn volk. Hoeveel onkunde heerscht er niet bij velen ten aanzien van die waarheid, die getroost leert leven en eens zalig doet sterven. Gij mist de geboorte uit de waarheid, en zoolang deze u blijft ontbreken, hebt gij de waarheid niet lief. Zult gij naar de stem van den Heere Jezus niet hooren? Och! of er onder u geene spotters werden gevonden met die waarheid die zij niet kennen ! geene, voor wien onze prediking is als een lied der minne. Ongelukkig noem ik u , want gij, gij zijt nog in het rijk des satans; u wacht, als gij zoo blijft, die straf; deze mijne vijanden, die niet hebben gewild dat Ik koning over hen zoude zijn, brengt ze hier en slaat ze hier voor Mij dood. Eeuwig gaat gij verloren, want Jezus heeft van u getuigd: Ik heb gezworen dat zij in Mijne rust niet zullen ingaan. Den Zoon ongehoorzaam blijvende, blijft de toorn Gods op u, en voor u zal het verschrikkelijk zijn, zonder Borg en Verlosser voor God uwen Rechter te moeten verschijnen. Uwe eigene verdoemenis zult gij eens moeten uitspreken. Dan zult gij roepen , maar de Heere zal niet hooren ; zekerlijk , de spotters zal Hij bespotten. Och! of gij heden dit verschrikkelijke oordeel nog moogt zoeken te ontvlieden; er naar staa,n moogt om waarlijk overtuigd te worden van uwen ellendigen en verdoemelijken toestand door de zonde. Gij zoekt uwe verlustiging in het dienen van den duivel, de wereld en de menschen, maar als gij daarin uw leven zult eindigen , dan wacht u eene eeuwige rampzaligheid. Heden, heden dan bedenkt nog wat tot uwen vrede dient. Bidt
9*
132
om den Heiligen Geest, Die u die geboorte uit de waarheid moet schenken. Al bewaarde God u ook voor de uitbarstingen van vele zonden naar buiten, en al zijt gij ook onder de uitwendig godsdienstige menschen te tellen, gij moet meer hebben om voor God uwen Rechter te bestaan. God heeft lust aan oprechtheid en waarheid in het binnenste , en alleen eene geboorte uit de waarheid doet u als arme en ellendige zondaars in u zeiven nedervallen aan de voeten van Jezus, en Hem niet loslaten totdat Hij u gezegend zal hebben. Zoekt den Heere dan voor uzelven , terwijl Hij nog is te vinden. Wij prediken u een Jezus, die voor de zonde Zijns volks heeft genoeg gedaan , een Jezus , die den Heiligen Geest verworven heeft, dien Hij uitzenden wil ter bekeering in de harten van zondaars, van goddeloozen, viianden. Haast u dan om uws levens wil om u voor Hem te buigen in het stof.
Zijn er onder u die gelooven, dat zij tot de onderdanen van Jezus behooren, de geboorte uit de waarheid ontvangen hebben, en haar liefhebben en aanhangen, dan zekerlijk hebt gij uzelven als arme en ellendige, als dood- en doemschuldige zondaars voor God leeren kennen , en is het bij u een vluchten en vlieden tot den Heere Jezus geworden, dan hebt gij Hem gekozen tot den Koning van uw hart, en is het uwe begeerte, om u als Zijne onderdanen ook in de wereld te doen kennen door eene vrijmoedige belijdenis der waarheid. Och! dat niemand zich zeiven bedriegen moge; voor de waarheid te zijn is niet genoeg, eene geboorte uit de waarheid moet er gekend worden. Waar deze heeft plaats gehad, daar zijn wij bekend geworden met ons zondig en diep bedorven hart, daar worden het onze zonden, die den Heere Jezus dat lijden hebben aangedaan; daar wordt in- en uitwendig eene verandering zichtbaar in al ons doen en laten. Afscheiding heeft er dan plaats, niet alleen van zonden en ongerechtigheden, maar van al die gezelschappen en vrienden, waarin en waarmede wij voorheen ons zeiven zochten. Onze grootste bezorgdheid wordt het om een waar en oprecht
133
onderdaan van Koning Jezus te mogen wezen. De geboorte uit de waarheid kenmerkt zich door eene droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid uitwerkt. Eene belijdenis: tegen U, o God ! tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad was in Uwe oogen. Eene ver-bindtenis aan Gods volk, zoo als wij voorheen nimmer gekend hebben. De waarheid wordt ons dan lief en dierbaar. De begeerte wordt dan door genade in ons opgewekt, om de vrijmakende kracht der waarheid in onze eigene zielen te ondervinden , het heilgeheim der waarheid dat God naar Zijn vreêverbond Zijn vrienden toont, te mogen verstaan en boven alles den Heere Jezus recht te kennen, die gezegd heeft: Ik ben de waarheid. Waar die geboorte uit de waarheid, het werk van God den Heiligen Geest, in het hart des zondaars plaats heeft, daar is ook alle ergernis des Woords weggenomen, zijne spraak maakt hem openbaar. Hij wordt een arme en ellendige die het om den Heere Jezus alleen te doen is, die met Hem in het geloof moet vereenigd zijn, die zonder Hem niets kan doen.
Onderzoeke een iegelijk zich zeiven voor God. Jezus ziet op waarheid en geen schijn. De zalving van den Heilige alleen moet ons leeren. De buitenste zijde moet niet alleen gepolijst, maar ons binnenste vernieuwd zijn geworden. Door de geboorte uit de waarheid, hebben wij Jezus. Wie Hem heeft, heeft alles. Wie Hem niet heeft, heeft niets. Wie niet verlaat al wat hij heeft, kan Zijn discipel niet zijn. Hij alleen is de parel van groote waarde. Op dat hooren van de stem van Jezus, komt het maar aan; zulken alleen volgen Jezus, de anderen gaan een tijdlang mede met Gods volken keeren dan tot de wereld en de zonde terug, omdat zij nimmer de geboorte uit de waarheid ontvingen. Zij krijgen met Demas de wereld wederom lief.
Wie weet of er niet onder ons zijn, die, dit hoorende, tot zich zeiven zeggen, wij zijn bevreesd dat wij onder dezulken behooren zuilen, dat wij nog nimmer die heilsweldaad
134
van den Heere Jezus, de heiligmaking, zonder welke niemand God zal zien , de geboorte uit de waarheid ontvingen. Wel is er lust om den Waarachtige te kennen, en kunnen wij het in het rijk der leugen, het rijk des satans niet meer uithouden , en heeft er eene verandering bi] ons plaats gehad, maar wij durven niet zeggen dat onze ooren doorboord zijn, zoodat wij de stem van Jezus hooren. Bi} ons is geene vrijmoedigheid om, zoo als wij doen moesten , voor de waarheid uit te komen. Zien wij op ons zelven , ach! dan is het ellendig en treurig gesteld, en nog niet ellendig en treurig genoeg, dan zoude er meer levendige behoefte aan den Heere Jezus gekend worden; maar wij vreezen, aldus klaagt gij, de groote zaak, de geboorte uit de waarheid nog te missen. Ja! wie weet al de bezwaren en bekommernissen op te noemen die in ons opkomen , als het oog in zich zelven ziet, en wij ons werk tot waarheid willen maken. De Heere zegt in Zijn Woord: Ik zal maken dat uw werk waarheid zij. Al uw eigen werk moet afgebroken worden. Neen! dat keuren wij in u niet af, dat gij bevreesd zijt voor het zelfbedrog der zonde. Deze vrees is eene vrucht van de geboorte uit de waarheid, want dan leert de zondaar zich kennen als enkel leugen en bedrog. Gij hebt geene handen om Jezus aan te nemen , geene voeten om tot Hem te komen , maar zegt mij, is het u geene behoefte geworden te bidden: Heere! leer ons Uwen weg en Uwe waarheid ? Zend Uw licht en waarheid neder? Och! neig onze harten tot Uwe getuigenissen? Is het u niet te doen om waarheid en oprechtheid in uw binnenste? Ziet, zoo diep zijn wij gezonken door de zonde, dat onze toekomst niet is gelijk die van een mensch die in een put gevallen is, en wien men slechts een touw behoett toe te reiken , om hem daaruit te halen, maar er wordt tot onze redding eene almachtige, onwederstaanbare kracht des Heiligen Geestes vereischt. Och! dat de Heere Jezus deze aan u verheerlijken mocht. Dat gij van alles in u zelven moogt worden afgebracht om het alleen van Hem te verwachten.
135
De Heere Jezus heeft gezegd van allen , die Hij in eeuwige liefde heeft gekend, gij zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrij maken; Hij heeft voor Zijn gunstvolk ge-heden: Vader! Heilig ze in de waarheid, die Gij mij gegeven hebt, Uw woord is de waarheid. En onder dat getal zijt ook gij, al staat gij nu ook nog van verre voor u zeiven, wanneer het u in waarheid om Jezus te hooren te doen is, gij als arme en ellendige en behoeftige zondaars aan u zeiven ontdekt zijt geworden en het uw dagelijksch leven door genade geworden is, Hem uwe gedaante te toonen, uwe stem te doen hooren. Hij zal zijne hand tot de kleinen wenden. Hij zal gewisselijk komen en niet achter blijven. AVel u, die Samuël in al uwe bekommernissen moogt blijven nazeggen : Spreek Heere! want Uw knecht hoort. Houdt dan niet op geweld te doen op het koningrijk der hemelen , den Koning der waarheid aan te roepen. Maar dat kunt gij niet, zoo de geboorte uit de waarheid niet in u plaats gehad heeft. Met smeeking en geween zal Jezus zulken tot zich brengen , aan hen zal Hij zich openbaren, doch niet op uwen , maar op Zijnen tijd zal Hij komen.
Gij, die weten moogt deel aan het verzoenend lijden en sterven van Jezus te bezitten, u kent men, uw wandel maakt het openbaar. Mijne schapen hooren Mijne stem en zij volgen mij, zegt Jezus, eenen vreemde zullen zij niet volgen. Ziet gij op u zeiven, op datgene, wat gij zijn moest in heiligen wandel en godzaligheid, hoe gij geroepen wordt om overal in de wereld van uwen Jezus eene goede belijdenis af te leggen, hoe gij alleen naar Hem hooren moest, dan zal diepe schaamte uwe aangezichten voor God bedekken en gij erkennen moeten, tot en in alles den Heiligen Geest noodig te hebben, om u in alle waarheid te leiden. O! geve God U veel behoefte aan Zijne inwoning in uwe harten, gij zult Hem dan ontvangen, en vrijmoedigheid des geloofs hebben, om van den Heere te spreken, Hem anderen aan te prijzen, en u zeiven in Hem alleen te verlustigen. Geve God u, als er
136
iets voor uwen Koning te doen is, of iets van u gevorderd wordt tot bevordering van Zijn koningrijk, gij niet met vleesch en bloed te rade moogt gaan, maar Zijne stem mocht hooren en volgen, om alles voor Hem en zijne waarheid over te hebben. Gij leeft in eene wereld, waarin duizende zoogenaamde Christenen, ja! zelfs predikers van het Evangelie, de vraag doen, die de Heidensche Pilatus deed; wat is waarheid ? Beantwoordt hun door hen te wijzen op Hem, die gezegd heeft: Ik ben de waarheid! Getuigt vrijmoedig van uwen Jezus. Laat er geen stilzwijgen bij u zijn: Zijt niet bezorgd wat gij spreken zult, het zal u in die ure geschonken worden. Ik eindig en beveel voor God, die alle dingen levend maakt en voor Jezus Christus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk tot op de verschijning onzes Heeren Jezus Christus; welke te Zijner tijd vertoonen zal, de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en de Heere der heeren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont. Denwelken geen mensch gezien heeft, noch zien kan, welken zij eere en eeuwige kracht. I Tim. 6 vs. 13â16. Amen.
Ps. 2 vs. 7.
JEZUS YOOR HERODES.
LEERREDE VII
OVER
L U K A S XXIII vs. 6â12.
VOORZANG Ps. 68 vs. 10.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of ver menigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
Gij zult allen aan mij geërgerd worden, aldus sprak Jezus tot Zijne discipelen; maar in vollen nadruk mocht Hij zulks zeggen van de gansche menschheid. Hij ondervond zulks van af Zijne komst in de wereld, en bleef zulks ondervinden tot dat Hij haar verliet. Die ergenis der wereld openbaarde zich in allerlei haat, smaad, verachting en vijandschap welke zij den Heere Jezus maar betoonen kon, en Hij verdroeg ze met eene zachtmoedigheid en lijdzaamheid, die wij, als wij recht bevatten wie Hij was, niet alleen bewonderen maar aanbidden. En dat alles onderging Hij gewillig om als het Lam Gods de zonde der wereld weg te nemen, zich als een zoenoffer voor de zonden Zijns volks te laten offeren. Zijn wij heden wederom bijéén om Jezus voor Herodes te beschouwen,
138
wij worden geroepen om te zien hoe Hij, het ware Lam Gods, naar het altaar gebracht werd en den Heere is voorgesteld, na onderzocht te zijn of Hij zonder uit- en inwendig gebrek bevonden werd. Och! mocht God de Heilige Geest ons dan ook heden hoorende ooren, en opmerkzame harten schenken.
Luk. 23 vs. 6â12.
Het verhoor van den Heere Jezus voor Pilatus was afge-loopen. âIk vind geene schuld in dezen menschquot;, dat was de verklaring, die Pilatus, wederom buiten komende, in het openbaar van Jezus aflegde. We kunnen ons voorstellen, hoe woedend Zijne vijanden werden toen zij deze uitspraak hoorden. De overpriesters vatten het woord op en beginnen met allerlei beschuldigingen tegen Jezus op te komen, waarop de Heere Jezus een heilig stilzwijgen bewaarde. Voor leugens en lasteringen had Hij geen antwoord. Zijne vijanden herhalen hunne vroegere aanklacht van oproer, en nu is het niet meer: âwij hebben bevonden dat deze onder het volk verkeertquot;, maar onbeschaamd durven zij zeggen: â Hij beroert het volkquot;. Mocht het al bij het volk tot geen openbaren opstand tegen den keizer gekomen zijn, zij wilden zeggen, dat Jezus aanhoudend er zijn werk van gemaakt had om het volk in oproerige beweging te brengen. De wijze, waarop Hij zulks gedaan zoude hebben, drukken zij uit, door er bij te voegen: leerende; Zijne leeringen hadden geene andere strekking gehad. Hij was daarmede begonnen van Galilea tot hiertoe. Hoe listig gaf de duivel hun dit in het hart. Uit Galilea, gelegen aan de uiterste grenzen van het joodsche land, konde men zoo spoedig geene getuigen doen komen om deze beschuldiging te staven. Pilatus zelf wist buitendien, dat de Galileërs onrustige menschen waren, hij zelf had sommigen hunner te Jeruzalem, juist omdat zij oproerig waren, laten dooden, Luk. 13 vs. 1. Hunne bedoeling was dus geene andere , dan om Jezus als één der Galilesche mui-
139
ters, tegen welke Pilatus zijne macht deed gelden , aan te duiden. Die arglistigen! maar de Heere vangt hen in hunne arglistigheid. Is die mensch , vraagt Pilatus , een Galileër ? en toen men deze vraag bevestigend beantwoord heeft, want omdat Hij meestal te Capernaum vertoefde, hield men Hem voor een Galileër, Joh. 1 vs. 46, 47. 7 vs. 41, 42, 52. roept hij uit, met de blijdschap van eenen schipper, die na eene lange stormachtige vaart eindelijk het lang gewenschte land ontdekt, dan ben ik ongeroepen om in deze zaak recht te spreken, dan behoort uw beschuldigde onder het rechtsgebied van Herodes, en onverwijld geeft hij bevel, dat men Jezus naar dien vorst, die zich juist van wege het feest te Jeruzalem bevond, zal brengen. Welaan laat ons
I. Stilstaan bij het geschiedverhaal.
II. Het lijden van den Heere Jezus, bij Herodes doorgestaan , overdenken.
III. Met de toepassing eindigen.
I. Stilstaan bij het geschiedverhaal.
Pilatus zond Jezus henen naar Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem ivas. Hij zoekt zich langs dezen weg van de verdere behandeling der zaak te ontslaan, en te gelijk de vriendschap van Herodes te herwinnen, door hem in zijn rechtsgebied te eerbiedigen en hem eene beleefdheid uit staatkunde te bewijzen. Hij acht in allen gevalle dezen stap de voorzichtigste, daar hij met de zaak verlegen was. Mocht al Herodes Jezus niet overnemen, hij vertrouwt, dat hij dan toch nader omtrent den beschuldigde zal worden ingelicht.
Herodes, bijgenaamd Antipas, naar het stamhoofd van zijn geslacht, was tetrarch of viervorst van Galilea; zijne hovelingen noemden hem, wiens eerzucht zij kenden, koning.
140
Hij was een karakterlooze, ellendige en lichtzinnige overspeler en wellusteling. Hij had zijne eigene vrouw, eene dochter van den arabischen koning Aretas, verstoeten en leefde met Herodias, de vrouw van zijnen halven broeder Philippus, in bloedschendige betrekking. Hij had Johannes den dooper, die hem in den naam van God vrijmoedig had aangekondigd: het is u niet geoorloofd deze vrouw te hebben! in den kerker doen werpen , en later liet hij hem daarin onthoofden, om aan die lichtzinnige belofte te voldoen , die hij aan zijne dochter Salomé voor eenen ijdelen dans gegeven had: begeer wat gij hebben wilt, al ware het de helft van mijn koningrijk, ik zal het u geven, waartoe hij zich bij eede verbond. En die dochter, door hare snoode moeder daartoe aangezet, eischte het hoofd van Johannes den dooper. Uitwendig had hij eenen geruimen tijd eerbied en vrees voor den boetprediker gehad , omdat hij hem kende als een heilig en rechtvaardig mensch. Ja, hij had hem gedurig voor zich doen brengen en hoorde hem gaarne, en nogthans daar hij de zonde bleef dienen , kwam hij er toe om hem te laten vermoorden. Sedert dat tijdstip was het met zijne rust gedaan. Overal vervolgde hem de bebloede schim van den vermoorden boetgezant. Toen hij nu van Jezus en diens daden hoorde, geloofde hij, dat deze wonderdoener, de door hem vermoorde, maar van de dooden weder opgestane Johannes was, en nu gaf hij zich hoe langer hoe meer aan zinnelijk genot over, om den prikkel van zijn wroegend geweten te verstommen. Welnu, tot dien in vleeschelijken lust verzonken mensch wordt de Heere Jezus heen geleid. Het is het derde gerechtshof, waarvoor Jezus verschijnt. Onder een woest getier komen Zijne vijanden met Hem voor de woning van dezen koning, en dadelijk laat hij Jezus voor zich brengen.
Als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd, want hij was van overlang begeerig geweest om Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde en hoopte eenig teeken te zien dat van Hem ge-
141
daan zou worden. Verblijd was hij ook dat Pilatus hem zoo eerde, en, daar zij vijanden waren, zich wederom met hem wilde verzoenen. Herodes had geene pogingen gespaard om Jezus te zien en in handen te krijgen. Maar Jezus had hem altijd weten te ontgaan, en hij had geen moed gehad om de geweldadige hand aan Hem te slaan. De hoogere hand Gods had hem daarin verhinderd. Geen wonder dus dat hij verblijd was, dat zoo onverwacht aan zijne begeerte werd voldaan om Jezus te zien. Nu zal hij zich met eigene oogen kunnen overtuigen of deze was Johannes de Dooper, die opgestaan was van de dooden. Hij had veel van Jezus gehoord, niet alleen van Zijne leer, maar ook van Zijne wonderdaden, daar het gerucht van Hem liep, dat Hij blinden ziende , dooven hoorende, kreupelen wandelende en de dooden levend maakte. Daarbij kwam nog, dat hij hoopte eenig teeken te zien, hetwelk van Hem zoude gedaan worden. Het was Herodus dus alleen om zinvermaak te doen, om een genoegelijk uur met Jezus door te brengen. Ziet, M. V., hoe de dierbare Jezus ten allen tijde voor de dienaars der zonde en der wereld is als een lied der minne, als een die schoon van stem is of wel speelt, een voorwerp van ijdele nieuwsgierigheid of onheilige verlustiging. O ! hoeveel heeft Hij, die groote God en Zaligmaker , van zondaars moeten verdragen!
Herodes vraagde nu Jezus met vele woorden. Welke woorden het geweest zijn, teekent de Geest Gods in het Woord niet aan. Zijne vragen waren te ijdel, te nietig, om te worden opgenomen. Het hart van Herodes was door dat hij de zonde was blijven dienen hoe langer hoe meer verhard geworden. Voorheen, zoo als wij reeds hebben opgemerkt , had hij Johannes nog wel eens met belangstelling aangehoord, maar nu hij Hem voor zich zag staan, van wien de Dooper verklaard had: Hij is meer dan ik. Ik ben niet waardig Zijn' schoem-iem te ontbinden, nu heeft hij niets dan vele ijdele vragen te doen. Ziet! zoo liet hij
142
de laatste gelegenheid om zijne ziel te behouden lichtzinnig voorbiigaan. Och ! of hij nu de zoo noodige vraag: Heere ! wat moet ik doen, opdat ik zalig worde ? gedaan had , maar helaas! hij was van God losgelaten om kwaad te blijven doen.
Jezus antwoordde hem niets! Jezus bewaart het diepste stilzwijgen. De koning houdt aan met vragen ; te vergeefs , Jezus zwijgt. Jezus geeft het bewijs door dat stilzwijgen, dat Hij niets met dien lichtzinnige wil te doen hebben. Hij geeft het heilige den honden niet, Hij werpt de paarlen niet voor de zwijnen. Even weinig als hij een antwoord verwerft, gelukt het Herodes een teeken te zien. Jezus, die zoo vele wonderen gedaan had om zich over ellendigen te ontfermen , wil geen wonder doen voor een man , dien Hij wist, dat er noch gevoel, noch zin voor had.
Maar al zwijgt Jezus, Zijne vijanden zwijgen daarom niet, en daarom getuigt Lukas, dat de overpriesters en schriftgeleerden stonden en Hem heftiglijk beschuldigden. Met ijver en met drift brachten zij hier bij Herodes zekerlijk dezelfde beschuldigingen tegen Jezus in, die zij bij Pilatus hadden ingebracht, dat Jezus zich had aangematigd Koning der Joden te zijn. Naar hunne meening zoude Herodes zulks niet lijdzaam kunnen aanzien, hij zoude zich moeten wreken. Wat was daarom nu het gevolg?
Herodes met de krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deden Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem iceder naar Pilatus. Aandoenlijk schouwspel! De goddelooze Herodes en zijne dienaren verachten en bespotten Jezus. Zij gevoelden zich beleedigd over het zwijgen van Jezus, zij behandelen Jezus als een dwaas mensch, die zich zeiven inbeeldde een koning te zijn. Met spotachtige woorden en gebaren toonden zij Hem hunne verachting. Ja! zij deden Jezus een blinkend kleed aan, zij willen Jezus daarmede als een leugenkoning het volk voorstellen, als iemand, die niet wel bij zijne zinnen was, en zich dwaaslijk had ingebeeld, dat Hij een koning was, daar Hij naar hunne meening een arm en
143
gering mensch was; zij maken uit zijne lijdelijke houding het besluit op dat Jezus niets kan doen. En nu, nadat men den Heere Jezus allerlei beschimpingen en bespottingen had aangedaan , die de duivel hun in het hart gaf, zond Herodes Hem weder tot Pilatus. Hij heeft in Jezus geene schuld gevonden, om Hem des doods waardig te verklaren. Had Pilatus uit staatkunde zijn gezag erkend, wederkeerig wil ook hij toonen, dat hij de macht door den keizer aan Pilatus toevertrouwd , eerbiedigt. Op dien dag werden Pilatus en Herodes weder vrienden, want zij waren te voren in vijandschap met elkander. Wat de oorzaak van vijandschap tusschen deze beide geweest zij, kan men met geen zekerheid zeggen. Misschien was zij daarin te zoeken , dat Pilatus het bloed van eenige Galileërs met hunne offeranden had vermengd, en dat Herodes daarover verstoord was, dat hij zoo onmenschelijk gewoed had tegen inenschen, die onder zijn rechtsgebied behoorden. Doch hoe het ook zij, zij werden bij deze gelegenheid wederom vrienden. Ziet, M. V. zoo gaat het met de kinderen dezer wereld , hoe oneens zij het ook met elkander mogen zijn, zij vereenigen zich wederom en zijn vrienden, als zij vijandschap jegens Jezus of Zijne leden , of Zijne waarheid kunnen betoonen. Hoezeer Manasse tegen Ephraim , en Ephraim tegen Manasse was, zoo kwamen zij daarin echter overeen, dat zij te zamen tegen Juda woedden, om te vervolgen, zeggende, komt! laat ons uit-roeijen dat zij geen volk meer zijn, dat de naam Israëls niet meer gedacht worde, Jes: 9 vs. 20; Ps. 83 vs. 5. Ziet, hoe de Pharizeërs, hoe vijandig ook tegen de aanhangers van Herodes, die Sadduceërs waren, samenspannen , om Jezus te beschuldigen, en tezamen raad houden om Jezus te dooden. Dat kunnen wij opmerken in de eerste tijden der Christelijke kerk, hoe joden en heidenen, welke bittere vijandschap zij ook tegen elkander bezaten, de handen ineen geslagen hebben, om de weêrlooze kudde van den Heere Jezus te vervolgen. Onder dat alles wordt de Raad Gods
144
volbracht. Zij hebben niets gedaan tegen Jezus, dan het-gene die raad Gods te voren had bepaald. Pilatus moest Jezus naar Herodes zenden , opdat nog des te meer de heilige onschuld van Jezus wereldkundig zoude gemaakt worden. Dat witte kleed, waarin hi} Jezus, om Hem als een spotkoning voor te stellen , tot Pilatus terugzond, was een heerlijk zinnebeeld van Zijne koninklijke waardigheid, gelijk de profeet Zacharias van Hem voorspeld had. Hij was een Koning, ofschoon arm, Zach. 9 vs. 9. Een heerlijk zinnebeeld van Zijne hoogepriesterlijke waardigheid, want zoodanig een Hoogepriester betaamde ons: heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaars. Witte kleederen zijn zinnebeelden van hemelsche heerlijkheid, welnu, die heerlijkheid bezat Jezus , daarom waren op Thabor Zijne kleederen wit gelijk het licht, om te vertoonen dat het gevolg van Zijnen uitgang uit Jeruzalem, dat is van Zijn lijden, zoude wezen , dat Hij een kleed van heerlijkheid zoude aantrekken, Openb. 6 vs. 2 ; 19 vs. 11, 14.
II. Laat ons nu het lijden van den Heere Jezus, hij Herodes doorgestaan, overdenken.
Wat nu dat lijden betreft M. V., Jezus werd als een misdadiger van Pilatus naar Herodes , en van Herodes wederom naar Pilatus gebracht. Hoe moest Zijn gezegend lichaam, dat zooveel smart reeds doorgestaan had, door dien gang worden vermoeid en afgemat. Letten wij op de behandeling, welke Jezus bij Herodes onderging. Hij had geene begeerte om Jezus te hooren en van Hem onderwijs te ontvangen, hoe hij als een arme zondaar door Hem behouden konde worden , neen ! slechts begeerte om Hem te zien; hij hoopte dat Hij teekenen en wonderen voor hem doen zoude. Welk eene vernedering voor den Zoon van God, dat Hij door dezen goddeloozen mensch onder de goochelaars en toovenaars geteld werd. Hoe vele onnutte, nieuwsgierige, spotachtige
145
vragen en antwoorden moest Jezus uit zijnen mond liooren, waarmede hij Jezus in Zijn Koninklijk en Profetisch ambt bespotte ! Hoe vele hevige beschuldigingen brachten de over-priesters en schriftgeleerden tegen Hem in ! Hoe moeten zij Zijne heilige en onschuldige ziel gegriefd hebben, en dat alles met de goddelooze bedoeling, om Herodes tegen Hem tot eene wreede vervolging aan te zetten. En dan die verachting en bespotting, welke die goddelooze koning met zijne dienaars, zulk eenen meester waardig, Hem aandeden; dat aandoen van dat blinkende of witte kleed, waarmede hij Hem tot Pilatus terug zond, om Hem als een spotkoning aan allen te vertonnen , waarlijk , wij mogen er van getuigen, de duivel en zijne dienaars deden alles, wat zij maar bedenken konden om Zijn lijden te verzwaren , ofschoon wij er bijvoegen mogen : Zij onteerden niet Hem , maar zichzelven , door zoodanige handelwijze, want eenen beschuldigde te kwellen , te bespotten en te beschimpen, en dat wel zoodanig eenen, van wien de rechter verklaren moest: ik vind geene schuld in dezen inensch! woorden ontbreken om zulk eene lage behandeling naar waarde te noemen. In dat lijden, dat de Heere Jezus hier onderging, zien wij Zijn borgtoch-telijk , plaatsbekleedend en schuldovernemend lijden voor Zijn volk , dat Hij zalig zoude maken van hunne zonden; daardoor verwierf Hij voor hen datgene, wat zij kennen, beoefenen en bezitten moeten om voor God hunnen Rechter te kunnen bestaan.
Herodes verblijdde zich over Jezus dat hij Hem zag; dat leed Jezus van dien goddelooze voor de zondige blijdschap Zijus volks, waardoor zij helaas ! zoo aanhoudend God en zich zeiven onteeren; doordoor verwierf Hij voor hen die geestelijke blijdschap , waarmede zij zich, tot God bekeerd zijnde, menigmaal verlustigen mogen, waardoor zij zich in den Heere verblijden en met David betuigen: Gij hebt ons meer vreugde in onze harten geschonken, dan ten tijde toen Gij onze most en koorn vermenigvuldigd hebt. En als het
10
146
hun nu geschonken wordt, dat zij met het oog des geloofs met blijdschap op Jezus mogen zien, en zij onder het getal derzulken behooren mogen, waarvan geschreven staat: Verheugt u zeer, gij dochter Sions! want uw Koning zal komen, en Hij is een Heiland, dan erkennen zij zulks als een heils-weldaad door Jezus voor hen verdiend en verworven.
Had Herodes eene zondige begeerte om Jezus te zien, omdat hij veel van hem gehoord had , Jezus onderging zulks om te betalen voor de vele zondige begeerlijkheden van Zijn volk, waaraan zij helaas! zoo gedurig schuldig staan, want het vleesch begeert tegen den geest, en deze twee staan tegen elkander. Jezus droeg hiervan de smart en de straf, en verwierf voor hen, dat zij zich daarover gedurig voor God mogen verfoeien en dat de kracht daarvan trapsgewijze door genade in hun verbroken wordt.
Zien wij op al die nieuwsgierige vragen, die Herodes deed, Jezus leed dit, om te voldoen voor al die vragen van het vleeschelijk en diep bedorven verstand, waaraan Zijn volk zich schuldig maakt, waardoor zij indringen willen in deze of gene verborgenheid des geloofs, en niet tevreden zijn met datgene wat God er van in Zijn Woord geopenbaard heeft. Helaas ! hoeveel twistvragen en woordenstrijd, die niets als verdeeling en krakeel onder hen uitwerken, geschieden er nog niet aanhoudend ? hoe wil de één daarmede zijne wijsheid boven den anderen ten toon stellen , en waagt hij er den vrede aan van het lichaam der geloovigen. Niets is moeielijker voor het vleeschelijk verstand , dan om het gevangen te leggen onder de gehoorzaamheid des geloofs, van daar die spitsvondige vragen omtrent de verborgenheden des geloofs, ons in Gods Woord geopenbaard. Dat razen omtrent twistvragen, die woordenstrijd , die er gevoerd wordt, en dat dan nog wel dikwerf in de gezelschappen der kinderen Gods, als zij te samen moesten zijn, om de gemeenschap der heiligen te oefenen , ziet! het zijn deze zonden Zijns volks waarvoor
147
Jezus hier leed en om voor hun dien geest te verwerven, die er hen gedurig van overtuigt, zoodat zij zich weg-schamen voor God, zich deswege verfoeien in stof en asch. Jezus droeg hier hunne schuld en straf.
Herodes hoopte teekenen en wonderen van Jezus te zien. Hier boette Jezus voor die genegenheid van het zondige hart van den mensch naar allerlei zondige en verbodene teekenen en wonderen, allen menschen eigen, ofschoon zij zich hij sommigen meer openbaar doet zien als bij anderen; het rampzalig gevolg van het verlaten van God, en de afwijking van Zijn Woord. Ja! hier betaalde Hij voor al de zonden der Zijnen met gedachten, woorden en werken in hunnen natuurstaat, omtrent de wonderen en teekenen van Jezus. Hier verwierf Hij voor hen, dat zij als teekenen en wonderen gesteld zouden worden in het geestelijk Israël, en dat God meermalen voor hen, die het zoo onwaardig zijn in zich zeiven en zoo geheel en al verbeurd hebben en blijven verbeuren, een teeken ten goede doen zoude, opdat hunne tegenstanders het zien zouden en beschaamd zouden worden.
Jezus bewaarde onder al die spotachtige vragen een heilig stilzwijgen. Hier betaalde Hij voor de vele onnutte en vergeefsche woorden, die Zijn volk, voorbarig, ijverloos en blind van nature, zoo gedurig bezigde, en verwierf Hij voor hen, dat het ook hun wel eens mag geschonken worden heiliglijk te zwijgen onder de lasteringen der wereld, en hunne beschuldigers te verwijzen op Hem , die harten kent en nieren proeft, om ook daarin Jezus te volgen, en zich Zijne dienaars te betoonen.
Liet Jezus zich heftiglijk door Zijne vijanden beschuldigen; waren de goddeloozen hier tegen Hem als eene voortge-drevene zee, wier wateren slijk en modder opwierpen, Hij heeft zulks willen verdragen en lijden , omdat er met alle recht tegen Zijn volk zoo vele heftige beschuldigingen voor den troon Gods door den aanklager der broederen, den dui-
10*
148
vel, zouden ziin in te brengen; juist daardoor bracht Jezus voor hen eene oneindige en eeuwige gerechtigheid aan, verwierf Hij voor ben vergeving en verzoening hunner zonden. Daardoor zullen al de beschuldigingen tegen hen bi] den troon Gods worden afgewezen, en mogen zi] nu en dan, als zij de kracht van Zijne zoenverdiensten door den Heiligen Geest aan hunne zielen ondervinden, uitroepen; wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? wie is het die verdoemt ? Wanneer zij daar geplaatst mogen zijn, dan staan zij in de vrijheid der kinderen Gods, en zien zij het heilge-heim hunner verlossing recht in, en zinken zij er onder weg in aanbidding en verwondering, en genieten er de zalige vrucht van. Is de Heere Jezus door Herodes en Zijne dienaars mishandeld geworden, liet Hij het toe, dat zij Hem een blinkend kleed aandeden, en veracht en bespot weder naar Pilatus zonden, Jezus leed dit gewilhglijk om te verwerven voor Zijn volk , dat hunne vuile kleederen uitgedaan worden, en dat zij wisselkleederen aankrijgen; zij leggen die vuile kleederen niet af, gelijk ons zoogenaamd Christendom met de leer der zelfverbetering wil, want zij zijn onbekwaam tot dat werk. Neen! zij moeten weggedaan worden in eens en voor altijd. Welnu, de Heere Jezus liet in den weg van toerekening, en daarin op plaatsbekleedende wijze aan het oordeel Gods blootgesteld, zich dat blinkend kleed aantrekken , om voor hen witte kleederen te verwerven, waarmede zij eeuwig zullen blinken. Het is, M. V., eene eeuwig dierbare uitspraak, dat zij, die zich bewust zijn door genade een lichaam der zonde om te dragen, geheel en al vuil, onrein en walgelijk voor God, eens het heerlijke lichaam van Christus, hunnen Hoogepriester, gelijkvormig zullen worden gemaakt. Dan zullen die rouwklagers over hunne walgelijkheid voor God blinken als de zon in klaarheid. De bruid van Jezus, dat is de geloovige Kerk, uitverkoren in Hem van voor de grondlegging der wereld, is het gegeven uit het verdiende recht van Jezus, haren bloedbruidegom, en zal
149
het gegeven worden, dat zij bekleed zal worden met rein en blinkend fijn lijnwaad, Openb. 19 vs. 8. O! eeuwig wonder van Jezus liefde voor haar, met dat blinkend kleed aan laat Jezus zich van Herodes en van de krijgsknechten bespotten. En dat leed Hij, omdat Zijn volk, dat Hij heeft liefgehad met eene eeuwige liefde, de geboden Gods zoo menigmaal heeft veracht. En Hij liet zich bij aanhoudendheid verachten om voor de Zijnen uit Joden en Heidenen te verwerven, dat zij, hoe schuldig zij zich ook gedurig mogen maken , van eenen Drie-Eenigen God niet eeuwiglijk veracht maar geëerd en geprezen worden, en dat alles van wege de eenige, volkomene en volwichtige zoenverdiensten van Jezus in hunne plaats. Nog eens , is dat geen wonder van eeuwige liefde, van eeuwige vrije genade ?
Maar Jezus verwierf hier ook voor hen, dat de aanhoudende verachtingen, die zij hier van een krom en verdraaid geslacht moeten ondergaan, wanneer zij zich door genade Zijner en Zijns Evangelies niet schamen , voor hen moeten medewerken ten goede, en dat hun de verachting, welke zij lijden om den Heere Jezus, dien zij allen lief gekregen hebben in onverderfelijkheid, hoe langer hoe heerlijker en dierbaarder wordt.
Liet Jezus het toe, dat zij Hem in dat blinkend kleed niet alleen veracht, maar ook bespot hebben, indien Hij gewild had, Hij had die spotters voor Zijne oogen kunnen verdelgen, ja! in de hel doen nederstorten, maar neen ! Hij leed dit met eene zeldzame langmoedigheid, omdat Hij lijden wilde voor al het zondige spotten van de Zijnen , in zoo vele opzichten en in zoo vele omstandigheden door hen bedreven. Hij liet zich bespotten om voor Zijn volk te verwerven dat die akelige spotgeest, die in hun zondig hart is, en als zij door genade dit opmerken mogen, hun tot droefheid wordt voor God, door Zijne kracht meer en meer in hen verbroken en ten onder gebracht wordt.
Liet de Heere Jezus zich van Herodes naar Pilatus zen-
150
den, van den eenen goddeloozen tot den anderen, hoe verzwaarde dat Zijn lijden, en hoe gewilliglijk liet Hij zulks toe. De uitwerking was, dat deze twee vijanden vrienden zijn geworden. Hier M. V., heeft Jezus geboet voor de vriendschap der wereld, die helaas! Zijn volk nog zoo aan de hand houdt, en welke vijandschap Gods is. Jac. 4 vs. 4. Hier heeft Hij voor hen verworven, dat hun door de almachtige en onwederstaanbaic kracht der Heiligen Geestes, de moed geschonken wordt zich van die zonden los te maken, die hunnen Jezus dit lijden hebben aangebracht. Wanneer de heerschappijvoerende genade in hunne zielen is, dan zeggen zij de vriendschap der wereld, ja! zelfs van hunne naaste en dierbaarste bloedverwanten, wanneer het de waarheid betreft, gewilliglijk op, en hebben zij vrede op die keuze in hunne zielen, al ondervinden zij daarvan ook de schadelijke gevolgen voor bloed en vleesch. Zij proeven en smaken dan wel eens dat hun groote Vredevorst eenen geestelijken en eeuwigen vrede voor Zijn volk verworven heeft, en een weinigje daarvan te genieten is hun meer dan voorheen al het genot, hetwelk de vriendschap der wereld hun aanbood.
Als wij ons nu al dat zwaar en akelig lijden, dat Jezus, de Borg Zijns volks , hier voor Herodes uitgestaan heeft, nog eens voorstellen, wij worden dan, M. V., gedrongen, om ook hier te betuigen, dat het Hem is overgekomen naar den bepaalden raad en voorkennis Gods. Zoo had de Koninklijke profeet voorspeld; waarom woeden de Heidenen en bedenken de volken ijdelheid. De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere en tegen Zijnen Gezalfde, Ps. 2 vs. 2. Deze voorzegging wordt op dit gedeelte der lijdensgeschiedenis toegepast met deze woorden: want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig kind Jezus, beide Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en volken Israëls, om te doen al wat Uwe hand en Uw raad te voren
151
bepaald had, dat geschieden zoude, Hand. 4 vs. 25â28. De grootheid van dezen smaad, welken de Messias moest lijden, vindt gij in meerdere Psalmen, Ps. 22 vs. 7. 69 vs. 8 enz. Alles is te zamen vervat in die duidelijke Godspraak : Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten, en verzocht in krankheid, en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem. Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht, Jes. 53 vs 3. Daarom was ook de voorspelling van Jezus, dat Hij veel moest lijden, veracht, bespot en gesmaad worden , Mark. 9 vs. 12. Ons blijkt hieruit, dat Hij de waarachtige Messias geweest is. En dat alles, wij herhalen het nogmaals, onderging Hij en heeft Hij willen doorstaan , opdat Hij Zijn volk zich ten eigendom zoude verwerven, hunne schuld betaalde, en voor hen verwierf dat die troostvolle belofte aan hen zoude vervuld worden: Gij zult eene sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren en eenen koninklijken hoed in de hand uws Gods , en gij zult genoemd worden: mijn lust is aan haar, Mal. 3 vs. 7. Jes. 62 vs. 3.
Ps. 139 vs. 14.
Hl. Eindigen wij met de toepassing.
Heeft de Heere Jezus ook dit lijden voor u, voor mij, voor ons allen geleden ? och! of het zoo ware, dan was er geene verdoemenis meer voor ons. Maar ik vrees, dat er nog velen onder ons zijn zullen, die inderdaad nog vijanden van het kruis van Christus en van Zijn volk zijn, al worden zij ook bewaard voor de uitwendige uitbarstingen der vijandschap , welke zoo diep geworteld zit in het hart van eiken zondaar tegen het geestelijk leven, en tegen Hem, die er de bron van is; want Jezus zegt: Ik ben het leven. Ja! M. V., ik mag verder gaan, en zeggen, alle onbekeerde menschen zijn aan die vijandige Joden gelijk, al dragen
152
zij ook den naam van Christenen. In ouze natuur is niets anders dan vijandschap tegen God, tegen Christus en tegen de waarheid. Wij allen dragen in ons datzelfde wellustige hart om, hetwelk Pilatus en Herodes bezaten. Diezelfde zondige nieuwsgierigheid die Herodes bezat, bezitten ook wij. Zoolang ons God niet bekeerd heeft, zijn wij gereed om Jezus en Zijn volk te verachten en te bespotten, en doen wij het werkelijk met woorden, daden en gezindheden, en dan eerst als de Heilige Geest ons van zonde, gerechtigheid en oordeel waarlijk overtuigd heeft, wordt zulks onze smart en onze droefheid voor God, en blijft het onze strijd, dat wij zulk eenen lichtzinnigen en spotachtigen geest in ons omdragen, en onze bede wordt het tot God, om door de kracht Zijner heerschappijvoerende genade, dien geest in ons te verbreken. Ja! zoo erg is het met onze booze en vijandige natuur gesteld , dat, al zijn wij ook vijanden, wij wederom vrienden worden, wanneer wij in de gelegenheid komen om den Heere en Zijn waarachtigen dienst of de ware kinderen Gods te bespotten, te verdrukken of te kwellen , gelijk wij in Pilatus en Herodes zagen. Hoe gereed zijn wij, zoolang geene zondaarsbehoeften in ons zijn opgewekt , om Jezus weg te zenden als Hij aan de deur onzer harten komt kloppen. Hoe diep zijn wij door de zonde gezonken ! wij die in Christus naam gedoopt zijn , of Hem beleden hebben voor de menschen. Allertreurigst is onze toestand , en het treurigste van alles is , dat wij het niet zien, niet kennen , niet opmerken , en van ons zeiven zulk eenen goeden dunk hebben , en meenen dat het zoo erg niet met ons gesteld is. Hoe blind is de natuurlijke mensch voor Zijnen verlorenen toestand door de zonde! Zijn er onder u die, ja ! aan deze plaats zijt uit gewoonte , of uit plicht, maar die in het dagelijksche leven u begeeft in het gezelschap der spotters en der vijanden van Jezus en Zijn volk, en met hen mede doet in het spotten en in het openbaren van uwe vijandschap ; wij waarschuwen u ernstig , om op dien verder-
153
feliiken en rampzaligen weg niet voort te gaan. Gij zijt moordenaars van uwe eigene zielen , wie weet of gij op dien weg niet gebracht zult worden ; wi] bidden, dat God er u voor behoeden moge, om de onvergeeflijke zonde tegen den Heiligen Geest te bedrijven. O! spotters en vijanden, het moge schijnen dat gij ongestoord in uwe goddeloosheid voortgaat, Jezus en Zijn volk een blinkend kleed kunt aan doen, omdat de langmoedige God u draagt en verdraagt, eens als gij bevonden zult worden tegen God te zijn blijven strijden, zal God spotten als uw verderf komt. Hij zal lachen als uwe vrees daar is. Gij zult in de hel worden geworpen, in die plaats, waar eeuwig zal zijn weening der oogen en knersing der tanden. Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten. Och! dat de schrik des Heeren uwe harten tot bekeering bewegen moge. Het zal u hard vallen de hielen tegen de prikkels te slaan. Niemand heeft het tegen God en den Heere Jezus kunnen uithouden. Och! mocht God u, bespotters van Jezus en Zijn volk ! nog eens in het hart grijpen , opdat gij u nog schuldig moogt kennen eer het te laat is, en dan misschien voor eeuwig te laat, en de Heilige Geest het arm zondaars-geloof in uwe harten werken, opdat Jezus u ook beminnelijk en dierbaar werd. Och, dat die genade Gods zich ook aan u verheerlijken mocht, natuurlijke menschen! den Geest niet hebbende, maar die tot nu toe bewaard zijt gebleven om niet in der boozen raad te zijn of te zitten in het gestoelte der spotters en der openbare vijanden van God en Zijn volk. Gij moet bekend zijn , zal het goed met u worden, met de plage uwer harten, met uwe natuurlijke geneigdheid, om God en uwen naasten te haten, met de verdoemelijke arglistigheid , en het grondeloos diep bederf uwer harten. De zaligmakende ontdekking van dien toestand , waarin gij met alle menschen van wege uwe erf- en dadelijke zonden gekomen zijt, doet u alleen deze uwe zonden kennen, belijden en betreuren en ontneemt u den lust, om er in te blijven en drijft u tot Jezus uit. Dan leert gij niet meer nieuws-
154
gierig maar heilbegeerig vragen: Heere! wat wilt Gij, dat ik doen zal ? och! dat gij niet gerust moogt zijn, voor dat gij dit ook bij bevinding voor n zeiven mocht hebben leeren kennen. Haast n, behoudt u om uws levens wil. Uw tijd kan zoo kort zijn , nog is het voor u het heden der genade. De genadedeur is voor u nog niet gesloten.
En daar gij u zeiven niet bekeeren, noch vragende maken kunt, daar dit het werk des Heeren alleen is, och ! of dat niet kunnen , en toch moeten , want, de Heere spreekt, bekeert u ! bekeert u! uwe schuld voor God mocht worden, dat gij onder het recht Gods vallen en bukken en uw toevlucht alleen tot Jezus nemen mocht, die zich over ellendigen wil ontfermen en de Redder wil zijn van gansch hulpeloozen in zich zeiven. Verzuimt de getrouwe middelen der genade niet, de goddelooze verlate zijnen weg en de ongerechtige man zijne gedachten, en hij bekeere zich tot Mij, spreekt de Heere. Hij vergeeft menigvuldiglijk. Och ! dat de Heere u opkeeren en omkeeren moge, en ook nog dit Zijn woord aan uwe zielen wilde zegenen tot uwe waarachtige bekeering, gij zoudt u in het stof aan Zijne voeten vernederen en neêrgebogen door Hem worden opgericht , en gelijk het hert naar de versche waterstroomen, met uwe zielen schreeuwen tot God, en verslagen in uwe zielen vragen : Mannen ! broeders ! wat zullen wij doen ?
Zijn er onder u, die zulke tijden en toestanden voor zich zeiven kennen, en die daarop leunen en steunen, als of nu de hemel voor hen geopend en de hel voor hen gesloten is geworden. Ja! M. V., gewisselijk is dit zoo, al hebben wij ook maar een kruimke genade ontvangen ; maar geene genade is het, als wij de wereld met Demas wederom lief kregen, eene bloote overtuiging in ons geweten bezaten, die, gelijk een waterlooze wolk of eene vroeg opkomende dauw, wederom voorbij ging. Neen! de waarlijk ontdekte ziel is het om Jezus te doen, zij kan niet rusten, voor dat zij Hem gevonden heeft, met Hem in het geloof ver-
155
eenigd is geworden, zij ziet zich zelve uit- en inwendig blinkende van zonde en ongerechtigheid, en nu moet zij eeuwig verloren gaan, indien haar die vuile kleederen niet worden uitgetrokken; en de schande harer naaktheid bedekt wordt met de kleederen des heils en den mantel der gerechtigheid , welke haar omgedaan moeten worden. Onderzoeke en beproeve zich een iegelijk nauw, zeer nauw voor God, want, o gij volk! dat met geenen lust bevangen is, gerusten in Sion, verzekerden op den berg van Samaria, o! hoe verschrikkelijk zoude het voor u zijn, met eenen ingebeelden hemel, de hel te moeten ingaan, en dat wordt toch zoo, als wij de wedergeboorte niet deelachtig zijn geworden; zonder haar zal niemand Gods Koningrijk zien of ingaan. Vraagt het u dan eens af, als in de tegenwoordigheid Gods: zijt gij de schuldige voor God geworden, die Jezus door uwe zonde dat lijden hebt aangedaan ? Zijt gij die verachter, die spotter, die vijand geworden, die met Pilatus en Herodes en de Joden hebt medegedaan om Jezus te benauwen, smart en lijden en bespotting aan te doen ? Heeft Jezus waarlijk gedaante voor u ontvangen om Hem te begeeren? Als die vraag, Heere wat moet ik doen om zalig te worden? in waarheid door u gedaan is, dan kunt gij den Heere niet loslaten of Hij moet u gezegend hebben. Maar leeft gij gerust in de zonden en in de wereld, al is er ook eene uitwendige verandering in uw leven, en eene toestemming der waarheid bij u gekomen , ziet dan wel toe, dat gij u zeiven niet bedriegt, geene Judassen onder Gods volk zijn moogt. Meenende in te gaan en eens niet te kunnen, het zoude verschrikkelijk voor u zijn. Heere! ontdek Gij hen, die nog op eenen schadelijken weg zijn en leid Gij hen op den effen weg des levens.
En gij, bekommerde en heilzoekende zielen! gij durft u zeiven onder Gods volk niet tellen, en niet gelooven, dat gij deel zoudt hebben aan Jezus verzoenend lijden en sterven. Gij durft niet gelooven, dat u het vuile kleed is uit-
156
getrokken en gij bekleed zijt geworden met de kleederen des heils, dat Jezus uw Zoenborg zoude zijn. Gij hebt slechts een oog ontvangen om in u zeiven te zien , en het geloofsoog op het kruis van Christus ontbreekt nog. Gij bewandelt voor u zeiven uwen weg in het duistere, daar gij geen licht hebt. Duizendmalen zegt gi] tot u zeiven: och ! mochten wij eens zoo gelukkig zijn om te kunnen, te mogen, te durven gelooven: Jezus is mijn Jezus, wat Hi] leed, leed Hij voor mji; Hij is zonde voor mij gemaakt, opdat ik rechtvaardigheid Gods in Hem zoude worden. Nu dat is ook zoo, eerder kan de ontdekte ziel niet rusten voor zij zich zelve verloren en kwijt geworden is , en weet dat zij overgenomen is geworden door Jezus. Wie zal eenen verslagenen geest opheffen ? ik vermag zulks niet, niemand vermag dit, het is God de Heilige Geest, die alleen verzekert. Wie weet wat er nog bij u moet worden afgebroken ? waaraan gij nog sterven moet ? waaraan gü nog ontdekt moet worden? Jezus vraagt het gansche hart. Och! mocht het u door genade geschonken worden, den dag der kleine dingen niet te verachten , dat brengt duisternis over uwe zielen. Wij vermanen u, veel in het eenzame en verborgene uwe gansche ziel voor God uit te storten. Hij zal gewisselijk komen, en niet achterblijven. Hij wil Zijne hand tot de kleinen wenden; wanneer de Heere Zijn werk in u begonnen heeft, is het u alleen om Jezus te doen, kleeft uwe ziel vast aan Zijne getuigenissen, is er dag en nacht geen rust, voor dat gij Hem gevonden hebt; is het uwe onberouwelijke keuze geworden voor God te leven en is het uwe dagelijksche smart, dat gij nog zooveel van dat leven mist. Wanneer er werkzaamheden bij uwe overtuigingen in u mogen plaats hebben, die u uitdrijven tot Christus, ziet! dan is er voor u geen nood. Vuil zijt gij, vuil zult gij blijven, en als vuilen zult gij gewasschen en gereinigd moeten worden in het zoenbloed van Christus. Och! dat uw ongeloovig hart uwe zonde voor God mocht
157
worden, dat gi] u deswege voor Hem mocht veroordeelen, en uw eenige toevlucht tot dien dierbaren Verlosser mocht nemen, die voor armen en ellendigen, voor verlorenen een God van volkomene zaligheid wil zijn.
En gij, die het tot roem van Gods genade zeggen moogt gewasschen en gereinigd te zijn in het albetalend bloed van den Heere Jezus; en dat gij gelooven moogt, dat Jezus dit bij Herodes voor u geleden heeft, opdat gij zoudt vrij-gaan in het gericht Gods; dat de wereld u haat en gij dikwijls bespot en veracht wordt, daarin komt u niets vreemds over, zij hebben het uwen Heere gedaan. Het is eene eer als het u geschiedt om den naam, de zaak en de waarheid van den Heere Jezus. Zegt het mij, als gij maar niet leedt als kwaaddoeners, hebt gij daaronder dan niet dikwerf eenen vrede gesmaakt, die alle verstand te boven gaat, en teekenen ontvangen van Jezus liefde en trouw; hoe uw vleesch en bloed er ook tegenstaan, want deze willen ge-eerd worden. O! als gij maar genade ontvangen moogt, het kleed in het bloed van Jezus gewasschen aan te houden en bewaard te blijven voor de uitbarstingen der zonden naar buiten, die in uw hart zijn, dan zult gij wonderlijk versterkt en vertroost worden door geloovig te mogen zien op dien smaad, die Jezus voor u gedragen heeft, het getuigenis van uw geweten zal dan met Paul us uw roem wezen. In benauwdheid Hem aanroepende, zal Hij bij u zijn, er u uit verlossen, en gij zult Hem verheerlijken. Och! dat gij het nimmermeer vergeten mocht, dat het uwe zonden waren, die Jezus dien hoon, die verachting, die smart, dat lijden hebben aangedaan. Dat Hij voor u dat blinkend kleed gedragen heeft, opdat gij bekleed zoudt worden met dat reine en blinkende fijn lijnwaad, welke zijn de rechtvaardigmaking der heiligen. Och, dat de kracht van dat Borglijden van den Heere Jezus voor u in uwe plaats, zich aan uwe zielen verheerlijken moge, om nu ook, wetende dat de dienaar niet meer dan de meester
158
is, uit- en inwendig gewillige kruisdragers te zijn. De satan mag tegen u opstaan, de wereld u bespotten, gij, gij hebt u zulks van wege uwe zonden waardig gemaakt, maar als gij nu uwe vyanden wijzen moogt op Hem, die voor al uwe zonden volkomen betaald heeft, dan zult gij oogenblikken kennen, dat gij geloovig belijden moogt: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het die rechtvaardig maakt. Och! dat het uwe begeerte maar zijn en blijven moge, om meer van Jezus te zien in Zijne schoonheid en beminnelijkheid. Hier bezoedelt gij gedurig het reine kleed, u aangetrokken, door uwe zonden en overtredingen ; dat maakt, als er leven gegund wordt aan uwe zielen , de klacht, de smart van uw leven uit. De tijd zal haast komen , dat gij Jezus volmaakt zien zult, en dat gij in heerlijkheid voor Hem eeuwiglijk en altoos zult blinken met blinkende kleederen. O! kinderen Gods, wat zal dat groot zijn, onder diegenen dan gesteld te worden, die slechts hier een weinig tijds geleden hebben, om de volheid der vreugde in den reinen hemel te genieten. Dan zult gij het recht verstaan; Door u, door u Heere Jezus alleen, om 't eeuwig welbehagen! Amen.
Ps. 84 vs. 6.
JEZUS EN BARABBAS.
LEERREDE VIII
OVER
MATTHEUS XXVII vs. 15- 21.
VOORZANG Ps. 73 vs. 13.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
Het hart van den mensch , M. V., overdenkt zijnen weg, maar de Heere stiert zijnen gang. Zoo wij ooit die uitspraak bevestigd zien, dan kunnen wij het zoo duidelijk opmerken in den gerichtshandel van Pilatus met Jezus. Hij handelde geheel naar menschelijke inzichten, en de Heere bestuurde het zoo, dat het volbracht werd, wat zoo betee-kenisvol én zinrijk werd afgeschaduwd in de tempelplechtigheid , welke er op den grooten verzoendag plaats had. Twee bokken moesten er gebracht en daarover het lot geworpen worden, wie van beiden den Heere geofferd zoude worden. Een, Ia-Jehovah genaamd, werd den Heere ge-
160
wijd , de andere, Asasel, werd losgelaten. De eerste ging naar de slachtbank , de andere werd in vrijheid gesteld, en niemand mocht hem meer eenig leed doen, Lev. 16 vs. 5â10. Zoo ging het ook met Jezus en Barabbas. Hij gaf zich over tot verzoening der zonden Zijns volks. Barabbas, die den dood verdiend had, werd in vrijheid gesteld.
Wij hopen heden uwe aandacht te bepalen bij dat hoogst gewichtige gedeelte van Jezus lijden. De Heilige Geest bekwame u en mij bij het spreken en bij het hooren.
Mattli. 27 vs. 15â21.
Pilatus, M. V., wilde het doodvonnis ongaarne bekrachtigen, maar Jezus liever loslaten; dit had hem bereids bewogen om Jezus tot Herodes te zenden. Hij achtte dien stap in de gegevene omstandigheden het voorzichtigste. Herodes echter zond den Heere Jezus aan Pilatus terug. Hij had in Hem niets strafbaars kunnen ontdekken, en het spotkleed, dat Hij Jezus had laten aantrekken , bewees op eene ondubbelzinnige wijze, dat hij oordeelde, dat zulk een persoon als Jezus was, die beschuldigd werd naar de koninklijke waardigheid te dingen, slechts bespotting en verachting verdiende, maar in geen geval gevaarlijk voor dan keizer kon heeten. Herodes oordeelde dus, dat de Heere Jezus niets gedaan had, waardoor Hij den dood verdiend had. Pilatus drukt nu zijn voornemen uit om Jezus te kastijden en kis te laten.
Had hij dat laatste woord loslaten maar alleen uitgesproken , hij zoude gedaan hebben, hetgeen hij als rechter had moeten doen, maar ziet! dat wederrechterlijke woord kastijden was voor hem den overgang van zwakheid tot
161
misdaad. Die voorslag was vruchteloos. De joden werden hoe langer hoe onstuimiger, zij wilden daarvan niets weten. Pilatus grijpt in zijne verlegenheid nu nog een middel aan om, indien het mogelijk is, Jezus uit de handen Zijner vijanden te verlossen, en dat middel was, dat hij Hem nevens eenen verfoeielijken misdadiger aan het volk voorstelde , en van hen de beslissing vorderde, wie van beiden den dood sterven zoude: Jezus, wien zij geene misdaad bewijzen konden, of Barabbas, die daarvan overtuigd was en volgens de wet sterven moest. Laat ons
I. Het geschiedverhaal overdenken.
II. Het lijden van den Heere Jezus in deze vernederende gelijkstelling nagaan.
III. Met de toepassing eindigen.
I. Wenschte ik met u het geschiedverhaal te overdenken.
De mensch die , door menschenvrees vervoerd, schroomt recht te doen, en die door zijn geweten nog wederhouden wordt onrecht te plegen, zoekt gewoonlijk allerlei omwegen, om schijnbaar nog rechtvaardig te zijn. Zijn arglistig hart bedenkt daartoe allerlei middelen. Zoo zien wij Pilatus hier handelen. Hij begint eene openbare bekentenis van de onschuld van Jezus voor het verzamelde volk af te leggen. Hij herinnert het, dat hij Jezus in hunne tegenwoordigheid over de vele tegen Hem ingebrachte beschuldigingen heeft ondervraagd en dat hij en Herodes in den beschuldigde niets gevonden hebben wat des doods waardig was. Hij wilde Jezus kastijden en dan loslaten. Het heeft allen schijn dat de loslating plaats zal hebben, want volgens het verhaal van Markus, begint de schare te eischen, dat, volgens gewoonte, op het Paaschfeest een gevangene naaide keuze des volks worde aangewezen, om losgelaten te
11
162
â worden. Het is niet onwaarschijnlijk dat het de verborgene vrienden des Heeren geweest zijn, die zich met de hope vleiden, dat zij Jezus langs dien weg aan het Hem dreigend gevaar zouden onttrekken. Zeker is het, dat Pilatus niets liever wenscht dan dit middel te beproeven; hem ging het even als een schipbreukeling, die de eenige drijvende plank, die hem nog als redmiddel is overgebleven , aangrijpt. Die gewoonte M. V., om naar de keuze des volks op het paaschfeest een gevangene los te laten, was, volgens sommige uitleggers , onder Israël ingevoerd, ter meerdere gedachtenisviering van de verlossing uit Egypte, of tot gedachtenis van Jonathan, die door het volk bevrijd was van het vonnis des doods, door Saul over hem uitgesproken , 1 Sam. 14 vs. 45, of van de heidenen afkomstig en den Joden toegestaan , ten einde hunne regeering over hen eenigzins aangenaam te maken. Hoe het ook zij, deze gewoonte, door christenvorsten overgenomen , 't welk ook nog in sommige landen plaats heeft, moet geheel door ons afgekeurd worden. Waarom niet liever de feesten geheiligd door weldadigheid aan lijdenden, dan door bevrijding van boosdoeners ? In allen gevalle maakt deze gewoonte de wet Gods krachteloos, daar God bevolen heeft dat boosdoeners zonder verschooning moeten gestraft worden , en zij, die de wet van Mozes teniet hadden gedaan, moesten zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen sterven, Hebr. 10 vs. 28. Wie den goddeloozen rechtvaardigt en den rechtvaardigen verdoemt, zijn den Heere een gruwel. Spr. 17 vs. 15. Het is den mensch niet geoorloofd in Gods wet verandering te maken, er iets af of toe te doen. Terecht wordt daarom deze gewoonte eene onbarmhartige barmhartigheid, eene liefdelooze liefde genoemd, want de rechtvaardigen werden daardoor een prooi voor de goddeloozen, de ongerechtigheid moest er door vermeerderen en de straf wordt daardoor noodwendig onder het denkbeeld van wreedheid gebracht. Pilatus is dadelijk ge-
163
reed om dit verlangen te voldoen. Drie misdadigers zaten toen juist op den dood gevangen. Twee hunner hingen weinige uren daarna aan het kruis. Den derden misdadiger, den welbekenden Barabbas, een oproermaker en doodslager, Hand. 3 vs. 14 , stelde hij tegenover Jezus. Barabbas be-teekent zoon van zekeren Abbas. Eene overlevering zegt, dat zijn eigen naam Jozua of Jezus geweest is, men kan het ook overzetten Vaders zoon, of, zoo als wij het uitdrukken zouden , een duivelskind, of iemand die van kindsbeen af door eene verkeerde liefde zijns vaders, door toegevendheid in de zonde bedorven was geworden en tot allerlei zonden en gruwelen vervallen was. Dien welbekenden of gelijk er staat, welgeteekenden, die zich zoo berucht gemaakt had door zijne gruwelen , stelde hij naast Jezus, en hij vraagt: welken wilt gij dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus, die genaamd wordt Christus, de Koning der joden?
Pilatus is voor zich zeiven zeker van een gunstigen uitslag. Helaas! hij kende den nijd der joodsche overheid tegen Jezus, haren invloed op het volk niet. Door zijne uitdrukkingen heeft hij dien nijd opgewonden, en door zijne onbedachtzaamheid zijne macht verloren om iets ten goede van Jezus te doen. Het schijnt dat het volk eenige oogenblikken zweeg, niemand durfde zijne stem voor Jezus te verheffen ; maar men bezat nog zoovele uitwendige schaamte, dat men de vrijheid van Barabbas niet oogen-blikkelijk durfde verzoeken. Wij kunnen ons voorstellen, hoe pijnlijk die stilte voor den landvoogd geweest is , met hoeveel ongeduld hij, op zijnen rechterstoel gezeten , den uitslag van 's volks overleg verbeidde.
In dien toestand krijgt hij onverwachts eene boodschap van zijne huisvrouw. Niemand konde gissen wat die boodschap behelsde, maar men kon zien, dat, hetgene hem ingefluisterd werd , van belang scheen te zijn en hem zeer ontstelde. Deze vrouw â Claudia Procula â zoo noemt
11*
164
haar de overlevering, dnor de genade Gods eene heimelijke vriendin van Jezus, ingesluimerd nadat haar man dezen morgen zoo ontijdig was gewekt, had een benauwenden droom gehad, en was met schrik ontwaakt. Nu werd zij gedrongen uit liefde voor Jezus en bevreesd dat haar man zich het ongenoegen Gods zoude verwekken, hem eene boodschap te zenden en te laten waarschuwen: hebt toch niet te doen met dien Rechtvaardige, want ik heb veel om Zijnentwil in den droom doorgestaan. Ofschoon de Geest Gods niet aanteekent, wat zij om Zijnentwille geleden had, zoo mogen wij aannemen, dat zij verschrikt en benauwd was geworden, door datgene wat de Heere haar in een gezicht had voorgesteld, hoe verderfelijk het voor haren man zijn zoude, indien hij zich liet vervoeren den rechtvaardigen Jezus te veroordeelen. Wonderlijke bestiering Gods! Hij liet haar, wier dagelijksche gedachten met den Heere Jezus vervuld waren, van Hem droomen, en zij, eene heidin, moet optreden als eene nieuwe getuige van de onschuld van Jezus, toen geene andere stem uit dat volk , dat door Jezus zoo beweldadigd was, ter eere van Hem zich deed hooren. Het was maar een droom, en zekerlijk is het niet gemakkelijk, Goddelijke en natuurlijke droomen te onderscheiden, maar valt er geen haar van ons hoofd, zonder den wil des Hemelschen Vaders, dan zekerlijk mogen wij wel toezien om zulke droomen, die bedenkelijke waarschuwingen in zich bevatten, lichtzinnig te verwerpen. Door droomen en gezichten openbaarde God zich veelmalen aan zijn volk, door alle tijden heen, Gen. 22 vs. 3; 31 vs. 24; Job 33 vs. 14 , 15. Al was die vrouw ook eene heidin, aan Abimelech , die Sara had geschaakt, aan den bakker en schenker van Farao, aan Nebukadnezar deed God desgelijks. Wij hebben vooral Goddelijk licht en wijsheid noodig, om die wenken Zijner goddelijke voorzienigheid op te merken. In dezen droom, die zoo benauwend voor de vrouw van Pilatus geweest was, en waarvan wij zeggen mogen:
165
God beproefde haar hart en bezocht haar des nachts, Ps. 17 vs. 3, had de Heere zijne hand, en wordt aan Pilatus eene Goddelijke waarschuwing en vermaning toegezonden. De kennisgeving zijner vrouw schokt hem diep. Hij wacht het antwoord van het volk op zijne vraag, maar die onverwachte boodschap deed eene ongedachte wending in den loop der geheele zaak ontstaan. Dien tusschentijd, waarin Pilatus peinst over de boodschap Hem toegezonden, nemen de overpriesters en ouderlingen waar om de schare aan te raden, dat zij Barabbas zouden begeeren en Jezus dooden. Zij gaan onder het volk rond om stemmen voor Barabbas en tegen Jezus te winnen. Pilatus hunnen toeleg bemerkende , en ziende dat zij bezig waren om de schare te overreden , gunt hun zoo weinig tijd als mogelijk is, en vraagt bepaald aan het volk: wien wilt gij, dat ik u loslate ? Niet waar , wil hij zeggen, gij beslist immers voor Jezus ? Maar ach! hij bemerkt in zijne blindheid niet, dat het nutteloos is om nog met verzoeken te komen, als men zelf den moed niet heeft, in den naam van God en de gerechtigheid te gebieden en te eischen. Ziet, het is voorbij, de kans om Jezus door het volk te doen verkiezen, is verloren. De macht van de aanzienlijken der joden op het volk is te sterk. De menigte roept met genoegzame eenparigheid uit: Laat ons Barabbas los! en moge Pilatus nu andermaal vragen ; wat wilt gij dan dat ik met Hem zal doen , dien gij een Koning der joden noemt, met Hem, die zoo velen van u voor weinige dagen openlijk in Jeruzalem voor den Koning Israëls hebben uitgeroepen? Zulks zeggende, zoo als Lukas aanteekent, omdat Hij Jezus wilde loslaten, maar niets, volstrekt niets heeft meer invloed op hunne harten. Zij hielden aan met groot geroep, eischende dat Hij zoude gekruisigd worden, en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger. Ja, ofschoon Pilatus de bedenking doet hooren, wat heeft deze dan voor kwaads gedaan ? Ik heb geene schuld des doods in Hem
166
gevonden, zoo zal ik Hem dan kastijden en loslaten, geen ander antwoord wordt hem gegeven, dan; âkruisig Hem! kruisig Hem!quot; Beschouwt hier, M. V., hoe veranderlijk de gunst van het volk is, zij die onlangs riepen: âHo-zanna! den Zone Davids, Hozanna! in de hoogste hemelen zij roepen nu : âkruisig Hem , kruisig Hem !quot; Och ! of zij met dit geslacht der overpriesters waren uitgestorven , die ontrouwe herders en leeraars, die het volk van Jezus Christus, onzen grooten God en Zaligmaker zoeken af te brengen , de oogen van velen, die nu nog blind zijn, mochten worden geopend voor die velen, die geroepen worden hen te leiden, maar nu verleiden. Tot welk eene verregaande boosheid kan de mensch door zijne aangeborene verdorvenheid vervallen. Waarlijk, nu zij durven eischen dat Jezus, dien zij beneden Barabbas durfden stellen, gekruist zal worden, is het in vollen nadruk de macht der duisternis, die hier zichtbaar was. Laat ons
II. Het lijden van den Heere Jezus in deze vernederende gelijkstelling doorgestaan, nagaan.
Welk een zwaar, smadelijk en gruwzaam lijden, M. V., onderging de Heere Jezus, dat men Hem, dien Heilige, tegenover Barabbas, het uitvaagsel des menschdoms, durfde stellen. Hem, die zich zeiven bewust was, dat Hij de ware Messias Zijns volks was, tegen over hem, die behalve al zijne andere gruwelen, den rol van een valschen messias gespeeld had. Hoe moest het Zijn lijden verzwaren, dat zulks geschiedde door Zijnen rechter, die door zijn geweten gedrongen was geworden, openlijk te verklaren, âik heb Hem tot u uitgebracht, want ik vinde geene schuld in Hem.quot; Hoe smadelijk voor Jezus, dat Pilatus desniettegenstaande in het openbaar tot het volk durfde zeggen: âWien zal ik u loslaten, Jezus of Barabbas?quot; Welk eene gruwzame handelwijze! hoe gruwzaam werd daardoor het lijden,
167
dat men Hem, den onschuldige, aandeed! Ja ! M. V., woorden ontbreken, om dit Zijn lijden naar waarde te beschrijven , toen Jezus hooren moest dat Hij verworpen werd door dat volk, hetwelk Hij steeds beweldadigd had, dat men Barabbas boven Hem verkoos en dat men eischte en vorderde, dat Hij gekruist zoude worden. Welk een hoon en smaad voor den Zone Gods, Zijn eigen volk verwierp Hem en dat op het aanraden van de overpriesters en ouderlingen. âLaat ons Barabbas los. Kruisig, kruisig Hem!quot; Wie zal het wagen te beschrijven , hoe die woorden dolken waren in de ziel van den lijdenden Jezus, reeds zoo zeer veracht, gesmaad en gehoond. Met een misdadiger geliik gesteld te worden, het moet voor Zijne teedere ziel ontzettend geweest zijn, maar zich zeiven nog beneden Barabbas geplaatst te zien, zoo zelfs, dat men gruwt om Zijnen naam te noemen, dat moeten nagelen geweest zijn, nog pijnlijker dan die, waarmede men Hem bedreigde. Dat lijden onderging Jezus zwijgende, die schande heeft Jezus vrijwillig veracht, en mogen wij niet veronderstellen dat ook de duivel onder dat lijden Hem sterk verzocht zal hebben, om Hem moedeloos te maken en tot Hem gesproken zal hebben: âWilt Gij nog lijden voor zulke zondaars, die u , die zoo onschuldig zijt, zoo hardnekkig en goddeloos verwerpen ?quot; Wie onzer M. V., wordt niet bewogen, wiens ziel wordt niet ontroerd, als wij den dierbaren, heiligen en onschuldigen Jezus zoo zien verachten en smadelijk verwerpen ? Maar in dit alles moeten wij hooger klimmen met onze gedachten, en ook dit lijden van den Heere Jezus aanmerken als geleden als de straflijdende, plaatsbekleedende, schuldovernemende Zoenborg van al Zijne uitverkorenen. Het kan ons ' nimmer te veel herinnerd worden, dat in Zijn lijden God alzoo vervuld heeft, dat de Christus lijden zoude en dat God Dien, die geene zonde gekend heeft, zonde voor ons â dat zijn de ware geloovigen â gemaakt heeft, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid
168
Gods in Hem, en dat Christus voor ons geleden heeft; Hij, de Rechtvaardige voor ons onrechtvaardigen, en Christus voor ons goddeloozen en zondaars gestorven is. Wij moeten de rechtspleging van Pilatus uit het oog verliezen en hooger opzien tot het gericht van God zeiven. Geene macht immers is er dan van God, en aanschouwelijk wordt ons in de rechtspleging van Pilatus datgene duidelijk gemaakt, wat de Heere van Zijn volk verklaart: âIk zal Mij u ondertrouwen in gerechtigheid en in gerichte.quot;
Allereerst merkten wij op, dat er aan Jezus eene zondige en onrechtvaardige gewoonte uitgeoefend werd, om op het Paaschfeest eenen misdadiger los te laten. Dat leed Jezus, omdat Zijn volk van nature zoo vele onrechtvaardige gewoonten heeft tegen de wet Gods, en dat nog wel onder den schijn van godsdienst. Wij houden ons verzekerd, dat niemand hunner hier onschuldig is voor God; wij moeten er maar eens bij bepaald worden, hoe arglistig en schijnheilig ons hart zijn kan, zelfs onder vertooning van uitwendigen godsdienst, dan zullen wij ons wegschamen voor God en van ons zeiven walgen. Ziet, daarom leed Jezus dit alles gewillig, om voor hen als hunnen Borg te verwerven , dat zij aan deze hunne zonden recht ontdekt zouden worden, dezelve voor God zouden belijden en betreuren, en in de kracht van Hem daartegen zouden strijden. Ja! dat zij zich zeiven van wege al hunne zondige gewoonten, die wel eens als 't ware tot eene wet voor hen kunnen worden, zouden veroordeelen en verfoeien, en er op gesteld zouden worden om den Heere in geest en in waarheid te dienen.
Werd de heilige en onschuldige Jezus , van wien Pilatus wist, dat de Joden Hem door nijdigheid overgeleverd hadden , tegen den goddeloozen oproermaker en doodslager Barabbas gesteld, Jezus leed dit, omdat Zijn volk van nature bij God staat aangeteekend als goddeloozen, als oproermakers en als doodslagers. Hoe vernederend zulks ook
169
zijn moge voor onze hoogmoedige en werkheilige natuur, als God hen bekend maakt met hun goddeloos en onrein hart, dan willen zij gaarne belijden, hetgeen Paulus van zich zeiven getuigde: dat zij de voornaamste der zondaren zijn. Ja! de allerellendigste; zij zijn Barabbassen ; vaders zonen, ik meen, kinderen, die uit den vader den duivel zijn, oproermakers tegen God , wederspannigen, doodslagers en moordenaars, schuldig aan de misdaad van hunnen stamvader Adam in het Paradijs. Gij verstaat mij, M. V., ik wil niet zeggen, dat wij voor het uitwendige zoo van God zijn losgelaten om deze zonden te plegen, maar de wet is geestelijk. De Heilige Geest noemt in Zijn woord dengene reeds een doodslager, die zijnen broeder haat. Hij noemt ons ongehoorzamen en weêrspannigen tegen God. Jezus zelf getuigt, dat de doodslag uit het hart voortkomt. Paulus noemt al het bedenken des vleesches niet slechts vijandig, maar wat meer zegt vijandschap tegen God, het onderwerpt zich de wet Gods niet en kan het ook niet. De Heere Jezus, intredende bij God als de scbuldbetalende Borg Zijns volks, moet dit daarom ondergaan, omdat zij zulke Barabbassen van nature zijn, en om voor hen te verwerven , dat zij nooit in Gods vierschaar in Zijnen toorn als Barabbassen gesteld zouden worden.
Vraagt Pilatus aan de Joden: âwien wilt gij dat ik u zal loslaten ? Jezus , den Christus , den Koning der Joden , of Barabbas?quot; De Heilige Jezus, die zoo onnoozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaars was, moest zulks ondergaan, om te betalen aan de gerechtigheid Gods voor het zondige woelen en verkeerd willen van Zijn volk. Hunne natuur en geneigdheid is niet anders , altijd is hun godde-looze wil tegenstrevig tegen Gods wil, dat maakt, als zij met hunne diepe bedorvenheid en ellende door de zonde uit genade bekend zijn geworden, hun strijd uit op aarde, en als zij er krachtdadig bij bepaald mogen worden, hunne smart en droefheid, ja! de klaagtoon van hun leven, en
170
dan verstaan zij Paulus in zijne belijdenis, die hij van zich zeiven aflegt, zoo goed: het goede dat ik doen wil, doe ik niet, het kwade dat ik niet wil doen, dat doe ik; ik vind deze wet in mijne leden, en deswege verfoeien zij zich menigmaal voor God, ja hebben zij een walg aan zich zeiven. Welnu, om voor deze hunne zonden genoeg te doen aan het geschondene recht Gods in hunne plaats, en voor hen te verwerven, dat verstand en wil gevangen gelegd worden onder de gehoorzaamheid van Christus, en om voor hen den Heiligen Geest te verwerven, die hun zulks wel eens in dit leven in dit zondige vleesch geeft te oefenen, moest Pilatus deze vraag doen. Daarbij moeten zij met schaamte belijden, niet alleen in hun natuurstaat, want toen konden zij niet anders, maar nadat God hen bekeerd heeft: O! hoe dikwijls willen wij nog het verkeerde en het kwade, al komt het door wederhoudende genade ook niet tot de uitvoering, en al keuren zij het ook af met hun verstand door goddelijk licht bestraald, nochtans als zij letten mogen op de uitgangen hunner harten en met hunne verborgene zonden bekend gemaakt worden, dan zullen zij zich deswege voor God aanklagen, en belijden moeten: âgroote God! had de Heere Jezus ook daarvoor niet voor mij betaald, Gij zoudt mij nog eeuwig van voor Uw aangezicht moeten verwerpenquot;, en nu is het al dat volk te doen om de kracht van Zijn schuldverzoenend lijden aan hunne zielen tot heiligmaking te mogen ondervinden, en ook dit heeft hun Jezus hier voor hen verworven.
Jezus moest daarbij als Borg lijden, dat zij Hem uit nijdigheid overgeleverd hadden, om aan Gods gerechtigheid te betalen voor de zonde van nijdigheid van Zijn volk. Helaas! zij hebben die natuur, zij bezitten dat nijdige hart, dat Kaïn's hart, die zijnen broeder doodsloeg uit enkel nijdigheid. Hoe menigmaal openbaart zich die zonde onder velerlei vormen naar buiten. Hoe kunstig wij zulks, om onze eigene vroomheid voor het oog der menschen te be-
171
waren, naar buiten ook zoeken te bedekken, en wordt het door ons opgemerkt en verfoeid, als God de Heere er ons bij bepalen mag, bij zal het niet afleggen, zoolang hij dit lichaam der zonde en des doods omdraagt. En daar de heilige God hen deswege zoude moeten verdoemen, leed de Heere Jezus deze straf hier in hunne plaats, opdat God bun die zonde zoude kunnen vergeven en niet toerekenen, om ook voor deze zonden te betalen aan Gods gerechtigheid.
Letten wij nu op de keuze des volks, dat men Bar-abbas wilde losgelaten en Jezus gekruisigd hebben. Dit moest de Heere Jezus lijden, omdat ons verbondshoofd Adam, door de ingeving des satans, moed- en vrijwillig de keuze gedaan had, om de vrucht van den boom te nemen , welke God hem verboden bad, waardoor hij de oorzaak geworden is , dat wij allen van nature eene zondige en verkeerde keuze hebben. Helaas, wij willen veel liever den duivel, de wereld en de zonde, dan God dienen, en al zijn wij ook door genade tot eene betere keuze gebracht, dan nog is het de schuld en zonde van ons, dat wij nog zoo gedurig de Barabbassen der wereld boven Jezus stellen tot onze schade en ons nadeel. Daarvoor heeft Jezus Christus hier betaald aan de gerechtigheid Gods, en voor Zijn volk verworven , dat, als de Heere vraagt, âkiest u heden, wien gij dienen wilt?quot; zij door almachtige en onweerstaanbare genade eene onberouwelijke keuze doen: âwij zullen den Heere dienen.quot; Ja! daar zij uit en van zich zei ven bij die keuze niet volharden kunnen, omdat zij tot hinken en zinken en afdwalen elk oogenblik gereed zijn, beeft Hij ook die genade des Heiligen Geestes voor hen verdiend, dat zij zeggen mogen : de begeerte naar den inwendigen menscb is en blijft bij mij, Jezus boven Barabbas te kiezen; mijne afwijkingen en afdwalingen mogen mij telkens tot schuld en droefheid worden, voor mijn leven kan ik geen andere keuze meer vinden. Ja! ook dat heeft de Zoenborg Jezus hier voor hen verworven, dat zij oogenblikken kennen in
172
hun leven, waarin zij met geloofskracht zeggen mogen: âhenen uit! weg met die Barabbassen van zonde, wereld en duivel!quot; dat zi] het biddende voor de voeten van Jezus mogen brengen , opdat Hij dezelve uit hunne harten ver-drijve, en zij kracht van Hem, zonder Wien zij niets doen kunnen, ontvangen mogen om dezelve te haten en te bestrijden. Wanneer zij nu zich niet mogen schamen om hunne keuze aan anderen te openbaren , en zonder iemand of iets te ontzien en te vreezen, er openlijk voor uit te komen, dan moeten zij betuigen: Gij, Heere Jezus! hebt dat voor ons verdiend, door U alleen is het, dat wij zoo spreken en handelen mogen.
Heeft het joodsche volk gezegd, tot groote ontsteltenis van Pilatus: âlaat ons Barabbas los,quot; hier M. V,, aanschouwen wij het heilgeheim onzer verlossing, dat God naar Zijn vreêverbond Zijnen vrienden toont. De beslissing komt tot voleinding. Op den rechtvaardigen Jezus gaan de banden, de vloek, de smaad, de doodskwalen over, op den moordenaar daarentegen de vrijheid, den zegen, de eer, het eeuwige leven. Dit is de grondslag van het Evangelie, de grondslag van de rechtvaardiging en heiligmaking van al dat volk, dat God lief gehad heeft met eene eeuwige liefde en bekommerd maakt van wege hunne zonden. Dit is de oorzaak, waarom God de misdaden, de ongerechtigheden en de zonde Zijns volks vergeeft; de oorzaak , om welke Hij mag verkondigd worden als een God, die de goddeloozen rechtvaardigt. Hier is de plaatsbeklee-ding van Christus voor Zijn volk als hun Zoenborg duidelijk voor elk, die door genade oogen ontvangen heeft om te zien. De schuld en het kruis van den aangeklaagde worden overgedragen op den rechtvaardige, en de onschuld en eerekroon van den rechtvaardige op den schuldigen. Barabbas was elk uitzicht op redding afgesneden, hij moest den dood des misdadigers sterven. Ziet zoo is ook de toestand van Gods volk, kinderen des toorns van nature
173
gelijk alle andere menschen. Zij kunneu niets geven tot lossing hunner zielen, niets is aan hunne zijde uit te denken om hen los te koopen, wanhopig is hunne toestand , Barabbas wordt buiten zijn toedoen vrijgelaten. Zoo is ook hunne redding van den eeuwigen dood geheel buiten hen uitgewerkt, en volbracht. Jezus heeft de plaats van Barabbas willen innemen en Barabbas in Zijne plaats willen stellen, om door die plaatsverwisseling, als de schulddragende en schuldovernemende Borg Zijns volks, voor hen te voldoen aan het geschondene recht Gods. Nu worden zij van de verdiende straf en van den eeuwigen dood bevrijd en komen zij tot het leven, dat niet meer sterven zal in eeuwigheid. Nu zijn zij, die vrijgekochten door Zijn bloed, eene gemeente zonder vlek en rimpel, gereinigd door Zijn bloed van hunne zonden, en aangenaam gemaakt in den Geliefde, tot prijs Zijner heerlijke genade, door welke zij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden, naar den rijkdom Zijner genade. Nu, in één woord, wordt bij God gerekend , wat zij gezondigd hebben, als of Christus het misdreven had, en hetgeen Christus gedaan en geleden heeft, alsof zij het gedaan en geleden hebben. Wanneer de Heilige Geest ons zoo verre gebracht heeft, dat wij in dat heilgeheim onzer verlossing mogen inzien, dan zinken wij weg en verliezen wij ons zeiven in dien oceaan van eeuwige, vrije genade en liefde. Hier mogen wij er slechts bij oogenblikken van stamelen, maar ontdaan van het lichaam der zonde en des doods, zullen onze gezangen zijn als het bruischen der groote wateren, om Hem er voor te danken, en te aanbidden.
Gods Woord ten slotte had zulks te voren duidelijk van den Messias doen verkondigen.
Hij zoude met de overtreders geteld worden, Jes. 58 vs. 12. Opgehangen worden tusschen twee moordenaars, Luk. 23 vs. 33. Hij zoude zijn een smaad van menschen
174
en veracht van het volk, Ps. 22 vs. 7. Een steen des aanstoots en een rotssteen der struikelingen, den twee huizen Israëls, Jes. 8 vs. 14. De verachte ziel, die, aan welke het volk een gruwel heeft, Jes. 49 vs. 7. Dat zouden de joodsche oversten en bouwlieden aan Hem doen t Ps. 118 vs. 22, en het zoude met geschreeuw geschieden, Jes. 5 vs. 7, en uit dit alles, zoo letterliik in Jezus vervuld , wordt het geloof bevestigd, dat Hij was de ware Messias zijns volks.
Ps. 139 vs. 14.
III. Laat ons eindigen met de toepassing.
Jezus en Barabbas werden tegenover elkander gesteld. âWien van beide begeert gij?quot; aldus vraagde Pilatus. De keuze dunkt u was niet moeielijk, en toch zoo groot was de verblinding en de vjiandschap der menigte, dat het volk uitriep: âlaat ons Barabbas los,quot; terwijl zij begeerden dat Jezus zoude gekruist worden. Die goddelooze joden, zegt gil mogelijk, hoe konden zij er toe komen om eenen moordenaar boven den Heilige te kiezen ? Spreekt zoo niet, dat is het gevolg van den jammerlijken afval van den mensch van God, sedert hij het beeld Gods door de zonde verloren heeft. Heeft Adam niet den boom der kennisse, des goeds en des kwaads verkozen boven den boom des levens? Koos Israël niet den dood boven het leven, den vloek boven den zegen ? Kiezen niet alle natuurlijke men-schen, die den Geest Gods niet hebben, Belial boven Christus ? den Mammon boven God ? Meent gij, dat als gij daar onder de menigte gestaan hadt, gij met hen niet zoudt hebben medegedaan om Christus Jezus te verwerpen? Dat gij zulk een goeden dunk van u zeiven hebt, het is omdat gij u zeiven nog niet hebt leeren kennen in uwen diepen afval van God, door uwe erf- en dadelijke
175
zonden. Onbekeerde zondaar, zoo lang gij den driehoof-digen afgod dezer wereld blijft dienen, de begeerlijkheid der oogen en des vleesches, en de grootschheid des levens, kiest gij Barabbas boven Jezus, heeft Jezus voor u geene gedaante of heerlijkheid, dat gij Hem begeeren zoudt. Gij kunt God en den Mammon niet dienen. De vriendschap der wereld is vijandschap tegen God. Al draagt gij ook Christus naam, al hebt gij het teeken des doops ook aan uwe voorhoofden ontvangen, al hebt gij Jezus ook openlijk beleden voor de menschen, zoo lang gij den duivel, de zonde en de wereld blijft dienen, en dat met lust en met vreugde, zonder u om het heil uwer arme ziele te bekommeren , kiest gij Barabbas boven Jezus. Ja! dan zijt gij het met den moordenaar uwer ziele eens en kruisigt gij Christus. Ongelukkige toestand , want al zegt gij ook: Heere! Heere! met uwe lippen , uw hart meent het niet, en als gij in uwen onbekeerden toestand blijft, uw deel zal eens bij de geveinsden wezen in die plaats, waar weening der oogen en knersing der tanden zal zijn, waar de rook uwer pijniging in eeuwigheid zal opgaan in dien poel, die brandt van vuur en sulfer, in dat eeuwige vuur dat den duivel en zijnen engelen bereid is. O! verschikke-lijke toestand, moordenaars te zijn van ons zeiven; Jezus verworpen te hebben, het bloed des Nieuwen Testaments onrein te achten: voor de zonden derzulken blijft geen slachtoffer meer over. Wij hebben medelijden met u. Och ! geve God, dat niemand uwer aan het oordeel der verharding zij overgegeven. Maar dit betuig ik u als in de tegenwoordigheid Gods, als gij geene onberouwelijke keuze leert doen aan deze zijde des grafs, om Christus boven Barabbas te kiezen, als gij zoo blijft voortleven gelijk gij tot nu toe geleefd hebt, zonder Christus, gij gaat voor eeuwig verloren. Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten. Hoe vele jaren reeds is van Gods wege u de vraag geschied: âWien kiest gij, Jezus of Barabbas?quot; en
176
is u het rampzalige en verderfelijke van het dienen der zonde en der wereld voor oogen gesteld, en toegeroepen: âhaast u, behoud u om uws levens wilmaar tot nu toe blijft gij wederspannig. De liefde tot de wereld echter maakt uw hart ongevoelig voor de liefde Gods, die nog geen lust aan uwen dood en uw verderf heeft. De duivel maakt u wijs als gij jong zijt, dat het nu nog geen tijd voor u is die keuze te doen , en de wereld te verlaten; als gij in de kracht uws levens zijt, dat de beslommeringen der wereld er u in verhinderen, dus nu nog niet, maar later zult gij die keuze doen, en zoo komt van uitstel afstel, en roept menigeen uit, als hij bemerkt dat hij sterven moet, het is nu voor eeuwig te laat! O! wij bidden u, staat stil op uwen weg, heden zoo gij Gods stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden. Geeft den zielemoordenaar geen gehoor. Valt voor God neder in het stof en bidt Hem dat Hij door Zijnen Heiligen Geest u uwe dwaasheid en blindheid ontdekken moge. Wie weet of God zich uwer niet ontfermen wil, door u eene onbe-rouwelijke keuze te schenken om Christus boven Barabbas te verkiezen.
Zijn er onder u die hinkende blijven op twee gedachten , van wien men heden zeggen zoude : zij schijnen Christus boven Barabbas te kiezen, maar die het morgen anders betoonen in hun leven en in hunnen wandel, die Christus en Belial te gelijk blijven dienen, die te vroom zijn om ze onder de openbare goddeloozen te plaatsen, en niet vroom genoeg om ze te tellen onder degenen van wie men eenige hoop mag koesteren: ongelukkig is deze uw toestand, want zoo gij niet veranderd en bekeerd zult worden, wat zal het u baten, dat gij u voordoet alsof gij achting voor Jezus en Zijn volk bezit en daarbij de gunst der wereld behouden wilt. O! gij zult bij elke gelegenheid ontdekt worden, dat uw hart niet recht voor God is, want gij zult u van de wereld laten raden, en met haar mede-
177
doen om Barabbas boven Jezus te kiezen. Gij behoort onder de geveinsden, waarover Jezus het wee heeft uitgesproken , en gij verkeert voor uzelven in een hoogst gevaarlijken toestand; van openbare goddeloozen en vijanden is meestal nog meer verwachting dan van u. Gij zijt in uw geweten overtuigd, gij weet den wil des Heeren , en gij blijft de zonde, de wereld en den duivel met uwe harten dienen, en dat nog wel onder den schijn van niet met dezulken mede te doen die Barabbas openlijk boven Jezus kiezen , gij zult met dubbele slagen geslagen worden. Och! mocht deze of gene van u, die tot dezulken behoort, van dien gevaarlijken weg, dien hij tot nu toe bewandelt, worden afgebracht. Kiest heden, óf Jehova óf Baal moet uw God zijn , beide kunt gij niet blijven dienen, gij gaat er eeuwig mede verloren.
Zijn er onder u die, inkeerende tot zichzelven, zeggen zullen: wij hebben wel eene keuze gedaan, Jezus boven Barabbas gekozen, maar wij vreezen dat het de ware keuze nog niet zal zijn. Jezus zal van ons niet gekozen willen zijn. Ware onze keuze de ware, door God den Heiligen Geest in ons gewrocht, wij zouden meer noodzakelijkheid, dierbaarheid en onmisbaarheid in den Heere Jezus voor ons zeiven zien, maar nu zitten onze harten zoo aan die Bar-abbassen nog verbonden, en al dragen wij een beschuldigend geweten in ons om, als wij Jezus in waarheid boven Barabbas gekozen hadden, zoude het geheel anders met ons zijn moeten dan het nu is , wij zouden meer vrijmoedigheid hebben om voor onze keuze voor vriend en vijand uit te komen, maar nu moeten wij maar stilzwijgen; onze keuze zal bij ons zijn uit kracht van opvoeding of onderwijs, maar geen werk des Heiligen Geestes in ons. Verre zij het van mij om u te verzekeren, dat het niet zoo is. Ook ik geloof, dat velen in waarheid zoo van zichzelven getuigen mogen. En met ernst en aandrang herinner ik n het woord des Heeren: âwee! de gerusten in Sion, de verze-
12
178
kerden op den berg van Samariaen waarschuw ik u voor het zelfbedrog der zonden, want onder die klacht kan bij menigeen nog eene hope verborgen liggen, die ontzinken zal aan de poort der eeuwigheid. Maar als ik u vraag, is uwe keuze ook overgegaan in de werkzaamheden uws levens ? Brengt zij u ook tot zelfonderzoek voor God in het eenzame en in het verborgene ? Is God u te sterk geworden in het kiezen van Jezus boven Barabbas, of is het uw eigen werk, wat zoudt gij antwoorden? Waar die keuze het werk Gods in ons geworden is, daar is het eene onberouwelijke keuze, daar wordt men met zijn zondig, ellendig hart, tot hinken en zinken en afdwalen elk oogen-blik gereed, bekend gemaakt, daar wordt de behoefte gekend : och! Heere, doorgrond mij, zie of bij mij een schadelijke weg is, en leid Gij mij op den effenen weg des levens. Daar geeft men niet alleen de hand maar ook het hart aan den Heere Jezus over, en er is geene rust, voor dat men zich die overgifte klaar en onderscheiden bewust is; daar kiest men niet om maar in den hemel te komen, en de straffen der hel te ontgaan, maar daar kiest men om den overigen tijd zijns levens den Heere Jezus te dienen. Nu kan u het licht des Heiligen Geestes ontbreken , om voor uzelven te zien dat gij een dergenen zijt, die Jezus boven Barabbas gekozen hebben, maar den Barabbas in uzelven veroordeelt gij, en daar kunt gij niet meer mede leven. Gij kunt uw leven niet meer vinden in de zonden en in de wereld, onder de vijanden van God en Christus. Waar God Zijn werk in ons begonnen heeft, daar moge het bestreden worden door den duivel, het openbaart zich in ons, in weening over onze zonden, in smeekingen tot Jezus in verborgene en eenzame plaatsen.
Bekommerde en heilzoekende zielen! als ik u heden vraagde : wien kiest gij, Christus of Barabbas ? Mij dunkt gij zoudt zeggen Christus. Hij wacht om u genade te bewijzen , Hij roept u toe: wendt u naar Mij toe. Vraagt
179
veel doorbrekend licht en genade , tracht naar geenen zwaren, maar naar eenen klaren weg; waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Och! dat gij uwe harten, hoe verkeerd en diep ellendig zij ook zijn mogen, met al uwe dwaze en verkeerde keuzen, al ware het bevende, maar voor Jezus moogt nederleggen. Hij alleen troost het hart, dat schreiend tot hem vlucht, dat vermogen wij niet, en gij zoudt het ook van ons niet mogen, niet kunnen aannemen. Hij is een ontfermende en genaderijke Verlosser, die weet medelijden te hebben met uwe zwakheden en gebreken, Hij zal op zijnen tijd u toeroepen: in uwen bloede leeft! in uwen bloede leeft! De doorbreker zal doorbreken, Hij zal maken dat uw werk in der waarheid zal zijn.
Gij, begenadigden die deze keuze gedaan hebt, zegt mij, heeft zij u nog wel ooit berouwd ? Is dat niet uw grootste voorrecht, dat gij haar door genade vernieuwen moogt ? Gij verstaat uzelven in die keuze, en uzelven nu niet meer eigen, maar het eigendom van Jezus geworden zijnde, is zekerlijk de lust tot onafhankelijkheid, uw zondig en bedorven vleesch zoo eigen, uwen grootsten vijand en ziele-moordenaar, en het zal, daar in de verbreking van dat kwaad uw heil gelegen is, menigmaal uwe smart en droefheid voor God in het verborgene uitmaken. Hoe levendiger en werkzamer uwe geloofskeuze door genade zijn mag, des te meer afkeer zult gij van de Barabbassen der zonde hebben, die haten met eenen doodelijken haat, en mijden en vlieden als uwe vijanden. Hoe groot en vele zijn uwe voorrechten in Christus ! Die Barabbas , die ten koste van Jezus werd vrijgelaten, op wien geene van zijne talrijke overtredingen meer ruste, tegen wien geene aanklacht meer konde worde ingebracht, en die zonder vrees zijnen rechter onder de oogen konde treden, die zijt gij. O ! eeuwig wonder van onverdiende genade aan u bewezen, Jezus liet zich voor u verwerpen; voor u gaf Hij zich als een misdadiger over ; voor u wilde Hij dat lijden, en dat opdat gij aange-
12*
180
nomen, opdat gij gerechtvaardigd, opdat gij in heerliikheid zoudt opgenomen worden. O ! dierbaar voorrecht, gekomen te zijn tot de vrijheid der kinderen Gods, vrijgemaakt te zijn, zonder iets van het uwe daartoe gedaan te hebben, door den Zone Gods. Dat zal de roem uitmaken in de zalige eeuwigheid, die u wacht: door u, door u alleen om het eeuwig welbehagen! Uwe geloofskeuze zal vervuld worden , u wacht het volle genot van dien Heiland, welken gij hier begeerd en gekozen hebt. O! onuitsprekelijk geluk, de geloofsverwachting te mogen hebben, dat gij verzadiging van vreugde zult genieten eeuwiglijk en altoos , in die plaats, waar God en Jezus, uw dierbare Zoenborg, u alles zullen zijn. Amen.
Ps. 2 vs. 7.
Jezus gegeeseld en met doornen gekroond.
LEERREDE IX
OVER
MATTHÃUS XX.VII vs. 26â30.
VOORZANG Ps. 89 vs. 7 , 8.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of ver menigvuldige tc rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
In het Hooglied van Salomo, terecht het lied der liederen genaamd, waarin ons de innerlijke, geestelijke betrekking tusschen den Heere Jezus en Zijne gemeente onder het beeld van een bruidegom en eene bruid wordt voorgesteld, leest gij die uitspraak: âGaat uit en aanschouwt gij, doch-teren van Sion, den Koning Salomo met de kroon, waarmede hem zijne moeder kroonde op den dag zijner bruiloft, en op den dag van de vreugde zijns harten.quot; De kinderen Gods, zij , die in Sion geboren zijn, worden opgewekt, om den waren Salomo, den Vredevorst te aanschouwen zoo als hij gekroond is geworden door zijne moeder, op den dag zijner bruiloft. De moeder is de menschheid, die
182
Hem naar het vleesch baarde; de kroon, die zij Hem opgezet heeft, was de doornenkroon, en de dag van Zijne bruiloft was die dag, waarop Hij zich zoo diep vernederde om haar, die Hij zich uitverkoren had, te ondertrouwen. Die dag, o, eeuwig wonder Gods! wordt de dag van de vreugde Zijns harten genaamd, omdat Hij daarop haar tot Zijne bruid verworven heeft. Ziet! zoo worden ook wij heden geroepen om den Heere Jezus te aanschouwen, zoo als Hij gegeeseld is geworden en met doornen is gekroond! Och! mochten wij allen daarin Zijne goddelijke liefde en genade bewonderen, maar ook de allerwonderbaarliikste gerechtigheid Gods, en opmerken hoe tot geen minderen prijs, de schuld van de zonde Zijns volks konde verzoend en het recht ten leven konde worden verworven. Geve God ons licht, kracht en genade, opdat wi] dit gedeelte van het bloedig lijden van Jezus, met zegen voor onze harten mogen overdenken. Laat ons vooraf des Heeren aangezicht in het gebed zoeken.
Matth.. XXVII vs. 26â30. ')
Pilatus , M. V., was zeer teleurgesteld in zijne verwachting, dat het oproerige volk den welbekenden moordenaar Barabbas boven Jezus ter vrijlating koos. quot;Wij kunnen ons zijnen toestand voorstellen. Hoe moet hij gehuiverd hebben, toen het volk, op zijne vraag die hij deed: âwat moet ik dan met Jezus doen ?quot; dezen moordkreet deed hooren: âKruis Hem! kruis Hem!quot; Hij, die als landvoogd des keizers geroepen was den onschuldige te beschermen, wiens geweten hem getuigenis gaf van de onschuld van Jezus, hij stond daar als iemand, die geen gezag meer had tegenover de woedende schare van de vijanden van Jezus,
lgt;) Verg. Mark. XV vs. lóâ19« XIX vs. 1â5*
183
wier heete dorst niet te lesschen was dan met het bloed des weêrloozen. Er dreigt een oproer los te barsten, en nu trekt Pilatus, door vrees bevangen, voet voor voet terug. Nog eens beproeft bij door eene zinnebeeldige handeling het rumoer te doen bedaren en hij neemt zijn toevlucht tot een plechtig bedrijf; hij stelt zich voor , dat, daar het een zichtbaar en sterk sprekend bewijs zoude zijn dat hij Jezus onschuldig hield, het werken moest op de harten der menigte. Ziet! zoo leidde zijn arglistig hart, daar hij niet durfde en wilde handelen gelijk hij als rechter geroepen en verplicht was, hem ter zijde af. Hij liet zich, op zijnen rechterstoel gezeten , water brengen en wiesch , dat ieder het zag, zijne handen, uitroepende dat allen het hooren konden: âIk ben aan het bloed van dezen rechtvaardige onschuldig; gijlieden moogt toezien.quot; Beklagenswaardige man! die zóó durfde spreken , het is , alsof hij daarmede de bedreiging zijner vrouw uit dien bekenden droom wilde afweren: âheb toch niet te doen met het bloed van dezen Rechtvaardige.quot; Hij zelf was de verderver vans den onschuldige, ofschoon hij de schuld op anderen wierp. Hier zien wij M. V., hoe het den zondaar gaat, die zich zeiven door valsche overleggingen zijns harten bedriegt, hij waant nog zijn plicht te doen, ofschoon hij Gods wet met voeten vertreedt; hij stelt, als zijn geweten hem aanklaagt, zich zeiven te vreden met uiterlijke bedrijven en woorden, als konde hij daarmede zijne schuld uitwisschen voor Hem, die lust heeft aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste. Ach! hoe diep is het schepsel door de zonde gezonken! Hoe blind is hij voor zijn eigen rampzaligen toestand!
De Joden zijn dadelijk gereed met hun antwoord. âDat bloedquot;, roepen zij uit, âkome over ons en over onze kinderen!quot; Zij nemen alles voor hunne rekening. Aan hun en hun nageslacht moge het gewroken worden, ons, onze kinderen treffe er de straf voor. Hoe duur is hun die vloek-kreet te staan gekomen! Welke zware oordeelen zijn over
184
dat volk gekomen! Hoe gaan zij er nog onder gebukt. Dat arme blinde volk! Die arme kinderen! Beladen zijn en blijven zij met bloedschuld, indien zij geen vrede vinden door het bloed des kruizes, gelijk ook wij. Al behooren wij ook niet tot de Joodsche natie, bloedschuld rust op ons van wege onze erf- en dadelijke zonden, en daarvan kan ons het bloed van den Heere Jezus alleen reinigen.
Pilatus bezweek voor zoo vele woede, âtoen liet hij hun Barabbas los.quot; Hij gaf het volk genoegen en weigerde gehoor te geven aan zijn geweten. en ontsloeg zijns ondanks een man, die aan oproer en moord schuldig, behoorde gedood te worden. Pilatus oordeelde, dat hun eisch geschieden zoude ; hij bekrachtigde derhalve het door den Joodschen raad geslagen vonnis, en ofschoon hij het niet goedkeurde, willigde hij de begeerte van de vijanden van Jezus in ; in dien zin verklaar ik de woorden; rtoen gaf hij Jezus hun over.quot; Het was derhalve beslist, de Zoon des menschen zoude gekruist worden, de hel zegepraalde, Barabbas was vrij. Zoo zijn wij nu dan genaderd tot de geeseling, die de Heere Jezus ter voorbereiding van den kruisstraf heeft ondergaan. Welaan ! bepalen wij ons
I. Bij dit gedeelte der lijdensgeschiedenis, en laat ons
11. Het lijden van Jezus daarin nagaan.
III. Met de toepassing eindigen.
\
1. Wenschte ik met u dit gedeelte der lijdensgeschiedenis na te gaan.
âPilatus nam Jezus en geeselde Hem.quot; Hij deed zulks wel niet in eigen persoon, want dit was onder de Komeinen het werk der beulen en krijgsknechten , maar het wordt hier aan hem toegeschreven, omdat zij het deden op zijn bevel, zoodat hij geacht werd alsof hij het zelf deed. Deze wijze van uitdrukking vinden wij meer in Gods Woord, gelijk door
185
Nathan tot David gezegd wordt; âGij hebt Uria den Hetieter met het zwaard verslagendewijl hij zijn krijgsoverste Joab daarmede belast had, 2 Sam. XII vs. 9. De geeseling werd aan Jezus volbracht. Wreedere handelwijze dan eene Romein-sche geeseling M. V., kunnen wij ons niet voorstellen , het was eene voorbereiding tot den kruisdood, ofschoon , zoo als wij later zien zullen, Pilatus deze strafoefening aan Jezus liet voltrekken, om later door het erbarmelijk gezicht van den gegeeselden, het volk tot medelijden te bewegen. Och! ware het nog maar eene joodsche geeseling geweest, want dan had zij volgens de wet van Mozes in tegenwoordigheid van den rechter plaats gehad, die den misdadiger gelastte neder te vallen, en het getal slagen naar de mate der misdaad bepaalde , maar was in geen geval boven de veertig slagen geweest, maar nu was het eene Eomeinsche geeseling, en deze was uitermate wreed, want zij gebruikten daartoe eene zweep van riemen aan welker einden i]zerspitsen of looden knoopen gedaan werden, waardoor het lichaam op de verschrikkelijkste wijze gewond en het vleesch des misdadigers opengescheurd werd, terwijl het aantal slagen aan de willekeur der beulen werd overgelaten. Slechts aan slaven was zulk eene marteling voor de doodstraf beschoren. Welnu, zij namen Jezus, scheurden Hem de kleederen van het lijf, bonden Zijne handen op Zijnen rug vast, drukten Zijn heilig aangezicht tegen den opgerichten schandpaal, bonden Hem daaraan met koorden vast, zoodat Hij zich bewegen noch roeren konde en nu nam het gruwzame werk een aanvang. Maar ik ga niet verder, ik wil uw gevoel sparen. Het bloed des Gezegenden stroomde, Zijn rug en Zijne borst zijn met bloed en wonden bedekt. Al Zijne leden moeten gesidderd hebben van pijn en smart. En Hij zweeg, geen enkele klacht, geen wraakschreeuw komt uit Zijnen mond. Hoe fel Hij ook gegeeseld worde, Hij staat het geduldig en lijdzaam door. Welk eene liefde! Welk eene gehoorzaamheid aan God ! Welk een lijden!
186
Maar dat lijden is nog niet geëindigd. Toen Zijne beulen moede van slaan waren, maakten zij Hem los van den schandpaal en nu wachtte Hem eene twee pijniging, die de andere aan ontzetting nog bijna overtrof. De gansche bende der krijgsknechten wordt te zamen geroepen. Men heeft gehoord dat Hij zich voor Koning der joden verklaard heeft. Dien gewaanden koning willen zij huldigen. Een versleten purperen mantel wordt te voorschijn gehaald; men ontkleedt Hem wederom en werpt het spotkleed over Zijnen gewonden rug. Men vlecht een krans van doornenstekken, en zet dezen ruw en woest als een kroon op Zijn hoofd, en om het beeld van een spotkoning te voleinden, geeft men Hem als scepter eenen rietstaf in de handen en nu wedijveren zij onderling om Hem te bespotten, buigen hunne knieën voor Hem en roepen uit: âwees gegroet, Gij koning der joden!quot; En nu zij ook dit gruwzame spel moede zijn, gaan zij tot vernieuwde wreedaardigheid over. Met vuisten slaan zij Hem in het aangezicht , bespuwen Hem als den nietswaardigsten aller men-schen, rukken Hem den rietstok uit de handen, slaan Hem daarmede zoodanig op het met doornen bedekte hoofd, dat de spitsen diep in Zijnen schedel dringen en Zijn aangezicht als met bloed overstroomd wordt. Ik wil uw menschelijk gevoel sparen, maar ziet! zoo is de Heere Jezus onder luid gelach en geschater mishandeld, gepijnigd, gemarteld door menschen, die zichzelven tot duivelen en tot beesten verlaagden. Hoe diep kunnen wij door de zonde zinken, indien God ons loslaat en overgeeft aan de verharding onzer harten. Terecht heeft een begaafd prediker onzer dagen, dit afschuwelijk tooneel van menschelijke wreedheid beschrijvende, uitgeroepen : Ach! die aanblik zou steenen bijna hebben bewogen , maar menschen roert hij niet. Dieren verscheuren hun slachtoffer slechts â menschen kunnen het daarenboven bespotten. Wat heeft de zonde niet te weeg gebracht! Onschuldige, heilige Jezus! dat hebt Gij moeten lijden. God dulde het, het behoorde tot den beker, dien Hij moest ledig
187
drinken! Nimmer! nog eens, werd hier op aarde de zonde zoo in hare afschuwelijke gedaante gezien, nimmer hare heerschappij zoo betoond, nimmer hare zegepraal zoo ondervonden. Hij, het afschijnsel van Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, in Wien de Godheid lichamelijk woonde, Hij, Gods heilig kind, Hij werd van die zonde de speelbal, het slachtoffer. Dat dulde Pilatus M. V., dat Hij, dien hij zelf den Rechtvaardige noemde, zoo mishandeld werd. De bende der soldaten wist niet wat zij deed. Zij, die Hem overgeleverd hadden , hadden grootere zonde. Maar wee toch die allen , die den Heere der heerlijkheid zóó hebben gehoond, zóó hebben bespot, zóó hebben gemarteld!
Pilatus laat eindelijk bevelen, dat de wreede strafoefening moet gestaakt worden. Nogmaals durft die onrechtvaardige rechter tot de schare zeggen: âZie , ik breng Hem tot u uit, opdat gij weet, dat ik in Hem geene schuld vinde, en met eene bewogene stem, als of hij nu nog op hun mensche-lijk gevoel zoude hebben kunnen werken, roept hij hun toe: âZie den mensch!quot; Hij wijst Jezus aller oogen aan, alsof hij allen vroeg, of zij nog lust aan Zijn dood konden hebben, maar nu was het eenparig getier; âkruis Hem! kruis Hem!quot; Zietdaar het geschiedverhaal. Uitvoeriger wenschte ik nu, och! dat ik zulks waardiglijk doen mochte, tot u te spreken:
II. O eer het lijden van Jezus daarin doorgestaan.
Welk een zwaar en bitter lijden heeft de Heere Jezus hier ondergaan; hoe smadelijk en smartelijk was het. Zoo betuigt gij met mij, als wij letten op die bloedige geeseling, op die krooning met doornen, op die gevoelige slagen, die deze wreede krijgsknechten Hem toegebrachten. Hij, onze groote God en Zaligmaker, die alles bekleedt, wat er in hemel en op aarde is, wordt hier naakt en ongekleed voor de oogen van gruwzame zondaars ten toon gesteld; zoo naakt uitgekleed , wordt Hij aan een geeselpaal gebonden; niet met
188
roeden, neen! met scherpe zweepslagen, die door Zijn vleesch henendrongen, werd Hij gegeeseld, en elke slag moest Hem eene pi.jnlijke wond, eene naamlooze smart toebrengen. Dat leed Hij, de heilige, de onschuldige Jezus, die nooit zonde of kwaad gekend of gedaan had; die zoo velen , welke lichaamspijnen en smarten moesten doorstaan, door aanraking genezen had. Zijne menschheid ware er zeker onder bezweken, indien zijne Godheid haar onder die woedende wreedheid niet ondersteund had. Welk een wonder Gods, dat God de aarde niet opende om die gruwzame en bloeddorstige vijanden als andere Korah's, Dathan's en Abi-ram's levend te verslinden ?
Welk een smadelijk lijden , dat men Hem, die zich met het licht bedekt als met een kleed, Hem, die met majesteit en heerlijkheid bekleed is, eenen versletenen purperen mantel over dat lichaam met zoo vele wonden bedekt durft hangen , en dat om Hem nog openlijk te bespotten. Welk een smaad, dat men Hem, die met eere en heerlijkheid gekroond is en voor Wien de prachtigste kroon niet te sierlijk zoude geweest zijn, want Hij, de Koning der koningen is waardig dien te dragen, eenen doornenkroon, die Hem smartelijke wonden moest aanbrengen, op Zijn gezegend hoofd durft drukken. Welk een smaad, dat men Hem, die heerschen moet van zee tot zee en van de rivieren tot aan de einden der aarde, als een gewaanden koning durfde bespotten, door Zijne gezegende handen een rietstok, als ware het een scepter, te geven. Welk een smaad, waarmede zij Hem, den Koning des Hemels onteerden, dien zij te vreezen hadden zoo lang de zon en de maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht, dat zij voor Hem spottende op de knieën neder-vielen. Welk een smaad, dat zij spottende durfden uitroepen : âwees gegroet, Gij, Koning der Joden!quot; Hij, die als zoodanig, toen Hij , als een hulpeloos wicht in doeken gewonden in de kribbe lag, in deze Zijne waardigheid was erkend, en in geheel Zijne omwandeling op aarde bewezen
189
had door de teekenen Zijner Goddelijke almacht, dat Hij op Zijne dijen geschreven heeft dien eeretitel: Koning der koningen en Heere der heeren. Welk eene smaad, dat zij Zijn heilig aangezicht, dat voor korten tijd geblonken had als de zonneglans , met vuil speeksel durfden verontreinigen. Hoe smartelijk was die mishandeling, dat men Hem daarbij nog gevoelige slagen toebracht, eensdeels met hunne vuisten op Zijne onschuldige kinnebakken, waardoor ongetwijfeld het bloed uit neus en mond sprong, anderdeels door met den rietstok op Zijn heilig hoofd te slaan , waardoor de doornen dan nog dieper in het met gevoelige zenuwen doorvlochtene vleesch van Zijne slapen werden ingedreven. Welk een wonder Gods M. V., dat de Heere Jezus onder zoo vele onuitsprekelijke smarten niet is nedergezonken. Dat alles noem ik u op, niet om een vleeschelijk medelijden, dat Jezus toen niet ondervond, en ook van niemand begeert, bij u op te wekken, neen! maar om het u te herinneren , wat Hij al geleden en doorgestaan heeft. En waarlijk! het weinige dat ik opnoemde, was voor zeer veel uitbreiding vatbaar, doch genoeg zal het zijn, om u het zware, smadelijke en smartelijke lijden voor te stellen.
Vragen wij nu wellicht hoe die ontzettende gebeurtenis, zonder voorbeeld, zonder naam, met het rechtvaardig bestuur van God in overeenstemming is te brengen, dan kan ik u al dadelijk dit er van zeggen: deze bloedige en gruwzame handeling, die men den Heere Jezus heeft aangedaan, draagt een verheven geheim in haren schoot. Welaan! beproeven wij om de oorzaken van dat lijden van den Heere Jezus na te gaan.
Dat lijden was straflijden, hetwelk Hij op zich genomen had te dragen, als de schuldbetalende en schuldovernemende Zoen-borg zijns volks, om voor hetzelve te verwerven, dat zij wederom in die eere en heerlijkheid, waaruit zij door hunne erf- en dadelijke zonden waren uitgevallen, zouden worden hersteld.
,, Pilafus nam Jezus en geeselde Hemquot; Nimmer M. V.,
190
zoude het tot dat nemen zijn gekomen, zoo daar niet een ander nemen ware voorafgegaan. Adam nam en at van de verbodene vrucht in den hof Eden, overtrad moed- en vrijwillig tevens Gods heilig gebod, strekte zijne hand uit naar eene kroon, die hem niet toekwam. Hij wilde niet meer een koning zijn onder God , maar onafhankelijk van God. Volgens het recht Gods had hij en al zijne nakomelingen den tijdelijken, geestelijken eeuwigen dood verdiend. Had God geene gedachten des vredes gekoesterd, wij waren allen verlorenen gebleven. Maar ziet! God, die allen rechtvaardig had kunnen straffen, heeft zich uit liefde, door niets in het schepsel bewogen, over sommigen van dat menschengeslacht willen ontfermen. Voor deze heeft zich Zijn eeniggeboren Zoon willen overgeven. Deze is genomen voor al die geken-den, die gegevenen des Vaders. Zij worden Hem door den Heiligen Geest in de wedergeboorte toegebracht. Voor dezen alléén heeft de Zoon aan het geschondene recht Gods willen voldoen. Voor dezen liet Hij zich geeselen.
Eene ontkleeding, weet gij, ging die geeseling vooraf. Door de zonde is dat volk, waarvoor Jezus zich overgaf, bekleed met vuile onreine kleederen van eigene gerechtigheid, waarmede zij op allerlei wijze de schande hunner naaktheid voor God en menschen zoeken te bedekken, en welke zij maar niet kunnen en willen missen. Welnu, om voor hen te verwerven, dat zij uit genade en door den Geest, geheel móchten worden ontkleed van alle eigengerechtigheid, en geheel naakt als gansch ontbloote bidders voor God zouden verschijnen, heeft Hij, hun Zoenborg, Zich laten ontkleeden. En onderging Jezus eene geeseling, gaf Hij Zijnen rug dengenen , die Hem sloegen, dat leed de Heere Jezus, omdat Zijn volk God den rug had toegekeerd, en de zweepslagen des goddelijken toorns tegen de zonde bedreigd, waardig was, en verdiend had om dezelve in eeuwigheid te gevoelen. Al die slagen kwamen op Zijnen rug, die slagen, die voor den rug der zotten zijn , Spr. 19 vs. 29. Dat bloed, dat uit de
191
wonden stroomde, die Hem geslagen werden , was ter genezing voor de wonden en etterbuilen van hunne stinkende zonden, waarmede zij uit- en inwendig vervuld waren, om hen daarvan te reinigen. Ja! om ook voor hen te verwerven dat zij die zonden, die Jezus zulk eene straf deden ondergaan , met bloedige tranen voor God zouden beweenen , en hun vleesch den ouden mensch zouden kruisigen met al des-zelfs begeerlijkheden. Juist omdat Jezus die geeseling onderging , en Hij, hun Borg, met schorpioenen gegeeseld is geworden, en God daardoor met hen volkomen verzoend is, zoo zijn al de slagen Gods, waarmede Hij hen in dit leven wel eens bezoekt, kastijdingen Gods, en de geeselslagen, die zij in hun vleesch en bloed ontvangen, als Hij hen met de roede bezoekt uit liefde, bewijzen van hun goddelijk kindschap, zoodat zij gebracht onder den band des Verbonds, door genade de roede kunnen kussen , en roemen in hunne verdrukking.
â Wierpen die booze krijgsknechten Jezus een purperen of scharlaken mantel omnadat zij Hem ontkleed hadden, dat onderging Jezus om voor Zijn gunstvolk te verwerven de kleederen des heils en den mantel der gerechtigheid. Het moest een purperen of scharlaken mantel wezen , omdat de zonden Zijner uitverkorenen zoo rood zijn als karmozijn of scharlaken. Dat spotkleed moest Hij dragen, om te betalen voor dien ver-doemelijken hoogmoed, waarmede zij uit- en inwendig vervuld zijn, en voor die vreemde kleeding, waarmede zij in hunne blindheid en dwaasheid zich voor God opsieren, waarover zij een walg aan zich zeiven gevoelen, als God hen er aan ontdekt , en om voor hen te verwerven dat bruiloftskleed, dien ootmoedigen geest, waarmede zij alleen worden toegelaten in de tegenwoordigheid Gods.
âHebben zij Jezus eene doornenkroon opgezet,quot; gij weet M. V., dat het aardrijk na den val, tot een bewijs van den vloek, doornen en distelen zou voortbrengen. Hier werd Jezus met doornen gekroond om Zijn volk zegen te verwerven , en
192
is Hij dus bekleed met hunnen vloek. Zij hadden het verdiend , dat hun vleesch met doornen der woestijn en met dis-telen gedorscht werd, van wege hunne verdoemelijke zonden. Jezus heeft uit liefde die doornen in hunne plaats willen dragen. Hij heeft die smaadkroon gedragen om voor hen, die Hij van de vloekkroon verlost heeft, de kroon der goedertierenheid en der heerlijkheid te verwerven. Zoodat zij nu door genade bewust van hun zalig aandeel aan Christus, mogen uitroepen :
Wij steken het hoofd omhoog en zullen de eerekroon dragen ,
Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
âGaven zij den Heere Jezus eenen rietstok in de handquot; ook dit M. V., moest naar Gods bepaalden raad geschieden en Jezus ondergaan , omdat Gods kinderen den stok en staf der gerechtigheid verworpen en in Adam verloren hadden; omdat zij helaas! door hunne natuurlijke blindheid en dwaasheid op de brooze rietstaven van Egypte, op eigene gerechtigheid, eigene wijsheid, eigene kracht en sterkte en andere ijdele rietstaven , leunen en steunen. Hier verwierf Hij voor hen om al Zijn arm en ellendig volk als een zwak riet in Zijne hand te kunnen nemen en houden , en, als zij in het geloof daarop zien mogen , ligt daarin hunne verzekering, dat Hij het gekrookte riet niet zal verbreken.
â Vielen Zijne vijanden voor Hem op hunne knieën, en he-spotteden zij Rem, zeggende: âwees gegroet Gij, Koning dei-Jodenquot; dit heeft de Heere Jezus ondergaan, omdat Zijn volk, waarvoor Hij als de schuldbetalende en schuldovernemende Borg intrad bij God, geweigerd heeft in gehoorzaamheid voor God te knielen , en zich liever gebogen heeft voor den drie-hoofdigen afgod. Door verdoemelijken hoogmoed vervoerd, zijn zij van nature God, hunnen rechtmatigen Koning, ontrouw geworden en den duivel toegevallen. Eeuwige smaad en verwerping van voor Gods aangezicht hadden zij daardoor verdiend, en die konden niet anders worden afgewend, dan daardoor, dat de Heere Jezus zoo diep Zich liet vernederen,
193
dat Hij als een spotkoning werd gesmaad. Hier droeg Hij die zonden Zijns volks, waaraan zij helaas! zich zoo schuldig gemaakt hebben en nog maken , van geveinsde uitwendige eerbewijzing, die zij God, hunnen Koning toebrengen, zonder het te meenen met hunne harten. Hier verwierf Hij voor Zijn volk, dat hunne knieën voor Hem in het geloof zouden gebogen worden ; dat zij het als hun voorrecht mogen beschouwen , met hunne arme zondaarsgebeden en smeekingen voor Hem neder te vallen en zich in het stof neder te buigen. Ja ! dat zij het door genade wel eens ondervinden mogen, als de glans van het goddelijk licht des Heiligen Geestes hen omgeeft, en zij de heerlijkheid van hunnen Koning, die zichzelven vrijwillig zoo diep vernederde, om hen te verhoogen, zien mogen, en hunne onreinheid en melaatsch-heid door de zonde levendig gevoelen, dat zij wel onder het stof zich voor Hem zouden willen verbergen, overtuigd , dat zij nimmer te diep voor Hem buigen kunnen in dit lichaam der zonde en des doods.
âHebben de vijanden Jezus gespogenheeft Hij ook die smadelijke mishandeling ondergaan, dat Zijn heilig aangezicht verontreinigd werd door het vuile speeksel van die godde-loozen , Hij leed het voor Zijn volk, de gegevenen des Vaders, omdat zij verdiend hadden van alle schepselen te worden be-spogen , ja! waardig waren uit Gods mond gespogen te worden. Tot geen minderen prijs heeft Hij het voor hen kunnen verwerven, dat zij hunne vuile aangezichten tot God zouden kunnen opheffen, en de vrijmoedigheid zouden ontvangen om voor God te verschijnen. En gebeurt het nu dezen of genen van dat volk, dat ook zij van wege hunne oprechte belijdenis van den Heere Jezus dezen diepen smaad van de wereld ondervinden , nu is het voor hen geen smaad meer, maar eene eer, omdat hun Zaligmaker de smaad voor hen er van gedragen heeft, en mag het wel eens een krachtig genadebewijs voor hen worden, van hun zalig aandeel aan Zijne zoenverdiensten.
âHebben de vijanden eindelijk Jezus met den rietstok gesla-
13
194
gen op het hoofd, en gaven zij Hem kinnebakslagen de Heere Jezus heeft ook deze slagen op zich genomen, omdat Zijn volk het verdiend had eeuwig de slagen van den Goddelijken toom tegen de zonden bedreigd, en de vuistslagen des satans te ontvangen. Ja! ook met den stok van Gods oordeelen te worden geslagen met diepe en gevoelige pijnen en daardoor zelfs te worden verpletterd, om hen van smaad en schimp voor eeuwig te verlossen. Die dierbare Jezus onderging dit lijden uit liefde, om ook voor hen te verwerven, dat zij met de kroon der eere zouden versierd worden. Wanneer nu Gods volk lijdzaamheid ontvangt om ook voor den naam en de zaak van Jezus die mishandelingen der wereld te ondergaan , dan is zulks, omdat de Heere Jezus het hier voor hen en in hunne plaats heeft doorgestaan, en elke recht ontdekte ziel, als zij recht mag worden ingeleid in dit smadelijk lyden van Jezus , kan het door genade wel eens zulk eene smart en droefheid zijn, dat zijn zondig vleesch nog zoo ongezind is om in de wereld den minsten smaad voor Jezus te verdragen, dat hij nauwelijks dulden kan dat zij hem scheef aanziet. Wie behoorde hij niet te zijn voor Hem, die zooveel voor hem geleden heeft? En die tijden zijn toch zoo zalig, als hij bereid mag gemaakt worden, om ook in navolging van Jezus, door de krachtdadige bewerking des Heiligen Geestes , aan dat vleesch, dat van smaad en smart zoo af-keerig is, verloochend te zijn.
Hoe nauwkeurig is ook dit gedeelte van het lijden van den Heere Jezus door den mond der profeten aangekondigd: âIk ben uitgestort als water, en al Mijne beenderen hebben zich vaneen gescheidennamelijk door die wreede geesel-slagen was het vleesch als 't ware van Zijn lichaam afgescheurd , dat Hij al Zijne beenderen konde tellen, Ps. 22 vs. 15 , 18. Elders getuigt Hij: âIk geef Mijnen rug dengenen die Mij slaan,quot; Jes. 50 vs. 6. Is zulks hier niet letterlijk aan den Messias vervuld geworden ? Ja, als de Kerk Gods juichen mag: âdoor Zijne striemen is ons genezing ge-
195
wordenwelke striemen kunnen zulks anders geweest zijn, dan die van de wreede geeseling, die Hij hier ondervond ? Waarlijk levendig is ons zulks beschreven in die zielsroerende belijdenis van diezelfde Kerk: âHij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld, de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem,quot; Jes. 53 vs. 6 , 7. Hoe duur heeft Jezus Zijn volk gekocht ? Welk een rantsoen, welk een losprijs heeft Hij niet voor hen opgebracht? Konde het smartelijke van dit Zijn lijden, wel duidelijker worden aangekondigd, dan in die klacht van den Messias: âPloegers hebben op Mijnen rug geploegd. Zij hebben hunne voren lang getogen,quot; Ps. 12 vs. 3. Terecht noemde daarom de bruid haren zielebruidegom , niet alleen blank, maar ook rood, omdat het bloed door deze geeseling langs Zijnen rug liep, Hoogl. 5 vs. 10. Jezus, die te voren wist, dat Hem dit lijden zoude overkomen, had daarom voorspeld, dat zij Hem den heidenen zouden overleveren om Hem te bespotten en te geeselen, Matth. 20 vs. 19. Ja, ook de bespotting van Zijn Koninklijk ambt was voorspeld: âIk ben een worm en geen man, een smaad van menschen en veracht van den volke, allen, die Mij zien, bespotten Mij,quot; Ps. 22 vs. 6. Wij erkennen die krijgsknechten, die Jezus zoo wreed mishandelden, in die honden die Hem zouden omsingelen ; in die boosdoeners, die Hem zouden omgeven om Zijne handen en voeten te doorgraven, vs. 17. Wanneer bij Jesaia gevraagd wordt: âWie is deze, die van Edom komt, met besprenkelde kleederen van Bozra ? deze, die versierd is in Zijn gewaad, die voorttrekt in Zijne groote kracht ? en er dan geantwoord wordt: âIk ben 't, die in gerechtigheid spreke, die machtig is te verlossenen er weder gevraagd wordt: âwaarom zijt Gij rood aan uw gewaad ? en uwe kleederen als een , die in de wijnpers treedt ?quot; en Hij antwoordt: âIk heb de pers alleen getreden, en daar was niemand van de volken met Mij,quot; en; âIk heb ze getreden in Mijnen toorn en heb ze vertrapt in Mijne grimmigheid en hare kracht is gesprengd
13*
196
op Mijne kleederen en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld Jes. 63 vs. 1â3; welke onmiskenbare teekenen, dat Hij geweest is de ware Zoenborg zijns volks! Dat Hij bespuwd is geworden ; wij hooren den Messias daarover klagen : âMijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel,quot; Jes. 50 vs. 6. Zinnebeeldig daarbij was die purperen mantel, dien men Jezus omdeed, en die met Zijn bloed geverfd was, afgeschaduwd in den rok van Jozef, gedoopt in het bloed van een geslachten geitenhok, en de doornenkroon in dien ram, die met zijne hoornen in de struiken verward was, welke Abraham in de plaats zijns zoons ten brandoffer opofferde.
Dit alles, om er maar niet meer bij te voegen , overtuigt ons, dat Hij, die hier leed , de ware Messias was , die als Borg betaalde, hetgeen Zijne uitverkorenen misdaan hadden. Alles wat zij verdiend hadden, onderging Hij in hunne plaats, opdat zij in het gericht Gods vrij zouden gaan.
Ps. 72 vs. 6.
Laat ons nu
HI. Met de toepassing eindigen.
Hebben wij ook deel aan dat lijden van den Heere Jezus? Mogen wij voor ons zeiven gelooven dat Hij zulks leed in onze plaats? Och, of wij allen zulks in meerdere of mindere mate zeggen mochten. Maar helaas ! er zijn ook nog onder de uitwendige belijders van den Heere Jezus , die zich openlijk als Zijne vijanden en die van Zijn volk doen kennen. Die durven spotten met Gods Woord, met Gods volk, die zulks moedwillig doen. Er zijn , och ! mocht er onder ons niet een derzulken gevonden worden, die hunnen lust en hun leven er in vinden om Christus , Zijn volk en Zijne waarheid te beschimpen , te smaden en te verachten, die zich daardoor eenigszins verheven achten boven de in hunne oogen domme menigte, die gesteld is op de bijwoning van de getrouwe genademiddelen ; want helaas ! men behoort met zeer weinige uitzondering in onze dagen tot de wijzen en rijken
197
naar de wereld, indien men mededoet, om uitwendig onder den Christennaam, den Heere Jezus van kroon en troon te berooven, en op zulken met minachting en bespotting neder te zien, die gesteld zijn op de oude beproefde leer onzer Vaderen, die aan geene andere verzoening met God geloo-ven, dan door voldoening, en wel door deel te hebben aan dit borgtochtelijk lijden en sterven van Jezus.
Helaas ! dat geslacht is niet uitgestorven, hetwelk Jezus een kroon van doornen op het hoofd drukt, voor Hem nog nederbuigt, Hem groet en aanbidt en er in hunne harten niets van meenen; die verbonden aan den driehoofdigen afgod dezer wereld, vijanden zijn van het kruis van Christus, en van al Zijn arm en ellendig volk. Ongelukkige zondaars! welk een zwaar oordeel zal uw deel zijn ; u wachten, als gij zonder den Heere Jezus voor God verschijnen moet, smartelijke geeselslagen. De goddelooze toch heeft vele smarten, en menigeen uwer zal zulks reeds in dit leven ondervinden , en moge hij er schijnbaar van bevrijd blijven , dan zeker volgt het oordeel u na dit leven, en zal aan u bevestigd worden , dat Hij al Zijne vijanden met een ijzeren staf als pottebak-kersvaten zal vermorselen. Hoe naakt aan eigene gerechtigheid zult gij voor God verschijnen, als uwe webben, dieniet deugen tot kleedereu , u zullen ontvallen , en gij u niet zult kunnen dekken met uwe werken, die werken der ongerechtigheid zijn en een maaksel des wrevels in uwe handen. Waarmede zult gij u dan voor den driemaal heiligen God, tegen Wien gij gezondigd hebt, kunnen verbergen, o, gij loopt gevaar om door God als doornen overgegeven te worden tot eeuwige verbranding. Nu lacht en spot gij, en God schijnt het niet op te merken , maar het bloed des Nieuwen Testaments onrein blijvende achten, zal God eens heiliglijk met u lachen, en spotten als uwe vrees komt. Mocht gij eens bepaald worden bij het treurig lot, dat u wacht, als gij zoo blijft. Wij bidden voor u, dat God uwe blinde oogen moge openen, opdat gij nog in tijds uw verderf, uwe ramp-
198
zaligheid moogt leeren inzien en betreuren, en heden nog aan de voeten van het kruis van Jezus moogt nedervallen met de arme tollenaarsbede: âo Heere! wees ons arme zondaars genadig.quot; Nog is het ook voor u het heden der genade , morgen wellicht niet meer. Hoe zal de duivel u dan eeuwig pijnigen, gij, die hem nu dient en den Heere Jezus verwerpt. Och! dat gi] stilstaan mocht op uwen zondigen weg. Ook voor u is er nog kans om door Jezus behouden te worden. Zijn bloed reinigt van alle zonden, maar in geen anderen weg dan in dien der waarachtige bekeering tot God. Haast u , behoudt u om uws levens wil. Heden, zoo gij Gods stem hoort, verhardt uwe harten niet!
En gij, die voor u zeiven meent deel te hebben aan dat lijden van den Heere Jezus, en daar gerust op voort leeft, een groot geloof en een sterk vertrouwen kunt bespreken. Och! dat gij u zeiven niet bedriegen moogt. Hebt gij waarlijk uwe ellende uit de wet Gods leeren kennen ? Over trap en mate van verbrijseling des harten onder de donderslagen van Gods wet, spreek ik niet; ik vraag u of de wortel der zaak in u gevonden wordt; gij u als arme, ellendige , dood- en doemschuldige zondaars voor God hebt leeren kennen, en dat het uwe zoo erf- als dadelijke zonden geweest zijn, die dien gezegenden Zone Gods dat lijden, dien smaad hebben aangedaan ? Zijn uwe harten, harder dan diamant, week geworden door Zijn bloed? Hebt gij ook die belijdenis mogen afleggen: âo Heere Jezus ! mijne misdaden zijn vele, zij gaan over mijn hoofd: als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden, ik ben moede die te dragen.quot; Hebt gij den Heer Jezus ook uwe bloedroode zonden getoond; hebt ge uwen Eichter ook om genade leeren bidden? Gaarne geloof ik van u, dat uw leven onbesproken en onberispelijk naar de wereld is, en gij uitwendig veel liefde voor den Heere Jezus betoont, maar hinkt gij daarbij ook nog op twee gedachten; hebt gij de wereld en hare vrienden nog wel waarlijk losgelaten en zijt gij losgelaten van haar ? Hebt
199
gij nog wel ooit waarlijk smaad ondervonden om uwe belijdenis van Jezus ? Komt gij er in de wereld wel voor uit, dat gij een vriend en medgezel zijt van dat arme ellendige volk, dat de Heere beloofd heeft op aarde te doen overblijven? Staat gij ook die ziel verdervende leer onzer dagen tegen, dat Jezus voor alle menscben hoofd voor hoofd zoude geleden hebben, en dat men nu niet anders noodig heeft, dan zulks voor zich zeiven aan te nemen en te gelooven om zalig te worden ? Ik zoude u meer vragen kunnen doen, of gij nog rijk en verrijkt zijt en geen dings gebrek hebt, dan of gij, door de krachtdadige werking des Heiligen Geestes u als arme, naakte, blinde ellendige zondaars voor God hebt lee-ren kennen ? Of gij ontkleed zijt geworden, de dekselen uwer schande hebt laten vallen, en als een gansch ontbloot zondaar in het gericht voor God gestaan hebt en het oordeel der verdoemenis over u zeiven hebt uitgesproken ? Wee, de gerusten te Sion! de verzekerden op den berg van Samaria! Onderzoeke een iegelijk zijn hart voor God, mee-nende in te gaan en eens niet te kunnen, meenende deel aan den Heere Jezus te hebben, en niet gewasschen en gereinigd te zijn door Zijn bloed, geheiligd te zijn in waarheid door Zijnen Geest, zoude dat niet verschrikkelijk zijn, daarmede bedrogen in een eindelooze eeuwigheid uit te komen. Met ernst en getrouwheid, opdat ik rein moge zijn van uw bloed, wek ik u op: onderzoekt, beproeft u zeiven of gij in het geloof zijt. Indien gij nog op eenen schadelijken weg zijt, gij kunt er nog worden afgebracht. God heeft lust aan waarheid en oprechtheid in ons binnenste ; wat baat u de naam dat gij leeft, indien gij nog dood zijt?
Bekommerde en heilzoekende zielen! Voor u heb ik een troostwoord. Och! mocht de Heilige Geest er uwe harten voor openen, er u vatbaar en ontvangbaar voor maken. Gij durft u de zoenverdiensten van den Heere Jezus niet toepassen , niet toeëigenen, zoo als gij u uitdrukt, omdat gij niet gelooven kunt, dat gij u zeiven niet meer eigen zijt en
200
het eigendom van den Heere Jezus zijt geworden; dat er eene krachtdadige stilstand op den zondenweg bij u heeft plaats gehad, dat het uwe lust en keuze zoude zijn den Heere Jezus te omhelzen met de armen des geloofs, dit zoudt gij niet durven ontkennen, en dat het uw vragen en bidden is, om eens te mogen belijden in waarheid; mijn Jezus, mijn Zaligmaker, mijn Goël. Maar daar blijft het bij, die tweede daad der genade is nog niet aan u verheerlijkt geworden. Wel hebt gij tijden dat gij voor u zeiven opgeruimder leeft en verkeert, maar als het gevoel weder geweken is, dan is er nog eene holligheid, die vervuld moet worden met den Heere Jezus zeiven, en zoodanig zijt gij er van overreed, dat niemand iets kan aannemen, tenzij het hem van boven geschonken worde, dat gij zulken ontvlucht, die u het geloof willen opdringen. Niet waar ? gij zijt er van overreed, dat in eene zuivere belijdenis , in buiging, in bidden en tranen geen vertrouwen in u zeiven te vinden is, dat gij daarmede Gods strenge gerechtigheid niet kunt vergenoegen, dat alléén de gerechtigheid van den Heere Jezus u voor God kan en ook moet bedekken. Gij zijt die verdrukten, die ongetroosten, door onweder voortgedrevenen , waarvan de Heere getuigt: âziet Ik heb uwe steenen zeer sierlijk gelegd ; ik heb u op saffieren gegrondvest.quot; De Heere Jezus wil zijne hulpe ter verlossing too-nen aan armen uit gena. Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven; maar met al het uwe, met al uwe werkzaamheden zal het aan Zijne voeten met u in den dood moeten komen. Bidt veel om doorbrekend licht en doorbrekende genade ; om dien lieven , Goddelijken Geest, die met uwen geest getuigen moet dat gij een kind Gods zijt geworden. O ! wanneer gij door genade bekend zijt geworden , dat gij van nature naakt zijt, en door almachtige genade ontkleed moet worden van uwe eigene gerechtigheid, van eigene wijsheid, van eigene sterkte en bij bevinding kennen moogt, om, zoo ellendig als gij zijt, in den gebede op
?01
uwe knieën voor Jezus neder te vallen om genade bij Hem te zoeken, wanneer dat uw verborgen leven voor Hem moge uitmaken, ziet! dat is het werk des Geestes in u , zoo wekt de Heilige Geest het in het hart van alle uitverkorenen. De Ileere Jezus is een verrassend God van volkomene zaligheid voor hen , die in het stof voor Hem liggen nedergebogen. Hij is de bereidwillige Zaligmaker voor hen, die, troosteloos in en bij zich zeiven, toch voor den Alwetenden God mogen betuigen, dat het er hun om te doen is, om met Jezus gerechtigheid en heiligheid alleen bekleed te worden. De duivel en uw eigen ongeloovig hart mogen u van Hem zoeken af te houden. Hij zal Zijne hand tot de kleinen wenden.
En gij, die geloovig geworden zijt en tot roem van Gods eeuwige vrije genade zeggen moogt: wij hebben ons zelve verloren , wij zijn ons kwijt geworden , en hebben ons aan den Heere Jezus overgegeven; wij weten dat Zijn bloed ons gereinigd heeft van alle zonden, o, wat heeft het uwen Heiland gekost om u te verlossen eu vrij te maken; daarom kunnen uwe zonden rooit gering worden in uwe oogen, want deze zijn het, die Hem dat lijden aandeden. Nu kan er bij u geen werkeloos rusten op dat heilgoed u geschonken , bestaan , maar dat zal uw dagelijks bidden en begeeren voor God uitmaken, duur gekocht zijnde om God met ziel en lichaam , welke beide Godes zijn, te verheerlijken, en om de kracht van Jezus reinigmakend bloed tot heiliging van uw leven dagelijks te mogen ondervinden. Nu zult gij strijd kennen tegen het lichaam der zonde en des doods , dat gij omdraagt. Maar nu ook zal het u niet vreemd voorkomen , dat gij in deze woestijn des levens smaadheid en verachting van de wereld en hare vrienden moet ondergaan. Gij hebt immers vrijwillig door genade die keuze gedaan om het kruis van Jezus op u te nemen en het Hem in zelfverloochening en kruisiging des vleesches achterna te dragen. Och! mocht gij Jezus, het Lam voor uwe zonden geslacht, maar volgen in onderwerping waar Hij met u henengaat.
202
Komen er nog gedurig benauwde benden op u af, zoodat gij klagen moet; mij is het bange! Geen nood! Jezus, die u gekocht heeft met zijn bloed , zal u bewaren , beveiligen en beschermen. Och! dat gij allen uwe roeping meer en meer gevoelen mocht, om uwe zonden en verdorvenheden te gee-selen en dus onder te houden. Dat de vrijmoedigmakende Geest u uwen Koning moge doen belijden, te midden van dit krom en verdraaid geslacht, dat Hem van kroon en troon zoekt te berooven , en het schepsel vergoodt. Knielt geduriglijk voor Hem neder, die u uit eeuwige liefde gekroond heeft met eere en heerlijk heid , en u beloofd heeft de kroon der goedertierenheid op te zetten. Van Jezus doornenkroon kunt gij vijgen plukken. Zijn purperen mantel is u een eeuwig deksel voor uwe naaktheid ; Zijne bespotting en verguizing uw troost en uw kracht; Zijne versmading en verachting u eene eeuwige eerekroon. Nog eene wijle tijds , God weet alleen wanneer en â uw goede strijd is volstreden, en verlost van het lichaam der zonde, zult gij Hem zien, dien gij hier aanschouwd hebt met verlichte oogen des verstands , en in het geloof omhelsd hebt als uwen grooten God en Zaligmaker. Hier was reeds de hemel in uw hart in die zalige, onvergetelijke oogenblikken, waarin gij gemeenschap met uwen Jezus mocht oefenen, uwe harten zoo met Hem vervuld waren, dat gij uitroepen moest: âwien hebben wij nevens U in den hemel, nevens U lust ons ook niets op de aardequot;, en niets u smartelijker was, dan dat gij Hem niet meer lief hadt, Die u eerst heeft liefgehad. Eens zult gij blinken voor Zijnen troon met witte kleederen van volmaakte heiligheid, gewasschen in Zijn bloed, uwe kronen voor Hem neder-leggen, en medezingen met al de verlosten het lied van Mozes en het lied des Lams eeuwiglijk en altoos. Amen.
Ps. 2 vs. 6.
Jezus uitg-ang uit Jeruzalem naar Golgotha en Zijne aanspraak aan de dochteren van Jeruzalem.
LEERREDE X
OVER
L U K A S XXIII vs. 26â31.
VOORZANG Ps. 84 vs. 1, 3.
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of vermenigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
Slechts een eeni^e maal M. V., heeft de Heere Jezus in Zijne omwandeling op aarde dat woord weent uitgesproken. Het was, zooals gij weet, op Zijnen lijdensweg naar Golgotha. Het was toen Hij zijn profetisch ambt besloot, om als Hoogepriester door Zijne zelf-offerande aan het kruis allen te heiligen die door Hem tot God gaan. In den weg der lijdensbeschouwingen zullen wij heden geroepen worden Zijnen uitgang uit Jeruzalem naar Golgotha beschouwende,
204
Zijne laatste boetprediking of wilt gij liever, aanspraak aan de dochteren van Jeruzalem te overdenken. Wij zullen heden zien, hoe menschelijke hoosheid en moedwil alles hebhen aangewend otn het lijden van den Heere Jezus te verzwaren, hoe zij niet tevreden waren, dat zij hun onschuldig slachtoffer gesmaad, gehoond en gepijnigd, Hem nog daarenboven hadden gemarteld door Hem den kruisbalk op te leggen , maar wij zullen ook de lijdzaamheid en gewilligheid zien, die Jezus in dat lijden betoonde. Ja! hoe Hij eigen lijden vergetende, nog beducht was, dat Zijne vriendinnen zich zelve door het storten van tranen bedriegen zouden, waarvan de oorzaak niet was hare eigene zonden en ellende door de zonden.
Welaan! geve God mij en u licht en genade van den Heiligen Geest, om met opgewekte harten en zinnen, dat gedeelte van het lijden van Jezus te beschouwen. Zegene Hij het aan onze zielen!
Luk. XXIII vs. 26â31.
nZiet den mensch /quot; zoo sprak Pilatus, toen hij Jezus in eenen allerdeerniswaardigsten toestand aan de joden voorstelde , en wij mogen gelooven, dat de heidensche rechter, overtuigd als hij was van de onschuld van Jezus, zulks met eene bewogene stem zal hebben uitgesproken. Hij meende dat hij de vrijlating van Jezus nog verkrijgen kon; hij dacht dat de bloeddorst Zijner vijanden gelescht zoude zijn, maar ook ditmaal heeft hij wederom misgerekend. âKruis Hem! kruis Hem!quot; dat was het antwoord, dat zij hem gaven. Pilatus is radeloos. Op nieuw betuigt hij de onschuld van Jezus , doch in plaats van nu te doen hetgeen
205
hij als rechter had moeten doen, Jezus vrij te laten, is hij zoo lafhartig en ontaard, dat hij tot de joden durft zeggen, dat zij Hem, dien hij onschuldig verklaard had, dan maar nemen moesten om Hem te kruisigen, zonder zijn rechterlijk vonnis. Het kan ons waarlijk niet bevreemden M. V., dat het volk des te stoutmoediger optreedt, hoe zwakker zich de landvoogd betoont. âWij hebben eene Wetquot;, roept het volk, âen naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft zich zei ven Gods Zoon gemaakt.quot; Ziet! de vijanden erkennen ondanks zich zeiven, hetgeen zoo vele zoogenaamde verlichte en beschaafde Christenen zoo onbeschaamd openlijk loochenen, dat Jezus waarlijk Gods Zoon, God zelf is, zich met God den Algenoeg-zame gelijk heeft gesteld. Zij beschuldigen Jezus dus van majesteitschennis, van godslastering. Pilatus hoorde het en vreesde nog meer. Jezus kan een Zoon zijn zijner gewaande goden. Dit moet hij onderzoeken en tot dat einde gaat hij op nieuw met Hem in het rechthuis. âVan waar zijt Gij ?quot; dit is de eerste vraag die hij aan Jezus doet; maar Jezus gaf hem geen antwoord. Pilatus is geraakt en zegt; âspreekt Gij niet tot mij; weet Gij niet dat ik macht heb U te kruisigen , en macht heb U los te laten ?quot; Op die verwaande taal antwoordt Jezus met kalmte en bedaardheid: âGij zoudt geene macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware, daarom die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft grooter zonde.quot; Jezus wil hem zijne afhankelijkheid van een Hooger bestuur onder het oog brengen, daarom, dat hij als heiden Jezus niet kende, droeg hij eene geringere schuld dan zij, die Hem in zijne handen hadden overgeleverd. Die woorden van Jezus hebben het gemoed van Pilatus getroffen, van toen af zocht hij al wederom Jezus los te laten. âIndien gij dezen loslaatzoo schreeuwt het volk , âdan zijt gij des keizers vriend niet, want een iegelijk die zich zeiven koning maakt, die wederspreekt den keizer.quot; Nu is
206
Pilatus in zijne zwakste zijde aangetast. Hij kent den keizer Tiberius, hij ducht diens gestreng oordeel. Des keizers gunst te verliezen, gold bij hem boven alles; zijn eigen leven ziet hij in gevaar, hij vreest den toorn des keizers, hij durft geen wederstand meer bieden. Nog ééne poging onderneemt hij om Jezus in vrijheid te stellen; hij treedt uit het rechthuis naar buiten, âzietroept hij in vreeselijke verwarring uit, wijzende op den mishandelden en met smaad bedekten Lijder, âziet uwen koning!quot; âNeem weg! neem weg! kruis Hemroept de volksmenigte in woede uit. âZal ik dan uwen Koning kruisigen?quot; antwoordt Pilatus, verlegen zijnde, weet hij niet meer wat hij zegt. âWij hebben geen koning dan den keizer,quot; is hun wederantwoord , en met die woorden M. V., verwierpen zij in hunne blindheid hunnen Messias, en tot op deze ure toe hebben de joden geen koning meer, maar leven zij onder vreemde beheerschers. Toen gaf Pilatus Jezus over, opdat Hij gekruist zoude worden. Welaan, laat ons den uitgang van Jezus uit Jeruzalem naar Golgotha, en Zijne aanspraak aan de dochteren van Jeruzalem nagaan. Laat ons stilstaan:
I. Bij dit gedeelte van Jezus lijdensgeschiedenis.
II. Bij het lijden zelve, en dan III. Met de toepassing eindigen.
I. Wenschte ik dit gedeelte der lijdensgeschiedenis met u te overdenken.
Toen gaf Pilatus Hem over, dat hebben wij M. V., gehoord. Het groote, alles beslissende oogenblik is nu daar. Het rechtsgeding van Jezus voor Pilatus is afgeloo-pen. Pilatus volkomen van de onschuld van Jezus over-
207
tuigd geworden, gaf Hem desniettegenstaande aan Zijne moordenaren prijs , en deze namen Jezus en brachten Hem weg. Geen oogenblik rust gunnen zij hun slachtoffer. Het voorrecht dat werkelijke misdadigers nog genieten, dat de uitvoering van hun vonnis nog eenige dagen wordt uitgesteld , dat zelfs mocht Jezus niet ondervinden, Jezus moest nu de bitterste smaadredenen booren. Den purperen sol-datenmantel en de doornenkroon hebben zij Hem spoedig afgenomen en doen Hem Zijne eigene kleederen wederom aan. Op nieuw worden Zijne wonden met meedoogenlooze en ruwe handen opengereten. Jezus spreekt niet, Zijne ziel was stil tot God. Buiten de stad moet het doodvonnis uitgevoerd worden. Eene talrijke menigte volks is dadelijk op de been, toen de mare gehoord is: Jezus de Nazarener moet sterven. Nieuwsgierigheid en verbazing, medelijden en verachting, liefde en haat brachten duizenden te zamen. Buiten Jeruzalem moest Jezus den dood ondergaan , als een misdadiger, die onwaardig was onder hen te leven, en door wien hunne heilige stad zoude verontreinigd worden; Hij werd weggevoerd naar de hoofdschedelplaats. Twee andere moordenaars worden met Jezus ter kruisstraf henen geleid. Zelf moest Jezus, gelijk de twee andere misdadigers , het kruis dragen ; Johannes meldt ons zulks. Joh. 19 vs. 17. Beide armen aan den dwarsbalk gebonden, torscht Hij het bovenste gedeelte van het kruis op den schouder en sleept zoo het einde over den grond. Wie onzer M. V. kan zulks zonder ontroering beschouwen ? De heilige onschuldige Jezus geleid door een woeste bende, omringd door bloeddorstige overpriesters, met het moordhout beladen , wordt weggevoerd naar den berg Cal-varia, naar Golgotha, om gekruist te worden. Zoo wierpen de landlieden , nadat zij vele dienstknechten van den Heer des wijngaards mishandeld en gedood hadden , eindelijk den zoon en erfgenaam buiten den wijngaard, om hem te dooden en zijne erfenis te behouden, Matth. 21
208
vs. 33. Zoo werd Hij, die voor weinige dagen te Jeruzalem als koning was ingehaald en Wien zij het âHosannaquot; hadden toegezongen, als een verleider des volks, als een misdadiger en moordenaar, als een Godslasteraar buiten Jeruzalem geleid. Als een Lam werd Hij naar de slachtbank geleid, na zoo vele martelingen te hebben doorgestaan , terwijl elke schok op de steenen van het moord-hout dat Hij torschte, Hem eene naamlooze pijn moest veroorzaken. Woorden ontbreken ons, om dat lijden naar waarde uit te drukken.
Toevallig, zoo als wij gewoon zijn zulks uit te drukken, kwam juist iemand, onbewust wat er dien morgen in de stad was voorgevallen, deze menigte van zijnen akker te gemoet. De Evangelisten noemen dien man, hij heette Simon, zijn vaderland was Cyrene, eene stad in Lybie. Markus noemt hem den vader van Alexander en Rufus, wier namen later nog voorkomen onder de vrienden van den Heere Jezus , Hand. 19 vs. 33 ; Rom. 16 vs. 13. Deze Simon, een vriend van Jezus, liet zijn medelijden en zijne ontroering over Jezus blijken. De vijanden bevreesd , dat Jezus door al de mishandelingen die Hem aangedaan waren, onder den last van het kruishout bezwijken zoude, dwongen dien Simon, dat hij het kruis achter Jezus zou dragen. Hij moet het kruishout dragen, niet zooals men zich dat wel eens voorstelt het achterste gedeelte van den paal, neen! het gansche hout werd op zijn schouders gelegd, en de vijanden deden dit niet uit barmhartigheid omtrent Jezus, maar opdat hun slachtoffer niet bezwijken mocht, en zij op Golgotha hunne wreedheid aan Hem voleinden mochten. Simon moest er toe gedwongen worden en geen wonder, onze menschelijke natuur heeft een afkeer van kruisdragen. Eén is er slechts geweest, die vrijwillig het kruis opgenomen en gedragen heeft, dat was de Heere Jezus, de Zoenborg Zijns volks , en wanneer er nu één Zijner vrienden gewillig gemaakt wordt om het
209
kruis, dat God hem oplegt, te dragen met onderwerping en zelfverloochening, dan is zulks de vrucht van het kruis, dat Jezus droeg, en draagt hij het Jezus , die de zwaarte en den vloek van het kruis gedragen heeft, nog slechts achterna. Wij mogen denken dat Simon wel gedwongen, maar toen niet meer onwillig zich het kruis liet opleggen, en later het als een (bijzonder genadeblijk van God aan hem bewezen, heeft mogen beschouwen, dat Hij hem waardig achtte den Heere Jezus eenige verlichting op Zijnen zwaren kruisweg aan te brengen. Hoe onvergetelijk in zijn leven zal dat uur voor hem geweest zijn, waarin hij verwaardigd werd het kruis van Jezus Hem achterna te dragen , even onvergetelijk als ons M. V., die ure is en blijft, waarin wij voor ons zeiven door genade het kruis van Christus, als de wijsheid en de kracht van God, geleerd hebben hoog te schatten.
Eene groote menigte volks volgde Jezus. De meesten zeker uit nieuwsgierigheid; zoo gaat het helaas! bij men-schelijke strafoefeningen. Zoo ergens, dan blijkt ook daaruit het duivelsche en liefdelooze bestaan van den mensch jegens zijne naasten , nadat hij van God is afgevallen. Velen willen het lijden van hunne medemenschen nog zien, in plaats van in zulke oogenblikken hunne knieën in de eenzaamheid voor God te buigen , en Zijne barmhartigheid te erkennen , dat Hij hen voor het plegen van die misdaden, die in anderen gestraft worden, bewaard heeft, want het zaad van alle zonden en boosheid ligt in onze harten; dat het niet ontkiemde, en in boosheid en goddeloosheid zich naar buiten openbaarde, was God het niet, die zulks verhoed heeft?
Onder die menigte waren ook vrouwen, welke weenden en Hem beklaagden, dat is: misbaar maakten en handen wrongen. Zekerlijk herinnerden velen van deze zich de lichamelijke en geestelijke zegeningen, die zij van Hem genoten hadden en hadden zij Jezus, die zich over haar
14
210
ontfermd had, lief. Zij konden hare tranen niet bedwingen , hare klachten niet wederhouden; zij gevoelden op den Heere Jezus eene nauwe, innige betrekking. Hij was haar een zielsbruidegom en man geworden. Door den Geest Gods zijn hare harten week geworden, en al wisten zij het ook, dat het in Israël ongeoorloofd was, eenen misdadiger, die ter strafplaats geleid werd, teekenen van mededoogen te toonen, zoo sterk is in deze oogenblikken de betrekking op Zijn persoon, dat zij luide weenden, en Hem beklaagden.
Jezus keerde zich tot deze vrouwen, en zeide: âGij, dochters van Jeruzalem! weent niet over mij, maar weent over uzelve, en uwe kinderen.quot; Hij was met zulk een geween en natuurlijk medelijden niet geholpen. Hij leed en stierf den dood des kruises, niet om beweend te worden, maar om Zijnen Vader te gehoorzamen, en Zich voor de zijnen op te offeren. Zijn eigen lijden vergetende, keurt Hij wel niet af dat zij over hem rouwklaagden, maar bestraft Hij de vleeschelijkheid hunner tranen, omdat zij meer treurden over Zijn uitwendig lijden, als over de oorzaak daarvan, namelijk over de zonden. Zoo Hij gewild had, Hij zoude Zich zeiven gemakkelijk uit dat lijden hebben kunnen redden door Zijn machtigen arm. Hij, de kenner der harten en de proever der nieren zag, dat er iets aan deze hunne tranen en klachten ontbrak, daarom vermaant Hij haar om hare droefheid-over Hem te sparen en liever zich zelve en hare kinderen te beweenen en te beklagen. âWant,quot; aldus vervolgt Hij, âziet! daar komen dagen, waarin men zeggen zal: zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken, die niet gebaard en de borsten, die niet gezogen hebben.quot; Onder Israël werd het als een ongeluk der vrouwen beschouwd, wanneer zij onvruchtbaar waren en God hare baarmoeder had toegesloten. Kinderen te hebben werd als een erfdeel des Heeren geacht, en Jezus zegt, dat nu die tijden aanstaande waren, waarin de onvruchtbaarheid
211
en de kinderloosheid zaliger zoude zijn , dan eene menigte kinderen rondom zijne tafel als olijfplanten te aanschouwen. Zulke akelige tijden zouden dat voor de joden zijn, dat de vrouw zalig zoude worden gesproken, dat is: gezegend zoude zijn , die nooit eenige spruit voorgebracht had. Dat Zijn woord is letterlijk bevestigd bij de belegering en inneming van Jeruzalem; vele kinderen zijn toen van honger gestorven, anderen tot slaven voor geld verkocht, en hetgeen nog verschrikkelijker was, vele moeders moesten het zien , dat hare kinderen uit hare armen gerukt tegen de steenen vermorseld werden, en eenen gruwzamen dood stierven., Zoo immer hunne goddelooze taal: âZijn bloed kome over ons en onze kinderen!quot; bevestigd is geworden, dan zien wij het toen en later in al die bloedige vervolgingen, die zij hebben ondergaan. âJa, weent over u zeiven en uwe kinderen!quot; te recht mocht Jezus haar zulks toeroepen, want er zouden tijden en dagen komen! waarin zij zouden uitroepen : âbergen valt op ons, heuvelen bedekt ons!quot; Is het niet M. V., alsof de Heere Jezus de bijl, die Johannes opgeheven zag bij den dorren boom, reeds zag toeslaan, alsof Hij den boom reeds geveld zag liggen, zoo lang reeds bedreigd maar nog gespaard, opdat Hij daaraan den laatsten arbeid zoude besteden. Hier was het, alsof Jezus de vervulling zag, welke veertig jaren later plaats had, van die Godspraak: dan zullen zij in de spelonken der rots-steenen gaan en in de holen der aarde, vanwege den schrik des Heeren en van wege de heerlijkheid Zijner Majesteit, wanneer Hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken, Jes. 2 vs. 19, en van die andere voorspelling; zij zullen verdelgd worden, doornen en distelen zullen op haar-lieder altaren opkomen en zij zullen zeggen tot de bergen: bedekt ons, en tot de heuvelen: valt op ons, Hosea 10 vs. 8. Zijn eigen lijden als het ware voor eenige oogen-blikken vergetende, ziet Hij haar in die akelige tijden geheel andere tranen weenen, dan [zij nu weenen. De uit-
14*
212
komst heeft deze Zijne voorzegging volledig bevestigd, en de aankondiging van die zware oordeelen Gods zijn aan haar geschied. Om het volk nog tot boetvaardigheid op te wekken, en om dezen toekomstigen toorn Gods nog door eene ware bekeering] af te wenden, daarom geeft de Heere Jezus haar de ware oorzaak van de oordeelen Gods op: âwant indien zij dit doen aan het groene hout, wal zal aan het dorre geschieden ?quot; Met ernst en majesteit sprak Hij aldus; het gevoel van eigen onschuld te midder van Zijn vrijwillig, vreeselijk lijden heeft Hem niet begeven. Hij vergelijkt Zich in deze woorden, die genomer zijn uit Ezech. 20 vs. 47 , bij een groen hout, dat is bi eenen groenen, sappigen en vruchtbaren boom, gelijk Hi ook genaamd wordt de Boom des levens, die in het midder van het paradijs Gods is. Te recht noemde Jezus ziel aldus, even als het groene hout sap en voedsel in ziel heeft, zoo bezat de Heere Jezus het ware leven in Ziel zeiven, en deelt Hij het den Zijnen mede, die in Hem, dei waren Olijfboom, worden ingeënt. Groen hout is vrucht baar en geeft eene aangename schaduw, welnu, Hij is dii boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, vai maand tot maand gevende Zijne vrucht en de bladerei dezes booms waren tot genezing der heidenen, Openb. 2: vs. 1, en: âHij is als een appelboom onder de hoornen de wouds, zoo is Mijn liefste onder de zonen: In heb groot lust in Zijne schaduw en zit er onderverklaart Zijn bruid-kerk, Hoogl. 2 vs. 3. Onder het dorre hout vei stond Jezus die goddelooze joden, die als het ware doo-waren in zonden en misdaden, zij waren aan verstorven en kale hoornen gelijk. En gelijk dood hout bewaard word om verbrand te worden, zoo zouden ook zij, boome zijnde, die geene vruchten voortbrachten, worden uitgc houwen en in het vuur geworpen. Indien zij Hem , die ge heel onschuldig was van elke misdaad, zulk een lijden aar deden door Hem te kruisigen, wat zoude dan niet het Ic
213
van hen, die goddeloozen, die hardnekkigen en onboetvaar-digen worden ? Zijn lijden was als 't ware een spiegel des Goddelijken toorns voor hen. Groen houdt heeft in zich zelve kracht om het vuur te wederstaan, maar dor hout wordt zonder eenigen tegenstand verteerd. Zouden zij Hem, het groene hout, aan een dor hout als een vloek ophangen, de tijd zoude komen dat zij als dorre houten aan groene houten zouden worden opgehangen. Zoo sprak de Heere Jezus, en betoonde zich dus, terwijl Hij op weg was om Zijn Hoogepriesterlijk ambt te vervullen, als de ware Profeet van wien Mozes gesproken had. Nog tot het laatste oogenblik toe arbeidt Hij aan het heil dier verblinden. Welaan ! beschouwen wij
II. Het lijden zelve van den Heere Jezus.
Welk een zwaar, smadelijk en bitter lijden moest die heilige en onschuldige Jezus hier doorstaan! Waarlijk, indien Zijne Goddelijke kracht Hem niet ondersteund had, Hij moest bezweken zijn onder dat lijden. Hoe moest Jezus in vollen nadruk hier ondervinden, dat de barmhartigheden der goddeloozen wreedheid zijn. Daarom bad David God , dat Hij hem liever in Zijne, dan in der men-sclien handen mocht doen vallen. Als een vervloekt misdadiger, ja! als het uitvaagsel van het menschelijk geslacht, wordt Hij Jeruzalem uitgestooten en naar de gerechtplaats voortgesleept. Hij moet zelf het smadelijke kruishout dragen, en met een lichaam, dat door al die mishandelingen en geeselslagen zoo gefolterd, schier elk oogenblik scheen te zullen bezwijken. Woorden ontbreken ons om naar waarde dat lijden van Hem, den Koning der eere, den Vorst des levens, den Heere der heerlijkheid voor te stellen.
Ook dit Zijn lijden leed Hij als de schuld- en straf-
214
lijdende Zoenborg zijns volks. Hij onderging die afschuwelijke wreedheid en onbarmhartigheid Zijner vijanden, om voor de zonden van wreedheid en onbarmhartigheid Zijns volks aan Gods strafeischende gerechtigheid te voldoen, en ziet! zoo betaalde Hij hier wederoin, hetgeen Hij niet geroofd had. Jezus is henengeleid om de zonden van moedwilligheid van Zijn uitverkoren volk te lijden en te dragen, Zijn kruis dragende onder veel moedwil en boosheid, en Zijn eigen kruis moest Hij dragen , omdat Hij veler zonden gedragen heeft op het hout. Ook daarmede heeft Hij aan Gods gerechtigheid voor hen voldaan, omdat Zijn volk van nature zoo onwillig is en blijft om het kruis te dragen. Hunne natuur wil er maar niet mede achter Jezus komen en blijven. Nu eens murmereeren zij dat hun kruis zoo zwaar is, dan wederom willen zij zich onder dat kruis, dat God hun oplegt, niet buigen , en moet het naar hunne meening een ander kruis zijn. Al die schuld Zijns volks moest Jezus hier dragen en met âZijn volmaakt kruis dragen eene eeuwige gerechtigheid te weeg brengen voor al die zonden Zijns volks. Ja! Jezus moest hier voor Zijn volk verwerven, dat zij door Zijne kracht gewillig gemaakt werden, om het kruis, dat God hun oplegt, op zich te nemen en Jezus in verloochening van eigen zin, lust en wil achterna te dragen. Wanneer dat nu geschieden mag, dan leeren zij op die wijze door vele verdrukking het Koningrijk Gods ingaan , en gaan zij van kracht tot kracht voort, maar dan erkennen zij ook dat het alleen is door de kracht des Heiligen Geestes, hetwel door het kruisdragen van Christus voor hen verdiend en verworven is.
Een Simon van Cyrene, zeker een discipel van Jezus, hoeveel medelijden hij ook in zijne ziel moge gehad hebben met den lijdenden Jezus, moest nog gedwongen worden Hem eenige verlichting aan te brengen, hij was onwillig en tegenstrevende. Ziet M. V., zoo heeft de Heere Jezus
215
tot vermeerdering van Zijne smart moeten ondervinden, de zonden van hun hoogmoedig hart, ook dan als zij Hem in onverderfelijkheid lief gekregen hebben, Hij, die zoo vrijwillig het kruis voor Zijn volk had opgenomen. Die menachenvrees, die helaas! dikwerf bij dit volk boven de liefde gaat, verhindert hen zoo gedurig werkzaam te zijn in dien liefdedienst, die zij aan Hem verschuldigd zijn. Die vrees voor lijden en dood kan dat kind Gods nog zoo menigmaal doen zondigen, en hem ongeneigd doen zijn om Jezus, dien hij lief heeft en zoo als hij Jezus vrijwillig beloofd heeft, door bezaaide en onbezaaide landen te volgen. Voor die zonden heeft ook Jezus hun Zoen-borg hier geleden. Hij bewees eene oneindige vrijwillige liefde voor zulke eliendigen, die gedwongen moeten worden om iets voor God en Zijne zaak te doen. Hier verwierf Hij voor zulken, dat al moeten zij ook door onwederstaan-bare genade gedwongen worden, om het kruis even als Simon op zich te nemen, de Heere, die de zwaarte van het kruis voor hen gedragen heeft, hunnen last verlicht, en het juk zacht maakt, en dat zij van achteren daarin wel eens een kenmerk van hun kindschap Gods, hun aandeel aan Jezus borggerechtigheid mogen zien, dat zij het kruis ook te midden van den smaad en de verachting der wereld, gewillig achter Jezus mogen dragen, ja ! zelfs door genade roemen mogen in het kruis. Letten wij op de aanspraak, die Jezus tot de vrouwen hield: â Weent niet over Mij, maar weent over u zeiven en uwe kinderen,quot; waarlijk dan worden wij gedrongen te belijden, dat Jezus te midden van het gruwzaamste lijden geen aanspraak maakte op de vleeschelijke tranen, het misbaar maken en handen wringen Zijner vrienden, maar openlijk betuigen konde: daar is geen reden om over Mij te weenen. Hij toch leed niet om Zijne zonden, maar om God in dat Zijn lijden te verheerlijken , gelijk Hij gezegd had: âVader! Ik heb U verheerlijkt op aardeJoh. 17 vs. 4. Jezus leed om
216
Gods raad te dienen, en om het werk, dat Hij vrijwillig uit Goddelijke liefde op Zich genomen had te volbrengen, daarom konde Hij er bijvoegen: âIk heb voleind het werk, dat Gij Mij gegeven hebt.quot; Hij, de Goddelijke Zoenborg wist, dat, als Zijne ziel zich tot een schuldoffer gesteld zoude hebben, dat Hij zaad zoude zien, Jes. 53. Op deze wijze moest Hij Zijn volk verwerven tot Zijn erfdeel, en God met al de uitverkorenen in Hem van vóór de grondlegging der wereld verzoenen. â Weent niet over Mij quot; was hier Zijne taal, want op deze wijze moest Hij ze allen verlossen uit de macht des satans, en voor hen licht, leven , verlossing, heiligmaking , bewaring en eene eeuwige heerlijkheid verwerven. Ziet! het was wel bedekt voor hare oogen , maar in plaats van te weenen, hadden zij zich veel meer met vreugdetranen moeten verblijden over Zijn gewillig en volmaakt lijden.
Welk eene reine, zich zeiven verloochenende liefde openbaarde Jezus hier voor Zijne vriendinnen, die Hem beweenden ! Hij weet, dat het vleesch van niets afkeeriger is dan zich zelve te beweenen. Hij zag veel liever dat zij over hare zonden, die groot en vele waren, waarover zij den rechtvaardigen toorn Gods te wachten hadden , weenden ; zij zouden rechtvaardig met haar kroost omkomen , zoo zij niet waarlijk veranderd en bekeerd werden. Hier wijst Hij haar dus als 't ware op dat vreeselijke en verschrikkelijke , om met haar zaad voor tijd en eeuwigheid verloren te gaan. Waren zij dan niet veel beweenenswaardiger dan Hij was ? Zijne Goddelijke alwetendheid zag het tijdstip als voor oogen , waarin Jeruzalem , de bloedstad , die Hem uitwierp, zoude verwoest worden, en welke angsten en benauwdheden velen, die moeders zouden zijn, dan zouden overkomen, hoe zij dan zouden uitroepen: âBergen valt op ons, heuvelen bedekt ons.quot; Zijne laatste voorzegging, die zoo letterlijk vervuld is geworden, sprak Hij uit, om velen te redden van het verderf, en anderen de oogen te
217
openen voor Zijn waarachtig Borglijden; zij zouden straf lijden, waardig hetgeen zij gedaan hadden, maar Hij was rechtvaardig, daarom wilde Hij niet beweend worden.
ââWantquot; dit voegde Jezus er bij, âindien zij dit doen aan het groene hout, wat zal er dan aan het dorre geschieden.quot; Ziet! M. V., met die bewustheid leed hier de heilige Jezus, als de Zoenborg Zijns volks, dat Hij was een levend hout, vol sappen tot vruchtbaarmaking. Voor Zijn persoon kwam Hem heerlijkheid en geluk en geenszins lijden toe. De Zijnen zouden uit Zijne volheid genade voor genade moeten ontvangen. Al wat aan Hem was, is gansch begeerlijk. âZulk een is mijn liefste, ja ! zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!quot; Hoe ongelukkig, ja rampzalig zouden zij dan niet worden, die de genadesappen van Zijnen Geest zouden missen; die onbekeerden; die geen deel bezaten aan Zijne Borggerechtigheid, wanneer eenmaal de rechtvaardige toorn Gods over haar zoude worden uitgestort tot haar eeuwig verderf. Beter ware het haar dan, dat zij niet geboren waren, dan zoo te vallen in de handen des levenden Gods. Hier in vollen nadruk vermaande Hij haar nog als met stervende lippen: indien de goedertierenheid Gods u niet tot de bekeering beweegt, laat het dan de schrik des Heeren zijn. Daarom wees Hij hare tranen af, want Hij wist dat Zijne vijanden niets meer als dorre houten in Gods hand waren, die zonder Zijne toelating zich niet roeren of bewegen konden, en dat Hij, het levend hout, Zich hier onschuldig en vrijwillig opofferde, om Zijn volk, een dor hout van nature, en waardig om verbrand te worden , te redden van het onuit-bluschbaar en eeuwige vuur, den duivel en zijnen engelen bereid.
Al dat lijden eindelijk, hetwelk de Heere Jezus hier onderging, was duidelijk door God, door den mond Zijner profeten voorspeld, en in voorbeelden voorgesteld. Zijne uitleiding uit Jeruzalem was afgebeeld in die roode vaars.
218
welke de priester, toen Israël nog in de woestijn omzwierf, buiten de legerplaats geleidde, en in lateren tijd toen zij Jeruzalem bewoonden, buiten de stad naar den Olijfberg, waar zij voor aller oogen moest worden geslacht, Num. 19 vs. 1â9. Paulus heeft zulks uitdrukkelijk op den Heere Jezus toegepast, Hebr. 9 vs. 13, 14. Zoo moest Hij voor de oogen van het gansche volk tot een zoenoffer geslacht worden. Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, heeft ook buiten de poort geleden. Hebr. 13 vs. 12, 13. Ja, ook de lichamen van al die offerdieren wier bloed als zoenoffers in het heiligdom geplengd werden, werden buiten de legerplaats verbrand. Jesaja had van Jezus voorspeld, dat Hij als een lam ter slachting zoude worden geleid, Jes. 53 vs. 7, hoe letterlijk is zulks hier vervuld geworden. Spraken Mozes en Elias op den berg Tabor, bij de verheerlijking van Jezus van Zijnen uitgang, dien Hij te Jeruzalem zoude volbrengen , welnu, hier aanschouwen wij de vervulling, toen Hij naar Golgotha geleid werd om gekruisigd te worden. Jezus zelf had zulks geweten , want Hij kondigde het aan, in die gelijkenis van den heer, die een wijngaard geplant had, dien hij den landlieden verhuurde, dat zij den zoon des eigenaars nemen, hem buiten den wijngaard werpen en dooden zouden. Matt. 21 vs. 23.
Dat Jezus Zijn eigen kruis dragen zoude, wij vinden daarvan het voorbeeld in Izaak, die het hout droeg, waarop hij tot een brandoffer zoude worden geofferd, Gen. 22 vs. 11.
Dat men over Jezus weenen en huilen zoude en dat de vrouwen van alle geslachten Israëls eens over den Messias zouden rouwklagen en bitterlijk weenen, de profeet Zacha-rias 12 vs. 10, had zulks voorzegd, en dat alles M. V., zijn zoo vele bewijzen dat onze Heere Jezus de waarachtige beloofde Messias geweest is. Dezen lijdensweg heeft Hij bewandeld, omdat de Heere de ongerechtigheden Zijns
219
volks op Zich deed aanloopen om voor hunne schuld te betalen, hunne misdaden uit te delgen. Hij, het groene hout geeft zich prijs aan de vlammen, welke hen, het dorre hout, hadden moeten verteeren. Als die eenige Hooge-priester, wien het ons betaamde te hebben onschuldig, heilig, onnoozel, afgescheiden van de zondaars, ging Hij uit, om door Zijne zelfofferande aan het kruis, een offer van genoegdoening aan Gods strafeischende gerechtigheid voor de zonden Zijns volks op te brengen. Daardoor is hunne redding van de tijdelijke en eeuwige straf op de zonden bedreigd, uitgewerkt, en eene eeuwige zaligheid verdiend en verworven.
Ps. 32 vs. 3 en 4.
III. Eindigen wij met het woord der toepassing.
Wij hebben wederom dit gedeelte van het lijden van Jezus met elkander beschouwd, Och! of de Heere Jezus hetzelve voor ons allen geleden bad, en wij op goede gronden , zulks persoonlijk voor ons zelve gelooven en aannemen mochten. Dat zoude onze troost uitmaken in leven en in sterven. Maar helaas! wie weet of er ook nog niet onder u zullen zijn , M. V., die zich dat lijden niet aantrekken ? Dat doen zij allen , die geene bekommernissen kennen over hunne erf- en dadelijke zonden; die geene droefheid bezitten , dat zij tegen God gezondigd hebben, gerust, zorgeloos en onverschillig in hunne zonden wegleven ; die in den grond der zaak, al noemen zij zich ook Christenen, vijanden van het kruis van Christus zich betoonen, ol wat nog erger is, o! wij beklagen die ongelukkigen, die het bloed des Nieuwen Testaments onrein blijven achten , de genade Gods in ontuchtigheid veranderen; voor de zonden van dezulken blijft er geen slachtoffer meer over. Helaas! uwe oogen
220
zijn gesloten voor het eenige noodige en onmisbare, dat gij bezitten moet; geestelijk dood, zijt gij dor hout zonder sap en vochtigheid. Ougelukkigen! en zoo gij zoo blijft rampzaligen! in dat lijden van Jezus ziet gij als in eenen spiegel, och! opene de Heilige Geest nog in tijds uwe oogen voor het lot, dat u, zoo blijvende, eenmaal zal treffen , want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal dan aan het dorre geschieden ? Weggeleid zult gij worden ter eeuwige straf, geworpen zult gij worden in de buitenste duisternis, aldaar zal weening zijn en knersing der tanden ; daar zult gij moeten lijden en dragen de straf des eeuwigen vuurs. Hier hebt gij uwe zonden niet willen beweenen, maar dan zult gij eeuwig uwe ellende, waarin gij u moeden vrijwillig tevens gestort hebt, beschreien. Wie uwer, vraag ik u, zal bij een verteerend vuur kunnen wonen? Wie bij een eeuwigen gloed? Dan zult gij uitroepen; ach! waren wij nooit geboren. In die dagen zult gij den dood zoeken maar niet vinden ; uitroepen : bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons, voor het aangezicht des Heeren, maar zij zullen u niet kunnen hooren. Welk eene ijselijke wanhoop zal u dan moeten aangrijpen, als die dag des grooten toorns over u komen zal. Helaas, gij zult dan ondervinden , daar gij Jezus niet bezit als uwen schuldbetalenden en schuldovernemenden Borg, dat God wel goedertieren, langmoedig en barmhartig over u was, maar eenen troon bezit, waarvan gerechtigheid en gerichte de vastigheden zijn. Waartoe stel ik u dat alles voor? Niet om u te verschrikken , of te bedreigen met hel en verdoemenis , maar om u onder opzien tot de vrije genade Gods , die zich in Christus Jezus door den Heiligen Geest, ook aan uwe arme zondaarszielen nog kan verheerlijken, te bepalen bij den vloek dien Gods Woord zulken bedreigt, die zonder Christus leven en sterven, üch! mocht gij eens stilstaan op uwe zondige wegen en in dit heden der genade Hem nog aanroepen, in Wien alleen de zaligheid is, en tot Zijn
221
bloed, dat alleen reinigt van alle zonden, uw toevlucht nemen. Nog is ook voor u de weg der behoudenis door en in Christus Jezus alléén geopend. De Heilige Geest kan van u, die tot nu toe nog dor hout zijt, groen hout maken. Verwaarloost toch de getrouwe middelen van Gods genade niet. Begeeft er u onder of het God ook moge behagen u te bekeeren. Houdt op de verzenen tegen de prikkels te slaan. Bidt om den Heiligen Geest. Gij zult eens van al die getrouwe vermaningen , die tot u zijn gebracht, rekenschap moeten geven. Tyrus en Sidon, Sodom en Gomorrha zullen tegen u getuigen , indien gij uwe harten tegen de roepstemmen Gods zult blijven verharden.
Zijn zij er onder u, die niet geheel en al zonder indrukken leven of geleefd hebben; die bij de overdenking van het lijden van den Heere Jezus wel eens aangedaan zijt geweest, ja! tot tranen bewogen werd, u vraag ik als in de tegenwoordigheid Gods: hebt gij ook reeds over u zeiven en uwe kinderen geweend? Over den droevigen staat, waarin onbekeerde zondaars verkeeren ? Over uwe zonden, die God hebben beleedigd en vertoornd ? Dat gij zulke vloek- en doemwaardige schepselen door de zonden geworden zijt? Gij hebt zeker wel eens geweend, of zijt ontroerd geworden bij eene ernstige prediking, bij het gezicht van dood of eeuwigheid; waar, waar zijn die indrukken en die voornemens , toen opgevat, bij u gebleven ? Als een vroeg opkomende dauw, als een morgenwolk zijn zij bij u gezien en zijn zij verdwenen. Ziet! omdat gij over u zeiven niet geweend hebt, zijt gij dezelfde zondaars gebleven, dezelfde van God vervreemde onbekeerde men-schen. En dan kan menigmaal iemand, die zulke indrukken gekend heeft, zonder dat zij hem in waarheid als een armen, ellendigen en doemschuldigen zondaar tot Jezus hebben uitgedreven, en wiens leven niet veranderd is, als alleen uitwendig voor het oog der wereld, daarvan een grond van vertrouwen voor de eeuwigheid maken. Ach! het was niets
222
anders dan eene droefheid der wereld, die den dood werkt. Bedriegt u zeiven toch niet, uw hart is arglistig, doode-lijk, meer dan eenig ding. Gij moet leeren over u zeiven en uwe kinderen te weenen. En als gij niets anders voor u zeiven bezit, dan eenige indrukken en toegedaanheid tot de waarheid, gij zult daarmede bedrogen in de eeuwigheid uitkomen. Och! bidt God dat Hij u doorgronden moge; zijt gij nog op een schadelijken weg, gij kunt er afgebracht worden. Maar meenende in te gaan, en eens niet te kunnen, hoe verschrikkelijk zoude dat niet zijn ? Hier aan deze zijde des grafs, hoe verschillend de trap en mate der waarachtige bekeering ook zijn moge, zult gij over u zeiven, over uwe zonden, waarmede gij tegen God gezondigd hebt, moeten geweend hebben , en als verlorenen en ellendigen in u zeiven die heilbegeerige vraag moeten hebben gedaan: Is er een middel om de straf te ontgaan en wederom tot genade te komen ? Red- en radeloos bij u zeiven, uwe toevlucht tot den Heere Jezus in het arm zondaarsgeloof moeten hebben genomen, en geene rust kunnen vinden, voor dat Hij zich aan u geopenbaard zal hebben. In één woord, van blind zult gij ziende, van geestelijk dood levend moeten zijn geworden, en eene wedergeboorte ondergaan hebben, die uit- en inwendig eene verandering bij u te weeg gebracht heeft, en die overgegaan is in werkzaamheden van uw leven, zoodat gij nu, dagelijks belijdende en beweenende uwe zonden, in het verborgene en eenzame Gods aangezicht zoekt.
Zijn er onder u bekommerde zielen, die nog in de veroordeeling van zich zeiven liggen, en niet gelooven kunnen en durven, dat zij in waarheid geweend zouden hebben over zich zeiven; het is aan het leven dat God ons schenkt eigen, als de Heilige Geest ons overtuigt van zonde. gerechtigheid en oordeel, om geen ding aan te nemen, tenzij het ons van Boven geschonken zij. Uw toestand is mij niet vreemd. Als gij op u zeiven gewezen wordt, dan
223
moest gij meerdere en dieper gaande droefheid over uwe zonden kennen; de last uwer zonden u zwaarder drukken; dat dag en nacht uwe tranen over uwe zonden tot uwe spijze te hebben , zoodat uwe bedsteden er als 't ware doornat en doorweekt van werden, dat kent gij misschien nog niet. Dat zaaien met tranen , waarop een maaien met gejuich wordt toegezegd, beoefent gij zoo niet, en nu moet gij u zeiven verwerpen. Niet dat ik u het geloof zoude zoeken op te dringen. Maar al zijt gij nog verdrukten, ongetroosten, door onweder voortgedrevenen, de Heere zegt: dat Hij Zijn volk tot zich zal laten komen met geween en geklag. Al had gij nu maar een enkele traan gestort met een verbroken hart en een verslagen geest, dat gij tegen God gezondigd hebt, en die arme tollenaarsbede: âo God! wees mij zondaar genadig!quot; u niet onbekend is , en gij met de hand op het hart zeggen moogt, dat met meerdere of mindere gevoeligheid uw dagelijksch vragen en zoeken, bidden en pleiten is om den Heere Jezus te bezitten; dat werkt de natuur niet in u maar de Heilige Geest, die de Geest der genade en der gebeden is. Gij zijt nog troosteloos over u zeiven , maar zoudt gij met al uw kermen, klagen en zuchten, dat God bekend is, wel willen ophouden om de ijdele vreugd dezer zondige wereld te genieten? Kunt gij van den Heere Jezus, van Zijn volk, van Zijne waarheid wel wegblijven? Bidt gij niet voor u zei ven om doorbrekend licht en genade? Verveelt u dien weg, zoo naar en droefgeestig in het oog der wereld ? Zoudt gij ontkennen durven, hoe spoedig het ook verdwenen moge zijn , dat er zich nu en dan eene hoop in u opdoet, als de liefde Gods in uwe harten is uitgestort, dat de Heere ook tot u van dien vrede zal spreken, die alle verstand te boven gaat. Hij zal komen op Zijnen tijd, Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht. Tidt om geenen zwa-ren, maar om eenen klaren weg. Alle eigene gronden, die ons vleesch zoo begeerlijk zijn, en die wij niet dan
|
224
door almachtige genade zullen opgeven, moeten u ontzinken. Met al het uwe, zelfs met uwe tranen, zal het in den dood moeten komen aan de voeten van Jezus. Houdt moed! Jezus roept u toe: weent over u zelve en uwe kinderen. Hij telt de tranen, die Hij u doet weenen, Hij is dikwijls een verrassend God voor de Zijnen. Maar veracht ook den dag der kleine dingen niet. Zij, die Hem zoeken, zullen Hem vinden , en nu zal dat eene groote genade zijn , die Hij u schenkt, als gij u maar niet vertroosten kunt, noch u die vertroostingen van anderen kunt laten toedienen, maar daarop gesteld zijt, dat Jezus u troost door den Heiligen Geest, Dien Hij voor Zijn arm, ellendig en behoeftig volk heeft verworven.
En gij , die tot roem van Gods genade zeggen moogt, dat gij deel gekregen hebt uit vrije genade aan Jezus borg-tochtelijk lijden, wat zijt gij gezegend! Een Simon van Cyrene moest nog gedwongen worden om het kruis achter den Heere Jezus te dragen; hebt gij ook niet geleerd dat niets smartelijker en pijnlijker voor het vleesch is, dan om kruis te dragen en zelfverloochening te oefenen aan eigen zin , lust en wil ? Gij zult uit u zeiven nooit het kruis opnemen, of uw vleesch zal er tegen schreeuwen en klagen, zoo onwillig zijt en blijft gij van nature; daarom als gij er bij bepaald wordt, zult gij nog dagelijks weenen over u zeiven, en zal het wonder uwer behoudenis u bij den dag grooter worden. En als u dat eens geschonken mocht worden, om gewillig het kruis op u te nemen, en het achter Jezus, den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, te dragen, en het bittere van het kruis, hetwelk de Heere u opleidde, door het bittere kruis, dat Jezus voor u droeg, zoet mocht worden , en gij gelooven moogt dat het niet in Gods toorn maar in Zijne liefde u is opgelegd, waren dat voor u geene onuitsprekelijk zalige tijden, somtijds gouden uren, die helaas! zoo kort duren in het lichaam der zonde en des doods ? Wanneer het u door genade mag geschonken
225
worden, veel te weenen over u zeiven, en over uwe kinderen en over allen, die nog vervreemd zijn van het leven Gods, omdat God uwe oogen geopend heeft om de ellende te zien van een' zondaar zonder Christus, dan schenkt God veel leven aan uwe zielen. Alle ware geloovigen, die veel zich als ellendigen gedragen mogen: âOch! dat ons hoofd water ware, en onze oogen springaders van tranen, die dag en nacht beweenen mogen de verslagenen der dochters Zijns volks ,quot; en met David belijden mogen : âWaterbeeken vlieten af uit mijne oogen, omdat zij Uwe wet niet onderhouden ,quot; zij genieten veel van den Geest der genade en der gebeden, waarvan getuigd wordt door God: met geween en smeeking zal Ik ze doen komen. Och! dat zulks ook uw deel moge zijn. Ziet gij op u zeiven, hoe dat gij het dagelijks maakt voor den Ileere, en hoe weinig gij den zoeten en zaligen troost van het kruis, dat Jezns voor u gedragen heeft, geniet en ondervindt, hoe veel reden bestaat er dan niet om over u zeiven te weenen en in het zwart te gaan voor het aangezicht van den Heere der heir-scharen? Ziet! zoo leert gij uwe diepe afhankelijkheid en volslagene onmacht, om een enkelen traan met een verbroken hart te weenen zonder Hem , zonder Wien gij niets doen kunt. O! geve God u veel gebruik te maken van uwen dierbaren Jezus, om elk kruis, dat God u oplegt, gewillig te dragen en het Paulus in het geloof te mogen nazeggen: âwij roemen in de verdrukking.quot; Hoe meer gij de kracht van Jezus reinigmakend bloed, dat afvloeit van het kruis, dat Hij voor u gedragen heeft, aan nwe zielen moogt ondervinden, hoe meer gij weenen zult over u zeiven en over uwe kinderen, maar deze dan ook opdragen zult, gelijk Abraham, Eunice en anderen het deden, aan den troon van Gods genade, wiens toegang u geopend is, om daarhenen met vrijmoedigheid te gaan. Ja! des te meer zult gij met tranen zaaien, om eens met gejuich te maaien en te ondervinden: âzalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.quot;
15
226
Geen kruis legt de Heere u op, hoe zwaar ook voor bloed en voor vleesch, of de Heere Jezus heeft er de zwaarte van gedragen , en Hij schenkt u kracht om het te dragen. Al uw kruis zal eindigen in eeuwige vreugde, gij moogt daarvan verzekerd zijn. Gemeenschap hebbende met het lijden van Christus, verblijdt n, opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. Zijt getrouw tot in den dood ! Hij zal n geven de kroon des levens ! Amen.
Ps. 138 vs. 4.
DE KRUISIGING.
LEERREDE XI
OVER
JOHANNES XIX vs. 18.
VOORZANG Ps. 89 vs. 7, 8.
Genade, vrede en barmhartigheidschenke of ver menigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
n Die gekruist isquot;, die belijdenis legt de Kerk van Christus van Hem af, dien zij erkent als haar Hoofd. Al Zijn bitter en smadelijk lijden eindigde in dien schandelijken, van God en menschen vervloekten kruisdood. Het is onze roeping, M. V., u dien gekruisten Jezus zóó te prediken, alsof Hij voor uwe oogen gekruist werd en dat niet om uwe men-schelijke hartstochten in beweging te brengen, neen! ook hier is het woord van Jezus Van kracht: weent niet over Mij, maar weent over u zeiven.
Heden voor u opgetreden, om dat gedeelte der lijdensgeschiedenis met u te overdenken, is het toch mijne bede en
15*
228
verzuchting voor u en mij zeiven tot God, dat wij weenen mogen! en dat over onze zonden, die Jezus dat lijden hebben aangedaan. Mocht God ons allen die groote genade heden bij aanvang of bij vernieuwing schenken, dat wij in dit lijden van den Heere Jezus onze zonden zien en gevoelen mogen. Och! dat er nog harde zondaarsharten onder verbroken en verbrijzeld mochten worden. Dat de Heilige Geest ons hier op Golgotha, waar wij gebracht worden om die kruisiging te aanschouwen, als veroordeelde zondaars, die zulk eene straf waardig waren en verdiend hadden, moge doen staan in verbazing, bewondering en wegzinking in Zijne eeuwige Goddelijke liefde. Zij dit woord des kruises heden ook niet ongezegend! Komt, bidden wij vooraf, dat de Heilige Geest onze harten moge openen, opdat wij acht geven op Zijn woord.
Joh.. XIX vs. 18 0-
Wij hebben M. V., den Heere Jezus beschouwd, zooals Hij met den zwaren kruisbalk beladen , in gezelschap van twee misdadigers, omringd door eene groote menigte volks, buiten Jeruzalem geleid werd om gekruist te worden. Gij zult het u herinneren, dat Zijne vijanden, omdat zij beducht waren dat hun slagtoffer bezwijken zoude, vóór zij op de gerichtsplaats waren aangekomen, eenen man, Simon van Cyrenen, die mededoogen met den Lijder betoonde te hebben, gedwongen hebben het kruishout achter Jezus te dragen. quot;Wij hoorden, dat onder de menigte ook eenige vrouwen waren, die Jezus beklaagden en beweenden, maar
1) Verg. Matth. 27 vs. 33. Mark, 15 vs. 22, Luk, 23 vs. 32.
229
dat Hij niet begeerde, dat er vleeschelijke tranen over Hem werden gestort, en haar vermaande over zich zeiven en hare kinderen te weenen , daar Hij haar het akelig lot voorspelde, hetwelk de hloedstad treffen zoude, wanneer God haar ter verwoesting aan de vijanden zoude overgeven. Hoeveel is er omgegaan in die drie uren, sedert men Hem aan Pilatus overleverde? Hoe onuitsprekelijk veel smaad en hoon, pijn en gruwzame martelingen heeft men Hem, den heiligen en onschuldigen Lijder aangedaan ! In vollen nadruk was Hij veracht en de onwaardigste onder de menschen. Dat alles wordt besloten met de kruisiging op Golgotha. Wij zijn heden bijeen, om die gebeurtenis, welke zoo vele duizenden van jaren voorbereid werd en het middelpunt van al Gods ontwerpen uitmaakte, te overdenken. O! gave God ons, dat wij op Golgotha verkeeren mochten met harten, door Gods Geest over onze zonden verbroken en verslagen, en vervuld met bewondering en aanbidding, waaronder wij wegzinken voor die éénige Goddelijke liefde van Jezus, dat Hij zich vrijwillig opofferde om zulke vijanden Gods, als wij van nature zijn , met God te verzoenen. Och! dat wij in meerdere of mindere mate verlichte oogen des verstands mochten ontvangen hebben , om dat Goddelijk werk , tot onzer zielen zaligheid, recht te bezien, en door genade ook die begeerte en keuze kenden, om niets te willen weten, dan Jezus Christus en Dien gekruist, en in niets te roemen, dan in Zijn kruis alleen. Hier vooral op Golgotha staande, zij het bij spreken en hooren onze verzuchting: och! schonkt Gij ons Heere! de hulp van Uwen Geest, opdat wij ook eenige vrucht van dat kruislijden voor onze zielen mogen genieten.
Welaan, bepalen wij onze aandacht:
I. Bij het geschiedverhaal.
H. Bij het lijden van den Heere Jezus.
HL Om met de toepassing te eindigen.
230
I. Laat ons het geschiedverhaal nagaan.
Nadat de bloeddorstige vijanden van Jezus Hem allerlei droeve smaadheid en bespotting aangedaan hadden, namen zij Hem, gelijk men den misdadigers gewoon was te doen, en leidden Hem weg, te weten uit het rechthuis van Pila-tus naar de gewone strafplaats Golgotha, buiten Jeruzalem. Diezelfde stad, die Hem zes dagen te voren zoo feestelijk met Hozanna's had ingehaald , wierp Hem nu uit, als één die onwaardig was hare straten langer te betreden. Ongelukkig hij, die zijn vertrouwen stelt op de gunst en eere der wereld. Heden roept zij ons het Hozanna toe, morgen wellicht: kruist hem! Weldra is de Heere Jezus, omringd door Zijne bittere vijanden en eene talrijke schare volks, waaronder ook eenigen Zijner vrienden en vriendinnen waren, op Golgotha aangekomen. Die plaats, zijnde een berg, lag niet verre buiten Jeruzalem, en behoorde tot het gebergte Moria. Zij werd de Hoofdschedelplaats genaamd, zijnde de plaats des gerichts, alwaar de misdadigers ter dood gebracht werden en hunne doodsbeenderen her- eu derwaarts verstrooid lagen of begraven werden. Op deze onreine plaats, die ten hoogste eerloos en schandelijk was, bevochtigd met het bloed van misdadigers, moest ook de kruisiging van Hem, den Heere der heerlijkheid, geschieden. De overlevering zegt, dat onder dezen heuvel Adam begraven is. Wij bezitten daarvoor geen bewijs, maar toch ligt er eene diepe waarheid onder verborgen. Als wij onder Adam, den ouden mensch der zonde verstaan, dan zeker is hij voor alle degenen, voor welke Jezus deze straf des kruisdoods geleden heeft, en die gezegd mogen worden met Jezus gekruist te zijn, begraven geworden. Niemand kan meer eene zekere aanduiding van de plaats waar die berg gelegen heeft den reiziger aanwijzen. Hier waren reeds de kuilen gegraven, waarin de drie moordstaken moesten worden vastgezet, want de heilige en onschuldige
231
Jezus zal, naar de bepaling zijner bloeddorstige vijanden, tusschen twee beruchte moordenaars aan het vloekhout hangen , om, hun ten spijt, met één hunner, na eenige uren pijn en smart te hebben doorgestaan, Zijnen zegepralenden intocht in het Paradijs Gods , de verblijfplaats Zijner heerlijkheid , die Hij voor eene wijle tijds verlaten had, te doen. O ! eeuwig wonder van onbegrijpelijke zondaarsliefde.
Toen zij Jezus op Golgotha gebracht hadden, bieden zij Hem drinken aan. Zij gaven Hem een drank, bestaande uit wijn, vermengd met mirrhe, eene plant, welke eene gevoelverdoovende kracht bezit. Mattheus zegt ons, dat zij Hem gaven edik met galle vermengd. De wijn was zoo zuur als edik, en door de mirrhe die er in vermengd was, was de drank zoo bitter als galle. Zij deden zulks naar de oude gewoonte der Joden, bij de voltrekking van deze doodstraf aan misdadigers, om, daar de martelingen der kruisiging bijna niet waren door te staan, hunne hersenen te bedwelmen, hun gevoel te overprikkelen , hen te harden tegen de aanstaande pijnen en smarten, en hunnen dood te verhaasten. Men meent dat zij zoo handelden, omdat er geschreven stond; Geeft sterken drank dengene die verloren gaat, en wijn dengenen die bitterlijk bedroefd van ziel zijn. Dat hij drinke en zijne armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke, Spr. 31 vs. 6,7. Is dit zoo M. V., welnu, dan bereidde men voor Jezus een drank zoo zuur, bitter en onsmakelijk, als men dien maar maken konde, om Hem smart aan te doen. â Maar hoe het ook zijn moge, het aanbieden van dien drank was nog het eenigste bewijs van mededoogen dat Jezus te beurt viel, de eenige lafenis die Hem geworden is, sedert Hij zich met Zijne discipelen aan de vrucht des wijnstoks, toen Hij het Heilig Avondmaal instelde, verkwikte.
Maar Jezus weigerde dien drank te nemen nadat Hij hem geproefd had. Wel bracht Hij Zijne smachtende lippen aan dien drank, want wij kunnen ons voorstellen, dat
232
Jezus, na zoovele uren van afmatting zonder de minste verademing te hebben genoten, dorstig zal zijn geweest, maar toen Hij er eenige droppels van geproefd had, wilde Hij er niets van hebben. Hij wilde niet dat Zijne hersenen en zinnen bedwelmd zouden zijn. Hij wilde niet, dat Zijne pijnen en smarten verlicht, verzacht, of verkort zouden worden. Met onbenevelde bewustheid wil Hij zich aan den Raad Gods onderwerpen, en den dood verslinden tot overwinning. Daarom wijst Jezus den beker met mirrhe af, om den drinkbeker dien de Vader op Zijne hand gesteld had te ledigen, tot don laatsten droppel toe uit te drinken. Hoe maakte Jezus M. V., hier den aanslag des duivels, die Zijne vijanden als zijne werktuigen bezigde, te schande. Hij zocht Jezus van Zijne zinnen te berooven, opdat Hij zich tegen God en menschen mocht bezondigen, en wilde het waarheid maken; wanneer Zijn voet zoude wankelen, zoo zouden zij zich tegen mij groot maken, Ps. 38 vs. 17. Maar Jezus verijdelde zijne hoop. Hij wilde Zijnen dood niet verhaasten. Hij wil, gelijk Hij zelf Zijn leven had aangenomen, hetzelve ook vrijwillig afleggen.
Men grijpt nu den Lijder aan en ontneemt Hem Zijne kleeding. Gansch naakt wordt Hij uitgekleed, en Hem wordt niet het geringste tot Zijne bedekking gelaten, en nu kruisigden zij Hem. Wij zijn, M. V., zoo gewoon geworden aan die woorden, zij kruisigden Hem, dat wij er helaas zoo weinig aan denken, wat al akeligheden aan eene kruisstraf verbonden waren. Daarom is het noodzakelijk , dat wij er ons iets van herinneren, om het recht te verstaan, wat dat woord: zij kruisigden Hem, al bevat. Hem, die gekruist werd, tilde men het naakt en bloedend lichaam op. De beide armen werden zoo wijd als doenlijk was vaneen gerekt en aan een dwarsbalk vastgebonden, ook de beide beenen werden zoo stijf als mogelijk was naar beneden getrokken, en handen en voeten met ijzeren nagels aan het ruwe kruishout vastgespijkerd. In het
233
midden van den kruisstam was nog een klein balkje dat tusschen de beenen kwam waar zij op zitten of rusten konden. Opgetrokken een voet of twee hoog boven den grond, als iemand die niet meer waardig was de aarde te betreden, hing daar de veroordeelde aan de nagels door de palmen der handen en de voeten gedreven, en van wege de menigte der zenuwen waarmede deze doorvlochten zijn , konde het niet anders of bij elke beweging van het lichaam moest zulks eene ondragelijke pijn, eene naamlooze smart veroorzaken. Somtijds duurde het dagen, dat zulk een lijder, blootgesteld aan de brandende hitte der zon of de koude des nachts, zonder voedsel of lafenis, worstelende met, en hijgende naar den dood , aan het kruishout hing, en dat onder de ergste smarten en benauwdheden. Het doorwonde lichaam werd zoo veroordeeld om eenen lang-zamen, maar onuitsprekelijk smartelijken en wreeden dood te sterven. Kunt gij, M. V., u eene akeliger en pijnlijker doodstraf voorstellen dan eene kruisiging, waarvan wij, om uw gevoel te sparen , u nog maar het voornaamste in ruwe trekken hebben voorgesteld ? Het was geene strafoefening bij Israël in gebruik, maar alleen bij de Romeinen, en deze schandelijke en zware straf werd onder dezen alleen voltrokken aan slaven , struikroovers en moordenaars, aan booswichten, die niet waardig waren langer door de aarde gedragen te worden. De ongelukkigen die haar ondergingen , stierven duizend dooden , voor zij den laatsten adem uitbliezen. Geene wreeder maar ook geene schandelijker doodstraf bestond er dan deze. Volgens de heilige wet Gods lag op dusdanige straf een schrikkelijken en aller-smadelijksten vloek, want de opgehangene aan het hout was Gode een vloek, Deut. 21 vs. 23. Hij, die gekruist werd, was dus iemand die gerekend werd van wege zijne misdaden van God en menschen te worden overgegeven. Die straf heeft de Heere Jezus ondergaan. Hij, de Allerhoogste en eeuwiglevende Zoon Gods, het afschijnsel van
234
Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, in Wien de volheid der Godheid lichamelijk woonde. Hij, Die zelf God was, te prijzen tot in de eeuwigheid. Die armen en handen, die zich altijd zegenend hadden uitgestrekt, die voeten, die nooit dan om goed te doen het land doorgingen, zij werden uitgerekt aan het vervloekte kruishout en met scherpe nagelen doorwond. Dat heilige lichaam, zoo onbesmet en rein van alle zonde, werd zoo naakt voor aller oogen ten toon gesteld, als een verfoeisel der wereld, en dat Hij, de allerheerlijkste en allerschoonste onder alle menschenkinderen. Neen ! het kan ons niet verwonderen, dat Markus dat eeuwig onvergetelijk uur der kruisiging, heeft aangeteekend: het was de derde ure, aldus schrijft hij, na den opgang der zon ; volgens onze tijdrekening tusschen negen en twaalf ure tegen den middag. Op den vollen middag werd Hij, die het Licht der wereld was, in het openbaar voor de oogen der gansche wereld gekruist. Het gezelschap, waarmede de Heere Jezus werd gekruist, bestond uit twee moordenaars, die rechtvaardig van den wereldlijken rechter op zulk eene vreese-lijke wijze, tot afschrik van anderen, werden ter dood gebracht. Uit wreedheid werd Jezus eerst gekruist, om Hem zooveel te eerder in de schrikkelijkste pijnen te brengen. Zijn kruis plaatsten zij in het midden, eene plaats oorspronkelijk voor Barabbas, die de allersnoodste der moordenaars was, bestemd. Jezus is dus, in de schatting Zijner beulen, het hoofd der oproermakers, die zich tot een koning der joden had opgeworpen. En opdat er niets aan de openbaarheid der strafoefening ontbreken zoude, gaf Pilatus tot opschrift boven het kruis; Jezus de Nazarener, de Koning der joden. Opdat allen het duidelijk zouden weten, waarom Jezus die straf onderging, was het in drie talen geschreven. En terwijl Zijn heilig bloed van den paal nederdroppelde en Zijn lichaam sidderde van pijn, opende Hij Zijnen mond niet om te klagen, of om Zijne vijanden te vloeken, maar
233
om te bidden: âVader vergeef het hun, want zij weten niet wat zy doen. Laat ons nu
II. Het lijden van den Heere Jezus overdenken.
Hoe zwaar, M. V., was het lijden, hetwelk de dierbare Heere Jezus hier onderging! O, hoe bitter en smartelijk is het geweest! Welk een smaad en schande was het voor Hem, den Heere der heerlijkheid , als een dief en moordenaar , als een ter kruisdood veroordeelde misdadiger, met twee gruwelijke moordenaars uit Jeruzalem geleid, om op Golgotha gekruisd te worden! Waarlijk, de Apostel, dat lijden in zijn zwaarte voorstellende, hoe Jezus hetzelve uit weergalooze liefde voor de Zijnen onderging , verklaarde er van: Hij heeft het kruis gedragen en de schande veracht; dat voor Zijn volk over gehad, dat Hij, die nooit geene zonden gekend of gedaan heeft, openlijk door de wereld als een misdadiger van de ergste soort werd aangezien. Hoe moet het Zijn lijden op Zijnen weg naar Golgotha verzwaard hebben, dat Zijne bloeddorstige vijanden over Hem juichten, gelijk weleer de Filistijnen over Simson deden! Hoe smartelijk was Zijn lijden, dat men Hem zijne kleederen uittrok en al Zijne ledematen ontblootte! Welke pijnen moet Hij toen hebben doorgestaan, daar deze kleederen in de striemen en wonden, welke de geeseling had veroorzaakt, zoo vastgeraakt waren , dat zij niet dan met veel smart daaruit gescheurd konden worden! Hoe wreed waren de barmhartigheden der goddeloozen, dat zij Hem, voor en aleer zij Hem aan het kruis hingen, als eene lafenis nog gal tot Zijne spijs en edik voor Zijnen dorst durfden aanbieden! Dat werd Hem nog vergolden voor al Zijne weldaden, die Hij zoo vele ellendigen bewezen had.
Hoe ondragelijk moet de pijn geweest zijn voor den dierbaren Heere Jezus, zoo naakt aan het kruis genageld te worden; welke smarten heeft Hij doorgestaan, toen, door
236
de zwaarte van Zija lichaam, Zijne wonden meer openscheurden en Zijn bloed overvloedig op de aarde deden druipen. Welk een hoon voor Hem, daar tusschen hemel en aarde aan het schandhout te moeten hangen, alsof Hij geen van beide waardig was ! Woorden ontbreken ons om al het zware, het smartelijke, het schandelijke van dit Zijn lijden uit te drukken. Welk een hoon deed men Hem, den Zoon Gods aan, door Hem in het midden van twee vervloekte misdadigers op te hangen! Hem, het heilige kind Gods, tusschen die beide onheilige Belials-kinderen. Hem, den Vorst des levens, die de dooden levend maakt, in het midden van hen die menschen van het leven beroofden. Was zulks , M. V., niet het toppunt van versmaadheid ? Maar ik ga niet verder in de beschrijving van die hooggaande smaadheid en smartelijkheid van dat lijden van den Heere Jezus. Wij willen liever de oorzaak van dit Zijn allersmartelijkst en allerschandelijkst lijden nagaan. Hier leed Hij in vollen nadruk, als de Zoenborg Zijner uitverkorenen; ook dit Zijn lijden was straflijden, hetwelk Hij onderging als hun plaatsbekleedende en schuld-overnemende Borg.
Jezus werd henengeleid naar Golgotha, de plaats des gerichts, die onreine plaats vol van stank en doodsbeenderen. Hier moest Hij dat lijden ondergaan, niet alleen omdat de gansche aarde vervloekt was om de zonden van Adam en van het gansche menschelijke geslacht, maar omdat Zijn volk , voor hetwelk Hij als Borg optrad, kinderen des toorns van nature zijn, stinkende, het onrecht indrinkende als water, en waardig om op de plaats des eeuwigen gerichts om hunne zonden geleid te worden. O! zij hebben die plaatsen, die God tot een heilig gebruik heeft afgezonderd, zoo dikwijls gemaakt tot plaatsen der moordenaren , door hunnen nijd, haat, toorn en gramschap. Zij brachten zoo gedurig een moordenaarshart in het huis des Heeren en op den berg Zijner heiligheid; het reine
237
hebben zi] zoo menigmaal verontreinigd; om voor die schuld te boeten, en om voor hen te verwerven, dat de vloek voor hen van de aarde werd weggenomen, en dat er zegen van God, nit kracht van Jezus verdiensten hun zoude worden geschonken, ziet! daarom werd Hij op Golgotha geleid. Hier heeft Jezus Christus hunne sterfplaatsen willen heiligen en hun eene reine plaats willen bereiden in het Huis Zijns Vaders. En als Jezus Zijn kruis tot op Golgotha, waar Hij gestorven is, heeft moeten dragen, dan leert Gods volk er uit, dat ook zij hun kruis , dat de Heere hun oplegt, en het kruis dat zij zich zeiven moed- en vrijwillig hebben op-legd, en hun, nadat zij tot God bekeerd zijn, het zwaarste drukt, de zonde namelijk , tot aan hun sterven toe zullen moeten dragen. Maar Jezus heeft hier voor hen verworven, dat Hij hen met hun kruis zoude leiden tot aan en over den dood. Die liefde heeft die groote Ontfermer voor al Zijne geloovige kruisdragers gehad. Hij is in alles verzocht geweest gelijk zij, doch zonder zonde.
Hebben de vijanden aan Jezus een drank gegeven, edik met galle gemengd. Hij wilde dien bitteren drank proeven, omdat Hij als de Borg Zijns volks, het bittere van hunne zonden moest smaken, en dat wel het bittere van den toorn Gods over hunne ongerechtigheden; het bittere van den vloek, die ook op hen , gelijk op alle schepselen rust; Hij wilde hen hier verlossen van den eeuwigen gal en alsem, bevrijden van de bitterheid des doods, zoodat zij wel eens mogen roemen: daar is een oogenblik in Gods toorn en een leven in Zijne goedgunstigheid, en de bitterheid des doods is voor ons geweken, alleen om Christus verdiensten. Hier heeft Jezus voor hen verworven, dat zij, die Hem door het zaligmakend geloof zijn ingeplant, al de gaven Gods die zij ontvangen, genieten in de gunst Gods en in een geheiligd kinderrecht in Christus. En als zij hier in dit lichaam der zonde en des doods eenige teugen mogen genieten van den wijn Zjjner genade, hun gehemelte zoo zoet, hunne ziel
238
zoo verkwikkend en vertroostend, dé voorsmaak van dien drank, dien zij drinken zullen , wanneer zij eens met Abraham, Izaak en Jacob aanzitten zullen in het koningriik der hemelen, dan erkennen zij; Heere Jezus ! ons wordt zulks geschonken , omdat Gij op Golgotha voor ons den bitteren drank geproefd hebt. Ja! dat het bittere in dit leven voor hen zoo menigmaal zoet wordt gemaakt, en ook dit hun ten goede moet medewerken, het is verdiend en verworven door Jezus, hunnen Zoenborg.
Heeft de Heere Jezus den kruisdood willen sterven, zulk een dood, M. V., moest de heilige Jezus als Zoenborg voor Zijne uitverkorenen ondergaan. Zij waren met de gansche wereld in den eersten Adam den dood waardig. Adam had aan een boom zich den dood gegeten, en daarom moest Jezus aan een hout sterven, om de Zijnen van den tijdelijken, geestelijken en eeuwigen dood te verlossen. Adam, het stamhoofd van het menschelijk geslacht, was door het eten van dien boom, hem door God verboden , aan zijne naaktheid ontdekt, ziet! daarom moest de tweede Adam, Jezus, de Borg Zijns volks, naakt aan het hout des kruises geklonken worden, en in dien toestand heeft Hij hunne zonden gedragen op het hout. Jezus moest gekruist worden, opdat Hij eenen zekeren dood sterven zoude, want God konde niet verzoend worden met de uitverkorenen , dan door den dood des Zoons Gods. Jezus moest den kruisdood ondergaan, en daarmede eenen vervloekten dood sterven, om voor al Zijn volk, hetwelk Hij zalig zoude maken van hunne zonden, aan den vloek der wet, dien zij verdiend hadden te voldoen. Ja! daarom moest Hij, o! eeuwig wonder van Goddelijke genade T een vloek voor dat volk worden, want vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al wat er geschreven is in het Boek der Wet om dat te doen. Gal. 2. Die kruisdood, M. V. T dien Hij onderging, is het duidelijke bewijs van Gods straf. Daarom kon de apostel voor zich zeiven en alle geloovigen
239
belijden: Christus heeft ons verlost van den vloek der wet. Geene verzoening met God is er denkbaar anders dan door voldoening. Daarom stierf Jezus dien smartelijken dood, om op eene volmaakte en oneindige wijze te gevoelen de innige en drukkende smart van al de zonden van Zijn volk, en de innige smart van den toorn Gods over dezelve. Daarom heeft Hij kunnen zeggen: de smarten dergenen die een anderen God begiftigen zijn op Mij gevallen. Ziet! nu is het handschrift der zonden, dat tegen de uitverkorenen was, aan het kruis verscheurd, genageld en vernietigd geworden. Juist door dien kruisdood is voor Zijn volk verworven hunne verzoening met God, en dat zij in Zijne wonden eene schuilplaats en vergeving zouden vinden tot hunne genezing. Nu, M. V., als zij door genade weten mogen in Wien zij gelooven, en Wiens eigendom zij geworden zijn, verstaan zij in het geloof de taal van Paulus: ik ben met Christus gekruist en ik leve! Gal. 2 vs. 20, omdat de kruisdood van Jezus voor hen even zoo voldoende was aan Gods gerechtigheid, alsof zij zei ven gekruist waren. Hier verwierf de Heere Jezus voor hen de zegepraal over het geweld des duivels, wiens kinderen zij van nature door de zonde geworden waren, en in wiens macht zij zich bevonden. Hier heeft Hij diens kracht verbroken, want aan het kruis heeft Hij, de overheden en machten uitgetogen hebbende, die in 't openbaar ten toon gesteld en heeft door hetzelve over hen getriumfeerd, Col. 2 vs. 15. Het kruis is nu de ladder waarmede zij hemelwaarts klimmen, de ge-nadetroon, waar zij als ellendige dood- en doemschuldige zondaars in zich zeiven, vergeving vinden. Geen wonder dus ook, dat, terwijl de vrienden dezer wereld roemen in de dingen die geen wezen bezitten, zij die leven door het geloof des Zoons van God, in niets anders wenschen te roemen dan in het verachte kruis van Christus , door hetwelk zij der wereld met Jezus gekruist zijn geworden.
Is de Heere Jezus tusschen twee moordenaars gekruist,
é
240
ook dit leed Hij als de Borg Zijns volks. Zij zijn van nature moordenaars, in Adam schuldig aan doodslag, en den wortel van den doodslag, nijd, haat en afgunst in hunne harten omdragende. Om voor zulken te betalen voor hunne zonden en voor hen het leven te verwerven, daarom onderging Hij het hier aan het kruis, dat Hij met de misdadigers zoude gerekend worden. In zulk een gezelschap wilde Hij sterven, om hen te trekken uit deze tegenwoordige booze wereld, en hen te brengen in het gezelschap der engelen en zalige zielen. Ophangen liet Hij zich tusschen twee moordenaars , om het aller oogen als 't ware voor te stellen, dat Hij, de gekruiste, gesteld is tot een rechter van levenden en dooden, die boetvaardigen het leven wilde schenken, maar onboetvaardigen zoude overgeven tot de straf der eeuwige verdoemenis.
Deze kruisiging M. V., vinden wij in het Oude Testament duidelijk van den Messias voorzegd. Zij hebben mijne handen en voeten doorgraven, zoo was er voorspeld, Ps. 22 vs. 17. Wondere taal! want de Joden kenden geene kruisiging. Afgeschaduwd was zij in de offerande van Izaak. Op haar waren al de plechtigheden gericht, bij de wet voorgeschreven; zoo moest het paaschlam geheel gebraden worden, dat geen been aan hetzelve mocht gebroken worden, en aan een puntig hout in den vorm van een kruis werd het aan het vuur geplaatst. De koperen slang, waarop de Israëlieten, door vurige slangen gebeten, moesten zien, werd aan eenen hoogen staak, die de gedaante van een kruis had, opgehangen. Kruiswijze werd het hout op de altaren, waarop geofferd werd, gelegd. Kruiswijze werden de priesters gezalfd. Kruiswijze zegende Jacob de zonen van Jozef. Ziet! dat alles zinspeelde op dat groote wonder, de kruisiging van den Heere Jezus. De opgehangene, aldus had God laten schrijven door den Heiligen Geest, is Gode een vloek, en vóór den avond moest deze worden afgenomen, opdat het gansche land niet verontreinigd mocht worden, Deut. 21.
241
Jezus zelve heeft meermalen in Zijne omwandeling op aarde verklaard, dat ai die voorstellingen op Hem, den Zoon des menschen, zagen: Die verhoogd zoude worden , gelijk de slang verhoogd is in de woestijn. Die overgeleverd zoude worden aan de heidenen, en zij zouden Hem kruisigen.
Ja! in het volle bewustzijn , dat Hij dien kruisdood zoude moeten ondergaan, had Hij verklaard: en Ik, zoo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn , zal ze allen tot Mij trekken, Joh. 12 vs. 32, de aan Hem gegevenen des Vaders.
Dat zij Hem galle met edik zouden geven, was voorzegd, Ps. 69 vs. 22. Ja! zij hebben Mij galle tot Mijne spijze gegeven , en in Mijnen dorst hebben zij Mij edik te drinken gegeven. Dat Hij tusschen twee moordenaars gekruist zoude ⢠worden, was voorspeld. Hij is met de overtreders geteld geworden, schreef Jesaja: 53 vs. 12. Daarom lezen wij ook: en de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt:
Hij is met de misdadigers gerekend, Markus 15 vs. 28. Op deze profetie, ze op Hem toepassende, heeft Jezus zich zelf beroepen, Luk. 22 vs. 37. Hoe blijkt uit dat alles dat Jezus de ware Messias geweest is! Liefde! eeuwige, ondoorgrondelijke liefde voor al de gegevenen des Vaders,
deed Hem, die het voorwerp der aanbidding van alle engelen Gods was, voor Wien die heilige troongeesten het slechts waagden met gedekte aangezichten te verschijnen, voor eene wijle tijds den troon Zijner heerlijkheid verlaten, om op deze aarde, beladen met den vloek der zonden, te leven, te lijden en te sterven, en dat dan nog wel dien vervloekten dood des kruises, om zelf een vloek voor hen te worden.
Voor de wereld is en blijft dat kruis tot ergernis en dwaasheid , maar het is en blijft eene kracht Gods tot zaligheid voor een iegelijk die gelooft. Te recht heet daarom ons dierbaar Goddelijk Evangelie, het Evangelie des kruises. Dat kruis is de as, waarom zich het geheele Godsrijk draait; het fundament, waarop het Jeruzalem , dat boven
16
242
is, rust; de fontein, waaruit alle heil en zaligheid voor Zijn arm en ellendig volk, hetwelk Hii lief gehad heeft tot in den dood des kruises , ontspringt. Welgelukzalig elk zondaar , wien de Heere dat heilgeheim Zijner verlossing naar Zijn vreêverbond openbaart. Wien de Heilige Geest deze verborgenheid recht leert verstaan, en aan zijne ziel heiligt: Christus in mijne plaats een vloek geworden! Zulk een , een vervloekte van wege zijne zonden voor God , wordt door het geloof in dien dierbaren Christus Gods, die voor hem tot zonde gemaakt is, niet slechts een rechtvaardige, maar rechtvaardigheid Gods in Hem.
Ps. 25 vs. 7.
III. Eindigen wij met de toepassing.
Wij hebben den kruisdood van den Heere Jezus overdacht. Wij prediken u Christus den gekruisten. Gods waarheid en gerechtigheid eischten dien dood des Zoons Gods. Voor ons zal het er nu op aankomen of Jezus ook voor ons, en in onze plaats, dien dood gestorven is, om ons van den vloek te verlossen, waaronder wij allen van nature liggen, en ons het eeuwige leven te verwerven. Och! of ik het van u allen gelooven mocht. Zouden er ook onder u nog zijn, die in gansch andere dingen roemen, dan in het kruis van Christus ? Die vijanden zijn van dat kruis ? Dat zijn zij, die de zonde en wereld openlijk dienen, die op hunne zoogenaamde goede werken, deugden en plichten steunen, van de leer der verzoening door voldoening niets willen weten, met die zoogenaamde bloed-theologie, zooals de wereld haar noemt, niets op hebben. Helaas, zoo zijn er velen onder die wijzen en verstandigen, zelfs onder hen die predikers van het Evangelie zijn, van welken wij zeggen moeten, dat zij den Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken. Nog is het kruis van Christus voor
243
zulken tot ergernis en dwaasheid. Zoo gij daaronder nog behoort, of die leugenleer onzer dagen kunt voorstaan en aanhangen, dan beklagen wij u. Gij zijt alreede veroordeeld, want geen deel bezittende aan dezen dood van Christus , zult gij den eeuwigen dood sterven, en ligt gij nog onder den vloek, hij blijft op u, en zult het eens uit den mond van Hem, dien gij van kroon en troon durft beroo-ven, hooren: âweg van Mij gij vervloekte in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijne engelen bereid is.'' Uwe verdoemenis is gewis, indien gij zoo blijft, als gij nu zijt. Och! mocht het uw gemoed raken en diep wonden. De Heere, dien gij hier moedwillig verworpen hebt, Wiens waarheid gij tegenstaat. Wiens bloed gij onrein acht, zal u drenken met alsem en galle. Hij zal regenen op de godde-loozen strikken, vuur en zwavel, en een geweldige stormwind zal het deel hunner bekers zijn. Ondragelijke pijnen en smarten zult gij doorstaan, uwe tong zult gij kauwen en uwe smarten zullen eeuwig zijn, want de worm zal nooit sterven. Verschrikkelijke toestand , en toch, dat hebt gij te verwachten, als gij vijanden blijft van Zijn kruis. Dat de Heere u mocht doen stilstaan op uwe goddelooze wegen. Gij zult als arme dood- en doemschuldige zondaars, beladen met den vloek der zonde, aan den voet van het kruis moeten nedervallen, of u wacht eeuwige ellende. Gij zult den Heere Jezus als den gekruiste in het arm toevlucht-nemend zondaarsgeloof, hand en hart in de waarachtige bekeering tot God moeten overgeven, of u wacht eeuwige onrust, eeuwige wanhoop, eeuwige verdoemenis. Mocht God uwe blinde oogen nog openen, en gij, eer het eeuwig te laat zal zijn, eene onberouwelijke keuze doen. Haast u, behoudt u om uws levens wil. Nog is er kans voor u door het kruis van Jezus gezaligd te worden, want God wil goddeloozen om. niet, uit genade, door de verlossing die daar is in Jezus Christus, rechtvaardigen.
Meent niet dat uwe zielen gered zijn, als gij niet behoort
16*
244
onder de openbare vijanden en tegenstanders van het kruis van Christus. Hoe zuiver gij ook zijn moogt in de belijdenis der waarheid, en of gij al u onder het volk Gods begeeft, gij allen die u in waarheid nog niet als verloren zondaars voor God hebt leeren kennen, en in u zeiven nog gronden bezit waarop gij leunt en steunt, of uw vertrouwen vestigt, en door de werken der wet gerechtvaardigd zoekt te worden , gij verloochent inderdaad het kruis van Christus. Geene zuivere uitwendige belijdenis en een onbesproken leven naar de wereld, hoe prijselijk zulks ook is, kunnen uwe arme onsterfelijke zielen redden. Als gansch verlorene en ont-bloote zondaars, zult gij uwe toevlucht moeten nemen tot den gekruisten Christus en u aan Zijne voeten, smeekende om genade en ontferming moeten nederwerpen, en Hem niet meer kunnen loslaten voor dat Hij zelve u verlossen zal van den vloek der wet. In u bevalt het ons, dat gij op eenige ernstige prediking van den gekruisten Christus gesteld zijt, de leugenleer onzer dagen ontvlucht, en niet zonder eenige overtuigingen gezegd kunt worden te leven. Maar voor u zeiven hebt gij er niet genoeg aan om de eeuwigheid er gerust op te kunnen inwachten. Hoe getrouwer gij u onder de middelen der genade begeeft, waar u een rijke Jezus en een arm zondaar verkondigd worden, des te beter is het voor u zeiven, want de Heere kan deze aan uwe zielen zegenen. Och ! bidt Hem, als gij daaronder moogt opgaan, dat de Heere u doorgronden moge en zien of er bij u een schadelijke weg is, opdat gij u niet bedriegen moogt voor eene eindelooze eeuwigheid, meenende in te gaan en niet te kunnen. Vergeet het toch niet, dat om deel te hebben aan dien kruisdood van den Heere Jezus, gij tot Hem moet getrokken worden, en dat doet Hij door den Heiligen Geest, die al de gekenden in eeuwige liefde, overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dan worden het uwe zonden, die Hem die wreede straf deden ondergaan. Dan leert gij deze beweenen met die droefheid uit
245
God, die eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid in u werkt. Dan komt het met uw eigen zondig ik, dat gij leert kruisigen in den dood aan Zijne voeten en vlucht gij tot Zijn bloed, hetwelk alleen reinigt van alle zonden, om daarin gewasschen, gereinigd en geheiligd te worden voor God. Den Heere Jezus krijgt gij dan boven alles lief. Hij wordt uwe zielen dan noodzakelijk, onmisbaar en dierbaar. Die verandering welke er dan inwendig bij u plaats heeft, zij kan niet meer verborgen blijven , maar openbaart zich in uw leven, in uwe werkzaamheden , en hoe onderscheiden de trap en mate van het werk Gods in u moge zijn, gij gevoelt u verbonden aan den Persoon van den Heere Jezus, aan Zijn volk en aan Zijne waarheid. Och ! gave God, dat gij geene rust kennen moogt, voor dat gij Hem gevonden hebt, en het leven kennen moogt door het geloof des Zoons Gods.
Kleinmoedigen, bekommerden, heilzoekenden ! gij durft voor u zeiven niet gelooven, dat Jezus voor u gekruist zoude zijn. Gij meent, dat als gij in waarheid deelgenooten waart van dat heil, op Golgotha door Jezus voor Zijn volk verworven, de last uwer zonden u zwaarder drukken moest, de zonden meer in u gedood, de wereld gekruist moest zijn. âDie Christi zijn,quot; staat er geschreven, âhebben het vleesch gekruist met deszelfs bewegingen en begeerlijkheden.quot; Ziet gij nu op u zeiven , op uw dagelijksch leven en verkeer , dan moet gij van u zeiven getuigen, dat gij afkee-riger moest zijn van de zonde en de wereld. Wij achten het een voorrecht, als gij in waarheid zoo over u zeiven moogt denken, als gij twijfelingen over uwen staat kennen moogt, en gij in alles u zeiven moet veroordeelen. Wanneer zulks in waarheid bij u gevonden wordt, dan mag ik u zeggen: het ongeloof bestrijdt het ongeloof niet, maar het geloof leert u het ongeloof kennen, de dood strijdt niet tegen den dood. Alles komt daarop neder, of de grond des geloofs in u aanwezig is. Hebt gij u zeiven als arme
246
dood- en doemschuldige zondaren voor God leeren kennen? Is het kruis van Jezus uw toevluchtsoord geworden ? Is het dringende behoefte door genade in u geworden tot Jezus te roepen, met Hem te worstelen, en kunt gij Hem niet laten gaan vóór dat Hij u gezegend moge hebben ? Die pijn over zijne zonden gevoelt is krank, maar is niet zonder leven. Waarover moet gij toch wel het meeste klagen ? dat gij niet beter zijt, of dat u geloof ontbreekt ? Het eerste kan bij u voorkomen uit het eigengerechtige beginsel, dat er in de zondige natuur is , het laatste wordt alleen gekend door waarlijk ontdekte zondaars. Niet dat ik u zoude zoeken op te dringen, dat gij maar gelooven moet, dat Jezus dat straflijden voor u gedragen heeft. Het geloof is eene gave Gods. Maar dat moet ik u zeggen, het ongeloof moet uwe schuld en uwe smart voor God worden. Verschoont en spaart gij ook te veel den ouden mensch der zonde in u ? Wikkelt gij u zeiven ook moedwillig te veel in de dingen dezer wereld, die allen afleiden van den troon der genade ? Zoekt gij ook eenige kenmerken van troost in u zeiven, daar deze van het kruis van Christus, door den Heiligen Geest u geschonken moet worden ? Och! dat gij maar als gebondenen aan den troon van vrije genade moogt blijven liggen. Zoudt gij durven ontkennen, dat Jezus, en die gekruist, aan uwe zielen dierbaar is geworden ? Houdt maar aan bij den troon der genade. Hij, die gebeden heeft aan het kruis: âVader, vergeeft het hun, want zij weten niet wat zij doen,quot; zoude Hij ook voor u niet bidden, die Hem niet meer verlaten kunt en uwe behoudenis, nadat God u opgekeerd en omgekeerd heeft, aanhoudende bij en in Hem zoekt ? Trekt u het kruis van Christus niet ? Och! dat gij den dag der kleine dingen niet mocht verachten. Dat uwe harde harten verbrijzeld zijn geworden, en gij nu treuren moogt over uwe zonden, het is door den kruisdood van Hem , die zich zeiven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trek-
247
ken zoude uit deze tegenwoordige booze wereld, naar den wil van onzen God en Vader, Gal. 1 vs. 4.
En gij, M. V., die door genade er toe gebracht zijt, dat gij op al uwe eigene werken in het stuk uwer zaligheid den dood hebt moeten schrijven, en er aan Jezus voeten mede in den dood gekomen zijt, in wier harten Jezus door het geloof woont, en die tot roem der eeuwige vrije genade belijden moogt, het heeft Gode behaagd Zijnen Zoon in ons te openbaren. In niets behoordet gij te roemen dan in het kruis van Christus. Uw oude mensch is met Jezus gekruist, opdat het lichaam der zonde te niet zoude worden gedaan en gij niet meer de zonde zoudt dienen. Zullen dat nu niet de klachten van uw leven uitmaken, dat gij niet met uw geloof nabij Golgotha blijft, en helaas! zoo gedurig uwe oogen laat afleiden, om niet geloovig te zien op het gekruiste Lam Gods? Ziet! zoo hebt gij de dagelijk-sche besprenging met Jezus bloed nog noodig om u zeiven te verloochenen, en Zijn kruis gewillig Hem achterna te dragen. Hoe meer uw vleesch gekruisigd wordt in u, des te meer vereeniging zal er tusschen Jezus en u gevonden worden. Alles aan en in u verzet zich daartegen , daarom blijft het ook u opgelegd: strijd om in te gaan. Acht het geene vreemde zaak, dat de wereld u lastert en smaadt, een discipel is niet meer dan zijn Meester, noch een dienstknecht dan zijn Heere. De vriendschap der wereld is vijandschap Gods. Ontziet de wereld niet, toont dat gij den Heere Jezus lief hebt door uit te komen voor Zijnen naam en Zijne zaak; uw gekruiste Koning ziet bij u alleen op getrouwheid, en u, den ontrouwe, wil Hij getrouw maken. Welke bittere drank ook voor u ingeschonken wordt, Jezus wil u drenken met den wijn Zijner zielversterkende genade, welke Hij aan het kruis voor u verdiend en verworven heeft. Deze God is uw God, eeuwiglijk en altoos; ter dood toe, wil Hij u geleiden. De smaad van den Heere Jezus moet uwe eer, Zijn kruis uwe banier zijn en blijven, waarbij gij
248
wenscht te leven en te sterven. Uwe beliidenis moet het blijven: zoo waarachtig als de Heere leeft, in de plaats daar mijn Heer de Koning zal zijn , daar zal Zijne knecht voorzeker ook zijn. Op de gemeenschap van het kruis van Christus, volgt eene gemeenschap der heerlijkheid met Hem. Dat zij en blijve onder al het kruis, hetwelk gij in het lichaam der zonde blijft omdragen, uw troost, dat uw gekruiste Jezus leeft om voor u te bidden, en dat gij uit kracht Zijner voorbede de vrucht van Zijnen kruisdood zult ondervinden in de kruisiging van den ouden mensch der zonde. Overgegaan van den dood in het leven, zult gij den eeuwig vervloekten dood niet meer sterven. Alle vloek is voor u veranderd in zegen, zelfs uw dood zal kostelijk zijn in de oogen van uwen grooten God en Zaligmaker, die voor u gekruist is geworden tusschen twee moordenaars, om u eeuwig Zijne zalige tegenwoordigheid te doen genieten. Geve God u die genade om vrijmoedig te belijden, en het in uw leven te bewijzen: Ik ben met Christus gekruist, en ik leve, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgene ik nu leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die zich zeiven voor mij heeft overgegeven. Gij zijt duur gekocht door Zijn bloed, verheerlijkt dan ook God, met ziel en lichaam beide, welke Godes zijn. Amen.
Ps. 143 vs. 10.
HET IS YOLBRACHT.
LEERREDE XII
OVER
JOHANNES XIX vs. 30.
VOORZANG Ps. 40 vs. 1,3.-
Genade, vrede en barmhartigheid schenke of ver menigvuldige u rijkelijk God de Vader in Jezus Christus, door den Heiligen Geest. Amen.
âZit stil, miine dochter, tot gij weet hoe de zaak zal vallen, want die man zal niet rusten , tenzij dat hij heden deze zaak voleindigd hebbezoo sprak Naomi tot Ruth, hare schoondochter, en die man , van wien zij sprak, was Boas , haar bloedverwant, die zij wist, dat de losser van hare dochter zoude zijn, Ruth 3 vs. 18. Mogen wij, die aan het einde van de overdenkingen van het lijden van Jezus gekomen zijn, die taal voor ons zeiven niet overnemen ? Jezus toch is de ware Boas, de Goël, de Losser Zijns volks. Hij was aan Zijne Ruth, aan Zijne Kerk, die eene weduwe was, beloofd. Hij zoude voor haar een
250
volkomen vriend zijn. Toen de tijd vervuld was, in den eeuwigen raad des vredes, voor Zijne komst bestemd, is Hij geboren uit eene vrouw, geworden onder de wet, heeft Hij den troon Zijner heerlijkheid willen verlaten , om op deze, door de zonde vervloekte aarde, te leven, te lijden en te sterven. Dat alles vrijwillig en uit liefde, om Zich Zijn volk, Hem van den Vader gegeven, te ondertrouwen in gerechtigheid, in gerichte, en in geloof. Hij, hun Bloed-bruidegom , heeft niet gerust, vóór Hij de gansche zaak voleindigd had, die vereischt werd om Zijne Bruid, bevlekt, bezoedeld en onrein door hare zonden, als eene reine maagd Zijnen Vader te kunnen voorstellen. Alles is door Hem volbracht. Gods gerechtigheid en waarheid zijn voldaan geworden.
Mochten wij heden met stille en eerbiedige, en tot ons zeiven ingekeerde aandacht, die laatste dierbare woorden van Jezus overdenken. Och! dat wij het doen mochten met heilig ontzag. God de Heilige Geest schenke ons allen daartoe eerst met en voor elkander te bidden.
Johannes XIX vs. 30 ').
Wij hebben, M. V., de kruisiging van den Heere Jezus op Golgotha, tusschen twee moordenaars, beschouwd. Zes uren lang heeft Hij daar de hevigste smarten doorgestaan.
. Het opschrift Zijner beschuldiging was in drie talen boven Zijn kruis gesteld; Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Ruwe krijgsknechten, de kleederen des Gekruisten verdeelende, wierpen het lot over Zijnen rok zonder naad,
1) Verg. Matth. 27 vs. 50. Mark. 15 vs. 37. Luk. 23 vs. 46.
251
en vervulden alzoo onwetende die Godspraak: zij deelen mijne kleederen onder hen en werpen het lot over mijn gewaad , Ps. 22 vs. 19, waarover Johannes in verbazing uitriep , Gods wonderdadige hand erkennende, om Zijne waarheid te bevestigen: Dat hebben dan de krijgsknechten gedaan. Wel was het voor Jezus de nacht en ure der duisternis. Zij, die voorbij gingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofd. Allerlei spotredenen bezigde men om Hem te beschimpen, en nochtans ondanks zich zeiven, leggen zij voor ons de eervolste getuigenissen van Jezus af. Anderen heeft Hij verlost, zoo riepen er eenigen onder het volk en daaronder ook van de oversten , van de aanzienlijkste joden, en Hij kan zichzelven niet verlossen. Ziet! zoo erkennen de vijanden bij Zijn kruis de geschiedkundige waarheid van de wonderen van Jezus, die zoovele zoogenaamd verlichte en beschaafde Christenen in onze dagen, en daaronder ook predikers van het Evangelie, openlijk ontkennen en weêrspreken. Hij heeft op God vertrouwd, riepen anderen, dat Hij Hem nu verlosse! Zij waren daarvan dus overtuigd, dat het gansche leven van Jezus eene over-gifte van Zijn hart en Zijn leven aan God geweest was. Hij heeft gezegd, zeiden wederom anderen , dat Hij Gods Zoon is; zoo Hij Gods Zoon is, zoo Hij is de Christus, de uitverkorene Gods, dat Hij nu afkome van het kruis 1 Ziet, M. V., zoo hebben de ergste tegenstanders van Jezus zelf erkend, dat Jezus zichzelven verklaard heeft de Zoon van God te zijn, en tot schande voor ons Christendom loochenen velen, die zich Christenen noemen, het eeuwige Zoonschap Gods van Jezus, en durven Hem een hemeling noemen, reeds in hooger sfeer in deugd en in heiligheid geoefend, en noemen, op eene bedriegelijke wijze, Hem nog den God-delijken Jezus, ofschoon zij van Jezus gelooven, dat Hij slechts een mensch geweest is, en niets meer. Ha! Gij die den tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, behoud u zeiven en kom af van het kruis, aldus schreeuwen er
252
anderen, en wat bevestigen zij in hunne onwetendheid anders, dan de voorspelling, die Jezus gedaan heeft van Zijne opstanding uit den dood. Maar ofschoon die Belials-kinderen voor ons de waarheid bevestigen, hoe grievend moeten voor Jezus de spot- en smaadredenen van deze lasteraars niet geweest zijn? En zweeg nu de Heere Jezus onder al die lasteringen ? Neen! zevenmaal opende Hij Zijnen mond, niet om het wee! over die goddeloozen uit te roepen , gelijk Hij rechtvaardig had kunnen doen, maar om eeuwige, dierbare, onvergetelijke woorden te spreken, waaronder ook de woorden zijn, welke wij nu wenschen te overdenken. Laat ons
I. Dit gedeelte der lijdensgeschiedenis nagaan.
II. Het lijden van Jezus en den gewichtigen inhoud Zijner laatste woorden beschouwen.
III. Met de toepassing eindigen.
Moge God geven, dat het woord Zijner genade, zoo gewichtig en dierbaar, door den Heiligen Geest voor ons gezegend moge zijn.
I. Zouden wij dit gedeelte der lijdensgeschiedenis nagaan.
Jezus Christus aan het kruis hangende, opende zevenmaal Zijnen dierbaren mond, om weinige woorden, maar vol van beteekenis, te spreken. Wij noemen deze woorden de zeven kruiswoorden. Hebben de laatste woorden eens stervenden meestal eene buitengewone kracht en beteekenis, hoe belangrijk moeten die woorden niet van Hem geweest zijn, die gekomen was om Zijn volk zalig te maken van hunne zonden. Om hunne zonden toch was Hij van God tot zonde gemaakt, en hing Hij aan dat schandelijke en vervloekte kruishout. De vier Evangelisten hebben ons deze kostbare nalatenschap van den Heere Jezus aan Zijn volk bewaard.
253
Jezus opent Zijnen mond: âVaderquot; zoo begint Hij, âvergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Hij bidt dus, en dat om vergiffenis voor die boosdoeners, die Hem niet alleen mishandeld eu gemarteld hebben, maar die Hem daarbij nog hebben durven beschimpen en bespotten. Zoude Hij voor die allen gebeden hebben ? dat beweren zij, die aan eene algemeene wereldverzoening, door Jezus kruisdood volbracht, gelooven. Maar Jezus kan, als Hoogepriester. voor zulken onder hen alzoo slechts gebeden hebben, die op den eersten Pinksterdag en later waarachtig bekeerd zijn geworden. Daar van ons allen nu gezegd kan worden, dat wij Jezus Christus door onze zonden werkelijk gekruist hebben, zoo bad Hij, dien de Vader altijd verhoort, voor een iegelijk onzer, die de weldaad der wedergeboorte ontvangt.
â Vrouw, zie uwen zoon!quot; en tot den discipel, zijnde Johannes: âzie uwe moedert dat was Zijn tweede kruiswoord. Zijn eigen lijden kon Hij dus voor een oogenblik vergeten, om aan haar te denken, door welker ziel een zwaard ging. Hoe innig, M. V., was de band, die onzen grooten God en Zaligmaker aan de menschheid verbond. Hij, de groote Immanuël, betoonde onder dit vreeselijke lijden nog kinderliefde. Zoude Hij die woorden niet gesproken hebben, om te voldoen voor de overtreding van Zijn volk, tegen dat gewichtige vijfde gebod, het eenige dat ons van God gegeven is met eene belofte, en om voor hen te vervullen, wat zij moeten doen ?
â Voorwaar zegge Ik u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.quot; Zoo luidde het derde kruiswoord, hetwelk Hij als machthebbende sprak tot dien boetvaardigen moordenaar, die bad: âHeere gedenk mijner als Gij in Uw Koningrijk zult gekomen zijn.quot; Plechtig verklaart de Heere Jezus dus, dat Hij hem wilde medenemen in het paradijs. Met dien booswicht, die rechtvaardig van wege zijne misdaden met den kruisdood werd gestraft, maar die door
254
Zijne genade als een schuldgevoelend en berouwhebbend zondaar zijne toevlucht tot Hem nam, en wien op grond van Zijn eeuwig geldend Hoogepriesterlijk werk de zonden vergeven waren, wilde Hij heden nog zijne intrede in den hemel doen.
Nu werd de zon verduisterd en dat wel op den vollen middag. Van de zesde ure af werd er duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. De Heere Jezus, daarin geen straal van Gods heerlijkheid in Hem of tot Zijne vertroosting ziende, deed nu dat zieldoordringend vierde kruiswoord hooren : â Mijn God, Mijn God ! waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; Zoude het ergste zielelijden voor Hem niet geweest zijn zich van God verlaten te gevoelen ? Ondervond Hij, als de Zoenborg en de Plaatsbekleeder Zijns volks , hier niet, wat zij hadden moeten ondervinden, om namelijk eeuwig van God verlaten te zijn, in de duisternis der hel? Deze klacht-is het geheimvolste en ontzettendste woord van alle woorden , die Hij gesproken heeft.
In het vijfde kruiswoord: âMij dorst quot; uitgesproken nadat Hij het verschrikkelijke zielelijden had doorgestaan, drukt Jezus de hoogste lichaamssmart uit. Dien dorst, die de verdoemden in de hel kwelt, stond Hij door, als de vloek-drager Zijns volks. Met honger begon Hij Zijn profetisch ambt, met dorst eindigde Hij Zijne Hoogepriesterlijke bediening. Een Zijner vijanden , door dien uitroep getroffen, haalt een hijzopstengel en eene spons in edik gedoopt, en deze daaraan vastgemaakt hebbende, stak die opwaarts voor Zijnen mond en drenkte Hem met de spons. En als Hij dien edik genomen heeft, alsof Hij Zijn hart gesterkt had, om het uit te roepen, zegt Hij met eene groote stem : âHet is volbracht
Op Golgotha aangekomen, bieden Zijne vijanden Hem eenen bitteren drank aan, om Hem te bedwelmen, maar Hij sloeg dien af, omdat Hij met onbenevelde zinnen den bitteren lijdenskelk, vrijwillig op zich genomen, tot den
255
laatsten teug toe wilde ledigen. Maar nu Hij den alsem van den toorn en de verlating Gods, in de plaats Zijns volks volledig gesmaakt had, nu M. V,, nu Hij dat zesde woord , den uitroep der overwinning zal uitspreken, begeert Hij vooraf te drinken, om met bazuingeklank het allen te doen hooren, dat Hij, de Leeuw uit Juda's stam, overwonnen heeft.
Het is volbracht. Geen woord, gelukzaliger voor Zijn volk, verschrikkelijker voor den duivel, behagelijker voor Zijnen Vader, dan dit woord. Het beteekent eene zaak volmaken, zoodat er niets meer aan ontbreekt. In den zaligen vrederaad heeft Hij op zich genomen, aan Zijnen Vader voor al degenen, die Hij Hem zoude geven , te voldoen. âZie, Ik kom, om Uwen wil te doen, o God!quot; dat had Hij optredende als Middelaar Gods en der men-schen mogen verklaren. Hij staat hier aan het doel van Zijn werk, waartoe Hij uit den hemel was nedergedaald. Het lijden is geleden, juist zoo als Hij het had moeten ondergaan. Aan Hem, den Zone Gods en des menschen, is het alles volbracht, wat geschreven is door de profeten, wat in de offeranden en ceremoniën der wet afgeschaduwd was geworden. Volbracht was alles, wat noodig was voor de zaligheid der uitverkorenen in Hem van voor de grondlegging der wereld. Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen , die geheiligd worden. De losprijs , het rantsoen, waarmede zij moesten worden vrijgekocht, namelijk Zijn dierbaar bloed, was betaald. Gods straf-eischende gerechtigheid is voor hen genoeg gedaan door Zijne dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid, en voor hen heeft Hij eene eeuwige gerechtigheid aangebracht. Hij heeft door Zijn lijden en dood den duivel en al Zijne en hunne vijanden verslagen. De weg naar den Hemel is voor hen nu geopend. Als hun Zoen-Borg heeft Hij den laatsten penning hunner schuld voldaan, en de troon der genade was nu voor hen geopend , om met vrijmoedigheid en volle verzekerdheid des geloofs tot God te mogen naderen.
256
Maar moest Jezus dan nog niet eerst sterven ? Moest Hi] dan ook niet door Zijnen dood aan Gods gerechtigheid voor hen voldoen ? Hoe, vraagt men misschien, konde Jezus dan zeggen: het is volbracht? Ik merk hierop aan M. V., dat Jezus sprak van de volbrenging der dingen, die voor Zijnen dood moesten volbracht worden. Hij worstelde reeds met den dood. Hij had den dood reeds op de lippen, was als het ware stervende. Gelijk Hij voorheen met zekerheid zeggen konde, bij de instelling des Heiligen Avondmaals: âDat is mijn bloed, hot bloed des N. Testaments , hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden,quot; zoo ook sprak Hij thans, gereed staande om den geest te geven. Zie, daarvan ook lezen wij in den tekst: en het hoofd huigend gaf Hij den Geest. Lukas schrijft; en Jezus roepende met groote stemme zeide : Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen Geest! en als Hij dat gezegd had, gaf Hij den Geest. Dit was Zijn laatste of zevende kruiswoord. Met een gebed had Jezus het kruis bestegen, met een gebed wilde Hij Zijn leven eindigen, met een gebed, waarin Hij God, Zijn Vader noemt. Mijn God , mijn God! was Zijne klacht geweest te midden der verlating Gods in Zijne ziel, maar nu het volbracht is, legt Hij vrijwillig Zijne ziel neder, beveelt Hij haar in de handen van God, Zijnen Vader; Hij wilde met dat woord hevelen, hetwelk Hij bezigt, uitdrukken, dat Hij Zijne ziel, als een toevertrouwd pand, dat Hij ter Zijner tijd kan wedernemen, in de handen Zijns Vaders nederlegt. Hij had eigendom en macht over Zijne ziel, het was Zijn eigen pand, dat Hij weg konde leggen en ook wedernemen. Jezus was een Heer over Zijn eigen leven, als de waarachtige God zoude Hij hetzelve wel hebben kunnen bewaren. Daarom nochtans beveelt Hij Zijnen Geest in Zijns Vaders handen, om als de Borg Zijns volks, Zijne onderwerping aan Zijnen Vader, aan Wien Hij Zich opofferde , Dien Hij Zijne ziel tot een schuldoffer stelde, te bewijzen.
257
En het hoofd buigende gaf den geest. Eigenlijk staat er: Hij gaf den geest over. Volgens Mattheus: Hij liet den geest varen; volgens de beide andere Evangelisten: Hij ademde uit, of Hij blies den Geest uit. Al deze uitdrukkingen geven dus te kennen, dat Jezus met bewustheid een natuurlijken dood stierf, dat Hij daarbij vrijwillig in een blijmoedig vertrouwen en in gehoorzaamheid aan Zijnen Vader hem onderging, Hij kon Zijn laatste woord nog uitspreken met eene groote stem. Aan kracht en sterkte ontbrak het Hem dus niet. Wij, als wij sterven, geven eerst den geest en dan buigen wij het hoofd. Jezus deed geheel anders: Hij boog eerst het hoofd, daarna ontsloeg Hij Zijnen geest vrijwillig en gaf hem aan Zijnen Vader over. Ziet! zoo bewees Hij in de laatste uren Zijns levens dat het Zijne welberadene keuze was. Ziet! Ik kome; in de rolle des hoeks is van Mij geschreven: Ik hebbe lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen. In Zijnen dood openbaarde Hij dus, dat Hij waarheid gesproken had, toen Hij zeide: Niemand neemt het leven van Mij, maar Ik leg het van Mij zeiven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen en macht hetzelve wederom te nemen, Joh. 10 vs. 18. Nog eens, M. V., gewillig en te gelijk vrijmachtig tot in den jongsten snik offerde de Heere Jezus Zijn dierbaar leven op. Vrij, onbeperkt en machtig was Zijn wil, geen anderen wil bezat Hij dan den wil Zijns Vaders. Ik en de Vader zijn één, had Hij daarom kunnen zeggen. Zijn gansche leven was een staat van diepe vernedering en ontlediging van zich zeiven, maar dien Hij zelf gekozen had , om al de gegevenen des Vaders te behouden. Dat Hij nu leed en stierf, was het ten uitvoer brengen van Zijnen eeuwigen, goddelijken, liefderijken wil voor dat volk en een volkomen gehoorzamen aan Zijnen Vader, Wiens wil te volbrengen. Zijne spijs steeds op aarde was. Als de eenige Hoogepriester Zijns volks, het werk des Vaders op aarde volbracht hebbende, volbrengt Hij het eenige offer voor hunne zonden, door Zijne eigene offerande
17
258
aan het kruis. Zoo bezweek Hij, het Leven der wereld. Zoo liet Hij , het Licht der wereld, zich vrijwillig uitblus-schen. Gebroken werden die oogen, waaruit, daar Hij de waarachtige God was, hemelsche majesteit afstraalde; gesloten werd Zijn gezegende mond, die de woorden des eeuwigen levens gesproken had, en die lippen van Hem, de schoonste der menschenkinderen, waarop genade was uitgestort , verbleekten. Komt, laat ons
II. Het lijden van Jezus en den gewichtigen inhoud Zijner laatste woorden beschouwen.
Welk een zwaar lijden, M. V. Gepijnigd werd Hij door een versmachtenden dorst, Zijne tong kleefde vast aan Zijn gehemelte, en dat van Hem, die in de gestaltenisse Gods, het geen roof behoefte te achten, Gode even gelijk te zijn, van Hem; die den regen en de wolken gebiedt! Hij moest dorst lijden , Hij, die alle wateren geschapen had, nu zelve een druppel water ontberen. Tot lafenis drenken Zijne vijanden Hem met edik. Konde het wel anders of dit moest Zijne smart vermeerderen ? Daarbij komt nog, dat zij niet ophouden Hem te beschimpen en te bespotten. Woorden ontbreken ons hier wederom, om de zwaarte van dit Zijn lijden naar waarde uit te drukken. Dorstende moet Hij, de waarachtige God en het eeuwige leven, den geest geven, en alle barmhartigheid , die Hij van menschen ondervindt, bestaat daarin dat zij Hem zuren edik geven te drinken. Maar ook dit lijden leed Hij als de schulddragende Zoen-Borg Zijns volks, en dat om hen te verlossen van dien eeuwigen, pijnlijker dorst, in den staat der verdoemenis, waar die ongelukkigen, die verloren gaan, hunne tongen eeuwig kauwen zullen, wegens den brand van Gods toorn, waaronder zij bleven.
Gaven de vijanden Jezus, die zulk een bitteren dorst had, edik: zoo moest Jezus tot Zijnen dood toe alle bitterheden
259
ondergaan, omdat Zijn volk, waarvoor Hij leed, het tot het einde huns levens door hunne zonden bederft. Daarmede betaalde Hij voor hen aan Gods onkreukbare gerechtigheid. Hier ook liet de Heilige God al hunne zonden op Hem aanloopen. Hij dronk zuren edik om voor Zijn volk te verwerven, dat zij van God zouden verkwikt en gelaafd worden met de zoete wateren Zijner genade, dat Hij hen zoude kunnen drenken uit de beeken Zijner wellusten, hun dat water des Geestes zoude kunnen geven, dat in hem, die daarvan ontvangt, eene fontein van water wordt, springende tot in het eeuwige leven. Ja! dat zij, die van nature de zonden en de ongerechtigheid als water hadden ingedronken, eens niet meer dorsten zouden in eeuwigheid, daar Hij voor hen de Leidsman zoude willen zijn tot levende fonteinen der wateren.
Staan wij nu stil bij die woorden, die de Heere, den edik genomen hebbende, uitsprak: Het is volbracht, dan moeten wij daarop boven alles letten, dat Hij niet zeide: Ik heb volbracht; maar Het is volbracht. Zijn lijden verklaarde Hij dus voor een werk. Men hoort in onze dagen velen zeggen en prediken, dat het lijden van den Heere Jezus niets meer geweest is, dan het verzegelen der prediking, dat God vergevensgezind is voor eiken zondaar, die berouw heeft over zijne zonden en zich verbeteren wil, of dat dit lijden een voorbeeld geweest is van beproefde deugd ook in en onder de zwaarste bezoekingen Gods, en daaruit worden dan eenige lessen en vermaningen getrokken , hoe ook wij Christenen, die zij allen broeders en zusters noemen, ofschoon zij de zalving van Christus niet deelachtig zijn , moeten lijden. Maar hoe wordt Jezus in zulk eene prediking voorgesteld? Niet anders, dan lijdelijk, als iemand die een akelig lot onderging. Wiens deugd de smartelijkste beproevingen doorstond. Maar Jezus volbrengt hier een arbeid door zijn lijden. Het is volbracht, riep Hij uit. Zijn lijden was een werk, waardoor Hij velen rechtvaardig zoude maken, omdat Hij
17*
260
veler ongerechtigheden droeg. De Heere Jezus had nu al dat werk in den raad des vredes, als Middelaar, op zich genomen, om voor Zijn erfdeel te doen en te lijden, al wat de Vader eischte, volbracht. Zij, kinderen des toorns, van nature gelijk alle andere menschen, waren onderworpen aan den tijdelijken en eeuwigen vloek, door God over de zonden uitgesproken. Waarmede zouden zij, dood- en doemschul-dige zondaars, te redden zijn geweest van den eeuwigen dood, van het eeuwig verderf, van de eeuwige pijn? Zoude dat geschieden kunnen alleen door een woord van Gods almacht? Doordat Jezus hier op aarde kwam om als een heilig en volmaakt mensch ons een voorbeeld te geven, hoe wij God en den naasten moesten lief hebben ? Hoe wij leven , lijden en sterven moeten ? Neen! daardoor wordt de eeuwige vloek, die op alle werkers der ongerechtigheid rust, niet weggenomen; daardoor is geene redding voor zulke snoode zondaars en hellewichten, als wij van nature zijn, mogelijk. God wil, dat aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiede. God zelf moet de zonden van al degenen, die Hij ontzondigt, op zichzelven overnemen. Daarom is Jezus Christus, de waarachtige God, geopenbaard in het vleesch ; heeft Hij mensch willen worden, omdat de zonden Zijns volks niet anders te verzoenen waren, dan door een weg van vernedering en lijden. Hij, God en mensch, in eenig-heid des Persoons, heeft zelf den eeuwigen toorn tegen de zonden doorgestaan. Alles was volbracht door Hem, wat Gods onkreukbare gerechtigheid vorderde, tot verlossing van Zijn volk, zoodat de Heere van de uitverkorenen niets meer eischte, omdat het werk van Jezus den God-Mensch volkomen was, en Hij door voldoening voldaan heeft, aan wie Hij Zijnen Heiligen Geest mededeelt, of die Hem door het zaligmakend geloof in de wedergeboorte, hetgeen hetzelfde is, worden ingeplant. In geen geschapen wezen, maar in de Godheid zelve, ligt de grond der verzoening. Al wat de wet eischt, op de overtreding uitgesproken, heeft Jezus vol-
261
daan , zoodat, wijl Jezus uitroepen mocht: het is volbracht! er nu geene verdoemenis meer is voor degenen die in Christus Jezus zijn, zoowel in de betrachting als in den vloek.
Het is volbracht] Alles, wat tot verbreking van de macht des duivels, waaronder zij door de zonden gekomen waren, vereischt werd; zoodat nu de poorten der hel Zijne gemeente , gekocht door het bloed van Hem, den Zone Gods, niet kunnen overweldigen. Hoe nu de duivel en zijne engelen en de kinderen der ongehoorzaamheid, waarin hij krachtig werkt, hen benauwen, pijnigen en kwellen , omdat Jezus het werk hunner verzoening met God, als hun schulddra-gende en straflijdende Borg, en dat met eene oneindige overwinning, volbracht heeft, nu kunnen zij niets meer doen, dan God en Jezus hun toelaat.
Het is volbracht! Alles wat vereischt werd tot overwinning der wereld, alles wat Hij verwerven moest voor al Zijn volk, hier in genade, eens hierna in heerlijkheid, niets ontbrak er meer aan, God was geheel verzoend met Zijn volk in Christus. De eeuwige offerande was volbracht, en deze offerande was de Heere Jezus Christus zelf.
Het is volbracht! Jezus heeft voor Zijn volk, hetwelk Hij lief had met eene eeuwige liefde, de gaven van den Heiligen Geest verworven , en nu worden al Zijne weldaden in en na dit leven, al Zijne heilgoederen als vruchten van Zijn dierbaar lijden, van Zijn volmaakt volbracht werk op aarde, op des Heeren tijd aan de zielen der Zijnen toegepast.
Het is volbracht! Alles, eindelijk, is zoo oneindig en volmaakt volbracht door Hem , de waarachtige Zoon Gods , de volmaakte Verbonds-Middelaar, dat de getrouwe en waarachtige God nu, op den eisch en de. Hoogepriesterlijke bede van Hem, die met Zijn eigen bloed in het heiligdom is ingegaan, niet meer weigeren kan, volgens Zijne eigene beloften en eed, al de uitverkorenen , het voor hen verworven goed, en al de zalige vruchten van Jezus verdiensten , uit genade en vrijwillige liefde, te schenken. Ziet! het gansche
262
werk hunner zaligheid is volbracht, zij hebben niets meer te doen of te laten, opdat het werk hunner zaligheid volbracht worde, en nochtans alles te doen, door Hem, Wiens genade hun genoeg is, waardoor Zijn Naam voor hen eene uitgestorte olie, verhoogd en verheerlijkt kan worden; en alles te laten wederom door Zijne wederhoudende genade, waardoor Zijnen Naam in de wereld, die Hem niet kent en lief heeft, smaadheid zoude kunnen worden aangedaan.
Gelukkig, ja! welgelukzalig die zondaar, die de woorden: Het is volbracht! het heilgeheim Zijner verlossing , door den Heiligen Geest, recht heeft leeren verstaan, die van zijne zonden, van zich zei ven ontlast is geworden, die geloovig geleerd heeft zijne zonden te leggen op Christus, als het waarachtig offerlam, opdat Hij ze drage in zijne plaats en hij er eeuwig vrij van moge zijn. Zulk een zondaar kan en zal en wil Hem geene geloofsgehoorzaamheid weigeren. Zulk een zondaar, M. V., geniet en smaakt bij tijden en oogen-blikken den eenigen troost in leven en in sterven.
Het is volbracht! dat was de afscheidsgroet van Jezus, toen boog Hij Zijn gezegend hoofd en gaf den geest. Nu ging Jezus rusten van Zijn werk en van Zijnen arbeid. Nu gaf Hij gerust Zijnen geest over in de handen van God, Zijnen Vader. Jezus heeft volbracht het werk, dat de Vader Hem gegeven had op aarde te verrichten. Hij verwierf daarmede , M. V., dat ook Zijn volk God als hunnen Vader bezitten, ook in de grootste verlating en op de smartelijkste kruiswegen, die zij hier op aarde dikwerf moeten bewandelen. Wanneer zij nu, tot verbazing der wereld, belijden mogen in de wegen voor bloed of vleesch zoo smartelijk, dat de Heere het bittere en pijnlijke er voor hen uit heeft weggenomen, en dat het hun slechts van Zijne Vaderhand toekomt, of in het stervensuur geloovig mogen uitroepen: Heere Jezus , ontvang mijnen geest! ziet, dan geschiedt zulks omdat hun Zoen-Borg Jezus het hier voor hen verworven heeft.
263
Gaf Jezus, niet uit zwakheid, maar met verheffing en eene sterke stem den geest, hier stierf M. V., Jezus uit vrijwillige liefde voor Zijn volk den dood, die als de bezoldiging der zonde was bedreigd, en daardoor moesten zij, van nature vijanden van God, verzoend worden met God door den dood van Zijnen Zoon. Hij, de fontein des levens, onderging hier de scheiding van ziel en lichaam. O! eeuwig wonder van goddelijke liefde. Juist daardoor, dat Hij Zijnen geest in de handen Gods overgaf, veranderde Christus in zich, voor al de zijnen, den dood in het eeuwige leven. Daardoor ook heeft Hij te niet gedaan dengenen, die het geweld des doods had, namelijk den duivel. Ku is voor Gods volk, dat den tijdelijken dood moet ondergaan, de prikkel des doods weggenomen, nu is de dood een gedoode dood , en door Gods genade een doorgang in het eeuwige leven. Nu is voor hen het geestelijke leven verworven, Zijn dood hun leven, en zullen zij, die in Hem gelooven, in eeuwigheid niet sterven, en zij, die Zijn Woord bewaren, den dood niet zien, niet smaken in eeuwigheid. Ja ! hier heeft Jezus voor Zijn volk verworven, dat zij terstond, als zij verlost worden van het lichaam dezes doods, van het leven op aarde overgaan in het leven bij God.
Het groote werk van Jezus eeuwige gerechtigheid was nu voleindigd. Het was volbracht wat noodig was, om God met den uitverkoren zondaar te verzoenen. Niets minder was er toe noodig om dit uit te werken , dan de dood van den Zoon Gods; Gods waarheid en Gods gerechtigheid eischte dat lijden en sterven van Hem , den Zone Gods, en de Drie-Eenige God is daardoor in hemel en op aarde in al Zijne heerlijke deugden en volmaaktheden verheerlijkt geworden. Jezus Christus bracht door Zijne gehoorzaamheid tot den dood des kruises, eene volmaakte, eeuwige en onveranderlijke gerechtigheid voor Zijn volk te weeg; Zijn volk heeft er genoeg aan , het behoeft daar niet toe of af te doen , God is er mede voldaan geweest, en heeft zulks
264
bevestigd door teekenen en wonderen, die aarde en hemel, dooden en levenden hebben geschokt. Ziet, daarom M. V., is de Heere Jezus en Zijne Borg-gerechtigheid, de vastigheid van Zijn volk, de ankergrond hunner hope, die niet beschaamd zal worden. Hier moge hun geloof nu en dan onder de hevige bestrijdingen des duivels geschud worden, eenmaal toch zal al dat volk, waarvoor Jezus zonde is gemaakt , vrede genieten in de eeuwige heerlijkheid, en dat alleen, omdat Jezus heeft uitgeroepen ook voor hen, het is volbracht! en nederhuigende den geest gaf.
Nog blijft ons over, om uit de Heilige Schriften u te herinneren , hoe duidelijk ook dat lijden van den Messias voorspeld was geworden. Dat Jezus aan het kruis dorst zoude hebben , hoort hoe de lijdende Messias klaagt; Mijne kracht is verdroogd als een potscherf en Mijne tong kleeft aan Mijn gehemelte, Ps. 22 vs. 16. Een Psalm, waarvan zelfs een ongeloovige belijden moest, dat men op de gedachte konde komen, dat een Christen dat lied gedicht had. Dat men den Heere Jezus edik te drinken zoude geven, roept de Messias uit: In Mijnen dorst hebben zij Mij edik te drinken gegeven, Ps. 69 vs. 22. Dat de Heere Jezus in de handen Zijns Vaders Zijnen geest bevelen zoude, hoe duidelijk lezen wij zulks: In Uwe handen beveel Ik Mijnen geest, Ps. 3 vs. 6. Dat Hij eindelijk sterven zoude: Hij is afgesneden uit het land der leven-digen, Hij heeft Zijne ziel uitgestort in den dood. Wat geven deze woorden Jes. 53 vs. 8 en 12 anders te kennen, dan de voorspelling van Zijnen gewelddadigen, natuurlijken en nochtans vrijwilligen dood ? De Messias zal uitgeroeid worden, heeft een andere godsman gesproken, Dan. 9 vs. 26. Hoe duidelijk voor ons, dat Hij de waarachtige Messias geweest is, en wij geen anderen meer te verwachten hebben.
Ps. 43 vs. 3.
265
III. Laat ons eindigen met het woord der toepassing.
Heeft de Heere Jezus ook dit liiden voor ons in onze plaats geleden ? Is Hij in onze plaats waarlijk gestorven ? Och! of Hij voor ons allen mocht hebben uitgeroepen aan het kruis: het is volbracht!. Maar.ik vrees, M. V., dat er nog onder ons zullen zijn, van wien wij gerust mogen zeggen , al noemen zij zich ook Christenen ,, omdat hun leven en hunne spraak hen openbaar maakt, dat zij nog zonder Christus zijn. , Dat zijt gij, die de zonden en ongerechtigheid nog indrinkt als water, die uwen lust en uw leven alleen vinden kant in eene zondige wereld, en in de gezelschappen derzulken, die den naam van Jezus niet uitspreken , dan om Hem te lasteren. Helaas! zoo zijn er nog velen onder de gedoopten in Zijnen naam, onder de uitwendige belijders, die openlijk den Heere Jezus, Zijne waarheid en Zijn volk tegenstaan, bespotten en lasteren. Met zielsmedelijden beschouwen wij u, want als gij zoo blijft als gij nu zijt, vreeselijk zal het voor u zijn te vallen in de handen des levenden Gods. God zal met vlammend vuur wrake doen over degenen, die Hem niet kennen en het Evangelie Zijns Zoons ongehoorzaam blijven. Het moge schijnen onder de toelating Gods, dat gij ongestoord in uw goddeloos leven kunt voortgaan en het moge u welgaan naar de wereld: het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Verschrikkelijk zal het voor u zijn voor eigene rekening den last des toorns Gods, tegen de zonde bedreigd, te moeten dragen. Is het door Jezus niet voor u volbracht, gij zult, den geest gegeven hebbende, nedergeworpen worden in de hel, daar zal zijn eeuwige weening der oogen en knersing der tanden. In die akelige plaats der verdoemden zult gij een eeuwigen dorst moeten lijden, zonder een enkelen droppel water te genieten om uwe tong, die gij van helsche smart en benauwdheid kauwen zult, te verkoelen. Gij zult lijden het eeuwig verderf.
266
verstoken zijnde van het aangezicht des Heeren en van de heerliikheid Ziiner sterkte. Menigeen gevoelde reeds in het bange stervensuur de knagende sma,rt van het ontwaakt geweten, hij het bewustzijn : het is nu voor ons voor eeuwig te laat. O! als gij dan nog zoudt villen roepen , God zal u niet meer hooren, heiliglijk zal Hij met u spotten als uwe vreeze komt. Och! wij bidden u om uw eigen heilswil, staat stil op uwen rampzaligen zondenweg, die u naar het eeuwig verderf zal leiden , verlaat die gezelschappen, waar men roekeloos met God an godsdienst spot. Gedenkt dat gij sterven moet, en ala Jezus uw Borg en uw Voorspraak bij God dan niet is, zult gij met eene groote stem hooren: weg van Mij gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is! Heere! zegen Gij door Uwen Heiligen Geest nog deze waarschuwing aan hunne zielen. Wij brachten haar tot u, niet om u met hel en verdoemenis te verschrikken , maar omdat gij den vloek zoowel moet weten als den zegen, en wij rein moeten zijn van uw bloed, hetwelk van om« hand, indien wij het u , goddeloozen , niet hadden aangezegd , dat het u kwalijk zal gaan, geëischt zoude worden. Nog is er voor u kans om behouden te worden van het eeuwige verderf. Het bloed van den Heere Jezus reinigt van alle zonden. Maar in geen anderen weg, dan die der waarachtige bekeering tot God. Heden zoo gij Zijne stem hoort, ock! verhardt uwe harten
niet, maar laat u leiden.
En gij, die voor u zeiven gelooft, dat het is volbracht, door Jezus op Golgotha uitgesproken , voor alle menschen geweest is, en dus ook voor u, hetwelk gij nu maar te gelooven en aan te nemen hebt, en die uw best doet, om op uwe wijze daaraan te beantwoorden door uitwendige godsdienstigheid en zedelijkheid, zoo daar geene inwendige verandering van hart, leven en wandel bij u plaats heeft, gij gaat zekerlijk met uwen ingebeelden hemel naar de hel. Jezus Christus heeft niet geleden en is niet gestorven
267
voor alle mensohen, hoofd voor hoofd, maar alleen voor Zijn volk, voor Zijne schapen, voor Zijne gemeente. Het is niet genoeg, dat gij belijd zondaar voor God te zijn, gij zult gevoelen moeten, wat het is zondaar en verloren te zijn , en u zeiven voor God moeten leeren veroordeelen en aanklagen, als zulk een, die door zijne zonden Jezus aan het kruis gebracht heeft, ja, Hem mede gekruist hebt. Ontdekt en overtuigd zult gij moeten worden van zonden, gerechtigheid en oordeel. Als een gedaagde, als een die des doods schuldig is, die waardig is, om voor eeuwig van voor Gods aangezicht te worden verworpen, zult gij voor God in het gericht aan deze zijde des grafs moeten verschijnen, en met den tollenaar, die van verre stond, en zijne oogen niet durfde opheffen en die op zijne borst sloeg, aanwijzende dat daar binnen de vuile bron zijner zonden bestond, moeten uitroepen: o God! wees mij zondaar genadig! Red- en radeloos zal uw toestand voor u zeiven moeten worden, en zult gij in het arm toevluchtnemend zondaarsgeloof aan den voet van het kruis moeten neder-vallen, en den gekruisten Jezus moeten aanroepen, dat Hij zich uwer ontferme! dat Hij u genadig zij! Gij zijt misschien zedig en godsdienstig, en kunt het bij de godde-loozen niet meer uithouden gelijk voorheen. Gij hebt mogelijk eenige indrukken onder de prediking der waarheid, bemint eene ernstige prediking, en bezoekt de gezelschappen van Gods kinderen. Ziet! dat alles keuren wij in u niet af, integendeel, wij verblijden ons, dat wij zulks in u mogen zien, maar ernstig en getrouw zeggen wij u, dat gij daarom niet denken moet, dat gij van God bekeerd zijt geworden, zoolang gij u als arme, ellendige, dood- en doemschuldige zondaars voor God niet hebt leeren kennen. Bij velen derzulken waren die overtuigingen als een morgenwolk en een vroeg opkomende dauw, die veel uitwendig schenen te beloven, zijn afvallig geworden, en juist daarom, omdat zij zich zeiven bekeerd hadden, en niet van God
268
bekeerd waren. Onderzoekt, beproeft u zeiven nauw, zeer nauw voor God, want het wee! is uitgesproken over de gerusten in Sion, de verzekerden op den berg van Samaria. Niet, dat ik u wensch te veroordeelen, maar ik waarschuw u ernstig, wat zoude u den schijn van bekeerd te wezen, zonder het in waarheid te zijn, kunnen baten? Is het voor u op Golgotha volbracht, dan kan het niet anders, hoe onderscheiden de trap en mate uwer bekeering ook z^jn moge, of gü zijt van den dood tot het leven, van de duisternis' tot het licht overgebracht. Dat werk van God den Heiligen Geest wordt bii eenen zondaar kenbaar in zich zeiven, en wel daarin, dat hij zich besloten gevoelende onder den toorn Gods, uit de benauwdheid zijns harten tot God begint te roepen , hij wordt gevoerd tot God met smeekingen en geween. Zi], voor wie de Heere Jezus geleden heeft en gestorven is, weenen over zich zeiven, over hunne erf- en dadeliike zonden, zij kunnen van den Heere Jezus niet meer wegblijven , beginnen naar Hem te dorsten, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, zij kunnen geene rust meer in zich zeiven , noch in de wereld , noch in het schepsel vinden, vóór zij Jezus gevonden hebben. Zij laten zich door het schepsel niet vertroosten, maar moeten van God vertroost worden en de kracht van Christus dood aan hunne harten gevoelen en in zich werkzaam ondervinden. Zoo gij geene zaligmakende, bevindelijke kennis van datgene , wat ik u opgenoemd heb, voor u zeiven bezit, gij hebt geen deel aan den Heere Jezus, aan Zijn lijden en sterven, al bespreekt gij ook een sterk geloof, en al roemt gij ook uitwendig in het kruis van Christus. Dat gij tegen God gezondigd en zulks moed- en vrijwillig tevens gedaan hebt, in Adam verdoemelijk voor God zijt, den tijdelijken, geestelijken en eeuwigen dood verdiend hebt, dat moet gij leeren kennen en belijden met hart en mond. Dat uwe zonden Jezus aan het kruis gebracht hebben, dat moet uwe schuld voor God worden. Uit de wet Gods moet gij
269
uwe ellende door de zonde leeren kennen. Allen, waarvoor Jezus het volbracht heeft, wordt Hij in dien weg noodzakelijk , onmisbaar en dierbaar.
Zijn er onder u, die voor zich zeiven nog van verre staan, die beschroomd en twijfelmoedig zijn, om zoo als zij zich erkennen en gevoelen, gansch en al verloren voor God, door hunne erf- en dadelijke zonden, tot Jezus te komen. T)e duivel en uw eigen ongeloovig hart houden u van Jezus af. Allerlei bedenkingen en bezwaren komen er in u op, die u doen vragen : zouden wij wel onder dat volk behoo-ren , waarvoor Jezus âhet is volbrachtquot; heeft uitgeproken? Neen! zegt gij, onze zonden drukken ons niet zwaar genoeg, wij kunnen zulk eene rekenschap van de hope die in ons is niet afleggen als deze of gene, dien gij gelooft in waarheid een kind Gods te zijn. Wij kunnen ons leven nog te veel vinden buiten Christus in de dingen dezer wereld. Wij missen nog die duidelijke bewustheid, dat wij van Jezus zijn opgezocht geworden, en Hij tot ons gesproken heeft, in uwen bloede leeft! ja, in uwen bloede leeft! Zoo zoude ik meer bekommernissen kunnen opnoemen, want zielen, welke het om waarheid in hun binnenste voor God te doen is, kunnen het geloof niet aangrijpen, of recht schuldenaars voor God over hun ongeloof worden, tenzij er een doorbrekend werk van Gods almachtige en onwederstaanbare genade aan hen verheerlijkt worde. Zij komen ons telkens tegen met dat Ja! Maar ! ... . Zij kunnen niet gelooven, dat het Gods werk in hen is, want geloofden zij dat, dan hadden zij deel aan het zoenlijden van Christus, dan was het voor hen ook volbracht, en hadden zij niets te volbrengen , maar als blinden te volgen op eenen weg, dien zij niet gekend, en op een pad, dat zij niet geweten hadden. Zoo uwe klachten uit de ware bron, de zelfsveroordeeling en zelfsverfoeiing van u zeiven voor God bij u voortkomen, doordien de Heere uwe blinde oogen opende, om den afgrond , die geopend is voor uwe voeten, te zien, dan zult
270
gij niet meer ophouden kunnen, al veroordeelt u ook alles, tot Jezus te roepen en Hem in eenzame en verborgene plaatsen op gebogene knieën te zoeken. Uwe lust in de wereld is vergaan, uwe gezelschappen zijn veranderd , van Jezus, Ziine waarheid en Zijn volk kunt gi] niet meer wegblijven. Dan kent gij eene behoefte in uwe ledige zielen, dat de Heilige Geest u leeren, leiden en troosten moge. Al veroordeelt gij ook al uw bidwerk, gi) kunt niet meer ophouden te bidden; Och! Heere Jezus, spreek Gij zelf tot onze zielen. Overal vraagt gij: is er een weg om de straf te ontgaan en wederom tot de genade te komen? In één woord, gü worstelt met God en laat Hem niet los vóór Hij u gezegend zal hebben. O geve God u, verdrukten, ongetroosten, door onweder voortgedrevenen, maar meer en meer te zien, te gevoelen, te erkennen de diepte uwer ellende door de zonde, waarin gü verzonken ligt voor God, en leere Hij u daaruit veel te roepen tot Hem , wiens bloed alléén reinigt van alle zonden. Jezus is een verrassend God van volkomene zaligheid voor Zijn volk. Hij wil Ziine hand tot de kleinen wenden en roept ook u toe: Komt allen die vermoeid en belast zijt, Ik zal u ruste geven. Och! dat Hii Zijn eigen woord, ook door den Heiligen Geest aan uwe zielen moge heiligen, en gü uitroepen moogt: Ik geloof, Heere! kom mijne ongeloovigheid te hulpe.
Welk een gelukkig volk zijt gij, die gelooven moogt, dat het werk uwer zaligheid voor u , in uwe plaats , door Jezus op Golgotha aan het kruis voor u volbracht is. Gij hebt het uitgedrukt, dat zullen wij nimmer vergeten, toen die tweede daad van Gods genade zich aan uwe zielen verheerlijkte , en gij, u zeiven kwijt wordende en overgevende aan den Heere Jezus, ook gelooven mocht overgenomen te zijn, in bewondering en aanbidding wegzinken moest voor God, dat Hij voor zulken als gij waart, de ellendigsten onder de ellendigen, Zijn eigen geliefden Zoon heeft willen overgeven tot den dood des kruises, om u voor eeuwig van den vloek.
271
die er op u lag, te verlossen. Die liefde, die uwe ziele toen voor den Heere Jezus gevoelde, zii is met geene woorden uit te drukken. Zijnen dood als de eenige oorzaak van uw leven te verkondigen, dat was uwe begeerte en om voortaan te leven door het geloof des Zoons Gods, dat was uwe bede. Toen was het maar een volgen in eiken weg, waarin de Heere u zoude willen leiden. Maar hoe is het daarna bij u geworden ? Helaas! hoe gedurig, daar het alles voor u volbracht was, zijt gij wederom aan het werk gegaan, om iets aan uwe zaligheid uit te werken. Meenende, dat gij den strijd te boven waart, is nu pas de strijd begonnen , en wat ware daarin van u geworden, als uw overste Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus Christus quot;u geene helpende, ondersteunende, overwinnende genade geschonken had. Dagelijks moet gij ondervinden, als gij letten moogt op de uitgangen uwer harten , dat gij onvolmaakt zijt, en er geen goed in u woont. Ziende op u zeiven, moet gij gedurig uitroepen: hoe komen zulke ellendelingen , die dagelijks zoo alles verzondigen en verbeuren nog in den hemel? Wie behoordet gij niet te zijn in heiligen wandel en godzaligheid? Waar zoude het nog met u henengaan, als Jezus het niet alles volbracht had, wat noodig is tot uwe verzoening met God? 0 ! hoe moest de liefde van Christus uwe harten niet dringen tot wederliefde? O, mocht gij geene enkele zonde in u bedekken of verschoonen, want gij kruist daarmede andermaal den Heere Jezus, maar mocht er veel behoefte bestaan, niet alleen aan reinigende, maar boven alles aan heiligende genade. Gij zijt u zeiven niet meer eigen, vrijwillig en ook gewillig hebt gij het verbond der genade ingewilligd, en beloofd voor Hem te leven, die het geloof u zeide, dat Hij voor u gestorven is. Benaar-stigt u, uwe roeping en verkiezing vast te maken. Och! dat de liefde van Christus, waarmede Hij u eerst heeft lief gehad, en eeuwig blijft liefhebben, de zonde moge verbranden in uwe harten. Hoe meer uw leven nu Christus
272
moge zijn, des te meer troost in uwe zielen zult gij door den Heiligen Geest ondervinden. Dan zal uw sterven gewin wezen; oefening des gebeds, des geloofs, der hope en eene gansche opoffering aan God en Jezus, die u zoo duur gekocht heeft, ziet, dat zal onder den genadevollen zegen Gods het middel kunnen zijn, om hoe langer hoe meer u als ellendigen te gedragen , u zei ven uit de hand te vallen, en onmisbaarheid en dierbaarheid voor u zeiven in uwen Jezus te zien. In Hem vindt gij alles wat u ontbreekt. Dat gij dat heilgeheim uwer verlossing, het is volbracht! meer en meer moogt leeren kennen, en God, die in Christus uw God en uw Vader geworden is, Hij geve u, als gij uwe reis in dit Mesech zult hebben afgelegd, en het lichaam der zonde en des doods moet afleggen, dat gij dan geloovig op grond van de Borggerechtigheid van Jezus moogt uitroepen: Vader! in Uwe handen beveel ik mijnen geest. Amen.
Ziet op het Lam voor u geslacht,
En leeft door 't woord; het is volbracht!
Ps. 27 vs. 7.