LX!y
J1HW
INSTITUUT DP. VOOYS VOOR NEDERLANDSE TAAL-EN LETTERKUNDE AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
KLAASJE ZEVENSTER.
^X!X
X
b |3
rijksuniversiteit utrecht
0854 7865
Mb. J. VAN LENNER
.AASJE ZEVENSTER.
MET ILLUSTRATIEN
VAN
W. DE F AMAHS TESTAS.
V.
âO
De Lotgevallen van Klaasje Zevenster.
ACHTTIENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
wien albert op den laten avond aan den weg opeaapte.
Uit hetgeen Albert aan Hoogenberg had gezegd is den lezer gebleken, dat de wed. Hermans haar zoon, gelijk trouwens natuurlijk was, niet onkundig had gelaten van haar kennismaking met haar schoonvader, en met het voorstel, haar door dezen gedaan. Albert had haar bij die gelegenheid bekend, van den beginne af geweten te hebben, dat de Heer Van Blinkers-waard niemand anders was dan de Heer Flinck, aan wien hij zelf indertijd, op last van den Heer Bleek, de later door hem betrokken kamers had gewezen. Het was juist van de ontmoeting met dien grootvader, die hem niet kende, en ten gevolge daarvan, dat hij, op dien zekeren ochtend, toen Nico-lette zich 't eerst ten huize zijner moeder bevond, aldaar in dien ontstemden toestand was gekomen, die haar zoo ongerust had gemaakt. Hij had toen beter geoordeeld, die ontmoeting voor haar te verzwijgen: immers zij stond in voortdurende betrekking met Mad. Puri, en nu was hij niet zonder reden beducht, dat, indien zij wist, hoe de man, die haar zooveel leeds berokkend had, de commensaal van deze laatste geworden was, zulks haar een onaangename gewaarwording zou doen ondervinden, zoo dikwerf zij zich naar het modemagazijn begaf, v. - k. z. i
2
ja, dat zulks haar aanleiding zou kunnen geven, het huis te vermijden, iets wat haar belang in geen geval kon medebrengen. Daarbij mocht hij zich vleien, dat, dewijl zij den Heer Flinck nooit gezien had, die bij de Puri's onder den naam van Van Blinkerswaard was ingeleid, zij, indien zij hem bij toeval ontmoette, hem onbekend en onverschillig voorbij zou gaan, zonder te droomen van de nauwe aanverwantschap, die tusschen hen bestond. Zeker had Albert niet kunnen voorzien, welk een samenloop van gebeurtenissen haar met den ouden man in aanraking brengen zou, en men beseft zeer licht, hoe hem de mededeeling van het tusschen hen voorgevallene getroffen had. Hij had echter zijn moeder, toen deze hem om raad vroeg, vriendelijk verzocht, geen besluit te nemen, eer hij met Hoo-genberg gesproken had. Hij was den dag daarop naar dezen toegegaan, gelijk wij gezien hebben, en had bij zijn thuiskomst aan zijn moeder zijn besluit medegedeeld om, overeenkomstig den ontvangen raad, den volgenden Dinsdag per Batavier naar Engeland over te steken, en van daar niet terug te komen, dan voorzien van de bescheiden, die hij noodig had om zich als den wettigen zoon van Wayland Flinck te doen erkennen. Hij had er den wensch bijgevoegd, dat zijn moeder tot zijn terugkomst zou wachten, eer zij eenige beslissing nam omtrent het aanbod van Flinck. Zij had gereedelijk het billijke van dien wensch ingezien, en beiden waren tot de slotsom gekomen, dat, nu toch de eerste stap tot toenadering van de zijde des ouden mans was gedaan, het niet betamelijk wezen zou, hem onkundig te laten aangaande de bestaande verwantschap; en, hoe ook de uitslag was van Alberts verrichtingen in Engeland, hun stelling tegenover Flinck moest zuiver zijn. Het gevolg van deze beraadslaging was, dat Juff'w. Hermans aan den laatstgenoemde een briefje schreef, waarin zij hem in korte woorden vergunning verzocht, het haar gedane voorstel in overweging te houden, totdat haar zoon zou zijn teruggekeerd van een klein uitstapje, 't welk hij naar de overzijde stond te doen. Toch voornemens zijnde, deu avond bij Nicolette te gaan doorbrengen, nam zij het briefje mede en gaf het.
bij haar komst ten huize van Mad. Puri, aan Letje, met last, het aan den ouden Heer te bezorgen, doch aan dezen vooral haar aanwezigheid aldaar niet te verklappen.
In de huiskamer gelaten, vond zij Nicolette bij Mad. Puri gezeten en uiterlijk beter en minder neerslachtig dan den vorigen dag, zoodat zij, zooveel mogelijk over onverschillige zaken keuvelende, den avond niet onaangenaam doorbrachten, en het tien uren was eer zij er aan dachten. Toen begon de weduwe, aan wie haar zoon beloofd had, haar te halftien te komen halen, zich over zijn wegblijven eenigszins ongerust te maken; doch Mad. Puri, en niet minder haar man, die reeds van zijn koffiehuis was teruggekeerd, zochten om strijd haar te beduiden, dat zij daartoe geen reden had.
âJa, Juffrouw 'Erremanse,quot; zeide de voormalige kapper, âdat isse nu eenmaal soo met de jonkheid. Sij komen teek op de strate eene lieve bakkesse, sij maak een praatje, en sij vergeet dat de mama zit te wakte.quot;
âMais n'avez-vous pas honte. Monsieur Puri, de tenir des propos aussi inconvenants?quot; vroeg hem zijn wederhelft: â âneen, weet je wat ik denk. Juffrouw Hermans? dewijl Mijnheer Albert aanstaanden Dinsdag naar Londen gaat, zooals je mij verteld hebt, zal hij noodwendig nog wel 't een of ander te beschikken en te bestellen hebben, en dat houdt op.quot;
âNeen! â hij is niet voor beschikkingen uit,quot; zeide de weduwe: âhij heeft van halfacht tot halfnegen een les te geven op den Overtoom, bij den Heer Gram; en dan zou hij daar vandaan onmiddellijk hier komen.... en die Overtoom is zoo'n leelijke weg .... hij is anders altijd zoo punctueel.quot;
âIsse fan afond nieuwe representatie in de Ollandse theater, misschien daar en passant even inkewip.quot;
âMon Dieu, monsieur Puri, comme vous êtes assommant avec vos conjectures, qui n' ont pas le sens commun,quot; zei Madame.
Juffw. Hermans begon medelijden te krijgen met den armen sukkel, die nooit den mond kon openen, zonder troef te krijgen.
4
en er altijd even lankmoedig, hoezeer tevens onverbeterlijk, onder bleef, en, al had haar de onderstelling van den Heer Puri zeer mishaagd, zij vond de tweede nogal onschuldig en
zulk een bestraffing niet waard.
âO!quot; zeide zij: âik zou op zich zelve de gissing van Mijnheer Puri gansch zoo verwerpelijk niet achten, want mijn zoon neemt wel meer die gelegenheid waar, als hij van den Overtoom komt, om den schouwburg nog eens binnen te loopen; maar als hij mij belooft op een bepaald uur bij mij te zijn, dan is hij er ook, en er moet dus iets gebeurd zijn, dat hem
tegen zijn wil ophoudt.quot;
Weer verliep er een half uur, en dewyl het Zaterdag-avond was, en op dien avond niet slechts de bakkei het warme brood, maar ook alle mogelijke kleere- en schoenmakersjongens, waschvrouwen, naaisters, enz. de verwachte vooi werpen komen te huis bezorgen, en er bovendien nog altijd een dozyn boodschappen komen, waar men binnen niets van hoort, zoo stond ook nu de schel niet stil, wat dan telkens aanleiding gaf tot een nieuw geroep van; âdaar zal hij zijn,' gevolgd van een nieuwe teleurstelling. Wederom was er een half uur verloopen, en er werd reeds beraadslaagd over de vraag, of men ook een kruier naar den Heer Gram zou zenden, ten einde te vernemen of Albert daar geweest was, en Monsieur Puri had zich reeds aangeboden om de weduwe thuis te brengen, toen eindelijk nogmaals de schel klonk en deze reis Mw. Hermans ongeveer met de woorden van Badeloch zeggen kon.
God lof! het is mijn zoon; ik heb zijn stem gehoord.
âIk kom wat laat,quot; zei Albert, terwijl hij zijn moeder omhelsde: âik hoop niet, dat je al te ongerust over mij waart.quot;
âFoei! is dat uitbliiven?quot; vroeg Juffw. Hermans, terwijl zij hem aan haar hart drukte: âwat is er toch gebeuld?
âWij dakt al, jij in zeven sloote kelijke keloopen waar,'
zei Monsieur.
âMais Monsieur Puri, laissez done pailei Monsieur Albert,quot; zei Madame.
O
âWanneer je gehoord hebt, welke vreemde ontmoeting ik heb gehad,quot; zei Albert, âzal het u niet verwonderen, dat ik zoolang op mij heb laten wachten.quot;
âWat dan? wat dan?quot; was de algemeene vraag.
âJe weet,quot; hernam hij, âdat ik bij den Heer Gram les in 't Engelsch geef. Ik kom van hem vandaan en, langs 't plantsoen buiten de Leidsche poort gaande, daar zie ik, bezijden het pad, tusschen de struiken iets liggen, dat ik bij de duisternis niet wel onderscheiden kon, doch dat mij voorkwam wel een mensch te kunnen zijn. Ik ga kijken, en, jawel, daar lag een manspersoon in bewusteloozen toestand. Ik onderstelde, dat het de een of ander dronken lap was, doch 't was in allen gevalle te koud, om hem daar hulpeloos aan zijn lot over te laten. Ik bekeek hem van naderbij en, voor zooverre het schijnsel van de lantaren op den grooten weg hem bereikte, meende ik aan zijn kleederdracht te bespeuren, dat het een fatsoenlijk man was. Ik poogde hem op te richten: hij gaf geen teeken van bewustheid; doch of het een gevolg was van een toeval of van dronkenschap, kon ik niet onderscheiden. Geen kans ziende om hem alleen te versjouwen, riep ik de hulp in van den eersten voorbijganger den besten; 't was een molenaarsknecht, uit de buurt, die zich dadelijk heel gewillig toonde, en met ons beiden kregen wij hem op en droegen hem naar 't kommiezenhuisje in de poort. â En verbeeld u mijn verbazing, toen wij hem daar bij 't licht hadden, en ik in hem mijn gewezen patroon, den Heer Galjart, herkende!quot;
âMijnheer Galjart!quot; herhaalde Nicolette, verbaasd opziende en door het bericht niet weinig ontroerd.
âHij zelf,quot; vervolgde Albert; âeen der beambten had den gelukkigen inval, naar de komedie te loepen, om den geneesheer, die zich daar altijd bevindt en zich dan ook niet wachten liet. De man, zeide hij, was niet dronken, maar flauw; en hij bracht hem gelukkig weer bij. De Heer Galjart gaf te kennen, dat hij op het Schildburgerpad woonde, en met een vigilante, waar inmiddels om gestuurd was, brachten wij hem derwaarts en te bed. Hij was, naar hij ons verhaalde, onderweg door
6
een duizeling overvallen en herinnerde zich verder niets. De dokter zeide mij, te onderstellen, dat gebrek aan voedsel hem die ongesteldheid had op den hals gehaald: hij schreef een receptje voor; doch daar hij naar den schouwburg terug moest, beloofde hij, na afloop der vertooning nog eens bij den zieke te zullen komen. Ik besloot, gebruik te maken van de vigilante, die wij bij ons gehouden hadden, om den dokter weer aan den schouwburg af te zetten, dat recept bij den apotheker te brengen en hier naar toe te rijden, u thuis te brengen en vervolgens weer naar den zieke terug te keeren.quot;
âMaar dan zal 't beter zijn, dat je terstond naar hem terugrijdt,quot; zei Juffw. Hermans, âen dat ik met u bij hem ga/'
âEn ik ook,quot; zei Nicolette.
âJij ook, mijn kind?quot; vroeg Juffw. Hermans: âneen, dat gaat niet, je bent zelve ongesteld.quot;
âO!quot; zei Mcolette: âmet mij zal 't wel weer schikken; maar, wat daarvan wezen moge, mijn pleegvader wil ik niet overlaten aan de hulp van vreemden.quot;
âMaar bedenk toch, kindlief! âquot;
âIk weet niet,quot; zei Albert, âin hoeverre de gezondheid van Juffw. Mcolette het haar vergunt; maar anders zou ik haar wel in haar loffelijk voornemen versterken; want, naar ik heb kunnen merken, is de oppassing, in het tegenwoordige verblijf van den Heer Galjart, niet de beste die men wenschen zou.quot;
âGenoeg!quot; zei Mcolette: âheb de goedheid, even op mij te wachten: ik ben in een ommezien klaar.quot; â Terstond snelde zij, met den blaker, dien zij reeds opgestoken had, naar boven, en kwam, weinige minuten daarna, terug, met hoed en mantel en een pak onder den arm.
âJe neemt het niet kwalijk. Mevrouw Puri?quot; vroeg zij, haar de hand drukkende: âik heb mijn werk mee en zal zien wat ik doe; maar anders. . . .quot; dit laatste ging fluisterend: â't werd toch tijd, dat ik uw huis verliet,quot; â en toen, luider, âbonsoir Monsieur Puri, bons oir Mademoiselle Susanne!quot;
En weldra was het drietal in de vigilante gezeten en naar
de Leidsche straat gereden, waar het gereedgemaakte drankje werd afgehaald, terwijl men van daar zich naar het Schildburgerpad begaf.
In het vermoeden, door Albert geopperd, aangaande de zorg, die voor den lijder zou gedragen worden, werd ook door de beide vrouwen gedeeld, toen zij aan het huisje, waar Galjart logeerde, gekomen waren. De vrouw des huizes toch, die hun de deur opende, zag er niet slechts uit als een slons, doch toonde zich bovendien vrij knorrig, dat haar commensaal goedgevonden had, bij haar ziek te worden, en begon, met de vraag te opperen, of 't niet beter ware, hem naar 't gasthuis te doen vervoeren.
âWat zeker is,quot; zeide Albert, vrij knorrig, âis, dat hij hier niet blijven zal, indien er geen behoorlijke zorg voor hem wordt gedragen.quot;
Met een kloppend hart ging Nicolette, die zich te wel herinnerde, onder welke omstandigheden zij 't laatst van Galjart afscheid genomen had, het trapje op, dat naar zijn kamer geleidde, en met niet geringe aandoening zag zij hem, dien man, met dat eenmaal zoo schoon en blozend gelaat, thans weder bleek en akelig van uitzicht, in een benauwde bedstede met openstaande deuren en zonder gordijnen liggende.
âIk breng u hier mijn moeder, Mijnheer Galjart,quot; zeide Albert, âdie eens komt zien, of je iets noodig hebt, en dan nog een oude kennis van u, die u van dienst hoopt te zijn.quot;
Maar Galjart antwoordde niet dan met een onverstaanbaar gemompel, en terwijl hij met verwilderde oogen de beide bezoekers aanzag, 't Was duidelijk, dat hij in een ijlende koorts lag.
Mw. Hermans keek het vertrek eens rond: een verrichting, die niet veel tijd vereischte; want het lokaal was niet groot en er viel niet veel in te bezien: het venster had zijn luik en de wanden het grootste gedeelte van het vuil berookte behangselpapier verloren: van een kachel of ander verwarmingstoestel was geen sprake, en de geheele stoffeering bestond uit een tafeltje, groen geschilderd met witte spikkels en waarop
8
een kleine groen verlakte lamp stond, een noteboomhouten latafel, die meteen voor waschtafel diende, en waaraan een der vier pooten ontbrak, een karpetje voor 't bed, en twee stoelen met matten zittingen.
âMijn voormalig verblijf in de Bloem-Dwarsstraat was ook niet zwierig,quot; zeide zij tegen haar zoon; âmaar 't was een paleis in vergelijking van dit.quot;
âHij kan hier niet blijven,quot; zei Albert: âen wij moeten hem een beter logies zien te verschaffen.quot;
Nicolette had zich intusschen over den lijder heengebukt en luisterde naar diens verward gemompel. â âHij heeft dorst,quot; zei zij op eens, en toen, naar het waschgerei gaande, schonk zij een glas water in; doch zi] nam eerst de voorzorg, het te proeven.
âFoei!quot; zei zij: âdit is afschuwelijk. â Vrouw!quot; riep zij aan de trap; âheb je geen ander water in huis dan dit?quot;
âWel neen ik,quot; was het antwoord van buiten; âen wat mankeert er aan dat water?quot;
âEenvoudig, dat het onbruikbaar is,quot; antwoordde Albert, die door den reuk alleen reeds genoegzaam omtrent de hoedanigheid van het vocht was ingelicht: âweet je wat je doet? zie, dat je een kruik mineraalwater krijgt met een paar citroenen.quot;
âWel ja, waarom niet? â denk je, dat ik zoo laat in den avond naar stad loop, om citroenen te halen? en wie zal er op mijn woning passen? en wie betaalt het mij? want zoo ik hoor, moet die meneer hier boven een heel kale meneer zijn.quot;
âEi wat!quot; zei Albert: âdat zal wel te recht komen: â hier is in allen gevalle een daalder: zie nu, dat je iemand vindt om de boodschap te doen, en doe die anders zelf.quot;
De vrouw nam het muntstuk aan, en, zeker oordeelende, dat zij het geld voor de boodschap best zelve gebruiken kon, haastte zij zich, aan het verzoek te voldoen; waartoe zij wel niet naar de stad behoefde te loopen, dewijl zij in het eerste het beste der talrijke wijnhuizen buiten de poort de gevraagde artikelen bekomen kon, en er dan ook spoedig mede terug-
9
keerde, bijna op hetzelfde oogenblik, dat de dokter uit den schouwburg zijn bezoek hervatten kwam.
âDe koorts zal nog wel een poos aanhouden,quot; zeide hij: âis het recept gereedgemaakt?quot;
âHier is de drank,quot; antwoordde Albert.
âEr moet iemand hier blijven waken,quot; vervolgde de arts.
âDat zal ik doen,quot; zei Mcolette.
De geneesheer zag Nicolette even aan, maakte een beleefde buiging en ging voort:
âEr moet zorgvuldig op gelet worden; zoodra de koorts af is, alle kwartier een lepel vol van dezen drank. â Voorts geef je hem te drinken als hij 't vraagt: â en verder zullen wij tot morgen dienen te wachten om over zijn toestand te kunnen oordeelen.quot;
âEr is toch geen vrees, dat de zieke, als hij ijlt, gevaarlijk wordt voor de waakster?quot; vroeg de weduwe.
âNiet het minst: hij is reeds zwak, en die koorts zal hem nog meer afmatten. Een klein kind zou hem regeeren.quot;
De noodige schikkingen werden nu beraamd om het Nicolette zoo comfortable mogelijk te maken; â van stoken was, als reeds gezegd is, in het lokaal geen quaestie: en een stoof met vuur zou zoowel haar als den zieke aan 't gevaar van te stikken hebben blootgesteld. Men wist echter raad te schaffen en haar een warm kruikje, in een oude kous gewikkeld, tot een voetwarmer te bezorgen; terwijl zij een wollen deken, die nog vrij goed was, over de knieën, en een schoudermantel om 't lijf sloeg, beide welke voorwerpen de vrouw des huizes, die langzamerhand begon te begrijpen, dat er âaan dat volkquot; misschien wat te verdienen viel, te haren gevalle had voor den dag gehaald. Toen namen Albert, zijn moeder en de dokter hun afscheid en reden te zamen de stad in.
âHoe denk je over den zieke. Mijnheer?quot; was natuurlijk de eerste vraag, die Albert deed.
â't Schijnt een complicatie van kwalen,quot; antwoordde de geneesheer, âmaar, als ik reeds gezegd heb, ik moet voorals-
10
nog mijn oordeel over hem opschorten: ik weet niets af van 's mans gestel en hoeveel het lijden kan. Weet Mijnheer ook, of hij vroeger hier een geneesheer geraadpleegd heeft? want ik mag niet onder eens anders duiven schieten.quot;
â0 ja!quot; zei Albert: âDr. Van Zevenaer heeft altijd over
hem gepraktizeerd.quot;
âZoo!quot; zeide de dokter: ânu! in geval de zieke het verlangt, zal ik natuurlijk het veld voor hem ruimen.quot;
Den volgenden morgen was Juffrouw Hermans weder, zoodra zij een vluchtig ontbijt genomen had, naar het Schildburgerpad gewandeld, 't AVas echter minder uit belangstelling voor den zieke, dat zij dien verren, in dit jaargetijde alles behalve aangenamen tocht had ondernomen, dan wel om te vernemen, hoe haar jonge vriendin het gedurende dien nacht met hem te stellen had gehad. Het bericht van Nicolette luidde niet ongunstig; de zieke was over 't algemeen rustiger geweest, en zij had op zijn tijd hem het voorgeschreven geneesmiddel kunnen doen gebruiken; terwijl zij zelve niet te veel van de koude had te lijden gehad. â Het arme kind vertelde er niet bij, dat zij de deken, die tot hare beschutting had moeten strekken, over den zieke gespreid had. â Intusschen haalde Juffw. Hermans een gesmeerd broodje voor den dag, van haar ontbijt gespaard, en een peperhuis met thee, welk een en ander zij voor Nicolette had medegebracht, in de onzekerheid of die zich wel het noodige verschaffen kon. Nadat nu de vrouw des huizes eenig kokend water bezorgd had, met een blikken keteltje, een gekramd schoteltje en een kopje zonder oor, en het meisje, ofschoon bewerende geen behoefte aan iets te hebben, door Juflfw. Hermans als 't ware gedwongen was geworden, iets te gebruiken, verscheen de doktei, die zich weltevreden toonde over de werking der middelen: de kooits was zoogoed als af; maar de lijder was doodelijk zwak en scheen nog altijd, zoo niet buiten kennis, dan toch niet in staat, zijn denkbeelden behoorlijk te verzamelen, althans
behoorlijk te uiten.
Nadat de geneesheer, met achterlating van den last, om op
11
dezelfde wijze voort te gaan, weder vertrokken was, vond er tusschen Juffw. Hermans en Mcolette een langdurig overleg plaats, omtrent de schikkingen, die er, in geval het jonge meisje haar post van waakster wilde blijven vervullen, gelijk haar vaste voornemen was, dienden gemaakt te worden, aangaande haar voeding en ligging, daar het haar toch wel onmogelijk zou zijn, zonder behoorlijk voedsel en rust, den lastpost, dien zij aanvaard had, voortdurend waar te nemen. Hierover moest natuurlijk in de eerste plaats de vrouw des huizes geraadpleegd worden, die echter geen bijzondere bereidvaardigheid aan den dag legde, om tot de vereischte doeleinden mede te werken. âWanneer,quot; zeide zij, âde jonge Juffrouw uit haar pot mee wou eten, dan was 't heel wel; doch dan moest zij er tien stuivers daags voor hebben en, wat een stroozak betrof, dien kon zij bezorgen, maar estra-beddegoed zou de Juffrouw zelve dienen aan te schaffen.quot; â Mcolette van hare zijde gaf te kennen, dat niet alleen zij, maar ook in de eerste plaats de zieke, wel extra-beddegoed noodig zou hebben, waarop de vrouw antwoordde, dat dit alles kon gevonden worden, mits er geld bij de visch was; want dat zij, zelve in den benedenwinkel geen krediet hebbende, het er evenmin op het krediet van anderen zou kunnen krijgen. Zij twijfelde daarom niet, of de Juffrouwen, die rijke dames schenen, zouden dat een en ander wel bekostigen. Of zij intusschen zelve aan deze bewering geloof sloeg, willen wij niet beslissen; zij had reeds ondervonden, dat Galjart in alles behalve gunstigen finantiëelen toestand verkeerde, en de schuinsche blik, dien zij nu en dan op de beide vrouwen sloeg, scheen zooveel te zeggen als dat, naar zij vermoedde, 's mans kennissen wel met hem op dat punt gelijk zouden staan.
En inderdaad waren de beide vrouwen eenigszins verlegen met de zaak. Mcolette bezat niets meer; â Juffw. Hermans zooveel, dat zij kon toekomen en nog iets aan de armen schenken; doch extra-beddegoed of dergelijke voorwerpen te bekostigen, en nog wel contant te betalen, daar was geen
12
denken aan. Wel is waar, daar was Flinck aan de eene zijde, Bettemie aan de andere, die zich niet achterlijk zouden betoonen, wanneer het er op aankwam, bij te springen; â doch het kon de vraag zijn, of een van die beiden genegen zou zijn, iets te doen ten behoeve van Galjart, die toch geen andere aanspraak op hun bijstand hebben kon, dan dat hij ziek en nooddruftig was. Vermoedelijk kenden zij hem in 't geheel niet, en onbekend maakt onbemind: of, zoo zij hem al bij reputatie kenden, dan kon die reputatie op zich zelve tot geen bijzondere aanbeveling te zijnen voordeele strekken.
De slotsom van de lange beraadslaging was dus, dat men geen besluit nam, dan alleen om te wachten op de komst van Albert, die dan ook ten leste verscheen. Alvorens wij echter vermelden, welke berichten hij bracht, dienen wij aan den lezer mede te deelen, welken stap hij dien morgen ten behoeve van den zieke gedaan had.
TWEEDE HOOFDSTUK.
HOE BLEEK TUSSCHEN TWEE VÃEEN ZIT.
Toen de Heer Jan Bleek Az. dien morgen uit de kerk kwam, zeide hem zijn meid, dat er iemand in de zijkamer met een pressante boodschap op hem wachtte! en zag hij, derwaarts gaande, Albert voor zich staan.
âWat is er aan de hand?quot; vroeg hij: âheb je berouw, mij verlaten te hebben?quot;
âMijnheer Bleek,quot; zei Albert, zonder op de hem gedane vraag te antwoorden, âik kom uw hulp inroepen voor iemand, die haar dringend noodig heeft, voor den Heer Galjart.quot;
âGaljart!quot; herhaalde Bleek.
âHij is ernstig ziek.quot;
13
âZoo!quot; zei Bleek, dien de tijding juist niet zoo bijzonder aandeed, en wien gewis die van 's mans dood nog welkomer ware geweest: âen wat scheelt hem?quot;
âHij heeft een soort van beroerte gehad, en zijn hoofd is verwilderd.quot;
âJa! zijn hoofd is nooit heel sterk geweest. Maar zie je? daar heb je nu de gevolgen van zijn woeste en ongebonden levenswijze: ik heb altijd wel voorspeld, dat het daarop neer zou komen.quot;
âMet uw verlof, Mijnheer Bleek,quot; zei Albert: âhet kan nu de vraag minder zijn, wat de aanleiding is tot zijn ziekte; maar hoe men den armen man zal helpen. Hij is ontbloot van alles en ligt in een kamer zonder vuur.quot;
âJa, als ik zeide, het kon wel niet anders eindigen; maar zie! wien heeft hij het te wijten dan zich zeiven? Hij heeft de straffe zijner ongerechtigheid weg, als de Schrift zegt,quot; voegde de Heer Bleek er bij, op een zalvenden toon.
âEr is,quot; vervolgde Albert, zonder 's mans woorden met eenige aandacht te verwaardigen, âgeen mogelijkheid voor 't oogenblik, hem naar een geschikter lokaal over te brengen; maar toch dienen hem zoodanige verkwikkingen verstrekt te worden, als de omstandigheden gedoogen. Ik heb gedaan wat ik kon; maar ik bezit geen vermogen.quot;
âWat zou je u ook in die zaak steken?quot; vroeg Bleek: âde man is u wildvreemd.quot;
âMet uw verlof, hij is mijn patroon geweest,quot; zei Albert: â âmaar in elk geval, hij is uw zwager.quot;
âDat is afgestorven,quot; zei Bleek, de schouders ophalende.
âDenkt Mijnheer, dat het publiek het ook zoo zal beschouwen?quot; vroeg Albert, hem ernstig aanziende.
âHm! iedereen weet, wie Galjart is, en wie ik ben,quot; zei Bleek.
âMisschien niet volkomen,quot; merkte Albert aan: âmen kon inlichtingen dienaangaande aan de lieden geven, waaruit zij stof zouden vinden tot een andere beschouwing.quot;
âNu,quot; zei Bleek, terwijl hij zich de onderlip half aan bloed
14
beet en tevens in zijn zak tastte: âindien je denkt, dat een paar drieguldens. . . .
âMijnheer Bleek,quot; viel Albert in, op een strengen toon, âniemand weet beter dan gij, dat de Heer Galjart, indien hij had wat hem eerlijk toekwam, in geen koude kamer behoefde te liggen, noch afhankelijk te zijn van de goedwilligheid van anderen.quot;
âIk weet daar niets van,quot; zei Bleek: âik wil wel wat doen; maar ik bedank er voor, mij uit te kleeden ten behoeve van zoo'n lichtmis, die, wel beschouwd, niet meer heeft dan hij verdient voor zijn ongodzalig levensgedrag.quot;
âMijnheer Bleek,quot; zei Albert, âde toestand van den onge-lukkigen Heer Galjart is alles behalve benijdenswaardig, en toch zou ik bijna liever in zijn plaats wezen dan in de uwe.quot;
âHoe is 't?quot; vroeg Bleek, die zijn verlegenheid niet beter wist te bemantelen dan door een hooge borst te zetten: âuw toon wordt ongepast, Mesjeu Hermans! â Ik zie wat het is, een samenspanning tusschen Galjart en jou om mij uit te kleeden. Doch ik laat mij zoo niet vangen. Ik tart u, om iets tot mijn nadeel te zeggen of te bewijzen. Men weet genoeg in de wereld, wat jij er voor een bent, en dat je net één paar uitmaakt met dien liederlijken lichtmis.quot;
âIndien zulke geruchten van mij loopen, zei Albert, de schouders ophalende, âdan weet ik, wie ze uitstrooit en wat mij te doen staat. â Ik ben uw dienaar. Mijnheer Bleek!quot;
âGoeie morgen,quot; bromde Bleek, en hield de deur open, om den anderen te laten doorgaan. Op den drempel gekomen, keerde Albert zich nogmaals om en zeide:
âIndien Mijnheer zich nog bedenkt en iets ten behoeve van den Heer Galjart wil doen, zijn adres is op het Schildburgerpad N0. 17 bij een waschvrouw.quot;
âLoop naar den duivel,quot; bromde Bleek.
Weinig getroost door dezen uitslag van zijn bezoek, was Albert naar het verafgelegen verblijf van den lijder heenge-kuierd, onderweg voortdurend met zich zeiven twistende, of en in hoeverre hij gerechtigd was, de wetenschap, die hij van
15
het tegen Galjart gepleegde bedrog had opgedaan, voor zich zeiven te houden.
âWel, hoe is het?quot; vroeg hem zijn moeder; âzal de Heer Bleek zijn zwager helpen?quot;
âHij weigert,quot; antwoordde Albert: âen ik zie geen kans om op den duur het noodige te bekostigen, ook al zag ik van mijn reis naar Engeland afâ en je weet zelve. Moeder, hoe noodzakelijk die is.quot;
âOngetwijfeld,quot; zei de weduwe: âen bovendien, je hebt gedaan wat je kunt, en de man zou niet meer kunnen verlangen. Als zijn eigen familie hem in den brand laat, zou het niet billijk zijn, dat wij, die 't zeiven niet hebben, ons voor hem uitkleedden. Al wat ik doen kan, en gaarne doen wil, is, provisioneel Nicolette te ondersteunen in 't goede werk, dat zij verricht, en te verschieten wat zij hier verteren moet. Maar weet je niemand te bedenken, Albert, met wien de Heer Galjart hier ter stede relaties had?quot;
âRelaties genoeg,quot; antwoordde Albert: âmaar de meeste van gelijk allooi als hij zelf. En toch zal ik de stad eens rondloopen: 't is vandaag voor December nogal mooi weer: er zijn stellig een massa menschen aan 't pantoffelen. Ik zal den weg naar de Plantage eens opgaan, en 't zou wel hard zijn, indien ik onder allen er niet een enkelen vond, die raad wist te schaffen.quot;
âRaad, ja, dien zul je wel genoeg krijgen,quot; zeide de weduwe: âmaar hulp, daar komt het meer op aan. 't Kan met dat al geen kwaad, dat je al 't mogelijke beproeft: ik zal, wat mij betreft, inmiddels eens naar Mad. Puri gaan en het een en ander bij mekaar schommelen, dat Nicolette noodig kan hebben. Weet jij dan ook nog een mooi boek voor haar? Zij moet toch wat verstrooiing hebben, de arme ziel, en kan niet dag en nacht door zitten pieken.quot;
Zoo gezegd, zoo gedaan! Moeder en zoon verlieten het huis, weinig denkende, dat de bewoonster daarvan al den tijd van het bezoek aan de trap had staan luisteren, en door de alles behalve goed sluitende deur het geheele onderhoud, woord voor woord, had opgevangen.
16
â't Is zooals ik wel dacht,quot; mompelde zij bij zich zelve, nadat zij hen had zien vertrekken: â't is een kale boel, en, als ik niet oppas, dan word ik er nog het kind van de rekening bij. Daar zal ik ten minste voor zorgen dat ik niets op krediet haal.quot;
Wij zullen de waschvrouw uit No. 17 aan haar overpeinzingen overlaten, en de wed. Hermans vergezellen, die, aan de deur van Mad. Puri afscheid van haren zoon genomen hebbende, nu aan de modiste een omstandig verhaal deed van al het voorgevallene sedert zij elkander verlaten hadden. Niet gering was de deelneming, welke de goede vrouw op het vernemen van âzooveel leedsquot; aan den dag legde, al kon zij daarbij tevens niet verbergen, dat zij maar half gesticht was over Nicolettes besluit, om zich dus geheel aan de oppassing te wijden van zoo'n lichtmis als Galjart, dien men, zeide zij, haar niet behoefde te leeren kennen, dewijl hij, twintig jaar geleden, haar zelve, en later haar winkeldochters, wanneer die er goed uitzagen, het hof had gemaakt. â Dat zij echter, twintig jaar geleden, dienzelfden Galjart gansch zoo onaardig niet vond, achtte zij minder noodig er bij te vertellen. â Wat daarvan wezen mocht, zij verklaarde zich bereid, naar vermogen al datgene te doen, wat strekken kon om Nicolette van dienst te zijn, en te dien einde besloot zij, dien avond zelve eens naar haar toe te gaan. Aangezien zij, en niet zonder grond, vermoedde, dat het arme kind een sober middagmaal zou gehad hebben, nam zij eenige overblijfselen van het hare. als wat koud vleesch en een paar boekende koeken mee, en voorts nog, tot een versnapering, een paar fraaie druiventrossen: â verder, tot lafenis van den zieke, eenige citroenen, wat suiker, koffie, thee en een halve flesch wijn: â en eindelijk al hetgene zij begreep, dat Nicolette, 't zy aan lijfgoed, 't zij uit anderen hoofde zou behoeven; met welk boeltje zij in een vigilante naar het Schildburgerpad trok. Hier echter kwam zij het rijtuig niet uit, dewijl de dokter, die er nogmaals geweest was, de grootste stilte bij den zieke gelast had, en zelfs geknord, dat, behalve Nicolette, andere personen bij hem waren
17
toegelaten; doch zij liet het jonge meisje aan het rijtuig komen en stelde haar het medegebrachte ter hand, wat natuurlijk door Nicolette in dank werd aangenomen en voor 't oogenblik weder een gunstiger uitwerking had op de stemming van de vrouw des huizes.
Wat Albert betrof, zijn rondloop en had weinig resultaten opgeleverd. De enkele menschen, die hij in 't belang van Galjart had toegesproken, hadden er zich afgemaakt met de betuiging, dat zij er wel wat aan doen wilden, of op een lijst teekenen te zijnen voordeele, doch voor 't overige van oordeel waren, dat hij niets had dan 't geen hij verdiende : â Albert, alzoo gedaan hebbende wat in zijn vermogen was, wist nu aan zijn moeder geen anderen raad te geven dan dat zij aan Bettemie zou schrijven, en daarbij niet zoozeer het belang van Galjart als dat van Nicolette op den voorgrond stellen. Van een beroep op de dienstvaardigheid van den Heer Flinck kon geen sprake zijn; dewijl deze, op den morgen nadat Nicolette van huis was gegaan, plotseling een rijtuig had laten komen, en, met de boodschap, dat hij voor eenige dagen de stad verliet, zich naar den spoorweg had laten brengen.
Het was nu meer dan tijd voor Albert, zijn koffer te pakken, ten einde dien avond per spoor en verder per diligence naar Rotterdam te gaan en van daar, den dag daarna, zich naar Londen in te schepen.
Op dienzelfden Dinsdag-morgen, dat Albert van wal stak, vond Dr. Van Zevenaer, toen hij, volgens zijn gewoonte, te één uur na den middag thuis kwam van zijn tournée, om te vernemen of men hem ook hier of daar ontboden had, twee brieven aan zijn adres: de een was van den volgenden inhoud:
âAmsterdam, den 10den December 184.
âWeledele Zeer geleerde Heer!
âDeze is dienende om UEd. te informeeren als dat mijn zwager en gewezen Compagnon, de Heer Galjart, zeer ongesteld ligt in een huis op het Schildburgerpad No. 17, v. - k. z. 2
18
bij een waschvrouw. Daar UEd. hem vroeger altijd met geneeskundigen raad gediend hebt, en ik alzoo onderstel, hij dien ook wederom deze reis zal hebben ingeroepen, en UEd. misschien, uit aanmerking van 's mans verachterde zaken, zwarigheid zoudt maken hem dien te verleenen, ben ik zoo vrij, UEd. bij deze te verklaren, dat ik volkomen bereidwillig ben, de kosten daarvan te dragen, gelijk ook van de noodige medicamenten en kleine versnaperingen, die benoodigd mochten zijn. Wel heeft de man 't aan mij niet verdiend, en is alle betrekking tusschen hem en mij afgebroken, hebbende hij mij zeer onwaardig behandeld; doch wil dat alles vergeven en vergeten, om alleen te gedenken, hij eenmaal de echtgenoot is geweest eener mij dierbare, te vroeg (ofschoon gelukkig vóór hem) gestorven zuster, en voorts, dat de plicht der Christelijke barmhartigheid mij voorschrijft, hierin zonder aanzien des persoons te handelen.
âHopende, UEd. van dit mijn schrijven aan niemand, en allerminst aan den belanghebbende kennis zult doen dragen, en biddende, hij lang genoeg moge leven om tot inkeer te komen van zijn boozen weg, hebbe ik de eer mij met achting te noemen,
âUWEd. ZGels. Dw. Dienaar, âJ. Bleek Az.quot;
Niet volkomen rijmde de inhoud van dit schrijven met den hooghartigen toon, dien Bleek tegenover Albert had aangeslagen ; â doch hij was, na het vertrek van dezen, tot nadenken gekomen, en vervolgens, tot de slotsom, dat, indien hij Galjart geheel aan zijn lot overliet, iedereen hem den steen zou toewerpen. Om wezenlijk afdoende middelen van bijstand te verleenen, dat verbood hem echter zijn gierigheid: en zoo was hij er toe gekomen, een naar zijn oordeel al heel schrander uitgevonden middelweg te bewandelen, die hem op geen te groote onkosten jagen, en tevens ieders lof zou doen verwerven. Immers, hij hield zich overtuigd, dat Van Zeve-
19
naer, in weerwil van het hem gedane verzoek van geheimhouding, toch wel niet zoozeer het geheim zou bewaren, of de edelmoedigheid, door hem. Jan Bleek Az., betoond, zou eerlang de geheele stad worden rondgedragen. Van Zevenaer toch kwam overal.
âGaljart ziek!quot; zei Van Zevenaer bij zich zeiven: âen ik wist daar niets van! â dat is vreemd. Heeft schaamte over zijn armoede hem belet, om mij te zenden? of heeft hij een ander geneesheer ingeroepen? â En die Bleek met zijn quasi-barmhartigheid! Zulk volk is onuitstaanbaar, en zou iemand een hekel doen krijgen aan al wat weldoen heet. Zeker denkt zoo'n vent, dat, als hii den zwager, dien hij uitgekleed heeft, nu met wat drankjes en potjes bijstaat, hij zich voor 't geld, dat die kosten, een balkonplaats in den hemel koopen zal. â Intusschen, wat kan ik aan 't geval doen, zoolang de zieke zelf mij niet roepen laat, en ik niet weet of ik hem welkom ben?quot;
De andere brief, dien hij ontvangen had en nu opende, gaf antwoord op deze vraag.
âDinsdag-morgen.
âGeachte Confrater!
âL.l. Zaterdag-avond werd ik uit den schouwburg geroepen, om hulp te verleenen aan den Heer Galjart, die een toeval buiten de poort gekregen had. Ik heb hem tot gisteravond bezocht; doch vernemende, dat UEd. zijn gewone geneesheer waart, acht ik het plicht, u de verdere behandeling van den patiënt over te laten: het zou mij slecht passen, onder eens anders duiven te schieten, vooral niet waar het een zoo achtenswaardigen ambtsbroeder betreft, en die bovendien de constitutie en leefwijze van den patiënt beter kent dan ik.quot;
Hier volgde een opgave der ziekteverschijnselen, die de schrijver bij den zieke had waargenomen, der middelen, die
20
hij hem had voorgeschreven, enz., alles heel geleerd, doch dat aan onze lezers, voor zooverre zij niet van 't vak zijn, weinig belang zou inboezemen; â de brief eindigde als volgt:
âHet is mij voorgekomen, dat de Heer G. al zijn leven een minnaar is geweest van de schoone sekse, en deze vergeldt het hem dan ook; althans, behalve een aardig weeuwtje, dat ik er heb aangetroffen, en nog een dame, die, hoor ik, naar hem is komen informeeren, heeft hij van den beginne af een verpleegstertje bij zich, zoo lief en bevallig, dat men er een ziekte voor zou veinzen, ten einde haar gezelschap te genieten, en het daarom alleen mij spijt, dezen patiënt aan u te moeten afstaan. â Steeds hoogachtend, enz.quot;
âHm! 't een of ander liefje van hem,quot; bromde Van Zeve-naer: ânu ja, dat weten wij eenmaal: de vrouwen over 't algemeen deugen niet veel; maar om zieken op te passen, zijn zij geboren. Zij zullen er geen been in zien, een man te bestelen, te bedriegen, te tergen, hem desnoods een pan naar 't hoofd te smijten of den neus af te bijten; maar, is hij ziek, dan passen zij hem op. â Hm! Wat mijn geëerde confrater mij daar vertelt van Galjart, bevalt mij niet: 't is braaf van hem, dat hij mij waarschuwt; ofschoon ik er nog niet zeker van ben, dat hij 't gedaan zou hebben, indien Bleek aan hem geschreven had, wat hij aan mij schrijft. â Nu! al ware de kieschheid, die hij in deze betoont, het gevolg eener niet onnatuurlijke vrees voor wanbetaling, dan kan ik het hem nog zoo erg niet ten kwade duiden: 't klinkt machtig mooi, zijn praktijk uit pure menschenliefde waar te nemen; doch dat convenieert op den duur alleen de zoodanigen, die genoeg declaratiën bij vermogende patiënten inleveren, om er de nonvaleurs mee te vergoeden; en 't is in allen gevalle voor den zieke gelukkig, dat onze maat mij 't veld ruimt; want wat hij hem heeft toegediend, zou op den duur alleen gestrekt hebben om hem wat spoediger en zekerder
I
«**»
I 21
naar de haaien te helpen. â Kom! â wij zullen dan ook maar dadelijk naar hem toe rijden.quot;
Nicolette zat ondertusschen met smart naar de komst van den dokter te wachten. De toestand van den zieke was voortdurend onrustwekkend; wel was het hoofd bedaarder: wel scheen het Mcolette bijwijlen toe, dat hij haar herkende; doch spreken in verstaanbare taal deed hij nog niet, en 't was alleen, door hem voortdurend gade te slaan, door naar elke ademhaling te luisteren, door elke beweging van hand of lippen op te merken, dat zij raden kon wat hij verlangde of behoefde: geen dochter kan haar vader, geen gade haar echtgenoot met meer zorg en liefde verplegen, dan zij het haar pleegvader deed; doch met hoe grooter teederheid zij hem wenschte te verzorgen, hoe grooter haar vrees was, dat die zorg onnut zou zijn, en hoe langer hoe meer begon het uitblijven van den geneesheer, die anders vroeg in den morgen kwam, en er nu, daar 't reeds lang één uur was, nog niet verschenen was, haar bekommernis te wekken. De geneesmiddelen waren opgebruikt, en zij wist niet, of zij er nieuwe bestellen moest; ook andere verschijnselen, o. a. een booze kuch, die zich vroeger niet zoozeer, maar na zijn vertrek aanhoudend had voorgedaan, beangstigden haar en deden haar onderstellen, dat de kwaal een andere wending nam en dus andere middelen vorderde. Al peinzende over de redenen, die den geneesheer konden verhinderd hebben, op den gewonen tijd te komen, gevoelde zij zich plotseling door de vrees bekropen, dat de man, eenmaal tot de overtuiging geraakt zijnde, dat er aan dezen zieke noch eer noch voordeel te behalen was, hem aan zijn lot zou overlaten. Daar hoorde 1 zij op eens een rijtuig voor de deur ophouden; zou dat de
*4» dokter zijn? â neen, die was tot nog toe altijd te voet
gekomen: Juffw. Hermans was zij niet wachtende dan tegen den avond: wie kon de bezoeker wezen? â Zij hoorde het portier dichtslaan: een mansstem een paar woorden wisselen met de vrouw beneden, en een mansstap op de trap: dat moest toch de dokter zijn! en daar ging de deur open:.. ..
22
't was ook de dokter; maar, in plaats van dengeen, dien zij verwachtte, was het Van Zevenaer, die voor haar stond.
Indien, toen zij oprees, haar gelaat de kenteekenen van verbazing en ontsteltenis vertoonde over de onverwachte verschijning, niet minder vreemd keek Van Zevenaer op, toen hij zag, wie de verzorgster was, van welke zijn confrater hem geschreven had. Hij bleef een oogenblik aan de deur staan, terwijl een wolk zijn voorhoofd bedekte.
âKlaasje! jij hier verzeild!quot; zeide hij, haar scherp aanziende.
âMijnheer Van Zevenaer!quot; riep Nicolette uit, en toen, de oogen naar de bedstee slaande: âmoet ik dan,quot; vroeg zij, âgeen zorg dragen voor hem, die zoo trouw voor mij gezorgd heeft?
âWel! daarvan later!quot; zei Van Zevenaer, die, niet gewoon zijnde, aan een ziekbed over iets anders te praten, dan over de kwaal van den lijder, reeds zijn blik weder van Nicolette afgewend en op het bleeke gelaat van Galjart gevestigd had, waarna hij dezen den pols vatte en een wijl aandachtig gadesloeg. Toen bukte hij over hem heen, om naar zijn ademhaling te luisteren, en zeide vervolgens met luide stemme:
âHoe is 't. Frits! â Ken je mij nog?quot;
De zieke deed even de oogen open, zag Van Zevenaer aan, poogde te spreken, doch zijn woorden smoorden in een hoestbui, â Haastig nam Van Zevenaer een doek, veegde daarmede den mond des lijders af en overtuigde zich op die wijze,
dat hij bloed opgaf.
âHeeft hij veel van die hoestbuien?quot; vroeg hij toen aan
Nicolette.
âSedert van morgen eerst,quot; antwoordde deze.
âZoo! â Sedert wanneer ben je bij hem?quot;
âSedert Zaterdagavond.quot;
âEn je hebt hem niet verlaten?quot;
âNeen, Mijnheer.quot; _ .
^jjm! _ ik dacht het reeds: hier is een complicatie van
kwalen. â Vertel mij nu eens, wat je alzoo bij hem hebt opgemerkt: mijn confrater, die den patiënt aan mij heeft overgedaan, heeft er mij schriftelijk wel 't een of ander van mede-
23
gedeeld; maar ik wenschte het nog wel wat omstandiger te hooren.quot;
Nicolette gaf hem het verlangde verslag, en daarbij het antwoord op verschillende vragen, die de arts, naar aanleiding daarvan, tot haar richtte.
â't Is wel!quot; zeide hij, âik dank je: ik zie, dat je een uitmuntenden aanleg hebt om pleegzuster te worden.quot;
âInderdaad?quot; vroeg Nicolette, terwijl haar oogen tintelden van genoegen.
Wederom zag Van Zevenaer haar scherp aan, zeide niets, doch schreef twee recepten op.
âIs,quot; zei hij, toen hij gedaan had, âdie vrouw onder nogal gedienstig, en worden de boodschappen nogal vlug verricht?quot;
Nicolette schudde zwijgend het hoofd en haalde de schouders op.
âHm!quot; zei Van Zevenaer: âik merk al, hoe het hier gelegen is: aha!quot; vervolgde hij, de etiquette beziende, die aan de ledige drankflesch zat: âik zie, waar de vorige middelen gehaald zijn: ik zal dan zelf wel bij den apotheker aanrijden. Luister nu! â Vooreerst geen medicijnen meer: geen citroenen of zuren : wat gerstewater met eenige droppels van een tinctuur, die de apotheker bezorgen zal: â voorts zuurdeeg aan de voeten, en gestadig warme pappen van haverdegort op de borst: â ik zal dat aan die vrouw beneden wel op het hart drukken: â en dan, van deze poeiersquot; â hier wees hij op het andere recept, âneem jij vier op een dag in.quot;
âIk, Mijnheer?quot; vroeg Nicolette verwonderd: âmaar ik ben niet ziek.quot;
âZoo!quot; zeide hij: â ânu! des te beter; maar die poeiers neem je maar in, hoor,quot; en toen, haar den pols voelende: âje hebt een schrik gehad, meid,quot; zeide hij.
âJa, Mijnheer,quot; zeide zij, âde verrassing van u zoo onverwacht hier te zien, heeft misschien gemaakt, dat mijn pols wat sneller gaat.quot;
âWel mogelijk,quot; hernam hij: âmaar er is meer: je bent niet in je normalen toestand, en je moet voor je gezondheid zorgen, anders heb je gauw zelve hulp noodig, evenals die daar.quot;
24
â'tis waar,quot; zeide Nicolette: âik heb een zware ziekte gehad, toen ik in... . in Den Haag was; maar ik ben nu
reeds lang weer beter.quot;
âJa: dat kan zijn: maar je hebt die ziekte niet genoeg uitgevierd, en nu heb je öf kou gevat öf een schrik gehad; wie is je dokter geweest in Den Haag?quot;
âIk weet niet, hoe hij heette,quot; antwoordde Nicolette, terwijl een vluchtig rood haar wangen bedekte: âhij is dokter in.... in dat huis, waar zij mij gebracht hadden: â zij hebben hem gehaald, terwijl ik in ijlende koortsen lag: en dewijl ik er vandaan gegaan ben zonder hem te zien, weet ik niet, hoe hij heet; maar ik ben inderdaad heel wel.quot; â Hier weersprak een kuchje haar woorden.
âHeel goed,quot; zei Van Zevenaer, het onnoodig achtende, verder over dat punt te redekavelen: âje neemt die poeiers: en voorts eet je een dozijn gedroogde vijgen daags en vermijdt allen heeten en aangezetten kost: â en aangezien ik niet weet, of je genoeg bij kas bent om te bekostigen wat noodig is voor den patiënt en voor u â zoo heb je hier een paar muntjes, die je provisioneel er wel door zullen helpen.
Neen, je behoeft er mij niet voor te danken, 't is geld, dat my verstrekt is door den Heer Bleek, die zeker van oordeel is, dat hij, zoowel aan zijn zwager als aan u, nog een oude schuld heeft af te doen. â Vaarwel! ik kom van avond terug.quot;
En meteen was hij de deur uit en de trap af, waar hij aan de vrouw des huizes, die nem wachtende was, de noodige vermaningen en onderrichting gaf.
âMeneer, een woordje assieblief,quot; zei de vrouw, toen hij zich gereedmaakte, de voordeur weder uit te gaan.
âNu, wat is 't?quot; vroeg hij, gehaast.
â'tls maar, dat ik wel weten wou, of het lang met den
zieke duren zal.quot;
âIk hoop van ja,quot; antwoordde Van Zevenaer: âwant ik zal mijn best doen om hem weer beter te maken, en de herstelling zal langzaam gaan. Maar waarom vraag je dat?
â'tls maar, ik had in dat geval liever, dat ze hem naar
25
't gasthuis brachten. Ik heb toch al gemerkt, dat de man zoo kaal is als de mieren; en wat heb ik 'an een commissaal, die mij niet betalen kan en nog een boel geloop en beslommering geeft op den koop toe? â En die Juffrouw, die bij hem is, zal 't mij ook niet vergooien; zij is, geloof ik, nou al mooi ten achteren, en met haar naaiwerk zal zij wel zoo veul niet verdienen, dat zij er haar lommerdbriefjes mee kan inlossen.quot;
âLommerdbriefjes!quot; herhaalde Van Zevenaer.
âWel ja! Heb ik niet, toen zij dat ijs noodig had om cp zijn hoofd te leggen, en die bloedzuigers gezet moesten worden, een fiessu en een brossie voor haar naar den lommerd moeten brengen, om den banketbakker en den apotheker mee te betalen ?quot;
âZoo!quot; zei Van Zevenaer, peinzende: âen hoeveel heb je daarop ontvangen?quot;
âDertien gulden en vijf en dertig cents,quot; antwoordde de vrouw.
âNu! weet je wat, hier zijn twee tientjes. Zorg, dat je die dingen terstond weer lost en ze my van avond ter hand stelt. En wees voor 't overige niet bevreesd, dat je niet aan je geld zult komen; die commensaal van je is van een deftige familie, en die 't hem wel aan niets zal laten ontbreken.quot;
âO! dat verandert,quot; zeide de vrouw, wier oogen tintelden op het zien van het goud. âIk bedank Mijnheer wel: er zal niets aan mankeeren; daar kan Mijnheer gerust op wezen.quot;
âZij verpandt haar kleeren om aan den zieke de noodige lafenis te verschaffen,quot; dacht Van Zevenaer, terwijl hij in zijn koets stapte: ânu, zij moge dan domme streken hebben gedaan, zij is in allen gevalle goedhartig en dankbaar. Trouwens, zulke contrasten zijn niet zeldzaam: en 't zou ook wel ongelukkig ^zijn, dat, omdat men in 't eene zondigt, men 't in 't andere ook juist moest doen. â 't Is jammer van de meid! en dan die kuch!quot; â en, het hoofd schuddende, keek hij zijn lijstje na, en reed verder.
26
DERDE HOOFDSTUK.
deenkela.ee zoekt gunst bij flinck.
Drenkelaer had de mededeeling ter harte genomen, die hem door Bleek was gedaan en, naar aanleiding daarvan, zijn familie-papieren nog eens nagekeken, en getracht ook omtrent Flinck eenige narichten in te winnen. Wel woonden er te Marlheim en in de nabijheid enkele Oosterlingen; doch die kenden den man weinig anders dan bij geruchte; maar het toeval was hem gunstig geweest, door juist op dat tijdstip iemand naar Marlheim te brengen, die beter in staat was hem in te lichten, t. w. onzen vriend Donia. Reeds in een vorig Hoofdstuk hebben wij met een enkel woord gewag gemaakt van diens voornemen, om, wegens bijzondere belangen, zich een wijl in gemelde stad op de houden. Verschillende omstandigheden hadden echter hem belet, dit vroeger te volvoeren, en 't was eerst in 't laatst van November, dat hij aan zijn plan gevolg had kunnen geven. Het waren voornamelijk stukken in het Stads-archief, die hij had na te sporen, en dewijl dit, gelijk toen ter tijd nog in vele gemeenten het geval was, zich in alles behalve behoorlijke orde bevond, had hij de voorlichting noodig van iemand, die hem, althans eenigszins, in dat doolhof den weg kon wijzen. Onder de stedelijke ambtenaren was zoo iemand niet te vinden; doch men verwees hem, op zijn vraag, naar Drenkelaer. Deze, van jongs af een vriend van in oude papieren te snuffelen, waar, naar zijn gedachte, altijd nog wel 't een of 't ander uit te halen was, daar men later partij van kon trekken, had zich sedert zijn komst te Marlheim een vlijtig bezoeker van 't archief betoond en, was ook de lofspraak niet groot, hij was er beter dan iemand in thuis, 't Spreekt van zelf, dat hij iemand als Donia, wiens genegenheid en gunst niet te versmaden waren, met de grootste bereidwilligheid zijn diensten aanbood en hem naar vermogen voorthielp: het even natuurlijk gevolg hiervan was, dat tusschen
27
hen beiden een groote gemeenzaamheid was ontstaan. Niet slechts was Donia hem erkentelijk voor de hulp, die hij van hem had ontvangen, maar hij had zelfs achting gekregen voor den jongeling, die zoo bekwaam en tevens zoo bedaard en geregeld in zijn levenswijze was, en dit had dan ook invloed op de wijze, waarop hij, als wij gezien hebben, zijn ouden vriend Van Zevenaer antwoordde, toen deze hem zijn meening aangaande Drenkelaer vroeg. Drenkelaer gevoelde dus evenmin schroom, aan Donia inlichtingen aangaande Flinck te vragen, als Donia, hem die te geven. Die inlichtingen kwamen hierop neer, dat de oude man wel als ongemakkelijk en eigenzinnig, bij velen zelfs als ondraaglijk, te boek stond, maar tevens als strikt eerlijk en rechtvaardig. Dat hij dien naam verdiende, daarvoor kon Donia instaan, die eerst als commies aan 't Gouvernement, later in hooger waardigheden, in de gelegenheid was geweest, den heer Flinck in zijn handelingen te leeren kennen. Hieruit leidde Drenkelaer af, dat een man, gelijk men hem afschilderde, ongetwijfeld niet in staat kon zijn geweest, wederrechtelijk gelden onder zich te houden, die hem niet toekwamen, en hij achtte het een zaak, aan Donia, zonder Bleek te noemen, te verhalen, waarvan men den Heer Flinck verdacht hield, en welk belang hij, Drenkelaer, persoonlijk bij de zaak had, en tevens het oordeel van zijn hooggeplaatsten vriend aangaande deze zaak te vragen.
âIk herinner mij,quot; zei Donia, die aandachtig geluisterd had naar het verhaal van Drenkelaer, âdat, toen ik niet lang in de Oost was â 't zal nu elf of twaalf jaren geleden zijn, de Heer Flinck mij verzocht heeft, hem een advocaat te Amsterdam aan te bevelen, die hem hielp, de afdoening te bevorderen van een proces, betreffende de nalatenschap zijner voor jaren reeds gestorven vrouw, en dat de toen overleden Advocaat Mosch aldaar wat versloft scheen te hebben, â en dat hij toen, op mijn raad, zich tot mijn vriend Hoogenberg gewend heeft. Ik onderstel, dat gemeld proces betrekking zal gehad hebben tot de zaak, waarop door u gedoeld is, en dewijl de Heer Flinck mij later wel betuigd heeft, zeer tevreden geweest te zijn over
28
de wijze, waarop Hoogenberg zijn belangen had behartigd, en laatstgemelde bovendien bekend staat als een man, die van afdoen houdt, zoo onderstel ik, dat er een einde aan de zaak gekomen is. Dat durf ik bovendien gerust beweren, dat Hoogenberg zich nooit er toe zou hebben laten vinden, in 't belang van zijn cliënt, jegens wie ook, onrecht te plegen: en ik meen daaruit als slotsom te mogen opmaken, dat wijlen uw vader, of geen aanspraken had op het bedoelde legaat, öf dat hij ontvangen heeft wat hem toekwam. Voor 't overige is, naar ik begrijp, de zaak van genoegzaam belang voor u, om een nader onderzoek te verdienen, en zou ik niet verlangen dat door u in deze alleen op mijn meerhng werd afgegaan.quot;
Het dilemma, door Donia gesteld, kwam intusschen aan Drenkelaer volkomen juist voor, en daarentegen de verwachtingen, hem door Bleek voorgespiegeld, hoe langer hoe meer hersenschimmig; ja, hij had reeds bij zich zeiven het voornemen opgevat, aan dezen te schrijven, en in zijn brief ronduit te verklaren, dat, zoolang er geen krachtiger bewijsstukken tot staving zijner aanspraken werden gevonden, dan die tot heden bestonden, hij zijn naam in geen proces wilde zien figu-reeren, toen hij onverwachts een ontmoeting had, waarvan de gevolgen aan de zaak een andere wending gaven.
Drenkelaer was gewoon, zijn middagmaal te gebruiken aan de open tafel van 't hotel De Eenhoorn, in 't welk ook Donia gehuisvest was. Nu gebeurde het, op denzelfden dag, waarop zij het zooeven vermeld gesprek hadden gehouden, dat onze substituut-griffier, door de plichten van zijn ambt langer dan gewoonlijk opgehouden, niet aan den disch verscheen, dan toen de soep reeds weggedragen en het rundvleesch rondgediend was. Hiervan was het gevolg, dat hij, na een vluch-tigen groet met zijn naaste buren gewisseld te hebben, zich haastte zijn schade in te halen, en, eerst na zulks verricht te hebben, zich den tijd gunde, rond te zien en op te nemen, welke gasten er al zoo, behalve de habitués uit de burgerij en 't garnizoen en andere bekenden, als o. a. Donia, aan den disch aanwezig waren. Zijn oog viel, de rij afgaande, het eerst
29
op een reeds bejaard heer, die naast Donia gezeten en met dezen in gesprek was, en die â wat de opmerkzaamheid der gewone dischgenooten trok, ja, wij zouden bijkans zeggen, bij hen niet weinig eerbied voor den man verwekte â een flesch portwijn dronk. Verder rondkijkende, ontdekte Drenkelaer, aan het benedeneinde van de tafel, nog een onbekend gezicht, 't welk toebehoorde aan een heer met pijjakker, die voor drie at, en een halffleschje nuttigde.
De table d'hote in De Eenhoorn was in den regel zeer eenvoudig, en in overeenstemming met de geringe som, die de habitués betaalden: zij liep dan ook spoedig af, en de meeste gasten, na hun servet door een ring gehaald, een sigaar opgestoken en een korten groet met hun buren gewisseld te hebben, dropen één voor één af. Ook de man met den pijjakker was opgestaan, en, den stoel van den ouden Heer naderende, zeide hij tot dezen:
âNu, Mijnheer Flinck! zooals afgesproken is, morgen te zeven uren het rijtuig, nietwaar?quot;
âIk zal je wachten. Mijnheer Klabbe,quot; was het antwoord.
âFlinck!quot; herhaalde Drenkelaer bij zich zeiven: âzou dat werkelijk de man in quaestie zijn?quot;
Mijnheer Klabbe verliet hierop de gelagkamer, en de oude Heer, zich tot Donia wendende, vroeg:
âZou de koffie hier drinkbaar wezen?quot;
âIndien Mijnheer mij vergunt, hem een kopje aan te bieden,quot; zei Donia: âde knecht weet hoe ik die gewoon benquot; â en toen, Drenkelaer aanziende: âvoor u een. Mijnheer Drenkelaer?quot;
âHet zou mij kwalijk voegen, complimenten te maken tegenover den Heer Van Donia,quot; antwoordde deze.
âDrie kop koffie. Jan!quot; riep Donia en keek toen steelswijze Drenkelaer aan, hem met den blik naar Flinck wijzende, als wilde hij zeggen: âdat is nu de man, naar wienje mij gevraagd hebt; verlang je aan hem te worden voorgesteld of niet?quot;
âEn denk je werkelijk morgen zoo vroeg op reis te gaan?quot; vroeg hij toen aan den ouden man.
âWelzeker,quot; antwoordde deze: âde dagen zijn kort, en als
30
men wat zien wil, moet men gebruik maken van den tijd, dat men zien kan.quot;
âZeer waar,quot; zei Donia: âmaar te zeven uren kan men nog niet zien en, tenzij ik een heel goeden koetsier had, en dan nog vooruit wist, dat hij den straatweg hield, zou ik mij niet dan met klaarlichten dag buiten Marlheim vertrouwen.quot;
âHm! dat is de zaak van mijn reisgenoot, zei Flinck: âdie weet overal den weg, en die heeft het rijtuig besteld.quot;
â't Is zeker,quot; zei Drenkelaer, zich op bescheiden toon in het gesprek mengende, âdat de zijwegen, in dit seizoen vooral, niet best te vertrouwen zijn: ik kan bij ondervinding spreken: immers, niet later dan zooeven ben ik met den rechtercommissaris van Schamhove gekomen, en wij hebben vijf- of zesmalen gevaar geloopen onzen hals te breken.quot;
âEi wat, jong mensch,quot; zei Flinck, âals je, gelijk ik in mijn tijd, door de bosschen van Oost en West gekruist hadt, op houten karren met buffels en voor, over wegen, die gehakt, en, zoo 't heette, gebaand werden naarmate je er op vorderde, dan zou je van de wegen hier in 't land niet praten.quot;
âVerschoon mij. Mijnheer,quot; zei Drenkelaer, âzoo ik met mijn waarschuwing te onbescheiden of althans te voorbarig ben geweest. Ik zal dan alleen mijn bewondering er over betuigen, dat iemand van uw leeftijd zooveel meer moed en onverschrokkenheid betoont dat een jong mensch als ik; want ik beken gaarne, dat ik mij daar op die zijwegen, in dit seizoen althans, zeer weinig op mijn gemak bevind.quot;
â't Is de gewoonte,quot; zei Donia.
âJa, en bovendien,quot; zei Flinck: âzoo'n jong mensch, die nog schik in zijn leven heeft, die heeft er met recht meer bezorgdheid voor, dan een ouwe kerel als ik, daar niets aan verbeurd is, en die geen familie heeft om over hem te treuren.quot;
âGeen familie. Mijnheer!quot; herhaalde Drenkelaer, hem aanziende met een glimlach, die zooveel zeggen wou, als: âdat zou ik u anders kunnen beduiden.quot;
31
âNeen,quot; zei Flinck: âof weet jij er mij altemet aan te wijzen ?quot;
âMisschien wel!quot; antwoordde Drenkelaer: âwat zou Mijnheer b. v. zeggen van zulk een neef als ik ben ?quot;
âEen neef; jij? En wie ben je dan?quot;
âAls Mijnheer Van Donia zoo goed wilde zijn, mij officieel voor te stellen?quot; zei Drenkelaer.
âMij dunkt, mijn tusschenkomst was hier onnoodig, nadat je al eenigermate u zelf hadt voorgesteld,quot; zei Donia: âdoch indien je vindt, dat uw naam in mijn mond beter klinkt dan in den uwen, per me licet1): â Mijnheer Flinck! ik heb de eer, u Mijnheer Drenkelaer voor te stellen, substituutgriffier bij de rechtbank alhier.quot;
âDrenkelaer!quot; herhaalde Flinck: âjawel! die naam is mij bekend: â je bent toch geen zoon van Sara Wayland?quot;
âHaar kleinzoon. Mijnheer,quot; antwoordde Drenkelaer.
âHm! zoo! â dus een neef van wijlen mijn vrouw,quot; mompelde de grijsaard, terwijl hij den jongeling met een blik vol achterdocht beschouwde: âja, 't spijt mij voor jou; maar die betrekking is afgestorven.quot;
âWel!quot; zei Drenkelaer lachende, die wel bemerkte, waar de schoen den ouden man wrong: â des te eer durf ik mij bij u op mijn neefschap beroepen; want van een blooten neef in naam kun je niet verwachten dat hij met baatzuchtige oogmerken tot u komt.quot;
âDat zou mij in allen gevalle vrij onverschillig zijn,quot; zei Flinck: âwant ik heb geen plan, eenigen neef van mij te verrijken.quot;
âWie weet!quot; zei Drenkelaer, wederom met dieuzelfden geheimzinnigen lach.
âIk geloof,quot; viel hier Donia in, âdat het mijn tijd wordt. En bovendien, de heeren schijnen familiezaken te willen afhandelen. Ik heb alzoo de eer, u te groeten.quot; â En, zijn hoed nemende, schudde hij de hand van Flinck, en wierp, in 't heengaan, aan Drenkelaer een blik toe, die zooveel
1
) âIk mag het lijden.quot;
32
zeggen wilde: âje hebt nu de gelegenheid; verzuim niet, er gebruik van te maken.quot;
âIk weet niet wat je bedoelt, jong mensch,quot; zei Flinck: âals het je plan is, mij raadseltjes op te geven, moet ik je van te voren zeggen, dat ik alles behalve slag heb van raden.quot;
âMijnheer!quot; vroeg Drenkelaer, na rondgekeken te hebben: âkent UEd. den Heer Jan Bleek?quot;
Het hooren van dezen naam maakte op den ouden man denzelfden indruk, als had men een pistool naast hem afgeschoten : en gewis zal zulks den lezer geen verwondering baren, die reeds vermoed heeft, dat hij â de oude Flinck namelijk, en niet de lezer â naar Marlheim gereisd was met geen ander doel, dan om in persoon die gronden op te nemen, waarvan Bleek hem gesproken had, tot welken einde hij Klabbe, die hem door Hoogenberg aanbevolen was, had met zich genomen, om hem bij dat onderzoek als deskundige ter zijde te staan. Dewijl hij te Amsterdam aan niemand had gezegd waar hij heenreisde, en te Marlheim aan niemand het doel zijner komst had medegedeeld, moest het hem verrassen, dat de naam van Bleek hem reeds een uur of drie na zijn komst in 't oor werd gefluisterd: hij kon natuurlijk niet anders denken, of het doel zijner komst was aan Drenkelaer verraden, die, zijnerzijds van den prins geen kwaad wetende, niet begreep, hoe zijn doodeenvoudige vraag zulk een indruk op den grijsaard kon maken, en evenmin vatte hij iets van de wedervraag, die deze hem deed:
âHoe bl..... weet je dat?quot;
âIk weet niets. Mijnheer!quot; antwoordde Drenkelaer: âalleen wenschte ik u maar te zeggen, dat die Bleek een man is, voor wien Mijnheer op zijn hoede moet zijn.quot;
Flinck zag den spreker aan, als wilde hij zeggen: âje behoeft mij niet achterdochtiger te maken dan ik van nature reeds ben,quot; en toen overluid: âik herzeg, wat weet jij van mijn relaties met Bleek, en wie heeft je verteld wat ik hier kom doen?quot;
33
âIk weet niets van het een noch van het ander,quot; antwoordde Drenkelaer: âalleen dit weet ik, dat gemelde Bleek, op wat wijze dan ook, met geheimen bekend is, die uw familie en uw fortuin raken, en van zijn wetenschap misbruik wil maken tot eigen voordeel.quot;
âZoo!quot; zeide Flinck, een doordringenden blik op den spreker vestigende.
âJa, Mijnheer! â Hij wilde mij aansporen, dat ik u een proces aandeed als eenige gerechtigde tot zekere gelden, herkomstig uit de nalatenschap van James Wayland, overleden in de Berbice, in den jare 180.â en welke gelden, volgens zijn beweren, nog voortdurend onder uw beheer zouden zijn.quot;
âInderdaad?quot; vroeg Flinck.
âWat mij betreft,quot; ging Drenkelaer voort: âik had den Heer Flinck hooren beschrijven als een man van strenge eerlijkheid, en zeide dus tot mij zeiven; 5f er viel niets te verantwoorden, omdat er niets was, of de verantwoording heeft voorlang plaats gehad.quot;
âWel waarlijk?quot; vroeg Flinck, met een bedaardheid, die Drenkelaer bijna van zijn stuk zou gebracht hebben.
âIk zou dus in geen geval toegestemd hebben in het voeren van een proces; alleen heb ik den man eenigszins laten uitkomen met zijn plannen, om te zien, hoeverre hij de onbeschaamdheid drijven zou. â Verbeeld u, hij wilde dat proces voor mij voeren, onder voorwaarde, dat wij hetgeen er van kwam, te zamen deelden.quot;
âNu!quot; zei Flinck, âdan kan ik u op mijn woord verzekeren, dat hij er zijn vingers niet blauw van tellen zal.quot;
Drenkelaer, die bij Flinck of een opwelling van gramschap of eenige ongerustheid had verwacht, keek een weinig zuinig, toen hij bespeurde, dat noch het een noch het ander het geval was en zijn mededeeling geen trek op het perkamenten gelaat des grijsaards in beweging bracht. â â't Is net als ik reeds dacht,quot; zei Drenkelaer: die nalatenschap is verrekend.quot;
âJe schijnt mij toe, een zeer voorzichtig jong mensch te zijn. Mijnheer Drenkelaer,quot; zeide Flinck, met een spottenden
v. - k. z. .
34
glimlach: âzoo'n proces is onzeker, en te moeten deelen met een ander is ook niet plezierig: je zoudt dus eigenlijk meer geneigd zijn, mij een soort van trans-actie te komen aanbieden, en de zaak onder ons te schikken en tot een besluit te brengen, is 't niet zoo?quot;
Drenkelaer was beurtelings rood en bleek geworden, toen hij bemerkte, dat Flinck zoo volkomen zijn geheele plan had doorgrond. â Hij behoorde echter niet tot die menschen, die zich zoo spoedig uit het veld laten slaan, en besloot daarom liever ronduit voor den dag te komen met hetgeen hij toch niet meer verbergen kon.
âWel!quot; vroeg hij: âindien dat nu zoo eens ware, had ik dan zoo groot ongelijk? Stel u eens in mijn plaats, Mijnheer Flinck. Ik ben een arme duivel van een substituut, die van een traktement, als waarvoor men nauwelijks een kantoorklerk heeft, nog een vierde voor 't pensioenfonds moet laten staan: en nu komt mij daar op eens iemand aan boord en vertelt mij, dat ik nog een erfenis te goed heb, waar ik nooit van gedroomd had. Zou Mijnheer dan niet, evenals ik, van oordeel zijn geweest, dat die mededeeling wel verdiende met ernst overwogen en behartigd te worden? Maar ook zou Mijnheer evenzeer, bij eenig nadenken, tot dezelfde gevolgtrekking zijn gekomen als ik: âof die erfenis komt mij werkelijk toe, en dan bestaat er geen reden, daarvan aan een derde, die er niets mee te maken heeft, meer af te staan dan een behoorlijk cadeau, of de zaak is een mystificatie, en dan moet ik zorgen, er niet in te loopen en mijn naam niet te mengen in eenige dwaze procedure,quot; â en zou Mynheer dan niet, evenals ik, tot de slotsom komen: â't Is beter ruiterlijk tot den man zeiven te gaan, dien 't aangaat, en die mij zeggen kan wat er van de zaak is?quot;
âEn heeft,quot; vroeg Flinck, zonder op de gedane vragen te antwoorden, âdie Bleek u eenig bewijs ter hand gesteld, dat klem moest geven aan het praatje, dat hij u vertelde?quot;
âGeen ander dan een kopie van een geslachtsregister en eenige datums van brieven: ik heb ze opgeteekend: â hier zijn zij.quot;
35
âMooi! â En wanneer is hij bij u geweest?quot;
âDat mag nu omstreeks drie weken geleden zijn.quot;
âKeurig! â Ik zie al, hoe de vent achter zijn wetenschap gekomen is. â Apropos! ben je ook bekend met de Brallemer-heide: hier twee of drie uren vandaan ?quot;
't Was nu de beurt van Drenkelaer om vreemd op te zien bij de hem gedane vraag, en hij stond een oogenblik als stom.
âHoe nu?quot; vervolgde Flinck: âis mijn vraag zoo vreemd, dat je mij aankijkt, of je 't te Keulen hadt hooren donderen?quot;
âInderdaad, Mijnheer!quot; stotterde Drenkelaer: âhet gebeurt zoo zelden, dat iemand daarheen wenscht te gaan, en____quot;
âSpookt het er dan?quot; vroeg Flinck, spottende.
âDat weet ik niet,quot; antwoordde Drenkelaer, âofschoon, 't is een oord, waar men hier, evenals elders naar de Mookerheide,
de lieden heenwenscht, aan wie men niet veel goeds gunt:____
maar het is niet alleen uw verlangen om dat oord te bezoeken, dat mij verbaast, 't is, dat juist de Heer Bleek, dezelfde, van wien ik zooeven sprak, toen hij hier was, er ook is heengetrokken.quot;
âJuist!quot; zei Flinck, op een sarcastischen toon: âhij had er afspraken te maken met zijn vrienden Krijn Meeuwis en Hannes Knevelbaard.quot;
âMijnheer weet dus....quot; stamelde Drenkelaer, meer en meer verbaasd.
âZeker -lieden, hem door u aanbevolen: of kende hij ze van vroeger?quot; vroeg Flinck.
âIk heb hem gewaarschuwd, dat het een paar schoften waren, die voor een steekpenning hun vader aan de galg zouden praten.quot;
âHm! zoo!quot; hernam Flinck: ânu! wij zullen tijd hebben, dat punt nader te behandelen, indien je namelijk er niet tegen opziet, mij morgen op die reis te vergezellen.quot;
Nogmaals zag Drenkelaer vreemd op, en keek den ouden man even aan, als wilde hij vragen of 't wel meenens was.
âOf ben je bang voor den slechten weg?quot; vroeg Flinck, spottend.
36
Neen, voorwaar,quot; antwoordde Drenkelaer: âwaar Mijnheer ziek waagt, waag ik mij ook. 't Is maar, ik zal van avond eenige schikkingen moeten maken met mijn griffier, wan de dag is er mede gemoeid; en wie daarheen reist, weet wel, hoe laat hij vertrekt, maar niet, hoe laat hij terugkomt.
Best!quot; zei Flinck, zich de handen wrijvende en met een zoo vroolijke uitdrukking op zijn gelaat alsof hij de grootste pleizierreis in 't vooruitzicht had; â't is alzoo afgesproken, en, als ik niets naders van u hoor, dan wacht ik u; morgen te zeven uren precies rijden wij af. En nu neem je mij me kwalijk, dat ik je alleen laat en mijn middagslaapje ga doen. Dit zeggende, stond hij op en strompelde de deur uit.
Met open mond en starenden blik oogde Drenkelaer den grijsaard na, verbaasd, gelijk trouwens het geval was met al wie Flinck voor de eerste reis ontmoette, over zooveel phy-sieken moed en moreele kracht, als de schijnbaar afgeleefde man bil zulk een uiterlijk vertoon van zwakheid, ontwikkelde
Maar ook die uitnoodiging om Flinck te vergezellen wat moest hij daarvan maken? Was zij een blijk van welwillendheid te hemwaart, of eenvoudig het gevolg eener egoïstische berekening bij den ouden man? Gewis, zoo redeneerde Drenkelaer, had Flinck geoordeeld, dat hij bij de nasporingen yan welken aard dan ook, die hij te doen had, veel dienst kon hebben van iemand, die met de streek en de bewoners daarvan bekend was, en hem alzoo op den tocht met inlichting en raad zou kunnen dienen. Daarbij zou Flinck hem misschien wel willen uithooren over hetgeen Bleek hem te Marlheim was komen vertellen, zoowel betreffende diens reis naar de Brallemerheide, als omtrent de quaestie van de Waylandsche nalatenschap .... Maar wat zou dan de slotsom van hun onderhoud zijn? Zou die voor hem, Drenkelaer, gunstige gevolgen hebben of niet? Wilde de oude man hem eenvoudig tot een werktuig bezigen, dat hij, na 't gebruikt te hebben, weer van zich smeet? Of zou hij zich erkentelijk betoonen voor de hem gedane mededeelingen en bewezen diensten? Dat alles bleef voor Drenkelaer even raadselachtig als de persoon zelf van
37
den grijsaard, en niet zonder eenige teleurstelling en zelfs beschaming moest onze jongeling tot de gevolgtrekking komen, dat de behendigheid, waarmede hij zich verbeeldde, anderen om den tuin te kunnen leiden en tot werktuigen van zijn fortuin te maken, hem tegenover Flinck weinig baten zou; ja, dat al de fraaie berekeningen, die hij gemaakt had, geheel in de war gebracht waren door de zonderlinge wijze, waarop Flinck er een streep had doorgehaald. â Wat daar intusschen van wezen mocht, Drenkelaer oordeelde in allen gevalle verstandig gehandeld te hebben met de uitnoodiging aan te nemen en de gelegenheid niet te laten voorbijgaan om, zoo mogelijk, de gunst van den ouden man te winnen. Hij was dan ook den volgenden morgen behoorlijk op 't appèl: een ouderwetsche, doch stevige koets, half kar, half fourgon, met twee kloeke paarden bespannen, nam het drietal â Flinck, Drenkelaer en den aannemer â mede, en de knecht van 't logement kreeg bij hun afreis last van Flinck om, dewijl men vreesde niet tegen het uur der table d'höte thuis te zullen wezen, te zes uren een middagmaal gereed te houden, en de Heer Van Donia te noodigen, hem daarbij de eer van zijn gezelschap te schenken.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN NIEUW BEWIJS OPLEVERENDE, HOE, NAAR 'T OUDE SPREEKWOORD, BOONTJE OM ZIJN LOONTJE KOMT.
Donia had geen reden gevonden, de uitnoodiging af te slaan, daar hij zich in elk geval kon verwachten op een beter, althans meer uitgezocht onthaal, dan de table d'höte aanbood, en ontslagen was van het aanhooren van de vrij onbeduidende gesprekken, door de habitués, 't zij over dienstzaken, 't zij over de co mm ér ages, die de stad rondliepen, gevoerd, â van hun politieke beschouwingen, die zelden kant of wal raakten, â en van hun herhaaldelijk terugkeerende en meestal
I
38
vrij zoutelooze aardigheden. Hij was dan ook ter bestemder ure aanwezig in de kamer, die tot ontvangst van het gezelschap gereedgemaakt en waar de disch gespreid was, en maar korten tijd had hij gewacht, toen Flinck met zijn reismakkers terugkeerde, en weldra het viertal aan tafel gezeten w as. Drenkelaer, in weerwil dat hij de jongste was van 't gezelschap, scheen het meest van drieën van den tocht vermoeid, ofschoon misschien minder nog naar het lichaam, dan naar den geest; want hij had den geheelen dag door schier geen rust gehad van de vragen, die de oude man hem deed. Wat dezen betrof, op hem scheen het hossen langs slechte wegen gedurende zoo vele uren en het wandelen over oneffen heigronden, om van bijkomende rampen niet te spreken, geen uitwerking gedaan te hebben; hij was blijkbaar recht voldaan over hetgeen hij zijn uitstapje noemde: zijn oogen tintelden van inwendig vermaak; hij wreef zich de handen en ginnegapte
bij zich zeiven.
âWel, Mijnheer Flinck!quot; zei Donia: âik zie met genoegen, dat de tocht zonder tegenspoeden is afgeloopen, en zoo ik uit uw vroolijkheid mag opmaken, aan uw oogmerk beantwoord heeft.quot;
Joost Klabbe zette een kluchtig gezicht en keek Flinck schuins aan.
âBedrieg ik mij ?quot; vroeg Donia, terwijl hij beurtelings Klabbe
en Drenkelaer aanzag.
âOch neen,quot; zei deze laatste; âtegenspoeden mogen wij 't niet noemen. Wij hebben alleen wat oponthoud gehad: slechts driemalen omgelegen, tweemalen in een gat vastgezeten en ten minste zes keeren gedurende een kwartier naast het rijtuig moeten loopen, omdat de paarden ons niet tegen de hoogte konden optrekken. â Maar de Heer Flinck, die, al wil hij er niet voor uitkomen, de jongste van ons drieën is, beschouwt zulke dingen als aangename afwisselingen, die het eentonige van de reis breken: â ik voor mij beken, dat ik aan een rit met een spoortrein de voorkeur geef.quot;
âZie mij zulk een weekbakken geslacht als het tegenwoor-
39
dige eens aan,quot; zei Flinck: âvallen is niets, zoolang men weer op kan komen en verder gaan: en, wat het loopen betreft, wel! met een kou als het vandaag was, zouden wij bevroren zijn in die tochtige kast, en was het een verkwikking, nu en dan wat beweging te kunnen nemen. â Ik gun jou je spoorweg, mannetje! als je daar mee valt, dan sta je niet weer op.quot;
âWat dunkt Mijnheer?quot; vroeg Joost Klabbe aan Donia, terwijl hij een zeker bijzonder handgebaar maakte: âMijnheer Drenke-laer moest ook maar van 't gild worden: dan zou hij 't nut van zulke reizen leeren zien, waar men struikelt en weer opstaat, nietwaar?quot;
âG-eloof mij, Mijnheer, indien mijn vriend Drenkelaer om geen andere reden tot de Orde overkwam, dan om eens te vernemen, dat de levensreis hobbelig en moeilijk is, dan kan hij zich waarachtig de uitgaven daarvoor wel besparen,quot; zei Donia, een weinig zuur ziende, als dit wel meer het geval is bij de zoodanigen, die, in hun jeugd vrijmetselaren geworden zijnde, doch later niet veel meer aan den arbeid gedaan hebbende, zich in het bijzijn van derden in voorzegde hoedanigheid zien interpelleeren door een ordebroeder â vooral indien die ordebroeder juist niet tot de zoodanigen behoort, met wie men bij voorkeur gemeenzaam verkeer zou zoeken. Flinck merkte zeer goed, waar Donia de schoen wrong, en de hem ingeboren neiging tot hetgeen de Hoogduitscher S ch ad en-freude noemt, dreef hem terstond aan, bij het onderwerp te blijven: âwel ja!quot; zeide hij: âdat mankeert hem nog, onzen vriend Drenkelaer! hij moet lid van de Orde worden. Is er geen Loge te Marlheim?quot;
âO ja! en zij hebben al dikwijls genoeg bij mij aangeklopt,quot; antwoordde Drenkelaer: âmaar zij hebben mij nog geen waarborg kunnen geven, dat het geld, 't welk het mij kosten zou, mij behoorlijken interest zou opleveren.quot;
âWel, kijk! als je dan toch zulke voorbeelden ziet als Mijnheer Van Donia hier, om van mij zelf en van mijn vriend Klabbe niet te spreken, dan moest je toch tot de gevolgtrekking
40
komen, dat het geen kwade zaak kan wezen, die zulke voorstanders telt.quot;
âOf het een mooie zaak is!quot; zei Klabbe: âen waar ik heel wat bij geproft'eteerd heb; ik meen nou niet alleen wat het leerzame en het nuttige betreft voor iemand z'n geest en z'n
hart, maar ook in m'n zaken, wil ik 'reis zeggen----daar
heb je nog die 'anneming van de sluiswerken bij Krommel-Oord, die had ik zeker niet gehad zonder voorspraak van onzen Achtbare, die in 't Dijkkollezie zit: â en zie je,quot; hier zag hij Donia aan, âMeneer is in de Oost geweest; daar zal het hem ook geen kwaad gedaan hebben, wil ik 'reis zeggen.quot;
Donia beet zich op de lippen; want, zoo hij het aan de eene zijde hoogst onaangenaam vond, dat men de bevordering, die hem in de Oost ten deel gevallen was, zou toeschiijven aan gelijke redenen, als die, waar Klabbe de hem gegunde aanbesteding aan toeschreef, hij bezat te veel kieschheid, om, door Klabbe te logenstraffen, als 't ware zelf te zeggen, dat hij de hooge ambten, door hem bekleed, aan eigen verdienste te danken had. â Drenkelaer bespeurde den onaangenamen indruk, dien de woorden van Klabbe op den oud-raad maakten, en wenschende te toonen hoe weinig hij er aan hechtte, haastte hij zich te zeggen:
âIk weet niet, of het lidmaatschap der Orde iets toegebracht heeft tot de carrière, die de Heer Van Donia gemaakt heeft; doch dit weet ik, dat elk genootschap vereerd moet zijn door het bezit van leden als de beide heeren, hier aanwezig, en dat, indien ik het geluk had, daarin met en nevens hen werkzaam te kunnen zijn, zulks zeker een groote spoorslag voor mij wezen zou, er mij in te laten opnemen.
âWel! wat zeg je, vriend Donia!quot; vroeg Flinck: âje ziet,
het hangt nu van ons af.quot;
âIk zeg niets,quot; antwoordde Donia: âik ben een vijand van alle proselietenmakerij, en bovendien moet ik tot mijn schande bekennen, mij te lang van de Broederschap verwijderd te hebben gehouden, om het recht te hebben als haar voorvechter op te treden.quot;
41
âErg genoeg!quot; zei Flinck: âik wist niet, dat je zoo'n renegaat, of althans zoo'n afvallige waart; nu, wat mij betreft, ik schaam mij niet, te erkennen, dat ik er veel mee opheb, met de Orde meen ik: niet, dat zij mij niet altijd veel meer gekost heeft, dan ik er aan verdiend heb; maar ik heb er wonderschoone dingen van gezienâ en nu dischte hij achtereenvolgens, tot staving van zijn gezegde, eenige verhalen op, waar Klabbe met open mond en toenemende bewondering naar luisterde, en die zelfs niet zonder belangstelling door de beide andere toehoorders werden vernomen. Hiermede werd een groot deel van den maaltijd gekort, en vervolgens een ander deel gesleten met een meer uitvoerige mededeeling aan Donia van de bijzonderheden, die den tocht naar de Brallemerheide hadden gekenmerkt. Over het doel van dien tocht, wie men te Bralhem al zoo gesproken, of wat men er verricht had, daarover liet men zich niet uit, en Donia, 't zij uit kieschheid, 't zij omdat het hem volstrekt onverschillig was, deed ook volstrekt geen moeite om er meer van te weten, dan men hem er van wilde vertellen.
Men was reeds aan het nagerecht, toen op eens de oude Heer, zich tot Donia wendende: âte drommel ja,quot; zeide hij: âdat had ik u al willen vragen: dat meisje, dat als gouvernante of als bonne woonde bij dat malle wijf, waar wij laatstleden zomer te zamen in Den Haag bij gegeten hebben, dat is immers een pupil van je, Donia?quot;
âEn van Van Zirik,quot; antwoordde Donia: âhoe vraagje dit zoo?quot;
âJuffrouw Zevenster?quot; vroeg Drenkelaer, zich herinnerende, voor zijn vertrek van Hardestein gehoord te hebben, dat Mcolette in de voorschreven hoedanigheid naar Den Haag zou gaan.
âWat drommel! ken jij haar ook al?quot; vroeg Flinck.
âEn ik ook,quot; zei Klabbe: âalthans als het dezelfde is, daar ik in Juli mee gereisd heb van Utrecht naar Leiden: een aardige meid, dat beloof ik je.quot;
âDat is zij, buiten tegenspraak,quot; bevestigde Drenkelaer: âen zij heeft dan ook gedurende haar verblijf op Hardestein menig hoofd op hol gebracht.quot;
âEn ook het uwe?quot; vroeg Flinck haastig.
âVeroorloof mij, Miinheer Flinck!quot; zei Drenkelaer, âvooralsnog mijn hartsgeheimen voor mij zeiven te bewaren dit alleen zeg ik, en blijf ik zeggen; 't is een lief meisje; en, als zij bij al haar uiterlijke en innerlijke gaven nog het voorrecht had gehad, een paar ouders te kunnen aanwijzen, dan had men vreemde dingen zien gebeuren.quot;
âEi zoo!quot; zei Flinck, die, niet kunnende droomen, dat de woorden van Drenkelaer betrekking hadden op de vrijerij van Maurits Van Eylar, ze uitlegde als doelende op een voornemen, dat hij, Drenkelaer, zelf had opgevat.
âIk hoor, zij is niet meer in die conditie,quot; zei Drenkelaer.
âNeen voorwaar niet,quot; zei Flinck; âzij is te Amsterdam, en, zonder haar, zou ik, die tot u spreek, misschien niet hier zitten.quot;
âInderdaad?quot; â vroeg Donia; âen waar houdt zij zich dan op?quot;
âWel! wij zijn huisgenooten, op dezelfde verdieping,quot; antwoordde Flinck; âin zooverre namelijk, dat ik kamers heb in een modewinkel, daar zij voor werkt.quot;
âZij woont dus bij brave menschen in?quot; vroeg Donia; âen
haar gedrag is.. . .quot;
âHaar gedrag!quot; herhaalde Flinck, terwijl hij Donia aankeek, of hij hem verslinden wou; âzij is een engel! wat wou je mij praten van haar gedrag? â Ik heb nooit veel vertrouwen gehad in de vrouwen, ook in de beste niet; â maar zij zij zou mij niet alleen met haar sekse, maar zelfs met de menschen in 't algemeen verzoenen, zoo dat mogelijk ware.quot;
âJe spreekt met een vuur over haar,quot; zei Donia, âals een verliefde van zijn meisje.quot;
âEn ik houd ook van haar of zij mijn eigen kind was,quot;
zei Flinck.
âHetgeen je mij zegt, verheugt mij zeer,quot; zei Donia; âik moet u bekennen, dat het mij ook bezwaarlijk viel, te gelooven, dat zy zulk een huichelares zou zijn, als zij is voorgesteld.quot;
43
âZij een huichelares!quot; riep Flinck: âwie zijn er, die dat durven zeggen? En hebben ze haar bij u ook belasterd, golijk zij 't bij Hoogenberg gedaan hebben? â Of noem je 't misschien huichelarij, dat zij, die zelve ziek is, nu weer is gaan zitten aan het ziekbed van een ander? Ware 't niet, dat ik eenmaal met Mijnheer Klabbe afspraak gemaakt had, en om verscheidene redenen mijn tocht niet kon uitstellen, ik zou te Amsterdam gebleven zijn, tot zoolang ik haar had overgehaald, wat meer aan haar zelve en wat minder om anderen te denken.quot;
âEn meent Mijnheer, dat hem dit gelukt zou zijn?quot; vroeg Drenkelaer, die begon in te zien, dat er geen beter middel was, den ouden Heer zijn hof te maken, dan Nicolettes lof te bezingen; âhet zou mij kwalijk passen,quot; voer hij voort, âop menschenkennis te bogen, anders dan die men aan de rechtbank opdoet â en die strekt juist niet om veel achting te krijgen voor 't menschdom in 't algemeen en voor de individu's in 't bijzonder; maar zoo Juffrouw Zevenster niet een onschuldig, engelrein schepseltje is, dat altijd zich zelf weg zal cijferen om alleen aan 't welzijn van anderen te denken, dan mag ik Nicodemus heeten.quot;
âWel gesproken, jonkman!quot; zei Flinck, met een goedkeurenden knik, âen ik wou wel eens zien, wie het tegendeel dorst volhouden.quot;
âGoed!quot; hernam Donia: âmaar met dat al is het niet genoeg, dat die overtuiging bij ons gevestigd is; zij zal ook van de blaam, die op haar rust, op voldoende wijze voor het publiek dienen gerechtvaardigd te worden.quot;
âEen blaam? Maar waar wordt zij dan van beschuldigd?quot; vroeg Flinck; âJe spreekt ook al in raadsels, net zooals Hoogenberg.quot;
âIndien je 't niet weet, is het noodeloos het u te zeggen,quot; antwoordde Donia: âzoo mij geschreven wordt, is onze vriend en haar mede-pleegvader Hoogenberg bezig te onderzoeken, wat er waar is of niet van hetgeen men haar ten laste legt. .. .quot;
u
âJuist, dat heeft de man mij verteld,quot; viel Flinck in.
âEn daarom,quot; vervolgde Donia: âzullen wij verstandig doen, den afloop van dat onderzoek af te wachten, in de hoop dat het tot haar volkomen rechtvaardiging leiden zal.quot;
âAls Meneer Hoogenberg er zich mee belast,quot; merkte Klabbe aan, âdan zal het wel blijken, hoe de vork in den steel zit; want die pluist alles zoo na, dat hij een verroeste speld in een rijskribbe zou weerom vinden.quot;
Hier ging plotseling de deur open, en de knecht, die, na het nagerecht opgebracht te hebben, de gasten van zijn tegenwoordigheid verlost had, trad binnen met de woorden: âMijnheer Van Donia, hier was een Juffrouw om u te spreken,quot; waarop hij de volgende woorden tegen iemand, die nog buiten stond, liet volgen; âhier was Mijnheer Van Donia.quot;
Al de aanwezigen zagen op en wendden de oogen naar een juffertje, dat, na binnengetreden te zijn, in eenigszins verlegen houding aan de deur bleef staan. Niet zonder een weinig te meesmuilen, zag Drenkelaer den oud-raad aan: Flinck, zijn oogen op het meisje gevestigd houdende, mompelde bi} zich zeiven, halfluid: âwaar drommels heb ik dat bakkesje meer gezien?quot; en Klabbe riep, met een verbaasd gelaat: âKijk! bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel.quot;
Donia, die op dat punt minder bevoorrecht was dan Flinck of Klabbe schenen te zijn, en zich niet herinneren kon, de bezoekster ooit meer te hebben aanschouwd, keek haar met eenige bevreemding aan, en vroeg toen: âMoet je mij hebben. Juffrouw?quot;
âJawel Mijnheer! Uwees is immers Mijnheer Van Donia? Of Uwees assieblieft eens bij onze Mevrouw zoudt willen komen, 't Is met onze Mevrouw heel droevig gesteld.quot;
âMaar je bent zeker verkeerd, mijn lieve mensch,quot; zei Donia: âik ben geen dokter: ik kan je Mevrouw niet genezen, als zij ziek is.quot;
âOch Mijnheer!quot; hernam het Juffertje: âUwees is immers dezelfde, die nog bij ons gegeten heeft in Den Haag? â Ik
45
wist, dat Mijnheer hier lozeerde: want ziet u, ik ben juist hier tegenover gelozeerd, bij mijn nicht, in de banketbakkerij.quot;
âHeb ik bij u gegeten?quot; vroeg Lonia, op wien de gansche zaak de uitwerking deed van een verwarden droom: âwat meen je toch? Waar? Wanneer?quot;
âWel ja, bij onze Mevrouw, bij Mevrouw quot;Van Zirik,quot; antwoordde Karoline; want niemand anders was de bezoekster, gelijk trouwens de schrandere lezer reeds geraden zal hebben.
âMevrouw Van Zirik!quot; riepen Donia en Flinck, als uit één mond.
wKijk,quot; zei Klabbe; âdat dacht je niet, toen wij mekaar verleden week bij den avekaat Hoogenberg ontmoetten, dat je mij hier weer zoudt aantreffen.quot;
Karoline keek inderdaad eenigszins verwonderd op, dus beiden, Flinck en Klabbe, ter dezer plaatse te vinden, doch zei niets, maar wendde opnieuw den blik naar Donia, als dien zij begreep, dat de man was, die haar helpen moest.
âMaar is Mevrouw Van Zirik dan hier?quot; vroeg Donia.
âOch ja. Mijnheer!quot; antwoordde Karoline; âen, dewijl ik niet wist, wat met het mensch aan te vangen, had ik zoo bij mij zelve gedacht: âik zal eens bij Mijnheer Van Donia gaan, die is toch met Mevrouw bekend.quot; quot;
âMaar ga toch zitten, meisje,quot; zei Donia, âen vertel ons eerst wat er gebeurd is, en hoe het komt, dat Mw. Van Zirik zich hier bevindt.quot;
Drenkelaer had reeds een stoel gehaald, en Karoline, plaats genomen hebbende, begon aldus haar verhaal;
âIk zal 't u zeggen. Mijnheer. Gisternamiddag zat ik met de schemering voor 't venster te kijken naar de diligence, die hier van over de grenzen komt en twee deuren van ons van-daan aan den âGekroonden Roemerquot; stilhoudt; want ziet u. Mijnheer, Marlheim is Den Haag niet: 't is hier een dooie boel, en men is al blij, als er 'reis wat te kijken valt. Nou, als ik zei, daar houdt de wagen stil, en wie zie ik, dat er uit geholpen wordt? â Ja kijk. Mijnheer! ik wierd er toch akelig van: â onze Mevrouw in eigen persoon! 't licht van
46
de lantaren scheen er net in 'r viezelmie; 't was mij, of ik met stoel en al deur den grond zonk, en of de winkel met al de trommels en flesschen om mij heen draaide, zoo ver-altereerd was ik. En Mijnheer! wat zag het mensch er uit! Kijk! als ik haar niet drie jaar lang alle dagen aan- en uitgekleed had, zou ik haar niet gekend hebben, zoo bleek en ontdaan als ze was, zoo sjovel in de kleeren. Nou, dat 's tot daar 'an toe. Zij ging naar binnen, en ik op stoep: â ik dacht, ik moet toch 'reis zien, wat er met haar gebeurd is, en of zij mij ook noodig heeft. Zij was in huis gegaan, als ik zei: en de wagen reed weer voort. Zoo dacht ik, ik zal toch de astrantigheid gebruiken en invermeeren me 'reis, en zoo ging ik op de stoep van 't lozement staan, en naar de pakkies en doozen kijken, die afgeladen waren en er nog stonden, en zoo kwam de k e 11 n e r, zooals ze dat hier noemen, een praatje maken â zooals hij trouwens wel meer doet; ofschoon ik er niets om geef, dat kan Mijnheer wel begrijpen, men moet zijn kontredans ophouden tegen zulke heertjes; want geef je hun den vinger, dan nemen zij den heelen duim.quot;
âNu ja,quot; zei Donia; âmaar verder.quot;
âSine istam eloqui,quot;1) zei Drenkelaer, die uit de ver-hooren, welke hij had bijgewoond, genoeg ondervinding had opgedaan om te weten dat verhalen of verklaringen, vooral wanneer zij door een vrouw worden gegeven, volkomen gelijk zijn aan het water, dat na een regenbui van een hoogte stroomt: laat men het stil zijn gang gaan, dan mag het nu en dan afdwalen, maar het komt toch eindelijk beneden: stuit men daarentegen zijn loop, dan verdeelt het zich, â spat in vertakkingen weg, en is niet meer te volgen: âser-monem eius interrumpendo cum garrulitatem, turn verbomm obscuritatem tantum augebimusquot;2).
Karoline keek Drenkelaer een oogenblik aan, als wilde zij
1
*) âLaat haar uitspreken.quot;
2
) âDoor haar in de rede te vallen, zult gij zoowel haar snapachtigheid als de duisterheid van haar verhaal slechts vermeerderen.
47
zeggen: âwat spreek jij voor taal?quot; en ging toen voort tegen Donia:
âJa Mijnheer! en zoo zeit hij tegen mij: âZoo Juffrouw Verdrongen,quot; zeit hij â hoe de vent mijn naam kent, weet ik waarachtig niet: âwas uwee wat te wachten?quot; zeit hij, âdat je zoo naar die adressen kijkt?quot; â âOch neen,quot; mag ik zoo zeggen; âmaar daar is zooeven een Mevrouw afgestapt, die ik geloof dat ik ken.quot; â âHa zoo!quot; zeit hij: âdie met dien zwarten hoed: ja, die is ziek, geloof ik; althans, zij heeft naar een kamer gevraagd en is direct naar boven gegaan: â ik denk, dat zij naar bed wou: zij zag er althans bijster ontdaan uit. Zeker heeft zij een lange reis gehad. Eten wou zij niet hebben, zei ze.quot; â Ja, ziet u, Mijnheer! Toen ik dat hoorde, toen dacht ik, ze mag dan wezen wie ze wil, en ze heeft mij slecht behandeld, met mij zoo zonder dienst te laten; maar ik heb 'r toch te lang gekend en 'r brood gegeten, en ik moet toch 'reis zien of zij iets noodig heeft: en zoo zei ik tegen dien kellner: âWel!quot; zei ik, âis die Mevrouw niet wèl, dan zei zij ook wel iemand noodig hebben, die haar helpt, en zoo zei je mij veroblizeeren, als je mij haar kamer wijst.quot;
âDat was braaf van je,quot; zei Donia â en ik vertrouw, dat de lezer die verklaring onderschrijven zal. 'tKan zijn, dat er onder de gedienstigheid van Karoline drievierden nieuwsgierigheid liep; maar zeker is het, dat ook hier weer zich bij haar die kenmerkende trek had geopenbaard van het vrouwenhart, dat steeds tot hulpbetoon geneigd is, waar smart geleden wordt. Het ziekbed is een zeilsteen, die de vrouw, ook zelfs de minst gevoelige, tot zich trekt. Wij hebben buurwijven gekend, die alle dagen ruzie hadden, elkaar met de woorden kreng en karonje betitelden, ja, elkaar de mutsen van 't hoofd scheurden: en toch, als eene van beiden 't bed moest houden en niets verdienen kon, kwam de andere niet slechts aan haar bed waken, maar deelde haar eigen soberen pot met de zieke en kocht voor deze versnaperingen van haar opgespaarde centen.
48
âNou,quot; ging Karoline voort, âhij zei: âga dan maar binnen.quot; â âGoed!quot; zei ik: âmaar ga jij dan voor en breng mij waar ik wezen moet; â en zoo gingen wij binnen. Nu! 't is ook niet veel bijzonders, die âGekroonde Roemer:quot; eigenlijk maar een lozement voor reizende kramers en halfblanks-heeren, zooals .. . .quot;
âZooals ik b. v.,quot; viel Klabbe in: âwant ik lozeer 'er nou; ik ben dan ook maar een burgerman â en zeker, voor de Heeren hier, zou 't er te commun wezen.quot;
âZoo!quot; zei Karoline, een weinig van haar stuk gebracht door die opmerking: âik hoop niet, dat ik Mijnheer veraffron-teerd heb: anders, ik zeg niet, of er lozeeren ook wel knappe menschen in den Roemer, maar ik wou maar zeggen, dat voor Mevrouw . . . .quot;
âNou ja! dat geloof ik ook,quot; viel Klabbe in: â't was maar om te dollen, dat ik het zei. Juffrouw!quot;
âWel! 't is buiten kijf,quot; merkte Donia aan, âdat Mw. Van Zirik aan een comfort gewend was, als noch de Roemer, noch eenige herberg in Marlheim haar kan verschaffen. â Mag ik de Juffrouw nu verzoeken, verder te gaan met haar verhaal ?quot;
âJa,quot; hernam Karoline: âik dacht zoo bij mijn eigen: âhoe komt Mevrouw er toe, om hier te willen vernachten ? Mevrouw zal zeker niets beters geweten hebben:quot; en zoo ging ik, den kellner na, een trappie op, en het kamertje binnen â och heden Mijnheer! zoo'n treurig kamertje! â En daar lag Mevrouw, zoo lang zij was, boven op het ledekant, met het gezicht in de kussens: âMevrouw!quot; riep ik: âMevrouw, kent u me niet? ik ben Karlien.quot; â Daar keek ze om: âhu!quot; zei ze, als een mensch, dat ijselijk veraltereerd en geschrikt is: nou! zij was mij dan ook niet te wachten. âJa, Mevrouw!' zei ik zoo: âik kwam 'reis hooren, of Mevrouw ook iets noodig heeft.quot; En daar draait zij zich om en pakt mijn hand en zoent die en begint zoo bitter te huilen .... kijk! ik had er toch weet van, Mijnheer! als ik dan bedenk, hoe 't mensch het thuis had op den Vijverberg: â en dat ze daar met zoo'n Franschen snoeshaan vandaan moest loopen om hier nou in
49
zoo'n krot.... Mijnheer [dit tegen Klabbe] neem mij niet kwalijk, dat ik âkrotquot; zeg?....quot;
âNeen, neen,quot; zei Klabbe ; âga jij gerust je gang, Juffrouw!quot;
âIn zoo'n krot te land te komen,quot; vervolgde zij: ânu! ik zei dan: âMevrouw!quot; zei ik, âzou u niet ergens anders gaan lozeeren? 't Is hier geen lozement voor Mevrouw en haars gelijken.quot; â Maar daar begon zij mij al harder en harder te huilen en te lamenteeren: âoch!quot; zei ze zoo; â't is immers 't zelfde, waar ik sterf:quot; â âwel mensch,quot; zei ik, âis dat nou praten? om te sterven, daar is 't nog altijd tijds genoeg voor: en tegen alles is kruid gewassen, behalve tegen den dood.quot; En zoo zocht ik 'r tot bedaren te krijgen; maar ik zag, dat ze heelemaal op en toch niet meer te transformeeren [zij meende zeker transporteeren] was; zoo doodmoei was zij: zoo zei ik: âals Mevrouw hier pervizioneel wil blijven, zal ik Mevrouw uitkleeden; dat heb ik toch meer gedaan,quot; zei ik, zoo al lachende, om 'r zoo wat op te beuren: en zoo deed ik haar 'r mantel af en maakte 'r japon los en zij liet zich bijna als een kind behandelen. En ik zei: âwaar hebben ze Mevrouws koffer gezet, dat ik 'r nachtgoed krijg?quot; En toen was 't weer huilen en snikken .... in 't eerst kon ik het er maar half uitkrijgen; maar toen was 't: âik heb geen koffer: ik heb niets bij mij : hij is met alles weggegaan.quot; â Nou! wie die hij is, dat zullen de Heeren ook wel begrijpen; althans ik begreep het direct. Zoo'n smerige, kale parlé Francé! Moest Mevrouw daarvoor nou haar goeie doen in Den Haag achterlaten en haar man en haar bloeien van kinderen? en dat voor zoo'n stinkenden smeerlap en 'n astran-terigen dief als hij nou van achteren blijkt te zijn! â een verloopen kommediant wassie, dat heit Filip mij nog verzekerd .... weet u, die knecht bij ons was .... en die had het van een Franschen sianteur uit de opera, die 'm gekend heeft: â en dat 'n mensch, die thuis alles krijgen kon waar zij maar trek in had: â ânou kijk. Mevrouw!quot; zei ik, âhad ik den vent hier, ik zou 'm met plezier zoo de oogen uit het hoofd krabben.quot;
v. - K. z. 4
50
âIndien er diefstal is gepleegd,quot; zei hier Drenkelaer, âzou het dan ook zaak zijn, den officier te waarschuwen ? misschien ware de vent nog op te sporen. â Weet je ook, wanneer hij Mevrouw verlaten had, meisje?quot;
Och Mijnheer!quot; antwoordde Karoline; âdat moet al een dag of wat geleden zijn, en in een plaats hier heel ver vandaan, als Keulen, of Rome, daar wil ik afwezen. Of 't kan ook wel Dusseldorp zijn: â dat weet ik zoo precies niet.quot;
,Neen, inderdaad,quot; zei Drenkelaer: âde Justitie zal eenigs-zins duidelijker inlichtingen moeten hebben, eer zij kan ageeren.quot;
Nou,quot; zei ik verder: âals ik Mevrouw niet affronteer, en alsquot; Mevrouw gediend blieft met een muts en een nachtjak van mij? â 't Was gelukkig, dat de wasch net gistermorgen thuis was gekomen: anders had ik niet van 't mijne kunnen helpen; want ziet u. Mijnheer! de wasch komt hiei Maandags thuis, dat is anders als in De Haag; daar komt hij Zaterdags, althans de kleine wasch, weet u?quot;
âIk weet er niets van,quot; antwoordde Donia: âik ben zoolang uitlandig geweest, dat ik, wat het gaan en komen van de wasch betreft, volstrekt niet meer op de hoogte ben, altijd gesteld, dat ik het vroeger geweest ben.quot;
âO ja, dat 's waar ook,quot; hernam Karoline, âde heeren weten daar zoo niet van af en Mijnheer moet mij verexcuseeren, dat ik zoo van de wasch spreek: ik wou dan maar zeggen, ik ging naar huis en zei aan mijn nicht: âNicht,' zei ik, â't kon wel wezen, dat ik van nacht niet thuis kom.quot; â âWel bewaar ons, mensch,quot; zei ze: âben je van zins uit zwieren te gaan? 't is nou geen kermis,' zei ze. âNeen, zei ik, en zoo vertelde ik 'r wat er van was: en zij hoorde er ook nieuw van op, al kent ze Mevrouw Van Zirik niet; maar ik had het haar natuurlijk allemaal vroeger al verteld.quot;
âJa! dat wil ik gelooven,quot; zei hier op eens Flinck, die al dien tijd met de oogen dicht gezeten had, alsof hrj sliep. doch nu, door het forsche stemgeluid, waar hij die vijf woorden mee uitbromde, allen opkijken en Karoline schrikken deed.
51
âNu,quot; zei Donia, op goedhartigen toon: âje bracht haar dan uw nachtgoed, nietwaar?quot;
âJa, Mijnheer! en ik lei 'r te bed, en vroeg 'r, of ze ook wat eten, en of ze een dokter hebben wou; maar ze wou niets gebruiken, en ook niemand zien. En zoo heb ik maar wat thee voor haar gezet: ik dacht, een kopje thee kan men altijd drinken, en wat krakelingen bij ons uit den winkel gehaald; âMarlheimsche Achten,quot; zooals zij ze hier noemen â ik dacht, dan krijg je toch altijd wat in de maag.quot;
âDe droes ja!quot; zei Klabbe: âdaar zeg je zoo wat, die zijn wel goed, en ik zal er een peperhuis van meenemen voor mijn kleine meid.quot;
âNou,quot; vervolgde Karoline: â't bleef dan maar altijd door grienen en handen wringen, totdat zij eindelijk van vermoeidheid in slaap viel, en zoo ben ik maar bij haar gebleven van nacht, en heb in mijn stoel wat geslapen; maar zooveel ben ik toch van haar te weten gekomen, dat zij met dien gemeenen kerel gereisd is naar een plaats ergens in Duitschland of Frankrijk, dat weet ik zoo niet recht.quot;
âParijs misschien?quot; vroeg Donia.
âNeen, niet Parijs, dat zou ik wel beter weten: ik ben zelve, twee jaren geleden, met Mevrouw naar Parijs geweest: nou, dat is 't zelfde, afin! 't was een plaats, waar hij 'r wijsgemaakt had, dat hij nog famielje had, die heel aanzienlijk was en op een groot kasteel woonde: â ik zei al: âMevrouw! hoe kun je toch zoo iets je laten wijsmaken van zoo'n komme-diant.quot; Afin! toen zij zoowat in de buurt van die plaats gekomen waren, die hij haar genoemd had, was hij op een mooien nacht verdwenen met al haar boeltje, en zoo hadden zij haar â verbeeldt u eens, mijn Heeren! â met politie over de grenzen gebracht, omdat zij haar logies niet betalen kon: â en zoo was zij tot hier gekomen en had nu niets meer. â âJa,quot; zei ik, âzou Mevrouw dan niet aan Mijnheer
schrijven? Mijnheer is toch altijd zoo goed____want dat moet
ik zeggen. Mijnheer Van Zirik is een goeie man, en kan wel komiek wezen ook nu en dan. â Maar daar wou ze niets
52
van hooren. âJa,quot; zei ik zoo, âMevrouw kon toch hier zonder geld ook niet blijven.quot; â En dan zei ze, dat ik gelijk had, en dan was het weer het ouwe liedje, dat ze maar sterven moest. _ âNou, dat,quot; zei ik, âwas maar malligheid, en Mijnheer zou 'r toch niet van honger laten krimpeeren, en of ik dan niet schrijven zouâ maar dat wou ze ook niet hebben. Summa summarum, van morgen is ze dan toch opgestaan en hebben we samen ontbeten, en toen heeft zij mij naar de kinderen gevraagd, en zoo al meer. â Ja! 't was zeker erg met die schapen! Eerst de kindermeid weg! en toen de bonne weg, daar ze zooveel van hieuwen, en toen Mevrouw weg en de gouverneur weg.... en geen mensch als ik om ze op te passen.... ja! 't was mij een historie â en nog wel volk
te eten!____ nou ik zei 'r dan, hoe of ik eerst wat voor de
kinderen gezorgd had, met Naatje, en hoe Mijnheer toen Sjarle op school had gedaan, en de meisjes zoolang bij een tante
van Mijnheer geweest waren____ afin! zoo hebben wij een
heelen tyd gepraat. â En toen moest ik 'reis naar mijn nicht; want mijn nicht zou ook al gedacht hebben: âwie uit is, die uit mag, en komt ze nooit weerom?quot; â En toen ik weer naar Mevrouw heenging, daar komt mij die loeris van een kellner in de gang tegen en vraagt: âhoe is 't nou met die madam daar boven?quot; â âquot;Wat?quot; zeg ik; âwat praat je van een madam? zoo fatsoendelijk als zij is, heb je nog nooit in je herberg gehad.quot; â âJa, dat kan wel wezen,quot; zeit me zoo'n lomperd: âmaar ze is hier zonder bagazie gekomen en ze verteert niets: zulke klanten kunnen wij hier best missen. âWat!quot; zei ik, âMevrouw is Mevrouw Van Zirik, en 'r man is een van de rijkste parteklieren uit Den Haag, en kan jouw lozement, en dat hierover, en het heele Marlheim er bij wel betalen.quot; Want ziet u, ik werd giftig, dat ze 'r zoo taxeerden: âEi, ei!quot; zei hij weer: â ânou! ik ben jongen geweest in de Witte Sociëteit in Den Haag----quot;
âNet als ik in De Pauw te Leiden,quot; mompelde halfluid Joost Klabbe, achter de wolken van zijn sigaar.
âEn ik ken Mijnheer Van Zirik heel goed, en het is dan
53
raar, dat toen ik haar van morgen de nachtlijst presenteerde, zij daar op teekende âEmilie N.quot; â Mw. Van Zirik zou warempel niet door politie op den wagen gekonvieerd zijn geworden, zooals mij de voerman heeft verteld, dat met deuze het geval was. â En daarom, wil Je nicht borg voor 'r wezen, dan is het goed; maar anders verkiezen wij 'er niet langer in huis te houen.quot; Nou, de Heeren begrijpen, wat mijn nicht betreft, die had met den boel niet te maken, en mij zou 't nog veul minder konfiëeren, want ik ben voor 't oogenblik buiten dienst en buiten verval en ik krijg eerst met Februari een dienst, bij Juffrouw Van Marsden, of Mijnheer 'r kent, op de Keizersgracht over âde Gouwe Ketting:quot; â en zoo zei ik: âWat denk je wel?quot; zei ik: âdat zou immers de verkeerde wereld wezen, dat de kamenier borg stond voor de Mevrouw. En wees jij maar niet verlegen,quot; zei ik, âjij zelt je daalder of wat je hebben mot, wel krijgen.quot; En zoo liet ik hem staan en ging naar Mevrouw, en vertelde haar wat de man gezeid had, en dat er raad geschaft diende te worden, en dat ze toch schrijven moest, en dat ik het anders zou doen. En toen zei ze: zij zou het doen, ik moest haar maar papier en pennen bezorgen, â nou! die ging ik halen: en toen onderweg, daar dacht ik er op eens aan, dat Mijnheer hier lozeerde: dat had ik zoo toevallig gehoord van iemand, die bij ons in den winkel iets kwam halen en tegen een ander zei: âweet je, dat Mijnheer Van Donia, die in de Oost geweest is, hierover in De Eenhoorn lozeert?quot; â Wel! dacht ik, dat is vast diezelfde Heer, die bij ons gegeten heeft, en zoo zei ik tegen Mevrouw; âMevrouw!quot; zei ik, âzouden wij dien Mijnheer niet in den arm nemen?quot; Nou! Mevrouw had er eerst wel op tegen; maar naderhand zei ze: 't was goed, dan moest ik van avond maar eens naar u toegaan: en zoo, Mijnheer, heb ik mijn stoute schoenen aangetrokken en ben hier gekomen. En als nou Mijnheer het schikken kon, van avond, of anders morgenochtend, eens bij Mevrouw te komen, dan zou het mij veel genoegen doen; want ziet u â wij zijn maar vrouwen onder mekaar, en een man heeft toch altijd meer prezentie.
die kan van zich afspreken, en beter raad schaffen in zoo'n geval.quot;
âWel! ik moet zeggen,quot; zeide Donia, toen zij gedaan had met spreken, âje hebt je kapitaal gehouen, en al is het juist geen aangename commissie, die je mij opdraagt, ik ben natuurlijk bereid, in 't belang van Mw. Van Zirik te doen wat ik kan, en gewis de Heer Plinck insgelijks: nietwaar Mijnheer Flinck? Wij kunnen toch, even goed als dat meisje daar, van Mw. Van Zirik zeggen, dat wij haar brood gegeten hebben?quot;
âEn zelfs haar getruffeerde varkenspootjes,quot; zei Flinck: â't wijf is geen knip voor d'r neus â maar wèl is de eene beleefdheid de andere waard.quot;
âIk ken den Heer Van Zirik,quot; zeide Drenkelaer: âen zoo ik in deze zaak van dienst kan wezen, ben ik er zeer toe bereid.quot;
âJa,quot; zei Klabbe; â't past mij minder, mij op ééne lijn te stellen met de Heeren; maar anders, ik heb geld aan Van Zirik verdiend en zoo er te met geld moet wezen, om die Mevrouw te verassisteeren, dan wil ik met pleizier er mijn part in dragen.quot;
âMet dat al,quot; hernam Donia, âwij kunnen niet allen te zamen bij Mw. Van Zirik gaan, en zelfs zou ik geen vrijheid vinden, mij tot haar te begeven, zonder haar uitdrukkelijk verlangen. Juist ten gevolge van de dubbelzinnige stelling, waarin zij verkeert, acht ik mij verplicht, allen schijn te vermijden, alsof ik begreep, mij tegenover haar te kunnen ontslaan van zoodanige vormen van betamelijkheid, als ik tegen elke andere vrouw in acht zou nemen. Ik zou dus, indien de Heeren 't met mij eens zijn, behoorlijkst achten, dat dit meisje eerst aan Mw. Van Zirik ging zeggen, dat zij ons gesproken had, en dan verder haar vroeg, of zij ons of een onzer wenschte te ontvangen.quot;
âZoo! dan gaat Mijnheer niet dadelijk mee?quot; vroeg Karoline.
âNeen,quot; zei Klabbe, âmaar ik ga mee: ik lozeer daar toch, en 't wordt mijn tijd. Ik verlang met de Mevrouw niet te praten; maar ik zal dien lomperd van een knecht de ooren
55
eens gaan wasschen, en hem zeggen, dat ik borg sta voor de vertering van Mevrouw.quot;
Karoline keek den aannemer, terwijl hij sprak, heel vriendelijk aan. Sedert zij hem in gezelschap met drie voorname Heeren had aangetroffen, en hij zich zoo royaal betoonde, had hij machtig in haar schatting gewonnen, en had zij er half berouw over, dat zij hem in de wachtkamer van Hoogenberg wat vinnig had afgesnauwd.
âAls Mijnheer zoo vriendelijk wil wezen, 't zal mij veel genoegen doen,quot; zei zij.
âWelzeker!quot; hernam hij, haar spotachtig aankijkende: âal was 't maar om den peis te maken, nietwaar? Nou, Mijnheer Flinck! goeien avond, en wel verplicht voor je lekker onthaal. Goeien avond Heeren, als ik je niet weer mocht zien.quot;
âGoeden avond. Mijnheer Klabbe!quot; zeiden de drie anderen.
âBlijf je nog bij je plan om met het postkarretje te vertrekken van nacht?quot; vroeg Flinck.
â Om je te dienen: te twaalf uren en een kwartier en rout e.quot;
âDrommels! dat 's ook een alles behalve vroolijke reis in dezen tijd van 't jaar,quot; zei Drenkelaer.
âJa, maar daar moet men in mijn vak niet van weten,quot; zeide de aannemer, âen ik kan 'er best tegen. Nou, 'n avond Heeren.quot;
âGoeien avond Heeren!quot; zei Karoline: âik zal de Heeren in allen gevalle rapport komen doen.quot; â En het tweetal verliet het vertrek.
Maar nauwelijks hadden de drie Heeren vijf minuten den tijd gehad, om over het voorval te praten en eenige gissingen te opperen aangaande de wijze, waarop Van Zirik de terugkomst zijner vrouw zou opnemen, toen Karoline plotseling weer de deur kwam binnenstormen, bleek als een doek, en in een stoel neerviel met de woorden: âO God, Mijnheeren! Mevrouw heeft zich van kant gemaakt.quot;
VIJFDE HOOFDSTUK.
WAT MINDER AKELIG IS, DAN DE LEZER MISSCHIEN VERWACHT ZOU HEBBEN.
Donia en Drenkelaer waren beiden, op 't hooren der ontzettende tijding, die Karoline aanbracht, van hun stoelen opgesprongen en hadden naar hun hoeden gegrepen; Flinck nam het kalmer op en zeide:
âDat is misschien 't verstandigste, wat het mensch kon doen, en vooral 't gemakkelijkste voor Van Zirik.quot;
âMaar wij zullen toch gaan zien,quot; zei Donia: âga je niet met ons. Mijnheer Flinck?quot;
âJawel,quot; antwoordde deze, zijn glas leegdrinkende en zich toen langzaam oprichtende: âga maar vooruit: ik zal je wel nastrompelen.... en als 't mensch toch dood is, zal 't niet verschelen of ik er een minuut of wat vroeger of later bij kom.quot;
âDrink wat, kindlief!quot; zei Drenkelaer, die inmiddels een glas water had ingeschonken en het aan Karoline overhandigde.
âHou je goed, meid!quot; zei Donia, âje dient toch met ons er weer heen te gaan, en ons onderweg te vertellen, wat er eigenlijk gebeurd is.quot;
âJa! dat weet ik zeivers niet,quot; antwoordde zij, na het haar aangeboden glas gedronken te hebben, âik kwam in de kamer! Wat zie ik daar.... Mevrouw hangt aan de beddekwast: â ik gil en roep om hulp: die Mijnheer met zijn pijjakker, die met mij gegaan was, komt boven, en ik ben als een radeloos mensch hierheen geloopen, om het aan de Heeren te vertellen.quot;
Dit verhaal, in de kamer begonnen, was op de trap voortgezet en op de stoep geëindigd. â Men stak nu het plein over, Karoline al hijgende, snikkende en uit haren adem, terwijl Donia, niet weinig ontroerd, nevens haar ging, en Drenkelaer, die Mw. Van Zirik nooit gekend had en wien het met haar gebeurde dus vrij onverschillig was, gezelschap
57
hield aan Flinck, die, strompelende en op zijn stok leunende, achteraan kwam.
Aan den Gekroonden Roemer komende, vonden zij de gang bezet met een dozijn personen, tot de huisgenooten, logeergasten en stalbedienden behoorende, en die in verwarring door elkander liepen; terwijl de kellner op het trapje stond, en den toegang tot het opkamertje tegen de nieuwsgierigen verdedigde. Hij aarzelde echter niet, op het zien van het deftige gezelschap, dat Karoline vergezelde, hun den doortocht vrij te laten; en zoo geleidde de kamenier, niet zonder heftig te beven, de drie heeren naar het opkamertje. Daar binnengekomen, zagen zij, dat Mw. Van Zirik was afgesneden en op het ledikant lag uitgestrekt, terwijl de kasteleines er nevens stond, met Klabbe en nog een manspersoon, gezamenlijk hun beste pogingen aanwendende, om haar weer in 't leven te roepen.
âDat 's net bijtijds, dat ik er nog bij gekomen ben,quot; zei Klabbe: âik heb haar afgesneden en op het bed gegooid: was ik later gekomen, zij was er om koud geweest.quot;
âDus leeft zij nog?quot; vroeg Donia.
âDat is om het oude spreekwoord om te keeren,quot; zei Flinck, âdat, wie voor 't hangen geboren is, niet verzuipen kan.quot;
Hier nam de man, die met de zelfmoordenares bezig was en een apothekersbediende bleek te zijn, het woord: âzij had,quot; zeide hij, âde koord van het bedgordijn genomen en waarschijnlijk de lus slecht aangelegd, zoodat de koord, in plaats van den strot te knellen, onder de kin geschoten was, en de ademhaling niet belemmerd had. â Zij is,quot; vervolgde hij, ânu nog flauw; doch gevaar is er niet bij; de pols slaat weer geregeld, en zij zal, denk ik, spoedig uit haar bedwelming weer ontwaken.quot;
â't Is ondertusschen heel onaangenaam,quot; zei de kasteleines, âdat iemand mijn huis kiest om er zoo'n spektakel in te maken, en als zij toch voornemens was, zich van kant te maken, kon ze dan niet even goed in de rivier zijn gesprongen?quot;
I
58
â't Mensch zal hier den weg niet geweten hebben,quot; merkte droogjes weg Drenkelaer aan.
âWel!quot; zeide Donia tegen de klagende kasteleines: âindien de tegenwoordigheid van Mevrouw in uw huis zoo onaangenaam is, dan zullen wij u daar zoo spoedig mogelijk van trachten te verlossenen meteen fluisterde hij Drenkelaer een paar woorden in 't oor, die daarop het vertrek verliet.
âZij had u om schrijfgereedschap gevraagd,quot; zeide vervolgens Donia tegen Karoline: âen ik zie daar wel papier en een pen liggen, maar geen brief.quot;
âZij had een brief geschreven,quot; zei de kasteleines; âen dien heeft zij, geen kwartier geleden, aan Bram gegeven om te bezorgen.quot;
âEen brief!quot; herhaalde Donia: âen was die bezorgd?quot;
âIk denk ja,quot; antwoordde de vrouw des huizes: âBram! Bram!quot; riep zij, door de open deur, tot den kellner, die op de trap stond: âis die brief al bezorgd, dien de Madam je gegeven heeft?quot;
âJawel,quot; antwoordde Bram, âik heb hem direct in de bus gedaan.quot;
âEn je weet natuurlijk, aan wien hij geadresseerd was?quot; vroeg Donia, zeer goed begrijpende, dat de knaap niet verzuimd zou hebben het adres te lezen.
âJawel: aan Mijnheer K. Van Zirik in Den Haag.quot;
âDat is mal!quot; zei Donia: âdie brief zal zeker hebben moeten dienen, om haar man bericht te geven van den stap, waartoe zij besloten had, en nu zal hij van achteren hooren, dat haar opzet gestoord is geworden.quot;
âDat zal hem tegenvallen,quot; merkte Flinck aan.
âMaar dan is het zaak, dat ik hem dadelijk contrabericht zende.quot;
âAls Mijnheer 't goedvindt,quot; zei Klabbe, âik reis toch door naar Den Haag; dan zal ik onmiddellijk bij hem gaan, en hem vertellen, wat er van de zaak is: dan ben ik er nog vóór den brief, en hij krijgt de goede tijding vóór de slechte.quot;
59
âWel, dat ware uitmuntend, Mijnheer Klabbe,quot; zei Donia: âje zoudt hem dan alles kunnen vertellen.quot;
âVertel hem maar niet, dat jij het bent, die de koord hebt losgesneen,quot; zei Flinck: âhij mocht er u slechten dank voor weten.quot;
âIk zal u een paar regels meegeven,quot; zei Donia: âdat kan nooit kwaad.quot; En meteen zette hij zich aan tafel en tot schrijven. â Nog was hij bezig, toen Drenkelaer terugkwam.
âIn De Eenhoorn is een appartement op de eerste verdieping beschikbaar,quot; zeide hij.
âUitmuntend,quot; zei Donia: âals de Juffrouw dan maar wil zeggen, wat Mevrouw schuldig is, dan zullen wij zien, dat wij de zieke zoo spoedig mogelijk van hier vervoeren naar een plaats waar zij 't beter hebben zal.quot;
âZoo!quot; zeide de kasteleines, die den spijt, welken zij er over gevoelde, dat de persoon, die zij eerst als een landloopster versleten had, van achteren bleek zulke deftige borgen te hebben, niet beter wist te verbergen dan ondereen masker van onverschilligheid: ânu, dat is best: ik ben er ook niets op gesteld, dames bij mij te logeeren, die door de Politie over de grenzen gezonden zijn en maar opschudding in mijn huis verwekken. Is Siebenkern daar zoo happig op, dan gun ik hem zulke klanten van harte. Het briefje van vertering zal ik Mijnheer wel in De Eenhoorn laten bezorgen: daar is geen haast bij en dat zal wel te recht komen.quot; En, vermoedelijk oordeelende, dat zij, niets meer aan haar logeergast zullende verdienen, ook niet meer voor haar te zorgen had, verliet zij het vertrek.
âHier is de brief voor den Heer Van Zirik,quot; zeide spoedig daarop Donia tegen Klabbe: âik geloof, dat wij ons nu van hier kunnen verwijderen. Zou je denken,quot; vroeg hij aan den apotheker, âdat de lijderes kon overgedragen worden zonder dat het haar kwaad deed?quot;
âIntegendeel,quot; antwoordde deze: âde lucht zal haar goed doen.quot;
âWel!quot; zei Donia: âdan zal 't maar best zijn haar terstond
60
in een deken te rollen en naar haar nieuw verblijf te vervoeren. Mijnheer zal dan wel de goedheid hebben, bij haar te blijven en Juffw. Karoline ook, nietwaar? â En weet je wat jij doet, Drenkelaer! Jij bent toch hier in de stad bekend; loop van avond nog eens in een paar modewinkels aan en zeg, dat zij morgenochtend intijds aan De Eenhoorn zenden met de noodige toilet-artikelen en de noodige stoffen, en een naaister om een japon te passen: dat zal wel 't beste middel wezen om zulke dwaze denkbeelden aan zelfmoord uit haar hoofd te verbannen. Je zegt maar dat het voor mijn rekening is.quot;
âIk hoop mij naar eisch van uw last te kwijten,quot; zei Drenkelaer, âen u morgen bericht te komen doen van mijn bevinding. Ik moet toch bij Mijnheer Flinck wezen ook.quot;
Het programma door Donia opgegeven, werd letterlijk ten uitvoer gelegd; de lijderes werd uit het bedompte vertrekje in den Gekroonden Roemer overgebracht naar een fraaie kamer in De Eenhoorn, en in een goed gewarmd bed gelegd: en den volgenden morgen zag Donia, die reeds vroeg naar haar welstand had laten vragen en dienaangaande de meest geruststellende berichten ontvangen had, hoe achtereenvolgens ettelijke juffertjes met en zonder doozen en pakken de herberg in en uit gingen; zoodat hij, reeds eer hij het bezoek van Drenkelaer ontving, de bewijzen had bekomen, hoe zich deze naar behooren van de hem opgedragen boodschappen gekweten had. Iets later kwam ook Karoline hem verslag doen van den toestand van Mw. Van Zirik. Na een vrij gerusten nacht was zij tegen den morgen ontwaakt; natuurlijk scheen zij in den beginne er niets van te begrijpen, waar zij was, en of zij nog leefde of niet: Karoline had haar echter op dat punt gerustgesteld, en ook daarbij verteld â overeenkomstig een voorschrift, 't welk Donia haar op 't hart gedrukt had â dat een vreemde heer, die weer weggereisd was, de koord had losgesneden, dat niemand te Marlheim, buiten haar, Karoline, van den gepoogden zelfmoord kennis droeg, en dat de Heer Van Donia gezorgd had, haar een beter' logies te doen bezorgen. Mevrouw had
61
dan ook beloofd geen nieuwen aanslag op haar leven te doen en in den morgen had het gezicht van allerlei nieuwe modes, het uitzoeken en passen van ochtendmutsen, kousen, schoenen, chemisetten, stoffages, enz., enz., voor een wijl althans alle sombere gedachten uit haar hoofd verbannen. â Zij wenschte echter, dat de Heer Van Donia zijn bezoek nog wat mocht uitstellen, totdat zij in staat zou wezen, hem behoorlijk te ontvangen, en verzocht of hij haar ook wat lectuur wilde bezorgen. Donia riep wederom betreffende dit laatste punt de hulp in van Drenkelaer, die beter dan iemand in staat was, aan het geuite verlangen te voldoen, dewijl hij, in het bestuur zijnde eener leesinrichting, een verzameling Fransche en Engelsche romans onder zijn beheer had, waaruit hij er haar eenige ter lezing toezond. Verder viel er dien dag niets anders voor, dat hier verdient te worden vermeld, dan alleen, dat Flinck tegen den middag afscheid nam van de beide heeren en Marlheim weder verliet.
Den volgenden morgen bracht de post aan Donia het antwoord reeds van Van Zirik, dat van den navolgenden inhoud was;
âWaarde en Zeer Geachte Vriend,
âIk dacht wel, dat het vroeg of laat met die onwaardige vrouw zulk een einde zou nemen; doch 't is nog vroeger dan ik verwachtte. Hartelijk dank ik u voor de mij gedane mededeeling, en voor de kiesche wijze, waarop, volgens hetgeen mij de aannemer Klabbe verteld heeft, de zaak door u behandeld is. De brief van Emilie, dien ik een wijl na het bezoek van Klabbe ontving, is, als trouwens van zelf spreekt, in een opgewonden stemming geschreven, en vrij verward: alleen blijkt daaruit, dat geldgebrek en angst voor een bezoek de voorname drijf-veeren waren tot haar wanhopig besluit; en wat ik thans van u, uit aanmerking van onze oude vriendschap, te verzoeken heb, is, dat gij u wel belasten wilt met het
62
overhandigen van nevensgaanden brief aan Emilie, of, zoo gij 't niet verlangt te doen, de boodschap dan op te dragen aan den Heer Drenkelaer, dien ik verneem dat bij u bekend is en aan wien ik insgelijks schrijf. Ik sluit hier verder nog een b. b. in van f500 '), met verzoek, dit ten beste voor haar te besteden. Wat gij verder zult kunnen doen om haar van dienst te zijn, voor zooverre dit in redelijkheid geschieden kan, ben ik overtuigd, dat wel door u verricht zal worden. In die verwachting ben ik, als altijd, van ganscher harte
's-Gravenhage, Uw Dv. Dienaar en Vriend
16 Dec. 184. K. Van Zieik.quot;
De brief van Van Zirik aan zijn vrouw was open en van den volgenden inhoud:
âEmilie!
âIk zal u geen noodelooze verwijten doen, maar u alleen zeggen, dat ik, na het gebeurde, u niet verlang weder te zien noch met u in correspondentie te treden. Ik heb den Heer Van Donia verzocht, met of zonder den Heer Drenkelaer, die hem wordt toegevoegd, u dezen brief te overhandigen en uw antwoord daarop te vernemen. â Zie hier mijn voorstel:
âZoo gij de schande wilt vermijden van een proces, dat ik u met volle recht zou kunnen aandoen, en de voorkeur geeft aan een scheiding met wederzijdsche toestemming, zal ik u een jaarwedde toekennen van drie duizend gulden (zegge f 3000), te verteren op de plaats waar gij zulks verkiest, mits niet binnen de provincie Holland, en verder op de voorwaarde, dat ik noch onze kinderen ooit ofte immer van u hooren.
^ Die waren toen nog in omloop.
63
âHopende dat het u in het vervolg moge welgaan en dat ondervinding u wijsheid geleerd hebbe, ben ik, maar verlang niet te blijven
's-Gravenhage, Uw man
16 Dec. 184. K. Van Zirik.quot;
âHij kan waarachtig niet nalaten met een flauwigheid te besluiten,quot; zei Donia.
Spoedig verscheen nu Drenkelaer, insgelijks met zijn brief.
âWel!quot; zeide Donia, toen hij hem zag; âwij zijn door den Heer Van Zirik in commissie gesteld en zullen nu bij de boetvaardige zondares belet moeten vragen, als de kardinalen bij Katharina van Arragon, om haar den wil van haar echtgenoot aan te kondigen.quot;
âMet dit verschil,quot; zei Drenkelaer, âdat Hendrik de Achtste een paar vrome geestelijke heeren aan zijn vrouw zond, en de Hr. Van Zirik een paar ongehuwde vrijers.quot;
âEn pas maar op,quot; hernam Donia, âdat zij u het hoofd niet op hol brenge; haar voorkomen is nog verleidelijk genoeg.quot;
âWie weet,quot; merkte Drenkelaer aan, âof bij den Heer Van Zirik niet het geheime denkbeeld school, het aan zijn vrouw over te laten, ons voor onze moeite te betalen. Doch wat mij betreft, ik ben tegen alle dergelijke aanlokselen op dit oogen-blik gehard; â ik ben verliefd, en misschien eerstdaags verloofd.quot;
â'tls toch kluchtig,quot; zei Donia, âzooals die financiers altijd van meening zijn, dat geld alles geneest, en hij nu ook zich met geld van alle verdere lasten afmaakt.quot;
âNu!quot; zei Drenkelaer; âik geloof, dat hij in zijn geval volkomen gelijk heeft, en, nu hij rijk genoeg is om zijn vrijheid te k o o p e n, dan ook niet aarzelt om er een goed bod voor te doen. â Maar wat is nu het plan van Mijnheer?quot;
âMij dunkt,quot; antwoordde Donia, âdat er niets anders opzit, dan dat wij beginnen, met ons, zoo spoedig mogelijk, te kwijten van de ons opgedragen taak.quot;
En meteen aan de schel trekkende, liet hij door den bediende
64
bij Mw. Van Zirik belet vragen voor Drenkelaer en hem en er bij zeggen, dat zij aan Mevrouw een boodschap te doen hadden van haar man.
Het antwoord luidde, dat Mevrouw de heeren met veel genoegen ontvangen zou, en zoo begaven zich beiden naar het door haar bewoonde vertrek. Zij vonden er, behalve Mw. Van Zirik, Karoline, die, na stoelen gezet te hebben, de kamer verliet.
Niet gering was de verandering, die in de 36 uren, gedurende welke zi] Mw. Van Zirik niet gezien hadden, haar uiterlijk voorkomen, dank hebbe den bijstand, door kapper en modemaakster verleend, had ondergaan. In afwachting, dat de naaister met een nieuwe japon gereed zou zijn, en het bestoven reisgewaad geheel kon worden afgedankt, had zij toch gezorgd, dat dit laatste niet meer kenbaar was; zijnde het lijfje vervangen door een loshangend wit neteldoeksch jakje, dat gemaakt gekocht was, en de rok grootendeels bedekt door een zwart zijden boezelaar, met breed lint omzoomd. Een kanten mutsje om de kin gestrikt, en waaronder het haar zediglijk was weggestreken, witte zijden a jour gewerkte kousen en een paar Turksche muiltjes voltooiden dit toilet, waarin de schoone Emilie, zooals zij daar in een chaise longue gezeten was, volstrekt aan geen boetvaardige Mag-dalena deed denken, maar veeleer het voorkomen had van een herstelde kraamvrouw, en men onwillekeurig geneigd was, rond te kijken, of er geen baker met een kind. en geen dienstmaagd met kaneelkoekjes verschijnen zou.
Ook van noodeloos spektakel maken, scheen Mw. Van Zirik zich te willen onthouden, en blijkbaar had zij geoordeeld, dat, dewijl gebeurde zaken geen keer hebben, het ophalen daarvan niet alleen onnoodig, maar bovendien ook voor haar zelve, evenals voor de bezoekers, die zij wachtende was, lastig en vervelend zou zijn. Het nemen van dit verstandig besluit had dan ook ten gevolge, dat zij alle ware of valsche schaamte had weten ter zijde te schuiven en dat zij, toen de beide heeren binnenkwamen, het minst verlegen was van hun drieën:
65
zoo zelfs, dat zij, toen Donia, na een buiging gemaakt te hebben, even aarzelde, hoe hij zijn toespraak beginnen zou, hem terstond voorkwam, door zelve 't woord op te nemen.
âIk moet de Heeren wel om verschooning vragen, indien ik hun niet vroeger mijn dank heb betuigd voor al de zorg, die zij voor mij gehad hebben sedert mijn komst hier ter plaatse; â maar ik had geen toilet, om behoorlijk bezoek te ontvangen. â Mijnheer is Mijnheer Drenkelaer onderstel ik,quot; besloot zij, de oogen van Donia op Drenkelaer wendende.
âIk had juist aan Mijnheer Van Donia willen vragen, mij voor te stellen,quot; zei Drenkelaer.
âIk hoop. Mevrouw,quot; zei Donia, op een beleefden, maar zeer koelen toon, âdat het u hier aan niets van het noodige ontbreekt; anders zal het mij aangenaam zijn, te zorgen, dat daarin voorzien worde. â Wij hebben getracht. Mijnheer Drenkelaer en ik, u zoodanige hulp te bewijzen, als de gelegenheid van de plaats aanbiedt, en het is ons aangenaam, uit een schrijven van den Heer Van Zirik te ontwaren, dat wij daarbij ook aan zijn intention zijn te gemoet gekomen. Uit den brief aan u. Mevrouw, dien hij mij open gezonden heeft, ten einde ik dien zou kunnen lezen, en dien ik hierbij de eer heb, u te overhandigen, zal u blijken, dat hij ons beiden tot zijn zaakgelastigden heeft gekozen, en dat het dus aan ons is, dat Mevrouw haar besluit dient te doen kennen.quot;
Een vluchtig rood zweefde even over het gelaat van Mw. Van Zirik, toen zij den brief aannam en het schrift van haar beleedigden echtgenoot herkende.
âBegeert Mevrouw hem op haar gemak te lezen, en over den inhoud na te denken, alvorens ons met haar besluit bekend te maken, dan zullen wij ons zoolang verwijderen,quot; zei Donia.
âIk geloof niet, dat het noodig zal zijn,quot; antwoordde Emilie, die reeds een vluchtig oog in den brief geslagen had: en spoedig daarop, na nogmaals, meer aandachtig, den inhoud doorloopen te hebben: âik zal wel geen andere keuze hebben, dan mij te onderwerpen aan hetgeen mij wordt voorgeschreven.quot;
v. - k. z. 5
66
âIk ben niet geroepen om u een raad te geven, Mevrouw,quot; zei Donia: âdoch ik mag niet ontveinzen, dat ik het voorstel van den Heer Van Zirik zeer aannemelijk acht.quot;
âIk heb geen verstand van flnantiëele zaken,quot; zeide zij: âen het is mogelijk, dat... . Mijnheer is aan de rechtbank, nietwaar ?quot;
Drenkelaer boog.
âDan zal,quot; vervolgde zij, âMijnheer mij wel kunnen zeggen, of een pensioen van f 3000 niet bitter weinig is voor iemand,
die zoo rijk is als Van Z____als Mijnheer Van Zirik? En of,
in geval van scheiding, de rechtbank mij geen grooter pensioen zou toeleggen?quot;
âIk wil niet over de royaliteit en veel minder over de galanterie van de Haagsche rechtbank oordeelen,quot; zei Drenkelaer, âen ik wil evenmin het vermogen van den Heer Van Zirik taxeeren; doch ik durf Mevrouw wel verzekeren, dat er geen rechtbank ter wereld is, die onder de bestaande omstandigheden hooger gaan zal dan de genoemde som.quot;
âJa,quot; hernam zij, âmaar hoe is 't dan met de som, die hij mij bij ons trouwen als douarie heeft toegekend?quot;
âDie kan niemand u ontnemen,quot; antwoordde Drenkelaer, âen die blijft buitendien uw eigendom.quot;
âIk moet Mevrouw doen opmerken,quot; zei Donia, âdat men met f 3000, desnoods met minder nog, in vele streken van ons vaderland, zelfs hier te Marlheim, zeer onbekrompen leven kan.quot;
âNu ja,quot; zei Emilie, âmaar 't zal er een leven naar wezen.quot;
Donia werd knorrig: âMevrouw zal toch toestemmen,quot; zeide hij, âdat het meer is, dan zij buitenslands verwachten kon.quot;
Mevrouw beet zich op de lippen, en zeide toen, met een bevende stem: âja, maar dat was een ander geval! â Enfin! ik weet, dat ik de minste wezen moet.quot;
âIk kan dus aan den Heer Van Zirik schrijven, dat Mevrouw zijn voorstel aanneemt?quot; vroeg Donia.
âIk laat alles over aan de Heeren, die zoo welwillend zijn, zich met de zaak te belasten,quot; zei Emilie.
67
âEn is er nu nog iets, waarin wij u kunnen behulpzaam zijn?quot; vroeg Donia.
âOch! ik weet het niet,quot; antwoordde zij; âik ben nog zoo onbepaald aangaande de toekomst.quot;
âIndien,quot; zei Drenkelaer, âMevrouw voorloopig onze stad met haar tegenwoordigheid wil blijven bevoordeelen, dan weet ik een zeer lief gemeubileerd appartement, aangenaam aan den Singel gelegen, als de advertentie luidt, en dat, ten gevolge van overhaast vertrek der bewoners, terstond te betrekken is. Indien Mevrouw het eens bij gelegenheid verlangt te zien, zal ik zeer vereerd zijn, haar tot geleider te strekken.quot;
âIk zal gaarne van uw aanbod gebruik maken,quot; zei Emilie, een allervriendelijksten blik op Drenkelaer slaande.
âEn vergun mij nu nog een woord over een geheel andere zaak, Mevrouw!quot; hernam Donia: â't betreft mijn pleegkind, dat ik in Den Haag ten uwen huize gezien heb.quot;
Onder het uitspreken dezer woorden had Donia haar scherp aangezien, en hij ontstelde, toen hy' de uitwerking gewaar werd, die zijn vraag op haar deed. Haar geheel gelaat betrok, haar oogen schoten vlammen, haar lippen begonnen te beven. âGeen twijfel!quot; dacht hij bij zich zeiven: âzij haat dat meisje.quot;
âHm! dat schepsel!quot; zeide zij, met een gemaakten lach: ânu ja! ik heb haar de deur uit doen zetten omdat.... wel! ik heb dat alles geschreven aan de zuster van dien Dominee, die zoo gek met haar was â en er misschien zijn redenen voor had.quot;
âHm!quot; dacht Donia: âzooals de waard is betrouwt hij zijn gasten,quot; en toen, luid: âmen heeft zich,quot; zeide hij, âde moeite gegeven, het toen gebeurde te onderzoeken, en de lezing van den inspecteur, die door u in 't werk gesteld is, om Mcolette weg te brengen, luidt eenigszins anders dan de uwe.quot;
Mw. Van Zirik werd steenbleek! â't Spreekt van zelf,quot; zeide zij, âdat die man de schuld op mij werpt: les absents ont toujours tort.quot;
âHet zou mij niet verwonderen,quot; hernam Donia, wien een ander Fransch gezegde, qui s'excuse s'accuse, voor den
68
geest kwam, âdat de zaak in rechten werd onderzocht, en dat men u met dien inspecteur in 't verhoor nam, om uit te vor-schen, door wiens toedoen eigenlijk dat meisje in het beruchte
huis is gebracht.quot;
,,Wel! door niemand dan door haar eigen toedoen,quot; hernam zij: â't was juist daar, dat zij behoorde.quot; En zulk een haat lag op haar geheele wezen uitgedrukt, dat er bij Donia aangaande haar schuld geen twijfel meer overbleef. 3 â't Is onverklaarbaar,quot; zei Drenkelaer, âzulk een zacht, argeloos schepseltje, als Juffrouw Zevenster.quot;
âHa zoo! Mijnheer kent haar dus ook? â Voorwaar! zij moet iets bijzonder aantrekkelijks hebben voor de heeren; want die nemen allen haar partij. Nu! zij zal er voortaan wel geen meer inpalmen met haar fijne bakkesje van Sainte
n'y touche.quot;
âMevrouw!quot; hervatte Donia: âdie zaak is ernstig, en Mijnheer, die een rechtsgeleerde is, zal u kunnen zeggen, dat er een artikel in de Code staat, 't welk straf bepaalt tegen al wie de prostitutie van minderjarigen bevordert. Heeft die inspecteur dat gedaan, dan zal hij zijn loon er voor krijgen ; maar kan hij bewijzen, op uw last gehandeld te
hebben, dan____ ik behoef niet uit te weiden over de
onaangename gevolgen, die zulks voor Mevrouw zou kunnen hebben.quot;
De ernstige toon van Donia, en het vooruitzicht, dat hy doorschemeren liet, misten hun uitwerking niet op Mw. Van Zirik. âEr hapert nog maar aan,quot; zeide zij, âdat men mij beschuldigt, dien man daartoe te hebben omgekocht.'
âIk moet,quot; zei Donia, âaan Mevrouw zelve het oordeel overlaten, of, na de blijkbare afkeerigheid, die zij voortdurend tegen dat meisje heeft aan den dag gelegd, na al de middelen die 2ij in 't werk heeft gesteld, om haar het leven onaangenaam te maken, een dergelijk vermoeden wel zoo geheel ongerijmd geacht, en niet zelfs by velen als hoogst waarschijnlijk zou aangemerkt kunnen worden. Wat mij betreft, ik weet tot mijn eigen overtuiging genoeg, en zal dus Mevrouw over dit punt
69
niet meer lastig vallen. â Voor 't overige, ik denk nog tot het einde van het Oude jaar hier te blijven: zoo dikwerf Mevrouw mij voor 't een of ander noodig heeft, gelieve zij het mij te laten weten; voor 't oogenblik zal ik haar met mijn tegenwoordigheid niet verder lastig vallen.quot;
Met deze woorden rees hij op, gelijk ook Drenkelaer deed, en beiden verwijderden zich.
âIk geloof niet, dat ik erg in de gratie bij haar geraakt ben,quot; zei Donia tegen Drenkelaer.
âNu voorwaar!quot; zei deze, ,,je hebt het er ook niet naar gemaakt, Mijnheer! althans, die bedreiging met art. 334 van de Code was bar genoeg: â en,quot; voegde hij er glimlachend bij: âik zou Mijnheer bijna verdenken, dat hij 't er op heeft aangeleid, om de lasten en baten van de ons opgedragen commissie op mij alleen te schuiven.quot;
âWat ook wel zoo rationeel is,quot; zei Donia: âwant ik zal Marlheim over veertien dagen voorgoed verlaten en Mijnheer blijft er.quot;
âDat laatste,quot; zei Drenkelaer, âis nog zoo zeker niet: en 't kon wel wezen, dat ik over een paar weken ook verlof vroeg om een' uitstapje te doen, en, als dan alles naar wensch loopt, zal Marlheim mij insgelijks voor 't laatst gezien hebben.quot;
Hetgeen Donia gegist had ten opzichte van de gevoelens, die de verlatene of liever de verlaten hebbende vrouw omtrent hem koesterde, kwam volkomen uit: zij liet hem niet ontbieden, maar wel daarentegen Drenkelaer, met wien zij de bewuste appartementen ging zien (welke zij dan ook huurde om tegen Februari te betrekken), en die haar voortdurend als raadsman en zaakwaarnemer bleef ter zijde staan.
Niet zoozeer de drukten, die zulks hem gaf, als wel de omstandigheid, dat Donia zijn hulp niet meer, gelijk in den beginne, bij zijn nasporingen van doen had, waren oorzaak geweest, dat zij elkander in de laatste dagen van Donia's verblijf te Marlheim bijna niet dan aan hun gemeenschappelijke tafel ontmoet hadden, waar doorgaans het maal spoedig afge-
70
loopen was, en weinig gelegenheid om te praten. Maar tot nog toe was Donia een wijl na afloop van den disch blijven zitten deelnemen aan het gesprek, dat door enkele achterblijvers, waaronder veelal ook Drenkelaer was, gevoerd werd. Dan opeens was dit veranderd, en had onze oud-raad in Indië zich telkens, zoodra het nagerecht â- in dit seizoen natuurlijk bijster schraal â op tafel kwam, verwijderd. Drenkelaer had hier de eerste reizen niet bepaaldelijk acht op geslagen; doch het verschijnsel herhaalde zich, ja werd dagelijksche gewoonte, zoodat Drenkelaer niet nalaten kon, nieuwsgierig te worden naar de reden, die er aanleiding toe gegeven had: en dit te meer, omdat hij nu ook begon te bespeuren, dat de vertrouwelijke en vriendschappelijke toon, waarop Donia vroeger steeds met hem had omgegaan, voor een in 't oog loopend vormelijke beleefdheid had plaats gemaakt. Nooit richtte hij meer 't woord tot Drenkelaer, en, richtte deze het woord tot hem, het antwoord was hoffelijk, maar kort en stroef genoeg om te kennen te geven, dat men het gesprek niet langer verlangde voort te zetten.
âOp welke pad of die stijve Fries getrapt mag hebben?quot; vroeg Drenkelaer zich zeiven dag aan dag af: âdaar moet ik het mijne van hebben, en morgen wil ik hem toch eens vragen naar de reden, dat hij in zijn gedrag jegens mij dus omgekeerd is als een blad op een boom.quot;
Maar dan kwam morgen, en dan bestierf de vraag, die Drenkelaer had voorgenomen te doen, hem op de lippen. Was het de koude blik van Donia, die hem weerhield, of was het die natuurlijke vrees, waardoor hij, die een geweten heeft, dat niet volkomen zuiver is, huiverig is voor al wat naar verklaringen zweemt? Of was het, wat waarschijnlijkst is, een mengsel van beide?
Zoo was Drenkelaer nog even wijs, toen hem op een zekeren morgen een lijvig pakket gewierd, hetwelk een keurig ingebonden exemplaar bevatte van een zeer kostbaar en tevens hoogst belangrijk werk over rechtsgeleerdheid. De toezending ging vergezeld van het navolgende briefje:
71
âMarlheim, den 27 December 184 .
â Mr, Occo Van Donia wil Marlheim niet verlaten zonder den Heer Drenkelaer zijn dank te betuigen voor de hulp, welke deze hem bij zijn nasporingen in het archief bewezen heeft. Hij vleit zich dat de Heer Drenkelaer het nevensgaande werk wel zal willen aanvaarden als een bewijs der erkentelijkheid, welke hij daarvoor gevoelt.quot;
Het geschenk was prachtig, ja vorstelijk, meer dan Drenkelaer had kunnen of mogen verwachten; het briefje daarentegen verbazend koel. Nu echter, zoo ooit, was de gelegenheid gekomen om te weten, hoe hij met Donia stond, en hij haastte zich dan ook, zijn hoed te nemen en naar De Eenhoorn te snellen. Hij had voorwaar' geen minuut moeten laten verloren gaan; want toen hij den hoek van de straat omsloeg, zag hij van verre een gepakte reiskales staan, en een bediende van Donia, die bezig was, er zijns meesters schrijfcassette, een voetenzak en andere benoodigdheden in te dragen. Drenkelaer zette het op een draf en kwam nog juist bijtijds om Donia, met een pelsjas aan, op de stoep te ontmoeten.
âIk wist niet, dat uw vertrek reeds heden moest plaats hebben.quot; stamelde hij, zijn woorden van 't hijgen bijna niet kunnende uitbrengen.
âZooals ge ziet,quot; zei Donia, met een onbeweeglijk gelaat: âen ik wensch u, bij dezen, voorspoed en gezondheid.quot;
âIk kon niet nalaten, u mijn dank te komen betuigen .... voor het vorstelijk cadeau . . . . waarmede .... mijn geringe diensten door u erkend zijn geworden,quot; hernam Drenkelaer: âmaar . . . .quot;
âIk houd er niet van, schulden na te laten,quot; viel Donia in; doch deze reis was zijn toon zoo scherp en zag hij op Drenkelaer zoo van uit de hoogte neder, dat deze de tot hem gesproken woorden wel niet anders uit kon leggen, dan met deze woorden: âik wilde aan u geen verplichtingen hebben; ik heb u betaald voor wat gij voor mij gedaan hebt, en wij zijn quittes.quot;
72
âMaar er moet een misverstand hebben plaats gehad,quot; zei Drenkelaer: âen zoo Mijnheer mij een oogenblik nog gehoor kon gunnen.. . Deze woorden sprak hij op fluisterenden toon; want de kastelein en de oberkellner stonden nevens hem, met de vriendelijkste en dankbaarste glimlachjes van de-wereld, strijkages makende voor den aanzienlijken gast, die hen verliet.
âMijn tijd is te kostbaar,quot; viel Donia, altijd even droog en kalm, hem in de rede: âa ja! nog dit:quot; en zijn hand op Drenkelaers arm leggende, fluisterde hij hem deze woorden in 't oor: âals gij weer zaken doet, die 't licht niet velen kunnen, vertrouw ze dan niet aan Polski.quot;
En, meteen zich omwendende, schudde hij de hand tot afscheid aan den kastelein, knikte den kellner vaarwel en stapte in het rijtuig. Zijn bediende sloeg het portier dicht en klom op den bok: de postiljon zette den hoorn aan den mond, deed zijn korte zweep lustig; klateren en gaf de sporen aan het paard dat hij bereed: de reiskales geraakte in beweging en rolde voort: het tweespan zette zich in een lustigen draf, en het rijtuig verwijderde zich, terwijl al de lieden aan weerskanten van de straat voor 't raam of op hun stoep kwamen, de voorbijgangers stilstonden, om het ongewone schouwspel aan te gapen en na te oogen, en een half dozijn jeugdige Marlheimers, met of zonder pet, op schoenen en op klompen, en wier getal uit de belendende straten en stegen voortdurend aangroeide, onder een oorverdoovend gegil het rijtuig naklotsten en zoolang bijhielden als hun adem 't hun vergunde. Maar reeds lang was van het rumoer, dat zij maakten, â reeds lang was van het gedruisch der wielen over de hobbelige straten, â van het blijde hoorngeschal, het vroolijk zweepgeklap en het lustig rinkinken der bellen, â van al wat de eentonige stilte der Marlheimsche straten had opgevroolijkt en wat eerlang, na 't afschaffen der paardenposterij, niet meer gehoord zou worden, â niets meer te vernemen, en nog stond Drenkelaer voor De Eenhoorn op de stoep, geheel overbluft door de vermaning, die Donia hem tot afscheid had toegevoegd.
73
âIk had het altijd wel gezegd,quot; mompelde hij eindelijk, âdat Kraalhof dien schoft niet had moeten wegzenden. â Nu heeft hij ons een kool gestoofd; maar welke?quot;
En, zich omkeerende, trok hij weer huiswaarts, zich zoekende te troosten met de gedachte, dat het spoedig Januari wezen zou.
ZESDE HOOFDSTUK.
OVER DE PLANNETJES VAN BLEEK EN DE PATIÃNTEN VAN VAN ZEVENAER.
De Heer Jan Bleek Az. zat tegenover zijn vrouw aan den disch en scheen recht in zijn schik. Zijn anders zoo effen en onbeweeglijke gelaatstrekken schepten er behagen in, allerlei zonderlinge en vermakelijke verwrikkingen en verdraaiingen te vertoonen. Nu eens kneep hij de leden van het linkeroog aan den buitenhoek dicht; terwijl hij met het rechteroog aangenaam knipte, zich eenige scheeve rimpels op het voorhoofd vertoonden, en hij daarbij de onderlip een goed eind vooruitstak : dan weder werd zijn gelaat een el lang, als dat van Pierrot, op 't oogenblik, dat hij onverwachts een lekkeren schotel ontdekt, waarvan hij hoopt te smullen. En, opdat het oor evenzeer gestreeld mocht worden als het oog, deed hij de voorgeschreven gebaren vergezeld gaan van geluiden, niet minder aangenaam in hun soort, als een gesnuffel met den neus, een vreemd klinkend keelgerommel, een gegiegel als van iemand, die op het punt staat het uit te proesten, en het herhaaldelijk klappen van de tong tegen 't verhemelte. Daarbij bleef het niet; hij wreef zich de handen, streek zich met eene daarvan de kin, in één woord, beging allerlei excentriciteiten, die een deftig man als hij was, al zeer weinig voegden. Zoo althans dacht er Mw. Bleek over, die niet dan met verbazing en misnoegen dat stomme gebarenspel had zitten aanstaren, waarvan zij niets begreep en waaraan zij geen mouwen kon
74
passen. Zij wist echter haar ongeduld en haar wrevel in te toornen, zoolang de meid zich af en toe in de kamer bevond; doch toen deze het middagmaal weggedragen, het nagerecht opgebracht en de kamer verlaten had, begon zij op de volgende wijze aan haar verontwaardiging lucht te geven.
âWat scheelt je toch. Jan? Je lijkt wel heelemaal stapel, zulke malle bakkesen als je trekt. Wat moet de meid wel van je denken? Je kijkt als iemand, die naar 't dolhuis gebracht moet worden.quot;
â't Is. . . .quot; zei Bleek: âja, of je zuur kijkt of niet. Na! ik kan het niet helpen, maar lachen moet ik er toch om â en je zult meelachen ook, als ik 't je vertel.quot;
âMaar wat is het dan?quot; vroeg Mevrouw.
âHij is er, met al zijn slimheid, toch ingeloopen.quot; antwoordde Bleek.
âHij? wat voor hij?quot;
âWel, die oude izegrim van een Flinck, of Van Blinkers-waard, zooals je hem noemen wilt.quot;
âZoo! wat is er dan gebeurd?quot; vroeg Mevrouw.
âIk heb je verteld,quot; zei Bleek, âhoe ik hem lekker gemaakt heb op de Brallemer heigronden. Ik was toch altijd nog bang, dat hij niet zou toehappen, vooral toen ik hoorde, dat hij zoo opeens de stad verlaten had. Wie weet, dacht ik, of hij er niet heen is, om zich met eigen oogen te overtuigen, of zij werkelijk zoo geschikt zijn ter ontginning, als ik hem had zoeken te beduiden, dat het geval was: en komt hij er achter, dat het niets is dan kale zandgrond, dan is de zaak verkorven.quot;
âNu! en____quot;
âHij is er heen geweest,quot; riep Bleek op een toon van triumf uit: âen de zaak is niet verkorven, en ik zal er nog meer partij van kunnen trekken dan ik gedacht had.quot;
âWaarlijk?quot; vroeg Mevrouw, terwijl zij een paar oogen opzette, waarvan het tintelen bewees, dat zij er nog verre van af was, den Mammonsdienst te hebben afgezworen.
âHoor maar, wat hij mij schrijft,quot; zei Bleek, terwijl hij, een brief uit zijn portefeuille nemende, las als volgt:
75
âTerhoef, 20 December 184 .
âIk schrijf u dezen uit Terhoef, waar ik mij heb begeven, om eens in persoon op te nemen, hoe het gaat met de herstellingen aan mijn huis op Blinkerswaard; want ik zie graag de dingen uit mijn eigen oogen. Daarom ben ik ook naar Marlheim gegaan, om die gronden op te nemen, waar gij mij van gesproken hadt. Naar hetgeen ik daar gezien, en van deskundigen gehoord heb ...
âZij hebben zich goed gehouden,quot; merkte Bleek aan, terwijl hij even ophield met lezen, om zich de kin te wrijven en goedkeurend met het hoofd te knikken: ânu! ik had hun ook een aardige douceur beloofd, als zij mij hielpen om den verkoop te doen lukken. Maar verder:
â en van deskundigen gehoord heb, zullen die gronden uitnemend beantwoorden aan het doel, dat ik mij heb voorgesteld. Alleen komt het mij voor, dat het bezit daar. van niet voldoende is, en dat, om de zaak recht goed haar beslag te doen krijgen, de geheele Brallemerheide in handen van éénen eigenaar komen moet. Er liggen, nevens die van de Erven Rossevaal, nog uitgestrekte vlakten, die aan verschillende eigenaars toebehooren; en die niet minder, zoo niet beter van qualiteit zijn dan de zooeven genoemde. Ik heb daar niet anders dan onder de hand naar kunnen informeeren; want, had men lont geroken, men had ze mij natuurlijk ten duurste zoeken aan te smeren: â ook ben ik niet genoeg met de kaart van 't land bekend, en te oud om mij door die Marlheimers te willen laten beetnemen. Maar een man, die in deze dingen beter thuis is, zou daarvoor in den arm genomen dienen te worden. Een goed verstaander enz.
âBlijve met schuldige achting
âUw Dv. Dienaar âHerman Flinck.quot;
76
âOf ik hem versta!quot; zei juichend Bleek, toen hij gedaan had met lezen en tenvijl hij den brief weer wegborg.
âNu ja,quot; zei Mevrouw, âzooveel ik uit den brief begrijp, is hij genegen, de gronden te koopen .... en dat is al mooi, â maar nu de andere ... .quot;
âDie wil hij er bij hebben, dat is duidelijk,quot; zei Bleek.
âGoed! maar welk voordeel kan ons dat opleveren?quot; vroeg Mevrouw: âals wij maar voor een goede som onze eigene gronden kwijt raken, die toch bijna niets opleveren, dan is dat al voordeel genoeg.quot;
âBegrijp je dan niet, Na?quot; vroeg op zijn beurt haar man, âdat hier een speculatie te doen valt, waar ik nog een mooi duitje aan verdienen kan? â Ik ga morgen naar Marlheim.quot;
âEn dan?quot;
âDan koop ik de geheele heide en verkoop hem die weer met een mooie avans.quot;
âWel! hij zal er je niet meer voor geven dan je er zelf voor betaald hebt, en je provisie: zal dat nu de moeite waard zijn, om er de reis voor te doen, in dit gure winterweer?quot;
âStil!quot; hernam Bleek: âje weet niet, wat je zeit; denk je dan, dat als ik die heigronden voor een appel en een ei kan krijgen, ik hem die weer voor een appel en een ei verkoopen zal? Denk je daarbij, dat ik ze op mijn naam zal verkoopen? Neen: als ik die 4 a 500 bunders, of zoo veel het wezen mag, eens gekocht heb, stel voor /quot;25 't bunder, dan verkoop ik hem de geheele hei weer namens de tegenwoordige eigenaars, voor ten minste /quot;100 't bunder, en steek een goede dertigduizend gulden limpido winst in mijn zak.quot;
âAls hij ondertusschen niet van gedachten veranderd is,quot; merkte Mw. Bleek aan, die nog juist niet zoo volkomen deelde in de zekerheid van te zullen slagen, die haar man bezielde.
âOho!quot; zeide Bleek, op een toon van zelfvertrouwen, âwees daar niet bang voor: ik heb gezien, hoe warm hij op de zaak is; en deze brief toont het bovendien genoeg. Natuurlijk moet ik de gronden goedkoop krijgen; niet hooger dan /quot;30 of uiterlijk /quot;35 door elkaar: â anders vervalt de zaak. Maar ik ben
77
niet bang voor mislukken. Toen ik daar laatst was, vertelde mij die kastelein al, dat zij te krijgen waren, en . . .
Hier kwam de meid binnen en vroeg, of er ook belet was voor Dr. Van Zevenaer.
âVan Zevenaer!quot; herhaalde Bleek, terwijl de vroolijke uitdrukking op eens van zijn gelaat verdween en hij schuins naar zijn vrouw keek: âdie komt zeker over Frits spreken. â Laat Mijnheer binnenkomen,quot; vervolgde hij, terwijl hij de schouders ophaalde, tegen de meid: en na weinige seconden stond de geneesheer voor hen.
âMijnheer en Mevrouw zullen mij verschoonen,quot; zeide deze, terwijl hij plaats nam op den hem aangeschoven stoel bij de kachel, âindien ik hen misschien op een ongelegen uur kom storen. Maar zij zullen begrijpen, dat een dokter over geen vrijen tijd te beschikken heeft, en ik oordeelde, op dit uur het best kans te hebben, om u thuis te vinden.quot;
â't Is bekend,quot; zei Mevrouw, âdat Mijnheer Van Zevenaer een uitgestrekte praktijk heeft.quot;
âIk achtte het mijn plicht,quot; hernam de geneesheer, âvooral na den brief, dien ik indertijd van Mijnheer ontvangen heb, hem niet onkundig te laten aangaande den toestand van zijn zwager.quot;
âHoe maakt het die ongelukkige?quot; vroeg Mevrouw, terwijl zij haar oogen smachtend ophief, als om den toorn des hemels van den verworpeling af te bidden.
âWel Mevrouw!quot; antwoordde Van Zevenaer, niet zonder eenige fijne spotternij in zijn toon te leggen, âhet zal u zeker genoegen doen, te vernemen, dat het gevaar tijdelijk geweken is, en ik alle hoop heb, er hem vooreerst weer boven op te helpen.quot;
Bleek kon niet nalaten bij deze onverhoopte mededeeling een scheef gezicht te zetten; Mevrouw hield zich beter, en nogmaals alleen het wit van haar oogen vertoonende, zuchtte zij:
âAch! dat is goed! als hij nu maar tot een recht inzicht van zijn zondigen toestand kwam en zijn boozen weg voor altijd verliet. Maar helaas! helaas! ik vrees, dat bij hem het kwaad te diep wortel geschoten heeft.quot;
âIk help het u wenschen, Mevrouw,quot; zei Van Zevenaer, kortaf: âwant als hij weer aan de rol gaat, gelijk hij in de laatste maanden schijnt gedaan te hebben, dan is hij voorgoed geconüsceerd.quot;
âHij wordt dus beter,quot; zei Bleek: âja, 't was wel te denken: onkruid vergaat niet, als het spreekwoord zegt: en je komt mij dus zeker opgeven. Dokter, wat ik in je schuld ben voor de medicamenten als anderszins, die ik vergoeden zou.quot;
âNiet volkomen,quot; antwoordde Van Zevenaer: âwij zijn nog zoo ver niet.quot;
âMet?quot; herhaalde Bleek, de lip latende hangen: âmoet er dan nog meer zijn?quot;
âIk heb wel zooeven gezegd,quot; zei Van Zevenaer: âdat uw zwager voor 't oogenblik buiten gevaar is; maar daarom is hij nog niet hersteld. Hij is nu zoover, dat hij zou kunnen overgebracht worden naar een beter kwartier, dan waar hij thans gehuisvest is: iets, dat ik in alle opzichten hoogst noodig acht.quot;
âZoo!quot; zei Bleek, zuur kijkende.
âEn dan, in de tweede plaats,quot; vervolgde de geneesheer, âis het noodig tot zijn herstel, dat hij goed en gezond voedsel krijge.quot;
âHm!quot; zei Bleek, die al zag, waar de andere heen wilde.
âNu weet ik toevallig een paar zeer geschikte gemeubileerde bovenkamers op de Leidschestraat, bij knappe lieden, die, ten gevolge van het onverwacht vertrek van den commensaal, zijn opengekomen, de kamers namelijk.quot;
âNu! En? . .. .quot; zei Bleek, terwijl hij den geneesheer vragende aanzag.
âMen vraagt er veertig gulden voor in de maand,quot; vervolgde Van Zevenaer: âen dat is waarlijk niet te veel. â Ik vlei mij, dat je er geen bezwaar in zult zien, dat ik die huur, b. v. tot Februari, en voortga met hem te verstrekken, wat ik voor zijn voeding en zoo voort dienstig acht; â doch ik wilde u van een en ander niet onkundig laten.quot;
âDat is te zeggen,quot; mompelde Bleek, die inderdaad rood
79
werd van kwaadheid, âik heb u wel geschreven, dat ik de medicamenten betalen zou en kleine versnaperingen; â maar om hem nu te laten leven als een prins .... dat is heel wat anders.quot;
âBewaar ons, neen!quot; riep Mw. Bleek, âdat heeft de man niet aan ons verdiend!quot;
âIk kan toch niet denken,quot; hervatte Van Zevenaer: âdat Mijnheer Bleek de zaken ten halve zou willen doen. Indien de zieke blijft waar hij nu is, kan hij onmogelijk weer op zijn verhaal komen, en wordt het een sukkelen zonder eind. Kan hij vervoerd worden naar een geschikter plaats, dan heb ik, bij goede verpleging, alle hoop, hem binnen weinige weken weer zoover te brengen, dat hij uit kan gaan en zijn kost verdienen.quot;
âNeen, neen,quot; zei Bleek; âdat zou in de honderden guldens loopen, en dat kunnen de bruintjes niet trekken. Waarom heb je hem niet terstond naar 't gasthuis laten brengen, Dokter? daar had hij immers al wat hij verlangen kon.quot;
âIk heb u gezegd, dat hij niet te vervoeren was,quot; antwoordde Van Zevenaer.
âMaar nu dan?quot; vroeg Mw. Bleek.
âMevrouw,quot; zei Van Zevenaer: âik zal u volstrekt niet tegenspreken, dat hij in 't gasthuis zeer goede hulp en oppassing hebben zou. Maar vooreerst ken ik sedert twintig jaren zijn gestel: hij is mijn patiënt; nog meer, ik heb een oud zwak voor hem, en ik stel er prijs op, het werk, dat ik begonnen heb, ook te voltooien. Ten andere heeft hij een .... een pleegzuster bij zich, die hem oppast met een zorg en een liefde, hoedanige geen ander hem zou kunnen vergoeden, en die hem in 't gasthuis niet zou kunnen volgen.quot;
âEen pleegzuster!quot; herhaalde Mw. Bleek, aan wie de weifelende toon niet ontgaan was, waarop de geneesheer dat woord had uitgesproken; âeen wezenlijke pleegzuster? â of misschien,quot; vervolgde zij, terwijl haar oogen een uitdrukking aannamen, waarbij zich nieuwsgierigheid en verontwaardiging paarden: âzoo'n schepsel, dat hij vroeger gekend heeft?quot;
80
âNeen,quot; antwoordde Van Zevenaer, op een zoo koelen toon, dat Mw. Bleek wel van haar vermoeden terug moest komen. Hij achtte het echter geheel noodeloos, den naam Van Nico-lette te noemen, ten einde bij Bleek geen vragen uit te lokken, waarop hij vooralsnog niet voldoende kon antwoorden, en vergenoegde zich daarom, op zyn ontkennend antwoord te laten volgen; âhet is een meisje, dat zich belangeloos aan de taak, om uw zwager op te passen, heeft gewijd, en die met een zeldzame zelfverloochening volbrengt. Doch behalve deze redenen is er nog eene, waarom ik niet van het gasthuis gesproken heb: ik zou dit niet hebben durven doen tegenover den Heer en Mevrouw Bleek, waar 't hun zwager geldt, en iemand, die, een jaar geleden, nog zijn compagnon was.quot;
âIk heb met den vent niets meer te maken,quot; zei Bleek: âonze zwagerschap is afgestorven, en onze associatie. Goddank, ontbonden. Ik heb al genoeg verdriet van hem gehad, en indien Mijnheer alles wist....!quot; Hier bracht Bleek de opgestoken rechterhand ter hoogte van zijn hoofd, alsof hij een eed moest zweren, en schudde toen beiden, hoofd en hand op zoo pathetische wijze, dat Van Zevenaer wel een man van ijzer en staal moest wezen om nog geen diepe verontwaardiging te toonen over al de gruwelen, waaraan Galjart zich tegen Bleek had schuldig gemaakt, en om geen diep medelijden te gevoelen met Bleek, wegens al de opofferingen, die hij zich voor zijn ondankbaren zwager had getroost. Van Zevenaer was echter een man van ijzer en staal, en volstrekt niet bewogen. Integendeel antwoordde hij, zeer flegmatiek:
âJa zeker, als ik alles wist, zou ik hoogst waarschijnlijk
anders spreken.quot;
Bleek zag den geneesheer twijfelende aan, als om de ware beteekenis en bedoeling van diens woorden op zijn gezicht te lezen; doch dat was, als 't vanouds placht te zijn, effen en ondoordringbaar als perkament.
âEn nu,quot; vervolgde Van Zevenaer, op zijn horloge ziende, âis mijn tijd om: mag ik uw besluit vernemen, opdat ik wete, waaraan mij te houden?quot;
81
â't Is een vervloekte geschiedenis,quot; zei Bleek, bij wien op dit oogenblik de vrees, om voor onbarmhartig en schriel bij de lieden door te gaan, met de hem ingeschapen gierigheid strijd voerde; âals wij een inteekenlijst openden.... Galjart heeft zeker nog kennissen genoeg, al zijn zij juist niet van 't beste allooi! . ... en dan wil ik wel bovenaan teekenen,
b. v. voor een tientje----of voor twee desnoods,quot; voegde hij
er bij, terwijl hij schuw naar zijn vrouw keek, om den kouden op hem gevestigden blik van Van Zevenaer te ontwijken.
âDat hij nu ook juist die ziekte moest krijgen!quot; zeide Mevrouw, op een klaagtoon, die aan Van Zevenaer het qu'allait-il faire dans cette galère van G-éronte herinnerde.
âIk behoef u niet te zeggen,quot; zei Van Zevenaer, âdat het door u voorgestelde middel op tijd werkt, en dat hier waarschijnlijk terstond geld zal benoodigd wezen. â Bovendien, met lijsten rond te loopen, is mijn vak niet.quot;
âJa! hoe dan?quot; vroeg Bleek: âik kan mij toch niet voor hem uitkleeden.quot;
âWel neen, wij kunnen ons niet uitkleeden,quot; zeide Mevrouw. Van Zevenaer keek haar eens even aan, mat haar van 't hoofd tot de voeten, en dacht bij zich zeiven, dat hij volstrekt niet gesteld zou wezen op het spektakel, 't welk zij hem in zoodanig geval zou aanbieden. âNu!quot; zeide hij toen, terwijl hij opstond en zich weder naar Bleek keerde, âik mag mijn patiënt niet aan zijn lot overlaten, en die verhuizing zal in elk geval morgenochtend plaats hebben. Ik zal het noodige geld voorschieten, en er op rekenen, dat Mijnheer het mij teruggeeft. Of 't uit zijn zak komt, of bij inteekening, is mij onverschillig; en komt het niet, ook goed! Er zal nog wel deze of gene te vinden zijn, die het ontbrekende bijpast, en, zoo niet, dan zal ik mij dat bankroetje getroosten. Ik heb wel de eer u goeden avond te wenschen.quot;
Met deze woorden verliet hij het echtpaar, dat hem in alles behalve vriendelijke gemoedsstemming naoogde.
âNu!quot; zei Bleek, na een poos te hebben nagedacht, en terwijl hij bij zich zeiven akte nam van des geneesheers laatste v. - k. z. 6
82
â woorden: âindien hij zich dien vent gelieft aan te trekken, dan behoef ik het alweer niet te doen.quot;
Wat Van Zevenaer betrof, die was, dit behoeft nauwelijks gezegd te worden, zoo goed als zijn woord. Den volgenden morgen werd de hospita van Galjart afbetaald, en de lydei in de koets van den dokter overgebracht naar het huis op de Leidschestraat, waar hem een goed verwarmde kamer en een goed bed verwachtten, en hem, wat nog meer waarde had, een liefderijke en trouwhartige bediening van de zijde van de vrouw des huizes ten deel viel.
En inderdaad had G-aljart in den aanvang nog een zorgvolle oppassing noodig. Wel hadden de koortsen opgehouden en was hij tot zijn volle bewustzijn teruggekeerd; doch nog altijd was hij doodelijk zwak, en, zoo het dei kunst gelukt was, het plotseling uitdooven der levenslamp te beletten, er moest nu gezorgd worden, dat geen bijkomend tochtje die weer uitblies, en vooral, dat er genoegzame brandstof verschaft werd om de vlam weder te doen opflikkeren. Daarbij kwam nog dat, afgescheiden van de kwaal waaraan hij nu geleden had, de borst van Galjart, die, zooals reeds uit vroegere gedeelten van ons verhaal gebleken is, gevoelig was aangedaan, nog op zich zelf veel ménagementen vereischte, en men hem niet kon behandelen als een gewonen lijder, die, na het wijken eener ziekte, slechts versterkende middelen behoeft. En toch wanhoopte Van Zevenaer, die vanouds wist, welk een stevigen inhoud de zieke bezat, geenszins aan diens volkomen herstel, mits de andere zijn middelen en den voorgeschreven leefregel trouw opvolgde, en later in alle dingen de maat bleef houden. Dit laatste zou zeker, naar zijne overtuiging, vrij wat voeten in de aard hebben ; doch men moest het beste hopen, en dat de lessen der ondervinding en de strenge waarschuwing, welke Galjart thans ontvangen had, niet geheel voor hem
zouden verloren zijn.
Was er ondertusschen iets, dat tot het herstel van den zieke kon bijdragen, dan was het misschien in de eerste plaats de trouwe en onafgebroken zorg zijner verpleegster. Ook nadat
83
Galjart naar zijn nieuw verblijf was overgebracht, was Nico-lette bij hem gebleven; overdag met haar werk naast zijn ledikant zittende, 's nachts op een soort van veldbed slapende, 't welk Van Zevenaer haar bezorgd had; doch op 't minste gerucht, dat de zieke maakte, zich aan diens zijde bevindende. Vergeefsch was het, dat Galjart, die niet slechts weer, als wij reeds zeiden, geheel helder van hoofd was geworden, maar ten gevolge der gedwongen matigheid, welke hij in acht moest nemen, vrij wat helderder dan voor zijn ziekte, haar verzocht zich om zijnentwille niet zoo af te matten, bewerende, dat hij nu zoo goed als hersteld, en in allen gevalle geen kraamvrouw was, die een baker noodig had: vergeefsch, dat hij haar onder 't oog bracht, hoe zij zelve ziek zou worden, indien zij niet behoorlijk rust nam en haar liefdewerk met een ander deelde, zij wilde van 't een noch van 't ander weten, en gaf op de vermaningen van Galjart zelden eenig ander antwoord, dan dat zij, verre van zich| te vermoeien, inderdaad een lui leven leidde, dat het weer niet aanlokkelijk genoeg was om een luchtje te gaan scheppen, en eindelijk, dat het oppassen van Vader Galjart een taak was, die zij voor geen geld van de wereld aan iemand zou overlaten. Wat hij tegen die schoonschijnende redenen mocht aanvoeren, hij moest altijd eindigen met er voor te zwichten, en lui deed zulks te gereeder, omdat hij, meer en meer prijs stellende op haar gezelschap en hulp, in den grond der zake voor niets zoozeer bevreesd zou zijn geweest als voor het gemis daarvan. Mets was hem zoeter, dan | haar luchtigen tred door de kamer te hooren, dan, zoo dikwerf zij hem zijn kussens opschudde, zijn dek recht schikte, zijn spijs of drank toediende, of eenig anderen dienst bewees, in haar vriendelijke oogen te staren, te luisteren naar haar welluidende stem, wanneer zij tot hem sprak, of later, hem iets voorlas uit het een of ander boek, of hem opbeurde met vertellingen, 't zij uit den tijd, toen zij bij Vrouw Ruffel woonde, 't zij uit dien, welken zij op school of op Hardestein had doorgebracht.
Maar vooral daarom was Galjart zoo gesteld op het gezel-
84
schap van Nicolette, omdat hij zich in haar bijzijn een ander mensch gevoelde, dan hij zich ooit vroeger gekend had, omdat hij het gevoel bij zich droeg, dat de omgang met haar hem beter maakte. Galjart, men vergete dit niet, had een god-vreezende moeder gehad en een vrome opvoeding genoten: in zijn jeugd had hij, bij al zijn losse levenswijze, toch buien van berouw en godsvrucht, en reeds bij zijn eerste optreden in ons verhaal hebben wij hem voorgesteld als onder den, 't is waar, zeer voorbijgaanden indruk verkeerende eener van huis ontvangen vermaning: later en gedurende zijn huwelijk met een ouderwetsch opgevoede, kerksche vrouw, was hij tot een bedaard leven teruggekeerd, en, had hij die vrouw behouden, hij zou, als meer bekeerde lichtmissen, een model-huisvader hebben kunnen worden. Er is reeds gezegd geweest, hoe, na den vroegtijdigen dood zijner echtgenoot, de verveling, veroorzaakt door het huichelachtig geteem van zijn zwager en diens vrouw, en het zwervend leven, dat hij, als voor het kantoor reizende, had geleid, hem weder verstrooiingen hadden doen zoeken van allerlei aard, en hem spoedig teruggeworpen in den maalstroom van een ongebondene, eerlang ook van een bepaald liederlijke, levenswijze. Maar nu na zijn zware krankte, waren, tevens met de herinneringen uit dagen van kinderlijke onschuld, ook de toen ontvangen indrukken weder levendig geworden. Lang vergetene of als onaangename schrikbeelden naar den achtergrond verwijderde gedachten aan dood en eeuwigheid hielden zijn geest bezig, en, al boden zij hem, bij het terugzien op den weg, dien hij tot nu toe bewandeld had, weinig opbeurends aan, toch was het hem een behoefte geworden, er bij te verwijlen en er zich over te onderhouden. Gaarne daarom sprak hij over dergelijke onderwerpen met Nicolette, en luisterde hij met aandacht en ingenomenheid naar de troostgronden, die zij met natuurlijke welsprekendheid en kinderlijken eenvoud voor hem blootlei: gaarne daarom hoorde hij er naar, als zij, op zijn verlangen, hem uit de Schrift voorlas of een dier gezangen opzeide, die hij, als kind, aan den schoot zijner moeder geleerd had. â Met innige
85
vreugde had Nicolette van hare zijde bij Galjart dien ommekeer zien plaats hebben. De lezer weet, hoe zij om zijnentwille geleden had tijdens hun ontmoeting aan het huis der Mont-Athos, en kan dus licht beseffen, hoe dankbaar zij zich gevoelde, hem thans in een zoo geheel andere stemming te zien, en hoe zij haar best deed, om, zonder ongepaste wijsheid te schaffen, hem de hand te bieden op den weg, die, door schuldbesef, tot berouw en bekeering voert.
Van Zevenaer had indertijd omtrent hetgeen met Nicolette in Den Haag was voorgevallen, geen andere berichten dan uit den mond van Hoogenberg ontvangen en diens lezing overgenomen. Noch met de weduwe Hermans, noch met Bettemie, die hem wellicht gunstiger gedachten over het meisje hadden kunnen doen opvatten, had hij ooit een woord over haar gewisseld : met de eerstgenoemde niet, om de zeer eenvoudige reden, dat zij in de drie laatste maanden geen geneeskundigen bijstand had noodig gehad en hij haar dus niet had gezien; met Bettemie niet, omdat hij, ofschoon zeer goed wetende, dat zij Nicolette te Hardestein gezien en omgang met haar gehad had, het onderwerp te teeder en te onaangenaam vond om er van te gewagen, zoolang zij er niet over begon; en dat zij dit laatste niet gedaan had, was eenvoudig daaraan toe te schrijven geweest, dat zij onbewust was van zijn betrekking tot Nicolette, en geen der pleegvaders van deze laatste, buiten Eylar, Bol en Van Zirik, had hooren noemen. Niet lang had echter onze geneesheer Nicolette aan het ziekbed van Galjart gezien, of hij was ten haren opzichte tot andere gedachten gekomen, 't Was niet zoozeer de ijver en zelfverloochening, door haar aan den dag gelegd, die bij hem ten haren voordeele pleitten; hij wist toch te goed bij ondervinding, dat volslagen zedeloosheid geen trouwe dienstvaardigheid uitsluit, en dat, waar het de verzorging van een dierbaren kranke geldt, de Laïs niet zelden bij geen liefdezuster achterstaat; â maar hij had lang genoeg met vrouwen omgegaan van allerlei slag, om de verdorvene, de ontuchtige, door elk momaanzicht heen, waarachter zij zich mocht willen
86
verschuilen, spoedig te doorschouwen, en uit voor hem onbedrieglijke kenteekenen te lezen of iemand rein was, niet enkel van wandel, maar ook van gedachten. â En pas had hij Nicolette vijf- of zesmaal teruggezien en met haar gesproken, of hij was tot de gevolgtrekking gekomen, of dat het doorzicht, waar hij meende zich op te kunnen beroemen, ten eenemnale faalde, of dat men haar belasterd had; en in deze laatste opvatting was hij versterkt geworden, toen hij, in een nader gesprek met Hoogenberg, ook diens geloof aan de schuld van Nicolette aanmerkelijk geschokt vond. Maar nu was Van Zevenaers bezorgdheid tevens opgewekt met betrekking tot haar gezondheid; en toen hij aan Bleek te kennen gaf, hoezeer hij er op gesteld was, Galjart van verblijf te doen veranderen, was het niet uitsluitend het belang van den zieke, dat bij hem woog, maar ook dat van diens verzorgster.
Het leed bij Van Zevenaer geen twijfel, of de ongesteldheid van Nicolette was niet alleen aan physieke, maar ook, en wel hoofdzakelijk aan moreele oorzaken toe te schrijven. De ziekte, die zij in Den Haag had gehad, was niet behoorlijk uitgevierd, en, daarbij gevolgd van schokken van allerlei aard: wel had het geschenen als ware zij schijnbaar daarvan hersteld, en misschien zou een voortdurend rustig verblijf ten huize van de weduwe Hermans, gevoegd bij een matigen leefregel, een heilzamen invloed hebben gehad op haar gezondheid; doch de nieuwe schok, dien zij ten gevolge van de onmoeting met Mw. Van Eylar en Maurits had ondergaan, had haar een zielelijden bezorgd, dat op haar gestel van hoogst verderfelijken invloed was geweest. Van deze laatste bijzonderheid droeg Van Zevenaer natuurlijk geen kennis; doch wel was hij nu op de hoogte wat het gebeurde te 's-Gravenhage betrof; immers hij had, zoodra Galjart maar eenigszins in staat was, een geregeld gesprek te voeren en aan te hooren, Nicolette verzocht, hun beiden een omstandig verhaal van haar wedervaren te doen. Niet alleen had hij, nadat zij aan zijn verlangen voldaan had, haar zoeken op te beuren met de verzekering, dat hij, voor zich, haar vrijsprak van alle schuld, maar ook, dat hij zijn
87
best zou doen, zijn medepleegvaders in die overtuiging te doen deelen. Hij was dan ook onmiddellijk zijn denkwijze dienaangaande aan Hoogenberg gaan mededeelen, en had hem daarbij verzocht, zijn pogingen tot rechtvaardiging van hun pleegkind te ondersteunen. Hoogenberg had geglimlacht en geantwoord, dat hij zich met die rechtvaardiging reeds bezig hield, en dat Van Zevenaer, zoo hij nog eenige dagen geduld bliefde te hebben, wel nader van hem over dat onderwerp zou hooren.
Zoo stonden de zaken geschapen, toen op zekeren morgen Van Zevenaer, die anders gewoon was den zieke omstreeks elf uren te bezoeken, reeds te halftien zijn kamer binnentrad.
âWel Dokter!quot; zei Nicolette: âdat is een vroegertje vandaag.quot;
âJa,quot; zeide hij: âik moet mijn bezoeken vóór elf uren hebben afgelegd; dan ga ik een reis ondernemen, en wel naar Hardestein.quot;
âNaar Hardestein!quot; herhaalde Nicolette, beurtelings rood en bleek wordende, bij 't hooren van een naam, die haar zoovele herinneringen voor den geest riep.
âJa,quot; hernam de arts: âMw. Van Doertoghe is ernstig ongesteld, naar 't schijnt; althans ik heb een brief van Juffrouw Pancras, om zonder verwijl over te komen. Heb je iets te zeggen?quot;
âWat zou ik te zeggen hebben?quot; zei Nicolette, het hoofd weemoedig schuddende: âniemand immers, die daar langer iets van mij verlangt te vernemen.quot;
âHm! zeg dat niet,quot; zei Van Zevenaer: âik vlei mij, hen tot betere gedachten te brengen, en, lukt het mij niet, dan weet ik iemand, die misschien beter slagen zal, t. w. Bettemie Van Doertoghe, met wie ik gisteravond lang en breed over u gesproken heb.quot;
âGaat zij met u?quot; vroeg Nicolette.
âOm u te dienen. De lieden, die ons te zamen zien, zullen zich misschien verbeelden, dat ik haar schaak; wat mij betreft, ik zou er niet tegen hebben; maar gelukkig voor haar kan zij beter vinden dan een oude dokter als ik ben.quot;
âJijlui heeren van de kunst ziit toch gelukkige menschen,quot;
zei Galjart, met een spottenden lach: âniet alleen laten de jonge meisjes u bij zich toe op alle uren van den dag, maar zelfs gaan zij, zonder vrees voor opspraak, met u op reis.quot;
âBenijd ons maar niet,quot; zei Van Zevenaer; âwij zien ellende genoeg, om nu en dan eens een verzetje te mogen hebben. â De pols is goed: hoe is 't met het hoesten?quot;
âDat is redelijk wel geweest van nacht; nietwaar Nicolette ? â En zul je Eylar en Bol ook zien?quot;
âDe verzoeking is groot,quot; antwoordde Van Zevenaer: âen zoo er geen van mijn patiënten is, die mij voor 't oogenblik dringend noodig heeft, zal ik morgen misschien een halven dag vacantie nemen, 't Is juist wel geen seizoen om veel van 't buitenleven te genieten; doch een dokter moet het nemen zooals 't valt; en 't weer zal in allen gevalle goed genoeg zijn om eens bij Eylar aan te wippen en te beproeven of hij nog goeden wijn in zijn kelder heeft. Heugt je dien Cantenae nog. Frits, dien wij in 182 . te Leiden bij hem gedronken hebben?quot;
âHm!quot; zei Galjart: âik zal mijn laatste flesch Cantenae wel gedronken hebben.quot;
âVan dat gewas, ja, dat geloof ik ook,quot; zei Van Zevenaer: âmaar wij zullen nog wel eens een goeden wijnoogst hebben, en bij provisie, als je zoo voortgaat, dan laat ik je de volgende week portwijn drinken en biefstuk eten.quot;
âEn wie zal dat betalen?quot; vroeg Galjart: âik heb bij niemand krediet meer.quot;
âNeen; maar je zwager Bleek heeft het nog,quot; zei Van Zevenaer.
âIk drink liever mijn leven niets als koud water,quot; zei Galjart, âeer ik dien vent iets schuldig ben: en ik hoop toch niet, dat het voor zijne rekening is, dat ik hier ben ingekwartierd.quot;
âIndien dit zoo ware,quot; hernam Van Zevenaer, âdan zou je er nog niets tegen kunnen hebben; want, öf hij heeft je bestolen, gelijk je beweert, en dan is 't volkomen billijk, dat hij je zulks vergoedt: öf hij heeft eerlijk met je gehandeld, en
dan behoef je geen bezwaar te maken in 't aannemen van zijn weldaden. â Kwel intusschen daar je hoofd maar niet mee en laat je genezen; dat is 't verstandigste wat je doen kunt: â Maar kom, ik moet voort, 't Zelfde drankje, versta je? En ja, Klaasje, met je poeiers voortgaan en gort eten, hoor. Tot overmorgen dan! ik zal de groeten van u beiden doen.quot;
En inderdaad, een paar uren later zat onze geneesheer met zijn schoone reisgenoote op den trein, die hen over Utrecht voeren moest tot aan een der verder gelegen stations, waar het rijtuig der Douairière hen afhalen en naar Doornwijck brengen zou. Hier gekomen, vonden zij de oude Mevrouw werkelijk in een toestand, die hoogst bedenkelijk scheen, en 't ook zou geweest zijn bij negen en negentig van de honderd lijders, vooral van dien leeftijd. Maar Mw. Van Doertoghe behoorde tot dat ouderwetsche ras van Amsterdamsche matronen, dat, niet vertroeteld in zijn jeugd, tegen buien en stormvlagen verhard werd, en bij noodweer wel het hoofd bukte, maar enkel om het spoedig daarna weer krachtvol te verheffen. Daarom ook gaf Van Zevenaer, ondanks de hevigheid der koorts, geenszins de hoop verloren. Gelukkig dat Le Mat (die, als te denken was, gezorgd had zich op Doornwijck te bevinden tegen den tijd dat Van Zevenaer er verwacht werd) den aard der ziekte goed had ingezien en die behandeld had op een wijze, die de goedkeuring wegdroeg van den kundigen arts. Ook vergenoegde zich deze laatste, bij het middel, door den plattelands-heelmeester voorgeschreven, nog een bestanddeel te voegen, waar hij een heilzame uitwerking van verwachten kon, en verbood verder, dat iemand, buiten Pietje Pancras en Mevrouws oude kamenier, die elkander aan haar ziekbed afwisselden, de kamer zou betreden: en het liet zich niet denken, dat eene van die beiden haar post ook maar een enkel reisje aan Bettemie zou afstaan; wat deze laatste, die, op het bericht van Tantes ongesteldheid, niet bloot welstaanshalve, maar uit ware belangstelling en zucht om nuttig te zijn, de reis aanvaard had, niet weinig teleurstelde. Nadat de maaltijd, waar onze beide reisgenooten eer
90
aan deden, en Pietje niet dan af en toe deel aan nam, was afgeloopen en Van Zevenaer zich de weelde veroorloofd had, een middagslaapje te doen, kwam er een bezoek van Mw. Van Hardestein en haar schoondochter, die de begeerte, om te weten wat de dokter van Mw. Van Doertoghe gezegd had, naar Doornwijck gedreven had, en die zich zeer tevreden toonden over de nogal niet ongunstige narichten, welke hij haar dienaangaande mededeelde. Terzelfder tijd bracht Mw. Mietje aan Van Zevenaer de groete van haar man over, en diens verzoek, dat hij den volgenden dag op Klein Hardestein het middagmaal zou komen gebruiken. Aan dat verzoek kon Van Zevenaer, die geen vollen dag uit Amsterdam afwezig wilde zijn, en daarom zijn vertrek van Doornwijck op den volgenden avond te vijf uren bepaald had, niet voldoen ; hij betuigde niettemin aan Mw. Mietje, er zeer op gesteld te zijn, Eylar en Bol te zien, en dat het ook in zijn plan lag, hen te bezoeken; waarop door haar werd voorgesteld, dat hij tegen den middag ten harent komen zou en dan een stevig ontbijt gebruiken, waar zij Bol mede op noo-digen zou: â welk een en ander hij betuigde, dat juist met zijn plannen in overeenstemming was.
Nog waren de twee Gravinnen op Doornwijck, toen Le Mat er zijn bezoek herhaalde en de beide lieden van 't vak zich naar de ziekekamer begaven. Na aldaar de verschijnselen te hebben opgenomen, die hun al meer en meer geruststellend voorkwamen, begaven de beide Heeren zich in een afzonderlijk vertrek, om nog een paar woorden over den toestand der zieke te wisselen. Toen zij dit onderwerp hadden afgehandeld, achtte Van Zevenaer zich de gelegenheid ten nutte te moeten maken, om, zoo mogelijk, de bron op te delven der dwaze geruchten, die te Hardestein geloopen hadden aangaande de vermeende krankzinnigheid van Bettemie. Nauwelijks had hij aan Le Mat gevraagd, hoe deze toch op het zotte denkbeeld gekomen was, dat het zulk een verstandig en knap jong meisje in 't hoofd zou geschort hebben, of Le Mat betuigde zijn genoegen over de gelegenheid, die hem gegeven werd
91
zich op dat stuk te rechtvaardigen. Hij had wel gemerkt, hoe de Freule bij haar komst zijn groet ternauwernood beantwoord en het hoofd van hem had afgewend; en dewijl nu, indien aan de oude Mevrouw iets menschelijks overkwam, de Freule waarschijnlijk haar zomerverblijf op Doornwijck zou vestigen, was het hem gansch niet onverschillig met haar op een goeden voet te zijn. â Hij begon dus zijn apologie, en wat hij aan Van Zevenaer mededeelde, was van dien aard, dat deze hem uitnoodigde, hem den volgenden morgen rond te leiden bij sommige bewoners van Hardestein, als o. a. Verdrongen en Zuring, van wie omtrent het besproken onderwerp nadere ophelderingen mochten verwacht worden.
Na den afloop van dat gesprek keerde Le Mat naar het dorp en Van Zevenaer naar de huiskamer. Hier had, gedurende zijn afwezigheid, Mw. Van Hardestein, die niet dan met leedwezen haar schoone droombeelden van een huwelijk tusschen haar zoon en Betsy in rook had zien vervliegen, de gelegenheid waargenomen om aan deze laatste te vragen, waar zij haar officieel zou mogen gelukwenschen met haar engagement.
âO! wij zijn nog zoover niet,quot; zei Bettemie, kleurende en met een afwijzende gebaarde.
âMij dunkt,quot; merkte Mw. Mietje aan, âdat je de zaak toch moeilijk ontkennen kunt; of je moest de cadeaux van Mijnheer Drenkelaer niet zoo nabij je hart dragen.quot;
En meteen wees zij op het reukfleschje van Lea, dat, aan een gouden ketting vastgehaakt, links aan den gordel van Bettemie prijkte. Het jonge meisje had, na de goede berichten, die Van Zevenaer haar omtrent Drenkelaer had medegedeeld, er geen bezwaar in gezien, zich met dat sieraad, waar zij eerst zoo bang voor geweest, en waar zij later zoo gehecht aan geraakt was, te tooien, te minder, dewijl niemand in Amsterdam er den oorsprong van kende. Zij had het naar Hardestein medegenomen zonder er bij te denken, en vergeten het af te doen toen zij te Doornwijck kwam. Eerst bij de opmerking van Mw. Mietje, die haar niet weinig in verwarring
92
bracht, bespeurde zij haar onvoorzichtigheid. Zij hoopte zich te redden, door te zeggen, dat zij dien flacon uit de loterij bij Mw. Van Hardestein getrokken had.
âZoo?quot; zeide deze: ânu, dan is het lot al heel providentieel geweest, om een voorwerp, waar de Heer Drenkelaer zoo aan gehecht was, juist in uwe handen te spelen zoodat het per slot toch weer bij hem thuis zal komen, nietwaar?quot;
âIn allen gevalle toont Bettemie, dat zij er zwak voor heeft,quot; voegde Mw. Mietje er bij.
âNu!quot; zeide het jonge meisje, dat geen uitweg meer vond, vooral omdat Pietje, die ook in de kamer was, zoo geheimzinnig lachte, âik wil wel bekennen, dat de mogelijkheid van een engagement bestaat; maar 't is nog lang zoover niet.quot;
De twee Gravinnen begrepen, zich met deze bekentenis voldaan te moeten houden, en dat de kieschheid haar verbood, met hare plagerijen voort te gaan; waarom zij dan ook een ander voorwerp op het tapijt brachten, en het was daarmede, dat zij bezig waren, toen de geneesheer weder binnentrad en op hare vragen aangaande den toestand der zieke te antwoorden had. Het zal niemand verwonderen dat beide de Gravinnen zoo schoon een gelegenheid niet wilden laten voorbijgaan om eens te hooren, hoe zulk een knap man wel dacht over de kwalen, waar zij zeiven aan leden.quot;
âWat u betreft, Mevrouw!quot; voegde Van Zevenaer Mw. Mietje toe, âje bent, zooals Freule Bettemie mij verhaald heeft, onder de behandeling van mijn vriend Prof. S., en ik kan u geen anderen raad geven, dan den zijnen trouw te volgen.quot;
âJa maar,quot; zeide zi], hem haar arm toestekende, âis er niet een middel, om mij intusschen van dien gejaagden polsslag te bevrijden?quot;
âMevrouw,quot; zei Van Zevenaer, na haar pols gevoeld te hebben: âdie polsslag staat met uw geheele gestel in verband, en het eene werkt bij u op het andere. Voorzeker heeft Prof. S. 't u al gezegd, en anders zeg ik het u: eet krachtige soep en goeden biefstuk, en drink een ordentelijk glas wijn.quot;
93
âNu, dat is een raad, die nogal te volgen is,quot; zei Bettemie, lachende.
Maar Mw. Mietje keek zuur en vroeg niet verder, zeker bij haar zelve denkende, dat die quasi-vriend van haar man haar voor 't lapje hield, en het zeker niet noodig vond, zich veel te verontrusten over de gezondheid van zulk een onbeduidend wezen als zij toch maar was.
âEn hoe denk je over mij. Dokter?quot; vroeg madame mère.
âOver u, Mevrouw?quot; zei Van Zevenaer, haar met een vroolijken lach van 't hoofd tot de voeten beschouwende: âwel! ik denk, dat, als alle menschen er zoo uitzagen, wij genees-heeren wel in een proveniershuis zouden mogen gaan en ons vak spoedig geen enkelen beoefenaar meer vinden zou.quot;
âMevrouw is altijd even gezond en vroolijk,quot; zei Bettemie.
âJawel, ik klaag ook niet,quot; zei Mw. Van Hardestein: âmaar vindt je niet, dat ik schrikkelijk dik word?quot;
âZou Mevrouw graag broodmager zijn?quot; vroeg Van Zevenaer.
âIk niet,quot; antwoordde de Douairière; âmaar er is een maat in alles: en was het nu, dat ik te lui en te lekker leefde, dan zou ik het nog kunnen begrijpen; maar ik neem waarlijk beweging genoeg; ik doe alle dagen wandelingen door de plaats, en door de buitenbosschen, dikwijls uren achter mekaar, weer of geen weer, en eergisteren heb ik nog wel een half uur met Chéri op mijn arm gesjouwd, omdat ik het beest niet voort kon krijgen. Ja, dat Chéri dik wordt, daar is niets vreemds aan; 't beest slaapt drie vierden van den dag: 't eet liefst vet en bonbons â ik zei van morgen nog aan Juffrouw Tronck: âje geeft het dier veel te veel snoeperijtjes,quot; â en het wil maar niet loopen; â maar waarom of ik dik moet worden, die gezonden kost eet en heel veel beweging neem, dat verklaar ik niet te begrijpen .... of 't moet een familiekwaal wezen: â anders, ik herinner mij niet, dat mijn ouders of mijn grootouders zoo bijzonder gezet waren; alleen mijn oom de kolonel, die was zwaarlijvig; maar zoo iets kan toch niet verspringen van oom op nicht. Nu, Dokter! wat denk je er van? Zou er kans zijn om mij te helpen? of ten minste
94
om te maken, dat ik niet dikker word dan ik al ben ? Je laat mij maar praten en zeit niets.quot;
âJawel Mevrouw,quot; zei Van Zevenaer, die bedaard het stilstaan van dien praatmolen had afgewacht: âje moet beginnen met je moestuin af te schaffen.quot;
âWat belief je?quot; zei madame mère: âen ik heb er juist een nieuwen muur laten zetten.quot;
âHeel goed,quot; hernam hij: âik bedoel ook alleen, dat het voortaan voor u moet zijn, alsof er geen moestuin bestond. Zend mij aanstaande voorjaar wat sperges, en later wat jonge doperwtjes, tot loon van den raad dien ik u geef, en ik zal ze in dank aannemen; maar, wat u zelve betreft, vleesch 's morgens aan het ontbijt, vleesch te 12 uren, vleesch s middags aan tafel, vleesch als gij naar bed gaat, en, tot versnapering, koteletjes en vleeschpasteitjes.quot;
âMaar dat is homoeopatisch,quot; zei de Gravin: âen ik geloof, dat je er mee spot. Dokter.quot;
âIk spot er niet mee, maar spreek in volkomen ernst,quot; zei Van Zevenaer: âen wat het homoeopatische van het middel betreft, ik geloof niet, dat ik beschuldigd kan worden. Mevrouw met onzichtbaar kleine deeltjes te genezen: vleesch, herhaal ik, vleesch, en nogmaals vleesch, in overvloed!quot;
Mw. Van Hardestein zei, dat ze er niets van begreep; maar het wel probeeren wilde, en na nog een wijl gesnapt, en o. a. Bettemie van ter zijde wat geplaagd te hebben met haar aanstaand engagement, trok zij met haar schoondochter af; terwijl er verder op den avond op het huis te Doornwijck niets voorviel van genoegzaam gewicht om hier te worden vermeld.
95
ZEVENDE HOOFDSTUK,
VIER VAN DE PLEÃADEN TE ZAMEN.
Toen den volgenden dag Van Zevenaer, na zijn onderzee kingen te Hardestein in 't werk gesteld en volbracht te hebben» en door Le Mat tot aan den ingang van Klein Hardestein gebracht te zijn, aldaar de woning van Eylar binnentrad, was hij niet weinig verrast, er, behalve den Heer en Vrouw des huizes en Bol, ook Donia te vinden.
âNietwaar,quot; vroeg Eylar, âdat is een gelukkige inval van onzen vriend, op zijn terugreize van Marlheim een zijsprong te doen om mij te bezoeken.quot;
âEn ik word voor den inval dubbel beloond,quot; zei Donia: âdaar een gunstige samenloop van zaken juist heden onzen dokter hierheen heeft geleid.quot;
âWaarlijk,quot; zei Bol: âik zou weer lo vivat gaan zingen, als voor twintig jaren.quot;
âEn hoe heb je Mw. Van Doertoghe gelaten, Dokter?quot; vroeg Mw. Mietje.
âNaar tijdsomstandigheden redelijk,quot; antwoordde deze: âik vlei mij, dat het zich schikken zal, en dat de oude vrouw spoedig weer de jongere beschamen zal.quot;
âNu! ik kan niet anders zeggen of ik ben haar dank verschuldigd,quot; zei Eylar: âzonder haar hadden wij u wel niet op Klein Hardestein gezien.quot;
âMaar,quot; vroeg Mw. Mietje, âis het Mijnheer Van Donia nu wezenlijk ernst, hedennamiddag weer te vertrekken ? Zijn kamer is anders klaar, en hoe langer hij ons het voorrecht van hem te bezitten zal willen schenken, hoe liever het ons zijn zal.quot;
âIk ben uiterst gevoelig voor uw vriendelijk aanbod, Mevrouw !quot; zei Donia: âmaar het is meer dan tijd, dat ik mijn huisgoden ga opzoeken: te meer, dewijl ik weer spoedig naar Den Haag zal moeten gaan.quot;
96
âWij moeten ons dan maar verheugen u althans een uur of wat te bezitten,quot; zei Bol: âen handelen naar 't voorschrift, dat Horatius aan Leukonoë geeft:
Carpe die in, quam minimum c redui a postero ').
âJuist,quot; zei Eylar: âmet welk citaat ik onderstel, dat onze vriend Gerlof mij meteen wil herinneren aan het
S a p i a s, v i n a 1 i q u e s :),
dat onmiddellijk voorafgaat. â Maar wees niet bang, daar is voor gezorgd, en indien de Heeren ons hiernaast willen volgen, zullen zij gelegenheid vinden zich aan spijs en drank te laven.
âEi zoo! wat heeft ons lid van de Eerste Kamer zijn Horatius nog goed in 't hoofd,quot; zei Donia, terwijl hij zich met de overigen aan den disch zette, waar een welbereid collation hen wachtte : âwat mij betreft, ik heb zoo lang allen omgang met de classici moeten verzuimen, dat ik waarlijk vrees, als ik weer eens tot hen kom, als een vreemdeling te
worden geweerd.quot;
âEi kom!quot; zei Bol: âwie eenmaal met de klassieken gemeenzaam was, raakt weer spoedig bij hen thuis: en 't zou zonde en jammer zijn, indien je, bij de rust en vrijheid, die u thans geschonken zijn, niet nu en dan een uurtje afzonderdet om de kennis te hernieuwen. De studie der ouden raakt al genoeg uit den smaak, in onze materiëele en materialistische eeuw, en mannen als Eylar en Donia moeten het voorbeeld leveren, dat de grondige kennis der oude talen en de smaak voor een gezonde letterkunde iemand niet hindert, een voortreffelijk staatsman te zijn. Ik zou verder gaan en durven beweren, dat niemand ooit den naam van staatsman wezenlijk verdiend heeft, die de klassieken verwaarloosde.quot;
âOnder de twee eerste Georges van Engeland diende hij althans Latijn te kunnen spreken; want dat was de eenige
ï) Gebruik den dag van lieden en bekommer u niet over dien van morgen.quot; Horat. Zit. I Od. XL
2) âWees verstandig, en schaf den wijn.quot;
97
taal, buiten 't plat Duitsch, dat die koningen verstonden,quot; merkte Eylar glimlachende aan.
âIk bemerk,quot; zei Van Zevenaer, tegen Donia, âdat onze vriend Bol nog niet genezen is van zijn oude liefhebberij om paradoxen op te werpen.quot;
âMoet mijn beweren ten dezen opzichte dan ook al een paradox heeten?quot; vroeg Bol: âik geloof toch, dat het geheel op de ondervinding der feiten is gegrond, en ik zou geen bezwaar er in vinden het te bewijzen, indien ik niet vreesde. Mevrouw met mijn betoog te vervelen.quot;
âGa gerust uw gang, Dominee,quot; zei Mevrouw Mietje: âik weet wel, dat ik maar een dom schepsel ben, en waarschijnlijk niet op de hoogte van wat je te zeggen hebt, maar toch, ik leer gaarne wat, en natuurlijk stel ik er wel eenigen prijs op om te weten of het lezen van veel Grieksch en Latijn Mijnheer Van Eylar in zijn carrière van dienst kan zijn: want dan zal ik er hem toe aanmoedigen â voor zooverre hij namelijk myn raad daaromtrent iets zal willen tellen.quot;
âHet zou mij leed doen,quot; zei Bol, âindien Mevrouw onderstellen kon, dat ik haar verstand en oordeel gering schatte, en zeker was ik niet voornemens, een rede te houden, waarvan zij den draad niet zou kunnen volgen. Ik vreesde alleen, dat zij minder behagen zou scheppen in het onderwerp: maar nu zij mij daaromtrent zelve gerust stelt, schroom ik niet, in zee te steken. Ik moet dan in de eerste plaats vragen, of iemand hier den algemeenen band zou durven loochenen, die tusschen alle wetenschappen bestaat?quot;
âVolstrekt niet,quot; zei Donia, âmits je mij maar van uw kant toegeeft, dat niemand in meer dan één vak kan uitblinken, en dat ieder dus wel doet, zich op één in 't bijzonder toe te leggen, wil hij geen gevaar loopen, van alles wat en niets grondigs te weten, waardoor zijn zoogenaamde algemeene kennis niets meer wordt dan een bloot dilettantisme; â en dit laatste houd ik voor een treurige zaak.quot;
âIk zou u,quot; hernam Bol, âterstond op de voorbeelden kunnen wijzen van twee mannen, die voor weinige jaren gestorven v. - k. z. 7
98
zijn. Is de roem, dien Goethe als natuurkundige verwierf, niet even groot als die, welken men hem als dichter toekent? en was Bilderdijk niet te gelijk een groot rechtsgeleerde en een uitmuntend dichter?quot;
âVoeg er gerust bij, een bekwaam geneeskundige,quot; zei Van Zevenaer: âvan zijn âZiekte der Geleerdenquot; heb ik twee exemplaren: het eene staat onder mijn leerboeken over geneeskunde: het andere onder de dichtwerken, en onder beide soorten bekleedt het een eereplaats.quot;
âIk ben overtuigd,quot; hervatte Donia: âdat Bol mij, behalve de twee, die hij noemt, er nog een dozijn anderen zou kunnen noemen: ik wil hem zelfs wel voorthelpen, en Xenophon en Cesar aanhalen, die tevens treffelijke krijgshoofden, staatslieden en schrijvers waren, of Jan De Witt, die evengoed wist te regeeren als wiskunstige voorstellen op te lossen; â maar wanneer men een algemeenen regel stelt, dan mag men niet met uitzonderingen voor den dag komen. Juist omdat de mannen van genie, die wij noemden, zich groot toonden in meer dan één vak, staan zij boven of buiten- de rest van het menschdom. Zal de regel goed en proefhoudend zijn, dan moet hij van algemeene toepassing gemaakt kunnen worden, en het bewijs geleverd, dat lieden van gewone bekwaamheid, door zich op de studie der ouden toe te leggen, meer geschiktheid tot het bekleeden van staatsambten bekomen.quot;
âIk heb er niets tegen,quot; zei Bol, âde quaestie op het door u aangewezen terrein te bepalen, en dan, vriend Donia, zal
ik eens aankomen met een argumentum ad hominem----
ik vraag u om verschooning. Mevrouw, ik meende te zeggen, dat Mijnheer Van Donia in eigen persoon mij een grond voor mijn betoog zal leveren. â Heb je niet,quot; vervolgde hij, zich wederom tot Donia wendende, âin de Oost een snelle carrière gemaakt? sneller dan je hadt kunnen hopen en verwachten ?quot;
âIk heb zeker geen stof tot klagen gehad,quot; antwoordde Donia: âmaar wat bewijs je daaruit?quot;
âEn waaraan heb je dat te danken gehad?quot; vroeg wederom
99
Bol: âniet enkel aan de achting, die men voor uw karakter had; â ofschoon ik daaraan geen gering deel wil toeschrijven: maar ook, omdat men prijs stelde op uw helder inzicht in zaken, op de klaarheid van uw verslagen, op den geest van orde, die zich in al uw verrichtingen openbaarde. En zou dat een en ander zich in die mate bij u hebben geopenbaard, indien je niet gestudeerd hadt? dat wil zeggen, indien niet uw stijl zich onwillekeurig gevormd had naar de ongelijkbare modellen, die de ouden ons nalieten, indien niet uw geest van lieverlede doordrongen was geraakt van die zucht tot eenvoud in de voordracht en tot geregelde orde in samenstelling, die hen onderscheidt, indien uw smaak niet door hen gezuiverd was?quot;
âWel, Mijnheer Van Donia,quot; merkte Mw. Mietje schertsende aan; ânu ben je in een moeilijke stelling gebracht; want nu wordt u geen keus gelaten, dan öf toe te geven, dat Dominee gelijk heeft, öf te verklaren, dat je een genie bent, en al die bekwaamheden aan den dag zoudt gelegd hebben, ook al hadt je nooit Grieksch of Latijn geleerd.quot;
âDat is zeker,quot; zei Eylar, âdat Gerlof, ouder gewoonte, weer overdrijft: immers, zooveel ik mij herinner, wilde Donia, toen hij student was, niets met de klassieken te maken hebben en was hij een adept van de nieuwere school.quot;
âWel ja,quot; voegde de geneesheer er bij: âheugt je zijn gedicht niet meer over de vrijerij tusschen een vlinder en een Elf?quot;
âJuist,quot; zei Bol: âen zooals het door u gekarakteriseerd werd,
verder met Gnomen,
Salamanders en Meerminnen gevuld, precies om 's nachts van te droomen. Een onderwerp uit geen geschiedschrijver genomen Maar bepaaldelijk uit des dichters kranke verbeelding voortgekomen.quot;
âHoe drommel heb je 't zoo kunnen onthouden?quot; vroeg Van Zevenaer: âik, die 't gemaakt heb, was het lang vergeten.quot;
âJa,quot; antwoordde Bol: âhet geheugen is een vreemd ding: het trekt aan een verborgen touwtje, en zie, daar springt plotseling uit een afgezonderd hoekkastje iets, waar men in
100
jaren niet aan gedacht heeft, weer in 't volle licht voor onze oogen. â Maar, om tot de zaak terug te komen, ik herinner mij zeer goed, dat Donia een bewonderaar was van Shakspere, en bovendien allerlei Hoogduitsche phantastici zocht na te volgen; doch tevens, dat hij Plato en Anacreon, Cicero en Virgilius ad aperturam') las.... ik vraag alweer verschooning Mevrouw! dat komt er van, als men vier oude academievrienden aan zijn disch heeft, die weer op eens zich verbeelden dat zij nog studenten zijn: ik wilde maar zeggen, dat Mijnheer Van Donia al die schrijvers las en verstond, zonder er een woordenboek op na te slaan; â en wie dit doen kan, moge zich uitgeven voor romantiek, het waas van klassicisme zal hem bijblijven.quot;
âJe bedoelt,quot; zei Eylar:
âQuo semel est imbuta recens servabit odorem
Testa din 1).J,
âIk zou 't niet hebben durven zeggen,quot; zei Bol: âen, als Heer des huizes, moest je ons met geen slecht voorbeeld voorgaan. â Maar zie je, dat waas van klassicisme is het nu juist wat ik bedoel; een staatsman moet aangename vormen hebben, als hij met anderen omgaat: en die krijgt hij, wanneer hij, door de studie beschaafd, zijn zeden heeft leeren verzachten en alle ruwe kanten gepolijst zijn:1); een staatsman moet zijn denkbeelden helder weten te ontwikkelen: en dat leeren hem de ouden; hij moet zich weten te onthouden van al wat naar woordenpraal en bombast zweemt; en dat vooral is een gebrek, waarvan maar zelden zij, die niet gestudeerd hebben, geheel vrij kunnen blijven: hij moet doorkneed zijn
1
) âDe pot zal nog lang den reuk behouden, waarmede zij, nog nieuw zijnde doortrokken werd.quot;
101
in de wording en samenstelling der maatschappijen en der volken; en wie deze niet in de schriften der ouden heeft nagegaan, kan er niet dan ten halve in thuis geraken: maar wat zal ik er meer van zeggen? het stilzwijgen van Donia bewijst genoeg, dat hij het met mij eens is.quot;
âIk geloof, dat uw gevolgtrekking wat voorbarig is,quot; zei Donia: âje zult mij waarschijnlijk wel toegeven dat, onder de eigenschappen, die een staatsman betamen, ook deze behoort, dat hij iemand, die aan 't woord is, laat uitspreken, en ik heb dus ook willen wachten met mijn antwoord, tot je hadt uitgesproken.quot;
âEn dat gevoel van betamelijkheid hebben uw klassieke studiën u gegeven,quot; zei Bol.
â't Zou hard zijn,quot; merkte Donia aan, âindien dat gevoel als een monopolie moest gerekend worden van hen, die gestudeerd hebben.quot;
âDan zou 't er met ons, vrouwen, slecht uitzien,quot; zei Mw. Mietje.
âDe vrouwen,quot; zei Donia met een beleefde buiging, âhebben van nature gekregen wat ons mannen door de kunst moet worden ingestampt: voor 't overige, al wil ik zeer gaarne aan onzen vriend Bol toegeven, dat de klassieke beschaving zeer nuttige gevolgen kan hebben, zoo zou ik hem kunnen wijzen, aan de eene zijde, op mannen, die, zonder gestudeerd te hebben, zich een eereplaats in den Staat verworven hebben, en, aan de andere zijde, op groote geleerden, die niets zijn geweest buiten dat, ten eenenmale onpractische wezens, van de wereld niets kennende dan hun bibliotheek en de oude handschriften. Om de zaak tot een beslissing te brengen, zouden wij onze toevlucht wel moeten nemen tot de statistiek.quot;
âEn,quot; merkte Van Zevenaer aan, âdewijl er niets logen-achtiger of rekbaarder is dan de statistiek, zal de quaestie wel altijd onbeslist blijven.quot;
âIk heb nooit beweerd,quot; hernam Bol, âdat ieder die gestudeerd had, tot staatsman geschikt was; hij is dit evenmin als dat hij tot dichter geschikt zou zijn. Wat ik beweerde is,
102
dat er aan den staatsman, zoowel als aan den dichter, die niet gestudeerd heeft, altijd iets ontbreken zal.quot;
âJa, dat hij niet gestudeerd heeft,quot; zei Eylar.
âJuist,quot; hernam Bol, âen, dientengevolge, het ruime, het onbekrompen uitzicht, dat de studie verschaft. Of heb je liever, dat ik mijn voorstelling omkeer; 't is mij ook wel, dan zal ik zeggen, dat den ongeletterde, spijt al zijn pogingen, altijd iets zal blij ven aankleven van den reuk der Philisterei, zooals de Duitschers het noemen.quot;
âMaar, vriend Bol!quot; zei Donia: âzoo ik wel heb, luidde het heel anders in zekeren brief, dien ik van u indertijd uit Slik-dorp ontving, en waarin je beweerde, dat alle studie in boeken maar dwaasheid, en dat alleen de studie van den mensch iets waardig was.quot;
âO foei!quot; viel Eylar al lachende in: âdat is onedelmoedig, hem met versleten wapenen uit zijn eigen tuighuis te bestrijden. Alsof men in een tiental jaren niet van gedachten veranderen kon! Denk je, dat onze ministers, onze leden van de Kamer, het aangenaam of heusch zouden vinden, als men hun gezegden of handelingen in weerspraak ging brengen met een dagblad-artikel, boek of pamflet, voor jaren in 't licht gegeven ?quot;
âJe behoeft, geloof ik, niet onderstellender wijze te spreken, vriendlief!quot; zei Van Zevenaer.
âIk dank u voor uw welmeenende hulp, Eylar!quot; zei Bol: âdoch ik geloof niet, dat ik mij aan de inconsequentie heb schuldig gemaakt, die Donia bij mij veronderstelt. Wij spraken van het onontbeerlijke van de studie der ouden voor den staatsman; maar geen staatsman is denkbaar, die de studie van den mensch zou verwaarloosd hebben. â Deze staat op den voorgrond, en ik herzeg, wat ik toen zeide, dat boeken alleen hulpmiddelen zijn, waar men zich, bij gebrek aan betere, wel van bedienen moet. Maar gebruikt men boeken, zoo laat men, bij voorkeur, en in de eerste plaats, die der ouden bij de hand nemen, â als men ten minste, öf in de politiek, öf in de letteren, öf in de wetenschappen, een eerste plaats wil bekleeden. Genieën hebben zich zonder dat een naam gemaakt.
103
al is hun aantal dun gezaaid; maar wie met genie talent vereenigen, staan op de hoogste sport van de ladder.quot;
âAan wie zoo hoog staat,quot; zei Van Zevenaer, âzal het, om nog volkomener te worden, geen kwaad doen, onderwijs in de gymnastiek te hebben genoten: dan heeft hij kans zich staande te houden, en, mocht hij eens buitelen, zich voor vallen te behoeden.quot;
Deze uitval, door den arts met een effen gezicht en op drogen toon gedaan, deed de vrienden lachen, en maakte een einde aan den redetwist. Bol begon ook te begrijpen, dat Mw. Van Eylar, wat zij ook mocht beweerd hebben, nu wel genoeg zou hebben van het klassieke onderwijs, en liever eens zou willen aanhooren, wat Donia al voor belangrijks uit zijn Oost-Indische ervaring kon mededeelen. Werkelijk leverden dan ook spoedig de zeden en gebruiken, zoowel der Europeanen op Java gevestigd, als der inlanders, de natuurtooneelen aldaar en de manier van reizen, stof tot aangenaam onderhoud, tot vragen en wedervragen, die aanhielden, totdat de honger genoegzaam gestild was en Mevrouw de kamer verliet, terwijl de Heeren zich naar die van Eylar begaven, waar hun de gelegenheid verschaft was, hun pijpen of sigaren te rooken en zich meer vrij en vertrouwelijk te onderhouden. En inderdaad, nauwelijks waren zij met hun vieren, of een onderwerp, dat niemand nog had durven aanroeren, ofschoon het elk hunner voor den geest stond, het gebeurde met Nicolette kwam op het tapijt, en Van Zevenaer haastte zich aan zijn vrienden mede te deelen waar zij zich thans bevond, en hoe niet alleen hij, maar zijn vriend Galjart en Bettemie Van Doertoghe over haar dachten.
âAl wat ik hoor,quot; zei Bol: âvervult mij met innig genoegen, en nooit heeft het er bij mij in gewild, dat zij op eens zoo diep zou gezonken zijn. Slechts ééne zaak is mij altijd nog onbegrijpelijk: dat zij namelijk aan niemand onzer geschreven heeft.quot;
âAan niemand!quot; herhaalde de geneesheer: âzij heeft drie brieven aan u geschreven: van den eersten zullen de kinderen
104
van Van Zirik misschien peperhuisjes gemaakt hebben: de tweede is in Den Haag hier of daar op een mesthoop verdwaald: en de derde â is hier!quot;
En meteen haalde hij uit zijn zak een vuil, ineengefrommeld papier, dat hij triomfeerend in de hoogte hield en toen aan Bol overreikte.
âWat moet ik met dat vod uitrichten?quot; vroeg de predikant, half onzeker of hij het ding zou aannemen of niet.
âNietwaar?quot; vroeg Van Zevenaer: â't luidt zonderling genoeg, dat ik nog op Hardestein moet komen om het ambt van briefbesteller waar te nemen; dat hier al zeer slordig schijnt te worden behandeld. Maar hoor toe; hedenmorgen ga ik met Le Mat zekeren Heer opzoeken, die even lang is van stof als van figuur en van naam .... Verdrongen meen ik dat hij heet.... nu, dat 's om 't even. Om den naasten weg te gaan, geloof ik, had mijn geleider mij een binnenpad doen nemen, dat langs een beukenhaag liep; en onder 't voortgaan valt mijn oog op iets wits, dat, laag bij den grond, tusschen de dorre bladeren heen schittert: ik kijk met eenige aandacht toe: jawel, 't was een gevouwen papier, dat in de door elkander gegroeide takken lag: ik raap het op en zie nu, dat het een brief is aan uw adres. Ongetwijfeld heeft de besteller dien verloren en is hij van 't pad in de haag gewaaid â de brief namelijk en niet de besteller; â terwijl de bladeren, zoolang die nog groen en gevuld, en het gras, zoolang het nog hoog was, hem aan de oogen van den voorbijganger onttrokken. Wat daarvan zij, ik herkende op het adres, al was de inkt wat verbleekt en het papier vuil en bestoven, de hand van Nicolette en het postmerk âAmsterdam 30 October.quot;
â't Is in waarheid zoo!quot; riep Bol, die inmiddels den brief aangenomen en bekeken had.
â't Is ongetwijfeld weer een streek van dien satanschen Hendt,quot; riep Eylar uit: âhij zal, loffelijker gewoonte, zijn bengel van een jongen hebben uitgestuurd, ten einde zelf op zijn gemak in de herberg te kunnen blijven. Maar nu krijgt
105
hij ook voorgoed den zak, of mijn naam is geen Eylar. â Als nu de brief nog maar te lezen is.quot;
âDat zal wel gaan,quot; zei Bol, die, terwijl Eylar sprak, den brief voor 't vuur gedroogd en geopend had: âluistert nu! er zullen wel geen geheimen in staan.quot;
En meteen las hij den brief voor, dien wij hier niet zullen inlasschen, dewijl hij natuurlijk niets behelsde dan een verhaal van 't geen den lezer zeer omstandig bekend is. Evenmin behoeven wij uitvoerig van de belangstelling te gewagen, waarmede de vier vrienden van den inhoud kennis namen.
âDien brief moet je mij geven, Gerlof!quot; riep Eylar, nadat de lezing was afgeloopen: âmijn vrouw moet dien ook lezen.quot;
âEn mijn zuster dan?quot; vroeg Bol; âmaar om 't even! je zult hem hebben, Louis! en ik wenschte, dat iedereen hem lezen kon.quot;
âHm!quot; zei Van Zevenaer: âik weet niet, of dat wel voorzichtig ware. De brief is na het gebeurde geschreven, en al is hij overtuigend genoeg voor ons, hij zal het geenszins zijn voor anderen. Bij lieden, die, gelijk met Mw. Eylar het geval schijnt te zijn, tegen iemand vooringenomen zijn, doen zulke pleidooien, die uit den koker van den beklaagde komen, meer kwaad dan goed. Wij moeten bij derden niet aan de rechtvaardiging van het meisje tornen, voor en aleer wij alle bewijzen bij elkander hebben, als b. v. den brief, dien zij schreef toen zij in die muizenval zat; â doch Hoogenberg zou opzettelijk voor deze zaak naar Den Haag gaan, en, zoo iemand, zal hij aan het licht weten te brengen wat verborgen was; daarom, geef mij den brief mede; dan kan hij dien bij de stukken voegen.quot;
âWat mij betreft,quot; zei Donia, âik heb steeds geloofd, dat zij het slachtoffer was van een snood gespannen opzet, en ik ben in dat geloof versterkt, sedert ik die vrouw van Van Zirik zich over haar heb hooren uitlaten.quot;
Deze woorden van Donia hadden het natuurlijk gevolg, dat het gesprek op de zonderlinge ontmoeting kwam, die hij te Marlheim met genoemde vrouw had gehad, en die hij in al
106
haar bijzonderheden verhaalde. Hierbij werd, als vanzelf, de naam van Drenkelaer een en andermaal genoemd, en dit gaf, nadat men een tijdlang had uitgeweid over de medegedeelde gebeurtenis en haar gevolgen, aan Eylar aanleiding om aan Van Zevenaer te vragen, of het gerucht waarheid behelsde, volgens 't welk een verloving tusschen gemelden Drenkelaer en de Freule Van Doertoghe zoogoed als zeker zou zijn.
âHm!quot; zei Van Zevenaer: âwat zegt de dichter?
âReeds genaderd aan de lippen Kan u nog de kelk ontglippen,quot;
en ik ben nog zoo overtuigd niet, dat dit huwelijk zal plaats hebben.quot;
âWie is die Freule Van Doertoghe, waar jelui van spreekt?quot; vroeg Donia.
âEen allerliefst meisje,quot; antwoordde Eylar: âverstandig, rijk, mooi â al wat je maar wilt.quot;
âZoo!quot; zei Donia, peinzende en terwijl zijn voorhoofd betrok.
âJe hebt mij omtrent dien Mijnheer Drenkelaer de gunstigste berichten gegeven,quot; zei Van Zevenaer.
âZoo!quot; zei nogmaals Donia; âwas het in 't belang van de Freule Van Doertoghe, dat je die vroeg?quot; en zijn gelaat werd al donkerder.
âIs u,quot; vroeg Bol, âdeze of gene reden bekend, waarom hij de hand van de Freule onwaardig zou zijn, zoo bid ik u, die niet te verzwijgen: wij alle drie, zooals wij hier zitten, stellen een oprecht belang in haar, en 't zou ons innig smarten, indien zij, door een verkeerde keuze te doen, ongelukkig werd.quot;
âIk beken,quot; zei Donia, âdat ik, tot mijn leedwezen, dien jongeling, voor wien ik eerst vriendschap gevoelde, en wien ik verplichting had, later van een ongunstige zijde heb leeren kennen. Ik had de reden van mijn verandering ten zijnen opzichte willen voor mij houden, doch waar het de toekomst geldt van een braaf meisje, is het plicht, er mede voor den dag te komen: â alleen zou het mij smarten, indien hetgeen ik u zeggen zal, verder ging dan de belanghebbenden. Je weet
107
allen, dat in den Marlheimer Bode meermalen allerhatelijkste artikelen, vol grove personaliteiten, voorkomen tegen onze Eegeering. Ik had mij, te Marlheim zijnde, daarover nu en dan verontwaardigd getoond, en dit, gelijk ook mijn verwantschap of intieme vriendschapsbetrekking met drie onzer ministers, moet ter oore gekomen zijn aan zekeren Polski, die bij het blad werkzaam geweest was, doch, ik weet niet om welke reden, zijn afscheid bekomen had. Men had daarbij de onvoorzichtigheid begaan, hem in 't bezit te laten van een menigte kopij, die tot het blad behoorde, en natuurlijk trok de schoelje partij van die omstandigheid, om zich op den redacteur te wreken; hij kwam bij mij en bood mij die handschriften te koop aan. Ik bedankte den gemeenen verrader voor zijn aanbod en, had ik mijn eerste beweging gevolgd, ik zou hem den prullenwinkel naar 't hoofd en hem zeiven de deur hebben uitgesmeten; doch mijn aandacht was getrokken door het zien van een hand, die ik kende, en nauwelijks had die sinjeur dat opgemerkt, of hij begon uit te weiden over de ondankbare handelwijze van den Heer Drenkelaer, die in zijn naamlooze artikelen juist het ergst die mannen had doorgestreken, die hem als knaap in zijn studiën met geld en goeden raad ondersteund, en later aan de betrekking geholpen hadden, welke hij thans bekleedde. â Aan de waarheid der mededeeling viel niet te twijfelen. Dat de bedoelde hooggeplaatste mannen Drenkelaer tot beschermers hadden verstrekt, had hij zelf mij verhaald; hij had de grootste dankbaarheid voor hen gehuicheld, en op uitbundige wijze, â alleen om mij te believen, als nu bleek â hun lof gezongen: â en desniettemin had ik hier de artikelen voor mij liggen, van zijne hand geschreven, en waarbij hij zijn weldoeners door 't slijk haalde. â Zooals ik zeide, ik stuurde den schoelje, die mij verkoopen wilde wat het zijne niet was, zoo spoedig mogelijk weg: doch van dat oogenblik af was Drenkelaer in mijn oogen nog de grootste schoelje van de twee. Die Polski was een verrader, maar hij was aan hen, die hem weggezonden hadden, geen dankbaarheid schuldig, en, door nood gedrongen, maakte hij gebruik van de
108
wapenen, die hij in handen had, en kon dat voor 't minst tot zijn verschooning inroepen. Maar de andere schoot zonder noodzaak, uit het duister, zijn pijlen af op hen, die hem in zedelijken en stoffelijken zin aan brood hielpen; voor zulke snoodheid is geen verschooning: en die man heeft geen hart.quot;
âIk heb het nooit erg op hem gehad,quot; zei Bol: âvan 't eerste oogenblik, dat ik hem zag, was er iets in zijn oogen dat mij misviel.quot;
âIk dank u, Donia!quot; zei Van Zevenaer: âik weet nu wat mij te doen staat.quot;
Hier werden zij gestoord door paardengetrappel en het geruisch van wielen door 't kiezelzand, en kwam de bediende het bericht brengen, dat het rijtuig van den Heer Van Donia voor was. Weldra reed er een tweede op, dat van Doornwijck kwam om Van Zevenaer af te halen, en, na een hartelijken afscheidsdronk, en vele vereischte plichtplegingen jegens Mevrouw, verlieten de oud-raad en de geneesheer Klein Hardestein, de een om zijn reis te vervolgen, de ander om naar Doornwijck terug te keeren.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
BEHELZENDE EEN VOOEVAL, DAT AAN ALLEDAAGSCHE LIEDEN ONGELOOFLIJK ZAL VOORKOMEN.
Van Zevenaer was, onder 't rijden naar Doornwijck, alles behalve op zijn gemak, 't Was, meende hij, zijn plicht, aan Bettemie mede te deelen wat hij gehoord had: het zou haar natuurlijk grieven, van iemand, dien ze liefhad, zulke dingen te hooren; en daarbij, zou zij wel eens de zaak in 't zelfde licht zien als hij. Van Zevenaer, deed? Was 't niet zeer denkbaar, dat zij aan de ontkentenis van Drenkelaer meer gewicht hechtte dan aan de verklaringen van Le Mat, Verdrongen en dergelijke figuren? â Men is toch zoo geneigd te gelooven, dien men liefheeft! En, wat die dagbladartikelen betreft, zou
109
zij het schrijven daarvan wel zoo erg vinden als het door Donia werd voorgesteld? Zou de liefde bij haar de verbeelding niet te hulp komen en redenen bedenken, die de handelwijze van Drenkelaer verschoonden, zoo niet rechtvaardigden ? â Onze geneesheer begon te vinden, dat hij zich op een gevaarlijk water had ingescheept, en misschien wijzer gedaan had, zich met de zaak niet te bemoeien. Het was alzoo niet dan met een beklemd hart, dat hij te Doornwijck aankwam, en zijn pols sloeg er niet veel rustiger om, dat, toen hij de huiskamer aldaar binnentrad, hij er Bettemie alleen vond. Maar nauwelijks blikte hij haar aan, of de onaangename gewaarwordingen, die hem kwelden, weken op den achtergrond voor verbazing over de verandering, die hij op haar gelaat bespeurde, en waaruit hij begreep, dat er iets bijzonders moest zijn gebeurd.
âIs Mw. Van Doertoghe minder wel?quot; vroeg hij: Je schijnt een schrik te hebben gehad.quot;
âNeen,quot; antwoordde zij: âTante is heel rustig geweest en gevoelt zich beter: â en dat is het ook niet.... maar vertel mij liever, heb je veel genoegen gehad met je beide vrienden ?quot;
âMet mijn drie vrienden,quot; antwoordde Van Zevenaer: âDonia was ook uit de lucht komen vallen .... of liever uit Marl-heim,quot; en hier fronste zich zijn voorhoofd, bij de gedachte aan de min aangename narichten, die uit dien hoek waren komen aanwaaien.
âIs er iets?quot; vroeg haastig Bettemie, die zulks bespeurde: âje hebt iets uit Marlheim gehoord .... iets van Drenkelaer . . . .quot;
âStel u gerust,quot; antwoordde Van Zevenaer, haar dringende vragen toeschrijvende aan angst, dat haar minnaar eenig leed mocht zijn overkomen: âde man is, zoover ik weet, frisch en gezond; alleen. .. .quot; hier betrok zijn gelaat opnieuw.
âJe hebt dingen van hem vernomen, die hem geen eer aandoen,quot; viel Bettemie in, Van Zevenaer zoo strak aanziende, dat deze het maar 't verstandigst oordeelde, voor de zaak uit te komen zonder er doekjes om te winden, en, de schouders ophalende, zeide hij:
110
âOm je de waarheid te zeggen, de man is een schoft.quot;
âO! ik wist het, ik voelde het,quot; riep Bettemie: âGoddank! ik ben van hem verlost!quot; en meteen de handen dankend samenvoegende, viel zij op de knieën, boog het hoofd over de canapé voorover en barstte in tranen uit.
âHoe! wat?quot; riep Van Zevenaer, trots al zijn gewoon flegma een weinig onthutst over een bedrijf, waarvan hij evenmin iets begreep als van den uitroep, die er mede vergezeld ging. Zijn bezorgdheid, dat het jonge meisje, bij 't nederkomen van den slag, dien hij, zich ondanks, aan hare verwachtingen moest toebrengen, bitter bedroefd zou zijn, dat zij misschien geen geloof aan zijn woorden zou hechten, noch haar liefde voor Drenkelaer willen onderdrukken op grond van bloote geruchten, zijn verlegenheid, hoe haar het onaangename nieuws op de minst kwetsende wijze mede te deelen, dat alles had hij zich kunnen besparen ; immers, niet alleen scheen zij voorbereid op de tijding, die hij bracht, maar er zelfs best mede in haar schik.
âMaar,quot; vroeg hij, na haar eenigen tijd gelaten te hebben om van haar ontroering terug te komen: âhoe heb je iets kunnen weten van wat ik niet wist en zooeven pas gehoord heb.quot;
âBijzonderheden weet ik niet,quot; antwoordde Bettemie, haastig sprekende, terwijl zij oprees en zitten ging; âalleen ik had er hierquot; â en meteen drukte zij de hand op 't hart â âhet besef van. Maar zeg mij nu, wat heb je vernomen?quot;
Van Zevenaer deelde haar met korte woorden in de eerste plaats mede, dat niemand anders dan Drenkelaer de uitvinder en uitstrooier was van de geruchten, die op 't dorp geloopen hadden, en in de tweede, wat hij aangaande hem uit den mond van Donia gehoord had.
Bettemie was thans bedaard; maar zij vouwde weder, gedurende het verhaal, dat hij deed, de handen samen en hief de oogen dankbaar naar boven.
âEn nu,quot; zeide de geneesheer, toen hij met vertellen gedaan had, âmoet je weten wat je te doen staat. Wat mij betreft, ik loop gauw naar boven; want zij zullen al niet begrijpen
Ill
waar ik blijf, en dan zal 't mijn tijd worden voor den trein,quot; en meteen begaf hij zich uit de kamer, Bettemie aan haar overpeinzingen overlatende.
Waarschijnlijk zal de lezer even nieuwsgierig wezen als Van Zevenaer het was, naar de oorzaak der verandering, die dus plotseling in de gevoelens van het jonge meisje was ontstaan, en waardoor zij in plaats van smart, tevredenheid aan den dag legde over het verlies der uitzichten, die zij zich had voorgesteld. Die oorzaak was van zonderlingen aard, zoo zelfs, dat wij bijna huiveren, die op te geven; maar onze plicht als geschiedschrijver dwingt er ons toe.
Le Mat had aan Pietje Pancras, die in de laatste dagen de ziekekamer bijna niet verlaten had, ernstig aanbevolen, eens een luchtje te gaan scheppen, en, dewijl aan Bettemie de leege tijd toch ook gekort moest worden, was het oppassen van Mevrouw voor een wijl aan de kamenier opgedragen, en waren de beide meisjes, kort na den middag, uit rijden gegaan, en wel, dewijl het weer ongemeen zacht was voor 't seizoen, in een open kales.
Zij hadden de bosschen van Hardestein doorkruist en waren op haar terugtocht, toen Bettemie op eens aan haar gezellin zeide;
âZie! hier is de plek, waar ik laatstleden zomer dat ongeluk had.quot;
Nog had zij dien volzin niet uitgesproken, of daar stuitte een der wielen van het rijtuig op een steen, die hier op den straatweg lag, en sprongen beide meisjes op van den schok. De zaak had echter niets te beteekenen, en zij liepen met den schrik vrij; doch de flacon, dien Bettemie, als reeds verhaald is, op zijde droeg, sprong los uit den haak, die hem in bedwang hield, en viel uit het rijtuig. Op het geroep van Bettemie hield de koetsier zijn paarden, die inmiddels een eind waren voortgereden, dadelijk in, en de palfrenier sprong van zijn zitplaats af om het gevallen voorwerp te gaan oprapen; maar niet dan hoofdschuddend keerde hij bij de dames terug.
112
â'tis jammer,quot; zeide hij, âmaar dat mooie ding is stuk,quot; â en tevens overhandigde hij aan Bettemie â wat een fraai reukfleschje geweest was. Helaas! het was op een kei te land gekomen: het ivoren plaatje was gebroken en een stuk er uitgevlogen, zoodat de gouden tooverkarakters niet meer leesbaar waren: en de stalen spiegel was gebarsten.
âOch hoe jammer!quot; riep Pietje: âen zie eens die haan, â of hoe heet het beest, dat er op zit? â is zijn kopje kwijt. Zijn kopje, daar die mooie karbonkelsteenen in zaten. Je moet nog eens goed gaan zoeken, Manus, of je dat niet vindt: een gouden kopje van een haan, met oogjes van flonkerende roode steentjes.quot;
âNeen,quot; zei Bettemie, terwijl zij als gedachteloos met het beschadigde voorwerp speelde: âhet is niet noodig. Manus!quot;
âMais réfléchissez done ma chère: ces pierres ont de la v'aleur,quot; merkte Pietje aan, terwijl Manus, onwetend welk bevel hij moest opvolgen, nu op den eenen, dan op den anderen voet stond te draaien.
Bettemie vestigde nog eenmaal de oogen op den steen, waarin zij zoo menigmaal het beeld van Drenkelaer had meenen te zien; â doch deze reis bleef de oppervlakte dof en onbezield; de talisman van Lea had zijn vermogen, zoo hij er al ooit eenig ander bezeten had, buiten hetgeen een verhitte verbeelding er aan schonk, ten eenenmale verloren.
âHet ding is voortaan niets meer waard,quot; zei Bettemie, op een koelen toon en slingerde het van zich in de greppel, die den weg van 't bouwland scheidde en waar 't in 't water plompte: ârijd maar voort, Gerrit!quot; vervolgde zij tegen den koetsier.
âMaar, Bettemie! wat doe je?quot; vroeg Pietje uiterst verbaasd, haar vriendin aldus te zien handelen met een voorwerp, waar zij, naar allen schijn, waarde aan moest hechten.
Doch Pietje kreeg geen antwoord buiten een stillen handdruk, waar zij zich vooreerst mee moest tevreden stellen. Zwijgend bleef Bettemie zitten, voor zich nederziende en zich zelve afvragende, wat er met haar gebeurd was. Bij het breken van
113
dien flacon was het geweest, of er ook in haar hart iets lossprong, en wel â de band, die haar aan Drenkelaer hechtte, 't Was of de man, dien zij waande te beminnen, haar op eenmaal onverschillig was geworden ; zoowel dat beangstigend gevoel, 't welk zij ontwaard had, toen hij, bij hun eerste ontmoeting op Hardestein, zijn blik op haar vestigde, en dat haar later zoolang was bijgebleven, als het meer teedere gevoel, die Sehnsucht, die daarvoor in de plaats was gekomen, waren bij haar verdwenen, en zij kon aan hem denken als aan iemand, die, ja, geen onaardig prater was en geen onbevallig voorkomen had, maar toch niet de man, aan wien zij dien eerbied, die ondergeschiktheid, dat ontzag zou kunnen betoonen, die, naar hare meening, een man van zijn vrouw moest kunnen vorderen. Nog meer: zij kreeg een duister vermoeden, dat hij, ter bereiking van zijn doel, onedele middelen had aangewend, dat hij harer niet waardig was, en dat zij de speelbal was geweest van zijn list, geholpen door haar eigen verbeelding. In deze gemoedsstemming was zij op Doornwijck aangekomen, waar zij zich terstond naar haar kamer, gelijk Pietje naar die van haar tante, begeven had. Niet lang voor de komst van Van Zevenaer was zij weder beneden gekomen, en had tusschen hen beiden het onderhoud plaats gehad dat de lezer kent.
Na de zieke bezocht en nog eenige voorschriften omtrent de verdere behandeling der ziekte te hebben gegeven, nam Van Zevenaer afscheid van Bettemie, die nog een dag of wat op Doornwijck blijven zou, in 't vooruitzicht, dat zij daar wellicht van dienst zou kunnen zijn: en met de verklaring harerzijds, dat zij volkomen kalm en tevreden was en hij zich dus om haar niet te bekommeren had, stapte hij in 't rijtuig, dat hem naar het station van den spoorweg brengen zou.
Den volgenden dag ontving Drenkelaer twee brieven, beide van dezelfde dagteekening en beide van een vrouwenhand.
De eene was van Kato Tronck en meldde hem, dat hij zich nu als genoegzaam zeker kon beschouwen van de hand der rijke erfgename; immers, dat Bettemie niet alleen pronkte
v. - k. z. 8
114
met den flacon, dien zij van hem gekregen had, maar zelfs de felicitatiën van Mw. Van Hardestein zoo goed als aanvaard had. , .
Zoo iets hem dus verbaasde, was het, in den anderen brief, waarvan de hand hem niet bekend was, alleen deze regels te
vinden:
âWeledelgeboren Heer!
âIk acht het mijn plicht, UWEdg. het onaangename eener nuttelooze reize naar Amsterdam te besparen, door u mede te deelen, dat ik, om redenen, die voor mij van overwegend belang zijn, nimmer tot een huwelijk met u zou kunnen besluiten. Elke poging uwerzijds om mij tot andere gedachten te brengen, zou geheel onnoodig zijn.
âIk teeken mij
.Doornwijck âXTw dienstwillige dienaresse
âden 283ten Dec. 184. âE. M. van Doerthoge.
P. S. Uw flacon kan ik u niet terugzenden: die is bij ongeluk gebroken en verloren geraakt.quot;
âVoor den duivel!quot; riep Drenkelaer uit, toen hij deze regels gelezen had: âdat mag heeten: schipbreuk lijden in de haven! â Is dan werkelijk die flacon.... Maar dat kan zoo nietafloopen! Ik moet naar Amsterdam, zoodra zij zich daar weer bevindt, en onderzoeken, wat daarachter schuilt. Bovendien, die oude
Flinck dient ook niet verwaarloosd---- Maar hoe is er toch
opeens zulk een kink in den kabel gekomen?quot;
En na een wijl in alles behalve aangename stemming zijn kamer op en neer te zijn geloopen, nam hij zijn hoed en ging naar Mevrouw Van Zirik.
NEGENTIENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
WAT FLINCK MET NICOLETTE VOOBHEEFT.
Flinck was, gelijk wij in een vorig hoofdstuk gezien hebben, na zijn vertrek uit Marlheim niet onmiddellijk naar Amsterdam teruggekeerd, maar zich eens met eigen oogen gaan overtuigen, in hoeverre de vertimmering en verfraaiing van het heerenhuis te Blinkerswaard goede vorderingen maakte, en tevens om verschillende zaken met zijn rentmeester, jager, tuinman en andere onderhoorigen te regelen. Het was alzoo niet dan tegen het laatst des jaars, dat hij zich weder naar Amsterdam begaf, en hij was alles behalve in zijn schik, toen hij, ten huize van Mad. Puri weder afgestapt, op zijn vraag naar Nicolette, van de dienstmaagd vernam, dat zij nog altijd afwezig was. Hij wilde hier meer van weten en liet zich bij de Vrouw des huizes aandienen. Vroeger zou hij die bij zich hebben ontboden; doch gaandeweg was hij, evenals zulks met de Oosterlingen vrij algemeen het geval is, al minder en minder despotisch geworden en begon hij zich meer naar de vormen te schikken, die in het moederland in acht genomen worden. Ook zou dat wachten op de komst van Mad. Puri hem te lang geduurd hebben. Hij was nu bijna zeker, terstond ontvangen te zullen worden; want hij wist, dat het de ure was, waarop het gezelschap gewoonlijk thee dronk: en werkelijk was dit ook het geval. Op de boodschap, dat hij hoogst welkom wezen zou, zich naar de achterkamer begeven hebbende.
116
vond hij den Heer en de Vrouw des huizes met Mile Susanne bij elkander.
âMijnheer is al te goed,quot; zei Mad. Puri, âom zelf hier te komen. Ik ben er waarlijk beschaamd over, aldus voorkomen te worden; ik was juist voornemens om mij van mijn plicht te kwijten^ en Mijnheer welkom weder in de stad te heeten. Is Mijnheer niet te zeer vermoeid van de reis?quot;
Hm!quot; zei Flinck: âwat vermoeid? ik ben het reizen gewend. en heb in mijn leven vermoeiender tochten gedaan, dan zoo'n' ritje in den spoorwagen. â Maar dit daar gelaten; ik hoor, dat Juffrouw Zevenster nog niet terug is.quot;
âHelaas neen! Mijnheer!quot; antwoordde Mad. Puri: »en vrees, dat wij haar niet meer in ons huis zullen zien. Zij is nog immer bij dien zieken Heer.quot;
âIs die dan van haar maagschap,quot; vroeg Flinck, âdat zij
zooveel werks van hem maakt?quot;
IJ isse 'are pleekvader, keloof ikke,quot; antwoordde Mr. Pun: eene meneere Gaillard, en die wel zijne name verdient.quot; âMais ne dites done pas de pareilles choses, monsieur Puri!quot; zeide zijn huisvrouw: âoch ja. Mijnheer!quot; vervolgde zij, tegen Flinck: âdie Mijnheer Galjart was een van Nicolettes pleegvaders, en het is niet onnatuurlijk, dat zij aan hem de zorg wil vergoeden, die hij haar vroeger heeft
betoond.quot; .. â . i
âMaar zij wil daar toch niet eeuwig blijven, zei Flinck.
âdie Galjart zal immers wel een van beide doen, beter worden
of naar zijn grootmoeder gaan.quot;
De man schijnt aan de betere hand,quot; hernam Mad. Pun. âmaar, naar 't zeggen van Dr. Van Zevenaer, kan 't nog wat duren, eer hij weer van zessen klaar is.quot;
âDie dokter altijd kraak 'eb, die krank 'eide lank duur, was de menschkundige aanmerking van Mr. Puri.
âVous êtes insupportable, monsieur Puri, avec
vos ban al it és,quot; zeide zijn vrouw.
Aha! 'ep ze dan niet keiees Molière?quot; waagde het Mr. Pun te zeggen ; doch hij werd spoedig voor zijn vermetelheid gestraft.
117
âMonsieur Puri, nous parions de choses sérieu-ses, et vos plaisanteries sont pour le moins dépla-cées, â ik vrees,quot; vervolgde Mad. Puri, zich weder tot Flinck wendende, âdat wij onze lieve Juffw. Zevenster in lang niet terugzien: het scheen zelfs haar bedoeling, zich voortaan aan de ziekenverpleging te wijden.quot;
âIs de meid mal?quot; bromde Flinck: âals lieve jonge meisjes zulke kuren beginnen, waar dienen dan de bakers voor?quot;
âEn 't ergste is,quot; zei Mile Susanne, âdat zij zelve ook niet te best van gezondheid is, en eer oppassing noodig zou hebben voor zich, dan dat ze die aan anderen betoonde.quot;
âWat zeg je?quot; vroeg Flinck: âis zij zelve nog niet hersteld ? â Maar dan is het immers dolligheid in haar, zich op zoo'n wijze bij een zieke af te beulen. Kun je haar dat niet uit haar hoofd praten. Madame?quot;
âHelaas!quot; antwoordde deze: âik heb er mijn best al toe gedaan; doch ik heb haar slechts een paar keeren, en beide reizen niet dan zeer kort, kunnen te spreken krijgen: bovendien heb ik niet genoeg invloed op haar: daar is Juffw. Hermans: die zou stellig meer op haar verwerven.quot;
âHm ja! dat geloof ik ook,quot; zei Flinck peinzende: ânu! weet je wat? ik ga morgen den dag naar Juffw. Hermans toe. â En nu van wat anders: is er niets voor mij gekomen?quot;
âAnders niet. Mijnheer, dan een gerechtelijk stuk, dat hier door een deurwaarder gebracht is, en daar ik mijn naam voor heb moeten teekenen. Ik heb het weggesloten; want ik dacht, de meiden hebben daar niet mee noodig.quot;
En meteen, haar bureau ontsluitende, kreeg zij een gezegeld papier voor den dag, dat zij aan Flinck overhandigde.
Zoo al Mad. Puri beweerd had, dat haar dienstboden een onbescheiden oog in het exploit zouden slaan, zij zelve had toch de vrijheid genomen, het even te doorloopen; â natuurlijk niet uit eenige vrouwelijke nieuwsgierigheid, maar alleen om te weten, of het wel te recht was, en, zoo zij al de bar-baarsche stadhuiswoorden, die in het stuk voorkwamen, niet verstond, zooveel was zij er toch uit wijs geworden, dat
118
by gezegd stuk, namens den Heer Lucas Drenkelaer. de Heer Flinck werd aangemaand, om rekening en verantwoording te doen van het bewind, door hem gevoerd over de nalatenschap van wijlen James Wayland. Zij had gedacht, dat de man alles behalve in zijn schik zou zijn met het ontvangen van zoodanig document, en keek er alzoo niet weinig verbaasd van op, toen zij hem. nadat hij het stuk vluchtig had ingezien, een vroolijk gezicht zag zetten en zich de handen wrijven, als iemand die recht tevreden is.
En werkelijk, Flinck was in zijn schik. âZiezoo!quot; zeidehij, toen hij op zijn kamer terug was, bij zich zeiven; âde brave Jan Bleek Azn. heeft de loopgraven geopend: wij zullen zijn vuur afwachten en hem zijn mijntje laten aanleggen, tot het hem in de lucht laat springen.quot;
En toen weer met zijn gedachten naar Nicolette afdwalende: âAls die Galjart zoo slecht in zijn zaken is, als zij daar beneden vertellen, dan moet de arme meid het alles behalve breed bij hem hebben. â Nu! dan zal ik ten minste zorgen, dat het haar aan niets ontbreekt.quot; â En meteen de pen opnemende, schreef hij een briefje aan Van Zevenaer, de verklaring behelzende, dat hij de vergoeding op zich nam van al wat ten behoeve van Mejuffrouw Zevenster was verschoten of nog bestemd zou worden.
Den volgenden morgen hoorde Juffw. Hermans een vigilante voor haar deur stilhouden, en was niet weinig verwonderd, toen zij, uit het raam ziende, in den ouden man, die uit het rijtuig stapte, den Heer Flinck herkende.
âZonderling loopen de zaken,quot; dacht zij: âde man, die mij de deur ontzegd heeft, staat voor de mijne te wachten dat ik hem binnenlaat. â Nu! ik zal grootmoediger wezen dan hi],quot; en meteen, zich buiten haar kamer begevende, liep zij aan de huismeid, die beneden stond, toe, âdat Mijnheer maar
boven moest komen.quot;
âJuffrouw!quot; zei Flinck, toen hij de trap opgestommeld en bij de weduwe binnengekomen was, en in den stoel, dien zij hem aanbood, plaats genomen had; âik hoor daar van Madame
119
Puri, dat onze Juffrouw Zevenster een pleegzuster of iets dergelijks wil worden, en dat je haar die malle fratsen niet uit het hoofd kunt praten.quot;
âZij vervult een schoone taak, Mijnheer Flinck!quot; zeide de weduwe: âen wat zij verder doen zal, is een zaak, waarover zij alleen te beslissen heeft.quot;
âGekheid! zij is veel te jong om over zoo iets te beslissen: en als zij dan toch met alle geweld iemand oppassen wil, waarom dan mij niet zoogoed als een ander?quot;
âMijnheer is te kloek om oppassing noodig te hebben,quot; zei Juft'w. Hermans lachende.
âDank je voor 't compliment,quot; zei Flinck: âmaar, zie je, misschien zou het haar juist vervelen, bij zulk een ouden grompot, als ik ben, te zitten; en zou het haar beter bevallen, indien zij een flinken jongen man te verzorgen had.quot;
âIk geloof niet, dat zij dergelijke gedachten voedt,quot; zei Juffw. Hermans, op een weemoedigen toon, en terwijl zij langzaam het hoofd schudde.
âHm! Hm!quot; hernam hij, âik geloof, dat ik op dat punt meer licht heb gekregen dan jij, Juffw. Hermans. Ik ben te Marlheim geweest, en heb daar zeker iemand gesproken, met wien zij laatstleden zomer te Marlheim kennis gemaakt heeft, en wien zij. naar 't mij voorkomt, gansch niet onverschillig is.quot;
âInderdaad!quot; â riep Juffw. Hermans, die, niet wetende dat Maurits Van Eylar zich niet meer te Marlheim bevond, zich niet anders voorstelde; dan dat hij de persoon was, die Flinck bedoelde.
âJa,quot; hernam deze: âen het zou mij niet verwonderen, dat die geheele ongesteldheid van onze Nicolette, en haar domme liefhebberij om pleegzuster te worden, uit geen andere oorzaak spruiten, dan uit een wanhopige liefde voor dien Marl-heimer. Wel! wat drommel! als ik mij nu met den bruidsschat belast, wat voor zwarigheid zou er dan wezen, die hen belette, samen te trouwen?quot;
âMijnheer is zeer edelmoedig,quot; zeide de weduwe: âmaar
120
kan hij aan het meisje het gemis van haar geboorte vergoeden?quot;
âWat vergoeden!quot; bromde Flinck; âmen vergoedt alles met een half millioen. â Heb daar geen zorg voor; dat zal ik wel regelen: â 't is maar de vraag, of de jongelui, als zij getrouwd zijn, bij mij willen komen inwonen, want dat is de voorwaarde, die ik maken wil. â Of zou je die te
bezwarend vinden?quot;
âVolstrekt niet,quot; antwoordde de weduwe, âen ik zou zelfs zeer ondankbaar vinden wie zich daar niet aan onderwierp. Doch ik vrees, dat van dat huwelijk niets komt.quot;
âVrees je dat? Nu! wij zullen zien. â In allen gevalle, zoo zij er zich in troosten kan, heb ik, al zoo lief, haar zonder man bij mij, â en dan u als derde. Juffrouw Hermans! Ik geloof, dat wij het best met ons drieën zouden
kunnen vinden.quot;
âIk begin het inderdaad ook te gelooven,quot; zeide de weduwe:
âmaar hoe jammer .. . .quot;
âWat? dat zij niet wil?quot;
âOok dat zou ik jammer achten; maar ik bedoelde iets anders.quot;
âWat dan?quot;
âDat Mijnheer niet vroeger gedacht heeft aan het voordeel van iemand bij zich te hebben, daar men vriendschap en gezellig verkeer â nog meer â daar men kinderlijke genegenheid van te wachten had.quot;
Het voorhoofd van den grijsaard werd somber. â âJe zegt dat niet zonder bedoeling,quot; zeide hij.
âNeen, zeker doe ik dat niet,quot; hernam zij: âik heb wel gehoord, dat het van den Heer Flinck had afgehangen, een
eigen huisgezin te bezitten.quot;
âAlweer! â Leg je met Juffrouw Nicolette onder één deken, om ouwe koeien uit de sloot te halen en op mij af te sturen? â Wie drommel heeft jelui toch zoo wijs gemaakt omtrent mijn vroeger wedervaren?quot;
âDat is nu eenmaal hetzelfde: ik stel belang in u, Mijnheer
Flinck, en daarom smart het mij, u op uw ouden dag zoo eenzaam en verlaten te zien; terwijl dit niet het geval had behoeven te wezen.quot;
âIk wed, dat dit alles weer neerkomt op die historie van mijn zoon,quot; zei Flinck: âheb je hem altemet gekend, of wel de meid, daar hij op verslingerde ?quot;
âJa, Mijnheer, en ik had beiden lief.quot;
âZoo! dan begrijp ik het,quot; zei Flinck, zich de kin wrijvende; ânu! en verder?quot;
âüw zoon,quot; vervolgde de weduwe, âis niet meer: en dat Mijnheer zich niet langer bekommert om haar, dat begrijp ik; maar dat Mijnheer zich nooit het kind heeft aangetrokken, dat zijn eigen vleesch en bloed is, dat begrijp ik niet.quot;
âOnbekend maakt onbemind,quot; merkte Flinck aan.
âMaar nooit is de wensch bij u opgekomen, uw kleinzoon te kennen?quot;
âOm de waarheid te zeggen, ja en neen. Zie je, ik beschouw je als een verstandige vrouw en ik ben dus niet bang, of je zult mij wel begrijpen. In den eersten tijd, nadat mijn zoon overleden was, wou ik van hem en zijn geheele gebroed (zooals ik het noemde) niets weten. Later is wel eens de gedachte bij mij opgekomen; 't was toch mijn bloed; maar toen dacht ik weder: zij zullen 't land aan mij hebben, en al mocht de fortuin van Herman Flinck hun welkom wezen, dat zou juist niet het geval met zijn persoon zijn: ik had geen trek er in, een kleinkind bij mij te nemen, dat naar mijn dood wenschte.quot;
âMijnheer moet de menschen al van een heel ongunstige zijde hebben leeren kennen,quot; zei Juffw. Hermans, om zich door zulke onderstellingen te laten afhouden van wat goed en edel ware geweest. Maar geloof mij, waar liefde betoond wordt, wordt zij ook doorgaans met liefde beantwoord. De weduwe van uw zoon had weinig reden tot dankbaarheid jegens u: en toch â zij zou u al uw hardheid tegen hem vergeven hebben, ja zij zou u hebben liefgehad, indien uw hart eenig mededoogen had getoond voor haar kinderen.quot;
122
âHaar kinderen!quot; herhaalde Flinck: âhad zij er dan meer dan één?quot;
âZij zou er twee gehad hebben,quot; zeide Juffw. Hermans, âindien uw ... . ja! 't woord moet er uit.... uw onbarmhartigheid tegen de moeder het leven niet gekost had aan het meisje, dat zij onder 't hart droeg,quot; â en, spijt al haar voornemens om zich goed te houden en zich niet te verraden, deed de herinnering haar in tranen uitbarsten.
âJe trekt je dat zoo aan?quot; zei Flinck: âen je weet zoo veel. â Zou het mogelijk zijn, dat----Ja, voor den drommel! dubbele ezel, die ik was, dat niet vroeger begrepen te hebben!quot;
âWelquot; zeide zij, haar tranen afdrogende; âwaarom zou ik het ontkennen? â Ja, ik ben de weduwe van uw zoon, van Herman Wayland Flinck!quot;
Flinck scheen een wijl getroffen door den waardigen toon, waarop zij die verklaring had afgelegd; doch weldra kwam zijn achterdochtige natuur weer boven, en zeide hij.
âJa! nu begrijp ik alles. Juffw. Nicolette moest uw baan by my schoonvegen en mij zoetjes aan voorbereiden op dezen theatercoup.quot;
âVeroorloof mij,quot; zei de weduwe, âu te doen opmerken, dat ik u niet ben komen opzoeken: ik had mij nimmer bij u bekend gemaakt, indien zulks niet door u ware uitgelokt.
âNeen, dat 's waar ook,quot; zei Flinck: âJe bent mij nooit lastig gevallen: trouwens de wijze, waarop ik je te Leiden behandelde, was niet geschikt om je erg te moedigen. Maar wat drommel! ik was toen kwaad op je: ik beschouwde je als de oorzaak van al het verdriet, dat mijn zoon mij had
aangedaan, als de oorzaak van zijn dood: als----in 't kort,
zij hadden mij weinig goeds van je verteld: en dan, dat je eigen familie ook niets van je wilde weten, sprak ook niet erg in je voordeel: daarbij, ik was ziek en wrevelig. â Maar nu, ik zeg het je zonder je een compliment te willen maken,
je valt mij zeer mee.quot;
Juffw. Hermans antwoordde niets, doch stond op, opende
123
haar cassette en kreeg er een miniatuur-portret uit, dat zij den grijsaard voorhield.
âHerken je hem?quot; vroeg zij toen.
âWayland!quot; riep Flinck, getroffen, uit.
Evenals, na een langdurigen winter, een warme lentezonnestraal de harde ijskorst splijt en den doortocht baant aan het opborrelende stroomnat, zoo deed ook het terugzien, na meer dan vijf en twintig jaren, van de trekken des eenmaal zoo beminden zoons, de korst vaneensplijten, die zoolang het hart van den grijsaard had omsloten, en de tranen, naar de oogen opgeweld, biggelden langs zijn gerimpeld gelaat.
âIk wist wel, dat uw gramschap tegen hem niet eeuwig kon duren,quot; zeide de weduwe. âHoe jammer,quot; hervatte zij na eenige oogenblikken stilte, âdat ik u thans mijn zoon niet kan voorstellen. Hij is naar Engeland, om .... om zijn papieren ; doch ik ben hem vandaag of morgen terug te wachten.quot;
Op datzelfde oogenblik werd er aan de huisdeur gescheld.
âDat is hij!quot; riep zij verheugd uit: âik herken zijn schel.quot;
En inderdaad, het was Albert, die kersversch van Rotterdam kwam. Het scheen in zijn noodlot te liggen, dat hem, bij zijn thuiskomst, herhaaldelijk verrassingen werden bereid. Men kan begrijpen hoe verbaasd hij stond op te kijken, toen hij, met pak en zak de trappen op en de deur binnengestormd, den Heer Flinck bij zijn moeder zag gezeten. Hij bleef een wijl stom van verbazing aan den ingang staan, zelfs onbewust of hij zich verheugen moest of niet.
âAlbert!quot; riep zijn moeder, terwijl zij hem te gemoet snelde en snikkende om zijn hals viel; âAlbert! dit is een blijde dag voor uw moeder.quot;
En toen, zich tot den ouden man wendende: âhier is mijn zoon,quot; zeide zij, op een toon van moederlijken trots, âen de zoon van dezen,quot; voegde zij er bij, op het portret wijzende.
Flinck zag den jongeling scherp in 't gezicht: âik heb u meer gezien,quot; zeide hij toen.
âIk ben bij u geweest. Mijnheer, bij uw eerste komst te Amsterdam,quot; zeide Albert: âik kwam toen vanwege den heer Bleek.quot;
124
âZoo is %quot; zeide Flinck: âhij gelijkt op u,quot; vervolgde hij, tegen de weduwe: âen dat is 't verstandigste, wat hij doen kan.quot;
Albert keek vreemd op: de norsche ijzegrim, die een vleiend compliment aan zijn moeder maakte! Hoe waren de hekken verhangen !
âMaar toch, hij heeft de oogen van zijn vader,quot; zeide de weduwe.
âInderdaad,quot; zei Flinck, bevestigend knikkende: âen je komt zoo uit Engeland, jongeling? Ben je daar voor je eigen zaken geweest of voor je kantoor?quot;
âIk ben er geweest,quot; antwoordde Albert, âom mij behoorlijk te doen erkennen als wettigen zoon van Herman Wayland Flinck en van Sara Maria Van Doertoghe; en ik ben naar wensch geslaagd. Moeder!quot; voegde hij er bij, met een zegevierenden blik.
âGoddank!quot; riep zij uit, en zag meteen den ouden man, half vragende, half smeekende aan.
âJa,quot; zei Flinck: âals nu de wet hem als mijn kleinzoon erkend heeft, dan dien ik het waarachtig ook wel te doen. Weet je wat, wij zullen nu het gebeurde laten wat het is, en voortaan goede vrienden zijn, indien je er niet tegen hebt. En meteen reikte hij zijn hand aan de weduwe toe, die ze met warmte kuste.
âEn hoe denk jij er over,quot; vervolgde hij, tegen Albert, die nog altijd het voorkomen had van iemand, die niet weet, welk besluit hij nemen zal.
âWie zich liefderijk betoont jegens mijn moeder,quot; zei Albert, âheeft aanspraak op mijn eerbied en erkentelijkheid.quot;
âBest!quot; hernam Flinck: âen hoort eens,quot; voegde hij er bij, met de snelle vastberadenheid, waarmede hij, al zijn leven lang, terstond gevolg had gegeven aan eene opwellende gedachte, en aan welke hij in vele opzichten den goeden uitslag zijner ondernemingen had dankgeweten: âjelui komt voortaan bij mij inwonen: en dan â welzeker, waarom niet? - dan trouw jij met Juffrouw Nicolette, en wij hebben een stil en
125
genoeglijk huishouwentje onder elkander, en wij lachen met de rest.quot;
âHij met Nicolette!quot; riep de weduwe, verbaasd en half verschrikt over dezen nieuwen inval des grijsaards.
âWel ja,quot; hernam deze: âje zei immers zelve zoo meteen, dat die andere misschien zwarigheden zou maken: en je bent bovendien zoo aan het meisje gehecht; als je zoon nu met haar trouwt, dan weet je immers sekuur, dat je haar bij je houdt. â En wat haar betreft, zij heeft zich met zooveel warmte bij mij voor uw belangen gekweten en zoo dikwijls uw beider lof gezongen, dat die schikking bij haar wel geen bezwaar zal ontmoeten. Of staat je de meid niet aan, jong mensch? Wat mij betreft, als ik een paar kruisjes minder telde, ik zweer je wel, dat niemand mij haar ontvrijen zou.quot;
âNicolette is een lief meisje,quot; zeide de weduwe, die Albert verlegen zag en hem te hulp wilde komen: âen ik houd innig veel van haar; maar ik geloof niet, dat zij voor mijn zoon, of mijn zoon voor haar, iets voelt van wat men liefde noemt.quot;
âEi wat, gekheid!quot; riep Flinck: âdat zal wel komen. Zeg ja, jonkman.... hoe heet je? ja, Albert.... zeg ja, Albert, en mijn heele fortuin maak ik op jelui beiden. Ik heb mij dat nu eenmaal in 't hoofd gezet, en dat denkbeeld laat ik niet los.quot;
Zonderling! de man, die eens zulk een droevig leergeld er voor betaald had, dat hij zijn zoon had willen dwingen tot een huwelijk, wilde 't nu ook zijn kleinzoon doen.
âMijnheer Flinck,quot; zei Albert, op een eerbiedigen, maar vasten toon, âik waardeer de welwillendheid, die uit uw voorstel spreekt, zoowel als de uitmuntende hoedanigheden van Juffrouw Zevenster; maar ik wenschte liever, dat over deze zaak nimmer weer een woord gewisseld werd.quot;
âHoe!quot; zei Flinck, zeer teleurgesteld: âje wenscht mijn kleinzoon te zijn, en je weigert mij het eerste verzoek, dat ik je doe?quot;
âIk ben uw kleinzoon,quot; zei Albert, âvan wat ik wensch te zijn, is hier geen spraak. Doch misschien juist omdat ik
126
uw kleinzoon ben, bezit ik een vasten wil, evenals mijn vader voor mij; ik verkoop mijn vrijheid niet, en, zoo ik immer trouw, zal 't zijn met een vrouw, voor wie ik meer gevoel dan vriendschap en achting, en die wederkeerig mij liefde toedraagt.quot;
âFraaie woorden!quot; bromde Flinck: âmaar ik begrijp wat er achter zit. Je denkt, je bent nu toch eenmaal mijn wettige erfgenaam, en met dat vooruitzicht kun je een luisterrijker partij doen dan een meisje zonder geboorte. Maar ik ben nog niet dood en heb geen plan vooreerst op te stappen.quot;
âMijn waarde Heer Flinck!quot; zei op een smeekenden toon de weduwe, bezorgd voor de wending, die 't gesprek begon te nemen; âindien wij voor 't oogenblik die quaestie lieten rusten. Vooralsnog is Nicolette bij haar zieken pleegvader en kan aan geen huwelijk denken. Je hadt zelf zooeven andere voornemens met haar, en zoolang wij niet weten, wat hare wenschen zyn, blijft alle samenspreking daarover ijdel en onvruchtbaar.quot;
âZoo?quot; zei Flinck; ânu! dat is gesproken als een verstandige vrouw en, wat er van komen moge, je zult zien, dat Herman Flinck niets anders verlangt, dan wat tot aller best kan strekken. â Maar, dat daargelaten: weet je wel, jij, Mijnheer Albert! dat je op mijn dood niet behoeft te wachten om een ordentelijk vermogen te bezitten?quot;
âIk ben tevreden met hetgeen ik verdien,quot; zei Albert.
âDat is de vraag niet,quot; hernam Flinck: âmaar als zoon van Wayland Flinck, heb je en hadt je sinds lang aanspraak op het vermogen, dat je grootmoeder heeft nagelaten en dat ik aan je vader zou uitgekeerd hebben, indien hij was blijven leven. Vroeger had ik het niet kunnen doen; want het is eerst later in mijn handen gekomen; maar ik heb het trouw beheerd, en dewijl het zijn renten heeft opgebracht, zoo zal het nu zoo ongeveer een dertien a veertien ton bedragen, die ik je behoorlijk verantwoorden zal.quot;
Iemand moge nog zoo groot een stoïcün wezen, wanneer hem zoo geheel onverwachts omtrent anderhalf millioen tegen-
127
waait, blijft hij er toch nooit geheel onverschillig onder. â Albert was dan ook een oogenblik stom van verbazing; doch zijn eerste gedachte was aan zijn moeder. âMoeder!quot; riep hij: âdan zul je voortaan toch eens geheel onverzorgd kunnen leven.quot;
âMaar wist je dan waarlijk niet, dat je die pretentie op mij hadt?quot; vroeg Flinck: âen was het niet om mij een proces aan te doen, dat je die papieren bent gaan halen?quot;
âIk wist er niets van,quot; zei Albert: âen wat ik gedaan heb was in de eerste plaats om mijn moeder te rechtvaardigen van de praatjes, als had zij een bastaard ter wereld gebracht.quot;
âDat is braaf,quot; zei Flinck: âin allen gevalle zie je nu, dat je goed op je zeiven leven kunt, en dat, als je moeder mijn voorslag aanneemt en bij mij komt inwonen, zij het alleen doen zal uit vriendschap, en niet, omdat zij om een onderkomen behoeft verlegen te zijn. â En één ding kun je doen, en je zult er mij zelfs genoegen mee verschaffen, dat is namelijk, je dienst opzeggen aan dien Mijnheer Bleek.quot;
âDat heb ik al voor acht weken gedaan,quot; zei Albert, voor zich ziende.
âEi zoo! Leek het je op den duur niet bij hem ? â Nu! ik wil 't gelooven. Je moet eens bij mij komen, dan zal ik je kluchten van hem vertellen. Maar zeg mij, waar heb je dan die laatste weken van geleefd ?quot;
âIk gaf les in 't Engelsch,quot; antwoordde Albert: âik bezorgde vertalingen, en mijn goede moeder verdiende van hare zijde ook genoeg, dat wij konden rond komen.quot;
âHm! dat zal er naar geweest zijn. â Nu, zooals gezegd is, je komt bij mij, ik zal je ter hand stellen wat je eerlijk toekomt â en voor de rest spreken wij wel eens nader. â Laat intusschen je huisheer gerust een bordje voor deze kamers aanslaan, enquot; [dit tot de weduwe] âzoo je niet op Blinkers-waard wilt komen wonen, zul je althans een fatsoenlijk huis op je eigen gelegenheid kunnen betrekken. â Maar Nicolette mag je mij niet ontkapen, en als die jongen haar toch niet tot vrouw wil hebben, dan is 't ook niet betamelijk, dat ze
128
bij u komt wonen. â En nu, Mevrouw mijn schoondochter----
hoe noemt men je bij je voornaam?quot;
âMimi, Mijnheer!quot;
âWel, Mimi dan, je moet met je zoon eens bij mij komen eten: wij zullen er de Madam ook bij vragen en dien gekken Franschman, die altijd troef van haar krijgt. â Adieu, Mimi!quot;
âMimi!quot; herhaalde de weduwe, bij zich zelve, terwijl de oude man, vergezeld door Albert, de trap afging; âdie naam is mij in geen vijf en twintig jaren gegeven! o, welke herinneringen wekt hij bij mij op!quot;
âO, Albert!quot; riep zij, toen haar zoon terugkwam: âwij hebben dien man miskend, gelijk hij 't mij had gedaan.quot;
TWEEDE HOOFDSTUK.
DAT ALS EEN VERVOLG OP HET EERSTE KAN BESCHOUWD WORDEN.
Men kan licht begrijpen, dat Mw. Wayland Flinck, gelijk zij, sedert haar zoon overal met dien naam voor den dag kwam, ook zelve niet meer aarzelde zich te laten noemen, niet verzuimde, aan Nicolette, bij het eerste bezoek, dat zij haar bracht, de groote verandering mede te deelen, die in haar toestand gekomen was, en die zij voor geen gering gedeelte had te danken gehad aan de kennismaking van het jonge meisje met den ouden man. Men zal zich evenzeer licht kunnen voorstellen, met hoeveel genoegen Nicolette die mede-deeling ontving: niet alleen verheugde haar het bewustzijn dat haar moederlijke vriendin voortaan onbezorgd haar dagen zou kunnen slijten; maar ook was zii recht in haar schik, dat haar oude vriend de goede gedachte, die zij aangaande zijn hart had opgevat, niet had gelogenstraft en zich met woord en daad zoo welwillend jegens schoondochter en kleinzoon betoond had. Bij deze stof tot blijdschap had zij er nog eene, gelijk zij zulks aan de weduwe mededeelde, dat namelijk de
129
zieke aamerkelijk in beterschap toenam, zoodat hij welhaast aan haar oppassing geen volstrekte behoefte meer hebben zou. Wel was zij nu eenigszins onzeker, wat haar plicht alsdan zou wezen: zij wist, dat haar pleegvader op haar bijzijn gesteld was, en zij had bij zich zelve het gevoel, dat hem haar gezelschap nuttig was; doch zij wist evenzeer, van welken aard 's mans financieële omstandigheden waren, en hoe zij beiden
voortleefden ten koste van derden____ van wie eigenlijk, dit
was iets, dat zij niet wist; maar wel, dat zij, zoolang haar tegenwoordigheid bij den zieke niet volstrekt meer noodig was, niet op de gunst van anderen kon blijven teren. Zij had deze haar bezwaren aan Van Zevenaer medegedeeld, die er wel de gegrondheid van erkend, doch haar tevens de verzekering had gegeven, dat hij door belangstellende personen ruim in staat gesteld was, haar nog een tijdlang bij Galjart te doen blijven, en haar alzoo verzocht had, nog een weinig te wachten, eer zij eenig besluit nam in de zaak; er op een geheimzinnige wijze bij verklarende, dat er wellicht dingen ophanden waren, die aan haar lot een andere richting zouden geven. Vruchteloos had Nicolette bij hem aangedrongen, zich nader te verklaren; hij was gesloten gebleven als het graf, en had er zich bij bepaald, haar te verzoeken, voorshands maar alleen aan het trouw opvolgen zijner voorschriften te denken en alle tobberij over verledene en toekomstige dingen uit het hoofd te stellen. Deze laatste raad liet zich echter gemakkelijker geven dan nakomen, en niet zelden overvielen Nicolette nog vlagen van droefgeestigheid. Groote opbeuring had haar, als blijk van voortdurende genegenheid, een brief van Bettemie verschaft, die haar schreef, dat zij nog tot Nieuwjaar op Doornwijck dacht te blijven, doch dan ook spoedig terug te keeren, daar zij welstaanshalve het feest van haar meerderjarigheid thuis moest vieren; voorts, dat Tante dagelijks in beterschap toenam en 's avonds al een paar keeren een ombertje met haar beide nichten had gespeeld, dat allen te en op Hardestein wel waren, en dat zij â Bettemie â overtuigd was, hoe ieder eerlang aan Nicolette recht zou laten wedervaren.
v. - k. z. 9
130
De weduwe had er zich, in haar onderhoud met Nicolette, wel voor gewacht, de plannen van uithuwelijking aan te roeren, waar Flinck mee voor den dag was gekomen. Zij oordeelde terecht, dat, dewijl daarvan toch, naar alle waarschijnlijkheid wel nooit iets zou kunnen komen, het behandelen van een zoodanig onderwerp alleen zou dienen om aan het reeds zoo geschokt gestel van Nicolette nieuwe ontroering te bezorgen. Wel had zij aan het jonge meisje verteld, hoe ernstig de oude man voortdurend verlangen bleef, haar tot huisgenoot te hebben, en er dan niet onduidelijk bij te kennen gegeven, hoe, naar hare gedachte, zulk een schikking wellicht de beste uitkomst ware, die Nicolette in haar omstandigheden verwachten kon; â Nicolette echter had, op deze ontboezeming, niet veel meer geantwoord dan met een stillen zucht en met aanhaling van des geneesheers woorden, dat zij zich niet in de toekomst verdiepen moest.
Eerstdaags, en wel op Nieuwjaarsdag, had nu op de kamers van Flinck plaats, wat men den verzoeningsmaaltijd zou kunnen noemen, en waar, gelijk hij beloofd had, behalve Albert en zijn moeder, ook de echtgenooten Purl en Mile. Susanna deel aan namen. Men behoeft niet te vragen, of de gastheer gezorgd had zijn gasten goed te onthalen: dit moeten wij er bijvoegen, dat Albert er vrij wel in slaagde de vooroordeelen, die hij zoolang tegen zijn grootvader gekoesterd had, te onderdrukken, en zooveel mogelijk alle stroefheid afleide om aan zijn moeder een opgeruimd gelaat te toonen: dat Mad. Purl met ongeveinsde hartelijkheid haar vriendin met deze lotswisseling gelukwenschte en zich lachend nu op hare beurt aanbeval in de voorspraak en bescherming van de vrouw, aan welke zij vroeger beide had verstrekt: en dat Monsieur Puri, vooral toen de krachtige wijn, die hem toegediend werd, zijn tong had losgemaakt, een stroom van politieken onzin en gewaagde aardigheden uit zijn mond liet vloeien, dien zelfs de gestrengste terechtwijzigingen, hem door zijn gade toegediend, niet in staat waren te stuiten. Maar wat wij vooral niet vergeten mogen te verhalen is, dat op den dag, volgende op dien, waarop de maaltijd gehouden
131
was, Flinck, in tegenwoordigheid van een notaris en getuigen, aan Albert het bedrag der nalatenschap van Madeline Way-land met de rente verantwoordde en daarvan behoorlijke akte opgemaakt en door partijen geteekend werd.
Het was wederom een dag later, dat Flinck, des morgens op zijn kamer zittende, onverwachts werd verrast door de verschijning van Lukas Drenkelaer.
âZoo, mijn Marlheimsche vriend!quot; riep hij uit, toen hij dezen zag: âwat jaagt u dus naar Amsterdam?quot;
âZaken van persoonlijk belang,quot; antwoordde Drenkelaer, met een weemoedig gezicht: âmaar ik wilde toch niet hier zijn, zonder Mijnheer Flinck mijn opwachting te komen maken.quot;
âNatuurlijk!quot; hernam deze: âdat is ook volgens de afspraak; â maar eilieve! wat hapert er aan? Is het de beurs of 't hart, waar een wond aan geheeld moet worden?quot;
âOch!quot; antwoordde Drenkelaer, die wel eenige behoefte had om zijn wrevel uit te storten: â't is een onaangenaam geval, waar ik voor kom. â Ik dacht, na de vroeger mij gedane toezeggingen, de hand van een meisje, dat hier woont, te verwerven; en op eenmaal word ik afgezegd, zonder dat mij eenige de minste reden gegeven wordt.quot;
âJa, dat de vrouwen kuren hebben,quot; zei Flinck, âis al jaren en eeuwen voor ons opgemerkt. Maar je hebt gelijk, dat je daar kuit of haring van wilt hebben .... misschien tref je nu weer een goede bui en dan zal 't zaak zijn, er zoo gauw mogelijk gebruik van te maken. â Maar wie weet,quot; vervolgde hij, aan een invallende gedachte gehoor gevende, âof ik niet eenigszins kan raden, wat de oorzaak is, dat men je bedankt heeft, 't Zal hem aan je gebrek aan vermogen liggen, ja, dat zal 't zijn.quot;
âIk twijfel er aan, of dat de reden is,quot; zei Drenkelaer: althans na hetgeen ik vroeger uit haar eigen mond vernomen had.quot;
âIn dat geval intusschen,quot; vervolgde Flinck, in den eens opgevatten waan volhardende, dat Mcolette het voorwerp was van Drenkelaers genegenheid, âzou er nog wel een middel
132
zijn om het bezwaar weg te nemen. Ik heb het zelf aan de jonge juffrouw gezeid, dat, als er geld noodig was, men maar bij Herman Flinck had aan te kloppen.quot;
âWaarlijk!quot; riep Drenkelaer, geheel versteld over hetgeen hij hoorde: âzou Mijnheer Flinck werkelijk zoo edelmoedig zijn, ter bevordering van mijne wenschen zich een opoffering te getroosten?quot;
âAltijd in geval de meid u liefheeft,quot; antwoordde Flinck.
âMaar ik begrijp niet,quot; stamelde Drenkelaer: âik heb het waarlijk niet aan Mijnheer verdiend, dat hij ....quot;
âNu! 't is dan ook waarachtig niet om jouwentwille, dat ik zoo ruim in de beurs zou tasten,quot; zei Flinck, weer dien scherpen toon aannemende, die hem vroeger zoo eigen was, en dien Nicolette zoo haar best gedaan had, hem af te leeren: âik zou het doen om Nicolette, omdat ik haar eenmaal beloofd heb, als zij een huwelijk wenschte aan te gaan, en de rechte Jozef kwam, voor haar uitzet te zorgen.quot;
âOm Nicolette!quot; herhaalde Drenkelaer, geheel verbluft.
âWat het meisje wil,quot; vervolgde Flinck, zonder op de verbazing van den jongeling te letten, âdaar heb ik nog niet achter kunnen komen: wel, dat zij het hart hoog draagt, en altijd bang is, dat men haar zal minachten, omdat zij een vondeling is. Maar indien de oude Herman Flinck haar nu liefheeft als een dochter, en er haar klinkende bewijzen van wil geven, dan is dat, dunkt mij, zoo goed als een doopceel met de mooiste namen er op.quot;
Drenkelaer was op het punt geweest om aan den ouden man te zeggen, dat deze zich vergiste en dat niet Nicolette, maar de Freule Van Doertoghe de persoon was, die hij bedoeld had; maar juist ten gevolge van het doorpraten, dat Flinck gedaan had, was hij, Drenkelaer, voor alle overijling bewaard gebleven, en had hij tijd gehad om te gedenken aan het oude spreekwoord: âontgaat u de wal, houdt u aan 't vlotgras.quot; â Bleef Bettemie hij haar weigering volharden, en was werkelijk Flinck zoogoed gezind jegens Nicolette, dan werd het misschien zaak, eens te overdenken, of het ook wellicht der moeite
133
waardig zijn kon, aan de laatstgemelde een hart aan te bieden, dat men elders niet op prijs stelde. Hij begreep daarom dat het wijste wat hij doen kon, wezen zou, Flinck in zijn waan te laten en van Bettemie geen woord te gewagen.
âWat mij betreft,quot; zeide hij, âik begrijp, dat een vrouw geheel vrij moet zijn in haar keus, en ik zou er zelfs geene willen hebben, dan zulk eene, die mij boven anderen de voorkeur gaf. En dat is ook het eenige voorrecht, 't welk mij mijn armoe verschaft, namelijk te weten, dat wie mij neemt, het doet om mijn persoon, en niet met eenig bijoogmerk.quot;
âMet dat al,quot; zei Flinck, spotachtig lachende, âik ben wel doodgoed, dat ik mij geneigd toon, de belangen te bevorderen van iemand, die mij een proces aandoet.quot;
âInderdaad?quot; vroeg Drenkelaer: âis het reeds zoo verre gekomen ?quot;
âDaar ligt de insinuatie, of hoe heet dat ding,quot; zei Flinck, op de schrijftafel wijzende: âlees zelf maar.quot;
âWaarachtig, het is zoo!quot; zei Drenkelaer, na het stuk te hebben opgenomen en ingezien; âen dat nog wel uit mijn naam gedaan! Maar Mijnheer heeft zelf niet gewild, dat ik contra-order geven zou.quot;
âWel neen,quot; zei Flinck: âdat proces vermaakt mij, en ik wil mij het genoegen niet ontzeggen, dien schoelje eens te zien vastloopen. â 't Wondert mij maar, dat de vent nog niet bij mij is geweest.quot;
âDaar is een goede reden voor,quot; zei Drenkelaer: âhij is te Marlheim, waar ik hem gelaten heb.quot;
âWaarlijk?quot; vroeg Flinck, terwijl hij zich de handen wreef en grijnsde van de pret die hij had.
âHij is,quot; vervolgde Drenkelaer, âtweemalen naar Brallem geweest en hoezeer bij de eerste reis zijn rijtuig halverwege in 't moeras is blijven steken, zoodat hij de helft van den weg te voet heeft moeten afleggen, en hij de tweede reis in een sloot heeft omgelegen en, mooi beklonterd thuis is gekomen, schijnt hem dat nog niet te hebben afgeschrikt; immers hij vertelde mij gisteren, dat het zijn plan was, er vandaag
134
nogmaals naar toe te gaan; maar nu ook om, zooals hij 't noemde, spijkers met koppen te slaan.quot;
âZoo!quot; zei Flinck: âmaar hij moet mij de poets niet bakken van weer om te rollen en misschien te verzuipen, eer de klucht is afgespeeld. Hij heeft u dus verteld met wat doel hij te Marlheim kwam?quot;
âHij heeft mij,quot; antwoordde Drenkelaer, âonder de belofte van geheimhouding, zijn verlangen medegedeeld om de Bral-lemerheiden te koopen. Hij had dan ook reden om mij zijn vertrouwen te schenken; want ik moest hem in betrekking brengen tot de eigenaars, en hem op de hoogte stellen, welke soort van menschen het waren, 't Spreekt vanzelf, dat ik hen allen heb afgeschilderd als gierige, vasthoudende en onhandelbare geldzakken.quot;
âEn heeft hem dat niet afgeschrikt?quot;
âHij keek wel wat zuur; maar hij was er nu eenmaal en wilde niet onverrichter zake heengaan: en zoo verzocht hij mij, of ik hem een grooten dienst wou bewijzen, en mijn best doen, de zaak althans bij drie van de eigenaars, die te Marlheim wonen, voor hem in orde te brengen. Zij zouden zich, dacht hij, redelijker toonen jegens een stadgenoot, dien zij kenden, dan wanneer hun voor die gronden een bod gedaan werd, door iemand, dien zij begrepen, dat opzettelijk met dat doel van Amsterdam gekomen was. Ik begreep in uw geest te handelen, door aan zijn verlangen te voldoen.quot;
âEn zij toonden zich toch niet al te rekkelijk?quot; vroeg Flinck met eenige bezorgdheid.
âWees gerust. Mijnheer!quot; antwoordde Drenkelaer: âhij zal dat stuifzand niet te geef hebben.quot;
âMaar, â als zij veel vragen, zal hij het niet nemen,quot; merkte Flinck aan.
âWees daar niet bevreesd voor,quot; hernam Drenkelaer, âeens een gedeelte hebbende gekocht, gelijk ik meen dat het geval is, moet hij er de rest wel bij hebben, en zal dus wel toeslaan, altijd in de hoop om de gezamenlijke massa voor zulk een prijs te slijten, dat hij er een goede som aan verdient.quot;
135
âWij zullen dan afwachten, wat het geeft,quot; zei Flinck, âen ik zeg u dank voor uw hulp tot zooverre. â Maar om op uw vrijage terug te keeren, je zult de Juffrouw vooreerst niet kunnen spreken; zij is nog altijd bij haar zieken pleegvader en komt de deur niet uit.... omdat dit gure weer haar niet lijkt. Je zult dus, indien je haar zien wilt, nog wat geduld moeten hebben.quot;
âHet spijt mij,quot; zei Drenkelaer, terwijl hij de schouders ophaalde en zweeg.
âMaar,quot; hernam Flinck; âvan wat anders gesproken: hoe vaart dat malle wijf, dat zich verhing, toen wij te zamen te Marlheim waren?quot;
âO!quot; antwoordde Drenkelaer: âdie is wijzer geworden en denkt aan geen verdrinken meer.quot; â En hierop gaf hij aan Flinck eenige narichten, aangaande Mw. Van Zirik; na het afhandelen van welk onderwerp het gesprek tusschen de beide Heeren nog een korte wijl over onverschillige zaken werd voortgezet, en Drenkelaer vervolgens zijn afscheid nam, in de overtuiging, dat hij, wat ook de afloop mocht wezen van zijn vrijerij met Bettemie, in den ouden man althans een beschermer gewonnen had, wiens welwillendheid hem van niet weinig dienst zou kunnen zijn.
DERDE HOOFDSTUK.
VAN HET GEZELSCHAP, DAT HOOGENBEEG TE ZIJNEN HUIZE ONTVING.
De groote bovenzaal in 't huis van Hoogenberg was feestelijk verlicht, en alle toebereidselen gemaakt om een aantal genoodigden te ontvangen. De klok had zooeven acht geslagen, en de heer des huizes, deftig in 't zwart gekleed, en met een witte das als een tafellaken om den hals, liep de kamer op en
136
neder, in afwachting van hen, die komen zouden. â Wat moest hier echter plaats hebben ? een s o i r é e, waar gedanst, gespeeld of althans de avond onder aangenaam gekout zou gesleten worden? of een vergadering, ter behandeling van gewichtige zaken bestemd? Het eerste zou men bijkans hebben opgemaakt uit de aanwezigheid van twee der lieden, die âuit tafeldienen gaan,quot; en die met den oppasser van Hoogenberg, allen uitgedost met zwarten rok en witte das, en bovendien nog met witte handschoenen, die hun meester ontbraken, de stoelen in dubbele rij geplaatst hadden. Hun tegenwoordigheid wekte toch het vermoeden op, dat er ververschingen gediend zouden worden, wat op een gewone bijeenkomst over zaken zeer zeldzaam het geval is: en daarbij stonden er ook stoven met vuur gereed, waaruit men de gevolgtrekkingen maken kon, dat er vrouwen verwacht werden, die ook gewoonlijk niet op comparities verschijnen. Maar toch, de dubbele stoelenrij sloot zich aan een tafel, die met een kleed bedekt was, en, als 't een gewone soirée was, kwam die tafel niet te pas of zou anders geschikt zijn geweest. Achter die tafel stond een armstoel, en die was blijkbaar voor iemand bestemd, die 't gezelschap toe zou spreken. Werd er ook misschien een goochelaar verwacht? of een jeugdig schrijver, die de vruchten van zijn geest zou komen voordragen? â Deze laatste onderstelling zou eenige waarschijnlijkheid gehad hebben, indien niet op de tafel twee geëtiquetteerde papierbundels gelegen hadden, die meer aan processtukken, dan aan letterkundige schriften deden denken.
Maar nog raadselachtiger moest voor iemand, die niet op de hoogte der zaak was, het doel der vergadering geworden zijn, naarmate hij op de heterogene bestanddeelen lette, waaruit het personeel der genoodigden allengskens werd samengesteld.
De eersten onder hen, die zich vertoonden, waren Eylar en Bol met Juffrouw Leentje: wat trouwens zeer natuurlijk was, dewijl zij, dien morgen van Hardestein gekomen, bij Hoogenberg het middagmaal hadden gebruikt, en alzoo slechts uit de
137
eetkamer, waar zij zich tot zoolang hadden opgehouden, naar de zaal hadden te begeven. Na hen daagde, eenigszins tot verwondering van den gastheer, die maar half op 's mans komst gerekend had, de eerzame Jan Bleek Az. op, die, ofschoon mede pas van zijn tocht teruggekeerd, niet had durven wegblijven, na het dringend briefje, 't welk hij van Hoogenberg had ontvangen, en waarbij deze hem, bijwijze van lokaas, gemeld had, dat, ten gevolge van gewichtige ontdekkingen, door hem, Hoogenberg, gedaan, er misschien kans zou bestaan voor de pleegvaders van Klaasje Zevenster, de uitschotten terug te bekomen, ten behoeve van het jonge meisje gedaan. De groet en houding tusschen Bleek en zijn medepleegvaders was, als men denken kan, stijf en gedwongen, en weinig de woorden, die tusschen hen gewisseld werden; â maar des te hartelijker was de ontvangst, die een anderen, kort na Bleek verschenen genoodigde verbeidde, die niemand anders was dan Occo Van Donia, en vooral drukten de gastheer en de raad van Indië wederzijds hun blijdschap uit, van elkander, na zoovele jaren, beiden in een zoo onafhankelijke positie terug te zien.
âDat hadden wij niet verwacht, elkander zoo spoedig weer te ontmoeten,quot; zei Bol, tegen Donia.
âHij mocht niet wegblijven, na den brief, dien ik hem geschreven had,quot; zei Hoogenberg: âik heb hem te veel noodig van avond.quot;
âEn het trof daarbij gelukkig,quot; zei Donia, âdat ik juist voornemens was, naar Den Haag te gaan om een commissie bij te wonen, waar Z. M. mij in benoemd heeft. â Maar hoe is 't? zullen deze reis eens al de dorstige Pleïaden bij elkander zijn?quot;
âVan Zirik heeft zich laten verschoonen,quot; antwoordde Hoogenberg, âen zulks om redenen van kieschheid, die wij genoeg begrijpen kunnen. Van Zevenaer zal waarschijnlijk eerst laat compareeren; doch zien zullen wij hem zeker: en, wat Galjart betreft, zoo zal het er van afhangen, of hij verlof van zijn Esculaap heeft bekomen.quot;
Hier deed de onderstelling van de mogelijkheid eener ont-
138
moeting met Galjart, Bleek een scheef gezicht zetten. Hij haastte zich echter, het weer in zijn gewone plooi te brengen, toen Donia naar hem toekwam.
âMijnheer Bleek, nietwaar?quot;
âOm u te dienen,quot; antwoordde deze: âen zoo ik mij niet bedrieg, dan heb ik de eer gehad . . . .quot;
âPrecies! mijn naam is Donia, en wij hebben elkander te Leiden leeren kennen: het is lang geleden, dat wij elkander gezien hebben; doch daarom zijn wij niet geheel vreemd aan elkander gebleven. Ik heb meer dan eens wijn van uw flrma gehad, nietwaar? van Bleek en Galjart, zoo ik mij niet bedrieg.quot;
âJuist Mijnheer,quot; zei Bleek, een buiging makende; âen ik moet Mijnheer nog bedanken voor de gunst zijner klandizie, 't Is maar jammer. Mijnheer, dat de firma niet is kunnen blijven bestaan; maar, ziet u, mijn zwager .... och! wat zal ik er veel van zeggen?quot; En hier schudde hij op een bedenkelijke wijze het hoofd.
âMijnheer heeft volkomen gelijk,quot; zeide Donia, deze reis op zeer koelen toon: âover familie-aangelegenheden is 't altijd het best, tegen vreemden te zwijgen;quot; en, een stijve buiging makende, liet hij den andere vrij verlegen staan, en half twijfelende, of die âHeer uit de Oostquot; ook altemet, aangaande hetgeen er bij de ontbinding der firma had plaats gehad, andere berichten bekomen had, dan hij. Bleek, gewoon was te geven.
Maar zoo hij zich reeds maar half op zijn gemak bevond, men kan zich den indruk voorstellen, dien de verschijning van het gezelschap, dat nu binnenkwam, op hem maakte. Droomde of waakte hij ? Was het werkelijk de vrouw, welke hij had leeren kennen onder den naam van Juffrouw Hermans, en als de moeder van Albert, die hij daar zag binnentreden, keurig uitgedost in zijde, met een fraaien zwart krippen doek om, en een hoed op naar den laatsten smaak, en wonder boven wonder, den arm gevende aan den ouden Heer Flinck! â En bedrogen hem zijn ooren niet, toen hij meende te hooren, dat
139
gemelde oude Heer haar, de naaister, aan de aanwezigen voorstelde als zijn schoondochter, Mevrouw de weduwe Wayland Flinck, â en, daar achter hen, kwam Albert, die er wel altijd als een gentleman had uitgezien, maar het nu vooral deed, nu hij een donker fluweelen vest aanhad, en een satijnen das, en lage verlakte schoenen, en zijden kousen, tusschen de sous-pieds doorkijkende. Op hen volgden Monsieur en Madame Puri, de voormalige kapper, heel zwierig uitgedost en naar pommade riekende, zijn vrouw fatsoenlijk deftig gekleed. Hoe drommel kwamen die twee aan de eer van hier mede genoodigd te zijn? â Maar voordat Bleek hier recht over door kon denken, daar beidde hem een nieuwe verrassing ; want daar trad ook Drenkelaer binnen, en het was wederom de Heer Flinck, die dezen aan Hoogenberg voorstelde, en wel onder den titel van âmijn jonge vriend uit Marlheim, over wien ik u gesproken heb.quot;
âHet is mij bijzonder aangenaam u te zien, Mijnheer Drenkelaer,quot; zeide Hoogenberg: âuw tegenwoordigheid hedenavond was hoogst gewenscht, zoo niet onontbeerlijk.quot;
Waarlijk, het begon Bleek alles door 't hoofd te draaien. quot;Wat! Drenkelaer, uit wiens naam hij door een procureur bij gerechtelijk exploit, van Flinck rekening en verantwoording eener erfenis had doen vorderen, diezelfde Drenkelaer, met Flinck bekend, en door hem voorgesteld als zijn vriend! Had Bleek ooit de theaters bezocht en den Barbier hooren opvoeren, hij zou zeker binnensmonds met Basile gezongen hebben;
Qui Diable est ici la dupe?
Maar nog waren voor hem de verrassingen niet uit; want toen wederom de deur openging, toen liet zij iemand door, dien hij hier zeker allerminst verwacht zou hebben â den aannemer Joost Klabbe. Ja, hij was 't in levenden lijve; al had hij deze reis den traditioneelen pijjakker in 't voorportaal afgelegd, en al vertoonde hij zich in den rok, waarin hij indertijd met zijn sinds overleden vrouw getrouwd was en waarin hij juist geen voordeeliger figuur maakte.
140
âWat komt die hier doen?quot; vroeg Bleek bij zich zeiven: âen is dat nu een vent om in een gezelschap als dit te worden toegelaten ?quot;
Intusschen scheen Klabbe aan dit gezelschap niet zoo geheel onbekend als Bleek onderstelde. Immers Donia kwam naar hem toe en groette hem met een minzaam âgoeden avond, Mijnheer Klabbe,quot; en Drenkelaer knikte hem, hoezeer op eenigen afstand, met het hoofd toe. Dat Flinck het ook niet deed, had zijn eigenaardige reden; hij achtte den tijd nog niet gekomen om Bleek te doen bemerken, dat hij met den man iets uitstaande had.
Ondanks de heuschheid, hem door Donia en door den gastheer betoond, scheen onze aannemer toch min of meer met zijn houding verlegen, en eenigszins door de tegenwoordigheid der drie deftige dames geïmponeerd; waarom hij zich dan ook maar wat op den achtergrond terugtrok. Spoedig echter lichtte zijn gelaat op; want er kwam een kennis van hem binnen, in de persoon van â Mejuffrouw Karoline Verdrongen.
âZoo, Juffrouw Verdrongen,quot; zei Hoogenberg: â't verheugt mij u te zien: ik begon al bang te zijn, dat het u moeilijk zou vallen aan mijn verzoek gehoor te geven.quot;
âO neen. Mijnheer,quot; lispelde Karoline, terwijl zij schuchter om zich heen zag naar hot deftige gezelschap: âik kon het best schikken: ik heb toch mijn vrijen tijd.quot; Dit laatste was volkomen waar; doch 't sprak daarbij vanzelf, dat Hoogenberg, toen hij haar naar Amsterdam ontbood, tevens aangenomen had, haar niet alleen haar reiskosten maar ook haar tijdverzuim te vergoeden, en dat zij daarbij wel een beetje nieuwsgierig was om te vernemen, hoe 't met haar zaak tegen haar neef stond. â Toen zij nu, na de bovenstaande woorden gesproken en even den groet van Donia, Flinck en Drenkelaer beantwoord te hebben, zich mede op den achtergrond trok, kwam zij, als natuurlijk was, in de buurt van Klabbe te land, en keek heel verbaasd op, hem te zien.
âDat 's kazueel, Juffrouw! nietwaar?quot; zei Klabbe, âdat wij mekaar weer juist hier aan huis moeten aantreffen.quot;
141
âDat 's toch kazueel,quot; zei Karoline: â en zij begon zich zelve af te vragen, waar dat kazueele al toe zou kunnen leiden, en of die Meneer Klabbe niet per slot een zeer geschikte partij voor haar zou zijn; â en zij was heel vriendelijk jegens Meneer Klabbe; heel wat vriendelijker dan toen zij elkander de vorige reize in de wachtkamer van den advocaat ontmoetten.
Had Bleek sedert eenigen tijd. bij 't zien van min welkome gezichten, den heimelijken wensch gekoesterd, maar stilletjes thuis te zijn gebleven, ook Drenkelaer gevoelde zich maar half op zijn gemak. De groet van Donia was stijf geweest, en zelfs vergezeld met een blik, die zooveel scheen te zeggen als: âIk verzoek u, mij verder maar niet toe te spreken.quot; Hierop was hij echter eenigszins voorbereid, maar ook toen hij zich tot zijn Hardesteinsche kennissen wendde, ondervond hij, dat zoowel Bol als de anders zoo bij uitstek wellevende Graaf Van Eylar, hem evenzeer met een in 't oog loopende koelheid behandelden en op zijn vragen naar hun welstand, enz. geene dan zeer korte antwoorden gaven, zonder eenige geneigdheid aan den dag te leggen, het gesprek verder voort te zetten. Alleen bi] Juffrouw Leentje, die niet bekend was met de redenen, waaruit de mindere voorkomendheid der beide Heeren jegens Drenkelaer voortsproot, en die blijde was onder zoo vele vreemde gezichten er een van kennis aan te treffen, vond onze substituut een heusch onthaal en een willig gehoor. Zij was dan ook niet overbodig, hem het laatste nieuws uit Hardestein mede te deelen: hoe Mw. Van Doertoghe ziek geweest was, maar nu weer zoo goed als hersteld: hoe Freule Bettemie haar tante een tijdlang gezelschap had gehouden, maar dien morgen met hen te Amsterdam was gekomen: hoe Juffrouw Kato in de laatste dagen veranderd was als een blad op een boom, en zoo wrevelig en verdrietig, dat het niet te denken was, zonder dat iemand er de reden van begreep: lt;Drenkelaer meende die zeer goed te kunnen begrijpen, en te mogen toeschrijven aan den inhoud van een brief dien hij haar in antwoord op den haren geschreven had, en waarin hij haar
142
op alles behalve vriendelijken toon verweten had, dat zij hem met schoone uitzichten vleide op der^elfden dag, dat Bettemie hem den zak gaf): hoe Hendt, de bode, zijn post was kwijtgeraakt, omdat hij zijn boodschappen verslofte en door zijn zoon liet doen, die ze niet deed: hoe Grada van Mijnheer Snel hem haar dienst had opgezeid, en de ontvanger nu heel wat werk had om een andere dienstmaagd te vinden; hoe âBijouquot; overleden was aan een indigestie, maar eerlang zijn plaatsvervanger verwacht werd: hoe Esther Prawley de belroos had gehad en Jeannette Fix den theeketel over haar voet had gekregen: hoe de meisjes van Mw. Zuring aan de mazelen lagen: en hoe Jacomina Verdrongen op de spraak was geweest met den koetsier van de Baronesse Van Sporkelberghe, hoe de zoon van den notaris met de vacantie thuis was en hoe zij Julie Le Mat 's avonds met hem had zien staan praten in de laan achter haars vaders huis â en allerlei andere zaken.
Intusschen waren tusschen den gastheer, Flinck, Donia, Eylar en Bol vrij levendige gesprekken gevoerd, zoo over 't nieuws van den dag als over vroegere tijden. Albert, die met de meeste dier Heeren niet of ternauwernood bekend was, en het min bescheiden achtte, zich in hun gesprekken te mengen, onderhield zich met zijn moeder en het echtpaar Puri: de aannemer en de kamenier spraken zacht en vertrouwelijk met elkander in hun hoek: â Bleek alleen stond, zonder met iemand een woord te wisselen, bij den schoorsteen, op kolen, heeter dan die daar op den haard lagen te branden.
Eindelijk, toen de bedienden voor de derde maal met het theeblaadje rondwandelden en het reeds naar negenen liep, kwam
Dr. Van Zevenaer.
âIk heb ze in de zijkamer gelaten,quot; fluisterde hij Hoogen-berg in 't oor, toen hij bij 't binnenkomen hem de hand gaf.
âDat is goed,quot; zeide de advocaat: âdan is er ook geen reden, waarom wij niet zouden beginnen.quot;
En nu, na de bedienden weggezonden te hebben, met last niet terug te komen, eer hij schelde, verzocht hij het gezelschap plaats te nemen, wat natuurlijk niet gebeurde dan na
143
eenige handdrukken en groeten, tusschen Van Zevenaer en zijn bekenden gewisseld; â waarna Hoogenberg zelf zich achter de tafel begaf, en zich in zijn fauteuil nederzette.
VIERDE HOOFDSTUK.
WAARIN HOOGENBERG ALS ADVOCAAT SPREEKT.
Conticuere omnes intentique ora tenebant')
zooals Virgilius zegt, en Hoogenberg nam, zonder echter, als vader Eneas, van zijn zetel op te rijzen, in dezer voege het woord:
âIk heb het voorrecht, hier eenige vrienden en bekenden te zamen te zien, die, ofschoon in geheel verschillende maatschappelijke betrekkingen geplaatst, echter allen daarin overeenkomen, dat zij, de een vroeger, de ander later, belang hebben gesteld in Klaasje Zevenster. Ik behoef aan niemand te vertellen, welke geruchten er ten haren nadeele geloopen hebben, en gewis is voor ons allen de vraag van gewicht, in hoeverre die geruchten waarheid of logen bevatten en zij onze achting al dan niet heeft verbeurd. Maar wij verlangen meer: â wij verlangen, dat niet alleen de zedelijke overtuiging van haar onschuld bij ons gevestigd worde; maar ook, dat elke zweem van vermoeden, die nog bij ergdenkende lieden ten haren opzichte zou kunnen blijven bestaan, geheel worde weggenomen.
âTaisez-vous done. Monsieur Puri!quot; fluisterde Madame Puri haar man toe, die wel nog niets gezegd had, maar wien zij, ten gevolge van een goedkeurend gebarenspel, 't welk hij zich veroorloofde, begon te vreezen, dat hij misschien voornemens was, iets te zeggen.
âIk ben,quot; vervolgde Hoogenberg, ânaar Den Haag geweest
') âAllen zwegen en spanden zich in om te luisteren.quot;
144
en heb eenige dagen besteed aan het onderzoek der feiten, die licht konden verspreiden over deze zoo teedere en netelige zaak. Daarbij zijn mij de omstandigheden, en hetgeen men toeval noemt, behulpzaam geweest, en ik heb het geluk gehad, elk punt, waarvan ik mij het onderzoek had voorgesteld, voor mij zeiven tot volkomen klaarheid te brengen. Mag ik er in slagen, diezelfde uitkomst ook bij u te bereiken, dan zal het doel bereikt zijn, waar ik deze samenkomst toe wilde doen strekken.quot;
Hier was Mad. Puri er niet vlug genoeg bij om haar man te beletten, aan zijn tevredenheid eenige lucht te verschaffen door, hoezeer dan met een gesmoorde stem, de uitboezeming te doen hooren: âvraiment, il parle bien. Monsieur 1' avocat.quot;
âMais Monsieur Puri songez done oü vous êtes,quot; mompelde van hare zijde zijn verontwaardigde wederhelft.
âWij moeten beginnen,quot; hernam Hoogenberg, âmet het gedrag van het meisje na te gaan van het tijdstip af, dat zij naar het instituut van Mw. de wed. Zilverman werd gezonden. Ik heb hierquot; â en meteen nam hij een der papierbundels op, die voor hem lagen, ontdeed het van het roode band, dat het omsloot, en nam er een pakketje met een zijden koord omwonden uit â âde talrijke brieven, door gezegde weduwe aan de pleegvaders van het meisje, gedurende een ruim tijdsverloop geschreven, en alle getuigenis gevende van het braaf, zedig en godvruchtig gedrag door Klaasje Zevenster gehouden, zoolang zij zich in gezegde inrichting bevond. Die brieven hebben indertijd bij de belanghebbenden gecirculeerd, en deze laatsten zullen, naar ik vertrouw, wel willen getuigen, dat ik daaromtrent niets overdrijf: verlangt iemand ze echter in te zien, dan staat het hem vrij.quot;
Het algemeen stilzwijgen der aanwezigen bewees, dat niemand, hetgeen door Hoogenberg gezegd was, in twijfel trok, en hij zette zijn rede voort:
âIk kan, na dit vooropgezet te hebben, al dadelijk overgaan tot op de maand Juni van het vorige jaar, toen Klaasje de
14:5
school verliet en eenige weken doorbracht ten huize van mijn waardigen vriend, den predikant Bol, hier tegenwoordig. Zij is al dien tijd bestendig onder zijn opzicht geweest en onder dat van Mejuffrouw zijn zuster; en ook mijn almede hier tegenwoordige vriend, de Graaf Van Eylar, heeft gelegenheid gehad, haar te dier gelegenheid herhaaldelijk gade te slaan. Ik roep thans hun getuigenis in betreffende den indruk, dien zij, gedurende haar verblijf op Hardestein, op hen gemaakt heeft.quot;
Bol, aldus geïnterpelleerd, rees op, en gaf in weinige maar afdoende woorden te kennen, dat Klaasje Zevenster zich al dien tijd niet alleen zedig en onbesproken gedragen had, maar ook door haar onschuldig en lief karakter de achting en genegenheid gewonnen had van al wie omgang met haar gehad had.
âOch ja,quot; voegde Juffrouw Leentje er bij, toen zij begreep, dat hare beurt van spreken gekomen was: âzij was vroolijk, zooals alle jonge meisjes zijn; maar om te zeggen, dat ik ooit iets onbetamelijks van haar gezien heb, neen, dat niet.quot;
Deze verklaring, door Juffrouw Leentje afgelegd, leverde genoegzaam het bewijs, hoe de vroegere sermoenen, waar zij Nicolette op getrakteerd had, meer aan een opwelling van dril- en bedilzucht waren toe te schrijven, dan omdat zij, in den grond of bij later nadenken, de handelingen van het meisje zoo afkeurenswaardig vond.
âEn ik,quot; zei Eylar, âkan getuigen, dat zij in een hoogst teedere zaak het bewijs geleverd heeft van een kieschheid en zelfbeheersching, als welke weinig jonge meisjes in staat zouden geweest zijn, in haar geval aan den dag te leggen.quot;
Hier rees Drenkelaer op, die zijn redenen had mede ten gunste van Nicolette het woord te voeren. âIndien,quot; zeide hij, âna de afgelegde getuigenissen de mijne iets kan afdoen, dan zij het mij vergund te verklaren, zelden een meisje ontmoet te hebben, dat aan zoo vele gaven des geestes zoo veel echte beminnelijkheid paarde, en, in al haar doen en laten, zooveel eenvoud en reine onschuld aan den dag legde
v. - k. z. 10
146
als Mejuffrouw Zevenster: en ik twijfel er ook sterk aan, of, zonder dat, iemand van zulk een uitstekend verstand en zoo kiesch van aard als de Freule Van Doertoghe, zich tot haar getrokken gevoeld en haar vriendschap gezocht had.quot;
Deze fraaie tirade, waarin de spreker op zeer politieke wijze, door aan beide jonge meisjes hoogen lof toe te zwaaien, zich den overgang poogde gemakkelijk te maken, indien hij te eeniger tijd er belang in mocht hebben, zijn hulde van de eene op de andere over te brengen, en die hij met warmte debiteerde, verwierf hem een goedkeurend knikje van Mw. Wayland Flinck, en zelfs Albert had half berouw over den weerzin, dien hij, bij instinct, tegen zijn medeminnaar gevoelde; wat Flinck betrof, hij kon zich niet met een zwijgend blijk van tevredenheid vergenoegen, maar stampte met zijn kiuk
op den vloer en riep :
âBraaf gezeid! en gehandeld als een ridder uit de oude tijden, die niet schroomt, een lans te breken voor de belasterde onschuld.quot;
âWie is die ridder?quot; vroeg Van Zevenaer, die Drenkelaer niet kende en te laat was gekomen om hem te hooren aanmelden, aan E5rlar, die naast hem zat.
âDie?quot; fluisterde de ander hem in 't oor; âwel! dat is de beruchte vrijer van Freule Bettemie, de man, waar wij laatst over spraken.quot;
âHa zoo!quot; zei Van Zevenaer, en onderwierp onzen sub-stituut-griffler eens aan een aandachtige beschouwing.
âIk ga nu,quot; hervatte Hoogenberg, âtot den dag over, toen de Heer Van Eylar haar in persoon naar Utrecht geleidde, en op de diligence bracht, die haar naar Den Haag zou voeren. Wij hebben het voorrecht, een harer toenmalige reis-genooten in ons midden te zien: en ik maak nu van dat voorrecht gebruik om aan Mijnheer Klabbe te vragen, of er zich op den wagen nog niet een vrouw bevond, behalve het meisje.quot;
Bleek, wien tot nog toe de tegenwoordigheid van den aannemer ongerustheid had gebaard, herademde bij de vraag van
147
Hoogenberg, waaruit hij opmaakte, dat die tegenwoordigheid alleen gevergd was om den man te doen getuigen in de zaak van Nicolette.
Intusschen had Klabbe zijn beenen van plaats doen verwisselen, als de gewoonte is van vele lieden, wanneer zij iets belangrijks te zeggen hebben. Hij had namelijk het linker, dat over het rechter geslagen was, op den grond laten rusten, en het rechter, op diens beurt, eens over het linker geslagen, waarna hij op de hem gedane vraag het navolgende antwoord gaf:
âEr zaten er wel twee op den wagen behalve zij; een ouwe en een jonge. Het ouwe wijf, dat ik vroeger wel gekend heb, toen ze nog onder Leijen woonde, houdt nou, zooals ik naderhand gehoord heb, een huis van plezier in Den Haag, met permissie van 't gezelschap.quot;
âNiete met mijn permissie,quot; merkte Monsieur Puri, deze reis niet geheel ten onpas, bij zich zeiven aan.
âMonsieur Puri, vous n'êtes pas au café,quot; duwde hem zijn vrouw toe.
âSchenen die vrouw en Mejuffrouw Zevenster elkaar te kennen ?quot; vroeg Hoogenberg, zich nogmaals tot Klabbe richtende.
âWel neen,quot; antwoordde deze: âmaar de ouwe dee al haar best om in kennis te geraken. Ja! had ik toen geweten, wie ze was en wat voor affaire ze dee, met permissie van 't gezelschap, ik had dat jonge ding wel gewaarschuwd, zich niet met dat vrouwmensch af te geven, en die Madam in 'r eigen vet te laten gaar koken.quot;
âHeere! wat je daar zeit! Wat ken 'n mensch onwetend al raar gezelschap 'antreffen op zoo'n delizans,quot; was de menschkundige opmerking, die Mejuffrouw Karoline zich halfluid tegen haar buurman veroorloofde.
âJa, en in 'n waggon niet minder,quot; was de niet min oordeelkundige noot, die Klabbes ondervinding hem noopte aan het zoo juist gesprokene toe te voegen.
âIk dank u, Mijnheer Klabbe,quot; zei Hoogenberg. âHet gezelschap hoort alzoo, hoe het op de diligence was, dat die vrouw
148
die in Den Haag onder den naam van Mont-Athos bekend is, en het jonge meisje, met elkander in kennis kwamen. Van de diligence werd Klaasje onmiddellyk naar de woning van den Heer Van Zirik gebracht. Mejuffrouw Verdrongen zal, geloof ik, de waarheid van mijn woorden kunnen bevestigen?quot;
'âOch ja, Mijnheer,quot; zei Karoline, bij den vragenden blik van Hoogenberg oprijzende en een halve buiging met het bovenlijf makende: âik weet het nog heel wel. Filip, onze knecht, weet Mijnheer, was 'r gaan halen en ze is s eb iet met hem en den kruier, die 'r goed droeg, meegekomen. Wou
meneer nog meer weten?quot;
âAls ik zoo vrij mag zijn, nog eene vraag te doen,quot; hernam Hoogenberg, âdan zou ik van Juffrouw Verdrongen wel willen vernemen, of zij zich herinneren kan, dat er menschen geweest zijn, om Juffrouw Zevenster te spreken, of zij ook brieven of boodschappen ontving, en of zij ooit uit wandelen ging, behalve
met de kinderen?quot;
âOch neen,quot; antwoordde Karoline; âwat zou ze voor 'anloop gehad hebben? ze kende in Den Haag kind noch kraai.
Filip zei nogal: â't is raar,quot; zei ie, âer is nooit iemand voorde bonne, en ze heeft nooit taal of teeken van iemand gehad als met de post.quot; En uit wandelen gaan, och lieve hemeltje! 't schepsel was nooit een oogenblik van de kinderen, en werd erger behandeld as 'n booi; want wij hebben nog om de veertien dagen 'n uitgaansdag: en met haar was 't altijd thuis zitten as 'n zwarte slavin. En dan moest zij voor bonne speulen, en voor muziekjuffrouw, en voor gouvernante, en voor naaister er nog bij: zoodat ik wel reis tegen m n kameraden zei: â't zou mij niet verwonderen, zei ik, âals onze Mevrouw de Juffrouw nog 'reis a'n de wasch zet. neen daar zorgde onze Mevrouw voor, dat het mensch nooit over leegen tijd hoefde te klagen. Maar onze Mevrouw had ook een pekantrie tegen haar opgevat, al van den eersten dag af, dat
zij in huis gekomen is.quot;
âIk dank u. Juffrouw Verdrongen,quot; zei Hoogenberg, en, zich toen weder tot het gansche gezelschap keerende: âik
149
kan er bijvoegen, dat de Heer Van Zirik, op mijn verzoek, al de overige dienstboden, die toen bij hem aan huis waren, omtrent dezelfde punten heeft ondervraagd, en dat ik hier een schriftelijke verklaring heb, door hen gezamenlijk onderteekend, en in allen deele overeenstemmende met hetgeen gij uit den mond van Juffrouw Verdrongen hebt gehoord.quot; En meteen reikte hij, over de tafel heen, aan Bol een papier over, om het bij de aanwezigen te doen rondgaan.
âDit,quot; ging hij voort, âstaat alzoo vast, dat Klaasje Zevenster, zoolang zij aan huis bij den Heer Van Zirik was, zich niet slechts onberispelijk gedragen heeft, maar ook met niemand daar buiten in eenige betrekking heeft gestaan, althans niet met die vrouw. Voorts bevestigt deze brief, dien zij aan Dominee Bol geschreven had, doch die, ten gevolge van haar overhaast vertrek, onvoltooid in een lade was achtergebleven en daarin onlangs teruggevonden, en die mij door den Heer Van Zirik is ter hand gesteld, de zaak nog nader. Wel klaagt zij daarin niet over het lot, dat zij te verduren heeft; doch daarin straalt een geest door van moedeloosheid, die wel te kennen geeft, dat de taak, die men haar opdroeg, haar te zwaar werd en reeds een nadeeligen invloed begon te krijgen op haar gezondheid.quot;
Hier las Hoogenberg, tot staving van zijn beweren, uit den brief eenige zinsneden voor, treffend genoeg om de aanwezige vrouwen te doen schreien, doch die wij, als niets bevattende, dat voor den lezer nieuw kan geacht worden, hier niet zullen overnemen: waarna hij het stuk aan Bol overhandigde om het de ronde te laten doen.
âHet is waar,quot; vervolgde de spreker, dat Klaasje op den morgen, toen zij bij den Heer Van Donia, in het Keizershof, een bezoek heeft afgelegd, niet onmiddellijk naar huis is teruggekeerd, maar de reeds genoemde Mad. Mont-Athos heeft aangesproken en een poos in de woning van deze heeft verwijld. Deze omstandigheid is door haar opgehelderd in dezen anderen brief, door haar, uit Amsterdam, mede aan Dominee Bol geschreven en mede een tijd lang in 't ongereede geraakt, en
150
het daarin verhaalde, namelijk, dat zij eenige benoodigdheden wilde gaan koopen, is bevestigd door bygaande verklaring van Anna Sijfer, werkmeid bij den Heer Van Zirik, aan wie zij 't adres van een paar winkels gevraagd had, terwijl de kleine Charles Van Zirik aan zijn vader verteld heeft, hoe âde Juffrouw, op de markt, door zekeren ouden wellusteling, den Baron Van Tilbury, die haar, als uit andere berichten blijkt, reeds meermalen, als zij met de kinderen wandelde, op een vrij gemeene wijze was lastig gevallen, wederom was toegesproken, waaruit een twist tusschen dien Heer en den gouverneur van gezegden knaap ontstaan was, welken twist de Juffrouw ontloopen was. Het raadselachtige der zaak wordt alzoo natuurlijk opgelost. Het meisje wist niet, waarheen zich te wenden, en iemand van hare sekse ziende, die zij van aanzien kende, was het zeer verklaarbaar, dat zij tot deze haar toevlucht nam. '
âAls ik ooit dien Tilbury weer ontmoet,quot; zei Flinck, âdan sla ik hem de ribben stuk:quot; en meteen klemde hij zijn kruk in de vuist en schudde die op een wijs, die wel geschikt was om te toonen, dat het hem noch aan den wil, noch aan de kracht ontbrak, om bij tijd en wijle zijn bedreiging goed te maken.
âEn nu,quot; ging Hoogenberg voort, âwat de vraag betreft, hoe het meisje er toe gekomen is, haar intrek bij die vrouw te nemen. Hierop is door haar geantwoord, niet slechts in dezen uit Amsterdam geschreven brief, maar ook, en wat van meer gewicht is, in een anderen, dien zij schreef, toen zij zich in dat huis bevond en dien zij uit het venster over een aldaar aanwezigen muur wierp, in de hoop, dat die op de openbare straat te land komen en aan zyn adres bezorgd zou worden. Zij had deze bijzonderheid aan Dr. Van Zevenaer en deze weer aan mij verteld, en ten gevolge van de nasporingen, door mü in 't werk gesteld, is die brief terecht gekomen. Hy was achter een hok gevallen, dat zich op een binnenpleintje tegen gezegden tusschenmuur bevond. Uit dien brief â ik heb hem hier â waarin zij op de aandoenlijkste wijze om redding smeekt, blijkt voldoende, dat toen zij in dat huis haar
151
intrek nam, het haar ten eenenrnale onbekend was, welk beroep de bewoonster dreef, en zij een slachtoffer van haar argeloosheid was.
Maar wat was nu de aanleiding, dat zij zich naar dat huis begaf? Ook deze wordt in de eerste plaats opgehelderd door het verhaal, hoe zij, op stel en sprong uit haar dienst gezet, en in de eerste confusie niet wetende, waarheen zich te wenden, op de gedachte kwam, zich voorloopig te begeven naar dezelfde vrouw, die niet slechts de eenige kennis was, welke zij in Den Haag had, maar, ik voeg er bij, ook de eenige, die zich jegens haar welwillend en hulpvaardig betoond had, en haar nog den vorigen dag, op voorkomende wijze van dienst was geweest. Maar â en dit moet uw opmerkzaamheid niet ontgaan â de inspecteur, die haar toen tot geleider strekte, wendde niet de minste poging aan om haar van haar voornemen af te brengen. De minister van Justitie heeft in mijn tegenwoordigheid den man ondervraagd, die wel beweerde, in de overtuiging verkeerd te hebben, dat Klaasje Zevenster zeer goed bekend was met den aard van het lokaal, waar zij verzocht, dat hij haar brengen zou, doch het antwoord moest schuldig blijven op de hem voorgestelde vraag, hoe het dan kwam, dat hij later van haar verblijf in dat huis geen kennis had gegeven aan zijn chef, en niet gezorgd had, dat Klaasje Zevenster in het register werd ingeschreven, wat onmisbaar had moeten plaats hebben, indien zij vrijwillig het beroep gekozen had, dat in meergemeld huis werd uitgeoefend. â Maar bovendien lijdt het aan geen twijfel, of het plan, om Klaasje naar dat huis te voeren, en tot welks volvoering zij in haar onnoozelheid medewerkte, was bekonkeld door dien inspecteur met Mw. Van Zirik. Ik vind vooral grond tot die meening in deze quitantie, welke de Heer Van Zirik onder de papieren, die zijn vrouw had achtergelaten, gevonden heeft en waarbij gemelde inspecteur. Pedaal bij name, erkent een som van zeshonderd gulden van haar te hebben ontvangen, ter tegemoetkoming in de onkosten van het drukken van een dichtbundel, door hem, Pedaal, uit te geven. Nu zal wel geen
152
verstandig mensch aannemen, dat een vrouw als Mw. Van Zirik, van welke haar man zelf mij verklaarde, dat zij niets met Hollandsche verzen ophad, en die bovendien op dat tijdstip nog deerlijk in 't krijt zat bij naaisters en leveranciers, dat zulk een vrouw, zeg ik, op zulk een tijdstip en tot zulk een doel, zulk een aanzienlijke som zou betalen aan iemand, die haar tot op dien dag volkomen onbekend was, zoo het niet was omdat zij van dien man een belangrijken dienst verwachtte? â En wat later de Heer Van Donia, zoowel als, naar ik meen, de Heer Drenkelaer, uit den mond dier vrouw gehoord hebben, zal, vertrouw ik, dienen tot versterking van de meening door mij geuit.quot;
âIk kan alleen dit verklaren,quot; zei Donia, âdat Mw. Van Zirik, toen wij met haar spraken, nog niet genezen was van den wrok, dien zij tegen het arme meisje voedde, en waartoe zij blijkbaar door jaloezie gedreven was geweest.quot;
âWat mij betreft,quot; zei Drenkelaer, âik ben langer dan de Heer Van Donia in de gelegenheid geweest, mij met Mw. Van Zirik te onderhouden; en al wat ik van haar gehoord heb, heeft slechts gestrekt om mij te versterken in dezelfde overtuiging, als die door Mijnheer is geopenbaard.quot;
âEn,quot; hervatte Hoogenberg, âJuffrouw Verdrongen kan misschien ook omtrent de zaak een niet onbelangrijke bijdrage leveren.quot;
âJa,quot; zei Karoline: âik heb haar tegen dien Franschen gouwverneur hooren zeggen â weten de Heeren, ze zei het op z'n Fransch, maar ik verstond het toch genoeg â maar ze zei dan, dat zij nu dat meisje bezorgd had op een plaats, alwaar het niet zoo licht vandaan zou komen.quot;
Een gemurmel van verontwaardiging deed zich van de zijde der drie dames hooren, en Mw. Wayland kon haar tranen niet bedwingen.
âIk moet verder nog doen opmerken,quot; hernam Hoogenberg, âdat men Klaasje, toen zij uit dat bordeel ontsnapt was, niet heeft pogen te achterhalen ; 't geen wel bewijst, dat men haar niet beschouwde als iemand, waar de vrouw des huizes eenig
153
recht of de Politie eenigen vat op had. 't Spreekt vanzelf, om dit in 't voorbijgaan te zeggen, dat die inspecteur geschorst is en eerlang uit den dienst zal ontslagen worden. De Minister had hem zelfs ten crimineele willen doen vervolgen; doch ik heb hem doen terugkomen van dat voornemen; dewijl een zoodanig proces niet zou kunnen gevoerd worden zonder onze arme pleegdochter aan nieuwe onaangenaamheden en meerdere opspraak bloot te stellen.
âUit de vereeniging van al de opgemelde bijzonderheden, zal, naar ik mij vleie, ieder onbevooroordeelde het gevolg moeten trekken, dat Klaasje Zevenster het slachtoffer is geweest van haar eigen goed vertrouwen, en van den haat en de hebzucht van anderen.
âMaar nu, haar verblijf in dat huis zelf. Uit de verklaringen der dienstbode aldaar, zoowel als uit die der schoonmaakster, welke beiden in myn tegenwoordigheid door den commissaris van politie zijn verhoord, en welke verklaringen hier, uit haar mond opgeschreven, voor mij liggen, blijkt, dat zij, op den dag harer aankomst, op haar kamer alleen is geweest, en zich reeds spoedig ongesteld heeft gevoeld : dat zij van toen af tot op 27 September haar bed niet verlaten heeft, wat trouwens bevestigd wordt door de getuigenis van Dr. Grille, die haar in haar ziekte behandeld heeft. Eerst op 28 September is er iemand, en wel de reeds genoemde Baron Tilbury, langs een geheime deur bij haar toegelaten, nadat zij gepoogd had, den toegang tot de gewone deur te versperren: welke Tilbury door een ander bezoeker van 't huis, die op haar geschreeuw afkwam, is van de trappen gesmeten. Het is in dienzelfden nacht, dat het haar gelukt is, te ontsnappen.quot;
âEn ik hoop,quot; zei Flinck, âdat die geparfumeerde Suzanna-boef bij die gelegenheid zijn nek heeft gebroken.quot;
âDaar heb ik niet van gehoord,quot; zei Hoogenberg: âik geloof, dat hij nog langs 's heeren straten wandelt.quot;
âDat 's jammer,quot; zei Flinck.
âEele jammer,quot; herhaalde Monsieur Puri, en deze reis bestrafte hem Madame over dien uitroep niet. Integendeel was
156
genomen door gezegde Vrouw Swalm, toen waschvrouw bij het garnizoen. Om redenen, die ik voor 't oogenblik ter zijde wil laten, zonderde zij dat kind van de moeder af, aan deze tot voorwendsel gevende, dat het te ziek en te zwak was, en, toen de moeder hersteld was, gaf die vrouw haar te kennen, dat het overleden en ter aarde besteld was.quot;
âHelaas ja!quot; zuchtte de weduwe.
âEn was het dan niet dood?quot; vroeg Albert, die niet begreep, waar anders het verhaal op uit kon loopen.
âIk zal,quot; zei Hoogenberg, zonder op die vraag acht te geven, âden Heer Klabbe verzoeken, aan het gezelschap te vertellen, welke boodschap hem op 5 December van het gemelde jaar, zijnde St.-Nicolaasavond, werd opgedragen.quot;
âIk was toen een aankomende jongen,quot; zei Klabbe, terwijl hij zich de haren recht streek: âen ik woonde in de buurt van dat wijf, met permissie van 't gezelschap, van die viouw Swalm, meen ik, en ik verdiende nu en dan een stuiver, of een dubbeltje, met boodschappen voor haar te doen. Daar komt ze mij op Sunterklaas-avond roepen, en zeit: âJoosje,quot; zeit ze zoo, âwil je 'reis een dubbeltje verdienen ?quot; âWat graag,quot; zeg ik. â âNou!quot; zeit ze weer, âje kent den ouwen Heer Flinck?quot; â âJawel,quot; zeg ik, âdie komt alle dagen in De Pauw.quot; â Want je moet weten, ik hielp van tijd tot tijd, als biljartjongen in De Pauw, en zoo kende ik hem. en het heeft mij veel plezier gedaan,quot; voegde hij er bij, terwijl hij het oog naar den grijsaard wendde, âna zoo veul jaren Meneer zoo fiks en welvarend te hebben weerom gezien.quot;
âMaar verder, verder!quot; riepen verscheidene stemmen, maar met dat heesch geluid, 't welk een angstig gespannen verwachting aanduidt.
âNou ja,quot; vervolgde Klabbe, âom op m'n apperpoo terug te komen, die vrouw Swalm vroeg dan verder, of ik ook wist waar Meneer Flinck woonde.quot; â âNeen,quot; zei ik, âdat weet ik niet: hij komt wel bij ons,quot; zei ik ik meende natuurlijk in De Pauw â âmaar bij hem kom ik niet. âNou,quot; zei ze, â't is op de Breestraat, het tweede huis van
157
â¢de .... steeg, en hier heb ik een doos met Sunterklaas-goed, die motje bij hem bezorgen; je hebt 'm eenvoudig maar over te geven 'an degenige, die je opendoet, en je zeit niet van wie die komt.quot; â âBest,quot; zeg ik; âmaar voor Sunterklaas-goed is 't zwaar genoeg en 't is een gemeen weertje ook: daar mochtje nog wel een stuiver opleggen.quot; â Nou, we akkerdeeren dan voor een stooter, en zoo heb ik het op een drafje gezet en de doos bij Meneer Flinck aan huis gebracht.quot;
âGelijk gij meendet,quot; zei Hoogenberg, dien avond even deftig sprekende als sommige voorzitters van rechtbanken doen, zeker omdat zij begrijpen, dat zulks de getuigen meer op hun gemak zal zetten: âmaar Vrouw Swalm, toen zij u de woonplaats van den Heer Flinck opgaf, telde het hoekhuis mede, dat zijn ingang in de steeg heeft; terwijl gij dit niet deedt, en zoo, in plaats van aan te schellen aan 't huis, waar de Heer Flinck logeerde, vervoegdet gij u aan dat, waar de Heer Bol, toen student te Leiden, zijn kamers had . .. .quot;
âGroote God! is 't mogelijk?quot; stamelde Mw. Wayland, in de hevigste ontroering; en zich niet dan met moeite door haar zoon latende weerhouden van op te staan en door vragen of kreten Hoogenberg in zijn rede te storen.
âWij waren toen,quot; vervolgde de advocaat, ânamelijk de Heeren Van Eylar, Van Donia, Van Zirik, Galjart, Van Zeve-naer en ik, benevens de Heer Bleek, bij onzen vriend Bol te gast: wij waren wachtende op banketletters, en de meid was reeds uitgezonden om die te halen. Toen de jonge Klabbe aanbelde met zijn vracht, ging de Heer Galjart opendoen en werd hem de doos ter hand gesteld, die hij boven bracht. â Mag ik nu aan Mw. Wayland Flinck vragen of zij zich ook herinnert in dien tijd een doos gemist te hebben?quot;
âJawel,quot; antwoordde de toegesprokene, haar ontroering bedwingende: âeen doos, die ik van Londen had meegebracht, en waar ik mijn garen en wol in borg; â doch ik ben ten huize van die vrouw zooveel kwijt geraakt, dat ik er geen bijzondere notitie van had genomen.quot;
âJuist,quot; zei Hoogenberg: âmijn vriend Van Zevenaer, of ik.
158
dat ben ik vergeten, maakte toen reeds de opmerking, dat de doos zoo Engelsch rook. â Nu!quot; ging hij voort, plotseling met meer overhaasting sprekende, âtoen die doos geopend werd, vonden wij daarin een levend, en, gelijk onze dokter hier ons verzekerde, nog niet vele dagen te voren geboren kind: en dat kind is niemand anders dan ons pleegkind, dat bij u allen bekend staat onder den naam van Klaasje Zevenster.quot;
âNicolette!quot; gilde de weduwe.
âMadeline!quot; kreet de oude Flinck: âo! nu is mij alles duidelijk.quot;
âWa....at!quot; riep Klabbe, met een open mond, en geheel onthutst kijkende: âwas er een kind in die doos? â Dat Satansche wijf!quot;
âDat isse net un coup de théatre!quot; zei Monsieur Puri.â Zijn vrouw had op dit oogenblik geen tijd, om hem het zwijgen op te leggen: zij was opgestaan om aan de ontstelde weduwe, die over den schouder van haar zoon lag te weenen, een glas water in te schenken en er wat spiritus bij te voegen uit een fleschje, dat Hoogenberg, uit voorzorg, naast de karaf op een hoektafeltje had laten gereedzetten.
âWees niet bekommerd,quot; zei Van Zevenaer, die de hand der weduwe gevat had en haar den pols voelde: âmen sterft
niet van vreugde.quot;
Ook op de overige aanwezigen â alleen Van Zevenaer was in 't geheim geweest â maakte de ontvangen mededeeling geen geringen indruk. Bol, Eylar en Donia hadden reeds spoedig begrepen, waar Hoogenbergs verhaal op neer zou komen, en alleen de vrees om hem ontijdig te storen, had hen belet, hun blijde verrassing anders dan door onderling gewisselde blikken te kennen te geven. Juffrouw Leentje zoowel als Karoline sloegen de handen in elkander over zulk een vreemd geval en lieten 't aan uitroepen, als: âBewaar ons! Kijk eens! Wie had zoo iets gedacht?quot; enz., niet ontbreken. Wat Dren-kelaer en Bleek betrof, geen van beiden was door de mededeeling zoozeer van zyn stuk gebracht, dat hij niet terstond had kunnen berekenen, hoe, indien Klaasje Zevenster de dochter was van Mw. Wayland, zij de kleindochter moest wezen van
159
den ouden Flinck, en alzoo diens wettige erfgename voor de helft: en misschien, dacht Drenkelaer, geen mindere partij dan Bettemie. Bleek echter gevoelde eenige spüt, dat hij zich in de laatste jaren de belangen van onze heldin niet had willen aantrekken, wat hem, begreep hij, in de oogen van Flinck, als deze het te weten kwam, geen goed kon doen.
Ondertusschen werd Hoogenberg door zijn vrienden nog met allerlei vragen bestormd, zoo omtrent de wijze hoe hij achter de zaak gekomen was, als omtrent verschillende bijzonderheden, die voor hen nog eenig licht behoefden; doch hij weigerde op een enkele dier vragen te antwoorden, voor en aleer de opschudding, door zijn mededeeling verwekt, tot bedaren was gekomen. âIk hoop alsdan,quot; zeide hij, âvan elk punt rekenschap te geven; immers, wat ik te zeggen had, is nog niet uit.quot;
Die verklaring had de gewenschte uitwerking van de nieuwsgierigheid te prikkelen en de vergadering tot stilte te manen. Ieder ging weer zitten en Hoogenberg hervatte den afgebroken draad van zijn rede:
âVoor zooverre,quot; zeide hij, âer, wel niet bij ons, maar bij derden, of desnoods in rechten, eenige twijfel omtrent de identiteit van het kind kan bestaan, zal het vermelden der navolgende bijzonderheden wel genoegzaam zijn om dien geheel weg te nemen. Vooreerst, Mw. Wayland heeft haar kind gemist, zonder dat men haar immer eenig bewijs van overlijden daarvan heeft getoond; ten tweede, het kind is niet overleden; immers, het is mij gebleken, dat Madeline Wayland Flinck op de registers wel als geboren geboekt staat, maar niet als gestorven; ten derde, uit de woning van Vrouw Salm is een kind weggevoerd en bij den Heer Bol gebracht, waarvan de leeftijd volkomen overeenstemde met dien van het vermiste; eindelijk, ten vierde, diezelfde Vrouw Salm, die geen andere is dan de persoon, die zich thans Mont-Athos noemt, heeft in een verhoor, dat zij in mijne tegenwoordigheid voor den commissaris van Politie heeft ondergaan, nadat haar voorzegde feiten waren voorgehouden, en zij begreep dat geen loochenen
160
meer baten zou, volledig bekend, het dochtertje, waarvan Mw. Wayland bevallen was, te hebben willen wegruimen, zoo uithoofde haar kapitein, die, zeide zij, toen naar het jonge weeuwtje vree, met geen kleine schreeuwleelijk wou opgescheept zijn, als omdat zij een grap â gelijk zij 't noemde â hebben wou ten koste van â ik haal hare woorden aan â dien ouden Nero, die haar, toen zij hem vanwege zijn schoondochter spreken kwam, zoo had afgegrauwd.quot;
âLaat ze mij heeten zoo zij wil,quot; zei Flinck, terwijl de overigen niet konden nalaten te meesmuilen over de aangehaalde verklaring, âik ben maar blij, dat ik nu niet meer noodig heb om er een huismiddeltje op uit te denken, dat het meisje tot mijn erfgenaam maakt. â En wat praat je nog van bewijzen? 't Beste bewijs, dat zij mijn kleindochter is, heb ik in mijn zak.quot; En meteen, een portefeuille voor den dag halende, bracht hij daaruit het miniatuur-portret te voorschijn, 't welk Bleek in dien zekeren nacht gezien had en had meenen te kennen, en liet het aan de omstanders kijken.
âInderdaad!quot; zei Mad. Puri: âde kleeding en 't kapsel zijn ouderwetsch; maar 't is anders precies Nicolette.quot;
âHeere bewaar ons!quot; riep Karoline; âwaarachtig, 't is de Juffrouw, of je 'r ziet.quot;
Ook Juffrouw Leentje riep over de sprekende gelijkenis â en niet minder haar pleegvaders, en Albert en Drenkelaer.
â't Is krek het meissie, daar ik mee gereisd heb,quot; zei Klabbe.
âEn hoe denk jij er over, vriend Bleek?quot; vroeg Flinck, hem plotseling het portret voor den neus houdende.
âWat zal ik u zeggen?quot; stotterde deze: âik heb niet veel verstand van schilderijen.quot;
âEn Mijnheer heeft zijn pleegkind in lang niet gezien,quot; zei Eylar, die, hoe beleefd hij ook wezen mocht, toch niet kon nalaten, den Heer Bleek, nu hij hem terugzag, zijn gevoeligheid over diens gedrag â toch altijd op bedekte wijze â te doen verstaan.
âOf misschien hadt je 't al gezien?quot; vroeg Flinck, en
161
meteen borg hij het weer weg, draaide zich om en liet Bleek geheel beteuterd staan.
Ondertusschen had zich een groep van belangstellenden om Mw. Wayland gevormd om haar geluk te wenschen met het wedervinden van een zoo lang betreurde en zoo lieve dochter.
âAch!quot; zeide zij: ânu eerst kan ik mij rekenschap geven van het gevoel, dat bij mij voor haar sprak, reeds toen ik haar als kind leerde kennen, en dat mij naderhand aanspoorde, haar tot mij te nemen, al zei mijn verstand mij, dat ik een onvoorzichtigheid beging. O mijn lieve Albert, je zult toch niet ontevreden op mij zijn, dat je voortaan niet mijn eenige en mijn alles wezen kunt?quot;
âWel, Moederlief!quot; antwoordde Albert: âdan was ik het daglicht niet waard. Ik ben inderdaad recht in mijn schik, zulk een lieve zuster te krijgen.quot;
âEn ik, die je nogal met haar wou laten trouwen,quot; mompelde Flinck: âmaar 't is een streep door je rekening, vriendlief! en, 't zij ik een testament maak of niet, je zult met haar moeten deelen.quot;
âIk zal er mij in troosten,quot; zei Albert, lachende: âik geloof,quot; voegde hij er op ernstiger toon bij, âdat Mijnheer Flinck het bewijs heeft, dat geldzucht mijn gebrek niet is.quot;
âDat ikke wel keloof, datte ij sik sal troost,quot; beet Monsieur Puri Drenkelaer in 't oor: âof ij nu een millioen drie, fier, meer of min krijk, sal er wel niet feul op 'ankom.quot;
âEr zijn lieden, die geboft zijn,quot; mompelde Drenkelaer, een jaloerschen blik naar Albert wendende.
âMaar,quot; vroeg Eylar aan Hoogenberg: âzijn er nu niet nog maatregelen te nemen, om den burgerlijken staat van het meisje te wettigen ?quot;
âGeen de minste,quot; antwoordde de advocaat: âer heeft met haar een bijzondere omstandigheid plaats, dat zij tweemalen bij den burgerlijken stand is ingeschreven: eens, als Madeline Wayland, en eens als Klaasje Zevenster. Dewijl nu niemand twee geslachtsnamen kan hebben, en de naaste betrekkingen, zoowel van vaders- als van moederszijde, de geldigheid der
v. - k. z. 11
162
eerste niet betwisten, zou er alleen des vereischt, een radiatie der tweede inschrijving kunnen te pas komen: doch al blijft die bestaan, het kan haar rechten noch benadeelen noch verminderen.quot;
âquot;Wie kon zulk een heuglijke uitkomst verwachten ?quot; riep Bol; âmaar krijgen wij haar nu niet te zien?quot;
âWel ja,quot; zei Donia; âmij dunkt, zij kon toch wel voor een enkelen avond haar patiënt verlaten.quot;
âEn je zult,quot; zei Flinck, ânu ik eenmaal haar grootvader ben, mij niet langer beletten, mijn kleindochter te omhelzen.quot;
Hoogenberg zeide niets, doch trok tweemalen aan de schel. Dit was een sein voor zijn bedienden: spoedig daarna hoorde men geschoffel en geruisch van japonnen in de gang en riep onze advocaat met luider stemme, bijwijze van aankondiging:
âDe Juffrouwen Elizabeth Maria Van Doertoghe en Madeline Flinck, en de Heer Frederik Galjart.quot;
ZESDE HOOFDSTUK.
WEDEROM THEATER-COUPEN, MAAR NIET VOOR IEDEREEN VAN EVEN GENOEGLIJKEN AARD.
Aller oogen in de zaal vestigden zich op de twee meisjes, die nu binnentraden, en zelden was een âgevierdequot; spreker, een eerste acteur, een beroemde cant a trice, bij zijn of haar optreden, wij zullen niet zeggen met meer gejuich, maar met meer sympathie, ontvangen. En werkelijk, zelfs de redenen daargelaten, die de aanwezigen hadden om de verschijning onzer heldin met verlangen tegemoet te zien, die verschijning was bekoorlijk. Had Nicolette â of Madeline, gelijk wij haar voortaan zullen noemen â er in de laatste dagen wat bleek en vervallen uitgezien, de zaligheid van het oogenblik, die haar oogen van buitengewonen gloed deed tintelen, had geheel
163
haar gelaat met een schitterenden blos overdekt. En naast haar vertoonde zich Bettemie, in den vollen bloei harer prachtvolle schoonheid, met oogen, waaruit een levenslust en onbezorgdheid sprak, als die, welke iemand gevoelt, na uit een benauwden droom ontwaakt of van een pijnlijke kwaal genezen te zijn: en achter die twee kwam Galjart, wel bleek en vermagerd, doch anders weer â dewijl zijn gelaat, juist ten gevolge van zijn ziekte en van den ingetogen leefregel, dien hij in de laatste weken had moeten volgen, bevrijd was geraakt van die roode vlekken en die gezwollenheid, die het ontsierden, â zoo niet de Antinoüs van twintig jaren geleden, dan toch zeker een der schoonste mannen van zijn leeftijd.
Dat nu Hoogenberg hen dus alle drie als door de kracht van een tooverstaf kon doen verschijnen, was zeer natuurlijk en, het gevolg van een afspraak, door hem met Van Zevenaer gemaakt. Beiden hadden begrepen, dat noch Madeline, noch Galjart gemist mochten worden op den avond, waarop haar rechtvaardiging tevens met de ontsluiering van het geheim harer geboorte zouden plaats hebben, en Van Zevenaer had er dan ook geen bezwaar in gezien, dat zij beiden, wel ingepakt en tegen koude en tocht beschut, in zijn rijtuig zouden overgebracht worden naar het huis van Hoogenberg. Maar waar onze geneesheer wel beducht voor was, dat was voor den schok, dien het gestel van het jonge meisje bekomen zou, indien zij, te midden van een talrijk gezelschap, eerst een herhaling van al de bijzonderheden moest aanhooren, die tot haar verblijf te 's-Gravenhage in betrekking stonden, en, daarna, plotseling met haar wezenlijken naam werd bekend gemaakt. Daarom was hij, wetende, dat Bettemie dien dag in de stad zou komen en hoeveel belang zij in zijn pleegdochter stelde, naar haar toe gegaan, had haar in korte woorden medegedeeld, vooreerst, hoe dien avond Madelines onschuld en tevens haar betrekking tot Mw. Wayland aan 't licht gebracht zou worden, en, ten andere, dat het volstrekt noodig was, dat het jonge meisje trapsgewijze werd voorbereid op haar lotsverwisseling: een taak, die, naar zijn oordeel, aan niemand beter kon worden
164
toevertrouwd dan aan Bettemie. Deze had terstond er in toegestemd, hem dien avond te vergezellen en haar vriendin met de noodige behoedzaamheid op de hoogte te brengen van wat zij noodig had te weten. Aan Galjart en Madeline had Van Zevenaer zich vergenoegd te vertellen, dat zij met hem naar Hoogenberg moesten gaan om er mededeelingen te hooren, die gewis aan beiden welgevallig zouden zijn. Men kan begrijpen, hoe Madeline â toen nog Nicolette of Klaasje Zevenster â opkeek, toen zij, in de koets van Van Zevenaer stappende, er Bettemie vond, en niet minder, toen zij, aan het huis van den advocaat gekomen, aldaar door den geneesheer werd uitge-noodigd, in de welgestookte zijkamer met haar vriendin en met Galjart te vertoeven, tot men hen ontbieden zou. En zoo, terwijl Hoogenberg op de groote zaal zijn toehoorders de inlichtingen gaf, die wij hebben vermeld, vervulde, in de zijkamer, Bettemie een gelijke rol bij Madeline en Galjart. Onze heldin was, toen zij achterkwam, volkomen bekend met haar naams-en lotsverandering.
âMoeder!quot; â âMijn kind!quot; klonk het van weerszijden, en Moeder en Dochter vielen elkander in de armen.
âEn omhels je hem niet?quot; vroeg Mw. Wayland, Madeline op Albert wijzende.
âEn mij dan?quot; vroeg Flinck, zich tusschen hen indringende: âzie je, ik wist wel, dat er 't een of ander gebeuren zou, dat je dwong om mijn kind te worden. En dan te denken, dat, als die man daar,quot; hier wees hij op Klabbe â âzich niet verteld had, ik je reeds voor twintig jaar bij mij had kunnen hebben. â Maar toch had hi] gelijk, dat hij zijn abuis beging, want ik had je toen misschien naar het vondelingshuis gezonden, en hij bracht je bij brave jongens, die goed voor je gezorgd hebben.quot;
âEn wien wij eeuwig daarvoor dank mogen weten. Vader!quot; zei Mw. Wayland, terwijl zij haar oogen, waaruit de warmste erkentenis straalde, op Madelines pleegvaders bij de rij af weiden liet, die nu, op hunne beurt, het meisje achtereenvolgens hun gelukwenschingen kwamen brengen.
165
âJe moet het mij ten goede houden,quot; zeide de gastheer, âzoo ik je indertijd een vrij onheuschen brief heb geschreven; maar ik vertrouw, van avond weer goed gemaakt te hebben, wat ik in overijling verkorven had.quot;
âEn je weet,quot; zei Bol, âhoe ik er toe heb kunnen komen, je te verdenken. Ware die brief van u maar op zijn tijd te recht gekomen, ik ware van stonden aan gerustgesteld'geweest.quot;
âNu!quot; zei Donia: âzoo er iemand is, die u om verschooning moet vragen, dan ben ik het; want had ik u op dien zekeren morgen niet bij mij aan 't Keizershof laten komen, dan ware al het overige niet gebeurd.quot;
âEn zonder het rolletje, dat ik van uwe welwillendheid ontving,quot; zei Madeline, âzou ik nooit uit mijn droeve gevangenis zijn verlost geweest.quot;
Bleek had nu ook moed genoeg gevat om zijn compliment te komen maken. Zoowel Galjart als Albert beten zich op de lippen, toen hij, onder 't stamelen van eenige onsamenhangende woorden Madeline de hand drukte; doch geen van beiden kon een glimlach verbergen, toen, op het oogenblik, dat hij het voorbeeld zijner gevaders wilde volgen en haar omhelzen, de oude Flinck hem als bij toeval zijn kruk op den voet liet vallen met zulk een kracht, dat de arme drommel van pijn terugsprong.
âPardon!quot; zeide de ondeugende grijsaard: âik zag daar juist een spin over 't kleed loopen.quot;
Bleek zette een scheef gezicht en trok zich in zijn hoek terug, nog altijd onzeker, of de daad van Flinck aan toeval of aan boos opzet was toe te schrijven.
âHet verheugt mij, u weer te zien. Frits,quot; zeide Bol tot Galjart, âen u geluk te kunnen wenschen met uw herstel. Daar heeft onze vriend Van Zevenaer eer van; zorg intusschen maar, dat je niet weer in zijn handen komt,quot; voegde hij er bij, terwijl hij glimlachte en den vinger vermanend ophief.
âIk heb zeker veel aan de trouwe zorg van onzen vriend te danken,quot; zei Galjart: âmaar vooral niet minder aan die van mijn lieve verpleegster; â en daarbij, zij heeft niet alleen
166
alles gedaan wat mijn lijden verzachten en mijn herstel bevorderen kon, maar zij heeft ook een ander mensch van mij gemaakt.quot;
âWaarlijk?quot; vroeg Bol, hem de hand drukkende en tevens hem ernstig in de oogen ziende: âdat geve de Hemel!quot;
Drenkelaer had inmiddels de gelegenheid waargenomen, dat iedereen om Galjart en Madeline heendrong om Bettemie te naderen.
âIk had mij niet durven vleien, Freule,quot; zeide hij, op weemoedigen toon, âu hedenavond hier te ontmoeten.quot;
Geen antwoord! Was dit verlegenheid? hij zou 't hebben kunnen denken, indien zij zich van hem had afgewend; maar neen: zij bleef staan waar zij was en zag hem zelfs vrijmoedig in 't gelaat; maar met een blik, zoo koud en onverschillig, dat Drenkelaer niet wist hoe hij 't had. Toch waagde hij nogmaals een poging om haar tot spreken te bewegen.
âOngetwijfeld,quot; zeide hij, âverheugt u de gelukkige wending, die in 't lot van uw vriendin is gekomen.quot;
Bettemie knikte even met het hoofd; doch haar lippen openden zich niet en haar gelaat bleef even strak.
âIk denk,quot; vervolgde hij, âdat Mevrouw Van Hardestein er nu geen bezwaar in zal vinden, dat Maurits haar zulk een schoondochter thuis brengt. Tusschen de arme Mcolette Zevenster en de rijke Madeline Flinck is nogal eenig verschil.quot;
Deze reis brak zij het stilzwijgen; doch, als tot zich zelve sprekende en terwijl haar oogen naar de groote kroon, die van 't plafond hing, dwaalden, even of zij de daarop prijkende waskaarsen wilde tellen: âiedereen,quot; zeide zij, âis juist zoo niet op het geld gesteld, dat hij er alles om voorbij zou zien en desnoods een krankzinnige trouwen.quot;
âMaar ik begrijp niet. .. .quot; stotterde Drenkelaer, meer en meer onthutst.
âIk meende,quot; zei toen Bettemie, nu wederom den blik op hem wendende, maar zeer uit de hoogte, âdat ik aan den Heer Drenkelaer een vrij duidelijken brief geschreven had: heeft hij dien niet ontvangen?quot;
167
âMaar die brief eischte een onmogelijkheid,quot; zei Drenkelaer: âen ik kan niet gelooven, dat de Freule, na de welwillende wijze, waarop zij in Artis mijn aanzoek ontving, nu op eenmaal zoo van gedachten zou veranderd zijn. Er moeten lastertongen tot mijn nadeel bezig zijn geweest: en zoo ik hier gekomen ben, het is, omdat ik er op sta, mij te rechtvaardigen. Ik ben arm en heb niets dan mijn goeden naam ; daarom mag ik mi] het recht niet laten ontnemen, dien tegen alle aanranding te verdedigen. Bedrieg ik mij, zoo ik aan de Freule een gevoel van billijkheid had toegekend, groot genoeg om niemand onverhoord te veroordeelen ?quot;
Van deze tirade, op den waardigen toon der beleedigde onschuld uitgesproken, had Drenkelaer billijkerwijze een goede uitwerking durven verwachten. Ongelukkig voor hem had Bet-temie juist in de laatste dagen haar ledige uren op Doornwijck besteed aan het herlezen van Shaksperes Othello, en vond zij nu bij zich zelve, dat de gemelde tirade machtig veel gelijkenis had met die, welke de schelmsche lago, insgelijks over den goeden naam, zoo aandoenlijk uitkraamt, en zij oordeelde niet zoo lichtgeloovig te moeten zijn als de jaloersche Moor.
âOch Mijnheer!quot; zeide zij: âwat zou het baten? Een krankzinnige is immers onvatbaar voor rede, en het eenige bewijs van verstand, dat zij nog geven kan, is u te verwijzen tot haar geneesheer, wiens raad zij moet opvolgen. Daar staat Dr. Van Zevenaer.quot; â Met deze woorden keerde zij hem den rug toe, innig tevreden van te hebben ondervonden, dat zij dien blik van Drenkelaer, die vroeger op haar zulk een wonderlijk vermogen uitoefende, met kalme onverschilligheid had kunnen doorstaan, en alzoo van diens werking voortaan niets meer te vreezen had.
De meeste onder de aanwezigen hadden het met andere zaken te druk, om eenige bijzondere opmerkzaamheid te wijden aan het tooneel, dat tusschen Bettemie en haar afgewezen minnaar voorviel. Slechts twee personen waren er, die hen hadden gadegeslagen. De een was Albert, wiens oogen een uitdrukking van angst en neerslachtigheid aannamen, toen zij
168
den man, dien hij eenmaal in den schouwburg met Bettemie had zien spreken, en in wien hij toen niet ten onrechte een gevaarlijken medeminnaar had meenen te zien, haar nu weder zag naderen; maar die opflikkerden van blijde vreugde, toen zij de koele houding bespeurden, waarmede Bettemie haar aanbidder ontving, en de teleurstelling, die op het gelaat van dezen laatste te lezen was.
De ander, die, insgelijks met belangstelling, doch tevens met innige tevredenheid over de kordate handelwijze van het jonge meisje, het hierboven verhaalde onderhoud van verre had gadegeslagen, was Van Zevenaer. Dewijl hij, wetende dat Drenkelaer te Amsterdam was, gelegenheid gehad had, zulks aan Bettemie mede te deelen, en haar tevens goeden raad te geven omtrent de handelwijze, welke zij jegens den afgedankten vrijer te volgen had, was hij er op voorbereid, dat deze hem om opheldering zou komen vragen: en werkelijk was Drenkelaer, na eenige aarzeling, tot het besluit gekomen, den wenk, dien hij gekregen had, op te volgen en zich tot den geneesheer te vervoegen.
âMen verwijst mij tot u. Mijnheer,quot; zeide hij, âten einde oplossing te bekomen van wat ik ronduit bekennen moet, dat mij tot heden een raadsel is.quot;
âDat verwondert mij zeer. Mijnheer,quot; zei Van Zevenaer: âmaar de zaak zal u gewis duidelijk zijn, wanneer ik u zeg, dat ik dezer dagen te Hardestein ben geweest en aldaar aan Juffrouw Van Doertoghe verslag heb gedaan van een onderzoek, door mij ingesteld betreffende zekere praatjes, die over haar geloopen hadden, en waarbij ik mij gewend had tot de Heeren Le Mat, Verdrongen, Zuring en anderen.quot;
âMaar dat is oude laster,quot; zei Drenkelaer: âen ik achtte zoowel de Freule als Mijnheer te verstandig, om aan de praatjes van zulk slag van volk geloof te slaan. Ik meende, op den avond bij Mw. Van Hardestein, toen voor 't eerst die dwaze beschuldiging tegen mij werd ingebracht, mij daartegen genoegzaam te hebben verdedigd: en ik heb toen ook niet anders kunnen bespeuren of ik was in de oogen
169
der Freule geheel van alle blaam dienaangaande gezuiverd.quot;
âVerdediging tegen een overbluften lapzalver,quot; zei Van Zevenaer, âen waar de getuigenis werd ingeroepen van een halfdronken domkop, kan u niet bezwaarlijk vallen; doch ik heb met lieden gesproken, die nuchteren waren, en bij elk van hen den laster tot aan zijn oorsprong kunnen opsporen: 't is mijne schuld niet, zoo elke draad, als ik aan 't einde kwam, altijd op u bleek uit te loopen, en er, vóór uw bezoek aan de Sociëteit te Marlheim, geen sterveling van dat praatje gedroomd had.quot;
âMaar ik zweer u .. . .quot; zei Drenkelaer.
âZweer maar niet,quot; viel Van Zevenaer in: âde Mai-lheimer Bode zou kunnen getuigen, hoe Mijnheer er zich op verstaat vandaag wit te noemen wat hij gisteren zwart heette. Ik heb wel de eer, uw dienaar te zijn.quot; â Met deze woorden deed hij wat Bettemie gedaan had, en keerde Drenkelaer den rug toe.
âVervloekt!quot; bromde deze bij zich zeiven: âde mijn, die ik had aangelegd, heeft krachtiger uitwerking gehad, dan ik verwacht had, en haar losbarsting is niet alleen mijn tegenpartij, maar ook mij zeiven noodlottig geweest. Wat heeft het mij nu geholpen, de gedachten van Maurits te hebben afgeleid van Bettemie, om ze op Nicolette te vestigen ? en hoe jammer, van achteren gezien, dat ik het voornemen, 't welk ik indertijd Maurits zocht wijs te maken dat ik had, om namelijk Nicolette te verleiden, niet werkelijk ten uitvoer bracht: dan ware ik nu wel af. 't Is waar, ik zou nog kunnen beproeven, haar mijn hof te maken en bij den ouden man ongetwijfeld wel steun vinden; maar vooreerst zou ik dan moeten beginnen, dien Maurits te ontnestelen uit haar hart, waar hij, vrees ik, en dat nog wel gedeeltelijk door mijn toedoen, heeft post gevat; en ten andere, al gelukte mij dat, zoo is het te voorzien, dat de meid nu reeds door dokter en vriendin tegen mij is opgezet. Enfin, wij zullen zien.quot;
Terwijl hij zich met deze overpeinzingen bezig hield, had Hoogenberg zich weder achter de tafel begeven, om nog â voor de laatste reis, betuigde hij â een oogenblik gehoor te verzoeken.
170
â't Is,quot; zeide hij, om aan 't gezelschap nog een mededeeling te doen, en een vraag voor te stellen. Wat de mededeeling betreft, zoo kan ik u berichten, dat Mijnheerquot; â hier wees hij op Albert â âdie tot nog toe, hier ter stede en bij velen uwer, alleen bekend stond onder den naam van Hermans, dien zijn moeder had aangenomen, dezer dagen naar Londen geweest is, en dat mij uit de bewijsstukken, welke hij van daar heeft medegebracht, zijn ontegenzeggelijk recht gebleken is op het voeren van zijns vaders naam van Wayland Flinck. Evenmin, ik heb het reeds gezegd, kunnen er bezwaren bestaan tegen het toekennen van een gelijk recht aan zijn zuster Madeline. Wat de vraag betreft, zij is deze: waar Juffrouw Madeline voortaan blijven zal? Onze vriend, de Heer Galjart, is nu in zooverre hersteld, dat hij haar verdere zorg kan ontberen, en sedert dat hij opgehouden heeft, haar vader te zijnquot; â hier sloeg hij zijdelings een schalkschen blik op Galjart â âschijnt het minder voegzaam, dat zij met hem blijft samenwonen. Wie dus wil haar hebben?quot;
âWare ik mijn eigen meesteres,quot; zei Bettemie; âik zou zeggen, ik; maar helaas! dat kan niet.quot;
âWel! kan zij niet weer bij ons komen?quot; vroeg Juffrouw Leentje: âons kamertje is toch nog even zooals toen zij 't verlaten heeft:quot; â en meteen keek zij haar broeder aan, als om hem aan te sporen, zijn uitnoodiging bij de hare te voegen. Bol scheen echter blind voor haar wenken, en keek op zijn beurt Eylar aan, die hem toeknikte, dat hij hem begreep.
âDe oude kamertje zij ook altijte bij ons open is,quot; merkte Monsieur Puri aan.
âMais vous radotez complètement. Monsieur Puri,quot; zeide zijn vrouw, âla chambre qui pouvait a Mile Nicolette, ne conviendraitpasaMlle Flinck.quot;
âEn waarom zou zij niet bij mij komen?quot; vroeg Mw. Wayland : âik kan niet veronderstellen, dat zij ten huize van haar moeder niet van dezelfde gelegenheid tot logies zou willen gebruik maken, als waarmede zij zich tevreden stelde ten huize van de Wed. Hermans.quot;
171
âEn bij wie,quot; zei Madeline, terwijl zij zich bij haar moeder aansloot, âzou ik liever gaan dan bij u?quot;
âWel wis!quot; zei Flinck: âmaar anders.... ik moet zeggen. Mimi, je woont daar heel aardig en heel netjes; maar toch, ruim is anders, en mij dunkt, als je met je drieën blijven zult, dien je wat beter gelogeerd te zijn. Je neemt van avond je kind mee naar huis en dat is als 't behoort; maar morgen den dag gaan wij er op uit, en dan zullen wij 'reis zien, waar je wonen kunt, totdat wij te zamen met het voorjaar naar Blinkerswaard trekken.quot;
âIk weet een heele lieve woning in mijn buurt,quot; zei Bleek, met een schuchtere stem, âdie de dames misschien gelegen zou komen; een huis op . . ..quot;
âIs 't misschien weer een huis van je vrouw?quot; vroeg met luider stemme, Flinck; âof van je zuster, of je grootmoeder of een andere van je parmentazie? In dat geval zou 't mij niet verwonderen, indien de goten lekten, de schoorsteenen rookten, de muren vol scheuren zaten, de regenbak ingevallen was en de heipalen verrot.quot;
âMaar, mijn waarde Heer Flinck,quot; zei Bleek, terwijl de geheele vergadering bij den uitval des ouden mans verwonderd opzag, âu gelieft te schertsen.quot;
âIk ben je waarde Heer Flinck niet,quot; riep de ander: âen ik denk aan geen schertsen: zie je, Heeren en Dames! de Heer Bleek heeft prachtige onroerende goederen te koop â voor een bagatel te bekomen. Is er ook iemand, die een veenderij wil ontginnen? zoo kan ik hem naar Mijnheer Bleek verwijzen. Zijn vrouw heeft er puik puik bij Marlheim liggen: waarachtig te geef.quot;
âMijn vrouw!quot; herhaalde Bleek, wiens gezicht beurtelings paars en violet werd: âmaar ik heb u immers gezeid, zij waren van de Erve . . . .quot;
âJawel,quot; viel de oude man in: âik weet, hoe ze op 't kadaster staan; maar ik zeg, ze zijn van je vrouw; â doch dat is 't zelfde: uitmuntende veengrond, nietwaar?quot;
âWelzeker,quot; antwoordde Bleek, met steeds klimmende ver-
172
legenheid: âen Mijnheer heeft er de bewijzen van gezien, en bovendien, Mijnheer heeft ze zelf bezocht, en was er zoo mee tevreden, dat hij mij dezer dagen uit Terhoef den last zond om de geheele hei te koopen; gelijk ik ook gedaan heb,quot;
âMijne Heeren!quot; zei Hoogenberg, die bang werd, dat de twist hoog zou loopen: âbedenk dat hier dames aanwezig zijn.quot;
âMijn beste vriend Hoogenberg!quot; zei Flinck: âwees niet bang, dat ik iets zeggen zal, dat de Dames zou kunnen kwetsen. Vergun mij alleen nog maar, Mijnheer Bleek geluk te wenschen met dien fraaien koop, dien hij gedaan heeft, en dat hij uit die Brallemerheide de vetste turf moge halen, die ooit te Amsterdam gebrand is. Wij hebben er niet anders als droog schuurzand gevonden, nietwaar, vriend Klabbe?quot;
âMets anders,quot; antwoordde deze, grinnikende.
âWa....t! Jij ook?quot; riep Bleek: âen je wildet ze niet gaan taxeeren?quot;
âNeen,quot; antwoordde Klabbe, âniet zooals jij mij wildet beduien, dat ik doen moest; hier,quot; vervolgde hij, een reusachtige lederen brieventasch voor den dag halende en er een papier uitnemende, hier heb je de nota van de perceelen, met je eigen hand geschreven. Kijk! daar staan de nommers, met de prijzen er achter, hoe ik ze taxeeren moest, vijf-zesmaal de waarde. Maar als Joost Klabbe taxeert, dan moet hij het voor God en zijn geweten kunnen verantwoorden, weet je? Meneer Flinck heit mij ook laten taxeeren, en dat heb ik naar mijn beste weten gedaan.quot;
Een algemeen gemompel van verontwaardiging over de praktijken, die Bleek zich scheen veroorloofd te hebben, volgde op deze verklaring van Klabbe: â en Galjart kon zich niet bedwingen, nog een loodje in 't zakje te leggen;
âHoe is 't mogelijk,quot; vroeg hij, âdat een zoo solide man, als mijn zwager, zich zoo vergissen kan omtrent de prijzen van zijn landerijen?quot;
âMijnheer!quot; riep Bleek, die behoefte had, zijn woede op iemand te koelen; âik verzoek je vriendelijk, je buiten deze zaak te houden, 't Is wat heel erg, dat ik reflexies zou moeten
173
aanhooren van iemand, die mij zooveel schade heeft berokkend en wien ik des ondanks nog in de laatste weken met mijn weldaden heb bijgestaan.quot;
âHoe!quot; riep op zijn beurt Galjart, terwijl een hevige blos hem het gelaat bedekte: âIk.... door u bijgestaan? Is dat waar Dokter? â Is dat waar Klaasje?quot; â Hij was nog aan den naam van Madeline niet gewend.
âMij dunkt,quot; zei Hoogenberg, âdat zijn geen punten om nu te bespreken.quot;
âEen oogenblik!quot; riep Albert, ziende, dat Van Zevenaer zoowel als Nicolette eenigszins verlegen waren met hun antwoord: âik weet niet, wat de bedoelingen van den Heer Bleek geweest zijn, en dat is mij onverschillig. Maar dit is zeker, dat wij â ik durf hier mede uit naam van mijn moeder en zuster spreken â nooit zullen dulden, dat een derde wie ook â ons van het genoegen berooft, ons jegens den Heer Galjart te kwijten van den plicht der dankbaarheid, dien wij hem schuldig zijn. â Heeft hij indertijd zich mijner zuster, toen zij een hulpbehoevend kind was, liefderijk aangetrokken, het is billijk, dat wij hem dit vergelden, nu wij door Gods goedheid in staat zijn, hem op onze beurt dien kleinen dienst te bewijzen.quot;
âMaar!quot; zei Galjart, âwat uw zuster mij schuldig was, heeft zij mij ruim vergolden door hare trouwe oppassing.quot;
âWie zich jegens mijn dochter een vader toonde,quot; zei Mw. Wayland, âkan nimmer weigeren, wat die dochter voor hem doet, of hare hulp te hoog schatten.quot;
âIk zou maar geen onnutte plichtplegingen maken, Frits!quot; fluisterde Van Zevenaer hem in 't oor: âliever dat je verplichting aan hen hebt, dan aan dien schobbejak daarginds.quot;
Twee tranen liepen Galjart langs de wangen, terwijl hij Albert de hand drukte.
â't Is wel!quot; zei Bleek; âik ben niet gewoon, mijn weldaden op te dringen: beschikt het onder mekaar, zooals jelui 't goedvindt. â Maar wat die heigronden betreft,quot; vervolgde hij, zich tot Flinck wendende: âik heb ze, op uw last, voor u
174
gekocht en je zult ze mij betalen, als er recht in 't land is.quot;
âO ho!quot; zei Flinck: âwou je mij nog een tweede proces aandoen? Nu! ik zal er de gevolgen van afwachten.quot;
âIk weet niet, wat je bedoelt,quot; zei Bleek, âen ik heb de eer, het gezelschap te groeten. Had ik geweten,quot; vervolgde hij, tegen Hoogenberg, âdat je mij hier alleen genoodigd hadt om mij bloot te stellen aan beleedigingen, als die ik ondervinden moet, ik zou waarachtig wel zijn weggebleven.quot;
âHalt!quot; riep Flinck, hem den weg versperrende: ânog één woord, eer je ons van je aangenaam bijzijn verlost. Ik heb niet gaarne schulden en, ik beken het, ik heb er eene aan u, die ik gaarne wensch af te doen. Daarom Mijnheer Bleek, hier is een gulden voor een nacht wakens.quot;
âMijnheer!____quot; riep Bleek.
âNog eens. Mijnheer Flinck!quot; riep Hoogenberg: âIk moet u in bedenking geven, een andere plaats te kiezen om uw wrok tegen den Heer Bleek te koelen, dan deze bijeenkomst, die ik had gehoopt, dat alleen stof tot genoegen zou geven, en de Dames ....quot;
âDe Dames moeten weten,quot; viel de stijfhoofdige grijsaard in, âdat, waar zij zich bevinden, geen man moet worden toegelaten als deze, die gebruik maakt van iemands ongesteldheid en dat hij zich als waker heeft opgedrongen, om in de papieren en laden van den zieke te snuffelen, diens geheime correspondentie te lezen, er stukken uit te kopiëeren, en daaruit een proces te distilleeren.quot;
Wederom gaf deze nieuwe beschuldiging aanleiding, dat er een diepe stilte ontstond, en Hoogenberg, aller oogen, ook die der Dames, met gespannen nieuwsgierigheid op Bleek gevestigd ziende, gaf alle verdere pogingen om tusschen de twistende partijen te komen, als vruchteloos, op.
â't Is een leugen,quot; schreeuwde Bleek.
âEen leugen?quot; herhaalde Flinck: en op welke wijze ben je anders aan al de bijzonderheden gekomen, die je aangaande de nalatenschap van James Wayland aan den Heer Drenkelaer bent gaan vertellen, en aan de genealogie, die je hem gewezen
175
hebt, zoo niet door het openen van mijn brieventasch en het napluizen en naschrijven van wat je daarin gevonden hebt? En is het misschien ook een leugen, dat, terwijl je mij vleidet en aaidet, je onder de hand een proces tegen mij op touw zette? Maar ik lach wat in je proces. Mijnheer Hoogenberg weet, dat die zaak reeds lang uit de wereld is: hij heeft die zelf nog voor mij geschikt. Daar staat hij: laat hij zelf getuigen of 't niet waar is.quot;
âHet is zoo,quot; bevestigde Hoogenberg: âdie gelden zijn uitbetaald geworden, en de quitantie is onder mijn berusting. Zij hebben indertijd gestrekt om reeds een paar jaren voordat wijlen de Heer Drenkelaer liquideerde, eenige aanzienlijke posten wegens zeeschade uit te betalen aan buitenlandsche crediteuren.
âDat lost op,quot; zei Drenkelaer, half bij zich zeiven, âwat mijn vader mij indertijd gezegd heeft, dat hij aan die erfenis niet veel voordeel had gehad.quot;
Bleek beet zijn lip van kwaadheid aan 't bloeden, terwijl hij een woedenden blik wierp op Drenkelaer.
âWat wil je?quot; zei deze. âIk mocht den Heer Flinck, die mij zooveel welwillendheid betoonde, niet onkundig laten van het tegen hem gepleegd verraad. Och ja. Mijne Heeren! deze vrome man kwam mij een overeenkomst voorstellen, volgens welke hij de kosten zou dragen van een rechtsgeding tegen den Heer Flinck, onder geen andere voorwaarde dan dat hij hetgeen er van kwam, met mij zou deelen.quot;
âEn toen je merkte, dat er niets te halen viel, ging je mij verklappen,quot; zei Bleek, op een toon vol bitterheid.
âJa, en daar deed hij zeer verstandig aan,quot; zei Flinck: âen 't zal hem geen kwaad doen.quot;
âIk zie dat hier een komplot tegen mij georganiseerd was,quot; zei Bleek: âen ik verlang mij niet langer aan hatelijke uitvallen bloot te stellen,quot; en meteen sloop hij de deur uit.
âGoeden avond, mijn solide zwager!quot; riep hem Galjart achterna: âen wel mijn groete aan uw beminnelijke wederhelft.quot;
176
âAbiit, evasit, ex ces sitquot; ') zei Eylar.
âHij handhaaft zijn oude betrekking van Komeet,quot; merkte Bol aan.
âJammer, dat Van Zirik niet hier is,quot; zei Donia: âdie zou stellig een paar flauwe uien slaan op het verbleeken dier bleeke staartster, 't Schijnt met dat al een schuinsch heer.quot;
âNu, hij is wel af, die in de handen van Mijnheer uw grootvader valt,quot; zei Eylar tegen Madeline: âofschoon, ik moet zeggen, die Sinjeur had het dubbel en dwars verdiend, eens te recht gesteld te worden.quot;
âMijn grootvader is niet gemakkelijk als hij begint,quot; zei het jonge meisje: âmaar toch inderdaad doodgoed: en hij en ik hadden malkander al lief, voordat wij een van beiden konden droomen dat ik zijn kleindochter was.quot;
âJa voorwaar!quot; riep Albert: âwel sprak bij hem, gelijk bij ons allen, de stem van het bloed,quot; en na dezen uitroep zette hij het voor hem niet weinig aangenaam gesprek voort, dat hij met zijn moeder en met Bettemie was begonnen.
âMaar bedriegen mij mijn oogen niet?'quot; vroeg Madeline, terwijl zij op Karoline afging: âwie ik hier dacht aan te treffen, u waarlijk niet, Karoline.quot;
âOch ja. Juffrouw,quot; zei deze: âMijnheer Hoogenberg heeft mij laten overkomen om te vertellen wat ik van de Juffrouw wist. Ja, ik dacht al, of de Juffrouw mij wel kennen wou, en ik dorst de vrijpostigheid niet gebruiken, de Juffrouw te gaan spreken. Nou! 't doet mij maar plezier, dat de Juffrouw zoo klakkeloos in zoo'n goeien doen is geraakt. Kijk, was ik nu niet verengazeerd om bij Juffrouw Van Marsden te komen, dan zou ik mijn dienst bij de Juffrouw prezen-teeren. De Juffrouw zal nu toch wel een kamenier noodig hebben.quot;
âOch Karoline,quot; zei het jonge meisje: âik ben zoovele jaren mijn eigen kamenier geweest, dat ik wel niet geloof er ooit een noodig te hebben. â En Mijnheer .. . .quot; vervolgde zij, op
') âHij ging heen, hij maakte zich weg, hij trok af.quot;
een toon waarin eenige twijfel gelegen was, terwijl zij Klabbe aanzag; âMijnheer heb ik ook meer gezien . . .
âDat zal wel uitkomen,quot; zei Klabbe: ânou waarlijk, dat had ik niet gedroomd, toen we samen op de dilezans zaten met dat kwaie wijf....quot; Hier zweeg hij ook stil; want hij zag, dat Madeline verbleekte en Karoline gaf hem achter haar om een wenk, dat hij geen snaar verder moest aanroeren, die zij begreep dat pijnlijke herinneringen moest opwekken.
Maar ze liet het niet bij dien wenk en gaf vrij handig aan het gesprek een andere wending.
âWat je nog veul minder droomde,quot; zeide zij, âis dat je de Juffrouw, daar je mee zat, eens onwetend in een doos bij die Heeren daar bezorgd hebt.quot;
â't Zou nou zoo makkelijk niet meer gaan,quot; zei Klabbe: â't zou althans een doos motten zijn, die wat mans was.quot;
âWaarlijk?quot; vroeg Madeline: âhet was dus Mijnheer, die toen .... ik ben nog maar half op de hoogte van 't gebeurde, en 't is mi] alles als een droom.quot;
âNou! 't is ook precies een rooman,quot; zei Karoline.
âJa,quot; merkte Klabbe knipoogend aan: âmaar dan is 'ie nog niet uit; want een rooman moet altijd met een huwelijk eindigen.quot;
âOch! om een vrijer zal de Juffrouw nou wel niet verlegen behoeven te zijn,quot; zei Karoline.
Madeline schudde weemoedig het hoofd en met een vriendelijk knikje voor Karoline en een hoofdbuiging voor Klabbe verliet zij het paar en keerde tot haar moeder terug.
âZij schijnt er niet van te willen weten,quot; zei Klabbe.
âEi wat! als de rechte Jozep maar komt,quot; zei Karoline. â 't Is opmerkelijk, dat lieden, die geen geletterde opleiding gehad hebben, altijd Jozep zeggen â een natuurlijk gevolg van de spelling met ph aan 't slot, welk letterteeken 't onzen spraakkunstenaars nimmer gelukken zal, aan de massa der lezers voor een f op te dringen.
âNu! in allen gevalle zou er toch een huwelijk kunnen zijn â als jij b. v. wou.quot;
178
âU meent het immers niet,quot; zei Karoline, terwijl zij een kleur als bloed kreeg en op aangenaam schuchtere wijze de oogen dichtkneep, de kin vooruitstak en het hoofd heen en weer boog.
âOf ik het meen,quot; zei Klabbe, âen je moet maar gauw ja zeggen ook.quot;
âWel Meneer! we kennen mekaar passies,quot; zei Karoline.
âWel! er is geen beter manier om nader kennis te maken, dan dat we te zamen trouwen,quot; zei Klabbe.
âNu!quot; zei Karoline, wier redeneerkunst, hoe ver zij het er in gebracht had, toch niet bestand scheen tegen de onverbiddelijke logica van het gebezigde argument, âalsje'tzoo begrijpt,
dat is waar; maar toch----Meneer valt mij zoo onverwachts
op 't lijf. .. .quot;
Hier werd aan haar maagdelijke beschroomdheid de moeite gespaard om anders dan door een beschaamd lonkje te bekennen, dat zij er, wel beschouwd, zoo groot bezwaar niet in vinden zou, den dienst bij Mw. Van Marsden er aan te geven en haar naam tegen dien van Klabbe te verwisselen; immers de stem van Hoogenberg, die luide door de zaal herklonk, deed plotseling alle bijzondere gesprekken voor een oogenblik ophouden.
âIk vlei mij,quot; zeide hij, een vollen roemer omhoog heffende, .,dat niemand weigeren zal, met mij een conditie te drinken, die ik wenschte in te stellen. Bij het Fransche hof placht het gebruikelijk te zijn, dat, wanneer de koning stierf, er geroepen werd: le roi est mort, vive le roi! en op dat voorbeeld roep ik nu; âKlaasje Zevenster is niet meer: leve Madeline Wayland Flinck!quot;
Het zal niemand bevreemden, dat deze aansporing alge-meenen weerklank vond en de kreet; leve Madeline! uit menigen mond werd teruggegalmd. Van Zevenaer echter, gebruik makende van het oogenblik, dat iedereen zich om het jonge meisje drong, om met haar te klinken, naderde Hoogenberg en fluisterde hem in 't oor;
âMoge 't wat helpen en uw wensch verhoord worden.quot;
179
âWat meen je?quot; vroeg Hoogenberg.
âStil,quot; hernam de geneesheer; âik wenschte wel, dat wij het bij het eerste bedrijf hadden mogen laten. Dat van de rechtvaardiging was uitmuntend; dat van de herkenning, hoe bevredigend voor de belanghebbende partijen, zal, vrees ik, alleen gediend hebben om de ontknooping te droeviger te maken.quot;
âJe bent dus voor haar bezorgd?quot; vroeg Hoogenberg.
âGod alleen kan mirakelen doen,quot; antwoordde Van Zevenaer, âen wij moeten in alle gevallen afwachten, wat het voorjaar geven zal.quot;
Niet lang duurde het nu, of de rijtuigen werden aangekondigd, en de gasten namen afscheid van elkander. Galjart was diep bewogen, toen hy aan Madeline, die haar moeder zou vergezellen, vaarwel zeide, en zelfs zag Van Zevenaer zich genoodzaakt tusschen beiden te komen en hem met de woorden ; âwat beteekent dat? heeft zij vandaag niet al aandoeningen genoeg gehad?quot; ter zijde te trekken.
Onze arts was intusschen â om van Bleek niet te spreken_
de eenige, die het huis van den advocaat met een smartelijk gevoel verliet: en geen der minst blijden daarentegen was Karoline, hoewel er toch voor haar ook een droppel alsem in den vreugdebeker gemengd was geweest: immers Hoogenberg had haar weinig tioost kunnen geven, toen zy. alvorens naar de vigilante te gaan, welke hij voor haar had laten bestellen, hem de vraag had gedaan, of hij âhaar papieren ook al te met had nagezien.quot; Haar vader, zei hij, had indertijd, als hem nu gebleken was, het akkoord, mede geteekend, en een proces tegen Verdrongen zou alleen ten gevolge hebben, dat er goed geld naar kwaad geld gesmeten werd.
TWINTIGSTE OF LAATSTE BOEK,
BEHELZENDE DE LOTGEVALLEN VAN MADELINE WAYLAND FLINCK.
EERSTE HOOFDSTUK.
HOE ONZE HELDIN ZICH NA HAAR LOTSVERANDERING HIELD, EN TOT WELKE RESULTATEN EEN BANKBRIEFJE LEIDEN KAN.
De oude Flinck was zoo goed als zijn woord geweest: hij had in een der voornaamste logementen een geheele verdieping gehuurd, en aldaar zijn schoondochter met haar beide kinderen hun intrek doen nemen om er te blijven, tot zoolang zijn huis op Blinkerswaard gereed zou zijn hen te ontvangen. Dagelijks nu kwam hij zijn familie bezoeken, en gedurig sterker was de invloed, dien Madeline op hem uitoefende. De ruwe kanten van zijn karakter sleten al meer en meer, zelden maar kwam er thans een onhebbelijk woord over zijn lippen, en, wat nog sterker was, hij leerde allengs minder liefdeloos zijn in zijn oordeelvellingen over zijn medemenschen. Wat intusschen veel bijdroeg om hem, zoo dikwerf hij zich in tegenwoordigheid zijner kleindochter, bevond, tot zelfbeheersching te nopen, was de vrees, dat eenige harde of ondoordachte uitdrukking, hem ontvallen, en die haar ergeren kon, een nadeeligen invloed daardoor op haar gezondheid hebben mocht. Madeline toch was niet meer de bloeiende, zorgelooze, vroolijke Mcolette, zooals wij haar tijdens haar komst te Hardestein hebben leeren kennen: en zoo zij op het portret van haar grootmoeder geleek, het was inzonderheid door den lijdenden trek, dien haar gelaat
181
vertoonde, en die stof gaf aan de vrees, dat zij gevaar liep, het slachtoffer te worden van dezelfde ongesteldheid, die Madeline Wayland tot een ontijdig graf had gebracht. Van Zevenaer vermeed wel zorgvuldig elke uitdrukking, waardoor hij de ongerustheid, die hij zelf voedde, ook bij de naaste verwanten van het meisje zou hebben kunnen opwekken; maar toch had hij, herhaaldelijk, zoowel Mw. Wayland als den ouden man gewaarschuwd, dat de schokken, die Madeline had doorgestaan, van nadeeligen invloed op haar gestel waren geweest, en dat zij voor alles rust en kalmte behoefde, waarom dan ook alles vermeden moest worden, zoo in woorden als in daden, wat haar onaangenaam kon aandoen. Maar, hoeveel moeite het ook aan Flinck mocht kosten, een kwade hebbelijkheid tegen te gaan, nog veel moeielijker was het, zelfs met de uiterste omzichtigheid, te beletten, dat de gedachten van Madeline gestadig terugkeerden tot dien gruwzamen tijd, dien zij aan 't huis der Mont-Athos had doorgebracht. Ofschoon zij, die haar omringden, er zich wel voor bleven wachten, iets te zeggen, dat op die dagen kon zinspelen, er deden zich herhaaldelijk omstandigheden voor, die, buiten hunne schuld, het toen gebeurde voor haar geest terug moesten roepen; zoo b. v. een bezoek van Trui de schoonmaakster, die Albert op het verzoek zijner zuster, naar Amsterdam had laten overkomen, en voor wie hij een groentenkelder gekocht had, die, naar het zich liet aanzien, haar voortaan een onafhankelijk bestaan zou kunnen verschaffen; zoo, elk bezoek van Galjart, die nu, zoo 't scheen, geheel hersteld, en tot een kalme leefwijze teruggekeerd, aan een dagblad verbonden was, voor 't welk hij verslagen schreef over tooneelvertooningen, concerten en verdere vermakelijkheden: juist een kolfje naar zijn hand. Immers, het voormalige lid der Dorstige Pleïaden was noch van letterkundige bekwaamheid, noch van smaak ontbloot: en, wat zijn muzikale kennis betreft, de lezer zal zich herinneren, dat hij den hoorn placht te blazen.
Wij zeiden, dat de bezoeken van Galjart, hoe welkom die ook aan Madeline wezen moesten, en hoe zij ook aan hem
182
gehecht mocht zijn, toch altijd een nadeeligen invloed op haar uitoefenden, en wellicht zal zulks den lezer verwonderen, uit aanmerking, dat zij, na eenige weken aan zijn zijde te hebben gesleten, er toch aan gewend moest zijn geraakt, hem te zien. Maar men bedenke dat, toen zij het ambt van pleegzuster bij hem bekleedde, zij zich toch reeds in de stemming bevond van iemand, die door de wereld verstoeten werd, en dat de omgang met den man, dien zij in het hol des verderfs ontmoet had, geen anderen invloed op haar hebben kon, dan om haar in die stemming te houden. â Maar nu was haar toestand veranderd: zij had niet alleen dierbare bloedverwanten, een naam en een onafhankelijke stelling in de maatschappij verworven, maar zij was ook in de oogen van al wie belang in haar stelde volkomen gerechtvaardigd. Zij mocht dus voor haar zelve de hoop voeden, dat, in den rustigen familiekring en bij 't bewustzijn dat zij de achting genoot van wie haar kende, het pijnlijk gevoel, dat haar tot dien tijd dag en nacht gekweld had, allengskens slijten en zij weder tot vreugde en vroolijk-heid op zou luiken; maar hoe zij ook haar best deed, aan geen droevige gedachten meer toe te geven, toch was het haar, als wij reeds zeiden, niet mogelijk die te verwijderen, en vooral keerden die terug, bij verschijningen, als die van Galjart en van Trui, de eenigen onder haar bekenden, die zij in het huis der Mont-Athos gezien had. Toch ontving zij Galjart altijd met alle uiterlijke teekenen van blijmoedigheid, en dewijl zij, om haar verwanten niet te bedroeven, zich nooit een woord meer ontvallen liet, dat op haar geheime smarten zinspeelde, zoo gevoelden dezen minder ongerustheid, dan haar toestand werkelijk had moeten opwekken, en kwam het hun althans niet in de gedachten, Galjart uit te noodigen zijn bezoeken niet te herhalen.
Andere bezoeken ontvingen Mw. Wayland en haar dochter zelden, en zij begeerden die ook niet. De Hardensteinsche vrienden hadden, na dien gewichtigen avond bij Hoogenberg, nog een dag, Donia nog een halven dag in Amsterdam doorgebracht en waren toen weer vertrokken; Drenkelaer was nog
183
een week gebleven, en had gepoogd, zich, door het opwekken van oude herinneringen uit de dagen, die zij te zamen te Hardestein hadden beleefd, bij haar aangenaam te maken. Doch indien zij werkelijk behagen had geschept in zijn onderhoud, geheel ten onrechte zou hij zich gevleid hebben, eenige bijzondere belangstelling voor zijn persoon bij haar op te wekken; want zoolang als hij sprak, was het altijd het beeld van Maurits, dat voor het oog harer verbeelding stond, en dat er nog verwijlde, als haar nieuwe vrijer reeds lang uit de kamer, en (spijt al de moeite die hij had aangewend) uit haar gedachten was. En toen zij naderhand van Bettemie eenige narichten aangaande Drenkelaer vernam, had zij er zelfs spijt over, dat zij zoo vriendelijk jegens hem was geweest.
Immers, toen wij straks zeiden, dat er bij Mw. Wayland weinig of geen bezoekers kwamen, gold dit meer bepaaldelijk bezoeken van vreemden, onder welke laatsten wij Bettemie, als tot de maagschap behoorende, niet mochten rekenen. Wel had oom Van Bassen er de schouders over opgehaald, dat zijn nichtje zich zoo gemeenzaam aanstelde met een gewone naaister, die, al was zij nog honderdmaal een Van Doertoghe van geboorte, zich toch zoo gruwelijk gemesalliëerd had â zoo 't al eens een alliantie heeten mocht â door met den zoon van een ploert als den ouden Flinck te trouwen, âdien niemand kende.quot; Bettemie was nu meerderjarig, stoorde zich aan dergelijke sermoenen niet en bleef de kennis met haar nichten onderhouden.
Dewijl Albert niet aan den Heer Van Bassen was voorgesteld, kon hij niet met schik zijn moeder en zuster vergezellen, wanneer dezen nu en dan een tegenbezoek bij Bettemie gingen afleggen, en zij van hare zijde begreep uit kieschheid bij zijn moeder alleen dan op zoodanige uren te moeten komen, wanneer zij berekenen kon, dat hij uit was om zijn lessen te geven. Immers, al was Albert nu rijk, hij had begrepen, daarom niet op eenmaal zijn leerlingen te mogen laten zitten, en hun alzoo verklaard, dat hij tot Mei op denzelfden voet het geven van onderwijs zou blijven voortzetten, er bij verzoekende, dat zij,
184
na dien tijd, zich tot een anderen taalmeester zouden vervoegen. Langer het beroep te drijven achtte hij onnoodig en zelfs onkiesch tegen andere onder-wijzers, die 't om den broode deden, terwijl hij 't uit liefhebberij zou doen.
Intusschen was het nooit dan met een pijnlijk gevoel, dat hij thuis bleef als de beide dames naar Bettemie gingen, of dat hij bij zijn thuiskomen vernam, dat Bettemie er geweest was, juist nu hij uit w7as; 't kwelde hem meer en meer, haar, in weerwil dat zij nu toch neef en nicht waren, zoo zelden te zien, en zich er mee te moeten troosten, dat hij haar in 't uitgaan van de kerk ontmoette, of enkele reizen kon gaan toespreken, als zij zich in den schouwburg of op eenige andere plaats van openbare vermakelijkheid bevond. Doch maar zelden bezocht zij zulke lokalen, dewijl haar oom te veel aan zijn whistpartij verslaafd was om er ooit een voet te zetten, en er zich dus altijd een gelegenheid moest voordoen, eer zij er kon gaan: en, ging zij er al, dan moest er altijd nog een gelukkig toeval bestaan, dat zulks aan Albert deed ter ooren komen. En dan nog, bij die zeldzame ontmoetingen, ondervond hij altijd een gewaarwording van verlegenheid, die hem belette-een geregeld onderhoud te voeren en iets anders dan afgebro, ken zinnen te uiten. Als Albert na zoodanige ontmoetingen thuis kwam, en zijn moeder hem vroeg, of hii Bettemie gesproken had, was hij mistroostig en wrevelig op zich zeiven, en verklaarde, dat hij haar stellig geen anderen indruk had kunnen geven, dan dat hij de grootste stoffel wras, die op twee beenen liep. Dan zocht zijn moeder hem troost en moed in te spreken: in de eerste plaats, door hem onder 't oog te brengen, dat een vrouw het geheel niet kwalijk neemt, als een jonkman in haar tegenwoordigheid wat beteuterd is, en, verre van daarom min gunstig over hem te denken, er integendeel haar eigen liefde door gestreeld zal gevoelen, en die bedremmelde con te-na nee toeschrijven als een hulde, haar gebracht: in de tweede plaats, door hem mede te deelen, dat, zoover zij had kunnen opmerken, Bettemie hem geheel niet ongenegen was: immers, zij kreeg een kleur, zoo vaak zijn naam genoemd werd, en
185
haar oogen flonkerden als twee heldere sterren, zoo dikwerf zij Alberts lof uit zijn moeders mond vernam. In hoeverre Mw. Wayland recht had in haar onderstellingen, zal den lezer onmiddellijk blijken.
Albert had, toen hij nog onvermogend was, van zijn moeder geleerd, geen schulden te maken, en, nu hij ruim bij kas was, wilde hij niet alleen bij die gewoonte blijven, maar ook zelfs het verwijt niet beloopen, dat iemand eenige pretentie ten laste van hem of van een der leden van zijn gezin kon beweren. Hij had daarom, in overleg met Moeder en Zuster in de eerste plaats de schuld willen afdoen, die de laatstgemelde jegens haar pleegvaders had: aan Bleek, aan wien hij vooral geen verplichting wilde hebben, had hij een som gelds gestuurd, zooveel als hij, na Van Zevenaer te hebben geraadpleegd, berekende, dat de man ten behoeve van Klaasje Zevenster had uitgeschoten: en Bleek had â om redenen, die wij nader zullen opgeven, het niet beneden zich geacht, dat geld aan te nemen, zoowel als de verzekering, dat Albert al de kosten der ziekte van Galjart voor zijne rekening nam: en ook de kamerhuur had hij aangenomen voor laatstgemelde te betalen, zoolang diens omstandigheden niet verbeterd waren.
Op die wijze waren twee van Madelines voormalige pleegvaders schadeloos gesteld; wat echter de overige betrof, het waren geen lieden, zelfs Bol niet, al had hij 't niet breed, wien men geld kon aanbieden; Albert ging alzoo de winkels rond om kostbare, maar vooral ongemeene souvenirs voor hen uit te zoeken, die hij hun met brieven van dankerkentenis toezond: aan den predikant meer bepaald zeldzame en belangrijke boekwerken.
Maar ook aan Bettemie begreep hij een schuld te moeten afdoen, en het was met dat doel, dat hij zich op een vroegen morgen naar het huis van den Heer Van Bassen begaf en zich bij haar liet aanmelden. Wij hebben zooeven gezegd, dat hij tot nog toe zich onthouden had, aldaar te verschijnen, en zij keek dus eenigszins verwonderd op, toen men hem bij haar aandiende, ja zij ontstelde half, door de gedachte, dat zijn
186
komst in verband stond met de eene of andere slechte tijding, die hij te brengen had; doch zij zag er geen bezwaar in, te gelasten, dat men hem in de zijkamer bracht, waar zij, spoedig daarop, zich bij hem vervoegde.
âIk hoop toch niet,quot; zeide zij, op zijn gelaat een ontroering bespeurende, die zich aan haar mededeelde, âdat uw bezoek een voorboo is van slechte tijdingen.quot;
âIk vraag u om verschooning,quot; antwoordde hij : âmijn moeder is volkomen wel; Madeline klaagt niet, en beiden laten u groeten.quot;
âEn welke boodschap breng je mij, in dat geval? Want ik kan niet denken,quot; voegde zij er bij, met een poging tot schertsen, âdat het alleen de zucht is om naar mijn gezondheid te vernemen, die u hierheen drijft.quot;
âNeen,quot; zeide hij, âmaar wel de zucht tot het vervullen van een plicht, dien wij reeds te lang hebben verzuimd. In den afgeloopen zomer ontving mijn moeder, uit een onbekende hand, een gift van f500. Zij onderstelde eerst, dat die gelden van Mw. Van Doertoghe herkomstig waren; 't geen echter bleek een dwaling te zijn. Ik, wat mij betreft, had van het eerste oogenblik af een voorgevoel, dat zij van niemand anders konden komen dan van u.quot;
âVan mij? â En hoe kwam die gedachte bij u op?quot; vroeg Bettemie, terwijl zij bloedrood werd.
âIk zei u,quot; hernam hij, âdat het een voorgevoel was, en ik werd later in mijn meening versterkt, toen ik van mijn zuster vernam, dat zij u de belangen van mijn moeder had aanbevolen; ook ben ik er achter gekomen, dat Mejuffrouw Van Marsden, die uw vriendin is, indertijd narichten aangaande mijn moeder heeft ingewonnen. â Doch al had ik tot nog toe eenigen twijfel gevoed, die zou op dit oogenblik zijn weggenomen. Je verstaat het veinzen niet. Juffrouw! en uw kleur is op dit oogenblik te welsprekend, dan dat eenige ontkentenis uwerzijds die zou kunnen logenstraffen.quot;
â't Zij zoo,quot; zei Bettemie: âik wil dan ook de waarheid niet loochenen. Ja, ik achtte het mijn plicht te zijn, aan uw moeder den dienst te vergelden, mij door u bewezen, en tevens eenigs-
187
zins de min aangename behandeling goed te maken, die zij van Tante had ondervonden. A propos! heb je al gehoord, dat Tante dezen winter op Doornwijck blijft? Zij is zeer ongesteld geweest, en ziet daarom tegen alle verplaatsing op.quot;
âIk wensch haar beterschap,quot; zei Albert, die zeer goed bemerkte, hoe Bettemie een andere wending wenschte te geven aan het gesprek; âdoch ik moet verlof vragen, nog even terug te komen op het onderwerp, dat de aanleiding is van mijn bezoek. Gewis zou mijn moeder zich nooit geschaamd hebben, een gift te aanvaarden van een nabestaande, die het zoowel met haar meende; maar haar omstandigheden hebben thans een gunstigen keer genomen; en nu zijn wij niet alleen gehouden, de lieve geefster dank te zeggen voor haar edelmoedigheid, maar ook, haar terug te geven wat zij ons schonk; zij kan er dan anderen, die 't noodig hebben, mee beweldadi-gen.quot; â En meteen haalde hij een enveloppe voor den dag, waarin zich een bankbiljet bevond.
âUw moeder wil alzoo geen verplichting aan mij hebben?quot; vroeg Bettemie op eenigszins mistroostigen toon; âof is het Mijnheer, die daartoe te grootsch is?quot;
âVerplichting!quot; herhaalde hij; âwel gewis; waarom niet? alleen geen van financiëelen aard. En ook is er waarlijk geene sprake van grootschheid onzerzijds; maar alleen van 't geen de gewone betamelijkheid van ons vordert. quot;Wie weet,quot; voegde hij er met een glimlach bij; âik zou niet gaarne ledig zitten, en misschien ga ik mij t' avond of morgen in den handel begeven ; zou het dan niet mijn krediet bederven, indien er gezegd kon worden, dat ik een schuld van mijn moeder niet had afgedaan? Vergun mij daarom, het geleende u weder ter hand te stellen; ik zal daarom niet minder eeuwig uw schuldenaar blijven; â want het heeft, op het tijdstip, toen het gegeven werd, niet weinig gestrekt, om het leven mijner lieve moeder aangenaam te maken.quot;
âWel! indien het zoo zijn moet,quot; zei Bettemie, de hand uitstrekkende om het briefje aan te nemen; âdoch het spijt mij,quot; en er kwamen tranen in haar oogen.
188
âHindert het u waarlijk?quot; vroeg Albert, getroffen door haar weemoed. Hun handen hadden elkander aangeraakt, en 't was of beiden een electrieken schok gevoelden: als door een magneet aangetrokken, bleven de vingertoppen over en weder tegen elkander staan met het bankbriefje er tusschen.
âToen ik laatstleden zomer u voor uw dienst beloonen wilde,quot; zei Bettemie, met gesmoorde stem en neergeslagen oogen: âtoen weigerde jij mij ook, en waarom mag ik het nu niet doen?quot;
âJa,quot; zei Albert, met klimmende ontroering: âmaar toch kreeg ik toen mijn loon .... een loon, dat voor mij onwaardeerbaar en onvergetelijk was .... ik kreeg.... uw hand.quot;
âMijn hand!quot; stamelde Bettemie, en haar stem was niet minder ontroerd dan de zijne.
âEr zijn,quot; vervolgde Albert, âaltijd nog personen, wier wederzijdsche betrekking gedoogt, dat de een van den ander cadeaux in geld aanneemt, zonder dat hij er zich over heeft te schamen: als b. v. meester en bediende, broeder en zuster .... man en vrouw . ...quot;
Hier kon hij geen woord meer uitbrengen; maar de magneet werkte met des te meer kracht; althans, zijn hand omvatte die van Bettemie, terwijl zijn oogen zich smeekende op de hare vestigden.
âJe vergeet een categorie,quot; zeide Bettemie, de oogen neerslaande: âeen moeder is niet gehouden, aan haar dochter terug te geven wat deze haar schenkt.quot;
âBettemie!quot; riep Albert, ten top des geluks.
âAlbert!quot; fluisterde Bettemie.
En zij weerde hem niet af, toen hij, nog altijd zijn rechterhand om de hare klemmende, den linkerarm om haar hals sloeg, haar tot zich trok en haar een kus op de lippen drukte.
âMaar neen,quot; zeide zij, zich na eenige oogenblikken zachtjes uit zijn omhelzing loswindende: âik ben uwer niet waardig, Albert.quot;
âNiet waardig, Bettemie? Een koning zou zich vereerd moeten achten zoo je hem uw hand wildet schenken.quot;
âNeen!quot; hernam zij, treurig het hoofd schuddende: âik ben
189
aan dien Mijnheer Drenkelaer zoogoed als verloofd geweest, en zulks, in weerwil dat uw beeld mij toen reeds voor den geest zweefde.quot;
Een wolk dreef even over 's jongelings voorhoofd: âLaat ons,quot; zeide hij toen, âvan dien man niet meer spreken: indien hij u ooit bemind heeft, is hij genoeg te beklagen, dat hij uw gunst heeft verbeurd.quot;
âHij had mij niet lief,quot; hernam Bettemie: ,,en daarom te meer schaam ik mij den invloed, dien het hem gelukt was, op mij uit te oefenen, en waardoor, geholpen door mijn verhitte verbeelding, hij mij, ondanks mij zelve, tot zich trok. Goddank! dat is voorbij: de betoovering is vervlogen en zijn vermogen verbroken van het oogenblik af, dat ik hem heb leeren verachten. Maar zul je 't mij vergeven, Albert, dat ik ooit aan dien man als aan een toekomstigen echtgenoot heb kunnen denken ?quot;
âEn welk recht zou ik hebben gehad,quot; vroeg Albert, âhet u ten kwade te duiden, al had een ander uw hand verworven? Wie kon mij de bevoegdheid geven, den blik zoo hoog te' richten ?quot;
âWel!quot; antwoordde Bettemie: âik zei niet, dat je toen minder waart dan nu, of dat er een erfenis noodig was om u in mijn schatting te doen rijzen.quot;
âGeloof mij,quot; zei Albert, âik ben zelf trotsch en verwaand genoeg om te gelooven, dat het verwerven van eenige fortuin, en zelfs van het voorrecht om een naam te dragen, dien niemand mij betwisten kan, aan mijn individualiteit niet heeft toe- of afgedaan. En toch heb ik genoeg eerbied voor de openbare meening, of liever had ik te veel achting voor mij zeiven, dan dat ik, in mijn voormalige maatschappelijke stelling, het minste voedsel zou hebben durven geven aan de gedachte, dat ik u ooit de mijne zou kunnen noemen. Maar wat dunkt u? indien wij het verledene lieten rusten en eens over de toekomst spraken? Wanneer zal het mijn moeder vergund zijn. Mijnheer uw Oom te komen spreken en naar behoorlijken stijl bij hem accès voor mij te vragen?quot;
190
âHm;quot; zei Bettemie, nadenkende: âdat zal zoo gemakkelijk niet gaan. Oom Van Bassen is een beste, brave man: maar behept met vooroordeelen, die ik, deels eerbiedwaardig, deels belachelijk vind; het spreekt van zelf, dat deze laatste zich het moeilijkst laten bestrijden of zelfs bespreken, en derhalve zich nog minder gemakkelijk laten overwinnen.quot;
âIk weet het,quot; zei Albert: âuw Oom wil met niemand omgang hebben dan met lieden van zijn caste. Ik zou kunnen aanvoeren, dat mijn moeder daartoe door haar geboorte behoort;
doch zij zou, zoomin als ik, dat argument bij Mijnheer uw Oom willen aanvoeren en zoodoende den schijn op zich laden of zij zich haar huwelijk met mijn vader schaamde. Ik zeg met den Baron van Zevenvan uit âde Neven:quot;
Ik acht een ouden naam, die waardig wordt gedragen;
maar ik heb evenzeer eerbied voor hem, die waarde geeft aan een nieuwen, tot dusverre onbekenden naam. Wat mijn overgrootvader van vaderszijde was, weet ik niet; doch mijn grootvader is de werkman geweest van zijn eigen fortuin: hij had * het reeds voor veertig jaren ver genoeg gebracht om aan zijn naam, zoo hier te lande als in Oost en West, krediet te doen hechten, en hij heeft al zijn leven zich in het vertrouwen van wie zaken met hem deed, weten te handhaven. Ook ik heb gewerkt voor mijn brood. Wat hebben de voorvaderen van den Heer Van Bassen anders gedaan? en aan welke andere oorzaak dan juist aan hunne werkzaamheid heeft hij het te danken, dat hij thans in dit huis woont en er koets en paarden op nahoudt?quot;
âZeer waar,quot; zei Bettemie: âen als je hem dat alles voor-hieldt, zou hij 't u volstrekt niet tegenspreken: hij zou u eenvoudig antwoorden, dat hij evengoed gewerkt heeft en nog werkt als uw grootvader heeft gedaan: met dit onderscheid,
dat deze gewerkt heeft om schatten te verkrijgen en hij om ze te bewaren, en dat dit laatste nog grooter kunst is dan het eerste: en voorts, dat hij nog daarenboven het voorrecht bezit eener afkomst uit magistraats-personen, hoedanige uw
191
grootvader mist. Zoo iemand hem echter bepraten kan, dan zal het uw moeder zijn; want wie op den duur aan den invloed van haar stem en oogen weerstand biedt, is knap: en zij heeft het metterdaad bewezen, toen zij den ouden Heer Flinck zoo terstond had ingepakt. Ik zal Oom op haar komst voorbereiden en haar laten weten, wanneer hij haar ontvangen kan. â Maar thans, verlaat mij: want het is niet noodig, de lieden wakker te maken eer het tijd is.quot;
Hierop namen zij afscheid van elkander, waarbij het met Albert ging, gelijk de Engelsche dichter uitdrukt: hij
often took leave; but seem'd loth to depart.
Juist toen hij reeds aan de deur was en nog om bleef zien, viel zijn oog op iets, dat midden in de kamer op den vloer lag; het was het bankbriefje, dat bij hun eerste omhelzing uit het couvertje geraakt en gevallen was.
âEi zie!quot; zei Bettemie, al lachende: âwij hebben dat bankbriefje heelemaal vergeten.quot;
âEn dat zou mijnerzijds al zeer ondankbaar zijn,quot; zei Albert, terwijl hij, op zijn schreden terugkomende, het briefje opraapte en kuste: âwant ik dank er mijn geluk aan.quot;
âZou je 't ook in een lijstje zetten?quot; vroeg schertsende Bettemie.
âNeen; maar ik wil er iets voor koopen, dat ons tot een blijvend aandenken verstrekt van dit oogenblik: een pendule in onze aanstaande huiskamer: telkens als zij slaat, zal ik mij de zaligheid herinneren, thans door mij gesmaakt.quot;
âVaarwel nu!quot; zeide voor den tienden of twaalfden keer Bettemie: âen breng duizend groeten voor mij aan uw lieve moeder en zuster.quot;
âOom,quot; zeide zij, toen op dienzelfden middag het nagerecht op tafel stond, en de bediende zich verwijderd had: âer is iemand, die u wenscht te spreken, te weten mijn nicht, Mw. Wayland Flinck.quot;
âDie naaister!quot; riep Van Bassen, terwijl hij, van verbazing,
192
met een afgeplukte druif tusschen den duim en vinger van de eene, en met den tros in de andere hand bleef zitten, en zijn nichtje staroogend aanzag; wat op al de wereld kan die mij te zeggen hebben ? Zij verlangt toch geen hemden of zakdoeken te zoomen.quot;
âNeen, 't is heel wat anders.quot; antwoordde Bettemie, die maar verstandigst geoordeeld had met iemand als haar Oom was, terstond met de deur in 't huis te vallen: âzij komt bij u om accès te vragen voor haar zoon, die mij ten huwelijk gevraagd heeft.quot;
âAccès? voor haar zoon? Is 't mensch bezeten, of hou je mij voor den mal? â Haar zoon, zeg je? Is dat niet die taalmeester, die bij Bleek op 't kantoor is geweest?quot;
âPrecies dezelfde,quot; antwoordde Bettemie: âen hier is haar briefje.quot;
Mw. Wayland had namelijk, toen zij van haar zoon den blijden afloop van diens bezoek bij Bettemie vernomen had, zich gehaast, een briefje te schrijven, waarin zij bij den Heer Van Bassen belet vroeg, en 't welk zij had ingesloten bij een ander, dat zij, in de opwelling harer vreugde, niet had kunnen nalaten, aan Bettemie te schrijven.
â't Is waarachtig zoo,quot; zei Van Bassen, nadat hij het briefje geopend en gelezen had: âzij vraagt mij, wanneer't mij gelegen zal komen, mij te spreken. â En jij hebt je zelve met de bezorging belast! Maar weet je wel meidlief, dat dit geweldig onvoorzichtig van je was? Heeft het nu niet den schijn, alsof je haar de hoop wildet geven, dat je dien jongen van haar nemen zoudt?quot;
âJa, dat heeft het zeker. Oom,quot; zei Bettemie.
âMaar je bent toch niet van zins, met dien taalmeester te trouwen?quot; vroeg Van Bassen.
âJa, zie je Oom,quot; antwoordde Bettemie: âik geloof, dat er nog machtig veel aan mijn uitspraak van 't Engelsch ontbreekt : en ik heb gedacht, dat er geen beter middel wezen kon, om mij die goed eigen te maken, dan dat ik een taalmeester tot man had.quot;
193
âWat voor grollen zit je mij daar toch te verkoopen?quot; vroeg hij wederom.
âVolstrekt geen grollen.quot;
âWat! â Je zoudt toch geen Flinck willen heeten?quot;
âWaarom niet, Oom? Er is een Flinck geweest, die een heel groot schilder was.quot;
âEi zoo? 't is ook wat schoons! Een schilder! Misschien wel een glazenmaker er bij!quot;
De Heer Van Bassen was nog een man uit de vorige eeuw, en dacht over de kunst als de moeder van J. W. Pieneman, die 't nog in 1840 bejammerde, dat haar zoon een schilder was geworden in plaats van een huisknecht, â welke laatste toch, naar hare meening, een sport hooger stond op de maatschappelijke ladder.
âNu Oom,quot; hervatte Bettemie: âindien je iets tegen den naam van Flinck hebt, dan kun je mij, na mijn huwelijk, Mw. Wayland noemen; dat klinkt Engelsch en nogal fashionable.quot;
âIk geloof waarachtig, dat ze niet zoo heelendal ongelijk hadden, toen zij zeiden, dat het je in je hoofd schortte. Je bent althans veranderd als een blad op een boom. Vroeger wou je van geen trouwen weten en je lachte al de vrijers uit; en nu is 't genoeg, dat er een komt, of je bent klaar om ja te zeggen. Wat mij betreft, ik heb er vrede mee; mits je maar net weer doet, als met dien vorigen vrijer, en hem den zak geeft, als 't op stuk van zaken komt. Die Mijnheer Drenkelaer was een kale rot, en, zooals je mij verteld hebt, schreef hij in couranten, wat ik nog nooit gehoord heb, dat een fatsoenlijk mensch deed, en waarom je groot gelijk hebt gehad, hem niet te nemen: â maar anders? 't was ten minste iemand van geboorte, en je hadt je niet behoeven te schamen. Mevrouw Drenkelaer te heeten. Maar deze! Wie kent Flinck of wie kent Wayland?quot;
âOom!quot; zei Bettemie, âin één punt heb je volkomen gelijk, namelijk, dat ik vrij wat wispelturig schijn. Maar toen ik er toe overhelde om Mijnheer Drenkelaer tot man te nemen,
v. - K. Z. 13
194
wist ik niet, en kon ik niet weten, welk een ondeugende vent hij was en hoe hij mij belasterd had. Van dezen heb ik daarentegen genoegzame zekerheid, dat hij een best, braaf mensch is, die mij gelukkig zal maken. En wat je verder tegen hem zoudt kunnen inbrengen weet ik waarachtig niet. Zie je Oom, dien Drenkelaer was het maar om mijn
geld te doen.quot;
âJa, dat geloof ik ook,quot; zei Van Bassen.
âJuist! â Oom had toen gelijk, om mij daarvoor te waarschuwen. Is het niet veel beter, dat ik een man neem, die zelf genoeg bezit, om desnoods een vrouw, die niets heeft, te onderhouden? Heb je mij niet zelf dikwijls het oude rijmpje voorgepreekt;
âPaart gelijk steeds met gelijk:
Arm bij arm en rijk bij rijk.quot;
âMen kan nooit weten. Oom! als men een dozijn kinderen krijgt, en dan daarbij bedenkt dat zij moeten deelen----!quot;
âJa,quot; zei Van Bassen: âvele varkens maken de spoeling dun.quot;
quot;Juist Oom! â Wel! â nu is 1°. Mijnheer Albert Way-land Flinck bemiddeld: 2°. heeft hij nog veel meer te wachten van zijn grootvader: zoodat â ja, de wereld is zoo tegenwoordig: zij zal volstrekt niet vinden, dat ik een dwaasheid
doe met hem te nemen.quot;
Neen, ik weet hoe de menschen tegenwoordig over zulke dingen denken,quot; zei Van Bassen: âmaar lieden van goeden huize willen toch wel wat meer.
âWel dan, in de derde plaats, wat zijn naam betreft, wel, zijn moeder is mijn nicht en heet net als ik.quot;
âJa, zie je,quot; zei Van Bassen, als hij zich nu Van Doertoghe Flinck kon laten noemen, dat was nog wat.quot;
.Ei kom. Oom! hij heeft den naam van zijn grootmoeder al quot;bij den zijnen: hem er nog een bij te geven, zou hem topzwaar maken: â neen! ik zal u wat anders zeggen: hij kan immers een heerlijkheid koopen, en hy is de eifgenaam van zijn grootvader, zoodat, als ik eenmaal heet âElizabeth
195
Maria Flinck van Blinkerswaard,quot; dat gansch niet onaardig klinken zal.quot;
âHm! neen daar zeg je zoo wat,quot; zei Van Bassen.
âEn dan moet je nu bij dat alles in aanmerking nemen, 1quot; dat hij mij 't leven gered heeft, 2° dat zijn moeder een allerliefste vrouw is, waar ik veel van houd, 3° dat zijn zuster een allerliefste meid is, waar ik ook veel van houd, 4quot; dat ik hem liefheb. â Zie je Oom! dat zijn nu redenen, waar de wereld wel niet om geeft; maar die voor mij in 't bijzonder van heel veel gewicht zijn.quot;
âHm!quot; zei Van Bassen, âdat is altemaal zoo wat larie; maar â ja, die oude Flinck moet geducht rijk zijn: 't is maar jammer van die zuster, die daar zoo uit de lucht is komen vallen, naar je mij, geloof ik, verteld hebt; anders zou die taalmeester alles alleen erven. â Maar als hij nu zooveel geld heeft, waarom blijft hij dan les geven, zooals ik hoor dat hij doet?quot;
âAlleen tot van 't voorjaar,quot; antwoordde Bettemie, âen om de lieden niet teleur te stellen, die hem hadden aangenomen.quot;
âNu!quot; zei Van Bassen: âin allen gevalle moet ik die Mevrouw antwoorden. Maar is 't niet ordentelijker, dat ik bij haar ga?quot;
âJa, als Oom dat zou willen doen, dat zou zeker op hoogen prijs worden gesteld.quot;
Oom was zoogoed als zijn woord: hij ging bij Mw. Wayland, en vond haar â wat wel niet anders kon, daar zij een Doer-toghe was â allerliefst. â Nu liet zich ook Albert aan hem voorstellen, en hij vond, dat Albert een ongemeen gunstig voorkomen had, en perfecte manieren: â welk een en ander hem misschien niet zoozeer in 't oog zou gevallen zijn, indien Albert nog arm en zonder naam ware geweest. En toen hij later ontdekte, dat Albert een uitmuntend whistspeler was â hij had vroeger alle avonden het edele spel bij den Heer Simmers beoefend â toen won de jongeling inderdaad zijn hart.
De zaak was alzoo beklonken; en deze reis, zonder dat
196
Bettemie de goedkeuring van Tante Van Doertüghe had gevraagd. De reden hiervan zoeke men echter niet daarin, dat, toen het Drenkelaer gold, wien zij eigenlijk niet beminde, zij misschien wel half verlangde, een afkeurend antwoord te ontvangen; terwijl zoodanig antwoord haar deze reis toch te laat zou zijn gekomen om eenigen invloed te hebben op haar besluit: en evenmin lag de reden in de omstandigheid, dat zij nu meerderjarig was geworden; maar zij kon niet verwachten, dat Tante immer een huwelijk zou goedkeuren met den zoon eener vrouw, die zij zoo diep beleedigd had als Mw. Wayland, en zij begreep dus, zich tot een bloote kennisgeving te moeten bepalen, die aldus luidde:
âAmsterdam, den 15den Februari 184.
âLieve Tante!
De belangstelling, die gij mij steeds hebt betoond, noopt mij, u nogmaals over een gewichtige gebeurtenis in mijn leven te onderhouden. Om redenen, die ik u indertijd gemeld heb, had ik den Heer Drenkelaer afgewezen; doch nu heeft zich onlangs een ander pretendent opgedaan, met wien ik mij vleie, gelukkig te zullen zijn, en wien ik daarom ook mijn jawoord gegeven heb, te weten: de Heer Albert Wayland Flinck, onze neef. Het vrij aanzienlijk vermogen, dat hij reeds nu bezit, en het nog grootere, dat hij eenmaal van zijn grootvader, den Heer Flinck van Blinkerswaard, te wachten heeft, zou hem in veler oogen een verkieslijke partij doen zijn; in de mijne heeft hij de verdienste van een eerlijk en rechtschapen man te zijn, die een aangenamen aard bezit. De bewijzen, die hij geleverd heeft, dat hij een uitmuntend zoon was, zijn mij een waarborg, dat hij ook een waardig echtgenoot zal zijn en dat ik veilig mijn toekomstig geluk aan hem mag toevertrouwen. Ik neem, lieve Tante! deze gelegenheid waar, om hem en mij in
197
uw genegenheid aan te bevelen, en in de hoop, dat uw gezondheid thans geheel zal hersteld zijn, noem ik mij,quot; enz.
Het antwoord kwam twee dagen later: het was van Pietje Pancras:
Doornwijck den I7den Februari 184.
Lieve Bettemie!
âWat heb je toch aan je Tante geschreven? Zij was geheel ontdaan na het lezen van uw brief. Zij heeft het op haar zenuwen gekregen, en, toen zij weder bedaard was, heeft zij mij alleen gezegd, dat gij een groote dwaasheid zoudt begaan. Nu is zij aan 't snuffelen in een groote doos met papieren, die zij uit een kist, die op zolder stond, gehaald heeft, en dat schijnt haar nog meer van streek gebracht te hebben: althans zij is in een stemming als ik haar nooit gezien heb. Zij heeft Dominee bij zich laten komen en heeft met hem een langdurig onderhoud gehad, waarna zij zich in haar kamer heeft opgesloten en niemand zien wil. Ik zal u eerstdaags weder schrijven: doch houd mij ook op de hoogte. Uw liefhebbende
Pietje.quot;
Het raadsel werd opgelost: doch niet door Pietje Pancras. Wij willen den lezer niet buiten 't geheim laten, en zullen hem dus als derde inleiden bij het gesprek, dat plaats had gevonden tusschen de Douairière en den predikant Bol.
TWEEDE HOOFDSTUK.
hoe mevrouw van doeetoghe onaangename ontdekkingen doet.
Bol had, toen hij, gehoor gevende aan het opontbod, zich naar Doornwijck begeven had, Mw. Van Doertoghe in haar leunstoel vinden zitten met eenige kantoorboeken en andere schrifturen nevens zich. Dat zij bleek en vermagerd was, kon
198
een gevolg zijn van de ziekte, die zij had gehad; doch hare trekken droegen de sporen eener ontsteltenis, die van bijkom-stigen aard scheen te zijn. Zeer natuurlijk was alzoo de eerste vraag, die Bol haar deed, of er iets gebeurd was, dat haar had aangedaan en waardoor zij zich minder wel gevoelde.
âHet schort mij hier,quot; antwoordde de Douairière, op haar hart wijzende: âdaarom heb ik den geneesheer voor de ziel laten komen, en niet dien voor 't lichaam.quot;
âIk kan toch niet onderstellen, dat Mevrouw zich iets te verwijten heeft, dat zoo zwaar op haar drukt,quot; zeide Bol.
Mw. Van Doertoghe zuchtte diep: â't is een bittere kelk, dien ik op mijn ouden dag te drinken heb; doch ik hoop, dat mij de kracht daartoe van boven zal gegeven worden. Lees eerst dezen brief.quot;
Bol deed als hem gevraagd werd, en las den brief, dien zij hem toestak: het was die van Bettemie.
âWelnu,quot; zeide hij, toen hij met lezen gedaan had: âmijn vriendin Bettemie zou 't slechter kunnen treffen. Ik heb dien jonkman leeren kennen, toen ik te Amsterdam was: hij is ook, naar ik algemeen vernam, ieders achting waardig, en zijn moeder niet minder.quot;
âZoo!quot; zeide de Douairière, zich op de lippen bijtende: âdus vindt Dominee hem inderdaad een geschikte partij voor Bettemie ? Nu! wij willen dat daarlaten. Ik had andere verwachtingen met haar.quot;
âHad Mevrouw,quot; vroeg Bol, âhaar dan liever zien huwen aan dien Drenkelaer, die de vrouw, welke hij trouwen wil, eerst zelf belastert?quot;
Het antwoord van de Douairière op deze vraag luidde omtrent als dat, wat de Heer Van Bassen op een dergelijke gegeven had:
âZij had dan ten minste een naam gevoerd, die bekend is, en niet dien van een onbekenden parvenu. Doch, dat is tot daaraan toe. Ik heb niets over Bettemie te zeggen, en zij moet weten wat zij doet. Doch toen ik haar brief las, dacht ik bij mij zelve: âik wil haar toch eens vertellen, wie haar aanstaande schoonmoeder is.quot;
199
âWeet Mevrouw dan iets slechts van haar?quot; vroeg de predikant, verrast.
De oude vrouw sloot den mond stijf dicht en haalde sterk adem door den neus, als iemand, die door onaangename herinneringen wordt gekweld, waarna zij aldus antwoordde:
âWijlen Mijnheer Van Doertoghe had mij inderdaad niet veel goeds van haar verteld, en mij herhaaldelijk verklaard, dat zij zijn drempel nooit betreden zou. Ik heb mij tot een plicht gerekend, mij aan zijn gezegde te houden, en, toen zij laatstleden zomer hier kwam, heb ik geweigerd, haar te zien. Weinig
dacht ik toen____quot; â hier perste zij opnieuw haar lippen
krampachtig op elkander, en zat een wijl als sprakeloos.
â â dat,quot; zei Bol, den zin aanvullende, âzij, die toen als een hulpbehoevende smeekster tot u kwam, een half jaar later de beminde schoondochter zou wezen van een man, die eenige millioenen bezit.quot;
âNeen, dat niet,quot; was al wat Mw. Van Doertoghe zeggen kon, en er liepen dikke tranen langs haar vermagerde kaken.
Het was zoo iets ongewoons, Mw. Van Doertoghe teekenen van zwakheid te zien geven, dat Bol er inderdaad door werd verontrust. âWat kan er gebeurd zijn, of wat heeft zij op haar geweten?quot; Ziedaar de vragen, die hij bij zich zeiven deed; doch hij kon bij geen mogelijkheid, zelfs in de verte een gissing maken. â Spoedig echter zou de zaak hem opgehelderd worden. Zij vermande zich, wischte haar tranen af en nam op de volgende wijze weder het woord:
âMijnheer Van Doertoghe had, in zijn laatste ziekte, en wel voorziende, geloof ik, dat hij er niet van op zou komen, zich bezig gehouden met het nazien van verschillende papieren, tot den staat zijner financiën betrekking hebbende: hij had die geschift, met die netheid en geest van orde, die hem eigen was: de stukken, die bij elkander behoorden, in omslagen met rood band samengebonden, of in doozen en cassettes gelegd, waarna hij die in een aparte kist had weggeborgen. Toen hij op zijn sterfbed lag â Dominee weet, dat hij hier buiten stierf â stelde hij mij een sleutel ter hand .... een
200
zeer kennelijken sleutel met een lotosbloem en waar een etiquette aan hing â de man was, als ik zeide, heel ordelijk : â hij scheen mij iets te willen zeggen, doch hij was toen sprakeloos: hij had de klem en stierf zonder zich te kunnen uiten. Ik sloot den sleutel in mijn bureau: ik had op de etiquette gelezen: Papieren betreffende Sara Maria Van Doertoghe.quot; Ik had al, wat over haar vrijerij geschreven was geweest, in vroeger tijd gelezen en was volstrekt niet verlangend er meer van te hooren; en zoo liet ik de cassette waar zij was en bekommerde mij verder niet over de zaak. Toen ik nu gisteren dien brief kreeg, toen dacht ik, als ik zooeven zeide, âhet is toch mijn plicht, Bettemie in te lichten aangaande die vrouw: en daartoe wil ik de correspondentie nog eens nalezen, die in dat kistje besloten ligt.quot; Ik haalde het daarom van den zolder, opende het.... en vond, boven op, dit papier liggen.quot;
Bol nam het papier aan, dat zij hem overhandigde: hij zag, dat het een lijst was van effecten, toebehoorende aan S. M. Van Doertoghe; meest vrij incourante stukken, als hem bleek uit de daarachter opgeteekende waarde, in de plaats waarvan hier en daar het woord nihil voorkwam. Onder aan de kolom der cijfers kwam het getal f 11,239.50 voor. Van deze som was een andere afgetrokken, met het woord onkosten er voor, ten bedrage van f 8032.75, leverende alzoo een saldo van f 3206.75. Achter die lijst nu kwam een andere be cijfering, eindigende met het cijfer f 250,635.50, waarvan insgelijks dezelfde post van onkosten was afgetrokken, wat alzoo een slot gaf van f 242,602.75: en dit verschil was door een noot verklaard, aldus luidende:
âDit zou het bedrag zijn, dat ik S. M. Van Doertoghe had kunnen uitkeeren, indien ik het kapitaal, dat haar toekwam, op het Grootboek gezet en de renten had laten oploopen, gelijk ik dit een en ander volgens plicht had behooren te doen, in plaats van met haar geld speculatiën te doen, die ongelukkig zijn uitgevallen. Indien haar
201
toeziende voogd niet dood ware geweest en als zij, toen ik met haar afrekende, een goeden raadsman had gehad, dan had zij zich niet laten tevreden stellen met het onbeduidende saldo, dat ik haar ter hand stelde, noch met mijn verklaring, dat haar fortuin, ten gevolge van de daling harer effecten, zoo erg was teruggegaan. Ik heb op schandelijke wijze misbruik gemaakt van haar volslagen onbekendheid met geldzaken.
J. Van Doertoghe.quot;
âAch! hij was zoo nauwgezet, Mijnheer Van Doertoghe,quot; zeide de Douairière, toen Bol, na de lezing van het stuk, peinzend voor zich zag.
Bol keek eenigszins verbaasd op: âja,quot; zeide hij, âdat was hy geworden, toen hij den dood in 't verschiet zag: ik wil echter gaarne gelooven, dat, indien de speculatie gelukt ware, de overledene er aan zijn pupil de voordeelen van zou hebben doen genieten, gelijk hij er haar nu de nadeelen van heeft laten dragen.quot;
âMaar wat nu te doen, Dominee?quot; vroeg Mw. Van Doertoghe.
âIk weet het niet. Mevrouw!quot; antwoordde Bol, droogjes: âIk ben geen advocaat.quot;
âMaar het is niet als advocaat, dat ik u raadpleeg,quot; hernam zij, met eenigen wrevel, dat Bol haar niet begreep of niet wilde begrijpen: âik vraag u als vriend, als predikant, wat ik doen moet.quot;
âOp beide titels stel ik hoogen prijs,quot; zei Bol, âdoch ik weet. niet, hoe de vriend, hoe de predikant u in deze iets anders, iets meer, zou kunnen raden, dan uw eigen helder oordeel van de eene en uw hart aan de andere zijde reeds gedaan hebben.quot;
âAcht Dominee mij dan zoo verslaafd aan den Mammon,quot; vroeg de Douairière, âdat ik iets zou willen behouden, waarvan ik zelfs uit de verste verte niet vermoeden kon, dat ik het op ongerechte wijze bezat? Ik ben overtuigd, zooals ik Mijnheer Van Doertoghe gekend heb, dat hij, door die gelden
202
niet op het Grootboek te zetten, de belangen zijner pupil heeft willen bevorderen, en dat hij haar geen schade zou hebben laten lijden, indien hij niet, op het tijdstip, toen zij haar gelden terug kwam vorderen, ten hoogste op haar verstoord was geweest over de schande, die zij onze familie had aangedaan; ... . althans, in zijne en mijne schatting,quot; voegde zij er bij, aan den ontevreden blik van Bol bemerkende, dat hij die schande, waar zij van sprak, juist zoo groot niet vond: âmaar genoeg!quot; vervolgde zij: âde overledene heeft blijkbaar het gepleegde onrecht willen vergoeden, en wat hij verzuimd heeft, wordt nu mijne taak. Maar wat mij door 't hoofd maalt, en waar ik uw raad bij in wilde roepen, is de wijze, hoe ik die taak vervullen zal. Moet ik nu, tegenover diezelfde vrouw, aan welke ik de deur heb gewezen, den schijn op mij laden, alsof ik haar een aalmoes geweigerd had, ofschoon ik wist, dat ik geld van haar in kas had? Zal zij, zal de wereld mij niet verdenken van ellendige baatzucht, gevolgd door een traag berouw op mijn ouden dag en ten gevolge van een zware ziekte? en hoe red ik de nagedachtenis des overledenen?quot;
âIk wist vooraf,quot; zei Bol, dat Mw. Van Doertoghe te rechtschapen was, dan dat zij een oogenblik zou hebben kunnen aarzelen in het volbrengen van haar plicht, en ik besef evenzeer haar bezwaren, omtrent de wijze hoe zij zich daarvan kwijten zal. Om nu te beginnen met het tweede punt van bezwaar, dat door u genoemd werd, ik erken er al het gewicht van: ik gevoel, hoe pijnlijk het voor u moet zijn, tegenover een derde, en nog wel een door u beleedigde persoon, te moeten aankomen met de bekentenis, dat de man, die voor u een voorwerp van liefde en achting was, zich jegens haar als een onrechtvaardige rentmeester heeft gedragen. En toch, ik zie geen middel voor u, om hem geheel te sparen. Haar, hetgeen haar toekomt, op een bedekte wijze toe te zenden, en zonder den oorsprong te vermelden, zou zeer goed gaan, mdien het een onbeduidende som gold; doch wie een paar ton ontvangt, is geneigd te weten, van wie; en in dat geval zouden de vermoedens zich wel op niemand anders kunnen vestigen dan
203
op u, en het oordeel, dat Mevrouw wenscht te ontgaan, zou alsdan wellicht nog strenger werken. Daarom, een ruiterlijken weg gevolgd, die ten slotte altijd de beste is. De zaak gaat niemand aan buiten u en Mw. Wayland. Doe haar deze lijst of een afschrift daarvan, geworden met het saldo, dat haar toekomt: zeg haar daarbij, dat het stuk eerst nu door u ontdekt is: en zij zal, voor zooveel ik haar meen te kennen, de zaak aan geen derde mededeelen.quot;
Mw. Van Doertoghe zag ontevreden voor zich: âmij voordat mensch vernederen!quot; zeide zij eindelijk.
âZie je. Mevrouw!quot; hernam Bol: âin die geldquaestie had geen predikant zich te steken; maar, beken het slechts ronduit: daarvoor heb je hem ook niet laten roepen; je hebt hem laten roepen, omdat je het besef bij u zelve ronddraagt, u tegen uw medemensch, en nog wel een nicht van u, onbarmhartig, liefdeloos en onchristelijk te hebben gedragen, een handelwijze, waar je nu wel eenige schaamte, maar nog geen recht berouw over hebt; anders zou je niet voortdurend op dien toon van verachting over haar spreken. En je weet daarbij zeer goed. Mevrouw, dat Dominee Bol, bij al den eerbied, dien hij voedt voor iemand, die de hooge jaren, het heldere hoofd en het in vele opzichten zoo voortreffelijke hart van Mw. Van Doertoghe bezit, toch niet schroomt, het ronduit te zeggen, als hij haar in eenig opzicht te misprijzen vindt. Zie, Mevrouw, er bestaat geen deugd zonder strijd, en de verdiensten van een daad zijn alleen af te meten naar het offer, dat men brengt. De wereld zou er misschien hoog over roepen, als zij vernam, dat een bloot gevoel van billijkheid u noopte, een schuld af te doen, die voor 't oog der wet misschien zeer twijfelachtig was, en dat zulk een groote som door u werd weggegeven; maar ik, die weet, dat gierigheid uw zonde niet is, en dat het besluit tot teruggave dier som u geen, althans geen noemenswaarden zelfstrijd gekost heeft, ik zie daarin zooveel merkwaardigs niet, en Mevrouw zelve doet het evenmin. Maar wat, niet de wereld, maar ik, die u ken, veel hooger in u prijzen zou, omdat het brengen van dat offer u zooveel te zwaarder zou
204
vallen, dat zou een brief van u aan Mw. Wayland Flinck zijn, waarin je haar vriendelijk verzocht, het verledene en al de onaangename behandelingen, die zij van u en de uwen ondergaan heeft, te vergeten en u voortaan met verschoonende welwillendheid te beschouwen. Zie Mevrouw, er staat geschreven: âga heen en verzoen u met uwen broeder en offer dan uwe gave.quot; Wat u betreft. Mevrouw! doe een en ander te gelijk: breng of zend aan Mw. Wayland wat haar toekomt en bied haar te gelijk de hand der verzoening aan.quot;
âZij zal denken,quot; zei Mevrouw Van Doertoghe, âdat ik niets met haar te doen wilde hebben, toen zij arm was, en haar, eerst nu zij rijk geworden is, mijn notitie waardig keur. O! ik ken dat.quot;
âDat zou zij kunnen denken,quot; zei Bol, âindien de verzoenende hand niet tevens zoogoed gevuld was. Ik geloof echter niet, dat zij het denken zal; want ik schat haar een gemoedelijke vrouw. In allen gevalle, geen consideratie, van welken aard ook, mag zwaar genoeg wegen om u te beletten, een zoo heiligen plicht te vervullen, als dien der verootmoediging. Zie Mevrouw! vooral na hetgeen mij thans door u is medegedeeld, acht ik geen opoffering van uwe zijde uit te denken, zwaar genoeg om ook maar in de verste verte bij Mw. Wayland het leed te vergoeden, dat de overledene haar berokkend heeft. Had zij indertijd het haar toekomende ten volle genoten, zij had niet te Leiden zooveel jammers doorgestaan; zij zou niet van haar kind beroofd zijn geweest en zij had niet, jaren lang, in armoe moeten voortsukkelen. Dank God, Mevrouw, dat, toen zij, door de schuld van uw man, arm en hulpeloos was, zij noch voor verleiding bezweken, noch wanhopend geworden is, maar kracht van geest genoeg behouden heeft, om, op hoe sobere wijze dan ook, haar brood op eerlijke wijze te verdienen. Uw man kan 't niet helpen, zoo zij geen zelfmoor-denares, of erger nog, geworden is. Zie, wanneer Mevrouw dat alles overdenkt, dan zal zij zich niet schamen, haar te schrijven, maar wel, dat zij een oogenblik geaarzeld heeft, het te doen.quot;
205
âIk weet het, ik weet het,quot; zei Mw. Van Doertoghe, met de hand een beweging makende, als wilde zij een lastig voorwerp van zich afweren: âmaar waarom had zij een dwaas huwelijk gedaan? â zoo 't al een huwelijk geweest is.quot;
Bol haalde de schouders op, en zonder op de gedane vraag te antwoorden, âje vindt nu zulk een schoone aanleiding tot schrijven,quot; zeide hij, âin den brief aan Bettemie. Je kunt uw nicht aanbevelen in de moederlijke teederheid van Mw. Wayland, en zoo kom je van zelve op 't kapittel der excusen.quot;
âJa,quot; zei Mw. Van Doertoghe, peinzende; âde aanleiding was gevonden; maar____omdat ik mij nu voor die vrouw ....quot;
âVoor uw nicht,quot; verbeterde Bol.
âVoor mijn nicht, het zij zoo____ omdat ik mij voor haar
verneder, volgt daaruit, dat ik evenzeer er blijdschap over toonen moet, dat Bettemie dezelfde gekheid doet, als zij zelve eenmaal deed? Bettemie, Mevrouw Flinck! Wat zijn die Flincken? behalve in dat geval van Mimi, heb ik ze nooit hooren noemen.quot;
âBest mogelijk,quot; zeide Bol, die niet kon nalaten te glimlachen; âmaar toch geloof ik, dat de naam zoowel aan de Amsterdamsche Beurs als in Oost en West nog bekender is en nog meer krediet zou inboezemen, dan die van Van Doertoghe. Ik mag, tot op zekere hoogte een ingenomenheid met den naam van wijlen uw echtgenoot goedkeuren; en ik zou het zelfs betreuren, indien onze lieve Bettemie u een neef hier bracht, die een parvenu was in den ongunstigsten zin van 't woord, een man, die plat Haarlemmerdijksch sprak en plompe manieren bezat en chain of soosjeteit zei, in plaats van chien en sociëteit. Maar haar aanstaande is iemand, die evengoed zijn wereld verstaat als hij innemend van voorkomen is, en, wat zijn uiterlijk betreft, het volkomen evenbeeld zijner moeder, die,quot; voegde hij er glimlachend bij, âtoch een echte Van Doertoghe is. Geloof mij. Mevrouw, hij zal een goed figuur in de wereld maken, en, door den neus voor hem op te halen, zou je eenvoudig maken, dat de menschen deden wat ik nu doe, en de schouders ophaal-
204
vallen, dat zou een brief van u aan Mw. Wayland Flinck zijn, waarin je haar vriendelijk verzocht, het verledene en al de onaangename behandelingen, die zij van u en de uwen ^
ondergaan heeft, te vergeten en u voortaan met verschoonende welwillendheid te beschouwen. Zie Mevrouw, er staat geschreven : âga heen en verzoen u met uwen broeder en offer dan uwe gave.quot; Wat u betreft. Mevrouw! doe een en ander te gelijk: breng of zend aan Mw. Wayland wat haar toekomt en bied haar te gelijk de hand der verzoening aan.quot;
âZij zal denken,quot; zei Mevrouw Van üoertoghe, âdat ik niets met haar te doen wilde hebben, toen zij arm was, en haar.
eerst nu zij rijk geworden is, mijn notitie waardig keur. O!
ik ken dat.quot;
âDat zou zij kunnen denken,quot; zei Bol, âindien de verzoenende hand niet tevens zoogoed gevuld was. Ik geloof echter niet, dat zij het denken zal; want ik schat haar een gemoedelijke vrouw. In allen gevalle, geen consideratie, van welken aard ook, mag zwaar genoeg wegen om u te beletten, een lt;
zoo heiligen plicht te vervullen, als dien der verootmoediging. Zie Mevrouw! vooral na hetgeen mij thans door u is medegedeeld, acht ik geen opoffering van uwe zijde uit te denken,
zwaar genoeg om ook maar in de verste verte bij Mw. Wayland het leed te vergoeden, dat de overledene haar berokkend heeft.
Had zij indertijd het haar toekömende ten volle genoten, zij had niet te Leiden zooveel jammers doorgestaan; zij zou niet van haar kind beroofd zijn geweest en zij had niet, jaren lang, in armoe moeten voortsukkelen. Dank God, Mevrouw, dat,'toen zij, door de schuld van uw man, arm en hulpeloos was, zij noch voor verleiding bezweken, noch wanhopend geworden is, maar kracht van geest genoeg behouden heeft, om,
op hoe sobere wijze dan ook, haar brood op eerlijke wijze te verdienen. Uw man kan 't niet helpen, zoo zij geen zelfmoor-denares, of erger nog, geworden is. Zie, wanneer Mevrouw dat alles overdenkt, dan zal zij zich niet schamen, haar te schrijven, maar wel, dat zij een oogenblik geaarzeld heeft,
het te doen.quot;
205
âIk weet het, ik weet het,quot; zei Mw. Van Doertoghe, met de hand een beweging makende, als wilde zij een lastig voorwerp van zich afweren: âmaar waarom had zij een dwaas huwelijk gedaan? â zoo 't al een huwelijk geweest is.quot;
Bol haalde de schouders op, en zonder op de gedane vraag te antwoorden, âje vindt nu zulk een schoone aanleiding tot schrijven,quot; zeide hij, âin den brief aan Bettemie. Je kunt uw nicht aanbevelen in de moederlijke teederheid van Mw. Wayland, en zoo kom je van zelve op 't kapittel der excusen.quot;
âJa,quot; zei Mw. Van Doertoghe, peinzende: âde aanleiding was gevonden; maar____omdat ik mij nu voor die vrouw____quot;
âVoor uw nicht,quot; verbeterde Bol.
âVoor mijn nicht, het zij zoo____ omdat ik mij voor haar
verneder, volgt daaruit, dat ik evenzeer er blijdschap over toonen moet, dat Bettemie dezelfde gekheid doet, als zij zelve eenmaal deed? Bettemie, Mevrouw Flinckl Wat zijn die Flincken? behalve in dat geval van Mimi, heb ik ze nooit hooren noemen.quot;
âBest mogelijk,quot; zeide Bol, die niet kon nalaten te glimlachen; âmaar toch geloof ik, dat de naam zoowel aan de Amsterdamsche Beurs als in Oost en West nog bekender is en nog meer krediet zou inboezemen, dan die van Van Doertoghe. Ik mag, tot op zekere hoogte een ingenomenheid met den naam van wijlen uw echtgenoot goedkeuren; en ik zou het zelfs betreuren, indien onze lieve Bettemie u een neef hier bracht, die een parvenu was in den ongunstigsten zin van 't woord, een man, die plat Haarlemmerdijksch sprak en plompe manieren bezat en chain of soosjeteit zei, in plaats van chien en sociëteit. Maar haar aanstaande is iemand, die evengoed zijn wereld verstaat als hij innemend van voorkomen is, en, wat zijn uiterlijk betreft, het volkomen evenbeeld zijner moeder, die,quot; voegde hij er glimlachend bij, âtoch een echte Van Doertoghe is. Geloof mij, Mevrouw, hij zal een goed figuur in de wereld maken, en, door den neus voor hem op te halen, zou je eenvoudig maken, dat de menschen deden wat ik nu doe, en de schouders ophaal-
206
den. Vooroordeelen zijn leelijke dingen, en vaak verwonder ik er mij over, dat zoo velen er te meer aan hechten, naarmate zij meer nabij de plaats komen, waar alle vooroordeel zal ophouden.quot;
â't Is wel â Ik zal schrijven,quot; zeide de Douairière: âik
dank u. Dominee.quot;
â'tls de zuurste appel, dien zij in haar leven heeft door te bijten gehad,quot; zei Bol, toen hij haar had verlaten: âmaar zij
zal hem doorbijten.quot;
En werkelijk, zij beet hem door. Met weinig verwonderd keek Mw. Wayland op, toen zij, weinige dagen na het hierboven medegedeeld gesprek, een brief ontving met het postmeik Hardestein, en toen zij, dien geopend hebbende, daaronder den naam zag der hooghartige Douairière. Maar nog vreemder zag zij op over den inhoud van den brief, waarbij Mw. Van Doeitoghe in alles zich naar den raad van Bol geschikt had voor zoovene het punt der excusen betrof. Aan de teedere financiëele quaestie had zij een wending weten te geven, waardoor zij haar man zooveel mogelijk spaarde, en eenvoudig zeide, dat deze, ofschoon reeds met zijn pupil afgerekend hebbende, later begrepen had, dat hij, door haar vermogen op het Grootboek te zetten, hare belangen beter zou hebben behartigd, en van meening was geweest, haar de schade te vergoeden, doch daarin door den dood verhinderd was geworden, terwijl zij, zijn weduwe, dit een en ander eerst nu had ontdekt. In den brief lag een afschrift van de lijst en daarbij een kassiersbriefje
voor het bedrag van het saldo.
âMen moet de menschen toch nooit beoordeelen, eer men ze door en door kent,quot; zei Mw. Wayland, na den brief gelezen te hebben: âen zoo zie ik nu weer in, dat ik die viouw verkeerdelijk heb beschuldigd. â Maar hoe zonderling gaat het in de wereld! Toen ik mijn man verloren had, en ik zoozeer hulp en ondersteuning zou behoefd hebben, was die nergens te vinden. en nu vloeit het geld mij van alle kanten toe. Intusschen, deze zaak gaat niet enkel mij, maar ook mijn kinderen aan, en ik moet weten, hoe zij er over denken.quot;
207
De slotsom van het onderhoud, dat zij met beiden had, was het navolgende antwoord, dat zij aan Mw. Van Doertoghe schreef.
âAmsterdam, den lsten Maart 184.
âMevrouw en geëerde Nicht!
âIk ben innig getroffen geweest over uw minzaam schrijven van eergisteren, en zoo zich, bij het genoegen, dat het mij verschafte, een gevoel van leedwezen mengt, zoo is het, dat ik niet vroeger recht heb mogen doen aan uw edel hart. Ik besef ten volle, dat, zoolang de schijn tegen mij was, zulks van invloed moest zijn op uwe handelwijze jegens mij. Ook ik van mijne zijde heb u verschooning te vragen voor de min gunstige meening die ik mij veroorloofd had, omtrent u op te vatten. Voortaan elkander beter kennende, zullen wij, hoop ik, geene andere dan welwillende gedachten jegens elkander-koesteren.
âIk weet, hoeveel onze lieve Bettemie, van kinds af, aan uwe liefde en zorgen verschuldigd is, en zij kan er u nimmer dankbaar genoeg voor zijn. Ook ik ben u dank verschuldigd voor het heusch onthaal, door Uw Hw.Geb. 11. zomer geschonken aan mijn dochter Madeline, die steeds met opgetogenheid van Doornwijck gewaagt. Ds. Bol zal u waarschijnlijk verhaald hebben hoe zij mij door Gods goedheid is teruggegeven. Zij heeft veel geleden en is nog niet geheel hersteld van de ondervonden schokken.
âWat nu de restitutie betreft, waar Uw Hw.Geb. van spreekt, ik kan daar geen aanspraak op maken. Ik heb indertijd afgerekend met den Heer Van Doertoghe en hem volledige décharge gegeven. Ik zie niet in, hoe er eenige, 't zij wettelijke, 't zij zedelijke verplichting bestaan kan, om, na zulk een lang tijdsverloop, op een afgedane zaak terug te komen, en ik ben zoo vrij, u, met oprechte waardeering der kieschheid, door Uw Hw.Geb. in deze
208
aangelegenheid betoond, het mij geworden kassiersbriefje terug te zenden, terwijl ik mij eerbiedig noem
âMevrouw en Zeergeëerde Nicht,
âUw Onderdanige Dienaresse, âS. M. Van Doeetoghe, âWed. H. W. Flinck.quot;
DERDE HOOFDSTUK.
een wedeeaangeknoopte vrijerij.
Zooals Mw. Wayland aan Mw. Van Doertoghe het had gemeld in den brief, waarmede wij het vorig hoofdstuk hebben besloten, Madeline was nog van de ontvangen schokken niet hersteld. Wel was zij gaande en staande: wel klaagde zij over niets en toonde zich, in haar beperkten kring, gelukkig en tevreden; maar de voorheen zoo frisch bloeiende roos was in een lelie herschapen, en voor wie haar nauwlettend gadesloeg, leed het geen twijfel, of zij werd door een bedekt lijden gekweld.
Ook aan Bettemie was dit niet ontgaan: en zij nam de eerste gelegenheid de beste waar, dat Van Zevenaer bij haar aan huis geroepen werd, om hem daarover te onderhouden.
âHoe is het. Dokter,quot; vroeg zij: âzie je nog geen kans om onze lieve Madeline weer geheel in orde te maken?quot;
âIk zou niets liever verlangen,quot; antwoordde hij, mistroostig het hoofd schuddende: âmaar ik vrees, ik vrees. Geldt het lichaamskwalen, die zijn nog te overwinnen, althans te bestrijden; maar zoodra het hem hier schort,quot; â hier wees hij op zijn hart â âis er geen kruid tegen gewassen.quot;
âIk geloof u,quot; hernam Bettemie: âmaar mij dunkt, dezelfde regel moet doorgaan, 't zij het de ziel of 't lichaam geldt. Wanneer de ziel lijdt, dan is 't, omdat zij iets verlangt, of iets mist, of met iets bezwaard is. Welnu, als aan dat verlan-
209
gen voldaan wordt, als dat gemis wordt vergoed, als dat bezwaar wordt opgeruimd?quot; ....
âDan,quot; zei Van Zevenaer, den volzin aanvullende, âvolgt ook, mits een en ander tijdig geschiede, de genezing: volkomen logisch geredeneerd, collega! Maar zie je, daar zit het hem juist. De ware oorzaak van een zielsziekte is niet altijd met zekerheid te bepalen, vooral bij jonge meisjes niet.quot;
âNeen, niet door een man,quot; zei Bettemie; âal is 't ook een dokter; maar 't zou mij hard verwonderen, indien ik niet eenigszins kon nagaan wat haar schort.quot;
âEi zoo?quot; zei Van Zevenaer, met een spotachtigen lach: âwel! ik ruim u de plaats, ga uw gang: en in geval je de kwaal goed geraden, en zulks bewezen hebt door de ziekte te genezen, dan zal ik zorg dragen, dat de Leidsche Academie u den doctoralen graad in de medicijnen honoris causa verleene. â Volgens uw oordeel dan is Madeline verliefd ?quot;
âIk zou het aan niemand anders vertellen,quot; hernam Bettemie: âmaar ik houd te veel van haar, en jij ook. Dokter, dan dat ik u onkundig zou laten, van hetgeen ik daaromtrent weet.quot;
âWel zoo?quot; zei Van Zevenaer: â't is alzoo een geheim, daar je achter gekomen bent. Neen, dat vermindert eenigszins de verdienste van de zaak. Ik dacht, dat de eene of andere kabbalistische formule je tot de ontdekking gebracht had.quot;
âSpot maar,quot; zei Bettemie, âik heb het verdiend. Maar je weet, ik wil niets van de zwarte-kunst meer hooren.quot;
âHeel wijs van je,quot; zei Van Zevenaer: âik moet alzoo, naar uwe meening, aan Madeline zeggen: ârecipe een man.quot;quot;
âFoei Dokter! â 't is toch niet hetzelfde, met wien zij trouwt.quot;
âZoo! â je weet dus bepaald, welken naam ik op het recept moet zetten: ja, dat maakt de zaak moeilijker; want stel nu, zij wil, dan volgt er nog niet uit, dat hij zal willen: â en is dit nu eens niet het geval, dan zie ik
210
geen kans, dat de apotheker hem haar in een doosje thuis bezorgt.quot;
âIk ben bijna zeker, dat hij willen zal,quot; zei Bettemie.
âEn ik ben bijna zeker van neen,quot; zeide de geneesheer; âwant anders, waarom is hij niet komen opdagen?quot;
âZij heeft hem eenmaal afgewezen,quot; antwoordde Bettemie, âin weerwil dat zij hem liefhad: en zij deed het, omdat zij toen begreep, dat zij niet welkom zou kunnen zijn in een familie, zoo hoog geplaatst als de zijne. En, dewijl zij aan die familie groote verplichtingen had, wilde zij niet, dat men haar van ondankbaarheid beschuldigen zou, zoo zij zich aan haar opdrong.quot;
âHm! ik weet al, wien je bedoelt; de eerste letter van zijn naam is eene M en de geheele naam is Maurits van Eyjar- â Ja, dat die van haar gepikt is geweest, toen zij op Hardestein was, dat laat zich best begrijpen; maar op zijn leeftijd is men wel eens wat veranderlijk: en zou hij nu nog willen?quot;
âIk zeg u alsnog, dat ik daar niet aan twijfel,quot; antwoordde Bettemie; âin allen gevalle, ik heb goede gelegenheid om mij daarvan te verzekeren.quot;
âHeel goed! ga je gang,quot; zei Van Zevenaer, op eens weer een ernstiger gezicht zettende; âiets moet er gedaan worden, en, indien uwe veronderstelling aangaande de oorzaak van haar kwaal de juiste is, dan gewis is het plicht, een poging te doen om die oorzaak weg te nemen. En ook zelfs al was haar kwaal niet toe te schrijven aan een hopelooze liefde, dan nog zou ik in een huwelijk haar mogelijke redding zien. Zij moet in elk geval onttrokken worden aan die herinneringen, die haar nu nog door 't hoofd malen, en een nieuwe werkkring, een nieuwe reeks van plichten, die al haar gedachten innemen, zouden een heilzamen invloed kunnen uitoefenen. Ga dus uw gang; maar zorg, dat zij volstrekt niets merkt; teleurstelling zou doodelijk zijn.quot;
âWees gerust,quot; zei Bettemie; âdat spreekt immers van zelf.quot;
â't Is waar ook, collega!quot; zei Van Zevenaer, terwijl hij
211
haar de hand tot afscheid drukte: âik vergat dat een vrouw op zulke punten vrij wat fijner denkt dan wij mannen.quot;
Het was niet alleen het gesprek, door Bettemie met Maurits in den Doelen gevoerd, dat haar met zooveel vertrouwen over zijn gevoelen jegens Madeline had doen spreken: zij had voor haar beweren nog een anderen grond. Het volgende had namelijk plaats gehad: Zij had aan Mw. Van Hardestein geschreven om haar kennis te geven van haar verloving, met verzoek van mededeeling aan de familie. De Gravin had het nieuwtje aan haar zoon Maurits geschreven, niet zonder hem in haar brief te beknorren, dat hij zich een meisje had laten ontvrijen, 't welk hem in alle opzichten zoo goed geleken had: en Maurits, van zijn kant, had een brief van gelukwen-sching gezonden aan Bettemie. Dit nu was, streng genomen, niet naar de regels der etiquette, en Bettemie begreep dan ook zeer goed, dat die gelukwensching, die niet door tusschen-komst zijner moeder, maar zoo rechtstreeks tot haar gericht werd, niet anders zijn kon dan een voorwendsel, waarvan hij zich bediende, om haar eenige vragen te doen aangaande Nicolette, haar gezondheid en haar tegenwoordige positie: vragen, omstandig genoeg, om Bettemie te overtuigen, dat meer dan gewone nieuwsgierigheid de pen had bestuurd. Zij had alzoo een uitmuntende aanleiding om hem te schrijven, en, na haar gesprek met Van Zevenaer, vond zij er ook geen bezwaar in, de punten eenigszins op de i's te zetten. Haar brief luidde aldus:
âAmsterdam, 8 Maart 184.
âBeste vriend Maurits!
âIk ben u zeer verplicht voor uw gelukwensching met mijn engagement. Wij zijn zulke oude vrienden en hebben het altijd zoogoed te zamen kunnen vinden, dat ik niet twijfel of hetgeen gij mij schrijft, is ook van harte gemeend. Ik wil u dan ook in persoon er voor bedanken, al werd Albert er jaloersch om; â maar och! hij zal
212
zich nog zoo menige onbedachtzaamheid van mij moeten getroosten.
âEigenlijk had ik geen brief van u verwacht, maar een bezoek: mij dunkt, gij moest al nieuwsgierig zijn, mijn aanstaande te leeren kennen, en dan hadt gij u meteen in persoon kunnen vergewissen hoe 't met onze lieve Nicolette gaat, naar welke gij u zoo belangstellend informeert; maar die nu Madeline heet. Of hebt gij niet durven komen, en waart gij misschien bevreesd, minder welkom bij haar te zijn? Ik voor mij geloof niet, dat dit het geval zou wezen. De rijke kleindochter van den Heer Flinck van Blinkerswaard zou waarschijnlijk heel anders spreken dan indertijd de arme Nicolette deed, en voor gevoelens durven uitkomen, die zij vioegei uit kieschheid in haar hart zocht te versmoren. Dit is intusschen maar een gissing van mij, Maurits; want ik heb er met haar niet over gesproken. Alleen zooveel heb ik, na die noodlottige scène te Amsterdam, uit haar weten te krijgen, dat zij ten huize van Dominee Bol niet sprak wat haar hart, maar wat haar plichtsgevoel haar in den mond gaf. 't Is echter de vraag, of, zoo er iemand om hare hand kwam, de oude Flinck zijn kruk niet zou oplichten en hem de deur uitdrijven; zoo is hij met zijn kleindochter ingenomen. Hij denkt haar dan ook tegen 't voorjaar met zich naar buiten te nemen en daar, gelijk ik onderste], achter de grendels te houden. Wie haar alzoo nog iets te zeggen heeft, heeft geen tijd te verliezen. Heb ik mij bedrogen omtrent het gevoel, dat in uw brief sprak, gooi dan dezen op het vuur en vergeet al wat er in staat. Gold het niet het belang van twee personen, wie ik hartelijk genegen ben, en dat mij over alle consideratiën van minderen aard doet heenstappen, ik zou mijn gissingen voor mij zelve hebben gehouden. Vaarwel, beste Maurits, ik blijf in elk geval
âUw vriendin B.quot;
213
Per omgaande kreeg zij een brief terug van den volgenden inhoud;
â's-Gravenhage, den 9den Maart 184.
âLieve Bettemie!
âGij hebt u niet vergist. Honderdduizendmaal dank! Ik dorst, na de zoo stellige afwijzing, die mij op Hardestein was te beurt gevallen, mij niet verder vertoonen. â Maar nu ziet gij mii eerstdaags opdagen. â Heden vraag ik verlof, en morgen reis ik naar Hardestein om alles aan mijn moeder te verhalen. â Steeds oprechtelijk en erkentelijk
M. V. E.quot;
Wederom waren er eenige dagen verloopen. Mw. Wayland en haar dochter zaten op een morgen in haar kamer, toen de kellner van 't hotel aan de deur tikte en, die daarop openende, aandiende:
âHerr Graf Von Eylar!quot;
Onze beide dames rezen op, niemand anders verwachtende te zien dan Graaf Louis. Men stelle zich alzoo de ontroering voor van Madeline, toen zij Maurits zag binnentreden. Ook Mw. Wayland keek vreemd op, eerst omdat, in plaats van den persoon, dien zij verwacht had, zij er een voor zich zag, dien zij niet kende, vervolgens, omdat zij den indruk bespeurde, dien 'sjongelings komst op Madeline maakte.
âIk vraag verschooning,quot; zeide Maurits, âindien ik dus binnenkom, zonder vooraf bij u te hebben belet gevraagd; â maar ik vleide mij, dat Mejuffrouw mij wel, als een oude kennis, aan Mevrouw haar Moeder zou willen voorstellen.quot;
âWelzeker wil ik dat,quot; zei Madeline, die nu van haar eerste ontroering bekomen was: âMama, hier is Jonker Maurits van Eylar, de broeder van mijn pleegvader.quot;
âZiedaar,quot; zei Mw. Wayland, âeen aanbeveling, die alle
214
andere overtollig maakt. Komt de Jonker van Hardestein? en heeft hij zijn familie aldaar in goede gezondheid gelaten?quot;
âIk dank u,quot; zeide hij: âallen zijn volkomen wel. Maar hoe maakt het Mejuffrouw Nicolette?quot; â Vergeef mij, ik kan mij nog dien naam niet ontwennen .... ik meen, Mejuffrouw Madeline?quot;
âZoogoed als iemand het hebben kan,quot; antwoordde zij, âdie een lieve moeder, een besten, braven broeder, en een zorg-vollen grootvader heeft gekregen.
Intusschen had hij plaats genomen en niet zonder bekommernis de verandering opgemerkt, die zich op het gelaat van het jonge meisje vertoonde. Zij was nog beeldschoon, ja misschien schooner dan toen hij haar te Hardestein had leeren kennen; maar de vroolijke glimlach, die toen om haar mond speelde, was verdwenen; het eenigszins schalksche van haar blik had plaats gemaakt voor een uitdrukking van stille droefgeestigheid: de trekken, die vroeger, gevuld en frisch, van gezondheid en levenslust getuigden, waren vermagerd en verbleekt, hoezeer thans, bij de verschijning van den geliefde, afgezet door een zacht en liefelijk rozerood. Het geheel had iets doorschijnends, iets etherisch verkregen, dat hem bekoorde, maar tevens verontrustte.
âMen had mij gezegd,quot; stamelde hij, âdat uw gezondheid niet volkomen zoogoed was, als uw vrienden wel wenschten.
âO! dat is niets,quot; zeide zij, met een vriendelijken lach: âdat zal met het voorjaar wel overgaan.quot;
âDe buitenlucht zal haar wel weer doen opluiken,quot; voegde Mw. Wayland er bij, meer echter om ten aanhoore van Madeline niet zwaartillend te schijnen, dan omdat zij werkelijk van die buitenlucht zulke wonderen verwachtte.
âDe buitenlucht!quot; herhaalde Maurits: âzou die van Hardestein u geen goed kunnen doen?quot;
âMisschien wel,quot; antwoordde Mw. Wayland: âdoch wij begeven ons naar een streek, waar 't niet minder gezond is, namelijk naar Terhoef, op het landgoed Blinkerswaard, dat mijn schoonvader toebehoort.quot;
215
âJe gaat daar toch maar tijdelijk, hoop ik,quot; zei Maurits, een weinig verlegen, als niet wetende, of hij de woorden van Mw. Wayland moest opvatten als een wenk, dat men met Hardestein niets te maken wilde hebben.
âJa,quot; zei Madeline, âhoe lang of hoe kort ons verblijf daar zijn zal, zal van mijn grootvader afhangen.quot;
âToch niet geheel van hem?quot; vroeg Maurits: âindien u,quot; ging hij voort, âeens een voorslag werd gedaan, om u elders te vestigen, zou het u dan iets kosten, dat u nog onbekende landgoed te verlaten voor een ander ? b. v. voor Hardestein ?quot; â Hier kleurde hij sterk en zijn stem beefde. â Madeline begreep te goed, waar hij heen wilde, en ook haar gelaat werd met een donkeren blos overdekt.
âIk geloof niet. Jonker!quot; zeide Mw. Wayland, âdat de Heer Flinck licht zal over te halen zijn, Madeline los te laten. Intusschen is het niet te ontkennen, dat haar pleegvaders ook rechten op haar hebben, die zij tegenover haar grootvader, ja zelfs tegenover haar moeder kunnen doen gelden; en, hoe hard het mij ook vallen zou, haar, die ik zooveel jaren gemist heb, nu weder, al ware 't maar voor een week of wat, te missen, ik erken, dat, zoo b. v. Dominee Bol haar weder te logeeren vroeg, ik haar dat genoegen niet zou durven ontzeggen.quot;
âDat is mijn bedoeling niet,quot; zei Maurits; âik wenschte. Mevrouw, â en waarom zou ik het niet met ronde woorden zeggen ? â dat uw dochter zich voorgoed op Hardestein vestigde, en wel, niet op de pastorie, maar op het Huis.quot;
Met groote oogen zag Mevrouw eerst hem en toen Madeline aan, welke laatste op haar zakdoek beet, opdat men niet bespeuren zou, hoe haar tanden tegen elkander klapperden.
âJa Mevrouw,quot; vervolgde Maurits; âik acht mij gelukkig, het in uwe tegenwoordigheid te zeggen, ik heb uw dochter innig lief, en ik heb, toen zij aan de pastorie logeerde, haar dit reeds durven bekennen. Zij heeft toen de hand, die ik haar aanbood, afgeslagen; en toch, de mensch wil nooit afstand doen van alle hoop, en ik heb mij niet kunnen los-
216
maken van de gedachte, dat haar weigering voornamelijk haar grond had in een gevoel van kieschheid, dat ik eerbiedigen moest, al was ik er het slachtoffer van, en dat haar nog te verhevener maakt in mijn oog. Maar de omstandigheden zijn sedert dien tijd veranderd: de redenen, die Nicolette Zevenster konden huiverig maken een familie binnen te treden, waar zij niet zeker was, goed ontvangen te worden, kunnen niet langer gelden bij Madeline Flinck, en, zoo er dus geen andere reden is, die haar noopt, mijn aanzoek af te slaan, dan durf ik het, vrijmoediger dan toen, herhalen.quot;
Op het gelaat van Madeline had, terwijl Maurits sprak, een uitdrukking geheerscht van bovenaardsche vreugde, en een dankbare lach had gespeeld door de tranen, die in haar ten hemel geslagen oogen glinsterden. Maar ook nu, evenals bij die vorige gelegenheid, waar Maurits op zinspeelde, duurde bij Madeline die uitdrukking slechts weinige oogenblikken en werd door een andere, van diepe zwaarmoedigheid, en door een treurig hoofdschudden gevolgd. â Mw. Wayland zag haar dochter met teedere bezorgdheid aan; zij gevoelde, dat Madeline dien jongeling lief moest hebben, en meende, dat hoofdschudden alleen te moeten toeschrijven aan dezelfde reden als die vroeger haar des Jonkers hand had doen weigeren, de vrees namelijk, niet welkom te wezen bij zijn adellijke bloedverwanten. Ook zij zelve â de lezer zal dit beseffen voor zooveel hij haar heeft leeren kennen â zou dit niet hebben geduld: en zoo was de vraag zeer natuurlijk, die zij aan Maurits deed:
âJonker, alvorens Madeline of ik eenig antwoord op uw aanzoek kunnen geven, zij 't mij vergund, te vragen, of Mw. Van Hardestein eenige kennis draagt van den stap, die door u gedaan wordt?quot;
âIk billijk uwe vraag, Mevrouw,quot; zeide Maurits, âen ik heb het verwijt verdiend, dat daarin lag opgesloten: vooreerst, omdat werkelijk, toen ik de eerste reis aan uw dochter mijn liefde verklaren dorst, ik zulks buiten voorkennis van mijn moeder deed: ten andere, omdat ik mij ook nu door mijn
217
gevoel heb laten wegslepen, door u met mijn wenschen bekend te maken, zonder u vooraf dezen brief van mijn moeder te overhandigen.quot;
âInderdaad!quot; riep Mw. Wayland, terwijl zij niet zonder innig genoegen den brief aannam, dien Maurits haar toereikte.
âMw. Van Hardestein denkt dus nog welwillend over mij?quot; vroeg Madeline met een dankbaren blik.
âWel! hoe zou zij anders kunnen, zij, die u van den beginne al liefhad?quot; zei Maurits.
âLees zelve,quot; zei Mw. Wayland, den brief, na dien gelezen te hebben, aan Madeline gevende.
Bevende nam deze hem aan, en al schemerde haar de letters voor de oogen, toch zag zij genoeg om te ontwaren, dat de Gravin het aanzoek om accés voor haar zoon in de meest beleefde bewoordingen jegens Mw. Wayland en in de meest vriendelijke jegens haar, Madeline, had ingekleed.
âO, zij is al te goed, inderdaad al te goed!quot; zeide zij toen, de handen samenvouwende en terwijl zich haar tranen, overvloediger dan te voren, een uitweg baanden.
âJe stemt toe, Madeline?quot; zeide Maurits, de hand uitstrekkende om de hare te vatten. Hij voelde, hoe die den druk van de zijne beantwoordde, en zijn oogen ontmoetten de hare, die zich met onuitsprekelijke teederheid op hem vestigden. Doch terstond daarop waren haar handen weder samengevouwen en zeide zij met een smeekenden blik:
âO laat mij! ik moet mij bedenken, niet nu! niet nu!quot;
âZij heeft veel geleden in den laatsten tijd,quot; zeide Mw. Wayland: âen het onverwachte van uw komst heeft haar overvallen.quot;
âIk zie het,quot; zei Maurits, onthutst: âik ben te overijld, te driftig geweest, doch ik ook, ik had zoolang en zooveel geleden.quot;
âAch!quot; zei Madeline: âik ben misschien kinderachtig; maar ik moet nadenken .... het is mij alles zoo gelijk een droom. Reeds zoo dikwijls heb ik mij afgevraagd, of het wel wezenlijk is, wat in de laatste weken met mij gebeurd is, en of ik niet op eenmaal schrikkelijk zal ontwaken. Gun mij tijd, in
218
mij zelve te keeren en te onderzoeken wat ik te doen heb.
Blijf je nog wat te Amsterdam ?quot;
âOngetwijfeld, indien ik hoop mag voeden op een gunstig
antwoord.quot;
âWaar logeer je?quot;
âIn den Doelen, bij Brack.quot;
â't Is wel! ik zal u schrijven.quot;
Maurits nam beleefdelijk afscheid en vertrok. Nauwelijks was hij de deur uit of Madeline viel haar moeder om den hals en borg schreiende het hoofd aan haar boezem.
âJe hebt hem lief,quot; zei Mw. Wayland.
âDie goede, goede Maurits!quot; snikte Madeline. âWel!quot; hernam haar moeder: âindien je zoo over hem denkt en zijn moeder toestemt, kan immers de zaak geen gevaar opleveren. Wat uw grootvader betreft, die zal zijn toestemming geven, zoodra hij weet, dat er uw geluk mede gemoeid is. Heeft hij niet zelf herhaaldelijk een man voor u
willen zoeken?quot;
âHij is goed, mijn grootvader, veel te goed voor mij,quot; zeide
Madeline: âmaar ik bid u, lieve moeder, zeg hem niets van
het aanzoek van Maurits: â ik wenschte, dat het mij ook
niet in uw bijzijn gedaan was: als ik lijden moet, is het beter
dat ik alleen mijn leed draag.quot;
âMaar waarom zou je lijden?quot; vroeg Mw. Wayland: âde reden, die u eenmaal noopte hem af te wijzen, bestaat immers niet meer?quot;
Wederom schudde Madeline zwaarmoedig het hoofd: âik weet het niet,quot; zeide zij toen, âof die niet met dezelfde kiacht als toen bestaat: doch het gebeurde heeft mij aangegrepen. ik wil beproeven of ik wat rusten kan en dan alles in overweging nemen. Geloof mij, lieve moeder, ik zal geen overijld besluit nemen.quot; â Dit gezegd hebbende, rees zij op, kuste herhaaldelijk Mw. Wayland en ging toen naar haar kamer. Hier had, met weinig onderscheid, een herhaling plaats van het tooneel, dat wij in een vorig Boek geschilderd hebben. Ook nu, als indertijd na het bezoek van Maurits aan de
219
pastorie, lag zij een tijdlang geknield voor haar ledikant met het hoofd in de kussens, aan den diepsten weemoed ten prooi. Nog droeviger dan de vorige reis was nu hare stelling: immers toen was het offer reeds gebracht; en nu moest dit nog geschieden ; want dat het gebracht moest worden, daaromtrent bestond bij haar geen twijfel. Eindelijk rees zij op: haar innig gebed had haar kracht gegeven, en toen zij dien middag aan tafel verscheen, kon noch de oude Flinck, noch haar broeder, die beiden aan den disch verschenen waren, in 't minst bespeuren, dat er iets bijzonders was voorgevallen, 's Avonds echter ging zij vroeg naar haar kamer, en schreef daar den brief, dien onze lezers in het volgende Hoofdstuk zullen vinden.
VIERDE HOOFDSTUK.
VERVOLG VAN DE VRIJAGE VAN MADRITS NAAR MADELINE.
âAmsterdam, den 14den Maart 184.
âMijn edele vriend!
âIndien er iets in staat ware, mij het lijden te vergoeden, dat ik gedurende de laatste zes maanden heb doorgestaan, dan zou het de overtuiging wezen, dat ik uw achting niet verloren heb. Reeds meende ik, toen ik u bij Mad. Furi zoo onverwachts terugzag, te mogen bespeuren, dat gij voor 't minst niet geloofdet aan mijn schuld, en dat is mij een lichtstraal geweest in mijn donkeren lijdensnacht, een lichtstraal, die meer dan eenige andere mijn hart weldadig verwarmd heeft. Ja, Maurits, uw liefde is mijn hoogste, mijn heiligste schat op aarde; en toch, ik kan, ik mag de uwe niet worden.
âMaurits, het is deze reis niet, omdat gij een gravenkroon boven uw wapen hebt, dat Madeline W. Flinck u zou weigeren. Al mocht uw geheele familie, hetgeen in
220
hare oogen een mésalliance bleef, nog zoo sterk afkeuren, ik zou dat niet tellen, zoodra ik wist dat uw lieve moeder, mij als haar dochter wilde ontvangen en dat uw waardige broeder mij zijn vaderlijke genegenheid niet onttrok. Maar al waart gij een gewoon burgerman, al waart gij zelfs niet meer dan een daglooner, dan zou ik nog uw gade niet kunnen worden. Een vrouw, die eenmaal een maand heeft doorgebracht in een hol van besmetting, moge al ongerept en zonder schuld daaruit verlost zijn, het feit alleen, dat zij er geweest is, laat een vlek na, die onuitwischbaar op haar kleven zal.
â 't Is waar, de Heer Hoogenberg heeft mij zoeken te rechtvaardigen, en nooit kan ik hem dankbaai genoeg wezen voor al de moeite, die hij daartoe heeft aangewend. Zijn doel is hem gelukt, en de rechtvaardiging volkomen geweest in de oogen der toen aanwezigen, in de oogen van hen, die mij kenden en mi] genegen waren, maar vruchteloos blijft die rechtvaardiging bij hen, die mij niet kennen, en wier aantal zooveel duizenden malen grooter is. Voor hen blijft mijn onschuld, zoo zij maar eenigszins achterdochtig zijn, een ongeloofelijke, of, voor zooverre zij liefderijker over hun naaste oordeelen, een altijd twijfelachtige zaak: en die pogingen zelve, ter mijner rechtvaardiging aangewend, zullen in verband met mijn naamsverandering, in de oogen der meesten als bewijzen tegen mij worden aangevoerd. Voor Klaasje Zevenster, zullen zij zeggen, zou men zich niet zooveel moeite hebben gegeven; maar om Madeline Wayland Flinck van opspraak te bevrijden, daartoe moesten alle zeilen worden bijgezet. Gij zult zeggen, dat zulke praatjes geen aandacht waard zijn, en, zelf van mijn onschuld overtuigd, zult gij u willen verheffen boven het oordeel van een onbillijk publiek. Maar, lieve vriend, men trotseert niet ongestraft de openbare meening, vooral niet, waar die op een beginsel rust, dat op zich zelf goed is en gehandhaafd behoort te worden, 't Is een rechtvaardige
221
hulde, aan de onbesproken en deugdzame vrouwen gebracht, dat men den man met den nek aanziet, die een vrouw van ergerlijk gedrag tot zijn gade heeft verheven, en op die wijze als 't ware een premie heeft uitbetaald aan de zonde. Evenals onbesproken arbeiders hun werkplaats verlaten, wanneer hun meester een man in zijn dienst neemt, die op 't schavot is geweest, evenzoo schuwen brave huismoeders allen omgang met een vrouw, die bekend staat, een zedeloos leven te hebben geleid. En is dit zelfs maar twijfelachtig, dan wordt nog de regel: âzoo gij twijfelt, onthoud uquot; toegepast, en Cesars beweren, âdat op zijn vrouw zelfs geen verdenking kleven mocht,quot; wordt nog in praktijk gebracht. â Zie, zou het u niet hinderen, indien gij met mij wandeldet, en het dan zien moest, hoe deze of gene vrouw, die gij kendet, als bij toeval onder 't naderen een anderen weg uitkeek, om niet genoodzaakt te zijn, mij te groeten ? Zou het u niet hinderen, zoo gij zaagt, dat op een bal, concert of andere openbare plaats, de stoelen naast mij ledig bleven? Of, indien gij kinderen hadt, dat de ouders aan hun kinderen verboden met de onze te spelen?
âEn al verbeeldt gij u thans, dat gij zulke beproevingen zoudt kunnen doorstaan, denkt gij, dat mij zulks mogelijk zou wezen? dat ik een oogenblik rust zou hebben onder het voortdurend besef van de minachting, waaraan wij en onze kinderen zouden zijn blootgesteld ? Dat mij niet telkens de gedachte pijnigen zou : âhad Maurits mij niet getrouwd, hij zou al die kwellingen niet te verduren hebben?quot; En wat zou het zijn, indien gij eens werkelijk berouw kreegt? of, nog erger, indien de slang des twijfels, na lang om u heen gesist te hebben, eens in uw eigen boezem kroop?
âEn daarom, Maurits, zoek mij niet terug te brengen van mijn besluit. Geloof mij, het offer, dat ik breng, valt mij zwaar; maar ik weet, dat ik, door het te brengen, mijn plicht vervul, en dat, zoo ik mij thans
222
desniettemin ongelukkig gevoel, dat ik het nog veel meer zou wezen, indien ik gehoor gaf aan uw wensch. God zal, naar ik hoop, u een vrouw doen vinden, uwer liefde waardig en wier teederheid u mij vergeten doet. Ik zal het misschien niet beleven; want ik heb als een voorgevoel, dat ik het niet lang meer maken zal; maar dan zal een bede voor uw geluk zeker eene der laatste zijn, ten Hemel opgezonden door
âUw oprechte vriendin âMadeline.
âP. S. Antwoord mij niet; tracht niet meer mij te zien: ik ben reeds zeer vermoeid door het schrijven van dezen brief, en ik moet mij goed houden voor mijn lieve moeder.quot;
Het zou ons moeilijk vallen, den toestand te beschrijven, waarin Maurits zich bevond op het lezen van dezen brief, die hem 's morgens na den dag, waarop hij Madeline gezien had, was gebracht. Hoe meer haar liefde voor hem er uit eiken regel in doorschitterde, en hoe meer de bezwaren, die zij maakte, zijn eerbied voor haar verstand als voor haar hart deden toenemen, des te grooter was zijn smart bij het denkbeeld, dat hij van haar zou moeten afzien.
âO Madeline!quot; zeide hij bij zich zeiven: âwaarom komt die verklaring, dat gij mij lief hebt, zoo laat? Waarom mocht niet reeds in den afgeloopen zomer mijn aanzoek gunstig worden opgenomen, dan hadden al die nare gebeurtenissen, waarvan de herinnering u thans zoo foltert, geen plaats gehad. Uw grootmoedige logen is schuld van al wat later gebeurd is! _ En dan! zij verbiedt mij zelfs haar te zien, aan haar te schrijven! Maar zij is ziek en zwak, en ik moet haar wel gehoorzamen, wil ik geen oorzaak worden, dat haar kwaal verergert. â En toch! â als ik niets doe, dan denkt zij, dat ik haar scrupules als geldig erken. Wat te doen? Wat te beginnen?quot;
223
En in zijn radeloosheid liep hij naar Bettemie.
Deze, die juist bezig was aan 't âuitgevenquot; en uit de provisiekast gehaald moest worden, omdat er een heer was, die belet vroeg, verschrikte, toen zij, beneden gekomen, het ontstelde gelaat van den Jonker zag.
âLees,quot; zeide hij; âen oordeel, hoe ik te moede ben.quot;
Bettemie las den brief: âarme Maurits!quot; zeide zij toen: âhad ik dat voorzien, ik had u niet hier laten komen en u zooveel verdriets bespaard.quot;
âBeschuldig u niet, goede Bettemie,quot; zeide hij: âje hadt hierin gelijk, dat zij mij werkelijk liefhad: nu heeft zij althans gezien, dat ik van mijne zijde haar ook niet vergeten had. â Maar wat nu?quot;
âVoor 't oogenblik niets,quot; antwoordde Bettemie: âin haar toestand heeft zij al schokken genoeg gehad. Ik had gehoopt, dat deze ten goede werken zou: en Dr. Van Zevenaer had mij aangemoedigd, u te schrijven. Ik zie, helaas! dat ik mijn doel niet bereikt heb. En toch! wie weet, misschien zal zij later de zaak minder zwart inzien.quot;
Terwijl zij aan 't praten en overleggen waren, daar kwam plotseling Albert binnen, die eenigszins vreemd opzag, toen hij zijn aanstaande dus in een vertrouwelijk gesprek vond met een jonkman, die een gunstig uiterlijk had en knevels droeg. Met lang echter liet zij hem in verlegenheid.
âZoo Albert!quot; zeide zij: âje komt of je geroepen waart. Ik heb het genoegen, u hier Mijnheer Maurits Van Eylar voor te stellen, een van mijn oudste vrienden.quot;
âIk heb van Mijnheer gehoord,quot; zeide Albert, âen ik verheug mij recht in de eer zijner kennismaking.quot;
âMijn neef Albert Wayland Flinck,quot; zeide Bettemie, de voorstelling voortzettende.
âDe aanstaande echtgenoot van mijn vriendin Bettemie en de broeder van Madeline heeft dubbele aanspraak op mijn vriendschap,quot; zei Maurits, aan Albert de hand reikende.
âGa zitten, Albert,quot; zei Bettemie: âwij moeten u als derde in onze beraadslagingen nemen. Maar zeg mij eerst.
224
hoe maakt het uw zuster? heeft zij u over niets gesproken?quot;
âNeen,quot; antwoordde Albert; âzij wenschte vandaag haar kamer te houden; en, als Grootvader komt, moeten wij hem zeggen, dat zij wat hoofdpijn heeft. Voor 't oogenblik was zij echter, naar mijn moeder mij zeide, zeer kalm en gelaten; doch wilde liever niemand zien, wat ik nogal begrijpen kan, na hetgeen er gisteren is voorgevallen. Ik hoor, dat mijn zuster beloofd had, aan Mijnheer te schrijven.quot;
âEn ziehier haar brief,quot; zeide Maurits.
âIk kan niet anders denken,quot; zeide Albert, na dien gelezen te quot;hebben, âof Mijnheer had al die bezwaren, die zij hier opsomt, bij zich zeiven reeds gemaakt.quot;
Maurits boog toestemmend het hoofd.
âAch!quot; zeide Bettemie: âdat zal zij ook wel begrijpen, dat Maurits daarover gedacht heeft; maar je ziet, die overweging heeft geen invloed gehad op haar besluit.quot;
âWel!quot; zeide Maurits: âindien zij zoo bang is voor het gesnap van de koffiewyven hier te lande, dan stel ik haai voor, met mij naar Noord-Amerika of naar de Kaap te trekken.quot;
âDat zou ik nooit aanraden,quot; hernam Albert: âwant dan zou men zeggen, dat je hier vandaan gevloden waart omdat je schaamte gevoeldet, hier met haar voor den dag te komen. En bovendien, het vliegende gerucht gaat snellei dan de snelste stoomboot, en waar zou je met haar heentrekken, waar niet haar doopceel reeds gelicht was, eer zij voet aan wal had gezet? â Neen, zoo je voor u zelf genoeg vastheid van karakter bezit om de praatjes der wereld te trotseeren, dan weet ik maar één middel, dat misschien u helpen kan. Maar zeg mij vooraf, hoe denkt Mevrouw uw moeder over uw huwelijk? Heeft zij geen bezwaren gemaakt eer zij haar
toestemming gaf?quot;
âOngetwijfeld,quot; antwoordde Maurits: âmijn broeder Louis had wel, toen hij hier vandaan kwam, haar verzekerd, dat Madeline in alle opzichten braaf en onberispelijk van gedrag was, en mijn moeder is te flink van karakter en denkt te
225
liberaal, om, waar geen kwaad bestaan heeft, aan laffe praatjes en vermoedens te hechten; maar toch had zij, naaizij mà gulweg bekende, liever gezien, dat ik een partij gedaan had, die ... . nu dat is 't zelfde. Zij was laatstleden zomer met Madeline zeer ingenomen geweest, en vond het volstrekt niet vreemd, dat ik er mijn zinnen op gezet had: en nu zij hoorde, dat uw zuster niet langer een vondeling zonder naam was, maar de dochter van fatsoenlijke lieden en zelfs een nicht van Bettemie, nu vond zij de partij zeer sortabel. Wat die Haagsche historie betrof, zei zij, die zou van zelve wel doodbloeden, nu toch Madeline een anderen naam had.quot;
âWelnu!quot; hernam Albert: âindien Mw. Van Hardestein bij deze goede gedachten blijft, dan hangt het wellicht van haar alleen af, de zaak tot een bevredigend einde te brengen. Wanneer een geachte vrouw als zij, zich openlijk, herhaaldelijk, overal, met haar vertoont, dan wil ik wel eens zien, wie nog den steen op haar zal durven werpen.quot;
âDat zeg ik ook,quot; zei Bettemie, âen 't zal niet aan my liggen, zoo ik er wat aan kan doen, haar die muizenissen uit het hoofd te praten.quot;
âIk zal het aan mijn moeder zeggen,quot; zeide Maurits; âen ik twijfel niet, of zij zal gaarne medewerken tot al wat mij behulpzaam kan zijn om mijn wensch te verkrijgen.quot;
âDat blijft dan bepaald,quot; zei Bettemie: âik zal de zaak verder nog eens met Dr. Van Zevenaer bepraten.quot;
Maurits nam alsnu zijn afscheid en vertrok dienzelfden dag, in vrij neerslachtige stemming, naar Den Haag, na aan zijn moeder in korte woorden den treurigen afloop zijner vrijage te hebben medegedeeld. â Bettemie, voldoende aan het verzoek, dat Mw. Wayland door Albert tot haar gericht had, en dat aanleiding gegeven had tot diens vroegtijdige verschijning te haren huize, begaf zich in den loop van den morgen naar haar toe. Zij vond haar alleen en geheel terneergeslagen over het besluit, dat Madeline genomen had, en niets liever wenschende, dan dat men haar daarvan terug zou kunnen
226
brengen. Het was haar duidelijk, dat het jonge meisje innig aan Maurits gehecht was, en zij kon haar vrees niet verbergen, dat het gebrachte offer aan het arme kind te zwaar vallen en aan haar geschokt gestel den genadeslag zou toebrengen. Albert echter raadde stellig elke poging af, om voor het tegenwoordige bij Madeline op het gebeurde terug te komen, of er zelfs op te zinspelen, zoolang zij er niet zelve van begon, dewijl zulks, naar zijn oordeel, alleen zou strekken om haar in een staat van voortdurenden tweestrijd en spanning te brengen; terwijl zij bovenal rust en kalmte behoefde. Nog waren zij te zamen, toen Dr. Van Zevenaer verscheen, die, door Bettemie in een briefje van het gebeurde verwittigd, zich gehaast had, naar het hotel van Mw. Wayland te rijden. Hij hechtte geheel zijn zegel aan de meening van Albert, doch drong er vooral op aan, dat Madeline, hoe spoediger hoe beter, naar buiten zou gaan. Dezen laatsten raad herhaalde hij, bij gelegenheid van een bezoek, dat hij reeds den volgenden dag bij den ouden Plinck bracht. Deze, die de ongesteldheid van zijn kleindochter aan verveling toeschreef, wilde haar met alle geweld naar opera's en concerten brengen, te meer, dewijl zij toch van- kinds af zooveel aanleg en smaak voor de muziek had getoond. Van Zevenaer daarentegen gaf aan den ouden man de verzekering, dat alle verstrooiingen van dien aard niet dan nadeelig konden werken. âMadeline,quot; zeide hij, âkan geen plaats van openbare vereeniging bezoeken, zonder zich in te beelden, dat iedereen, die daar komt, met haar lotgevallen bekend is, en die gedachte alleen zou reeds genoegzaam zijn, om het bijwonen van dergelijke samenkomsten, haar, in plaats van tot opbeuring en genot, tot pijniging te doen strekken. Een kleine kring, veel beweging in een gezonde lucht, en verwijdering van al wat strekken kan om onaangename herinneringen bij haar op te wekken, ziedaar wat alleen op den duur in staat is, haar beterschap te bezorgen. â Wat de muziek betreft, zoo zij spelen wil, heb ik er niets tegen, mits niets te veel; want dat behoort ook al onder de dingen, waaraan zich herinneringen vast-
227
knoopen, die op het zenuwgestel kunnen werken: en het zingen heb ik haar provisioneel ten strengste verboden.quot;
Flinck kon wel niet anders dan zich aan de zoo stellige voorschriften des geneesheers onderwerpen, en dubbel ijverig was hij derhalve om de werkbazen, die op Blinkerswaard bezig waren, tot spoed aan te drijven, en te zorgen, dat met den aanvang van het voorjaar het huis aldaar, zoo niet geheel in orde, dan althans bewoonbaar wezen mocht. â Albert had op verzoek van Bettemie, aan Maurits geschreven en hem verzocht, dat er geen nieuwe stap bij Madeline gedaan werd, eer zij buiten gevestigd en in een meer opgeruimde stemming gekomen was.
Wat den toestand van het jonge meisje betrof, daarin liet zich voorshands eer beterschap dan verslimmering bespeuren. Wat het haar ook gekost mocht hebben, het aanzoek van Maurits af te slaan, de bewustheid niet alleen, dat zij in zijne en in zijn moeders oogen gerechtvaardigd was, maar het schitterende blijk, dat beiden daarvan gegeven hadden, hij, door het grootmoedig aanbod zijner hand, zij, door dat aanzoek schriftelijk te ondersteunen, hadden balsem in haar wond gegoten en haar die achting voor zich zelve teruggegeven, welke zij een tijdlang had gemist. Die tevredenheid met zich zelve, als welke zij in geen maanden had gekend, had gunstig op haar gewerkt, en zij verkeerde, wel in geen luidruchtig vroolijke, maar in een opgeruimde en blijmoedige stemming. Zelfs nu en dan schertste zij, plaagde haar grootvader met de landhuishoudkundige projecten, die hij maakte, bestormde hem met vragen over Blinkerswaard, Terhoef en den omtrek, en weidde herhaaldelijk uit over de ontzettende wandelingen, die zij voornemens was met hem te doen. â Madelines vrienden waren dan ook vol hoop, dat zij haar gezondheid eerlang terug zou krijgen en zelfs Van Zevenaer begon moed te scheppen. âHebben wij eens den zomer,quot; zeide hij, âen komt er inmiddels geen nieuwe schok, die alles in de war stuurt, dan houd ik haar voor gered.quot;
228
VIJFDE HOOFDSTUK.
BLINKEESWAAED.
Het was half April geworden, en de werkzaamheden aan het Huis te Blinkerswaard zooverre gevorderd, dat het zijn nieuwe bewoners ontvangen kon; weshalve zich Flinck dan ook haastte, er met zijn schoon- en kleindochter heen ^ te trekken. Het gebouw had uiterlijk niets, waardoor het zich onderscheidde, behalve dat het zeer ruim en groot was, en hoezeer in 't begin der vorige eeuw gebouwd, er geheel nieuw uitzag. Immers, de roode steentjes van den gevel waren met een witte kalklaag overdekt: groote ramen met spiegeliuiten hadden de ouderwetsche kruisramen met hun groen geschilderde luiken vervangen: de dubbele stoep was weggebroken en de grond tot aan de voordeur opgehoogd: terwijl de krullen en sieraden om het zoldervenster waren verdwenen, en het hooge dak â naar hedendaagschen timmermans-bouwstijl -achter een platte kroonlijst verborgen. Doch zoo het gebouw alzoo uiterlijk niets vertoonde, dat bijzonder geschikt was, om den oudheidkundige belangstelling in te boezemen, den smaak te streelen van den minnaar der bouwkunst, of zelfs de aandacht te trekken van den toerist, het was binnen zoodanig ingericht, dat het aan al de eischen van het comfort m ruime mate voldeed. Al wat zoowel de Oostersche weelde als het Westersche vernuft hebben uitgedacht om den mensch het huiselijk leven aangenaam en gemakkelijk te maken, was hier vereenigd; en, wat nog meer verdiende in aanmerking te komen dan de tentoongespreide pracht, dat was de goede smaak, die bij de keuze en de rangschikking der voorwerpen had geheerscht. Zeker kwam hiervan de eer alleen voor zooverre aan den eigenaar toe, als dat hij verstand genoeg had gehad om in deze zich zeiven te mistrouwen, en alles over te laten aan een ander: waarbij hem dan nog het geluk was te beurt gevallen, in dien anderen iemand aan te treffen, die
229
den noodigen smaak bezat om zijn taak naar behooren te volbrengen, en tevens eerlijkheid genoeg, om, waar hij in zijn aankoopen en bestellingen niet beknibbeld werd, toch geene uitgaven te doen, dan die hij behoorlijk kon verantwoorden.
Het was dan ook verrassing op verrassing, die Mw. Wayland en Madeline verbeidden in haar nieuw verblijf, en, zoo de eerstgemelde in haar vroegste jeugd aan een betrekkelijke weelde gewoon was geweest en de laatstgemelde, zoo op Hardestein als bij Van Zirik, veel gezien had, dat fraai en kostbaar was, hier konden beiden zich werkelijk verbeelden, in een dier betooverde paleizen te zijn overgebracht, die ons Scherazades onnavolgbare rijkdom van verbeelding heeft voor-getooverd.
Maar zoo dit alles ruim voldoende was voor de moeder, het was dit niet voor de dochter. Mw. Wayland was meer wat men een stadsmensch noemt: niet, dat zij zoo bijzonder gesteld was op de vermaken, die de stad aanbiedt, of op de drukte op straat; maar zij had nooit bijzonder veel gevoel gehad voor landleven of natuurschoon, en dit was dan ook in haar omstandigheden zeer gelukkig geweest; â immers daardoor had zij zich, beter dan dit aan menig andere mogelijk ware geweest, kunnen schikken in haar stille, eentonige leefwijze op haar kamertje in de Dwarsstraat en de gewoonte was aldaar bij haar een tweede natuur geworden. Wel had zij indertijd het voorrecht gewaardeerd om van die Dwarsstraat naar de Leliegracht te verhuizen: en zoo ook waardeerde zij het voorrecht, om, in plaats van, gelijk voorheen, te zitten op een matten stoel, aan een wit werkerstafel met een stoof onder de voeten en voor een tochtig raam, waar een Fransch gordijntje voor hing, thans, al naar zij 't verkoos, over een canapé, een easy-chair of een met marokijn bekleeden stoel te kunnen beschikken, met een kostbare tafel voor zich van ingelegd hout, en een voetbankje, met zijde bekleed, en naast zich een hoog raam, van spiegelruiten en prachtige damasten gordijnen voorzien. Maar het was haar vrij onverschillig, of zij 't oog naar buiten slaande, in een fraai landschap keek of in
230
een steeg: â ja zelfs, als zij haar hart recht uitgesproken had, zou zij erkend hebben, dat zij de steeg nog âgezelliger vond. Het ideaal, waar zij altijd naar gestreefd had, was geweest, zooveel te verdienen, dat zij haar zoon bij zich kon hebben: dat ideaal had zij eens bereikt, en, zoo zij nu voortaan niet langer met hem zou samenwonen, zij had haai dochter in zijne plaats gekregen: voor 't oogenblik was dit reeds genoeg, en al het overige, ook al was het haar wslkom, beschouwde zij in den grond als niet veel meer dan toegift.
Met Madeline was het een ander geval. In weerwil, dat zij haar eerste levensjaren in alles behalve frisch gelegen buurten, en nog wel in bedompte onderhuizen of kelders,' had doorgebracht, toch was zij geboren met een open zin voor het schoone der natuur, en, had dat gevoel zich bij haar als kind niet kunnen openbaren, wel was dit het geval geweest, toen zij, reeds vroegtijdig op het instituut van Mw. Zilverman gekomen, aldaar in de gelegenheid geweest was, veel te wandelen en in de lucht te zijn; terwijl te Hardestein die trek naar het buitenleven nog verder bij haar ontwikkeld was. Voor haar was het dus niet genoeg, dat het fraaie huis te Blinkerswaard al de eigenschappen bezat, die men ook in de stad in een woning verlangen kan, ja nog eenige bovendien: en al had zij met opgetogen vreugde en dankbaarheid de prachtige piano gezien en bespeeld, die haar grootvader gezorgd had, dat zij bij haar aankomst op Blinkerswaard zou vinden, zij hunkerde ook naar lachende natuurtooneelen, naar groene bosschen en weilanden, naar heuvelen, met golvend graan bedekt, naar heldere beekjes, die door 't kreupelhout dartelden, naar madeliefjes en rozen, naar meidoorn en seringen, naar het zitten onder een schaduwrijken boom, naar het wandelen langs een bevallig slingerpad, naar frissche lucht en frissche geuren, naar het hooren slaan van een dorpsklok, naar het geklingel der bel, die om den hals eens hamels hing, naar het loeien der runderen in de klaverweide, naar het zingen der vogels in het bosch, naar het spelen der zon door 't gebladerte en naar het suizen van het windje door de dennestammen.
231
Niet al die verlangens konden echter zoo dadelijk bevredigd worden: 't was nog maar lente, en ieder weet wat dat beduidt bij ons te lande, waar men dikwijls tot in September moet wachten op warm weer: de boomen waren nog dor, en er bloeide nog nauwelijks een pruimeboom of een pirus. Van in de lucht te zitten, kon geen sprake zijn: voor lange wandelingen was Madeline niet sterk genoeg en zij moest bovendien zich mijden voor den noordenwind: ook het uitzicht, dat men van het Huis genoot, was niet te vergelijken bij de landgezichten te Hardestein; maar toch, zij zag nu weer de heldere blauwe lucht om zich heen, zij zag de vogels weer vroolijk heen en weder vliegen, bezig hun nesten te maken; zij hoorde hun vroolijk gezang, en zij sloeg de ontwikkeling gade der knopjes, die aan de takken van boomen en heesters prijkten, en bij dat alles was het, of zij zich tot een nieuw leven voelde ontwaken.
De bezitting, door Flinck gekocht, en die, als wij reeds ergens gezegd hebben, in het Sticht gelegen was, bestond grootendeels in voortreffelijke bouwlanden: de zoogenaamde grond van weelde bevatte slechts een viertal bunders, waarvan een tot moes-, een ander tot bloemtuin was aangelegd, en het overige, gedeeltelijk met vruchtboomen, gedeeltelijk met zwaarder hout was beplant. Dat alles was zeer goed onderhouden, en gepast voor het doel, waarvoor het dienen moest, doch het leverde niets op, dat buitengewoon fraai kon genoemd worden. Alleen had Flinck bij den bloemtuin een soort van prieel laten zetten, dicht met klimplanten omslingerd, waarvan men, tusschen de bloemen door, een ruim uitzicht had over de akkers, hier en daar afgewisseld door een enkel stuk weiland, waarop eenig jong vee rondhuppelde: 't was in dit prieel, 't welk tegen 't zuiden lag en voor den wind beschut was, dat zich Madeline, wanneer het weer het toeliet, met haar werk begaf en waar zij 't liefst verwijlde. Voorts ook had de oude man gezorgd voor een gemakkelijk rijtuig, dat goed gesloten worden kon en waarmede hij dan in den namiddag uitreed met de beide vrouwen, om, zoo hij zeide, den omtrek
232
te leeren kennen: en dat dit aan Madeline een genot verschafte, waar ook haar moeder door den terugslag in deelde, zal wel niet vermeld behoeven te worden.
Dankbaar schreef dan ook deze laatste aan Van Zevenaer, dat zij nu hoopte, Madeline in een veilige haven te zien, en waar zij van hetgeen haar tot nu toe gekweld had voorgoed zou genezen.
Maar waar onthield zich Albert intusschen? Tot Mei hielden hem zijn lessen in de stad geboeid; en, toen de tijd gekomen was, dat hij daarvan ontslagen werd, kon, gelijk de lezer wel begrijpen zal, de verloofde van Bettemie zich niet gaan opsluiten op Blinkerswaard. Wel had hij er zijn familie enkele reizen bezocht, maar was vervolgens naar Hardestein getrokken, waar hij in het wapen van Gelderland zijn intrek had genomen, terwijl Bettemie bij haar tante was gaan logeeren, om aan deze gezelschap te houden en terzelfder gelegenheid haar verloofde aan haar voor te stellen. Men behoeft niet te vragen, of de twee gelieven het plekje opzochten, waar hij zoo ridderlijk zich voor haar paard geworpen en het tot staan gekregen had, waar beiden 't eerst voor elkander dat gevoel hadden opgevat, 't welk bij hem onmiddellijk tot hartstocht gerijpt was en in haar ziel zulk een strijd verwekt had, eer zij zelve, toen, altijd op datzelfde plekje, de talisman gebroken was, die zulk een vijandigen invloed had gehad op haar rust, tot het rechte besef gekomen was, dat zij hem alleen beminde: en men behoeft evenmin te vragen, of dat aanstaande huwelijk stof tot gebabbel gaf aan de Heeren Verdrongen, Le Mat, Snel en andere leden van de Sociëteit te Hardestein.
't Spreekt van zelf, dat Albert de kennis maakte of vernieuwde met de bewoners van Groot- en Klein Hardestein en van de pastorie, en dat daarbij dikwijls over Madeline gesproken werd. Madame mé re had zich terstond allerliefst over haar uitgelaten : Eylar en Bol met de innigste deelneming naar haar gevraagd. De eerste ontmoeting tusschen Albert en Mw. Mietje was eenigszins stijf geweest; hij kon haar nog de houding niet vergeven, die zij ten huize van Mad. Purl tegenover zijn
233
zuster had aangenomen, en de Gravin kon de onaangename herinnering niet van zich afschuiven, die dat tooneel op haar gemaakt had. Een gelukkige omstandigheid bracht hen echter tot elkander: Mw. Mietje las, als alle groote dames, voor zooverre zij eenige overhelling hebben tot methodisme, bij voorkeur Engelsche boeken, en zie â Albert was niet alleen in Engeland grootgebracht, maar zelfs bij een orthodoxen leeraar: ja hij kende al de boeken, die zij gelezen had, â zelfs, wat juist geen wonder was, andere, die zij niet gelezen had, en die hij haar bezorgen kon. â Zoo ontstond er langzamerhand toenadering: Mw. Mietje begon Albert âeen zeer welopgevoed jong mensch,quot; te vinden, en van hare zijde werd zij jegens hem heusch en voorkomend. Reeds uit het verhaal, dat wij indertijd hebben gegeven van de verhouding, die zij, toen Nicolette 't eerst aan haar werd voorgesteld, tegen deze had aangenomen, heeft de lezer kunnen opmaken, hoe bijzonder zij er slag van had, zoodra zij er zich maar de moeite voor wou geven, iemand voor zich in te nemen, en men zal zich herinneren, hoe het jonge meisje haar (toen) een engel gevonden had. Had Mw. Van Eylar later in het oog onzer heldin veel van haar prestige verloren, bij Albert had, tot zekere hoogte, het omgekeerde plaats. In den aanvang toch hunner kennismaking tegen haar ingenomen, had hij haar eerlang, wel geen engel, maar toch het type gevonden eener hoogst beschaafde vrouw, bij wie alle jonge meisjes ter schole konden gaan, als zij leeren wilden, hoe men zich waardig, bevallig en beminnelijk in de wereld kan voordoen.
Het kon niet missen, of Albert weidde in die brieven, die hij aan zijn moeder schreef, herhaaldelijk uit over de bewoners van Hardestein: en Mw. Wayland las die brieven aan Madeline voor. Geen wonder, dat deze, die met de plaatsen en personen, waar hij van gewaagde, zoo bekend was, hoe langer hoe meer in den geest bij hen tegenwoordig was: en al werd in die brieven de naam van Maurits niet genoemd, toch speelde, hetzij daarin gesproken werd van de pastorie, hetzij daarin of het Huis te Hardestein óf Doornwijck beschreven werd, hetzij
234
er in gewag werd gemaakt van de gulhartige vroolijkheid van Madame me ré, het kloeke verstand van Mw. Van Doertoghe, de bekoorlijkheid van Mw. Mietje, de ridderlijke geaardheid van Eylar, het goedmoedig vernuft van Bol of de handschoenen zonder vingertoppen van Juffrouw Leentje, toch, zeggen wij, speelde altijd voor haar geest het beeld des jongelings daar-tusschen, als een zonnestraal, zonder welken aan het tafereel kleur en leven ontbraken.
En zoo kwam, na het tijdperk van rust en kalmte, wederom dat van stille mijmering, van Sehnsucht naar die oorden, waar zij zich zoo gelukkig had gevoeld. Het kon aan het moederoog niet ontgaan, hoe, telkens als er een brief van Albert kwam, een lichte blos haar verbleekte wangen kleurde, noch hoe, als de lezing volbracht was, haar blik scheen te vragen, of er niets meer, of er niets over hem in stond: waarna zij gewoonlijk haar moeder kuste en zich zwijgend uit de kamer begaf. Liefst zocht dan Madeline de eenzaamheid op; was het weer gunstig, zoo ging zij in haar geliefkoosd prieeltje zitten met haar werk; doch niet zelden bespeurde Mw. Wayland dan naderhand, dat het voorheen zoo vlijtige meisje, dat nooit een minuut zou hebben laten voorbijgaan zonder iets te verrichten, bijna geen steek gedaan had. Was het weer ongunstig, dan begaf zich Madeline naar haar kamer; of ook wel naar de zaal, waar de piano stond; en dan speelde zij de sonate, welke zij op dien zekeren avond bij de Dames Prawley had gespeeld, of de muziek van het duo, dat zij met Maurits had gezongen. Dit alles zou Mw. quot;Wayland sterk ontrust hebben, ware het niet geweest, dat de gezondheid van Madeline niet verergerd scheen; integendeel was haar kleur beter, en het hoestje, dat haar in het laatst van den winter gekweld had, deed zich maar zelden meer hooren.
âDit alles neemt een vrij goeden loop,quot; schreef Van Zevenaer, wien Mw. Wayland getrouw op de hoogte hield van elk verschijnsel, dat zich bij Madeline openbaarde; âwanneer nu op dien toestand van kwijning een toestand van onrust en ongedurigheid volgt, dan is het tijd dat op de zaak worde teiuggekomen.
235
En die toestand volgde. De anders zoo zachtaardige Madeline had oogenblikken van ongeduld, van wrevel, van ontevredenheid met anderen en met zich zelve: oogenblikken, waarin plotseling de tranen haar in de oogen schoten, oogenblikken, waarin zij in een schaterend gelach uitbarstte, zonder dat er de eene reis bijzondere stof tot droefheid, de andere bijzondere stof tot vroolijkheid scheen aanwezig te zijn.
âZij betreurt het besluit, dat zij genomen heeft,quot; schreef Van Zevenaer, ânu is het tijd.quot;
âNu is het tijd,quot; schreef Mw. Wayland aan Albert.
âNu is het tijd,quot; zei Albert aan Bettemie.
En zoo ging het van den een op den ander, en het gevolg van dat aldus overgebrachte wachtwoord was, dat Madeline weinige dagen later een brief ontving van de Douairière Van Eylar, welke brief in 't Fransch was geschreven en waarvan de vertaling luidt als volgt;
âHardestein, den 14den Juni 184.
âLieve Madeline!
âIk heb van Maurits voor eenigen tijd vernomen, dat gij een berg van zwarigheden hadt tegen het aanzoek, dat hij bij u gedaan had, en dat gij vrees voedt voor het gebabbel van allerlei dom volk. Ik val wat hokvast, kindlief, en ik heb de eer niet, Mw. uw moeder of Mijnheer uw grootvader te kennen, anders was ik zelve eens naar uw verblijf toegereisd, om u te zeggen, dat gij, naar mijn inzien, u zelve en Maurits plaagt, zonder genoegzamen grond. Dat men geen ergernis moet geven, is zeer waar; maar zich aan ijdel geklap te storen als men een gerust geweten heeft, vind ik bespottelijk, 't Is 't oude liedje: een tijdlang praat men en dan is het weer vergeten. Maar ik wilde wel eens weten, als ik het voorbeeld gaf, die praatjes niet te tellen, ik, die er 't meeste belang bij heb, hoe gij u dan nog zoudt storen aan 't geen anderen zeiden of dachten. Zie, Maurits heeft mij alles verteld; hoe hij u al gevraagd had, toen gij bij Dominee logeerdet.
236
en hoe gij hem toen bedankt hadt â en dat vond ik subliem van u gehandeld: en dat gij 't deze reis deedt, is ook subliem; maar, zooals er in ik weet niet meer welke oude operette staat:
Faut d' la vertu, pas trop s' en faut;
L' exoOs partout est un défaut,
en, als gij van Maurits houdt â gelijk trouwens iedereen van hem houden moet â dan zult gij hem niet ongelukkig willen maken door al te groote bezorgdheid voor zijn geluk.
âMaar dat nu daargelaten: ik wil eens niet van hem spreken; maar van mij zelve. Ik zit hier eenzaam op Hardestein; want Juffw. Tronck is van mij vandaan. Wat haar scheelde, weet ik niet; maar zij was in den laatsten tijd wrevelig en ongedurig geworden, 't Verveelde haar misschien, bij een oude vrouw te zitten, en daarom heeft zij het beter geacht, het bij een heer te beproeven: gij raadt nooit bij wien? â Zij is het huishouden gaan waarnemen van iemand, dien gij kent, van Mijnheer Van Zirik. Nu, ik hoop dat het haar wel moge gaan. Ik zit dus nu alleen en verlang hard naar wat gezelschap. â Nu moest gij mij het genoegen doen, en komen mij dat verschaffen, en mij wat troosten in mijn eenzaamheid. â Ik beloof u, Maurits zal hier niet komen, al den tijd, dat gij hier zijt; maar ik zal een groot diner geven, en dan zullen de gasten zien, hoeveel werks ik van u maak en hoe ik u hoogacht. Of, zoo gij bang zijt voor groote reünies, mijn zoon Louis en zijn vrouw, en Dominee en Juffw. Leentje en de Dames Prawley en Jeannette Fix zullen ons toch herhaaldelijk bezoeken, en dat zal de wereld wel overtuigen, dat men geen blaam op u werpen kan. â Maar misschien zal Mijnheer uw grootvader u niet zoolang willen missen; want ik hoor, dat hij erg op u verzot is: nu! dat neem ik hem niet kwalijk: â zie dan, in allen gevalle, dat gij hier met uw moeder een dag komt doorbrengen. 't Zal van u vandaan wel niet meer dan een half uur rijdens zijn naar het spoor, en zoo gij dan
237
daarmede uw reis voortzet, zal ik u te X het rijtuig zenden. Van uw moeder, die ik zeer verlang te kennen, verneem ik dan wel nader, of de Heer Flinck u een poosje zou willen missen. Zeg nu geen neen, lieve Nicolette, (ik meen Madeline; maar ik ben nu nog uw ouden naam niet ontwend: in allen gevalle is Madeline liever dan Klaasje! fi 1' horreur!) en reken er vast op, u hier te zien, en al uw Hardesteinsche vrienden ook. Adieu lieve! doe mijn gebiedenis aan Mevrouw uw moeder en Mijnheer uw grootvader, en geloof mij steeds
âUwe, U liefhebbende
âDouairière Van Eylar, âgeb. De Lisieux.
âP. S. Uw broeder is een allerliefste jongen, of, om beter te zeggen, precies een héros de roman. Hij heeft de conquête gemaakt van mijn schoondochter, c' est tout dire, en Bettemie is al jaloersch van haar, geloof ik. Chéri is in de laatste dagen niet frisch geweest; het arme dier heeft wurmen, zegt Le Mat.quot;
âDie goede Mw. Van Hardestein,quot; zeide Madeline, na den brief doorloopen te hebben: âhoor toch eens. Mama, wat zij schrijft.quot;
âWelnu! wat denk je te antwoorden?quot; vroeg Mw. Wayland, na den brief te hebben hooren lezen.
âWel Mama, dat kan immers niet,quot; zei Madeline: âbehalve dat ik u en grootvader niet alleen kan laten, zou het immers den schijn hebben, wanneer ik daar heenging, alsof ik op mijn vroeger besluit terugkwam.quot;
âIk zou daar nog juist zooveel kwaads niet in zien,quot; zeide Mw. Wayland, glimlachende: âmaar in allen gevalle verdient uw grootvader wel, dat wij hem den brief mededeelen, en hem tevens op de hoogte brengen van wat er tusschen u en den Jonker is voorgevallen. Wij kunnen, na den stap, dien
238
Mw. Van Hardestein doet, hem niet van het vroeger gebeurde onkundig laten.quot;
Madeline begreep dit ook: en zoo werd de oude Heer met den brief, en tevens met den sleutel daarop bekend gemaakt.
âVreemde dingen, die ik hoor,quot; zeide hij: âen heb je werkelijk dien jongen uit vrees voor dat malle gebabbel bedankt? â Nu! ik ben 't eens met Mw. Van Eylar, dat wij ons daar niet aan hebben te storen. Kijk! dat is een vrouw, die mij lijkt. Waar is zij vandaan?quot;
âMw. Van Hardestein is in de West geboren,quot; antwoordde Madeline.
âDacht ik het niet, dat het geen vrouw hier uit het land was?quot; hernam Flinck: âje moet maar buiten Europa geleefd hebben om je te kunnen zetten boven al die verd .... boven al die krenterige kleingeestigheden, wil ik zeggen, waar men hier zich zeiven en anderen het leven mee zuur maakt. Lang moge zij leven, Mw. Van Hardestein! En je moet het doen ook, Madelientje!quot;
âMaar, Grootvader! als ik het doe, dan blijf je immers alleen ?quot;
âJuist! maar heb je mij dan nog niet genoeg leeren kennen ? en zie je Herman Flinck voor zulk een egoïst aan, dat hij u altijd en uitsluitend voor zich zou willen houden, zonder te begrijpen, dat een jong meisje van uw leeftijd wel eens wat anders zien wil dan een ouden knorrepot als ik ben?quot;
âWel foei!quot; zei Madeline, hem kussende; âzoo mag Grootvader zich niet noemen. Een knorrepot! wie heeft u ooit dien naam gegeven? Een allerliefste grootpapa ben je, die zijn kleindochter gruwzaam bederft.quot;
âNeen, daar heeft Madeline gelijk aan, Papa!quot; zei Mw. Way-land: âen ik geloof, dat zoo'n tweede grootvader, als zij aan u heeft, nog gevonden moet worden.quot;
âJij bent een vleister. Mimi!quot; zei Flinck: âen je dochter ook; maar dat wil ik graag erkennen, dat, zoo ik geen grompot meer ben, ik het aan u beiden te danken heb: â maar, voet bij stuk, kinderen. Als Madelientje geen andere reden heeft om te weigeren, dan kan zij 't gerust aannemen.quot;
239
âJa Grootvader-lief,quot; zei Madeline, âMama heeft u immers verteld, dat ik Maurits bedankt heb; en als ik nu bij zrjn moeder ga logeeren, of zelfs er maar een dagje doorbrengen, zal men daaruit dan het gevolg niet trekken, dat ik van gedachte veranderd ben?quot;
âWel laat men er een gevolg uit trekken zoolang en breed als men wil,quot; zei Flinck: âen laat die jonkman zijn aanzoek nog eens herhalen, üit al wat ik van hem hoor, komt het mij voor, dat hij een beste jongen is, die niets dan je geluk voorheeft, 't Is niet om een kleindochter te hebben, die een gravenkroon draagt â dat zijn van die snuisterijen, daar wij in de Oost om lachen; â maar omdat ik gemerkt heb, dat je van hem houdt, en dat je kniezen zult, zoo lang tot hij je man wordt.quot;
âGrootpapa!quot; riep Madeline, bleek wordende en terwijl zij over al haar leden beefde. De oude man had de rechte snaar aangeroerd, maar het was een al te gevoelige: hij had zonder omwegen gezegd, wat het jonge meisje aan haar zelve niet bekennen wilde, maar in den laatsten tijd te diep gevoelde.
âAch! je hebt haar zeer gedaan,quot; zei Mw. Wayland, Madeline tot zich trekkende, die het hoofd aan haar boezem verborg.
âHeb ik?quot; vroeg Flinck, onthutst: âdat was, voor den.... dat was voorwaar mijn bedoeling niet. Maar zie je. Mimi, je zult beter slag hebben haar dat aan het verstand te brengen dan ik, die altijd maar zoo plomp verloren met mijn meening voor den dag kom. Zij heeft dien jongen lief of niet: heeft zij hem niet lief, dan is 't uit: heeft zij hem lief, dan moet zij de babbelaars hun gang laten gaan en hem nemen: dat 's hoe ik er over denk.quot;
âMadeline moet beslissen,quot; zei Mw. Wayland, haar dochter met bezorgdheid gadeslaande: âen hoe minder wij haar vermoeien met onze meening over de zaak, hoe beter.quot;
âAch!quot; zei Madeline: âik had al eenmaal mijn strijd gestreden; moet ik nogmaals al die gruwzame tijdperken doorloopen ? â Maar toch! als ik alles wel bedenk, ik heb de vorige reis alleen mijn eigen hoofd geraadpleegd, en te veel vergeten,
240
dat ik een lieve moeder had om mij te raden. Ik wil ook aan Dr. Van Zevenaer schrijven, hoe hij er over denkt, â en aan mijn goeden Dominee.quot;
âZij aarzelt,quot; dacht Mw. Wayland; âer ontbreekt nu maar een greintje, en de schaal slaat naar de gewenschte zijde over.quot;
En inderdaad, Madeline gaf gevolg aan haar voornemen en schreef aan beide de genoemde heeren. Zij kreeg echter eens zooveel antwoorden als zij brieven geschreven had. Eer wij de brieven geven, willen wij hier, in een tusschen-hoofdstuk, het verhaal invlechten, van hetgeen, tijdens het verblijf van Madeline op Blinkerswaard, een van haar pleegvaders wedervaren was.
ZESDE HOOFDSTUK,
WAARIN VERHAALD WOEDT, HOE TBEUEIG HET AFLIEP MET EEN VAN MADELINES PLEEGVADERS.
De Heer Jan Bleek Az. was, als men licht begrijpen zal, in een alles behalve genoeglijke stemming van de soiree bij Hoogenberg thuis gekomen. Bij 't gaan had hij zich bij zijn vrouw, die juist op 't punt stond zich naar een salet bij Juffw. Prijgraag te begeven, nog zóó beroemd op de prachtige speculatie, die hij had gedaan door voor f 20,000 heidegronden aan te koopen, die hij aan dien ouden brompot, zooals hij Flinck noemde, voor wel f 160,000 zou aansmeren, en nu schrikte hij tegen de vragen, die zij hem onmisbaar zou doen. Bij vele andere verkeerdheden, bezat Bleek ook deze, zijn vrouw altijd omtrent den waren staat zijner zaken in een verkeerden waan te houden: immers, wel vertelde hij het haar, als hem een winst te beurt viel, of als hij een voordeel in t vooruitzicht zag: omdat zoodanige mededeeling tevens haar in een goede luim moest brengen en, een bedekte hulde insluitende, die hij zelf aan zijn doorzicht bracht, voldoening schafte aan zijn eigenliefde; maar dewijl het verhaal van geleden verliezen juist tot de tegenovergestelde uitkomsten leiden moest, hield
241
hij die altijd zorgvuldig voor haar verborgen. Was deze handelwijze laakbaar, in zooverre zij een bedrog was, door den man tegen de vrouw gepleegd, wij willen er echter Bleek niet te hard om vallen. De man heeft reeds genoeg op zijn rekening, en als waarachtige historieschrijver mogen wij zijn schuld niet vermeerderen, noch verzuimen datgene aan te voeren wat tot zijn verschooning dienen kan. En dan kon hij zijn gebrek van vertrouwen jegens zijn vrouw reeds daarmede verdedigen, dat hij daarin niet anders handelde dan de meeste echtgenooten in geiyke gevallen doen; 't zij uit een schijnbaar prijselijke, doch in de gevolgen verkeerde zucht om aan hun vrouwen eenig verdriet te besparen, 't zij uit een nog verkeerder valsche schaamte: in het bijzondere geval van Bleek kwam er bij, dat zijn wederhelft volstrekt niet tot de zoodanigen behoorde, van welke hij, na de mededeeling van een geleden tegenspoed, vertroosting, opbeuring, goeden raad kon verwachten : wel daarentegen kon hij er op rekenen, dat hem daarbij verwijten en jammerklachten voor de deur zouden staan.
len opzichte echter van de nu ondernomen speculatie zag Bleek te goed in, dat het verzwijgen van den afloop der zaak moeilijkheid zou inhebben. Immers, zijn gramschap en zijn geldzucht dreven hem vereenigd aan, het er niet bij te laten, maar dien âgemeenen ouden schobbertquot; voor den rechter te roepen,^ en hem te dwingen, den gegeven last tot aankoop diei heidegronden gestand te doen; en kwam er nu een proces, de dagbladschrijvers waren tegenwoordig onbescheiden genoeg, om de geschillen, die particulieren onderling hadden, aan het publiek mede te deelen, en zoo zou Mw. Bleek, die, vlijtig alle schandalen opsporende, altijd het artikel Rechtzaken zoo niet las, dan althans doorliep, de geheele geschiedenis uit de courant te weten komen. â Onder deze omstandigheden was Bleek het bericht, dat zijn dienstmeid hem gaf toen zij hem binnenliet, nl., dat Mevrouw met zware hoofdpijn thuis gekomen en terstond naar bed gegaan was, verre van onaangenaam; immers, het spreekwoord zegt: âtijd gewonnen veel
v. - k. z.
242
gewonnen,quot; en nu had hij een geheelen nacht tijd en kon daarvan gebruik maken om tot bedaren te komen en alle sporen van onrust en toorn van zijn gemoed te verbannen.
Wat hem voorts van het opbiechten der ondergane teleurstelling voorshands ontsloeg, was de omstandigheid, dat aan het ontbijt Mw. Bleek nog te veel vervuld was van de geschiedenis van haar hoofdpijn, om naar iets anders te vragen. Eerst onthaalde zij haar man op een omstandig verslag van haar wedervaren op den vorigen avond, en hief bittere klachten aan over de walmende kolen, die Keetje Prijgraag er altijd op scheen na te houden, en waar zoowel de testen der stoven als het komfoor onder den theeketel van voorzien werden, en welke koolwalmen haar die hoofdpijn bezorgd hadden: welk verslag aangenaam werd afgewisseld door diepzinnige natuurkundige opmerkingen betreffende liet gebrek aan een reukorgaan, waarmede alle dienstboden, en meer bijzonder de vrouwelijke, behept zijn. Van het bespreken van dit gebrek was de overgang tot een verhandeling over de andere verschillende gebreken der dienstboden zeer geleidelijk, en die werd ook aan Bleek niet bespaard. Doch zoo hij niet veel nieuws hoorde, maar daarentegen veel, dat hem onder alle andere omstandigheden gruwzaam verveeld en wrevelig gemaakt zou hebben, hij luisterde deze reis niet alleen met het grootste geduld naar wat hij hoorde, maar scheen er nog wel groote belangstelling aan te schenken, en liet zijn wederhelft naar hartelust doorpraten, zich reeds verheugende er zoo af te komen.
Intusschen, zoo hij er op gerekend had, dat uitstel van nieuwsgierigheid bij haar met afstel gelijk zou staan, dan faalde zijn rekening; want toen Mw. Bleek eindelijk haar hart gelucht, en genoeg over het onderwerp, dat haar bezig hield, had uitgeweid, schoot haar op eens te binnen, dat zij nog van haaiman de bijzonderheden vernemen moest, die de soiree bij Hoogenberg hadden gekenmerkt.
â âEn hoe is 't Jan?quot; vroeg zij: âwat was dat nu voor een partij gisteravond? Je vertelt mij ook niets.
243
âWel,quot; vroeg Jan, op zijn beurt, âhoe wil ik u iets vertellen, als je mond al dien tijd niet stilstaat?quot;
âNu ja, ik diende je toch te zeggen van mijn hoofdpijn: ik weet wel, het gaat je weinig aan, of je vrouw hoofdpijn heeft; â maar ik wilde je toch reden geven, waarom ik gisteren, toen je thuis kwaamt, al naar bed was. â Maar kom, vertel mij nu gauw, wat was er te doen bij Hoogenberg?quot;
âJa,quot; zei Bleek: âdaar zul je nieuw van ophooren! â Verbeeld je 'reis, dat de moeder van dien brutalen Hermans, die bij ons op 't kantoor is geweest, geen Hermans heet, maar een Juffrouw Van Doertoghe is, familie van de groote Van Doertoghes, en indertijd getrouwd geweest met een zoon van den ouden Flinck.quot;
âWat zeg je? Vertel dat nog 'reis! â Maar dat lijkt onmogelijk,quot; zei Mw. Bleek, nadat haar man aan haar verzoek had voldaan.
âEn toch is het zoo! en daarbij is ontdekt, dat mijn gewezen pleegkind, weet je? dat zij mij voor een goeie twintig jaar op dien avond te Leiden hebben opgedraaid, een dochter is van de eigenste Juffw. Hermans, of Mw. Wayland Flinck, als zij nu heet.quot;
âWat?quot; riep Mw. Bleek: âo! dan logeerde zij daarom bij haar, en dan was het niet om die reden, die Keetje Prijgraag dacht.quot;
âJa! wat daarvan is, weet ik niet,quot; zei Bleek, met een boosaardigen lach: âzeker is het, dat Mw. Wayland het gisteravond eerst hoorde en er dus toen niets van wist.quot;
âO!quot; zei Mw. Bleek, terstond de minst gunstige gevolgtrekking makende, en terwijl haar gelaat de tevredene uitdrukking aannam, die wij in een vorig Boek geschetst hebben: âdan kan het praatje toch waar zijn. â Hemel! wat een ongerechtigheden!quot; riep zij uit, deze reis met de (insgelijks door ons beschreven) uitdrukking van innige zielesmart.
âIk weet het niet,quot; hernam Bleek: âzooveel is zeker, dat Hoogenberg zijn beste beentje vooruitgestoken heeft om al de zonden, die Juffrouw Klaasje op haar geweten mag hebben.
244
zoo rein te wasschen als witte wol. Nu! 't spreekt van zelt. 't was een doorgestoken werk met den ouden Flinck: en voor diens geld was 't niet moeilijk, getuigen te krijgen, die alles verklaarden wat men verlangde: â als b. v. zoo'n Klabbe, een vent, die niet goed genoeg er toe is, voor geld, zijn moeder
aan de galg te praten.quot;
âHeere bewaar ons! Valsche getuigen!quot; riep Mw. Bleek, de oogen ten hemel heffende: â âen heb je de heigronden aan
dien ouden heiden verkocht, Jan?quot;
âDenk je, dat er gisteravond gelegenheid was, om daarover te spreken?quot; vroeg Bleek, deze reis op zijn houding voorbereid: âJa,quot; vervolgde hij : âdaar is geen bezwaar bij: koopen moet hij ze; ofschoon, nu die Albert zijn kleinzoon blijkt te zijn, is het te verwachten, dat die hem tegen mij zal opzetten, en dat de oude vrek misschien chicanes zal maken; maar dan zal een proces hem wel tot reden brengen. Nu! dat is van latere zorg: ik moet naar het kantoor, en zoo wij nog lezen
zullen, wordt het tijd.quot;
En op deze wijze zijn vrouw hebbende voorbereid op een eventueel tegenvallen der speculatie, sloeg hij den huisbijbel op en las haar de parabel voor van den onrechtvaardigen rentmeester.
Maar het kwam tot geen proces: wel wist Bleek, door tusschenkomst van zijn vriend Kluiver, een advocaat op te schommelen, die de zaak aanvaardde en een insinuatie voor hem stelde; maar Hoogenberg liet Kluiver bij zich komen en door hem aan Bleek weten, dat deze, zoo hij de zaak dorst voortzetten, zich op een correctioneele, zoo geen crimineele vervolging te wachten had voor de rechtbank te Marlheim, wegens pogingen om, door omkooping, valsche verklaiingen aangaande de waarde der meer besproken perceelen te bekomen. Die waarschuwing, gevoegd bij zijn bewustheid van wat er omtrent de andere zaak aan 't licht zou komen, bekoelde de pleitlust van Bleek, en hij begreep, dat er niets anders opzat, dan de pil, met andere woorden, de heigronden, te slikken. Maar dat ging zoo gemakkelijk niet. Ruim twintig duizend
245
gulden te moeten betalen voor wat hij zelf wist niet anders te zijn dan slecht en onverkoopbaar zand, was op zich zelf alles behalve vermakelijk; maar te minder zoo, omdat Bleek natuurlijk zulk een som niet had liggen en die moest bijeenschrapen door effecten en goederen te verpanden, die hem grootendeels niet toebehoorden. Om de geleden schade te vergoeden, en zich te dekken, deed hij wat negen en negentig van de honderd in zulk geval doen, en nam zijn toevlucht tot nieuwe specu-latiën, en toen deze niet het gevolg hadden, dat hij er zich van voorstelde, weer tot andere, die over nog grooter sommen liepen, en die, bij het vertrouwen, dat zijn zwarte rok, witte das en afgemeten vormen hem nog altijd verschaften, voornamelijk voortgezet werden met het geld, dat goedgeloovige vrienden en bekenden hem leenden. Van dat alles wist Mevrouw niets: wel had zij bespeurd, dat Jan veel 's morgens buitenshuis was, en zelfs nu en dan met een vigilante, terwijl hij vroeger zelden van zijn kantoor kwam: maar dan wist hij haar te beduiden, dat de vooruitgang in alles, en speciaal de meerdere uitbreiding, die zijn zaken kregen, verdubbeling van activiteit vorderden; dat het een dwaas vooroordeel bij de Amsterdammers was, er zoo tegen op te zien, een rijtuig te nemen om boodschappen te doen, en lieden te gaan spreken; dat de Rotterdammers wijzer waren en, steeds indachtig aan de Engelsche spreuk: time is money, er hun hand niet voor verzetteden om een vigilante te nemen. â quot;Wel had zij evenzeer bespeurd, dat hij tegenwoordig altijd iets gejaagds had, en 's nachts zich veel meer dan gewoonlijk in zijn bed omdraaide, zoodat zij zeer dikwijls ten gevolge van zijn woelen stompen met zijn ellebogen en schoppen ontving; doch hij verklaarde zijn gejaagdheid uit de ontzaglijke drukte zijner zaken, en zijn woelen door kramp in de maag, die hem uit den slaap hield. âAlles ging goed, en zijn karretje reed nog,quot; beweerde hij, âop een zandweg,quot; toen het voorlang reeds aan den rand van den afgrond stond, waar het bij den minsten schok onmisbaar in moest tuimelen.
En die schok, al was hij herhaaldelijk door allerlei kunst-
246
middelen voorkomen, moest zich eindeijk doen voelen. De fondsen gingen onverwachts een half, één, twee, drie percent naar de laagte; zij, bij wie Bleek effecten van zich of van anderen in beleening had gegeven, vorderden van hem het bijpassen der surplusen en hij had de overtuiging, dat hij daartoe buiten staat was, dat alle hulpbronnen voor hem waren opgedroogd, en alle hoop op uitkomst verloren. Bankroeten op bankroeten hadden in de laatste dagen elkander opgevolgd: ieder haalde de snoeren van zijn geldbuidel toe en bereidde zich tot afweer van mogelijke slagen, die uit onbekende hoeken konden dreigen. Het was een van die oogenblikken in het handelsleven, waarin een panische schrik alle gemoederen bevangen en het openbare krediet geschokt heeft, waarin alle vertrouwen op de soliditeit van den naaste verdwenen is. En toch was er niemand die, al mocht hij als zeker stellen, dat ook de firma Bleek onder den algemeenen druk moest lijden, en al mocht hij er volstrekt niet toe genegen zijn, haar op dit tijdstip eenige faciliteiten te geven, veelmin eenige fondsen ter harer beschikking te stellen, toch, zeggen wij, was er niemand, die zich verbeeldde, dat zij zóó zwak stond. Dat wist zelfs de oude Krijschhoog niet; â want al had de boekhouder van Bleek een min bekrompen verstand en meer doorzicht gehad, dan de lezer uit hetgeen vroeger betreffende hem gezegd is, heeft kunnen opmaken, het geval te zijn, toch zou zijn wetenschap ten deze zich tot loutere gissingen bepaald hebben; immers van al die geheime manoeuvres, die zijn patroon had aangewend om zich staande te houden en waardoor hij er zich al dieper en dieper had ingewerkt, was aan Krijschhoog niets bekend.
Maar wie alles er van wist, en ook tevens, dat geen redding, geen uitweg meer mogelijk was, was Bleek. - En toch was het vrees, was het schaamte, was het trots, of dat alles te zamen genomen? - toch bleef hij even hardnekkig aan zijn vrouw verzwijgen, dat hij voortaan een bedelaar was, aan zijn boekhouder, dat deze een anderen patroon kon gaan zoeken. _ Voor den laatste kon echter, op den dag der uitbar-
247
sting, de zaak geen geheim blijven; â want op dien dag verviel er een wissel â een wissel van niet meer dan een paar honderd gulden â en toen dien aan 't kantoor werd aangeboden, en Bleek droogjesweg antwoordde: âdie wissel wordt niet betaald,quot; toen ging er voor hem, Krijschhoog, een licht op, en staarde hij niet minder onthutst en met open mond zijn patroon aan, als het de looper deed, die den wissel bracht en die, twijfelende, of hij wel goed gehoord had, zich het antwoord herhalen liet.
En toen de looper weg was en de boekhouder nog altijd in dezelfde verblufte houding zijn patroon bleef aanstaren, toen zei Bleek anders niet dan:
âJa, Krijschhoog, het is zoo: â ik ga niet naar de Beurs. Ik denk niet, dat er iemand meer komen zal vandaag. Ware dat het geval, stel dan maar al wie mij spreken wil tot morgen uit.quot; En met deze woorden, waarbij zijn gelaat even effen en onbeweeglijk gebleven was als gewoonlijk, trad hij van het kantoor en liet den ouden man ontsteld en geheel terneergeslagen staan.
En toen ging hij naar zijn kamer, die op de tweede verdieping was, en schonk zich een glas Utrechtsch water in, dat hij in langzame teugen uitdronk, en bleef er voor het open raam zitten, dat op den tuin uitzag.
En zoo de achterburen hem uit hunne huizen gadesloegen, zooals hij daar, meer dan twee uren lang, bijna onbeweeglijk naar buiten zat te kijken, dan maakten zij zeker bij zich zeiven de opmerking, dat de Heer Bleek vandaag al bijzonder veel leegen tijd overhad, en vonden zij hem ongetwijfeld al heel kinderachtig, dat hij zich zoolang kon vermaken met te kijken naar de gymnastische oefeningen, die eenige katten in den tuin maakten.
En werkelijk keek Bleek naar die katten, en zag, hoe zij, nu eens, zich in 't zonnetje koesterden en elkander met gepaste deftigheid een geruimen tijd in de oogea keken, en dan weder luchtig over elkander sprongen, of elkander najoegen over de schutting: â en het was of die beschouwing hem
248
een wijl al wat er met hem had plaats gehad, vergeten deed, en misschien wenschte hij, in plaats van Jan Bleek Az., een van die dartele katten te zijn.
En toen de twee uren om waren, kreeg hij zijn hoed om uit te gaan, en begaf zich naar de huiskamer, waar zijn vrouw zat te werken; en zei haar, altijd met hetzelfde onverschillige gezicht, dat hij met den trein naar Utrecht ging om daar met een beroemde kassiersfirma te spreken, waar hij zaken mee uitstaande had, en niet voor den avond weer thuis zou wezen.
En toen hij hierop vertrokken en op straat gekomen was, toen meende hij zich flauw te herinneren, dat zijn vrouw zich misnoegd had getoond, dat zij niet vroeger met zijn voornemen was bekend gemaakt: want dat zij dan geen visch zou genomen hebben, en dat zij nu alleen voor vier baarzen zat; ook meende hij van haar vernomen te hebben, dat zij plan had, den avond te gaan doorbrengen bij Mevrouw Lix.
En, terwijl hij met zijn gewonen deftigen stap langs de Keizersgracht wandelde, heel beleefd de kennissen groetende, die hem tegenkwamen, stond het portret van Mw. Lix hem voor den geest, met haar valsche krullen, haar muts met vuur-roode linten en haar niet minder rooden neus, en was het hem, als klonk haar teemend stemgeluid, dat wel door een geborsten orgelpijp scheen voortgebracht, hem in de ooren.
En al verder voortwandelende, kwam hij aan de Leidsche straat en sloeg die in: en zoo ging hij het huis voorbij, waar Galjart zijn kamer had; en hij dacht een oogenblik aan zijn zwager, en hoe deze, niettegenstaande hij al zijn leven een lichtmis was geweest, nu nog beter af was dan hij, de deftige Jan Bleek Az.: en hij dacht ook even aan haar, die zijn zwager had opgepast, die vroeger van de genade van anderen leven moest, toen hij. Bleek, een welgesteld man was, en hoe hij nu, omgekeerd, op niemands genade meer te rekenen had; terwijl zij een vermogende Juffrouw was geworden.
En zoo kwam hij op het Leidsche Plein en bleef even voor den Schouwburg staan en las het affiche.
En een Heer, die een singeltje omgekuierd had en de poort
249
weer binnenkwam om zich naar de Beurs te spoeden, keek verbaasd op, toen hij op dat uur Jan Bleek Az., die nooit naar schouwburg of concert ging, een affiche zagbestudeeren, en nog verbaasder, toen hij, later omziende, bespeurde, dat de man, in plaats van, evenals hij zelf, den weg in te slaan, die Beurswaarts leidde, nabij de poort stond, en daar op een aanplakbiljet tuurde, dat den verkoop van een Huis en erve aankondigde.
En werkelijk las Bleek dat geheele aanplakbiljet ten einde, van de woorden âWillige Verkoopingquot; af, tot aan den naam van den drukker toe.
Hij had toch evenmin plan om huizen te koopen als om den Franschen troep te gaan bewonderen, â die â in de vacantie der Hollandsche tooneelisten â dien avond een voorstelling gaf: â wat dreef hem dan aan, die biljetten te lezen? â Waarschijnlijk zou hij zelf op die vraag het antwoord hebben moeten schuldig blijven. Was het, omdat de geest van den mensch, als hij door een gebeurtenis van ongemeen gewicht uit zijn gewone sfeer geslagen is, te gelijk er naar gedreven wordt om zich met iets anders, zij het ook iets onverschilligs, bezig te houden, dat hem afleiding bezorgt?
Wat daarvan zij, toen Bleek de verkoopceel gelezen had, zette hij zijn wandeling voort, en liep de brug over: en toen de bedelaar met zijn houten been, die daar stond, hem om een aalmoes bad, toen zag hij hem aan met een blik vol bitterheid en nijd; want hij had de bewustheid, dat die bedelaar rijker was dan hij.
En hij wandelde den Overtoom op, en zag nu en dan naar 't water, en naar de groentenschuiten, die naar de stad roeiden; en hij, die anders nooit iets om zulke dingen gaf, hij had er schik in, zoo netjes als die bosjes wortelen, en die rapen, en die bloemkool gerangschikt waren, en hoe vroolijk zij, door verschil van kleuren, tegen elkander afstaken.
En toen hij aan 't einde van den Overtoom gekomen was, ging hij een herberg binnen en vroeg een glas bier: â en toen het hem gegeven was, liet hij er een scheutje brande-
250
wijn in doen, wat zeker vreemd was, in iemand die geen sterken drank lustte, en lid van de afschaffing was bovendien: en hij maakte heel bedaard een praatje met de vrouw uit de herberg, over den prijs van de boter en over de hooge belastingen, en over een grooten hond, dien zij gekocht had en die naast de deur lag.
En toen hij zijn glas leeggedronken en betaald had, en de herberg weer verliet, keek hij zijn porte-monnaie nog eens aan, alvorens die weg te sluiten: en zijn gezicht vertrok zich tot een lach: en de vrouw uit de herberg, die nog aan de deur stond, hoorde hem nog lachen, toen zij hem de brug over en den weg naar Sloten zag opgaan; en lang naderhand herinnerde zij zich nog, hoe vreemd haar dat lachen in de ooren had geklonken.
Dienzelfden avond had Mevrouw Lix eenige vriendinnen bij zich genoodigd: en het eerste, waarover Mevrouw Spilbier, en Leen Barwel en Keetje Prijgraag en de gastvrouw zich onderhielden, was over het groote nieuws, 't welk zij van haar mans of broers gehoord hadden, dat namelijk Jan Bleek Az. niet aan de Beurs geweest, en failliet was: en het ontbrak daarbij natuurlijk niet aan kreten van verbazing en verontwaardiging; niet eene van de dames had zoo iets van dien man kunnen vermoeden; alleen Keetje Prijgraag beweerde, steeds gevonden te hebben, dat hij iets in zijn oogen had, dat niet pluis was. Wat mede verwondering wekte was, dat Mw. Lix geen afzegging gekregen had van Mw. Bleek! maar wat nog grooter stof tot verbazing, ja tot verslagenheid gaf was, dat terwijl zij 't drukst aan 't redeneeren waren over hetgeen â't arme menschquot; nu beginnen zou, â't arme menschquot; plotseling in heur midden verscheen.
Men kan zich voorstellen, hoe opeens het algemeen gesnap door een algemeen stilzwijgen vervangen werd, hoe vreemd de dames elkander aankeken, en hoe verlegen Mw. Lix was bij 't verwelkomen van haar vriendin. Eerst zette zij een visage de circonstance en plooide haar mond tot het uiten van een condoleantie, die zij echter gelukkig intijds nog
251
binnenhield, toen zij aan 't gelaat en 't voorkomen van Mw. Bleek bespeurde, dat deze öf geheel onbekend was met den slag, die haar getroffen had, öf er zich niet over bekommerde. Spoedig werden de aanwezige dames gewaar, dat het eerste dierquot; beide gevallen ten deze aanwezig was: immers anders had Mw. Bleek niet, zoodra zij was gezeten, op dien toon en met die gerustheid kunnen beginnen met het verhaal van de vier baarzen, waarmee haar man haar had laten zitten, en met een uitweiding over het verdriet, dat een vrouw ondervindt, wanneer haar man van huis gaat, zonder dat hij zijn vrouw een dag of wat te voren daarvan verwittigd heeft: iets wat Mw. Lix en Mw. Spilbier volkomen met haar eens waren, en dat in elk ander geval aan die beide dames ruime aanleiding verschaft zou hebben om noten bij zulk een tekst te leveren; doch waar zij, in den toestand van verlegenheid, van versuftheid, zouden wij bijkans zeggen, waarin haar de tegenwoordigheid der spreekster gebracht had, zich vergenoegden, door een zwijgend knikken met het hoofd en een melancholieken blik, mede in te stemmen. â Langzamerhand, en naarmate de avond vorderde, begon deze en gene van de aanwezigen moed genoeg te scheppen om 't een of ander onderwerp op 't tapijt te brengen; doch zelden gelukte het haar, het gesprek gaande te houden, en de anders zoo tot praten geneigde vrouwen schenen thans met een geest van stomheid geslagen, met uitzondering alleen van Mw. Bleek, die, maar volstrekt niet verdacht zijnde op de rol die zij speelde, zich dan ook niet geneerde om haar tong den vrijen teugel te vieren, en de cancans, die haar ter ooren gekomen waren, aan haar vriendinnen op te disschen. Doch de mede-deelingen, welke zij deed, misten heden de uitwerking, die zij anders onmisbaar teweegbrachten; zij lokten noch de gewone kreten van âgunst, is 't mogelijk! â Heere, bewaar ons! â quot;Wat je zegt!quot; noch de gewone reeks van gelijksoortige praatjes en vertelseltjes uit. De soirée liep dan ook vrij droomerig ten einde: het was voor de dames een verlossing, toen de vigilantes en sleeën werden aangemeld, en Mw. Bleek zelve
252
vond onder 't naar huis gaan toch ook, dat haar vriendinnen dien avond al bijzonder stil waren geweest, en begreep niet, wat er toch aan geschort kon hebben.
Dat raadsel zou haar, bij haar thuiskomst, maar al te ras worden opgelost; de meid vertelde haar reeds in de gang, dat er verscheidene heeren aan huis geweest waren, onder anderen wel drie dominees, die maar niet wilden gelooven dat Mevrouw uit was: en dat Mijnheer Hoogenberg, en Mijnheer Galjart, en nog twee Heeren boven waren.
En werkelijk, toen Mw. Bleek boven kwam, vond zij daar, behalve haar zwager, die op de ontvangen tijding van Bleeks failliet, toch zijn plicht had geacht, te komen hooren of hij ook van dienst kon zijn, en Hoogenberg, die door eenige der aanzienlijkste crediteuren in 't werk gesteld was, ook het Gerecht, dat, ten gevolge eener ingestelde aanklacht. Bleek was komen zoeken, en, hem niet vindende, tot de verzegeling van zijn inboedel was overgegaan.
Den volgenden morgen vond een boer onder Osdorp, die naar 't land ging om zijn koeien te melken, in een dwarssloot een drenkeling, die, opgehaald zijnde, bij 't schouwen herkend werd voor den vermisten bankroetier.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN VIERTAL BRIEVEN.
Frederik Galjart aan Madeline Flinck.
Amsterdam, den 22sten Mei 184 .
Beste Madeline!
Dr. Van Zevenaer heeft mij verhaald, dat gij hem geraadpleegd hadt over het al of niet aannemen van zekere uitnoodiging: â hij zal u zijn meening dienaangaande zelf zeggen: gaarne wil ik u de mijne mededeelen, zoo
253
gij er op gesteld zijt, die te weten: misschien ziet gij mij voor bemoeiziek aan; maar ik stel te veel belang in u, om, in een geval als dit, waar het uw geluk betreft, te kunnen zwijgen, en bovendien wilde ik toch aan u schrijven.
Als ik zeg, dat ik belang in u stel, dan druk ik mij wel niet verkeerd uit, maar bezig ik een uitdrukking, die mij bitter flauw en onbeduidend voorkomt. Neen voorwaar, ik doe eindeloos meer: ik beschouw u niet langer, gelijk in vroegere jaren, als een dochter, als een speelpopje, dat wij, Pleïaden, er vermaak in schepten aan te kleeden om er mee te pronken, maar veeleer als een wezen uit hooger sfeer, gezonden niet alleen om mij aan den dood te ontrukken en mij als een engel der liefde te verplegen, maar ook om mij op te beuren uit den afgrond van ellende, waarin ik verzonken was, om mij te doen inkeeren in mij zeiven, en om mij weder eerbied te doen krijgen voor de vrouw. Zag ik vroeger uit mijn vermeende hoogte op u neder, thans zie ik met nederigen ootmoed tot u op, Madeline! en wanneer ik nu raad durf geven aan iemand, die zoo hoog boven mij staat, vind ik mij zeiven belachelijk.
Zie, mijn lieve Madeline! het is er zoo mee gelegen, dat ik het grootsch en edel van u gehandeld vond, dat gij te Hardestein de hand van den Jonker Van Eylar weigerdet, maar dat, zoo gij die nu aanneemt, gij nog verhevener in mijn oogen zijn zult, omdat het mij een bewijs zal zijn, dat gij u verheft boven het gesnap van een laf gepeupel.
Nu zult gij misschien denken, dat ik hierbij alleen datgene in u bewonder, wat ik zelf zoovele jaren heb gedaan, en toch is dit niet zoo. Het is waar, ik heb ook tot gewoonte gehad, mij boven het qu'en dira-t-on te stellen; maar dat was verre van loffelijk; in mijn geval had het publiek volkomen gelijk, mijn handelingen af te keuren, en ik groot ongelijk mij daarboven te verheffen. Gij daarentegen hebt u niets te verwijten, en uit de hoogere sfeer, waarin gij u beweegt, kunt gij gerust met een blik van
254
verachtend, â maar neen, daar zijt gij te goed toe, â van verschoonend medelijden neerzien op den blinden hoop, die zich daar beneden en onder uwe voeten beweegt. Maar bovendien: men babbelt; of men doet het niet: â in het laatste geval behoeft men niet over de zaak te tobben: in het eerste zal men babbelen, 't zij gij den Jonker Van Eylar trouwt of niet, en misschien, zoo gij hem niet trouwt, nog het meest; want dan zal men uw weigering toeschrijven aan een besef van onwaarde uwerzijds, aan vrees, dat er dingen zouden uitlekken, die 't daglicht niet velen kunnen, aan allerlei redenen in één woord, behalve aan een gevoel van vergedreven kiesch-heid, van hoedanig gevoel de massa zich geen flauw begrip zal maken; doch waarvan gij â en uw minnaar bovendien â op die wijze dubbel dupe zoudt zijn. â Zie, voor zoo iets wenschte ik u te behoeden. â 't Is tijd, dat gij, na al het lijden, dat gij geleden hebt, eindelijk eens het geluk vindt, dat gij waardig zijt en het einde het werk bekrone: moge het zijn, met een gravenkroon.
En nu zou ik hier kunnen eindigen; maar dat gaat niet wel. Als iemand, die aan een dagblad verbonden is, u een brief schrijft, dan hebt gij recht te verwachten, dat hij u voor 't minst één nieuwtje meedeelt. Aan een ander zou ik kunnen zeggen: al het nieuws, dat ik u zou kunnen vertellen, staat in de courant; â doch dat is niet zoo: â in mijn positie verneem ik heel wat, dat niet in de courant komt, en dat dikwerf nog belangrijker is dan hetgeen men er in te lezen krijgt. En nu heb ik u iets te vertellen, dat u waarschijnlijk niet onbelangrijk zal voorkomen.
Het betreft namelijk den Heer Drenkelaer, den mislukten vrijer van Juffw. Van Doertoghe. Hij ligt overhoop met de heeren van zijn rechtbank, omdat tegen hen in de Marlheimsche courant een boosaardig artikel is uitgekomen, waarvan hij gebleken is de schrijver te zijn. Reeds wist de Heer Van Donia, en anderen misschien ook, die 't echter voor zich hadden gehouden, dat hij al vroeger een aantal
255
vuile artikelen geschreven had tegen allerlei voorname personen te Marlheim en elders: en dit is nu algemeen bekend geworden: wat natuurlijk ten gevolge heeft gehad, dat men hem vooralsnog met den nek aanziet. Ik zeg âvooralsnog;quot; want het is zeer mogelijk, dat, zoo niet de stemming, dan althans de houding, te zijnen opzichte verandert. Immers hij heeft het masker, nu het toch opgelicht was, voor goed weggeworpen, aan den uitgever der courant beduid, dat zijn blad juist daarom veel gelezen werd, omdat het hatelijkheden bevatte, den redacteur gedwongen, te bedanken, en zelf de redactie aanvaard. â En nu dat bekend is, zal men zien, dat hij in 't kort een âMachtquot; wordt. De massa, die ter goeder trouw zich verbeeldt, dat er moed toe noodig is, om tegen de bestaande Machten uit te varen en aan lieden van rang allerlei grofheden naar het hoofd te werpen, en die op 't stuk van aardigheden niet bijzonder kiesch is, zal hem toejuichen, en de overigen zullen hem ontzien, niet meer uit achting, maar uit vrees. â Gij kunt hetgeen ik u hem betreffende mededeel, aan Mijnheer uw grootvader vertellen, die nogal met den man scheen ingenomen: en, wanneer gij uw aanstaande schoonzuster eens spreekt, haar dubbel geluk-wenschen, dat zij nog bijtijds zich van zulk een vrijer ontdaan heeft.
Gij hebt zeker vernomen, hoe treurig het afgeloopen is met mijn zwager Bleek. De man is ter ziele en ik zal het voorbeeld niet volgen van de massa, die, vroeger met steenen geworpen hebbende naar al wie hem niet voor solide hield, nu steenen op zijn graf smijt, en beweert, dat zij altijd wel gedacht had, dat het zoo met hem zou afloopen; â al was er niemand die 't dacht, behalve misschien uw grootvader, die hem van den beginne af niet vertrouwde. Ik wil, nu hij niet meer leeft, ook niet meer van hem gewagen, en zoek alleen mijn best te doen voor zijn ongelukkige weeuw. Hoewel bij r a c c r o c, heeft de overledene toch de eer gehad, tot uw pleegvaders
256
te behooren, en al is hetgeen hij in die hoedanigheid heeft uitgegeven, hem vergoed geworden, ik ken u toch te wel dan dat ik geen vrijmoedigheid zou vinden om uw medelijden in te roepen voor een ongelukkige vrouw, die, zoo men zich niet over haar ontfermt, aan volslagen gebrek ten prooi wordt.
Nu, beste meid, trouw gerust met uw Jonker, zoo gij hem liefhebt, en wees verzekerd, dat, zoo er iemand is, die in 't vervolg zich verstout, iets op u aan te merken, hij gerust kan rekenen een kartel te ontvangen van uw gewezen vader voor '/s3'8)
F. Galjaet.
Mr, Willem Hoogenberg aan Madeline.
Amsterdam, Juni ISé.
Waarde Madeline,
Ik vernam uit uw schrijven, dat het aanzoek, door den Jonker Van Eylar om uw hand gedaan, zijdelings hernieuwd wordt. Of gij dien Heer genegen zijt, is een zaak die u persoonlijk betreft; maar de gronden, waarop gij zijn hand geweigerd hebt, komen mij onvoldoende voor. Ik meende, door mijn bemoeiingen, er in geslaagd te zijn, uw onschuld boven allen redelijken twijfel te stellen, en ik geloof, dat, na uw vrijspraak door de jury, die te mijnen huize vergaderd was, u wel niemand meer zal durven beschuldigen. Wanneer een verstandig edelman, en die op het punt van eer zoo fijngevoelig is als mijn vriend de Graaf Van Eylar, geen bedenkingen maakt, en 's jongelings moeder zelve u als schoondochter wenscht, dan zie ik niet in, hoe er van uwen kant nog bezwaren zouden kunnen bestaan. Geloof mij
Uw toegenegen W. Hoogenbeeg.
P. S. Ik verzoek mijne nederige groete aan Mevrouw uw moeder en aan den Heer Flinck. ZEd. heeft zeker
257
vernomen, hoe 't afgeloopen is met den Heer Bleek, uw gewezen medepleegvader. Ik ben In diens boedel werkzaam en ik heb, bij inzage der boeken, mijn vermoeden bevestigd gevonden, dat hij zijn zwager Galjart op verregaande wijze benadeeld heeft.
Ds. Gr. Bol aan Madeline.
Mijn kind!
Ik kan niet nalaten u nog met dien naam te noemen. Rechtuit gezeid, onze wederzijdsche betrekking kon ook niet veranderen, en dat ge uw moeder hebt teruggevonden, belet niet, dat gij ons pleegkind waart en gebleven zijt, en ontneemt niets aan de hartelijke liefde, die ik u toedraag, noch, vertrouw ik, aan uw genegenheid te mijwaart: â al ga ik niet zooverre als de Heer Thomas Diafoyrus, bij Molière, die beweert, dat men meer dankbaarheid schuldig is aan een vader, die ons aanneemt, dan aan zijn eigen; op grond dat gene uit vrijen wil zijn vaderschap bekleedt en deze omdat hij niet anders kan. â Wat mij betreft, ik weet, dat bij al wie het voorbeeld navolgt van onzen grooten Meester, wiens liefde oneindig is, er ook meer ruimte is dan voor ééne liefde; en uw hart althans heeft steeds zulk een behoefte gehad om zich te hechten aan wie belang in u stelde, dat ik niet twijfel, of gij zult, waar 't aankomt om bewijzen te geven van genegenheid, u eerder aan overdrijving schuldig maken dan aan verflauwing.
Het is dan ook aan overdrijving van liefde, dat ik het toeschrijf, zoo gij onzen vriend Maurits ten tweeden male bedankt hebt; maar is het wel zeker, dat gij, door aldus uw geluk grootmoedig ten offer te brengen, het zijne bevordert, of liever zijn ongeluk voorkomt? Ik voor mij acht, dat de rechtvaardiging, die gij door de trouwhartige en schrandere zorgen van den Hr. Hoogenberg hebt verworven, dan vooral volkomen zal wezen, als gij door Mw. Van Hardestein als schoondochter zult zijn aangenomen. t. - k. z.
258
Verre zij het van mij, uw gevoel geweld te willen aandoen: wie trouwt, moet dit niet alleen met vrijen wil doen, maar ook met een opgeruimd gemoed en met een blijmoedig vertrouwen op de toekomst. Het huwelijk heeft zijn eigenaardige bezwaren, die men wel doet, te overwegen eer men er toe besluit. Doch heeft men ze overwogen, en het voornemen opgevat, om ze met Gods bijstand te dragen, wanneer zij komen, dan moet men er ook niet vooruit over kniezen. Zoolang gij dus niet bij u zelve kracht gevoelt om de muizenissen, die u kwellen, uit uw hoofd te stellen, om in het bewustzijn dat gij een onergerlijke consciëntie ronddraagt voor God en menschen, den laster te verachten, zoolang doet gij wijs, u niet in 't huwelijk te begeven.
Doch 't zij gij Maurits trouwt of niet, ik zou het in uw belang achten, dat gij de uitnoodiging van Mw. Van Hardestein aannaamt. Er hebben hier praatjes geloopen, zoogoed als elders en die zullen blijven bestaan, zoolang gij u onthoudt, herwaarts te komen. Men zal dan denken, dat gij hier niet durft verschijnen en dat wij niets met u te maken willen hebben. Ziet men intusschen, dat gij niet alleen Hardestein bezoekt, maar er zelfs aan het Huis wordt ontvangen en u onder de vleugelen van Mw. de Gravin beweegt, dan zal er van zelf een eind komen aan 't gebabbel. Kom dus, zoo spoedig mogelijk, lieve kind, zoo immers uw gezondheid het toelaat en de dokter het veroorlooft: wij zien allen met ongeduld naar u uit: niet het minst mijn zuster, die u hartelijk groeten laat, en
Hardestein, Uw oprechte Vriend
2 Juni 184. G. Bol.
Naschrift van den Graaf van Eylar.
Ik wil, lieve Madeline, eenige woorden voegen bij den brief van Dominee, om nog nader aan te dringen wat
259
door hem gezegd is, en u te betuigen dat Mw. uw moeder en gij hartelijk welkom zult zijn op Hardestein, en dat wij allen zullen trachten u, zooveel in ons is, het verblijf aldaar aangenaam te maken en, voor zooverre wij een tijdlang onbillijk en onvriendelijk tegen u geweest zijn, ons als berouwhebbende zondaren te gedragen. Moge ik dus spoedig het geluk hebben, u te omhelzen: uw komst alhier zal een ware feestdag zijn voor uw vriend.
Eylar.
De beide eerste brieven werden door Van Zevenaer zeiven naar Blinkerswaard gebracht, waar hij, op uitnoodiging van Flinck, een dag was komen doorbrengen. Wat hem zeiven betrof, hij raadde, met betrekking tot de huwelijksquaestie, niets af noch aan: doch gaf eenvoudig als zijn meening te kennen, dat een bezoek op Hardestein hem zeer gepast voorkwam. Voorts toonde hij zich zeer tevreden over den gezondheidstoestand van Madeline, en zei, toen hij met Mw. Wayland alleen was: âer is mogelijkheid op herstel, indien zij dien jonkman, dien zij liefheeft, trouwt, en er geen schokken voorafgaan. Nu is zij nog te zwak om die door te staan; maar is zij eens getrouwd, dan ben ik daar niet langer bevreesd voor. Zij zal dan sterker zijn, althans naar het lichaam, want aan zielskrachten zal het haar dan als nu evenmin ontbreken. â Toch spijt het mij, dat haar vrijer, in plaats van ordonnans-officier bij Z. M., geen gezantschaps-secretaris is, die haar kon meenemen naar Sint-Petersburg of Madrid! dan zouden de praatjes van zelf doodbloeden en bij hun terugkomst vergeten zijn.quot;
Wat zou, aldus van alle zijden gedrongen, Madeline doen? Ieder van degenen die haar liefhadden â nu eerlang ook Albert en Bettemie â gaf haar denzelfden raad: een raad, die zoozeer met de geheime wenschen van haar hart instemde: hoe kon zij anders dan ten slotte toegeven? en zoo schreef zij aan Mw. Van Hardestein, dat zij de uitnoodiging aannam.
260
Er werd een dag bepaald, waarop Mw. Wayland haar derwaarts zou brengen, om dan, na verloop van een paar dagen, terug te keer en.
Wij mogen, eer wij tot een volgend Hoofdstuk overgaan, niet vergeten hier te vermelden, dat door Madeline, onmiddellijk na ontvangst van den brief van Galjart, een aanzienlijke som was gezonden aan Hoogenberg, om te besteden ten behoeve van Mw. Bleek; terwijl de oude Flinck, die van achteren inzag, dat hij, door Bleek in den strik te laten loopen, dien deze voor hem gespannen had, toch in zekere mate aanleiding gegeven had tot 's mans dood, zich verplicht achtende de gevolgen daarvan eenigermate te herstellen, de gift zijner kleindochter nog op belangrijke wijze vermeerderd had.
ACHTSTE HOOFDSTUK,
WAARIN GELEEED WOEDT, HOE GEVAAELIJK EEN DUN BESCHOT
KAN WEZEN.
Overeenkomstig het programma door Mw. Van Hardestein opgemaakt, werden op den bepaalden dag Mw. Wayland en Madeline, na een vroegtijdig middagmaal genomen te hebben, met een rijtuig naar het naastbijgelegen station van den Eijnspoorweg gevoerd. De afdeeling, waarin zij plaats namen, was door een paar heeren bezet, die er echter onderweg uitgingen, waarna de beide dames verder alleen bleven, tot hare groote tevredenheid, ofschoon Mw. Wayland naderhand wel gewenscht had dat er een troep vroolijke kermisgasten of schreeuwende kinderen in gezeten hadden, 't Zij ten gevolge der warmte, 't zij als een gewoon gevolg van het rijden kort na den eten, 't zij door het samenwerken van verschillende oorzaken, Mw. Wayland was al spoedig in slaap gevallen, en bij de nu heerschende stilte bemerkte Madeline, dat er in
261
de afdeeling, naast die, waarin zij gezeten was, luid gesproken werd, en dat het dunne beschot, 't welk haar van haar buren scheidde, niet belette, dat zij het gesprokene duidelijk hoorde. De naam van Hardestein wekte haar aandacht: zij meende de stem, die gesproken had, te herkennen en begon scherper te luisteren; geen twijfel, het was het onaangenaam gekrijsch van den Heer Verdrongen Van Prikkelenburg. Inderdaad bevond zich deze in den wagen, met en benevens de Heeren Snel, Zuring en den Majoor, die te zamen ik weet niet welke paardenmarkt bezocht hadden, zonder dat juist een van allen een paard gekocht of daar zelfs plan op gehad had, en die nu gezamenlijk terugkwamen. Het schijnt, dat het viertal zich op zijn uitstapje goed vermaakt en behoorlijke offers gebracht had aan Bacchus, Bierana en Brandemoris, de drie door Dirk Pietersz Pers bezongen godheden: althans dat getuigden wel eenigermate, in de eerste plaats, het feit zelf, dat zij, die nederig in de derde klasse de reis naar Utrecht gemaakt hadden, nu, deels uit bluf, deels uit gemak, met de eerste klasse terugreisden, en, in de tweede plaats, hun stemgeluid, dat heescher en scheller dan gewoonlijk klonk, â en eindelijk, het gesprek, dat tusschen hen gevoerd werd en waarvan aan Madeline, willens of onwillens, geen woord ontging.
De vraag, door Verdrongen gedaan en die 't eerst haar opmerkzaamheid had gaande gemaakt, luidde:
âEn komt zij nu werkelijk op Hardestein logeeren?quot;
â'tls als ik u zeide,quot; antwoordde Snel: âik heb het van Denneman, den behanger, die er een makkelijken stoel bezorgen moet.quot;
âWel ja, waarom niet?quot; hernam Verdrongen: âzoo'n meid moet nogal een makkelijken stoel hebben! Nou! mijn Jakomina zit dan op een gewonen stoel, en, als zij lui is, kan zij op haar bed gaan liggen.quot;
âEn ligt ze nogal dikwijls op haar bed?quot; vroeg de Majoor.
âMaar mij dunkt,quot; merkte Zuring aan, âals een rijke Juffrouw en daarbij een aanstaande Gravin, geen billijke aanspraak op
262
een easy-chair zal hebben, dan weet ik niet, voor wie men er een bestellen zou.quot;
âJa, ik heb het wel zien aankomen,quot; zeide de Majoor, âop dien avond van het feest, weet je nog, toen je zoo dronken waart. Verdrongen?quot;
âDronken! ik?quot; herhaalde de lange man: âvan een half fleschje, dat ik gebruikt had?quot;
âNu dan,quot; hervatte de Majoor, âtoen je zoo onbescheiden waart, en je bemoeidet met dingen, die je niet raakten.quot;
âIk weet niet, waar je van spreekt,quot; krijschte Verdrongen: âen ik vind het zeer ongepast.. . .quot;
âNu, maak maar geen ruzie,quot; viel Zuring in: ,,'t is in allen gevalle een mooi wijfje, dat de Jonker krijgen zal. Wat zegt Mijnheer Snel er van? hm! je bent ook nog een tijdlang van haar aangeschoten geweest, geloof ik.quot;
âIk?quot; vroeg Snel; âhoe komt het in je gedachten?quot;
âTaratata!quot; riep de Majoor: âik geloof, dat Zuring gelijk heeft. Slenterde je niet, toen zij bij Dominee logeerde, driemaal op een dag zijn huis voorbij, en liep je zijn huis niet af, alsof je nog eens den catechismus moest leeren? en heb je mij niet keer op keer in de Sociëteit met de steenen voor mij laten zitten, dat ik er torentjes van bouwen kon, en het, als Mijnheer eindelijk kwam opdagen, te laat was om een partij te beginnen?quot;
âDat 's waar ook,quot; zei Zuring: âontken het maar niet. Snel.quot;
âWel!quot; zei deze, âik wil niet zeggen, of ik heb er wel eens over gedacht; maar ik heb er van afgezien; want zie je, in de eerste plaats, de meid was mij te jong.quot;
âVan die kwaal,quot; merkte de Majoor aan, âgeneest men met den dag.quot;
âEn dan, in de tweede plaats, had zij niets buiten haar mooie gezichtje,quot; vervolgde Snel.
âNu! daar heeft zij dan toch partij van weten te trekken,quot; grinnikte de Majoor: âde meid had zooveel vaders: zij wou zeker zorgen, dat haar kinderen dit ook konden zeggen.quot;
âJa,quot; zei Snel: âmaar ik zou er niet veel trek in gevoeld
263
hebben, mijn vaderschap met anderen te deelen. Ik ben in allen gevalle blij, dat ik de zaak niet verder heb doorgezet, en ik misgun den Jonker dat fortuintje niet.quot;
âMaar men beweert immers, dat de helft niet waar is van 't geen men van haar verhaald heeft,quot; zei Zuring.
âDe helft is al mooi genoeg,quot; merkte de Majoor aan.
âDe helft!quot; riep Verdrongen: âik wtou niet, dat zij van mijn Jakomina de honderdste part konden vertellen van wat ze van die meid verteld hebben, met haar fijne bakkessie. â Ja, zij mogen haar nu schoonpraten zooveel zij willen: ik zeg maar, men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan. Daar had je indertijd te Amsterdam de weduwe Braadzalm, die was nog zoo half en half aan mijn vrouw geparenteerd door de Van Blaarzen, want, zie je, mijn vrouw is van haar zelve een Juffrouw Van Blaars: die had een nichtje bij haar aan huis wonen . . ..quot;
âWat hamer is dat voor een historie van je braadworst?quot; vroeg de Majoor; âhaal je sigaar wat aan, eer zij uitgaat.quot;
âIk zeg Braadzalm, Majoor!quot; zei Verdrongen: âen ik vind het maar gansch niet aardig, dat je mij in de rede valt. Dat nichtje nu was ook zoo'n fijn dingetje, net zooals Juffrouw Zevenster of Juffrouw Klinck, zooals zij zich nou laat noemen . . .
âFlinck,quot; verbeterde Zuring.
âFlinck, mij ook wel,quot; zei Verdrongen: âik heb een Flinck gekend, die was kruienier in de Warmoesstraat: of die van haar familie was?quot;
âWel waarschijnlijk,quot; zei Zuring: âkruidenierswaren komen uit de Oost, en die grootpapa van Juffrouw Nicolette insgelijks.quot;
âHij was nog met een dochter van Trappelman getrouwd, op den Meuwendijk, in garen en band,quot; zei Verdrongen.
âWie? de grootpapa?quot; vroeg Zuring.
âWel neen, de kruienier: van wien sprak ik anders?quot; vroeg Verdrongen.
âJe sprak van Juffrouw Braadvisch, die een nicht van je vrouw was,quot; antwoordde de Majoor.
âBraadzalm,quot; verbeterde Verdrongen.
264
âWel! is een zalm dan geen visch?quot; vroeg de Majoor.
âMaar nu het Nichtje____?quot; vroeg Snel.
âJa, het nichtje,quot; hernam Verdrongen. âZij hadden er haar tante voor gewaarschuwd, en gezeid; er is een steekkie aan los, neem haar niet in je huis. Maar Juffw. Braadzalm was een kalf van een mensch, die wou van haar naaste geen kwaad hooren, en zoo kwam haar nichtje bij haar in huis: zij woonde op de Botermarkt bij de Utrechtsche straat: zij deed in linten.quot;
âWie? 't nichtje?quot; vroeg Zuring.
âNeen, Juffrouw Braadzalm,quot; antwoordde Verdrongen: âmaar, wat ik zeggen wou, zij had een heel fijn bakkessie.quot;
âJuffrouw Braadzalf?quot; vroeg de Majoor.
âNeen, het Nichtje,quot; zei verdrongen: âmaar als jelui mij den heelen tijd in de rede valt, hoe wil ik dan door mijn verhaal komen?quot;
âMaar vertel dan ook duidelijker, en haspel niet alles door mekaar,quot; bromde de Majoor.
âIk vertel duidelijk genoeg,quot; zei Verdrongen, geraakt: âals je mij mijn gang laat gaan, zul je 't alles te weten komen. â Nou! ze had dan, zei ik, een bakkes, zoo fijn als een begijntje, en er was geen vromer in de stad: alle Zondagen tweemaal
naar de kerk en in de weekbeurten ook____en zoo zedig____
Dominee Kweekbloesem, die er veel aan huis kwam .... Je hebt wel van Dominee Kweekbloesem gehoord?quot;
âWat weet ik van Dominees af?quot; vroeg de Majoor.
âWel! hij heeft nog drie jaar te Deventer gestaan: daar heb je immers in garnizoen gelegen.quot;
âDenk je dan, dat ik mij met zoo'n hemeldragonder ophield?quot; vroeg de Majoor, op een toon van verontwaardiging: âmaar wat was er nou met dien Kwezelbloem aan de hand?quot;
âKweekbloesem, heb ik gezeid,quot; hernam Verdrongen, âen niet Kwezelbloem.quot;
âJa, vree die naar het Nichtje?quot; vroeg Zuring.
âBewaar ons!quot; riep Verdrongen: âde man was getrouwd en had zeven kinderen.quot;
âDat bewijst nog niets.quot; zeide de Majoor.
265
âZijn vrouw was een dochter van Dominee Muggevelt, van Zieriksee,quot; zei Verdrongen.
âWij zijn 't nichtje weer kwijt,quot; merkte Snel aan, die, een man van orde zijnde, gaarne voet bij stuk hield.
âNou,quot; vervolgde Verdrongen; âen, zooals ik zei. Juffrouw Braadzalm wou geen kwaad van haar hooren en was best met haar in haar schik: en zoo kwam Reutel de tabakskooper naar haar vrijen.quot;
âNaar Juffrouw Braakhalm!quot;
âBraadzalm!quot; â schreeuwde Verdrongen: â âneen, naar het nichtje: je weet. Reutel, uit de Vijzelstraat.quot;
âDenkje dan,quot; vroeg de Majoor, âdat wij al de Amsterdam-sche tabaksverkoopers kennen ?quot;
âNou ja, dat's waar ook,quot; zei Verdrongen: âen onbekend maakt onbemind zul je zeggen: maar afin, hij vree dan naar het nichtje en zij zei ook niet neen; want, behalve dat hij een welbeklante affaire had, zoo had hij nog geürven van een Oom van hem, die makelaar was geweest in koffie, of in tabak, dat weet ik niet precies: â Van der Klok, of Van de
Kolf, zoo'n soort van naam geloof ik____ik weet wel, dat hij
op de korte Prinsegracht woonde.quot;
âMaar wat doet er dat toe?quot; vroeg Snel: âje dwaalt weer heelemaal van 't nichtje af.quot;
âJa dat 's ook waar,quot; hernam Verdrongen: ânu 't kwam dan zoover, dat zij bruid en bruigom waren.quot;
âEn,quot; vroeg Zuring, âhadden diezelfde gedienstige lieden, die Tante gewaarschuwd hadden, 't den aanstaanden bruigom niet gedaan?quot;
âDat kan ik met geen zekerheid zeggen,quot; antwoordde Verdrongen: âmaar ik zou 't haast niet denken: in allen gevalle had hij er geen notitie van genomen.quot;
âMinnaars zijn lichtgeloovig,quot; merkte Zuring aan: ânietwaar Snel?quot;
âLaat Verdrongen toch vervolgen,quot; zei Snel: âanders zijn wij thuis eer de historie uit is.quot;
âWel dan,quot; hernam Verdrongen: âzooveel is zeker, dat, op
266
den morgen van den trouwdag, de bruigom een brief kreeg, waarin hem gevraagd werd, of hij wel wist, dat zijn aanstaande hem twee kindertjes ten huwelijk aanbracht en een maand op de Achtergracht had gezeten, net zooals Juffrouw Zevenster.quot;
âHeeft die dan ook twee kinderen?quot; vroeg de Majoor.
âHeeft die op de Achtergracht gewoond?quot; vroeg Zuring, te gelijk.
âWel neen: dat zeg ik niet,quot; zei Verdrongen.
âMaar 't kon uit je woorden worden afgeleid,quot; zei Zuring: âzie je? zoo komen de praatjes in de wereld.quot;
âMaar ze heeft toch een maand in zoo'n huis gezeten,quot; zei Yerdrongen.
âJa, en zij is er zonder kleerscheuren afgekomen, zegt men,quot; zei Zuring, nadruk leggende op de twee laatste woorden.
âAls je 't maar gelooven wilt,quot; zeide de Majoor.
âIn allen gevalle,quot; merkte Zuring aan, âindien er scheurtjes zijn, dan zijn die met de noodige bankbriefjes dichtgemaakt.quot;
âZij is er ook wel intijds aangekomen, aan dien rijken grootpapa,quot; zei Snel.
â't Is wonder, dat hij haar heeft willen erkennen,quot; zei Verdrongen : âwant, naar ik hoor, moet er aan die moeder van haar ook een steekkie zijn los geweest.quot;
âOch!'' zei Zuring: âde oude man zal suf wezen.quot;
â't Is toch maar erg,quot; merkte Verdrongen aan, âdat zoo'n fortuintje aan zoo'n schepsel te beurt valt, terwijl anderen, die 't verdienen zouden, moeten tobben en zwoegen voor den kost.quot;
âJongens ja!quot; zei de Majoor: âals je dochter zoo'n grootpapa had, dan zou je niet lang meer met haar opgescheept zitten.quot;
âHoud uwe aanmerkingen voor u. Majoor!quot; zei Verdrongen, op deftigen toon: âmijn dochter had al heel wat partijen kunnen doen, en goede ook.quot;
âAls haar maar iemand gevraagd had,quot; viel de onbarmhartige Majoor in.
âDat daargelaten,quot; zei Snel, â't is mij met dat al onbegrijpelijk, hoe Mevrouw Van Hardestein zoo'n meisje bij zich vraagt.quot;
267
âEn,quot; voegde Zuring er bij, âhaar nog wel tot vrouw voor haar zoon bestemt.quot;
âWel daar vind ik niets onbegrijpelijks in,quot; zeide de Majoor: âheeft de meid dan geen geld? en zegt niet het oude spreekwoord;
âBen je li. ... of ben je dief.
Heb je geld, ik heb je lief.quot;
âIk zou,quot; zei Zuring, âer geen andere verklaring van weten te geven, dan dat de financiën van Mw. Van Hardestein in de war zijn, en dat het geld van dien Oosterling het gat moet stoppen.quot;
âIk heb nooit gehoord of opgemerkt, dat Mw. Van Hardestein argentcourt was,quot; zei Snel: âzij betaalt altijd haar belasting een paar termijnen vooruit en Denneman zei mij ook laatst nog, dat zij zoo'n uitzondering maakte met zooveel andere lui van den adel, die hem jaren op zijn geld lieten wachten; terwijl zij al haar leveranciers met het jaar betaalde.quot;
âJa, dat is misschien om de menschen zand in de oogen te strooien,quot; zei Zuring.
âEi!quot; zeide Snel: âdat is voor 't eerst, dat ik het prompt betalen van zijn schulden hoor aanvoeren als een bewijs, dat iemand slecht in zijn zaken zou zijn.quot;
âOch vriendlief!quot; zei Zuring: â't Is al geen goud, wat er blinkt, en er zijn er zoovelen, die slecht in hun zaken zitten, zonder dat men 't merkt.quot;
âMaar nog meer, waar men 't best van merkt,quot; zei Snel.
âIn allen gevalle,quot; merkte de Majoor aan, âals er een gat is, dat gestopt moet worden, en de millioenen van den ouden Nabob worden er toe gebruikt, zal men 't niet merken. Ik houd 't met Zuring: 't is hier alleen om de pitten te doen.quot;
âEn dat de Graaf zoo iets duldt,quot; zei Snel: âik heb hem altijd als een fatsoenlijk man gekend.quot;
âJa,quot; zei Zuring: âje moet denken, quot;t is een aangenomen kind van hem, en daarom is hij wel gedrongen, haar eer op te houden, en Dominee ook; maar dat kan ik u zeggen, dat de jonge Mevrouw nacht en dag haar oogen zit blind te
268
huilen, bij de gedachte van zoo'n slet tot zuster te krijgen, dat heeft Louise haar kamenier verleden Zondag, bij 't uitgaan van de kerk, aan mijn vrouw verteld. Weet je, mijn vrouw kent Louise, door dat zij voor haar trouwen veel op Hof-en-Land logeerde, bij Mevrouw Van Ingen, waar Louise toen woonde.quot;
âJa,quot; zei Verdrongen: âen de booien op Hardestein hebben er al van gesproken om erlui dienst op te zeggen, liever dan die meid te bedienen: dat heeft Mijntje de linnenmeid aan mijn vrouw verteld, toen zij haar laatst in den winkel van Van Klaren ontmoette: en dan vertelde zij haar ook, dat zij een nicht van mij, een meisje, waar het wat mee verloopen is, zoodat ze onder de menschen is moeten gaan, en die in Den Haag bij dezelfde lui aan huis was als die Juffw. Zevenster, dat zij, zeg ik, die hebben omgekocht, om voor haar te getuigen, als dat zij zoo onschuldig was als een pasgeboren lammetje; net alsof die daar iets van weten kon.quot;
âWel!quot; zeide de Majoor: âals zij in het zelfde huis gezeten heeft.quot;
âDat zeg ik niet,quot; zei Verdrongen: âik meen, zij was kamenier in 't zelfde huis, waar die andere zooveel als kinderjuffrouw was.quot;
âTwee vogels van eender veeren,quot; hernam de Majoor: âis 't nogal een mooie meid, die nicht van je?quot;
âIk weet het niet,quot; antwoordde Verdrongen: âhaar vader was een verre neef van mij, en wij hielden juist geen erge conversatie te zamen.quot;
Hier nam het gesprek een andere wending en liep verder over zaken, die den lezer geen belang zouden inboezemen. Toen de wagen eindelijk in 't gezicht kwam van het station, waar de passagiers, wier bestemming naar Hardestein was, moesten uitstappen, vroeg Snel aan Zuring:
âZie je ons rijtuig staan?quot;
âJawel!quot; antwoordde Zuring: âen, waarachtig! daar staat ook het rijtuig van de Douairière, dat iemand halen komt: de Juffrouw daar wij van gesproken hebben, zal toch niet met ons gereisd hebben?quot;
269
âDan is 't goed, dat zij niet met ons in één wagen gezeten heeft,quot; merkte Verdrongen wijselijk aan.
âDan zou je wel over haar gezwegen hebben,quot; was de niet minder wijze opmerking van den Majoor.
Intusschen had de trein stilgehouden en stapte ons viertal uit, terwijl op hetzelfde oogenblik een palfrenier in de livrei van Eylar langs de rijtuigen liep, vragende, of er ook dames voor Hardestein waren.
âDrommels!quot; zei Snel zachtjes tegen Zuring, toen hij zag, dat de conducteur het portier naast aan het hunne geopend had en dat de palfrenier de trede beklom, vermoedelijk om de meegebrachte bagage aan te nemen: âzij heeft waarachtig rug aan rug met mij gezeten.quot;
âAls zij maar niets gehoord heeft,quot; zei Zuring.
âHoe is 't? kom jelui mee of niet?quot; riep de Majoor, die al buiten 't hek en gereed was om in 't rijtuig te stappen; doch 't geen hij bij 't omkijken zag, maakte, dat hij een wijl, als zonder beweging, met het eene been op de trede bleef staan.
De bediende van Mw. Van Hardestein was bezig, Madeline uit het rijtuig te tillen, terwijl Mw. Wayland haar het hoofd ondersteunde.
Toen namelijk de weduwe, bij 't stilstaan van den trein, wakker geworden was, had zij haar dochter, naar zij dacht, insgelijks slapende gevonden, doch, na een paar vruchtelooze pogingen om haar wakker te krijgen, tot haar niet geringen schrik ontdekt, dat het arme kind haar bewustzijn verloren had.
NEGENDE HOOFDSTUK.
WAT DE GEVOLGEN WAREN VAN HET DUNNE BESCHOT.
Men kan zich voorstellen, welke neerslachtigheid de komst van Madeline, in den toestand, dien wij aan het slot van het vorige hoofdstuk schilderden, op den Huize Hardestein ver-
270
wekte, waar Eylar en zijn vrouw, Bol en zijn zuster, Albert en Bettemie vereenigd waren om Madeline te ontvangen. En wat, bij den schrik en de ongerustheid, die Mw. Wayland gevoelde, het pijnlijke van haar toestand nog vermeerderde, was, dat zij met haar zieke dochter in een huis moest aanlanden, waar zij zelve vreemd en waarvan de bewoonster haar nog onbekend was. Madeline, die nog altijd niet uit haar flauwte was ontwaakt, werd terstond naar het slaapvertrek gedragen, dat voor haar bestemd was, ontkleed en te bedde gelegd, en terwijl onmiddellijk om Le Mat gezonden was, werd alles in het werk gesteld om haar weer bij te brengen. â Inmiddels ontbrak het niet aan vragen, wat er dan toch gebeurd was, en wanneer Madeline de flauwte gekregen had, of zij in den laatsten tijd meer aan zulke toevallen onderhevig was geweest, of zij zich wel gevoelde toen zij de reis aanvaardde, enz., vragen, op de meeste waarvan Mw. Wayland het antwoord moest schuldig blijven, niet zonder zich daarbij, als een groot misdrijf, de toch zeer schuldelooze daad te verwijten, dat zij in den trein geslapen en daardoor zich buiten de mogelijkheid gesteld had, wellicht het gebeurde te voorkomen.
â't Zal de vermoeienis zijn,quot; zei Mw. Van Hardestein.
âOf de ongewoonte van 't spoor,quot; zei JufFw. Leentje; âkijk, ik was ook mij zelve niet, toen ik laatst naar Amsterdam gegaan ben, en dat akelige gefluit hoorde, dat iemand door merg en been dringt.quot;
â't Is nu misschien heel dom van mij,quot; fluisterde Mw. Mietje haar man in: âmaar 't zou mij niet verwonderen, indien die flauwte alleen het gevolg is van haar angst om hier terug te komen na al het gebeurde. Ik weet wel, dat niemand mijn raad behoeft in te nemen, veelmin te volgen, maar als je moeder mij vooraf gevraagd had, hoe ik dacht over haar voornemen, om het meisje hier te noodigen, zou ik getracht hebben, het haar uit het hoofd te praten.quot;
Eylar antwoordde niets, maar schudde weemoedig het hoofd.
Le Mat, die gelukkig te huis was en dus niet lang op zich wachten liet, had ook geen zin in het geval. Mocht hij al
271
weinig doorzicht getoond hebben, toen het de gewaande ongesteldheid van Bettemie betrof, en maakte onbekendheid met de aanleiding tot de kwaal het hier dubbel moeilijk voor hem, het meest geschikte middel tot herstel aan te wenden, toch had hij ondervinding genoeg opgedaan, om te bespeuren dat het geen vermoeienis was, die Madeline in den toestand, waarin zij verkeerde, gebracht had, en daar hij evenmin een geleerde behoefde te zijn, om op te merken, welke verandering haar gestel had ondergaan, sedert hij haar 't 't laatst gezien had, zoo kwam hij tot de zeer juiste gevolgtrekking, dat de flauwte aan den een of anderen schok was toe te schrijven, dien het zwakke en teringachtige meisje plotseling ondervonden had. Dewijl hij door den bode, die hem was komen halen, was bekend gemaakt met de verschijnselen van de kwaal, waarvoor hij gehaald werd, had hij gezorgd, een opwekkend middel mede te brengen, waarvan hij een goede werking verwachtte. Verder gelastte hij, zeer verstandig, dat iedereen de kamer verlaten zou, en niemand bil de zieke blijven behalve Mw. Wayland en hij.
quot;Werkelijk kwam Madeline weder bij; in zooverre namelijk, dat zij haar oogen weder opende en rondzag; doch zij scheen nog geen besef te hebben van de voorwerpen, die haar omringden, en blikte als wezenloos in 't rond. Zij herkende echter haar moeder, die naast haar bed zat, sloeg haar armen om den hals van deze en begon toen bitter te schreien.
âMet kwaad,quot; fluisterde Le Mat; âkwel haar nu maar met geen vragen: als zij van nacht maar wat slapen kan, zal zij morgen wel weer beter zijn. Ik zal maken voor het ontbijt hier te zijn.quot; â En, alsnu zijn afscheid nemende, ging hij naar de benedenzaal, waar hij aan Mw. Van Hardestein en de overigen bericht bracht van de zieke, kort waarna de aanwezigen, nog maar weinig gerustgesteld, ieder weer naar zijn woning terugkeerde.
âWaar ben ik toch?quot; vroeg Madeline, toen den volgenden morgen de vroolijke Junizon door de gordijnen heen in de kamer drong, en zij zich in een vreemd ledikant en een voor haar vreemd vertrek bevond.
272
âStil lieve! vermoei u niet,quot; zei Mw. Wayland, die niet van de sponde harer dochter geweken was; âje hebt je gisteren op den trein niet wel bevonden: â misschien heeft de ongewone beweging of de benauwdheid u wee gemaakt.quot;
âIk was wee; â maar niet de beweging .... o! ik herinner mij .... die menschen daar naast ons!quot;
âWelke menschen bedoel je, lieve?quot; vroeg Mw. Wayland. meenende, dat zij onder den invloed van een droom sprak.
âDaar op den trein, Moeder! â o! 't was verschrikkelijk wat zij vertelden.quot;
âMaar, kindlief, wij zaten alleen,quot; zei Mw. Wayland.
âO! daar naast ons. Moederlief! je hebt ze niet gehoord; â maar ik heb geen woord gemist van wat zij zeiden.quot;
âMaar waren 't dan lieden, die je kende ?quot; vroeg Mw. Wayland.
âJa,quot; knikte Madeline: âallen hier vandaan .... o! hoe werd ik door het slijk gesleept.... en die goede Mevrouw Van Hardestein ook .... en allen die mij liefhebben.quot;
âMaar dat is dan toch al heel noodlottig,quot; zei Mw. Wayland, âdat je juist dingen moest hooren, die je verdriet deden.quot;
âZeg niet noodlottig moeder! 't is een bestiering van God ; een waarschuwing van hooger hand, die nog tijdig tot mij gericht wordt. Ik had het niet zoover moeten laten komen .... maar nu weet ik wat mijn plicht is.quot;
âStil! vermoei u niet met spreken, lieve!quot; zei Mw. Wayland: âdrink wat, en kwel u niet over hetgeen die lieden gezegd hebben. Je moet nu alleen maar denken om spoedig weer beter te worden.quot;
âJa moeder,quot; zeide Madeline, met een zachte stem, en op een toon, die aanduidde, dat zij volstrekt geen verwachting omtrent die spoedige beterschap koesterde â wat trouwens de bedrukte moeder ook niet deed.
Te halfacht kwam Le Mat en vond de zieke bedaard, doch niet vrij van koorts. Op de vraag, die Mw. Wayland hem deed, of hij er tegen zou hebben, dat Dr. Van Zevenaer ontboden, werd, die Madeline van kinds af gekend en in haar laatste ziekte behandeld had, antwoordde hij, dat het hem zeer veel
273
eer zou zijn, met zijn Amsterdamschen collega een consult te hebben; doch aan Bol, die hem bij zijn terugkomst aanhield om hem naar de zieke te vragen, gaf hij te kennen, dat, naar zijn inzien, er wel geen geneesheer zou wezen, te Amsterdam of elders, die de zieke herstelde.
Mw. Wayland had inmiddels aan Van Zevenaer geschreven, gelijk mede aan haar schoonvader; â dewijl er echter toen nog geen telegraaflijnen bestonden, kon de tijding van het gebeurde eerst den volgenden dag, zijnde een Zaterdag, te Amsterdam zijn. Keeds Zondag zaten echter zoowel Flinck als Van Zevenaer op den trein en reden zij gezamenlijk naar het huis te Hardestein, waar men hen naar de groote zaal in tegenwoordigheid van de Vrouw des huizes bracht.
âWij hebben hard naar u verlangd. Dokter!quot; zei Mw. Van Hardestein tegen Van Zevenaer: âMijnheer is, geloof ik. Mijnheer Flinck.quot;
âHoe is Madeline?quot; vroeg de oude man, met een bevende stem, en op zijn best groetende.
âMet slimmer,quot; antwoordde madame mère: âzij is gisteren weder in staat geweest, haar goede kennissen bij zich te ontvangen: â ofschoon alleen maar de naaste betrekkingen â en zij zijn niet lang bij haar geweest, 't Arme kind is erg vervallen sedert verleden zomer, en 't minste is in staat haar van haar stuk te brengen.quot;
âIs Mw. Wayland van mijn komst gewaarschuwd. Mevrouw?quot; vroeg Van Zevenaer, met die gewone haast van den arts, die geen oogenblik wil laten verloren gaan.
âDe Heeren blijven hier toch eten?quot; vroeg Mw. Van Hardestein: â âen logeeren ook, zoo het hun gelegen komt?quot;
âIk moet van avond weer thuis zijn,quot; zeide Van Zevenaer: âMevrouw begrijpt, dat de eene zieke niet om de andere wachten moet.quot;
âIk had reeds logies besteld in de herberg,quot; zeide Flinck, die besloten had, te Hardestein te blijven, zoolang Madeline in gevaar was.
âDan zal ik naar de herberg sturen om uw goed,quot; zeide
v. - K. z. â 18
274
Mw. Van Hardestein: âik wil u niet beletten, zoo dicht in de nabijheid van uw kleindochter te zijn, als maar immer mogelijk is.quot;
âIk heb, Mevrouw!quot; zei Flinck,quot; âvoordat ik je persoonlijk kende, al gezeid, dat je een vrouw waart naar mijn hart, en nu ben ik er te meer van overtuigd.quot;
âEn mag ik thans,quot; zei Mw. Van Hardestein, tegen Van Zevenaer, âu voorgaan naar de zieke? â Mijnheer zal mij zoolang wel verschoonen.quot;
Flinck boog en zette zich in een armstoel om de terugkomst des geneesheers af te wachten, die nu door zijn gastvrouw naar boven werd geleid.
Van Zevenaer vond Madeline gekleed, en in een ziekestoel bij 't raam gezeten.
âZoo! weer op de been,quot; zeide hij: âdat is een goedteeken: en wij willen hopen, dat het maar een valsch alarm is geweest.quot;
Die hoop had hij intusschen volstrekt niet. Een nieuwen schok, had hij reeds vroeger gezegd, zou Madeline niet kunnen doorstaan: die schok was gegeven, en wel op een zoodanige wijze als het jonge meisje juist op de gevoeligste plaats had moeten aandoen. â Hij keurde de middelen, die Le Mat had voorgeschreven, en die dan ook zeer onschuldig waren, volkomen goed, en zei, dat voor 't oogenblik de zieke eenvoudig rust moest houden en verder mocht eten en drinken wat zij verkoos.
âDe oude Heer is met mij gekomen,quot; zeide hij toen, tegen Mw. Wayland, âen verlangt sterk u te zien.quot;
âWel ja,quot; zei Mw. Van Hardestein, âals Mw. haar schoonvader wil gaan onderhouden, dan zal ik zoolang wel op de zieke blijven passen.quot;
âMaar het is waarlijk niet noodig, lieve Mevrouw,quot; zei Madeline met een zwakken glimlach: âik ben niet bang, een oogenblik alleen te wezen.quot;
âEn ik hoop toch niet, dat je bang bent voor mijn gezelschap,quot; zeide madame mère: âzie je, je kunt me dan meteen vertellen, wat ik je voor tijdverdrijf bezorgen kan.
275
Wil je platen zien? of een vroolijk romannetje lezen? of iets anders, dat je niet vermoeit? zoo heb je maar te spreken: dat mag immers wel, Dokter?quot;
âWelzeker,quot; antwoordde Van Zevenaer: âalles is geoorloofd, wat de hersenen niet vermoeit.quot;
âAch! Mevrouw is waarlijk al te goed,quot; zei Madeline, de hand uitstekende om die van madame mère te drukken. Een traan kwam de goede vrouw in de oogen, toen zij ontwaarde, hoe die handdruk, vroeger zoo krachtig, thans, hoezeer even welgemeend, zich nauwelijks voelen liet.
âEn is mijn lieve grootvader waarlijk hier gekomen?quot; vroeg Madeline: âik zal hem toch zien, hoop ik?quot;
âWelzeker,quot; antwoordde Van Zevenaer: âwij zullen hem dadelijk naar u toezenden.quot;
Met deze woorden verliet hij het vertrek, gevolgd door Mw. Wayland, die zeer goed den wenk begrepen had, waarmede hij haar gelegenheid had gegeven, met hem alleen te spreken. Zij kon dan ook niet wachten, tot zij beneden waren, maar vroeg hem reeds op de trap, hoe hij over Madelines toestand dacht.
âMevrouw,quot; antwoordde hij, âer is gebeurd wat ik vreesde: zij heeft opnieuw een schok gekregen, ofschoon het mij nog niet duidelijk is, welken, en zoo hebben wij in één oogenblik meer verloren, dan wij in maanden hadden kunnen winnen.quot;
Mw. Wayland verhaalde hem, zooveel zij dit zelve uit haar dochter was te weten gekomen, wat aanleiding tot Madelines ongesteldheid gegeven had.
âMaar zeg het niet verder,quot; zeide zij er bij: âlaat noch mijn schoonvader, noch de Heer Eylar, noch zelfs Albert hooren, wie het waren, die zich aldus over Madeline hebben uitgelaten.quot;
âJe hebt gelijk, Mevrouw,quot; zei Van Zevenaer: âdat zou maar aanleiding geven tot nieuwe ergernissen: intusschen vrees ik, dat de babbelaars zeiven het zullen uitbrengen; want het ligt in de menschelijke natuur, zijn eigen leed en zijn dwaasheden niet te kunnen verzwijgen.quot;
276
âMaar,quot; vroeg Mw. Wayland â zij waren nu in een zijvertrek gekomen: â âzou het geen zaak zijn, Madeline zoo spoedig mogelijk weer naar Blinkerswaard te brengen?quot;
âOf die mogelijkheid zoo spoedig komen zal weet ik niet,quot; antwoordde de geneesheer: âmaar in allen gevalle dan niet met den spoortrein. De angst van weer zulk een gesprek te hooren, zou genoegzaam zijn om haar een nieuwe flauwte te bezorgen. â Maar waarom schijnt Mevrouw zulk een haast te maken, haar hier vandaan te hebben? Zij heeft het hier immers goed, en is bij vrienden.quot;
âVooreerst,quot; antwoordde Mw. Wayland; âgeven wij een groot ongerief aan Mw. Van Eylar, die wel een gezonde, maar geen zieke logée verwachtte: en, ten andere, vrees ik, dat juist de aanwezigheid van al die vrienden, die men niet beletten kan haar nu en dan te bezoeken, aanleiding geven zal, dat zij zich te veel vermoeit. â Daar is Mevrouw zelve, een best mensch; maar ik heb al gemerkt, als zij eens aan 't praten is, praat zij nogal door en wel wat van den hak op den tak.quot;
âHm!quot; zei Van Zevenaer: âwat uw eerste bezwaar betreft, zoo kan ik niet anders zeggen, dan dat de vrouw des huizes mij toeschijnt een goed en hartelijk mensch te zijn, die 't u zelfs kwalijk nemen zou, dat je van heengaan spraakt, eer het kind weer geheel in orde was, en wat vermoeiende bezoeken aangaat â ik ben daar minder bang voor. Voor zooverre ik de personen ken, van wie zij die te wachten heeft, zullen die bescheiden genoeg zijn om niet te lang bij haar te vertoeven .... en al deden zij het, ik vrees niet, dat bezoeken van dien aard iemand, die, zooals Madeline, helder van hoofd is, juist zoo erg vermoeien zullen. quot;Wat vermoeit, is, aan de eene zijde, het behandelen van eenigszins gewichtige zaken, en, aan de andere zijde, het wauwelen over onbeduidende onderwerpen, het kletsen â als men 't noemt: met andere woorden, wil een zieke beter worden, dan moet hij twee uitersten vermijden, inspanning namelijk en verveling. â Maar een lichte, aangename bezigheid, zoowel als een rustig, ver-
277
standig of vroolijk gesprek van iemand, dien men genegen is â ziedaar juist dingen, die ik zou voorschrijven, verre van ze te verbieden. Maar zij moet vooreerst niet meer dan een of hoogstens twee personen te gelijk bij haar zien, en alleen de zoodanigen, naar wie zij verlangt.quot;
âMaar,quot; hernam Mw. Wayland: âals de jonker eens komt? Mevrouw heeft hem geschreven wat er gebeurd was. â Zal zijn komst haar niet een nieuwen schok geven, zelfs al bezoekt hij haar niet?quot;
âIndien zij naar hem verlangt, zal zij het te kennen geven,quot; zei Van Zevenaer: âdoch zoolang zij niet van hem spreekt, is het beter, dat hij zich niet vertoont en dat zelfs zijn naam in haar tegenwoordigheid niet genoemd wordt.quot;
Na deze en dergelijke voorschriften gegeven te hebben, keerde Van Zevenaer met Mw. Wayland naar de kamer, waar hij Flinck gelaten had, die nu verlof kreeg zijn kleindochter te gaan bezoeken. Aandoenlijk was het te zien, hoe de vroeger zoo ruwe grijsaard zich tegenover de zieke gedroeg, zijn voeten en zijn kruk, waar hij anders nog al geruisch mee kon maken, zoo zoetjes onder 't voortgaan nederzettende, alsof de vloer van glas, en hij bevreesd ware geweest, er doorheen te stooten, met een nauwelijks hoorbaar stemmetje sprekende en zich nauwelijks veroorlovende zijn neus te snuiten. Ook de volgende dagen, zoo vaak hij zijn bezoek bij de zieke hervatte, gedroeg hij zich immer stil en zoet als een lam, en aan tafel of in gezelschap zou men in hem den man niet herkend hebben, dien wij aan 't gastmaal bij Van Zirik zulk een luiden toon hebben zien voeren.
Van Zevenaer was, toen hij Madeline 's avonds verliet, met de zekerheid vertrokken, dat zijn tegenwoordigheid toch van geen dadelijk nut kon wezen: hij had haar nog eenmaal bezocht, deze reis in tegenwoordigheid van Le Mat, aan wien hij afzonderlijk zijn gedachten had medegedeeld aangaande haar toestand en de verdere wijze van behandeling harer ongesteldheid. â Hoe het daarmede ging, zal men kunnen leeren uit den navolgenden brief:
278
Gerlof Bol aan Occo Van Donia.
Hardestein, 15 Juni 184 .
Waarde Vriend!
Ik heb u in mijn vorigen met een paar woorden gemeld, in wat treurigen toestand ons arm pleegkind hier op 't Huis is aangeland. â Zij is thans oogenschijnlijk beter: immers kan zij op en neder door haar kamer gaan, en ware het niet om den Noordenwind, dan zou het haar niet verboden zijn, een luchtje te scheppen; maar helaas! diezelfde vergunning en zoovele andere als Van Zevenaer gegeven heeft, zoo wat haar leefregel als het ontvangen van bezoeken betreft en die Mw. Wayland met hoop vervult, wekken mijne zorg en geven mij de overtuiging, dat de arts geen wapenen meer weet, krachtig genoeg om den koning der verschrikking te keer te gaan, die met dreigende hand zijn prooi komt eischen, en dat hij daarom al datgene vergunt, wat aan hare laatste levensdagen eenige verkwikking en genoegen bezorgen kan. Hij houdt zelfs te veel van haar, dan dat het in hem opgekomen zou zijn, haar naar een badplaats te zenden, om haar ver van hen, die haar dierbaar zijn, te laten sterven. En wie zich voor 't overige aangaande haar toestand moge bedriegen, zij zelve doet dit niet. De rusteloosheid, die, volgens hetgeen mij haar moeder zeide, op haar vroegere zwaarmoedigheid gevolgd was, kwelt haar niet langer: zij is niet slechts kalm en gelaten, maar legt zelfs tegenover hen, die haar bezoeken, een opgeruimde blijgeestigheid aan den dag, die na het gebeurde, onnatuurlijk wezen zou in een meisje, fijngevoelig als zij, en zich dus alleen verklaren laat uit de omstandigheid, dat zij reeds los is van het aardsche en zich het ij del gesnap der wereld niet langer aantrekt, niet uit laakbare onverschilligheid, maar omdat zij reeds niet meer tot die wereld behoort, en de pijlen van den laster haar, in de hoogere sferen, waar
279
zij in den geest reeds zweeft, niet meer kunnen bereiken.
Maar, acht zij haar eigen lijden niet meer, te inniger wordt haar belangstelling in het lijden, zoowel als in de vreugde van hen, die haar dierbaar zijn. Wanneer Mw. Van Hardestein haar bezoekt, schroomt zij niet, gelijk zij onder andere omstandigheden stellig zou gedaan hebben, over Maurits te spreken, ja te erkennen, hoe gelukkig zij zich geacht zou hebben, indien het de omstandigheden vergund hadden, dat hij haar echtgenoot werd. Zij smeekt dan de goede vrouw, hem haren dank over te brengen voor de genegenheid, die hij haar heeft betoond, hem wel op het hart te drukken, hoe verkeerd het in hem zou wezen, te blijven treuren over het mislukken van een huwelijk, dat toch bij geen mogelijkheid had kunnen plaats hebben, zonder hem in de oogen van de menigte te vernederen, en waarin hij nimmer een ongedeeld geluk had kunnen vinden. Maurits, zeide zij tot zijn moeder, was, door zijn geboorte en met zijn veelvuldige gaven van geest en hart, tot een schitterende loopbaan bestemd: zij zou, ware zij zijn vrouw geworden, wellicht het struikelblok geweest zijn, dat hem verhinderd had, aan de bestemming te voldoen, waartoe hij blijkbaar geroepen scheen; stellig zou hij dat eenmaal leeren inzien, en dan tot de overtuiging komen, dat ook datgene, wat ons tijdelijk verdriet berokkent, bij de uitkomst blijkt tot ons best geweest te zijn. Ook Eylar drukte zij op het hart, zijn broeder op te beuren, en zij vroeg hem tevens nogmaals om vergeving voor het verdriet, dat zij, tot loon zijner weldaden, hem, hoe onwillekeurig dan ook, had aangedaan; en, toen Eylar haar verklaarde, dat niet zij, maar hij gehouden was, haar dank te weten voor het offer, dat zij indertijd gebracht had, en haar vergiffenis in te roepen voor de weinig vaderlijke wijze, waarop hij te dier gelegenheid haar vertrek verhaast had, zonder betere narichten in te winnen aangaande de familie waar hij haar bracht, wilde zij daar niets van hooren, en zeide, met een uit-
280
drukking, die Eylar verklaart nimmer te zullen vergeten: âhadden zij, die 't wel met mij meenden, mij toen niet voor mij zelve gered, door mij hals over kop van hier te zenden, ik had niet ten tweeden male een logen aan Maurits kunnen vertellen.quot;
Gij hebt den ouden Flinck sinds jaren gekend en weet dus beter dan ik (die mij van vroeger alleen herinner, dat hij te Leiden mijn buurman was en in De Pauw kwam), welk een trotsche Nabal hij placht te zijn. â Reeds tijdens uw samenzijn met hem te Marlheim hadt gij verbetering aan hem bespeurd; doch thans zoudt gij hem ter nauwernood herkennen. De wolf is een lam geworden; de menschenhater heeft zijn naaste leeren liefhebben: en dat een en ander is het werk van zijn kleindochter: â als ik dat bedenk, en daarbij den gun-stigen invloed, dien zij gehad heeft op onzen vriend Galjart, dan gewis durf ik zeggen, dat zij niet vergeefs geleefd heeft.
Ontvangt Madeline bezoek van haar broeder Albert en de Freule Van Doertoghe, dan is zij vol scherts en vroolijk-heid: als begreep zij, dat het genoegen van een minnend paar door geen enkele treurige gedachte verstoord mag worden. Zij bestormt hen met vragen betreffende de geschenken, die zij ter gelegenheid van hun aanstaande huwelijk ontvangen hebben, de plaatsen, die zij op hun voyage de noces zullen bezoeken, het huis, dat zij zullen betrekken, de meubelen, die het zullen stoff'eeren, enz. quot;t Is, of zij zich een levendig denkbeeld zoekt te maken van hun toekomstig intérieur, en zich in gedachte daarin verplaatsen wil. Zelfs loopt zij daarbij zooverre vooruit, dat zij aan de jonge lieden heeft verzocht, meter te zijn over de oudste dochter, die zij krijgen zullen, en die, naar de beide namen, die zii gedragen heeft, Nicolette Madeline te heeten. â Evenals met hen, schertst zij met mijn zuster, en vertelt haar van allerlei verfraaiingen, die deze aan de pastorie zou kunnen bewerk-
281
stelligen, van bloemen, die zij in den tuin moet laten zetten, enz. Zij heeft zelfs aan Antje, mijn dienstmeid, gedacht en haar een stof voor een kleed laten toekomen, dat zij voor haar had gekocht en medegebracht.
Maar sterker misschien dan de wonderwerken, die zij bij Flinck en Galjart heeft verricht, is hetgeen zij verricht heeft bij de vrouw van onzen vriend Eylar. De jonge Gravin is een model van fijne beschaving; maar, onder ons, Donia, het opvolgen van het Tiende gebod is mij, wat haar bezit aangaat, zeer gemakkelijk. Niet, of zij heeft verstand, belezenheid, smaak en al wat dies meer zij; maar zij heeft een manier om gelijk te hebben, die een mensch lust geeft om van een andere meening dan de hare te zijn, en waarbij ik altijd onwillekeurig denk aan zekeren twist tusschen Racine en Boileau, waarbij deze eindigde met aan genen te zeggen; j'ai tort, c'est vrai; mais j'aime mieux avoir tort, que d'avoir si cruellement raison que vous I'avez. â Wat daarvan zij, zij had ten vorige jare, van den beginne af, de komst van ons pleegkind op Hardestein verkeerd gevonden, en dewijl zij, misschien 't eerst van ons allen, de aangroeiende genegenheid van Maurits voor ÃTicolette bespeurde, en andere uitzichten voor hem had, was zij daardoor het arme meisje alles behalve genegen: zij had haar zulks toen reeds getoond, later een gewillig oor geleend aan de u bekende geruchten, en dientengevolge, te Amsterdam zijnde, Madeline grof beleedigd. Ook nu, na de overtuiging bekomen te hebben, dat het goede kind zich geen kwaad te verwijten had, en dat wij allen, en zij niet het minst, haar vergoeding schuldig waren voor het haar aangedane leed, was zij afkeerig gebleven van het denkbeeld, haar immer met Maurits verbonden te zien. Wel liet zij zich daar niet stellig over uit; doch dat is ook haar gewoonte niet: als zij iets afkeurt, zegt zij het niet, maar haar stilzwijgen is dan welsprekend genoeg: en men kan uit haar toon, haar houding, haar
282
zuchten, haar gebaren, opmaken hoe zij er over denkt, en zij neemt in zulke gevallen het voorkomen aan van een miskend en mishandeld slachtoffer. Zij was dan ook op den avond, toen Madeline hier verwacht werd, op Hardestein verschenen met hetgeen een ander unvisage de circonstance heeten zou en ik eenvoudig âeen gezicht als een oorwurmquot; noem â en ik had zeer goed aan haar gemerkt, dat, toen wij allen ontsteld waren over het noodlottige toeval, aan Madeline overkomen, zij alleen koel bleef, en, geloof ik, niet ongenegen, zich zelve in stilte een compliment te maken over haar schranderheid, van zoo iets wel te hebben voorzien. Welnu, diezelfde vrouw is, op een bezoek, dat zij onze lijderesse bracht, door deze zoodanig van al de vooroordeelen, welke zij tegen haar had, genezen, dat zij schreiende bij haar man is teruggekomen en hem verklaard heeft, dat het meisje een engel was. 't Is echter mogelijk, dat zij er anders over denken zou, indien Madeline er weer van opkwam. Stervenden of dooden zijn altijd engelen; dikwijls ook in de oogen van hen, die ze, toen zij leefden en gezond waren, niet mochten luchten; maar zijn ze eens in den hemel â of worden zij althans uit christelijke liefde verondersteld daar te zijn, dan hinderen zij ook niemand meer hierbeneden, en niemand heeft er iets tegen, dat zij aldaar de best mogelijke positie bekleeden.
Al wat ik u tot nog toe verteld heb, heb ik van anderen, want Madeline ziet, op voorschrift van den dokter, zelden meer dan één of hoogstens twee personen te gelijk; wat ik nu ga mededeelen, is het hoofdzakelijke van een gesprek dat ik hedenmorgen met haar voerde.
âWel Madeline,quot; vroeg ik, âhoe bevindt gij u hedenmorgen?quot;
âZoo wel, lieve Dominee,quot; antwoordde zij, met een allervriendelijksten glimlach, âals iemand wezen kan, die de bewustheid heeft, spoedig van alle zorg ontslagen te
283
zijn; â maar zeg dit laatste niet aan mijn moeder: het is nog geen tijd haar te bedroeven.quot;
Ik was gekomen met het voornemen om haar voor te bereiden op de mogelijkheid van een spoedig uiteinde, had het gesprek langs een bedekten weg op dat onderwerp willen brengen; en zie, nu ze zelve de eerste was om er van te beginnen, en mij dus mijn taak te lichter moest schijnen, deed zulks op mij een tegenovergestelde uitwerking en had ik onwillekeurig het gevoel, als moest ik haar zulk een wreede gedachte uit het hoofd praten, ja ik was lamzalig genoeg om te zeggen;
âStelt gij u dat niet te zwaar voor. mijn kind?quot; Zij schudde het hoofd en zag mij aan alsof zij zeggen wilde: âgij meent niet wat gij zegt, Dominee,quot; en toen, nogmaals glimlachende, hernam zij:
â't Is ook zoo veel beter. Zie, ik heb veel geleden in de laatste maanden, en ik voelde, dat ik nimmer de smet zou kunnen afwasschen, die op mij geworpen was: mijn verder leven hierbeneden zou een voortdurende marteling geweest zijn: en, nog erger, ik zou hen, die ik liefhad, hebben zien lijden om mij. Hoe ik de toekomst te gemoet zag, zij schilderde mij niets dan verdriet. â Maar nu lijd ik niet meer: â en zoo ik nog denk aan het gebeurde, het is als aan iets, waarvan de naweeën mij niet meer treffen kunnen.quot;
âEn is,quot; vroeg ik, âhet denkbeeld u niet smartelijk om zoo jong nog te scheiden van zoovelen, die u liefhadden?quot;
âIk ben nog jong,quot; antwoordde zij, âjong in jaren; maar voorwaar niet jong in ondervinding van het men-schelijke leven. En dan, ja, ik weet, dat velen hier om mij treuren zullen.... velen, die zoo goed voor my geweest zijn, en van wie ik afscheid nemen moet; maar is het niet troostrijk voor mij, dat, nu ik heen moet gaan, zij, die ik liefhad, mij dus uitgeleide doen, en dat ik hun bij 't afscheid nemen de hand tot weerzien geven kan ?quot;
284
âEn,quot; vroeg ik, âzoo gij vertrekt, hebt gij nu ook de zekerheid, dat gij tot den Vader komt, die u door lijden den weg tot Hem gebaand heeft?quot;
âO!quot; zeide zij: âspreek mij niet meer van mijn lijden. Ik wil alleen denken aan het lijden van Hem, die mij verlost heeft door zijn dood: â neen, spreek mij van het geluk, dat ik gehad heb, trouwe vrienden gehad te hebben, die mij hebben welgedaan, vrienden, die niet alleen de armen tot mij hebben uitgestrekt toen ik hulpeloos en verlaten was, maar die ook voor mijn zedelijk welzijn hebben gezorgd, en aan wie ik het dank weet, dat ik van jongs af geleerd heb, mijn bekommernissen op God te werpen en op Hem te vertrouwen in de ure des doods.quot;
Ge begrijpt, hoe licht mijn taak geworden was; ik kwam om woorden van stichting te spreken en werd zelf gesticht. Ik voelde mijn geringheid tegenover haar. Wat wij predikanten bij de gewone zieken voor hebben, dat is onze overtuiging en onze kennis; â beide door langdurige studie en omgang met menschen verkregen. Maar toch blijft dat aardsche stof, boven hetwelk wij ons bij zulke gelegenheden zoo gaarne willen verheffen, ons bestendig aankleven. Wij wijzen op de poort, waardoor men moet ingaan: maar wij zien er niet doorheen: wij schilderen het heil af, dat daar aan de andere zijde hem, die binnentreedt, verbeidt; maar wij hebben er geen zuiver begrip van. Voor haar daarentegen stond die poort als geopend en zij blikte met een helder oog de eeuwigheid te gemoet. Een onderwijzer moge de aardrijkskunde op zijn duim kennen en aan zijn leerlingen wonder wat kunnen vertellen van hetgeen de vreemde landen, die hij hun op de kaart aantoont, merkwaardigs aanbieden: de knaap, die gereisd en een kijkje in de landen zelf gehad heeft, is altijd verder dan hij.
Dat belette mij niet, met haar over het Godsrijk te spreken. Ik rekte het onderhoud niet; want ik moest
285
vooral zorgen haar niet te vermoeien: bovendien, veelheid van woorden kwam hier niet te pas. Ik eindigde met haar te doen opmerken of het niet beter was, haar moeder op die spoedige scheiding voor te bereiden, en bood haar daartoe mijn diensten aan.
âJa,quot; zeide zij, na een wijl te hebben nagedacht, âgij hebt gelijk, Dominee, mijn moeder moet niet onvoorziens door den slag getroffen worden; en bovendien, ik ben zoo opeens rijk geworden, nu ik het niet meer noodig had: ik wilde wel eenige blijken van mijn aandenken nalaten aan hen, die ik heb liefgehad of die mij hebben welgedaan; â en ik zal daartoe, geloof ik, een notaris behoeven : â dat kan niet in 't geheim geschieden: â en hoe spoediger die zaak in orde is hoe beter.quot;
Ik moest de juistheid van haar gezegde toestemmen, en beloofde aan haar verlangen te zullen voldoen. Toen ik echter weder beneden kwam bij Mw. Wayland, vond ik ook hier mijn taak lichter dan ik gedacht had, en het moederhart reeds voorbereid op hetgeen ik ie zeggen had. Immers, nauwelijks had ik haar verhaald, hoe Madeline, om op alle eventualiteit voorbereid te zijn, een notaris wenschte te spreken, of Mw. Wayland zeide mij, met een uitdrukking van onderwerping: âIk wist wel. Dominee, dat ik mijn dochter enkel had teruggevonden om haar weer te verliezen. Gods wil geschiede; maar het is bitter hard; want had ik haar al lief, voordat ik wist dat zij mijn kind was, gij begrijpt, hoeveel mij thans het scheiden kost.quot;
Ik moest nu troostwoorden voor haar hebben; want werkelijk, voor haar is het schrikkelijk, aldus voor de tweede reize zich een lieve dochter van 't hart te zien scheuren; doch ook bij haar scheen eindelijk de overtuiging te zyn gekomen, dat Madeline nimmer op aarde eenig geluk had kunnen smaken, dat niet ware verpest geweest door de herinnering aan die jammerlijke Haagsche geschiedenis. Zij kon echter niet nalaten, zich te verwijten, dat
286
zij Madeline, nadat die eenmaal het besluit genomen had, van Maurits af te zien, daarin niet gesterkt had, maar haar daarentegen aangespoord, de uitnoodiging aan te nemen van Mw. Van Hardestein, en daardoor aanleiding gegeven tot die noodlottige reis, die haar den genadeslag gegeven had. â Ik kon haar geen anderen troost te dien opzichte geven, dan dat wij allen te dien opzichte ons hetzelfde verwijt konden doen als zij.
Het is zeker treurig; maar, in alles bijna, wat betrekking heeft tot ons pleegkind, hebben wij, ofschoon met een goed oogmerk handelende, ons door de uitkomst teleurgesteld gezien, 't Is of, toen wij als gevaders over het kind zaten, er een booze Toovergodin geweest is, die den invloed van den goeden Sinter-Niklaas, aan wien wij het kind hadden opgedragen, heeft geneutraliseerd. Eerst beproefde zij, onder de gedaante van Mie Ruffel, het goede zaad in het kind te verstikken, en, toen dit haar niet gelukte, en het kind, ten gevolge der aan haar bestede zorgen, tot een lief, beschaafd en vroom meisje was op gegroeid, blies zij dien satan van een Drenkelaer de gedachte in, Maurits op haar verliefd te maken. â En toen wij weer, onzerzijds, dachten een goed werk te doen, door haar bij Van Zirik te brengen, moest weer die Heks haar booze geesten, in de gedaanten van Tilbury's en Pedaals, van Emilies en Mont-Athossen op haar weg zenden om haar ramp op ramp te baren: â hebben zelfs de bemoeiingen van Hoogenberg, om haar te rechtvaardigen en haar den naam en stand in de maatschappij, die haar toekwam, terug te geven, niet gestrekt, om haar meer en evidence te brengen, aan de eene zijde meer stof aan de kwaadsprekenden te geven, die anders uitgepraat hadden, en aan de andere zijde de aanzoeken van Maurits te doen herleven en daardoor bij haar nieuwe onrust te verwekken? â en hebben wij niet deerlijk misgetast, toen wij, in een huwelijk met den man dien zij liefhad, het eenig middel tot haar redding zagen ? Gewis zou Bleek,
287
zoo hij nog leefde, zeggen â en trouwens hij heeft het vroeger reeds gezegd â dat wij eenvoudig dwaasheid op dwaasheid gestapeld hebben: dat onze eerste en grootste bestaan heeft in het aannemen van het kind, en onze tweede in de opvoeding, die wij het gegeven hebben: â en toch, hoe dikwijls wij ook mogen misgetast hebben, toch kan ik geen berouw hebben over onze handelwijze, als ik den engel zie, die uit ons pleegkind is opgegroeid en nu zijn vleugelen gereedmaakt om van ons te scheiden. â Neen Donia, onze zorg voor haar is niet onnut geweest.
âUw vriend âGr. Bol.quot;
Niet zonder reden had Madeline verlangd, dat de komst van den man der wet niet zou worden uitgesteld; want reeds den morgen na den dag, waarop zij zijn bezoek had ontvangen, vond zij zich te zwak om op te staan, en liet het zich aanzien, dat haar einde nabij was. Dienzelfden morgen zou Van Zevenaer, volgens belofte, terugkomen, en werkelijk verscheen hij, maar deze reis niet alleen. Hoogenberg, Donia en Galjart vergezelden hem: geen hunner, of hij had behoefte gevoeld, een laatst vaarwel te zeggen aan haar, die hij als een dochter had liefgehad. Van Zevenaer zag terstond, dat zij juist nog intijds kwamen: na haar dank te hebben ontvangen voor de trouwe diensten, die hij haar bewezen had en die zij nu voortaan niet langer behoeven zou, gaf hij dan ook terstond te kennen, dat aan Madelines verlangen moest voldaan worden en bij haar worden toegelaten al wie zij wenschte te zien.
Aandoenlijk was het schouwspel, dat het slaapvertrek aanbood, aandoenlijk het afscheid, dat zij van allen nam: âwel, dat is recht lief van u,quot; zeide zij tegen haar pleegvaders, âmijn lieve vaders, â ik mag u immers nog wel eens voor 't laatst zoo noemen? â dat gij nog gekomen zijt om mij de hand te drukken eer ik afreis naar de woning mijns Vaders daarboven. Nogmaals dank voor al uw goedheid: u inzonder-
288
heid, vader Donia, voor uw gift in Den Haag, die mijn redding is geweest: en u, vader Hoogenberg, voor al de moeite, die gij u voor mij gegeven hebt; en u, vader Galjart, voor de genoegens, die mij uw hartelijkheid verschaft heeft, toen wij te zamen woonden.quot;
Geen van drieën was schier in staat een woord uit te brengen; Galjart viel naast haar bed op de knieën en, de hand van Madeline kussende, stamelde hij:
âGeen dank aan mij, Madeline .... ik dank u, die my tot een ander mensch hebt gemaakt.quot;
Toen was de beurt aan Eylar; âvaarwel, lieve vader Eylar!quot; zeide de stervende, âen vergeef mij, zoo ik u en Mevrouw onwillekeurig verdriet heb aangedaan; maar ik weet het,quot; vervolgde zy, deze laatste met een vriendelijken blik aanziende; âje hebt het mij vergeven.quot;
âO! ik heb u niets te vergeven: maar mij zelve zal ik 't nooit vergeven, dat ik eens zoo hard tegen u heb kunnen zijn,quot; zei Mevrouw Mietje, schreiende.
âNu, lieve moeder,quot; vervolgde Madeline; âtreur niet om mij: je zult mij zoo niet missen, je hebt lang buiten mij geleefd en je hebt weer een dochter in Bettemie gevonden, die u lief zal hebben en daar je mee zult kunnen uitgaan, zonder dat iemand er iets over zal te zeggen hebben: â vaarwel, Bettemie! maak Albert gelukkig: ik heb hem maar kort gekend; maar genoeg om te weten, dat hij uw liefde waardig is. â Groet van mij Mw. Van Doertoghe en Pietje. â Albert, je zult nu wel nog eens zoo lief voor moeder zijn, nietwaar? als je altijd geweest bent. â Nu, lieve, beste Grootvader! zooals afgesproken isquot; â hier glimlachte zij even, âje zult geen leelijke woorden meer zeggen en niet te ongunstig denken over je naasten; want, al hebben wij beiden er leeren kennen, die boos waren, zie maar eens om u heen, hoe velen er nog zijn, die goed en lief zyn. â Aan u mijn dank, vader Van Zevenaer, voor uw trouwe zorg: je hebt het wel terstond gemerkt, dat het met mij op den duur niet gaan zou, en je hebt toch al gedaan wat in uw vermogen was.
289
om den slag te keeren. â Vader Bol! wij hebben elkaar al gezeid wat wij te zeggen hadden; maar nog eenmaal mijn dank aan u, Juffrouw Leentje, voor al de genoegens, die je mij, nu juist een jaar geleden, verschaft hebt: â â en breng mijn groete over aan Antje, en aan de Dames Prawley en aan Juffrouw Fix. â De gelukkigste dagen van mijn leven heb ik hier gesleten en daarom, vader Eylar, heb ik gewenscht. hier op 't kerkhof te rusten: daar zal toch wel niets tegen zijn, nietwaar?quot;
âElke wensch, dien je voeden mocht, zoover 't van ons afhangt, zal vervuld worden,quot; zei Eylar, wiens oogen vol tranen stonden.
âEn nu, mevrouw!quot; vervolgde de stervende, zich tot de Douairière wendende: âaan u bovenal moet ik verschooning vragen voor het verdriet, dat ik u wellicht vroeger, en voor den overlast, dien ik u in de laatste dagen veroorzaakt heb: maar je hebt mij dat waarlijk niet doen bemerken; â want je waart lief jegens mij als een eigen moeder.quot;
âOch ja, mijn kind!quot; zei madame mère, al schreiende: âen ik begon mij ook al volkomen als een moeder voor u te gevoelen: Ach! waarom mag het toch nu niet gebeuren, dat je in werkelijkheid mijn kind wordt? â En heb je niets aan Maurits te zeggen? â Dat hij nu ook niet hier is!quot;
âNeen!quot; antwoordde Madeline, terwijl haar verzwakte stem en de beweging, waarmede zij met het hoofd op haar kussen nederzeeg, getuigden, hoe haar 't spreken vermoeid had: âik zal het hem zelf zeggen, als hij komt.quot;
De omstanders zagen elkander aan, onder een droefgeestig hoofdschudden, dat te kennen gaf, hoe weinig uitzicht er. naar hun meening, bestond, dat de hoop vervuld zou worden, die de stervende scheen te voeden: en Van Zevenaer gaf met een wenk en oogopslag te kennen, dat haaquot;r einde nabij was. In de kamer heerschte een eerbiedige stilte en ieders blik was op Madeline gevestigd, in afwachting van het noodlottige scheidingsoogenblik. Mets hoorde men, dan hier en daar eenige gesmoorde snikken, en het eentonig geluid van den slinger
V. - K. Z. 10
290
der staande klok in de gang. â Maar zie! waardoor schemerde daar opeens weer het rozerood door het albasten wit op Madelines wangen? â Wat deed haar halfgebroken oogen weer opflikkeren als met jeugdig vuur? â Waaraan ontleende zij de kracht om zich, zonder iemands hulp, weer op te richten en overeind in haar bed te zitten? â Had hier een wonderwerk plaats gehad? Ja! zoo scheen het den aanwezigen toe; want geen hunner had gehoord wat zij gehoord, geen hunner gevoeld wat zij gevoeld had: en daarom begreep niemand, waarom zij met den vinger naar de deur wees en den verwachtenden blik daarop gevestigd hield: â en hoor! daar dreunden haastige voetstappen door het huis, de trap op, de gang door: daar sprong de deur open: en op den drempel stond Maurits.
Had men vroeger gevreesd, dat de tegenwoordigheid van den jongeling op Hardestein van nadeeligen invloed kon zijn op de zieke, nu eenmaal haar lot beslist was, had men geoordeeld, hem daarvan niet te mogen onkundig laten, noch hem te beletten, zoo hij 't verlangde, nog haar laatst vaarwel te ontvangen: en op een dringenden brief, hem door zijn moeder gezonden, had hij Den Haag verlaten en was zoo snel mogelijk naar Hardestein gereisd. Niet altijd verzwakken de zintuigen bij het naderen van den dood; somtijds ook gebeurt het, dat zij scherper worden: en zoo ook nu had het fijn gehoor van Madeline vernomen, wat aan aller oor ontgaan was, dat er een rijtuig over de slotbrug reed: en het instinct eener stervende had haar gewaarschuwd wie het was, die met dat rijtuig kwam.
âMaurits!quot; riep zij met luider stemme en met dankbare vreugde in haar blik.
Bleek en sidderend trad de jongeling nader en knielde voor haar legerstede. Zij steunde het hoofd op den elleboog en zag hem in 't gezicht, met een uitdrukking vol onuitspreekbare teederheid op het hare.
âIk wist het, Maurits,quot; zeide zij, âdat ik je nog zien zou, eer ik stierf. Wees niet bedroefd, dat ik uit dit leven scheid.
I
291
't Is zóó beter. Onder verdenking te leven is toch erger dan de felste marteling. Waar ik nu heenga, bestaat laster noch kwaadsprekendheid, en wat de menschen hier zeggen, zal mij daar niet hinderen. Maar foei! wat klaag ik over anderen, met zoovele vrienden om mij heen en met u bij mij. â Maurits, je zult nog dikwijls aan mij denken, dat weet ik; maar doe het dan als aan een zuster, als aan iemand, die toch nooit je vrouw had kunnen worden. Zie! God heeft mij lief, en als een bewijs van Zijn liefde heeft Hij mij vergund u nog eenmaal te zien. Dank voor uw komst.... dank voor uw liefde. â Dank allen!quot;
âMadeline!quot; was al wat de jongeling kon uitbrengen, terwijl hij snikkende het hoofd over haar hand boog.
Daar sloeg zij de beide armen om zijn hals en drukte, als met onstuimige drift, hem een kus op de lippen. Toen verdween, even snel als 't gekomen was, het rood van haar kaken: haar oogen werden dof: haar armen lieten los, en haar hoofd zeeg over den schouder haars geliefden neer: de eerste kus, aan Maurits gegeven, was haar laatste ademtocht geweest.
Het stoffelijk overschot van Madeline werd, overeenkomstig den wensch, dien zij geuit had, op het kerkhof te Hardestein ter aarde besteld, en op het geopende graf sprak Ds. Bol, in tegenwoordigheid van al degenen, die wij aan haar sterfbed gezien hebben, en van een talrijke menigte, uit dorp en omtrek samengevloeid, een treffende lijkrede uit. Ook Snel bevond zich onder zijn toehoorders en had nu zelf gelegenheid, toen hij den diepen weemoed zag, waarin de naaste verwanten van Maurits gedompeld waren, overtuigd te worden, dat zij hier meer betreurden dan het bloote mislukken eener veronderstelde financiëele speculatie.
Bij het openen van het testament bleek het, dat Nicolette, behalve een gedachtenis van minder waarde aan ieder van
292
haar pleegvaders, aan de twee minst door de fortuin begunstigden, Bol en Galjart, levenslang een jaarlijksche uitkeering van Æ600 had besproken: en een jaargeld van f800 zoo aan Mw. Zilverman als aan Juffrouw Leentje. Aan vrouw Ruffel en Truitje had zij een weekgeld vermaakt, en souvenirs aan de kinderen van Van Zirik en aan die van Mad. Puri. Voorts had zij op een kiesche wijze erkentenis voor de welwillendheid, haar door de Hardesteinsche dames bewezen, aan den dag gelegd, door f5000 te schenken aan het Genootschap, waarvan zij patronessen waren. â Aan Maurits had zij enkel een haarvlecht gelaten; hij behoefde en verlangde niets meer om harer te gedenken.
Ten gevolge van het treurige sterfgeval werd het huwelijk van Albert en Bettemie tot in September uitgesteld en toen zonder buitengewone feesten voltrokken. Hoe ingenomen Mw. Wayland ook wezen mocht met de keuze, die haar zoon had gedaan, en hoe zij zich verheugde in zijn geluk, toch hadden het verlies van haar teruggevonden dochter en het tijdelijk gemis van Albert, die met zijn jonge vrouw een huwelijksreis was gaan doen naar Engeland, een sluier geworpen over haar vreugd, en was het haar wel eenzaam, toen zij zich alleen, tegenover haar ouden, door 't verdriet terneergebogen schoonvader bevond, 't Is waar, zij was vroeger, gedurende jaren, aan de eenzaamheid gewoon en daarbij betrekkelijk tevreden met haar lot geweest. Maar minder treurig was de eenzaamheid haar gevallen, in het klein en rustig kamertje, dat zij in de Bloemdwarsstraat bewoonde, en dat zij, om zoo te zeggen, geheel vulde, dan in dat groote huis te Blinkerswaard, waar zij zooveel leegte in die ruime en holle kamers om zich heen zag, en waar alles haar Madeline herinnerde. En toch moest zij haar eigen leedgevoel zooveel mogelijk onderdrukken om den ouden man te troosten en op te beuren. Hem was met Madeline de persoon ontvallen, die hem weer aan de aarde gehecht had, door hem van zijn menschenhaat te genezen, en aan den hemel, door hem betere gedachten aangaande zyn eigen bestemming in te boe-
293
zemen. Van zijn schatten bezigde hij nu voortaan ook een groot deel om nuttige ondernemingen te bevorderen en nood-druftigen bij te staan; bij welk laatste hem de hulp en voorlichting wel te stade kwam van zijn schoondochter, die lang genoeg in de atmosfeer der armoede verkeerd had ora deze te leeren kennen en met oordeel te ondersteunen.
Toen na een paar jaren de grijsaard, nog onverwachts, uit het leven scheidde, keerde Mw. Wayland naar Amsterdam, om 's winters meer bestendig bij haar kinderen te zijn. 's Zomers brengt zij altijd eenige weken op Doornwijck door, waar zich Albert en Bettemie onthouden sedert den dood van Mw. Van Doertoghe, die ongeveer terzelfder tijd als Flinck overleden was. Het zien van het geluk der beide echtelingen en van het voorspoedig opgroeien van hun viertal kinderen bezorgt aan Mw. Van Wayland een blijmoedigen ouderdom, en zij heeft bijna geleerd, het terugvinden en het weer verliezen van Madeline te beschouwen, zoo niet als een droom, dan althans als een parenthesis in haar leven.
Albert, niet gewoon ledig te zitten, heeft zich spoedig aan 't hoofd gesteld van onderscheidene industriëele ondernemingen, en is steeds bereid, zijn tijd gelijk zijn geld te geven, waar het er op aankomt, het algemeene welzijn te bevorderen. Men verwacht dat hij bij de eerste vacature Directeur der Neder-landsche Bank zal worden: â van politieke candidaturen wil hij ongelukkig volstrekt niets weten.
De Heer Van Bassen leeft nog altijd: de dood schijnt hem te vergeten. Hij is echter in den laatsten tijd een weinig aan 't sukkelen geraakt, en men heeft hem in zijn Sociëteit herhaaldelijk aan de whisttafel gemist: wat een veeg teeken is. Hij zal altijd nog tijdig genoeg sterven, om de kinderen van Bettemie tot rijke partijen te maken.
Wat de bewoners van Hardestein betreft. Dominee Bol heeft voor alle beroepen naar elders bedankt en gaat voort, de gemeente te Hardestein te stichten; den ontvanger Snel heeft hij echter sedert lang niet meer onder zijn gehoor, omdat die naar Gouda, en nu laatstelijk naar Rotterdam is verplaatst.
294
Juffrouw Leentjs heeft dan ook de hoop om uit haar vrijsterstaat te geraken, moeten opgeven, wat haar humeur er niet op heeft doen verbeteren, en haar gezelschap ondraaglijk zou maken voor eiken huisgenoot, die niet, als Bol, een engel van geduld, of, als Antje, er, door lange gewoonte, onverschillig omtrent geworden was.
Eylar is nog wat hij steeds geweest is, het model van een edelman van den echten stempel. Wellicht zou hij ook als staatsman een rol hebben kunnen spelen, Indien zijn zucht tot het landleven niet steeds bij hem over elke opwelling van eerzucht had gezegevierd. Hij zag zich echter eens gedrongen deel uit te maken van een zoogenaamd Ministerie van overgang, ten gevolge waarvan hij den titel behield van Minister van Staat, een titel, die zijn vrouw, ondanks al haar vrome begrippen, toch nogal gaarne op het adres der tot hem gerichte brieven ziet prijken. Mw. Mietje is nog steeds dezelfde, allerinnemendst wanneer zij 't wezen wil, altijd gelijk hebbende in haar oordeelvellingen en beschouwingen, en voor 't overige dezelfde redenen van dankbaarheid hebbende als Juffrouw Leentje, namelijk dat zij een man, evenals deze een broeder, getroffen heeft, die niet dol wordt onder de beproevingen, waaraan zij hem blootstelt.
Mevrouw Van Hardestein heeft zich, na het vertrek van Kato Tronck en na de drukte, die ten gevolge van het verblijf van Madeline op Hardestein, aldaar heerschte, zoo eenzaam en verlaten gevonden, dat zij er voortdurend logés op nahoudt.
De majoor is oud en jichtig geworden en komt weinig meer de deur uit. De Heer Zuring is op een mooien dag weggereisd, zonder aan iemand te zeggen waarheen. Zelfs zijn crediteurs weten niet waar hij gestoven of gevlogen is. Men beweert echter, dat mevrouw, die naar Amsterdam is gaan wonen, en er altijd op een comfortabelen voet blijft leven â hoe en waarvan begrijpt niemand â zeer goed met zijn verblijf bekend is.
Met Verdrongen is het treuriger afgeloopen. Zijn vrouw is
295
gestorven: zijn Jakomina is het, na haar liefdes-avontuur met den koetsier van Mw. Van Sporkelberghe, die, toen hij bemerkte, dat de papa geen geld had, de dochter had laten zitten, in 't hoofd geslagen, zoodat zij thans in een gesticht voor krankzinnigen wordt verpleegd: hij zelf is van verdriet aan den drank geraakt, en zijn inboedel bij gerechtelijke executie verkocht. Hij loopt thans te Amsterdam met bedelbrieven rond, en beloont de medelijdende lieden, die hem te woord staan, door hen op een relaas van zijn wederwaardigheden te onthalen, waarbij al de verschillende takken der Verdrongens en Van Blaarzen te pas gebracht worden.
Le Mat radbraakt nog altijd het Latijn. Hij heeft veel verloren ten gevolge van den dood van Mw. Van Doertoghe en niet minder, doordien zich een broederszoon van de Dames Prawley, een gepromoveerde Med. Dr., als arts te Hardestein heeft nedergezet. Hij heeft dan ook niet weinig aangegaan tegen zulk een gruwel, dat lieden van geboorte zich met zijn vak afgaven en hem in de wielen kwamen rijden. Er bestaat echter gegronde reden om te gelooven, dat de jeugdige geneesheer het oog gevestigd heeft op Julie, die nog ongehuwd is, in welk geval Schoonpapa de praktijk zou kunnen verlaten en zich tot de apotheek blijven bepalen, terwijl de tantes wel zouden zorgen, dat het in het jonge huishouden aan niets ontbrak.
Wat de overige personages betreft, die in ons verhaal voorkomen, zoo kunnen wij ons, voor zooverre Hoogenberg en Van Zevenaer aangaat, bepalen met te zeggen, dat zij nog, ieder in zijn vak, als primi inter pares beschouwd worden. Galjart was, ook sedert hij van zijn losbandig leven was teruggekeerd, toch te gezellig van aard gebleven om op den duur zijn dagen in eenzaamheid te slijten. Het is hem, met zijn nog altijd vroolijk uiterlijk en innemende manieren, niet zwaar gevallen, het hart te winnen van een betrekkelijk nog jong en daarbij niet onbevallig en niet geheel onbemiddeld vrouwtje, waarmede hij thans zeer vergenoegd leeft. Zijn betrekking aan de courant heeft hij verwisseld met die van secretaris
294
Juffrouw Leentje heeft dan ook de hoop om uit haar vrijsterstaat te geraken, moeten opgeven, wat haar humeur er niet op heeft doen verbeteren, en haar gezelschap ondraaglijk zou maken voor eiken huisgenoot, die niet, als Bol, een engel van geduld, of, als Antje, er, door lange gewoonte, onverschillig omtrent geworden was.
Eylar is nog wat hij steeds geweest is, het model van een edelman van den echten stempel. Wellicht zou hij ook als staatsman een rol hebben kunnen spelen, indien zijn zucht tot het landleven niet steeds bij hem over elke opwelling van eerzucht had gezegevierd. Hij zag zich echter eens gedrongen deel uit te maken van een zoogenaamd Ministerie van overgang, ten gevolge waarvan hij den titel behield van Minister van Staat, een titel, die zijn vrouw, ondanks al haar vrome begrippen, toch nogal gaarne op het adres der tot hem gerichte brieven ziet prijken. Mw. Mietje is nog steeds dezelfde, allerinnemendst wanneer zij 't wezen wil, altijd gelijk hebbende in haar oordeelvellingen en beschouwingen, en voor 't overige dezelfde redenen van dankbaarheid hebbende als Juffrouw Leentje, namelijk dat zij een man, evenals deze een broeder, getroffen heeft, die niet dol wordt onder de beproevingen, waaraan zij hem blootstelt.
Mevrouw Van Hardestein heeft zich, na het vertrek van Kato Tronck en na de drukte, die ten gevolge van het verblijf van Madeline op Hardestein, aldaar heerschte, zoo eenzaam en verlaten gevonden, dat zij er voortdurend logés op nahoudt.
De majoor is oud en jichtig geworden en komt weinig meer de deur uit. De Heer Zuring is op een mooien dag weggereisd, zonder aan iemand te zeggen waarheen. Zelfs zijn crediteurs weten niet waar hij gestoven of gevlogen is. Men beweert echter, dat mevrouw, die naar Amsterdam is gaan wonen, en er altijd op een comfortabelen voet blijft leven â-hoe en waarvan begrijpt niemand â zeer goed met zijn verblijf bekend is.
Met Verdrongen is het treuriger afgeloopen. Zijn vrouw is
gestorven: zijn Jakomina is het, na haar liefdes-avontuur met den koetsier van Mw. Van Sporkelberghe, die, toen hij bemerkte, dat de papa geen geld had, de dochter had laten zitten, in 't hoofd geslagen, zoodat zij thans in een gesticht voor krankzinnigen wordt verpleegd: hij zelf is van verdriet aan den drank geraakt, en zijn inboedel bij gerechtelijke executie verkocht. Hij loopt thans te Amsterdam met bedelbrieven rond, en beloont de medelijdende lieden, die hem te woord staan, door hen op een relaas van zijn wederwaardigheden te onthalen, waarbij al de verschillende takken der Verdrongens en Van Blaarzen te pas gebracht worden.
Le Mat radbraakt nog altijd het Latijn. Hij heeft veel verloren ten gevolge van den dood van Mw. Van Doertoghe en niet minder, doordien zich een broederszoon van de Dames Prawley, een gepromoveerde Med. Dr., als arts te Hardestein heeft nedergezet. Hij heeft dan ook niet weinig aangegaan tegen zulk een gruwel, dat lieden van geboorte zich met zijn vak afgaven en hem in de wielen kwamen rijden. Er bestaat echter gegronde reden om te gelooven, dat de jeugdige geneesheer het oog gevestigd heeft op Julie, die nog ongehuwd is, in welk geval Schoonpapa de praktijk zou kunnen verlaten en zich tot de apotheek blijven bepalen, terwijl de tantes wel zouden zorgen, dat het in het jonge huishouden aan niets ontbrak.
Wat de overige personages betreft, die in ons verhaal voorkomen, zoo kunnen wij ons, voor zooverre Hoogenberg en Van Zevenaer aangaat, bepalen met te zeggen, dat zij nog, ieder in zijn vak, als primi inter pares beschouwd worden. Galjart was, ook sedert hij van zijn losbandig leven was teruggekeerd, toch te gezellig van aard gebleven om op den duur zijn dagen in eenzaamheid te slijten. Het is hem, met zijn nog altijd vroolijk uiterlijk en innemende manieren, niet zwaar gevallen, het hart te winnen van een betrekkelijk nog jong en daarbij niet onbevallig en niet geheel onbemiddeld vrouwtje, waarmede hij thans zeer vergenoegd leeft. Zijn betrekking aan de courant heeft hij verwisseld met die van secretaris
296
bij eene der ondernemingen, bij welke Albert Wayland Flinck commissaris is.
Is het met den bekeerden en goedhartigen lichtmis gelukkig afgeloopen, treurig daarentegen was het einde van den ouden en onverbeterlijken Tilbury. Na nog lang gesukkeld te hebben ten gevolge van zijn val aan het huis der Mont-Athos, kreeg hij een verlamming, die hem noodzaakte het huis te houden, en waarbij zich eerlang een lastige borstkwaal voegde. Daar men hem alleen bezocht om de festijnen, die hij gaf, hielden, te gelijk met deze, ook de bezoeken op: verwaarloosd en bestolen door zijn dienstboden, veracht door allen, stierf hij eenzaam, verlaten en van niemand betreurd.
Van Zirik was, van al de nog levende pleegvaders van Klaasje Zevenster, de eenige geweest, die bij haar begrafenis ontbroken had. Een begrijpelijk gevoel van schaamte had hem weerhouden van Den Haag te verlaten, om een plechtigheid bij te wonen, waar hij verwachten kon, uit menig oog het stil verwijt te lezen, dat, zoo hij zich indertijd de belangen der weeze, die te zijnen huize bescherming verwacht en verdrukking gevonden had, naar plicht had aangetrokken, de pas ontloken roos niet voor den bloeitijd op haar stengel geknakt zou zijn. Maar toen hij, niet zonder berouw over zijn toenmalig zwak en onwaardig gedrag, zich verschoonde van naar Hardestein te gaan, wist hij niet, dat ook onder zijn huis-genooten er eene was, die door een gevoel van gelijksoortigen aard als het zijne werd gekweld. Wij bedoelen zijn tegenwoordige huishoudster, Katharina Tronck. Van het oogenblik af, dat Drenkelaer zijn uitzicht op de hand van Bettemie in rook had zien vervliegen, en dat al zijn listige en boosaardige kunstenarijen tot niets anders hadden geleid, dan om aan Maurits een bitter zielelijden en aan het onschuldige pleegkind van Dominee een tal van rampen te berokkenen, was zij begonnen, zich de rol van medeplichtige te schamen, die zij gespeeld had. Daarom was het gezicht van Mw. Van Hardestein, die zij als haar weldoenster moest beschouwen, althans als haar beschermster, wier brood zij zoolang gegeten
297
had, en tegen het geluk van wier zoon zij een komplot had helpen smeden, haar een gedurig verwijt, en derhalve ondraaglijk, geworden: daarom had zij het op Hardestein niet langer kunnen houden, en de gelegenheid gretig aanvaard, die haar ten huize van Van Zirik werd opengesteld. Naar den uiter-lijken schijn te oordeelen, viel die standverwisseling niet ongelukkig voor haar uit: immers, nadat zij er in geslaagd was, goede orde en regelmaat in het huis van Van Zirik te brengen, Charles naar Noordhey en diens zusters achtereenvolgens op een deftig instituut te bezorgen, schoot er voor Van Zirik niet meer over, dan om haar de plaats te doen innemen der onwaardige, die hem verlaten had. Vindt nu de lezer, dat zij het voorrecht van Mw. Van Zirik te worden, weinig had verdiend, wij zijn 't volkomen met hem eens; maar 't gaat in de wereld niet als in de romans, waar het met de boozen altijd slecht, met de goeden altijd naar wensch afloopt. De vraag blijft echter altijd, wat men een gelukkigen afloop te noemen heeft: en wij mogen niet verzwijgen, dat Van Zirik, wiens oorspronkelijk goede luim en meegaand karakter, eerst door het verdriet, dat hem zijn Emilie had aangedaan, en later door allerlei teleurstellingen, veelal voor wrevel en korzeligheid hadden plaats gemaakt, juist geen model van een echtgenoot was, en, daarbij, dat Charles, ten gevolge van het verwaarloozen zijner eerste opvoeding, tot een brooddronken verkwister was opgegroeid, die, na zijn terugkeer van de academie, als hij uit was, altijd stof tot ongerustheid, en als hij thuis was, tot ergerlijke tooneelen gaf, waarbij dan de zwakke vader doorgaans de partij van den zoon tegen de stiefmoeder koos.
Wij zeiden, dat Van Zirik teleurstellingen ondervonden had: en werkelijk waren die van zoodanigen aard en kwamen zij van zoodanige zijde als hem bijzonder moesten grieven. Het is den lezer uit vroegere mededeelingen gebleken, dat de man nog altijd hoop had, een rol in de politieke wereld te spelen, en, toen de omwenteling van 1848 plaats had, dacht hij, dat de gelegenheid daartoe eindelijk voor hem was aan-
298
gebroken. Met eenigen grond toch kon hij zich vleien, dat de Marlheimer Bode eu andere bladen van dezelfde kleur, welke hij zoo herhaaldelijk met de vruchten van zijn geest en de nog meer welkome bankbriefjes uit zijn portefeuille begunstigd had, hem tot Lid voor de Tweede Kamer zouden aanbevelen. Dit geschiedde echter niet, en zijn naam werd zelfs nergens genoemd. Intusschen, men moet niet dadelijk den moed opgeven, en Van Zirik troostte zich met de gedachte, dat hij een volgenden keer beter zou slagen. Er kwam een vacature, juist in een district, waar hij meende nogal invloedrijke vrienden te bezitten: men gaf hem werkelijk hoop; maar toen het op het aanbevelen van een candidaat aankwam, ging men wederom hem voorbij en kwam men voor den dag met â Mr. Lukas Drenkelaer. Om recht te beseffen, hoezeer hier de naam van den aanbevolen persoon de zaak nog erger moest maken in de oogen van Van Zirik, dient de lezer bekend te worden met hetgeen inmiddels was gebeurd.
De stelling van Drenkelaer bij de rechtbank te Marlheim was, nadat hij, gelijk vroeger verhaald is, de hoofdredactie van den Marlheimer Bode had aanvaard, minder aangenaam geworden: hij had daarom al spoedig besloten, zijn ontslag als substituut-griffier te verzoeken en zich op de rol der advocaten te laten inschrijven, in de verwachting, dat zijn praktijk, gevoegd bij hetgeen zijn redacteurschap hem opbracht, hem de onbeduidende jaarwedde, die hij opofferde, wel zou vergoeden: wat dan ook spoedig werkelijk het geval was. In de verlegenheid, waarin hij zich echter in den aanvang, en eer hij nog voordeelen van zijn blad en van zijn praktijk genoot, had bevonden, had hij de hulp ingeroepen van Van Zirik, met wien hij toch in briefwisseling was over de belangen van Mevrouw Emilie, en bij wien hij zich voorstelde als een martelaar zijner politieke overtuiging. Ook deze reis was onze Hagenaar, altijd met het uitzicht op den steun, dien hem de Bode bij voorkomende gelegenheden verleenen zou, bereid geweest tot geldelijke offers. Intusschen had de procedure tot ontbinding van 's mans huwelijk met wederzijdsch goed-
299
vinden, voortgang gehad, en de echtgenooten waren wettelijk van elkander gescheiden, tot groot genoegen van beiden. Immers Emilie behoorde tot die soort van vrouwen, die, gedreven door hetgeen zij een gevoelig hart verkiezen te noemen, niet wel zonder minnaar kunnen leven. Rostan was lang vergeten, en het lag in de schoone orde der dingen, dat zij, een plaatsvervanger voor hem zoekende, het oog moest laten vallen op den bevalligen en bekwamen jongeling, die zich als tusschenpersoon bij haar, evenals bij Van Zirik, zoo verdienstelijk had gemaakt. Drenkelaer van zijne zijde was niet ongevoelig gebleven voor de bekoorlijkheden der onbestorven weduwe. Wel was, in den aanvang, zijn hart, voor zooverre hij gezegd kon worden er een te bezitten, geheel buiten 't spel gebleven, en had hij, die steeds gehoopt had, doormiddel van een huwelijk, een aanzienlijk vermogen te verwerven, niet het minste plan om het tegenover Emilie verder te brengen dan tot een voorbijgaande vrijage. Maar dat maakte volstrekt haar rekening niet. Zoodra zij bespeurde, dat hij van zijn kant naar hare gunsten dong, kwam bij haar de wensch op naar een huwelijk, als het eenige middel om zich weer, zoo niet te rehabiliteeren, dan althans een positie in de wereld te verschaffen. Met het oog op dat doel, nam zij dan ook al de wapenen ter hand, die het arsenaal eener geroutineerde coquette bevat. Had Drenkelaer in zijn vrijage naar Bettemie zich een meester getoond in de kunst van met koude berekening naar zijn doel te streven, het zou hem door de uitkomst blijken, dat hij tegenover Emilie niet dan een leerling in die kunst, en hoe zij bestemd was, de Nemesis te zijn, die Bettemie moest wreken. Door zich tevens gevoelig voor zijn liefde te toonen en alles af te weren wat naar ongepaste gemeenzaamheid zweemde, wist zij hetgeen bij hem eerst niet dan een bloote caprice was, tot hartstocht te doen groeien, en de man, die gedacht had, met een vrouw als Emilie gemakkelijk spel te zullen hebben, vond zich van lieverlede hals over kop gewikkeld in het door haar gesponnen net. Zelfs hij, die 't meest gewoon is, aan de stem
300
van koel en zelfzuchtig overleg gehoor te geven, zal toch, laat hij zich eenmaal door zijn driften vermeesteren, redenen te over weten te vinden, om zich diets te maken, dat hij, door het inwilligen dier driften, een verstandige daad bedrijft. â Zoo ook hier. Mevrouw Klimmerblad â gelijk Emilie thans genoemd werd â kreeg /'3000 'sjaars van haar man; en al was zulk een inkomen bij lang niet geëvenredigd aan de uitzichten, die Drenkelaer vroeger had gehad, die /quot;3000, met de bevallige vrouw er bij, waren zeker en de /quot;40 of /quot;50,000 inkomen, die hij vroeger als het minimum gesteld had, waarvoor hij zijn vrijheid verkoopen zou, zweefden in de lucht. Het spreekwoord âeen vogel in de hand,quot; enz., mocht nog zoo oudbakken zijn, het bleef niettemin een wijze les bevatten, en zou hij niet als een groote dwaas handelen, wanneer hij, om een luchtkasteel, dat waarschijnlijk onbereikbaar was, de gelegenheid verzuimde, die zich aanbood, om in een net gemeubileerd huisje te trekken en te Marlheim als een prins te leven? 't Is waar, daar stond tegenover, dat de vrouw, die hij met de f3000 nam, juist niet piepjong meer was, noch tot degenen behoorde, wier liefde den man, die er het voorwerp van is, vereert, of aan wie hij kon hopen, dat in achtenswaardige huisgezinnen een gunstig onthaal zou te beurt vallen; doch des te meer zou zij dankbaar zijn jegens hem, die haar uit haar valsche stelling redde: zij beminde hem met al haar hart â dat had hij wel kunnen opmerken! â en hij zou aan haar niet slechts een schoone, bevallige, smaakvolle, maar ook, ongetwijfeld, een onderworpen gade hebben: â en van al deze consideratiën was de slotsom, dat hij met een vrouw, die door de openbare meening, en terecht, in den ban gedaan was, en acht jaren ouder was dan hij, in 't huwelijk trad.
Men zal nu licht den toorn en de verontwaardiging van Van Zirik beseffen. De man, dien hij gekozen had om zijn belangen tegenover Emilie waar te nemen, was niet alleen met haar getrouwd, maar leefde ook van het jaargeld, dat hij. Van Zirik, aan de gedivorceerde uitbetaalde, en trad openlijk als
301
mededinger op van dengenen, ten wiens koste hij leefde. Zoo iets was te grof, en niet te gedoogen. â In zijn eerste opwelling stelde onze Hagenaar dan ook een heftig artikel op, waarin hij de handelwijze van Drenkelaer tegenover hem aan het licht bracht. Maar â toen het er op aankwam, dat artikel wereldkundig te maken, ontmoette hij overal zwarigheden. De bladen van zijne kleur, en die juist Drenkelaer aanbevolen hadden, weigerden, een stuk te plaatsen, dat tegen hun can-didaat was gericht, en brachten aan Van Zirik onder 't oog, dat zij alleen op iemands bekwaamheid en politieke gevoelens te letten hadden en niet op bijzonderheden, die zijn huiselijk leven betroffen en waarover drijfveeren van geheel personeelen aard wellicht min juiste en te sterk gekleurde tinten hadden geworpen: en wat de organen van een tegenovergestelde richting betrof, dewijl zij evenmin Van Zirik als Drenkelaer begeerden, weigerden zij het stuk anders dan als advertentie te plaatsen, terwijl de steller nog bovendien den raad kreeg, er eenige zinsneden uit te lichten, die hem wellicht aan een vervolging wegens laster zouden kunnen blootstellen. Dit een en ander strekte niet tot vermindering van de spijt, die Van Zirik gevoelde; doch inmiddels had zijn drift tijd gehad te bekoelen en was hij beginnen in te zien, dat hij, door 't ophalen van de plaats gehad hebbende schandalen, per slot nog kans liep, uitgelachen te worden toe. Hij wierp dan zijn artikel op 't vuur en liet de zaken haar loop nemen. Zeker was het een bittere teug, die hij te verzwelgen had, toen hij in de dagbladen las, dat Drenkelaer tot volksvertegenwoordiger was gekozen; doch zijn wraak ontging hem niet geheel. Immers hij vernam spoedig, hoe Donia, die insgelijks lid van de Kamer geworden was, en andere notabiliteiten, van verschillende kleur, maar allen van erkend zedelijken invloed, den Marlheimer advocaat links lieten liggen, en hem, gelijk men 't noemt, voor dood verklaarden, en dat, toen eens Mw. Drenkelaer de onbeschaamdheid had, haar man naar Den Haag te vergezellen en zich te doen aanmelden bij de Loosherten en bij Mw. Kolrode â wier man een jaar te voren overleden was aan
302
een indigestie â zij overal de boodschap kreeg, dat de dames zich lieten excuseeren, terwijl het consigne aan de deur gegeven werd, dat er voortaan altijd belet was voor âdie mevrouw.quot; â't Zou,quot; had Looshert met recht tegen zijn zusters gezegd, âeen zeer slecht precedent zijn, een vrouw, die zich zoo gecompromitteerd heeft, in een kring, waar men achting voor zich zeiven heeft, te ontvangen.quot;
Drenkelaer is thans geen lid der Kamer meer; reeds bij zijn eerste aftreding werd hij door een O.-Indische specialiteit vervangen en al de moeite, die hij deed om zijn zetel te herwinnen, liep vruchteloos af. Zijn praktijk, die nooit veel te beduiden had, omdat hij bij niemand wezenlijk vertrouwen genoot, is grootendeels verloopen, en het krediet van zijn Bode merkelijk verminderd. Wat zijn huiselijk geluk betreft, daar valt gansch niet op te roemen. Mw. Emilie is nu een goed eind in de vijftig: haar schoonheid is geweken; maar, behaagziek als altijd, meent zij hetgeen zij aan bekoorlijkheden mist, te moeten vergoeden door aan haar zucht tot opschik bot te vieren: wat natuurlijk ten gevolge heeft het inkomen van rekeningen tot een hooger bedrag, dan, naar de becijfering van Mijnheer, in evenredigheid staat tot de begrooting van zijn huishouden. Weinig echter stoort zij zich aan zijn aanmerkingen omtrent dit, zoomin als omtrent andere punten: en zij is er verre vandaan, zich die dankbare, lieftallige en onderworpene vrouw te toonen, die hij zich gevleid had in haar te vinden, 't Zijn dagelijks kijvages en klachten, zijnerzijds over de verteringen die zij maakt, en harerzijds, dat, indien hij niet, door allerlei dubbelzinnige handelingen, de lieden tegen zich had ingenomen, hij een mooie carrière had kunnen maken, en misschien al minister wezen zou, en aan zijn vrouw het ânoodigequot; niet zou behoeven te onthouden; â waarop hij dan weer antwoordt, dat de eenige verkeerdheid, die hij zich te verwijten heeft, zijn huwelijk is geweest met een vrouw, die zich aan âalles behalve dubbelzinnigequot; gedragingen had schuldig gemaakt. â Men gevoelt, dat, onder zoodanige omstandigheden, 's mans echtelijke kluisters niet van
303
goud zijn, en dat van de rozen, die hij meende te plukken, voor hem niets dan de doornen zijn overgebleven: en dewijl hij bovendien al meer en meer in schulden raakt, laat het zich aanzien, dat de vloek, die vanouds op de Drenkelaers rustte, ook hem treffen, en hij arm en ongeacht ten grave zal gaan.
Maar nu, eindelijk, Maurits? â Vruchteloos had Mw. Mietje zich gevleid, dat hij, nadat Bettemie door haar huwelijk, Madeline door den dood, voor hem verloren waren gegaan, er toe zou kunnen besluiten, zijn hand aan Klara Van Sporkel-berghe te bieden. Zij moest die hoop opgeven. Maurits had, niet lang na den slag, die hem getroffen had, verlof gevraagd, en een groote reis ondernomen. Hij kwam terug, lang nog droefgeestig en ontroostbaar over zijn verlies. Dan hij wist, hoe zijn moeder er op gesteld was, hem voor haar dood getrouwd te zien, en zoo liet hij eindelijk zijn oog vallen op Ernestine Van Marsden, die hij meermalen, als zij op Doorn-wijck logeerde, had ontmoet. Ofschoon zij van de geschiedenis zijner vroegere liefde zeer goed bewust en hij zelf eerlijk genoeg was, haar te bekennen, hoe nog altijd Madelines beeld in zijn herinnering leefde, toch gevoelde zij te veel neiging voor hem, dan dat zij had kunnen weigeren, hem de omgeworpen grondzuilen van zijn huiselijk geluk te helpen herstellen. Geen van beiden heeft tot nog toe reden gehad om zich te beklagen over den gedanen stap, die hen tot elkander bracht. Er leven thans drie Ernestines op Hardestein, Madame mère, de vrouw van Maurits, en het dochtertje van deze, dat, volgens Bettemie, reeds, evenals haar moeder een âNestjequot; is.
Maar hoe dankbaar ook voor den zegen, dien hij in zijn huis geniet en hoe oprecht aan zijn gade gehecht, toch kan Maurits nimmer nalaten, zoo dikwerf hij het kerkhof te Hardestein overgaat, een blik te slaan op de plaats, waar zij ligt, die het voorwerp was zijner eerste liefde, en een gedachte te wijden aan het treurig einde der lotgevallen van klaasje
zevenstee.
âWat isse er tok keworde van die anenemer Glab? weete jij, die op de soirée was bij monsieur ravocat en die frée na die kameniertje ?quot;
âMais Monsieur Puri, en quoi cela peut-il vous intéresser? Vraiment, vous êtes d'une curi-osité .. .
En datzelfde roepen wij den lezer toe, als hij, na al de hier gegeven narichten, er nog meer zou verlangen.
; r. ? â '7'
instituut de vooys
VOOR nederlandse taal-
en letterkunde aan de
rttksuniversiteit te utrecht
(
; r. ? â '7'
instituut de vooys
VOOR nederlandse taal-
en letterkunde aan de
rttksuniversiteit te utrecht
(