* \-1 j ./li', ;: \.k,^ I!f.
:: â ) A /' ji:;
â i .â 4V.,
m. â i V. \ U:i! v\
/.A\ li -ï'Ai ; J :l Vi ' / '
x-;^'hi ï'/ iii ^ â {:' jliij p ;
s M
|: r ( ^â ')AxV' |p '
ri/?V\ ( U i k rr «â 'N vw
f{/' (If .-V '\ / )
4';t% ^ é
6o ) J
^^ ^ ' fi ImV //
i; St'i Iii:
\\ ' ^
|
, ' ,kj â¢â¢ â t'V'-f! r-J | |||||||||||||||||
|
S ! 'â \ I // | ||||||||||||||||
/r %
gar/a \
⦠i i -/1 1 i B
:!AV.!;li
! TÃc1''.? 'i ' ii
:: i:? -.M; â¢.:â¢Â»â¢; â¢:: :t 1
ji||:j\V^;} |i| ji j} 'K'wy ' i
»'ul ll/j
fill h:Vi! 1; X 1 s'; II f;
IWamp;M I Mi
B0'l
iitóo ilVt(V [ij/X r..)
ii !.^vgt; ( 1 ^ W' â ' ; '' 1 v\ '
f!j*-c X â ' â¢} V '?,gt;â â . v-X; - c V,:; gt;; j â Ã) -( gt;.quot; / gt;â »A,' K' ' I
Hi .i# '' x'f â ' - v. vVs if. ^ c . N;/ {igt; \lt; I
(\Vr-; 'X s â *,*/..)
t. Rgt;
â â ({)) i2fl
:quot; f/ï) W wUh\
./x j v; . g v â¢UVil
VW k ;i H \\ ' \ \ i L-
\\ V, \ |; f; Vfe ;⢠(xAAp h
i# |.-J
â xx N ? i X'-yv. if
//â¢A gt;\A !^ït9l
// ' X,\VX
ff 't-Mi; |iè?0èlt;{| U /i:v,5n
XX-X gt;â :â ':; !;®5|!
.y-!-quot; i! ifl
/1 ; fi; f 'SAX-X;
s' i ii n iiiv^o I
gt; â â¢;lt;lt; é¥ö
/A\ IxXahI
I ; IXM/
»X;/'. XKA/Xbll
., XA-â mqxè I
I * ⢠â ~VN ',xgt;.⢠gt;N\s\gt;\N\\A\\VNVvgt;.V»MVCkV»f«VVgt;Vfïgt;»03»
I; {quot;d7(gt;t*â «.'jflilâ¢gt;»â¢â ».)(.⢠.%f ⢠.|Of,\\(;Mlt;v^-r.)0v%';tt('M.n vgt;HtWöëm?j 1
i1 V',tv-./iSlt;⢠i'â )i v;i»«ycv-ïi'jV^A*«A».'v1 'xi I vU'....... ^VU /1
A â V' quot;-A A'AXA1 â fAAVAEi
... â ⢠... ......J|« 7 .A. S I
............â â .................(⢠iJ ;\ I
quot;gt;' »H â¢) Ml-â 'â V iâ gt;{gt;Vi lt;) W gt;. Æ i V V WIQO gt; «'()(!' )QV *â¢( O : a vi i â¢;gt; ⢠.' A v A'- - «xïs» VAA-A-A gt; Agt;*X/â A XAXX |
j S / ^vv^s.^ i' i ^ f* Vv I '' f 'quot;VAAquot;. 1 ^ *⢠I â¢'â f ^ Ay X 'â ^ . xxx^r. I §
(»Vi.O(V «f .gt;(')(» ^Kquot; * iócif gt;Wgt;(Vi .quot;gt;00^ lt;tiiiSt j I
j j 11 m0 j
i: s n41 L|^ I
i: 3 \ |Ss/ f r \ I
â ilrA, , mn
III?,Ml
^ v;# im
fx gt;?) 1/Ax if ' 'f Ip'tD f
p a lètf$
iw
mm\i
i||t^^^i|
Ik 'WQil
lljV V I i
v' y gt;;/
r â gt;
7.LEK1 «18
instituut ds vooys
voor ngder-a-'-'-11, ta.al en letterkunde aan de rijksuniversiteit te utrecht
.
H H
KLAASJE ZEVENSTER.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0854 7956
M,. J. VAN LENNEP.
KL A AS.IE ZEVENSTER.
MET ILLUSTRAÃIEN
VAN
w, DE FAMARS TESTAS.
II,
De Lotgevallen van Klaasje Zevenster.
ZESDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN HEERENSOCIÃTEIT OP EEN DORP.
âIk moet u nogmaals om verschooning vragen,quot; zei Dren-kelaer tegen Snel, terwijl hij met hem en Maurits het kerkhofpad overstak en op de groote dorpsstraat kwam; â't is waarlijk al te beleefd.quot;
âNiet het minst,quot; zei Snel: â't is toch het uurtje, dat wij samenkomen; en ik wed, dat de Majoor al met de domino-steenen voor zich zit.quot;
âJe gaat dus van Dominee naar Domino.quot;
âVan Dominee naar Domino! heel aardig!quot; zei Snel, giege-lende om de woordspeling van Drenkelaer. Maurits haalde de schouders op, en begreep niet, hoe zijn vriend, die hem hoe langer hoe meer begon tegen te vallen, zoo iets flauws had kunnen zeggen. Bij eenig nadenken zag hij echter in, dat Drenkelaer, om zich bij zijn nieuwen kennis aangenaam te maken, met opzet tegenover hem zoodanige geestigheid debiteerde, als hij zich wel gewacht zou hebben onder meer verfijnde lieden te uiten, maar juist geschikt achtte om daar ter plaatse welkom te zijn.
âIs de Sociëteit nogal bezocht?quot; vroeg Drenkelaer.
âJawel,quot; antwoordde Snel; âeen heel aardig en recht fatsoenlijk
II. - K. Z. 1
gezelschap: â zeventien leden____ en die trouw opkomen
ook; al de notabelen van het dorp, en bijna dagelijks introductie van gasten: een goede toon; â en het Handelsblad en het Provinciale weekblaadje.quot;
âEn nu neem ik afscheid van u, Drenkelaer! en laat u verder aan de leiding van Mijnheer over,quot; zei Maurits, op een zijpad wijzende: âuw weg leidt daarheen. Tot straks! Je zult den weg naar 't kasteel wel terugvinden, nietwaar? Zeer uw dienaar, Mijnheer Snel!quot;
âTot de eer, Jonker!quot; zei Snel.
âAu re voir!quot; zei Drenkelaer, terwijl hij met den ontvanger voortschreed. Wel stelde hij zich niet veel bijzonders voor van de kennismaking met de Hardesteinsche notabili-teiten; maar hij was van de leer, dat men van alles partij trekken en niemand verwaarloozen moet, en dat hij zeer mogelijk die kennismaking op de eene of andere wijze dienstig zou kunnen maken aan zijn belangen.
âNogal een uitgestrekte ontvangst?quot; vroeg hij aan Snel.
âZoo redelijk; de gemeenten Hardestein, Bleffel en Grooi. Er is sprake van een nieuwe combinatie, waardoor Mangeltern met Vremmel vereenigd, en Ruizum bij Hardestein gevoegd zou worden: dan zou de tegenwoordige ontvangst van Ruizum vervallen, 't Zou mij niet verwonderen: want die Heeren in Den Haag hebben tegenwoordig een manie van bezuinigen. Nu, ik zou er niet over klagen, als de ontvangst er voordee-liger door werd; maar de groetenis! 't Is altijd: meer werk voor 't zelfde geld.... is Mijnheer ook ambtenaar, als ik vragen mag?quot;
âIk ben bij de griffie te Marlheim,quot; antwoordde Drenkelaer.
â Ah! zoo! ik ken die plaats: ik heb er vroeger een paar jaren de controle waargenomen. Vroolijke stad! altijd veel garnizoen. Is Mijnheer familie van den Jonker, zoo 't niet onbescheiden is?quot;
âIk heb de eer niet,quot; antwoordde Drenkelaer.
âO ! dus enkel een goed vriend ! Wel zoo! â Waarschijnlijk niet bekend met het kwartier? â Mooie gelegenheid voor de jacht.quot;
3
âHelaas! ik jaag alleen in den schotel.quot;
âWel 't voorzichtigste! Nu! in allen gevalle is de jachttijd nog niet gekomen, 't Verwondert mij, dat de Jonker niet liever gewacht heeft met zijn bezoek tot in October, gelijk eerst het plan was, naar ik hoor.quot;
âHij heeft met een kameraad geruild,quot; zei Drenkelaer; âmisschien tegen zijn zin; maar wat wil je? de ander was ouder officier en scheen er op gesteld.quot;
âJa! dat gaat al zoo: maar ik weet wel, dat, als ik het geld had, dat de Jonker heeft, ik er hartelijk voor bedanken zou, soldaatje te spelen en van eens anders luimen af te hangen.quot;
âZijn broeder schijnt er op gesteld te zijn geweest, dat hij geen leeglooper bleef: en daar Maurits zelf zin had in het vak, werd hij naar Breda gezonden.quot;
âDe Graaf is een wijs en verstandig man,quot; zei Snel; âen ik zal er niets tegen zeggen, dat hij zijn broer verhinderen wou een leeglooper te worden; maar waarom hem in dienst gelaten? hij is zelf te Leiden geweest en met den eersten graad gepromoveerd; maar toen is hij hier gekomen, en heeft begrepen, dat het bestier van zijn goederen hem werks genoeg verschaffen zou en hij er geen officie bij behoefde waar te nemen. Waarom kon nu de Jonker niet hetzelfde doen, en zijn demissie nemen? Ik zeg maar, als vermogende lieden bedieningen bekleeden, wat blijft er dan voor anderen over?quot;
âJa, mijn waarde Heer!quot; zei Drenkelaer: âik ben nog jong en waag ongaarne een oordeel over zulke zaken; bovendien acht ik het altijd zeer moeielijk te zeggen, wat een ander doen of laten moet, als men niet zeer juist met omstandigheden en drijfveeren bekend is. Intusschen, in 't algemeen ben ik volkomen met u eens, dat men moet leven en laten leven.quot;
âJuist, Mijnheer!quot; zei Snel, die grooten eerbied begon te krijgen voor den jongeling, die zoo verstandig en daarbij zoo bescheiden was, en toch op zijn tijd ook een aardige woordspeling maken kon: âmaar,quot; vervolgde hij: âhier zijn wij aan de plaats onzer bestemming.quot;
4
Zij waren, al pratende, in een breede zijstraat gekomen, doch waar de huizen niet langer nevens elkander, maar op zich zeiven stonden, en bevonden zich voor een onaanzienlijk houten gebouw, slechts eene verdieping hoog en veel van een gewone loods hebbende, en dat door een gezand pleintje van den weg was afgescheiden. Een zwart bord, waarop met witte letters de woorden ons genoegen te lezen stonden, en, beter nog, ontelbare kringen, door de voeten der borrelglaasjes achtergelaten op twee vervelooze tafeltjes, die op gezegd voorpleintje stonden, kondigden aan, dat hier de Sociëteit van
Hardestein te vinden was. Het lokaal was zoo ruim____ als
het wezen kon; want het besloeg het geheele gebouw, op een klein afgeschoten vlieringje na, dat tot bergplaats diende; en het geheel had veel overeenkomst met een goudentorrenhuisje. Daar nu de kamer nog, behalve een buffet, een biljartje bevatte, kon men licht opmaken, dat voor de leden juist niet veel plaats overbleef om zich te bewegen. En toch scheen het, dat zij, zelfs met het fraaiste zomerweer, liever binnen in 't gedrang zaten, dan buiten in de vrije lucht. Immers, de tafeltjes voor de deur bleven doorgaans onbezet: 't zij, omdat er juist gedurende het Sociëteitsuurtje (van 2 tot SVa) de zon op stond; 't zij omdat men er de gezelligheid miste, die binnen heerschte.
De Sociëteit was, op het oogenblik dat Snel er zijn nieuwen bekende binnenleidde, vrij druk bezocht, gelijk de tabaksdamp bewees, die er alles in een nevel hulde. Een Heer met grijs haar en een groote wrat op zijn neus, dien Drenkelaer aan zijn grijze knevels en aan een verkleurd lint aan 't knoopsgat voor âden Majoorquot; herkende, zat achter een tafeltje, uit een vervaarlijke Duitsche pijp te rooken, welke hij met de eene hand vasthield, terwijl de andere rustte op een domino-spel â het eenige, dat op de Sociëteit te vinden was. en in welks bezit hij zich wilde handhaven. Aan een tweede tafeltje zaten twee Heeren te jassen en een derde een vuile â wel te verstaan een uitwendig vuile â courant te spellen. Zes anderen omringden het biljart en vermaakten zich met het edele pot-
spel: 't welk hier, behalve de gewone, nog buitengewone en eigenaardige gelegenheden aanbood om talent aan den dag te leggen; immers wanneer men aan de noordzij moest uitspelen en de bal niet ver van den band lag, vereischte het vrij wat behendigheid om de queue bij 't afstooten zoo te bestieren, dat zij niet met het achtereinde de karaffen en kelkjes, in het buffet geplaatst, omwierp of tot scherven brak: speelde men van de zuidzij, dan liep men gevaar een glasruit in te stooten; aan de oostzij liep de tafel zoodanig af, dat men onmisbaar collé kwam: en ten westen lag er in de vloer een plank los; al hetwelk dagelijks stof gaf tot onhebbelijke vloeken en verwenschingen van de zijde dergenen, die verkeerde stooten deden ten gevolge van de een of andere dezer hindernissen of ze althans er aan toeschreven, maar ook tevens stof tot groot gelach, luide vreugdekreten en geestige zetten, aan de toeschouwers, inzonderheid aan de medespelers, die er hun kansen door verbeterd zagen.
Toen Drenkelaer binnentrad, gebeurde wat er altijd gebeurt als een vreemde eend in de bijt komt. De aanwezigen wendden hun oogen van de biljarttafel, de kaarten of de courant af, maten den hun onbekenden bezoeker een wijl met de oogen, en gingen toen weer hun gang.
âWel!quot; zei de Majoor tegen Snel: âwaar blijf je toch! Ik zit je al een kwartier te wachten: en na zoo lang van huis te zijn geweest, mocht je, om je schaê weer in te halen, wel zorgen, wat beter op je tijd te passen.quot;
âHeeft Dominee je zoo lang opgehouden, Snelletje?quot; vroeg een der kaartspelers, een grofgebouwde kerel van zes voet, maar met een schor, piepend stemmetje, dat in volkomen contrast met zijn uiterlijk was.
âOf is 't Dominees zuster?quot; vroeg een Heer, die in zijn hemdsmouwen, met de queue gereed om te spelen, bij 't biljart stond: âmet je verlof. Verdrongen! zou je even die barricaden willen wegnemen ? 't is mijn beurt om te spelen.quot;
Dit laatste verzoek was tot den langen man gericht, wiens
6
beenen van onder het speeltafelte door tot bij het biljart reikten en den doortocht belemmerden.
â't Zal veeleer het nichtje wezen,quot; zeide de plattelands-heelmeester, een schraal, pokdalig mannetje, met een verbazend grooten zwarten hoed op, dien hij nooit afnam, zoodat sommigen zelfs beweerden dat hij er in sliep: âdenk je dat ik haar niet gezien heb, toen je eergisteren met haar in de diligence aanlandde ?quot;
âGekheid! gekheid!quot; zeide Snel, en toen, met luider stemme het woord tot al de aanwezigen richtende, maar zich meer bepaald tot den Majoor wendende: âneem mij niet kwalijk: maar ik heb hier een gast bij mij, die op 't kasteel logeert, en dien de Jonker mil verzocht heeft te introduceeren: den Heer Drenkelaer, griffier bij de rechtbank te Marlheim.quot;
âSubstituut-Griffier!quot; verbeterde Drenkelaer, halfluid.
âEen logé op Hardestein! â Een vriend van den Jonker!quot; fluisterde men, en de blikken waren opnieuw, maar nu met zekere eerbiedigheid, op Drenkelaer gericht.
âKom! aan ons partijtje,quot; zeide de Majoor, de eenige in 't gezelschap, die niets om hooge personages gaf; immers hij was de eenige, die zijn carrière volbracht en alzoo van niemand iets meer te wachten had.
âHeeft Mijnheer ook plezier om 't vandaag met den Majoor te wagen?quot; vroeg Snel aan Drenkelaer.
âIk zou u niet gaarne van uw genoegen, noch den Majoor van een goeden tegenspeler berooven.quot; antwoordde Drenkelaer: âbovendien speel ik zelden of nooit.quot;
âNiet!quot; zeide Snel, innerlijk wel in zijn schik, dat zijn voorslag niet was aangenomen: âWat zal Mijnheer gebruiken ?quot;
âEen glas bessen, zoo er die zijn.quot;
âEen glas rood voor Mijnheer!quot; schreeuwde Snel, op dien toon van commando, die hem eigen was, als hij tot zijn minderen sprak.
âEen glas rood!quot; weergalmde zekere roodharige, manke, gebochelde knaap, met een smerig buis aan, waaraan de knoopen ontbraken en dat aan de ellebogen van luchtgaten
voorzien was: â welke knaap hier het ambt van bediende waarnam, gelijk des Zondags in de kerk dat van orgeltrapper, en die voor 't overige â wat men juist niet aan zijn plunje zou geraden hebben â een snijder was van zijn ambacht.
âMijnheer zal zeker niet in den pot verlangen te komen?quot;' vroeg de medicus: âer staan er al twee op dood.quot;
âMaar men kan altijd koopen,quot; merkte de rentmeester aan, een klein, dik, blond ventje, dat altijd zweette.
âJa! dat wou je wel,quot; riep een derde: âjij bent altijd te koop, Van Meeuwen! en hoe meer koopers, hoe beter, denk je.quot;
âIk zal mij met de rol van toekijker vergenoegen,quot; zei Drenkelaer.
âAssieblieft een glaassie rood,quot; zei de jongen, terwijl hij aan Drenkelaer den bestelden drank aanbood.
âNog een halfje voor mij,quot; zei de Majoor (die intusschen al druk aan 't spelen was); terwijl hij voor de vijfde maal zijn glas toestak: âdubbele vijf! â dat had je niet verwacht, Snolletje!quot;
âDie mag er voor mijn part gerust uitkomen,quot; zei Snel: âzoo kan ik weer blank brengen.quot;
âKan ik Mijnheer ook met de krant dienen?quot; vroeg de persoon, die had zitten lezen.
âIk dank u,quot; antwoordde Drenkelaer, die met een zijde-lingschen blik op het blad, zich reeds overtuigd had, datzelfde nummer reeds twee dagen te voren te Marlheim gelezen te hebben. En geen wonder; want de post kwam eerst op den achtermiddag te Hardestein aan, waar de courant dan een dag in de herberg lag en vervolgens bij gratie aan de Sociëteit ter lezing verstrekt werd.
âKan ik Mijnheer ook met een sigaar dienen?quot; vroeg een ander Sociëteitslid, die een groot hoofd met dik, zwart kroeshaar, levendige oogen en een flink voorkomen had, en wijn-kooper was van beroep.
âAl te vriendelijk,quot; antwoordde Drenkelaer: âmaar ik ben voorzien.quot;
âPalatella's! ik krijg ze van Hajenius,quot; hernam de wijn-kooper, met aandrang.
8
âIk mag ii niet weigeren,____tot wederdienst bereid,quot; zei
Drenkelaer, en zag om naar een plaatsje, waar hij zijn glas veilig zou kunnen neerzetten, terwijl hij zijn sigaar opstak.
â't Is hier wel een aardig lokaaltje, nietwaar Mijnheer?quot; vroeg de rentmeester: âecht comfortable:quot; en meteen achteruitstappende, trapte hij den Majoor op den voet.
âBen je bed â ?quot; bromde de Majoor: ânoem je dat comfortable, een trap op je eksteroogen te krijgen? Kijk in 't vervolg waar je je pooten neerzet.quot;
â't Mocht wel een beetje ruimer zijn,quot; waagde Drenkelaer te zeggen, terwijl hij een onwillekeurigen glimlach niet weerhouden kon.
â't Zou ruim genoeg zijn,quot; bromde de Majoor, âals dat vervl____ biljart niet in den weg stond.quot;
âJa!quot; voegde de arts er bij: âof als de Heeren, die geen biljart speelden, zoo wijs waren, met zulk mooi weer buiten te gaan zitten.quot;
âWel, nu nog mooier,quot; riep de Majoor, meer en meer korselig; âwou je ons maar de deur uitzetten, weergasche Pil ?quot;
âBerg je!quot; riep een stem; en een bal, van de biljarttafel vliegende, keilde het âhalfjequot; van den Majoor ondersteboven.
âLompe bl____!quot; schreeuwde deze.
âEen ander glas bitter voor den Majoor!quot; riep de wijn-kooper.
âEen ander glas bitter voor den Majoor!quot; weergalmde de buffet-echo.
Drenkelaer begon te vinden, dat de Sociëteit minder geriefelijkheden opleverde dan hem voorspeld waren, en overleide al bij zich zeiven, of hij niet wijs zou doen, zich weg te maken, en Maurits op de straat af te wachten. Eenige woorden, op dat oogenblik tot hem gericht door den plattelands-heelmeester, die juist âdoodquot; was, deden hem echter van meening veranderen, ja zich zeiven gelukwenschen, dat hij gekomen was.
âIs het waar Mijnheer! dat wij eerstdaags feesten zullen hebben op Hardestein?quot;
De vraag was fluisterend gedaan; doch in het bekrompen
9
lokaal was het onmogelijk een gesprek zoo zacht te voeren, dat het niet door de meesten verstaan werd.
âIk meen van ja,quot; antwoordde Drenkelaer: âik heb hooren spreken van een fancy-fair, die met een feest zou eindigen.quot;
âDat is niet wat ik bedoel,quot; hernam de andere: âik bedoel de verloving van den Jonker met de Freule Van Doertoghe.quot;
âIk heb niet gehoord, dat daarvan voor alsnog quaestie is. Mijnheer is dokter, naar ik hoor?quot;
âDokter niet precies: Le Mat, genees-, heel-en verloskundige, om u te dienen.quot;
âIk hoop van beter,quot; zeide Drenkelaer, lachende: âje prakti-zeert zeker ook te Doornwijck?quot;
âDagelijks.quot;
âDus ook over de Freule ?quot;
âOch, daar valt niet aan te praktizeeren: die is nooit ziek,quot; antwoordde Le Mat op een toon van wrevel, alsof hij 't haar heel kwalijk nam.
âNiet?quot; vroeg Drenkelaer, hem aanziende met een blik vol twijfel en ongeloof.
âDat schijnt Mijnheer te verwonderen,quot; zei de geneesheer.
âNu, ja!quot; hernam Drenkelaer: âik begrijp uw discretie: uw beroep verbiedt u, uit de school te klappen.quot;
âMaar ik verzeker u dat ik niets weet.quot;
âDes te beter! des te beter!quot; hernam Drenkelaer, terwijl toon en blik even spotachtig bleven.
âMijnheer schijnt er meer van te weten dan ik,quot; zei Le Mat, half wrevelig, half nieuwsgierig.
âIk? â ik heb haar gisteren voor 't eerst van mijn leven gezien; en toen niets in haar bespeurd. En daar Mijnheer ook niets weet, welnu! dan zullen 't maar praatjes zijn.quot;
âIk moet zeggen,quot; hernam Le Mat, een weinig geraakt, en meenende, dat Drenkelaer zijn kunde en doorzicht in twijfel
trok, âdat ik nooit bijzonder op de Freule gelet heb____; en
zeer natuurlijk! ik ben nooit geroepen geweest om haar met mijn ministerie van dienst te zijn.quot;
10
âNu, 't verheugt mij voor mijn vriend Eylar: 't zou ook doodjammer zijn van zulk een mooi, lief meisje.quot;
âMaar wat dan toch?quot; vroeg de arts, meer en meer begeerig achter het geheim te komen.
âWel! ik zal 't u zeggen,quot; zei Drenkelaer, terwijl hij Le Mat met zich buiten de deur trok: âmen had mij gewaarschuwd---- en ik moest het op mijn beurt mijn vriend Eylar
doen, dat de Freule somwijlen.... hoe zal ik het zeggen?____
wat vreemd was.quot;
âHoe! mania?quot; vroeg de geneesheer.
âEen familiekwaal!.... Er zijn meer onder haar naastbe-staanden geweest.... en je weet. ..
âOf ik het weet!quot; hernam Le Mat: ik heb er een gekend, een familie, waarvan al de leden zich met morphine vergiftigden, altijd met morphine.quot;
âDat moet er de duurte in gebracht hebben,quot; zei Drenkelaer: âmaar je spreekt daar van vergiftigen.... dat brengt mij op het denkbeeld, dat, naar ik gehoord heb, de Freule zich met chemische onderzoekingen bezig houdt.quot;
âBewaar ons! dat kon gevaarlijk worden,quot; zei de arts.
âNu! wat er van zij,quot; hernam Drenkelaer: âje begrijpt, ik heb mij wel gewacht, er aan den Jonker iets van te zeggen: ik ga nooit af op losse geruchten: ik weet te goed, hoe de praatjes in de wereld komen; maar het spijt mij, dat Mijnheer er niets bepaalds van zeggen kan:. ... ik had mij gevleid, bij u zekere berichten te kunnen bekomen.quot;
âZooals ik de eer had u te zeggen, ik heb haar nooit opzettelijk gadegeslagen: . .. . alhoewel! wanneer ik mij herinner, ja! zoo nu en dan wat wild, andere reizen wat afgetrokken â ik moet daar eens bijzonder acht op geven. Bewaar ons! ik zou niet gaarne zien, dat onze aanstaande Heer een vrouw kreeg, die menticaptus was.quot;
âMaar wat ik u bidden mag, laat er nooit iets van uitlekken, dat ik over de zaak gesproken heb. Het is zoo'n delicaat geval.... en je voelt, ik zou om den dood niet willen, dat men mij beschuldigen kon, valschelijk zoo iets te hebben uit-
11
gestrooid, aangaande een lief jong meisje, dat in elk opzicht zulk een geschikte partij voor mijn vriend Eylar zou zijn.quot;
âNatuurlijk,quot; hernam Le Mat: âmondje dicht. Oho! indien er iets aan is, dan zal ik het wel uitvinden. Ik dank u zeer, Mijnheer! er mij opmerkzaam op gemaakt te hebben .... Ik zal haar eens opzettelijk en met aandacht gadeslaan.quot;
âKoop je mijn bal, Le Mat?quot; riep de rentmeester, van binnen: âik sta op één: voor een kwartje kan je mij krijgen.quot;
âIk kom,quot; zei Le Mat: ânu Mijnheer: zooals gezeid is: ik zwijg als een mof: dat brengt mijn beroep mede.... en als ik wat ontdek, zal ik het u mededeelen.quot;
Drenkelaer boog zich, bij zich zeiven glimlachende over de tegenspraak, die er in de laatste woorden van Le Mat lag opgesloten, en de geneesheer stapte naar binnen, om met den rentmeester negotie te doen. Dadelijk maakte de groote man met het schrale stemmetje, wiens vijfhonderdje was afgeloo-pen, en die reeds van binnen had staan loeren op een gelegenheid om Drenkelaer alleen te spreken, van het oogenblik gebruik en kwam hem op zijde.
âIndien ik zoo vrij mag zijn, Mijnheer! mij zeiven voor te stellen: ik ben Verdrongen van Prikkelenberg, Mcodemus Verdrongen, Mijnheer!quot;
âVereerd met uw kennismaking . . . .quot;
âMijnheer zal mijn naam wel hebben hooren noemen; mijn naam is nogal bekend, Mijnheer!quot;
âWelzeker, Mijnheer!quot; antwoordde Drenkelaer, die hem voor 't eerst in zijn leven hoorde: âVerdronken! welzeker.quot;
âVerdrongen, Mijnheer! mijn grootvader was secretaris van Klittershoek, Mijnheer!quot;
âWel bekend. Mijnheer!quot; hernam Drenkelaer, wien het evenmin als waarschijnlijk aan onze lezers bekend was, in welke provincie van ons Rijk de gemeente Klittershoek gezocht moet worden.
âEr woont nog een Verdrongen te Hoorn, Mijnheer! een neef van mij. Mijnheer! zeker wel bekend bij Mijnheer?quot;
âIk heb de eer niet. . . .quot; antwoordde Drenkelaer, vreezende
12
dat hij er zich zeiven zou inwerken, indien hij verder toestemmende antwoorden gaf en bekendheid met een der leden van het geslacht der Verdrongens veinsde.
âNiet, Mijnheer? â Hij is anders wel bekend te Hoorn: hij is chemist, Mijnheer! Verdrongen van Proevenshaven, een andere tak van de familie. Mijnheer!quot;
âIk heb nooit te Hoorn gewoond,quot; zei Drenkelaer: âen ben zelfs dien koers nooit uit geweest.quot;
âAha! dat's wat anders. Mijnheer woont nu te Marlheim, zoo ik hoor.quot;
âJa Mijnheer!quot; antwoordde Drenkelaer, dien 't gesprek begon te vervelen.
âO! dan kent Mijnheer zeker mijn neef Felix Bilt Van den Ãchelpenheuvel.quot;
âOch neen: ik ga weinig uit.quot;
âHij is aan de secretarie, Mijnheer!quot;
âEi zoo. Mijnheer? â Ik ben aan de griffie.quot;
âEn fourier bij de schutters, Mijnheer.quot;
âInderdaad Mijnheer!quot; en Drenkelaer legde de hand op zijn mond om een geweldig gegaap, dat hij niet weerhouden kon, te verbergen. âWaar duivel wil de vent heen?quot; dacht hij bij zich zeiven.
âHet is maar, om aan Mijnheer te doen zien, dat ik een man van fatsoenlijke afkomst en relation ben.quot;
âWel Mijnheer! dat blijkt genoeg,quot; zei Drenkelaer: âen daartoe was 't niet noodig . . . .quot;
âIk heb een zuster, die nu vijf en twintig jaren het huishouden bestuurt bij den Baron Van Vlaag, op den Huize Spil-lestein bij Eindhoven.
âDat moet zeer aangenaam zijn voor den Baron Van Vlaag,quot; zeide Drenkelaer, op zijn horloge ziende: âmaar ik vrees, dat het mijn tijd zal worden.quot;
âVerschoon mij. Mijnheer!quot; hervatte Verdrongen, die nu begon te begrijpen dat, zoo hij niet dadelijk oversprong op het punt, dat hij langs een omweg zocht te bereiken, de inleiding hem weinig baten zou: âik wilde maar zeggen .... Mijnheer is een vriend van den Jonker, hoor ik.quot;
13
âHa! daar komen wij er,quot; dacht Drenkelaer.
âMijnheer zou mij een dienst kunnen bewijzen, en een groot onrecht voorkomen, dat tegen mi] staat gepleegd te worden.quot;
âIk Mijnheer?quot;
âJa Mijnheer! â Mijnheer moet weten, dat ik een dochter heb, Jacomina Verdrongen, Mijnheer! â Zij heet naar haar moeder, die eene Van Blaars is.quot;
âMooi!quot; dacht Drenkelaer: ânu gaan wij aan de dames: 't zal aan mij liggen, indien ik niet met de geheele familie bekend raak.quot;
âNu zal Mijnheer weten, dat er een fransche veer.... of hoe heet zoo'n ding ook? . . ..quot;
âIk weet niet wat Mijnheer bedoelt,quot; hernam Drenkelaer, opnieuw met moeite zijn trek tot geeuwen bedwingende.
âWel!.... zoo'n verkooping van allerlei snuisterijen.... een fransche veer in een woord!quot;
âAh! ik ben er, een fancy-fair.quot;
âJuist! een Fransie Veer:.... ik sprak het woord verkeerd uit.... Een Fransie Veer, die op 't kasteel plaats zal hebben.quot;
âIk heb er niets van gehoord, Mijnheer!quot;
âJuist Mijnheer! voor de school, en met een loterij van de onverkochte stukken. Ik heb ook een lot genomen. Mijnheer! anders had ik natuurlijk geen recht van spreken. Mijnheer! Ik heb mijn vijftig cents voor mijn lot betaald. Mijnheer!quot;
âIk twijfel er niet aan. Mijnheer!quot; zei Drenkelaer, die hoe langer hoe zenuwachtiger werd van het piepend geluid en de langdurige discoursen des sprekers.
âEn mijn dochter heeft er een beursje voor geknoopt, Mijnheer! â een zijden beursje, gi-oen, met blauwe bloemen en echte kraaltjes er door. .., voor vier stuivers aan zii, zonder â de kraaltjes te rekenen.quot;
âDat kan heel lief zijn. Mijnheer!quot;
âHet is heel lief, Mijnheer! â Menschen die er van â oordeelen kunnen, hebben verklaard dat het heel lief
14
is. â Mijn dochter heeft er veertien dagen aan gewerkt.quot;' âDat is bij Penelopé af, Mijnheer!quot; zeide Drenkelaer, terwijl hij bij zich zeiven vroeg, of juffrouw Jacomina ook, evenals Penelopé, 's nachts afrafelde wat zij 's daags gewerkt had.
â't Is waar, eiken dag maar een half uur. Mijnheer!quot; zei Verdrongen: âmijn dochter heeft meer te doen. Mijnheer! dan beursjes te knoopen.quot;
âIk ben er van overtuigd. Mijnheer! En wat is nu het onrecht dat gepleegd is?quot;
âGepleegd nog niet. Mijnheer! maar het dreigt gepleegd te worden. â Mijnheer weet zeker, dat er jonge dames genoodigd worden om de voorwerpen uit te stallen en te verkoopen.... nu, hoor ik, is er al een lijst van die jonge dames gemaakt, en mijn dochter staat er niet op.quot;
âMet?quot; vroeg Drenkelaer, een groote verbazing veinzende, ofschoon hij nogal klaar vond, dat zoo de dochter naar den vader aardde, men haar liever thuis liet.
âNeen Mijnheer! mijn dochter Jacomina staat er niet op! Een Juffrouw Verdrongen Van Prikkelenberg! 't Is waar, zij is geen freule, maar toch van goede familie. Mijnheer!quot; âVoorzeker, Mijnheer!quot;
âEen fatsoenlijk meisje Mijnheer!.... en dan komen er, naar ik hoor, meer op de lijst voor, die geen freule zijn .... een dochter onder anderen van Le Mat, een jong ding, veel jonger dan Jacomina.quot;
â't Is vreemd,quot; zeide Drenkelaer, die zich afvroeg, of niet misschien juist in dat âveel jongerequot; de reden te zoeken was van de voorkeur, aan mejuffrouw Le Mat boven Jacomina gegeven; âmaar wat kan ik aan die zaak doen?quot;
âWat Mijnheer doen kan? â Wel ontzaglijk veel, dunkt mij. Als Mijnheer eens aan den Jonker het onbillijke, ik durf zeggen het onrechtvaardige, deed gevoelen, dat mijn dochter zou worden verstoken van een eer, die te beurt valt aan jongere meisjes, en niet eens van goeden huize als zij. 't Is niet om de zaak zelve, want ik vind het niet zoo vermakelijk ja zelfs eenigszins vernederend, voor een fatsoenlijke Juffrouw.
15
den geheelen namiddag achter een toonbank te staan en snuisterijen te venten als een publieke koopvrouw; â naaar 't is het gebabbel van de menschen. â Wat zullen zij zeggen, ik vraag het u Mijnheer, als mijn dochter wordt thuis gelaten? een welopgevoede jonge Juffrouw, Mijnheer! die op de kostschool van Madame Leerluttel te Nergenshuizen geweest is, een uitmuntende school Mijnheer! waar Mijnheer zeker wel van heeft hooren spreken; honderd vijf en twintig gulden in 't jaar, behalve de extra's, die wel op vijftig gulden komen: een meisje, voor wie ik te Amsterdam een rond jaar ben ingeteekend geweest, een gulden in 't verreljaar, op de Zon-dagsche vereenigingen onder directie van Piet Schabrak .... Mijnheer kent Piet Schabrak toch wel? Niet? een eerste dansmeester, Mijnheer! jaren lang verengazeerd geweest bij 't kor-deb'let van 't Leidsche plein. Mijnheer!quot;
âMijnheer schijnt te Amsterdam gewoond te hebben,quot; liet Drenkelaer zich ontvallen, zonder aan de nieuwe uitlegging te denken, die er 't gevolg van moest zijn.
âWel wis en drie. Mijnheer! Op 't Singel! In manufacturen, Mijnheer! Verdrongen en Pink! â een welbekende firma. Mijnheer! Te veel concurrentie! en dan de gezondheid van mijn vrouw: zij kon in Amsterdam niet aarden. Mijnheer! Zij is eene Van Blaars, en de Van Blaarzen hebben altijd buiten gewoond. Ik ben hier stil van mijn renten komen leven. Mijnheer! 't Is hier Amsterdam niet; maar wat zal men doen? Men moet zich in de omstandigheden weten te schikken. Mijnheer!quot;
âOngetwijfeld is dat het verstandigste,quot; zei Drenkelaer.
âMijnheer zal dus de goedheid hebben, den Jonker aan 't verstand te brengen . . ..quot;
âMet verlof! Ik heb u niets beloofd, en ik zie niet in, wat ik, of zelfs, wat de Jonker er aan zou kunnen doen. 't Zijn, meen ik, de Dames van 't Genootschap, die beslissen, wie op de lijst zal komen.quot;
â'tls mij bekend. Mijnheer! Maar de invloed van den Jonker op zijn mama en zijn schoonzuster____ afin! als die 't ver-
16
langt, dan gebeurt het ook. Als Mijnheer hem aan 't verstand brengt, dat Jacomina Verdrongen Van Prikkelenberg in allen gevalle zoo goed is als Julie Le Mat.quot;
âHm!quot; zei Drenkelaer, die nu inzag, dat hij van den vervelenden kerel partij zou kunnen trekken en zoo ten minste eenige vergoeding zou hebben voor de kwelling, hem door zijn gewauwel veroorzaakt; âJe begrijpt, Le Mat heeft overal een witten voet. Zijn beroep verschaft hem toegang bij de dames; en, al veroorlooft men zich somtijds de vrijheid, een
geneesheer uit te lachen____ achter zijn rug____ men ontziet
hem.quot;
âJa Mijnheer! Een dokter! maar deze, wat is hij? een plattelands-heelmeester, niet meer.quot;
âGoed! maar die toch over alle kwalen geraadpleegd wordt; en men weet, die dames hebben soms kwalen, waar zij niet gaarne mee te koop loopen.quot;
âBegrepen, Mijnheer!____ Zeere beenen of gezwellen onder
de armen! daar was mijn tante, Elizabet Van Truffelaar, die een fontenel droeg, en men heeft het nooit geweten dan na haar dood----niemand als Kropper de surizijn. Mijnheer!quot;
âJuist; en te oordeelen naar hetgeen ik zooeven uit hem heb meenen te verstaan, zou 't mij niet verwonderen, als er, hier op Doornwijck b. v., erger kwalen waren, dan waar een fontenel voor helpen kan ....quot;
âWat? zou de oude vrouw____quot;
âNeen; die niet; maar het nichtje; hij wou er niet voor
uitkomen; maar zoo ik hem wel verstaan heb____quot; Hier schudde
hij veelbeteekenend met het hoofd en wees met den middelsten vinger op het voorhoofd.
âWaarlijk? â Wel! wel! â ik heb haar vader en haar grootvader nog gekend .... van onze eerste lui.... woonden op de bocht van de Heerengracht. En zij zou alzoo.... wel! wel!quot;
âIk zeg het niet, volstrekt niet. Hoe wou ik er iets van weten, ik, die hier vreemd ben? Ik heb het meenen te moeten opmaken uit een paar woorden, die hem ontvallen zijn; .. ..
17
't zal beter zijn er maar niet over te spreken; ik heb misschien verkeerd verstaan. ISTu! ik zal doen wat ik kan, Mijnheer Versprongen!quot;
âVerdrongen, Mijnheer! â â Verdrongen Van Prikkelenberg.''
âBest! Ja, ik zal er over spreken.quot;
âWil Mijnheer niet nog iets gebruiken?quot; riep Snel, van binnen.
âIk dank u,quot; antwoordde Drenkelaer, terwijl hij de keet weer inging en den ontvanger de hand ten afscheid toestak: âHet zal mijn tijd worden, en ik wil de Heeren groeten.quot;
âIk zal u toch een eind den weg wijzen,quot; zei Snel, half oprijzende.
âEn onze partij?quot; bromde de Majoor: â65 om 48.quot;
âBlijf gerust zitten, Mijnheer Snel,quot; zei Drenkelaer: âik mag geen misbruik maken van uw beleefdheid: ik kan den weg niet missen, 't kasteel wijst zich van zelf.quot;
âIndien Mijnheer het mij vergunt, ik moet denzelfden weg uit,quot; zei de wijnkooper.
â't Zal mij veel eer zijn .... Nogmaals dank. Mijnheer Snel! Smakelijk eten. Mijnheer Verwrongen!quot;
âVerdrongen!quot; verbeterde de lange man, terwijl de beide Heeren den weg opwandelden.
âDie sinjeur is wat zwaar op de hand, nietwaar Mijnheer?quot; vroeg de wijnkooper, lachende.
âOch!quot; antwoordde Drenkelaer: âer zijn meer van die lieden, die zich altijd verbeelden, dat iedereen hen en hun relation kennen moet.quot;
âIk geloof niet,quot; hernam de wijnkooper, âdat zij, die Verdrongen hebben leeren kennen, veel stof hebben gehad, er zich geluk mee te wenschen.quot;
âNiet? â Hij heeft mij verteld, dat hij zaken te Amsterdam gedaan en zich nu geretireerd had.quot;
âJa! Na een akkoord met zijn crediteuren, waarbij zij vijf percent hebben gekregen. â Hij schijnt er nog genoeg te hebben uitgescheurd: althans hij leeft hier nogal op zijn gemak : ik lever hem wijn; doch ik geef hem voor geen half anker krediet.quot;
II. - K. Z. 2
18
âEi zoo! â Hij heeft een dochter, zegt hij.quot;
âIn geval Mijnheer een minnaar is van de schoone sekse, behoeft hij waarlijk niet voorbij het huis van Verdrongen te gaan om wat moois te zien.quot;
âIk vermoedde dit: hij klaagde dat zijn dochter niet op de lijst stond voor de fancy-fair.quot;
âEn hij wenschte uw voorspraak.... ja! 't is een onbescheiden vent.quot;
âOch!quot; zei Drenkelaer: âmen moet iets ten goede houden aan een vader, die zijn dochter niet gaarne gepasseerd ziet.quot;
âVooral,quot; voegde de wijnkooper er bij: âals zij al wat gepasseerd is. De kans om zijn dochter kwijt te raken wordt voor Verdrongen alle jaren geringer. Het spijt mij, dat de man u zoo lastig is gevallen; maar wat zou Mijnheer zeggen, indien ik ook eens op mijn beurt lastig werd?quot;
âIk mag zoo iets niet onderstellen.quot;
â't Is toch zoo: ik heb ook mijn verzoek: en dat is, of Mijnheer mij de eer wil aandoen, bij mij in te stappen en mijn portwijn te proeven: ik heb thans een puike, puike soort, waar ik Mijnheers gevoelen wel eens over zou willen hooren.quot;
âMet uw verlof! ik heb pas bessen gedronken en ik vreesâquot;
âEi wat! Een glas portwijn kan men altijd gebruiken: en, met een beschuitje te eten, is de smaak van de bessen verdreven.quot;
âDie heeft ook wat te vragen,quot; dacht Drenkelaer bij zich zeiven.
âHier zijn wij voor mijn deur,quot; hernam de wijnkooper, stilstaande voor een nette woning, achter een klein, doch keurig aangelegd bloemperk gelegen. En meteen, het hekje openende, waarmee men binnen den tuin kwam, herhaalde hij met aandrang zijn uitnoodiging. Getrouw aan zijn stelsel, geen gelegenheid te laten voorbijgaan, waardoor zijn plannen konden bevorderd worden, en den tijd nog aan zich hebbende, volgde Drenkelaer zijn leidsman, over een bestraat pad, den tuin door, en zoo door de glazen huisdeur, die in den zijgevel was aangebracht, in een eenvoudig doch met smaak gemeubileerde
19
kamer, waar een vrouw met vier nog jonge kinderen, allen keurig net gekleed, hun man en vader verbeidden.
âMijn vrouw!quot; zei de wijnkooper: â âde Heer Drenkelaer, die op 't slot logeert. â Geef een stoel, Mimi!quot; dit was tot zijn oudste dochtertje gericht: â âJe ziet. Mijnheer! mijn dochters zijn nog niet op de jaren, om Jacomina Verdrongen in den weg te zitten. Doe mij nu het genoegen aan,quot; vervolgde hij, een sigaren-rekje voor Drenkelaer nederzettende; âen steek nog eens op: waar zijn de lucifers Josephine ? [Mevrouws naam] â Ga toch zitten, Mijnheer.quot; â En meteen, een kast openende, haalde hij eerst een paar kolossale wijnglazen voor * den dag, en toen een flesch, die hij ontkurkte.
âNu vlei ik mij maar, dat hij naar uw smaak zal zijn,quot; vervolgde hij, terwijl hij een vuurrooden straal van het kostbare vocht in het glas liet nederdalen.
Drenkelaer deed, wat een wijnproever, die manieren heeft, behoort te doen: hij nam het glas op, hief het omhoog: hield het tegen den dag, bekeek de robijnkleurige bellen, die aan de oppervlakte dansten en uiteenspatteden, maakte een hoffelijke beweging tegen Mevrouw, proefde den wijn, en zeide toen, terwijl hij niet met de lippen smakte, maar even de punt van de tong tegen de bovenlip bracht;
âOverheerlijk!quot;
âNietwaar? â Wel! nu heb ik u niet anders te vragen, dan dat je den portwijn, die u op Hardestein geschonken zal worden, ook eens proeft. Ik weet, van wien Mevrouw hem heeft, en, ofschoon ik mij schamen zou, een confrère te onderkruipen, zoo meen ik te mogen beweren, dat, wanneer men Vrouw van Hardestein is, men voor zijn eigen eer niets in zijn kelder hebben moet, wat niet puik puik is.quot;
âEn,quot; viel Mevrouw hier in, een fraaie blonde met een smeltende stem: âals men het dan in zijn eigen buurt krijgen kan, waarom zou men dan bij vreemden gaan?quot;
âStil, Josephine!quot; hernam haar man, met een fijnen glimlach; âde wijn zal wel altijd uit den vreemde komen.quot;
âBehalve die hier gemaakt wordt,quot; merkte Drenkelaer aan.
20
âDeze is althans van echte herkomst,quot; hernam de wijn-kooper, zijn glas omhoogheffende: âmaar wat ik nu zeggen wilde: dames hebben over 't algemeen geen proef; als Mijnheer er dus den Jonker eens opmerkzaam op wilde maken----
of, wat nog beter ware, den Graaf, voor wiens opinie Mevrouw zooveel krediet heeft.quot;
âIk meen gehoord te hebben, dat het juist de Graaf is, die haar een wijnkooper had aanbevolen .... Bleek en Galjart, zoo ik mij niet bedrieg.quot;
âHm ja!quot; hernam de Heer des huizes: âmaar die firma zal, naar men vertelt, niet lang meer bestaan; â de compagnons hebben ruzie, als ik hoor, en de affaire wordt niet gecontinueerd. Zie je, dan was ik er toch het naast aan toe.quot;
âIn allen gevalle zal ik den lof van uw portwijn verkondigen,quot; zei Drenkelaer: âneen, geen droppel meer! ik kan niet veel verdragen: â en zoo ik u verder te Marlheim kan aanbevelen, zal ik het niet nalaten: alleen uw adres ontbreekt mij nog----quot;
âAl gereed,quot; zei de wijnkooper, en stelde hem een half dozijn fraai gesatineerde kaarten ter hand, waar men tusschen sierlijke krullen, met gegraveerde, .deels vergulde, deels gekleurde letters op lezen kon:
ALPHONSE ZURING,
TE
HARDESTEIN:
IN
WIJNEN EN FIJNE LIKEUREN.
âVoortreffelijk!quot; zei Drenkelaer, terwijl hij de kaarten bij zich stak: âindien je mij nu maar niet kwalijk neemt, dat ik zelf geen bestelling bij u doe; want ik schaam mij niet te vertellen, dat ik een arme drommel ben, die van zijn post moet leven; en die laat mij niet toe, wijnkoopers-rekeningen te hebben.quot;
21
âDan zul je mij toch toestaan,quot; zei Zuring: âu een half anker mé doe te zenden, ter herinnering aan onze kennismaking.quot;
âVerschoon mij: armoede heeft haar trots.... en ik neem niet gaarne cadeaux aan, die ik niet vergelden kan.quot;
âWel! dat gevoelen strekt u tot eer; â maar zie.... je krijgt toch wel eens een vriend bij u, en je kunt hem dan eens laten proeven .... Schikt het u thans niet, je zult mij betalen als je een carrière gemaakt hebt. â Waarschijnlijk zal Mijnheer eerstdaags op Doornwijck dineeren: Mevrouw Van Doertoghe heeft een exquis en kelder: maar toch, zoo het te pas mocht komen. . . .quot;
âMen wil wel zeggen, dat daar eerlang een bruiloft zijn zal,quot; zei Mevrouw: âen dan zal er wel een anker extra kunnen benoodigd zijn.quot;
âBruiloft!quot; herhaalde Drenkelaer, zich bevreemd houdende: âtusschen wie?quot;
âWel!quot; hernam Mevrouw: âik meende, dat het zoogoed als klaar was tusschen den Jonker en de Freule Van Doertoghe.quot;
â't Is mogelijk Mevrouw; â maar ik heb er niets van vernomen.quot;
âMijnheer weet er vast meer van, dan hij ons vertellen wil,quot; zei Zuring, door de diplomatische terughouding, welke Drenkelaer veinsde, misleid: â en dan mogen wij niet zoo onbescheiden zijn, om achter het geheim te willen komen.quot;
Maar Mevrouw Zuring wou achter het geheim komen en zij vervolgde:
â't Zou anders een mariage de convenance zijn, onder alle opzichten.quot;
âMijn vriend Eylar is rijk genoeg om een mariage d'in clination te doen,quot; zei Drenkelaer met een hoffelijke buiging: âen nu, Mevrouw, en Mijnheer, met grooten dank voor uw goedheid, zul je mij vergunnen afscheid te nemen: het zal mijn tijd worden.quot; â En, na wederzijdsche beleefdheidsbetuigingen, verliet hij de woning van den wijnkooper en begaf zich op weg naar 't kasteel.
22
TWEEDE HOOFDSTUK.
COMMÃHAGES.
Nauwelijks was er een week verloopen sedert de komst van Drenkelaer op Hardestein, of het verderfelijke zaad, door hem gestrooid, was reeds ontkiemd en begon vruchten te dragen. Hij zelf was een paar reizen op de pastorie geweest: de eerste reis, onder voorwendsel van aan Dommee een boek ter leen te vragen; de tweede, om het terug te brengen, en hij had telken reize een uur gekozen, waarop hij wist, of althans onderstellen kon, dat Nicolette, gebruik makende van het haar gegeven verlof, zich naar Klein Hardestein begeven had om haar oefeningen op de piano voort te zetten, en dat Bol zich op zijn studeerkamer bevond: zoodat zijn bezoek door laatstgemelde aan geen bijoogmerk ter wereld kon worden toegeschreven; â doch beide reizen had hij gezorgd, dat Maurits van zijn gangen kennis droeg, en er op gerekend, dat deze, gedreven door eene ongerustheid, waarvan hij zich zeiven geen rekenschap geven kon, hem zou komen opzoeken aan de pastorie. Doch beide reizen was, natuurlijk, Maurits een kwartier of een half uur later dan hij gekomen, en alzoo tegen den tijd, dat de predikant zijn kamer verlaten had of verlaten ging, dat het jonge meisje van haar uitstap weder terugkwam, en dat de huisgenooten zich om de koffietafel vereenigden. Het onvermijdelijk gevolg hiervan was, dat, terwijl de bezoeken van Drenkelaer ten huize van Bol aldaar niet anders uitgelegd konden worden dan als een zeer onschuldig verlangen om den predikant te spreken, die van Maurits meer bepaald de dames schenen te gelden; en dan had nog de laatstgemelde bij die gelegenheid iets onrustigs en gejaagds dat de opmerkzaamheid van Dominee niet ontgaan kon en wel aanleiding geven moest, bij dezen eenige achterdocht te verwekken. Doch niet alleen binnen de pastorie was die achterdocht ontstaan; ook daarbuiten, op het dorp, werd reeds
23
gemompeld, dat de Jonker zijn hof maakte aan het mooie pupilletje van Dominee. De weinige en op zich zelve onschuldige woorden, welke Drenkelaer zich tegenover Mw. Zuring had laten ontvallen, hadden het beoogde doel bereikt, namelijk van haar nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij wilde uitvorschen, wie toch de schoone wezen kon, voor wie Maurits inclinatie gevoelde en de briljante partij opofferde, die hem scheen toegedacht. Reeds den dag na het bezoek van Drenkelaer en wel des Zondags in de kerk, meende zij het raadsel te hebben opgelost, toen zij Nicolette in de bank van den predikant naast Juffrouw Leentje zag zitten, en vervolgens, haar blikken wendende naar de bank van den Heer, bespeurde, hoe het oog van Maurits herhaaldelijk van den leeraar naar het jonge meisje dwaalde. De welsprekendheid van Bol ging dien Zondag grootendeels voor Josephine verloren, wier aandacht bijna uitsluitend gevestigd bleef op den Jonker, en die thuis gekomen, zich bij haar man niet weinig liet voorstaan op de ontdekking, welke zij meende gedaan te hebben. Alles is dadelijk ruchtbaar op een dorp; dus ook de bezoeken van Maurits op de pastorie, die Mw. Zuring zoozeer in haar gissing versterkten, dat zij niet langer schroomde, aan twee of drie van haar vriendinnetjes in 't oor te fluisteren, dat het tusschen den Jonker en het pupilletje van Dominee zoogoed als klaar was. Het gerucht kwam eerlang ook ter ooren van Snel, die het wel als ongerijmd, verwierp, maar toch niet nalaten kon, er eenige ongerustheid over te gevoelen. Gaarne had hij, toen hij nog een paar keeren â in 't voorbijgaan, zoo 't heette â aan de pastorie aanwipte, iets naders dienaangaande willen uitvorschen; doch hij dorst geen vraag doen, welke hij vreesde, dat aan meer dan bloote nieuwsgierigheid zou kunnen worden toegeschreven. Hij was nog niet tot een stellig besluit gekomen, en hij wilde wijselijk daarmede wachten, tot hij beter met de kaart van 't land bekend was.
Liepen Maurits en Nicolette bij de lediggangers van Harde-stein over de tong, nog vrij wat meer stof tot gebabbel werd hun verschaft door het gerucht, dat zich aangaande de Freule
24
Van Doertoghe had verspreid. â Had de gefailleerde manu-facturier niet meer dan vijf percent aan zijn schuldeischers uitgedeeld, des te milder was hij met het uitdeelen van tijdingen: ja doorgaans schonk hij, wat deze betrof, het ont-vangene rijkelijk vermeerderd terug. Zoo had hij, ook nu, zich niet vergenoegd, het praatje, door Drenkelaer verzonnen, bij zijne thuiskomst, aan vrouw en dochter over te vertellen, maar hij debiteerde 't aan wie het hooren wilde; zoodat Drenkelaer, toen hij Zuring weder eens ontmoette, door dezen gevraagd werd of daar iets aan was, zeggende, dat hij. Zuring, 't van Verdrongen had, die 't weder uit den mond zou hebben van Le Mat. Maar niet alleen beweerde Verdrongen dit laatste, hij voegde er zelfs bij, dat hij er vroeger te Amsterdam reeds van had hooren spreken. Juffrouw â of, zoo als zij, sedert zij rentenierde, zich noemen liet â Mevrouw Verdrongen en haar dochter hadden, als van zelf sprak, zich gehaast, aan haar vriendinnen het gewichtige nieuws mede te deelen, dat Bettemie vlagen van razernij had, waarin zij door geen zes man kon gehouden worden: en nog denzelfden avond werd door de huishoudster van den notaris als een alom bekend feit verhaald, dat zij, Bettemie, eens van de Hooge Sluis te Amsterdam, in 't water gesprongen, en door een Keulschen schipper gered was geworden, welke laatste er nog een medaille van 't Nut voor gekregen had. Le Mat werd met vragen bestormd en terwijl hij, als gewoonlijk bij zulke gelegenheden plaats vindt, verzuimde tot de oorspronkelijke bron van het praatje op te klimmen, en alzoo niet op de gedachte kwam, dat het verzinsel uit het brein van Drenkelaer ontsproten was, werd hij, nu de mededeelingen schijnbaar van geheel verschillende zijden tot hem kwamen, in den waan versterkt, dat aan de krankhoofdigheid van de Freule niet te twijfelen viel. Hij was sedert zijn ontmoeting met Drenkelaer reeds herhaaldelijk op Doornwijck geweest; doch bij niet een van zijn bezoeken was het hem gelukt, Bettemie aan te treffen: telken reize als hij naar haar welstand vroeg, was hem gezegd, dat zij zich op haar kamer bevond: uit welke mededeeling
hij alsdan de gevolgtrekking had opgemaakt, dat zij hem ontweek, ten gevolge van die beschroomdheid, allen waanzinnigen eigen, die altijd bang zijn, dat men iets aan hen merken zal; â ofschoon de eenige reden, dat zij zich niet vertoonde als hij er was, daarin bestond, dat zij hem gruwelijk vervelend vond.
Gelukkig â of ongelukkig, naar men 't noemen wil â was het praatje nog niet doorgedrongen tot op 't kasteel, noch tot Klein Hardestein, noch â wat vreemder genoemd mag worden â tot de pastorie; maar Juffrouw Leentje was een weinig verkouden, en daardoor niet uit geweest, dan op de Bestuursvergadering, die door Mw. Van Eylar beschreven, en waarop Mw. Van Doertoghe mede verschenen was, in wier tegenwoordigheid Jeannette Fix, de eenige onder de dames-bestuurderessen, die van 't gebabbel iets vernomen had, zich wel zorgvuldig gewacht zou hebben, een zoo teedere snaar, al was 't maar fluisterend, aan te roeren.
Intusschen was Bol, bij de nadere en meer innige kennis, welke hij, door dagelijkschen omgang met Nicolette, van haar karakter verkreeg, meer en meer met zijn pleegdochter ingenomen, en haar tegenwoordigheid aan de pastorie was hem een zonnestraal, die er de eentonige stilte op een tot dien tijd voor hem nooit gekende wijze verhelderde en vervroo-lijkte. 't Zij dat zij op 't ontbijt of het koffle-uurtje de boterhammen sneed (want beheer over 't schenkgereedschap zou Juffrouw Leentje voor geen goud aan wie ook hebben afgestaan) en er allerlei kluchtige vertellingen bij deed over de schraal geboterde sneden, die bij Mw. Zilverman's Zaterdags avond werden klaargemaakt voor den Zondagmorgen, en dan zoo droog geworden waren, dat de kruimels in de keel bleven steken, of over de oudbakken beschuiten, waar men bij feestelijke gelegenheden op getracteerd werd, â 't zij, dat zij hem aan den disch vermaakte met vertellingen uit hare schooljaren, waarbij dan altijd werd teruggekomen op het bij niets te vergelijken ongeduld, met hetwelk zij de dagen telde, die er verloopen moesten eer het jaarlijksch bezoek van Dominee
26
kwam, en op hare uitbundige blijdschap, wanneer zij nu en dan eens verrast werd, door de onverwachte verschijning van âvader Hoogenbergquot;, die altijd het een of ander mooi boek voor haar medebracht, of van âvader Van Zevenaerquot;, die altijd zoo zorgvol naar haar gezondheid vroeg en aan Mw. Zilverman allerlei goeden raad meedeelde omtrent de physieke behandeling van haar élèves, of van âvader Galjartquot;, die altijd de jonge meisjes zoo aan 't lachen maakte door zijn vroolijkheid en grappen en ze tevens jaloersch maakte door de fraaie, met zooveel smaak gekozen geschenken van flchutjes canezous, colliers, braceletten of andere nieuwmodische snufjes, welke hij haar vereerde, of van âvader Eylarquot;, die mede nooit met ledige handen kwam, en haar steeds zooveel innige gehechtheid toonde, â 't zij zij Bol allerlei vragen over allerlei onderwerpen deed, die van haar schranderheid zoowel als van haar weetgierigheid getuigden en die, als hij zich het beantwoorden daarvan tot een zoete taak maakte, altijd aanleiding gaven tot aanmerkingen harerzijds, die getuigden hoe goed zij zijn onderricht vatte, en tot een voor hem zeiven aangenaam en leerzaam onderhoud, â 't zij zij, vroolijk en dartel als een lijster, maar ook zangerig als deze, haar welluidende stem door huis of tuin weerklinken deed, â 't zij eindelijk, dat haar blij geschater Bol in de ooren klonk van uit de keuken, als zij daar zich door Juffrouw Leentje in de geheimnissen der kookkunst liet inwijden, of een handje hielp in 't inmaken van groenten of aan 't erwten doppen, het snij-boonen afhalen en andere dergelijke nuttige verrichtingen. â Ook Juffrouw Leentje, al kon zij niet nalaten, nu en dan het jonge meisje te onthalen op wat zij een gepaste vermaning oordeelde te zijn en wat min geduldige toehoorders misschien een vervelend sermoen zouden genoemd hebben, en haar b. v. het ongepaste voor te houden van zoo luid te zingen, zoowel buiten de deur, waarvan het gevolg was, dat de lieden aan het tuinhek bleven staan, als in huis, waar zij Dominee in zijn studeeren hinderde, of haar te beknorren, wanneer zij zonder hoed in den tuin liep, waardoor zij allicht gevaar kon
27
loopen een zonnesteek te krijgen â van welks droevige gevolgen zij een aantal voorbeelden wist op te tellen, â of haaide les te lezen dat zij zich zoo aanstelde met de kinderen van den Heer Snel, of te vrij was geweest tegenover den Jonker, of onbeleefd tegen Drenkelaer â Juffrouw Leentje, zeggen wij, in weerwil van dit alles, was in de hoofdzaak zeer verzoend met de komst van Nicolette, en kon niet nalaten, al kwam zij er niet met zoovele woorden voor uit, in den grond haars harten haren broeder gelijk te geven, wanneer deze haar nu en dan onder vier oogen op het weinig billijke wees van de verwijten, die zij tot het jonge meisje richtte, en haar onder 't oog bracht, dat â wanneer men in aanmerking nam, welke voorbeelden het ouderlooze kind voor oogen had gehad, en hoe het later toch geen andere opleiding had genoten, dan die een kostschool bieden kan, waar zelfs de hartelijkste en verstandigste zorg toch nooit het gemis der moederzorg vergoeden kan â het een wonder mocht heeten, dat Nicolette niet alleen met zulke beschaafde manieren en zeden, maar ook zoo schuldeloos, natuurlijk en onbedorven voor den dag kwam.
Niet zelden nam Bol zijn pleegdochter met zich op zijn wandelingen; 't zij, als hij, door bosch en velden met haar ronddolende, er vermaak in schepte haar te ondervragen naaide soort van boomen, heesters of gewassen, die zij voorbijgingen, en haar te plagen, als zij een eschdoorn met een plataan, een vogelkers met een meidoorn, of vlas met spurrie verwarde, â 't zij, dat hij herderlijke bezoeken ging afleggen en zij dan, met haar gewonen tact, de kinderen des huizes aan den praat en zoet wist te houden, terwijl hij zich met de ouderen van dagen over hun geestelijke belangen onderhield. â Was zijn verschijning steeds welkom in elke woning, waar hij zijn schreden zette, zij was dit dubbel, als hij zulk een lieve gezellin met zich voerde; en overal hoorde men in de gemeente van Hardestein de schamele huisgezinnen uitweiden in den lof van het lieve nichtje van Dominee.
Werd Nicolettes komst op prijs gesteld bij de armen, aan wie zij opbeuring en troost kwam schenken, evenzeer was dit
28
het geval in een hoogere sfeer. Madame mère betuigde, niet alleen met woorden, maar ook met de daad, dat zij haar allerliefst vond; zij was een paar reizen, als zij door het dorp kwam, aan de pastorie aangewipt, waar zij dan telkens zich op de vriendelijkste wijze met het jonge meisje onderhouden had, en zij had het drietal al eens geheel familiaar ten eten gehad; â zonder natuurlijk te kunnen droomen, aan welke praatjes door deze welwillendheid harerzijds voedsel gegeven werd. Ook de Freule Van Doertoghe had het bewijs geleverd, dat de betuigingen van vriendschappelijke gezindheid, door haar aan Nicolette gedaan, geen ijdele beleefdheidsklanken waren: zij was haar komen bezoeken: zij had haar met zich genomen om boodschappen te doen op het dorp, en de Hemel weet, wat die twee al te zamen hadden afgebabbeld. â Ook met de dames Prawley was Nicolette in kennis gekomen, en ofschoon dezen, van welke wij reeds ergens met een enkel woord gezegd hebben, dat het groote musiciennes waren, nog geen gelegenheid hadden gehad, haar begaafdheden in spel en zang te leeren kennen en op prijs stellen, toch was het jonge meisje, om haar zedig voorkomen en beschaafde manieren, haar bij uitstek bevallen. â Men behoeft dus niet te vragen, of, onder zoodanige omstandigheden, Nicolette behagen schepte in den nieuwen kring, waar zij zich in verplaatst vond. â Wel kwam nu en dan het kwellende bewustzijn bij haar op, dat het geluk, 't welk zij thans smaakte, niet anders kon wezen dan een voorbijgaande droom, uit wiens zoete bedwelming zij eenmaal tot een koude en misschien alles behalve vermakelijke levens-werkelijkheid ontwaken moest; maar op haren leeftijd en met haar vroolijke onbezorgdheid geeft men niet lang aan zulke onaangenaam waarschuwende overdenkingen toe, en zij begreep dan ook, de bloemen en vruchten van het schoone jaargetijde, waarin zij verkeerde, te moeten genieten, nu haar dit vergund was, en er zich nog niet over te moeten bekommeren, of er eerlang een winter op stond te volgen, met ijs en sneeuw en gure stormvlagen.
Intusschen stond de kring der kennissen, die Nicolette onder
29
de haute volée van den omtrek maakte, nog te worden uitgebreid: immers zij was met den predikant en zijn zuster op een deftigen maaltijd genoodigd bij Mw. Van Doertoghe, en daar was altijd een tal- en luisterrijk gezelschap aanwezig. De loop van ons verhaal brengt mede, dat wij thans een beschrijving geven van dat feest.
Doch dié beschrijving vordert, als men beseffen kan, een afzonderlijk hoofdstuk.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN DINER BIJ MEVROUW VAN DOERTOGHE.
Ten dage, dat het diner bij Mw. Van Doertoghe plaats zou hebben, stonden er klokke halfvijf aan de pastorie twee rijtuigen voor de deur, om den predikant en zijn dames in 't voorbijgaan af te halen. Het eene was een coupé, waar madame mère in gezeten was en Bol verzocht werd nevens haar plaats te nemen: in het andere, een ruime kales, kwam Juffrouw Leentje en Mcolette te zitten, met Drenkelaer tegenover zich. De koetsier had zijn zetel op den bok voor deze reis aan Maurits ingeruimd en zich met het kattebakje beholpen.
âEn nu, Juffrouw!quot; zei Drenkelaer, toen het portier dichtgeslagen, de zweep over de paarden gelegd en het rijtuig in beweging was, tegen Leentje, âzal het uwe taak zijn, de honneurs te doen van den weg; want ik geloof, dat Juffrouw Zevenster even weinig bekend is als ik met de wonderen, die wij zullen komen te zien.quot;
âOch ja, als 't u belieft. Juffrouw,quot; zei Mcolette.
âOch! daar deug ik niets voor,quot; antwoordde Leentje: âik vergeet altijd de namen van plaatsen en personen; maar
Maurits is de man Die 't weet en 't zeggen kan.
âNeen, niet Maurits,quot; zei Drenkelaer, met inzicht: âdie moet naar zijn paarden kijken.quot;
30
âHeb daaromtrent geen zorg,quot; riep Maurits, terwijl hij even omkeek; âzoo wild zijn de paarden niet, noch de weg zoo gevaarlijk, dat ik niet te gelijk zou kunnen mennen en praten.quot;
âDroom je heelemaal, Eylar?quot; vroeg Drenkelaer, met een geveinsde bezorgdheid: âga je nu omkijken, net nu wij een hoek moeten omslaan, en wij kans loopen tegen dien steenen paal te rijden ?quot;
âHemeltje Mijnheer!quot; riep Leentje, die de scherts voorgoede munt opnam.
âWees onbezorgd. Juffrouw,quot; hernam Drenkelaer: â't was maar badinage. Onze vriend is bovendien te zeer bewust, welke zware verantwoordelijkheid hij op zich geladen heeft, om niet nauwlettend voor de veiligheid van den hem toevertrouwden schat te waken.quot; Hier wierp hij een steelschen blik op Nicolette, en zag met innig welbehagen, hoe zij bloosde.
âWel!quot; zei Maurits, deze reis zonder om te zien, doch terwijl de toon zijner stem eenigen wrevel verraadde: âik ben volkomen overtuigd van mijn plicht, en dankbaar voor het vertrouwen, in mij gesteld. Maar,quot; vervolgde hij, op zijn gewonen toon, âwat Juffrouw Leentje zooeven zeide, dat zeide zij gewis alleen uit zedigheid, en ik twijfel niet, of zij zal u een voortreffelijke cicerone zijn, en, mocht zij twijfelen, dan heeft zij mij maar te waarschuwen.quot;
âIk weet niet veel meer dan in het dorp,quot; zei Leentje, âen dat kent nu Nicolette zoogoed als ik: althans zij behoort het te kennen.quot;
âWel!quot; zei Nicolette, âik hoop u te doen zien, dat ik leerzaam ben: hier in dat roode huis woont de secretaris. .. . en, daar schuins tegenover, Denneman de behanger; en hier, waar die kolommetjes staan, die Heer met zijn langen naam . . .
âEn niet minder lange beenen,quot; viel Drenkelaer in: âRenonkel, geloof ik . . .
âVerdrongen . . . verbeterde Leentje.
âEn ginds,quot; vervolgde Nicolette: âstaat Mijnheer Snel voor zijn deur, die zeker juist uit de Sociëteit komt.quot; â En meteen beantwoordden Leentje en zij de kushanden, haar toege-
31
worpen door de beide kinderen, die, op het hoeren naderen van 't rijtuig, aan 't venster verschenen waren â alsmede, doch met een vriendelijke buiging, den eerbiedvollen groet van den Ontvanger.
âHij zou, geloof ik, de ledige plaats naast mij wel gaarne bekleeden,quot; merkte Drenkelaer aan.
âEr zouden er meer in dat geval verkeeren,quot; mompelde Maurits: âmaar zie, daar zit de Majoor op zijn stoep.quot;
De Majoor bracht even de hand aan de politie-muts en keek het gezelschap na met een blik, waarin hij wilde doen lezen: âik ben zoogoed als gijlieden.quot;
âEn hier,quot; ging Nicolette voort, âwoont Mijnheer Zuring de wijnkooper, die zulke lieve nette kindertjes heeft.quot;
âJa, a propos, Eylarlquot; vroeg Drenkelaer aan Maurits: âheb je dien portwijn al, dien je bij hem bestellen zoudt?quot;
âNeen!quot; antwoordde Maurits: âen ik heb half berouw, dat ik je beloofd heb, een anker er van op te doen; want Louis beweert, dat de man, evenals zijn wijn, op de flesch is, en zijn wijn even zuur als zijn naam.quot;
âToch niet dien ik bij hem gedronken heb,quot; zei Drenkelaer.
â't Is met hem als met sommige bakkers,quot; hernam Maurits: âhet beste brood ligt op de toonbank.quot;
âHoe!quot; vroeg Nicolette: âis die Heer niet goed in zijn zaken? En Mevrouw heeft zulke smaakvolle toiletjes, en de meisjes dragen altijd zijden kleedjes, en alles ziet er zoo knap en welvarend uit.'
âJa, maar zij betalen niemand,quot; antwoordde Leentje: âen de man heeft geen flesch in huis, die uit zijn kelder komt: hij verkoopt alleen wijn, dien hij bestelt bij anderen, en dan nog kan hij dien, hoor ik, niet meer dan tegen betaling krijgen.quot;
âDat spijt mij van den man te moeten hoeren,quot; zei Drenkelaer: â't was de eenige gentleman, dien ik op de Sociëteit heb ontmoet.quot;
âEn hier,quot; hervatte Nicolette, op een lieve cottage wijzende, die tusschen fraaie bloemperken op een kleinen heuvel gelegen was; âhier wonen de dames Prawley.quot;
32
âNu! dat laat zich gemakkelijk raden,quot; zei Leentje: âzij zijn juist bezig in haar rijtuig te stappen.quot;
âZoo is 't,quot; zeide Maurits: âzij zullen mooi zuur kijken, dat wij haar vóór zijn.quot;
âA tout seigneur tout honneur,quot; zei Drenkelaer.
Men was nu buiten de kom van de gemeente gekomen, en de groote weg, aan weerszijden met schrale beuken beplant, slingerde tusschen de bouwlanden voort. Nu en dan deed zich een kleine herberg of andere woning voor, meestal ingericht tot het huisvesten van lieden, die er een gedeelte der zomermaanden kwamen doorbrengen, en somtijds ook, 't zij achter een ruim grasperk, 't zij aan het einde eener laan van opgaande boomen, 't zij op de helling van een heuvel, vertoonde zich een heerenhuizing, waarvan doorgaans de bouwstijl, of liever het gebrek aan bouwstijl, verkondigde, dat zij eerst sedert weinige jaren was gesticht. De namen der bewoners werden door Leentje opgegeven, althans van de zoodanigen, die 's Zondags bij haar broeder ter kerke kwamen. De overigen achtte zij niet beter dan Heidenen en Turken, en hun namen het onthouden niet waard; waarom zij ze dan ook niet vermeldde, zulks aan Maurits overlatende, die ze bereidvaardig opgaf, hoewel zeker overtuigd, naar hij terecht aanmerkte, dat men ze bij het terugrijden weer vergeten zou hebben, en ze ook aan Drenkelaer en Nicolette even onverschillig zouden zijn als aan Juffrouw Leentje.
Na ongeveer twintig minuten gereden te hebben, sloeg men een breeden grindweg in, aan weerszijden beplant met een dubbele ry zware beuken, wier kruinen zich vereenigden tot een lommerrijk berceau. Rechts en links vertoonden zich voortdurend rogge-, boekweit- en aardappelvelden, van afstand tot afstand met eiken- of beukenlanen doorsneden en met deze een telkens afwisselend landschap vormende, bevallig en statig tevens. Weldra sloegen nu de rijtuigen de oprijlaan in, die op het huis te Doornwijck aanliep. Men bereikte echter dit laatste niet, dan na vooraf een zware steenen brug te zijn overgereden, op welker leuningen, twee steenen leeuwen waren uitgehouwen.
33
die de wapenschilden van Doertoghe en van Pancras tusschen hun klauwen hielden; zijnde die der schoonouders van de tegenwoordige eigenares, Jan Van Doertoghe en Hendrina Pancras, die 't landgoed gekocht en 't huis hadden doen bouwen. Over de brug verdeelde zich de oprijlaan in twee armen, die, na een groot grasperk, in welks midden een zonnewijzer stond, te zijn rondgeloopen, zich voor het huis weer vereenigden. Op het grasperk vertoonden zich hier en daar ronde, vierkante, ruitvormige of veelzijdige bloemperkjes, en langs den rand, aan elke zijde, zes steenen beelden, te zamen de Twaalf Maanden voorstellende. Rechts en links stonden, op gelijke afstanden, de stal en tuinmanswoning, kloeke gebouwen, den vorm hebbende eener halve maan, tegen de binnenzijde gezien; in welke binnenzijde zich in 't midden een portiek verhief, waaronder groote standbeelden â rechts dat van Febus, links dat van Flora â van hun hooge voetstukken op de voorbijgangers schenen neder te zien. Aan den uithoek van elk dier gebouwen begon een met zorg geschoren beukenhaag, met nissen voorzien, waarin marmeren borstbeelden op hun voetstukken prijkten, en die boogswijze tot aan het heerenhuis liep. Dit was een deftige woning van gebakken steen, geheel in den stijl van de vorige eeuw, met een hooge, dubbele stoep, drie ramen aan weerszijden, zeven op de tweede verdieping en een uitstekend zoldervenster, alles met snij- en lofwerk versierd, en zwaar getraliede keldervensters: een gebouw, dat op een aanplakbiljet met alle recht als âhecht, sterk en weldoortimmerdquot; zou vermeld zijn geworden, en van 't welk men wel eens gevraagd had, of de Geest van de Lamp, uit de vertelling van Aladijn, het niet in zekeren nacht plotseling van de Heerengracht te Amsterdam aldus naar het hart van Gelderland had overgeplaatst. Het eenige, wat hem, die er voor stond, herinnerde, dat hij zich niet in de stad bevond, maar buiten, waren de twee groote blauw porseleinen bloempotten, aan weerskanten op de onderste treden van de stoep, en de roode dito's met geraniums, op de volgende treden en langs de geheele leuning. Drie lakeien in II. - k. z. 3
34
volle livrei â parelgrijs met passementen, waarop het wapen van Doertoghe in 't oneindig verveelvoudigd was â stonden achter die bloempotten de gasten af te wachten, die nu achtereenvolgens uit de rijtuigen naar binnen stapten. Bol ging, als natuurlijk was, met Mw. Van Hardestein vooruit, Drenkelaer volgde met Leentje, aan wie hij, na haar uit de kales te hebben geholpen, terstond zijn arm had aangeboden, wat evenzeer natuurlijk en in de orde was, doch nu ten gevolge had, dat, als hij vooraf berekend had, Maurits, die nog van den bok had moeten afstijgen en de teugels aan den koetsier overhandigen, toen hij aan 't portier kwam, tot geleider moest strekken aan Mcolette, en met haar zijn intocht maken â wat bij het gezelschap, voor zooverre het reeds vergaderd was, en niet het minst bij den dienenden stoet, niet onopgemerkt kon blijven: zeggende zelfs de koetsier van Hardestein later aan dien van Doornwijck, dat hij zelden zulk een schoon paar een stoep had zien opwandelen, als zijn Jonker met dat âmeissie, dat bij den Dominee lozeerde.quot;
De groote zijkamer, waarin de gasten ontvangen werden, verloochende het karakter van stijve deftigheid niet, dat alles hier bezat. De wanden waren bruin gelambriseerd, met gouden lijsten en krullen: het behangsel was rood damast; het plafond zoowel als de vakken boven de deuren waren fraai beschilderd met mythologische figuren, en een zwaar tapijt, met rooden grond, bezaaid met groote bouquetten, bedekte den vloer. Het ameublement was uiterst kostbaar: de ouder-wetsche canapé, de stoelen en fauteuils van wit hout, zwaar verguld, met ruggen en zittingen van wit satijn, waarop bloemen van vloszijde geborduurd waren: het mahoniehouten blad van de tafel kaatste, zoogoed als de spiegels boven de schouwe en tusschen de penanten, de voorwerpen terug: aan weerszijden van den schoorsteen stonden antieke kasten met glazen deuren, waarachter, 't zij kostbaar Chineesch porselein, 't zij ertsen en zeegewassen zichtbaar waren: â maar wat er ook in het vertrek te vinden ware, men vond er noch easychairs, noch divans, noch een van die comfortable
35
zittingen, welke de luiheid der negentiende eeuw heeft uitgevonden en waarmede de heerschende mode de moderne kamers volpropt; al welke voorwerpen aan Mw. Van Doer-toghe een gruwel waren en welke zij alleen op hun plaats oordeelde in de salons van bankiers of âzulk volk'quot; of in het boudoir van een actrice.... zij bezigde dit laatste woord, ofschoon zij er een ander bedoelde, dat zij te preutsch of te deftig was om te noemen. â In 't kort, alles was even stijf, even symmetriek, even oud-modisch; alles bracht den bezoeker op eenmaal in de stad en in de achttiende eeuw terug. Alleen de bloempotten, die de plaats van den haard bekleedden, en de bloemvazen op de trumeaux en den schoorsteenmantel herinnerden ook hier, dat men buiten, althans dat het zomer was.
Mevrouw Van Doertoghe zelve was waardig, tot middelpunt van dien ouderwetschen luister te strekken. Zij was een type dier patricische matronen, waarvan het ras al meer en meer te niet gaat: nederziende op al wie niet tot de oude regeerings-familiën behoorde, of liever, hen niet, zelfs bij name niet, kennende, tenware zij een adellijken titel voerden; en ook dan nog, aan de overlevering van haar geslacht getrouw, nam zij jegens de zoodanigen een air de protection aan, bestemd om hun te kennen te geven, dat zij zich vereerd moesten achten, met haar om te gaan. Dit bleek ook nu wederom aan den stijven hoofdknik, waarmede zij de dienaresse, die zij voor Mw. Van Hardestein maakte, vergezeld deed gaan: een hoofdknik, hoedanig een men zich niet veroorlooft, dan jegens iemand, die een sport lager op de maatschappelijke ladder staat. Nu was inderdaad Mw. Van Doertoghe de zeventig reeds lang voorbij en kon ruim de moeder der Gravin zijn; doch het was minder om haar hoogere jaren, dan om haar afkomst uit een burgemeesterlijk geslacht, dat zij zich verheven waande boven de weduwe eens landedelmans, al prijkte ook een gravenkroon boven diens wapen.
Zeker leverden de beide dames een merkwaardig contrast op, en scheen werkelijk, in die zaal en tegenover de Amster-damsche douairière, Mw. Van Hardestein, met haar veelkleurige
36
barege zomerjapon, met al haar bloemen en linten en strikken, een vrouw van mindere distinctie. De dos toch van Mw. Van Doertohge was in volkomen harmonie met al wat haar omringde: kostbaar, degelijk en statig. Het verbleekt, doch nog regelmatig en ongerimpeld gelaat, dat de sporen van een vroegere schoonheid bewaarde, was omlijst door zilverwit haar, in breede vlechten opgerold, die te voorschijn kwamen van onder een donkerkleurig satijnen hoedje, met een breed lint, dat onder de kin rondliep en op zijde was vastgestrikt: hoedanig hoofddeksel en lint Mw. Van Doertoghe altijd, onder alle omstandigheden droeg. Een driedubbele gouden halsketen, met een breed slot, waarop een parel prijkte van het zuiverste water, sloot zich om den halsboord der hooge japon van bruin satijn met gewerkte bloemen. Een tweede gouden keten liep van het prachtige borststuk van paarlen af naar den gordel, en droeg een antiek horloge van 't keurigste werk, met een porseleinen, fijn beschilderd dekseltje, met pareltjes omzet, en door middel van een breeden gouden haak in den gordel bevestigd. Een laag nederhangende sluier van zwart kant bedekte de schouderen, en garneersels, insgelijks van zwart kant, versierden den benedenrand van het kleed. Dewijl Mw. Van Doertoghe welgemaakt, en, ondanks haar jaren, nog even rijzig en ongebogen van gestalte was, als toen zij voor 't eerst als jong meisje paraisseerde, ja haar donkerblauwe oogen nog al hun glans en doordringende kracht behouden hadden, beseft men licht, dat haar uiterlijk voorkomen een majesteit had, indrukwekkend genoeg, om zelfs aan hooggeplaatste personen ontzag in te boezemen, en madame mère zoowel als haar schoondochter hadden meermalen erkend, dat zij zich tegenover haar nooit op haar gemak gevoelden, ja altijd een weinig bang voor haar waren.
Men kan dus begrijpen, hoe het hart van Mcolette popelde, toen zij aan die gevreesde matrone werd voorgesteld. Gelukkig was deze altijd zeer voorkomend tegen Dominees en al wat daarmede in betrekking stond, en begunstigde alzoo het jonge meisje met haar minzaamsten glimlach; terwijl Bettemie, die
37
een weinig achterwaarts van haar stond, op Mcolette toetrad, zoodra deze haar nijging volbracht had, haar met een handdruk verwelkomde en tot zich trok, en voorts, zoo vaak de gelegenheid zulks gedoogde, zich met haar onderhield.
Behalve de gastvrouw en haar bekoorlijke nicht bevonden zich in de kamer, toen Mw. Van Hardestein er met haar stoet binnentrad, vooreerst: een eigen nicht van Mw. Van Doertoghe, Pietje Pancras genaamd, doch die, minder dan Bettemie door de fortuin begunstigd, eenigszins de betrekking van gezelschapsj uffer bij haar tante waarnam: zij was klein, zwartgelokt, niet onbevallig van uitzicht en evenmin van aangename talenten ontbloot, voorts vroolijk en zachtzinnig van inborst en gelijk van humeur; doch daar zij haar vorige jeugd in een afgelegen dorp gesleten had, ontbrak haar wel eenigszins die fijne beschaving, welke men van eene Pancras zou verwacht hebben, en ontsnapten haar nu en dan uitdrukkingen, die geweldig burgerlijk riekten. Voorts: zekere gepensionneerde generaal Van Bloff, een oud vrijer, die alle jaren eenige weken op Doornwijck logeeren kwam, maar doorgaans zijn eigen weg ging, voor twee personen sliep en voor drie at, met het hoofd knikte als de Chineesche poppen, die op den schoorsteenmantel stonden, voor een ieder bescheiden uit den weg ging, en in de buurt den bijnaam ontvangen had van âde tamme huis-generaal van Mw. Van Doertoghe.quot; Welke de veldtochten waren, die de man gemaakt had, welke de wapen- of andere feiten waren, waardoor hij zich onderscheiden had en ten gevolge waarvan hij tot den hoogen rang geklommen was, dien hij bekleedde, is noch aan ons, noch was het misschien aan iemand der huisgenooten of bezoekers van Doornwijck bekend; alleen meende Eylar te weten, dat hij voortdurend d e p 61 s gecommandeerd, en zoo, langzaam maar zeker, en zonder zware vermoeienissen, de trappen der militaire hiërarchie was opgestegen. Verder nog, ten derde, de Baron Van Steenvoorde, een grondeigenaar uit den omtrek, met zijn beide zoons; ten vierde, de Barones Van Ãporkelberghe met haar dochter Klara, van welke vroeger reeds gesproken is. Weldra
38
werd het gezelschap voltallig gemaakt door de komst van Louis Van Eylar met zijn vrouw, van de beide Heeren Van Val teren, twee landjonkers van de echte soort, en van de gezusters Prawley, dames van zekeren, of liever van onzekeren leeftijd en onbeduidende gelaatstrekken, die winter en zomer te Hardestein woonden, rijtuig hielden, eens in 't jaar een diner gaven aan haar aanzienlijke naburen, en 't geheele jaar door veel goeds deden aan de armen.
Nadat de gasten gedurende eenige minuten de korte begroetingen . en handdrukken en die onzamenhangende, doorgaans niets beteekenende volzinnen hadden gewisseld, die zulke minuten altijd langer doen gelijken dan een half uur aan tafel doorgebracht, en zij, voor zooverre zij elkander niet mochten kennen, met gebruikelijke plechtigheid aan elkander waren voorgesteld, kwam de hofmeester, een deftig man, geheel in 't zwart gekleed, met korte zijden broek en witte kousen, de welkome maar verkondigen, dat er was opgedaan. Mw. Van Doertoghe, hierop den arm van Bol nemende, verzocht den Baron Van Steen voorde Mw. Van Hardestein te geleiden; terwijl de rest, zich paar aan paar schikkende, de reeds genoemden naar de eetzaal volgde. Deze zaal â van waar men, door drie hooge schuiframen in den achtergevel, het uitzicht had op een groote waterpartij, van fraai geboomte omgeven, en waar 't op krioelde van blanke zwanen, bonte bergeenden en andere watervogels, en verder op een breede laan, die naar het veld geleidde, â was versierd met een behangsel, door Andriessen met Arkadische landschappen beschilderd. Kolossale buffetten van ingelegd hout droegen een tal van foudralen, rijk met zilver voorzien: in de schouw stond een gevlochten mand met bloempotten; en ook hier prijkten bloemen in de vazen, die den blauw marmeren schoorsteenmantel versierden; terwijl de etenstafel insgelijks op een zilveren middelstuk een reusachtige bloemvaas vertoonde. Bij het gaan zitten plaatste de gastvrouw den predikant aan haar rechter- en Louis Van Eylar aan haar linkerhand: tegenover haar Mw. Van Hardestein tusschen den Baron Van Steenvoorde en Jonker Joris Van
39
Valteren. De jonge Gravin Van Eylar zat naast den Baron, de Barones naast Jonker Joris, terwijl Eylar Mw. Van Spor-kelberghe en Bol de oudste der Dames Prawley nevens zich had. De overige leden van 't gezelschap vulden de beide uiteinden van de tafel: Maurits had Freule Klara Van Sporkel-berghe en Nicolette, Drenkelaer, aan het tegenovergestelde einde, Bettemie en den tammen huisgeneraal tot geburen.
Nadat Dominee, op verzoek der gastvrouw, het gebed had gedaan, nam de maaltijd een aanvang, die, het zij in 't voorbijgaan gezegd, uitmuntte door overvloed van kostelijk aan 't spit gebraden vleesch en treffelijk gestoofde groenten, door heerlijken podding, gebak, vladen en taarten, terwijl het nagerecht zich onderscheidde door alle mogelijke soorten van keurig ooft, die hof of trekkas konden opleveren, doch waar men geen truffels of eenige raffinementen der Fransche keuken vond. Alles was Hollandsch, alles was goed klaargemaakt, alles was smakelijk; maar er was niets buitengewoons.
Dit laatste zou echter een kenner niet gezegd hebben van de wijnen, die er gediend werden: wel zij, die de wijnen beoordeel en naar de etiquette, die de wijnkooper goedgevonden heeft er op te zetten. Immers men hoorde hier geen enkelen buitengewonen naam door de knechts roepen of rabraken; en zelfs werd er maar eene soort gepresenteerd van een extra-Bordeaux, dien de knecht onder de benaming van âzwaren rooien wijn,quot; toediende en dien Mevrouw alleen kende en aanbeval onder dien van âlanghals,quot; naar aanleiding van het gebruik, dat voor 30 jaren nog vrij algemeen was, om den gewonen tafelwijn in flesschen met korte, de fijnere soorten in flesschen met lange halzen te tappen; â maar die âlanghalsquot; was wijn zooals men zelden ergens drinken zal, en dien elke fijne proever aan Mw. Van Doertoghe benijdde: en evenzoo was het met den Rijnschen wijn, die sedert misschien honderdvijftig jaren altijd uit hetzelfde vat werd getapt, een vat, waarin men zorg droeg altijd evenveel in te gieten als men er uitnam en dat alzoo, juist andersom als dat der Danaïden, altijd gevuld bleef. â 't Spreekt van zelf, dat die wijn, even geurig
40
als krachtvol, geschonken werd in die kostbare groene roemers, welke de houders van groote hotels beweren dat uit demode zijn, alleen omdat zij, al schromen zij niet, nog zulke schatten uit te geven om pracht en praal in hunne zalen en aan hun disch ten toon te spreiden, niet bij machte zijn, die overblijfselen van oude weelde in toereikend aantal te bekomen, en die schier alleen te vinden zijn in zoodanige huisgezinnen, als waar ze van geslachte tot geslachte zijn bewaard gebleven.
Drenkelaer kon niet nalaten, zich zeiven geluk te wenschen over de wijze, waarop hij zoowel als Maurits geplaatst was. quot;Wel verwonderde het, in 't eerst, hem eenigszins, dat men dezen laatste niet naast Bettemie geschikt had; maar spoedig begreep hij, dat Mw. Van Doertoghe, onderricht van de geruchten die er liepen betreffende een engagement tusschen die beiden, allen schijn van zich werpen wilde alsof zij zoo iets in de hand zocht te werken. Intusschen wist hij van Kato dat de Douairière het huwelijk evengoed wenschte als Mw. quot;Van Hardestein het deed, en vond hij, dat zij een bewijs gaf van groote edelmoedigheid, zoo niet van groote gerustheid, door juist Klara Van Sporkelberghe, die als een medevrijster van Bettemie beschouwd werd, naast Maurits te plaatsen. Hij was echter op dat punt even gerust als Mw. Van Doertoghe, en hoopte maar, dat Maurits spoedig genoeg van zijn eene buurvrouw verveeld zou zijn om zich meer uitsluitend met de andere bezig te houden; hij zelf zou zijn best doen, zich in de gunst der rijke erfgename te dringen.
Het toeval scheen in alle opzichten zijn oogmerken te begunstigen. Dewijl hij geen buurvrouw aan zijn rechterzijde had, en de Heer Van Bloff, die daar gezeten was, wel at en dronk â ja het voor drie deed â maar niet praatte, kon hij al zijn oplettendheid wijden aan Bettemie. Jonker Roelof Van Valteren, die de linkerzijde der Freule bekleedde, was, als gezegd is, een echte landedelman en wist over niets te praten dan over paarden en jachthonden, de enkele landhuishoudkundige uitweidingen niet medegerekend, die hij zich nu en dan veroorloofde over den prijs van boter of hooi. Dewijl geen dier onder-
'11
werpen juist groote belangstelling kon inboezemen aan onze beschaafde en levenslustige schoone, moest daarvan het gevolg wel zijn, dat zij zich te meer genegen toonde, het oor te lee-nen aan Drenkelaer, die haar over opera's en preeken, over Rachel en Ds. Broes, over Zwitserland en de pas gebouwde beurs, over oude schilderijen en nieuwe modes, over Felix Meritis en het Doolhof, over Indië en Broek in Waterland onderhield. â Mocht zij al, bij haar eerste ontmoeting met quot;Drenkelaer, een onaangenamen, ja pijnlijken indruk hebben ondervonden, door de wijze, waarop hij eens zijn blik op haar had laten rusten, deze reis behielden zijn oogen hun gewone zachte uitdrukking, die meer geschikt was om in te nemen dan om angst te verwekken. Drenkelaer had zelf zeer goed begrepen, dat hij beginnen moest met zich bij Bettemie aangenaam te maken en, zoo het al waar mocht zijn wat de overlevering verhaalde van den bedwelmenden blik der Drenkelaers, hij voor alsnog geen poging aan moest wenden om daarmede bij haar eenige uitwerking te doen, die wellicht falen en hem in dat geval belachelijk maken zou; maar daarmede wachten, tot hij rekenen kon, dat hij aan Bettemie eenige belangstelling ingeboezemd en een bloot zedelijken indruk op haar gemaakt had. Aanvankelijk bespeurde hij, dat hem dit laatste gelukte. Hij had de hierboven opgenoemde onderwerpen weten te behandelen op zoodanige wijze als pleiten moest voor zijn oordeel en smaak: zonder daarbij dien aanmatigenden en beslissenden toon te voeren, die te vaak aan jongelieden eigen is. Het jonge meisje schepte behagen in zijn onderhoud, te meer dewijl Drenkelaer, met verstandig overleg, haar gelegenheid wist te verschaffen, ook de gaven van haar geest te doen schitteren: â en niet zonder zelfvoldoening bespeurde hij, hoe hij meer en meer vorderingen maakte in haar goede meening en gezindheid te hemwaart; doch hij wist tevens, dat dit nog niet genoeg was, en dat de beschaafde wereld tot heden nog geen voorbeeld had opgeleverd van een huwelijk, gesloten om geen andere reden, dan dat de juffer den heer een aangenaam prater had gevonden. Hij moest haar, die nu vóór het dienen van
42
den podding overtuigd was geworden, dat hij niet ontbloot was van geest en vernuft, ook, eer nog het nagerecht op tafel kwam, van zijn zedelijke voortreffelijkheid overtuigd hebben, en dat hij veel meer karakter, fijnheid van gevoel, geestkracht, soliditeit enz. bezat, dan eenig ander jong mensch, b. v. dan zijn boezemvriend Maurits. Hij oordeelde echter, dat hij zich omtrent dezen laatste niet dan hoogst voorzichtig moest uitlaten : hij was nog onzeker of Bettemie niet werkelijk liefde voor den Jonker gevoelde, in welk geval zij geen kwaad van hem zou willen hooren, laat staan gelooven: ja, al geloofde zij 't, zij zou hem blijven liefhebben met zijn gebreken, zoolang zij hoop kon voeden die te genezen, en zij zou diegenen haten, die er haar opmerkzaam op gemaakt had. Ontdekte hij, Drenkelaer, dat haar hart werkelijk voor zijn vriend sprak, dan zou zijn taak wel moeielijker worden, maar toch niet onuitvoerbaar; mits het hem slechts gelukte, haar te doen gelooven, dat Maurits niets voor haar gevoelde, en dezen weder-keerig geheel van haar los te maken. Evenzeer besefte Drenkelaer, dat kwaadsprekendheid al een zeer slecht middel zou zijn om de achting der Freule te winnen, en, zoo hij zich eenige uitdrukking liet ontvallen, bestemd om ten nadeele van Maurits te werken, dan moest het een zoodanige zijn, die haar, alleen bij gezet nadenken en gemaakte gevolgtrekkingen, tot een oordeel leiden kon, dat voor Maurits minder gunstig uitviel. Dit alles nu was verre van gemakkelijk, en vorderde talenten, die een diplomaat van beroep eer zouden hebben aangedaan; maar, behalve dat Drenkelaer werkelijk aanleg had om een Machiavelli te worden of een Talleyrand, zoo meende hij hier te doen te hebben met een wel schrander maar nog argeloos en onbedreven meisje, dat zijn doel niet gissen, veelmin doorgronden zou. Hij wachtte dus maar op een aanleiding om zijn plan te volvoeren, en die bood zich ongezocht aan, toen Bettemie zich had laten ontvallen, dat de mans toch maar gelukkige wezens waren, die namelijk altijd, wanneer 't hun lustte, konden reizen en vreemde landen zien, terwijl meisjes moeten thuiszitten en wachten tot iemand zich over haar ontfermde en ze meenam.
43
âJa!quot; antwoordde hij, met een lach en een zucht; âgelukkig â mits zij de middelen hebben om te reizen. Maar reeds in oude tijden was 't een spreekwoord, dat het iedereen niet gebeuren mag, Corinthe te bezoeken, en zoo gaat het nog. Dergelijke uitspanningen mogen zich mijn vriend Maurits en dergelijke rijkaards veroorloven, geen arme ambtenaar als ik.''
âMaar je hebt Zwitserland toch bezocht, gelijk ik straks uit u meende verstaan te hebben.quot;
âOch ja! dat was, toen ik van de academie kwam en nog een bagatel had overgehouden van de gelden, mij voor mijn studiën verstrekt. Ik weet niet, of het wel verstandig van mij was, dat geld niet te bewaren. Reizen wekt lust tot reizen op. en 't is beter, de eerste reis niet te doen, wanneer er geen tweede op volgen kan. 't Is waar, Eylar heeft de vriendelijk-heid gehad, mij voor te slaan mij met hem mee te nemen.quot;
âDenkt Maurits op reis te gaan?quot; vroeg Bettemie, met een levendigheid, die Drenkelaer maar half aanstond.
âWas het u niet bekend?quot; vroeg Drenkelaer, zich zeer verwonderd veinzende, ofschoon het zeer natuurlijk was, dat Bettemie niets weten kon van een plan, dat nog maar, als men 't noemt, geheel in de lucht hing, of beter gezegd, nog geen plan was. De geheele zaak toch kwam hierop neer, dat, op zekeren dag, nog te Marlheim, Maurits zich had uitgelaten, dat hij wel eens naar Parijs zou willen gaan, en aan Drenkelaer had voorgesteld zijn reisgenoot te zijn, in welk geval hij hem zou vrijhouden. Daarbij echter was het gebleven, zonder dat er verder over de zaak een woord gesproken was.
âHet blijkt mij nu,quot; vervolgde Drenkelaer, âdat ik mij onvoorzichtig heb uitgelaten. Is het een geheim, wat ik verre was van te verwachten, dan vertrouw ik, dat het in goede handen is.quot;
âZoodra 't een geheim is,quot; zei Bettemie, droogweg, âdan wil ik er liever niets meer van hooren.quot;
âDrommels,quot; dacht Drenkelaer, terwijl hij zich op de lippen beet: âeen meisje, en dat weigert een geheim te hooren! Dat tref ik ongelukkig. Maar kom! geen moed verloren. Zij zal
44
toch niet kunnen nalaten, nieuwsgierig te zijn, of zij is geen vrouw: en die nieuwsgierigheid moet mij helpen: best doe ik, als had ik haar niet verstaan.quot; â En gevolg gevende aan dit besluit, spoediger opgevat, dan het hier geschreven staat, ging hij op de volgende wijze met spreken voort:
â't Was misschien ook maar een invallende gedachte van Maurits: â ofschoon ik niet denken kan, dat hij van zijn plan zou hebben afgezien, alleen omdat ik van zijn edelmoedig aanbod geen gebruik heb willen maken.quot;
Hier hield hij op, in afwachting dat Bettemie iets zeggen zou; doch toen zij, tot zijn spijt, het stilzwijgen bewaarde, zag hij zich wel verplicht te antwoorden op de vraag, die zij had kunnen doen.
âIk wil niet vrijgehouden worden.quot;
âNiet?quot; vroeg Bettemie, op een toon, die zooveel te kennen gaf, als dat de reden haar volkomen onverschillig was. Dren-kelaer liet zich echter niet uit het veld slaan: en wilde zij geen confidences hooren aangaande Maurits, dan zou zij die ten minste moeten hooren aangaande hem zeiven.
âNeen,quot; hernam hij: âlaat men het misplaatste trotschheid noemen of wat men wil; maar ik zou geen aalmoezen kunnen aannemen van iemand, zelfs niet van mijn besten vriend, zelfs niet â van mijn vrouw â en daarom zal ik wel ook nimmer trouwen.quot;
Hoezeer deze laatste woorden, schijnbaar als ondoordacht, Drenkelaer ontvielen, bleef een dergelijke uitboezeming, dooreen jongeling gebezigd tegenover een jong meisje, dat hij nauwelijks kende, toch altijd iets gewaagds: ja men zou kunnen gedacht hebben, dat hij er zijn schepen mee verbrandde en zich zeiven voor 't vervolg de mogelijkheid afsneed om Bettemie ten huwelijk te vragen; â maar hij had nu eenmaal besloten, haar opmerkzaamheid te wekken : hij wilde en zou haar dwingen aan hem te denken en belang in hem te stellen: dan zou zich de rest later wel vinden.
Inderdaad bleef zijn mede deeling niet zonder uitwerking. De Freule Van Doertoghe was zoo gewend, vleiende woorden
45
van de zijde der jonge lieden te hooren, zoo gewend, elk hunner, die haar toesprak, te verdenken haar het hof te willen maken, dat een betuiging als die van Drenkelaer haar vreemd en verrassend in de ooren moest klinken, en zij onwillekeurig kleurde bij de gedachte, dat hij, die zoo sprak, zich zoo geheel van al die fortuinbejagers onderscheidde, ja, dat zijn woorden haar omtrent golden als een blauwtje, dat hij haar bij voorraad gaf.
Zij zweeg een oogenblik, en toen, bedenkende, dat juist door niet te antwoorden, zij den schijn op zich laden zou, meer gewicht te hechten aan zijn woorden dan zij misschien verdienden, poogde zij do behandeling van een al te gevaarlijk onderwerp af te snijden door een aanmerking te wagen op het eerste gedeelte van zijn gezegde.
âDrijf je de kieschheid niet wat ver?quot; vroeg zij: âindien uw gezelschap aan uw vriend meer waard is dan het geld, dat het hem kost, wie lijdt dan het meest onder die weigering ?quot;
âIk weet het niet,quot; antwoordde Drenkelaer: âik zou er volstrekt geen bezwaar in maken, iemand te vergezellen als secretaris, als gouverneur, als tolk, in welke ondergeschikte hoedanigheid, die een fatsoenlijk man niet vernedert, ja er mij nog voor laten betalen op den koop toe: maar met een vriend moet men op een gelijken voet blijven, geen tweede rol spelen: en, wend het hoe je wilt. Freule! de man, die betaalt, is en blijft de man, van wie de verplichting komt, de beschermer dien men te ontzien heeft; de ander is degeen die de verplichting ontvangt, de beschermeling, ie complaisant officieux.quot;
âWel! al ware dit zoo,quot; zei Bettemie: âwat dan nog? Waar wij van vrienden lezen, staat daar niet altijd de een meer op den voorgrond, de ander in de schaduw? Is niet Patroclus te complaisant officieux, als je 't noemt, van Achilles? Jonathan van David?quot;
âIk zal niet weerspreken wat zoo waar is en zoo goed van pas is aangevoerd; â maar het is de vraag, of ik mij zou
46
vergenoegen met mij in de schaduw te plaatsen, en die rol van Patroclus te spelen, zelfs tegenover een Achilles als Maurits : en hoe meer hij rijk en van hoogen adel is, hoe minder ik trek gevoel, in plaats van zijn vriend, zijn cliënt en parasiet te worden, ik, de arme en ongeachte Lucas Drenkelaer.quot;
âEi zoo!quot; zei Bettemie, terwijl zij de zaak als scherts zocht te behandelen: âik dacht niet, dat je zoo hoogmoedig waart.quot;
âIs het dan waarlijk hoogmoed, wanneer men zijn onafhankelijkheid zoekt te bewaren? â En zou de Freule inderdaad gelooven, dat ik die bezwaren kon tegenover iemand, op wiens beurs ik teerde? Er zijn klaploopers genoeg in de wereld, en ik gevoel geen trek, hun aantal te vergrooten.quot;
âMaar je logeert toch op Hardeatein: en ik zie niet in, dat er zooveel verschil in is, of je daar zijn wijn drinkt, zijn sigaren rookt en u door zijn booien laat bedienen, dan of je in een herberg op zijn kosten teert.quot;
âAlweer zeer juist aangemerkt,quot; hernam Drenkelaer; âen ik bespeur, dat ik met een sterke partij te doen heb. Ik geef toe, zooals de zaak door u wordt voorgedragen, dat het altijd een teren blijft op eens anders beurs: en toch zul je zelve erkennen. Freule, dat er voor iemands gevoel een groot verschil bestaat tusschen het gebruik maken van iemands gastvrijheid en het vrijgehouden worden op reis. Ik wil niets overdrijven, en 't zou er treurig uitzien in de maatschappij, wanneer men niets van een ander wou aannemen, dan a charge de revanche. Als ik op Hardestein logeer, eet, drink en rij ik met de overigen mee, en zonder dat het op de uitgaven, die er gedaan worden, veel verschil maakt of althans berekend kan worden. Maar liet ik mij op reis als op 't sleeptouw meenemen, elke vertering, die ik deed, zou in klinkende muntspeciën uit de beurs van den traktant moeten nedergeteld worden, en als post op de rekeningen, misschien in zijn zakboekje, worden genoteerd, en hij zou, thuis gekomen, op een cent kunnen nacijferen wat ik hem gekost had. Waarschijnlijk zou Maurits 't niet doen; want hij is te nobel van
47
aard om een goed financier te zijn; maar het denkbeeld was stuitend, dat het â zelfs na jaren â mij misschien verweten zou kunnen worden. Bovendien vindt hij, die getrakteerd wordt, zich altijd in het onaangename dilemma geplaatst, zich zeiven te plagen, wanneer hij uit bescheidenheid verteringen afraadt, waar hij gaarne van profiteeren zou, of van onkieschheid verdacht te worden, wanneer hij ze aanraadt.quot;
âJe houdt dus Maurits voor geen goed financier?quot; vroeg Bettemie, van de geheele rede, die Drenkelaer gehouden had, alleen de aanmerking, die hij in 't voorbijgaan daartusschen geworpen had, opnemende.
De vraag was een zoodanige als Drenkelaer had kunnen voorzien, ja, als hij zelfs had willen uitlokken, en zij werd op een volkomen natuurlijken toon gedaan. Toch bracht zij hem even in verlegenheid. Was het bloote nieuwsgierigheid, die haar ingaf? of schuilde daarachter warme belangstelling? En, zoo dit laatste het geval was, welk antwoord zou Bettemie dan 't meeste welkom zijn? Verlangde zij tot echtgenoot een man van orde of regelmaat? of zou het haar, die boekhouden leerde om haar zaken zelve te kunnen bestieren, ook aangenaam zijn, een man te hebben, die haar dat bestier overliet, omdat hij zelf er geen bekwaamheid toe bezat? Drenkelaer gevoelde, dat zijn antwoord voorzichtig moest zijn ingekleed, wilde het niet, geheel tegen zijn bedoeling, Maurits in haar schatting doen rijzen.
Het kortstondig stilzwijgen, dat Drenkelaer ten gevolge dezer overlegging met zich zeiven bewaarde, en zijn blijkbaar aarzelen, dienden hem intusschen meer dan eenig antwoord dat hij geven kon; want zij moesten wel worden verklaard uit een loffelijke vrees van iets ten nadeele zijns vriends te zeggen.
âNeen, Freule!quot; zei hij ten slotte: âik geloof niet, dat Eylar is of ooit worden zal, wat men in Amsterdam een financier noemt, en daar is hij dan ook niet voor in de wieg gelegd. Het zou mij ook leed doen, indien hij het werd; want ik heb
48
hem juist lief gekregen om zijn open hart en zijn open hand. Financiers mogen alleen de zoodanigen zijn, die of hun geld zuur verdiend hebben, of het nog verdienen moeten.quot;
âZoo!quot; vroeg Bettemie, terwijl zij haar groote blauwe oogen strak op hem gevestigd hield; âMijnheer is dus van meening, dat wie zijn geld alleen bij erfenis verkregen heeft het vrij verspillen mag, en geen financier mag worden eer hij geruïneerd is en zelf zijn fortuin herstellen moet?quot;
âZij wil geen man, die den boel er doorlapt,quot; dacht Dren-kelaer: âFreule!quot; vervolgde hij, hardop, âik moet waarlijk zorgen op mijn woorden te passen; want uw logica is onverbiddelijk en trekt uit elk niet genoegzaam overwogen woord, dat mij ontvalt, zulke consequente gevolgen, dat geen pleiter voor de balie 't verbeteren zou. Maar inderdaad ik moet mij verzetten tegen elke opvatting, alsof ik Maurits ook maar in de verte had willen beschuldigen, een doorbrenger te zijn. Ik heb gezeid, dat hij nobel en royaal was .... en ik ben overtuigd, dat hij niet meer verteert dan zijn fortuin hem toelaat. Misschien zou ik in zijn plaats mij aan vrij wat grover verkwistingen schuldig maken; wat ik echter moeilijk kan be-oordeelen; want ik ben nooit in de gelegenheid geweest en zal er wel nooit in komen: erfooms heb ik niet; in de loterij speel ik niet; naar de Oost te gaan heeft mijn geneesheer mij verboden .... ik zal dus tevreden mogen zijn, als ik stilletjes door de wereld heenscharrel en bij mijn sterven genoeg overlaat om als een fatsoenlijk man onder de aarde gestopt te worden.quot;
âO foei!quot; zeide Bettemie: âwat zijn dat voor zwartgallige gedachten?quot;
âZij zijn,quot; antwoordde Drenkelaer op een somberen toon, terwijl hij een niet min somberen blik wierp op het duiven-borstje, dat hij op zijn vork hield, âde zoodanige als aan iemand in mijn positie voegen: maar kom,quot; vervolgde hij, eensklaps een luchtiger toon aannemende, en zich een glas wijn inschenkende: âIk ben een zot, en moest liever tot mij zeiven zeggen wat de schoolmeester tot den Dominee zei,
49
toen hij hem te gast had: geneer je niet, Dominee! tast vrij toe en denk maar, je hebt het alle dagen zoo niet thuis.quot;
âStil!quot; fluisterde Bettemie: âJuffrouw Bol hoort en ziet alles en zij kijkt u aan of ze u op wil eten.quot;
âJa, zij denkt misschien, dat ik kwaad spreek van haar broer.... Zou ze al iets gevonden hebben voor dat nichtje, dat bij haar logeert?quot; â en meteen wendde hij de oogen naar Nicolette, die met Maurits in een druk gesprek was gewikkeld.
âEen allerliefst meisje, nietwaar?quot; vroeg Bettemie, wier oogen diezelfde richting volgden.
âJa,quot; antwoordde Drenkelaer, op onverschilligen toon: âzij is mooi: misschien tot haar ongeluk, in haar afhankelijken toestand: misschien tot haar geluk, indien zij een rijke partij doet.quot;
âWat je daar zegt, rijmt al heel slecht met je philosophie van zooeven.quot;
âIk spreek in betrekkelijken zin. Freule! â Dat meisje daarginds valt aan vele jonge lieden in 't oog, dat is klaar. Zij heeft niets, en mag zich alzoo gelukkig rekenen, indien hij, die haar liefde biedt, â pour le bon motif namelijk â haar bovendien een ruim bestaan kon aanbieden. Eischt zij er nu nog bij, dat hij in allen deele voldoen zal aan 't ideaal, dat zij zich heeft voorgesteld, dan eischt zij te veel. â Intusschen â wie weet? â En wederom wierp hij, als onwillekeurig, een blik op de beide jonge lieden tegenover hem en vestigde dien toen op Bettemie. Een schier onmerkbare plooi fronste haar voorhoofd en haar lippen sloten zich stijf tegen elkander. Wat spelde die beweging harer trekken, die even snel voorbijging als zij zich vertoond had? Was werkelijk Drenkelaer er in geslaagd, haar min gunstig over Maurits te doen denken? Hij wist het niet, en wij, die 't wel weten, willen hier nog niet mededeelen wat te zijner tijd zal moeten blijken.
Maurits had van den afstand, waar hij gezeten was, den blik toch opgemerkt, dien Drenkelaer op hem richtte, doch er de ware bedoeling niet van kunnen gissen. De booze voor-
II. - K. z. i
50
nemens, welke hij aan zijn logeergast ten opzichte van Nico-lette toeschreef, hadden de uitwerking gehad, die Drenkelaèr er van verwacht had, en zijn belangstelling in het lieve meisje verhoogd. Recht in zijn schik, dat de âsnoode verleiderquot; dus door de geheele lengte der tafel van haar gescheiden was, recht in zijn schik, voegen wij er bij, dat hij zelf naast haar zat, had hij bij zich zeiven overlegd, of er geen mogelijkheid was, haar tegen haar overbuurman te waarschuwen. Hij dacht echter te weinig na, dat het een vreemde houding moest hebben, indien hij voor raadsman ging spelen bij een juffrouw, die hij nog nauwelijks kende; en dat nog wel om haar te waarschuwen tegen iemand, dien hij zijn vriend noemde. Maar minder kwam het hem voor den geest, dat, indien hij al gelegenheid vond, haar ten beste te raden, en indien zij al naar hem luisteren wilde, hierdoor noodwendig een vertrouwelijkheid tusschen hen ontstaan moest, die gevaarlijker kon worden voor de rust van hen beiden, dan al de plannen, door Drenkelaer gesmeed. Zag hij deze bezwaren niet in, wel stuitte hij op een ander, t. w., hoe hij een zoo kiesch onderwerp op het tapijt zou brengen; en in den aanvang van den maaltijd was het dan ook alleen over koetjes en kalfjes, als men zegt, dat hij de juffer onderhield, met welke hij te minder een geregeld gesprek kon voeren, naardien de Freule Van Sporkelberghe, die aan zijn andere zijde gezeten was, niet bloot om haar rang, maar ook uithoofde hij haar langer gekend had, de eerste aanspraken had op zijn beleefdheden. Wel is waar, 't had hem altijd eenige moeite gekost, zich lang met haar bezig te houden : want de kring, binnen welken zich de gedachten der Freule bewogen, was nauw begrensd: en wanneer men het hoofdstuk van de partijen aan 't Hof en dat van het toilet had afgehandeld, en berichten ingewonnen aangaande haar vogeltjes â zij had een passie voor kanaries en rijstvogels â dan was er moeilijk een punt te vinden, dat haar belangstelling wekte. Ware het om geen andere reden geweest, uit bloote wanhoop zou Maurits zich naar Nicolette hebben gewend, met wie men verstandig praten
51
kon, gelijk hij reeds vroeger had opgemerkt, en wat hem nog duidelijker bleek, nu hij voor 't eerst met haar een meer vertrouwelijk onderhoud kon voeren, waar zich geen derden in mengden: althans Karei Van Steenvoorde, die aan hare andere zijde zat, scheen of te beschroomd of te trotsch om haar toe te spreken en liet dus het veld ruim aan Maurits, welke dienst hem evenzeer, ofschoon op geheel andere wijze bewezen werd door den oudsten Jonker Van Steenvoorde, die de linkerzijde van Freule Klara bekleedde, en die, een goed oog op deze hebbende, haar aandacht zocht te boeien door een geweldig lang en langdradig verhaal van stroopers, die gevat waren, en hoe hij, Jan Van Steenvoorde, als getuige tegen hen voor de rechtbank had moeten verschijnen, en hoe hij op een gemeene bank had moeten zitten, en hoe onbeleefd die âploert van een presidentquot; tegen hem geweest was, enz. enz., naar al hetwelk zij met open mond zat te luisteren, zonder er heel veel anders van te begrijpen of te onthouden, dan dat rechters gemeene ploerten zijn en niet weten hoe 't hoort.
Het gemeenzaam onderhoud tusschen Maurits en Nicolette werd alzoo noch van de eene, noch van de andere zijde gestoord, en, hoe langer het duurde, hoe meer hij zich verwonderde over het meisje, dat, nooit in de groote wereld verkeerd hebbende, toch zooveel geestiger en juister haar oordeel wist te zeggen over hetgeen er in voorviel, ja zelfs kon spreken over dingen, die zij nooit gezien had, veel beter dan Freule Klara, die alle winters in Den Haag kwam. De zaak was echter doodeenvoudig. De Freule had van kinds af geene andere dan de conventioneele, opgeschikte en formalistische wereld gekend, waarin zij verkeerde en was opgevoed door een Zwitsersche gouvernante, wier geheele wetenschappelijke voorraad bestond in een beperkte kennis van de geographie van haar land en een weinig Zwitsersch Fransch, en die aan haar élève dus ook niets anders had kunnen leeren; en later was deze niet in de gelegenheid geweest, andere geleerdheid op te doen dan die op diners en partijen verkocht wordt. Nicolette daarentegen had, als kind, de wereld van een onbe-
i
52
schaafde, doch van een naakte en practische zijde leeren kennen; en later, op het instituut, niet alleen wetenschappelijke kennis verkregen, maar ook, door onderlinge wrijving en mede-deeling, talrijke en veelsoortige narichten bekomen omtrent de maatschappij daarbuiten; terwijl, doordien zij in het laatste jaar de oudste kweekeling aan de school en met de leiding der jongere meisjes belast was, zij vooral ook dat a - p 1 o m b verkregen had, 't welk geen huisopvoeding geven kan. En daar bovendien de Freule van nature dom en onbeduidend, Nicolette daarentegen schrander en vol geest was, moest de hooge voortreffelijkheid der laatstgemelde te meer in 't oog vallen. Mevrouw Maria Van Eylar, in stede van zich te verheugen, dat Klara, die, zooals vroeger gezegd is, haar prote gé e was, naast Maurits zat, had er zich veeleer over moeten bedroeven; want zoo het aan de arme Jonkvrouw, spijt haar oudadellijken naam, haar gedistingueerd voorkomen, en haar volière, tot heden toe niet gelukt was, eenigen indruk op het hart van den Jonker te maken, thans, nu hij Nicolette aan zijn andere zijde had, was haar kans geheel en voor altijd verkeken.
Schepte hij, als gezegd is, behagen in het onderhoud met Nicolette, dat genoegen was volkomen wederkeerig. Maurits was de eerste persoon van haar leeftijd, dien zij op Hardestein ontmoet had: zij kende den afstand, die hen scheidde, te wel, dan dat zij zijn oplettendheden aan iets meer dan aan gewone welwillendheid zou hebben toegeschreven, en zij vond zich met hem zoo geheel op haar gemak. Met natuurlijke vrijmoedigheid vertelde zij hem van haar school, deelde hem de indrukken mede, welke de nieuwe atmosfeer, waarin zij overgeplaatst was, op haar gemaakt had, en drukte haar dankbaarheid over het heusch onthaal, dat haar overal gewerd, met zooveel gevoel en warmte uit, dat Maurits er aanleiding uit vond, niet enkel meer haar verstand, maar nu ook haar hart, te waardeeren. Hun gesprek had daardoor ook een zeer vertrouwelijke wending genomen en eenen hoogen graad van hartelijkheid bereikt, toen Drenkelaer er de opmerkzaamheid van zijn buurmeisje op had
weten te vestigen. Aan Maurits was, als wij reeds zeiden, de blik, door Drenkelaer op hem geworpen, niet ontgaan; doch hi] had dien alleen daaraan toegeschreven, dat deze hem zijne plaats naast Nicolette benijdde. Hij oordeelde alsnu de gelegenheid te moeten aangrijpen, naar welke hij zoo lang vergeefs gezocht had.
âZie je wel, Juffrouw!quot; vroeg hij: âmet hoeveel aandacht mijn vriend Drenkelaer ons gadeslaat?quot;
âNeen,quot; antwoordde zij: âik heb er niet op gelet, en buitendien, het plateau verhindert mij, hem in 't oog te krijgen.quot;
âInderdaad!quot; riep hij, op een toon, die het genoegen verraadde, dat hem dit antwoord deed.
Nicolette zag hem met eenige bevreemding aan, daar zij niets van den ongemotiveerden uitroep begreep. Zij had inmiddels, door het hoofd zijwaarts te buigen, Drenkelaer in het oog gekregen.
âIk geloof,quot; zei zij: âdat uw vriend uw gezondheid wil drinken.quot;
En werkelijk, Drenkelaer had zijn glas opgenomen en knikte Maurits van verre glimlachend toe, in zich zeiven mompelend, doch zoo, dat Bettemie het hooren kon: âik moet hem toch gelukwenschen met zijne nieuwe conquête.quot;
Maurits kon niet nalaten, het appèl te beantwoorden en insgelijks zijn glas aan den mond te brengen. âHij heeft iets in den zin,quot; zeide hij tegen Nicolette: âik weet niet wat; zeker niet veel goeds.quot;
âNiet?quot; vroeg deze, niet wetende of haar buurman schertste of ernstig sprak.
âNeen,quot; hernam hij fluisterend: âhij is niet te vertrouwen.quot;
âWat meen je toch. Jonker?quot; vroeg zij opnieuw, er hoe langer hoe minder van begrijpende.
âOch! niets,quot; zei hij, nu eerst beginnende in te zien hoe bespottelijk en onuitvoerlijk zijn voornemen was, om voor raadsman te spelen. Maar Nicolette, eenmaal nieuwsgierig geworden, en begrijpende, dat het iets gold, waar zij in
54
gemoeid was, liet zich zoo gemakkelijk niet afschepen.
âIk dacht,quot; zeide zij, âde Heer Drenkelaer was uw boezemvriend.quot;
âIk dacht het zelf ook,quot; zei Maurits.
âWelnu! is hij 't dan nu niet meer?quot;
âWat zal ik zeggen? â Ik heb hem leeren kennen van eene zijde, die.... in 't kort, men moet voorzichtig met hem zijn.quot;
âO foei!quot; herhaalde Nicolette: âik dacht, dat vrienden met elkanders gebreken geduld moesten hebben.quot;
Hier bloosde zij over haar vrijmoedigheid, en Maurits bloosde nog sterker dan zij. Hij had een les willen geven en ontving er een : hij had aan Nicolette min gunstige gedachten willen inboezemen aangaande Drenkelaer, en hij was op weg, zich zeiven belachelijk, zoo niet verachtelijk in haar oogen te maken. Toch gaf het besef, dat hij nu geroepen werd tot zelfverdediging, hem moed om voort te gaan:
âMejuffrouw!quot; zei hij: âik geloof niet, lichtgeraakt of onbarmhartig in mijn oordeelen te zijn; maar ik heb de overtuiging bekomen dat Drenkelaer niet de man is van beginselen, waar ik hem voor hield, en het zelfs aardig vindt, zijn hof aan jonge meisjes te maken, zonder eenig plan te hebben haar te trouwen. â Ziezoo! nu is 't er uit,quot; dacht hij.
âDat is zeker heel leelijk,quot; zei Nicolette: âmaar zoo 't waar is, wat ik op school heb gehoord, dan zouden zoo wat al de heeren op dat punt hetzelfde denken.quot;
âZoo?quot; zei Maurits: âwel verplicht: en was het op grond van opgedane ondervinding, dat uw vriendinnetjes u dat vertelden?quot;
âWel neen,quot; antwoordde Nicolette, terwijl zij wederom een kleur kreeg: âmaar Mw. Zilverman placht te zeggen, wij moesten de complimenten van de heeren altijd op dezelfde lijn stellen met de betuigingen, die gemeenlijk aan 't slot van een brief komen, en die niemand zoo dwaas is letterlijk op te nemen. De gewoonte der beschaafde wereld, zeide zij, bracht nu eenmaal mede, dat men de dames vleide, en een man zou
00
met reden een vrouw uitlachen, die verwaand genoeg was, woorden ernstig op te nemen, die hij gebezigd had zonder er waarde aan te hechten.quot;
âIk wensch u geluk, Juffrouw, de les zoo goed onthouden te hebben,quot; zei Maurits, met eenige spijt, en alles behalve gerustgesteld; immers een wantrouwen tegen verlokkende woordjes, in 't algemeen ingeboezemd, leverde, naar hij te recht meende â geen waarborg op, dat men niet zou zwichten voor de vleitaal van dezen of genen in 't bijzonder, en hij oordeelde zulks aan Nicolette te moeten herinneren.
âJuffrouw,quot; zeide hij, âal geef ik toe, dat in brieven en gesprekken veel valsche munt voorkomt, die munt, voor zoover zij tot de gewone soort behoort, valt gemakkelijk te onderscheiden, en wie zich die voor echt in de handen laat stoppen, is dwaas. Die munt staat gelijk met de j e t o n s, waar de goochelaar het gezelschap mee vermaakt, en die hij niemand voor echte wil verkoopen. Maar er is een valsche munt, met opzet geslagen om anderen mede te bedriegen: die wordt met zorg gefabriceerd, en wie niet zeer nauwlettend is ontvangt haar voor echte. En zoo zijn er ook betuigingen van achting en eerbied, van vriendschap, van liefde, welke hij, die ze doet, als oprecht gemeend wil doen voorkomen, ook al heeft zijn hart er niet het minste deel aan: voor deze valt het moeie-lijker zich te wachten; want, zoo men ook daarop de les van uw schooljuffrouw wilde toepassen, dan zou men er per slot toe moeten komen, zelfs geen geloof te slaan aan betuigingen, die welgemeend zijn en uit den grond des harten opwellen.quot;
In den toon, waarop Maurits sprak, had een ernst gelegen, grooter dan de aard van een gewoon tafelgesprek scheen mede te brengen, en bij het uitspreken der laatste woorden was er een ontroering in zijn stem gekomen, die Nicolette niet slechts ten derden male een blos aanjoeg, maar zelfs haar de oogen op haar bord deed nederslaan. Zij gevoelde, dat het onderwerp van een te gevaarlijke natuur werd, om langer te worden voortgezet, en deed er alzoo het zwijgen toe; terwijl Maurits van zijn kant insgelijks begreep nu genoeg te hebben gezegd,
en, zelf verlegen om haar verlegenheid, een tijdlang wachtte, eer hij weder â nu over onverschillige zaken â het onderwerp dorst hervatten.
Dat spel hunner gelaatstrekken en dat plotselinge afbreken van hun onderhoud was aan Drenkelaer niet ontgaan, ofschoon hij thans wederom met Bettemie in een gesprek gewikkeld was, dat hem spoedig belette, een bijzondere aandacht aan de gedragingen van zijn overburen te schenken. Aanleiding tot dat gesprek gaf een gezegde van Jonker Eoelof Van Valteren, die als gezegd is, aan de linkerzijde van Bettemie gezeten was, en nu toch ook een poosje met haar aan den praat geraakt was, en wel over een lap gronds, die hem toebehoorde, en waar hij een woning voor zijn jachtopziener wilde zetten, doch tot zijn verdriet, waar hij ook had laten graven, nergens water had kunnen vinden.
âWel!quot; merkte Bettemie schertsend aan; âdan zul je je toevlucht moeten nemen tot de Aronsroede.quot;
âDe Aronsroede!quot; herhaalde Roelof: âwat is dat voor een ding?quot;
âWeet je dat niet?quot; vroeg Bettemie, zich over de onkunde van den Jonker meer verwonderd veinzende dan zij inderdaad was; âwel, dat is toch nogal een bekende zaak: en het recept kan ik u geven: het luidt of het uit Aaltje de zuinige keukenmeid gekopieerd was: men snijdt een hazelaarstak van ongeveer zestien duim lang, die in de gedaante van een vork uitloopt: men houdt dien aan het einde tusschen de beide duimen stijf vast, den vork rechtstandig vooruitgestoken, en men wandelt zoo over het land waar men water zoeken gaat. Komt men boven een plek, waar zich een wel onder den grond bevindt, dan buigt de tak onmiddellijk voorover, en wijst aan, waar men te graven heeft.quot;
âJe meent het niet!quot; zei de Jonker: âdaar heb ik bij ons nooit van gehoord. Is dat in Holland gebruikelijk?quot;
âO!quot; antwoordde Bettemie lachende: âin Holland is overal water genoeg: â 't is waar, 't is zelden drinkbaar.quot;
âOch!quot; zei Pietje Pancras, die aan de andere zijde van
57
den Jonker zat: âFreule Bettemie schertst maar wat: zij zal toch aan zulke zotternijen niet gelooven.quot;
âIk kan zeker niet van eigen ondervinding spreken,quot; zei Bettemie: âmaar anders, wat ik er van zeg steunt op gebeurtenissen van geloofwaardige lieden: ik heb nog onlangs in de Quarterly Review een verhaal gelezen van een Engelsche lady, die op de wijze, als door mij verteld is, te werk ging, en herhaaldelijk bronnen opspoorde, 't Middel is dus altijd te beproeven.quot;
âDe Freule heeft volkomen gelijk,quot; zei Drenkelaer: âen wat ik er bij kan voegen is, dat wanneer de hazeltwijg het water aanwijst, zij doorgaans afbreekt bij de duimen en men in de handen een pijnlijk getintel voelt alsof men met brandnetels gekwispeld werd.quot;
âHeb je dat bij ondervinding? vroeg Bettemie: âdatje 't zoo precies weet te beschrijven?quot;
Drenkelaer antwoordde alleen met een toestemmende hoofdbuiging, terwijl zijn gelaat een ernstige plooi aannam.
âZonder gekscheren?quot; vroeg Valteren: ânu! daar ben ik nieuwsgierig naar: die kunst moet je ons straks eens toonen.quot;
âAls 't je blieft niet,quot; zei Pietje Pancras, met een vervaard gelaat: âTante zou nooit gedoogen, dat er iets op haar bodem plaats had, dat naar heksenkunsten en duivelsjagerij zweemt.quot;
âNeen, neen, niet hier op Doornwijck,quot; voegde Bettemie er bij: âofschoon, waarom het nu juist hekserij zou moeten heeten zie ik niet in. Waarom mag er in een hazelaar geen verborgen neiging zijn, die hem tot het water trekt, evenals die het ijzer trekt naar den zeilsteen? En als de schipper een kompas aan boord neemt, beschuldigt hem toch niemand, van zwarte kunst te plegen?quot;
âNu,quot; hernam Valteren: âwat daarvan wezen mag, tooverij of niet, als Mijnheer zijn kunst eens op de Ongenadige Grind wil komen probeeren, dan zal hij er van harte welkom zijn, en als 't hem lukt, dan zal het eerste haas, dat er geschoten wordt, voor hem zijn.quot;
âDaar zou men zeker nogal wat voor doen,quot; zei Bettemie,
58
fluisterend tegen Drenkelaer, terwijl zij glimlachte om de mildheid van den Jonker.
Maar Drenkelaer scheen niet tot scherts gestemd, en gaf aan Roelof, op hoffelijken maar koelen toon ten antwoord op zijn uitnoodiging:
âHet zou mij zeer veel eer wezen, den Jonker den dienst te bewijzen, dien hij van mij verlangt; maar ik heb eens en voor altijd dergelijke praktijken afgezworen: de redenen daarvan kunnen alleen voor mij van belang zijn.quot;
âDacht ik het niet,quot; zei Roelof, zich tot Pietje Pancras keerende: â't is niet anders dan een kale bluf.quot;
âIk weet niet, of hij het heusch meent, dan of hij ons wat zoekt te foppen,quot; zei Pietje: âhij kijkt er zoo raar bij uit zijn oogen.quot;
âMaar weet je wel, datje mij inderdaad nieuwsgierig maakt?quot; zei Bettemie zachtjes tegen Drenkelaer.
âJawel!quot; dacht deze: âen dat was ook juist mijn bedoeling maar halfluid antwoordde hij aan zijn buurvrouw: âvergeef mij, ik wil u zeer gaarne mijn beweeggronden zeggen, welke die Jonker daar toch niet begrijpen of misschien belachelijk vinden zou. Die gronden berusten op overwegingen, deels van zeer materiëelen, deels van zedelijken aard. Wat de eerstge-melde betreft, ik heb reden te vreezen, dat, zoo men, vooral in een kleine stad als Marlheim, te weten kwam, dat ik mij met dergelijke praktijken bezig hield, zulks mij den naam, zoo niet van een toovenaar, dan althans van een excentrieken gek, zou geven, en mij in mijn bevordering hinderlijk zijn.quot;
âHeel verstandig geredeneerd,quot; zei Bettemie: âmaar wie weet,quot; voegde zij er lachend bij, âof je voor het verlies van protectie bij de rechterlijke autoriteiten niet schadeloos zou worden gesteld door de voordeelen, die het talent van bronnen op te sporen u verschaffen zou. En daarbij, de Aronsroede ontdekt niet alleen verborgen wellen, maar ook verborgen schatten. â Wie weet, welk een Kresus je nog werdt!quot;
âVerborgen schatten zijn zeldzaam,quot; merkte Drenkelaer aan, âen als ik met de Arondsroede de aarde moest rond-
loopen om ze te vinden, stond het te vreezen, dat, zoo ik er een ontdekte, die eene nauwelijks groot genoeg zou zijn om mij de schoenen te betalen, die ik al zoekende versleten had.quot;
âDaar heb je gelijk aan,quot; zei Bettemie, met een goedkeurenden hoofdknik; âen dat is ook mijn leer: men moet do fortuin niet naloopen, maar wachten tot zij van zelve komt opdagen. â Maar nu, uw andere reden ?quot;
âIk weet niet,quot; antwoordde Drenkelaer, âof de Freule zich herinnert, ook gelezen te hebben dat niet iedereen met die gaaf van op de bedoelde wijze water te ontdekken, is bedeeld, en dat daartoe een zekere voorbeschiktheid noodig is.quot;
âJawel,quot; zeide zij: âdat heb ik gelezen: 't is er mede als met de magnetische kracht, die de een in hoogere mate bezit dan de andere.quot;
âEn daarbij komt nog,quot; vervolgde hij, âde eigenaardige werking, die zich bij den hazelaarstak bespeuren laat. Uw vergelijking aan den magneet ontleend, was zeer gelukkig gevonden. Freule! maar toch â vergeef mij â niet volkomen juist. Niet alleen is het met opzicht tot het vermogen van den magneet volkomen onverschillig wie haar in handen heeft, maar ook trekt zij het staal met te meer kracht aan, naarmate beide voorwerpen nader bij elkander zijn en de werking door geen tusschenkomend voorwerp belemmerd wordt. Met den hazelaar en het water is het tegenovergestelde het geval. Houd de twijg over een sloot, over een beek heen, en zij zal niet buigen: er zal zelfs geen beweging in komen. Die beweging ontstaat alleen, wanneer zich tusschen haar en het water een laag van zand, aarde, steen, of wat het zij, bevindt. â En het nadenken over deze beide bijzonderheden, die zoo geheel afwijken van den gewonen loop der dingen, die, vergeef mij het pedantklinkend woord, zoo abnormaal zijn, gevoegd bij de onaangename gewaarwording van huivering, die mij overviel, telkens dat ik het kunstje vertoonde, heeft mij tot de vraag geleid, of het daarmede â hoe zal ik het zeggen ? â wel volkomen richtig was. Ik heb mij die vraag niet voldoende kunnen beantwoorden, en daarom meen ik mij te
60
moeten houden aan den wijzen regel: zoodra gij twijfelt, onthoudt u dan.quot;
âDat is zeker in elk geval voorzichtiger,quot; zei Bettemie, en na een oogenblik peinzens voegde zij er bij: âgeloof je dan werkelijk aan bovennatuurlijke krachten, Mijnheer Drenkelaer?quot;
âIk meen mij te herinneren, Freule!quot; antwoordde hij: âdat wij dit punt reeds hebben aangeroerd de eerste reis, dat ik het geluk had u te ontmoeten, en dat wij het er toen vrij wel over eens waren.quot;
â't Is waar,quot; hernam zij, âofschoon ik mij tevens herinner, dat wij er toen vrij losjes overheen zijn gegleden: en,quot; voegde zij er bij, âdat is misschien ook nog het wijste dat wij doen kunnen.quot;
âAl wederom moet ik u dan om vergeving vragen Freule!quot; zei Drenkelaer: âdat ik, door mij ontijdig in uw gesprek te mengen, en door te erkennen, dat ik zelf mij indertijd met die praktijken heb afgegeven, aanleiding heb gegeven tot een zoo ernstig gesprek, en daardoor de blijmoedige stemming verbroken heb, waarin zich de Freule zooeven bevond, en die past aan een feestelijken disch als deze.quot;
âMaak in 's hemels naam geen excuses,quot; zeide zij, terwijl zij poogde te glimlachen: âik zou u dan op mijn beurt vergiffenis moeten vragen, van te hebben willen doordringen in de redenen uwer handeling, iets wat ik nu gevoel, dat onbescheiden was.quot;
âHet is wel onmogelijk,quot; zei Drenkelaer: âdat de Freule Van Doertoghe ooit aan iemand, en allerminst aan mij, een onbescheiden vraag zou kunnen doen.quot;
En onder 't uiten dezer woorden waagde hij 't, voor 't eerst sedert den aanvang van hun onderhoud, een blik op haar te slaan als die haar bij hun eerste ontmoeting zoo pijnlijk had aangedaan. Maar hij achtte daartoe deze reis, na hun gesprek over verborgene natuurkrachten en magnetische invloeden, het tijdstip niet kwalijk gekozen. Hij meende te bemerken, en niet zonder welgevallen, dat hij bij Bettemie een gevoelige snaar had aangevoerd, dat zij behagen had gevonden in het
61
behandelde onderwerp, als behoorende tot een kring van gedachten, waarbij zij gaarne verwijlde; dat zij zekeren eerbied had gekregen voor iemand, die wonderen verricht had, waarvan zij nog maar alleen gelezen had, en nog hoogeren eerbied voor den man, die dus vrijwillig, uit plichtbesef, zijn tooverstaf verbroken had. Zijn gesprekken waren, vertrouwde hij, het vuur geweest, dat het ijzer had voorbereid om gesmeed te worden; zijn blik moest nu de moker worden, die, zoo mogelijk, het werk voltooide.
Gedurende het laatste medegedeelde gesprek tusschen de beide jonge lieden was het nagerecht opgebracht, en, dewijl nu de honger verzadigd, de dorst daarentegen meer en meer aangeprikkeld scheen, werden de gesprekken luidruchtiger en meer algemeen. De Baron Van Steenvoorde begon met meer en meer stemverheffing te klagen over een aanslag wegens polderlasten, hem door zeker dijkbestuur te huis gezonden, en dien hij zwoer, nimmer te zullen betalen. Poogde Eylar hem aan 't verstand te brengen, dat hij, evenmin als elk ander, zich onttrekken mocht aan een verplichting, die wettig op hem rustte, de Baron verkoos de rechtsgronden, waarmede men hem bestreed, niet aan te hooren, of niet te begrijpen, en verklaarde, naar den Koning te zullen gaan, die wel gelasten zou, dat men hem met vrede liet. Vruchteloos trachtte Eylar hem nu weder te beduiden, dat Koning noch Minister iets aan de zaak konden doen, de Baron bleef stijf en sterk op zijn stuk staan, en zei, dat hij 't niet zou opgeven: 't was een pikanterie tegen hem van het dijkscollege en hij zou zich desnoods laten esecuteeren, liever dan een cent van die onwettig geheven polderlasten te voldoen. Hiertegen viel niet verder te redeneeren; en Eylar had dan ook reeds besloten, niets meer over de zaak te zullen reppen, toen de Baron op eens een krachtigen bondgenoot kreeg in Mw. Van Doertoghe, die betuigde, het volkomen met hum eens te zijn, wat de onbillijkheid der vordering betrof: zij had, zeide zij, betaald onder protest, en zou er, zoodra zij te Amsterdam terug was, haar advocaat, den Heer Hoogonberg, eens over
Ã2
raadplegen: en ofschoon zij niet wist, in hoeverre haar die gelijk zou, geven, zoo vleide zij zich toch, dat de gronden, waarop zij zich beriep, niet zonder gewicht door hem zouden worden bevonden: waarna zij die gronden met een klaarheid uiteenzette, als men van geen vrouw van haar leeftijd zou verwacht hebben.
âIk weet niet,quot; riep de Baron, die al gedurig goedkeurend met het hoofd had zitten knikken: âwat de advocaat zal zeggen, en 't raakt mij ook niet, wat zoo'n pennelikker er over denkt; maar dat weet ik, dat Mevrouw den spijker precies op zijn kop heeft geraakt.quot;
âIk durf evenmin,quot; zei Eylar, âhet advies van mijn vriend Hoogenberg vooruitloopen .. . .quot;
âDe Katuil?quot; vroeg Bol halfluid.
âDezelfde,quot; antwoordde Eylar: âmaar,quot; vervolgde hij, âdit is zeker, dat hij moeilijk nieuwe argumenten zal vinden om bij die te voegen, welke Mw. Van Doertoghe met zooveel scherpzinnigheid en helderheid heeft opgesomd. Ik vrees echter, dat Mevrouw ten deze gedaan heeft, wat al wie geen rechtsgeleerde van beroep is, over 't algemeen doet, en de vrouwen inzonderheid, die, met haar scherpen blik en haar natuurlijk gevoel van billijkheid, die billijkheid alleen, en niet de geschreven wet laten spreken, meer vragen wat wezen moest, dan wat werkelijk is en uit dien hoofde gronden plegen aan te voeren, die onomstootelijk schijnen in de oogen van 't publiek, maar niet opgaan bij den rechter. Doch in allen gevalle zal mijn vriend Hoogenberg kunnen beoordeelen of er iets aan te doen is, en zoo niet, zal hij Mevrouw afraden, goed naar kwaad geld te gooien.quot;
âHij zal wat!quot; zei Steenvoorde: âja! een advocaat zou een proces afraden! Een zaak verknoeien en op de lange baan schuiven, en naderhand rekeningen schrijven, dat iemand er de oogen van overloopen, ja! daar verstaat zich dat volkje op! . . . . maar een proces voorkomen . . . .quot;
âMisschien vindt men er, zooals die door u worden afgebeeld,quot; hernam Eylar: âmen vindt schelmen onder eiken stand :
63
maar op de groote meerderheid der advocaten kan de smet niet kleven, die Mijnheer op hen werpt; mijn vriend Hoogen-berg althans . . .
âOch wat! ze zijn immers altemaal met één sop overgoten,quot; riep de Baron.
âIk meen, Mijnheer de Baron,quot; hernam Eylar, terwijl een licht rood zijn voorhoofd bedekte, âdat ik hem tweemalen âmijn vriendquot; genoemd heb.quot;
âIk kan je niet feliciteeren met je vriendschap, Eylar!quot; zei Steenvoorde: âeen advocaat! en nog wel een Jacobijn bovendien.quot;
âHola! dat schut ik,quot; viel Bol in, het antwoord willende voorkomen, dat Eylar stond te, ge ven, en dat misschien niet malsch zou geklonken hebben: âwij kennen Willem Hoo-genberg al van de academie af. Mijnheer Van Eylar en ik, maar hebben hem in zijn tijd wel een roode bouffante, maar nooit een roode muts zien dragen, 't Is waar, hij is nooit een vriend geweest van 't absolutismus, en wij zijn daar wel eens over aan den stok geweest in die dagen; maar ik geloof, als Mijnheer Van Steenvoorde het vertoog eens las, dat hij onlangs geschreven heeft over de verbetering van het kiesstelsel, hij hem niet zou beschuldigen, zich te rangschikken onder de voorstanders eener regeering van 't gepeupel.quot;
âDank je. Dominee!quot; zei Steenvoorde: âdenk je, dat ik mij ooit de moeite geven zal, te lezen wat zulk volk over politiek verkiest samen te flansen?quot;
âNeen voorwaar,quot; fluisterde Bettemie, voorbij Roelof Van Valteren heen, tegen Pietje Pancras: âals Dominee dat dacht, deed hij hem onrecht aan.quot;
âNu! ik heb het gelezen,quot; zei Eylar: âen, al ben ik het in alles niet met hem eens, zoo komt het mij voor, het werk van een verstandig en bezadigd man te zijn.quot;
âNu! ik lees het dan niet,quot; zei Steenvoorde: âdaar heb ik nog te veel het gevoel voor van wat een edelman betaamt.quot;
âEn dat is?quot; vroeg Mevrouw Mietje.
âDat is, Mevrouw, dat placht althans te zijn in mijn jonge
64
dagen: rijden, visschen, jagen en drinken. Al de rest moest men overlaten aan zulk volk als er voor betaald wordt!quot;
Het meerendeel der dischgenooten kon niet nalaten te meesmuilen over de fraaie definitie, welke de Baron van den waren edelman gaf; doch niemand veroorloofde zich een aanmerking. Mw. Van Doertoghe, hoewel te veel doordrongen van haar plicht als gastvrouw, om een oogenblik onbeleefd te wezen tegen iemand, die aan haar tafel ontvangen werd, begreep niettemin, dat zij woorden, als die door hem geuit waren, niet kon laten voorbijgaan zonder blijk te geven, dat zij ze afkeurde; en, het bovenlijf in volle majesteit verheffende, fronste zij het voorhoofd en hield gedurende een korte wijle op den Baron een strengen, doorborenden blik gevestigd, die hem geheel in zijn schulp had moeten doen kruipen, indien hij vatbaar ware geweest er de beteekenis van te begrijpen. Doch hij lette er niet eenmaal op en at met smaak van de perzik, die hem was voorgediend.
âJe begrijpt nu,quot; fluisterde Maurits tegen Nicolette: âwaarom mijn broeder er op gesteld was, dat ik studeeren of naar de militaire school zou gaan en niet hier blijven om mijteregelen naar zulke voorbeelden van edellieden, als dat gindsche exemplaar oplevert.quot;
âWelk een verschil ook,quot; zei Nicolette, beurtelings haar oogen van Steenvoorde op den Graaf Van Eylar latende gaan.
âJa!quot; hernam Maurits: âLouis zou u een betere definitie van den edelman kunnen geven.quot;
âDat is immers niet noodig,quot; zei Nicolette; âhij behoeft zich slechts te vertoonen.quot;
âEn nu,quot; zeide madame mère, voor 't eerst de stilte weder brekende, door den dwazen uitval des Barons teweeggebracht; âde gasten weten allen, dat heden over veertien dagen de fancy-fair op Hardestein plaats heeft. Ik hoop, dat niemand zal wegblijven; wie nog geen loten heeft kan ze krijgen bij eene der Dames van het bestuur.quot;
âEn ieder lot geeft een prijs, nietwaar?quot; â vroeg Joris Van Valteren, waarna hij, denkende een groote geestigheid gezegd
te hebben, een benauwd en schor geginnegab deed hooren.
âNeen.quot; antwoordde Emma Prawley: âmaar het geeft iets, dat meer waarde heeft, te weten den vrijen toegang op het kasteel, waar, na den afloop der trekking, de avond, naar ik mij overtuigd houde, op een aangename wijze zal worden doorgebracht.quot;
âMuziek, bal, illuminatie, weet ik het al,quot; fluisterde Dren-kelaer zijn buurmeisje in 't oor.
âFoei, Mijnheer Drenkelaer!quot; zei deze: âje moogt niet uit de school klappen. Tout cela est encore un secret.quot;
âLe secret de la co mé die,quot; zei Drenkelaer.
âStil!quot; zei Bettemie, op Bol wijzende, die, op een teeken van de gastvrouw, zich gereedmaakte de gasten in het nagebed voor te gaan.
Men rees nu van de tafel op, Roelof Van Valteren, hoezeer niet welopgevoed genoeg om Bettemie gedurende den maaltijd met zijn gesprek te onderhouden, wist echter nog zoo veel hoe 't behoorde, dat hij haar zijn arm aanbood: en Drenkelaer, hetzelfde doende aan Pietje Pancras, die toevallig door haar linker-cavalier in den steek gelaten was, wandelde met haar de gang op, achter het zooeven genoemde paar.
âIk ben blij, dat ik eens adem kan gaan scheppen,quot; zeide hij, âik voelde mij zoo nietig onder al die getitelde edellieden.quot;
âJe zult hem toch niet benijden,quot; antwoordde het kleine brunetje, een ondeugenden blik naar den Baron Van Steenvoorde werpende, die aan 't hoofd der colonne met Mw. Van Harde-stein stapte en juist de zijkamer insloeg.
âOch!quot; hernam Drenkelaer; âhem of de anderen.... 't is alles één pot nat.quot;
âEn de Heer Van Eylar dan?quot;
âDe Graaf is een perfect gentleman, en toch ben ik overtuigd, dat hij zich in zijn hart beschouwt als van een andere klei gevormd dan een onzer. Zelfs bij Maurits heb ik tot mijn verbazing dezelfde gevoelens opgemerkt: hij zou, geloof ik, niet dan om zeer geldende redenen zijn hand geven aan een vrouw, die, al bezat zij voor de rest alle
II. - k. z. 5
66
volmaaktheden, geen baronnekroon op haar wapen voerde.quot;
âSt!quot; zeide zij, den vinger op den mond leggende en een angstigen blik naar Bettemie slaande.
âInderdaad?quot; fluisterde Drenkelaer, zich verbaasd veinzende: âin dat geval heb ik een dommen streek begaan,quot; vervolgde hij, op denzelfden toon, terwijl hij zijn gezellin, met wie hij nu de zijkamer bereikt had, losliet en een diepe buiging voor haar maakte; âmaar zij heeft het niet kunnen hooren.quot;
Bettemie had zijn gezegde niet alleen zeer goed kunnen hooren, maar zij had het gehoord; en Drenkelaer twijfelde er ook niet aan.
VIERDE HOOFDSTUK.
GESPREKKEN ONDER DE WANDELING.
Nadat de dampende koffie in 't fijnste porselein was rond gediend, sloeg de gastvrouw een wandeling voor, tot niet geringe vreugd der meeste genoodigden, die zeer naar frissche lucht begonnen te verlangen. Men daalde de stoep af, en sloeg een berceau in, dat, in de geschoren haag naast het huis, de poort vormde, die tot een laan van fraaie kastanje-boomen geleidde.
Het gezelschap was in groepen afgedeeld. Mw. Van Doer-toghe ging als wegwijster aan 't hoofd, met Eylar, den Baron, Mw. Van Sporkelberghe en Emma Prawley. Dan volgden op eenigen afstand Mw. Van Hardestein met den predikant, Esther Prawley en Joris Van Valteren; de overigen meer achterwaarts.
âIk geloof,quot; zeide lachende madame mère tegen Bol, âdat de jonge lieden ons het genoegen van de wandeling gaarne present zouden doen.quot;
âWat meent Mevrouw?quot; vroeg Bol.
âWel! zie je niet, Dominee! die schuinsche blikken, die ze mekaar toewerpen?quot;
67
âInderdaad,quot; zei Bol, na omgekeken te hebben, en nu begrijpende waar zij heen wilde.
âJa,quot; hernam Mw. Van Hardestein, âik zag zooeven, hoe Maurits, met een verschrikt gelaat, zijn hand lei op die van Gerard Van Steenvoorde, toen deze, bij 't afkomen van de stoep een sigarenkoker had uitgehaald, 't Was gelukkig, dat Mw. Van Doertoghe de manoeuvre niet gezien had: 'tware genoeg geweest, om den armen Gerard voor altijd elke aanspraak op een invitatie op Doornwijck te doen verbeuren.quot;
âNu!quot; zei Esther Prawley: â't is dan toch ook akelig, dat de jongelui zoo aan de sigaren verslaafd zijn.quot;
âHo! lieve Esther! zeg er niet te veel van,quot; hernam madame mère: âik hou dol van een sigaar: en ik zou er wat voor geven, dat ik er nu een rooken mocht.... maar een zware havanah; geen damessigaartje of rolletjes papier.quot;
âMaar,quot; hernam Esther: âik begrijp de vijandschap van Mw. Van Doertoghe tegen de sigaren niet, daar toch wijlen Mijnheer een groot liefhebber van rooken was, altijd met de pijp in den mond. Mevrouw moest dus aan de tabakslucht gewend zijn.quot;
âMevrouw,quot; zei Bol, âis van de leer de Wechabieten, die maar twee doodzonden kennen, t. w. het dienen van meer dan eenen God en het toeback-drincken, gelijk men oudtijds hier het rooken placht te heeten; met dat al 't zijn speciaal de sigaren, die Mevrouw verafschuwt; want wanneer ik hier een bezoek doe, verschijnt er regelmatig, te gelijk met de madera, een zilveren tabakskistje met een lange pijp, waarvoor ik even regelmatig bedank.quot;
âKun je dat van je verkrijgen, Dominee?quot; vroeg Esther: âzulk een liefhebber van rooken! een pijp afslaan als zij u wordt aangeboden!quot;
â't Klinkt wat verwaand misschien; maar mijn trek tot rooken wordt bij die gelegenheid overwonnen door mijn afkeer van een gewoonte, die vele lieden hebben, om predikanten te beschouwen als lieden van eene andere soort als de rest. Ware er nog in de onderscheiding, welke men ons door de
68
aanbieding van die pijp bewijst, iets streelends voor onze eigenliefde gelegen, dan zou ik mij die laten welgevallen; maar 't is juist omgekeerd. Wanneer ik zie, dat de tabak in huizen, althans in kamers, waar die anders contrabande is, alleen en bij uitsluiting verschijnt ter eere van den predikant, dan kan ik zulks niet toeschrijven aan eenig gevoel van hoogachting voor onzen stand of voor onzen persoon; maar alleen aan een soort van medelijdende inschikkelijkheid met de kwade hebbelijkheid, die men bij ons onderstelt. Aan die onderstelling, dat wij predikanten juist meer dan andere lieden slaven zouden zijn van zoodanige rook-manie, mag ik geen voedsel geven. Wordt het onfatsoenlijk geacht te rooken, wanneer men een bezoek brengt, en vooral bij vrouwen, dan blijft het onfatsoenlijk, al wordt het door een predikant gedaan, en dan wordt zelfs de gedachte, dat hij zich niet van een onfatsoenlijke handeling kan spenen, beleedigend voor hem. Ik rook dan ook nooit, dan bij lieden die 't zeiven doen, en alleen op die plaatsen, waar zij zeiven gewoon zijn het te doen.quot;
âEn dan nog alleen de pijp,quot; zei madame mère.
âHeden!quot; vroeg de Jonker Van Valteren; ârookt Dominee nooit sigaren?quot;
âMaar zeer zelden,quot; antwoordde Bol: âik ben nog wat ouderwetsch uitgevallen, en hou die naked beauties, zooals Byron de sigaren noemt, voor een pest, die evenveel kwaad doet in onze maatschappij, als de kinderziekte, de loterij of de Fransche romans.quot;
âDominee! Dominee! dat is weer overdrijving,quot; zei Emma Prawley.
âMaar wat hebben die arme sigaren dan gedaan?quot; vroeg Gerard Van Steenvoorde, die gedurende het gesprek achterop was gekomen.
âJa! wat hebben zij gedaan?quot; vroegen verscheidene anderen, die, bespeurd hebbende, dat Bol iets gezegd moest hebben, dat aandacht wekte, nu van verschillende kanten de groep waren komen vergrooten.
(39
âEen paradox!quot; zeide Pietje Pancras: âwij weten, dat Dominee daarvan houdt.quot;
âNeen,quot; antwoordde Bol: âeen feit, dat eigenlijk geen bewijs behoefde voor wie zijn oogen niet willens en wetens voor 't licht gelieft te sluiten. Ik zal hier niet aankomen met argumenten, die, inzonderheid door de Engelsche Matigheidsgenootschappen, tegen het rooken in 't algemeen zijn aangevoerd, als verleidde het, doordien het de keel opdroogt, de lieden tot den drank: ik durf niet beslissen, in hoeverre zij steek houden en zou, behalve mij zeiven, een aantal lieden van studie kunnen noemen, die op hun kamer den geheelen morgen zitten rooken zonder ooit hun keel te bevochtigen. Evenmin zal ik hier uitweiden over de schrikkelijke gevolgen, die, sedert de sigarenpijpjes uit de mode zijn geraakt, uit het rooken van giftige sigaren zijn ontstaan: of over het verzwakken van 't gezicht, dat sommigen toeschrijven aan den tabakswalm, die te dicht langs de oogen opstijgt: ik zie, tegenover geneesheeren, die tegen 't rooken prediken, er anderen, die altijd, zelfs als zij bij hun patiënten rondgaan, aan een sigaar lurken, en ik wil hun liever die quaestie onderling laten uitmaken. Waar ik het oog op heb is op den invloed van de sigaar op de gezelligheid. In de dagen toen men nog alleen tabak rookte en de sigaren niet of nog maar weinig kende, waren er velen, ja, aan hun pijp verslaafd; doch zij rookten thuis, of in hun bijeenkomsten van Heeren. Ging men naar den schouwburg, naar bals of concerten, niemand, ook zelfs de gedetermineerdste rooker, die, gedurende den tijd dat hij er doorbracht, zich niet van zijn liefhebberij moest en kon spenen. Immers, maar enkele van de lokalen, tot dergelijke uitspanningen ingericht, hadden bijzondere rookkamers, waar men pijpen bekomen kon, en, zoo de vriend van de pijp al op de jacht of vinkenbaan het neuswarmertje uit de koperen tabaksdoos halen en opsteken kon, hij kon dat op de straks vermelde plaatsen, zelfs in de pauzen of entreactes moeie-lijk doen. Het gevolg was, dat de rookers, enkele uitgezonderd, die men met den vinger aanwees, de gave der onthouding
70
verkregen: de jonge lieden bleven bij 't gezelschap en lieten de dames niet aan haar lot over. Sedert de sigaren zijn uitgevonden, of liever, sedert zij in steeds toenemende hoeveelheid zijn verspreid, heeft in den staat van zaken een omwenteling plaats gehad. De sigarenkokers zijn altijd bij de hand, en de rooker heeft, vooral ten gevolge van een niet min noodlottige uitvinding, die van den stikwalm verspreidende lucifers, altijd het middel in zijn zak om zijn trek terstond bevredigd te zien. De schouwburgen zijn rookketen geworden, waar hij, in een gemakkelijken leunstoel gezeten, de voorstelling al dampende bijwoont; of, is hem de vergunning daartoe ontzegd, dan wipt hij telken oogenblik naar de koffiekamer om âtwaalf haaltjesquot; te doen. Gaat men op een maaltijd, de gastheer zelf noodigt u na de koffie uit, op zijn kamer een sigaar te komen rooken. Op straat, waar vroeger geen fatsoenlijk mensch met een pijp liep, vertoont zich de rooker, â o gruwel! dikwijls als hij zijn vrouw of zijn meisje aan den arm heeft â met een sigaar in den mond; in de omnibussen zijn zelfs de pijpen verboden, terwijl de sigaren worden toegelaten: op de openbare scholen ziet men de onderwijzers, op bureaux de geëmployeerden, met sigaren. Op partijen hunkert men naar een vrij oogenblik of men maakt nu en dan een slipper om in tuin of binnenplaats zijn lust te boeten. Gaat men op reis naar een plaats, die men niet kent, de eerste vraag, die men richt tot hen die er bekend zijn, is niet: ,,wat is er belangrijks te zien?quot; maar: âhoeveel sigaren mag ik bij mij hebben zonder bekeurd te worden?quot; â In één woord, de sigaar is de schep ter, de too verroede, die alles be-heerscht. En wat is het gevolg? Geen vrouw, die bij den rooker, zelfs geen meisje, dat bij haar minnaar meer opweegt tegen de sigaar. Vrouw en dochters zouden gaarne naar de opera of 't concert gaan, maar dan is de man verplicht, althans 't grootste gedeelte van den avond, zijn sigaar op te offeren: hij wil dus liever naar de Variétés; en zoo hebben de dames de keus, alleen thuis te blijven, of naar een afschuwelijke tabagie te gaan, waar zij misselijk worden of
71
hoofdpijn krijgen van den rook, en van waar zij thuis komen met doeken en japonnen, die een week in den tocht moeten hangen om de tabakslucht kwijt te raken. Beschaafde kringen worden door de jonge lieden geschuwd: zij kunnen daar aan hun rookliefhehherij niet botvieren: zij nemen dus hun toevlucht tot de zoodanige, waar hun sigaar geen reden tot uitsluiting is: en zij missen op die wijze hetgeen alleen in staat is, hun hart en verstand behoorlijk te ontwikkelen, den omgang namelijk met fatsoenlijke vrouwen. Maar ook op deze laatsten heeft dat hokken onder elkander, waartoe de mans haar verplichten, een nadeeligen invloed; zij leeren niet, of zij vergeten, hoe zich in gezelschap van heeren te gedragen, en zijn in hun bijzijn niet meer op haar gemak; de kring harer gedachten verruimt zich niet: zij steken de hoofden bijeen, om koffiepraatjes te houden of zij winden elkander op tot overdrijving en mystieke droomerijen. â Is mijn tafereel te sterk gekleurd? Ik geloof het niet, en ik hoop nog te beleven, dat, even gelijk men zich hier te lande bezig begint te houden met het vormen van genootschappen tegen 't jenever drinken, men er op gelijke wijze zal oprichten tegen de sigaar. En zie maar.... heb ik meerdere bewijsgronden noodig? â Daar zijn de jonge dames al van de helft harer cavaliers verstoken, die, wed ik, naar den stal zijn gedaan, quasi om de paarden te zien, maar eigenlijk om een sigaar te gaan rooken .... en daar heb je er een, die mijn bewijs versterkt en 't gegeven voorbeeld volgt.quot;
En inderdaad, Gerard Van Steenvoorde had getoond, hoe goed hij met de predikatie van Bol zijn voordeel gedaan had, en, zoodra hij van den stal hoorde, rechtsomkeert gemaakt om er ook heen te snellen.
âStil! laat Mw. Van Doertoghe 't maar niet merken,quot; zei Mw. Van Hardestein.
âIk vrees, Mevrouw! dat zoo Mw. Van Doertoghe zelve niet zwicht voor de heerschende mode, zij nog gevaar loopt, alleen haar vrouwelijke genoodigden op haar diners te zien verschijnen en te moeten hooren, dat de mans, door ongesteldheid.
72
door onverwachte bezigheden, of door welke andere redenen als uitvluchten kunnen uitgedacht worden, verhinderd zijn van haar beleefdheid gebruik te maken.quot;
â't Kan licht gebeuren, dat Dominee waarheid spreekt,quot; zei Pietje Pancras: âMevrouw is onverbiddelijk op het stuk van 't rooken.quot;
âMaar mij dunkt,quot; merkte Juffrouw Leentje aan, âals haar man een liefhebber van de pijp was. . .
âDat was hij,quot; antwoordde Pietje: âmaar de goede man dorst nooit met zijn pijp een voet buiten zijn studeervertrek zetten. Hij rookte; maar zij zag het nooit, en veinsde 't niet te weten.quot;
âEn zoo behoort het,quot; zei Bol: âik heb achting voor een vrouw, die haar man leert, geen slaaf te zijn van zijn liefhebberijen .... en ik heb achting voor Maurits, die van den slechten weg terugkeert en de Dames weer komt opzoeken.quot;
âJa waarlijk!quot; zei Mevrouw Mietje, een bedenkelijk gezicht zettende: âdaar is Maurits!quot;
Werkelijk was het Maurits, die het gezelschap achterop kwam geloopen. Niet alleen de trek naar een sigaar, maar de zucht, in een officier bij de rijdende artillerie zeer verschoonbaar, om de paarden, zoo van Mw. Van Doertoghe als van haar gasten, in oogenschouw te nemen, had hem naar den stal doen gaan. Niet lang echter had hij zich daar bevonden, toen hij bemerkte, dat Drenkelaer, die eerst verklaard had, mee te zullen gaan, bij de dames was gebleven: 't zij door argwaan, 't zij door jaloezie gedreven, smeet hij zijn sigaar weg, liet Roelof Van Valteren en Jan Van Steenvoorde bij de blessen van den Baron en holde, wat hij hollen kon, naar het gezelschap toe.
âJa! ik dacht wel, dat hij terug zou keeren,quot; mompelde Drenkelaer, zonder het woord tot iemand in 't bijzonder te richten, maar zoo, dat Mevrouw Mietje, Bettemie en de Freule Van Sporkelberghe 't zeer goed hooren konden. Alleen Nicolette hoorde 't niet.
âIk dacht, dat je de paarden zoudt zijn komen zien,quot; zei Maurits tot Drenkelaer, half lachende, half verwijtende.
73
âjSTeen,quot; antwoordde Drenkelaer: âsedert wij te Marlheim de eer hebben, dat de rijdende artillerie bij ons ligt, kan ik daar alle dagen paarden genoeg zien; maar het is daarentegen te zelden mijn lot, mij in 't gezelschap van dames te bevinden, en dat moet je mij nu niet misgunnen.quot;
âRecht galant,quot; zei Esther Prawley ter zijde tegen Mw. Van Eylar: âdat schijnt een beleefd heer. Mietje!quot;
âJa,quot; antwoordde Mw. Mietje; âik heb hem een paar keer ontmoet en vind hem een charmant jongmensch.quot;
âNu!quot; hervatte Maurits, wiens eenig doel was geweest een gemeenzaam gesprek tusschen Drenkelaer en Nicolette, te voorkomen : âik heb ze juist ook meer gezienquot; â de paarden meende hij â âen ik vind dat je au fond gelijk hebt.quot;
âTe meer,quot; viel Bettemie in: âomdat wij Mijnheer Drenkelaer hier kunnen wijzen wat hij misschien zelden of nooit gezien heeft in 't vak van vogels van alle veeren en kleuren.quot;
âIk heb meermalen de menagerie van Doornwijck hooren roemen,quot; zei Drenkelaer: âmaar zelfs al had ik nooit een voet in A r t i s gezet, dan nog hoop ik niet verdacht te worden, mij bij de pauwen en fazanten meer dan bij de dames te vermaken.quot;
âWij dienen wel allen te nijgen,quot; zei lachende ma.dame mère, âvoor de fraaie complimenten, die Mijnheer ons maakt.quot;
Nicolette dacht bij zich zelve om de waarschuwing, die zij van Mw. Zilverman, en om die welke zij van Maurits ontvangen had, en vond de complimenten te flauw om gevaarlijk te zijn.
Men was nu door een getralied hek de menagerie binnengetreden, die inderdaad door weinige in Nederland geëvenaard, door geene overtroffen kon worden. Meer soorten van gevogelte mocht men in een diergaarde ontmoeten; maar bijna nergens zulk een overvloed van elke soort. Overal wemelde en krioelde het van pauwen en pauwiezen, van goud- en zilver-lakensche fazanten, van bontkleurige patrijzen, van honderden vogels tot het hoendergeslacht behoorende; terwijl in de hier en daar verspreide vijvers, of in de waterpartij, die de afge-
74
sloten gaarde gedeeltelijk bespoelde, sierlijke witte zwanen en bergeenden zwommen, en eilandjes dreven met meerkoeten, pluvieren en andere watervogels. Al de gasten betaalden dan ook aan Mw. Van Doertoghe den tol hunner bewondering, die zij als een verwachte hulde ontving; en toch waren er weinigen, die niet spoedig hun bekomst hadden van de groote revue, die hier gehouden werd, zelfs Freule Klara, die, hoe ook ingenomen zij met haar eigen vogeltjes was, bitter weinig gaf om die van anderen. Misschien was Nicolette, voor wie deze rijke verzameling al het voordeel der nieuwheid had, de eenige, die er recht vermaak in schepte. Zij keek dan ook haar oogen uit en deed allerlei vragen aan Pietje Pancras en Bettemie, die hier thuis waren. Mw. Van Doertoghe, die altijd gestreeld was, als men haar volière bewonderde, merkte spoedig het ongeveinsd genoegen op van het jonge meisje, en vond er behagen in, haar op de minzaamste wijze in de natuurlijke historie van haar vogels in te wijden. Doch zoo dit zeer streelend was voor de eigenliefde van Mevrouw en tevens leerzaam voor Nicolette, het was minder vermakelijk voor de andere gasten, die alras begonnen uit te zien naar het oogenblik, dat men weer buiten de menagerie komen zou, welke echter niemand dorst verlaten, zoolang de vrouw des huizes er zich bevond.
Er was echter nog een onder de gasten, die, ofschoon in den grond tamelijk onverschillig omtrent het gevederde geslacht, even ijverig als Nicolette luisterde naar de vertoogen van Mw. Van Doertoghe. Drenkelaer wilde de gunst der Tante van Bettemie verwerven en dacht niet beter te kunnen doen, dan haar stokpaardje te vleien. Gelukkig had hij als knaap de liefhebberij gehad van duiven te houden en was hij, toen hij nog inwoonde bij de nicht, die hem had opgevoed, met de verzorging der kippen belast geweest: zoodat hij de prim a e 1 i n e a e der ornithologie bezat; hij wist eenige recepten tegen de pip en andere ongesteldheden der vogelen, en waagde het, die, met groote zedigheid en als schoorvoetende, aan het welwikkend oordeel van Mevrouw te onderwerpen; al 't welk
75
deze zoo wel geviel, dat zij, toen eindelijk het met smart door het gezelschap verlangde tijdstip gekomen was, waarop men de menagerie weder verliet, tegen Bol in 't geheim zeide: âeen recht beschaafd jongmensch, die Mijnheer Drenke-laer. Men kan toch aan hem merken, dat hij van goede familie is en noch dat vulgaire heeft dat de parvenus, noch dat plompe, dat die landjonkers onderscheidt.quot;
âNeen Mevrouw!quot; zeide Bol, lachende: ânoch dat triviale, dat de Overijselsche winkeliers aankleeft.quot;
Mw. Van Doertoghe gevoelde den steek, en, ware die door een ander haar toegebracht, zij had al het wicht van haar verontwaardiging op den ontijdigen spotter doen nederdalen: doch Bol was om zijn stand bij haar een bevoorrecht persoon en om zijn karakter de eenige misschien, voor wien zij bang was. Zij was echter de vrouw niet om zich uit het veld te laten slaan en, den glimlach van Bol met een glimlach beantwoordende, zeide zij:
âOok dat niet. Dominee! â Er zijn intusschen altijd uitzonderingen, zoo ten goede als ten kwade: en zoo er aan den Predikant van Hardestein geen winkellucht meer kleeft, zal er daarentegen onder de Amsterdamsche patriciërs wel een enkele zijn, dien men voor een winkelier zou aanzien. Maar het is geloof ik, een spreekwoord, dat de uitzondering den regel bevestigt, nietwaar?quot;
Terwijl men nu de wandeling door de fraaie dreven van Doornwijck voortzette, begon de lucht, die tot dien tijd helder geweest was, te betrekken, en weldra vielen er eenige droppelen; zoodat Mw. Van Doertoghe voorstelde, in de berce-aux te toeven, tot het noodig getal regenschermen was gehaald. De berceaux, in den stijl van Le Notre ingericht, en hoedanige men voorheen op alle hofsteden vond, waren ruim, breed en zoo dicht bewassen, dat men er, wel een uur lang, den zwaarsten stortregen kon tarten.
â't Mag niet nieuwerwetsch zijn en stijf,quot; zei de oude Heer Van Bloff, bij mirakel eens het stilzwijgen brekende: âmaar 't is maar een mooie uitvinding, die berceaux.quot;
âMaar is het niet der natuur geweld aandoen?quot; vroeg:
Emma Prawley, die nogal sintimenteel was.
âLieve Freule Emma!quot; zei Bol: âwij moeten wel weten wat t
wij te verstaan hebben onder die uitdrukking: âgeweld doen aan de natuur.quot; Zoo wij in alles de natuur waren blijven volgen, liepen wi] nog in 't kostuum, zoo niet van Adam en Eva, dan althans in dat van de Vuurlanders, of, zoo het koud werd, in dat van de Laplanders of Samojeden: wij aten 't vleesch rauw en de moeskruiden ongestoofd: en wij lieten Gods water over Gods akker loopen. Waar beschaving zetelt,
ontstaan de kunsten, en de kunsten kweeken wederkeerig de beschaving aan. Welk mensch van smaak ziet zijn tuin graag in het wilde groeien? Je zult immers zelve in den uwen de paden laten opharken en de boomen laten snoeien, juist omdat de natuur het niet doet.quot;
âGoed!quot; viel Eylar in, Freule Emma te hulp willende komen: âmaar daar is hier geen spraak van. Niemand zal ^
betwisten, dat de kunst de natuur moet leiden, moet veredelen,
somtijds moet tegengaan; maar wat de Freule bedoelt, en wat ik met haar eens ben, is, dat men de natuur niet verminken moet. Wanneer ik een waterpartij zie als die op Hardestein, zich met bevallige bochten tusschen de glooiend opgaande, welig beplante boorden slingerende, om achter het hooge geboomte te verdwijnen, dan zie ik daarin een triomf der kunst, die, door den loop van dat water te bepalen, door weg te ruimen wat het uitzicht belemmerde en bij te voegen wat tot verfraaiing dienen kon, mij een schouwtooneel aanbiedt, waarbij ik de illusie heb, dat ik een natuurlijke, breede rivier voor mij heb, die kronkelend door het landschap spoelt.
Zie ik daarentegen een grooten vijver, met zes of acht meer of min grillig gefatsoeneerde en regelmatig geflankeerde *
hoeken en zijden, dan zie ik wel de kunst, maar die de natuur bedorven heeft; want zóó doet zich geen werkelijk meertje voor. Evenzoo, waar ik een geschoren of op Zaanlandsche wijze gesnoeide haag zie; want zoo groeien geen boomen.quot;
âIk zal de Zaanlandsche tuintjes niet verdedigen,quot; zei Bol:
ânoch iets in mijn bescherming nemen, dat poppig en lachverwekkend is: ook wanneer je gewaagt van de aangename uitwerking, teweeggebracht door de nabootsing der natuur, ben ik het geheel met u eens. Maar je waart begonnen met het verwijt, dat hetgeen ik zeide aangaande het wieden van onkruid en het harken van paden niets ter zake deed, en, met verlof, dat oordeel was te voorbarig; want het was u niet bekend, welke gevolgen ik daaruit trekken wilde.quot;
âIk luister,quot; zei Eylar.
âWel!quot; vervolgde Bol: âvooreerst, dat de woeste natuur ons op den duur niet behaagt, en wij die willen zien opgeknapt door de kunst. Nu kan de kunst haar, al naar de behoefte, een lossen, bevalligen, zwierigen, of wel een regelmatigen, deftigen, statigen vorm geven, In kleine tuinen of rustplaatsen kunnen, bij den aanleg, alleen slingerpaden, kronkelende partijen, verscheidenheid van plantsoen, in dichte groepen afgedeeld, in aanmerking komen, omdat daarmede het oog misleid wordt en de lokaliteit uitgestrekter schijnt dan zij werkelijk is: met rechte lanen, stijve hagen, regelmatige perken en vijvers brengt men teweeg, dat het geheel terstond overzien wordt en alzoo nog kleiner schijnt dan het is. Maar kan men over een uitgebreid terrein beschikken, zooals b. v. te Versailles het geval was, dan geven juist die hooge, breede, rechte lanen, met hun grastapijt in 't midden, een denkbeeld van ruimte en verhevenheid: in die regelmatige vijvers zien wij dan niet zoozeer waterpartijen als wel reusachtige bekkens: de geschoren hagen en berceaus stellen ons niet voor wat zij waarlijk zijn, te weten, groene boomen, waar men een stijven vorm aan gegeven heeft, maar muren en gaanderijen, tot wier opbouw men in plaats van kalk en steen, levende beuken of linden gebezigd heeft: en in stede van te zeggen: âwat is het jammer, dat men die boomen in hun natuurlijken groei belemmerd heeft!quot; zegt men: âwat was het een grootsche gedachte, aldus, ter bevordering der perspectief, wanden van groen gebladerte te scheppen, en, in plaats van steenen of houten beschutting tegen zonnebrand
78
of regen, groene bladgewelven.quot; Wel is waar, men ontvangt denzelfden indruk niet, als dien een aanleg in modernen stijl teweegbrengt: maar die indruk werd ook niet bedoeld. Wij vinden het landschap, dat wij voor ons hebben, niet lief, lachend, bevallig; maar wij vinden het statig, grootsch, koninklijk; â en dat is wat de stichter wilde. Maar dan is er nog iets: de wetenschap, dat er jaren hebben moeten verloopen, eer die beuken of linden hun wasdom bereikt en tot hagen of berceaux gefatsoeneerd kunnen worden, en dat zy aanhoudende zorg en onkosten vereischen om niet te vergroeien, die wetenschap, zeg ik, geeft ons de bewustheid, dat wij op het park of landgoed staan van een vorstelijk, althans van een aanzienlijk geslacht, waar de eigenaar, die 't eerst den aanleg gelastte, minder voor zich zeiven dan voor zijn nakomelingschap planten en snoeien liet. Alleen hij, die in de eerste plaats den luister van zijn geslacht voor oogen heeft, legt buitenplaatsen in den stijl van Le Nötre aan: en wie een buitenplaats, in dien stijl aangelegd, moderniseert, de vijvers tot waterpartijen, de hagen tot boomgroepen doet omwerken, slaagt er alleen in, bij de bezoekers de overtuiging teweeg te brengen, dat zij niet langer de zomerresidentie van eenig adellijk geslacht voor zich hebben, maar de villa van dezen of genen rijk geworden nabob of speculant, die zich haasten wil, te genieten, omdat hij morgen wellicht zijn geld weer kwijt is, en die zich althans over zijn nageslacht in 't minst niet bekommert.quot;
âIn allen gevalle,quot; zei Esther Prawley: âzouden wij thans hoogst ondankbaar zijn, tegen berceaux te knorren, nu zij ons tegen den regen beveiligen.quot;
âDominee vergeet nog een der voornaamste voordeelen van de berceaux,quot; fluisterde Drenkelaer Maurits in 'toor: ânamelijk, dat zij de geschikste gelegenheid aanbieden om te vrijen, en, waar Hooft zegt:
Indien dit boschje klappen kon,
heeft hij zeker, om de maat, boschje voor berceau geschreven.quot; â En met deze woorden sloop hij naar de plaats.
waar Bettemie en Nicolette, in een donkere nis verscholen, zacht met elkander stonden te snappen. Hij onderstelde, dat Maurits hem spoedig volgen zou, en deze liet inderdaad zich niet lang wachten. Het onderhoud, dat het viertal te zamen voerde, was echter kort van duur; want spoedig kwam de tuinknecht, die naar het heerenhuis was gezonden, met ettelijke regenschermen en mantels terug, onder welker bedekking men zich huiswaarts begaf. Nauwelijks was hier het eerste kopje thee gedronken, of reeds kwamen de rijtuigen voor, en niet lang duurde het, of, na de gewone plichtplegingen, bij het afscheidnemen vereischt, verwijderden zich de genoodigden weder zooals zij gekomen waren, met dit onderscheid echter, dat Maurits bij 't naar huis gaan het mennen aan den koetsier overliet en in de (nu gesloten) kales plaats nam. Hij kon daarvoor de zeer gezonde reden aanvoeren, dat hij zijn overjas had vergeten mee te nemen en niet doornat wilde worden; maar velen uit het gezelschap gaven er een andere uitlegging aan, en Mevrouw Mietje Van Eylar zei in 't naar huis rijdqn tot haar man:
âIk weet wel, dat ik een dom mensch ben en dat myn woorden niet geteld worden; maar ik vrees toch, dat mijn voorgevoel bewaarheid zal worden; en dat je pleegkind â misschien onwillekeurig, wat ik niet beslissen wil â het paard van Troje zal zijn, dat alles op Hardestein in opschudding brengt.quot;
âIk hoop van beter,quot; was alles wat Eylar antwoordde; maar hii dacht in zijn hart dat Mietje wel gelijk kon hebben.
ZEVENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
EENquot; MUZIEKPARTIJ BIJ DE DAMES PEAWLEY.
Eer nog de gasten Doornwijck verlaten hadden, waren de Dames Prawley, die, als in een vorig hoofdstuk reeds met een woord is aangemerkt, groote liefhebsters waren van muziek. Dominee komen verzoeken een avondje in de volgende week te bepalen, hetwelk hij bij haar met zijn zuster en zijn 1 o g é e zou kunnen doorbrengen: zij hadden zooveel vernomen van de bedrevenheid van laatstgemelde in zang- en toonkunst, dat zij er bijzonder op gesteld waren, haar eens te hooren. Bol, die geen reden kon hebben om het gedane verzoek af te slaan, had den eerstvolgenden Woensdag genoemd, en nu de zaak alzoo tusschen hen beklonken was, hadden de Dames ook Mw. Van Doertoghe met Bettemie en Pietje, welke laatste mede niet onaardig op 't klavier speelde, en voorts ook de bewoners van Groot en Klein Hardestein, alsmede Freule Klara genoo-digd: alles zeer in 't geheim en fluisterend, opdat de overige gasten, die men, als te klein behuisd, niet zou kunnen bergen, en die bovendien meerendeels alles behalve muzikale lieden waren, het niet mochten hooren.
Het was overeenkomstig de gemelde uitnoodiging, dat op lt;3en bestemden Woensdag-avond â of liever achtermiddag, want het was een der langste dagen van 't jaar, â de ge-noodigde gasten zich vereenigden op Flora's Hof, gelijk de villa der Dames Prawley, niet zonder eenige pretentie, gehee-ten was. Behalve de reeds genoemden, trof men er ook Jean-
81
nette Fix aan, die men er trouwens, in haar dubbele hoedanigheid van medebestuurderes van 't Genootschap en van boezemvriendin van Emma Prawley, wel verwachtte. Van gemelde Jeannette Fix hebben wij alleen te zeggen, dat zij een veertigjarige officiersdochter was, noch door de fortuin, noch met schoonheid, noch met bijzondere gaven des geestes bedeeld en van haar sober inkomen winter en zomer te Hardestein op kamers levende; doch die, dewijl zij van goeden huize en stil en bescheiden in den omgang was, vrij goed whist en hombre speelde en de groote kunst verstond om ook naar de onbeduidendste praatjes met de grootste aandacht te luisteren, in de hoogere zoowel als in de lagere kringen van het dorp voortdurend een welwillend onthaal genoten had.
Dewijl Flora's Hof nu wel een bijou in zijn soort was, maar ook een zeer klein bijou, was het niet mogelijk, het geheele gezelschap in het hoofdvertrek te plaatsen, tenzij men de personen opeenpakte als haring in een ton. De dames van den huize hadden echter op het fraaie weer, en niet te vergeefs, gerekend, en dewijl gezegd vertrek door een groote glazen deur gemeenschap had met den tuin, zoo konden de gasten deels binnenshuis om de theetafels, deels daarbuiten onder de veranda zitten, zonder daarom gescheiden te zijn Binnen zaten Mw. Van Doertoghe, die niet van tocht hield, Mw. Van Hardestein, hoewel tegen haar zin, maar uit beleefdheid voor de eerstgenoemde, Emma Prawley, die thee schonk, Mevrouw Mietje, die zich wat souffrant bevond. Juffrouw Leentje en de oude Heer Van Bloff. Buiten zaten Eylar, Bol, Maurits en Drenkelaer, benevens Jeannette Fix, Freule Klara, Bettemie, Pietje Pancras, Nicolette, Kato Tronk en Esther Prawley; ofschoon het woord âzittenquot; ten opzichte van de meesten maar half kon worden toegepast, dewijl de beide jonge heeren meestal achter de stoelen der dames kwamen staan praten en de jonge dames, telken reize, dat de kopjes thee waren ingeschonken, wedijverden om ze te gaan aannemen en, telken reize als zij waren leeggedronken, wedijverden om ze weer binnen te gaan brengen.
82
Het gesprek was, zoo ten gevolge van dit heen en weer-geloop en van den afstand, waarop men zich van elkander bevond, dan ook nog verre van algemeen of geregeld geweest, wat juist aan Maurits en aan Drenkelaer zoo geheel onaangenaam niet was, die daardoor aanleiding vonden, nu en dan aan de jonge meisjes een meer vertrouwelijk woord in 't oor te fluisteren. Wederom hield Maurits zich meer bepaald met Nicolette bezig, en zocht zich daarbij wijs te maken, dat hij zulks alleen deed om het aan Drenkelaer te beletten; terwijl deze laatste hem zijn gang liet gaan, zeer tevreden, dat hij zich op die wijze onverhinderd met Bettemie kon bezig houden. Een klacht van Klara Van Sporkelberghe, dat zij 't zoo warm had, gaf echter aanleiding, dat de bijzondere gesprekken voor een algemeen gesprek plaats maakten.
âMag ik u wat eau de cologne aanbieden, Freule?quot; vroeg Drenkelaer, terwijl hij een flacon uit zijn borstzak nam en haar toestak.
âAl te vriendelijk,quot; zei Klara: âheden! wat een mooie flacon. Zie eens, Bettemie! hoe particulier! â Zulk een heb ik er nooit meer gezien.quot;
De dames staken de hoofden bij elkander om den flacon te bewonderen, die inderdaad zeldzaam in zijn soort was. De vorm was een langwerpige achthoek, en de stof, waaruit hij vervaardigd was, scheen een mengsel van koper met een edeler metaal, zoodat Bol zelfs schertsend vroeg, of dit nu ook het aes Corinthiacum of Corinthisch koper wezen kon, waar de Ouden zooveel werks van maakten. De gouden stop had de gedaante van een Perzische tiara of mijter, met kleine fraai gezette edelgesteenten versierd, en om welken een gouden basiliscus zich rondslingerde, die den keurig gevormden kop naar boven stak, waarin twee schitterende oogjes flonkerden. De eene zijde van den flakon was met een ivoren ovaal plaatje bedekt, met roode en gouden arebesken omslingerd, en waar eenige gouden karakters waren ingegrift: de andere zijde prijkte met een effen stalen spiegel: eindelijk, aan een der boven kanten was een ringvormige gouden gesp aangebracht.
83
âNu!quot; zei Maurits; âdat is er ook een uit de oude doos!quot;
âDat is hij inderdaad,quot; zei Drenkelaer: â't is een erfstuk, dat sinds onheuglijke jaren in mijn familie bewaard is gebleven, en waarop ik dus niet weinig zwak heb. 't Is dan ook eene van de weinige zaken,quot; voegde hij er bij, met een zucht, die wel geschikt was, het medelijden te verwekken ter plaatse waar hij zulks verlangde, âdat ik uit den brand gered heb.quot;
âWat is die haan lief bewerkt,quot; zei Jeannette Fix: âof is 't een papegaai?quot;
âGeen van beide,quot; antwoordde Drenkelaer: â't is een basiliscus.quot;
âHeden! die heeft Tante toch niet in haar menagerie,quot; zei Pietje Pancras.
âNeen, en in Artis is er tot heden ook nog geen exemplaar van,quot; zei Bettemie, schalks lachende; âalthans niet van deze soort.quot;
âJe bent ondeugend, Bettemie!quot; zei Bol: âen Jeannette heeft in zooverre gelijk, dat een basiliscus een haan is met een slangenstaart, en oogen, die iedereen dooden, wie er naar kijkt.quot;
âMaar zulke beesten zijn er immers niet,quot; zei Jeannette.
âNeen,quot; hervatte Bol: âde echte basilisken zijn heden ten dage even moeilijk te bekomen als draken of griffioenen, 't Is een dier wezens, waar de oude fabels en ridderromans vol van zijn, doch waarvan, zoo zij al ooit bestaan hebben, het ras sedert lang is uitgestorven.quot;
âZie eens,quot; zei Nicolette: â't is net of het dier u aankijkt: zoo natuurlijk staan hem die oogen in 't hoofd.quot;
âWat zijn dat voor steenen?quot; vroeg Klara, âwaar die oogen van gemaakt zijn?quot;
âKarbonkels, nietwaar?quot; vroeg Bettemie.
âVolkomen geraden. Freule!quot; antwoordde Drenkelaer met een hoofdbuiging.
âZe zijn keurig bewerkt,quot; hernam Bettemie; âen waarlijk, als men lang op het beest kijkt, zou men er bang voor worden; 't staart iemand aan, alsof het hem grijpen en ver-
84
slinden wou. â En wat beteekenen de karakters, die daar in dat ovaal staan?quot;
âDat is zeker Hebreeuwsch,quot; zei Maurits: âen je zult het aan Dominee dienen te vragen.quot;
âIk heb er al op zitten turen,quot; zei deze: âdoch Hebreeuwsch of Arabisch is het niet: â ook geen Perzisch, als ik eerst meende: 't schijnen kabbalistische figuren te zijn, en om die te ontraadselen moet men tot geleerder lui zijn toevlucht nemen dan tot mij.quot;
âDominee heeft gelijk,quot; zei Drenkelaer: âen wat zij beteekenen schijnt te worden uitgelegd in een rijmpje, 't welk ik, in Gothische karakters, geschreven vond op een oud perkament, dat altijd bij den flacon bewaard werd en dat aldus luidt:
3n jijn oogcn Scit jijn ümnogcn.quot;
âZeldzaam!quot; zei Bettemie, halfluid en als voor zich zelve : â âmaar wat is er op de keerzijde? Daar heb ik nog niet op gelet.quot;
âEen allerliefst vrouwenportret,quot; zei Drenkelaer, glimlachende: âlaten al de dames 't getuigen.quot;
âO foei! Mijnheer houdt ons voor den gek?quot; zei Bettemie, toen zij in het stalen spiegeltje haar eigen aangezicht gewaarwerd.
âEr is een haakje ook aan,quot; merkte Klara op: âdat's gemakkelijk, als men 't op zij wil dragen: zoo'n flacon in de hand te moeten houden is op den duur heel lastig.quot;
âMogen wij dat bijou nu ook eens zien?quot; vroeg Mw. Van Doertoghe.
âWel natuurlijk,quot; zei Drenkelaer, het aan de Douairière brengende.
âNietwaar,quot; zei Mw. Van Hardestein, aan wie Drenkelaer het natuurlijk reeds vroeger had laten kijken, â't is allerliefst, en veel te mooi voor een heer. Ik heb ook al aan den Heer Drenkelaer gevraagd, of hij 't niet voor de fancy-fair zou afstaan; maar daar wil hii niet van hooren.quot;
85
âNatuurlijk niet,quot; zei Drenkelaer: âeen erfstuk, waar zich zoovele herinneringen aan hechten. En wist ik nog maar vooruit zeker, dat het in handen zou komen van iemand, als b. v. eene der hier aanwezige dames, die het op prijs zou weten te stellen! maar het lot is grillig en onrechtvaardig, en zou het misschien in handen spelen van den een of anderen kinkel: als b. v. van dien ruwen Majoor of die Verdronkelen, of zooals de vent heeten mag.quot;
âIk kan u geen ongelijk geven,quot; zei Bol: âmaar bestaat er werkelijk een overlevering aangaande dien flacon?quot;
âOngetwijfeld,quot; antwoordde Drenkelaer: âen dat is een mysterieuze geschiedenis.quot;
âEen mysterieuze geschiedenis!quot; herhaalden de dames als uit éénen mond. Eilieve! vertel ons die. Mijnheer Drenkelaer!quot;
âIndien het u aangenaam is, zeer gaarne,quot; hervatte deze: âziehier hoe het verhaal, dat mij gedaan werd, luidt: â Rombout Drenkelaer, een mijner voorouders, die in den tijd van den oorlog tegen Spanje leefde, was een zeeman, en zoomin als een van de zeerobben uit die eeuw, voor een klein geruchtje vervaard. Reeds meermalen was hij met het welgewapend vaartuig, waarmede hij op avonturen uitging en voortbrengselen van overzeesche gewesten naar 't vaderland bracht, met een schijnbaar sterkeren vijand slaags geweest, en telkens had hij er zich met kloekheid weten door te slaan. Eens echter gebeurde het, dat hij, door een drietal Marok-kaansche kapers overvallen, na een hardnekkig gevecht te kort schoot; zijn bodem zonk, en hij, na talrijke wonden bekomen te hebben, geraakte, met de zoodanigen onder zijn manschap als niet gesneuveld of verdronken waren, in de boei der onge-loovigen. â Over de harde slavernij, welke hij te lijden had, zal ik hier niet uitweiden: immers daarvan zijn mij geen bijzonderheden ter oore gekomen; ik zou alzoo mijn phantasie moeten laten werken, die mij waarschijnlijk in den steek zou laten. Wat ik vermelden moet is, dat hij eens, bij schemeravond, in de nabijheid der wallen van Fez aan den veldarbeid bezig zijnde, een meisje zag, dat door een woesten Moor werd
86
meegesleept en schreiende om hulp riep. Mijn voorvader, zonder te bedenken, in welk gevaar hij zich stak, liep op den onverlaat toe en sloeg hem met het houweel, dat hij in de hand had, den kop te pletter. â Het meisje vergenoegde zich niet met haren redder dank te betuigen, zij lichtte haar sluier op en liet hem een gelaat zien van uitnemende bekoorlijkheid, waarna zij met een zilveren stem tot hem zeide: âindien gij ooit in gevaar komt, zoo wend u tot Izaak ben Manasse, den juwelier, en hij zal u hulp verleenen.quot; Met deze woorden ontsnapte zij, vluchtte naar de stad en liet Eombout alleen en als betooverd staan. Gelukkig had niemand zijn ontmoeting met den Muzelman gezien, anders ware hem zijn wakkere daad slecht bekomen. âWel!quot; dacht hij, âzoo ik hulp moet vragen, waarom dan niet dadelijk?quot; en meteen, het lijk van den weg af in een bijgelegen boschje sleepende, ontdeed hij het van zijn kleederen, en trok die zelf aan, zijn slavenketen onder de wijde plooien van den kaftan verbergende. In deze vermomming begaf hij zich naar de stad en naar het welbekende huis van den Joodschen juwelier. Deze, vreesachtig van aard als die zijner natie in 't algemeen zijn, vooral bij avond, en in een plaats, waar zij voortdurend aan de luimen van 't gruwzaamste despotisme zijn blootgesteld, weigerde eerst hem te ontvangen; doch vernemende wat den andere tot hem bracht, veranderde hij geheel van houding, noodigde hem binnen te komen, en vroeg hem, wat hij voor den redder zijner dochter kon doen. Mijn voorvader gaf hierop ten antwoord, dat de slavernij hem verdroot, en dat, zoo de juwelier hem de middelen ter ontvluchting aan de hand kon doen, hij hem daarvoor levenslang dankbaar wezen zou. Op 't hooren van zulk een onderstelling sloeg de oude Izaak, als van zelf spreekt, de handen van verbazing en vertwijfeling ineen, en zwoer, dat alle poging daartoe niet alleen ijdele dwaasheid wezen zou, maar bovendien hem, Izaak, en de zijnen, in 't verderf zou helpen. Hij wilde echter den vluchteling, nu die eenmaal zijn drempel betreden had, niet afwijzen, en daarom hield hij hem ten zijnent verborgen, tot zoo lang.
87
dat de nasporingen naar den vermisten slaaf vruchteloos afge-loopen en opgegeven waren. Rombout had het in zijn schuilplaats niet kwaad: hij kreeg smakelijker eten en drinken dan hij in de laatste maanden genoten had, en â het werd hem bezorgd door de schoone Lea. Dat hij bij den eersten aanblik op haar verliefd was geworden heb ik reeds gezegd; dat zij 't op haar redder werd zal een ieder begrijpen: 't behoort zoo in de schoone orde der dingen en anders zou mijn vertelling geen vertelling zijn. Kort en goed, zij wist haar vader te beduiden, Rombout, wiens gelaatskleur zij door middel van eenige geheime tincturen en door 't wegscheren van zijn baard geheel onkenbaar gemaakt had, voor een bloedverwant van hen te doen doorgaan, die hem in zijn winkel was komen behulpzaam zijn; â en niemand was er, die van het bedrog iets bemerkte. Zoo bracht Rombout ruim een jaar zoo rustig mogelijk door, en zoo gelukkig als hem de liefde van Lea maken kon. Maar toch is Fez Amsterdam niet, en hij bleef naar zijn vaderland en de vrijheid verlangen. Met andere gevangenen, die hij niet naliet nu en dan te ontmoeten, smeedde hij het ontwerp om zich meester te maken van een visschers-boot, die op een afgelegen hoek lag, die te bemannen en op goed fortuin in zee te steken. De oogen der liefde zien scherp, naar men zegt, en het plan was niet zoo geheim overlegd, of Lea kreeg er de lucht van. Op den avond zei ven van den nacht, waarin het volvoerd zou worden, trad zij voor haren geliefde en sprak; âgij wilt mij verlaten, Nathan!quot; âzoo werd mijn voorvader daar aan huis genoemd â âen ik heb dit reeds lang verwacht en vermoed, doch mijn vermoeden is nu tot zekerheid gestegen. Ook is het zóó beter; want tot heden heeft mijn vader niets van onze liefde bespeurd; en hij zou het besterven, indien hij immer te weten kwam, dat zijn dochter een Nazarener beminde. Daarom heb ik gezwegen en uw ontwerp niet tegengewerkt, maar het zelfs willen bevorderen. In de hut van den ouden Aaron, op een boogscheuts afstand van de plaats waar de boot ligt, in welke gij u gaat inschepen, is op mijn last een voorraad neergelegd van
Meeren en eetwaren, die u en uw manschap op de reis van dienst kunnen zijn en die hij u op het vertoon van deze cedel zal uitleveren. Bedank mij niet, ik zal uw vertrek niet overleven; doch de dood is verkieslijk boven de schande en den vloek eens vaders. Maar gij, als gij in het koude Noorden en bij uw vrienden zijt teruggekeerd, denk dan eens aan de arme Lea, en hoe lief zij u had. En,quot; vervolgde zij, terwijl zij dezen zelfden flacon, die aan een gouden ketting aan hare zijde hing, losgespte, âom u dit gemakkelijker te maken, zoo neem dit reukfleschje met u: het is een talisman, door mijn grootvader Manasse ben Izaak gemaakt, een man, die volleerd was in zijn vak als juwelier, maar ook bovendien in de geheime kunsten, welke slechts weinigen geschonken worden. Zoo dikwijls gij 't oog slaat in het verborgen spiegeltje aan deze zijde, zult gij er mijn beeltenis in zien; en zoo gij in een onderneming slagen wilt, zoo hebt gij slechts de geuren op-te snuiven, in dit fleschje vervat en daarbij driemalen de spreuk met luider stemme te herhalen, die ik u leeren zal en die daarop gegrift staat.quot; â En hierop zeide zij hem de spreuk voor en liet hem die nazeggen, tot hij ze van buiten kende. Of nu het afscheid lang duurde, of Rombout heel veel aandoenlijke woorden en betuigingen daarbij gebruikte, of Lea zich goed hield tot het laatst, dan of zij flauw viel, van dat alles weet ik niets. Zeker is het, dat onze zeeman nog dienzelfden nacht met zijn makkers op de verzamelplaats kwam en alles in de hut van Aaron vond gelijk Lea gezegd had: en, wat meer is, de gelegenheid had van de deugd der hem gedane gift te beproeven. Immers, toen zij zich met den gevonden voorraad van de hut naar de kreek begaven, waar zij de boot moesten vinden, zagen zij over de vlakte een drom Moorsche ruiters aankomen. Natuurlijk veroorzaakte dit bij hen een doodelijke ontsteltenis en waren zij zoogoed als overtuigd ontdekt te worden; doch nadat Rombout het reukfleschje aan zijn neus gebracht en de sacramenteele woorden gesproken had, nam de ruitertroep plotseling een andere richting en verdween achter een heuvel uit hun gezicht. Onze
89
vluchtelingen vonden de boot op hare plaats en geraakten gelukkig in zee. Hier bleef de fortuin mijn voorvader gunstig: na eenige dagen zwervens ontmoette hun vaartuig een Hol-landsch schip, dat hem en zijn makkers aan boord nam en behouden in 't vaderland bracht. Ook in zijn verdere lotgevallen liep het hem steeds mede; wat hij niet naliet aan de kracht van Lea's talisman toe te schrijven; â doch het merkwaardigste van de zaak is, dat hij werkelijk, eenige reizen aan boord het medaillon openende, telkens het gelaat van Lea aanschouwd had, hem vriendelijk tegenlachende, doch telkens veranderd en bleeker, maar dat, toen hij, nauwelijks thuis gekomen, lust kreeg, nogmaals haar te aanschouwen, die hem met zooveel zelfverloochening gered had, hij niets anders zag dan .... schrikt niet Dames .... een doodshoofd!quot;
âO foei! welk een akelig end!quot; riep de Freule Van Spor-kelberghe.
â't Is zeker een vreemd verhaal,quot; zei Bol, vrij onzeker, of het verhaal een verzinsel van Drenkelaer was, dan werkelijk op een overlevering berustte, en, zoo ja, wat de verhaler er zelf van geloofde, en terwijl zijn blik de oplossing van dit raadsel op diens gelaat poogde uit te vorschen.
âIn allen gevalle is de moraal er van,quot; merkte Eylar aan: âdat een vrouw tot grooter offers in staat is dan een man.quot;
âAlsof dat nog bewijzen behoefde,quot; zei madame mère, de schouders ophalende.
âNeen voorwaar niet,quot; galmde Mw. Mietje na, met een diepe zucht.
âMaar zeg eens, Drenkelaer, heeft de spreuk haar kracht behouden?quot; vroeg Maurits.
âWaarschijnlijk niet,quot; zei Bol: âwant dan zou Mijnheer immers nu al voor 't minst voorzitter van een Hof zijn.quot;
âWat de spreuk betreft,quot; zei Drenkelaer, âhet schijnt, dat die in de oorspronkelijke taal der Kabbala dient te worden uitgesproken, en waarschijnlijk wel op een bepaalden toon; en ongelukkig is die bij de familie in 't vergeetboek geraakt. Maar men moet niet vergeten, dat, al kon ik de woorden der spreuk
90
even mooi en naar den eisch uitspreken als wijlen Agricola of Cagliostro, dit nog op zich zelf niet genoeg zou wezen: men moet tevens aan 't üeschje ruiken; en helaas! de geheimzinnige toovergeur, die er Manasse ben Izaak had ingedaan, is lang vervlogen, en wat ik er nu in kan aanbieden is niet anders dan de onschuldige geuren, die Jean Marie Farina bereidt.quot;
â't Is waarlijk gelukkig,quot; zei Juffrouw Leentje, âmaar ik hoop toch, dat Mijnheer Drenkelaer een te goed Christen is, dan dat hij zich zou willen afgeven met zulke duivelskunstenarijen, als die oude toovenaar van een Jood er aan had ten koste gelegd.quot;
â't Is wonder, dat uw voorvader niet wegens hekserij vervolgd is,quot; merkte Bol glimlachend aan: âmaar hij zal gewis de zaak niet rondverteld hebben.quot;
âNoch zijn zoon ook niet,quot; zei Drenkelaer: âanders ware hij stellig geen Burgemeester te Schoonhoven geworden.quot;
âIk vertrouw,quot; zei Mw. Van Doertoghe, op wie deze herinnering van zijn patricische afkomst, door Drenkelaer in 't voorbijgaan met inzicht tusschenbeide geworpen, haar uitwerking niet miste, âdat de Drenkelaers altijd te respectabele lieden zijn geweest om zich met zulke heidensche tooverkun-sten bezig te houden.quot;
âMet dat al,quot; zei Freule Klara, âals ik de historie van dien flacon vooruit geweten had, ik zou er niet aan hebben durven ruiken.quot;
âEn ik zou niet in dat spiegeltje hebben durven kijken.quot;
âGelukkig,quot; fluisterde Maurits, âheeft Juffrouw Zevenster er niets in kunnen zien dan wat lief en bevallig is.quot;
âMaar Juffrouw Zevenster heeft in het too verspiegeltje niet gekeken,quot; zei Drenkelaer: ânoch eene van de dames:quot; en meteen den flacon aan Esther Prawley, die hem 't laatst in handen gekregen had, terugvragende, opende hij met den nagel het ivoren ovaal, waarop de karakters stonden, en toen, den flacon aan Nicolette voorhoudende: âziehier den tooverspiegel,quot; zei hij.
Zoo snel en onverwacht was deze beweging geweest, dat
91
Nicolette een half gesmoorden gil deed hooren en achteruit-schrikte, als had zij het gevreesde doodshoofd voor zich gezien. Niets is aanstekelijker dan de schrik, en zoo konden ook Klara Van Sporkelberghe en Jeannette Fix zich niet weerhouden een schreeuw te geven en zich met haar stoelen terug te trekken.
âIk verzoek wel om verschooning,quot; zei Drenkelaer; âhet was myn bedoeling niet, de dames eenige vrees aan te jagen. Wanneer zij het voorwerp van naderbij willen beschouwen, zullen zij zich kunnen overtuigen, dat er niets vervaarlijks aan te bespeuren is.quot;
âNeen, ik moet verschooning vragen,quot; zei Nicolette, terwijl zij den flacon in de hand nam; âik was kinderachtig en had moeten begrijpen, dat die heele historie niet anders is dan een grap.quot;
âZoo! dus geloof je niet aan mijn vertelling?quot; vroeg Drenkelaer.
âOm u de waarheid te zeggen, neen.quot; antwoordde Nicolette: âen zie eens. Freule! 't Is niet eens een spiegel, 't is een marmeren plaatje en anders niet.quot;
âO neen! ik bedank u,quot; zei Klara: âik kijk er voor geen geld in.quot;
âLaat mij dien talisman nog eens zien,quot; zei Bettemie, die met inspanning naar het verhaal van Drenkelaer geluisterd, en, na dien tijd, peinzende en in haar zelve gekeerd gezeten had, zonder zich te bekommeren om wat er voorviel om haar heen: âja!quot; vervolgde zij, nadat zij een tijd lang op het plaatje had zitten turen: â't is inderdaad slechts een steenen plaat, en die door den tijd versleten is: maar toch! als men er lang op kijkt, is het, of men er diepten in ziet, waarin zich phan-tastische figuren vormen, die langzamerhand lichaam en beweging krijgen; 't is. ...quot; hier zweeg zij plotseling: en zwijgend sloeg zij het plaatje dicht en gaf het aan Drenkelaer terug, â't Is,quot; zei zij eenige oogenblikken later, en als om een afleiding te geven of aan haar eigen gedachten, of aan de sombere stilte, die zich op eens van het gezelschap had meester gemaakt en alleen gestoord werd door het snurken van den
92
Heer Van Bloff, die onder 't praten in slaap was gevallen : â't is in allen gevalle een keurig bewerkt voorwerp, en dat elke vrouw, die de historie niet kent of zich niet door hersenschimmige vrees beheerschen laat, u benijden moet.quot;
âDat wil ik wel gelooven,quot; zei Drenkelaer, die ook begreep, dat het gesprek een andere wending nemen moest: âwant de meeste flacons, die de dames thans hebben, zijn fabriekswerk, en deze â wat er dan van de malle historie zij â is in allen gevalle uit de hand gemaakt.quot;
âWel!quot; viel Maurits in: âis men er dan niet in geslaagd, juist door de verbetering van 't fabriekswezen en de eindelooze nieuwe hulpmiddelen, die men tot verlichting van den arbeid heeft uitgevonden, alle voorwerpen meer volkomen te maken dan zij vroeger waren?quot;
âMeer volkomen, ja,quot; antwoordde Drenkelaer: âzoo men daaronder verstaat, dat zij misschien gladder, netter en vooral goedkooper zijn; maar dat zij 't in smaak, duurzaamheid en innerlijke waarde zouden winnen van degene, die men vroeger maakte, dat geef ik niet toe.quot;
âWel zie!quot; zeide Maurits: âik heb je altoos voor een advocaat van den vooruitgang gehouden, en nu prijs je den verleden tijd ten koste van den tegenwoordigen.quot;
âEen advocaat van den vooruitgang!quot; dacht Drenkelaar bij zich zeiven: âja, in den Marlheimer Bode, â maar hier, dat 's een ander geval:quot; en overluid vervolgde hij: âmen kan den vooruitgang prijzen en verlangen, zonder daarom blind te zijn voor de offers, die men er aan moet brengen. Als men in onze materiëele eeuw alles aanwendt om veel genot te hebben voor weinig geld, dan moet men zich dat wel getroosten ten koste van het gehalte en de waarde van hetgeen men krijgt.quot;
âIk geloof,quot; merkte Eylar aan: âdat Mijnheer Drenkelaer op weg is, een paradox op te werpen. Pas op. Dominee! men schiet onder uwe duiven.quot;
âIk zou geenszins,quot; zei Bol: âhet recht van paradoxaal te schijnen willen monopoliseeren, en ik luister al met bei mijn
93
ooren, hoe Mijnheer de stelling, die hij aanvoert, zal verdedigen.quot;
Deze woorden van Bol vestigden de opmerkzaamheid der aanwezigen op de zaak; alle bijzondere gesprekken hielden plotseling op en aller oogen waren op Drenkelaer gevestigd.
âWel!quot; zei deze: âDominee zou mij waarlijk verlegen maken: ik heb niets gezeid, noch zou iets weten te zeggen, dat de algemeene aandacht waardig ware, en een thesis te defendeeren: dat ging goed toen ik student was, in de gehoorzaal der academie, of op 't dispuutgezelschap; â maar dat zou de dames spoedig vervelen.quot;
âNeen, neen,quot; zei madame mère: âwij willen wel eens hooren wat je zult in 't midden brengen, om te bewijzen, dat men vroeger beter werk leverde dan nu.quot;
âJe komt er zoo niet af, Mijnheer!quot; zei Bettemie: âen als je onthouden hebt, wat wij laatst op Hardestein al bepraat hebben, dan zul je je herinneren, dat wij vrouwen ook wel gaarne eens over iets hooren spreken, dat de moeite waardig is om naar te luisteren.quot;
âIk kan niet anders,quot; zei Drenkelaer, zich buigende: âdan de Freule danken voor de onderstelling, dat ik in staat zou wezen zoo iets te leveren; doch ik moet beginnen met de betuiging, dat mij dit in elk geval zeer zwaar zou vallen, zoolang ik het woord alleen moest voeren, en geen tegenwerpingen te beantwoorden had. Ik wil intusschen beginnen met aan den Heer luitenant van de artillerie te zeggen, dat ik gaarne gelooven wil, dat de kanonnen en andere middelen van vernieling veel verder dragen en veel grooter ravage maken dan die, welke onze voorouders gebruikten, en dat ik hem dus vriendelijk verzoek, die argumenten ad hominem maar in de tuighuizen te laten.quot;
âIk geef u mijn woord,quot; zei Maurits, lachende: âdat ik volstrekt geen plan had, kanonnen los te branden, en ze dus â¢ook niet als argumenten denk te gebruiken.quot;
âWat praten ze toch van kanonnen?quot; vroeg de oude huis-generaal, die intusschen ontwaakt was, en wiens ooren.
94
ofschoon hij wat doof was, zich toch spitsten, toen het woord âkanonnenquot; gebezigd werd. âEen oud voerman hoort gaarne het klappen van de zweep.quot;
âZij zeggen, dat zij er n ie t over zullen praten,quot; antwoordde Mw. Van Hardestein, tot wie de vraag gericht was.
âHa! zoo!quot; hernam de Heer Van Bloff, en verviel weer in zijn vorige dommeligheid.
âMijn bewering,quot; hernam Drenkelaer, geldt meer bepaald voorwerpen van dagelijksch gebruik, en vooral die van smaak.quot;
âO! ik wil u dadelijk toegeven,quot; zei Maurits, âdat een baret met een veer een fraaier hoofdtooisel was dan een kachelpijp en een Spaansche kraag en mantel beter stonden dan een witte das met dito boordjes en een paletot.quot;
âMaar dat is de vraag niet, Maurits,quot; zei Bettemie: âer wordt gehandeld over gelijksoortige voorwerpen, en dan moet er onderzocht worden, of men b. v. een schoen, een kous, een meubelstuk, een halssieraad, 't zelfde wat, nu beter en fraaier vervaardigt dan vroeger.quot;
âVoorwaar!quot; zei Bol; âBettemie kwijt zich voortreffelijk van de rol van den Professor bij 't dispuut, en waarschuwt wie van den tekst afdwaalt.quot;
âMocht dat waar zijn,quot; zei Drenkelaer: âik liet mijn substituutschap varen en ging weer van voren af aan studeeren.quot;
Bettemie had even gekleurd bij de woorden van Bol, die, hoewel in scherts gesproken, toch een gevoel bij haar deden oprijzen, als had hij haar willen berispen, dat zij met wat te groote vrijmoedigheid in den gerezen woordentwist was tusschen-beide getreden. Nog sterker bloosde zij bij het vleiend gezegde van Drenkelaer, dat, hoewel insgelijks op schertsenden toon gesproken, toch, door den vriendelijken blik, waarmede het vergezeld ging, kon worden opgenomen als iets meer dan een gewoon compliment: dat gezegde intusschen, ernst of scherts, was haar niet onaangenaam; want het was in elk geval een pleister op het wondje, dat haar eigenliefde ontvangen had.
âDe Freule heeft gelijk in haar terechtwijzing,quot; zei Mau-
95
rits, het gesprek hervattende: âen ik was misschien niet op het terrein gebleven, waar onze redetwist op gevoerd moet worden; maar om bij het punt in geschil te blijven: wanneer Drenkelaer mij blijkbaar toegeeft, dat die kanonnen, waar hij met reden zoo bang voor is, omdat ze een doodend argument tegen hem zijn, dat, zeg ik, die kanonnen nu in alle opzichten beter worden gemaakt dan vroeger, waarom zou dan niet evenzeer hetzelfde plaats hebben ten opzichte van alle andere zaken, waar zich het menschelijk verstand mede bezig houdt? Zou de kunst dan maar met betrekking tot ééne soort van voorwerpen zijn vooruitgegaan?quot;
âVergun mij eene vraag,quot; zei Drenkelaer; âis men niet algemeen in de weer om zich meubelen en sieraden uit een vroeger tijdperk aan te schaffen? en betaalt men die niet duurder dan voorwerpen van gelijken aard, die nieuw van de fabriek of werkplaats komen?quot;
âOmdat het oude nu eenmaal in de mode is,quot; antwoordde Maurits, de schouders ophalende: âdat is een smaak, die voorbij zal gaan, evenals de manie, die men in 't begin dezer eeuw had, om de Grieken en Romeinen na te volgen.quot;
âGoed!quot; hernam Drenkelaer: âmaar waarom deed men dat? om dezelfde reden als waarom men nu aan den renaissancestijl de voorkeur geeft: omdat het bestaande niet voldoet, en men het gevoel bij zich omdraagt, dat de voorwerpen uit vroegeren tijd fraaier zijn en een karakter bezitten, dat die van onzen tijd missen. Laat iemand zijn zaal meubileeren met het nieuwste en rijkste, dat de hedendaagsche magazijnen kunnen opleveren: over tien jaren is al die pracht leelijk in zijn oogen geworden: en zeer stellig zal er nimmer een eeuw komen, waarin men ten opzichte van de onze doet, wat de onze doet ten opzichte van vroegere eeuwen, en haar voortbrengselen ophoopt of nabootst. â Waar hebben al de vorderingen in het fabriekswezen toe geleid? Tot niets anders, dan dat men nu sneller, en in grootere hoeveelheden dan vroeger, fabriekswerk maakt; maar het blijft dan ook maar fabriekswerk. Wat werktuigen teweegbrengen kan nimmer die
96
volkomenheid bezitten als hetgeen door handenarbeid wordt gemaakt.quot;
âEn dat waarom niet?quot; vroeg Maurits: âals de moules, de patronen, goed, zuiver en fraai zijn, dan moet het werk, dat voor den dag komt, het immers ook zijn.quot;
âVooreerst,quot; hervatte Drenkelaer, âontken ik, dat de grondvormen in den regel eenige waarde hebben, en ten andere wordt bij allen fabrieksarbeid gemist wat niets ooit vergoeden kan, dat is de bezieling. Wat uit de fabriek komt staat tegenover hetgeen door menschenhanden te voorschijn is gebracht als nagedrukte prenten tegenover een schilderij. Neem de keurigste en kostbaarste zijden stof van Lyon, en leg ze naast een weefsel, dat in Perzië of Hindostan vervaardigd werd: de Lyonsche stof zal glad, glanzend, kleurrijk, oogverblindend zijn; uw hand, als zij er overheen strijkt, zal geen enkelen losgesprongen draad, geen enkelen bobbel of knoop voelen, terwijl zij daarentegen op het Oostersche weefsel talrijke oneffenheden, ja blijkbare fouten zal ontmoeten; en toch â vergelijk ze te zamen, en ik wed, dat al de dames, hier tegenwoordig, de voorkeur geven aan het laatste: en dat niet alleen om de niet te evenaren fijnheid van het weefsel, maar ook vooral om de harmonie, die in de kleurschakeering heerscht, en die gedeeltelijk te danken is aan die zoogenaamde fouten zelve: juist de oneffenheden, en die, hier en daar uitspringende, met een knoop voorziene draadjes spreiden over 't geheel iets vlokkigs, iets wolligs, dat er het bekoorlijke van uitmaakt en dat het fabriekwerktuig wel machtig ware te doen verdwijnen, maar nimmer na te bootsen.quot;
âIk geloof, dat Mijnheer gelijk heeft,quot; zei Mw. Van Doertoghe, die met goedkeurende belangstelling had zitten luisteren naaiden jongeling, die, door tegen het nieuwerwetsche uit te varen, zoo geheel naar haar hart sprak: âen ik zou terstond een voorwerp kunnen leveren, dat, geloof ik, zijn bewering ondersteunen zou. Och! lieve Emma! krijg eens even mijn krippen sjaal, die daar achter u over dien stoel hangt: die heeft mijn oom, die ambassadeur te Konstantinopel was, mij nog, toen
[3
-
97
ik op trouwen stond, meegebracht; â en ik zet het alle fabrieken, iets te leveren, dat maar in de verste verte bij het ding kan halen, zoo oud als het is.quot;
Het voorwerp, door Emma Prawley voor den dag gehaald, ging bij de dames rond, die natuurlijk, 't zij ze 't meenden of niet, wel moesten toegeven, dat Mevrouw er niets te veel van gezegd had.
âWanneer de dames zich ook aan de zijde van Drenkelaer scharen,quot; zei Maurits, âdan ben ik een verloren man, maar wat zeit Dominee van de quaestie ?quot; Bij deze vraag zag hij Bol half smeekend aan, als hoopte hij, dat die, misschien uit zucht tot redetwisten, genegen zou zijn de beweringen van Drenkelaer te bestrijden. Maar het antwoord van Bol bewees hem spoedig, dat hij zich deerlijk had vergist.
âHet spijt mij,quot; zei de Predikant; âmaar ik moet u afvallen. Het is een waarheid, op ervaring gegrond, dat elke vooruitgang, al brengt die nog zooveel goeds aan, zijn schaduwzijde heeft, en dat het materieel genot wel niet kan verkregen worden dan ten koste van het esthetisch genot, Zoo is er niets gemakkelijker dan te bewijzen, dat, naarmate de werktuigen vermeerderd en verbeterd zijn geworden, de kunst al meer is achteruitgegaan. Heugt het u nog, Maurits, toen wij voor vier jaren te Parijs waren en wij het Louvre bezochten, iioe je toen verrukt waart bij het zien van dat glaswerk van Memphis, goudgeel en donkergroen gestreept en met sterren bezaaid en dat drie duizend jaren en meer oud is? en die donkerblauwe, met wit en geel gevlamde fiolen uit denzelfden tijd, die alles overtreffen wat Venetië in zijn besten tijd geleverd heeft? â Dat emailleeren, dat verglazen en verlakken, waar men thans mee bluft, was al onder de Farao's en onder Nebucadnesar bekend, en men verstond er zich vrij wat beter op dan heden ten dage. Die begoochelende kunst om metalen, glas, gebakken aarde, ja zelfs hout te emailleeren met de heerlijkste kleuren, met karmozijn, turkooisblauw, lazuur, zwart, wit violet, in één woord met de kleuren van elk metaal, vindt men overal terug in de potten en lijfsieraden van Thebe
II. - K. Z. 7
98
en Memphis, in het glaswerk van Tyrus en Sidon, op de baksteenen van Ninevé en Babel: en, als wij die kostbare industrie zien toegepast op gebouwen en op voorwerpen van dagelijksch gebruik, hoeveel heerlijker moeten dan niet de werken geweest zijn, aan weelde en comfort gewijd? De Fenicische flacons, die de gedaante van vogels hadden, met inschriften van alle kleuren en die in hun vormen de zeldzaamste schakeeringen van de edelgesteenten opleverden, of die van gouden weerschijn schitterden, al dat keurig Fenicisch glaswerk, zoo edel van vorm, zoo zacht van tinten, en waarin de fijnste sieraden op zoo onverklaarbare wijze zijn ingeblazen, overtreffen al wat een latere tijd heeft kunnen voortbrengen, en waarom? omdat in het Oosten ieder man een geboren werkman, en ieder werkman een kunstenaar is. Zie maar, hoe de arme Javaan, die nooit onderwijs in eenig vak van kunst of wetenschap genoten heeft, uit een gulden, met geen ander werktuig dan zijn zakmes, een hengelmandje, een bloem, een vogelkooi of ander voorwerp weet te snijden, even bevallig van vorm als kunstig van bewerking, en hoedanig geen fabrikant het na zal maken.quot;
âJa,quot; zei Mw. Mietje, âdat is waar; Mijnheer Van Donia heeft, toen ik met Louis geëngageerd was, hem een heele verzameling van dergelijke aardigheden voor mij gezonden, en die allerliefst zijn.quot;
âEn nu,quot; ging Bol voort, âwat moest uit den aard der zake allengskens het gevolg zijn van de uitvinding en van het meer en meer in gebruik komen der werktuigen ? dat het levenlooze vermogen meer en meer de plaats innam van de denkende kracht: dat waar men hetzelfde doel, zonder zorg, zonder moeite, zonder inspanning meende te kunnen bereiken, men van zelf, tevens met de overleveringen der kunst, alle bekwaamheid en oefening verloor. Intusschen, nog eeuwen lang duurde het, dat de werktuigen slechts gedeeltelijk en alleen als voorbereidende hulpmiddelen gebezigd werden, en het beschaven, het voltooien, niet dan door menschenhanden geschiedde, 't Was met alle ambachten en bedrijven als met
99
dat van den beeldhouwer, die wel gedoogt, dat het beeld, 't welk hij leveren moet, op geheel werktuiglijke wijze, overeenkomstig vaste afmetingen, uit het steen gehakt wordt, maar die zelf er de laatste hand aan legt en er bezieling aan schenkt. â De geheimen van de kunst, de middelen, met behulp waarvan het werk gelukken moest, en bevalligheid, welstand, harmonie verkrijgen kon, waren nog niet geheel verloren gegaan, en zij werden door den schranderen en han-digen meester toevertrouwd aan den schranderen en handigen gezel. Maar nu werden de gilden afgeschaft: de traditioneele onderwijzing ging te niet, de geheimen van 't vak raakten verloren: en weldra miste men de ervaring, zoowel als de praktijk. Meer en meer verdrongen sedert dien tijd de werktuigen den handenarbeid, en de gemakkelijkheid, waarmede thans alles wordt voortgebracht en nageaapt, vermeerdert dag aan dag de heerschende anarchie op 't gebied der kunst. Wie denkt er nog aan, dat, waar 't meubelen, waar 't klee-dingstukken, waar 't huisraad geldt, de harmonie der vormen evengoed geraadpleegd moet worden, als die der kleuren, waar 't een schilderij betreft? Onze voorouders lieten nooit na, daar acht op te slaan, en vandaar de pronkstukken die zij ons nalieten, en die nog den trots uitmaken van de gezinnen, waarin zij bewaard zijn gebleven. De hedenclaagsche weelde poogt ze vergeefs te vervangen, door meubels, vazen, pendules en allerlei burgerlijke pracht, waar een mensch van schrikt, doch al die overdaad van sieraden en kleuren, al dat fluweel en verguldsel, al die snuisterijen en snorrepijpen op schoorsteenmantels en étagères, al die rommel in één woord, die èn stijl èn grootheid, maar die vooral alle karakter mist, wordt van zijn plaats genomen en achteraf gebracht, zonder dat iemand het merkt, en laat geen enkele herinnering achter.quot;
âDominee, je thee wordt koud,quot; merkte Esther Prawley aan, hem op het half gevulde kopje wijzende, dat hij, al doorpratende, in de hand gehouden had.
âEn zeer terecht herinner je mij,quot; zei Bol, terwijl hij zich haastte het kopje leeg te drinken, âdat ik hier niet genoodigd
100
ben, om dissertaties te houden over t verval van de kunst, maar om vergast te worden op de ons beloofde muziek. Maar wat wil je? 't Is nu eenmaal mijn vak om alleen te praten, en ik vergeet al te dikwijls, dat, wanneer ik 's Zondags, tot tweemalen toe, de lieden noodzaak een uur lang naar mij te luisteren, zonder dat zij een woordje mee mogen praten, ik hen ten minste in de week van mijn preeken verschoonen moest.quot;
âO! Dominee weet wel, dat wij altijd graag naar hem luisteren, 't zij dan 's Zondags of in de week,quot; zei Esther, terwijl zij het kopje aannam, dat hij haar toereikte: âzal Dominee nog een kopje gebruiken?quot;
Bol boog zich en gaf een ontkennend antwoord, 't zij dat hy werkelijk geen dorst meer had, 't zü, dat hy aan den flauwen toon, waarop de vraag gedaan werd, zeer goed de meening der vraagster bespeuren kon, dat het tijd was, over te gaan tot hetgeen eigenlijk het doel was der samenkomst. quot;Werkelijk haastte zij zich, het theegoed te laten wegnemen, de piano open te slaan, en aan Nicolette, die, op de daartoe vooraf gedane uitnoodiging, haar muziek had meegebracht, het verzoek te richten, om het gezelschap op een staaltje van haar bekwaamheid te onthalen.
âIk ben niet genoeg in de kunst gevorderd om mij te laten bidden,quot; zei Nicolette; âmaar ik verzoek de Dames, wel te willen bedenken, dat ik nog nooit voor âde menschenquot; gespeeld heb.quot;
.,Je hebt met geen strenge critici te doen,quot; zei Eylar, âen ..de menschenquot; zullen indulgentie hebben voor de debutante.quot;
Onder deze bemoedigende woorden gevoelde Nicolette toch een weinig angst, toen zij, binnengetreden, zich aan het speeltuig zette. Nauwelijks echter was zij door de eerste noten heen van een sonate, die zij dikwijls genoeg gespeeld had om gerust te wezen, dat zij niet zou haperen of zij voelde dat haar vrees geweken was. De piano was van vrij wat beter allooi dan het hakkebord bij Mw. Zilverman, waar zij de kunst
101
op geleerd had, en de omstandigheid, dat zij er natuurlijk ook welluidender tonen uit haalde, dan zij gewoon was te hooren, had het gevolg, dat zij zich zelve beter dan anders voldeed. Zij speelde dan ook met steeds klimmende gerustheid en genoegen door, en had, toen zij aan het einde gekomen was, de voldoening, te bemerken, dat de betuigingen van tevredenheid, haar door de toehoorders gedaan, iets meer waren dan uitdrukkingen van loutere beleefdheid.
âIk bedank je wel. Juffrouw Zevenster,quot; zei EmmaPrawley; âwaarlijk, indien dit je debuut is, dan is het al heel gelukkig uitgevallen.quot;
â't Was charmant.quot; zei madame mère, âen je moogt in 't vervolg weer voor âde menschenquot; spelen.quot;
âIk zou,quot; zei Drenkelaer, âde Juffrouw ten minste niet raden het voor âde dierenquot; te doen; zij mocht ze eens tot zich lokken, als wijlen Orpheus, en zoo'n arke Noachs om zich heen te krijgen zou wel wat lastig kunnen zijn.quot;
Hier naderde Mw. Mietje haar schoonbroeder Maurits, die, tegen de deur geleund, de oogen in stille bewondering op Nicolette gevestigd hield, en fluisterde hem met zuurzoete stem in het oor:
âZij heeft veel talent, en dat is gelukkig voor haar: zoo zal zij gemakkelijker een conditie krijgen.quot;
â't Is te hopen,quot; mompelde Maurits, maar half gesticht met de toespeling, welke zijn schoonzuster op Nicolettes maat-schappelijken toestand maakte, en waarvan de strekking hem niet ontging.
Na Nicolette kwam de beurt aan Klara Van Sporkelberghe, die blijken gaf, zoo niet van eenig muzikaal gevoel, dan althans van getrouwe studie; immers zij speelde het muziekstuk, dat zij medegenomen had, volkomen onberispelijk, en de lof, haar deswege toegezwaaid, was dan ook in alleii deele verdiend. Na haar moesten de Dames Prawley wel gehoor geven aan den wensch der gasten, om ook hare gaven te doen hooren, en onthaalden het gezelschap op een quatre-mains uit Norma, dat treffelijk werd uitgevoerd. Maar nu maakte Mw. Van Doer-
102
toghe de opmerking, dat op een muziekpartij niet alleen gespeeld, maar ook gezongen behoorde te worden, en dat de Jonker Van Eylar wel heusch genoeg zou zijn, om, nu de dames hem op haar pianospel vergast hadden, zulks te betalen door eens voor haar te zingen.
âIk heb er in lang niets aan gedaan,quot; zei Maurits: âdoch ik wil het nog wel eens beproeven.quot;
En terstond aanheffende, zong hij met een welluidende stem de bekende aria;
Vainement Pharaon dans sa magnificence, enz.
âZiezoo,quot; zei hij, toen hij geëindigd had: âik heb het voorbeeld gegeven, en vertrouw, dat de Dames volgen zullen: daar is Freule Esther, of Freule Pancras, die wel zal willen beginnen: dat moedigt misschien anderen ook aan.quot; Hier zag hij zijdelings naar Nicolette, als wilde hij zeggen; âdie zingt zeker ook wel.quot;
âEerst de gasten,quot; zei Esther: âmijn zuster en ik kunnen ons van avond alleen beschouwen als de doublures aan den schouwburg, die inspringen als er gebrek is, en dat is gelukkig het geval niet. Nu Pietje! je zult wel zoo vriendelijk zijn om ons uit de verlegenheid te helpen.quot;
âAch! je weet,quot; zei Pietje Pancras, âdat ik alleen eenvoudige romannetjes zing: â en, meteen plaats nemende, zong zij, met een lief stemmetje, dat juist in harmonie was met de grootte van het vertrek, eenige vroolijke Fransche liedjes, die een aangename afwisseling teweegbrachten met de meer ernstige muziek, die men tot nog toe had gehoord.
âEn nu, Nicolette!quot; riep Bettemie, terwijl zij de hand op den schouder van haar nieuwe vriendin leide: âzij heeft mij laatst buiten pijn en banden bekend, dat zij bravour-aria's ge zongen had.quot;
âO foei!quot; zei Nicolette; âdat is niet mooi van u, Bettemie! â en bovendien, ik heb u alleen verteld, dat ik geprobeerd had, ze te zingen.quot;
Maar aan tegenspartelen viel bij de algemeene noodiging niet
103
te denken: en zelfs Bol, die, wat hem zeiven betrof, Nicolette reeds dikwijls genoeg had hooren zingen om overtuigd te zijn, dat het haar aan liefhebberij voor den zang niet ontbrak, â maar 't ook in haar belang niet onnoodig achtte, dat kenners haar hoorden en beoordeelden of zij werkelijk ook aanleg had voor den zang, moedigde haar aan, om aan 't verzoek te voldoen.
Zij plaatste zich dan voor de piano en zong de cavatine van Agathe uit de Freischütz.
Reeds de keuze van dat muziekstuk deed Bol goedkeurend tegen Eylar knikken: hij meende er een bewijs in te zien, dat hun pleegkind tact genoeg had om te beseffen, hoe het, in hare positie vooral, stof zou kunnen geven tot min vleiende aanmerkingen, misschien tot ondeugende spotternij, indien zij debuteerde, met een aria, waar veel van liefde in voorkwam, en daarom de voorkeur gegeven had aan een lied, dat desnoods in een kerk tot stichting der vromen kon worden aangeheven : â en 's mans tevredenheid klom, toen het ook hier dezelfde uitwerking deed: en de wijze, waarop Nicolette zich van haar taak kweet, kon ook niet wel een andere uitkomst hebben. Immers, deels omdat zij werkelijk begreep, dat een gebed niet te eenvoudig kan worden gezongen, deels, omdat zij zich niet dorst wagen aan zijsprongen, waar zij misschien niet met glans zou zijn afgekomen, zij bepaalde er zich bij, de muziek te zingen, zooals Weber die geschreven had, maar met een stem zoo zuiver als glas, en op een toon, die genoeg te kennen gaf, hoezeer zij in den geest van den componist gedrongen was en hoe haar hart instemde met de woorden van het lied.
Mocht alzoo iemand onder de toehoorders dat lied met meer kracht, met meer zwier, op kunstiger wijze, hebben hooren uitvoeren, zeker had het op geen hunner den indruk ooit gemaakt, dien het teweegbracht, zooals het nu in zijn reinen eenvoud werd voorgedragen. Men had geluisterd met diepe, met eerbiedige stilte, en, zelfs nadat de zangeres gezwegen had, duurde het nog een wijl, eer zich de opgewekte aandoening in een uitbarsting van bravo's lucht gaf.
104
â't Is jammer,quot; zei, toen het algemeen concert van toejuichingen en gelukwenschingen wat bedaard was, Mw. Mietje: â't is jammer, dat de kamer hier wat klein is: Juffrouw Zevenster heeft een stem van genoegzamen omvang om er een schouwburg- of concertzaal mee te vullen, en ik ben overtuigd, dat, als zij er zich op wilde toeleggen, zij zeer goed carrière zou maken als chanteuse, wat stellig voordeeliger zou wezen dan aan ondeugende kinderen les te geven.quot;
âMevrouw is al te vriendelijk en zou mij waarlijk ijdel maken,quot; zei Nicolette: âmaar toch, voor een groot publiek op te treden, daar zou ik wat tegen opzien.quot;
Bol keek Mw. Mietje meesmuilend aan: en, al kon hij het door haar gesprokene jnist niet aan âal te groote vriendelijkheidquot; toeschrijven, toch vond hij het niet kwaad, dat aan Ni-colette â zoowel als aan anderen â haar afhankelijke stelling herinnerd werd.
âEn heb je wel eens duo's gezongen. Juffrouw Zevenster?quot; vroeg Emma Prawley.
Het antwoord kwam er maar half verstaanbaar uit; maar toch, Nicolette moest aan de waarheid hulde doen: ja, zij had wel eens duo's gezongen, met den muziekmeester, en ook met den (getrouwden) broeder van Mw. Zilverman.
âEn wat ken je zoo al?quot; was de tweede vraag; âof zing je van 't blad?quot;
âHet laatste weet ik niet of ik wel zou durven ondernemen,quot; antwoordde Nicolette: âik heb het duo uit Guillaume Teil gezongen en een uit.. .
Maar eer zij nog had uitgesproken, had Esther Prawley reeds in de portefeuille van het jonge meisje gesnuffeld, en er de muziek van het genoemde duo uitgehaald en tegen den lessenaar gespreid: âziezoo!quot; zeide zij toen: âals Maurits nu de partij van Arnold zingen wil, dan zi]n wij klaar.quot;
â0! dat zal hij gaarne doen,quot; zei Mw. Van Hardestein: âdie kent hij als zijn a-b-c.quot;
âEn zingt die magnifiek,quot; voegde Drenkelaer er bij: âik
105
heb hem die eens te Marlheim met de dochter van den president hooren zingen.quot;
âHeden, Maurits! dat heb je mij nooit verteld,quot; zei m ad am e mère: âhoe heet die president?quot;
Maurits had de vraag zyner moeder niet eens gehoord, zoo druk was de beweging om hem plaats te maken naar de piano en zoo luid het gemompel van tevredenheid over het nieuwe genot, dat men zich voorstelde.
Opmerkelijk is het, hoe de kortzichtige mensch dikwerf angsten koestert voor denkbeeldige gevaren en de bestaande over 't hoofd ziet. Zoo ging het hier met Mw. Van Hardestein. Geen antwoord bekomende, begon zij zich ongerust te maken of er ook tusschen Maurits en de dochter van den Marlheim-schen president â die, naar zij meende, zeker niet veel bijzonders was, â behalve de gezongene en gesprokene, woorden van jteederheid gewisseld waren. De kwellende gedachte, dat hij zijn affecties daar geplaatst mocht hebben, hield haar zoodanig bezig, dat zij geheel vergat wat voor haar oogen plaats had, en hoe een duo met de bevallige Nicolette voor de rust van haar zoon, zoowel als voor haar eigen rust, dezelfde gevaarlijke gevolgen hebben kon, voor welke zij zoo beducht was. Maar zelfs, al had iemand haar opmerkzaam gemaakt op de gemeenzaamheid, die langzamerhand tusschen de beide jonge lieden ontstaan was, wij gelooven niet, dat zij er kwaad in gezien zou hebben. Van een huwelijk met dat meisje, hoe lief het ook was, kon toch nooit quaestie zijn.
quot;Wat er op dat stuk in 't gemoed van Maurits omging, willen wij thans niet onderzoeken; vermoedelijk is het, dat hij voor 't oogenblik in 't geheel aan geen huwelijk dacht, of 't moest zijn aan 't huwen van zijn stem aan die van Nicolette; terwijl het genoegen, 't welk hij daarin smaakte, hem weldra zoo geheel vervulde, dat hij zoowel de plaats, waar zij zich bevonden, als 't gezelschap, dat hen omringde, geheel vergat. Hij was voor 't oogenblik Arnold, en zag in haar, die met hem zong, niet anders dan de aangebeden Mathilde.
106
Vele moralisten, en onder hen Byron â tusschen twee haakjes gezegd, een vreemd soort van moralist â hebben den banvloek uitgesproken over het walsen, als hoogst gevaarlijk voor de zedelijkheid; â wij zouden de thesis durven volhouden, dat een duo en vooral een verliefd duo een vrij wat gevaarlijker oefening is, en dat, wanneer men twee jonge lieden, van verschillende kunne en die er niet kwaad uitzien, tot elkander op de meest aandoenlijke wijze en met stemmen, die over en weder de innigste snaren van het hart in beweging brengen, elkander liefdesbetuigingen laat doen, het maar al te licht gebeuren kan, dat het duo eigenlijk een trio is, waarbij Cupido â Soulié of andere Fransche romanschrijvers van het tijdperk, waarin ons verbaal u verplaatst heeft, zouden zeggen âDe Duivelquot; â de derde partij zingt. En gewis, zoo de medewerking van dat derde personage tot somtijds zeer beklagenswaardige gevolgen leiden kan voor de beide anderen, aan den zang als zang zal zij geen kwaad doen: â ten minste zij deed het nu niet; Maurits voelde zich beter geïnspireerd dan ooit te voren met hem het geval was geweest, en Nicolette had mede het gevoel, dat het toch heel iets anders en veel aangenamer was, met hem te zingen dan met den ouden muziekmeester, die meer theorie dan stem bezat, of met den broeder van Mw. Zilverman, die wel wat stem had, maar geen theorie: en dat gevoel maakte dan ook, dat zij te meer haar best deed, ja zich zelve overtrof. Het was alleen tegen het slot, dat de aandoening, die gaandeweg haar medesleepte, wel wat sterk werd en daardoor aan haar stem een zekere beving gaf, doch, dewijl die aandoening den schijn had met opzet te zijn aangewend om den toestand der jonkvrouw, die zij voorstelde, te schilderen, verhoogde die nog, verre van hinderlijk te zijn, de uitwerking van het geheel. â Er was dan ook een algemeene kreet van verrukking toen het duo was afgezongen en de Dames Prawley verklaarden, dat nu wel niets meer ten gehoore kon gebracht worden, en dat al wat men verder spelen of zingen kon, alleen zou strekken om den ontvangen indruk te bederven.
107
Hoe ook Eylar en Bol tevreden waren met den triomf, door hun pleegdochter behaald, zij begonnen nu ook wel eenige bezorgdheid te koesteren aangaande de gevaren eener te groote gemeenzaamheid tusschen de beide jonge lieden, en hun genoegen was daardoor verre van onverdeeld. Mw. Mietje was bepaald knorrig, en keek haar schoonmoeder aan met een blik, die zooveel zeggen wilde als: âben je dan heelemaal ziende blind ?quot; Wie daarentegen recht in zijn schik was, was ürenkelaer, die al meer en meer Maurits uit eigen beweging den weg zag opgaan, dien hij gewenscht had hem op te drijven.
âMen mag zijn vrienden niet benijden,quot; zeide hij zachtjes tegen Bettemie: âmaar toch, ik mag mij wel over de grilligheid van 't lot beklagen, dat den een zoo boven den ander begunstigt. Wat behoefde het aan Maurits, bij de gaven van geboorte en fortuin, nog een stem te schenken, die alleen in staat zou zijn hem fortuin te bezorgen en de Hemel weet hoeveel ridderorden bovendien? Had ik arme drommel die stem gekregen, ik zou dan ook geholpen zijn en ging terstond moeite doen om aan de groote opera te Londen een engagement te krijgen. En omgekeerd, hoe jammer, nietwaar Freule? dat Maurits nu zijn vocatie manqueert en niet met Juffrouw Zevenster een kunstreis kan gaan doen! Wat zouden zij een effect maken!quot;
âIk weet het niet,quot; zei Bettemie; âwij moeten aannemen, dat alles zoo geschikt is als het behoort te zijn, en maar tevreden zijn ieder met zijn bescheiden deel. â Maar vindt je niet, dat Nicolette beeldig zingt?quot;
âVoortreffelijk,quot; antwoordde Drenkelaer; âen te haren opzichte erken ik, dat het lot weer billijk is geweest. Maar zingt de Freule zelve niet?quot;
âIk? â Neen, volstrekt niet,quot; antwoordde Bettemie: âen daaruit kun je dan ook weer zien, dat het lot niet zoo geheel onbillijk handelt. Ik heb nu weer het voordeel, dat ik mij, uit een stoffelijk oogpunt beschouwd, minder over mijn toekomst te bekommeren heb, â en zoo is, volgens het stelsel van Azaïs, in alle dingen compensatie.quot;
108
âDe Freule zou mij zeker zeer flauw vinden,quot; zei Drenke-laer, âindien ik haar zeide, dat zij nog gaven genoeg bezit om desnoods èn die van de fortuin èn een stem als Juffrouw-Zevenster te kunnen ontberen: â en toch is het zoo.quot;
â't Was volstrekt mijn doel niet, naar een compliment te visschen,quot; zei Bettemie, op een drogen toon: âen toch begrijp ik, dat je, als een welopgevoed heer, niet anders zeggen kon.quot;
âNu ben je onbarmhartig. Freule!quot; zei Drenkelaer, haar met een weemoedigen blik aanziende: âwat ik zei, dat meen ik ook.quot;
âNu, wij zullen het er dan maar bij laten,quot; zei Bettemie, eenigszins verlegen; want zij vreesde, door haar wel wat scherpe uitdrukking, Drenkelaer gekwetst te hebben, wat hij dan toch, meende zij, niet verdiend had. Hij van zijn kant, zeer goed bespeurende wat er bij haar omging, begreep, zich nu ook te moeten houden, als trok hij zich haar gezegde werkelijk aan, en een beleefde buiging met het hoofd makende, verwijderde hij zich en ging Nicolette gelukwenschen met haar succès.
De bediende der Dames Prawley had in eene der pauzen tusschen de muzikale uitvoeringen, een kruidenwijnsvat benevens eenige vruchten en gebak binnen gebracht, en dewijl de gasten, sedert dat men muziek was begonnen te maken, nogal door elkander geloopen en geen vaste zit- of staanplaats gehad hadden, en de Dames Prawley het zoo druk hadden met de honneurs van de piano te doen, dat zij er schier door vergaten, behoorlijk de honneurs te doen van de gereedstaande versnaperingen, zoo waren deze laatsten bijna onaangeroerd gebleven, tot groot verdriet van den Heer Van Bloff, die van oordeel was, dat niet alleen het oor, maar ook het verhemelte op zijn tijd gestreeld behoort te worden. Reeds een- en andermaal had hij een bescheiden vraag gedaan, of de kelen, die zich zoo uitsloofden, niet eens gesmeerd moesten worden, en niet weinig in zijn schik was hij, toen het gezelschap zich eindelijk weder om de tafel vereenigde en de glazen gevuld werden. Ongelukkig voor hem was het
109
reeds laat geworden: de rijtuigen kwamen voor, en, dewijl de paarden van Mw. Van Doertoghe niet tot die soort van trekdieren behoorden, die men kan laten wachten, gaf de oude Mevrouw al spoedig het sein tot den aftocht. Haar voorbeeld om zich huiswaarts te begeven werd nu spoedig door de overigen, deels te voet, deels met rijtuig, gevolgd, en de muziek-s o i r é e was ten einde geloopen â over 't geheel bij hen, die er aan deel hadden genomen, de aangenaamste herinneringen achterlatende.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN VIJFTAL BRIEVEN VAN JONGE MEISJES.
Jonkvrouwe Elizabeth Maria Van Doertoghe aan Jonkvrouwe Ernestine Van Marsden, t e Amsterdam.
Doornwijck, den 30sten Juni 184 .
Nestje-lief!
Ik onderstel, dat gij zeer boos op mij zijn moet, en inderdaad verwijt ik mij, dat ik mijn belofte, om u spoedig te schrijven, nog niet ben nagekomen; maar ik heb verontschuldigingen genoeg, mon chou! Ik ben hier bij Tante met den neus in 't vet gevallen, als men zegt: er is een fancy-fair ophanden, die op den huize Hardestein gehouden staat te worden, en waarvoor ik mee heb moeten werken. Ik had er al een kraagje voor geborduurd, en alzoo, strikt genomen, mijn contingent geleverd; doch er zijn gaandeweg nog zoovele geschenken ingekomen, die fraaier zijn en van meer vlijt en arbeid getuigen, dat mijn naijver er door geprikkeld is geworden, en ik dwaas genoeg ben geweest, een uitvoeriger werk onder handen te nemen, dat nu echter nog lang niet af is. Ik ben aan een teekening begonnen, die vooreerst nog al redelijk uitvalt, zooals de enkele personen getuigen, die haar gezien
110
hebben. Niet, dat ik in deze materie bijzonder veel hecht aan het oordeel van Tante of van onze goede Pietje â beste menschen, maar die, geloof ik, aan een gekleurde prent van â *'
Jan de Wasscher de voorkeur zouden geven boven een ets van Eembrandt â en nog veel minder aan dat van onzen huisgeneraal, die beweerde, dat mijn schets ongemeen veel gelijkenis had met een schilderij, die hij te Lissabon gezien had; maar hij wist niet meer of 't in een kerk of aan 't paleis was, noch of zij een Heilige dan wel een Venus voorstelde; â
maar Nicolette Zevenster, die een juisten blik heeft, heeft er mij een prijsje over gegeven: wat voor mij vooral daarom waarde had, omdat zij er een paar critiques bijvoegde,
welker juistheid ik terstond erkennen moest en waardoor ik nog intijds mijn werk verbeteren kon. Nu zult gij vragen:
wie is Nicolette Zevenster? â Ja, lieve meid! dat zou ik u moeielijk kunnen zeggen, en zij zelve weet het ook niet: de arme meid is een vondeling, waarover indertijd eenige oude Heeren, die toen echter nog jonge Heeren waren, als b. v.
de Graaf Louis Van Eylar en Dominee Bol, zich ontfermd hebben. Zij ziet er uit om te stelen, is heel vroolijk en natuurlijk,
en heeft ons een paar dagen geleden op een muziek-soirée bij de Dames Prawley een keurig staaltje gegeven van haar muzikale talenten. Ik geloof, dat zij als secondante of gouvernante wenschte geplaatst te worden. Ik heb zelve al half gedacht, haar bij mij in huis te nemen; dat zou een goed werk zijn en ik zou aangenaam gezelschap hebben; maar,
zoolang ik bij Oom woon, zal het zonder zijn toestemming niet gaan. In allen gevalle zal hij er niet tegen hebben, dat zij eens bij mij komt logeeren: en dan kan men verder zien.
Gij zult misschien zeggen, als ik trouw, dan is het met een gezelschapsjuffer uit (want op zulke facheusestroi-sièmes zijn de mans zelden gesteld en de vrouwen,
geloof ik, nog minder). â Zeer waar! De vraag is alleen, of ik vooreerst wel trouwen zal. Gij scheent dat zoo vast te stellen bij mijn afscheidsbezoek, 't Heugt mij best: gij zeidet: ..Hardestein en Doornwijck liggen nabij elkander en 't loopt
111
op een huwelijk met M. v. E. uit.quot; Ik antwoordde; âM. ligt in garnizoen: hij krijgt eerst in 't najaar verlof en daarom ga ik juist in den zomer, om zoodoende den schijn te vermijden alsof ik hem zocht. â Nu, ik had in één opzicht misge-rekend. M. is op Hardestein gekomen, 't zij bij toeval, 't zij dat het er op was toegelegd. â Ik heb een oogenblik dit laatste geloofd; maar zooverre er ijdelheid in die gedachte was, ben ik er voor gestraft, en geloof het nu niet langer; en nog veel minder geloof ik, dat er ooit van een huwelijk tusschen ons iets komen zal. M. is, als altijd, heel vriendelijk en voorkomend; maar het hof maakt hij mij niet. Hij heeft bij ons gegeten, en zich vrij wat meer met Nicolette en Klara v. Sp. bezig gehouden dan met mij. 't Is waar, hij zat tusschen beiden aan tafel; maar ook later, op het muziekavondje bij de Dames Prawley, was het nagenoeg hetzelfde .... enfin, il faut que j'en fasse mon deuil. Vraagt gij mij nu, of ik 't mij erg aantrek, ik zal u, die vanouds mijn confidente waart, gulweg zeggen: âja, een beetje,quot; â maar er met de hand op het hart bijvoegen: âniet bijzonder veel.quot; â Het huwelijk werd gewenscht door Mw. v. H., dat heb ik kunnen merken; en Tante had er ook wel ooren naar; M. en ik hebben elkaar altijd best kunnen lijden: hij is, zoover ik dat beoordeelen kan, een brave jongen, met een goed hart en een gezond oordeel; en zoo was ik van lieverlede gewend aan het denkbeeld hem tot man te hebben en, had hij mij gevraagd, ik had zonder aarzelen, âjaquot; gezegd; maar nu hij 't waarschijnlijk niet zal doen, zal ik mij troosten, en ik geloof, dat in deze geheele zaak mijn ijdelheid meer geleden heeft dan mijn hart. â Van ijdelheid gesproken, ik zal daar nu wel geheel van moeten genezen: want verbeeld u: met al mijn geld heb ik hier niet één adorateur. De Jonkers Van Valteren achten mij te verre beneden zich, om notitie van mij te nemen: de Steenvoordes denken geloof ik evenzoo â immers voor zooverre die wezens denken: en de eenige verstandige mensch onder de jonge lieden â behalve M. â dien ik hier ontmoet, zekere Mr. L. Drenkelaer, heeft
I
I
112
mij in facie durven zeggen, dat hij geen meisje met geld zou willen ten huwelijk vragen: èn, of dat nog niet genoeg was, hij was de man, die bij mij de overtuiging heeft doen ontstaan, dat M. niet aan mij denkt: en hij, die zijn intiemste vriend is, dient het te weten. Misschien heeft M. zelf hem aangespoord, mij dat op bedekte wijze te doen kennen; en in dat geval heeft hij zich op bescheidene wijze en met veel tact van zijn commissie gekweten. Misschien zou ik dien Heer D., om hem te straffen voor zijn pedante verklaring van geen rijke vrouw te willen hebben, op mij verliefd moeten maken; maar, behalve dat ik een afkeer heb van coquetterie. zou ik bang wezen, dat het waagstuk eens gevaarlijk voor mij zelve kon worden. Ik heb voorbeelden gezien van meisjes, die in scherts beproefden een man op zich te doen verlieven, en in ernst zeiven verliefd werden: en ik zou het niet gaarne willen, dat mij dit overkwam ten opzichte van Mr. Drenke-laer. Hij is stellig geen gewoon mensch: vernuftig en geestig, doch zonder wezenlijke vroolijkheid: en over 't geheel ernstiger dan de meeste jonge lieden, die ik ontmoet heb; daarbij naar ik hoor, vol bekwaamheid en kunde: wat beter is dan geld; â en eindelijk, van goede familie: zoodat ik, als hij zijn scrupules eens overwon en mij vroeg, niets degelijks tegen hem zou weten in te brengen. Maar dan zou ik er misschien deerlijk inloopen; want is hij nu een éminent mensch ten goede of ten kwade? that is the question. Er was nu en dan in zijn toon, in zijn gezegden, zelfs als die hem ondoordacht schenen te ontvallen, iets, dat mij niet natuurlijk, dat mij bestudeerd voorkwam. Listig overleg is nimmer gevaarlijker, dan onder het masker van uiterlijke rondheid: en ik zou alles aan een echtgenoot kunnen vergeven, behalve onoprechtheid.
Mij dunkt, ik zie u van hier reeds glimlachen, en tot de gevolgtrekking komen, dat het beeld van den Heer D. dat van M. v. E. bij mij verdrongen heeft. In mijn hart, neen; in mijn hoofd, ja. Even kalm als ik vroeger dacht over een mogelijke declaratie van M., even kalm denk ik nu over
113
een mogelijke declaratie van D, â Las iemand anders dan gij wat ik hier schrijf, die iemand zou zeggen, dat ik een ingebeelde zottin ben, die geen heer ontmoeten kan, zonder in hem een vermoedelijken vrijer te zien: en in waarheid, ik zou een ingebeelde zottin zijn, indien ik de hulde van al wie mij naderde opvorderde voor mijn persoon. Maar al bezit ik geen valsche nederigheid genoeg om te gelooven dat niemand mij om mij zelve lief zou kunnen hebben, toch begrijp ik zeer goed, dat de massa op mijn fortuin afkomt. Nog altijd danst men, als in Aarons dagen, om het gouden kalf, en ik kan derhalve niet nalaten, zoo dikwerf een ongetrouwd heer mij toespreekt, mij de vraag te doen, of hij ook niet wellicht tot het getal der dansers behooren zou. Wat nu dezen Drenkelaer betreft, toen hij die protestaties deed van zelfstandigheid en onafhankelijkheid, en dat hij van vrouw noch vriend iets zou willen aannemen, toen .... ik hoop, dat ik den man geen onrecht doe .... toen dacht ik onwillekeurig aan zekeren Griekschen wijsgeer (wiens naam ik vast niet goed spellen zou, en daarom liever ongeschreven laat), die een gescheurden mantel droeg en met zijn armoede te koop liep, en tot wien Socrates zeide: âik zie uw ijdelheid door de gaten van uw mantel heen.quot; En nu zou Socrates, indien hij nog leefde, misschien aan den heer D. zeggen: vriendlief! ik zie door uw mantel niet weinig pretensie op originaliteit heenschemeren: en misschien, als u een inkomen van veertig-a vijftig duizend gulden werd aangeboden, zoudt gij geestkracht en zelfverloochening genoeg bezitten, om het.... aan te nemen; â met de rijke erfgename op den koop toe.
Dat doet mij denken aan een anekdote, die mijn vader placht te vertellen en voor wier echtheid hij instond. In de laatste helft der vorige eeuw zaten de oude Heer W., grootvader van den tegenwoordigen Baron van dien naam, en de Heer M.. wiens familie gij kent. in de sociëteit de Karseboom. Beiden waren leden van de Vroedschap, maar behoorden er tot de ânullenquot;, althans tot de âniemendallenquot;, en vertoonden echte staaltjes van gedegenereerde patriciërs, als zijnde beiden trotsch,
ii. - k. z. s
I
114
verwaand en aartsdom, maar schatrijk. De heer W. was weduwnaar, met een dochter, die leelijk en gebocheld was, en de Heer M. nog ongehuwd. In dien tijd was het. de gewoonte, dat de heeren 's avonds veel wijn dronken, en zoo hadden zij ook allebei mooi de hoogte. Op eens vroeg M. aan W., alsof hem dat zoo inviel;
âZeg eens W.! heb je daar op je buiten niet nog een dochter?quot;
âJaaaa!quot; antwoordt W., geeuwende: âwa____at zou dat?quot;
âWe .... el! de .... die m .. .. moestje m mij geven,quot; stottert de andere.
âEi! moe . .. . st ik?quot;
âJa! m____maar je m____moet 'r ge____goed wat m----mee
g . .. . geven.quot;
âZoo .... oo! En ... . hoe .. .. e veel wel ?quot;
âAnderh .... half me .... miljoen.quot;
âEn va .... alt daar niks op af te dingen?quot;
âJa .... j .... je de .... dochter.quot;
En dit antwoord werd aangehaald als het eenige snedige gezegde, dat aan M. in zijn leven ontvallen was.
âAdieu chérie! Schrijf nu ook eens spoedig, hoe 't met u staat, hoe Mijnheer uw vader het maakt, aan wien ik u mijn eerbiedige groete verzoek te doen, of uw broeder t'huis is, enz. enz. en geloof mij
T. a V.
B e 11 e m i e.
P. S. Er moet in de vorige eeuw ook een Drenkelaer geweest zijn, die een oudtante van mij gebiologeerd heeft.... doch er slecht van af is gekomen. â Het rechte weet ik er niet van; maar wat vreemd is, is dat deze, nu en dan, als hij mij aankijkt, iets in zijn oogen heeft, dat bij mij een vreemd gevoel verwekt, als van angst en beklemdheid: iets, dat ik onmogelijk beschrijven kan. Gij zult mij kinderachtig vinden; maar ik ben eigenlijk wat bang voor dien Drenkelaer: en als het donker is, en ik alleen ben, dan is het herhaaldelijk, of
115
ik die oogen voor mij zie, en twee doorborende angels, die er mij uit bedreigen. â Wat is dat toch?
Mejuffrouw Nicolette Zevenster aan Mejuffrouw
Louise Van Erlangen, te Zeist.
Hardestein, 30 Juni.
Lieve Louise!
Ik heb u reeds in mijn vorigen een verslag gedaan van mijn aankomst alhier, en hoe lief en vriendelijk al de mensehen jegens mij zijn. Gij antwoorddet mij, dat zou misschien niet zoo duren. Integendeel! Ik heb nog vele nieuwe kennissen gemaakt en kan niet anders dan aller beleefdheid roemen. Wel is Juffrouw Leentje nogal gestreng en beknort mij nu en dan over wat zij mijn te groote vrijmoedigheid met de Heeren noemt, en 't zal zeker wel aan mij liggen, maar als iemand, gelijk b. v. Jonker Maurits, tegen mij spreekt, hij, zulk een adellijk en vermogend Heer, tegen een arm en onaanzienlijk meisje, dan mag ik toch niet onbeleefd zijn en nalaten te antwoorden. Ik zal toch niet zoo dwaas zijn, mij in te beelden, dat hij op mij verlieven zou. Zijn vrouw zou ik natuurlijk nimmer kunnen worden.... verbeeld u! al die Vrouwen Van Eylar, wier afbeeldingen in de groote zaal van 't Huis te Hardestein hangen, hebben wapenborden nevens zich op 't doek geschilderd: en een wapen zou ik niet kunnen toonen. Al reden genoeg, dat hij er wel nooit om zou kunnen denken, mij ten huwelijk te vragen; en, dat hij slechte oogmerken zou kunnen voeden, daartoe ben ik overtuigd, dat hij te edel denkt: integendeel legde hij afkeer aan den dag van loszinnige begrippen, die vele jongelieden op het stuk van vrijen hebben, en waarschuwde mij zelfs tegen den Heer Drenkelaer, ofschoon die een vriend van hem is... . en hij is, zoo ik hoor, half geëngageerd met de Freule Van Doertoghe. O! die moest je kennen, Louise! Schatrijk, van aanzienlijke geboorte, en toch
116
zoo minzaam. Ik zie nu toch wel, hoe de romanschrijvers ook al onbillijk zijn in hun voorstellingen. Altijd praten zij van trotsche freules en verwaande kamerjonkers.... 't Is waar, die Baron van Steenvoorde en die Jonkers Van Valteren beduiden niet veel; maar zij waren toch niet onbeleefd tegen mij, en daarentegen is Mw. Van Hardestein zulk een lief en vriendelijk mensch, en Mw. Mietje, zoools men gewoonlijk de jonge Gravin Van Eylar noemt, is een Engel. Verbeeld u, zij heeft mij toegestaan 's morgens mij bij haar aan huis te oefenen op de piano, en eergisteren toen zij mij bij de Dames Prawley hoorde zingen, had zij de goedheid te zeggen, dat, als ik er mij bepaald op wilde toeleggen, ik zeer goed carrière zou kunnen maken als concert-chanteuse.... maar ik zou toch niet gaarne voor 't publiek optreden, en bovendien indien ik 't in mijn keus had, zou een rustig huiselijk leven, zooals b. v. bij Dominee, mij vrij wat beter aanstaan dan zulk een openbaar en zwervend leven, als de groote canta-trices leiden.
Ja, lieve Louise, ik ben op een muziekpartij geweest, bij een paar oude dames hier in de buurt, en heb daar voor een groot gezelschap mijn gaven (?) moeten luchten! Gij behoeft niet te vragen, of ik er tegen opzag. Maar 't is alles nogal wel gegaan. Eerst heb ik gespeeld, gij weet wel, die sonate, waar ik u zoo dikwijls mee verveeld heb, en toen moest ik zingen, eerst alleen, en daarna, verbeeld u eens! het duo uit den Guillaume Teil, met Jonker Maurits, die een beeldige tenorstem heeft. Nu, ik ben maar blij, dat ik er met eer ben afgekomen; althans Dominee verzekerde mij onder 't naar huis gaan, dat de menschen wel over mij voldaan waren geweest.
En dan ben ik nog op een diner ook geweest, bij Mw. Van Doertoghe. Ik heb er mij zeer goed vermaakt; ofschoon ik in 't eerst geweldig bang voor haar wa?. 't Is er zoo deftig en statig of men bij een koningin komt. Eerst kwam het mij zonderling voor, dat zij, die niet eens den titel van Barones draagt, zooveel gewichtiger houding aanneemt dan
117
Mw. Van Hardestein of Mw. Van Eylar, die Gravinnen zijn. Maar Dominee heeft mij dat uitgelegd. De vader en de voorouders van Mw. v. D. behoorden tot de Regeeringsleden, en die hadden onder de voormalige republiek veel meer te zeggen dan nu de Koning. Zoo'n Burgemeester uit die dagen liet b. v. iemand, zonder complimenten, de stad uitzetten en beschikte eigendunkelijk over ambten en waardigheden ; ja Dominee vertelde mij, dat o. a. in 1760 niet minder dan zeven en twintig vorsten, allen tot regeerende stamhuizen behoorende (als van Baden, van Brunswijk, van Saksen, van Hessen enz.), bij ons leger dienden, die tegen zoo'n regeerenden Burgemeester mooi weer moesten spelen; en zoo kunt gij denken, of die wat om een landedelman gaf. Dat is nu wel voorlang alles veranderd en voorbij; maar toch kunnen vele afstammelingen van de zoogenaamde Patriciërs zich niet aan de nieuwe orde van zaken gewennen en blijven hun familietrots behouden: wat Dominee heel verklaarbaar en vergeeflijk vindt, zeggende, dat dat met den tijd van zelf wel slijten zal; maar hij is zoo goed, dat hij altijd voor ieder menschelijk zwak een verschoonbare reden vindt. Nu! dat is tot daaraan toe.... ik wilde u nog iets vertellen van Freule Bettemie, die zoo vriendelijk jegens mij is: zij heeft mij reeds een paar malen bezocht, en dewijl ik bij haar tante op Doornwijck gegeten had, ben ik daar gisteren met Dominee en Juffrouw Leentje een bezoek gaan afleggen. Toen heeft zij mij naar haar kamer genomen en een beeldige teekening gewezen, die zij voor de fancy-fair maakte: en toen heeft zij mij gevraagd, of ik lust zou hebben, te Amsterdam eens bij haar te logeeren, verbeeld u! â Ik vertelde 't onder 't naar huis gaan aan Juffr. Leentje; maar die zei: ik moest er mij maar niet te veel mee vleien; want de Freule zou toch wel spoedig trouwen en ik moest nu leeren op mij zelve te staan. Dominee trok dezen keer ééne lijn met zijn zuster, hoewel op een vriendelijker manier. â âIk geloof, Klaasje-lief!quot; zei hij, âdat, indien je 't zocht, je 't jaar rond wel menschen zoudt vinden, die je te logeeren hielden. Maar vooreerst zou 't je zelve hinderen,
118
bij de lieden op de klap te loopen, en ten andere zou er kans zijn, dat die uitnoodigingen allengskens begonnen te verminderen, en dan, als je naderhand toch in een ondergeschikte betrekking komen moest, zou het u, na zulk een gemakkelijk leventje geleid te hebben, al te veel afvallen.quot;
Ik moest erkennen, dat Dominee volkomen gelijk had. En bovendien, het denkbeeld hindert mij, van de genade van anderen af te hangen. Ik zou zoo gaarne mijn brood verdienen : . . . . en ik heb al een paar keeren aan Dominee gevraagd, of ik niet een advertentie in de courant zou zetten, en of hij er eene voor mij stellen wou. Hij zeide mij, dat hij er reeds over gedacht had; doch dat hij eerst nog wilde wachten omdat het wellicht niet noodig zou zijn. Het schijnt dus, dat hij reeds met iemand in besprek is ... . of misschien heeft hij het oog op iets anders, waar ik niet dan zonder angst aan denken kan. Ik vrees, lieve Louise, dat er hier iemand is, die mij 't hof maakt.... een weduwnaar, reeds op jaren.... en met kinderen. Nu, de kinderen zouden mij niet afschrikken; integendeel, ik zou mijn best willen doen,
hun het gemis van hun moeder te vergoeden ; maar de papa!----
't is, geloof ik, een beste brave man; â maar, ik weet 't niet, ik vind hem zoo bourgeois, zoo triviaal:.... en toch zou hij ongetwijfeld rekenen mij een groote eer aan te doen, wanneer hij mij ten huwelijk vroeg: â en hij zou in 't oog van alle menschen gelijk hebben.
quot;Wat zoudt gij mij raden, lieve Louise, gesteld dat hij den voorslag eens deed.
Uw liefhebbende Nicolette.
P. S. Zoo aanstonds komt Bettemie mij afhalen om een toertje te rijden.
119
Jonkvrouwe Ernestine Van Marsden aan Jonk-vrouwe Elizabeth Maria Van Doertoghe.
Amsterdam 2 Juli 184 ....
Lieve Bettemie!
Met hoeveel blijdschap ik uw brief ontving, en hoe ik mij verheug in de blijken van genegenheid en vertrouwen, die gij mij daarin geeft, zoo heeft de lezing daarvan toch eenig leedgevoel, en die van het post-scriptum zelfs eenige bezorgdheid bij mij verwekt. Eerst, wat het leedgevoel betreft: het spijt mij inderdaad, dat gij den Jonker v. E. moet opgeven; ik had hem in alle opzichten een zoo goede partij voor u gevonden : en niet licht zult gij iemand aantreffen, die u zoo convenieert, voor wien gij achting en genegenheid hebt, en bij wien gij overtuigd zijt, dat uw fortuin alleen een bijkomstige consideratie is. â Doch ik wil uw spijt (zoo 't u werkelijk spijt, hem te moeten derven) niet vermeerderen door 't ophalen van al wat voor hem pleitte, en stap dus van dat punt af, om tot een ander onderwerp over te gaan, dat mij meer verdriet doet, en mij ongerust maakt. Waarlijk ik weet niet, hoe ik het met u heb, en of gij niet op eenmaal een twee-soortig wezen geworden zijt. Indien ik toch in uw brief het koel overleg, het helder doorzicht, het gezond verstand van mijn waarde Bettemie meende te herkennen, bij 't lezen van 't post-scriptum was mijn indruk geheel anders. Dat postscriptum deed mij schrikken, 't was uw hand, en toch kon ik nauwelijks gelooven, dat het daar nedergeschrevene van de schrijfster van den brief herkomstig kon zijn. Ik herlas nogmaals dien brief, en speciaal wat daarin den Heer D. betrof, ten einde te beproeven, op die wijze hetgeen mij raadselachtig was op te lossen: en toen vond ik ook in den brief reeds enkele gezegden, die mij bij de eerste lezing niet zoo getroffen hadden, en die bij u een zeker gevoel van weifeling, van gebrek aan zelfvertrouwen, ja van wrevel, verraden, anders'aan uw karakter zoo geheel vreemd, 't Is of gij er vermaak in schept, dien Heer D. ongunstig te beoordeelen, en zelfs de
120
goede hoedanigheden, die men hem toekent, in een nadeelig daglicht te stellen.... gij, anders bij voorkeur zoo geneigd iedereen van zijn goede zijde te beschouwen, en u in uwe oordeelvellingen toegevend en verschoonend te betoonen. Juist uit den smallenden toon, waarop gij van dien Heer D. spreekt, heb ik terstond meenen te moeten opmaken, dat hij u niet onverschillig is, dat gij althans meer aan hem denkt, dan dienstig is voor uw rust: en nu blijkt uit het p.-scr., dat zijn beeld u vervolgt tot zelfs in de eenzaamheid van den nacht: immers op geen andere wijze kan ik uw beeldspraak uitleggen van die twee oogen met hun angels. Aan zulk biologeeren als waar gij van spreekt geloof ik niet, maar wel, dat, evenals Don Quichot, door 't lezen van ridderromans, gij, door 't lezen van allerlei boeken over tooverijen en wat daarbij behoort, geëindigd zijt, met uw verbeelding sterker te laten werken dan wel behoorde, en nu en dan de wezenlijke voor de fantastische wereld verlaat. â Maar om op den Heer D. terug te komen, is die zoo goed als zijn reputatie, wel! dan zou ik niet weten, waarom gij, als hij vroeg, hem niet nemen zoudt, gesteld dat gij eerst uw angst voor hem overwonnen hadt. Foei! gij spreekt van hem alsof hij der bleicher Mann uit de opera âder Vampyrquot; ware. Drink wat lindebloesemthee, beste! wees kalm, en poog met bedaarde zinnen aan hem als aan ieder ander vrijer te denken.
En nu, in antwoord op de laatste regels, niet van uw postscriptum, maar van uw [brief, begin ik met u de weder-groete van mijn vader te doen, die volkomen gezond is en gevoelig aan uw attentie, en het, als naar gewoonte, zeer druk heeft. Wat Broertje betreft, die ziet reikhalzend uit naar de vacantie, welke eerstdaags beginnen moet; wanneer hij bij zijn tante te Overveen denkt te gaan logeeren en zich daar niet weinig vermaak van voorstelt. Nu! ik gun hem dat ook wel, te meer daar hij goed zijn best doet en de primus van zijn klasse is. Papa verlangt, dat hij nu ook grondig Engelsch leere, en wij zijn bezig, tegen 't najaar, een meester te zoeken â waar ik ook wat van profiteeren kan. Voor 't overige is het
121
hier tegenwoordig als naar gewoonte, vrij saai: iedereen is naar buiten: ook de meeste uwer adorateurs. Jan Van Ameldonk, dien gij â of ik, dat ben ik vergeten â eens zoo te recht met den naam van Jan Salie doopte, is zijn leed over uw vertrek aan den Eijnkant gaan verzetten, en zit nu zeker te Ems of te Wiesbaden zich er over te verbazen, dat de moflen Hoog-duitsch spreken: Frederik de Groote is naar zijn familie naar Parijs, waar hij ongetwijfeld beproeft of hij Napoleon niet van de kolom op de Place Vendome kan wegblazen: 't zal er, geloof ik, alleen maar op aankomen, of hij dapper volhoudt.
L'eau qui tombe goutte a goutte Perce le plus dur rocher,
en zoo moet op den duur het blazen van onzen langgebeenden vriend een gelijke uitwerking hebben. Pieter Van der Vecht is naar den Mennisten hemel vertrokken en hengelt gewis in de rivier, die naar zijn naam genoemd is; â ofschoon ik mij hem, dien wij nooit anders ontmoetten dan met een stijve das, witten jabot en een kachelpijp op 't hoofd, niet kan voorstellen in een vischkostuum en met een pet op. Alleen de âbrave Hendrikquot; is nog hier, en stapt dagelijks, als een lieve, zoete jongen die hij is, zijn broertjes en zusjes af; â maar gij zult zeggen, dat het mij heel leelijk staat, den spot te drijven met zulk een modelknaap. Nu! ik zou hem zijn lievigheden jegens zijn familie vergeven, als hij maar niet altijd over die sujetten sprak, zoodat men op het laatst zou wenschen, öf dat hij geen familie in de wereld had, öf dat hij er totaal mee gebrouilleerd was.
Nog eens, wees kalm, gooi alle tooverboeken op het vuur, en schrijf spoedig eens aan haar, die gij zeer ongepast voor een âNestjequot; uitscheldt en die, na de wijze sermoenen, die zij u gehouden heeft, wel voluit mag teekenen
T. a V.
Ernestine Van Marsden.
122
P. S. Vergeet mijn eerbiedige groete niet aan Mevrouw uw tante en vele complimenten aan Pietje. Als gij Kato Tronk ziet, zeg haar dan, dat ik haar eerstdaags hoop te schrijven.
Mejuffrouw Louise A7quot;an Erlangen aan Mejuffrouw Nicolette Zevenster.
Zeist, 2 Juli 184 .
Lieve Nicolette!
Gij vraagt mij om raad; maar, lieve meid, hebt ge niet den besten raadsman bij u, in dien goeden predikant, die u zoo liefheeft, en die zoo braaf en verstandig is en een beteren nog in uw eigen hart? â Dat hart zal, dunkt mij, u wijzen wat uw plicht is en u dien doen opvolgen, ook zelfs al was die in strijd met de geheime wenschen, die het voeden mocht. Indien die weduwnaar, van wien gij spreekt, eerliik en braaf is, en genoeg heeft om een vrouw op een fatsoenlijken voet te onderhouden, welnu! dan zou een huwelijk met hem in elk geval verkieslijker zijn dan de afhankelijkheid, die anders waarschijnlijk uw lot moet wezen. Gij herinnert u wat Miss Clyde, die Engelsche secondante, die maar zes weken op het Instituut bleef, omdat Madame haar al te knap vond, ons antwoordde, toen wij haar vroegen, of zij niet liever juffrouw van gezelschap of gouvernante zijn zou: âcompanion, yes, but, not of a lady: governess, yes, but of a husband, not of another's children: en al vonden wij haar zeggen vrij ongepast en onkiesch, toch moet ik erkennen, dat zij zoo groot ongelijk niet had, en ik, wat mij betreft, at liever droog brood, mits ik mijn eigen meesteres bleef, dan pastijen en wildbraad, wanneer ik die koopen moest door eens anders grillen te dienen. Gij zult zeggen : als men getrouwd is, verliest men evenzeer zijn vrijheid; maar vooreerst is dat meer in den natuurlijken loop der dingen, en ten andere
egt;
128
geloof ik, dat een vrouw, die beleid heeft, het juk, dat zij dragen moet, wel licht en aangenaam zal weten te maken, ja somtijds, het van haar schouderen op die van haar heer en meester overbrengen; doch dat laatste zult gij wel nooit doen; want gij zijt zachtzinnig metderdaad, en wie haar man beheerschen wil moet het enkel in schijn doen.
Wat mi] betreft, nu ik gelukkig mij eindelijk door dien brijberg van de school heb heengegeten en in het Luilekkerland van den onbezorgden vrijstersstaat ben aangeland, wil ik dien liefst dan ook nog wat genieten en nog wat lib er té c hér ie zingen, eer de banden van het huwelijk mij tot het vervullen van strengere plichten dringen. Ketenen zijn ketenen, zij mogen dan van rozen of van goud zijn; daarbij, rozen hebben doornen, en goud is zwaar.
Ik verheug mij dan ook zeer, in het aangename vooruitzicht, dat zich reeds dadelijk voor mij opent, te weten, van een reis naar Zwitserland en Italië, om over Parijs terug te komen. Dat is een plan, reeds lang door Papa gevormd, doch waaraan hij heeft willen trachten gevolg te geven, als ik voorgoed van school was; is dat niet lief van hem ? Wij gaan allemaal mee. Mama, mijn broeders en zusters, de kamenier .... een heele diligence vol! â Ik droom dan ook gedurig van hooge bergen, waar ik aftuimel, van watervallen, die mij meeslepen, van aardbevingen, die mij verzwelgen, en van Fransche modisten, die mij allerlei onmogelijke hoeden en korsetten aanpassen. Maar droomen, zegt men, moet men juist andersom uitleggen, en ik voorzie dus, dat ik van die bergen enz. niets dan het bekoorlijke en zielverheffende genieten zal, en dat ik van Parijs met een beeld van een hoedje en een allerliefste taille zal terugkeeren. Moge het mij alsdan gegeven zijn, u spoedig hier of daar de hand te drukken en u bij monde de verzekering te herhalen dat ik steeds ben en blijf
T o u t e a v o u s
Louise.
124
P. S. Ik vroeg eens aan een kennis, hoe zij er toe had kunnen besluiten, aan haar man, die het tegenbeeld van een Adonis is, het jawoord te geven. âOch!quot; antwoordde zij: âwat zal ik u zeggen? er stond geen ander naast hem toen hij mij vroeg.quot; Nu heb ik, bij 't herlezen van uw brief, mij zelve de vraag gedaan, die gij u ook wel eens doen mocht, of altemet de reden, waarom de Hr. Snel u zoo mishaagt, daarin gelegen is, dat wel degelijk een ander beeld naast, ja vóór het zijne, staat.... gij komt in uw schrijven nogal dikwijls op dien Jonker terug.
Jonkvrouw Elizabeth Maria Van Doertoghe aan Jonkvrouwe Ernestine Van Marsden.
Doornwijck, 3 Juli 184 . .
Lieve Ernestine!
Ik dacht niet, dat ik u zoo spoedig weer schrijven zou; maar ik heb behoefte mijn hart uit te storten. Ik weet niet, hoe ik het heb; noch wat er met mij is geschied. Reeds sedert eenige dagen had ik opgemerkt, dat, als ik door het dorp reed of wandelde, de lieden mij zoo zonderling aanstaarden, en mij nakeken, soms onder hoofdschudden en heimelijk gemompel. Ik begreep er niets van. Gisteren kwam Le Mat zijn gewoon bezoek doen bij tante: niet dat zij ziek is; maar, behalve dat zij toch doorgaans het eene of andere kwaaltje heeft, waarover zij hem wenscht te raadplegen, zijn er altijd arme huisgezinnen, die hij voor hare rekening bezoeken moet, en waarover hij haar verslag moet komen doen. Ik ben gewoon, naar mijn kamer te gaan, als ik hem de plaats zie oprijden, omdat zijn toon mij verveelt; maar deze reis had mij, daar wij in de achterkamer zaten, en ik dus het oog niet op de stoep had, zijn komst verrast, en ik kon niet, zonder bepaalde onbeleefdheid, van mijn werk loopen. Daar begint de man, na met Tante afgehandeld te hebben, zich
125
naar mijn gezondheid te informeeren; doch kijkt mij tevens aan met een paar blikken, die zooveel schenen te zeggen, als: âik weet, dat je ziek bent; maar dat je 't niet weten wilt.quot; â Ik antwoordde natuurlijk, dat mij niets mankeerde, waarop hij, eerst mij, en toen Tante, bedenkelijk aanzag, mij vroeg of ik goed sliep, of mijn spijsvertering goed was, enz. Ik werd boos over zijn onbescheidenheid van mij met of tegen dank tot zijn patiënt te willen maken, en zei, dat ik over niets te klagen had en hij zijn belangstelling liever betoonen moest aan wie er aanspraak op had. Hij zweeg, zuchtte â hij zuchtte waarlijk, Ernestine! â en ging heen. Toen zond Tante onze nicht Pietje met een gemaakte boodschap naar den tuinbaas en nam mij in 't verhoor. Le Mat, zeide zij, had opgemerkt, en zij zelve ook, dat ik niet volkomen wel was: en zij moest mij den raad geven, niet te veel te eten, niet te lang te slapen, en vooral niet te veel te lezen of anderszins mijn geest te vermoeien. â Ik keek, of ik het te Keulen hoorde donderen. Vergeefs was mijn verzekering dat ik niets voelde, wat mij hinderde; zij schudde 't hoofd, alsof zij met den kwakzalver uit Molière wilde zeggen: mauvais signe, quand le malade ne sent pas son mal... . In 't kort, of ik hoog of laag sprong, het hielp niets: zij scheen zich vast in 't hoofd geprent te hebben, dat ik ongesteld was, en douches of de hemel weet wat, moest nemen. Ik werd, ik beken het, recht boos, en was op het punt haar onaangename dingen te zeggen, wal verkeerd zou geweest zijn, dewijl 't goede mensch uit belangstelling handelde, toen Evert binnenkwam en haar een brief ter hand stelde. Zij was echter te veel van haar idéé fixe vervuld, om dien zoo dadelijk te openen, en ging voort met mij hare raadgevingen toe te dienen; doch nu in 't Fransch, met het loffelijke doel, niet door Evert verstaan te worden; ofschoon ik de stellige overtuiging heb, dat hij geen syllabe verloor van al wat zij zeide; althans ik heb opgemerkt, dat, wanneer hij ons achter tafel bedient, hij met hetzelfde onnoozele gezicht maar blijkbaar met dezelfde belangstelling, het oor leent aan
126
de conversatie, 't zij die in 't Fransch of in 't Hollandsch gevoerd wordt. Het bloed begon mij te koken, ja de tranen sprongen mij in de oogen bij de gedachte, dat op die wijze, dank aan Tantes onvoorzichtigheid en aan de indiscretie van monsieur Evert, mijn vermeende kwalen tot in de basse chambre zouden verhandeld worden. Het scheen echter, dat mijn spijt hem niet ontging, ja dat mijn droefheid zijn medelijden opwekte; althans hij kwam mij te hulp, en bi] de eerste pauze, welke Tante zich bij gebrek aan adem verplicht zag te maken, nam hij het woord, en fluisterde, dat de Juffrouw, die den brief gebracht had, in de benedenkamer op antwoord wachtte. Zij brak hierop den brief, hoewel nog maar half werktuiglijk, open, en begon weer een nieuw sermoen tegen mij te houden, terwijl zij, met blijkbare verstrooidheid den inhoud doorliep; doch op eens zag ik haar kleur verschieten, en haar oog tintelen van verbazing en verontwaardiging, en zich tot Evert keerende: âwat is dit?quot; zeide zij: âis dat mensch .... is die Juffrouw .... werkelijk hier?quot;
âJa Mevrouw!quot; antwoordde Evert.
âZeg haar, dat ik haar niet spreken kan,quot; zeide Tante op gestrengen toon.
âMevrouw!quot; zeide Evert, met een uitdrukking van deernis op zijn gezicht, die mij werkelijk een goed denkbeeld gaf van liet hart, dat onder dat blauwe vest klopte: âdie Juffrouw schijnt zeer vermoeid en zwak; zij had werk de stoep op te klimmen.quot;
âWat doet zij hier te komen?quot; vroeg Tante.
Noch Evert noch ik wisten eenig antwoord te geven op deze vraag, die eigenlijk ook aan geen van ons beiden gedaan werd.
âNu,quot; vervolgde Tante: âin dat geval, geef haar een boterham, â maar ik wensch haar niet te spreken.quot;
âJa Mevrouw!quot; zei Evert, en ging met blijkbaren tegenzin zich van zijn boodschap kwijten, 't Was hem aan te zien. hoe Tantes handelwijze hem uit de hand viel, en mij verwonderde die evenzeer. Dat er bij Tante, zoowel hier als te Amsterdam, dagelijks menschen komen om wat te vragen, en dat zij die
127
niet allen te woord kan staan, is natuurlijk; doch zij is dan gewoon, er Pietje of de kamenier op af te sturen, en 't was de eerste keer, dat ik haar iemand, en dat nog wel een zwakke vrouw, ongetroost had zien wegzenden. Ik gevoelde een zekere sympathie met de persoon, die zoo onbarmhartig met een boterham werd afgescheept: de brief zag er â voor zooverre ik dat uit de wijze, waarop hij dichtgemaakt en het adres erop geplaatst was â niet uit als een gewone bedelbrief, die in den regel te kennen is aan zijn smerigheid, of aan zekere gecompliceerde wijze van vouwen, waardoor men, als men hem opengemaakt heeft, evenveel kreuken als letters voor zich ziet. Deze was op velijn papier geschreven, net gevouwen en met lak dichtgemaakt. Alleen aan dien brief was, dunkt mij, te zien, dat de schrijfster een fatsoenlijk mensch moest wezen. Zoo kreeg ik moed, mijn stoute schoenen aan te trekken en Tante te vragen, of ik haar ook van dienst kon zijn en die Juffrouw gaan spreken.
âNeen volstrekt niet,quot; antwoordde zij: âdie Juffrouw verdient niet, dat wij ons harer aantrekken, 't Is onbeschaamd!quot; vervolgde zij, tot haar zelve sprekende.
Ik bemerkte aan dezen uitroep, dat het onwelkome bezoek haar niet weinig agiteerde; zoo zelfs, dat zij er mijn vermeende kwaal door scheen vergeten te hebben, en dat had mij, behalve medelijden, nog dankbaarheid bovendien voor de onbekende behooren in te boezemen; doch, naar Tantes woorden te oordeelen, zou het gevoel verkeerd geplaatst en aan een onwaardig voorwerp versmeten zijn geweest. Ik dorst alzoo niet verder aandringen, en wij bleven eenige oogenblikken tegenover elkander staan. Tante geheel van haar stuk en in zich zelve mompelende, en ik, niet wetende welke houding aan te nemen, toen Evert mij nogmaals uit de verlegenheid redden kwam, met de boodschap:
âHet rijtuig voor de Freule!quot;
Gij moet weten, dat ik besloten had naar Hardestein te gaan om mijn vriendinnetje Nicolette af te halen en een toertje met haar te rijden.
128
âIk zal dan maar gaan, als Tante 't goedvindt,quot; zeide ik.
âJa,quot; antwoordde zij, nog altijd peinzende; âga maar â dat zal u goed doen,quot; voegde zij er bij, terwijl opeens die lastige bezorgdheid over mijn welzijn weer scheen terug te keeren.
Ik haastte mij naar mijn kamer, om mijn hoed en écharpe te halen, en toen ik, weder beneden gekomen, de gang doorliep om uit te gaan, kon ik niet nalaten in 't voorbijgaan een blik te werpen in de zijkamer, waar men de onbekende Juffrouw had binnengelaten. Die blik was uit den aard der zaak zeer vluchtig; doch genoeg om mij te doen zien, dat zij zich aldaar nog bevond, zeer eenvoudig, ja stemmig gekleed was en er bleek en ontdaan uitzag. Ik geloof, dat zij, terwijl ik voorbijging, een hoofdbuiging voor mij maakte, althans ik deed het, snelde de stoep af en stapte in 't matten chaisje. Toen ik zat, voelde ik eenig berouw, dat ik het mensch niet even had toegesproken; doch, na hetgeen Tante gezegd had, zou ik niet gedurfd hebben. Ik reed weg, de brug over; onder de boomen daarbuiten liep een jong mensch op en neder, die mij in 't voorbijgaan zeer beleefd groette: âZou die bij de onbekende behooren?quot; dacht ik; âen haar hier opwachten?quot; Ik had echter geen tijd, hem nauwkeurig op te nemen, want de poney draafde met zijn gewone vlugheid door, en buitendien paste het mij als jonge juffer niet, naar een heer om te kijken. Toen ik in het dorp kwam, liet ik den palfrenier, die achterop stond, afstijgen, ten einde hij eenige boodschappen, die hij voor 't huishouden had meegekregen, zou kunnen verrichten, en reed verder alleen naar de pastorie, waar ik Dominee met zuster en logée in den tuin vond, en de laatste gereed mij te vergezellen. Zekere Mijnheer Snel, die ontvanger op Harde-stein is, en, geloof ik, zoo wat van Nicolette is gepikt, stond er ook bij.
âEn gaat dat zoo maar alleen, zonder bediende?quot; vroeg Dominee.
âJa Dominee!quot; antwoordde ik: âManus heeft boodschappen in het dorp; doch ik zal hem wel weer ophalen als ik terugrij.quot;
âBewaar ons!quot; riep Juffrouw Leentje: âis het niet te ge-
waagd?quot; en zij keek ook al met dienzelfden blik van medelijdende bezorgdheid, die mij in Tante zoo gehinderd had. Ik hield mij echter goed en zeide, al lachende:
âNu! ik zal zachts zoo goed mennen als Klara Van Spor-kelberghe of zoovele andere jonge dames uit de buurt en, als 't noodig is, zal Nicolette wel voor palfrenier spelen: de poney weet den weg en er zijn poelen noch afgronden in de buurt.quot;
Daar ging mij waarachtig die ontvanger zich ook met de zaak bemoeien en zeide met een pedant air tegen Nicolette: âmaar zou de Juffrouw niet liever aan de Freule verzoeken, zoolang te wachten, tot de knecht terug was. â 't Is toch altijd min of meer gevaarlijk .. ..quot;
Ik had den vent wel met mijn zweep over 't gezicht willen slaan, zoo wrevelig werd ik over zijn bemoeizucht en gebrek aan vertrouwen in mijn rijkunst. En toch moet ik erkennen, dat, zoo hij werkelijk op Nicolette gecharmeerd is,. ik die bezorgdheid voor haar niet in hem mocht misduiden; maar achter die bezorgdheid meende ik weder diezelfde half medelijdende zorg voor mij te zien, en dat was niet te verdragen. Eer ik echter antwoorden kon, had Dominee, die zeker insgelijks dat tusschenkomen van Snel vrij ongepast vond, reeds het woord opgevat, en zeide:
âNicolette dient te weten, of zij 't wagen durft.quot; âWel!quot; zei Nicolette: âik geloof dat, waar Bettemie zich durft wagen, ik het ook wel doen mag. Dag Dominee! dag Juffrouw!quot; en met een lichte hoofdbuiging tegen den ontvanger stapte zij naast mij in het rijtuigje.
Eigenlijk had ik Manus niet behoeven weg te zenden en lag dit ook, geloof ik, niet in Tantes bedoelingen; maar ik vind het vervelend, bij den kruidenier, den slager, den behanger, enz., overal rond te rijden en aan eiken winkel stil te houden, totdat Manus de rozijnen of de karbonaden gekocht of de franjes besteld heeft; en nog vervelender, wanneer men met zijn beiden zit, een langen slungel achter zich te hebben, die alles kan hooren wat men te zamen praat. Ik ken daarentegen niets II. - K. z. 9
130
aangenamer, dan door een bevallig oord te wandelen of te rijden met iemand, die evenzeer hart en gevoel voor de natuur bezit, iemand, aan wien men zijn indrukken kan mededeelen, en bij wien men zijn gemoed en zijn verrukkingen kan uitstorten, zonder vrees van niet verstaan, misschien van uitgelachen te worden. Zoo iemand, dat wist ik, had ik in Nico-lette gevonden, en nu zou het genot, dat ik mij voorstelde, geheel bedorven zijn geworden, indien ik mij niet uiten kon, zonder dat zoo'n palfrenier, die natuurlijk de Vijzelstraat te Amsterdam honderdmaal mooier vindt dan de schoonste dreven in Gelderland, stond af te luisteren wat ik zei, en mij misschien in zich zeiven bespotte, bij 't hooren van uitboeze-mingen, die in zijn ooren als abracadabra zouden klinken. â Nu had ik berekend, dat, terwijl hij zijn boodschappen deed, ik met Nicolette een toertje buiten het dorp rijden en dan ter geschikter tijd hem weer zou kunnen ophalen. Lag daar nu zooveel kwaad in? Bijna al de jonge meisjes in den omtrek, voor zooverre zij equipage hebben, rijden alleen uit, en ware Tante op dat stuk niet zoo ouderwetsch Amsterdarasch, ik zou nooit een knecht meenemen; â doch, wat er van zij, zoo mijn handeling ondeugend was, dan werd ik er genoeg voor gestraft.
Ik reed het dorp uit en de buitenbosschen van Hardestein in, waar geen gevaar van hollen was en ons paard spoedig den draf tegen een bedaarden stap verwisselde. Zoomin voor Nicolette als voor mij was de weg, dien wij volgden, nieuw te noemen: ik kende dien voorlang, en zij had dien in de laatste dagen reeds meer dan eens met Dominee bewandeld; doch wij bekenden elkander bijna gelijktijdig, dat wij hem nimmer terugzagen, zonder dat hij ons weder geheel verschillende schoonheden en nieuwe verrassingen aanbood. Niet alleen het onderscheid der seizoenen, waarvan voor haar althans hier geen sprake kon zijn, maar zelfs eenvoudig dat van het uur van den dag, geeft aan het landschap een ander voorkomen, werpt in de schaduw, wat op andere tijden 't meest in 't oog springt en doet uitkomen, wat aan den blik ontgaan
131
was. Vooral Is dit het geval, wanneer men zich in een bosch bevindt, waar zooveel verscheidenheid heerscht als in dat van Hardestein, met betrekking tot de soorten van boomen en heesters die er groeien, en waar de bodem niet vlak, maar golvend en heuvelachtig is. De weg, dien hij gekozen had, en die voor 't grootste gedeelte met mos begroeid is, slingert om een hoogte heen, met het wildste mengelmoes van boomen beplant: nu eens ziet men tusschen de fijn besneden lichtgroene bladeren van de lijsterbes de witte tronken blinken van zware beuken, meermalen zich in twee, drie of meer stammen verdeelende, die de grilligste figuren vormen; nu eens buigen knoesterige kastanjeboomen hun sierlijke kruin over den voorbijganger neder, of steekt een groep lichtkleurige acacia's vroolijk af tegen donkere sparren; dan weder treft men ondoordringbare boschjes aan, waar blonde vroolijke berken, breedgebladerde elzen, vlierboomen, kamperfoeliestruiken met tallooze bloemen, doornige braamstruweelen en honderd andere heesters in en door elkander gestrengeld zijn: niet zelden verheft zich tusschen hen een schilderachtige eik op, de eik, die 't laatst zijn lentedos aanvaardt, doch ook 't langst met zijn stevige bladeren prijken blijft: zoodat zelfs de najaarsstormen en de winterkou ze wel van kleur kunnen doen veranderen, maar ze niet dan met moeite van den tak kunnen doen scheiden; de eik, die het beeld is der mannelijke kracht, gelijk de els, wiens blad in elk seizoen dezelfde kleur behouden blijft, het beeld is der onverschilligheid. En hoevele lieflijke geuren, en hoevele lieflijke zangen begroeten ons niet van uit dat-vroolijke plantsoen! welk een leven, welk een blijheid, welk een vroolijkheid in dit eenzame oord!
Aan de andere zijde van den weg glinsteren, op eenigen afstand, de wateren der slingerende beek ons uit de diepte tegen, en aan den overkant daarvan rijst de grond, hier met statige, reusachtige dennen beplant, wier rosse stammen schitteren in 't zonlicht en om wier hemelhooge kruinen talrijke koppels kraaien fladderen, elkander toeschreeuwende en zich uitslovende als lieden, die 't geweldig druk hebben. Eindelijk
132
daalt plotseling die heuvel neer, vergunt, bij het klimmen van den weg den wandelaar een verrassend uitzicht over de daarachter gelegen vlakte, die zich in 't zonlicht baadt; doch straks weder verheft hij zich, en, daar de weg hier draait, nemen wij afscheid van hem en rijden nu langs een breeden, nieuw ontgonnen macadamsweg, van weerszijden met dennen, beuken, lange witte populieren, sparren en de hemel weet welke boomen al meer beplant, weder dorpwaarts.
Gedurende den aanvang van onzen tocht had niets anders schier de stof onzer gesprekken uitgemaakt dan die tocht zelf en de genoegens en verrassingen, die hij ons aanbood. Wij maakten elkander opmerkzaam op wat wij zagen; op de lijsters en bastaardnachtegalen, die in 't geboomte zongen: op de eekhoorntjes, die ons van uit zijpaden begluurden en, zoodra zij merkten, dat wij naar hen keken, den eersten boomstam den besten opklauterden, wel zorg dragende, daarachter te blijven en ons niet meer dan de punt van hun neus te laten zien; op de hazen en konijnen, die over den weg snelden: op alles in één woord, wat de aandacht waardig scheen. Maar twee jonge meisjes kunnen geen half uur te zamen zijn en alleen over de natuur praten, en zoo kon ik niet nalaten eens een ander onderwerp aan te roeren en begon ik Nicolette een weinig te plagen met de assiduïteiten van den Heer Snel, die, beweerde ik, de pastorie nooit zoo druk bezocht had als sedert hare komst.
âOch kom!quot; zei zij, lachende: âdie Heer zou mijn vader wel kunnen zijn.quot;
âJa,quot; antwoordde ik: âhij zou beter bij Juffrouw Leentje voegen; maar toch .... hij zou misschien zulk een kwade partij niet wezen.quot;
Ik zei dit met zulk een ernstig gezicht, dat ik er berouw van had; want het hare verloor op eenmaal zijn vroolijke plooi, en zij vroeg mij, met eenigen angst in haar stem:
âZou je waarlijk denken, dat ik hem nemen moest, als hij mij eens vroeg?quot;
133
âO!quot; zei ik: âneem je 't zoo serieus op? Neen beste meid! zoo was 't niet gemeend.quot;
âOch!quot; hernam zij, den loop van haar denkbeelden volgende; âik weet het niet: liever zou ik hem bedanken .... maar hij zal mij wel niet vragen; een meisje zonder fortuin, en veel te jong om de moeder van zijn kinderen te zijn.quot;
Ik werd meer en meer verlegen; want ik had dien monsieur Snel beschouwd als iemand, die ver beneden haar stond, en nu deed zij mij gevoelen, dat zij in haar eigen schatting nog niet eens een partij zou zijn, goed genoeg voor hem.
âHoor eens, lieve!quot; hernam ik: âwat uw fortuin betreft, och! uw voogden zullen u wel niet geheel onbezorgd laten, en dan, in geval dat zoo niet ware, welnu, dan hadt gij 't voordeel te weten, dat wie u vraagt het om u zelve doet en niet om uw geld: â en dan zijt gij lief genoeg om wat beters te krijgen dan dien vervelenden wauwelaar.quot;
âOch lieve!quot; zei zij: âik kom pas van school, en heb nog heel wat te leeren, eer ik geschikt zal zijn om een huishouden te besturen.quot;
Zij glimlachte en scheen weder een weinig van haar ongerustheid bekomen; ofschoon zij nog een poosje peinzende bleef. Toen vroeg zij mij plotseling:
âZeg mij, Bettemie! Zou je dan in ernst van ieder, die u het hof maakt, veronderstellen, dat het hem om uw geld te doen was?quot;
âHoe wil ik weten, wat zijn bedoelingen zijn?quot; vroeg ik op mijne beurt; âindien hij het laat blijken is hij een ezel, en dan behoef ik niet eens over hem te denken; indien hij slim is, weet hij zich wel te maskeeren en ik blijf even wijs.quot;
âJa,quot; hervatte zij: âmaar zoo hij 't oprecht meende en u alleen om u zelve beminde, zou het toch hard voor hem zijn, te worden afgewezen, alleen om de veronderstelling, dat hij baatzuchtige oogmerken kon hebben.quot;
âIk zou eerst zelve zin in hem moeten hebben,quot; zei ik, âeer ik mij de moeite geef, hem op de proef te stellen; maar....
134
't geval is ook denkbaar, dat iemand, die mij zijn hof maakte, volkomen ter goeder trouw ware en mij niettemin misleidde, alleen omdat hij begonnen was zich zeiven te misleiden. Gelooft gij niet, dat iemand zich zou kunnen verbeelden, op mij verliefd te zijn, die nooit om mij gedacht zou hebben, zoo hij niet geweten had, dat ik rijk was ?quot;
âNu schept gij u muizenissen uit loutere zucht om u zelve te plagen,quot; zei Nicolette: âmaar indien er nu iemand kwam, die met u in fortuin, stand, in één woord, in alles gelijk stond, iemand bij voorbeeld, als .... als . . . .quot;
âAls Maurits,quot; zei ik, lachende; âneem maar gerust het voorbeeld, dat het naaste voor de hand ligt.quot;
âNu ja,quot; zei zij, terwijl ik mij verbeeldde, dat zij een weinig kleurde: âde Jonker en gij.... mij dunkt, dat zou zulk een geschikte partij zijn . . . .quot;
âVindt gij?quot; vroeg ik: âen moet ik dat aanmerken als een compliment voor hem of voor mij ?quot;
âWel!quot; antwoordde zij, terwijl zij nog sterker bloosde: âik weet het niet.... voor beiden, zoo gij wilt.quot;
âNu!quot; hernam ik, âindien gij een voorbeeld hadt willen bijbrengen, om mij te toonen, hoe omzichtig ik wezen moet, hadt gij er geen beter kunnen kiezen dan juist dit. Ik geloof, dat Maurits van mij houdt.... als van een goede vriendin, en, zoo hij 't in zijn hersens krijgt, mij te vragen, zal het alleen wezen, dat hij, om uw eigen uitdrukking te bezigen, mij zoo'n geschikte partij voor hem vindt; alzoo enkel en uitsluitend om mijn geld; maar wees gerust; hij is niet meer verliefd op mij dan op gindschen kastanjeboom.quot;
âIk geloof, dat gij hem onrecht aandoet, Bettemie,quot; hernam zij, met warmte: âindien gij gisteren om een hoekje hadt kunnen staan, toen hij met zooveel vuur uw partij nam, en al uw goede hoedanigheden optelde, en. . .
âMijn partij nam!quot; herhaalde ik, een weinig verwonderd, en, moet ik er met schaamte bijvoegen, een weinig geraakt: âwerd ik dan van iets beschuldigd? En door wie?quot;
Ik had weer een oogenblik berouw over mijn vraag; want
135
het arme kind bemerkte terstond, dat het zich versproken had, en geraakte niet weinig in verwarring.
âOch!quot; antwoordde zij eindelijk: â't was geen beschuldiging .... men zei niets kwaads van u. .. . neen inderdaad niet.quot;
âMiin lieve Nicolette!quot; hernam ik: âik wil u niet tot verklikster maken van wat in een particulier gesprek werd gezegd ;. . . . maar uw gezegde, dat Maurits mijn partij nam, moet mij toch doen denken, dat men mij iets ten laste lei, en zonder dat ik nu wil weten, wie zulks deed, acht ik het toch altijd nuttig, te vernemen, welke gebreken men mij toeschrijft, om mij daarvan te kunnen verbeteren, zoo ik inderdaad bemerk, dat men zulks niet geheel ten onrechte doet.quot;
âNiets, niets verweet men u,quot; riep zij uit, al meer en meer verward: âoch! vraag er maar niet naar,quot; vervolgde zij, op smeekenden toon.
âNeen,quot; zeide ik, met eenige drift: âik heb nu te veel gehoord om niet te vorderen, alles te weten. Er moet iets zijn.... wat, weet ik niet; maar sinds eenige dagen bemerk ik, dat de menschen mij aankijken alsof ik uit A r t i s was losgebroken .... Zelfs Tante is niet tegen mij als gewoonlijk: zelfs op dit oogenblik uw eigen houding .... 't Moet al heel boos en slecht zijn, wat men mij ten laste legt â en ik heb recht te vorderen, dat men er voor mij geen geheim van make.quot;
Nicolette scheen haar besluit genomen te hebben, â't Is noch boos noch slecht,quot; zeide zij: â't is doodeenvoudig bespottelijk. Men had aan Juffrouw Leentje verteld, dat gij .... 't is eigenlijk te dwaas om te zeggen .... dat gij .. . .quot; Hier haperde weer haar stem.
âWelnu?quot; hernam ik: âdat ik.... wat? De Nederlandsche Bank bestolen heb? of â op een van de Ashantijnsche Prinsen verliefd geraakt was?quot;
âMisschien iets van dien aard,quot; antwoordde zij, een schertsenden toon zoekende aan te nemen: âalthans men beweerde, dat gij .... gekke streken begaan hadt.quot;
âEi! en welke?quot;
13ti
âJa,quot; hervatte zij, âen dat vroeg Maurits.... de Jonker meen ik... . ook; en hij zei.... o hij was zoo boos! .... hij zei, 't waren praatjes van leegloopers en koffiewijven, en hij zou die lasteraars en uitstrooiers van gemeene leugens wel vinden en hun voor altijd den lust doen vergaan er nog eens mee voor den dag te komen .... O! hij was zoo boos! Zijn oogen fonkelden als starren .... waarlijk, hij houdt veel van u, Bettemie!quot;
âHij houdt van de rechtvaardigheid,quot; zeide ik, âen kan niet dulden, dat men van iemand in zijn afwezigheid kwaad spreekt. Maar nu . . . .quot;
âNeen,quot; vervolgde zij, âhij deed het op een toon, zooals men niet aanneemt, dunkt mij, als het iemand geldt, die ons onverschillig is.quot;
âIk zou waarlijk beginnen te gelooven,quot; hervatte ik, âdat hij u verzocht heeft, zijn advocaat bij mij te zijn. Maar pas op, Nicolette! advocaten, die waarlijk dien naam verdienen, beginnen met de zaak van hun cliënten, en eindigen met de cliënten zeiven ter harte te nemen.quot;
Zij werd bloedrood; maar zij herstelde zich terstond, en toonde, dat zij gevat genoeg was om werkelijk advocaat te zijn geworden: âwelnu!quot; zeide zij: âwat gij daar zegt, was juist het geval met Jonker Maurits. Hij trok zich uw zaak zoo ijverig aan, dat men wel kon merken, hoe de persoon hem na aan 't hart lag.quot;
âIllusies, kindlief!quot; zeide ik: âhij zou 't voor een onbekende evenzeer gedaan hebben; maar wij dwalen van den tekst. Gij zult mij toch wel kunnen zeggen, van welken aard de gekheden waren, die ik heet bedreven te hebben, 't Zal toch geen beschuldiging geheel in 't wilde geweest zijn.quot;
âIk kan er u waarlijk niet meer van vertellen dan ik gedaan heb,quot; antwoordde Nicolette: âmen zei alleen, dat gij dingen gedaan hadt, die geen verstandig mensch ooit zou doen.quot;
âIk zal dan noodzakelijk Mejuffrouw Leentje zelve moeten ondervragen.quot; zeide ik.
137
âOch! ik bid u, doe dat niet,quot; hernam zij: âik ben onvoorzichtig geweest, dat ik dus uit de school klapte, en Juffrouw Leentje zou 't mij nooit vergeven. Zij heeft er al genoeg over moeten hooren van den Jonker, en van Dominee ook .... en van Mijnheer Drenkelaer.quot;
âEi! was die er ook al bij?quot; vroeg ik.
âJa! die was even voor den Jonker gekomen.... om aan Dominee een boek ter leen te vragen, geloof ik.quot;
âEn trok die ook al mijn partij?quot; vroeg ik, âhij die mij nauwelijks kent?quot;
âO!quot; hernam zij: âdat zeide hij ook; maar hij voegde er bij, dat hij bij geen mogelijkheid geloof kon hechten aan eenige praatjes, die u anders zouden voorstellen, dan als eene der beschaafdste, beminnelijkste en verstandigste Juffrouwen, die hij immer had ontmoet.quot;
âNu! dat mag ik hooren,quot; hernam ik, mijn best doende om te schertsen; want eigenlijk was ik er alles behalve toe gestemd: âik had dus drie galante verdedigers, en nog wel vertegenwoordigende de geestelijkheid, het leger en de rechterlijke macht; jammer, dat de marine er niet bij was .... en uw vriend Snel, als civiel ambtenaar. â Welnu! ik weet er dan wat beters op: ik zal straks, als ik u weer thuis breng, even vragen, Dominee alleen te spreken: daar kunt gij althans niet tegen hebben.quot;
âNeen! waarlijk niet,quot; antwoordde zij: âik geloof, dat gij geen beter raadsman hebben kunt.quot;
Wij hadden inmiddels, al voortrijdende door het bosch, een halven cirkel om het dorp beschreven en kwamen weder op den grooten straatweg uit. Ik reed nu naar Hardestein terug, van meening, aan de herberg, Manus, die mij daar wachten zou, weer op te nemen, dan nog een toertje door de bosschen aan de tegenovergestelde zijde te maken, en vervolgens Mcolette te huis te brengen. De poney, wel in zijn schik, dat hij niet meer door het dikke zand had te kruien, had zijn gewonen vluggen draf aangenomen, en in weinige minuten waren wij nabi] het Wapen van Gelderland en herkende ik
138
reeds van verre den livreirok van Manus voor de deur, toen op eens de diligence van de tegenovergestelde zijde kwam en de conducteur op den hoorn blies. Of dat geluid den poney verschrikte, dan of er een andere reden daarvoor was, genoeg, het beest nam een zijsprong en de eene teugel knapte bij 't gebit: en, daar ik juist de leidsels strak hield, was het natuurlijk gevolg, dat de poney omkeerde en, eerst op een draf, toen in volle carrière, den weg weder opging, dien wij gekomen waren.
âWees maar niet bang,quot; zeide ik tegen Mcolette, die mij in den arm kneep: âen blijf vooral stil zitten.quot;
Ik was echter zelve niet op mijn gemak; want het lichte rijtuigje slingerde verbazend heen en weder, en er was alle kans, dat zoodra het wiel een paal ontmoette of het paard wat dicht aan den kant kwam, wij ondersteboven zouden duikelen. Maar zie, daar op eens sprong iemand, die van den kant van Doornwijck kwam, van het zijpad af midden op den weg, greep het leidsel, dat ik had moeten loslaten en dat langs den weg slingerde, op, en liet zich een eind medeslepen. Gelukkig knapte het leidsel niet, en de poney stond spoedig stil. Wij gevoelden een geduchten schok, doch raakten niet van de bank en stapten er toen, als gij denken kunt, onmiddellijk uit.
Mijn eerste daad was, natuurlijk, naar onzen onverschrokken redder te gaan, die weder op de been en, mooi bestoven, bij het paard stond: â en wie denkt gij dat het was? Hetzelfde personage, dat ik op Doornwijck voor de brug had zien wachten, en op eenigen afstand kwam, blijkbaar doodelijk ontsteld, dezelfde Juffrouw aan, die door Tante was afgewezen. Mijn vermoeden, dat de beide onbekenden bij elkander behoorden, had zich bevestigd, en ik behoefde hen nu slechts van nabi] te zien, om er niet aan te twijfelen, dat ik moeder en zoon voor mij had.
âIk ben u zeer verplicht. Mijnheer!quot; zeide ik, âvoor uw tijdige hulp.quot;
Hij boog zich zwijgend.
139
âIk hoop toch niet, dat gij eenig letsel hebt bekomen.quot;
âAlles is gelukkig afgeloopen,quot; hernam hij: âindien namelijk de schrik aan de dames geen kwaad doet.quot;
â0! dat is minder,quot; zei ik: âmaar Mevrouw, is die niet geweldig geschrikt?quot; Deze laatste vraag richtte ik tot de moeder, die nu juist bij ons gekomen was.
âInderdaad,quot; antwoordde zij, met een bevende stem, en terwijl zij, zonder mij nauwelijks aan te zien, wat ik zeer natuurlijk vond, met angstige blikken haar zoon beschouwde: âhoe kon je toch zoo onvoorzichtig zijn, Albert?quot; vroeg zij ⢠âheb je je niet bezeerd?quot;
âNeen moeder!quot; antwoordde hij: âik ben alleen wat bestoven geraakt en daar is raad voor.quot;
Op dit oogenblik hoorde ik het gedruisch van een aantal voetstappen achter ons, en kwamen de heer Drenkelaer, Manus en nog een half dozijn lieden, die voor de herberg hadden gestaan of althans van 't ongeluk getuigen waren geweest, met al hun macht op ons toegeloopen.
âZijn de Dames niet geweldig geschrikt?quot; vroeg Drenkelaer,, terwijl hij mij aanzag met een paar oogen, zooals hij ze alleen kan zetten.... die oogen, waarvan ik u reeds schreef, dat zij mij overal vervolgen.
âIk dank u,quot; zei ik: â't had erger kunnen afloopen, indien Mijnheer ons niet zoo intijds geholpen had.quot; Meteen gaf ik Manus een wenk, dat hij onzen onbekende zou aflossen, die altijd nog het paard was blijven vasthouden en die, hem nu zijn post overdoende, met een buiging terugtrad. Ik had mijn portemonnaie reeds voor den dag gehaald; doch de man had iets zoo fatsoenlijks, dat ik vreesde hem te beleedigen, zoo ik hem iets aanbood. Ook de moeder, al zag zij er zwak en lijdend uit, had een zeer beschaafd voorkomen; maar toch, haar vermagerd gelaat zoowel als haar kleeding duidden kennelijk aan, dat zij in alles behalve gunstige positie verkeerde, en toen ik daarbij in overweging nam, dat haar bezoek bij Tante naar allen schijn het verzoeken van eenige ondersteuning ten doel had gehad, begreep ik, het vervullen van dien plicht
140
der dankbaarheid niet te mogen opofferen aan een te ver gedreven gevoel van kieschheid. Ik haalde een zeeuw of wat voor den dag; doch zij had mijn beweging nauwelijks opgemerkt, of zij voorkwam mijn aanbieding, door even met het hoofd te schudden en, met een weemoedige uitdrukking op 't gelaat te lispelen; âdank je Freule!quot;
âVergeef mij,quot; stamelde ik, âik had . . .
Bot zweeg ik en zag den zoon aan, die, evenzeer met een droefgeestig voorkomen, voor zich keek. Ik werd verlegen met mijn figuur, maar ik wenschte mijn flater weder goed te maken, en zoo stak ik hem de hand toe.
âNu, grooten dank. Mijnheer!quot; zei ik, âen zoo ik u of uw .... of Mevrouw uw moeder.... immer van dienst kan zijn, ik heet Van Doertoghe, en woon te Amsterdam op de bocht van de Heerengracht, bij den Heer Van Bassen.quot;
Ik had, geloof ik, mijn doel bereikt en den onaangenamen indruk van de portemonnaie uitgewischt; althans hij zag mij aan met een paar heldere, vriendelijke oogen, en zeide;
âIk had straks het genoegen reeds, de Freule te zien,quot; waarna hij, met de hoffelijkheid van een romanridder, mijn hand aan zijn lippen bracht.
Maar op datzelfde oogenblik werd mijn aandacht van hem afgetrokken door hetgeen nevens mij gebeurde. Terwijl de zoon tot mij sprak, was Nicolette naar de moeder toegetreden met de woorden: âHeden Juffrouw Hermans! Ik twijfelde er al aan, of je 't waart.quot;
âIk weet waarlijk niet. Freule . . . .quot; zei de toegesprokene.
âWel, ken je Klaasje niet meer?quot; vroeg Nicolette, terwijl zij haar de hand drukte.
âKlaasje!quot; hernam de andere, verbaasd: âja waarlijk....quot; Bn zij keek ons beiden aan, als wilde zij de oplossing vragen van iets, dat haar blijkbaar vreemd voorkwam. Ongelukkig werd haar de tijd daartoe niet geschonken.
âMoeder!quot; hernam Albert Hermans, â ik wist nu zijn naam en voornaam â âdaarginds staat de diligence, en wij zullen ons dienen te haasten, zoo wij de gelegenheid niet
141
willen verzuimen. â Meteen nam hij haar arm onder den zijnen, en met een korten, doch beleefden groet stapten beiden den weg op naar de herberg.
âWat verlangt de Freule nu, dat er gedaan worde?quot; vroeg Drenkelaer.
âIk geloof,quot; antwoordde ik, âdat wij 't wijst zullen doen, met naar 't dorp terug te keeren en den teugel te laten herstellen. Wie was die Juffrouw Hermans, Nicolette?quot;
âWel!quot; antwoordde zij, âdat was diezelfde Juffrouw, waar ik u onlangs over sprak, die te Amsterdam met mij in 't zelfde huis woonde en waar ik boodschappen voor deed, toen ik klein was. 't Spijt mij, dat ik haar niet heb kunnen vragen, hoe 't nu met haar ging.quot;
âBest,quot; zei ik, âdan weet ik genoeg,quot; want, naar aanleiding van een gesprek, dat onlangs op Hardestein gevoerd was over arme sukkels, die haar kost moeten verdienen met patronen te maken, had zij mij dezelfde Juffrouw Hermans aanbevolen: â gij moest eens laten onderzoeken, Ernestine, of zij nog op een bovenkamer in de tweede bloemdwarsstraat woont, als voor tien jaren.
Wij wandelden dan nu, met het rijtuig achter ons, weer naar het dorp, waar, tot mijn groot verdriet, de geheele bevolking al op de been geraakt was en ons te gemoet kwam stroomen, om ons met vragen te overrompelen. Daar was zekere lange Mijnheer met een langen naam en een lange dochter, en de Heer Snel, die met groote bezorgdheid Nicolette op zijde kwam, en mij verwijtend toevoegde, dat hij het wel gedacht had, dat het niet vertrouwd was, zonder knecht te rijden â alsof honderd Manussen achterop het knappen van den teugel zouden belet hebben â en Le Mat, die volstrekt begeerde, dat wij ons een ader zouden laten en schrikpoeders zouden gebruiken. â⢠Ik had echter geen trek om hem geld te laten verdienen, en, toen wij aan de herberg gekomen waren, juist intijds, om de diligence, met Juffrouw Hermans en haar zoon, te zien wegrijden, vergenoegde ik mij, een teug water te drinken uit een glas,
142
dat Drenkelaer zich gehaast had te halen. Ik poogde zooveel mogelijk te schertsen, ofschoon ik meer neiging had tot schreien, niet zoozeer van schrik, als wel van spijt over het gebeurde en over de sensatie, die het scheen te maken.
âMijn Hemel!quot; vroeg ik eindelijk aan de omstanders: âwaar maken de Heeren toch zooveel beweging over? Er is niemand dood of gekwetst en de geheele schade bestaat in een geknap-ten toom, die wel gauw weer in orde zal wezen. Onderwijl zal ik Juffrouw Zevenster naar de pastorie terugbrengen.quot;
Ik nam Nicolette onder den arm en kuierde op. De omstanders dropen nu langzamerhand af, met uitzondering van Drenkelaer en Snel, die ons gezelschap bleven houden. Onderweg kwam Maurits ons tegen, die op Klein Hardestein geweest was en, bij zijn terugkomst van daar, vernomen had, dat wij een ongeluk hadden gehad. Hij toonde zich zeer gelukkig, toen hij zag, dat wij er heelshuids waren afgekomen, en toch eenigs-zins spijtig, dat hij er niet bij was geweest; ofschoon het hem. zoo 't mij voorkwam, weer goed scheen te doen, toen hij vernam, dat niet Drenkelaer, maar een onbekende ons paard had tot staan gebracht. Uit zijn geheele houding bleek mij, dat hij ongaarne zitn vriend in ons gezelschap vond; maar of ik mij dat heb aan te trekken, dan wel jSTicolette, ziedaar wat ik niet beslissen wil.
Wij kwamen aan de pastorie. Gelukkig had Dominee in de studie verdiept gezeten en was Juffrouw Leentje bij de Dames Prawley, zoodat wij zeiven hem de tijding van het ongeval konden brengen en hem meteen omtrent de gevolgen geruststellen. Er was nu geen gelegenheid om Dominee, gelijk ik verlangd zou hebben, alleen te spreken, en na weinige oogen-blikken kwam Manus ook met het rijtuig weer voor. Na voor de aanbiedingen, die mij de Heeren deden om mij te huis te brengen, bedankt te hebben, en wel op den zeer natuurlijken grond, dat, zoo ik er een alleen meenam, zulks âniet staanquot; zou, en dat ik er geen twee of drie naast mij bergen kon, nam ik dapper de teugels weer op, deze reis zorgende, dat de poney wat bedaarder bleef. Ik had op mijn terugtocht door
143
't dorp wederom het verdriet, mij overal door de voorbijgangers, zoowel als door hen, die voor of in hunne huizen zaten, te zien nakijken, alsof zij nooit een poney, een jonge Juffrouw, die mende, of een palfrenier in Tantes livrei gezien hadden. Op Doornwijck gekomen, achtte ik mij verplicht, aan Tante ons ongeval, juist zooals het gebeurd was, mede te deelen, overtuigd, dat het haar anders toch in al zijn kleuren, en misschien nog met vrij wat borduursels er bij, zou ter ooren komen. Toen ik haar echter vertelde, hoe de zoon van de Juffrouw, die haar had willen spreken, ons paard gestuit had, scheen die omstandigheid haar blijkbaar te hinderen; immers zij sloot de lippen op elkander en zette het gelaat in een ernstige plooi; zoodat mij de lust verging, haar eenige vraag aangaande moeder of zoon te doen.
Waarschijnlijk belette haar blijkbare tegenzin om over die beide personen te spreken haar toen, over het ongeval uit te weiden; en zelfs kwam zij aan tafel daar niet op terug. Wel merkte ik, dat haar zonderlinge bezorgdheid aangaande mijn gezondheid was teruggekeerd; althans zij zag mij herhaaldelijk van ter zijde aan en, na den eten, toen ik aan de piano zat, ontging mij een geheim gefluister niet, tusschen haar en Pietje, dat mij scheen te gelden. â Wat moet dat alles nu toch beteekenen? Wat hebben zich die gekke Le Mat, wat heeft Tante, ja wat heeft het geheele dorp zich toch in 't hoofd gesteld, dat mij mankeeren zou? Cela me chipote, en waarlijk, als ik de oplossing van het raadsel niet spoedig vind, geloof ik, dat het mij inderdaad ziek zou maken. Kunt gij het altemet uitvinden, verzwijg het dan niet voor
Uw liefhebbende Bettemie.
Post-script um. Ik ontving zooeven uw brief, en hoe lang de mijne ook reeds zij, toch wil ik dien niet wegzenden, zonder een woord als antwoord er bij te voegen.
Ja inderdaad, Ernestine, gij hebt gelijk: je ne suis pas
144
dans mon assiette ordinaire. Wat er met mij gebeurd is, of ik op dien Mijnheer Drenkelaer verliefd ben, ik kan het u niet zeggen; ik weet het waarachtig zelve niet.
Zie, je zult mij uitlachen; maar die Drenkelaers zijn stellig geen lieden als andere lieden, en er heeft hun vanouds iets phantastisch aangekleefd. Loopt deze niet nog met een toover-flacon, die een van zijn voorouders van een Marokkaansche Jodin gekregen heeft en die allerlei wonderkrachten bezeten heeft, en misschien nog bezit? Hij vertelt daar een allervreemdste historie van, die ik u bij gelegenheid wel mede-deelen zal; maar, hoe onwaarschijnlijk die ook was, geene van onze jonge Juffrouwen, die, nadat zij die historie gehoord had, dien flacon meer dorst aanraken: â ik wel; want ik was niet bang, althans niet op gelijke wijze als zij; maar innerlijk gevoelde ik een huivering, een rilling door mijn aderen, die mij sterker aandeed, dan die voorbijgaande angst het ongetwijfeld de overige Dames deed, en stellig van langer duur was.
Maar wat wellicht de hoofdoorzaak is van de vreemde stemming, waarin ik mij bevinde, is een zonderlinge droom, dien ik voor vier of vijfdehalf jaar gehad heb en geheel vergeten had, en die mij opeens weer helder en klaar voor den geest is gekomen. Ik meen, dat het in den nacht was voor mijn zeven-of achttienden verjaardag. Ik droomde dan, dat ik mij in een zeer bevalligen hof bevond, waarin allerlei vreemde bloemen en heesters bloeiden. Daar stond ik plotseling voor een wonderbaar schoonen boom, met donkergroene bladeren en groote welriekende bloemen, ongeveer niet ongelijk aan die van de vlierbloem. Zijn twijgen ruischten op en neer en 't was of zij mij toewenkten te komen uitrusten in zijn schaduw. Een onzichtbare macht, waaraan ik geen weerstand bieden kon, overweldigde mij, en ik zonk onder den boom op het mostapijt neer. Opeens suisden mij zonderlinge klaagtoonen in 't oor, die trillende door de lucht klonken, en wier geluid de boomtakken aanroerde en er dezelfde uitwerking op scheen te hebben als de adem van den zefir, zoodat zij zich met een angstig gerucht heen en weder be-
145
wogen. Een onbeschrijflijk smartgevoel beving mij, en ik voelde in mijn borst een diep medelijden oprijzen, zonder te weten waarom of met wien ? Opeens drong een brandende straal mij in 't hart, en spleet het als 't ware van een. Ik meende een gil te geven; doch zulk een angst beklemde mij de borst, dat het mij onmogelijk was, iets meer te slaken dan een benauwde zucht. Die straal nu, die mij door 't hart boorde, was de blik van een paar oogen, die mij uit het donkere loof aanstaarden. Het waren menschenoogen; maar zij zaten in den gekamden kop van een monsterachtigen, gevleugelden basiliscus. Al dichter en dichter stak de vogel zijn goudgeschubden hals naar mij uit, en al nader en nader zag ik die oogen op mij gevestigd; terwijl ook zijn klauw zich verhief, een klauw, met glinsterende zilveren nagels voorzien, die zich tot boven mijn hoofd uitstrekte en daar kringen omheen beschreef, kringen, die al nauwer en nauwer werden en mij met vurige draden omsponnen, zoodat ik ten laatste een net om mij heen getrokken voelde, waarin ik mij niet roeren of bewegen kon. Daarbij was het, alsof de doordringende blik dier ontzettende oogen mijn geheele wezen aangreep en beheerschte; mijn leven scheen alleen maar te hangen aan den dunnen draad der gedachte: en die gedachte was: martelende stervensangst. Toen boog de boom zijn bloemkelken over mij neder en uit eene daarvan klonk mij een liefelijke stem te gemoet, die mij toefluisterde: âvrees niet meer, Bette-mie! vrees niet: ik zal u redden.quot;
Hierbij bleef het, en ik ontwaakte: â en nu â lach mij uit of beklaag mij, net zooals gij wilt; â maar diezelfde snijdende pijn, die ik in dien droom gevoelde, die gevoelde ik ook op den dag, toen ik voor 't eerst den heer Drenkelaer ontmoette en hij mij op een hem eigene wijze aankeek, 't Was zeker toevallig: hij kan niet helpen, dat zijn oogen nu en dan iets hebben van die van een monster, waar ik jaren geleden, en toen ik hem niet kende, van heb gedroomd: â en ik moet zeggen, dat het dan ook maar bij zeer zeldzame gelegenheden
is, dat hij mij zoo aankijkt, en____maar waarom zit er op zijn
flacon juist een basiliscus? Gij zult mij toestemmen, dat hier
II. - k. z. 10
UÃ
al een zeer vreemde samenloop van omstandigheden zich voordoet.
Maar nu eindig ik voorgoed; waarlijk mijn brief is reeds al te dik en hoe gij het geduld zult hebben hem te lezen, weet ik niet. Ik durf hem niet met de post verzenden; want hij is 't port niet waard: zal ik er dus maar een turf aanbinden, zoo die hier te vinden is, of anders een steen, en hem u per diligence zenden. Adieu chérie.
ACHTSTE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
TOENEMENDE VERWARRING IN HOOFDEN EN HARTEN.
De wrevel, dien Bettemie gevoeld had, toen zij te Harde-stein ten doel had gestrekt aan de nieuwsgierige blikken der in- en opgezetenen, ware nog vrij wat sterker geweest, indien zij de gesprekken had kunnen hooren, ter dier gelegenheid en in de daarop volgende dagen gevoerd. Dat zij, zonder bediende achter zich, het chaisje gemend had, zou vroeger aan niemand stof tot bevreemding gegeven hebben; maar na de loopende praatjes, door den laster uitgestrooid, werd zulks door velen beschouwd als een daad van verregaande excentriciteit, nog meer afkeurenswaard door het voornemen, haar, 't zij door Le Mat, 't zij door Verdrongen (wij laten dit in 't midden), liefderijk toegedicht, om met Mcolette naar Doorn-wijck te rijden, en den armen Manus te noodzaken, zoo beladen als hij was, op zijn voeten huiswaarts te keeren. Had zij aan haar jeugdigen redder de hand gegeven, straks was er verteld geworden, dat zij hem om den hals was gevlogen: ja 't ontbrak niet aan geuitte vermoedens, dat het stuiten van het paard door dien galanten ridder, dien niemand kende, die zoo juist van pas uit de lucht was komen vallen en op even geheimzinnige wijze â N.B. met de diligence â weer verdwenen was, wel niet anders zijn zou dan doorgestoken werk. Evenals het vuile slijk, dat op den bodem van een helderen waterplas ligt, wanneer het geroerd wordt, langzamerhand naar boven stijgt, tot het ook de oppervlakte
148
bezoedelt, zoo wareu ook de ellendige wauwelpraatjes aangaande Bettemie, ofschoon in den aanvang alleen rondgevent onder de Hardesteinsche leegloopers en babbelkousen van minder allooi, langzamerhand ook overgebracht bij de hooge aristocratie van de plaats en van den omtrek, en hadden ook daar de hoofden in verwarring gebracht. Wel was in den kring, waar Bettemie meer bijzonder bekend was, niet iedereen zwak genoeg om geloof te slaan aan al de dwaasheden, die in omloop gebracht waren; maar toch konden zelfs daar de meesten de gedachte niet van zich weren, dat er toch wel eenige grond moest bestaan voor de verspreide geruchten, en men had vrij algemeen voorgenomen, eenige meerdere aandacht dan vroeger aan de gedragingen en gezegden der Freule te schenken en zoo, door eigen opmerking, te beoor-deelen wat er van de zaak was: een besluit, in schijn heel loffelijk; doch dat reeds op zich zelf een zekere mate van wantrouwen in zich sloot tegen haar, die het gold, en bovendien moeilijk anders dan tot haar nadeel kon uitvallen: immers het was bijna zeker, dat voortaan ook de onschuldigste handeling, door haar begaan, de eenvoudigste woorden, door haar gesproken, op de weegschaal gewogen, ontleed, gecommentarieerd zouden worden en aan een rechtspraak onderworpen, waarbij het vooroordeel het vonnis wijzen zou.
Men heeft uit den laatsten brief, van Bettemie kunnen zien, dat ook zelfs Mevrouw Van Doertoghe, die toch haar nicht, sedert die geboren was, kende, en verondersteld kon worden, beter dan iemand te kunnen weten, hoe het met het hoofd van het meisje gesteld was, desniettemin bewezen had, in de ongerijmde vermoedens van zoovelen te deelen. Dit mocht oppervlakkig vreemd schijnen; doch dat vreemde was licht te verklaren voor wie de Douairière kende. Hoe kloek van hoofd ook, hoe helder van doorzicht en vastberaden in de meeste opzichten, had zij echter, als meer vrouwen â eu mans ook, mag men er bijvoegen â die in weelde zijn opgebracht, het zwak, wat heel veel om haar gezondheid en die van anderen te denken. Van kindsbeen af was zij gewend
149
geweest, dat, bij het minste dat haar haperde of scheen te haperen, de geheele faculteit te pas kwam, en zoo was zij opgevoed in de meening, dat ook het onbeduidendste kwaaltje medicinalen bijstand vorderde. En niet alleen achtte zij, op rijperen leeftijd gekomen, zulks aan haar gezondheid, maar ook aan haar stand verschuldigd te zijn. Immers, was er iemand van het Vorstelijk Huis ongesteld, dan werd zulks terstond in al de dagbladen vermeld, ja in de meeste gevallen kwamen er bulletins van uit: en zij achtte zich zelve niet heel veel minder dan een Vorstin: â haar grootvaders van vaders en moeders zijde hadden toch tot de Regeerders van den lande behoord, en onder anderen als Gedeputeerden te velde bij hun beraadslagingen in leunstoelen gezeten, terwijl een Prins, als Joan Maurits en andere vorstelijke personages, op een vouwstoel zaten : zij vond, dat het een gewichtig persoon als haar alzoo paste, den geneesheer niet enkel uit noodzaak te ontbieden om haar te genezen van bestaande kwalen, maar ook om haar te behoeden voor kwalen, die komen mochten. En niet alleen voor zich zelve, maar ook voor al wie tot haar huisgezin behoorde, was zij op geneeskundige adviezen gesteld, ten gevolge van welk een en ander het bij haar een vaste gewoonte was geworden, dat dokter, chirurgijn en apotheker alle dagen ten harent kwamen vernemen of iemand aan hun ministerie behoefte had. Zoo waren er te Amsterdam drie personen van 't vak, die jaarlijks een goede rekening bij haar inleverden. Te Hardestein moest zij zich vergenoegen met de bezoeken van Le Mat, die de drie zoo even genoemde hoedanigheden in zijn persoon vereenigde, en wien haar tijdelijk verblijf op Doornwijck dan ook bijna evenveel voordeel opleverde als zijn geheele overige praktijk. Gelukkig, dat Mevrouw Van Doertoghe van nature een sterk, of liever een taai gestel had gekregen, en dat de middelen, die men haar voorschreef, over 't geheel zeer onschuldig waren; anders had men zich met recht kunnen verwonderen, dat zij, trots al het medicineeren dat zij deed, zoo kras en gezond bleef.
Mevrouw Van Doertoghe stelde ontzaglijk veel vertrouwen
150
in Le Mat: â of 't welgeplaatst was, vermeten wil ons niet te beslissen, en een beantwoording dezer vraag mag ook onnoodig schijnen aan de zoodanigen, die beweren, dat vertrouwen in den arts het hoofdbestanddeel uitmaakt aller artsenijen. Genoeg, de Douairière had vertrouwen in Le Mat, bij wien, volgens haar oordeel, praktijk en menschenkennis het gemis aan theorie en wetenschappelijke opleiding vergoedden, en, ter wille van hetgeen zij zoo goed was zijn bekwaamheid en doorzicht te noemen, ergerde zij zich niet aan zijn min gepolijste vormen en duldde zij zijn vervelende redeneeringen. En nu was het, als de lezer wellicht reeds vermoed zal hebben, niemand anders dan Le Mat, die haar bezorgdheid omtrent den gezondheidstoestand van Bettemie had opgewekt. Reeds voorlang had het hem, als wij reeds met een woord gezegd hebben, sterk gehinderd, dat Freule Bettemie zijn hulp nooit inriep, ja zelfs, in 't laatste jaar of wat, altijd onzichtbaar voor hem bleef: hij was er verre van af, de ware oorzaak hiervan te gissen en, na hetgeen hij van Drenkelaer gehoord had, was het vermoeden bij hem opgerezen, dat zij, zooals dat met krankhoofdigen meer het geval pleegt te wezen, schuw was voor den arts en diens doordringenden blik. Hij moest daar nu meer van weten, en zich zulk een belangrijke patiënt, noch de mogelijke eer van aan haar zyn wondere bekwaamheden te toonen, niet laten ontgaan, en, bij de eerste gelegenheid de beste was hij Mevrouw Yan Doertoghe gaan polsen. Met zonder slim beleid was hij daarbij te werk gegaan; hij was begonnen, zich naar den welstand der Freule te infor-meeren, en zulks, eerst schijnbaar slechts, als in 't voorbijgaan, maar toch bij herhaling, en op een toon, die de Douairière eerst verwonderde en vervolgens ongerust maakte, vooral toen hij er bijvoegde, dat hij de Freule voor eenige dagen in 't dorp had ontmoet, en gevonden, dat zij âzoo iets vreemds in haar oogen had. Op de bezorgde vraag, wat hij daarmede bedoelde, en of hij werkelijk dacht, dat haar iets schortte, had hij geantwoord met een zeer voorzichtige wedervraag, namelijk, of er in de familie der Freule, van moeders zijde misschien â
151
van de Doertoghes wist hij dat wel beter â ook voorbeelden geweest waren van op er at io (hij meende ab er ratio) mentis, anders gezegd âafdwaling van 't verstand,quot; om niet te zeggen âkrankzinnigheidquot;. â Mevr. Van Doertoghe had zich, in 't eerst, niet weinig geërgerd over de onderstelling, maar toch, bij eenig nadenken, zich herinnerd, dat de beroemde Koenraad Van Beuningen, die in 't laatst van zijn leven blijken gegeven had, dat hij niet wel bij 't hoofd was, een overoudoom van de moeder der Freule geweest was.
âDaar hebben wij 't al,quot; had Le Mat gezegd: âdan is de zaak verklaarbaar.quot;
Die uitroep had Mw. Van Doertoghe niet weinig ontsteld; intusschen, te midden harer ontsteltenis niet uit het oog verliezende, dat het vermoeden van Le Mat nog geen bepaalde zekerheid aanbood, zoolang het nog maar alleen steunde op een opmerking, door hem gemaakt ter gelegenheid van een vluchtig samentreffen, bij 't welk hij Bettemie niet zoo heel nauwkeurig had kunnen opnemen, had zij willen weten, of er bij hem nog eenige andere aanleiding tot dat vermoeden bestond.
In strikte eerlijkheid zou Le Mat op die vraag niet toestemmend hebben kunnen antwoorden; ja zelfs moeten erkennen, dat gezegd vermoeden op geen grond ter wereld steunde, dan alleen op eenige twijfelachtige woorden van den Marlheimschen Substituut-Griffier; doch nu hij zelf eenmaal verkozen had, niet te twijfelen aan het feit, dat er bij de Freule âeen van de vijf aan 't wandelen was,quot; achtte hij 't om zoo te zeggen een plicht, te zorgen, dat een ander er evenmin aan twijfelde; en zoo had hij aan de Douairière geantwoord, dat hij liefst vooralsnog geen bepaalde feiten wenschte aan te voeren, omdat hij dienaangaande niets met stellige zekerheid wist, maar dat hem zonderlinge geruchten omtrent de Freule, zoo uit Amsterdam als van elders, waren overgewaaid, die in verband met zijn eigen opmerkingen betreffende haar uitzien, hem toeschenen, niet geheel verwaarloosd te mogen worden en althans eenig onderzoek rechtvaardigden, ten einde hij in staat zou kunnen
152
zijn, indien de vermoedens niet bewaarheid werden, openlijk, en met het gezag, dat zijn betrekking hem gaf, alle praatjes te dien aanzien tegen te spreken.
De gedachte alleen, dat eene Van Doertoghe aan zoodanige praatjes tot stof kon strekken in de winkels en kroegen te Hardestein, was te grievend, te vernederend zelfs voor een vrouw als de Douairière dan dat zij niet terstond de noodzakelijkheid zou hebben toegegeven om te ontdekken wat er van de zaak was. Toch kon zij niet begrijpen, hoe, indien het werkelijk met Bettemie niet was zooals 't behoorde, zij daar nooit iets van gemerkt zou hebben, en zij had aan Le Mat niet ontveinsd, hoe vreemd haar dit voorkwam, waarop hij terstond een schat van voorbeelden had aangehaald, die bewijzen moesten, dat gekken over 't geheel nog beter dan verstandige lieden, het talent bezitten om, wanneer zij willen, te verbergen wat bij hen omgaat, en dikwijls alleen bij zeer zeldzame gelegenheden, en dan zeer onverwachts, voor den dag komen met hetgeen er bij hen schuilt.
Mw. Van Doertoghe had hier wel niets tegen kunnen inbrengen; doch zij was nu weer op een punt teruggekomen, dat zij zelve vroeger had aangeroerd, en had den twijfel geopperd, of er wel eenige gevolgtrekking was af te leiden uit de krankhoofdigheid van Van Beuningen, daar men toch een kwaal wel van een vader of voorouder, maar niet van een oom beërven kon.
Ook hieromtrent was Le Mat er in geslaagd, haar van hetgeen hij een dwaling noemde te doen terugkomen. Immers was het, naar zijne meening, zeer waarschijnlijk, dat èn Van Beuningen, èn andere leden van zijn familie, dus nu ook de Freule, die kwaal konden hebben ontleend van een gemeen-schappelijken stamvader, terwijl het voor 't overige bewezen was, dat dergelijke ongesteldheden zich in een familie sporadisch en in zeer ongelijke tijdvakken vertoonden.
Het was ten gevolge van dit onderhoud geweest, dat het consult had plaats gehad, in den brief van Bettemie aan haar vriendin beschreven. Hetgeen aan Mw. Van Doertoghe dien-
153
aangaande was bericht, had haar wel geen stellig bewijs geleverd, dat er iets aan haar nichtje schortte, doch evenmin haar bezorgdheid weggenomen, en deze was niet weinig vermeerderd geworden door hetgeen, terstond daarna, op dat noodlottige ritje naar Hardestein, had plaats gevonden.
Het sprak van zelf, dat, op den dag na het voorgevallene, Le Mat zijn bezoek op Doornwijck hervatte, waarbij nu, naar zijn meening, de omstandigheid, dat hij toch vragen moest, of de Freule geen hinder had gehad van den schrik, hem een natuurlijke en ongezochte aanleiding geven zou om haar te spreken te krijgen. Toen hij, in zijn fourgon, de laan kwam oprijden, zag Mevr. Van Doertoghe, die met Pietje Pancras voor 't raam zat kousen te rekken, tot haar niet geringe verwondering, dat hij niet alleen was, maar een vrouw naast zich had, die, toen zij er na hem uitstapte, niemand anders bleek te zijn dan Juffrouw Katharina Tronck.
âDoe ik geen belet. Mevrouw?quot; vroeg deze, toen zij, Le Mat gevolgd zijnde, die zonder te schellen of zich te laten aanmelden, de voordeur en die der zijkamer had geopend en binnengeloopen was, op de mat in de gang was blijven staan. Immers zoo haar geleider van zijn voorrecht als geneesheer gebruik had gemaakt, het was in volslagen strijd met de etiquette, die op Doornwijck heerschte, dat iemand, wie 't ook wezen mocht, zich voor de oogen van de Douairière vertoonde, zonder vooraf te zijn aangediend.
âWel volstrekt niet. Juffrouw Kato!quot; antwoordde de Douairière, terwijl zij met een genadige buiging van 't bovenlijf de nu binnentredende verwelkomde en toen Le Mat, op meer gemeenzame wijze, met een hoofdknik groette. â âJe brengt zeker een boodschap van Mevrouw Van Hardestein?quot;
âZoo is 't. Mevrouw,quot; antwoordde Kato, plaats nemend op den stoel, dien Pietje Pancras zich gehaast had bij te schuiven: âMevrouw Van Hardestein had gehoord van het ongeval, dat gisteren aan Freule Bettemie is overkomen, en was juist van plan den koetsier hierheen te sturen, om te hooren, of de Freule er geen ongemak van had ondervonden, toen onze
154
vriend Le Mat bij ons kwam, en wij van hem hoorden,, dat hij voornemens was onmiddellijk naar u toe te rijden, en toen werd er, eerst zoo half en badinage, later in ernst, over gesproken, dat ik van die gelegenheid gebruik zou maken om in plaats van den koetsier te gaan; want Mevrouw begreep, dat ik beter omtrent alle bijzonderheden informatie krijgen zou, en zoo is het gebeurd, dat ik hier ben.quot;
â'tls zeer vriendelijk van Mevrouw Van Hardestein,quot; zeide de vrouw des huizes: âen wie is er ongesteld ten uwent, voor wien de hulp van Le Mat moest worden ingeroepen? âquot; Mw. Van Doertoghe wist, dat madame mère niet alleen een gezondheid had van ijzer en staal, maar bovendien zelden kon gelooven of eigenlijk niet recht kon verdragen, dat haar huisgenooten ongesteld waren, en daarom slechts noode een dokter in huis haalde.
âBijou toonde gisteren weinig eetlust,quot; antwoordde Kato, met een schijnbaar verlegen, inderdaad wel wat ondeugenden lach.
âWaarlijk?quot; vroeg de Douairière.
âOch, dat lieve diertje,quot; riep Pietje Pancras, die machtig veel van honden hield, en er dol gaarne een op nagehouden zou hebben, indien alle viervoetig en gevleugeld gedierte geen contrabande ten huize van haar nicht geweest ware: âen wat scheelt hem eigenlijk?quot;
âVoorname lui's ziekte,quot; antwoordde Le Mat: âhet beest had zijn maag overladen, en sinds het wat op dieet gehouden wordt zal het gauw wel weer klaarkomen.quot;
âIk behoef niet te vragen, hoe Mevrouw vaart,quot; hernam Kato: âMevrouw ziet er altijd even wakker en jeugdig uit.quot;
âHm! dat mocht toch wel beter zijn,quot; antwoordde de Douairière: âik ben weer zoo stijf in de lendenen.quot;
âWie zou dat kunnen gelooven. Mevrouw?quot; hernam Kato, âdie u dus aan den arbeid ziet. En vermoeit u dat kousen-rekken niet?quot;
âJa, wel een beetje,quot; zeide Mevrouw: âmaar 't moet toch gedaan worden. De wasch dient wel aan kant.quot;
âOngetwijfeld Mevrouw!quot; hernam Kato: âmaar dat Mevrouw
155
zich op haar jaren nog getroost, dat zelve te doen. . .
âJa, dat heb ik al honderdmaal gezeid,quot; viel hier Le Mat in, âdat Mevrouw wat meer rust moest nemen en zulk werk aan anderen overlaten. â Waar zijn de linnenmeiden en de stijfsters voor, als de Dames zulk werk zei ven verkiezen te doen?quot;
âDe linnenmeiden en de stijfsters hebben nog genoeg haar handen vol,quot; merkte de Douairière aan: âen ik heb gaarne, dat de boel wat spoedig aan kant komt. Bovendien, wat het kousenrekken betreft, dat vertrouw ik niemand zoogoed als mij zelve, en ik heb als kind reeds mijn moeder en mijn tantes altijd dat werk zeiven zien doen. 't Is waar, de meeste Dames denken er tegenwoordig anders over, en beschouwen zoo iets als beneden zich; en men vindt mij misschien wat ouderwetsch; maar ik ben nu eenmaal zoo en ik verlang op mijn leeftijd niet te veranderen. Men moet ook zien, hoe 't tegenwoordig in de huizen gaat, waar men alles aan de dienstboden overlaat â en niet zelf het voorbeeld geeft.quot;
âJa, te dien opzichte heeft Mevrouw ook wel gelijk,quot; merkte Kato aan, âen zij beschaamt al de andere dames: Mevrouw mag zich ouderwetsch noemen; maar het zou gelukkig zijn, als er nog velen waren, die een voorbeeld aan haar willen nemen en zich wat meer bemoeien met hetgeen in huis omgaat. Mevrouw is er nog eene van den ouden stempel; en daarmee is ons land groot geworden. â Maar nu Mevrouw, hoe is het met de Freule?quot;
âJa, hoe is het met de Freule?quot; vroeg Le Mat, met een bedenkelijk gezicht.
âO! zij zegt, dat zij volkomen wel is, en dat haar niets mankeert,quot; antwoordde de Douairière, met een gezicht, zoo zuur, alsof zij het onaangenaamste bericht mogelijk mededeelde: âmaar ik wenschte toch wel, dat Le Mat eens met haar sprak.quot;
âWil ik haar gaan roepen. Mevrouw?quot; vroeg Pietje.
âOf mag ik het gaan doen?quot; vroeg Kato: âoch ja, als 't u belieft Mevrouw ? Ik weet den weg toch best naar haar kamer.quot;
âAls je de moeite nemen wilt, o ja!quot; antwoordde Mevrouw,
156
die nu wel gaarne eenige oogenblikken met Le Mat, buiten de tegenwoordigheid der bezoekster, spreken wilde: âen weet je wat, Juffrouw Kato, als je niet gehaast bent, blijf dan maar een poosje met haar praten, en kom mij later eens vertellen hoe je haar vindt, 't Is misschien beter, dat zij niet beneden komt; Le Mat zal wel naar boven gaan, en je daar aflossen.quot;
Dit alles was koren op den molen van Kato, die, om redenen haar bekend, zich op Hardestein zoo bereidwillig verklaard had, de commissie op Doornwijck op zich te nemen, en wie het nu bijzonder meeviel, dat zij zelfs in de gelegenheid gesteld werd, zich met de Freule alleen te onderhouden. Gretig maakte zij dus gebruik van de verleende vergunning en snelde de trap op, naar de kamer der Jonkvrouw.
Indien Bettemie al niet leed aan de kwaal, welke haar dwaas-lijk was toegedicht, toch kon zij, na al het voorgevallene, niet gezegd worden, volkomen op haar streek te zijn. Het gebeurde met het rijtuig en het daarbij voorgevallene, de ontmoeting met den onbekende en zijn moeder, het raadselachtige, dat zich aan haar positie verbond, dat alles had haar, die bovendien reeds in overspannen toestand verkeerde, geschokt, en zij had een onrustigen nacht gehad, waarbij zij door benauwde droomen gekweld, en dikwijls met een schrik wakker was geworden. Wel had zij zich tegenover haar tante goed gehouden, en aan 't ontbijt zelfs geschertst en gepraat als naar gewoonte; doch zij was met dat al blijde, toen zij weer aan die Argus-oogen ontweken en eenzaam op haar kamer was, waar zij zich voor niemand behoefde in te houden. Zij had, sedert zij er gekomen was, den meesten tijd in overpeinzing doorgebracht en vruchteloos gepoogd, iets bij de hand te nemen. Zij was, toen Kato aanklopte, voor het open raam gezeten en, wat geheel tegen haar gewoonte was, zonder iets uit te voeren; terwijl haar oogen vrij onbestemd over de fraaie wandeldreven van Doornwijck dwaalden. Het tikken op de deur deed haar opspringen, en terwijl zij âbinnen!quot; riep, nam zij haastigeenig borduurwerk, dat op tafel lag, op en poogde zich te houden alsof zij ijverig aan den arbeid was.
157
âIs het geoorloofd, Freule?quot; vroeg bij 't binnentreden Kato, aan wie die haastige beweging van Bettemie niet ontsnapte.
âHeden! Juffrouw Kato! wel dat is een verrassing!quot; riep Bettemie: âzeker, wie ik gedroomd had, dat aan de deur tikte, u zou ik nooit geraden hebben. â Ik hoop toch, dat uw vroegtijdig bezoek niets kwaads brengt. â Maar ga toch zitten.quot;
âIntegendeel,quot; zei Kato: âen ik hoop vooral iets goeds hier vandaan te brengen, namelijk de tijding, dat de schrik van gisteren bij u geen kwade gevolgen heeft gehad.quot;
âOch! ik val zoo schrikachtig niet,quot; zei Bettemie: âalleen hindert het mij, dat er zooveel drukte over gemaakt is ... . maar,quot; haastte zij zich te zeggen, als begeerig van het onderwerp af te stappen, âmag ik u de vraag doen, die Badeloch aan haar man doet:
Hoe zijt gij hier gekomen?quot;
âDat zou je ook niet licht raden,quot; antwoordde Kato: âmet Le Mat. 't Is goed, dat hij getrouwd is, nietwaar? anders zou men er nog van praten, dat ik zoo met hem in den four-gon reed.quot;
âZoo! is Le Mat hier?quot; vroeg Bettemie, op een toon, die zooveel zeggen wilde als: âik wou dat hij in 't Peperland zat.quot;
âOch ja, en ik kondig u zijn visite aan, als hij bij uw Tante heeft uitgepraat.quot;
âMaar ik heb niet verlangd hem te spreken,quot; zei Bettemie, wrevelig: âik heb geen Dokter noodig. Ik ben heel wel.quot;
âWaarlijk?quot; vroeg Kato op een toon van deelneming: âmij dunkt toch, 't zou voor alle zekerheid niet kwaad zijn, zoo je eenige voorzorgen naamt.... ik vind wel, dat je er wat vermoeid uitziet.quot;
âOch wat!quot; zei Bettemie: âik ben, wat mij betreft, heel wel.... maar heb je ook iets van Nicolette gehoord?quot;
âJa,quot; antwoordde Kato, een zeer koelen toon aannemende: âdie is volkomen welvarende.quot;
âHeb je haar gezien?quot;
âNeen.quot; zei Kato: âmaar van morgen op 't ontbijt hadden
158
wij al tijding van haar.quot; En wederom lag er in de wijze, waarop zij deze op zich zelve zoo eenvoudige woorden uitsprak, een zeker iets, alsof het onderwerp haar onaangenaam was.
âIs er iemand van de pastorie bij u geweest?quot; vroeg Bettemie.
âEr was al iemand, voor dag en dauw geloof ik, naar de pastorie gezonden,quot; antwoordde Kato: âer was ten minste gisteravond al order gegeven, dat men er heen zou gaan.quot;
âNu, dat was natuurlijk, dat men verlangde te weten, hoe zij 't maakte.quot;
âHeel natuurlijk, dat men dit verlangde,quot; herhaalde Kato, als voor zich zelve.
âEi waarlijk?quot; zei Bettemie, met een glimlach, die bewees, dat zij de bedoeling vatte, doch die Kato niet weinig verwonderde.
âEi!quot; dacht deze bij haar zelve: âneemt zij het zóó op? Was Maurits haar wezenlijk onverschillig, nu, dan kan ik met een te ruimer geweten voor de belangen van Lukas ijveren. â En dan maar geen tijd verzuimd; de gelegenheid kan nooit schooner zijn.quot;
âIk verzeker u,quot; vervolgde zij tegen de Freule, âdat onze Heeren gisteren mooi geagiteerd waren over het voorgevallene. De Jonker hield niet op met allerlei akelige tafereelen op te hangen van wat er had kunnen gebeuren, als uw paard niet gestuit was geweest, en riep maar voortdurend over de onvoorzichtigheid, om dus zonder palfrenier te rijden . .. .quot;
âZoo! â dus ik kreeg nog knorren toe,quot; viel Bettemie in.
âJa, en de heer Drenkelaer .. . .quot;
âOch! heeft die ook al op mij geknord?quot;
âDat geloof ik niet, dat hij licht doen zou,quot; antwoordde Kato met een veel beteekenenden blik: âhij begreep dat het uwe schuld niet kon zijn, als er een leidsel knapte. Maar wat hij herhaaldelijk uitriep, was, dat hij den onbekenden wandelaar zoo benijdde, die u zoo van pas te hulp kwam.quot;
âNu dat wil ik wel gelooven,quot; zei Bettemie, een weinig
159
kleurende: âdie onbekende redder had gansch geen kwaad voorkomen.quot;
âDe zoon van een naaister uit een achterbuurt!quot; zei Kato, den neus optrekkende: âalthans dat heeft Nicolette aan Juffrouw Leentje verteld; â neen! noch zijn voorkomen, noch zijn persoonlijkheid scheen den heer Drenkelaer tot een voorwerp van nijd te verstrekken, maar wel het geluk, u uit zulk een gevaar te hebben gered.quot;
âHij zal toch,quot; zei Bettemie, het onderwerp als scherts willende behandelen, âzich, hoop ik, niet verbeelden, dat die wonderbare redding van twee hollende jonge Juffrouwen in de courant moet komen, en het betreuren, dat hem het voorrecht niet te beurt valt, daarin met naam en toenaam voor te komen als de onverschrokken held, die met lijfsgevaar het paard tot staan heeft gebracht. â Ik weet niet, of het Nut daar wel medailles voor geeft, evenals voor 't uit het water halen van drenkelingen.quot;
âJa, scherts er maar mee,quot; hernam Kato; âik beklaag waarachtig dien armen jongen.quot;
âWaarmee?quot; vroeg Bettemie: âdat zijn jas niet bestoven' is geraakt, als die van dien mijnheer Hermans?quot;
âOch foei. Freule! je begrijpt wel wat ik meen.quot;
âIk begrijp alleen dat je meer omtrent de gevoelens van Mijnheer Drenkelaer weet dan ik: â maar nog volstrekt niet, waarom je hem zoo te beklagen vindt.quot;
âWel,quot; hernam Kato, die deze woorden van Bettemie nogal vrij bemoedigend vond: âik geloof, dat hij dan erg op u verliefd is.quot;
âZoo!quot; zei Bettemie: âja, liefde moet zeker een lastige kwaal zijn. Heeft hij Le Mat niet geraadpleegd om te weten hoe hij er van genezen zou?quot;
âIk twijfel of Le Mat de persoon is, die hem zou kunnen helpen,quot; zei Kato, het hoofd schuddende.
âMaar beste Juffrouw Kato,quot; hernam Bettemie: âje vertelt mij daar een onverwacht nieuws. Mag ik weten, of hij u verzocht heeft, mij in zijn naam een declaratie te doen?quot;
160
Die vraag op den man af was wel geschikt om Kato van haar stuk te brengen. Zij begreep echter uit den toon, waarop die gedaan was, en waarin niets scherps of verwijtends lag, dat de Freule, óf de zaak als scherts opvatte, óf werkelijk iets meer aangaande Drenkelaer wenschte te weten, en zij antwoordde dus met eenige vrijmoedigheid:
âMij, lieve Freule? hoe krijg je 't in je gedachte? Ja, hij zou mij tot zijn confidente nemen! mij, die nooit eenige andere woordenwisseling met hem heb, dan betreffende de kopjes koffie of thee, die ik hem schenk. Maar als men, gelijk ik, gewoon is, in 't gezelschap te zwijgen, toe te luisteren en toe te kijken, dan merkt men zoo 't een en ander nogal op.quot;
âHeeft hij zich dan,quot; vroeg Bettemie, âover mij uitgelaten op een wijze, waaruit viel op te maken, dat hij mij zoo bijzonder de eer van zijn onderscheiding waardig keurt?quot;
âZeker nooit bepaald,quot; antwoordde Kato: âmaar als men zoo op iemands gezegden en handelingen let, en 't een aan 't ander knoopt, dan kan men nog wel eens tot gevolgtrekkingen komen, die ... . enfin ik ga in deze alleen af op mijn eigen overtuiging en dan moet ik erkennen dat ik medelijden met hem heb.quot;
âHij moet dan in je bijzondere gratie zijn,quot; merkte Bettemie aan; âwant toen ik verleden jaar Mijnheer Sterrewinkel bedankt had, toonde je geheel geen medelijden met hem en schepte je zelfs vermaak er in, hem in een belachelijk daglicht te stellen.quot;
âNu! dat was ook geen man om op eenen dag met Mijnheer Drenkelaer te noemen,quot; zei Kato.
âWaarlijk, lieve Juffrouw,quot; zeide Bettemie: âik begin te gelooven, datje zelve van hem gecharmeerd bent.quot;
âNu ja, dat ben ik ook,quot; antwoordde de andere, lachende: âmaar wat mij vooral belang in hem doet stellen, is, dat hij zich zoo wat in dezelfde positie bevindt, als ik, van namelijk in ongenade te zijn bij Mevrouw Fortuna, en dat hij daarom ook wel nooit zou durven wagen, zijn wenschen zoo hoog te verheffen.quot;
161
Bettemie haalde de schouders op en zweeg. Zonder Mejuffrouw Tronck bepaald te wantrouwen, achtte zij het echter niet noodig zich uit te laten, hoe zij doen zou, als Drenkelaer eens werkelijk het waagstuk, waarop gezinspeeld werd, beging. â Kato van haar kant begon ook te vreezen, indien zij verdelging, bij Bettemie eenig vermoeden op te wekken van de verstandhouding, die tusschen haar en Drenkelaer bestond. Zij was â en dat kwam haar reeds zeer veel voor â twee dingen te weten gekomen, vooreerst, dat Bettemie er geen traan om laten zou, al vree Maurits naar een andere dan haar; ten tweede, dat zij geen bepaald plan had om een aanzoek van Drenkelaer af te wijzen, in welk geval het toch doodeenvoudig zou zijn geweest, indien zij, hoorende spreken van diens verliefdheid, terstond de hoop had te kennen gegeven, dat daar geen quaestie van mocht zijn. â Zij sprong dus op een ander onderwerp over, en drukte haar wensch uit, dat de Freule toch volkomen weer in orde zou wezen voor den grooten dag van de fancy-fair.
âWel, dat hoop ik waarlijk ook,quot; zei Bettemie: âen 't is goed dat je er van spreekt; mijn teekening is juist af.... en zou 't u nu te lastig wezen, indien ik u verzocht, u daarmee te belasten?quot;
âWel, 't zal mij integendeel zeer aangenaam zijn, zulk een welkome gift over te brengen,quot; antwoordde Kato; âmag ik die nu voor mijn moeite eens zien ?quot;
De teekening werd voor den dag gehaald. Wat zij voorstelde was een eenvoudig gezicht op de heide, door Bettemie gedeeltelijk naar de natuur geschetst, gelijk zich die achter Doornwijck voordeed, voorts te huis met sepia opgeteekend, en uit haar verbeelding gestoffeerd met een enkele denne-boom, en een herder met zijn hond, welke voorwerpen donker uitkwamen tegen de heldere kimmen, achter welke de zon blijkbaar pas was ondergegaan. Er lag over dit eenvoudig tafereel een bekoorlijk waas van poëzie gespreid, en zelfs menig kunstenaar van beroep zou de bekwaamheid hebben benijd, waarmede zij, met geringe middelen en alleen
ii.-k. z. n
162
door eenige lijnen en tinten, zulk een krachtig en sprekend effect had weten te verkrijgen. Wij hebben uit Nicolettes brief reeds gezien, hoe deze er mee was ingenomen geweest, en Kato, hoewel meer verstand hebbende van haakwerkjes dan van de schoons kunsten, was toch ook getroffen over het eenvoudige schoon der teekening, en gaf haar bewondering in menigen uitroep lucht.
âEn nu!quot; zei Bettemie: âzullen wij dat stuk weer inpakken, dat het onbeschadigd overkomt.quot;
Juist maakte zij zich gereed, de teekening weder in het dubbele vloeipapier te bergen, dat er omheen had gezeten, toen de deur openging en Le Mat binnentrad.
âIk kom eens hooren, of de Freule al wat bekomen is van den schrik van gisteren,quot; zeide hij.
âEn ik, Freule, zal mijn afscheid van u nemen,quot; zei Kato: âen naar Mevrouw uw tante terugkeeren.quot;
âEn de teekening!quot; riep Bettemie; âne me laissez pas seule avec eet ennuyeux individu,quot; fluisterde zij.
âO zie eens, Le Mat!quot; zei Kato: âwat een keurige teekening de Freule gemaakt heeft voor de fancy-fair.quot;
âTe droes ja! dat's mooi,quot; zei Le Mat: âmen kan direct zien, dat het de hei verbeeldt hierachter. En dit moet vast een herder voorstellen. Maar waar heeft hij zijn schapen gelaten?quot;
âDie zijn achter die hoogte gebleven,quot; antwoordde Bettemie, met een spottend lachje: âof misschien staan zij aan deze zij, buiten de lijst van de teekening.quot;
âHm zoo!quot; hernam Le Mat, zonder te gevoelen, dat zij den draak met hem stak: âmaar 't is toch jammer, dat de Freule er de schapen ook niet op heeft gebracht.quot;
âEn een boerenwagen had er ook wel bij mogen wezen, niet waar?quot; vroeg Kato, die toch genoeg kunstgevoel bezat om te beseffen, dat Bettemie met opzet zoo sober geweest was in 't aanbrengen van figuren.
âWel ja, dat had het nog wat opgevroolijkt,quot; antwoordde Le Mat: â't ziet er zoo somber en melancholiek uit. 't Is
163
niet goed, Freule, dat je zulke treurige onderwerpen onder handen neemt.quot;
âVindt je mij clan zoo treurig van natuur?quot; vroegBettemie, terwijl zij het vloeipapier over de teekening dichtsloeg en een kartonnen omslag kreeg om die in te bergen.
âDat zeg ik juist niet,quot; antwoordde Le Mat: âmaar men moet zich, als men jong en rijk is als de Freule, alleen bezig houden met dingen, die den geest opvroolijken.quot;
âEn hoe gaat het nu?quot; vervolgde hij, terwijl hij naar haar pols greep: â âhm! vrij ver agiteer d. â Zeker geen besten nacht gehad, nietwaar? â Ja, dat kan ik denken.quot;
Bettemie, innerlijk boos, dat Le Mat het te dezen opzichte raadde, antwoordde op zijn gezegde alleen met dat zekere geluid, 't welk dient om onverschilligheid, verveling, spot, minachting, wrevel en al wat daarmede verwant is, te kennen te geven, waarvoor in de geschreven taal bij ons geen woord bestaat, doch dat de Franschen uitdrukken met bah!
âVooral rust en bedaardheid!quot; ging Le Mat voort: âik zal u een caimans geven.quot; En meteen zijn zakboekje en pennenhouder voor den dag halende, schreef hij een recept op.
Nu was onze heelmeester gewoon, zijn recepten, als hij ze geschreven had, weder bij zich te steken, ten einde aan zijn apotheek, of zelf, of door het knaapje, dat hem in zijn fourgon (deze reis op 't strapontijntje) vergezelde, ter gereedmaking te bezorgen; doch er moest vooraf iets gebeuren, dat hem in den loop zijner praktijk zelden of nooit was voorgekomen. Immers, zoodra was hij niet ten einde met zijn geschrijf, of, met de woorden: âmag ik eens zien wat je mij denkt te geven?quot; nam Bettemie hem het recept uit de hand, en doorliep het.
âDat mag je klaarmaken,quot; zeide zij, het hem na de lezing teruggevende; âdoch ik denk het niet te nemen.quot;
âHoe! Wat!quot; riep Le Mat, verbaasd; âen waarom niet?quot;
âOmdat ik,quot; antwoordde Bettemie: âhet voornemen niet heb, mij, als wijlen Koning Mithridates, aan vergiften te wennen.quot;
1(34
âVergiften?quot; herhaalde Le Mat; âmaar ik geef u geen vergiften.quot;
âNiet? â En de morphine dan?quot;
âHeeft de Freule dat kunnen lezen!quot; riep Le Mat op een toon, waarin spijt en verbazing gemengd waren: âmaar dat is een onschuldig middeltje, om iemand te kalmeeren.quot;
âZoo onschuldig,quot; hernam Bettemie, âdat men, met de dosis, die je mij voorschrijft, maar een weinig te vermeerderen, een gezond mensch naar de eeuwigheid zou helpen.quot;
Le Mat schudde het hoofd: âik geef u niet meer,quot; zeide hij, âdan dienende is, om u een rustigen slaap te bezorgen.quot;
âEn ik ben nog te jong,quot; zeide Bettemie: âom mij door zulke middelen den slaap te bezorgen, als de goede moeder natuur, geholpen door een weinig beweging in de frissche lucht, mij dien wel van zelve verschaffen zal. Ik heb voor 't oogenblik naar mijn overtuiging, geen geneesmiddelen, zoomin als een geneesheer noodig, en heb er ook niet om gevraagd.quot;
Hier had Kato gelegenheid, zich bij haar zelve te vermaken met de bedremmelde houding van Le Mat. Aan verontwaardiging over de vermetelheid van een jongejuffrouw, die zich verstoutte, kennis van geneesmiddelen te hebben en zich tegen zijn ordonnantiën te verzetten, paarde zich bij hem verlegenheid, hoe te handelen; dewijl hij van de eene zijde begreep, den last, hem door Mw. Van Doertoghe opgedragen, ten uitvoer te moeten leggen, en, van de andere, zich toch niet met geweld kon opdringen aan een patiënt, die zoo blijkbaar toonde van hem noch van zijn pillen en dranken gediend te willen zijn. â Maar die wederspannigheid van Bettemie gaf voedsel aan zijn vermoeden, dat het met haar hoofd niet richtig was.
âNu!quot; zeide hij, na een poos zich op de lippen gebeten en Kato aangekeken te hebben met een blik, die zooveel zeggen wou als: âkan ik het helpen?quot; â ânu! de Freule moet het weten. Mevrouw je tante stuurt mij hier, en ik kan niet anders dan voorschrijven wat ik weet dat helpen zal. Belieft men er niet van gediend, dat is buiten mij en ik wasch verder mijn
165
handen in onschuld. â Maar je zult het je zelve te verwijten hebben, Freule, indien je niet beter wordt.quot;
Hij bleef nog een oogenblik staan om de uitwerking af te wachten, die zijn rede op de Freule maken zou; doch Bette-mie, wier drift blijkbaar gewekt was, scheen geen verdere notitie van hem te willen nemen, en, zich uitsluitend tot Kato wendende, verzocht zij deze, heel vele groeten te willen doen aan Mevrouw Van Hardestein, haar wel te bedanken voor haar belangstelling, en haar te verzekeren, dat de schrik niets te beduiden had gehad, en zij zich volkomen wel gevoelde.
Nu zat er voor onzen heelmeester wel niets anders op dan zijn afscheid te nemen, en, met een; ânu! als 't dan niet anders is! goeden morgen Freule,quot; â 't welk met een zeer koel âgoeden morgen!quot; van hare zijde beantwoord werd â verliet hij de kamer, van Kato gevolgd.
Men kan begrijpen, dat de vrouw des huizes weinig gesticht was over het verslag, dat haar door Le Mat gegeven werd van de onwilligheid, die haar nicht betoond had om zich aan zijn behandeling te onderwerpen; en, dewijl een zoo teedere snaar als de vermeende ongesteldheid van Bettemie niet ten aanhoore van Kato kon worden aangeroerd, verzocht zij Le Mat, haar even in een zijvertrek te volgen.
âWel!quot; vroeg Pietje Pancras, zoodra zij met Kato alleen was: âhoe heb je de patiënt gevonden?quot;
âIk heb er misschien geen verstand van,quot; antwoordde Kato: â maar anders, wat mij betreft, begrijp ik niet, op welken grond men zich over haar ongerust maakt. Zij was tegenover mij geestig en wakker gelijk altijd en ik houd het er voor, dat, indien uw Tante haar geen noodelooze bezorgdheid toont, en haar vooral niet met geneesheeren en geneesmiddelen kwelt, zij spoedig van zelve wel weer geheel klaar zal zijn.quot;
âDan zijn wij van dezelfde meening,quot; zei Pietje: âmaar 't zal moeilijk zijn, dit aan Tante te beduiden. Wat zij zich in 't hoofd gesteld heeft, of liever, wat Le Mat haar in het hoofd gepraat heeft, weet ik niet; maar zeker is het, dat zij ongerust is over Bettemie.quot;
16(3
Kato had gelegenheid om in deze woorden van de spreekster weder een bevestiging te zien van de waarheid, die de ondervinding leert, dat iemands huisgenooten dikwijls 't laatst onderricht zijn van 't geen die iemand betreft. Zij achtte het echter niet noodig. Pietje omtrent de oorzaak van Mevrouws ongerustheid in te lichten, en bracht liever het gesprek op de fancy-fair, een stof, rijk genoeg om de beide dames bezig te houden tot op de terugkomst van de vrouw des huizes en van Le Mat. Het afscheid werd nu spoedig genomen: Kato, weder teruggereden zooals zij gekomen was, liet zich in 't dorp afzetten en keerde te voet van daar naar 't Huis terug, om er verslag te doen van haar bevinding.
De berichten, door haar gegeven aan madame mère en de beide Heeren, die met hun drieën aan den luncheon gezeten waren, luidden in alle opzichten gunstig, en weinig verschillende van die, welke Pietje Pancras van haar ontvangen had; en niet weinig was Mw. Van Hardestein vermaakt met de kluchtige schildering, door Kato gegeven van de gramschap en verlegenheid van Le Mat, toen deze bemerkt had, dat Bet-temie zijn recepten zoo goed wist te ontcijferen en tot het onderwerp te maken van afkeurende critiek. De medegebrachte teekening werd vervolgens in oogenschouw genomen en ontving een welverdienden lof.
Doch ook aan Drenkelaer, dien zij een uur later âtoevalligquot; in den moestuin ontmoette, bracht Kato een gunstig bericht, door hem mededeeling te doen van het gesprek, dat zij met Bettemie gehouden had.
âJe ziet dus,quot; zeide zij tot besluit, âdat Maurits in elk geval voor u geen gevaarlijk medeminnaar meer is, en dat het er nu maar alleen van afhangt, of zij eenige genegenheid voor u koestert, groot genoeg om haar te doen besluiten, u haar hand te schenken.quot;
âDat is dan zoover gevorderd,quot; zei Drenkelaer: ânu, wij zullen zien, wat de fancy-fair oplevert, en hoe wij ons daarbij te gedragen hebben.quot;
âMaar,quot; hernam Kato, âhoe komen de menschen toch aan
167
dat praatje, als zou Bettemie niet wel bij 't hoofd zijn? Dat Le Mat, na 't naar huis rijden, haar onwilligheid om van zijn kwakzalverijen te gebruiken aan krankzinnigheid toeschreef, kan ik aan zijn gekwetste eigenliefde en ijdelheid toeschrijven; maar dat Mw. Van Doertoghe zoo iets gelooft, is toch wat sterk. â Ik vond haar wel een beetje opgewonden, maar voor 't overige even flink bij de hand als altijd.quot;
De lezer kan uit deze vraag van Kato bespeuren, dat Drenke-laer zich gewacht had, zijn vertrouwen in haar bondgenootschap zooverre te drijven om haar te vertellen, uit welke bron die praatjes waren ontsprongen, of haar in te wijden in de bedoelingen, welke hij met het aanleggen van zulk een gruwzame mijn had gehad. Misschien zijn er onder onze lezers, voor wie die bedoelingen niet volkomen klaar zijn, of die 't in elk geval vreemd, ja onverklaarbaar vinden, dat Drenkelaer een meisje, 't welk hij zich in 't hoofd gesteld had tot zijn vrouw te verheffen, zocht verdacht te maken van een kwaal, meer dan eenige andere geschikt om haar in de oogen deiquot; wereld te verlagen en tot een voorwerp te maken, dat men beklagen mocht, maar liefst ontweek. Maar Drenkelaer had bij 't spinnen van zijn afschuwelijk weefsel, alle andere conside-ratiën doen wijken voor 't geen, naar zijn rekening, hem voor 't oogenblik toescheen, te kunnen leiden tot uitkomsten, die in zijn voordeel werkten. De twijfel alleen, of het met Bettemie wel richtig was, moest Mw. Van Hardestein er van afschrikken haar plan van een huwelijk tusschen haar en Maurits door te zetten: en Maurits zelf zou â gesteld dat hij niet door Nicolette werd afgetrokken van Bettemie â wel, evenals Gesar geen vrouw verlangen, die â 't zij dan op andere wijze dan Kalpurnia â aan verdenking blootstond. Had hij zich tot nog toe vergist betreffende de uitwerking, die de uitgestrooide logons op Mw. Van Hardestein en haar zoon hadden gehad, in zooverre die er namelijk geen geloof aan sloegen, beter dan hij zelf nog kon weten was zijn berekening uitgekomen voor zooverre Bettemie betrof. De toestand van twijfelmoedigheid en verwarring, waarin zij thans verkeerde,
168
was juist die, waarin hij zich gevleid had, dat zij geraken zou. Het moest, volgens zijn overleg, zooverre met haar komen, dat zij de bewustheid kreeg, bij de lieden een voorwerp van medelijden en afschrik te zijn, en dan zou hij als een reddende engel tot haar komen en, zoo zij hem niet uit liefde nam, zij zou het doen uit dankbaarheid, dat hij voor 't minst haar niet miskende. â Was hij dan maar eens met haar getrouwd, dan zouden, dacht hij. die praatjes van zelve wel doodbloeden, en hij zou â zoo paaide hij zijn geweten â haar door zijn genegenheid wel weer goedmaken, wat zij door zijn schuld geleden had.
Ofschoon hij nu, als gezegd is, zich bij Kato niet wilde doen kennen als den man, van wien de praatjes afkomstig waren, achtte hij 't echter noodig, haar in te lichten omtrent de wijze, waarop zij zijn ontwerpen van dienst kon zijn, en daarom gaf hij haar op haar vraag het volgende bescheid:
âDie praatjes hebben zin noch slot; â doch wat behoef je ze in tegenwoordigheid van Maurits en zijn moeder tegen te spreken? Ik mocht, wat mij betreft, wel lijden, dat zij er wat meer aan wilden hechten.quot;
âDat doen zij niet, en zullen het nooit doen,quot; merkte Kato aan.
â't Is mogelijk; maar in allen gevalle was 't onnoodig, Bettemie weer zoo bij hen op te hemelen als door u gedaan is. Volgens hetgeen je mij zegt, is Mevrouw Van Doertoghe zelve overtuigd, dat haar nicht niet is gelijk zij behoort te zijn, en dat had je ook straks moeten vertellen. Gelooven Maurits en zijn moeder dan al aan geen waanzin bij de Freule, zij geraken toch in twijfel, of er niet iets zou zijn, dat niet pluis is. â Dat zal hun verhouding tegenover Bettemie gegeneerder maken en een wenschelijke verkoeling tusschen hen teweegbrengen.quot;
âMaar ik zeg u, dat dit niet meer noodig is,quot; hernam Kato: âMaurits heeft nu zijn hart, of zijn hoofd, vol van die vondeling, en Bettemie voelt volstrekt geen liefde voor hem.quot;
âAlles heel mooi,quot; zei Drenkelaer: âmaar zoo die zooge-
169
naamde liefde van Maurits voor dat juffertje eens niet meer blijkt te zijn dan een voorbijgaande gril, die door redeneering, verwijdering, voldoening, op wat wijze dan ook, weer overwaait, dan zal het heel licht gebeuren, dat, bij de minste toenadering van weerszijden, de oude genegenheid, die hij en Bettemie voor elkander plachten te voeden, weer aanwakkert, en zij allebei gehoor geven aan de stem der convenance, die een huwelijk tusschen hen als wijs en verstandig voorstelt. Het is goed, meer dan eene koord op zijn boog te hebben, en Maurits nam gisteren bij Dominee nog veel te heftig, naar mijn zin, de partij van de Freule tegenover degenen, die haar belasterden.quot;
âNu, wij zullen zien wat er te doen valt,quot; hernam Kato, half overreed: âmaar.... wat moet je toch met al die héliotropes doen, die je plukt? Je denkt ze toch niet naar je kamer mee te nemen? dan sta je morgen op met een hoofdpijn, dat je niet zien kunt.quot;
âNeen!quot; antwoordde Drenkelaer, op den toon van iemand, die niet rechtstreeks voor zijn zaak wil uitkomen: âdie hebben een andere bestemming.quot;
âBewaar me!quot; zei Kato, half in scherts, half beschroomd: âje wilt toch geen tooverdrank maken?quot;
âEen drank!quot; herhaalde Drenkelaer: âneen, niet precies; . . . . maar zeg mij, Kato, is die Le Mat nogal bekwaam als apotheker?quot;
âIk geloof van ja . . ..; maar wat heb je toch voor?quot;
âNiets! Bekommer u daarover niet.... niets, dat iemand kwaad kan doen.quot;
âNu!quot; zeide zij, na hem nog een poos met een vorschenden blik te hebben aangestaard en begrijpende, dat haar nieuwsgierigheid toch niet bevredigd zou worden, âik verlaat je dan, Lukas! want Mevrouw zou al niet weten waar ik bleef.quot;
âVaarwel!quot; zei Drenkelaer: âen, nogmaals, denk aan 't behartigen van mijn belangen, die ook de uwe zijn.quot;
Met deze aanbeveling zijnerzijds, scheidden de twee bond-genooten van elkander. Toen Kato echter de gelegenheid
17 0
terstond waarnam, dat zij met madame mère alleen was, om overeenkomstig de les, die zij ontvangen had, te handelen, en zich ontvallen liet, hoe het haar toch onverklaarbaar toescheen, dat Mevrouw Van Doertoghe en Le Mat zich beiden omtrent Bettemie zoo bezorgd toonden, had zij er geen ander voordeel bij, dan op een boetpredikatie te worden onthaald door Mevrouw, die, steeds ingenomen met haar plan om Maurits en Betsy tot een paar te maken, van deze laatste geen kwaad wilde hooren.
Wat Drenkelaer in Mevrouws conservatory dien achtermiddag zoeken ging en er ook vond, en welke geheime handelingen er den volgenden dag tusschen hem en Le Mat in diens apotheek voorvielen, zal uit het vervolg van deze geschiedenis blijken.
Maar Mevrouw Van Hardestein en haar zoon waren intusschen de eenigen niet, die met kracht opkwamen tegen de logens, ten opzichte van Bettemie verspreid. Nog vond deze warme verdedigers in Bol â die, toen zijn zuster voor den dag kwam met het zoo dagelijks misbruikte spreekwoord, dat men geen koe bont noemt als er geen vlekje aan is, en de autoriteit van Le Mat aanhaalde, met levendigheid staande hield, dat, zoo iemand, het niet Bettemie, maar Le Mat in 't hoofd schortte, en dat hij, wat hem betrof, aan alle jonge dames en zelfs aan vele oude heeren, zoowel te Amsterdam als te Hardestein, zulk een gezonden kop toewenschte als op het lieve nekje van de Freule draaide â en in Eylar, die, verre van alleen de schouders op te halen over den uitgestrooiden laster, ten aanhoore van wie het onderwerp aanroerde, de verzekering gaf, dat hij er den uitvinder van zou weten op te sporen en naar verdienste betalen. Zoo hy tot zijn onderzoek niet overging met dien ijver, welken de zaak verdiend had, 't was, dat zijn vrouw hem andere muizenissen in 't hoofd had gebracht. Deze namelijk had, onder herinnering, dat zij gaarne erkende in de meeste dingen zeer kortzichtig te zijn, doch haar oogen toch niet sluiten kon voor den helderen dag, zijn aandacht gevestigd op de drukke bezoeken, door Maurits
171
afgelegd aan de pastorie, en die, volgens haar stellige overtuiging, minder Dominee golden dan de logée. Zij had hem gevraagd, of hij niet had opgemerkt, hoe, toen bij de Dames Prawley Maurits en Nicolette hun gaven te zamen hadden ten toon gespreid, hun stem, hun blikken, hun gebaren zoodanig waren geweest, dat geen wezenlijke Arnold en Mathilde hun weder-zijdsche neiging duidelijker hadden kunnen aan den dag leggen. Zij had zelve toen, met inzicht, aan Nicolette een zuurzoet compliment gemaakt, om aan Maurits te herinneren, dat een muziek-juffrouw of concert-chanteuse geen vrouw voor hem zijn kon, maar zij had verlangd, dat ook Eylar zijn broeder eens onderhanden nemen zou. Eylar echter had, voorzichtigheidshalve, verkozen, eerst bij Bol te vernemen, of deze ook een dergelijken indruk van 's Jonkers herhaald aankomen had ontvangen. Het antwoord van Bol was niet in allen deele geruststellend. De predikant ontveinsde hem niet, bij die gelegenheid bij Maurits iets gejaagds te hebben waargenomen, dat hem verdacht, althans niet natuurlijk, voorkwam: evenmin,, dat hij Nicolette nu en dan had zien kleuren als Maurits kwam of als zijn naam werd genoemd: en, ten slotte, dat hij niet kon nalaten, de toevallige kennismaking der twee jonge lieden te betreuren. Moeielijk echter viel het hem, antwoord te geven op de vraag, wat er onder de bestaande omstandigheden te doen viel. Mevrouw Mietje had wel aan haar man te kennen gegeven, dat, naar haar domme verstand, het beste ware, Nicolette zoo spoedig mogelijk te verwijderen; doch zoo iets liet zich gemakkelijker zeggen dan ten uitvoer brengen. Waar zou men haar heenzenden, en welk schoonschijnend voorwendsel zou voor die verwijdering, zoo aan haar zelve als aan anderen, gegeven worden?
Maurits over de zaak te onderhouden, zoolang men nog maar op bloote gissingen afging, kon zijn gevaarlijke zijde hebben, door hem misschien dingen in 't hoofd te brengen, waar hij geheel niet aan dacht. Ongelukkig konden noch Bol noch Eylar droomen, dat aan Maurits niets meer behoefde in 't hoofd gebracht te worden, en dat een ander hen op dat stuk reeds
172
was voor geweest. Het booze opzet van Drenkelaer, om de gedachten en zinnen van den jongeling, wiens vriend hij zich noemde, op het meisje te vestigen, was volkomen gelukt. Maurits, het ridderlijke voornemen eenmaal opgevat hebbende, de deugd van Nicolette tegen de listige aanslagen van een verleider te beschermen, was gedwongen geworden, voortdurend en met inniger belangstelling, dan anders het geval zou geweest zijn, aan haar te denken, en zoo was in korten tijd die belangstelling tot neiging, die neiging tot liefde, die liefde tot hartstocht gegroeid. Drenkelaer had zich de moeite kunnen besparen, Bettemie te belasteren. Maurits vond haar lief, had achting voor haar karakter en verstand, en zou zich hebben laten overreden om haar ten huwelijk te vragen, had niet de verschijning van Nicolette hem andere wenschen doen koesteren. Intusschen was hij niet verblind genoeg door de liefde om niet in te zien, dat hij op weg was om, of zelf de rol over te nemen, welke hij Drenkelaer had willen beletten te spelen â een denkbeeld, dat hij met afschuw verwierp, â of iets te doen, dat de wereld een dwaasheid zou noemen, en dat, 't geen erger was, zijn moeder bitter zou grieven. Hij, de stamhouder der Eylars, en, naar alle berekening zelf bestemd, de Gravenkroon te voeren, hij de hand reiken aan een wees, die wellicht aan overspel of erger nog haar geboorte verschuldigd, en alleen door een ondoordachte gril van goedhartige studenten in een hoogere, doch daardoor valsche stelling in de maatschappij geplaatst was! â⢠dat ging immers niet. 't Is waar, in onze eeuw wordt een mésalliance niet meer uit hetzelfde oogpunt beschouwd als honderd jaar vroeger: zijn eigen moeder zou ook moeite gehad hebben, acht, laat staan twee en dertig kwartieren te bewijzen; doch die had ten minste de nog ontbrekende vakken weten aan te vullen met plantages in de West, inschrijvingen op het Grootboek en zilveren roebels; terwijl Nicolette niet slechts geen adel, maar bovendien geen penning in de wereld bezat. Zou hij nu het oordeel der wereld tarten? Zijn moeder verdriet aandoen? â Over het eerste zou hij zonder veel complimenten zijn heen-
gestapt: dat bracht zijn leeftijd mede; maar het laatste â neen, dat mocht niet: en zoo had hij dan ook het grootsch en zijner waardig besluit gevormd, zich zeiven op te offeren en zijn liefde in zijn hart te versmoren. Ongelukkig duren dergelijke besluiten zelden langer dan den tijd, waarin men zich alleen bevindt, en verliezen zij hun kracht weder, zoodra het toeval of wel de Hemel weet welke aantrekkingskracht ons weder in het bijzijn van het aangebeden voorwerp voert.
Zoodanig was nu ongeveer zijn gemoedstoestand â omtrent dien van Nicolette hebben wij uit den brief van Bettemie het een en ander kunnen opmaken â toen de groote dag aanbrak, waarop de fancy-fair op den huize Hardestein zou worden gehouden.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE FANOY-FAIK.
De plaats, tot de uitstalling en verkoop bestemd, was de oranjerie op Hardestein, die ruim genoeg geacht werd, in geval van min gunstig weer, de koopwaren en een aantal koopers te bevatten; terwijl, in geval van gunstig weer, de tentoonstelling, althans gedeeltelijk, daarbuiten kon gehouden worden. Gelukkig was de lucht volkomen helder, en verkondigde de barometer, dat die zoo blijven zou; alles kon dus op zoodanige wyze ingericht worden, als het meest aan de wenschen der belanghebbenden voldeed. De oranjerie, een gebouw in rococostijl met negen poortjes in den gevel, uit welke de glazen deuren ter dezer gelegenheid waren weggenomen, was van buiten met wapperende vlaggen, sparreloof en gebloemte, van binnen met festons van vlaggedoek en groen versierd, terwijl de wanden met heestergewassen en bloemen in potten waren bezet. Door eene der drie middelste deuren binnentredende, zag men recht tegenover zich een reusachtig buffet â niet
de minst welkome verschijning in een land, waar geen feest zonder eten of drinken eenige waarde heeft, â aan welk buffet men allerlei ververschingen, als koffie, chocolaad, wijn, limonade, vruchtenstroop, enz., enz., benevens boterhammen, gebak, pasteitjes en andere versnaperingen kon bekomen. Aan weerszijden van dat buffet â hetwelk door de net gekleede kameniers der Dames van 't Bestuur (zelfs Antje van Dominee figureerde van daag in die betrekking) bediend werd, en waarbij Juffrouw Kato het opzicht hield, de noodlge bevelen ronddeelde en zorgde voor het doen aanvullen wat ontbreken mocht, â bevonden zich tafels, waarop die voorwerpen gerangschikt waren, welke men niet aan stof of vochtigheid had durven blootstellen, als: canapékussens, fijne werken, van vederen, pluche, bont of ander teer stoffage vervaardigd: en het was aan de Freule Van Sporkelberghe en aan zekere Barones Van Mathenesse opgedragen, daarover het toezicht te houden. Al wat verder te koop werd geboden was, soort bij soort, buiten de deur ten toon gesteld op vier stellages, die, tot het vrijhouden der circulatie, van afstand tot afstand geplaatst, tegenover de oranjerie een halven cirkel vormden. Achter elke tafel of schraag, zoo binnen als buiten de oranjerie, verhief zich tusschen twee vlaggetjes, een sierlijke banier, waarop in roode letters op wit doek te lezen stond, welke soort van voorwerpen daaronder te bekomen waren. De punten der standers, die deze banieren droegen, waren te zamen verbonden door een rondloopend festoen van sparreloof met bloemen versierd, hetwelk alzoo het terrein der verkooping afbakende. Voorts bevonden zich in de ruimte, die midden in den wijden kring gelaten was, een aantal tuinbanken en stoelen, ten dienste van vermoeide bezoeksters.
De verkoop van het mandewerk, een voorwerp, dat, als wij weten, altijd de bijzondere aandacht trok van Mevrouw Van Hardestein, was dan ook, als blijk van onderscheiding, opgedrongen aan de Freule Van Doertoghe. Onder de banier, waarop men 't woord â Cartonnagesquot; las, stond de geelgelokte Julie Le Mat, des heelmeesters zestienjarige dochter. Nicolette
175
had onder haar beheer alle kleine snuisterijen van beursjes, horlogebandjes, zak- en visiteboekjes, kokertjes, enz., enz., en Mejuffrouw Jacomina Verdrongen van Prikkelenberg de wollen goederen. Gemelde Jacomina was een schoonheid van bij de veertig jaren, met een kleur als saffraan, een paar dikke zwarte ineenloopende wenkbrauwen over kleine glazige oogjes, een geweldigen haviksneus, en een formeelen knevel onder den neus. Wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat zij niet veel van haar vader in lengte verschilde, dan kan het geen verwondering baren, indien lieden, die haar niet kenden, haar wel eens aanzagen voor een verkleeden grenadier van de garde. Gelukkig, dat hij, die zich zoo iets mocht inbeelden, uit zijn dwaling geholpen werd, zoodra zij haar mond tot spreken opende en het piepende stemmetje deed hooren, dat zij, evenals haar lengte, met haar vader gemeen had.
Al deze dames waren in 't effen wit gekleed, en droegen een bandelier van blauwe zijde met witte en roode franje, die van den rechterschouder op de linkerheup afdaalde, tot onder-scheidingsteeken.
Te halfelf waren de zes winkeldochters op haar post geweest en hadden de noodige instructiën van Mevrouw Van Eylar en van de overige leden van het Dames-comité bekomen, bij welke gelegenheid Nicolette niet zonder eenige gemoeds-beklemming ontwaarde, dat Mevrouw Mietje bij lang zoo vriendelijk niet meer tegen haar was, als toen zij 't eerst aan haar werd voorgesteld, ja zelfs haar met een terugstootende koelheid behandelde. Dit bracht bij haar een tijdelijke neerslachtigheid teweeg; doch de drukte, die spoedig volgde, gunde haar tijd noch gelegenheid om over de reden van het verschijnsel na te denken.
Eeeds vóór de jonge Dames waren de dorps-veldwachter, de jager van 't kasteel en andere adsistenten, waaronder ook onze oude kennis Hendt, op het terrein geweest, en hun door Maurits, in overleg met den Burgemeester, de plaatsen aangewezen, waar zij post hadden te vatten om toezicht te houden en alle ongeregeldheden te voorkomen. Immers met klok-
17(3
slag van elf uren zou het park voor het publiek worden opengezet, en, om niemand te vergeten, had men goedgevonden niemand uit te sluiten. Zoo wandelde dan ook op het gestelde uur een talrijke en vrij bonte mengeling binnen van heeren en dames, boeren en boerinnen, ambachtslieden en daglooners, en vooral kinderen bij de vleet; meest allen in 't Zondagspak uitgedost. Terwijl die volkshoop, die te voet kwam, door een zijhek werd toegelaten, kwamen de deftiger bezoekers, voor zooverre die of een meer bijzondere uitnoodiging ontvangen hadden, of aanspraak op zoodanige onderscheiding meenden te hebben, meest in hun équipages of ook wel te paard langs de oprijlaan, en stapten aan 't kasteel af, waar zij door madame m è r e in de groote zaal werden opgewacht. Het was kwartier over elven, dat de groote koets van Mw. Van Doertoghe, met vier prachtige gitzwarte paarden bespannen â Mw. Van Doertoghe was ook hierin nog ouderwetsch, dat zij bij plechtige gelegenheden met vier paarden reed â op het voorplein stilhield, en weldra trad de deftige Douairière, met de houding van een vorstin, gevolgd door den heer Van Bloff als haar opperkamerheer en Pietje Pancras als haar staatsdame, de zaal binnen, en maakte twee prachtige nijgingen, eene recht voor zich uit, die de Gravin, de andere met een rondgaande beweging van 't hoofd, die de rest van 't gezelschap gold. Blijkbaar had Mw. Van Hardestein op de komst van haar medepatronesse gewacht om het feest geopend te verklaren; althans na zoovele oogenblikken als noodig waren om allen schijn weg te nemen als wilde zij aan Mw. Van Doertoghe eenig gebrek aan punctualiteit verwijten, noodigde zij haar en de overige gasten uit, zich in beweging te stellen naar de oranjerie. De voorslag vond natuurlijk een gereed gehoor en, met de beide Douairières aan 't hoofd, begaf zich de stoet naar buiten en op weg. De menigte, die reeds in de nabijheid der winkels opeengepakt stond, doch den gewijden kring niet had mogen binnentreden voor de Patronessen en voorname gasten, week eerbiedig van het pad en liet den doortocht vrij; doch volgde spoedig daarop het gegeven voor-
177
beeld, en weldra was het voor en in de oranjerie zoo vol, dat men werk had zich te roeren, en dat de jonge dames, met den verkoop belast, niet weinig moeite hadden, op de vragen der nieuwsgierigen te antwoorden en aan die dei-kooplustigen te voldoen.
Intusschen, het getal der kijkers overtrof verre dat der koopers. Het spreekt van zelf, dat, bij een gelegenheid als deze, men zich niet moet voorstellen âkoopjesquot; te doen, en hier zou het, dewijl alles a prix fixe was, een groote ongemanierdheid hebben verraden, het voorwerp, naar den prijs waarvan men gevraagd had, niet te nemen, onder voorwendsel dat het te duur was. Het Dames-comité had zorg gedragen, dat het publiek te voren wist, waaraan het zich te houden had, en zoo kwam het, dat zoodanige bezoekers als wien het niet schikte, groote uitgaven te doen, zich bepaalden bij het bewonderen van de uitgestalde voorwerpen of zich vergenoegden met naar den prijs te vragen van de eene of andere snuisterij, welke zij onderstelden dat niet veel kosten zou. Niet zelden echter zagen zij zich dan in hun schatting bedrogen ; zoo gebeurde het onder anderen, dat de Heer Verdrongen Van Prikkelenberg, na lang aarzelen, de hand gelegd had op een klein popperig mandje, 't welk hij berekende, dat wel het minst van de geheele kraam zou kosten. Anders toch kon er geen reden zijn, waarom hij juist dat mandje koopen zou, daar het toch voor hem zeiven een raadsel zou geweest zijn als het voor ieder was, welke bestemming ter wereld er aan kon worden toegekend. Ongelukkig had hij niet opgemerkt, dat het een O.-Indisch mandje was, van keurig fijn stroo gevlochten en van ongewone bewerking: en men kan zijn teleurstelling begrijpen, toen hem daar de som van vijf gulden voor gevraagd werd.
âDe Juffrouw vergist zich zeker,quot; zeide hij, Bettemie met een benauwd gezicht aanstarende. Dat hij haar geen âFreulequot; noemde was minder, omdat hij een Amsterdammer, dan omdat zij een Amsterdamsche was en hij begreep, dat die benaming alleen jegens een Geldersche gebezigd kon worden.
II. - K. z. 12
178
âIk kan mij niet vergissen, Mijnheer,quot; antwoordde Bettemie, die zich met zijn verlegenheid vermaakte; âde prijs staat er op genoteerd: en 't is nog schandekoop. Ik heb er nog zooeven een aan Mijnheer Van Eylar verkocht voor/quot;25, dat niet veel grooter is;quot; â zij zeide er niet bij, dat Eylar een bankbriefje op de toonbank gelegd had, zonder geld terug te vragen â â't komt heel uit China of nog verder: althans de Keizerin van China heeft er geen fraaier op haar toilet. Mijnheer kan het aan Juffrouw Jacomina vragen.quot;
âJacomina zit in de wol,quot; merkte Verdrongen aan: âen dat is ook als 't behoort, naardien zij bij de manufacturen is grootgebracht. Maar wat wil zij van de Keizerin van China weten? Maar, vijf gulden dat mandje .. . .quot;
âEi wat! Mijnheer Gedrongen,quot; viel Drenkelaer, die in de-nabijheid stond, in.
âVerdrongen,quot; verbeterde de lange man.
âVerdrongen, meen ik,quot; herhaalde Drenkelaer; âhet mandje is te geef.quot;
âWil uwee het hebben?quot; vroeg de ander, het hem toestekende.
â't Is in goede handen,quot; hernam Drenkelaer lachende: âwat mij betreft, mijn vermogen dwingt mij, mijn wenschen te beperken, en zoo zal ik aan de Freule vragen, wat ik haar betalen moet voor dit matje, 't welk ik, als een gedachtenis aan haar, onder mijn inktkoker denk te plaatsen.quot;
âEen gulden vijftig,quot; antwoordde Bettemie, en meteen, zich tot Verdrongen wendende, lichtte zij hem met behendigheid het mandje uit de hand en zette het weer op zijn plaats; âmet uw verlof!quot; voegde zij er bij: âzulke voorwerpen vallen wat teer om gehanteerd te worden als men ze niet koopt.quot;
De lange man keek vrij zuur; doch de vrekheid zegevierde over de beleefdheid en, zich omkeerende, kraste hij Snel, die achter hem stond, in 't oor:
âVijf gulden voor zoo'n prul! och! men kan wel zien, dat zij . . .hier wees hij met zijn vinger op zijn voorhoofd: âmen moest aan zoo iemand geen dergelijken post opdragen.quot;
179
âSt.! Stil!quot; zeide Snel; âlaat niemand u hooren, en ga liever eens kijken, of je ook beter je gading vindt bij Juffrouw Zevenster.quot;
âBij Juffrouw Zevenster? Wat kan mij Juffrouw Zevenster schelen,quot; piepte Verdrongen, die, in plaats van tevreden te zijn met de eer, die aan zijn dochter was te beurt gevallen, het nu nog kwalijk nam, dat hij als vader van eene der winkeldames, niet op 't kasteel was gevraagd, en nu dubbel kwaad was, dat men hem, zooals hij het zich verbeeldde, zoo had beet willen nemen met dat mandje: â't is waarachtig onbegrijpelijk, hoe Mevrouw de Gravin het kan toestaan, dat zoo'n opgeraapte vondeling hier op één voet verkeert met respectable jonge dames.quot;
âMij dunkt,quot; zeide Snel, die boos werd, âik zou er kunnen aanwijzen, die hier minder goed passen.quot;
âDat zou ik ook zeggen,quot; bromde de Majoor, zich tusschen hen voegende: âwat drommel! 't is hier de vraag niet, waar je vandaan komt, maar of je een mooie meid bent.quot;
âWaarlijk!quot; zeide halfluid Mevrouw Zuring, die aan den arm van haar man nevens hem stond; âmen zou denken, dat Mijnheer de Majoor de Loterij alleen beschouwde als een voorwendsel om jonge dames te vertoónen en aan den man te brengen,quot; en meteen glimlachte zij, als wilde zij te kennen geven, dat zij zelve van die onderstelling niet zooverre verwijderd was.
âIk noem het een vrijstermarkt, anders niet,quot; hernam de Majoor: âen ik begrijp niet, Verdrongentje! hoe jij je dochter permitteert, er deel aan te nemen.quot;
âJuffrouw Jacomina is meerderjarig,quot; zeide Zuring, âen stoort zich aan Papa's toestemming niet.quot;
âWat zal ik je zeggen?quot; zeide Verdrongen, te dom om de onbeleefdheid van den Majoor te kunnen, of te onbeschaamd om haar te willen vatten: âik had er veel op tegen, en Jacomina
ook; maar de Dames hebben 't ons zoo dringend verzocht____
en vooral kon ik de Gravin zoo iets niet weigeren, toen zij er zoo op gesteld scheen.quot;
180
âJa, Mevrouw de Gravin heeft somtijds bizarre denkbeelden,quot; zeide Zuring.
âWat meent Mijnheer Zuring daarmede?quot; vroeg Verdrongen, die 't zich zelf toch moeilijk meer ontveinzen kon, dat men hem voor den gek hield.
âOch niets!quot; antwoordde Zuring: âje toondet je zooeven zelf verwonderd, dat men hier meisjes had toegelaten, die hier niet behoorden.quot;
âNu ja, ik sprak van die vondeling, die bij den Dominee logeert,quot; hernam Verdrongen.
âEn die ik je verzoek niet meer met dien naam te bestempelen,quot; viel Snel in, die driftig werd: âeen beschaafde, welopgevoede Juffrouw.quot;
âDie haar vader niet kent,quot; mompelde Verdrongen.
âZoo zij haar vader niet kent,quot; hernam Snel, meer en meer in toorn ontstoken, âdan behoeft zij zich ook niet over hem te schamen, en dat is in allen gevalle een voorrecht, dat zij boven andere Juffrouwen heeft, die ik met een natten vinger zou kunnen aanwijzen.quot;
Verdrongen beet zich op de lippen en droop af: het schoot hem juist te binnen, dat hij zijn Personeel over 't vorige dienstjaar nog niet had aangezuiverd en het dus geen zaak voor hem was, den ontvanger verder te verbitteren.
âWel Snelletje! je wordt warm, man,quot; zei de Majoor.
âHoe is 't? kunnen wij u haast feliciteeren, Mijnheer Snel?quot;
vroeg Mevrouw Zuring.
âMaar Mevrouw!quot; zeide Snel, steeds op eenigszins verstoorden toon: âKan men dan geen partij trekken voor een eerlijk meisje of moet men juist inzichten op haar hebben ?
âNu!quot; zeide Zuring: âje zoudt slechter kunnen treffen; 't is een lieve, aardige meid, dat moet gezeid worden. Maar van wat anders gesproken, vertel mij eens. Snel, is Mevrouw de Gravin nu wel van patent voorzien als publieke koopvrouw ?quot;
âSinds wanneer ben je controleur geworden. Zuring?quot; vroeg Snel.
IS]
âWel, 't is maar,quot; hernam Zuring, âdat mijn patent van 't jaar verhoogd is, en het toch wat erg zou wezen, te moeten zien, dat zulk een vermogende vrouw maar, zonder iets aan 't Land te voldoen, een openbare negotie zou drijven.quot;
âWees maar gerust,quot; zeide Snel; âmet deze negotie heeft het Land niets te maken.quot;
âEn de Koninklijke toestemming voor de loterij ?quot; vroeg Zuring.
âIs er dan geen canapékussen bij van de Prinses?quot; vroeg Snel: âwaar bekommert Mijnheer Zuring zich toch over? alles in orde .... en bovendien, 't is immers voor een liefdadig doel?quot;
âWat liefdadig doel!quot; bromde de Majoor: âwinden bombarie. De omslag alleen, die er bij gemaakt wordt, kost meer geld dan de heele prullekraam waard is.quot;
âJa, daarin heeft de Majoor wel eenigszins gelijk,quot; hernam Mevrouw Zuring, met haar suikerzoete stem: âindien de Gravin het geld, dat de partij kost, onmiddellijk aan het Genootschap had geschonken, dan zou de fancy-fair niet noodig zijn geweest.quot;
âEn wij hadden ons geld in den zak gehouden,quot; vervolgde de Majoor: âen de vrouwlui zouden haar tijd nuttiger besteed hebben dan met het samenflansen van een boel onnutte snorre-pijpen. â Wat zeg jij er van. Dominee ?quot;
Deze laatste vraag was tot Bol gericht, die door het gedrang tusschen hen ingeschoven was en zijn aanmerking onmisbaar gehoord moest hebben.
âWel!quot; antwoordde de Predikant, die weinig lust had om te redetwisten met den Majoor, dewijl deze 1quot;. nooit bij hem in de kerk kwam, en 2quot;., wanneer zij elkander hier of daar ontmoetten, altijd vermaak er in vond, zeer vrijgevige denkbeelden op 't stuk van godsdienst tegenover hem te luchten; âwel! ik zeg er van dat het een allerliefste vertooning maakt.quot;
âJa,quot; zeide Mw Zuring: âdat doet het; maar vindt Dominee toch ook nietquot; â hier ging haar stem tot een zacht ge-
182
fluister over â âdat er wat veel ostentatie bij deze wijze van weldoen is?quot;
âIk vind,quot; antwoordde Bol, âdat, wanneer Mevrouw de Gravin aan de geheele buurt een aangenamen dag poogt te bezorgen, wij ons kwalijk een verwijt kunnen veroorloven over de wijze, waarop zij haar geld besteedt. Ik vertrouw althans, dat Denneman de behanger en Wijbrands de bakker en baas Vonk en zoovele anderen als hier benoodigdheden hebben verschaft, er niet over zullen klagen.quot;
âNeen voorwaar niet,quot; zeide Zuring; âen mijn vrouw schiint heelemaal te vergeten, dat ik er nog bij profiteer.quot;
,,'t Zegt ook wat,quot; hernam zijn vrouw; âde leverantie van een onnoozel half ankertje portwijn; zij laat toch haar meesten wijn uit de stad komen; . . .. maar al hadden wij nog zooveel wijn geleverd bij deze gelegenheid, ik zou toch nog blijven vragen, of er wel zegen kan rusten op geld, dat op zulke wijze wordt bijeengebracht.quot;
âMevrouw!quot; zei Bol; âik kan niet anders dan u dank zeggen; ik zat juist verlegen met een stof voor mijn eerstvolgende preek en je levert mij den tekst; Johannes XII vs. 4 en volgende. â Voor 't overige, 't is nu het oogenblik niet, om het punt uitvoerig te behandelen. Ik zal alleen maar zeggen; Mevrouw Van Hardestein heeft ons genoodigd, ons hier te komen vermaken en haar tevens een liefdewerk te helpen verrichten. Laten wij dus geen bedillende, maar dankbare en blijmoedige medehelpers zijn; en daar ik den doortocht vrij zie, ga ik mij een snippermand bij de Freule aanschaffen.quot;
âDominee heeft gelijk ook,quot; riep Zuring Bol achterna, terwijl deze zich verwijderde; âen ik weet niet, Josephine!quot; vervolgde hij zacht tegen zijn vrouw, âhoe je zoo dwaas komt, in zijn tegenwoordigheid je op zoo'n manier over de Gravin uit te laten. Een half ankertje portwijn wil niet veel zeggen; maar 't is altijd een begin, en nu ik er om denk, ik heb Mijnheer Drenkelaer nog niet bedankt voor zijn recommandatie.quot;
Met deze goede bedoeling wendde hij zich minzaam naar
183
Drenkelaer, die thans voor de kraam van Jacomina stond, en. met het loffelijk oogmerk om iedereen te vriend te houden, bij haar een paar wollen sokken kocht. Inderdaad had zij reden om hem dankbaar te zijn; want hij was van al de aanwezige jonge Heeren de eenige, die zich nog verwaardigd had, een aankoop bij haar te doen: en terwijl zij nog bijna geen klanten had gehad, dan eenige oude dames en dito boerinnen, verdrong het mannelijk deel van het gezelschap zich bijna uitsluitend voor de toonbanken, waarachter zich Bettemie en Nicolette bevonden, en waar hen niet alleen de aard der uitgestalde voorwerpen, maar vooral de bevalligheid en het uitlokkend gesnap der jonge meisjes heentrokken. Nicolette had daar vooral slag van, wat, gelijk Jacomina later aanmerkte, ook zeer natuurlijk was, dewijl zij, gelijk Jacomina zich zeer goed beweerde te herinneren, als kind reeds in een winkel achter de toonbank, en met een kraam op de kermis gestaan had, ja zelfs met boenders en stoffers langs de straten van Amsterdam geloopen had. Het verkeeren met groote lui had, vertelde Jacomina verder, Nicolette wel met zekere schors van beschaving omkleed, doch de oude astrantigheid brak daar weer doorheen in een geval als dit, nu zij een gemengd publiek voorhad en zich weer in haar oude sfeer van marktventster bevond. â De lezer weet, hoeveel die praatjes wogen; doch zeker is het, dat Nicolette slag had, om zich van haar tijdelijk beroep te kwijten, en wij willen hier een staaltje doen volgen van de wijze, waarop zij de omstanders tot koopen wist uit te noodigen en met hen om te springen.
âDeze naaldenkoker? â Twee gulden, Mijnheer de notaris! Zeker een geschenk voor uw oudste dochtertje. Niets meer noodig? Moet de jongste niets hebben? â Een werkmandje? O! dan moet Mijnheer ginder bij de Freule wezen.quot; â âDit beursje, Juffrouw?quot; dit tot een dikke boerin: âis 't niet lief gewerkt? Een Zeeuwsche rijksdaalder maar, schandekoop. â Hoe! vind je 't duur? 't is nogal het werk van Juffrouw Verdrongen, en kijk wat een mooien weerschijn! â En
184
moet je geen tabaksdoos hebben voor je man? zie deze eens, met het portret van den Prins er op: dat was, dunkt mij, net je gading. â Niet? â Neem deze bretellen, fijn werk, van de Freule Prawley: kijk, die moet je voor je zoon koopen. â quot;Vijf gulden die sigarenkoker, Jonker; maar hij is te mooi om er andere dan van de fijnste soort in te doen: je moet er dezen nog bij hebben voor gewoon gebruik. â Wat zal Mevrouw nemen? â Dit étui? Drie gulden maar; 't is te geef. Geluk er mee. â Wat is er van uw gading. Mijnheer Snel! zie eens deze portefeuille. Een ontvanger, die alle dagen zooveel bankpapier krijgt, zal er wel een behoeven. â Of had je liever een kartonnen â dan moet je bij Juffrouw Le Mat wezen. Deze: â nu vierdehalve gulden maar: zonder opcenten.quot;
Die opcenten beslisten het pleit, dat tusschen het hart en het verstand van den ontvanger gerezen was, betreffende de vraag, of hij Nicolette ten huwelijk verzoeken zou. Een meisje, dacht hij, dat, zoo jong nog, reeds van opcenten weet te praten, moet wel een geschikte vrouw voor een ontvanger zijn. Wij willen echter den lezer niet in dezelfde dwaling doen verkeeren, als waarin de goede man gebracht was, dat Nicolette in het vak der belastingen thuis was. Maar, nog op school zijnde, was zij getuige geweest van een gesprek tusschen Mw. Zilverman en een notaris, die haar zaken bezorgde, en aan wien zij over het hooge bedrag van haar belasting klaagde, waarop deze haar aan 't verstand had weten te brengen, dat het door de opcenten kwam: een woord, waarvan Nicolette nog heden de beteekenis niet begreep, doch dat haar daarom juist in 't hoofd was gebleven.
Wat er van zij. Snel werd er aangenaam door verrast, en, terstond het geld op de toonbank nedertellende, stak hij de portefeuille in zijn borstzak en fluisterde, terwijl hij de schoone verkoopster met glinsterende oogjes aankeek:
âHier blijft ze voorloopig rusten: en ik denk er haar te bewaren, tot ik er een zeker antwoord in bergen kan op een
185
brief, dien ik eerstdaags hoop te schrijven, een antwoord, dat mij tot den gelukkigste der menschen maken zal.quot;
Dat Mcolette de strekking zijner woorden niet vatte, is zeer natuurlijk, dewijl zij ze maar half hoorde, en weer bezig was met andere klanten te bedienen; maar Drenkelaer, die juist in de nabijheid stond, had ze verstaan.
âTe drommel!quot; dacht hij: âde ontvanger is ingepakt: dien moet ik in 't oog houden.quot;
En, zich aan het toeval vertrouwende, volgde hij Snel, die, van den winkel van Nicolette weggedrongen, aan dien van de cartonnages belandde en daar terstond naar een werkdoosje vroeg. Twee of drie werden hem door Julie Le Mat gewezen; doch zij schenen hem niet te bevallen. âIk meende,quot; zei hij: âdat er een bij was, blauw met witte vakken en gekleurde bloemen daarop.quot;
âO!quot; zeide zij: âu meent, dat Juffrouw Zevenster gemaakt heeft ? â Het spijt mij; maar dat heeft de Jonker al gekocht.quot;
âEi! ei!quot; dacht Drenkelaer, terwijl hij bij zich zeiven lachte om het zure gezicht, dat de teleurgestelde ontvanger zette, en om den bedrukten toon, waarop hij herhaalde: âde Jonker!quot;
âHoor eens, Mijnheer Snel!quot; zeide hij, terwijl hij Snel onder den arm nam en met zich langs een der uitgangen in een zijlaan en buiten het gedrang trok: âStel je er waarlijk prijs op, dat doosje te bezitten, dan zal Eylar het u, geloof ik, wel willen afstaan. Welk belang zou hij er in stellen?quot;
Snel keek den spreker in 't gezicht, met eenige verbazing, die vrij niet van achterdocht was. âMijnheer is wel beleefd,quot; zeide hij eindelijk : âmaar . . . .quot;
âKom, Mijnheer Snel!quot; hernam Drenkelaer: â't is niet, dat ik mij in uw geheimen wil dringen; maar ik meen gemerkt te hebben, dat je eenig belang stelt in 't geen van Juffrouw Zevenster komt; en waarom zou ik u niet van dienst zijn, waar ik daartoe misschien in staat ben? Wil ik er met Eylar over spreken, en het doosje vragen of 't voor mij was?quot;
âEen zeer vriendelijk voorstel!quot; antwoordde Snel: âja, ik
186
had die doos gaarne gehad, omdat ik er de Juffrouw nog aan heb zien werken: â maar toch .... zooveel hecht ik er niet aan en . . . .quot;
âEn ik kan niet denken, dat Eylar er ook veel aan hecht,quot; viel Drenkelaer in: âwacht! daar loopt hij juist; ik zal hem eens gaan opvangen.quot;
Hij wist nu genoeg, en, Snel half bedremmeld latende staan, haastte hij zich naar Maurits, die driftig door een andere laan heenging.
âZoek je iemand?quot; vroeg hij; âdat je zoo haastig vooruitstapt?quot;
âIk ga de lijsten en nummers halen,quot; antwoordde Maurits; âde verkoop wordt te één uur gestaakt; â en dan zal 't moeten worden aangeteekend, wat voor de verloting overblijft.quot;
âGoed; maar je oogen staan zoo kwaad, en je hebt een kleur als bloed. Is er iets, dat je hindert?quot;
,,'t Is infaam, 't is schandelijk!quot; riep Maurits zonder te antwoorden.
âWat is infaam?quot; vroeg Drenkelaer.
âWel! dat vervloekte praatje! Het schijnt, dat het overal verspreid is.quot;
âMaar waarvan spreek je toch ?quot;
âWel! van dat gebabbel aangaande Bettemie. 't Is nu niet alleen Juffrouw Leentje meer, die er van spreekt.... 't is het halve dorp. Daar straks in 't gedrang, overal 't zelfde gefluister. Die geaffecteerde Mw. Zuring, dien miserabelen Verdrongen, een half dozijn anderen, heb ik hooren mompelen, dat het haar in 't hoofd schort.quot;
âJa,quot; zei Drenkelaer; ânu je 't zeit. . . . ik heb er in de Sociëteit ook over hooren spreken.quot;
âEn heb je 't dan niet tegengesproken?quot;
âWat zal ik je zeggen ? Wanneer de lieden met feiten aankomen, waar ik de valschheid niet van bewijzen kan----indien
je in de rechten gestudeerd hadt, zou je weten, dat het negatieve niet bewezen kan worden.quot;
âIk behoef geen rechtsgeleerde te wezen,quot; zei Maurits, âom
187
te weten, dat men lasteraars kan dwingen, bewijs te leveren voor wat zij vertellen.quot;
âDe wet laat juist die dingen maar blauw blauw,quot; zei Drenkelaer.
âWat!quot; riep Maurits verontwaardigd: âmag men niet vorderen, dat een lasteraar zijn woorden waar make?quot;
âIn allen gevalle, om tot zoodanige vordering recht te hebben, waar 't een jong meisje geldt, moet men haar vader, haar voogd, of haar verklaarde vrijer zijn: en de Freule zou de eerste zijn, die 't mij kwalijk nam, indien ik mij, ongeroepen, tot haar verdediger opgeworpen en daardoor misschien een eclat veroorzaakt had, dat de zaak nog verergerde. â Maar waarom is mijn vriend Maurits, die mij van flauwheid beschuldigt, zelf niet voor haar in de bres gesprongen?quot;
âWel! dat heb ik laatst nog bij Dominee aan huis immers gedaan?quot;
âJa, toen je alleen Juffrouw Leentje tegen je hadt. Maar zoo even, toen hadt je immers dien Verdrongen, of wie anders iets tot haar nadeel zei, bij den arm kunnen nemen, of, nog beter, hem een draai om de ooren kunnen geven, en rekenschap vragen van zijn woorden?quot;
âIk had er lust genoeg toe gehad,quot; zei Maurits: âen het kostte mij moeite, mij te bedwingen en mij te herinneren, dat het noch de plaats, noch de gelegenheid was om twist te zoeken, en zulks mij, als gastheer, allerminst zou gepast hebben. Maar uitstel zal daarom geen afstel zijn, en zoo ik weder iemand op een andere plaats zich op dergelijke wijze hoor uiten . . .
âMij dunkt, voor u moest elke plaats geschikt zijn,quot; viel Drenkelaer in: âniemand toch zou u kunnen kwalijk nemen, zoo je 't voor een meisje opvatte, 't geen het geheele publiek u sedert lang tot vrouw toedenkt.quot;
âHet publiek is wel beleefd.quot;
âJe zegt dit op een toon, alsof. . .. vergist het zich?quot;
âIk stel een broederlijk belang in Bettemie, niets meer.quot;
âHm! Dat spijt mij.... in zekeren opzichte althans.quot;
188
,.Hoe meen je dat?quot;
âWel!quot; hernam Drenkelaer; âom een zeer natuurlijke reden. Voor veertien dagen nog twijfelde niemand er aan, of de zaak was tusschen de Freule en u zoogoed als beklonken. Ziet men nu, dat er niets van komt, dan zal men er het gevolg uit trekken, óf, dat die praatjes haar betreffende, eenigen invloed op u hebben gehad, of, dat er waarheid is aan zeker ander praatje, dat men van u vertelt.quot;
âEen praatje! van mij?quot;
âOch ja! â men beweerde, je waart niet ongevoelig voorde bekoorlijkheid van Mejuffrouw Nicolette. Zie je, dat heb ik een paar keeren tegengesproken: immers ik kon mij niet voorstellen, dat die preek van zekeren avond alleen dienen moest om mij af te houden van een wild, 't geen je zelf begeerdet na te jagen.quot;
âIk? â zelfs de gedachte is nooit bij mij opgekomen, de onschuld van dat meisje te belagen.quot;
âNeen; maar de gelegenheid maakt den dief en natuur gaat boven de leer.quot;
âEn wat wil je te kennen geven met die banale spreekwoorden?quot; vroeg Maurits ongeduldig.
âBanaal zooveel je wilt; maar daarom niet minder waar.â Zooals ik zei, ik heb het praatje in den aanvang tegengesproken, maar doe het in 't vervolg niet meer. Ik wil je ronduit bekennen, dat ik niet bij Nicolette geslaagd ben; en daarom heeft mijn IJdelheid, zeg gerust, mijn fatuïteit, mij ingefluisterd, dat zij derhalve haar affecties op iemand anders geplaatst had.quot;
âWat wil je zeggen?quot; vroeg Maurits, terwijl hij zich de lippen bijkans aan 't bloeden beet.
âIk kan toch niet denken,quot; vervolgde Drenkelaer, met een ijskoude bedaardheid, âdat die kleine ontvanger haar juist het hoofd zou hebben op hol gemaakt?quot;
âSnel?quot; riep Maurits.
âWel ja! je zult toch wel gemerkt hebben, dat hij haar het hof maakt: de man is smoorlijk verliefd, en ten bewijze
189
daarvan strekke, dat ik van hem in last heb, u te verzoeken, hem zekere doos over te doen, die je straks gekocht hebt en die je vergeefs onder je paletot zoekt te verbergen.quot;
âDie doos!quot; zei Maurits, op spijtigen toon, terwijl hij het besproken voorwerp werkelijk tegen zijn borst met zijn jas er overheen hield gedrukt: âwat zou die? ik heb die bij Juffrouw Le Mat gekocht.quot;
âJuist; â en aangezien noch Snel, noch jij eenig belang kunt stellen in een dames-werkdoos, zoo volgt er wel uit, dat het alleen is om den wille van de vervaardigster, dat je beiden prijs stelt, het ding te bezitten. â En nu kun je geen grooter bewijs leveren, dat Nicolette u onverschillig is, dan door aan het verzoek van den ontvanger gehoor te geven en mij die doos voor hem ter hand te stellen.quot;
âMeent Snel inderdaad, haar ten huwelijk te vragen?quot; vroeg Maurits, geheel uit het veld geslagen en zonder op het gedane voorstel te antwoorden.
âWel, mij dunkt, zij kon een slechter partij doen: ja moeilijk in haar positie er een betere verwachten. Een man, die een fatsoenlijke betrekking bekleedt en goed zijn brood heeft, en op wien, zoover ik weet, niets valt aan te merken.quot;
âDe vrouw van Snel!quot; herhaalde Maurits, terwijl onwillekeurig zijn toon te kennen gaf, hoe ongerijmd en onaanneemlijk hij de veronderstelling achtte.
âEn wat is er in vredes naam daarin gelegen, dat u zoo vreemd voorkomt? of liever, wat gaat het u aan, indien je haar niet voor je zeiven verlangt? Hoor eens, vriend Eylar! laten wij elkander geen knollen voor citroenen in de handen stoppen. Dat je den zedenpreeker hebt uitgehangen, en mij verboden, haar conquête te maken, dat laat ik daar; maar dat je nu ook in gramschap ontsteekt, omdat een fatsoenlijk man haar tot zijn wettige huisvrouw begeert, dat gaat wat ver, en het moet mij wel bevestigen in mijn opvatting, dat je een inniger belang in haar stelt, dan je schijnt te willen bekennen.quot;
190
Maurits had op dat oogenblik aan Drenkelaer wel
des mijnslaats lot in 's aardrijk» ingewanden,
waar Helmers de lieden wil heenzenden, die niet gaan huilen op het graf van Evertsen, of eenig ander dergelijk aangenaam baantje, toegewenscht: en wat niet strekte om zijn wrevel te verminderen was de bewustheid, dat de gevolgtrekking, dooi Drenkelaer gemaakt, volkomen logisch was.
âJe zwijgt!quot; hernam deze laatste; en toen, een hartelijke deelneming in zijn toon leggende; âJe bent toch niet waarlyk verliefd op de meid? Bedenk toch, poui le badinage, bon; pour le mariage, non.quot;
âInderdaad,quot; zei Maurits zuchtende: âik geloof zelf, dat ik wenschen moet, dat zij met dien.... met dien ontvangei trouwde: â dat zou voor alle partijen beter zyn.
âWelzeker,quot; hernam Drenkelaer: âen jij met de Freule: dan was alles pour le mieux dans le meilleui des mond es possibles.quot;
âDe Freule verdient iemand, die haar een vrij en onverdeeld
hart kan schenken.quot;
âZoo! habemus reum confitentem----pardon, je bent
geen latinist: ik wil zeggen, wij hebben zoo wat een halve bekentenis. Ik meende maar, dat het best voor u zou geweest zijn, de eene dwaasheid te genezen door de andere te begaan.quot;
âEen dwaasheid, Bettemie tot vrouw te nemen?quot;
âJa! indien zij niet recht snik is; want dat er toch iets aan moet zijn.... enfin, ik nam in uw geval nog Hevelde Freule van Sporkelberghe: dat is nog oude adel: en soort bij soort.quot;
âDank je!quot; zei Maurits, droogjesweg: en toen, weer op een driftigen toon, vervolgende: âik herhaal u, dat het logens zijn, die men uitstrooit aangaande Bettemie, en vond ik den man, van wien ze komen, ik zou mijn zweep stuk slaan op zijn rug.quot;
Drenkelaer was op het punt, ook âdank jequot; te zeggen, doch hield het woord wijselijk binnen.
191
âIk zou,quot; zei hij, âin uwe plaats het bezigen van zoodanige argumenten, die den edelman veroorloofd waren in de gouden dagen der Dubarrys, maar hem thans voor de correctie brengen, voor 't minst uitstellen, tot je in staat bent, er andere bij te voegen, waar wat meer logica in zit, en die geschikt zijn om de lieden te overtuigen zonder het meisje te compromit-teeren. Dat zij zeer goed bij haar zinnen is, ben ik met u eens; doch er schijnen toch scènes op Doornwijck te hebben plaats gehad, die raadselachtig zijn: . . . . Juffrouw Tronck ontkende niet dat in haar bijzijn de Freule nogal heftig is geweest tegen Le Mat, en dat Mw. Van Doertoghe ongerust omtrent haar was: en dan, die ontmoeting met den avonturier, die zoo juist van pas zich op den straatweg vertoonde, is ook nog niet geheel opgehelderd: dit alleen ben ik te weten gekomen, dat hij met zijn moeder op Doornwijck geweest is, en je hebt zelf kunnen hooren, toen wij er onze digestie visite deden, hoe de oude Mevrouw, toen men over die Juffrouw Hermans sprak, met een streng gelaat verzocht, dat de naam van die, persoon nooit in haar bijzijn geut mocht worden. â 't Beste zal dus naar mijn gevoelen zijn, te wachten wat de toekomst leeren zal; hebben de vertelsels eenigen grond, dan zal dit spoedig genoeg blijken: in het tegenovergestelde geval zullen zij van zelve wel doodbloeden. â En nu, wij zijn thuis; welk antwoord moet ik aan Snel brengen?quot;
âDat hij een onbescheiden vlegel is,quot; antwoordde Maurits, met drift.
âWacht een oogenblik,quot; hernam Drenkelaer, terwijl hii, zijn hand leggende op den arm des jongelings, die juist eene dei-glazen deuren van het kasteel wilde binnengaan, hem onder de veranda staande hield: âindien je, gelijk ik u zelf zooeven hoorde zeggen, de wijze partij kiest, het meisje met Snel te laten trouwen, of althans die vrijage niet door ontijdige tus-schenkomst te verstoren, is het dan niet beter, dat je die doos niet behoudt, die in uwe handen maar stof geeft tot dwaze onderstellingen ?quot;
Maurits bleef eenige oogenblikken zwijgend staan: en het
192
was te zien, dat een hevige strijd in zijn binnenste plaats had. Op eenmaal scheen hij zijn besluit genomen te hebben, en vroeg hij aan Drenkelaer:
âHeeft de ontvanger Mejuffrouw Zevenster werkelijk reeds ten huwelijk gevraagd?quot;
âIk geloof 't niet,quot; antwoordde Drenkelaer: âmaar 't zal gewis niet lang meer duren.quot;
âWelnu! zoolang dit niet het geval is, bestaat er geen de minste reden, waarom ik hem deze doos zou afstaan, en zou zulk een handelwijze van mijn zijde niets anders zijn dan een gratuïete beleediging, der vervaardigster aangedaan. Adieu!quot;
âUitmuntend!quot; dacht Drenkelaer, toen Maurits naar binnen was gegaan, bij zich zeiven: âhij zou mij erg gefopt hebben, indien hij mijn raad gevolgd had! â en toch, ik moest het wagen, hem dien te geven. Hij moet van mij nimmer iets anders kunnen getuigen, dan dat ik hem heb zoeken terug te houden van de dwaasheid, die hii nu waarschijnlijk begaan zal. In allen gevalle, hoe 't afloopt tusschen hem en Mcolette, zooveel is zeker, dat hij mij voor 't oogenblik bij de Freule niet meer in den weg zal staan .... en de tijd is, geloof ik, gekomen, mijn batterijen naar die zijde te richten. Maar wacht, daar komt juist van pas mijn bondgenoot aan.quot; â En meteen ging hij Mejuffrouw Tronk te gemoet, die van de zijde der oranjerie kwam aangewandeld.
âWel!quot; vroeg hij: âis de verkooping afgeloopen?quot;
âDe Hemel zij gedankt, ja,quot; antwoordde zij: â't was een hondenbaantje, dat ik gehad heb, voor buffetjuffrouw te spelen. En houd mij nu niet op; want ik moet gaan zien, of alles hier klaar is om de dames te ontvangen, indien zij altemet verkiezen hier wat te komen uitrusten, en dan meteen heb ik nog toe te zien, dat Bijou zijn drankje inneemt.quot;
âOpperbest!quot; zeide Drenkelaer, terwijl hij op zijn schreden terugkeerde en haar vergezelde: âik zal u niet in uw nuttigen arbeid storen, en u alleen vertellen, dat ik bij mijn besluit blijf om van avond den kogel door de kerk te jagen.quot;
âDenk je Bettemie waarlijk te vragen?quot;
193
âHoe vraag je dat op zoo'n toon van verwondering?quot; zeide Drenkelaer.
âWel,quot; antwoordde Kato: âomdat het, dunkt mij, in strijd zou zijn met hetgeen je haar zelf moet verklaard hebben, dat je nooit een rijke vrouw zoudt willen vragen â en ik beken, dat ik dat al een heel zonderling gezegde van u vond tegenover een meisje, dat je verlangt te trouwen, en een rare manier om tot je doel te komen.quot;
âTut! tut!quot; zeide Drenkelaer: âwij zullen het lied, dat wij zingen, naar de omstandigheden weten te wijzigen; maar van wie heb je dat?quot;
âUit zeer goede bron, van Pietje Pancras, aan wie Bettemie het heeft verteld.quot;
âEi! heeft zij dat verteld? â Des te beter! dat is een bewijs, dat het haar gepikeerd, althans geïntrigeerd heeft; en dat was mijn doel. â Wel! des te meer zal het haar eigenliefde streelen, wanneer zij verneemt, dat ik voor het vermogen van haar bekoorlijkheden zwichtende, van mijn zoo stellig uitgesproken besluit ben teruggekomen. Doorgaans zal, naar men zegt, een vrouw elke inconsequentie, die om harentwille begaan wordt, niet alleen vergeven, maar zelfs natuurlijk vinden.quot;
âVlei u daar niet te veel mee,quot; zei Kato: âBettemie is geen vrouw als een andere: zij mocht eens op het vermoeden komen, dat die fraaie protestatie, die je haar gedaan hebt, volstrekt niet gemeend was, en dan zou je, naar ik vrees, je bitter bedrogen zien in je verwachting. â Doch kom, ik verpraat mijn tijd.quot;
âNog eene vraag,quot; zeide Drenkelaer, haar aan den ingang der zaal, op dezelfde wijze terughoudende, als hij, even te voren, Maurits had gedaan: âje hebt, zoo ik wel begreep, met Pietje Pancras over mij gesproken. Heb je ook kunnen uit-vorschen, hoe de Freule over mij denkt?quot;
âDat zou Pietje als zij 't wist niet verklappen,quot; antwoordde Kato: âmaar ik weet het toch. â Zij is bang voor je.quot;
âBang!quot; â herhaalde Drenkelaer: âdes te beter! en hoe weet je dat?quot;
ii. - k. z. 13
194
,,Dat heeft mij een vriendin van Bettemie geschreven, die... . doch ik heb nu geen tijd om u dat te vertellen. Hier,quot; vervolgde zij, een brief voor den dag halende, âhier is de brief: lees maar zelf! Ik krijg hem straks wel van u terug.quot;
Meteen stelde zij den brief aan Drenkelaer ter hand en ontsnapte naar binnen.
âVan wie drommel mag dat geschrijf wezen?quot; vroeg Drenkelaer zich zei ven af, toen hij, naar de onderteekening van den brief ziende, aldaar enkel den naam van Ernestine vond: âwie mag die Ernestine zijn? â om 't even! de inhoud zal misschien opheldering geven.quot;
Opheldering, voor zooverre zij den familienaam der schrijfster gold, gaf de brief niet, en over 't geheel liep die over zaken, die Drenkelaer volstrekt geen belang inboezemden. Wanneer wij zeggen âover zaken,quot; dan bezigen wij een verkeerde uitdrukking. De brief was van en aan een jonge Juffrouw en stond daarin met de meeste dergelijke brieven gelijk, dat hij beschouwingen, opmerkingen, uitweidingen enz., enz., in één woord alles, behalve zaken bevatte. Haasten wij ons er bij te voegen, dat hij er niet te minder om was.
âDie Juffrouw schrijft niet onaardig,quot; dacht Drenkelaer: âmaar wat weerga kunnen mij die uitboezemingen schelen over de genoegens van 't buitenleven en over de gekke toiletten, die zij 's Zondags in de kerk en op de pantoffelparade ziet ? â Maar ik ben een ezel! â Ik had moeten beginnen met het postscriptum.quot;
En inderdaad, dat behelsde de woorden:
âSchrijf mij eens, wat uw logeergast voor een mensch is. Naar ik hoor moet hij oogen hebben, die sommige lieden bang maken, en ik zou wel eens willen weten, of men voor den man zelf ook bang heeft te zijn. Maar dit between us, my dear: ik heb bijzondere redenen voor die vraag.quot;
âEi! ei!quot; zei Drenkelaer bij zich zeiven: âik begin lont te ruiken. Die Ernestine is zeker een correspondent van Bettemie
195
en brengt nu 't geen deze heel vertrouwelijk haar heeft medegedeeld even vertrouwelijk aan Kato Tronck over, die 't niet minder vertrouwelijk weer doet weten aan den persoon, die zeker 't best in staat is op de vraag te antwoorden.quot;
De gissing was volkomen juist, gelijk hij dienzelfden avond nog van Kato vernam. Ernestine Van Marsden had in den vorigen zomer met Bettemie altijd eenige weken op Doornwijck doorgebracht, en daardoor overlang kennis gemaakt met Kato, aan wie zij nu en dan schreef. Had zij haar beter gekend, zij had zich gewis niet schuldig gemaakt aan een onvoorzichtigheid in de keus harer woorden, waardoor haar op zich zelve loffelijke zucht om, in 't belang van Bettemie, narichten in te winnen aangaande Drenkelaer, een gevolg had, juist tegenovergesteld aan 't geen in haar bedoeling lag.
âAlzoo!quot; vervolgde Drenkelaer: âzijn sommige lieden bang voor mijn oogen. Nu, dat is een geruststellend uitzicht voor de toekomst! Ik zal er volstrekt niet tegen hebben, als mijn vrouw wat bang voor mij is; des te gereeder zal zij mijn zin doen. â Inmiddels is het zeker, dat, als Freule Bettemie bang is voor mijn oogen, zij dan niet kan nalaten aan den eigenaar dier oogen te denken. Wel! ik zal haar dwingen, nog meer, voortdurend zoo 't mogelijk is, aan mij te denken, en, neemt zij mij dan niet uit liefde, zij zal mij nemen uit vrees of omdat zij geen ander middel zal weten, langs 't welk zij van die vrees kan ontslagen raken, 't Zij hoe 't zij, alles overtuigt mij, dat het ânu of nooitquot; het oogenblik is om het waagstuk te beproeven. â Maar wacht! is het Maurits niet, dien ik daar de trap hoor afkomen?quot;
En, haastig den brief bij zich stekende, ontdeed hij zijn zakken van eenige kleinigheden, op de verkooping aangekocht, en pakte die op de tafel uit; terwijl hij een der bedienden, die juist voorbijging, verzocht, ze op zijn kamer te bezorgen. âA vos ordres, mon cher,quot; zeide hij toen, zich tot Maurits wendende, die inmiddels was binnengekomen, beladen met de papieren, die hij was gaan halen, en, hem onder den arm nemende, begaf hij zich met hem weder op weg naar de oranjerie.
196
Niet lang hadden zij, deze reis zwijgend, naast elkander geloopen, toen zij de beide Douairières en een groot gedeelte van de gasten te gemoet kwamen, die zich naai huis begaven.
âWij gaan weer aan 't werk. Moeder!quot; zei Maurits, even stilhoudende.
â't Is ook niet meer dan billijk,quot; voegde Drenkelaer ei bij, terwijl hij zich boog voor de nu van haar taak ontslagen winkeldochters, âdat wij de dames aflossen en ook wat uitvoeren. â Ik hoop, dat er nog iets is overgebleven om verloot te worden.quot;
âEr zijn nog lieve slaapmutsen en kinderjurkjes,quot; zei
Bettemie.
âDe kinderjurkjes zouden mij slecht passen, hernam Drenkelaer; âmaar een slaapmuts heb ik wel eens gewenscht, als de pleidooien wat lang duurden.quot;
âFoei!quot; zeide Bol: âMijnheer is nog te jong; laat hij ten minste wachten tot hij President van een Hof is geworden, eer hij zich het recht aanmatigt om op de publieke audientie te slapen.quot;
âDominee houdt zeker niet van menschen, die op openbare plaatsen slapen,quot; merkte de Baron Van Steenvooide aan, grinnikend over zijn zoo gepaste aardigheid, of wat hij er voor hield.
âEn dan zijn er nog heel lieve beursjes,' zei Klaia Van Sporkelberghe.
âDie zouden mij te pas kunnen komen,quot; merkte Drenkelaer aan, âevenals 't zout aan het kind, dat er om vroeg voor het vleesch, dat het nog hoopte te krijgen.quot;
âEn fijn brievenpapier om poule tj es op te schrijven,
zei Juffrouw Jacomina.
âDie gun ik aan wie er behoefte aan hebben,quot; hernam Drenkelaer, meteen een zijdelingschen blik werpende op Maurits, die zich onwillekeurig bij Nicolette gevoegd had. Die blik ontsnapte niet aan het scherpziend oog van den predikant, en dat was juist wat Drenkelaer ook verwacht en verlangd had.
197
âIk keer met u terug, Heeren!quot; zei Bol: âik zal misschien uw taak kunnen verlichten.quot;
En het gezelschap groetende, stapte het drietal naar de oranjerie.
DERDE HOOFDSTUK.
DE TOMBOLA.
De menigte, die nog kort te voren het terrein tusschen de winkels bezette, was langzamerhand weder afgezakt en had zich deels naar huis begeven, deels in het park verspreid. In de afgeperkte ruimte was niemand overgebleven dan Eylar, de notaris, de ontvanger, de rentmeester, de schoolmeester, en dien ik het eerst had moeten noemen, omdat hij bij de werkzaamheden, die verricht stonden te worden, het voorzitterschap bekleedde, de Heer Voordendijk, burgemeester van Harde-stein en Grooi, doch op laatstgemeld dorp woonachtig. Voorts drie klerken, werkzaam aan de kantoren der drie genoemde ambtenaren en wier bijstand bij den arbeid men gemeend had te zullen behoeven. Terwijl over het onderling verdeelen van dien arbeid tusschen de straks gemelde Heeren geredekaveld werd, tikte de predikant Drenkelaer even op den arm en noodigde hem uit, het nabijzijnde grasperk met hem rond te wandelen.
âMijnheer Drenkelaer!quot; zeide hij, zoodra hij zich met hem ver genoeg bevond om door geen derde verstaan te worden, âik zag u daar straks, toen er van pouletjes gesproken werd, een veelbeteekenenden blik op Maurits werpen. Vergeef mij mijn nieuwsgierigheid; maar ik wenschte wel te weten, of daartoe een bepaalde aanleiding bestond, dan of het maar loutere scherts was.quot;
âScherts, ja, maar niet zonder aanleiding,quot; antwoorddde Drenkelaer: âik had niet gedacht, dat je 't zoudt opgemerkt hebben. Dominee.quot;
198
âEn uw bedoeling daarmede? Ik moet nogmaals om vergeving vragen, zoo ik onbescheiden ben; maar het geldt iemand, misschien twee personen, waar ik belang in stel, en Maurits althans is uw vriend zoowel als de mijne.quot;
âIk erken volkomen uw recht om de vraag te doen,quot; zeide Drenkelaer: âen om u te doen gevoelen, dat ik er ook de strekking van begrijp, zoo zeg ik u ronduit, dat het, naar mijn wijze van zien, een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest, die mijn vriend Maurits en uw lieve pupil juist terzelfder tijd heeft hier gebracht.quot;
âBeiden zijn jong, vroolijk en niet misdeeld van geest,quot; zeide Bol; âniets natuurlijker, dan dat zij behagen scheppen in elkanders gezelschap, zonder dat hieruit nog juist behoeft te volgen, dat van de eene of de andere zijde gevoelens gekoesterd worden, waartegen hun verstand hun, bij dat hemelsbreed verschil in hunne maatschappelijke stelling, de noodige wapens verschaffen moest.quot;
âIk behoef,quot; zei Drenkelaer, âaan iemand van uw leeftijd en doorzicht niet te herinneren, dat van de zijde van een jonkman, die een levendigen aard bezit, en die van kinds af gewoon is geweest, al zijn wenschen bevredigd te zien, de maatschappelijke slagboom al zeer weinig geteld wordt, waar het een schoon en bevallig meisje geldt, en te minder in aanmerking komt, wanneer iedereen zijn best reeds gedaan heeft, om dien slagboom weg te nemen of althans niet in 't oog te doen vallen.quot;
âJe bedoelt,quot; zeide Bol, âdat ik Juffrouw Zevenster niet bij Mevrouw de Gravin noch elders in gezelschappen boven haar stand had moeten brengen; maar ter mijner rechtvaardiging moet ik aanvoeren, dat dit op het verlangen heeft plaats gehad, zoowel van den Graaf als van Mevrouw zyn moeder, en dat de komst van Maurits, voor mijn vriend Eylar althans en voor mij, geheel onverwacht was.quot;
âIk verzoek den Heer Bol, wel te willen gelooven, dat het niet in mij opkwam, hem een, 't zij openlijk, 't zij bedekt verwijt te doen,quot; hernam Drenkelaer: âalleen het toeval is te
199
beschuldigen .... voor zooverre ik, tot een predikant sprekende, het woord toeval gebruiken mag.quot;
âIk zal, na de aanmerking, door u zelf gemaakt, geen strijd voeren over dat woord,quot; zei Bol, âmaar alleen dit zeggen, dat men somtijds het toeval, de omstandigheden, beschuldigt, wanneer men het zich zeiven doen moest. Ieder onzer wordt, herhaaldelijk, ten gevolge van een zoogenaamd toeval in verzoeking gebracht: en, zoo hij dan tegen die verzoeking geen strijd voert of in den strijd bezwijkt, doet hij beter, zulks niet aan het toeval, maar aan zijn eigen zwakheid te wijten. Nu is de vraag deze: heeft Maurits een dwaze neiging voor een meisje, dat hij had behooren te eerbiedigen, in haar dubbele hoedanigheid van ouderlooze weeze en van mijn gast, bestreden ? of is hij nog bereid, dien strijd te wagen? â Misschien zal Mijnheer Drenkelaer zeggen: dat dit vragen zijn, die ik niet tot hem, maar tot den persoon, dien 't aangaat, behoorde te richten: â maar misschien ook is hij in staat, mij daaromtrent eenige inlichting te geven, voor zooverre hij namelijk daarmede het vertrouwen niet schendt, door een vriend in hem gesteld.quot;
âIk zou weinig gevaar loopen zijn vertrouwen te schenden,quot; zei Drenkelaer, de schouders ophalende: âwant hij heeft mij niets vertrouwd, en dat juist ontrust mij.quot;
âMaar waaruit, zoo hij u niets gezegd heeft, meent Mijnheer dan stof te moeten ontleenen om zoo bepaald te geloo-ven, dat er iets bestaat, dat niet zijn moest?quot; vroeg Bol.
âOmdat ik hem van mijne zijde over de zaak onderhouden heb,quot; antwoordde Drenkelaer: âen dat hij elk bepaald antwoord op mijn vragen ontweken heeft: en omdat hij de doos, door Juffrouw Zevenster vervaardigd, niet alleen gekocht heeft, maar zelfs in gramschap is uitgebarsten, toen hij hoorde, dat de Heer Snel die begeerde.quot;
âDe Heer Snel!quot; herhaalde Bol, Drenkelaer met eenige bevreemding aanziende, niet over de zaak zelve, maar daarover, dat ze hem door Drenkelaer werd medegedeeld : âhad die dan aan u zijn wensch te kennen gegeven om dat voorwerp te bezitten?quot;
200
âJa, Dominee!quot; antwoordde Drenkelaer; âik moet tot mijn leedwezen zeggen, dat de Heer Snel, ofschoon wij elkander eerst sedert een blauw-maandag kennen, zich vertrouwelijker jegens mij getoond heeft dan mijn vriend, en mij niet ontveinsd heeft, dat uw pupil hem dierbaar was geworden.quot;
âZoo! â dus had hij u verzocht, Maurits te bewegen, hem die doos af te staan?quot;
âJa! â en de poging daartoe is mij maar ten halve gelukt.quot;
âToch ten halve?quot; vroeg Bol, terwijl een straal van hoop in zijn oogen flikkerde.
âJa, Dominee! â Hij heeft mij te kennen gegeven,... ik herhaal zijn eigen woorden .... dat het een beleediging zou zijn, Mejuffrouw Zevenster aangedaan, de doos aan iemand af te staan, tenzij die iemand haar verloofde, of althans haar geaccepteerde vrijer ware; â nu volgt daar, mijns inziens, uit, dat, zoodra de Heer Snel eene der genoemde hoedanigheden kan doen gelden, Maurits hem afstand van de doos zal doen .... en, wat meer zegt, van zijn verdere inzichten op uw pupil. Immers ook dit heeft hij zich laten ontvallen, dat het misschien gelukkigst ware, indien zij het aanzoek van den Heer Snel aannam.quot;
âIk herken Maurits aan dien trek,quot; zei de predikant, met zichtbare tevredenheid: âheeft hij voor een poos aan zijn gevoel toegegeven, hij heeft intijds begrepen, naar de stem van de gezonde rede te moeten luisteren, en het noodige te doen om zich zeiven te overwinnen.quot;
âIk zeg u dit een en ander,quot; ging Drenkelaer voort, âomdat ik vreesde dat het misschien uw voornemen was, Maurits over de zaak te onderhouden. Ik moet natuurlijk dit aan uw beter oordeel overlaten: maar, bij de stemming, waarin hij nu nog verkeert, en na het gesprek, dat ik zooeven met hem gevoerd heb, zou het hem misschien baloorig maken, indien hij weder over de zaak moest hooren.quot;
âIs dit inderdaad uw meening?quot; vroeg Bol, hem met een achterdochtigen blik aanziende. Wij hebben verhaald, hoe Drenkelaer, bij hun eerste ontmoeting, een min gunstigen
201
indruk op hem gemaakt had, waarvan de predikant zich echter geen rekenschap wist te geven. Toen later Drenkelaer hem een- en andermaal bezocht had en zich bij die gelegenheid meer en meer had doen kennen als een bedaard, verstandig en in alle opzichten beschaafd jongmensch, op wiens woorden, denk- en handelwijze niet het minst kon worden aangemerkt had Bol eenig berouw gevoeld over een tegenzin, die allen schijn had van onbillijkheid; en toch had hij dien niet geheel kunnen overwinnen: ja, zoo het gesprek, dat hij thans met Drenkelaer had aangeknoopt, ten doel had, eenige inlichtingen te bekomen aangaande de oogmerken van Maurits jegens Nicolette, de predikant had tevens de hoop gekoesterd, daarbij uit te vorschen, in hoeverre Drenkelaer bij zijn vriend een goede of een verkeerde rol gespeeld had. Al wat de jongeling tot nog toe gezegd had, was van dien aard geweest, dat het tot een gunstig oordeel moest leiden, ten opzichte zoo van zijn inborst in 't algemeen als van het gedrag, door hem jegens Maurits gehouden; maar nu had op eens de raad, dus-ongevraagd door hem aan Bol gegeven, de achterdocht van dezen weder opgewekt. Drenkelaer, die, ten gevolge van dat natuurlijk instinct, hetwelk het ons terstond doet ontwaren als wij sympathie of bepaalde antipathie bij iemand verwekken, reeds van den aanvang af had bespeurd, dat de predikant hem wantrouwde, was tegenover hem voortdurend, en ook deze reis, zeer op zijn hoede geweest. Hij had zich gevleid, hem van zijn preventies terug te hebben doen komen, toen hij nu plotseling bemerkte, dat hij een onvoorzichtigheid begaan had. Zijn doel was geweest, te voorkomen, dat Bol Maurits over diens voornemens ondervroeg en hem wellicht overhaalde, Nicolette niet langer het hof te maken, en nu bekroop hem de vrees, dat Bol wellicht dien toeleg zou bemerkt hebben. Hij gevoelde, dat alles afhing van het antwoord, dat hij nu op diens vraag zou geven.
âIk herhaal,quot; zei hij, na een oogenblik nadenkens, âdat het ongepast van mij was, ongevergden raad te geven aan iemand van uw jaren en ondervinding, die Maurits sedert lang
202
en zoo door en door kent, aan wiens oordeel hij zeker meer gewicht zal hechten clan aan het mijne, en naar wiens vermaningen hij eerder genegen zijn zal te luisteren. En toch. nu ik eenmaal zoo vrijpostig geweest ben, te zeggen wat mij op het hart lag, blijf ik bij wat ik beweerd heb. Ik geloof niet, dat, zelfs door u, aan Maurits iets kan onder 't oog worden gebracht, wat hij in de laatste dagen niet herhaaldelijk tot zich zeiven gezegd heeft, en nu is mijn overtuiging deze, dat, indien hem door u gevraagd wordt, wat zijn inzichten zijn, hij â al is het alleen om u te overtuigen, dat hij geen slechte bedoelingen koestert â u om de hand van Juffrouw Zevenster vraagt. Of een zoodanige stap van zijn zijde u onaangenaam zal zijn, of een huwelijk tusschen de beide jonge lieden u wenschelijk voorkomt, is iets, dat ik niet te beslissen heb.quot;
Het was nu de beurt van den predikant, zich eenige oogen-blikken te beraden over hetgeen hij zeggen zou. De koude toon van Drenkelaer misviel hem; maar nog meer hinderde hem het denkbeeld, dat de man dien hij een poos van onoprechtheid verdacht had gehouden, hem â als uit zijn laatste woorden scheen te kunnen worden opgemaakt â wederkeerig verdacht hield, en wel van het koesteren van den geheimen wensch om zijn pupil aan Maurits verbonden te zien. Hij zag tevens in, dat, dewijl hij aan Drenkelaer geen verantwoording schuldig was, het ook niet te pas kon komen zich jegens hem te rechtvaardigen, en hij oordeelde alzoo beter, vooi 't oogenblik geen verdere woorden over het onderwerp te spillen.
âMijnheer!quot; zei hij, op den beleefdst mogelijken toon, âik ben u inderdaad zeer erkentelijk voor de inlichtingen, en niet minder voor de wenken, die mij door u gegeven zijn. De zaak is gewichtig en hoogst netelig tevens: en ik hoop van harte, dat er een middel zal te vinden zijn, om er een zoodanig einde aan te maken als minst smartelijk wezen zal voor de partijen, die er in betrokken zijn. Wij zijn nu weer in de buurt van de oranjerie, en ik geloof, dat het tijd is, er terug te keeren.quot;
203
âZiezoo!quot; dacht Drenkelaer bij zich zeiven, terwijl hij, na met den predikant op het zooeven door hem verlaten terrein te zijn teruggekeerd, zich met een beleefde buiging van hem verwijderde; ânu ben ik aangaande zijn verdere plannen nog even wijs; doch, wel beschouwd, waarover verontrust ik mij ? mijn doel is geweest, een huwelijk tusschen Maurits en de Freule onmogelijk te maken, en ik geloof, daarin vrij wel geslaagd te zijn. Laten nu die twee anderen elkander trouwen of niet, 't is mij volkomen onverschillig. Ik moet op mijn doel los; de rest moge zich schikken zooals 't valt.quot;
Terwijl hij op deze wijze alle onaangename gedachten aan het kwaad, door hern gesticht, van zich af zocht te schuiven, waren er anderen, die met meer bezorgdheid nadachten over hetzelfde onderwerp, dat tusschen hem en Bol verhandeld was. Eylar, die terstond vermoed had, met welk doel de predikant Drenkelaer had ter zijde gelokt, zat te branden van ongeduld om den uitslag van hun onderhoud te vernemen. Maurits twijfelde er evenmin aan, of de beide Heeren hadden over hem gesproken, en dit, gevoegd bij de aanwezigheid van Snel, was niet geschikt om in de onrustige stemming, waarin hij zich reeds bevond, meer kalmte te brengen. Snel zag beurtelings Drenkelaer en Maurits aan, als om uit hunne oogen te lezen, wat betreffende de doos was beslist, en bewoog zich als een hen, die een ei moet leggen: Bol eindelijk overlegde bij zich zeiven wat hem te doen stond en betreurde het, niet vroeger eenige zekerheid aangaande de gevoelens van Maurits voor Nicolette gehad te hebben, ten einde hem daarover te hebben kunnen onderhouden; iets waartoe heden de gelegenheid zich, naar hij vreesde, niet zou voordoen.
Voor 't oogenblik althans vorderde de aangevangen werkzaamheid te veel spoed en oplettendheid, dan dat men met een van de daarbij betrokkenen een woord had kunnen wisselen. Ieder had er zijn post bij: Maurits dien van ieder van de onverkocht gebleven voorwerpen één voor één van zijn plaats te nemen en het daaraan gehechte nummer overluid
204
te lezen, welk nummer dan door den notaris in het contraboek werd aangestreept en door den schoolmeester op een nieuwe lijst genoteerd; terwijl Snel en twee der klerken, uit de nummers, die op karton geschreven, en op een tafel uitgespreid lagen, het opgeroepene uitzochten en in een zak wierpen. De rentmeester nam achtereenvolgens elk voorwerp uit de handen van Maurits en bracht het naar een ledig-gemaakte tafel in de oranjerie, waar het door Eylar en Drenkelaer in ontvang genomen en, met behulp van den burgemeester en van Bol, als vrijwilligers, op een geschikte plaats werd gesteld. Deze arbeid duurde ongeveer twee uren, na welke het bleek, dat er een getal van 314 prijzen was overgebleven, en alzoo, dewijl er 1200 loten waren uitgegeven, de kans om iets te trekken iets beter stond dan vier tot één. De lezer zal misschien tot een tweede gevolgtrekking komen, dezelfde, die ook reeds door vele bezitters van loten gemaakt was, dat de prijzen weinig waarde moesten hebben, als alleen bestaande uit zoodanige voorwerpen als geen koopers hadden gevonden. Het Bestuur had dit voorzien, en daarom een vijftal voorwerpen van meer bijzondere waarde buiten den verkoop gehouden en tot hoofdprijzen bestemd, te weten: een prachtig gewerkt kussen, door eene der Vorstinnen gezonden, een vuurscherm, door Mw. Van Hardestein geborduurd, een schellekoord, door Klara Van Sporkelberghe gewerkt, een paar keurig geteekende lichtschermen, herkomstig van Jeannette Fix, en de teekening van Bettemie, alle welke vijf prijzen boven de overige ten toon gehangen werden.
Na den afloop van dezen voorbereidenden arbeid, werden de gesloten doozen geopend, waarin de verkoopsters het geld en de bankbiljetten, bij haar ontvangen, hadden weggeborgen, het bedrag van de ontvangst opgemaakt, en deze voorloopig aan Maurits ter bewaring toevertrouwd. Er bleek, dat er /quot;3473.50 ingekomen was, 't welk, gevoegd bij de /'1200 van de verkochte loten, een totaal maakte, dat aan de verwachtingen der belanghebbenden meer dan voldeed. Het was intusschen halfvier geworden en scheidenstijd. Men gaf dus
205
elkander rendez-vous tegen zes uren en terzelfder plaatse. De notaris en Snel keerden met de klerken naar het dorp; de rentmeester naar zijn woning in het park: de overige heeren naar het kasteel, waar zij al de gasten reeds vertrokken vonden; natuurlijk met het doel om na den eten terug-te komen. Eylar trok met zijn vrouw, den burgemeester en diens dochtertje, naar Klein Hardestein: Bol naar de pastorie, met zijn zuster, met Nicolette en de Juffrouwen Verdrongen en Le Mat, die bij hem het middagmaal zouden nemen, ten gevolge eener vroeger gemaakte afspraak. Immers Le Mat, die zijn patiënten bezoeken moest, had den predikant verzocht, aan zijn dochter geleide te verleenen naar en van het kasteel, en Bol zich niet alleen bereid verklaard aan het verzoek te voldoen, maar er bijgevoegd, dat zij dan maar bij hem moest blijven eten. Dit was aan Verdrongen ter ooren gekomen, die daarop niet gerust had, eer hij voor zijn dochter hetzelfde voorrecht had verworven. De aanwezigheid dier beide meisjes was oorzaak, dat aan Bol de gelegenheid ontbrak om â gesteld dat het zijn voornemen ware â naar aanleiding van hetgeen hij van Drenkelaer vernomen had, aan Nicolette eenigen raad of vermaning te geven. Hier kwam nog bij dat, toen de eenvoudige maaltijd nauwelijks was afge-loopen, Verdrongen aan de pastorie kwam opdagen, ten einde de overigen bij hun tweede bezoek op het kasteel te vergezellen, en, als hij lachend beweerde, een wakend oog op Jacomina te houden. Hij kwam daartoe echter bijna een uur voor zijn tijd, welk uur hij besteedde, om een flesch wijn, dien de gulhartige predikant hem voorzette, te ledigen, en met zijn onbeduidend gewauwel en krassende stem den goeden Bol, die zich reeds in geen aangename stemming bevond, ongeveer hetzelfde genot te verschaffen, als het geluid van een ijzeren boor, waarmede gaten in metaal gedraaid worden, zou bezorgen aan iemand, die met de koorts te bed lag. â Er komt een eind aan alles, en zoo kwam er ook een eind aan de foltering van Bol. Het uurwerk van de dorpsklok sloeg halfzeven en gaf daarmede aan het gezelschap het sein.
206
zich weder naar het park te begeven, en deze reis onmiddellijk naar de oranjerie, waar de tombola te zeven uren zou aanvangen. De hekken hadden reeds te zes uren opengestaan, en zoo waren er reeds verscheidene belangstellenden op het terrein ; doch de toevloed was niet zoo groot als 's morgens; dewijl deze reis niemand binnen den kring werd gelaten, dan die van een bewijs was voorzien, dat hij aandeel in de loterij had genomen. Spoedig echter was het getal aaneengegroeid van de bezoekers, die voor 't oogenblik niet, zooals 's morgens, een bedrijvige, maar een lijdelijke rol te spelen hadden, en die nu met gespannen aandacht stonden af te wachten, wat het lot te hunnen voor- of nadeele zou beschikken. Wanneer wij zeggen, dat zij stonden, drukken wij ons minder juist uit: immers zoomin binnen als buiten de oranjerie ontbrak het aan zitplaatsen, waarvan ook de meeste vrouwen en door de ouderen van dagen dan ook gebruikt werd gemaakt.
Te zeven uren namen de burgemeester, Eylar, de notaris, de ontvanger en de Dames van het Bestuur plaats achter een lange tafel, binnen de oranjerie, aan welker beide einden de rent- en de schoolmeester zaten, ieder met een bus voor zich de nummers bevattende der loten en der prijzen. Daarnevens stonden, bij den rentmeester het jongste dochtertje van den burgemeester, bij den schoolmeester het oudste meisje van den Heer Zuring, welke twee de eer zouden genieten, de gelukkige winners aan te wijzen. â Nevens de tafel stonden Maurits en Drenkelaer, ten einde aan de winnaars hun prijzen uit te reiken, voor zooverre eerstgemelden 't namelijk verlangden en laatstgemelde voor onmiddellijk vervoer niet al te ongeschikt waren. â Weldra sloeg de Voorzitter met zijn hamer, ten teeken dat de plechtigheid een aanvang nam, en trok Hermine Voordendijk een nummer uit de bus, 't welk zij haar vader overhandigde, die nu met luider stemme las:
âNummer 317.quot;
âNummer 817,quot; herhaalde de Notaris, het nummer optee-kenende in een register, dat voor hem lag.
âIk geloof waarachtig, dat het mijn nummer is,quot; zei de
207
Majoor, die, midden op het plein, recht tegenover de tafel stond.
jST0. 711,quot; klonk de stem van Eylar, die het nummer las, dat de dochter van den Heer Zuring uit de andere bus getrokken en hem overhandigd had.
âEen paar wollen kinderkousjes,quot; las Snel, die de genummerde lijst der beschikbare prijzen voor zich had.
Een algemeen gelach en gejuich begroette deze uitkomst, en niet weinig vermaakte men zich ten koste van den ouden vrijer, die zich reeds, zonder veel eerbied te toonen voor het gezelschap, waarin hij zich bevond, een âbl...,.! wat zal ik met die zwijnerij doen?quot; had laten ontvallen.
âNu moet je noodwendig een vrouw nemen. Majoor! en voor een kleintje zorgen, dat de kousjes gebruiken kan,quot; zei Zuring.
âZij kunnen altijd dienen om er je meerschuimen pijpekop in te wikkelen,quot; zei Denneman de behanger.
âOf om, als 't winter wordt, er je neus in te bergen tegen 't bevriezen,quot; zei een derde spotboef.
âZou je niet om een wagen sturen om je prijs thuis te halen?quot; vroeg een vierde.
âDat ik zoo bl......mal was, om een gulden te geven,
als ik vooruit kon weten, dat er niks dan prullen konden overblijven,quot; bromde de Majoor.
âStil! stil!quot; klonk het om hem heen; want er stond een tweede nummer gelezen te worden. De prijs, die hierop viel, was een lucifersdoosje, en die het trok was.... Mw. Van Doertoghe.
Het gelach was deze reis iets minder luid, maar daarom niet minder algemeen: vooral hadden zij, die wisten welken afkeer de Douairière had van die âstinkende, gevaarlijke zwavelstokjes,quot; gelijk zij ze noemde, en hoe zij die voor geen geld ter wereld in haar huis zou dulden, nog al moeite zich goed te houden en een schaterlach te bedwingen. Dewijl de Douairière niet minder dan vijf en twintig loten genomen had, scheen er kans te zijn, dat de fortuin nog iets beters
208
voor haar in voorraad hebben zou; doch het toeval wilde â en het feit werd later dikwijls als een merkwaardige bijzonderheid aangehaald â dat al haar overige nummers in de bus bleven: zoodat een lucifersdoosje van 10 cents haar /' 25 gekost had.
De vervolgens getrokken prijzen van meerdere of mindere, geen echter van bijzondere waarde, vielen te beurt aan afwezigen, of aan personen, aan den lezer onbekend, en gaven op zijn best leiding tot eenig gemeesmuil. Doch groot was weer de pret, toen de oude Heer van Bloff, die nimmer iets dat gedrukt was las, buiten de huwelijks-, geboorte- en doodberichten in de Haarlemmer Courant, een gekleurd alphabetisch prentenboek trok. En wat de vroolijkheid nog vermeerderde was de omstandigheid, dat hij de eenige was van het hier vergaderd gezelschap, die niets gemerkt had van het geluk, dat hem te beurt was gevallen. De goede generaal, zijn middagslaapje nu niet, als naar gewoonte, in de achterkamer op Doornwijck kunnende doen, was sedert een geruime poos in diepe rust geraakt, en zelfs het luide gejoel om hem heen was niet in staat geweest, hem daaruit te doen ontwaken. Nog waren er eenige nummers gelezen, en onbeduidende prijzen behaald, toen op het lot N0. 23 de prijs N0. 583 viel.
âNu. 583!quot; las Snel; â âdat is het canapékussen van haar Hoogheid.quot;
âDat is mijn lot! nummer 583 is mijn lot!quot; riep de kleine Hermine, met een kleur als bloed, dansende en in de handen klappende.
Op hetzelfde oogenblik gaf Maurits, die bij de prijzen stond, een teeken, en plotseling deed zich een driewerf herhaald trompetgeschal hooren, aangeheven door eenige muzikanten, die achter een boschje in de nabijheid der oranjerie verborgen waren: een verrassing, waar niemand op voorbereid was en die met veel gejuich werd beantwoord. De nabij zittende dames rezen op om het jonge meisje en den burgemeester geluk te wenschen, en het duurde een geruimen tijd, eer men met de tombola voort kon gaan; terwijl het goede kind zoo zenuwachtig ge-
209
worden was over het geluk, haar te beurt gevallen, dat het in den aanvang niet dan met bevende hand de nummers trekken en overhandigen kon en eerst langzamerhand tot bedaren kwam.
Had het trekken van den hoofdprijs deze reis een uitkomst gehad, die door al de aanwezigen met deelnemend gejuich was begroet, minder was dit het geval, toen, iets later, voor de tweede maal een hoofdprijs uit de bus kwam, bestaande uit de fraaie lichtschermen, het werk van Jeannette Fix, en die aan Joris Van Valteren toeviel. Zoo de muzikanten ook nu wederom een fanfare bliezen, de menigte beantwoordde die maar zeer flauw, en zelfs werd de inzendster gecondoleerd door haar mede-bestuurderessen, dat haar keurige arbeid dus in handen kwam van iemand, die hem geenszins op prijs zou weten te stellen ; terwijl de winner zelf aan zijn buren verklaarde, niet te weten wat hij met âdie dingenquot; zou uitvoeren. Bette-mie Van Doertoghe, die hem dit hoorde zeggen, vroeg hem terstond, of hij zijn prijs dan ook wilde ruilen tegen een leeuwrikenfluitje, het eenige, wat zij nog op haar tien loten getrokken had: â een voorstel, 't welk hij echter niet verkoos aan te nemen.
âLas hij niet 360?quot; vroeg kort daarop Bettemie: âdat is ook een van mijn nummers.quot;
âWel!quot; zei Nicolette: âik hoop, dat het lot u dan nu beter zal bedeelen.quot;
âEen ronde kartonnen doos met een spiegeltje,quot; klonk het uit de oranjerie.
âO!quot; riep Julie Le Mat, die achter Bettemie zat, en, gelijk men weet, den verkoop der cartonnages had bestuurd: âik weet wat dat is. Freule! en ik kan er u niet erg mee felici-teeren. 't Is een vod, en op zijn best goed genoeg om aan uw kamenier weg te schenken.quot;
âIk dacht wel, dat het niet veel bijzonders zou wezen,quot; zei Bettemie: âik heb nooit geluk in hazardspelen. In allen gevalle, iets is beter dan niets en nu heb ik altijd een doosje om het fluitje in te bergen. â Jawel! geef maar hier,quot; riep zij Maurits toe, die haar vragend toewenkte of zij
11. - K. Z. 14
210
't wilde meenemen, dan, of men 't voor haar bewaren zou.
Maurits was nog aan 't zoeken naar den prijs, toen Dren-kelaer hem dien overhandigde, maar niet dan nadat hij, volgens hetgeen Mimi Zuring (de eenigste aan de groote tafel, die hem gadesloeg) naderhand aan haar moeder vertelde, precies gedaan had of hij er mee goochelde. Maurits sprong hierop de oranjerie uit, reikte het doosje met een buiging aan Bettemie over en keerde, even snel als hij gekomen was, naar zijn plaats terug.
âFi l'horreur!quot; zei Klara Van Sporkelberghe: â't ding is geen dubbeltje waard.quot;
â't Is nog mooi zwaar ook,quot; zei Bettemie: âdoch dit zullen wij later thuis wel zien:quot; en meteen liet zij het doosje in haar zak glijden.
Zeer veel aanleiding tot vroolijkheid gaf kort daarop weder een prijs, die aan Verdrongen toeviel, een naaldenkoker van papier mac hé. Gelukkiger was zijn dochter, die de schellekoord trok van de Freule Van Sporkelberghe, tot grooten spijt van laatstgemelde.
âMisgun het haar niet. Freule!quot; fluisterde Drenkelaer, die het getrokken voorwerp beneden was komen brengen, haar in; âhet zal wel de eenige reis zijn, dat er ter eere van Juffrouw Jacomina Verdrongen van Prikkelenberg een fanfare geblazen wordt.quot;
De vierde fanfare klonk voor Mevrouw Mietje Van Eylar, aan wie, door een zonderlinge gril van het lot, het vuurscherm werd toegewezen, door haar schoonmoeder vervaardigd. â Van al de hoofdprijzen was nu alleen de teekening van Bettemie nog in de bus. Eindelijk echter, en toen er maar zeer weinig prijsnummers meer overig waren, kwam N0. 813, dat van de teekening, daaruit te voorschijn en begroette het geschal der blaasinstrumenten den houder van Nquot;. 1071 als den gelukkigen winnaar.
âMaar wie is Nquot;. 1071? wie heeft N0. 1071?quot; vroegen verscheidene stemmen. Niemand wist hierop te antwoorden; blijkbaar behoorde de eigenaar niet onder de aanwezigen: men
211
moest dus de oplossing afwachten van dit raadsel, en men ging inmiddels voort met het lezen der nummers, die verder niets belangrijks meer opleverden. Alleen mogen wij niet verzwijgen, dat Mcolette, aan wie Eylar een drietal loten ten geschenke gegeven had, op een daarvan een pennemes trok, wat, volgens de verzekering van Jacomina, voorspelde, dat aan de trekster allerlei ellenden en akeligheden boven 't hoofd hingen, betuigende zij verder, dat zij om geen geld van de wereld zulk een noodlottig geschenk van het lot had willen bekomen. Nicolettes overige loten behoorden tot die, waarvan de nummers, toen de lijst der prijzen was afgelezen, in de bus bleven, en alzoo als nieten moesten beschouwd worden. â Hiermede was de tombola ten einde geloopen.
VIERDE HOOFDSTUK.
HET FEEST.
Ofschoon het een lange Juli-dag was en helder weer, was de avond reeds eenigszins beginnen te vallen, zoodat het lezen der nummers en het opteekenen daarvan in het register, al gaandeweg min of meer bezwaarlijk voor de Heeren, die daarmede bezig waren, geworden zou zijn, had men intusschen geen kunstlicht aangebracht. Doch niet alleen waren er waskaarsen geplaatst op de tafel waar zij aan gezeten waren, men was reeds begonnen met het aansteken der lampions, die den gevel der oranjerie versierden. Op gelijke wijze werden nu ook aan de biljartkamer, die, als men zich herinneren zal, aan de tegenovergestelde zijde van het grasperk stond, en aan eenige prieeltjes en andere rustpunten in den omtrek, verlichtingen aangebracht, die, vooral de zoodanige, die aan den kant der waterpartij stonden en zich daarin spiegelden, een tooverachtige vertooning maakten; terwijl lantaarnen van verschillend gekleurd papier en van allerlei grillige vormen, aan
212
de boomen langs het pad, of bijwijze van lichtkronen, in het midden der lanen gehangen, aan de wandelaars den weg wezen om zich van de eene plek naar de andere te begeven en zoo elke verlichting van het meest geschikte standpunt te kunnen waarnemen. Het orkest begon nu een marsch te blazen : en nadat de Heeren, die de tombola bestuurd hadden, hun papieren en andere stukken behoorlijk geborgen, en de oranjerie met wat zij bevatte aan de zorg hunner ondergeschikte handlangers hadden aanbevolen, stelde ieder zich in beweging en begon men zich bij groepen en bij paren door de geïllumineerde dreven te verspreiden. Gedurende de drukte van het oppakken had echter Snel een oogenblik gevonden om den predikant te naderen en hem in 't oor te fluisteren:
âZou ik u morgenochtend ook tegen ongeveer elf uren geen belet doen? 't geldt een voor ons beiden gewichtige zaak.quot;
âTe elf uren heb ik catechisatie,quot; antwoordde Bol, op denzelfden toon: âkun je vroeger of later komen, dan zal het mij aangenaam zijn u te ontvangen.quot;
âTe negen uren dan,quot; hernam Snel: âdat is mij des te liever: ik dorst mij zoo vroeg niet aanmelden.quot;
Bol knikte toestemmend en met een veelbeteekenenden handdruk verliet hem de ontvanger. Maar op hetzelfde oogenblik kwam Eylar van een anderen kant zijn vriend op zijde en fluisterde hem op niet min geheimzinnige wijze toe:
âIk moet u morgen noodzakelijk spreken over een brief, dien ik zoo straks gekregen heb. Hoe laat schikt het u?quot; âWil ik te één uur op Klein Hardestein komen?quot; vroeg Bol. âNeen!quot; antwoordde Eylar, terwijl hij het hoofd schudde en steelswijze een bedenkelijken blik wierp naar de zijde, waar zijn vrouw zich bevond: âte één uur kom ik ten uwent. â 't Geldt een zaak van gewicht.quot;
âWaarschijnlijk dezelfde persoon betreffende,quot; dacht Bol, terwijl zijn vriend zich verwijderde: ânu! zoo naderen wij op de eene of andere wijze aan een ontknooping â of althans aan een ontwikkeling, 't Zal dan maar beter zijn, dat ik mijn onderhoud met Maurits nog uitstel.quot;
218
Al had daarentegen de goede predikant dat onderhoud willen bespoedigen, er zou daartoe voor 't oogenblik geen geschikte gelegenheid zijn geweest; want Maurits was reeds aan 't wandelen met zijn moeder en Mevrouw Van Doertoghe, aan welke laatste hij de honneurs van de illuminatie deed; terwijl de overige gasten, voor zooverre die tot de coterie der Douairières behoorden, op korten afstand volgden en zich van tijd tot tijd bij hen aansloten. Gedurende een uur lang, dat men zich in het beschouwen der prachtige verlichting verlustigde, speelde afwisselend het orkest onderscheidene muziekstukken, die, door het bosch weergalmend, de aangenaamste uitwerking deden. Van dat uur hadden inmiddels de dienende geesten gebruik gemaakt om de prijzen, voor zooverre die niet waren afgegeven, in manden te pakken en naar het kasteel te vervoeren, de tafels weg te ruimen en de oranjerie in een balzaal te herscheppen. Toen speelde het orkest een wals en gaf aan de terugkeerende groepen het sein aan tot den vroolijken dans, die spoedig daarop door Maurits met Bettemie werd geopend. Drenkelaer volgde met de Freule Van Sporkelberghe, een der' Steen voordes met Pietje Pancras, de heer Zuring met Mcolette; de notaris, die ondanks zijn vijftig jaren, nog een krasse danser was, met Mevrouw Zuring, en de andere paren op hun beurt. Eylar deed een paar toertjes met de Freule van Mathenesse; en, toen deze over duizeligheid klaagde, ontfermde hij zich over Jacoraina Verdrongen, die, met een gezicht, nog langer dan gewoonlijk, tegen een deurpost alleen en verlaten stond: een feit van ridderlii'ke galanterie, dat hem niet weinig roem verwierf, en zeker aan Juffrouw Jacomina, toen en later, een stof van voortdurende grootspraak schonk.
Al mochten in den aanvang de danszaal en het daarvoor gelegen terrein opgevuld zijn met toeschouwers, langzamerhand verminderde dat getal, en gaven velen de voorkeur aan het rondwandelen of aan het blijven zitten aan de hier of daar verspreide tafeltjes, waar zij zich aan zoodanige ververschingen te goed deden als Mw. Van Hardestein overal, met echt Indische vrijgevigheid, kwistig liet ronddienen, of aan hier en daar ge-
214
plaatste buffetten verkrijgbaar stelde. De dames waren niet in eigenlijk baltoilet en hadden hare omslagdoekjes of écharpes bij de hand, en zij zagen er niet tegen op, in de tusschen-poozen, wanneer het orkest zweeg, met haar cavaliers de lanen op en neer te wandelen, ja nu en dan maar half gehoorzaam te zijn aan de vermaningen, door omzichtige ouders of tantes gegeven, zich toch wat beter toe te dekken en vooral niet in de open lucht stil te staan, noch te gaan zitten, ten einde niet door hare onmisbare verkoudheid voor zoodanige onvoorzichtigheid gestraft te worden. Maar welke vrouw is voorzichtig, wanneer er sprake is van dansen? â of liever, welke vrouw verbeeldt zich niet, bij zulk een gelegenheid, onvatbaar te zijn voor eenigen schadelijken invloed van weersgesteldheid of van vermoeienis?
Onder degenen, aan wie het feest vermaak aanbood, was Mcolette niet eene der minsten. Voor haar toch had het al de begoocheling der nieuwheid, en met de zorgeloosheid, eigen aan haar leeftijd, had zij de onaangename gewaarwordingen, die haar 's morgens gekweld hadden, zich ras uit het hoofd gesteld, om zich geheel aan de bedwelmende genietingen van het oogenblik over te geven. Aan dansers had het tot nog toe haar niet ontbroken; ja zij was te dien opzichte uit den aard der zaak bevoorrecht boven al de overige jonge meisjes, hier aanwezig: boven de adellijke freules, omdat de niet adellijke heeren, die hier de meerderheid hadden, de freules niet ten dans dorsten noodigen, maar wel de niet adellijke Mcolette: boven de juffertjes uit het dorp, omdat zij met sommige onder de adellijke jonkers in gezelschap was geweest; terwijl anderen, door haar bevallig uiterlijk getroffen, zich aan haar hadden laten voorstellen; zoodat zij bijna de eenige onder de niet-freules was, die op een tal van getitelde dansers kon bogen. Tot nog toe had echter Maurits zich niet onder dat getal gesteld: en wij mogen niet verbergen, dat zulks bij haar eenige bevreemding, ja eenige spijt verwekte. Hij toch was, onder alle jonge lieden, haar oudste, haar intiemste bekende op Hardestein, en zij wist niet, iets gedaan te hebben.
215
waardoor zij een handelwijze van zijne zijde kon uitgelokt hebben, die zelfs den naam van onbeleefdheid scheen te verdienen. Misschien zag hij zelf dit in: althans toen hij haar eindelijk eens kwam aanspreken en haar voor den volgenden wals vragen, luidden zijn woorden bijna als een apologie.
âIk dorst mij waarlijk niet met de hoop vleien,quot; zei hij, âhedenavond zoo gelukkig te zullen zijn, met u te mogen dansen. Als zoon des huizes moet ik een lastige etiquette in acht nemen, en is het niet de vraag, wie ik gaarne vragen zou, maar wie ik vragen moet: â een troost intusschen bleef mij, hoezeer dan schraal genoeg, namelijk, dat je niet om mij verlegen behoefde te zijn.quot;
âMaar,quot; zei Nicolette, glimlachende, âindien de etiquette u nog dezen of genen plicht oplegt, verzuim dien dan niet om mijnentwille.quot;
âIk weet niet beter,quot; hernam Maurits, âof ik heb al mijn plichten van dien aard vervuld, en mag er nu wel eens voor beloond worden door met iemand te dansen, die.... die ik voor mijn eigen genoegen gevraagd heb.quot;
Bij het uitspreken dezer laatste woorden had hij gestotterd en gekleurd: ook zij gevoelde, dat zij rood werd, en zij was blijde, dat de muziek juist op dat oogenblik het sein gaf en de dans terstond een aanvang nam: 't geen haar de hoop deed voeden, dat niemand haar verwarring zou hebben opgemerkt.
Hierin had zij zich echter bedrogen: â Mevrouw Mietje, die, al zat zij op een verwijderden afstand, noch het jonge meisje, noch Maurits uit het oog verloor, had die opgemerkt en deze bijzonderheid met een menigte andere in verband gebracht, ten einde ze aan haar man, tevens met haar nederige beschouwingen daarover, bij gelegenheid mede te deelen; â Juffrouw Leentje had die opgemerkt en zich zelve evenzeer een gelijksoortig onderhoud met haar broeder beloofd: â Bol had die opgemerkt, uit den hoek, van waar hij met innerlijke bezorgdheid de beide jonge lieden gadesloeg: â Snel had die opgemerkt. Snel, die met een spijtig gelaat bij de deur stond te kijken naar een vermaak, waar hij, geen
216
danser zijnde, ook geen deel aan kon nemen; en hij zwoer bij zich zeiven, dat Nicolette, als zij eenmaal Mevrouw Snel geworden was, aan het dansen voor altijd vaarwel zou hebben te zeggen. Voor het oogenblik kon hij wel niet anders dan berusten; maar het rondhuppelen der beide jonge lieden hinderde hem toch, en, zonder ooit Byron gelezen te hebben, mompelde hij bij zich zeiven omtrent hetzelfde als wat door den Lord op poëtischen trant was uitgedrukt in de beroemde verzen:
What! the girl I adore by another embraced enz.
Datzelfde gevoel van spijt en jaloezie drong hem dan ook aan om, zoodra de dans was afgeloopen, en Maurits en Nico-lette, evenals de meeste paren, in de tusschenpoozen zich buiten de oranjerie gingen vertreden, hen op eenigen afstand te achtervolgen.
Terzelfder tijd, dat Maurits en Mcolette de laan, die 't groote grasperk rondliep, rechts insloegen, was er een ander paar, dat zich, links de laan inslaande, van de oranjerie verwijderde. De Freule Van Doertoghe had gedurende hetzelfde tijdsverloop als haar vriendinnetje, en uit gelijke oorzaak, stof gevonden om zich verstoord en eenigszins gevoelig te toonen. â Schoon het haar aan geen cavaliers ontbroken had, het bal was reeds ver gevorderd, zonder dat Drenkelaer haar nog ten dans gevz'aagd of zelfs eenmaal had toegesproken, wat hij toch, naar de regels der gewone wellevendheid, had behooren te doen, hij, die op Doornwijck beleefd ontvangen was geweest, hij, die, vreemd op Hardestein gekomen, onder de hier aanwezige jonge dames schier geene kennissen had en zeker geene oudere dan haar, aan wie hij reeds op den eersten avond van zijn komst was voorgesteld. Waaraan was dit zonderling, dit onbeleefd gedrag te wijten ? Zeker niet aan vergeetachtigheid, zelfs niet aan onverschilligheid zijnerzijds; want, zoo dikwerf zij toevallig de oogen wendde naar de zijde, waar hij zich bevond, zag zij de zijne op haar gevestigd; en dan deed zulks telkens weder op haar die zonderlinge werking, welke zij in den brief aan haar vriendin Ernestine had pogen
.
I ij
li
217
te beschrijven, zonder in de beschrijving geslaagd te zijn, dien invloed, die bij haar werd levendig gehouden door de herinnering van haar vroegeren droom en door het staren op Lea's too verflacon. Vergeefs was het, of zij zich al poogde te onttrekken aan het magnetisch vermogen dier zoo zachte en toch zoo doordringende, haar overal volgende blikken. Al wendde zij 't gelaat elders heen, al sprak zij met anderen, al dacht zij voor een poos niet aan Drenkelaer, toch voelde zij het, als zijn oogen op haar gevestigd waren, en dan was 't haar, nu eens, of een zonnesteek haar door den rug in 't hart drong, dan weder, of haar, gelijk in dien bangen droom, een dreigende hand vurige kringen om het hoofd beschreef. Hinderde het haar, dat iemand een invloed op haar uitoefende, dien haar verstand haar voorpreekte dat onmogelijk was, en dien zij, desniettemin, noch ontkennen, noch ontworstelen kon, wat haar niet minder hinderde was de twijfel, waarin zij verkeerde, of zij dat rustelooze staren van Drenkelaer aan belangstelling had toe te schriiven, dan wel aan -diezelfde, haar nog altijd duistere oorzaak, die sedert eenige dagen haar tot het voorwerp van een even algemeen als onverdraaglijk bekijk had gemaakt. Eindelijk echter, en op hetzelfde oogenblik als Maurits ten opzichte van Nicolette, scheen ook Drenkelaer ten opzichte van Bettemie besloten te hebben, zijn onheusch-heid goed te maken: althans hij had zich bij haar vervoegd en de gunst verzocht van een dans. Zwijgend en met oogen-schijnlijke koelheid had zij hem die verleend en hij ook van zijne zijde had nog geen poging gedaan om het onderhoud aan te knoopen, toen zij, na afloop van den wals, het algemeene dien avond heerschende gebruik volgden en hun wandeling om het groote grasperk begonnen. Of onze substituut bij zijn stilzwijgen volharden bleef, zullen wij nader zien: wij willen nu, om alles ordelijk te kunnen vertellen, voor een wijl afscheid van hen nemen en tot het paar, dat wij verlaten hebben, terugkeeren.
Maurits had, sedert zijn gesprek met Drenkelaer, een aantal schoone voornemens opgevat, en onder andere het besluit,
218
om alle verdere gemeenzaamheid met Nicolette af te breken: een besluit, waaraan hij dan ook een groot deel van den avond was getrouw gebleven. Maar het ging met hem als het den man gaat, die, op den drank belust, stellig voorneemt, de herberg te schuwen; doch niettemin, na lange aarzeling, er zich toch weer heen begeeft, niet om hetgeen er verkocht wordt, maar, gelijk hij zich zeiven wijs maakt, alleen om er aan het gewone spel deel te nemen, zijn vrienden, die hem wachten, niet te leur te stellen, het nieuws van den dag te hooren, en wat dies meer zij: en die, nu eenmaal aangezeten, aan de lokstem der verleiding geen weerstand bieden kan. Alleen om het verwijt van onbeleefdheid te ontgaan, alleen omdat het in 't oog loopend lomp zou geweest zijn, indien hij anders handelde, had Maurits Nicolette ten dans gevraagd; maar nu hij eenmaal met haar rondgezwaaid, nu zijn hand de hare gedrukt, nu zijn oogen zich in de hare weerspiegeld hadden, nu hij de lauwte van haar adem langs zijn gelaat, de kloppingen van haar hart tegen het zijne gevoeld had, nu waren alle plechtige voornemens verdwenen en elke gedachte voor die eene geweken, dat hij haar liefhad en dat voortaan geen geluk voor hem bestaan kon zonder haar. Vergeefs poogde hij, bi] den aanvang der wandeling, over onbeduidende zaken te spreken: de toon zijner stem gaf aan de woorden een geheel andere beteekenis dan er oppervlakkig in scheen te kunnen gelegen zijn: en, met dit instinct, hetwelk een jong meisje, hoe onervaren ook, nimmer misleidt, gevoelde Nicolette, terwijl zij, met neergeslagen oogen, zwijgend en toch hoogst gelukkig, naast hem voortging, dat wanneer hij zeide: âje hebt het toch niet te warm?quot; of: âvind je niet, dat het tempeltje daarginds een gelukkige uitwerking doet?quot; hij eigenlijk meende: âik heb u lief,quot; en: âik geef geen zier om dat tempeltje, en ik wilde wel, dat het, met de oranjerie en met al de gasten, op de Mookerhei, en ik met u geheel alleen warequot; â en zij antwoordde niet dan met een nauwelijks hoorbaar neen of ja, en zij droomde ook van hare zijde een gelukkigen droom.
Opeens scheen hij echter te bemerken, dat hij tot nog toe
219
niets dan flauwigheden gezegd had, en, om zulks te vergoeden, deed hij aan Nicolette een vraag, die zij gewis, zoo zij gewild had, meer euvel had kunnen opnemen dan het uitkramen van tlauwigheden; immers niets gerechtigde hem alsnog die vraag te doen.
âMag ik,quot; zei hij, âu al feliciteeren met uw engagement?quot;
Zijn stem had gebeefd, terwijl hij deze woorden zeide; maar Nicolette beefde niet minder en hij voelde haar hart schier hoorbaar tegen zijn arm kloppen. Toch wist zij zich in zooverre te bedwingen, dat er eenige vastheid lag in haar toon, toen zij hem antwoordde:
âIk weet niet, dat er quaestie is van iets van dien aard. Jonker!quot;
âGoddank!quot; zei Maurits, terwijl hij een diepen zucht loosde, als iemand, wien een steen van 't hart valt.
Indien Nicolette nu een zweem van coquetterie bezeten had, en het haar te doen ware geweest, een verklaring uit te lokken, zou zij van dien uitroep van Maurits partij hebben kunnen trekken en hem de vraag doen, die zich als van zelve aanbood, welke dankstof hij er in vinden kon, dat zij niet ge-engageerd was. Zij was echter niet coquet, en deed de vraag niet; want haar eigen hart gevoelde, waarom haar antwoord Maurits verheugde.
Deze was nu intusschen niet veel verder gekomen, en had hij een onderwerp van zoo teederen aard aangeroerd, het was niet, om er onmiddellijk een einde aan te maken. Hij begon dus opnieuw.
âEn toch.... het bevalt u immers op Hardestein?quot;
âZou het mij hier niet bevallen?quot; antwoordde zij, deze reis met meer levendigheid dan de vorige; âhier, waar ieder mij evenveel vriendschap betoont.quot;
âJe zoudt hier dus uw dagen wel willen slijten?quot;
âDat is een vraag, waar ik maar niet over moet doordenken: want ik weet vooraf, dat zoo iets niet kan.quot;
âNiet? â Wel misschien juist door een engagement,quot; hernam Maurits, wiens stem nu ook meer vastheid begon te
220
krijgen, naarmate zijn besluit om zijn liefde te verklaren vaster stond: âindien je hier een man vondt, die u liefhad en dien je wederkeerig uw liefde niet onwaardig achtte.quot;
âLaten wij nu geen ijdele onderstellingen maken,quot; zeide zij, âen liever weer naar de danszaal gaan.quot;
De huichelares! â Zij mocht al een heimelijken angst voelen voor de woorden van teederheid, die zij verwachten kon te hooren, en toch wenschte zij volstrekt niet naar den dans, noch naar andere muziek dan die voor haar in die woorden zou gelegen zijn. â Maar, had zij gehuicheld, zij werd er voor gestraft; want eer Maurits haar kon antwoorden, werd zijn aandacht afgeleid door een schrille stem, die in zijn ooren kraste: âWel Jonker! goeden avond! Een mooie partij. Jonker!quot;
âMijnheer!quot; riep Maurits, op hoogst onaangename wijze aangedaan door de stoornis, en terwijl hij een alles behalve vriendelijken blik wierp op den spreker.
Deze was niemand anders dan onze vriend Nicodemus Verdrongen, die met den Majoor aan een tafeltje op 't gras gezeten was, waar zij zich een fijne flesch uit den kelder van Mw. Van Hardestein hadden weten te bezorgen. Dat het edele vocht, waarop zich de verloopen winkelier had vergast, gevoegd bij al wat hij reeds aan de pastorie had gebruikt, niet zonder invloed op hem was gebleven, liet zich opmerken, zoo uit het geluid van zijn stem, dat schorder en heescher klonk dan ooit, als uit zijn vrijpostigheid zelve, om den Jonker, met wien hij verre van gemeenzaam was, bij diens voorbijwandelen te durven toespreken, en dat nog wel, nu deze een vrouw aan den arm had.
âMijnheer!quot; riep Maurits, en de toon, waarop hij dit woord, of deze twee woorden uitsprak, gaf zooveel te kennen als: âik weet niet, wat u zoo stout maakt, mij aan te spreken, en ik verzoek u, mij met vrede te laten.quot;
Maar Nicodemus Verdrongen scheen er die beteekenis niet aan te hechten, en geenszins genegen te zijn, den Jonker zijn wandeling te laten voortzetten.
âJa Mijnheer!quot; vervolgde hij: âhet is een mooie partij! en
221
het verheugt mij dan ook recht voor mijn dochter Jacomina, dat zij mede onder degenen behoort, die van morgen bij de verkooping en van avond op het bal zulk een figuur slaan.quot;
âMijnheer!quot; zei nogmaals Maurits. nu bepaald bemerkende, dat de man te veel spraakwater had ingenomen, en hij zette zijn wandeling voort; maar dat ontsloeg hem nog niet van Verdrongen, die hem ter zijde bleef en voortging aan zijn verheugd vaderhart lucht te geven.
âEn heeft de Jonker gezien,quot; vroeg hij, âhoe zij straks de eer heeft gehad, met den Heer Graaf te dansen? â Dat was groot. Jonker! dat was groot! â Zoo iets vergeet ik niet licht. Nu! ik moet zeggen, hij kon slechter danseuse treffen: â ja, Jonker! mijn dochter Jacomina kan er wat van, al zeg ik het zelf: het heeft mij ook geld genoeg gekost: drie jaren achtereen op de Zondagsche dans-academie van Piet Schabrak! de Jonker heeft Piet Schabrak zeker nog wel gekend, nietwaar? â een beste meester. Jonker! ja! â alle Zondagen vijf stuivers, Jonker! â en dan nog in liet college âOefening en genoegen.quot; â Maar zij heeft het geleerd. Jonker ! â 't Is zoet voor een vader, als hij zoo vreugd aan zijn kinderen beleeft, en zoo merken kan, dat ze geprofeteerd hebben van hetgeen men ze heeft laten leeren.quot;
Het is niet mogelijk te bepalen, hoe lang die lofspraak van Nicodemus Verdrongen op zijn dochter Jacomina, en vooral hoe lang het geduld geduurd zou hebben van Maurits, die reeds een paar keeren hevigen trek gevoeld had, den vrijpostigen wauwelaar met een frisschen stomp in 't gras te smijten â zoo niet de gewezen manufacturier in zijn rede ware gestoord geworden door den Majoor, die, nieuwsgierig om te weten wat zijn vriend Verdrongen in zijn schild voerde, en ziende dat de fiesch toch ledig was, insgelijks opgestaan en achter hem gekomen was. Ware hij in zijn gewone luim geweest, hij had zich vergenoegd, stil toe te luisteren en een boosaardig vermaak te scheppen in de dwaasheden, die Verdrongen uitkraamde, in de gramschap van den Jonker, en in de ver-
222
legenheid van Nicolette; maar hij zelf had ook dieper in 't glas gekeken, dan gewoonlijk, en bij hem was de ridderlijke geaardheid van een vroeger tijdperk uit zijn leven teruggekomen ; zoodat hij zich geroepen achtte, de jonge lieden van den lastigen indringer te verlossen. Ongelukkig openbaarde zijn dienstvaardigheid zich op een wijze, die de zaak erger maakte in plaats van beter.
âWat bl.....! Verdrongen!quot; zeide hij, terwijl hij hem bij
den arm pakte, âmerk je niet, dat die jongelui van je gebabbel niet gediend blieven en wel over pleizieriger dingen te 'zamen te praten hebben dan over jou lange slungel van een dochter?quot;
âWel!quot; zei de lange man, hem zoekende te ontworstelen: âik hoop niet, dat de Jonker geaffronteerd kan zijn over iets wat ik zei; en in allen gevalle affronteer jij m ij: â en je kunt mijn dochter met rust laten, hoor je?quot;
âJe dochter zal ik wel met rust laten,quot; hernam de Majoor: âlaat jij die jongeluitjes maar met rust. Wat drommel! je bent immers ook jong geweest in je tijd, man!quot;
âO ho!quot; zei Verdrongen, voor wien nu opeens een licht scheen op te gaan: âin dat geval, ja, ziet uwee. Jonker! dat
wist ik niet____ik wist niet dat de Jonker en de Juffrouw____
nu! in dat geval wil ik maar zeggen . . . .quot;
âGeen woord meer,quot; viel Maurits in: âen ik moet den Heer Majoor vriendelijk verzoeken, onderstellingen te sparen, als die hij zich zoo even ontvallen liet.quot;
âWat nu, Jonker!quot; vroeg de oude ijzervreter, terwijl hij Verdrongen losliet en zijn knevel opzette: âis dat mijn loon, als ik u een dienst kom bewijzen?quot;
âLaten wij toch weer terugkeeren,quot; smeekte Nicolette.
âIk bedank u voor de goede intentie. Majoor!quot; hernam Maurits: âmaar wij zijn hier niet in de kazerne.quot;
âWat kazerne!quot; bromde de Majoor: daar zou je in allen gevalle niet zoo spreken tegen een superieur.quot;
âJuist,quot; zei Maurits: âen doe mij, bid ik u, niet vergeten hier anders dan als gastheer te spreken.quot;
âWat is er toch gaande?quot; vroeg op eens Snel, die, als wij
223
zeiden, het paar op een afstand gevolgd was en nu tusschen de twistende partijen intrad.
âNiets, dat uwe interventie kan noodig maken. Mijnheer Snel!quot; voegde Maurits hem op bitsen toon toe.
âMaar misschien wel de mijne,quot; zei Bol, die, insgelijks de jonge lieden in 't oog gehouden hebbende, met verhaasting vooruittrad uit de groepen wandelaars, die er volgden: âKom Nicolette! mijn zuster acht, dat het tijd is naar huis te gaan.quot;
âReeds nu!quot; riep Maurits uit op een treurigen toon, terwijl hij Nicolettes arm van onder den zijnen voelde verdwijnen. â Maar op datzelfde oogenblik werd zijn opmerkzaamheid, zoowel als die der intusschen merkelijk in getal toegenomen omstanders gewekt door een rumoer, dat op eenigen afstand voor hen uit, en wel voor de biljartkamer, was ontstaan, dus op de plek, waar personen, die bij 't verlaten der oranjerie rechts en links het grasperk waren omgewandeld, elkander, mits dat zij even hard voortliepen, noodwendig moesten tegenkomen. Om te weten, wat aanleiding gegeven had tot de opschudding, die op gemelde plek voorviel, zullen wij niet, gelijk Maurits deed, vooruitsnellen en den kortsten weg nemen, maar integendeel, op onze schreden terugkeerende, en, als wijlen Ariosto, onze helden verlatende op het oogenblik dat hun toestand belangwekkend wordt, ons weder met andere personen van ons verhaal bezig houden, om, langs een omweg, weder tot de eerstgemelden terug te keeren.
Wij hebben de Freule Van Doertoghe aan den arm van Drenkelaer de laan links zien opwandelen, en wij willen nu eens hun gesprek beluisteren, 't geen gewis niet minder belangrijk scheen te moeten worden dan dat, hetwelk Maurits en Nicolette te zamen voerden. Alleen was tusschen de beide jonge mannen dit verschil, dat Drenkelaer even kalm en meester van ztch zeiven was als Maurits opgewonden en gejaagd: â en dit om de zeer eenvoudige reden, dat Maurits verliefd was en Drenkelaer niet.... tenzij op de anderhalf of twee millioen â recht wist hij 't niet â die Bettemie bezat. Wat deze betrof, haar stemming verschilde in zooverre van die van
224
Mcolette, dat zij namelijk zich niet aan den arm van haar geleider hoogst gelukkig vond, gelijk gene, maar integendeel slecht op haar gemak. Drenkelaer â 't is ons reeds gebleken â behaagde haar en boezemde haar tevens schrik in: zij voelde zich beurtelings tot hem aangetrokken en van hem terug-gestooten : en, bleef zij uiterlijk kalm en koud, van binnen was zij koortsig en gejaagd, en wist zij zelve niet wat in haar omging.
Drenkelaer giste dit eenigszins beter dan zij; hij had zich niet laten afschrikken door de koele ontvangst, die hem van hare zijde was te beurt gevallen, maar die integendeel aangemerkt als een blijk, dat zij zich over zijn onverschilligheid gebelgd had gevoeld, en zij het zich dus aantrok, hoe hij omtrent haar handelde. Onder den dans had hij gevoeld dat haar hand brandde en er nu en dan een wild en onrustig vuur in haar oogen flikkerde: â en zoo was hij tot de slotsom geraakt, dat hij geen betere gelegenheid kon vinden om haar hart te bestormen en zich, desnoods haars ondanks, daarin te nestelen. Hij draalde dan ook niet met den aanval te beginnen overeenkomstig het door hem gevormde plan.
âWeet je wel, Freule!quot; zeide hij, âdat ik een machtig groo-ten lust heb, ruzie met zeker iemand te zoeken?quot;
âDat is juist als ik,quot; dacht Bettemie; de waarheid van het gezegde van Talleyrand (of van een ander), dat de spraak aan den mensch gegeven is om zijn gedachte te verbergen, werd ook hier wederom bevestigd door het antwoord, dat een anders zoo waarheidlievend meisje gaf:
âRuzie krijgen is een leelijk ding; maar ruzie zoeken is nog leelijker. En wie is het, die uw gramschap heeft gewekt ?quot;
âWie? wel de bezitter van Nquot;. 1071, die zoo dom of zoo onverschillig is, niet op te komen om den prijs af te halen, die hem is te beurt gevallen â den hoogsten uit de loterij: â den eenigen, die waarde bezat, althans in mijn oogen : â en hier lei Drenkelaer in die oogen een uitdrukking van innige teederheid.
âDie eigenaar zal waarschijnlijk juist een man van smaak
225
zijn,quot; zei Bettemie: âen die er geen liefhebberij in heeft, zijn wand of zijn portefeuille met een middelmatig stuk te ontsieren.quot;
âMiddelmatig!quot; herhaalde Drenkelaer: ânu ik wilde, dat er velen onder onze kunstenaars waren, die zoo teekenden.quot;
âHet was volstrekt mijn bedoeling niet naar een compliment te visschen,quot; hernam Bettemie, altijd denzelfden koelen toon bewarende: âik begrijp, dat de beleefdheid u dat voorschrijft; maar mij schrijft het gezond verstand voor, het werk van een ongeoefende liefhebster niet te vergelijken met dat van lieden, die in 't vak bedreven zijn.quot;
âIk zal dan niet over dat punt twisten,quot; zeide Drenkelaer: âofschoon ik bij mijn meening volhard; maar eenvoudig zeggen, dat de gelukkige bezitter van jSTI). 1071 het stuk in elk geval behoorde op te eischen, omdat het van u komt en het werk is uwer handen.quot;
âIk geloof niet, dat de eigenaar van 't lot iets weet van den uitslag der trekking,quot; zeide Bettemie, die Drenkelaer niet wilde volgen op het terrein: onze dokter te Amsterdam heeft eenige loten genomen, die hij daar zou slijten, en ik geloof dat Nquot;. 1071 daaronder behoort. In dat geval spreekt het van zelf, dat de prijs nog niet kan worden opgeëischt.quot;
âWist ik zeker, dat het lot zich te Amsterdam bevond,quot; zeide Drenkelaer, âdan reisde ik er morgen heen en kocht ik het, of stal het desnoods.quot;
â't Zou zeker de moeite wel waard zijn, voor zoo iets in 't rasphuis te komen,quot; zei Bettemie, terwijl zij poogde te schertsen, âen dat nog wel iemand, die tot de rechterlijke macht behoort.quot;
âEn dan,quot; vervolgde Drenkelaer, âhing ik het in een lijstje, en nam het mede naar Oost-Indië.quot;
âNaar Oost-Indië!quot; herhaalde Bettemie verwonderd: âheb je plan. Mijnheer Drenkelaer, naar Oost-Indië te gaan?quot;
âJa zeker,quot; antwoordde hij: âik wil fortuin maken, en daar is hier te lande geen kans op.quot;
âWil je? ik zag u voor zulk een philosoof aan,quot; zei Bettemie: ânu val je mij uit de hand.quot;
II. - K. Z. 15
226
âJa!quot; hernam hij, op een toon van exaltatie: âik wil fortuin gaan maken, zeer spoedig zelfs; want mijn eenige reden is, dat ik er mede hier terug wil keeren en uwe hand vragen, wat ik in mijn tegenwoordige positie niet doen kan.quot;
âMijnheer Drenkelaer!quot; zei Bettemie; âdeze scherts gaat wat ver.quot;
âJe zult zeggen, Freule!quot; ging hij voort, zonder zich aan haar aanmerking te storen, âdat het zeer dwaas en vermetel van mij is, te hopen, dat ik u dan nog ongetrouwd zou vinden, u, zoo gevierd en van minnaars omringd. Maar wat wil je, Freule! Liefde kent geen bezwaren en blijft hopen ook tegen alle overtuiging aan. Mijn gestarnte, gunstig of ongunstig, heeft mij nu eenmaal hierheen gevoerd, en ik heb u bemind van 't eerste oogenblik dat ik u zag. Ik heb mij daartegen in gesteld, omdat mij verzekerd werd, dat er tusschen u en Maurits een engagement bestond; â ik heb later reden gevonden om te gelooven, dat dit niet zoo is en niet zoo zijn kan. Ik ben arm en trotsch; daarom vraag ik thans uw hand niet; maar ik mocht niet heengaan, zonder u kennis te doen dragen van hetgeen ik voor u gevoel; moet ik nu van u vernemen, dat ik ten eenenmale hatelijk ben in uw oogen, zoo zeg het mij ronduit, en ik trek stil weer naar Marlheim met mijn verdriet; doch in het tegenovergestelde geval, laat mij dan gaan waar ik spoediger tot mijn doel kan geraken: ik verlang geen belofte van u, op mijn terugkomst te wachten: ik wil geenszins u, maar alleen mij zeiven binden.quot;
âDat is zeer edelmoedig,quot; was al wat Bettemie wist te zeggen: âte edelmoedig zelfs, om in overweging te worden genomen.quot;
âMoet ik daaruit opmaken, dat ik u hatelijk ben?quot; vroeg Drenkelaer.
âIk geloof niet,quot; antwoordde Bettemie: âdat ik zulk een huichelaarster ben, om beleefd en spraakzaam te wezen met iemand, dien ik hatelijk vind.quot;
âMag ik dan hopen?quot; vroeg Drenkelaer, op eens van den toon van diepe mistroostigheid vervallende in dien der blijdste opgewektheid.
227
âMet uw verlof,quot; hernam Bettemie, terwijl zij al meer en meer worstelde tegen het gevoel, dat op dit oogenblik, ten voordeele van Drenkelaer sprak en haar 't bloed in 't aangezicht deed stijgen: âer is een groot onderscheid tusschen iemand hatelijk te vinden en hem hand en hart te schenken â of zoo iets zelfs in overweging te nemen.quot;
âIk zou,quot; hervatte Drenkelaer, âu moeten zeggen, dat ik u ten eenenmale onwaardig ben; maar daartoe ben ik evenzeer te trotsch. Ik geloof, dat er noch op mijn familie, noch op mijn gedrag, aanmerkingen van gewicht te maken zijn, en ik houd mij zelf voor geen ezel. Staan mijn persoon, mijn karakter, mijn humeur u niet tegen, dan blijft alleen de kloof, die verschil van fortuin tusschen ons maakt, en die kloof wil ik gaan dempen.quot;
âEen oogenblik!quot; zei Bettemie: âstel gerust die reis naar Oost-Indië uit uw zinnen; want was het alleen die kloof, die zich tusschen u en mij bevond, i k zou die zonder bezwaar overspringen. Achtte ik in u den man te hebben gevonden, alleen in staat mij gelukkig te maken, zou ik dan kunnen verlangen, dat mijn geluk nog zoovele jaren werd uitgesteld om een ton of wat bijeen te krijgen, die wij niet zouden behoeven om op ons gemak te leven? â Neen, voorwaar, in dat geval zou u trots dolzinnigheid wezen en alleen genoegzaam om mij, onder alle omstandigheden, zulk een trotschaard te doen weigeren.quot;
âHeel verstandig gesproken,quot; dacht bij zich zeiven Drenkelaer, die evenmin plan had naar Oost-Indië te gaan als schrijver dezes, en zeer gek gekeken zou hebben, indien de Freule hem aan zijn woord gehouden had. Hij wachtte er zich echter wel voor, iets van dien aard te zeggen, maar hervatte op ernstigen toon:
âDe Freule heeft nooit geweten, wat het is, arm te zijn, en daardoor, bij al wat men verricht, onder de verdenking te liggen, dat geldzucht er de drijfveer van is; maar de Freule daarentegen is rijk en moet daarom geneigd zijn, die verdenking te voeden ten opzichte van hen, die naar hare hand
228
dingen. â Intusschen, na hetgeen de Freule mij zegt. en dat reeds meer is dan ik hopen dorst, durf ik de vraag aldus stellen: indien die noodlottige geldquaestie voor een oogen-blik ter zijde was geschoven, zou de Freule zich dan aan het denkbeeld kunnen wennen om in mij den man te zien van wien zij zooeven gewaagde?quot;
âIk zou tijd moeten nemen om u beter te leeren kennen,quot; antwoordde Bettemie: âof neen â ik druk mij verkeerd uit.... je zoudt aan die woorden de beteekenis geven, die men er doorgaans aan hecht, die van een toestemming. Ik weet, dat man en vrouw elkander dikwijls eerst na jaren leeren kennen, en dat, zoo iemand zich thans anders aan mij vertoont dan hij werkelijk is, hij over zes of zeven weken zijn masker wel niet zal hebben afgelicht. Maar â wat ik meen is dit: ik was geheel onvoorbereid op hetgeen mij door u is medegedeeld .... en ik wil ronduit bekennen, dat mij die mededeeling evenzeer verbaasd als verrast heeft. Ik had u tot nog toe alleen beschouwd met het oog, waarmede men een disch- of feestgenoot beschouwt â en als zoodanig â waarom zou ik het niet zeggen? â mocht ik u wel gaarne lijden; maar na hetgeen ik nu weet, moet ik leeren, u uit een geheel ander oogpunt gade te slaan, en daaibij te iade gaan met mijn verstand zoowel als met mijn hart. Daaiom, geef mij tyd â en ik zal óf u rondborstig zeggen, dat je alle verdere moeite sparen kunt, of u tot mijn voogd verwijzen.quot;
âDat is meer dan ik bidden of hopen dorst, zei Drenke-laer, âen ik gevoel my nu reeds dankbaar en gelukkig, hoeveel te meer zal ik het zijn, indien de uitslag uwer nasporingen gunstig voor mij uitvalt.'
âNu geen woord meer over de zaak,'' zei Bettemie. âen laten wij naar de oranjerie terugkeeren.
âWel, wij komen er even spoedig, indien wij bedaard voort-
wandelen,quot; zei Drenkelaer.
Maar Bettemie had zich reeds half omgewend, en zoo trof het, dat zij van aangezicht tot aangezicht vlak tegenover
229
den Heer en Mevrouw Zuring stuitte, die haar bijna op de hielen volgden. De blikken van Bettemie ontmoetten die van het echtpaar en zij meende daarin diezelfde uitdrukking van hatelijk medelijden te lezen, die zij al meermalen bij hen en anderen had opgemerkt, een uitdrukking, die echter terstond weder verdween, als vreesde men dat zij die op zou merken. De onaangename indruk, die zulks op haar teweegbracht, had ten gevolge, dat zij dadelijk rechtsomkeert maakte en, gelijk Drenkelaer het had voorgesteld, haar weg met hem vervolgde in dezelfde richting als zij tot nu toe gegaan waren; terwijl aan haar lippen âalweer!quot; ontglipte.
âMetwaar,quot; zei Drenkelaer, die alreeds begreep wat in haar gemoed omging; âdie lieden hier zijn ondragelijk! o! dat mij door u het recht gegeven werd, aan al die lasteraars den mond te snoeren.quot;
âLasteraars!quot; herhaalde Bettemie met drift: âwat verhaalt men van mij ?quot;
âHoe! is er u niets van ter ooren gekomen? â Vergeef mi], dan ben ik wel onvoorzichtig geweest, dit punt te hebben aangeroerd.quot;
âWat!quot; zeide Bettemie op een toon van bitter verwijt: âje vraagt mijn hand, en je vreest, mij de waarheid te doen hooren ?quot;
âVergiffenis,quot; zei Drenkelaer: âmaar de praatjes zijn te gruwzaam en te belachelijk tevens. U â het liefste en verstandigste meisje, dat ik ooit ontmoet heb, u beschuldigt men, niet wel bij 't hoofd te zijn.quot;
âIk had het al vermoed,quot; zei Bettemie, met een gesmoorde stem: âmaar ik zou werkelijk geworden zijn wat men beweert dat ik ben, indien ik langer in die gruwzame onzekerheid had moeten verkeeren.quot;
âJa!quot; zei hij: âik heb reeds lang grooten lust gevoeld, dien dorpskwakzalver hier om zijn ooren te geven, die, wanneer men hem als deskundige vraagt, wat er van die praatjes is, het hoofd schudt en een bedenkelijk gezicht zet.quot;
âLe Mat!quot; riep Bettemie verontwaardigd uit; maar op
230
datzelfde oogenblik klonk er een stem in haar nabijheid:
âRoept de Freule? â Hier ben ik tct uw dienst;quot; en Le Mat in eigen persoon, die, gedurende het bal, ook op Harde-stein verschenen was en, in eenzaamheid het grasperk omwandelende, zich voor de biljartkamer en thans juist in de nabijheid bevond.
âEr schort toch niets aan?quot; vroeg hij.
De schitterende illuminatie, waar de biljartkamer mee pronkte, herschiep te dezer plaatse den nacht in een hellen dag, zoodat Bettemie in het volle licht tegenover den heelmeester stond; en nu had zelfs iemand met een min practischen blik dan hij bezat, kunnen bespeuren, dat de Freule niet in haar gewone stemming verkeerde; want haar kleur was bloedrood, haar oogen schoten vonken, en haar zwoegende boezem zoowel als de krampachtige beweging harer vingers kenmerkten een hevige gemoedsaandoening. Maar behalve dat een en ander ontging aan Le Mat de bezorgde trek niet, die op het gelaat van Drenkelaer te lezen was en die zooveel beduidde, als; âja! het is er weer erg mee gesteld.quot;
âWel Freule-lief! hoe gaat het u al zoo?quot; vroeg Le Mat, terwijl hij zich voor het wandelende paar stelde.
De toon, waarop deze vraag gedaan werd, en die dezelfde was als dien men zou aannemen tegenover een bedorven kind. dat ziek was, strekte niet om de ergernis van Bettemie te verminderen.
âZeer wel,quot; antwoordde zij: âen zoo als het iemand gaat, die Goddank geen doktershulp noodig heeft en de uwe allerminst, Mijnheer Le Mat!quot;
âNeem mij niet kwalijk,quot; hernam deze: âmaar ik hoorde u mijn naam noemen, en zoo kon ik mij verbeelden, dat ik hier juist van pas kwam.quot;
âNiet het minst,quot; zei Bettemie: âof ja, toch wel!quot; en zich recht voor hem plaatsende en hem aanstarende, alsof zij hem met haar blikken had willen doorboren, vroeg zij hem met een gesmoorde stem: âwie heeft u toch in 't hoofd gebracht, dat er iets aan 't mijne zou haperen?quot;
281
âNu! nu!quot; zei Le Mat, niet weinig uit het veld geslagen, nu hem dus het pistool werd op de borst gezet: âdaar zullen wij wel eens nader over spreken: bedenk .... al die menschen hier .... ik kom morgen wel eens aan.quot;
âIk verlang u morgen niet te spreken,quot; hernam Bettemie: âen ik wil geen uitvluchten. Ik verlang hier, terstond, die zaak te zien opgehelderd. Niets in mijn gedrag kan een vermoeden gerechtvaardigd hebben als ik nu eindelijk bemerk, dat hier gekoesterd wordt; je moet het dus öf zelf, de Hemel weet met wat oogmerk, bedacht hebben, öf een ander moet het u hebben verteld. Noem uw zegsman, of ik maak u overal voor een lasteraar uit.quot;
âMaar mijn hemel. Freule!quot; stamelde Le Mat: âdat is iemand het mes op de keel zetten.quot;
âIk eisch het,quot; zei Bettemie, terwijl zij haar hand gebiedend uitstrekte.
âGoeden avond. Freule!quot; zei Le Mat en wilde zich verwijderen, toen Drenkelaer, die, beseffende, dat het vroeg of laat tot een verklaring komen zou, en liever willende, dat die in dan buiten zijn tegenwoordigheid plaats had, den ontstelden heelmeester plotseling in de borst greep en tegenhield met de woorden: âje hoort wat de Freule verlangt. Antwoord! wie was uw zegsman?quot;
Het zou moeilijk zijn, de verbazing en gramschap van Le Mat te beschrijven, dus tot het noemen van zijn zegsman te worden uitgetart door dien zegsman zeiven. Bleek en half stikkende van toorn, kon hij niet anders zeggen dan: âmaar heb je niet zelf. . . .quot;
âU er naar gevraagd, ja,quot; viel Drenkelaer in, âtoen het mij door Mijnheer Zuring verteld was: is 't niet zoo. Mijnheer Zuring?quot; vroeg hij, zich plotseling tot dezen wendende, die, met zijn vrouw aan den arm, het tooneel was blijven aankijken.
âZoo is het,quot; hernam de wijnkooper, met een beleefde buiging: âik kon natuurlijk aan zulke praatjes geen geloof slaan; maar toen het mij door den Heer Verdrongen verteld werd, die beweerde het van Le Mat te hebben, achtte ik het
232
natuurlijk plicht, Mijnheer, die met de Freule bekend is, te waarschuwen wegens de praatjes, die er gingen.quot;
âWij geloofden er natuurlijk niet aan,quot; lispelde Mw. Zuring, een allervriendelijkst gezicht zettende.
âEn ik zeg alsnog, dat jij het mij verteld hebt,quot; zei Le Mat, woedend, tegen Drenkelaer.
âWel, dat is onbeschaamd!quot; riep deze, den arm reeds half oplichtende, als om den man, die hem beschuldigde, voor zijn vermetelheid te kastijden, âindien de tegenwoordigheid van de Freule mij niet weerhield . .. .quot;
Het pleintje voor de biljartkamer kon als een soort van station worden aangemerkt, waar iedereen halt maakte om de verlichting van het portiek van naderbij, of die van de oranjerie uit de verte, te bewonderen, en zoo stond het hier vol met gasten, die, bemerkende hoe er een levendiger gesprek werd gevoerd dan wel scheen te behooren, zich met een luid gemompel van: âwat gebeurt er? wat is er aan de hand?quot; om de twistende partijen begonnen te verzamelen.
âWat is er?quot; vroegen ook Maurits, de Majoor, Verdrongen en anderen, die van de tegenovergestelde zijde kwamen.
âEr is,quot; antwoordde luidkeels Drenkelaer, die begreep, dat hij alleen door overmaat van onbeschaamdheid zijn stelling-handhaven kon; âer is, dat de Heer Le Mat mij wil doen voorkomen als den verspreider der dwaze praatjes, die men aangaande de Freule heeft uitgestrooid. Wacht!quot; vervolgde hij, terwijl hij op Verdrongen aanliep, en hem binnen den kring-trok; âhier is Mijnheer Verdrongen, die zal zich wel herinneren wat er van de zaak is. Heb je niet aan Mijnheer Zuring verteld. Mijnheer Verdrongen, dat Le Mat je had medegedeeld, hoe de Freule nu en dan.... 't is te erg om te noemen....quot;
âZeg het gerust, -Mijnheer Drenkelaer,quot; zei Bettemie, die, nu het eenmaal tot een opheldering gekomen was, die ook volledig begeerde te hebben: âdat ik nu en dan wat krankzinnig was.quot;
âJawel.... dat is te zeggen ....quot; mompelde Verdrongen, met een dikke tong sprekende: âMijnheer Zuring .... Le Mat. . .. ik meen .... maar ik heb er nooit iets van geloofd.quot;
233
â't Is van u, dat ik het praatje 't eerst vernomen heb,quot; zei Zuring, hem met een strengen blik aanziende.
âWel zeker! daar ben ik getuige van,quot; zei Josephine, met een bevestigenden hoofdknik. âWees toch niet zoo kinderachtig. Mimi!quot; voegde zij haar dochtertje toe, dat nevens haar liep en van schrik aan 't huilen was geraakt.
âJa maar,quot; hernam Verdrongen, terwijl hij zijn herinnering uit zijn benevelde breinkas zocht op te delven, en op Dren-kelaer wees: âMijnheer heeft.... ik heb van Mijnheer gehoord .... als dat. . . .quot;
âJuist!quot; viel Drenkelaer in: âik heb er mij bij u op geïnformeerd: en toen zei je, je hadt het van Le Mat.quot;
âJawel!quot; zei Verdrongen, zelf niet meer wetende hoe hij 't had: âmaar ik zei toen immers al, dat hij 't mis had.quot;
âDe Freule hoort het,quot; zei Drenkelaer; âik zou zoo iets van u verteld hebben?quot;
âJawel, wis en drie heb je dat,quot; hernam Le Mat: âen ik zou er anders nooit aan gekomen zijn.quot;
âMij dunkt;quot; zei Maurits, bij wien dit nieuwe incident eenigs-zins gewerkt had als een middel om in zijn gemoed het evenwicht te herstellen, dat door het vorige incident verbroken was: âmij dunkt, het is hier de plaats niet, om een zaak van zoo teederen aard verder te bespreken. Ik geloof,quot; vervolgde hij, zijn stem verheffende, âdat er niemand hier is, die een oogenblik twijfelt aan het ongerijmde van een gerucht, als wraar zooeven op gedoeld is, en ik verzoek vriendelijk de gasten, hun wandeling te willen voortzetten, en den doortocht niet langer te verstoppen.quot;
Die woorden, uitgesproken op dien toon van gezag, waartoe Maurits, als vertegenwoordiger zijner moeder, op het door haar gegeven feest, gerechtigd was, golden als een bevel, en stilzwijgend ging ieder rechts en links zijns weegs. Alleen Le Mat poogde nog zijn beklag bij den Jonker in te brengen; doch deze verzocht hem, alle verdere discoursen te willen sparen en zoo spoedig mogelijk links af te marcheeren, terwijl Bette-mie en Drenkelaer hun wandeling rechts hadden voortgezet. Wat
234
haar betrof, zij ging, zonder een woord verder te spreken, aan den arm van haar nieuwen aanbidder voort, nog altijd in een hevige gemoedsbeweging, met stijf opeengedrukte lippen, flonkerende oogen en een zwoegenden boezem. Toen echter halverwegen Mw. Van Hardestein, aan wie het vliegende gerucht was komen boodschappen, dat er iets gaande was, en die hierop terstond de oranjerie verlaten had, gevolgd van de Dames Prawley, Pietje Pancras, Juffrouw Tronck en anderen, haar te gemoet kwam, week opeens de kracht, die haar tot nog toe in een staat van ongewone spanning gehouden had. Slechts zooveel behield zij er van, om den arm haars geleiders te verlaten, dien van haar gastvrouw te nemen en met deze naaide oranjerie te keeren. Maar geen woord kon zij antwoorden op de vragen, waarmede de goede Douairière haar bestormde, en toen zij aan de oranjerie en bij haar ontruste tante gekomen was, kon zij niet anders uitbrengen dan:
âTante! ik voel mij niet wel, en wenschte wel te vertrekken,quot; â en berstte toen in tranen uit.
âWil ik gaan bevelen, dat het rijtuig voorkomt?quot; haastte Drenkelaer zich te zeggen, en liep, op een toestemmende hoofdbuiging van Mw. Van Doertoghe, op een gezwinden draf naaiden stal.
âWat scheelt die jonge meisjes toch?quot; vroeg, nadat Mw. Van Doertoghe en de haren vertrokken waren, madame mère aan Juffrouw Kato: âdaar is Nicolette, die op een bof door Dominee wordt weggehaald, en Betsy, die 't op haar zenuwen krijgt en heen wil, en Julie Le Mat, die midden uit den dans door haar vader wordt meegepakt en het op een huilen zet, en 't meisje van Mw. Zuring, dat snikkende en gansch ontdaan van de wandeling komt, en tot die lange Juffrouw Verdrongen toe, die een toeval krijgt en met armen en beenen slaat als een bezetene.quot;
âPapa Verdrongen was dronken,quot; antwoordde Kato: âen dat schijnt Juffrouw Jacomina van haar streek gebracht te hebben: â wat er met die andere meisjes heeft plaats gehad weet ik niet; maar 't zal zich wel spoedig ophelderen.quot;
235
â't Is mogelijk.quot; hernam Mw. Van Hardestein: âhelp mij onthouden, dat ik morgen iemand naar Doornwijck zend om te vragen hoe de zieke gerust heeft. â 't Is met dat al onaangenaam, quand on se met en quatre om aan zijn gasten een genoeglijken dag te verschaffen, dat het dan zoo lam afloopt.quot;
VIJFDE HOOFDSTUK.
EEN AANHANGSEL VAN 'T VOORGAANDE, EN DAAROM ZEER KOET.
Het feest, waarop Mw. Van Hardestein hare gasten had onthaald, ofschoon er toen en later met ophef van gewaagd werd, en men het aanhaalde, zoo dikwerf er sprake was van partijen, die met smaak en in grooten stijl gegeven waren, was echter, geheel buiten de schuld der gastvrouw, inderdaad, gelijk zij het zelve met het juiste woord had uitgedrukt, vrij lam afgeloopen. De twist, die in het park had plaats gehad, het achtereenvolgens nog eenigszins ontijdig vertrek van Bol en Mw. Van Doertoghe met de hunnen, de opschudding teweeggebracht door Le Mat, die in zijn boosheid zijn dochter was komen halen, en door Verdrongen, die 't met den Majoor te kwaad had gekregen, dat een en ander had een sluier geworpen over de vroolijkheid, die in 't begin geheerscht had, en spoediger, dan anders het geval zou geweest zijn, waren de gasten afgedropen. Dat bij velen de indruk van het voorgevallene eenigszins hinderlijk was aan die kalmte van geest, welke vereischt wordt om een gerusten nacht door te brengen, zal wel niemand verwonderen. Mocht de lezer er belang in stellen, eenig naricht op dat punt te ontvangen, voor zooverre sommige hoofdpersonen van ons verhaal betreft, dan zal hij dit natuurlijk het eerst begeeren aangaande Bettemie, als degene, wier toestand het meest onrustbarend was. Wij moeten
236
te haren opzichte tot ons leedwezen mededeelen, dat zij inderdaad, pas te bed zijnde, een hevigen aanval van koorts kreeg, die haar belette, een oog toe te doen. Tegen den morgen was die wel wat bedaard, doch haar tante oordeelde het niettemin noodig, geneeskundige hulp in te roepen; en, dewijl de zieke bepaald verklaarde, dat zij Le Mat niet verkoos te zien, werd er om een geneesheer uit de nabijgelegen stad gezonden, die echter eerst tegen den avond komen kon, en, toen hij gekomen was, natuurlijk de aanleiding tot de ongesteldheid niet kunnende weten of gissen, zich vergenoegde met een caimans voor te schrijven. Kon dit geen kwaad, veel goed kon het ook niet doen, althans naar de meening van Bettemie, die bij zich zelve het bewustzijn had, dat niets in staat zou zijn, haar op den duur haar vroegere kalmte van geest terug te geven, dan de overtuiging, dat niemand meer aan het verspreide gerucht geloof sloeg. Daarom was het dan ook haar verlangen, hoe spoediger hoe liever naar Amsterdam te keeren. Dr. Van Zevenaer, haar gewonen arts, die haar gestel kende, te raadplegen, en hem te laten verklaren, dat zij volkomen gezond van hersenen was. Er was nog een andere reden, waarom zij van Doornwijck vandaan wilde. Die reden was gelegen in haar vrees voor den invloed, dien Drenkelaer op haar uitoefende. Zij had een duister besef, dat die invloed voor haar noodlottig wezen moest, en dat die neiging, welke zij, niet voortdurend, maar nu en dan, als bij schokken, voor hem gevoelde, niet die reine, heilige liefde was, zooals zij zich die had gedroomd, en waar zij alleen geluk van wachten kon. Er was een stem in haar binnenste, die haar tegen Drenkelaer waarschuwde, die haar toefluisterde, dat zijn hart verdorven en zijn toeleg boos was, die haar thans zelfs vragen deed, of de verklaring, door Le Mat gegeven aangaande den oorsprong van het gerucht, omtrent haar verspreid, wel zoo geheel te verwerpen was. Zij bracht zich daarbij gedurig in herinnering het voorgevallene voor ruim tachtig jaren, tusschen een anderen Drenkelaer en eene van hare bloedverwanten, en hoe ook deze laatste tegen den magnetischen invloed van een listigen bioloog had moeten
237
kampen. En nu oordeelde zij, dat er geen veiliger raiddel bestond om zich aan een soortgelijken invloed te onttrekken, dan zich te verwijderen uit den tooverkring, binnen welken zij zich verbeeldde geplaatst te zijn. Genas die verwijdering haar niet geheel, dan zou, naar zij zich vleide. Dr. Van Zevenaer er wel verdere middelen tegen weten; in allen gevalle wilde zij, in de nabijheid van Hardestein, waar zij dus ten doel gestaan had aan lasterlijke praatjes, niet langer blijven. â quot;Wel verweet zij zich bij wijlen de schijnbare aanmoediging, die zrj aan Drenkelaer gegeven had: en toch vroeg zij somtijds zich zelve af, of zij wel anders had kunnen handelen, en of ooit, althans naar het uiterlijke te oordeelen, het gedrag van Drenkelaer te haren opzichte een onheusch bescheid had kunnen wettigen. Zij had beloofd, zijn aanzoek met beraden zinnen in overweging te nemen; en dat zou zij doen; â maar daartoe moest zij vooraf kalmte van geest bezitten, en die hoopte zij elders te verkrijgen â Het was met dit doel, dat ze dan ook, twee dagen na het voorgevallene, spijt al de pogingen van Mw. Van Doertoghe om haar terug te houden van hetgeen deze dwaasheid noemde, Doornwijck verliet en naar Amsterdam terugkeerde.
Gewis had Drenkelaer dien uitslag niet voorzien, toen hij, na afloop van het feest, zich ter ruste begaf en zich de handen wreef van tevredenheid over de blijde uitzichten, welke hij zich voorstelde. Wel vroeg hij zich zeiven af, of hij niet eigenlijk een dwaasheid had gedaan met het verspreiden dier logen-achtige geruchten, wat toch, gelijk van achteren bleek, geheel onnoodig was geweest ter bereiking van het daarmede beoogde doel, en hem zeer licht in groote ongelegenheid had kunnen brengen: doch hij troostte zich weder met de complimenten, die hij zich zeiven maakte, over de schrandere en stoutmoedige wijze, waarop hij zich â zoo hij hoopte althans â voor altijd van alle vermoedens had weten te zuiveren; en vooral met de overtuiging dat Bettemie geen weerstand bieden kon aan den invloed, dien hij op haar uitoefende. Zij fladderde nog, dacht hij bij zich zeiven, en sloeg de vleugels uit om
238
weg te komen, als het vogeltje, dat van de kruk wordt losgelaten, doch even als het vogeltje, zoo hield ook haar het onverbreekbare snoer vast, dat haar in zijn macht terug moest brengen. Met deze aangename gedachte begaf hij zich te bedde; doch lang nog hielden hem visioenen wakker van gevulde geldkisten, stapels gemunt goud, bundels effecten, fraaie equipages en prachtige gemeubileerde vertrekken. Toen hij eindelijk insliep, werden die visioenen van minder aangenamen aard, en droomde hij, dat hij, als Sancho Panca, in een deken gesold werd, door de leden der Sociëteit gehouden, en onder het spot- en hoongelach en gegrinnik van Le Mat, Verdrongen en den Majoor, alle drie met groote brillen op den neus en bovendien van geweldige staarten voorzien, die aan het einde angels hadden, met welke zij hem staken.
Onrustig mede ging de nacht voor Maurits door. Wel was hem de gedachte streelend en zoet, dat, gelijk hij had meenen te bespeuren, hij aan Nicolette niet onverschillig was; maar het hinderde hem niet weinig, juist gestoord te zijn geweest op het oogenblik, dat hij daarvan misschien de zekerheid zou hebben bekomen, en zelfs de wenschen van zijn hart niet eenmaal aan haar te hebben kunnen mededeelen. Zou de gunstige gelegenheid daartoe zich weder voordoen? En wanneer: â hij besloot, zulks in elk geval den volgenden dag te beproeven.
Weinig verschillend van zijne gewaarwordingen waren die van Nicolette. Ook zij gevoelde zich even gelukkig in het bewustzijn, dat Maurits haar liefhad, als verdrietig over de stoornis, die haar belet had, dit uit zijn mond te hooren; en zoo de toekomst haar nog duister scheen, en zij de bezwaren zich niet ontveinsde, die er tegen een huwelijk tusschen haar, de arme vondeling, en den hooggeboren zoon der Eylars moesten bestaan, toch gaf zij zich te gaarne over aan het streelende lokaas der hoop, en waren haar droomerijen te zoet, dan dat zij pogingen had willen aanwenden om die uit haar verbeelding te bannen: lang nog hielden die droomerijen haar uit den slaap, en toen deze eindelijk haar oogen gesloten had, week
239
het beeld van den geliefde nog niet van voor de oogen harer ziel.
Wie zeker niet den pleizierigsten nacht doorbracht was Jacomina, aan wie Le Mat, die zelf geheel verward en van zijn streek was, in plaats van een dosis morphine, die hij haar had voorgeschreven, een emeticum zond, dat niet volkomen dezelfde rustaanbrengende werking deed.
NEGENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
WAT DE CONFERENTIE TÃSSCHEN EYLAE EN BOL OPLEVEKDE.
Toen Nicolette door Bol aan Maurits afgetroond en terstond daarna met hem en Juffrouw Leentje naar huis was gegaan, had zij eenige vrees gehad, dat hij haar opheldering van het gebeurde zou vragen. Dit had wel geen plaats gehad, maar zij kon dit toeschrijven aan de tegenwoordigheid van Juffrouw Leentje, die van het voorgevallene onbewust was, en, nu de volgende morgen gekomen was, verwachtte Nicolette, dat de ondervraging onder of na 't ontbijt zou plaats hebben. Ook hiervan kwam niets, en dit bleek zijn reden te hebben, dewijl reeds te negen uren de Heer Snel verscheen, die onmiddellijk bij den predikant in diens studeerkamer ontvangen werd. Niet weinig popelde hierbij het hart van het jonge meisje, dat wel kon nagaan, wat het doel was van het bezoek, en een natuurlijke bezorgdheid aangaande den uitslag daarvan voeden moest. Niet minder nieuwsgierig dan Nicolette was Juffrouw Leentje, die altijd nog eenige geheime hoop kweekte, dat het gesprek, 't welk daar binnen gevoerd werd, haar kon gelden: immers Snel was in de laatste dagen buitengewoon beleefd en vriendelijk jegens haar geweest, en dat had toch zijn reden. Zeker had het zijn reden: alleen de goede ziel was niet indachtig aan het oude spreekwoord: âom den wille van het smeerquot; enz. Zij hield echter haar gedachten voor zich, doch draafde onrustig van de zijkamer naar de keuken, waar zij aan Antje allerlei verwarde bevelen gaf, en van daar naar de kamer
241
van Nicolette, waar deze zich had teruggetrokken, omdat het regende, en waar zij haar verwarde vragen deed, om van haar niet min verwarde antwoorden te ontvangen.
Intusschen, zoo de beide dames er op rekenden, dat Bol na het vertrek van den bezoeker zich haasten zou, het met dezen verhandelde aan haar mede te deelen, vonden zij zich teleurgesteld, toen hij stilletjes op zijn kamer bleef. Weldra daarna kwamen de catechisanten, en nu was er evenmin gelegenheid, iets te vernemen. â Maar zelfs toen het koffleuur geslagen, en Bol, vrij laat echter, daarop verschenen was, liet hij zich geen woord ontvallen over hetgeen tusschen hem en den ontvanger was voorgevallen. En toch moest dit belangrijk zijn; want Bol, anders zoo opgeruimd en vroolijk, was stil en afgetrokken, en er was kennelijk iets, dat hem hinderde. Dit was een slecht voorteeken voor Leentje; want, had het bezoek haar gegolden, dan kon dit, meende zij, aan haar broeder geen stof tot bezorgdheid geven: â tenzij een zoodanige, als uit de vraag mocht oprijzen, wie dan voortaan zijn huishouden bestieren zou. Maar naarmate hare vrees, dat zij volstrekt het onderwerp niet geweest was van het gevoerde gesprek, vermeerderde, naar diezelfde mate vermeerderde die van Nicolette, dat zij zulks wel was geweest, en dat Bol misschien met het aanzoek des ontvangers zeer ingenomen mocht zijn. En nu werd haar angst niet geringer, toen zij, even nadat Bol naar zijn studeervertrek was teruggekeerd, Eylar van verre zag aankomen, die, door het tuinhek het erf opgewandeld, zijn parapluie in den stander zette en binnentrad.
âZoo, Mijnheer Van Eylar!quot; zei Juffrouw Leentje: âIk zal Dominee gaan zeggen .. .
â't Is noodeloos,quot; antwoordde hij; âuw broeder wacht mij: â en ik heb u de groete te doen van mijn vrouw, die je zeer verplichten zult, indien je eens bij haar zoudt willen komen, om met haar over de belangen van het Genootschap te handelen.quot;
Juffrouw Leentje zag eenigszins vreemd op, en haar gelaat
ii. - k. z. 16
242
nam een uitdrukking aan van teleurstelling. Haar gedachten, al drukte zij die niet uit, waren blijkbaar: âmen wil mij van hier hebben,quot; en op een toon, die niet vrij was van snibbigheid, antwoordde zij: âik dacht waarlijk niet, dat men mij zoo spoedig zou noodig hebben; maar 't is goed: ik zal gaan.quot;
Tot nog toe had Eylar oogenschijnlijk geen acht geslagen op Nicolette, die, na bij zijn komst te zijn opgerezen, met een gevoel van beschroomdheid, 't welk zij nooit te voren tegenover hem gekend had, voor haar stoel was blijven staan, in plaats van, als naar gewoonte, blijmoedig naar hem toe te snellen. Hij vestte nu den blik op haar; en die blik, verre van haar te bemoedigen, vermeerderde haar verlegenheid: niet, dat hij gestreng was of onvriendelijk; maar er lag een ongewone uitdrukking in van droefgeestigheid en medelijden, en diezelfde uitdrukking lag in den toon, waarop hij, naderende, en haar de hand gevende, deze eenvoudige woorden sprak: âgoeden morgen, mijn kind!quot;
âMijnheer Van Eylar . .. .quot; stamelde zij, de oogen neerslaande, alsof zij een groote misdaad had verricht, en met niet minder moeite bracht zij er toen de vraag uit: âhoe vaart Mevrouw? Is zij niet te veel vermoeid?quot;
âMijn vrouw is wel,quot; was alles wat Eylar antwoordde; en toen, haar hand met meer warmte dan anders drukkende, verliet hij haar en trad het studeervertrek van den predikant binnen.
âGoeden morgen, Louis!quot; zei Bol, hem de hand reikende: âwij zullen over ernstige zaken te spreken hebben.quot;
âZoo is het,quot; antwoordde Eylar, terwijl hij zich in den gereedstaanden stoel liet neervallen, als iemand, die vermoeid is van geest of van leden, en toen, na een paar reizen gezucht en voor zich gekeken te hebben, begon hij het onderhoud met den mistroostigen uitroep:
âWij hebben voor ruim twintig jaren een groote gekheid begaan.quot;
âDat zie ik nog niet in,quot; zei Bol: âen het is ook de eerste maal, dat ik u dit hoor zeggen.quot;
248
âJa!quot; hernam Eylar: âik had ook nooit gedacht, eenmaal berouw te zullen hebben over een daad, die ons indertijd door een goed en lofwaardig gevoel was ingegeven.quot;
âBerouw!quot; herhaalde Bol, die, al begreep hij zijns vriends gevoelens volkomen, de aanleiding daartoe niet in alle opzich ten billijkte; âen waarom? Wij hebben een verstoeten eu verlaten voorwerp, waarvan, zoo het aan de openbare liefdadigheid ware overgelaten geweest, niets gegroeid zou zijn dan op zijn best een aardig dienstmeisje, al ras misschien een prooi van verleiding en ellende, tot een knap, lief, fatsoenlijk, welopgevoed wezen helpen vormen, dat ieders gunst weet te winnen en te verdienen. quot;Waarin ligt hier stof tot berouw?quot;
âJe hebt dan niet gemerkt,quot; zei Eylar, âdat Maurits. . ..quot;
âJa, dat heb ik gemerkt,quot; viel Bol in: âen ik begrijp, dat dit u hindert, â maar wij hebben ons niet te verwijten, dat wij aan hun ontmoeting schuld hebben, en wij kunnen haar niet verwijten, dat zij door eenig onwaardig middel, of zelfs door eenige verschoonbare coquetterie, gepoogd heeft, zijn genegenheid te winnen.quot;
âHeeft hij haar reeds iets gezegd, zoover u bekend is?quot; vroeg Eylar.
âIk geloof niet, dat er uitdrukkelijke verklaring heeft plaats gehad,quot; antwoordde Bol: âmaar een meisje, ook minder schrander dan Mcolette, bemerkt spoedig genoeg, hoe een jong vrijer over haar denkt; vooral wanneer zij van hare zijde zich tot hem voelt aangetrokken. De zaak moge lastig zijn, maar zij is doodnatuurlijk.quot;
âJa.. .. maar wat nu? zulk een vrijerij kan toch tot niets leiden ?quot;
âIntegendeel, zij kan tot zeer veel leiden,quot; zei Bol.
âHet is toch niet mogelijk, dat daar ooit een huwelijk van komt,quot; hernam Eylar.
âIk zie daar volstrekt de onmogelijkheid niet van in,quot; zei Bol: âMcolette is, als ik reeds aanmerkte, lief, knap, bevallig, al wat men in een meisje verlangen kan, minus geld en
244
geboorte: zeker twee hoogst gewichtige dingen. Maar daar zijn vreemder dingen gebeurd: daar is de Baron Van Schelf, die zijn keukenmeid tot vrouw heeft genomen, en de Baron Van Megen, die met een danseres is getrouwd.... en er zijn zelfs lieden, die beweren, dat geen van beiden bijzonder slecht af is.quot;
âMaar is dat nu een reden?'quot; vroeg Eylar: âomdat die Heeren zich gemesalliëerd hebben, moet daarom Maurits het ook doen?quot;
âHij zou,quot; zei Bol, âzich in elk geval niet, gelijk die Heeren, voor zijn vrouw behoeven te schamen, als hij met haar in 't publiek kwam, noch haar een opvoeding behoeven te laten geven, aleer hij haar aan zijn kennissen voorstelde.quot;
âIk had niet verwacht, Gerlof!quot; zei Eylar, op een toon van verwijt, âu deze treurige zaak te hooren behandelen als een voorwerp van luchtige scherts, als iets, dat zonder bezwaar, even gemakkelijk een eind kon hebben als een begin.
âOok scherts ik niet,quot; zei Bol, wiens gelaat een ernstige plooi nam: âen het is niet mijne schuld, zoo ik van mijn standpunt die groote bezwaren niet inzie, die zich aan den Graaf van Eylar voordoen.quot;
âJe zoudt die niet inzien,quot; riep Eylar met verbazing uit: âik heb u toch zelf meermalen het onvoegzame en noodlottige hooren betoogen van ongelijke huwelijken: ik heb u aangaande de verplichtingen eens edelmans dikwijls beginselen hooren verkondigen, strenger dan ik ze zou hebben durven onderschrijven: â en nu zie ik u plotseling tot een geheel ander uiterste vervallen, en er hapert slechts aan, u te hooren beweren, dat onze familie zich zeer gelukkig moet achten, in haar geslachtsboom een wapenschild op te nemen .... dat blank zal moeten blijven.'
âEn ik neem niets terug van wat ik bij vroegere gelegenheden heb gezegd,quot; zei de predikant: âneen! een edelman behoort zich niet te mesalliëeren; hij behoort een vrouw te kiezen, wier geslachtswapen in zijn stamboom geen te ongelukkig figuur maakt; â maar er is een plicht, die hooger bij hem moet staan, dan de plicht, dien zijn geboorte hem oplegt; en.
245
heeft hij eenmaal zijn hart en hand een meisje aangeboden, hoe laag ook van afkomst en stand, dan mag hij niet terugtreden, op gronden, van welker bestaan hij te voren onderricht was.quot;
âWij willen hopen, dat Maurits nog zoover niet gegaan is,quot; zei Eylar.
âEn ik vlei mij,quot; zei Bol, gisteravond juist ter rechter tijd tusschen beiden gekomen te zijn, om het gevreesde kwaad te verhoeden. â Maar in allen gevalle is Maurits, tenzij ik mij geheel bedrieg, al ver genoeg gegaan, om een noodlottigen indruk op het hart van Nicolette te maken, en bij haar een hoop te doen ontstaan, die niet vervuld zal worden. Je merktet straks aan, dat die vrijerij van Maurits tot niets zou kunnen leiden! â maar ik zal u zeggen, waartoe zij leiden zal. Zij zal er toe leiden, dat de rust van een lief meisje verstoord zal worden, dat haar vroolijkheid in droefgeestigheid verkeeren zal, dat de blos zal verdwijnen van haar wangen, en de blijde scherts van haar lippen, dat zij ons, die zij tot nog toe als haar weldoeners liefhad, zal beginnen te beschouwen als de bewerkers van haar ongeluk, en ons niet meer liefhebben als te voren, en, wat het ergste van alles voor haar wezen moet, dat zij zich zelve het onbillijk verwijt zal doen, ijdel, lichtzinnig en dwaas te zijn geweest, en voet gegeven te hebben aan het gerucht, alsof zij, de verstooten wees, het er op had toegelegd. Gravin Van Eylar te worden.quot;
âMaar dat is overdrijving,quot; zei Eylar, niettemin voor zich ziende en zijn handen bekijkende, als iemand, die verlegen is met zijn houding.
âIk geloof dit niet,quot; hervatte Bol: âik ben integendeel bijna overtuigd, dat iets van dien aard reeds gezegd is, zoo niet door u, dan toch misschien door iemand, met wier gezegden en meeningen Louis Van Eylar eenige inschikkelijkheid moet hebben, ook zelfs dan, wanneer zij onbillijk zijn.quot;
âNu, ja!quot; zei Eylar, op een toon, die blijkbaar bespeuren deed, hoeveel hem de bekentenis kostte, en terwijl hij nog altijd voor zich bleef zien, doch nu met de kin op de hand geleund
240
en met den elleboog op een der armen van zijn stoel rustende.
âMaar,quot; vervolgde hij, na een korte poos, âje moet het mijn vrouw vergeven, indien zij natuurlijk meer belang stelt in het geluk van Maurits en in de eer van ons Huis, dan in een meisje, waarmede zij eerst sedert zoo korten tijd in kennis is gekomen. En dan, je weet, dat vrouwen veel minder toegeeflijk zijn dan mannen jegens die van haar eigene sekse: en ik houd mij verzekerd, dat niet alleen de mijne, maar alle vrouwen hier in den omtrek geneigd zijn te beweren, dat Maurits nooit op Nicolette zou verliefd zijn geworden, indien zij er geen aanleiding van haar kant toe gegeven had.quot;
âWel!quot; hernam Bol: âik overdreef alzoo niet, naar uw eigen erkentenis; maar, nu eens die haastige oordeelvellingen en onbillijke beschuldigingen van de zijde der vrouwen nemende voor 't geen ze zijn, hoe moeten wij handelen? wij, die, hoe na ons het geluk van Maurits, en, ik voeg het er gaarne bij, ook de eer van uw Huis ter harte gaat, toch ook de rust en het welzijn van een goed en onschuldig meisje, van ons pleegkind, Eylar! ter harte moeten nemen. Je placht haar lief te hebben, Louis!quot;
âHelaas!quot; zei Eylar: âde Hemel weet, hoe lief ik haar had, en nog heb, en welke luchtkasteelen ik voor de toekomst gebouwd had. Indien ik haar liet komen, het was in de hoop, dat zij aan Mevrouw Van Eylar bevallen zou, dat deze zich langzamerhand aan haar hechten, en na verloop van tijd, misschien zelve het eerst zou voorstellen, haar voorgoed bij ons in huis te nemen .... de komst van Maurits heeft al die zoete droomen in rook doen verdwijnen.quot;
âZij waren dan ook vrij ongerijmd,quot; zei Bol, die Mevrouw Mietje genoegzaam kende om te weten, dat zij nooit tot dergelijk plan de handen geleend zou hebben: âmaar nog eens, alle beschouwingen van 't verledene eens daargelaten, en ons afgevraagd: hoe te handelen ? â Uw wensch is, zeg het ronduit, dat Nicolette verwijderd, of dat althans het voortzetten van een vrijerij tusschen haar en Maurits onmogelijk gemaakt worde, nietwaar?quot;
247
âOordeel je zelf niet, dat zoo iets moet plaats hebben?quot; vroeg Eylar.
âWelnu!quot; hernam Bol, zonder op die vraag te antwoorden: âik weet een middel, dat terstond aan alles een einde maken zou .... alleen, het kan niet gebezigd worden zonder volledige toestemming van Nicolette, namelijk, dat zij de wettige echt-genoote wordt van den ontvanger Snel.quot;
âVan Snel!quot; herhaalde Eylar, half teleurgesteld.
âHij is hedenmorgen hier geweest,quot; vervolgde Bol, âen heeft mij plechtig om haar hand gevraagd.quot;
âWaarlijk? â En weet Nicolette reeds....quot;
âZij weet nog niets,quot; antwoordde Bol: âen Snel heeft mij zelfs verzocht, haar voorloopig nog niet met zijn aanzoek bekend te maken, omdat dit laatste nog eenigszins voorwaardelijk was. De man is wel verliefd; doch niet zoo sterk, om er de belangen van zijn huishouden geheel door te vergeten, en ik kan hem ook niet kwalijk nemen, zoo hij, op zijn leeftijd, bij het aangaan van een tweede huwelijk, iets meer raadpleegt dan zijn genegenheid. Hij kan nu van zijn post, en van een stuivertje gelds, dat hij bovendien bezit, ordentelijk leven; doch trouwt hij een jonge vrouw zonder fortuin, dan zou, bij de kans die hij loopt van zijn gezin te zien vermeerderen, zijn positie wel eens minder gunstig kunnen worden. Hij wenschte daarom te weten, of Nicolette eenig uitzet zou meebrengen, en wel tot een zoodanig bedrag, dat zijn bezwaren er door werden opgeheven.quot;
âEn wat is uw antwoord geweest?quot;
âWel, zie je? wij hebben ons indertijd verbonden, haar een uitzet te geven als zij trouwde; doch wij zijn zoo verstandig geweest, geen som te bepalen: en dat is zeer gelukkig; want ik zou waarlijk niet inzien, hoe ik het moest aanleggen, er een noemenswaard aandeel in te dragen. En daar ik nu niet weet, hoe diep onze vrienden geneigd zullen zijn, in hun beurs te tasten, ja of men hen daartoe eenigszins zal kunnen overhalen, zoo heb ik onzen vrijer geantwoord, dat ik hem vooralsnog geen bepaald bescheid op zijn vraag kon geven. â
248
En inderdaad, ik kan in deze zaak niet handelen zonder toe stemming en medeweten van onze vrienden.quot;
âNatuurlijk niet,quot; zei Eylar: âintusschen, hoe zij er ook over moge denken, dat punt van het uitzet zal geen bezwaar maken .... en zoo de eischen van den Heer Snel niet al te buitensporig zijn.... heeft hij ook een som genoemd?quot;
âHij sprak van twaalf- a vijftienduizend gulden,quot; zei Bol.
âNu! dat is nogal redelijk.... en daar zal het niet aan liggen;.... maar denk je, Gerlof! dat Nicolette hem nemen zou?quot;
âZou je 't erg wenschen,quot; zei Bol, de vraag met een vraag beantwoordende.
âWel!quot; zei Eylar, insgelijks het geven van een bepaald antwoord ontwijkende; âeen knap man, met een ordentelijk inkomen, en die kans heeft op bevordering .... zij kon slechter treffen.quot;
âJa,quot; zei Bol, meesmuilende: âmaar ook beter, althans zou, in haar oogen, èn wat knapheid èn wat inkomen betreft, de vergelijking tusschen Snel en onzen Maurits niet in 't voordeel van den eerstgemelde uitvallen.quot;
âMaar een huwelijk met Maurits is nu eenmaal buiten quaestie,quot; zei Eylar, eenigszins wrevelig; âhet zou een nagel zijn aan de doodkist van zijn goede moeder. Zij heeft gelukkig nog niets gemerkt, en ik wenschte zoo gaarne, dat wij een middel konden vinden om de zaak te beëindigen, zonder dat zij van iets afwist.quot;
âWij zullen toch niets kunnen doen zonder Nicolettes bewilliging,quot; zei Bol: âalthans ik zal er nimmer in toestemmen, dat jegens haar eenige, zelfs geen zedelijke dwang worde gebruikt.quot;
âNoch ik,quot; zei Eylar, een weinig geraakt: âmaar, dit nu eens daargelaten: in geval zij geheel afkeerig is van een huwelijk met Snel, dan doet zich een ander uitzicht voor haar op, dat, wel is waar, niet aanlokkelijker is op zich zelf, doch waardoor zij voor 't minst haar vrijheid behoudt. Ik heb gistermiddag een brief ontvangen van Van Zirik.... en 't was
249
daarover, dat ik u wenschte te spreken, toen ik gisteravond belet vroeg voor heden.quot;
âEen brief van Van Zirik?quot; herhaalde Bol: ânu, dat is ook een rara avis1).quot;
âHier is hij,quot; zei Eylar.
Bol nam den brief en begon hardop te lezen:
âHooggeboren Heer en Vriend!quot;
âDrommels!quot; zei hij: âdat is deftig.quot;
âVan Zirik is stijf en pedant geworden,quot; zei Eylar: âen daarom oordeelt hij, dat het met mij even zoo moet zijn. Maar ga voort.quot;
âWij zullen zien, wat onze maat schrijft,quot; zei Bol, en las:
âHet is reeds eenigen tijd geleden, dat ikUwHooggeb. had behooren te antwoorden op hetgeen mij door Uw Hooggeb. geschreven werd aangaande ons gemeenschappelijk pleegkind. Zoo ik gedraald heb met antwoorden, het is alleen, omdat ik wilde wachten, tot zeker plan, dat ik Uw Hooggeb. wenschte voor te slaan, geheel tot rijpheid gekomen ware. Dit is thans het geval, en ik wil alzoo Uw Hooggeb. [die kerel is lastig met al zijn titulaturen!] mededeelen, hoe ik het wenschte aan te leggen om aan het meisje van dienst te zijn, en te bewijzen, dat ik mijn verplichtingen gestand wil doen. Dewijl mijn dochtertjes reeds tot dien leeftijd gevorderd zijn, dat zij eenig onderwijs in 't Pransch en Engelsch, gelijk mede in de beginselen der muziek behoeven, zoo ben ik met mijn vrouw overeengekomen, aan Mejuffrouw Zevenster door Uw Hooggebs. tusschenkomst voor te stellen, bij ons te komen inwonen en de leiding van gezegd onderwijs op zich te nemen. Uw Hooggeb. en onze gemeenschappelijke vriend Bol kennen mij genoeg, om overtuigd te zijn, dat het haar ten onzent aan niets ontbreken zal.
^ âEen zeldzaam verschijnsel,quot; letterlijk: âeen zeldzame vogel.'
250
en wederkeerig vertrouwen wij, mijn vrouw en ik, dat zij van hare zijde zich gaarne beijveren zal, hare taak tot onze voldoening te vervullen. Wordt ons voorstel aangenomen, dan zal het ons aangenaam zijn, indien zij hoe eer hoe beter overkomt. Inmiddels heb ik de eer, na eerbiedige groete aan Mevrouw de Gravin, en na vele complimenten aan onzen gemeenschappelijken vriend Bol, mij hoogachtend te noemen,
Uw Hooggebs. Dv. Dienaar en Vriend, K. VAN ZIEIK.quot;
âWel!quot; vroeg Eylar: âwat denk je over het voorstel?quot;
âIk denk,quot; antwoordde Bol: âdat onze vriend de gelegenheid meent gevonden te hebben, om goedkoop een gouvernante bij zijn kinderen te krijgen.quot;
âZou je denken?quot; vroeg Eylar, de wenkbrauwen samentrekkende.
âHij spreekt althans van geen salaris.... zelfs niet van een loon, aan de bekwaamheden geëvenredigd.... en toch scheelt het, blijkens zijn brief, niet veel, of hij verlangt, dat zij onderricht geve in hetgeen men in couranten-advertentiestijl les quatre langues noemt.quot;
âHij zal toch niet begeeren,quot; zei Eylar; âdat het goede kind haar tijd en moeite voor niets bij hem ten koste legt.quot;
âWel! misschien denkt hij,quot; hernam Bol: âdat hij haar genoeg betaalt, wanneer hij haar kost en inwoning verschaft.quot;
âNu! in dat geval zal ik zorgen, dat zij er geen schade bij lijde,quot; zei Eylar.
âDan zul je heel edelmoedig en heel verkeerd doen,quot; zei Bol: âVan Zirik is rijk genoeg, en er bestaat geen de minste reden, waarom hij u de opvoeding van zijn kinderen zou laten betalen.quot;
âWel! dit alles is posterioris curae1)quot; hernam Eylar: âer zijn nu in allen gevalle twee voorstellen betreffende
') âVan latere zorg.quot;
251
Nicolette gedaan, en ik geloof, dat die haar beide moeten worden medegedeeld.quot;
âBeide?quot; herhaalde Bol; âje vergeet mijn belofte aan Snel.quot;
âDie was voorwaardelijk,quot; hernam Eylar: âalthans zoo ik de zaak wel begrepen heb. Had het meisje geen uitzet te verwachten, dan beschouwde hij de zaak als uit; doch nu dat punt tot zijn genoegen kan worden geschikt, geloof ik, dat wij moeten beginnen met te hooren, hoe Nicolette er over denkt, en geen â misschien onnoodige â brieven aan haar pleegvaders schrijven.quot;
âIk geloof, dat uwe beschouwing juist is: â en in dat geval maar hoe spoediger hoe beter gehoord, hoe zij over de voorstellen denkt. Wil ik haar roepen?quot; Meteen stond hij op, doch bedacht zich, en zeide; âmaar mijn zuster?quot;
âDie zal vooreerst niets van de zaak merken,quot; zei Eylar, zijn gedachten radende, âwant zij is niet hier.quot;
âNiet!quot; riep Bol, verwonderd, dat Leentje, wier nieuwsgierigheid en gejaagdheid dien morgen hem niet ontgaan waren, zich nu juist zou verwijderd hebben.
âNeen,quot; hernam Eylar: âik had eerst gemeend, mijn vrouw ook buiten de zaak te houden, zoolang er niets beslist was, doch toen zij er hedenmorgen zelve over begon, heb ik beter geacht, haar dezen brief, en mijn plan om bij u te gaan, mede te deelen, en toen hebben wij samen een voorwendsel uitgedacht om uwe zuster naar Klein Hardestein te lokken, ten einde wij hier met Nicolette vrij spel zouden hebben.quot;
âGoed!quot; zei Bol, en hij verliet het vertrek, waar hij spoedig terugkwam, met Nicolette nevens hem. Zij zag bleek en verlegen : want zij begreep, of liever zij gevoelde, dat er iets gewichtigs ophanden was, waarbij wellicht haar toekomst kon betrokken zijn.
âGa zitten, Nicolette!quot; zei Bol: âje twee vaders, die je hier ziet, hebben je over een belangrijk punt te spreken.quot;
Nicolette ging zitten en begon meteen over al haar leden te beven.
âWees niet beschroomd, lieve meid!quot; zei Eylar; âje weet,
252
dat wij beiden niets wenschen dan je geluk, en voor ons zeiven niets anders bedoelen, dan je in staat te stellen, zelve je toekomst te kiezen.quot;
âIk weet het,quot; zei Nicolette: âmaar mijn lieve pleegvaders weten evenzeer, dat ik alleen wensch te handelen overeenkomstig hun raad en begeerte.quot;
âLuister,quot; zei Bol: âer zijn u twee voorslagen gedaan, waarvan de één een huwelijk betreft.quot;
âEen huwelijk!quot; herhaalde Mcolette, al bleeker en bleeker wordende, en haar zakdoek met een krampachtige beweging tusschen haar vingers vastknijpende.
âJa!quot; vervolgde Bol; âde Heer Snel is hedenmorgen hier geweest en wenscht u tot vrouw te hebben.quot;
âEn verlangen mijn pleegvaders, dat ik hem trouw?quot; vroeg Mcolette, terwijl haar tanden begonnen te klapperen en zij haar zakdoek ineenrolde.
âWij verlangen niets,quot; zei Eylar, âdan alleen, dat je de zaak overlegt. In geval de Heer Snel u niet tegenstaat, zijn wij gereed voor uw uitzet te zorgen. Maar wij eischen geen dadelijk antwoord: je moogt er over nadenken en het voor en tegen overwegen.quot;
âEn wat is het andere?quot; vroeg Nicolette, met een flauwe stem, en gereed om in tranen uit te barsten. Geen wonder: Maurits stond haar voor den geest, toen zij binnenkwam, en nu viel men haar op 't lijf met den ontvanger Snel!
âHet andere is een engagement als gouvernante bij uw pleegvader Van Zirik,quot; zei Bol.
âO! veel liever het laatste,quot; riep Nicolette uit, met een levendigheid, die de beide Heeren deed glimlachen.
âMaar je hebt de kansen nog niet eens beschouwd,quot; zei Eylar: âals je den Heer Snel trouwt, ben je ineens Mevrouw, en je hebt niemands luimen en grillen te ontzien.quot;
âJa,quot; hernam Nicolette, terwijl zij opnieuw haar zakdoek begon te wringen: âindien Mijnheer Van Eylar beter vindt, dat ik Mijnheer Snel tot man neem .... maar toch! .... ik wou liever niet,quot; voegde zij er bij op een weenenden toon.
253
âIk herhaal het,quot; zei Eylar: âniemand denkt er aan, u den geringsten dwang op te leggen. Je moet hier geheel vrij beslissen.quot;
âO! zoo ik kiezen mag,quot; hernam Nicolette: âdan behoef ik niet te aarzelen, en ik neem het vriendelijk aanbod van mijn pleegvader Van Zirik aan.quot;
âLees intusschen, voordat je bepaald ja zegt, wat er van u gevorderd wordt,quot; zei Bol, en reikte haar den brief toe. Nicolette doorliep dien met een soort van onverschilligheid, goedkeurend knikkende toen zij de opsomming las der verplichtingen, die haar zouden worden opgelegd. Toen zij echter aan 't slot kwam en las, hoe haar overkomst spoedig verlangd werd, gevoelde zij als een stekende pijn, op de gedachte zoo plotseling te moeten scheiden van Hardestein en van zoovelen, die zij had leeren kennen en liefhebben: en daarbij stond het beeld van zekeren beminnelijken luitenant niet op den achtergrond. Haar gemoed schoot vol en er glinsterden tranen in haar oogen, toen zij den brief teruggaf.
âWanneer moet ik heengaan?quot; vroeg zij, met een stem, waaraan zij vruchteloos poogde eenige vastheid te geven; âmorgen? â of van avond?quot;
âNu! zulk een haast zal er wel niet bij zijn,quot; zei Eylar, bij wien de ingeboren goedhartigheid wederom bovenkwam, toen hij de smart van Nicolette bespeurde.
âJe hebt gelezen wat er in den brief staat, kindlief!quot; zei Bol, die te recht oordeelde, dat in het bestaande geval, elke vertraging in het uitvoeren van een eenmaal genomen besluit alleen stof tot noodelooze kwelling verschaffen zou: âmorgen zou intusschen wat al te spoedig zijn; want Mijnheer Van Zirik dient op uw komst te worden voorbereid. Wij kunnen hem vandaag schrijven â of liever, je zult het zelve doen: dat zal nog beter houding hebben: â en dan overmorgen met de eerste gelegenheid vertrekken.quot;
âGeloof mij, kindlief!quot; zei Eylar, terwijl hij opstond en haar met hartelijkheid bij de hand nam: âwij zullen evenveel leedwezen als je zelf gevoelen wanneer wij u moeten missen;
254
maar het had er toch eenmaal, wat vroeger of later, toe moeten komen.quot;
âEn zij wist ook wel vooraf,quot; zei Bol, op een toon, waarmede men een kind, dat naar school gezonden wordt, zoekt te beduiden, dat het voor zijn best is, al draagt men zelf de innige bewustheid rond, dat men zijn woorden en troostgronden verspilt: âzij wist, dat haar verblijf hier maar tijdelijk wezen moest en niet anders dan een vacantie, die voor gezette werkzaamheid, zoodra deze zich opdeed, plaats zou moeten maken. Zie, 't had kunnen wezen, dat zij geroepen ware geweest om bij wildvreemden te komen, en nu wordt haar een conditie aangeboden bij iemand, die, reeds van haar geboorte af, zich harer heeft aangetrokken.quot;
âIk ben ook.... ik ben zeer dankbaar,quot; zei Nicolette, terwijl zij haar aandoening zocht te bedwingen en de haar toegestoken handen beurtelings met kussen bedekte, opdat men de tranen niet zien zou, die in haar oogen welden.
âEn nu,quot; zeide Eylar: ânu dit afgesproken is, niet meer achterwaarts, maar moedig vooruitgekeken. Zie â ik zal zelf Vrijdag u naar Utrecht brengen: 't spijt mij, dat ik het niet tot Den Haag kan doen; maar ik moet Maandag weer te Arnhem ter vergadering van de Provinciale Staten1) zijn: â en ik zal u in allen gevalle den conducteur behoorlijk aanbevelen.quot;
âO!quot; zei Nicolette, zich tot schertsen dwingende: âzij zullen mij niet stelen; â maar 't is al te vriendelijk, om mijnentwille die vervelende reis heen en weder te doen, en ik kan het bijna van u niet vergen.quot;
âGekheid,quot; hernam Eylar: âik heb toch het een en ander te Utrecht te verrichten â en bovendien,quot; dacht hij er in zich zeiven bij, âdan is zij onder mijn hoede en ik heb niet te vreezen, dat Maurits den eenen of anderen dommen streek
1
) Men herinnere zich, dat in die dagen, juist andersom dan na de Grondwet van 1848, wel het lidmaatschap der Tweede, maar niet dat der Eerste Kamer (waartoe wij vroeger gezien hebben dat Eylar behoorde) met dat der Provinciale Staten onvereenigbaar was.
doe. â En nu,quot; vervolgde hij overluid: âmaak, dat je koffers morgenmiddag klaar zijn om met den wagen te gaan; dan zal ik Vrijdagochtend te acht uren met het mandewagentje voor zijn om je af te halen. Voor dien tijd zien wij elkander nog wel: je komt toch afscheid nemen van mijn vrouw: â vaarwel! ga nu je brief schrijven. â Ik ga mijn weg.quot;
Al sprekende was Eylar de deur van het vertrek genaderd en, de hand van Bol geschud hebbende, nam hij zijn afscheid.
âZiezoo!quot; zei de predikant, terwijl hij op zijn horloge keek: â't zal nu tijd wezen, dat ik mij naar de kerk bij mijn catechisanten begeef: â wil je nu hier blijven, dan kun je rustig den brief aan den Heer Van Zirik opstellen.quot;
âIk hoop dat ik in staat zal zijn, een opstel te maken, waaruit hij niet al te slechte gedachte van mij opvat,quot; zei Nicolette, met een zucht.
âEi wat!quot; riep Bol: âdenk maar, dat het hier een matter-of-factbusiness geldt, als de Engelschen zeggen, en dat de Heer Van Zirik een man van zaken is, wien men met geen zwierige woorden en hoogdravende betuigingen aan boord moet komen. Schrijf hem kort en goed, dat je Vrijdag met den wagen van Utrecht bij hem hoopt te komen en u verder in zijn gunst en in die van Mevrouw aanbeveelt; dat is al wat er noodig is.quot; â En, haar een kus op het voorhoofd gevende, nam hij het doorgeschoten vraagboekje, dat hij op de catechisatie gebruikte, in de hand, en verliet de kamer.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN TOONEEL, HOEDANIGE IN ROMANS WEL NIET NIEUW ZIJN, MAAR DESNIETTEMIN TOCH ALTIJD TREFFEND BLIJVEN.
Toen Bol zich verwijderd had en Nicolette zich geheel alleen bevond, deed zij wat waarschijnlijk ieder jong meisje in hare plaats gedaan zou hebben: zij viel in een stoel neer en barstte uit in tranen. Spoediger echter dan wellicht met menige andere
256
het geval zou geweest zijn, vermande zij zich weder, was half boos op zich zelve en vond zich dwaas, kinderachtig en ondankbaar. Zij herinnerde zich de woorden van Bol, en zocht zich te beduiden, dat haar een onwaardoerbaar voorrecht te beurt was gevallen, dus onverwachts een stelling in de maatschappij te verkrijgen. Zij oordeelde dan ook niet te lang te mogen dralen met het volvoeren der haar opgelegde taak, nam papier en pen, haalde een inktkoker naar zich toe en begon een opstel te maken, dat haar natuurlijk niet voldeed. Zij begon nogmaals en nogmaals, eer zij in staat was, iets voor den dag te brengen, dat haar toescheen eenigszins overeen te komen met het voorschrift, door Bol gegeven, en waarin noch overbodige betuigingen, noch al te groote stijfheid heerschten. De brief, zooals zij dien nu eindelijk vaststelde en overschreef, luidde als volgt:
âWeledelgeboren Heer! Zeer geachte Weldoener!quot;
Nicolette had eerst: âZeer waarde vaderquot; gezet; doch zij was onzeker, of Van Zirik het wel goed zou opnemen, dat zij hem met dien titel toesprak. Bovendien had er nooit in zijn handelwijze jegens haar eenige bijzondere hartelijkheid gelegen, en zij trof die ook niet aan in de wijze, waarop hij zich, in zijn schrijven aan Eylar, over haar had uitgelaten.
âDe Heer Van Eylar heeft mij kennis gegeven van den brief, dien hij van Uw Ed.-Geb. ontvangen heeft, en van den voorslag, daarin vervat, die mij betreft. Ik ben bijzonder getroffen door dit nieuwe bewijs van welwillendheid, mij door Uw Ed.-Geb. en door Mevrouw Van Zirik gegeven, en ik heb dan ook geen oogenblik geaarzeld om de mij toegedachte betrekking dankbaar te aanvaarden. Mijn vurigste wensch is, dat ik eenigszins zal kunnen beantwoorden, aan den goeden dunk, dien Uw Ed.-Geb. van mijn geringe bekwaamheden schijnt te hebben opgevat, en aan het vertrouwen, dat in mij gesteld wordt. Reeds bij voorraad verblijd ik mij in 't vooruitzicht van met uw
257
lieve kinderen kennis te maken, en hun mijn zorgen te wijden.
Overeenkomstig Uw Ed.-Gebs. voor mij vereerend verlangen, dat ik eenigen spoed zoude maken, zal de Heer Van Eylar de goedheid hebben, mij overmorgen (Vrijdag) naar Utrecht te brengen, vanwaar ik met de diligence verder hoop te gaan en alzoo in den achtermiddag in Den Haag aan te komen.
Na Uw Ed.-Geb. de bijzondere groete te hebben gedaan van de Heeren Van Eylar en Bol, en na Uw Ed.-Geb. verzocht te hebben mijn eerbiedsbetuiging aan Mevrouw te willen overbrengen, heb ik de eer, mij met de meeste hoogachting te noemen,
Weledelgeboren Heer!
Uw Ed.-Gebs. dienstwillige en dankbare Dienaresse,
N. Zevenster.quot;
Zoolang het stellen en overschrijven van den brief Nicolette had beziggehouden, had zij in een staat van spanning verkeerd ; nu haar taak volbracht was, keerden de droevige gewaarwordingen, die zij een poos op den bodem van haar hart had teruggedrongen, met geweld weder naar de oppervlakte terug. Nooit dan op dit oogenblik had zij 't eerst recht gevoeld, hoe beklagenswaardig het voorwerp is, dat ouders noch bloedverwanten, dat zelfs geen wettigen naam bezit. Wat be-teekencle het nu, of zij al een tijdlang in hoogen kring, op gelijken voet met de edelsten van den lande, verkeerd, van dezen vriendschap en welwillendheid genoten had? â Het had geen ander gevolg gehad, dan haar gewend te maken aan een stelling, die niet bestemd kon zijn voortaan de hare te zijn, om haar te doen terugschrikken van de sfeer, waarin zij geroepen zou zijn te leven, en droombeelden kweeken, die nimmer verwezenlijkt konden worden en alleen dienen zouden om haar gedurende haar volgend leven de bitterste kwelling te bereiden. De brief van Van Zirik had haar uit de wereld van
II. - K. Z. 17
258
blijde en zoete idealen, waarin zij zich op Hardestein bewogen had, tot de koude en naakte wezenlijkheid teruggebracht. Of neen, minder nog de brief van Van Zirik: â vooral ook de houding, die haar beide andere pleegvaders dien morgen jegens haar hadden aangenomen: â was het niet, in weerwil dei-hartelijkheid door hen betoond, alsof zij inderdaad zich verheugden over haar vertrek? Leverde dat aandringen op spoed, dat aanbod zelf, door Eylar gedaan, om haar weg te brengen, hier niet het duidelijkste bewijs van? Was dan hun liefde jegens haar nooit zoo groot geweest als zij zich steeds had voorgesteld, of was die ten gevolge van deze of gene omstandigheid verkoeld? â En, in dit laatste geval, welke was die omstandigheid? â Helaas, het viel haar maar al te gemakkelijk, die te raden. Het was, begreep zij, aan haar pleegvaders ongetwijfeld niet ontgaan, dat Maurits haar met meer dan gewone onderscheiding behandelde, en van dat oogenblik af, dit zag zij te duidelijk, was zij op Hardestein te veel. Of zij nu al dan niet aanleiding gegeven had tot het ontstaan van de gevoelens, door Maurits aan den dag gelegd, of zij aan diens neiging tot haar al dan niet door haar gedrag had voedsel gegeven, of zij met of zonder schuld het slachtoffer zou worden van het gebeurde, dit alles kwam bij de twee heeren niet in aanmerking: zij was voortaan een struikelblok, dat niet te-spoedig uit den weg geruimd kon worden, eer het den jeugdigen erfgenaam van Hardestein in zijn loopbaan belemmerde; ja zij was â althans zoo stelde zij het zich voor â behandeld als het schoothondje, dat, na met alle blijken van liefde verzorgd, gekweekt, ja vertroeteld, op den schoot genomen en met lekkernijen en zoete woordjes overladen te zijn, op eens, omdat misschien de mogelijkheid zou bestaan, dat het den zoon des huizes in 't been beet, wordt weggezonden, om, in een afgelegen plaats, den post van een gewoon keffertje waar te nemen.
Maar spoedig nam haar geest weer een andere richting, of liever kwam haar hart tegen beschouwingen op als de zooeven vermelde, en beschuldigde zij zich van ondankbaarheid tegen haar weldoeners, tegen hen, van wier liefde en zorg zij
259
zulke doorslaande bewijzen had gehad; zij overdacht, wat zij, had niet hunne liefde zich harer aangetrokken, geweest zou zijn, en wat zij door die liefde geworden was. Zij keerde in haar verbeelding terug tot die dagen, toen zij nog bij vrouw Ruffel woonde, en vergeleek die niet den tijd, nu te Hardestein doorgebracht; zij zag dien kelder weer, waar zij haar eerste levensjaren had gesleten, dien donkeren, dompigen kelder, met die glazen kast en die latafel, en de prenten van Jan de Wasscher tot pronk aan den wand; â en, als contrast, die groote zaal op 't Huis te Hardestein, waar zij was ontvangen; die zaal met haar prachtig loof-, snij- en beeldhouwwerk, waar aan den wand de afbeeldingen hingen der leden uit het adellijke geslacht der Eylars: van roemruchtige krijgsoversten, die hun lauweren bij Nieuwpoort, bij St.-Denis, bij Agrim, bij Blenheim of Malplaquet gewonnen hadden: van kloeke staatslieden, die Nederland aan de Hoven van Europa vertegenwoordigd hadden: van vrouwen, die aan 't hoofd van stiften, van abdijen, van vorstelijke hofhoudingen hadden gestaan. Zou haar, de vondeling, de wees uit de Bloemdwarsstraat, een plaats voegen tusschen dat adellijk gezelschap ? Was de gedachte, dat zoo iets mogelijk kon zijn, niet reeds de ongerijmdheid zelve, en, zoo Maurits ooit den afstand had kunnen vergeten, die tusschen hen beiden bestond, was het dan haar plicht niet geweest, dien beter en bestendig voor oogen te houden, en had zij niet in haar gedrag jegens hem meer koel en terugstootend moeten zijn? Neen gewis, zij was te veroordeelen, en elke maatregel was rechtvaardig, die genomen kon worden om haar te straffen voor haar laatdunkendheid, en om de dwaze luchtkasteelen, die zij had durven bouwen, in damp te doen vervliegen. Maar hoe meer zij op die wijze haar best deed om aan de stem der koele rede gehoor te geven, en zich zelve te overtuigen, dat alles wat er geschiedde voor haar best was, hoe meer zulks strekte, om haar dieper nog haar afhankelijkheid te doen gevoelen; en dat gevoel was alles behalve opbeurend en vertroostend. â Weder begonnen haar tranen opnieuw te vloeien en, met het
260
hoofd in de hand voorover op de tafel gebukt, murmelde zij halfluid: â't Is voorbij voor altijd: en ik zal, ik mag hem nimmer meer zien .... Maurits!quot;
Op ditzelfde oogenblik werd er aan de deur getikt, en deze, zonder dat het antwoord gewacht werd, ontsloten â en, als moesten Nicolettes woorden onmiddellijk wedersproken worden, Maurits Van Eylar stond voor haar.
Er ontstond een oogenblik van strijd, waarin beiden elkander spraak- en bewegingloos bleven aanstaren: zij, ontzet over de plotselinge verschijning van den man, die 't voorwerp van haar gedachten uitmaakte: hij, niet minder ontsteld, rnaar meer bepaald over de smartelijke uitdrukking, die haar gelaat vertoonde. En dan rees bovendien bij elk van beiden de gedachte op, dat deze ontmoeting beslissend kon zijn voor hun geheel volgend leven. Was het wonder, dat, in de eerste oogenblikken, noch de een noch de ander bedaardheid van geest genoeg bezat, om te overwegen, op wat wijze het gesprek moest aangevangen worden, of kracht genoeg, om hetgeen te zeggen viel met gepaste woorden in te kleeden.
Eindelijk begreep Maurits toch, dat hij het eerst het woord moest opvatten; maar hij kon niet anders uitbrengen dan de op angstvollen toon gesproken woorden: âmijn God! Nicolette! schort er wat aan?quot;
't Is honderdmalen gezegd en behoeft dus niet opnieuw betoogd te worden, dat, bij ontmoetingen als deze, een vrouw altijd spoediger de noodige tegenwoordigheid van geest herwint en de gevoelens van het hart beter weet te beheerschen dan een man. â âIk moet sterk zijn,quot; had Nicolette bij zich zelve gedacht, zoodra zij weder denken kon, en uit haar hart was een gebed tot God gerezen om haar kracht te schenken in deze ure van beproeving. Zij voelde zich dan ook gesterkt, en, alle sporen van tranen snel uit hare oogen wegwisschende, zeide zij tot Maurits:
âJe hebt mij aan 't schrikken gemaakt. Ik was gaan zitten schrijven, terwijl Dominee uit was. â Kwam je Dominee zoeken. Jonker? die is voor 't oogenblik nog op de catechisatie.quot;
201
De toon, waarop dit alles gesproken werd, was zoo koel, zoo afwijkende van dien, welken Maurits gewoon was uit Nicolettes mond te vernemen, ja zelfs zoo weinig vriendelijk, dat de arme knaap er geheel van versteld stond, en niet wist of hij voor- dan achteruit zou gaan.
âHet spijt mij, dat ik zoo onbescheiden ben,quot; bracht hij, eenigszins hakkelend, uit: âik wilde liever mijn pink missen dan u schrik aan te jagen of 't minste leed te veroorzaken. â Antje zei... . je waart hier â en alleen; en ik had .... ik wilde____quot;
âJonker Maurits weet toch,quot; viel zij in, hopende op die wijze een verklaring, die zij vreesde, te voorkomen: âJonker Maurits weet toch, wat de betamelijkheid voorschrijft, en dat, al is hij hier altijd een welkome gast, ik, wanneer er niemand anders in huis is, geen bezoeken van hem kan ontvangen.quot;
âIk weet het.... het is ongepast.... het is .... ik zal gaan,quot; stotterde Maurits; maar daar schonk op eens het besef, dat hij een gelegenheid, zoo gunstig als deze, niet licht zou terugvinden, en zich daarom haasten moest haar waar te nemen, hem eenigen moed, en, in plaats van te gaan, deed hij de deur dicht en zeide: âik herhaal het, je hebt gelijk.. .. in 't algemeen namelijk; maar wanneer het nu het geluk van mijn leven is, dat afhangt van een onderhoud met u, dan dien ik mij toch over die gewone vormen heen te zetten.quot;
Nicolette was, reeds bij het binnenkomen van Maurits, opgerezen en in onveranderde houding bij de tafel blijven staan, terwijl zij met de eene hand den rug vastkneep van den leuningstoel, en in de andere haar zakdoek krampachtig ineenfrommelde. Bij de laatste woorden van Maurits had zij gevoeld, dat zij bleek werd; doch haar besluit was even vast en onwankelbaar, haar moed even krachtig gebleven, en, de oogen, die zij een poos naar den grond gewend had, opslaande, zag zij Maurits, die tegenover haar aan de tafel was komen staan, met een blik aan, waaraan zij, al bloedde haar hart, een uitdrukking van vroolijkheid wist te geven, terwijl zij op schertsenden toon tot hem zeide:
262
âJe hebt gelijk: het zou ook heel ongelukkig wezen,, als wij niet eenmaal afscheid van elkander namen. Ik ga overmorgen van hier.quot;
âVan hier!quot; herhaalde Maurits, verbaasd.
âJa!quot; antwoordde zij; âik ga naar Den Haag om er bonne te worden bij de kinderen van Mevrouw Van Zirik.quot;
Zij had kunnen zeggen gouvernante; maar zij bezigde met opzet het woord, dat eene lagere dienstbetrekking aanduidde, om te beter den afstand te doen voelen, die voortaan tusschen hen beiden op de maatschappelijke ladder zou bestaan. Zij sprak wijders het woord uit zonder eenigen zweem van spijt of smaad, maar integendeel met de grootste natuurlijkheid in haar toon. Heel anders klonk de zijne, toen hij het herhaalde:
âBonne! ââ maar dat is immers scherts?quot;
âZie eens, ik wil u allen twijfel ontnemen,quot; hervatte zij, terwijl zij hem den brief toereikte, door haar even te voren geschreven: âje moogt mijn antwoord op den voorslag van mijn pleegvader Van Zirik gerust lezen: ik moest het nog aan Dominee toonen, om te weten of er geen fouten in waren; misschien weet de Jonker die wel te ontdekken.quot;
Maurits nam werktuiglijk den brief aan en liet er bijna even werktuiglijk zijn oogen over gaan. âMaar dat kan niet!quot; riep hij, na volbrachte lezing uit.
âNiet alleen kan het,quot; hernam Nicolette: âmaar het zal gebeuren. Overmorgen heeft Mijnheer uw broeder de goedheid, mij weg te brengen â en daar ik niet weet, of ik u zien zal, wanneer ik afscheid van Mevrouw A^an Hardestein nemen konij zoo zal ik deze gelegenheid maar waarnemen om u goeden dag te zeggen.quot; â Meteen stak zij hem de hand over tafel toe.
Maurits greep die aan: zij was koud als marmer; maar zij beefde niet, als de zijne deed.
âO!quot; riep hij: âdie hand.... laat mij die behouden voor altijd en verscheur dien noodlottigen brief.quot;
Maar verre van aan het verzoek te voldoen, trok Mcolette
2(33
haar hand terug alsof een giftig dier haar gestoken had; immers nu zou, vreesde zij, die hand gebeefd hebben, en zij was vast besloten, geen zwakheid te toonen.
âJonker!quot; zeide zij: âdit is niet wel van u: zulke woorden moest een arm meisje, zooals ik ben, uit uw mond niet hooren.quot;
âWat arm!.... en wat vraag ik daarnaar?quot; barstte Mau-rits los, die, nu hij eens het ijs gebroken had, geen moeite meer had om voort te gaan: âen waarom zou je niet mogen hooren, dat ik u liefheb, en nooit een andere vrouw zou willen hebben dan u.quot;
âIk herhaal het,quot; zei Nicolette, terwijl zij op droefgeestige wijze het hoofd schudde: âhet is niet wel van u, zulke woorden tegen mij te bezigen, al schijnen zij nog zoo vereerend. Zelfs in 't geval, dat ik in mijn hart iets meer dan gewone vriendschap voor u voedde, zou het immers een dwaasheid zijn van uwe zijde, een huwelijk te willen sluiten, dat uw moeder en al de uwen met reden zouden afkeuren, en dat u zou doen vervallen van de hooge uitzichten, die voor u geopend zijn; en van mijne zijde zou het meer dan een dwaasheid, het zou een slechtheid zijn, de hinderpaal te willen worden voor uw toekomstig geluk.quot;
âWat geluk!quot; zei Maurits: âik kan mij geen geluk voorstellen, dan met u aan mijn zijde. Geld heb ik genoeg: over die vooroordeelen van rang en geboorte zijn er meer heengestapt, en ten gevalle van meisjes, die minder in allen deele volmaakt waren: mijn moeder weigert mij niets, en bovendien heeft zij u hartelijk lief â en mijn broeder ook. â Zeg maar ja, en dan zul je al die zwarigheden zien wegsmelten als sneeuw voor de zon.quot;
Ja zeggen! â gewis had het arme meisje, indien zij alleen de inspraak van haar hart gevolgd had, niets liever gedaan; doch zij smoorde die stem, om alleen te hooren naar 't geen zij oordeelde, dat plicht haar voorschreef; bekende zij haar neiging voor Maurits, dan zou er alleen een redetwist kunnen ontstaan over het meer of min gewichtige der bestaande
264
zwarigheden, een redetwist, waarin zij gevoelde, dat zij ten slotte voor zijn welsprekendheid zou moeten zwichten: â verstandiger en beter achtte zij het dus, hem alle hoop op wederliefde te ontnemen, en daardoor de zaak reeds in den aanvang uit te maken voor altijd, 't Is waar, zij kon dat niet doen, dan door een logen; maar een logen, waar zij de toekomst des geliefden mede redden en waarvan zij alleen het slachtoffer zijn moest, zou haar, vertrouwde zij, niet als zonde worden toegerekend.
âHoor eens Jonker!quot; zei zij; âik mag u niet op die wijze laten voortgaan; want je verkeert in een dwaling: uw gezelschap was mij altijd aangenaam: â wij hebben te zamen geschertst en gelachen, misschien ben ik vroolijker en vrijpostiger geweest dan mij betaamde; en in zooverre is het mijne schuld, indien door u daaruit de gevolgtrekking is opgemaakt, dat er bij mij eene neiging ontstaan was van gelijken aard als op dit oogenblik door u schijnt gevoed te worden. Dit is gelukkig-niet het geval; want dan ware ik bitter te beklagen. Ik ben arm en zonder geboorte, en dus zou reeds daarom alleen een
huwelijk tusschen ons een bron van ramp voor beiden zijn____
neen! laat mii uitspreken, bid ik u: â ik ben arm, zeg ik; maar al ware ik rijk en u gelijk in alle opzichten, dan nog zou ik, als nu, u zeer dankbaar zijn voor de onderscheiding, mij betoond, maar u toch evenzeer verzoeken, uw genegenheid elders te plaatsen.quot;
âHoe!quot; zei Maurits, nauwelijks hoorbaar: âje zoudt mij werkelijk geen liefde kunnen schenken ?quot;
âDie liefde, welke ik begrijp, dat een vrouw voor een echtgenoot gevoelen moet, neen,quot; antwoordde Nicolette, terwijl zij een bijzonderen nadruk op dat neen legde, 't Was als had zij het bewustzijn, dat haar heldhaftige leugen geen geloof zou vinden, tenzij die door een krachtige taal bevestigd werd.
âIk zie het al,quot; zei Maurits, geheel ter neer geslagen; âeen ander is mij voor geweest.... zoo Drenkelaer . . . .quot;
âDrenkelaer!quot; herhaalde zij, hem met eenige verbazing aanziende.
205
âMaar wacht u voor hem,quot; vervolgde Maurits, met tranen in de oogen: âhij meent het niet zoogoed met u als ik het deed: hij zal van geen trouwen tot u spreken; hij heeft heel andere oogmerken.quot;
âMaar nu ben je geheel op een dwaalspoor,quot; zei Nicolette, evenzeer verbaasd als ontroerd: âde Heer Drenkelaer heeft mij nooit een enkel woord toegevoegd, waaruit ik zou kunnen opmaken dat hij zelfs in de verste verte aan mij denkt.quot;
âNiet?quot; riep Maurits: ânu dat is voor 't minst één troost in mijn leed. Maar zeg mij, Nicolette! als uw hart nog vrij is, zou er dan geen hoop voor mij zijn, dat je nog eenmaal tot andere gedachten kwaamt?quot;
âNiet de minste,quot; antwoordde zij: âmaar er is wel hoop, althans bij mij, dat iemand, die zooveel gezond verstand en wakkerheid van geest bezit als ik u toeken, spoedig genezen zal van de tijdelijke neiging, die de dagelijksche omgang en gewoonte bij hem heeft doen geboren worden, en zijn oogen vestigen zal op een voorwerp, dat hem meer waardig is en hem beter waardeert. â En nu,quot; vervolgde zij, bespeurende dat hij altijd staan bleef in dezelfde houding: ânu zal het, geloof ik, tijd zijn, een einde te maken aan een onderhoud, dat verder zonder doel en voor ons beiden pijnlijk worden zou. Vaarwel, Jonker! ik dank u voor de genoegens, die je mij hebt verschaft, voor de vriendschap, die mij door u betoond is. Wees niet boos op mij en vergeef mij: ik zal mij altijd verheugen, als ik hoor, dat het u wèl gaat.quot;
Maurits nam de hand, die zij hem onder 't uitspreken dei-laatste woorden had toegestoken: die hand was nog altijd koud als marmer; en zij bleef het, ook toen hij er een warmen kus op drukte. Toen liet hij die los, nam zijn hoed en, na een pijnlijk âvaarwel!quot; uitgestooten te hebben, stoof hij de kamer uit.
Nicolette bleef een poos nog op dezelfde plaats staan, luisterende naar den stap des jongelings, die zich verwijderde. Zij hoorde hem de zijkamer doorgaan : â de voordeur openen: ââ het tuinhekje dichtslaan. Toen hoorde zij niets meer, en wist
266
zij dat hij weg was: weg, met de overtuiging, dat hij haar onverschillig was. En toen wist zij niet meer, of zij wel of kwalijk gedaan had, hem te misleiden: niet meer, of haar logen grootmoedig dan onedel was: zij wist alleen, dat zij bitter ongelukkig was: al haar kracht was geweken; het korts te voren als tot ijs gestolde bloed vloeide met koortsige drift weder door de aderen: het bleeke gelaat en de kille handen gloeiden als vuur; de knieën knikten onder 't lijf, en als een wanhopende zonk zi) voor den stoel, waar zij op gezeten had, neder op het vloerkleed, liet, voor de zitting geknield, het hoofd daar overheen zakken, borg haar gelaat in haar handen, bleef een geruimen tijd snikkende en schreiende in die houding â alles op aarde vergetende en met het beeld voor den geest van hem, wiens liefde zij zoo innig beantwoordde en zoo fier versmaad had. Dat gehoor zelfs, zoo straks nog zoo fijn, toen Maurits zich verwijderde, scheen haar thans geheel verlaten te hebben: immers het waarschuwde haar niet, toen Bol den tuin binnenkwam, niet, toen hij aan Antje vroeg, of er iemand geweest was, niet, toen hij op het bekomen antwoord zijn stap versnelde, niet, toen hij voor de kamerdeur stond; en hij was reeds binnen, toen zij met schrik opsprong en tegenover hem stond.
âWat is er gebeurd?quot; vroeg hij, terwijl zijn anders zoo kalm en effen gelaat een meer dan gewone onrust vertoonde: âik hoor, Maurits is hier geweest? .... hij heeft u toch niet beleedigd?quot;
âNeen!quot; antwoordde zij, hem om den hals vallende en haar gelaat op zijn borst verbergende.
âNiet! â dan misschien nog erger.... heeft hij.... O, dwaas die ik ben, u alleen te laten, als ik zoo iets had moeten voorzien.quot;
âStel u gerust, Vader!quot; zei Nicolette: âhet is de verrassing.... de ontroering.... Maar alles is over â voorgoed over.quot;
âOver? wat?quot;
âMaurits heeft mij .... ten huwelijk gevraagd . . . .quot;
âO die onvoorzichtige! .... en . . .
2(57
âEn ik heb hem gezegd, dat ik hem niet lief had,quot; antwoordde Nicolette. Zij had bij het uiten dezer woorden Bol even aangezien en toen als verschrikt het hoofd weer laten vallen; maar die voorbijgaande ontmoeting van haar blik met den zijnen was genoeg geweest, om hem te doen beseffen, welk offer Nicolette gebracht had.
âJe bent een braaf en edel kind,quot; zei hij, een kus op haar voorhoofd drukkende, âen God zal het u loonen. Maar ga nu naar uw kamer: uw zenuwen zijn geschokt, en 't best wat je doen kunt is, dat je poogt te rusten. Ik zal dat bij mijn zuster wel goedmaken, als zij thuis komt: 't is beter, dat niemand, zelfs zij niet, iets van het hier voorgevallene verneemt. Vraagt zij u, wat Maurits hier is komen doen, zeg haar dan eenvoudig, dat hij mij een boek terugbracht, en dat je hem toen hebt verteld, dat je van hier gingt, â dat heb je toch zeker gedaan ?quot;
âDat heb ik,quot; zeide zij: âmaar de brief.... zou die zoo goed zijn?quot;
âJa, dat is waar,quot; zei Bol, den brief opnemende en haastig doorloopende: ânu! â die kan zoo blijven; ik zal zelf nog een paar regels aan den Heer Van Zirik schrijven, en het een en ander te zamen verzenden. Ga nu gerust naar uw kamer, tracht wat te rusten: â je zult morgen nieuwe krachten noodig hebben.quot;
Nicolette volgde den raad, die haar gegeven was, en ging naar boven. Bol zette zich aan zijn tafel en schreef aan zijn voormaligen academievriend in Den Haag. Met opzet bezigde hij den toon van vroegere hartelijkheid, in de hoop, dat zulks een goeden indruk op hem teweegbrengen en hem te vatbaarder maken zou om al het goede te gelooven, dat hij omtrent Nicolettes karakter en bekwaamheden mededeelde. â âZiezoo!quot; zei hij, bij zich zeiven, toen hij zijn taak volbracht had en de beide brieven onder één couvert deed: âzoo zij nu bij hem geen vriendelijk onthaal geniet, is het mij niet te wijten. Maar hij zal haar goed behandelen, of hij zal met mij te doen hebben.quot;
2tjS
DERDE HOOFDSTUK.
VOOKBEEEIDSELEN TOT NICOLETTES VERTREK VAN HAEDESTEIN.
Niet lang nadat de brief dichtgemaakt en op de post bezorgd was, kwam Juffrouw Leentje te huis.
âWaar is Mcolette?quot; vroeg zij met een stemgeluid, dat de voorbode scheen van een donderbui.
âDie is met zware hoofdpijn naar haar kamer,quot; antwoordde Bol, die, toen hij zijn zuster had zien naderen, zich terstond naar de huiskamer begeven had, om alle gesprekken tusschen haar en de dienstmaagd te voorkomen.
âHoofdpijn! Hoe komt zij nu aan hoofdpijn?quot; vroeg Juffrouw Leentje, verbaasd, en half verheugd er bij; immers zij kon zich niet voorstellen, hoe, in geval het bezoek van Snel Mcolette had gegolden, het bericht daarvan hoofdpijn bij haar zou hebben kunnen verwekken: en zoo begon zij hoop te voeden, dat de ontvanger om haar zelfs wille gekomen was.
âJa, 't is nogal niet te verwonderen,quot; hernam Bol: âzij zal ons overmorgen verlaten, om bij Van Zirik gouvernante te gaan spelen: en 't een met het ander is, dunkt mij, genoeg om iemands zenuwen aan den gang te maken.quot;
âOns verlaten! â Gouvernante bij Van Zirik!quot; herhaalde Leentje, de handen in elkander slaande: âen ik heb daar niets van gehoord! Is dat alles zoo in 't geheim en buiten mij om bedisseld? quot;
âiSToch 't een, noch 't ander,quot; antwoordde haar broeder; âde zaak is opgekomen en beklonken, terwijl je van huis waart. Llier is de brief van Van Zirik aan Eylar, dien je lezen kunt: Mcolette heeft niet geaarzeld een toestemmend antwoord te geven, en overmorgen vertrekt zij.quot;
âZoo!quot; merkte Leentje aan, terwijl zij den brief aannam: âmoest ik daarom van huis gestuurd worden, om niet bij den geheimen raad te assisteeren, die over dezen brief vergaderen moest. Want wat Mevrouw Mietje mij te zeggen had, had zij
269
ook evengoed tot morgen kunnen uitstellen.... en 't was meest het oude gezanik over dingen, waarover men haar niet raadpleegde, en die toch net zoo uitkwamen als zij voorzegd had, al was zij dan maar een dom mensch, en zoo meer; waar zij 't eigenlijk deze reis over had, heb ik niet kunnen raden.quot;
âZou je den brief niet lezen?quot; vroeg Bol, glimlachende bij de gedachte, dat hij gemakkelijk een sleutel tot dat raadsel verschaffen zou.
âNu,quot; zei zijn zuster, nadat zij de lezing volbracht had: âdat zal ook een verandering zijn voor ons juffertje! zij zal daar zoo'n vroolijk leventje niet hebben als zij hier leidde, en ik kan begrijpen, dat haar dat bericht als een emmer koud water op 't lijf valt.... ofschoon zij wist, dat het haar voorland was; .. . . maar zeg eens, wat had Snel hier van morgen toch met je te verhandelen?quot;
âSnel?quot; herhaalde Bol, op een toon van onverschilligheid, die Leentje deerlijk uit de koets deed vallen: âOch, die kwam mij onderhouden over persoonlijke aangelegenheden, en heeft mij geen vrijheid gegeven, daarvan opening te geven aan derden.quot;
âEi zoo!quot; mompelde de teleurgestelde vrijster: ânu, ik moet zeggen, 't zijn wel dagen van geheimenissen en wonderen. â Je vriend Eylar heeft je zeker verteld, wat er gisteravond gebeurd is, na ons vertrek.quot;
âNeen,quot; antwoordde Bol: âis er iets van gewicht voorgevallen?quot;
âNu! ik moet zeggen, jijlui mans zijn toch rare wezens. Is hij zoo lang bij je geweest, en heeft hij je niet eens van dat voorval met Bettemie gesproken?quot;
âNeen,quot; antwoordde Bol, met eenige levendigheid: âis er met Bettemie iets gebeurd?quot;
âWel, zie mij zulke menschen eens aan,quot; hernam Leentje: âof er wat met haar gebeurd is? Geen kleinigheid, hoor! Zij is tegen Le Mat uitgevaren, en heeft hem beschuldigd, dat die haar een kwaden naam gaf, en Mijnheer Drenkelaer heeft
270
met Le Mat ruzie gehad, bij vechten af, en Verdrongen is er ook al bij te pas gekomen.... enfin! 't is een tumult geweest, je leven zoo niet! â wij konden pas de oranjerie verlaten hebben, toen 't gebeurde, 't Is Mevrouw Mietje, die 't mij verteld heeft. Bettemie was meer dood dan levend, en is terstond met haar Tante heengegaan.quot;
âNu! dat is treurig!quot; zei Bol: âen 't is inderdaad vreemd,, dat Eylar.... zeker heeft die brief over Nicolettes belangen hem belet aan iets anders te denken .... Maar sprak je niet van Drenkelaer? Hoe kwam die in de zaak gemoeid?quot;
âWeet ik het?quot; vroeg Leentje; â âik weet alleen wat ik van Mevr. Mietje gehoord heb, en die was er zelf ook niet bij geweest. Alleen heeft zij gezien, dat Verdrongen nog half gevochten heeft met dien ruwen Majoor, en dat Jacomina een zenuwtoeval heeft gehad, en Julie Le Mat ook.quot;
âMijn hemel!quot; riep Bol: âik zou haast met Badeloch zeggen: wat hoor ik hier al leeds! â doch 't spijt mij bijzonder van Bettemie: en ik hoop maar, dat het geen nadeelige gevolgen voor haar hebben zal. â Intusschen, 't beste zal zijn, dat wij over 't gebeurde vooreerst maar niet met Nicolette spreken, die al zenuwachtig genoeg is.quot;
âJa, dat is waar,quot; zei Leentje: âen nu is het tijd, dat ik eens ga kijken, hoe zij het maakt, en hooren, of zij niets noodig heeft.quot;
Vrouwen zijn altijd van nature medelijdend en schier zonder uitzondering tot ziekenoppasters geboren. Of zich nu bij de zucht om deelneming te toonen en dienst te bewijzen niet bij Juffrouw Leentje een groote mate vau nieuwsgierigheid voegde, wil ik niet beslissen. Zeker is het, dat Bol niet zonder vrees was voor de vragen, die hij voorzag, dat zijn zuster aan Nicolette zou doen, en maar hopen moest, dat deze laatste zich goed zou houden en niet meer vertellen dan noodig was. Hij begreep echter, dat er geen redelijk bezwaar was in te brengen tegen het voornemen van Leentje, en liet haar dus ongehinderd naar boven trekken. Zijn bezorgdheid bleek gelukkig geheel zonder grond te zijn geweest. Zelfs onder het diepste
271
leedgevoel verliest een vrouw, vooral tegenover een andere vrouw, haar natuurlijke slimheid niet. Nicolette, die, van dat zij op hare kamer gekomen was, naast haar bed gezeten had met den neus in 't kussen, aan haar gedachten en tranen den vrijen loop latende, had Juffrouw Leentje niet zoodra hooren thuiskomen, of zij was opgesprongen en had het vaste voornemen opgevat haar smart te beheerschen en niets te laten blijken. Niet alleen had zij alle sporen van gestorte tranen zooveel mogelijk uit de oogen en van 't gelaat weg-gewischt; maar zij had ook haar ochtendgewaad uitgetrokken om het kleed aan te doen, dat zij gewoonlijk aan tafel droeg, en zij was reeds bijna geheel klaar, toen Juffrouw Leentje binnenkwam.
âWel, hoe heb ik het nu?quot; vroeg deze: âDominee zeit, je hadt hoofdpijn en waart naar bed gegaan, en ik vind je kant en klaar.quot;
âOch! 't heeft niets meer te beduiden,quot; zei Mcolette: âje bent al te vriendelijk: 't is alweer over: â ik was maar wat bedroefd van het denkbeeld, een huis, waar ik zooveel vriendschap genoten heb, wie weet voor hoe lang te moeten verlaten. Dominee heeft u zeker verteld, dat ik wegga.quot;
âNu, ik begrijp, dat je 't maar half pleizierig vindt,quot; zei Juffrouw Leentje: âmaar je moet denken, 't was nu eenmaal je bestemming.quot;
âWel zeker!quot; viel Nicolette haastig in: âen ik ben ook recht dankbaar en tevreden, dat ik zoo spoedig zulk een goede conditie krijg; maar toch, dat neemt niet weg, dat het mij veel kosten zal, van Dominee en van u te scheiden.quot; â En meteen drukte zij op de taankleurige wang van Juffw. Leentje een kus, waarin meer oprechte hartelijkheid gelegen was, dan zij zelve misschien bedoeld quot;had, er in te leggen. Maar wie als balling zijn land verlaten moet, ziet zelfs het kale duin of de dorre haag, die hij wellicht voor 't laatst aanschouwt, met aandoening aan: en keert hij terug, hij zal het naakte strand kussen, waar hij voor 't eerst weder den voet op zet. Dat duin, die haag, dat strand zijn hem de zinne-
beelden van het land, dat hij liefheeft, en als zoodanig bekoorlijk in zijn oog en dierbaar aan zijn hart; â en zoo was het hier niet alleen de wang van Juffw. Leentje, die Mco-lette kuste, die kus gold al de voorwerpen van genegenheid, van liefde, van herinnering, die zij op Hardestein achterliet. â Maar dat wist zij zelve nauwelijks en Juffrouw Leentje in 't geheel niet, wier gemoedsgesteldheid nu ten eenenmale veranderd en verzacht bleek te zijn. Had zij dien morgen een heimelijken wrok tegen Mcolette gekoesterd, toen zij haar als een gevaarlijke medeminnares, als een looze coquette beschouwde, nu het meisje voorgoed heenging was die reden tot spijt en wrevel geheel vervallen: ja nu kwam het haar voor den geest, dat zij toch in haar een lief gezelschap en vrij wat hulp gehad had, en dat â als die kus getuigde â Nicolette veel van haar hield. â De bui was voorbijgedreven zonder los te barsten, en met wederkeerige hartelijkheid zei Juffw. Leentje, dat zij nu maar naar beneden gaan zouden en Dominee wat bruien, dat hij ongerustheid aan den dag legde over een beetje hoofdpijn, door een natuurlijke aandoening veroorzaakt. â Dominee liet zich bruien, en toch wTas hij maar half gerust; want hij begreep, dat Nicolette bedaarder en opgeruimder scheen, dan zij werkelijk was, en hij was niet zonder zorg voor den weerstuit, die volgen moest. âMet dat al,quot; dacht hij bij zich zeiven, âzij is jong: de reis, de verandering van gezichten, de bezigheden, aan haar nieuwen staat verknocht, dat alles zal haar afleiding geven en een weldadi-gen invloed uitoefenen op haar gestel. Daarbij is het nog de vraag, of werkelijk Maurits zulk een diepen indruk op haar gemaakt heeft.quot;
Wat daarvan wezen mocht. Bol achtte het nuttig, dat Nicolette reeds dadelijk buiten de mogelijkheid gesteld werd, zich aan mijmeringen toe te geven, en bracht haar daarom, aan den disch reeds, onder 't oog, hoe 't noodig was, dat zij dienzelfden avond nog eenige afscheidsbezoeken in 't dorp ging doen, waarbij hij haar gaarne vergezellen zou. Juffrouw Leentje verkoos mede van de partij te zijn, en zoo trok het drietal
273
terstond na den maaltijd uit, om, overal waar men kwam, bij de Dames Prawley, bij Jeannette Fix, bij den notaris, bij Zuring, bii ettelijke anderen meer, dezelfde vertelling te doen, dezelfde uitroepen van verwondering, van leedwezen, van aanbeveling in de voortduring der vriendschap enz. te hooren, eenigszins gevarieerd, naarmate de personen, die men bezocht, meer of minder met Den Haag bekend waren, en dus meer of minder in staat, aan Nicolette eenige nuttige wenken te geven aangaande hetgeen zij vermoedelijk zou hebben te bewonderen en in acht te nemen, aan welke predikanten en aan welke winkels zij er de voorkeur zou hebben te schenken, welke wandelingen er de liefste waren, en op welk uur het in het Bosch het aangenaamste was: bij al hetwelk Bol niet nalaten kon, nu en dan aan de sprekers of spreeksters te herinneren, dat Juffrouw Zevenster zich niet in Den Haag zou vestigen als vrouw van een uit de Oost gekeerden resident of vermogenden handelaar, die naar eigen verkiezing kon rijden, wandelen en uitgaan, maar in de hoedanigheid van een gouvernante, die niet uitgaat dan met haar leerlingen, en alleen naar die plaatsen, kerken of winkels, waar dezen worden heen-gestuurd. Het was ook alleen met deze opmerking, dat hij 't zwijgen kon opleggen aan sommigen onder diegenen, die zij bezochten, als die reeds bezig waren om aan Nicolette allerlei commissies op te dragen: deze voor een trommel Haagsch banket, gene voor een half pond hopjes, een derde voor een paar flesschen eau de lavende, een vierde voor stof voor een japon â terwijl daarbij doorgaans in het midden werd gelaten, of men het opgenoemde voorwerp als een welkom geschenk verwachtte, dan wel als besteld goed, 't welk men voorhad te betalen.
Het was goed, dat Bol, voor hij van huis ging, het verbod had opgeheven, om aan Nicolette het gebeurde met Bettemie te vertellen; want waar men kwam, leverde dit, als men denken kan, stof tot onderhoud. Natuurlijk werd het voorval in ieder huis met verschillende kleuren en andere bijvoegselen gestoffeerd, zoodat het wel onmogelijk zou geweest zijn, uit al de ii. - k. z. is
274
uiteenloopende narichten een âecht en nauwkeurig verslag van 't gebeurdequot; te maken, en Bol dan ook voornam, zijn oordeel daarover op te schorten, tot hij zelf op Doomwijck geweest zou zijn en Bettemie hebben gesproken.
Nicolette was eerst bang geweest, den Heer Snel op de af te leggen bezoeken te ontmoeten, daar zij toch begreep, dat, na het voorgevallene, zulks beiden in een minder aangename stelling brengen zou; doch Bol had gelegenheid gevonden, eer zij uitgingen, en op een oogenblik, dat zijn zuster uit de kamer was, haar op dit punt gerust te stellen. Snel, dit wist hij, had dien avond zijn controleur bij hem, en zou dus niet uitgaan, terwijl hij den volgenden morgen tijdig een briefje van Bol ontvangen zou, waarbij hem beleefdelijk kennis gegeven werd van de wijze, waarop zijn aanzoek door Nicolette was opgenomen, en van haar aanstaand vertrek.
Het afleggen van afscheidsbezoeken is doorgaans, en was ook nu een weinig vermakelijke zaak; toch had het deze reis de uitwerking, die Bol er zich van had voorgesteld, namelijk dat het Nicolette als in een soort van rosmolen rond voerde, en zij half versuft en geheel vermoeid weder aan de pastorie kwam. Daar werd wederom eerst nagegaan, of men ook nog iemand vergeten had, en, toen dat punt was afgehandeld, in 't breede de vraag besproken, of Nicolette al haar goed zou kunnen meenemen, dan of er nog voorwerpen waren, die haar moesten worden nagestuurd. Ter beoordeeling daarvan werd de lijst van haar eigendommen aan lijfgoed en sieraden voor den dag gehaald, opgelezen, nageplozen, het al of niet waarschijnlijke overwogen, of sommige kraagjes, doekjes, kousen of andere kleedingstukken, die uit de wasch gekomen waren, morgen droog en ter inpakking geschikt zouden zijn, de vraag geopperd, of de koffer en de doos, die beide bij 't laatste vervoer geleden hadden, niet eenig herstel zouden behoeven, enz. enz., al welke belangrijke onderwerpen hetzelfde heilzame gevolg hadden als de afgelegde bezoeken, te weten, dat zij het brein van Nicolette zoozeer met werkelijke dingen en beuzelarijen bezig hielden, dat er voor haar geen gelegenheid wasr
275
aan het spel der verbeelding toe te geven, of aan haar smart te denken. â quot;Wie het dragen van rouwkleederen en het bedrijven van rouwplechtigheden heeft uitgevonden weten wij niet; maar wel weten wij, wat hij niet wist, en nog veel minder bedoelde, namelijk dat hij daarmede het beste geneesmiddel uitvond tegen overmatige droefheid. Pas toch heeft men aan den meest geliefden doode de oogen gesloten, of zie, daar moet de timmerman besteld om de kist te maken, en de verdiensten of aanspraken der lijkbezorgers, die hun kaartje komen brengen, overwogen worden, en voor een graf gezorgd, en papier besteld, en brieven geschreven en advertenties opgesteld, en ceêlen gemaakt worden, en er moet rouwgoed gekocht en met modemaaksters en naaisters gesproken, en krip om de hoeden geslagen en zwarte handschoenen aangeschaft worden, en doen zich honderd andere beslommeringen meer voor, die alle 't zoogoed als onmogelijk maken, over het geleden verlies behoorlijk door te denken, en zoo wordt de physieke mensch bij zijn volle werking en kracht in beweging gehouden, zoodat hij in staat is, als de drukten over zijn en hij aan zich zelf hergeven is, aan den terugkeer der smart met moed het hoofd te bieden. En al had nu Nicolette niet het verlies eener dierbare betrekking, maar het soms nog pijnlijker verlies van verloren uitzichten te betreuren, de drukten, door haar aanstaand vertrek veroorzaakt, strekten haar tot een even heilzame afleiding als die, welke in een sterfhuis den geest der achtergeblevenen bezig houden. Zij ging dan ook doodafgemat naar bed; zij sliep spoediger in, dan zij zich zou hebben durven voorstellen, en, al werd zij nu en dan door angstige droomen gekweld, de nacht ging om, zonder haar die kwellingen te baren, welke zij te voren gevreesd had te zullen doorstaan.
Maar hoe zou het nu den volgenden dag wezen, als haar een erger beproeving wachtte? Zij zou toch niet kunnen nalaten, ook afscheidsbezoeken te brengen bij madame mére en bij Mevrouw Mietje â en dat zou haar meer kosten dan die, welke zij den vorigen avond gebracht had. â En wat zou
276
het wezen, indien zij op Hardestein Maurits weder ontmoette? Zij sidderde op de bloote gedachte, en toch, zi] kon niet heengaan, zonder zich van die plichten te hebben gekweten: ja Bol had 's avonds te voren gezegd, dat men d i e bezoeken voor 't laatst bewaren zou. Naar Mw. Van Doertoghe of andere ver afwonende kennissen te gaan, achtte hij minder noodzakelijk ; want gemis van rijtuig en de overhaasting van 't vertrek zouden bij de zoodanigen een gepaste verschooning zijn, en Nicolette zou in allen gevalle zulks wel in een vriendelijk briefje aan Bettemie uiteenzetten; doch van Groot en Klein Hardestein kon men zonder grove onbeleefdheid niet wegblijven, te minder, gelijk beiden, Bol en Nicolette, gevoelden, al zeiden zij 't niet, omdat juist dat wegblijven stof zou geven tot gissingen en praatjes, die voor alles vermeden behoorden te worden, 't Was een zure appel; doch er moest doorheen gebeten worden. ,
Intusschen had Bol een maatregel van voorzorg genomen, die, naar hij verwachtte, goede gevolgen hebben zou, en 's morgens een briefje aan Mw. Van Hardestein gezonden, waarbij hij haar in weinige woorden het aanstaand vertrek van Nicolette mededeelde, en verzocht te mogen weten, of het Mevrouw tegen één uur gelegen zou komen, haar met hem en zijn zuster af te wachten. â âNu is men in allen gevalle gewaarschuwd,quot; zei hij bij zich zeiven, âen men zal, hoop ik, den wenk begrijpen.quot;
Het antwoord was toestemmend, en zoo stapten tegen het bepaalde uur de bewoners der pastorie naar het kasteel. Men kan denken, hoe het hart van Nicolette popelde, toen zij zich weder tusschen die boomen terugvond, onder wier schaduwen zij zoo vaak zulke genoeglijke oogenblikken gesleten had, en hoe haar angst vermeerderde bij elke schrede, die haar dichter bij 't kasteel bracht. Doch zij wist ook nu genoegzame heerschappij over zich zelve te behouden; zoodat Juffrouw Leentje niet anders bespeurde, dan dat zij bijzonder stil was.
Het drietal was nu eindelijk ter zijner bestemmingsplaatse aangeland, en zoowel Nicolette als Bol haalden ruimer adem.
277
toen zij, op de bekende plek onder de veranda gekomen, niemand vonden dan Mevrouw met Juffrouw Kato.
âNu,quot; zei Mevrouw, na de gewone groet gewisseld te hebben, tegen Nicolette: âdat mag inderdaad subiet heeten! Eergisteren, toen je hier waart, was ik verre van te droomen, dat je zoo spoedig Hardestein verlaten zoudt.quot;
âEn ik evenzeer, Mevrouw!quot; zei Nicolette: âwant de uit-noodiging is eerst gisteren gekomen.quot;
âEn had je zoo'n haast om te vertrekken?quot; vroeg Mevrouw: ânu! wij zullen u wel missen. â En waar zijn Maurits en de Heer Drenkelaer'? Die zullen toch ook wel afscheid van u willen nemen?quot;
Bol zat op heete kolen, doch hij werd gerustgesteld door het antwoord, dat Juffrouw Kato op de vraag van Mevrouw gaf.
âJonker Maurits is voor een halfuur uitgereden, den weg op naar Grooi. â Wat den Heer Drenkelaer betreft, die is naar de Dames Prawley.quot;
âMaurits uitgereden!quot; herhaalde madame mére verbaasd; âdie jongen heeft ook niet meer memorie dan een garnaal. Hij wist toch.... wel ja! hij was er bij, toen uw briefje kwam. Dominee! Wat had hij nu te Grooi te doen? Nu, in allen gevalle zal hij van avond wel bij u komen.quot;
Al bleef dat beloofde bezoek nog als een dreigende wolk boven zijn hoofd hangen, toch was Bol innerlijk verblijd over de mededeehug, die Mevrouw Van Hardestein hem deed, en waaruit hem bleek, dat bij deze niet de minste achterdocht bestond aangaande de gevoelens van haar zoon: en ook Nicolette begreep reden te hebben, zich dubbel geluk te wenschen, de liefde van Maurits niet te hebben aangemoedigd, nu zij ontwaarde, dat die nog een geheim voor zijn moeder was gebleven. Alzoo verzekerd, én dat hij niet komen zou én dat Mevrouw van de zaak niets afwist, herwon zij haar vrijmoedigheid, en het gesprek kon van weerszijden zonder moeite op levendige en ongedwongen toon worden gevoerd. Aan stof behoefde het niet te ontbreken, die, behalve in Nicolettes afreize en vooruitzichten, ook vooral
278
in het feest en in de treurige gevallen, die er den afloop van gekenmerkt hadden, gevonden werd. Wat het voorgevallene met Bettemie betrof, madame mére was of meende althans in staat te zijn daaromtrent nauwkeuriger berichten mede te deelen dan die Leentje van Mw. Mietje den dag te voren had kunnen ontvangen: immers de laatstgemelde wist toen niets anders dan wat vrij verward op den avond van het feest was verteld geworden; Mw. Van Hardestein daarentegen had, den morgen na het feest, Drenkelaer en Maurits in 't verhoor genomen en zich, vooral van den eerstgenoemde, die van den beginne af van alles getuige was geweest, een omstandig verslag laten geven. â 't Spreekt van zelf, dat Drenkelaer, de veranderde omstandigheden in aanmerking nemende, zich nu als de ijverige advocaat en voorvechter van Bettemie moest uiten, en dat kon hij niet beter doen, dan door te verhalen, hoe de zaak inderdaad zich had toegedragen. Zoo hij, in de wijze, waarop hij zulks deed, op één punt gezegd kon worden een weinig af te wijken van de waarheid, dan was het in de verzekering, welke hij gaf, dat er, in den aanvang althans, bij de Freule niet de minste zweem van opgewondenheid bestond, en dat, toen zij door de gezegden of gebaren van hen, die zij ontmoette, en vooral door de woorden van Le Mat, aanleiding gevonden had, het woord tot dezen te richten, haar toon â en wat was natuurlijker? â alleen getuigd had van een diep gekrenkt gevoel. Over 't geheel was zijn voorstelling van haar houding te dier gelegenheid van dien aard, dat zij bij elk onbevooroordeeld toehoorder den indruk na moest laten, dat de Freule niet alleen volkomen in 't bezit van haar verstandsvermogen was, maar zich zelfs door een meer dan gewone koelheid van geest onderscheidde.
Hoe verblijd Bol en Nicolette ook waren, in de gelegenheid te zijn, door de echte lezing, welke hun Mw. Van Hardestein gaf, alle valsche lezingen te wedersproken, innig leed deed het hun, het ongunstige bericht van Bettemies ongesteldheid te vernemen, en te meer versterkte dit den predikant in zijn voornemen om, na het vertrek van Nicolette, zich op Doornwijck
279
in persoon eens naar den toestand van de Freule te gaan informeeren.
Wij achten het noodeloos, in verdere bijzonderheden te treden aangaande hetgeen er op het bezoek verhandeld werd: genoeg, dat het voor Nicolette, die er zoo tegen op had gezien, zoo gelukkig afliep als zij had kunnen wenschen; doch toen het oogenblik van scheiden kwam, en Mw. Van Hardestein haar met ongemeene hartelijkheid vaarwelkuste, toen had Mcolette werkelijk moeite zich goed te houden, zulk een mengeling van gewaarwordingen doorwoelde haar borst: diepe smart, bij de gedachte, dat zij deze plaats wellicht nimmer zou terugzien : aandoening, over de goedheid, haar door de moeder van Maurits bewezen: zielepijn, dat zij tegenover die goedheid geen lucht mocht geven aan haar eigen gevoel, dat zij den zoon eener zoo goede moeder, misschien die moeder zelve bedroefd had: twijfel, of zij niet misschien dwaas gehandeld had met hem te misleiden: dat alles te zamen bestormde haar ziel; en geen wonder, dat een traan, uit haar oogen gerold, de wang van Mw. Van Hardestein bevochtigde, die licht vatbaar voor indrukken van buiten, ook van haren kant zich aangedaan gevoelde, en dien geheelen dag, eerst aan Juffw. Kato, en vervolgens, toen Maurits weer thuis gekomen was, aan dezen, reis op reis herhaalde, dat Mcolette toch een recht lief meisje was, en dat het doodjammer was, dat zij geen gunstiger positie in de maatschappij had.
Had Nicolette tegen het bezoek op Klein Hardestein minder opgezien, dan tegen dat bij de Douairière, zij vond, toen zij het bracht, zich bij de dochter minder op haar gemak dan bij de moeder. Wel had Mevrouw Mietje van haar man verstaan, met welke kordaatheid Mcolette den voorslag van Van Zirik had aangenomen, en had zij uit het haar medegedeelde de gevolgtrekking kunnen opmaken, dat voor 't oogenblik althans, -er geen vrijerij tusschen Maurits en het jonge meisje kon plaats hebben: maar daarom was zij nog niet gerust voor 't vervolg: wie wist toch, of de jonge lieden 't niet met elkander al eens waren, of zij niet te zamen briefwisseling
280
zouden houden en op die wijze liet muisje een staartje hebben kon. Dat een en ander had ten gevolge, dat zij, ofschoon altijd beleefd en flemerig, toch weinig hartelijkheid en deelneming tegenover Nicolette aan den dag legde en zich grooten-deels bepaalde bij 't opsommen van de plichten en de groote verantwoording, die op een gouvernante drukten, en van den moed en de vastheid van geest, die er toe noodig waren om daaraan te voldoen; al 't welk zeer waar en zeer fraai gezegd mocht heeten, maar niet volkomen geschikt was om Nicolette op te beuren. Wie nu oordeelen mocht, dat Mw. Mietje, door aan het jonge meisje de bezwaren van haar loopbaan met zulke sombere kleuren af te schilderen, weinig politiek handelde, dien geef ik volkomen gelijk; â doch waarschijnlijk lag het in de bedoeling van de Gravin, in de liefderijkste en gemoedelijkste bewoordingen, aan Nicolette zoo duidelijk mogelijk, niet zoozeer het verhevene, maar vooral het vernederende te doen gevoelen der stelling, die zij in de maatschappij stond in te nemen, en haar daardoor klaar te doen begrijpen, hoe dwaas het voortaan van haar wezen zou, wenschen of uitzichten boven haar stand te voeden. Ach! de arme Nicolette begreep het genoeg: maar nu voor 't eerst was haar ten opzichte van Mw. Mietje een licht opgegaan, en had zij ontdekt, hoeveel inwendig hooghartige trots bij de Gravin onder dat vernis van nederigheid en voorkomende welwillendheid verborgen lag. Zij was blijde, toen het bezoek ten einde en zij van de pijnbank verlost was. â Wij hebben vergeten te melden, dat Eylar, die anders stellig een aangenamer wending aan 't gesprek gegeven zou hebben, wegens zaken afwezig was.
De achtermiddag werd doorgebracht in het pakken en van adressen voorzien van Nicolettes koffer en doos, en, toen dit alles bezorgd en gereed was, in overleggingen, of er ook nog iets was, waar men aan te denken had, en in het opwachten van enkele bezoekers of bezoeksters, die men den vorigen avond niet had thuis gevonden. Tot groote verwondering van Juffrouw Leentje, en misschien tot heimelijke teleurstelling van Nicolette, kwam Maurits niet opdagen. Haasten wij ons,
281
in 't voorbijgaan te zeggen, dat hij, naar den Jonker Van Valteren gereden zijnde, de hem gedane uitnoodiging, om aldaar te blijven eten, met opzet had aangenomen, en niet voor laat in den avond op Hardestein terugkeerde, waar hij zich zeer verwonderd veinsde, toen hij van zijn moeder vernam, dat Juffrouw Zevenster naar Den Haag ging, en zijn leedwezen uitdrukte, niet meer in de gelegenheid te zijn, afscheid van haar te nemen.
Ook Snel bleef weg, en ook dat verbaasde Juffrouw Leentje; ofschoon de gevolgtrekking, die zij uit dat wegblijven opmaakte, alles behalve juist was. Immers nu bleek het toch wel, dacht zij bij zich zelve, dat hij nooit eenig inzicht op Nicolette had; hij zou zich anders toch niet zoo onverschillig toonen, dat hij haar niet eens goede reis kwam wenschen nu zij vertrok. Zeker was het, dat de beleefdheid dit van hem gevorderd had; doch hij was gekrenkt geworden in zijn eigenliefde, op de gedachte, dat een jong meisje een afhankelijke betrekking kon verkiezen boven een huwelijk met iemand als hij, die bovendien een eervollen stand in de maatschappij bekleedde. Later kwam bij hem het vermoeden op, dat zij wel gewild zou hebben, maar dat haar pleegvaders haar aangespoord hadden, hem te bedanken, omdat zij geen trek voelden, haar een uitzet mede te geven, evenredig aan zijn verlangen. Die laatste wijze van de zaak te verklaren bevredigde zijn eigenliefde, en zoo bleef hij er dan natuurlijk aan vasthouden.
Drenkelaer echter was onder hen, die een afscheidsbezoek kwamen brengen, en wel toen hij was teruggekeerd van de Dames Prawley.
282
VIERDE HOOFDSTUK.
VERHALENDE, HOE ONZE HELDIN NAAR DEN HAAG REISDE, EN WELK GEZELSCHAP ZIJ AANTROF IN DE DILIGENCE.
Wij behoeven niet te zeggen, dat Mcolette alles behalve in «en vroolijke stemming verkeerde, toen den volgenden morgen Eylar op het bepaalde uur met zijn mandewagentje voor de pastorie stilhield, en wij willen het aan de verbeelding onzer lezers overlaten, zich het aandoenlijke afscheid voor te stellen, dat zij van den predikant en zijn zuster nam, de heilwenschen en korte vermaningen, die zij van beiden medekreeg, en de dankbetuigingen, welke zij uitbracht voor het genoten onthaal. Het afscheidnemen voor langen tijd is een hoogst onaangename en, zoowel voor hen die gaan als voor hen die achterblijven, altijd pijnlijke zaak. Immers, of men scheidt met leedwezen van elkander, en dan heerscht er droefheid: of men is verheugd elkanders gezelschap kwijt te raken, en dan vorderen niettemin de beleefdheid en de goede toon, dat men zulks niet doe blijken, maar integendeel spijt en leedwezen huichele: óf men is onverschillig en dan weet men niet, hoe men zich houden zal. En dan zijn de omstandigheden ook doorgaans van dien aard, dat zij iemands houding nog ongemakkelijker maken. Is degeen, die vertrekken zal, te vroeg klaar, dan is de tijd, die het vertrek voorafgaat, vervelend: men acht het der moeite niet waardig meer, een degelijk gesprek te beginnen, men heeft gezegd wat men te zeggen had: men kijkt nu eens elkander aan, dan weder uit het venster: men staat op, men gaat weer zitten, men wordt ongedurig en wervelziek. Is het geval anders om, dat er namelijk vertraging heeft plaats gehad bij de laatste voorbereidselen tot het vertrek, dan is ieder gejaagd en angstig, en zij, die achter zullen blijven, worden wrevelig en ontevreden bovendien. Van hetgeen ter dezer gelegenheid voorviel, zullen wij ons vergenoegen met te vermelden, dat Nicolette wel op haar tijd
288
klaar, en het afscheid, ook uit beleefdheid jegens Eylar, dien men niet kon laten wachten, zeer kort was, en dat het jonge meisje weldra, naast haar geleider gezeten, door Hardestein reed, welks bewoners, voor zooverre het rijtuig hun huis voorbijreed, en zij bij de hand waren, zich aan deur of venster vertoonden, en dat menige zoenhand of afscheidsgroet aan Nicolette werd nagezonden, die zij wel moest beantwoorden, zoodat het in zekere mate een verlossing voor haar was, toen zij, buiten de kom der gemeente op den grooten weg gekomen, aan den loop harer gedachten zich vrijelijk kon overgeven.
Eylar begreep, ten deele althans, de stemming, waarin zij zich bevond, en achtte het beter, die vooreerst niet te storen, vertrouwende, dat de beweging, het fraaie weer, de verandering van tooneel, de gezelligheid der streek, die men doorreed, allengs het hunne zouden bijdragen om aan Nicolettes droefgeestigheid een einde te maken en haar afleiding te verschaffen. Doch zoodra merkte hij niet, dat werkelijk de aandacht van het jonge meisje een- en andermaal was opgewekt geworden door voorwerpen, die zich onder 't rijden aan haar opdeden, of hij haastte zich, daarvan partij te trekken, en haar opmerkzaam te maken op hetgeen haar belangstelling waardig geacht kon worden: hij noemde haar de namen der dorpen, die zij langs trokken of wier torenspits zij in de verte onderscheidden, en die van de eigenaars of bewoners der landgoederen of zomerverblijven, aan den weg gelegen, trad langzamerhand in meer bijzonderheden, deelde haar allerlei anekdoten mede, tot de plaatsen of personen, die hij noemde, betrekking hebbende, vertelde haar, hoe zij dezen of genen, die hier nu op zijn landgoed de zomermaanden doorbracht, in den aanstaanden winter waarschijnlijk in Den Haag ontmoeten zou, hoe weer die andere aldaar een broeder had wonen, die een betrekking aan 't Hof had, of minister was, of bankier, of ambtenaar, of een zuster had, die hofdame was, in één woord, hij slaagde, spoediger dan hij zelf had durven hopen, er volkomen in, haar de gewenschte afleiding te verschaffen,
284
en, zoo zij in den aanvang eerbieds- en beleefdheidshalve naar hem geluisterd had, weldra deed zij het uit belangstelling, en bewees dit, door van hare zijde menige vraag te doen en menige opmerking te maken, zoodat het gesprek eindelijk zoo levendig en onderhoudend werd, als het wezen kon tusschen twee personen, die ieder van zijn kant vermijden wilden te spreken juist over die onderwerpen, welke hun het naast aan 't hart liggen. Maar beiden gevoelden, hoe noodzakelijk het was, zich te onthouden van elke toespeling op hetgeen achter den rug lag, en geen stof aan te roeren, die pijnlijke gewaarwordingen kon opwekken, en dewijl beiden bovendien een gezond oordeel en een vlug verstand bezaten, viel het hun gemakkelijker, aan hun voornemen getrouw te blijven en alleen over onverschillige zaken of over de toekomst te spreken.
âIs Mijnheer met het huisgezin van Mijnheer Van Zirik bekend?quot; was de vrij natuurlijke vraag, die Mcolette reeds lang op de tong had gelegen en die zij 't nu dan eindelijk waagde te doen.
âIk wenschte om uwentwil, lieve meid! dat ik het beter ware,quot; antwoordde Eylar: âmaar onze kennis heeft zich tot heden bepaald bij een diner, dat ik, een jaar of drie geleden, daar aan huis heb bijgewoond, en bij een digestie-visite, die ik er een paar dagen later gemaakt heb. Je weet, ik ga niet dikwijls naar Den Haag, en dan heb ik er relaties, die mij nader zijn dan Mijnheer Van Zirik, zoodat ik, in de weinige dagen, die ik er doorbreng, wel genoodzaakt ben, mij binnen een beperkten kring te houden, en voor uitnoodigingen, die mij daarbuiten zouden voeren, beleefdelijk te bedanken.quot;
Of Nicolette begreep, dat de kennismaking met Mevrouw Van Zirik Eylar juist niet van zooveel waarde was voorgekomen, dat hij er grooten prijs op zou gesteld hebben, die verder voort te zetten, ziedaar wat wij niet beslissen willen; zij liet er niets van blijken, doch zich in allen gevalle niet met het ontvangen antwoord afschepen.
âDat spijt mij dubbel,quot; zei zij: âik zal dan waarschijnlijk het genoegen missen, u daar aan huis te zien.quot;
283
âIk zal er in allen gevalle voor u komen,quot; zei Eylar: âmaar, al nam ik er een uitnoodiging aan om te eten, zou het nog zeer de vraag zijn, of ik u zou te zien krijgen, dewijl de kinderen er, geloof ik, als er diner is, niet aan tafel komen. Intusschen, betreur dat maar niet,quot; haastte hij zich er bij te voegen, om het min aangename weg te nemen, dat in zijn opmerking mocht gelegen zijn: âdie diners zijn zoo vermakelijk niet, vooral niet voor wie zich in het geval bevindt, waar een gouvernante noodwendig in verkeeren moet, om er namelijk als figurante bij te zitten.quot;
âWie weet?quot; zei Nicolette, lachende: âeen figurante kan zich misschien beter vermaken dan iemand, die een hoofdrol speelt, en wel door op te merken wat er voorvalt.quot;
âAls het de opmerking waard is,quot; zei Eylar: âdoch het bepaalt zich niet zelden bij de behandeling der hoogst gewichtige vragen, hoe men zich op het laatste bal geamuseerd heeft, hoe Mevrouw X. of Y. gekleed was, waar de sjaal of de kanten, die Freule Z. of Juffrouw N. N. in haar cor-beille gekregen heeft, gekocht zijn, en ... . maar 't is waar, ik vergeet, dat zulke quaestiën voor jonge dames inderdaad belangrijk zijn.quot;
âJa, maar toch vooral, wanneer zij zeiven te bal gaan en de middelen hebben, genoemde kanten of sjaals te koopen,quot; zei Nicolette, schertsende.
âOch kom!quot; hernam Eylar: âeen jong meisje vleit zich altoos, dat de tijd wel spoedig komen zal, waarop zij tot een en ander in staat zal zijn.quot;
âMaar nu, de diners bij Mevrouw Van Zirik,quot; zei Nicolette : âMijnheer heeft het zeker die eene reis niet gelukkig getroffen, en ik kan toch niet gelooven, dat er nooit gasten zouden komen, die over onderwerpen het woord voerden, waar men met belangstelling naar kon luisteren.quot;
âVolkomen waar,quot; zei Eylar: âen ik sprak dan ook meer in 't algemeen. Er zijn uitzonderingen, en men kan het somtijds zeer goed treffen.quot;
Hier stond op eens aan Nicolette de maaltijd voor den geest,
286
dien zij bij Mevrouw Van Doertoghe had bijgewoond, en zij kon niet nalaten, bij zich zelve te denken, dat, indien Eylar, Maurits, Bol en Drenkelaer daar niet geweest waren, de conversatie ook wel heel flauw had kunnen zijn. Zij schudde echter die herinnering zoo goed zij kon van zich af, en, tot het onderwerp terugkeerende, waaromtrent zij narichten wenschte in te winnen, vroeg zij opnieuw:
âMaar nu Mevrouw Van Zirik: is zij blond, bruin, vroolijk, stijf, mooi, leelijk? wat een slag van een mensch is zij u voorgekomen te zijn?quot;
âMevrouw Van Zirik,quot; antwoordde Eylar, âis, zoover ik mij herinner, een zeer schoone vrouw, met een vel, blank als dons en glanzend als satijn, met groote violetkleurige oogen.quot;
âDus het uiterlijke al wat men wenschen kan,quot; zei Mcolette,
na een poos gewacht te hebben of er meer zou komen. âEn____?quot;
vervolgde zij, met een vragenden blik op Eylar gericht.
De waarheid is, dat Eylar zich eenigszins met de zaak verlegen had gevonden, en zich zeiven was begonnen te verwijten, dat hij Mcolette den voorslag van Van Zirik dus overhaast had laten aannemen, zonder haar voor te bereiden op de moeilijkheden, waarmede zij misschien zou te kampen hebben, immers voor zooverre hij de vrouw des huizes uit een korte kennismaking had kunnen beoordeelen. Met vreemd was het dat hij nu, nadat de teerling toch geworpen was, eenigermate in tweestrijd met zich zeiven geraakte, in hoeverre hij aan het jonge meisje zijn bijzondere meening betreffende het karakter harer aanstaande meesteres zou mededeelen. Aan den eenen kant was het nu geen zaak, haar tegen de betrekking, die zij bekleeden ging, in te nemen: aan den anderen kant scheen het plicht, haar niet geheel onkundig te laten van hetgeen haar wellicht te wachten stond, en kon een ontwijkend antwoord op de gedane vraag ten gevolge hebben, dat zij zich nog erger bezwaren voor den geest haalde, dan er naar zijn overtuiging bestonden. Het was vooral deze laatste reden, die hem, na het voor en tegen gewikt te hebben â wat zulk een langen tijd niet duurde als wij hebben noodig gehad om
287
het uiteen te zetten â besluiten deed, met openhartigheid tewerk te gaan.
âHoor eens, beste meid!quot; zeide hij; âniemand is volmaakt, en wie zich in ondergeschikte betrekking bij vreemden begeeft, zal altijd bevinden, dat hij nu en dan wat doen of wat dulden moet, 't geen hem niet aanstaat. Je hebt een week of wat bij Dominee Bol doorgebracht, die de goedheid in persoon is, en dat zal je omtrent alle andere hoofden des huisgezins voor 't vervolg bederven .... Mijnheer Van Zirik nu is ook goed, geloof ik: â maar hij is nooit een man geweest als Dominee, en zal het nimmer worden.quot;
âNu! dat begrijp ik,quot; zei Nicolette, op een toon van volle overtuiging, âdat ik nergens iemand zal vinden, zoo goed en lief voor mij als Dominee of als Mijnheer Van Eylar.quot;
âJe bent een vleister,quot; zei Eylar, pogende te schertsen, ofschoon hij bij zich zeiven vond, dat hij de lofspraak maar half verdiende: âmaar dat nu daargelaten. Wat ik zeggen wilde is, dat er op de wereld menschen zijn, met wie het gemakkelijk, en andere, met wie het minder gemakkelijk is, om te gaan. Het eerste zal waarschijnlijk uw geval zijn met Mijnheer Van Zirik, het laatste met Mevrouw.quot;
âDat spijt mij,quot; zei Nicolette: âmaar ik zal mijn best doen, haar genoegen te geven.quot;
âEn ik heb goede hoop, dat je slagen zult,quot; hernam Eylar; âwant je hebt het kunnen vinden met Juffrouw Leentje, die, tusschen ons gezeid, ook niet van de gemakkelijksten is.quot;
âO! zij is altijd goed voor mij geweest,quot; viel Nicolette haastig in.
âNu ja,quot; antwoordde Eylar: âen juist dat buitengewone verschijnsel overtuigt mij, dat, zoo jong als je wezen moogt,. je slag hebt, zelfs die lieden in te pakken, die 't zich anders zoo licht niet laten doen. Doch om nu op Mevrouw Van Zirik terug te komen, zoover ik haar heb kunnen beoordeelen, houd ik het er voor, dat zij als meisje een bedorven kind is geweest, en daardoor, als meestal het geval is, wat heerschzuchtig en capricieus is geworden. Wie één van beide is, betoont zich
288
wel eens onrechtvaardig, vooral jegens onderhoorigen, en is zelden te voldoen. Het zou u dus kunnen gebeuren, ook na u nog zoo dapper ten beste uitgesloofd te hebben, miskenning en berisping in plaats van dank en lof in te oogsten; â maar zie, dan moet je daarom den moed niet laten zakken, en maar denken: dat gaat zoo in de wereld. Daar heb je b. v. menigen minister, die getobd en gezwoegd heeft om een wet te maken, welke hij overtuigd is, dat de beste vruchten moet voortbrengen, en die, in plaats van er eer mee in te leggen, eerst in de dagbladen, en dan weer in de Kamers op zijn tabbaard krijgt.quot;
âJa,quot; merkte Nicolette peinzende aan: âmaar hi] is toch minister.quot;
âDat is hij,quot; hernam Eylar; âen hij kan, meen je, zich troosten met zijn gouden rok, zijn traktement en de buigingen, die men voor hem maakt. â Maar daar tegenover staat, dat hij in 't openbaar verguisd wordt, ten aanhoore van de geheele natie, die altijd geneigd is, het ergste te gelooven, terwijl onaangenaamheden, als die u zouden kunnen treffen, toch altijd binnenshuis blijven. Het komt er, in 't een als in het ander geval, enkel op aan, bij zich zeiven het bewustzijn te bezitten, dat men naar zijn beste vermogens zijn plicht heeft betracht, en zich dan te troosten met de gedachte: eens word ik toch rechtvaardiger geoordeeld.quot;
âLieve Mijnheer Van Eylar!quot; zei Nicolette: âik was er toch al op voorbereid, dat ik een moeielijke loopbaan te gemoet ging. Mw. Zilverman heeft mij op school al zoo dikwijls gewaarschuwd, dat ik meer doornen dan rozen op dat pad zou vinden, en, zijn er sommige, die mij wachten, ik zal ze pogen te doorstaan, 't Is zeker nuttig voor mij; want te Hardestein heeft men mij ook als een âbedorven kindquot; behandeld, en ik was misschien ook op weg om heerschzuchtig en capricieus te worden.quot;
âIk geloof niet, dat je daar juist erg gevaar van liept,quot; zei Eylar, geroerd over de woorden van Nicolette: âmaar ongetwijfeld heeft het voor jongelieden zijn nut, als zij ondervinden,
289
dat het niet altijd en overal zonneschijn is. â Met dat al, het is mogelijk, dat ik jegens Mw. Van Zirik onrechtvaardig ben geweest, en dat ik haar niet had moeten beoordeelen naar den indruk, dien zij, bij een korte kennismaking, op mij gemaakt heeft. Ik zal er mij in verheugen, zoo ik gedwaald heb; â doch 't is beter, dat het u daar aan huis mee- dan tegenvalt.quot;
âO, ik ben u dankbaar,quot; zei Mcolette.
âWel!quot; hervatte Eylar: âwij zouden door 't praten haast vergeten rond te kijken. Zie eens. daar is het landgoed van den Heer Plemp, Oud-Raad van Indië .... hij heeft geen kwaad hoekje uitgekozen om er zijn dagen te eindigen, wat dunkt u ?quot;
Dewijl de Heer Plemp in ons verhaal zelfs geen voorbijgaand figuur zal maken, zal het noodeloos zijn, het antwoord van Mcolette te vermelden, en wij zullen zelfs van het geheele onderhoud, dat zij verder met Eylar voerde, geen woord meer opnemen, maar onze beide reizigers maar terstond naar het naastbijgelegen hulpstation van den sinds kort aangelegden Rijnspoorweg voeren. Hier verlieten zij het rijtuig en wachtten den trein af, die hen naar Utrecht bracht, van waar Mcolette haar weg, met de diligence, over Woerden en Leiden vervolgen zou. Nog een uur voor den tijd waren zij afgestapt aan de herberg, waar de wagen afreed, en hier bestelde Eylar, na zich eerst verzekerd te hebben, dat de vooruitgezonden bagage van M-colette behouden was aangekomen, en na een goede plaats voor haar genomen te hebben, een stevig ontbijt, dat zoowel hem, die eerst laat weder thuis kon wezen, als haar, die ook nog een lange reis te doen had, wel te pas moest komen. Zoowel met de toebereidselen als met het nuttigen van het maal was een goed half uur verstreken.
âIk ben eigenliik confuus,quot; zei Mcolette: âover de moeite, die je neemt. Mijnheer Van Eylar, en ik ben maar zoo bang, dat ik u een tijd ontroof, die je voor uw eigen zaken hadt willen besteden. Ik bid u toch, u om mij niet te geneeren: ik heb nu mijn plaats, en zal mij verder wel kunnen redden.quot;
âNeen, neen, kind!quot; zei Eylar: âik moet u veilig ingescheept
II. - K. Z. 19
290
zien, of liever ingewagend .... heden! ik moet eens aan Bol vragen, waarom het laatste woord niet evengoed zou zijn als het eerste. Maar, wat ik zeggen wilde, ik zou om geen ding ter wereld kunnen dulden, dat men mij verwijten kon, iets ten halve te doen. En bovendien, het is nu toch om een minuut of wat te doen; want daar komt uw équipage al aan.quot;
En inderdaad, de wagen, met drie magere knollen bespannen, rolde langzaam voor de deur: de ladder werd er tegenaan gesteld, de bagage stuk voor stuk naar boven gesjouwd of gegooid, en de verschillende voorwerpen op en nevens elkander gesteld, natuurlijk zonder eenigen eerbied, 't zij voor de opschriften van âonderquot; of âbovenquot; waar voorzichtige oude vrijsters haar koffers of doozen mede hadden voorzien, 't zij voor de angstige vermaningen door sommigen onder de passagiers den conducteur toegeroepen, betreflende de wijze, waarop hij met hun goed omsprong: â vermaningen, die óf geen antwoord kregen, óf, wanneer zij wat dikwijls herhaald werden, zijnerzijds de vernuftige aanmerking uitlokten, âdat de lui wel ieder een vassie (vache) voor zijn goed alleen zouden willen hebben.quot;
Intusschen had Nicolette, die bij haar komst in de herberg haar doek en hoed, die onder het rijden eenigszins bestoven geraakt waren, afgezet en afgeborsteld had, zich weder reisvaardig gemaakt, en stond gereed zich naar beneden te begeven met haar geleider, die van zijn kant haar aanraadde, zich niet te overhaasten, dewijl zij beneden toch maar in 't gedrang zou staan. Immers, wij hebben vergeten te zeggen, dat de kasteleines, die den Graaf Van Eylar kende en diepen eerbied voor hem had, hem niet in de gelagkamer had willen laten gaan, maar hem een bovenkamer had ingeruimd. Dit had zeker zijn goede zijde, in zooverre als hij daar ongestoord en op zijn gemak met Nicolette gezeten had; doch aan dit voorrecht was het bezwaar verbonden, dat onafscheidelijk is van bevoorrechte afzondering. Komen de grooten der aarde met de lieden van minderen stand niet in aanraking, dan leeren zij hen niet kennen: en zoo verzuimde hier Eylar, door niet
291
dan op 't uiterste oogenblik naar beneden te gaan, goed op te nemen, wie de reisgenooten van Mcolette zouden zijn; ââ een verzuim, zeker van zijn kant zeer onwillekeurig, doch dat haar later op vrij wat tranen moest komen te staan. Toen zij eindelijk werden gewaarschuwd, dat het tijd was, en naar beneden gingen, was er, gedurende de minuut, die verliep van het oogenblik, waarop zij de kamer verlieten, tot op dat, waarin zij op straat kwamen, al een gedeelte van het gezelschap in den wagen geklommen, en riep de conducteur reeds: âJuffrouw Zevenster! .... nommer tien, alsjeblieft!quot;
Nummer 10 was aan de andere zijde van den wagen, en zoo was Eylar, na een korten handdruk met Nicolette gewisseld te hebben, terstond van haar gescheiden. Hij wachtte, tot de laatste passagier was binnengehoosd, en toen, den conducteur een gulden in de hand stoppende, beval hij hem aan, toch vooral zorg te dragen voor âde Juffrouw op nummer tien.quot;
â'k Zal der voor zorgen, meneer!quot; zeide de conducteur, terwijl hij den gulden opstak en bij zich zeiven dacht, dat, zoo de wagen niet onderweg omviel of er geen ander buitengewoon ongeval of oponthoud plaats had, de Juffrouw op nummer tien precies op haar tijd en evengoed in Den Haag zou aankomen als hij zelf. Terwijl hij, onder het maken dezer wijsgeerige gevolgtrekking, het portier dichtsmeet en naar het kantoor snelde om de lederen brievenmaal en de laatste instructies van den commissaris te ontvangen, liep Eylar de diligence rond en stak nogmaals de hand toe aan Mcolette, die achteruit in 't hoekje naast het portier zat.
âNu vaarwel! mijn kind!quot; riep hij: âmijn groete aan Mijnheer en Mevrouw Van Zirik, en doe ons spoedig iets van u hooren.quot;
âVaarwel! vaarwel!quot; riep Nicolette, terwijl zij poogde haar hand vrij te maken, om de zijne te drukken; doch op 't zelfde oogenblik deed zich het âvort maar!quot; hooren: de wagen rolde over de steenen: de conducteur steeg onder 't voortrijden op en zijn hoorn blies het vaarwel toe aan de Mijterstad. Eylar had maar alleen kunnen opmerken, dat tegenover Nicolette
292
nog een paar dames gezeten waren. âNu!quot; dacht hij: âdat treft zij, 't is zoo beter dan een overbuurman, die haar stinkenden tabaksrook in 't gezicht blaast.quot;
Ware hij in de gelagkamer geweest, dan zou hij misschien zich herinnerd hebben, dat er walmen zijn, erger verpestend dan de afschuwelijkste damp, die ooit het vuilste, met Amers-foorder gestopt neusbrandertje, of uit de gemeenste sigaar van drie om een cent is voortgekomen.
Nicolette dacht, noch om pijpen, noch om haar medeburen: zij dacht alleen, hoe, met Eylar, alles voor haar verdween wat haar nog Hardestein en haar bekenden aldaar vertegenwoordigde, en zij vond zich zelve lomp en onhartelijk, dat zij haar hand, belemmerd door het werkmandje, dat zij vasthield, en door haar sjaal, niet tijdig genoeg had kunnen loskrijgen om de zijne te vatten: bittere tranen rolden langzaam en zwijgend langs haar wangen, en eerst toen zij een eind weegs buiten de poort was, begon zij zich te herinneren, dat zij niet alleen was, en nam zij haar zakdoek om zich de oogen af te vegen: doch nog altijd duurde het een geruimen tijd, eer zij iemand van haar medereizigers gezien had, en liet zij, in treurige gepeinzen verzonken, den onbestemden blik over de groene bouw- en weilanden daarbuiten dwalen.
Eindelijk echter werd zij uit die verstrooidheid van gedachten teruggeroepen en verplicht zich met de werkelijkheden des levens weder af te geven, door de vraag, die haar gedaan werd: âkan ik de Freule ook dienen?quot; â En toen, met schrik als uit een droom ontwaakt, wendde zij het hoofd naar de zijde, waar die stem vandaan kwam, en zag een hand, die haar een flacon aanbood, en een breede, lachende vrouwelijke tronie, en een paar groote oogen, die haar aanstaarden.
âIk dank u Mevrouw!quot; antwoordde zij met een onwillekeurig gevoel van weerzin; en terwijl zij een afwijzende beweging maakte.
â't Is anders warm genoeg. Freule!quot; hernam dezelfde stem, de aanbieding hernieuwende.
Nicolette had hetzelfde antwoord op de lippen, dat Grietje
293
aan Faust geeft, namelijk, dat zij geen Freule was; â doch al had zij het stuk van Goethe gezien of gelezen, zij had toch geoordeeld, dat een antwoord, gepast tegenover een ridder, die vrijheid vindt een jong meisje, dat hem niet kent, op straat aan te spreken, het niet zou wezen tegenover een vrouwelijke reisgenoot, die zich een gewone beleefdheid veroorlooft; en bovendien verweet zij zich reeds, dat zij de haar gedane aanbieding op een weinig heusche wijze had afgeslagen.
âJa Mevrouw!quot; zeide zij daarom: âwel is 't warm; â maar ik ben zelve voorzien, en zoo mocht ik u niet berooven.quot; En meteen haalde zij uit haar mandje haar flaconnetje voor den dag.
âO!quot; zei de andere, wier reukflesch in dezelfde evenredigheid tot die van Nicolette stond als de beide eigenaressen der flacons tot elkander: âik heb genoeg, en al wat je bewaart is zooveel gewonnen. Nu â⢠neem maar wat, en als ik niet meer heb, dan is het nog altijd tijd, bij u om revanche te komen.quot; En meteen drong zij haar flacon op aan Nicolette, die, niet verder durvende weigeren, eenige druppels daaruit op haar zakdoek goot en hem toen, met een vriendelijk: âik dank u,quot; aan de vreemde teruggaf.
Bij deze gelegenheid kon zij niet nalaten deze laatste meer nauwkeurig in oogenschouw te nemen. Het was, naar den schijn te oordeelen, een vrouw van ongeveer vijftig jaren, en van een eerbiedwaardigen omvang. Haar gelaat, 't welk overschaduwd werd door een paars zijden hoed met ontzettend veel en veelkleurige bloemen, was, als reeds gezegd is, bijzonder breed en uitgezet, en daarover lag een tint verspreid, die meer naar 't vermiljoen trok dan naar 't rozerood. De trekken waren regelmatig en spraken van vroegere schoonheid: ja ook nu nog, als de groote lichtblauwe oogen vriendelijk lonkten en de mond, zich openende tot een lachje, de hagelwitte tanden liet doorschemeren, had de uitdrukking van het geheel iets, dat niet onbehaaglijk kon genoemd worden; maar een opmerker, die meer ondervinding bezat dan Nicolette, zou
294
toch gevonden hebben, dat die uitdrukking niet dan zeer voorbijgaand was, en dat het gelaat, als 't in zijnen gewonen plooi was, er een andere bezat, en wel van zekere driestheid, ja van zoodanig eene, als bij de minste teleurstelling of onaangenaamheid, tot ruwe drift kon overslaan. Zware koolzwarte wenkbrauwen, een neus, gekromd als die eens sperwers, en de scherpe punten, welke, als de mond zich geheel opende, de witte tanden vertoonden, herinnerden onwillekeurig aan den gelaatkundige de woestheid van het everzwijn, de onverbiddelijkheid van den roofvogel, en de vraatzucht van den snoek: terwijl eenige zwarte bosjes haar â men zou bijna gezegd hebben een knevel â op den bovenlip, en hier en daar een begroeid moesje op wang of hals, bij dezen of genen wel eens de gedachte verwekten, dat een grenadiersmuts de bezitster dier aantrekkelijkheden geschikter zou gevoegd hebben dan het bontkleurige hoofdtooisel, 't welk zij thans droeg. Dat breede gelaat nu, nog vergroot door een dubbele onderkin, rustte op een korten dikken nek, om welken een halsband prijkte, uit zeven gouden snoeren (chaines de Venise) bestaande, die zich vereenigden in een geweldig groot ovaal slot, op 't welk de Pieterskerk te Eome in mozaïek prijkte. Een Schotsche geruite doek met rooden grond, op de borst vastgehecht met een ronde broche {nog grooter dan het voorzegde slot en met een camée versierd, die Keizer Nero voorstelde), liet slechts een gedeelte zien van de hooge japon, doch genoeg om den dikken gouden ketting te doen bespeuren, die het horloge droeg, en om den toeschouwer in angst te doen verkeeren, dat de blauw zijden stoffage op den duur niet bestand zou wezen tegen de uitzetting van de geweldige vleeschmassa, die zich daarachter verhief. Beide polsen waren met driedubbele armbanden van allerlei vorm en materie voorzien: gelijk de dikke vleezige vingers met ringen: in 't kort, men zou oppervlakkig gezegd hebben, dat er voor een juwelier of goudsmid vrij wat aan 't mensch te sloopen viel. 't Zou echter nog de vraag zijn geweest, of, bij een behoorlijk onderzoek, al het goud, waarmede zij behangen was, den
295
toets wel zou hebben doorgestaan, en of de juweelen en paarlen aan arm en vingers niet meerendeels van Europeesch fabrikaat waren.
Mcolette was er echter verre af omtrent de echtheid van al dat fraaie een boozen twijfel te voeden; ofschoon zij van nature smaak genoeg ontvangen en zij in de laatste weken genoeg welgekleede vrouwen gezien had, om te vinden, dat de opschik van haar reisgenoote wel wat erg overladen was. â Zij zag nu ook de rest van 't gezelschap eens rond. Naast de dikke matrone zat een jongejuffrouw, die, als onderweg bleek, bij haar behoorde, doch over welker uiterlijke het moeilijk viel, eenig oordeel te vellen, dewijl haar gelaat onder een witten sluier met dikke moesjes verborgen was, een geruite mantel haar geheele gestalte bedekte en zij bovendien op dit tijdstip in diepe rust verzonken was. Nevens haar zat een man met een lakenschen pet op en met een geweldig dom gezicht onder die pet, dat bestendig strak voor zich keek. Zijn overbuurman was een student, die den tijd doodde met in een Fransche roman te lezen, ofschoon nu en dan, van achter zijn boek, naar de slaapster, naar de matrone, maar vooral naar Nico-lette glurende, misschien ook wel den buurman verwenschende, die hem van haar scheidde en die, aan den pijjakker, welken hij aan 't lijf, aan de pijp, welke hij in den mond, aan de duimstok, die uit zijn zijzak stak, voor een aannemer of landmeter te houden was. â Wat de meer achterin gezeten passagiers betrof, dewijl er niets bijzonders aan hen te bekijken viel, en zij gedurende de reis öf lazen, of sliepen, öf voor zich keken en geen deel althans aan 't gesprek namen, zoo zal het noodeloos zijn, den lezer met de beschrijving hunner personen op te houden.
âWeet Mevrouw ook,quot; vroeg Nicolette, âhoe laat wij in Den Haag aankomen?quot;
âWel zeker Freule!quot; was het antwoord: âprecies te halfzeven, of ik doe een proces aan de onderneming aan.quot; â En hier kneep zij haar lippen te zamen en zette zij een paar oogen op, die konden doen gelooven, dat zij, zoo het
29ü
bewuste geval plaats vond, haar woord zou gestand doen.
âJongen, jongen!quot; merkte de aannemer op; âik wou niet, dat ik een proces had moeten voeren voor eiken keer, dat ik te laat met de dilzans gekommen ben waar 'k wezen moest.quot;
âZij zullen de Freule zeker wel met het eten wachten?quot; hernam de dikke matrone, terwijl haar stemgeluid, dat zooeven te voren schor en heesch geklonken had, als kwam het voort uit een gebarsten orgelpijp, nu weer de zoetheid aannam, die het te voren bij het aanbieden van 't reukfleschje bezeten had, een zoetheid, die niettemin iets wrangs had, en het gehoorvlies ongeveer op dezelfde wijze aandeed, als een glas frambozen op jenever het verhemelte aandoet: âde Freule gaat bij Mijnheer Van Zirik logeeren, zoo 'k wel verstaan heb?quot; voegde zij er bij.
âJa, ik ga bij Mijnheer Van Zirik aan huis,quot; antwoordde Mcolette, terwijl zij een kleur kreeg, op de gedachte, dat, nu men haar voor een 1 o g é e van Mw. Van Zirik hield, zij 't zich liet aanleunen, en zich zelve al half van misleiding beschuldigde, dat zij er niet rond voor uitkwam, geen freule en op zijn best een gouvernante te zijn.
âVan Zirik!quot; viel de buurman van Xicolette in, terwijl hij zijn pijp omdraaide en een rookwolk wegblies: âwelbekend! ik heb pas een werk voor hem 'angenomen gehad in den Over-buurtspolder. Nou! daar kom je ook 'au geen slecht kantoor, Juffrouw! 't is er wel uit te houën.quot;
Mcolette zag den man eenigszins verwonderd aan, die zich dus plompweg in 't gesprek mengde, 't Was een goede veertiger, met ruwe door de zon verbrande gelaatstrekken, die sterk van de kinderziekte geschonden waren, ten gevolge waarvan de oogen bijna onzichtbaar waren. Kort sluik haar van een aschgrauwe kleur viel om de slapen en strekte niet om het voorkomen behaaglijker te maken; terwijl toon en houding plomp en ongemanierd, alzoo weinig geschikt waren om Mcolette tot een gesprek uit te lokken; zij vergenoegde zich dan ook 's mans woorden met een vriendelijken glimlach als 't quot;ware te bevestigen, en zag toen zwijgend voor zich heen. De
297
aannemer was echter een van die menschen, die, eenmaal aan 't spreken geraakt, gaarne doorpraten, een uit die lastige soort van medereizigers, die, zeiven steeds bereid, aangaande hun persoon, hun beroep en het doel hunner reize uit eigen beweging de nauwkeurigste mededeelingen te doen, gelijke openhartigheid ook bij anderen onderstellen, ja desnoods van hen vorderen. Hij liet zich dan ook door het zwijgen van Mcolette niet afschrikken, maar vervolgde het begonnen gesprek.
âJa, ja,quot; zeide hij: â't heugt mij nog dattie, zoo'n dikke twintig jaar geleden, te Leiden op de studie lag, die eigenste Van Zirik, en wat een mooie blessen had ie. Ik heb er 'm dikkels onze deur mee zien voorbijrijen: ik woonde toen 'an den Steenweg even buiten de Eijnsburgerpoort; â nou! hij kon 't betalen; want z'n ouwe had boos veul moppen, geloof ik. â Ja, weinig had ik toen gedacht, eens nog zaken met hem te zullen doen; ik was toen nog een arme drommel, en al blij als ik een bagetel met een boodschap verdienen kon : maar dat's nou anders, en nou bennen d'r genoeg, die vroeger Joost Klabbe niet zouen hebben angekeken en die nou den hoed voor hem afnemen. â Ja! as ik 'an die tijd denk .... maar, as ik zoo vrijpostig mag wezen van te vragen, Juffrouw! woonde uwees in dien tijd ook niet daaromtrent in de buurt?quot;
Deze vraag was gericht tot de dikke dame, die er maar half mee gesticht scheen te zijn; althans haar wenkbrauwen trokken zich samen, op het breede voorhoofd vertoonden zich talrijke rimpels, en zij bezigde de schrille in stede van de zachte noten harer stem, toen zij antwoordde:
âIk woon in Den Haag, Mijnheer! en je hebt zeker de verkeerde voor.quot;
âXou dat's mogelijk,quot; hernam hij: âen er is meer gelijk as eigen: ofschoon 'an je stem zou ik er haast op vloeken dat je degenige was, daar in dien tijd, als 't je heugt, dat weeuwtje 'an huis bij was, daar de schoonvader van op de Breestraat woonde, die niks met 'r te doen wou hebben, als je 't heugt.quot;
âWat wou mij heugen?quot; antwoordde de toegesprokene, doch
298
nu met een minder geluid: âik heb nooit in Leiden of daaromtrent gewoond.quot;
âJa, in dat geval mot ik het opgeven,quot; hernam Klabbe; âalhoewel 'an je stem zou ik er op gevloekt hebben, zooals ik zei. -â En dus woont de Juffrouw in Den Haag? â nou, dan zal de Juffrouw ook meneer Van Zirik wel kennen.quot;
âVan aanzien ja,quot; antwoordde zij: âen bovendien, wie kent Mijnheer Van Zirik niet bij renommée? een mooi huis, een charmante vrouw en een paar millioen in de wereld.... ja, zie! ik zou wel wenschen, dat ik in de plaats van de Freule was om daar te gaan logeeren.quot;
Nu begon bij Nicolette het gevoel van eerlijkheid zoo luide te spreken, dat het geheel de inblazingen tot zwijgen bracht der koele rede, die haar toefluisterde, dat stilzwijgen niet altijd als bevestiging behoeft te worden aangemerkt, en dat geheel onbekende personen geen aanspraak kunnen doen gelden om met het doel van iemands reis bekend te worden gemaakt.
âIk weet niet,quot; zeide zij, lachende het hoofd schuddende, tegen haar overbuurvrouw: âik weet niet, of Mevrouw wel zoo gaarne met mij ruilen zou, als zij wist in welke betrekking ik bij Mw. Van Zirik ga wonen.quot;
âWat! niet logeeren?quot; vroeg de dikke dame, terwijl zij haar oogen sterk op Nicolette gevestigd hield: âuwee gaat er toch niet als kamenierster?quot;
âNiet volkomen,quot; antwoordde Nicolette: âmaar als gouvernante bij de kinderen.quot;
âOho! dat verandert,quot; zei de andere: âneen,quot; vervolgde zij, als bij zich zelve: âdat zou ik ook niet graag wezen, als ik nog mijn jonge jaren had: â ik zeg maar, een mensch zijn vrijigheid gaat boven alles: en een jong mensch vooral moet vrij zijn en van zijn jeugd profiteeren, zoolang hij kan.quot;
âJa, warentig! daar heit de Juffrouw groot gelijk in,quot; merkte de aannemer aan: âik heb ook in mijn jonge jeugd altoos gezeid! vrijheid blijheid! en ik liep ook liever met de jongens knikkeren dan bij den baas op den winkel te zitten.quot;
299
âMaar,quot; waagde het Nicolette te zeggen: â't is niet altijd de vraag, wat men 't liefste doen zou; en als men niet in een positie is, om zijn eigen meester te zijn, dan moet men zich wel een weinig afhankelijkheid getroosten.quot;
âNu!quot; zei de dikke dame met haar minzaamsten lach en op haar fluweeligsten toon: âals men het voorkomen en de manieren heeft van de Freule . . .
âVan de Juffrouw,quot; verbeterde Nicolette.
âOch! wij zijn dat zoo in Den Haag gewend.... nu, als men er uitziet als de Juffrouw, dan behoeft men niet lang afhankelijk te zijn.quot;
âEi wat!quot; zei Klabbe; âde vrijers komen nou toch ook doorgaans alleen op de pitten af.quot;
âJaaa! . . . .quot;quot;hernam de dame; âeen rijken man te trouwen, als men zelve niet veel heeft, dat is zeker zeldzaam; â maar toch! . . . . ik heb er genoeg gekend, die gekheden deden voor een paar oogen, minder mooi dan die van de Juffrouw. â En dan .... ik denk wat ik denk.
Hier zag de student steelswijze van zijn boek op en keek de spreekster zijdelings aan met een blik, die te kennen gaf, dat hij raadde wat zij dacht. Nicolette raadde dat niet, maar vond iets onaangenaams in den lof, die haar gegeven was, zoowel als in de wending, die 't gesprek begon te nemen; zoodat zij verstandiger oordeelde, er vooreerst zoomin mogelijk deel aan te nemen. â Waar men echter met onbescheiden lieden te doen heeft, wordt de rol van zwijgende zeer moeilijk, en dit ondervond zij ook nu.
âZoo gaat de Juffrouw dan als gouvernante bij Van Zirik,quot; zei Klabbe: ânou, dan za'k er misschien nog wel reis teugen-komen, as ik er'an huis mot wezen .... En is de Juffrouw van Uitert, as ik vragen mag?quot;
âNeen Mijnheer!quot; antwoordde Nicolette. droogweg.
âDan misschien uit Gelderland?quot; ging de onverbiddelijke vrager voort.
âIk kom nu van Hardestein, en Mijnheer Van Eylar heeft mij aan den wagen gebracht,quot; zei Nicolette, hopende, dat die
300
naam misschien eenigen indruk maken zou en haar voor verdere onderzoekingen vrijwaren.
âZoo ja, Eylar!quot; herhaalde de aannemer: âik heb hem nog op de leste Palmmarkt gezien .... Ja, die lag toen ook op studie te Leyen in dienzelfden tijd .... en heit de Juffrouw daar op Hardestein gewoond?quot;
Nicolette begon ongeduldig te worden, en te vinden, dat zij nu 's mans nieuwsgierigheid overvloedig voldaan had: zij vergenoegde zich dus met een nauwelijks hoorbaar âjaquot; te fluisteren en, het gelaat afwendende, keek zij het raam uit; zoodat de aannemer, langzamerhand beginnende te bemerken, dat met haar het gesprek niet voort te zetten was, zich wendde tot zijn buren links, om te beproeven of hij met hen beter zoude slagen. Ook de dikke dame scheen vooreerst geene groote opgewektheid te gevoelen om het gesprek voort te zetten, doch bleef Nicolette van ter zijde aankijken ongeveer met dezelfde oogen, als waarmede de wolf Eoodkapje moet hebben nagekeken toen 't arme kind op den openbaren weg van hem scheidde. Er viel alzoo niets meer voor, der vermelding waardig, totdat de diligence te Alfen stilhield en de conducteur, het portier open- en de trede nederhalende, het gezelschap tot afstijgen uitnoodigde.
âKomaan, ja,quot; zei de matrone, zich met een vlugheid opheffende, die men haar, uit aanmerking harer zwaarlijvigheid, niet zou hebben toegeschreven; âwij moeten ons eens vertreden. Kom, Heloïze!quot; vervolgde zij, haar buurjuffer op den schouder tikkende : âmoetje niet een kommetje koffie hebben?quot;
De aldus toegesprokene schoot op uit haar waren of vermeenden slaap, en volgde haar geleidster zonder een woord te spreken. Ook Nicolette trok met de rest van 't gezelschap den wagen uit en de herberg binnen, waar zij, als in haar omstandigheden natuurlijk was, zich aansloot bij de dames, en dezen naar een hoek van de gelagkamer volgde. Alle drie namen een kop koffie, en dewijl het meisje, dat met den naam van Heloïze was aangesproken, haar voile moest opslaan, gaf zulks aan Nicolette de gelegenheid om haar gelaats-
301
trekken te onderscheiden, en om op te merken, dat gemelde Heloïze nog jong en van zeldzame schoonheid was, hoezeer er eenigszins vermoeid uitziende; â wat misschien daaraan zou toe te schrijven zijn, dat zij een lange reis had gedaan.
De matrone van hare zijde nam de gelegenheid waar, om Xicolette ter zijde te trekken en haar op geheimzinnigen toon te vragen, of zij Mw. Van Zirik persoonlijk kende.
âIk vrees,quot; vervolgde zij, nadat zij op die vraag een ontkennend antwoord had bekomen: âik vrees, dat het er u niet erg bevallen zal. 't Is een ongemakkelijke tante, die eigenste Madam van Zirik, naar ik hoor. Nu, als je 'reis tijd hebt, en je wilt een kopje thee bij mij komen drinken en de kennis voortzetten, of als het je daar aan huis verveelt, kom dan gerust bij mij: â je zult altijd welkom zijn; â hier is mijn adres; â steek het maar bij je â zooals ik je zeg, je zult altijd welkom zijn.quot;
Nicolette nam werktuiglijk de adreskaart aan, die haar werd aangeboden, en borg die in haar mandje. Intusschen kwam de conducteur, die toch begreep, dat hij voor den ontvangen gulden eenigen schijn van beleefdheid jegens de hem toevertrouwde Juffrouw in acht moest nemen, aan Nicolette vragen of zij iets noodig had. Om hem te antwoorden en om van de dienstmaagd eenige kleine munt terug te bekomen voor het tienstuiverstuk, dat zij voor de koffie gegeven had, was zij onwillekeurig meer naar het midden van de kamer geraakt, en nu hadden conducteur en dienstmaagd zich nauwelijks van haar afgewend, of de student, die op een afstand zijn glaasje cognac had staan drinken, kwam strijkelings langs haar heengewandeld en fluisterde haar nauwelijks hoorbaar in 't oor: âspreek niet meer met dat wijf daar ginder.quot;
Verrast zag Nicolette om; doch haar verrassing vermeerderde niet weinig, toen de persoon, tegen welke zij op zoo geheimzinnige wijze gewaarschuwd werd, en die een oog in 't zeil scheen gehouden en misschien geroken te hebben wat er gezegd was, eensklaps op den student toetrad en op hare beurt hem een paar woorden in 't oor fluisterde, die hem
302
alles behalve welkom waren; althans hij beet zich op de lippen, draaide op zijn hielen rond en ging onder 't fluiten -van een deuntje naar buiten, terwijl de matrone hem met een zegevierenden blik nazag.
âVerbeeld u,quot; zeide zij toen, zich tot Mcolette wendende, âdat dat jonge Heertje mij nog over de tweehonderd gulden schuldig is en dat sinds meer dan een jaar! je hebt wel opgemerkt, hoe hij zich in den wagen maar sjakes gehouden heeft: hij kan anders zijn mondje genoeg roeren. â Maar als hij mij nu achter mijn rug vrijelijk denkt te kunnen blameeren, dan zal hij ondervinden, dat Madame Mont-Athos zich ook niet op haar teenen laat trappen, dat zal hij !quot;
âHij heeft niets kwaads van u gezegd,quot; fluisterde Nicolette, ontsteld door de woordenrijkheid van Madame Mont-Athos â en vreezende, in een explicatie tusschen die twee personen getrokken te worden.
âOch! wat wou hij ook van mij zeggen?quot; vroeg de matrone, weder van den heeschen in den zoetvoerigen toon overslaande: âgeen sterveling leeft er in Den Haag, die iets op mij te pre-tendeeren heeft, en de reputatie van mijn huis is Goddank genoeg bekend, â en dat er niemand bij mij komt dan fatsoenlijke lieden, de eersten van de stad durf ik zeggen.quot;
Hier waarschuwde de conducteur, dat het tijd was, de reis voort te zetten, zoodat Madame Mont-Athos belet werd, de lofspraak, die zij op zich zelve hield, te voltooien. Zij liep dus, altijd met vluggen stap, naar het rijtuig, gevolgd door haar schoone gezellin, van welke Mcolette begon te twijfelen, of zij ook altemet doofstom was, dewijl zij haar nog geen geluid had hooren uitbrengen. Met lang echter nadat zij afgereden waren, werd zij op dat punt gerustgesteld; want de onbekende fluisterde een paar woorden in 't oor der matrone, wel niet zoo luid, dat Mcolette ze verstond, maar toch hard genoeg om deze te doen hooren, dat zij in 't Fransch waren gesproken. â Het gesprek werd echter niet volgehouden; want de Franqaise, die niet nieuwsgierig van aard scheen te zijn, haalde haar sluier weer dicht en zette zich opnieuw tot slapen. Ook de
f-f -)6 Ar V803
aannemer volgde dat voorbeeld: de student keek zuur, ging-weer zitten lezen en raakte evenzeer in den dut: en onze heldin zelve gevoelde ook den invloed der vermoeienis en dien van de onaangename hitte, welke de schuinsche namiddagzonnestralen in den wagen deden ontstaan. Zoo werd de conversatie tusschen Alfen en Leiden niet hervat. In deze laatste plaats verlieten Klabbe, de student, zijn stille overbuurman, en nog een viertal passagiers voorgoed den wagen; eenige andere Heeren namen de ledig geworden plaatsen in, die druk met-elkander redeneerden, maar geen lust schenen te gevoelen, de dames aan te spreken. Ook scheen, sedert hunne komst, onze matrone minder geneigd het gesprek weder op te vatten: alleen nu en dan Nicolette halfluid antwoordende, wanneer deze een vraag tot haar richtte aangaande het een of ander, dat zich voordeed op den weg en haar opmerkzaamheid wekte. Weldra was het jonge meisje geheel verdiept in de beschouwing van al die fraaie en prachtige buitenplaatsen, wier aanblik de reizigers voortaan zouden derven, wanneer de spoorweg, die nu nog-maar van Amsterdam tot Leiden ging, eerlang door een andere streek naar Den Haag zou loopen. Zoo opgetogen was zij over hetgeen zij rechts en links van den weg zag, dat zij haar medepassagiers geheel vergat en zelfs het belangrijkste gesprek lastig zou hebben gevonden. En toen eindelijk op eens Madame Mont-Athos tot haar zei; ânu zijn wij in 't Boschquot;, toen gevoelde ook zij die huivering, met eerbied gemengd, die elkeen onwillekeurig aangrijpt, wanneer hij onder dat somber gewelf van bladeren, tusschen die eeuwenheugende eiken en beuken voortrijdt en de kille dampen van den bodem hem omvangen. Weldra groette de hoorn van den conducteur de hofstad, die zich prachtig aan de overzijde van den Koekamp opdeed; de wagen reed de Dreef, vervolgens de breede straat op, en rolde, altijd onder vroolijk hoorngeschal, vooruit langs plein en straat, tot hij aan het kantoor der onderneming zijn tocht staakte, en het âwelkom in Den Haagquot;, zoo van binnen als van buiten aangeheven, den passagiers in de ooren klonk.
Ti
Oj r ic c /
'r ^ ⢠'2/
Vlt; b
fissrcnju 1 - TaaL'
VOOR ^ ^ Da
_ ^r^TTJT! KLTJ^ L-' - _. v-rlt;
® LEquot; :âmT-ra
KIJKSU^V^1! ^