lxfy
instituut de vooys voor nederlandss taal-en LE17er-cunde aan de
rijksuniversiteit te utrecht
xsx
7. tEM
KLAASJE ZEVENSTER.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0854 7980
Mh. J. VAN LENNEP.
IvLA A S.I E ZEVENSTER.
MET ILLUSTRATIEN
VAN
w DE PAMARS TESTAS.
I.
CEDEN. â A. W. SIJTHOFF,
De Lotgevallen van Klaasje Zevenster.
EERSTE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
een studentenkamer te leiden. â de dorstige pleïaden.
Het zou mij niet verwonderen, indien er verstandige papa's en mama's, voorzichtige tantes, beschroomde oudere zusters en nauwgezette gouvernantes bestonden, die, na zich in een vol vertrouwen op den roem der zedelijkheid, welken de geschriften van den uitgever dezes tot nog toe mochten verwerven, de âLotgevallen van Klaasje Zevensterquot; te hebben aangeschaft, of â wat ik echter niet hopen wil, zoolang zij nog eenig geld bezitten om goede boeken te koopen â ze van een goede kennis te hebben geleend, en na zich nu gereedgemaakt te hebben, dezen nieuwen roman van den bekenden schrijver van âde Roosquot; overluid in den familiekring of indechambre d' é t u d e voor te lezen, het zou mij niet verwonderen, zeg ik, indien genoemde personen op eens, bij het zien van het opschrift, boven dit hoofdstuk geplaatst, den neus optrokken, het pas geopende boek weer dichtsloegen en met een zuur gezicht aan de tot luisteren gereed zittende dochters, nichtjes, zusjes of é 1 è v e s verkondigden, dat zij het boek vooraf eens voor zich zeiven moesten doorbladeren, om te oordeelen of het wel geschikt was om hardop te worden gelezen: welke ceremonie van doorbladeren, al wordt zij dan door gezegde i. - k. z. 1
2
papa's, mama's, tantes enz. in hun studeerkamers, boudoirs, priëelen of andere plaatsen, die zij gewoon zijn tot zulke bezigheden uit te kippen, bij de eerste gelegenheid verricht, en al loopt zij, gelijk ik mij vleie, tot de eer des uitgevers af, toch altijd aan de freuletjes of juffertjes, ten wier bate zij genomen werd, een tijdelijke teleurstelling zal veroorzaakt hebben, en, wat erger is, door uitstel, toi afstel van de lezing zal kunnen leiden.
Ik vind mij genoopt, ter voorkoming van zulk een ramp, hier een geruststellende verklaring voorop te zetten. Het bedoelde opschrift heeft meergenoemde papa's, mama's, enz. ongetwijfeld in den waan gebracht, dat dit eerste hoofdstuk een tafereel behelzen zal, waarin het studentenleven niet alleen nauwkeurig en naar waarheid, maar tevens met zoodanige krachtige, sprekende verven zal worden afgeschilderd als zulks vroeger wel eens, b. v. in de geestige blaadjes van den pseudoniem Klikspaan is geschied: 't geen die blaadjes gewis bijzonder leerzaam en pikant gemaakt heeft, maar wellicht minder geschikt om onder de oogen te komen van onschuldige jonge deernen, misleide crediteuren, argelooze groenen en aantrekkelijke hoogleeraren.
Nu kan ik gezegde papa's, mama's enz. gerust verzekeren, dat ik geen plan hoegenaamd heb, in dit werk de manier van den vernuftigen schrijver der Studententypen na te bootsen, en ik kan daarvoor, als de rentmeester uit Addisons âDrummer,quot; drie redenen opgeven. Vooreerst, dat elke navolging onbehaaglijk is en elke schrijver indachtig moet blijven aan de leer:
Ne forijons point notre talent.
Ten andere, dat bij het bedoelde werk de naakte en ongesluierde vorm niet zou hebben kunnen bemanteld en bewimpeld worden, zonder dat het zaaklijke er door geleden had; â terwijl ik, zonder de minste schade aan mijn werk te doen, al wat schuwe ooren kwetsen mocht verzwijgen of althans verzachten kon.
Ten derde, dat ik mij eenmaal tot regel heb gesteld, niets te laten drukken wat niet door een iegelijk zou kunnen gelezen
worden â dezulken altijd uitgezonderd, die preutschheid voor kieschheid aanzien en er vermaak in scheppen, uit elke bloem venijn in plaats van honig te zuigen.
Na aldus, gelijk ik hoop, alle misverstand voorkomen en mij beleefdelijk in de gunstige gezindheid en de welwillende toegevendheid mijner lezers en lezeressen te hebben aanbevolen, verzoek ik hen, zich met mij te willen terugplaatsen in 't jaar 182. (het laatste cijfer blijft om gewichtige redenen oningevuld) en zich met mij te begeven naar de eenmaal zoo beroemde academiestad Leiden, en wel aldaar in de Breede straat, gelijk de studenten-almanak â of de Breestraat, gelijk studenten en Leidenaars die noemen: voorts met mij de derde deur (het hoekhuis medegerekend, een omstandigheid, welke de lezer wel onthouden mag, daar zij van meer gewicht is dan hij vooralsnog vermoeden kan), voorbij een nauwe steeg, waarvan de naam mij ontschoten is, binnen te treden. Gezegde deur, die toegang verleent tot een smal burgerhuis, is â of was althans in 't jaar 182 â groen geschilderd, en heeft naast zich een raam, dat nooit opengaat, dan wanneer de kamer, waartoe het behoort, âgedaanquot; wordt, welk een en ander de zucht des hoofdbewoners tot stilte en afzondering, of wel zijn gewone uithuizigheid, te kennen geeft.
Maar het is niet met den hoofdbewoner, dat wij ons hebben bezig te houden. De burgers der academiestad, althans zij, wier huizen in het begin der zomervacantie prijken met bordjes, waarop cubicula locanda te lezen staat, zijn gedurende negen maanden van het jaar slechts voor een zeer gering gedeelte als heeren en meesters in hun woning te beschouwen; het is de siudent, somtijds ook de officier, die in het hoofd-vertrek gevestigd is, die de aandacht van overburen en voorbijgangers tot zich trekt, die voor het raam zit, uit- en ingaat, den sleutel voert, heerscht, beveelt, zijn vrienden en bekenden bij zich ontvangt, in één woord zich als hoofdpersoon gedraagt, terwijl de eigenaar of eerste huurder zich naar een achter- of onderkamertje verbannen heeft. Het is dan ook naar dit hoofd-vertrek, waarheen wij ons begeven, al heeft de toegang niets
4
aanlokkelijks. Immers, onze weg leidt door een smal gangetje.
waar wij gevaar loopen te struikelen over een drempeltje, dat stellig met geen ander doel kan aanwezig zijn dan om aan ^
kinderen en bezoekers bedachtzaamheid te leeren: voorts hebben wij een donkere trap, ingesloten tusschen drie nauwe wanden, te zoeken en, na die gevonden te hebben, te bestijgen, welke trap bij dag een vaal en twijfelachtig licht ontvangt uit het onderhuis,quot; doch waarop bij avond volslagen duisternis heerscht, en waarvan de glibberige, uitgesletene treden elkander in zoo zonderlinge evenredigheid opvolgen, dat men bijna twijfelen zou, of de bouwmeester niet het vraagstuk had pogen op te lossen, hoe men in een gegeven bestek op de meest heterogene wijze een zeker aantal onregelmatige parallelo-grammen op elkander kon stapelen. Is het ons gelukt, na niet meer dan drie- of viermalen ons hoofd te hebben gestooten tegen allerlei phantastisch uitspringende hoeken en balken,
den bel étage (?) te bereiken, zoo bevinden wij ons voor een deur, die zeer gemakkelijk en zonder gerucht opengaat, doch die zich nooit dan na vijf of zes harde duwen of rukken â
naarmate men binnen of buiten staat â weder laat sluiten; wij stooten nogmaals de neuzen onzer schoenen tegen een tweede drempeltje en treden eindelijk de voorkamer binnen,
bewoond door Gerlof Bol, S. S. Theol. cand.
Het is avond: de twee schuiframen, door een smal penant gescheiden, zijn verborgen achter vervelooze blinden, op welke hier en daar een vierkante, vermolmde of vuile plek aanwijst,
waar een knip of wervel gezeten heeft, en welke blinden zich bochtig uitzetten, als dreigden zij ieder oogenblik zich van den dwang der kromgebogene bouten, waarachter zij beklemd zijn, te ontslaan, en den onvoorzichtige, die zich in hun nabijheid waagt, tegen 't aangezicht te springen. De wanden zijn 4 beplakt met een vuil geel papier, waarop groene en blauwe bloemen elkander in diagonale richting vervangen: hier en daar echter heeft het behangsel een scheur bekomen, deels met een reep van hetzelfde (doch zeker om den wille der variatie verkeerd-om geplaatst) papier beplakt, deels het patroon van
O
een vroeger behangsel met zwarte en oranje figuren latende doorschemeren. Tegen dien wand hangen, te zamen in een lijstje, de portretten van Van der Palm en van Borger, de series lectionum, met drie spelden vastgehecht, en eenige theses en convocatie-briefjes, mede aan spelden gestoken. â Naast de deur bevindt zich een vrij diepe alkoof, die de voornaamste schatten des bewoners bevat, als, vooreerst: zijn boeken, die, voor zooverre het kwartijnen,'octavo's of duodecimo's zijn, op drie rondloopende planken rusten, en, voor zooverre het folianten zijn, nevens eenige kaarten in portefeuille op den grond staan; ten andere, twee manden, waarvan de eene gevuld is met uitgebrande, de andere met vuile, ter uitbranding bestemde pijpen: â ten derde; een toegeslagen speeltafeltje, voor een prijsje bij een uitdrager gekocht, en waarvan nooit meer dan twee pooten te gelijk den grond raken, terwijl de oppervlakte van het eertijds groene laken, waarmede het bekleed is, een merkwaardige verzameling aanbiedt van wiskunstige figuren, als â cirkels, gevormd door de vochtige voeten van punch- of wijnkelken, â ellipsen en vierkanten, ontstaan door het morsen met was, smeer of inkt, of door het nederzetten van allerlei voorwerpen, die men vergeten hadj vooraf van onderen af te vegen: â ten vierde, een parapluie zonder knop, en waarvan de baleinen grootendeels öf niets meer van taffen bekleedsel willen weten öf er doorheensteken: voorts een drietal vreemdsoortige rottingen, een paar gebroken Duitsche pijpen, een blikken trommeltje, een schrljflessenaartje, te dezer gelegenheid van de hand gezet en beladen met dictata, handschriften en stukgelezen boeken: een grooten standerdlezenaar, waarop een editio princeps rust van den Staten-Bijbel, met koperen sloten voorzien; en, lastnotleast, gelijk 4 de Engelschen zeggen, een klein mandje met volle, en een
groote mand met leege wijnfiesschen.
Gemelde alkoof is voorzien van een dubbele deur; en, wanneer deze gesloten is, wordt er een bijzondere behendigheid of liever een gelukkig toeval gevorderd om haar weder te openen, aangezien de kruk doorgaans vrij wat eigenzinnigheid aan den dag
V-
legt en ontelbare malen zeer bedaard in de hand, die haar omvat houdt, ronddraait, eer zij aan haar bestemming voldoet en den wervel oplicht.
Wat nu het mobilair van het vertrek betreft, de nauwkeurige inventaris daarin bestaat uit:
1°. Een damspiegeltje in gebruineerde lijst en dito bovenstuk ; het spiegeltje verdeeld in twee glazen van verschillende kleur. Wanneer men zich in het onderste glas bekijkt, heeft men een paars, in het bovenste een groen, en in beide een scheef gezicht; zoodat niemand er ooit, 't zij omhoog, 't zij omlaag, in gekeken had, die zich niet gehaast had, er weder uit te kijken, zoo leelijk had hij, of zij, zich zelf gevonden.
2quot;. Een mahoniehouten secretaire, die wel aan het kleine hekwerkje om den bovenrand eenige krullen en stijltjes mist, doch die over 't geheel nog vrij goed voor 't gebruik is, en geen andere gebreken bezit, dan dat het onderste kastje niet sluit, dat een der scharnieren van de klep loszit, zoodat bij het open- en dichtmaken veel behoedzaamheid vereischt wordt, en dat een der achterpooten zijn dienst voorlang opgezegd en in stede van een staande, een liggende houding heeft aangenomen, 't welk echter niet belet, dat het meubelstuk zeer rustig tegen den wand blijft leunen. Op dit meubel, achter het zooeven genoemde hekwerkje, prijkt, onder een glazen stolp, een papieren bloemruiker (het eigendom der hospita), rechts en links geflankeerd mét pleisterborstbeeldjes van Homerus en Cicero, omzet met eenige theekopjes, die in vergulde letters de aandoenlijke motto's voeren: âTer Uwer Verjaring, Weinig maar uit een goed hart. Wandel op rozen. Uit achting,quot; enz.
3°. Een witwerkers-hoekbuffet, met een geribde schuifdeur, die, wanneer men haar bedaard wil openen, hardnekkig op haar plaats blijft; terwijl, wanneer men geweld wil gebruiken, men het geheele buffet van zijn plaats doet draaien: zoodat alleen langdurige ervaring, gevoegd bij taai geduld, iemand in staat stelt, de borden, glazen of messen, of wat het meubelstuk verder bevatten moge, voor den dag te halen.
4quot;. Een potkacheltje, op welks dekstuk menige bleeke kring
é
-aantoont, dat er dikwijls een glas op gerust heeft. Naast het kacheltje staat een houten tobbe met één oor, die steenkolen bevat; daarnevens liggen een stapel turven en eenige blokjes, waarbij zich een pook en een tang bevinden, welke laatste men niet hanteeren kan, zonder dat het vel van den wijsvinger er tusschen beklemd wordt, en wier beenen elkander kruisen zoodra men er iets mee wil aanvatten.
5°. Een armstoel en zes stoelen met trijpen zittingen, waar overal de pluisharen door talrijke wonden uitkruipen; alle eerwaardige invaliden, vol gebreken en bijzonder zwak in de lenden.
6°. Een vierkante tafel met uittrekbladen: de oppervlakte groen met witte spikkels, en de randen roodbruin geschilderd; op welke tafel men in 't midden een rood verlakte lamp en twee zwart verlakte kandelaartjes met vetkaarsen, voorts een gebroken snuiter, een houten tabakskistje, een komfoor, een inktkoker en verder schrijfgereedschap ziet, en rondom welke eenige studenten vereenigd zijn, allen leden van de Rederijkerskamer, genaamd de Dorstige Pleiaden.
Al wie maar eenigszins bekend is met het academieleven, weet, dat er vanouds studentengezelschappen onder verschillende benamingen hebben bestaan, uitsluitend gewijd aan de beoefening van eenig bepaald vak. Zoo heeft men literarische, theologische, medische, juridische gezelschappen, waarin stellingen verdedigd, verhandelingen gelezen, pleitgedingen gevoerd, duistere plaatsen van oude schrijvers verklaard, proeven genomen worden enz. al naar het vak zulks medebrengt. Die gezelschappen worden alleen bezocht door zulke studenten als begeerte hebben om te werken, en voor de zoodanigen zijn zij van groote nuttigheid.
4 Maar behalve deze gezelschappen heeft men er ook, waarop
niet, of althans niet bijster veel, gewerkt wordt, en waar men zich meer ten doel stelt, den avond aangenaam door te brengen, dan zijn kennis te vermeerderen. Men wane echter niet, dat daarom die bijeenkomsten alleen zouden strekken tot bevrediging van materieel genot: integendeel, dewijl zij hun aanzijn
7
8
doorgaans aan de vernuftigsten, de vlugsten onder de academieburgers te danken hebben, heerseht bij het oprichten daarvan meestal een geniaal denkbeeld. Men komt er bijeen, ja, om zich te vermaken; maar men behandelt er, onder pijp') en glas, vaak hoogst belangrijke vraagpunten; men leest er verzen,
soms van eigen maaksel, voor, en recenseert ze; men levert elkander spiegelgevechten van vernuft, en leert tegenspraak en critiek niet slechts beantwoorden, maar, wat nog grooter kunst is, verdragen; â en meer dan een is er onder onze dichters en staatslieden, die, zoo hij de hand op 't hart legt, u bekennen zal, dat hij een groot deel zijner vorming aan dergelijke samenkomsten te danken heeft gehad.
Een der beroemdste onder de gezelschappen, die te Leiden in den jare 182 . bloeiden, was de Rederijkerskamer âde Dorstige Pleïaden.quot; De titel, hoe vreemd hij u, waarde lezers en lezeressen, in de ooren klinke, was niettemin zeer eigenaardig. De benaming van âpleïadenquot; gaf niet alleen te kennen, dat het getal der leden uit zeven moest bestaan: maar de gedachte aan het bevallig sterrenbeeld, onder dien naam bekend, wekte in den geest allerlei aetherische en aesthetische denkbeelden op; terwijl de zeer juiste, doch groteske oppositie, of qualificatie van âdorstigequot; wederom op het stoffelijke terugwees. De naam stelde alzoo op gepaste en niet onaardige wijze het verband tusschen het hemelsche en het aardsche, tusschen geest en lichaam, aanschouwelijk voor. Wat den titel van ârederijkerskamerquot; betreft, dien zich het gezelschap had toegeëigend, het voerde dien met volle recht; want de leden waren doorgaans zeer rederijk, en bovendien hun wetten en reglementen ingericht naar de wijze als bij de oude Kamers gebruikelijk was.
Evenals bij deze laatsten, onderscheidden zich ook hier de leden door de namen van keizer, factor, vaandrig enz. en i
hield men zich, als straks blijken zal, met letterkundigen arbeid bezig.
') De schrijver heeft het oog op een tijd, toen men nog maar bij uitzondering sigaren rookte.
J
9
De zeven leden der Kamer, of, om overeenkomstig haar reglement te spreken, haar zeven sterren, vertegenwoordigden, op verkleinde schaal, het geheele patriciaat der academieburgers. Aan al wie gestudeerd heeft is het bekend, dat men aan de academie een zeker getal onder de studenten vindt, dat zich aaneensluit en den toon geeft, dat op elke promotiepartij ver-eischt wordt, dat op elke groote vergadering de besluiten in zijn geest doordrijft, dat commissarissen levert aan maskerades, bals, concerten, schouwburgen en alle andere feestelijke vereenigingen, en sergeanten of korporaals aan vrijkorpsen. Die uitgelezen bende â de Dii maiorum gentium der hoogeschool â bestaat uit heterogene bestanddeelen; doch niettemin uit hen, die, elk op zijne wijze, boven de overigen uitschitteren; zij is namelijk samengesteld uit :
1°. Hen, die van hooge geboorte zijn en met wie anderen uit dien hoofde het zich een eer rekenen, omgang te hebben.
2°. Hen, die veel geld kunnen verteren : â de reden, waarom hun gezelschap gewild is, behoeft niet opgegeven te worden.
3quot;. Hen, die door wilskracht of wakkerheid uitmunten en tot leadingmen geboren zijn.
4°. Hen, die door vernuft en snaaksche invallen schitteren.
5°. Hen, die als de grootste bollen in 't werken bekend staan.
equot;. Hen, die den naam hebben eerste Jannen, Pieten, Brammen (de benaming varieert: onze voorouders zeiden ook wel âzwijnenquot;) te zijn.
Nu spreekt het van zelf, dat de zoodanigen, die twee of drie van de voormelde hoedanigheden in hun persoon vereenigen, die adel met rijkdom paren, of groote bekwaamheid met groote losbandigheid â 't geen men wel eens ziet gebeuren â op den top van die piramide staan.
4 Elke der bovengenoemde categorieën had in de rederijkers
kamer ten minste éénen vertegenwoordiger: en wij zullen thans, waarde lezer! met elk hunner achtereenvolgens kennis maken.
Dien jongeling, met dat onbeteekenend, pokdalig, bleekgeel, altijd effen gelaat, dat sluike vlasblonde haar, aan weerskanten
J
10
van onder een vrij smerige lakensche pet te voorschijn komende, die fletsche grijze oogen, die zwarte, hoekige tanden en die blauwachtige kin, zult gij, aan den armstoel, waarin hij zetelt,
aan de grijnen, met inktvlakken besmeerde en aan de ellebogen afgesleten huisjas, die om zijn magere leden hangt, en aan de oude leeren pantoffels, waarin zijn met gele wollen kousen bedekte voeten gestoken zijn, voor den gastheer, alzoo voor Gerlof Bol, th. cand., herkennen. â Zeker is er niets in het portret, 't welk ik hier van hem ophang, dat u voor hem in kan nemen; zelfs heeft zijn uiterlijke iets terugstootends, en wanneer hij den mond opent en gij hem in een vrij platten Overijselschen tongval hoort spreken, zult gij u verwonderen,
hoe hij, die nog wel bovendien een theologant is, aldus bij uitzondering onder de élite van de academie is opgenomen,
ja hoe er prijs op zijn omgang gesteld en om zijn vriendschap gekuipt wordt door zoovelen, die door geboorte en beschaving uitblinken; maar blijf slechts een kwartier zitten, en uw verwondering zal ophouden, en gij zult het min gunstige van 'sjongelings uiterlijke vergeten, ja in stede van teruggestooten,
u tot hem voelen aangetrokken; want onder de weinig belovende schors zult gij een schat van kennis, een origineel en onderhoudend vernuft, en, wat meer zegt, een voortreffelijke inborst ontdekken.
In een kleine grensstad geboren, uit ouders, die wel niet tot een behoeftigen, maar toch tot een vrij nederigen stand behoorden, zou Gerlof waarschijnlijk alleen opgeleid zijn geweest om in het kruidenierswinkeltje zijns vaders aan de eerzame burgers zijner woonplaats den gevraagden voorraad thee, koffie,
tabak of peper af te wegen, had niet de rector der Latijnsche schole daar ter plaatse in den knaap een meer dan gewone vlugheid van begrip en leerlust ontdekt, en er behagen in *
geschept, zijn ledige uren te besteden met hem onderricht in de humaniora te geven. De vorderingen van den jongen Bol waren zoo ongewoon, dat zij de opmerkzaamheid en belangstelling van vermogende lieden uit den omtrek hadden gewekt, en zoo was men algemeen tot het besluit gekomen,
11
dat het eeuwig jammer wezen zou, indien het genie, dat zich ontwikkelde, zou versmoord worden of wegkwijnen binnen de wallen van een provinciestadje, aan 't welk het, behoorlijk aangekweekt zijnde, eenmaal roem en luister zou kunnen schenken. Er werden inschrijvingen geopend, gelden verzameld, en daarvoor boeken aangekocht, zoovele als de knaap tot het voortzetten zijner studiën behoefde. Spoedig bracht hij het door gestadige vlijt zooverre, dat hij bekwaam geoordeeld werd tot het bijwonen der academische lessen. Een beurs werd voor hem aangevraagd en verkregen, en met vrijwillige bijdragen aangevuld, zoodat Gerlof Bol zich in staat bevond, aan de academie, op wel geen overdadigen, maar toch onbekrompen voet te leven. De verwachtingen, welke zijn begunstigers hadden opgevat, werden niet teleurgesteld. Bol werd spoedig onder de uitnemendste studenten genoemd; hij was nu in zijn vierde studiejaar, had den eersten graad bi] ieder examen verworven, en een accessit op een theologische, vervolgens een medaille op een letterkundige prijsvraag verdiend.
Een en ander had hem vermaardheid onder de studenten verschaft; doch dat hij op een innigen, vertrouwelijken voet met de corypheeën onder hen geraken en zedelijken invloed op hen verkrijgen kon, dit was het gevolg der eigenaardigheden, die hem kenmerkten. Vooreerst was hij geheel niet wat men een kamergeleerde noemt, maar zeer gezellig van natuur en even gaarne omgang zoekende met menschen als met boeken; hij was dus alle middagen voor het eten op de sociëteit, en na het eten in het toen zoo beroemde koffiehuis âDe Pauwquot; te vinden, waar hij biljart, noch kaart, noch domino speelde, noch damde, maar rustig zijn pijp zat te rooken en te praten met wie maar het talent bezat van te redekavelen of te luisteren. â Ten andere had hij een ontzettend geheugen, dat niet alleen belangrijke feiten en gebeurtenissen bewaarde, maar ook zoodanige kleine bijzonderheden en anekdoten als bijna elkander vergeet: en hij bezat de gaaf er bij, om ze op de onverwachtste en kluchtigste wijze te pas te brengen. â Ten derde was hij, gelijk dit aan scherpzinnige lieden veelal eigen is, een groot
12
liefhebber van het opwerpen en verdedigen van paradoxen. Misschien dreef hij die liefhebberij wat verre en kon zij als een gebrek, althans als een verkeerde richting van zijn geest, beschouwd worden; zeker is het, dat hij daarmede de sluimerende aandacht wist op te wekken en het gesprek bij voortduring levendig te houden.
En ten slotte, wat op alles de kroon zette, hij bad het beste karakter van de wereld, maakte zich nimmer boos en was nooit, door wien ook, slecht geluimd gezien. â Eigenschappen genoeg, om aan de academie geacht en bemind te worden. En nu, waarde lezer, in afwachting dat gij nader bekend raakt met onzen theologant, zullen wij u verzoeken, het oog te vestigen op den jongeling, die naast hem is gezeten.
Deze draagt een roode bouffante om den hals, een tot onder de kin dichtgeknoopt donkergroen buis met borstzakken, een duffelsche broek, die over de laarzen heenvalt, en een zwart tluweelen muts op het hoofd. Gij zoudt hem voor een schipper aanzien, zoo niet de fijne regelmatigheid zijner trekken en de keurige vorm zijner blanke vingeren van een aanzienlijke afkomst getuigden. En die getuigenis is niet logen-achtig; want hij, dien gij voor u ziet, geeft antwoord op den naam van Louis Napoleon Peter, grave van Eylar. Onmiskenbaar zijt gij ingenomen met de fiere en toch zoo welwillende uitdrukking der helderblauwe oogen, waarover zich de zwarte wenkbrauwen zoo sierlijk welven, als waren zij met een penseel geteekend. Moeilijk kunt gij den blik afwenden van dat hooge en blanke voorhoofd, door glinsterende krullen gitzwart haar omsloten, van dat edele Apollo-profiel, van die wangen, blozende van gezondheid, van die lippen als morellen, die, telken reize dat zij zich openen, de fraaiste rijen tanden laten doorschitte-ren, van die ronde kin, met een bevallig kuiltje geteekend; en bij de beschouwing van dat alles zult gij gaarne erkennen, dat hij, wien de natuur zulk een voorkomen geschonken heeft, allen uiterlijken tooi zeer gemakkelijk kan ontberen.
Uit een geslacht gesproten, dat gelijktijdig met de Graven van Gelre en Zutfen in 's lands geschiedenissen vermaard was.
13
vermaagschapt aan vorsten, en aan die patriciërs, die over vorsten regeerden, een koning tot doopheffer gehad hebbende, daarbij, bemiddeld genoeg om van niemands gunst af te hangen, mag de jonge Eylar met recht onder de bevoorrechte kinderen der fortuin gerekend worden; en tot nog toe heeft hij het goed verstand gehad om met zijn lot nog al tevreden te zijn ââ iets, dat moeilijker is dan schijnt â en het leven te genieten, zonder het te misbruiken â wat ook niet gemakkelijk is.
Meer studeerende om zich den titel van meester in de rechten te verwerven dan met het doel om bepaald te worden wat men een jurist noemt, en tevreden, zoo vaak hij, âniet zonder lofquot; door zijn examens heenkomt, behoort Eylar niettemin tot een der bekwaamsten onder de academische dilettanten; en, al bezoekt hij des winters vrij geregeld den Haagschen schouwburg en des zomers het Bosch, hij legt tevens nogal liefhebberij voor letterkundige oefeningen aan den dag en zoekt bij voorkeur omgang met jonge lieden van smaak en belezenheid. Noch hoog, noch verwaand, minzaam en gedienstig jegens een ieder, vroolijk en opgeruimd, heeft hij geen ander gebrek, dan zekere zwakheid van karakter, die hem nu en dan tot een speelbal maakt in de handen van dezulken als oneindig minder innerlijke waarde bezitten dan hij.
Vertegenwoordigt Eylar den adel, de rijkdom vindt zijn vertegenwoordiger in Karei Van Zirik, die daar naast de kachel gezeten is met dat net uitgekamde, glimmende haar, die witte das, waarvan de strik hem zeker een kwartier werks gekost heeft; dat blauwe jasje met fluweelzijden kraag, dat zwart satijnen vest met purperkleurig ondervest, dien keurig geplooiden jabot .a tuyaux de pipes, waar een diamanten doekspeld is door-heengestoken, en die prachtige b r e 1 o q u e s, aan een breeden, platten, gouden horlogeketting bungelende op de parelgrijze pantalon, waar nooit een spatje op kleeft. Gij zoudt hem onder een stolp willen bewaard hebben, zoo netjes doet hij zich voor. 's Morgens op 't college moge hij met een pijjakker verschijnen, na den middag vertoont hij zich altijd of hij uit een doosje kwam. En o! zoo gij hem in zijn tilbury zaagt en zijn fraai
14
getuigde blessen bewonderen mocht! Is het vreemd, dat quot;Vioo van de academie den geluksvogel benijden, die zooveel pracht ten toon kan spreiden? dat, waar hij voorbijrijdt, alle winkeldochters van achter de toonbank opschieten en alle werkmeiden aan dweil of ragebol een poos rust gunnen om hem met open mond en kloppend hart na te oogen? Ja, men verhaalt, ofschoon wij niet instaan voor de waarheid van 't geval, dat eens eene dezer laatsten zich met een glazenwasschersspuit op straat bevindende, toen hij in al zijn luister voorbijreed, zoo opgetogen en verstrooid van gedachten raakte over dit heerlijk verschijnsel, dat zij den waterstraal, in plaats van tegen de ruiten van het huis haars meesters, in het openstaand bovenraam van het linnenmagazijn daarnaast zond en de hemel weet hoeveel el kamerdoek beschadigde: alsmede, dat een schoonmaakster, die in een vensterbank glazen zat te lappen,, hem zoo lang nakeek tot zij er een stijven nek van behield: â ja, wat vertelt men niet al! Geen kameniertje, beweerde men, bestond in heel Leiden, dat op den duur zou hebben weerstand geboden aan zoovele aanlokkelijkheden, als Karei Van Zirik ten toon spreidde.
De oude heer Van Zirik, zonder een man van geboorte te zijn, had reeds vroeg betrekking gehad met aanzienlijke lieden, wier zaakbezorger hij was. Na zelf vrij wat verdiend te hebben in gelukkige speculatiën â de wereld zei, met geld van anderen â had hij een rijke vrouw getrouwd en zich in Den Haag nedergezet. Weinig behoeften hebbende, leefde hij voor zich vrij zuinig en afgezonderd, doch des te meer stelde hij er prijs op, dat zijn eenige zoon, op wien hij al zijn uitzichten gesteld had, figuur maken en, zoo het kon, in de diplomatieke wereld schitteren zou. Hij had dan ook uit dien hoofde Karei naar de academie gezonden en in de rechten doen studeeren. De ruime beurs, waarover de jongeling beschikken kon, had hem daar den invloed verschaft, dien het geld overal uitoefent, doch zou hem den toegang nog niet gebaand hebben tot de Pleïaden. Maar Karei, ofschoon verre van een vlijtig of vlug student te zijn, of van uit te munten door bijzondere gaven
des geestes, had tact genoeg om te beseffen, dat een zekere reputatie van bekwaamheid hem geen kwaad zou doen, en dat hij die 't best verkrijgen zou door zich aan te sluiten bij de knapste en geestigste bollen van de hoogeschool. Ook te dezen opzichte liegt het spreekwoord niet: dis mol qui tu hantes etc., en daar men Van Zirik altijd in gezelschap zag met de schranderste jongelieden, maakte men al licht de gevolgtrekking, dat hij onder hun getal behoorde: ja, zij zeiven meenden langzamerhand meer geest en kunde in hem te ontdekken, dan zij aanvankelijk in hem vermoed hadden; en niets was natuurlijker; men gaat in geen beddewinkel zonder eenige pluizen mede te dragen, en de hardste keien geven door wrijving vuur: evenzoo bezat Karei, dagelijks gezonde opmerkingen of aardige zetten hoorende, genoeg geheugen en oordeel om ze insgelijks en op zijn tijd te pas te brengen. Over 't geheel echter luisterde hij meer dan hij sprak, wat het dubbel voordeel medebracht, dat men gaarne zijn gezelschap, als dat van een genegen hoorder genoot, en dat, wanneer hij nu en dan een gepast woord in 't midden bracht, zulks des te beter werking deed. Daarbij had hij zich een naam weten te verwerven, die nogal licht wordt toegekend, namelijk dien van droog komiek te zijn; ofschoon de waarde van zijn aardigheden over 't algemeen minder in de aardigheden zelve lag, dan in den toon van voordracht en in hare zeldzaamheid.
Aan de andere zijde van de kachel zit een student, dien wij, hoewel hij nauwlijks drie en twintig jaren telt, aan de tijdige kaalte van zijn kruin, aan den ernst, over zijn strak, taankleurig wezen verspreid, aan de peinzende uitdrukking zijner diep liggende donkerbruine oogen, voor ten minste tien jaar ouder zouden aanzien. Zelfs zijn kleeding heeft niets jeugdigs: een donkerbruine, op de naden eenigszins versleten rok, een witte das zonder pretensie en die blijkbaar reeds drie dagen dienst heeft, een hoog zwart lakensch vest, een zwartgrijze pantalon en gelapte laarzen met dikke zolen, ziedaar de uitrusting, waarin hij zich heden en schier dagelijks voordoet, en waaruit blijkt, dat Willem Van Zevenaer, hoewel geen aan-
16
spraak makende op eenigen zwier, echter altijd zoodanig gekleed wil zijn, dat hij zich, zonder aanmerkingen uit te lokken, overal vertoonen kan. En geen wonder! hij is candidaat in de medicijnen: hij bezoekt de gasthuizen, is tegenwoordig bij verlossingen en verbanden en wordt hier en daar onder de hand reeds als arts geraadpleegd: en hij weet, dat een deftige rok, al is die wat versleten, meer houding heeft aan 't ziekbed, en meer vertrouwen inboezemt aan de patiënten, dan een studentenbuis. Ook in zijn houding en manieren is hij even bedaard en deftig als in zijn kleeding; hij spreekt weinig; doch dan is het ook doorgaans âmet eiken regel een sententie.quot; Met slechts is hij als veelbelovend medicus, maar ook als smaakvol literator bekend, en twee jaren redacteur van den Studenten-almanak geweest: aanspraken genoeg op het lidmaatschap van de Pleïaden.
De laatste der aanwezigen â want al de Sterren zijn nog niet aan den horizon van Gerlofs studeerkamer verschenen, â de jongeling, die, met een pijp in den mond op en neder loopt en beurtelings voor elk meubelstuk blijft stilstaan en het met een aandacht opneemt alsof er wonderwat aan te zien viel, is Occo Van Donia, jur. stud, een Fries van geboorte, en, uiterlijk zoowel als innerlijk, een der vlugste knapen van de hoogeschool. Magere, maar schrandere trekken, bruine oogen bij lichtblonde haren en wenkbrauwen, een effen, doch gezonde tint over 't gelaat verspreid, een korte, doch gespierde gestalte, ziedaar zijn signalement. Ook in zijn kleederdracht is weinig variatie; zij bestaat doorgaans, als nu, uit een bruin buis, met fraai bewerkte knoopen van hertshoorn, een stropdas, die eens zwart geweest is, maar thans over zijn ouderdom bloost, en waarvan de uitstekende baleinen de onderkin met wondjes hebben roodgeprikkeld, een groenachtige pantalon en schoenen met slopkousen. Het was als dichter, dat Donia in den kring was opgenomen. In die dagen werd de jeugd nog opgevoed in den uitsluitenden eerbied voor de classieke letterkunde. Byron begon hier pas bekend te worden: Victor Hugo had nog nauwelijks van zich doen hooren en
voor de werken van de romantische school was nog geen sympathie ontwaakt. Men dweepte nog met Meuwland en Bellamy, met Feith en Nierstrasz, en men veroordeelde ongelezen elk treurspel, dat niet in vijf bedrijven en in verzen ge-schz-even was. Donia, wiens moeder een baronesse Von Eeichen-bach was, en die als kind het Hoogduitsch en later het Engelsch geleerd had, was volkomen thuis in de letterkunde der balladen en legenden, zoowel als in die der Shaksperiaansche drama's. Hij was een der eersten bij ons, die van den platgetreden weg afweek, en gedichten schreef, waarin geen godheden van den Olympus genoemd werden, en meer naar het natuurlijk voorstellen van dagelijksche toestanden werd gestreefd dan jacht gemaakt op het verhevene: of, bewoog hij zich somtijds op het gebied der verbeelding, dan verving het phantastische daarin het conventioneel mythologische element. Zijn proeven in dat genre vervaardigd en aan bijzondere vrienden vertoond â want uitgezonderd wat zij aan den almanak leverden, schreven studenten toen nog niet voor de drukpers â werden wel Is waar door de meesten niet begrepen en door allen gehekeld, maar zij bezorgden hem toch aan de academie den naam van een excentriek genie. Doch, trad Donia op het letterkundig gebied langs nieuwe en ongebaande paden, in het politieke was hij daarentegen een reactionnair; en daarin lag minder tegenstrijdigheid dan men oppervlakkig denken zou: immers er is doorgaans niets zoo nieuw als wat heel ouderwetsch en vergeten is. Vele jongelieden, op de scholen in slaafsche bewondering opgeleid voor de antieke deugd der Brutussen, of voor de vrijheidszucht van Olden-barneveld of Jan De Witt, waren plotseling geschokt geworden in hun geloof door krachtige stemmen, die de eerstgenoemden als kinder- en vadermoorders brandmerkten en de laatstgenoemden als despoten voorstelden. Bilderdijk, wien de kleingeestige tegenstand van anders verdienstelijke mannen uit het professoraat in de geschiedenis des vaderlands, aan het atheneum te Amsterdam hem toegedacht, had uitgesloten, had zich te Leiden nedergezet, waar zijn lessen en omgang door
18
de meest bekwame leerlingen der hoogeschool vlijtig gezocht en op prijs gesteld werden. Was het wonder, dat Donia zoowel als Gerlof Bol en Eylar zich schaarden onder de bekeerlingen van den beroemden geleerde, met wien elk hunner eenige overeenkomst had. Immers Donia was zelf dichter, Bol, evenals zijn meester, een liefhebber van paradoxen, en Eylar, hoe weinig hij zich op zijn geboorte liet voorstaan, toch te veel edelman om niet ingenomen te zijn met feodale herinneringen. Niet alleen rangschikten zij zich onder de tegenstanders van het liberalisme en verdedigden zij a tort et a travers de Bilderdijksche begrippen, maar, als 't gewoonlijk gaat, zij overdreven die nog, zoo vaak zij in redetwist kwamen met de zoodanigen, die nog getrouw gebleven waren aan de overleveringen der achttiende eeuw. Geen bijeenkomst van knappe studenten was er in die dagen, waarin de nieuw opgeworpen politieke en theologische quaestiën niet werden behandeld, en men niet redetwistte over de erfzonde, de praedestinatie, de Loevesteinsche factie, de Napelsche quaestie en de wet op de majoraten; redetwistte, totdat de wijn de hoofden beneveld en de tongen dubbel had doen slaan. Wje nog de theses en dissertaties van dien tijd inziet, zal zich een denkbeeld kunnen vormen van de heftige wijze, waarop, alstoen, de zonderlingste stellingen werden uiteengezet en verdedigd. Gelukkig â en dit strekt den studenten tot lof â dat de haat en nijd, die tusschen de partijen in de maatschappij daarbuiten bestond, nooit plaats greep in de harten der jongelieden, en dat de hevigste liberaal even trouwhartig den beschonken ultra, als de meest orthodoxe Gomarist den zwaaienden Arminiaan onder den arm naar huis bracht en te bedde hielp.
Na deze uitweiding, die ons niet onnoodig is toegeschenen, omdat zij zoowel het tijdvak, waarin wij den lezer verplaatsen moeten, als de op te voeren personen kenschetst en aanschouwelijker maakt, laten wij aan deze zeiven het woord.
19
TWEEDE HOOFDSTUK.
GESPREKKEN. â DE KOMEET ZONDER STAART.
âDe Katuil blijft lang weg,quot; zeide Eylar, terwijl hij zijn pijp tegen den haard uitklopte en de hand naar het tabakskistje uitstrekte om er een nieuwe te stoppen.
âHij zal de Komeet nog niet ontdekt hebben,quot; merkte Van Zevenaer aan.
âHij moet anders beter dan een onzer bij nacht kunnen zien,quot; zeide Van Zirik, terwijl hij, na eenige snelle haaltjes uit zijn pijp gedaan te hebben, een pruimemondje zette, en met veel bevalligheid den ingezogen rook in kleine kringetjes wegblies, een kunst, welke hij in de volkomenheid verstond, en waarmede hij den nijd verwekte van zoovele rookers aan de academie, als zij â ofschoon meest vruchteloos â dit kunststuk zochten na te doen.
âKent iemand die Komeet?quot; vroeg Donia, op eens stilstaande: ..niemand? zelfs gij niet, Maleier? die toch ook uit Amsterdam zijt?quot;
âAlsof alle Amsterdammers elkander kennen moesten,quot; zeide Van Zevenaer, of de Maleier, gelijk hij om zijn platten neus en geelachtige gelaatskleur in de wandeling genoemd werd: âAmsterdam is Leeuwarden of Dokkum nietquot; â â en hij haalde verachtend de schouders op.
âNu! des te erger voor den Katuil,quot; hernam Van Zirik: âhij zal beboet worden; 't zal zoo dadelijk zes uren slaan.quot;
âNog tien minuten,quot; zeide Bol, op een orderwetsch zilveren horloge wijzende, dat voor hem op de tafel lag.
âDan is uw horloge in de war,quot; zeide Donia, terwijl hij het zijne voor den dag haalde en bekeek: â't is vier minuten voor zessen.quot;
âHet horloge van den voorzitter is nooit in de war,quot; zeide Bol.
Van Zirik haalde, zonder te spreken, het zijne uit, liet het
20
repetitiewerk slaan, bekeek met blijkbaar welgevallen de fraaie, met juweelen omzette wijzerplaat en bracht toen het pronkstuk weder op zijn plaats.
Eylar zeide evenmin iets; hij had het te druk met zijn pijp aan de kachelpook aan te steken.
De Maleier alleen kon de bewering van Bol niet onopgemerkt laten voorbijgaan: âdat is weer een van uw paradoxen. Gerlof!quot; zeide hij.
âGeen paradox, maar wettelijke bepaling,quot; antwoordde Gerlof: ââmen zal zich regelen naar het horloge van den voorzitter,quot; staat in het reglement.quot;
âDan behoort het horloge van den voorzitter altijd voor, in plaats van na te gaan,quot; merkte Van Zirik aan: âalthans zoo men het belang der kas niet wil voorbijzien.quot;
âHoor mij zoo'n inhaligen financier eens aan,quot; hernam Bol: âmaar wat daarvan wezen moge, mijn horloge gaat volkomen zooals 't behoort.quot;
âIk heb het mijne nog hedenmorgen gelijkgezet op de klok van 't stadhuis,quot; zeide Van Zirik.
âEen fraai bewijs,quot; zeide Gerlof, âalsof het stadsuurwerk onfeilbaar ware! Ik regel het mijne op de verschijning van professor X., die altijd precies een kwartier na den tijd, dien de Series aangeeft, zijn collegekamer binnenzwemt.quot;
âFlauw!quot; zeide Eylar, die nu volkomen aan was en van achter een dikke rookwolk oprees.
âNeem hem dat niet kwalijk,quot; merkte Van Zevenaer aan: âhet is onmogelijk, anders dan flauw en lamzalig te wezen, zoolang het gezelschap, dat men verwacht, niet voltallig is. Heeft iemand ooit een aardigheid gehoord, die gedebiteerd was bij het aangaan van een diner?quot;
âZiedaar een psychologische aanmerking, den medicus waardig,quot; zeide Donia: âmaar om nu terug te komen tot onze Komeet, waar heeft de Katuil die ontdekt?quot;
âIk betuig u nogmaals, dat ik het niet weet,quot; antwoordde Bol: âhier is zijn briefje, en dat is al wat ik er van te vertellen heb.quot;
21
Donia nam het briefje op en las:
âAmice Gerlof! ik breng u dezen avond een neef van mij mede, den heer Jan Bleek, van Amsterdam.
T. T. Hoogenberg.quot;'
,,'t Is dus een bleeke komeet. Iö vivat!quot; galmde Donia:
âDan toch behoeft zijn bleek gezicht Niet bleek te worden bij ons licht.quot;
gij nu reeds uw gedicht?quot;
vroeg Van Zirik; âspaar dat rijmen tot na de opening der vergadering, anders ben je straks aux abols.quot;
âWaarlijk Zirikje!'' riep Bol: âje hebt aanleg om de geestigste, geniaalste, gierigste vent van de wereld te worden; je denkt om niets dan om sparen.quot;
âIk ben van gedachte,quot; zeide Eylar, âdat die Komeet bij de
uitkomst zal blijken____quot;
âBlijken of bleiken'? Welk van beide meen je?quot; vroeg Donia; âjijlui Gelderschen verstaat er u al zoomin als de Hollanders op, onderscheid te maken tusschen ij en ei.quot;
âWij zijn ten minste beleefder dan de Friezen,quot; hernam Eylar; âen vallen iemand niet in de rede. Val liever....quot; âAbsolvas phrasin1),quot; zeide Donia; ânamelijk de eerste.
Ik weet men noemt mij lomp, en 't brengt mi] glorie aan,
zooals Snoek als Othello zegt in de prulvertaling van de verknoeiing van Shaksperes meesterwerk: dat is de onafhankelijkheid, ons frije Friezen eigen.
Mijn rug heeft nooit geleerd te buigen,
zegtWoerden in Floris V. Maar haec in transenna!2). Wat ging je zeggen?quot;
âBreng uw volzin ten einde/'
2) âDit in 't voorbijgaan.''
22
âAlsof hij dat na al je gerammel niet lang vergeten was,quot; zeide Van Zevenaer.
âVolstrekt niet,quot; hernam Eylar; âik wilde zeggen, dat die Komeet stellig een flauwe vent zal wezen, die ons vervelen zal.quot;
âIn dat geval zullen wij hem volproppen met letters,quot; zeide Donia, âen hem vervolgens radicaal basissen.quot;
âIk zou liever met het besissen beginnen,quot; zei Van Zirik. âNatuurlijk,quot; zeide Van Zevenaer; âwat zulk een volkje aanbelangt,
Ce n'est qu'en les tuant qu'on leur apprend a vivre.
Wij moeten een lijk van hem maken.quot;
âOm u het genoegen te geven van het te ontleden?quot; vroeg Bol; âwaarachtig, Hoogenberg blijft te lang weg.quot;
âEn Galjart komt ook nog niet,quot; zeide Eylar.
âEven alsof dat een wonder ware,quot; hernam Donia; âGaljart wil ten opzichte der Pleïaden den dichter niet doen liegen, wanneer hij zegt
Septem dici, sex tam en esse so lent.quot;1)
âHij heeft toch beloofd, stellig van avond te komen,quot; zeide Bol. âEen belofte, die de eerste witte muts, die hij ontmoet, hem zal doen vergeten of overtreden,quot; zeide Donia.
âIk dacht, dat hij op reis was,quot; zeide Van Zirik. âA propos van reizen,quot; zeide Eylar; âweet je wel. Bol! dat je buurman hedenmorgen is weggetrokken?quot;
âWelke buurman?quot; vroeg Bol.
âDie grompot, die alle middagen koffie dronk in de Pauw en altijd op de kachel zat.... hoe heette hij ook ?quot;
âFlinck meen ik,quot; antwoordde Van Zevenaer; âmaar wat hij was heb ik nooit kunnen te weten krijgen.quot;
âIk hoor, dat hij rijk was,quot; zeide Van Zirik.
âBah! dat vertelt men altijd van die Oostinjevaarders,quot; hernam Eylar; âmaar dit is zeker, dat hij straks niet op zijn
') âZij heeten zeven te zijn; maar zijn gewoonlijk maar zes.quot;
23
gewoon plekje zat, en dat de oude Frans mij met een mysterieus gelaat verteld heeft, dat âmenheir Flinckquot; van morgen weer voorgoed was weggereden.quot;
âWat deed de vent eigenlijk hier?quot; vroeg Donia.
âIk hoor,quot; antwoordde Eylar, âdat hij hier was om professor Theeroos te raadplegen over een lastige kwaal____ maar
dat zal Van Zevenaer ons wel kunnen zeggen.quot;
âIndien ik het wist, zou ik het niet zeggen,quot; zeide Van Zevenaer; âdoctoren zijn biechtvaders, en mogen niet uit de school klappen; â maar, naar mijn berichten luiden, was hij hier om onderzoek te doen naar oude documenten, aan 't stads archief aanwezig en waaruit hij den eigendom moest bewijzen van een menigte landerijen, onder Rijnland gelegen.quot;
âDan is hij gewis in zijn onderzoek teleurgesteld geworden,quot; zeide Eylar; âalthans Frans verzekerde mij, dat hij naar 't Nieuwe Diep was gereisd.quot;
âWie? Frans?quot; vroeg Van Zirik.
âWees niet laf. Van Zirik!quot; hernam Eylar; âik zeg, dat-de heer Flink naar 't Nieuwe Diep is gereisd om zich weder naaide Oost in te schepen.quot;
âIk heb niets van zijn vertrek gemerkt,quot; zeide Gerlof; âmaar â haecce mittamus') â 't zal nu wel zes uren zijn.quot;
âWaar is je schepter, Gerlof?quot; vroeg Eylar.
âDe hamer? â die zou Hoogenberg meebrengen. â En hieruit ontstaat een gewichtig vraagstuk. Kan een vergadering zonder hamer geopend worden?quot;
âEen zotte quaestie,quot; zeide Donia: âwat weerga, zou dan het houden van een vergadering afhankelijk gemaakt worden van het al of niet aanwezig zijn van een eind hout? En zou het in de macht staan van hem, die mala fide2) den hamei-bezit, niet alleen de boete te ontduiken, op het te laat komen gesteld, maar zelfs door weg te blijven de geheele samenkomst illusoir te maken?quot;
') âDit ter zijde gesteld,quot; of âgenoeg hiervan.quot; !) âTe kwader trouw.quot;
24
âDat is waar ook,quot; zeide Gerlof; âmaar het reglement zegt: de vergadering wordt geopend met een schepterslag: daar is geen schepter, ergo.quot;
âAlsof wij niet ex plenitudine potestatis') al wat ons goeddunkt tot schepter zouden kunnen verheffen,quot; zeide Eylar.
âDaar heb je gelijk aan,quot; hernam Bol, âen van lit2) zei te recht, toen hij Titus Andronikus speelde en zijn zwaard vergeten had, tegen zijn kameraad, die Saturninus voorstelde;
O doodelijk verzuim!
Heb ik mijn degen niet, zoo sterf dan door mijn duim.quot;
âHier is al een schepter,quot; zeide Donia, terwijl hij een geweldig langen stok, waarmede hij gewoon was te batonneeren, uit den hoek haalde.
âWel verplicht,quot; zeide Gerlof; âdenkje, dat ik lust heb, met dat ding te manoeuvreeren? 't zou er veel van hebben of ik koek hakte. Neen, dan heb ik hier een beteren schepter, als er toch volstrekt een surrogaat moet zijn. Ziedaar!quot; vervolgde hij, de tang nemende, âdeze bidens-1) is gemakkelijker te hanteeren. Ik open de vergadering,quot; vervolgde hij, de tang met kluchtige achtbaarheid heen en weder zwaaiende: âvonkelende Pleïaden! laat schitteren uw licht!quot;
Op hetzelfde oogenblik werd er aan de huisdeur gebeld.
âDaar is Hoogenberg met de Komeet,quot; was de algemeene kreet.
En werkelijk, de huisdeur ging open, weldra hoorde men het gerucht van voetstappen op de trappen en de aanmaning tot voorzichtigheid, welke Hoogenberg zijn neef toevoegde; de deur ging open en de jongelieden vertoonden zich, terwijl hun een oorverdoovend gegalm van: âbeboet! beboet!quot; uit den mond der aanwezigen tegenklonk.
Niemand, die niet vermaakt zou geweest zijn door 't aan-
') âUit de volheid van ons gezag.quot;
2) Een bekwaam tooneelspeler uit de zeventiende eeuw. â¢'') âTweetandig voorwerp.
25
schouwen der kluchtige uitdrukking, op het gelaat van Willem Hoogenberg door dit algemeen en te zijnen koste aangeheven gejuich teweeggebracht. Hij was verre van een mooie jongen te zijn. Willem Hoogenberg, en zijn tronie, bolrond als een pompoen, evenzeer met sproeten en bobbels overdekt en bovendien versierd met twee zware bakkebaarden en een bril met groote ronde glazen, zijn kromme, breede, dikke, snavelvormige neus, zijne ooren, die van 't hoofd verwijderd stonden, dat een en ander gaf hem niet weinig gelijkheid op den vogel, wiens naam hem zijn makkers gegeven hadden. Doch was hij een uil, hij was een rechte uil van Minerva, en bracht gansche nachten met werken door, terwijl anderen sliepen. Evenals gemelde vogel scheen hij het zonlicht te haten; want niet zelden sloot hij, ook bij helderen dag, de blinden dicht en stak kaarsen op, bewerende, dat hij alsdan minder afgetrokken was bij den arbeid. Het kwam hem goed, dat zijn natuurlijke aanleg hem tot werken bestemd had; want hij bezat ouders noch vermogen, en alleen de goedheid van zijn oom, den koopman Bleek, had hem in staat gesteld, zijne studiën voort te zetten. Ofschoon traag van bevatting had hij door gestadig blokken het gemis van vlugheid vergoed, en zoo ging hij aan de hoogeschool voor een monster van geleerdheid door. Toch begreep hij, dat de boog niet altijd gespannen moest wezen, en wanneer hij eens â zoo men 't heet â aan den rol ging, dan rolde hij zoo lang door, tot hij niet meer rollen kon. Nooit echter veroorloofde hij zich zoodanige ontspanning, dan wanneer hij bij kas was, en hetgeen hij dan verteerde was niet het geld zijns ooms, maar het geld, dat hij zelf, zuur genoeg had verworven, door dezen of genen rijken, doch dommen of luien medemakker zooveel Latijn of Grieksch of zoovele recht-regels in te stampen als hem door een examen konden helpen, of ook wel door een dissertatie voor hem te schrijven, 't zij over dezen of genen auteur, dien niemand las, 't zij over deze of gene rechtsvraag, die niemand schelen kon. Heden was onze Katuil juist bijzonder goed gestemd om aan de studie voor een wijl den zak te geven. Neef Bleek, de zoon van den
genoemden koopman, was overgekomen om ik weet niet welke zaken te regelen met een Leidsch huis: hij had zijn intrek genomen bij Hoogenberg en deze dus plichtshalve zijn werk moeten verlaten om aan zijn gast het museum, den plantentuin en de hemel weet wat al meer te laten kijken, dingen althans, die geen student ooit uit eigen beweging en anders als met familie kijken gaat. Bij deze gelegenheid had Hoogenberg, ter eere van neef, in plaats van de muts, welke hij gewoonlijk droeg, een bolivar') opgezet, die nog maar drie jaar dienst had, een paar hoog opstaande witte boordjes omgedaan en daar een witte das omheengewoeld, die nog maar zevenmalen op theevisites bij professoren had geparais-seerd; voorts, over het bruine buis met koperen knoopen, dat nog te kort was voor zijn korte gestalte, een witte duifelsche jas met zes kragen aangetrokken; zoodat hij er voor zijn doen maar recht kruiig uitzag en gansch geen gek figuur zou hebben geslagen, indien de zoo onverwachte begroeting-bij 't binnenkomen hem de tramontane niet had doen verliezen.
Maar nog vreemder dan Hoogenberg zag de Komeet op, die hem verzelde. Uw schranderheid, vernuftige lezers en lezeressen, heeft gewis reeds voorlang begrepen, dammen de gasten, die in de rederijkerskamer geïntroduceerd werden, en zich alzoo maar voor een korten tijd en in 't voorbijgaan aan den schitterenden luchthemel der Pleïaden vertoonden, met den eigenaardigen naam van Kometen bestempelde. Hoogenberg, nu eenmaal met zijn neef opgescheept, en zijn best zoo goed mogelijk willende doen om hem te amuseeren, had hem voorgesteld, de werkzaamheden van den avond bij te wonen. Neef was wTel wat huiverig geweest om de uitnoodiging aan te nemen, eerst uit vrees, dat het een dronkemanspartij, en naderhand uit vrees, dat het hem te geleerd zou wezen; maar Hoogenberg had hem omtrent beide punten weten gerust te stellen, door 1quot;. te verklaren, wel te hebben gelezen dat Kometen, als b. v. die van 't jaar elf, goeden wijn deden groeien,
Zoo werd toen een hoed met hoogen bol en zeer breede randen genoemd.
maar nooit, dat zij zelve zich daaraan te buiten waren gegaan en dat neef, ten opzichte van het drinken volkomen vrijheid genieten zou: en 2:'., wat de geleerdheid aanging, hem uit te leggen, dat de werkzaamheden der Kamer zich bij oefeningen in de moedertaal bepaalden en neef dus al wat er verhandeld zou worden evengoed zou verstaan als de zeetijdingen of de prijscourant. Hoewel door die verzekeringen maar half gerustgesteld, had neef, die geen wezenlijke reden van verschooning kon inbrengen, en niet wist, hoe anders zijn avond door te brengen, zich laten overhalen om de rol van Komeet te vervullen. Bij het opstijgen echter van de trap had hij een zeker gevoel van angstige bekommering niet kunnen bedwingen, en dat oogenblik had het hem even benauwd om 't hart gemaakt, als aan iemand, die zich baden gaat, het oogenblik, dat het water hem aan de borst stijgt. Toch had hij, aan de deur gekomen, zijn beschroomdheid pogen te overwinnen, zeer beleefdelijk den morillos') afgenomen, die zijn blonde haren overdekte, en, met den bevalligsten glimlach op 't bedeesd gelaat, de Pleïaden gegroet. Dezen hadden echter het vooralsnog veel te druk om aan Hoogenberg zijn vergrijp onder 't oog te brengen, dan dat zij eenige opmerkzaamheid aan diens metgezel konden schenken: â wat jammer was; â want Bleek verdiende wel, juist nu, een aandachtige beschouwing. Al wat aan hem was, zijn hoed, zijn haren, zijn gelaat, 't was alles even glimmend, glanzend, glad, en ert'engestreken, en nergens was een vlekje, kreukje of rimpeltje te bespeuren. De hoed was overal even zwart; de haren waren met de uiterste regelmatigheid naar eene zijde geborsteld; de tronie had overal dezelfde doorschijnende bleekheid: de oogen alleen blonken niet. maar hadden een uitdrukking van schuchtere blooheid, als waren zij verlegen zich in 't midden van zooveel glans te bevinden : misschien schaamden zij zich over de glinsterende blonde wenkbrauwen, en was het daaraan toe te schrijven.
^ Mede een modehoed van die dagen, naar den tegenstander Tan Bolivar genoemd en 't fatsoen hebbende van een schuitje.
28
dat zij bij voorkeur naar de aarde gevestigd bleven of rond dwaalden over de rok van fijn zwart laken, over de tourte-relle pantalon of over de grasgroene sluitjas. Thans echter dwaalden zij de kamer rond, een zeer vergeeflijke bevreemding aan den dag leggende over de zonderlinge verwelkoming van de zijde der aanwezigen, waarvan niet een zich zijner scheen te bekommeren, noch het werkelijk deed. Ja, zelfs zijn leidsman en beschermer had hem vergeten, en bleef, terwijl hij zich van jas en hoed ontdeed, protesteeren tegen de beboeting, stijf en sterk volhoudende, dat het nog geen zes uren wezen kon. Ziende dat men geen acht sloeg op zijn beweringen, en dat zijn verdediging, voor zooverre die op het feit gegrond was, geen ingang vond, beproefde hij een verdediging, op het recht gegrond, en, een voorwerp, dat in grauw papier gewikkeld was, voor den dag halende, hief hij het triomfantelijk omhoog en riep:
âJe hadt geen recht om te openen; want je hadt geen schepter.quot;
Onder het uiten dezer woorden maakte hij het papier los en vertoonde aan de aanwezigen een houten schepter van ongeveer een halve el lang, met goudpapier beplakt, en aan den top met een krans van zeven gouden sterren versierd.
âAlsof het keizerschap van een schepter afhing,quot; riep Donia, âen zelfs een mattenklopper geen vorstenstaf wordt, zoodra de keizerlijke vuist dien omklemt!quot;
âAlsof,quot; vervolgde Bol, âde schepter van Agamemnon iets anders ware geweest dan een stok! â ofschoon ik beken, nergens gelezen te hebben, dat hij zich met een tang behielp,quot; voegde hij er halfluid bij.
âMaar,quot; hervatte hij, zich herinnerende, welken plicht hij als gastheer te vervullen had, âwij zullen dat punt te zijner tijd behandelen. â Je vergeet geheel, Katuil! dat je niet alleen komt.quot;
â't Is waar ook,quot; zeide Hoogenberg, âMijne Heeren! mijn neef, de heer Bleek, uit Amsterdam.quot;
âEen actie! een actie!quot; klonk het als uit één mond, âhij noemt ons, âMijne Heeren.quot;
29
âTut! tut!quot; zeide Hoogenberg: âdat geschiedt alleen overeenkomstig mijn veronderstelling, dat de vergadering nog niet is kunnen geopend worden. Anders had ik gezegd: âVonkelende Pleïaden! de komeet Bleek.quot;
âMijn Heeren!quot; mompelde Bleek, buigende en alles behalve op zijn gemak.
âGeen complimenten, wat ik u bidden mag,quot; zeide Donia, zich voor hem stellende en hem de hand schuddende: âwij zijn allen verheugd u te zien; doch uw neef schijnt u niet op de hoogte gebracht te hebben. Wij noemen elkander Pleïaden en u een Komeet, zoolang de werkzaamheden duren. Wie alzoo van âheerquot; spreekt of iemand bij zijn gewonen naam bestempelt, vervalt in een boete.quot;
âDie echter niet op de Kometen toepasselijk is,quot; voegde Oerlof er bij. âIntusschen,quot; vervolgde hij tegen Bleek, âindien het u aangenaam is, u naar onze gebruiken te voegen en aan onze werkzaamheden deel te nemen, zal het ons tot eer strekken en ik zal u onze namen op een lijstje geven. ïe zamen genomen heeten wij âPleïadenquot; en wel âdorstigequot; als u straks blijken zal. Wij vormen als zoodanig een rederijkerskamer, waarvan ik onwaardige Keizer ben. Die lange slungel daar (op Eylar wijzende) is Prins; deze (Donia) Factor; uw neef Vinder; die daar (Van Zirik) Vaandrig; deze (Van Zevenaer) Schrijver en onze afwezige Ster is Hofmeester.quot;
âIk hoop het te onthouden,quot; zeide Bleek, terwijl hij met een allerinnemendsten glimlach plaats nam.
âEn nu,quot; vervolgde Bol, âkunnen wij de ouverture doen aanvangen en ons in de harmonie der sferen verlustigen. Is ieder gereed?quot;
Een niet geringe opschudding volgde op deze vraag: de een tastte in zijn zak: de ander zocht onder den hoop jassen zijn eigen op en doorsnuffelde dien: en in weinige oogenblik-ken stonden allen rondom de tafel geschaard, Eylar met een dansmeesters-zakviooltje, de Maleier met een kindertrommeltje. Van Zirik met een dubbeltjes-fluitje, Hoogenberg met een paar
80
bekkens. â Bol nam voor zich de tafelschel en stelde aan Bleek pook en tang ter hand.
âWat moet ik hiermee uitvoeren?quot; vroeg deze, verbaasd.
â't Is om uw partij mee te spelen in 't orkest,quot; antwoordde Gerlof: â't muziekstuk a volonté. â Zijn allen klaar?quot;
âDoorluchtige Keizer!quot; zeide Eylar: âwij wachten allen, dat uwe majesteit het teeken geve.quot;
âWelaan dan!quot; zeide Gerlof, zijn schepter opheffende, âde harmonie der sferen moge beginnen.quot;
Harmonie was hier zeker als lucem a non lucendo gezegd; want anti-harmonischer gedruisch dan thans vernomen werd kon wel niet worden uitgedacht. Terwijl Eylar met de grootste ambitie van de wereld fleuve du Tage vedelde, speelde Van Zirik op zijn fluitje het toen zeer en vogue zijnde lied van Jan die sloeg Lijsie en trommelde Van Zevenaer lustig voort: al is ons prinsje. Donia, die alleen onvoorzien was van eenig instrument, galmde met heldere stem een Tyroler lied; terwijl Bol en Hoogenberg, zonder zich aan eenig bepaald thema te binden, met schel en bekkens zooveel geweld maakten als zij maar konden. Bleek, die nog niet op de hoogte was, keek een poos versuft in 't rond, en, waren zijn handen niet met tang en pook belemmerd geweest, hij had ze gaarne gebruikt om er zich de ooren mee dicht te stoppen. Eindelijk begreep hij, niet wijzer te kunnen doen dan zich in de grap te voegen en ving aan met beide voorwerpen op de kachel te trommelen, dat het een aard had. Maar plotseling paarde zich aan al die geluiden nog een ander, dat den boventoon hield, en van 't welk de Pleïaden niet vroeger de herkomst ontdekten, dan toen zij, omziende, bespeurden, dat zij nu voltallig waren, en dat Frederik Galjart, ongemerkt gedurende het lawaai binnengekomen, aan de deur stond en uit al zijn macht in een grooten jachthoorn blies.
Er was aan de academie geen schooner jongeling dan Frederik Galjart. Goudblonde lokken omkrulden zijn gelaat, waaide rozen der gezondheid op bloeiden en waarover bestendig een waas van gulle vroolijkheid lag. De glanzende witheid zijner
31
kleine welgeplaatste tanden, de kuiltjes in kin en wangen, het zacht satijnen vel, het slanke middel en den fraaien vorm van zijn poezele handen en kleine voeten zou menige jonge juöer hem benijd hebben. Zijn groote blauwe oogen tintelden van vernuft en levendigheid. Alles stond hem evengoed, de fraaiste balkleeding zoowel als het eenvoudige jasje van polemiet, de luchtig omgeslagen blauw satijnen das en het gele kazimie-r'en vest, waarin hij zich thans, na 't afwerpen van zijn mantel, vertoonde. Gewis, niemand, die hem onbekend ontmoet had, zou in hem den grootsten lichtmis der academie hebben vermoed; want noch brasserijen, noch nachtwaken, noch uitspattingen van allerlei aard lieten eenig spoor bij hem achter. Zijn ijzersterk gestel scheen tegen alles bestand, en het slechte voorbeeld, dat hij gaf, was er niet dan te gevaarlijker door. Immers, wie hem zag en met zijn leefwijze bekend was, moest bijna in twijfel raken, of de leefregel, dien hij volgde, niet de beste en meest aanprijzenswaardige te achten ware. Met dat al, hij was een fatsoenlijke lichtmis: hij bleef altijd en op alle plaatsen den zwier, hem aangeboren, de meest beschaafde vormen en zelfs een hem eigen kieschheid van uitdrukking bewaren; terwijl hij bovendien, om zijn bestendig opgeruimd humeur, en om de goedheid â helaas! te dikwijls synoniem met zwakheid â van zijn hart, zeer geliefd was bij zijn makkers, over 't algemeen niet zoo gestreng van beginselen, dat zij hem zijn verkeerdheden tot misdaden zouden rekenen. Te hunnen opzichte toch had hij zich niets te verwijten: zijn beurs, zijn tijd, zijn arm, al wat hij geven kon, stond altijd ter beschikking van zijn vrienden: op zijn woord kon men staat maken: en geen voorbeeld bestond er, dat Frederik Galjart, al toonde hij op enkele punten zich wat lichtgeraakt, met een zijner medestudenten twist of ongenoegen had gehad. Geen wonder alzoo, dat iemand, zoo algemeen bemind als hij, en die, hoewel hij zich met studeeren weinig ophield, toch van natuurlijk verstand noch van smaak ontbloot was, met eenparige stemmen onder de Pleïaden was opgenomen, toen hij zich aldaar als candidaat had aangemeld.
quot;Wij weten niet, hoe lang de harmonie der sferen zou hebben aangehouden, had niet een onverwacht toeval daar een einde aan gemaakt. Jan Bleek namelijk had langzamerhand zulk een liefhebberij in de muziek gekregen, dat hij al harder en harder de kachel van zijn gastheer bespeelde; nu had het geluid van den jachthoorn hem doen omkijken en daardoor minder nauwkeurig opletten waar zijn slagen neerkwamen. Het gevolg hiervan was, dat hij met de pook een zijdelingschen slag tegen het dekstuk van de kachel gaf en er dit deed aftuimelen, ten gevolge waarvan opeens een rookkolom opsteeg en zich door de kamer verspreidde. De Keizer haastte zich, een teeken te geven, dat de harmonie geëindigd was; het deksel, 't welk in den hoed van Van Zirik gerold was, werd op zijn plaats hersteld, en de aanwezigen, na Galjart hartelijk de hand geschud te hebben, namen allen plaats.
âWij waren u niet meer wachtende, Hofmeester!quot; zeide de Keizer.
âJa, ja! ik weet het wel,quot; haastte zich Galjart te antwoorden; âik ben in de boete vervallen; maar wie kan 't helpen? ik zou hier op mijn tijd zijn geweest; maar juist zoo als ik de deur wil uitgaan met mijn hoorn in de hand, daar wordt mij een pakje bezorgd .. . .quot;
âMet geld?quot; vroeg Van Zirik.
âNiet volkomen: â met een beurs. â Zoo mijn goede zuster geweten had, hoe weinig ik die op dit oogenblik behoef, zij had met haar Sint-Nikolaas gewis wat gewacht.quot;
âEen leêge beurs,quot; merkte Donia aan: âdat heeft allen schijn van persiflage.quot;
âMijn zuster persifleert niemand, en mi] allerminst,quot; zeide Galjart, eenigszins gevoelig.
âEn heeft u het bekijken van die beurs zoo lang opgehouden?quot; vroeg Eylar.
âDat juist niet: â er was een brief bij van mijn moeder: ik heb dien eerst gelezen, heb daardoor mijn hoorn, dien ik uit handen gelegd had, vergeten en ben, reeds halverwegen zijnde, teruggekeerd om hem te halen.quot;
33
âDie brief schijnt raak geweest te zijn,quot; merkte Yan Zevenaer aan.
âDat tot daar aan toe,quot; zeide Galjart, op zijn lip bijtende: âik had beter gedaan er niet van te spreken.quot;
âWat ons niet beletten zal,quot; zeide Eylar, âop de gezondheid te drinken van uw zuster, en van alle mooie zusters, die aan haar broeders denken op Sint-Mkolaasavond.quot;
âVonkelende Pleïaden!quot; viel Bol in, âwij hebben met deze uitweidingen niets te schaffen. Ik zal den Schrijver verzoeken, de aanteekeningen der vorige bijeenkomst voor te lezen, en de overigen, zoolang hun mond te houden.quot;
En Van Zevenaer, een notulenboek, rijkelijk met inkt- en andere vlakken versierd, voor den dag halende, nam er een beschreven blaadje uit, en las als volgt:
DERDE HOOFDSTUK.
WERKZAAMHEDEN DER DORSTIGE PLEÃADEN.
Van Zevenaer, als wij in 't vorige hoofdstuk zeiden, las als volgt:
âVergadering der wijdvermaarde Kamer onder de zinspreuk âde Dorstige Pleïadenquot;, gehouden op den 29 November van het jaar 182 . ten huize van den Vinder.quot;
âTe zes uren opent de Keizer de vergadering met scliepterslag:
Al de Sterren zijn bereids gekomen voor den dag,
Uitgezonderd de Prins, die om zijn verkoudheid was thuisgebleven.
Maar van zijn afwezigheid behoorlijk per briefje had kennis gegeven,
En de Hofmeester, die naar zijn gewoonte langs de straat Was blijven pierewaaien en alzoo verscheen veel te laat.
De harmonie der sferen wordt op last van den Keizer begonnen:
De talenten der Sterren schitteren: het lijken wel zonnen.
Hoe jammer dat des Prinsen vedelspel deze reis ontbrak!
Ook maakte 't gemis van den hoorn de partij der blaasinstrumenten wat zwak. I. - K. Z. 3
34
Maar toch, 't was alles zoo schoon, dat vele passanten zich verbeeldden. Dat Beethoven, Kossini en Laibnt met hnn drieën een quintet speelden. De notulen -worden door den Schrijver gelezen en eerbiedig aangehoord. De Vaandrig maakt een flauwe reflectie, waaraan niemand zich stoort. De overigen keuren goed wat er is geschi-even.
De Vinder vordert de duiten in van hen, die wat zijn schuldig gebleven. De werkzaamheden nemen een aanvang: de Factor leest een gedicht.
En de Sterren oordeelen, dat hij voor Vondel noch den karreman zwicht. Het onderwerp was uit geen geschiedschrijver genomen,
Maar bepaaldelijk uit des dichters kranke verbeelding voortgekomen:
'tWas een vrijerij tusschen een vlinder en een Elf, en 't was verder met Gnomen, Salamanders en Meerminnen gevuld, precies om 's nachts van te droomen. Den Factor wordt door den Keizer op feestelijke wijs Met een beker drank en heil gebracht, wat hij beantwoordt naar eiseh. De Hofmeester is gedurende do lezing van het gedicht In de vergadering verschenen met een zeer benauwd gezicht, Wel wetende wat hij verbeurd heeft, en dat met menige boeten Hij zijn lang wegblijven van heden zal herstellen moeten.
Men gaat over tot de lezing der liedjes, waarvan de stof ïer vorige vergadering was opgegeven, namelijk âder sigaren lof.quot;
Ee Vinder en de Vaandrig lezen elk zijn lied: de Prins had het zijne gezonden, 'fWelk door den Schrijver met zooveel zwier gelezen wordt, dat het het beste
[van de drie wordt bevonden. Zoodat op het advies van gezegden Schrijver wordt gedecreteerd.
Dat aan den maker tot prijs een doosje laurierdrop zal worden vereerd,
Dewijl toch de laurier vanouds het zinnebeeld der victorie mocht wezen, En de drop den lijder van zijn verkoudheid zal genezen.
Hierop leest de Vinder zes nieuwe prijsstoffen voor.
Men kiest âden dood van Hannibal, nadat hij zijn vroeger positie verloor.quot; Naar den prijs zullen dingen de Keizer, de Vaandrig en de Factor samen. Die van nature den lust en den aanleg tot zulk een arbeid bekwamen,
Gelijk meermalen gebleken is. â Aan de orde is nu Het vervaardigen, op eindrijmen, van een kniedicht of impromptu. De Sterren geven deze woorden op: strooien, vlooien, kwast, bast. Hagel, nagel, dorp, slorp, doolhof, koolstof (met dit rijm zat menig-
[een vast).
Krip, slip, lelie, pieterselie, pink, klink, schoelje, kornoelje. Om tusschen deze woorden verband te brengen was moeilijk, dat voelje,
Al de Pleïaden kweten zich echter vrij wel van hun taak.
En het lezen der resultaten gaf bijzonder vermaak.
Men gaat over tot de declamatie. De Keizer, Vinder, Vaandrig en Hofmeester lezen Een tooneel uit Langendijks âWiskunstenaarsquot;, 't welk zeer wordt geprezen. De Vinder stelt actiën in: de Hofmeester te laat: twee maffen1) gesubmitteerd. â De Vaandrig, niet op rijm gesproken: twee stuivers, gecondemneerd. â
'j âZest'halven.quot;
35
De Schrijver idem, gesubmitteerd; â de Vinder idem: na veel over en quot;Wordt hij voor deze reis van boete vrijgelaten. â [weder praten
De Vaandrig, geen deklameerboek, geabsolveerd: de Factor, wegens perturbatie Gecondemneerd te betalen twee maffen in zilvergeld. [en geweld,
De Keizer, negligentia praesidis ') geabsolveerd. â idem, gecondem-
[neerd in vijf en een halven stuiver, Niettegenstaande zijn bewering, als ging het bij de rondvraag niet zuiver,
Daar niemand iets meer heeft voor te stellen en de actiën zijn afgedaan, Wordt goedgevonden tot de sluiting der vergadering over te gaan.
'tWelk verricht wordt met een verrukkelijke harmonie der sferen.
Waarbij zich al de sterren als een kat in de krullen weren.
En de Keizer ten slotte met Schepterslag de vergadering sluit. Die adjourneerende te zijnen huize. â Hiermede is het uit.quot;
âHeeft iemand eenige aanmerking op deze notulen?quot; vroeg Gerlof.
âDie heb ik,quot; antwoordde Donia; âde Schrijver heeft wijs op eisch laten rijmen; â dat sluit, in mijn Friesche ooren althans, als pompstok op voetzoeker.quot;
âBah! muggesifterij!quot; zei de Schrijver.
âVolstrekt niet,quot; hernam Donia: âlees Vondel, Hooft, Cats, Bilderdijk, Loots, welke schrijvers van naam ge wilt, van 't begin tot het einde door, en zoo je mij een voorbeeld kunt aanhalen ter uwer rechtvaardiging, geef ik mij gewonnen.quot;
âGoed,quot; zeide Van Zevenaer, âdan zullen wij de beslissing der zaak uitstellen, tot ik die lecteur heb ten einde gebracht.quot;
âHei! dat gaat niet,quot; zeide de Keizer: âik stem in met den Factor, dat het rijm van ij op e i niet kan doorgaan, 't is, als Oudaen zong, een van die
indringende en sleeplend'ge basterdijen.
Die thans zoo laf haar taal vertuijende aan den klank Des straat-toons, het begrip verbyst'ren tegen dank,
Wanneer men pijl in peil en zijl in zeil verandert,
Voor rijzen reizen zegt, en verder opgeschrandert Zijn loutre armoedigheit in 't rijmen dus bedekt:
intusschen, ik zal de gevoelens der overige Sterren inwinnen; vooraf echter het uwe, vlammende Komeet! Hoe denkt gij er over?quot;
De Komeet had juist gedurende de voorlezing der notulen.
'j âVerzuim, door den voorzitter begaan.quot;
36
welke hij met open oor en mond had aangehoord, den tijd gehad om wat op zijn gemak te raken, ja, toen hij van âdei-sigaren lofquot; hoorde gewagen, de vrijmoedigheid bekomen om een schildpadden koker uit den zak te halen, er een keurige lichtbruine geel gespikkelde varinas uit te nemen en die aan de vlam der kaars op te steken; en hij was in het genot van het geurige kruid verdiept, toen hij door den Keizer aldus geïnterpelleerd en uit zijn zoeten droom werd opgeschrikt. Bol, zijn verwarring bespeurende, herhaalde zijn vraag: waarop de arme Komeet, eerst hem, vervolgens zijn neef, met een nuchteren blik aanzag, daarna hoestte, hemde, voor zich keek en eindelijk niets anders wist uit te brengen als: âja mijnheer!quot; ....
âEen actie! een actie!quot; riepen Galjart en Van Zirik uit, verheugd in de handen klappende, zoodat Bleek deze reis rood werd tot achter de ooren.
âZijn naam is Keizer,quot; fluisterde hem Eylar in, die medelijden met zijn hulpeloosheid begon te krijgen.
âO ja mijnheer! .... ik meen .. . .quot;
âPrins,quot; verbeterde Eylar, op dezelfde wijze.
âPrins,quot; herhaalde Bleek; âik mocht die namen wel op een briefje hebben.quot;
âMemand belet u, ze op te schrijven,quot; zeide Bol, âmaar nu, uw oordeel over ij en ei, als rijmklanken beschouwd.quot;
âAha ja! dat is waar ook,quot; hernam Bleek: âmaar ik moet gul bekennen, niet in staat te zijn daarover eenig advies uit te brengen. Indien mijnh . . . indien de Keizer mij vroeg naar 't onderscheid tusschen pecco en hyson, dan zou ik u kunnen dienen, maar . . ..quot;
âMaar het is niet over pecco en hyson,quot; hernam de onverbiddelijke Keizer, âdat men uw oordeel vraagt, het is over het rijmen van e, i, ei op ij.quot;
âZeg maar wat,quot; voegde Hoogenberg zijn neef toe.
âWel,quot; hervatte deze : âmijnheer .... ik meen de Vinder . .. . neen, de Factor.... zegt, dat het rijm niet deugt, en daar uwe majesteit. ...quot;
âBravo!quot; riepen de Sterren.
âDaar uwe majesteit dit ook zegt, kan ik mij daar ook wel bijvoegen.quot;
âAls een orakel, ja als een lid van een stedelijken raad of poldercollege gesproken,quot; zei Bol; âen gij Prins?quot;
â't Rijm deugt niet,quot; antwoordde Eylar.
â't Kan niet doorgaan,quot; zeide de Vinder.
âTranseat cum caeterisquot;1) zeide Van Zirik.
â't Is een karremansrijm,quot; zeide Galjart.
âAfgekeurd met vijf stemmen tegen twee,quot; zeide Bol. âEmendandi igitur hi versiculi2), Factor! gij hebt de aanmerking gemaakt; op u rust de taak, ze te verbeteren.quot;
âWel!quot; zeide Donia; âzeg b. v.:
âop feestlijke manier,'
en rijm er dan op:
âbeantwoordt met veel zwier.quot;
âKeuren al de Pleïaden deze emendatie goed?quot; vroeg de Keizer; âiedereen? Best. Heeft nog iemand aanmerkingen? Niemand niet?quot;
âJawel,quot; antwoordde Galjart. âDe Schrijver heeft mij belasterd, door te zeggen, dat ik in de vergadering was gekomen met een benauwd gezicht, â alsof ik mij ooit aan een boete had laten kennen.quot;
â't Kwam zoo in 't rijm te pas,quot; zeide Van Zevenaer, met de woorden van meester Jochem.
âDat rijm is niet ter degen,quot; zeide Galjart, met die van Kamacho.
âMij dunkt,quot; merkte Bol aan, âde gewraakte uitdrukking, al moge zij niet volkomen juist zijn, is aan te merken als een poëtische vrijheid, een elegantie, waaraan geen verstandig man zich heeft te storen. Is er iemand, die de aanmerking van den Hofmeester ondersteunt? â Niemand? â dan komt zij te vervallen.quot;
') â't Ga door met de rest.quot;
â ) âDie verzen derhalve te veranderen.quot;
38
âPas maar op! 't kost je straks zes rouge bords,quot; riep Galjart Van Zevenaer toe: âdan zullen wij zien, wie het be-nauwdste gezicht zal zetten van ons tweeën.quot;
âGeen aanmerkingen meer?quot; vervolgde de Keizer; âdan verklaar ik de aanteekeningen goedgekeurd en verzoek den Vinder de uitgestelde actiën in te vorderen.quot;
âEen actie tegen den Prins,quot; zeide Hoogenberg: âniet present op de laatste vergadering.quot;
âIk was ziek van verkoudheid,quot; zeide Eylar, âen verzoek dus absolutie van de boete.quot;
âZijn al de Pleïaden met mij voor de absolutie? en de Komeet ook?quot; vroeg Bol; âdan is zijn hoogheid geabsolveerd. Zijn er nog meer actiën? Geene? â Dan kunnen wij tot de werkzaamheden overgaan. Ik moet u, schitterende Komeet! te kennen geven, dat zoodra ik een slag met den schepter zal gegeven hebben, wij allen, en gij insgelijks, gehouden zijn, op rijm te spreken.quot;
âDan weet ik wel, dat ik mij tot de rol van zwijgende zal bepalen,quot; zeide Bleek.
âDat staat aan u,quot; hernam de Keizer. âIntusschen zullen wij eerst zorg dragen, dat de dorstigen gedrenkt mogen worden.quot;
Dit gezegd hebbende, rees hij op, haalde eenige flesschen wijn uit de alkoof, en zette die, benevens een blaadje met de noodige kelken, op tafel. Nauwlijks waren deze gevuld en rondgedeeld of hij gaf een slag met den schepter en, zich met vrij wat deftigheid tot Eylar wendende, begon hij;
âPrins, zoo het n gevalt, vergast ons aller ooren En doe het nieuw gedicht, door u vervaardigd, hooren.quot;
waarop Eylar aldus antwoordde ;
âDoorluelite Keizer, straks wordt aan uw wil voldaan,
Hoor met toegeeflijkheid mijn zwakke zangster aan.quot;
En meteen, een handschrift voor den dag halende, zette hij zich tot het lezen van een Ode, ten titel voerende; âLeonidaa.quot; Gaarne zouden wij het hier ter plaatse invoegen en u, waarde lezers! in plaats van op ons droog proza, op de zoetvloeiende
39
poëzie van den dichtlievenden student onthalen; doch wij hadden daartoe de vergunning des makers noodig, en ondanks al onze heusche verzoeken, zoo mondeling als schriftelijk daartoe gedaan, heeft zijn Excellentie de grave van Eylar, minister van staat, grootkruis enz. enz. volstrekt geweigerd verlof te verlee-nen tot het wereldkundig maken van hetgeen hij een âonrijpe vrucht zijner jongelingsjarenquot; gelieft te noemen. Wij zouden deze weigering kunnen begrijpen, indien zij van een staatsman kwam, die zijn carrière nog te maken had, en te recht vrees kon voeden, dat men hem alle politieke en financieele kennis betwisten zou, zoodra men bespeurde, dat hij zich ooit had schuldig gemaakt aan de misdaad van verzen te maken; maar van de zijde van een emeritus-minister verwondert en smart ons die weigering.
Dit is zeker, dat het dichtstuk, na de volbrachte lezing algemeen werd toegejuicht, en dat de Keizer in hoogdravende bewoordingen aan den dichter den dank der Kamer bracht: op welke toespraak op gepaste wijze door Eylar werd geantwoord.
Toen werden de verzen, welke Bol, Van Zirik en Donia als mededingers naar de opgegeven prijsstof (vergel. de straks gelezen notulen) hadden vervaardigd, achtereenvolgens voorgelezen. Ook deze deelen wij niet mede, dewijl zij later door de makers vernietigd zijn geworden, of althans niet terug te vinden. Na den afloop der lezing wendde de Keizer zich tot Bleek en declameerde :
âHelschitt'rende Komeet! verklaar ons zonder schromen.
Wiens lied, naar uwen zin, de voorrang toe zou komen.quot;
De Komeet trok een vervaard gezicht, bedacht zich een oogenblik, en bracht toen de volgende improvisatie uit:
,,0 Keizer! zij hebben mij allemaal heel goed bevallen;
Maar ik vond het uwe toch het mooiste van allen.quot;
Uitbundige bravo's en herhaald handgeklap verwelkomden dit distichon. Intusschen had Bleek verstand genoeg om te twijfelen aan de oprechtheid dier toejuiching, en keek een weinig zuinig: waarom Hoogenberg, die dit merkte, en hem,
40
als zijn gast, in een goede luim wilde houden, hem met een goedkeurend knikje bemoedigde.
De Keizer wendde zich nu tot de Sterren, naar de rij af;
âWat mag uw oordeel zijn, o Prins? vermeld het mij.quot;
Eylar antwoordde:
âZoo ik beslissen moet, wiens lied het beste zij,
Des Factors geestig lied schijnt mij den eerprijs waardig.quot;
Bol vervolgde:
âEn gij! o Vinder, zeg uw oordeel; wees rechtvaardig.quot;
Het antwoord luidde:
Ik schenk ook mijne stem aan 's Factors lieflijk lied.quot;
Bol, zich tot Galjart keerende:
âTe spreken is uw beurt. Verzwijg uw meening niet.quot;
Galjart antwoordde:
âVoor mij, ik zou uw lied den voorrang waardig keuren,quot;
Bol peinsde een oogenblik, en, zich toen tot Van Zevenaer wendende:
âEn wie denkt gij, dat hier liet eerelooi' moet beuren?quot;
Van Zevenaer meesmuilde, en zeide toen:
âHet lied des Factors is het beste, naar mij dunkt.quot;
Het vinden van een rijmwoord op unkt was zeker een booze beproeving; doch Bol wist die met glans te overwinnen en tot beschaming van den Maleier, die hem er had willen laten inloopen, hervatte hij, vrij spoedig:
âDe stemming is alzoo ten eind geloopen: pun kt!
â De Factor is de bol van alle schrandre geesten,
Hij heeft den prijs verdiend, naar 't oordeel van de meesten:
Die prijs vall' hem ten deel en zij bijzonder fraai.
Ik stel u daarom voor: een vrijster van taai-taai.quot;
Algemeene toejuiching beantwoordde dit voorstel. Donia zelf scheen echter niet tevreden en bromde eenigszins wrevelig:
41
âTaai moogt gij zelf zijn. â Neen, zoo gij mij wilt trakteeren Wil mij voor *t minst een maagd van biesjesdeeg vereeren.quot;
âWel,quot; hernam Gerlof:
âWel! 't zij zoo! Biesjesdeeg is meer naar 'sFactors smaak: Het zij hem aangeboón. Hofmeester! dit 's uw taak. Gij, Vaandrig! doe ons thans zes nieuwe stoffen hooren.
Opdat er eene door de Kamer zij verkoren.quot;
Aan Zirik las: â1°. De lof der vlooien.
2°. Jagerslied.
3°. Zeerooverslied.
4quot;. Lied op den dies natalis.
5°. Meilied.
6°. Kikkermuziek.quot;
Waarop de Keizer rondvroeg:
âWat dunkt u, Sterren, van dees stoffen? Gij Komeet!
Meld ons het onderwerp, dat gij verkieslijkst heet.quot;
âHm! hm!quot; mompelde Bleek:
âIk weet niet. Keizer! Ik zou er mij wel wat op willen bedenken;
Maar 'k geloof toch, ik zou mijn stem aan de kikkermuziek schenken.quot;
De Keizer.
Braaf! ik geef meê daaraan mijn stem. En, Prinslief, gij?
Eylar.
Ik juich de keuze toe der kikkermelodij.
De Keizer.
Wat dunkt deu Schrijver?
Van Zevenaer.
'k Wil daartoe mijn stem wel leenen.
De Keizer.
Den Factor?
Donia.
quot;k Zal met dit gevoelen mij vereenen.
42
De Keizer.
Hoe denkt de Vinder?
Hoogenberg.
Ik schenk aan het jagerslied
De voorkeur.
De Keizer.
Ei? verzwijg ons uwe meening niet,
Hofmeester!
Galjart.
Ik geloof..; neen.., ik ben van meening (wat bl..) naar mijn gedachten, Is van het kikkerslied de meeste pret te wachten.
De Keizer.
De meerderheid is voor de kikkermelodij,
Doorluchte Prins! voortreffelijke Vinder! gij Zult met Hofmeester om den eerprijs moeten dingen En naar ik hoop te zaam als brave kikkers zingen.
â En nu, elk neem papier en pennen bij de hand.
En geve een eindrijm op tot seherping van 't verstand.
Elk haastte zich, aan het bevel te voldoen, ook Bleek, al zag hij er niet bijzonder op zijn gemak uit.
âNu!quot; vervolgde Gerlof!
âNu! gij begint, Komeet, wat rijmwoord zult ge ons geven?
Bleek bedacht zich even en zeide toen;
December.
De Keizer.
Kostlijk; â ik plaats gember daar beneven.
Gij Prins?
Eylar.
Ik? â Hooi.
De Keizer, tegen Van Zevenaer.
Gij?
43
Van Zevenaer.
Mooi.
De Keizer.
Gij Factor?
Donia.
Ik ? â laat zien ....
R ozij n en.
De Keizer.
Vinder, gij ?
Hoogenberg.
Ve r d w ij n e n.
De Keizer.
't Zal misschien
^moeilijk vallen .... Nu, Heer Vaandrig! wat zal 't wezen ?
Van Zirik.
Soes.
De Keizer.
Keurig! (tegen Galjart). Gij?
Galjart.
Scharmoe s.
De Keizer.
Dat rijm is uitgelezen.
Acht regels zijn genoeg. Nu schenkt de glazen in.
En dan aan d'arheid! Vlug! â dat elk zijn taak beginn'.
Al de Pleïaden zetteden zich nu aan het aanvullen der regels, zeker geen gemakkelijke taak voor wie zich zou voorgesteld hebben, iets fraais te leveren; doch den meesten was dat invullen ook genoeg, al hadden de verzen zin noch slot. Na afloop van een kwartieruurs â dit was de gezette termijn, gedurende welken men niets gehoord had dan het krassen
u
van pennen op het papier, en het inschenken van glas op glas door dezulken als ingevingen uit den wijn hoopten te bekomen, sloeg de Keizer met den schepter en ging de Vaandrig rond om de gedichten, voltooid of niet, op te halen. Zij werden toen door elkander geschud, en één voor één door den Factor voorgelezen. Dewijl deze dichtproeven in 't archief kwamen, zijn zij voor de nakomelingschap bewaard gebleven en kunnen wij ze hier opnemen. Het eerste was dat van Eylar en luidde als volgt;
âWeer zitten wij hier saam den vijfden van December
En drinken goeden wijn en hopen straks op gember,
Die 't ingewand verwarmt en broeien doet als hooi.
Elk leest zijn verzen voor. meest leelijk. somtijds mooi,
En krijgt een doosje drop of wel een tros rozijnen
Tot prijs. â Zoo doet men best de treurigheid verdwijnen.
Totdat men, na 't gejuich, na 't lachen en ge soes.
Weer vroolijk huiswaarts keert, zoo dartel als Scharmoes!quot;
Dit gedicht werd met handgeklap begroet. Het tweede was van Galjart.
âHoe menig gastmaal schaft de donkre maand December, Beginnende met soep, besluitende met gember.
Doch schoon zij prachtig zijn, ik geef daarvoor den hooi, Zij baren mij geen vreugd, hoe zwierig en hoe mooi.
'k Eet liever onder ons amand'len en rozijnen,
Terwijl het Bacchus-nat de zorgen doet verdwijnen.
'k Voel mij bij dat genot zoo luchtig als een soes En............Scharmoes.quot;
De laatste regel was in de pen gebleven.
Het gedicht van Hoogenberg luidde:
â't Is nu de wintertijd: de barre maand December,
Die 't menschdom applen schaft, kastanjes, noten, gember; Terwijl de beesten zich vernoegen met wat hooi.
De huizen tochten en op 't veld is t ook niet mooi.
Doch aan mijn soobren disch, met manglen en rozijnen.
Tart ik de scherpe kou en doe al 't leed verdwijnen.
Ik eet een boterham, bijwijlen ook een soes.
En blijf bij 't needrig maal zoo vroolijk als Scharmoes.quot;
45
De Factor had zich aldus laten hooren:
â't Barre hoofd met sneeuw omtogen, keert de ruwe maand December Met zijn buien, met zijn vlagen, met zijn noten, met zijn gember.
'tAree, ter stalling heengedreven, trapt weer tot den buik in 't hooi. Daar partijen en concerten zich vervangen1), o zoo mooi!
Maar ik lach wat met die feestvreugd: 'kweet op Friesche wijs rozijnen In den brandewijn te mengen, in mijn maag te doen verdwijnen: 'k Snoep daarbij een fijn gebakje, of een wafel of een soes.
En bevind mij bij dat smullen zoo gelukkig als Scharmoes.quot;
Van Zirik had het navolgende geschreven:
âHoe koud is weer December:
Verwarmt het lijf met gember,
De voeten met wat hooi. â
Al is een meisje mooi,
Al eet zij ook r o z ij n e n,
Toch moet haar kleur verdwijnen.
Toch wordt zij bleek gelijk een soes Of zwart gelijk Scharmoes.quot;
Iets beter was het product, dat Van Zevenaer leverde:
âIk vrees geen koude van December;
Want voor mij staat een pot met gember.
Mijn klompen zijn gevuld met hooi.
En, is mijn overjas niet mooi,
Zij warmt het lijf; ik eet rozijnen.
Die mijn verkoudheid doen verdwijnen;
'k Drink warme bisschop, tot ik soes.
En spring en huppel als Scharmoes.quot;
Volgde het gedicht van Bol:
âHij keerde weer, die norsche maand December,
En aan den disch smaakt ons gedroogde gember Zoo lekker als aan 't vee 't gedroogde hooi.
Men zit bij 't vuur; wat brandt de kachel mooi!
1
) Men ziet, dat Donia zich ook niet kon vrijhouden van gallicismen. Doch hij kon zich beroepen op het voorbeeld van Bilderdijk zei ven, waar deze schrijft (in zijn beroemde romance de Vloek):
Vaak spraken zich de twee gelieven
Bij 't licht der maan In 't uur der minnaars en der dieven.
Door 't venster aan.
46
Het nagei'echt schaft manglen en rozijnen,
En goeden wijn, die zorgen doet verdwijnen.
Men gaat ten schouwburg heen, drinkt slemp en eet een soes En amuseert zich met Othello of Scharmoes.quot;
Het werk van Bleek was voor 't laatst bewaard en verwekte niet weinig vroolijkheld.
â't Is koud in December,
Ik hou veel van gember.
De koeien van hooi.
Al rijm ik niet m ooi,
De Levant schenkt r o z ij n e n,
Men moet eens van de aarde verdwijnen.
En plat worden als een soes,
Al danst men gelijk Scharmoes.quot;
Hiermede was de lezing der bouts -rimés afgeloopen, die gewis aan onze opgewonden en licht tevreden gestelde jongelieden meer vermaak verschafte dan zij doen zal aan den bedaarden en oordeelkundigen lezer, die er misschien bij gegaapt, doch zeker de schouders bij heeft opgehaald. Het is niet anders; een gezegde, een handeling, een gebaarde, die op het oogenblik zelf stof tot onbedwingbaar gelach en langdurige pret gegeven hebben, zullen bij 't oververtellen laf en onbeduidend schijnen; alles hangt daarbij van de stemming af, waarin men zich bevindt. Horatius en zijn vrienden brachten, volgens zijn getuigenis, hun tochtje naar Brundusium allerprettigst door, met het luisteren naar een redetwist, die in het verhaal, dat hij er van geeft, aan ons, hoezeer lang geen Horatiussen, bijster zouteloos toeschijnt. En toch, ieder vrage het zich zeiven af, of hij zich niet menigen gezelligen avond, menige aangename wandeling herinnert, waarop hij zich dol vermaakt heeft, zonder dat hij er zich bij kan herinneren, wat grond of aanleiding tot dat vermaak gegeven heeft.
Zij, die de notulen, door Van Zevenaer van de jongste vergadering gehouden, en hierboven opgenomen, gelieven na te slaan, zullen daaruit kunnen opmaken, dat, in de volgorde der werkzaamheden, alsnu de declamatie aan de beurt lag, van welke taak zich Eylar, Van Zevenaer en Galjart kweten.
47
die met veel zalving een tooneel uit den âZwetserquot; van Langendijk voordroegen. Na den afloop van deze werkzaamheden werd, tot groot genoegen van Bleek, het verbod om in proza te spreken door den Keizer opgeheven; waarna door Hoogenberg, als Vinder, de eischen tot boete werden ingesteld tegen hen, die door te laat te komen of door eenig ander verzuim of om overtreding van de wetten der Kamer strafschuldig geacht moesten worden. Te moeten betalen is altijd een lastige zaak, en ofschoon over 't geheel studenten, inzonderheid wanneer zij geen cent op zak hebben, bijzonder royaal zijn, zoo zijn zij evenmin als andere menschen geneigd, boete te betalen, althans zoo dadelijk schuldplichtigheid te erkennen; zoodat het bespreken der ingestelde tegensparteling, gehaspel en gekijf vergezeld ging, waaraan somtijds alleen een herhaald geklop van den krachtigen schepter des Keizers een einde kon maken. Toen het zonderegister was afgeloopen, ging men over tot het sluiten der vergadering, op dezelfde wijze als die begonnen was: de harmonie der sferen herklonk opnieuw, en liep deze reis zonder stoornis af, waarna de Keizer de vergadering gesloten verklaarde, die verdagende tegen de volgende week op de kamer van Eylar.
VIERDE HOOFDSTUK,
AANTOONENDE, HOE MET HET SLUITEN DER WERKZAAMHEDEN DE GELEERDE REDETWISTEN NIET GESLOTEN ZIJN.
âWelnu, mijn waarde Heer Bleek!quot; vroeg, nadat al wat tot de werkzaamheden betrekking had uit den weg geruimd was en de aanwezigen zich meer bepaald op hun gemak hadden gezet, de gastheer aan zijn Amsterdamschen gast; âhoe zijn u onze oefeningen bevallen? zouje lust hebben er deel aan te nemen, zoo je hier ook student waart?quot;
âO! ik heb mij perfect geamuseerd,quot; antwoordde Bleek;
48
âmaar ik beken, dat ik mij meer op mijn gemak voel, nu ik niet meer op rijm behoef te spreken.quot;
âVolkomen in mijn geest gesproken,quot; zeide Donia: âik weet ook niet waar het rijm voor dient, 't Heet classiek, en 't is het niet. Homerus noch Horatius spreken op rijm, en dat zijn toch lieden, die genoemd kunnen worden.quot;
âMet?quot; vroeg Bleek, eenigszins schuw naar Donia ziende, en half bang, dat hij voor mal werd gehouden: âdat waren toch ook dichters, zoo ik wel heb.quot;
âPrecies!quot; hernam Donia: âen toch rijmden zij niet, zoomin als later Milton of Klopstock. En is niet bijna al, wat de groote Shakspere geschreven heeft, rijmloos?quot;
âEn dan, de groote Van Alphen,quot; merkte Van Zirik aan, die zich ten koste van Bleek wilde vermaken: âonze vriend uit Amsterdam zal toch diens poëzie wel gelezen hebben? â
âWij zaten laatst bij Saartje,
Onze goede oude baker.quot; â
,.Wij dronken chocolade En aten dikke wafels.quot;
viel Galjart in: âmaar, van chocolaad en wafels gesproken. Bol! komt het lettergebak haast?quot;
âGeduld, geduld wat,quot; antwoordde Bol: âdat is tegen negen uren besteld en 't is nog geen half.quot;
âTegen negen uren!quot; herhaalde Galjart op een kluchtig weemoedigen toon: âo onvoorzichtigste en onverschilligste van alle verledene, toekomstige en tegenwoordige gastheeren! alsof het niet een stalen wet ware bij alle koek- en banketbakkers, wat tegen negen uren besteld wordt niet dan tegen elf uren te leveren.quot;
âMoet je zoo vroeg naar bed, dat je zulk een haast maakt?quot; vroeg Van Zirik.
âNeen,quot; antwoordde Galjart, âmaar ik heb mij van middag aan tafel gemenageerd, in afwachting van de dingen, die komen zouden.quot;
âWij zullen ons inmiddels maar met den wijn tevreden stellen,quot; hernam Donia: âHier jou Amsterdammer! laten wij
49
«en glaasje te zamen drinken op de confusie van dat miserabele rijm.quot;
âEn je eigen verzen dan?quot; vroeg Van Zevenaer aan Donia, terwijl deze klonk met Bleek: âdie zijn doorgaans wel ongerijmd, dat beken ik; maar rijmloos zijn ze niet.quot;
âOmdat wij stomme wetten hebben, die ons tot rijmen verplichten; â ik ben echter voornemens in 't vervolgalleen blank verses te schrijven.quot;
âIn navolging der Grieken en Latijnen?quot; vroeg Bol, meesmuilende.
âSpreek mij niet van die vervelende classieken. Ik heb eerbied voor hen, omdat dit eenmaal zoo behoort; maar zij hangen mij de keel uit, en zoo ik nog ooit eenige goedkeuring aan 't rijm schonk, zou 't alleen uit geest van tegenspraak zijn, omdat zij 't niet gebruiken.quot;
âDe eigenlijke classieken rijmen allen,quot; merkte Bol aan: âRacine, Boileau, Voltaire, Crébillon, de gansche school â bij ons Feitama, Bilderdijk, Helmers, Wiselius. . . .quot;
âEn Homerus en Ovidius dan?quot; vroeg Eylar.
âDat zijn geen classieken.quot;
âNiet?quot; vroeg Donia, met verbazing: âwel dat 's voor de â¢eerste maal dat ik het hoor. Wat zijn zij dan?quot;
âRomantieken,quot; antwoordde Bol, terwijl hij zijn pijp omdraaide.
âSaint paradoxe que me veux-tu?quot; riep Hoogen-berg uit.
âGeheel geen paradox,quot; hernam Bol: âde geheele Fransche school, met haar drie eenheden, haar conventioneele taal, haar keurslijf en haar eentonigheid, die zich bij uitnemendheid clas-siek noemt, zij moge al beweerd hebben, en die miserabele bent van Nil Volentibus arduum,dietot bederf onzer nationale letterkunde in 1669 te Amsterdam den schepter der critiek is komen zwaaien, moge 't haar hebben nagepraat â dat zij zich naar de Ouden had gevormd, doch alleen wie de Ouden niet kent zal het haar toegeven. Welke Grieksche treurspeldichter heeft dien regel der drie eenheden in acht genomen, dien men aan Aristoteles toeschrijft en die bij
i. - k. z. ,
50
Aristoteles niet te vinden is? Welke Grieksche of Latijnsche dichter laat Pyrrhus met seigneur en Ifigenia met madame aanspreken, of de wilden van Amerika en de sultans van 't Oosten hun minnaressen vrijen in de taal en op de wijze der markiezen van 't hof van Lodewijk XIV, doorvoed met de romans van Calprenède en Scudéri?quot;
âWat een wonder,quot; merkte Van Zirik aan, âdat Eschylus de wilden van Amerika niet heeft laten vrijen.
âLach maar,quot; ging Bol voort: âwat ik beweer, dat kan ik bewijzen. Bij de antieken zijn beide, vorm en gevoelens, eenvoudig en natuurlijk; bij de classieke Franschen en hun navolgers zijn de gevoelens het zelden, en de vorm is het nooit.'
âMost true,quot; zeide Donia.
âMaar dat bewijst nog niet, dat de Ouden romantieken waren, zeide Eylar.
âDat waren zij,quot; hernam Gerlof, âzoo goed als Perrault, als Shakspere, als Hoffman, als de schrijver der Arabische Nachtvertellingen, als wie je wilt. Of zijn de furiën, zijn de dochters van Forkyas, geen heksen, waar die uit Macbeth nog geen hand water bij hebben? Is er in de Duizend-en-Een-Nacht wel een enkele toovergodin, die in de schaduw kan staan van Medea ? Zijn de reizen van Ulysses geen romantisme van 't begin tot aan 't eind? Vinden wij in de herscheppingen van Ovidius geen aaneenschakeling van tooverijen en zonderlinge avonturen, waaruit alle latere romantieken, van Ariosto tot aan Musaeus, geput hebben? â Maar zoo gaat het altijd. Men maakt categorieën en classificatiën en vergeet te onderzoeken, of zij, die men onder deze of gene plaatst, er wel ooit toe behoord hebben.quot;
âHomerus een romantiek!'' riep Eylar lachende uit. âik hoop, Gerlof! dat je die thesis achter je dissertatie zult plakken.quot;
âZoo ik er ooit een schrijf, waarom niet? â maar ik zal die ambitie om een doctoralen titel te verkrijgen, maai uitstellen, totdat ik eens een prijs trek uit de loterij en het drukken van een specimen kan bekostigen.quot;
51
âWees maar niet bekommerd,quot; zeide Hoogenberg: âmen maakt jou nog eens doctor honoris causa1}.
âSpeel je in de loterij?quot; vroeg Galjart.
âNeen,quot; antwoordde Bol: âtot heden niet.quot;
âAls hij er in speelde, ware het geen kunst, er uit te trekken,quot; merkte Van Zirik aan.
Had Bleek de tot nog toe behandelde onderwerpen te hoogdravend gevonden voor zijn begrip, de wending, welke het gesprek nu genomen had, was van dien aard dat hij begreep, er zich in te kunnen mengen, en wel door de mededeeling eener in zijn oogen hoogst belangrijke bijzonderheid: âik heb een neef,quot; zeide hij, âdie voor veertien dagen de tachtig-duizend getrokken heeft.quot;
âHeb je waarachtig?quot; vroeg Galjart; âdan zullen wij op zijn gezondheid drinken. Moet je van hem erven?quot;
âNeen,quot; antwoordde Bleek: âde man heeft een huis vol kinderen.quot;
âWaaruit de heeren kunnen opmaken dat ik die gelukkige neef niet ben,quot; zeide Hoogenberg.
âIk zou 't je van harte gegund hebben, Katuil!quot; hernam Galjart: âen je hadt ons zeker allen getrakteerd. Maar om 't even; â wij zullen 's mans gezondheid drinken, vriend Bleek! je kunt nooit weten, hoe je nog eens in tijden van pest of mazelen zijn erfgenaam wordt. Daar gaat je neef! â Hoe is het, drink je niet mee?quot;
âJawel, maar ik moet niet te veel drinken,quot; antwoordde Bleek, die reeds benauwd begon te worden, dat hij 't niet uit zou houden.
âEn wat doet hij voor den kost, die neef van jou?quot; vroeg Van Zevenaer.
âHij heeft een boekdrukkerij,quot; antwoordde Bleek.
â't Is best,quot; hervatte Van Zevenaer; âzeg hem, dat hij de klandizie van mij krijgen kan voor 't eerste werk, dat ik laat drukken.... na miin dissertatie namelijk; want die is bij
^ âEershalve.quot;
52
Hazenberg ter perse. En bij provisie drink ik insgelijks zijn gezondheid. â Nu! schenk nog reis in, of je zoudt ons doen denken, dat je geen hart had voor je familie.quot;
âVan boekdrukkers gesproken,quot; zeide Hoogenberg; âik ben onlangs te Haarlem geweest en heb daar 't nieuwe monument gezien, dat in den Hout ter eere van Coster is opgericht.quot;
âMeen je dien dobbelsteen met die sauskom en die gevleugelde A er op?quot; vroeg Gerlof, âwelke zinnebeelden nu eigenlijk moeten bewijzen dat de drukkunst te Haarlem is uitgevonden?quot;
âJe spreekt er van alsof je er nog aan twijfeldet, zeide Hoogenberg.
Och neen/' antwoordde Bol met een onnoozel gezicht: âik geloof het evenzeer als ik het van Guttenberg te Ments, van Faust te Straatsburg, van Tjang-Si in China, van een paar dozijn anderen geloof. In allen gevalle komt het vraagstuk mij niet belangrijk genoeg voor om er zooveel water over vuil te maken als reeds gedaan is.quot;
âWat! de uitvinding der gezegende boekdrukkunst niet belangrijk!quot; riep Bleek uit, met wijdopgespalkte oogen naar Bol starende, en half in twijfel of hij wel goed gehoord had.
âBraaf gezeid, Amsterdammer!quot; zeide Eylar; âik drink je
gezondheid.quot;
Gesproken als ik verwachten moet van iemand die een boekdrukker tot neef heeft, en dat nog wel een boekdrukker, die de 80,000 pop getrokken heeft,quot; zeide Bol, glimlachende.
Je hebt weer een paradox in 't hoofd, Gerlof!quot; zeide Hoogenberg, terwijl hij het zijne bedenkelijk schudde.
Indien je de uil van Minerva waart, inplaats van een eenvoudige Katruil te zijn,quot; voegde Bol hem toe, âdan zou je weten, dat een nieuw gevoelen altijd een parados heet, en dat zoo al de verborgen waarheden voor den dag kwamen, er geen andere parados meer zou wezen dan .... de leugen.quot;
, je houdt dus de drukkunst niet voor een dam tegen de
barbaarschheid ?quot; vroeg Hoogenberg.
âNiet voor het morgenrood van een eeuwigen dag, na den
nacht der middeleeuwen aangebroken,quot; vroeg quot;Van Zirik, op een declameertoon, die genoeg bewees, dat hij een volzin aanhaalde, dien hij ergens gelezen, en onthouden had.
âBlijf mij met dien hoogdravenden bombast van 't lijf,quot; hernam Bol: âin dien nacht der middeleeuwen heeft meer licht geschenen en zijn grootscher dingen voortgebracht, dan in onze dagen van zoogenaamde verlichting en beschaving; de drukkunst was ja, een dam, maar die den weg versperde aan een krachtvolle ontwikkeling; en verre van de dageraad van een eeuwigen dag te zijn, was zij een avondschemering, waar de nacht op volgen moest.quot;
âHoe maak je dat goed?quot; vroeg Hoogenberg.
âZooals ik gewoon ben, mijn stellingen goed te maken, met de aanhaling van feiten. De zegepraal van het Christendom in Europa had het menschdom â in ons werelddeel namelijk â een nieuwe loopbaan doen intreden; het groeide krachtig op, maar het had zijn vollen wasdom nog niet verkregen, toen de uitvinding van Coster c. s. als een nieuwtje voor den dag kwam, en plotseling allen verderen groei belemmerde. Zij bracht die bespottelijke twisten der scholastiek, die duistere leerstelstels en ongerijmde afdwalingen van de monniken, uit de kloosters, binnen wier muren zij tot dien tijd uitsluitend gevoerd werden, in de maatschappij over, en knappe lieden, geboren om kunstenaars of dichters te zijn, verbeuzelden hun tijd en hun genie in het opwerpen en uitpluizen van onvruchtbare theorieën, in het haarkloven en muggeziften over onoplosbare vraagstukken.quot;
âEn de hervorming?quot; vroeg Eylar.
âJa, de hervorming!quot; herhaalde Bleek, die moed genoeg begon te krijgen om zich mede in de discussie te mengen.
âVergunt mij,quot; zeide Bol, âhet terrein der eigenlijke theologie te vermijden, waar ik te omzichtig zou moeten zijn met mijn woorden, wier beteekenis of strekking wellicht verkeerd zou worden uitgelegd. Dit alleen schroom ik niet te zeggen, dat het redes-instinct genoegzaam ontkiemd was om de hervorming in elk geval te doen plaats grijpen. Is zij niet
zoo zuiver en volkomen geweest als men had mogen wen-schen, 't is daaraan te wijten, dat de drukkunst, vooreerst den Bijbel, 't zij dan de Vulgata of de overzettingen in de landtalen, gestereotypeerd heeft, en daardoor de heerschappij gevestigd van de doode letter, wel te onderscheiden van het levende woord; â ten andere, dat zij met den Bijbel al de heidensche geleerdheid onder de massa verspreid heeft, die door de theologie heengesmeten werd en alle, ook de helderste begrippen verwarde en verbijsterde.quot;
âMaar je zult toch den voordeeligen invloed van de drukkunst op de letterkunde niet ontkennen,quot; zeide Hoogenberg.
âIs dan,quot; vroeg Bol, âde oude Homerus door een lateren eposdichter onttroond geworden ? Heeft een laureaat van Leo X ons een welluidender wijsbegeerte dan die van Horatiua doen hooren? â Waar is die historieschrijver, die Tacitus in de schaduw gesteld, of zelfs de moralist, die Boëtius verbeterd heeft'?
âHou wat!quot; viel Eylar in; âhet gaat niet op, de eeuw, die op de uitvinding der drukkunst volgde, te vergelijken met de gulden eeuwen der oude letterkunde. Stel haar tegen de middeleeuwen over en je zult heel andere resultaten verkrijgen.
âDenk je dat?quot; vroeg Bol; âstaat dan misschien Dante beneden Tasso? Boccacio beneden Bembo? de schrijvers van den Lancelot, van de Nevelingen of van Eeineken de Vos beneden Anna Bijns of Casteleyns?quot;
âEn de twee grootste letterkundigen van den vroegeren tijd, Erasmus en Luther, wil je die wegcijferen?quot; vroeg Hoogenberg.
âDie bewijzen voor mij,quot; antwoordde Bol; âimmers zij hebben zich hoofdzakelijk gevormd door 't lezen van handschriften, en niet van boeken, die in hun jeugd nog zeldzaam waren. En hebben de lezers van boeken hen overtroffen? â Immers neen. _ Voorwaar, de drukkunst ware volkomen onnut geweest, indien, toen zij werd uitgevonden, de beschaving niet reeds zeer rijp, zeer machtig en zeer ver gevorderd ware geweest. Let op, dat al de oude schrijvers, op twee of drie na, die nog niet waren teruggevonden, gedurende de eerste dertig jaren na de uitvinding der drukkunst in meer dan 150 ver-
schillende steden zijn gedrukt geworden, 't geen een bijna gelijktijdig verschijnen van nagenoeg tien mülioen boekdeelen veronderstelt. â Nu zul je mij moeten toestemmen, dat men daarbij het bestaan moet aannemen van een bijna ontelbare menigte geleerden, toegerust met genoegzaam oordeel des onderscheids om een geschikte keuze te doen uit de bouwstoften die voor de hand lagen, om moeilijkheden uit den weg te ruimen, varianten te vergelijken, bedorven plaatsen te ontdekken en te herstellen, interpolation op zijde te schuiven, ledige ruimten aan te vullen en wat dies meer zij : en dan zal niemand zoo dwaas zijn te beweren, dat die geleerden hun kennis te danken hadden aan de vinding van een Haarlemmer of Mentzer letterzetter. Doch ik vraag het aan u en aan elk onbevooroordeelde, stel, dat wij de drukkunst niet hadden en ze ons nu geschonken werd, in onzen hedendaag-schen toestand van beschaving, en wilt mij dan eens openhartig vertellen, hoevele eeuwen er noodig zullen zijn, om dergelijke werken te doen ontstaan als in dien tijd geschreven werden. Zijn zij thans zoo menigvuldig, die Laskarissen, die Chalkondylassen, die Demetriussen van Kreta, die Trapezuntii,die Gaguini, die de schatten der geleerde oudheid zoo helder en Waaien in zoo ruimen overvloed aan belangstellenden opdischten?quot;
âIk wou dat jij ons je Sint-Nicolaasgebak opdischte,quot; zei Van Zirik.
âMij dunkt,quot; zei Hoogenberg, âwij bezitten nog heden geleerden als. ...quot;
âJij onder anderen,quot; viel Gerlof in, âmaar wat zeggen enkele rarae aves'), die zich boven de atmosfeer van algemeene domheid verheffen? Zou geheel Europa thans wel een voldoend getal bekwame correctoren opleveren, om, ik zeg niet een honderdste part te bedienen van de drukkerijen uit de vijftiende eeuw, maar alleen de polyglotte pers van Alkala. â Nog meer! van de 150 steden, waar vroeger de uitgaven dei-nieuwe handschriften zich vermeerderden, als de olie uit de
') âZeldzame vogels,quot;
56
kruik der weduwe, bezitten er 120 geen drukpersen meer, of zij bewaren die alleen ten dienste van de circulaires van 't provinciaal bestuur, van de kennisgevingen van 't hoofd der gemeente, of van het stads-courantje.quot;
âEr is wat aan,quot; zeide Hoogenberg; âmaar toch zul je aan de drukkunst haar hoofdweldaad niet betwisten, dat zij de gedenkstukken van 's menschen brein opneemt en bewaart ?quot;
âIs dat wel zoo zeker?quot; vroeg Bol: âwat de Chineezen na hun omwentelingen hebben overgehouden van hun geschieden letterkundige werken haalt niet bij het honderdste gedeelte van wat wij uit de puinhoopen der middeleeuwen gered hebben. En toch hadden de Chineezen de drukkunst.quot;
âIk wou, dat wij bij provisie de letters maar hadden,quot; zeide Van Zirik, wien dat geleerde betoog begon te vervelen.
âHm!quot; herhaalde Donia: âwanneer je den algemeen verspreiden rijkdom van boeken in aanmerking neemt, dien wij thans bezitten, dan zie ik toch minder gevaar voor het te niet gaan van eenig werk zooals bij de Ouden, bij wie de handschriften zeldzaam waren.quot;
âZeldzaam!quot; herhaalde Gerlof: âdat ontken ik: van sommige bestonden er meer kopieën dan er thans exemplaren bestaan van een aantal belangrijke werken. De stof, die men bezigde, was duurzaam, de bewaring beter gewaarborgd dan nu. En echter, waar zijn de handschriften van Homerus, die Alexander in het juweelkoffertje van Darius bewaarde? Waar de kroniek van de oude wereld, die Henoch op steen gegriffeld en die Jozephus nog gelezen had? Keizer Tacitus gebood, dat elk Romeinsch burger zich een exemplaar van de werken van zijn naamgenoot zou aanschaffen. Die voorzorg baatte niet: wij bezitten alleen fragmenten. De bibliotheek van de Ptolo-meeën was vrij wat rijker in letterschatten dan de rijkste van de hedendaagsche boekerijen.... zij bevatte zevenmaal honderd duizend boekdoelen. Wat is er noodig geweest om die te vernielen? Een fakkel.quot;
57
âMaar toch,quot; hernam Hoogenberg: âde krachtige stoot, dien de drukkunst aan de beoefening van de letteren gegeven heeft____quot;
âIk heb dien gezocht, maar nooit gevonden,quot; zeide Bol.
âIk zoek ook letteren, maar ik vind ze niet,quot; merkte van Zirik aan.
âHeeft de drukkunst dan geen invloed gehad op de eeuwen van Frans I en Lodewijk XIV?quot; vroeg Hoogenberg.
âPost, non propter'),quot; antwoordde Gerlof: âdie eeuwen zouden ook zonder drukkunst haar roem verworven hebben, evengoed als vóór haar die van Pericles en van Augustus: en zoo de drukkunst eenigen invloed heeft gehad op de ontwikkeling der nieuwere letterkunde, zoo is die invloed nadeelig geweest, en heeft alleen gestrekt om haar alle oorspronkelijkheid, alle naïeveteit te ontnemen. De schrijvers legden zich zeiven en anderen de kluisters aan van een bekrompen en angstvallige navolging; en in plaats van eigen wieken uit te schieten, werden zij, die genieën hadden kunnen worden, niet dan elegante letterdieven.quot;
âEr zijn zeker letterdieven op straat,quot; zeide Van Zirik, âdie het banket, dat voor ons bestemd was, hebben gekaapt.quot;
âWaar is de kurkentrekker?quot; vroeg Galjart: âonze Amsterdammer lijdt dorst.quot;
âHet eenige,quot; vervolgde Bol, terwijl hij zijn pijp uitklopte en de blikken liet rondweiden over de aanwezigen, die meest peinzend voor zich keken, âhet eenige, wat de drukkunst in 't oneindige heeft vermenigvuldigd, is die soort van lettervruchten, die eigenaardig pleegt te worden voortgebracht door middelmatige verstanden, nl. woordenboeken en vertalingen. â Met woordenboeken wordt taal, spelling, stijl, alles, in één woord, tot een vervelende en noodlottige eenvormigheid gebracht; alle verscheidenheid, alle dialect-verschil, als b. v. de lezing van Homerus zoo aangenaam maakt, raakt weg, en wanneer men immer een Fransch acteur uit onze dagen classicaal expliceert, zal een vraag als het quaenam sunt
') âNaquot; niet âten gevolge van.quot;
58
ionica in his?') niet gedaan kunnen worden. â En nu de vertalingen? â Het land, waar die zich in vermenigvuldigen, is een land van onmacht en slechte studie. De Latijnen maakten weinig werks van de metaphrasten, die ons dan ook niet eene classische vertaling uit het Grieksch hebben nagelaten. Zelfs werd dat pedante en slaafsche vertaalwerk te Rome niet dan ten behoeve van de ongeletterde klassen gedoogd; en welke vertaling heeft ooit een schaduw van 't oorspronkelijke in onze taal doen overgaan? De meeste schrijvers, en juist zij, die zich door oorspronkelijkheid onderscheiden, zijn onvertaalbaar. Anakreon, Persius, Petrarcha, Dante, Shakspere, Rabelais, Montaigne, Camoens, Burns, zijn gesloten boeken voor wie ze niet kent in hun oorspronkelijken vorm. Van tien vertalers zijn er negen, die de taal niet verstaan, waarin zij vertalen. Ik spreek niet eens van hen, die noch de eene noch de andere taal verstaan. Om een recht goeden vertaler te vinden, moet men eerst een man vinden, die in twee talen diep weet te denken en zuiver weet te schrijven, en zulk een man is een zeldzaamheid. Dan moet die man, 't zij uit zedigheid, 't zij uit grilligheid, goedvinden, zijn genie aan dat van een ander slaafs te onderwerpen: en wie zich dat getroost is een wonder-mensch en dient vooruit besteld te worden. Maar zoolang die niet gevonden wordt, zal elke vertaling op 't oorspronkelijke gelijken als de wassen pop, die bij den kapper achter 't raam staat, op een beeld van Phidias.quot;
âAlles fraai en goed,quot; zeide Hoogenberg: âmaar ik blijf staande houden, dat, zoo de ouden de drukkunst gehad hadden, wij niet zoovele hunner werken zouden missen.quot;
âIk wil met u,quot; hernam Bol, âhet gemis betreuren dei-blijspelen van Menander en van die voortreffelijke Latijnsche blijspeldichters, waaronder Terentius â in de schatting der Romeinen â niet dan den zesden rang bekleedde en Plautus niet eens genoemd werd â wat ons, in 't voorbijgaan gezegd, een slechten dunk geeft van den Romeinschen smaak;
') quot;Welke zijn (in den volzin) de Ionische (of andere dialeot-vormen?
59
At nostri proavi plautinos et numeros et Laudavere sales1).
âIk zou met wellust de verloren decaden van Livius en de gedichten van Varius lezen; ik zou veel geld â zoo ik het bezat â ook voor een onvolmaakte editie van Cicero's tractaat de gloria en voor dat van Brutus de virtute geven; maar ik troost mij met de gedachte, dat een zelfde gunstig lot ons evenzeer den zotteklap van Bavius en Merias en de lasterschriften van Zoïlus zou bewaard hebben. Ziedaar het groote gebrek waaraan de drukkunst mank gaat; zij is lijdelijk en een bloot werktuig, dat het kwade even snel en overvloedig in omloop brengt als het goede: de encyclopedie naast den Bijbel; den boom des levens en den appel des verderfs. Zij heeft eenige fijne genietingen meer onder ieders bereik gebracht; maar daarentegen ettelijke duizenden van dwalingen en ongerijmdheden verspreid; en, vermits het getal der verstandigen verreweg het kleinste is, heeft zij nu en dan eenig licht doen flikkeren, dat den wijze tot een gids kan strekken, maar tevens een berg onder de menigte geworpen van brandstoffen, die nimmer kunnen worden uitgedoofd. In één woord, zij heeft de beschaving verhaast om haar in de barbaarschheid te storten, even gelijk opium, bij groote doses genomen, het leven verhaast om het in den dood te jagen.quot;
âWie praat er al niet van opium mee,quot; vroeg Van Zevenaer.
âOpium?quot; herhaalde Bleek, een weinig stotterende; âja de prijs van het opium is machtig gerezen in den laatsten tijd.quot;
âDat is omdat professor Onderbroek2) er zoo'n consumtie in maakt,quot; zeide Eylar.
âAnders zou men eer zeggen, dat het dalen moest,quot; merkte Galjart aan; â âdaar toch, bij langdradige vertoogen als die van Gerlof, alle slaapmiddelen onnoodig worden. Ik vraag u maar, Mijne Heeren!quot; vervolgde hij, met de vlakke hand op
1
') âToch prezen onze voorouders de verzen en de uien van Plautus.quot;
2
) Dezen naam plachten de studenten aan Bilderdijk te geven, omdat hij te huis zittende, doorgaans zeker gewoon Ideedingstuk miste.
60
de tafel slaande, zoodat flesschen en glazen opsprongen, âik vraag u, of het gepermitteerd is, dat hij, in plaats van op het Sint-Nicolaasbanket, dat hij ons schuldig is, ons onthaalt op redeneeringen van Jan Prik, die hij stellig weer uit dezen of genen ons onbekenden schrijver gestolen heeft, en ten slotte nog op opium?quot;
âIk kan waarachtig niet meer doen dan bestellen,quot; antwoordde Bol; âmaar wil je, dat ik er de meid eens heenstuur?quot;
âAls je niet bang bent, dat ze de helft onderweg opeet,quot; zeide Van Zirik.
âAls zij die opeet kan zij die ook betalen,quot; hernam Gerlof, en de tafelschel nemende rees hij op, opende de deur en begon uit al zijn macht te bellen. Op dit geluid verscheen een korte, scheeve deerne, met een pokdalig vuilrood gezicht, vuilroode handen en vuilblonde haren, een vuile floddermuts, een katoenen jak, dat op den rug scheef was dichtgemaakt, uithoofde overal, waar een haakje was overgebleven, het daar tegenover beboerende oogje gemist werd, of omgekeerd, een vuilbont boezelaar, zwarte kousen met gaten en dito pantoffels.
âWat blieft men haier?quot; was de vraag waarmede dit aanminnige wezen binnentrad.
âKeetje!quot; zeide Bol, âik wenschte, dat je even naar Pastei liep en vroeg of de letters al klaar zijn, die ik besteld heb.quot;
âAssieblief men haier,quot; antwoordde de dienstmaagd, âmair zal men haier dan zoolang oppassen als er gebeld wordt; want de juffrouw kan niet van d'r stoel.quot;
âNiet van d'r stoel!quot; herhaalde Hoogenberg, verbaasd; âwat is dat voor een hospita, die niet van d'r stoel kan, als mijn heer zijn gezelschap heeft.quot;
âZe hait zoo de rimmetiek,quot; antwoordde Keetje; âen kan het eine been niet voor het andere zetten.quot;
âHospita's, die rheumatiek hebben!quot; riep Galjart; âdat is immers een ongehoord iets! Wie permitteert zich al niet, rheumatiek te hebben?quot;
âIk zal straks eens naar haar gaan kiiken,quot; zeide de medicus.
âNu! dat's tot daar aan toe,quot; hernam Bol; âmaak maar
61
gauw dat je wegkomt en loop uit al je macht. Als er gebeld wordt zullen wij 't wel bezorgen.quot;
âWat moet Gerlof een kalme conscientie hebben op 't stuk van de Beren,quot; merkte Eylar aan.
âC'est toujours en ouvrant la porte Mol qui dis que je n'y suis pas.quot;
neuriede Donia, terwijl de dienstmaagd heenklotste.
âIk ben niet rijk genoeg om er een menagerie op na te houden,quot; zeide Bol.
âAlsof men daar rijk voor behoefde te zijn,quot; merkte Van Zirik aan.
âMen moet er althans krediet voor hebben,quot; hernam Bol; âen welk krediet zal een snijer of een rijtuigverhuurder stellen in een armen theologant, wiens eenige vooruitzicht daarin bestaat, dat hij, wanneer 't al bijzonder meeloopt, na verloop van twee of drie jaar, ergens in een afgelegen dorpje een standplaats krijgt, die hem een zak guldens opbrengt.quot;
âBehalve de hammen en worsten, die hij van de boeren krijgt,quot; zeide Van Zirik.
âDe vraag is, of hij van varkensvleesch houdt,quot; zei Eylar; âen bovendien, de boeren geven niets weg als wat zij zei ven niet kunnen of willen gebruiken.quot;
âStil! daar wordt gebeld, geloof ik,quot; zei Donia.
â't Zal de meid wezen,quot; zei Hoogenberg.
âDie heeft den sleutel,quot; merkte Bol aan.
âOf misschien de letters,quot; riep Galjart; âwacht! ik zal wel even gaan kijken,quot; en meteen holde hij de trap af.
âAls hij maar geen dwaasheden gaat beginnen,quot; zeide Bol, die maar half op zijn gemak was.
âWat zou hij voor dwaasheden kunnen beginnen?quot; vroeg Eylar.
âHij is er niet te goed voor, om de lui voor mal te houden,quot; zei Van Zirik.
âBons!quot; riep Eylar, âdaar gaat de voordeur weer dicht; dat is tot uwe geruststelling, Gerlof! zoo Galjart den bezoeker gebruld heeft, 't heeft althans niet lang geduurd.quot;
62
âDe letters!quot; galmde Galjart van beneden.
âAls nu,quot; zei Bol, âdie domme meid maar nietâquot;
âWat?quot; viel Van Zevenaer in: âeen tweede bezending haalt? â Wel man! stel u dienaangaande gerust; onze magen zijn nog goed en wij zullen wel zorgen, dat er niets overblijft.quot;
âHoezee! leve Galjart!quot; riep Donia, toen Galjart op dit oogenblik binnentrad, met een groote doos in de hand.
't Was een vierkante groene doos met een schuifdeksel.
âMoet de brenger de doos niet weer meenemen?quot; vroeg Bol.
âDaar heeft hij niets van gezeid,quot; antwoordde Galjart, terwijl hij de doos midden op de tafel zette. âHm! 't is verduiveld zwaar, dat banket: ik geloof waarachtig, dat je voor twintig pond letters besteld hebt.quot;
âNu! wij zullen ze maar bij provisie uit de doos nemen,quot; zeide Bol, die inmiddels opgestaan was en een stapel borden uit het hoekbuffetje gekregen had, en op tafel zette; â ânu gezien, wat Pastei ons geleverd heeft!quot; â en hij haalde de schuif uit.
Maar nog had hij dit niet half gedaan, of een algemeene kreet ging gelijktijdig op, die alleen door de wijze van uiting verschilde.
âWat is dat?quot; hij zelf.
âWat bl....!quot;
âAlle duivels!quot; âHeer bewaar ons!quot; âGod zegen mij!quot; âEi! ei!quot;
âZoo!quot;
âEi kik____ kik.quot;
Een kat, die men in zijn bed voelt, op 't oogenblik, dat men zijn licht uitgeblazen en de beenen onder de dekens gestoken heeft; een pad, waar men bij een avondwandeling op trapt; een duizendpoot, die uit een perzik kruipt, terwijl men er in hapt; een oorwurm, die men ontdekt op den rand van zijn halsboord; het hoofd van Medusa, toen Perseus het uit zijn zak haalde en aan de bruiloftsgasten in Ethiopië vertoonde:
,V-;;
â â â â -â â â V
â¢â W'. 1 m *
63
niets van dat alles kan een uitwerking hebben of gehad hebben, gelijk aan die, welke op onze acht jongelingen werd teweeggebracht door het voorwerp, dat zich aan hun oogen voordeed bij het wegschuiven van het deksel; en onze beste decorateurs zouden er wat voor geven, indien zij, door het ophalen van een tusschendoek, zulk een plastisch effect teweeg konden brengen.
Maar wat bevond zich dan in die doos? Ja lieve lezer! zoo gij 't niet al geraden hebt, dan achten wij, wat ons betreft, de zaak te gewichtig om niet met de oplossing van dit raadsel, die tevens den aanvang vormen moet van het verhaal, waaraan het voorafgaande tot inleiding dient, een volgend Boek te beginnen.
TWEEDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT, WAT IN DE DOOS VERBORGEN WAS.
In de doos lag, gewikkeld in een wollen dekentje, niets â meer of minder dan een slapend wichtje, waarvan alleen het bakkesje zichtbaar was.
Op den algemeenen uitroep van verbazing was een algemeene stilte gevolgd, gedurende welke het der moeite waardig zou geweest zijn, de gelaatstrekken der aanwezigen nauwkeurig op te nemen. De anders van nature zoo kalme en gelijkmoedige gastheer stond, bleek als een lijk, op het kind te staroogen, terwijl de schuif, die hij vasthield, trilde in zijn hand. Eylar, de handen voor de borst gevouwen, liet de oogen beurtelings op Bol en Galjart gaan en stootte met den elleboog Donia aan, die zich op de lippen beet en achter de ooren wreef. Galjart, met de beide vuisten op den rand van de tafel geleund, en zich op de teenen heffende, staarde voorover gebukt op het fraai St.-Nicolaasgeschenk, dat hij had medegebracht. Van Zirik schudde het hoofd rechts en links als een Chineesche knikkebol; Hoogenberg schoof zijn bril al heen en weer en zag er geheel verwezen uit. Bleek, die nog even te voren zoo rood had gezien als een kalikoetsche haan, had plotseling zijn gewone bleekheid teruggekregen; zijn oogen echter, anders zoo fletsch, rolden nu verwilderd in 't rond. Bij Van Zevenaer alleen had liefde voor zijn vak de ontsteltenis verdreven, en, het hoofd over de doos buigende, luisterde hij aandachtig naar de ademhaling van het kind, terwijl hij tevens de rechterhand
uitstak, als om zijn vrienden te waarschuwen, geen gerucht te maken en den slaap der onschuld niet te storen.
Acht jongelieden, waaronder zeven studenten, laten zich maar niet zoo op eens in steenen beelden herscheppen, en de heerschende stilte duurde dan ook maar een paar minuten. Van Zirik was de eerste die haar brak:
âIs dat je tractatie, Gerlof?quot; vroeg hij.
âDat's een malle grap,quot; zei Hoogenberg.
âEen miserable poets, die ze je daar gespeeld hebben,quot; voegde Galjart er bij.
Bol wilde iets zeggen; doch daar viel zijn blik op Eylar en Donia, en trof hem de bedenkelijke wijze, waarop die twee, zijn beste vrienden, hem aanzagen.
âJelui meent toch niet,quot; vroeg hij met een bevende stem, âdat die poets mij zou gelden?quot;
âMijn beste jongen,quot; zei Eylar, âwat zal ik je zeggen? Wie in de wereld zou u uit loutere liefhebberij zulk een cadeautje sturen, indien je er niets mee uitstaande hadt?quot;
âNeen! dat is te erg,quot; riep Bol uit, terwijl hij in zijn stoel nederviel en zich hel gelaat met beide handen bedekte.
âKom, Gerlof, man!quot; zei Galjart op een goedhartigen toon; âzulke avonturen kunnen den beste gebeuren. Je moet je dat zoo niet aantrekken. Je bent de eerste niet en zult ook de laatste niet zijn, die met zulke naweeën van vroeger wordt gekweld; en wij zullen wel een middel vinden om je voor opspraak te behoeden.quot;
Deze troostrede mocht welgemeend zijn, zij miste haar uitwerking op Gerlof; of liever zij diende alleen om zijn grievend leed nog te verzwaren.
âGoede hemel!quot; sprak hij, de handen wringende; âwat komt mij over! mijn uitzichten bedorven, mijn toekomst vernietigd door zulk een schandaal! Wat baat het mij nu, streng van zeden geweest te zijn en onberispelijk van wandel? En welke vreemde zal mij niet als een schijnheiligen huichelaar aanzien, wanneer mijn trouwste vrienden, die mij sedert jaren kennen, mij verdenken?quot;
i. - k. z. 5
66
âHeb je dan waarachtig geen liefdeshistorietje op je consciëntie?quot; vroeg Eylar.
â'tls anders een knap en gezond kind,quot; merkte Van Zevenaer met veel deftigheid aan; âen dat niemand zich behoeft te schamen.-' âIk geef u mijn woord,quot; zeide Bol, terwijl hij de hand, die Eylar hem toestak, krampachtig drukte, âdat dit kind onmogelijk het mijne kan zijn.quot;
De toon, waarop Gerlof deze woorden uitsprak, gevoegd bij de overtuiging, die zijn vrienden bezaten aangaande de ingequot; tegenheid van zijn zeden, was voldoende om hun allen twijfel
en argwaan te ontnemen.
âIk geloof u,quot; zeide Eylar, âmaar wien dan geldt dat
presentje?quot; , ^ ,
âZiedaar een vraag, die, volgens art. 319 van het Code.
niet beantwoord mag worden,quot; mompelde ^an Ziiik.
âWel, hoe kunnen wij zoo dwaas zijn te twijfelen! vroe.u
Donia: âheeft Galjart het niet gebracht? En zou het zulk een
wonder zijn, indien wij hem geluk mochten wenschen met dit
onderpand?quot; ' n v ^
Blijf mij met je gekheden van 't lijf,quot; zeide Galjait
knorrig; âomdat ik nu juist de deur ben gaan opendoen,
moet daarom het pak mij gelden? Zou ik dan zoo mal zijn
geweest het zelf te gaan halen? Of denk je misschien, dat ik
het al bij mij had, toen ik hier kwam en het zoolang in mijn
vestjeszak bewaard hield?quot;
â'tls toch sujet a caution,quot; merkte Van Zink aan. âDat is het,quot; hernam Galjart: âmaar ik weet^wat ik wee:, en'dat is, dat ik er niets, niemendal van weet.quot;
âEr moet toch een reden zijn. waarom men het juist hiei
bezorgt,quot; zeide Hoogenberg.
âHeb jij er kennis aan. Katuil!quot; vroeg Donia, spottende. âWij zullen op deze wijze geen stap verder komen,quot; hernam Hoogenberg, reeds genoeg rechtsgeleerde, om te begrijpen, dat geen gissingen, maar alleen feiten hen op 't spoor zouden kunnen brengen: âwie heeft de doos gebracht, Galjart? En wat heeft men er bijgevoegd?quot;
âDat zal ik je precies vertellen,quot; antwoordde Galjart: âer wordt gescheld, of gebeld, zooals men hier zeit; ik loop naar beneden, doe de deur open en zie een jongen tegen mij over staan, die mij deze doos in de handen duwt. Ik vraag hem: âzijn dat de letters?quot; Hij antwoordt, of liever hij knort vrij onverstaanbaar van ja, en weg is hij.quot;
âEn hoe zag hij er uit?quot; vroeg Hoogenberg.
âDat willen de Presidenten van de assises ook altijd van de getuigen weten,quot; zeide Galjart; âmaar als jij 't ooit wordt, Katuil! hoop ik, dat je verstandiger zult wezen, en niet vergen, dat men een vent beschrijve, die men op zijn best gezien heeft. Ik stond binnen, hij buiten: het was stikdonker en het regende mij vlak in mijn bakkes. Wat zou ik van den vent gezien hebben?quot;
âHad hij niet een mantel om of zoo iets?quot; vroeg Van Zirik.
âWel ja! -â en een hoed met een zwarte veer, en een gordel met pistolen, als in ridderromans. Och neen! hij gaf mij 't idee vanâ van zoo'n jongen, die een boodschap doet.quot;
âEr is,quot; hernam peinzende Van Zirik, âeen roman van August Lafontaine, die zoo begint; maar daar wordf het kind door een venster gestoken.quot;
âZou dat pakje ook aan uw hospita geadresseerd zijn?quot; vroeg Donia aan Bol.
âAan die rheumatieke ziel, zonder familie? dat kan ik niet denken.quot;
âWeet je wat ik gis?quot; zei Van Zevenaer.
âWat dan ? laat hooren, Maleier!quot; riepen sommige stemmen.
âIk gis,quot; vervolgde de Maleier, âdat de persoon, die het wurm droeg, eenvoudig van meening was, het hier of daar te vondeling te leggen, en dat hij, hier aan huis licht bespeurende en rumoer hoorende, misschien uit medelijden begrepen heeft, het hier te bezorgen, liever dan op een natte stoep in den regen.quot;
âNiet onwaarschijnlijk,quot; zeide Bol; âmaar zou het niet beter zijn. mannen broeders? ons voor 't oogenblik niet te verdiepen in de vraag, hoe het kind hier gekomen is, en
68
ons liever bezig te houden met die, wat wij er mee doen
zullen.quot; , . .,
Wel, wat de wet beveelt,quot; antwoordde Hoogenbeig. ânet bij
de politie brengen.quot;
âWaardoor het schandaal onmisbaar ten laste van Gerlot
komen zou,quot; zeide Eylar: âneen! dat kan niet.
âNeen! dan is 't beter, het maar hier of daar op een stoep
te leggen,quot; zei Van Zirik.
âDat zou zeker het beste middel zijn om het met fatsoen uitquot; de wereld te krijgen,quot; merkte Van Zevenaer aan.
âFoei, schaam je wat. Van Zirik!quot; zeide Van Eylar, âwil je
dat arme wicht vermoorden?
,,Weet je er iets beters op?quot; vroeg Van Zirik, de schouders
ophalende.
Maar!quot;____ viel Hoogenberg in; alle mogelijke vondelingen waar men in de boeken van leest, hebben briefjes bij zich, of armbanden, of banknoten, of andere herkenningsteekenen. Zouden wij, alvorens verder te gaan, niet onderzoeken, of wi]
iets van dien aard vonden ?
Katuil!quot; riep Van Zevenaer; âje bent in de wieg geleid om' rechter van instructie te zijn: wij zullen maar dadelijk eens aan je raad gevolg geven; bovendien; dat wurm slaapt mij te vast; en het zou mij zeer ontgaan, als zij het geen papaver-stroop hadden ingegeven om te maken, dat het niet schreeuwde onderweg. Ik moet dat eens onderzoeken.
En meteen tilde hij het kind met deken en al uit de doos, nam het op zijn schoot, luisterde aandachtig naar de wijze, waarop het ademhaalde, en begon het intusschen los te pakken. Maar hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, het wichtje, bij 't' welk het slaapmiddel, zoo 't er al een in had gekregen, zeker had uitgewerkt, ontwaakte en begon tegen de uitklee-partij te protesteeren, eerst door een leelijk gezicht te trekken en toen door een vervaarlijke keel op te zetten.
âO wee! als uw hospita het maar niet hoort,quot; zeide Galjart
tegen Bol.
't Mensch is doof,quot; antwoordde deze.
«9
,.,Ik vind nog niets,quot; zeide Van Zevenaer, die inmiddels de wollen deken had losgemaakt, waaruit nu het kind, in zeer gewoon nachtgoed gekleed en met een vaderliefje op, voor den dag kwam. âWij zullen echter nauwkeuriger inspectie nemen.quot;
Dan, op het oogenblik, dat hij hiertoe wilde overgaan, hoorde men de huisdeur dichttrekken.
âDaar is de meid weerom!quot; riep Bol ontsteld: âspoedig, Maleier! berg het kind.quot;
âWees onbezorgd,quot; zeide Van Zevenaer: en, terstond het altijd nog schreeuwende wicht weer in de deken wikkelende, bracht hij het in de alkoof en lei het er op den grond, waarna hij, terstond terugkeerende, zelf het geschrei van een kind begon na te bootsen: een voorbeeld, dat dadelijk begrepen en nagevolgd werd door al de aanwezigen, die een gelijke muziek aanhieven, zulke erbarmelijke wangeluiden doende hooren, dat de meid, toen zij een oogenblik later met het letterbanket binnentrad, onschoon anders aan studentenrumoer en studenten-kuren gewoon, er geheel verwilderd van opkeek.
âIk heb ze niet vroeger kennen kraaigen,quot; riep zij, vruchteloos pogende zich te doen verstaan: âde menschen hadden 't zoo mizerabel drok, dat ze me mair passies te woord kondon staan.quot;
âHeel goed,quot; zeide Bol: âblae! blae!quot; â zet het daar maar neer. â Blae! blae! â en maak datje wegkomt. â Blae ! Blae!quot;
âMot ik ook nog wat wegnemen?quot; vroeg Keetje, met die ontijdige gedienstigheid, welke lieden van haar ras altijd aan den dag leggen, wanneer men die niet verlangt: en zij nam meteen een drietal ledige flesschen bij de hand, om die in de alkoof te bergen.
âLaat dat maar tot straks,quot; zei Bol, haar de flesschen uit de hand rukkende: âen scheer je weg. Blae! blae!quot;
De meid keek hem vreemd aan, als zulk een driftigen toon van den kant van âmehaier Bolquot; niet gewend; doch zij volgde den bekomen last en droop af,
âZiezoo!quot; zei Van Zevenaer, terwijl hij het kind weder uit
70
zijn schuilplaats haalde, ânu kunnen wij met ons onderzoek voortgaan.quot;
âMaar is er geen middel om dien bengel tot bedaren te krijgen?quot; vroeg Galjart.
âJawel,quot; antwoordde de medicus: âGerlof! heb je niet een linnen lapje of een schoonen zakdoek bij de hand? En nu,quot; vervolgde hij, nadat Bol het gevraagde voorwerp uit zijn slaapkamer had gehaald, âis er nu ook een suikerpot en een glas water te bekomen?quot;
âJe wilt het schaap toch niet verworgen?quot; vroeg Eylar.
Van Zevenaer antwoordde alleen met een glimlach, en, den zakdoek in 't midden vattende, haalde hij er een gedeelte van door de vingers heen, en draaide dit tot een propje, 't welk hij doopte in een glas water, dat Bol voor hem neergezet had, en toen in den suikerpot, waarna hij het in het mondje van het kind duwde. Dit bedrijf werd dadelijk met een goed gevolg bekroond; het kind zweeg stil en begon met het gretigste welbehagen aan het gesuikerd linnen te lurken.
âProbatum est!quot; riep Hoogenberg.
âVivent les gens d'esprit,quot; zeide Van Zirik.
âZoeken jijlui nu of je eenig document of herkenningsteeken vindt,quot; vervolgde Van Zevenaer, âterwijl ik dit mormeldier zoet houde.quot;
De studenten zochten bij hun best, keerden het dekentje om en om, voelden onder het nachtgoed, maar vonden niets.
âIs er geen merk op het mutsje?quot; vroeg Bol.
âNiets ter wereld,quot; antwoordde Eylar: âmisschien op het linnengoed; doch om dat te vinden zouden wij het ventje dienen uit te kleeden.quot;
â't Is een kritiek geval,quot; zeide Hoogenberg, intusschen wij moeten tot een besluit komen.quot;
â't Is mal, heel mal,quot; zei Donia: âwant, zooals daareven te recht is aangemerkt, brengen wij het wurm bij den commissaris en verhalen wij hem naar waarheid de toedracht der zaak, hij gelooft ons niet, en Bol is zijn reputatie kwijt.quot;
âAls wij een beöedigde verklaring aflegden,quot; zeide Van Zirik.
âAl dedeu wij honderd eeden,quot; zeide Eylar, âde booze wereld zal toch gelooven, dat wij wel de waarheid, maar niet de ge-heele waarheid zeggen.quot;
âNeen waarachtig,quot; voegde Donia er bij: âwij kunnen de monden van de kwaadsprekenden niet stoppen met wat suikerwater, als de Maleier het mondje van onzen vondeling.quot;
âMaar wat dan ?quot; vroeg Bol: âer moet toch iets gedaan worden.quot;
âWeet je wat?quot; zeide Galjart, terwijl hij een groot stuk van een banketletter afbrak en het in den mond stak: âwij moeten dat kind adopteeren.quot;
âWat zeg je Galjart?quot; vroeg Donia: â't is heel onfatsoenlijk, met een vollen mond te spreken, en niemand kan een woord verstaan van wat je vertelt.quot;
âIk zeg,quot; herneemt Galjart, terwijl hij zich een glas wijn inschonk, en het leegdronk om de kruimels weg te spoelen, âik zeg, dat wij dat kind moesten adopteeren.quot;
âJa waarachtig, dat is een rijk denkbeeld,quot; riep Eylar uit: âleve Galjart, die het opwerpt: Ik dacht het, maar dorst het niet voorslaan.quot;
â't Is ons gezonden, ik weet niet door wie,quot; zeide Donia: âmaar 't is een beschikking van de Voorzienigheid, en wij moeten aannemen wat zij ons toevertrouwt.quot;
âRecht zoo!quot; zeide Hoogenberg: âwij moeten het kind gezamenlijk tot peters verstrekken.quot;
âTot vaders!quot; riep Eylar uit.
âTot vaders! fiat,quot; hernam Hoogenberg; âofschoon het een vaderschap is, daar wij al heel klakkeloos aan komen.quot;
âMaar zijn wij 't allen eens, allen?quot; vroeg Eylar; âwant wij moeten naderhand geen terugkrabbers hebben.quot;
âJa allen, allen!quot; riepen de aanwezigen, als om strijd de handen opheffende tot bevestiging van een besluit, waarbij aan de stem der koude rede het zwijgen opgelegd en aan de edelmoedige inspraak van het hart alleen gehoor gegeven werd.
âEen oogenblik!quot; zeide Bol, na met moeite stilte te hebben verkregen: âwij zijn het allen eens; maar wij moeten weten, waartoe wij ons verbinden; â zijt gij allen bereid, gelijk ik,quot;
72
vervolgde hij, op plechtigen toon, âvoor dat kind als voor ons eigen kind te zorgen, het te doen opvoeden, totdat het in staat is zelf zijn brood te winnen, en daartoe jaarlijks u de noodige opofferingen te getroosten?quot;
âJa, allen! allen!quot; herhaalden zij, als uit één mond.
âMaar, elk naar zijn vermogen,quot; viel Eylar in: â't zou niet billijk wezen, dat rijk en arm evenveel bijdroeg.quot;
Het gevoel, dat hem deze woorden had ingegeven, deed zijn hart eer aan, en toch kleurde hij, toen hij ze gesproken had, ten gevolge eener vrees, die hem evenzeer vereerde, die, van zich op min kiesche wijs te hebben uitgedrukt.
âNu!quot; zeide Van Zirik, lachende: âdat kind zal in de eerste jaren zooveel niet kosten, of wij zullen ieder nog wel het noodige kunnen bijbrengen: en later wil ik wel instaan voor de aandeelen van de zoodanigen, wien 't minder schikken mocht.quot;
âDat is royaal gesproken,quot; zeide Donia, goedkeurend knikkende bij dit voorstel van Van Zirik, die anders niet als zoo uiterst mild bekend stond.
âKom!quot; zeide Van Zevenaer: âwij zullen dat te zamen wel vinden. Ik zal aan onzen pleegzoon pillen en drankjes voorschrijven voor niet: Hoogenberg zal hem Latijn en Grieksch leeren. Bol zijne belijdenis, Donia het verzen maken en Galjart het hoornblazen; zoo zal ieder van ons Pleïaden hem iets van zijn licht weten mede te deelen, totdat hij zelf in staat zij een behoorlijke figuur aan den sterrenhemel te maken.
âDaar sla geluk toe,quot; zeide Galjart: âen nu eens het welzijn van den knaap gedronken!quot;
âEn dat wij veel vreugde aan hem beleven mogen,quot; riep Donia, zijn glas opheffende.
âMaar met uw verlof,quot; zeide Bol, terwijl hij zijn ledigen kelk weder op tafel zette; dat kind wordt alzoo, volgens afspraak, aangenomen door de Dorstige Pleïaden?quot;
âNu ja! en wat verder?quot; vroegen de overigen.
âDan is het niet billijk,quot; vervolgde hij, op Bleek wijzende,
/8
,.dat mijnheer, die hedenavond onze gast is, mede zou getrokken worden in een zaak, waar hij toevallig bijkomt, ol' dat wij hem verplichtingen zouden opleggen, die wij als leden der Kamer aanvaarden.quot;
âZeer juist!quot; was üe vrij algemeene uitroep, waarmede de aanwezigen te kennen gaven, dat zij instemden met de meening van den gastheer; maar nu begon Bleek, het stilzwijgen, dat hij gedurende een geruime poos bewaard had, verbrekende, zijn stem evenzeer te verheffen.
âNeen! neen!quot; riep hij, terwijl hij zich met de eene hand vastklemde aan den stoel, waar hij achter stond, en met de andere krachtige gebaren maakte: âik doe ook mee.... net zoo goed als de beste .... ik wil er direct mijn naam voor
teekenen .... ik sta mijn portie.... desnoods een dubbele____
ik ... . ik ... . ik doe ook mee.quot;
In hoeverre de wijn of de zucht om niet voor karig te worden aangezien eenig deel had aan deze uitboezeming, willen wij niet beslissen; â zeker is het, dat Bleek op dat oogenblik meende wat hij zeide.
âNu! nu! goed! zwijg nu maar,quot; voegde Hoogenberg zijn neef toe: âje zult mede je aandeel dragen: hou je nu maar stil en eet je letters in vrede.quot;
âDat mag ik zien, dat Hoogenberg letterkunde en vreet-zaamheid aanprijst,quot; zeide Van Zirik.
âWees toch zoo ellendig flauw niet. Van Zirik!quot; zeide Van Zevenaer, terwijl hij, trots de beste baker, het kind, dat inmiddels weer was ingesluimerd, op zijn schoot wiegde: âen laten wij eens overleggen wat nu te doen.quot;
âMij dunkt,quot; zeide Eylar: âbeginnen met het kind een min te bezorgen; wij kunnen het toch slecht met letterbanket en rooden wijn voeden, en onze vriend Gerlof zal het ook niet op zijn kamer kunnen houden.quot;
âEen min!quot; herhaalde Hoogenberg: âmaar dat noodzaakt ons, weer vreemden in de zaak te mengen.''
âEn hoe wou jij het aanleggen, zonder vreemden in de zaak te mengen ?quot; vroeg Donia.
74
âWij hebben hier geen geit bij de hand, zooals vader Jupiter, zeide Bol, âof geen wolvin, zooals Romulus.quot;
âOf geen hinde,quot; zeide Van Zirik, âzooals de schoone Geno-veva. â Ik zou hem pap geven of met koemelk opbrengen.
âVan Zirik, ga naar bed,quot; zeide Donia: âof debiteer zulke nonsens niet, waar 't een ernstige zaak geldt. Zul jij den jongen met pap voeren? â Hij moet ter min besteed woiden, en de vraag is alleen: waar ? â Wie bezorgt ons een min ?
âWeet de Maleier er geene?quot; vroeg Eylar.
âIk zit er juist over te denken,quot; antwoordde Van Zevenaer, op wien aller oogen gevestigd bleven: âja waarachtig, ik geloof dat ik er eene weet, Evgiy/.a ') mag ik wel zeggen .... ja, die zal het wezen.quot;
âWeet je er eene hier in de stad?quot; vroeg Bol.
âIk weet er eene,quot; hernam Van Zevenaer; âja waarlijk! 't is gesneden brood. Dat kon niet gelukkiger treffen.
âEn wie dat?quot; was het algemeene geroep.
âKoest! Stil!quot; hernam de medicus, met een afwijzende gebaarde; âeen frissche gezonde meid, die niet lang geleden in 't gasthuis verlost is. Sed nominum inutilis est curi-o sit as1), en daarmede basta!quot;
âMaar wij dienen toch te weten, waar ons petekind blijft,
zeide Donia.
âIk moet eerst weten, of zij wil,quot; antwoordde Van Zevenaer, âen vooraf, welk bod ik haar doen kan. Er zal hier contanti bus geredeneerd moeten worden.... geld bij de visch.quot;
âWat zal er al zoo noodig zijn?quot; vroeg Van Zirik.
âMij dunkt, wij moeten den Maleier volmacht laten, zeide Hoogenberg.
âJa! dat is goed.quot; riep Donia; âlaat de Maleier een akkoord maken, en dan zorgen wij naderhand, dat het geld er is.quot;
âUitmuntend, heel goed,quot; riepen de overigen.
âJelui bent ezels!quot; riep Van Zevenaer hun in antwoord op
1
3) â't Is onnut, naar namen nieuwsgierig te zijn.'
/D
hun votum van vertrouwen toe; âen jelui wilt mij niet begrijpen. Er moet geld wezen, terstond, of denk jelui, dat men den jongen op krediet in huis zal nemen?quot;
âWel! schiet dan voor wat er noodig is,quot; zeide Van Zirik.
Van Zevenaer, het nu gerust slapende kind weder in de doos nederleggende, zag den laatsten spreker een poos strak in 't gezicht, terwijl het zijne een allerkoddigste uitdrukking aannam. Toen haalde hij een oud, smerig, met kralen geborduurd beursje voor den dag en schudde het op zijn hand ledig
âDaar heb je nu,quot; zeide hij, âeen gulden, een achtentwintig, een pietje, drie zesthalven, twee dubbeltjes, en een cent met een gaatje.... en daar moet ik mee toe, tot de ouwe goedvindt, mij wat over te sturen. Als jelui mij nu maar vertellen wilt, hoe ik daarmee een min betalen en een inhalige moeder bovendien tevreden stellen moet. Ik herzeg daarom! ik moet contanten hebben: en op zijn minst een dertig gulden om mee te beginnen.quot;
âDan zullen wij de kas van de Kamer dienen aan te spreken,quot; zeide Van Zirik.
âDe kas van 't Gezelschap!quot; riep Eylar; âwelk een heiligschennis! Hoor mij zoo'n verbruiden vrek eens aan. Kom, ik weet beter raad; ieder taste in zijn zak en zie, wat hij offeren kan. Hier is de morillos van onzen waardigen Komeet; en als onze gast mag hij de eer hebben, er het eerste offer in te werpen. Largesse, nobles Seigneurs, largesse!quot; en meteen hield hij Bleek den hoed voor. Deze tastte in zijn vestzak, en, 't zij dat hij werkelijk een milde bui had, 't zij om zich voor de studenten groot te houden, hij wierp drie dukaten in den hoed.
âBravo!quot; riep Eylar, âzoo zullen wij er komen. Nu jij, rijke Hagenaar!quot;
âNa u, heer Graaf,quot; zeide Van Zirik, grinnikende.
Eylar haalde de schouders op en, de hand in een der wijde zakken van zijn pantalon dompelende, deed hij een fikschen greep onder de muntstukken van alle grootte en soort, die zich daarin bevonden.
âZiezoo!quot; zeide hij, terwijl hij het geld in den hoed wieip, âik hoop, dat ik nu evangelisch handel; want ik mag nooit een drup wijn meer drinken, indien mijn rechterhand weet wat
mijn linker gegeven heeft.quot;
âJe hebt mooi praten, als je 't zoo maar voor 't grijpen hebt,quot; zeide Van Zirik, terwijl hij, niet zonder ostentatie, zijn beursje losknoopte en er twee dukaten uithaalde, die hij één voor één in den hoed deed vallen. Wat de overige vrienden elk in 't bijzonder gaven zijn wij niet te weten gekomen; doch, toen de collecte was afgeloopen, bleek het, dat zij ruim vijftig gulden had opgebracht, met welke som Van Zevenaer verzekerde, de harten der hardvochtigste minnen en der gie rigste oude wijven, die Leiden opleverde, als was te zullen kneden.
âEn wanneer denk je nu die zaak in orde te brengen ? vioe0 Galjart.
âWel, onmiddellijk,quot; antwoordde Van Zevenaer; âdat kind kan toch niet hier blijven. Eén punt dient echter vooraf nog bepaald te worden, te weten, welken naam de jongen dragen zal.quot; âWel, mij dunkt, hij moet ons aller naam dragen,quot; zeide
Eylar.
âOm dadelijk de zaak bekend te maken?quot; vroeg Doma:
,.heel fijn overleid!quot;
âNoem hem Gerlof,quot; zeide Van Zirik; âhij is bij Bol aan
huis gebracht en die heeft het meeste recht op hem.quot;
âNeen, dat heeft Frits,quot; merkte Hoogenberg aan, op Galjart wijzende; âdie heeft het eerst zijn vaderarmen voor hem geopend.quot;
âGekheid!quot; zeide Bol; ânoch Galjart noch ik zijn op de eer gesteld, die je ons toedenkt. Hij is op Sint-Nicolaas gekomen en ik stel voor, hem den naam te geven van den Heilige van den dag.quot;
âAangenomen!quot; riepen allen; âNicolaas! ja, Nicolaas. dat
is een goede naam.quot;
Maar zijn van? â hij moet toch een van hebben ook,quot;
zeide Eylar.
âDaar zie ik de noodzakelijkheid niet van in,quot; merkte Van Zirik aan.
âJawel,quot; zeide Donia; âeen van moet hij hebben, en, om er hem een te geven, waar derden niet zoo licht iets uit zullen begrijpen, en die ons Pleïaden den band steeds herinneren zal, die hem aan ons hecht, stel ik voor, hem te noemen
NICOLAAS ZEVENSTER.quot;
âIs dat niet wat gewaagd?quot; vroeg Bol, het hoofd schuddende.
âO kom! er moet iets gewaagd worden,quot; riep Eylar; âik vind het denkbeeld lumineus.quot;
âEn den naam niet minder,quot; zei Van Zirik.
âZevenster!quot; herhaalde Hoogenberg; âde knaap wordt zeker een astronoom van 't eerste kaliber.quot;
âOf een licht in de Kerk,quot; zeide Galjart, âals zijn heilige patroon.quot;
âDaar twijfel ik sterk aan,quot; zeide Van Zevenaer, die intus-schen nogmaals de kleertjes van het kind doorsnuffeld had om naar een bewijs van herkomst te zoeken.
âEn dat waarom, Maleier?quot; vroegen eenige stemmen.
âDe heeren zijn met hun voorspellingen wat voorbarig geweest,quot; hernam hij: âwant, van achteren beschouwd....quot;
âWelnu?quot; riepen allen.
âIs het kind een meisje,quot; zeide Van Zevenaer.
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAARIN DE NAMEN VAN HET HOOFDPERSONAGE BEPAALDELIJK VASTGESTELD EN DE BESCHRIJVING VAN EEN BELANGRIJK HUISGEZIN GEGEVEN WORDEN.
Er volgde eenig gelach, vervolgens een korte stilte, op de mededeeling van Van Zevenaer.
âMaar dan deugt de naam van Nicolaas niet,quot; merkte eindelijk Eylar aan.
78
âNiet volkomen,quot; zeide Van Zirik.
,,'t Is toch jammer,quot; zeide Donia.
âEn ik weet dien naam in 't Hollandsch niet te vervrouwelijken,quot; zeide Hoogenberg.
âWij zullen tot het Fransch onze toevlucht moeten nemen,quot; hernam Donia, âen 't kind Nicolette noemen.quot;
âDat behoeft niet,quot; zeide Bol: âKlaasje is een zeer goede, echt Hollandsche vrouwennaam.quot;
âVoor een boerin, ja,quot; zei Van Zirik.
â't Hoeft geen prinses te worden,quot; zei Van Zevenaer: âen ter plaatse waar ik het kind ga brengen zal de naam van Klaasje beter klinken dan die van Nicolette.quot;
âFiat! het zij dan Klaasje,quot; zeide Eylar, âal klinkt de naam niet briljant.quot;
âBlijft dit punt alzoo vastgesteld?quot; vroeg Van Zevenaer, rondziende bij zijn makkers, die, hoezeer sommigen niet dan schoorvoetende, er in toestemden, dat het kind dien naam zou dragen, al klonk hij ook niet fraai: â't is wel! â Hier, Gerlof! geef mij nu een blad schoon papier en een pen.quot;
âOm wat te doen?quot; vroeg Bol, terwijl hij het gevraagde voor den dag haalde.
Van Zevenaer achtte het noodeloos, te antwoorden; maar, het blad voor zich nemende, schreef of liever teekende hij met dikke kapitale letters; klaasje zevenster.
âIk heb mijn plan,quot; zeide hij vervolgens: âjelui geeft mij, hoop ik, volmacht om in deze teedere zaak te handelen gelijk ik zulks noodig zal oordeelen in 't belang zoo van 't kind als van ons zelf? â Best! Dan nu niet langer getalmd, of ik kom voor een gesloten deur. â Jelui blijft toch mijn terugkomst hier afwachten ?quot;
âZoo je namelijk niet te lang uitblijft,quot; antwoordde Van Zirik.
âDat zal afhangen van omstandigheden,quot; hervatte Van Zevenaer: âintusschen heb ik ulieden een raad te geven: blijft zoo nuchteren, als je dit mogelijk zal zijn in 't aanzicht van de volle flesschen, en bedenkt, dat ik intusschen ten uwen gevalle dorst lijde: â En jij, jonge juffer!quot; vervolgde hij, het
79
kind aanziende: âwees zoet en geef aan de lieden geen slechte gedachten van je opvoeding, door bravour-aria's op straat te zingen. â Galjart! ik zal je mantel maar omslaan; dan zien zij mij niet voor een banketbakker aan.quot;
âMaar wel voor een bidder, die uit begraven gaat,quot; zeide Van Zirik.
âOm 't even,quot; hernam Van Zevenaer, die onder het spreken het kind weder in de doos geschikt en in het deksel nog een paar fiksche luchtgaten gesneden had: âen nu, tot straks, heeren!quot;
Met deze woorden trad hij de trap af en was spoedig de voordeur uit.
Het zal u, waarde lezers en lezeressen, evenals ons, na zoo lang in de benauwdheden en den tabaksrook gezeten te hebben, waarmede de kamer van den braven Gerlof Bol is opgevuld, gewis niet ongevallig zijn, wat versche lucht te scheppen en den braven Maleier op zijn tocht te vergezellen.
De ruil is echter niet voordeelig; de overgang althans wat heel sterk. Wij vallen van Scylla in Charybdis, van 't eene uiterste in 't ander. Was het op de studentenkast al te benauwd, op straat heerscht daarentegen een alles behalve vermakelijk Decemberweer: â daar wachten ons kletterende regenvlagen, snerpende wind, onvermijdbare plassen, al wat iemand, die den neus buiten de deur steekt, nopen kan, hem er hoe eer hoe beter weer binnen te halen.
Was Van Zevenaer aan de eene zijde alles behalve ingenomen met het vooruitzicht op een vrij langen avondkuier heen en terug, door zulk weer, hij troostte zich aan de andere zijde met het denkbeeld, dat hij te minder kans had, veel volks op straat te ontmoeten; terwijl bovendien ieder te veel met zich zelf te doen moest hebben om op hem te letten. De doos was onder de almaviva goed verborgen, en al mocht ook het jonge juffertje eens de kracht van haar longen beproeven, zij zou die toch al heel wat moeten uitzetten, eer zij de muziek dei-elementen overschreeuwde.
Met dat al, een groote doos met een levend wezen er in is
80
juist geen voorwerp, dat een avondwandeling door regen en wind gemakkelijker maakt. De vracht, welke hij droeg, de spoed, waarmee hij voortstapte, en de bezorgdheid, die met zijn gewoon flegma strijd voerde, dat alles te zamen was oorzaak, dat hij het op de koude straat nog warmer had dan op de benauwde kamer, ja dat zich op zijn wangen de zweetdroppelen met die van den regen vermengden.
Gelukkig echter werd zijn verwachting volkomen vervuld. De stegen, zijstraten en pleinen welke hij doorklotste, waren meest ledig, en de enkele voetgangers, die hij tegenkwam, hadden den hoed zoo diep in de oogen gedrukt en de kraag van de jas zoo hoog opgezet, dat alleen de punt hunner neuzen zichtbaar was en zij zeiven niets buiten de straatsteenen voor hun voeten zagen of verkozen te zien. Wat de klapwakers betrof, zij konden geen reden hebben, onzen wandelaar lastig te vallen; vooreerst kenden zij hem als student, en in die dagen sloeg een nachtwacht, wanneer hij een student zag, vooral wanneer deze laatste eenigen moedwil bedreef, liever een anderen weg in, dan dat hij de kans liep, eenig gemaal met hem te krijgen; â en ten andere zou het nimmer kwaad vermoeden hebben kunnen opwekken, dat men op Sint-Nicolaas-avond met een doos liep.
Van Zevenaer had eindelijk de grens overschreden van den kring, binnen welken de studentenwereld, en, ik mag er bijvoegen de beschaafde Leidsche wereld, zich beweegt, en was eene dier achterbuurten ingetreden, alleen door minvermogenden bewoond. Hij was hier echter geen vreemdeling; zijn dagelijksch verkeer aan 't gasthuis had hem in aanraking en kennis gebracht met verpleegden, die hij niet zelden, ook nadat zij het gesticht weder verlaten hadden was blijven bezoeken, 't zij om den loop hunner herstelling gade te slaan, 't zij om hun dezen of genen goeden raad mede te deelen, 't zij zonder andere reden dan belangstelling. Ook was hij menigmalen, bij het heerschen van deze of gene epidemische of besmettelijke ziekte, den hoogleeraar of geneesheer in de woningen der armen gevolgd, om de verschijnselen der kwaal en de werking der voorgeschrevenc
81
middelen na te gaan. Ook de woning, welke hij nu opzocht, was hem niet onbekend: en toch had hij eenige moeite, bij de tastbare duisternis, die hier heerschte, en bij de onderlinge gelijkenis van de huisjes in deze buurt, die zoo dadelijk te vinden.
âPas op!quot; zeide hij tot zich zeiven, terwijl hij even stilstond en trachtte zich te oriënteeren: âlaat ik nu geen bok schieten en bij den verkeerde aankloppen, evenals ik onderstel dat de man gedaan heeft, die de doos bij Gerlof bracht: zoo ik niet mis ben, moet het de zesde of zevende deur van de dwarsstraat zijn: â naast een komenij. â Maar wie duivel kan een komenij van een bakkerij of van een tapperij onderscheiden als het pikke donker is en de blinden overal dicht. Ik ben geen Katuil, die in 't duister ziet, en toch zou onze goede Hoogenberg, spijt zijn naam, nog minder dan ik in staat zijn den weg te vinden. Want, ik herinner mij een her-kenningsmerk. Aan de voordeur hangt een ijzeren ring, die gescheurd is; ik heb er laatst mijn hand bij 't toehalen nog aan bezeerd.quot;
En nu, bij gevaar af, zoo iemand hem gezien had, beschuldigd te worden van poging tot huisbraak, betastte hij één voor één de deuren die hij langs liep.
,,'t Is hier!quot; zeide hij, na een paar reizen bemerkt te hebben, dat hij verkeerd was: âhier is de gebroken ring. En dat kruisraam ken ik ook. Als nu de menschen maar niet te vast slapen; want hoe minder ik de buurt in opschudding breng, hoe beter.quot; En nu begon hij zacht, maar aanhoudend, met zijn stok tegen het raam te tikken.
Lieden van zulk slag als de bewoners van het huisje, waar Van Zevenaer voor stond, worden niet zoo licht door een klein gerucht uit hun eersten slaap gewekt. Hier echter bestond een gunstige omstandigheid, waar Van Zevenaer wel eeniger-mate op had kunnen rekenen, namelijk, dat er jonge kinderen waren; een vrouw, die moeder is, wordt altijd spoediger wakker dan een andere. Hier bleek zulks althans het geval te zijn: Van Zevenaer hoorde eerst eenige beweging, toen een
82
vrouwenstem, toen een duidelijk geroep van: âvader! vader! daar is volk,quot; toen een dof gemompel en gebrom, en eindelijk het gedruisch van voetstappen.
âWie is daar?quot; klonk een zware basstem van binnen.
âGoed volk,quot; antwoordde Van Zevenaer.
âWie is goed volk?quot; hernam de stem.
âDoe maar open,quot; riep onze student, die geen kans wilde loopen dat zijn naam dezen of genen wakenden buurman in de ooren klonk. Ik moet vrouw Lammertsz spreken. Er valt wat te verdienen.quot;
Het scheen dat deze woorden dezelfde tooverkracht bezaten als het Zeezaad open u! in het sprookje van Ali Baba: althans bijna onmiddellijk â niettegenstaande er toen nog geen lucifers waren uitgevonden en men zich met zwavelstokken behelpen moest â flikkerde er een licht in de woning: en geen twintig tellens duurde het, of het geklos der holblokken op de vloersteenen kwam naderbij, de bovendeur ging open en de man des huizes stond, met een nachtlamp in de hand, tegenover onzen student.
âKen je mij niet?quot; vroeg deze, zijn hoofd naar binnen stekende en zoo zacht fluisterende als de mogelijkheid om verstaan te worden maar eenigszins toeliet: âik ben Van Zevenaer.quot;
âKom binnen menhaier Van Zaivenair,quot; sprak de man, nu ook de onderdeur opensluitende; â en met een snellen stap was de jongeling het huis in en hem voorbij. Bevreesd echter zich met zijn kostbare vracht in 't donker te wagen, wachtte hij, tot de bewoner de huisdeur weer gesloten had, en volgde hem toen weder in het woonvertrek.
Een uitvoerige beschrijving der localiteit zal wel niemand van ons vorderen. Het vertrek geleek op de meeste van dien aard, die door mingegoeden bewoond worden. Toch, zoo hier al geen weelde heerschte, evenmin vond men hier kenteekenen van armoede, veelmin van gebrek. Tusschen het raam en den schoorsteen stond een ouderwetsche noteboomhouten kast, waarvoor weinige jaren later, toen de ouderwetsche meubelen
88
weer in de mode kwamen, door een opkooper vijftig gulden geboden werd: het meubilair, schoon doodeenvoudig, was âgoed geconditioneerdquot; en voor de bedsteden hingen knappe gordijnen van groene serge.
Ln ieder van die bedsteden bevond zich een vrouw, en beide die vrouwen zaten met open mond en dodderige oogen den nachtbezoeker aan te staren.
De eene vrouw was Trui Lammertsz, wettige gade van den man des huizes, een dikke, ondanks haar zestig jaren nog wakkere en gezonde schommel, die, bij hetgeen zij met naaiwerk verdiende, nu en dan haar aandeel in de huishouding aanbracht door als baker of ziekenoppasster bij burgerlieden uit te gaan; de eerste van welke betrekkingen zij nu al een reis of drie (echter zonder salaris.» vervuld had bij haar eenige dochter, de bewoonster der andere bedstede.
Deze, die nog altijd antwoord gaf op den naam van Mietje Lammertsz, was een niet onaardige brunet van vijf en dertig jaren. Ofschoon niet bepaald mooi, had zij nog altijd een jeugdig uitzicht, een levendig oog â wanneer het niet slaperig stond als nu - fraaie witte tanden, en een zeker iets in haar manieren, dat alles behalve afschrikwekkend wasvoor.... personen van de andere sekse. Spijt deze uiterlijke aanlokkelijkheden had zij zich nog niet onder 't echtjuk begeven; 't zij dat niemand haar gevraagd had â wat wij echter niet ge-looven kunnen, 'tzij, dat de ondervinding van droevige tooneelen tusschen dronken of kijfachtige echtelieden haar een weerzin tegen 't huwelijk had doen opvatten, 't zij dat alle pretendenten uit haar eigen stand haar te ruw, te lomp, te veel beneden haar zelve toeschenen; â iets wat allicht plaats vindt, wanneer burgerdeernen te vroeg in kennis komen met jonge lieden, die blanke handen «m een net geschoren kin hebben â van knevels en bakkebaarden was in die dagen, behalve bij enkele officieren van de cavalerie en bij de flank-compagniën, nog geen sprake. Voor zoodanige jonge lieden had Mietje Lammertsz maar al te veel een open oor gehad, en haar hart, of wel, om met den grooten fabeldichter te spreken ;
84
L'occasion, Therbe tendre etje pense
Quelque diable aussi la poussant,
had haar tot menige onvoorzichtigheid verleid, waarvan sprekende, althans schreeuwende getuigen waren overgebleven. Een dier getuigen, een dochtertje van ongeveer acht jaren, lag nevens haar in de bedstede te slapen, met een groot stuk afgekauwd biesjesdeeg in de vuist geknepen; want Sint-Nico-laas had ook dit nederig verblijf niet onbezocht gelaten â en met rozen op de wangen. Het tweede resultaat van Mietjes al te groote gulheid was voor een paar jaren aan het roodvonk overleden: het derde was een knaapje van negen maanden en lag in een wieg, die nevens de bedstede stond.
Ofschoon Dirk Lammertsz en zijn vrouw groote liefhebbers waren van tooneelstukken en romans te lezen, ja zelden verzuimden den schouwburg te bezoeken, wanneer zich daartoe de gelegenheid aanbood, en zij alzoo âGesner of het Zwitsersche Huisgezinquot;, â âde Onechte Zoonquot;, â âVader en Dochterquot;, en andere toen zeer en vogue zijnde stukken, waar bedrogen dochters in voorkwamen, meer dan eens hadden zien opvoeren, zij bezaten te veel wijsbegeerte om op het voorbeeld van de vaders en andere hoofdpersonen in deze of dergelijke drama's zooveel leven te maken over zaken, waar toch niet aan te verhelpen viel, veelmin om er krankzinnig door te worden. Wat het gebabbel der buren betrof, daaraan stoorden zij zich te minder, dewijl kleine ongelukjes, van gelijken aard als te hunnen huize, ook bij anderen niet zeldzaam waren. Maar niet genoeg was het, dat zij onwetend het
Solamen mi se ris socios habuisse m aiorum ')
in practijk brachten, zij troostten zich ook met de hun bekende zinspreuk, dat er geen ongeluk gebeurt, of er komt nog altijd wel een geluk bij: en tot heden was Mietje bij haar liefdesavontuurtjes nooit zoo onberedeneerd te werk gegaan, of die hadden nog altijd eenig voordeel in de huishouding aangebracht.
1) ..Het is de troost der ongelukkigen. deelgenooten te hebben van hun ramp.quot;
Tegenover haar minnaars had zij het sua vi te r in modo ^op zijn tijd weten te vervangen door het fortiter in re2) en op zoete liefdewoordjes waren doorgaans later ernstige vermaningen, gestrenge waarschuwingen, ja â wanneer deze geen genoegzamen indruk maakten op Oostindisch doove vrijers â zeer duidelijke en zeer peremtoire bedreigingen met een publiek schandaal gevolgd, of andere middelen, geschikt om het beneveld brein te verlichten, het hart van vrees te doen popelen en de beurs te openen.
Voorzeker zijn de bijzonderheden, die ik nopens de leden der familie Lammertsz hier mededeel, weinig geschikt om mijn lezers een hoogen dunk te doen voeden van hun zedelijk karakter; en toch zouden vader, moeder en dochter zeer verwonderd geweest zijn, indien iemand hun had durven zeggen, dat hun handelwijze niet alleen hoogst berispelijk, maar zelfs hoogst schandelijk was. 's Menschen geweten is een zeer rekbaar voorwerp, en 's menschen vernuft onuitputbaar in het vinden, niet zoozeer van redenen, die een slechte daad in 't algemeen rechtvaardigen, als van vergelijkingen, met wier gepaste aanwending men zoodanige daad verschoonbaar doet voorkomen. Jammer maar, dat bi] zoodanige gelegenheden het verkeerde en slechte nooit wordt vergeleken bij hetgeen richtig en goed, maar bij hetgeen nog verkeerder en slechter is. Zoo wist Mietje Lammertsz haar handelingen niet alleen in haar eigen oogen, maar zelfs in die van vele anderen, vrij te pleiten met te betoogen, dat zij nooit meer dan één minnaar te gelijk had gehad en aan dezen, zoolang hun betrekking duurde, was getrouw gebleven: dat zij alzoo te dien opzichte veel beter was dan Trijntje Zoo en Zoo of Klaartje Die en Die of zoovele anderen, die volslagen zedeloos en bedorven waren: dat zij het voorts niet helpen kon, indien zij uit-ter-aard geen gemeen volk kon uitstaan en liever verkeering zocht met fatsoenlijke lieden; dat zij het evenmin kon helpen, indien haar vrijers niet
') âZachtzinnig in den vorm.quot;
-) âKrachtig waar 't op de zaak aankomt.quot;
86
verkozen, het min geoorloofde der met haar aangeknoopte betrekking door een wettig huwelijk te herstellen; dat gezegde vrijers in allen gevalle verplicht waren, de gevolgen van hun vrijwillige daad voor hun rekening te nemen, en dat, wanneer gezegde vrijers dit niet verkozen, zij, als moeder, wel verplicht was, hen, in 't belang van een onschuldig kroost, daartoe te dwingen. Zoo redeneerde Mietje Lammertsz, en wie al van meening wezen mocht, dat haar gronden voor de rechtbank der zedelijkheid weinig afdoende waren, de medeplichtigen aan haar struikelingen hadden geen recht er iets tegen in te brengen.
Moeder Lammertsz paaide haar geweten op geheel andere wijze: zij had altijd haar dochter het goede voor oogen gehouden ; voor 't minst dit zeide zij, en misschien geloofde zij 't in volle oprechtheid, al hadden die zoogenaamde aansporingen tot het goede nooit bestaan dan in ettelijke stompen in den rug of klappen om de ooren, aan haar dochter, toeu deze nog jong en onervaren was, met geen karige hand toebedeeld, zoo dikwerf het meisje wat later thuis kwam dan behoorde, of de dubbeltjes, haar gegeven om den bakker te betalen, aan lekkers versnoept had. â Genoeg 1 zij had als moeder gedaan wat zij kon, en daarbij Mietje naar school en op de catechisatie gestuurd, en zij kon 't niet helpen, zoo Mietje er goed uitzag en fatsoenlijke heeren op haar verliefd waren geraakt. â Mietje was nu in allen gevalle sinds lang mondig en moest weten wat zij deed. Was het eenmaal zoover, en schoot er dan voor haar, vrouw Lammertsz, nog een voordeeltje over, waarom zou zij daar dan geen partij van trekken ? en dan was de slotsom van haar redeneering onveranderlijk deze, dat, als ieder zich maar met zijn eigen zaken bemoeide, alles vrij wat beter zou gaan.
Wat vader Lammertsz betrof, hij behandelde de wereldsche zaken met een Stoïcijnsche gelatenheid, of, laat ik liever zeggen, met een volstrekte onverschilligheid. Wanneer hij maar op zijn tijd zijn slok en zijn eten had, dan was de rest buiten hem; wat met Mietje voorviel behoorde in zijn oog tot de huishoudelijke zaken, en die gingen zijn vrouw aan, niet hem.
87
Hij had zijn werk aan de fabriek: als hij zijn patroon, of liever, den meesterknecht voldeed, en zijn loon niet verzoop, dan deed hij al wat van hem in redelijkheid gevergd kon worden, en dan had hij noch tijd noch lust om zijn hoofd met andere dingen te breken.
Wij kennen nu het edele drietal, en het wordt tijd, de personages sprekende te laten optreden.
âKen jelui me niet meer?quot; vroeg Van Zevenaer aan de verwonderde vrouwen, terwijl hij zich van zijn druipnatte pet en mantel ontdeed en de doos op tafel zette.
âHaiere men taid! men haier Van Zaivenair!quot; riepen beiden uit één mond.
âMot uwes main hebben?quot; vroeg Moeder Lammertsz, terwijl zij naar haar rokken tastte, die op het voeteneinde der bedstede lagen.
âJa en neen,quot; antwoordde onze student: âmaar eigenlijk geldt mijn boodschap Mietje.quot;
âZou je niet wat vuur anleggen, Trui?quot; vroeg de man des huizes, die nog altijd, met de blauwe slaapmuts op 't hoofd, den rooden baaien borstrok aan 't lijf, de korte ongegespte broek aan de beenen, de holsblokken aan de bloote voeten en de lamp in de hand midden in 't vertrek stond, âmen hair is mooi nat en mocht zich wel wat drogen.quot;
âMaak geen omslag voor mij,quot; zeide Van Zevenaer, met een afwijzende beweging; âalleen, indien je brandewijn in huis hebt, wil ik wel een slok tegen de vochtigheid.quot;
âWil men haier anders liever een glaassie annijs?quot; vroeg Trui: âwe hebben van avond toch op onze menier ook Sunter-kiaes gehouen en er zei nog wel wat in 't flessie zain.quot;
âIk dank u,quot; antwoordde de student: âliever brandewijn, zoo ik mag: en nu tot de zaak; want ik heb niet lang tijd.quot;
âMair ik zei toch opstaan,quot; zei Trui.
â't Is niet noodig,quot; hernam Van Zevenaer: âik blijf niet zoo lang. Ik wilde Mietje zeggen ...
âSteek dan toch een kaars op. Dirk!quot; riep Trui; âen geef men haier dan toch een slok: en trek je kousen an, man 1
88
ik hoop toch as dat 'er nog brandewijn in de flesch is----quot;
âHoor eens Mietje!quot; zeide Van Zevenaer, terwijl Dirk Lam-mertsz zich gereedmaakte, aan de bevelen zijner echtgenoote te voldoen: âje hebt mij al meer dan eens gevraagd of ik je recommamdeeren wou, als er een goede minnedienst openkwam. '
âHeit men haier een minnedienst voor main?quot; vroeg Mietje, terwijl zij, meer uit gewoonte dan uit noodzaak, de hand buiten de bedstede stak om haar zuigeling te wiegen.
âDat heb ik,quot; antwoordde Van Zevenaer.
âIs het onder den raikdom?quot; vroeg Trui.
âIs het te Laaien of iewers anders?quot; vroeg Mietje bijna tegelijk.
â't Is niet precies wat jelui je verbeeldt,quot; hernam Van Zevenaer: ,.'t geldt geen dienst buitenshuis, maar een minnekind, dat men bij u besteden wil.quot;
âIk had liever een minnedienst bai den raikdom,quot; zei Mietje, een vies gezicht zettende.
âMij dunkt, twee kinderen in huis, is al genoeg,quot; zei Trui.
âAllemaal mogelijk! Maar of je nu je geld hier in huis verdient of daarbuiten, zal wel op hetzelfde neerkomen.quot;
âJa! 't geeft ook wat, die bestede kinderen!quot; zei Mietje.
âIk weet het wel,quot; hernam Van Zevenaer, terwijl hij het glas, dat Lammertsz hem aanbood, in ééns ledigde; âjij zoudt graag als een prinses onder de groote lui wonen en op je wenken bediend worden; maar bij provisie is er niets open en één vogel in de hand is beter dan tien die vliegen, 't Zal je bovendien geen windeieren leggen en je moeder ook niet.''
Trui Lammertsz had reeds bij haar zelve de gegronde opmerking gemaakt, dat een minnedienst alleen voor haar dochter winstgevend zijn zou; daargelaten, dat zij, zoolang Mietje buitenshuis was, met de kinderen van deze zou opgescheept zitten. Een kind, in huis besteed, zou daarentegen aan het geheele gezin voordeel aanbrengen: en de laatste woorden van den student, die juist tot een aanvulsel dienden van haar gepeins, vestigden op eenmaal haar besluit.
âMen haier heit elaik ook. Mie!quot; zeide zij: âmen mot niks
89
afslaan as vliegen. Mair as ik vraigen mag____ men haier
komt zoo bij nacht en ontaid: dat halt zeker z'n reden. Is er zoo'n haist bij 't werk? En mot misschien het kind direkt hier gebracht worden?quot;
âDat behoeft niet,quot; antwoordde Van Zevenaer: âhet is hier al.quot; En meteen naar de tafel gaande, lichtte hij het deksel van de doos en haalde de heldin van ons verhaal voor den dag.
âHaiere bewair ons!quot; riepen vader en moeder en dochter als uit één mond, terwijl Dirk de pijp, die hij juist ging opsteken, van schrik op het vloersteen tot gruis liet vallen.
âHou daar!quot; vervolgde onze medicus, terwijl hij het wicht bij Mietje op het bed bracht en het in haar arm leide: âhet arme schaap zal wel honger hebben, of dorst, zooals je 't noemen wilt.quot;
Met een opwelling van gevoel, die deze reis alle koude berekening of redeneering vooruitsn elde en die haar hart eer aandeed, drukte Mietje een kus op het wangetje van het kind rukte zich het nachtgewaad open en bracht de zwellende borst tegen het kleine mondje aan.
De verrassing was ook voor vrouw Lammertsz te groot geweest. Verbazing, opgewekt gevoel, nieuwsgierigheid, alles werkte te zamen, en in een ommezien had zij onderrok en kousen aangetogen, en stond, met de kaars in de hand, naast de bedstede van haar dochter.
Het kind scheen de woorden van zijn pleegvader te willen waar maken; althans het wist, na een paar mislukte pogingen zich de aangeboden gelegenheid ten nutte te maken en zoog weldra, dat het een liefhebberij was om te hooren en te zien.
âHai pakt hem wairempel,quot; zei Trui.
â't Is een zu,quot; verbeterde Van Zevenaer: âen nu is de vraag kort en goed, Mietje! wil je je jongen spenen, die al oud genoeg is, en dit kind tot min strekken?quot;
âVan wie is het kind?quot; vroeg Trui.
âDat doet er voor 't oogenblik niets toe,quot; antwoordde Van Zevenaer: âvan mij in allen gevalle niet. Die het hier sturen zijn niet rijk; maar toch wel in staat een behoorlijk kostgeld
90
te betalen. â Als ik nu maar hooren mag, wat je in de week moet hebben om dit kind van het noodige te voorzien.quot;
âJa! daar zouen we eerst 'rais over motten spraiken met malkaar,quot; antwoordde de altijd voorzichtige vrouw des huizes: âmenhair komt hier zoo op 'n dof invallen mit dat kind, en m'n dient toch voor m'n 'n akkoord maakt, te weiten van hoe of wat.quot;
âNu!quot; zei Van Zevenaer: âer zijn nog minnen in de goede stad Leiden te vinden behalve je dochter, en ik meende jelui een dienst te doen, door je de voorkeur te geven. Ik dien van nacht nog te weten, of je 't nemen wilt, al of niet. Dit kan ik je er bij zeggen, dat, indien men wel tevreden is over je handelingen ten opzichte van het kind, men het nog wel een jaar of wat bij je laten zal: en een vaste rente is geen zaak die men wijs doet af te slaan.quot;
âEi wat!quot; hernam Trui: âmenhaier zal het wurm toch in allen gevalle niet weer willen meenemen, 't Is wairempel ook al een wonder, dattet niet gestikt is in die doos: en dat zou ik nooit permeteeren, dat 't op zoo'n menier me huis werd uitgedragen.quot;
âGoed zoo!quot; zei Van Zevenaer: âik zie met genoegen, dat je belang stelt in het kind, en dat stelt mij gerust omtrent de vraag of je 't houen wilt. Alzoo nu de tweede: op welke voorwaarden? Jij en ik weten genoeg, wat men in dergelijke gevallen gewoonlijk betaalt.quot;
âGewoonlijk!quot; herhaalde Trui: âhm! hm! mair het is, dunkt main, hier gein gewoon geval, 't Is hier inteigendeel iets heil ongewoons: zoo'n kind, dat in 't holle van den nacht bij ons 'an huis gebracht wordt, en wair men geen naam van vaêr of moer van zeit, dair steikt wat meir achter dan recht toe: en veur en alleier m'n zich met zukke dingen inlaat, dient men te weiten, dat men er geen kwaad mee kan, eiT z'n handen niet brandt.quot;
Van Zevenaer had reeds vooruit begrepen, dat Trui de hoofdpersoon zou wezen, waarmede hij te onderhandelen had: en tevens, dat hij tegenover haar en de haren een stelling
91
moest innemen, waarin hij zich op den duur kon handhaven: dit kon niet geschieden, wanneer hij met praatjes voor den dag kwam, die later logenachtig werden bevonden, of liever, die zij te slim was om niet van den beginne af' daarvoor te houden: en daarom was 't maar best, aan de bewoners van het huis onbewimpeld de waarheid, althans een deel daarvan, te verhalen. Hij antwoordde alzoo, overeenkomstig dit overleg;
âHoor! wat ik je zeggen kan en moet, is, dat ik van dit kind net precies zooveel weet als jijlui zelf. â Laat mij uitspreken,quot; vervolgde hij, hun uitroepen van verbazing en ongeloof afsnijdende: âdat kind is een vondeling, en ik, met nog een vriend of wat, wij hebben goedgevonden het ons aan te trekken. Wij onder ons zullen het kostgeld betalen, nu weet je 't. Je weet meteen, dat studenten over 't algemeen niet rijk zijn; â ik ten minste niet. Nu is en blijft de vraag: wil jelui het wurm op redelijke voorwaarden behouden en verzorgen, ja of neen ? Zoo niet, dan breng ik het eenvoudig bij den commissaris en dan kan die er een min voor zoeken; â want gelijk je zelf begrijpen zult, ik heb geen lust om, met dit fraaie weer, in 't holle van den nacht, er de stad mee rond te zwalken, om een min op te schommelen.quot;
De toon, waarop Van Zevenaer gesproken had, droeg zoozeer het kenmerk der waarheid, dat zelfs de achterdochtige vrouw Lammertsz. er door overtuigd werd.
âBewair ons, menhaier!quot; riep zij: âdat lieve onnoozele bloedje naar den commissaris brengen en 'an 'en gasthuismin overlaten. Nou! dat zainen ook lievertjes, die gasthuisminnen! en het kan ommers hier volop krijgen, en Mie wil het ommers graag houen; nietwair Mie?quot;
âWel zeker,quot; antwoordde Mie, bevestigend met het hoofd knikkende: âen me dunkt,quot; vervolgde zij, op den toon der gekwetste eigenliefde: âhet binnen main zaken of ik het kind wil houen, al dan niet, en dair heit een ander niet mee te maken.quot;
âJou zaken!quot; riep de verstoorde moeder: âik zou zeggen, dat 't hier main weuning is, en dat as men er een kind in
92
brengt, 't ook 'an main staat om te zeggen of 't hier zal blaiven of niet.quot;
âWel geef jai het dan mair de borst, moeder!quot; hernam Mietje met drift.
âStil! niet boos worden: dat is nadeelig voor 't zog,' zeide Van Zevenaer: âvoor de rest, wie 't geld moet hebben, gaat mij niet aan en dat kun je later samen uitmaken. Eerst bepalen, hoeveel ik betalen moet.quot;
âWel!quot; zei Trui: âals menhaier nou 'rais twee rijksdaalders in de week gaf. . ..quot;
âJe meent in de maand, geloof ik,quot; hernam Van Zevenaer.
âNein! ik weit wel wat ik zeg, menhaier,'' zeide Trui âdenk mair 'rais, wat de raike loi somtaids 'an n min geiven, en die kraigt er dan nog kost en inweuning bei.quot;
âJa, maar wij zijn geen rijke lui,quot; merkte de student aan.
âEi kom! je bent met je zoo veulen! â Dat ken je toch gemakkelijk bij mekaar brengen,quot; riep de vrouw.
âJa! dat is nu juist een punt, waaromtrent wij hemelsbreed verschillen,quot; hervatte Van Zevenaer; âbijeenbiengen of gemakkelijk bijeenbrengen is heel iets anders. Gold het alleen een maand of wat, er zou minder bezwaar aan zijn, ons wat mild te toonen .... ofschoon twee rijksdaalders toch altijd te veel zou wezen; maar wij maken een akkoord voor een jaar of wat; en dat dien je in 't oog te houden.quot;
âJa,quot; zei Trui: âals wai het kind motten voeden en kleiden, dan zal het meir motten weizen.quot;
âHoor eensquot;, vervolgde Van Zevenaer: âik heb geen trek, hier tot morgenochtend te [zitten loven en bieden. Ik zal je dertig gulden in de hand geven om het kind in de kleeren te steken en ik zal zorgen dat je in 't vervolg alle drie maanden veertig gulden kostgeld krijgt. Komen er extra uitgaven, daar zullen wij later over praten. Komt je dat redelijk voor? of niet?quot;
âAls menheir er vijftig gulden van maakte,quot; zei Trui.
âGeen cent meer,quot; hernam Van Zevenaer: âen nu, beslaapt er u op; ik kom morgenochtend eens hooren, hoe de kleine
93
het maakt en of ik haar weer moet meenemen, of hier kan laten.quot;
âWeir meineimen!quot; herhaalde Trui: âik hoop warempel van beiter.quot;
Mietje zeide niets; doch zij drukte het kind tegen haar hart, als wilde zij te kennen geven, dat zij er reeds te veel aan gehecht was, om er van te scheiden.
âVoortreffelijk,quot; hernam Van Zevenaer: âen nu, zooals gezegd is: morgenochtend ben ik intijds weer bij u: wanneer ik zeg intijds; dan bedoel ik daarmede, tusschen elf en twaalf uren; â of tegen dat je man weer thuis komt; â want die dient ook zijn stem te geven. â En dan nog iets: je wisselt met niemand een woord over deze zaak voor ik weer hier ben.quot;
âWel dat spreikt!quot; zeide vrouw Lammertsz: âwaar ziet men-haier ons voor an?quot;
âZwijgen is de boodschap,quot; voegde op gewichtigen toon haar man er bij, die zeker begreep, dat hij toch ook een woordje diende mee te praten en een loodje in 't zakje te leggen.
âDat is dan afgesproken,quot; zeide Van Zevenaer, terwijl hij zijn sigarenkoker voor den dag haalde en de hand uitstak naar den blaker, dien Lammertsz hem aanbood.
âWil menhaier niet liever een vlammetje?quot; vroeg Trui, terwijl zij reeds naar het zwavelstokkenbakje kloste, dat naast den schoorsteen hing.
âDank je, ik ben al klaar,quot; antwoordde de student: âhier, vriend Lammertsz! wil je ook niet een sigaar, om 't verlies van je pijp te vergoeden ? 't Is een echte Hamburger.quot;
âMenhaier wordt wel vriendelijk bedankt,quot; antwoordde Lammertsz, de aangeboden sigaar van alle kanten beschouwende en beruikende: âmaar als ik hem bewaren mag, den rook ik hem 'n Zundag op.quot;
âZooals je wilt,quot; zei Van Zevenaer; âje zult nu wel weer naar bed verlangen. Nu! ik wensch je allen verder een gerusten nacht.quot;
âNacht menhair! wel thuis!quot; klonk het uit drie monden; terwijl onze medicus, zich weder in de almaviva van Galjart
94
gewikkeld en zijn pet tot over de ooren op quot;t hoofd gedrukt h.bbende, de deur uitstapte, en met luchtiger hart en nog sneller tred dan bij zijn komst, den weg insloeg naar de Breestraat.
DERDE HOOFDSTUK.
WAARIN VEEL OVER ES WEDER GEPRAAT, DOCH GEEN BEPAALD BESLUIT GENOMEN WORDT; EEN HOOFDSTUK DAT NAAR T VERMOEDELIJK OORDEEL VAN SOMMIGE LEZERS BEST GEMIST ZOU KUNNEN WORDEN.
De afwezigheid van Van Zevenaer had in den vriendenkling, op de kamer van Bol vergaderd, een soort van onaangename parenthesis veroorzaakt, een leegte, welke men vergeefs poogde aan te vullen, 't Was of noch de wijn, nog het letterbanket, meer smaakte: vergeefs had de gastheer pogingen aangewend om het gesprek te verlevendigen, de meest gewaagde paradoxen opgeworpen, â b. v. dat hitte en koude eigenlijk hetzelfde zijn, dat het Nederduitsch een vrij wat ouder taal is dan 't Latijn, dat een ezel, op gelijken afstand tusschen schepels haver geplaatst, zi]n keus nooit bepalen, maar van hongei sterven zal; ââ niemand had den toegeworpen handschoen opgeraapt; â vergeefs had Van Zirik eenige zoogenaamde uien geslagen; men had zich niet eens de moeite gegeven, hem te vertellen, dat ze flauwer nog dan gewoonlijk waren: â vergeefs had Donia gepoogd, Galjart op het hoofdstuk te brengen der conquêtes, door hem gemaakt; Galjart scheen plotseling in een trappist herschapen: â vergeefs had Hoogenberg Eylar geplaagd met zijn tweejarig broertje en hem voorspeld, dat zijn tweede moeder het stamhuis van Eylar stellig nog met een dozijn spruiten verrijken zou, wat meer geschikt zou wezen om den naam van het geslacht te doen duren, dan om het individueel vermogen der leden te bevorderen; Eylar had op zijn best geluisterd, en, toen het gemaal hem begon te vervelen.
95
vrij blufferig geantwoord, dat zijn vader geen haar minder was dan wijlen de aartsvader Jakob, en zoo goed als deze in staat om een dozijn zonen figuur in de wereld te laten slaan. In 't kort, een gevoel van ongedurigheid, van landerigheid, van verveling, had de geheele vergadering ingenomen, met uitzondering alleen van Bleek, die al sedert lang op twee stoelen in slaap was gevallen. Geen wonder was het alzoo, dat, toen Van Zevenaer eindelijk weer in hun midden verscheen, een algemeen gejuich zijn verschijning begroette.
âWelkom Maleier!quot; riep Donia: âje brengt ons, hoop ik, als Burgon,
Geen kruiden, maar wat nieuws, veel beter dan uw kruiden.quot;
âWat goeds, hoop ik,quot; zei Bol.
âIk heb wat goeds weggebracht,quot; antwoordde de toegesprokene; âen ik ben dubbel blij, dat ik met leege handen terugkom. Maar schikt wat op, dat ik mijn plaats aan de kachel herneem: want het was niet lekker daarbuiten.... en geef mij een van allen een glas wijn.quot;
âEn nu stel ik voor,quot; zeide Bol, âdat men onzen Maleier niet met vragen bestorme, maar hem tijd gunne om op zijn verhaal te komen____quot;
âEn zijn verhaal te doen,quot; viel Van Zirik in.
âZal Van Zirik dan nooit naar bed gaan?quot; vroeg Donia.
âAls ons de Maleier maar niet te lang laat wachten,quot; zeide Hoogenberg; âwij zitten op heete kolen. â Toe, Maleier! nu heb je je glas gedronken: begin alzoo met je rapport.quot;
âLaat een mensch toch uitblazen,quot; zeide Van Zevenaer: âof denk je, dat het zoo'n vermakelijke wandeling was, heel aan 't andere endje van de stad en terug door zoo'n weer?quot;
âDaar moet een aanstaande dokter niet van weten,quot; merkte Van Zirik aan.
âWel bekom je de maaltijd!quot; zeide Van Zevenaer: â't is juist omdat ik nog genoeg dergelijke wandelingen in mijn leven zal moeten doen, dat ik van deze wel verschoond had mogen blijven. Doch dat tot daaraan toe. â Mijn diplomatieke missie
96
is aanvankelijk met goeden uitslag bekroond. Waarachtig! ik denk er over, of ik niet nog van carrière veranderen wil, en voor ambassadeur in plaats van voor geneesheer studeeren.quot;
âWel! Olivier Le Dain was niet meer dan barbier, en toch daarbij een fijne diplomaat,quot; zeide Bol.
âIk dacht,quot; zei Van Zirik, âdat wij. naar je eigen voorstel, den Maleier zouden laten uitpraten.quot;
âJa,quot; antwoordde Bol: âmaar hij is met zijn verhaal nog niet begonnen.quot;
âEn hij zal er ook niet mee beginnen,quot; zeide Van Zevenaer, âzoolang jelui zulken onnutten zotteklap blijft uitslaan. â Heb jelui gedaan? â Best! zoo luistert.quot;
En hij gaf hun het verslag, dat de lezer in het vorige hoofdstuk heeft kunnen vinden.
âAlzoo is de zaak zoo goed als geregeld.quot; zeide Donia, toen Van Zevenaer geëindigd had met spreken.
âOp de geldquaestie na,quot; antwoordde deze: âdoch ik geloof niet, dat die veel bezwaar meer zal opleveren.quot;
âMet je verlof!quot; hernam Hoogenberg: âer is nog één punt, dat geregeld zal moeten worden, en dat, naar mijn begrip, juist de grootste moeilijkheid zal veroorzaken: de staat van het kind.quot;
âJa, daar heb ik over gedacht,quot; zei Van Zirik: âdat kan gehaspel geven; en wij moeten zorgen, dat wij in geen boeten vervallen.quot;
âWat boete!quot; riep Van Zevenaer; âik weet anders niet, dan dat een geneesheer of vroedvrouw of elk ander, die bi] de bevalling tegenwoordig is, volgens de wet gehouden is, daarvan aangifte te doen; maar wat drommel! niet één van ons heeft het kind zien geboren worden.quot;
âHm!quot; zeide Galjart: âzoo ik mij niet bedrieg, staat er evenzeer een boete op, wanneer men een kind gevonden heeft en het niet brengt bij den officier municipal.quot;
âEilieve hoor eens!quot; riep Van Zirik: âwaar duivel heeft Galjart die geleerdheid opgedaan ? toch niet op 't college; want daar komt hi] nooit.quot;
âMaar wij hebben het kind niet gevonden,quot; zei Eylar: , het is ons gebracht.quot;
, quot;Ik weet quot;iet,quot; zei Donia, glimlachende, of de rechtbank die fijne distinctie wel zou aannemen.quot;
âDat zou zij zeker,quot; riep Eylar; âmen mag een strafbepaling niet extendeeren.quot;
âDat mag men wel,quot; hernam Donia, âwanneer een andere interpretatie van de wet tot absurditeiten leiden zou. Wij zijn hier geen letterknechten, als in Engeland.quot;
âJa,quot; zeide Bol, het hoofd schuddende: âwanneer jijlui Juristen het over de quaestie niet eens zijt, hoe wil je dan, dat de Maleier en ik die decideeren.quot;
4 ''r)at zal ik wel doen,quot; viel Hoogenberg in, een wetboekje uit zijn zak halende; âbeide partijen hebben gelijk en ongelijk; maai de quaestie is eigenlijk geen quaestie. Wat zegt art. 347 van het Code Pénal: Toute personne, qui, ayant trouvé un enfant nouveau-né, ne l'aura pas remis al officiei de 1 état civil ainsi qu'il est prescrit par 1 article 58 du code civil, sera puni des peines portées au précédent article.quot;
âZie je nu, dat ik gelijk had?quot; zeide Galjart.
âEn wat is die straf, waar het vorige artikel van spreekt?quot; vroeg Bol.
âVan zes dagen tot zes maanden gevangenis, en van zestien tot driehonderd franken boete,quot; antwoordde Donia, begeerig om te toonen, dat hij zijn Code Pénal van buiten kende.
âMaar ik heb weinig trek om in de kast te zitten,quot; zeide Bol.
âStil!quot; hernam Hoogenberg; âhet artikel is nog niet uit. Lees maar wat er volgt; La présente disposition n'est point applicable a celui qui au rait consent! a se charger de l'enfant et qui aurait fait sa déclara-tion a eet égard devant la municipalité du lieu oü l'enfant a été trouvé.quot;
âJa, ik wist wel, dat er iets van municipaliteit in kwam,quot; zei Galjart.
âJe ziet dus,quot; vervolgde Hoogenberg, âdat. zoo wij verklaren
I. - K. Z.
voor het kind te zullen zorgen, er voor ons van geen boete of gevangenis sprake kan zijn.quot;
âMaar droom je nu heelemaal, Katuil?quot; vroeg Donia; âwij willen immers in de zaak niet voor den dag komen. Als het niet geweest was om alle opspraak te vermijden, hadden wij het geval wel terstond kunnen aangeven, waar 't behoorde en verder voor het kind laten zorgen wie maar wou.quot;
âJe begrijpt mij verkeerd,quot; hernam Hoogenberg; âik begeer niet, dat wij iets verklaren: integendeel, wij blijven buiten aanraking met alle autoriteiten. Maar die Jaspersâquot;
âLammertsz,quot; verbeterde Van Zevenaer.
âHet doet er niet toe,quot; zeide Hoogenberg: âdie Lammertsz dan, die moet naar den Burgerlijken Stand gaan en de verklaring afleggen, 1quot;. dat hij het kind gevonden heeft, en 2°. dat hij aanneemt er voor te zorgen.quot;
âFraai gevonden,quot; zeide Eylar: âen ik heb er maar twee bezwaren tegen.quot;
âEn die zijn?quot; vroeg Hoogenberg.
âDie zijn, 1quot;. dat het de vraag is, of die Lammertsz zoodanige verklaring zal willen afleggen, en 2U. dat de ambtenaar van den Burgerlijken Stand, of de officier, misschien nieuwsgierig zijn zal, en een nader onderzoek instellen, en zoodoende achter de ware toedracht der zaak zal komen.quot;
âAlles hangt er van af,quot; hernam Hoogenberg, âof die Sammels . . . .quot;
âLammertsz!quot; schreeuwde Van Zevenaer.
âSammels heette de neef van Tesselschade,quot; zeide Bol.
âLaat een mensch toch uitspreken,quot; zeide Hoogenberg: âik zeg, alles hangt er van af, of die Lammertsz wat bij de hand is, en de les goed zal kunnen nazeggen, die wij hem opgeven.quot;
âDaar zou ik niet voor instaan,quot; zeide Van Zevenaer: âmaar dat doet minder ter zake. Zijn vrouw zal in elk geval het woord doen, en die is gewikst genoeg om een rad voor de oogen te draaien aan een dozijn ambtenaren van den Burgerlijken Stand en aan het Openbaar Ministerie op den koop toe.quot;
99
âMaar met uw verlof,quot; zeide Bol: âik siem er niet in toe, dat wij onze overheid bedriegen. Die vrouw zal misschien haar verklaring moeten beëedigen en wij mogen het niet op onze verantwoording nemen, dat wij haar valsch laten zweren.quot;
âWaar dienen de valsche eeden toe, als men ze niet gebruiken mag?quot; vroeg Van Zirik.
âNiet onaardig aangemerkt,quot; zeide Bol: âmaar ik zou niet gaarne medewerken, om die vraag te doen oplossen.quot;
âWeet jelui wat,quot; zeide Galjart: âik neem alles op mij.quot;
âOp u!quot; riepen de overigen, verbaasd.
âWel ja!quot; hernam hij: âmijn reputatie is hier toch zoo briljant, dat ik er niet om geef, of men wat meer of wat minder van mij vertelt. Ik zal met dien Lainmertsz meegaan en aan den ambtenaar verklaren, dat het kind mij door een onBekende is ter hand gesteld, dat ik het bij die lieden gebracht heb, en dat ik zulks beëedigen wil.quot;
âDat is edelmoedig I dat is braaf!quot; riepen onderscheidene stemmen.
âHeel edelmoedig, maar heel onverstandig,quot; zeide Bol: âen wij mogen zulk een voorstel, in opgewondenheid gedaan, niet aannemen. â Ik althans verzet er mij tegen.quot;
âMaar wat drommel!quot; zeide Van Zirik: âals nu Galjart het wil. . . het is immers de waarheid, en die begeer jy ook.quot;
âJa, duizend kartouwen en quarré-pruiken! ik wil het doen,quot; schreeuwde Galjart.
âWel ja! â 't zou alles redden!quot; riepen sommigen â â't Is dolligheid, 't is glad verkeerd!quot; balkten sommigen er tegen in.
âStilte!quot; kreet Bol, op de tafel slaande: âmoet de meid onze beraadslagingen hooren ?quot;
âDie snurkt in de keuken,quot; zeide Eylar.
âNog eens stilte!quot; herhaalde Bol: âik eisch het als gastheer. â Luistert! een overijld besluit, genomen in de stemming, waarin wij ons nu bevinden, zou ons later kunnen berouwen. Bovendien, het is billijk, dat ieder zijn stem hebbe,
100
en daar ligt onze Komeet zoo gerust te slapen, dat zelfs jelui vervaarlijk gebrul hem niet heeft kunnen wakker maken. Wij mogen niets besluiten, zonder dat hij er zijn zegel aan hechte: te minder, omdat hij. geen student zijnde, en bij toeval in deze zaak gehaald, dubbele aanspraak heeft op onze
égards. â Nu is 't niet, om jelui weg te jagen---- je
weet, ik was nooit breekspel, en zou het 't allerminst op mijn eigen kast willen zyn; maar ik stel voor, dat wij gaan slapen en ons morgen, met nuchtere zinnen, op de zaak beraden.quot;
âDat voorstel zou ik ondersteunen,quot; zei Van Zevenaer, âware het niet, dat ik de meeste onder u voor onverbeterlijke slapers ken, die 't bed nimmer dan tegen etenstijd verlaten â en dat ik beloofd heb, tusschen 11 en 12 bij Lammertsz te zijn.quot;
âZouden wij niet in staat zijn, te negen uren bij elkander te komen?quot; vroeg Bol.
âBoe! welk ordentelijk en beschaafd mensch staat te negen uren op?quot; vroeg Eylar.
âDat is een uur om naar bed te gaan,quot; voegde Galjart er bij.
â't Is zeker heel vroeg,quot; merkte Donia aan. zijn kin wrijvende.
âIk zal present zijn,quot; zeide Hoogenberg.
âIk ook,quot; zeide Van Zevenaer.
âIk laat er mij nog niet over uit,quot; zeide Van Zirik.
âWacht! ik weet iets,quot; hernam Eylar: âik geloof, dat Gerlof gelijk heeft, en dat wij nu te afgeloopen en te moe zijn om een behoorlijk besluit te nemen; en toch zijn we allen overtuigd, dat er haast bij 't werk is. Komt morgenochtend bij mij ontbijten; wie niet komt, blijft weg, en wij delibereeren en concludeeren bij presenten.quot;
âWat heeft Eylar daar een fijn middel uitgedacht,quot; zei Galjart, âom zijn luiheid te kunnen botvieren en toch geen defaut te laten gaan.quot;
âIk zal te negen uren bij u ziin,quot; zeide Van Zevenaer.
âEn ik,quot; zeide Bol.
âEn ik,quot; zeide Hoogenberg.
101
âZeg eens, heb je nog van dien ouden Portwijn?quot; vroeg Aan Zirik: âdaar zou een mensch nog wat voor doen.quot;
âIk hoop voor het noodige te zorgen,quot; zei Eylar.
âWel! ik beloof niets; maar ik zal zien wat ik doe,quot; zeide Donia.
âIk geef je mijn woord dat ik komen zal,quot; zeide Galjart.
âJij?quot; zeide Donia: â âonmogelijk.quot;
âJe zult het zien,quot; zei Galjart.
âIk wed van neen,quot; zei Donia.
âWaarom?quot; vroeg Galjart.
âOm een fijne flesch,quot; antwoordde Donia.
âDat gaat,quot; riep Galjart: âje bent allen getuigen.quot;
âVertrouw je mijn woord niet, dat je er getuigen bij roept?quot; vroeg Donia wrevelig.
âJawel!quot; zei Hoogenberg: âmaar hij wil ons laten meedrinken.quot;
âOm den drommel niet,quot; riep Galjart: âdan zou ik ten minste om acht flesschen moeten wedden.quot;
âMaar ik vind het beroerd van je, dat je mij niet op mijn woord gelooft,quot; riep Donia, bleek van toorn wordende.
âOch kom! krijg jelui geen ruzie,quot; zei Eylar, terwijl hij Donia bij den arm nam: âhij meent er immers geen kwaad mee.quot;
âWaar bemoei jij je mee?quot; vroeg de Fries, dien de wyn in een lastige stemming gebracht had: âlaat hij mij zelf reden geven van zijn woorden.quot;
âEi wat!quot; zei Van Zirik, die inmiddels was opgestaan en zijn jas had aangetrokken: âje bent dronken.quot;
âDronken! herhaalde Donia: âwacht, ik zal je leeren, malle poppegek!quot;
Eylar en quot;Van Zevenaer schoten toe, om den opgewonden jongeling, die dreigend op Van Zirik losging, tegen te houden, en onze Hagenaar, die geen den minsten lust gevoelde om een vroeger reeds gemaakte kennis met de vuisten van den gespierden Fries te hernieuwen, nam die gelegenheid waar om de deur uit te slippen, de trap af te glijden en op straat te komen. Donia, zich met geweld uit de handen van zijn
102
vrienden losscheurende, bij welke gelegenheid een lap van zijn buis in handen van Eylar bleef, was vaardig om den vluchtende te achtervolgen, toen Hoogenberg hem den weg versperde en hem de vraag deed, of hij heenging, zonder eeist den gastheer te danken voor zijn onthaal.
,,Dat zal ik straks wel doen,quot; antwoordde Donia; âals ik eerst dien beroerden kwajongen een pak slaag heb gegeven. '
,,Ei kom!quot; zei Hoogenberg; âstraks zou je de deur gesloten vinden, en je zult toch niet even onbeleefd willen wezen als Van Zirik, die uitknijpt zonder iemand goeden avond te wenschen.quot;
âNoch zoo onverstandig om zonder muts of jas in dat belabberde weer uit te loopen,quot; voegde Bol er bij.
âNee waarachtig, onbeleefd wil ik niet wezen,quot; zeide Donia, die gaarne den naam had van alle vormen behoorlijk in acht te nemen. âMen kan toch wel zien, dat, met al zijn preten-sies, dat Hagenaartje maar een parvenu is zonder manieren. Maar,quot; vervolgde hij. terwijl hij zijn jas aantrok, âik zal morgen met hem afrekenen. Nu, adieu Gerlof! en wel verplicht voor je onthaal. Zie je, onbeleefd wil ik niet wezen.
adieu heeren! tot morgen.quot;
âWacht! ik ga met je mee,quot; zei Eylar, die nog vreesde, dat Donia Van Zirik misschien op zijn kamer zou gaan zoeken.
En, zich vergenoegende met Bol de hand te schudden en aan de overigen zijn vaarwel toe te knikken, volgde hij den Fries.
âHoe krijgen wij nu dien Amsterdammer nog wakker? vroeg Galjart.
âWel! laat hem gerust hier liggen,quot; antwoordde Bol; âik zal hem u morgen wel weer op de comparitie leveien.
âWil je zoo vriendelijk zijn?quot; vroeg Hoogenberg; âmaar hij
zal je lastig wezen.quot;
âEi wat!quot; zei Bol; âik zal hem met mijn jas toedekken en met de zijne er bovenop, 't Zal hem de moeite sparen, zich morgen weer aan te kleeden.
103
En na eenige hartelijke handdrukken, en herhaalde waarschuwingen, dat men zich toch vooral niet verslapen moest, scheidden de vrienden van elkander.
VIERDE HOOFDSTUK,
WAARIN DE STATUTEN VAN EEN VREEMDSOORTIGE VENNOOTSCHAP WORDEN GEARRESTEERD.
Eylar was, na zijn vriend Donia, niet zonder moeite, te hebben thuis gebracht, en zich, door aan de deur te luisteren, te hebben verzekerd, dat hij zich naar zijn kamer had begeven, zijn eigen Penaten gaan opzoeken, die op den Apothekersdljk gevestigd waren. Zich onmiddellijk naar bed begeven hebbende, geraakte hij weldra in een diepen slaap, waaruit hij niet â ontwaakte, voordat een welbekende stem hem toeriep: âhoe' is 't luiaard? nog in de veeren?quot;
Eylar lichtte het hoofd op, en was niet weinig verwonderd, het vroolijke en bevallige gelaat van Frederik Galjart te zien.
âJij al hier, Frits?quot; riep hij: âhoe laat is het dan wel?quot;
âDe klok slaat daar juist halfnegen,quot; antwoordde Galjart.
âMaar ons rendez-vous is eerst te negen uren, en je ontsteelt me een half uur van mijn slaap .... Maar te drommel! je ziet er uit of je de bruigom waart.... hoe heb ik het met je?quot;
Inderdaad, Galjart had schoon linnengoed aan, een fraaie zwart zijden das, een donkergeel vest met gewerkte randen, en een blauwen rok met vergulde knoopen: zijn laarzen blonken als spiegels en zijn haar was van welriekende geuren doortrokken.
âWelke winkeldochter heb je al zoo vroeg het hoofd op hol wezen maken?quot; vervolgde Eylar, hem meer en meer nauwkeurig opnemende: âje hangt den petit-maitre uit, of je Van Zirik zelf waart.quot;
104
âNiet volkomen,quot; antwoordde Galjart met een glimlach: âmaar ik was er op gesteld, de weddenschap te winnen en ik heb de noodige voorzorgen genomen: ik wist, dat, zoo ik terstond naar huis en naar bed ging, er alle kans was, dat ik niet voor tegen den middag wakker zou worden: ik heb dus geflaneerd tot zeven uren; toen ben ik naar huis gegaan, heb mij gewasschen en van top tot teen verkleed, en ben nu weer zoo frisch gelijk een hoen.quot;
âGeflaneerd! al dien tijd? In dat fraaie weer?quot; vroeg Eylar, verbaasd.
âNiet precies,quot; antwoordde Galjart: âmaar wat doet het er toe? â me voila.quot;
âGaljart!quot; hernam Eylar, terwijl hij bedenkelijk het hoofd schudde: âje zult je nog naar de haaien helpen.quot;
âHoe is 't?quot; vroeg Galjart: âsta je op?quot;
âIk moet wel,quot; antwoordde Eylar: âmaar nu je toch eenmaal hier bent, zoo roep de meid, en zeg haar, dat zij het ontbijt klaarzet en het noodige haalt ter ontvangst van onze vrienden.quot;
âGeef je mij carte blanche?quot; vroeg Galjart.
âDat doe ik,quot; antwoordde Eylar: âdoch maak het niet te grof.quot;
âJe zult tevreden zijn,quot; hernam zijn vriend, en liep naar de voorkamer; terwijl Eylar, hoezeer niet dan met tegenzin, het warme bed verliet en zich aankleedde. Toen hij zijn toilet gemaakt had, en het voorvertrek binnentrad, vond hij, dat zijn vriend den tijd niet verloren, maar een zoo stevig ontbijt had in gereedheid laten brengen als de gelegenheid toeliet. Niet lang duurde het, of Hoogenberg en Van Zevenaer kwamen opdagen en, een minuut of wat na negenen, ook Bol met den Amsterdamschen koopmanszoon.
âWel!quot; zei Hoogenberg: âover je tijd, vriend Gerlof! dat zijn we niet van je gewend.quot;
âNu,quot; antwoordde Bol: âbedenk, dat ik mijn gast, die aan mijn zorg was toevertrouwd, niet mocht achterlaten: en het heeft mij vrij wat moeite gekost, hem uit zijn zoete rust te doen ontwaken.quot;
âWel zoo, Amsterdammer!quot; zeide Galjart, terwijl hij Bleek
105
op den schouder tikte; ,,uu heb je zelf eens het studentenleven in practijk gebracht, en dat is braaf van je. Heeft de slaap je wat opgefrischt ?quot;
âDat kan ik juist niet zeggen,quot; antwoordde Bleek, die er alles behalve opgefrischt uitzag; ,ik heb een hoofdpijn, dat ik niet uit mijn oogen zien kan.quot;
âDaar is niets beter voor, dan een glas portwijn,quot; zeide Galjart, terwijl hij een roemer volschonk.
âGekheid!quot; zei Van Zevenaer: âeet eerst een paar broodjes, mijnheer Bleek, en je zult zien, dat het overgaat.quot;
âIk zou geen brok kunnen binnenkrijgen,quot; zeide Bleek.
âVerbeelding,quot; hernam Van Zevenaer, âwaartegen je je verzetten moet. Geloof nu eens den medicus; volg mijn recept, doe je best om wat te eten, en je zult mij straks dank weten voor mijn raad.quot;
âKomaan,quot; zeide Galjart, âde dokter gelast het: dus, stop er dit broodje met ossetong maar in; van middag moeten Hoogenberg en jij mijn gasten zijn. Ik beloof je, zoo het diner al niet zeer briljant zal wezen â want onze arme academiestad levert niet veel op â ik zal je goeden wijn schenken, en zorgen, dat je je van avond niet verveelt. Wat drommel! je bent hier om je te amuseeren, en amuseeren zal je je ook, ou j'y perdrai mon latin.quot;
âDat zou juist zoo'n groot verlies niet zijn,quot; zeide Eylar, lachende.
âGeen personaliteiten, als 't u belieft,quot; hernam Galjart: âik beloof je, als je promoveert, dat ik opponeeren zal, en een Latijntje spreken, zoogoed als Professor Borger of Willem Groen durven denken.quot;
âZouden wij,quot; vroeg Bol, ânu ook. in afwachting van de promotie van Eylar, eens overgaan tot het onderwerp onzer samenkomst ? Het zal toch wel nutteloos zijn, op onze vrienden te wachten. Donia zal zijn roes moeten uitslapen, en Van Zirik zal wegblijven uit vrees van Donia te ontmoeten.quot;
âRecht zoo!quot; zeide Eylar: âtot onze zaak â- maar is onze vriend Bleek op de hoogte?quot;
106
âIk heb hem medegedeeld wat hem noodig was te weten,'' antwoordde Bol: âen tevens nog eens nagedacht over den besten weg, dien wij te volgen hebben. Ik ben van oordeel, dat, indien Lammertsz en zijn vrouw zijn over te halen om een verklaring af te leggen, dat zij het kind zullen tot zich nemen, en men neemt daar genoegen mee aan den Burgerlijken Stand, de zaak gevonden is; â doch dat daarentegen, indien men van hen nadere inlichtingen vordert, wij ons gezamenlijk voor de bevoegde macht zullen moeten begeven en.... de waarheid zeggen.quot;
âEn uw reputatie?quot; vroeg Eylar.
âIk heb haar lief,quot; antwoordde Bol: âwant zij is mijn eenige bezitting; maar plicht gaat boven alles; en mijn geweten zal gerust zijn.quot;
âIk vind u wat al te nauwgezet, Gerlof!quot; zeide Eylar; âdoch ik gaf mij zelf liever aan als vader van het kind, dan dat uw reputatie schipbreuk leed.quot;
âJe bent een beste kerel,quot; zeide Bol, hem de hand over tafel toestekende: âmaar ik zou uw grootmoedige leugen nimmer willen aannemen. â Vrienden! er is niet één onder ons, die zich in deze zaak het minste verwijt te doen heeft: â en laat dit alzoo blijven. Wij allen, wij nemen een heiligen plicht op ons, waarvan wij gisteravond in onze opgewondenheid waarschijnlijk het volle gewicht niet hebben kunnen voelen. Laten wij hier beloven, dien plicht te blijven vervullen; doch tevens, bij die vervulling, geen anderen plicht te schenden.quot;
âDat beloven wij!quot; riepen de jonge lieden; bij Bleek kwam er echter de belofte maar half verstaanbaar uit, daar hij juist bezig was, met de grootst mogelijke zelfverloochening, een tweede broodje met ossetong naar binnen te werken.
âEn wat is nu de beste manier,quot; vroeg Bol, âom dien Lammertsz te beduiden, het kind tot zich te nemen?quot;
âHij zal het niet doen,quot; zeide Hoogenberg: âen hij zal gelijk hebben ook, tenzij hij een tegenverklaring van ons bezitte, dat wij voor de kosten instaan.quot;
âDe aanmerking van Hoogenberg is juist,quot; zeide Van Zeve-
107
naer: âen daarom zal 't goed zijn, zoo wij terstond zulk een verklaring opmaken en teekenen.quot;
..Maar er ontbreken nog twee van ons,quot; merkte Galjart aan.
â0 ! die zullen later wel teekenen,quot; zeide Hoogenberg; âdat levert geen bezwaar: waar heb je papier, Eylar ? Ik zal beproeven zulk een verklaring te stellen.quot;
âiSTog iets,quot; zeide Bol: ânaar 't mij voorkomt, is die familie Lammertsz juist niet de meest geschikte, om aan ons pleegkind de beste begrippen in te prenten van zedelijkheid en godsdienst.quot;
âDat vindt zich later,quot; zei Van Zevenaer: âbij provisie heeft het kind alleen een min noodig.quot;
âJuist: virtus post nutricem1),quot; hernam Bol: âmaallaat mij uitspreken. Ik begrijp zeer goed, dat wij voor 't oogen-blik niet zeer keurig kunnen zijn. en b. v. niet aan Mevrouw Van Berchem of aan Mevrouw De Maulde kunnen vragen, ons pleegkind de borst te geven; maar ik zou ongaarne zien, dat het lang by die Lammertszen bleef. Kwade voorbeelden en kwade leeringen vinden maar al te vroeg een luisterend ooien een volgzaam hart. Ik wensch alzoo, dat wij wel duidelijk, bij onze verklaring, ons het recht voorbehouden, het kind terug te nemen wanneer wij 't verkiezen.quot;
âIk geloof,quot; zei Hoogenberg, die ondertusschen had zitten schrijven, en nu zijn pen achter 't oor stak: âdat ik aan het bezwaar, dat door u geopperd is, ben te gemoet gekomen. Luister maar!quot; En hij las het navolgende opstel:
âWij ondergeteekenden enz. (volgen de namen) verbinden ons bij deze, zoo gezamenlijk als ieder voor 't geheel, aan.,., hoe heet de vent ook weer, Maleier?quot;
âDirk Lammertsz.quot;
â____aan Dirk Lammertsz, tot kostgeld van het kind, waarvan door hem op den zesden December 182.. aangifte is go-daan bij den Burgerlijken Stand ten name van Klaasje Zeven-
â parodie van een bekend gezegde van
^ âEerst een min, clan de deugd: Juvenal is.
108
ster, te voldoen een som van____gulden in 't jaar (het cijfer
nader in te vullen), dewelke hem zullen worden uitbetaaldâquot;
âVooruitbetaald,quot; verbeterde Van Zevenaer: âanders doet hij 't niet.quot;
âVooruitbetaald bij driemaandelijksche termijnen van fâ elk, en voorts te vergoeden alle voorschotten, voor de kleeding van gezegde Klaasje Zevenster gedaan of door ziekte of overlijden veroorzaakt, â alles tot wederopzeggens toe, en behoudende de ondergeteekenden zich voor, het kind weder tot zich te nemen, wanneer hun dit goed zal dunken.quot;
..Heel mooi zoo!quot; zeide Eylar; âalleen heb ik bezwaar tegen de laatste zinsnede.quot;
,.En dat waarom?quot; vroeg Hoogenberg.
âWel!quot; zeide Eylar: âomdat zij dan het kind niet behoeven af te geven, tenzij wij hot met ons achten terugeischen; en het zou moeilijkheid kunnen inhebben, alle acht te vinden.quot;
âJe hebt gelijk,quot; zeide Hoogenberg; âlaten wij er dan achter voegen, dat tenminste drie onzer het meisje moeten terugeischen.quot;
De bijvoeging werd aangenomen en het stuk gearresteerd.
âEn nu, wie onzer schrijft het mooist? Eylar, geloof ik. â Schrijf jij 't eens in 't net.quot;
âMoet het niet op zegel?quot; vroeg Bleek.
âOch! daar zal Lammertsz niet op zien,quot; antwoordde Hoogenberg.
âIk feliciteer je. Katuil!quot; zei Van Zevenaer.
âWaarmede?quot; vroeg Hoogenberg.
âDat je eindelijk den naam hebt leeren zeggen,quot; zei Van Zevenaer: âmaar als je zoo'n werk hebt met eigennamen te leeren, zal het je later lastig worden in je praktijk.quot;
âOch!quot; zei Hoogenberg: âals wij de rechtspunten maar onthouden : de namen gaan de procureurs aan.quot;
Op dit oogenblik hoorde men voetstappen op de trap;'de deur ging open en Donia met Van Zirik stormden binnen.
âAu grand complet!quot; riep Eylar uit, in de handen klappende.
âDe fijne flesch is mijn,quot; zeide Galjart tegen Donia.
109
âIk ben de weddenschap eerlijk kwijt,quot; erkende deze.
âHeugt je die nog?quot; vroeg Van Zevenaer.
âOm de waarheid te zeggen,quot; antwoordde Donia, âzoo maar half en half. Ik ontwaakte hedenmorgen met een soort van twijfel of ik gisteren bij 't scheiden niet een stuk in mijn kraag had. Ook zweefde mij zoo iets voor den geest van een twist, dien ik gehad had. Het eenige, wat ik mij volkomen herinnerde, was, dat ik beloofd had, te negen uren hier te zijn. Ik stond op, kleedde mij, liep, en passant, bij Van Zirik op, haalde hem zijn kooi uit, en hoorde van hem dat ik hem een pak slaag beloofd en met Galjart een weddenschap had aangegaan. Ik beken, dat ik deze eerlijk kwijt ben; maar aangezien Van Zirik zijn pak slaag ook wel verdiend zal hebben, weet ik er niet beter op, dan dat hij de flesch aan Galjart betale, dan schenk ik hem de klappen kwijt!quot;
Een algemeen gelach begroette dit voorstel.
âEen nieuwe manier van zijn wissels te endosseeren,quot; zei Hoogenberg.
âMaar ik bedank voor het endossement,quot; zei Van Zirik.
âNu! dan dient alles te blijven zooals het is,quot; zei Donia, âen het recht moet zijn gang gaan,quot; en meteen. Van Zirik beetpakkende, leide hij hem, ondanks zijn tegenspartelen, dwars over zijn knieën en gaf hem al lachende een zachte kastijding, hoedanige men aan kinderen toedient.
âHoe is het, Donia!quot; vroeg Eylar: âkom je hier om te vechten, of om ernstige zaken te behandelen?quot;
âHet recht is voldaan,quot; antwoordde Donia, terwijl hij den patiënt losliet: âen wij kunnen overgaan tot de orde van den dag. Wat is er verhandeld? En wat staat ons te doen?quot;
âNiet anders dan dit stuk te teekenen,quot; antwoordde Eylar, hem de overgeschreven verbintenis overreikende.
âIk teeken alles wat jelui teekent,quot; zeide Donia, die nog een weinig opgewonden was, âen Van Zirik ook: anders krijgt hij een nieuwe kastijding.quot;
âWees toch niet kinderachtig, Donia!quot; zeide Bol: âhet gekit hier ernstige verplichtingen, die wij op ons nemen.quot;
110
âEn ik onderstel, dat jelui er ernstig over hebt nagedacht,quot; zeide Donia; âen als dat zoo is, heb ik genoeg vertrouwen in jelui, om overtuigd te zijn, dat je niets besloten hebt, dan wat wijs, goed en nuttig is.quot;
âAls je 't zoo opneemt,quot; hernam Bol, âdan heb ik niets te zeggen.quot;
Het stuk ging nu ter onderteekening rond. Toen deze formaliteit was afgeloopen, zeide Van Zevenaer:
âNu stel ik voor, dat een van u mij vergezelle naar Lam-mertsz en mij helpe die zaak in orde te brengen, terwijl de overigen hier blijven om de punten nader te regelen van onze onderlinge overeenkomst.quot;
âEn wien wil je mee hebben. Maleier?quot; vroeg Eylar.
âDe Katuil,quot; antwoordde Van Zevenaer.
âHet zij zoo,quot; zeide deze: âhoewel ik vooraf de toegevende verschooning van onze vrienden inroep, zoo ik niet aan hun verwachting voldoe; ik reken echter op de hulp van den Maleier, die dit volkje beter kent en mij in deze terra incognita') wel tot gids zal strekken.quot;
âIk zal mijn best doen,quot; zeide de Maleier, âmaar nu nog een punt, eer wij gaan. Ik heb ruim f 40 van de collecte, en die som vrees ik dat, in weerwil van hetgeen ik gisteravond zeide, niet toereikend zal wezen, indien wij het eerste kwartaal moeten vooruitbetalen. Daarom, Eylar! leen mij, of liever leen aan de algemeene kas nog / 25 zoo je ze hebt.quot;
âHier is een bankje van /'40,quot; zeide Eylar: âda's al wat ik bezit.quot;
âOok goed,quot; zei Van Zevenaer, droogweg; â âen nu, voorwaarts marsch! â Tot straks, heeren!quot;
De beide vrienden gingen op weg en waren nog een wijl voor den tijd, door Van Zevenaer bepaald, aan de woning van Lammertsz. De man was nog aan de fabriek, en het oudste kind naar school; vrouw Lammertsz zat aardappelen
') âOnbekend land.:
Ill
té schillen en haar dochter met de vondeling op haar schoot, terwijl haar jongste telg in zijn wieg lag.
âWel!quot; vroeg Van Zevenaer: âhoe heeft de kleine meid het gemaakt?quot;
â01 heil zoet,quot; antwoordde Mietje: â't is een engeltje, 't Hait straks de luikjes eens opengedaan en 't hait watte lieve kaikertjes.quot;
âMair 't zou main toch wonderen,quot; zei vrouw Lammertsz, op vrij snibbigen toon, âdat menhaier niet zou weten wie er de vader van was.quot;
âWe! wie zeit dat?quot; vroeg Van Zevenaer, lachende: âik ben er de vader van, en mijnheer ook, en dan nog zes andere heeren bovendien. Dat is juist het mooie van de zaak. Alleen doet zich hier de zonderlinge omstandigheid op, dat, terwijl men gewoonlijk in dergelijke gevallen den vader niet kent, en de moeder wel, hier juist het omgekeerde plaats heeft. Aan vaders heeft het kind, gelijk je hoort, geen gebrek; maar ik mag al mijn leven water drinken, zoo een van de acht vaders weet, wie de moeder is.quot;
âNu! dat is zaiker al heel rair,quot; zeide vrouw Lammertsz, met het gezicht van iemand, die niet overtuigd is, en haar bijzondere reden heeft, waarom zij niet verlangt overtuigd te worden: âde naam waist het toch anders uit.quot;
âWelke naam?quot; vroegen de beide vrienden, eenigszins verrast.
âWel! die op dat pampier staat, dat in de doos lag,quot; antwoordde de vrouw.
âWel ja!quot; voegde Mietje er bevestigend bij: âKlaasje Ze venster.quot;
âJuist,quot; zeide Van Zevenaer, terwijl hij Hoogenberg op den voet trapte om hem te waarschuwen zich buiten deze zaak te houden: âdat papier heb je in de doos gevonden: â en het dient wel bewaard te worden, evenals die doos; want die kunnen nog eens tot ontdekking leiden van de ouders van het kind. Maar dewijl mijn vrienden en ik nu geen mensch kennen, 't zij man of vrouw, die Zevenster heet, zoo houden wij 't er voor, dat de naam uit de lucht gegrepen is en alleen
112
dienen moet om aan de lieden het spoor bijster te maken. Doch dat daargelaten: heb je nagedacht over mijn voorstel van gisternacht?quot;
âJa, ' antwoordde vrouw Lamrnertsz: âmaar wat zal ik menhaier zeggen: wai weiten niet hoe of wat; het kind komt zoo uit de lucht vallen ...
âDat doen alle vondelingen,quot; viel Van Zevenaer in.
âNu ja,quot; vervolgde de vrouw: âmaar ik zeg al teugens Mie: Mie! zeg ik, wie weit, zeg ik, of wai geen kwaad kennen met dat kind te houden, zeg ik. Menhaier Van Zevenaer is wel een knap mensch, zeg ik, maar hal is toch nog jong. zeg ik, en wie wait, zeg ik, of hal wel alles zoo weit, wat er op staat, zeg ik, en of wai er geen kwaad mei kennen.quot;
âWel!quot; hernam Van Zevenaer, die wel begreep, dat de geopperde bezwaren alleen moesten dienen als voorloopers van hoogere eischen; âdat is nog al zoo dom niet van je geredeneerd, moeder! en daarom heb ik hier mijn vriend Hoogen-berg meegebracht, die een advocaat is, of althans eerstdaags staat te worden, en die je dat alles precies naar de wet zal uitleggen.quot;
Bij moeder en dochter was op het zien van Hoogenberg, dien zij niet kenden, het vermoeden ontstaan, dat hij óf de vader van 't kind. of althans een nabestaande was; nu zij hem echter advocaat hoorden betitelen, en bij haar zeiven de opmerking maakten, dat hij er, met zijn bril, machtig âgeleerdquot; uitzag, gaven zij dat vermoeden op.
âWel vrouwtje!quot; zeide Hoogenberg, met veel deftigheid het woord opvattende; âjij spreekt als een boek, en je hebt ten volle gelijk, dat je er inderdaad slecht zou kunnen afkomen, indien je het kind in huis hield zonder het aan te geven. Maar dat is ook geenszins de bedoeling. Je man zal er wei degelijk voor naar 't Stadhuis moeten gaan met een paar getuigen, en verklaren, dat hij het kind voor zijn rekening neemt.quot;
âWat zait uwees?quot; riep vrouw Lamrnertsz verontwaardigd uit: âmain man het kind voor zain rekening nemen!quot;
113
âWel te verstaan, de verzorging van het kind. Hij moet, zeg ik, verklaren, dat hij er voor zorgen zal.quot;
âHai zorgen!quot; herhaalde Trui: âwat wou hai zorgen?quot;
âNu ja,quot; hernam Hoogenberg: âhij is het hoofd van het huisgezin en verbindt zich dus voor u allen. Misschien zal het noodig zijn, en in allen gevalle nooit kwaad kunnen, dat je de verklaring mee doet.quot;
âMair,quot; vroeg Trui op wantrouwenden toon: âdan binnen wai zoogoed als vast a'n het kind, ons leven lang misschien.quot;
âEn juist daarom,quot; hervatte Hoogenberg: âgeven wij u van onzen kant een stuk in handen, waarbij wij aannemen, u te vergoeden wat door u ten behoeve van het kind is besteed. Ik heb het stuk hier: het is door ons allen onderteekend en ieder onzer afzonderlijk is tot het nakomen van de daarin vermelde voorwaarden verplicht.quot;
âMair,quot; vroeg Trui: âas de haieren het kind voor haarloi reikening neimen, wairom motten wai het dan aangeiven en wairom doen ze 't dan zeivers niet ?quot;
âWel! omdat wij niet bekend willen wezen,quot; antwoordde Hoogenberg: âde menschen babbelen altijd meer dan noodig is en zij zouden misschien verkeerde gevolgtrekkingen maken, 't Is genoeg, dat jij ons kent en je geld van ons krijgt.quot;
âHm ja!quot; zei Trui: âik zie al, menhaier heeft een spaiker voor ieder gat. Maar, as ze nou 'an m'n man vragen, hoe hai 'an het kind gekommen is?quot;
âWel! dan heeft hij eenvoudig te zeggen, dat het kind hem in een doos is thuis gestuurd â en je kunt de doos wijzen, en 't papier, dat er in lag, â dan zullen ze niet verder vragen. Is je man nogal bij de hand?quot;
âOch mijnhaier!quot; antwoordde de vrouw: âwat zal ik je dair veul van zeggen? hai is knap voor zijn werk, dat mag gezeid worden; mair bai de menschen is ie zoo bleu, dat het niet om te zeggen is. Ik zeg hem dikkels: Dirk! zeg ik, hoe kan je nou zoo met een mond vol tanden staan, zeg ik, of je geen tien kunt tellen ? Ja kaik, als hai het woord mot doen, dan loopt het zaiker mis.quot;
i. - te. z. s
114
âNu, dan is het u wel vertrouwd, het woord voor hem te dotn,quot; hernam Hoogenberg: âik hoop, dat je goed verstaan hebt, wat je zeggen moet.quot;
âJa, dat 's nou minder,quot; zei Trui: âmair nou dien ik nog vooraf wel te weiten, wat ons de moeite zal opbrengen.quot;
âDat heb ik je immers in den verloopen nacht al gezeid,quot; antwoordde Van Zevenaer: âben je mijn voorslag al vergeten? veertig gulden alle drie maanden is dunkt mij redelijk voor een kind, dat je niets kost.quot;
âNiets kost!quot; herhaalde vrouw Lammertsz met verontwaardiging: âen de kleertjes? en een wieg? en het bewasschen?
en de zeip? en het taidverlies----want terwijl Mie het kind
de borst geeft, kan zij toch niets anders uitvoeren, en----
âIk heb je immers gezegd,quot; hernam Van Zevenaer, âdat wij alle extra-onkosten voor onze rekening nemen, en u dertig gulden in de hand geven.quot;
âOm de min laikent menhaier niet te denken,quot; zeide Mietje, op een half huilenden, half lachenden toon.
âJa,quot; antwoordde Hoogenberg: âdat zal je onder mekaar dienen te vinden. Maar dat neem ik over mij, dat je behoorlijk zult hebben wat aan een min toekomt, voor het eerste tandje van het kind, en voor de eerste reis, dat het schoentjes draagt, en voor kermis en nieuwejaar â en nog wat fraais bovendien als wij over u tevreden zijn.quot;
âNou ja, de heiren Stedenten zeilen het wel goed met me maken,quot; zeide Mietje: âdaar ben ik niet bang voor.'
âHoe is 't moeder!quot; hernam Van Zevenaer: âis de overeenkomst gesloten?quot;
âIk zei er toch eerst nog met me man over motten spreiken,quot; antwoordde Trui: âde man is de baas.quot;
âEi wat! daar heb je gelegenheid genoeg toe gehad,quot; riep Van Zevenaer: âwij moeten nu antwoord hebben; of ik loop naar 't gasthuis en laat het kind halen.quot; En zich zeer knorrig
veinzende, stond hij op.
âAls menhaier er vijftig gulden in 't verreljaar van maakte,'' hernam vrouw Lammertsz.
115
âKom! kom!quot; zeide Hoogenberg: ,.'t is voor een jaar, en in 't volgende maken wij een nieuw akkoord.quot;
âHoe is 't? Moet ik gaan of blijven?quot; hernam Van Zevenaer.
âNou! in Gods naam dan.quot; zeide Trui: â't is omdat het zoo'n lief bloedje is, en dat het zonde zou zijn as het nair 't gasthuis ging; mair de haieren zeilen 't, hoop ik, nog wel schipperen.quot;
âHeb je ook een pen met inkt bij de hand?quot; vroeg Hoogenberg.
âEen dokter zonder inktkoker!quot; riep Van Zevenaer, terwijl hij een geribden zilveren inktkoker voor den dag haalde, dien hij, bij gelegenheid dat hij zijn doctoraal examen had afgelegd, van een peettante ten geschenke had gekregen.
En terwijl Hoogenberg op de voor hem liggende verbintenis het opengebleven cijfer invulde, tastte Van Zevenaer in zijn zak en telde het geld op de tafel.
âHier,quot; zeide hij, âzijn de dertig gulden, welke ik u voor de kleertjes beloofd heb, en hier zijn de veertig gulden voor 't eerste kwartaal. Dat is, dunkt mij, een aardig sommetje om den winter mee in te gaan.quot;
Mietje bleef den blik op het geld gevestigd houden, zoolang het van de tafel in de beugeltasch van haar moeder overging, en zeide toen op een toon van beklag;
âEn de min wordt weer vergeten.quot;
âWat drommel!quot; zei Van Zevenaer: ânieuwjaar is kort ophanden, en of je moeder of jij het geld hebt, is dat niet hetzelfde?quot;
âMoeder zal het de borst niet geven,quot; antwoordde Mietje.
âWel!quot; hernam Van Zevenaer, die geloofde dat hij de min te vriend moest houden: âhier heb je een driegulden als Godes-penning. En nu, moeder Lammertsz! je weet, wat je verder te doen hebt. Je neemt de doos mee naar 't Stadhuis, met het papier, waar de naam van het kind op staat, en____quot;
âLaat mij die doos nog eens zien,quot; zei Hoogenberg, wien het op eens te binnen schoot, dat gemeld voorwerp den avond te voren niet met de vereischte aandacht bekeken was geworden.
116
De doos werd voorgebracht, door de beide vrienden in handen genomen, en deze reis met oplettendheid van alle zijden beschouwd.
âEr is niets bijzonders aan te zien,quot; zeide eindelijk Hoogen-berg: â't is een doos als andere doozen.quot;
âAan te zien. neen,quot; zeide Van Zevenaer: âmaar ruik je niets?quot; voegde hij er bij, de doos besnuffelende.
âWat moet ik ruiken?quot; vroeg Hoogenberg.
âDie doos riekt Engelsch,quot; antwoordde Van Zevenaer: âdie is in Engeland gemaakt of er is Engelsch goed in geweest.quot;
âJe hebt waarachtig gelijk,quot; zeide Hoogenberg, die nu ook die eigenaardige lucht rook, die, uit gemengde steenkooldamp, gas en krijt ontstaan, in Londen alles doortrekt, en de voorwerpen, die er vandaan komen, onderscheidt; â âzou ons Klaasje een Engelsch product zijn?quot;
âDan ware de moeder misschien na te sporen,quot; merkte Van
Zevenaer aan.
In elk geval,quot; hernam Hoogenberg; âmogen wij de mogelijkheid van den goeden uitslag eener nasporing niet belemmeren; alzoo, vrouw Lammertsz, je neemt die doos mee naar 't stadhuis, je verzoekt, dat ze die ergens goed bewaren, en je laat er je een reQU van geven. â En nu, goeden morgen. Een van ons beiden komt van avond nog wel eens hooren
hoe je gevaren bent.quot;
Nadat de vrouw beloofd had, in alles volgens den gegeven last te handelen, en de beide studenten elk een kus op de roode wangetjes van hun pleegkind gedrukt hadden, verheten
laatstgemelden het huis.
âJe hadt haar het geld niet moeten betalen voor haar terugkomst van 't stadhuis,quot; zeide Hoogenberg, toen zij zich wedei op straat bevonden; âals men nu eens begrijpt, haar aangifte niet zonder voorloopig onderzoek aan te nemen, en men komt te ontdekken, wie de moeder is, dan zijn wij ons geld voor
niets kwijt.quot;
âDan hadt jij haar niet moeten aanbevelen, zoodanig onderzoek uit te lokken, door aan de heeren van 't stadhuis te ver-
117
tellen, dat die doos een Engelsche lucht had,quot; zeide Van Zevequot; naar: âmaar ik ben op dat punt vrij gerust. Zij zal veel te bang zijn, het kind weer kwijt te raken, en de lieden niet wijzer maken dan zij dienstig acht: ja ik laat mij villen, indien zij hun niet een roman opdischt, zoo fijn als wij ooit hadden kunnen uitdenken, en hun een rad voor de oogen draait, dat hun alles groen en geel wordt en zij naar niets vragen.quot;
âMaar wij hadden beloofd, de overheid niet te misleiden,quot; merkte Hoogenberg aan, met een schalkschen lach.
âWel, doen wij dat dan?quot; vroeg zijn vriend: âde hemel beware mij, ooit ofte immer de logens van Trui Lammertsz voor mijn rekening te nemen. Wat zij aan 't stadhuis zal vertellen, blijve ter harer verantwoording. â In allen gevalle, zoo het wijf liegt, ons geweten blijft onbezwaard; want wij hebben haar niets verteld dan wat zuivere waarheid is.quot;
âVerteld, ja,quot; zeide Hoogenberg: âmaar dat je haar toch op één punt misleid hebt, zul je niet ontkennen: â immers je hebt haar in de heilige overtuiging gebracht, dat het papier, waar de naam op stond, in de doos lag, toen die bij ons gebracht werd: en dat je dit met opzet deedt, heb ik uit den trap, dien ik van je kreeg, meenen te begrijpen.quot;
âEn dat je daar geen kwaad in vondt,quot; antwoordde Van Zevenaer, âheeft je stilzwijgen bewezen. â Doch laten wij nu wat aanstappen: ik ben benieuwd te hooren, wat onze vrienden intusschen hebben opgesteld.quot;
Op de kamer van Eylar gekomen vonden zij de achtergeblevenen met hun arbeid gereed. De ontworpen overeenkomst werd gelezen, besproken, met de noodige wijzigingen vastgesteld, en daarna, op voorstel van Hoogenberg, overluid gedicteerd, ten einde elk der aanwezigen voor zich een afschrift er van maken kon. De acht kopieën luidden als volgt:
âOp den zesden December compareerden te Leiden Willem Van Zevenaer, Med. cand., Willem Hoogenberg, Jur. utr. et Phil, cand., Gerlof Bol, Theol. cand., Louis Napoleon Peter, grave Van Eylar, Jur. utr. cand., Occo Van Donia, Jur.
us
utr. cand.. Jan Bleek Az., koopman (men had de namen naar rang van ouderdom gesteld), Karei quot;Van Zirik Jr., Jur. Rom. cand., en Frederik Galjart, Jur. Stud., wonende de zesde comparant te Amsterdam en de overigen tijdelijk te Leiden:
âDeweike zijn onderling overeengekomen, als volgt:
âI. De comparanten nemen gezamenlijk op zich, het kind van 't vrouwelijk geslacht, dat in den laten avond van den vijfden December 182.. door een onbekend manspersoon is gebracht ten huize van den derden comparant,
en 't welk op den____ daaraanvolgende in de registers
van den Burgerlijken Stand der stad Leiden is ingeschreven onder den naam van Klaasje Zevenster, als hun eigen aan te nemen, voor deszelfs....
tegen het bezigen van dit woord had Bol vruchteloos geprotesteerd.
____voeding, kleeding en opvoeding te zorgen, en bij des-
zelfs meerderjarigheid een uitzet aan hetzelve te verstrekken.
â11. De comparanten verbinden zich te dien einde alle drie maanden bijeen te brengen, gedurende de eerste tien jaren een som van vijftig gulden, en vervolgens overeenkomstig de behoeften, volgens nadere overeenkomst.
âIII. Deze gelden zullen op de volgende wijze worden
verstrekt, als:
âDoor den Eersten, Tweeden en Derden comparant, ieder voor '/1« ï door den Vijfden, Zesden en Achtsten ieder voor Vmi door den Vierden van Vin dooi den
Zevenden voor Vin-NB. Deze becijfering was door Eylar gemaakt, die daarbij tot maatstaf genomen had het zakgeld, dat ieder der aanwezigen verklaarde te hebben; en zij had niet weinig aanleiding gegeven tot gehaspel; dewijl de edelmoedige natuur van de meesten, en de ijdelheid J^an sommigen, niet goed verdragen konden, dat anderen meer zouden betalen dan zij. Het gezond verstand had echter ten slotte gezegevierd.
119
âIV. Ieder der comparanten is gehouden, het aandeel, door hem verschuldigd over elk vierendeeljaars, voor den aanvang daarvan over te maken aan den Zesden comparant, die anders per assignatie daarover beschikken zal.
âV. Tweemalen 's jaars, en wel op den vijfden Juni en op den vijfden December van elk jaar zal er een vergadering gehouden worden te Leiden of op zoodanige andere plaats als men zal overeenkomen, op welke vergadering al de comparanten zullen gehouden zijn te verschijnen, ten einde aldaar te beramen wat ten nutte en in 't belang hunner pleegdochter zal behooren te geschieden.
âVI. Een Commissie van drie leden, waarvan jaarlijks een zal aftreden, volgens een daarvan op te maken rooster, zal zich met de uitvoering der genomen besluiten en met de afdoening der spoed vereischende zaken belasten; gelijk mede met alle betalingen. Over de gelden, daartoe vereischt, zal zij bij den Zesden comparant, als Penningmeester, beschikken, die ze haar tegen quitantie verstrekken zal; zullende zoowel de gezegde Commissie als de Penningmeester, op de gewone vergadering van vijf December, rekening en verantwoording doen van hun beheer.
w. g. Willem Van Zevenaer. Donia.
Jan Bleek Az. K. Van Zirik. Fr. Galjart.
Willem Hoogenberg. Gerlof Bol.
Louis Van Eylar.
DERDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
BRIEF VAN GERLOP BOL TE SLIKDORP AAN JHR. MR. OCCO VAN DONIA TE BUITENZORG (EILAND JAVA).
Slikdorp, den lö11®11 Juni 183 .
Vir amicissime!
Hoe] gaat het u al, inter Gar am antes et In dos? Gij zult misschien zeggen, dat de Garamanten. die door Virgilius in Libye geplaatst worden, uw naaste buren niet zijn; maar wat doet hij ze dan in éénen adem met de Hindo's te noemen? Wie weet bovendien of de Garamanten niet oorspronkelijk tot de Hindo's behoord hebben? 't Woord van zekeren onbekenden zoon van Apollo, die Garamas zou geheeten hebben, te willen afleiden, zoo als de commentatoren doen, komt mij even dwaas voor, als 't bedrijf der middeleeuwsche genealogisten, volgens welke de Franken hun naam van zekeren onbekenden zoon van Friamus, Franco, en de Arkels den hunnen van Herkules ontleenden; â al onze Noordsche talen hebben een gemeenschappelijke moedertaal met het Sanskriet en dragen den naam van Hindo-Germaansche talen. Nu verklaart men dit G e rm aan wel met ,, War-manquot; (oorlogsman); maar wie bewijst de juistheid dier verklaring? of, al is zij juist, kan de naam dan reeds niet in Hindostan bestaan hebben, en die Germanen, of Garamanten niet met naam en al van daar naar Europa zijn gekomen ?
Het is echter niet om u met etymologische paradoxen te
121
vervelen, dat ik deze reis de pen heb opgevat, maar om u eenig nieuws uit het moederland mede te deelen, en speciaal om mij van een taak te kwijten, die ik op mij heb genomen, en u verslag te doen van het voorgevallene en beslotene op onze laatste bijeenkomst tot regeling der belangen onzer gemeenschappelijke pleegdochter. Dit verslag zal mij tevens aanleiding geven, u het een en ander mede te deelen aangaande de lotgevallen onzer vrienden, voormalige leden van het â helaas! na ons vertrek van de academie in duigen gestorte â genootschap âde Dorstige Pleïaden.quot;
Het was op Woensdag 6 Juni j.1. klokke één uur voor den middag, dat onze bijeenkomst in de Keizerskroon te Amsterdam was bepaald. Mijn anders alles behalve vermakelijk verblijf in het pittoreske Waterland verschafte mij ditmaal het voorrecht, dat ik geen verre noch kostbare reis te doen had, iets, wat aan een dorpspredikant zonder vermogen, met een traktement van /' 600, weinig â ja laat ik zeggen in 't geheel niet â convenieert. â Nu had ik eenvoudig mijn pijp aan te steken en op te wandelen. Mijn gemeente, die haar naam te recht draagt, en waar men negen maanden van 't jaar niet anders dan op stelten kan gaan, ligt op ongeveer anderhalf uur van het Tolhuis, en de geheele uitgave, die ik te doen had, was die van een schelling voor den tocht heen en terug over 't IJ, behalve hetgeen ik aan mijn schoenzolen versleten heb. Te Amsterdam gekomen, begaf ik mij terstond naar de Keizerskroon, waar ik de eerstaangekomene was. Het verwonderde mij eenigszins, dat de Heer Jan Bleek Az., die een goed en ruim huis op de Keizersgracht bewoont, ons in een herberg liet vergaderen, in plaats van ons ten zijnent te verzoeken; maar 't is mij meer voorgekomen, dat gastvrijheid geen hoofddeugd der Amsterdammers is: en bijna niemand onder hen heeft, wat men in de Provincie-steden ook in de kleinste huizen vindt, een âlogeerkamer.quot; 't Is waar, deugden zoowel als ondeugden, wanneer zij niet den individu, maar de massa kenmerken, hebben doorgaans haar ontstaan te danken aan bijzondere behoeften, minder dan aan eenig besef van plicht.
122
De Hollanders b. v. worden om hun zindelijkheid geroemd: en zij drijven die tot het uiterste, waar het hun huizen, huti schepen en hun zilver- of koperwerk geldt: maar hiertoe zijn zij niet gekomen door eenig inwendig reinheidsgevoel â anders zouden zij zich wel over 't algemeen beter wasschen en niet zulk een afkeer hebben van het baden; â maar 't is de noodzakelijkheid, die hen daartoe vanouds gedwongen heeft, omdat, zonder 't voortdurend bezigen van verfkwast, borstel, boender, wrijfdoek, enz., hunne bezittingen gevaar liepen weg te rotten of aan te slaan. De Engelschman daarentegen is hoogst zindelijk op zijn lijf; doch ik twijfel er aan, of hij dit in gelijke mate was, eer dat het gebruik der steenkolen tot brandstof bij hem zoo algemeen was geworden, en hij wel genoodzaakt werd, zich van het lastige vuil, dat hem telkens overdekte, door herhaalde ablutiën te ontdoen. De Schotten hebben den naam van gastvrij; maar zij wonen ook in een afgelegen, armoedig land, door vreemdelingen daaiom 00k _ althans vroeger, toen men nog geen reizen in search of the picturesque deed â schaars bezocht; en wie hun dus wat nieuws van elders bracht was welkom. Met de meeste provinciesteden nu is het als met Schotland, en nog meer dan daar is al, wat de eentonigheid, ik zou haast zeggen de saaiheid, van het dagelijksche leven breekt, altijd welkom, en men houdt er gaarne aan huis en haard een plaats open voor den bezoeker, die eenige verscheidenheid aanbrengt. In Amsterdam daarentegen, als in alle groote steden, ziet men dagelijks genoeg menschen en hoort men nieuws genoeg, zoodat men de behoefte aan logeergasten niet voelt, of wel men beseft er, dat, zoo men die eenmaal aanhaalde, men wel alle dagen van 't jaar gezelschap zou kunnen bij zich hebben; bovendien, de woningen zijn er duur en zelden neemt men ze ruimer dan men berekent ze noodig te hebben om ei zijn eigen gezin (dikwijls nog krap genoeg) in te bergen â zoodat in de meeste huizen werkelijk geen plaats voor een gastvriend, zelfs geen kamer voor een conferentie over is. â En dit wil ik dan uit christelijke liefde ook veronderstellen, dat
bij den Heer Jan Bleek Az. het geval was. Maar al had hij nog zulk een ruime zaal ter onzer beschikking kunnen stellen, ik mag niet vergeten, dat hij, nooit student geweest zijnde, ook nooit gevoeld heeft wat wij âfldeliteitquot; plachten te heeten. Hij heeft ons, om zoo te zeggen, par bricol leeren kennen â tusschen ons gezegd, ik geloof dat hij dien Sint-Nico-laasavond te Leiden in zijn ziel verwenscht â en het is dus niet van hem te vergen, dat hij voor ons eenige sympathie gevoele of ons als zijn intieme vrienden behandele. En einde-delijk, hij is getrouwd, en wil, geloof ik, de aanleiding en het doel onzer bijeenkomsten voor zijn vrouw verborgen houden, waarom hij waarschijnlijk vrees voedt, dat indien wij tot zijnent vergaderden, er iets zou uitlekken en haar ter ooren komen. Ik maak dit daaruit op, dat, toen ik, niet lang na mijn vestiging te Slikdorp, hem voor de eerste en laatste reize een bezoek bracht, hij, alvorens mij tot zijn vrouw in te leiden, mij in 't oor fluisterde, dat ik mij in haar bijzijn niet over de zaak in quaestie zou uitlaten. Ik werd toen, in mijn qualiteit als Dominee, zeer plechtig, deftig en eerbiedig door het echtpaar ontvangen: echter ontging het mij niet, dat Mevrouw â geen schoonheid naar mijn begrip â een schuin-schen blik wierp op mijn ronden hoed, dien ik naast mij had neergelegd, en waaruit zij wellicht een min gunstig oordeel opmaakte omtrent mijn rechtzinnigheid. Gij moet weten, dat, wanneer ik naar Amsterdam ga, ik het voorbeeld volg van de gekroonde Hoofden, en incognito reis, t. w. met ronden hoed, jas, grijze pantalon en laarzen. Met dat ik mij mijn stand schame; maar ik loop er zoo ongaarne mee te koop by lieden die mij toch niet kennen, en met wie ik geen andere relatie heb, dan dat ik mij bij hen voorzie van tabak, scheermessen, dassen, kousen en andere benoodigdheden, welke Slikdorp niet oplevert. Gij weet bovendien, welk een hekel ik vanouds heb aan dat domineespak. Ik heb nog nooit een schaduw van bewijs hooren aanvoeren, dat in een punthoed en korten broek eenig heil zou steken of dat die ons predikanten eenige waardigheid zouden bijzetten. En is het beta-
124
melljk â wat ik ontken â dat wij een afzonderlijk en v. ei een ouderwetsch kostuum dragen, dan ware het, dunkt mij, ratloneeler, dat wij den mantel, den halskraag en den breeden hoed met neergeslagen randen der Dordtsche vaderen hadden behouden, â een kostuum bovendien, dat welstand met deftigheid vereenigde â dan dat wij de stijve mode bewaaiden van de vorige eeuw. Veranderden de predikanten hunkleedei-dracht in de achttiende eeuw naar den smaak van dien tijd, waarom wordt het aan die van onze dagen als een doodzonde aangerekend, wanneer zij evenzeer de mode, die nu algemeen is, wenschen te volgen? ') â Maar ik dwaal weer van mijn tekst en dat Is een slechte gewoonte voor een Dominee. quot;VN aai was ik ook gebleven'? o Ja! bij mijn bezoek ten huize van Bleek; en dat was op zich zelf reeds een uitweiding. Ik wilde maar zeggen, dat hij en zijn vrouw, waarschijnlijk omdat ik een Dominee ben, en zij dus dachten, dat mij dit onderweip het meest welkom zou zijn, gedurende den geheelen tijd van mijn bezoek over niets anders hebben gepraat dan over vacaturen, beroepen, preeken, bijbel- en tractaatgenootschappen en theologische quaestiën. â De Heer Bleek is diaken, lid van 't bestuur bij de gezegde genootschappen en heeft den naam van heel vroom, althans heel kerksch te wezen, scheldende daarbij niet weinig op Bilderdljk, Da Costa e tutti quanti, ofschoon ik mijn leven lang op Slikdorp blijven wil, indien hij ooit een van hun werken gelezen heeft, of iets van de stellingen, waarom men hen verkettert, begrijpt. A propos, gij weet zeker, dat Bilderdljk thans op t Kenmerkllf of, om verstaanbaar Hollandsch te spreken, te Haarlem woont. Mevrouw â niet Mw. Bilderdljk, maar Mw. Bleek â is met een dozijn Dominees vermaagschapt, en het is duidelijk te
') De lezer herinnere zich, dat deze brief bij het verschijnen Tan den eersten druk van dit werk (1866) ruim dertig jaar geleden werd geschreven. Zoolang echter het vooroordeel, waarover hier geklaagd wordt, niet alleen bij enkele personen, maar zelfs bij geheele gemeenten, ja bij geheelo kerkgenootschappen blijft bestaan, kan de hier aangegeven klacht niet als verouderd worden aangemerkt.
125
bespeuren, dat zij het gezelschap mijner collega's frequenteert; immers haar discoursen zijn aaneengeschakelde fragmenten van opgevangen redeneeringen, die zij kwalijk verstaan of slecht onthouden heeft. Gij weet, welk een animaldisputax') ik anders ben; doch aan mijn liefhebberij te dien opzichte kan ik alleen botvieren tegenover menschen die mij begrijpen; en dit was hier het geval niet. Ik had alzoo de keus, óf ja en amen te zeggen op al wat het echtpaar uitkraamde, of beiden te ergeren door met hen te verschillen, of aan het gesprek een andere wending te geven â wat hen evenzeer zou geërgerd hebben, â of eindelijk, mij met bloote mono-sylben en interjecties van de zaak af te maken: en ik koos dit laatste, op 't gevaar af van een min gunstigen indruk achter te laten â wat dan ook het geval was. Ik heb mijn bezoek niet herhaald, en ik geloof, dat wij elkander best kunnen missen.
Na dezen kleinen uitstap naar de Keizersgracht keer ik terug naar de Keizerskroon, â nomen et omen habent2): naar welke plaatsen toch zou een Keizer zijn schreden beter kunnen richten? al is het dan maar de Keizer eener rederijkerskamer, en wel een Keizer, die als Karei V, bij levenden lijve zijn kroon heeft afgelegd.
Het is meermalen opgemerkt, dat, wanneer lieden uit verschillende oorden een bijeenkomst aanleggen, zij, die van verre komen, doorgaans 't eerst present zijn. Zij die in de buurt wonen, denken, evenals de haas in de fabel, altijd nog tijdig genoeg te zullen komen. Zoo ging het ook hier. De eerste, die na mij verscheen, was Karei Van Zirik, kersversch met de diligence van Van Koppen aangeland, doch in weerwil daarvan er uitziende, ut solebatquot;), alsof hij uit een doosje kwam. Er zijn sommige menschen die het talent bezitten, bestendig hetzelfde voorkomen te bewaren, en daaronder behoort
^ âLiefhebber van redetwisten.' -) âZij hebben naam en teeken. ) âOuder gewoonte.quot;
12«
onze vriend Karei. Zijn gelaat behoudt onder alle omstandigheden dezelfde effen en gladde plooi: zijn haar geraakt nooit uit het fatsoen en ziet er altijd even glanzend uit: zijn kleederen schijnen altijd nieuw â en meestal zijn zij 't ook; want hij blijft een getrouw opvolger der mode in haar meest excentrieke grilligheden; â zijn hoed en zijn laarzen glimmen u altijd tegen, en 't is of hij een verbond gesloten heeft met stof en modder, ten gevolge waarvan die altijd bezijden hem gaan, of, waneeer zij hem aanraken, hun bezoedelende eigenschappen verliezen. Ik geloof waarachtig, dat, al kwam hij, in den vochtigsten, smerigsten winter, een maand op Slikdorp logeeren, hij er kans op zien zou, dagelijks de modderwegen te bewandelen en door de kledderige modderpoelen te ploeteren, met een lichtkleur pantalon, zonder dat er een spatje op bleef kleven. Maar aan welke dwaze hypothesen gaf ik daar toe? en welke gemeenschap bestaat er tusschen de Hofstad en Slikdorp? tusschen den eleganten Hagenaar en een armen dorpspredikant? â Ik weet het, Eylar en gij â immers zoo de Oostersche weelde u niet bedorven heeft â gij zoudt u gemakkelijk er in troosten, mijn alles behalve aanlokkelijk verblijf een dag of drie met mij te deelen, en zelfs den neus niet op te trekken voor het sober maal, dat ik u aan zou bieden: maar ik geloof, dat quot;Van Zirik liever naar de gevangenis ging, waar hij zich voor 't minst comfortable zou kunnen inrichten. Het kan echter zijn, dat ik mij vergis, en dan handel ik als predikant dubbel verkeerd, door liefdeloos van mijn naaste te spreken en door alzoo een slecht voorbeeld te geven. Doch ik kan niet ontveinzen, dat de wijze, waarop hij mij toesprak, mij niet beviel: het was niet de hartelijke, vertrouwelijke toon, dien wij gewend waren aan te slaan: er lag in 's mans houding iets stijfs, iets gedwongens, iets, dat op mij de uitwerking deed, als werd mij een glas koud water over 't lijf gesmeten, 't Was, in plaats van âGerlofquot; of âBolquot; gelijk voorheen, âDomineequot; voor en âDomineequot; na. Ik vroeg hem, hoe zijn vrouwtje 't maakte â gij weet, dat hij verleden jaar getrouwd is â : 't antwoord was: âMevrouw
127
Van Zirik is een weinig sou ff rant; doch dat brengt haar positie mede.quot; Ik wenschte hem geluk met zijn vooruitzicht, binnenkort vader te zijn; en daarop volgde van zijne zijde een deftige buiging. Ware hij nu nog in de diplomatie gegaan, als indertijd zijn voornemen was, dan zou ik den toon, dien hij tegenover mij aansloeg, daaraan hebben toegeschreven; doch daar heeft hij van afgezien: gelijk hij beweert, omdat hij zich niet met de politiek der Regeering kan vereenigen; maar, volgens Eylar, omdat de Regeering hem juist niet van de stof gevormd achtte, waaruit men diplomaten snijdt; wat hiervan zij, zeker is het, dat de wijze, waarop hij zich tegen de bestaande orde van zaken uitlaat, wel geschikt is, het vermoeden op te wekken, dat gekrenkte eigenliefde hem doet spreken. Ik gevoelde mij inderdaad opgelucht, toen een derde man ons tête-a-tête kwam storen, 't Was Eylar, die, hartelijk en gul gelijk altijd, mij met een âwel Gerlof! kerel! hoe maak je 't al?quot; de hand kwam schudden. Zijn verschijnen, met dat edel, open, blijmoedig voorkomen, dat gij kent, was mij als die eener zon, die de nevelen der verveling verdreef. âJongen!quot; vervolgde hij, âik wou, dat ik u 'reis op Klein Hardestein had om u aan mijn vrouw voor te stellen en u te doen getuige zijn, hoe best wij het hebben. Maar pas op! het zal niet lang duren, of onze oude Dominee vraagt zijn emeritaat, en dan weet gij, wat ik u in onzen studententijd al beloofd heb, dan komt niemand op de pastorie als gij â of â men moest u een beter beroep bezorgen. â Mijn broeder Maurits komt eerstdaags van de school, en gij zoudt u dan wel verledigen om hem op de hoogte te brengen, zoodat hij welbeslagen naar de Academie kon trekken. Maar a propos, heb je iets van Donia gehoord? Ik verneem, dat hij de rechterhand is van den Gouverneur-Generaal: ja, ik heb altijd wel gedacht, dat hij het ver zou brengen. Hij zal nu wel aan iets anders denken dan aan 't schrijven van phantastische gedichten.quot; â En zoo ging het al voort, met een stortvloed van woorden; doch twee zaken maakten mij daarbij uitnemend gelukkig: zijn hartelijkheid jegens mij, en de goede berichten
128
omtrent u. Niet, dat ik er aan twijfelde, of gij zoudt u in uw tegenwoordige betrekking gunstig onderscheiden; maar het is toch altijd aangenaam, dat zulks ook erkend en bekend wordt.
Maar wat zegt gij van het vooruitzicht, mij door Eylar voorgespiegeld? Predikant te Hardestein! in een verrukkelijk oord! en in zijne nabijheid! Viel mij zoodanig geluk te beurt,
ik zou voorwaar geen stadspredikant benijden---- althans zoo
denk ik er nu over: ik mag niet beslissen hoe 't later wezen zal. De geleerden zeggen, dat een mensch alle zeven jaren verandert; â ik ken er, die 't alle zeven minuten doen.
Na Eylar kwam Hoogenberg, die nog altijd voor zooverre een studentenleven leidt, dat hij op kamers woont: â te klein echter, dan dat hij er ons op had kunnen ontvangen. Praktijk heeft hij nog niet veel; althans hij beweert dat hij er nog geen vrij snuiven van heeft: â maar hij bezit twee hoofd-vereischten om te slagen, t. w., hij werkt als een karrepaard en hij bezit een stalen geduld. Hij moet onlangs bij de assises in een zaak van kindermoord een visum repertum totaal ontzenuwd hebben ; misschien hebt gij de debatten in de nieuwspapieren gelezen: de zaak heeft hem nog al reputatie verschaft. Hij was nog altijd dezelfde, droog als gort, maar oprecht en welmeenend.
Vervolgens kwamen Bleek en Galjart: de eerste deftig en saai, de ander altijd nog een Antinoüs, doch een gefatigeerde. Hij is echter nu op den weg om zijn leven te beteren; immers hij heeft plan om het huwelijksbootje in te stappen, en gij raadt nooit met wie. Gij herinnert u, dat hij, tijdens de verschijning van Bleek te Leiden, het op zich genomen had, dezen wat te ontbolsteren, 't geen daarin bestond, dat hij den Amsterdammer een week lang onder water hield. Toen hij â Galjart â zich later voor eenige dagen te Amsterdam ophield, achtte Bleek zich gehouden, de hem bewezen beleefdheden te reciproceeren, en Galjart in zijn familiekring binnen te leiden. Het gevolg van deze kennismaking was, dat Galjart telken jare zijn bezoeken ten huize van den ouden Heer Bleek her-
129
haalde, dat hij op een van diens dochters verliefde en dat hij nu binnenkort met deze in den echt zal treden. De goede Hemel geve, dat hij zich in dien nieuwen staat verstandiger gedrage dan hij tot nu toe gedaan heeft, 't Is altijd doodjammer geweest van een jongen, die aan zulk een goed hart zooveel natuurlijk oordeel en zooveel vlugheid paarde, dat hij zich zoo moedwillig vergooid heeft, 't Is mij een raadsel, hoe de oude Heer Bleek, een pijler van de Beurs en die doorgaat voor iemand van strenge zeden â daarbij zeer solide, als men 't hier noemt â zijn dochter kan schenken aan â tranchons le mot â zulk een lichtmis als Galjart. Ik onderstel dat het meisje erg verliefd zal geraakt zijn en vader door haar tranen en gebeden zal vermurwd hebben, 't Schijnt vreemd; maar 't is ongelukkig al te waar, dat erkende losbollen altijd zooveel voor hebben bij de schoonen, zelfs bij de zedigste en vroomste. De reden daarvan is echter niet ver te zoeken. De ijdel-heid eener vrouw voelt zich gestreeld, wanneer iemand, die ondersteld wordt, de sekse door en door te kennen en reeds geblaseerd te zijn, haar onderscheidt. De eigenaar eener schilden] hoort met onverschilligheid de lofspraken van gewone bezoekers; maar hij is gelukkig, wanneer zijn eigendom door een kunstkenner geprezen wordt. En het zijn niet de vrouwen alleen, die zich door haar ijdelheid laten misleiden; een knaap, die pas komt kijken, voelt zich doorgaans meer aangetrokken door de lonken eener bijna veertigjarige coquette, dan door den gullen lach van een lief achttienjarig nichtje.
Maar er is nog een reden, die een meisje kan aansporen, haar hand aan een lichtmis te schenken: de meening namelijk, dat zij boven alle anderen geschikt, en derhalve geroepen is, gezegden lichtmis te bekeeren. Zij zal er te goeder trouw zelfs de Schrift bij aanhalen en met opwaarts geslagen oogen gewagen van de blijdschap, die er heerscht in den hemel over het te recht brengen van het afgedoolde lam. Maar, vroeg zij mij om raad, ik zou zeggen: kind! wees zoo dwaas niet om voor ingevingen van boven te houden wat niet meer zijn dan inblazingen der ijdelheid, en waag u aan het proefstuk niet; i. - k. z. 9
130
Avant wat gij voor een lam houdt is niet anders dan een wolf in een schapenvacht, en gij zult er geen eer mee inleggen.quot;
Doch gij zult mij uitlachen, en vragen, hoe een Dominee van Slikdorp zich dus verdiepen durft in bespiegelingen over 't geen in de groote wereld voorvalt. Ik zou u kunnen ant woorden, dat de boerenmeiden van Slikdorp op het stuk van trouwen geen zier wijzer zijn dan haar zusters uit de beschaafdste kringen der hoofdstad; â doch ik hervat liever den draad van mijn verhaal, eer gij mijn brief verdrietig neersmijt, en mij toevoegt â of neen, daar zijt gij te welopgevoed toe; ik meen, bij u zeiven zegt â, dat gij wel wat nuttigers te doen hebt dan mijn paradoxen te lezen: iets, wat ik evenzeer te beleefd ben om tegen te spreken.
Om dan tot mijn verslag terug te keeren, zoo mag ik, eer ik verder ga, niet vergeten u te zeggen, dat Galjart even har telijk en innemend was als altijd.
't Laatst, en toen wij reeds aan zijn komst begonnen te wanhopen, verscheen Van Zevenaer. Wij rekenden, zeg ik. maar half op zijn komst, omdat een geneesheer zoo weinig meester is van zijn tijd, en hij ons om die reden zelfs niet tot zijnent had durven noodigen. Wij plaagden hem echter niet weinig, dat hij, die nog wel met een rijtuig kwam, later opdaagde dan wij, die te voet waren gekomen: en niet minder plaagden wij hem met zijn briljante praktijk, die hem toeliet, er een rijtuig op na te houden. Hij liet ons, met zijn gewoon phlegma, eerst naar hartelust onzen gang gaan, en betuigde toen, met een effen gezicht, er zijn leedwezen over, dat wij de plank zoo deerlijk missloegen. Het rijtuig, waaruit hij gestegen was, behoorde â wat wij trouwens al begrepen hadden â niet hem, maar een ouderen confrater, voor wien hij visites had moeten rijden; en het was aan de uitgebreide praktijk van gezegden confrater te wijten, zoo hij niet vroeger had kunnen verschijnen. Wij moesten wel genoegen nemen met de verontschuldiging, en hem toewenschen, dat hij eerlang wel in staat zou zijn die te hernieuwen ten gevolge van de talrijkheid van eigen vermogende patiënten. Ik voor mij
131
heb nogal verwachting, dat deze wensch bevredigd zal kunnen worden; want Van Zevenaer heeft te Amsterdam reeds een gevestigden naam van knapheid. Bovendien boezemt zijn bedaard en ernstig voorkomen, dat hem reeds als student veel ouder deed schijnen dan hij werkelijk was, den lieden bij den eersten oogopslag vertrouwen in; terwijl zijn vastberadenheid en kordaatheid hem dat vertrouwen doet bewaren. Ik heb altijd gehoord, dat een geneesheer, om vooruit te komen, nimmer moet aarzelen, maar blijven volhouden, dat hij goed gezien heeft, al zag hij glad verkeerd; immers, toont een arts zich zeiven niet te vertrouwen, zoo kan hij niet begeeren dat zijn patiënten 't hem doen. Nu, weifelen of op twee gedachten hinken was nooit de fout van onzen vriend. Voor 't overige geloof ik, al durf ik er niet op zweren, dat hij nog dezelfde jas, hetzelfde vest en dezelfde witte das omdroeg als aan de academie; maar ik voeg er bij, en daar durf ik wel op zweren, hetzelfde trouwe hart.
Nu weet gij, hoop ik, hoe 't met onze voormalige makkers gesteld is; thans nog een woord over onze conferentie.
Gij zult u herinneren, dat ons Klaasje, na den dood van den ouden Lammertsz en diens vrouw, en toen haar minnemoeder naar Amsterdam vertrok, door de zorg van Van Zevenaer aldaar op een vrij goede school werd gedaan, waar zij voor haar leeftijd voldoende vorderingen maakte. Intusschen kwam het Eylar, en ook mij, voor dat het hoog tijd werd, haar te onttrekken aan het minder nuttig voorbeeld, dat zij van de eerzame Mietje Lammertsz ontvangt, en haar aldus onder beter toezicht te plaatsen. Het nufje is wel is waar van nature fatsoenlijk en lief, en heeft een afkeer van alles wat laag en gemeen is; maar dat neemt niet weg, dat zij veel hoort en ziet wat weinig geschikt is om haar te stichten, en het kan niet missen, of zij neemt uitdrukkingen en hebbelijkheden over, die aan een jong meisje weinig passen. Het was uit dien hoofde, dat Eylar nu het voorstel deed, haar te zenden naar een Institut de jeunes demoiselles, alias een jonge-juffrouwen-school te H, waar 't, naar zijn beweren, goed en goedkoop is. Dit voorstel, door mij ondersteund, vond
132
tegenstand bij Van Zirik en Bleek, die \aii ooideel waien, dat, zoo het kind als een jonge juffrouw werd opgevoed, zij later, zonder fortuin en met een valsche positie in de wereld, noodzakelijk een verkeerden weg zou opgaan: dat wij derhalve om haar geluk te bevorderen, haar eenvoudig moesten laten bij haar aangenomen moeder, en dat er dan een zeer goede kamenier of werkmeid uit zou groeien, die, met haar stand tevreden, door geen zucht naar onvervulbare genietingen gekweld zou worden. Ik vond die bezorgdheid voor de toekomst van ons pleegkind alleraandoenlijkst; doch voerde daar tegen aan, dat, zoo wij haar geen betere positie dan die van een dienstbode hadden willen verschaffen, wij haar dan op Sint-Nicolaasavond van 't jaar 182 . eenvoudig naar 't vondelingshuis hadden kunnen sturen: dat, nu wij ons eenmaal haar lot hadden aangetrokken, wij haar in staat moesten stellen, haar brood te verdienen in een kring, dien wij ons niet behoefden te schamen, en ik wees daarbij op art. I van onze oorspronkelijke overeenkomst, waarbij wel duidelijk bepaald was, dat wij haar nadat haar opvoeding voltooid was, een behoorlijk uitzet zouden medegeven. Dat moest door onze beide rijke heeren wel worden toegegeven; doch zij merkten aan, dat wij die overeenkomst in een vlaag van jeugdige overijling en opgewondenheid hadden gesloten; dat wij, tot rijper leeftijd gekomen, niet de opwellingen van 't gevoel maar de stem der bedaarde rede moesten raadplegen, en alzoo te niet doen zoodanige bepalingen als strijdig bleken te zijn met het welbegrepen belang van het kind. Hoe vindt gij dat âwelbegrepen belangquot; Donia? â Bleek betuigde zelfs, dat hij er voor zich een gewetenszaak van maken zou, zijn stem, laat staan bijdrage te geven, ter bevordering van iets, dat hij zoo bepaald moest afkeuren, en Van Zirik verklaaide, dat nu hij echtgenoot en, binnenkort, vader des huisgezins was, hij zich niet mocht uitkleeden ten behoeve van een kind, dat hem niet aanging. â Hoe vindt gij, vraag ik wederom, dat âuitkleedenquot; in den mond van een millionair? â Eylar haalde de schouders op en verdedigde zijn voorstel met warmte en
133
op een wijze, zijner waardig. Galjart, altijd goedgeefsch, schold zijn aanstaanden zwager uit voor een inhaligen vrek, en deed aan Van Zirik de alles behalve vleiende vraag, of het zijn gewoonte was, zich in andere vennootschappen of maatschappijen, wanneer zijn gevoelen niet doorging, ontslagen te achten van een aangegane verplichting. Van Zevenaer verklaarde, dat hij zich niet wilde verdiepen in beschouwingen van de toekomst, maar dat Klaasje, naar zijn overtuiging, een te gelukkigen aanleg had, dan dat die in keuken of kinderkamer zou worden uitgedoofd, en Hoogenberg, die eerst nog weifelde, sloot zich bij die meening aan. Ten opzichte van het beginsel waren Bleek en Van Zirik alzoo overstemd, maar nu moesten de détails worden bepraat. Volgens het gedrukte prospectus der school, 't welk Eylar bij zich had, werden er /' 250 gevorderd, waaronder, zoo 't heet, alle items begrepen zijn; doch men weet, wat dat zeggen wil, en hoe er altijd extratjes op de rekening voorkomen, waar men niet op gerekend had. Men oordeelde, dat de /' 250 gerust op f 400 te brengen waren, te meer omdat het kind eenmaal van Mietje Lammertsz vandaan zijnde en alzoo geen thuiskomen hebbende, gedurende de vacantie school zou moeten blijven. Voorts aan kleeding, waschgoed, zakgeld, enz. f 200: â dat alles maakte, dat er ongeveer f 600 's jaars zouden noodig zijn. Bleek rekende hierop terstond uit, dat die som een kapitaal voorstelde van f 12,000; waarop Hoogenberg hem vroeg, of Klaasje dan school had te blijven, totdat zij de jaren had bereikt van vader Methusalem; en hij voegde er bij, dat, hoezeer hij het aandeel, dat hij bij te dragen had, nog met de praktijk niet verdiende, hij echter, eenmaal de zaak hebbende aangevangen, die niet halverwegen wilde laten steken. Galjart smeet met zijn gewone nonchalance een bankbriefje op tafel, zeggende, dat hij geen woord meer over de zaak verlangde te hooren, veelmin te spreken. Van Zevenaer volgde dat voorbeeld en paste zijn aandeel met zeeuwen en achtentwintigen af; terwijl Eylar verklaarde, het aandeel te zullen overnemen van al wie terugtrad. Dit was een steek, dien onze beide pruttelaars
134
voelden: en nu luidde het, het was niet om het geld, maar voor het best van het kind, dat zij gesproken hadden: zij moesten zwichten voor de meerderheid, nu deze 't anders begrepen had; maar zij konden toch niet nalaten te protesteeren tegen de gevolgen van 't genomen besluit. Nu! wij lieten hen protesteeren.
Ongelukkig is er in hun beweren â de aanleiding waartoe ik liever niet wil onderzoeken â een schijn van grond. Er was misschien â neen! er was buiten kijf in ons te Leiden genomen besluit een goed deel jeugdige onbezonnenheid; maar ik wenschte, dat niemand ooit eenige onbezonnenheid gepleegd had, die hem in zijn stervensuur zwaarder op 't hart drukte, dan deze het ons zal doen. Wat bij elk van ons met reden berouw zou wekken, zou het niet nakomen der verplichting zijn, die wij eenmaal op ons hebben genomen.
Ik vervolg mijn verslag. Nadat de geldquaestie afgehandeld was, rees de vraag, wie onzer zich van de taak zou kwijten om aan mevr. de wed. Zilverman, geboren Wachtel â zoo heet de schoolvorstin â te schrijven, en op welke wijze wij onze pupil bij haar zouden introduceeren. Met algemeene stemmen werd goedgevonden dat ik mij met de correspondentie belasten zou: men oordeelde, dat het beter uitwerking zou doen, wanneer een predikant â al was het dan ook maar de predikant van Slikdorp â de zaak bij haar op het tapyt bracht. Verder werd besloten, dat ik haar eenvoudig schrijven zou, dat Nicolette (nu zij op een In st it ut zou gaan, achtte de meerderheid het gepast, den naam van Klaasje in 't Fransch te vertalen) Zevenster een ouderloos meisje was, dat eenige fatsoenlijke lieden zich harer hadden aangetrokken, en mij gemachtigd, haar school te leggen, en dat over het schoolgeld alle drie maanden zou kunnen beschikt worden bij de heeren Bleek en Zonen te Amsterdam. Voorts werd ook aan mij de taak opgedragen om later het kind naar school te geleiden, ?t welk ik, onder voorwaarde dat de reiskosten mij uit de algemeene kas werden vergoed, heb aangenomen te volbrengen.
Ziedaar, waarde vriend! den uitslag onzer bijeenkomst. Nu nog een woord over een bezoek, dat ik, na den afloop daarvan, bij ons pleegkind aflegde.
135
Ik trok er namelijk heen in gezelschap van Eylar en Hoogenberg, welke laatste ons den weg zou wijzen. Vau Zevenaer had gaarne meegegaan, maar moest vroeg visites afleggen; Van Zirik had nog eenige commissies te doen en wilde met den wagen van halfvijf weder weg: Bleek moest naar de Beurs, en Galjart naar zijn meisje. Wij trokken dus met ons drieën naar de ik weet zelf niet meer hoeveelste Bloem-dwarsstraat, eene dier straten uit die behaaglijke buurt, die vroeger, hoor ik, zeker ymx avncpQciGiv '), Le jar din d'Amsterdam genaamd werd. Men voegt er bij, dat die naam later door wanspraak verbasterd is in J or daan; doch de stinkende grachten, die de buurt doorsnijden, doen ons evenmin denken aan de beroemde rivier van 't Heilige Land, als de dwars- en kruisstraten en grachten aldaar aan de bloemen, wier naam zij voeren.
In gemelde Dwarsstraat dan, in een kelder onder een komenij, vonden wij Mietje Lammertsz, of liever, gelijk zij thans genoemd wordt, vrouw Ruffel, wettige gade van Harmen Ruffel, schoenlapper. Deze verbintenis was, volgens Hoogenberg, die 't uit den mond van de vrouw zelve had, op de navolgende wijze gesloten. Baas Ruffel bewoonde namelijk overdag het pothuis en bij nacht de vliering van een woning, waarin Mietje een kamer betrokken had. Op een mooien dag komt zij bij hem en vraagt, waarom hij, die toch al veertig jaren oud is â zij zelve telt er al een half dozijn meer, â nog geen vrouw heeft. Baas Ruffel antwoordt met de grootste naïeveteit, evenals de Julia van Shakspere:
It is an honour that I dream not off.
Hij had er nooit aan gedacht, of, had hij er al aan gedacht, dan had hem, die zijn pothuis nooit verliet dan 's Zondags, wanneer hij driemalen ter kerke ging â wat een modelmensch, nietwaar? â en de rest van dien dag op stoep zijn pijp zat te rooken, de gelegenheid ontbroken tot kennismaking met de
') gt;30 wijze van tegenstelling.quot;
136
andere sekse. Voordat hij echter deze gronden van verschooning â gesteld, dat zij hem helder voor den geest stonden â aan Mietje heeft kunnen uiteenzetten, vraagt zij hem op den man af, of hij haar niet tot vrouw wil nemen, wat zij hem voorrekent, dat voor beiden een besparing zal wezen van huishuur, vuur, licht, beddegoed, enz. enz. Maar, voegt zij er bij, hij moet dadelijk besluiten; want lang te wachten zou niet in haar smaak vallen, en als hij weigert, dan zal er wel een ander zijn, die haar neemt. Of nu de becijfering, door Mietje gemaakt, en zeker hem in de ooren gewaaid gerucht-dat zij eenige spaarpenningen en geen schulden heeft, of wel de overblijfselen van haar bekoorlijkheden, indruk maken op het hart en het brein van Ruö'el, dan wel of, gelijk Hoogen-berg onderstelt, het onverwachte van het voorstel hem, die op geen verdediging bedacht is, verrast en overrompelt, en hem geen andere uitkomst laat dan zich op genade of ongenade over te geven, zijn antwoord luidt naar wensch. Drie weken later zijn zij man en vrouw en hebben zij hun domicilie gevestigd in den kelder, waar ik hen vond.
Ik wil de beschrijving van het huisgezin beginnen met den man: niet omdat hij als het wettig hoofd daarvan moet beschouwd worden, maar omdat van hem, evenals van wijlen Dirk Lammertsz in diens dagen 't minst te zeggen valt, en ik hem alzoo maar in 't voorbijgaan behoef aan te roeren, ten einde alsdan tot de vermelding van belangrijker personages over te gaan. Baas Ruffel, hoewel, gelijk ik straks zeide, ongeveer veertig jaar tellende, toont er wel vijftien meer, of liever, hij ziet er uit of hij nooit jonger dan vijf en vijftig jaren geweest is. Ik ben echter overtuigd, dat, zoo hij in 't leven blijft, hij er over dertig jaren precies zoo zal uitzien als nu. Voor 't overige heeft hij het voorkomen van alle schoenlappers; zijn voorschoot, handen en gelaat wedijveren in zwartheid: een neus-brandertje steekt hem tusschen de vuile tanden: zijn rug is gebogen en hij schijnt niet dan gebrekkig te kunnen loopen. Hij stond niet op, toen wij binnenkwamen, nam even zijn monsterachtig vilten hoofddeksel af, mompelde iets onverstaanbaars.
137
dat een groet verbeelden moest, nam den pikdraad weder op, en deed verder, zoolang ons bezoek duurde, geen mond meer open. Mietje was blijkbaar van haar moeder niet ontaard, en had, als deze, een man genomen, die haar in alles den baas liet spelen.
De kelder, hoewel te laag dan dat onze vriend Eylar er rechtop in kon staan, zag er echter niet uncomfortable uit. Zij was in tweeën afgedeeld; in het voorhuis bevonden zich, behalve een tafel en een paar matten stoelen, en verder noodige huisraad, een vogelkooi met een paar sysjes, een paar bloempotten, en de prenten van Jan de Wasscher aan den wand; in het achterste gedeelte der woning, dat tot keuken en slaapvertrek diende, zag ik een oud kabinet staan, niet veel onderdoende voor dat, 't welk wij bij vader Lammertsz plachten te bewonderen: voorts, twee bedsteden met groene gordijnen, een netten schoorsteenval, een glazen kastje met eenig blauw porselein, een latafel, waarop een theeservies enz. â alles schoon, helder en getuigenis gevende, dat Mietje nog niet bang is, de handen uit de mouw te steken.
Maar zij zelve! â ware zij een man geweest, ik zou voor de variatie het quantum m u t a t u s a b i 11 o ') citeeren; maar nu ik geen andere keus heb dan tegen het geslacht of tegen 't metrum te zondigen, zal ik mij bepalen met de verklaring, dat ik haar nauwelijks herkend zou hebben. De randen der oogen waren rood geworden; zoo was het de neus, en puntig bovendien; het hoofdhaar â voor zoover de kornet, die zij thans draagt, er van te zien biedt â had een doffe, grauwe tint gekregen: de huid had de gele kleur en de rimpels bekomen van een gedroogden pippeling: de wangen waren ingevallen, en meer dan de helft van de tanden miste op 't appèl, terwijl de overige een alles behalve behaaglijke uniform droegen. Kortom, het eenmaal frissche en bevallige Mietje was in een leelijk oud vrouwtje herschapen. Zij scheen zich echter in haar lot geschikt en alle behaagzucht opgegeven te hebben:
]) ..Hoezeer veranderd van wat hij vroeger was.quot;
138
immers haar kornet was stemmig als die van een vrouw uit een hofje: een eenvoudige zwarte doek met gebloemden rand was kruiselings over haar borst gespeld: en een bont boezelaar, van achteren vastgestrikt, verborg het grootste gedeelte der katoenen japon. Op haar rooden neus droeg zij een tinnen knijpbril, en, horresco refer ens'), zij snoof uit een londen houten snuifdoos. Over haar schoot lag een halve winkel vol linnen uitgespreid, 't welk zij bezig was te zoomen of samen te hechten â daar wil ik af wezen.
Het echtpaar was in het voorvertrek gezeten, elk aan een zijde van de voordeur, als moesten zij er gelijk twee sfinxen de wacht voor houden. Op de tafel stond een koifieketeltje met twee kopjes, en daarachter zat ons Klaasje met een leesboekje voor zich. Ik zag niet zonder eenig genoegen, dat, zoo Mietje alle coquetterie, wat haar zelve betrof, had uitgeschud, zy die met betrekking tot het kind niet had opgegeven. Geen stofje was zichtbaar op het blonde haar, dat, netjes uitgekamd, aan weerszijden van het hoofd in tallooze glanzende krullen neder-viel: aangezicht en handen waren schoongewasschen: het witte boezelaartje, dat het geruite jurkje gedeeltelijk bedekte, was zonder vlek of smet, en de laarsjes waren versch gepoetst, 't Is waar, dat Mietje, wetende dat wij dien dag vergaderden, zeer waarschijnlijk op ons bezoek was voorbereid; doch, volgens de getuigenis van onze Amsterdamsche vrienden, werd het kind gewoonlijk schoon gehouden en leverde alzoo de dag van heden geen uitzondering van den algemeenen regel op.
't Zij verwacht of niet, onze komst veroorzaakte weinig of geen opschudding. In het eenvoudige âwel! kommen de haieren 'rais kalken hoe de kleine maid het maakt, nou da s goed. bestond de welkomstgroet. Toen was het: âkom a'n, Klaassie! geef rais stoelen a'n de oomes a's 'n maid. Nou! hoe is het? zeg je de oomes gein gendag, lompe reikel die je bent!
Een meer kwalijk verdiend verwijt was zelden aan iemand gedaan; want het was voor het arme kind toch niet wel moge-
') âIk ijze bij 't verhaal.''
139
lijk, te gelijk stoelen te halen en ons te begroeten. âIk khan ommers gheen thwee dhingen the ghelaik doen, hollen en de khaars vasthouên?quot; zei het Joodje, dat aan het sterfbed zijner grootmoeder bijlichtte en door zijn vader bekeven werd omdat het niet schreide: en de jongen had gelijk ook. Ik geloof, dat Cesar een fikschen stijl had, wanneer hij zelf een brief schreef, niet, wanneer hij er drie of vier aan even zooveel verschillende secretarissen dicteerde.
Nog om een andere reden was het verwijt onverdiend; want Klaasje, na Hoogenberg een vriendelijk knikje te hebben gegeven, had haar bruine kijkertjes zoo wijd mogelijk opengespalkt om Eylar en mij aan te staren. Toen, ons herkennende, had zij haar boek weggeschoven, was zij neergesprongen van haar tabouret en stond zij â blijkbaar te schroomvallig om naar ons toe te :komen â ons de vriendelijkste knikjes van de wereld te geven: terwijl haar lief bakkesje glinsterde van genoegen.
âWel Klaasje! mijn kind! ken je mij nog?quot; riep Eylar, terwijl hij haar opnam en met kussen overdekte! âwel ik zou je haast niet meer kennen, zoo ben je gegroeid.quot;
âNietwaar?quot; vroeg Hoogenberg, terwijl hij het kind op de wang tikte.
âEn ik? krijg ik geen beurt?quot; vroeg ik terwijl ik Klaasje van Eylar overnam: âhoe is 't, beste meid, weet je onze namen nog!quot;
âJawel,quot; antwoordde zij: âuwee is oom Bol; en dat is oom Eylar.quot;
En zich zachtjes uit mijn armen losrukkende, huppelde zij naar de achterkamer om stoelen voor ons te halen. Ik maakte van haar kortstondige afwezigheid gebruik om den Dominee te spelen en Mietje een kleine vermaning toe te dienen.
âWaarom dat arme kind zoo ruw bestraft?quot; vroeg ik: âhet schaap is immers zoo vriendelijk jegens ons als 't maar wezen kan?quot;
âWel, ik zeg ommers geen onvertogen woord teugens het kind,quot; zeide Mietje, mij half verontwaardigd aanziende: âmaar ik mot het kind toch manieren leiren.quot;
140
âNulquot; dacht ik, âals zij in goeden ernst meent, dat de uitdrukking, door haar gebezigd, niet onvertogen was, dan ben ik niet verlangend haar te hooren, wanneer zij eens werkelijk aan haar wrevel of gramschap lucht geeft.quot; Ik was in den wil. nog iets bij mijn vermaning te voegen; doch ik herinnerde mij intijds, hoe de strafpredikatie, door Don Quichot gehouden tot den boer, die zijn knecht mishandelde, geen andere uitwerking had, dan dat de arme Andries, na het vertrek van den Ridder, nogeens zoo duchtig geslagen werd, en zoo bedwong ik mij, mij tevens troostende met het denkbeeld, dat Klaasje weldra uit deze school van opvoeding zou ontslagen raken.
Nu zult gij â neen, gij zijt daartoe te verstandig; niet gij, maar een ander â misschien zeggen, dat ik desniettemin verkeerd deed, mijn ambt te verloochenen, en dat ik een zedenpreek had moeten houden: â waarop ik dan zou antwoorden, dat de beste zedenpreek een vlak verkeerde uitwerking doet, wanneer men die houdt op een verkeerd tijdstip, een ongeschikte plaats, en tegen iemand, die niet gestemd is er
naar te luisteren.
âKan ik de haieren met een kop koffie dienen?quot; vroeg
Mietje.
quot;Wij bedankten, onder voorgeven dat het etensuur naderde: toen werd de vraag gedaan, of wij dan niet een glaasje lak-keur zouden nemen: wy zouden haar toch zoo niet willen affronteeren om niets te gebruiken: en in dat besef berustten wij er ook in, dat ons ieder een glas frambozen werd geschonken.... ik moet er om lachen, dat wi] bij voorkeur dat Fransche woord gebruiken, in plaats van braambessen te zeggen, waarvan het een verbastering is.
âEn nu,quot; vroeg ik, toen wij rustig gezeten waren, en, met kleine teugjes, het ons voorgezette vocht opslorpten â 't welk wij natuurlijk niet nalieten, voortreffelijk te noemen aan het kind, dat tegen mij aanleunde: âis Klaasje even zoet als zij groot is?quot;
âHm ja!quot; antwoordde vrouw Ruffel voor het kind. âdat mocht wel beter wezen.'
141
âWel moeder! ik heb vandaag toch vier goeden op school gehad,quot; riep Klaasje.
âEi wat, Mietje!quot; bromde Hoogenberg: âleg ons nu niet te vertellen, dat Klaasje niet oppast. Zij leest en rekent en schrijft al beter, dan jij 't ooit in je leven gedaan hebt.quot;
âOch wat,quot; hernam Mietje: âzij zal het allemaal net zoo goed verleiren a's ik gedaan heb. Ik was ook in m'n taid wat een bolleboos op school; en a's ik m'n vraien taid had zou ik nog wel van leizen houen; mair ik heb nou wel wat anders te doen: niks a's nou en dan 'n kemedieboek.quot;
âEn,quot; vroeg ik, âde Bijbel, dien ik je nog voor mijn vertrek uit Leiden gegeven heb, lees je daar dan nooit in?quot;
âDie Bijbel!quot; herhaalde Mietje, mij met groote oogen aanziende : âwel, dien heb ik nog altijd trouw bewaard als een aandenken a'n men haler. Hij leit achter in de kast, en Buffel neimt hem alteid mei as hij naar de kerk gaat; mair ik versta er toch niet veul van, van die ouwe histories, 't Is lang geleden en ver gebeurd, denk ik dan: en dan zeg ik a'n Buffel, als hij main Zundags mei wil hebben nair de kerk: âneim jai 't mair veur main wair met ein.quot;
Hier lichtte de man weer het hoofd op, keek zijn vrouw aan, alsof hij iets meende te gaan zeggen, doch bedacht zich en sloeg de oogen weer voor zich op de schoenzool, waar hij aan bezig was.
âMietje!quot; vroeg ik, âwat zou je denken van iemand, die niets in zijn kelder had, aan wien een vriend een anker besten wijn zond en die het ongebruikt liet liggen?quot;
âWat meint men haier dair mee?quot; vroeg Mietje, mij aanziende met een blik, die zoo onnoozel niet was als hij wel schijnen moest.
Ik herhaalde mijn parabel.
Zij nam een snuifje en zeide toen: âwat ik zeggen zou? Ik zou zeggen: die man lust geen wain. Blieft menhaier van 'n snuifje gediend?quot;
Daar zat ik nu met mijn preek. Eylar schudde het hoofd, en Hoogenberg keek mij aan, als wilde hij zeggen: âzij begrijpt u, maar zij wil u niet begrijpen.quot;
142
Waarlijk, vriend Occo! ik geloof, dat ik een slecht zendeling' zou wezen. Hoe zou ik mij door een onnoozelen Javaan doen verstaan, wanneer ik zoo dikwijls verlegen sta tegenover lieden als Mietje, die hier te lande opgevoed zijn, hun belijdenis gedaan hebben, en op de volksregisters staan ingeschreven als tot de Hervormd-Christelijke Kerk behoorende? â En zulke ontmoetingen hebben wij in onzen stand alle dagen. Hoe bemoedigend, nietwaar? En dan boogt Nederland nog op godsvrucht en verlichting. Heeft het, betrekkelijk, eenige aanspraak op dien roem, dan moet het elders al heel lief gesteld zijn.
Ware ik alleen geweest, ik had geen nieuwen aanval gewaagd; doch mijn vrienden zaten te meesmuilen over mijn nederlaag, en dat stak mij in den krop. Altijd mengt zich iets verkeerds onder onze beste bedoelingen. Een geest van Christelijke liefde had mij het werk doen aanvangen, een duivel van gekrenkte ijdelheid drong mij, het voort te zetten; doch ik ontging mijn straf ook niet, als gij weldra hooren zult.
âMietje!quot; hernam ik: âhet schijnt, dat ik mijn voorbeeld slecht gekozen heb. Maar stel nu eens, je hadt schulden aan den bakker, den slager, de groenvrouw en overal, geen krediet en geen cent in huis. Xu kwam er iemand en bracht je een schat. Wat zou je doen ? Het geld verbergen zonder er naar om te zien? of het tot uw nut besteden?quot;
âIk zou beginnen,quot; antwoordde Mietje, zonder zich te bedenken, âmet me zestientje door te forneeren: of misschien, as ik genoeg kreeg, nam ik 'n achtste. Mair ik begraip niet wat menhaier wil; ik ben a'n bakker noch slager niks niemendal schuldig, dan van deuze week: ik betaal alle weiken pront wat ik gebroikt heb: we hebben Goddank werk genoeg, ikke en Ruffel, en er is niemand, die iets op ons heit te pritten-deiren.quot;
Eylar en Hoogenberg schaterden het uit van 't lachen, en ik beet mij op de lippen. Toch wilde ik 't niet opgeven.
âNu,quot; hervatte ik: âje zoudt in allen gevalle het geld besteden, al ware het dan juist niet op de nuttigste wijze. En handelde je anders, je zoudt dwaas handelen. En handel je nu
143
niet nog dwazer, nu je een schat hebt, veel grooter dan alle andere, in den Bijbel, en je verzuimt, dien te gebruiken?quot;
âOch!quot; antwoordde Mietje: âmen kan er teigenwoordignogal voor 'n bagatel ein bij de boekverkoopers kraigen, en de arme lui zelfs voor niks.quot;
âZeer waar,quot; hervatte ik, âen zeer gelukkig; maar wat helpt het, of men er een heeft, als men er nooit in leest?quot;
âDaar is,quot; ging Mietje voort, zonder op mijn vraag te antwoorden, âmanke Els hierover op de trap, die heit er nog ein gekreigen van 'n hair op de Blomgracht, die, geloof ik, van 't Genootschap is, mair 't mensch kan niet leizen noch schraiven en ze heit 'm veur 'n paar bos wortelen 'an Train de groenvrouw overgedaan.quot;
âKom!quot; zei Eylar, die, zooals hij naderhand beweerde, medelijden met mij begon te krijgen, of wien, gelijk ik eerder geloof, die samenspraak a batons rompus verveelde; âvermoei u maar niet langer Bol! en kijk liever eens, hoe mooi Klaasje al begint te schrijven.quot; â Het kind had haar schrijfboekje even te voren uit de lade gehaald.
âEn zeg nou je vairssies 'reis op als een maid,quot; zeide Mietje, wellicht van haar kant ook niet ontevreden, dat er een afleiding kwam aan ons onderhoud.
Klaasje voldeed zonder aarzelen aan 't verzoek en droeg met veel gemak, gelukkig niet kunstmatig, maar natuurlijk, een paar gedichtjes van Van Alphen voor.
âNu! dat is patent,quot; zeide Eylar, toen zij gedaan had; âen nu heb ik ook wat moois voor je meegebracht. Kijk eens hier ?quot; Meteen haalde hij een paar oorbelletjes voor den dag.
âKijk eens, moeder! Moe kijk eens!quot; riep Klaasje, in blijde uitgelatenheid naar vrouw Ruffel huppelende.
âWel kaik 'rais an,quot; zeide deze, terwijl zij de belletjes aandachtig beschouwde; ânet zukke heb ik er ook gehad toen ik 'n ankomend maissie was. En bedank je oome niet eens, lomperd ?quot;
âDank je oome!quot; zeide het kind, haar snoeperig mondje naar Eylar opstekende.
144
âIk heb geen geld, als oom Eylar, om je zulke mooie dingen te koopen,quot; zeide Hoogenberg: âmaar ik kom toch ook niet met leege handenen meteen bracht hij een paar prachtig versierde bonbons te voorschijn, zeker van 't een of ander gastmaal geplunderd. Ik voor mij bleef niet achterlijk; maar haalde een peperhuis met moppen voor den dag.
Ik weet niet, welk geschenk Klaasje het meest welkom was. De fraaie âvelletjes,quot; zooals zij de omkleedselen der bonbons noemde, zou zij opplakken bij degene, die zij bij vroegere gelegenheden gekregen had, en de moppen zou zij bewaren om bij vader en moeder op 't ganzenbord te spelen. Natuurlijk begon zij met er van rond te dienen, eerst aan ons, toen aan Mietje, vervolgens aan Ruffel, en eindelijk aan een nieuw personage, dat, tot nog toe in de bedstede verscholen, waarschijnlijk op de lucht af kwam opdagen in de gedaante van een monsterachtig groeten witten kater. Of het beest goed muizen kan weet ik niet, zeker is het, dat het met den grootsten smaak de hem toegestoken moppen opsnapte. Ik waagde bij mij zeiven de onderstelling, dat poes de hoofdpersoon in huis was, waarop Mietje, naar het voorbeeld van meer andere van hare sekse, wanneer zij zekeren leeftijd bereikt hebben, al de teederheid, voor welke haar hart nog vatbaar was, had overgebracht. Immers, nauwelijks was het beest te voorschijn gekomen, of zij lokte het tot zich met de liefelijkste woorden, 't Was âpoessie! kat-engelte! kom je niet bai de vrouw? Hait m'n beest goed gerust? Geif de vrouw dan een zoentje. Toe Klaassie! geif het arme dier nog een moppie. Je ziet, wat n honger de stumpert hait.quot;
Klaasje voldeed aan het verzoek, en ofschoon ik eerst, ik beken het, knorrig was by de gedachte, dat hetgeen ik vooi haar had meegebracht, in de maag van een onguur beest zou overgaan, troostte ik mij weldra, toen ik uit het schaterend gelach en de blijde kreten van het lieve kind bespeurde, dat het nog meer pret had in de vertooning van de kat, die de moppen opknabbelde, dan in die zelve te eten.
Maar ik weet niet, met welke beuzelingen ik u bezig houde.
145
Intusschen, zij zullen u misschien niet geheel zonder belang voorkomen, voor zooverre zij strekken om u een voorstelling te geven van ons pleegkind, zoo lief, zoo zacht, zoo onschuldig, zoo natuurlijk. â Maar te meer is het hoog tijd, dat zij uit die Blom-Dwarsstraat-stikdamplucht naar een zuiverder dampkring worde overgebracht.
Van dit geheele voornemen van verplaatsing lieten wij ons bij ons bezoek echter geen woord ontvallen. Wij hadden beter geoordeeld, dat Mietje ons plan niet eer vernemen zou, dan nadat ik antwoord had van Mw. Zilverman en gereed was het kind er heen te brengen. Dat zij, ondanks de schade die zij er door lijdt, gemakkelijk in de zaak berusten, en zonder te diepe aandoening van Klaasje scheiden zal, daarvan houd ik mij overtuigd, wetende, dat zij in den grond niet van kinderen houdt, haar dochter reeds zeer vroeg uit dienen gestuurd heeft, zonder zich verder ooit aan haar gelegen te laten liggen, en zeer kalm is gebleven bij den dood van haar zoontje.
Wij begaven ons na den afloop van het bezoek weder naaide Keizerskroon, waar wij, met Van Zevenaer, die reeds op ons wachtte, het middagmaal gebruikten en, als gij denken kunt â recht genoeglijk keuvelden, 't Scheiden viel mij hard; doch alle goede zaken hebben een einde, en zoo trok ik dan ook 's avonds weder het IJ over en naar het eenzame Slik-dorp. Sedert dien tijd ben ik met de kostschoolhouderesse in correspondentie getreden, de zaak is tot effenheid gekomen, en met de laatste helft van Augustus, als de vacantia ten einde is, wordt ons juffertje op het instituut verwacht. Ik stel mij niet weinig genoegen voor van het tochtje, dat ik derwaarts met haar maken zal.
Gij zult mij wellicht in stilte een verwijt doen over mijn ingenomenheid met de gedachte aan een drie- a vierdaagsche afwezigheid van Slikdorp. Mogelijk zelfs beschuldigt gij mij van ondankbaarheid. En werkelijk zou ik ondankbaar zijn, zoo ik morde: ik heb ten minste een standplaats en erken mijn voorrecht boven zoovelen, die nog loopen zoeken. Dit neemt
14(3
echter niet weg, dat ik hartelijk verlang uit deze poelen eens naar een oord te worden overgeplaatst, waar ik iemand vind, met wien ik praten kan. Misschien is mijn wensch zondig, en ik zal mij ook wel wachten, hem overluid te doen hooren; maar 't is in 't oor van een vriend, die nog wel op Java zit en mij niet verklappen zal, dat ik hem durf toefluisteren. Gij weet, ik was vanouds er op gesteld, mijn tijd te verdeelen tusschen studie en gezellig verkeer. Dit laatste nu mis ik ten eenenmale op Slikdorp, waarvan ik met Ovidius kan zeggen;
Barbar us his ego sum, quia non intelligor ulli1)-
Het ligt misschien aan mij, en men zou mij kunnen toevoegen, dat, zoo ik de Slikdorpers niet tot mij verheffen kan, ik mij getroosten moet, tot hen af te dalen. Maar ziedaar juist de groote moeilijkheid. Ik zeide straks, dat ik een slechte zendeling zou wezen, en toch geloof ik, dat ik onder eenvoudige lieden, onder natuurkinderen, onder wilden desnoods, mij meer op mijn gemak zou gevoelen, dan onder een bevolking, die ter schole is geweest, die zekere oppervlakkige tinctuur van wetenschappen heeft, of liever, die zekere klanken heeft onthouden, welke 't voor zaken neemt: en, wanneer men nu, op die klanken afgaande, een redelijk gesprek met hen poogt aan te vangen, dan vindt men per slot van rekening, dat zij van al wat men gesproken heeft, geen stom woord begrepen, of, wat nog erger is, alles vlak verkeerd begrepen hebben. Voeg daarbij, dat de menschen hier zoo koppig zijn als hun
koeien en inhalig als____ja help mij aan een vergelijking. â
Ik geloof niet, dat eenig wezen op of onder de aarde bestaat, of uitgedacht kan worden, inhaliger dan de man, van wien Poot vertelt, dat hij
Zijn zalig lot, hoe kleen,
Voor geen koningskroon zou geven.
â'tls al erger en erger met mij geloopen van den zeumer,quot; vertelde mij verleden najaar een ouderling mijner gemeente â
') âIk ben hier de vreemdeling, dewijl ik door niemand verstaan word.
147
nog geen van de minsten: â âeerst mijn vrouw verloren, toen twee koeien, en nou mijn varken.quot; â De notaris Blaffert, die ze kent, zeide laatst, dat hij nooit een boer had zien huilen, behalve wanneer men zijn pacht opsloeg.
Ik heb een schilder gekend, die vrij slechte Arkadische landschappen stoffeerde met viervoetige dieren, die nergens naar geleken. Wanneer men hem de opmerking maakte, dat men nooit zulk een os, of zulk een schaap, gezien had, als er op zijn paneelen voorkwam, dan was het; âja, maar dat is een Arkadische os, een Arkadisch schaap . . . .quot; Nu! ik geloof, dat ue landlieden, waar de dichters van gewagen, ook nergens te vinden zijn dan in Arkadië â en dat nog wel in het Arkadiê der dichters.
Zuren wijn zwelgen, afschuwelijken knaster rooken, en hun beurs spekken, zonder overgroote kieschheid wat het aangewende middel betreft, ziedaar waar zich mijn parochianen uitnemend op verstaan.
Misschien denkt gij, dat de studie winnen moet bij het gemis, 't welk ik hier ondervind aan gezellig verkeer; maar dan bedriegt gij u. De boeken op zich zeiven kunnen iemand alleen tot een geletterde, nimmer tot een wijze, zelfs niet tot een geleerde maken, en te recht werden zij bij de Ouden alle beschouwd als hulpmiddelen, en wel van zeer ondergeschikten aard. Hoor Plato, in zijn Phaedo; â't is een stoffel,quot; zegt hij, .,die zich verbeeldt, de toekomst van een wetenschap verzekerd te hebben door die aan een boek te vertrouwen; 't is een nog grooter stoffel, die er de kunst in zoeken gaat, alsof letters hem ooit een heldere juiste kennis konden mededeelen. Zoo iemand kent het orakel van Ammon niet; want hij leeft in de verbeelding, dat geschreven vertoogen eenig ander nut kunnen hebben als aan iemand te herinneren wat hij reeds weet.' â Alle boeken, ook de beste, helpen niet, tenzij men de gelegenheid vinde, tevens eenige goede exemplaren te be-studeeren van dat nuttigste aller boeken, 't geen men âmenschquot; noemt, den âmicrocosmus of kleine wereld,quot; als men hem placht te betitelen. En nu zijn de exemplaren hier ter
148
plaatse of onleesbaar, of zij missen althans de meest leerzame en opwekkende bladzijden. Summa summa rum, ik zou, hier blijvende, op den duur zoo stomp van vernuft, misschien even gevoelloos van hart worden als zij, die mij omringen, en op zijn best bekwaam om woordenboeken of chrestomathieën te schrijven, of om werken, in vreemde talen geschreven, in schoolmeesters-Nederduitsch te vertalen. - Noch het een. noch het ander lacht mij toe.
Ziedaar een lange epistel. Ik kan niet vergen, dat gij, die gewichtige belangen in 't hoofd hebt, mij even omstandig antwoordt als ik u geschreven heb. Maar een lettertje van u zal mij toch genoegen doen, al ware 't maar een bloot accuse de reception, om mij te bewijzen dat gij nog leeft, gezond zijt, en mij niet vergeet. Kunt gij er iets bijvoegen aangaande zoodanige onderwerpen, waarin gij weet, dat ik belang stel. als b. v. of gij nog iets aan de letteren doen kunt, hoe u 't leven in Indië bevalt, enz. enz., gij kunt u vooraf overtuigd houden van de erkentelijkheid, waarmede elke regel zal gelezen worden door
Uw oprechten vriend.
G. Bol.
TWEEDE HOOFDSTUK.
antwoord van jhr. mr. occo vak dosta op den vorigen brief.
Buitenzorg, 8 October 183..
Grooten dank ben ik u verschuldigd en breng ik u toe, mi amicissime, voor uw uitvoerigen en mij zoo welkomen brief van 15 Juni j.1. Ik heb er uit kunnen bespeuren, dat uw brein, wat gij ook voor het vervolg mocht vreezen van uw verblijf te Slikdorp, vooralsnog niet verstompt is, maar even werkzaam als vroeger, ja dat gij nog nu en dan, evenals in den gelukkigen tijd, dien wij te Leiden doorbrachten, een stoute en gewaagde stelling vooruit durft zetten en met
149
wakkerheid verdedigen. Maar niet weinig heeft mij de gedachte vermaakt, dat gij, die vaak de meest baroque paradoxen tegen knappe en geleerde lieden met triomfant gevolg ver-dedigdet, u laat overwinnen in een woordenstrijd met Mie Lammertsz, en dat wel, in weerwil van uw bewustheid, dat het recht aan uw zijde is. Gij zult zeggen, dat het mij niet
fraai staat, mij te verheugen in de neerlaag van een vriend____;
maar dat moet integendeel koren op uw molen zijn. Immers het bevestigt de waarheid van een paradox van La Eoche-foucault, zoo dikwijls door u verdedigd, qu'il y a toujours dans les revers qui surviennent a nos meilleurs amis quelque chose qui ne nous déplait pas: â en gij hebt mij zoo dikwijls met sophismen den mond gesnoerd, dat ik mij wel mag verblijden, nu gij op uwe beurt eens ondervindt, hoe 't smaakt als men ad incitas') gedreven wordt. Maar ik denk, al vertelt gij 't niet in uw brief, dat gij aan den middagdisch in de Keizerskroon uw revanche wel zult genomen hebben, en dat Eylar of Hoogenberg het kwaad, door Mietje gedaan, heeft moeten ontgelden. Van Zevenaer hield zich, zoo ik mij wel herinner, altijd buiten die redetwisten, behalve als men ongelukkig of onwillekeurig een voet zette op het gebied der natuurkunde of der medicijnen.
Maar foei! ik ben ondankbaar, die uw vriendelijkheid, in mij zoo uitvoerig al de bijzonderheden van uw ontmoetingen te Amsterdam mede te deelen, beantwoord, door aan die mededeelingen zelve stof te ontleenen om u te plagen. Mijn verschooning is, dat gij er nogal van placht te houden, en althans met uw gewone goedhartigheid placht aan te merken dat men plaagde wie men liefhad. Ik zou toch niemand raden misbruik te maken van die wijze om zijn liefde te be-toonen. De vader, die zijn zoon, naar Salomo's voorschrift, met de roede kastijdt, handelt ook uit liefde; maar niemand zal mij wijsmaken, dat gemelde zoon, gedurende die kastijding, die vaderlijke liefde bijzonder waardeert; â en daarom ver-
^ âIn de engte.quot;
150
heugt het mij ook, dat Hoogenberg en gij aan ons pleegkind geen klappen maar ulevellen en moppen hebt gegeven.
Het spreekt van zelf, dat ik, die buitendien ulieden volmacht had gelaten, blindelings alles onderschrijf, wat gij ten behoeve van Klaasje bepaald hebt en verder bepalen zult: en ik zend heden een wissel aan Hoogenberg, waaruit hetgeen ik heb bij te dragen kan gevonden worden en hetgeen overschiet in de algemeene kas bewaard om desnoods aan te vullen wat te kort mocht komen. Ik had juist aanleiding om hem te schrijven, omdat ik hem wellicht een dienst heb kunnen bewijzen. Gij herinnert u misschien een zekeren Flink, die te Leiden een maand of wat kamers had naast uw huis, en alle namiddagen in De Pauw zat â een ongezelligen brompot. â Nu! dienzelfden man heb ik hier op Java teruggevonden; hij is door den aard zijner zaken, die van grooten omvang zijn. in gedurige aanraking met het Gouvernement, en zoo heb ik hem meermalen ontmoet, 't Schijnt, dat ik zijn vertrouwen en genegenheid, die hij anders niet licht wegschenkt, heb mogen verwerven, in weerwil dat ik hem geweigerd heb in een paar quaestiën, waar hij veel belang in stelde, zijn voorspraak te zijn bij den Gouv.-Gen. â of misschien wel juist om die weigering. Immers deze weigering, of liever het volharden daarbij, had hem bewezen, dat ik onomkoopbaar ben en alzoo eerlijker dan de meeste lieden, met wie hij vroeger te doen heeft gehad. Nu vroeg hij mij, of ik hem ook een eerlijk en bekwaam advocaat wist aan te wijzen, die te Amsterdam woonde en een zaak ten einde brengen kon, die nu wijlen de adv. Mosch al sedert jaren behandeld, en naar hij meende versloft had. Hij wilde geen oud advocaat, geen advocaat van grooten naam hebben; die hadden het, naar het bleek, te volhandig, om zich zoo geheel aan zijne zaak te wijden, en deze zou, vreesde hij, in dat geval wederom op het sleeptouw gehouden of en bagatelle behandeld worden. Daarom wenschte hij er een, die, zonder piepjong te zijn, toch nog in het begin van zijn carrière was, iemand, die doorzicht bezat, en vooral, die er niet los overheen liep. âWant ziet UEd. mijnheer A'an Donia!'
151
zeide hij, âvlugheid, talent, genie, alles mooi en goed____maar
kom er eens mee door de wereld: â werken, dat is het middel om te slagen, en anders bestaat er geen.quot; â En zoo dacht ik natuurlijk aan Hoogenberg, die althans voor niemand onderdoet, waar 't op blokken aankomt: ik gaf zijn adres aan mijn suikerplanter, en hoop nu, dat deze woord zal houden en dat de zaak werkelijk van zoodanigen aard zij, als strekken kan om Hoogenberg voordeel en reputatie te verschaffen.
Om terug te komen tot ons pleegkind, ik kan niet ontkennen, dat ik eenige zorg voor haar toekomst voed, en, ofschoon ik gaarne, als ik zoo straks te kennen gaf, berust in hetgeen de meerderheid besloten heeft, zoo ben ik daarom nog niet overtuigd, dat haar besluit het wijste was, dat in deze te nemen viel. Ik laat de vraag, in hoeverre Bleek en Van Zirik zich, bij het uitbrengen van hun gevoelen, door hun eigen belang of door dat van het kind lieten leiden; maar 't is buiten alle kijf dat hun beschouwingswijze in 't afgetrokkene op goede gronden kan verdedigd worden, en dat zij te meer kracht bekomt, naarmate het arme kind een gunstiger uiterlijk belooft te hebben: ja, zoo ik mij eenigszins de begeerte kan verklaren, die b. v. Eylar en Galjart bezielt, om van hun pleegkind een bevallig, elegant, net gekleed poppetje te maken, zoo verwondert het mij, dat ernstiger gestemde lieden, als van Zeve-naer en gij, zoo grif er in hebben toegestemd, dat het kind naar die kostschool zou worden gezonden: â en het verwondert mij niet minder, dat Hoogenberg, eens weifelende, zich niet bij de minderheid gevoegd heeft. Het schijnt dat bij hem het besef van zekere stellige of zedelijke verplichting uit de overeenkomst geboren, de schaal heeft doen overslaan.
Gij zult zeggen, en niet zonder reden, dat een jong, mooi, ouderloos meisje in eiken stand aan verleiding is blootgesteld en dat wellicht te meer, naarmate zij lager op de maatschappelijke ladder staat. En zeker, bij Mie Lammertsz, en met het voorbeeld van deze voor oogen, kon zij niet blijven; â maar was er geen middel geweest, om haar ergens op een dorp bij brave lieden te besteden, waar zij genoeg opleiding en onder-
152
â wijs genoot om de geschikte vrouw te worden van een plattelands-heelmeester, een dorps-schoolmeester of een deftigen ambachtsman? Staat het nu niet te vreezen, dat zij op hare school kennissen zal maken, die haar in een sfeer voeren, waar zij zich niet in zal kunnen blijven bewegen, zonder gevaar te loopen van haar vleugels te zengen en het spreekwoord te bevestigen: âhoe hooger vlucht, hoe dieper val?quot; En dan zult gijlieden, die haar dien weg hebt opgebracht misschien nog een mal figuur maken. Jan Bleek Az. durft de historie blijkbaar niet aan zijn vrouw vertellen; hoe Mevrouw Van Eylar en Mevrouw Van Zirik er over denken, ja, of zij er wel ooit iets van vernomen hebben, blijft nog de vraag, en wat nu, indien deze dames er later achterkomen en het gebeurde averechts opnemen? De bui, die ik vrees, hangt niet enkel den echtge-nooten der gemelde dames, maar ook elk onzer, die later trouwt, boven 't hoofd, en zoo licht kan een verkeerde opvatting van het gebeurde voor de belanghebbenden een bron doen ontspringen van huiselijk verdriet. â Gij zult zeggen, dat ik de zaken wat donker inzie, en ik mag van harte lijden, dat mijn profetiën, of liever mijn bekommernissen, door de uitkomst worden gelogenstraft. Veel, zoo niet alles, zal afhangen van de indrukken, die ons pleegkind op school ontvangt, en van de positie, die men haar naderhand zal weten te bezorgen.
Nu van wat anders. Gij vraagt mij, of ik nog iets aan de poëzie doe. Helaas, beste vriend 1 indien al mijn werkzaamheden mij den tijd lieten, mij daarmede te verlustigen, zoo betuig ik u, wanneer men in dit klimaat den geheelen dag op 't bureau gezeten heeft, met een warm hoofd en badende in zijn zweet, dan verlangt men naar rust en, zoo mogelijk, naar uitspanning, en men vindt zich volstrekt niet gestemd tot nieuwe vermoeienissen van het brein; ik zeg âvermoeienissenquot; ; want zoo ik, in mijn studententijd, de verzen, zooals men zegt, uit de mouw schudde, ik zou daar thans geen kans meer toe zien, en ik had bovendien, voordat ik hierheen ging, reeds de overtuiging bekomen van de weinige waarde dier zoo snel vervaardigde gedichten. Maar al had ik nog tijd en kracht tot
153
het maken van verzen, mijn dichtvuur zou hier toch zijn uitgedoofd. Een dichter moge al zich zelf en anderen wijs zoeken te maken, dat hij de kunst om haar zelve bemint, de lust tot schrijven gaat spoedig bij hem voorbij, zoo hij noch hoorders noch lezers vindt: en aan beiden ontbreekt het hier. âTwee dingen zijn er,quot; zeide mij eens een oudgast, âdie op Java volstrekt niet in tel zijn, namelijk poëzie en oud blik.quot; â 't Is mij bij ervaring gebleken, dat de man gelijk had, en ik zou nog zelfs durven beweren, dat hij had moeten zeggen: âoud blik en poëzie.quot; Wees overtuigd â en het moge u in uw Pontus te Slikdorp tot een troost verstrekken, â dat ik hier in dit aardsche paradijs dezelfde klachten, als gij in uw modderpoel, kan aanheffen over den lagen trap van intellectueele beschaving, waarop de menschen staan, die mij omringen, en uw diatribe tegen uw boeren zou ik mutatis mutandis kunnen toepassen op het troepje Nederlanders, dat zich hier bevindt. Het tafereel, door u opgehangen, zal waarschijnlijk, in zooverre te zwart gekleurd zijn en er zullen wel bij u enkele uitzonderingen op den algemeenen regel zijn. Nu, dit is ook hier het geval.
II en est jusqu'a trois, que je ponrrais nommer;
maar de massa denkt hier over niets, en spreekt dus over niets, dan over suiker, koffie, padie enz. enz. en â geld. â 't Ligt ook in de reden: de menschen komen hier niet als toeristen om liefelijke indrukken te krijgen en hart en ziel te verheffen bij 't aanschouwen van dit bekoorlijke land; zij komen om het raadsel op te lossen, hoe zij, in het kleinste minimum tijd het grootste maximum geld zullen verdienen, ik moest liever zeggen â samenschrapen: en er blijft dus voor hen geen vrij oogenblik over om het aan ernstige lectuur of andere geestverheffende bezigheid te wijden.
Uit hetgeen ik u hierboven zeide aangaande mijn eigen ondervinding zult gij kunnen opmaken, dat ik mooi den weg op ben om spoedig te denken als de massa. Mijn werkzaamheden hebben uit haren aard schier uitsluitend betrekking tot
154
zeer materieele onderwerpen. Voor zooverre die nu met de hier te volgen staatkunde en de algemeene belangen dei-Bezitting in verband staan, zijn zij, als van zelf spreekt, aangenaam, belangrijk, ja hebben zelf iets poëtisch, maar ongelukkig kan ik mij daarbij niet bepalen, en daar ik mij niet genoeg kan verlaten op de bekwaamheid, kunde of moraliteit der ambtenaren, die onder mij werken, ben ik wel genoodzaakt mij met ellendige détails te bemoeien, verslagen te vergelijken, tabellen na te cijferen, opstellen en brieven van stijl- en taalfouten te zuiveren, in 't kort den schoolmeester te spelen en allerlei geestdoodenden arbeid te verrichten. Dat alles beult mij af, verstompt mij en maakt mij ontevreden bovendien: vaak toch vraag ik mij zeiven af, of ik, door, uit zucht om te voorkomen dat de boel in de war loopt, meer te doen dan mijn ambt eigenlijk medebrengt, niet langzamerhand zal afleeren de zaken in 't groot te zien, en alzoo mij zeiven, door 't involgen van plichtsgevoel, ongeschikt maken tot plichtsvervulling. Die gedachte maakt mij bijwijlen somber en mistroostig; en dan beschuldig ik mij, evenals gij het doet, van ondankbaarheid â ja met nog vrij wat meer grond. Bezit ik niet, op mijn nog jeugdigen leeftijd, een positie, die mij door mijn tijdgenooten niet alleen, maar door honderd lieden van meer gevorderden ouderdom benijd wordt? Geniet ik niet het vertrouwen van mijn opperhoofd en ontvang ik niet dagelijks blijken van zijn tevredenheid en vriendschap? Ben ik niet omtrent zeker, zoo ik in 't leven blijf, óf nog hooger te stijgen, öf met een ruim pensioen, en niet te oud om er van te genieten, naar 't moederland terug te kunnen keeren, zoodat ik binnen weinige jaren maar zal hebben te kiezen, aan welke stem ik gehoor zal geven, aan die der eerzucht, of aan die van 't gemak? â Wie weet, misschien zal een en ander te vereenigen zijn, en ik nog eenmaal in Nederland, bij een onafhankelijk bestaan, nuttig en op eervolle wijze kunnen bezig zijn: â wat daaromtrent gebeuren zal weet ik niet; maar wel, dat niets mij immer het gemis zal vergoeden der korte uren, te Leiden doorgebracht, en dat geen
155
lof mij immer zoeter in de ooren klinken zal, dan die, welken mijn vrienden schonken aan mijn kreupele dichtproeven.
Vaarwel! Gij hebt mij â en ik ben er u dankbaar voor â over geen politiek geschreven, en ik zal uw voorbeeld volgen. Wat hier in de Oost al zoo gebeurd is, zult gij in de dagbladen kunnen lezen; wat er gebeuren zal zou ik u, voor zooverre ik het raden of voorzien kan, niet kunnen mede-deelen, zonder meer te zeggen dan ik zeggen mag; wat er gebeuren moest, daarover zijn de meeningen zoo verschillend, dat ik, om die aan te halen en te weerleggen en de mijne uit een te zetten, een dik boek zou moeten schrijven, waartoe mij natuurlijk, ook al gevoelde ik er mij toe opgewekt, de tijd ontbreken zou.
Steeds van harte,
T. T.
Donia.
VIERDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN LAND EN DORPSGEZICHT.
Bij den aanvang van dit hoofdstuk verzoeken wij onzen lezers, met ons voor de tweede maal een tusschenruimte van eenige jaren over te springen. Hebben wij hen tot nog toe bijna zonder uitzondering laten verwijlen in benauwde, van tabaksrook doortrokken en weinig comfortable vertrekken, of, wat niet veel vermakelijker was, in bedompte onderhuizen, en is zelfs hun verwachting, dat wellicht de brief van onzen vriend Donia hun een natuurtooneel op Java zou ontsluiten, verijdeld geworden, wij willen hun nu voor 't minst eenige vergoeding schenken en hen verplaatsen in een landschap, dat, al is het niet onder den heerlijken hemel der keerkringen gelegen, toch zijn eigenaardige bekoorlijkheden bezit. â In het midden van het uitgestrekte panorama, dat wij hun a vol d' oiseau doen beschouwen, verheft zich een ruime dorpskerk, waarvan het schip, zoowel als het benedenste gedeelte van den toren dagteekent van een paar eeuwen voor den tijd der hervorming. De bovenste helft van den toren is kennelijk van later tijd, en, wat den bouwstijl betreft, weinig met de rest in harmonie: 't zij dat de toren nooit naar 't oorspronkelijke plan geheel werd afgebouwd, 't zij, dat de oude spits door storm of onweer getroffen, of op andere wijze vernield, althans afgebroken en door een meer moderne vervangen werd. Om de kerk, die op eenigszins heuvelachtigen
157
grond staat, bevindt zich het kerkhof, omgeven met een oud, hier en daar afgebrokkeld muurtje. Twee toegangen, de eene ten noordoosten, de andere ten zuiden, zijn in dat muurtje opengelaten, ruim genoeg voor den voetganger, doch door middel van een houten, wit en groen geschilderden paal, die zich in 't midden van elke opening verheft, den doortocht versperrende aan paarden en vee. Van de eene naar de andere zijde loopt een voetpad van klinkers, met zorg onderhouden, en dat zich, in 't midden, voor de groen geschilderde kerkdeur, tot een pleintje vereenigt en verbreedt. Ten zuiden komt dat voetpad uit op den publieken weg en vlak tegenover een vrij aanzienlijk huis, met dubbele stoep en een ruim voorplein, vroeger het gemeentehuis; doch dat, sedert de ver-eeniging van dit en een paar andere dorpen tot ééne gemeente, en de verplaatsing van den gemeenschappelijken zetel des be-stuurs naar elders, aan bijzondere personen verhuurd en thans door den notaris bewoond wordt. De weg is verder hier aan weerszijden tot op eenigen afstand bezet met knappe burgerwoningen, meest door winkeliers of ambachtslieden bewoond, vele, zoo hier als in de zijstraten, met tuintjes voorzien. Verder op vertoonen zich langs den weg. van afstand tot afstand, grooter of kleiner zomerverblijven, uit wier aanleg zich de voorbijganger eenig denkbeeld kan maken van de meerdere of mindere mate van rijkdom of smaak, die de eigenaars of bewoners bezitten. Heeft dit alles over 't geheel een behaaglijk en welvarend aanzien, bevalliger is het uitzicht, dat zich voordoet aan hem, die de kerk van de noordoostelijke zijde verlaat. Daar toch vertoonen zich aan zijn oog geen elkander opvolgende huizen, maar afzonderlijk staande, her- en derwaarts verspreide boerenwoningen en schuren; rijke boomgaarden, waar op dit tijdstip (wij zijn thans half Juni) de appel- en pereboomen bereids hun witten dos hebben afgeschud, maar de kerseboomen, aan de roode aderen, die door 't groen van hun gebladerte kronkelen, van verre te herkennen zijn: uitgestrekte akkers, op welke de aardappelstruiken, een groen tapijt gelijk, met blauwe en witte spikkels bezaaid, de glan-
158
zende tabaksplanten, die in 't zonnelicht flikkeren als de scherpe bladen van duizenden pennemessen, en de reeds gele korenhalmen â eerlang ook de witte boekweit â de fraaiste kleurschakeering vormen. Hier en daar is het veld, dat golvende oploopt, met prachtige eiken- of beukenlanen omlijst, of verheft zich, als een eenzame schildwacht, een statige boom midden uit het bouwland. Hooger op verheffen zich rijzige dennen uit den zandigen heuvelgrond, als ter bescherming van het gewas, dat aan hun voeten groeit, en daartusschen dolen witgewolde kudden over de blauwende heide.
Hebben wij onze oogen genoeg verlustigd met de beschouwing van dit liefelijke landschap, dan wenden wij ze naar een huis, dat zich, meer in onze nabijheid, 't naast bij de kerk bevindt, en dat zich door een pannendak onderscheidt van de met stroo gedekte boerenwoningen. Het is de pastorie, een knap gebouw, met gewitten gevel, staande te midden van een ruim erf, 't welk een bloem- en moestuin en een boomgaard bevat. De zijweg, die dat huis van het kerkhof scheidt, is, evenals de straks beschreven hoofdstraat, waarmede hij ten westen van het kerkhof samenloopt, met groote keien bestraat; doch verandert aan de oostzijde, iets verder, in een macadamsweg, die zich in twee takken splitst, van welke de een naar een prachtig park voert, waar men, aan 't einde eener dreef, met statige beuken beplant, de schoorsteenen en muren eener trotsche en sierlijke huizinge tusschen het geboomte ziet doorschemeren. De andere tak verdeelt zich op korten afstand nogmaals in twee wegen: de een, tot op zekere hoogte meer bepuind, loopt in een rullen zandweg uit, die, berg op, berg af, over de uitgestrekte heide slingert; de andere, die gemacadamiseerd blijft, geleidt naar een bekoorlijke villa, wier witte gevel, met een veranda voorzien, vroolijk afsteekt tegen het donker geboomte daaromheen. Achter de eiken- en beukendreven, die den lusthof omringen, rijst een uitgestrekt dennenwoud, en hooger op wordt ook hier de lijst der schilderij gevormd door de blauwe bergen der Veluwe.
159
Die kerk en dat raadhuis zijn die van de gemeente Harde-stein: dat statig landhuis is het huis te Hardestein, thans bewoond door Mevrouw de Gravinne Douairière Van Eylar, die villa het meer nederig verblijf van haar stiefzoon, den Graaf Van Eylar, en op die pastorie huist, nu sedert zeven jaren, de Wei-Eerwaarde Heer Gerlof Bol.
Wij willen den lezer, alvorens wij overgaan tot het nu verder aaneengeschakeld verhaal der lotgevallen van onze heldin, in korte trekken met de leefwijze der straks genoemde personen en met hun vernouding tot elkander bekend maken; de bijzonderheden zullen te zijner tijd nader ontwikkeld worden.
Ofschoon na den dood zijns vaders Graaf van Eylar, bewoonde onze voormalige Rederijker â en dit is met de meeste hoofden van adellijke huizen hier te lande het geval â de heerlijkheid niet, aan welke hij zijn naam ontleende, eensdeels, omdat het slot te Eylar, waar zijn voorvaders op geleefd hadden, sedert lang vernield was en in puin lag, anderdeels omdat de daarbij behoorende landgoederen, in het verloop dei-eeuwen, nu eens door geweld, dan door afstand of ruiling, voor het grootste gedeelte in vreemde handen waren overgegaan: eindelijk, omdat zij reeds vroeg hun hoofdverblijf naar hun heerlijkheid Hardestein hadden overgebracht. Met moeite zouden de Eylars dan ook hun staat hebben kunnen handhaven op een wijze met hun rang overeenkomstig, hadden niet twee loten uit hun stam, in verschillende tijdperken, zich verbonden met rijke erfdochters van Amsterdamsche patriciërs: welk middel om zich staande te houden zeer gewoon was bij Geldersche en Stichtsche jonkers. Ten gevolge van den weelderigen, ja overdadigen voet, waarop de grootvader en de vader van den tegenwoordigen Graaf geleefd hadden, die beiden, de eerste aan het hof van Willem V, de ander aan dat van Koning Lodewijk, aanzienlijke bedieningen hadden bekleed, waren hun inkomsten niet weinig ingekrompen en de noodzakelijkheid ontstaan om vele der vaste goederen, waaruit hun vermogen grootendeels bestond, met hypotheek te bezwaren. Peter Van Eylar had zich gevleid, zijn verwarde zaken te herstellen,.
160
door zich, na den dood van zijn eerste vrouw, de moeder van onzen vriend Louis, in een tweeden echt te begeven met de schatrijke jonkvrouwe De Lizieux, doch â de mensch wikt en God beschikt: en onzen edelman had de tijd ontbroken, dien hij behoefde om uit de renten van het vermogen, door gemelde jonkvrouw aangebracht, zooveel te kunnen aanwenden als noodig was om zijn eigendommen van het daarop liggende verband te bevrijden; immers de dood had hem weggerukt, een jaar na de promotie van zijn zoon Louis, en alzoo drie jaren nadat hem zijn echtgenoote dien tweeden erfgenaam geschonken had, van wien reeds in het Tweede en in het Derde Boek van dit ons verhaal in 't voorbijgaan is gesproken. Toen nu Louis Van Eylar bij zijns vaders dood bekend geworden was met den staat van diens nalatenschap, had hij zich zeer overtuigd, dat hij zijn leefwijze op een meer bekrompen voet moest inrichten dan de overledene gedaan had, doch tevens, dat, indien hij zich getroostte een tiental jaren op een betrekkelijk zuinigen voet te leven, hij zijn erfdeel onbezwaard zou kunnen bezitten. Gewis had hij spoediger dit doel kunnen bereiken, indien hij, evenals zijn vader, een rijke partij had gedaan, wat hem, met zijn naam, zijn voorkomen en al de gaven van verstand en hart, die hem versierden, niet moeilijk zou zijn geweest; doch hij had al vroeg zijn hart en na eenig tijdsverloop ook zijn hand weggeschonken aan de weinig bemiddelde Freule Maria van Redichem. Beseffende, dat het verblijf op het hooge huis te Hardestein hem te kostbaar zou uitvallen, had hij, na zijn huwelijk, een schikking getroffen met zijn stiefmoeder, waarbij deze het huis bleef betrekken, terwijl hij zich nederzette op Klein Hardestein, de bevallige, doch nederige villa, van welke wij zoo straks gewaagden. Hier had hij nu negen jaren, winter en zomer, gelukkig en tevreden met zijn echtgenoote geleefd en zag den tijd reeds nabij, waarop hij zijn eigendommen van allen schuldenlast bevrijd zou hebben. Slechts eene kwelling belette hem een volkomen geluk te smaken: zijn gade had hem tot heden geen kroost geschonken en er scheen weinig
161
hoop, dat zulks immer het geval zou zijn. Dit gemis van eigen kinderen had ten gevolge gehad, dat Eylar zich te inniger aan zijn halven broeder Maurits gehecht, en des te meer zorg aan diens opleiding besteed had. Wij hebben reeds uit den brief van Bol aan Donia vernomen, hoe deze knaap, kort na de verhaalde bijeenkomst der Pleïaden te Amsterdam, van de school terugverwacht werd en hoe Eylar den wensch had geuit, hem onder de leiding van Bol te stellen. Deze wensch was verwezenlijkt geworden; de oude predikant van Hardestein had, gelijk Eylar voorzag, zijn emeritaat bekomen, en Bol, door zijn vriend geroepen, had den afgetredene vervangen. Onnoodig is het te zeggen, dat hij gretig en dankbaar de bediening aanvaard had, en tevens de taak om aan den jongen Maurits zoodanig meer grondig onderricht in verschillende vakken van wetenschap te geven, als noodig waren om het examen voor de militaire academie te kunnen doorstaan. Zoo getrouw had zich Bol van zijn taak gekweten en met zooveel ijver had de knaap, die reeds op school goede gronden gelegd had, de ontvangen lessen ten nutte gemaakt, dat, na verloop van anderhalf jaar, de jonge Maurits Van Eylar als een der meestbelovende adspiranten aan gezegde academie werd opgenomen; terwijl hij, na afloop van den cursus aldaar, tot officier bij het wapen der artillerie was bevorderd.
Wat Bol aangaat, hij was nog immer ongehuwd, ofschoon niet langer geheel alleen. Nauwelijks was hij op Hardestein beroepen, of zijn eenige zuster, Magdalena, die, zoolang hij te Slikdorp was, geen geneigdheid had gevoeld, haar geboorteplaats te verlaten voor de Waterlandsche moerassen, had zich dadelijk bereid verklaard, zijn huishouden te komen besturen. Of en in hoeverre het vooruitzicht, op Hardestein met groote lui te verkeeren (die op Slikdorp niet te vinden waren) van invloed geweest was op haar besluit, zal ons spoedig blijken uit een gesprek, tusschen haar en haar broeder gevoerd, en hetwelk wij thans gaan beluisteren.
Beiden zijn op het erf der pastorie gezeten, in een prieeltje, gevormd van latwerk, om een treur-esch geslagen, wiens
i. - k. z. - n
162
bladerkruin hen overschaduwt. Zij is bezig met het stoppen van eene van haars broeders zwarte kousen: hij zit zijn pijp te rooken en te lezen in een godgeleerd tijdschrift; doch het is duidelijk, dat hij niet dan een verdeelde aandacht schenkt aan zijn lectuur, en er heerscht eenige onrust in den blik. dien hij reis op reis naar den publieken weg slaat.
âMij dunkt je schijnt al zeer bevreesd, dat die brief niet komen zal,quot; merkte zijn zuster aan, op een toon, die niet vrij was van eenige scherpte.
Maar wij zouden schier vergeten, dat het gepast is, de persoon van Mejuffrouw Magdalena Bol, of âJuffrouw Leentjequot;. gelijk zij binnen een uur in den omtrek genoemd werd, alvorens wij haar sprekende invoeren, aan den lezer voor te stellen.
âJuffrouw Leentje was ruim twee jaren ouder dan haar broeder, en begon alzoo den leeftijd te naderen, waarop men voor een oude vrijster doorgaat. Wat haar gelaat betrof, dit had veel overeenkomst met dat van Gerlof en kon dus geen aanspraak maken op bijzondere schoonheid; het miste daarbij den goedigen trek, die de leelijkheid van het zijne vergeten deed: haar lippen waren dunner, haar neus puntiger, haar kleur valer dan de zijne; haar oogen echter levendiger, naar sommiger oordeel te levendig; want zij waren altijd in beweging, en niets gebeurde in haar nabijheid, zelfs in het talrijkste gezelschap, dat haar bespiedenden blik ontging. Haar kleeding, altijd, en om goede redenen, vrij eenvoudig, bestond doorgaans, en ook nu, in een donkerkleurige katoenen japon, en zij droeg â wij zijn in de maand Juni â een ouden strooien huishoed op 't hoofd. Haar korte vingers, van die soort, welke des zomers rood en des winters blauw zien, en altijd even koud blijven, staken in gele handschoenen met afgeknipte toppen, welke handschoenen zij nooit aflegde â sommigen beweren, dat zij er zelfs mede sliep â dan alleen bij feestelijke gelegenheden, wanneer zij die tegen opengewerkte van zwarte zijde, mede zonder toppen, verwisselde. Welke verborgen bekoorlijkheid er eigenlijk in die tien bietkleurige vingertoppen, die zij altijd wees, te zoeken was, ziedaar wat nog niemand
168
onder de kennissen van juffrouw Leentje had kunnen uitmaken.
âJe schijnt al zeer bevreesd, dat die brief niet komen zal,quot; zeide zij.
âIs dat zoo vreemd?quot; vroeg op zijne beurt de predikant; âje weet, dat ik veel van Klaasje houd: het is een lief goed kind, en ik heb in lang geen tijding van haar gehad.quot;
âIk kan toch niet begrijpen, hoe je u zooveel kunt laten gelegen liggen aan een vondeling, die je eens in 't jaar ziet,quot; hernam Leentje, terwijl zij den neus optrok.
âIk zie geen de minste reden,quot; zeide Bol, âdat men haar om haar hoedanigheid van vondeling zou minachten, aangezien zij toch, indien men had goedgevonden haar op dit punt te raadplegen, en zij in staat geweest was, haar advies, met kennis van zaken, te geven, waarschijnlijk een anderen weg zou gekozen hebben om haar carrière te beginnen. En evenmin begrijp ik, hoe je eenige verwondering kunt toonen over mijn gehechtheid aan een lief, onschuldig wezen, voor 't welk ik zorg heb helpen dragen, bijna van 't oogenblik, dat het in de wereld kwam. Er bestaan voorbeelden genoeg, dat weldaden drukkend en lastig worden voor hem, die ze ontvangt: ja dat de beweldadigde, zelfs onwillekeurig, een hekel krijgt aan zijn weldoener; maar ik geloof, dat men vergeefs een voorbeeld zou zoeken van het omgekeerde, en dat de weldoener altijd een zeker zwak blijft behouden voor zijn beschermeling, ook zelfs al is deze ondankbaar; wat Klaasje tot nu toe niet toont te zijn.quot;
âJa! hernam zijn zuster, zonder zich de moeite te geven van over de opgeworpen paradox te redetwisten, en niet van den tekst willende afdwalen: âdat je je zeiven in zorg gestoken hebt voor dat schepsel, dat valt niet te ontkennen; maar wat hadt je er mee noodig? Waar zijn de vondelingshuizen voor, als men er de kinderen niet heenbrengt ?quot;
âVooreerst zijn de vondelingshuizen afgeschaft,quot; antwoordde Bol, âen ten andere kan het kind eigenlijk niet gezegd worden een vondeling te zijn geweest, aangezien het ons, 't zij bij veigissing, 't zij om een reden, die tot nog toe onopgelost is gebleven, is thuis gebracht.quot;
164
âIk had het in jou plaats stilletjes weer laten wegbrengen,quot; zei Leentje: âik zeg alsnog, je hebt als een groote gek gehandeld, dat je je met die zaak hebt ingelaten.quot;
â't Is mogelijk,quot; hernam Bol: âik wil daar niet over twisten, te minder, daar ik die gekheid maar voor een achtste op mijn rekening heb: maar in alle geval, nu zij eenmaal begaan is. moet ik er de gevolgen van dragen, en heb dan alle reden van dankbaar te zijn, dat die tot heden toe nogal gelukkig
zijn uitgevallen.quot;
âJe bent zelf arm, en je wilt anderen den kost geven,quot; vervolgde zijn zuster.
âIk heb nooit gelezen, dat de arme weduwe, die haar penningsken offerde, deswege berispt werd,quot; zeide Bol.
âEr is een groot onderscheid,quot; hernam Leentje, âtusschen het geven van een penningsken en het verschaffen van jaar-lijksche bijdragen aan een schepsel, dat ons niet raakt; je kleedt je zeiven uit, om die mamsel als een prinses voor den dag te laten komen.quot;
âHeeft het u of mij ooit aan het noodige ontbroken?quot; vroeg Bol.
âAan het noodige?quot; herhaalde zijn zuster: ânu ja, dat is er naar wat jij het noodige belieft te noemen. Ik heb werks genoeg, om met het beetje, dat je mij voor 't huishouden geeft, te zorgen, dat wij geen honger lijden, en ik schaam mij somtijds genoeg de oogen uit het hoofd, als ik zien moet, hoe je met een gekeerde jas en gestopte kousen loopt. Ik blijf er bij: het geld, dat je aan die meid zendt, is een diefstal aan je zelf gepleegd.quot;
âIk ben geen rechtsgeleerde,quot; zeide Bol: âmaar zooveel weet ik er wel van, dat niemand om zoo'n diefstal naar de kast gaat.quot;
âNu, als jij verkiest, er haveloos uit te zien, mij wel! â maar ik lij er ook door, en ik zeg maar, het is hard, dat ik met oude verschoten japonnen moet loopen en die juffrouw Klaasje als een prinses wordt uitgedost.quot;
âZiedaar nu tweemaal, dat je dat woord prinses gebruikt,quot;
165
hernam Bol: âik weet intusschen niet, waaruit je aanleiding neemt om te onderstellen, dat het goede kind zwierig of opzichtig gekleed gaat. Zoo iets zou nimmer met mijn toestemming geschieden; want het zou niet in overeenstemming zijn öf met haar positie of met haar vooruitzichten. Zij komt netjes en knap voor den dag, naar ik hoor, en dat is alles.quot;
âIk zou met dat al toch willen wedden, dat zij meer verschot van kleeren heeft dan ik,quot; vervolgde Leentje.
âIk heb uw wederzijdsche garde-robes nooit gemonsterd,quot; zeide Bol, lachende: âmaar in allen gevalle is zij zooveel jonger dan jij en dus meer verplicht, de mode te volgen.quot;
âLaat zij een modepop worden voor mijn part,quot; zeide Leentje: âmaar niet ten uwen koste. Ik weet waarachtig niet, watje meer voor haar zoudt doen, zoo je haar eigen vader waart, en de men-schen moeten wel denken, dat ze je niet zoo heel vreemd is.quot;
Een pijnlijke uitdrukking vertoonde zich op het gelaat van den predikant, en hij was op het punt, een scherp antwoord aan zijn zuster te geven. Hij wist echter zijn gevoel van wrevel te onderdrukken en zeide met een â hoewel gedwongen â glimlach:
âWie geneigd was, zulke dwaasheden te gelooven, zou haar lief bakkesje maar eens moeten zien en met mijn tronie vergelijken, en hij zou, met de Schrift, erkennen, dat men geen druiven van distelen leest. Maar ik heb je al dikwijls gezeid, Leentjelief! dat je klachten over mijn uitgaven overdreven zijn. Je weet immers, dat Klaasje verscheiden pleegouders heeft, waaronder, die rijk zijn, en dat ik maar gehouden ben een naar evenredigheid klein gedeelte bij te brengen tot het fonds, waaruit zij verzorgd wordt.quot;
âJa,quot; antwoordde Leentje: âdat weet ik; maar ik weet ook, dat er onder die rijken zijn, die zich onttrekken, en dat, zoodoende, de grootste zorg neer moet komen op diegenen, die 't minst in staat zijn, ze te dragen. Ontken het maar niet, Dominee! je kleur verraadt je.quot;
En inderdaad, Gerlof had een kleur gekregen; want zijn zuster had maar al te juist geraden.
166
âWie vertelt zulke dingen?quot; vroeg hij, na een poos gezwegen te hebben.
âWie?quot; herhaalde Leentje: âdat 'som 't even: ik weet wat ik weet, en ik zeg maar, het is hoog tijd voor u, een eind te maken aan die zotte uitgaven ten behoeve van die meid, of je helpt je zelf en mij nog tot den bedelstaf.quot;
âIk zou al zeer weinig vertrouwen hebben in den Heer, dien ik predik,quot; zeide Bol, âindien ik dienaangaande bezorgdheid gevoelde. Neen, liever dan aan zulke gedachten voedsel te geven, moest je met mij je verheugen, dat hetgeen wij aan het lieve kind gedaan hebben, blijkbaar is gezegend geworden. Je zoudt, ik ben er zeker van. met haar ingenomen zijn, indien je haar leerdet kennen, en ontwaardet, hoe gunstig zij naar ziel en lichaam ontwikkeld is.quot;
âIk ben volstrekt niet op de kennismaking gesteld,quot; zeide Leentje, op een bitsen toon.
âWel, dat spijt mij,quot; hernam Bol: âwant ik had juist gedacht, dat het u niet onaangenaam zou wezen, indien zij eens voor een week of drie ons eenvoudig leventje wat kwam opvroolijken.quot;
De goede man was. na hetgeen voorafgegaan was, er eenigs-zins op voorbereid, dat deze zijn woorden, waarin blijkbaar meer dan een gewone onderstelling lag opgesloten, bij zijn zuster een uitbarsting teweeg zouden brengen, en er heerschte in den blik, waarmede hij haar aanzag na 't einde van zijn volzin, een niet ongewettigde beschroomdheid.
âWel ja!quot; riep zij uit, terwijl zij blikken op haar broeder wierp, die, zoo zij pijlen geweest waren, hem hadden doorboord: âdat zou er nog maar aan ontbreken, dat je dat bedelkind bij ons in huis naamt, om ons heelemaal uit te zuigen. God weet het, misschien ben je wel van zins er je vrouw, of nog erger, van te maken. Maar dit moet je vooraf weten, dat, eer zoo iets gebeurt, ik hier vandaan trek, en tenminste door mijn tegenwoordigheid zulke schandalen niet zal wettigen.quot;
Bol beet zich op de lippen; doch te recht besefte hij, dat hij den strijd, dien hij ging aanvangen, moest verliezen, zoodra hij zijn kalmte verloor. Hij liet dus de hatelijke onderstelling
167
zijner zuster zonder antwoord, haalde, ten einde zich een contenance van bedaardheid te geven, het tabakskistje, dat voor hem op de ronde tuintafel stond, naar zich toe, stopte een versche pijp en zette toen eerst het gesprek voort.
âEilieve!quot; zeide hij, âtoon je toch niet boozer dan je inderdaad zijt. Ik mag niet wedden, anders zou ik het doen, dat, â¢eer Klaasje een week hier geweest is, je nog meer met haar zult ingenomen zijn dan ik.quot;
âZoo is het dan werkelijk, in vollen ernst, je voornemen, haar bij je in te nemen?quot; vroeg Leentje, hem aanziende met «en paar oogen, waarin, bij verbazing en verontwaardiging, toch ook een zekere angst te lezen was.
âHaar bij mij in te nemen, neen,quot; antwoordde haar broeder, âhaar een week of wat, zoolang tot zij een betrekking vindt, huisvesting te verleenen, ja: â en ik zou wel eens willen weten, waarom dat u, of iemand anders, stof zou geven tot ergernis.quot;
âGeen stof tot ergernis!quot; herhaalde Leentje, âen als de menschen dan vroegen: âwie is dat juffertje?quot; wat zou ik -dan moeten antwoorden? Een gevonden kind, dat Dominee voor de tweede reis in zijn leven wordt op zijn dak gestuurd! â Mooie praatjes zouden er van komen. Neen, eer ik kans loop van ze aan te hooren, ga ik liever van hier.quot;
âJe schijnt niet te bedenken,quot; zeide Bol: âdat je, juist door heen te gaan, stof zoudt geven aan de kwaadsprekendheid: en dat integendeel, wanneer men ziet, dat je het kind in liefde ontvangt, en je overal met haar vertoont, het geen sterveling op de gedachte zal komen, uit haar tegenwoordigheid alhier ^enigj gevolgtrekking te mijnen nadeele af te leiden.quot;
Leentje had er wel degelijk over nagedacht, en zij zegevierde inwendig bij de gedachte, dat haar broeder zelf de kracht scheen te erkennen van het wapen, dat zij tegen hem in handen had.
âHet zij daarmee hoe 't wil,quot; zeide zij; âmaar dit verzeker ik je, dat ik geen trek hoegenaamd gevoel, in gezelschap van dat juffertje hier te blijven. Ik zeg u dus eenvoudig eens
Iö8
voor altijd; Gerlof! je hebt te kiezen tusschen haar en mij.quot;
âHoor eens, zuster!quot; zeide Bol, op een gestrenger toon dan zij van hem gewend was: âik zou je onder 't oog kunnen brengen, welke dwaasheid je zoudt begaan, met het rustige, onbekommerde en nogal zoo geheel van genoegens niet ont-bloote leven, dat je hier leidt, vaarwel te zeggen, zonder zeker te zijn, dat je 't elders beter hadt; doch ik wil zelfs den schijn niet aannemen, onedelmoedig tegen u te zijn. Evenmin wil ik vragen, of het christelijk van je gehandeld is, je te onttrekken aan de gelegenheid om een plicht van liefde en welwillendheid te vervullen ten opzichte van een medezuster, die aan beide behoefte heeft; ik laat dit alles liever aan uw eigen overdenkingen over. Maar wat ik u thans te verzoeken heb, is alleen, wel te overwegen, dat je niet mijn vrouw, maar mijn zuster zijt. In het eerste geval zou ik tegen mijn plicht handelen, indien ik iemand tegen je zin in huis nam, omdat je dan genoodzaakt zoudt zijn, hoe onwillig ook, het bijzijn van zoo iemand te dulden; â maar, zooals nu de zaken staan, kan noch mag ik mij door uw grillige bedenkingen laten terughouden van datgene, wat ik besloten heb te doen, omdat ik het goed en nuttig acht: immers je bent vrij mensch, en zoodra het je bij mij niet langer bevalt, kunt ge van hier vertrekken, 't Zou mij spijten; maar ik zou er wel in moeten berusten.quot;
âHoe! wat!quot; zeide Leentje, wier gelaat wit werd van spijt en ontsteltenis; âje zoudt mij, je eigen zuster, ter liefde van dat vreemde meubel, de deur uitzetten ?quot;
âIk zal dat meisje, hetwelk ik geenszins als een vreemd meubel beschouw, maar als hetgeen het is, als mijn pleegkind, in mijn huis ontvangen, gedeeltelijk uit eigen wil en begeerte, gedeeltelijk om genoegen te doen aan mijn vriend Eylar: â en ik zal u de deur niet uitzetten. Integendeel zal het mij een groot genoegen zijn, zoo je mij helpt haar het verblijf te mijnent aangenaam te maken, en zoo je haar eenig onderricht wilt verstrekken in die vakken, welke zij op de school, of niet, öf niet grondig geleerd heeft, als b. v. kookkunst en
169
grove handwerken. â Maar zoo haar komst u zoo ondraaglijk is, de pastorie van Hardestein is geen kerker, en niemand is gedwongen er tegen zijn zin te blijven.quot;
âWeet Eylar er van?quot; vroeg Leentje, verrast.
ââJe weet, dat ze ook zijn pleegdochter is.quot;
âMaar waarom gaat zij dan niet bij hem logceren? â hij heeft ruimte en gelegenheid in huis en wij kunnen niemand kost en inwoning geven zonder in uitgaven te vervallen, die je niet betalen kunt.quot;
âHij heeft,quot; antwoordde Bol, âmij met zijn gewone edelmoedigheid het noodige verstrekt, om de kosten, die het verblijf van Klaasje ons veroorzaken zal, te bestrijden.quot;
âZoo! heeft hij je geld gegeven?quot; vroeg Leentje, in wier oogen de zaak nu terstond een geheel andere wending begon te krijgen: âen waarom dat niet terstond gezeid?quot;
âWel!quot; antwoordde Bol, âom twee zeer natuurlijke redenen: vooreerst, dacht ik, zou je mij zooveel gezond verstand toeschrijven, dat ik geen verplichting op mij zou laden, die ik niet vervullen kan zonder mij in schulden te steken, en ten andere kon noch wilde ik onderstellen, dat mijn zuster, uit liefde voor den Mammon, zou willen doen hetgeen zij weigerde te doen uit Christelijke liefde.quot;
âIk zie dan toch maar,quot; hervatte Leentje, liever den draad van haar eigen gedachten volgende dan zich te verklaren omtrent de beschuldiging van onchristelijkheid, door haar broeder bedektelijk tegen haar ingebracht, âik zie, dat Mevrouw Van Eylar er net zoo over denkt als ik, en ook niet verlangt, zoo'n onbekend portret in huis te hebben; want ik ben bijna zeker, dat Eylar alleen daarom u die logeerpartij heeft opgedraaid.quot;
âIk heb Mevrouw Van Eylar zoo iets niet hooren zeggen,quot; zeide de predikant.
âEen Mennist antwoord,quot; zeide Leentje.
âDe reden, die Eylar hebben mag,quot; vervolgde Bol, op koelen toon, âgaan ons niet aan: en al hadt je recht in je onderstelling, ik heb je reeds doen opmerken, dat men aan een
170
getrouwde vrouw vaak toegeven moet wat men aan niemand anders, zelfs aan geen zuster, toegeven mag.quot;
âJa, ik weet, dat een zuster bij jou maar een nul in het cijfer is,quot; zeide Leentje, gramstorig, âen toch, ik meende, na al wat ik voor je gedaan heb, eenige aanspraak te hebben om ook een stem in 't kapittel te geven.quot;
âWel!quot; zeide Bol: âmij dunkt, dat ik je die nooit geweigerd heb in eenige zaak, die de huishouding betrof, ja zelfs, dat ik je daaromtrent naar je eigen zinnelijkheid heb laten handelen: gelijk ik het dan ook nu wederom geheel aan jou overlaat, te beschikken, hoe de logeerkamer op de beste en geriefelijkste wijze zal worden ingericht om ons juffertje te ontvangen.quot;
âIk denk er mij wel deugdelijk buiten te houden,quot; zeide Leentje: âjij bent de man, die haar verzocht hebt; jij kunt ook zorgen, dat zij naar verdienste onthaald wordt.quot;
âInderdaad?quot; vroeg Bol, zich gelatende alsof hem deze woorden van Leentje een vergunning schonken, waar hij hoogen prijs op stelde: âlaat je 't aan mij over? â Nu, dan zul je eens zien, hoe ik de logeerkamer zal opknappen. Zoodra wij gegeten hebben, ga ik naar Denneman, en zoek behangselpapier uit en sitsen gordijnen voor 't ledikant. Er mag ook wel een kleed in de kamer geleid worden, en ik zal, geloof ik, ook een half dozijn stoelen bestellen, want die er staan zijn mooi wurmstekig.quot;
âScheelt het je nou waarachtig in 't hoofd?quot; vroeg Leentje, hem aanziende alsof zij inderdaad zoo iets vermoedde: âis 't ernst of gekscheren ?quot;
âWel!quot; antwoordde Bol; âje wilt er je niet mee bemoeien; dan moet ik immers wel zorgen, dat het geld van Eylar naar behooren besteed wordt.quot;
âNoem je dat naar behooren?quot; vroeg Leentje, âhet op zoo'n manier over de balk te gooien ? Moet die meid het prachtiger hebben dan wij? je deedt wijzer van te beginnen met je een nieuwen rok te laten maken, en een sommetje op zij te leggen om winterprovisie te koopen, eer je aan tapijten en sitsjes dacht.quot;
171
âIk dank je voor je raad,quot; zeide Bol: âmaar wat ik gekregen heb om ten behoeve van ons pleegkind aan te wenden, mag ik niet ten eigen voordeele gebruiken. Genoeg! je hebt nu eenmaal verklaard, de schikkingen aan mij over te laten, en ik hou je aan je woord. Zoodra wij gegeten hebben ga ik naar den behanger.quot;
âMaar Gerlof! ik zal het waarachtig niet dulden,quot; hernam Leentje, meer en meer ontrust; âzeg eens, hoe groot is de som, die Eylar u gegeven heeft?quot;
âEen bankje van honderd gulden,quot; antwoordde Bol: âen dat zal wel overvloedig genoeg wezen om al de kosten te vergoeden, waar mij 't verblijf van Klaasje op jagen zal. Maar welk belang stel je er toch in, dit te weten?quot;
âEn denk je dan,quot; vroeg Leentje, âdat je met honderd gulden klaar zult komen, als je al die meubels koopt? â vooral als jij ze bestellen moet, die er zooveel verstand van hebt als een os van in den bijbel te lezen? je zult eens zien, wat een rekening van Jan Kalebas die Denneman je schrijven zal. En waar zul je dan het noodige vandaan halen voor de buitengewone onkosten in 't huishouden? Je hebt het niet aan mij verdiend; maar toch zal ik niet gedoogen, dat je op die wijze het goede geld te grabbelen smijt.quot;
âIk zal ook een spiegel uit de stad dienen te laten komen,quot; vervolgde Bol, als tot zich zeiven sprekende: âen eens bij Ruif aangaan om te zien, of hij een nieuwerwetsche chiffonnière heeft.quot;
âHeb je bij geval, behalve hetgeen je van Eylar hebt gekregen, een prijs uit de loterij getrokken?quot; vroeg Leentje, zich onrustig op haar tuinstoel heen en weer bewegende.
âBah!quot; zeide Bol: âeen toiletspiegel, wat mag die kosten? Zij dient toch gelegenheid te hebben om te zien of haar krullen netjes zitten, als zij op 't feest bij madame mère genoodigd wordt.quot;
âOp 't feest bij madame mère!quot; herhaalde Leentje.
âWel natuurlijk,quot; vervolgde Bol: âen op het diner bij Mevrouw Van Doertoghe, die mij gisteren bij 't uitgaan van
172
de kerk gezeid heeft, dat zij mij eerstdaags hoopte bij zich te vragen met mijn zuster en mijn logée.quot;
âBij Mevrouw Van Doertoghe!quot; galmde Leentje: âgaan wij daar eten? en weet die reeds, dat wij een logée krijgen?quot;
âDus, alles wel beschouwd,quot; ging Bol voort, âindien de jonge freule Van Doerthoge of de dames Prawley eens een bezoek bij haar komen doen, dient zij een geschikte kamer te hebben om ze te ontvangen.quot;
âJa, die zullen bij haar komen!quot; zeide Leentje; âbij een schepsel, waar men de ouders niet van kent.quot;
âBij een meisje, dat de eer heeft te mijnen huize te logeeren en door mijn vriend Eylar te worden ontvangen,quot; zeide Bol met waardigheid: âmaar ik weet niet, hoe ik nog zoo dwaas ben, langer over dit onderwerp mijn woorden te verspillen. Je hebt straks zoo bepaald verklaard, niets met het arme kind te doen te willen hebben, dat mijn beschikkingen ten haren opzichte u onverschillig moeten zijn.quot;
â't Kan mij toch niet onverschillig zijn,quot; hernam Leentje, âdat je op zulk een brooddronken wijze wilt omspringen met geld, dat nuttiger besteed kon worden. En denk je, dat je met honderd gulden toe zult komen voor al wat je koopen wilt? â En als dat geld op is, waar zul je dan mee betalen wat de meid je verder kosten moet? of reken je er op, dat Eylar zal bijpassen wat er te kort komt?quot;
âJe meent alzoo,quot; zeide Bol, het onnoozelste gezicht van de wereld zettende, âdat honderd gulden niet toereikend zouden wezen om er mij de voorwerpen voor aan te schaffen die ik zooeven noemde, zoodat er nog wat overblijft?quot;
âEn dat juffertje den kost nog te geven daarbij? neen, op verre na niet,quot; antwoordde Leentje.
âHm! zoo!quot; hernam Bol, een peinzende houding aannemende: ânu! Denneman is een eerlijke kerel: ik zal hem vijftig gulden geven, en hem zeggen, dat hij mij daarvoor zooveel bezorgt als hij kan leveren.quot;
âOm je bij den neus te laten nemen, en met open oogen te laten bedotten?quot; vroeg Leentje; âhoor eens! weet je wat,
173
geef mij je bankje, en je zult zien, hoe ik er de logeerkamer zoo netjes mee in orde maak, dat geen prinses zich zou behoeven te schamen er in te slapen.quot;
âJij!quot; riep haar broeder uit, terwijl hij de hoogste verwondering veinsde: âik dacht, je wildet niets met het geval te doen hebben.quot;
âJe verdiendet wel,quot; antwoordde Leentje, âdat ik je aan je lot overliet; maar ik ben nog te veel aan je gehecht om niet mijn best te doen van je voor gekheden te bewaren.quot;
âNu!quot; zeide Bol, verheugd, dat zijn zuster eindelijk als van zelve gekomen was waar hij haar hebben wilde, âindien je begrijpt met honderd gulden meer te doen dan ik, zoo heb ik er niet tegen dat je 't beproeft.quot;
âWanneer wacht je dat wonderkind?quot; vroeg Leentje.
âDat zal ik je zeggen zoodra ik het zelf weet,quot; antwoordde Bol; âmaar daar komt Hendt de bode juist van pas, en nu zullen wij, hoop ik, er weer van weten.quot;
âVier stuivers,quot; riep de brievenbesteller, die op dit oogen-blik van de dorpszijde kwam en het tuinhek binnentrad.
â't Is zooals ik hoopte,quot; zeide de Predikant, nadat hij den brief aangenomen en de hand op het adres herkend had; âhier is je geld, Hendt. â Ik heb je zoon in de laatste dagen een en andermaal op de catechisatie gemist, en de meester klaagt ook al, dat hij slordig school komt; wat beteekent dat?quot;
âHet was wat volhandig met boodschappen,quot; antwoordde Hendt, zich achter 't oor krabbende: âen hij heeft mij moeten helpen.quot;
âDat is te zeggen,quot; verbeterde Bol, âdat je hem in uw plaats hebt uitgezonden, om zelf wat langer in de herberg te kunnen zitten. Ik wil gelooven, dat de jongen het vermakelijker vindt, met brieven en pakketten rond te slenteren, die dan doorgaans te laat bezorgd worden, dan bij den meester of bij mij het onderwijs bij te wonen, en evenzeer dat jij liever je pijp zit te rooken en je borreltje te drinken, dan je bediening waar te nemen; maar zoodoende verzuim jij je plicht, laat hem den zijnen verzuimen, en bederft hem door
174
je voorbeeld. Dat is bepaald verkeerd, en strijdig met wat je aan God en je overheid verschuldigd zijt. Want God heeft je geroepen om te arbeiden en je kinderen in 't goede voor te gaan, en je overheid heeft je den post van bode en besteller gegeven, om dien zelf waar te nemen, niet om dit zonder noodzaak door een ander te laten doen.quot;
âWat zal ik je zeggen. Dominee!quot;' mompelde de bode, terwijl hij zijn hoed in beide handen ronddraaide, âde jongen moet toch ook leeren bij de menschen rond te loopen in mijn plaats, en, als ik 'reis ziek ben, 't werk voor mij te doen.quot;
âDan kon je hem de namiddag-boodschappen laten doen,quot; hernam de predikant: âof hem 'smorgens vroeg uitsturen en hem ten minste vrij laten op de uren, dat hij op school of bij mij moet zijn.quot;
âJa,quot; zeide Hendt: âdat is juist wat ik ook doe ; en de jongen zou wel klaar kunnen komen vóór schooltijd, maar dat loopt clan speulen en blijft praatjes houen, en zoo verdoet hij zijn tijd. Ik zal hem 'reis duchtig onderhanden nemen.quot;
âOver wat?quot; viel Bol in: âdaarover, dat hij uw voorbeeld volgt? Mocht hij zijn tijd al verpraten en verspelen, hij liep ten minste voor u rond, en jij voerdet niets uit onderwijl. â Weet je wat je doet, Hendt! zoo je 't noodig acht om den jongen te oefenen, neem hem dan in 't vervolg van tijd tot tijd mee, als je zelf uitgaat: dan heb je hem in 't oog en je bent sekuur dat hij niet in 't wilde loopt; maar niet op school-of catechisatie-uren, versta je?quot;
âHm!quot; bromde Hendt: âde jongen kan al genoeg lezen en schrijven: 't wordt tijd, dat hij wat verdient.quot;
âJe gelooft dus,quot; vroeg Bol, met een bestraffenden blik, âdat het Genootschap betaalt om hem leeg te laten loopen? Nu, â dat zal de Juffrouw eens onderzoeken.quot;
âWel! 't behoeft niet onderzocht te worden,quot; zeide Leentje, zich in 't gesprek mengende, op een toon van gewicht: âhij erkent het immers zelf, dat hij zijn jongen van school wil nemen. Nu! dat staat je vrij, Hendt! en niemand dwingt je zijn weldaden op. Maar je weet ook, wat je te wachten
staat, wanneer de jongen vóór zijn tijd de school verlaat.quot;
âHeden, Juffrouw!quot; zeide de bode verlegen: â't was maar zoo, omdat ik dacht, de dames zouden 't zeiven wel goedvinden, dat Jantje---- maar zoo gauw als de Juffrouw 't anders begrijpt .... nu! ik zal zorgen dat hij niet weer verzuimt.quot;
âEn je zult wel doen,quot; hernam Bol, âvoor zijn welzijn en voor 't uwe. Goeden dag! en denk over 't geen wij u gezegd hebben.quot;
âDaar zal niets aan mankeeren,quot; zeide Hendt: ânu, dag Dominee, dag Juffrouw!quot;
â't Is een schandaal,quot; merkte Leentje aan, zoodra hij zich verwijderd had: âdie vent zou zijn jongen voor de galg laten opgroeien, mits hij maar in de kroeg kon blijven zitten. Zulk volk denkt aan God noch zijn gebod.quot;
âIk ken er meer zoo,quot; zeide Bol, droogweg: âen die toch niet onder zulk volk gerekend worden. Doch nu eens gezien, wat Klaasje schrijft.quot;
En, den brief openende, las hij overluid, als volgt:
âWaarde vader!
âHet heeft mij recht verheugd, met uwen laatsten brief goede tijding van u en van vader Eylar te ontvangen. Het is mij altijd een ware feestdag, wanneer ik iets van mijn weldoeners verneem.quot;
âEn, als ze eens vernam, dat ik mijn been had gebroken,quot; merkte Bol met een glimlach aan: âdoch 't kind meent het goed. â Verder!quot;
âGij kunt niet gelooven, hoe mij het aangename vooruitzicht verheugt, spoedig bij u te zijn. Mevrouw Zilverman toont mij wel alle mogelijke vriendschap, maar____quot;
âMoet zoo'n schoolmamsel ook al Mevrouw heeten?quot; vroeg Leentje: âwist men daar in onze jeugd van? Niet eene van haar, die het toen in 't hoofd zou gekregen hebben, zich anders dan âJuffrouwquot; te laten noemen; net zoomin als de Dominees-
176
vrouwen. Daar was de vrouw van Dominee Van Poelderen te Loswljck; haar man was Baron en zij een Freule van Anem. en zij werd toch nooit anders dan âJuffrouwquot; genoemd, 't Is zeker, dat het haar wel wat hinderde: en toen haar man dood was. en zij stil te Deventer ging leven, heette men haar weer Mevrouw.quot;
âNu! dat was altijd een troost.quot; zeide Bol, lachende: âen zoo is er geen ongeluk, of 't is ergens goed voor; verder: waar was ik gebleven....? ah! hier:quot;
âMaar het is hier toch, wanneer al de meisjes naar huis zijn, zoo stil en treurig. En dan weet ik zelve niet, of ik niet eigenlijk over de hand ben. Ook gevoel ik, hoe het tijd wordt, dat ik eindelijk de school verlate, en zoo 't mij gebeuren mag, hier of daar in een betrekking geplaatst te worden, de bewijzen te leveren, dat hetgeen aan mijn opvoeding is ten koste gelegd, niet geheel vruchteloos besteed werd. Ik geloof in staat te zijn, de gronden van de Fransche en Engelsche talen te onderwijzen: alleen besef ik, dat, om een volkomen zuivere uitspraak te verkrijgen, ik in de gelegenheid zou moeten zijn, eenigen tijd met lieden te verkeeren, die ze met volkomenheid spreken. In de meeste handwerken en in de beginselen der muziek en zang ben ik ver genoeg. Ik heb ten minste de oefeningen der jongere élèves al dikwijls in die vakken tot genoegen van den muziekmeester bestuurd. Misschien zal Mevrouw, indien eene harer secondantes haar verlaat, mij in hare plaats willen nemen, in geval mijn waarde pleegvaders dit namelijk goedkeuren....'
âNu zie je 't zelf!quot; zeide Leentje, invallende: âzij wil secondante worden. En denk je nu, dat Mevrouw Van Eylar of Mevrouw Van Doertoghe en de haren met een secondante zullen verkeeren willen?quot;
âMijn beste Lena!quot; antwoordde Bol: âhoe hooger de dames, die je daar noemt, op de maatschappelijke ladder staan, hoe minder zij er zwarigheid in maken zullen, de hand te reiken
177
aan iemand, die op een der laagste sporten staat, mits die iemand slechts goede manieren heeft en een beschaafde taal spreekt, 't Is alleen tot hen of haar, met wie men maar een of twee sporten verschilt, dat men niet gaarne wil afdalen. En dan? hebben de voornoemde dames ooit getoond, op u of mij neer te zien, omdat wij kinderen zijn van een kruidenier?quot;
â0!quot; antwoordde Leentje: âeen predikant vindt overal een beleefd onthaal, en voor mij, als je zuster, kunnen zij fatsoenshalve de deur niet sluiten.quot;
âDat is braaf en nederig van je gesproken,quot; zeide Bol, met een goedkeurenden glimlach: âen wij zullen nu maar vertrouwen, dat, zoo zij beleefd jegens u zijn, zij het ook jegens Klaasje zullen wezen. â Je ziet intusschen dat het goede kind zich geen te schitterende vooruitzichten vormt, ja niet weinig zelfverloochening toont, wanneer zij zich bereid verklaart een betrekking als secondante aan te nemen. Immers zij is in de gelegenheid geweest, al het vermakelijke van dat baantje van nabij te leeren kennen. â En nu verder:
âIk heb veel gehoord van het aangename en schilderachtige der landstreek, waarin Hardestein gelegen is, en stel mij een onbegrijpelijk genoegen voor, die bekoorlijke natuur eens met eigen oogen te zien. Maar nog grooter genoegen zal het mij zijn, vader Eylar en u terug te zien, en kennis te maken met Mejuffrouw uwe zuster, die ongetwijfeld even lief en goed is als gij.quot;
Hier hield Bol even op met lezen en zag zijn zuster met een schalkschen blik aan.
âStaat er dat?quot; vroeg zij, niet wetende, of zij lachen zou dan wel een zuur gezicht zetten.
âz/cjSs y.al léye '), zooals Aristophanes zegt,quot; antwoordde Bol, haar den brief voorhoudende: âen nu hoop ik, dat zij ondervinden zal, hoe je niet alleen lief en goed, maar in honderd opzichten beter en wijzer zijt dan ik. â Ik vervolg:quot;
') âNeem en lees.' I. - K. Z.
12
178
âIk hoop maar, dat mijn verblijf ten uwent haar geen te groote ongelegenheid zal verschaffen, en dat zij mij wel zal willen vergunnen, haar van eenigen dienst te zijn in 't huishouden; waarbij zij, zoo ik dringend verzoek, mijn onbedrevenheid wel zal willen verschoonen, en mij zoodanige terechtwijzingen niet sparen, als ik zoozeer gevoel te behoeven.quot;
âIs het hier uit?quot; vroeg Leentje, ziende, dat haar broeder ophield en zich de kin wreef.
âIk dacht zoo bij mij zeiven,quot; antwoordde Bol, âdat zij nogal kans heeft, haar laatste verzoek ingewilligd te zien;
doch verder
âIk zal, overeenkomstig uw voorstel, en zoo ik geen tegenbevel ontvang, mij aanstaanden Donderdag van hier begeven, en, met de diligence, die van H. vertrekt, de reis vervolgen, wanneer ik tegen den namiddag hoop bij u te zijn. Ik tel de dagen en de uren, die mij nog van dit heuglijk tijdstip verwijderen, en in de blijde hoop, u spoedig in welstand te ontmoeten, teeken ik mij met innige verkleefdheid,
Waarde vader.
Uw liefhebbende en gehoorzame pleegdochter,
K. Zevenster.quot;
âWat zoek je?quot; vroeg Leentje, ziende dat Bol, na de lezing van den brief geëindigd te hebben, dien van alle kanten bekeek.
âIk zoek wat ik niet vind,quot; antwoordde Bol, âeen postscriptum. Een brief van een jongejuffrouw zonder postscriptum! dat is iets ongehoords, iets, dat buiten de gewone orde der dingen, ja gansch en al onnatuurlijk en ongerijmd is. _ Ons Klaasje, dat staat vast, is of geen vrouw, of wel een zeer buitengemeene.quot;
âEi wat een gekheid!quot; zeide Leentje: âzooveel bombarie te maken, omdat zij geen post-scrip tum zet. Ze zal eenvoudig
179
niets meer te zeggen gehad hebben, en de brief is, dunkt mij, lang genoeg.quot;
âWel dat is juist het wonderbaarlijke,quot; zeide Bol, âdat zij niets meer te zeggen heeft gehad. Een jongejuffrouw heeft altijd nog wat te zeggen, ook al heeft zij alles gezegd, wat zij zeggen kon. Doch pas op, laat het kind maar eens verliefd worden of 't zich verbeelden te zijn: â welk een en ander ik haar vooreerst niet toewensch, maar dat toch gebeuren zal â en dan mag je er gerust op zijn, dat zij geen brief meer schrijft zonder p o s t-s c r i p t u m. Nu! â dat daargelaten! â Wanneer ga je naar Denneman?quot;
âWel!quot; antwoordde Leentje: âzij schrijft van Donderdag â en wij hebben vandaag Maandag. Ik zal waarachtig niet veel tijd hebben ook. Laat dat intusschen maar aan mij over: ik zal wel zorgen, dat de boel in orde komt, zonder al dien omslag, dien jij er bij maken wondt. Zij zal het op haar kostschool ook niet zoo op zijn elf-en-dertigste gewend zijn, en als de kamer maar knap en zindelijk is en zij er in vindt wat zij noodig heeft, weet ik niet, wat zij meer verlangen zou. â Je meende er immers toch niets van, toen je mij straks van al die aankoopen spraakt, die je doen zoudt?quot; voegde zij er bij, haar broeder aanziende met een meer vriendelijken blik, dan in den beginne van hun onderhoud.
âIk beken je oprecht,quot; antwoordde Bol: âdat ik een weinig overdreef: en ik beken er bij, dat ik mij stellig zeer slecht* van dergelijke commissiën zou kwijten, die u daarentegen uitmuntend zijn toevertrouwd. â Bedenk, met-dat-al, dat het geld ons niet door Eylar toevertrouwd is, om er ons mee te verrijken, maar om het aan te wenden tot goedmaking van buitengewone kosten.quot;
âJa! ja! ik weet het,quot; zeide Leentje, terwijl zij haar werk oprolde en in haar breimand stak: âziezoo! je kousen zijn gemaasd, en ik ga ze in je kast leggen en meteen 'reis kijken wat er aan de logeerkamer te doen valt.quot;
Met deze woorden begaf zij zich naar huis, haar broeder in mijmeringen verdiept achterlatende. âWat zijn wij menschen
180
toch armzalige wezeus!quot; dacht hij bij zich zeiven. âDaar is mijn zuster, die zeer geaffronteerd zou wezen, indien ik haar verweet, dat zij geen goede christin was, en die toch weigeren zou, voor mijn pleegkind uit christelijke liefde datgene te doen wat zij nu doen zal, omdat zij er voordeel in ziet voor ons huishouden, en dat haar ijdelheid gestreeld wordt in 't vooruitzicht van een leerling te hebben, die zij drillen kan. Daar is Hendt, die zich door het welsprekendste betoog niet zou laten overhalen om zijn plicht te doen jegens zijn zoon, en die terstond zwicht voor de vrees, de gunst van 't Genootschap en de uitdeeling met Kersttijd te verbeuren. En daar ben ik, een herder en leeraar, die mij zoo weinig in staat reken, het woord mijns Meesters te doen gelden, dat ik tot zijsprongen en kunstgrepen mijn toevlucht nemen moet om anderen tot hun plicht te brengen. Mits Leentje nu maar dat arme schaap liefderijk ontvange en haar een beetje hartelijkheid toone. â quot;Waarlijk, ik had beter gedaan, haar te raadplegen, eer ik het voorstel van Eylar aannam, en Klaasje althans niet te wagen aan een behandeling, die haar zou kunnen grieven. Nu zal zij 't ontgelden, zoo mijn zuster boos is, dat ik haar niet intijds gewaarschuwd heb, en iemand tegen haar zin hier in huis breng. â Dus maar gehoopt, dat het goede kind genade vinde in haar oogen en alles zich ten beste schikke. De kwade luim van straks is al voor een goed deel geweken .... wij willen vertrouwen dat het Klaasje gelukken zal, die verder te verdrijven.quot;
En van zijn tuinstoel oprijzende, begaf zich Bol met langzame schreden naar binnen.
181
TWEEDE HOOFDSTUK,
VERHALENDE, HOE DE HELDIN VAN DIT BOEK TE HARDESTEIN VERSCHEEN EN WELK ONTHAAL ZIJ DAAR GENOOT.
De bewuste Donderdag, waarop Klaasje Zevenster te Harde-stein verwacht werd, was gekomen: de dorpsklok had zooeven vier uren geslagen, en onze predikant, na een versche pijp gestopt en aangestoken te hebben, zich op weg begeven om zijn logeergast aan de pleisterplaats der diligence te gaan afhalen. Hoe hij ook naar hare komst verlangde, nog altijd was hij maar half gerust aangaande het onthaal, dat haar van den kant zijner zuster te beurt zou vallen, en noch de kennis, die hij van 't menschelijk hart in 't algemeen, noch die, welke hij van dat zijner zuster in 't bijzonder bezat, had hem in staat gesteld, omtrent de handelwijze, die deze tegenover zijn beschermeling volgen zou, iets stelligs uit te vor-schen. Wel was Leentje sedert Maandag zeer druk in de weer geweest, wel had zij herhaalde bezoeken afgelegd bij den behanger, en was de knecht van dezen eenige reizen op geheimzinnige wijze in huis en op de logeerkamer gelaten: wel waren er niet minder geheimzinnige gesprekken gevoerd geworden tusschen Leentje en haar meid, ja tusschen Leentje en de Dames Prawley: gesprekken, die blijkbaar in verband stonden met de komst van Klaasje, omdat zij altijd eindigden in een bezoek, aan de gemelde logeerkamer gedaan; maar wat eigenlijk de uitkomst van al die drukten en conferentiën geweest was, had Bol niet kunnen ontdekken. Naar iets vragen wilde hij niet, nu hij eenmaal aan zijn zuster beloofd had, haar te laten begaan: en zich door zijn eigen oogen te vergewissen van hetgeen er gebeurde was hem niet gelukt; althans de beide reizen, dat hij in 't voorbijgaan een oog in de logeerkamer had willen slaan, had hij de deur gesloten en den sleutel afwezig bevonden. Dit alles was in zooverre be-
182
moedigend, als het van de moeite scheen te getuigen, die Leentje zich gaf, om hem een verrassing te bezorgen en aan Klaasje een geschikt verblijf; â maar het voorbereiden van aangename verrassingen was iets, wat over 't algemeen te weinig in Leentjes geest viel, dan dat Bol haar geheimzinnige wijze van handelen aan zulk een bedoeling zou toeschrijven: en wat bijzondere bezorgdheid betrof voor het gemak en gerief van haar aanstaande logeergast, deze scheen evenmin in haar te kunnen worden ondersteld, te oordeelen naar den snibbigen toon, waarop zij zich over de komst van Klaasje had uitgelaten, de beide reizen, dat Bol het gewaagd had, nogmaals dat onderwez-p aan te roeren. Zelfs nu had zij, toen hij haar goeden dag zeide bij 't heengaan, zijn afscheidsgroet met geen enkele van die uitdrukkingen beantwoord, hoedanige men gewoonlijk bij zulke gelegenheden bezigt, als: âik hoop, dat je niet te lang zult wachten,quot; of: âje zult wel blij wezen,
haar terug te zien,quot; of: âik zal je met het eten opwachten____
maar zich vergenoegd met een koel âtot straks.quot; â Het was dus met een verdeeld gevoel, van blijdschap over het wederzien zijner pleegdochter, van bezorgdheid over de aanstaande ontmoeting der beide juffers, dat hij zijn weg vervolgde naar het âWapen van Gelderland,quot; zijnde de herberg, waar de diligence gewoon was van paarden te verwisselen, en die aan het uiteinde der groote dorpsstraat, alzoo, voor wie den landweg afkwam aan den ingang van het dorp gelegen was. Aldaar gekomen vond hij, als te verwachten was, de ijverige kasteleines met haar niet minder ijverige nicht, bezig aan 't gereed-zetten van koffiekan en trekpot, van bierkruiken en drank-flesschen, van gesmeerde broodjes en schaaltjes met kaas en worst, in 't kort van al wat tot voeding en versterking der doortrekkende passagiers zou kunnen dienen. Het gelaat van onzen leeraar, waarover een vriendelijke glimlach gezweefd had, toen hij het âgoeden dag Dominee!quot; der beide vrouwen beantwoordde, betrok eenigszins, toen hij, zijn blikken van de toonbank afwendende, in een hoek van de gelagkamer den waardigen Hendt zag zitten, die van de vermoeienissen van
1S3
zijn ambt uitrustte, of zich daartoe voorbereidde, door het genot van een neusbrandertje en een glaasje Schiedammer nat. Bol beantwoordde den groet van den besteller, welke eigenlijk alleen bestond uit een aanraking van den rand van zijn hoed met duim en voorsten vinger, op vrij stijve wijze, met een niet min eenvoudig âgoeden dagquot; en wendde zich toen tot een dikke dienstmaagd, die bij de tafel stond, waaraan Hendt gezeten was, en twee kinderen bij zich had, een jongetje en een meisje, ieder met een beschuitje in den mond, die zij aan de milddadigheid der kasteleines te danken hadden. â Het gesprek, dat tusschen Hendt en de gezegde dienstmaagd plaats had, werd nu plotseling van beide zijden afgebroken.
âJij hier Grada?quot; vroeg Bol, niet zonder eenige verwondering, van haar daar ter plaatse te ontmoeten.
âIk wacht op menheer, Dominee!quot; antwoordde G-rada: âde kinderen lieten mij geen rust. Dominee, of zij moesten papa aan den wagen te gemoet gaan, Dominee! â Nou Karre-lientje! zeit uwee Dominee niet gendag. Neemt uwee uwes pet niet af voor Dominee, Pietje? Foei! wat is uwee onbeleefd. Nou! dat za'k aan Pa vertellen, as Pa komt.quot;
âEi zoo! komt mijnheer ook met den wagen?quot; vroeg Bol, terwijl hij eerst met de hand heen en weer streek over de verwarde haren van Pietje, die zijn pet nu had afgenomen, en vervolgens aan âKarrelientjequot; een paar tikjes op de wangen gaf: âik wTist niet, dat je hem al wachtende waart.quot;
âJawel Dominee,quot; hernam de meid: âmeneer het het a'n meneer geschreven, Dominee! dat meneer vandaag komen zou.quot;
âMeneer is ook al een heelen tijd weg geweest,quot; zeide Hendt, oordeelende, dat voor hem de geschiktste tijd was aangebroken om het gestaakte onderhoud te hervatten.
âNet drie weken,quot; antwoordde Grada: âen ik zal blij zijn, als meneer weerom is; want ik kan die kinderen maar niet in orde houden.quot;
âArme schapen!quot; zei de predikant: âzij hebben aanspraak op eenige toegevendheid, zij, die het moederlijk toezicht missen.quot;
âJa, dat mag Dominee wel zeggen,quot; hervatte Grada: â't is
184
krek wat Juffrouw Leentje ook zei, Dominee, toen ik haar gisteren ontmoette, Dominee: âArme bloedjes!quot; zei ze zoo: âhadt je toch maar een goeje moeder weerom!quot;' zei ze.quot;
âZoo? zei ze dat?quot; vroeg de predikant, terwijl hij glimlachte, ten gevolge van een gedachte, die onwillekeurig bij hem opwelde: ânu! zij had geen ongelijk, en 't ware te wenschen, dat mijnheer weer een goeie vrouw vond.quot;
't Scheen, dat deze wensch van den predikant niet volkomen in harmonie was met dien van Grada: althans zij antwoordde met een bedenkelijk hoofdschudden:
âOch Dominee! wat za'k zeggen? a'n 'n stiefmoeder is toch ook niet veul. De wurmen hebben 't nou ommers goed, en de huishouwing gaat ommers haar gang. Ik althans zie niet, waarom 't zou hoeven te veranderen.quot;
âNiet?quot; antwoordde Bol: ânu ja! dat wil ik gelooven; maar 't is minder de vraag, hoe jij over de zaak denkt, dan wel wat verkieslijkst zijn zou in 't belang van uw heer en van zijn kinderen, â en daar zal hij zelf over dienen te oor-deelen.quot;
âJa, dat 's ook waar,quot; hervatte Grada: âmaar toch zoo'n tweede moeder, dat zie je zelden dat goed gaat.quot;
âDaar heb je wel gelijk aan, Grada!quot; zei Hendt op een spotachtigen toon, en terwijl hij even het pijpje uit den mond nam: âen daarom 'leuf ik ook, dat ik beter zal doen, niet weer te trouwen.quot;
âO! met jou maakt het 'n onderscheid,quot; zeide Grada, wier gelaat de uitdrukking aannam van iemand, die in zijn eigen strikken gevangen zit: âjij hebt in allen gevalle geen kleine kindertjes meer.quot;
âNiet?quot; vroeg Hendt, plagende: âen mijn Jantje dan?quot;
âOch wat, je Jantje!quot; hernam Grada: ânoem je die een klein kind? â een jongen, die den kost al voor zen eigen zou kunnen verdienen! Neen, jij zou nog wel kunnen trouwen; dat's iets heel anders als met meneer.quot;
âZoo! denk je dat?quot; vroeg wederom Hendt, ânou ja! as ik een vrouw vond, die mij leek, wie weet wat ik deed; maar
185
om er zoo een te vinden, daar zit 't 'm. Weet jij er altemet een voor me?quot;
âIk!quot; zeide Grada, terwijl haar van nature zeer roode wangen nog hooger gekleurd werden: âmoet ik er een voor je zoeken? â kijk jij maar uit je eigen oogen rond, man, dan zei je er wel een vinden.quot;
Bol dacht bij zich zeiven, dat Grada gelijk had in haar beweren, en dat de bode, zoo het hem ernst was, een tweede moeder aan zijn deugniet van een zoon te geven, niet ver behoefde te zoeken. Waar hij nochtans sterk aan twijfelde, was aan het geluk, dat zoodanige tweede moeder in haar echtelijken staat te wachten stond. Bij de wending, welke het gesprek genomen had, gevoelde hij echter weinig opgewektheid, om er zich verder in te mengen, en, zich omkeerende, vroeg hij aan de kasteleines hoe 't met de affaire stond en of er nogal wat omging.
't Kan zijn, dat de lezer nieuwsgierig is, te weten, wie de âmeneerquot; van Grada was; â doch al ware het hem voor 't oogenblik geheel onverschillig, het is onze plicht als geschiedschrijver, hem daarvan niet onkundig te laten, daar gezegde âmeneerquot; een niet geheel onbelangrijke rol in ons verhaal be-kleeden zal. Wij kunnen voorts niet licht een geschikter gelegenheid vinden, het noodige daaromtrent mede te deelen, dan nu onze vriend Bol met de herbergierster gewikkeld is in een gesprek over de logeergasten, die zij gehad heeft, nog heeft, of te wachten ia, over den prijs van het hooi en van de boter, enz. enz.; alles zeer belangrijk misschien voor haar, doch volstrekt niet voor derden.
Die âmeneerquot; van Grada dan, die den naam droeg van Pieter Snel, was een goede veertiger, die van zijn vijftiende jaar af, bij de administratie der belastingen, eerst als bediende en geagregeerde klerk bij zijn vader, vervolgens als surnumerair, als waarnemend, later als effectief controleur, in onderscheidene gedeelten van het Rijk werkzaam geweest zijnde, eindelijk sedert ongeveer acht jaren als ontvanger te Hardestein was geplaatst. Kort na het aanvaarden van laatstgemelde betrekking was
18G
hij gehuwd met eene der dochters van den toenmaligen predikant; doch slechts kort had hij zich in haar bezit mogen verblijden. Twee kinderen had zijn vrouw hem kort achtereen geschonken: een derde kwam dood ter wereld en kostte aan zijn moeder het leven. Het had slechts aan Snel gestaan, die, niet geheel onbemiddeld, een vrij voordeelige ontvangst had, de plaats der overledene weder aan te vullen, doch tot heden scheen hij geen voorwerp gevonden te hebben, dat hem daartoe geschikt was voorgekomen: althans het was niet bekend â en wat blijft onbekend op een dorp? â dat hij zijn hand aan iemand had aangeboden. Welk soort van man hij was, zoo naar zijn uiterlijk voorkomen als naar zijn innerlijke hoedanigheden, zal, hopen wij, uit hetgeen volgen moet, genoegzaam blijken.
De waardige vrouw Reiniersen was nog bezig aan Bol een treffende opsomming te maken van de verbazende lasten van allerlei aard, als patent, personeel, enz., die haar bij de uitoefening van haar beroep belemmerden, toen het geluid van een posthoorn en van het klappen met een zweep, gevolgd van het geratel van een naderenden wagen over de hobbelige keien, haar plotseling tot zwijgen bracht, of liever haar beroofde van haar toehoorder, die haastig naar de voordeur snelde, 't Zelfde deed Grada, die, evenzeer haar gesprek met Hendt afbrekende â misschien met meer leedwezen dan de predikant het zijne met de kasteleines â de twee kinderen, onder het geroep van âdaar komt Pa!quot; elk met eene hand achter zich sleurde; terwijl Hendt meer bedaard achteraankwam, intijds echter nog om de diligence te zien stilhouden, waarvan bijna op 't zelfde oogenblik het portier open- en de trede neergeslagen werd door den bereids afgestegen conducteur. Een klein, schraal, pokdalig mannetje, met glinsterende, altijd in beweging zijnde oogjes en een bruin, zeer net gemaakt, ja bedrieglijk pruikje, voorts gekleed met een donkergrijze jas, een bruin vest met paarlemoeren knoopen, een hooge witte das, stijve halsboorden, en een wit en zwart geruite pantalon, was de eerste, die uit het rijtuig kwam. Zijn eerste daad, en die
187
hij nog onder het afstijgen verrichtte, was het verwisselen van de witte pet, die hij op 't hoofd had, tegen den hoed, dien hij in de rechterhand hield â de linker droeg een knoestigen rotting â zijn tweede, het beantwoorden der kreten van âPa, Pa!quot; uitgegalmd door Pietje en âKarrelientjequot;: waaruit wij kunnen opmaken, dat de reiziger geen minder personage was dan de Eijksontvanger Snel.
âGoeden dag, kinderen! goeden dag, Grada!quot; riep hij, âgoeden dag, Dominee! ik breng uw logée mede: wacht. Juffrouw! ik zal u helpenen toen, zich wederom naar het portier keerende, waaruit reeds twee of drie passagiers hem waren nagestapt, die op de kleine steentjes voor de herberg het stof van hun kleeren stonden te schudden, bood hij de hand aan onze heldin, die reeds van uit het achterste raampje der diligence een dozijn of wat kushanden aan Bol had toegeworpen, en alsnu, zonder bij 't uitklimmen van het rijtuig bijzondere notitie te nemen van haren beleefden reisgenoot, haar pleegvader om den hals vloog.
âWelkom hier, mijn kind!quot; zeide Bol: âheb je 't goed gehad op reis? â Welkom thuis, mijnheer Snel! Conducteur! heb je den koffer van de juffrouw bij de hand?quot;
âDe koffer van de juffrouw!quot; weergalmde Snel, een gebiedenden blik werpende op den conducteur, die, bereids wederom op den bok geklommen, het lederen dekkleed van den boven-last had losgemaakt en het gevraagde voorwerp daaronder vandaan haalde.
âEn een hoededoos,quot; lispelde de juffrouw.
âEn een hoededoos!quot; herhaalde Snel, zich op zijn teenen verheffende, en met een dreigende gebaarde, als verdacht hij den conducteur gezegde doos met boos opzet te willen meepakken.
âEn een hoededoos!quot; herhaalde de conducteur, het verlangde stuk naar beneden latende zakken. âHeeft mijnheer niet een reiszak gehad?quot;
âDie groene met dien kattekop,quot; antwoordde Snel: â âdank je. â Heeft de juffrouw geen bagage meer?quot;
188
âIk dank u, mijnheer!quot; antwoordde Klaasje, terwijl zij met een allervriendelijkste hoofdbuiging en een nog minzamer lachje haar onwillekeurige onbeleefdheid van zooeven bij haar gedienstigen reisgenoot poogde goed te maken.
De predikant tastte nu in zijn zak naar een fooi voor den conducteur, doch ziende, dat Klaasje die reeds aan den man had toegestoken, vergenoegde hij zich met aan Hendt op te dragen, haar bagage aan de pastorie te doen bezorgen, waarna hij haar voorstelde, de wandeling derwaarts te aanvaarden.
âIs alles wel op het dorp?quot; vroeg Snel, terwijl hij zijn reiszak aan Grada gegeven hebbende, aan elke hand een zijner kinderen nam: âen Juffrouw Leentje ook wel?quot;
âAlles wel, ik dank u,quot; antwoordde Bol.
âNu,quot; hernam de ontvanger: âik hoop er mij spoedig in persoon van te komen overtuigen. Au revoir, Dominee! zeer uw dienaar Mejuffrouw!quot;
âVerplicht voor uw gezelschap, mijnheer!quot; zeide Klaasje, bij dit afscheid tevens met de daad bewijzende, dat zij op de kostschool althans iets geleerd had, waar de jonge dames zich heden ten dage hoe langer hoe minder op verstaan, te weten, behoorlijk te nijgen.
De ontvanger stak hierop den rijweg over en begaf zich naar zijn woning, die eenige huizen verder gelegen was; terwijl Bol met Klaasje zijn wandeling voortzette naar de pastorie. Wij zullen het tweetal vergezellen en ons niet verder bekommeren over de diligence en haar passagiers. Alleen mag hier niet verzwegen worden zekere uitboezeming aan den conducteur ontsnapt, en ons medegedeeld door een student, die, naast hem op den bok gezeten, reeds meer dan eens, spijt de voordeelen zijner verhevener en luchtiger zitplaats, bij zich zeiven den passagiers daarbinnen het gezelschap hunner bevallige reisge-noote benijd had. Gezegde conducteur had namelijk, nadat de wagen Hardestein weder verlaten had, wel gedurende een kwartieruurs het stilzwijgen bewaard, en toen, als uit een droom ontwakende, de sigaar, hem door den student geschonken, uit den mond nemende en een dikke rookwolk wegblazende,
189
zich, als vrucht zijner overpeinzingen, dezen uitroep laten ontvallen: âals ik ooit weer op de wereld kom, dan word ik Dominee te Hardestein!quot;
âEn hoe heb je Mevrouw Zilverman en de andere dames gelaten?quot; vroeg Bol, toen hij met Klaasje een eind opgewandeld was.
âAllen wel,quot; antwoordde zij: âen ik heb een brief van Mevrouw voor u.quot;
âZeker om mij op 't hart te drukken, dat ik goed op je passen moet?quot; zeide Bol, glimlachende; ânu wij zullen zien wat zij schrijft. En heb je 't niet bijster warm gehad op den wagen?quot;
âJa, 't was nogal een heete dag; maar de weg is zoo fraai, dat men zich wel wat stof getroosten wil.quot;
âEn had je nogal goed gezelschap?quot;
âTwee dikke heeren met pijjakkers aan.... ik kan niet begrijpen hoe zij 't uithielden.quot;
âO! ik heb hen gezien: â ongetwijfeld aannemers: die dragen altijd pijjakkers, winter en zomer; ik geloof zelfs, dat zij er in geboren worden.quot;
âEn voorts nog een paar oude juffrouwen,quot; vervolgde Klaasje, âen een Duitsch heer, die schrikkelijk dampte en ijselijk stinkende tabak rookte.quot;
âBen je bang voor tabaksrook?quot; vroeg Bol, niet zonder eenigen angst zijn blik, eerst op den ledigen Gouwenaar, dien hij tusschen duim en vinger loodrecht naast zich neer liet hangen, en toen op Klaasje slaande.
âO! men kan zich aan alles gewennen,quot; antwoordde zij kleurende.
âNu!quot; hernam hij, met een geruststellenden glimlach, âmijn tabak is nogal van de slechtste niet, en ik rook meest in de open lucht en op mijn studeerkamer: ik ben niet zoo aan mijn pijp verslaafd, dat ik er geen oogenblik buiten kan.quot;
âMaar lieve vader Bol,quot; hervatte Klaasje, met een smeekenden blik, âik zou toch waarlijk niet hopen, dat u om mijnentwil een enkele gewoonte, laat staan een genoegen,
190
zoudt opofferen. Ware dat het geval, ik keerde liever in die benauwde diligence terug en reed .. .
âNaar Arnhem of naar eene andere plaats, waar je niets te maken hebt, nietwaar?quot; vroeg de predikant: âwij zullen trachten, u het leven op de pastorie zoo draaglijk te maken als wij kunnen, zonder een enkele gewoonte af te schaffen. Ik heb je te lief om je te willen bederven. â En je vraagt mij niet eens naar uw vader Eylar.quot;
âDat wilde ik juist doen,quot; antwoordde Klaasje: âwant ofschoon die heer, die zooeven afscheid van ons nam, mij reeds had zoeken gerust te stellen omtrent de gezondheid van hen, waar ik belang in stelde, zoo waren zijn berichten uit Hardestein niet zoo versch of er kon heel wat verandering hebben plaats gehad. Is vader Eylar wel, en Mevrouw ook?quot;
âVolkomen,quot; antwoordde Bol: âje hebt dus al kennis gemaakt met mijn vriend Snel. Hij heeft zeker druk geredeneerd ?quot;
âIk verzeker u, dat hij praten kan,quot; zeide Klaasje: âdoch ik zal niet zeggen, dat hij mij verveeld heeft; want hij sprak over Hardestein en zijn bewoners: en ik durf beweren, dat ik nu al tamelijk op de hoogte ben.quot;
âHet doet mij genoegen, dat je een onderhoudenden reisgenoot aan hem gehad hebt,quot; hernam Bol: âanders zou ik knorrig op hem moeten zijn, dat hij mij 't gras voor de voeten heeft weggemaaid.quot;
âDe man was heel beleefd en gedienstig,quot; hernam Klaasje.
âWel!quot; zeide Bol, âpas maar op: hij is weduwnaar, en wie weet of hij geen goed oog op u heeft.quot;
âDie oude Heer!quot; riep Klaasje, met een naïeveteit, die Bol deed lachen.
âHij moest het eens hooren, dat je hem een ouden heer noemt,quot; zeide de predikant: âhij zal zoo wat van mijn jaren zijn en misschien niet te oud voor u; maar jij, vrees ik, wat te jong voor hem.quot;
Klaasje geraakte een weinig in verlegenheid over deze woorden, want zij gevoelde zeer wel, dat, ondanks den vriendelijk schertsenden toon, waarop zij werden uitgesproken, er een kleine
191
bestraffing in lag opgesloten. Zij herstelde zich echter spoedig.
âU is mijn vader,quot; zeide zij: âen een vader is immers in de oogen van zijn dochter altijd een oud heer: â maar o! wat is het hier een heerlijk uitzicht!quot;
Zij waren juist bij het kerkhof gekomen, op de plek, waar het landschap, dat in den aanvang van het vorige hoofdstuk beschreven is, zich plotseling voor hun oogen openrolde.
âNietwaar?quot; vroeg Bol: ânu! je zult het een tijdlang kunnen genieten; want hier komen wij aan de pastorie .... en ginds staat mijn zuster, die u wacht.quot;
En inderdaad, tot niet geringe verwondering en blijdschap van onzen goeden predikant, was Leentje, die, in haar prieel gezeten, aldaar hun terugkomst had afgewacht, bij zijn nadering opgerezen, en twee schreden naar de zijde van het hek vooruitgegaan: een beleefdheid, die zij anders niet dan aan bezoekers van rang bewees, en die wel aanduidde, dat zij het er opgezet had, een vriendelijk gelaat aan haar logeergast te toonen. âZiezoo!quot; dacht Bol, die zich een pak van 't hart voelde lichten: âals nu de eerste indruk aan weerszijden maar gunstig is, dan zal de rest zich wel schikken.quot;
âZoo Dominee!quot; zeide Leentje; âbreng je onze logeergast mee? Ik heet u welkom, juffrouw Zevenster, en ik hoop, dat het u hier niet te zeer zal tegenvallen.quot; En deze woorden met een statigen hoofdknik vergezeld doende gaan, stak zij het jonge meisje de hand toe.
âIk heet Klaasje, Juffrouw!quot; zeide de toegesprokene, terwijl zij de aangeboden hand hartelijk drukte en Leentje op de wangen kuste: âen ik hoop, dat u mij wel zoo zult willen noemen.quot;
Juffrouw Leentje behoorde volstrekt niet tot de overgevoeligen. Toch lag er in de toespraak zoowel als in de geheele houding van het jonge meisje iets zoo ongemeen hartelijks en onschuldigs, dat zij zich er door getroffen gevoelde en den vriendelijken groet beantwoordde met een aandoening, waarover zij later zelve verbaasd was.
âKlaasje?quot; herhaalde Bol, met een vragenden, ofschoon
192
goedkeurenden blik: âik dacht, dat men u thans voorgoed in Nicolette had herdoopt?quot;
âJa, op de school,quot; antwoordde zij : âmaar wanneer ik bij mijn lieven vader kom, hoor ik 't liefst den naam, dien hij mij oorspronkelijk heeft gegeven.quot;
Dat mag ik hoeren,quot; hernam Bol, lachende; ânu! wij zullen daarover, en over andere dingen, nog wel nader spreken. En nu, Leentje hoe denk je er over? Zou je niet beginnen, met het kind naar de kamer te brengen, die wij voor haar bestemd hebben? Zij zal wel verlangen, zich te bevrijden van het stof, dat zij op reis heeft opgedaan. Maar geen lang toilet, hoor! Zij zal wel honger hebben en moet zelve de schuld niet op zich laden, dat het eten aanbrandt. Zie, daar komt de jongen uit het Wapen al met de bagage aan. Waar is Antje nu, om het naar boven te helpen brengen?quot;
De schelle stem van Juffrouw Leentje deed Antje dadelijk uit haar keuken te voorschijn komen. Het goed werd van den kruiwagen af en naar boven gedragen: de beide dames gingen naar 't logeerkamertje, en Bol, die toch verlangde te weten, wat zijn zuster daarvan gemaakt had, verstoutte zich, haar te volgen.
Voordat wij insgelijks medegaan en een beschrijving geven van het logeerkamertje, dienen wij er wel eene te geven van de pastorie zelve. Het gebouw was ruim genoeg, ofschoon van binnen maar ten deele beantwoordende aan de vertooning, die de voorgevel maakte met zijn deur in 't midden, twee â wel is waar zeer smalle â ramen aan elke zijde, en vijf op de tweede verdieping. De benedenkamer rechts van de deur diende tot huis- en eetkamer en was van de keuken daarachter gescheiden door een gangetje, dat, langs een zijdeur, in den tuin geleidde. Links van de voordeur had Dominee zijn studeerkamer, die gemeenschap had met een kleiner vertrekje, waar hij sliep. Aan diezelfde zijde van het huis was de trap, waarmede men naar de bovenste verdieping ging, die eigenlijk niet veel meer was dan een zolder, en waarvan het middelste deel ook als zoodanig diende. Onder het hellend dak aan de
193
achterzijde waren eenige kasten getimmerd, benevens een afgeschoten slaapplaats voor de meid. De voorkant was hooger, en daar bevonden zich twee kamers, mede afgeschoten, ieder met twee vensters, en die door een gangetje, dat op het middelste raam uitliep, van elkander waren gescheiden. De eene kamer was die van Leentje, de andere de bewuste logeerkamer, welke beide kamers alzoo hetzelfde ruime en fraaie uitzicht hadden, dat onze heldin reeds van den weg af getroffen had, en dat natuurlijk nog winnen moest, naarmate het standpunt, waarvan men het genoot, zich hooger bevond.
âO! hoe heerlijk is het hier!quot; was Klaasjes eerste uitroep, toen zij, de kamer binnenkomende, het landschap voor zich uitgespreid zag; toen, zich gelukkig herinnerende, dat niet de stoffeering van het landschap, maar die van de kamer, door haar gastvrouw in orde gebracht was en deze alzoo de voornaamste aanspraak had op haar lof, liet zij terstond op die onwillekeurig haar ontsnapte uitboezeming volgen: âen wat een lief kamertje!quot;
En inderdaad, het kamertje zag er lief uit, zoo lief, dat Bol ternauwernood begreep, hoe zijn zuster het voor honderd gulden zoo had kunnen opknappen en van zulke fraaie meubelen voorzien. Het oude en geheel tot flarden gereten behangsel, dat hij er gekend had, was verdwenen; doch Leentje was te verstandig, dan dat zij er een nieuw zou hebben laten maken in een huis, dat haar niet toebehoorde: zij had zich vergenoegd, den wit gepleisterden muur, die aan de buitenzijden, en het houten beschot, dat aan de binnenzijden het kamertje omsloot, met zeepsop af te nemen; zoodat een en ander tenminste een zindelijk aanzien had. Voorts was oen groot gedeelte van gezegden muur aan het oog onttrokken door het ledikant van witwerkershout, met keurig nette sitsen gordijnen voorzien, 't welk er tegenaan stond, gelijk mede door een waschtafel, boven welke een vrij goede spiegel aan een koperen knop hing, door een schrijftafel en door een aantal prenten in houten lijsten. Het houten beschot tegenover de vensters was bijna over zijn geheele breedte bedekt met
i. - k. z. 13
194
een wit gordijn, achter 't welk zich een breede dwarsstok bevond, met houten knoppen, bestemd om kleedingstukken aan op te hangen: eindelijk, tegenover het ledikant, stond een groote noteboomhouten latafel. De vloer was belegd met een fraai gebloemd kleed, waarvan de stoflage en herkomst aan eiken bezoeker, en zelfs aan de bewoonster, een raadsel blijven moest: wie het betrad kon zeer goed voelen, dat hij niet over een geweven tapijt of vloerkleed liep; maar niet zoo licht kon hij onderscheiden, of hij leder, bordpapier, of iets anders onder zijn voeten had. Vier knappe stoelen met matten zittingen voltooiden het ameublement.
âZoo het je bevalt,quot; zeide Bol, âmoet je er mijn zuster voor bedanken: haar komt al de eer toe om van niets iets te maken en ik heb er mij niet mee mogen bemoeien.quot;
âAls ik maar dankbaar genoeg kan wezen,quot; zeide Klaasje, terwijl zij Leentje nogmaals omhelsde.
âNu ja, 't is zooals het is,quot; zeide Leentje: âen, Dominee, nu je 't gezien hebt, heb je permissie ons alleen te laten.quot;
âIk ga,quot; zeide Bol: âonder voorwaarde echter, dat je niet te lang wegblijft. Zooals ik reeds gezegd heb, jelui moet zorgen, spoedig klaar te zijn, eer het eten aanbrandt.quot; Dit gezegd hebbende begaf hij zich naar beneden, stopte en stak een versche pijp op, liep den tuin in en kuierde dien op en neder, bij zich zelven peinzende over het vraagstuk, of Leentje, na al dat meubilair, dat hij gezien had, betaald te hebben, iets zou hebben kunnen overhouden van de honderd gulden, die hij haar had ter hand gesteld. Wij moeten ons haasten, hier bij te voegen, dat Bol, hoe knap ook in vele dingen, zich nooit een recht denkbeeld had kunnen vormen van den prijs der voorwerpen, die tot huis- of sieraad dienden.
Er mochten tien minuten verloopen zijn, toen de terugkomst zijner zuster hem het uitzicht op de oplossing van het bedoelde vraagstuk schonk.
âWel!quot; zeide hij: âheb je het meisje helpen uitpakken?quot;
âAlleen het noodige,quot; antwoordde Leentje: âde rest kan zij van avond op zijn plaats brengen eer zij naar bed gaat of
195
neen; dat is maar roekeloos licht verbranden. Ik zal haar zeggen, het morgen voor het ontbijt te doen.quot;
âEn hoe bevalt ze je nu?quot;
âDaar kan ik nog niet over oordeelen,quot; antwoordde Leentje. die zich niet gaarne met iets of iemand ingenomen toonde: âhet mensch komt pas.quot;
âDat 's ook waar,quot; zeide Bol. die 't voorzichtiger achtte, dit onderwerp vooreerst niet verder aan te roeren: âmaar zeg mij eens, hoe drommel heb je dat alles daarboven zoo spoedig en zoo netjes bijeengekregen? Ik maak je er mijn compliment over, al begrijp ik het niet. En heb je nog wat overgehouden van het geld?quot;
âWelzeker,quot; antwoordde Leentje, de schouders ophalende.
âToch zeker niet veel?quot;
âIk weet niet, wat je veel noemt,quot; hernam zij, voortgaande met door het ophalen van haar schouders en door minachtende blikken, haar medelijden voor de onwetendheid van haar broeder uit te drukken: âik heb in alles niet meer besteed dan twaalf gulden en veertien stuivers.quot;
âAVat! En dat nieuwe ledikant met die mooie gordynen ?quot;
âLeengoed, man, dat ik van de dames Prawley heb, evenals den spiegel: je weet, dat haar zwager, toen hij voor een jaar naar de West ging, zijn meubelen aan haar ter bewaring heeft gegeven tot zijn terugkomst.quot;
âMet verlof van ze uit te leenen?quot; vroeg Bol.
âDat weet ik niet,quot; antwoordde Leentje: âen dat is haarlui zaak, van de dames, meen ik.quot;
âEn dan die latafel?quot;
âDie hadden zij nog op zolder staan, en ik mag die houden zoolang ik wil.quot;
âEn de waschtafel â en die andere tafel?quot;
âIndien je wat beter op die dingen lette, dan zou je ze allebei herkend hebben, dewijl ze allebei van morgen nog op je kamer stonden, de tafel, vol met boeken, die ik er afgenomen heb en ze in een hoek op den grond geleid: â en wat het andere meubelstuk betreft, je zult je zoolang maar met
196
een kom moeten behelpen, die ik in de vensterbank heb ge-zet. _ Dit is alles gebeurd, terwijl je naar het Wapen van Gelderland waart.quot;
âNiet kwaad gevonden,quot; zeide Bol, lachende; âen dat witte gordijn, heb je daar misschien mijn beddelaken toe gebruikt?quot;
âNeen, dat gordijn is nieuw,quot; zeide Leentje: âen ik denk het naderhand, als die meid weer weg is, op mijn eigen kamer te nemen. Ik heb al lang zoo iets noodig gehad.quot;
âEi zoo!quot; zeide Bol: âmaar dan dat gebloemde vloerkleed?quot;
âJa,quot; antwoordde Leentje: âdat kan niemand uitvinden, die 't niet weet: 't is van 't gewezen behangsel van de groote zaal van Hardestein, dat wel honderd vijftig jaren oud was en dat Mevrouw heeft laten wegnemen, bij gelegenheid, dat zij de zaal nieuw liet opmaken, 't Lag opgerold in de oranjerie, en de tuinbaas heeft er mij, met verlof van Mevrouw, een el of wat van gegeven; 't is van ik weet niet welke compositie, leer, trijp, papier, alles te zamen, en ijzersterk. â Ik denk er net zoo'n lap van te vragen voor mijn kamer ook.quot;
âIk moet mij over je vernuft verwonderen,quot; zeide Bol: âmaar nu ik zie, welke groote uitgaven het ons bespaard heeft, schaam ik mij, zooveel geld van Eylar te hebben aangenomen, en zou ik hem wel willen teruggeven wat wij overhouden.quot;
âEi wat!quot; zeide Leentje: âstel zulke dwaasheden uit uw zinnen: hij kan 't best missen en je zoudt hem nog afïron-teeren toe.quot;
â't Is mogelijk,quot; hernam Bol: âen toch is er iets in de zaak, dat mij hindert.quot;
Hij hadt wellicht nog verder over het onderwerp uitgeweid, toen zijn pleegdochter, geheel verkleed, het huis uitkwam.
âAl kant en klaar! dat noem ik vlug!quot; riep hij uit, terwijl hij zijn blik met welgevallen over haar liet weiden. Zag zij er een half uur vroeger reeds bevallig uit in weerwil van haar bestoven reisgewaad, te bekoorlijker deed zij zich thans voor, in haar eenvoudig neteldoeksch kleedje, helder als een brand en frisch als een roos, met haar rijke, glanzend blonde lokken, die, in dichte krullen nedervallende, een golvende lijst vormden
197
om het fijn besneden en allerbekoorlijkste gezichtje. Mochten wellicht de mond wat te groot en de oogen wat te klein geacht worden, niemand dacht er aan, die anders te wenschen: want de mond opende zich niet dan om een dubbele rij van de blankste pereltjes te vertoonen en de lichtbruine oogjes tintelden als de vriendelijkste sterretjes. Het neusje was misschien iets te klein; maar de wangen, donzig en zacht gekleurd als een perzik, waren gekuild, evenzoo het kinnetje, dat, fraai besneden, en zich van onderen verdubbelende, het gelaat op sierlijke wyze afrondde. Hals en boezem waren blank en gevuld: het dunne middeltje had op school den nijd van al de jonge meisjes opgewekt, en niet minder de lieve, poezele, als satijn zoo zachte handjes; terwijl er geen winkel bestond, waar gemaakte schoenen verkocht werden, klein genoeg voor de nette voetjes. Voege men daarbij de uitdrukking van gezondheid en schalksche vroolijkheid op het blozende gelaat, en den lossen zwier van houding en beweging: â en niemand zal zich verwonderen, dat Bol met innige tevredenheid, ja met eenigen vergeeflijken trots, zijn pleegdochter beschouwde.
âWel!quot; vervolgde hij, de hand, die zij hem toestak, tus-schen de zijne vasthoudende; âdenk je, dat je 't op je kamertje zult kunnen uithouden?quot;
âO vader!quot; antwoordde Klaasje: â't is waarlijk alles al te mooi voor mij.quot;
âMij dunkt,quot; zeide Leentje, wier bui van vriendelijkheid voor haar doen zoo onnatuurlijk lang geduurd had, dat zij het hoog tijd achtte, weder eens zuur te kijken: âmij dunkt, je mocht wel aan de juffrouw verzoeken je eenvoudig Dominee te noemen, gelijk alle andere menschen hier doen. â Wat zou men denken, indien men haar vader hoorde zeggen?quot;
âMen zou denken, dat ik Regent van een weeshuis geweest was, anders niet,quot; antwoordde Bol, terwijl hij, door een vroo-lijken lach, de min aangename uitwerking trachtte weg te wisschen, die de aanmerking van zijn zuster op het jonge meisje deed: â âdoch zie je, Klaasje! mijn zuster heeft niet geheel ongelijk. Het is eigenlijk mijn schuld, en ik had je
198
moeten waarschuwen. Zie je, wat mij betreft, zou ik er zeer trotsch op zijn, zulk een knappe dochter te bezitten; doch derden zouden het natuurlijk zonderling vinden, zoo je mij den naam van vader gaaft, en nog vreemder zouden zij opkijken, wanneer zij u dien ook aan mijn vriend Eylar hoorden schenken â en u misschien nog andere heeren bovendien met dien naam hoorden betitelen. Dat zou aanleiding geven tot allerlei gissingen en vragen, aangaande zaken, waar de lieden niet mee noodig hebben, 't Zal daarom beter zijn, dat je doet wat mijn zuster verlangt, en âDomineequot; tegen mij zegt â en tegen Mijnheer Van Eylar; âMijnheer!quot; â Je bent toch niet boos op mij?quot; vervolgde hij. Klaasje minzaam aanziende, bij wie langs elke wang een dikke traan afrolde; â't zal op onze liefde voor u van geen invloed zijn, dat verzeker ik u.quot;
âBoos!quot; herhaalde Klaasje, met aandoening: âik boos op u, van wien ik zoovele onverdiende blijken van goedheid ontvang, op u, wien ik nimmer zal kunnen vergelden wat u voor mij hebt gedaan! â Maar kosten zal het mij toch . . . voegde zij er bij, terwijl zij vergeefsche moeite deed om den loop van haar tranen te stuiten: âzoo heb ik dan niemand meer, dien ik vader noemen kan?quot;
âJe hebt nog een Vader in de hemelen,quot; zeide Bol, âen die u nimmer verbieden zal. Hem aan te spreken met dien naam. Zorg maar, het voorrecht nimmer te verliezen van zijn kind genaamd te worden. â En nu, met een dankbaar hart de zegeningen genoten, die Hij ons verleent. â Aan tafel, mijn kind! De disch is gespreid en wij moeten het eten niet koud laten worden.quot;
Het drietal begaf zich naar binnen en plaatste zich aan den eenvoudigen maaltijd. Met genoegen zag Bol, hoe het jonge meisje zich bevlijtigde, de gunst zijner zuster te winnen, door zoodanige kleine diensten te bewijzen als de gelegenheid medebracht.
âJuffrouw Leentje,quot; zeide Klaasje op eens: âDominee heeft mij verboden, hem vader te noemen; maar ik vertrouw toch, dat hij mij niet verbieden zal, zoolang ik hier in huis ben.
199
de taak te vervullen, welke men gewoonlijk aan een dochter opdraagt. Ik ben gewend, de handen uit de mouw te steken, en zoo u mij eenigen arbeid hebt op te dragen, hoop ik dat u geen complimenten met mij maken zult. En mag ik daarbij er op rekenen, dat u 't mij zult zeggen, als ik iets verkeerds doe.quot;
âO die slimme vleister!quot; dacht Bol bij zich zeiven: âof zij het al bespeurd heeft, hoe 't zaak is, Leentje te vriend te houden. Nu! wat die complimenten betreft, daar behoeft zij niet bang voor te wezen, en evenmin dat men haar niet in touw zal zetten.quot;
Het antwoord, dat Leentje gaf, sprak echter â schijnbaar althans â de gedachte haars broeders tegen.
âOch!quot; zeide zij, den neus optrekkende; âwat zal ik je zeggen? Het werk is hier zoo druk niet, of ik kan het met Antje best af: te borduren valt hier niet, en om aan de natte wasch te wezen, of Dominees kousen te mazen â en de man slijt nogal wat â daar zul je toch wel geen genie in hebben ?quot;
âWel waarom niet?quot; vroeg Klaasje: âen om Dominees zakdoeken te zoomen en te merken er bij. Ik weet immers al lang, dat ik niet voortdurend op de goedheid van anderen teren mag, en zelve mijn kost zal moeten verdienen. Welnu! lukt het mij niet als gouvernante of schooljuffrouw, dan zal ik nog, hoop ik, den kost met mijn handenwerk kunnen verdienen.quot;
âBraaf gesproken,quot; zei de Predikant: ânu! dat mag ik zien, dat men moed en veerkracht toont te bezitten. Ik wenschte, dat zoovele jonge knapen, die aan de gewone sleur verslaafd zijn en niets durven ondernemen, u hoorden, en zich schaamden over hun gebrek aan énergie.quot;
âFoei Dominee!quot; zeide Klaasje: âbegint u reeds den eersten dag met mij te prijzen en ijdel te maken?quot;
âTut! tut!quot; zeide Bol: âwees maar niet bang: ik zal 't je evengoed zeggen, als je iets zegt of doet, dat mij niet aanstaat; en om je dat te bewijzen, zal ik maar dadelijk be-
200
ginnen met je te vragen, waarom je telkens tegen de Neder-duitsche spraakkunst zondigt, die je toch grondig geleerd hebt, en âuquot; in den eersten naamval gebruikt.quot;
âIk.... âuquot;?quot; vroeg Klaasje, verwonderd opziende: âhoe meent u dat?quot;
âWel! daar doe je 't alweer?quot; hernam Bol: âhoe meent u dat? Is dat nu gezond en gangbaar Hollandsch?quot;
âMaar Dominee!quot; hernam zij al lachende, en half onzeker of 't hem ernst was of niet; âmoet ik dan zeggen âhoe meent gij dat?quot; â dat zou toch geweldig stijf klinken.quot;
âDat zou 't ook,quot; zeide Bol: âen zoo spreekt niemand dan deze of gene verwaande ondermeester.quot;
âOf,quot; vervolgde zij: âhoe meen jij dat?quot; dat klinkt plat.quot;
âZoo doet het,quot; zei Bol: âen ik zou het zelf niet bezigen, tenzij om nadruk op het woord te leggen.quot;
âOf,quot; ging zij voort, âzooals ik als kind dikwijls hoordequot; â en hier deed !de herinnering van de met moeite afgeleerde Jordaantaal haar een weinig kleuren, âhoe meent uwee dat?quot;
âGrammaticaal zuiver,quot; merkte Bol aan: âen volkomen te verdedigen, ofschoon lang uit de mode en daarom te verwerpen.quot;
âMaar hoe moet ik dan zeggen ?quot;
âWel! doodeenvoudig: hoe meen je dat?quot;
âMaar dat is immers te familiaar, als men tegen zijn meerderen spreekt?quot;
âLieve meid,quot; antwoordde Bol, âhet familiare is nu eenmaal in zwang gekomen en heeft, als ik reeds zeide, het deftige uwee, dat voor âUw Edelequot; gezegd werd, verbannen. Maar, omdat uwee uit de spraak verdwenen is, omdat gij wel geschreven, maar in 't gewone gesprek nimmer anders dan als j ij voorkomt, omdat j ij triviaal klinkt en j e wat familiaar, volgt daaruit, dat men moedwillig een taalfout maken mag? Ik weet, dat je ten deze je op het voorbeeld kunt beroepen van een legio schrijvers, en daaronder zeer verdienstelijke, die, tegen beter weten aan, zich aan dezelfde zonde schuldig maken.quot;
201
âMaar ik dacht,quot; hernam Klaasje, âdat men u, evenals uwee, voor een samentrekking van Uw Edelheid kon aanmerken.quot;
âJa,quot;' antwoordde Bol, âmet dat beweren zoekt men 't wangebruik te verschoonen; maar het zou een samentrekking wezen, waar het zakelijke en voornaamste deel van 't woord mee verloren ging, en die daarom nimmer te verdedigen ware. Men kan van Dordrecht wel Dordt maken, maar geen Dor, van Gorinchem wel Gorkum, maar geen Goring; want men mag trecht uit het eene noch hem of chem uit het andere wegsmokkelen; en waar blijft, als ik âuquot; zeg, de ge-heele edelheid? Maar zelfs gesteld dat âuquot; â in den eersten naamval altijd â taalkundig te verdedigen ware en alzoo geschikt om uwee te vervangen, dan nog zou ik u 't gebruik er van afraden. Uwee luidde in zijn tijd stijf en burgerlijk, en werd nooit door aanzienlijke lieden gebezigd: zij, die het vroeger om geen geld van de wereld zich zouden hebben laten ontvallen, moeten dus nu evenmin âuquot; zeggen. De buizen van grof wadmer, die de zeelieden in de zeventiende eeuw droegen, zijn door roode baaitjes vervangen. Zal, nu het wadmer in onbruik is, een fatsoenlijk man zich in 't baai vertoonen? â Daarom, zoo je mij genoegen doen wilt, en tevens zuiver spreken, volg dan het verkeerde voorbeeld niet na, en bewaar âuquot; voor den derden of vierden naamval; maar, komt de eerste te pas, schrijft dan gij of ge en zeg gerust jij of je, zooals reeds voor twee eeuwen de deftige Hooft en de hofdichter Huygens deden, beiden lieden, die wel wisten wat een goede toon was. 't Valt altijd licht het al te gemeenzame weg te nemen, door âmijnheerquot; of âmevrouwquot; er bij te voegen, of wel, indien men met lieden spreekt, tegenover welke men een eerbiedigen afstand meent te moeten be-waien, dan kan men elk verwijt van ongemanierdheid ontgaan, door den derden persoon te bezigen en b. v. te zeggen: âzal miinheer nog een kopje thee gebruiken?quot; of: âdie muts staat mevrouw allerliefst.quot;
âIk hoop mij uw terechtwijzing ten nutte te maken,quot; zeide
202
Klaasje; âmaar ik vrees, ik vrees! Het zal mij, dunkt mij, onmogelijk zijn, tegen lieden van aanzien of van hoogere jaren je of jij te zeggen.quot;
âC'est le ton qui fait la musique,quot; hernam Bol, âen zoo je uitspraak maar niet gemeen of plat is, dat wil zeggen, zoo niemand aan je tongval kan hooren uit welken hoek van ons land je zijt, dan behoef je niet te vreezen, en dan zul je alle aanmerkingen ontgaan; zie eens kind! men beschuldigt mij wel eens, wat parados te zijn...
âJa, en niet zonder reden,quot; viel Leentje in.
âDaar hoor je 't al,quot; hernam Bol: âmijn eigen zuster valt mij af! â Nu, bij 't gevaar af, daarvan opnieuw beticht te worden, moet ik u zeggen, dat, naar mijn ervaring, men in de hoogste kringen, en hoe hooger hoe beter, onze taal nog het zuiverste spreekt.quot;
âHeden!quot; riep Klaasje: âdat hoor ik met verwondering. Men had mij wel eens verteld, dat het in Frankrijk en Engeland zoo was____ maar hier, dat dacht ik niet.quot;
âBraaf zoo!quot; zeide Bol: ânu doe je mij zeiven inzien, dat mijn stelling niet zoo paradox was als zij scheen. Is het zoo in Frankrijk en Engeland, je moogt er gerust Italië, Duitsch-land, Spanje en alle beschaafde landen bijvoegen, waarom zou 't dan hier niet zoo zijn?quot;
âIk dacht,quot; zeide Klaasje: âdat men bij ons in de groote wereld bestendig Fransche woorden in 't gesprek mengde.quot;
âZoo stellen 't,quot; antwoordde Bol, âde romans- en novellen-schrijvers voor, als zij, om kringen te schetsen, waarin zij niet verkeeren, hun verbeelding laten werken, of hun voorstellingen van de Nederlandsche groote wereld kopieeren naar de even weinig te vertrouwen tafereelen, die Kotzebue of August La-fontaine van de Hoogduitsche hofwereld uit het laatst dei-vorige eeuw geleverd heeft. Maar althans wat het bezigen van Fransche woorden betreft, hebben zij 't mis. In 't begin dezer eeuw moge 't zoo geweest zijn: 't is thans niet meer het geval; en sedert bij voorbeeld de kinderen van een tapper of komenijsman van papa en mama spreken, hoort men be-
203
schaafde volwassenen die woorden nimmer bezigen, wanneer zij van hun ouders, en maar zelden, wanneer zij tot hen spreken. Maar het was ook niet zoozeer het vermijden van Fransche of andere uitheemsche woorden, waarop ik doelde; en ik keur het gebruik daarvan volstrekt niet af, zoo dikwijls het vreemde woord onze gedachte beter uitdrukt dan het oorspronkelijke. Het zou belachelijk zijn âminister van justitiequot; met âdienaar van gerechtigheidquot; te vertalen, en evenzeer â ja moeilijk bovendien â een equivalent te zoeken voor 't woord equivalent, of voor die van coquet, galant, naïef en zoovele andere. Neen, wanneer ik zeg, dat men in de hoogere klingen zuiverder taal spreekt, dan meen ik daarmede, dat men zich daar minder schuldig maakt aan zoodanige uitdrukkingen en spraakwendingen als in schijn Hollandsch, inderdaad Fiansch, Engelsch of Hoogduitsch zijn. Zie, al heeft iemand in zijn goudbeurs onder de tientjes al een enkelen soeverein of napoleon, dat zal geen sterveling hem ten kwade duiden; want soevereinen en napoleons zijn overal gangbaar, maar mengt hij valsche tienguldenstukken onder de echte, dan is hij misdadig en strafbaar. Evenzoo, als je tegen mij Dominee zegt, en als ik u verklaar, dat ik het zeer pedant zou vinden zoo je mij met âHerderquot; of âLeeraarquot; toespraakt, dan zal niemand beweren, dat wij, door 't gebruik dier bastaardwoorden, eenige onkunde van onze moedertaal aan den dag leggen; maar zeg ik, dat het mij is opgevallen, dat wij wat al te kunst-matig spreken, en dat wij ons daartegen over en weder moeten waarschuwen â, dan ben ik te veroordeelen; want ik spreek een taal, die als Neerduitsch klinkt en inderdaad Hoogduitsch en Fransch is, met Hollandsche woordvormen.quot;
âMaar, lieve Dominee!quot; zeide Klaasje, na een wijl over het gehoorde te hebben zitten peinzen: âik heb toch eens een vriendinnetje van mij op school, een zeer fatsoenlijk meisje, hooren zeggen: ik bemin de doperwtjes zeer.quot;
âDie had zeker een Fransche bonne gehad,quot; zeide Bol: âmaar ongetwijfeld hebt jelui haar toen dapper uitgelachen, en het haar op die wijze afgeleerd. Nu! dergelijke dwaze
204
letterlijke overzettingen hoort men wel eens meer uit den mond van jonge meisjes, die geleerd hebben in een vreemde taal te denken: â doch de spotzucht stelt ze spoedig te recht: â en gaarne wil ik erkennen, dat er uitzonderingen op den regel zijn. â Ondertusschen bespeur ik met genoegen, dat je zelve denkt, en niet geneigd zijt zoo maar blindelings alles aan te nemen wat ik zeg. Ik hou van tegenspraak, mits men gronden voor zijn zaak aanvoere, en ben je 't in een of ander opzicht niet met mij eens, hoe vrijmoediger je dan je gedachte zegt, hoe liever ik 't heb.quot;
âNu, dan voorzie ik,quot; zei Leentje, âdat wij alle dagen hier dispuut zullen hebben. Wat mij betreft, ik laat mijn broeder ziin stokpaardjes berijden, als hij er lust in heeft, en spreek hem niet tegen; want hij is mij te geleerd. Ik moet er waarachtig om lachen,quot; vervolgde zij, op een toon, die alles behalve lachend klonk, âwanneer ik hem zoo hoor preeken, hoe men in de groote wereld praten moet, alsof hij er van kinds af was opgebracht. â Ik ben maar een burgermensch, en spreek zooals ik het geleerd heb, en ik merk niet, dat de lieden er mij iets minder om aanzien.quot;
âWel, dat is vrij natuurlijk,quot; zeide Bol: âje spreekt altijd goed genoeg voor de meeste lieden hier op 't dorp: en madame mère of Mevrouw Van Doertoghe zijn te beleefd om 't je te laten voelen als je een flater maakt, of als je tongval nu en dan wat Overijselsch klinkt. â En wat mij betreft, ik schaam mij volstrekt mijn geringe afkomst niet; maar ik zou mij schamen, de gelegenheid verzuimd te hebben, die mij geschonken werd om partij te trekken van goede voorbeelden. Het voorrecht viel mij ten deel, dat ik aan de academie jongelieden vond van hooge beschaving, die zich wel over mij, kleinen-kruidenierszoon uit een Provinciestad, ontfermen en mij hun vriendschap schenken wilden. Ik wist, hoe elders, in Frankrijk vooral, zelfs de man van geringe afkomst zich altijd in taal en manieren zoekt te vormen naar zijn meerderen, en er dikwijls zoo goed in slaagt, dat men, bij voorbeeld in de Kamers, den parvenu niet van den edelman zal onder-
205
kennen; ja meer nog, dat lieden van onaanzienlijke geboorte \an de planken der Comédie fran^aise hun landgenooten door hun voorbeeld onderrichten in het zuiver, sierlijk en liefelijk spreken hunner taal. Slaagt de Franschman in zijn land, waarom, dacht ik, zou ik het niet doen in het mijne? Ik achtte het voor 't minst mijn plicht zulks te beproeven. Ik deed mijn best mij mijn platten tongval af te wennen en het shibboleth der hooge standen te leeren bezigen. Ik geloof, dat het mij reeds half gelukt was, toen ik de academie verliet, en, zoo ik op Slikdorp gevaar heb geloopen, weer een erge Benjaminiet te worden, Gods goedheid bracht mij spoedig herwaarts, waar ik nu niet alleen goede leermeesters, als te Leiden, maar ook de beste leermeesteressen vond. â En nu zullen wij van dit onderwerp afstappen, en, indien zuster Leentje 't goedvindt, na gedankt te hebben, ons gereedmaken om een bezoek af te leggen op Klein Hardestein, waar Mevrouw Van Eylar ons met de thee zal wachten.quot;
DERDE HOOFDSTUK.
EEN BEZOEK OP KLEIN HARDESTEIN.
De onderstelling, die Juffrouw Leentje, als wij vroeger verhaald hebben, zich veroorloofd had aangaande de reden, waarom de Graaf Van Eylar Klaasje niet bij zich aan huis had genomen, was volkomen juist geweest; doch evenzoo het antwoord van haar broeder, dat hij Mevrouw Van Eylar nooit had hooren verklaren, het jonge meisje niet te willen ontvangen. Het wezenlijke van de zaak kwam hierop neer, dat Mw. Van Eylar zich over dat punt, noch tegen Bol, noch tegen haar man, noch tegen iemand, had uitgelaten, om de zeer eenvoudige reden, dat niemand haar eenig voorstel van dien aard gedaan had. Eylar was, naar de kennis, welke hij van haar karakter bezat, of meende te bezitten, te beschroomd geweest om er
206
mede voor den dag te komen: hij toch hield zich vooraf overtuigd, dat hem van hare zijde een weigering zou te wachten gestaan hebben: in welk geval hem geen andere dan de zeer onaangename keus zou zijn gelaten geweest tusschen toe te geven, wat de mannelijke achtbaarheid niet zou hebben gedoogd, en zijn streng vast te houden en onaangename huiselijke tooneelen te verwekken. Uit dit dilemma had hij zich gered, door aan Bol voor te slaan, hun pleegkind tegen een billijke schadeloosstelling tot zich te nemen. Dit laatste zou, redeneerde hij bij zich zeiven, in ieder opzicht beter en voor-deeliger voor alle partijen zijn. Voor Klaasje toch was het oneindig nuttiger, in de pastorie haar intrek te nemen, waar een eenvoudige levenswijze heerschte en zij het leerrijk onderricht van den predikant genieten zou, en aan dezen zou hij te dier gelegenheid â ook hierin was Leentjes gissing juist geweest â langs een weg, die 's mans kieschheid niet kwetste, een kleine tegemoetkoming in het huishouden kunnen verschaffen. Die wijze van de zaak te schikken was, redeneerde Eylar, tevens verstandig en edelmoedig. Doch al poogde hij zich zulks wijs te maken, wij zouden der waarheid te kort doen, indien wij zeiden, dat hij er in slaagde, of dat hij niet zeer wel inzag, hoe zorg voor eigen rust de ware drijfveer van zijn handeling was: en Bol, hoezeer daarom niet minder dankbaar aan zijn vriend, kende hem en zijn vrouw te goed, om de aanleiding tot den voorslag niet te doorgronden.
Zoo Eylar zich al gevleid had, door de gemaakte schikking alle huiselijke onaangenaamheid te voorkomen, dan had hij buiten den waard gerekend, of liever, buiten zijn vrouw. Immers, toen hij haar vertelde, dat zijn pleegdochter bij Dominee zou komen logeeren, raadde zij terstond, 't zij aan den toon, waarop de mededeeling geschiedde, en waaraan hij vergeefs de meest mogelijke onverschilligheid poogde bij te zetten, 't zij aan de uitdrukking van zijn gelaat, dat er iets niet pluis was: â wat, kon zij niet zoo dadelijk ontdekken. Mevrouw Van Eylar was volstrekt geen Juffrouw Leentje: zij stoof niet op: zij knorde of keef niet; zij bewaarde bij alle
207
wereldsche zaken een hoogst fatsoenlijke kalmte; maar die kalmte was dikwijls voor hen, wien 't aanging, min verdrage-lijk dan een heftig uitvaren zou geweest zijn. De Gravin paarde aan vele goede en beminnelijke hoedanigheden een zeker tic, dat men meer aantreft bij dames, die niet genoeg om handen hebben, en dat in zijn gevolgen, voor wie er mee behept zijn niet minder dan voor anderen, uitermate lastig kan worden: zij ging namelijk gaarne voor slachtoffer door, en aan deze liefhebberij verzuimde zij nooit bot te vieren, zoodra er maar de minste aanleiding toe bestond, of zelfs al bestond die niet. Op de mededeeling, haar door Eylar gedaan, had zij dan ook in den aanvang geen syllabe geantwoord, maar zich vergenoegd, een treurig gezicht te zetten, een diepe zucht te loozen, en bedenkelijk met het hoofd te schudden: ja op Eylars vraag, wat er in 't geen hij haar verteld had toch zijn kon, dat haar hinderde, was zij eerst een geruimen tijd in haar stilzwijgen en stom gebarenspel blijven volharden, en had zich toen, niet dan gedwongen laten ontvallen, dat, volgens hare meening. Dominee, door het bij zich ontvangen dier logee, zeer onvoorzichtig handelde. Wel kwam, had zij er bijgevoegd, hare meening niet in tel: want wie bekreunde er zich aan, hoe een dom schepsel als zij over de zaken dacht? maar andere, verstandiger lieden zouden 't misschien onbetamelijk vinden, dat Bol, die ongetrouwd was, een jong meisje bij zich aan huis nam: â en toen Eylar hierop had aangemerkt, dat het welbekend karakter van Bol, de achtbaarheid van den stand, dien hij bekleedde, de aanwezigheid van Leentje, en, bovenal, de betrekking tusschen hem en zijn pleegkind alle lasterlijke uitlegging wederspraken, was haar antwoord geweest, dat, zoo iemand, een predikant zich, naar 't oordeel van alle wijze lieden, voor opspraak wachten moest: het kwam haar, had zij vervolgd, vreemd voor, dat Dominee niet eerst hoogte genomen had, hoe men over de zaak zou denken: zij was wel niet ijdel genoeg om zich te verbeelden, dat men haar oordeel zou gevraagd hebben; doch men had zich tot haar schoonmoeder of tot Mevrouw Van Doertoghe
208
om raad kunnen wenden, die wel wisten hoe 't behoorde; â nochtans, indien men haar geraadpleegd had, zij zou't hebben afgeraden; maar zij was niet geraadpleegd, en dat was ook zeer natuurlijk â intusschen, zij verwonderde zich, dat Eylar zelf het zijn vriend niet afgeraden had.
Deze laatste aanmerking was wel geschikt geweest om Eylar in een moeilijke stelling te brengen, die, al wilde hij er nu juist niet voor uitkomen, dat die aanstaande logeerpartij door hem was gedreven, te eerlijk was, om te veinzen, dat hij er de hand niet in gehad had. Hij had dus, om op het bedekt verwijt zijner vrouw te antwoorden, een middelweg genomen, en gezegd â wat bovendien de waarheid was en daarom alleen reeds 't beste dat hij zeggen kon â dat het hoog tijd voor Klaasje was, de school te verlaten en in een conditie te komen: dat zij, zoolang zij nog geen betrekking had, wel ergens blijven moest, en vooral ouder goed en behoorlijk opzicht: dat, dewijl Donia uitlandig was, Hoogenberg en Van Zevenaer ongehuwd, en Galjart weduwnaar, terwijl Bleek sedert een geruimen tijd verklaard had, niets meer van de zaak te willen weten, en Van Zirik de hem geschreven brieven onbeantwoord liet, het meisje voor 't oogenblik nergens anders te recht kon komen, dan bij hem, Eylar of bij Bol. Toen hij zich nu echter, vrij onvoorzichtig, daarbij had laten ontvallen, dat zijn vrouw misschien ongaarne het meisje op Klein Hardestein zou hebben ontvangen, had hij spoedig bespeurd, welk een verkeerde snaar hij had aangeroerd. Immers terstond had zij deze reis niet ten onrechte de aanmerking gemaakt, dat hij 't haar ten minste had kunnen vragen: â maar (dus had zij weder op den toon eener lijdende martelares er bijgevoegd) haar werd nooit iets gevraagd. Zij zou het zeker wel niet aangenaam hebben gevonden, een vondeling, door studenten in een opgewonden bui geadopteerd, als logée bij zich te ontvangen; doch zij zou zich dat toch alweer getroost hebben, gelijk zij zich zooveel getroostte: het was haar plicht als vrouw, te gehoorzamen, te dulden en te zwijgen: aan dien plicht hoopte zij levenslang getrouw te blijven, enz. enz.
209
Wel had Eylar tegen die reeks van weeklachten aangevoerd, dat hetgeen zij zelve zeide juist bewees, hoe hij zeer goed gehandeld had door haar het bezoek van iemand te sparen, die haar niet welkom zou geweest zijn; â maar deze wijze van met haar eigen wapens bestreden te worden, viel geheel niet in den smaak van Mevrouw Van Eylar, die nu weder, het voorkomen van diepe neerslachtigheid aannemende, zich bepaald had bij den uitroep: âja, ik ben wel onredelijk!quot;
âNeen,quot; had toen Eylar gezegd: âdat ben je niet. Mietjelief! en dat zul je toonen, door mijn pleegdochter, als zij eens hier komt, met je gewone vriendelijkheid te ontvangen.quot;
Deze ingeving was de beste, die Eylar gedurende zijn onderhoud met âMietjequot; had gehad; immers zij had er niets tegen weten in te brengen; â en daar zij, bij haar beweringen van miskend te worden, geen huichelares was, maar volkomen ter goeder trouw, had zij, van dat oogenblik af, bij zich zelve het kloekmoedig besluit opgevat, zoo lief mogelijk te zijn jegens de beschermeling van haar man. Zij verbeeldde zich, evenzeer ter goeder trouw, bijzonder vroom te zijn, en zoo wenschte zij zich nu, met een gevoel van innige onderwerping aan hooger leiding in deze zaak, met verloochening van eigen begeerte, de kracht toe, om naar het welbehagen van haar man te handelen, en.... dat hij het dan ook mocht op prijs stellen.
Zeker was Eylar te laken geweest, dat hij in deze zaak niet van den aanvang af vertrouwelijk met zijn vrouw had gehandeld; maar hij had vroeger het geschonken vertrouwen meer dan eens, of met bitterzoete verwijtingen, of met lange sermoenen zien beantwoorden, en, van nature in zulke zaken zwak en vreesachtig van aard, had hij van lieverlede geschroomd, dat vertrouwen te toonen. â Het onverstandigste, dat een vrouw, die de liefde van haar man bewaren wil, kan doen, is hem af te schrikken van zijn hart bij haar uit te storten.
Wij zouden hier over deze laatste stelling in een breedvoerige zedenkundige beschouwing kunnen treden; doch hoe nuttig die op zich zelve zou kunnen zijn, meenen wij, in een
210
werk als hetgeen wij onder handen hebben, genoeg te hebben gezegd, om de verdere toepassing daarvan aan onze lezers en lezeressen te kunnen overlaten. Het is onze plicht, hier even van de moraal op de financiën over te stappen en op een vraag te antwoorden, die ons misschien zou kunnen worden gedaan, te weten, waartoe het noodig was, dat Eylar de kosten op zich nam van Klaasjes verblijf aan de pastorie; dewijl volgens de statuten der te Leiden aangegane overeenkomst, dergelijke uitgaven uit de gezamenlijke bijdragen der vennooten gevonden moesten worden. Gaarne voldoen wij aan deze billijke nieuwsgierigheid, die ten vereerenden bewijze strekt, dat de vrager ons werk met aandacht gelezen heeft, en wij zullen hem dan ook met een paar woorden op de hoogte stellen: daarbij thans echter alleen feiten en resultaten opgevende; de ontwikkeling der drijfveeren en roersels, die er toe geleid hadden, zal, hopen wij, uit hetgeen later volgen moet, van zelve voortvloeien.
Uit den brief van Bol aan Donia, in een vorig hoofdstuk voorkomende, hebben wij gezien dat toen reeds Van Zirik en Bleek zich niet dan schoorvoetende en met tegenzin tot het verleenen van verdere bijdragen ten behoeve van hun pleegkind lieten vinden. Bleek had zich, gelijk dit door Eylar aan zijn vrouw verteld werd, geheel teruggetrokken, en wel nu ongeveer drie jaren geleden, toen hij zulks aan zijn medecontractanten had medegedeeld, bij een breedsprakigen brief, in welken hij als redenen van zijn terugtreding aanvoerde, hoe de wijze van opleiding, welke de meerderheid goedvond aan Klaasje te geven, van den aanvang af gemoedelijke bezwaren bij hem had verwekt, en hij het zijn plicht als mensch en Christen oordeelde, tot zulk een wijze van handelen niet langer mede te werken; vertrouwende, dat men hem, noch zedelijk, noch wettelijk gehouden zou achten, een verbintenis na te komen, die bij verrassing was aangegaan, op een tijdstip, toen hij nog minderjarig was en bovendien onder den invloed verkeerde eener opgewondenheid, door den hem toege-dienden wijn versterkt. Men kan zich de verontwaardiging
211
voorstellen, die deze brief bij hen, voor wie die bestemd was, verwekt had, te meer, omdat de schrijver daarbij niet alleen den godsdienst als dekmantel nam voor zijn gierigheid en ontrouw aan 't gegeven woord, maar ook om de ingewikkelde beschuldiging, dat men indertijd misbruik gemaakt had van den toestand, waarin hij verkeerde, en hem als 't ware tot medewerking gedwongen had: iets wat wij weten, dat geenszins het geval was geweest. â De brief was, met hetgeen zich nog van de bijeengebrachte gelden bij Bleek in kas bevond, bij Hoogenberg bezorgd, die, toen hij hem bij de overige belanghebbenden rondzond, tevens hun te kennen gaf, dat, alhoewel zijn neef, met wien hij reeds voorlang alle intieme betrekking had afgebroken, dubbel en dwars verdiende, publiek aan de kaak gesteld te worden, hij echter alle vervolging in rechten moest afraden, niet zoozeer om het ongunstig gevolg dat er van te wachten was, als omdat een zaak, die steeds om goede redenen geheim behandeld geworden was, daardoor een openbaarheid verkrijgen zou, die in hun aller belang, zoowel als in dat van zijn pleegdochter, vermeden moest worden: â en in dien raad had men berust. â Bleven alzoo de bijdragen van Bleek in 't vervolg geheel achter, geen geringe moeite kostte het, die te krijgen van Graljart, die nooit te vinden was als men om geld kwam, en over wiens finan-tiëelen toestand er ook weinig gunstige berichten liepen. Op hem viel dus weinig meer voor 't vervolg te rekenen, zoomin als op Van Zirik, die, twee jaren na het terugtreden van Bleek, aan Hoogenberg schreef, dat het nu tijd was. Klaasje van school te nemen en, door haar een conditie te bezorgen, hem en de overige contractanten van dezen lastpost af te helpen. Daar nu Donia, op wien men anders meende te kunnen rekenen, in het laatste jaar niets van zich had laten hooren, was de vennootschap tot op vier leden verminderd: en ofschoon zoowel Hoogenberg als Van Zevenaer, die zich thans in een winstgevende praktijk verheugen mochten, zich bereid hadden verklaard de non-valeurs te dragen, was er, op verzoek van Van Eylar, goedgevonden, alles voorloopig in statu quo
212
te laten, de aanwezige gelden ten beste te besteden, en, als Klaasje de school verlaten had, nader te overleggen, hoe men voor 't vervolg zou handelen. De algemeene kas was dus, op het tijdstip van haar overkomst naar Hardestein, zoogoed als ledig, en Eylar achtte het althans onkiesch, een uitgave daarop te brengen, welke hij zich gemakkelijk getroosten kon.
Na deze uitweidingen hervatten wij den draad van ons afgebroken verhaal.
Wij hebben aan 't slot van het vorige hoofdstuk den predikant en zijn beide dames verlaten, zich gereedmakende voor het bezoek, dat hij aan zijn adellijken buurman brengen zou. Deze van zijn kant zat met zijn vrouw hem reeds te wachten aan een ronde tafel van gegoten ijzer, die in een bloemperk stond op korten afstand van het huis. Voor zooverre nu Mw. Van Eylar nog niet geheel was voorbereid op de c o n t e n a n c e, die zij tegenover Klaasje zou aannemen, werd haar de tijd gelaten, daarover nog eens na te denken; immers zoodra had Eylar niet de drie bezoekers den hoek zien omslaan der laan van acacia's, die van 't buitenhek naar het plein voor 't huis geleidde, of hij lei het dagblad, waarin hij zat te lezen, uit de hand, sprong op van zijn tuinstoel en ging zijn vriend met een fikschen stap te gemoet; terwijl Klaasje van hare zijde zich niet weerhouden kon, haar medewandelaars vooruit te snellen en hem om den hals te vliegen.
âWelkom, Klaasje! welkom, kind!quot; zeide Eylar, haar hartelijk op de beide wangen kussende: âje ziet er uit als een wolk. â Goeden avond. Gerlof!quot; â hij sprak, en petit comité zijnde, den predikant nog altijd, als aan de academie, bij zijn voornaam aan â âje past op je tijd, vriend! â Goeden avond, juffrouw Leentje! En nu. Klaasje,quot; vervolgde hij, met hen voortwandelende, âmoet ik je kennis laten maken met mijn vrouw. Ziehier, Mietje, de jongejuffrouw, over wie ik u gesproken heb, en die ik van heden af onder uwe bescherming stel, evenals Dominee haar zal gesteld hebben onder die van juffrouw Leentje, en daar heeft ze ook meer aan dan aan de onze, nietwaar Gerlof?quot;
218
Hoewel Klaasje haar hart wel een weinig voelde popelen, nu zij zich voor 't eerst in haar leven tegenover een h e u s c h e-lijke Gravin bevond, had zij echter, bemoedigd door de minzame wijze, waarop Eylar haar aan zijn vrouw voorstelde, zich zeer goed van haar nijging gekweten, en Mietje, op welke het uiterlijke van het bevallige kind een gunstigen indruk maakte, had van haren kant het voornemen, dat zij had opgevat, loffelijk ten uitvoer gebracht, aan Klaasje de hand gereikt, en haar met een vriendelijken lach verzekerd, dat het haar hoogst aangenaam was, kennis te maken met iemand, in wie mijnheer Vfin Eylar zooveel belang stelde. Bij deze bloote betuiging liet zij het niet; maar, zoodra de wederzijdsche begroetingen waren afgeloopen en het gezelschap gezeten was, begon zij aan het jonge meisje, op een toon van welwillende deelneming, allerlei vragen te doen, als, hoe zij 't op reis had gehad, of zij al was uitgerust van de vermoeienis, of het oord, dat zij verlaten had, zoo fraai gelegen was als Hardestein, en eindelijk, of zij veel van bloemen hield, terwijl zij, daarop een bevestigend antwoord bekomen hebbende, de opmerkzaamheid van Klaasje vestigde op de prachtige rhododendrons in de nabijheid, en haar beloofde, na het theedrinken eens het bloemperk en de oranjerie te zullen rondgaan. In één woord, zij legde bepaald de zucht aan den dag om het jonge meisje op haar gemak te zetten, waarin zij dan ook volkomen slaagde, en het goede kind, altijd gevoelig voor elk blijk van welwillendheid, dat zij ontving; was het dubbel, nu haar die blijken gegeven werden door een zoo hooggeplaatste vrouw. Ook Bol was zeer in zijn schik over de heusche ontvangst, die zijn pleegdochter gewerd, en niet minder verheugde zich Eylar, al kende hij dan ook zijn vrouw genoeg, om haar vriendelijke houding jegens Klaasje niet te durven toeschrijven aan een opwelling van het hart; daar die evengoed eenvoudig het gevolg kon zijn van zelfbeheersching, een vrucht der lessen, haar van jongs af ingeprent, om jegens al wie men bij zich ontving, vooral jegens de zoodanigen, die men voor 't eerst zag, zich beleefd en voorkomend te gedragen.
214
De eenigste, die niet bijzonder tevreden was, was Juffrouw Leentje, die bij zich zelve vond, dat Mevrouw zich wel wat veel en wat lang onderhield met een kleuter, die pas kijken kwam, en haar, de zuster van den predikant en alzoo een vrij gewichtiger personage, dientengevolge byna geheel verwaarloosde. Zij besloot hieraan een eind te maken, door het gesprek te brengen op een onderwerp, waarover het jonge meisje niet in staat zou zijn mee te praten, te weten op zeker genootschap, waarvan, een paar hoofdstukken vroeger, reeds met een woord gewag is gemaakt, en tot welks bestuur de Gravin en zij behoorden. Dit genootschap, sedert een paar jaar door eenige getrouwde en ongetrouwde Hardesteinsche dames opgericht, was bestemd om voor het behoorlijk schoolgaan der dorpsjeugd te waken. Het tot stand komen daarvan had niet weinig voeten in de aard gehad: ja zelfs waren de bedoelde Dames niet dan schoorvoetende tot het oprichten daarvan overgegaan! niet, dat zij er in 't algemeen tegen waren, een ver-eeniging te vormen: integendeel was het de vurigste harte-wensch van de meesten onder haar, vooral van de kinderlooze en ongehuwde, het loffelijke voorbeeld te volgen van zoovele harer elders wonende zusters, en bestuurderessen van een genootschap te worden: maar over de bestemming was verschil geweest. Mevrouw de Douairière Van Doertoghe, die nogal steil rechtzinnig was, wilde dat de vereeniging strekken zou tot het verspreiden van christelijke lectuur onder de Ashan-tijnen en andere bewoners van de kust van Guinea: de dames Prawley wilden een Chineesch gezelschap oprichten, dat zich in verbinding zou stellen met dergelijke, die bereids in sommige onzer groote steden bestonden: Mevrouw Van Eylar, die nog al preutsch was, opperde, dat men broekjes en borstrokjes zou breien voor de Javaansche meisjes, daar zij het schande vond, dat die zoo naakt liepen: een voorstel, dat niet weinig den spotlust gaande maakte van haar schoonmoeder, madame mère, gelijk zij in de wandeling genoemd werd, die, in de West haar eerste jeugd hebbende doorgebracht, zich niet bijzonder gechoqueerd vond, al miste deze of gene eenig bij anderen
215
onontbeerlijk geacht kleedingstuk, en zij van hare zijde achtte het beter, een fabriek te Paramaribo op te richten, waar aan de kinderen modellen zouden worden verstrekt om matten korfjes te vlechten van meer modieus fatsoen dan die gewoonlijk van daar komen â en tevens hun eenig onderwijs zou gegeven worden: de andere dames hadden weer andere plannen, doch dorsten, tegenover de genoemde notabiliteiten, er niet mede voor den dag komen. Na veel haspelens over en weder, besloot men eindelijk, het gevoelen in te winnen van Dominee. Deze, geraadpleegd zijnde, verklaarde, tot verbazing van alle en tot aanvankelijke verontwaardiging van enkele dames, dat, hoe nuttig en lofwaardig de opgesomde projecten ook mochten zijn, hij, niet alleen volgens het Engelsche spreekwoord charity begins at home, maar ook volgens de les van den grooten Meester, die begeerd had, dat zijn leerlingen hun prediking zouden beginnen met Jeruzalem, niet mocht nalaten, de dames aan te sporen, vooreerst de blikken niet te slaan naar zulke verre landen, waarvan zij te weinig wisten en waar het zoo onzeker was of haar bemoeiingen immer iets goeds zouden teweegbrengen, maar liever eerst wat nader voor zich neer te kijken en mede te werken tot het bevorderen van beschaving, door het Christendom geheiligd, onder de ruwen en onwetenden in de onmiddellijke nabijheid. âHoevelen,quot; vroeg hij, âgroeien niet, ten gevolge van de onverschilligheid, de gierigheid of de belangzucht der ouderen, in domheid en onwetendheid op tot wezens, waarop noch de christen-, noch de burgermaatschappij te roemen heeft, zich zeiven en anderen met zich bedervende? maar ook, hoe gebrekkig of geheel ontbrekende is niet, ook voor de zoodanigen als ter schole gaan, het onderwijs juist in die vakken, waarmede het hun, in stand en beroep, dienstig zou zijn, grondig bekend gemaakt te worden? â Hebt gij tot een vereeniging besloten, welnu! vereenigt u tot een Genootschap, dat hier in deze gemeente het schoolgaan door gepaste middelen bevordert; tracht daarbij, de school dienstbaar te maken aan het verspreiden onder de kinderen van kundigheden, die in de schoolwet niet zijn opge-
21G
iioemd, omdat zij .niet overal in gelijke mate vereischt, en daarom moeilijk tot algemeene rubrieken gebracht kunnen worden: kundigheden, die verschillen naarmate van de plaatselijke gesteldheid, doch, waar zij vereischt worden, dan ook even nuttig, ja even onmisbaar zijn als schrijven en rekenen. Hierdoor zult gij het dubbele voorrecht hebben, met eigen oogen de uitkomst uwer bemoeiingen te zien, en te kunnen verbeteren, wijzigen en aanvullen, wat u door de ondervinding blijkt verkeerd en gebrekkig te zijn.quot;
De meeste dames hadden, in den aanvang, niet weinig geprutteld tegen het vaarwelzeggen aan de schoone luchtkasteelen, die zij zich gedroomd hadden. Uit Hardestein zorg te dragen voor het heil van Chineesjes, Javaantjes, of Negertjes, was toch heel wat anders dan hetzelfde te doen voor kleine Harde-steinertjes: en juist dat het laatste meer practisch en practicabel was, maakte het vrij prozaïesch en terre-a-terre in de oogen van haar, die grootscher plannen in 't hoofd hadden ; â maar toch, zonder Dominees bepaalde goedkeuring wilde men niet handelen, en, wat de dames ook beginnen mochten, het zou, naar zij meenden, nimmer goed gelukken, als hij er niet met hart en ziel toe medewerkte. Hierbij kwam, dat Bol een bondgenoot had gekregen in den Heer van 't dorp. Eylar had verklaard, dat, indien het plan, door zijn vriend geopperd, verwezenlijkt werd, hij de zaak met een milde bijdrage zou ondersteunen. De Douairière Van Eylar, die den onbepaaldsten eerbied koesterde voor het oordeel van haar stiefzoon, ja voor niemands uitspraak meer krediet had dan voor de zijne, had, na die verklaring, haar zegel gehangen aan het voorstel van den predikant: haar stiefdochter had zich de verdienste niet willen laten ontnemen van in deze als in alle zaken haar wenschen ten offer te brengen aan die van haar man, en de overige dames waren gereedelijk gevolgd. Zoo was het Genootschap tot stand gekomen, waarvan Bol de statuten had gemaakt : de beide Douairières, Mw. Van Eylar en Mw. Van Doertoghe, waren tot beschermvrouwen, en Eylar tot beschermheer benoemd: Mw. Marie Van Eylar tot voorzitster, en Mejuf-
217
frouw Leentje tot secretaris van het bestuur, waarin behalve haar nog een drietal dames zitting hadden. Nadat het Genootschap nu ongeveer drie jaar door vrijwillige bijdragen bestaan had, was men op de gedachte gekomen, de kas te stijven door het houden van een zoogenaamde fancy-fair of verkoop van ingezonden voorwerpen, voor welke nu niet alleen al de dames in den omtrek al sedert weken waren werkzaam geweest, maar ook door de meeste deftige bewoners van Hardestein, ja door kennissen van buiten af, reeds talrijke bijdragen waren ingezonden; â en het was over die ophanden zijnde plechtigheid, dat Juffrouw Leentje alsnu tot Mevrouw Van Eylar het woord richtte.
âZou Mevrouw,quot; zeide zij, âniet weer eens Bestum-svergadering laten beleggen?quot;
âIs er zoo'n haast bij, Juffrouw Leentje?quot; vroeg de andere op hare beurt.
âOch! wat mij betreft,quot; antwoordde Leentje, âik zie niet in, dat er zoo'n haast mee zou wezen: de toezending duurt voort en het maken van de lijsten gaat geregeld zijn gang, zooals de meester mij nog gisteren verzekerd heeft; maar Emma Prawley meende, dat wij eens dienden te spreken over de rangschikking en wie men alzoo zou noodigen om voor winkeljuffers te spelen; â en Jeannette Fix, die altijd ja en amen zegt op al wat uit den mond van Emma komt, dringt er natuurlijk ook op aan.quot;
âOch! 't is mij wel,quot; zeide Mw. Van Eylar: âik heb in dezen geen wil. En heb je Juffrouw Zevenster al over de loterij gesproken? Misschien zou die wel zoo vriendelijk willen zijn, er het een of ander voor te vervaardigen. Dat zij in staat is iets heel liefs te leveren, daar hou ik mij van overtuigd.quot;
âWel, dat vertrouw ik waarachtig ook,quot; zeide Bol: âalthans zij heeft mij op Sint-Mcolaas een geborduurde portefeuille gezonden, die maar keurig mooi was, zelfs veel te mooi voor een Dominee om te gebruiken.quot;
âWel! gebruikt Dominee haar nooit?quot; vroeg Klaasje, hier zeer gevat de les opvolgende, die zij aan den middagdisch
218
ontvangen had betreffende het gepast gebruik van den derden persoon: âik had gehoopt dat zij al versleten zou wezen.quot;
âNeen!quot; zeide Eylar: âdaar lever je te goed werk voor, kind! Hier heb ik den sigarenkoker nog, dien ik van je kreeg: dien gebruik ik dagelijks, en hij is nog als nieuw; maar, van sigaren gesproken .... wat talmt Hendrik nu met het tabaksgerei en het theegoed te brengen?quot; en, zich omkeerende, verhief hij zijn stem om zich te doen hooren door zijn bediende j die nu kort daarop met de verlangde voorwerpen verscheen: zoodat weldra Bol met zijn pijp en Eylar met zijn sigaar lustig over elkander zaten te dampen, en de knazertjes'); die damesplagers, met den tabaksrook verdreven.
âIntusschen,quot; vervolgde Eylar, âMietjelief! zul je Klaasje wel dienen op de hoogte te brengen zoodat zij weet, wat men van haar verlangt.quot;
âNatuurlijk,quot; antwoordde zijn vrouw, en gaf nu onder het theezetten aan haar aandachtige toehoorderes een kort verhaal van het doel, de aanleiding en de wijze van inrichting der fancy-fair, waartoe Klaasje, na voor de gegeven inlichtingen dank gezegd te hebben, natuurlijk beloofde naar vermogen mede te zullen werken.
âEn dan zul je eens kunnen oordeelen. Mevrouw!quot; zeide Bol: âen beter dan wij mans, of Klaasje haar voordeel heeft gedaan met het onderricht, dat zij bij Mw. Zilverman genoten heeft.quot;
Juffrouw Leentje had al dien tijd niet weinig zuur gekeken en op haar stoel gedribbeld. Was zij er al in geslaagd, om aan 't gesprek een andere wending te doen nemen, zij was niet geslaagd in het doel, dat zij daarmede beoogde: juist het onderwerp, door haar op het tapijt gebracht, had de aanleiding doen ontstaan, dat wederom het woord uitsluitend tot Klaasje gevoerd en de bekwaamheden van deze besproken waren geworden. Haastig nam zij de gelegenheid waar, die de laatste woorden, door haar broeder gesproken, haar verschaften,
1) Een kleine en zeer lastige soort van Geldersclie muggen.
219
om aan haar spijt eenigszins lucht te geven, en zij zeide op snibbigen toon:
â't Is waarlijk te hopen, dat Klaasje bij Mw. Zilverman nuttiger dingen geleerd heeft dan sigarenkokers en portefeuilles te borduren: 't zal haar beter te pas komen, dat ze kouzen kan mazen en met de wasch omgaan.quot;
âEn dat, juffrouw Bol, heb je beloofd mij te leeren,quot; zeide Klaasje, op vriendelijk vleienden toon.
âNu, dan zul je op een goede school zijn,quot; merkte de Gravin aan, die, bespeurende dat er iets was, dat Leentje hinderde, haar weder in een goede luim wenschte te brengen: âik dacht, dat ik er ook nog wat van wist, maar, toen ik Juffrouw Leentje voor 't eerst aan het werk zag, merkte ik wel, dat ik, bij haar vergeleken, niets dan een onbeduidende leerling in 't vak was.quot;
Klaasje keek vreemd op; zij had zich voorgesteld, dat dames uit de groote wereld nooit iets anders deden dan uitgaan, zich kleeden en met de handen over elkaar zitten: â en nu was hier een vrouw van den hoogsten rang, en die bovendien in fijnheid van lichaamsvorm en wezenstrekken, in sierlijkheid van houding en manieren, volkomen beantwoordde aan 't ideaal, dat zij zich van een zoodanige gedroomd had, een naar 't uiterlijke schier etherisch wezen, dat toch water op den trekpot deed en thee schonk, gelijk 't een burgerjuffrouw zou doen, ja zelfs bekende, dat zij kousen kon mazen en met de wasch wist om te gaan.
Een Gravin! en dat nog wel een Gravin met zulke doorschijnende vingertjes! 't scheen ongelooflijk.
Haasten wij ons, eer 't den lezer ook ongelooflijk schijne, hem opmerkzaam te maken op de omstandigheid, dat Mietje, hoezeer van hooge geboorte, haar jeugd in alles behalve voor-deelige omstandigheden had gesleten; dat haar sedert eenige jaren overleden moeder niet meer dan twee meiden hield, en dat de beide dames 't in huis zeer zuinig hadden moeten aanleggen, ten einde in staat te zijn zich in de wereld te vertoonen op een wijze, eenigszins overeenkomstig haar stand.
220
Het gesprek kwam vervolgens op de muziek, en Mevrouw Mietje vroeg aan Klaasje, of zij er wat aan deed.
âWelzeker doet zij er wat aan,quot; zeide Eylar, voor het jonge meisje antwoordende: âen zelfs heeft zij allen aanleg om een eerste musicienne te worden, naar ik hoor. 't Is maar jammer, Gerlof! dat ze 't bij u niet kan onderhouden.'*
âMij dunkt,quot; merkte Juffrouw Leentje aan, âer zijn andere dingen, die een jong meisje in haar positie noodiger heeft te leeren dan muziek.quot;
âZeg dat niet, Juffrouw,quot; hernam Eylar: âals zij wezenlijk talent heeft, vooral ook om er onderwijs in te geven, kan haar de muziek zeer goed te stade komen, 't Spijt mij, dat ik daar niet vroeger aan gedacht heb; ik had anders een piano zien te huren voor den tijd dat zij hier is.quot;
âO!quot; zeide Mw. Van Eylar, terstond de beteekenis begrijpende van den blik, dien haar man steelswijze op haar wierp: âdat is geen zorg. Wij hebben hier een vrij goede piano, en als de juffrouw zich 's morgens wat wil komen oefenen, is zij altijd welkom.quot;
â't Is al te veel goedheid,quot; zeide Klaasje: âik ben er waarlijk verlegen mee.quot;
âNeen, wees dat maar niet,quot; zei Eylar: âde zaak is beklonken en de deur staat voor je open wanneer je maar wilt.quot;
âHeb je in lang tijding van je broeder Maurits gehad'?quot; vroeg Bol, nadat het gesprek een poos over verschillende, voorden lezer onbelangrijke onderwerpen geloopen had.
âNeen,quot; antwoordde Eylar: âik niet; maar mijn moeder heeft een brief van hem. Wat er in stond heeft zij mij niet willen vertellen, als alleen dat hij gezond en vroolijk was, en allen groeten liet; â maar, van tijdingen gesproken, ik zou wel haast vergeten, Gerlof! je te vertellen, dat er tijding is van Donia.quot;
âInderdaad?quot; zeide Bol: âen vanwaar?quot;
âVan Ispahan, van waar hij over Klein-Azië en Turkije de reis naar herwaarts dacht voort te zetten: hij heeft rechts en links door Hindostan gezworven en het Himalayagebergte be-
221
zocht â vandaar dat men hier in zoo lang niets van hem had kunnen vernemen, en men hem schier verloren achtte.quot;
âEn van wien heb je die narichten?quot;
âVan Hoogenberg, aan wien hij geschreven heeft. Het schijnt, dat hij zich nog den winter in de Oostersche landouwen zal ophouden en niet dan tegen 't aanstaande voorjaar hier terug kunnen zijn.quot;
âWel! dat ware zoo kwaad niet overleid,quot; zeide Bol; âdan zal hij juist van pas hier wezen om de Staten van zijn provincie er aandachtig op te maken, dat zij hem in hun Julizitting voor de Tweede Kamer benoemen.quot;
âMits er een vacature zij,quot; zeide Eylar: âwant anders, als je weet, volgt men daar als overal de gewone sleur en kiest dezelfde leden weer in: â 't is bovendien de vraag, of hij niet liever eerst wat zou willen uitrusten, en zich weer wat met de kaart van 't land bekend maken, eer hij zich met de zaken inlaat.quot;
âEi wat!quot; hernam Bol: âknappe lieden als Donia rusten niet en hebben geen voorbereiding noodig om zich in de zaken thuis te bevinden. Integendeel beweer ik, dat iemand, die met een gezond en vlug verstand en met algemeene kennis is toegerust, als hij plotseling geroepen wordt om te spreken en te beslissen over onderwerpen, die niet geheel vreemd aan zijn studie zijn, daarover, al zijn zij hem maar en gros bekend, doorgaans een juister oordeel vellen zal, dan iemand, die er zich sedert lang mede heeft bezig gehouden en eindelijk in de détails zoo verwikkeld is geraakt, dat hij er de hoofdzaak door uit het oog verloren heeft: â evenals een bekwaam schaakspeler, bij een vreemde partij geroepen, niet zelden terstond den zet bespeurt, die er te doen valt, en dien de speler misziet, omdat hij zich op de stukken heeft stomp gekeken.quot;
âIndien je paradoxen wilt verdedigen,quot; zeide Eylar, âdan komt daar, ginds, geloof ik, je man, om ze te bestrijden: zoo ik niet miszie, dan. Mietje-lief, kan ik u het bezoek aankondigen van den heer Rijksontvanger.quot; â Bij deze laatste woorden had zijn gezicht, dat beurtelings Bol en zijn vrouw aanzag,
222
een kluchtige uitdrukking aangenomen, die duidelijk te kennen gaf, dat hij dat bezoek thans best had kunnen missen: een gebarenspel, hetwelk Bol met een glimlach en een licht schouderophalen beantwoordde. Mw. Van Eylar vertrok insgelijks haar mond, doch op schier onmerkbare wijze. Zij vond, zooals zij wel eens in 't vertrouwen aan haar bijzondere vrienden bekende, den heer Snel rather vulgar, en bovendien vervelend. â Klaasje was zoo tevreden met het aanwezige gezelschap, dat zij er geen vermeerdering van wenschte, en zelf ook liever gehad had, dat Snel maar een ander uur voor zijn bezoek had uitgekozen: een wensch, zeker weinig erkentelijkheid openbarende jegens een reisgenoot, die zich zoo beleefd gedragen had. â Alleen de zuster van den predikant was aangenaam verrast: zij had een diep medelijden met de moederlooze kindertjes van den ontvanger en wenschte hun van uit den grond des harten een tweede moeder toe; ja zij zou misschien uit Christelijke liefde zich getroost hebben, die rol te vervullen: âwie wist,quot; fluisterde een geheime stem haar in, âof de heer Snel niet misschien te weten was gekomen, dat zij zich op Klein Hardestein bevond, en of hij misschien niet daarom juist dezen tijd voor zijn bezoek had gekozen?quot; In hoeverre zij echter bij het toegeven aan een gedachte, zoo vleiend voor haar eigenliefde, zich al dan niet misrekende, zal het vervolg moeten leeren.
Zeker is het, dat de ontvanger, toen hij, bij 't omslaan dei-laan, het gezelschap in het oog kreeg, eenigszins bedremmeld bleef staan. Zijn verlegenheid was niet zoozeer te wijten aan de omstandigheid, dat er bezoek was, als wel daaraan, dat men buiten deur zat. Hij was niet met Eylar op een voet van familiariteit, die hem veroorloofde, onaangemeld tot hem te komen: de etiquette, of liever de gewone vormen der beleefdheid, vorderden, dat hij belet vroeg: om belet te kunnen vragen moest hij aan de huisdeur bellen: om aan de huisdeur te bellen moest hij het gezelschap voorbij: hij kon het niet voorbijgaan zonder het aan te spreken, en sprak hij het aan, dan kon hij geen belet meer vragen, en dan mochten de Graaf
223
en de Gravin het eens kwalijk nemen, dat hij hen zoo plomp verloren op 't lijf viel. Al deze overwegingen hadden zich voor zijn geest ontrold in minder tijd dan wij noodig hadden om ze ter neder te schrijven; doch de moed, die hem in de schoenen gezakt was, keerde snel terug, toen Eylar, zijn gelaat in de vriendelijkste plooi zettende, oprees, een paar schreden vooruitging en hem toeriep: âwees welkom mijnheer Snel! kom nader, als 't u belieft.quot;
âIk ben waarlijk confuus.quot; zeide Snel, terwijl hij, aan het verzoek voldoende, onder herhaalde strijkages vooruittrad: âik kom misschien ongelegen, en in dat geval____quot;
âMaak toch geen complimenten, mijnheer!quot; hernam Eylar, een ijzeren tuinstoel, die tegen een boomstam steunde, bij de theetafel zettende: ânog eens, welkom terug op Hardestein: heb je 't wel gehad op reis?quot;
âUitmuntend, mijnheer de Graaf!quot; antwoordde de ontvanger, terwijl hij zich op den rand van het stoeltje nederzette:, âik ben u dankbaar. Ik hoop mevrouw de Gravin in welstand aan te treffen, althans naar het uiterlijke te oordeelen. Mevrouw de Gravin ziet er kapitaal uit.quot;
âOch! als het met mijn gezondheid maar redelijk gaat, dan ben ik tevreden,quot; zeide mevrouw de Gravin, evenmin gesticht over het compliment, dat de goede man haar dacht te maken, als over de wijze, waarop hij het inkleedde. En inderdaad, al plaagden haar geen andere dan nu en dan wat ingebeelde kwalen, 's mans uitdrukking was niet gelukkig gekozen; althans zoo dacht Klaasje bij zich zelve, terwijl zij met steeds hernieuwd welgevallen staarde op dat fijnbesneden, ovaal gelaat der Gravin, op dat blauw geaderd voorhoofd, gepolijst als marmer, op die zachte satijnen wangen, op die smachtende blauwe oogen, dien fraai gebogen dunnen neus en die zachte rozeroode lippen: â en zij schreef in haar binnenste den Rijksontvanger al zeer weinig kunstgevoel toe.
âWaren de kinderen niet blijde u weerom te zien, mijnheer Snel?quot; vroeg Leentje: âdie arme bloeien zullen wel naar papa verlangd hebben. Zij waren zoo geheel alleen.quot;
224
âO ja, zeer blij,quot; antwoordde Snel; âen ik heb van Grada gehoord, dat u zoo goed is geweest, ze een keer of wat te vragen. Ik hoop maar niet, dat ze u of Dominee tot last zijn geweest.quot;
âEn waarom ze niet meegebracht?quot; vroeg Eylar, in een opwelling van beleefdheid, die zijn vrouw weinig aanstond, en waarover hij zelf op 't punt was, berouw te gevoelen: wij zeggen; op 't punt; want wellevendheid was hem zoo ingeschapen en maakte onder alle omstandigheden zulk een hoofdtrek uit van zijn karakter, dat hij nooit waarlijk spijt kon hebben over hetgeen zij hem deed zeggen of verrichten.
âMijnheer de Graaf is al te goed,quot; antwoordde Snel: âde kinderen waren wat vermoeid: en in geen geval zou ik het hebben durven wagen, een paar zulke drukke klanten hier te brengen. â U kent het spreekwoord, kinderen zijn hinderen.quot;
âIk ken het spreekwoord,quot; zeide de Gravin, zuchtende: âmaar helaas! niet bij ondervinding.quot;
Klaasje had dien morgen Snel wel wat druk gevonden, maar toch nogal een aardig prater; â nu vond zij, bij zich zelve, hem onverdraaglijk, en nu zij hem âuquot; hoorde zeggen, zwoer zij dubbel haar best te doen, om de les van Bol op te volgen en dat woord te vermijden. â En toch had zij wel eenig medelijden mogen hebben met den armen ontvanger, die, aan het gezegde van Mw. Van Eylar bespeurende, dat zijn ondoordachte uitdrukking door haar als vrij misplaatst werd beschouwd, een kleur tot over de ooren gekregen had en met zijn figuur bijster verlegen was geraakt.
âMaar ik moet u om verschooning vragen, Mijnheer Snel!quot; zeide Eylar, die wel deernis met hem gevoelde: âik heb u nog niet gevraagd, of je niet een sigaar wilt opsteken,quot; en meteen stak hij hem zijn koker toe.
âMijnheer de Graaf is al te goed,quot; zeide Snel, terwijl hij de hand uitstak naar den koker: âzoo 't niet onbescheiden is, en zoo hetquot; â hier bleef hij nog altijd duim en vinger uitgestrekt houden, eer hij een sigaar aangreep, en zag Mw. Van Eylar aan: â ... .de dames niet hindert.quot;
225
âZoo 't mij ooit gehinderd had,quot; antwoordde Mw. Van Eylar, âdan zou Eylar er mij al lang aan gewend hebben.quot;
âAl mooier en mooier,quot; dacht het jonge meisje; âeerst verkerft hij 't bij Mevrouw en nu zal hij 't bij Mijnheer verkerven; want waar die rookt, behoeft hij waarachtig geen verlof te vragen om 't ook te doen. â Hoe is 't nu? denkt hij dat de arm van Mijnheer Van Eylar een uithangbord is?quot;
âGeloof mij, mijn waarde Heer!quot; zeide Eylar, terwijl hij al lachende den koker op en neer bewoog, âindien ik ooit had kunnen vermoeden, dat de tabaksgeur Mevrouw Van Eylar hinderde, dan had ik reeds voorlang aan pijp en sigaren vaarwelgezegd â alzoo, geen complimenten! en nu, Mijnheer Snel!quot; vervolgde hij, toen de man eindelijk een sigaar genomen en opgestoken had: âje bent, hoor ik, in de hoofdstad geweest, en je hebt dus zeker heel wat nieuws meegebracht, waar wij in onze stille kluizenaarsafzondering niet van droomen.quot;
Niet weinig gevleid met de gedachte, dat Eylar hem beschouwen kon als voor 't oogenblik beter op de hoogte dei-zaken dan hij, Eylar zelf, die toch tot 's Konings huis behoorde en lid van de Eerste Kamer was bovendien, antwoordde Snel, terwijl hij eerst zijn mond tot een beleefden lach vertrok en toen een zeer gewichtig en bedenkelijk gezicht zette:
âDe beurs was flauwer gisteren: er waren oorlogzuchtige geruchten uit de Levant: men spreekt van een verandering van ministerie in Frankrijk: Louis Philippe schijnt ongesteld ofschoon men 't verbergen wil, en Oostenrijk zou zijn politiek willen wijzigen.quot;
Hier bleef de goede man plotseling steken: zijn blik was gevallen op de courant, die Eylar bij de komst zijner bezoekers op tafel gelegd had, welke courant, met dezelfde diligence als hij, Snel, gekomen was, en waarin Eylar al het hem nu medegedeelde nieuws onder de beurstijdingen had kunnen lezen.
âJa,quot; zeide Eylar, 's mans verlegenheid bespeurende, en wenschende hem op zijn gemak te zetten, âik heb zoo iets of wat daarvan gelezen, maar wij weten, hoe weinig wij op de courantberichten staat kunnen maken en ik vlei mij, Mijnheer
I. - K. Z. J5
226
Snel! van u te kunnen vernemen in hoeverre men er meer of minder geloof aan mag slaan.quot;
âAl te beleefd,quot; zeide Snel, met een verhelderd gelaat: âhet is als Mijnheer de Graaf zegt: op al dat geschrijf kan men weinig aan: ofschoon de Beurs: dat is toch wat anders: dat is en blijft toch de thermometer van het publiek vertrouwen.quot;
âIk heb dat wel eens hooren betwisten,quot; merkte Bol met een onnoozel gezicht aan, âen daarentegen beweren, dat men zich, evenzeer als voor courantennieuws, te wachten heeft voor het trekken van eenig besluit uit de rijzing of daling der fondsen: en dat daar niet zelden speculatiën achter zitten, die met de politiek niets gemeens hebben.quot;
âVolkomen waar, Dominee!quot; zeide Snel: âmaar deze reis moet er wat aan de hand wezen. â Men moet altijd begrijpen, het is voor Louis Philippe een moeilijke zaak, die Franschjes in orde te houden: daar heb je liberalen en rooie republikeinen, die zich over hem beklagen: daar heb je den Hertog van Bordeaux, die zachtjes aan een dagje ouder wordt; daar heb je tot Louis Napoleon toe, die ook al aanspraken maakt:. . .. ik zeg maar, hij moet op zijn tellen passen, Louis Philippe.quot;
âJa, dat zeg ik ook,quot; zeide Eylar, die naar de politieke beschouwing van Snel geluisterd had, alsof zij volkomen nieuw en de slotsom van de diepzinnigste overpeinzingen ware geweest: âmaar ik zie niet in, dat de staat van zaken veranderen zal, al komt Thiers in de plaats van Guizot.quot;
âIk zal mij niet vermeten, met Mijnheer den Graaf te verschillen,quot; zeide Snel: âmaar toch dient men in aanmerking te nemen,quot;.... en hier trad hij in een uitgebreid betoog, hetwelk zonneklaar bewijzen moest, dat door de gevreesde verandering van ministerie de liberale partij de handen geheel vrij zou krijgen en alles op losse schroeven staan. Daar gemeld betoog, al had het op zich zelf eenige waarde gehad, thans echter niemands belangstelling meer wekken zou, zullen wij het hier niet opnemen en alleen vermelden, dat zoowel Bol als Eylar, met welke inspanning zij ook luisterden, vrij wat
227
moeite hadden, den schakel der redeneering te volgen en eenig verband tusschen premissen en conclusie te ontdekken. De reden hiervan, die dan ook door hen vermoed werd, was eenvoudig deze: de heer Snel had den vorigen dag, na de Beurs, in de sociëteit Doctrina een der leden, wiens woorden aldaar als zoovele orakels schenen beschouwd te worden, althans die een talrijke schaar toehoorders om zich heen zag zitten, over den gang van zaken hooren redeneeren: hij had de hoofdtrekken dier redeneering opgevangen, en hij vond er geen zwarigheid in, het opgevangene als vrucht van eigen nadenken op te disschen. Ongelukkig had hij â eens, omdat de vriend, die hem geïntroduceerd had, hem gevraagd had of hij niet nog een glaasje bessen verlangde, en eens, omdat zijn aandacht was afgeleid door een merkwaardig mat forcé, dat aan een schaaktafel in zijn nabijheid plaats vond â een paar gewichtige schakels in het betoog gemist, en daar hij die thans uit het zijne had weggelaten, of de leemte had aangevuld met andere, die niet sloten, moest het logisch verband in zijn rede daardoor niet weinig schade lijden. Noch Eylar, noch Bol veroorloofden zich echter een poging tot bestrijding van het aangevoerde : Eylar, omdat hij vond, dat de dames nu al politieken onzin genoeg hadden gehoord, en Bol, omdat hij, hoe geneigd anders tot redetwisten, daarbij altijd als eerste voorwaarde stelde, dat zijn tegenpartij op de hoogte was van het behandelde onderwerp.
âWel Mijnheer Snel!quot; zeide Eylar, toen de ontvanger eindelijk zweeg: âik ben te weinig in de geheimen der politiek ingewijd om de juistheid uwer beschouwingen te beoordeelen: de toekomst zal 't moeten leeren; maar om nu eens van het terrein der bespiegelingen op dat der practijk te komen: Mevrouw Van Eylar heeft nog Fransche Inschrijvingen; zou je haar raden, die weg te doen of niet? Zij was er al lang voor om ze te verkoopen, nietwaar. Mietje!quot;
âOch kom!quot; antwoordde Mietje, den schertsenden toon overnemende, dien haar man had aangeslagen; maar toch een weinig zuinig kijkende: âheb ik nu verstand van zulke dingen,
228
lieve Louis? En wat zou 't er toe doen, hoe ik over dat al of niet verkoopen dacht?quot;
âVerkoopen, Mevrouw!quot; zeide Snel; âen Oostenrijkers in de plaats nemen; zie, als ik zoo gelukkig was, eenig kapitaal te bezitten, al was het nog zoo weinig, of ik het gauw in de Oostenrijkers steken zou!quot;
âEi wat! Mijnheer Snel!quot; hernam Eylar; âik ben overtuigd dat je nu al te nederig zijt en u armer maakt dan in waarheid bestaat: ja ik zou haast wedden, dat die reis naar Den Haag maar een voorwendsel was om Amsterdam eens aan te doen, en er een flnanciëele speculatie te wagen.quot;
âHm!quot; zeide Snel, wiens ijdelheid blijkbaar door de onderstelling gestreeld was: âik wil niet zeggen, of ik heb eens hoogte genomen; maar 't is anders aan Mijnheer den Graaf bekend, dat ik eigenlijk op reis ben gegaan om de audiëntie van den minister bij te wonen en voor de ontvangst te Leiden te solliciteeren.quot;
âWel foei. Mijnheer Snel!quot; zeide Mw. Van Eylar: âheb je 't hier zoo slecht, dat je ons verlaten wilt?quot;
âZoo'n gezonde plaats voor de kinderen!quot; riep Leentje: âvoor dat vochtige Holland!quot;
âJe ziet aan de verwondering van de dames. Mijnheer Snel!quot; zeide Eylar, âhoe goed ik het geheim bewaard heb, dat je mij de eer hadt aangedaan, mij toe te vertrouwen. En heb je eenige hoop?quot;
âNiet de minste,quot; antwoordde Snel: âdoch als men niet te eiker gelegenheid solliciteert, komt men geheel in 't vergeetboek, en als men niet vraagt om het meerdere, krijgt men ook het mindere niet.quot;
âEi! ei!quot; zeide Bol: âdus is dat ook al een zaak van loven en bieden?quot;
âZoo is 't. Dominee!quot; antwoordde Snel: âzie je, te Leiden komt de controleur Snuffelaar, die te Rotterdam staat, of mijn collega ontvanger Potvisch, van Deventer, of Brost, van Gouda. Snuffelaar is wel de oudste in dienst, maar Brost hou ik dat het wordt: die heeft nogal relaties in Den Haag: zekere Rips,
229
die ordonnans-officier is bij Z. M., is met een zusters-dochter van hem gehuwd, en Heystroo, die adjunct-commies is aan 't personeel, is altijd koek en ei met hem geweest. Zie je, als die nu benoemd wordt, dan komt Gouda open, en als dan Mijnheer de Graaf een woordje te mijnen faveure wilde doen, dat zou niet weinig helpen.quot;
âIk?quot; zeide Eylar: âik heb geen den minsten invloed: â neen, inderdaad niet,quot; ging hij voort, ziende dat Snel een gebaarde van ongeloof maakte: âik draag een mooien naam, en bij sommige gelegenheden, een mooien rok: maar dat een en ander geeft nog niets: om eenig gewicht in de schaal te kunnen werpen, moet men in Den Haag wonen en altijd bij de hand zijn.quot;
âMijnheer de Graaf zal mij de overtuiging niet ontnemen,quot; hernam Snel, âdat hij mijn belangen kan bevorderen: al neem ik aan, dat hij dit niet in persoon doen kan, dan heeft hij toch altijd vrienden en betrekkingen genoeg in Den Haag, die mij op zijn aanbeveling zouden kunnen voorthelpen.quot;
âAlsof niet,quot; zeide Eylar, âieder van die vrienden en betrekkingen zelf een protégé had, of, anders, om mijnentwille geneigd zou zijn zich aan een afwijzend antwoord bloot te stellen? â Ge hebt wel eens van eau bénite de cour hooren spreken. Mijnheer Snel? geloof mij, dat zou alles wezen, wat ik op de stappen, ten uwen behoeve gedaan, zou verwerven.quot;
Snel had er niet van hooren spreken; maar juist omdat hij het laatste gezegde niet verstond, en er dus niet op antwoorden kon, achtte hij het gepaster, nier verder aan te dringen, en Bol, het gesprek willende afbrengen van een onderwerp, 't welk hij zag, dat zijn vriend minder gevallig was, maakte van het oogenblik, dat Snel zweeg, gebruik om op het verwijt terug te komen, door de Dames aan den ontvanger gedaan, en ook zijn bevreemding te kennen te geven, dat hij het ârustige landquot; voor de âmuffe stadquot; wou verlaten.
âWel Dominee!quot; zeide Snel: âals men u eens te Gouda of althans te Amsterdam of in Den Haag beriep, ik geloof, dat je 't ook zoudt aannemen.quot;
'
i
0
230
âIk zou kunnen antwoorden,quot; zeide Bol, âdat er een groot onderscheid bestaat tusschen de stelling van hem, die ergens beroepen wordt, en die van hem, die zelf zijn verplaatsing verzoekt. Doch ik wil uw vraag zelfs niet schijnbaar ontwijken, en dan betuig ik u plechtig, dat er al zeer sterke beweegredenen zouden moeten bestaan, eer ik deze plaats en het stellige goede, dat ik hier ondervind, verliet, om het onzekere betere na te jagen. Ik ben wel in een stad geboren; maar 't was een landstadje, waar mij, als ik den neus buiten 't raam stak, de veldlucht tegenwoei: en ik heb altijd een hekel gehad aan nauwe straten, tochtige vlieringen, bedompte kelders, stinkende grachten, geraas en gevaar van rijtuigen, en al wat men zoo verder in een stad aantreft. En dan ten slotte: ik denk met Cesar: liever de rust op Hardestein, waaide gemeente wel bij mij, bij gebrek aan beter, komen moet, dan de zevende of achtste te Amsterdam.quot;
âFoei Dominee!quot; viel hier Mw. Van Eylar in: âje zoudt ons willen doen gelooven, dat je door zulke wereldsche consi-deratiën geleid zoudt kunnen worden?quot;
âMevrouw!quot; hernam Bol, âik wil gaarne gelooven, dat ik in 't oog van vele lieden meer overeenkomstig mijn stand zou spreken, indien ik alleen geestelijke consideratiën aanvoerde; maar ik ben toch eenigszins huiverig, die bij te brengen, sedert ik heb opgemerkt, hoe weinig diezelfde lieden geloof hechten aan de betuiging ook van hun meest geliefden leeraar, wanneer deze aan zijn gemeente te A. vertelt, dat hij het beroep te B. aanneemt, omdat hij denkt, daar meer nut te zullen stichten, of dat hij voor C. bedankt heeft, omdat hij zich te weinig berekend acht voor hetgeen daar van hem gevergd wordt, enz. Niemand is de dupe van dergelijke verzekeringen: en zoo werkelijk een predikant, de eene gemeente voor de andere verlatende, daartoe bewogen wordt door een drijfveer, hooger en heiliger dan de menigte wel denkt, zoo moet zulks een geheim blijven tusschen zijn Meester en hem. Tot men-schen sprekende, doet hij beter, alleen stoffelijke beweegredenen op te geven, de eenige, die zij verstaan en beoordeelen kun-
231
nen. â Om op mij zeiven terug te komen: zoo ik hier ongaarne vandaan zou gaan, bestaat daarvoor een hoofdreden, die ik straks niet genoemd heb, en die ik, zoo geen van u allen die raadt, ook niet zeggen zal.quot; â Met deze woorden stak hij de hand aan Eylar toe, die haar met warmte in de zijne drukte.
Dit incident deed wederom een korte pauze in 't gesprek ontstaan, en Leentje maakte daarvan gebruik, om zich nogmaals met een vraag tot Snel te wenden, namelijk, of hij aan zijn belofte voldaan en iets voor de fancy-fair had meegebracht.
âIk hoop, dat de dames tevreden zullen zijn,quot; antwoordde Snel: â't zit nog in mijn reiszak,quot; en toen, het woord tot Klaasje richtende, die hij wel bij zijn komst met een air van kennis had gegroet en later herhaaldelijk van ter zijde aangekeken, maar die hij nog niet bepaald had durven aanspreken, vroeg hij haar, of zij al uitgerust was van de reis.
âO!quot; merkte Leentje aan, kwalijk tevreden, dat hij 't gesprek niet met haar vervolgde: âop hare jaren weet men van geen vermoeidheid.quot;
âEn,quot; voegde Klaasje er bij, âal was ik nog zoo moe geweest, wie zou niet bijkomen in een zoo frissche en geurige lucht, en bij zulk een vriendelijke ontvangst, als die ik hier geniet.quot;
âDe Juffrouw houdt dus van het buitenleven?quot; vroeg Snel.
âWat te vreemder is,quot; merkte Bol aan, âomdat zij haar kindsche jaren te Amstei'dam heeft doorgebracht, en dat er anders voor hen, die dat voorrecht genoten hebben, geen heil schijnt te bestaan, zoo zij niet eiken morgen de asch- en vuilniskar zien voorbijgaan, de boodschap van een bidder â hei! ik moet zeggen, van een aanspreker â aannemen, het uitkloppen van matten en vloerkleeden, het geschreeuw en gegil van groente- en vischwijven en ouw-kleerkoopers en de muziek van draaiorgels hooren, en een standje bij de âsloisquot; zien voorvallen.quot;
âEn heb je de boomen reeds uit elkaar leeren kennen?quot; vroeg Eylar aan Klaasje.
âEn de vogels?quot; vroeg Bol: âde Amsterdammers noemen
232
eiken vogel, dien zij zien vliegen, al is 't een gans of een vleermuis, zonder onderscheid â'n vinkkie,quot; en weten ze dan alleen te onderkennen, als zij ze zonder veeren, te weten in den schotel, zien.quot;
âAltijd met uitzondering van de Amsterdammers, die buitens hebben, nietwaar?quot; vroeg Mw. Van Eylar.
âIk spreek van de Amsterdammers pur sang,quot; hernam Bol: âvan de zoodanigen, die nooit naar elders gaan, tenzij als er een muziekpartij, een harddraverij, een vuurwerk, of eenig ander feest gegeven wordt, dat de menigte lokt: van hen in één woord, die buiten alles gaan zoeken, uitgenomen datgene wat er eigenlijk het wezen van uitmaakt, natuur en rust.quot;
âDe natuur, ja,quot; zeide Eylar: âmaar wat de rust betreft, die vindt men nergens, dan waar men die zelf medebrengt.quot;
âScandit aeratas vitiosa naves Cura '),
zegt Horatius,quot; voegde Bol er bij: âofschoon Horatius, met al zijn fraaie uitboezemingen over het geluk, op het land gesmaakt, eigenlijk meer in theorie dan in practijk een landman was.quot;
âHoe!quot; riep Eylar: âen zijn
O rus! quando te aspiciam2)
en wat er verder volgt____ kan men op treffender wijze de
Sehnsucht naar het land uitdrukken?quot;
âIk geef u dit volkomen toe,quot; zeide Bol: âik vind, met u. die plaats overheerlijk: ik wil zelfs aannemen, dat Horatius, toen hij die nederschreef, ter goeder trouw meende, dat hij op 't land gelukkiger zou zijn dan in de stad; maar ik blijf ge-looven, dat hij, als 't op stuk van zaken kwam, evenzoo deed als de woekeraar Alphus, dien hij afschildert, als aan het land
') âDe booze zorg bestijgt de vlugge schepen. !) âO land! wanneer zal ik u wederzien.quot;
233
den rug toekeerende, en dat, gelijk Alphus naar zijn kantoor, hij zich naar het Hof terugbegaf. Het land was hem alleen dan bekoorlijk, wanneer hij er Augustus, of althans Mecenas,
Pizo, Plancus of andere groote heeren kon flikflooien____ en
dan moest er bovendien noch fijne wijn noch een Lydia ontbreken. â Uitboezemingen in verzen beteekenen niets; Bil-derdijk heeft het buitenleven op onnavolgbaar schoone wijze bezongen; en toch had hij het land aan het land, en als hij bij zijn ouden vriend Valckenaer op 't Huis te Bijweg logeerde, kwam hij de deur niet uit.quot;
âNu!quot; zeide Snel, âwanneer zulke vermaarde personen niet ingenomen zijn met het landleven, dan mag een prozaïsch mensch als ik gerust bekennen, dat hij wel eens iets anders verlangt te zien als groene boomen, aardappelen en hei.quot;
âEn bloemen,quot; voegde Mw. Van Eylar er bij: âen ik wilde juist eens aan de dames voorstellen, de mijne eens te gaan zien. Wil anders iemand nog eerst een kopje thee?quot;
âIk geloof niet, Mietje!quot; zeide Eylar, âdatje trekpot verder aftrek vindt, en ook heeft Bol daareven een woord gesproken, waaraan een goed verstaander genoeg behoort te hebben. Zonder goeden wijn had, volgens zijn beweren, het buitenleven geen bekoorlijkheden voor Horatius, en ik ben het met hem volkomen eens, dat, bij Ceres, Flora, Pales en hoe zij verder heeten mogen, ook Bacchus niet ontbreken mag. Daarom zal ik zorgen, dat, terwijl de dames den tuin rondgaan, de thee door een krachtiger vocht worde vervangen.quot;
Het gezelschap was inmiddels opgestaan en de drie dames namen haar weg langs het prachtige bloemperk naar de oranjerie, Klaasje natuurlijk verrukt over al wat zij zag en niet het minst over de vriendelijkheid, waarmede Mw. Van Eylar haar op de merkwaardigste bloemsoorten en vreemde gewassen opmerkzaam maakte en er haar de namen en eigenschappen van mededeelde.
Ondertusschen had de knecht het theegoed weggenomen en Pdjnschen wijn gebracht, gelijk Bol beweerde dat door onze ouders altijd, en te recht, was gezegd geworden, terwijl Rijn-
234
wijn, als nu de mode werd het vocht te noemen, een ondraaglijk Germanisme of Gallicisme was, en evenmin Nederduitsch als âAalsmeer-aardbeziën,quot; âNoordwijkrozen of âWijkpeulenquot; het zouden zijn; op welke linguïstische uitweiding Snel zeer oordeelkundig aanmerkte, dat het onverschillig was, hoe men den wijn noemde, mits hij maar goed smaakte, gelijk degeen, die hem nu werd voorgezet: en toen, oordeel genoeg bezittende om te onderstellen, dat het bezoek van Bol bij den Graaf ten doel had. Klaasje aan Mw. Van Eylar voor te stellen, en dat de beide vrienden zich wellicht over hun pupil vertrouwelijk wilden onderhouden, begreep hij, zijn bloote beleefdheids-visite niet langer te mogen rekken, en nam zijn afscheid, na het tweede glas geledigd te hebben. Van de dames had hij dit reeds te voren gedaan.
âWel!quot; vroeg Bol, toen hij zich met Eylar alleen bevond; âwat zeg je van ons pleegkind?quot;
âWat ik altijd van haar gezegd heb,quot; antwoordde Eylar, âdat zij een engeltje is.quot;
âWisten wij nu maar iets, dat voor haar geschikt was,quot; zeide Bol.
âZij is pas hier!quot; riep Eylar op half verwijtenden toon; âje zult haar gezelschap toch nog niet moede zijn.quot;
âBezat ik vermogen om haar het leven aangenaam te maken,quot; hernam Bol, âdan verzeker ik u wel, dat ik haar niet gaan liet: doch hoe ik op haar gezelschap gesteld ben, en hoe nuttig ik het voor haar vind, dat zij hier een week of wat blijve, om door den omgang met uw vrouw en de dames op Hardestein en Doornwijck te voltooien wat er, op 't stuk van taal, uitspraak en manieren, nog aan haar opvoeding ontbreken mag, zoo moet zij niet zoo lang op een voet van gelijkheid met u en de uwen verkeeren, en zich in deze atmosfeer van weelde en gemak verlustigen, dat het verlaten daarvan haar te zwaar valt en zij, in een ondergeschikte betrekking, misschien in nederiger kring geplaatst, zich daarin ten eenen-male ellendig gevoelt. â Gelukkig is op de pastorie voor 't minst de levenswijze eenvoudig, en mijn zuster juist de persoon,
235
die geschikt is om haar nu en dan de vlerken te korten, als zij die wat te hoog wilde uitslaan. â Maar eer ik het yer-gete, ik kan u niet genoeg zeggen, hoe verheugd en dankbaar ik ben over de allerliefste ontvangst, die haar vanwege Mevrouw Van Eylar is te beurt gevallen.quot;
âMetwaar!quot; riep Eylar, terwijl zijn oogen glinsterden van genoegen; want hij zelf was even verrukt als verrast over de houding, die zijn vrouw had aangenomen; maar terstond vree-zende, dat, zoo hij te veel over dit onderwerp uitweidde. Bol vermoeden zou krijgen, dat hij 't misschien anders verwacht had, haastte hij zich een wending daaraan te geven.
âHerken je dien wijn nog?quot; vroeg hij.
âJa,quot; antwoordde Bol, eenigszins vreemd opziende over die plotselinge afwijking van het verhandelde punt; âik heb dien meer bij u gedronken.quot;
âIk wenschte, dat ik er meer van had,quot; vervolgde Eylar: âdit is de laatste flesch, die ik er van overheb.quot;
âEn is de soort niet meer te krijgen?quot;
âZoo niet de soort,quot; antwoordde Eylar, âdan ontbreekt de gelegenheid. Ik heb dien wijn indertijd van Bleek en Galjart opgedaan: â en wel om dezen laatste als ouden academiekennis genoegen te doen; â doch nu hoor ik, dat de firma weder ontbonden is of eerstdaags worden zal, en Galjart er uit raakt; â en met dien Bleek wil ik niets meer hebben uit te staan.quot;
âGaljart er uit!quot;' herhaalde Bol; â âarme drommel! Hij was dan ook weinig de man om aan 't hoofd van een zaak te staan, en toen ik indertijd vernam, dat hij zich met zijn zwager associeerde en een wijnhandel drijven ging, werd ik reeds bang, dat hij zelf de beste klant van zijn affaire worden zou.quot;
âIk hoor althans,quot; zeide Eylar; âdat onze vriend, die tijdens zijn huwelijk zijn leven scheen gebeterd te hebben, na den dood van zijn vrouw weder den ouden weg is opgegaan. Bleek en hij hadden de rollen te zamen verdeeld; terwijl de eerste op 't kantoor zat, reisde Galjart rond om bestellingen op te
doen; â maar juist die zwervende levenswijze schijnt hem opnieuw aan 't hollen te hebben gebracht.quot;
âEen luipaard verliest zijn vlekken niet,quot; zei Bol: â't is met-dat-al jammer van den vent; â zulk een hart van goud en zulk een goed natuurlijk oordeel. Ik had mij nog steeds gevleid, dat hij te recht zou komen.quot;
âEn misschien zou dat het geval geweest zijn,quot; zei Eylar, op een toon van bitterheid, die hem anders niet eigen was: âindien hij in andere handen gevallen was dan in die van zoo'n femelenden zemelknooper als die Bleek, die â ik ben er overtuigd van â hem dol gemaakt heeft met zijn boet-preeken en hem overal elders dan thuis zijn troost heeft doen zoeken; â althans zoo sprak quot;Van Zevenaer er over, toen ik hem laatst te Utrecht ontmoette. Hij voorzag reeds toen de scheiding, die er volgen moest. â Maar daar komen onze dames terug, en wij zullen van dit onderwerp liever afstappen.quot;
Nadat Juffrouw Leentje nu ook een glas wijn â met heel veel suiker â genuttigd had â zoowel Mw. Van Eylar als Klaasje verschoonden zich er van te gebruiken â en men nog een half uurtje over onverschillige zaken gepraat had, oordeelde Bol, dat het tijd werd, den aftocht te blazen, en nam men over en weder een hartelijk afscheid.
Van beide zijden moest het bezoek natuurlijk stof tot onderhoud opleveren; alleen het volgende dient daarvan te worden opgeteekend.
âO! wat een engel is die Mw. Van Eylar!quot; zei Klaasje, zoodra zij 't hek uit waren, tegen Bol.
âBlijf steeds haar gunst verdienen,quot; was het eenige wat hij antwoordde. Bij zich zeiven dacht hij: âmoge zij altijd in die illusie kunnen blijven voortleven.quot;
Op Klein Hardestein werd terzelfder tijd de navolgende tweespraak gevoerd.
âHartelijk dank. Mietjelief!quot; zei Eylar, terwijl hij zijn vrouw omhelsde, âvoor het liefderijk onthaal, dat mijn protégée bij u genoten heeft. En nu, hoe vind je haar?quot;
âBitter te beklagen,quot; was het antwoord van Mevrouw, dat
237
hem vrij koel op de maag viel; âdank zij de opvoeding, die men haar gegeven heeft, zal zij geen burgerman willen huwen, en geen man van geboorte zal haar vragen. Maar ik denk misschien weer als een zottin, en verstandige lieden als Dominee en jij weten 't natuurlijk beter.quot;
âHelaas! Zij denkt misschien al te juist,quot; zeide Eylar bij zichzelven.
VIJFDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
WAARIN ONS VERHAAL EINDELIJK BEGINT OP EEN GEWONEN EOMAN TE GELIJKEN.
Op den morgen, volgende op het avondbezoek, bij den Heer en Mevrouw Eylar gebracht, en na den afloop van het eenvoudig ontbyt, was Klaasje alleen in het tuinpriëel gezeten, terwijl voor haar op de tafel een arm vol linnengoed en gedragen kleedingstukken lag uitgespreid, met het verstellen waarvan Juffrouw Leentje haar uitgenoodigd had een proef van haar bekwaamheid te geven. De predikant was uitgegaan om een zieke vrouw te bezoeken, die om hem gezonden had, en zijn zuster, na, als gezegd is, aan Klaasje haar taak en evenzeer aan Antje de noodige bevelen te hebben gegeven voor hetgeen dien dag te verrichten viel, had geoordeeld dat zij wel eens even naar de Dames Prawley kon gaan om aan dezen het nieuws mede te deelen, dat er eerstdaags een Bestuursvergadering stond gehouden te worden. De lucht was warm, ja drukkend, en het jonge meisje, vindende, dat de bladerrijke kruin van den treuresch, waaronder zij gezeten was, haar genoegzaam tegen de zon beschutte, had haar tuinhoed afgezet, zoodat haar de lange krullen los en luchtig om het hoofd golfden. Begeerig, goede gedachten van haar bedrevenheid te geven aan Juffrouw Leentje, had zij zich met aandachtige vlijt aan den arbeid gezet, die haar was toevertrouwd, en 't was niet dan zeer enkel, dat zij, tusschen de nederhangende takken, die haar verborgen, een blik naar den weg en de voorbij-
239
gangers geworpen had. Geheel verdiept in de taak, die zij had ondernomen, had zij niet eens bespeurd, dat er onverwachts iemand den tuin was binnengekomen. Wel is waar, het kraken van het hek bij 't opengaan had den bezoeker niet kunnen verraden, om de zeer natuurlijke reden, dat deze het hek niet geopend had, maar eenvoudig, de eene hand op een der stijlen van de heining plaatsende, zich daarover had heengezwaaid en zonder gerucht te maken op de graszoden was te land gekomen, terwijl hij, vervolgens met een paar stappen over het zandpad genaderd, op eenmaal voor haar stond. Eerst nu zag zij op, en de schrik, of liever de verrassing, ontlokte haar een flauwen kreet, die echter terstond werd gesmoord. En werkelijk had de verschijning â oppervlakkig beschouwd â niets, dat schrik behoefde te baren. Het was die van een jong mensch, van haren leeftijd of weinig ouder, welgevormd, slank, nog een weinig te schraal in verhouding tot zijn lengte, voorts begaafd met krullend bruin haar, dito kneveltjes en zwarte oogen, een eenigszins gebronsde gelaatstint, hagelwitte tanden, doch wat aantoonde, dat hij maar half van Kreoolsche afkomst was â een zuiver Grieksch proflei; en dit gansch niet onbevallig geheel was er niet te minder om, dat het zich voordeed in de luitenants-uniform der rijdende artillerie.
De jongeling, van zijne zijde, al slaakte hij juist geen kreet, scheen niet minder verrast te zijn, toen hy, in plaats van een vijf- of zes en veertigjarige juffrouw, die hij kende, en die hij, bij het zien van het op tafel gespreide linnengoed ook verwachtte te zullen begroeten, een jeugdig en bekoorlijk, maar hem geheel onbekend jong meisje voor oogen kreeg. Hij bleef plotseling staan, en trok de voeten bij elkander, zoo nauwkeurig als een recruut, die 't-commando âhalt!quot; hoort uitspreken. Zijn tweede en even onwillekeurige beweging was, de hand aan zijn politiemuts te brengen; doch onmiddellijk gevoelende, dat men een jongejuffrouw op een andere wijze dient te begroeten dan men 't een hoofdofficier doet, nam hij gezegde muts af, maakte een beleefde buiging, en zeide toen:
âIk verzoek u duizendmalen om verschooning. Juffrouw ! ik
240
dacht Dominee Bol en Juffrouw Leentje hier te vinden. Dé-rangeer u niet, wat ik u bidden mag,quot; voegde hij er bij, ziende, dat zij van haar stoei was opgerezen.
De toon, waarop die woorden gesproken werden, was zoo welluidend en beschaafd, en de geheele toedracht der zaak zoo natuurlijk, dat Klaasje zich aanstonds voelde gerustgesteld. Bovendien geraakt een jong meisje, vooral wanneer hart en gedachte nog argeloos en onschuldig zijn, altijd spoediger weer op haar gemak dan een jonkman van gelijken leeftijd. Toch bleef zij, uit een ingeboren begrip van welvoeglijkheid, haar staande houding bewaren, terwijl zij hem antwoordde:
âDominee is naar 't dorp, Mijnheer, en Juffrouw Leentje is ook uit:quot; en toen, bedenkende, hoe in deze woorden tevens de mededeeling was opgesloten, dat zij op de pastorie alleen was, en dat een tête-a-tête met een jong officier min welvoeglijk kon geacht worden, voegde zij er haastig bij: âwie moet ik zeggen dat er geweest is?quot;
De jonge luitenant scheen te raden wat er bij haar omging en waarom zij bloosde, en wederkeerig bloosde hij ook, zooveel zijn gelaatskleur het toeliet; hij deed een stap terug, stond een oogenblik als besluiteloos en antwoordde toen:
âIndien de Juffrouw de goedheid wilde hebben, te zeggen, dat Maurits Van Eylar er geweest is, Dominee's gewezen leerling.quot;
âInderdaad?quot; riep Klaasje, alle beschroomdheid op eens vergetende, en alleen gehoor gevende aan de gedachte, hoe verheugd Eylar en Bol over de onverwachte komst op Hardestein van een zoo geliefden broeder en leerling zouden zijn: âwel, dat zal Dominee spijten, dat hij uw bezoek mist, maar Mijnheer komt, toch weerom?quot;
Indien Maurits Van Eylar een grootere verbeelding van zich zeiven bezeten had, dan zou hij uit deze vraag, op hoe natuurlijken toon zij ook gedaan werd, en hoe onschuldig zij ook werkelijk was, een gevolgtrekking hebben opgemaakt, niet weinig streelende voor zijn ijdelheid. Maar hij bezat een nog onbedorven, kinderlijk gemoed, en nam Klaasjes woorden op in dien zin, waarin zij gesproken waren.
I
241
âWel zeker zal ik terugkomen,quot; zelde hij: âmaar 't spijt mij: want mijn plan was geweest, Dominee te verrassen, en dat is nu mislukt.quot;
âDominee zou zeker verrast zijn,quot; hernam zij: âen iedereen, nietwaar? Ik meende gehoord te hebben, dat men u eerst tegen September te huis verwachtte.quot;
âZoo is 't ook,quot; zeide Maurits: âmaar ik heb geruild met een van mijn kameraden, dien 't beter schikte in September verlof te hebben, terwijl 't mij onverschillig was. Maar nogmaals pardon, indien ik u gederangeerd heb.... ik heb wel de eer u te groeten.quot;
Terwijl Maurits nog sprak was plotseling bij Klaasje een zekere vrees ontstaan, of Bol het ook kwalijk nemen, ja zelfs misschien aan ongepaste preutschheid en malle inbeelding van hare zijde zou toeschrijven, indien zij jegens iemand, die, als zoon van Mevrouw Van Eylar, als broeder van den Dorpsheer, en als leerling van Dominee, kon gerekend worden tot de intiemste vrienden te behooren, zoo onbeleefd was van hem te laten vertrekken, zonder een poging te doen om hem daarvan terug te houden.
âMaar Mijnheer!quot; zeide zij: âik denk, dat Dominee, of althans dat Juffrouw Leentje wel spoedig zal terugkeeren, en zij zouden mij beknorren indien ik u had laten heengaan.quot;
Onze officier bloosde opnieuw en begreep zelf niet, waarom hij het deed, noch waarom hij, die anders volstrekt niet beschroomd was van aard, eenige verlegenheid gevoelde bij een verzoek, dat zoozeer in overeenstemming was met hetgeen hij zelf verlangde. Zooverre ging echter zijn verlegenheid niet, dat hij de hem verleende vergunning zou hebben afgeslagen en zich daardoor aan bepaalde onbeleefdheid schuldig gemaakt.
âIk heb den tijd aan mij,quot; zeide hij met een vroolijken lach; âmaar ik zou vreezen, u te hinderen: ik heb u reeds te lang staande gehouden.quot;
Klaasje maakte ook van hare zijde een lichte buiging, en hernam haar plaats en haar arbeid, terwijl zij wederom op den gescheurden linnen halsboord, met welks herstelling zij
i. - k. z. ie
242
bezig was, met zulk een inspanning tuurde, als ware er geen rijdende artillerie in de wereld. Kon Maurits nu haar oogen niet meer zien, hij had des te beter gelegenheid, haar fijn-gevormde vingertjes en haar bleeke, poezele handjes te bewonderen. Had hij langer het garnizoensleven geleid, hij zou zich misschien tegenover het jonge meisje meer op zijn gemak gevoeld hebben en minder bescheiden geweest zijn; doch, zoon uit een geslacht, dat voortdurend aan de hoven verkeerd en de hoffelijke overleveringen ongeschonden bewaard had, opgevoed in de leer, dat men, aan vrouwen van allen stand en leeftijd, eerbied, althans beleefdheid, schuldig is, ging Maurits op den tuinstoel, dien hij naar zich toe gehaald had, vooreerst niet zitten, maar bleef er tegen leunen, en, gevoelende dat het even ongepast zou zijn, het jonge meisje aan te staren en misschien in verlegenheid te brengen, als naar den weg te kijken of Dominee ook kwam, wat den schijn zou toonen van verveling, wendde hij de oogen beurtelings van de eene bloemstruik in zijn nabijheid op de andere. Weldra begon hij te beseffen, dat een voortdurend wederzijdsch stilzwijgen toch ook beider contenance niet gemakkelijker maakte, dat de schoone onbekende van haar kant het gesprek niet wel hervatten kon, en dat zij al zeer geringe gedachten van zijn beschaafdheid en van zijn talent van conversatie krijgen zou, indien hij daar als een houten beeld bleef staan. Hij moest dus iets zeggen, maar wat? Een stommeling, een saletpronker, een verwaand advocaatje, doet zich nimmer zulk een vraag. Hi) praat er maar op toe en heeft in dat opzicht veel voor boven den man van kieschheid en smaak. Deze toch wil ongaarne iets onbeduidends zeggen, iets, dat mingunstige gedachten zou kunnen doen opvatten over de gaven zijns geestes: en, heeft het toeval of zijn gunstig gesternte hem geen geschikt onderwerp aan de hand gedaan, dan is het tien tegen één, dat zijn eigen brein er hem geen zal opleveren, dat gepast is. Het gaat met de conversatie als met het kaartspel: een kind, voor zooverre het den loop er van kent, speelt er met het onbegrijpelijkste flegma maar op los: is 't niet luk,
243
dan is 't mis; maar niet zelden is het luk; op den duur echter kan men zulk een partner wel missen: de goede speler daarentegen is alleen dan terstond gereed met zijn besluit wat hij uit zal spelen, wanneer de kaarten het als van zelf uitwijzen; maar is dit het geval niet, dan zal hij een poos nadenken, en liever een invite doen, dan dat hij terstond zijn hooge kaarten uitspeelt en het zich daardoor onmogelijk maakt weder aan den trek te komen en meester van 't spel te blijven. Nu zijn er in 't gesprek ook van die onderwerpen, welke een snapper terstond bij de hand neemt, doch de man van oordeel niet dan ongaarne te pas brengt. Praat men b. v. over 't mooie weer, men doet als de speler, die een singleton uitspeelt; in 't een en in 't ander geval ontbreekt de vervolgstof. Onderwerpen als 't laatste bal of de nieuwe opera, staan gelijk met de heerkaarten, die wel voor 't oogenblik den trek verzekeren, doch die, wanneer men in de kleur geen meester blijven kan, hem, die ze heeft uitgespeeld, zonder verdediging laten.
Maurits was wel niet geheel misdeeld van wat men jargon de société noemt; maar hij onderstelde, dat hij tegen de logée van een predikant niet over bals of over opera's zou moeten spreken, en hij vond het mooie weer een al te flauw onderwerp: na lang nadenken kwam hij tot de slotsom, dat hij geen geschikter stoffe vinden kon om tegenover de jongejuffrouw te behandelen, dan de jongejuffrouw zelve.
âMag ik vragen. Juffrouw?quot; zeide hij, âof je sinds lang hier aan de pastorie logeert?quot;
âSedert gisteren eerst. Mijnheer!quot; antwoordde zij, even opziende.
âZoo! dan durf ik u nog de vraag niet doen, of het u hier goed bevalt.quot;
âO! zeker bevalt het mij hier,quot; zeide zij, terwijl de toon, waarop zij sprak, en de heldere blik, waarmede zij Maurits aanzag, bij dezen geen twijfel konden overlaten, of de betuiging was oprecht gemeend: âmen is hier zoo goed jegens mij,quot; vervolgde zij, terwijl zij weder op haar werk keek.
244
Maurits dacht bij zich zeiven, dat niemand anders dan goed jegens zulk een lief schepsel zijn kon.
âIk ben gisteravond al op klein Hardestein geweest,quot; hernam Klaasje, terwijl zij vlijtig voort bleef werken: âwat is het daar allerliefst en wat is Mevrouw uw schoonzuster een engel van een mensch!quot;
Maurits, die de goede hoedanigheden van zijn schoonzuster op prijs stelde, doch haar niet precies een engel vond, kon zich niet weerhouden, even te glimlachen.
âIk ben blijde,quot; zeide hij toen. âdat zij, u zoo goed is bevallen. Mijn broeder is ook een best mensch, nietwaar?quot;
âDat heb ik ondervonden,quot; zeide Klaasje.
âJe hebt hem dus vroeger gekend?quot; vroeg Maurits, eenigs-zins verwonderd. Maar wat hem nog meer verwonderde was, dat het meisje, bij deze (in zijn oogen zeer eenvoudige) vraag, rood werd tot achter de ooren. Onwetend, in hoeverre Maurits met haar geschiedenis bekend was, vreesde zij, zich onvoorzichtig te hebben uitgelaten, misschien aanleiding te hebben gegeven, dat er dingen aan den dag kwamen, die haar pleegvaders liever verborgen hielden. Zij wist zich echter uit de verlegenheid te redden, door een bepaald antwoord te ontwijken en aan het gesprek een andere wending te geven, die echter ook niet zonder gevaar was.
âIk ben veel aan Mijnheer Van Eylar verschuldigd,quot; zeide zij; âdoch ik weet niet, of hij goedkeurt, dat ik daarover spreek: â Ik had straks al dadelijk getwijfeld, of Mijnheer niet de Jonker was, die verwacht werd: want ik vond u zoo gelijkend op uw broeder.quot;
âIk wenschte, dat ik hem in alles geleek,quot; zeide Maurits: âmaar toch, 't verwondert mij, als iemand eenige gelijkenis kan vinden tusschen mijn olijfkleurige tronie en het helder-blanke gezicht van Louis: en dan, hij heeft blauwe oogen en ik bruine: hij heeft haar, nog altijd zwart en glanzend als dat van een raaf: en ik heb een kroeskop als een neger: in één woord, Louis is een Jupiter, een Mars, weet ik het? â en ik, behalve dat ik gelukkig niet mank ga, heb meer van een
245
Vulkaan: wat ook juist past voor mijn beroep, om namelijk met kruit te morsen en voor heete vuren te zitten.quot;
âEr is toch een familietrek,quot; vergenoegde Klaasje zich te zeggen, als het minder noodig achtende, de caricatuur, welke Maurits van zich zeiven maakte, nader te analyseeren, of hem te doen opmerken, dat Vulkaan, in allen gevalle een godheid zijnde, het verheven kenmerk der bewoners van den Olympus niet geheel kon derven.
âWeet je wel, Juffrouw!quot; zeide Maurits, glimlachende, âdat je een groot voorrecht hebt boven mij; want ik ben met den besten wil van de wereld niet in staat, u het compliment, dat je mij maakt, terug te geven, aangezien ik niet kan vinden, dat je op iemand hier in de buurt gelijkt, en niet beoordeelen kan of je 't op iemand van uw famielje doet.quot;
âDat wil ik gaarne gelooven,quot; zeide zij, op een toon, die, in scherts begonnen, in weemoed eindigde: âik heb ook volstrekt geen famielje.quot;
âVergeef mij,quot; zeide Maurits, bespeurende, dat hij een gevaarlijk terrein betreden had: âik bega, geloof ik, een domheid .... juist niet de eerste vandaag.quot;
âDaar is Dominee!quot; â zeide plotseling Klaasje: âen Juffrouw J^eentje met hem.quot;
âMaurits!quot; riepen de beide genoemde personen uit, toen zij, juist voor het hek komende, den jongeling herkenden, die met drift naar hen toeliep.
âDag beste Dominee, dag Juffrouw! hoe staat het leven?quot; vroeg Maurits, hun beurtelings de hand drukkende: âwel! beken maar, dat je mij niet zoo spoedig verwacht hadt.quot;
âNeen voorwaar niet,quot; zeide Bol; âen 't is mij recht aangenaam, u zoo gezond en vroolijk te zien.quot;
âJa,quot; voegde Leentje er bevestigend bij, âje ziet er best uit, Maurits: of ik mag nu wel zeggen: Jonker!quot;
âDan zal ik je niet antwoorden,quot; hernam deze: âen ik verzoek u vriendelijk, mij niet anders dan Maurits te noemen, evenals vroeger.quot;
Al pratende waren zij bij het prieel gekomen, waar Klaasje
246
was opgestaan om stoelen voor de nieuwgekomenen klaar te zetten.
âIk ben verheugd, Maurits! u denzelfden terug te vinden, die je waart bij uw vertrek, uitgenomen alleen dat mooie pak,quot; zeide Bol, terwijl hij nogmaals den jongeling de hand schudde. Eerst nu viel het hem in, dat diezelfde jongeling, die er zoo goed uitzag, hier en tête-a-tête met zijn pleegdochter had gezeten, en hij sloeg op deze een blik, die eenige bezorgdheid verried. Wel was de argelooze en vroolijke lach, waarmede zij hem als naar gewoonte begroette, geschikt om hem gerustheid in te boezemen voor het tegenwoordige, maar toch, en ondanks zijn innige genegenheid voor Maurits, was noch diens onverwachte verschijning op Hardestein, juist nu Klaasje aan de pastorie was gekomen, noch hun samentreffen op een oogenblik, dat zij alleen thuis was, hem byzonder aangenaam; en hij oordeelde het noodig, dien jongeling dadelijk met de maatschappelijke betrekking van het jonge meisje bekend te maken. âHij zal dan begrijpen,quot; dacht hij bij zich zeiven, âdat zij geen vrouw voor hem kan zijn; en ik hou hem te braaf, om haar het hoofd op hol te willen maken.quot;
Overeenkomstig het opgevatte besluit, stelde hij, terwijl zij nu alle vier plaats namen, de beide jonge lieden aan elkander voor, op zoo drogen toon mogelijk zeggende; âJonker Maurits Van Eylar; â Mejuffrouw Klaasje Zevenster, de pupil van uw broeder en de mijne.quot;
âIk heb mij zelf al voorgesteld,quot; zeide Maurits, met een beleefde buiging: â maar ik heb niet durven vragen, wie de Juffrouw was. Bij gebrek aan andere relation, kon ik haar geen betere toewenschen, dan ik nu verneem, dat zij heeft.quot;
âDat wij nu ook juist allebei van huis moesten zijn. Dominee en ik,quot; zeide Leentje, terwijl haar oogen alles behalve vriendelijke pijltjes schoten naar de zijde van Klaasje: âhad ik er maar iets van kunnen ruiken! dat bezoek bij de Prawleys had ik ook wel tot van middag kunnen uitstellen. Waarom liet je ons niet weten, dat je gekomen waart, Maurits ? dan had ik wel gezorgd,
247
dat je hier iemand anders vondt dan de Juffrouw, die je niet kent.quot;
âWanneer gekomen?quot; vroeg Bol, die het gesprek wou afleiden van een punt dat hachelijk worden kon.
âGisteravond,quot; antwoordde Maurits, âmet een rijtuig, dat ik te W. genomen had; en ik vond het juist aardig, u in persoon tijding van mijn aankomst te brengen. Maar als Juffrouw Leentje er op gesteld is, dat ik de vormen der etiquette in acht neem, dan zal ik voortaan belet vragen.quot;
âOch! je weet wel beter,quot; zei Leentje, half lachend, half gemelijk: â't is maar, zie je, omdat. . .
âMevrouw je moeder zal wel gelukkig zijn geweest met deze verrassing,quot; viel Bol haastig in: âben je al op Klein Hardestein geweest?quot;
âNog niet: mijn broeder is, gelijk ik hoor, van morgen op een dag naar Arnhem, en je weet dat mijn schoonzuster niet gaarne heeft, dat men zoo vroeg in den morgen bij haar komt.quot;
âEn blijf je nu koffiedrinken?quot; vroeg Bol: âkom kind! wij zullen je hulp eens inroepen.quot;
Klaasje was dadelijk opgestaan, had den voddekraam van tafel geruimd en was naar huis geloopen om het noodige te halen.
âEn denk je nu alle dagen hier in dat mooie gouden-torre-pak te loopen?quot; vroeg Bol.
âWel neen,quot; antwoordde Maurits, lachende: â't was alleen maar . . ..quot;
âOm 't ons te laten kijken, nietwaar? Ik herinner mij ook, hoe grootsch ik er op was, toen ik voor 't eerst een rok aanhad, en hoe ik boodschappen praktizeerde bij de buren, en voor een halven stuiver balletjes in den garen- en lintwinkel ging halen, en een klein onsje van vier duiten in den tabakswinkel, en drie duiten drop bij den apteeker, en voor een duit krieken bij den koekebakker, alleen opdat zij zouden zien, hoe deftig ik er uitzag.quot;
Bol lei met opzet in zijn toon iets sarcastisch: hij begreep, dat, door in 't bijzijn van Klaasje, die al heen en weer liep,
246
was opgestaan om stoelen voor de nieuwgekomenen klaar te zetten.
âIk ben verheugd, Maurits! u denzelfden terug te vinden, die je waart bij uw vertrek, uitgenomen alleen dat mooie pak,quot; zeide Bol, terwijl hij nogmaals den jongeling de hand schudde. Eerst nu viel het hem in, dat diezelfde jongeling, die er zoo goed uitzag, hier en tête-a-tête met zijn pleegdochter had gezeten, en hij sloeg op deze een blik, die eenige bezorgdheid verried. Wel was de argelooze en vroolijke lach, waarmede zij hem als naar gewoonte begroette, geschikt om hem gerustheid in te boezemen voor het tegenwoordige, maar toch, en ondanks zijn innige genegenheid voor Maurits, was noch diens onverwachte verschijning op Hardestein, juist nu Klaasje aan de pastorie was gekomen, noch hun samentreffen op een oogenblik, dat zij alleen thuis was, hem bijzonder aangenaam; en hij oordeelde het noodig, dien jongeling dadelijk met de maatschappelijke betrekking van het jonge meisje bekend te maken. âHij zal dan begrijpen,quot; dacht hij bij zich zei ven, âdat zij geen vrouw voor hem kan zijn; en ik hou hem te braaf, om haar het hoofd op hol te willen maken.quot;
Overeenkomstig het opgevatte besluit, stelde hij, terwijl zij nu alle vier plaats namen, de beide jonge lieden aan elkander voor, op zoo drogen toon mogelijk zeggende: âJonker Maurits Van Eylar: â Mejuffrouw Klaasje Zevenster, de pupil van uw broeder en de mijne.quot;
âIk heb mij zelf al voorgesteld,quot; zeide Maurits, met een beleefde buiging: âmaar ik heb niet durven vragen, wie de Juffrouw was. Bij gebrek aan andere relatiën, kon ik haar geen betere toewenschen, dan ik nu verneem, dat zij heeft.quot;
âDat wij nu ook juist allebei van huis moesten zijn. Dominee en ik,quot; zeide Leentje, terwijl haar oogen alles behalve vriendelijke pijltjes schoten naar de zijde van Klaasje; âhad ik er maar iets van kunnen ruiken! dat bezoek bij de Prawleys had ik ook wel tot van middag kunnen uitstellen. Waarom liet je ons niet weten, dat je gekomen waart, Maurits? dan had ik wel gezorgd.
247
dat je hier iemand anders vondt dan de Juffrouw, die je niet kent.quot;
âWanneer gekomen?quot; vroeg Bol, die het gesprek wou afleiden van een punt dat hachelijk worden kon.
âGisteravond,quot; antwoordde Maurits, âmet een rijtuig, dat ik te W. genomen had; en ik vond het juist aardig, u in persoon tijding van mijn aankomst te brengen. Maar als Juffrouw Leentje er op gesteld is, dat ik de vormen der etiquette in acht neem, dan zal ik voortaan belet vragen.quot;
âOch! je weet wel beter,quot; zei Leentje, half lachend, half gemelijk: â't is maar, zie je, omdat. . . .quot;
âMevrouw je moeder zal wel gelukkig zijn geweest met deze verrassing,quot; viel Bol haastig in: âben je al op Klein Hardestein geweest ?quot;
âNog niet; mijn broeder is, gelijk ik hoor, van morgen op een dag naar Arnhem, en je weet dat mijn schoonzuster niet gaarne heeft, dat men zoo vroeg in den morgen bij haar komt.quot;
âEn blijf je nu koffiedrinken?quot; vroeg Bol: âkom kind! wij zullen je hulp eens inroepen.quot;
Klaasje was dadelijk opgestaan, had den voddekraam van tafel geruimd en was naar huis geloopen om het noodige te halen.
âEn denk je nu alle dagen hier in dat mooie gouden-torre-pak te loopen?quot; vroeg Bol.
âWel neen,quot; antwoordde Maurits, lachende: â't was alleen maar . . .
âOm 't ons te laten kijken, nietwaar? Ik herinner mij ook, hoe grootsch ik er op was, toen ik voor 't eerst een rok aanhad, en hoe ik boodschappen praktizeerde bij de buren, en voor een halven stuiver balletjes in den garen- en lintwinkel ging halen, en een klein onsje van vier duiten in den tabakswinkel, en drie duiten drop bij den apteeker, en voor een duit krieken bij den koekebakker, alleen opdat zij zouden zien, hoe deftig ik er uitzag.quot;
Bol lei met opzet in zijn toon iets sarcastisch: hij begreep, dat, door in 't bijzijn van Klaasje, die al heen en weer liep,
248
Maurits als een knaap te behandelen en te plagen, hij hem min gevaarlijk in haar oogen maken moest. Ongelukkig vergat hij, dat hij, door zijn bezorgdheid voor het meisje, onbillijk en hard was tegen Maurits, en hij werd dan ook voor zijn pekelzonde gestraft door het antwoord, dat deze laatste hem gaf.
âIndien ik geweten had. Dominee,quot; zeide Maurits: âdat mijn uniform u aanstoot zou geven, ik had haar niet aangetrokken; doch ik meende, haar te mogen komen toonen, evenals een schoolknaap u zijn prijs of een student de medaille op een bekroonde prijsvraag toonen zou. Ik geloof, mijn luitenantspak ook te mogen beschouwen als een prijs, dien ik eerlijk verdiend heb.quot;
âWelzeker!quot; bevestigde Leentje: âhij was nummer Een bij 't examen.quot;
âHm!quot; dacht Bol: âde mijn, die ik heb aangelegd, springt tegen mij, en Zuster helpt nog een handje om er mij onder te werken. â Nu!quot; zeide hij overluid: âje hebt gelijk, Maurits! en ik hoop, dat je de monteering, die je met eere gewonnen hebt, ook met eere zult blijven dragen. Je weet, ik heb er vanouds van gehouden, je wat te plagen, en ik vergeet misschien te spoedig, dat je nu niet meer enkel een Hooggeboren, maar ook, sedert een blauwmaandag, een Weledel gestrenge Heer geworden zijt: en vertel mij nu eens, hoe bevalt je het garnizoensleven te Marlheim ?quot;
Deze vraag gaf Maurits aanleiding tot een breedvoerige beschrijving van de wijze, waarop hij zijn tijd doorbracht te Marlheim, of liever in de stad, welke wij om overwegende redenen aldus verkiezen te noemen, en waar hij in garnizoen lag. Op een levendigen en onderhoudenden toon weidde onze luitenant uit over de gezelschappen, waarin hij er verkeerde, en over de vermaken, die de plaats opleverde, terwijl hij zijn verslag hier en daar kruide met ondeugende karakterschilderingen en kluchtige opmerkingen, die de lachspieren van Bol en van Klaasje in beweging brachten, en de laatstgemelde deden vinden, dat Maurits Van Eylar zijn gezelschap beter
249
waard was dan een der jonge heeren, die zij tot dien tijd ontmoet had; â wat nog niet veel bewees; want gedurende haar verblijf bij Mw. Zilverman had zij maar zelden of ooit gelegenheid gehad exemplaren van die menschensoort aan te treffen.
De vroolijke stemming, waarin het meisje gebracht was, mocht niet langer duren dan zoo lang Maurits aanwezig bleef. Nauwelijks had hij, na aan Bol te hebben medegedeeld, dat hij een vriend op Hardestein had medegebracht en dien nu weder moest gaan opzoeken, afscheid genomen en zich verwijderd, of het onweer, dat zich in 't hoofd van Juffrouw Leentje sedert haar thuiskomst had samengepakt, berstte op het hoofd van Klaasje los, en wel met te meer geweld, naarmate het langer bedwongen was geweest.
âNu! had ik dat kunnen denken,quot; zeide zij, âik was waarachtig wel thuis gebleven: dan had er ten minste hier zulk een ongepast tooneel niet plaats gehad. Ik hoop niet. Juffertje, dat je op je kostschool zulke manieren hebt geleerd, om visites van jonge Heeren af te wachten als je alleen thuis bent. 't Is maar te wenschen, dat niemand uit het dorp je te zamen heeft zien zitten. En had je niet aan den Jonker kunnen verzoeken, zoo lang binnen te gaan, of zelve in huis gaan en hem hier laten? Heeft dat pas, dat je hier met een jong officier alleen zit, als wij uit zijn?quot;
âNu! nu! zuster!quot; viel Bol in, na reeds een paar reizen vruchteloos gepoogd te hebben, dien stortvloed van verwijtingen te stuiten, en terwijl hij bij zich zelf haar onhandig sermoen verwenschte; âmij dunkt, eer je dat arme kind beknort en aan 't schreien maakt, dienden wij te onderzoeken, of zij anders had kunnen handelen dan zij gedaan heeft. Wat mij betreft, ik zie er geen stof tot berisping in, dat zij is blijven zitten waar zij zat. Had zij een bezem moeten nemen en den Jonker het hek uitboenen ?quot;
âIk vind je gekscheren vrij ongepast,quot; hervatte Leentje: âen ik hou vol, wat ik zeide, dat zij niet alleen met hem had moeten blijven.quot;
250
âEn waarom niet?quot; vroeg Bol: âis hij een wolf, die haar op zou gegeten hebben ? en al ware nu het geheele dorp voorbijgekuierd, wie had er iets in kunnen vinden, dat iemand, zoo eigen bij ons aan huis als Maurits, hier oploopt en onze terugkomst afwacht in gezelschap van onze logée? Juist door weg te loopen zou zij dien knaap hebben doen gelooven dat zij bang voor hem was, of dat zij achterdocht had aangaande het doel van zijn bezoek: en men behoeft aan de inbeelding van zulke heertjes niet onnoodig voedsel te geven. Hoe meer men hen sans conséquence behandelt, hoe beter.quot;
Klaasje veegde hier haar natbeschreide oogen af, ging naar Leentje toe en zeide half snikkende:
âWees niet boos op mij, lieve Juffrouw! ik heb misschien verkeerd gehandeld; maar ik was zelve onzeker wat ik doen moest, toen de Jonker daar zoo onverwachts voor mij stond.quot;
âNu!quot; zeide Leentje, haar wel niet afwerende, maar toch steeds op een onvriendelijken toon: âik wil er niet langer over spreken, daar Dominee toch je partij neemt: â en wat heb ik er ook mee te maken? 't Zijn mijn zaken niet, al vond Dominee goed, dat je met al de officieren van 't garnizoen ampartj es hadt.quot;
Klaasje voelde, dat haar oogen wederom vol liepen; zij liet de hand van Leentje, die zij gevat had, weder los, en snelde naar huis en naar haar kamer. Zij had als kind dikwijls harde bestraffingen en verwijten van haar minnemoeder moeten verduren, maar zich die nooit aangetrokken gelijk thans die van de zuster haars weldoeners.
âJe moet niet gelooven. Zuster!quot; zeide Bol, zoodra hij zich met haar alleen bevond, âdat mij de toevallige ontmoeting tusschen de beide jonge lieden bijzonder aanstond. Had ik kunnen voorzien, dat Maurits op Hardestein komen zou, ik had Klaasje niet bij mij genoodigd; doch nu het er eenmaal toe ligt, behooren wij zoomin mogelijk gewicht aan de zaak te hechten. Juist daardoor zouden wij dit kind dingen in 't hoofd brengen, die er niet in komen moeten.quot;
251
âIk zeg met Cats; âvuur en stroo dient niet alzoo,quot; quot; hernam Leentje.
âVolkomen waar, Lena!quot; hernam Bol: âen daarom dienen wij ook een oog in 't zeil te houden, en vooral oppassen, dat het jonge meisje niets van onze bezorgdheid bespeurt. Waarschuwt men een meisje tegen een jongeling, dan bezigt men het zekerste middel om haar aan hem te doen denken. Van moeder Eva af, hebben alle vrouwen naax 't verbodene getracht; 't veiligste is dus, haar zoomin mogelijk iets te verbieden.quot;
âFraaie les voor een predikant, die geroepen is om de lieden tegen 't kwade te waarschuwen,quot; zeide Leentje, zich verontwaardigd toonende.
âMet je verlof,quot; hernam Bol: âwij moeten elkander wel verstaan: ik heb nooit beweerd, dat het geen plicht zou zijn, tegen de zonde te waarschuwen en op haar treurigen nasleep te wijzen; ik acht dit een der hoofddoelen mijner bediening. Maar zoolang er geen bepaalde aanleiding bestaat om waarschuwingen op den man af te doen, of die op bijzondere gevallen toe te passen, is het raadzamer, in 't algemeen te spreken. Je gevoelt toch zelve, dat er een groot verschil tus-schen is, wanneer ik van den kansel zeg: âjonge dochters! zorgt bovenal, voorzichtig te zijn in den gemeenzamen omgang met mannen, en vermijdt al wat in 't geringste stof tot opspraak geven zou,quot; of dat ik naar het meisje, 't welk de vermaning gelden moet, toega en tot haar zeg: âTrijntje A.! pas op, 's avonds niet weer aan de deur te praten met korporaal B.quot;
âOch kom!quot; zeide Leentje: âje gooit er altijd gekheid onder, en dat past niet aan een man van je stand.quot;
âGeloof je niet, Leentje!quot; vroeg Bol, âdat het beter is te schertsen, dan zich boos te maken? Maar ik scherts niet; ik spreek zeer ernstig. Ik heb beiden innig lief, Maurits en Klaasje, en het zou mij in de ziel grieven, indien hun kennismaking ook maar een kortstondige kwelling aan een van beiden berokkende; maar nu zij eenmaal kennis gemaakt hebben, en wij onmogelijk beletten kunnen, dat zij elkander nu en dan
252
ontmoeten, nu zit er niets anders voor ons op, dan alles te vermijden wat aan haar, wat aan iemand, zou kunnen doen denken, dat wij een van de twee voor de andere gevaarlijk konden achten. Maurits heeft te goede beginselen om haar niet te eerbiedigen, en Klaasje, naar ik hoop, heeft genoeg gezond verstand, om te begrijpen wat haar stelling is in de maatschappij. Zij mag Maurits een lieven knappen jongen vinden, daar heb ik niet tegen ; doch zoo iemand het haar in den kop praat, zal zij zeer goed beseffen, hoe het even dwaas in haar ware, op den zoon van Graaf Peter Van Eylar te verlieven als op den Hertog van Bordeaux. En om te bewijzen, dat wij haar van zulk een buitensporigheid niet verdacht houden, zullen wij haar van avond naar 't kasteel meenemen.quot;
âWat?quot; riep Leentje.
âWelzeker,quot; hernam Bol: âwij mogen niet nalaten, haar voor te stellen aan de Gravin, die anders begrijpen zou, dat-men haar manqueerde: en is het bovendien geen plicht, haar te gaan gelukwenschen met de komst van haar zoon? â En nu ga ik aan mijn preek werken: zorg jij maar, als het kind weer van boven komt, een vriendelijk gezicht tegen haar te zetten. Zij moet van avond geen behuilde wangen toonen.quot;
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN BEZOEK OP HET KASTEEL.
Het Huis te Hardestein, hoezeer sedert eeuwen in de geschiedenis bekend, had in het verloop der tijden zoovele veranderingen ondergaan, dat uit de afbeeldingen, welke de teekenaars uit onze dagen er van in 't licht gegeven hebben, bij geen mogelijkheid iets is op te maken aangaande zijn vroegere gedaante. Het schip Argo, waar de oude schrijvers van gewagen, had wel, nu eens een nieuwen voorsteven, dan een nieuwe verschansing, later een nieuwe kiel, enz. gekregen, zoodat er ten slotte geen
253
plank meer overbleef van het oorspronkelijke vaartuig; maar ieder deel had den ouden vorm behouden: zoodat Argus, indien hij eenige eeuwen na zijn dood weder had kunnen opstaan, het schip, dat hij gebouwd had, terstond uit duizenden zou hebben herkend. Doch van het Huis te Hardestein waren niet slechts de materialen vernieuwd, maar, ook de gedaante bestendig veranderd, zoodat het thans bestaande gebouw met het oude slot geen andere overeenkomst heeft, dan dat het, en nog wel maar voor een gedeelte, op dezelfde plaats staat. In den krijg, tusschen de zonen van Reinout gevoerd, was de burcht door brand geteisterd geworden: in de dagen van Karei Van Egmond was er op last van Maximiliaan een der torens van weggebroken: gedurende de Spaansche troebelen was een gedeelte van het corps de logis, dat bouwvallig stond, gesloopt; ten tijde van het stadhouderschap van Willem III was er een vleugel bij aangebouwd, doch ook weder een zijgang weggebroken. Eindelijk had, in de 18de eeuw, de oude Peter Van Eylar een grooter deel van zijn vermogen, dan wel met een gezonde huishoudkunde overeenkwam, besteed, om het kasteel in modernen stijl te herbouwen, en nu had onlangs zijn schoondochter, de tegenwoordige bewoonster er nieuwe verfraaiingen aangebracht: zoodat van het oude gevaarte niets meer in wezen was, buiten enkele grondslagen en een oude ronde toren, waarvan nader.
De toegang tot het kasteel, voor wie van buiten kwam, was aan de noordzijde, waar zoowel de hoofd- als eenige zijlanen, met eike- en kastanjeboomen beplant, op de breede slotbrug uitliepen, een pronkstuk van bouwstijl uit de vorige eeuw, met steenen leuningen voorzien, waarop aan elke zijde een leeuw zich vertoonde, de een het wapen vasthoudende van Eylar, zijnde van lazuur, met een luipaard van zilver, gekroond van goud, en de andere het wapen van Gemen, (tot welk stamhuis de echtgenoote van den ouden Peter behoorde), zijnde van goud, met een faas van keel en zilver. Langs deze brug, die eigenlijk, als men later zien zal, volstrekt niet noodig was, kwam men op een ruim voorplein, waar zich, rechts het koets-
254
huis en de paardenstal, links de woning van den tuinman en van den jager en de hondenstal bevonden; terwijl in 't midden zich een staak verhief, tegen welken eenige eekhorentjes opklauterden. Een tweede, smaller brug geleidde binnen het kasteel, welks deftige, ofschoon alles behalve antieke gevel zich in het water spiegelde, even gelijk zulks ook de geheel moderne westergevel deed en de oude met klimop begroeide toren aan den zuidwestelijken uithoek. Met de beide andere gevels was zulks niet het geval. Immers het huis stond niet rondom in het water, gelijk veelal dergelijke gebouwen doen, maar de beek, die door het park vloeide, naderde het kasteel aan den hoek, waar zich de oude toren bevond, en vulde daar de breede gracht, zoowel als die, welke om het voorplein heenliep, terwijl zij vervolgens, zich aan de oostzijde versmallende, zich door het bosch verwijderde om de verder gelegen weilanden te bevochtigen en een papiermolen aan den gang te brengen.
De oostelijke gevel, waar zich de offices bevonden, was geheel door sparreboschjes en heestergewassen gemaskeerd; maar niet alzoo de zuidelijke, die, geheel in hedendaagschen stijl verbouwd en versierd, aan den gevel eener Italiaansche villa liet denken. Deze was met zeven glazen deuren voorzien, uit welke men gelijkvloers naar buiten trad, en waarvan de drie middelste de aldaar uitspringende groote zeshoekige beneden-achterzaal verlichtten; schoon dit licht eenigszins getemperd was door een veranda, welig met rozen, geraniums, foksia's, kamperfoelie en andere klimplanten begroeid. Tegen deze veranda was aan de linkerzijde een conservatory gebouwd, binnen welke een altijd springende fontein de heete lucht bekoelde, en die, door twee der glazen deuren, gemeenschap had met het boudoir van Mevrouw. De twee glazen deuren rechts verleenden haar licht aan de boekerij. Aan den voet van het breede terras, op 't welk al die deuren uitkwamen, liep rechts en links een laan van zware eiken, een cirkel vormende om een uitgestrekt grasperk. Het frissche groen van dat mollige tapijt was van afstand tot afstand
afgewisseld door ronde, ovale, ruitvormige of veelhoekige vakken, binnen welke de uitgelezenste bloemen, die 't jaargetijde aanbood, haar schitterende kleuren vertoonden of haar balsemende geuren rondspreidden. Aan de zijde van het kasteel was het grasperk bezet met een rij oranje-, laurier- en granaat-boomen, en aan de tegenovergestelde zijde met een rij geraniums en andere fijne planten en bloemen. Rechts had men uit het huis het uitzicht op de biljartkamer, die gebouwd was in den vorm van een tempeltje in G-riekschen stijl, welks voorportaal, op kolommen van wit marmer rustende, teruggekaatst werd in het helder nat van een vijver, die gevoed werd door de meergenoemde beek. Links zag men, tusschen het geboomte door, een gedeelte der oranjerie, en, voor zich uit, een breede beukenlaan, die, omdat de grond opliep en de stammen der verst verwijderde boomen door de bladerkruinen der meer nabijstaande gemaskeerd werden, van een eindelooze lengte scheen.
Het was wederom niet zonder een geheimen schroom, die 't hart haar deed popelen, dat Klaasje, toen zij Bol en zijn zuster bij het voorgenomen bezoek vergezelde, de slotbrug-overtrad en de beide anderen een hooge stoep op volgde. Geen wonder, dat haar gemoedsbeklemdheid vermeerderde, toen zij, die nooit iets dergelijks aanschouwd had, zich in het prachtige voorportaal bevond, met zijn hoog gewelf, met die pracht van beeld- en snijwerk, met die uitgehouwen wapens en met die voorstellingen in basrelief van veldslagen, onder de leiding der Eylars van vroegere dagen geleverd: of toen zij van daar de achtkante zaal binnentrad en er overal langs de wanden de portretten zag der leden van het doorluchtige geslacht, sommige in schitterende wapenrusting, andere in hofkleeding of in geestelijk gewaad uitgedost; doch die allen, naar 't haar toescheen, 't oog dreigend op haar gevestigd hielden, als wilden zij haar vragen, wat haar, de vondeling uit de achterbuurt, zoo stout maakte, den drempel van hun heiligdom te betreden. Zij had echter voor 't oogenblik geen tijd om aan haar angst toe te geven, noch om hetgeen haar omringde nauwkeurig op
256
te nemen, dewijl de bediende, die den weg wees, de bezoekers naar de veranda bracht, waar zich de vrouw des huizes bevond. Hier werden zij 't eerst ontvangen door een drietal keffertjes, met roode halsbanden voorzien, en, zooals Maurits 't eens had uitgedrukt, mooi van leelijkheid. Eerst toen het rumoer, dat deze diertjes maakten, door tusschengekomen hulp wat bedaard was, en zij zich weder in een groote witte mand onder de tafel hadden neergelegd, deed zich voor Klaasje, die al meer en meer van haar stuk was gebracht, de mogelijkheid op, de drie Dames te onderscheiden, die zich hier bevonden.
De oudste van de drie, die bij de komst van het gezelschap uit een gevlochten stoel van Indisch biezenwerk was opgerezen, was de vrouw des huizes. Ernestine De Lizieux had er in haar jongen tijd niet onaardig uitgezien, en ook nu nog, op haar vijf en veertigste jaar, deden de levendigheid van haar oogopslag, wending en gebaren eenigszins vergeten, dat haar zwarte lokken met grijze haren vermengd, haar kleur een weinig geel, haar gelaat wat gerimpeld, en haar taille wat minder fijn was geworden. Ofschoon zij van goeden huize was, had nochtans de wereld indertijd haar huwelijk met Peter Van Eylar als een mésalliance zijnerzijds beschouwd, alleen verschoonbaar vanwege het groote vermogen, dat zij hem aanbracht. Zij was, gelijk uit haar naam was op te maken, van Fransche afkomst; een van haar voorouders, bij de opheffing van het Edict van Nantes naar Holland geweken, had er een handelshuis opgericht, 't welk voortdurend goede zaken had gedaan. Haar grootvader, Dieudonné De Lizieux, had zich naar de West-Indiën begeven, waar hij talrijke plantages bezat, en zijn zoon, Maurice, was, na hem, aldaar tot aan zijn dood gebleven. De weduwe van dezen laatste, die van zichzelve een freule van Nettelhorst was, was met het eenig overgebleven pand hunner liefde naar het moederland teruggekeerd en had zich in Gelderland nedergezet. Dat kind was Ernestine, die, vroeg reeds weeze, en door talrijke jeugdige aanbidders omringd, tot verwondering van sommigen, tot ergernis van velen, haar hand had geschonken aan Graaf Peter, die haar vader
257
had kunnen zijn. Waren het zijn rang en zijn titel, die haar verleid hadden, of hadden andere oorzaken haar keuze bepaald ? Wij moeten op die vraag het antwoord schuldig blijven. Zeker is het, dat zij het met haar man, gedurende diens leven, zeer goed had weten te vinden, en, na zijn dood, in volkomen harmonie met haar stiefzoon was blijven leven, en in alles diens raad innemen, vooral waar het de opleiding gold van haar geliefden Maurits. Hierin had zij althans getoond, dat, zoo het haar aan scherpheid van oordeel en kloekheid van verstand ontbrak, zij genoeg zelfkennis bezat om zulks ook in te zien en een goeden leidsman te kiezen. Doch zij was er bovendien van zelve toe geleid geworden, haar geheel vertrouwen aan Eylar te schenken, die haar steeds een liefde en eerbied betoond had, als zij nauwelijks van een eigen zoon had kunnen verwachten, wien zij daarvoor innig dankbaar was, en wiens oordeel en kennis van zaken zij imsschien nog hooger schatte dan zij inderdaad stonden, omdat zij die afmat naar zijn uitnemend hart. Voor 't overige had zij zoowel eenige dei-gebreken, als schier al de goede hoedanigheden der Kreolen. Zij was opgeruimd van aard, tegelijk rusteloos en op haar gemak gesteld, lichtgeraakt en spoedig weer tevreden, verplichtend, gul, gesteld op veelkleurige linten, japonnen en omslagdoeken, en vooral op bloemen en planten, waarvan, behalve de reeds vermelde verzamelingen, ook de talrijke orchideeën en andere hangplanten getuigden, die in phantastisch gevormde vazen en mandjes afhingen. Van alle huishoudelijke en flnan-ciëele bemoeiingen was zij afkeerig: de rentmeester, die baalvaste goederen bestuurde, deed verantwoording aan Eylar: evenzoo was het met dezen, dat zij haar makelaar te Amsterdam correspondeeren liet: en het huishouden werd bestuurd door Mejuffrouw Katharina Tronck, dezelfde die thans van achter het theeblad, waar zi] gezeten had, was opgestaan om Mimi, Chéri en Bijou weer in hun mandje terug te drijven. Juffrouw Tronck was een vijf en dertigjarig meisje van fatsoenlijke ouders: haar vader was als vice-president van de rechtbank te B. gestorven; doch, geen fortuin buiten zijn jaar-i. - k. z. ]7
258
wedde bezeten hebbende, had hij zijn vijf dochters in alles behalve gunstige omstandigheden achtergelaten. Twee daarvan waren gelukkig spoedig getrouwd; Katharina, hoewel geëngageerd, was door haar vrijer laten zitten, zoodat zij het als een groote uitkomst had mogen aanmerken, bij Mw. Van Eylar de positie te aanvaarden, welke zij aldaar bekleedde, en die haar in staat stelde, aan haar twee jongste zusters, die nog onverzorgd waren en haar meesten tijd doorbrachten met uit logeeren te gaan, nu en dan eenigen bijstand te kunnen doen toekomen. Zij was verre van leelijk; want dan had madame m è r e haar stellig niet bij zich genomen; echter niet bekoorlijk genoeg om bij den eersten aanblik te treffen, doch zij had lieve, zachte, lichtblauwe oogen, een tenger, bleek gelaat, witte tanden, en prachtig bruin haar.
De derde van de aanwezige Dames was â gelijk men terstond daaraan zien kon, dat zij alleen van de drie een hoed op het hoofd en een écharpe over de schouders had â op Hardestein te visite. Het was Mejonkvrouw Elizabeth Maria of â gelijk zij, volgens een afschuwelijke, voorheen in Holland algemeen gebruikelijke, thans gelukkig voorgoed verdwenen gewoonte, placht genoemd te worden, â Bettemie Van Doer-toghe, broersdochter van Mw. Van Doertoghe (van welke reeds gesproken is en nog meermalen gesproken zal worden), en thans bij deze op de hofstede Doornwijck gelogeerd. Zij had vroeg beide haar ouders verloren en haar gewoon verblijf was te Amsterdam, waar zij inwoonde bij den heer Van Bassen, haar oom van moederszijde.
Bettemie Van Doertoghe telde twee en twintig jaren en was te recht beroemd als eene der schoonsten onder de schoonen, welke de hoofdstad opleverde. Wel was de kleur van haar weelderige, fijne, goudblonde haren, die 't ovaal van haar gelaat tusschen twee zware tressen insloten, een weinig overhellend naar 't rosse; maar ook bezat haar vel die doorschijnende blankheid, aan de roodharigen eigen: haar trekken waren regelmatig, zonder dat een enkele scherpe of hoekige lijn de frissche rondheid van het gelaat bedierf: haar oogen
259
waren van 't schoonste violetblauw, en zoo donker, dat zij 's avonds zwart schenen, en op haar wangen bloeiden de liefelijkste lenterozen. Haar zwanenhals verhief zich boven een kloeke, maar onberispelijke gestalte, en al hare bewegingen werden met natuurlijken zwier en losheid volbracht. Waar zij zich vertoonde moest zooveel majesteit, aan zooveel liefelijkheid gepaard, reeds bij den eersten opslag ieders opmerkzaamheid wekken; zag men haar van naderbij, men gevoelde zich nog meer door haar bevalligheid opgetogen; hoorde men haar spreken, men werd verrukt door de welluidende muziek van haar stemgeluid, en leerde men haar kennen, dan verkreeg men met genoegen de overtuiging, dat in zoo schoon een lichaam ook een schoone ziel en een wakker brein gehuisvest waren.
Voegen wij bij dit een en ander, dat de Jonkvrouwe een vrij aanzienlijk vermogen van haar ouders geërfd en dat zij van haar tante Van Doertoghe, zoowel als van haar oom Van Bassen nog vrij wat te wachten had, dan zal het wel niemand verwonderen, dat, zoolang zij in de stad was, er dagelijks heeren, met en zonder knevels of baarden, de Heerengracht op en neder wandelden, in de hoop van haar aan 't raam te zien, â aan de hekdeuren bij 't uitgaan der kerk post vatteden, zoo dikwijls haar favoriete Dominee preekte, â naar Artis of naar 't Park trokken, als er eenige kans bestond, dat zij er komen zou, â in 't zomerseizoen op Zon- en feestdagen door het Haarlemmerhout draafden, in de hoop, dat zij, op het buitenverblijf van haar oom logeerende, in diens rijtuig wel eens rond zou toeren â en bitter in de vlucht waren, wanneer zij, gelijk nu b. v., naar Doornwijck of andere ver afgelegen plaatsen, en alzoo voor hen ongenaakbaar was.
Maar was er aan het voortreffelijke geheel, dat wij hier, ofschoon tot ons leedwezen, met al te fletse kleuren, hebben pogen te schetsen, geen enkele schaduwzijde? â Zij was er ongetwijfeld; want volmaaktheden bestaan niet (behalve in enkele romans, en dan zijn die doorgaans ook onwaarschijnlijk en onuitstaanbaar); doch wie de omstandigheden kende, waarin
260
zij van haar kindsheid af verkeerd had, kon alleen reden vinden om zich te verwonderen, dat die schaduwzijde geen donkerder tinten had. Ouderloos van haar prilste jaren, en evenzeer van haar prilste jaren het bewustzijn hebbende, dat zij door haar fortuin volkomen onafhankelijk was! â hoe licht had zij ijdel, wuft, hoovaardig, heerschzuchtig kunnen worden, al die gebreken kunnen bezitten, waar een dergelijke stelling in de maatschappij zoo licht toe vervoert. Doch dit was met haar het geval niet geweest: haar van nature gezond oordeel had haar reeds vroeg doen inzien, dat het ware geluk niet in de gaven der fortuin bestaat, ja zelfs haar de voordeden daarvan misschien te gering doen achten, door te veel aan de bezwaren daarvan te hechten; â en van geheel anderen, ja over 't geheel van een zeldzamen aard was het gebrek â zoo het al een gebrek mocht genoemd worden â waarvan zij kon beticht worden. Dat gebrek was een al te sterk gespannen verbeelding. Van der jeugd af bezield met een onverwinlijken leerlust en zucht tot wetenschap, en daarin door niemand behoorlijk voortgeleid, had zij steeds, rijp en groen door elkander, alles gelezen wat maar stof aanbood tot voldoening van haar weetgierigheid. In 't bijzonder werd deze laatste getrokken naar al wat tot het bovennatuurlijke en bovenzinnelijke in betrekking stond: en zoo maakten niet alleen werken over tooverkunst en phantastische verhalen haar lievelingslectuur uit, maar schepte zij er vermaak in, zelve, zooveel zij daartoe de gelegenheid vinden kon, geheimen en verborgenheden der natuur na te vorschen en te bespieden. Hierin was nu niets laakbaars op zich zelf, en ware Bettemie geen Bettemie, maar een jongeling geweest, dan had er een eerste geleerde uit kunnen groeien; maar nu moest bij haar een studie, die zonder behoorlijke richting of regelmaat, zonder bepaald doel, zonder verstandigen bijstand, werd voortgezet, al spoedig gevaar loopen te ontaarden in een onvruchtbaar dilettantisme, waardoor zij de wetenschap verkreeg van een schat van dingen, maar zeldzaam van practisch nut en meestal hoofdzakelijk dienende om de verbeelding onnoodig gaande te maken.
261
Doch het is tijd, dat wij van onze persoonsbeschrijving afstappen en tot ons verhaal terugkeeren.
âEn hoe gaat het al, Dominee?quot; riep madame mère, toen Bol haar te gemoet trad, en eer hij haar een woord had kunnen toevoegen: ârecht blijde, u eens weer te zien: je negligeert mij heelemaal. â Dag Juffrouw Leentje! op u moet ik ook knorren: men ziet u niet meer: â en deze visite kan ik maar half meerekenen; want als Maurits niet uit de lucht was komen vallen, zou je er niet eens aan gedacht hebben uw aanzicht hier te vertoonen, nietwaar? Nu, in allen gevalle apprécieer ik je vriendelijkheid, om mij met zijn overkomst te komen feliciteeren. 't Zal hem spijten, dat hij je visite mist; maar hij is uit met een vriend van hem, die hier logeert. Nu! je hebt hem al gezien: zijn pak staat hem goed, nietwaar? â Maar ga toch zitten. Dominee! â Wil je niet liever in de rockingchair. Juffrouw Leentje? â O neen! dat 's waar ook, daar hou je niet van. Och Kato! schuif dien grooten teenen stoel eens bij, voor Juffrouw Leentje! â En is dit nu je logée, Dominee? Elle est vraiment trèsjolie.quot; (Deze Fransche woorden werden in Dominee's oor gefluisterd; doch luid genoeg dat ieder 't hooren kon), â't Zal mij aangenaam wezen, nader kennis met u te maken. Juffrouw! Je zult wel blij zijn, dat je schooltijd om is. â Och! Kato, geef juffrouw.... hoe heet de juffrouw ook weer? .... O ja, juffrouw Zevenster .... een tabouretje. â Weet je wel, Dominee, dat ik je ook al beknorren moest, dat je met je logée bij Louis bent geweest en niet eerst hier op 't kasteel? Wie op Hardestein zijn tent neerslaat, behoort te beginnen met aan de oude Mevrouw gepaste hulde te komen brengen. â Maar lieve menschen, ga toch zitten! anders belet je 't mij te doen.quot;
âMevrouw weet toch,quot; zeide Bol, die geduldig het tijdstip had afgewacht, tot de woordenstroom was uitgeloopen en ieder zijn zitplaats genomen had, en nu op haar laatste verwijt antwoord gaf, âdat Louis in dit bijzonder geval de eerste brieven had.quot;
262
âJa dat 's waar ook,quot; zeide Mevrouw; âLouis is een van de voogden, of hoe moet ik ze noemen ? een kluchtige historie! Mais n'en parions pas. Maar je hebt mij nog niet gezeid, hoe je Maurits vindt.quot;
Bol had kunnen antwoorden, dat zij hem daartoe de gelegenheid nog niet gegeven had; maar hij deed dit natuurlijk niet.
âWel!quot; zeide hij: âwakker als altijd, met zijn oude gezicht en, naar ik vertrouw, hetzelfde onverdorven hart. Nu hoop ik maar, Mevrouw, dat je spoedig een vrouw voor hem vindt, die al de hoedanigheden in zich vereenigt, welke door u in een schoondochter kunnen verlangd worden.quot;
De predikant sprak deze woorden niet geheel zonder inzicht uit en drukte vooral op de woorden; âdoor uquot;. Hij hoopte, dat Klaasje er uit begrijpen zou, hoe zij dus nooit aan de gestelde eischen zou kunnen beantwoorden, en, al was zij vlak in de nabijheid van de vrouw des huizes geplaatst, was 't niet aan haar, dat Mw. Van Hardestein dacht, toen zij het volgende antwoordde op de aanmerking van Bol:
âO! indien 't van mij afhing, ik zou niet ver behoeven te zoeken.quot; â Hier werden de wangen van de freule Van Doer-toghe met een schier onmerkbaar en vluchtig rood bedekt. âMaar,quot; vervolgde zij, âwij zijn niet in Frankrijk, waar de ouders het huwelijk hunner kinderen schikken. Maurits zal zelf wel zoeken, en hij is verstandig genoeg om goed uit zijn oogen te zien.quot;
âO! geen nood,quot; zei Leentje, die 't niet onnoodig achtte, mede een lood in 't zakje te werpen: âhij zal weten wat hij schuldig is aan zijn rang en geboorte en geen keus doen, die hij niet zou kunnen verantwoorden. Nu zijn broeder geen kinderen heeft, rust op hem de taak, te zorgen dat het geslacht in stand blijve.quot;
Bol had intusschen gelegenheid gevonden, zich bij Bettemie naar de gezondheid van Mw. Van Doertoghe te informeeren.
âZie eens!quot; zeide Mevrouw, zonder op het gezegde van Leentje te antwoorden, omdat haar gedachten weder een anderen loop hadden genomen; âzie eens, wat Betsyquot; â- zij verkoos
2G3
Mejw. Van Doertoghe geen Bettemie te noemen â âwat Betsy mij daar voor de fancy-fair heeft medegebracht:quot; â en, een grauw-papieren pak openende, dat voor haar op tafel lag, bracht zij daaruit een fraai geborduurd kraagje te voorschijn, benevens een â natuurlijk nog onopgemaakt â vuurscherm, met vloszijde bewerkt, en een beursje: van welke voorwerpen het eerste door Bettemie, het tweede door een harer vriendinnen en het derde door Mw. Van Doertoghe bewerkt was.
âO! dat is prachtig!quot; riep Leentje! âdat is een fraai patroon,quot; â en Klaasje, nu voor 't eerst moed vattende om zich in 't gesprek te mengen, stemde de gegeven lofspraak volkomen toe. Ja zij dorst zelfs wagen, een vraag te doen betreffende de wijze van bewerking van een der voorwerpen, op welke vraag terstond door Bettemie op de meest voorkomende wijze geantwoord werd. Juffrouw Tronck, of Kato, gelijk Mevrouw haar noemde, die een eerste professor in 't vak van handwerken was, lei een oogenblik haar breiwerk op zijde en wendde zich van het theeblad af om ook haar advies te geven, en zoo waren alle tongen losgemaakt en ieder op zijn gemak.
âKom!quot; zeide eindelijk Bettemie, wie de lofspraken, aan haar werk geschonken, begonnen te vervelen: âje zoudt mij ijdel maken, door zoo hoog op te vijzelen wat eigenlijk geen andere dan de negatieve verdiensten heeft van niet slordig of scheef bewerkt en niet vuil te zijn.quot;
âDe Freule heeft volmaakt gelijk,quot; zeide Bol: âen al erken ik gaarne, met al de dames, de zorg, die zij aan dezen arbeid besteed heeft, en die uit de netheid der uitvoering blijkt, zoo spijt het mij ook thans weer, hetzelfde gevoel van leedwezen te moeten ondervinden, dat mij telkens bekruipt, wanneer ik dergelijke kunstverrichtingen zoo hoog hoor ophemelen.quot;
âEen gevoel van leedwezen?quot; vroeg Mevrouw, verwonderd opkijkende.
âOch ja! want men maakt zich bij die gelegenheid doorgaans aan grove ondankbaarheid schuldig.quot;
âAan ondankbaarheid! en tegen wie?quot; vroegen om strijd de dames.
264
âquot;Wel!quot; hernam hij, ,,zou het niet ondankbaar zijn, aan den boekverkooper, die een fraai gedicht netjes uitgeeft, of aan den lezer, die het op passende wijze voordraagt, uitbundigen lof toe te zwaaien, en den schrijver geheel te vergeten? â En berust ook, waar 't een voltooid handwerk betreft, niet de hoofdverdienste doorgaans bij hem, aan wien 't minst gedacht wordt, den man â de vrouw misschien â wiens of wier scheppend vernuft en kunstige berekening het patroon in 't wezen riep, dat men heeft nagevolgd? Waarlijk, ik word er mistroostig onder, als ik denk aan een arme sukkel â misschien een jonge, ouderlooze weeze â die zich dag aan dag moet uitsloven om iets nieuws te bedenken, ten einde aan de onverzadelijke behoefte van het publiek te voldoen, en die wellicht, op een eenzaam zolderkamertje, zonder vuur, op een houten schabel gezeten, met verkleumde handen en slechte hulpmiddelen, bij het flauwe schijnsel van een walmend lampje, de vrucht van haar vernuft uitwerkt, zonder ander loon dan den karigen penning, dien men haar voor haar moeite betaalt en die nauw toereikende is om haar in 't leven te houden, en zonder dat zelfs haar naam ooit bekend wordt bij de duizenden^ die haar kunstwerk in handen krijgen; terwijl de jonge schoone, die geen zwaarder taak heeft dan om, in een goed gestookte kamer, in een easy chair gedoken, bij 't heldere lamplicht het voor haar geplaatst model mannetje voor mannetje na te volgen, haar bedrevenheid hoort verheffen, als had zij wonder wat verricht. Wat dunkt u, heb ik zulk een groot ongelijk, lieve Dames? en zou er niet van uwe zijde iets gedaan kunnen worden, om het onrecht te vergoeden, waarover ik mij beklaag ?quot;
âDominee heeft gelijk,quot; zeide Bettemie: âik had daar nooit over doorgedacht.quot;
âWel!quot; zeide Leentje, die den uitval van haar broeder ongepast vond, en toonen wilde, dat zij althans beter haar wereld wist: âde menschen, die de patronen maken, worden er voor betaald, en wat hebben zij dan verder te vorderen?'t Is immers net zoo gesteld met alle modemaaksters en met alle ambachts-
265
lui, die wat nieuws bedenken? En denk je, dat die er zich over bekommeren of hun naam bekend wordt, als zij er maar wat aan verdienen?quot;
âIk geloof ook, dat Dominee wat onbillijk is,quot; zei Mw. Van Hardestein: âhet patroon wordt dikwijls geprezen, soms meer dan het verdient: en dan, als Dominee eens zag, hoe jammerlijk er over 't geheel gebroddeld wordt door degenen, die de patronen naborduren, dan zou hij bekennen, dat degenen, die haar werk netjes en zonder fouten afmaken, wel een prijsje verdienen. En dan! wie weet of die patroonteekenaars, die je zoo beklaagt. Dominee, wel ooit iets uitvinden en niet altijd zeiven een model voor zich hebben? Dat zie je nu immers aan de West-Indische mandjes, wat die lieden zonder opvoeding weinig smaak toonen als zij geen goede modellen hebben: ja 't spijt mij nog altijd, dat mijn plan betreffende de mandenfabriek te Paramaribo niet is doorgegaan.quot;
Juffrouw Kato had gedurende deze redeneering insgelijks een batterij klaar om tegen Dominee los te branden: te recht oordeelende dat zij hem krachtiger met de stukken dan met woorden bestrijden kon, was zij even naar de aangrenzende zaal gewipt, had het laatste nummer van 't Journal des demoiselles gekregen en snel doorbladerd, en lei het nu opengeslagen voor Bol; terwijl zij hem met den vinger een periode wees, die achter de beschrijving van een borduurwerk voorkwam.
âCette broderie est sortie de 1'atelier de madame Lagrange,quot; las Bol, overluid: ânu! als ik van alle kanten den wind van voren krijg, en Juffrouw Kato met citaten aankomt, zal ik wel de vlag dienen te strijken. Alleen zij het mij nog vergund, te doen opmerken, dat madame Lagrange, de eenige die hier genoemd wordt, zeker zelve het patroon niet heeft uitgedacht, en dus met den lof gaat strijken, die aan een ander toekomt: ja, wat erger is, zij maait de rijke vruchten van wat een ander gezaaid heeft. Laat mij met vrede met uw madame Lagrange,quot; vervolgde hij, op kluchtigen toon: âde naam van madame Lagrange verdient evenmin tot het
266
nageslacht over te gaan als die van den kunstkooper, die een schilder in zijn soldij houdt, wiens arbeid hij schraal betaalt en duur aan een liefhebber verkoopt. Laat mij met vrede met madame Lagrange, zeg ik nogmaals: liever nog dan haar, zal ik mij dan getroosten, de fraaie vingertjes te bezingen, die het doode stof bereiden en, zij het naar een voorgelegd patroon, leven schenken aan het onbezielde stramien en aan het naakte doek. Doe ik nu geen amende honorable?quot;
âWat toch niet beletten zal,quot; zei Bettemie, voor wien Bol een orakel was, âdat ik de terechtwijzing in mijn gedachten zal houden en, wanneer ik ooit een fraai handwerk hoor prijzen, zal trachten na te vorschen, wie het heeft uitgevonden.quot;
âBraaf zoo!quot; zeide Bol.
âOngelukkig zul je niet in de gelegenheid komen, je voornemen ten uitvoer te brengen, lieve Betsy!quot; zei Mw. Van Hardestein, âalthans niet in Amsterdam; wie maakt daar ooit patronen? al wat van dien aard is komt immers van Parijs?quot;
Hoe gaarne had Klaasje, had zij maar gedurfd, hier aan Mevrouw verteld, dat zij 't mis had. Al dien tijd, sedert Bol zijn schildering van de arme teekenares begonnen was, had zij gedacht aan zekere bleeke, stille, ziekelijke juffrouw, die, toen zij, Klaasje, bij vrouw Buffel woonde, op een bovenkamertje, in 't zelfde huis, patronen zat te teekenen en borduurwerk af te maken voor dames, die 't zeiven niet doen konden, die juffrouw, die altijd zoo bescheiden en vriendelijk was, zoo geheel anders als de overige wijkgenooten, voor wie zij. Klaasje, zoo dikwijls, somtijds voor een cent, doch ook wel voor niemendal, een boodschap gedaan, en wol, sajet, of andere kleine benoo-digdheden in de buurt gehaald had, en die haar 't eerst had leeren knoopen; en zij peinsde er over, hoe die juffrouw, indien zij nog leefde, een geschikt voorwerp zou zijn om in de goedgezindheid der Freule Van Doertoghe te worden aanbevolen. â Zij werd uit die overpeinzingen opgeschrikt door een vraag, die Mw. Van Hardestein tot haar richtte, die, evenals haar schoondochter den avond te voren, wilde weten of Juffrouw Zevenster wel aan de muziek deed.
âNu,quot; zeide zij, na het bekomen van een bevestigend antwoord: âdat is goed: dat moeten de Dames Prawley hooren, dan organiseeren zij vast een muziek-soirée: â dat zijn eerste musiciennes. Juffrouw Zevenster. â Maar zeg eens, Bettemie, doe jij er in 't geheel niet meer aan?quot;
âNeen Mevrouw! ik heb mijn piano weggegeven,quot; antwoordde Bettemie.
âO foei! hoe jammer,quot; zei Juffrouw Kato: âen waarom dat, als ik vragen mag?quot;
âOm een heel eenvoudige reden,quot; zeide Bettemie: âik heb meer vermaak in teekenen, en als men in twee kunsten wil slagen, loopt men gevaar, in allebei een brekebeen te blijven.quot;
âNeen, ik ben 't met Kato eens,quot; zei de Douairière: â't is jammer: je had er immers zooveel aanleg voor?quot;
âMevrouw is wel goed,quot; zei Bettemie: âmaar zij zal mij veroorloven, op dat punt van haar te verschillen. Bovendien, ik ben voorgoed van alle liefhebberij voor 't spelen genezen.quot;
âEn hoe kwam dat?quot; vroeg Bol, aan den toon, waar zij op sprak en die niet vrij was van eenige bitterheid, zeer goed bemerkende dat er een bepaalde aanleiding voor het gezegde bestond.
âOch!quot; hernam Bettemie: â't kan mij niet schelen wie 't hoort: het was op een soirée bij Mevrouw Van Marsden, en er werd muziek gemaakt. â Daar werd gezongen en gespeeld, ook door lieden, die er buitengewoon in uitmuntten. Daar liet ik mij ook bepraten, iets te spelen, 't Was heel middelmatig, dat ik mij daarvan kweet: â nu! dat wist ik vooruit; doch iedereen deed naar vermogen mee, en ik wilde niet, dat men mij van affectatie zou beschuldigen. Goed; ik speel mijn stuk: â en daar volgt een daverend handgeklap en bravo's zonder eind. Ik ging naar mijn plaats terug; maar tevens met het vaste voornemen, nooit meer een hand op het klavier te zetten.quot;
âEn dat waarom niet?quot; vroeg Leentje.
âOmdat ik geen beter bewijs kon verlangen van mijn onbekwaamheid, dan juist die overdreven toejuichingen. Een goed-
268
keurend knikje, een eenvoudig âdank je voor je welwillendheid,quot; was al waar ik aanspraak op had mogen maken. Nu waren mij de toejuichingen of een persiflage, of een tee-ken, dat men mij voor mal genoeg hield om ze voor goede munt op te nemen: in elk geval, een beleediging: â genoeg om mij te doen besluiten, er mij niet weer aan te wagen.quot;
âFreule! Freule!quot; zeide Bol, met den vinger dreigende: âschool er niet wat gekrenkte hoogmoed in dat besluit? â Maar dat 's 't zelfde: 't zijn geen kleine zielen, die aut Caesar aut nihil') zeggen.quot;
âMaar je zoudt toch nog wel voor je eigen plezier kunnen spelen,quot; merkte Mw. Van Hardestein aan.
âOch! de opoffering is niet groot,quot; zei Bettemie: âik hoor liever goede muziek door anderen maken, dan middelmatige, die ik zelve teweegbreng. Maar bovendien, ik kan nu, als men mij vraagt, wat te spelen, met een gerust geweten zeggen, dat ik er niets meer aan doe.quot;
âDat is óók waar,quot; zei de Douairière, âen nu, zoo niemand meer thee wil, stel ik aan de vrienden voor, een kleine wandeling te doen. Ik moet uw oordeel hebben, Dominee, over een nieuwen aanleg, dien ik maken wil. Zocher heeft mij een fraai plan voorgelegd; maar wij twisten nog over een groep boomen, die hij weg wil hebben en die ik bewaren wil. Ik zeg altijd, men hakt een boom in een kwartier om en er is een eeuw noodig om hem zijn wasdom te doen bereiken. â Maar eerst moet Juffrouw Zevenster mijn conservatory eens zien.quot;
Het gezelschap wandelde de fraaie kweekkamer in, waar het jonge meisje, ter wier eere zulks geschiedde, niet weinig stof vond zich te verwonderen over den rijkdom van tropische gewassen en andere keurige planten, hier aanwezig, en waarvan zij zich nooit een denkbeeld had kunnen maken. Terwijl zij nu hier in verrukking stond te turen op een prachtigen palmboom, en madame mère, die haar tot dien tijd met
^ âOf Keizer, of niets.
269
haar gewone woordenrijkheid de planten en bloemen genoemd en er over uitgeweid had, een poos van haar zijde teruggetreden was, om iets aan Bol te vertellen, kwam Mejw. Van Doertoghe haar op zijde.
â't Is hier alles lief geschikt, nietwaar?quot; vroeg zij op min-zamen toon.
âO zeker, Freule!quot; antwoordde Klaasje; âik heb gisteren de verzameling op Klein Hardestein gezien, en toen dacht ik, dat de wereld niets schooners kon opleveren; maar nu merk ik, dat er nog fraaier dingen te kijken zijn, en waar ik nooit van gedroomd had. Men kan zich hier volkomen voorstellen onder een tropische luchtstreek te zijn.quot;
âBehalve altijd,quot; hernam Bettemie, âdat de boomen en planten, die wij hier in een stookkas zien, daar in 't wild groeien, wat toch nog iets anders is. Wat mij betreft,quot; voegde zij er fluisterend bij, âik hou meer van de bloemen en boomen, die zich vrij in de open lucht ontwikkelen: dat zal u misschien vreemd voorkomen in iemand die gewoon is, te Amsterdam te leven: maar 't is toch zoo. Bij mij gaat niets boven 't genot van buiten en in de vrije natuur te zijn.quot;
âO! dat ben ik volkomen met u eens. Freule!quot; zeide Klaasje : âen ik schrik al tegen 't oogenblik, dat ik dit heerlijk oord weer zal moeten verlaten.quot;
âEn waar ga je dan naar toe, zoo de vraag niet onbescheiden is?quot; vroeg Bettemie.
âDat weet ik nog niet,quot; antwoordde Klaasje, terwijl zij een kleur kreeg en met moeite een zucht onderdrukken kon.
âO vergeef mij!quot; zei Bettemie, insgelijks kleurende: âik geloof dat ik werkelijk onbescheiden geweest ben. Maar je gaat toch nog vooreerst niet heen, nietwaar?quot;
âO! ik hoop nog wel een week of wat te blijven, Freule!quot; antwoordde Klaasje.
âNu! dat's best!quot; hernam Bettemie; âdan moetje maar goed van de gelegenheid gebruik maken, en wij moeten elkander dikwijls zien. Ik zal je eens komen afhalen met mijn chaisj e.quot;
270
â't Is heel vriendelijk, Freule!quot;
âNeen, als je mijn voorstel aanneemt en omgang met mij verkiest te hebben, dan moet je niet stijf tegen mij zijn, en dan geen âFreulequot;, hoor! Ik heet Bettemie, en jij?quot;
âKlaasje,quot; antwoordde het jonge meisje, nogmaals kleurende over de minzaamheid van haar nieuwe kennis.
âKlaasje!quot; herhaalde Mw. Van Hardestein, die zich juist weder naar haar toegewend had: âfi done! Dominee, hoe heb jelui zoo'n akeligen naam voor haar kunnen uitdenken?quot;
âJe weet toch. Mevrouw!quot; antwoordde hij halfluid, âdat Sint-Nicolaas haar patroon is.quot;
âWelnu!quot; hernam Mevrouw: âdan kon je haar immers een naam geven, die 't even goed uitdrukte en liever klonk. Waarom niet Mcolette?quot;
âZoo heette zij op school,quot; hernam Bol: âmaar ik beken, dat ik aan den naam gehecht was, dien zij 't eerst gedragen had.quot;
âWelnu!quot; zeide Mevrouw: âdan moet zij aan den naam van Mcolette al lang gewend zijn, en weg met Klaasje! Ik wil haar herdoopen, evenals ik de Freule, van Bettemie in Betsy heb verdoopt.quot;
âMevrouw wil ons volstrekt denationaliseeren,quot; zei Bettemie: âvan mij an English woman en van Juffrouw Zevenster een Francaise maken.quot;
âWat uwe verdooping betreft, Freule!quot; zeide Bol: âdaarover heb ik geen bevoegdheid mij uit te laten; maar ten opzichte van mijn pupil geloof ik werkelijk, dat Mevrouw gelijk heeft. Va done pour Nicolette.
Hij was, bij 't nadenken over de aanmerking door Mw. Van Hardestein gemaakt, tot de overweging gekomen, dat het vrij onverschillig was, hoe de schatrijke en aanzienlijke Jonkvrouw Van Doertoghe heette, maar dat zijn pleegkind, reeds zoovele voorrechten missende, liever geen naam moest dragen, die zoo boersch klonk, en daardoor, telkens als hij werd uitgesproken, aan de lieden als 't ware toeriep: âhier heb je een meisje zonder afkomst of geboorte.quot;
âEn nu, aan 't wandelen!quot; riep Mevrouw uit, terwijl zij
271
haar hoed en parasol aannam, die Kato inmiddels gehaald had, bij welke gelegenheid deze laatste meteen Mimi, Chéri en Bijou in huis gebracht had, die niet mede mochten wandelen zoodra men verder ging dan quot;t groote grasperk bij 't huis, ten einde door hun gekef de jonge hazen niet schuw te maken.
Het gezelschap trad nu de breede, ter weerszijden met prachtige marmeren vazen voorziene trappen af, om de wandeling te beginnen: Mevrouw ging als wegwijster met den predikant vooruit; Leentje en Kato volgden hen, en de twee jonge meisjes, die, gelijk Mevrouw aanmerkte, juist een spannetje vormden, sloten den optocht.
âEn nu,quot; vroeg Bettemie, zoodra zij op weg waren, âheb je er iets tegen, mij Bettemie te noemen? Geen Betsy, hoor! Bettemie heette mijn moeder, en zoo wil ik ook blijven heeten.quot;
âAl te vriendelijk van u. Freule!quot; antwoordde Nicolette â gelijk wij haar in 't vervolg ook maar zullen noemen.
âAlweder!quot; riep Bettemie, haar vinger dreigend opheffende.
âIk verlang niets liever,quot; hernam Nicolette, een weinig bedeesd: âmaar past het mij wel? mag ik u als mijn gelijke behandelen? ik, die maar een meisje ben, uit medelijden opgebracht, en die weldra in een ondergeschikte betrekking zal moeten komen?quot;
âWelnu!quot; zeide Bettemie: âdan kun je, zooals ik straks zeide, niets beter doen dan u goed te vermaken zoolang je hier zijt, en maar te denken: âkomen die tijden, dan komen die plagen.quot; En wat je geboorte of gebrek aan rijkdom betreft, dat doet er in mijn oogen niets toe: ik vraag het u, omdat je goede manieren hebt en een voorkomen, dat mij bevalt: en anders zou ik het niet doen. Wat heb je nu daarop te antwoorden?quot;
âNiets ter wereld meer Bettemie!quot; zei Nicolette, de hand drukkende, die het lieve meisje haar toestak, en terwijl haar een traan in 't oog welde.
âNu! dat is goed,quot; hernam Bettemie: âen vertel mij nu eens: op welke kostschool ben je geweest?quot;
272
Geheel op haar gemak gezet door den hartelijken toon van haar nieuwe vriendin, begon Nicolette onbeschroomd van het leven te vertellen, dat zij bij Mw. Zilverman leidde, en weldra waren de beide meisjes aan 't snappen, alsof zij elkander jaren gekend hadden. Wij zullen haar zich te zamen laten vermaken, en ons evenmin ophouden bij de twee andere juffrouwen, die druk over huishoudelijke zaken redeneerden, maar liever het gesprek gaan beluisteren, dat tusschen Mw. Van Hardestein en den predikant gevoerd werd.
âWel, Dominee!quot; zei de Douairière: âwat treft dat ongelukkig, dat Maurits juist van huis is, nu Betsy hier een visite doet. Men zou zeggen: haar gevoel van sympathie is sterker dan het zijne: want zij schijnt geroken te hebben, dat hij hier was: en hij niet, dat zij komen zou.quot;
âEn vermoedelijk,quot; zeide Bol, âwas zij zoomin bewust van zijne komst als hij van de hare.quot;
âAls ik u zei, Dominee, 't is sympathie, die haar hier gedreven moet hebben. Heb je wel gemerkt, dat zij kleurde, toen je van hem sprak? O! ik ben overtuigd, dat zij den jongen lief heeft: â en wie zou hem ook niet liefhebben, Dominee? Zij kon voorwaar haar affecties minder gelukkig plaatsen.quot;
âMevrouw zou dus een huwelijk tusschen hen beiden gaarne zien?quot; vroeg Bol, vooruit ziende, dat hij de confidentie toch niet zou kunnen ontsnappen.
âO ja!quot; antwoordde de Douairière: â't is een lieve meid, goed opgevoed en vermogend ook, al behoeft Maurits daar zoo precies niet op te zien. â 't Is wel waar, zij is niet van ouden adel, alleen van een Amsterdamsche regeerings-familie; maar haar vader was toch Jonkheer, en verscheiden leden van haar familie zijn vermaagschapt met de oudste geslachten uit het Sticht en uit Gelderland. â Je zult zeggen, ik ben zelve maar een plantersdochter; â hoewel, mijn voorouders behoorden tot den adel van Champagne, en mijn moeder was een Barones: â en ook, zoo de vader van Maurits zich gemésallieerd had, toen hij mij tot vrouw nam, dat zou een
273
reden te meer wezen waarom Maurits zelf een vrouw van hooge geboorte nemen moest!quot;
âOch Mevrouw!quot; merkte Bol aan: â't begint tegenwoordig al hoe langer hoe minder te beteekenen, of men juist zestien kwartieren bewijzen kan. 't Zal op zijn best helpen, om hem in de Balye van Utrecht plaats te geven.quot;
âNu, dat is niet te verwerpen,quot; hernam de Douairière: âik had eerst gedacht om de Freule Van Sporkelberghe; maar die is zoo aartsdom! of om de jongste dochter van mijn neef van Littoien: die ziet er wel lief uit, maar zij is scheef: â enfin, ik ben tot de slotsom gekomen, dat Betsy 't meest geschikt voor hem is. Als Mevrouw Van Doertoghe komt te sterven .. . . niet dat ik naar den dood van 't goeie mensch verlang. God bewaar mij! maar toch, zij krijgt haar jaren: â en, na haar dood, zou Doornwijck aan Betsy komen .... dat zou voor de buurt zoo aangenaam wezen â en dan bleef er tusschen die possessie en de Hardesteinsche goederen alleen die strook, die aan den Baron Van Rant toebehoort, en die was misschien nog wel te krijgen: â zoodat, alles wel beschouwd, ik moeilijk een meer sortable partij voor Maurits vinden zou. â En onder ons gezeid en gebleven, Dominee, dat Maurits hier gekomen is, is wel in zekeren zin een verrassing; maar toch, ik had hem geschreven, dat hij nu komen moest, liever dan in September; want ik wist, dat Betsy op Doornwijck komen zou, en ik dacht: âmen moet het ijzer smeden terwijl het heet is.quot;
âEn heeft Mevrouw hem er de reden bij geschreven, waarom hij juist nu moest komen?quot;
âJa en neen: â ik heb hem die zoo wat laten raden. Ik heb hem geschreven, dat hij, terstond overkomende, m ij genoegen zou doen en wellicht ook aan een ander persoon. Ik dacht, hij zal mij wel begrijpen, en, indien de zaak hem te zeer tegenstaat, zal hij het wel bewijzen, door weg te blijven. Ik was daarom dubbel blijde, toen ik hem gisteravond voor mij zag; want dat bewees toch, dunkt mij, dat hij geen bepaalde aversie van mijn plan heeft.quot;
I. - K. Z. 18
274
âMevrouw meent alzoo,quot; zeide Bol, âdat de beide jonge lieden
elkander genegen zijn ?quot;
âWel zeker! gingen zij niet in 't vorige jaar altijd op den meest vertrouwelijken voet met elkander om?quot;
âOngetwijfeld; doch dat bewijst nog geen liefde. Zij mochten elkander goed lijden; maar juist die ongedwongen toon, die tusschen hen heerschte, zou mij hebben doen denken, dat er wel oprechte genegenheid, maar geen gevoel van meer teederen aard tusschen hen bestond.quot;
â't Is best mogelijk, dat je gelijk hebt. Dominee. â Zie je, als ik mijn oprechte meening zeggen moet, dan geloof ik, dat hij vooralsnog, zoomin op haar, als op iemand, bepaald verliefd is, en daarom zou ik het dubbel zaak achten, dat hij spoedig een huwelijk sloot gelijk dit, eer hij misschien zijn affecties misplaatste, wat toch zoo dikwijls bij de jonge lieden het geval is, en op het een of ander burgermeisje verliefde; â maar je luistert niet naar hetgeen ik zeg. Dominee!quot;
âIntegendeel! ik luister maar al te wel----ik wil zeggen,
zeer aandachtig,quot; zeide Bol.
De waarheid was, dat hij, onder 't spreken van de Douairière, bij zich zeiven was gaan overwegen, dat, zoo inderdaad Maurits liefde voor de Freule Van Doertoghe kon opvatten, hij Bol. geen zorg meer behoefde te hebben voor een vrijage met Nicolette, en vervolgens zich zeiven verwijtend had toegevoegd, dat het noch zijn rust, noch die van Nicolette, maar 't ware belang van den Jonker en van Bettemie waren, waarover thans gehandeld werd en zijn gedachten gevraagd werden. Al deze overdenkingen hadden hem werkelijk minder oplettend doen worden op de woorden van madame mère, en zijn verstrooidheid bleek haar uit het antwoord, dat hij gegeven had.
âMaar al te wel!quot; herhaalde zij, op een toon van geraaktheid: âwat bedoel je daarmee. Dominee? â Mij dunkt toch, dat ik een onderwerp van eenig gewicht behandelde, en ik meende, dat het ook bij u belangstelling wekte. â Of heb ik iets gezeid, dat zoo gek was?quot;
âIntegendeel, Mevrouw!quot; hernam hij: âen ik moet uw toe-
275
gevendheid inroepen. Juist dat gewicht van het onderwerp bracht mij aan het peinzen, en deed mijn gedachten een oogenblik afdwalen. Vergeef mij â ik wenschte niets liever, dan dat de beide jonge lieden elkander konden beminnen: ik geloof met u, dat het over en weer een geschikte partij zou zijn.quot;
âWel!quot; zeide zij, tevreden gesteld: âdan moeten wij ons best doen hem aan 't verstand te brengen dat hij haar vraagt.quot;
âWij?quot; herhaalde Bol; ânu, ik hoop dat Mevrouw hier alleen in haar hoedanigheid van Vrouwe van Hardestein het meervoud bezigt, en niet als om te kennen te geven, dat ik mij insgelijks met deze zaak bemoeien moet.quot;
âBemoeien en bemoeien is twee,quot; zei Mevrouw, weder eenigszins geraakt: âik meen, als Maurits b. v. u om raad vraagt....quot;
âZou Mevrouw in ernst meenen,quot; vroeg Bol, haar scherp aanziende, âdat een jonge tweede luitenant omtrent de keuze eener vrouw den raad zou gaan innemen van een predikant, die een goed eind over de veertig is? dat zou gewis wel de eerste reis zijn, dat zoo iets gebeurde.quot;
âJe wilt mij dus in deze zaak volstrekt van geen dienst zijn ?quot;
âIndien Mevrouw mij eerst wilde zeggen, op welke manier, dan zou ik, naar ik geloof, haar de overtuiging kunnen schenken, dat die manier niet goed is, en nimmer tot het doel zou leiden.quot;
âWeet je wel,quot; zei de Douairière, âdat al die bezwaren, die je er in schijnt te maken, mijn bondgenoot te zijn, mij haast zouden doen vreezen, dat een ander mij was voorgekomen.quot;
âEen ander? en wie dan?quot;
âWel, mijn schoondochter Mietje: zij draagt het hart nogal hoog, weet je____quot;
âEn, naar den mensch gesproken, heeft zij er nogal recht op,quot; zeide Bol: âeen Redichem! de Redichems werden al tot den hoogsten adel des lands gerekend, toen er nog nauwelijks een Graaf van Gelre bekend was.quot;
276
âDat is waar,quot; zei Mevrouw Van Hardestein: âjammermaar, dat ze nu zoo en déclin zijn. â Enfin, Mietje zal hemel en aarde bewegen om een huwelijk te bedisselen tusschen Maurits en Klara Van Sporkelberghe, en zij zoekt haar man over te halen, zijn invloed op zijn broeder daartoe te gebruiken.quot;
âIk geloof niet,quot; zeide Bol, âdat Mijnheer Van Eylar zijn broeder ooit zal raden, een vrouw te nemen, voor wie hij geen neiging gevoelt. Bovendien, zoover ik hem ken, is hij met mij van oordeel, dat het met de huwelijken is als met de poëzie, die nooit goed kan uitvallen, wanneer zij bijwijze van fabriekwerk in 't leven wordt geroepen, doch die als van zelve moet voortspruiten uit hart en verstand.quot;
âJa! maar Louis, ofschoon anders zeer verstandigâ je weet hoe ik op zijn oordeel afga en hem in alles raadpleeg____ Louis laat zich in sommige dingen leiden door zijn
vrouw; en, als deze hem beduidt, dat Betsy geen vrouw is voor Maurits, dan is hij in staat hem die partij af te raden: en dat zou stellig uitwerking doen. Ik geloof, dat Maurits, indien hij trouwen moest, zou dobberen tusschen die twee, Klara en Betsy. Betsy is veel mooier en liever en verstandiger; dat vindt hij zelf; maar Klara is van overouden adel; en wanneer iemand, voor wiens oordeel Maurits eerbied heeft, als b. v. Louis hem voorhoudt: ânoblesse oblige: een huwelijk met haar zou ons huis releveeren ; Klara heeft invloedrijke relatiën____quot; ik weet niet: Maurits is ook niet misdeeld van ambitie, geloof ik: en hij zou misschien rekenen, 't aan zich zelf verplicht te zijn, bij het aangaan van een huwelijk het voorbeeld van de gekroonde hoofden te volgen en niet zoozeer zijn neiging, als de convenances te raadplegen____ en dan dat vervelende mensch trouwen, die over
niets weet te praten als over haar volière. â Ik geloof, dat het mij onmogelijk zou zijn, met haar onder één dak te
wonen____ en als ik een schoondochter kreeg, en wij niet
harmonieerden, zou ik genoodzaakt zijn, Hardestein te verlaten, en dat zou ik toch ongaarne doen.quot;
âJa! wat zal ik u zeggen, Mevrouw! ik geloof, dat de his-
277
torie van Ruth ook daarom is bewaard gebleven, om 't zeldzame van een schoonmoeder en een schoondochter, die te zamen harmonieerden. â Zelfs lees ik niet eens in de Schrift, dat Naomi bij de jongelui bleef inwonen. â Ten opzichte van een huwelijk voor Maurits, zal Mevrouw dienen te vragen, niet wat haar zelve best convenieert, maar wat hij zijn geluk bevorderlijk acht; dan handelt Mevrouw volgens plicht en â wat per slot altijd op hetzelfde neerkomt â tevens het verstandigst.quot;
âEn is het dan niet alleen het geluk van Maurits, dat ik beoog?quot; vroeg de Gravin, maar half in haar schik met de ontvangen les; âals hij verstandig genoeg is, om de beste keus te doen, dan ben ik het met u eens, dat het ook het verstandigst is, hem zijn eigen weg te laten volgen; maar, al moge nu Maurits in andere zaken verstandig genoeg zijn, wanneer toch, waar het op trouwen aankomt, raadplegen knapen van dien leeftijd hun verstand? Zij volgen hun hart, of liever hun smaak, hun gril, hun verbeelding, de opwelling van 't oogen-blik. Mijnheer Van Eylar placht te zeggen; zet een muts op een stok, en tien tegen één, dat je een knaap vindt, die er op verliefd raakt.quot;
âGelukkig dan, dat de mutsen thans uit de mode geraken,quot; zeide Bol: âintusschen geef ik Mevrouw gaarne toe al wat zij aanvoert en nog zou kunnen aanvoeren betreffende de loszinnigheid, die de jongelieden over 't algemeen betoonen, waar het den gewichtigsten stap huns levens betreft. Ik zal dan ook nimmer beweren, dat men hen daarbij geheel blindelings moet laten te werk gaan, dat men hun geen nutte waarschuwingen geven, geen dwaasheden afraden mag: alleen. Mevrouw doelde straks op aanraden: en dat moet ik blijven afkeuren. Zou Mevrouw 't zich zelve niet haar leven lang verwijten, indien Maurits ongelukkig werd ten gevolge van een huwelijk, 't welk hij, voornamelijk om haar genoegen te doen, zou hebben gesloten ?quot;
âJa zekerquot; antwoordde de Douairière: âmaar, als ik mij bepaal tot afraden en anderen raden aan, dan is er veel kans, dat ik achterlig.quot;
278
âIk weet het niet,quot; hernam Bol: âde jongelieden onzer eeuwzijn van zulk een booze natuur, dat, wanneer nummer Een hun door Vader, nummer Twee door Moeder, nummer Drie door Zuster en nummer Vier door Broeder wordt aangeprezen, zij zich aan geene dier aanprijzingen storen en trouwen met nummer Vijf, die zij zeiven gekozen hebben.quot;
âMits de keuze goed zij, en Maurits eer aandoe,quot; zei de Douairière: âdan zal ik er mij wel in schikken.quot;
âIk geloof het waarlijk wel,quot; zei de predikant, lachende: âMevrouw stelt daar nogal geen slechte voorwaarden. â In-tusschen moet ik Mevrouw doen opmerken, dat, volgens hetgeen zij zelve mij de eer aandeed mij te zeggen, Maurits nog geen haast schijnt te hebben om een keuze te doen. â Waarom dan harerzijds haast gemaakt?quot;
âHeb je mij niet zelf gezegd. Dominee! dat het gelukkig is voor jongelieden, vroeg te trouwen, omdat zi] daardoor voor veel gekheden bewaard blijven? En Maurits behoeft immers niet op een ambt te wachten, als zoovele anderen.quot;
âGeloof mij. Mevrouw!quot; zeide Bol: âniemand wenscht meer dan ik hem een beminnelijke vrouw toe; en voor zooveel ik de Freule Van Doertoghe ken, kan ik niet anders zeggen, of zij komt mij voor, aan al de vereischten te voldoen, die men in een vrouw zou kunnen verlangen: â ik ben er dus niet alleen verre van af, uw wensch, dat zij hem behagen moge, te misbillijken; maar ik stem er, wat mij betreft, van harte mee in: â alleen zal ik mij wachten, zulks aan iemand buiten u, vooral aan hem, te bekennen.quot;
âWat dan gedaan?quot; vroeg Mw. Van Hardestein.
âWat Mevrouw reeds gedaan heeft,quot; antwoordde Bol: âaan de beide jongelieden de gelegenheid verschaffen, elkander meermalen te zien: â en het dan verder aan de natuur en de omstandigheden overlaten.quot;
âHet zou zulk een mooi paar zijn,quot; zei Mw. Van Hardestein, terwijl zij even omkeek naar Bettemie, waardoor haar oog ook op Nicolette viel: âweet je wel. Dominee!quot; zeide zij toen: âdat die logée van je een beeld van een meisje is.quot;
279
«Erg genoeg, Mevrouw!quot; antwoordde Bol: âwant, daar zij noch geboorte, noch verwanten, noch middelen heeft, kan haar zulks wel vrijers, maar niet licht een man bezorgen.quot;
âArm meisje!quot; zei de Gravin: âmaar vertel mij nu eens, onder ons. Dominee: is het wezenlijk niet bekend, wie haar ouders zijn? Louis heeft mij verteld van acht vaders, die haar hadden aangenomen: â dat is wel wat druk.quot;
âEn toch letterlijk waar, Mevrouw!quot;
âNu! dan kan zij toch niet zoo erg te beklagen zijn; want dan is zij toch achtmaal zoo rijk als degeen, die er maar één heeft. Je moet mij haar historie eens vertellen bij gelegenheid. â Zie! hier zijn wij nu aan de plek, waar ik een nieuwe partij wenschte aan te leggen.quot;
DERDE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN KENNIS MAAKT MET DEN VRIEND VAN MAURITS
VAN EYLAR.
Het gezelschap, dat tot dusverre een laan gevolgd was, die door 't geboomte slingerde, had nu een zijpad ingeslagen en een kleinen heuvel bereikt, van waar men een fraai uitzicht had op een vrij uitgestrekt bouwland, hier en daar met lanen van hoog opgaand geboomte doorsneden en omlijst.
âZie!quot; zei Mw. Van Hardestein, terwijl de bezoekers een hal ven kring om haar heen vormden, ten einde te luisteren naar de verklaring, die zij geven zou: âhier loopt, ginds langs liet korenveld, dezelfde beek, die het huis voorbijstroomt; maar, zooals je bemerkt, ze loopt, tusschen twee opgehoogde kanten, in een rechte lijn van 't eene einde van 't veld naar 't andere, en men moet hier op een hoog punt staan, om te merken, dat er water in is en dat men meer dan een gewone greppel ziet. Nu zou, volgens de teekening, haar bedding verlegd worden, zoodat zij kronkelend langs den zoom
280
van het bosch liep: ginds, bij die eiken, zou een vijver gegraven worden, dien zij van water zou moeten voorzien----
Mijnheer Van Eylar beweert, dat die in den zomer droog en drabbig wezen zou, doch in het najaar zou hij des te mooier zijn; daarnevens zou een chalet komen te staan, en____quot;
Hier viel een schot, vlak in de nabijheid; zoodat zij plotseling in haar beschrijving ophield, en Nicolette, die nooit zoo iets gehoord had, zich niet weerhouden kon een gil te geven, waarvoor zij een paar grimmige oogen van Juffrouw Leentje kreeg.
âWij zijn geen hoenders,quot; riep Mw. Van Hardestein met luider stem, ten einde den wellicht onvoorzichtigen schutter te waarschuwen.
âEn 't is ook buiten den jachttijd. Moeder!quot; antwoordde een stem uit het bosch; terwijl men te gelijk het geritsel hoorde van struiken en heesters, waar iemand zich een weg door-heenbaande, en spoedig daarop Maurits uit het geboomte te voorschijn trad. Hij was thans niet langer in monteering, maar droeg een Engelsch jachtbuis, dat reeds van lange diensten getuigde, terwijl een bonte das hem los en luchtig om den hals fladderde en zijn hoofd met een breedgeranden witten stroohoed bedekt was. Achter hem kwam een jonkman van zijn jaren, insgelijks in een buitengewaad, doch netter en zwieriger: wat niet meer dan natuurlijk was. Immers, Maurits was te zijnent en had na den eten zijn oude plunje aangetrokken: terwijl zijn metgezel, voor de eerste maal zijns levens op Hardestein zullende logeeren, had willen zorgen zich daar op fatsoenlijke wijze voor te doen, en zich een nieuw half jacht- half rijkostuum had laten maken.
âIk ben de overtreder. Mevrouw!quot; zeide de laatstaange-komene, terwijl hij een buiging maakte voor de Gravin en tevens op het jachtgeweer wees, dat hij in de hand hield: âen zeker had ik mij wel gewacht, dit geweer af te schieten, indien ik had kunnen vermoeden, dat Mevrouw met haar gezelschap zoo dicht in de buurt kon zijn. Ik hoop, dat ik niemand heb doen schrikken. Hier maakte hij een tweede buiging, deze reis voor 't geheele gezelschap.
281
âMijn vriend Drenkelaer is volkomen zonder schuld,quot; zei Maurits: â't was mijn geweer, dat ik hem even te voren had ter hand gesteld om zijn behendigheid te beproeven: â en 't is op mijne aansporing, dat hij dat schot gelost heeft.quot;
â't Is wel,quot; hernam zijn moeder; âmaar je moet nu ook eens er aan denken, dat ik niet alleen ben.quot;
â't Is waar ook,quot; zeide Maurits, lachende en meteen de hand aan Bol gevende: âneem het mij niet kwalijk. Dominee?quot;
âWat zou ik kwalijk nemen?quot; vroeg Bol; ârechtvaardigheid gaat boven beleefdheid, en je handelt wel, eerst den eenen vriend voor een onbillijke blaam te vrijwaren, en dan de andere vrienden te groeten.quot;
âEn Bettemie ook hier!quot; riep Maurits, naar de schoone bezoekster toegaande, die hem haar hand reeds toestak: âwel dat is een aangename verrassing. Dames!quot; vervolgde hij, met een vluchtige buiging tegen de overigen. âEn nu, vergunt mij, u mijn vriend Drenkelaer voor te stellen, griffier bij de rechtbank te Marlheim,quot; â hier schudde de voorgestelde persoon het hoofd en maakte een afwijzend handgebaar, als wilde hij te kennen geven, dat Maurits zich vergiste in den titel, dien hij hem toekende: â âdie evenals ik verlof heeft, maar niet, evenals ik, een lief moedertje, bij wie hij het kan gaan doorbrengen, en daarom mijn uitnoodiging wel heeft willen aannemen, om mij op Hardestein gezelschap te komen houden____
zoolang het er hem niet verveelt.quot;
âDan zal Mevrouw lang met mij opgescheept zijn, vrees ik,quot; zei Drenkelaer, met een vroolijken lach: âmaar ga voort, als 't u belieft.quot;
âDominee Bol! â Juffrouw Leentje Bol! â Juffrouw Zevenster ! â Freule Van Doertoghe,quot; zei Maurits, bij de rij afgaande.
Juffrouw Leentje boog bij deze voorstelling hals en hoofd; Bettemie even het bovenlijf en Nicolette neeg. Bol, wien het niet onverschillig was, wie de vriend, en nog wel, naar 't scheen, de intieme vriend van Maurits was, nam Drenkelaer met eenige aandacht op. De jongeling had een alleszins gunstig voorkomen : hoezeer niet zeer groot, was hij welgemaakt, had een gezonde
282
kleur, lichtblond haar en knevels, en zeer fijne, misschien wat meisjesachtig gevormde trekken. In zijn lichtblauwe oogen lag een ongemeen zachte, ja eenigszins weemoedige uitdrukking; en toch was er in die oogen iets, dat Bol niet beviel, al wist hij zich zeiven geen rekenschap te geven van de reden. Hij dacht, als hij er op staarde, onwillekeurig aan een magneet, aan electrieke vonken, aan de boa, aan Medusa, aan allerlei phantastische wezens: hij bestrafte zichzelven over den on-willekeurigen weerzin, dien hem die oogen inboezemden: hij vond dien onbillijk, onchristelijk zelfs â en toch, hij kon het gevoel van tegenzin, of liever heimelijken schrik, dat hem aangreep, telkens als hij er naar keek, bij geen mogelijkheid onderdrukken.
âEn waar was het schot op gemunt?quot; vroeg de Gravin, nadat de voorstellingen waren afgeloopen.
âOp een eekhorentje, Mevrouw!quot; antwoordde Drenkelaer: âmaar ik heb ridderlijk bezijden geschoten.quot;
âDat doet mij genoegen,quot; zei Bettemie: âik vind het altijd jammer, zulke lieve aardige beestjes te dooden.quot;
âGroote tuindieven,quot; zei Leentje.
âEn niet minder een plaag voor 't plantsoen,quot; voegde Maurits er bij: âmaar zij zijn moeilijk aan 't lijf te komen, wanneer zij in een boom zitten; want zij wippen altijd naar dien kant van den stam, waar men niet staat.quot;
âZoo dom niet van hen,quot; zeide Bol; âen nu kom je juist van pas, Maurits! om mede te luisteren naar de beschrijving, die Mevrouw uw moeder bezig was ons te geven van de veranderingen, die zij hier wil maken, en er ook uw oordeel over te zeggen.quot;
âIk!quot; riep Maurits uit; âik zal er mij wel deugdelijk voor wachten. Denk je dan, Dominee, dat ik het genoegen van Moederlief glad bederven wil, door mij in haar beschikkingen te moeien? Wat zij doet is welgedaan; mits zij maar zorge, hier en daar de noodige handwijzers in 't park te laten zetten, om mij te beletten, telkens als ik na een afwezigheid van een maand of tvat weer hier kom, er in te verdwalen, daar-
283
door te laat te huis te komen en knorren te krijgen dat ik niet op mijn tijd pas, of de soep aangebrand te vinden, wat niet minder onaangenaam is.quot;
âWat al dwaasheden kraam je nu daar weer uit, ondeugende jongen!quot; zei zijn moeder, hem een tikje op de wang gevende: âja! je bent erg bang, te verdwalen en te laat thuis te komen! â En dat je je meening over het plan dient te zeggen, daar heeft Dominee wel deugdelijk gelijk aan: anders zou 't naderhand zijn: âMoeder heeft juist dat boschje laten omhakken, waar altijd houtduiven in te vinden waren,quot; of: âer komen geen herten meer in 't achterbosch, sedert dat water gedempt is, waar zij plachten te drinken,quot; of: âje hebt daar, in plaats van dennen, beuken gezet, die er nooit zullen groeien.quot;
âNu ja. Moeder!quot; hernam Maurits, lachende: âmaar dan komt Louis en betoogt mij, dat ik ongelijk heb, en er niets van weet: en inderdaad, hij is in dat alles vrij wat beter geverseerd dan ik: en, daar Moeder zijn raad ook nu weer zal innemen en opvolgen, zal ik wijs doen, mij er buiten te houden. â Intusschen, Moederlief, ik wil u het genoegen niet ontnemen, de mededeeling van uw projecten te vervolgen.quot;
Werkelijk hervatte Mw. Van Hardestein de beschrijving van haar veranderingsplannen; doch daar het den lezer vrij onverschillig zal zijn, of en hoe zij werden uitgevoerd, of het op te bouwen chalet rechts of links van de beek kwam te staan, of er tien dan wel maar drie boomen uit de groep aan de zuidzij gehakt werden, en of er om den vijver acasia's dan wel roode kastanjeboomen werden geplant, zullen wij hem daarmede niet bezig houden, en maar eenvoudig vermelden, dat na zoolang op den heuvel vertoefd te hebben als tot het ontwikkelen en bespreken der bedoelde plannen noodig was, het gezelschap, nu versterkt door de beide vrienden, den terugtocht aannam, bij welke gelegenheid zich Drenkelaer aan de zijde van Nicolette vervoegde.
âEen heerlijke streek. Freule,quot; zeide hij, om het gesprek te beginnen.
284
âO ja, Mijnheer!quot; antwoordde zij, niet weinig verlegen over den titel, dien hij haar gaf, en niet durvende zeggen, dat zij daar geen recht op had.
âIk geloof,quot; vervolgde hij, âdat het inzonderheid bij u is, dat ik mij verontschuldigen moet: ik meen bij mijn komst bespeurd te hebben, dat het schot u min of meer verschrikt had.quot;
âHet spijt mij,quot; antwoordde Nicolette, âdat ik mij zoo kinderachtig heb aangesteld .... en ik hoop, mij er ook aan te wennen: ik begrijp toch, dat een jager niet vooraf de voorbijgangers kan waarschuwen als hij schieten gaat.quot;
âDe Freule schijnt dan nog niet lang in deze omstreken vertoefd te hebben,quot; hervatte hij.
âEerst sedert gisteren,quot; antwoordde zij, langzamerhand moed krijgende: âmaar vergeef mij, ik heb geen recht op dien titel van Freule, dien Mijnheer mij geeft.quot;
âOch wat!quot; zei Maurits, die hier aan de andere zijde van Nicolette kwam: âhier in 't land is iedereen Freule, en Juffrouw Zevenster moet er zich maar aan gewennen, zoolang zij hier is, met dien titel te worden aangesproken.quot;
âIk geloof dat ik mij nog spoediger aan geweerschoten wennen zou,quot; zei Nicolette, lachende: âen bovendien, Jonker! je noemt Juffrouw Leentje geen Freule, hoe zou 't mij dan passen, mij dien naam te laten aanleunen ?quot;
âIk zal mij wel wachten eenige vergelijking tusschen u en Juffrouw Leentje te maken,quot; zei Maurits, zachtjes, en terwijl hij een ondeugenden blik op de oude vrijster sloeg, die voor hen uit liep met haar broeder en Mw. Van Hardestein, âindien je die namelijk zelve niet maakt.quot;
âFoei Jonker!quot; zei Nicolette, verwijtend het hoofd schuddende.
âMijn vriend Eylar,quot; hernam Drenkelaer, âheeft er zwak op, aan de lieden titels te geven, waar zii geen aanspraak op hebben. Heeft hij mij zooeven niet tot Griffier gepromoveerd, ofschoon ik maar een nederig Substituut ben?quot;
âIk heb je den titel gegeven, die je toekomt,quot; zei Maurits: âen dat zal ik bewijzen.quot;
285
âLaat hooren,quot; zeide Drenkelaer: âik wed, dat je bewys niets deugen zal.quot;
âWel! als de griffier afwezig is, dan vervangt hem immers zijn substituut, en is dus werkelijk op dat oogenblik griffier. De griffier is afwezig, ergo!quot;
âZeer logisch geredeneerd,quot; hernam Drenkelaer: âer hapert maar één ding aan je betoog: dat is namelijk, dat de substituut alleen dan griffier wordt, wanneer hij zijn ambt bekleedt, en dat doe ik, de Hemel zij gedankt, op dit oogenblik niet.quot;
âHet moet u wel een aangenaam gevoel van vrijheid geven,quot; zei Nicolette; âzoo den geheelen dag buiten te kunnen zijn, ontslagen van de drukten, die uw post u zeker geeft, en hier zulk een frissche lucht in te ademen.quot;
âZij is zeker frisscher dan op die muffe griffie,quot; zeide Drenkelaer: âen het gezelschap is hier ook eenigszins opwek-kender,quot; voegde hij er bij, terwijl hij een zijdelingschen blik op Mcolette sloeg. Maar hoe zacht en vriendelijk, ja hoe smeltend die blik was, toch deed hij op Mcolette geen aan-genamen indruk, en zag zij schuchter uit naar Bettemie, te gereeder, omdat het haar begon te hinderen, dat de jonge lieden zich dus beiden met haar bezig hielden en de Freule zonder cavalier lieten. Maar Bettemie zag haar niet, als juist bezig zijnde, zich met Juffrouw Kato te onderhouden, die zij op zijde getrokken had.
âWie is toch die Mijnheer Drenkelaer?quot; vroeg zij: âde naam komt mij bekend voor; maar ik heb Maurits vroeger nooit van hem hooren spreken.quot;
âHij is uit Overijsel,quot; antwoordde Kato: âen, naar ik hoor, van een zeer goede familie. Hoe bevalt u zijn voorkomen, Freule ?quot;
âWel!quot; antwoordde Bettemie: âik zou hem, zonder zijn knevels, voor een verkleede jonge juffrouw aanzien .... en ik ben nog niet zeker, of ze niet aangeplakt zijn.quot;
âHm!quot; zeide Kato: âhij moet toch niets verwijfds in zijn karakter hebben; want dan zou de Jonker hem niet kunnen uitstaan; en bovendien zegt deze, dat hij te Marlheim als een
286
zeer solide en verstandig jongmensch wordt geroemd. â En wat dunkt u, Freule! van dat pupilletje van Dominee?quot;
âEen allerliefst meisje,quot; antwoordde Bettemie, âen waar Maurits, en zijn vriend, en al de heeren uit de buurt smoorlijk op verlieven moeten, of ik decreteer, dat zij geen smaak ter wereld hebben.quot;
âZij zullen wel verstandiger zijn,quot; merkte Juffrouw Tronck aan.
âZie maar eens!quot; hervatte Bettemie, haar aanstootende: âheeft zij niet alreeds onze beide cavaliers gemonopoliseerd?quot; â En met een vroolijken lach, die genoegzaam bewees, dat in haar aanmerking niets spijtigs was gelegen, zag zij naar den kant van Nicolette uit; doch nu ontmoette zij den tweeden, en deze reis wanhopigen blik, dien het jonge meisje op haar vestigde. Immers het arme kind wist zich niet te redden, daar zij vreesde, voor preutsch of onbeleefd gehouden te worden, indien zij van de jonge heeren vandaan liep om zich bij Bettemie te voegen, en toch zich niet op haar gemak gevoelde, dat beiden dus nevens haar gingen. Het vriendelijke knikje, dat Bettemie haar toewierp, redde haar uit de verlegenheid, en haastig snelde zij nu naar deze toe.
âVergeef mij,quot; zeide zij: âik dorst u niet storen, terwijl je met de juffrouw aan 't praten waart.quot;
âEn wij evenmin,quot; voegde Maurits er bij, die inzag, dat ook hij een schijnbare, hoewel bij hem geheel onwillekeurige onbeleefdheid tegen Bettemie had goed te maken, en zich niet beter wist te redden, dan met de gewone tactiek, van de rol van beklaagde tegen die van klager te verwisselen en tot Bettemie het verwijt te richten, dat zij gerechtigd zou geweest zijn, hem te doen.
âWel, hoe is het. Freule?quot; vervolgde hij, zich met Drenke-laer nevens haar begevende, onder 't voortwandelen: âis dat nu mooi van u, u dus af te zonderen van hen, die zoo gaarne met u zouden praten? â een voorrecht althans, dat mij in acht maanden niet is te beurt gevallen â ik heb al driemalen gepoogd u te naderen; maar je waart in zulk een gewichtig
287
onderhoud verdiept met Juffrouw Kato, dat je geen oog of oor voor oude vrienden overhadt. Waren het de mysteriën van 't haakboekje of die van Parijs') die u zoo bezig hielden ?quot;
âDat zul je nu niet weten, nieuwsgierige Mijnheer!quot; antwoordde zij, al lachende: âen ik zou je op mijn beurt ook kunnen vragen, waarover je zoo druk aan 't redeneeren waart, en er nog heel veel anders bi) zeggen; maar ik ben edelmoediger dan Mijnheer, en beantwoord geen onverdiende met verdiende verwijten. â Wel Nicolette! hoe is 't? ben je nu au fait van al de jachtavonturen, die Mijnheer Maurits gehad heeft? Want ik onderstel, dat hij je die wel verteld zal hebben: ten minste ik heb ze verleden najaar allemaal mogen aanhooren, zoodat ik op 't laatst droomde van snippen en korhoenders.quot;
âNeen, over de jacht heeft de Jonker niet gesproken,quot; antwoordde Nicolette, door den vroolijken toon van Bettemie weder geheel op haar gemak gesteld.
âSpot maar,quot; zei Maurits: âik herinner mij zeer goed, dat ik het niet was, die over de jacht begonnen ben; maar dat het Freule Bettemie zelve was, die mij daarover ondervroeg.quot;
âOmdat ik,quot; hernam Bettemie: âaltijd geleerd heb, dat men steeds zoodanig onderwerp op het tapijt moet brengen, als waarin degeen, met wien men praat, het best thuis is.quot;
âWel verplicht voor 't compliment,quot; zei Maurits, zijn hoed afnemende.
âDurf eens zeggen, dat ik mij bedrieg,quot; hervatte Bettemie; âben je bij die gelegenheid niet welsprekend geworden, zooals ik je nooit te voren gezien had, en heb je mij geen reeks van vertellingen opgedischt betreffende je avonturen, vertellingen, waar die van den Baron van Munchhausen flauw bij zouden schijnen.quot;
âNu moet ik je in 't eind bedanken, Bettemie!quot; zei Maurits:
') Die waren toen niet lang te voren uitgekomen.
288
want het kan niet anders dan zeer vleiend voor mij zijn. dat je nog na acht maanden je zoo goed weet te herinneren, wat ik je toen vertelde.quot;
âVlei je daar niet mee,quot; zei Bettemie: âik herinner mij nog wel de stof, die wij behandelden; maar van de détails weet ik niet anders meer, dan dat mijn hoofd geheel verward werd van de anecdotes over aangeschoten hazen, gesprongen geweren en honden met menschenverstand.quot;
âIk verzeker u toch. Freule!quot; zei hier Drenkelaer: âdat mijn vriend Eylar ook nog, en zeer goed, over gewichtiger zaken dan over de jacht weet te spreken.quot;
âIk twijfel er niet aan,quot; zei Bettemie; âzeker acht hij ons dames niet op de hoogte om die te verstaan en behandelt hij die alleen onder heeren.quot;
âIk geloof inderdaad niet,quot; hernam Drenkelaer, met een fijnen glimlach, âdat een van de onderwerpen, die ik bedoel, beneden de bevatting van een verstandige vrouw zou zijn; wel zouden er onder wezen. Freule! die haar misschien zouden vervelen. Wat zou je bij voorbeeld zeggen van een discours over de betrekkelijke drukking van de atmosfeer?quot;
âMij dunkt,quot; antwoordde Bettemie: âdaar zou ik over kunnen meepraten op een heeten zomerschen dag, als ik uit de open lucht in een kelder ging.quot;
âOf over de krachtverplaatsing?quot;
âEvenzeer; als op de wandeling mijn rechterhand moe wordt van 't dragen van een parasol, neem ik die in de linker.quot;
âOf over de differentiaal-rekening?quot;
âDat moet zeker geweldig amusant wezen. En houdt Maurits, als je onder heeren zijt, dissertaties over al die onderwerpen? â Dan moet jelui hem schrikkelijk pedant vinden.quot;
âVan je vrienden moet je 't hebben,quot; viel hier Maurits in; âik begrijp, dat je geen advocaat gebleven zijt, Drenkelaer! je zoudt geen fortuin bij 't vak gemaakt hebben, als je op dezelfde wijs voor je cliënten in de bres sprongt, als je 't nu voor mij doet. De dames moeten wel denken, dat ik de assommantste prater van de wereld ben, en bij mijn
289
vrienden college hou over hetgeen ik op de academie geleerd heb.quot;
âIk hoop voor uw vrienden, dat Mijnheer Drenkelaer u belastert,quot; zei Bettemie.
âWel, Freule!quot; hernam Drenkelaer: âindien hij met u over de jacht spreekt, dat anders een stof is, waarover men de dames, tenzij b. v. een Diana Vernon, niet pleegt te onderhouden, is het dan zoo vreemd, dat hij bij heeren stoffen behandelt, die evenmin tot de zoodanige behooren, waarover zij gewoon of bekwaam zijn te spreken?quot;
âHoe langer hoe fraaier!quot; riep Maurits uit: âik heb hier een Mephistopheles meegebracht op Hardestein, die mijn gastvrijheid beloont, met mij bij mijn vrienden zwart te maken. Gelukkig kent de Freule mij beter, dan dat zij haar oordeel over mij zou laten influenceeren door zulke booze insi-mulatiën. Nietwaar Bettemie ?quot;
âJa! ik heb je nog wel een- en andermaal gezonde taal hooren spreken,quot; zei Bettemie: âgesteld dat het nog noodig was, dat Mijnheer Drenkelaer mijn getuigenis innam om overtuigd te zijn dat je 't kunt.quot;
âEylar is een ondankbare,quot; hernam Drenkelaer: âondankbaar tegen de academie, alwaar hij al dat moois leerde, 't welk hem nu als een man van hooge wetenschap onder ons gewone lieden doet schitteren: en ondankbaar tegen mij, die als een getrouwe compère zijn verdiensten ophemel bij degenen, die hem nog niet genoeg op prijs stellen.quot;
âIk moet ter eere van den Jonker zeggen,quot; viel thans Juffrouw Kato in, âdat hij met zijn geleerdheid nooit iemand lastig valt, en die altijd bespaart voor dezulken, die wezenlijk belang er in stellen, er wat van te hooren.quot;
âDank je. Juffie!quot; riep Maurits: âeindelijk vind ik eens een bondgenoot, die mij de hand boven 't hoofd houdt.quot;
âBedank mij maar niet te veel,quot; zeide Kato; âwant ik moet er bijvoegen, dat je over 't algemeen ons, vrouwen, weinig op de hoogte acht om van iets degelijks te willen hooren.quot;
I. - K. Z. 19
i
290
âEn hij heeft gelijk ook,quot; hernam Bettemie: âmaar hoe weinig wordt ons ook geleerd! en hoe spoedig werpt men ons, zoodra wij zeiven moeite doen, eenig denkbeeld te krijgen van wetenschappelijke zaken, den bijnaam van savant es naar 't hoofd! 't Is of het schande voor ons is, iets meer te weten, dan hoe men zich over zeer gewone zaken in beschaafd Fransch en Engelsch uitdrukt, en dat de kennis, die den mensch veredelt, uitsluitend aan de mans toekomt. â Wat zegt Nicolette er van?quot;
âHelaas!quot; antwoordde deze; âik moet bekennen, dat, hoe goed het onderwijs was in de vakken, die men bij ons op de instituten onderwijst, die vakken zeiven vrij beperkt waren, en ik dikwijls verbaasd ben geweest over al wat de prospectussen van buitenlandsche juffrouwenscholen inhielden.quot;
âEén troost is er,quot; merkte Drenkelaer aan, âdat er niets logenachtiger is dan een prospectus. Maar ik ben overtuigd, dat Juffrouw Zevenster iets verder is gegaan dan het prospectus van hare school aan de hand deed.quot;
âAch!quot; zeide zij, met een zucht: âik weet zoo weinig, in evenredigheid met de jaren, die ik school geweest ben: en ik zou zoo gaarne de gelegenheid gehad hebben, meer te weten.quot;
âIk hou mij overtuigd,quot; zei Drenkelaer, âdat de Juffrouw reeds nu meer weet dan negen en negentig op elk honderdtal van onze heeren te zamen, en dat is ongelukkig niet eens een zeer groot compliment, dat ik haar maak.quot;
âEn ik geloof, dat het ook juist daaraan ligt,quot; merkte Bettemie aan, âdat wij over 't geheel zoo dom zijn. Wisten de heeren wat meer, was het doorgaans niet zoo doodgemakkelijk, op de hoogte van hun conversatie te blijven, gaven zij ons het voorbeeld, te spreken over degelijke onderwerpen, wij zouden meer spijt gevoelen over onze onkunde, en ons best doen, insgelijks eenige kennis op te doen van vakken, die men nu beschouwt als boven ons bereik. Hoe is 't in Engeland bijvoorbeeld? Ik heb een aantal Engelsche meisjes gekend, die geen zweem van pedanterie hadden, en toch zeer grondig
291
onderwezen waren in mathesis, in astronomie, in geologie, in botanie, in honderd dingen, waar hier niemand dan deze of gene specialiteit de geringste notie van heeft.quot;
âWelzeker,quot; zei Kato: âMijnheer Van Eylar vertelde ons, dat, toen hij laatst in Engeland was, men bezig was een vleugel bij te bouwen aan den Munster van York, en de jonge dames zich niet anders vertoonden dan de breizakken of werkmandjes gevuld met verschillende steensoorten, die zij meer of min in harmonie achtten met die, waarvan de kerk was opgebouwd.quot;
âNu!quot; zei Maurits: âdaar ons land, behalve aan zijn versten uithoek, steengroeven noch rotsen heeft, zullen wij er, hoop ik, van dergelijke exhibitions verschoond blijven.quot;
âIk weet waarlijk niet,quot; voegde Drenkelaer er lachende bij, âwat de dames hier met zich zouden kunnen dragen, of het moesten turven zijn â en dat zou wat volumineus worden.quot;
âAh! fi done!quot; zei Kato: âwou je turfvulsters van ons maken? â Maar, om terug te komen op uw punt van beklag. Freule, het staat immers geheel aan u, les te nemen in zoodanig vak als u 't meeste toelacht: en ik meen zelfs gehoord te hebben....quot;
âWat?quot; vroeg Bettemie: âdat ik Italiaansch boekhouden leer? â Nu, in verscheiden Fransche handelshuizen heeft men Boekhoudsters, en, als 't eens met mij verloopt, wil ik ten minste een middel hebben om den kost te verdienen.quot;
âJa,quot; zei Kato: âen zelfs geloof ik, Freule! dat het ook in uw tegenwoordige omstandigheden verstandig van u gedacht is, in staat te willen zijn, zelve uw fortuin te besturen, en althans te zorgen, dat men u geen rad voor de oogen draaien kan. â Maar ik bedoelde eigenlijk iets anders: men beweerde, dat je ook les naamt in de chemie.quot;
âWat!quot; riep Maurits, de handen ineenslaande: âuw boudoir herschapen in een laboratorium, waar smeltkroezen en retorten de canape's en psychees vervangen?quot;
âZoo ver is het niet,quot; zei Bettemie, een weinig kleurende: âik heb, ja, enkele reizen het nemen van chemische proeven
292
bijgewoond, en met zoo veel genoegen, dat ik wat meer van de kunst wilde weten. Maar 't is natuurlijk bij loutere lief-hebberij-lectuur gebleven.quot;
âNu!quot; hernam Kato: âals ik man was. en ik had een vrouw, die iets aan de scheikunde deed, ik zou geen oogenblik rust hebben.quot;
âEn waarom niet?quot; vroeg Drenkelaer.
âOmdat het mij altijd door 't hoofd zou malen, dat zij 't in haar macht had, mij vergiften toe te dienen, zonder dat zij bij den drogist om een stuiver rattenkruid behoefde te loopen.quot;
âEen man, die zoo iets van zijn vrouw onderstelde, verdiende niet veel beter,quot; zei Maurits, met warmte.
âNietwaar?quot; vroeg Bettemie: âen daarbij, ik vraag nu, of het mooi is, dat Juffrouw Kato mij dus hard valt, nadat ik haar nog laatst, alleen door een middel, dat ik uit een chemisch boek had opgedaan, den stop van haar flacon had losgekregen, wat zij vergeefs had beproefd.quot;
âJa! dat's waar,quot; zei Kato: âen mij ook geleerd, dat er geen vier elementen zijn, zooals ik in mijn onnoozelheid meende, maar wel vier- of vijf en zestig; â en ook dat receptje van Le Mat voor mij ontcijferd.quot;
âNu hoor je 't van haar zelve,quot; zeide Bettemie.
âMaar is 't inderdaad waar,quot; vroeg Maurits, âdat je al die geleerde boeken leest? Mij dunkt, die onmogelijke terminologie moest genoeg zijn, om je af te schrikken.quot;
âHm!quot; zei Bettemie: âik lees wat ik versta____ maar ik
beken, dat ik ze ook minder lees met een wetenschappelijk doel, en om al die classificaties te onthouden, dan wel om te zien, of ik uit chemische oorzaken dingen verklaren kan, als het magnetisme, de talismans en dergelijke.quot;
âO ja!quot; zei Maurits; âen de kaartleggerijen, en de chiro-mancie, en het koffiedik; ik herinner mij, dat je veel in too-verboeken placht te studeeren. â Je hebt, meen ik, dat boek van Walter Scott On demonology and witchcrafft nog van mij te leen gehad.quot;
âZoo!quot; zei Drenkelaer. terwijl hij Bettemie scherp aanzag;
293
âheeft de Freule inderdaad de groote vraag betreffende het bovennatuurlijke willen doorgronden?quot;
âMaurits is een verrader,quot; zei Bettemie: âmaar och ja! ik beken het oprecht; ik heb er altijd liefhebberij in gehad, vertellingen van dergelijke onmogelijke gebeurtenissen te lezen, en er dan een verklaring van te zoeken.quot;
âEn heb je die ooit gevonden?quot; vroeg Maurits.
âHelaas neen,quot; antwoordde Bettemie.
âHeel gelukkig,quot; zei Drenkelaer; âwant zoodra men de gebeurtenissen verklaren kan, verliezen zij alle belang. Wie, die zich niet vervelen zou bij een goochelaar, wanneer hij vooraf den sleutel had van al de toeren, die er worden uitgevoerd ? â Wat mij betreft, ik ben van de leer van Hamlet, dat er meer in den hemel en op de aarde is, dan waar de wijsgeeren van droomen, en ik vind iets rustigs in een kinderlijk geloof aan magnetisme, aan talismans, aan waarzeggerijen, aan alles in 't kort, waar mijn vriend Eylar daareven zoo heiligschennend mee spotte.quot;
Bettemie keek den spreker aan, om te weten of hij in ernst dan wel in boert sprak; doch toen haar oogen de zijne ontmoetten, gevoelde zij iets, dat zij niet wel beschrijven kon, doch dat haar onaangenaam aandeed, iets, alsof zij gestoken werd door een wesp. Zij haastte zich, een anderen weg op te zien; doch 't was, of die eenvoudige verrichting thans met eenige moeite gepaard ging: zij gevoelde zich verlegen, en wist zelve niet waarom; â doch zij begreep, dat zij in elk geval aan het gesprek een andere wending moest geven, en zoo vroeg zij aan Nicolette, wat deze wel dacht van het uitzicht, dat men tusschen de boomen door over 't veld had.
Nicolette antwoordde, dat zij 't uitzicht beelderig vond en zoo geraakte van zelve de conversatie op een vroolijker terrein, doch werd te gewoon, dan dat wij er verder iets van zouden hebben mede te deelen.
Intusschen hadden de meer bejaarde leden van het gezelschap, ofschoon vooruitloopende, nu en dan het hoofd omgewend naar de jongelieden, vooral Juffrouw Leentje, die, als
296
âMijn moeder houdt veel van de Freule Van Doertoghe,quot; zei Maurits droogjes.
âEn ik hoop, dat je 't ook doet,quot; zei Drenkelaer: â't zou anders een te groote teleurstelling voor de beide dames zijn. â Ja man!quot; vervolgde hij, terwijl hij zijn liggende houding hernam, en de elleboog op het kussen en het hoofd in de open hand rustte: âzoo ik straks zeide, je te benijden, is er toch â in 't afgetrokkene beschouwd â eene zaak, die uw positie minder aangenaam maakt dan die van een burgerman als ik. Wie een grooten naam draagt moet de con ven an ces in acht nemen; hij mag zijn hart niet raadplegen; hij moet vragen, wat zijn rang en geboorte van hem vorderen. Gelukkig dan, als men 't zoo treft als jij het doet; want ik onderstel, dat je dat geschikte huwelijk je zult laten aanleunen.quot;
âDat geschikte huwelijk!quot; herhaalde Maurits, met eenigen wrevel in zijn toon: âwie brengt je dat toch in het hoofd?quot;
âGeen mensch,quot; antwoordde Drenkelaer: âdoch 't valt licht te zien voor wie oogen heeft, en ik zou er bijna een anker wijn onder verwedden, dat, indien je eens op informatie uit-gingt, je zien zoudt, dat ik gelijk heb.quot;
âInformatie! Bij wie zou ik die krijgen? of denk je, dat, als mijn moeder werkelijk zulke aanslagen tegen mijn vrijheid maakte, als je dwaaslijk veronderstelt, zii 't mij bekennen zou?quot;
âDaar is wat aan,quot; zei Drenkelaer, terwijl hij sterk aan zijn sigaar trok: âdoch die bleeke huishoudster zal wel wat weten: en in allen gevalle, wat kan het u schelen, mits maaide verbintenis naar uw zin is.quot;
Maurits antwoordde niet, maar bleef een wijl voor zich zien, schonk zich toen een glas wijn in en dronk het ledig in één teug.
âVoorwaar!quot; vervolgde Drenkelaer: âik zou, wat mij betreft, niets liever wenschen, dan dat ik ook een moeder had, die zulk een prijsje uit de loterij voor mij klaarhield, als de Freule Van Doertoghe. Wat kun je beter wenschen, dan een vrouw, die jong, schoon, bevallig, schatrijk, geestig en verstandig is, en die bovendien 't Italiaansch boekhouden kent.
297
om zelve haar vermogen te kunnen bestieren, en in scheikundige proeven een aangename distractie zoekt.quot;
âGeen spotternij ten koste van de Freule Van Doertoghe Drenkelaer!quot; riep Maurits: âzij is een beste, brave meid^ met een hart als goud, en, zoo mijn moeder haar tot schoondochter wenscht, wel! 't bewijst evenzeer voor haar goeden smaak als voor haar teederheid te mijwaarts. Ik bid u â niet meer over dit onderwerp.quot;
âWel! hernam Drenkelaer, na zijn vriend een wijl aandachtig te hebben gadegeslagen, âdan wat anders: wat dunkt
je van dat nichtje, of althans dat logeetje van den Dominee? â Hm?quot;
âIk denk er van wat jij er van denkt,quot; antwoordde Maurits gimlachende: âdat het een allerliefst mooi meisje is.quot;
âMaar dom, geloof ik,quot; zei Drenkelaer.
âDom! hoe kom je daaraan? â je hebt ze maar aan te zien om van het tegendeel overtuigd te zijn.quot;
âEn geen kat om zonder handschoenen aan te vattenquot; vervolgde Drenkelaer.
âDat zou bewijzen, dat zij althans niet dom was,quot; zei Maurits;^ âmaar ik heb niet anders kunnen merken, dan dat zij een lief, zacht karakter heeft.quot;
âMaar wat coquet,quot; hernam Drenkelaer: âzooals al die meisjes, die van de school komen.quot;
âIk heb geen zweem van coquetterie bij haar bespeurd quot; zei Maurits: âmaar kom! 't is immers gekscheren wat je doet, wanneer je aan dat arme kind allerlei gebreken toe-dicht, om te hooren wat ik er op zeggen zal.quot;
âZeg eens, Eylar!quot; vervolgde Drenkelaer, zonder op de hem gedane vraag te antwoorden: âben je op dat meisje verliefd?quot;
âVerliefd? â ik zie haar heden voor 't eerst van miin leven.quot; J
âNu, eens moet het eerst zijn, en de liefde is als de koorts die iemand op 't lijf valt, zonder dat hij er op verdacht is! c weet met, maar aan de kleur, die zij kreeg, zoo dikwijls je t woord tot haar richtte, zou ik zeggen, dat het je niet
298
heel veel moeite zou kosten, haar conquête te makei v
âWel dat zou dan voorwaar een huwelijk wezen, dat mijl. moeder geen genoegen deed,quot; antwoordde Maurits.
âNeen,quot; hernam Drenkelaer: âen dat ik je ook zeer zou afraden; maar wie drommel dacht aan een huwelijk? Een opgeraapt kind, naar ik hoor, en dat geen cent in de wereld heeft.quot;
âEn wat is dan je bedoeling?quot; vroeg Maurits: âdat ik het goede kind zou pogen te verleiden?quot;
âMa foi!quot; zei Drenkelaer, terwijl hij langzaam een teug nam uit het glas, dat voor hem stond: âwat wil zij veel meer worden, dan het liefje van dezen of genen rijkaard? â Ik dacht, het zou een probaat middeltje zijn tegen de verveling, die je anders hier in je stille rust onmisbaar overvalt.quot;
âDe onschuld van een braaf meisje belagen om de verveling te verdrijven! â 't Is zeker wat edels!quot;
âWat komt zij anders op je grondgebied doen?quot; vroeg Drenkelaer, en halfluid neuriede hij :
âAh! vous avez un droit superbe,
Comme seigneur de ce canton.quot;
âWij leven niet meer in de eeuw, toen le droit de nop-lt;jage of jambage in zwang was; en wie anders dan een schoft maakte er immer gebruik van?quot; vroeg Maurits, verontwaardigd.
âNu! ik zie wel, dat haar bekoorlijkheden u koel hebben gelaten; anders zou je hier die hooge zedenkunde wel niet te pas brengen. En ik ben er blijde om; want, uw gast zijnde, zou ik u niet gaarne in den weg zitten: en nu het meisje u niet bevalt, zal ik er een kansje op kunnen wagen.quot;
âJe zult het, hoop ik, uit je lijf laten.quot;
âMaar, beste Eylar! hoe heb ik het met je? Zelf wil je niet: misgun haar tenminste niet aan een ander.quot;
299
âIk zal niet dulden, dat een onschuldig meisje, en nog wel een pupil van Dominee, den man, aan wien ik zooveel schuldig ben, het voorwerp wordt van je verleidingsplannen.quot;
âMet? â quot;Wel laat Dominee daarvoor zorgen. Ga je nu den Don Quichot spelen voor een Dulcinea, die u onverschillig is?quot;
âHoor eens, Drenkelaer!quot; zei Maurits, op een ernstigen toon; âik hou veel van je; maar ik zou gaarne je vriend willen blijven: en daarom, laat het mij niet berouwen, je op Hardestein te hebben gebracht.quot;
âGenoeg!quot; hernam Drenkelaer, op den toon der beleedigde onschuld: âmijn koffer is, Goddank, nog niet geheel uitgepakt: ik zal morgen wel een brief bedenken, die mij naar huis roept en je van mijn gevaarlijk gezelschap ontslaat.quot;
Misschien had Maurits beter, en zeker verstandiger gehandeld, Drenkelaer aan zijn woord te houden en hem zijn gang te laten gaan; doch het lag niet in zijn natuur, zich onbeleefd en ongastvrij te betoonen tegen wie ook, laat staan tegen iemand, waar hij van hield, en die misschien alleen in scherts gesproken had.
âBen je mal, Drenkelaer?quot; vroeg hij, âmijn woorden zoo hoog op te nemen?quot;
âIk had,quot; vervolgde zijn gastvriend: âbehooren te denken aan het spreekwoord: âmet groote Heeren is 't kwaad kersen eten.quot; Hoe drommel kreeg ik het in mijn hoofd, ik, Lukas Drenkelaer, die niets meer ben dan substituut-griffier, een uitnoodiging aan te nemen op het hooge huis te Hardestein! Ik had toch kunnen en moeten voorzien, dat, zoo Jonkheer Maurits Van Eylar, in ons nederig Marlheim, bij gebrek aan beter, zich vernederen wilde, met mij als met zijn gelijke om te gaan, ik hier weer in mijn niet moet terugzinken, en het niet wagen, een andere meening te uiten dan de zijne.quot;
âMaar ben je dan razend, kerel?quot; vroeg Maurits: âwat was er hier quaestie van stand of rang? Wij spraken van een jong meisje, en ik zei eenvoudig . . ..quot;
âJuist! â Je deedt mij eenvoudig gevoelen, dat, op Harde-
800
stein zijnde, ik mijn daden en handelingen had in te richten overeenkomstig den wil van den toekomstigen Heer. Bless my soul! Wat zal het hier een moreele boel worden, als je eens in ernst het gebied voert. Wie een deerne maar van ter zijde aankijkt â in den toren! of, zoo dat onder onze tegenwoordige Grondwet niet meer gaat â in ongenade. Je zult waarschijnlijk wel lid van de afschaffing worden ook,
nietwaar? en ieder werkman wegjagen, die een borrel drinkt____
en de kermis aan een kant doen, en traktaatjes ronddeelen, en je dorp tot een modél-dorp maken, waar heel Nederland zich aan spiegelen kan.quot;
âNu!quot; zeide Maurits: âdat mag ik lijden; nu scherts je ten minste weer.quot;
âSchertsen! â ik spreek hoog ernstig. Wie drommel zal ooit geloof willen slaan aan mijn woorden, als ik later vertel, dat Maurits Van Eylar mij, op straffe zijner ongenade, heeft verboden, mijn hof te maken aan een jonge deerne, die niet eens tot zijn vazallen behoort, op welke hij niet verliefd is, en die, behalve haar eigen verstand, nog een Dominee en een alles behalve makke Duenna heeft, om op haar te passen. Hoor eens, Eylar! als je zedenpreeken wilt houden, vraag dan een leesbeurt in 't Marlheimsche Nut, of doe het overal elders dan op je eigen kasteel, tegen iemand, dien je hier genoodigd hebt, en die met het denkbeeld hier gekomen is, dat men hem genoegen en vermaak verschaffen zou. â Ik voor mij zou de gastvrijheid op een andere wijze verstaan.quot; â Onder het uiten dezer laatste woorden was hij opgestaan en wandelde met een knorrig gezicht de kamer op en neder.
âKom,quot; zei Maurits; âwees niet dwaas, man! Ga bedaard weer zitten en schuif alle ongerijmde veronderstellingen op zij. Wat mijn hoedanigheid van gastheer of mijn adellijke geboorte hier ter zake doet, verklaar ik niet te begrijpen. Stel eens, je verteldet mij, dat je voornemens waart een moord of een diefstal te plegen, zou ik je dan stil hebben moeten laten begaan, omdat je bij mij logeert? Dat heeft er immers niets mee te maken. En in mijn oogen is het even laag, aan een
301
meisje haar eer, als aan een man zijn beurs te ontrooven, even slecht, haar rust voor de toekomst te dooden, als een manslag te begaan.quot;
âIk kan u de gelijkstelling niet toegeven,quot; zei Drenkelaer, terwijl hij weder plaats nam: âgold het een gewelddadigen aanslag, dan gaf ik u misschien gewonnen, ofschoon ik dan nog altijd het vonnis zou kunnen aanhalen, dat Sancho Panga hoogloffelijker gedachtenisse als Gouverneur van Barataria velde over de vrijster, die bij hem was komen klagen de vi illata. Waar geen sprake is van geweld, daar komt alleen de algemeens regel te pas: â vragen staat vrij en weigeren daarbij.quot; Wat behoeft een vrouw te vergunnen wat zij weigeren kan? Is zij zwak geweest, zij heeft evenmin recht van beklag, als de man, die met het spel zijn geld verliest en zich ruïneert, die in een tweegevecht een wond bekomt, of die wegens dronkenschap zijn post kwijtraakt. Niemand dwong hem immers te spelen, te vechten of te drinken.quot;
âToegegeven,quot; zei Maurits: âmaar zou Lukas Drenkelaer nu gaarne de man zijn, die hem tot spelen of tot drinken aangezet of de wonde had toegebracht?quot;
âIk weet het niet,quot; antwoordde Drenkelaer: âik ben, als je weet, geen speler, drinker of duellist. Maar bij onze tegenwoordige maatschappij, waarin het huwelijk een luxe is, welke alleen vermogende lieden zich behoorden te permitteeren, geloof ik, volkomen gerechtigd te zijn, een vrijerijtje aan de hand te hebben, dat nergens toe verbindt. Heb je daaromtrent een andere meening, best! ik wensch er je veel plezier mee; maar kom er niet in 't publiek mee voor den dag, op straffe van uitgelachen te worden. En wat nu die Nicolette betreft, zoo je werkelijk eenig zwak voor haar gevoelt, wat ik haast gelooven zou, aan de warmte, waarmede je voor haar in de bres springt, zeg het dan, en ik zal je gaarne beloven, haar te eerbiedigen of zij mijn grootmoeder was. Mij dunkt, ik kan niet edelmoediger handelen.quot;
âVanwaar die dwaze onderstelling?quot; vroeg Maurits: âik herhaal het, ik zie het meisje vandaag voor 't eerst.quot;
302
âBest! zoo bestaat er van die zijde geen verhindering. Ik heb zin in de meid: ja, zoo ik geld had, ik geloof, dat ik haar trouwen zou. â Je z^jt nu onderricht van mijn voornemens, en ik geef je volkomen verlof, die over te vertellen aan den Argus en de Medusa, die haar bewaken: ja, nog meer? haar zelve voor mij te waarschuwen. Mij dunkt, ik speel met open kaart, en je zult mij nimmer kunnen beschuldigen, als een trait re de mélodrame gehandeld te hebben. En nu â goeden nacht! en sans rancune. Ik ben moe van de reis en verlang naar mijn bed.quot;
Dit zeggende nam hij het porseleinen, met zilver beslagen nachtblakertje op, dat voor hem stond, stak de waskaars op, schudde Maurits, die peinzend voor hem stond, lachende de hand, en begaf zich naar zijn slaapvertrek. Daar gekomen, stak hij de beide kaarsen op, die op den schoorsteenmantel stonden, smeet zijn buis en laarzen uit, trok een wit zomerjasje aan, stak zijn voeten in geborduurde pantoffels, schonk zich toen een groot glas water in, 't welk hij langzaam uitdronk, stak nogmaals een sigaar op, en plaatste zich in een breeden en gemakkelijken armstoel, 't Was geen moderne stoel, waarvan het kussen den onvoorzichtige, die zich nederzet, weer als een ballon omhoogwerpt, of, als de springveeren gebroken zijn de foltering eener pijnbank doet gevoelen; 't was een ouder-wetsch meubelstuk, dat al meer dan een eeuw op Hardestein aanwezig was; maar het goedgevulde, met vroolijk sits be-kleede kussen was nog even veerkrachtig, vast en deugdzaam, als toen het uit de handen des makers kwam. Eenmaal op zijn gemak gezeten, bracht hij de hand aan de kin en hield de volgende alleenspraak bij zich zeiven:
âZiezoo! dat is, geloof ik, goed gemanoevreerd, en ik heb den eersten dag van mijn verblijf op Hardestein niet vruchteloos besteed. Laat zien. Primo, behoorlijk partij getrokken van het oude thema, dat niemand wil gedwongen worden tot een huwelijk, dat hij vrijwillig zeer gaarne zou gesloten hebben. S e c u n d o, vriend Maurits genoodzaakt, aan Juffrouw Nicolette, die hem anders misschien onverschillig
303
geweest zou zijn, meer te denken dan voor zijn rust goed is. Tertio, mij den weg gebaand om mijn hof te maken bij Bettemie. 't Is waar, het toeval heeft mij gediend, door mij reeds heden met haar in kennis te brengen, en wel op een wijze, die een gemeenzaam onderhoud toeliet; doch het toeval dient alleen hem, die er gebruik van weet te maken, en zoo Napoleon, toen dat toeval hem voor Toulon een tijdelijk commando bezorgde, bevreesd ware geweest de verantwoordelijkheid van een aanval op zich te laden, en niet fiks bad doorgetast, hij ware bij ancienneteit opgeklommen en misschien als Grootmajoor gestorven, maar had het zeker nooit tot Keizer gebracht. â Wij zijn nu wel geen beste vrienden gescheiden, Maurits en ik; â maar dat kan geen kwaad; een beetje verkoeling mag er wel tusschen ons bestaan: de quaestie is maar: aan welke oorzaken zal die worden toegeschreven? en, zoo ik mijn spel voorzichtig speel, zal de uitlegging te zynen nadeele moeten uitvallen. Nicolette moet de Eucharis schijnen, hij de verliefde Telemachus, en ik de verstandige Mentor. â Zal ik ook dien predikant, die hier de man van invloed schijnt, een rad voor de oogen kunnen draaien? Die oogen, hoe kalfachtig ook, zagen mij toch met een uitdrukking aan, die zooveel beteekende als: âik vertrouw u maar half.quot; Om 't even! â zoo mijn doel bereikt wordt, en Maurits op dat meisje verlieft, of er maar verdacht van wordt gehouden, dan ben ik reeds een goed eind vooruitgekomen en moet verder op mijn geluksster bouwen, op de verstandhouding, met een deel van 't garnizoen bereids aangeknoopt en op dat bedwelmende vermogen van den blik, waardoor zich vanouds mijn geslacht onderscheidde, en dat het eenige erfdeel is, mij door mijn vader nagelaten. Die Freule heeft druk in bovennatuurkundige werken gestudeerd: meer dan vele anderen moet zij dus rijp zijn, om, in spijt van redeneering en gezond verstand, aan onbekende natuurkrachten te gelooven en voor den invloed te zwichten, dien een vaste wil kan uitoefenen op een arge-looze verbeelding. Is het waar dat vroeger een Drenkelaer, in ditzelfde kasteel, een magnetischen invloed op een Doertoghe
304
uitgeoefend heeft, en toch in den strijd bezweken is'), mij past het, de nederlaag van mijn oudoom te wreken.
âDrommels! men heeft het goed hier: en, zoo ik al in den Marlheimschen Bode fulminante artikelen geschreven heb tegen den adel en de geldwolven, ik wil het toch aan mij zeiven gaarne bekennen, dat het een mooi ding is, Graaf of Baron te wezen en een prachtig kasteel cum annexis te bezitten, zonder dat het ons iets meer gekost heeft dan de moeite van geboren te worden. â Nu! ben ik geen Baron, ik ben toch van een deftige familie, zoo het heet, of liever, ik ben de eerste deftige persoon uit een ras van overal wel geëccue-il le er de saletjonkers .... en geen mensch zal kunnen zeggen, dat Bettemie Van Doertoghe zich mesalliëert, als zij mij haar hand reikt: â derhalve, waarom zou het huwelijk mij niet gelukken ? Ik ben wel geen Adonis .... nog minder een Hercules..... maar er zijn er, die leelijker zijn: en, in allen
gevalle, wat geeft een vrouw daarom? Ik weet te praten en, wat meer zegt, te luisteren: kom! au daces for tuna juvat1), en faint heart never won fair lady.quot;
Na zich, zoolang zijn sigaar brandde, aan de aangename bespiegelingen eener glansrijke toekomst te hebben overgegeven, kleedde hij zich langzaam uit, kroop in het breede lit d'ange, dat hem wachtte, trok de fraaie sitsen gordijnen dicht, lei het hoofd op het donzig kussen neer en sliep weldr^, den slaap des rechtvaardigen.
Minder gerust was dien nacht de slaap van Maurits Van Eylar. Kwam het van de muggen? Zijn kamer was in den toren en zag op het water uit, en hij had de onvoorzichtigheid gehad, het raam open te laten, terwijl hij zich bij het kaarslicht ontkleedde. Was zijn ongerustheid te wijten aan den wrevel, bij hem uit meer dan eene oorzaak ontstaan gedurende zijn onderhoud met Drenkelaer? Zocht hij zich de
1
) âHet geluk begunstigt de stoutmoedigen.quot;
305
vraag op te lossen, of werkelijk zijn moeder een huwelijk tusschen hem en de Freule Van Doertoghe wilde tot stand brengen, en of hij in dat geval niet wijs zou doen, zich naar haar verlangen te voegen en zijn hand te bieden aan een meisje, dat alles vereenigde wat men in een vrouw kon wenschen? Of speelde hem de beeltenis voor den geest van het bekoorlijke wezen, 't welk hij in den loop van den dag tweemalen op verrassende wijze had ontmoet, en 't welk hij blootgesteld zag aan de lagen van een man, dien hij tot nu toe zijn vriend genoemd had, en die niet te goed bleek te zijn, om, ter voldoening aan een voorbijgaande gril, met de rust eener vrouw te spelen ? â Ongetwijfeld werkte een en ander te zamen, en zeker is het, dat hij uren lang zich rusteloos omwendde in zijn leger, eer hij den slaap kon vatten: ja meer dan eens verwenschte hij zijn goedwilligheid, die hem had aangespoord, Drenkelaer op Hardestein te noodigen. Voor zooverre die noodiging ook bij onze lezers eenige bevreemding baren mocht, achten wij het niet ongepast, hier iets naders aangaande Lukas Drenkelaer en de aanleiding tot zijn kennismaking met Maurits in te lasschen.
Drenkelaer was, als reeds gezegd is, van een deftige Hol-landsche familie, ja die vroeger in de Regeering was geweest, doch later in verval was geraakt. Zijn ouders vroeg verloren hebbende, had hij als knaap reeds de noodzakelijkheid gevoeld, door eigen inspanning vooruit te komen, iets wat hem ook door zijn oom en voogd aanhoudend werd voorgepredikt. Ongelukkig had deze hem steeds op aanzien en geld en nooit op eenig hooger doel gewezen, en niemand aan de opvoeding van den wees een heiliger richting gegeven. Hij was, ja, op de catechisatie geweest en had zijn belijdenis gedaan, 't Was een zaak van sleur en vorm geweest als bij de meesten. Hij had een fraaie belijdenis geschreven, keurig gesteld, en waar de ouderling, die bij de voorlezing daarvan tegenwoordig was, met uitbundigen lof van sprak; â doch het hart had geen deel aan den arbeid gehad en de helft was uit min algemeen bekende werken uitgeschreven. Op de Latijnsche school had i. - k. z. 20
306
de ijverige leerling telkens den eersten prijs behaald en was met grooten lof naar de academie gezonden. Daar was hij een trouw collegehengst â gelijk men 't noemt â en een niet min getrouw bezoeker der professorale slappe-thee-onthalen geweest: ja zelfs had hij een accessit op een prijsvraag behaald en was dan ook niet weinig in de gunst geraakt van de Hooggeleerde Heeren, die hem tot een voorbeeld bij zijn medestudenten aanprezen. Doch tevens had hij zich weten aangenaam te maken bij de jonge lieden, wier beurs beter gestoffeerd was dan hun brein en die hem gaarne vrijhielden op hun partijtjes, of in de vacantie ten hunnent verzochten. Dat hij met den hoogsten graad de academie verliet, behoeft nauwelijks gezegd te worden, en zoowel deze onderscheiding als de omstandigheid, dat hij van fatsoenlijke afkomst was en 't niet te breed had, spoorden den Minister aan, hem reeds spoedig tot het substituut griffierschap van Marlheim voor te dragen. Wel ware hij liever in 't Parket geweest; doch 't was een voet in den stijgbeugel, en, zoo de bezoldiging schraal was, hij verbeterde die eenigermate door â ofschoon dan zeer in 't geheim â artikelen te schrijven voor den Marl-heimer Bode, een oppositieblad, dat nogal aftrek had, omdat het voornamelijk personaliteiten bevatte, die hier te lande volstrekt niet geestig gekruid behoeven te zijn om te bevallen. Doch, zoo Drenkelaer zich niet ontzag, in gemelde courant allerlei hatelijke uitvallen te doen plaatsen tegen de Regeering, en inzonderheid tegen den Minister, aan wien hij zijn aanstelling te danken had, in 't openbaar was hij zeer voorzichtig, school weg achter zijn ambt en sprak niet over politiek dan wanneer hij 't niet vermijden kon, of wanneer zulks hem de gelegenheid schonk, in een vertrouwelijk gesprek de hem bekende meeningen van dezen of genen man van invloed en gezag in diens bijzijn aan te prijzen of te verdedigen. Deze voorzichtige wijze van handelen verschafte hem niet weinig krediet bij de Marlheimers; ja in de groote Sociëteit, waar hij alle dagen de dagbladen kwam lezen en nu en dan een partij schaak speelde, werd zijn gevoelen, als hij het enkele
307
reizen, en nooit anders dan in beleefde termen en met groote bescheidenheid, uitte, steeds met eerbied, bij velen als een orakelspreuk, vernomen. Nu kwam Maurits te Marlheim in garnizoen. Evenals alle jonge lieden van geboorte, wanneer zij tevens beschaafd zijn van zeden, was Maurits schroomvallig en terughoudend tegenover menschen, die hij niet kende. Doch juist omdat hij zich terugtrok als iemand avances maakte, moest hij zich aangetrokken voelen tot Drenkelaer, die altijd even stil en deftig in zijn hoek zat. En toen eens de kennis gemaakt was, streelde het de eigenliefde van den jongen luitenant, dat Drenkelaer, die zich met anderen en in gezelschap zoo op een afstand hield, tegenover hem zoo spraakzaam en voorkomend was. Daar onze substituut-griffier het ruim van Maurits won in belezenheid en vooral in menschen-kennis, had hij spoedig een zedelijk overwicht op hem verkregen, te krachtiger, omdat het zich nooit op lastige of onbe-scheidene wijze deed gelden. Geen wonder, dat Maurits, die wel eens over iets anders wilde spreken dan over paarden en dienstzaken, al meer en meer behagen schepte in den omgang met zijn nieuwen vriend, en aldra niet buiten zijn gezelschap kon. In zijn brieven naar huis had hij meermalen met grooten ophef van Drenkelaer gewaagd, en Mevrouw Van Hardestein had zelve hem aangespoord, als hij eens thuis kwam, dien begaafden en verstandigen vriend mede te brengen, weinig droomende, dat zij op die wijze het paard van Troje binnen zou halen: nog minder, dat er, als nader blijken zal, verraad in de vesting zelve school.
Wij hebben Maurits Van Eylar en Lukas Drenkelaer bespied in hun slaapvertrek: zullen wij voortgaan, gebruik te maken van het voorrecht der alomtegenwoordigheid, 't welk den romanschrijver toekomt, en ook een blik werpen op de beide jonge dames, die de stof tot hun onderhoud geleverd hadden ? â Wij willen bescheiden zijn en ons bepalen met te zeggen, dat, zoo Drenkelaer zich gevleid had, indruk op eene van beiden gemaakt te hebben, zijn verbeelding hem bedrogen had: want, zoowel achter het gebloemde satijn, dat om het mahoniehouten
308
ledikant op Doornwijck hing, als achter het sitsen gordijntje, dat voor Nicolettes nederige sponde was heengeschoven, zweefde, voor de oogen der bevallige bewoonster, het beeld van denzelfden welgemaakten en beminnelijken jongeling, ginds in het eenvoudige losse jachtbuis, hier in de schitterende monteering der rijdende artillerie.
VIJFDE HOOFDSTUK.
WAAEIN NIEUWE MIJNEN WOEDEN AANGELEGD.
Het tweede ontbijt was op Hardestein afgeloopen: Mevrouw was haar kippen gaan voeren, de beide Heeren ieder naar zijn kamer gegaan om zich voor een wandeling te kleeden, en Juffrouw Kato alleen in de ontbijtkamer gebleven en bezig met de kopjes om te wasschen, toen Drenkelaer op eens het hoofd achter de deur om vooruitstak, met steelschen tred weder binnentrad, en rondkeek.
âEr is niemand, Lukas!quot; zeide Kato: âwij zijn hier geheel vrij.quot;
âIk meende op te maken uit den wenk, dien ik bij 't heengaan van u kreeg, dat je mij wat te zeggen hadt.quot;
âZoo is 't. Maurits heeft mij van morgen zoeken uit te hooren.quot;
âInderdaad?quot; riep Drenkelaer uit, met een vroolijken glimlach: âdus heeft het zaad, dat ik gisteren strooide, reeds wortels geschoten. Hij heeft zeker van u iets willen uitvorschen aangaande de plannen, die zijn moeder tegen zijn vrijheid smeedt.%:
Kato knikte toestemmend.
âEn wat heb je geantwoord?quot;
âWel! ik heb mij natuurlijk heel dom gehouden, en toen ben ik, quasi uit mijn eigen. Freule Bettemie hemelhoog gaan prijzen; ja zoo in 't extravagante, dat hij geëindigd is met knorrig te worden, en te zeggen, ik handelde zeker zoo op last van zijn moeder, maar dat hij niet begreep waartoe
309
het noodig was, de voortreffelijkheden van Bettemie zoo op te vijzelen, alsof hij dom genoeg was om ze zelf niet op te merken. Hij is boos heengeloopen: â maar, zijn wij er iets verder mee? Als Mevrouw het ernstig doorzet en hij niet ernstig verliefd wordt op een andere, dan zal hij zich laten vinden.quot;
âHm ja!quot; zei Drenkelaer, nadenkende: âdaarom heb ik gedecreteerd, dat hij verliefd, en de Freule tegen hem ingenomen moet worden. Wat het eerste betreft, daar zal ik voor zorgen: voor het tweede reken ik op uwe hulp.quot;
âOp de mijne? â Hoe zou ik de Freule, die ik bovendien zoo zelden alleen te spreken kryg, op gaan zetten tegen den zoon van Mevrouw?quot;
âBah! Je bent een vrouw; en een vrouw weet altijd raad voor alles. Bovendien, als 't noodig is, zul je hulptroepen hebben, zeg maar a, en die Juffrouw Zuursnoet aan de pastorie, die dames Prawley en verdere leden van dat Genootschap, waar ik gisteren van hoorde spreken, en wat Hardestein nog meer klappeien en koffiewijven oplevert, zullen b, c, 't heele alphabet uit zeggen. Blesse my soul! Indien wij te Amsterdam waren of in een andere stad, waar men elkander niet ziet dan te hooi en te gras, ware 't een ander geval; maar in een dorp, waar men aan de eene zijde niet niezen kan, zonder dat men van de andere âwel bekome het uquot; zegt, daar heb je maar een lucifer noodig om een vlam te ontsteken, die overal rondbrandt.quot;
âWeet je wel, dat je mij een heel leelijke rol doet spelen?quot; vroeg Kato, met een zucht.
âEi? â en wie anders dan mijn geëerde nicht heeft mij op het denkbeeld gebracht van deze onderneming en haar hulp mij toegezegd?quot;
âIk?quot; vroeg Kato.
âWel ja! â Je hebt mij herinnerd in brief bij brief, dat, bij de deeling der nalatenschap van ons beider grootvader Justus Drenkelaer, er nog een som van /quot;25,000 was, die mijn vader aan uw moeder schuldig was gebleven, en dat die schuld op mij was overgegaan. Ik heb u geantwoord, dat ik niets
310
liever verlangde, dan mijn vaders naam van blaam te zuiveren en zijn crediteurs te betalen; maar dat ik dit van mijn sober tractement niet kon doen. Toen schreef je mij, ik moest een rijke vrouw trouwen; ik verzocht u, er mij eene aan te wijzen: â et voila!quot;
âJa! maar moet ik u die zien te bezorgen ten koste van den zoon der vrouw, die ik naar de algemeene opvatting behoor te beschouwen als mijn weldoenster?quot;
âEn die jij zelve beschouwt als je dwingeland. Eilieve! wat ben je haar verschuldigd? Zij geeft u kost en loon, en daarvoor verkoop je haar je vrijheid. Jelui zijt over en weer quitte, of liever, zij blijft uw schuldenares, jij niet de hare.quot;
âMaar moet ik ten koste van dien armen Maurits . . . .quot;
âDie arme Maurits!quot; herhaalde Drenkelaer, op bitteren toon en terwijl hij de schouders ophaalde: âhij is zeker erg te beklagen! â Wanneer hij alles heeft wat men op aarde wen-schen en begeeren kan, een grooten naam, een schitterend vermogen, de glansrijkste uitzichten, is het dan overeenkomstig, zelfs met de gewone billijkheid, dat hij bovendien ook nog met de schoonste en rijkste bruid gaat strijken en ik niets bekom? ik, de onterfde naar de wereld, maar die toch bij mij zeiven het besef omdraag, naam, rang en fortuin te verdienen en er partij van te kunnen trekken, ik, die getobd en gezwoegd heb om de hoogte te bereiken, waarop hem het blinde toeval der geboorte heeft geplaatst?quot;
âIk weet,quot; zeide Kato, âdat je altijd vlijtig u op de studie toegeleid en onberispelijk geleefd hebt, en het is zeker hard voor u . . .
âNog niet meer te zijn dan substituut-griffier, nietwaar? Maar verschaf mij de hand van de Freule, en binnen een paar jaren zie je mij bevorderd, lid van de Provinciale Staten, lid van de Kamer, Minister.... wie geld bezit en een gezond hoofd, dien kost het geen moeite zijn eerzucht voldaan te zien; maar weinig baat het laatste, zoo men het eerste mist. De bekwame en naarstige man komt vooruit; misschien! De boekjes van 't Nut leeren 't althans aan de lieve schooljeugd; â maar
311
doorgaans bereikt hij zijn doel niet vroeger, dan wanneer hij te oud is om de vruchten van zijn inspanning te genieten: â en ik wil genieten terwijl ik nog krachtvol en levenslustig ben.quot;
âIk gun u van harte eer en aanzien,quot; hernam Kato: âmaar toch zou het mij spijten, ik herhaal het, zoo Maurits, die altijd goed en vriendelijk jegens mij geweest is, en die u insgelijks zooveel vriendschap bewezen heeft, er het slachtoffer van wezen moest.quot;
âWat drommel!quot; riep Drenkelaer wrevelig; âzoolang de bigamie verboden blijft, zie ik geen middel om een vrijer aan een meisje te helpen, tenzij de medevrijer worde uitgesloten. Mevrouw Van Hardestein zal haar best doen voor haar lieveling, en zich niet geneeren, kwaad te spreken van wie hem in den weg staat. Zij, die rijk en machtig is, zal het uit de hoogte kunnen doen: wij arme drommels moeten een toontje lager zingen en door list. verkrijgen wat wij door invloed en positie niet machtig kunnen worden. Des te schooner zal de triomf zijn. â Geen kuren alzoo, Kato! geen dwaze sentimen-teele grillen. Je begin was voortreffelijk: laat het vervolg daaraan beantwoorden.quot;
âJe weet,quot; hervatte zij : âdat ik u gaarne van dienst wil zijn; maar zul je naderhand, als je slaagt, de arme Kato niet vergeten ?quot;
âNeen, voorwaar niet,quot; antwoordde hij met vuur: âje hebt vernomen, hoe ik met Terhove gehandeld heb â wat mij voornamelijk de achting van Maurits heeft doen verwerven: â-denk je, dat ik minder zal doen voor mijn nicht en bondgenoot? Wees dus gerust: zoodra Bettemie mijn vrouw is, breng ik u de /quot;25,000; â ik stel er eer in, de schulden te betalen, door mijn vader gemaakt.quot;
Drenkelaer had inderdaad gedurende zijn verblijf te Marl-heim aan iemand, die een pretensie op zijn vader had en deerlijk in 't onderspit geraakt was, een som van honderd gulden verstrekt, welke edelmoedige daad hem niet weinig had doen stijgen in de achting van al wie de beperktheid zijner inkomsten kende, en hem inzonderheid die van Maurits
312
had doen verwerven. Wij willen aannemen, dat zijn hoofddoel bij het plegen dier daad van billijkheid in de zucht gelegen was geweest om de publieke meening gunstig voor hem te stemmen; maar ook dan nog bleef zij loffelijk op zich zelve: en wat hij aan Kato beloofde was hij ook oprecht van meening te houden. Hoe wij hem ook hebben leeren kennen als ondankbaar, en weinig nauwgezet aangaande de middelen, die hij in 't werk stelde om aan zijn eerzucht te voldoen, er lag in die eerzucht zelve een grondslag die loffelijk was; hij wilde voor alles den naam, dien hij droeg, in eere herstellen, en daartoe in de eerste plaats de schulden zijns vaders voldoen. Ook hij leverde alzoo een bewijs, hoe er niemand is, hoe verdorven van hart, bij wien niet enkele loffelijke beginselen schuilen. Volstrekt booze lieden, gelijk die in romans worden voorgesteld, bestaan evenmin als volstrekt deugdzame, en wij behoeven ons evenmin te verwonderen, wanneer wij iets afkeurenswaardigs vernemen omtrent een man, die in den regel braaf en edel denkt en handelt, als wanneer wij hooren van een goede daad, verricht door iemand, die de galg had verdiend. Van dit laatste herinneren wij ons een treffend voorbeeld. Voor eenige jaren gebeurde 't, dat een vrouw, die met de diligence reisde, onderweg door een ongesteldheid overvallen, in een herberg moest achterblijven. Zij was van alle middelen ontbloot; doch een harer medereizigers, die haar volstrekt niet kende, stond niet alleen voor de kosten van haar verpleging borg bij den waard, maar stelde bij 't afscheid nemen haar nog eenig geld ter hand; en dat alles met een kieschheid en eenvoud, die de bewondering zijner reisgenooten wekte, ja hen allen beschaamde. Twee dagen later vernamen zij, hoe diezelfde man gevangen was genomen wegens het vergiftigen van een paar bloedverwanten, waar hij van erven moest, en wier dood ook dien veroorzaakt had van een derden persoon, die met hen aan den disch zat: â en hoe de geldzuchtige moordenaar het vergiftigd gebak, waarmede hij zijn misdaad volbracht, reeds bij zich droeg op het tijdstip, dat hij zijn daad van menschlievendheid verrichtte. Het aan de psychologen over-
313
latende, een voldoende verklaring te leveren van dergelijke afwisselende vlagen van boosheid en braafheid in denzelfden persoon, hervatten wij den draad van ons verhaal en laten onze beide eedgenooten hun samenspraak voortzetten.
âDat is nobel van u,quot; zei Kato, in antwoord op Drenkelaers belofte: âen, alles wel beschouwd, ik gun Maurits een lieve vrouw; maar, als je zeer juist aanmerkt, hij is rijk genoeg voor twee, en Bettemie ook: en 't is beter, dat ieder van hen het geluk maakt van iemand, die geen fortuin heeft, 't Is zoo bespottelijk, dat er altijd, waar geld is, nog meer geld zou moeten wezen. Alleen, wat kan ik er veel aan doen?quot;
âZiehier in twee woorden het consigne,quot; antwoordde Dren-kelaer: âMaurits, en zoo mogelijk ook zijn moeder, afkeerig maken van een huwelijksplan met Bettemie, en Bettemie losmaken van Maurits. En je zoudt geen vrouw zijn, Kato! indien ik je moest leeren hoe je 't hadt aan te leggen om die beide einden te bereiken. Je eigen vernuft zal vindingrijk genoeg zijn om u middelen aan de hand te doen â en ik zal je op de hoogte houden van wat ik zelf verricht. ...quot;
âStil om 'sHemels wil!quot; viel Kato in, met een gesmoorde stem; âik hoor hem komen.quot;
âIk vraag verschooning, zoo ik je heb doen wachten,quot; zeide Maurits, in 't binnenkomen, tegen Drenkelaer: âik had een kleedingstuk verlegd en kon 't zoo ras niet terugvinden. Thans ben ik tot je dienst om onze wandeling te beginnen.quot;
âTot uw orders,quot; zei Drenkelaer, en, na een koel beleefde buiging voor Kato, volgde hij zijn vriend naar buiten.
âHeb je met Juffrouw Kato geredeneerd?quot; vroeg Maurits, terwijl zij de laan optraden, die naar 't dorp geleidde: âdie zal je niet doodgepraat hebben.quot;
âHm! zij is haar gezelschap wel waard,quot; zei Drenkelaer; âzulke arme zielen zijn gehouden, als er menschen zijn, zich op den achtergrond te plaatsen, en zoo zijn zij des te dankbaarder, wanneer zij iemand vinden, die een praatje met haar maakt. Dan stelt zich de tong schadeloos voor de genoten rust. -â En nu gaan wij naar uw broeder, nietwaar?quot;
314
âZooals gezegd is. Ik dien u wel aan hem voor te stellen, en hij heeft mij laten weten, dat hij ons wachten zou.quot;
Weldra hadden onze wandelaars den driesprong bereikt,, waar men den weg naar Klein Hardestein insloeg, en richtten zij hun schreden naar de bevallige villa, alwaar Maurits door zijn broeder en schoonzuster hartelijk verwelkomd en Drenke-laer hun plechtstatig werd voorgesteld. Daar wij echter reeds voorstellingen genoeg hebben te vermelden gehad, en er op het bezoek niets gezegd werd, belangrijk genoeg om ten papiere gebracht te worden, of om eenig nieuw licht over de karakters onzer personages te verspreiden, zullen wij ons bepalen te zeggen, dat Drenkelaer zich in hooge mate de gunst wist te verwerven van den Graaf, en, wat moeilijker was, van de Gravin, die naderhand aan haar man verklaarde, zelden een zoo beschaafd, innemend jongmensch gezien te hebben.
âNu! hoe vind je mijn broer Louis?quot; vroeg Maurits, toen zij het buitenverblijf weer verlaten hadden en den weg dorp-waarts opgingen.
âEvenals ik hem altijd had hooren beschrijven,quot; antwoordde Drenkelaer: âhet voorbeeld van den echten â ik zou haast zeggen van den volmaakten â Edelman, indien dit laatste epitheton niet te veel misbruikt werd: ik zeg niet gaarne meer dan ik kan volhouden.quot;
âIndien je hem kende als ik hem ken,quot; zeide Maurits, âzou je het woord gerust durven gebruiken. Ik althans heb zijn gelijke nooit ontmoet.quot;
âHij schijnt u inderdaad zeer lief te hebben.quot;
âNietwaar? Hij is mijn vriend, mijn vader, alles voor mij geweest: wat ik geworden ben, ben ik in de eerste plaats aan hem verplicht.quot;
â't Is zeker treffend,quot; merkte Drenkelaer aan: âen een buitengewoon verschijnsel, waar 't broeders geldt van een verschillend bed, die zoo licht stof vinden tot jaloezie. Maar bij al de redenen tot dankbaarheid, die hij je gegeven heeft, is toch wel de voornaamste, dat hij zoo beleefd is, geen kinderen te krijgen en den Graventitel voor u te bewaren.quot;
315
âIk zou ze hem van harte gegund hebben,quot; zei Maurits: âhij zou zoo waard zijn, ze te hebben.quot;
âJa! en of zijn vrouw u juist met zulke goede oogen aanziet,quot; hernam Drenkelaer: âziedaar iets, waar ik niet voor zou durven instaan.quot;
âIk heb van mijn schoonzuster nooit anders dan welwillendheid ondervonden,quot; zei Maurits: âdoch al ware uw vermoeden gegrond, ik zou 't haar gaarne vergeven.quot;
âEn waar gaan wij nu heen?quot; vroeg Drenkelaer, ziende, dat, nu zij buiten de oprijlaan gekomen waren, Maurits niet den weg insloeg, dien zij afkwamen, maar den anderen, die naar het dorp geleidde.
âIk heb een bezoek af te leggen bij de dames Prawley, twee pracht-exemplaren onder de dorps-notabiliteiten,quot; antwoordde Maurits: âje zult geen liefhebberij hebben mee te gaan, en 't zou je vervelen. â Heb je plezier mij zoolang in de Sociëteit te wachten?quot;
âJe hebt een Sociëteit?quot;
âJa! ik ben contribueerend lid; maar ik kom er nooit.quot;
âNiet? â Aha ja! Ik begrijp, dat het geen gezelschap is voor den Jonker Van Hardestein.quot;
âJe weet te goed, dat ik niet trotsch ben: en in de Sociëteit van Marlheim ga ik dagelijks om met allerlei slag van volk, dikwijls van minder allooi dan die hier samenkomen. Maar hier is mijn positie verschillend: men is gewoon in mij den toekomstigen Heer te beschouwen, en dat noodzaakt mij, zelfs tegen mijn zin, mijn afstand te houden. Ging ik in de Sociëteit, 't zou een dubbel nadeel hebben. Mijn tegenwoordigheid zou teweegbrengen, dat de notaris, de rentmeester, de plattelands-heelmeester, en zoovele anderen, die mijn patronaat behoeven, zich niet langer op hun gemak bevonden: en ik zou hun genoegen storen. In de tweede plaats zou het mijn krediet bij de ingezetenen in de waagschaal stellen. Dorpelingen zoowel als boeren zijn vanouds gewoon, tegen al wat Eylar heet op te zien: en zij zouden de eersten zijn om er wraak over te roepen, zoo ik mij â gelijk men 't noemen
316
zou â encanailleerde. Ik zou er mijn invloed â ook ten goede â door verspelen.quot;
âIk begrijp dat,quot; zei Drenkelaer: âmaar dat moet uw positie hier al vrij eenzaam en verlaten maken. Een koning heeft ten minste zijn hofstoet om hem, waar hij mee praten kan.quot;
âO! Er blijven hier altijd lieden genoeg van mijn stand in den omtrek: â en zoo ik alle gemeenzaamheid vermijde met ambtenaren e tutti quanti, ik heb immers al de boeren en 't werkvolk om mee te praten.quot;
âEen fijn gezelschap!quot;
âZoo oordeelen jijlui, stedelingen, er doorgaans over,quot; zeide Maurits; âzie! ik heb opgemerkt, dat, als vermogende lieden, die niet buiten gewend zijn, een landgoed koopen, zij doorgaans een hoogen toon aanslaan tegenover hun arbeiders en het landvolk, en het gezelschap zoeken van zoogenaamde welopgevoede lieden. â Wij daarentegen, wij autochtonen, zonen van het land, gevoelen zelden eenige sympathie voor wie van elders komt; maar de arbeiders en boeren zijn autochtonen als wij en van één ras met ons: hun voorvaderen volgden de onzen op 't veld en in den krijg, en, is de band tusschen heer en dienstknecht verbroken, die van het cl an-schap blijft bestaan.quot;
âMaar nu, de Dominee?quot;
âO! die maakt altijd een uitzondering: gelukkig, dat wij er een hebben, die zijn gezelschap dubbel waard is; maar al ware hij de saaiste kerel mogelijk, de pedantste vlegel, met manieren uit de achterbuurt, dan nog zouden wij hem moeten dulden, hem en zijn ap- en dependenties. Zoo b. v. moeten wij nu Juffrouw Leentje slikken.quot;
âZoo is 't!quot; zeide Drenkelaer: âmaar bijwijze van compensatie houdt hij er een allerliefst logeetje op na: â en nu begrijp ik eenigszins waarom wij dezen weg moesten gaan.quot;
Zij waren hier juist in 't gezicht der pastorie gekomen. Dominee zat met den ontvanger Snel aan het tafeltje onder den esscheboom een pijp te rooken: nevens hen Juffrouw Leentje met haar eeuwigdurende breikous: op den achtergrond zag
317
men Nicolette met Pietje en âKarrelientjequot; op liet gras dartelende, alle drie schaterende van lachen en met een kleur als bloed; â en nog verder Grada, die niet meelachte en alles behalve vriendelijk keek.
âEr is geen andere weg naar 't dorp,quot; antwoordde Maurits op de aanmerking van Drenkelaer, terwijl hij, het gezelschap groetende, zijn stap versnelde om het kerkhofpad op te gaan. Zijn vrees van opgehouden te worden bleek niet ijdel te zijn; immers de ontvanger was, zoodra hij hem in 't oog kreeg opgerezen van zijn stoel en verwelkomde hem met een diepe buiging op Hardestein.
âOnbescheiden vent!quot; dacht Maurits bij zich zeiven: âhij ziet immers, dat ik plan had, zonder morgenspraak voorbij te gaan.quot; Doch de beleefdheid vorderde, dat hij stilstond, en Snel, die een paar schreden vooruit gedaan had, over de heining even groette en naar zijn welstand vroeg. Bol begreep beter, dat Maurits haast had, en bleef bedaard zitten: ook Juffrouw Leentje, die een gezicht had als een oorwurm, week niet van haar plaats en ging met haar breikous voort; terwijl Nicolette, een weinig beschaamd, dus onder haar gymnastische oefeningen verrast te zijn, een oogenblik haar spel staakte en met de beide kinderen aan de hand op een afstand bleef staan. Nu zou zich Maurits spoedig genoeg van den ontvanger afgemaakt en zijn weg vervolgd hebben; maar dat kwam niet overeen met de oogmerken van Drenkelaer, die, zich houdende alsof hij meende dat zulks in de bedoeling van zijn vriend lag, het erf binnenstapte, den predikant, zijn zuster en Nicolette achtereenvolgens groette en terstond een gesprek over het fraaie weer en den schoonen omtrek begon: â ten gevolge waarvan Maurits, oordeelende, dat het zijn plicht was, een oog in 't zeil te houden, de booze aanslagen, welke hij bij zijn vriend veronderstelde, te dwarsboomen, en hem althans niet alleen op de pastorie te laten, misschien ook nog door een ander gevoel gedreven, waarvan hij zich toen nog geen rekenschap geven kon, insgelijks binnentrad.
Maar eer wij overgaan tot het verhaal van hetgeen nu volgde,
318
dienen wij een weinig terug te treden en onzen lezers mede te deelen, waarom Juffrouw Leentje en Grada beiden zoo zuur zagen.
De aanleiding tot de ergernis, die zij gevoelden, was schijnbaar zoo onbeduidend als onschuldig. Omstreeks een uur te voren deden de kinderen van den ontvanger met Grada hun dagelijksche wandeling, toen zij, het kerkhofpad afkomende, door Leentje gezien werden, die met Nicolette in den tuin zat, terwijl Bol zich op zijn studeerkamer bevond. Leentje, die, als wij reeds opgemerkt hebben, van medelijden voor die moederlooze weezen bezield was, haastte zich, hen binnen te roepen. âEen oogenblikje maar. Juffrouw!quot;' zeide Grada; âwant, weet uwee, Mijnheer is er erg op gesteld, dat wij altijd op onzen tijd thuis zijn en niet langer dan een half uur uitblijven.quot;
âO kom!quot; zei Leentje, terwijl de genoodigden het erf opkwamen; âzoo zal het er niet op aankomen. Wel hoe gaat het al liefjes?quot; vervolgde zij, terwijl zij Pietje en Karolientje beurtelings een natten zoen gaf: âkijk! ik moet zeggen, Grada! je hebt er eer van, zooals je voor hen zorgt: zij zien er dan kostelijk uit. Maar nu moeten zij toch een beschuitje hebben, nietwaar? Wacht! ik zal het eventjes gaan halen.quot;
âGeef u geen moeite, Juffrouw!quot; zei Nicolette, die, van haar stoel reeds opgerezen, zich met vogelsnelheid naar binnen begaf en in een ommezien terug was met het trommeltje, 't welk zij aan de kinderen voorhield, en waarin terstond vier handjes aan 't grabbbelen gingen.
âMaar, dat was niet noodig! niemand vroeg het u____quot; zeide
of liever stotterde Leentje, innig gebelgd, dat Nicolette nu bij de kinderen van Snel de eer kreeg van een voorkomendheid, welke zij zelve had willen toonen, en die toch geen middel zag, om haar met schijn van grond te berispen over een handeling, die enkel aan een opwelling van welwillendheid kon worden toegeschreven.
Intusschen, hierbij bleef het niet. Nicolette, die veel van kinderen hield, trok dezen naar zich toe, herinnerde hun, dat
319
zij hen, toen zij aan de diligence kwam, reeds gezien had en wist spoedig hun vertrouwen te winnen. Zij was, ten einde te voldoen aan 't verlangen van Mevrouw Van Eylar, en iets voor de fancy-fair te vervaardigen, 's morgens vroeg reeds naar den boekwinkel in 't dorp geweest, waar zij het noodige had aangekocht, om er een kartonnen werkdoosje van te vervaardigen, en zij was reeds een eind met haar arbeid gevorderd.
Alsnu Karolientje op den schoot en Pietje nevens haar nemende, knipte zij eerst met groote vlugheid een paar bloemtakken van gekleurd papier, en maakte toen zeer handig twee kleine doosjes van karton, ieder met een laatje voorzien en waarin gezegde knipsels gelegd werden; alles tot groote verbazing en verwondering van de beide kinderen, die met open mond en opge-spalkte oogen al haar bewegingen volgden, en wier verrukking ten top steeg, toen zij in 't bezit der vervaardigde voorwerpen gesteld werden. Minder in haar schik waren de beide andere getuigen van Nicolettes minzaamheid jegens de kleinen: want zoowel Juffrouw Leentje als Grada schreven dit alleen toe aan een listig middel dat zij bezigde, ten einde, langs de kinderen om, den vader te behagen; de eerstgemelde moest zich echter vergenoegen met een ontevreden en onverstaanbaar gemompel, 't geen zoowel Nicolette, die er uit opmaakte, dat zij iets verkeerds verricht had, doch niet begreep hoe of waarin, als de kinderen, bevreemd deed opzien: terwijl Grada haar wrevel aan den dag legde, door te herhalen, dat de kinderen op hun tijd te huis moesten wezen en dezen vrij driftig naar zich toe te trekken.
âKom!quot; zeide zij: âbedank nou de Juffrouw wel, en dan gaan wij heen.quot;
âOch!quot; zei het kleine meisje, met een verlangenden blik, beurtelings van het mooie doosje, dat zij tegen haar hart geklemd hield, naar het gekleurd papier, dat op de tafel lag, en weder van het papier naar het doosje wendende, âKarolientje wou nog zoo graag wat blijven.quot;
âEen anderen keer komt Karrelientje 'reis weerom, en dan zal ik wat met haar spelen,quot; zei Leentje, op een toon, die,
320
vriendelijk begonnen, zoo norsch eindigde, dat het kind er bijna van aan 't huilen raakte: âkom, Mcolette! al dat gezoen is niet noodig: de kinderen moeten naar huis. Je hebt zel've gehoord, dat Mijnheer Snel niet van wachten houdt. Dag Grada, wel de complimenten aan Mijnheer.quot;
âDaar is Pa! Daar is Pa!quot; riepen op eens de kinderen uit, zich pogende los te rukken van Grada, die hen met geweld ieder bij een hand het hek wilde uittrekken: âdag Pa! dag Pa! kijk 'reis Pa!quot;
En werkelijk het was âPaquot;, die juist zelf van meening was, voordat hij naar de Sociëteit ging, een kort bezoek bij den predikant af te leggen en zich te vergewissen of zijn reisgenoot goed gerust had. Hij trad binnen en groette de beide dames, doch het was hem onmogelijk zich te doen verstaan, onder het oorverdoovend gejuich en geschreeuw van Pietje en Karolientje, die hem de cade aux wezen, welke zij van die âlieve Juffrouwquot; ontvangen hadden.
Hadden zich nu zoowel Leentje als Grada vergist omtrent het doel van Nicolette, toen zij die geschenken voor de kinderen vervaardigde, zij hadden volkomen gelijk gehad wat den uitslag daarvan betrof; immers Snel was ijdel genoeg om zich af te vragen, of de vriendelijkheid, aan de kinderen bewezen, ook wellicht den vader gold, en meer en meer wortelde bij hem de gedachte dat die bevallige, blonde Juffrouw een zeer geschikte plaatsvervangster van zijn overleden vrouw zou kunnen wezen.
Men was intusschen een weinig tot rust gekomen: de ontvanger had plaats genomen en de doosjes zeer bewonderd: Dominee was geroepen: tabak en pijpen waren gehaald, en Mcolette, bespeurende, dat de kinderen wat lastig waren en door hun gesnap het gesprek tusschen de beide Heeren onmogelijk maakten, had hen met zich naar een meer verwijderd gedeelte van den tuin genomen, waar zij eerst vrij bedaard hadden rondgeloopen, maar naderhand aan 't stoeien en ravotten waren geraakt, en daarmede nog bezig waren, toen het gezelschap door de beide jongelieden vermeerderd werd.
321
Weinig echter strekte die vermeerdering tot het vermeerderen der gezelligheid, wat oppervlakkig vreemd kon schijnen, wanneer men den leeftijd en den aard der nieuwgekomenen in aanmerking nam. Maurits had iets gejaagds en onrustigs: Bol, die dit bemerkte, doch er de ware reden niet van gissen kon, en bovendien van oordeel was, dat de ontmoetingen tusschen den Jonker en Mcolette wat te druk herhaald werden, was, tegen zijn gewoonte, stil en afgetrokken: zijn zuster vond al meer en meer stof tot ergernis; Nicolette was verlegen, omdat zij een nieuwe zedenpreek vreesde en vergeefs zocht te raden, waarin zy zich misdragen had: de kinderen keken treurig, omdat zij hun spel hadden moeten staken: Grada stond van verre als een beeld van spijt en verveling; Snel gevoelde een ontkiemende jaloezie en wist niet recht welke contenance hij houden moest. Drenkelaer alleen was volkomen op zijn gemak, beleefd tegen den predikant en den ontvanger, hoffelijk tegen Leentje, en vleiende complimenten makende aan Nicolette over het fraaie kunstwerk, dat reeds grootendeels ineengezet op tafel stond. Met weinig ontstichtte dit Maurits, die dan ook spoedig besloot, een einde aan het bezoek te maken. Intusschen, al kon hij voor zich zeiven een goede reden opgeven, waarom hij zijn bezoek wenschte te bekorten, hij kon er geene vinden, waarom Drenkelaer hem juist zou moeten vergezellen, en hij wilde hem niet alleen aan de pastorie achterlaten. Op eens echter kreeg hij een lumineuse gedachte, en, zich tot Snel wendende, zeide hij:
âMijnheer gaat zeker straks naar de Sociëteit?quot;
âIk.... ik weet het niet. Jonker! ik denk van ja,quot; antwoordde Snel, een weinig geraakt; want hij meende uit de vraag te moeten opmaken, dat Maurits hem weg wilde hebben.
â't Is maar,quot; hernam deze, âomdat ik nog visites te doen heb en een weinig gehaast ben, en daarom zou ik u willen vragen. Mijnheer Snel, of je de bijzondere goedheid wildet hebben, mijn vriend Drenkelaer te introduceeren en hem de honneurs van onze Sociëteit te doen.quot;
322
âO gewis! 't zal mij een groote eer zijn,quot; antwoordde de ontvanger, geheel terugkomende van zijn verkeerde opvatting: âwanneer Mijnheer verkiest,quot; vervolgde hij, terwijl hij opstond, een buiging maakte voor Drenkelaer en zijn pijp uitklopte.
â't Is al te vriendelijk,quot; zei Drenkelaer, insgelijks opstaande en buigende: â't spijt mij maar, u aan zulk een aangenaam gezelschap te onttrekken.quot; Hier dwaalde zijn blik langs Bol en zijn zuster naar Nicolette en bleef daar een oogenblik rusten: âik ben tot uw dienst,quot; vervolgde hij.
âWelnu! dan zullen wij ons maar en route begeven,quot; zeide Snel: âUw dienaar. Dominee! â Dames!quot; een buiging â toen met stemverheffing: âGrada! je moest de kinderen nu maar naar huis brengen: ik vrees, dat zij reeds te lang hier tot last geweest zijn.quot;
âO volstrekt niet,quot; haastte Leentje zich te zeggen, terwijl haar gelaat op eens de vriendelijkste uitdrukking aannam, waarvoor het vatbaar was: â't zijn zulke lieve poesjes, en zij hebben zoo zelden gelegenheid zich te vermaken.quot;
âIk ben u dan ook zeer dankbaar voor het genoegen, dat u hun verschaft heeft,quot; hernam Snel: âen vooral aan Juffrouw Zevenster.quot; â Hier overschaduwde weer een donkere wolk het zonnig aanschijn op Deentjes gelaat.
De beide jongelingen namen nu ook afscheid: en pas waren zij vertrokken, of Grada, die inmiddels de kinderen ieder bij een hand gegrepen en tot zich getrokken had, maakte zich ook ten aftocht gereed; terwijl zij, nauwelijks aan de Dames tijd latende hen vaarwel te kussen, na een zeer korten en koelen groet van hare zijde, zich met hen op weg begaf, hen achter zich trekkende en in zich zelve mompelende: âdomme gans, die ik was, bang te zijn voor die ouwe. 't Is dat jonge ding, dat 'm nou 't hoofd op hol brengt. Die manlui lijkenen wel mal. Wat kan ie nou raars vinden aan zoo'n magere spiering, die pas van school komt? Nou, assie er trouwt, dan bedank ik om bij 'm te blijven en dan neem ik Hendt! â Zoo'n floddermadammetje! 't Is wat moois, 'k wou dat ze gesuikerd was!quot; â En met dezen christelijken wensch verhaastte
H u-/'
323
zij haar stap zoozeer, dat de kinderen meer voortgesleept dan loopende, niet dan doodvermoeid en in tranen hun woning bereikten.
Toen Juffrouw Leentje en Nicolette zich 's avonds alleen bevonden, bekwam laatstgemelde de verwachte zedenpreek, dezen keer ten tekst hebbende: âhet ongepaste om weduwnaars aan te halen.quot;
@1 e £
gt;/
INSTITUUT DB VOOY6 VOOR NEDER' ANDS2 TAAL-EN LETTERKUNDE AAN DB RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT