ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

-xix

x l£kj

instituut de vooys

voor nederlandse taaien letterkunde aan de rijksuniversiteit te utrecht

ocr page 4
ocr page 5

KLAASJE ZEVENSTER.

ocr page 6
ocr page 7

UXIK JT Uw ■ i

^ IS

ocr page 8

rijksuniversiteit utrecht

w

i

0854 7899

ocr page 9

Mb. J. VAN LENDER

AASJH ZEVKmTm

MET ILLÜSÏEATIEN

van

W. DE PAMARS TESTAS.

IV.

ocr page 10

\

ocr page 11

De Lotgevallen van Klaasje Zevenster.

VEERTIENDE BOEK.

EERSTE HOOFDSTUK.

wie zich nicolette aantrekt.

Toen Nicolette, gelijk wij aan het slot van het vorige Boek vertelden, zich in de armen van haar pleegmoeder wierp, had zij niet opgemerkt, dat zich, behalve Euffel, die op zijn oude plaats zat schoenen te lappen, zonder anders kennis te nemen van hetgeen er om hem voorviel, dan dat hij zijn bepakten duim en voorvinger even aan den rand van zijn hoed gebracht had, nog iemand in den kelder bevond, die, met meer belangstelling dan de schoenlapper, de hevige ontroering opmerkte, waaraan het jonge meisje ten prooi was. Eerst toen Mietje Ruffel de omhelzing en den uitroep van Nicolette beantwoord had met een „Heere bewaar me! ben jij 't Klaassie? wat is er 'an de hand?quot; — werd „Klaassie,quot; bij 't oplichten van haar hoofd. Juffrouw Hermans gewaar, die haar met een blik vol deelneming beschouwde. Dat Nicolette haar niet terstond, toen zij binnenkwam, gezien had, was zeer natuurlijk. Aan weerszijden der voordeur was een raam: Juffvv. Hermans had, misschien om den tocht van de deur te ontwijken, zich in den hoek achter het eene raam teruggetrokken, en kon dus Nicolette niet in 't oog vallen, toen deze, van de straat komende, op Mietje, die vlak over de voordeur zat, toesnelde.

iv. - k. z. i

ocr page 12

„Ik vraag verschooning,quot; zei Nicolette, met een verlegen groet: „ik zag u niet, Juffrouw Hermans.quot;

„Ik zal niet onbescheiden zijn, lieve Juffrouw,quot; zei Juffw.

Hermans: „je hebt zeker met je moeder te spreken. Anders----

indien ik je van eenigen dienst kan zijn?quot;

Er lag iets in den toon, waarop dit gezegd werd, en niet minder in den vriendelijken blik, waarmede de woorden vergezeld gingen, dat Nicolette in 't hart drong en haar tot vertrouwelijkheid neigde. — Daarbij fluisterde een geheime stem haar in 't oor, dat zij in Juffw. Hermans een waardiger vertrouwde en een betere raadgeefster zou vinden dan in Mietje Ruffel.

„De juffrouw is wel vriendelijk,quot; zeide zij : „ja, zeer gaarne zal ik ook haar raad innemen; — maar verschoon mij .... ik ben hier zoo komen invallen; misschien stoorde ik hier uw onderhoud met moeder.quot;

„Och! onze zaken waren afgeloopen,quot; zei Juffw. Hermans: „ik was, ouder gewoonte, weer de hulp komen inroepen van Baas Ruffel.quot;

En nu herinnerde zich Nicolette, dat, reeds vroeger, als er een paar geborduurde pantoffels of eenig ander werk was, dat Juffw. Hermans kant en klaar aan een winkel, ook wel onmiddellijk aan den persoon zeiven, die ze behoefde, te leveren had, zij dan door Ruffel het leder daarvoor snijden en aanzetten liet.

„Maar nou begrijp ik om de wereld niet, Klaassie,quot; hernam Mie, „hoe je zoo uit de lucht bent kommen vallen, en wat je nou eigenlijk bij mij komt zoeken. Ik dacht, je was nou ge-burgen. — Ze zeien, je was nou zooveul als gouvernante bij 'n Mevrouw in Den Haag. Ben je daar niet meer?quot;

„Neen,quot; antwoordde Nicolette met een zucht: „ik heb Den Haag verlaten, en ik heb niemand, niemand meer, die zich mijner aantrekt.quot;

„Niemand!quot; herhaalde Mie, verbaasd opziende: „wel nou, daar begrijp ik niks van: — en de Heeren dan, die zorg voor je droegen?quot;

ocr page 13

Nicolette zweeg, en schudde weemoedig het hoofd.

„Wel Heere bewaar me!quot; riep Mie: „dat ziet er nou geleerd uit. Laten die je in de steek? — Nou, ze zeilen misschien denken, ze hebben nou genoeg 'an je gespendeerd. Nou! — dan mot je maar zien hoe je uit je eigen voortkomt. En wat zeg je van m'n kat?quot; liet zij er op volgen, 't zij, om aan Nicolette te herinneren, dat deze verzuimd had, op de hoofdpersoon in huis behoorlijk acht te slaan, 't zij, dat zij weinig trek gevoelende of kans ziende om Nicolette met raad of daad bij te staan, zij aan het gesprek een andere richting wenschte te geven: „ziet het lieve beest er niet kostelijk uit?quot;

„Ja, kostelijk!quot; antwoordde Nicolette, begrijpende, dat zij de gunst van haar pleegmoeder verbeurde, indien zij haar lieveling niet prees: „en hoe maakt Vader het?quot;

„Ja, die is ouwer gewoonte altijd wat rimmetiek,quot; antwoordde Mie: „maar vind je niet, dat ie 'r seperber uitziet?

— ofschoon heel erg mot het toch niet wezen; want hij kan nog heel goed alle Zundagen tweemaal naar de kerk loopen:

— en watten mooien staart heit ie, nietwaar? — wattle er noodig heit. weet ik niet; want hij is zoo doof a's een pot: — nou! hij krijgt van middag ook weer een aaltje van mij, o daar issie zoo dol op! — wat za'k zeggen ? hij wordt oud en duf.quot;

De lezer wordt vriendelijk verzocht, zelf op te maken, welke van de volzinnen, door Mietje gesproken, de kat, en welke haar man en hoofd golden.

„En waar lozeer je nou?quot; vroeg zij vervolgens aan Nicolette.

„Ik heb van nacht in den Erfprins gelogeerd,quot; antwoordde deze: „maar ik zal daar op den duur niet kunnen blijven. Ik moet een middel vinden om goedkoop te wonen en zoo veel te verdienen, dat ik zelfs goedkoop wonen kan.quot;

„Ziet het er zoo met je uit?quot; vroeg Vrouw Rufl'el, terwij) zij uit haar houten doosje een snuifje nam en vrij zuur keek: „nou, dan zei er ook niet veul voor mijn 'an je te verdienen vallen. Ik had altijd nogal hoop gehad, dat je mijn op m'n ouwen dag zoudt goedmaken wat ik 'an je te kosten geleid heb toen je 'n kind was.quot;

ocr page 14

4

Wat Vrouw Ruffel eigenlijk onder dat te kosten leggen verstond, zou zij waarschijnlijk moeite gehad hebben, duidelijk te omschrijven.

„Helaas! dat had ik gaarne gedaan,quot; zei Nicolette: „maar voor 't oogenblik ben ik het, die hulp .... althans raad van u behoef.quot;

„En ik dacht, je wass nou koek en ei met den rijkdom,quot; hernam Mie: „heit de Juffrouw hier me niet verteld, dat ze je laatst nog had gezien met Juffrouw Van Doertoghe, en dat je daar as met je gelijke mee omging? Waarom gaan je daar niet naar toe? Ze woont op de bocht van de Heerengracht.quot;

Wederom schudde Nicolette het hoofd.

„Ja, als je 't van mijn mot hebben,quot; vervolgde Mie, „zei je ook niet ver komen. Maar wat weerga! een jonge meid, die 'r goed uitziet als jij, die hoeft waaratjes niet verlegen te zijn, hoe ze d'r komt. Je mot maar zien, dat je in kennis komt met den een of anderen rijken meneer.... en dan rikke-mendeer ik me, om je boodschappen te doen. — Wat is 't? Grien je nou? Ben je mal, meid? Kijk, de poes schrikt er waaratjes van. Nou! wees maar tevreden, kat-engeltje! Ik zal je 'n balletje geven. Hier, m'n poesje!quot;

Zwijgend, ofschoon niet zonder belangstelling, had Juffw. Hermans het gesprek tot nog toe aangehoord. Maar zij had er zich niet in willen mengen, eer zij eenigszins op de hoogte was gekomen van Nicolettes toestand, en bekend met den aard van de hulp, die hier benoodigd was. Toen zij echter hoorde, welke raad door Vrouw Ruffel aan Nicolette gegeven werd, en den pijnlijken indruk bespeurde, dien hij op het arme meisje maakte, kon zij zich niet bij de rol van toehoorderes blijven bepalen; zelfs dwong haar de verontwaardiging, die zij gevoelde, onmiddellijk tusschen beiden te komen. Niet echter om tegen Mie een zedepreek te houden, die waarschijnlijk evenzeer zou mislukt zijn als degene, die Bol zich vroeger eens tegen deze veroorloofd had; zij wist bij ervaring te goed, hoe, bij zulk slag van lieden, als waar Vrouw Ruffel onder behoorde, bij geheel gemis van godsdienstig gevoel, zelfs ook het gewoon

ocr page 15

O

zedelijk gevoel is verstompt en zich door geen redenering, hoe welsprekend ook, laat opwekken ; maar zij wilde het arme meisje niet langer blootstellen aan het hooren van een taal, als die hier gevoerd werd. Zij vergenoegde zich dus, de wenkbrauwen te fronsen en het hoofd te schudden, om op die wijze aan vrouw Ru ff el haar afkeuring te kennen te geven, en toen, Nicolette bij de hand nemende, zeide zij tegen deze:

„Wel, ik geloof, dat wij vrouw Ruffel niet langer moeten ophouden. Wil je met mij naar mijn kamer gaan; dan zullen wij de zaak te zamen eens bepraten.quot;

„O heel gaarne!quot; antwoordde Nicolette, met het innige besef, dat zij zich tot niemand beter om raad kon wenden dan juist tot een vrouw als deze, die zelve door eigen inspanning het dagelijksch brood had moeten winnen, en die bovendien zoo iets over zich had, dat achting en vertrouwen wekte; „ik zal er de Juffrouw eeuwig dankbaar voor zijn indien zij mij goeden raad wil geven.quot;

„Wel ja, dat's, dunkt mijn, ook maar het beste, dat jelui samen overleit, wat er te doen valt,quot; zei Mie, die met alles vrede had, mits het haar maar geen omslag of kosten veroorzaakte : en na een vrij korten afscheidsgroet over en weer verlieten Juffw. Hermans en Nicolette den winkel, om zich naar de woning van eerstgemelde te begeven. Want Juffw. Hermans woonde niet meer op het bovenkamertje, waar Nicolette haar vroeger gekend had: zij had — wij zullen later zien ten gevolge van welke omstandigheden — een appartement betrokken in een huis op de Leliegracht, en daarheen was het, dat zij het jonge meisje geleidde.

„Wel, Juffrouw!quot; zei Nicolette, toen zij hier nu beiden aan 't raam gezeten waren, en zij eerst het vertrek eens vluchtig rond- en toen naar buiten gekeken had: „je woont hier vrij wat vroolijker dan je ginder deedt.quot; En inderdaad, het blijkbaar nog nieuw geel behangsel met groene moesjes, het evenzeer nog nieuwe vloertapijt, de knappe tafel en stoelen, de valgordijnen zonder lap of scheur, het goed in de verf staande houtwerk, het gestukadoorde plafond, het eenvoudige, maar

ocr page 16

6

met zorg gewreven kabinet in den hoek, het citroenhouten boekenrekje, dat aan groene en witte ineengedraaide koorden aan den wand hing, het spiegeltje in zwarte lijst voor den gestu-kadoorden schoorsteen, de kleine bronzen pendule, door twee vaasjes met levende bloemen geflankeerd, en eenige kopjes, zoo netjes daar tusschen gerangschikt op het zwarte schoorsteenmanteltje, alles, in één woord, zag er even frisch en zindelijk en vroolijk uit, en getuigde, zoo niet van weelde of overvloed, dan toch van zekere mate van welvaart en comfort: — en van uit het raam had men niet alleen het uitzicht op de levendige overzijde, maar ook een goed eind ver op de Keizersgracht.

„Nietwaar?quot; zei Juffw. Hermans, met een vriendelijken glimlach: „wel! ik heb in alle opzichten stof tot dankzegging ; doch dat zal ik u alles wel eens later vertellen: eerst gehandeld over hetgeen meer haast heeft, en dat u betreft. Ik wil mij niet aan uw vertrouwen opdringen; maar misschien zal 't noodig zijn, dat ik, om u raad te kunnen geven, vooraf eenigszins op de hoogte gesteld word van uw positie.quot;

Nicolette had de kamer, de overzijde en de Keizersgracht vergeten, om alleen de vrouw aan te zien, die zoo minzaam tot haar sprak en wier stem haar zoo liefelijk in de ooren klonk. Er waren vele jaren verloopen sedert den tijd, toen zij meermalen bij haar kwam: en al had zij steeds een aangename herinnering van haar gehouden, toch had zij een gevoel, alsof zij haar 't eerst zag. Nooit toch te voren had zij haar zoo van aangezicht tot aangezicht, nooit met die belangstelling aanschouwd als op dit oogenblik; de Juffw. Hermans van nu scheen haar een ander, veel voortreffelijker wezen, dan degene, die zij vroeger gekend, ja dan degene, die zij nog zoolang niet geleden op den weg bij Hardestein ontmoet had. En dit was zeer verklaarbaar: als kind had Nicolette in haar buurvrouw alleen een bleeke, magere, arme juffrouw gezien, die wei wat fatsoenlijker leek dan Vrouw Ruffel, maar het vrij wat minder goed had: — tijdens de ontmoeting bij Hardestein was Juffw. Hermans vermoeid, ontstemd, geschrikt en

ocr page 17

lijdende: nu daarentegen lag over haar gelaat een blos van gezondheid en tevredenheid en een uitdrukking van kalmte verspreid, die het hadden verjeugdigd en verhelderd. En daarbij voelde zich Nicolette zoo aangetrokken, zoo verkwikt, dooiden zachten glans dier hemelsblauwe oogen, die zoo vriendelijk op haar rustten. Nu trof het haar, wat zij als kind niet bemerkt had, dat Juffw. Hermans in haar jeugd al heel mooi moest geweest zijn, dewijl zij nu nog zulk een schoone vrouw was — of neen, die uitdrukking is niet de juiste — er nog zoo lief, zoo behaaglijk uitzag. En hier was het niet louter vooringenomenheid, die Nicolette tot dit oordeel behoefde te leiden. Ieder, die de weduwe zag, was van 't zelfde gevoelen, en onder de vrouwen van veertig jaar, door Balzac beschreven, zou er moeilijk eene te vinden zijn geweest, die met een bevalliger uiterlijk prijkte. Het hoofdhaar, dat van onder een net tulle mutsje te voorschijn kwam, en rechts en links in twee zedige krullen langs het blanke voorhoofd nederviel, had nog volkomen zijn lichtbruine kleur behouden: de dunne wenkbrauwen, iets donkerder van kleur, waren als met een penseel getrokken; de wimpers stonden boogsgewijze opgehaald, als wilden zij beter gelegenheid verschaffen om die lieve helderblauwe oogen te beschouwen; het gelaat was wel wat al te smal ovaal, doch dit gaf er iets jeugdigs aan, en, nu er die zachte roode gloed, dien het oosten voor zonsopgang vertoont, door 't vel heenschemerde en er de vroegere bleekheid van kleurde, nu maakte zulks haar uitzien ook nog een jaar of wat jonger. De mond was welgevormd en liet nog een rij fijne witte tandjes doorschitteren, die niets van hun blankheid verloren hadden, en waarvan niet een in 't gelid ontbrak. De neus, smal, recht en statig, gaf, zonder dat bevallig gelaat te ontsieren, er echter, als het in zijn alledaagsche plooi was, iets deftigs, iets meer ouwelijks aan. Werd Juffw. Hermans ergens smartelijk over aangedaan, dan was het, alsof die neus spitser en nog smaller werd; doch zoodra ondervond zij geen aandoening van blijdschap of genoegen, ja zelfs, zoodra was zij niet, als nu, van een gevoel van welwillendheid bezield.

ocr page 18

s

of de neusvleugels zetten zich uit, 't was of de strenge lijn van het neusbeen weeker en molliger werd en de neus, zoowel als de overige gelaatstrekken, iets recht guls en behaaglijks kreeg.

Wat den hals betrof, die stond rond en flink op den romp: de schouders en armen waren welgevormd: de handen blank en frisch, de vereelte vingertoppen echter getuigende van gestadige werkzaamheid met naald en pen. Van onder de lange donkerkleurige japon kwam de punt van een klein, welgevormd voetje voor den dag, en wanneer zij liep, dan was het met een zwier, die, ver van gemaaktheid, haar scheen aangeboren. Maar wat Nicolette niet minder trof dan haar gelaat en houding, was haar zoo uiterst welwillende stem, en haar tongval, zoo geheel verwijderd van dat plat Amsterdamsche, waarover het jonge meisje, toen zij op de school van Mevr. Zilverman kwam, zoo dikwijls door haar kameraadjes uitgelachen en door haar onderwijzeres berispt was, 't welk zij zoo veel moeite had gehad om af te leeren, en dat haar dan ook sedert dien tijd zoo verbazend hinderde, 't Was haar duidelijk, dat Juffw. Hermans, die zoo lang te Amsterdam in de Jordaan gewoond had, en toch geen Jordaansch sprak, of niet te Amsterdam geboren moest zijn, öf in een hooger sfeer was opgevoed, dan waarin zij in de laatste jaren verkeerd had. Wel scheen de eerste oplossing de waarschijnlijkste: immers er was, in de wijze, waarop Juffw. Hermans het Nederlandsch uitsprak, iets, dat eenigszins uitheemsch, en, gelijk Nicolette spoedig, vooral aan een herhaald gebruik maken van het stopwoord wel (de w naar oe zwemende) bemerkte, bepaaldelijk Engelsch klonk, zonder er minder bevallig om te zijn.

Na deze uitweiding, die echter noodzakelijk was om den lezer meer van nabij bekend te maken met Nicolettes nieuwe beschermster, keeren wij tot ons verhaal terug.

Wij weten, dat Nicolette reeds vanouds sympathie voor Juffw. Hermans gevoeld had, en dit gevoel was nu te levendiger bij haar opgewekt geworden door de blijken van welwillendheid, welke de laatstgemelde haar wederkeerig betoonde:

ocr page 19

9

zij gevoelde behoefte om haar hart bij iemand uit te storten, en, te gelijk, het gepaste, ja noodzakelijke, om de vrouw, die haar raadgeefster en helpster wilde wezen, ook volledig met haar omstandigheden bekend te maken: en nu haar vertrouwen om zoo te zeggen werd uitgelokt, scheen niets natuurlijker, dan dat zij het onmiddellijk schonk: — en toch, op het punt van te spreken, hield zij zich plotseling in, schrikte en verbleekte bij de herinnering van 't geen zij zou hebben te vermelden. Was niet het bloote feit, dat zij, weken achtereen, dat gruwzame huis in Den Haag bewoond had, op zich zelf te ijselijk, dan dat zij het bekennen dorst ? — en zou dat feit niet genoegzaam zijn, om Juffw. Hermans, ook al bleef deze overtuigd, dat Nicolette rein en onbezoedeld uit dien modderpoel was terechtgekomen, te doen huiveren haar aan te bevelen of zelfs verderen omgang met haar te hebben?

Haar ontroering, haar weifelen, ontging niet aan Juffw. Hermans, die echter, onbewust van de oorzaak, waaruit die ontstonden, reeds half begon te schromen, dat Nicolette zich dezen of genen verkeerden stap te verwijten had, en dat zij zich schaamde, daarmede voor den dag te komen. Die gedachte bedroefde haar, en zij zag Nicolette aan, met een niet verwijtenden, maar treurigen blik. Die blik ontging het meisje niet: het raadde er de bedoeling van, en weer begon het te schreien.

„Zalig zijn zij die weenen; want zij zullen vertroost worden,quot; zeide de weduwe, op een plechtigen toon: „zoo misschien de tegenspoed, die u thans schijnt te vervolgen, geheel of ten deele is te wijten aan eigen schuld en het openbaren daarvan u te zwaar valt, wel! het smart mij dan, de wonde weer opengereten te hebben door hetgeen u als een ongepaste bemoeizucht zou kunnen voorkomen. Ik heb geen recht, rekenschap van u te vorderen, veelmin u tranen te doen storten ; — maar toch, zoo zij uit de rechte bron opwellen, dan zullen zij welkom zijn aan Hem, die in staat is ze te drogen: aan den grooten Medicijnmeester, die alle kwalen des harten geneest.quot; — Dit zeggende, stak zij de hand over tafel aan Nicolette toe, als wilde zij door die gebaarde te kennen geven, dat zij even

ocr page 20

10

bereid wa«, aan de boetvaardige zondares, als aan de deugdzame onschuld, raad en hulp te bieden.

„Ik dank u, lieve Juffrouw!quot; zeide Mcolette: „maar zoo ik aarzelde te spreken, is 't niet, dat ik eenige zware schuld te bekennen of te boeten heb; — maar ik ben er helaas erger aan toe dan menigeen, die zich wat te verwijten heeft; want de schijn is tegen mij, en zij, die mij liefhadden en beschermden, zien mij met den nek aan.quot;

Juffw. Hermans zag haar aandachtig aan. Het voorkomen van Nicolette ademde zoo veel oprechtheid en onschuld — en toch, de weduwe wist bij ervaring, hoe listig vaak zich ook de meest verdorven vrouw achter de mom van onschuld verbergt, en hoe gemeenzaam dan in den mond eener zoodanige die klacht is over het onrechtvaardig oordeel eener door schijn of laster misleide wereld. Maar lieten verliefde vrijers of andere lichtgeloovigen zich door zulke praatjes bij den neus of om den tuin leiden, dit ging zoo gemakkelijk niet met iemand, die, als Juffw. Hermans, door geen partijdigheid verblind was en door ondervinding eenige menschenkennis had opgedaan. Leende zij, aan hetgeen haar op die wijze verteld werd, een welwillend, het was tevens een opmerkzaam oor, en dan wist zij spoedig, uit het mangelen van een schakel aan 't verhaal, uit het te veel kleuren van deze, of het te luchtig heen-loopen over gene der aangevoerde bijzonderheden, uit het bijbrengen van onwaarschijnlijke of tegenstrijdige zaken, uit onnutte herhalingen, maar vooral uit het geheele voorkomen der verhaalster zelve, haar gevolgtrekkingen op te maken, en dan had, hetzij iets gejaagds, iets wisselends, iets heesch, in de stem, hetzij iets verlegens of onoprechts in den blik, hetzij het knippen of schier onmerkbaar trillen der oogleden, hetzij de wijze, waarop nu en dan een der lippen tusschen de tanden geklemd, of de tong daarover heen bewogen werd, hetzij zekere rusteloosheid in de vingeren of een krampachtig trillen van den voet, haar menigmaal tot een teeken gestrekt, dat haar waarschuwde, op haar hoede te zijn; — zoo weet de zeeman, uit de kleur van 't water, uit de beweging der

ocr page 21

11

golven, uit het schuim, uit de planten, die er op drijven, uit tallooze omstandigheden, die 't oog des onervarenen niet of vruchteloos zouden hebben getroffen, de klippen of banken te onderkennen, die de oppervlakte van het water verborgen houdt.

„Meisjelief,quot; zeide zij: „ik weet zoogoed als iemand, dat de wereld in haar oordeelvellingen doorgaans strenger is, dan de christelijke liefde kan goedkeuren; ik weet evenzeer, aan welke gevaren en verzoekingen een onervaren meisje is blootgesteld en hoe licht zij vallen kan; en ik zal op geen gevallene den steen werpen; — wel! ik herhaal, je bent geheel vrij, mij al of niet je vertrouwen te schenken; maar doe je 't eenmaal, dan verlang ik 't ook geheel: dan verlang ik waarheid, louter waarheid te hooren, zoowel wat in uw nadeel als wat in uw voordeel is. Je zult zelve begrijpen, dat, door mij te misleiden, je oorzaak zoudt kunnen wezen, dat ik, om uwentwille, anderen op mijne beurt misleidde: — en ziedaar waaraan je mij, geloof ik, toch niet zoudt willen blootstellen.quot;

„Juffrouw!quot; zei Nicolette: „ik beken, dat ik geaarzeld heb: en je zult later zelve oordeelen of die aarzeling natuurlijk was. Maar hoe meer ik u hoor en uw vriendelijk gezicht zie, hoe meer ik geneigd ben, vertrouwen in u te stellen. Ik zal u al mijn wedervaren vertellen, zonder eenige achterhoudendheid, en gelijk ik het aan een moeder mededeelen zou, ja misschien met nog meer vrijmoedigheid, omdat er dingen zijn, die een moeder te diep zouden grieven. En om u nu mijn openhartigheid te bewijzen, en dat ik u niets verbergen wil, zoo zal ik maar met het ergste beginnen; — als de Juffrouw dat gehoord heeft, zal zij misschien doen zooals anderen gedaan hebben, naar geen verdere verklaring willen luisteren:quot; hier snikte zij even en zeide toen, halfluid, maar duidelijk, en met nadruk op de woorden: „ik kom uit een publiek huis.quot;

Het was nu de beurt van Juffrouw Hermans om te schrikken en te verbleeken. — Neen! zoo iets had zij niet verwacht: haar geheele lichaam trok zich van ontsteltenis samen, en als sprakeloos staarde zij Nicolette aan.

„Ik zie het al,quot; zei deze, oprijzende: „je wilt, je kunt mij

ocr page 22

niet helpen — en het baat mij niet, of ik al onschuldig ben. Ik dank u voor uw vriendelijke voornemens jegens mij; — doch ik had hier niet moeten binnenkomen .... ik ben voortaan gebannen uit elke plaats, waar lieden wonen, die den eerbied voor zich zeiven wenschen te bewaren.quot;

En werkelijk had Juffrouw Hermans een oogenblik er berouw over gevoeld, een mededeeling, als die haar gedaan was, te hebben uitgelokt, en was de vraag onwillekeurig bij haar opgerezen, hoe zij op de fatsoenlijkste wijze weer van haar bezoekster zou ontslagen raken. Doch ook niet langer dan een oogenblik had die min gunstige stemming jegens Mcolette geduurd; er was iets in den toon, in de geheele houding van het jonge meisje geweest, dat overtuigend tot het hart der weduwe sprak: een onwederstaanbaar gevoel van sympathie dreef haar aan, aan de ongelukkige de haar toegezegde bescherming niet te weigeren, en zich haar kortstondige aarzeling schamende, riep zij uit;

„Neen, dat niet! — Ik beken, ik ontstelde van 't geen je daar zeidet; maar ik zou mij zelve al zeer weinig gelijk blijven, zoo ik daarom niet nakwam wat ik u beloofd heb. Wel! ik zou dan handelen als een dokter, die uit een huis wegliep, waar de kinderziekte heerschte, omdat hij zich verbeeldde, dat 't op zijn best waterpokjes waren, waar hij voor gehaald was. — Neen, ga weer zitten, arm kind! en geef mij die verklaring, waar anderen, zooals je zegt, niet naar hooren willen. Ik wil wèl luisteren, en, hoe beklagenswaardiger je toestand is, hoe meer aanspraak je hebt op raad en bijstand. — Ga zitten, en zeg mij alles.quot;

Mcolette .ging zitten en gaf nu een getrouw verslag van haar wedervaren, sedert zij door Eylar op den wagen gebracht was en Utrecht verlaten had. Zij vermeldde elke omstandigheid, die door haar als gewichtig werd aangemerkt, of als noodig ter opheldering van 't geen volgen moest: alzoo, èn haar ontmoeting met Mad. Mont-Athos op de diligence, èn de vervolging van Tilbury, èn de onmeedoogende wijze, waarop zij bij Mw. Van Zirik de deur was uitgezet, èn al hetgeen zij

ocr page 23

13

had doorgestaan in het drakenhol waar men haar gebracht had, èn haar ontkoming, èn haar hoop, te Amsterdam bij haar pleegvaders bescherming en troost te vinden, èn haar bittere teleurstelling, nu het briefje van Hoogenberg haar bewees, dat zij van dien kant niets te hopen had, en het haar bovendien allen moed ontnam om zich tot haar overige pleegvaders, veelmin tot eene van haar andere kennissen te wenden, nadat waarschijnlijk het gerucht van haar verblijf in dat huis reeds overal was doorgedrongen en alle deuren gelijk alle harten voor haar sloot.

Met gespannen aandacht had de wed. Hermans naar het verhaal van Nicolette geluisterd: herhaaldelijk had een weemoedigen traan, die zich in haar oogen vertoonde, of een huiverend terugtrekken der schouderen de aandoening getoond, die zij gevoelde, en zij kon niet nalaten, toen het jonge meisje aan het einde gekomen was, zachtjes de woorden van Othello na te mompelen:

„'t Was pitiful, 't was wondrous pitiful.quot;

„It was indeed,quot; zei Nicolette, bitter schreiende.

Er was bij de weduwe geen twijfel, of Nicolette had haar in alles de waarheid verteld. Toch achtte zij zich verplicht, zich te wapenen tegen het gevoel, dat bij haar zoo luide voor het jonge meisje sprak, en haar allicht vatbaar moest maken, om zich te laten misleiden, 't Was daarom, dat zij een nader onderzoek plicht achtte, met hetzelfde doel als de rechter, die een getuige ondervraagt; doch, op een toon van hartelijkheid, die zelden door den rechter wordt aangeslagen, en met een scherpzinnigheid en tact, als maar weinige rechters bezitten, ondervroeg zij Nicolette nog nader omtrent sommige punten, die haar öf vreemd of niet duidelijk genoeg voorkwamen. De ophelderingen, die zij ontving, waren telkens bevredigend, en de nadere bijzonderheden, die de toevallig overgebleven gapingen in het verhaal aanvulden of het min verklaarbare toelichtten, sloten zoo juist met de rest te zamen, dat zelfs de hardnekkigste scepticus hier aan geen bedrog had kunnen denken.

ocr page 24

14

Het eenige, wat Nicolette aan Juffw. Hermans niet duidelijk maken kon, om de zeer goede reden, dat het haar zelve onbegrijpelijk voorkwam, was het onredelijk gedrag, door Mw. Van Zirik tegen haar gehouden, en waartoe zij van haren kant toch geen de minste aanleiding gegeven had. Doch Juff'w. Hermans had niet noodig, dat haar dit raadsel door Nicolette werd opgelost: hetgeen deze haar van den Franschen gouverneur verteld had, hoe weinig het ook was, had voor de weduwe een licht doen opgaan, en haar te recht doen gissen, dat Nicolette tot offer had moeten strekken aan den minnenijd.

„Arm kind!quot; zeide zij, toen zij nu eindelijk niets meer te vragen had: „uw toestand is wel treurig.... en moeilijk bovendien,quot; voegde zij er peinzend bij:

„Helaas!quot; zei Nicolette: „ik vrees, dat er voor mij geen uitkomst meer bestaat.quot;

„O! zeg dat niet,quot; haastte zich de weduwe te antwoorden, die al berouw had over de woorden, welke zij overluid gedacht had: „wij moeten den moed niet verliezen: je hebt, meen ik van u gehoord te hebben, nog iets over van het geld, dat de Heer Van Donia u gegeven heeft.quot;

„Ja,quot; antwoordde Nicolette: „nog ongeveer honderd gulden; — maar ik zal mij bijna geheel moeten voorzien van lijfgoed.quot;

„Erg genoeg; — maar toch.... toen ik voor vijftien jaar hier aankwam, was het met mij nog ongunstiger gesteld, en ik ben er met Gods hulp toch gekomen — en die zal u ook niet ontbreken. Wel! je moet niet in dat logement blijven: dat loopt op, en je hebt het geld wel noodig.quot;

„Ja Juffrouw! dat is zeer waar; maar ik moet toch ergens blijven,quot; merkte Nicolette aan.

„Juist,quot; hernam de weduwe: „en daarom wilde ik u voorstellen, provisioneel uw intrek bij mij te nemen, zoolang tot zich iets beters voor u opdoet. — Ik vraag u natuurlijk als logée bij mij; want om je een kamer te verhuren, zou ik er eerst een moeten hebben, die vrij was: en zult je moeten getroosten, met mij te slapen: — gelukkig is mijn bedstede nogal ruim.quot;

ocr page 25

15

„Maar Juffrouw! dat is immers al te veel goedheid,quot; zei Nicolette, geroerd: „ik zou u immers tot overlast zijn.quot;

„Al ware dat eens zoo,quot; hernam Juffw. Hermans, „dan zou ik mij daaronder schikken; want het zou wel ongelukkig zijn,, indien men niet een weinig ongemak wou lijden, om zijn evenmensch een dienst te bewijzen. Maar die overlast zal niet zwaar zijn en uw gezelschap mij daarentegen hoogst aangenaam, misschien wel heel nuttig. Ik voel tegenwoordig nu en dan behoefte aan een praatje met iemand van mijn sekse, en dan gebeurt het maar zelden, dat ik het voorrecht heb, er eene bij mij te hebben, die een beschaafden toon en opvoeding heeft. Ik heb straks gemerkt, dat je een zeer goed Engelsch accent hebt: wel! wij zullen te zamen watEngelsch lezen — en nu en dan eens Engelsch praten ook, als je wilt, — en dan zal ik met andere dingen je hulp ook nog wel eens inroepen misschien.quot;

„O! Juffrouw, wat heb ik u lief,quot; zei Nicolette, schreiende, terwijl zij opstond, zich half voor de weduwe nederwierp, en haar de handen kuste.

„Neen malle meid! hier,quot; zei Juffw. Hermans, half lachende, half schreiende: en meteen trok zij het meisje naar zich toe en kuste haar hartelijk.

„Wel!quot; vervolgde zij, „dit is dus afgesproken. En nu voor 't oogenblik stel je eens alle muizenissen en gedachten aan de toekomst uit je hoofd. Je moet eerst een paar dagen rust hebben en in een volkomen bedaarde stemming zijn: — en dan zullen wij ruim den tijd hebben om te overleggen wat ons te doen staat. — Maar a - p r o p o s, je hebt zeker je pakje nog in 't hotel ?quot;

„Ja Juffrouw: en ik moet er ook nog afrekenen.quot;

„Best! dat kun je dan strakjes voor etenstijd doen. O! je hebt nog ruim tijd: wij eten niet voor na de beurs. — En nu, om eens terug te komen op een onderwerp, waar je over begonnen waart, toen je mijn kamer bewonderde: ik zei toen, dat ik ruime stof had tot dankbaarheid; maar vind je niet, dat ik het in alle opzichten beter heb hier dan in mijn vorige woning ?quot;

ocr page 26

16

„Alles is verbeterd,quot; antwoordde Nicolette: „en dat verheugt mij ontzaglijk; — maar wat mij 't meeste genoegen van alles doet, Juffrouw, is, dat uw uitzien zoo verbeterd is: 't is of je tien jaren jonger zijt sedert ik u toen, bij Harde-stein, ontmoette: en toch! dat is nog maar zoo kortgeleden.quot;

„Toen was ik moede en mistroostig,quot; zeide de weduwe: „en het geluk heeft mij sedert dien tijd genezen; — maar, eer ik verder ga, heeft iemand daar op Hardestein u ook verteld, wat ik er was komen doen?quot;

„Neen,quot; antwoordde Nicolette : „ik weet alleen van Bettem .... van de Freule Van Doertoghe meen ik, dat je bij haar tante geweest waart, en dat die... . u niet vriendelijk ontvangen had. Maar meer scheen de Freule niet te weten.quot;

„Neen,quot; zei Juffw. Hermans, met een droefgeestigen glimlach : „ de ontvangst was niet als ik gewenscht had; — doch mijn geheele bezoek was een dwaasheid: . . .. 't was ter wille van mijn zoon — dat is mijn verschooning. Gelukkig, dat de teleurstelling, die ik toen ondervond, zoo spoedig vergoed werd.quot;

„Ik had vroeger nooit geweten, dat je een zoon hadt,quot; zei Nicolette.

„Ach! ik wist het,quot; zei de weduwe: „maar ik wist niet, hoe goed en edel, en gunstig ontwikkeld hij was: ik had hem in zoovele jaren niet gezien! — Maar dat alles moet u als een raadsel in de ooren klinken, en ik behoor u, die jegens mij zoo openhartig waart, ook wel 't een en ander te vertellen van mijn aangelegenheden — je dient, als mijn huisgenoot, toch eenigszins ingewijd te zijn in 't geen mijn positie betreft.quot;

En nu begon zij haar verhaal, dat wel een hoofdstuk op zich zelf verdient.

ocr page 27

17

TWEEDE HOOFDSTUK.

VERHAAL, DAT JUFFROUW HERMANS DEED.

„Ik ben,quot; zeide de weduwe, „van een Amsterdamsche familie; doch mijn vader bekleedde gedurende eenige jaren een betrekking te Londen, en zoo bracht ik daar een gedeelte van mijn jeugd door. Hij kwam te sterven — mijn moeder had ik reeds vroeger verloren — en zoo vond de familie, die ik hier had, goed, mij nog vooreerst op de kostschool, waar ik mij bevond (ofschoon ik niet meer tot de élèves behoorde) nog een tijd lang als boarder of p en si on n aire te laten. In Engeland hebben de meisjes veel meer vrijheid dan elders in Europa, en zoo ging ik veel uit, somtijds met eene of meer vriendinnen, of ook wel alleen. Wel! ik ontmoette in gezelschap een jong mensch, een landgenoot, althans van vaderszijde; — want hij had een Engelsche moeder gehad en logeerde bij de familie van deze; — wij zagen elkander dikwijls — wij kregen elkander lief, en wij zwoeren elkander trouw; — je moet denken, dat ik toen een onberaden ding was van zeventien jaren. Met dat al, ik schreef naar Amsterdam, aan mijn voogd, en verzocht om toestemming tot het huwelijk met mijn minnaar. Wel! terwijl ik op antwoord wachtende was, kwam mijn waarde Herman mij zeggen, dat zijn vader een andere partij voor hem bestemd had en onverbiddelijk daarop stond. Hij drong mij aan, een huwelijk met hem aan te gaan, wat daar in Engeland plaats heeft zonder al die formaliteiten, die hier vereischt worden. Ik bleef een tijd lang weigerachtig een stap te doen, die mij niet alleen gewaagd scheen, maar ook niet wel te rechtvaardigen ; immers mijn verstand zeide mij, dat al wat men in 't geheim en zonder de goedkeuring van ouders of voogden doet, verkeerd en berispelijk is. Wel! daar kwam een brief van mijn voogd aan de mistriss van 't school, met last mij, met het eerste packet het beste, naar

IV. - K. Z. 9

ocr page 28

18

Holland te zenden, en 't noodige geld voor de reis. Was de man zelf gekomen en had hij verstandig met mij gesproken, of had hij mij zelfs maar geschreven, ik zou voor veel leeds bewaard zijn geweest; want ik had toch al het voorstel, dat mijn minnaar deed, herhaaldelijk afgeslagen, en de woorden van mijn voogd zouden alleen gediend hebben om mij in mijn goede voornemens te sterken. Maar die brief aan de schooi-mis tri ss werkte glad verkeerd: ten gevolge van die groote mate van vrijheid, waaraan ik gewoon was geraakt, had ik een gevoel van onafhankelijkheid, van zelfvertrouwen en, om het op zijn zachtst uit te drukken, van eigenzinnigheid gekregen, dat zich verzette tegen een wijze van behandeling, als die mij door mijn voogd werd aangedaan. — Mijn bloed bruiste op bij het denkbeeld, als een kind, ja erger nog, als een pakje bestelgoed beschouwd en geëxpedieerd te worden. De Voorzienigheid bestuurde het zoo, dat, juist terwijl ik in die wrevelige, tegenpruttelende stemming verkeerde, ik weder een ontmoeting met mijn minnaar had. Zijn welsprekendheid had nu een bondgenoot gevonden in mijn tegenzin om naar Holland te gaan; de liefde deed de schaal verder overslaan, en, toen het rijtuig voorkwam, dat mij naar boord zou brengen, was ik reeds met mijn vriend getrouwd en in de country. Mijn man had een betrekking gekregen bij een fabriek, en daar leefden wij van gedurende een paar jaren, gelukkig in elkanders liefde. Maar toen was het uit met mijn heil, en ontving ik van Hooger Hand de straf voor den onbezonnen stap, dien ik gedaan had. Mijn man kreeg een kwaadaardige koorts en stierf. — Daar bleef ik alleen, weduwe, met een knaapje van een jaar en met het vooruitzicht, weder moeder te worden, en zonder middel van bestaan. — Wat zou ik beginnen? — Mijn schoonvader had de brieven, die hem zijn zoon geschreven had, zonder antwoord gelaten: mijn voogd de mijne evenzeer: en toch — ik moest trachten, den eersten zoo mogelijk te vermurwen in 't belang van mijn kinderen, en van den laatsten afrekening van mijn fortuin te bekomen. Ik beraadde mij met den dorps-leeraar en zijn vrouw, waardige en niet onvermogende lieden.

ocr page 29

19

Zij raadden mij, zelve naar Holland te gaan, en namen op zicli, inmiddels voor mijn kind te zorgen, 't welk zij oordeelden, dat mij op reis slechts tot last verstrekken zou. Hoe noode 't mij viel, van mijn kind te scheiden, ik nam hun aanbod aan, maakte het weinige, dat ik bezat, te gelde, en kwam naar Holland over. — Mijn voogd ontving mij met verwijten — daar had ik mij op verwacht; maar tevens met een mede-deeling, waar ik mij niet op verwacht had en die mij geheel ter neder sloeg, te weten, dat de nalatenschap mijns vaders weinig of niets bedroeg. Zeker was het daarom, dat hij — mijn voogd meen ik — niet zelf naar Londen was gegaan: hij had, met het welberekend overleg van een echten Amsterdammer, begrepen, geen reis te moeten doen, waarvan hem de kosten niet zouden vergoed worden, dan uit een boedel, die toch al schraal genoeg uitkwam. En toch was deze mede-deeling nog iets in vergelijking met een andere, die hij mij deed, namelijk, dat mijn huwelijk hier te lande nietig was, omdat mijn man en ik, beiden Hollanders, verzuimd hadden, de vormen in acht te nemen, die bij de hier bestaande wet zijn voorgeschreven. Dat denkbeeld was schrikkelijk! een band, dien ik met heilig vertrouwen geldig achtte, die ook in Engeland door een iegelijk als zoodanig beschouwd werd, was hier in de oogen der menschen niet meer dan nietig rag! — hetgeen waarheid was aan de overzijde der zee, was hier een leugen! — En mijn kind zou als onecht worden aangemerkt, niet eenmaal zijns vaders naam mogen dragen! — Dat was om krankzinnig te worden. Ware mijn voogd een ander man geweest, ik geloof nog, dat er een middel geweest ware om de zaak in orde te brengen; doch nadat hij met mij afgerekend en mij mijn klein fortuintje ter hand had gesteld, verklaarde hij, niets meer van mij te willen hooren, omdat ik den naam, dien hij droeg, gecompromitteerd had door mijn gedrag; hij voegde er zelfs bij, dat hij uit naam van de geheele familie sprak.quot;

„Dat was onbarmhartig,quot; zei Nicolette, bewogen: „arme Mevrouw! wat moet je geleden hebben.quot;

ocr page 30

20

Waarom sprak Nicolette de weduwe nu als Mevrouw aan, terwijl zij haar vroeger altijd Juffrouw genoemd had? Was het, om haar op een kiesche wijs te toonen, dat zij, wat haar betrof, dat huwelijk wel degelijk wettig vond? Wij gelooven niet, dat het aan een bepaalde bedoeling was toe te schrijven; doch twee zaken waren voor Nicolette zoo goed als uitgemaakt, t. w., dat haar gastvrouw op den naam van weduwe recht had, en dat zij genoeg van fatsoenlijke familie was om Mevrouw genoemd te worden — en zoo had zij haar dan ook den titel gegeven, als iets dat van zelf sprak.

„Noem mij Juffrouw,quot; zeide de weduwe: „ik zou mijn klanten kwijtraken als ik mij mevrouw liet noemen. Ik ken er althans, die 't mij reeds kwalijk nemen, dat ik op een gracht ben gaan wonen. En bovendien, je zoudt mij niet willen blootstellen aan een nieuwen hoon: — hoe licht zou iemand, als hij 't hoorde, dezelfde aanmerking maken, als indertijd mijn voogd maakte, dat ik niet gerechtigd ben, dien naam te dragen.quot;

„O foei! die voogd,quot; zei Nicolette.

„God moge hem vergeven hebben, gelijk ik hem vergeven heb,quot; zeide de weduwe; „hij ruste in vrede; — doch hoor nu verder. Verstoeten door mijn naaste bloedverwanten, begaf ik mij naar Leiden, waar zich toen mijn schoonvader bevond, die er een geneesheer was gaan raadplegen, en op hem was nu mijn laatste hoop gevestigd; doch ook deze werd verijdeld. Hij weigerde mij te zien, bewerende, dat ik de oorzaak was van den dood zijns zoons, en zwoer, dat hij mij nimmer als diens gade erkennen zou. — Troosteloos verliet ik zijn woning, en, terwijl nu inmiddels de tijd genaderd was, waarop ik moeder worden zou, ging ik, ergens in de nabijheid van Leiden, bij lieden in den kost, en wachtte daar het tijdstip mijner verlossing af. Ik scheen het daar in den aanvang goed getroffen te hebben; de vrouw des huizes was welwillend en gedienstig, en waar ik om zoo te zeggen 's nachts van droomde, dat gewerd mij overdag. Ik beviel van een meisje: en op het aandringen der vrouw, waar ik van sprak, schreef ik van

ocr page 31

21

mijn kraambed nog eenmaal aan mijn schoonvader; — de brief werd de vrouw, die zelve hem was gaan bezorgen, in 't gezicht gesmeten. Zij kwam mij dit vertellen, doch hoe was zij veranderd! Waarschijnlijk had zij op een andere uitkomst gerekend, en gehoopt dat mijn verblijf ten harent haar groote voordeelen bezorgen zou. Nu zij zag, dat zij zich misrekend had, was zij een ander mensch geworden; zij schold nu niet alleen op den ouden buffel, als zij hem noemde, die haar zoo onhebbelijk bejegend had, maar ook op mij, ter wier gevalle zij zich aan zulk een behandeling had blootgesteld. Zoo hevig voer zij uit, dat ik — als in mijn toestand niet te verwonderen was — er een toeval van kreeg en mijn bewustzijn verloor. Toen ik, na eenige dagen worstelens met den dood weer bijkwam, was mijn kind inmiddels overleden en ter aarde besteld.quot;

„Arme moeder! — Maar die vrouw . .. .quot;

„O! toen ik langzamerhand herstellende was, had zij-opnieuw buien van groote gedienstigheid, en klonk haar stem, die mij op mijn ziekbed zoo vaak, als het gekras van een raaf, door merg en been getrild had, weer zacht en fluweelig.quot;

„O! er is geen twijfel aan!quot; riep Nicolette: die vrouw is dezelfde als die mij zoo gemarteld heeft.. . .quot;

„Dat zou gelukkig zijn voor de eer der menschheid,quot; zeide de weduwe, „want daar zou uit voortvloeien, dat er een slecht mensch minder was dan ik dacht; maar er zijn er helaas! maar te veel.quot;

„Neen Juffrouw! dezelfde, o! ik zou er op durven zweren. Toen ik haar op de diligence 't eerst ontmoette, toen was er een man bij, die haar meende te herkennen, cn haar vroeg, of zij niet onder Leiden gewoond had, bij die Mevrouw, die bevallen moest en een schoonvader had, die niets van haar weten wilde .... ik sloeg er toen weinig acht op, en 't was mij ontgaan.... maar nu herinner ik het mij klaar. Zij zeide, dat hij de verkeerde voorhad .... maar dat bewijst in dit geval niets — en nu die dubbele stem .... dat komt alles

ocr page 32

22

volkomen uit. Had zij niet een haviksneus, blauwe oogen, en mooie witte tanden, en was zij niet grof en dik?quot;

„Alles komt uit,quot; antwoordde Juffw. Hermans: „alles, behalve, dat zij toen nog een vrij goed figuur had, ofschoon, ja, met aanleg om dik te worden. O Klaasjelief! nu is het mij hoe langer hoe meer duidelijk, waarom ik mij van den beginne af geneigd voelde, u van dienst te zijn. Wij zijn beiden ten prooi geweest aan de mishandelingen en beleedigingen derzelfde vrouw. Haar man, of dien zij daarvoor liet doorgaan, was wachtmeester bij de dragonders, en ik zag hem zelden, en zij liet zich toen Juffrouw Swalm noemen. — Zij waschte voor de compagnie.quot;

„Juist wat Rosalie mij vertelde,quot; zei Nicolette: „alles komt volmaakt overeen. — Maar verlangde je ook niet, lieve Juffrouw! spoedig van haar vandaan te komen?quot;

„Ik verlangde dit te meer, toen ik de reden bemerkte van de gedienstigheid, die zij mij betoonde. Zij wilde mij, evenals zij 't later u zocht te doen, den slechten weg ophelpen, mij als een voorwerp van speculatie doen strekken. Zij liet niet af, mij aan de ooren te malen van haar kapitein, die smoorlijk verliefd op mij heette te zijn en bij wien ik het zoo goed zou hebben. Ik moest nu weg. dat was zeker; maar waarheen? Mijn hart trok mij natuurlijk naar Engeland, naar mijn kind; doch de bedenking rees bij mij op, of ik, bij mijn bekrompen geldmiddelen, niet allicht ten bezware zou komen van hen, die reeds zoo liefderijk mijn kind hadden verpleegd. Ik had aan den waardigen clergyman geschreven; doch, als mij later bleek, de brief was waarschijnlijk door Juffw. Swalm teruggehouden, althans niet te recht gekomen: en ik ontving geen antwoord. Ik besloot dus, naar Amsterdam te gaan, waar ik dan voor 't minst nog familiebetrekkingen had, die zich misschien niet onbarmhartig zouden betoenen: en ik volvoerde dit besluit, hoezeer niet dan na een heftig tooneel met die vrouw, en met opoffering van hetgeen ik te laat gewaar werd, dat zij zich van het mijne had toegeëigend. Ik reisde, met het weinigje, dat ik uit haar klauwen gespaard had, herwaarts.

ocr page 33

23

en nam mijn intrek in hetzelfde logement, waar ik vroeger geweest was. Eens echter hier zijnde, gaf ik geen gevolg aan het voornemen, dat mij hier had doen komen, en deed geen nieuwe stappen bij hen, die mij eenmaal hadden afgewezen, 't Was niet alleen een te ver gedreven gevoel van eigenwaarde, dat mij terughield van hetgeen, wel beschouwd, niet veel anders zou geweest zijn dan een bedelen om onderstand; 't was vooral eerbied voor de nagedachtenis van mijn dierbaren man. Men had de vorige reis hem geen verwijtingen gespaard, en hem beschuldigd misbruik gemaakt te hebben van mijn onervarenheid, om mij tot een huwelijk te bewegen, dat hij zeer wel wist, geen verbindende kracht te hebben; en ik, die volkomen overtuigd was en nog ben, dat hij evenzeer ter goeder trouw was als ik, ik wilde zoo iets geen tweemaal hooren. Wel! ik besloot, zoo 't maar eenigszins kon, mijn onafhankelijkheid te bewaren, en onder Gods hulp door eigen pogingen door de wereld te komen. Ik had het in 't maken van handwerken tot een vrij goede hoogte gebracht: ik nam den raad in van de Juffrouw uit het logement, die mij belangstelling toonde, en zij verklaarde zich bereid om mij van dienst te zijn. Ik wilde goedkoop wonen, en, noem het een gril of wat je wilt, in een buurt, waar ik geen kans zag, ooit ofte immer iemand van mijn familie te ontmoeten: wel! zij liet dat bovenkamertje voor mij huren, waar je mij gekend hebt. Ik zond haar borduurwerken, wel! ze wist ze aan haar logeergasten te verkoopen: — ook had zij bekenden onder de winkeliers, en zoo kreeg ik bestellingen: verder vond ik patronen uit, en die hadden aftrek. — Ik werkte nacht en dag: ik had mijn brood; meer ook niet; maar ik had zoo weinig noodig. — Had ik soms iets over, ik spaarde het; niet voor mij, maar voor mijn zoon. — Ach! hoe verlangde ik, dat kind terug te zien! en hoe hard viel mij telkens het denkbeeld, dat dit verlangen nog zoolang onbevredigd moest blijven. Mijn gevoel verweet mij somwijlen, dat ik hem in Engeland had achtergelaten; en toch, de gezonde rede zeide mij, dat het beter voor hem was, ginds, bij brave lieden, het goed te hebben.

ocr page 34

24

dan hier bij mij armoede te lijden; en dan beschuldigde ik mij weer van egoïsme, dat ik naar hem verlangde.

„O! ik begrijp, hoe je geleden moet hebben, lieve Juffrouw!quot; zei Nicolette.

„Wel! — ik had natuurlijk, zoodra ik hier te Amsterdam kwam, opnieuw geschreven, en deze reis antwoord gehad. Met gulhartigheid bood Mr. Summers mij gastvrijheid aan; doch ik wilde geen genadebrood eten: 't was al genoeg, dat mijn kind dit deed. Zoo ging nu maand na maand, en jaar na jaar, eentonig, daarom misschien te sneller, voorbij; eindelijk, na twaalf jaren, en nadat men u van Vrouw Ruffel vandaan had gehaald, brak het heuglijk tijdstip aan, waarop ik mijn zoon terugzag. De goede Mr. Summers kwam zelf over om hem mij te vertoonen. O God! hoe dankbaar en gelukkig was ik! ik kan u mijn gewaarwordingen, toen ik hem omhelsde, niet beschrijven — zelfs niet begrijpelijk maken: alleen een moeder kan zoo iets gevoelen.quot;

„Ach lieve Juffrouw, dat weet ik niet,quot; zei Nicolette, tot schreiens bewogen; „maar mij dunkt, ik voel het tot in 't binnenste van mijn hart.quot;

„O!quot; vervolgde de weduwe, „hij was zoo groot en schoon geworden, en hij had zoo goed gebruik gemaakt van de lessen, die hij had ontvangen. En wat mij nog het meest van alles aandeed, hij was zoo lief jegens zijn moeder. Wat zou natuurlijker geschenen hebben, dan dat hij mij als een vreemde had behandeld! Maar Mister en Mistriss Summers hadden hem dagelijks van mij gesproken, en wij waren al een geruimen tijd in correspondentie geweest, hij en ik. O! die vreugd des wederziens! En toch voor hem ware 't misschien beter geweest, indien hij hier toch niet gekomen was.quot;

„Heden! En waarom niet?quot;

„Wel! ware hij in Engeland, onder de leiding van Mr. Summers gebleven, hij had, door diens hulp en voorspraak, al spoedig een voordeelige, misschien een schitterende carrière kunnen maken; — maar toen hij eenmaal hier was, raakten wij zoo aan elkander gewend, dat hij met alle geweld bij mij

ocr page 35

25

wilde blijven en ik te droevig tegen het scheiden opzag. Zelfs was door Mr. Summers, hoezeer volkomen genegen, den knaap te houden, de meening geuit, dat mijn Albert, als Hollander, zich hier later zou behooren te vestigen, en althans beginnen moest, de taal van zijn land te leeren. Nu zou ik de middelen niet gehad hebben, om hem een beschaafde opvoeding te geven; doch Mr. Summers toonde zich weder bereid mij hierin bij te staan, en de man had zulk een kiesche wijze van weldadig te zijn, dat ik van hen aannam wat ik van anderen niet zou hebben durven of willen doen. Zoo werd Albert op een kostschool gedaan, en ik zag hem voortaan alle Zondagen. — Wij raakten al meer en meer aan elkander gehecht, Ik beleefde aan hem louter vreugde: en ik was gelukkig. Toen hij vijftien jaar was, had ik reeds het genoegen, dat hij op een kantoor geplaatst werd, wel nog zonder loon, maar toch, 't was een voet in den stijgbeugel: het volgende jaar verdiende hij al wat: — en zoo ging het al beter en beter, tot voor eenige maanden, toen de firma, waar hij bij werkzaam was, ontbonden werd, en hij plotseling buiten bestaan was. — En wat er bij kwam, dit viel juist voor op een tijdstip, dat ik, die anders gezond was geweest, een zware krankte had gehad en ternauwernood hersteld was. Nu begreep ik, in 't belang van mijn zoon, te moeten doen, wat ik niet had willen doen zoolang 't mij zelve aanging, en een poging te moeten aanwenden om mijn familie te zijnen gunste te bewegen. Vandaar mijn reis naar Hardestein.quot;

„Hoe!quot; riep Nicolette verbaasd uit: „is Mevrouw Van Doertoghe ?....quot;

„Zij is mijn nicht,quot; zeide de weduwe: „en wijlen haar man was mijn voogd, daar ik u van gesproken heb. — Ik zou van deze omstandigheid niet gewaagd hebben, ware 't niet, dat wij elkander daar op den weg ontmoet hadden, en je dus toch allengs de waarheid vermoeden zoudt. — Mijn zoon was tegen dien tocht: —hij had beter gezien dan ik. Doch men had mij Mw. Van Doertoghe afgeschilderd als een zoo weldadige vrouw: men had mij zooveel verteld van de armen, die zij onder-

ocr page 36

26

steunde, en ik dacht: misschien is zij niet bekend geweest met de wijze, waarop wijlen haar man mij behandeld heeft en zal zij liefderijker over mij denken. Het schijnt, dat ik mij hieromtrent bedrogen heb: althans — zij liet mij afwijzen en wilde mij niet te woord staan. Ik was nog blijde, dat ik mijn zoon buiten het hek had gelaten: — hij is doodgoed; maar hij kan niet dulden, dat men mij onheusch behandeld .... en hij zou misschien aanleiding gegeven hebben tot onaaange-naamheden.quot;

„Wel! dat valt mij tegen, dat van de oude Mevrouw te hooren,quot; zei Nicolette: „'t is waar, ik heb wel gemerkt, dat zij hoog was; maar voor zoo onmeedoogend had ik haar niet aangezien. — Hoe jammer, dat je niet liever u tot Bettemie hebt gewend: die zou u niet verstoeten hebben, — dat weet ik zeker.quot;

„Je vergeet, zeide de weduwe, terwijl zij poogde te glimlachen, „dat ik voor mijn zoon kwam solliciteeren, en zulks niet wel bij een jonge juffrouw kon gaan doen. Doch, scherts ter zijde,quot; vervolgde zij, met een treurig hoofdschudden, „ik heb reeds leergeld genoeg betaald, en het aan mijn zoon plechtig moeten belooven, geen stap van dien aard bij iemand meer te doen. — Wel! wij gingen ongetroost weer naar huis, het geld beklagende, dat wij voor de reis uitgegeven hadden. Maar ziet! pas waren wij weer hier, of daar kwam uitkomst: — Mijnheer Bleek, een zeer geacht man ....quot;

„Bleek!quot; herhaalde Nicolette.

„Ja, ken je hem?quot; vroeg Mw. Hermans.

„Ja, neen .... is 't dezelfde, die in wijnen gedaan met den Heer Galjart?quot;

„Juist! hij heeft, hoor ik, zeer veel schade aan die zaak geleden, door de slofheid van zijn compagnon.quot;

„Zonderling!quot; zei Nicolette, peinzende; want dit strookte niet met hetgeen Galjart haar verteld had: — doch zij hervatte zich: och, lieve Juffrouw!quot; zeide zij: „ik mag geen kwaad van een van beiden hooren: want zij waren onder degenen, die mij als kind aangenomen hebben.quot;

ocr page 37

27

„Inderdaad!quot; riep de weduwe: „nu dat is toevallig: — doch om tot de zaak terug te keeren, mijn zoon was dan vroeger bij die firma Bleek en Galjart op 't kantoor geweest. Wel! de Heer Bleek had, nadat hij van zijn compagnon af was, een andere en vrij wat uitgebreider zaak begonnen, dan die wijnnegotie, en had iemand noodig, die vooral de Engelsche correspondentie voeren kon. En daar nu mijn zoon uit den aard der zaak het Engelsch als zijn moedertaal spreekt en schrijft en, behalve dat, zijn patroon uitmuntend voldaan had, is lüj weer door hem aangenomen, en zelfs met een verhoogd salaris. En dat is nog niet alles: hij heeft bij de Schoolcommissie zijn examen afgelegd als Engelsche meester, en in de uren, die hij vrij heeft van zijn kantoor, geeft hij les aan twee of drie jonge lieden: dat nog een stuivertje opbrengt. Men zegt wel: „een ongeluk komt nooit alleen;quot; maar ik heb reden te gelooven, dat dit met het geluk ook het geval is. Immers, omstreeks terzelfder tijd, zie! daar werd mij een enveloppe thuis gezonden met een bankbriefje er in van f 500: en daarbij een papiertje met deze woorden, van een onbekende hand: „afdoening eener oude schuld met de renten.quot;

„O!quot; zei Mcolette: „had Mw. Van Doertoghe? . .. .quot;

„Dat was mijn eerste gedachte,quot; zeide de weduwe: „en ik beken, dat zij mij hinderde. De armoede heeft haar trots, en om een aalmoes te ontvangen van iemand, die mij als een bedelares de deur had laten uitzetten, ziedaar wat ik niet van mij zou hebben kunnen verkrijgen. Intusschen, ik had geen zekerheid, en wij raadpleegden lang, mijn zoon en ik, om te weten wat ons te doen stond. Hij wilde niet, dat ik mij aan een nieuwe onbeleefdheid van de zijde mijner rijke nicht zou blootstellen, en oordeelde daarom gepaster, dat hij haar schrijven zou. Dit deed hij; in zeer beleefde termen meldde hij haar, dat het bezoek, door mij op Doornwijck gebracht, niet ten doel had gehad het vragen van eenigen onderstand in geld; dat wij nog in staat waren te leven, en dus de gift, die wij onderstelden, dat van haar kwam en waarvoor wij

onze erkentelijkheid betuigden, wenschten terug te bezorgen ^__

ocr page 38

28

in zoodanige handen als zij ons zou aanwijzen. Het antwoord liet zich een week wachten, en toen schreef ons de boekhouder van Mw. Van Doertoghe, dat zij het geld niet gezonden had en van onzen brief niets begreep.quot;

„O foei! hoe onheusch,quot; zei Nicolette.

„Wel!quot; zei Mw. Hermans, „ik begrijp, dat zij met de zaak verlegen is geweest en liever niet zelve heeft willen bekennen, dat men haar verkeerdelijk een edelmoedigheid toedichtte, waar zij zich niet aan schuldig had gemaakt. — En over 't geheel, al heb ik geen reden om haar lof te zingen, zoo wil ik haar niet te hard vallen; zij is, geloof ik, een streng deugdzame vrouw; maar die juist daarom het kwaad bij anderen niet verschoonen kan, en bij de vooroordeelen van haar kaste, die zij van kinds af heeft ingezogen, moet zij nog zooveel te strenger zijn tegen de zoodanigen, die, tot dezelfde kaste behoorende, door hun handeling, gelijk zij 't van mij onderstelt, een vlek geworpen hebben op de eer van hun naam. En wie weet hoe de laster, of liever, de kwaadsprekendheid, de zucht tot babbelen en vergrooten, die zoo velen eigen is, niet aan 't werk is geweest, om haar mijn onbezonnenheid in een nog ongunstiger daglicht voor te stellen, dan ik verdiende, en er nog heel wat bij te verdichten. Wel! indien ik u het verhaal van mijn lotgevallen gedaan heb, is 't niet geweest om u alleen te doen weten, wie de persoon is, die u bij zich vraagt, maar ook vooral om de gelijkvormigheid, die zij hebben met de uwe. Evenals mij zelve voor twintig jaren, zie ik u thans miskend en verstoeten door hen, die uw natuurlijke beschermers moesten zijn, en veroordeeld om zelve te denken en te handelen. En mijn voorbeeld kan u bewijzen, dat al is de toekomst nog zoo donker, men niet moet wanhopen, er met Gods hulp te komen. Je zult misschien zeggen, ik ben het niet, die het zoo ver gebracht heb, dat ik uit die achterbuurt hier naar deze gracht heb kunnen verhuizen, en zulke nette meubeltjes koopen; het is aan mijn zoon, dat ik dat schuldig ben; — maar wie weet! voor u zal de Voorzienigheid weder op een andere wijze een

ocr page 39

29

gunstige uitkomst verschaffen, en, zooals de Heer gezegd heeft: „zijt niet bekommerd om den dag van morgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.quot; quot;

„O Juffrouw Hermans!quot; riep Nicolette: „hoezeer wenschte ik de énergie te hebben, die u onderscheidt.quot;

„Wel! ik geloof, je hebt bewijzen gegeven, dat die bij u ook niet ontbreekt. — En nu zal het tijd wezen, dat je je boeltje gaat halen om te verhuizen .... maar wat is dat? . . . . Wel! ik geloof waarlijk .. . .quot;

Hier ging de deur open en de jonge Hermans trad binnen.

DERDE HOOFDSTUK.

ALBERT HERMANS.

De jonkman was met overhaasting de kamer binnengetreden ; maar hij bleef plotseling aan de deur staan.

„Pardon!quot; zeide hij, „ik wist niet, dat je bezoek hadt.quot;

„Wees niet bang,quot; zeide zijn moeder: „'tis een oude kennis van mij, en waar je ook kennis mee zult dienen te maken, — Juffrouw Zevenster: — Mijn zoon Albert,quot; vervolgde zij, hem aan Nicolette voorstellende.

Albert zag Nicolette aan en kleurde tot over de ooren toe. Nicolette bemerkte dat, en zij kleurde van den weeromstuit. Mw. Hermans bemerkte 't ook en begreep er niets van; maar ook zij kleurde; want dat kleuren der beide anderen ontrustte haar. Zij wist, dat haar zoon zedig in handel en wandel, rein van daden en gedachten was, maar toch niet zoo bloohartig, om op 't gezicht van een jong meisje te kleuren alsof hij zelf een jong meisje was. Daar stak wat achter; maar wat kon dat wezen? — Nu! zij zou het weten uit te vorschen.

„Ik geloof,quot; zei Albert, bij wien spoedig alle verlegenheid, zoo hij er al eenige gevoeld had, voorbij was: „ik geloof dat ik het genoegen heb gehad, de Juffrouw meer te zien.quot;

ocr page 40

30

„Het zou ten minste in mij al heel leelijk staan, indien ik het vergeten had,quot; zei Nicolette: „en ik weet niet, of ik Mijnheer wel eens naar behooren bedankt heb voor den grooten dienst, dien hij ons toen bewezen heeft, aan de Freule en aan mij. Mag ik mij dan nu van mijn schuld kwijten?quot;

„Wel!quot; zei Albert lachende, terwijl hij de hand drukte, die zij hem toestak; „ik wist waarlijk niet, dat ik nog ergens een uitstaande pretentie had. Nu! ik ben wel dubbel beloond voor wat mijn gelukkig gesternte mij toevallig verrichten deed. En komt de Juffrouw mijn moeder eens opzoeken? Wel! dat is braaf! want die heeft wel eens een toespraak noodig zoo met een zoon, die den geheelen dag uit is, en haar alleen laat. Hoe gaat het. Moeder?quot; hier omhelsde hij haar hartelijk; „je ziet er goed uit vandaag. Moeder. Ik geloof waarachtig, dat het 't bezoek van Juffrouw Zevenster is, dat je heeft opgefleurd.quot;

„Neen,quot; dacht Nicolette; „'tis het bewustzijn, dat zij jegens mij edel en liefderijk gehandeld heeft,quot; en met aandoening sloeg zij de liefkoozingen gade tusschen die moeder en zoon, en waaruit de teederheid, die zij elkander toedroegen, zoo duidelijk sprak. Men behoefde niet te vragen, of die zoon zijn moeder liefhad, en of die moeder trotsch was op haar zoon. En zelfs iemand, die hem naar 't uiterlijke beoordeelde, moest vinden, dat zij gelijk had. Hij was rijzig van gestalte, slank gebouwd, zonder den gebogen rug of de linkschheid te bezitten, die niet zelden bij jonge lieden, die wat lang, of uit hun kracht gegroeid zijn, wordt waargenomen. Dat hij vlug en handig in zijn bewegingen was, daarvan was Nicolette te Hardestein getuige geweest, en zij zag nu, dat losheid en zwier hem eigen waren. Om verder zijn persoon te beschrijven, zouden wij bijna moeten herhalen wat wij van zijn moeder vertelden; zoo sterk was de gelijkenis tusschen hen beiden. Diezelfde fijnheid van trekken, diezelfde zachte uitdrukking in de oogen, diezelfde blankheid van vel. Ja, indien Nicolette had moeten opbiechten, hoe zij over zijn voorkomen dacht, dan zou zij gezegd hebben, dat zij hem voor een man misschien

ocr page 41

31

te mooi vond. Nu, hij geleek dan ook niets op Maurits, en Nicolette had nog geen gelegenheid gehad, hem te zien, als zijn gelaat eens een andere uitdrukking had, dan die kinderliefde er aan schonk. In gewone tijden, op 't kantoor b. v.r stond dat gelaat doorgaans in een bedaarde, ernstige plooi, en dan gaf die rechtlijnige neus, hoekiger van omtrek dan die zijner moeder, iets gestrengs aan zijn wezen, dat niet alleen aan een man, maar zelfs aan een man van gezetten leeftijd deed denken. Had hij reden tot misnoegen, of werd zijn drift gaande gemaakt, dan wist hij zijn oogen, die anders zoo welwillend keken, zoo wijd op te spalken en er een zoo straffe uitdrukking aan te geven, dat men moed moest hebben om er den blik van door te staan. Zij schoten geen vlammen, zij rolden niet wild door 't hoofd, zooals bij anderen, als zij boos en gramstorig zijn, soms het geval is; neen — zij bleven kalm; maar die kalmte had iets verpletterends.

„Je bent vroeg van 't kantoor,quot; zei opeens Juffw. Hermans, met een trek van onrust op 't gelaat; „er is toch niets gebeurd ?quot;

„Neen,quot; antwoordde Albert, glimlachende; „Bleek en Comp. betaalt nog.quot;

„Dat is geen antwoord,quot; hernam zijn moeder, „je hebt iets: zeg, dat je iets hebt.quot;

„Nu, Juffrouw!quot; zei Nicolette, die begreep, dat de bescheidenheid haar voorschreef, moeder en zoon, die wellicht geheimen hadden, alleen te laten: „ik geloof, dat het ruim tijd voor mij is, te vertrekken.quot;

„Ik zal niet zoo verwaand wezen om te gelooven, dat ik Juffrouw Zevenster verdrijf,quot; zei Albert.

„Volstrekt niet,quot; antwoordde Nicolette: „ik was toch juist op 't punt van heen te gaan: en wat meer is, ik kom weerom. Goeden dag Juffrouw! s a n s adieu.quot;

„Tot straks,quot; zei Juffw. Hermans.

En, na een vriendelijke buiging voor Albert gemaakt te hebben, verliet Nicolette het vertrek.

ocr page 42

32

„Tot straks?quot; herhaalde Albert: „komt Juffrouw Zevenster terug?quot;

„Zij heeft voor 't oogenblik geen thuiskomen,quot; zei Juffw. Hermans, „en ik heb haar aangeboden, zoolang haar intrek hier te nemen, 't Is een lief meisje, en zij zal mij een aangenaam gezelschap, en u, hoop ik, niet tot last zijn.quot;

„Mij? volstrekt niet, en het verheugt mij recht, dat je iemand bij je krijgt, die je bevalt, en waar je wat hulp van kunt hebben. Maar ....quot;

„Wat, maar?quot;

„Niets.quot;

„Albert, je verbergt mij iets. Wat is er?quot;

„Waarlijk niets. Moederlief! ik ben alweer vergeten, wat ik zeggen wilde.quot;

„Betreft het Juffrouw Zevenster?quot; vroeg de bezorgde vrouw; „keur je 't af, dat zij hier komt? Je kreegt straks een kleur, toen je haar zaagt.quot;

Ik?quot;

„Ja, en nu weer opnieuw. — Je bent toch niet zoo subiet doodelijk van haar geworden?quot; vroeg de weduwe, half lachend: „dan zou 't mij berouwen, haar hier gevraagd te hebben.quot;

„Doodelijk! van een meisje, dat ik voor den tweeden keer van mijn leven zie?quot; zei Albert, terwijl hij wederom glimlachte en de schouders ophaalde.

Zijn moeder schudde weemoedig het hoofd; want zij zag, dat die glimlach niet van harte ging.

„'tls waar,quot; zeide zij, „ik heb eigenlijk een onbezonnenheid gedaan; ik had het meisje niet moeten te logeeren vragen, zonder vooraf er met u over gesproken te hebben; — wel! 't is ook uwe schuld, je doet mij heelemaal vergeten, dat ik bij u in huis woon, en niet jij bij mij.quot;

„Maar Moeder! wat is dat nu voor gekkenpraat?quot; vroeg Albert: „is niet altijd al het uwe het mijne, en het mijne het uwe geweest? — Ik betuig u, dat je, wat Juffrouw Zevenster betreft, volkomen gerust kunt wezen: ik heb geen 't minste

ocr page 43

33

plan om op haar verliefd te worden .... of je moest het misschien verlangen ?quot;

„'t Is een mooie rol, die je mij laat spelen; denk je, dat ik haar in zulk een geval bij mij zou gevraagd hebben?quot;

De weduwe zeide dit op denzelfden schertsenden toon, die haar zoon had aangeslagen, en toch was zij niet tot schertsen geneigd; want een geheime stem fluisterde haar in, dat hij zich met een grap van 't onderwerp zocht af te maken. En nu was zij te verstandig, dan dat zij gevaar wou loopen, door overmaat van bezorgdheid, of liever door die te veel aan den dag te leggen, haar zoon te vervelen of in verlegenheid te brengen. Zij had de brieven van Mevrouw Van Sévigné gelezen en, erkennende, dat zeker nooit een moeder zoo veel teederheid voor een dochter heeft aan den dag gelegd als die vrouw, was het haar tevens niet ontgaan, dat die teederheid voor Mevrouw Van Grignan, op den duur, deze laatste wat te zwaar op de hand was geworden, ja, de enkele reizen, dat de beide vrouwen bij elkander waren, telkens aanleiding hadden gegeven tot alles behalve aangename tooneelen. Zij stapte dus van het onderwerp af, om terug te keeren tot de vraag, die zij 't eerst, toen Nicolette er nog was, gedaan had. en die wel evenzeer haar bron had in zekere bezorgdheid, maar toch te natuurlijk was om hinderlijk te zijn. Merkte zij echter, dat Albert ook die niet wenschte te beantwoorden, dan zou zij niet verder aandringen.

„Je hebt mij nog niet verteld,quot; zeide zij, „waarom je zoo vroeg van 't kantoor bent gekomen: of mag ik dat niet weten? dan vraag ik er niet naar.quot;

„Wel zeker mag je 't weten,quot; antwoordde Albert: „en er is ook niets geheimzinnigs in gelegen. De Patroon had mij opgedragen, een paar vertrouwde commissiën voor hem te doen: de eene bij zijn advocaat, de andere bij een oud heer, daar hij zaken mee heeft. Dewijl ik op beide plaatsen spoediger geholpen ben geweest, dan gewoonlijk het geval is, en ik nu juist hier in de buurt was, ben ik ook vroeger thuis dan anders. Had men mij lang laten wachten, het geval ware

iv. - k. z. 3

ocr page 44

34

juist anders om geweest — en je hadt mij misschien niet eens gezien voor de Beurs.quot;

„Nu, dat doet mij recht veel genoegen,quot; zei Juffw. Hermans, „dat Mijnheer Bleek u zoo schijnt te vertrouwen.quot;

Albert beet even op zijn lip; en ook dat ontging zijn moeder niet.

„'t Is toch maar gelukkig,quot; zeide zij, eigenlijk maar om wat te zeggen, en uit vrees, dat het hokken van 't gesprek haar verlegenheid zou toonen, „dat je bij zulk een respectabel man bent te recht gekomen als de Heer Bleek.quot;

„Very respectable indeed,quot; zei Albert.

„Het is toch maar gelukkig, dat hij van dien wilden compagnon af is,quot; vervolgde zij.

„Ik heb van den Heer Galjart nooit anders dan vriendelijke woorden gehad,quot; zei Albert.

„Ja, maar hij was toch een slecht voorbeeld voor de bedienden van 't kantoor,quot; hernam de weduwe: „vooral voor de jongeren.quot;

„Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht,quot; merkte Albert aan.

„Zeer waar; maar niet iedereen heeft kracht van geest en doorzicht genoeg om dat te doen, en over 't algemeen volgt men meer de slechte voorbeelden na, dan de goede.quot;

„Juist! net zooals Dominee Rulleveld Dominee Glansdorp navolgt en Roes van de Variétés Stummel van 't Leidsche Plein.quot;

Wederom begreep Juffw. Hermans, dat haar zoon het gesprek zocht af te leiden. Anders toch had hij, die zich gewoonlijk zoo logisch uitdrukte, geen gelijkenis bijgebracht, die onjuist, en daarom blijkbaar gezocht was. Immers, zoowel Dominee Glansdorp als de tooneelspeler Stummel hadden verdiensten, ieder in zijn vak, en mochten dus zeer goed tot voorbeelden voor anderen strekken, 't Is waar, dat de eerstgemelde een weinig brouwde en iets slepends in zijn toon had, terwijl Stummel eenigszins met het hoofd zijwaarts gebogen liep en somtijds den klemtoon verkeerd zette, en ongelukkig waren

ocr page 45

35

het juist alleen die gebreken, welke hun beide navolgers hadden overgenomen, en nog daarbij, als 't gewoonlijk gaat, overdreven: Rulleveld door te spreken of hij zijn mond vol brij had en te teemen of er nooit een eind aan komen zou, Eoes door bepaald krom te staan en bij voorkeur altijd den nadruk van het zakelijke deel eens woords op de toonlooze lettergrepen over te plaatsen. En nu was er geen sprake geweest van het opvolgen van (voor 't overige) verdienstelijke lieden in hun verkeerde hebbelijkheden, maar alleen in 't algemeen van een nadeeligen invloed, welken het voorbeeld van iemand, die zich slecht gedraagt, op de hem ondergeschikten hebben kan. — Hoezeer Juffw. Hermans ook nu wederom voorzichtiger oordeelde, van een onderwerp af te stappen, dat haar zoon liever niet scheen te willen behandelen, kon zij toch niet nalaten, hem te doen gevoelen, dat zijn poging, om er af te dwalen, haar niet ontging.

„Zou men niet denken,quot; zeide zij, „dat je alle avonden in de comedie zat, dat je dat zoo precies weet, waarin die eene comediant dien anderen naiiapt.... en dan Dominee Rulleveld! foei! .... maar ik dacht juist, dat je nogal met hem ophadt; ben je niet verleden Zondag heel naar de Amstelkerk geloopen om hem te hooren?quot;

„Och,quot; antwoordde Albert: „dat was meer om een gezonde beweging te nemen .... en toen heeft het mij juist getroffen, dat hij zoo zeurde als een lekke zandschuit. Maar nu, lieve Moeder, heb je ook nog boodschappen, die ik voor je doen kan, eer ik naar de Beurs ga?quot;

„Ja,quot; antwoordde zijn moeder: „ik geloof, dat ons bier mooi aan 't minderen is, en nu wij een gast meer aan tafel hebben, zal 't noodig zijn te zorgen dat wij niet te kort komen. Indien 't u dus niet te veel uit den weg is, wees dan zoo goed eens aan 't bestelhuis aan te gaan, en te verzoeken, dat men ons morgen een versch vaatje thuis zendt, 't Is immers niet te veel moeite?quot;

„O! in 't minst niet,quot; antwoordde Albert: „ofschoon ik denk, dat, zoo je nog voor ons beiden genoeg hebt, je zoo

ocr page 46

36

veel haast niet zult behoeven te maken ter wille van je logée: die zal in Gelderland wel aan 't water régime gewend zijn geraakt.quot;

„Ja, en dat is ongelukkig juist, wat ik haar niet zal kunnen verschaffen,quot; zei de weduwe: „althans, niet gelijk zij 't gewoon is geweest.quot;

„Bah!quot; zei Albert: „zij is nog jong en zal zich, hoop ik, weten te schikken naar den trant van degenen, met wie zij verkeert. — En nu, Moederlief! indien je niets meer voor me hebt, tot straks.quot; — Meteen drukte hij haar een kus op de wang, en toen, met meer haast dan hij gewoonlijk betoonde, en als wilde hij verdere vragen voorkomen, snelde hij de deur uit.

„Er is iets, dat hem hindert,quot; zei Juffrouw Hermans, bij zich zelve: „maar wat? Heeft hij ongenoegen op 't kantoor gehad? Of is hij ontevreden, dat ik dit meisje hier gevraagd heb? — Maar neen, dit laatste kan het niet zijn .... hij was zeer minzaam jegens haar.... en dan, dat kleuren, toen hij haar zag.... zijn ontwijkend antwoorden.... ik wil toch niet hopen, dat hij op haar verliefd is geraakt. — 't Is waar, hij heeft haar niet meer dan eens te voren gezien, en dat nog wel maar zeer in 't voorbijgaan; doch er gebeuren zulke dingen. — Zijn vader en ik, wij voelden ook bij onze eerste ontmoeting ons tot elkander getrokken .... en zeker, 't zou te minder vreemd zijn, omdat zij er allerliefst uitziet. — 't Zou waarlijk ongelukkig zijn, indien 't zoo ware; beiden nog zoo jong, en zonder vermogen. Zou dit nu weer eene nieuwe straf zijn voor de onbezonnenheid, waaraan ik mij eens heb schuldig gemaakt, dat ik mijn zoon er een dergelijke liet begaan? — Neen, hij zou zeker verstandiger zijn, dan ik geweest ben, maar al zegevierde zijn hoofd over zijn hart, de strijd zelf zou reeds erg genoeg zijn en hem misschien ongelukkig maken. — Niet, of zij zou misschien een zeer goede vrouw voor hem zijn; — ik geloof, dat zij een lief karakter heeft, en zij schijnt niet van talenten misdeeld: maar niets in de wereld! en dan die gruwzame historie in Den Haag! — Zou hij immer gelukkig kunnen zijn met een vrouw, op wie

ocr page 47

zelfs alleen maar een vermoeden kleven kon ? . .. . Ik geloof, dat ik verkeerd heb gedaan, haar bij mij te vragen .... heel verkeerd — en ieder die 't hoort, zal mij veroordeelen. Ik hoor ze, dunkt mij, al mompelen: „is Juffrouw Hermans gek ? zoo'n mooi meisje bij zich te nemen, als ze een zoon in huis heeft? — Heeft zij nooit gelezen, dat men geen vuur bij stroo brengt?quot; En als de avonturen, die dat meisje gehad heeft, ruchtbaar worden, en de lieden mij heel liefderijk komen waarschuwen, en vragen, of ik wel weet, wie ik bij mij te logeeren heb? — En zal ik dan mijn overtuiging, dat het meisje onschuldig is, aan iemand kunnen mededeelen? Zal men bij mij geen inzichten onderstellen, die... . Zal Albert zelf, gesteld eens dat hij geheel niet verliefd is op dat meisje, mij niet op een mooien dag komen verwijten, dat ik iemand in huis genomen heb. die, schuldig of niet, in 't oog der wereld toch eenmaal onder de verworpenen gerekend moest worden? — En wat zal ik dan antwoorden? — Helaas! niet anders, dan dat ik, zonder genoegzaam na te denken, de opwelling ben gevolgd van mijn hart, en dat ik haar juist daarom bij mij heb genomen, omdat zij nergens anders een toevluchtsoord had. — En kon ik wel anders doen dan ik gedaan heb? Moest ik haar niet bewaren voor het verderf, waaraan zij anders ware blootgesteld? Is het niet bijna wiskunstig zeker dat zij, al ware zij de onschuld zelve, en al had zij beginselen als een rots, toch onfeilbaar in den poel van verleiding en jammer had moeten wegzinken, indien niemand haar een hulpvaardige hand bood ?quot;

Op deze wijze bleef de goede vrouw de oplossing zoeken van de moeilijke vraag, wat in de gegeven omstandigheden bij haar zwaarder had moeten wegen: het gevoel, 't welk de een christelijke liefde — de ander misschien in dit geval goedhartige zwakheid zou noemen, of de raad der wereldwijsheid; doch waar sommigen den naam van gezonde rede aan geven konden. O! 't valt zoo licht zich zeiven te misleiden, en de mensch heeft dikwijls zooveel moeite om de ware roersels zijner eigen handelingen te onderscheiden. Hoe menige aalmoes wordt niet verleend uit gewoonte, uit ijdelheid, uit gebrek aan

ocr page 48

38

genoegzame geestkracht om te weigeren, uit zucht om van 't gemaal af te wezen, uit honderd andere redenen, waar het hart niets mede te maken heeft? — en hoe menige wordt daarentegen geweigerd, uit grilligheid, omdat men in een kwade luim is, omdat de verzoeker een slecht oogenblik koos of geen handschoenen aanhad? — Arme Juffrouw Hermans! — Zoo vele jaren had zij nu getobd om haar brood op een eerlijke wijze te verdienen, en zij was daarin geslaagd, omdat zij altijd, aan een onberispelijk gedrag, goed overleg en een verstandige wijze van handelen gepaard had. Daardoor had zij zich het vertrouwen en de achting weten te verwerven, die zij, in haar moeilijke stelling als vrouw alleen, zoozeer behoefde: — en zou zij die nu verspeeld hebben door een onvoorzichtige daad? — En voor haar zelve niet alleen, maar ook, wat erger was, voor haar zoon ?

Men denke niet, dat zij, terwijl al die verschillende gedachten en overleggingen haar door 't brein dwarrelden en kookten en tegen en door elkander botsten, en tevens nu en dan haar 't hart als tusschen een schroef genepen werd, zij voortdurend met de handen over elkaar gezeten had. Vooreerst, de handen over elkaar was een houding die zij niet kende en waar zij 't ook niet ver mee gebracht zou hebben: zij had, van 't oogenblik af, dat zij thuis was gekomen, het groote vuurscherm onderhanden genomen, 't welk Mejuffrouw Spieghel, van de Heeregracht, aan haar vader op diens verjaardag als eigen werk moest aanbieden, en zij had den Newfoundlander, die er op voorkwam, op den staart, na, afgeborduurd: en ten andere, wat het „zittenquot; betreft, zij was, kort na Alberts vertrek, opgestaan om de noodige zorg te dragen voor den maaltijd. Immers, al had zij, sedert haar verhuizen naar de Leliegracht, een loopmeisje aangenomen om de noodige boodschappen te verrichten en eenige kleine diensten te bewijzen, en al kwam er des Zaterdagsmorgens een schoonmaakster, een vaste meid hield zij er niet op na, en zoowel het opmaken en afhalen der bedden en het schoonhouden der kamers, als het bereiden van het maal, kwam op haar alleen neer, wat haar wel vrij wat van haar kostbaren tijd wegnam, maar toch in zooverre een

ocr page 49

39

weldadige werking deed, dat het haar een dagelijksche beweging bezorgde, wel misschien niet de aangenaamste, maar toch altijd nuttig voor iemand, die anders allicht haar leven geheel zittend zou hebben doorgebracht. — Zij was dus nu, als wij zeiden, naar het keukentje gegaan, dat achter op de binnenplaats uitzag, en dat, met haar slaapkamertje, de kamer van haar zoon, die een verdieping hooger was, en een vlierinkje, waar de turf bewaard en 't goed te drogen gehangen werd, het gedeelte in huis uitmaakte, waarover zij beschikte. Nu had het peinzen en tobben haar niet belet, met een aandachtig oog haar pannetjes na te gaan en omgekeerd, hadden de werkzaamheden van de keuken haar niet verhinderd, haar gedachten den vrijen loop te laten. Zoo was het .peinzende en kokende, dat Nicolette haar vond, toen zij, van haar tocht naar de Warmoesstraat, met een jongen, die haar mantelzak droeg, terugkwam. Zij had dien tocht zonder oponthoud of tegenspoed volbracht, en het geluk van zich eindelijk eens weder gerust en veilig bij iemand, die haar liefde toonde, onder dak te bevinden, straalde zoo levendig en schitterend uit haar oogen, dat het hart der weduwe er door verwarmd werd, en bij haar alle donkere en mistige gedachten door dien gloed verhelderd werden of wegdampten. En toen Nico-lette zich van hoed en mantille ontdaan, en een wit schortje voorgespeld had, en haar in haar werkzaamheden bijstond, en bewijs gaf, niet alleen van haar dienstvaardigheid, maar tevens, dat ook zij niet geheel onervaren was in de geheimenissen der kookkunst; en toen later Albert van de Beurs thuis kwam, en het eten werd opgedischt, en hij, op denzelfden vroolijken trant als naar gewoonte, praatte en schertste en anekdoten vertelde, die Mcolette deden lachen, zooals zij sedert haar verblijf te Hardestein niet gedaan had, toen vergat de weduwe hare gemoedsbezwaren en bekommeringen geheel en gevoelde niets meer dan de blijdschap en den zegen, dien haar het gezelschap van een beminnenden zoon en van een dankbare beschermeling deden smaken.

ocr page 50

40

VIERDE HOOFDSTUK.

BRIEF VAN DEN PBEDIKANT GEELOP BOL, TE HAEDESTEIN, AAN LOUIS NAPOLEON PETER, GBAAF VAN EYLAR, TE WIESBADEN.

Hardestein den 6den October 184 .

Vir Amicissime!

Van den rand des grafs teruggeroepen tot het leven, tot mijn werkkring, tot mijn vrienden, tot mijn dierbare gemeente, hoop ik op aanstaanden Zondag weder op te treden, ten einde mij opnieuw plechtig aan die allen te verbinden en God in 't openbaar dank te zeggen voor het goede, dat Hij in Zijn genade aan mij verricht heeft. Mijn ziel moest alleen vervuld zijn van dankbare vreugde over de weldaad, die mij is geschied en waarom is zij zoo treurig en verslagen — en waarom staan mijn oogen dof en droevig? en waarom heb ik geen lust in den arbeid, en ligt de schets der leerrede, waarin ik mij zeiven en anderen moet opwekken om ons in den Heer te verheugen, daar voor mij, zonder dat ik moed gevoel, haar bij de hand te nemen om haar uit te werken? — 't Is, omdat mijn geheele wezen rouw draagt over het droevige lot der bloem, die gij en ik met zooveel liefde hadden zien opwassen, die zoo liefelijk en geurig bloeide, die tot een sieraad strekte in den tuin der schepping, die een lust was aller oogen, en die thans, met geknakten stengel, van de rupsen doorknaagd, van de spinnen bezoedeld, verflenst in het slijk ligt.

Thales wilde niet trouwen, om zich het verdriet te besparen van over zijn kinderen te weenen. Misschien had de wijze man gelijk. Hoe schrikkelijk moet de smart zijn van ouderen, wier hart bloedt om het wangedrag van een eigen kind, als het mijne zich zoo diep voelt aangedaan door hetgeen geschied is met haar, die mij in den bloede niet bestond, met onze Nicolette!

ocr page 51

41

Misschien is hetgeen ik u te verhalen heb, u reeds bij geruchte bekend; misschien is het ten halve, misschien vermeerderd en verergerd tot u gekomen, misschien meer naar waarheid dan ik het geven kan; want wij weten het, de faam is

Tam ficti pravique tenax quam nuncia veri 1).

Misschien ook heeft Van Zirik, gelijk anderen, ook u op de hoogte gebracht. Wat daarvan zij

Quamquam animus merainisse horret, luctuque refugit -),

en hoe gaarne ik voor u, gelijk voor al de wereld, wilde verborgen houden wat mij ter oore is gekomen, het is mijn plicht, u niets te verzwijgen van wat mij bekend is; want gij hebt hetzelfde recht als ik, om alles te weten, en ik zal uw raad, uw hulp behoeven.

Gij zult u herinneren, dat ik u, in een vroegeren brief, kort nadat gij met Mevrouw Van Eylar naar de baden waart gereisd, den indruk mededeelde, dien een schrijven van Nicolette op mij gemaakt had. De toon jegens mij, jegens ons allen, was hartelijk als naar gewoonte; maar er lag over het geheel iets gedwongens, iets minder natuurlijks. Ik zou dit hebben kunnen toeschrijven aan den schok, dien de onbezonnen coup — sit venia verbo;i) van uw broeder Maurits haar gegeven had ■'), doch het magere der détails, die zij ons omtrent haar verblijf bij Van Zirik meedeelde, de voorzichtigheid, om het zoo te noemen, waarmede zij zich over het echtpaar, en, in 't algemeen, over haar positie uitliet, deden mij vermoeden, dat zij het maar matig naar haar zin had. Dit speet mij; doch ik had nog een flauwe hoop, dat het groote onderscheid, 't welk er bestaat tusschen de leefwijze, die zij hier

1

') „Zoowel het logenachtige en slechte als het ware vermeldende.quot;

ocr page 52

geleid had, en die, waar zij nu aan wennen moest, de hoofdoorzaak was van de stemming, waarin zij den brief geschreven had, en dat de tijd en de gewoonte haar zouden leeren, zich in haar lot te voegen. Ik wachtte dus op nadere tijding, toen mij de ziekte overviel, die mij weken aan 't bed gekluisterd heeft gehouden. In al dien tijd vernam ik niets van Nicolette. Gedurende het eerste tijdperk van mijn ziekte waren meestal mijn gedachten aan 't dolen, en was ik in mijn heldere oogenblikken te zwak om naar iets te vragen. Doch toen langzamerhand mijn toestand verbeterde, was, zoo dikwerf ik aan mijn zuster vroeg, of zij ook een brief van Nicolette, had, het antwoord ontkennend, en spoedig begon ik op te merken, dat bij die gelegenheden mijn zuster zich op de lip beet, een anderen weg opkeek, aan haar boezelaar frommelde of andere blijken van verlegenheid gaf. Dat ontrustte mij; want anders is zij niet gewoon, een smoorkolk van haar hart te maken. Er moest wat achter schuilen, en ten laatste gaf ik haar te kennen, dat ik dit zeer wel begreep.

„Is het kind ziek, of dood,quot; zeide ik, „zoo kom er rond voor uit; de ergste tijding zal mij minder kwaad doen dan de onzekerheid, waarin ik verkeer.quot; En inderdaad, die onzekerheid kwelde mij; want ik had Nicolette innig lief gekregen. — „Stil! stil!quot; zei Leentje: „ik mag er niet over spreken: Le Mat heeft gezeid, je moet alle heftige aandoeningen vermijden.quot; — „Wil je dan, dat ik dol word?quot; vroeg ik: „dat er iets is, weet ik zeker: de aandoening heb ik toch al beet: beken het dus maar: — zij is dood.quot; — „God gave het!quot; riep zij: „dat zou beter voor haar geweest zijn, dan te wezen wat zij nu is,quot; — en meteen overhandigde zij mij een brief, dien zij, al voor weken, van Mw. Van Zirik ontvangen en tot dien tijd voor mij verborgen had gehouden. Ik schrijf hem hier voor u over.

[Volgt de brief, dien onze lezers kennen.]

Ik zou u niet kunnen beschrijven, wat ik bij het lezen van dien brief gevoelde. Ik wist niet of ik waakte of droomde; ik las hem nogmaals over om mij te overtuigen dat ik niet

ocr page 53

43

verkeerd gelezen had: — maar dat overlezen ging moeilijk; want mijn oogen vulden zich met tranen. Gij weet, Louis, dat ik niet ben, wat men, eigenlijk gezegd, weekhartig noemt; en dat behoort iemand, die mijn vak uitoefent, en geroepen is zooveel te zien en te hooren, dat, zedelijk of stoffelijk, treurig, ellendig en bejammerenswaardig is, ook niet te zijn; — maar nu toch schreide ik als een kind. „Zie je,quot; zei mijn zuster: „ik dacht het wel: ik had je dien brief nog niet moeten vertoonen: dit maakt je nu weer heelemaal van je streek. Kom! wees bedaard en toon dat je een man bent. De lichtekooi is per slot niet waard, dat je een traan voor haar laat.quot;

„Zou je 't mij kwalijk genomen hebben?quot; vroeg ik, „indien ik geschreid had om haar dood ? en heb je zelve niet te recht beweerd dat het bericht, in dezen brief vervat, veel erger is, dan dat van haar dood zou geweest zijn?quot;

En toch, met die letteren van Mw. Van Zirik voor mij, ik kon nog aan de zaak geen geloof hechten. Nemo repente fit turpissimus') en het kwam mij onbegrijpelijk, nog meer, het kwam mij onmogelijk voor, dat een meisje, dat zulke goede beginselen had, en zich zoo eenvoudig natuurlijk voordeed, zoo op eens zoo diep verdorven zijn zou. Ik wil mij niet voor een diepen menschenkenner laten doorgaan; maar ik ben niet zedig genoeg om mij onder degenen te rangschikken, die zich zoo heel gemakkelijk een rad voor de oogen laten draaien, en het zou toch al heel sterk zijn, dat, bijaldien Nicolette een slechten aanleg had, noch ik, noch mijn zuster, die niet tot de meest argelooze lieden behoort, ooit, gedurende al dien tijd dat het meisje bij ons is geweest, iets of 't minste in haar hadden opgemerkt, dat stof tot achterdocht verwekken kon. En dan uw schoonmoeder, en Mw. Van Doertoghe, en Bettemie, en al de dames hier, waren zij niet ieder evenzeer met haar ingenomen? — Voorwaar! zeide ik tot mij zeiven, zij moet of den vader van den logen in de kunst van huichelen

^ „Niemand vervalt zoo maar op eens in 't allerslechtste.quot;

ocr page 54

44

hebben overtroffen, of zij moet onschuldig zijn. — En wat mij in het geloof aan haar onschuld versterkte, was een brief, die mede gedurende mijn ongesteldheid gekomen was, en waarin Donia, die in Den Haag geweest was en die Nicolette, juist op den dag voordat zij het huis van Van Zirik verliet, gezien en gesproken had, mij zeer omstandig een gunstigen indruk schetste, dien zij op hem gemaakt had, en tevens zeer bepaald als zijn gevoelen te kennen gaf, dat zij niet lang onder het dak van Mw. V. Z. moest verblijven. Daarbij herinnerde ik mij, dat uw oordeel over de laatstgenoemde ook niet zoo bijzonder vleiend was geweest; kortom, ik begon de waarheid van haar mededeeling aan Leentje te wantrouwen, en ik dicteerde aan mijn zuster eenige regels aan Van Zirik, waarin ik nadere opheldering verzocht van het mij onbegrijpelijk bericht. Zijn antwoord kwam; — helaas! het was wel geschikt om bij mij allen redelijken grond tot twijfel te doen wegzinken. — Hij ook had eerst niet geloofd; hij had bij de politie geïnformeerd — en het feit bevestigd gevonden; — Nicolette kende dat wijf, bij wie zij haar intrek nam: — en zij is er vrijwillig, op haar eigen verzoek heengebracht.

/[Le vrai peut quelquefois n'etre pas vraisemblable,

zegt de dichter: — en ik zeg: al moet ik het feit als bewezen aannemen, al kan ik noch Van Zirik, noch de Haagsche Politie, verdenken, mij, in een zaak van zooveel gewicht, opzettelijk te hebben willen misleiden, toch voel ik nog gedurig iets in mij, dat de Fransche aardigheid le beau c'est le laid parodieert en mij toeroept: le vrai c'est le faux. En zie! ik ben de eenige niet, die nog, schijnbaar tegen beter weten aan, zoo geen volkomen vrijspraak, dan toch verschooning voor het arme meisje zoekt: — Van Zirik heeft ook aan anderen dan aan mij geschreven: onder dezen aan Donia; en ook Donia twijfelt. „Hier is,quot; schrijft hij mij in een tweeden brief, „een raadsel, vreemder dan dat van de Sphynx, en kon ik thans in Den Haag zijn, ik zou niet rusten, voordat ik de Edipus ware, die het oploste.quot;

ocr page 55

45

En dan is er nog een derde Thomas — ik behoef hern u niet te noemen — uw broeder Maurits. — Ik had wel — ik had haast gezegd mijn beste preek, maar ik zal maar zeggen, omdat die beter in zijn soort is den geheelen voorraad puik Bourgogne-wijn, die Mw. Van Doertoghe mij zond, toen ik Bettemie bevestigd had, er om willen geven, dat de zaak hem niet ter oore ware gekomen. Maar 't kon wel niet anders. Mijn zuster — dit moet ik haar ter eere toegeven, ofschoon het onder de onwaarschijnlijkheden, die zich in deze geschiedenis voordoen, niet de minst onwaarschijnlijke is — heeft gezwegen als het graf: althans, wat de ergste zijde der zaak betreft; want toen de dames hier uit de buurt haar herhaaldelijk vroegen, hoe 't met Mcolette ging en of zij geen tijding van haar had, toen kon zij het toch niet volhouden te zeggen, dat zij niets van haar afwist: en zoo trachtte zij zich er af te maken met te zeggen, dat het meisje, ten gevolge van ongenoegen, het huis van Mw. Van Zirik verlaten had, doch dat zij er geen bijzonderheden van wist en dat ik er misschien meer van zou kunnen vertellen als ik beter was en mijn brieven gelezen had. IJw moeder had dit in een brief aan Maurits medegedeeld: de arme jongen heeft, om dat meerdere te weten, mijn herstel niet willen afwachten, maar aan een vriend in Den Haag, een Luitenant bij de garde geloof ik, geschreven: — en och ja! de vriend heeft hem maar al te goed op de hoogte gebracht. Dit een en ander ben ik te weten gekomen uit een epistel, dien Maurits mij schreef — opgewonden als gij denken kunt. Hij had eerst zijn vriend, in dank voor de moeite, die zich deze gegeven had, een uitdaging willen zenden: toen, in weerwil dat hij geen verlof had, naar Den Haag willen gaan en het schandaal nog erger maken. — Gelukkig is hij tot wijzer gedachten gekomen en heeft zich tot mij gewend; maar ongelukkig weer, dat ik niets meer van 't geval weet dan hij, en hem geen inlichting of troost kan geven. Ik heb hem gebeden, kalm te zijn, en te wachten, tot ik hem iets naders melden kon.

Met dat al, hoe zijn brief ook kenmerken drage van een

ocr page 56

46

verward hoofd en een geschokte ziel, eene plaats daarin heeft mij getroffen, doordien zij zoo volkomen logisch is. Hij herinnert daar het aanzoek, dat hij, twee dagen voor haar vertrek, bij haar gedaan heeft. En nu redeneert hij aldus: een meisje, dat zoo verdorven is, om zich onder de kudde van Mad. M.-A. te begeven, moet zes weken te voren reeds niet veel gestuit hebben; en in dat geval, dan zou zoodanig meisje niet zoo dom geweest zijn, de hand af te wijzen van iemand, die een gravenkroon en een vrij aanzienlijk vermogen aan haar voeten lei. Ik herhaal 't, die redeneering is volkomen logisch; doch wij weten ook dat het hart van een vrouw onoplosbare geheimenissen bevat, en dat meer dan eene, die als een voorbeeld van verstand wordt geroemd, in een oogenblik van boos- en grilligheid de ongerijmdste verkeerdheden begaat. — Ik ken zelfs mans, van wie men hetzelfde melden kan.

quot;Wat echter, bij den eersten opslag althans, een omstandigheid ten gunste schijnt, Nicolette is niet meer in dat huis, zelfs niet in Den Haag; zij is te Amsterdam .... doch, en dit is weer de kwade zijde van 't geval, waar ergens weet ik niet. Ik heb die tijding van Hoogenberg, bij wien zij zich vervoegd had, en die geweigerd had haar te spreken. In den brief, waarin hij mij van een en ander kennis geeft, grondt hij die weigering daarop, dat, aangemerkt de plaats waar zij vandaan komt, geen fatsoenlijk mensch haar meer bij zich ontvangen, ja zelfs geen relatie, van welken aard ook, met haar houden kan. De gevolgtrekking is misschien waar, al is zij hard; — en toch had ik wel gewenscht, dat hij het kind niet zoo bepaald had afgewezen. Mij dunkt, een rechtsgeleerde moest het audi et alteram partem1) niet op die wijze verloochenen. Ook schijnt hij haar adres niet gevraagd te hebben .... doch dat zal men vermoedelijk door de Politie — dat ik alweder de Politie in eenen adem met Nicolette noemen moet — te weten komen. Ik heb op alle goede en kwade kansen haar eenige regels geschreven, zoo koel als 't mij mogelijk was, en haar

') „Hoor en wederhoor.quot;

ocr page 57

47

uitgenoodigd, verklaring te geven van haar gedrag, en die aan Hoogenberg gezonden, met verzoek, ze haar te doen geworden.

Gij zult misschien zeggen, dat ik in deze niet, om zoo te zeggen den eersten stap had moeten doen, maar afwachten, dat zij schreef en berouw toonde of ophelderingen gaf. Ik antwoord, dat de eerste stap van haar gekomen is, en wel, toen zij zich tot Hoogenberg wendde, en wanneer nu iemand, die in stoffelijken of zedelijken zin een hand behoeft, die hem oprichte en hem voor 't zinken behoede, een enkele schrede naar ons toe doet, dan leert ons de christelijke liefde, dat wij er van onze zijde desnoods honderd moeten doen, om hem die hand te reiken. Toen Petrus gevaar liep, te verdrinken, toefde de Heer niet zoolang met zich tot hem te begeven tot hij gezonken was, maar was dadelijk aan zijn zijde.

En nu zit ik weer te tobben — waarschijnlijk is dit een gevolg mijner ziekte ; want een tobber placht ik niet te zijn — over alle mogelijke eventualiteiten. Antwoordt zij niet, dan zal dit een blijk zijn, dat zij den verkeerden weg op is en dien niet verlaten wil. Antwoordt zij wel, en toont zij berouw of bewijst zij haar onschuld, hoe dan in elk geval met haar te handelen? — Maar 't kan ook zijn, dat de nasporingen maar achteloos geschieden en zij niet gevonden wordt. In dat geval ware 't wenschelijk, dat iemand als gij, die meer invloed hebt dan een arme dorpspredikant, en beter bekend zijt met de middelen en wegen, den spoorhonden wat ijver bijzette, en daarom — behalve om honderd andere redenen — zie ik reikhalzend naar uw terugkomst op Klein Harde-stein uit.

Het schijnt, dat de dames van uw kennis hier nu van het geval bewust zijn. Ik maak dit op uit de omstandigheid, dat zij mij nooit naar Nicolette vragen.

Ik hoop, dat Mevrouw Van Eylar een goede uitwerking gevoelt van de baden. In geval plicht en behoefte van mede-deelen u noopt, haar van mijn geschrijf kennis te doen, verzoek ik mijn eerbiedige groete en mijn dank voor de wel-

ocr page 58

48

willende deelneming, die zij betoond heeft in 't geen mij weervaren is. Ik blijf uti seis,

t. t.

Bol.

Van den zelfden aan Nicolette.

Hardestein, den 6den Oct. 184 .

Nicolette!

Uwe plotselinge verwijdering uit het huis van Mevrouw Van Zirik, uw — zoo men stellig verklaart, vrijwillig — vertrek naar een huis van ontucht, en het niet zenden van eenig bericht uwerzijds aan iemand van degenen, die zich tot hiertoe uwer hadden aangetrokken — ziedaar zoovele zaken, die ons even onbegrijpelijk als smartelijk zijn. Kunt gij van uw handelwijze een bevredigende verklaring geven, of, zoo niet, berouw over uw afdwalingen gevoelen, zoo meld het mij j — in het tegenovergestelde geval blijve voortaan alle betrekking afgebroken tusschen u en hem, die er eens zoo grootsch op was zich te noemen

Uw pleegvader Bol.

Van Mr. Willem Hoogenberg aan den predikant G. Bol.

Amsterdam, 7 October 184 .

Amicissime!

Ik heb uw brief ontvangen, met den ingeslotene voor dat meisje, ten opzichte van 't welk gij u beklaagt, dat het audi et alteram partem niet door mij in acht genomen is. Ik wil u daarop niet anders antwoorden dan met een ander gezegde, even tritum et obsoletum '): Ubi rerum tes-

^ „Oudbakken en versleten.quot;

ocr page 59

4:9

tiraonia adsunt non opus est verbis '). Als er een witte kluw garen in een inktpot gevallen is, zult gij dan nog onderzoeken, of die er onbezoedeld is uitgekomen? Is het niet genoeg, dat het meisje in quaestie gedurende eenige weken verblijf heeft in is to lupanare 1), om de overtuiging te hebben, dat iemand, die eenigen prijs stelt op het karakter, dat hij bekleedt, zich niet meer met haar kan inlaten ? Het spijt mij, dat gij aan haar geschreven hebt; want wat zal 't geval zijn, indien uw brief in hare handen komt? — Dat gij een prachtig verhaal zult krijgen, waarin zi] zal zoeken te betoogen, dat zij zoo rein en ongerept in en uit den poel des verderfs is gekomen als wijlen de heilige Theodora. Wat, behalve andere dingen, de dochters van Eva in zulke lokalen in de perfectie leeren, is, de ongerijmdste en brutaalste leugens voor waarheid te doen slikken, en dat alleen aan lichtgeloovige domkoppen, maar zelfs aan wie zich tegen haar op zijn hoede waant. Ik heb nogal ondervinding van menschen opgedaan: ik heb rasphuisboeven gekend, slim als Ulysses en welbespraakt als Demosthenes, en kooplieden, die niet naar 't rasphuis gingen, doch 't beter nog verdienden dan voormelde boeven, en die niet minder bij de hand waren dan zij, en ik heb ze hun baan hooren schoonmaken, dat zij een mensch per slot nog zouden vervoeren, hun zijn geheel vermogen toe te vertrouwen; — en ik durf zeggen, tegen dezulken op mijn hoede te zijn; — maar laat de beruchtste vrouw van Europa, van wier uitspattingen al de couranten gewaagd hebben, bij mij komen en mij haar apologie voordragen dan sta ik er volstrekt niet voor in, dat ik, de koude, droge, stoere Kat-uil, dien gij vanouds kent, niet nog eindigt met voor zoeten koek op te eten wat zij mij blieft op te disschen, en, als Don Quichot, strijd te voeren tegen al wie maar 't geringste kwaad durft spreken, niet alleen van haar, maar zelfs van haar schoothondje of van haar nachtmuts. Als een eerlijke vrouw een klein leugentje om

1

) „In dat bordeel.

IV. - K. Z. 4

ocr page 60

50

bestwil zegt, verraadt zij doorgaans zich zelve; maar is zij eens den verkeerden weg op, dan brengt elke nieuwe stap haar verder in de misleidingskunst: — en daarom is 't maar 't verstandigst wat men doen kan, zich niet aan een onderhoud met haar te wagen, de brieven, die zij schrijft, niet te lezen en er vooral geene uit te lokken.

Hoe 't zij, ik heb voldaan aan een deel van uw verzoek, en naar het adres van die prinses geïnformeerd. Zij staat thans, naar ik verneem, onder de protectie van een knappen jongen, die .... zonderling genoeg, nietwaar ? . kantoorbediende is bij mijn neef, J. Bleek, haar (voormaligen) pleegvader. Mijn neef zal ik daar echter niet in moeien: 1°. omdat hij zich harer toch niet aantrekt: 2°. omdat ik het onkiesch zou achten hem de fredaines van zijn bedienden te gaan vertellen: 3°. omdat ik met gezegden neef juist niet op den aangenaamsten voet ben en alle aanraking met hem zooveel mogelijk vermijde.

Begeert gij nu nog, dat ik den brief aan de deerne zende? Ik herhaal, dat ik het afkeuren zou, als gij den eersten stap deedt en niet liever afwachttet, dat zij u schreef. — Hoe denkt Eylar er over?

Steeds van harte. Q. N.

Antwoord van Bol.

Hardestein 9 October.

Amice!

Het bericht, dat gij mij mededeelt, bedroeft mij zeer; doch na de ontvangst daarvan moet ik wel aannemen, dat gij gelijk hebt. Indien het meisje of geene schuld, of eenig berouw had, zou zij mij schrijven, daar ben ik zeker van. Ik doe dus wellicht beter, mijn bijzondere neiging op te offeren, en niet te schrijven; en ik machtig u, mijn brief op 't vuur te gooien. Maar toch legt de eenmaal zoo plechtig gemaakte afspraak

ocr page 61

51

ons de verplichting op, te beraadslagen, hoe nu verder te haddelen. Eylar zal weldra terug wezen, en dan moeten wij omtrent de zaak een besluit nemen. Vale et amare perge

1.1.

G. Bol.

VIJFDE HOOFDSTUK.

waar N0. 813 beland was.

Doch waarom schreef Nicolette niet aan Bol? Deze vraag zullen mijn lezers waarschijnlijk evenzeer doen als hij zelf die deed.

Het antwoord is zeer eenvoudig; Nicolette had, den dag na haar komst ten huize van de Wed. Hermans, een zeer omstandig verhaal van haar lotgevallen opgesteld, en tot den predikant gericht. Albert Hermans zelf had dien brief op de post gedaan ; maar 't scheen of er een vloek lag op de correspondentie tusschen haar en Dominee. Wel was de brief behoorlijk te Hardestein aangekomen; doch daar hadt Hendt de besteller, de vermaningen niet indachtig, die hij meer dan eens van Bol gekregen had, weer, loffelijker gewoonte, verkozen, zijn gemak te houden ten huize van vrouw Reinierse en de bezorging dei-gekomen brieven op te dragen aan zijn zoon. Jantje had op zijn wandeling door 't dorp eenige kameraadjes ontmoet, die zich vermaakten met centen in 't potje te werpen, en, van nature evenzeer aangetrokken door speelzucht als zijn vader door pijp en glas, had hij niet kunnen weerstaan aan den lust om zich in gezegde aangename oefening te mengen. De grap koste hem vijf centen, die hij er bij verloor; doch 't bleek later, dat hij een erger verlies geleden had. Toen het spel geëindigd was, en toen hij, na 't rondbrengen van eenige der hem toevertrouwde brieven, in de buurt der pastorie kwam en ook dien voor Dominee uit zijn tasch wou halen, kon hii

ocr page 62

dien niet vinden, 't Was vruchteloos, dat hij den weg terugliep, dien hij gekomen was en langs den grond keek: nergens was de brief te bespeuren. Ik moet er bij zeggen, dat hij niet zoo nauwkeurig zocht als hij wel had behooren te doen. Immers, hij vreesde, dat, zoo hij zich links en rechts bukte of op andere wijze aan den dag legde dat hij iets kwijt was, zulks de aandacht van dezen of genen voorbijganger, of van eenigen, uit huis of tuin naar hem kijkenden opmerker, trekken zou, en hij zou om den dood niet hebben gewild, dat zijn achteloosheid aan iemand ware bekend geworden. Hij liep dus maar recht voor zich uit, denkende, die brief zou hem van zelf wel in 't oog vallen. Dit gebeurde echter niet en onze maat zat er deerlijk in; niet alleen om het pak slaag dat hij van zijn vader te wachten had, zoo de zaak uitkwam, maar ook, omdat hij zeer goed wist, hoe zijn vader, door hem de brieven toe te vertrouwen, eigenlijk tegen de bestaande instructies handelde, en deswege reeds meer was onderhouden geworden; zoodat het wegraken van een brief op deze wijze hem stellig schorsing, misschien het geheele verlies van zijn bestellersambt zou kosten. Hij achtte het daarom best, maar niet van den brief te reppen, wat hij te gemakkelijker kon doen, omdat Hermans dien — al te welwillend — gefrankeerd had, en hij alzoo geen geld had te verantwoorden. Dominee kreeg zooveel brieven, dacht hij, hij zou dezen niet missen, en, kwam het later uit, dat er een brief weg was, dan zou het nog te bewijzen staan, dat zulks aan hem was te wijten geweest. En zoo gebeurde het, dat Bol, niets van Nicolette hoorende, meer en meer tot de overtuiging komen moest, dat zij niet verkoos iets van zich te doen hooren, 't zij uit besef van alle gunst onwaardig te zijn, 't zij uit onverschilligheid, — en dat zij, van haar kant, niets vernemende, de treurige gevolgtrekking daaruit opmaakte, dat hij haar verhaal voor een verdichten roman hield, en, evenmin als Hoogenberg, iets van haar weten wilde. Men kan zich voorstellen, hoe deze gedachte het arme meisje moest grieven. Zij had dan nu ook den moed niet meer, een nieuwen stap bij een harer pleegvaders te doen, en zelfs

ocr page 63

53

Juffw. Hermans, bij wie zij haar hart uitstortte, raadde haar dit af. Misschien deed die daar verkeerd aan; doch van haar standpunt was het natuurlijk en verschoonbaar. Zij had, zoo dikwijls zij zelve zich gewend had tot anderen, zelfs tot bloeden aanverwanten zooveel miskenning te verduren gehad, dat zij natuurlijk Nicolette niet aan een gelijke behandeling wilde blootstellen. „Ik weet, hoe het dan gaat,quot; dacht zij: „die heeren hebben gehandeld met dat meisje als een kind met een pop. Het is een tijdlang heel aardig, zoo'n pop te kleeden en op te schikken en er zich mee te vermaken; maar daar is de pop, die 't niet helpen kan, in de modder gevallen, en in plaats van nu te zorgen, haar weer schoon en opnieuw vertoonbaar te maken, vindt men haar niet mooi meer en wil men er niets meer van weten. — En 't is maar beter,quot; dacht zij er dan bij, met verschoonbaren trots, „dat het meisje zich van iedereen onafhankelijk maakt, zich zelve haar weg baant, en op die wijze beschaamt al wie iets op haar te zeggen heeft.quot;

Ter bereiking van dit loffelijke doel waren reeds van den eersten dag de beide vrouwen in overleg getreden en hadden zij de noodige maatregelen in 't werk gesteld. Ten gevolge van haar erkende bekwaamheid en van haar veeljarige betrekkingen tot de groote winkeliers, had de Wed. Hermans altijd werk in overvloed, ja kreeg zij bijwijlen meer dan zij afkon; een goede helpster was haar dus niet onwelkom, en een zoodanige vond zij in Nicolette, die, als reeds vroeger gezegd is, in al de geheimenissen der borduur-, haak- en andere dergelijke kunsten was ingewijd. Er werd alzoo goedgevonden, dat het jonge meisje den arbeid zou verrichten, die haar werd opgedragen, en daarvoor den kost, en voorloopig de inwoning zou genieten. Van loon kon nog geen sprake zijn, omdat Nicolette beginnen moest, zich zelve in de kleeren te steken, en alzoo, eer zij veel tijd aan een ander werk besteden kon, het be-noodigde voor zich zelve afmaken moest, en hoe vlug en handig zij daarbij te werk ging, er verliepen altijd eenige dagen, eer zij daarmede gereed was.

ocr page 64

54

Was de Wed. Hermans in den aanvang er een weinig bezorgd over geweest, hoe de verhouding tusschen haar zoon en Nicolette wezen zou, zij was op dat punt spoedig gerustgesteld. Albert was tegenover het jonge meisje vriendelijk en verplichtend: hij schertste met haar, plaagde haar en liet het zich wederkeerig van haar doen, doch dat ging alles van weerszijden zoo luchtig en ongedwongen, dat alle denkbeeld van verliefdheid er bij vervallen moest. Dit kon niet anders dan groot genoegen doen aan de weduwe, die, hoe verstandig zij ook wezen mocht, en hoe weinig voor zich zelf naar een hooger positie strevende, toch, als moeder voor haar zoon van een, zoo niet schitterend, althans voordeelig huwlijk droomde. En toch, naarmate zij, door den omgang met Nicolette, deze beter leerde kennen en liefkrijgen, waren er oogenblikken, waarin zij dacht, dat haar zoon wel slechter keuze zou kunnen doen. Zij voor zich zelve begon al op te zien tegen het tijdstip, dat het jonge meisje haar verlaten zou, en toch zag zij in, dat Nicolettes verblijf bij haar niet dan tijdelijk wezen kon, wilde het geen aanleiding tot opspraak geven. Wat zou zij wel gezegd hebben, indien zij den brief van Hoogenberg had kunnen zien, en daaruit vernemen, welke kleur de Politie goedgevonden had aan dat verblijf te geven! — Intusschen, al mocht niet alleen zij, maar ook Nicolette zelve, die zich verweet, dat zij tot overlast strekte, zich herhaaldelijk vragen, waar laatstgemelde voegzaam heen zou trekken, de oplossing dier vraag was niet gemakkelijk te vinden.

Er waren nu ongeveer veertien dagen verloopen, sedert dat Nicolette op het bovenhuis van Juffw. Hermans logeerde, toen in dat bovenhuis een gewichtige gebeurtenis plaats greep — te weten de maandelijksche groote schoonmaak der huiskamer. In zulke omstandigheden was de weduwe wel gedwongen, zich op de kamer van haar zoon te onthouden, wat gelukkig geschieden kon, zonder dezen veel ongerief te veroorzaken, dewijl hij het grootste gedeelte van den ochtend op het kantoor doorbracht, ja zelfs er tegenwoordig dikwijls tot laat in den avond verbleef; immers, de Heer Bleek had hem, behalve

ocr page 65

zijn gewone werkzaamheden, daar nu de boekhouder ongesteld was, ook het werk van dezen tijdelijk opgedragen: een bewijs van vertrouwen, dat de jongeling op prijs stelde en waar zijn moeder niet weinig hoovaardig op was. Hij was dan ook nauwelijks, na afloop van het ontbijt, derwaarts vertrokken, of de beide vrouwen, wel beladen met het werk van den dag, begaven zich naar het sanctum sanctorum ').

„Nu niet rondkijken, Klaasje!quot; zeide de weduwe, toen zij er gekomen waren: „je moet denken, 't is de kamer van een jongen heer.quot;

„Wel!quot; zei Nicolette, terwijl zij een stoel bij de tafel trok en haar werk voor zich neerleide: „ik moet zeggen, zij ziet er knapper uit dan ik verwachtte, zelfs van den deftigen en ge rangeer den Mijnheer Albert.quot;

En inderdaad, de kamer verdiende de lofspraak, die zij er aan gaf. De wit neteldoeksche gordijnen van het ledikant waren behoorlijk dicht, de garderobe achter een groen saaien gordijn geborgen, het waschtafeltje met een handdoek overdekt, de tafel geruimd, en wat daarop gestaan had, als het schrijfgereedschap, de lamp enz. op de latafel gezet, en nergens eenig zwervend kleedingstuk, als vest, das, laars, enz., op of onder eenig meubel te bespeuren. Men mag ook aannemen, dat Albert, welke eer zijn kamer dien dag genoot, gezorgd had, die voor zijn vertrek wat op te knappen, en dat zijn moeder, die vroeg boven geweest was, hem daarin de behulpzame hand geboden, en het oog er bij had rond laten gaan.

„Nietwaar?quot; vroeg Juffw. Hermans, in antwoord op den lof, door Nicolette aan het knappe voorkomen van de kamer gegeven: „maar,quot; voegde zij er schertsende bij, „nu doe je juist wat ik je verboden heb, en je kijkt rond.quot;

„Dat is onwillekeurig,quot; zei Nicolette: „en ik beloof u, dat ik mijn oogen niet meer zal oplichten van dien Circassiër, waar ik aan bezig ben, en die dan ook mooi genoeg is om bekeken te worden.quot;

') „Het heilige der heiligen.

ocr page 66

56

Maar zie, daar verbrak zij terstond haar belofte, en, een quot;weinig tot ergernis van de weduwe, sprong zij op en liep naar de latafel, om een teekening, die daarboven, in een bruin lijstje achter glas, aan den wand hing, te bekijken.

Was Juffw. Hermans verbaasd over die plotselinge handeling van Nicolotte, deze was nog wel anders verbaasd geweest, toen zij, onder 't afleggen van haar belofte om voor zich te kijken, een laatsten blik om zich heen geworpen, en gemeend had, de teekening, waar die blik op viel, te herkennen, en, nu zij die van nabij zag, haar meening bevestigd vond. Die teekening was het nquot; 813, de extra-prijs op de fancy-fair, waarvan de winner, de houder van nl). 1071, onbekend was gebleven.

„Hoe is 't?quot; vroeg de weduwe: „heeft die teekening zulk een bijzondere aantrekkelijkheid voor je?quot;

„Wel! dat is de teekening van Bettemie!quot; riep Nicolette: „die heb ik haar zien maken.... Nu! die had ik hier niet verwacht.quot; En opeens, daar sprongen, bij al de herinneringen, door die teekening opgewekt, haar de tranen in de oogen.

„Die teekening.... o ja! nu begrijp ik het,quot; zei Juffw. Hermans: 't was dom van mij, dat ik daar niet op zon: je waart ook op die fancy-fair, waar die is verloot geworden.quot;

„Ja, daar was is ook,quot; zei Nicolette, met een zucht: „vergeef mij, maar het zien van die teekening brengt mij zooveel voor den geest.... Kom, ik wil daar niet meer aan denken en maar vlijtig aan 't werk gaan. Je moet mij intusschen toch eens vertellen, Juffrouw, hoe die extra-prijs hier is verzeild geraakt.quot;

„Nietwaar!quot; hernam de weduwe: „dat is vrij toevallig. Je moet dan weten, dat dokter Van Zevenaar mijn medicus is .. . .quot;

„Welzeker weet ik dat,quot; viel Nicolette in: „toen ik nog een kleine meid was, en toen je die ziekte kreegt. Juffrouw, ben ik het nog geweest, die hem ben loopen halen, omdat hij bij Vrouw Ruffel praktizeerde en mijn pleegvader was bovendien.quot;

„Dat is waar ook,quot; zeide de weduwe: „hij was uw pleeg-

ocr page 67

57

vader.... hoe is 't mogelijk, dat ik daaraan niet vroeger gedacht heb?.... en waarom heb je je niet tot hem gewend?quot;

„Och! ik had geen moed meer, mij tot iemand te wenden,quot; antwoordde Nicolette, met een zucht.

„Ja, ik begrijp u, arm kind!quot; hernam Juffw. Hermans: „en ik zelve zou u niet door mijn raad aan een nieuwe vernedering willen blootstellen; — maar wellicht kan ik.... wel!quot; vervolgde zij, ziende, dat Nicolette treurig het hoofd schudde: „wij zullen die snaar maar niet meer aanroeren. Waar was ik ook met mijn verhaal gebleven? O ja! — ik ben er al — Dr. Van Zevenaer dan was mij zijn hulp blijven schenken, zoo dikwijls ik die nog noodig had; en dewijl hij mij in den beginne voor niet bediend en later altijd heel schappelijk met mij gehandeld had, moest ik wel mijn dankbaarheid op mijne manier toonen, door hem, nu eens een beurs, dan weder een lampekleedje of iets anders, te maken. Zoo verzocht ik hem op 3 Juni jl., toen hij jarig was, een paar pantoffels van mij aan te nemen; „wacht,quot; zeide hij, toen hij mij bedankt had, „dan wil ik u ook iets vereeren: hier heb ik een dozijn loten, die men mij gezonden heeft om te debiteeren voor een nuttig doel. Ik wil er u twee van geven, één voor u en één voor uw zoon; dat spaart mij alweer de moeite om iemand te bepraten, die ze neemt. Daar heb je ze, en geluk er mee.quot; — Ik nam ze aan, gaf er een aan Albert en hield het andere voor mij. Eenigen tijd daarna hield zijn rijtuig voor mijn deur stil, en verzocht hij mij, onze loten te zien. „Dat komt uit,quot; zeide hij, toen ik ze hem overhandigde: „op nquot;. 1070 is een niet gevallen: — en op n0. 1071 een kapitale prijs, te weten een teekening, die heel mooi moet wezen en 't werk is van mijn wakkere vriendin Bettemie Van Doertoghe. Als ik nu het lot heb zal ik den prijs laten komen.quot; — Ik voldeed natuurlijk aan het verzoek, hoewel ik maar half in mijn schik was: 't hinderde mij, iets, dat van de zijde der Van Doertoghes kwam, te ontvangen; en ware het zoowel mijn lot als dat van Albert geweest, ik had misschien verzocht, dat men de teekening maar liet waar zij was. Dat is dan ook de reden,

ocr page 68

58

dat, toen zij kwam, Albert haar bij zich op de kamer nam, in plaats van haar in onze zitkamer te hangen; trouwens 't was zijn eigendom, en hij kon er dus mee handelen naar verkiezing. — Maar 't is wel wat jammer, dat ze niet te land is gekomen bij iemand, die er een betere plaats aan geven kon; want hier ziet niemand er iets van, en de teeke-ning is mooi, dat moet ik bekennen, en wel waard bezien te worden.quot;

„De teekening is als de vervaardigster,quot; merkte Nicolette aan, „waard gezien en gekend te worden. Het spijt mij maar, lieve Juffrouw, dat je Bettemie naar de overige leden van haar familie beoordeelt.quot;

„Ik beoordeel haar volstrekt niet,quot; zei Juffw. Hermans, „en veelmin zou ik iets ten haren laste willen zeggen of aan-hooren. Ik geloof gaarne, op uw getuigenis, dat zij rijk is in uitnemende hoedanigheden. Maar onze wegen zijn gescheiden en moeilijk zouden die ooit weer ineen kunnen loopen. Misschien zou het met Albert beter kunnen gelukken, weder de plaats in te nemen waar hij behoort, maar zijn gezicht wordt nog donkerder dan het mijne, zoo dikwijls hij den naam van Van Doertoghe hoort.quot;

Nicolette zweeg: zij betreurde, al kon zij het eenigermate verschoonen, het vooroordeel, dat, bij twee rechtschapen menschen als Albert en zijn moeder, tegen hun rijker bloedverwanten bestond, en vooral, dat Bettemie daarbij betrokken was; doch zij oordeelde wijzer, het onderwerp niet verder aan te roeren.

Toen echter dienzelfden avond het drietal in de nu schoongemaakte huiskamer zat, kwam, even voordat men naar bed zou gaan, Juffw. Hermans er zelve op terug.

„Klaasje heeft een oude kennis van haar op uw kamer teruggevonden, Albert!quot; zeide zij.

En inderdaad, 't was, als zijn moeder gezegd had, zijn gelaat werd bewolkt.

„Ik versta u,quot; zeide hij: „de teekening van Juffrouw Van Doertoghe.quot;

ocr page 69

59

„Nu, als je die teekening verveelt,quot; hervatte de weduwe: „dan weet je, aan wie je die kwijt kunt raken.quot;

De goede vrouw was met haar werk bezig en had, terwijl zij dit zeide, Albert niet aangezien; maar wel had Nicolette dit gedaan en tot haar verbazing bespeurd dat hij verbleekte.

„Hij moet dan een geweldigen hekel aan die Van Doer-toghes hebben,quot; dacht zij: „wie weet, als het hem bekend ware geweest, wie er te Hardestein in de lage chaise zat, of hij ons niet stil had laten voorthollen, in plaats van zich zoo dapper in de weer te stellen.quot;

„Zou Juffrouw Klaasje er waarlijk op gesteld zijn, die teekening te bezitten?quot; vroeg Albert.

„Mij dunkt,quot; zei Mcolette, „de teekening kon in geen beterhanden komen dan in de uwe. Het toeval heeft u tot den paladijn gemaakt, die Bettemie voor een gebroken arm of een gebroken nek bewaarde, en het toeval beloont uw heldendaad, door het werk, dat hare handen gemaakt hebben, in de uwe te spelen. — Daar ligt iets providentieels in, en daar zou je, dunkt mij, tegen handelen, door je van die teekening weer te ontdoen.quot;

„Denk je waarlijk?quot; vroeg Albert, met een peinzend gelaat. — „Nu, inderdaad, ik geloof, dat je gelijk hebt, en ik zal er althans nog eens over denken, eer ik ze weggeef.quot;

Hiermede was het gesprek afgeloopen, en, vroeger zelfs dan gewoonlijk, had Albert zich naar zijn kamer begeven. Daar gekomen, sloot hij de deur achter zich dicht, zette zijn blaker op de latafel en ging met gekruiste armen voor de teekening van Bettemie staan.

„En men zou willen, dat ik van u afstand deed,quot; zeide hij, met een hoorbare stem, die langzamerhand al minder en minder luid klonk, zoodat het slot der volgende alleenspraak niet gesproken, maar gedacht werd: „van u, die mij de Hemel gezonden heeft tot mijn vreugde en troost, van u, het werk van hare handen! Helaas! en toch zou de rede aanraden, dat ik mij ontdeed van dat voorwerp, dat mij harer herinnert en voortdurend voedsel geeft aan mijn dwazen liefdegloed. Dwaas,

ocr page 70

60

ja, belachelijk dwaas; want wat kan er ooit uitstaande zijn tusschen den armen Albert Hermans en dat pronkjuweel der schepping, dat men Bettemie Van Doertoghe heet? — Waarom heb ik haar gezien, haar, de schoonste onder de schoenen? waarom heeft zij, de engel, mij haar hand gereikt, die ik, onwaardige, heb durven aangrijpen en waarvan ik nog den druk voel, dien druk, die als een electrieke schok mij door 't lichaam, neen, door de ziel voer, en in dat eene oogenblik in mijn geheele wezen een omwenteling teweegbracht, die mij voor eeuwig tot haar slaaf maakte. O Bettemie! Bettemie! al roept iedereen wraak over dien leelijken naam, ik ken er geen, die mij meer bekoort; en als ik sterf, zal hij van mijn lippen weerklinken. — Maar tot dien tijd gezwegen! — het geheim dier dwaze liefde in de binnenste schuilhoeken van mijn hart gesmoord: — niemand mag het gewaarworden, niemand, vooral mijn goede moeder niet. — 't Is mij een schrikkelijk denkbeeld, bij haar, voor wie ik nooit iets verborgen hield, mijn hart niet te kunnen uitstorten! en toch, ik mag haar geen deelgenoot maken van mijn kwelling. Haar te bekennen, dat het voorwerp van mijn hartstocht eene Van Doertoghe is, ware evengoed als haar een mes door 't hart te stooten. En zelfs, al ware er nooit iets tusschen haar en haar familie gebeurd, waar zou een zoodanige openbaring toe dienen, dan om haar verdrietig te maken, bij 't besef, dat zulk een liefde tot niets leiden kan? 't Spreekt toch immers wel van zelf, dat de rijke erfgename nimmer haar hand zou schenken aan den armen verworpeling, wien men zelfs het recht op zijn vaders naam betwist. — Zoo iets ware immers te ongerijmd, te bespottelijk! Neen! neen! dat moet ik voor mij alleen houden, eer men mij rijp keure om naar 't krankzinnigenhuis gezonden te worden.quot; En halfluid neuriede hij het bekende refrein:

Je t'aimerai; mais je saurai me taire.

„Ja, zwijgen zal ik — en mij ochtend en avond verlustigen in die teekening, en mij zalig achten, als ik enkele reizen, bij 't uitgaan der kerk of op straat, u langs mij heen zie gaan —

ocr page 71

61

al herkent gij mij niet meer, al hebt gij mij lang vergeten, dan ben ik toch dankbaar en gelukkig.

„En toch, het is hard! quot;Want ware alles gelijk het wezen moest, met evenveel recht als een ander zou ik mij in den kring bewegen, waarin zij schittert: een naam dragen, waarop geen smet van bastaardij geworpen werd, en met het vooruitzicht op het bezit van een kolossaal vermogen. Zijn er dan geen middelen te vinden, om die smet uit te wisschen en het huwlijk tusschen mijn ouders, aan de wettigheid waarvan in Engeland niemand twijfelt, ook hier als wettig te doen beschouwen? En zou die wrevelige grijsaard, tot wien mijn patroon mij onlangs zond, en 't hooren van wiens naam mij zulk een schok gaf door 't geheele wezen, tot zijn dood volharden in zijn afkeer van zijn schoondochter! Zie! 't was gelukkig, dat Klaasje juist zich hier bevond, toen ik thuis kwam: ik had anders gewis mij niet kunnen weerhouden aan Moeder te vertellen, dat ik mijn grootvader gezien en gesproken had: — en toch, zij wil zijn naam niet hooren, zij heeft mij eenmaal plechtig doen beloven, nimmer bij dien onbarmhartigen man een enkelen stap te doen om zijn gunst voor mij in te roepen. — Nu! dat ik gelukkig niets van die ontmoeting gezegd heb is te danken geweest aan de tegenwoordigheid van Juffrouw Klaasje, die mij de gelegenheid heeft verschaft om mijn kalmte te herkrijgen, en zoo moeder nog iets aan mij gemerkt heeft, de waarheid heeft zij toch niet kunnen gissen. — Neen, van dien stuurschen Nabal af te bedelen wat mij naar recht zou toekomen — ziedaar wat ik, ook al stuitte het haar niet, van mij zeiven niet zou kunnen verkrijgen. — Maar de wettigheid van het huwelijk — ziedaar een ander punt: dat geldt de eer mijner moeder, en er moet, er zal een middel gevonden worden om die te herstellen. — Ik moet daar eens een advocaat over raadplegen; — en dan .... Helaas! al gelukt het hem, die zaak in orde te brengen, 't zal mij 't recht geven, mijn vaders naam te dragen, maar aan de hand van Bettemie zal het mij toch niet helpen. — Ik zal toch altijd, in het oog dier trotsche aristocraten, de nederige kantoorbediende blijven, die, uit een

ocr page 72

mésalliance gesproten, geen naam voert, waard om met dien van Doertoghe verbonden te worden, en geen fortuin bezit, om het min deftige van den naam te vergoeden. Neen! neen! geen dwaze luchtkasteelen gebouwd. Het is niet voor mij, dat er een Bettemie bestaat, en ik zal mij in mijn lot moeten troosten.quot;

Hier werd deze alleenspraak, of beter gezegd deze overpeinzing, gestoord door een kissend geluid, dat de kaars maakte, als ter waarschuwing, dat zij weldra in de pijp zou branden: en, zich half schamende, dat hij zoolang had toegegeven aan zijn gemoedsaandoeningen en daardoor de gepaste zuinigheid had uit het oog verloren, haastte hij zich, zich te ontkleeden, den domper op het licht te zetten, en te beproeven of hij in den slaap vergetelheid zou vinden van de liefdesmart, die hem kwelde.

ZESDE HOOFDSTUK.

ALLEDAAGSCHE DINGEN.

Bettemie had wel degelijk Albert herkend, en zelfs nog vroeger dan hij haar, had zij hem in 't oog gekregen, bij hun ontmoeting aan de deur der Amstelkerk, waar hij heengegaan was, niet, omdat hij op de preeken van Ds. Rulleveld gesteld was, als zijn moeder zich een tijdlang verbeeld had, maar omdat hij wist, dat zij gewoon was daar te komen: — en zij, van hare zijde, had zich verbeeld, dat hij haar niet herkende, 't Is waar, dat zij den innigen, smartelijken blik niet gezien had, waarmede hij haar had nageoogd. — Evenzeer had zich de jongeling vergist, toen hij waande, dat zij hem lang vergeten was; want zij was het geweest, die, toen zij, bij haar komst te Amsterdam, van haar vriendin Ernestine de narichten bekomen had, welke zij haar verzocht had omtrent de weduwe Hermans te nemen, aan deze laatste de vijfhonderd gulden gestuurd had, waarover vroeger gesproken is. Dat die gift zoo

ocr page 73

63

aanzienlijk was geweeet, had zijn grond grootendeels gehad in haar zucht om aan de vrouw, van welke Nicolette haar zooveel goeds verteld had, de onheusche behandeling te vergoeden, op Doornwijck ondervonden, alsmede in hetgeen Bol eens gezegd had omtrent den ongunstigen toestand, waarin zij, die wat nieuws uitdenken, verkeeren, in tegenstelling met degenen, die het uitgedachte exploiteeren; maar toch ook de dienst, haar door Albert bewezen, was daarbij in aanmerking gekomen, en zij kon niet nalaten, zich zijn voorkomen te herinneren, hoe fler en wakker hij zich daar op den weg bij Hardestein gedragen had, hoe waardig en toch bescheiden zijn houding tegenover haar geweest was, en hoe lief en teerhartig hij zich jegens zijn moeder had betoond. Ja zelfs zijn helder stemgeluid klonk haar bijwijlen nog in de ooren, en dan was het haar telkens, alsof zij dat vroeger nog eenmaal, en wel in een gewichtig tijdperk haars levens, vernomen had; doch waar, dat kon zij zich niet te binnen brengen. Niemand denke, dat het bij die herinnering in de verste verte bij Bettemie opkwam, dat iemand als Albert een geschikt echtgenoot voor haar zou kunnen zijn. Wij hebben haar genoeg leeren kennen, om haar van allen dwazen hoogmoed vrij te spreken; doch zelfs maar even na te denken over de mogelijkheid van te verlieven op den zoon van een Juffrouw, die borduurde voorden kost, zou zij toch strijdig geacht hebben met alle betamelijkheid.

Maar daarenboven had zij andere dingen in 't hoofd, zoo niet in 't hart. De lezer zal wellicht nog niet vergeten zijn, dat zij op dien onrustigen avond van de fancy-fair aan Drenkelaer beloofd had, over zijn verzoek bedaard na te denken en hem de slotsom dier overdenking mede te deelen. Haar ongesteldheid en daarop haar vrij overhaast vertrek naar Amsterdam waren oorzaken geweest, dat zij hem niet had teruggezien, maar tevens, dat zij niet tot bedaard overleg in staat was geweest. Men zou zeggen, zij had daartoe nu alle gelegenheid ruim gehad, en toch, het doet ons leed het te moeten zeggen, de anders van nature zoo kloekberaden

ocr page 74

64

Bettemie was deze reis geheel besluiteloos. Een omstandigheid, op zich zelve zeer onbeduidend, maar die dit niet was in verband met overige zaken, en die, vooral door het geheimzinnige, dat er aan verbonden was, wel geschikt was om indruk op haar te maken, had gestrekt, om haar reeds eenigermate geschokt zenuwgestel in spanning te houden, 't Was een week of wat na haar terugkomst te Amsterdam, dat zij, op zekeren avond, zich naar haar slaapvertrek hebbende begeven, en bezig zich te ontkleeden om naar bed te gaan, op haar kaptafel een rond kartonnen doosje vond liggen, dat zij niet kende. Op haar vraag aan de kamenier, die haar hielp, wat dat voorwerp was, antwoordde deze, het evenmin te weten; zij had, zeide zij, het doosje, dat in een papier gewikkeld was, gevonden onder 't goed, dat de Juffrouw van Doornwijck had meegebracht; zij had het eerst op den schoorsteenmantel neergezet, en er toen niet meer aan gedacht; maar nu dien avond het terugziende en daaruit opmakende, dat de Juffrouw het ding vergeten had, had zij „de vrijheidquot; genomen, het uit het papier te nemen en op de „tolettafelquot; te zetten.

„O! ik herinner mij, wat het is,quot; zei Bettemie; 't moet het doosje zijn, dat ik op de loterij bij Mw. Van Hardestein getrokken heb,quot; en dewijl zij juist bezig was, de strikken van haar nachtgewaad vast te maken, en dus de handen niet vrij had, dacht zij voor 't oogenblik niet verder aan dat voorwerp.

Toen nu echter de kamenier haar een gerusten nacht ge-wenscht had en vertrokken was, en Bettemie, zich gereedmakende om naar bed te gaan, het waslicht opnam, dat op de kaptafel stond, viel haar oog weder op het doosje. Half onwillekeurig nam zij het in de hand.

„'t Is toch zwaar,quot; dacht zij; „'t is, of er nog iets in zit.quot; Meteen lichtte zij het kartonnen deksel op en zag, dat inderdaad het doosje nog een ander voorwerp bevatte, in vloeipapier gewikkeld. Zij haastte zich, dit los te maken; en wat zij nu in de hand hield, was niets anders dan .... de toover-flacon van Lea, de dochter van Izaak ben Manasse.

Hoe kwam dat kunststuk in dat doosje? Had Drenkelaer

ocr page 75

65

het, ter voldoening aan het verzoek van Mw. Van Hardestein, toch voor de fancy-fair afgestaan? — Maar in dat geval zou het afzonderlijk, onder de andere snuisterijen, verkocht, en niet in dat leelijke doosje zijn verdwaald. — En dan nog zou men al aan een bijzondere grilligheid van 't lot moeten gelooven, om te kunnen aannemen, dat een louter toeval het juist in hare handen had gespeeld. — Drenkelaer moest het in de doos gedaan hebben, dat was zeker; doch hoe kon Drenkelaer vooruit weten, dat zij die doos zou trekken? Of was de flacon nu eerst sedert kort in de doos gestopt, en moest zij aan geheime verstandhouding tusschen hem en een der dienstboden gelooven? — Maar ook dat was niet denkbaar: hoe wilde hij, van Marlheim uit, iemand, die ten huize van Van Bassen te Amsterdam diende, tot zoo iets overhalen? Bovendien, zij herinnerde zich zeer goed, dat, toen zij het doosje uit handen van Maurits ontving, het toen reeds haar zwaarder voorkwam, dan een ledig doosje zijn kon.

Al deze vragen en gissingen deden zich voor 't oogenblik niet dan verward voor haar geest op, zonder dat zij er over door kon denken, zoo geheel was zij verdiept in de beschouwing van 't voorwerp, dat zij in de hand had en waarvan het terugzien haar een kille huivering door al de leden had verwekt. Stil en onbeweeglijk bleef zij er op staren, en kon niet nalaten, met een snelle beweging, den stop van den flacon af te draaien en dezen aan den neus te brengen, als om zich te vergewissen, of hij al dan niet, als de vorige reize, met eau de Cologne gevuld was. Gevuld was hij, ja: maar niet met eau de Cologne: de geur die er uit opsteeg, was fijner, meer aromatisch, onbeschrijfelijk zacht en aangenaam, maar tevens van bedwelmenden aard, zoodat Bettemie zich haastte, den stop weer op het fleschje te zetten. Doch nu dreef een vermogen, sterker dan alle wilskracht, haar aan, om het gouden klepdeurtje open te slaan en nogmaals de oogen te vestigen op het geheimzinnige plaatje daarachter. En nu! bedroog zij zich of was het werkelijk zoo? De oppervlakte van

den steen, waaruit het plaatje gevormd was, en die haar de iv. - k. z. 5

ocr page 76

66

vorige reis ruw, uitgesleten en dof had toegeschenen, was thans glad gepolijst en glanzend, en als in een helderen spiegel kaatste het de vlam van het waslicht terug. Langzamerhand echter, terwijl zij er met gespannen aandacht op keek, besloeg het plaatje en werd dof: wat aan de zeer natuurlijke oorzaak mocht worden toegeschreven, dat haar adem er ettelijke reizen overheen was gegaan. Zij nam haar zakdoek en veegde den wasem weg; daar sloeg juist de gangklok het uur van middernacht, en zie! daar was 't, of haar van uit dien zwarten steen als uit een ver en duister verschiet twee glanzende oogen tegenstaarden, die al meer en meer nader kwamen. Haastig sloeg zij het klepje dicht; maar nog was daarom de indruk niet geweken, dien de verschijning op haar had teweeggebracht; want de karbonkels, die de oogen van den basiliscus op den knop vormden, flonkerden met hellen glans in het licht der waskaars, en, terwijl zij haar spottend en dreigend, schenen aan te staren, onderhielden zij bij haar het gevoel van angstige beklemdheid, dat haar had aangegrepen. Die oogen, die uit het plaatje opdaagden, die oogen van den basiliscus, zij kende ze al te wel, het waren de oogen van het monster uit haar droom, het waren de oogen van Drenkelaer.

Lang nog bleef zij, in dezelfde houding, roerloos en onbeweeglijk staan. Het onverwachte van het geval, de geheimzinnige legende, die aan den flacon verbonden was, de eenzaamheid, de duisternis, die overal elders dan waar zij stond in de kamer heerschte, het middernachtelijk uur, en dan die starende oogen!.... „Weg!quot; zeide zij, plotseling hardop, terwijl zij den flacon weder in de doos wierp, en deze dichtdeed. Zij schrikte voor haar eigen stemgeluid, ging naar haar wasch-tafel en schonk zich een glas water in.

„Ben ik niet kinderachtig?quot; vroeg zij toen zich zelve: „is Bettemie Van Doertoghe een kind geworden, dat voor spokerijen vreest, of zich bang laat maken door een ijdele zinsbegoocheling? — 't is een flacon als alle andere flacons; alleen wat antieker en fraaier bewerkt: ik wil er niet meer aan denken.quot;

ocr page 77

67

Maar zoodanig voornemen was gemakkelijker opgevat dan ten uitvoer gelegd: en 't zal niemand verwonderen, dat Bettemie nauwelijks te bed lag en haar eigen oogen dichtsloot of zij zag die andere weer voor zich stralen, ja, dat het een geruimen tijd duurde, eer, in dien nacht, de slaap haar beving. Het laatste besluit, dat zij zich herinnerde genomen te hebben, was, den flacon weg te sluiten en hem nimmer terug te zien.

Maar toen zij den volgenden morgen opstond en het dag was, vond zij, dat het gevolg geven aan zoodanig besluit een bijgeloovige vrees zou verraden, die harer onwaardig was. Zou zij zich bang laten maken, door een plaatje van toetssteen en door een paar karbonkels? — Neen: zij zou alle dagen dien flacon bekijken, eerst bij dag, dan bij avond, tot zoolang zij er aan gewend was.

En zij had woord gehouden. Wel had zij nog een tijdlang gehuiverd, als die oogen van het monstertje op haar gevestigd schenen; maar zij had hun glans leeren verdragen: wel had zij, vooral, als zij vooraf aan den flacon geroken had, die oogen uit het plaatje zien oprijzen; doch zij had zich, door opmerkzaam te voelen en toe te kijken, weten te beduiden, zoo niet te overtuigen, dat zich op het plaatje een paar bijna onmerkbare bultjes bevonden, waar het dag- of kunstlicht op viel en die daardoor opflikkerden uit den voor 't overige donkeren steen. Maar nu ook, nu zij er aan gewend raakte, verloren allengskens die oogen hun dreigende en kwetsende uitdrukking: en waren het nog steeds de oogen van Drenkelaer, die zij meende te zien, zij hadden hun gewone, wel doordringende, maar toch zoo zachte, schier weemoedige uitdrukking.

Zoo was dan het doel van Drenkelaer, om Bettemie te dwingen, voortdurend aan hem te denken, volkomen bereikt: hij had indertijd den indruk opgemerkt, dien zijn verhaal en het beschouwen van den flacon bij haar had teweeggebracht, en besloten daarvan partij te trekken. Hij had reeds vruchteloos op middelen gepeinsd, om haar dat voorwerp in handen te spelen, toen hem het toeval in de hand werkte en de gelegenheid aanbood om het ongemerkt in de doos te doen glijden.

ocr page 78

68

die Bettemie getrokken had. Wat het zeldzaam geurende reukwerk betrof, waarmede hij den flacon gevuld had, dat had hij laten gereedmaken bij Le Mat, volgens een recept, dat vanouds in zijn familie bestond, en tot welks bereiding hem onder anderen een paar zeldzame planten uit Mw. Van Hardesteins conservatory in de gelegenheid hadden gesteld.

Er was dus in Bettemie, naarmate de stemming, waarin zij in 't een of in 't ander oogenblik verkeerde, om zoo te zeggen, een tweeledige persoon aanwezig: de eene, afhankelijk van zonderlinge, op haar werkende invloeden, en wier verbeelding als in uitheemsche gewesten zweefde; de andere, de practische Amsterdamsche jonkvrouw, even kloek van verstand als helder van doorzicht: de eerste, die zich van lieverlede, als door een vruchteloos te weerstreven fatalisme, naar Dren-kelaer voelde heengetrokken; de andere, die de gronden, welke voor en tegen pleitten, met kalme bedaardheid overwoog. Bevond zij zich in deze laatste stemming, dan namen doorgaans haar overwegingen den volgenden loop : zij vond Drenkelaer onderhoudend, beschaafd en fatsoenlijk: zij hield hem voor knap en zij had niets tot zijn nadeel, wel daarentegen 't een en ander tot zijn lof, vernomen: in 't kort, al had zij geen haast om te trouwen, en al behoefde zij niet bang te zijn, dat het haar aan vrijers zou ontbreken, toch zou zij het dwaas gevonden hebben, zich overkeurig te toonen, en iemand, die de meeste vereischten, welke men in een echtgenoot wenschen kan, in zich vereenigde, om geen andere reden af te wijzen dan omdat er iemand komen kon, die nog voortreffelijker was. De balans was dus zeer in zijn voordeel, en toch stond aan de overzijde een post, die wel onder de twijfelachtige viel te rangschikken, maar die, indien hij ooit gejusti-ficeerd werd, Drenkelaers rekening, in hare schatting, met een nadeelig saldo moest doen sluiten: die nadeelige post heette „onoprechtheid.quot; Zij vroeg zich zelve af, of dat plan, 't welk hij haar had medegedeeld, van namelijk naar de Oost te gaan als zij hem niet aannam, wel degelijk gemeend, en of evenzeer al die houding van self-respect, door hem, op het

ocr page 79

69

diner bij Mvv. Van Doertoghe en later, aangenomen, niet een louter komediespel was geweest, bestemd om haar ijdel-heid te prikkelen? Daarbij die beschuldiging tegen hem op den avond der fancy-fair gericht, als zou het praatje betreffende haar krankzinnigheid van hem afkomstig zijn geweest, was wel onbewezen, droeg wel allen schijn van ongerijmdheid, en was wel herkomstig van een getuige, die in haar oog weinig geloof verdiende, terwijl daarentegen hetgeen hij te dier gelegenheid tot zijn verdediging had aangevoerd, geen stof tot eenige gegronde aanmerking scheen te kunnen geven; maar toch was er toen in zijn toon, in zijn blik, in de trekken van zijn mond, zij wist zelve niet waarin, iets geweest, dat haar was misvallen. Waarschijnlijk echter had zij, bij den opgewonden toestand, waarin zij toen verkeerde, niet juist gezien, en deed zij, door argwaan op dat punt te voeden, Drenkelaer onrecht aan; en in dat geval zou 't een schreeuwende onbillijkheid zijn, Drenkelaer af te wijzen op gronden, waar zij zich zelve, laat staan anderen, geen behoorlijke rekenschap van geven kon. 't Is waar, zij was hem, zoo zij hem bedankte, die rekenschap niet verschuldigd; maar door hem, op een bloot vermoeden van onoprechtheid, haar hand te weigeren, zou zij wellicht de kans verloopen om zich zelve, en een eerlijk man daarbij, gelukkig te maken. Het was op deze wijze, dat zij, door den gang harer overwegingen, nu her- dan derwaarts geslingerd werd, wrevelig op zich zelve, dat zij tot geen besluit kon komen, en meer dan ooit het gemis betreurende eener moeder, die het gewicht van haar bezwaren wegen, en haar voorschrijven kon, hoe zij handelen moest. Raad wenschte zij niet: dien had zij zelfs niet gevraagd aan haar vriendin Ernestine, de eenige, die zij, bij de behoefte om haar hart uit te storten, tot haar vertrouwde gemaakt had; want zij had te veel verstand om niet te begrijpen, dat, in zaken van het hart, niemand eigenlijk aan een ander raad kan geven; neen, zoo zij iets wenschte, dan was het, dat er iemand ware, die voor haar besliste. Men zou zeggen, niets was gemakkelijker; zij had zich eenvoudig te wenden tot den man, dien de natuur en de wet daartoe

ocr page 80

70

schenen aangewezen te hebben, te weten, haar oom, voogd en huisgenoot, den man, die bij haar de plaats eens vaders bekleedde: — de plaats, ja; maar ook niet veel meer, en tot nog toe had zij het onnoodig geacht, hem in de zaak te moeien. Immers bedankte zij Drenkelaer, dan was alles uit, en Oom behoefde er niet over lastig gevallen te worden; kwam zij daarentegen tot een gunstiger besluit, dan was het altoos tijds genoeg, hem naar zijn gedachten over de zaak te vragen.

Het oogenblik is gekomen om den Heer Van Bassen bij onze lezers in te leiden: zij zullen dan van zelf begrijpen, waarom Bettemie tot heden zoo weinig trek gevoeld had, den man bekend te maken met den strijd, die in haar binnenste gevoerd werd.

De Heer Van Bassen was een dozijn jaren ter wereld gekomen voor de moeder van Bettemie: hij was de oudste, zij de jongste spruit van vermogende ouders, en dewijl al hun broeders en zusters jong gestorven waren, hadden zij de nalatenschap te zamen gedeeld. De zuster was op haar acht en twintigste jaar met den Heer Van Doertoghe getrouwd, die nog voor haar was overleden: de broeder had verkozen, ongehuwd te blijven; niet, dat het losse en onafhankelijke van het vrijersleven zooveel aanlokkelijks voor hem had; de man was nooit een lichtmis, een drinker, of dobbelaar geweest; maar, toen hij jong was, achtte hij de tijden te slecht om te trouwen; toen hij in jaren vorderde, zag hij op tegen al wat verandering in zijn leefwijze brengen kon. Daarom had het iedereen verwonderd, dat hij, na den dood zijner zuster, zich had laten vinden, het door haar nagelaten dochtertje bij zich aan huis te nemen, met gouvernante en al. Maar dat had nog een andere reden, dan gehechtheid aan het kind zijner zuster. Schitterde Van Bassen niet door andere hoedanigheden, niet ten onrechte stond hij te boek als een voorzichtig financier, zoo voor zich als voor anderen: en zoo berekende hij, dat de samenwoning met Bettemie niet dan in 't voordeel kon zijn van beide partijen: van haar, omdat hij dan het oog er op kon hebben, dat niets van haar inkomen aan onnoodige uitgaven te loor ging: van hem

ocr page 81

71

zeiven, omdat al wat van huisvesting, voeding, rijtuig enz. aan haar ten kosten zou gelegd worden, niet in den zak van een ander, maar in den zijoen zou keeren, en daar altijd nog wel iets, in 't redelijke, aan zou te verdienen vallen; terwijl hij bovendien, bij 't klimmen van zijn jaren, en somtijds met de podraga bezocht, wel eens behoefte had aan vrouwelijke hulp, waarin, langs dien weg, op een onkostbare wijze werd voorzien. — Ik mag niet onderstellen, dat er lezers zouden zijn, dwaas genoeg om te vragen, wat het den Heer Van Bassen, die toch anderhalf millioen in de wereld had, en niet het derde part van zijn inkomen verteerde, toch schelen kon, of hij jaarlijks een duizend gulden meer bij zijn kapitaal voegde; anders zou ik op zoodanige vraag antwoorden, dat, evenals er lieden zijn, die de kunst, anderen, die de wetenschap, enkelen, die de deugd, alleen om haar zelve beminnen, het getal misschien nog aanzienlijker is van de zoodanigen, waaronder de Heer Van Bassen behoorde, die het geld niet wenschen om er zich genot voor te koopen, maar om het bezit: voor wie dat bezit hoofddoel, en geen middel is, tenzij een middel om nog meer geld te krijgen, 's Mans hoofdliefhebberij was dan ook, dagelijks den staat op te maken van zijn vermogen, en bevond hij, dat de stand der fondsen hem een of anderhalve ton rijker maakte dan den vorigen dag, dan was zijn luim er 24 uren lang door verbeterd, en at hij 's middags met eens zooveel smaak als anders. Geruchten van oorlog of opstand daarentegen, maakten hem mistroostig en ziek, en bij een beurscrisis was hij onder een hoed te vangen; ofschoon hij er per slot altijd voordeel bij had, dewijl hij steeds zorgde een aanzienlijke som beschikbaar te hebben, ten einde, bij groote daling, de effecten, waarvan anderen gedwongen waren zich te ontdoen, tot lage prijzen in te koopen en ze dan, bij rijzing, weder af te zetten. Met de politiek liet Van Bassen zich niet in, dan alleen voor zooverre die invloed had op den koers der fondsen. Van al wat industriëele ondernemingen, reederijen, assurantiemaatschappijen enz. was, had hij een ingeboren afkeer, of, zoo hij al in een zaak van dien aard aandeel nam, was het.

ocr page 82

72

wanneer, juist als die wat begon te geven, zij, die haar op touw gezet hadden, niet meer bij machte waren, die door te zetten, en dan droeg hij er roem op, dus geprofiteerd te hebben van 't geen hij een andermans gekheid noemde. Gierig met dat al, in den gewonen zin des woords, was hij niet. Hij gaf in collecten en aan arme lieden, wel niet op wat men „op royale wijzequot; heet, veelmin in evenredigheid van wat hij geven kon, maar toch genoeg om de blaam van vrekheid te ontgaan. Dat hij verder een groot huis bewoonde, rijtuig hield en een goede tafel sprak van zelf; maar dat alles was, omdat zijn stand het medebracht, en daarbij werd prachtvertoon noch overdaad aan den dag gelegd. Zijn overige verteringen waren schaars: reizen had hij altijd een groote dwaasheid gevonden: van muziek hield hij zoomin als van komedie: voor de kunst had hij geen gevoel, en voor de natuur evenmin. Het fraaie en uitgestrekte buitengoed, dat zijn ouders in de omstreken van Haarlem plachten te hebben, had hij verkocht, en, ja, omdat hij zulks aan zijn fatsoen achtte schuldig te zijn, er zich een kleiner, een zoogenaamd pied-a-terre in dezelfde buurt aangeschaft; maar hij ging er nooit voor Juli, noch na ultimo September heen, en dan alleen van Vrijdag-avond tot Maandag-ochtend, bewerende dat zijn zaken hem niet vergunden, langer uit de stad afwezig te zijn. Welke die zaken waren, zou men moeilijk hebben kunnen zeggen, want hij had altijd eiken eer- en lastpost, elke commissie, behalve de bekende voogdijschap, volstandig afgeslagen, en het beheer van zijn kapitaal, dat rustig aan de Bank of in zijn brandkast neder-gelegd was, kon hem toch zooveel beslommering of drukte niet geven. Al zijn verrichtingen waren dan ook, jaar op jaar en dag op dag dezelfde: in zijn kamer te zitten, nu en dan eens een praatje te houden in de Sociëteit, en na zijn middagslaapje een partijtje te gaan maken, kwart over tien uren naar huis te keeren, een glas water met suiker te drinken en naar bed te gaan. Zich sedert zijn geboorte altijd in denzelfden kring van kennissen bewogen hebbende, was hij omtrent even onkundig als Mw. quot;Van Doertoghe met al wat daar buiten

ocr page 83

73

lag, beschouwde, evenals zij, al wie niet tot de oude Regeerings-familiën behoorden, als lieden, met wie men geen omgang hebben kon, en had, zoomin als de Douairière — doch wat in een man minder verschoonbaar was — eenig begrip van de verandering, die tijden en omstandigheden in de vroegere orde van zaken gebracht hadden. Wie er in stads- of landsbestuur zat, kon hem nooit schelen: hij kende de menschen toch niet, zeide hij: en, omdat hij ze niet kende, moesten het, naar zijne meening, ook geen bekende menschen zijn, en hadden zij zich stellig niet dan door intrige weten in te dringen in de betrekking, die zij bekleedden. Dat hij, ofschoon zonder kunde, zonder smaak, zonder kennis, zonder fijne beschaving, zonder lectuur, zonder iets wat den mensch waarde geeft, en alleen kunnende bogen op een pratricische afkomst en op rijkdom, steeds op een beslissenden toon sprak, en de diepste minachting aan den dag legde voor al wat niet tot die beide zaken getrokken kon worden, zal wel bij niemand verwondering baren; evenmin zal het den menschenkenner bevreemden, dat, ondanks, of liever, juist om het exclusivisme, dat de Heer Van Bassen aan den dag legde, vele lieden, ook zij die hem in hun hart onuitstaanbaar vonden, er machtig mede verheerlijkt waren, als hij hen ten eten noodigde, met hen een partijtje maakte of op andere wijze notitie van hen nam.

Een gesprek, door Bettemie met haar oom gehouden, en dat, zoowel wat den korten duur als den aangeslagen toon betreft, niet veel verschilde van die, welke gewoonlijk tusschen hen voorvielen, zal den lezer een aanschouwelijk staaltje van 's mans karakter leveren.

Het was op een der laatste dagen van October, dat Oom en Nicht des morgens te zamen aan 't ontbijt zaten; Oom in zijn kamerjas van lichtbruine v/interstof, bezig in een Fransch dagblad een betoog te bestudeeren over de voor- of nadeelen eener flnantiëele operatie, die in Oostenrijk zou plaats grijpen. Nicht, het bijvoegsel der Oprechte — anders gezegd de „dames-courantquot; — doorloopende, om te vernemen of er ook deze of gene harer kennissen getrouwd, bevallen of overleden

ocr page 84

74

was, toen de knecht binnenkwam en aan Bettemie een briefje ter hand stelde, waar antwoord op verzocht werd. Zij las het, en liet zeggen, dat het heel goed was.

„'t Is van Ernestine,quot; zeide zij, toen de bediende vertrokken was: „zij vraagt mij, of ik van avond met haar naar de Amstelstraat wil gaan om Triolini te hooren: haar broer zal onze chap eau zijn.quot;

„Dat is jou zaak,quot; zei haar Oom: „ofschoon ik je niet kan feliciteeren met je gezelschap.quot;

„Niet Oom? — Is Ernestine Van Marsden dan geen fatsoenlijk en welopgevoed meisje?quot;

„'t Is wat fraais! Haar vader is Mennist, geloof ik; en haar overgrootvader deed een kruidenierswinkel in de Harte-straat.quot;

„Nu Oom !quot; zei Bettemie:

„II s'est passé depuis un siècle et d'avantage;

haar vader is in allen gevalle niet Mennist; hij is ouderling in de Wale kerk.quot;

„Zoo? nu dan moet hij, of zijn vader, zijn overgegaan, 't Zijn in allen gevalle onbekende menschen.quot;

„Onbekende menschen!quot; herhaalde Bettemie: „en Mijnheer Van Marsden is lid van de Provinciale Staten, lid van den Kaad en de Hemel weet wat al meer.quot;

„Hm— ja! daar is iedereen in tegenwoordig: daarom gaat ook alles zoo mooi.quot;

„Ja, of 't mooi gaat of niet, daar heb ik geen verstand van,quot; zei Bettemie: „maar wanneer ook menschen als Oom bedanken om ergens lid van te wezen, dan moet men immers wel zijn toevlucht nemen tot anderen.quot;

„Net alsof ik mij met zulk volk zou ophouden,quot; bromde Van Bassen: „allemaal parvenus.quot;

Bettemie achtte het onnoodig, op dien uitval te antwoorden of het voor de parvenus op te nemen, en het ontbijt werd verder stilzwijgend voortgezet.

Niet lang had Oom het vertrek verlaten om zich naar zijn

ocr page 85

75

studeer(?)kamer te begeven, en het ontbijt was nauwelijks weggenomen, of Bettemie hoorde iemand de trap opkomen, en een stem, die haar bekend klonk; er werd aan de deur getikt, en, toen zij openging, verscheen voor haar Mejufvrouw Catharina Tronck.

„Mag ik wel dus onaangemeld binnenkomen?quot; vroeg deze.

„Welzeker!quot; riep Bettemie: „nu, dat is een aangename verrassing, en waar ik mij geenszins op verwachtte. Sedert wanneer hier? en aan welk toeval hebben wij het geluk te danken, u hier te zien?quot;

„Dat zal ik u zeggen. Mw. Van Hardestein is met Mijnheer Louis en Mw. Mietje naar den Haag: de dames wenschten de opening der Kamers te zien en zullen meteen eenige dagen aldaar blijven doorbrengen: en dewijl ik daardoor overcompleet geworden was, heb ik verlof bekomen, zoolang den tijd bij mijn getrouwde zuster, die hier woont, door te brengen.quot;

„Zoo! dus is Mijnheer Van Eylar van zijn reis terug?quot; vroeg Bettemie.

„Ja: hij had nog wel wat willen uitblijven, geloof ik; maar hij moest op zijn post zijn, en ook vallen de dagen wat kort.quot;

„En heeft het verblijf te Wiesbaden goed gedaan aan Mw. Mietje? Ik hoor, zij heeft daar de baden gebruikt?quot;

„Och!quot; antwoordde Juffw. Kato, met een schalkschen blik, „ik geloof niet, dat de kwaal heel erg was, en ik heb niet gemerkt, dat Mevrouw bij haar vertrek zooveel zieker, of bij haar terugkomst zooveel welvarender was dan gewoonlijk. — Maar hoe is 't met de Freule? Geheel hersteld, hoop ik? Je liet ons, door dat overhaast vertrek van Doornwijck, niet weinig in ongerustheid.quot;

„O! daar denk ik niet meer aan,quot; zei Bettemie: „maar vertel mij wat van onzen besten Dominee. Is hij nu volkomen weer in orde? Hij heeft een ergen stoot gehad.quot;

„Ja,quot; antwoordde Kato: „en men kan 't hem nog wel aanzien: maar anders is hij goed op weg om weer de oude en dezelfde te worden: waarlijk, ik moet zeggen, Le Mat heeft eer van de kuur, die hij aan hem verricht heeft.quot;

ocr page 86

„Ja,quot; zei Bettemie, terwijl zij een vies gezicht zette, „ik wil gelooven, dat Le Mat niet altijd mis raadt: intusschen ik ben hartelijk blij, dat hij het met Dominee zoo goed getroffen heeft.... maar wat anders: heb je in lang iets van Nicolette gehoord? Ik heb, sedert die fête bij Mw. Van Hardestein, niets van haar vernomen, behalve alleen, dat zij gouvernante was geworden bij Mw. Van Zirik in Den Haag; ik heb aan haar geschreven; maar tot nu toe geen taal of teeken van haar terugontvangen.quot;

„De Freule ook niet? Dat is vreemd. — Neen, wat mij betreft, ik weet niets stelligs; alleen heb ik begrepen, dat er heel vreemde dingen met haar gebeurd moeten zijn: althans, toen Mevrouw zich onlangs bij Juffrouw Leentje naar haar informeerde, zette deze een visage de circonstance, en er was niets anders uit haar te krijgen, dan dat het meisje niet meer in haar conditie was en er met ongenoegen vandaan was gegaan; maar wat er later met haar was voorgevallen, of waar zij heen was, dat kon Juffw. Leentje niet zeggen, of dat wou zij niet zeggen.quot;

„Dan kon zij 't ook niet zeggen,quot; merkte Bettemie aan: „want Juffr. Leentje is niet iemand, voor zooverre ik haar ken, die een smoorkolk van haar hart maakt en verzwijgt wat zij weet: veeleer zou zij geneigd zijn, er nog bij te voegen wat zij gist. — Maar dat spijt mij toch wat je mij daar vertelt. Ik vond het zulk een lief, natuurlijk meisje.... men zou zeggen .... wat kan er met haar gebeurd zijn ? — Maar Dominee, die zal het toch wel weten?quot;

De Freule begrijpt,quot; hernam Kato, „dat, als men het fijne van de zaak niet uit den mond van Juffw. Leentje kan te weten komen. Dominee zich nog veel minder zal laten uit-hooren. Maar Mw. Mietje schijnt toch narichten aangaande het meisje te hebben gekregen: althans die zet, op het hooren van den naam van Nicolette, een gezicht, alsof zij een walgelijk drankje slikken moest.... en dat doet mij, tusschen ons gezegd., eenigszins vermoeden wat er achter zit en waarom Dominee en zijn zuster over 't geval niet spreken willen in 't bijzijn van de familie.quot;

ocr page 87

77

„Wat dan?quot; vroeg Bettemie.

„De Freule heeft toch wel gemerkt, dat Jonker Maurits____quot;

.... „Van dezelfde meening was als ik, en haar een heel lieve meid vond, en verder?quot;

„Ja verder weet ik niets stelligs; doch wanneer ik naga, hoe zij, zoo opeens, nadat, op den avond van de fancy-fair, de Jonker nogal werk van haar scheen te maken, Hardestein verlaten heeft, en dat in verband breng met haar latere verdwijning uit het huis van Mw. Van Zirik, dan zou 't mij geheel niet verwonderen, zoo de Jonker wist, waar zij is, en zoo Dominee, dat ook wetende, er maar liever van zwijgen wil om Mw. Van Hardestein geen verdriet aan te doen.quot;

„Zou je waarlijk iets dergelijks gelooven?quot; vroeg Bettemie: „nu, dat had ik van Maurits nooit gedacht.... en van haar ook niet. 't Zou mij spijten, als 't zoo was.quot;

„Och!quot; zei Kato, met een zucht: „wij weten, hoe die heertjes zijn, de goeden niet te na gesproken:quot; en toen, als hinderde het haar, over dat ontwerp verder uit te weiden, veranderde zij van toon, en vroeg:

„En hoe schik je 't nu in het stadsleven. Freule? 't Moet hier toch stil voor u wezen, nu de meeste kennissen nog buiten en de sorties nog niet begonnen zijn.quot;

„Och! wat zal ik je zeggen? ik weet mij nogal bezig te houden, en dan, wat de diners en andere sorties betreft, ik kan niet zeggen, dat ik daar zoo sterk naar verlang. Maar je moet niet denken, dat er geen gelegenheid is om zich te vermaken. Van avond onder anderen zingt Triolini.quot;

„En gaat de Freule daarheen?quot;

„Ja, en par tie fine met Ernestine Van Marsden en haar broeder.... haar broertje, wel te verstaan; de jongen is nog op de Latijnsche school, maar toch groot genoeg om onze chapeau te zijn. 't Spijt mij, dat ik je geen plaats kan offreeren; maar zou je kunnen meegaan? dan zal ik aan Ernestine schrijven, en vragen of er nog gelegenheid is.quot;

„Al te vriendelijk, Freule! maar ik zou er toch geen gebruik van kunnen maken. Je voelt, ik kan mijn zuster nu niet wel

ocr page 88

78

alleen laten .... ofschoon, indien ik zoo vrij mocht zijn .... dan had ik wel één verzoek.quot;

„En dat is?quot;

„Ik zou zoo dolgaarne dien nieuwen tuin eens zien, daar die beesten zijn____den „apentuinquot; noemen zij 't, geloof ik.quot;

„O ! Art is, meen je?quot;

„Juist. — Mijn zwager is er geen lid van; doch hij meende gehoord te hebben dat de Freule tot de donatrices behoorde.quot;

„Precies! — Nu! met het grootste genoegen zal ik je er heen brengen. Wanneer schikt het je?quot;

„'t Schikt mij natuurlijk wanneer het de Freule schikt,quot; antwoordde Kato.

„Och! mij is 't om 't even,quot; hernam Bettemie: „wel, morgen dan maar; dan zal ik u te halftwee met het rijtuig komen afhalen.quot;

„O Freule! ik wil u die moeite niet vergen.... ik zal wel hier komen.quot;

„Wel neen! wat zou je dat heele end omloopen voor niets! Je zuster woont immers op den Kloveniersburgwal? Mevrouw Reeks, nietwaar? — Nu, dat is in den weg. — Maar al was het om, waar dienen de paarden voor, als men ze niet gebruikt? Ik zal je komen afhalen: dat blijft dan afgesproken.quot;

Wij willen de dankbetuigingen voor het vriendelijk aanbod, en de woorden, die verder tusschen de beide dames gewisseld werden, als van geen belang voor den lezer, liever overslaan en hier dit hoofdstuk besluiten.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

l'elisiee d'amoee.

De schouwburgzaal was sterk bezet, de eerste rang schitterde van zwierige toilettes — of ze alle daarom fraai en smaakvol waren, laten wij daar — en de muziekliefhebbers ver-

ocr page 89

79

heugden zich bij voorraad in het kunstgenot, dat hun voor 't eerst zou verschaft worden: althans voor 't eerst te Amsterdam ; want nooit had tot nog toe de alom vermaarde Signor Triolini aldaar zijn onvergelijkbaar stemgeluid doen hooren.

Tusschen al dien opschik, tusschen al die flikkeringen van juweelen en paarlen, gedragen door vrouwen, waarvan zij de meesten of niet of alleen van aangezicht kenden, onderscheidden zich Bettemie en haar vriendin door den eenvoud van haar kleeding.

De Freule Van Doertoghe was in 't korenblauw, met een witte écharpe van Chineesche krip, een donkerroode roos in de goudblonde haren, en geene andere sieraden dan een paar gouden braceletten en een broche, met paarlen omzet.

Ernestine Van Marsden had een change an te zijden japon aan, als toen in den smaak was, en die, naarmate er het licht op viel, of naarmate den kant van welken men die bekeek, voor rozenrood, voor paars, voor blauw, of voor dat alles te zamen kon worden aangezien. Zij droeg een güel zijden doek en om de gitzwarte haren een krans van witte rozen, die haar gansch niet kwaad stond. Ernestine was klein van postuur en redelijk gezet. Zij had hetgeen de Franschen, juist niet zeer vleiend, la beauté du diable noemen; een prettig gezichtje, waaraan een fijn opgetrokken neusje en een paar levendige, zwarte kijkers een schalksche uitdrukking gaven. Dat zij ook niet van schalkschheid ontbloot, en 't niet alleen bijwijze van naamsverkorting was, zoo haar intiemen haar nu en dan Nestje noemden, zal men uit haar brief aan Bettemie, die in een vroeger Boek voorkomt, reeds hebben kunnen opmaken; en 't bleek ook nu uit de opmerkingen, die zij, na de zaal eens vluchtig te hebben rondgekeken, haar vriendin in de ooren blies.

„Ziezoo!quot; zeide zij: „ik ben ten minste gerust, dat het je van avond alweer aan toespraak niet ontbreken zal. Daar zit onze eerzame Jan Salie, in 't amphitheater, die je weer vragen zal, hoe je je op 't laatste casino heb geamuseerd, en of je ook op 't volgende denkt te komen: en daar dicht bij 't tooneel

ocr page 90

80

heb je Henri Brest, alias de brave Hendrik, die je van zijn papa, en van zijn mama, en van zijn broertjes en zusjes zal vertellen, en naast hem Frederik de Groot,e, die wandelende blaasbalg, die ons weer gevaar zal doen loopen een verkoudheid op te doen als hij ons toespreekt: en daar schuins tegenover ons zit je deftige adorateur Pietje Batist, zijn haar evan net geborsteld en zijn das even wit en even stijf als altijd: en daar is er nog een, dien ik niet ken, maar die toch ook grooten lust schijnt te hebben om zich onder je adorateurs te rangschikken; althans, hij staat zoo stokstijf op je te turen alsof je hem in een marmeren beeld veranderd hadt. Maai hoe is 't? Je kleur verschiet: is die heer. . .

„Stil!quot; fluisterde Bettemie: „ik ken hem wel.quot;

„Maar wie is het dan?quot; vroeg Ernestine, haastig: „wezenlijk je bent ontsteld.quot;

„Hij is het.quot;

„Wie hij? — toch niet die zekere, daar je mij over geschreven hebt.?quot;

„Hij zelf! en ik was verre van hem hier te verwachten. Maar stil nu. Laat ons luisteren naar de Ouverture.quot;

Inderdaad had Bettemie, nauwelijks gezeten zijnde, vlak tegenover haar, Drenkelaer herkend, die met de armen ovei elkander geslagen en leunende tegen het achterschot van het balkon, waarin hij plaats — of liever geen plaats, althans geen zitplaats — had, haar onbeweeglijk stond aan te staren. En wederom was het haar, als op het bal in de Hardesteinsche oranjerie, of er uit die oogen stralen voortkwamen, die haai als puntige naalden door 't hart staken. Zij wendde het hoofd naar de zijde van het orkest, in de hoop van aan de gewaarwording te ontkomen, die haar kwelde; doch zondeiling spel van het lot! ook daar ontmoette haar oogen er twee andere, die op haar gevestigd waren: maar deze sloegen zich terstond bescheiden neder, en een lichte blos overdekte het gelaat van den jongeling, aan wien zij behoorden.

„Hy heeft mi] nu toch herkend,quot; dacht Bettemie bij zich zelve, terwijl ook zij een kleur kreeg en voor zich heen keek.

ocr page 91

81

Zonderling' 't was of de indruk van-dien openen, zielvollen blik, dien van de oogen tegenover haar opeens geheel had weggewischt. Zij had een gevoel alsof er op een heftige brandwond een balsemend heelmiddel gelegd was.

„Ernestine,quot; fluisterde zij weder, zonder op te zien: „je moet zoo meteen, niet dadelijk, eens kijken naar den kant van het orkest: dat jong mensch, dat daar in den doorloop van den bak vooraanstaat, vlak tegen de borstwering, achter de man met de pauken.quot;

„Wien meen je? die met zijn bruine pruik en zijn groenen bril?quot; vroeg Nestje.

„Och! mais non; celui qui est a co té,quot; antwoordde Bettemie. Wij hebben, meenen wij, reeds opgemerkt, dat men dikwijls, als men niet wil dat derden vernemen wat men zegt, zich onwillekeurig in een vreemde taal uitdrukt, als liep men dan minder gevaar, verstaan te worden.

„O! die met zijn Apollo's profiel? — Is dat ook een ado-ra teur van je? Nu! — die heeft gansch geen onbehaaglijk voorkomen.quot;

„Stil toch! 't is de zoon van die Juffrouw, naar wie je voor mij geïnformeerd hebt.quot;

„Wat! de moedige paardentemmer van Hardestein? — op mijn woord, het is een perfecte héros de roman. Als ik ooit een man krijg, mag ik lijden, dat hij zoo'n gedistingeerd voorkomen heeft. Hoe jammer, dat zijn moeder maar een naaister is.quot;

„Fi done!quot; zei Bettemie: „is hij daar dan zooveel minder om?quot;

„Dat is te zeggen, ja en neen,quot; antwoordde Ernestine: „zedelijk niet; maar wel uit een maatschappelijk oogpunt. Zie! hij kijkt hier naar toe. Zou hij je herkennen? Och! hij krijgt er een kleur van, de arme jongen: — en jij ook: dat is toch al te gek. — Nu! forward is hij althans niet; want hij schijnt over de vrijmoedigheid, die hij gebruikt heeft, zoo verlegen, alsof hij een misdaad had begaan, de sukkel!quot;

IV. - K. Z. (i

ocr page 92

82

Bettemie zweeg: zij vond deze reis de scherts van haar vriendin ongepast; immers verre van belachelijk, kwam haar die bescheidenheid van den jongen Hermans zeer loffelijk voor, en wanneer zij nadacht over zijn handelwijze, zoo te Harde-stein als nu, en die vergeleek bij die van de jonge Heeren, die Ernestine even te voren had uitgemonsterd, dan verwonderde zij zich er over, hoe het toch kwam, dat hij, die toch niet tot de haute volée behoorde, zooveel meer beschaving en tact aan den dag leide dan die anderen. — Dan terwijl zij hier over nadacht, was de ouverture afgespeeld, het gordijn werd opgehaald, l'Elisire d'amore begon, en onze beide jonge dames hadden voor een wijl alleen gevoel voor de liefelijke tonen, die hun in de ooren ruischten.

't Sprak van zelf, dat, toen de pauze kwam, achtereenvolgens de heeren, die Ernestine onder de namen van de brave Hendrik, Jan Salie, Frederik de Groote en Pietje Batist had aangeduid, hun opwachting bij de jonge dames kwamen maken, zooveel plaats en gelegenheid zulks toelieten; en dat had niet over. Immers, achter Ernestine zat een haar onbekende dilettant, en Kudolf Van Marsden scheen nog het besef niet te hebben, hoe de beleefdheid van hem vorderde, zijn zitplaats achter Bettemie voor een wijl af te staan ten behoeve eens bezoekers: of wel, hij nam zijn taak van geleider zoo nauwgezet op, dat hij de dames, aan zijn zorg toevertrouwd, geen oogenblik dorst verlaten. De straks gemelde heeren hadden dus over of langs hem heen met de dames moeten spreken, wat hun zeker geen geschikte gelegenheid verschafte om douceurs te fluisteren, ja zelfs om een geregeld gesprek te voeren, gesteld altijd, dat zij daartoe de bekwaamheid hadden bezeten.

Maar eindelijk begon Ernestine te vinden, dat haar broeder zijn post van Cerberus wat al te getrouw en te gestreng vervulde, en, misschien vreezende, dat Bettemie haar kwaden dank zou wijten indien zij dus buiten toegang gehouden werd. fluisterde zij Rudolf in, dat hij eens moest gaan zien, of hij ook een affiche voor de volgende voorstelling kon machtig worden. Hij voldeed, ofschoon niet dan schoorvoetende, aan

ocr page 93

83

het verzoek: waarschijnlijk was hij nog wat beschroomd geweest om alleen naar de koffiekamer te gaan: op dien veertienjarigen leeftijd, dien hij bereikt had, paart men niet zelden aan veel vrijpostigheid een niet minder groote mate van verlegenheid — beide doorgaans evenzeer te onpas aangewend.

Nauwelijks had hij, en zonder dat zulks door Bettemie was opgemerkt, zich verwijderd, of zij bemerkte, dat er zich weder een bezoeker achter haar bevond: zij zag om, en op de plaats, die Eudolf ontruimd had, zat nu ... . Drenkelaer. Deze had in de buurt op de loer gestaan en het tijdstip waargenomen, dat de knaap was opgestaan, om te naderen en van de hem dus verschafte gelegenheid gebruik te maken.

Bettemie was niet verrast; want eer zij hem gezien, eer zij de woorden gehoord had, waarmede hij haar begroette, had zij reeds gevoeld, dat hij haar aanzag.

„Wel mag ik,quot; zoo begon hij zijn rede, „mijn gelukster zegenen, die mij hierheen heeft gevoerd en mij de overtuiging schenkt, dat de Freule Van Doertoghe nog in het land der levenden verkeert.quot;

Bettemie bloosde een weinig; want de woorden van Drenkelaer schenen een ingewikkeld verwijt te behelzen, dat zij de belofte, om hem iets van haar te doen hooren, nog niet had vervuld. Haar verlegenheid achter een scherts pogende te verbergen, zeide zij:

„Je hadt toch in de courant nog het bericht niet gelezen van het tegendeel?quot;

„Freule! welk een denkbeeld!quot; mompelde hij op een droef-geestigen toon: „zoo iets te lezen, zou mij tot wanhoop gevoerd hebben, indien ik niet bereids op de grenzen dei-wanhoop stond.quot;

Deze slotwoorden waren fluisterend gesproken; maar al verstond Ernestine Van Marsden niet duidelijk wat er gezegd werd, zij begreep genoeg, dat hier meer dan een gewoon praatje over 't weer en over de muziek werd gevoerd of stond gevoerd te worden, en zij wendde 't hoofd naar den spreker om, ten einde dezen eens goed van nabij te bekijken. Bij

ocr page 94

84

geruchte had zij reeds veel van hem gehoord: onze lezers zullen zich herinneren, of, zoo zij 't de pijne waard vinden, in het Zevende Boek ') kunnen naslaan, wat Bettemie haar over hem geschreven had, en wij weten insgelijks, dat zij bij Kato Tronck narichten aangaande hem had pogen in te winnen. Natuurlijk had Drenkelaars trouwe bondgenoote al het hare gedaan om de vriendin van Bettemie gunstig voor hem te stemmen en de loffelijkste getuigenissen van hem afgelegd; maar toch was het haar niet gelukt, bij Ernestine den indruk geheel weg te nemen, dien de brief van Bettemie bij haar had achtergelaten: een zeker voorgevoel zeide haar, dat het met dien Drenkelaer niet volkomen richtig was, en zij had zich gevleid, dat hij, na Bettemies vertrek van Hardestein, zijn vrijerij niet zou doorzetten. Zijn verschijnen te Amsterdam was haar dus niet welkom: de uitdrukking zijner oogen beviel haar niet, en zij zette een zuur gezicht.

„Juffrouw Van Marsden; — Mijnheer Drenkelaer,quot; zei Bettemie, hen aan elkander voorstellende.

Beiden bogen stijf beleefd en het gelaat van Ernestine werd niet vriendelijker: Drenkelaer begreep terstond, dat hij in haar geen medehelpster vinden zou.

„Sedert wanneer te Amsterdam?quot; vroeg Bettemie, zich houdende, of zij de laatste woorden van Drenkelaer niet verstaan had.

„Sedert hedenmorgen. Freule!quot;

„En denk je eenig séjour hier te maken?quot; was de vraag, die van zelve volgde, en die, ofschoon, strikt genomen, niet zeer beleefd, toch altijd beleefder was dan de gewone vraag, die de Amsterdammer den vreemden bezoeker doet: „wanneer denk je weer heen te gaan ?quot; Intusschen, 't zij de vraag beleefd was of niet, Bettemie had er aanstonds berouw van, die gedaan te hebben.

„Ik weet niet. Freule! of het wel aan mij is, dat die vraag gedaan moet worden,quot; zei Drenkelaer, haar scherp in de oogen ziende.

') Van het Tweede Deel.

ocr page 95

85

„Neen, dat is waar,quot; zeide zij, weder onder de overmacht van zijn blik terugkrimpende: „ik geloof inderdaad dat. ..

„Dat ik ook maar, als Nemorino in de opera, mij aan een werver verkoopen moet,quot; viel Drenkelaer in: „och! ik deed het van avond nog, indien ik er mij ook zulk een elixer voor verschaffen kon.quot;

„Zouden er waarlijk zulke dingen bestaan?quot; vroeg Bettemie, half tot zich zelve, en terwijl zij aan het reukwerk in Lea's tooverflacon dacht.

„Wat? als lacrima Cristi?quot; vroeg Ernestine; „welzeker, ik heb die van den zomer nog gedronken bij mijn oom op Vredeveld.quot;

't Is, dunkt mij, vrij onverschillig,quot; merkte Drenkelaer aan; „of 't geen men gebruikt lacrima Cristi is, gelijk die kwakzalver in de opera verkoopt, of een andere drank, als 't maar helpt. — En hoe is de beroemde Triolini aan de dames bevallen ?quot; vroeg hij, begrijpende, zijn bijzonder onderhoud met Bettemie niet te mogen voortzetten, nu een derde zich in 't gesprek mengde.

„Ik ben niet genoeg musicienne, om er over te oor-deelen,quot; zei Bettemie: „maar zijn stem maakt op mij een alleraangenaamsten indruk, 't Is toch een groot voorrecht, een werktuig in zijn keel te hebben, waar men, op al wie 't hoort, zulk een macht mee uitoefent.quot;

„Vooral is men te benijden, als men die uitoefenen mag op zulke toehoorderessen,quot; hernam Drenkelaer, het meervoud bezigende, om aan zijn gezegde den schijn van een gewoon compliment te geven, maar toch zich meer bepaald tot Bettemie richtende.

„Ik geloof, dat Signor Triolini al vrij onverschillig op dat punt zal zijn,quot; zei Bettemie: „maar van iets anders, ik heb vandaag goede berichten gekregen van onze vrienden op Har-destein. Je raadt nooit wie van morgen bij mij geweest is: Juffrouw Kato.quot;

„Inderdaad!quot; riep Drenkelaer, alsof die mededeeling hem ten hoogste verwonderde, wat echter volstrekt het geval niet

ocr page 96

86

was. De lezer zal, met zijn gewone schranderheid, wel begrepen hebben, dat hij Juffrouw Kato gesproken en van haar vernomen had, waar hij Bettemie kon vinden. „Ja,quot; vervolgde hij, weder den melancholieken toon aanslaande: „dat waren gelukkige dagen, die ik daar op Hardestein beleefd heb. Maar 't is te begrijpen,quot; voegde hij er met inzicht bij, „dat Marlheim mij bij mijn terugkomst dubbel hatelijk werd.quot;

„Ja,quot; zei Bettemie, „het verblijf te Amsterdam viel mij ook af, na dat op Doornwijck.quot;

„Maar vermoedelijk niet om dezelfde reden,quot; fluisterde Drenkelaer.

„Wel! 't is altijd onaangenaam, een plaats te verlaten, waar men zich goed geamuseerd heeft,quot; zei Bettemie, veinzende de beteekenis van zijn woorden niet te begrijpen; „en dat was van den zomer, met mij bij Tante, en, hoop ik, ook met u op Hardestein, het geval. Maar mannen weten zich altijd beter te troosten, ten minste, wanneer zij, als bij u 't geval is, afleiding kunnen vinden in hun bezigheden.quot;

„Bezigheden,quot; hernam Drenkelaer, nog op denzelfden toon, „kunnen, naar men beweert, troost verschaffen in smart en rouw; maar zij missen hun heilzamen invloed op hem, die dobbert tusschen hoop en vrees. Wie ter dood veroordeeld is, kan, zegt men, gerust slapen; maar niet hij, die zijn vonnis wacht.quot;

„Zoo! ben je eindelijk weerom, Sinjeur?quot; vroeg op dit oogenblik Ernestine aan haar broeder, die, met de verlangde affiche uit de koffiekamer teruggekeerd, vrij beteuterd keek, dat hij zijn plaats bezet vond.

„Pardon!quot; zei Drenkelaer; „ik geloof, dat ik onbescheiden ben geweest met Mijnheer van zijn plaats te berooven. Het past mij, mijn afscheid te nemen; maar....quot; hier boog hij zich over Bettemie heen, doch niet aan de zijde waar Ernestine gezeten was, en fluisterde haar in 't oor; „zal ik nu, als Nemorino, dienst moet nemen?quot;

„Neen, nog niet,quot; lispte zij, nauwelijks hoorbaar; „kom morgen .. ..quot; Hier zweeg zij plotseling; zij had wederom

ocr page 97

87

toevallig naar de zijde gezien, waar Albert stond, en in diens oogen zulk een uitdrukking van diepen weemoed gelezen, dat zij zelve er zich door ontroerd gevoelde, 't Zij onwillekeurig, 't zij omdat, nu haar blik den zijnen ontmoette, zij het onwellevend zou geacht hebben, zich te houden, of zij den man, die haar een dienst had bewezen, niet kennen wilde, zij kon niet nalaten, hem met een lichte hoofdbuiging te groeten, en toen, in plaats van den begonnen volzin te eindigen, gelijk zij van meening was, met de woorden: „en wend u tot mijn voogd,quot; zeide zij: „in Artis, te halftwee.quot;

Doch dit was reeds genoeg om over het gelaat van Dren-kelaer een glans van vergenoegen te verspreiden.

„Zij is mijn,quot; dacht hij, terwijl hij, na een beleefde buiging voor de beide dames, zich met een triomfeerenden blik verwijderde. Aan Ernestine ontging die blik niet, en met een ernstige, ja smartelijke uitdrukking op het gelaat, zag zij eerst hem na, en vervolgens haar vriendin aan; doch zij wachtte zich, eenige vraag te doen; terwijl Bettemie van haren kant het stilzwijgen bewaarde. De orkestmeester, weder ten troon gestegen, gaf het sein tot het weder ophalen van 't gordijn, en het voortzetten der voorstelling maakte alle verdere gesprekken onmogelijk of althans onvoegzaam.

Toen de finale gezongen, de belachelijke ceremonie van het terugroepen tot tweemalen herhaald, het gordijn gevallen was, de dames haar sorties de bal hadden omgeslagen, en, na twee of drie andere, het rijtuig van den Heer Van Marsden was uitgeroepen, stonden Jan Salie, Prederik de Groote, de brave Hendrik en Pietje Batist in 't voorportaal gereed om hun arm aan te bieden. Doch Bettemie had den haren reeds aan den jongen Van Marsden gegeven, en zoo moest Prederik de Groote, die de eerste aan 't bod was, zich wel vergenoegen met Ernestine uit te leiden, die hem tot den elleboog kwam. Drenkelaer had den tact gehad, zich op een afstand te houden; ofschoon hij zorgde, aan de deur van den schouwburg post te vatten en zijn afscheidsbuiging te maken. Toen echter Bettemie die beantwoordde, meende zij, achter hem en in de

ocr page 98

menigte verloren, de ranke gestalte van Albert te onderscheiden, en van onder den diep neergetrokken rand van zijn hoed, zijn oogen, die haar glanzend tegenstraalden.

„Dat was dus de Heer Drenkelaer,quot; zei Ernestine, toen zij in 't rijtuig gezeten waren.

„In eigen persoon,quot; antwoordde Bettemie.

Ernestine had wel gaarne nog een vraag willen doen; doch de tegenwoordigheid van den knaap was haar in den weg. Zij kon echter niet nalaten, toen het rijtuig voor het huis van den Heer Van Bassen stond en Bettemie er uitstapte, haar halfluid, onder 't afscheid nemen, toe te voegen;

„Ik ben zeer verlangend te weten, of ik morgen geen nieuws zal hooren.quot;

„Ik geloof het niet,quot; zei Bettemie, terwijl zij haar vriendin krampachtig de hand drukte en snel naar buiten ging.

Ondertusschen wandelden Frederik de Groote, Jan Salie en nog een paar vrienden, naar hun Sociëteit in de Kalverstraat, en werd de eerstgenoemde niet weinig door de drie anderen geplaagd over de fraaie figuur, die hij met de kleine Ernestine geslagen had.

De brave Hendrik en Pietje Batist gingen ieder naar zijn woning: gene, omdat hij het niet gepast achtte, zoo laat naar „de kroegquot; te gaan, deze, omdat in 't huisgezin zijns vaders alles even afgemeten was, en hij na halftwaalf niet zou hebben durven thuis komen; en elk van de vier vrijers van Bettemie troostte zich met de gedachte, dat, zoo hij niet zoo gelukkig had mogen zijn, haar uit te leiden, aan geen zijner medeminnaars dat voorrecht was ten deel gevallen.

Drenkelaer keerde naar zijn logement, zich de handen wrijvende en allerlei fraaie luchtkasteelen bouwende.

En Albert? hij ging huiswaarts, hoofd en hart vervuld van tegenstrijdige gewaarwordingen. De oogen der liefde zien scherp, en niet minder die der ijverzucht: hij had terstond in Drenkelaer den jonkman herkend, die te Hardestein zich zoo geëmpres-seerd bij Bettemie getoond had: en het was hem geweest, of zijn hart werd toegeschroefd, toen hij dien ook nu weder

ocr page 99

89

zijn hof aan het jonge meisje zag maken en beider houding gadesloeg: want hij had meenen op te merken, dat Bettemie met welgevallen naar de tot haar gesproken woorden luisterde. En toch.... neen, hij bedroog zich niet: Bettemie had hem, Albert, werkelijk aangekeken, hem herkend, ja toegeknikt! en, 't mocht dan bij hem een spel der verbeelding zijn, maar 't was hem geweest, of uit die oogen, die zich zoo vriendelijk op hem vestigden, een stem gesproken had, die hem toeriep: „wees gerust.quot; — Maar neen: de gezonde rede verwierp zulk een dwaze opvatting: die minzame groete had alleen willen te kennen geven: „ik herinner mij, dat gij mij eenmaal een dienst bewezen hebt, en het is mij aangenaam, te zien, dat gij welvarend zijt.quot;

„En toen hij te huis gekomen was, en zijn moeder hem vroeg, of hij berouw had. haren raad gevolgd en gebruik te hebben gemaakt van 't vrijkaartje, 't welk hem de echtgenoot van een harer vriendinnen had aangeboden, en of werkelijk die Triolini zoo mooi zong als de roep er van ging, had hij moeite, zijn herinneringen aangaande het gehoorde in behoorlijk verband terug te geven, zoozeer waren hart en hoofd vervuld van wat hem, niet op het tooneel, maar in de zaal van den schouwburg had getroffen.

En toen hij zijn moeder goeden nacht gekust, en zich naar zijn slaapvertrek begeven had, en voor de teekening van Bettemie stond, neuride hij bij zich zelven.het bekende, op een der zangwijzen uit 1'Elisire d'amore vervaardigde liedje:

D'une image trop chérie Rien ne peut me séparer;

Je sais bien que c'est folie A mon coeur de l'adorer,

enz.

ocr page 100

VIJFTIENDE BOEK.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN VHEEMDSOOHTIG CONSULT.

Een der dienstboden ten huize van den Heer Van Bassen was ongesteld, en Dr. Van Zevenaer had, op den ochtend na de vertooning van 1'Eli sire, haar zijn gewoon bezoek gebracht, waarvan hij nu aan Bettemie verslag kwam doen. Hij was uiterlijk weinig veranderd, sedert wij hem quot;t laatst in ons verhaal hebben zien voorkomen. Zijn gelaat was iets meer gerimpeld, zijn kleur iets meer olijfachtig, zijn hoofd nog wat kaler, zijn beengestel iets houteriger geworden, hij was nog altijd dezelfde, wat stem, houding en manieren betrof, en in de wijze, waarop hij zijn witte das omdeed, in de snede van zijn jas of rok, in 't fatsoen van zijn boordjes, in zijn geheele kleedij met één woord, was niets veranderd sedert den tijd dat hij studeerde.

„Wel, Dokter?quot; vroeg Bettemie, toen hij binnentrad en terwijl zij een stoel naar hem toeschoof: „hoe heb je de zieke gevonden?quot;

„Dat zal wel schikken, collega!quot; antwoordde Van Zevenaer, die wel meer gewoon was, dien naam in scherts aan Bettemie te geven, om haar te plagen met haar medicinaal dilettantisme.

„En moet ze voortgaan, gort te gebruiken?quot; vroeg Bettemie.

„Ongetwijfeld,quot; antwoordde de arts: „tenzij je misschien iets beters voor haar wist.quot;

„Je zoekt mij weer te plagen, Dokter! Maar dat is 't zelfde,

ocr page 101

91

en daar zal ik mij niet door laten afschrikken. Wat dunkt je van arrow-root?quot;

„Dat het uitmuntend is om een podding van te maken, die met een Rijnschen-wijn-saus heel lekker kan wezen.quot;

„Je spot, Dokter! maar, toen ik een kind was, werd de arrow-root heel dikwijls voorgeschreven.quot;

„Ongetwijfeld, collega!quot; zei Van Zevenaer, zich buigende: „maar zie je, als b. v. iemand als uw oom Van Bassen mij vroeg, wat hij tegen zijn podagra moest doen, dan zou ik hem misschien zeggen; „ga naar Carlsbad of naar Aken;quot; „maalais 't een renteniertje is, met een inkomen van /'800 'sjaars, die de podragra heeft, dan schrijf ik hem niet anders voor dan baai, koud water en geduld; — en 't eene recept helpt even goed of weinig als 't andere. Aan u zou ik misschien arrow-root voorschrijven; — maar 't aan een dienstmaagd te doen zou ik zonde achten .... en al ware 't niet om de kosten, dan nog ben ik overtuigd, dat zij met meer smaak de gort zal nuttigen dan de ar row-root, — tenzij je er misschien madera of Franschen brandewijn bij wilt doen . . . . in dat geval heb ik niets te zeggen.quot;

„Er is iets waars in 't geen je zegt. Dokter, maar . . .

„Iets waars? — neen, 't is heelemaal waar,quot; zei Van Zevenaer, met dien bedaarden stelligen toon, die hem eigen was; „nu! is er nog iets, dat je weten wilde? anders saluut!quot;

„Neen!quot; zeide zij; „of ja,quot; voegde zij er haastig bij, zich bezinnende; „ik wilde .... ik meende je te vragen .. . .quot;

„Wel! wat?quot; vroeg de arts, die reeds opgestaan was; „hoe is 't?quot; vervolgde hij, haar aarzeling bespeurende; „is 't iets, daar je niet mee voor den dag durft komen.quot;

„Dokter?quot; vroeg zij, moed vattende; „geloof je aan de gettatura?quot;

„Wat belief je?quot; vroeg op zijn beurt Van Ze/enaer, die geen Italiaansch verstond en niet begreep wat zij meende.

„Och! ik bedoel.... ja, hoe zal ik het u uitleggen....? den magmetischen invloed van het oog.quot;

„Welzeker geloof ik daaraan,quot; antwoordde de geneesheer;

ocr page 102

92

„kijk maar een dier, dat op je afkomt, üks in de oogen en het zal je niet durven aanvallen.quot;

„Ja; dat weet ik,quot; hernam Bettemie: „maar ik bedoel dien invloed, niet op dieren toegepast, maar op menschen.quot;

„Ook die is onwederspreekbaar,quot; zei Van Zevenaer: „in den regel zal een schelm zijn oogen neerslaan, wanneer die van een eerlijk man op hem gevestigd zijn.quot;

„Och!quot; riep Bettemie, ontevreden: „je wilt mij niet verstaan. Je hebt toch wel gehoord, hoe men in Italië er stellig aan gelooft, dat er menschen bestaan, die door hun blik invloed hebben op het noodlot van een ander en . .

„Ik weet al,quot; zei Van Zevenaer; „Italië is het land van de kwade oogen, van de liefdedranken, van de toovergiften, en van allerlei andere hekserijen, die wij gelukkig hier te lande niet kennen.quot;

„Ben je daar zoo zeker van?quot; vroeg Bettemie.

O! nu begrijp ik het,quot; riep Van Zevenaer uit: „je hebt gisteravond l'Elisire d'amore gezien en nu wil je van mij weten, of er werkelijk zulke elixirs bestaan. Maar mij dunkt, die heb je niet noodig. Jij behoeft waarachtig aan de jonge lui geen tooverdranken in te geven om ze op je te doen verlieven. Of ben je bang, dat ze er jou een hebben ingegeven?quot;

„Met die mooie complimenten dwaal je van den tekst. Dokter. — Ik spreek van geen tooverdranken, ik spreek van blikken, die iemand op een onbegrijpelijke wijze fascineeren.... ik weet geen Hollandsch woord, dat juister uitdrukt wat ik zeg.quot;

„Wel wis en zeker!quot; zei Van Zevenaer: „ik ben nooit verliefd geweest, en toch heb ik meermalen ondervonden, dat een lonk, door een bevallig meisje op mij geworpen, een zeer krachtige werking op mij deed: — hoeveel te krachtiger moet dan nog de liefdelonk zijn, op ons geworpen door iemand, dien wij wederkeerig beminnen.quot;

„Maar nog eens, Dokter! ik spreek niet van zulke alledaagsche verschijnselen: — ik bedoel dit; — kan een man, alleen door de toovermacht van zijn blik, een vrouw tot zich trekken, ook al gevoelt zij geen bepaalde liefde voor hem ?quot;

ocr page 103

93

„0 ho!quot; zei Van Zevenaer: „hier hebben wij een behoorlijk gepreciseerde vraag. — Mag ik even je hand? — Ja, ik dacht het wel, de pols is gejaagd; je bent niet in je normalen toestand. Juffrouw Bettemie!quot;

„Goed! — maar uw antwoord op mijn vraag?quot;

„Hoor eens,quot; hernam van Zevenaer, terwijl hij weer zitten ging, en den schertsenden toon, dien hij tot dien tijd gevoerd had, tegen een toon van ernst verwisselde: „toen je, nu ongeveer drie maanden geleden, terugkwaamt van Hardestein, was je ziek, ten gevolge van die dwaze praatjes, die ze over je hadden uitgestrooid; en waarover ik mij nog altijd voorbehoud, dien sinjeur Le Mat, waar je tante zoo hoog mee loopt, bij gelegenheid eens onder handen te nemen. Maar als je nu bij anderen aankwaamt met vragen, gelijk je mij daareven hebt gedaan, dan zou je werkelijk je er allicht aan blootstellen, dat zulke praatjes weer werden opgewarmd. quot;Wat nu die biologie betreft, waar je op doelt, ik zal er dit alleen van zeggen, dat er in 't algemeen op de wereld niets vermogender is dan een vaste wil, vooral, wanneer die gepaard gaat met dat bewustzijn van kracht, 't welk men, wanneer 't op hulp van Boven steunt, „geloof,quot; en anders eenvoudig „zelfvertrouwen,quot; noemt. Er bestaan voorbeelden genoeg van lieden, die, lam zijnde, bij brand of andere dreigende gevaren, het gebruik hunner ledematen voor een wijl hebben teruggekregen om te vluchten; of wel van lieden, die in dergelijke omstandigheden, zoo al geen bergen, dan toch andere voorwerpen hebben verzet, die zij in hun gewonen toestand niet eens zouden hebben kunnen bewegen. Die wil nu openbaart zich en werkt op alle wijzen, niet enkel door de kracht van de ledematen, maar ook en vooral door de oogen. Zal echter iemand op een ander zoodanige kracht, door middel van zijn oogen, uitoefenen, dan moet die ander besef hebben van zijn ondergeschiktheid. De vader kan veelal zijn kinderen, en evenzoo de meester zijn scholieren, met de oogen regeeren: — maar dit zou noch den vader, noch den onderwijzer gelukken, indien bij de kinderen en de leerlingen niet het besef bestond van physieke en zede-

ocr page 104

94

lijke minderheid. — Bestaat er nu iemand, die u met zijn oogen beheerscht, dan is het, omdat hij, door meerdere vastheid van wil, u onder zijn bedwang houdt.quot;

„Et voila ce qui fait que votre fille est muette,quot; zei Bettemie: „waarlijk. Dokter, ik had een andere conclusie van u verwacht, dan dat die invloed van 't oog een gevolg is van een vastheid van wil. 't Spreekt wel van zelf, dat als iemand een ander aanziet, lang en met vuur aanziet, zulks geschiedt, omdat hij het wil doen. Maar in gewone gevallen duurt de indruk, dien hij teweegbrengt op het aangekeken voorwerp, niet langer dan dat aankijken zelf. Zoolang de slang zijn oogen op het vogeltje, dat op den tak zit, houdt gevestigd, zal het diertje stom en onbeweeglijk zitten; maar verwijdert zich de slang, dan begint het vogeltje weer vroolijk te zingen of vliegt weg: zoolang de meester de knapen op de school onder zijn oog houdt, houdt hij ze onder zijn bedwang; maar zij, die met den rug naar hem toezitten, bemerken zijn dreigenden oogopslag niet en zetten hun fluisterend gebabbel onbekommerd voort. Waar ik van spreek, is van blikken, die ons doordringen, ook al zien wij ze niet, en die, als wij ze eens gezien hebben, ook daarna, in de eenzaamheid, in den nacht, ons als dreigende vlammen vervolgen en aan wier invloed men ook dan zich vruchteloos poogt te onttrekken.quot;

„Mijn lieve Juffrouw Bettemie!quot; zei Van Zevenaer, die een Amsterdammer zijnde en tegen een Amsterdamsch meisje sprekende, nooit er aan zou gedacht hebben, de benaming van „Freulequot; te gebruiken: „indien wij een algemeene stelling behandelden, dan zou ik u zeggen, dat ik aan een kracht der oogen, als door u beschreven wordt, weinig geloof sla; of liever, ik zou u „goeden dagquot; zeggen, mijn hoed opzetten en heengaan: want als ik aan 't bezoeken van mijn patienten ben, heb ik geen tijd tot redetwisten over algemeene stellingen. Maar ik ken Juffw. Van Doertoghe als te redelijk, om mij, op dit uur van den dag, in louter speculatieve quaestiën te willen wikkelen, en begrijp alzoo dat de quaestie, waarover zij mijn raeening wil kennen, een bijzonder geval betreft, en dat het

ocr page 105

95

raad en hulp is, die zij voor zich zelve verlangt. En danquot; vervolgde hij, zonder zich te storen aan de kleur, die Bettemie kreeg en die zijn vermoeden bevestigde, „dan zeg ik, dat zoo'n paar oogen niet de minste blijvende werking kunnen doen, indien er niet van de andere zijde een neiging bestaat, om zich door die werking te laten beheerschen. Met ronde woorden: zijn er een paar oogen, die de Juffrouw nacht en dag kwellen, dan is 't, dat hij, aan wien die twee oogen toebehooren, aan de Juffrouw volstrekt niet onverschillig is. — Tegen een kwelling van dien aard kan i k geen recepten schrijven; hij, die de wond toebrengt, zal die tevens ook het best genezen; want wat zeit de dichter ?

't Zijn twee oogen, die mij geven Dood en doodelijke wond;

En dat dooden doet mij leven,

En dat wonden maakt gezond.quot;

„Je drijft den spot met mij. Dokter, zei Bettemie, terwijl haar de tranen in de oogen schoten, „en dat heb ik ook verdiend : en ik weet dat je mij voor een mal, onverstandig schepsel zult aanzien, dat zich schamen moest, een dergelijk onderwerp bij u aan te roeren. Maar je moet ook bedenken, dat ik nooit een moeder gekend heb,quot; — hier begonnen de tranen sterker te vloeien — „dat ik niemand heb, die mij verstandi-gen raad kan geven, dat zelfs die enkelen, aan wie ik mijn vertrouwen zou kunnen schenken, mij zouden uitlachen of misschien niet gelooven, dat het hier een geval betreft van geheel vreemden en bijzonderen aard, 't welk juist een geneesheer beter kan beoordeelen dan een ander mensch, en dat ik er op gerekend had, niet slechts een toegevend gehoor, maar ook raad en hulp te vinden bij Dr. Van Zevenaer, dien ik gekend heb, van dat ik een kind was, en dien ik altijd als een vriend beschouwd heb, die 't wel met mij meende.quot;

Het was nu de beurt aan Van Zevenaer om een kleur te krijgen, zooverre zijn citroengele tronie dit toeliet. „Waarlijk!quot; zeide hij met meer ontroering in zijn stem, dan waarvoor hij anders vatbaar scheen: „zoo moet je 't niet opnemen. Ik zie,

ocr page 106

96

dat de zaak van ernstiger natuur is, dan ik mij had voorgesteld, en dat er bij mijn vriendin Bettemie, die ik altijd zoo kloek van verstand en zoo welberaden heb gekend, iets buitengewoons moet hebben plaats gehad. Maar nu zij mij niet enkel als arts, maar ook als vriend wil raadplegen — (geloof mij, wat je mij daareven zeidet, heeft mij diep getroffen) — nu beloof ik haar ook, mijn best te zullen doen, zulk een eernaam te verdienen. Maar om te kunnen raad schaffen, dien ik precies te weten wat u schort. Vertel mij dus, wat tot opheldering noodig is, zooveel als je, ik zeg niet aan je moeder, maar aan je vader vertellen zoudt.quot;

„Ik dank u. Dokter!quot; zei Bettemie, hem de hand toestekende: „en ik zal u alles trouw opbiechten, wat eigenlijk niet veel is.quot; En meteen gaf zij hem een kort verslag van haar wedervaren te Hardestein, 't welk den lezer bekend is. Alleen van den flacon sprak zij niet; vermoedelijk weerhield haar de vrees, dat de geneesheer haar zou uitlachen.

„Hm!quot; zei deze, toen zij met spreken gedaan had: „er komen in het verhaal zekere dingen voor, die vooralsnog boven mijn begrip zijn: —- doch daarover later. De eerste vraag nu is deze, en daar hangt alles van af: heb je dien Mijnheer Drenkelaer lief?quot;

„Ik weet het niet,quot; antwoordde Bettemie.

„Met!quot; herhaalde Van Zevenaer: „nu, dat is mij te geleerd.quot;

„Ik zal trachten,quot; vervolgde zij, „u mijn gevoelens voor hem te beschrijven; en zoo ik dit niet duidelijk genoeg kan doen, ligt het voornamelijk daaraan, dat ik er mij zelve moeilijk rekenschap van kan geven. Ga ik alleen met mijn verstand te rade, en beschouw ik een huwelijk met den heer Drenkelaer eenvoudig als een mariage de raison, dan zie ik niet, wat mij beletten zou, hem mijn hand te geven. Maar raadpleeg ik mijn hart, dan is het juist dat gevoel, dat hij bij mij opwekt, of waardoor hij mij tot zich trekt, 't welk mij beangst maakt om zijn vrouw te worden.quot;

„Ik begrijp wat je zeggen wilt,quot; zei Van Zevenaer, „al begrijp ik de zaak zelve nog niet. Zijn oogen oefenen een

ocr page 107

97

werking op u uit, die te gelijk attractief en repulsief is nietwaar ?quot;

Bettemie knikte toestemmend.

„Heb je ooit op een hoogen toren gestaan en lang naar beneden gekeken?quot; vroeg Van Zevenaar.

„Ja, eens,quot; antwoordde Bettemie: „namelijk op een toren gestaan; want lang heb ik niet naar beneden gekeken, omdat ik duizelig werd.quot;

„Juist. — En waarschijnlijk is u toen ook, nadat je thuis waart, in den nacht daarna, misschien langer nog, het onaangename gevoel bijgebleven, alsof je in de diepte keekt.quot;

„O ja! ik herinner het mij zeer goed,quot; zei Bettemie: „'twas of mijn ledikant met mij begon te draaien.quot;

„Zoo is 't,quot; zei Van Zevenaer: „ik heb, wat mij betreft, een sterk zenuwgestel, en toch is 't mij gebeurd, nadat ik, 's avonds, van den top van den Rigi de streek onder aan mijn voet beschouwd had, dat ik, 's nachts aldaar in 't logement te bed liggende, gedurig het gevoel had, alsof het gebouw heen en weer draaide en met mij naar beneden ging duikelen. — Nu, het is in allen gevalle buiten twijfel, dat bij vele lieden, als zij lang in de diepte gekeken hebben, op 't laatst een steeds toenemende trek bestaat om zich naar beneden te storten, en dat sommigen zelfs aan dien trek geen weerstand hebben kunnen bieden. — Nu geloof ik, dat het gevoel, 't welk de Heer Drenkelaer bij u doet ontstaan, 't best te vergelijken is bij de duizeligheid, die 't kijken in de diepte verwekt.quot;

„Daar is iets van aan,quot; zei Bettemie.

„Intusschen bestaat er één verschil,quot; zei Van Zevenaer: „sprong je van den toren af, dan brak je waarschijnlijk je nek: sprong je dien vrijer in de armen — welnu! indien je hem voor 't overige een geschikt man voor je acht, dan zou het nog geen zulke akelige gevolgen hebben.quot;

„Maar — moet men dan bang wezen voor zijn man?quot; vroeg Bettemie.

„Bang!quot; herhaalde Van Zevenaer: „neen, dat juist niet.

ocr page 108

98

ofschoon er, geloof ik, in de Schrift staat, dat een vrouw haaiman moet eeren en vreezen. — Maar tusschen „vreezenquot; en „bang zijnquot; is nog een onderscheid. Intusschen, wat dat bang zijn betreft, ik moet hier veel op rekening stellen van je individualiteit, en vooral van je gemoedsgesteldheid, sedert die dwaze praatjes over u geloopen hebben. Je hebt, door je studiën en geliefkoosde lectuur, je zelve vatbaarder gemaakt dan eenige andere in uwe plaats zou geweest zijn, om diepe indrukken te ontvangen, en de onrust, bij u door dat domme gebabbel der Hardesteiners verwekt, heeft aan een invloed, die anders waarschijnlijk aangenaam en weldadig zou gewerkt hebben, een angstverwekkende werking gegeven: — een werking, die ongetwijfeld niet in de bedoeling lag van dengenen, die u zoo aankeek — waar hij trouwens groot gelijk aan had.quot;

„Dat is nu juist wat bij mij twijfel verwekt,quot; zei Bettemie: „heeft hij mij aangekeken, alleen omdat hij mij liefhad en omdat hij 't, om zoo te zeggen, niet laten kon? of heeft hij, bij zijn bewustheid van de kracht die in zijn oogen gelegen is, zich daarvan willen bedienen om mij tot zich te trekken?quot;

„Wel! al had hij dat laatste gedaan,quot; zei Van Zevenaer: „dan zou ik er hem nog niet hard over willen vallen. Heeft die Mijnheer Drenkelaer gestudeerd?quot;

„Ja,quot; zei Bettemie: „en waarom?quot;

„Wel! dan heeft hij in Ovidius gestudeerd, en daaruit geleerd, dat aan een minnaar, om tot zijn doel te geraken, alle middelen, die geen bepaalde schurkenstreken zijn, ook vrijstaan. — Doch, voor 't overige, hoe wil ik den twijfel oplossen, die u kwelt? Ik zou daartoe den Heer Drenkelaer moeten kennen en bestudeerd hebben; — en dan nog is 't bezwaarlijk te ontdekken, wat iemand in de schuilhoeken van zijn hart verborgen houdt.quot;

„Ik zie wel,quot; zei Bettemie, op een toon, die van moedeloosheid getuigde, „dat je, met den besten wil van de wereld, mij ook geen afdoenden raad of bijstand verschaffen kunt.quot;

„Geen raad of bijstand?quot; herhaalde Van Zevenaer: „met je verlof, er zal niet gezegd worden, dat Willem Van Zevenaer

ocr page 109

99

die aan een lief jong meisje, daar hij veel van houdt, en nog wel aan een patiënt van hem, onthouden heeft. Eerst den raad: — ben je met dien vrijer in correspondentie?quot;

„Wel neen,quot; zei Bettemie: „foei Dokter! wat denk je van mij?quot;

„Hm! ik heb verstandige meisjes, als ze verliefd waren, sterker dingen zien verrichten,quot; zei Van Zevenaer: „ik maak er alleen uit op, dat bij u de liefde nog niet zóó sterk is, of de gezonde rede, de betamelijkheid, de welvoeglijkheid en alle andere dergelijke lofwaardige eigenschappen meer, hebben nog bij u de overhand.quot;

„Maar ik zie hem te halftwee in Artis,quot; zei Bettemie, kleurende.

„Ha zoo!quot; zei Van Zevenaer: „dat verandert de zaak. Dan zijn er zeker geen brieven noodig, en begrijp ik, dat hier cito cito hulp geschaft moet worden. Ei! Ei! een rendezvous in Artis.quot;

„Een rendez-vous in een tuin vol menschen, waar ik met een vriendin naar toe ga! daar zal toch wel niemand iets op aan te merken hebben. Buitendien, hij heeft mij een vraag gedaan, en ik ben hem een antwoord schuldig.quot;

„Zeer waar,quot; zeide de arts: „wacht! nu mijn raad: geef hem de zes weken.quot;

„De zes weken?quot;

„Wel ja!quot; zei Van Zevenaer.

„Maar dat is zoo goed of ik hem aannam,quot; zei Bettemie.

„Ja, dat is ook waar,quot; hernam Van Zevenaer, nadenkende: „ik dacht er niet aan, dat als in uw kring, een meisje haar jawoord geeft, er altijd zes weken moeten verloopen, eer het engagement publiek mag worden. —• Maar, geef hem er dan acht — of, nog beter; wanneer ben je meerderjarig?quot;

„Den 4den Januari,quot; antwoordde Bettemie.

„Best! zeg hem dan, dat je zwarigheid maakt, hem vóór dien tijd iets te beloven — en stuur hem weer naar Marl-heim: — dat is mijn raad.quot;

„Ik heb er niets tegen,quot; merkte Bettemie aan: „maar ik

ocr page 110

100

heb hem reeds in Juli een onbepaald uitstel gegeven, en als ik nu weer hetzelfde liedje met hem begin, dan zal hij mij voor een coquet ding houden, dat den draak met hem steekt. Een huwelijksaanvraag is toch altijd een beleefdheid, die haar, wie zij geldt, vereert, en die met geen lompe of onwaardige behandeling mag vergolden worden.quot;

„Ook begeer ik niet, dat je den persoon in quaestie om den tuin leidt. Heb je geen genegenheid voor hem, bedank hem dan liever vandaag dan morgen: en in het tegenoverstelde geval, neem hem dan voorwaardelijk aan. Je bent een vrouw, en bovendien een schrandere vrouw, en je zult honderd middelen weten te vinden, tegen ik één, om hem te beduiden, dat hij zich voor dien tijd niet officieel moet aanmelden: dat is mijn raad, en ik weet er geen beteren te geven.quot;

„Ik zal hem eenvoudig de waarheid zeggen,quot; zei Bettemie, op een vasten toon.

„Dat is zeker altijd het eenvoudigste en het beste,quot; zei Van Zevenaer: „en nu, mijn hulp: — ik heb nog bekenden te Marlheim, en daaronder, die ik vertrouwen kan, en die mij meer bijzonderheden van den heer zullen vertellen dan het belangrijk bericht, dat hij nooit in handen van de Justitie is geweest. Blijkt het mij dan, dat hij uwer onwaardig is, welnu! dan laat je hem tegen den bepaalden tijd weten, dat hij niet meer op u behoeft te rekenen; hoor ik daarentegen niets van hem, dan wat tot zijn voordeel is, welnu! dan kom ik je op 4 Januari gelukwenschen met je verjaardag en tevens met je engagement. — En nu, veroorloof mij, dat ik mijn biezen pak en naar andere lijders ga, die niet tot 4 Januari kunnen wachten.quot;

„'t Is waar, ik ben egoïst geweest, en heb u van belangrijke plichten afgehouden,quot; zei Bettemie, hem de hand toereikende.

„Hm!quot; zei de geneesheer: „een kwaal is een kwaal, en de psychologie moet even goed haar rechten doen gelden als de physiologie. — Tot wederziens. Juffrouw Bettemie!quot;

Bettemie bleef nog lang na zijn vertrek in gepeins verzonken, en toen zij eindelijk naar haar kamer ging om haar wandel-

ocr page 111

101

toilet aan te doen, schudde zij het hoofd, en zeide zuchtende tot zich zelve:

„Hij mag zoo knap wezen als hij wil, Dokter Van Zevenaer, hij zal nooit recht begrijpen wat ik gevoel; want hij gelooft er niet aan, en ik heb maar wel gedaan, hem van die reuk-flesch niet te spreken.quot;

TWEEDE HOOFDSTUK.

NATURA ARTIS MAGISTEA.

De zoölogische tuin Natura Artis Magistra — 't is toch kluchtig, dat hier te lande, een genootschap, zoowel als een tuin, altijd een eigen naam moet hebben, en, daar hier een genootschap en een tuin bestaan, is het zelfs te verwonderen, dat zij zich met éénen naam vergenoegd hebben, — die tuin dan, ofschoon in de dagen, waarin het door ons verhaalde plaats had, reeds eenige vermaardheid beginnende te krijgen, had nog in lang die uitgestrektheid van grondgebied niet bekomen, die hij later voet voor voet, in zijn hardnekkigen kamp met kleingeestigen tegenstand, op de Plantage wist te veroveren. Maar was het terrein toen nog zoo aanzienlijk niet, het was in vele opzichten bevalliger: er waren minder gebouwen en er stond meer hout: er was o. a. nog een lief begroeid heuveltje, aan welks voet een watertje gegraven was, door allerlei watervogels bewoond, en op dat heuveltje een bank, beschaduwd door een paar lommerrijke boomen: een schilderachtig hoekje, waar men rustig en buiten 't gezicht van de menschen zitten kon, zoolang die althans niet vlak voorbij kwamen geloopen. Wel was het najaar reeds ver gevorderd; maar October, ja November, heeft dikwijs zoeler dagen dan zelfs Juli of Augustus verschaffen kan: dagen, waarop men, zonder vrees voor koude of tocht, in de open lucht durft zitten. Zulk een dag was ook die, waarop Bettemie met Kato Tronck

ocr page 112

102

zich naar den tuin begaf, en, nadat zij de voornaamste lions — hier zoowel in de echte als in de overdrachtelijke beteekenis, — die in Artis te zien waren, hadden bezocht en besproken, schroomden zij dan ook niet, de enkele dorre bladeren, die op het voormelde bankje gevallen waren, er af te slaan, en nevens elkander plaats te nemen, om, op hetgeen Bettemie haar lievelings-plekje noemde, een oogenblik uit te rusten. Hier zaten zij een wijl beiden in stilte naar de eendjes en den pelikaan te kijken, en overlegde Bettemie met zich zelve, of zij al dan niet Kato op de hoogte zou brengen van de verhouding, waarin zij tot Drenkelaer stond, en haar discretie verzoeken, ten opzichte van hetgeen door haar gehoord of geraden mocht worden. — Wel had zij het betamelijk gevonden, Drenkelaer geen rendez-vous te geven, dan op een plaats, waar zij niet onverzeld zou komen, maar zij had verwacht, dat hij haar, op de wandeling door den tuin, zou hebben ontmoet en dan wel een middel zou hebben weten te vinden om ongemerkt eenige woorden met haar te wisselen, terwijl Kato in contemplatie was van de apen of papegaaien. Dit was echter niet geschied, en wellicht zal de lezer vinden, dat het weinig empressement toonde van Drenkelaers zijde, zich dus te laten wachten. Intusschen oordeele hij (de lezer n.L, en niet Drenkelaer) niet overhaast: onze substituut handelde ook nu, gelijk doorgaans, niet dan met welbekend overleg. Een half uur vóór Bettemie in den tuin gekomen, had hij eerst zich verzekerd, dat zij hem had opgemerkt, en vervolgens zich op een afstand gehouden, met het doel om een geschikt oogenblik af te wachten, waarop hij haar als bij toeval ontmoeten zou, wat hij oordeelde, dat zij als de meest kiesche handelwijze zijnerzijds waardeeren zou. Maar er was nog een andere reden, waarom hij haar niet terstond genaderd was: hij had, ingevolge eener afspraak met Kato, het nuttig gedacht, dat deze vooraf de baan voor hem bereidde, en, terwijl Bettemie nog peinsde over de vraag of zij haar gezellin over de zaak zou onderhouden, nam deze al haar bezwaren daaromtrent weg, door plotseling uit te roepen;

ocr page 113

103

„Heden! is dat Drenkelaer niet, die ginds aan de deur van 't gebouw staat?quot;

„Ik geloof ja,quot; antwoordde Bettemie.

„Je zult verwonderd zijn,quot; zei Kato, alsof zij niets bemerkte van de verwarring, waarin Bettemie een oogenblik geraakt was door haar vraag, „dat ik hem zoo kortaf Drenkelaer noem; maar, tusschen ons gezeid, hij is mijn neef.quot; Zij was met Drenkelaer overeengekomen, dat zij van die bloedverwantschap niet langer een geheim zou maken. Hij vreesde, dat, zoo Bettemie er wellicht op andere wijze achter kwam, zulks bij haar achterdocht zou verwekken, terwijl daarentegen het bekennen van de tusschen hen bestaande betrekking Kato in de gelegenheid zou stellen, hem krachtiger van dienst te zijn.

„Uw neef!quot; herhaalde Bettemie: „o! dan begrijp ik, waarom je op zekeren morgen, toen je mij te Doornwijck bezocht, zoo krachtig voor hem pleitte. Maar toen vertelde je mij niet, dat hij je neef was,quot; voegde zij er bij, op een toon, waar eenige argwaan uit sprak.

„Neen,quot; zei Kato: „maar daar had ik goede redenen voor. Ik wist niet, toen hij op Hardestein was, of hij mij nog wel, in mijn positie, als nicht zou willen kennen: te meer, dewijl er nog financiëele verschillen tusschen onze ouders hebben bestaan.quot;

„En heeft hij zich geschaamd, u te erkennen?quot; vroeg Bettemie, zich vleiende, langs dien weg eenig licht omtrent 's mans karakter te bekomen.

„Ik moet zeggen,quot; antwoordde Kato, „dat ik hem onrecht aandeed, toen ik dacht, dat hij zich mijner schamen zou. Integendeel, kort voor zijn vertrek, verzekerde hij mij, eerst toen ontdekt te hebben, dat wij vermaagschapt waren: hij had mij nooit anders dan „Katoquot; of „Juffiequot; hooren noemen, en kon ■ dus niet raden, dat ik zijn nicht Catharina Tronck was, waar hij in jaren niet van gehoord had. Hij was niet alleen zeer hartelijk, maar zelfs de eerste om te spreken over die ongelukkige geldquaestie, en mij te verklaren, dat de schuld, die zijn vader jegens den mijnen had aangegaan, steeds zwaar

ocr page 114

104

bij hem woog, dat hij zich steeds als mijn debiteur beschouwde, en dat, zoo hij ooit geld verdiende, hij van zijn schuld zou afdoen, zooveel hij bij mogelijkheid kon.quot;

„Dat was braaf,quot; zei Bettemie, peinzende.

„Ja, en dat hij 't meende, geloof ik daarom te eerder, omdat hij, naar Maurits mij vertelde, nog andere pretenties op zijn vader heeft afbetaald, wel is waar tot een geringer bedrag dan de mijne, doch waarvan hem, als men zijn sober inkomen in aanmerking neemt, de voldoening toch zeer zwaar moest vallen.quot;

„Ik heb daar, meen ik, ook iets van gehoord,quot; zei Bettemie, steeds in gedachten verdiept: „je houdt hem alzoo voor eerlijk en oprecht?quot;

„Welzeker, Freule! wie zou daaraan twijfelen?quot;

„Nu,quot; zei Bettemie; „'t is mogelijk, of liever, 't is zeker, dat hij ons straks komt aanspreken: en daarbij zeer waarschijnlijk, of, laat ik maar weer zeggen, zeker, dat hij mij iets te zeggen heeft, waar 't aan een meisje niet altijd zoo gemakkelijk valt, dadelijk antwoord op te geven. Het was reeds mijn plan, u te verzoeken, als zoo iets gebeurde, zoolang maar te kijken naar de hyena's of naar de ratelslangen, en te vergeten wat u van ons gefluister in de ooren waaien mocht; doch nu ik hoor, dat hij uw neef is, ben ik des te geruster, dat u zulks gemakkelijk zal vallen: 't is nu niet enkel om mijnent- maar ook vooral om zijnentwille, dat ik op je discretie rekenen kan, nietwaar?quot;

„Och lieve Freule!quot; zeide Kato, „in mijn betrekking heb ik geleerd, hoe men moet hooren, zien en zwijgen. — Alleen hoop ik maar, dat je mij het verdriet zult besparen, getuige van een afwijzing te zijn.quot;

„Zou het u in ernst genoegen doen, als ik uw nicht werd?quot; vroeg Bettemie.

„Wel! hoe kan de Freule zoo iets vragen? Wie zou niet vereerd zijn, tot haar in relatie te staan?quot;

„Laat die eer nu maar blijven waar zij is,quot; zei Bettemie: „en zou je denken, dat je neef werkelijk op mij verliefd is? en niet op die ongelukkige effecten, die ik bezit?quot;

ocr page 115

105

„Of hij uw effecten liefheeft,quot; antwoordde Juffw. Tronck,^ zeer voorzichtig, „is iets, dat ik niet weet; daartoe had ik in zijn hoofd moeten kunnen lezen, evengoed als ik meen het in zijn hart te hebben kunnen doen: en dan zou ik mij zeer bedrogen hebben, indien daarin geen oprechte liefde voor u woonde; ik kan daaromtrent niet anders zeggen, dan wat ik u reeds op Doornwijck zei. — En waarachtig, de Freule zal wel de nederigheid zoover niet drijven, om niet te weten, dat zij er goed genoeg uitziet, en lief en knap genoeg is, om een jong mensch, ook al wist hij niets van haar schatten, het hoofd op hol te brengen. Maar ik geloof waarlijk, dat hij daar een kloek besluit neemt, en op ons afkomt, of, beter gezegd, op u.quot;

En inderdaad, Drenkelaar had begrepen, dat hij niet langer kon terugblijven, zonder den schijn van onverschilligheid op zich te laden of de gelegenheid verloren te laten gaan. Hij stapte alzoo moedig naar de dames toe, en, na een beleefde buiging voor Bettemie gemaakt te hebben, stak hij de hand naar Kato uit, met een: „goeden morgen, waarde Nicht!quot;

„'t Is toch flink van hem,quot; dacht Bettemie, „dat hij zich zijn maagschap met een Juffrouw van gezelschap niet schaamt.quot;

„Mag ik aan de Dames vragen, of zij goede tijding hebben of meebrengen van de bewoners van Hardestein en omstreken ?quot;

„Alles wel,quot; antwoordde Kato voor beiden; want Bettemie bekeek den knop van haar parasol met een aandacht, die zou hebben doen denken, dat daar wonder wat aan te zien was: „en wat jaagt u hier zoo naar Amsterdam?quot;

„Dat is een indiscrete vraag, Kato!quot; zei Drenkelaer: „en waar ik, tegenover elk ander, het antwoord op zou schuldig blijven. Maar aan u wil ik dit ten minste wel zeggen, dat ik naar Amsterdam ben gekomen, om te zien of ik iets terug kan vinden, dat ik te Hardestein verloren heb. quot;Wat dat iets nu eigenlijk is, dat zal ik u later misschien wel eens onder vier oogen vertellen, en misschien ook niet.quot;

„Wil ik ook zoolang wat op zij gaan?quot; vroeg Bettemie, half verlegen, half ondeugend.

ocr page 116

106

T

„Indien er iemand op zij zal gaan,quot; zei Kato, lachende, „dan geloof ik, dat ik het zal moeten wezen;quot; — en, meteen opstaande, ging zij over de leuning van het bruggetje naar de jonge bergeendjes kijken, die in de sloot dartelden. «

„De Freule heeft mij beloofd,quot; fluisterde Drenkelaer, terwijl hij in eerbiedige houding tegenover Bettemie bleef staan, „dat zij mij hier haar besluit zou melden.quot;

„Ik zou kunnen zeggen,quot; zei Bettemie; „dat ik u niets bepaalds beloofd heb; doch ik wil u geen recht geven om mij van coquetterie te beschuldigen, en ik gevoel, dat je van mij een antwoord moogt vorderen op het mij gedane voorstel.

Ik zal u dan ook oprecht zeggen, hoe 't met mij gelegen is. —

Ik ben u volstrekt niet ongenegen: integendeel schat ik u in meer dan een opzicht hooger dan de meeste heeren, die ik tot heden ontmoet heb; ik heb van u niets vernomen, dan wat tot uw voordeel strekte; ik zie niet in, dat onze maatschappelijke positie eenig struikelblok oplevert: — maar . ...quot;

„0! geen maar, wat ik u bidden mag,quot; viel Drenkelaer in, terwijl hij zich snel naast Bettemie nederzette op de plaats,

die Kato ontruimd had, en de handen smeekend tegen elkander bracht; „geen maar! indien dit alles zoo is als je zegt. Freule,

wat kan u dan beletten, mij gelukkig te maken ?quot;

„Eenvoudig dit,quot; antwoordde Bettemie, „dat ik niet weet, of hetgeen ik voor u gevoel werkelijk liefde is; een zoodanige liefde namelijk, die zou blijven bestaan, indien ik, eens gehuwd zijnde, ontdekte, dat ik mij in u bedrogen had.quot;

„Ik kan mij niet in uwe plaats stellen,quot; zei Drenkelaer;

„maar ik zou bijkans vragen, of, indien ieder meisje zich met zulk een nauwgezetheid die vraag voorstelde, er wel een enkel huwelijk gesloten zou worden. Ik kan alleen dit zeggen,

dat ik gelukkig geen dergelijke vrees koester; maar wel volkomen zeker ben, u altijd en onder alle omstandigheden te zullen beminnen u, u alleen, en niemand dan u.quot;

„Misschien heb je gelijk,quot; zei Bettemie, die niet kon nalaten de juistheid van Drenkelaers aanmerking te erkennen, en zich, nu hij nevens haar zat en zijn blikken zoo teeder

ocr page 117

107

smeekend op haar vestigde, als met tooverkoorden tot hem aangetrokken voelde: „ja,quot; vervolgde zij, peinzende, en meer tot zich zelve sprekende: „het huwelijk is een loterij, en—quot;

„En ik ben vermetel genoeg, er het hoogste lot in te verlangen,quot; viel Drenkelaer in.

Ware Bettemie alleen geweest met Drenkelaer, zij had wellicht niet langer weerstand kunnen bieden aan de stem, die voor hem sprak, en dat oogenblik had haar lot beslist. Zelfs nu kostte het haar moeite, hem niet terstond dat jawoord te geven, waar hij op aandrong; doch zij vermande zich, om den raad op te volgen, haar door Van Zevenaer gegeven, en zoo luidde haar antwoord, wel niet afwijzend, maar toch uitstellend :

„Wel! ik geloof, dat ik zal moeten toegeven. — Neen, bedank mij nog niet. — Je weet, ik ben nog minderjarig, en mag u dus mijn jawoord niet geven, zonder de toestemming van mijn oom en voogd; — doch ook bovendien zou ik mij niet gaarne willen verbinden, zonder die van mijn tante op Doornwijck. Dewijl deze nu nooit dan in 't laatst van 't jaar in de stad komt, zou ik gaarne tot dien tijd de zaak laten zooals zij is: heb ik dan met beiden gesproken, en bestaat er van hunne zijde geen bezwaar, en doet zich niets voor. dat mij anders over u zou doen denken, dan ik op dit oogenblik doe, dan kan ons engagement in de eerste dagen van Januari, wanneer ik meerderjarig zal zijn, publiek worden. Tot zoolang verzoek ik niets van u te hooren.quot;

„Een vooruitzicht, dat mij onuitsprekelijk gelukkig maakt,quot; zei Drenkelaer, de hand op het hart drukkende: „en toch.. . . dit uitstel.... nog twee maanden, die mij eeuwen zullen toeschijnen! . ... is er geen mogelijkheid op het verkorten van dien termijn? — Kan die toestemming van Mevrouw Van Doertoghe niet per brief verworven worden ?quot;

„Onmogelijk,quot; antwoordde Bettemie: „zij zou natuurlijk vragen, of ik dan zulk een haast heb om mij te verloven, dat ik niet eens daarmee tot haar terugkomst wachten kon.quot;

„Maar mag ik u voor 't minst niet schrijven?quot;

ocr page 118

1Ö8

„Waartoe? Ik zou u toch niet antwoorden. Ik stel mij in meer dan een opzicht reeds, in de oogen van velen, boven hetgeen men de convenances noemt; maar wat ik tot heden deed, durf ik verantwoorden: — ging ik echter een correspondentie voeren met iemand, die nog bij mijn naaste betrekkingen niet als mijn verloofde bekend staat, ik zou meenen verkeerd en loszinning te handelen. Alzoo, tot Januari. — En willen wij nu naar den casuaris gaan. Juffrouw Kato?quot;

„Zeer gaarne,quot; antwoordde Kato, terwijl zij zich omkeerde : —' een knipoogje en een knikje, door Drenkelaer, achter Bettemie om, gegeven, verkondigden haar, dat de zaak zoo goed als beklonken was.

„En nu moet je mij eens vertellen. Mijnheer Drenkelaer,quot; zei Bettemie, nadat zij opgerezen was, en alzoo het sein tot het hervatten der wandeling gegeven had, „hoe die flacon, waar je zooveel prijs op steldet, in het doosje te land gekomen is, dat ik uit de tombola op Hardestein trok.quot;

„Op zeer natuurlijke wijze,quot; antwoordde Drenkelaer, glimlachende: „ik had hem er in geleid.quot;

„Ik dacht, of dat ook misschien bij vergissing kon wezen.quot; hernam Bettemie, met een schalkschen blik; „en straks, toen je spraakt van iets, dat je verloren hadt, en dat hier te Amsterdam was, verkeerde ik een oogenblik in de meening, dat je dat fleschje bedoelde; je bent er toch niet om verlegen?quot;

„Wist ik dan niet,quot; vroeg Drenkelaer, „dat het de aandacht van de Freule getrokken had ? en moest het mij niet een streelend genoegen zijn, mij, armen drommel, toch iets te bezitten, dat ik aan de Freule kon aanbieden als een niet onwelkom geschenk: te meer, omdat ik, geholpen door het gunstig toeval en een beetje handigheid, zulks doen kon op een wijze, waardoor haar kieschheid, daar ik vertrouw, niet gekwetst kon worden.quot;

„'t Was dus geen vergissing.... en je verlangt het fleschje niet terug?quot; vroeg Bettemie.

„Geloof, dat mij niets aangenamer zal zijn, dan in staat gesteld te worden, het u bij een zekere gelegenheid te zien gebruiken.quot;

ocr page 119

109

Bettemie kreeg een kleur en zweeg voor 't oogenblik, doch, zich spoedig hervattende, bracht zij 't gesprek op een onverschillig onderwerp. Niet lang echter vertoefde zij meer in den tuin; de dames keerden terug naar het rijtuig, dat haar gebracht had, en Drenkelaer, na ze er in geholpen te hebben, ging zijns weegs, en verliet Amsterdam nog dienzelfden avond, bijzonder in zijn schik met den aanvankelijk gunstigen afloop van zijn onderneming.

DERDE HOOFDSTUK.

WAT MEVROUW BLEEK AAN HAAE MAN VERTELDE.

De loop van ons verhaal vordert, dat wij thans weder een paar personages doen optreden, die aan den lezer wel niet onbekend zijn, maar toch een geruimen tijd achter de schermen zijn gebleven, ofschoon de naam, dien zij voeren, nog wel nu en dan aan zijn geheugen is teruggeroepen; te weten: den Heer Jan Bleek en zijn huisvrouw.

Het is 's morgens halfnegen, en het echtpaar zit aan 't ontbijt. Mevrouw heeft het theeblad voor zich en Mijnheer leest de courant. Wat zijn persoon aangaat, de jaren hebben daarin weinig verandering gebracht; zijn uitzicht is nog altijd als zijn naam: zijn haar eenigszins gedund, zoodat zijn schedel er hier en daar doorschemert, voorts gladgestreken als altijd; zijn lippen, ten gevolge van het ontbreken van eenige tanden, wat meer samengetrokken: hij draagt voorts, volstandig, een witte das, groot als een servet, en die hem als een strop om den hals zit, en nog, evenals voor vijf en twintig jaren, een jabot met smalle plooien: ook is hij reeds nu zooals hij zich den geheelen dag vertoonen zal, geheel in 't zwart, er uitziende zooals, in elk land op den aardbodem, behalve in ons gezegend vaderland, er geen mensch uitziet, die geen dominee is. Mevrouw heeft een zoo mogelijk nog minder behaaglijk voor-

ocr page 120

110

komen dan Mijnheer. Bij haar hebben de jaren wèl verandering teweeggebracht, en niet tot haar voordeel. Indien Bol, in den brief, dien hij, kort na haar huwelijk aan zijn vriend Donia schreef, en dien wij in ons Derde Boek ') hebben opgenomen, zich vergenoegde, met van haar te zeggen, dat zij „geen schoonheidquot; was, hij zou zich thans waarschijnlijk niet bij het negatieve bepaald, maar haar zeer positief „leelijkquot; genoemd hebben. De wederhelft van Jan Bleek was mager, dor, c o u-perosée, en had een hals, die met den hals van een zwaan alleen de eigenschap gemeen had van zeer lang te zijn. Zij droeg, wat toen reeds uit de mode was, een geweldig grooten toer van zijden krullen, die haar half over de oogen hingen. Jammer, dat zij dit niet geheel deden; want die oogen keken alles behalve vriendelijk. Er kwam echter in hun normaal zure uitdrukking bij twee gelegenheden eenige verandering; vooreerst, wanneer zij in de kerk zat, of wanneer, in gezelschap, het discours een stichtelijke wending nam, in welk geval zich de grijze oogappels smachtend naar boven wendden, zoodat men niets dan het wit der oogen zag; ten andere, als er 't een of 't ander schandaaltje te vertellen viel, in welk geval in die oogen iets speelde, dat men voor vroolijkheid zou hebben kunnen houden, indien des naasten zonde of verkeerdheden ooit stof tot echte vroolijkheid konden opleveren. Wat de kleeding der matrone betrof, die was juist in tegenstelling van die haars mans, geweldig bont en gebarioleerd. 't Is vreemd, en toch vrij algemeen op te merken, dat dames, die zich verbeelden, vroom te zijn, over 't geheel machtig veel werk maken van haar toilet. Doorgaans leggen zij daarbij smaak aan den dag; maar dat was ongelukkig met Mw. Bleek het geval niet: en het ensemble dan ook het tegendeel van aanlokkelijk.

„Jan!quot; zei Mevrouw, het stilzwijgen afbrekende, dat een tijd lang geheerscht heeft.

„Wel! wat is er?quot; vroeg Mijnheer.

*) Van het Eersten Deel.

ocr page 121

Ill

„Heb je 't al gehoord?quot;

„Wat?quot;

„Dat Frits weer in de stad is.quot;

„Wie, Galjart?quot;

„Ja.quot;

„En waar heb je dat opgedaan?quot;

„Gisteravond, bij Mevrouw Spilbier. Leen Barwel had hem op de Breestraat ontmoet.quot;

„Hij ging misschien hier maar door.quot;

„Hij zag er sjoveltjes uit,quot; hernam Mevrouw.

„Ja, 't zal er met zijn financiën niet op verbeterd zijn,quot; merkte Mijnheer aan; „maar wat kan 't mij nu eigenlijk schelen,quot; vervolgde hij, met de beweging van iemand, die zich van een onderwerp, dat hem ongevallig is, wil afmaken: „ons zal hij wel niet meer komen lastig vallen. — Hij kan mij toch niets maken,quot; mompelde hij er in zich zeiven bij.

„Ja! dat zijn de gevolgen van een ergerlijk en zondig leven!quot; ging Mevrouw voort, ten hemel opziende: „mochten anderen er zich maar aan spiegelen.quot;

„Op wie ziet dat?quot; vroeg Bleek, die zijn vrouw genoeg kende, om te begrijpen, dat gemelde phrase alleen dienen moest tot inleiding voor iets dat volgen zou.

„Wel! ik sprak in 't algemeen. — Maar. . . . hoe denk je over Hermans?quot;

„Over Hermans!quot; herhaalde Mijnheer, verbaasd opziende: „wel! dat hij een vlugge jongen is, die zijn werk naar behooren doet, en dien ik, vooral nu, met de ziekte van Krijschhoog, niet graag missen zou.quot;

„Ja, voor zijn werk mag hij goed wezen,quot; hernam Mevrouw, wederom kijkende als een schelvisch, die op 't strand ligt.

„Nu! en wat verder?quot; vroeg Bleek.

„Och!quot; antwoordde zij, op een treurenden toon: „niet anders, dan dat hij, vrees ik, denzelfden weg opgaat als Galjart.quot;

„Hij? — Wat meen je daarmee?quot;

„Ik weet,quot; antwoordde Mevrouw, op eens den zalvenden

ocr page 122

112

blik verwisselende tegen den blik van leedvermaak, „ik weet, dat hij er een meisje op nahoudt.quot;

„Is 't anders niet? — Mag hij dan geen vrijster hebben, zoo goed als een ander?quot;

„Ja, was 't een vrijerij, in alle eer en deugd; — maar 't is een m ai tres, hoor ik, en dat nog wel iemand, die je kent.quot;

„Die ik ken!quot; herhaalde Bleek, met een beweging van heilige verontwaardiging.

„Ja zeker! 't is diezelfde meid, die je als kind hebt helpen aannemen, dien avond, toen je te Leiden waart; daar heb je wat moois mee uitgericht indertijd: 't komt precies uit, zooals ik je altijd gezeid heb, en je krijgt je verdiende loon voor je dwaasheid.quot;

Dit laatste werd gezegd op den triomfanten toon van iemand, die zich verheugt, dat zijn sinistre profetiëen zijn bewaarheid. En inderdaad. Mevrouw Bleek, die al voor jaren het gebeurde te Leiden was te weten gekomen, ondanks de pogingen, die haar man, als wij vroeger gezien hebben, had aangewend om het bedekt te houden, had hem steeds voorspeld, dat hij nog eens het grootste verdriet zou hebben van zijn ontijdig en verkeerd geplaatst liefdewerk. De herinnering was hem dan ook alles behalve aangenaam.

„Wat reutel je toch,quot; vroeg hij: „van loon, dat ik zou krijgen? Ik heb met dat mensch immers niets meer uitstaande. — Laten daar die heeren voor zorgen, die mij indertijd hebben meegesleept om te doen waar ik geen zin in had, van 't begin af, en daar ik mij ook wijselijk aan onttrokken heb. — Maar wat weet je nu van Hermans?quot;

„Wel! Hermans heeft die meid bij zich aan huis wonen, niet meer of minder dan dat.quot;

„En van wie heb je dat?quot;

„Van Keetje Prijgraag, die vlak over hem woont, en die, al voor een veertien dagen of langer, dat schepsel heeft zien in- en uitgaan, en toen door haar meid heeft laten infor-meeren wie zij was. En die heeft haar achtervolgd in eene van de straten daar achter de Noorderkerk, waar ik den naam

ocr page 123

113

van vergeten ben, en haar zien ingaan bij een vrouw, die____

hoe heet ze ook weer? .... haar man is schoenlapper. . ..quot;

„Vrouw Ruffel ?quot;

„Juist! — en zoo heeft Keetje een p—boodschapje bij die vrouw gedaan, en die heeft het zelve verteld, wie zij was en hoe de vork in den steel zat.quot;

quot;Wij mogen niet nalaten, hier, onder strenge afkeuring van de bemoeizucht van Juffrouw Prijgraag en van al wie, gelijk zij, behagen er in scheppen, naar schandalen te visschen, toch te verklaren, dat gezegde Juffrouw, ook omdat zij behoorde tot die soort van wezens, „die 't ergste liefst gelooft,quot; zich ten volle overtuigd hield, dat al wat zij op het damessalet verteld had, de volkomen waarheid was. Immers, Vrouw Ruffel was, in haar sfeer, evenals Juffrouw Prijgraag in de hare, geneigd alle zaken ten slechtste uit te leggen, en zoo had zij voor het inwonen van Nicolette bij de Wed. Hermans geen betere reden weten te geven, dan door te onderstellen, dat er een liaison tusschen het jonge meisje en Albert moest bestaan, en zij schroomde niet, of liever zij schaamde zich niet, die onderstelling, bij wie 't hooren wou, als waarheid op te disschen : wat zij te liever deed, omdat zij op jSTicolette verstoord was. Zij had zich altijd gevleid, van deze nog eenmaal aanmerkelijke voordeelen te genieten, en zij vond zich nu in die hoop teleurgesteld.

Had Bleek iets geweten van hetgeen Nicolette in Den Haag gebeurd was, hij zou van den beginne af in de verontwaardiging zijner vrouw gedeeld hebben; maar sedert dat hij zich aan het jonge meisje niet meer had laten gelegen liggen, had geen zijner medepleegvaders het noodig geacht, hem berichten aangaande haar te doen geworden: en zoo had Van Zirik hem niet gemeld, wat hij aan de anderen had doen weten. Deze onbekendheid met de omstandigheid, dat men aan Nicolette nog erger dingen ten laste lei dan wat hij van zijn vrouw vernam, was oorzaak, dat hij maar half aan de beschuldiging geloof sloeg.

„Ei wat!quot; zeide hij: „Hermans woont, naar ik vernomen

iv. - k.z. $

ocr page 124

114

heb, bij zijn moeder in; en zou die dan dulden.. .

„Ja, nietwaar?quot; haastte Mevrouw zich te zeggen: „dat maakt het schandaal nog erger. Ofschoon, verwonderen doet het mij niet van haar; want het schijnt vrij zeker, dat zij ook nooit een man heeft gehad, al laat zij zich weduwe noemen. En dat ze uit haar achterbuurt zoo in eens naar een deftig bovenhuis is kunnen verhuizen, dat klinkt ook vrij raar. Maar dat daargelaten! 't is in allen gevalle een zaak die ten hemel schreit, dat een moeder zoo iets aan haar huis gedoogt, en het is erg genoeg, dat de Justitie zulke gruwelen niet straffen kan. Maar zij zullen daarom niet te minder hun loon eens wegkrijgen, als de Heer met hen in 't gerichte treedt, en dat is een troost!quot; — Hier kreeg de zalvende gelaatsuitdrukking weer de bovenhand.

„Maar wat nu?quot; vroeg Bleek, verdrietig: „ik kan toch Hermans of zijn moeder niet beletten, bij zich te logeeren te hebben wie zij verkiezen.quot;

„Wat!quot; riep Mevrouw vol verontwaardiging uit: „zou je dan een kantoorbediende willen houden, die een voorbeeld gaf van zulk een afschuwelijke verdorvenheid?quot;

„Je wilt toch niet, dat ik iemand, van wien ik goed ben gediend en die mij op dit oogenlijk zoo noodig is als brood, zal wegzenden om het gebabbel van een koffiewijf.quot;

„Wat gebabbel! Noem je dat gebabbel? Ik zeg je immers, dat de eigen pleegmoeder van dat verdorven creatuur het aan 't licht heeft gebracht. Wat zouden de menschen wel zeggen, indien zij hoorden, dat je je zaken vertrouwdet aan iemand van zulk een gedrag?quot;

„De menschen! de menschen!quot; bromde Bleek; „wat bekommeren zich de menschen daarover, wie ik op mijn kantoor heb?quot;

„Ei? behalve dat gisteravond al de dames er schande van spraken, dat zoo'n sujet werd toegelaten op een respectabel kantoor als het onze.quot;

„Ik wou, dat je dames gesuikerd waren,quot; riep Bleek, zijn courant van spijt voor zich op de tafel smijtende: „waar duivel bemoeien zij zich mee?quot;

ocr page 125

„Heere bewaar ons!quot; riep Mevrouw, de handen vouwende; „ik ben zulke groote woorden niet van je gewend, Jan.quot;

„Maar wat wil je dan dat ik doe? — Ik kan toch niet buiten hulp op mijn kantoor zitten, omdat Juffrouw Prijgraag goedvindt, de gangen van mijn bediende te bespieden.quot;

„Neen, dat behoeft ook nog niet dadelijk; maar wie weet? misschien is hij terug te brengen van zijn slechten weg; indien je hem eens onder handen naamt en hem aantoondet, hoe hij zich voor tijd en eeuwigheid verderft, en hem dan de keuze liet, je kantoor te verlaten, of dat schandaal te doen ophouden, door dat vrouwspersoon weg te zenden en alle betrekking met haar af te breken. Dat zou werken, denk ik, en zie je? dan zou je er later overal eer mee inleggen, dat je dien knaap uit de klauwen van den Booze had gered.quot;

„Maar als hij het heet liegen?quot;

„Ei kom! zoo verstokt zal hij niet wezen: hij kan 't immers niet ontkennen, dat zij bij hem inwoont, en wij hebben bewijs genoeg tegen hem in handen. Spreek hem maar wat forsch aan. Jan, dan zal hij wel door de mand vallen.quot;

„Neen, niet forsch, Naatje!quot; zei Bleek: „maar gemoedelijk, als een vader zijn zoon zou doen: en ben ik niet eenigszins als zijn vader te beschouwen? Zijn heele toekomst hangt immers van mij af. En dan .... ja hij zal dat begrijpen .... ik zal op zijn gemoed werken.quot;

„Juist, juist, zooals je dat doen kunt. Jan,quot; zei Mevrouw: — „en nu wordt het tijd, dat je een kapittel in de Schrift leest.quot;

Bleek voldeed aan dien wenk: en de gewone lectuur nam een aanvang. Of Mevrouw aandachtig luisterde, willen wij niet beslissen; maar zeker is het, dat de gedachten van Mijnheer minder waren bij den tekst, dien hij op dit oogen-blik las, dan bij dien, welken hij aan Hermans dacht te lezen.

't Was echter met een meer tevreden gelaat dan waarmede hij het boek geopend had, dat hij het dichtsloeg. Immers, toen hij begon te lezen, was hij ontstemd over het nieuws, dat zijn vrouw hem had medegedeeld. Of het hem in den grond kon schelen, al had zijn kantoorbediende een harem

ocr page 126

110

gehad als die van koning Salomo, willen wij daarlaten; maar hij was bang voor opspraak, en er moest niet gezegd kunnen worden, dat hij oogluikend schandalen toeliet. Tegen iets als het houden van een gemoedelijke toespraak zag hij niet op; hij had dit, zoo in zijn hoedanigheid als Regent van een liefdadig gesticht, als bij andere gelegenheden, ook wel zonder bepaalde roeping, meermalen gedaan, en wel met groot succes; — maar als nu zijn predikatie eens niet hielp? hij kon moeilijk op dit oogenblik Hermans missen, en wat zou een preek baten, als die niet door een bedreiging, wat een bedreiging, als die niet door de daad gevolgd werd? Maar daar was hem onder 't lezen op eens de lumineuze gedachte ingevallen, dat het, wel beschouwd, tot zijn voordeel kon uitloopen, indien Hermans wist, dat zijn patroon met zijn gedrag bekend was. „De knaap,quot; zeide hij tot zich zeiven, „zal op die wijze de overtuiging krijgen, dat hij in mijne macht is en dat zijn toekomst geheel van mij afhangt. Dat zal hem noodzaken, blindelings alles te doen, wat ik van hem vorder: — en ik heb lang naar zulk een werktuig uitgezien. De oude Krijsch-hoog is dom en die begreep zelf niet wat ik hem liet doen; — deze is meer bij de hand .... nu! hoe knapper hoe beter, wanneer hij gevoelt, dat zijn belang, ja zijn bestaan er mee gemoeid is, mij in alles te gehoorzamen en zonder tegenpruttelen alles te verrichten wat ik van hem vorder.... alles, zonder uitzondering; — alles!quot;

En 't was dit uitzicht, 't welk Bleek weer geheel met de zaak verzoend had, en ten gevolge waarvan hij, na het toeslaan van den Bijbel, zich welgemoed de handen wreef en in een opgeruimde gemoedsgesteldheid naar 't kantoor ging.

Het personeel, dat, bij de afwezigheid van den boekhouder, uit drie personen bestond, was reeds aanwezig en druk aan den arbeid. Het trof Bleek, dat Hermans, op wien hij niet kon nalaten zijdelings het oog te vestigen, er eenigszins ontdaan en afgetrokken uitzag, niet zoo vlug als gewoonlijk werkte, en nu en dan blijken van verstrooidheid gaf. „Zou hij al geroken hebben, wat voor hem in 't zout ligt?quot; vroeg hij zich

ocr page 127

117

zeiven af. „De jongen is blijkbaar van zijn streek: nu, des te beter, dan zal ik hem des te gemakkelijker klein kunnen krijgen, als ik hem straks onderhanden heb.quot; Immers wilde hij tot na den afloop van den gewonen kantoortijd wachten om hem te spreken. — Die tijd kwam dan ook; doch eenigs-zins vond zich Bleek verrast, toen, op het oogenblik dat hij Albert wilde uitnoodigen hem naar zijn kamer te volgen, deze hem voorkwam met het verzoek, hem een wijl alleen te mogen spreken.

„Welzeker, welzeker!quot; antwoordde Bleek: „wel, dat treft; want ik had u ook wat te zeggen.quot;

Deze laatste woorden op een ernstigen toon en met een bedenkelijk gezicht hebbende uitgesproken, ging hij, van Albert gevolgd, het kantoor af en naar zijn bijzonder vertrek, waar hij, in zijn armstoel plaats hebbende genomen, den jongeling op een stoel wees tegenover hem, en het onderhoud een aanvang nam, dat de lezer in 't volgende hoofdstuk vinden zal.

VIERDE HOOFDSTUK.

WAARIN MEN ZIEN ZAL, HOE BLEEK BEJIERKTE, DAT HIJ GEHEEL BUITEN DEN WAARD GEREKEND HAD EN VERRE VAN EEN ANDER IN 'T NET TE HEBBEN, ER ZELF IN ZAT.

„Je bent niet wel, Hermans,quot; zei Bleek, wien het duidelijk was, dat de jongeling verlegen was hoe 't gesprek te beginnen.

„Ik beken gaarne. Mijnheer,quot; zei Albert, „dat ik mij een weinig ontstemd bevinde.quot;

„Ja, ja, geen wonder!quot; hernam Bleek: „want wat zal ik je zeggen ? een slechte conscientie is een kwade zaak, en daarmee kan men nooit recht op zijn gemak zijn.quot; En meteen keek hij Albert strak aan, om den indruk waar te nemen, dien hij onderstelde dat zijn woorden op hem gemaakt moesten

ocr page 128

118

hebben. Maar het ontging hem zeer, toen hij gewaar werd, dat die indruk geenszins die van schaamtegevoel, maar die eener stomme verbazing was.

„Ja, ja, een slechte conscientie is een kwade zaak,quot; herhaalde Bleek, als meende hij, dat zijn toehoorder zijn woorden niet goed verstaan had.

„Ik ben het volkomen met Mijnheer eens,quot; zeide nu Albert; „alleen begrijp ik niet recht, waar dat gezegde op slaat.quot;

„O ho! Mijnheer dacht misschien de kat in 't donker te knijpen, zoodat niemand er iets van te weten kwam,quot; hernam Bleek: „doch dat gaat maar zoo niet: het verborgene komt aan den dag, Hermans!quot; voegde hij er plechtig bij.

„Ben ik het die van een geheim wanbedrijf beticht wordt?quot; vroeg Albert, hem met steeds aangroeiende verbazing aanstarende.

„Foei!quot; vervolgde zijn Patroon; „ik had het nooit van u gedacht: 't is te ergelijk.quot;

„Ik betuig,quot; zeide Albert, op een zeer koelen toon, „dat ik niets ter wereld begrijp waar Mijnheer heen wil: en in allen gevalle kan van mij niet gevergd worden, mij te verdedigen, zonder te weten wat men mij ten laste legt.quot;

„Jong mensch, jong mensch!quot; hervatte Bleek, op een zal-venden toon en met de deftigheid eens rechters: „gij neemt een zeer verkeerde houding aan: wat is het eenige, dat de zonde kan uitwisschen? dat den zondaar op genade kan doen hopen? Het is de oprechte belijdenis zijner verdorvenheid, gevolgd door een innig berouw en een vast voornemen, af te staan van den booze. Maar zoo er iets is, erger nog dan de zonde zelve, het is de verstoktheid, waarmede men die loochent. Bedenk dit wel, Hermans, dat wat gij ook voor het oog der menschen zoudt willen verbergen, gij het niet verbergen kunt voor het oog van Hem, die harten en nieren proeft en ons hart tot in zijn diepste schuilhoeken bespiedt. — En hadt gij zelf geloofd, dat in dit geval uw ergerlijk gedrag voor uw medemenschen een geheim zou blijven? — dan kan ik u met vertrouwen zeggen, dat gij u ook daarin bedrogen hebt.quot;

ocr page 129

119

Was Albert, toen hij 't vertrek binnenkwam, verlegen, en daarna verwonderd geweest, hij begon onder die boetpredikatie ongeduldig te worden; hij wachtte echter, tot de preeker zich genoodzaakt zag even adem te scheppen, en zeide toen, op zoo beleefden en kalmen toon als 't hem mogelijk was:

„Er moet hier een misverstand plaats hebben. Mijnheer; al wat Mijnheer zegt, moge volkomen waar zijn in 't algemeen; maar het mist ten deze zijn toepassing: ik ben mij volkomen onbewust, er aanleiding toe gegeven te hebben, dat woorden als de uwe tot mij gericht worden.quot;

„Neen, laat mij uitspreken,quot; hernam Bleek: „ik zal u latei-gelegenheid geven u te verschoonen, of laat ik liever zeggen, te verootmoedigen. Zie, Hermans, mijn huisgezin is bekend als een Christelijk huisgezin, waar de vreeze Gods en ingetogenheid heerschen, en waar niemand ontvangen wordt, die een verkeerde leer predikt, of die het pad der ongerechtigheid bewandelt. Ik had u daarom, zoodra ik vernomen had, aan welke schandalen gij u schuldig maaktet, terstond als een verrot lid moeten afsnijden en buitenwerpen; maar ik heb gedacht: wij struikelen allen in velen: de knaap is nog jong en hij heeft geen weerstand kunnen bieden aan de stem dei-verleiding, toen zij tot hem sprak. Ik heb gedacht: hij zal tot inkeer komen, als hem de grootheid zijner afdwaling vaderlijk onder 't oog wordt gebracht; en hij zal den gruwel wegdoen uit zijn huis, en . . .

„Uit mijn huis?quot; vroeg Albert, die niet kon nalaten, hier den spreker in de rede te vallen: „een gruwel! en dat in m ij n huis ?quot;

„Met iedereen,quot; vervolgde Bleek, zonder zich deze reis aan de interruptie te storen, niet iedereen heeft het geluk, brave ouders te bezitten, die hun kinderen in 't goede voorgaan of, waar zij verkeerd doen, terechtwijzen: en ik kan begrijpen, dat uwe moeder, zelve in haar tijd gefaald hebbende, het nu ook minder zwaar opneemt, dat haar zoon . . . .quot;

Hier stond Hermans plotseling op, en, met een uitdrukking in stem en oogen, waar zijn patroon van schrikte, voer hij

ocr page 130

120

uit: „Geen woord meer, Mijnheer. Wat je van mij zeide, trek ik mij niet aan; want het heeft slot noch zin; maar het past u niet, mijn goede, brave moeder te beleedigen, en ik zal 't van u zoomin als van iemand dulden.quot;

„Jonkman, jonkman!quot; zei Bleek, terugdeinzende onder den strengen blik, die op hem gevestigd bleef: „bedenk, tegen wien gij spreekt.... en dat uwe toekomst op 't spel staat. — Ik ben niet uitgevaren.... ik heb u vaderlijk toegesproken....quot;

„'t Is waar. Mijnheer!quot; zei Hermans, zich bezinnende, ofschoon nog met eenige aarzeling: „ik moet aannemen, dat de laster hier aan 't werk geweest is, en zoowel mijn moeder als mij bij u zwart heeft gemaakt, — Maar plaats mij dan niet op de pijnbank, alvorens mij te zeggen, waarin mijn voorgewende schuld bestaat. Nu vooral, nu mijn moeder er in gemengd wordt, heb ik recht dit te vorderen, en tevens, wie het is, die u onwaardige praatjes betreffende mij verteld heeft. — Ik luister.quot; Met deze woorden ging hij weer zitten en zag zijn patroon strak in 't aangezicht.

„Zouden 't werkelijk maar praatjes zijn?quot; vroeg Bleek bij zich zeiven: hij toont zich in 't geheel niet bekommerd;quot; — en toen, overluid, wederom in boekenstijl sprekende: „gij zult toch niet ontkennen, Hermans, dat gij — of uwe moeder — een jeugdig vrouwspersoon bij u aan huis genomen hebt, die . . . .quot;

„Een pupil van Mijnheer,quot; zei Albert, op een toon die zooveel zeggen wilde als: „dat kunt gij in elk geval niet kwalijk nemen.quot; — Doch Bleek nam de herinnering wel kwalijk.

„Ik heb sedert jaren geen betrekkingen meer tot dat mensch,quot; zeide hij: „en ik mag mij te eerder verheugen, die te hebben afgesneden, sedert ik vernomen heb, hoe slecht zij, door haar gedrag, het goede beloont, dat ik vroeger aan haar deed.quot;

„Juffrouw Zevenster?quot; vroeg Albert: „wat is er op haar gedrag te zeggen ?quot;

„Men heeft mij voor zeker verhaald,quot; antwoordde Bleek: „en Vrouw Ruffel, haar eigen pleegmoeder, heeft het bevestigd, dat zij uwe bijzit is.quot;

ocr page 131

121

't Was of Albert een molensteen op 't hoofd viel en hem alles groen en geel voor de oogen werd: „o mijn moeder!quot; was al wat hij voor 't oogenblik kon uitbrengen; want op den voorgrond stond bij hem de gedachte, hoe de lasterlijke verdenking haar vooral zou treffen.

Ongelukkig nam Bleek dien gesmoorden uitroep wederom verkeerd op.

„Zie je,quot; zeide hij; „daar erken je 't immers al, wat ik straks zeide: „'t is dus je moeder, die oorzaak is, dat....quot;

Die woorden waren genoeg om aan Albert de spraak terug te geven: „Mijnheer Bleek!quot; zeide hij, den noodigen klem op zijn woorden leggende: „ik herzeg u, mijn moeder is een brave, waardige vrouw, op wie geen smet of blaam kleeft, en die aanspraak heeft op ieders achting en eerbied. Zij heeft Juffrouw Zevenster tijdelijk bij zich te logeeren gevraagd, en dat zou zij stellig niet gedaan hebben, indien er in het gedrag van dat meisje iets berispelijks ware. En wat nu de betrekking aangaat, die tusschen dat meisje en mij zou bestaan, dat is eenvoudig een logen, een lasterlijk verzinsel, hoedanig alleen in de hersens van kwaadaardige kofflewijven kon worden uitgebroed ; maar waaraan 't mij verwondert, dat een man van uw leeftijd en ervaring een oogenblik geloof heeft kunnen hechten.quot;

„Hm!quot; zei Bleek, niet weinig geraakt over dat zijdelingsch verwijt van lichtgeloovigheid: „het zal mij genoegen doen voor de betrekking, waarin wij onderling tot elkander staan, zoo je het logenachtige van het praatje bewijzen kunt; maar er is geschreven, dat men zich behoort te wachten, ook voor den schijn des kwaads — en in dezen pleit tot nog toe de schijn tegen u.quot;

„Bewijzen!quot; herhaalde Albert; „sedert wanneer zijn de rollen omgekeerd, en is het de beschuldigde, die bewijzen moet, niet misdaan te hebben? Doch ik bid u. Mijnheer! laat ons van een onderwerp afstappen, dat slechts stof tot ergernis geven kan. 't Is te zeer beneden mannen van gezond verstand: — te meer, dewijl uw tijd kostbaar is, en hetgeen ik u te zeggen

ocr page 132

122

heb wellicht eenigen tijd vereischen zal. Vergun mij alzoo, daartoe over te gaan.quot;

„En wat is dat?quot; vroeg Bleek, niet weinig verstoord, dat zijn bediende aldus de leiding van 't gesprek hem als 't ware ontnam: „is dat dan zoo gewichtig, dat je mij te vertellen hebt ?quot;

„Zeer gewichtig,quot; antwoordde Albert, en de ernstige toon, waarop hij dit zeide, deed bij Bleek eenige onrust ontstaan.

„Nu! ga uw gang dan,quot; zeide hij: „maar maak het niet te lang,quot; voegde hij er bij, na op zijn horloge gekeken te hebben: „ik heb nog een conferente vóór de Beurs.quot;

Albert boog zich en begon aldus:

„Mijnheer is zoo goed geweest, vertrouwen in mij te stellen, en mij daarom tijdelijk te belasten met den arbeid, dien anders de Heer Krijgschhoog verricht. Ik heb, ten einde aan dat vertrouwen te beantwoorden, het mijn plicht geacht, mij zooveel mogelijk bekend te maken met de boeken en daartoe behoorende bescheiden, zoo uw commissie- als uw fondshandel betreffende. Ik heb met ijver en nauwkeurigheid alles nagegaan; maar ik had er van achteren half berouw over; want het heeft mij tot ontdekkingen geleid, die ik het mijn plicht oordeelde, u mede te deelen. Er zijn abuizen in de boeken. Mijnheer!quot;

„Abuizen!quot; herhaalde Bleek, „niet mogelijk!quot;

„Ja, Mijnheer! dat meende ik ook eerst, en toch, het is zoo: ik vind in kasboek C, dat tot den commissiehandel betrekking heeft, twee remises genoteerd, de eene van Roxby and Sons uit Nieuw-York en de andere van Beaucaire Senile en Comp. uit Baltimore, die daar niet in behoorden, als behoorende tot de liquidatie der zaken van de firma Bleek en Galjart.quot;

Een vluchtig rood had, terwijl Albert sprak, het gelaat van Bleek overdekt, hij had zich op de onderlip gebeten en den duim tusschen de vingers genepen: hij herstelde zich echter, en zei, op een toon, die luchthartig schijnen moest:

„Hm ja! die gelden zijn verrekend met mijn gewezen associé.quot;

„Daarvan blijkt niets Mijnheer!quot; hernam Albert: „in allen

ocr page 133

123

gevalle behoorden zij op de ontvangsten van dit kasboek niet te paraisseeren.quot;

„Zij zijn ook in 't Grootboek niet overgenomen,quot; merkte Bleek aan.

„Neen,quot; zei Albert: „maar zij zijn evenmin overgenomen in de boeken van Associatie, waar zij wel degelijk in thuis behoorden. En kwamen zij daarin voor, dan zou het resteerende saldo, dat aan den Heer Galjart, bij de ontbinding, werd ter hand gesteld, in plaats van /■ 3789.50, waar hij zich nu mee tevreden moest stellen, een saldo van — laat zien — ik heb het bedrag der twee posten opgeteekend — te zamen /quot; 16314.23 — jawel! hij zou alzoo een saldo van /quot;20099.75 te vorderen hebben gehad. — Nu weet ik, dat de Heer Galjart de rekening geteekend en u een finale decharge gegeven heeft; maar het spreekt van zelf, dat hij dit niet anders heeft gedaan, dan in de stellige overtuiging, dat het hem voorgelegde stuk ter goeder trouw was opgemaakt. Waar dient het S. E. e. O., dat onder zulke documenten staat, anders voor, dan om te verklaren, dat, wanneer er later erreuren of omissies ontdekt worden, men op de zaak kan terugkomen? Dat er omissies bestaan hebben, heb ik u, meen ik, aangetoond; maar die omissies hebben mij aanleiding gegeven, al de boeken, ook die van de geliquideerde zaak, nog eens nader te onderzoeken, en zoo heb ik ontdekt, dat er ook erreuren bestaan. Zoo is er b. v. een wissel, door Villerot getrokken voor een som van 6750 franken, die tweemalen op de creditzijde voorkomt, en een remise, aan Kirby en Andersons van 7535 dollars, die voor 7535 gulden op het boek staat. In 't kort, het scheelt weinig, of de firma had, in plaats van met verlies, met een overwinst kunnen sluiten.quot;

De Heer Jan Bleek had deze mededeelingen aangehoord, zonder eenmaal tusschenbeide te komen: ja men zou hebben kunnen meenen, dat zi] hem niet aangingen, indien de lijkkleur, die zich over zijn van nature reeds zoo vaal gelaat verspreidde, indien de akelig verwilderde wijze, waarop zijn oogen nu her- dan derwaarts dwaalden, indien de zenuwachtige

ocr page 134

124

trilling van zijn onderkaak en het schier onmerkbaar geschoffel van zijn linkervoet over 't tapijt, niet aan eiken derde, die hier tegenwoordig ware geweest, de gemoedsbewegingen hadden verraden, die bij hem woelden. Wij zeggen: „aan eiken derdequot;; want Albert had, zoolang hij sprak, er niets van opgemerkt. Het zij, dat hij verlegen was met hetgeen hij een alles behalve aangename mededeeling gevoelde te zijn voor zijn patoon, het zij uit consideratie voor dezen, hij had, gedurende het opsommen zijner grieven tegen de afgelegde rekening bestendig voor zich neergekeken, als schaamde hij er zich eigenlijk voor, zulke dingen te moeten vertellen. Alleen toen hij had uitgesproken, en er van de ziide van Bleek niet terstond eenig antwoord kwam, zag hij op, en schrikte over den omkeer, dien hij op dat gelaat bespeurde.

„Ik heb, zooals ik zeide, het mijn plicht geoordeeld,quot; ging hij voort, ziende, dat Bleek nog bij zijn zwijgen volharden bleef, „Mijnheer kennis te geven van het resultaat van mijn onderzoek.... en van de begane abuizen.... die aan de aandacht van Mijnheer natuurlijk ontsnapt zijn,quot; voegde hij er verschoonend bij.

„Maar .... 't is onmogelijk,quot; zeide Bleek, zich geweld aandoende om te spreken: „volstrekt onmogelijk.... de boeken zijn behoorlijk nagezien.quot;

„Indien dit het geval ware, dan zouden zij in orde zijn,quot; merkte Albert aan: „maar ik moet onderstellen, dat noch Mijnheer, noch de Heer Krijschhoog, noch iemand, die verstand van zaken heeft, zulks heeft gedaan.quot;

„Ja, 't is waar,quot; zei Bleek, gretig den schijn van verklaring der zaak aangrijpende, die Albert hem deed voorschemeren: „de arme Galjart was geweldig slof en slordig.quot;

Albert wist zeer goed, dat Galjart zich nooit met het bijschrijven van het Grootboek bemoeid had, en hij had bovendien overal in de posten, die niet behoorlijk waren, de hand van Bleek herkend: hij vond het echter volkomen noodeloos, den spreker te doen opmerken wat deze zelf beter dan iemand weten moest.

ocr page 135

„In allen gevalle,quot; hernam Bleek, langzamerhand een weinig moed opdoende; die rekening is afgesloten, de liquidatie heeft plaats gehad . . .

„Salvo err ore et omissione!quot; herhaalde Albert.

„Wat daarvan zij,quot; hernam Bleek, bij wien, waarschijnlijk omdat hij zich niet uit de zaak wist te redden, spijt en gramschap voor een oogenblik de overhand kregen boven vrees en voorzichtigheid : „ik zal het onderzoeken .... ik weet intusschen niet, wat je in die boeken je neus te steken hadt. Wie had het je geheeten? Wat had jij je te bemoeien met zaken, die afgedaan zijn?quot;

„Ik meende u op geen wijze beter te kunnen dienen. Mijnheer!quot; antwoordde Albert: „dan door mij volledig met uwe zaken bekend te maken. — En zoo ik straks zeide, dat ik er eenig berouw over had, ik drukte mij verkeerd uit. Immers, het ware mij liever geweest, indien een ander de ontdekking gedaan had: — doch nu het eenmaal mijn lot is geweest, mag ik er mij in zooverre over verheugen, dat het mij de gelegenheid verschaft heeft, u met de zaak bekend te maken en het onrecht te herstellen, dat aan den Heer Galjart is gepleegd.quot;

„Een onrecht herstellen!quot; riep Bleek, woedend van toorn: „ha! nu merk ik het allemaal, quot;t Is een schandalige samen-spannerij tusschen mijn ellendigen zwager en u. Hij heeft u omgekocht om in mijn boeken te snuffelen en naar abuizen te visschen. Maar het zal hem niet gelukken; want ik wil zweren, dat als ik de boeken eens nazie, ik wel terstond zal merken, dat wat jij voor misstellingen of verzuimen houdt, zich heel goed laat oplossen en verklaren, en dat alles precies is zooals 't behoort. Zeg dat aan mijn zwager, hoor! en dat ik in 't geheel niet bang voor hem ben. Hij heeft met de afrekening genoegen genomen, en wij zijn voor goed van, mekaar af, versta je ?quot;

„Ik kan hier alleen op zeggen, dat Mijnheer in een dwaling verkeert,quot; zei Albert, die kalmer werd naarmate hij Bleek driftiger zag worden, en het te meer werd, naarmate hij de

ocr page 136

12(3

innerlijke geaardheid van zijn patroon begon te doorschouwen. Men kan zich niet boos maken tegen dengenen, dien men veracht.

„Ik heb,quot; vervolgde hij, terwijl hij opstond en zijn stoel op zijde schoof, „mij van mijn plicht gekweten. Het betaamt mij niet, aan den Heer Bleek te zeggen, hoe hij verder in deze te handelen heeft: — alleen zou het mij innig spijten, indien ik teleurgesteld werd in mijn verwachtingen omtrent Mijnheers rechtschapenheid.quot;

„En denk je dan,quot; vroeg Bleek, „dat ik langer iemand op mijn kantoor zal dulden, die zijn onbescheiden neus steekt in zaken, waar hij niet mee noodig heeft, die mij van oneerlijkheid durft beschuldigen en mij lessen in mijn facie geeft?quot;

„Ik heb,quot; antwoordde Albert, „voordat ik om dit onderhoud verzocht, mij volkomen op alle kansen voorbereid. Daaronder behoorde ook die, dat mijn bemoeiing mij ten kwade zou geduid worden en ik mijn ontslag zou krijgen. Een treurig vooruitzicht voor iemand, die, als ik, voor zijn moeder den kost moet winnen, maar dat mij toch niet mocht weerhouden, te doen wat ik mijn plicht achtte. Dat vooruitzicht heeft zich helaas! verwezenlykt, en nu schiet mij alleen over, u te verzoeken, van mij te willen getuigen, dat ik mij eerlijk in uw dienst heb gekweten.quot;

„Ja,quot; mompelde Bleek, terwijl hij op de tanden knerste, „en dan zul je naar Galjart loopen om hem te verkoopen wat je denkt te weten.quot;

„Ik zal het niet doen,quot; hernam Albert: „de bediende mag geen verraad tegen zijn meester plegen, noch het vertrouwen schenden, dat hem geschonken werd. Ik zal zwijgen — al beken ik, dat dit noodlottig geheim mij loodzwaar op het hart zal drukken.quot;

Bleek was maar half gerustgesteld door deze verklaring, te minder na de mededeeling, die zijn vrouw hem gedaan had, dat Galjart in de stad was, en hij vertrouwde niet op de stilzwijgenheid die hem werd toegezegd. Hij gevoelde intusschen, dat hij dwaas gehandeld had, met aan zijn toorn lucht te

ocr page 137

geven, want dat hij juist daardoor de vermoedens van Albert tot zekerheid had gebracht, Zonderlinge loop der dingen! Hij had dit onderhoud aangevangen met het doel en het stellig vooruitzicht, zijn bediende te beschamen en in zijn macht te krijgen, en nu was hij het, die door zijn bediende beschaamd en in diens macht geraakt was: een denkbeeld, dat zijn toekomst dubbel onverdraaglijk maakte. Intusschen was het hem klaar geworden, dat bedreigingen hem tegenover Albert niets zouden baten, en hij, om uit de klem te geraken, een anderen weg had in te slaan. Naar zijne meening — helaas! door de opgedane ondervinding te dikwijls versterkt — was er, om de lieden in beweging te brengen, maar één drijfveer, die zeker werkte, en dat was die van het eigenbelang: en aan die drijfveer, meende hi], zou Hermans zoo min als eenig ander weerstand bieden; want dat die, alleen gewetenshalve, en zonder het vooruitzicht op iets beters, zijn voordeelige stelling bij hem aan 't kantoor zou opgeven, daar geloofde hij niet aan. In allen gevalle: het middel moest beproefd worden en wel dadelyk. Dit een en ander snel bij zich zeiven overlegd hebbende, nam Bleek wederom aldus het woord op:

„Je wilt niet verklappen wat je weet, of meent te weten, Hermans'? en je wilt mij toch verlaten. Dan heb je een ander kantoor op 't oog, of misschien ben je al met iemand klaar?quot;

„Neen Mijnheer!quot; antwoordde Albert: „en ik moet Mijnheer dan ook doen opmerken, dat hij het is, en niet ik, die 't eerst van mijn ontslag sprak.quot;

„Juist; maar dat was in drift, en ik dacht niet, dat je dat zoo zoudt opnemen;.. . . maar ga weer eens zitten, Hermans, wij moeten die zaak nog eens rijpelijk bepraten.quot;

Albert zag hem met eenige verwondering aan, doch voldeed aan 't verzoek.

„Je zegt zelf,quot; ging Bleek voort, „dat je tot steun verstrekt van je moeder: — en het zou u veel kosten, indien zij door uw schuld armoede leed.quot;

Albert antwoordde alleen met een zucht, als wilde hij zeggen: „wat niet anders kan, zal wel moeten geschieden.quot;

ocr page 138

128

„Zie je, dat moet niet gebeuren,quot; vervolgde Bleek: „je moet je zoo iets niet te verwijten hebben. En bovendien, je eigen carrière zou ook bedorven zijn, indien je hier vandaan gingt, een onzekere toekomst te gemoet. Hoor! wat er van die abuizen is, daar je van spreekt; ik zal dat, als ik gezegd heb, nader onderzoeken; maar al ware 't nou eenmaal zoo, dat daarmee niet alles in den haak was, 't zou waarachtig te beschouwen zijn als een bestiering van onzen Lieven Heer, die niet gewild heeft, dat een verworpeling als die Galjart een Mammon onder zich behield, dien hij toch alleen aan liederlijke uitspattingen verkwisten zou.quot;

Die redeneering was Albert wat te kras, om ze onopgemerkt te laten voorbijslippen. „Geeft dan volgens u, Mijnheer, de omstandigheid, dat iemand een verkwister is, ons het recht, hem het zijne te onthouden?quot;

„Dat wil ik in 't algemeen niet zeggen,quot; antwoordde Bleek; „maar er kunnen zich toch gevallen voordoen, waarin men gebruik mag maken van het toeval, dat.... of liever, laat ik zeggen, waarin hetgeen anders onrecht schijnen zou, gewettigd wordt.... evenals b. v. de handeling der kinderen Israels, toen zij de vaten en gereedschappen der Egyptenaren medenamen.quot;

„Ik weet het niet. Mijnheer,quot; hernam Albert: — „maar als Christen heb ik geleerd, ieder het zijne te geven, en, behoorlijk of niet, ik twijfel, of tegenwoordig de wet niet een handeling, als waar Mijnheer van spreekt, met den naam van diefstal bestempelen en als zoodanig straffen zou.quot;

„Nu, wij willen daarover niet disputeeren; maar, altijd gesteld dat er een abuis in de rekening geslopen was, ik zou daar nu niet meer op kunnen terugkomen, zonder mijn naam, dien van de firma, ook dien van Galjart zeiven, die de rekening heeft goedgekeurd, te compromitteeren. Beter daarom, in dat geval, de zaak dood te laten liggen: — ik kan dan zien, dat bij hem onder de hand en op een andere wijze weder goed te maken. Zie je, Hermans, dat was immers de wijste manier om alles in 't effen te brengen. Je blijft dan gerust bij mij,

ocr page 139

129

en je geeft mij je woord, heelemaal te vergeten wat je gezien hebt.quot;

„Ik heb reeds aan Mijnheer gezegd, dat ik niet over de zaak zou spreken,quot; zei Albert.

„Juist! — dat is dan iets — altijd gesteld, dat er een abuis . .. .quot;

„Abuizen,quot; verbeterde Albert.

„Goed, dat er abuizen zijn — iets, zeide ik, dat tusschen ons beiden blijft. — En dan wilde ik je nog iets zeggen, Hermans! De oude Krijgschhoog wordt mooi duf, om niet te zeggen suf: ik vrees, dat ik hem den dienst zal moeten opzeggen, en hoe zou je er dan over denken, als ik u in zijn plaats nam?quot;

Dit aanbod van verhooging, zoo geheel het tegenovergestelde van de bedreiging met ontslag, die eenige minuten te voren was gedaan, zou zeker aan menigeen, in de omstandigheden van Albert verkeerende, al heel aanlokkelijk hebben toegeschenen. Op hem echter deed het een geheel andere uitwerkirtg, dan die Bleek er van verwacht had. De jongeling voelde iets alsof zijn hart werd toegeschroefd: 't was hem, of hij uit het voorhoofd van den voorsteller een paar horens opschieten, en een paardenhoef uit diens zwarten pantalon kijken zag, en diens vingers zich vervormen tot klauwen, gereed hem als een wisse prooi te omvatten: in één woord, of hij zijn hoogloffelijke majesteit Satan in eigen persoon tegenover zich gezeten zag.

„Je antwoordt niet,quot; hervatte Bleek, eenigszins verwonderd, dat de ander niet dadelijk aan den uitgeworpen angel beet: „'t is natuurlijk,quot; voegde hij er schoorvoetende bij, „met hetzelfde salaris, dat nu Krijschhoog geniet: — en dan spreken wij nooit weer, noch ik over Juffrouw Nicolette, noch jij over die Eekening-courant.quot;

Deze laatste woorden gingen vergezeld van iets, dat een glimlach moest verbeelden, maar op niet veel meer dan een grijnslach neerkwam.

Dit was te veel voor Albert: hij stond op, zuchtte diep en zeide toen:

iv. - k. z. 9

ocr page 140

130

„Mijnheer Bleek, ik geloof, dat wij elkander niet verstaan: — althans, dat ik niet door u begrepen wordt. Dit is zeker, dat, zoo ik op dit oogenblik die verbetering van mijn stelling aannam, die mij door u wordt aangeboden, ik daardoor zou rekenen, mijn geweten verkocht te hebben, ter wille van den Mammon, waarvan zooeven door u gesproken werd. Ik zou mij dan medeplichtig maken aan het onrecht — en geen oogenblik meer rust hebben met mij zeiven. Een slechte conscientie — het zijn uw eigen woorden geweest — is een erge zaak, en daarmee kan men nooit op zijn gemak zijn. Mijn wijze van denken is u thans bekend. Mijnheer! en zoo zij u mishaagt, en mij een langer verblijf op uw kantoor wordt ontzegd, zal ik het mij getroosten: misschien zelfs ware het beter, dat wij in elk geval van elkander scheiden; — onze wegen loopen te zeer uit elkander. Hoe 't zij, dit is een punt, dat ik in nadere overweging nemen zal. — Inmiddels heb ik de eer u te groeten.quot;

En, een koele buiging makende voor zijn patroon, liet hij dezen als van den donder getroffen achter.

„Maar die knaap is krankzinnig!quot; riep Bleek, toen hij weder tot zijn bezinning kwam: „hij zal zich zeiven in 't verderf storten .... en, wat erger is, mij daarbij. Die satansche boeken, dat ik die ook niet achter 't slot heb geborgen ....

of op 't vuur geworpen, wat nog sekuurder ware geweest----

neen; dat kon ook niet! want dan had men mij kunnen beschuldigen, geen boeken gehouden te hebben .... Als nu die romaneske knaap maar zijn bek houdt.... wat te doen ? wat te doen?quot; — En 't zweet brak hem uit, als hij aan de gevolgen dacht, die 't voor hem zou kunnen hebben als zijn knoeierijen eens aan 't licht kwamen.

„Wel?quot; vroeg Mevrouw, die van uit haar vertrek met gretig luisterend oor het oogenblik had afgewacht, dat zij Albert de trap zou hooren afgaan, en nu naar den uitslag van het onderhoud vernemen kwam: „heb je hem de les gelezen, Jan? en heeft hij schuld bekend?quot;

„Wat schuld bekend!quot; bromde Bleek: „die jongen .... 't is

ocr page 141

181

een slang, die ik aan mijn eigen haard heb opgekweekt en die mij nog in 't verderf zal storten.quot;

„Hij? wat praat je toch?quot; vroeg zijn vrouw, geheel verbaasd: „en wat is er gebeurd, dat je zoo ontdaan bent? . .. . heeft hij je kas bestolen? — O die schelm!quot;

„Erger! veel erger!quot; riep Bleek: „hij heeft.... o! ik ben zeker, dat Galjart er achter zit! ... . o! 't zal mij den dood doen!quot;

„Maar wat is er dan toch?quot; vroeg Mevrouw Bleek, die niets van de zaak begreep.

„Och! dat kan ik je zoo niet vertellen.... dat is iets, daar jijlui vrouwen geen verstand van hebt.... hij beschuldigt mij, dat ik Galjart zou hebben te kort gedaan — en dat 's een leugen!quot; voegde hij er haastig bij.

„Wel, zoo'n onbeschaamd s uj et!quot; riep Mevrouw, ten hoogste verontwaardigd, uit: „durft hij dat zeggen? en heb je zoo iets van hem kunnen velen? Ik hoop, dat je hem voor altijd je drempel hebt ontzeid.quot;

„Ja .... neen .... dat is te zeggen, hij is het nu, die weg wil; maar ik zal hem niet laten gaan; want dan weet ik vooruit, dat hij mij overal belasteren zal.... en de menschen gelooven altijd liefst het ergste.quot;

„Wel, nu begrijp ik er nog minder van. Hij zou je dienst willen verlaten, en jij zoudt hem willen houen? — en'dat nog wel uit vrees! Alsof de lui dien knaap, als je hem om zijn liederlijk gedrag en «jn zijn onbeschaamdheid van je kantoor hadt gejaagd, eerder zouden gelooven, dan het hoofd van een respectabel handelshuis als jij ?quot;

„Wat hamer! Jij gelooft wel aan de praatjes van een gemeen wijf uit de Jordaan, en zouden dan lieden, die mij niet kennen, geen geloof slaan aan wat hij vertelt?quot;

„Kom! kom!quot; hernam zijn vrouw: „dat zal geen verstandig mensch immers doen; wanneer je maar zorg draagt, dat iedereen weet, dat je hem met schande je deur hebt uitgezet, omdat hij rondom een deugniet was. En dan zal een iegelijk immers begrijpen, dat wat hij uitstrooit niet anders zijn dan

ocr page 142

132

lasterlijke verzinsels, die hij uitdenkt om zich te wreken. — Waarschuw jij van middag al je kennissen op de Beurs maar; ik zal van avond op de soirée bij Mevrouw Lix...

„Je zult het uit je lijf laten, Na!quot; riep Bleek: „hoe minder wij van de zaak gewagen, hoe beter.quot;

„Hoe? wat?quot; riep Mevrouw Bleek, terwijl zij met open mond bleef staan.

„Ik zeg je, wij moeten voorzichtig zijn. 'tls nog onder de mogelijke dingen, dat die Hermans bij mij blijft en zijn mond houdt, en daarom zou 't onvoorzichtig zijn, te veel kwaad van hem te spreken: dat zou hem ter ooren komen en hem tot weerwraak aanhitsen. En ging hij eens aan 't babbelen — de zaak, zooals ik zei, is een leugen; maar .... de schijn is tegen mij. 'tls dus best, alles maar voor 't oogenblik blauw-blauw te laten.quot;

„Neen, dat zou ik niet,quot; zei zijn wederhelft, met echt vrouwelijke vasthoudendheid; „ik zou, in jou geval, tegenover zoo'n snotjongen niet de minste willen wezen. Bovendien, wat er van hem te vertellen viel, dat is toch al verteld; en als van avond Keetje Prijgraag, die stellig ook bij Mevrouw Lix komt, mij vraagt, hoe 't er mee staat, en of je dien jongen nog gehouen hebt, nadat je gehoord hadt wat hij al zoo in zijn schild voerde, wat moet ik dan zeggen?quot;

„Zeg haar.... zeg haar.... dat ze een kwaadsprekende lastertong is, en de schuld van alles. — Maar vooreest geen woord tot nadeel van dien Hermans.... Ik verbied het je.quot; — Met deze woorden nam hij zijn hoed en ging de deur uit, zijn vrouw achterlatende in zulk een toestand van verbazing, dat zij niet wist of zij droomde of waakte. Zóó had zij haar man nooit te voren gezien, en er zat achter dit alles een raadsel, dat zij niet begreep. Zij kende haar Jan te goed, om niet te weten, dat hij zich niet zou laten beleedigen, zonder op wraak bedacht te zijn; — en om de beschuldigingen, door Hermans tegen hem ingebracht, voor zoete koek op te nemen, dat lag geheel niet in zijn aard en kon alleen daarvan het gevolg wezen, dat Hermans werkelijk het middel bezat om

ocr page 143

133

die beschuldigingen te staven. De overtuiging van dit een en ander begon haar nu zelve benauwd te maken, dat er onweer aan de lucht was; doch zij zwoer tevens bij zich zelve, dat zij niet rusten zou, voordat zij geheel met den staat van zaken bekend was. „En dan,quot; zeide zij, „zal hij zien, of een vrouw ook raad kan schaften!quot;

VIJFDE HOOFDSTUK.

VERHALENDE WAT TÜSSCHEN DE WEDUWE HERMANS EN HAAR ZOON VERHANDELD WERD, EN WELK BESLUIT DOOR NICOLETTE GENOMEN WERD.

Alles behalve aangenaam was natuurlijk de stemming, waarin Albert verkeerde, toen hij, na zijn onderhoud met Bleek, diens woning verlaten had, en al deed hij ook zijn best om zulks zooveel mogelijk voor zijn huisgenooten te verbergen, het ontging aan het nauwlettend oog zijner moeder niet. Toch zou zij haar bezorgdheid voor zich hebben gehouden, dewijl zij hoe langer hoe meer het besef had bekomen, dat verdrietelijkheden bij jonge lieden zeer gewone dingen zijn, die meermalen een weinig beteekenende oorzaak hebben, en dat vragen als: „schort er wat aan? heb je iets dat je hindert? hoe kom je zoo slecht gemutst?quot; hun veelal onwelkom zijn, en, bij herhaling gedaan, hen gruwelijk vervelen, maar toen zij ontwaarde dat Alberts verstrooidheid ook door Nicolette was opgemerkt, gelijk de half angstvallige, half deelnemende blik getuigde, welken deze nu en dan op hem sloeg, toen begreep zij, dat er toch iets ongewoons aan de hand moest zijn, en werd haar ongerustheid, nu verdubbeld door die, welke zij bij het jonge meisje meende te bespeuren, zoo sterk, dat zij niet kon nalaten, toen Albert na den avonddisch naar

ocr page 144

134

zijn kanier was gegaan, hem aldaar eenige minuten latei-te volgen.

„Binnen!quot; riep Albert, toen er aan zijn deur getikt werd. „Moeder!quot; riep hij verrast uit, toen hij haar zag binnenkomen.

„Wel!quot; zeide zij, lachende; „wie zou 't anders wezen? Dacht je misschien een bezoek te krijgen van Nicolette?quot;

De goede vrouw had haar best gedaan om te schertsen, hopende haar zoon in een vroolijker stemming te brengen: ongelukkig deed de scherts een juist tegenovergestelde uitwerking op Albert, wien zij de schandelijke praatjes herinnerde, die Bleek hem had gezegd dat er liepen.

„Wat is 't?quot; vroeg zijn moeder, ziende, dat zijn gelaat betrok: „'t is waarlijk, of de woorden, die ik daar uit de grap heenwierp, u gekwetst hadden. — Ik kwam hooren, of je ook iets noodig hadt.... ik vond, dat je er wat betrokken uitzag; ... . maar heeft Nicolette er eenig deel aan ?quot;

Albert zou, uit vrees van zijn moeder leed aan te doen, haar uit zich zeiven nimmer iets hebben geopenbaard van hetgeen hem ten opzichte van den uitgestrooiden laster op het hart lag; maar die vraag, hem zoo stellig gedaan, overrompelde hem; hij was te oprecht om neen te zeggen, en zoo zweeg hij.

„Inderdaad?quot; hernam zij, verrast, ja eenigszins ontsteld: „wat is er met betrekking tot haar gebeurd? O wee! o wee! je bent toch niet op haar verliefd geraakt, hoop ik: — ofschoon, je zoudt erger kunnen treffen,quot; voegde zij er verschoonend bij.

„Neen Moeder,quot; antwoordde hij; „Nicolette is een lief, goed meisje, van wie ik veel houd, om de liefde die zij u betoont, en aan wie ik van harte een man gun, die haar op prijs weet te stellen; maar ik verlang die man niet te wezen.quot;

„Maar heb je dan gemerkt, dat zij misschien van hare zijde .... wel! 't is niet om je verwaand te maken; maar je bent knap genoeg, om een jong meisje zin in je te doen krijgen.quot;

„Ik heb niets van dien aard gemerkt, en ik zie haar ook daartoe te verstandig aan,quot; zei Albert.

„Maar wat is er dan, dat haar betreft, en dat u hindert?quot;

ocr page 145

135

„Moeder! — Ik wilde 't u niet zeggen; want het zal u leed doen; maar, indien Nicolette ergens een fatsoenlijke betrekking kan krijgen, zal 't, geloof ik voor ons alle drie beter zijn, dat zij niet langer hier blijft.quot;

„O!quot; riep Juffw. Hermans, voor wie terstond eenig licht opging: „ik geloof, dat ik alles begrijp; men heeft gebabbeld.quot;

„Ja, Moeder! en meer dan dat, men heeft gelasterd!quot;

„En wat vertelt men?quot;

„Och! 't Is immers niet noodig, dat ik u alles overbreng: je weet, als de laster eens aan 't werk is, dat hij zich niet geneert de dingen al erger en erger te maken. Men spaart noch haar, noch mij, noch u. — Zelfs die Vrouw Ruffel, die je nog wel protegeert, schaamt zich niet, aan de lieden te vertellen, dat ik .... in 't kort, dat Nicolette mijnmaitres is, en dat met uwe voorkennis en goedvinden.quot;

De mededeeling trof, gelijk Albert wel gevreesd had, zijn moeder als een dolksteek in het hart. Men belasterde haar zoon, en haar eigen onvoorzichtigheid was daar oorzaak van. Bittere tranen ontsprongen haar oogen en, de handen samenvouwende, zeide zij :

„O Albert! vergeef het mij: ik heb dat meisje in huis genomen, zonder de gevolgen te berekenen, en nu ben ik er schuld aan, dat uw goede naam er schade door lijdt?quot;

„Lieve Moeder, spreek toch zoo niet,quot; zei Albert, haar tranen wegkussende : „zou ik het u ooit tot een verwijt knnnen maken, dat je een menschlievende daad verricht hebt, door dat meisje tot u te nemen? Ik heb er u des te liever om. Denk hier niet om mij : ik kan mij wel boven dien achterklap verheffen; — maar de eer van een jong meisje is een teeder ding, en in Mco-lettes eigen belang zal zij wel doen, ons huis te verlaten, 't Spijt mij voor u. Moeder! zij was zulk een lief gezelschap voor u.quot;

„Neen!quot; hernam Juffw. Hermans, nog altijd even terneergeslagen: „al wil jij 't mij vergeven, ik vergeef het mij zelve niet: ik had beter te voren moeten bedenken, dat de lieden ergernis nemen ook uit het goede dat wij verrichten, zoodra het maar voor een verkeerde uitlegging vatbaar is.quot;

ocr page 146

136

„Moeten wij dan het goede nalaten,quot; vroeg Albert, „omdat wij leven in een conventioneele maatschappij, en, omdat zij onbillijk is, er onze daden naar richten? — Neen Moederlief! toen je dat meisje in huis naamt, was het, omdat zij uw hulp en bescherming behoefde; en ik zal nimmer dulden, dat iemand u daarover berispt. Maar nu staan de zaken anders: nu wordt uw weldaad verkeerd uitgelegd, en zij houdt daardoor op? verder een weldaad te zijn. 't Zal er alleen op aankomen, hoe 't haar op de zachtste wijze aan 't verstand te brengen. — Dit zal, ik gevoel het, een onaangename taak zijn: maar zoo iemand, zal Moederlief wel kans zien, die te volbrengen, zonder het meisje te veel verdriet aan te doen of haar op de gedachte te brengen, dat zij u of mij tot overlast is.quot;

„Ik vrees, ik vrees,quot; zeide de weduwe; „zij is fijngevoelig, en, welk een plooi ik aan de zaak geve, zij zal toch allicht tot de slotsom komen, dat zij hier te veel is.quot;

Nog een wijl bleven beiden zwijgende en nadenkende, de moeder staande, naast den zoon, die gezeten was, en met den arm om zijn hals, de zoon met den zijnen om haar middel geslagen en het hoofd tegen haar boezem gedrukt. Zij dacht alleen over het onderwerp na, dat tusschen hen behandeld was ; bij hem kwam nu ook het pijnigende denkbeeld aan 't onzekere van zijn stelling op 't kantoor, en hoe hij zich wellicht eerlang genoodzaakt zou zien, haar een nieuwe stof tot kwelling en zorg te verschaffen, als hij haar moest mededeel en, dat hij niet langer bediende bij Bleek kon blijven: ja de vraag rees bij hem op, of hij altemet ook wijzer zou doen, haar op een dergelijke gebeurtenis voor te bereiden. Hiertegen gold wel de bedenking, dat het geen zaak kon geacht worden, haar, misschien zonder noodzaak, te verontrusten voor den tijd; doch van een andere zijde kon aangevoerd worden, dat een slag te

feller treft naarmate men er minder op is voorbereid, en dan____

was het niet zijn wensch, zijn plicht, al wat hem op het hart lag aan zijn moeder te vertrouwen? Was 't niet reeds erg genoeg, dat hij haar zijn dwaze liefde voor Bettemie verzweeg? — En toch, wat die historie van 't kantoor betrof, het ergste

ocr page 147

127

was, dat hij de aanleiding tot een te voorzien ontslag aan niemand, zelfs aan zijn moeder niet, verhalen mocht. Maar — dit zou ook later het geval blijven, en 't was misschien een reden te meer om het meedeelen van wat meegedeeld kon worden, niet langer uit te stellen. En zie! toen zijn moeder 't eerst van de twee het stilzwijgen brak, deed de vraag, welke zij tot hem richtte, hem een natuurlijke en ongezochte aanleiding aan de hand, om van 't eene onderwerp tot het andere over te gaan.

„Wie heeft u,quot; vroeg zij, „over dat loopende gerucht gesproken ?quot;

„O ja!quot; zeide hij, met eenige drift, als vreesde hij de gelegenheid weder te laten voorbijgaan, die zich voordeed: „dat is ook waar; ik had moeten beginnen, met u dat te zeggen: die mij daarover gesproken heeft, is de Heer Bleek.quot;

„Uw patroon! Lieve hemel!quot; — riep zij verbaasd: „maar die goede man sloeg er toch zeker geen geloof aan.quot;

„Integendeel Moeder: dat deed hij wel,quot; antwoordde Albert, op een toon, die alles behalve welwillend klonk voor den Heer Bleek.

„Is 't mogelijk?quot; hernam zij: „maar je zult hem toch wel overtuigd hebben, hoop ik, dat het gruwelijke laster was. Wel! dat zou nog het ergst van alles wezen, dat je van een slecht gedrag werd verdacht gehouden door een zoo respectabel man als de Heer Bleek.quot;

Een uitdrukking van walging vertoonde zich op de lippen van Albert, toen hij zijn moeder dat brevet van respectabiliteit hoorde geven aan iemand, die hem gebleken was het zoo weinig te verdienen. Zij bemerkte dit, en vroeg, ten hoogste verwonderd:

„Wel! is hij dan geen respectabel man.quot;

„Ik zal vooralsnog het tegendeel bij niemand beweren,quot; zei Albert: „maar in antwoord op uw eerste vraag. Moeder, zeg ik: ja, ik geloof, dat ik hem overtuigd heb.quot;

„Dat moet ons verheugen,quot; zeide zijn Moeder: „maar je zegt het op een toon____die maar alles behalve geruststellend luidt.quot;

ocr page 148

138

„Moeder!quot; hernam Albert: „ik was hoogst tevreden in de positie, die ik tot heden aan 't kantoor van den Heer Bleek bekleedde. Mijn werkkring beviel mij, en ik genoot, zoo 't scheen, de achting en 't vertrouwen van mijn patroon. Sedert kort is het genoegen voorbij, waarmede ik daar werkzaam was, en is er een kloof gekomen tusschen dien man en mij. Dat een en ander staat niet in verband met het praatje, waarover wij zoo aanstonds spraken; doch vraag mij niet, wat er, aanleiding toe gegeven heeft, noch waarom mijn betrekking mij niet meer toelacht als te voren, 't Kan wezen, dat de Heer Bleek mij — 't kan ook wezen dat ik hem bedank. — Als dat ooit gebeurt, dan zullen natuurlijk de menschen er mij de schuld van geven: en ik zal het mij moeten getroosten. Maar laat in dat geval mijn lieve Moeder voor 't minst mij niet veroordeelen. Mits zij slechts de overtuiging bewaren wil, dat ik mij niets te verwijten en in niets mijn plicht te kort heb gedaan, dan is mij de rest onverschillig.quot;

Het was niet dan met een diep leedgevoel, gelijk men beseffen kan, dat Juffw. Hermans de mededeeling had aangehoord, die Albert haar deed: doch zeer verklaarbaar is het tevens, dat zij, in weerwil van haar ingenomenheid met haar zoon, en bij de overtuiging, dat hij haar geen onwaarheid vertellen zou, toch de mogelijkheid onderstelde dat hij zich zelf misleidde, en misschien, ten gevolge eener verkeerde opvatting, uit lichtgeraaktheid of jeugdige drift ontstaan, een onbillijken tegenzin in zijn werk of in zijn patroon gekregen had. Zich geweld doende om den schok, dien zij ontvangen had, zoo veel mogelijk te overwinnen, zeide zij tot haar zoon:

„Neen, beste jongen, ik zal u nimmer verdenken van iets dat slecht is; maar hebje ook in 't een of ander overijld of onvoorzichtig gehandeld? iemand op uw jaren kan zich zoo licht in zijn oordeel over zaken en menschen bedriegen: — heb je wel behoorlijk nagedacht bij wat je deedt?quot;

„Ik heb u gezegd, lieve Moeder, dat ik mij niet nader kan, niet nader mag verklaren. Ik heb geenszins overijld geoordeeld, en zal in geen opzicht te haastig handelen, —

ocr page 149

139

maar alleen doen wat plicht en geweten mij voorschrijven.quot;

Uit deze laatste woorden meende zijn moeder, en niet geheel ten onrechte, eenigszins te kunnen opmaken wat er van de zaak was. —- „De Heer Bleekquot;, vroeg zij, altijd aarzelende een man te verdenken, dien zij tot nog toe, naar den uiter-lijken handel en wandel, als een model van degelijkheid had leeren eerbiedigen; „heeft toch niets van u kunnen vergen dat niet naar behooren was?quot;

„Dat hij het zal doen, en dat van het al of niet opvolgen van zijn last mijn aanblijven aan 't kantoor afhangt, daarvan houd ik mij overtuigd,quot; antwoordde Albert; „meer kan ik niet zeggen.quot;

„Wat! die man, die zoo braaf schijnt....quot;

„En in wiens vel ik niet zou willen zitten voor al 't goud, dat Amsterdam bevat,quot; zeide Albert.

„Is het mogelijk!quot; riep de weduwe, al meer en meer verbaasd; „en ik, die tot nog toe al zoo gelukkig was, u onder zulk een goede leiding te weten. En heeft die onbetamelijke dingen van u gevorderd ? Neen, die moet je niet doen, mijn jongen. Dan liever dadelijk je ontslag genomen,quot; vervolgde zij. in haar gevoel van edele verontwaardiging, juist die haastigheid aan den dag leggende, tegen welke zij een oogenblik te voren haar zoon had meenen te moeten waarschuwen; „wel! liever werkte ik dag en nacht voor ons brood, dan in de ruimte te leven, van inkomsten, waarvoor je zie zooveel van je eer zoudt moeten geven.quot;

„Ik dank u, Moeder,quot; zeide Albert, haar de hand kussende; „nu is er een pak van mijn hart; laat komen wat wil; wij zullen gelaten afwachten wat het noodlot brengt, en aan zijn slagen weerstand bieden.quot;

„Vertrouw op den Heer,quot; zei Juffw. Hermans; „Hij heeft ons tot hiertoe geholpen en zal ons verder helpen, indien wij Zijne geboden bewaren. En nu,quot; voegde zij er bij, terwijl zij een kus op zijn voorhoofd drukte; „goeden nacht, mijn Albert! je moeder geeft je haar besten zegen.quot;

En nadat zij elkander nogmaals teederlijk aan 't hart hadden gedrukt, verliet de goede vrouw het vertrek.

ocr page 150

140

Maar nog een geruimen tijd bleef Albert, alvorens hij naar bed ging, zitten peinzen over de lijn van gedrag, die hij te volgen had. Een lastige gewetensvraag deed zich aan hem voor. Niet, dat hij er een oogenblik aan dacht, de schelmerijen — want wat konden het anders zijn? — door Bleek gepleegd, aan diens gewezen compagnon, veelmin aan de Justitie te doen kennen: mocht al de wet hem zulks voorschrijven, wat hij onderzoeken wilde, het druischte tegen al zijn begrippen van eerlijkheid aan, te verraden wat hij in zijn betrekking als bediende was te weten gekomen. Maar, was het billijk, dat hij die betrekking en het daaraan verbonden inkomen verloor, omdat zijn patroon een schurk was? En, wanneer hij toch de zaak verzweeg en 't kantoor verliet, wie zou hem dan voor zijn opoffering dank weten? 't Zij hij heenging of niet, Galjart bleef evenzeer van het zijne verstoken. Was het dan niet wijzer te blijven en den hem aangeboden post van boekhouder aan te nemen? en niet beter ook? Hij was dan misschien in de gelegenheid, dienst te doen aan den bedrogene? Zijn patroon, dat was duidelijk, was bang voor hem en zou wellicht, zoo niet uit plichtgevoel of schaamte, dan uit vrees, dat zijn streken aan den dag gebracht werden, aan Galjart teruggeven, wat hij hem op slinksche wijze onthouden had. Ja 't kon gebeuren, dat Bleek andere praktijken in den zin had, en dan zou hij, Albert, hem misschien kunnen overhalen, daarvan af te zien. Misschien! — maar misschien ook niet. Het kostte Albert niet veel peinzens, om het hersenschimmige in te zien van dergelijke luchtkasteelen, door zelfbedrog opgebouwd. Bleek, nu eenmaal op zijn hoede, zou wel zorg dragen, in 't vervolg, als hij weder den eenen of anderen schurkenstreek dacht te plegen, zijn maatregelen zóó te nemen, dat niemand, ook zijn bediende niet, er iets van merkte; en wie wist, of hij niet reeds middelen gevonden had, om de sporen van het bedrog, tegen Galjart gepleegd, te doen verdwijnen? In dat geval zou zijn eerste daad wel zijn, iemand als Albert, wiens tegenwoordigheid hem voortaan niet dan lastig en onaangenaam wezen kon, uit zijn dienst te ontslaan — of liever.

ocr page 151

141

hem, onder 't een of ander licht aan te grijpen voorwendsel, met schande weg te jagen. Neen, dat vooral moest voorkomen worden: met de mogelijkheid eener zoodanige kans voor oogen, aan 't kantoor te blijven, en daardoor bovendien den schijn aan te nemen van medeplichtigheid van schelmerijen, die hij geweten en verzwegen had, dat ging niet: daarvoor moest elke andere overweging onderdoen, zelfs de gedachte aan de schade, die zijn moeder er door leed, en die alleen hem weerhouden had, onmiddellijk na zijn onderhoud met zijn patroon, zijn ontslag te nemen. — Zijn moeder had hem er immers toe aangemoedigd: en, had zij er bijgevoegd, de Heer zou verder helpen.

Ja gewis, de Heer zou verder helpen. Hij had, reeds nu, als wij verhaald hebben, eenige leerlingen, aan wie hij lessen gaf in de Engelsche taal. Het zou hem, vleide hij zich, niet moeilijk vallen, de uren, die nu vrij zouden raken, bezet te krijgen, en, moest hij afzien van zijn loopbaan in den handel, dan vertrouwde hij, als onderwijzer en translateur, wel voor zijn moeder en zich het brood te zullen vinden.

Het was niet alleen de vraag, hoe hij aan den kost zou komen, die Albert bezig hield. Een ander en nog pijnlijker onderwerp van nadenken drong zich bij hem op den voorgrond en wel, naar aanleiding der kwetsende zinspeling, die Bleek zich ten opzichte van het gedrag van Juffw. Hermans veroorloofd had. Reeds sedert eenigen tijd had het Albert gehinderd, dat zijn moeder den naam van zijn overleden vader niet voerde, en dat hij zelf dientengevolge ook bij de lieden bekend stond onder een naam, die de zijne niet was. Vroeger, toen hij, nog jong zijnde, minder ondervinding van de wereld had, had hij aan de zaak zoozeer niet gehecht; later, toen hij zijn moeder naar de aanleiding van die naamsverandering gevraagd en zij hem de redenen van kieschheid ontvouwd had, die haar daartoe noopten, en die wij haar in haar gesprek met Mcolette hebben hooren aanvoeren, had hij daar uit eerbied in berust; doch zonder ze daarom volkomen goed te keuren. Hij kon het niet verdragen, dat sommige lieden, bij wie het

ocr page 152

142

bekend was, dat de naam van Hermans maar een pseudoniem was, daaruit het recht meenden te kunnen ontleenen om zijn moeder met den nek aan te zien; en nu hij uit de woorden van Bleek tot de ontdekking was geraakt, dat men zelfs haar goeden naam dorst aanranden, was hij tot een vast besluit gekomen, al het mogelijke aan te wenden om daarin verandering te brengen. Het wilde er niet bij hem in; dat hetgeen waarheid was in Engeland, zulks niet wezen zou in Nederland, en hij besloot daarom bij zich zeiven, t' avond of morgen zich eens tot een bekwamen praktizijn te wenden en te vragen wat er aan de zaak te doen viel. Met dit voornemen, en tevens met dat om den volgenden morgen aan Bleek met een paarwoorden te berichten, dat hij niet meer op 't kantoor zou verschijnen, ging hij ter ruste.

Duurde het met dat al een geruimen tijd, eer hij die genoot, met zijn moeder was dit in geen mindere mate het geval. Zij had dan ook voorwaar stof genoeg van verdriet gekregen, en, na voor een tijd betrekkelijke weelde voor zich zelve beleefd, en, wat meer bij haar gold, haar zoon op den weg tot voorspoed en fortuin gezien te hebben, zou het een dubbel hard gelag zijn, dit een en ander weer te moeten opgeven. Intusschen, dit gold de toekomst; maar wat de verwijdering van Nicolette betrof, dat was een onderwerp van dadelijke zorg, en al had Albert beweerd, dat zijn moeder wel zou weten hoe het aan te leggen om die zaak in orde te brengen zonder het jonge meisje te kwetsen, Juffw. Hermans zelve zag de taak, die op haar rustte, lang zoo gemakkelijk niet in, en peinsde vruchteloos over de wijze, waarop zij de zaak op het tapijt zou brengen. Ten leste deed zij, wat wel het verstandigste was, en waar zij mee had kunnen beginnen: zij besloot er zich het hoofd niet nutteloos meer mede te breken, maar af te wachten of de loop van het gesprek of een ander gunstig toeval niet de gelegenheid aan de hand zoude doen om het onderwerp, op schijnbaar ongezochte wijze, te pas te brengen.

Had Juffw. Hermans geweten, wat er omtrent dezen tijd

ocr page 153

143

in de ziel van Nicolette omging, zij had zich ontslagen van de moeite om over de zaak te tobben. Immers, tot het verlaten van haar tegenwoordig verblijf, waartoe het jonge meisje moest aangespoord worden, was geen overredingskracht van de zijde der weduwe meer noodig. Nicolette was reeds uit zich zelve van de noodzakelijkheid daarvan overtuigd: — wat meer is, zij had al dienovereenkomstig gehandeld: — en de aanleiding daartoe was oorspronkelijk dezelfde, als die Albert bewogen had, het punt bij zijn moeder ter sprake te brengen. Nicolette had namelijk, begrijpende dat zij haar minnemoeder niet geheel en al mocht verwaarloozen, een bezoek gebracht bij Vrouw Ruffel: deze had zich, in den loop van het gesprek, eenige scherts veroorloofd over de betrekking, welke zij onderstelde, dat tusschen Nicolette en Albert bestond, ja, die scherts, welke het onergdenkende meisje in 't eerst maar half begreep, in zoo duidelijke bewoordingen voortgezet, dat het arme kind er geheel ontdaan van thuis kwam, doch ook tevens met het innig besef, dat, wanneer aan haar verblijf bij Juffw. Hermans zoodanig een uitlegging gegeven werd, en dat nog wel door iemand, die zij veronderstellen moest, haar beter te kennen, het oordeel van vreemden en onverschilligen er althans niet gunstiger over luiden zou. Het gevolg hiervan was het stellige voornemen orn, hoe eer hoe beter, en hoeveel het haar kosten mocht, zich het genoegen te ontzeggen van bij de weduwe in te wonen en elders verblijf te zoeken. Hoe zij dat voornemen ten uitvoer gebracht had, zal blijken uit het gesprek, dat zij met Juffw. Hermans voerde op den morgen nadat de laatst verhaalde gebeurtenissen hadden plaats gehad, en toen Albert de deur uit, en de beide vrouwen aan haar handenarbeid gezeten waren.

„Herinnert de Juffrouw zich wel,quot; begon Nicolette, „wat de afspraak was, toen zij de goedheid had, mij huisvesting te verleenen?quot;

„Wat meen je, kindlief!quot; vroeg de weduwe, verrast opziende, nu juist de snaar, welke zij zelve in beweging wilde brengen, doch alleen nog niet wist hoe, door Nicolette werd aangeroerd.

ocr page 154

144

„Wel!quot; antwoordde Nicolette: „'t zou immers maar tijdelijk zijn, en tot zoolang als het mij nog niet gelukt was, ergens anders te recht te komen.quot;

„Ja!quot; zei Juffw. Hermans, „dat is ook zoo .... altijd in de onderstelling, dat je iets vondt, dat voor u geschikt was.quot;

„Nu,quot; hernam Nicolette: „ik geloof dat ik juist gevonden heb, wat mij lijkt.quot;

Zonderling zijn wij menschen toch. Het was bij Juffw. Hermans een uitgemaakte zaak geworden, dat Nicolette van haar vandaan moest: zij zelve zag uit naar een gelegenheid, om haar dit op de geschikste wijze aan haar verstand te brengen; — en nu 't bleek, dat het jonge meisje 't niet alleen met haar eens, maar de zaak reeds in orde was, nu zij dus blijde moest zijn, haar doel zonder moeite te bereiken, nu had zij een gewaarwording, die meer naar teleurstelling zweemde, dan naar tevredenheid. Wat was het? Smart bij de gedachte, dat zij van Nicolette moest scheiden? Spijt, dat de eerste stap om daartoe te komen door het jonge meisje gedaan was ? — een mengeling van die beide ? Zij zou zelve het moeilijk hebben kunnen zeggen; doch op de haar gedane mede-deeling liet zij zich op een mistroostigen toon de vraag ontvallen:

„Zal het je dan zoo weinig kosten, mij te verlaten?quot;

„Dat weet de Juffroufr wel beter,quot; zei Nicolette, haar aanziende met een blik vol vriendelijken weemoed: „maar ik voel, dat ik reeds te lang van uw goedheid misbruik heb gemaakt: en ik mag hier niet langer vertoeven.... in 't kort,quot; haastte zij zich er bij te voegen, om niet te moeten treden in de redenen, waar haar besluit op steunde, en van welke zij de wezenlijke toch niet aan Juffw. Hermans kon noemen: „ik wacht alleen uwe goedkeuring om het voorstel aan te-nemen, dat Madame Puri mij gedaan heeft, van namelijk bij haar als vaste faiseuse te komen inwonen.quot;

„Als vaste faiseuse,quot; herhaalde de weduwe: „en Juffrouw Krops dan ?quot;

„Die heeft plotseling het trouwen in 't hoofd gekregen en gaat in de eerste dagen van November van haar vandaan.quot;

ocr page 155

145

„Wat je zegt!quot; zei Juffw. Hermans, het hoofd schuddende over zulk een cavalière wijze van handelen: „wel! ik kan niet anders zeggen, of Madame Puri is een geschikte vrouw. En zoo is alzoo het voorstel van hare zijde gekomen?quot;

„Ja Juffrouw; reeds verleden week, toen ik haar die geborduurde zakdoeken bracht: .. .. maar ik zei toen, dat ik er mij op wilde bedenken .... ik zag er zoo tegen op, u te verlaten: maar hoe meer ik de zaak overwoog, hoe meer ik begreep, dat het mijn plicht was.quot;

„En je ziet niet op tegen hetgeen er van u gevergd zal worden? Want het spreekt van zelf, dat je nu je niet zult kunnen bepalen tot een rustigen kamer-arbeid, maar dat je zult uitgezonden worden om te passen, en waarschijnlijk ook nu en dan den winkel zult moeten bedienen.quot;

„Madame Puri heeft mij beloofd, dat ik van dit laatste zooveel mogelijk verschoond zal blijven. Zij neemt dat, als je weet, liefst zelve waar, en dan is Mademoiselle Susanne immers altijd bij de hand.quot;

„Ja, als zij geen kiespijn heeft,quot; zei Juffw. Hermans, lachende: „en dat valt nogal eens voor. Wel, je moet het zelve weten, beste meid! en wat mij betreft, hoe gaarne ik u bij mij had gehad, ik geloof, dat het in sommige opzichten misschien beter is datquot; .... hier hield zij plotseling op, uit vrees van te veel te zeggen: Nicolette keek haar aan, en dat bracht de goede vrouw nog meer van de wijs: zij voelde de tranen in haar oogen opwellen: en nu was hetgeen bij haar omging, geen raadsel meer voor Nicolette. Zij rees op, omhelsde Juffw. Hermans, en, haar gloeiend gelaat aan den boezem van deze verbergende, „nietwaar?quot; vroeg zij, „je vindt het ook verstandiger, dat ik van hier ga.quot;

„Ja, ja!quot; zeide deze: „je bent edelmoediger dan ik, Nicolette! want jij handeldet; — terwijl ik nog maar overlegde.quot;

ocr page 156

146

ZESDE HOOFDSTUK.

BRIEF YAN LOUIS EYLAR AAN GERLOP BOL.

's-Gravenhage, den S'1611 November 184

's av. 10 uren.

Amicissime!

Ingevolge hetgeen ik bij mijn vertrek van Hardestein met u was overeengekomen, zou ik van mijn tijdelijk verblijf alhier partij trekken om te beproeven, zoodanige onzer gevaders als ik hier mocht aantreffen, te bewegen tot het houden eener definitieve bijeenkomst te Amsterdam. Omstandigheden van geheel verschillenden aard hebben aan mijn voornemen daaromtrent geheel den bodem ingeslagen. In de eerste plaats is Donia, wiens overkomst men hier nog half verwachtte, nog in Friesland: hij zal vervolgens voor particuliere zaken naar Marlheim gaan, en zich aldaar wel eenigen tijd moeten ophouden: het zal wel 't laatst van December worden, eer wij over hem beschikken kunnen. Ten andere is Galjart, die nog kort geleden hier kamers had, weinige dagen voor mijn komst met de Noorderzon verdwenen, en, dewijl hij meer schulden dan geldswaarde achterliet, heeft hij 't niet noodig geacht, zijn adres aan iemand op te geven. De eenige, die zich hier bevond, was Van Zirik — doch met dien had ik een ontmoeting, die mij geheel belette, eenige afspraak met hem te maken. Misschien hebt gij er al van gehoord, anders bekomt gij hier een relaas van de zaak, zooals ik die heb vernomen.

Gij moet dan weten, dat ik, reeds den dag na mijn aankomst, Van Zirik in de Besogne-kamer ontmoette en hem met een paar woorden van ons voornemen kennis gaf. Hij verklaarde zich terstond bereid om hierin te handelen overeenkomstig ons verlangen, en noodigde mij tegen den volgenden Vrijdag, — dat was heden — bij zich ten eten. Ofschoon ik maar half met die uitnoodiging in mijn schik was — gij kent, geloof ik,

ocr page 157

147

mijn redenen — zag ik echter geen kans om die af te slaan, te minder, omdat ik, aan de wijze, waarop zij gedaan werd, bespeurde, dat men een weigering zou toeschrijven aan trotsch-heid, alsof ik te groot Heer ware om met hem en zijn gasten te verkeeren. Ik nam dus aan, en ging er ter bestemder ure naar toe. De knecht deed mij open: doch ik zag terstond aan zijn physionomie, en op de wijze, waarop hij mij naar de receptiekamer voorging en die zoo geheel afweek van het plechtige en formalistische, dat anders — vooral in een huis waar zooveel etiquette heerscht als bij Van Zirik — gewoonlijk bij die gelegenheden in acht wordt genomen, ik zag, zeg ik, terstond, dat er iets buitengewoons aan de hand was, iets, dat niet in den haak was. Dit bleek mij nog duidelijker, toen ik, de receptiekamer binnengetreden zijnde, dadelijk al de aanwezige gasten het levendige gesprek, dat zij, op een groep bijeenstaande, met elkander voerden, zag afbreken, de oogen op mij vestigen en ze vervolgens weder van mij afwenden met een beweging van teleurstelling; ofschoon zij, 't oogenblik daarna, zeker uit vrees van een onwellevendheid te hebben begaan, zich weder tot my keerden en mij met de noodige buigingen en nijgingen ontvingen. Ik had natuurlijk, alvorens hen te groeten, rondgekeken naar de gastvrouw, om haar 't eerst mijn hulde te brengen: — maar vergeefs: — Nu I dit kon te wijten zijn aan het niet thuis bezorgen van een verwachte nieuwe japon, of aan een anderen tegenspoed: zoo iets heb ik meer zien gebeuren; — maar wat mij meer verwonderde was, dat ook de gastheer zich niet vertoonde, die dan voor 't minst het verschijnsel had kunnen verklaren. Het was mij terstond duidelijk, waarom het gezelschap mij zoo had aangestaard: iedereen was even verwonderd geweest als ik, noch den Heer noch de vrouw des huizes te vinden, en 't was klaar, dat, zoo dikwijls de deur openging, aller blikken zich daarheen wendden, om te zien of de hoofdpersonen ook zouden verschijnen. Mijn komst, die anders effect had moeten doen (dit geloof ik althans dat Van Zirik er van hoopte), deed juist het tegenovergestelde en wekte teleurstelling. Dat ik die

ocr page 158

14:8

mijnerzijds ook gevoelde, behoef ik u niet te zeggen: Van al de aanwezigen kende ik niemand, dan alleen twee heeren en dat nog maar van aangezicht. Een van die twee — de een Referendaris aan Financiën, meen ik, — trad naar mij toe, en, met een beleefde buiging:

„Mijnheer de Graaf Van Eylar, zoo ik mij niet bedrieg?quot;

„Mijnheer Looshert, nietwaar?quot; vroeg ik, van mijn kant, zijn groet beantwoordende.

„Mijnheer de Graaf is zeker even verwonderd als wij allen, onzen gastheer en gastvrouw niet te zien.quot;

„Inderdaad,quot; zeide ik: „en weet niemand de reden, waaraan dit is toe te schrijven?quot;

Allen haalden de schouders op: „'t Is een vreemde zaak,quot; hernam Looshert, „en waarvan ik nooit het precedent gezien heb.quot;

„Er moet stellig een ongeluk gebeurd zijn,quot; merkte een dei-dames aan.

„'t Is andengs onvengeefnijk,quot; zeide een matrone, die over mij stond en door den neus sprak.

„Ja, 't is impardonnabel,quot; herhaalde een Juffrouw, die, geloof ik, de dochter was der matrone, en zeker het gezegde van haar moeder verduidelijken wilde, door het in 't Fransch te vertalen.

„Wij zullen op die manier niet te eten krijgen,quot; zeide een heer, die veel van een nijlpaard had, en mij naderhand bleek Van Rolrode te heeten en de man der gezegde matrone te zijn.

„Maar heeft,quot; vroeg ik, „de dienstbode aan niemand van 't gezelschap eenige opheldering gegeven?quot;

„Hij heeft, toen wij kwamen, alleen aan mijn broer gezegd,quot; antwoordde een juffrouw met een sentimenteel voorkomen, „dat Mijnheer Van Zirik Mevrouw was gaan halen, en dat zij wel zoo dadelijk zouden komen.quot;

,.En 't schijnt,quot; voegde de Heer Looshert, dien ik daardoor begreep, de broeder in quaestie te zijn, er bij, „dat hij 't aan ons heeft overgelaten, de later aankomende gasten te verwittigen.quot;

ocr page 159

i

149

„Zouden wij ook maar doen, als de koetjes in de wei? en ze etende en drinkende afwachten?quot; — Deze vraag, die met een nauwelijks hoorbaar stemmetje gefluisterd werd, kwam % van een tweeden Luitenant, die in een hoek stond, van de

overige leden van 't gezelschap afgezonderd. Een schier algemeene blik van verontwaardiging strafte zijn onbetamelijke vraag; alleen bij den Heer Van Rolrode scheen het denkbeeld ingang te vinden; althans hij gaf een goedkeurend knikje.

„En dat nog wel als men de eer heeft, iemand als Mijnheer den Graaf bij zich te ontvangen,quot; mompelde een der aanwezigen.

Die laatste zinspeling op mijn titel maakte mij een weinig knorrig, Gerlof, en ik zei, misschien wat te scherp:

„Graaf of niet, ik ben hier in Den Haag en gar5on en zal wel ergers te recht komen; maar tegenover de dames kan zulk een handelwijze er minder door: intusschen, ik heb altijd mijn vriend Van Zirik als een zeer wellevend man gekend, en er moet dus iets buitengewoons zijn gebeurd, dat hij ons op deze wijze teleurstelt. Indien wij den bediende eens riepem ' en hem wat meer bepaald ondervroegen?quot;

Dit voorstel vond ingang: een der gasten, die met het huis bekend scheen, trok aan de bel, en weldra kwam de knecht vernemen wat er van onze bevelen was.

„Zeg eens, Filip!quot; zeide de Heer Looshert, aan wien wij, als aan dengenen onder ons die alleen eenig, hoezeer dan ook een mager bericht van den knecht bekomen had, het onderzoek hadden opgedragen, „straks zeide je mij, dat Mijnheer en Mevrouw spoedig zouden thuis komen; mij dunkt daar hapert nogal wat aan.quot;

Filip boog zich en haalde de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat hij er niets meer van wist. Toen liet hij zich echter ontvallen: „Mijnheer heeft verzocht, of, als 't wat 1 laat werd, 't gezelschap maar aan tafel zou gaan.quot;

„Wel ja!quot; zeide het Nijlpaard, voor wien dat gezegde een uitkomst was: „dat ware, dunkt mij, wel het verstandigst.quot;

De Heer Looshert scheen echter niet tevreden met zich op die wijze te laten afschepen. Waarschijnlijk verdacht hij Filip,

ocr page 160

150

gelijk ik zelf ook, uit zekeren spotachtigen trek op het gelaat van den knaap, meende op te maken, meer van de zaak te weten dan hij wel zeggen wilde. Hij — de Heer L. namelijk — maakte tegen het Nijlpaard een afwijzende gebaarde, schoof zijn bril naar de hoogte, gelijk zijn gewoonte schijnt te zijn als hij iets gewichtigs te vertellen heeft, en zette toen het verhoor voort;

„Zou je misschien denken, dat er een ongeluk met Mevrouw gebeurd is?quot;

„Ik weet het niet. Mijnheer!quot; antwoordde Filip, dezelfde beweging met de schouders makende als te voren.

„Is Mevrouw vroeg uitgegaan?quot;

„Te één uur. Mijnheer! na 't deuzinee.quot;

„Met rijtuig of te voet?quot;

„Te voet, Mijnheer!quot;

„En hoe laat is Mijnheer vertrokken?quot;

„Een uur geleden, even nadat Mijnheer thuis gekomen was om zich te kleeden.quot;

„En scheen Mijnheer ongerust?quot;

„Ja, Mijnheer was gehaast.quot;

„Wij keken elkander aan: dat er iets niet pluis was, begrepen wij allen; doch niemand dorst een gissing wagen, en het kwam mij voor, dat het voortzetten van ons onderzoek een nuttelooze onbescheidenheid wezen zou, en ons tot niets verder leiden. Ik oordeelde daarom gepast, tusschenbeide te komen.

„Ik weet niet,quot; zeide ik, „hoe de dames er over denken; maar ik zou bijna durven voorstellen gebruik te maken van de verleende vergunning, en de verdere ontknooping van dit raadsel aan tafel af te wachten.quot;

Een vrij algemeen: „Ja, dat vind ik ook — Mijnheer de Graaf heeft gelijkquot; enz. bewees de goedkeuring, die mijn voorstel verwierf. De Heer Looshert alleen keek een weinig zuur — vermoedelijk over de onbeduidende uitkomst van het door hem ingestelde verhoor. Filip, blijkbaar wel tevreden, aan geen verdere vragen blootgesteld te zijn, haastte zich, de

ocr page 161

151

deur open te zetten, die naar de eetzaal leidde. Ik bood Mevr. Eolrode den arm aan en wij begaven ons allen naar den disch die ons wachtte, en waar kaartjes, behoorlijk geschikt, ons onze plaatsen en, toevallig, de vrouw, die ik geleidde, als mijn buurvrouw rechts aanwezen; de plaats aan mijn linkerzijde bleef ledig: zij was voor de vrouw des huizes bestemd.

De soep werd dadelijk opgebracht en, aangezien men toch geen soep eten en praten kan te gelijk, gingen de eerste minuten niet anders voorbij dan op alle diners. Maar het vervolg had veel van een lijkmaal, ten huize eens afgestorvenen gehouden. Wel beproefde deze of gene een onderwerp van algemeen belang op 't tapijt te brengen: wel werd er zelfs nu en dan een kwinkslag gewaagd; — maar de conversatie nam niet op, en de scherts vond geen weerklank. Wellicht dat mijne tegenwoordigheid de gedrukte stemming der gasten nog verslimmerde: ik was er omtrent als een vreemde eend in de bijt, en dat gaf een zekere gêne aan 't gezelschap.

Over de gehouden dischgesprekken heb ik u dus niets te vertellen. Ik had vruchteloos moeite gedaan, eenig onderwerp te vinden, geschikt om mijn buurvrouw aan 't praten te krijgen, en, eens mijn honger gestild hebbende, begon ik hard naar 't einde van het feest te verlangen. Wij mochten zoo wat aan het wildbraad genaderd zijn, toen Filip, dien ik had opgemerkt, dat naar buiten geroepen en eenigen tijd weggebleven was, mij op zijde kwam en mij in 't oor fluisterde:

„Of Mijnheer de Graaf even hierover zou willen komen____quot;

en nauwelijks hoorbaar liet hij er op volgen ; „Mijnheer is thuis.quot;

„Ik kom,quot; zeide ik dadelijk, op denzelfden geheimzinnigen toon, en toen, mij tot mijn buurvrouw wendende: „ik verzoek Mevrouw om verschooning,quot; zeide ik, „zoo ik haar even verlaat. Er is iemand om mij te spreken.quot;

Meteen rees ik op en vertrok, nageoogd door al de gasten, met Filip voor mij uit. Hij geleidde mij, de gang over, naar wat mij de studeerkamer van Van Zirik bleek te zijn; daar, door de half opgedraaide lamp, die voor hem op tafel stond, flauw verlicht, zat in een causeuse, of liever lag, de heer

ocr page 162

des huizes, met een bleek en verwilderd gelaat. Tegenover hem stond een heer, dien ik niet kende, en wiens gelaat — wat mij later niet verwonderde — de grootste onverschilligheid kenteekende.

„Mijnheer de Graaf Van Eylar,quot; zeide Filip, mij even plechtig aandienende alsof er niets gebeurd ware en toen nog een oogenblik met de hand aan de deurknop blijvende staan, om de bevelen van zijn meester af te wachten, of, gelijk ik eer geloof, uit hoop van eenig voedsel te vinden voor zijn nieuwsgierigheid.

„'tls wel,quot; zei Van Zirik, met een zwakke stem, „laat ons alleen Filip.quot; — En toen, zoodra de knecht zich verwijderd had, zich tot mij wendende: „zij is weg!quot; riep hij op eeii klagenden toon en terwijl hij zich de handen wrong: „zij is weg, Eylar, mijn Emilie! zij heeft mij verlaten, mij en haar kinderen . . ..quot;

„Wat zeg je?quot; was al wat ik uit kon brengen.

„O! zij heeft mij verraden, gruwelijk verraden!quot; riep hij toen, met verbittering: — „om dien ellendigen Eostan. O 't is schrikkelijk!quot;

„Maar ben je wel zeker, dat het zoo is?quot; vroeg ik, meer om wat te zeggen, dan uit eenigen twijfel aan de gegrondheid van 't geen hij beweerde.

„Heel zeker. Luister maar. Eergisteren heb ik ze betrapt:____

gezien, dat zij elkander in 't geheim de hand drukten. Ik heb er haar over onderhouden: zij zwoer bij hoog en laag, dat het niets was dan een gemeenzaamheid, misschien ongepast, maar toch zeer onschuldig .... ik was toch maar half overtuigd: ik ondervroeg Charles — mijn jongen.quot;

„Uw zoon!quot; riep ik, met een uitdrukking van verontwaardiging, die ik niet weerhouden kon, zoo stuitte mij de gedachte, dat een kind door zijn vader geroepen werd om de schande zijner moeder aan den dag te brengen. Ik dacht aan het puero magma debetur re verentia'), dat gij wel eens

') „Men is den knaap (of „aan kinderen ') groot ontzag schuldig.quot;

ocr page 163

153

in den mond hebt, Gerlof! — Van Zirik scheen echter niet op te merken wat bij mij omging.

„Ja,quot; antwoordde hij: „die knaap is schrander voor zijn jaren en ziet en hoort goed. — Hij vertelde mij terstond, en met een zekeren triomf, dat hij dikwijls zijn mama en monsieur Kostan, als zij dachten dat hij 't niet zag, elkander een zoen had zien geven.quot;

Ik zeide deze reis maar niets, en vergenoegde mij, het hoofd te schudden.

„Ik dacht: wij hebben Vrijdag gasten, en ik wil geen opschudding maken. Ik zal overleggen, hoe ik met mijn vrouw aan moet; maar die kerel moet terstond mijn deur uit. Ik liet hem eergisteravond bij mij komen, gaf hem zijn geld, en zei hem, dat hij den volgenden morgen verkassen moest, en dat ik omtrent de redenen van mijn handelwijze niet verkoos in eenige explicatie met hem te treden. Zeker begreep hij wel wat ik meende, althans hij trok af zonder tegenpruttelen. Maar 't moet zijn, dat de schoelje zijne medeplichtige van de zaak heeft onderricht: immers zie hier wat er gebeurd is. Ik kom vandaag tegen vier uren thuis om mij te kleeden: — ik vind boven in huis de kamenier, die mij vraagt, of ik Mevrouw ook gezien heb, die nog niet thuis is. — 't Was of de waarheid mij als een lichtstraal voor den geest kwam: — ik snel naar de kamer van Emilie — och ja! pas heb ik even rondgekeken: de kasten open: haar juweelen, kanten en andere zaken voort! en nu vertelt mij Caroline, dat zij hedenmorgen een pak heeft moeten laten bezorgen bij een voerman, hier in de stad, met de boodschap om het te bewaren. Verbeeld je in welke positie ik was.... en dat nog wel op 't oogenblik, dat ik gasten wachtte . .. .quot;

„Ik had ze laten afzeggen,quot; merkte ik aan.

„Ja,quot; zeide hij, „dat zou wijzer geweest zijn; maar mijn hoofd was geheel in de war. — Goed! — Ik loop naar het bureau van de Politie en Mijnheer is zoo goed met mij mee te gaan naar den huurkoetsier, waar de meid van gesproken had: en jawel, die vertelt mij, dat Mevrouw hedenmiddag

ocr page 164

154:

één uren bij hem gekomen is, en zich in een wagen naar Rotterdam heeft laten brengen.quot;

„Nu,quot; zeide ik, „dan zal haar spoor ook licht te vinden zijn,quot; en ik dacht bij mij zeiven: „'t is vreemd, dat gij nog niet op weg zijt om haar te achterhalen.quot;

„Ja!quot; hernam Van Zirik, als raadde hij mijn gedachten: „ik wou haar volgen; — maar Mijnheer Pedaal zei, zij waren te veel vooruit, en zouden zeker al over de grenzen zijn, eer wij hen achterop waren: — en dan —wat zou't mij baten? — in mijn huis kan ik haar niet weer nemen: — een verzoening is toch een onmogelijkheid, en voor mijn kinderen is 't beter geen moeder te hebben dan eene, die niet deugt.quot;

„Zoodra je zoo er over denkt,quot; zeide ik, „moet ik u volkomen gelijk geven.quot;

„Ja!quot; vervolgde hij: „'t is stellig al lang, dat die intrige duurt: Mijnheer Pedaal zeide mij, dat hij daar al de lucht van gekregen had, toen hij hier was, wegens de zaak van Nicolette.quot;

„Zoo,quot; vroeg ik: „is het Mijnheer, die....quot;

Mijnheer Pedaal maakte een zeer beleefde buiging.

„Wel!quot; vervolgde ik: „in dat geval zal Mijnheer mij verplichten, met, indien de zaken van Mijnheer Van Zirik of andere gewichtige bezigheden 't hem niet beletten mij morgen in mijn logement aan 't Keizershof te bezoeken — liefst tusschen tien en elf uren.quot;

„Ik zal de eer hebben, bij Mijnheer den Graaf mijn opwachting te maken,quot; zeide hij, wederom zich buigende.

„En nu,quot; vervolgde Van Zirik, „heb ik u laten roepen, Eylar! omdat je van dat gezelschap daarginds mijn oudste kennis zijt en de eenige, bij wien ik, krachtens onze vroegere betrekking aan de Academie, mijn hart kan uitstorten, en van wien ik den dienst kan vergen mij uit de verlegenheid te helpen, waarin ik mij ten opzichte van mijn gasten bevind. Ik kan mij op dit oogenblik niet aan hen vertoonen, dat voel je: en ik moet ook, met hulp van Mijnheer, eens onderzoeken, of dat voortvluchtige paar ook iets van waarde heeft meegepakt. Zou je nu de goedheid willen hebben, mijn afwezig-

ocr page 165

155

heid bij mijn gasten te verontschuldigen? Zeg hun.... och ja! zeg hun de waarheid maar: 't kan toch geen geheim blijven, en wat doet het er toe, of men 't een dag vroeger of later weet?quot;

Ik verzekerde hem natuurlijk, dat ik bereid was mij van de opgedragen boodschap te kwijten, hoezeer ik beken, dat die mij alles behalve aangenaam was, en, hem sterkte en troost wenschende, liet ik hem met zijn helper alleen en begaf mij weder naar de eetzaal toe.

Ik behoefde niet te vragen, of mijn terugkomst met ongeduld was afgewacht. Dadelijk bij mijn binnenkomen stormden al de gasten — behalve, geloof ik, de Heer Van Rolrode en de Luitenant, van hunne zitplaatsen op, en een „wel? wat is 't? brengt Mijnheer ons eenig bericht?quot; verwelkomde mij van alle zijden. Doch spoedig werd het gemompel door een angstig zwijgen vervangen, toen zij uit het bedenkelijk gezicht, waarmede ik naar mijn plaats keerde, bespeurden, dat ik geen opwekkende tijding bracht. Ik aarzelde een wijl, eer ik het woord opvatte; ik vond er iets hoogst onkiesch in, mijn mede-deeling in tegenwoordigheid der bedienden te doen, en mocht aan een andere zijde niet nalaten, mij van den mij opgedragen last te kwijten, noch ook langer het geduld der aanwezigen op de proef stellen. Ik koos echter een soort van middelweg, en antwoordde:

„Ik heb tijding bekomen, dat Mevrouw Van Zirik, om redenen, die haar personeel aangaan, plotseling van huis is gegaan; terwijl Mijnheer zich in de onmogelijkheid bevindt, hier vandaag in ons midden te wezen.quot;

Een gemompel van teleurstelling liep de tafel rond.

„En weet Mijnheer de Graaf er niets meer van?quot; vroeg eene der dames. Mejuffrouw Looshert, meen ik.

„Mejuffrouw,quot; antwoordde ik, „zal mij bereid vinden, op die vraag te antwoorden, zoodra wij in de andere kamer gekomen zijn.quot;

Gij kunt de uitwerking begrijpen, die deze mijn woorden op het gezelschap maakten, en hoe de zucht om het fijne van de zaak te vernemen, de gasten belette veel gebruik te

ocr page 166

15G

maken van het gedurende mijn afwezigheid opgedragen dessert. Gezwind staken de Heeren zoovele surprises en choco-laadjes bij zich als zij bergen konden, de druiven gingen onaangeroerd rond, en men repte zich om naar de voorkamer terug te keeren. Toen wij daar gekomen waren, deelde ik aan Looshert en aan de overige Heeren in stilte wat ik vernomen had, mede, het aan hen overlatende, dit wederom aan hun dames te vertellen. Gij kunt u de gesmoorde uitroepen voorstellen van „is 't mogelijk? — Wat een schandaal! — Fi l'horreur! Wie had zoo iets kunnen denken?quot; Natuurlijk ook hier en daar een: „ja! ik heb het nooit erg op haar gehad,quot; of een: „ik heb altijd wel gedacht, dat er nog iets gebeuren zou.quot; Men vindt steeds lieden, die aprèscoup weten te profeteeren. Ter eere van enkelen mag ik niet verzwijgen, dat ik uit hun, of beter gezegd, uit haar monden het medelijdende: „die arme Van Zirik!quot; of: „die arme kinderen!quot; vernam. — Intusschen wenschte ieder nu maar hoe eer hoe beter het huis des maaltijds, dat dus tot een huis der droefenis geworden was, te verlaten; ik wil onderstellen, omdat ieder begreep, dat hij er nu te veel was; maar de vrouwen moesten natuurlijk wachten, dat de rijtuigen voor waren, en de Heeren dorsten deze reis niet heengaan, uit beleefdheid voor de vrouwen. Alleen de Tweede Luitenant was na den maaltijd plotseling verdwenen; ik onderstel, dat dienstzaken hem riepen.

Eindelijk was het halfacht geworden en werden de rijtuigen aangediend, waar 't gezelschap holder-de-bolder mee heentrok. Ik begreep, dat het voegzaam was, eer ik het huis verliet, aan Van Zirik kennis te geven, dat ik den mij opgedragen last volbracht had, en dienvolgens, achterblijvende na den laatsten dischgenoot te hebben zien vertrekken, verzocht ik Filip, aan zijn Heer te vragen, of die mij nog verlangde te zien.

„Ik zal de boodschap doen. Mijnheer de Graaf,quot; zei Filip, en liet er terstond, met een eenigszins spotachtigen blik op volgen : „dat's een gek geval. Mijnheer.quot;

„Een treurig geval,quot; zeide ik, weinig gestemd om voedsel aan ongepaste scherts te geven.

ocr page 167

157

„Tusschen ons gezeid, Mijnheer!quot; hernam hij: „ik heb al lang zoo iets zien aankomen : en 't is per slot van rekening nog maar gelukkig voor Mijnheer, dat hij van zoo'n prinses ontslagen is.quot;

Gij kent mij sedert vijf en twintig jaren, Gerlof! en gij weet dat ik geen greintje ongepasten trots bezit; maar de familiare toon, waarop die vlegel tegen mij en over zijn gewezen meesteres sprak, was mij toch wel wat al te hinderlijk.

„Ik kan dat niet beoordeelen,quot; zeide ik, op een zoo kouden toon mogelijk, „wees zoo goed te doen, wat ik u verzocht heb.quot;

De vent begreep, zoo 't scheen, dat hij de conversatie niet verder behoefde voort te zetten, en trok naar achteren. Spoedig kwam hij terug met de boodschap, dat zijn Heer mij gaarne zou ontvangen.

Ik begaf mij hierop weder naar de kamer van onzen vriend, dien ik aan de schrijftafel vond zitten, met den Hr. Pedaal naast zich: eenige laden van die tafel waren uitgehaald, de secretaire in den hoek stond open en tal van papieren hier en daar verspreid.

„Goeden avond, Eylar!quot; zei Van Zirik, mij de hand toestekende : „het is hartelijk van u, dat je nog eens komt.quot;

„Uw gasten zijn weg,quot; zeide ik, een iegelijk van hen niet weinig ontdaan van het bericht, dat ik hun gebracht heb, en deelnemende in uw ongeluk. Ik kwam u dit vertellen en meteen vragen of ik nog iets voor u doen kan?quot;

„Ik dank u,quot; antwoordde Van Zirik: „nu! 't is wel zooals ik dacht: zij hebben reisgeld meegenomen. Mijn portefeuille is ledig: totale eclips!quot;

„Inderdaad!quot; vroeg ik: „en was die achter 't slot?quot;

„Hier in de secretaire: zij moet het gedaan hebben, terwijl ik even uit de kamer was en de sleutel er op stak. Gelukkig heeft zij niet geweten van de Russen, die ik gisteren gekocht had, en die hier in deze lade lagen: — maar 't is ook waar, zij is met een Franschman opgedrost en verlangde geen Paissen tot gezelschap.quot;

ocr page 168

158

Naturam expelles furcaonze vriend kon toch, spijt al zijn verdriet, dien flauwen kwinkslag niet terughouden.

„Ik vrees, als ik zeide, dat zij de grenzen over zijn,quot; zeide de Hr. Pedaal, zich in 't gesprek mengende: „anders zou er nog middel op zijn, het verlorene terug te bekomen.quot;

„Ik zou dit,quot; zeide ik, „den Heer Van Zirik niet aanraden, 't Is een treurige zaak; doch hij zal toch haar, die eenmaal zijn vrouw was, niet aan 't gebrek ten prooi willen laten, hoe zij zich ook tegen hem misgrepen moge hebben.quot;

„Alsof hij het niet was, die schavuit, die er de voordeelen van zal trekken,quot; riep Van Zirik uit: en misschien had hij gelijk. Op dit oogenblik ging, geheel onverwacht, de deur open en trad een mager en bleek (naar mijn gissing zeven- of achtjarig) knaapje binnen.

„Wat is er toch gebeurd, Papa?quot; vroeg hij met een verlegen stem: „is Mama heengegaan? — dat vertellen de meiden.quot;

Van Zirik was over de plotselinge verschijning insgelijks onthutst en blijkbaar op de vraag niet voorbereid. Hij zag het kind een poos als wezenloos aan, stond toen op, greep het bij de hand en zeide:

„Waarom ga je niet naar bed, Charles! — Ja .... je Mama is ... . op reis ... .; maar zij zal... . ik hoop althans .... zij zal wel... .quot; Hier schoot zijn gemoed vol: het hart, dat tot nog toe alleen verbittering gevoeld had over 't verraad, door zijn vrouw tegen hem gepleegd, was blijkbaar op 't gezicht en door de taal van den knaap tot zachter aandoeningen gestemd geworden: dikke tranen ontvloten hem: hij kon niet verder uitbrengen wat hij meende te zeggen, viel op de canapé neer, trok Charles naar zich toe en kuste hem.

Doorgaans, als kinderen hun ouders zien schreien, schreien zij uit gezelschap mede, ook al weten zij niet waarom. Het trof mij, ja ergerde mij een weinig, dat Charles dit niet deed, en ik leidde er uit af, dat hij de afwezigheid zijner moeder

') Drijf bij den menscli zijn natuur met een York uit (zij keert noch terug.)

ocr page 169

159

juist niet als de ergste ramp beschouwde, die hem treffen kon.

„'t Is raar,quot; zeide hij, als tot zich zeiven sprekende: „ze gaan allemaal heen, de een voor, de ander na: eerst de Juffrouw, toen Monsieur Rostan, en nu Mama: — en allemaal zonder mij eens goeden dag te zeggen. — Ik geloof. Papa!'' vervolgde hij, toen zijn opmerking door zijn vader zonder antwoord werd gelaten, „ik geloof, dat ik wel weet, waar Mama naar toe is. — Zeker naar Monsieur Rostan: want daar hield zij toch meer van dan van iemand anders in de wereld: dat heb ik haar zelf hooren zeggen.quot;

„Ja, ja!quot; riep Van Zirik, met een gesmoorde stem: „zij is naar Monsieur Rostan, en komt nimmer terug.quot;

„Wonderlijk!quot; hernam de knaap, die mij, voor zijn jaren, als een groot philosoof toescheen: „wat zal Mama daaraan hebben? Monsieur Rostan heeft geen geld, zooals Papa, en kan haar geen mooie kleeren laten koopen, en in geen mooi rijtuig laten rijden. Of heeft Mama de koets ook meegenomen?quot;

„Mama zal er ook later spijt genoeg van hebben,quot; was alles wat Van Zirik uit kon brengen.

„Mij dunkt,quot; vervolgde Charles: „als Mama niet weerom komt, dan moest Papa maar trouwen met de Juffrouw: die zal wel weerom willen komen, en dan zouden Emilie en Jeanne en Edouard ook heel blij zijn; want die hielden allemaal veel van de Juffrouw: — en ik ook: en iedereen, behalve Mama; omdat die jaloersch van haar was, zei Caroline: — wat is dat eigenlijk. Papa, jaloersch?quot;

Gij gevoelt, dat ik niet zonder ontroering die woorden hoorde; doch daarover nader: — Ik begreep, dat mijn taak afgeloopen was, en een langer toeven onbescheiden zou geweest zijn. Na alzoo aan Van Zirik gevraagd te hebben, of ik hem nog van eenigen dienst kon zijn, en mij bereidwilligheid verklarende om hem mijn bijstand te bieden zoo ras hij zulks noodig vond, nam ik mijn afscheid en vertrok ....

Ik merk onder het schrijven dat het laat geworden is. Ik breek hier dus af zonder verdere commentariën, die gij zelf.

ocr page 170

160

zoo gij 't noodig oordeelt, wel maken zult. Intusschen zal ik dezen brief niet sluiten, eer ik het resultaat van mijn onderhoud met dien inspecteur heb medegedeeld.

Zaterdag-morgen.

Zooeven, precies te halfelf, liet zich de Heer Pedaal bij mij aanmelden: toen hij plaats genomen had, begon ik:

„De reden, Mijnheer, waarom ik een onderhoud met u verlangde, is om eenige inlichtingen te bekomen aangaande een meisje, waarvoor ik sedert haar geboorte zorg heb gedragen en waarin ik dus belang stel. Ik bedoel zekere Juffrouw Zevenster, laatst gouvernante bij de kinderen van den Heer Van Zirik.quot;

„Zij was mij als bonne opgegeven,quot; zeide de Heer Pedaal, zeker in zijn qualiteit vermeenende, eiken misslag, die een titulatuur betrof, te moeten herstellen. Hoezeer de gemaakte onderscheiding niet van eenige beduidenis scheen, meende ik die niet onopgemerkt te moeten laten voorbijgaan.

„Mijnheer!quot; zeide ik, „ik kan de terechtwijzing niet aannemen. Het is mogelijk, dat men Mejuffrouw Zevenster bij u als bonne heeft voorgesteld. — Misschien ook heeft men haar als zoodanig behandeld; — maar zij was bij den Hr. en Mw. Van Zirik aangenomen als gouvernante. De zaak is door mijn tusschenkomst beklonken.quot;

„Mijnheer de Graaf,quot; zeide de Hr. Pedaal, „zal zeker beter weten dan ik, hoe zich de zaak heeft toegedragen; maar ik mag in mijn betrekking alleen die qualificatie als echt aanmerken, die mij door den Heer en Mw. Van Zirik opgegeven is. Mijnheer de Graaf weet, dat, volgens de wet. waar 't huur van dienstboden betreft, de meester of meesteres geloofd moet worden.quot;

„Zoo? — nu, dit in 't midden gelaten; gij waart het, nietwaar, Mijnheer, die Mw. Van Zirik kennis kwaamt geven van vermoedens, bij u, ten opzichte van dat meisje gerezen?quot;

De Hr. Pedaal boog zich, en gaf mij, toen ik hem om eenige opheldering aangaande die vermoedens verzocht, dezelfde

ocr page 171

161

bijzonderheden op, die hij indertijd aan Van Zirik had verteld en die deze laatste u in zijn brief heeft medegedeeld.

„Maar,quot; vroeg ik, toen hij gedaan had. „waaruit maaktet gij op, dat die Madame Mont-Athos vroeger bij Mejuffrouw Zevenster bekend was geweest, dat deze althans wist, welk beroep daar aan huis gedreven werd ?quot;

Pedaal haalde de schouders op. „Ik moet,quot; zeide hij, „Mijnheer den Graaf doen opmerken, dat het niet die vrouw is, die naar dat meisje, maar dat meisje, dat naar die vrouw is toegegaan — en zulks uit eigen beweging.quot;

„Vergun mij,quot; hernam ik, „u op mijn beurt te doen opmerken, dat Juffrouw Zevenster in de laatste jaren op een verwijderde kostschool heeft gelegen, dat zij onmiddellijk van daar bij den predikant te Hardestein gekomen is en aldaar tot op haar vertrek naar Den Haag dagelijks onder onze oogen heeft verkeerd : dat ik haar zelf naar Utrecht en op de diligence gebracht heb, waarmede zij is hier gekomen: dat zij ten huize van den Heer Van Zirik schier nooit gelegenheid had om de deur uit te komen, .... hoe en waar kan zij dan die vrouw gekend hebben ?quot;

„Ik weet het niet,quot; antwoordde hij: „dit alleen heeft mijn ervaring mij geleerd, dat van de tien vrouwen of meisjes, die onbetamelijke betrekkingen hebben, er negen zijn, van wie de ouders of naaste verwanten niet begrijpen, hoe zij er aan gekomen zijn.quot;

„Dat meisje,quot; hervatte ik, „heeft eenige weken in mijn familie en met de lieden van ons dorp verkeerd: met sommigen op een voet van innige vertrouwelijkheid, en niemand, die haar niet achtte en liefhad om de voortreffelijke hoedanigheden, die zij aan den dag legde. Gij hebt het gisteren uit den mond van dien knaap kunnen hooren, hoe zij ten huize van Van Zirik bemind werd. Alles bij haar scheen even rein en schuldeloos, en onverklaarbaar ware 't, dat zij op eenmaal zoo diep gezonken zou zijn. Alleen toch een hooge mate van reeds ingekankerde verdorvenheid zou haar hebben kunnen bewegen, haar toevlucht bij zulk een schepsel te zoeken, wan-

ocr page 172

162

neer zij wist, dat zij op de bescherming kon rekenen van mijn vrienden en mij.quot;

„Ziedaar,quot; zeide de man, met een koelbloedigheid, die mij tintelig maakte, „ziedaar wat ik mij zei ven ook al heb afgevraagd, zonder er mij rekenschap van te kunnen geven. — Alleen,quot; vervolgde hij, op eens van tusschen de bijna gesloten oogleden een onderzoekenden, ik zou bijna zeggen doorborenden, blik op mij vestigende; „Mijnheer de Graaf en die andere vrienden waren verre af en dat schepsel was in de buurt, 't Is daarbij mogelijk, dat zij niets geweten heeft van de ge-heele zaak, en Mw. Van Zirik was althans niet de persoon om haar te waarschuwen. — En wie weet ? — dat zij uit dat huis in de .... straat ontsnapt is, zoodra zij er kans toe gezien heeft, bewijst althans, dat het leven er haar op den duur niet beviel.quot;

„En hoe kon dat ook?quot; riep ik half tot mij zeiven.

„Ik ga verder,quot; hervatte hij: „'t is best mogelijk, dat zij in dat huis alleen als „goede kennisquot; gelogeerd heeft en zonder iets met de affaire te maken te hebben. Zulke dingen vallen dagelijks voor: en daar is niets vreemds aan: bovendien heeft zij, naar mij Mad. Mont-Athos verteld heeft, schier al den tijd, dat zij daar aan huis heeft doorgebracht, ziek te bed gelegen. — 't Kwam mij voor, aan de bitterheid, waarmee zich dat wijf beklaagde, dat zij weinig profijt heeft gehad van het verblijf van Juffrouw Zevenster.quot;

„Gij zoudt dus denkenquot;, vroeg ik, met blijdschap den straal van hoop opvangende, dien hij voor mij schijnen liet.

„Ik heb alleen gissingen,quot; zeide hij; „doch ik ben bereid, een nader onderzoek in te stellen, en het resultaat daarvan aan Mijnheer den Graaf mondeling of schriftelijk mede te deelen.quot;

„Dat zal natuurlijk met moeite en kosten gepaard gaan,quot; zeide ik: „en 't spreekt van zelf, dat ik u die gaarne vergoeden zal.quot;

„Mijn voornaamste belooning zal zijn. Mijnheer den Graaf van dienst te zijn geweest,quot; zeide hij, terwijl hij opstond,

ocr page 173

163

en een buiging maakte: „is er nog iets van Mynheers bevelen ?quot;

„Een oogenblik!quot; riep ik; „het zou mij natuurlijk recht welgevallig zijn, van de onschuld van dat meisje overtuigd te worden; doch wat ik verlang is waarheid, de geheele waarheid, geen verbloemen noch in een verschoonend daglicht stellen van 't geen verkeerd of onbetamelijk is; — feiten, door bewijzen gestaafd.quot;

„Ik heb Mijnheer den Graaf volkomen begrepen,quot; zeide hij, en nam zijn afscheid.

Ik weet niet, waarom die man mij tegenstond: of liever ik weet het wel: — hij heeft iets in zijn wijze van u aan te zien, iets in zijn geheele voorkomen, dat mij wantrouwen inboezemt: een wantrouwen, dat, door zijn houding in die zaak, bevestiging schijnt te erlangen. Immers, de berichten, welke hij indertijd aan Van Zirik gaf en mij nu herhaalde, behelsden niets dan hetgeen ten nadeele van Nicolette pleitte, en met de bijzonderheden, die tot gunstiger beschouwing aanleiding zouden kunnen geven, als b. v. de historie van die ziekte, kwam hij eerst nu voor den dag, nadat hij scheen te begrijpen, hoe gaarne ik het meisje onschuldig vinden zou. Dit deed bij mij het vermoeden oprijzen, of hij zijn voordracht van de zaak niet regelt naar den persoon, tot wien hij spreekt, 't Is mij uit al de omstandigheden duidelijk, dat Mw. Van Zirik het arme meisje haatte, en — de Hemel vergeve mij, indien ik haar onrechtvaardig verdenk — wetende, naar welk huis Nico-lette vertrok, den gruwel heeft laten geschieden, zonder eenige poging te doen om dien te beletten.... ja, dat er wellicht tusschen haar en dien Pedaal eenige compliciteit bestond. Is dit zoo, dan spreekt het van zelf, dat deze laatste Nicolette in de oogen van Van Zirik zoo zwart mogelijk moest maken. — Maar nu is Mw. Van Zirik weg; Pedaal kan niet meer van haar trekken en heeft er geen belang bij om haar langer te ontzien; terwijl hij integendeel hoop kan voeden om mij en anderen genoegen te doen en rijkelijk beloond te worden, indien hij ons de bewijzen levert, dat het meisje onschuldig is of

ocr page 174

164

althans enkel door misleiding in dat hol des verderfs geraakt is. — Heeft hij vroeger alles ten zwartste geschilderd, wellicht vindt hij zich nu genoopt, elke bijzonderheid in 't gunstigste daglicht te stellen, ja desnoods feiten te verdichten om 't meisje zoo blank te wasschen als sneeuw. — Daartoe moest dan ook de waarschuwing dienen, die ik hem bij 't scheiden op het hart drukte.

Met dat al, ik kan zoomin als gij de stem tot zwijgen brengen, die mij toeroept; „Nicolette is onschuldig,quot; en die zich nog luider bij mij verheft, sedert ik heb gehoord wat dat zoontje van Van Zirik — in zijn kinderlijke onnoozelheid, had ik haast gezeid; ware het niet, dat die knaap boven zijn leeftijd bij de hand schijnt te zijn — betreffende haar vertelde. I smell a rat, als Hamlet zegt: — er hebben dingen plaats gehad, die 't licht niet velen kunnen.... alleen maar — waarom schrijft zij niet?

Ik zal nu het nadere verslag van dien Pedaal afwachten, en het u medebrengen, in geval het mij nog gewordt vóór mijn vertrek van hier, wat ik haast niet denken kan. Als wij 't hebben, zullen wij 't aan Hoogenberg sturen: die zal, beter dan wij, kunnen beoordeelen, welke waarde er aan te hechten is, en of het nog aanleiding geven kan tot verdere nasporingen.

En nu sluit ik dezen brief. Waarlijk een heel pakket — te dik voor de post; — ik zal er dan ook een blad lood aan hechten en het u met de diligence toezenden. — „'t Kan er maar half door,quot; zult gij zeggen, „dat een lid van de l3te Kamer alzoo de post fraudeert.quot; — Ik beken, dat het niet in den haak is; — maar laat men dan het postwezen beter organiseeren').

Vale et ama

t. t.

Eylae.

') Men ziet, dat deze brief ruim 20 jaren geleden geaelirevea werd. Nu immers laat die organisatie niets te wensehen over.

ocr page 175

165

VERSLAG

acht dagen later, aan den Graaf Van Eylar toegezonden door Pedaal.

Bij onderzoek zijn mij de navolgende feiten gebleken voor welker echtheid ik insta.

Mejuffrouw Zevenster heeft Mad. Mont-Athos — eigenlijk Vrouw Swalm geheeten — leeren kennen, bij gelegenheid, dat zij met haar op de diligence van Utrecht naar 's Graven-hage reisde.

Zoolang Mej. Z. ten huize van den Hr. Van Zirik gewoond heeft, schijnt zij nooit uitgegaan te zijn, dan met de kinderen.

Zekere, in Den Haag welbekende oude Heer, die ik klesch-heidshalve niet noemen mag, heeft haar meermalen in het Bosch en elders nagevolgd en overlast aangedaan. — Bij gelegenheid van een twist, daarop ontstaan tusschen dezen en den Franschen gouverneur — met wien Mw. Van Zirik vertrokken is — heeft zij de protectie ingeroepen van Mad. M.-A., die toevallig voorbijging. Zij is toen bij die vrouw aan huis geweest en heeft er haar kleed laten verstellen, dat in de confusie gescheurd was geraakt.

Mej. Z. heeft den volgenden dag, nadat Mw. V. Z. haar den dienst had opgezeid, verkozen, zich naar Mad. M.-A. te laten brengen.

Zij heeft daar een afgezonderde kamer bewoond, en aldaar weken achtereen niemand bij zich gehad, dan Dr. Gwille, die haar in haar ongesteldheid heeft bezocht.

Alleen den avond voor haar vertrek is de meergemelde oude Heer bij haar geweest, alsook nog een andere Heer, dien ik mede kieschheidshalve niet noeme, en heeft dit aanleiding gegeven tot een zwaren twist, waarbij de een den ander erbarmelijk mishandeld heeft.

Nog dienzelfden nacht heeft Mej. Z. het huis heimelijk verlaten, in haar vlucht geassisteerd door zekere Geertruida

ocr page 176

166

Lammertsz, schoonmaakster van beroep, die haar pleegzuster schijnt geweest te zijn. Deze heeft bij den stalhouder Sprat een rijtuig voor haar besteld, dat haar naar Leiden in de Plaats-Royaal heeft gebracht.

De waarheid van gemelde feiten kan getuigd worden;

1°. door den voerman, die 't rijtuig gemend heeft;

2°. door gezegde Geertrui Lammertsz, die echter om geheimhouding verzocht heeft, uit vrees van de klandize aan 't huis van Mad. M.-A. kwijt te raken;

3°. door Elizabeth Strengfelt, dienstbode bij Mad. M.-A.;

4°. door Dr. G-wille, bovengenoemd;

5°. door de dienstboden ten huize van den Hr. Van Zirik;

6°. door den Politiedienaar, die den twist tusschen den meergemelden ouden Heer en den Fr. gouverneur gezien heeft.

Natuurlijk, door elk, voor zooveel betreft wat door hem gezien of verricht is.

Aldus opgemaakt ten dienste van den Hooggeboren Heer Grave Van Eylar, door

Zijn H.gebs. ootmoedigen dienaar Pedaal,

Inspecteur.

kantteekening,

later door Hoogenberg bij dit verslag gevoegd:

't Kan zijn, dat dit alles waarheid, niets dan waarheid is: — maar de geheele waarheid is het niet: en die zullen wij den man, bij gelegenheid, eens laten opbiechten.

ocr page 177

167

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HOE NICOLETTE HET IN HAAH NIEUWE BETREKKING MAAKTE.

Het winkelmagazijn van Madame Puri, geboren Vlasveld, was gelegen op een van de meest bezochte gedeelten van de Keizersgracht, en had van buiten niets, dat het onderscheidde van de huizen daarnevens; maar men wist, dat, zoo men in andere winkels die zich voordeden door uiterlijke pracht, en die de oude zinspreuk: „goed voorgedaan is half verkochtquot; op nieuwerwetsche wijze toepasten, dikwijls ondervinden moest, hoe, behalve het uitgestalde, er niet veel keuze te vinden was, en zelfs al wat mooi voor 't oog was, daarom nog geen innerlijke waarde bezat, men bij Mad. Puri hetgeen men zoeken kwam ook altijd vinden kon. Een gewone slijter moge zijn wijn, of hetgeen hij daarvoor verkoopt, op zijn buffet voor elk ten toon hebben staan, een welvoorziene handelaar houdt zijn wijnen achter sloten en grendels, en brengt ze niet voor den dag, dan wanneer zij gevraagd worden. Evenzoo waren de kanten garneersels, de sjaals en mantilles, kapsels en verdere voorwerpen van smaak, die Mad. Puri jaarlijks uit Parijs of Brussel medebracht of naar 't medegebrachte model in orde brengen liet, niet uitgestald maar in doozen of laden voor ieders oog verborgen. Goedkoop was zij niet: wat ook volstrekt niet noodig was; want, indien zij al haar waren lager in prijs had gesteld, zij zou er niet meer om verkocht, en er alleen de reputatie van haar winkel door gedeclineerd hebben. Bovendien wordt niet ge he el ten onrechte beweerd, dat goedkoop doorgaans duurkoop is; ik zeg: niet geheel ten onrechte; want als axioma zouden wij de spreuk niet gaarne zien aannemen, vooral niet, waar 't artikels van mode betreft, bij welke duurzaamheid juist onder die ver-eischten is, die het minst in aanmerking behoeven te komen. Immers, wat heeft een vrouw, die gaarne naar den laatsten smaak gekleed is, er aan, of haar hoed, haar japon, al onver-

ocr page 178

168

slijtelijk zijn? Zij heeft immers toch geen plan om ze meer dan drie- of viermalen te dragen! — Neen, dat was goed in vroeger tijd, toen de bruidskleedij, als nog op Marken, van moeder op dochter overging en vaak een half dozijn geslachten tooide; — maar nu! als de stoffage een halven winter gediend heeft, kan zij op zijn best nog voor voering gebruikt worden.

Doch dit zijn afwijkingen: om tot het magazijn van Mad. Puri terug te keeren, zoo dient de lezer te weten, dat Mevrouw niet alleen daarin als heerscheres troonde, maar ook bovendien in 't geheele huis, dat haar eigendom was, en waar Mijnheer Puri niet veel meer — of liever minder — in te brengen had dan eenig ander commensaal. Immers — een feit, niet aan iedereen bekend — er was een Mijnheer Puri; oorspronkelijk een kapper van zijn ambacht, doch die affaire sedert lang verlaten hebbende: wat hij thans was, zou eigenlijk moeilijk te zeggen zijn geweest: hij deed commissies voor zijn vrouw, waagde nu en dan een advies over de affaire van Mevrouw, die er hem echter nooit om vroeg en er zich nog veel minder ooit aan stoorde: ging 's morgens, als 't goed weer was, flaneeren: vervolgens een eerzaam domino spelen in zijn koffiehuis, en 's avonds den Franschen schouwburg bezoeken, wanneer er namelijk een Fransche schouwburg was. Dat hij natuurlijk in relatie stond met alle reizende artisten, tooneel-directeurs e tutti quanti, en bij hun verblijf te Amsterdam, te hunnen opzichte, juist zooals thuis, de rol van la mouche du coche vervulde, behoeft niet gezegd te worden. Ook met den ondernemer van de Italiaansche opera was hij bevriend, en hij was de man, die het vrijlootje voor de opvoering van l'Elisire aan Hermans bezorgd had.

Uit de verhouding, die ik zooeven zeide, dat tusschen hern en zijn vrouw bestond, make niemand op, dat zij een helleveeg was of zelfs wat men een virago noemt; dat zij in huis regeerde, was niet meer dan een gevolg van den natuurlijken loop der dingen. Door haar ouders opgeleid in de zaak, die zij met haar geld dreef, en eigenares van de woning, had zij indertijd nuttig en gepast geoordeeld, dat er een man in

ocr page 179

169

huis was, om haar den arm te geven als zy naar de kerk ging, om aan tafel te presideeren en voor te snijden, om, wanneer zij naar Parijs was gegaan, gedurende hare afwezigheid een wakend oog op de dienstboden en meubelen te houden, om voor bullebak te spelen, enz., enz. — en zoo had zij 't oog op Puri laten vallen, dien zij sedert jaren kende, en dien zij oordeelde in alle opzichten te voldoen aan 't geen zij — en 't was niet veel — van een echtgenoot vorderde. Zij had hem genomen om hem een ondergeschikte rol te doen spelen: hij van zijn kant scheen er geen andere te begeeren: alles ging tusschen hen voortreffelijk zijn gang, en ieder bleef op zijn plaats. — Mijnheer kreeg zooveel zakgeld als hij noodig had, deed als eerste minister zijn plicht, en liet voor de rest Mevrouw meesteres in huis en winkel; Mevrouw bestierde de zaak met overleg, bekwaamheid en orde, en geen van beiden had dus reden van ontevredenheid over de aangegane verbintenis.

Behalve de zooeven vermelde hoedanigheden, had Mevrouw er nog andere, niet minder loffelijke: zij was goedhartig en vriendelijk van aard, en, vorderde zij wel eens wat veel van haar vrouwelijk winkelpersoneel, dit had zijn goede zijde, want het spoorde menigeen, die van nature traag was, tot naarstigheid aan. Bovendien predikte zij zelve door het voorbeeld dat zij gaf, en 't was verschoonbaar in haar, die steeds bedrijvig was, dat zij bij anderen geen lui- of ledigheid kon gedoogen. Bij haar op den winkel geweest te zijn, onder haar opzicht en leiding gestaan te hebben, was dan ook een wichtige aanbeveling voor wie dat voorrecht had gehad, en geen wonder, dat al wie een dochter of pupil in 't modevak wilde opgeleid hebben, dan oók niet weinig in zijn schik was, als die bij Mad. Puri kon geplaatst worden.

Met reden zal daarom de lezer ook vragen, hoe Nicolette zoo gemakkelijk — zoo klakkeloos mag men zeggen — aan een betrekking gekomen was, waarvoor zich stellig sollicitanten genoeg hadden opgedaan, en die haar ongetwijfeld niet weinig werd benijd. Het antwoord is echter doodeenvoudig, 't Ging bij Mad.

ocr page 180

170

Puri als bij al wie bedieningen of betrekkingen te begeven heeft. Sollicitanten zijn er altijd genoeg; doch personen, die voor de taak geschikt zijn, dient men met de lantaarn van Diogenes te zoeken, en Mad. Puri wenschte zich zelve geluk, dat, toen haar eerste faiseuse, gelijk wij gezien hebben, haar zoo op stel en sprong haar vertrek had aangekondigd, zij zelfs niet had behoeven te zoeken, maar reeds dadelijk het oog had kunnen vestigen op iemand, die haar voorkwam alle vereischten te bezitten, die zij maar verlangen kon; handigheid in 't werk, keurige netheid, een vluggen aard, beschaafde manieren, bekendheid met de Fransche en Engelsche talen, en, bij dat alles, een zacht en innemend karakter. — Dat er op Nicolettes zedelijk gedrag niets viel aan te merken, daarvoor leverde, naar het oordeel van Mad. Puri, de omstandigheid, dat zij bij Juffw. Hermans logeerde, betere waarborgen op dan alle getuigschriften hadden kunnen doen. Zij (Mad. Puri) toch had de weduwe sedert twintig jaren gekend en leeren hoogschatten, en zij hield zich overtuigd, dat die geen huisvesting zou verleenen aan iemand, die haar bescherming niet in allen deele waardig was. — Er was maar één bezwaar — het meisje zag er wel wat heel lief, uit; — doch vooreerst werd de winkel bijna uitsluitend door dames bezocht- — en ten anderen wist Mad. Puri bij ondervinding, dat men tegen het gevaar, 't welk men vreest te loopen door 't nemen eener winkeldochter, die er goed uitziet, volstrekt niet gewaarborgd is, wanneer men een leelijke neemt. Alles hangt in dezen af van het meisje zelf: heeft het vaste, strenge beginselen, en weet het de verliefde lonken en zoete woordjes van jonge en oude aanbidders met koele onverschilligheid te bejegenen, dan zal het, al ziet het er nog zoo lief uit, ook niet struikelen op den weg: — loopt het daarentegen zelf de gelegenheid te gemoet, is het los- en lichtzinnig van aard, en wordt het door geen plichtbesef teruggehouden, dan kan men ook tien tegen één wedden, dat het valt — zij het ook zoo leelijk als de nacht, 't Zijn niet alleen de fraaie en bonte kapellen, maar ook de motjes en muggen, die in de kaars vliegen.

ocr page 181

171

Geen wonder dus, dat deze reis Mad. Puri niet had gewacht tot de sollicitatie van de zijde van Nicolette was gekomen, maar zelve haar de openvallende betrekking had aangeboden. Dat de voorslag aan Nicolette zeer gelegen kwam, hebben wij gezien. Doch er was ook bij haar een bezwaar, gewichtiger dan 't bezwaar, dat Mad. Puri had weggecijferd. — Mocht zij de betrekking aannemen, zonder bij de goede vrouw te gewagen van het verblijf, dat zij bij Mad. Mont-Athos gehouden had? Niet alleen scheen de mededeeling daarvan door de eerlijkheid voorgeschreven, maar ook door de voorzichtigheid; immers alles komt uit, en het leed wel geen twijfel of de zaak zou aan Mad. Puri bekend worden en alsdan aan deze van de ongunstigste zijde worden voorgesteld: en welk ander vooruitzicht zou er in dat geval voor Nicolette bestaan, dan met smaad te worden weggejaagd? — Zij had dan ook openhartig al het met haar gebeurde, evenals vroeger aan Juffw. Hermans, thans aan Mad. Puri medegedeeld, en zij had geen reden er zich over te beklagen. Het goede mensch was eerst wel geheel ternedergeslagen over 't geen zij vernam en had een oogenblik berouw van den voorslag, dien zij gedaan had: doch zij was een te verstandige vrouw om niet te beseffen, dat Nicolette, ware zij schuldig geweest, zich wel gewacht zou hebben, ongevergd een periode uit haar levensloop te vertellen, die zij zelve liefst der vergetelheid prijs moest willen geven. Intusschen oordeelde zij het in de gegeven omstandigheden wijzer, dat Nicolette zich zoomin mogelijk vertoonen zou en zich, althans in den beginne, uitsluitend bezig houden met haren arbeid, dien zij in een afzonderlijk en afgelegen vertrek verrichten kon.

Deze laatste woorden geven ons aanleiding iets aangaande de inrichting der woning te zeggen. De gevel was niet lang te voren vernieuwd, de hoogopgaande stoep was weggebroken, en men daalde, om binnen het huis te komen, een paar trappen af. In de benedengang gekomen, had men, rechts een spreekkamer, daarachter een soort van bergplaats voor doozen en anderen voorraad, voorts het achterhuis, de keuken en

ocr page 182

172

kelder. Een trap in het voorhuis geleidde naar den winkel, die de geheele breedte van 't huis besloeg: daaraan verbonden waren twee kamertjes, die op de binnenplaats uitzagen en waarvan het eene tot kantoor diende, en het andere tot een soort van boudoir, waar gelegenheid tot passen, enz. verschaft werd; het achterhuis bevatte op deze verdieping de gewone huiskamer van de familie en de slaapkamer der echtelingen Puri. Van de volgende verdieping was het voorste gedeelte, uit een rijk gemeubileerde voor- en achterkamer bestaande, was altijd verhuurd geweest aan een heer alleen, en had thans met 1°. November weder een nieuwen bewoner gekregen in zekeren Heer Van Blinkerswaard, voor wien onze kennis Jan Bleek het indertijd gehuurd had. Op het achterste gedeelte dierzelfde verdieping bevond zich de kinderkamer: want wij hebben verzuimd te zeggen, dat het huwelijk van Mad. Puri met onderscheiden kinderen gezegend was geweest: de oudsten waren op een kostschool en alleen de drie jongsten nog thuis: tusschen die kinderkamer, welke op den tuin uitzag, en de trap, was nog een klein stil vertrekje, dat aan Nicolette tot slaap- en werkkamer dienen moest. Eindelijk nog een verdieping hooger, had men de werkplaats waar een vijftal meisjes bijeenzat, en eenige slaapplaatsen.

Het kamertje van Nicolette, geen uitzicht hebbende dan op de binnenplaats, muntte niet uit door bijzondere vroolijkheid en was niet geschikt om veel afleiding te bezorgen; doch die begeerde zij ook niet, en in haar tegenwoordige gemoedsgesteldheid was haar. nu zij het dagelijks gezelschap van de Wed. Hermans derven moest, niets welkomer dan eenzaamheid en rust bij gestadigen arbeid. Zij had zich eenmaal aan het denkbeeld pogen te wennen, als een verstootene buiten de maatschappij te leven en zij trachtte zich diets te maken, dat al hetgeen haar vroeger wedervaren was — zoowel de genoegens op Hardestein gesmaakt, als het leed te 's Gravenhage uitgestaan — niets anders waren dan een voorbijgegane droom. Haar plicht in haar tegenwoordige betrekking te doen, was al wat haar voortaan ter harte gaan moest, en al het overige

ocr page 183

173

haar onverschillig zijn. Aan wie haar vroeger welwillend genegenheid betoond had, aan Bol, aan Bettemie, aan Maurits vooral, moest zij niet meer denken dan aan personen uit een roman; — dat dit haar echter niet altijd gelukte, daarvan getuigde menige droeve traan, in stilte op haar werk vergoten.

Met geheel den dag bracht zij echter eenzaam, noch op haar kamer door; 's middags toch at zij aan den gemeen-schappelijken disch, en nu en dan werd zij ook des avonds bij Mad. Puri op een kopje thee genoodigd; bij welke gelegenheid zij zelden ontslagen werd van de verplichting om muziek te maken: ik zeg van de verplichting; want wat vroeger voor haar een groot genot was, was nu bijna een c o r v é e voor haar geworden. En wat het alléén zijn betrof, ondanks het bevel van Mama, dat men de Juffrouw niet storen mocht, stak nu en dan eene der kleine bewoonsters van het naaste vertrek het krulkopje om de deur heen, om haar een vriendelijk knikje te geven en dan kon Nicolette het niet van zich verkrijgen, het bezoekstertje ongetroost weg te zenden; maar riep het tot zich en stak een draad door 't oog van een naald en gaf dien met een lapje aan het kind, dat dan doorgaans, rustig en zoet, onder het voortbrengen van allerlei grillige arabesken, naar de vertellingen luisterde, die Nicolette haar deed.

Dat Mcotette ook nu en dan bezoeken van Juffw. Hermans ontving, behoeven wij wel niet te vermelden; de eerste reis, •dat zulks plaats had, was de weduwe in een alles behalve vroolijke stemming geweest. Immers Albert had gevolg gegeven aan zijn besluit, en aan Bleek met een beleefd briefje kennis gegeven, dat hij, na het tusschen hen gevoerde gesprek, het beter achtte, alle betrekking af te breken. En nu mocht Juffw. Hermans aan die daad van haar zoon haar goedkeuring schenken, toch werd er haar toekomst, uit een stoffelijk oogpunt, niet helderder door, en Nicolette wenschte zich nu dubbel geluk, dat zij niet, door langer bij de weduwe te blijven, de kosten van het huishouden vermeerderd had. Gelukkig had Albert de uren, die hij nu vrij gekregen had, al spoedig door eenige

ocr page 184

lessen kunnen bezetten, en bestond er alle hoop, dat dit zoo door zou gaan: zoodat zijn moeder, bij een volgend bezoek aan Nicolette, een opgeruimd gelaat kon toonen. Tegenbezoeken legde echter Nicolette bij haar niet af: vooreerst, om aan de kwade tongen geen stof tot verder gesnap te geven; ten andere, omdat zij er een geheimen schrik tegen gekregen had, zich alleen over straat te begeven: het bloote denkbeeld van langs Heeren- en Keizersgrachten te gaan en misschien Hoogenberg, Bettemie of eenige andere kennis te ontmoeten, was genoeg om haar hartkloppingen te bezorgen, en vergeefsch was het dat Mad. Puri haar nu en dan zocht aan te moedigen om eens wat beweging te nemen.

Met de meisjes, die boven werkten, had zij bijna geen omgang, tenzij zeer enkel, als deze of gene haar een boodschap van Madame brengen, of wel haar, om een streng zij, een pak naalden of iets anders vragen kwam.

Wat den commensaal, den Heer Van Blinkerswaard betrof, hoezeer die op dezelfde verdieping huisde, had zij, in de eerste veertien dagen na haar komst, zijn gelaat nog niet te zien gekregen. De man stond laat op, kwam 's morgens zijn deur niet uit, ging 's avonds te halfacht öf naar de Sociëteit, of naar den schouwburg — doch dan in een jas met hoogop-staanden kraag gewikkeld, (zoodat Nicolette de enkele reizen, dat zij hem in de donkere gang of op de trap had ontmoet, niet veel meer van hem had kunnen onderscheiden dan zijn gedaante, en hem ook doorgaans ontweken was) — en kwam zelden thuis, voordat zij naar bed was. Van hem had zij dus geen last.

Wij hebben nu de decoraties gesteld, en dienen weder eens de acteurs te laten spreken en handelen.

Het nagerecht was afgeloopen: Monsieur Puri had zijn sigaar opgestoken en zat half duttend in een Journal des Débats te lezen, dat juist geen versche tijdingen behelsde, want de man kreeg doorgaans het Fransche blad, uit zijn koffiehuis, bij een dozijn nummers te gelijk, van den kastelein te lezen. Dit had het voordeel, dat hij de politieke zaken meer in haar

ocr page 185

175

verband kon lezen: Monsieur Puri was een groot politicus en wist altijd den loop der gebeurtenissen te voorspellen; in-tusschen was het hem wel eens wedervaren, dat hij den bal had misgeslagen en dat de profetie, die hij op Zaterdag gedaan had, naar aanleiding van artikelen, die in het blad van Maandag te voren stonden, reeds was gelogenstraft in het nummer van Woensdag, 't welk hem nog niet onder de oogen was gekomen.

Monsieur Puri dan zat te lezen: Mad. Puri bladerde in een modejournaal: Mademoiselle Susanne, de eerste winkeljuffrouw, een lange, bleeke, veertigjarige blondine, met fletse blauwe oogen, een kiespijndoek en een interessant gelaat, was in haar stoel in slaap gevallen: Mcolette maakte voor de kinderen kleine schuitjes van notedoppen, welke schuitjes zij, na die, tot groote verwondering van de zijde der kleine toekijksters, met masten en een wimpeltje van zijde te hebben voorzien, in een bierglas vol water liet drijven: — op eens kwam de meid binnenstuiven, met een gezicht, rood als bloed.

„Juffrouw!quot; riep zij, met een stem, zoo schel en snijdend, dat Mile Susanne wakker schrikte. Monsieur zijn binocle uit de hand liet vallen, het jonge meisje begon te huilen en Nicolette haar glas omwierp met schuitjes en al: „Juffrouw, 't is warentig niet langer uit te houen: en, weet u ? als daar geen verandering in komt, dan zeg ik mijn dienst op, weetu?quot;

„Wat is er nu weer, Letje?quot; vroeg Mad. Puri, die alleen bedaard was gebleven onder de algemeene confusie.

„Die ouwe Heer boven. Juffrouw!quot; antwoordde Letje.

„Nu! wat is er met dien ouden Heer boven gebeurd ?quot; vroeg Mad. Puri.

„Ja, weet u? zoo'n Nero heb ik nooit nieuwers gezien, weet u? Is dat een kerel? 't Is een onmensch.quot;

„Wat heeft hij uitgevoerd?quot;

„Wat ie gedaan heit? Wel wattie alle dagen doet, weet u? — hij heit, weet u? weer gevloekt as 'n bezetene — dat 'n mensch de haren te bergen rijzen, weet u?quot;

„Ja!quot; merkte Monsieur Puri met een wijs gezicht aan: „al die mens uit Oostinj' eb eel krove manier: — dat isse bekende.quot;

ocr page 186

176

„En dan heit ie me gezeit, weet u? dat ik 'n domme gans was, weet u?quot;

„Hm!quot; mompelde Monsieur Puri: „il n'a pas tort t ou t- a - fait.quot;

„Allons, taisez-vous, Monsieur Puri,quot; voegde hem zijn wederhelft toe, en voorts, zich weer tot Letje wendende, vroeg 'ij: „en waar kwam dat bij te pas, dat hij je een gans noemde?quot;

.„Wel! — ie heit altijd wat te kediezen, weet u? en men kan het hem nooit naar zijn zinnigheid maken. Eerst heit ie den jongen van den kok uitgescholden, weet u? omdat de soep, weet u? niet heet genoeg was naar zijn zin.quot;

„Die mens uit Oostinj' altijd eele veel' ou van eele eete spijze,quot; merkte Monsieur met een zeer diepzinnig gezicht aan.

„Mais taisez-vous done. Monsieur Puri, si cela vous est possible,quot; hernam Mevrouw, en vervolgens, tot Letje: „nu, en verder! want wat die soep betreft, dat is een zaak tusschen Mijnheer en den kok, en dat gaat ons niet aan ; — maar zeg mij eerst, wat deedt je boven, dat je er bij waart, bij die quaestie van de soep?quot;

„Ja, Juffrouw, weet u? — Mijnheer had juist voor mij gescheld, weet u ? om mosterd, weet u ? en .. ..quot;

„Zoo! dus hadt je vergeten, den mosterd klaar te zetten,quot; merkte Mad. Puri aan: „en dan begrijp ik heel goed, dat Mijnheer uit zijn humeur was. — Wat doe je ook de dingen te vergeten: je weet nu eenmaal dat Mijnheer er op gesteld is, mosterd bij den maaltijd te hebben.quot;

„Ja, weet u? dat zou ook minder geweest zijn, weet u ? maar toen was het weer over zijn ledikant, dat niet naar zijn zin was opgemaakt, en over het water, dat hij zei dat niet te drinken was, weet u? . .. .quot;

„Dan heb je hem ook zeker geen versche kruik gegeven, zooals ik je gelast had, dagelijks te doen.quot;

„Och jawel. Juffrouw — maar hij zegt, dat men hier geen water krijgen kan, weet u? dat drinkbaar is, net alsof hij niet drinken kan, wat wij drinken, weet u? — en toen had

ocr page 187

177

ie 't weer over stoelen, die niet naar zijn zin stonden, en toen weer over een beetje stof, dat op de vensterbank lag, en toen weer, dat ik de lamp zoo laat had binnengebracht — en toen weer over wat anders, weet u? Een mensch moest wel tien handen aan zijn lijf hebben, weet u? om 't hem naar den zin te maken.quot;

Wederom kon Monsieur Puri zich niet onthouden een bewijs te geven zijner diepe kennis van de Indische maatschappij: „die mense uit de Oostinj',quot; zeide hij: „benne alle kewend aan kemakkelijke bedieninke.quot;

„Mais n'in terrompez done pas toujours. Monsieur Puri,quot; zeide zijn vrouw: ik wil gelooven,quot; vervolgde zij, tegen Letje, „dat Mijnheer wat knorrig was, maar 't komt mij voor dat je er dan ook reden toe gegeven hebt.quot;

„Nou ja, van dien mosterd, weet u? dat wil ik niet zeggen, of dat had ik vergeten, weet u? Maar wat zijn bed opmaken betreft, dat doe ik zooals ik het altijd voor iedereen doe, weet u? en ik kan het toch niet helpen, weet u? dat ie geen Uitersch water lust, en ik kan niet ruiken, hoe laat ie zijn lamp wil hebben, en daarom hoeft ie nog niet zoo veul onhebbelijke woorden te gebruiken, weet u? en mij te verafiron-teeren as ie gedaan heeft.quot;

„Nu! bedaar maar wat, Letje!quot; zei Mad. Puri, „en zorg maar, dat je hem niet meer uit zijn humeur brengt, dan zal het nog zoo'n vaart niet loopen.quot;

„Ik mag het lijen. Juffrouw,quot; hervatte Letje: „want anders, weet u? dan hou ik 't hier niet langer uit: van Mijnheer en Mevrouw heb ik nooit een onvertogen woord gehad, weet u? en ik verkies niet door zoo'n ouwen sagrijnigen vent veraffronteerd te worden, weet u? dat ben ik niet gewend, weet u?quot;

„Wij ken voor jou plezier toch de kamer niet ver'uur an jonke sprink-in-'t-velde, mompelde Monsieur.

„Mais ne débitez done pas de pareilles absur-dités, Monsieur Puri. — Neem nu maar meteen de tafel af, Letje, ik zal zelve wel eens hooren, wat er van

IV. - k. z. 12

ocr page 188

178

is.quot; — En, nog in haar zelve mompelende over het affront, haar aangedaan, voldeed de dienstmaagd aan het gegeven bevel, en verliet daarop het vertrek.

„Ik wil graag gelooven,quot; zei, toen zij weg was. Mademoiselle Susanne: „dat die oude Heer geen gemakkelijke patroon is: hij ziet er ten minste alles behalve vriendelijk uit; vindt je ook niet. Juffrouw Zevenster?quot;

„Ik heb nog het genoegen niet gehad, hem te ontmoeten,quot; antwoordde Nicolette.

„jStu, ik twijfel, of de ontmoeting u genoegen zou doen,quot; hervatte Mile Susanne, „'t is net een levend cadaver, en daarbij kijkt hij de menschen aan alsof hij ze verslinden wou.quot;

„Ei wat!quot; zeide Mad. Puri: „woud je dan, dat iemand van zijn leeftijd er uitzag als een Adonis: de man is oud en heeft misschien veel verdriet gehad, dat hem zoo knorrig gemaakt heeft; men moet met hem wat door de vingers zien. Ik heb het liever zoo, als dat hij te vroolijk was, en misschien gekheid ging maken met de jonge meisjes daar boven.quot;

„Ja, die ouwe snoeper zijn de kevaarlijkste,quot; voegde Monsieur Puri, die zijn lectuur hervat had, er bij, terwijl hij even van zijn blad opzag.

„Mais lisez votre journal. Monsieur Puri; on ne vous de mande pas votre opinion,quot; hervatte de vrouw des huizes.

„Ik lees alles behalve koede tijdink,quot; zeide hij, brouillerie tusse Enkeland en Frankrijke: ik wil wed, dat t' avond of mork daar nok oorlokke fan koom tusse de twee mokenteete.quot;

„En ik wil wedden, dat je je weddenschap verliest,quot; zei Mad. Puri: „doch komaan — 't wordt tijd, dat ik naar voren ga en dat pak eens nazie, dat hedenmorgen gekomen is: — ik hoop, dat men mij nu eindelijk die marabouts noués gezonden heeft, daar ik al driemalen om geschreven heb.quot;

En nu ging ieder zijn weg: Mevrouw om zich van den inhoud van het pak te vergewissen. Mijnheer om zijn partijtje

ocr page 189

179

domino te gaan spelen met een Franschen vaudevilleacteur, die kort te voren te Amsterdam was gekomen, Mile Susanne om in het magazijn 't een en ander te verordenen: de kinderen naar bed, en Nicolette naar haar opkamertje.

Den volgenden middag leverde opnieuw, toen men aan tafel zat, de oude commensaal stof tot gesprek. Madame Puri was 's morgens bij hem geweest, onder voorwendsel van haar verontschuldiging in te brengen, indien de meid het hem altemet niet naar den zin maakte, en te verzoeken, dat hij 't geen hij verlangde, steeds aan haar. Mad. Puri, te kennen zou geven, wanneer zij wel zorgen zou, dat alle stof tot klacht werd weggenomen; — doch tevens met het doel, om hem op bedekte wijze te doen gevoelen, dat men hier te lande van eene dienstbode alleen niet hetzelfde werk, als in de Oost van een dozijn, en vooral, geen slaafsche onderwerping, noch het rustig verduren van smaad en scheldwoorden, vergen kon. Zij was echter over den uitslag van haar bezoek weinig gesticht geweest; de oude Heer had haar blijkbaar zeer goed begrepen; doch haar toegevoegd, dat hij, de kamers en de bediening gehuurd hebbende en dat wel tot vrij hoogen prijs, dan ook er op gesteld was, dat er niets aan 't een noch aan 't ander ontbrak: wat de bediening betrof, merkte hij op dat, indien de Europeanen beweerden, tienmaal knapper te wezen dan de Javanen, zij 't dan ook door daden moesten bewijzen. — Maar erger dan Madame, was Monsieur Puri te pas gekomen, die begrepen had, een beleefdheidsbezoek bij zijn commensaal te moeten afleggen en hem eenige zijner beschouwingen over den politieken toestand van Europa bloot te leggen; — maar tot loon voor zijn moeite het verlof gekregen had, voortaan niet terug te komen en zijn politieken nonsens voor zich te houden.

„IJ isse boos keword',quot; zei Monsieur Puri, deze verklaring gevende aan een geringschatting zijner conversatie, die hem anders onbegrijpelijk voorkwan; „omdatte ik 'em ebbe vertel, dat de 3 percent naar de laakte kink: ij 'eef zeker veel

ocr page 190

180

3 percent en daarom mijn mededeelink 'em 'eef keinderd.quot;

De waarheid was, dat de oude Heer reeds, in een latere courant dan waaruit die mededeeling was geput, gelezen had, dat de 3 percent weder waren gerezen, waaruit hij genoegzaam had kunnen opmaken, hoe weinig de man op de hoogte was.

„Wat 8 percent!quot; riep Madame Puri, „croyez Qa et buvez de l'eau: de oude Heer trekt immers zijn geld uit de Oost: — ja 't zal hem ook wat deren, of de fondsen rijzen of dalen: en bovendien, hij heeft kind noch kraai, zooals mij Mijnheer Bleek, die de kamers voor hem gehuurd heeft, verzekerd heeft.quot;

„Isse die meneer Bleeke fan zijn familie?quot; vroeg Monsieur.

„Dat weet ik niet,quot; antwoordde zij: „maar zeker is 't, dat de Heer Bleek zich zeer aan hem laat gelegen liggen; want hij is al driemalen, sedert de man hier is, naar zijn gezondheid komen vragen.quot;

„Keen wonder! men wil altijd kaarn koede maatjes blijven met een rijken Oostinje-man.quot;

Monsieur had enkele reizen goede invallen, en het vervolg zal leeren, dat hij bij zijn gissing ten opzichte van de voorkomende beleefdheid, door Bleek aan den ouden Heer betoond, niet zoo geheel den bal had misgeslagen.

„Nu! 't schijnt niet wederkeerig,quot; merkte Mad. Puri aan, „want de oude Heer heeft telken reize laten weten, dat hij te zwak was om iemand te spreken; ofschoon, wat die zwakte betreft, ik mij daar niet erg over verontrusten zou; want de man lust nog altijd best zijn natje en zijn droogje.quot;

„Ik houd hem eenvoudig voor een menschenhater,quot; zei Mile Susanne.

„Aha! wel mokelijk,quot; zei Monsieur: „een Meinau, als in Misanthropie et repentir; een Eulalie, die em ebbe pedrook en met een jonke frijer isse op de loop kekaan.quot;

„Et mon Dieu! ne dites done pas de pareilles balivernes. Monsieur Puri,quot; voegde hem zijn wederhelft toe: „als die man ooit getrouwd is geweest, dan zal 't wel

ocr page 191

181

zestig jaar geleden zijn, en zal hij nu wel niet meer tobben over hetgeen toen gebeiird mag wezen. Doch kom, de zaken aan een kant! Wij dienen van avond intijds klaar te wezen en ik heb nog vrij wat te doen. Ayez seulement soin, Monsieur Puri, de ne pas vous attarder et de quitter a temps votre partie de dominos, afin d'être de retour ici quart avant sept. Vous savez, que le spectacle commence a sept heures précises.

ocr page 192

ZESTIENDE BOEK.

EERSTE HOOFDSTUK.

WAT ER, TERWIJL M. EN MAD. PURI NAAR DEN SCHOUWBURG WAREN, TE HUNNEN HUIZE VOORVIEL.

Gehoorzaam aan de waarschuwing, hem door zijn vrouw gegeven, was Monsieur Puri ter behoorlijker ure uit zijn koffiehuis teruggekomen, ten einde haar en Mile Susanne af te halen en naar den schouwburg te geleiden. Mcolette was alleen thuis gebleven en zat rustig op haar kamer te werken, toen op eens Letje, de meid, nu even bleek van ontsteltenis als zij bij een vorige gelegenheid rood van toorn was geweest, kwam binnen-loopen.

„Och Juffrouw! Juffrouw!quot; riep zij: „de ouwe Heer, weet u?quot; en meteen deed zij, zooals negen en negentig van de honderd dienstboden onder zoodanige omstandigheden doen, en viel stijf van haar zelve op een stoel.

Ofschoon de mededeeling alles behalve duidelijk was, begreep Mcolette, dat er iets met den ouden Heer gebeurd moest zijn, en terstond oprijzende, ging zij naar de kinderkamer, en riep, met een gesmoorde stem, ten einde de kinderen niet wakker te maken; „Spoedig, Koosje! kom eens hier!quot;

„Wat is er. Juffrouw?quot; vroeg Koosje, op het geroep aankomende.

„Er schijnt iets niet goed te wezen met den ouden Heer daar vóór; ik ga even zien wat hem schort. Zie jij intusschen, dat je Letje met het een of ander weer bijbrengt; want die malle meid valt van haar zelve in plaats van tot hulp te

ocr page 193

183

zijn.quot; En meteen, het jeugdige kindermeisje geheel verbaasd en verwezen achterlatende, snelde zij naar de voorkamer, waarvan Letje de deur had open laten staan. Binnengekomen zag zij rond, doch ontdekte niets, dat eenige verwarring aanduidde : de lamp stond helder op haar plaats te branden : de vlam flikkerde lustig op den haard: de leunstoel was daarnevens geschoven en al de overige meubels stonden waar zij behoorden te staan. Op de tafel, nevens de lamp, stond nog het koffieblad; doch — en dit was het eenige, waar Nicolette aan bespeuren kon, dat niet alles in den haak was — het stak een weinig over den rand van de tafel heen, en het kopje was omgerold. Blijkbaar had de meid het met overhaasting en zonder de gebruikelijke zorg uit de handen gezet.

Doch waar was nu de bewoner van het appartement? Vergeefs had Nicolette rondgekeken: er was niemand in de kamer, Juist dat zij niemand zag, maakte op haar een akeligen indruk. Doch zij vermande zich, trad vooruit tot aan de tafel en wendde van daar het oog naar het slaapvertrek. Terstond was haar het -raadsel opgelost, wat zulk een schrik bij Letje verwekt had. Daar, half door de openstaande deur verborgen, lag een menschelijke gedaante op den grond. Met zonder huivering trad zij toe en bukte zich; jawel, het was de oude Heer, die daar bewusteloos lag uitgestrekt. Maar wat was hem overkomen ? Had hem een aanval van beroerte getroffen ? Was zijn val het gevolg eener struikeling? Was hij dood of alleen bedwelmd ? Zij betastte zijn wangen: die waren koud: toen bracht zij de hand aan zijn hoofdslaap, maar trok die met schrik terug; want zij voelde, dat zij in iets vochtigs had getast, en, naar de tafel terugkeerende, overtuigde zij zich, dat er bloed aan haar vingers kleefde. De eerste uitwerking, welke deze ontdekking op haar maakte, was, dat zij luidkeels „Koosje!quot; riep: waarna zij een der kandelaartjes, die op den schoorsteenmantel stonden, daarvan afnam, de kaars met een lucifer aanstak, en onmiddelijk tot den gewonde terugkeerde; terwijl op ditzelfde oogenblik de kindermeid kwam toegesneld.

ocr page 194

184

gevolgd door Letje, welke laatste de wijze partij gekozen had, weer bij haar positieven te komen.

„Gauw wat azijn met water!quot; riep Nicolette, die nu ontdekt had, dat de oude Heer een diepe snede boven den hoofdslaap had: „en haal me wat pluksel of watten, wat je 'teerst voorde hand komt.quot;

Koosje was al weggedraafd om het bestelde te halen, maar Letje bleef stokstijf staan en sloeg weer aan 't beven.

„Och hemeltje!quot; stotterde zij: „weet u? ik kon geen bloed zien.quot;

„Wel blijf dan niet staan, meid,quot; zei Nicolette, knorrig: „en loop naar een chirurgijn, die 't dichtst bij woont; het loopen zal je goed doen.quot;

„Ja Juffrouwquot;, stamelde Letje, met een benauwd gezicht, en vertrok, in haar binnenste recht vergramd op dien ouden grompot, die haar eerst voor een „domme gansquot; had uitgemaakt en haar nu zulk een schrik aanjoeg. Weldra hoorde Nicolette haar de huisdeur achter zich dichttrekken en was nu eenigszins gerust, dat de boodschap zou volbracht worden.

Niet enkel hulpvaardiger dan hare kameraad, maar zelfs in alle opzichten wakker en met tegenwoordigheid van geest begaafd, betoonde zich het kindermeisje. Spoediger dan Nicolette had kunnen verwachten, was Koosje terug, met watten, pluksel en linnen onder den arm, een blaker in de eene en een azijn-flesch in de andere hand. Nicolette had zich weder bij den lijder begeven, en, zich herinnerende hetgeen zij voorheen in haar schoolboek had gelezen, hoe Charlotte van Bourbon gehandeld had, toen de wond, aan Willem den Eersten toegebracht door den kogel van Jauregui, niet wilde ophouden te bloeden, hoe zij ook gedurende den tijd, dat zij alleen was, het voorbeeld dier vorstin gevolgd, door den duim stijf tegen de wond te drukken: nu hield zij er de in azijn gedoopte watten tegen, en, den lijder vervolgens een linnen doek stijf om 't hoofd hebbende gewonden, smaakte zij weldra de voldoening te bemerken, dat de bloedstroom, althans voor 't oogen-blik, gestelpt was.

ocr page 195

185

„Konden wij hem nu maar van den grond krijgen,quot; zei zij toen.

„Willen we probeeren?quot; vroeg Koosje: en den ouden man ieder van haar zijde onder de oksels vattende, trokken zij hem naar het voorvertrek tot bij den leunstoel, en slaagden er in, hoezeer niet zonder moeite en inspanning, en na vrij wat ver-geefsche pogingen, hem daarin te plaatsen, terwijl zij een anderen stoel bijschoven en er 's mans beenen op uitstrekten. Toen maakte Nicolette zijn das en halsboord, die geheel bebloed waren, los, en wiesch hem met een handdoek 't gelaat af; terwijl Koosje 't hoofd steunde, dat nog slap op zijde hing. Nog altijd was de lijder bewusteloos, en, eerst nadat Nicolette hem een tijdlang azijn onder den neus gehouden en er het voorhoofd mee gewreven had, deed hij, tot haar onuitsprekelijke blijdschap, de oogen open; doch niet dan om ze onmiddellijk met een pijnlijke uitdrukking, weer te sluiten; terwijl hij met nauwelijks hoorbare stem „Madelinequot; fluisterde.

„Hij leeft nog,quot; zei Mcolette; „als hij nu maar niet te veel bloed verloren heeft.quot;

„Wat zei hij toch?quot; vroeg Koosje.

„Hij scheen iemand te noemen,quot; antwoordde Nicolette: „waarschijnlijk zag hij u of mij voor een andere aan. Ik wenschte, dat nu de chirurgijn maar kwam.quot;

Het duurde echter nog eenige minuten, die haar zoo veel uren toeschenen, eer er werd gescheld. Koosje haastte zich te gaan opendoen en met blijdschap hoorde Nicolette spoedig daarna voetstappen op de trap, waaronder die van een man te onderkennen waren. Werkelijk trad dan ook Letje met een heer binnen, dien zij in de volgende bewoordingen aan Nicolette voorstelde:

„Hier is Meneer Gavel, de surizijn van hierover, weet u? Gelukkig, weet u? dat ik net bijtijds kwam; want, weet u? Meneer zou juist uitgaan. Ik heb al aan Meneer verteld, weet u? wat er gepasseerd is. En hoe is 't met den ouwen Heer?quot;

Men ziet, dat de wandeling Letje genezen, althans haar het spraakvermogen had teruggegeven. Dat zij intusschen den heelmeester door haar verwarde mededeelingen volstrekt niet op

ocr page 196

186

de hoogte had gebracht, bleek al spoedig, toen hij, na den lijder den pols gevoeld en hem aandachtig bekeken te hebben, tot Nicolette zei:

„Ik zie hier niets, dat aan een beroerte of iets van dien aard doet denken, 't Komt mij voor, dat de man gestruikeld is en door de zwaarte van den val buiten westen moet geraakt zijn. — Wat vertelde jij nu toch,quot; vervolgde hij, tegen Letje: „van een toeval en een bloedspuwing?quot;

„Ja, ik dacht, weet u? . . . . omdat.... weet u? ... .quot;

„Ik zie,quot; hernam hij, zonder eenige aandacht aan de woorden van Letje te schenken, en terwijl hij een beleefde buiging maakte voor Mcolette, „dat de Juffrouw voorloopig alles gedaan heeft, wat tot stuiting van verder bloedverlies viel te doen. Wij moeten nu zien, wat de toestand van den patiënt verder vereischt. Weet de Juffrouw mij ook te zeggen, waar en hoe het gebeurd is?quot;

„Wij hebben hem ginds op den grond vinden liggen,quot; antwoordde Nicolette, den kandelaar opnemende, en den heelmeester voorlichtende naar het slaapvertrek, waar een breede bloedvlek het karpet kleurde, en zij beschreef in welke richting de lijder gelegen had.

,,Ik zie het al,quot; „zeide Gavel: het karpet heeft hier een scheur: waarschijnlijk is hij met den voet er ingehaakt en voorovergerold, zoodat hij met zijn hoofd tegen den scherpen rand van de deur is gekomen. Indien hij nu alleen een snede in 't hoofd heeft en de val geen hersenschudding of andere nadeelige uitwerking heeft teweeggebracht, dan zie ik minder gevaar bij de zaak: — maar 't is een man van jaren, en wij moeten vóór alles zorgen, dat de wond dicht blijft en hij uit zijn toestand van verdooving ontwaakt.quot;

Al sprekende was hij bij den lijder teruggekeerd, en had het verband losgemaakt.

„Ik moet zeggen,quot; vervolgde hij toen, „de juffrouw heeft zich zoo goed door de zaak gered als de eerste man van 't vak had kunnen doen. Wij zullen er dus vooreerst niets aan verbeteren ; maar ik zal een stypticon klaarmaken om er op te

ocr page 197

187

leggen, tegen 't geval, dat de wond weer onverhoopt ging bloeden.quot;

„Hoor,quot; zei Koosje op eens, „hoe de oude Heer begint te snurken!quot;

„Och! weet u?quot; zei Letje: „als de man maar wat slaapt, dan zal hij wel weer beter worden.quot;

„Denk je dat?quot; vroeg Gavel, met een blik van geweldige minachting: „ik denk er anders over; wij moeten hem integendeel zien wakker te krijgen, eer hij den eeuwigen slaap inga. — Mijnheer! Mijnheer!.... hoe heet de oude Heer?quot;

„Van Blinkenswaard,quot; antwoordde Koosje.

„Mijnheer Van Blinkenswaard!quot; schreeuwde Gavel den slapende in de ooren: „hoe is het er mee? — Wacht, geeft mij de azijnflesch aan en een kom met water.quot;

De vereenigde middelen, van den lijder bij zijn naam te roepen en hem de hoofdslapen en polsen te bevochtigen, hadden eindelijk de gehoopte uitwerking. De grijsaard ontwaakte, strekte de armen om zich heen en zag verwilderd in 't rond.

„Wat bl.....is er aan de hand?quot; waren de eerste woorden,

die hij uitte.

„Bewaar ons!quot; riep Letje: „dat ie nou nog vloeken durft!quot;

„Een bewijs, dat hij nog niet veeg is,quot; zeide Gavel, lachende ; ,,hoe voel je je. Mijnheer Van Blinkenswaard?quot;

De toegesprokene antwoordde niet, doch bracht de hand eerst aan zijn hoofd en vervolgens, met de uitdrukking van iemand die pijn voelt, aan zijn rechterbeen.

„'t Schijnt,quot; merkte Gavel aan, dat de man, behalve aan 't hoofd, nog een ander letsel heeft bekomen, dat misschien van bedenkelijker aard kan zijn. — Kun je opstaan. Mijnheer? Probeer het eens. — Wacht! jij — hoe hiet je? — houd Mijnheer eens vast.quot;

Letje gehoorzaamde en vatte den ouden man onder den eenen, terwijl Gavel hem onder den anderen arm op de been hielp. Het bleek terstond, dat er althans geen sprake van beenbreuk zijn kon; want de lijder bleef recht overeind staan, echter wederom spoedig een poging doende om zijn been te betasten.

ocr page 198

188

„Is er hier geen man in huis?quot; vroeg de heelmeester.

„Ja, weet u?quot; antwoordde Letje; „Mesjeu is naar de com-medie en anders is er niemand.quot;

„Loop dan om den kruier, of nog liever .... wacht eens .... heeft de oude Heer ook familie hier in de stad?quot;

De meiden keken elkander aan. — „Dat geloof ik niet,quot; zeide eindelijk Koosje.

„Neen,quot; voegde Letje er bij: „want, weet u? hij is een Oostinjenaar, en . . . .quot;

Hier viel Nicolette in, die, van 't oogenblik dat Van Blin-kerswaard teeken van leven had gegeven, zich achter zijn stoel had teruggetrokken, en zeide half fluisterend: „de Heer Bleek heeft de kamers voor hem genomen.quot;

„De Heer Jan Bleek? — de koopman? — Wel! dat is nogal zoo ver niet uit de buurt. Weet je wat je doet, meid!quot; vervolgde hij, tegen Koosje: „ga jij naar Mijnheer Bleek; maar loop eerst bij jelui apteker aan: „dat zal 't best wezen: — zeg dat hij iemand hier stuurt: — maar. . . .quot; hier zag hij Mcolette aan: „laat hij wat spiritus meebrengen of iets anders tegen den schrik .... en wat bruispoeder .... en ga dan Mijnheer Bleek waarschuwen.quot;

„Ik zou 't wel willen doen,quot; zei Koosje: „maar ik durf niet van de kinderen vandaan. — Juffrouw Puri zou 't stellig niet goedvinden.quot;

„Als Letje wil gaan,quot; fluisterde Nicolette, „dan zal ik zoolang Mijnheer wel vasthouden.quot;

„Als de Juffrouw maar kracht genoeg heeft,quot; zeide de heelmeester: „mij dunkt, de Juffrouw is geheel ontdaan.quot;

Nicolette wenkte met het hoofd van neen en nam de plaats van Letje in, die zich verwijderde om de haar opgedragen boodschappen te verrichten. Maar 't was het jonge meisje aan te zien, dat zij, die kort te voren zich zoo kloek gekweten had, thans zich vermannen moest om haar taak te verrichten. Terwijl Koosje zich even verwijderde om zich te verzekeren, dat de kinderen rustig in slaap waren, poogden Gavel en Nicolette den ouden man eenige schreden door de kamer te laten

ocr page 199

189

doen, wat wel in den beginne nog bezwaarlijk ging, doch langzamerhand beter gelukte, totdat op eens, tot beider niet geringe verbazing, de man als uit een droom ontwaakte, krachtig het hoofd oprichtte. Gavel met een strengen blik aanzag en toen, met een stem, die volstrekt geen zwakte verraadde, hem vroeg:

„Wie ben jij? en wat duivel doe je hier?quot;

„Wel!quot; antwoordde Gavel: „als men tegen den grond slaat en zich een gat in 't hoofd valt, dan is, geloof ik, een heelmeester niet over de hand.quot;

„Tida! — Tida! allemaal gekheid!quot; bromde de oude man: „waarom hebben ze mij niet laten liggen: dan was ik er meteen uit geweest. Maar nu je 't zeit, ja! ik heb een verd . . . . pijn aan mijn scheen. — Maar je hoeft mij niet vast te houen; ik ben geen kind en kan wel alleen staan,quot; — en meteen zich vrijmakende van den arm van Gavel — Nicolette had hem reeds losgelaten — omklemde hij den rug van een stoel en bleef rechtop staan alsof hem niets deerde.

„Voelt Mijnheer zich niet licht in 't hoofd ?quot; vroeg Gavel.

„Jawel!quot; antwoordde Van Blinkerswaard, en tastte meteen naar de aangewezen plaats: „oho!quot; vervolgde hij, het verband voelende, „ik merk het al; — ik ben over dat vervloekte karpet gestruikeld en op mijn kop neergekomen. — Ha! — zij hebben altijd gezeid, dat mijn kop hard was, en 't zal wel niets te beduiden hebben; maar mijn scheen, die doet mij meer zeer. — Als je een chirurgijn bent, dan moet je daar eens naar kijken. — Maar waarom ik staan moet, mag Joost weten, en ik zal, dunkt mij, maar gaan zitten; dat heb ik voor 't zelfde geld.quot;

Gavel vond geen reden om, nu de man zoo helder wakker was, zich tegen zijn verlangen te verzetten. Van Blinkerswaard nam dus in zijn leunstoel plaats, en eenige oogenblikken daarna kwam de bediende van den apotheker.

„Ik had je laten roepen,quot; zeide Gavel, „omdat ik vreesde, dat ik het alleen hier niet stellen zou. — Maar je zult misschien toch van dienst kunnen zijn: — wacht, heb je schrik-poeders meegebracht? die zullen de Juffrouw wel te pas

ocr page 200

190

komen.... maar waar is de Juffrouw gebleven?quot; en verwonderd zag hij rond naar Nicolette, die, op het oogenblik, dat de oude man alleen was gaan staan, zich ongemerkt verwijderd had.

„O! ik begrijp het al,quot; hernam Gavel: „het nufje zal gevonden hebben, dat het, bij het onderzoek van een beenwond, wel gemist kon worden.quot;

De beenwond werd onderzocht en bleek niets anders te zijn dan een geschaafde scheen, wier genezing wel geen buitengewone middelen zou vereischen, maar misschien eenige rust vorderen: — terwijl daarentegen de hoofdwond het noodzakelijk maakte dat de lijder zooveel mogelijk wakker werd gehouden.

„Heeft Mijnheer ook een vasten heelmeester?quot; vroeg Gavel: „ik ben hier wel geroepen als 't naast in de buurt; maar ik zou niet gaarne een confrater in de wielen rijden.quot;

„Wat heelmeester!quot; riep Van Blinkerswaard: „ik ben al mijn leven mijn eigen chirurgijn geweest.quot;

„Dan zul je mij vergunnen,quot; zei Gavel, met nadruk, „dat ik van avond dien post eens van u overneem. — Hoor eens,quot; vervolgde hij tot den bediende: „ik moet verder; — maar het is volstrekt noodig, dat hier van nacht iemand blijft waken en zorg draagt, dat Mijnheer niet te vast slaapt.quot;

„Ik zie wel,quot; zei Van Blinkerswaard, „dat men mij op mijn ouden dag nog steekind wil maken. — Wat bl....! ik wil overdag geen bezoekers over den vloer hebben: denk je dan dat ik er 's nachts een bij mij verlang?quot;

„Ik heb de orders gegeven en zal ze beneden aan de Juffrouw herhalen,quot; zei Gavel: „worden zij niet opgevolgd, dan wasch ik er mijn handen van af, en sta voor de gevolgen niet in.quot;

Juist als hij wilde vertrekken, ging de deur open en stormden Mijnheer en Mevrouw Bleek onaangediend binnen.

„Wat hoor ik?quot; riep Bleek: „is onzen waardigen vriend een ongeval overkomen?quot;

„'t Zal zich wel schikken. Mijnheer Bleek,quot; zei Gavel: „mits

ocr page 201

191

mijn voorschrift maar worde opgevolgden meteen herhaalde hij de woorden, door hem zooeven tot den bediende gesproken.

„Welzeker,quot; zei Mevrouw Bleek: „Bleek zal met genoegen blijven waken.quot;

„Een plicht, waarvan ik mij de vervulling door niemand zal laten ontnemen,quot; voegde Bleek er bij. „Vaarwel, Mijnheer Gavel! en wees gerust; wij zullen wel de noodige zorg dragen voor den patiënt.quot;

Chirurgijn en apotheker namen hun afscheid en lieten den ouden man over aan de zorgen van het echtpaar, dat zich reeds, Mijnheer Bleek van hoed, jas en rotting. Mevrouw van hoed en omslagdoek ontdaan had, als lieden, die geen plan hebben om vooreerst te vertrekken, en beiden aan de tafel plaats hadden genomen, Mijnheer naast. Mevrouw tegenover den ouden Heer.

„Wel! dat is een schrikkelijk geval. Mijnheer Van Blinkers-waard!quot; zeide Mevrouw: „en nog wel een bijzondere bewaring,quot; voegde zij er bij, de oogen ten hemel slaande.

„En dat men u hier zoo geheel aan u zeiven overlaat!quot; riep Bleek.

„Iemand van uw leeftijd!quot; riep Mevrouw.

„En wiens voortdurend welzijn zoo velen ter harte gaat!quot; riep Bleek.

„De oude man had al dien tijd zijn twee bezoekers beurtelings zwijgend aangestaard, maar met een blik, die zooveel beteekende als; „wat doe jelui hier?quot; of „wie maakt je zoo stout, je hier, zonder mijn toestemming, te nestelen?quot; Bij het laatste gezegde van Bleek verloor hij echter het geduld, en, met de vuist zoo krachtig op tafel slaande, dat de azijnflesch, de glazen en wat er verder op was neergezet, er van rinkinkten, barstte hij uit:

„Mijn welzijn iemand ter harte gaan? — Houd je mij nu geheel voor den mal, Mijnheer? — Wie duivel in de wereld bekreunt er zich om, of een oud en versleten zeeschip, als ik, aan den grond geraakt of niet?quot;

„Wel foei. Mijnheer! is dat spreken?quot; zeide Mw. Bleek:

ocr page 202

„waar ziet Mijnheer ons dan voor aan? Zouden wij geen belang in hem stellen, nu hij mijn man de eer heeft aangedaan, zijn kantoor te begunstigen met zijn commissiën?quot;

„Wat drommel!quot; hernam de grijsaard; „je man heeft mij zijn tijd en zijn arbeid gegeven, en ik betaal er hem voor: zoo zijn wij immers quitte: — dat hij, als ik dood ben, niet meer aan mij verdienen zal, is waar: en als hij daarom er zoo'n belang in stelt, dat ik blijf leven, ja dan heb je alweer gelijk.quot;

„Is 't mogelijk!quot; riep de Heer Bleek uit, met de gebaarde van iemand, wien de veronderstelling door 't hart ging: „hoe kan u zulke onchristelijke gevoelens bij ons veronderstellen? wel dat zou toch al te erg zijn; — alsof wij onzen naaste niet anders dan uit eigenbelang zouden dienen?quot;

„Stil, Jan!quot; zei Mevrouw: „zie je niet, dat Mijnheer vermoeid is, en dat ons praten hem verveelt: — wij zullen ons doodstil houden, en ik Mijnheer wat thee zetten als hij 't goedvindt: dat zal hem wat kalmeeren. — Is hier geen schel? Dat men Mijnheer ook zoo aan zijn lot overlaat!quot;

Meteen zag zij rond, tot zij een geborduurd schellekoord ontdekte, dat in een hoek van de kamer hing. Van Blinkerswaard oogde haar na en zag met inwendig leedvermaak, hoe zij er een paar keeren aan trok, zonder dat men eenig geluid hoorde volgen.

„Wat is dat voor een ellendige schel!quot; riep zij, gramstorig wordende, en deed nogmaals een krachtiger ruk, doch die, in plaats van geluid te veroorzaken, ten gevolge had, dat het koord haar in de hand bleef, en de fraaie strik, die bovenaan zat, op haar neus nederkwam — alles tot groot vermaak van den ouden Heer.

„Dat wist ik wel,quot; zeide deze: „die koord dient alleen tot pronk. Ik ben je intusschen dankbaar, dat je die hebt neergehaald : dat kan aan de menschen hier leeren, geen dingen in huis te hebben, die heel wat lijken, en tot niets deugen. Trouwens, wie kan in een modewinkel iets beters verwachten ?quot;

ocr page 203

193

Mw. Bleek barstte van spijt; maar als een vrouw zich eenmaal iets in 't hoofd gezet heeft, geeft zij 't zoo licht niet op: zij bleef langs den schoorsteen en aan de wanden zoeken, of er ergens een band, koord, knop, haak of ander voorwerp te vinden ware, dat ondersteld kon worden, met een ijzerdraad in gemeenschap te staan; doch al haar pogingen waren vruchteloos. Opeens vroeg haar man:

„Wat zoek je toch, Na? de schel staat hier op tafel.quot;

En inderdaad, daar stond de tafelschel, tusschen de flesschen en andere voorwerpen in. De ontdekking mocht welkom zijn, zij vermeerderde de slechte luim van Mevrouw niet weinig.

„Dat had je mij dan wel vroeger kunnen zeggen. Jan, in plaats van mij voor mal te laten zoeken.quot;

„Wel mij dunkt, je hadt die net zoo goed kunnen zien als ik die nu zie.quot;

„Och wat! je doet het om mij te kwellen en mij voor niemendal de kamer te laten rondloopen: ik neem het je heel kwalijk.quot;

Bleek was op het punt, een weinig malsch antwoord te geven: doch hij bedacht zich — gelijk hij meende, nog bijtijds — en wierp aan zijn vrouw een blik toe, die zooveel te kennen gaf als: „bedenk dat wij niet alleen zijn.quot;

„Wel zie!quot; zei Mevrouw, opeens een vriendelijk gezicht zettende: „wij zouden met onzen minzamen twist bijna vergeten, dat die goede Mijnheer Van Blinkerswaard buiten zijn thee blijft;quot; en meteen, de tafelschel opnemende, deed zij die luide herklingelen. „Een kopje thee?quot; ging zij voort, zich tot den ouden man wendende, en op dien sussenden toon, dien men tegen een kind aanneemt: „Mijnheer Van Blinkerswaard! dat zal u goed doen, nietwaar? Breng wat kokend water en het theegoed, meisje!quot; zeide zij tegen Koosje, die op het schellen was aan komen loopen.quot;

Koosje zag den ouden man vragend aan, alsof zij uit zijn mond de bevestiging wilde vernemen van een bevel, dat — men zal later zien waarom — haar vreemd voorkwam. Op

IV. - K. Z. 13

ocr page 204

194

het toestemmend knikje, dat zij van hem kreeg, verwijderde zij zich echter, en kwam, hoezeer niet dan na eenig tijdsverloop, met het gevraagde terug.

De grijsaard scheen zich te hebben onderworpen aan zijn noodlot en aan de leiding der onwelkome gasten, die zoo liefderijk zijn verpleging op zich hadden willen nemen, en vergenoegde zich, in zijn stoel gedoken, zijn oogen, waarin Bleek en zijn vrouw, hadden zij hem beter gekend, een ondeugend vermaak hadden kunnen lezen, over en weder op hem en op haar te vestigen. Toen echter het theewater klaarstond, brak hij het stilzwijgen en zeide tegen Bleek :

„Eilieve! geef mij die flesch eens aan, die daar achter den schoorsteen staat.quot;

De Heer Bleek haastte zich, aan het geuite verlangen te voldoen, doch keek niet weinig verbaasd, toen hij, in plaats van een medicijnflesch, als hij verwachtte, er eene voor den dag bracht, waar zich, volgens de etiquette, Jamaïca-rum in bevinden moest.

„Zet maar neer,quot; zeide de oude Heer: „en geef mij nu dat bierglas, dat op het trumeau staat.... ja dat groote.quot;

Bleek gehoorzaamde en plaatste de fraai geslepen bokaal voor den ouden Heer, die, de flesch opnemende, haar half vnlde met het krachtige vocht en vervolgens zich tot Mw. Bleek keerende: „giet mij nu hier wat warm water bij.quot;

„Wat! hoe! Mijnheer wil toch geen krok drinken?quot; Mw. Bleek was gewoon het woord grog op bovenstaande wijze uit te spreken.

„En waarom niet?quot; vroeg hij op den onverschilligsten toon mogelijk.

„Maar, om hetgeen u overkomen is... . mij dunkt.... als dat geen spotten is met uw zoo dierbare gezondheid .... ik dacht, een kopje thee .. ..quot;

„Thee!quot; herhaalde Van Blinkerswaard, met een bulderende stem: „thee is goed voor juffrouwen op 't salet. Ik drink van mijn leven geen thee.quot;

„Maar ik dacht....quot; hervatte Mw. Bleek, geheel uit het

ocr page 205

195

veld geslagen .... „ik had thee besteld om ... . als Mijnheer mij gezegd had . ...quot;

„Ik belet je ook niet om thee te drinken,quot; zeide Van Blin-kerswaard.

Neen, hij belette het niet: maar de zaak belette zich zelve; want Koosje had wel een theeservies, maar geen thee gebracht, die zij onderstelde, dat de oude Heer op zijn kamer had.

„O!quot; zeide Mw. Bleek, wat zuur kijkende, „wij hebben al voor een paar uur thee gedronken.quot;

Weder een blik van Bleek, dezen keer ietwat dreigender, doch die alleen strekken moest om haar een nieuwe onhandigheid te doen begaan, door op het vorige thema terug te komen.

„Waarlijk,quot; zeide zij, „mijn waarde Heer! ik houd mij overtuigd, dat alle sterke drank, in uw tegenwoordigen toestand, voor u nadeelig is.quot;

„Veel geluk met je overtuiging.... maar geef mij wat warm water,quot; zeide de Heer Van Blinkerswaard.

„Maar, Naatje!quot; viel Bleek in: „hoe kunje nu zoo dom zijn? Mijnheer zal immers zelf best weten, wat hem lijkt.quot;

„Ja, dat geloof ik ook,quot; zeide Van Blinkerswaard, terwijl Mevrouw al zuchtende het water bijschonk: „misschien zou je zelf wel een glas lusten: nu daar staat er een.quot;

„Als ik zoo vrij mag zijn,quot; zeide Bleek, en, een glas krijgende schonk hij zich een matige hoeveelheid rum in.

„Maar waar denkje aan. Jan?quot; vroeg zijn vrouw: „je bent immers van de Afsch . . ..quot;

Opnieuw herhaalde en deze reis woedende blik van Mijnheer. Zij zweeg doch beet op haar lippen van kwaadheid en liet hem zelf zijn glas met water vullen.

„Heerlijke rum!quot; zeide Bleek, na het vocht geproefd te hebben.

„Ja, niet kwaad,quot; zeide Van Blinkerswaard: „ten minste je zult hem hier te Amsterdam moeilijk van die qualiteit krijgen.quot;

„Ik heb er vroeger verkocht, die geheel niet slecht was,quot; zeide Bleek: „maar helaas! mijn compagnon....quot;

„Nu?quot;

ocr page 206

196

„ . .. dronk hem zelf op.quot;

„Wel! dat bewijst, dat hij een goeden smaak had, indien namelijk, gelijk je beweert, de rum goed was.quot;

„Ja die compagnon heeft mijn man wat een schade gedaan,quot; zeide Mevrouw; „maar.quot; voegde zij er bij, gretig de gelegenheid waarnemende om eenige schandaaltjes uit te kramen: „wat was er ook te verwachten van een man, die zich zóó gedroeg, en er niet minder dan drie maïtressen op nahield?quot;

„Ei kom?quot; zei Van Blinkerswaard.

„Ja,quot; vervolgde zij, aangemoedigd door het verlangen, dat zij bij den ouden man meende te bespeuren, om er meer van te hooren: „ééne op den Grauw-Burgwal: dat was nog wel een getrouwde vrouw — van een stuurman op de West: en eene op de Vijzelgracht — een dochter van den smid uit de Kerkstraat, en eene in de Reguliersdwarsstraat, een Fransche meid, die aan het tooneel was. Och ja!quot;

„Ei zoo!quot; zeide Van Blinkerswaard: „je hadt zeker drukke conversatie met ze, dat je zoo precies weet, waar ze woonden.quot;

„Ik, Mijnheer!quot; riep Mw. Bleek, met een gebaarde van afgrijzen; „wat denkt Mijnheer? ik conversatie houden met zulke verlorene schepsels?quot;

„Och, Na! zie je niet, dat Mijnheer schertst,quot; zeide Bleek, met een goedkeurenden knik tegen den onden man.

„En was dat nu alles?quot; vroeg deze laatste aan Bleek.

„Maar mij .dunkt. . ..quot; waagde Mw. Bleek te zeggen.

„Wel! dan moest je eens op Java komen, dan zou je andere dingen zien. — En waarschijnlijk dronken de dames mee van den rum?quot;

„Ik weet het niet,quot; antwoordde Mw. Bleek, wederom uit het veld geslagen over het wreinige succes van haar mede-deelingen.

„Je schijnt hem toch niet erg te lusten,quot; zei Van Blinkerswaard, zich tot Bleek wendende; „je drinkt niet.quot;

De zaak was deze, dat Bleek, geen sterken drank gewoon, den rum alleen dronk om Van Blinkerswaard, bij wien hij gaarne een witten voet wilde hebben, daardoor in een goede

ocr page 207

197

luim te brengen: hij voedde alzoo eenige vrees, dat hem het krachtige vocht naar 't hoofd mocht vliegen en lepperde meer aan zijn glas, dan hij er werkelijk uit dronk.

„Ik wil er gaarne lang genot van hebben,quot; zeide hij.

„Wel man! dat kun je hebben, door je glas weer te vullen als het leeg is — net zooals ik denk te doen,quot; — zei Van Blinkerswaard.

Op dit oogenblik hoorde men voetstappen naderen: en werd aan de deur getikt, en bij het openen daarvan verschenen Monsieur en Madame Puri, die even te voren uit den schouwburg gekomen, van het voorgevallene door Letje, en vervolgens, meer nauwkeurig, door Mcolette waren onderricht geworden, en nu kwamen hooren, in welke opzichten hunne diensten gevorderd konden worden. Het zien van de beide Heeren met de glazen grog voor zich, stelde hen nogal gerust.

„'t Had leelijk kunnen afloopen,quot; zeide Mw. Bleek, niet kwalijk in haar schik, dat zij nu iemand had, jegens wie zij lucht kon geven aan haar innerlijken wrevel, en 't is ook erg genoeg, dat een man van de jaren van Mijnheer, en dien wij gerecommandeerd hebben, zoo alleen wordt gelaten, met niemand in huis dan een paar dienstboden.quot;

„Dat trof zeker ongelukkig,quot; zei Mad. Puri, „en het spijt mij bijzonder . . ..quot;

„Ja maar,quot; viel haar man in: „al waar wTij thuis keweeze, dit adde de ongeluk zelve niet voorkoom. Mijn 'eer is niet op visites gesteld, nokke van ons, nokke van anderen.quot; — Die kon Mw. Bleek in haar zak steken.

„De quoi done vous mêlez-vous. Monsieur Puri?quot; vroeg zijn vrouw: „ik ben ondertusschen recht verheugd,quot; vervolgde zij: „dat alles zich zoo gered heeft: — en dat Mijnheer en Mevrouw wel zoo goed zijn geweest, hierheen te komen.quot;

„Niet meer dan onze plicht. Mad. Puri!quot; zeide Mw. Bleek, terwijl zij het hoofd achteroverwierp: „gelukkig, dat wij thuis waren: — wij gaan naar geen komediespellen,quot; voegde zij er vermanend bij.

ocr page 208

198

„Ik hoor,quot; zeide Mad. Puri, zich houdende of zij de hatelijkheid niet opmerkte, „dat de chirurgijn stilte heeft aanbevolen — en dat Mijnheer niet te vast moet slapen. Monsieur Puri zal gaarne bij hem waken: n'estce pas. Monsieur Puri? vous veillerez avec plaisir.quot;

„Met de grootste plezier mokelijke!quot; zeide Monsieur: „ikke dit 'eel kewoon, toen ik in de armee diende en om de drie daak naktepatrouille doen moeste . . . .quot;

„Mais mon cher Monsieur Puri, l'armée n'arien a faire ici,quot; zeide Madame: „en ik zelve zal ook wel zorgen, altijd bij de hand te zijn, als er iets noodig mocht wezen.quot;

„Madam!quot; riep Bleek: „ik heb reeds gezegd, dat ik aan niemand het voorrecht afsta van, althans dezen nacht, mijn waardigen vriend op te passen.quot;

„Zooals Mijnheer begeert.... dat is dus geschikt,quot; zei Madame Puri.

„'t Wordt hier alles buiten mij geschikt.quot; bromde Van Blinkerswaard.

„Mijn waarde Heer,quot; zei Bleek: „wij verlangen niets liever, dan alles zoo te schikken als het met uw conveniëntie best overeenkomt; doch, waar de faculteit gesproken heeft, daar dienen wij ons te onderwerpen: en alzoo, tenzij het u bepaald onaangenaam is, mij bij u te zien . . ..quot;

Van Blinkerswaard keek eerst Bleek, vervolgens Puri aan, alsof hij wilde zeggen: „ik vind den een net zoo vervelend als den ander,quot; nam toen een fiksche teug grog en zeide: „ik heb geen keus.quot;

„Zooals ik gezegd heb,quot; zeide Mad. Puri, „indien er verder iets noodig mocht wezen, ik blijf bij de hand.quot;

„Ik zal u alleen verzoeken, een slee voor mij te willen laten bestellen,quot; zei Mw. Bleek.

Mad. Puri boog het hoofd en het echtpaar verliet het vertrek.

„En nu,quot; zeide de Heer Van Blinkerswaard, na zijn tweede glas geledigd te hebben: „nu is het zoo wat de tijd, waarop ik gewoon ben, naar mijn nest te gaan.quot;

ocr page 209

199

Met deze woorden rees hij op en strompelde, ondersteund door Bleek, naar zijn slaapvertrek, waar hij, na de verdere hulp van zijn dienstvaardigen geleider eenigszins ruw te hebben afgewezen, zich ontkleedde en te bedde trok. „Je behoeft niet naast mijn bed te zitten,quot; zeide hij toen tegen Bleek; „dat zou mij beletten te slapen, en die lapzalver mag zeggen wat hij wil, ik voel, dat ik slaap noodig heb.quot;

Nauwelijks was Bleek in de voorkamer bij zijn vrouw terug, of deze begon, door een pas hoorbaar gefluister, aan haar gemoed lucht te geven.

„Wat heb ik mij moeten inhouden,quot; zeide zij : „is dat een izegrim! ik begrijp niet, Jan, hoe je zulk een vent, die van God noch zijn gebod schijnt te weten, zoo naar den mond kunt praten, en nog wel rum gaan drinken voor zijn plezier, wat je geteekend hebt te zullen laten, en wat je bovendien weet, dat je kwaad doet.quot;

„Stil!quot; fluisterde Bleek; „laat hij je niet hooren. Het is ons veel te veel waard, hem te vriend te houden. Bedenk eens, hij heeft kind noch kraai, en is onmetelijk rijk; en als het plannetje, dat ik gemaakt heb, eens lukken mocht.... wie weet?quot;

„Wat plannetje,quot; bromde zij; „je ziet zelf wel, dat die Nero met ons niet te maken wil hebben en alles doet om het ons te toonen.quot;

„Wel! dan is 't jou schuld, dat je geen slag hebt, met hem om te gaan, en niets dan onhandigheden doet, die hem het land opjagen. Laat mij maar begaan, ik zal hem wel weten in te pakken; en zorg, dat je in 't vervolg beter oppast, geen dingen te zeggen, die hem vervelen.quot;

„Als jelui praten wilt,quot; klonk hier uit het aangelegen slaapvertrek de stem van den Heer Van Blinkerswaard; „doet het dan hardop; dat gefluister zou mij wervelziek maken.quot;

„Daar heb je 't al,quot; zei Bleek; „wat zei ik je? — 't Is niets. Mijnheer Van Blinkerswaard! mijn vrouw maakte zich ongerust, dat de slee nog niet gekomen was.quot;

De Heer Van Blinkerswaard bromde iets onverstaanbaars

ocr page 210

200

over een slee, die iemand in de gracht moest rijden, doch hield zich verder stil: kort daarna werd aan Mw. Bleek het bericht gebracht, dat haar voertuig vóór was: zij trok af en Bleek bleef bij den patiënt alleen.

TWEEDE HOOFDSTUK,

HOE DE HEEB BLEEK ZICH ZIJN BEDIENING ALS ZIEKENOPPASSER TEN NUTTE WIST TE MAKEN.

Wat men den Heer Jan Bleek ten laste leggen mocht, niemand had hem ooit kunnen verwijten, dat hij zijn tijd in ledigheid doorbracht. Ook nu, door een toeval heer en meester in de kamer van den Heer Van Blinkerswaard geworden, begreep hij, de gelegenheid niet ongebruikt te mogen laten voorbijgaan. Datzelfde toeval zou, geholpen door een gepast (?) aanwenden van dien geest van onderzoek, welke hem eigen was, hem misschien eenig licht kunnen verschaffen aangaande den persoon, het karakter, het vermogen en de handelingen van den zonderlingen grijsaard, met wien hij in betrekking was gekomen, en hem, om dezen aan 't lijntje te krijgen, een beteren draad in handen geven, dan hem hun korte kennismaking tot nog toe verschaft had. Die kennismaking was ontstaan op de navolgende wijze: De firma Bleek en Galjart had indertijd wijnen naar de Oost verzonden, en een hunner klanten had hen in den afgeloopen zomer betaald met een wissel op den ouden Heer, die zich toen in Den Haag bevond. Bleek, toch juist in de residentie moetende zijn ter bijwoning van een kerkelijke vergadering, was zelf den wissel ter acceptatie gaan aanbieden, en had bij die gelegenheid den grijsaard zijn diensten aangeboden. Deze had ze in zooverre aangenomen, dat hij hem verzocht had, te Amsterdam kamers voor hem te zoeken. Bleek had zich hiertoe bereid verklaard; doch er

ocr page 211

201

zijn verbazing over te kennen gegeven, dat een zoo vermogend man, als dien hij de eer had voor zich te zien, zich zou vergenoegen met een gemeubileerd appartement. Hij had hierop ten antwoord bekomen, dat de vestiging te Amsterdam dan ook maar tijdelijk zou zijn, dewijl de oude Heer voornemens was, een landgoed te koopen en zich aldaar neder te zetten. Toevallig kende Bleek iemand, die wel genegen was, zich van een bezitting van dien aard onder de hand te ontdoen, en zoo werden, door zijn bemiddeling, de kamers gehuurd en de Heerlijkheid gekocht. Bleek, zich vleiende, door de bewezen diensten — die trouwens de oude Heer niet dan tegen billijke vergoeding had willen aannemen — 's mans vertrouwen verworven te hebben, had, bij gelegenheid dat de andere later een paar reizen te Amsterdam gekomen was, getracht hem te polsen, in hoeverre er ook genegenheid bij hem bestond, zijn geld in eenige ondernemingen te steken, waartoe hij. Bleek, hem in dat geval heerlijke vooruitzichten zou geopend hebben; doch niet alleen had hij den ouden man doof aan dat oor gevonden: maar schijnbaar zeer weinig genegen de eens gemaakte kennis voort te zetten. Nog duidelijker was dit laatste gebleken, nadat de Heer Van Blinkerswaard de voor hem gehuurde kamers betrokken had; immers al de pogingen, door Bleek in 't werk gesteld, om bij hem te worden toegelaten, waren, als wij gezien hebben, tot nog toe vruchteloos afgeloopen. Dit was aan Bleek vreemd voorgekomen, en hij had zich in den aanvang voorgesteld, dat men den ouden Heer tegen hem had opgezet; doch van de dienstboden vernomen hebbende, dat de man geheel geene bezoeken ontving, was hij op gezegd punt iets meer gerustgesteld. Intusschen, de zaak bleef hem zonderling en ongemeen toeschijnen. Met zijn vrij bekrompen inzichten in de verborgenheden van het menschelijk hart, kon' hjj zich niet voorstellen, dat iemand, alleen uit zwaarmoedigheid, dus buiten de maatschappij zou leven: daartoe moest, naar zijne meening, een andere, meer afdoende reden bestaan. Maar wat was die reden? De kennis daarvan zou hem wellicht in staat stellen, invloed op den

ocr page 212

202

man uit te oefenen, en het was alzoo voor hem van gewicht, die kennis op te doen. Wie wist of, nu het ongeval, aan zijn patroon overkomen, hem. Bleek, voor eenige uren bijna oppermachtig heer en meester in het vertrek van den ander gemaakt had, zulks hem niet de gelegenheid verschaffen zou, op deze wijze te leeren wat hij weten wilde? Dat zou voorwaar al een bijzondere bestiering zijn!

Jan Bleek geloofde aan bestieringen; doch hij had een zonderlinge opvatting daaromtrent.

Zoodra hij zich daarom, door gedurende een tijdlang naar de ademhaling des lijders te luisteren, had overtuigd, niet slechts dat deze in slaap was geraakt, maar ook, dat die slaap regelmatig was en niet behoefde gestoord te worden, zette hij zich tot het beoogde doel aan het werk. Reeds had hij, zoodra zijn vrouw vertrokken was, en terwijl hij, alleen bij den haard gezeten, zat af te wachten dat de Heer Van Blinkerswaard was ingeslapen, zijn oogen de kamer laten rondgaan en een vluchti-gen inventaris gemaakt van het meubilair: een verrichting, die wel te spoedig zou zijn afgeloopen om hem voor verveling te vrijwaren, zoo niet zijn verbeelding aan 't werk ware ge gaan, vooral met betrekking tot zekere schrijftafel die tegen den muur stond. Het was niet zoozeer hetgeen hij daar zag — de boeken, de papieren en omslagen, die er verspreid lagen — dat zijn nieuwsgierigheid wekte; het was vooral hetgeen hij niet zag en dat in de laden dier schrijftafel verborgen moest zijn: alleen ware het de vraag, of er mogelijkheid zou zijn die open te krijgen. — Intusschen, aan alles is een begin: en zoo ging Bleek, op zijn toonen loopende, ten einde geen gerucht te maken, naar de schrijftafel, en nam er een arm vol boeken en pamfletten van af. Men leert de geaardheid der lieden eenigszins kennen uit hetgeen hun dagelijksche lectuur uitmaakt, en zoo was Bleek dan ook nieuwsgierig, of de toepassing van dezen regel hem tot eenige uitkomst voeren zou. Hij keerde met zijn vracht naar de tafel terug en keek de boeken in. Het waren, behalve eenige Fransche romans, wier titels hij nooit had hooren noemen — Jan Bleek was in de letter-

ocr page 213

203

kunde niet bijzonder thuis, vooral in de Fransche niet — het waren, zeg ik, meest boeken en tijdschriften, die betrekking hadden tot de Oost: en uit hun aanwezigheid op de schrijftafel was dus niet veel anders af te leiden, dan dat hun eigenaar zich nog steeds bezig hield met hetgeen in verband stond tot de Eijksbezitting, waar hij zijn fortuin had gemaakt. Geen enkel godsdienstig boek! niets van stichtelijken aard! — Jan Bleek schudde het hoofd. Was dit huichelarij ? hij was alleen en behoefde voor niemand te veinzen; maar zoo sterk is de kracht van opvoeding en eenmaal aangenomen richting, dat, ook waar zij geen invloed hoegenaamd meer uitoefent op iemands daden, zij zich toch blijft openbaren, waar 't zijn oordeelvellingen geldt omtrent anderen.

Hij bracht de boeken weer op hun plaats, nam in ruil een zwart lederen folio-omslag mede, lei dien op de tafel en bekeek den inhoud. Ook nu vond hij zich in den beginne teleurgesteld: papieren vol becijferingen, wier beteekenis alleen hem, die ze gemaakt had, bekend kon zijn, prijs-couranten, zeeposten, notitiën van veilingen en andere dergelijke gedrukte berichten, die geen waarde hebben dan die 't oogenblik en het belang des lezers er aan geven: wit, gelinieerd en vloeipapier, en eenige uit-noodigingen. Deze laatste vooral zou men oppervlakkig denken, dat wel niets bevatten konden wat aan Bleek eenig belang zou inboezemen, en toch waren zij het juist, die bij hem het onbeduidende van de rest in geen geringe mate vergoedden. De lezer zal dit begrijpen, wanneer wij hem zeggen, dat die invitatie-biljetten waren voorzien van aanteekeningen, blijkbaar bij 't ontvangen neergeschreven. Wij willen er enkele staaltjes van geven.

(gedrukt^ „de Heer en Mevrouw Rasp hebben de eer den Heer F. v. B. uit te noodigen bij hen het middagmaal te komen gebruiken op Dinsdag den ie*1611 dezerquot; enz.

(daaronder van de hand des ouden mans geschreven) Dat is, op hoop, dat ik aandeelen zal nemen in zijn reeder ij: 't zal den vent niet gelukken.

(gedrukt) „Madame la baronne de Ringelrode prie Monsieur

ocr page 214

204

F. d. B. de vouloir assister a une soirée musicale, qu'elle se propose de donner vendredi le 19me de ce moisquot; etc.

(geschreven) Dat kale wijf zal mij zoeken te beduiden, dat ik haar lummel van een zoon met een mille of wat in zijn assurantiezaak voorthelp: anders liet zij mij wel thuis.

(gedrukt) „De Heer F. v. B. wordt genoodigd tot bijwoning eener zeilpartij, te geven op Zaterdag 10 Mei, te 9 uren aan de Oosterdoksluis.quot;

(geschreven) Denkt die ezel, dat ik niet genoeg in mijn leven gevaren heb, en dat hij mij daarmee de pretentie kan betalen, die ik op zijn zoon heb?

Meest al de briefjes waren in gelijken — voor hen die de uitnoodigingen deden, alles behalve vleienden — toon geschreven. Overal schemerde door, dat Van Blinkerswaard de uitnoodigingen beschouwde als louter met een zelfzuchtig oogmerk gedaan, 't Was duidelijk, dat hij een wantrouwenden aard bezat, en zoo Bleek nu een oordeel over den ouden man kon opmaken uit de wijze, waarop deze over de bedoelingen van andere lieden dacht, was het maar al te waarschijnlijk, dat te zijnen behoeve geen uitzondering zou gemaakt worden en dat het hem moeilijk gelukken zou, iemand, die zoo op zijn hoede was, in gewaagde ondernemingen mee te sleepen. — „En toch,quot; zeide Bleek, na eenigen tijd te hebben nagedacht, bij zich zeiven: „wie weet? Die zich het best tegen de verzoeking bestand acht, is somtijds het eerst te vangen, 't Hangt er maar van af, van welken kant men hem aanvat, en 't is klaar, dat met dezen een andere toon moet worden aangeslagen dan met die goedmoedige lieden, die zich door glimpige beloften laten om den tuin leiden of bij wie men fraaie woorden als „algemeen belang, weldadige werkverschaffing, opbeuring van een vervallen tak van handel of nijverheid, zedelijk nut, bestrijding van K. Katholieken invloed,quot; enz. enz., met goed gevolg kan laten klinken. Ieder mensch heeft zijn gevoelige snaar en deze zeker ook: 't hangt er maar van af, die te treffen: 't is in allen gevalle reeds veel, te weten, welke men

ocr page 215
ocr page 216
ocr page 217

205

niet behoeft te bespelen.quot; — Door deze gedachte eenigermate opgebeurd, sloeg hij den omslag weder dicht en lei dien op zijn plaats.

Nu kwam de beurt aan een pakket, dat gewichtiger van inhoud scheen, 't Waren brieven, in een elastieken band omvat. Dan helaas! bij onderzoek bleken 't alleen brieven te zijn, waarin onderstand of hulpbetoon werd verzocht, 't Eenige wat er iets pikants aan gaf — hoewel dit Bleek minder belang inboezemde — was het verschil, zoowel uiterlijk als innerlijk, in den vorm. Naast het, op onmogelijke manier dichtgevouwen, grof, vuil en beduimeld papier, met afschuwelijke hanepooten beschreven, en zoowel door de vieze lucht, waarvan het doortrokken was, als door den stijl van den brief, den gewonen bedelaar verradende, lag het keurig gesatineerd velijn, aan den bovenkant met een naamcijfer of gekroond wapentje voorzien, en bedekt met een keurig schrift, van een bekenden en geachten naam onderteekend; — doch de grondtoon: „help mij!quot; was in beide dezelfde: en volkomen gerechtvaardigd waren de vier eerste woorden van de aanteekening, welke hij, tot wien al die brieven gericht waren, op den rug van den bovensten geschreven had: „allemaal één pot nat! denkt dat volkje, dat ik de dubbeltjes zoo zuur verdiend heb om ze haarlui beren in den bek te smijten?quot;

„Hij is niet scheutig,quot; was de opmerking, welke Bleek, na kennis genomen te hebben van dezen uitval, zich veroorloofde, en die hij misschien zonder dat reeds gemaakt zou hebben: — heel veel verder had hem dit pak bedelbrieven niet gebracht.

Wat hij vervolgens in handen kreeg, was een agenda. Het doorbladeren daarvan zou hem, meende hij, in allen gevalle den tijd korten al bleef ook de moeite onbeloond, die hij aan zou wenden tot verklaring der talrijke hiëroglyphen, schier achter elk dagcijfer geplaatst. Zoo veel merkte Bleek, bij 't nazien der aanteekeningen dat zij niet enkel op gedane uitgaven, maar ook hier en daar op flnancieele operatiën sloegen, en dat gaf nieuw voedsel aan zijn moed. De oude man was er dus niet geheel wars van, zijn geld in een onderneming

ocr page 218

206

te steken; het kwam er alleen op aan, hem over te halen er ook eene te wagen met hem, Jan Bleek. — En waarom zou dat niet gelukken? Jan Bleek had immers den naam van solide te zijn, en een van die lieden, waar men, zonder aarzelen, zonder navraag, duizenden aan vertrouwt: hij speelde niet: hij reed niet: hij kocht geen kunst: hij kwam in concerten noch komedies: hij was in kerkelijke bediening, lid van een dozijn vrome en philantropische instellingen, van sommige daarvan penningmeester: hij droeg een witte das zonder boordjes en ging altijd in 't zwart. Als iemand, in Amsterdam, met zulke aanspraken, geen algemeen krediet verwerft, dan moet krediet wel geheel dood zijn.

De voorraad op de schrijftafel scheen nu uitgeput, althans wat er op bleef, het bekijken niet waard. Bleek had wel gewenscht, zijn onderzoek voort te zetten met betrekking tot hetgeen zich in de laden bevond; maar och arm! die waren goed gesloten en vruchteloos alle pogingen om die te openen. Trouwens het verwonderde hem niet: hij begreep klaar, dat een oud, alleen wonend en bovendien hoogst argwanend man als Van Blinkerswaard, wel zorg zou dragen, al wat eenige waarde of gewicht had, achter slot te houden: hij was op het punt alle verdere nasporingen op te geven, toen bij 't bukken, zijn oog op een voorwerp viel, dat, in een loket verscholen en buiten het bereik van het verafstaand lamplicht, tot nu toe door hem niet was opgemerkt. Gretig stak hij er de hand naar uit, en bracht, tot zijn groote vreugd, een ouderwetsche bruinlederen brieventasch te voorschijn, die heel wat beloofde en waar hij zich terstond mede naar de tafel begaf. De tasch was vrij dik; als nu het doorsnuffelen van den inhoud de moeite maar loonde! hij begon met de zijwangen, vier in getal; de eene bevatte een paar muntbiljetten, die Bleek natuurlijk onaangeroerd liet: hij toch bezat dezelfde nauwgezette eerlijkheid, als de dienstboden in het algemeen onder- ■ scheidt, die zich namelijk er wel voor zouden wachten, zich den halven cent toe te eigenen, dien zij op den grond vinden, en het muntstuk daarom zorgvuldig op de tafel of op den

ocr page 219

hoek van bureau of schoorsteenmantel nederleggen, terwijl zij er zich geen bezwaar van zullen maken, de huishoudelijke uitgaven op het keukenboekje wat hooger te noteeren, dan zij in waarheid bedragen, moeder of zuster op de overgeschotene en den vrijer op de extra-aangeschafte spijzen te onthalen, uit wijnkelder of botervat te krabbedieven wat zij bereiken kunnen, en het lijfgoed van familie of kennissen in de wasch te doen.

Bovendien, de begeerlijkheid van Bleek strekte zich naar iets verder uit dan naar een paar armzalige muntjes: en met den reiger uit de fabel kon hij zeggen:

J' ouvrirais pour si peu le bee! a Dien ne plaise!

De tweede zij-opening in de brieventasch bevatte visitekaartjes : de derde — nieuwe teleurstelling! — een schaartje, een paar elastiekjes, wat genuine English court plaster en wat zwam: de vierde eindelijk .... was ledig.

Leverden de bergplaatsen niets op, dat eenige aandacht verdiende, hoeveel te minder zou dit het geval zijn met hetgeen de moeite niet was waardig gerekend om in een zijwang gestopt te worden. Met dat al, wat het lichaam zelf van de tasch bevatte, waren brieven, en wel, die waarschijnlijk bij elkander behoorden; immers zij waren met een zijden bandje te zamen gebonden; en die brieven konden misschien belangrijke zaken behelzen, al maakte hij dan ook op uit de gele tint van 't papier, dat zij reeds van oude dagteekening waren: een vermoeden, dat hij bevestigd zag, toen hij, het pak losgemaakt hebbende, boven den eersten brief dien hij opende, de dagteekening 21 Mei 1797 zag aangewezen. Oppervlakkig moest het schijnen, dat zulk een oude correspondentie niet veel kon opleveren, wat na het vierde eener eeuw aan Bleek eenig belang kon inboezemen; doch uit de omstandigheid zelve, dat de Heer Van Blinkerswaard die oude brieven bewaard, en na zulk een lang tijdsverloop gestoken had in een tasch, die tot dagelijksch gebruik diende, meende Bleek de gevolgtrekking te kunnen maken, dat de oude man niet alleen prijs stelde op

ocr page 220

208

hetgeen zij bevatteden, maar ze ook nu noodig had, althans tot eenig bepaald oogmerk wilde doen strekken. Bemoedigd zette hij zich aan 't lezen; doch al spoedig begon hij te bemerken, dat ook nu wederom zijn verwachting zou worden teleurgesteld. Die brieven, waarin hij zoo gewichtige zaken hoopte te vinden, waren — minnebrieven.

„Hm!quot; bromde Bleek in zich zeiven: „dat loont ook de moeite niet. Wat kan mij die vrijerij van een halve eeuw geleden schelen, die misschien tot niets heeft geleid?quot;

Hij had echter geen andere tijdkorting en bleef dus voort-lezen, althans de brieven doorloopen.

„Ei! ei!quot; zeide hij toen; „'t schijnt toch tot een huwelijk gekomen te zijn: ik was in de vaste meening, dat de oude grompot zijn leven lang een eenloopend gezel was geweest.quot;

Doch weldra volgden er brieven, van rouwranden voorzien, en zag Bleek uit hun inhoud, dat de huwelijksvreugde niet lang geduurd had en de vrouw jong gestorven was.

Ook dit was hem vrij onverschillig, en bijna gedachteloos — zoowel het voortdurend lezen van dingen, die hem niet schelen konden, als de genuttigde rum had hem slaperig gemaakt — liet hij de oogen dwalen over den verderen inhoud van 't pakket. Doch zie: daar trof hij een paar zinsneden aan, die zijn opmerkzaamheid wekten: hij wreef zich den vaak uit de oogen, en las den brief, waarin die voorkwamen, nog eens over, toen de vorigen, voor zooverre die op het daarin behandelde onderwerp betrekking hadden, toen wat er volgde .... tot het einde der correspondentie toe. Zijn slaap was geweken: — een licht was voor hem opgegaan: hij zou voor zijn arbeid en moeite beloond worden .... en als wijlen Archimedes kon hij zich niet weerhouden in vervoering uit te roepen: „ik heb het gevonden!quot;

Maar nauwelijks had hij zich deze woorden laten ontvallen, of hij schrikte voor zijn eigen stemgeluid: en nog meer, toen plotseling achter hem een zwaar gebrom hem bestraffend in de ooren klonk. Hij sidderde van angst, keek op, zag niets, maar hoorde hetzelfde doffe geluid zich herhalen. Terstond bemerkte hij, hoe hij zich alleen door een ijdel gerucht had

ocr page 221

209

laten vervaren. Het was het gesnurk van den ouden man in de kamer daarnevens, dat hem tot de werkelijkheid des levens had teruggeroepen. Hij begaf zich naar de tusschendeur en luisterde; het benauwde snurken deed zich al sterker en sterker hooren, en Bleek begreep, dat het zaak werd, het voorschrift des heelmeesters te volgen en den slapende te wekken. Hij stak een waslicht op, begaf zich daarmede naar het naaste vertrek en sloeg den grijsaard gade. Werkelijk scheen de pijnlijke trek, die zich op 's mans gelaat vertoonde, gevoegd bij het ratelen van de borst en de beklemde ademhaling een zware benauwdheid bij hem aan te duiden. Bleek riep hem nu, eerst zachtjes, toen luider, bij zijn naam, schudde hem een paar reizen bij den arm en kreeg ten laatste, niet zonder moeite, hem wakker.

„Wat is er?quot; vroeg de oude man, toen hij ontwaakte: „en waarom is zij er niet?quot;

„De meester heeft het gelast, dat ik Mijnheer wekken zou, als hij te vast sliep,quot; zei Bleek: „wil Mijnheer ook eens drinken ?quot;

„Neen; — maar waar is zij toch?quot; vroeg nogmaals Van Blinkerswaard, hem met een norschen blik aanstarende.

„Wie zij?quot; vroeg Bleek, die niet begreep, wie met die zij bedoeld kon worden; „meent u missschien mijn vrouw?quot;

„Je vrouw!quot; herhaalde Van Blinkerswaard, op een toon van

diepe minachting; „ben je mal? Wel neen; die andere, die____quot;

hier wreef hij zich het hoofd, als zocht hij zich iets te binnen te brengen.

Bleek waagde het, een vermoeden te uiten, dat Mijnheer misschien een benauwden droom had gehad.

„Ja, een droom,quot; zeide de oude man; „ik droomde juist, dat zij mij vliegen leerde.... Maar waarom is zij heengegaan ?quot;

„Maar welke zij meent Mijnheer dan toch?quot;

„Wel! natuurlijk zij, die mij weer heeft bijgeholpen.quot;

„O! de meid!quot; riep Bleek; „heeft Mijnheer haar noodig? Wil ik schellen?quot;

IV. - K. Z. 14

ocr page 222

210

Weder speelde de verachtende grijnslach van zooeven op het gelaat van den ouden man: „ik heb de meid niet noodig,quot; zeide hij.

„Maar dan begrijp ik niet,quot; zei Bleek, „wie ter wereld Mijnheer kan bedoelen: er was, toen ik hier kwam, niemand in de kamer dan de dienstmeiden, en ik meende, dat die met haar beiden Mijnheer hadden bijgebracht.quot;

De grijsaard keek peinzend voor zich. „En toch heb ik haar gezien,quot; zeide hij: „'tis waar,quot; vervolgde hij, nadat hij zich een poos het voorhoofd gewreven had als om weg te drijven wat zijn brein benevelde, „Madeline is lang, lang dood. — Zij kon niet hier zijn. — Het moet een zinsverbijstering zijn, een gevolg van mijn val.quot;

„Ongetwijfeld, Mijnheer!quot; zei Bleek.

„Hm!quot; ging de andere voort: „die val heeft mij hoofdpijn gegeven: hoe laat is het?quot;

„'t Zal omstreeks halfvijf zijn,quot; antwoordde Bleek: „Mijnheer had ook misschien beter gedaan, geen rum te drinken.quot;

„Zoo!quot; zeide Van Blinkerswaard, hem in dank voor de geuite gissing een bestraffenden blik toewerpende: „denkje? — Nu! als het dat is .... doop dien handdoek dan eens in de lampetkan en sla mij dien om 't hoofd.quot;

Bleek gevoelde, dat er niets beters op zat, dan 's mans luimen in te willigen, en voldeed aan het gedaan verzoek.

„Zoo!quot; zei de grijsaard: „dat verfrischt: en laat mij nu maar weer wat slapen.quot;

Meteen keerde hij zich om in zijn bed, borg het hoofd in de kussens, en was spoedig weer ingesluimerd.

Bleek bleef aan 't hoofdeneinde zitten luisteren, totdat hij de zekerheid had bekomen, dat de lijder weer sliep. Toen rees hij op en begaf zich met loome schreden weer naaide voorkamer. Zijn eerste werk was, de brieventasch, die, ten gevolge der beweging, welke hij gemaakt had, toen hij straks te voren zoo onverhoeds gestoord was, op den grond gevallen was, weder op te rapen. Doch niet gering was zijn verwondering, toen hij zag, dat, nevens de tasch, een voorwerp

ocr page 223

211

lag, in papier gewikkeld, dat hij te voren niet ontdekt had.

Hij raapte 't op en opende het: 't was een ovaal medaillon, met een miniatuur-portret: een allerliefst meisjeskopje.

Maar Jan Bleek gaf niets om kunst, zoomin als om lieve gezichtjes, en hij was op het punt, dat portret weer in zijn omslag te pakken en weer weg te steken in de geheime bergplaats (die vroeger aan zijn aandacht ontglipt en waar het, bij 't vallen van de tasch was uitgerold), toen hij zich toch onwillekeurig gedrongen gevoelde, het gelaat, dat hij voor zich had, met eenige aandacht te beschouwen.

„Ik ken dat bakkesje,quot; zeide hij; „ik heb die blonde krulletjes en die bruine oogen meer gezien.quot;

Dat dit laatste echter vrij onwaarschijnlijk was, zou al wie eenige kennis had van kunst of van kostumes, terstond geweten hebben, aangezien beide dagteekenden van den tijd van 't Directoire, of voor 't minst van 't Consulaat; — doch op bijzonderheden van dien aard te letten, behoorde niet tot de competentie van Jan Bleek.

„Drommels!quot; vervolgde hij bij zich zeiven: „dat ik dat gezicht nu niet thuis kan brengen! 't komt mij toch zoo bekend voor.quot;

Eindelijk gaf hij 't op: „wat kan het mij ook schelen,quot; zeide hij, en wilde 't portret weer wegbergen, toen hij nog intijds zijn oog liet vallen op 't papier, waarin het gezeten had. Dat papier was beschreven, en nauwelijks had Bleek een paar regels van het daarop voorkomende gelezen, of zijn gelaat helderde op: zijn fletse oogen bekwamen een uitdrukking, die bij flikkeren af was, en hij zou zich in de handen gewreven hebben, indien die bij toeval vrij waren geweest.

„Nu heb ik u aan 't lijntje, oude Heer!quot; zeide hij, nadat hij het stuk ten einde gelezen had: „of mijn naam is geen Jan Bleek meer.quot;

Misschien zullen onze lezers nieuwsgierig zijn te vernemen, wat dan dat papier wTel behelsde, dat onzen koopman zoo belangrijk voorkwam, en bijna zeker zullen zij zich teleurgesteld vinden, als zij vernemen, dat het niet anders was

ocr page 224

212

dan het fragment van een brief van een bij Bleek welbekenden makelaar, die aan den Heer Van Blinkerswaard meldde, dat hij, tot zijn leedwezen, zekere gronden, uitmuntend ter vervening geschikt, niet had kunnen koopen, omdat zij een hooger prijs in openbare veiling gegolden hadden dan de commissie luidde, door gemelden Heer gegeven. Maar op dezen brief, die een nog recenten datum droeg, had onze maat al dadelijk een niet onaardig plannetje gebouwd.

„En nu,quot; zeide hij tot zich zeiven, na brief en medaillon weder behoorlijk geborgen te hebben: „spoedig het noodige uit de correspondentie overgenomen.quot;

En meteen, zijn zakboek voor den dag halende, zette hii zich aan 't opteekenen van zoodanige punten uit de door hem gelezen brieven, als hij noodig achtte te onthouden, en kopieerde o. a. in haar geheel een geslachtslijst, die bij een dier brieven behoorde. Waartoe zoo die brieven als die lijst betrekking hadden, en welk gebruik hij van zijn wetenschap maken wilde, zal later blijken.

„Ziezoo!quot; zeide hij, toen zijn arbeid voltooid was en hij de brieventasch weder op haar plaats gelegd had; „dat is gelukkig klaar. Voorwaar!quot; voegde hij er bij, des onbewust de uitdrukking omkeerende, eens door Titus gebezigd: „ik heb mijn nacht niet verloren.quot;

Hij ging nu in den grooten leunstoel van den Oosterling van zijn arbeid wat uitrusten en tevens over de vermoedelijke uitkomsten daarvan nadenken; doch niet lang duurde het, of hij was in een diepen slaap gevallen, waaruit hij echter weldra gewekt werd door Letje, die, daar de dag was aangebroken, begrepen had, dat het tijd was, zich aan te melden, om de luiken te openen en het stof af te nemen. Niet lang na haar verscheen ook de man en de vrouw des huizes, om te vernemen, hoe het met den lijder gesteld was, en Bleek af te lossen, wiens tijd het werd, naar huis te gaan, ten einde zich te bereiden voor de werkzaamheden, die hem wachtende waren op 't kantoor.

ocr page 225

213

DERDE HOOFDSTUK.

NICOLETTE KEIJGT SCHRIK OP SCHRIK.

Wat was de reden, waarom Mcolette, nadat de oude man tot zijn bewustzijn gekeerd was, de eerste gelegenheid de beste te baat had genomen om de kamer te verlaten, en dat zij er niet was teruggekeerd? Wij onderstellen, dat de schrandere lezer het reeds geraden zal hebben, en zeer goed begrepen, hoe zij in dengenen, die ten huize van Mad. Puri met den naam van Van Blinkerswaard werd aangeduid, den grijsaard herkend had, die bij Van Zirik gegeten en haar zoo vreemd had aangestaard. Dat wij, of liever dat de personages, die door ons sprekende zijn ingevoerd, hem, bij zijn weder-optreden in ons verhaal, met een anderen naam van dien van Flinck hadden genoemd, was aan een zeer natuurlijke oorzaak toe te schrijven, die den lezer insgelijks wel niet raadselachtig zal geschenen hebben. Bleek, die hem aan de Heerlijkheid Blinkerswaard had geholpen, had gevonden dat het voornamer klonk, als hij hem ook onder dien laatsten naam bij de Puri's inleidde. Het gevolg hiervan was dan ook, dat de oude man daar aan huis nooit anders werd genoemd, en dat al zeer licht aanleiding had kunnen ontstaan tot een gelijke verwarring als die in 't l'Ecole des femmes ontstaan uit den toenaam, dien Arnolphe zich geeft van „Monsieur de la Souche.quot; Voor 't overige zou aan zoodanige verwarring de Heer Flinck persoonlijk geen schuld hebben gehad; want hij had er volstrekt geen zwak op, met een weidscher naam te pronken dan dien hij van zijn vader geërfd had, en hij teekende zich altijd, als te voren, eenvoudig „Herman Flinck.quot;

Het zal niemand bevreemden, dat het terugzien van dien grijsaard aan Mcolette op eens weer de ontmoeting voor den geest had gebracht, die zij bij Van Zirik met hem gehad had, en dien avond, op welken zoovele treurige dagen waren gevolgd ; de herinnering had haar een schok gegeven, waarbij zij met

ocr page 226

214

moeite zich nog had weten goed te houden; de gedachte bovendien, dat de Heer Bleek alle oogenblikken komen en haar wellicht herkennen kon, had het haar onmogelijk gemaakt, langer in de voorkamer te vertoeven dan volstrekt noodzakelijk was.

Maar ook nog schrikte zij tegen het denkbeeld, dat het toeval een bekende van Van Zirik met haar in dezelfde woning had samengebracht: intusschen, hij had haar ternauwernood kunnen zien, en toen hij nog maar half bij zijn kennis was, gelijk zij daaruit opmaakte, dat hij haar met den naam van „Madelinequot; had toegesproken. Blijkbaar had hij haar dus niet herkend, en zij hoopte in staat te zijn, in 't vervolg alle ontmoeting met hem te vermijden.

Spoediger echter dan zij er zich op verwachten kon, werd die hoop ten eenenmale verijdeld: nauwelijks was zij aan 't ontbijt gekomen, of dadelijk zeide Mad. Puri tot haar:

„Onze oude Heer wil u met alle geweld bij zich zien.quot;

„Mij?quot; vroeg Nicolette, ontsteld: „wat kan hij met mij te maken hebben?quot;

„Wel! 't is zeer natuurlijk: hij wil u bedanken voor de goede diensten, die je hem hebt bewezen,quot;

„Maar hoe weet hij dan . . ..quot; stamelde Nicolette.

„Mij dunkt, dat is nogal natuurlijk: Gavel is van morgen al vroeg bij hem geweest en heeft toen uitgeweid in den lof van „de Juffrouw, die den ouden man zoo handig had geholpen.quot; — Je moet dus spoedig naar hem toe.quot;

„Isse maar zoo wat, dat ikke dat permitteer,quot; zei Monsieur Puri: „een jonk mooie meissie bij een oude snoepre, dat isse maar 'alve in den 'aak.quot;

„Mais finissez done. Monsieur Puri, avec ces propos inconvenants,quot; viel zijn huisvrouw in.

Nicolette had wel gewenscht, dat Mad. Puri dat voorwendsel van onwelvoeglijkheid, of welk ander ook, maar had laten gelden en haar van het bezoek had verschoond; doch zij zag de moeilijkheid in, om, als de oude man er bepaald op staan bleef, zich aan zijn verlangen te onttrekken, en, zich schik-

ocr page 227

kende in hetgeen onvermijdelijk scheen, volgde zij, zoodra het ontbijt was weggenomen, Mad. Puri, naar boven.

Zij vonden den Heer Flinck reeds opgestaan en in zijn grooten leunstoel bij den haard gezeten. Zoodra hij de beide dames zag binnenkomen, richtte hij de oogen op Nicolette, en zijn gelaat legde de uitdrukking aan den dag eener tevredenheid, als daarop anders zeldzaam werd waargenomen.

„Zoo, jonge Juffrouw!quot; zeide hij, op een toon, die wel iets sarcastisch, maar toch niet onvriendelijk klonk: „ben je eindelijk gekomen? Wel, wel! 't Stond je mooi, een ouden grompot als ik van den grond te rapen en zijn wond te verbinden, en dan weg te loopen eer hij in staat is „dank jequot; te zeggen.quot;

„Ik liet Mijnheer in betere handen dan de mijne,quot; zei Nicolette, beschroomd, hoezeer eenigszins gerustgesteld door den schertsenden toon, dien de oude man jegens haar bezigde.

„In mooie handen!quot; riep hij: „in de handen van zoo'n lapzalver, die niets meer te doen vond, omdat je alles al geredderd hadt, — van een pilledraaier, die naar rabarber rook, — en van dien vervelenden Bleek en zijn temend wijf. — Pleizierig gezelschap. — Maar ga toch even zitten.quot;

Bij deze uitnoodiging keek Nicolette een weinig verlegen en zag Mad. Puri aan.

„O ja! dat's waar!quot; zei Flinck, die toch inzag, dat hij aan het jonge meisje niet voegzaam een stoel kon aanbieden en de matrone laten staan: hy verbeterde zijn misslag op een behendige, en zeker kiescher wijze dan men van hem verwacht zou hebben.

„Madame Puri hoef ik het niet te vragen: die is thuis en geen permissie noodig.quot;

„Wij willen Mijnheer niet lastig vallen,quot; zei Mad. Puri, die haast had en de noodzakelijkheid niet inzag, van 't bezoek te rekken.

„Kom, ga even zitten,quot; hernam Flink; „of anders, als je aan je werk moet, zal ik je niet ophouden, mits die daar nog even blijft: ten minste als zij niet bang is om met een ouden

ocr page 228

216

invalide alleen te wezen: al hebben ze mij wel eens voor een haai uitgescholden, toch zal ik haar niet opeten.quot;

Mad. Puri zag verwonderd op: gewis moest Nicolette al een bijzondere tooverkracht bezitten, dat de ongezellige man, die niemand een oogenblik langer bij zich dulde dan volstrekt noodig was, dus te haren opzichte een uitzondering maakte. „Wel!quot; dacht zij bij zich zelve: „wie weet? hij wil haar misschien een cadeau doen: en 't zou in allen gevalle verkeerd zijn, hem in deze zijn zin niet te geven. — „Nu!quot; zeide zij overluid: „indien 't er zoo mee gelegen is, dan is 't wèl; 't is maar, ik heb nogal wat omhanden, en durf haar wel bij Mijnheer vertrouwen.quot; — Meteen neeg zij en verliet het vertrek.

Nicolette had inmiddels plaats genomen en beefde over al haar leden: zij toch begreep niet, wat Mad. Puri kon bewegen haar dus alleen te laten met dien gevreesden grijsaard.

„Ik geloof waarachtig, dat je bang voor mij bent,quot; zei Flinck, wien de gemoedsgesteldheid van het meisje niet ontging: „maar ik zou immers al het kwaad verdienen, dat zij mij toewenschen, indien ik je met onheuschheid den dienst vergold, dien je mij bewezen hebt.quot;

Er lagen deze reis in den toon, waarop hij sprak, 't geen men werkelijk zachte noten zou hebben kunnen noemen, en die, hoe vreemd het schijnen mocht, doordrongen tot Nico-lettes hart. Neen, die man moest inderdaad zoo boos niet zijn, als hij werd afgeschilderd: — zij gevoelde zich dan ook gerustgesteld, en van hare zijde zag zij hem vriendelijk en welwillend aan. De woorden, die hij nu volgen liet, waren anders wel geschikt geweest om haar van haar stuk te brengen.

„Wij hebben elkander vroeger nog eens ontmoet.quot;

„Ja Mijnheer, ik heb de eer gehad, u bij Mevrouw Van Zirik te zien,quot; zei Nicolette, met een kleur als bloed: „het verwondert mij, dat Mijnheer zich dat herinnert.quot;

„'t Verwondert mij zelf ook,quot; zei Flinck. — „En dus,quot; vervolgde hij, na een korte pauze, „nu ben je hier: — 't beviel

ocr page 229

je zeker niet daarginds: een mal wijf, die Mevrouw Van Zirik!quot;

Mcolette had deze reis den moed niet, of, wil men liever, zij was te beleefd, om hem tegen te spreken. Daarbij was zij wel in haar schik, dat hij, door zelf een gissing te opperen aangaande de reden van haar vertrek uit het huis van Mw. Van Zirik, haar alle verdere uitleggingen daarvan spaarde.

„Maar,quot; vervolgde hij: „'t kwam mij toen al voor, als was het niet de eerste reis, dat ik je zag.quot;

„Ik weet niet, voor dien tijd ooit de eer gehad te hebben____quot;

„Neen: — 't zou ook niet licht hebben kunnen gebeuren.... je bent zeker nooit in de Oost geweest?quot;

„Neen, Mijnheer.quot;

„Nu! toen ik er in 182 . weer heenging, kon je pas geboren zijn geweest. — Hoe heet je?quot;

„Nicolette Zevenster.quot;

„Zevenster!quot; herhaalde Flinck, nadenkend: „neen,quot; vervolgde hij, met een uitdrukking van teleurstelling: die naam is mij niet bekend. — Wel!quot; hervatte hij, na haar een poos stilzwijgend te hebben aangezien : „en je hebt mij dan gisteravond van den grond geraapt — niet waar? — Vertel mij eens, hoe zich dat heeft toegedragen.quot;

Nicolette voldeed, in korte woorden, aan het verzoek.

„En toen ging je heen,quot; zeide hij, „toen je begreep, dat je diensten niet meer noodig waren, en omdat je je niet wildet opdringen, is het zoo niet? — Dat is vreemd: een ander zou gebleven zijn, en niet gehandeld hebben, alsof zij zich schamen moest, een ouden man te hebben geholpen. — Of — was 't berekening?quot; vroeg hij, meer tot zich zeiven sprekende: „was 't om mijn nieuwsgierigheid te prikkelen?quot;

„Ik geloof,quot; zei Nicolette, oprijzende, „dat ik thans Mijnheer niet langer moet ophouden.quot;

„Neen!quot; riep hij, de arm uitstrekkende: „ik dacht hardop; — maar ik weet beter; — ik geloof inderdaad, dat je een uitzondering maakt op den algemeenen regel. — Maar loop dan toch niet weg, — ik heb je nog geen enkel bewijs gegeven

ocr page 230

218

van mijn erkentelijkheid: — en je moet niet kunnen zeggen, dat de oude Herman Flinck een ondankbare vlegel is.quot;

„Flinck!quot; kon zij niet nalaten halfluid te herhalen. Zij had vroeger den man wel gezien, doch nooit zijn naam gehoord, dan nu onlangs die van Van Blinkerswaard : en daarbij klonk die naam van Flinck haar als bekend in de ooren.

„Wel ja,quot; zeide hij, haar verwondering opmerkende: „Herman Flinck is mijn naam: en 't is die gekke zemel-knooper, die mij verdoopt heeft: hij denkt misschien dat ik om titels geef. . . .quot;

Nu schoot het haar opeens te binnen, dat de man van Juffrouw Hermans Wayland Flinck heette, en dat de man, die voor haar zat, vermoedelijk de gevreesde schoonvader was: en het denkbeeld deed haar ontsteltenis terugkeeren.

„Nu!quot; vervolgde hij, „hier heb je wat: koop daar de eene of andere snuisterij voor, tot een gedachtenis aan hetgeen je mij gedaan hebt.quot; Onder het uitspreken dezer laatste woorden had hij uit een beurs, die voor hem op tafel lag, eenige goudstukken genomen, die hij haar toereikte.

„Mijnheer,quot; zei Nicolette, „ik heb niets gedaan, dan wat gewis ieder ander in mijn plaats had verricht. Indien ik een vergelding aannam voor zulk een eenvoudige daad, dan zou ik er de geringe waarde, die zij hebben mag, nog aan ontnemen. Ik ben u niettemin zeer erkentelijk .... en ik hoop u door mijn weigering niet te beleedigen.quot;

„Je weigert,quot; zei Flinck: „ja! 't is waar: ik ben nog een nieuweling in die soort van zaken: ik had moeten bedenken,

dat men aan een jonge juffrouw geen geld mag aanbieden____

maar och! ik ben zoo onhandig en onbedreven, en ik zou niet weten hoe 't aan te leggen om je wat moois te koopen.quot;

„Maar Mijnheer,quot; zei Nicolette: „ik verlang waarlijk geen cad eaux.quot;

„Maar wat verlang je dan?quot; vroeg Flinck: „zie eens, je maakt het mij moeilijk: — ik meende eerst, je waart niet in zoo'n gunstigen financiëelen toestand, of een bagatelletje voor je spaarpot zou je nog wel te pas komen: en toen weer dacht

ocr page 231

219

ik, alle meisjes houden van opschik — en een nieuwe sjaal of een mooie gouden ketting zou je niet onwelkom zijn: — maar dat 's ook al mis: — wat ben je dan voor een extrasoort van wezen?quot;

„Ik ben niet anders als een ander,quot; antwoordde Nicolette, die niet kon nalaten te glimlachen om de verwondering van den ouden man: „inderdaad niet; maar ik zeg alsnog, ik behoef niet beloond te worden voor hetgeen ik met een goed hart heb gedaan: of liever, ik ben genoeg beloond, door u weer zoo goed in orde te zien,quot;

„Jij niet anders als een ander!quot; herhaalde Flinck: „weet je, wat ieder ander zou gedaan hebben? — ieder ander had gedacht: „laat den ouden brompot maar liggen en doodbloeden: er is niets aan zoo'n izegrim verbeurd:quot; — of wel! „ik zal zien, dat ik hem weer bijkrijg, dan kom ik misschien in zijn testament te staan:quot; — of, in elk geval, geen aangeboden belooning afslaan. Dat had ieder ander gedaan; en daarom blijf ik er bij: — jij maakt een uitzondering op de rest van de menschen. — Maar kan ik dan in geen enkel opzicht iets voor je doen? Ik wou je toch gaarne toonen, dat ik op prijs stel wat je voor mij gedaan heb.quot;

Nicolette was gedurende deze toespraak op vreemde wijze aangedaan geworden, en, had zij te voren den ouden man alleen beschouwd als een ruwen, onaangenamen zonderling, zij leerde hem nu van een zijde kennen, die haar een diep medelijden voor hem inboezemde. Wat moest die man al geleden hebben, om zulk een verachting voor het menschdom te hebben opgevat, als uit zijn woorden sprak! — En dubbel daarom trof haar de welwillendheid, waarmede hij haar bejegende, al was de vorm wat ongewoon. Ja, zij voelde zich, hoe vreemd het schijnen moest, tot hem aangetrokken. Haar vrees tegenover hem was geheel verdwenen, en had zelfs, als men zien zal, voor vrijmoedigheid plaats gemaakt.

„Ja,quot; zeide zij, „indien Mijnheer wil, kan hij mij wel een genoegen doen.quot;

„Laat hooren,quot; zei Flinck, terwijl zijn mond zich tot een

ocr page 232

218

van mijn erkentelijkheid: — en je moet niet kunnen zeggen, dat de oude Herman Flinck een ondankbare vlegel is.quot;

„Flinck!quot; kon zij niet nalaten halfluid te herhalen. Zij had vroeger den man wel gezien, doch nooit zijn naam gehoord, dan nu onlangs die van Van Blinkerswaard: en daarbij klonk die naam van Flinck haar als bekend in de ooren.

„Wel ja,quot; zeide hij, haar verwondering opmerkende: „Herman Flinck is mijn naam: en 't is die gekke zemel-knooper, die mij verdoopt heeft: hij denkt misschien dat ik om titels geef. . . .quot;

Nu schoot het haar opeens te binnen, dat de man van Juffrouw Hermans Wayland Flinck heette, en dat de man, die voor haar zat, vermoedelijk de gevreesde schoonvader was; en het denkbeeld deed haar ontsteltenis terugkeeren.

„Nu!quot; vervolgde hij, „hier heb je wat: koop daar de eene of andere snuisterij voor, tot een gedachtenis aan hetgeen je mij gedaan hebt.quot; Onder het uitspreken dezer laatste woorden had hij uit een beurs, die voor hem op tafel lag, eenige goudstukken genomen, die hij haar toereikte.

„Mijnheer,quot; zei Nicolette, „ik heb niets gedaan, dan wat gewis ieder ander in mijn plaats had verricht. Indien ik een vergelding aannam voor zulk een eenvoudige daad, dan zou ik er de geringe waarde, die zij hebben mag, nog aan ontnemen. Ik ben u niettemin zeer erkentelijk .... en ik hoop u door mijn weigering niet te beleedigen.quot;

„Je weigert,quot; zei Flinck: „ja! 't is waar: ik ben nog een nieuweling in die soort van zaken: ik had moeten bedenken, dat men aan een jonge juffrouw geen geld mag aanbieden.... maar och! ik ben zoo onhandig en onbedreven, en ik zou niet weten hoe 't aan te leggen om je wat moois te koopen.quot;

„Maar Mijnheer,quot; zei Nicolette: „ik verlang waarlijk geen cadeaux.quot;

„Maar wat verlang je dan?quot; vroeg Flinck: „zie eens, je maakt het mij moeilijk: — ik meende eerst, je waart niet in zoo'n gunstigen flnanciëelen toestand, of een bagatelletje voor je spaarpot zou je nog wel te pas komen: en toen weer dacht

ocr page 233

219

ik, alle meisjes houden van opschik — en een nieuwe sjaal of een mooie gouden ketting zou je niet onwelkom zijn: — maar dat 's ook al mis: — wat ben je dan voor een extrasoort van wezen?quot;

„Ik ben niet anders als een ander,quot; antwoordde Nicolette, die niet kon nalaten te glimlachen om de verwondering van den ouden man: „inderdaad niet; maar ik zeg alsnog, ik behoef niet beloond te worden voor hetgeen ik met een goed hart heb gedaan: of liever, ik ben genoeg beloond, door u weer zoo goed in orde te zien.quot;

„Jij niet anders als een ander!quot; herhaalde Flinck: „weetje, wat ieder ander zou gedaan hebben? — ieder ander had gedacht: „laat den ouden brompot maar liggen en doodbloeden: er is niets aan zoo'n izegrim verbeurd:quot; — of wel! „ik zal zien, dat ik hem weer bijkrijg, dan kom ik misschien in zijn testament te staan:quot; — of, in elk geval, geen aangeboden belooning afslaan. Dat had ieder ander gedaan; en daarom blijf ik er bij: — jij maakt een uitzondering op de rest van de menschen. — Maar kan ik dan in geen enkel opzicht iets voor je doen? Ik wou je toch gaarne toonen, dat ik op prijs stel wat je voor mij gedaan heb.quot;

Nicolette was gedurende deze toespraak op vreemde wijze aangedaan geworden, en, had zij te voren den ouden man alleen beschouwd als een ruwen, onaangenamen zonderling, zij leerde hem nu van een zijde kennen, die haar een diep medelijden voor hem inboezemde. Wat moest die man al geleden hebben, om zulk een verachting voor het menschdom te hebben opgevat, als uit zijn woorden sprak! — En dubbel daarom trof haar de welwillendheid, waarmede hij haar bejegende, al was de vorm wat ongewoon. Ja, zij voelde zich, hoe vreemd het schijnen moest, tot hem aangetrokken. Haar vrees tegenover hem was geheel verdwenen, en had zelfs, als men zien zal, voor vrijmoedigheid plaats gemaakt.

„Ja,quot; zeide zij, „indien Mijnheer wil, kan hij mij wel een genoegen doen.quot;

„Laat hooren,quot; zei Flinck, terwijl zijn mond zich tot een

ocr page 234

220

spolachtigen lach vertrok, dien een goed opmerker had kunnen verklaren met: „nu zal 't komen: zij is per slot net als al de rest.quot;

„In de eerste plaats . . . zei Nicolette.

„Zoo!quot; zei Flinck, en dacht bij zich zeiven: „'t schijnt, dat er meer dan één verlangen is.quot;

. Dat Mijnheer mij de hand geeft,quot; vervolgde zij.

„Wel, met genoegen,quot; zei Flinck: „is 't anders niet?quot;

Hij voldeed aan het verzoek, en toen hij in zijn dorre, knobbelige vuist het poezele zachte handje van het jonge meisje drukte, voelde hij een gewaarwording, als hij in geen vijftig jaar gekend had. 't Was een streelend, en tevens weemoedig gevoel; hij kon het alleen vergelijken bij dat, hetwelk hij ondervond toen hij als jongeling naar de Oost vertrok en zijn moeder voor 't laatst de hand drukte.

„En nu, verder?quot; bracht hij uit.

„In de tweede plaats,quot; hernam zij, zonder zijn hand nog los te laten, „wenschte ik, dat Mijnheer mij beloofde, voortaan gunstiger over zijn evenmensch te denken dan hij tot heden gedaan heeft.quot;

„Ei zoo!quot; zei Flinck, bitter lachende: „en waarom zou ik dat moeten doen?quot;

„Omdat,quot; antwoordde zij, „de menschen waarlijk zoo boos niet zijn, als zij door u worden voorgesteld.quot;

„Mijn lieve meid,quot; hernam hij, „als je eens achtst'half kruisje achter den rug hebt, en wat meer ondervinding hebt opgedaan, zul je er ook anders over denken als nu.quot;

„Ik ben nog jong van jaren, Mijnheer, dat is waar,quot; zei Nicolette: „maar helaas! ik ben niet jong in ondervinding: ik heb booze, zeer booze menschen leeren kennen; — maar ook menschen, die boven beschrijving goed en weldadig waren, en die hun naaste hielpen zonder andere drijfveer dan christelijke barmhartigheid. Zie je, Mijnheer! daar zijn nu b. v. de twee meiden hier in huis; het kindermeisje heeft net even trouw geholpen als ik, om Mijnheer weer bij te brengen, en de werkmeid heeft het vuur uit haar sloffen geloopen om den chirurgijn

ocr page 235

221

en den apotheker, en Mijnheer Bleek te halen .... en ik ben overtuigd, dat zij bij dat alles aan niets anders gedacht hebben, dan hoe zij u best van dienst zouden kunnen zijn. — Maar om u een voorbeeld uit mijn eigen ervaring te noemen, ik was een hulpelooze wees. Mijnheer! en er zijn lieden geweest, die voor mij gezorgd en meer dan gezorgd hebben, tot ik oud genoeg was om mijn brood te verdienen; ik was, nu kort geleden, hier in Amsterdam gekomen zonder geld of middel van bestaan, en ik heb twee weldadige vrouwen gevonden, die mij als een dochter hebben behandeld: — o! ik zou er u wel een twintigtal kunnen opnoemen, die Mijnheer, zoo hij ze kende, met de menschheid zouden verzoenen.quot;

„En zoo wou je mij bekeeren? vroeg Flinck: — „nu! ik wil 't gelooven, dat ze jou goed hebben behandeld; — maar wie weet welk een geheim doel daarachter school. Ik heb er ook gekend, die men een prix Monthyon waardig zou gekeurd hebben, en wier deugd per slot niets anders bleek te zijn dan vermomde eigenbaat.quot;

„Maar Mijnheer!.... als ik vragen mag, dat je mij zelf zoo vriendelijk behandelt is dat dan ook uit eigenbaat?quot;

Flinck keek een oogenblik versuft over deze vraag: hij herstelde zich echter spoedig: „Ei wat!quot; antwoordde hij: „ik was uw schuldenaar, en ik houd er van, mijn schulden prompt te betalen.quot;

„Was dat uw eenige reden,quot; zeide Nicolette, terwijl zij, met een droevigen blik, zijn hand losliet en ontmoedigd haar arm liet zinken, „dan heb ik mij bedrogen, en is mijn poging om u tot betere gedachten te brengen vruchteloos.quot;

„Je bent een heks van een meid,quot; zei Flinck: „neen voor den d. . . .! 't was mijn eenige reden niet: er komt nog bij, dat het mij genoegen doet, je te zien; waarom, dat weet ik zelf niet: en dat ik er nu zelf schik in zou hebben, als ik zag, dat jij schik hadt: — dus per slot van rekening toch weer egoïsme — anders niet.quot;

„O!quot; zeide zij, hem met een schalkschen lach aanziende: „tegen zulk egoïsme, dat het goede doet, omdat het daarin

ocr page 236

222

behagen schept, heb ik niets in te brengen____en als Mijnheer nu

maar tot de erkentenis wil komen, dat er, behalve hem, nog meer zelfzuchtigen van dien aard bestaan, dan zijn wij 't volkomen eens.quot;

„Vertel mij eens, beste meid,quot; zei Flinck, „wie heeft je de logica geleerd? je redeneert als een professor in 't vak.quot;

„De eenige professor, die mij daarin onderwezen heeft, is mijn hart,quot; zei JSTicolette, „en, wie weet, als Mijnheer dien ook eens raadpleegde.quot;

„Dunkt u? — ik vrees, dat er om mijn hart te veel eelt zit. Xu! — wij zullen zien; maar ik geloof, dat je moeite zult hebben om mij op dat punt tot andere gedachten te brengen.quot;

„Toch wenschte ik dit,quot; zei Nicolette, en, zich buigende, verliet zij het vertrek, in een vrij wat opgeruimder stemming dan waarin zij het betreden had.

„Hoe heb je dien ouden tagrijn zoo weten te begoochelen?quot; vroeg Mad. Puri haar in den loop van dien dag: „hij heeft mij honderden vragen aangaande u gedaan, en ik heb moeite genoeg gehad, om hem zooveel te vertellen en niets meer, dan hij noodig had te weten. Pas maar op, op een mooien dag vraagt hij je nog tot zijn vrouw.quot;

Nicolette schudde het hoofd met een droefgeestigen lach, en dacht van hare zijde na over de ontdekking die zij gedaan had, en of zij niet aan Juffw. Hermans zou vertellen, wie de man eigenlijk was die bij Mad. Puri inwoonde.

Dat op dienzelfden dag Bleek naar de gezondheid des lijders kwam vernemen, zal gewis niemand verwonderen; wel misschien, dat de wond van dezen laatste binnen een paar dagen genoegzaam genezen en alle verdere heelkundige hulp overbodig was. Bleek zag dan ook nu geen reden, om langer te vertoeven met het aanleggen van een der mijntjes, die hij ten koste van des Heeren Flincks geldkist wilde laten springen, en, reeds bij zijn volgend bezoek — hij kon, na de rol van waker zoo dienstvaardig vervuld te hebben, wel niet worden geweerd — begon hij zijn loopgraven aan te leggen, op de navolgende wijze :

„'t Is een natte mist vandaag, Mijnheer Van Blinkerswaard! Onplezierig weer.quot;

ocr page 237

223

„Des te erger voor hen die uit moeten gaan: ik blijf thuis,quot; bromde de grijsaard.

„Ik geloof, dat er sneeuw aan de lucht is. Mijnheer!quot;

„Dat behoef je mij niet te vertellen: ik voel het wel in mijn ingewanden.quot;

„De barometer staat op veranderlijk.quot;

„Dat ziet men meer in dezen tijd van 't jaar: — maar 't is toch niet om mij weerkundige opmerkingen mede te deelen, dat je hier gekomen bent. Mijnheer Bleek?quot;

„Neen zeker niet: — de belangstelling in uw gezondheid----quot;

„Ei wat!quot;

„En het genoegen van uw gezelschap . .. .quot;

„Ja, mijn gezelschap is bijzonder genoeglijk!.... kort en goed. Mijnheer Bleek, komt ter zake!quot;

„Nu ja, ik wil niet ontkennen, dat eigenbelang er ook een deel aan heeft.quot; — Zooveel wist Bleek, dat hij bij den ouden man met geen voorgewende onbaatzuchtigheid behoefde voor den dag te komen.

„Die komt er ten minste voor uit,quot; dacht Flinck.

„Zie je. Mijnheer Van Blinkerswaard!quot; vervolgde Bleek: „ik wil er geen doekjes om winden: ik zoek zoowel mijn voordeel als ieder ander, doch ik ben in één opzicht van anderen onderscheiden, ik waarschuw de lieden vooraf, als ik een aanslag op hun zak kom doen.quot;

„Dat 's heel braaf van je gehandeld,quot; zei Flinck, droogjes weg: „maar ik merk 't anders gauw genoeg. Vroeger of later, 't hooge woord moet er toch uit.quot;

„En dan is 't maar beter, er mee te beginnen, nietwaar Mijnheer?quot;

„Welzeker,quot; antwoordde Flinck, „maar 't beste van alles is, er geheel over te zwijgen.quot;

„Dat zou mijn rekening niet maken,quot; hernam Bleek: „en als Mijnheer het dus vergunt, dan wenschte ik zijn raad wel eens in te winnen aangaande een speculatie, die zich heeft voorgedaan.quot;

„Mijn raad inwinnen? — Ik dacht, je wildet een aanslag-maken op me beurs.quot;

ocr page 238

224

„Nu ja,quot; zei Bleek, „dat is zoo bij manier van spreken____quot;

„Dus alweer een omweg. Je zeidet straks, je woudt beginnen, maar ik merk nog niet, dat je begint; — wat is er aan de hand? Zeker weer de eene of andere nieuwe assurantie-maatschappij, of een reederij, om een baantje van directeur te bezorgen aan een neef, die trouwen moet? — Aan die dingen doe ik niet.quot;

„Daar houd ik mij ook altijd buiten,quot; zei Bleek; „neen, als ik mij ergens in waag, dan is het niet in dergelijke vennootschappen, waar men vooruit weten kan, dat de directeur altijd en in elk geval voordeel, en de aandeelhouders zelden iets anders dan schade bekomen.quot;

„Heel verstandig gehandeld,quot; zei Flinck.

„Ik heb over 't algemeen weinig met industriëele ondernemingen op,quot; hernam Bleek.

„Niet?quot; vroeg Flinck.

„Ja, 't is waar, ik moest dat niet bekennen aan iemand als Mijnheer, die aan 't hoofd van zulke belangrijke industrieën heeft gestaan.quot;

„Ga gerust je gang,quot; zei Flinck.

„Maar 't is een machtig onderscheid, 't eene land of 't andere.quot;

„Precies: je meent, het Gouvernement verzekert ons goede voordeelen, die wij hier missen.quot;

„Neen, dat bedoel ik juist niet,quot; antwoordde Bleek, een weinig verlegen.

„Ik ken dat liedje,quot; hernam Flinck: „maar ga door; ik trek het mij niet aan, en ik ben het volkomen met je eens, dat wie hier in Holland woont en geld heeft, sekuurder gaat, wanneer hij het in solide fondsen belegt, dan dat hij het aan projectenmakers vertrouwt.quot;

„Mijnheer spreekt net in mijn geest: — maar er zijn toch beleggingen, die ook aardige voordeeltjes kunnen opleveren — beter en sekuurder nog dan de fondsen.quot;

„Ja — als je geld op een deugdelijk onderpand schiet, tegen hoogen interest.quot;

ocr page 239

225

„Net wat ik meende,quot; zei Bleek.

„Wat men gewoonlijk „woekerquot; noemt,quot; hernam Flinck, met een sarcastischen blik.

„Hm! ja!quot; zei Bleek; „als men 't op kleeren en snuisterijen schiet, voor een bagatel, dan mag het dien naam dragen; — maar ik bedoel, als men de zaak in 't groot behandelt.quot;

„Ja, dat 's zeker,quot; hernam Flinck: „die een zakdoek rolt, gaat in de doos; maar die een millioen steelt, krijgt het heele firmament op zijn borst.quot;

„Juist,quot; zei Bleek: — „en nu is 't over iets van dien aard, dat ik den raad van Mijnheer wel eens wenschte in te nemen.quot;

„Wat? Over 't stelen van een millioen? — Mijn beste man, als je dat ergens vindt liggen, raap het dan zoo gauw mogelijk op, en loop er mee heen; maar spreek er met niemand over.quot;

„Het doet mij genoegen. Mijnheer zoo welgeluimd te zien,quot; zei Bleek: „maar het bewijs, dat ik geen plan tot stelen heb, kan ik juist daardoor toonen, dat ik aan Mijnheer wensch te vertellen, wat er van de zaak is.quot;

„Zoo! zullen wij er eindelijk toe komen?quot;

„Men heeft mij voor eenigen tijd gevraagd, deel te nemen in een plan om een paar honderd bunders veengrond in exploitatie te brengen.quot;

„Ik heb gezegd,quot; zeide Flinck, „dat ik aan zulke zaken niet deed, en bovendien mijn kapitaal zelf weet te gebruiken. Praat mij dus van geen dergelijke plannen.quot;

„Hm!quot; hernam Bleek: „om u de waarheid te zeggen, de grond is uitmuntend en zal beste turf opleveren, zoo wat quantiteit als qualiteit betreft; maar de onkosten schrikten mij af: er moeten kanalen gegraven worden voor afwatering en afvoer: bruggen, sluizen en duikers gemaakt, enz. enz., — en men kan een jaar of wat wezen zonder rente te trekken van zijn geld, en zoo was 't te voorzien, dat er weinig liefhebbers voor de zaak gevonden zouden worden. Toen is mij een ander voorstel gedaan. Men verlangde, dat ik iemand zou

iv. - k. z. 15

ocr page 240

226

vinden, die genegen was, de benoodigde gelden te leveren, tegen behoorlijke rente en aflossing, met het terrein tot waarborg.quot;

,,Ei? En hoeveel is dat benoodigde?quot;

„Omstreeks anderhalve ton,quot; zei Bleek: — „nu! dat zou een betere zaak zijn; want het land is, naar mijn berekening, drie a vier ton waard.quot;

„Met andere woorden, een leening op hypotheek,quot; zei Flinck.

„Juist: ik had daar nogal ooren naar, en, was ik er bij machte toe, ik zou gerust de geheele som nemen: — maar al wat ik doen dan, is een f 10,000 in de zaak steken.quot;

„Dan moet het slap gaan met je negotie,quot; merkte Flinck aan.

„Dat doet het tegenwoordig ook,quot; zei Bleek: „maar als Mijnheer mijn berekening eens wil volgen: — ik maak acht percent van mijn geld en behoudt het recht aan mij om na tien jaar de obligatie in aandeelen te converteeren; beantwoordt de zaak niet aan de verwachting, dan heeft het land toch altijd waarde genoeg om mijn kapitaal uit den verkoop te halen: — loopt zij daarentegen mede, dan heb ik het in mijn hand, de aandeelen te houden of met winst te verkoopen.quot;

„'tls en blijft een industriëele onderneming,quot; zei Flinck.

„Mijnheer zou 't dus niet aanraden?quot; vroeg Bleek.

„Ik zal mij wel wachten, hieromtrent raad te geven,quot; antwoordde Flinck.

„Ik verzeker u, mijn waarde Heer, dat ik, wat mij betreft, niet aarzelen zou; — maar bij wien vind ik nu het ontbrekende ?quot;

„Dacht je dat altemet bij mij te vinden?quot; vroeg Flinck, hem scherp aanziende.

„Ja,quot; antwoordde Bleek, zonder aarzelen.

„'t Is heel vriendelijk voorgesteld,quot; zeide Flinck.

„Juist: — en, wil ik er u wat bij zeggen? ik zou 't niet doen, indien het mij geen voordeel aanbracht.quot;

„Ei kom!quot;

ocr page 241

227

„Wel ja, ik heb mij een behoorlijk commissieloon bedongen, als ik het geld vond.quot;

„Heb je patent als makelaar?quot; vroeg Plinck.

„Neen,quot; antwoordde Bleek met een scheeven trek om zijn mond, die een glimlach verbeelden moest: „maar van operaties als deze behoeft de Fiscus niets te weten.quot;

„Uitmuntend!quot; riep Flinck: „weetje wel. Mijnheer Bleek, dat je mij begint te bevallen; jij windt er ten minste geen doekjes om, dat je geen zaken doet, louter voor een anders pleizier, maar alleen om er wat aan te verdienen.quot;

„De arbeider is zijn loon waardig,quot; zeide Bleek.

„En dan liever zoomin arbeids tegen zooveel loons mogelijk, nietwaar?quot;

„Ha! ha!quot; ginnegapte Bleek: „Mijnheer is recht vroolijk vandaag; — maar wat dunkt u? Zou Mijnheer geneigd zijn, het sommetje voor te schieten?quot;

„Anderhalve ton! — Je hebt nogal geen ongunstige gedachten van mijn kas.quot;

„Ei wat!quot; riep Bleek: „iedereen weet immers, dat een millioen voor Mijnheer Flinck zooveel zegt als een half duizend voor mij en mijns gelijken.quot;

„Iedereen is een gek, die zijn neus niet in mijn boeken heeft gehad,quot; zei Flinck.

„Maar wel in uw agenda,quot; dacht Bleek.

„Wil ik je eens wat zeggen?quot; hernam Flinck, na een poos te hebben nagedacht: „aandeelen in negotiation neem ik niet: geld op onderpand geven evenmin'; ik trek graag renten van mijn eigen fabriek of mijn eigen land: en als die gronden zoo goed zijn als je beweert, dan koop ik ze liever zelf.quot;

„Dat wist ik,quot; dacht Bleek bij zich zei ven.

„Maar,quot; vervolgde Flinck: „dan dien ik eerst wat meer van de zaak te weten.quot;

„Natuurlijk,quot; zei Bleek: „ik zal de papieren, die er betrekking op hebben, hier laten; dan kan Mijnheer die op zijn gemak eens nazien.quot;

ocr page 242

228

„Victoria!quot; riep Bleek, toen hij van zijn bezoek weder naar huis wandelde, bij zich zeiven: „de snoek zal aan den angel bijten; men moet de lieden maar weten te vangen.quot;

Wat hij intusschen niet aan Flinck verteld had en ook uit de papieren niet blijken kon, was, dat de zoo geroemde 200 bunders aan zijn vrouw behoorden en dat zij, verre van uitmuntenden veengrond te bevatten, gelijk hij dit aan den ouden man had zoeken wijs te maken en gelijk zij dan ook in het prospectus waren voorgesteld, inderdaad niet anders waren dan hei- of zandgrond van de slechtste hoedanigheid, en nauwelijks vijftig gulden het bunder waard: dat de vennootschap 'die ze in cultuur zou brengen, alleen bestond in de verbeelding van hem, Bleek, en dat er zoomin sprake was van eenig plan tot ontginning dier gronden, als van het leegmalen der Zuiderzee.

Maar was de oude en sluwe Herman Flinck werkelijk de man, om zich door iemand als Jan Bleek een rad voor de oogen te laten draaien en geld te geven voor gronden zonder waarde? Al klonk dat onwaarschijnlijk, toch zou het nog zulk een groot wonder niet geweest zijn. Hoe dikwijls geven lieden, van wie men niets dan verstandige handelingen verwachten zou, geen stof tot verbazing over de lichtgeloovigheid, waarmede zij zich hebben laten bedotten! Ja doorgaans valt het minder zwaar dan men denkt, lieden beet te nemen, die veel vertrouwen hebben op hun doorzicht en ervaring; mits men de kunst versta, hen in hun zwak te tasten, en hen te doen gelooven, dat zij- geheel vrijwillig en na rijp overleg toetreden en niet zwichten voor eenige overreding van anderen. En wat nu Flinck betrof, de man, hoe wantrouwend ook van aard, was toch niet op de gedachte gekomen, dat Bleek in zijn papieren gesnuffeld had. en er op die wijze achter geraakt was, dat hij, Flinck, een veenderij had willen koopen. Met dat al was het er verre van af, dat onze Oosterling den koop zoo maar dadelijk en zonder verder onderzoek meende te sluiten: en wat de uitkomst was van dat onderzoek, zullen wij nader zien. Zeker is het, dat, na zijn door ons beschreven onderhoud

ocr page 243

229

met Bleek, deze nog herhaaldelijk bij hem werd toegelaten, en dat, over 't algemeen, zich de oude Heer minder menschen-schuw, minder stroef en onhandelbaar betoonde, dan tot dien tijd. Waar dit aan moest toegeschreven worden, daarover waren de meeningen verdeeld. Mile. Susanne, Letje en Koosje beweerden, dat zulks een gevolg was van het bloedverlies; Mad. Puri daarentegen gaf er de eer van aan Nicolette. Immers, dat deze een machtigen, ja voor iedereen onver-klaarbaren invloed op den ouden Heer verkregen had, daaraan viel niet te twijfelen. Schier dagelijks wilde hij haar zien — en kwam zij niet bij hem, dan ging hij haar in haar kamertje opzoeken en een praatje met haar maken. Doch ook Nicolette van hare zijde had genegenheid opgevat voor den grijsaard, en, verre van bevreesd voor hem te zijn. gelijk in den beginne, bevond zij zich tegenover hem op haar gemak, ja uitte zij haar gedachten, en bestreed zelfs zijn meeningen en denkbeelden, met een vrijmoedigheid, die haar zelve verbaasde. Doch hij van zijn kant lokte die vrijmoedigheid uit: hij schepte er behagen in, wanneer zij somtijds hem als een kind beknorde over het bezigen van deze of gene ruwe uitdrukking, of over deze of gene door hem begane grofheid; maar, tegen wie hij zich die ook mocht veroorloven, tegenover het jonge meisje gedroeg hij zich altijd als een lam. In 't kort, de rollen waren omgekeerd, en, verre dat Nicolette meer bang was voor hem, was hij het voor haar.

Hoe gaarne zou het jonge meisje van den invloed, dien zij op den grijsaard verworven had, hebben gebruik gemaakt, om hem gunstig aangaande de Wed. Hermans en haar zoon te stemmen! En toch — het onderwerp was van zoo teeren aard, dat zij er niet over dorst beginnen, althans niet, zoolang er geen bepaalde aanleiding toe gegeven werd. Misschien had zij er meer kracht toe gevonden, indien zij ware aangemoedigd geworden door Mw. Hermans of door haar zoon; maar het tegendeel was het geval. De weduwe had, ondanks haar zachtzinnige inborst, een gevoel van wrok tegen haar schoonvader behouden. Al mocht zij hem zijn handelwijze jegens

ocr page 244

230

haar en haar man hebben vergeven, zij kon hem niet vergeven, dat hij, middellijk, de oorzaak geweest was van den dood van haar kind. Zij huiverde op het noemen van zijn naam en zij had zich dikwijls tegenover Nicolette uitgelaten, dat, zoo de man ooit in Amsterdam kwam, zij den dood op het lijf zou krijgen als zij hem met kennis ontmoette. Dit wetende, had het jonge meisje zich wel gewacht, haar mede te deelen, dat de Heer Van Blinkerswaard en de Heer Flinck een en dezelfde persoon waren, en Albert, die 't wist, had zulks vroeger voor zijn moeder verzwegen. Wat dezen laatste betrof, Nicolette zag hem alleen dan, wanneer hij zijn moeder op een avondbezoek brengen en weer halen kwam; maar zooveel was haar toch gebleken, dat hij, nog sterker misschien dan zijn moeder, tegen zijn grootvader was ingenomen, en er volstrekt niet op gesteld, eenige betrekking met hem aan te knoopen. Aldus stonden de zaken, toen wederom iets plaats had, dat aan Nicolette, die nu een betrekkelijk vrij rustig leven leidde, een nieuwen schok moest geven.

Het geval droeg zich op de volgende wijze toe. Mad. Puri was door een verkoudheid aangetast, die wel geen zorgen baarde, doch waarvoor zij toch een paar dagen het bed moest houden: de zorg voor den winkel berustte dus voornamelijk op Mile. Susanne: en het was onder deze omstandigheden, dat, op een ochtend, Letje bij Nicolette kwam, met de boodschap, of de Juffrouw even beneden wilde komen.

„Wat is er aan de hand?quot; vroeg Nicolette.

„Er bennen twee dames op 't maag-azijn, weet u? en Madame leit te bed, weet u? en zoo is er niemand, weet u? om ze te woord te staan.quot;

„En Mademoiselle Susanne dan?quot;

„Ja, weet u? Mamzei Susanne is bezig om zich te kleeden, weet u? Zij zal in een ommezien klaar zijn, weet u? maar zij vraagt, of de Juffrouw 't zou kunnen schikken, weet u? om eventjes de dames zoo veul als aan de praat te houen, weet u?quot;

Nicolette had maar half zin in de boodschap! doch zij gaf

ocr page 245

231

toe en ging naar beneden. Toen zij den winkel binnentrad, bevond zij zich tegenover Bettemie, Mevrouw Mietje en — Maurits.

Doch eer wij het tooneel beschrijven, dat hier volgde, vinden wij ons verplicht te verhalen, welk toeval deze drie personages juist nu en te zamen ten huize van Mad. Puri gevoerd had.

VIERDE HOOFDSTUK.

MEVEOUW MIETJE VAN EYLAE EN MAUEITS TE AMSTERDAM.

„Welk een aangename verrassing! was de uitroep van Bettemie geweest, toen zij, in haar kamer zittende, Mevrouw Mietje met Maurits had zien binnentreden.

„'t Is zeer vriendelijk van u, het zoo te willen opnemen,quot; zei Mevrouw Mietje: „en onze onbescheidenheid te verschoonen, dat wij, zoo vroeg en voor het gewone visite-uur, u in uw bezigheden komen storen.quot;

„Noem dat geen stoornis, lieve Mevrouw!quot; hernam Bettemie: „ik ben maar al te verheugd, u te zien: en aan dit genoegen zou ik gaarne alle bezigheden opofferen, gesteld dat ik er had. 't Is mij te aangenamer u hier te zien, omdat zulks mij tot een bewijs strekt, dat uw gezondheid tegenwoordig heel goed is; — en mijn vriend Maurits maakt het ook goed nietwaar?quot; — Meteen stak zij hem hartelijk de hand toe.

„Ja, mijn gezondheid, daar valt juist niet op te roemen,quot; zei Mw. Van Eylar: „integendeel, de reden dat ik hier kom, is, om Prof. S. te raadplegen over mijn gestel. Ik weet wel, dat het eigenlijk een dwaasheid is, zooveel moeite te doen voor zulk een onbeduidend en nutteloos voorwerp als ik ben: maar Mijnheer Van Eylar begeert het, en ik geef toe, al heb ik weinig vertrouwen in zulk een consult met iemand, die mij nooit gezien heeft en mij niet kent. Wij komen nu juist van hem vandaan: ik kan niet anders zeggen, of de man is mij wel bevallen; heel attent! en doet allerlei vragen, veel

ocr page 246

232

meer dan een ander mij ooit gedaan heeft. — Maar och! 't zal niet veel baten. Ik weet, dat ik zwak ben, en dat ze mij toch niet zullen opknappen; en er zou dan ook niet veel aan verbeurd zijn; maar Mijnheer wil het, en ik onderwerp mij.quot;

Bettemie kende Mw. Mietje te lang, om veel gewicht te hechten aan haar jammerklachten en aan haar betuigingen van onwaardigheid; zij zeide dus alleen:

„Mijnheer Van Eylar heeft gelijk. Mevrouw, dat hij niets onbeproefd laat wat misschien strekken kan tot bevordering van uw herstel. En heeft Mijnheer u vergezeld?quot;

„Neen,quot; antwoordde Mw. Mietje: „hij is naar een vergadering van 't dijkbestuur, en je weet bovendien, dat hij niet van Amsterdam houdt; maar nu trof het, dat Maurits van Marlheim terug was en de vriendelijkheid had, zich aan te bieden om mijn cavalier te wezen.quot;

„Van Marlheim terug,quot; herhaalde Bettemie: „toch niet voorgoed ?quot;

„Neen,quot; antwoordde Maurits, lachende: „zij hebben mij niet weggejaagd: maar Sire heeft mij de eer aangedaan, mij tot zijn ordonnans-officier te benoemen, en zoo ga ik in de volgende week naar Den Haag.quot;

„Zoo!quot; zei Bettemie: „c'est une autre paire de manches! en ik feliciteer u wel; maar — eer ik het vergeet, nu blijf je hier toch dejeuneeren, nietwaar? Zie, ik vind het toch recht lief van u, dat je mij de voorkeur geeft.quot;

„Je moet niet denken,quot; zei Maurits, „dat wij uw welwillendheid alleen inroepen om ons den kost te geven: wij zullen die voor vrij wat gewichtiger dingen noodig hebben. Wij moeten natuurlijk mutsen hebben, en kraagjes, en een winterhoed, en de Hemel weet wat al meer, en rekenen wij er op, in u onze leidsvrouw te vinden naar de winkels, die in al die vakken 't best gesorteerd zijn.quot;

„Ik ben tot uw dienst,quot; zei Bettemie: „maar je wilt toch hier wel eten ook, nietwaar? dan zal ik het Oom gaan zeggen.quot;

ocr page 247

233

„Neen, dat niet,quot; zeide Mw. Mietje: „wij hebben tegen drie uren wat eten in 't logement besteld; want wij moeten met den trein van vijven weer naar Utrecht, waar ik bij mijn zuster logeer, en dan morgen weer naar Hardestein.quot;

Bettemie begreep, niet verder te moeten aandringen en bepaalde zich met het geven van de noodige bevelen voor het déjeuner; waarna zij haar gasten bestormde met vragen, betreffende de vrienden, die zij op Hardestein had: al hetwelk aanleiding gaf tot een onderhoud, dat onder de koffie werd voortgezet en wel voor haar zeer belangrijk was, doch het minder voor den lezer wezen zou.

„En ben je nu werkelijk van zins, Maurits,quot; vroeg Bettemie, toen het déjeuner nagenoeg ten einde liep,quot;„ons op de wandeling te vergezellen? Wat zul jij bij de march an des de modes doen? Of heb je daar ook wat te koopen?quot;

„'t Schijnt,quot; zei Maurits lachende, „datje bijzonder op mijn gezelschap gesteld bent, maar mij nog beter kunt missen.quot;

„Foei! dat is een leelijke onderstelling van u,quot; zei Bettemie: „maar inderdaad, ik weet, dat het den Heeren altijd verveelt, de praatjes aan te hooren, die vrouwen in een modewinkel voeren: — en ik dacht, dat je daaromtrent wel geen uitzondering zoudt maken.quot;

„Wat zal ik je zeggen?quot; zei Maurits: „ik ben eenmaal hier met mijn zuster en beschouw mij als de service. Denk je, dat het bezoeken van wachtposten vermakelijker is dan dat van winkels, of dat een quaestie, a propos van het ratjetoe gerezen, mij meer belang inboezemt dan een quaestie over een canezou of een echte sjaal? — Ik weet bovendien niet, waar ik op dit uur van den dag hier in Amsterdam heen zou loopen: en, wat de deur toedoet, ik heb je in lang niet gezien, Bettemie, en ik wil derhalve zoolang van je gezelschap profi-teeren als mij maar mogelijk is.quot;

Deze laatste woorden sprak hij op zoo hartelijken toon uit en zij gingen van zulk een vriendelijken blik vergezeld, dat Bettemie aan de oprechtheid daarvan niet kon twijfelen.

„Ziedaar nog het beste wat je van morgen gezeid hebt,

ocr page 248

234

Maurits!quot; zeide zij; „en zoo dat het geval is, heb ik er niet alleen niets tegen, dat je onze geleider zult zijn, maar ik verzoek er u zelfs om. Maak ik het nu weer goed bij u?quot;

„Je weet wel, dat je 't bij mij nogal niet licht verkerven kunt,quot; zei Maurits: „daar zijn wij te oude vrienden toe, Bettemie.quot;

„En dat zullen wij, hoop ik, altijd blijven,quot; zeide deze, hem met een oog van meewarigheid beschouwende; want zij vond, dat hij, die vroeger altijd zoo onbezorgd en opgeruimd placht te zijn, thans, in weerwil van zijn scherts van zooeven, iets ernstigs en droefgeestigs had. Half giste zij de reden; immers, te Hardestein zijnde, had zij niet kunnen nalaten, de neiging van den jongeling voor Mcolette te bespeuren, en zoo vermoedde zij thans, dat het onverklaarbaar verdwijnen van het meisje wel de oorzaak kon zijn van zwaarmoedigheid; zij dorst het onderwerp echter niet aanroeren, vooral niet in tegenwoordigheid van Mw. Mietje, en nu deze er niet over begon. Evenzeer belette haar die tegenwoordigheid, aan Maurits te vragen hoe hij over Drenkelaer dacht: wat zij wellicht anders gedaan zou hebben: te meer, omdat zij eenigszins verwonderd was, dat hij den naam van den man, dien hij als zijn vriend op Hardestein gebracht had, niet eenmaal noemde. Zij begon te vreezen, dat er eenige verkoeling tusschen hen beiden had plaats gehad: en inderdaad, die vrees was niet ongegrond. Er was veel in de gedragingen van Drenkelaer tijdens diens verblijf te Hardestein geweest, dat Maurits had tegengestaan: al scheen het, dat het met de plannen, welke de substituutgriffier tegen de deugd van Nicolette beweerd had te zullen smeden, nooit tot een begin van uitvoering gekomen was, toch zal men zich herinneren, hoe de bloote vermelding van die plannen reeds op den avond van Drenkelaers komst op Maurits een onaangenamen indruk had gemaakt, die niet was weggenomen sedert dat deze laatste zelf op het meisje verliefd was geworden: ook in andere opzichten was hem Drenkelaer niet meegevallen, en sedert beider terugkeer naar Marlheim, had, ofschoon zij elkander dagelijks ontmoetteden, de toon van ge-

ocr page 249

235

meenschap, die vroeger tusschen hen heerschte, voor dien dei-onverschillige beleefdheid plaats gemaakt.

Had Bettemie van hare zijde een vertrouwelijk gesprek met Maurits wenschen te voeren, hij van zijnen kant zou ook niet ongeneigd zijn geweest, zijn hart uit te storten bij iemand, die hij voelde, dat hem begrijpen zou: en ook hem hinderde daarom eenigszins de tegenwoordigheid zijner schoonzuster. — Maar ook deze laatste was maar half op haar gemak; zij had gedacht, dat er nu van een huwelijk tusschen die twee wel nooit sprake meer zou kunnen zijn, dat Maurits niets voor Bettemie, en Bettemie niets voor Maurits gevoelde, en dat alzoo haar protégée, Clara Van Sporkelberghe, weder eenige kans zou kunnen krijgen: — en daarom misviel haar die toon van innige vertrouwelijkheid tusschen de beide jonge lieden, ja gevoelde zij er een weinig berouw over, dat zij hem naar Amsterdam had medegebracht, of althans, dat zij haar anker bij Bettemie had laten vallen. Wellicht had zij dit ook in geen geval gedaan, indien zij bekenden in de hoofdstad geweten had, met wie zij op even gemeenzamen voet verkeerde en bij wie zij zich dus in den vroegen morgen had durven aanmelden.

De koets, die Bettemie besteld had om boodschappen mee te ryden, kwam voor, en het drietal trok uit, eerst naar een paar andere winkels, en toen bij Madame Puri, waar de ontmoeting plaats had, aan het slot van ons vorig hoofdstuk vermeld.

Die ontmoeting werkte op alle vier als een electrieke schok, doch geheel verschillend bij ieder. Terwijl Mw. Van Eylar de lippen naar binnen trok en stijf tegen elkander drukte, te gelijk een stap terugdoende alsof zij op een adder had getrapt, deed Bettemie onwillekeurig een stap voorwaarts, met een half-gesmoorden kreet van blijdschap. Maar hoe schrikte zij, toen Nicolette, na een wijl het drietal met een verwilderden blik te hebben aangestaard, doodelijk bleek werd, over al haar leden begon te beven, en, terwijl zij met de eene hand op de toonbank steunde, de andere aan 't hoofd bracht, alsof zij daar

ocr page 250

236

hevige pyn voelde; waarna zij achterover neerzakte op een tabouret en luid begon te snikken.

En Maurits? — Maurits was zoo bleek als een laken geworden en stond, gelijk vastgenageld op zijn plaats, krampachtig den hoed, dien hij in de hand had, uit zijn fatsoen te knijpen.

Degene van de vier, die 't kalmste bleef bij 't geval, was natuurlijk Mw. Mietje. Een ontevreden blik op Bettemie slaande, voegde zij haar op een verwijtenden toon toe:

„Je hadt mij niet gezeid, dat ik kans had, dat mensch hier te ontmoeten.quot;

„Nicolette hier!quot; riep Bettemie, zonder acht te slaan op de ontevredenheid van Mw. Van Eylar, en zich naar het meisje begevende: „jij hier! en wat is er toch, dat u zoo aandoet ?quot;

„Ne le lui demandez pas, et laissons la cette malheureuse,quot; zei Mw. Mietje, haar arm op die van Bettemie leggende.

„Qui, bi en malheur euse,quot; snikte Nicolette, aan het woord, hoezeer het als zelfstandig naamwoord, en alzoo in een hoogst ongunstigen zin gebezigd was, de meer algemeene beteekenis gevende, die het als adjectief bezit: „mais innocente,quot; voegde zij er bij.

„Daar had ik op gezworen,quot; riep Maurits uit.

Blik van hevige verontwaardiging, waarmede zijn schoonzuster hem aanstaarde, onder den uitroep: „mais Maurice!quot;

Maar, van de andere zijde der toonbank, blik van innige dankbaarheid, dien Nicolette, tusschen haar tranen door, op hem wierp.

„Wees toch bedaard, Nicolette!quot; zei Bettemie, in groote verlegenheid nu her- dan derwaarts kijkende.

Maar terwijl het viertal zich dus over elkander bevond, ieder verlegen met zijn figuur, en Mw. Van Eylar zich juist oinkeerende om de deur uit te gaan, klonk het onverhoeds: „mille pardons mesdames, de vous avoir fait at tend re,quot; en trad Mile. Susanne binnen, doch die ook op

ocr page 251

237

hare beurt verlegen staan bleef op het zien van de verwarring, die bij de aanwezigen heerschte en waar zij niets van begreep. Nauwelijks had Mcolette haar komst bespeurd, of zij hief zich langzaam op en waggelde de kamer uit.

„Wij zullen, dunkt mij, best doen, ons te verwijderen,quot; zei Mw. Mietje tegen Bettemie, „en terug te komen, als Mad. Puri eens zelve te spreken is en zij zulke menschen niet in huis heeft.quot; En meteen nam zij den arm van Maurits, die haar werktuigelijk volgde. Mile. Susanne, die niet wist, of zij den uitval op zich zelve of op een ander moest toepassen, keek Mw. Van Eylar niet weinig verstoord na; doch Bettemie liep op haar toe en fluisterde haastig:

„Die Juffrouw, die zooeven hier was, is ongesteld geworden: zeg haar, dat zij wel nader van mij hooren zal.quot;

Dit gezegd hebbende, snelde zij Mw. Mietje achterna, die reeds in 't rijtuig zat en die verzocht, terstond gebracht te worden naar den Doelen, waar zij haar tijdelijken intrek genomen had. Zoo ongelukkig zagen beiden, Mw. Van Eylar en Maurits, er uit, zij ten gevolge harer verontwaardiging, hij ten gevolge van den indruk, dien het weerzien van Nicolette op hem gemaakt had, dat Bettemie geen van beiden ondervragen dorst, en geen woord werd onderweg door een van drieën geuit.

Aan het logement gekomen, voegde Mw. Mietje, bij 't uit het rijtuig stappen, aan Bettemie een woord van kouden dank toe, dat tevens voor afscheid moest gelden; doch de Freule Van Doertoghe, te fler en tevens te nieuwsgierig, om zich op die wijze te laten afschepen, volgde de Gravin onmiddellijk na, en tot in de slaapkamer, waar zij zich had heen begeven.

„Vergeef mij,quot; zeide zij toen, „indien ik op die wijze geen afscheid van u nemen kan. Ik zou niet gaarne zien, dat Mevrouw mij verdacht hield, haar willens en wetens in de tegenwoordigheid gebracht te hebben van iemand, die haar onaangenaam schijnt te zijn. Ik wist niet, dat Nicolette zich ten huize van Mad. Puri bevond, en evenmin, dat zij uw

ocr page 252

238

gunst zoozeer verbeurd had, als mij nu blijkt het geval geweest te zijn.quot;

„Ziezoo!quot; zei Mw. Mietje, zonder op de betuigingen van Bettemie veel acht te geven: „daar ben ik nu te Amsterdam gekomen om een geleerde over mijn gezondheid te raadplegen, en daar moet ik een ontmoeting als deze hebben, die alleen in staat ware, mij ziek te maken. Neen, ik neem het u niet kwalijk. Bettemie! dat je 't niet wist; — maar wel, dat je nog medelijden toont met zoo'n kreatuur.quot;

„Maar wat heeft zij dan toch gedaan?quot; vroeg Bettemie.

„Ah! — ne le demandez pas,quot; zeide de Gravin: „en dan, Maurits ook, die zich zoo dwaas aanstelt en, in plaats van haar direct den rug toe te keeren, nog belangstelling in haar toont! Ja! ik heb het van den beginne wel zien aankomen, dat de komst van dat mensch te Hardestein niets dan leed zou brengen: ik weet, dat ik maar een dom schepsel ben; maar 't komt toch uit, als ik gezegd heb — en ik kan niet begrijpen, hoe Mijnheer Van Eylar nog schijnt te twijfelen aan haar schuld. — En omdat Mw. Van Zirik nu slecht is, is dat schepsel daarom braaf?quot;

Van deze vrij onzamenhangende diatribe van de Gravin achtte Bettemie alleen dit waardig om onthouden te worden, dat n. 1. de Graaf Van Eylar nog niet overtuigd was van Nicolettes wangedrag.

„Kan ik ook nog iets voor u doen?quot; vroeg zij, het noode-loos achtende, een gesprek voort te zetten, dat blijkbaar aan de Gravin zoo onaangenaam was.

„Ik dank u,quot; antwoordde deze: — „wil je zoo vriendelijk zijn, zeg dan aan Maurits, dat hij mij laat waarschuwen als 't eten op tafel staat: ik weet niet, of ik wel wat gebruiken zal: ik zal zoolang maar in mijn kleeren wat op het bed gaan: ik voel, dat ik een razende hoofdpijn heb. Adieu! — ik dank u nog wel voor uw vriendelijkheid.quot;

Bettemie verliet de Gravin; zij verlangde met Maurits te spreken, en, gelijk zij verwachtte, trof zij hem beneden in 't voorportaal aan, driftig heen- en weer loopende. Zoodra had

ocr page 253

239

hij haar echter niet gezien, of hij snelde naar haar toe en, zonder een woord te wisselen, als gedreven door een weder-zijdsche behoefte om elkander hun gewaarwordingen mede te deelen, gingen zij de eetzaal binnen, die openstond, en waar zich niemand op dat tijdstip bevond.

„Wat is er toch met Nicolette gebeurd?quot; was de eerste vraag van Bettemie.

„O vraag het mij niet,quot; antwoordde de jongeling, wiens gemoedsbewegingen te heviger uitbarstten, naarmate hij die meer in 't bijzijn van zijn schoonzuster had zoeken te bedwingen.

„Is quot;t.. . . van .... een slecht gedrag?quot; vroeg Bettemie, aarzelende.

„O! erger nog....; vraag het niet: ik kan u niet zeggen, welke afschuwelijke dingen men haar ten laste legt: en toch, 't is onmogelijk, Bettemie!quot; hier drukte hij krampachtig de hand: „nietwaar, 't is onmogelijk.quot; — En hij schreide als een kind.

Er is iets treffends in, een man tranen te zien storten. Bettemie weende, toen zij 't Maurits doen zag, en zeide, op een toon van innig medegevoel:

„Je had haar dan wél lief?quot;

„Met al de krachten mijner ziel,quot; zeide Maurits: „en ik heb haar nog lief, Bettemie! — dank voor uw medelijden.quot;

„Maar Maurits! bedenk, indien zij uwer nu niet waard is? Zie je, je weet, wij kennen mekaar zoolang — en ik beschouw je zoo wat half en half als een broer — ik vind u een veel te goeden jongen om u ongelukkig te zien ten gevolge van een verkeerd geplaatste affectie.quot;

„Maar geloof je dan aan haar schuld?quot; vroeg Maurits.

„Zooals ik haar heb leeren kennen,quot; antwoordde Bettemie, „komt het mij ongelooflijk voor, dat zij zich werkelijk zoo grof zou vergrepen hebben als uw schoonzuster schijnt te denken. Maar

Le vrai peut qnelquefois n'être pas vraisemblable,

en wanneer noch Dominee, noch uw broeder, die zooveel van haar hielden, het voor haar durven opnemen, dan moet ik.

ocr page 254

240

die niet op de hoogte ben van de zaak, mijn oordeel wel opschorten.quot;

„Ach! dat ik haar maar vijf minuten kon te spreken krijgen,quot; riep Maurits.

„Heb je haar ooit gezegd, dat je haar liefhadt?quot; vroeg Bettemie.

„Dat heb ik,quot; antwoordde Maurits.

„En zij?quot;

„Zij heeft mijn aanzoek afgeslagen,quot; zeide hij, op neerslach-tigen toon.

„Afgeslagen!quot; herhaalde Bettemie, met verwondering: „ik meende toch bespeurd te hebben, dat.... doch dat's hetzelfde. — Maar, in dat geval, welke aanspraken zou je dan kunnen doen gelden, om haar op te zoeken en te ondervragen?quot;

„Geen de minste, ik beken het! — en toch, die onzekerheid .. ..quot;

„In uw verhouding over en weer,quot; hernam Bettemie, „zou elke stap, uwerzijds gedaan om tot haar te komen en haar te ondervragen, geheel ongepast en verkeerd zijn. Ik begrijp, dat het u grieven moet, iemand, op wie je eenmaal je zinnen hadt gezet, met schijn van grond te hooren beschuldigen: den afgod, waarvoor je laagt neergeknield, in 't stof te zien verbrijzelen: den glans van die bloem, door u bewonderd, te zien bezoedelen; — en te gevoelen, dat, bij dat algemeene koor van hoon en laster, uwe stem geen gezag heeft om zich te doen hooren en de lasteraars te overschreeuwen; ja, dat moet hard zijn, dat i s hard; — maar wapen je met geduld, Maurits, eens komt de waarheid aan 't licht, en geloof mij, 't zal aan mij niet falen om die te ontdekken en Nicolette te verdedigen, zoo zij werkelijk onschuldig is; want zie je, ik ook, ik heb behoefte om aan haar onschuld te gelooven: en, geloof mij, is zij ten onrechte beticht, dan zal ik haar partij durven nemen: — mij kan niemand van bijoogmerken verdenken.quot;

Hier lei het binnentreden van een bediende, die de tafel kwam dekken, Bettemie het zwijgen op en maakte een eind aan het gesprek.

ocr page 255

241

„Nu vaarwel!quot; zeide zij, terwijl zij zich naar haar rijtuig hegaf: „je zult wel nader van mij hooren.quot;

„Je belooft mij,quot; zei Maurits, terwijl hij haar uitgeleide deed, „dat je alles doen zult wat in uw vermogen is, om het lot van die ongelukkige te verzachten.quot;

„Alles voor zoover mij dit betaamt,quot; antwoordde Bettemie, hem de hand tot afscheid drukkende: „vertrouw daarop.quot;

„Dank, Bettemie! dank,quot; hernam hij, haar meteen in haar rijtuig helpende.

„Bij Madame Puri,quot; zeide zij, bij 't instappen, tegen den koetsier, en Maurits zond, op 't hooren van dien last, haar een dankbaren blik na.

Het lag in de bedoeling van Bettemie, niet terstond naar Nicolette te vragen, maar eerst een gesprek met Mad. Puri te hebben, en te trachten van haar te vernemen, hoe en wanneer Nicolette bij haar was gekomen en wat zij nopens deze vertellen kon. Toen zij daarom aan het magazijn gekomen was, begreep zij, uit overweging, dat zij bij haar bezoek van een uur te voren, Mad. Puri niet gezien had en deze dus misschien niet in de stad was, niet uit het rijtuig te stappen alvorens daaromtrent zekerheid te hebben, en gaf haar knecht last om te vragen of de vrouw des huizes te spreken was. Na een vrij langdurig gesprek tusschen den knecht en Letje, die aan de deur gekomen was, ging deze naar binnen, en kwam na verloop van eenige minuten weder terug, met de boodschap, dat Madam te bed lag wegens verkoudheid, maar toch plan had om op te staan, en dat, als de Juffrouw wat wachten kon, zij dan tot haar dienst zou zijn.

„Heel goed!quot; riep Bettemie de dienstmaagd toe, „zeg dan, dat ik over een half uur terug zal komen. — Naar Juffrouw Van Marsden,quot; vervolgde zij, tot haar bediende sprekende. — Bettemie behoorde onder die vrij zeldzame lieden, die niet gaarna een oogenblik verloren laten gaan, en, dewijl zij toch eens wilde vernemen, hoe haar vriendin Ernestine, die wat ongesteld was, het maakte, en deze in de buurt woonde, begreep zij het vrijvallend half uurtje juist goed te kunnen gebruiken, met een bezoek bij haar af te leggen.

ocr page 256

242

Aan de woning van den Heer Van Marsden gekomen en afgestapt zijnde, vernam zij van de meid, die haar opendeed — 't was nu halfdrie, en dan zijn in Amsterdam de knechts altijd van huis om boodschappen hunner meesters te doen, of liever naar hun club te gaan — dat de Juffrouw nog haar kamer hield, doch dat zij, de meid, zou gaan hooren, of Juffrouw Van Doertoghe ontvangen kon worden, en werd zij verzocht zoolang in de beneden-zijkamer te toeven. Daar binnentredende, vond zij Ernestines broeder Rudolf, die juist les nam bij den Engelschen meester, welken laatste Bettemie nooit daar aan huis had gezien. De leerling sprong van zijn stoel: de meester rees op en maakte een deftige buiging; doch zoowel hij als Bettemie kleurden tot achter de ooren toe.

De lezer heeft begrepen, dat die meester niemand anders was dan Albert.

„Laat ik u niet storen,quot; zei Bettemie: „hoe is 't met uw zuster?quot; vroeg zij vervolgens, zich meer bepaald tot den knaap wendende.

„Och!quot; antwoordde deze: „die zal over een paar dagen wel weer klaar zijn; ze is maar wat verkouen.quot;

„En ben je nu aan de studie?quot; vervolgde Bettemie, die aan de eene zijde begreep, dat het onheusch en bovendien ondankbaar wezen zou, indien zij geen notitie nam van den derden hier aanwezigen persoon, en het aan de andere zijde min wel-voegelijk vond, zoo onmiddellijk het woord tot Albert te richten.

„Ik leer Engelsch bij Mijnheer,quot; antwoordde Rudolf: „sedert veertien dagen.quot;

„I am glad to hear it,quot; zeide Bettemie; en toen, zich tot Albert wendende, vervolgde zij, zich voortdurend van dezelfde taal bedienende: „ik heb nog eens het voorrecht gehad. Mijnheer te ontmoeten, en ik ben niet vergeten, hoe wakker hij zich te mijnen behoeve gekweten heeft.quot;

„Kon ik minder doen?quot; vroeg Albert, wederom rood wordende: „en zou niet iedereen als ik gehandeld hebben, waar het er op aankwam, u van dienst te zijn?quot;

ocr page 257

243

Bettemie vergenoegde zich, op dit compliment met een hoofdbuiging te antwoorden, en vroeg toen, of de onderwijzer nogal goede verwachtingen van zijn kweekeling had.

„Ongetwijfeld,quot; antwoordde Albert, „en vooral indien Mejuffrouw Van Doertoghe zoo goed wil zijn, dikwijls Engelsch met hem te spreken: hij zal dan een voorbeeld hebben, dat hem van meer dienst zal zijn dan al de thema's, die ik hem kan laten maken.quot;

„Ei kom! Mijnheer!quot; zei Bettemie: „ik weet wel beter: ik mag dan een weinig in 't Engelsch kunnen snappen: maar om hem de taal grondig te onderwijzen, daar zou ik minder kans toe zien. — Maar, zoo ik vragen mag, toen ik u op den weg bij Hardestein ontmoette, scheen Mevrouw uw moeder mij een weinig lijdende toe. Is haar gezondheid thans beter?quot;

„Zij is volkomen wel, en ik ben u zeer dankbaar voor uw belangstelling,quot; antwoordde Albert.

Hier kwam de meid weder binnen met de vraag „of de Juffrouw maar boven wou komen.quot; Met een minzame hoofdbuiging verliet Bettemie het vertrek. Albert oogde een wijl hetgeen hem een hemelsche verschijning voorkwam, na, en zette zich toen weder met zijn leerling aan den arbeid; maar of hij niet nu en dan onder de les zich aan verstrooidheid schuldig maakte, en of de jonge Van Marsden dien dag wel evenveel vrucht van zijn onderwijs trok als gewoonlijk, ziedaar vragen, waar wij het antwoord liever op zullen schuldig blijven.

VIJFDE HOOFDSTUK.

NICOLETTE EN BETTEMIE.

Nicolette was, toen zij het magazijn van Mad. Puri verliet, naar haar kamertje teruggekeerd, hoe, dat wist zij zelve niet, en evenmin, hoelang zij vervolgens op haar stoel gezeten had, zonder iets uit te voeren, met de oogen strak en wezenloos

ocr page 258

244

op den grond gevestigd. Het was in deze houding, dat Mad. Puri, die juist opgestaan was en van Mile. Susanne eenige vrij verwarde berichten aangaande het voorgevallene bekomen had, haar vond, en de goede vrouw ontstelde over de verandering van gelaat, die zij bij haar bespeurde.

„Mijn hemel!quot; vroeg zij; „wat is er aan de hand, Nicolette ?quot;

„Ach!quot; zeide deze, geheel moedeloos: „vraag het mij niet. Mevrouw. Ik zal u al mijn leven dankbaar wezen voor het goede, dat ik van u genoten heb; maar ik mag hier met

langer blijven.quot;

„Niet? — maar wat is er dan gebeurd?quot;

quot;nQ! de vloek, die op mij drukt, vervolgt mij ook hier: mijn tegenwoordigheid brengt oneer en schande waar ik mij bevind: ik zou een slechten naam aan uw huis geven, zoo ik langer hier bleef____ en toch,quot; vervolgde zij, zich de handen wringende, „God weet, hoe onschuldig ik ben. — Och! wat heb ik toch gedaan om zoo ongelukkig te wezen? en waarom hebben zij mij, op dien vijfden December-avond, maar liever niet versmoord in plaats van mij te vei plegen?

't Was vruchteloos, dat Mad. Puri moeite deed, eenige vertroostende woorden tot haar te spreken: te minder uitwerking deden die, omdat de goede vrouw, nu meer in 't bijzonder bekend geworden met de verontwaardiging, door iemand als Mw. Van Eylar aan den dag gelegd, en met de uitdrukkingen, door haar gebezigd, en onderstellende, dat de Gravin geen geheim zou maken van de ontmoeting, die zij gehad had, zelve begon in te zien, dat de tegenwoordigheid van Nicolette op den duur wel eens ten nadeele van haar Mad. Puri s huis en krediet zou kunnen strekken. Zij paaide dus het jonge meisje meer met vriendelijke woorden dan zij haar werkelijk opbeurde, drong haar, gebruik te maken van een schrikdrank, die op het eerste alarm bij den apotheker gehaald was, en was toen eigenlijk niet rouwig, dat zij naar beneden geroepen werd en alzoo een geschikt voorwendsel had om zich te verwijderen. Geen lange tijd verliep er echter, of zij kwam bij Nicolette terug. „Ziehier,quot; zeide zij, „iemand die u verlangt

ocr page 259

245

te zien, en die misschien beter in staat zal zijn dan ik, om u van uw droefgeestigheid te genezen!quot; en meteen, haar wijzende op de persoon, die haar gevolgd was en nu binnentrad, verwijderde zij zich.

De nieuwaangekomene, die niemand anders was dan Bettemie, bleef een oogenblik tegenover Nicolette staan, in een houding, die zoowel van verlegenheid als van innig medelijden getuigde. Maar wild sprong Nicolette op, en, de handen smeekend samenvouwende, riep zij :

„O! nader mij niet: mijn aanblik brengt besmetting aan.quot;

„Maar wat is er dan toch met u gebeurd, Nicolette?quot; vroeg Bettemie: „of wat heb je bedreven, dat in die vier of vijf maanden, sedert wij elkander laatst zagen, zulk een verandering bij u heeft teweeggebracht?quot;

„Heeft men het u niet verteld?quot; vroeg Nicolette, haar met een verbaasden blik aanziende: „o neen! zeker niet — anders zou je niet tot mij gekomen zijn: — neen waarlijk____Bettemie !____ verlaat mij : — ik ben dankbaar voor uw goedheid;

maar, verlaat mij: men zou 't u tot oneer aanrekenen, zoo men maar in de verste verte kon vermoeden, dat je mij bezocht hadt. Ik ben veroordeeld niemand meer te zien.quot;

„En toch, je hebt straks gezeid, dat je onschuldig waart?quot;

„Ja, en dat ben ik ook; maar de schijn is tegen mij, de vooroordeelen der wereld zijn tegen mij: — alles vereenigt zich, om mij ongelukkig te maken. Ach Bettemie! ik ben wel diep te beklagen.quot; En meteen, overmeesterd door haar gewaarwordingen, zakte zij weer in haar stoel en bedekte met beide handen het schreiende gelaat.

„Men heeft u ongetwijfeld belasterd,quot; zei Bettemie, zich bij haar nederzettende: „ik kan niet gelooven, dat je op eens zoo slecht zoudt kunnen geworden zijn; maar zoolang je mij niet vertelt wat men u ten laste legt, hoe wil ik u dan vrijspreken of veroordeelen ? — Wij waren immers vriendinnen, Nicolette ?quot;

„Neen!quot; zei Nicolette: „verg het mij niet. O! mijn hart krimpt ineen als ik er maar aan denk. En wie weet, of je mij eens gelooven zoudt? Ach! het blijkt immers nu al, dat

ocr page 260

246

je twijfelt____anders zou je niet van veroordeelen spreken—

en hoeveel meer zou je twijfelen, wanneer ik je alles verteld had: want de feiten zijn tegen mij: de feiten zijn onweersprekelijk : en ik heb geen enkel bewijs voor mijn onschuld, geen enkel buiten mijn woord.... Neen, Freule! laat mij aan mijn lot: — ik ben bestemd om te lijden— en ik moet mijn lijden alleen dragen.quot;

Hier wierp zij zich weder achterover in haar stoel, met afgewend gelaat; de diepte van haar ongeluk had voor een wijl haar 't hart verstaald en maakte haar onbillijk tegen haar vriendin.

„O! ik heb hem wel gezien,quot; vervolgde zij, terwijl zij stijf voor zich neder op den grond zag: „ik heb hem wel gezien, dien blik van verachting, waarmee Mw. Van Eylar mij bejegende. En had zij geen gelijk? Ik moet immers voor haar een voorwerp van afschuw zijn — gelijk ik het ook voor iedereen moet wezen, voor iedereen die niet van mijn onschuld

overtuigd is____maar hij toch,quot; zeide zij, onwillekeurig mede-

gesleept door den stroom harer gedachten, en terwijl haar oogen zich flonkerend naar boven hieven, „hij geloofde aan mijn onschuld! hij had geen bewijzen noodig.quot;

„Arme Nicolette!quot; zei Bettemie, den arm om haar heen slaande en haar tot zich trekkende: „je had hem dus lief, dien goeden Maurits?quot;

Nicolette antwoordde niet: maar liet haar hoofd op den schouder van Bettemie vallen en weende bitter.

„O!quot; riep Bettemie: „indien je werkelijk liefde voor hem voelt, dan kan het ook niet mogelijk zijn, dat je, je slecht hebt gedragen. En nu, nu ben ik ook zeker van je onschuld, nu behoef je je niet bij mij te rechtvaardigen.quot;

„Dank! dank!quot; zei Nicolette: — „maar o! zeg het toch aan niemand, wat ik mij daar ontvallen liet — vooral nooit aan hem: — Er kon toch immers in geen geval iets van komen — en nu vooral niet meer: — als hij gelooft, dat hij mij onverschillig is, zal hij mij immers des te eerder vergeten — en een ander vinden in zijn stand, die hem gelukkig maakt.quot;

ocr page 261

247

Nu begreep Bettemie de mate van zelfverloochening en edelmoedigheid, die het jonge meisje had getoond te bezitten, toen zij de hand van Maurits geweigerd had.

„Ik weet niet, zeide zij, „waar men u van beticht of wie u verdacht houdt; maar wel, dat je in mijn oogen meer dan de achting, dat je den eerbied waardig zijt van alle weidenkenden, en dat ik mij schaam, zoo ik maar voor een oogenblik getwijfeld heb. Zie eens, Nicolette!quot; vervolgde zij, in een oogenblik van opgewondenheid: „wil je met mij, te zamen, gearmd, over straat gaan, als die 't volst is van de wandelaars?quot;

„Dat is een grootmoedig voorstel, Bettemie!quot; antwoordde Nicolette, het hoofd schuddende: „maar dat ik niet zal aannemen. De menschen denken altijd liefst het ergste, en, of zij ons al te zamen zagen, zij zouden er aangaande mij geen betere gedachten om voeden, en het slijk, dat zij op mij wierpen, zou ook u bespatten. Neen, aan smaad, om mijnentwille verduurd, mag ik u niet blootstellen. — En nu, Bettemie, na uw aanbod mag ik u niet onkundig laten van mijn wedervaren : — je zult dan zelve begrijpen, waarom het onmogelijk zou wezen, dat je u ooit met mij in 't openbaar vertoondet.quot; — En toen, steeds tegen haar aanleunende en fluisterend, deed zij haar het verhaal van wat den lezer bekend is. — Dat, onder 't aanhooren daarvan, Bettemie menigen traan liet en diep bewogen werd, zal iedereen beseffen.

„Maar,quot; vroeg zij, toen Nicolette geëindigd had: „heb je dat dan niet aan Dominee geschreven?quot;

„Dat heb ik gedaan; maar hij heeft mij niet geantwoord, en, na het briefje van Mijnheer Hoogenberg, is mij alle moed ontzonken, om bij een van mijn verzorgers op de zaak terug te komen.quot;

„U niet geantwoord!quot; herhaalde Bettemie: „maar dat is onbegrijpelijk: daaraan herken ik onzen goeden Dominee niet. Ik zelve moet hem eens schrijven.quot;

„O! wend geen pogingen aan ten mijnen gevalle,quot; zei Nicolette, weder in een vlaag van eigenzinnige neerslachtigheid; „het is toch eenmaal mijn lot, dat iedereen het slechtste van mij denkt.quot;

ocr page 262

248

„Neen, niet iedereen,quot; zei Bettemie: „want ik denk goeil over u, en Maurits denkt goed over u, en die Juffrouw —• hoe heet zij ook weer? — o ja. Juffrouw Hermans — en Madame Puri, — en zoo zullen er gewis meer zijn, en de waarheid zal zich toch een weg banen.quot;

„Als het te laat is,quot; zei Mcolette zuchtende: „doch nu zie je wel, ik kan hier niet blijven — en wij moeten mekaar niet weerzien.quot;

„En waar wil je dan heen?quot;

„Ach ik weet het niet: — en zoo er kloosters waren bij de Protestanten, dan ging ik daar in.quot;

„Wel! spreek er over met Juffrouw Hermans, dat schijnt een goede vrouw: — en,quot; voegde zij er bij, terwijl zij poogde te glimlachen: „die familie schijnt inderdaad geboren om u van dienst te zijn. De moeder heeft u tot zich genomen en de zoon heeft, reeds vroeger, u misschien er voor bewaard je armen en beenen te breken.quot;

„Het zijn beiden brave menschen,quot; zei Nicolette: „en ik wenschte dat je elkander kendet; — je zoudt waardig zijn, kennis met hen te maken.quot;

„Inderdaad?quot; vroeg Bettemie.

„Ja,quot; zei Mcolette: „en je zoudt u niet over die kennismaking behoeven te schamen, 't Zijn zeer fatsoenlijke menschen.quot; Hier zag zi] Bettemie eenigszins vragend aan, als wilde zij uitvorschen, of Mw. Van Doertoghe haar al of niet verteld had, dat de Wed. Hermans haar nicht was.

„Ja,quot; antwoordde de andere: „ik heb ook gevonden, dat zij een zeer fatsoenlijk, zelfs een gedistingeerd voorkomen hadden.quot;

„En geen wonder,quot; zei Nicolette, die, na het gunstig oordeel, over haar vrienden door Bettemie geveld, zich niet alleen gerechtigd, maar zelfs verplicht achtte, het geheim van de Wed. Hermans aan den dag te brengen: „geen wonder bij een vrouw, die van haar zelve Van Doertoghe heet.quot;

„Wat vertel je?quot; vroeg Bettemie verbaasd.

„Wel ja; was u dat nog onbekend?quot;

ocr page 263

249

„O! en Tante wees haar zoo schromelijk af op dien zekeren morgen.quot;

„Ja! en daarom mocht ik u eigenlijk niets vertellen van de betrekking, die tusschen u beiden bestaat.quot;

„Ik herinner mij,quot; zei Bettemie, na een wijl te hebben nagedacht, „wel eens met een woord te hebben hooren spreken over een nicht van ons, die een liaison had gehad met iemand beneden haar stand.quot;

„Daar hoor ik die aristocratische Freule spreken, en niet mijn Bettemie: uw nicht is in Engeland getrouwd met den Heer Wayland Flinck: en dat zij belasterd en door haar familie verstooten is, kan zij niet helpen.quot;

„O foei!quot; zei Bettemie: „dat men mij die zaak nooit heeft opgehelderd! Wat heb ik dan nog goed te maken! En zie eens, hoe toevallig! . . . . haar zoon, weet je, die te Hardestein ons paard tot staan bracht, dien heb ik juist zooeven ontmoet bij den Heer Van Marsden aan huis waar hij les geeft.quot;

„Inderdaad? — een beste jongen,quot; zei Nicolette: „zoo lief voor zijn moeder! en zij verafgoodt hem ook.quot;

„Waarlijk? — Maar ik zie daar met schrik, hoe laat het al is. Ik moet naar huis; want Oom zou van de Sociëteit komen en niet weten waar ik gestoven of gevlogen was. Nu, overleg eens bedaard met Mevrouw Hermans wat u te doen staat, en laat mij uw besluit weten. En heb je altemet eenig geld noodig, dan zul je, hoop ik, niet te grootsch wezen om het van mij aan te nemen.quot;

„Ik weet het niet,quot; zei Nicolette, haar de hand drukkende: „in elk geval blijf ik u dankbaar.quot;

„En ik,quot; zei Bettemie, terwijl zij afscheid nam, „hoor in elk geval wel nader van u.quot;

ocr page 264

250

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN ILLUSTRATIE VAN 'T OUDE SPREEKWOORD: „SOORT ZOEKT SOORT.quot;

Drenkelaer zat aan 't ontbijt in zijn kamer te Marlheim, bezig, beurtelings een slokje te nemen uit het theekopje, dat nevens hem stond, en, met een fijn gepunt potlood, zoo door 't veranderen van woorden, door 't omzetten van sommige, en door 't invoegen van andere zinsneden, verbeteringen aan te brengen in een opstel, dat voor hem lag, niet zonder nu en dan onder dien arbeid zich een uitroep van wrevel en ongeduld te veroorloven, of ook wel een aanmerking, die alles behalve vleiend was voor den steller.

„Brr!quot; zeide hij, halfluid tot zich zeiven sprekende: „is dat een stijl? 'tls gelukkig, dat het loon den arbeid verzoet; ofschoon ik liever, en met minder moeite, voor 't geen ik er aan verdien, zelf een opstel zou schrijven, dan zoo'n cacographie corrigeeren. En dan heeft die Van Zirik nog gestudeerd en is in één gezelschap geweest met Bol en Hoogenberg en Donia en andere knappe lieden. — Nu! daar zal hij nok wel niet veel meer als contingent hebben ingebracht, dan de fijne fiesschen, die hij schonk. — En dat zóó iemand zich nu voorstelt, figuur in de Tweede Kamer te zullen maken. Och! wat mij betreft, ik gun het hem wel, tot troost, dat hij zijn vrouw kwijt is. — Of 't een mooie vrouw was? — En dan, als hij maar zoo verstandig is, zijn mond te houden, nu en dan een fijn diner aan zijn collega's te geven, en eens in 't jaar een fulminante speech te houden, om op Grondwetsherziening, openbaarheid, vrijmaking van den arbeid, enz., enz. aan te dringen. — Wel! dan zal hij er een even goed figuur slaan als zoo menig ander. — Die jaarlijksche speech zullen wij wel voor hem maken; — dat is te zeggen i k niet; ik zal dan hoog en droog in mijn huis te Amsterdam zitten, of Freule Bettemie moest mij nog foppen: — en dan — geen

ocr page 265

251

oppositie meer. Maar dewijl men geen oude schoenen moet weggooien, eer men nieuwe heeft, moeten wij onzen rijken Hagenaar vooreerst nog aan 't lijntje houden, en hem laten bloeden voor de eer van zijn arbeid in den Marlheimer gedrukt te zien.

„En hier doet zich de vraag voor,quot; vervolgde hij, zijn ledig kopje wegschuivende en den knop van zijn potloodhouder tegen zijn onderlip drukkende, „of, en in hoeverre, die Van Zirik eventueel zijn zuiveringseed zal kunnen doen? Als ik geld geef tot ondersteuning van een dagblad, en in 't vertrouwen, dat gemeld dagblad mij voor de Kamer zal aanbevelen, kan ik dan zeggen, geen giften of gaven te hebben gedaan om benoemd te worden? — Hm! dat moge Van Zirik met zijn conscientie uitmaken; maar de quaestie is niet onaardig, en kan bij gelegenheid te pas komen, om een tegenstander te weren, die medeëigenaar of aandeelhouder van een blad is.

„Zonder verwaandheid gezeid, hij is toch maar gelukkig, die Van Zirik, zoo'n klerk en corrector te hebben, die van zijn lorrig stalbuis een degelijke frak maakt; ik arme drommel moet zelf alles doen, en ik heb niet eens iemand, die mijn artikelen voor mij overschrijft.... het is toch altijd min of meer gevaarlijk, dat die kopij aan de drukkerij blijft, en ik moet er aan denken, mijn handschrift aan Kraalhof terug te vragen. Als hij maar niet aan zijn voornemen gevolg geeft, om dien Polski op zij te zetten; 't is een groote schoelje, dat is zoo; maar bij de hand als ik er geen tweede ken: en, zoo nuttig als zijn medehulp ons is, zoo gevaarlijk zou hij ons kunnen worden, indien hij onze vijand werd; hij weet meer van onze zaken af, dan dienstig is: — en ik zou er niet op gesteld zijn, zoo hij eens ging verklikken, dat ik ... . Nu! ik zou 't mij getroosten, mits 't maar niet geschiede, voordat ik het jawoord heb van Bettemie. Is die zaak eenmaal, gelijk ik hoop, in orde, dan lach ik wat met alle dagbladredacteurs en hun handlangers, en word zoo behoudend als een millionnair kan zijn. — Brr! ik wou dat het al Januari was.quot;

ocr page 266

252

Hier kwam de dienstmaagd des huizes hem in zijn overpeinzingen storen, met de boodschap, dat er iemand beneden stond die hem verlangde te spreken.

„3. Bleek Az.!quot; mompelde hij bij zich zeiven, na het hem overgebrachte kaartje gelezen te hebben! „ik heb dien naam meer gehoord. Heette zoo de wijnkooper niet, waar Mijnheer Zuring mij over sprak?quot;

„Die meneer kwam uit Amsterdam,quot; zeide de meid.

„Jawel! juist zóó,quot; hernam Drenkelaer, bij zich zeiven, „Bleek en Galjart, zoo heette de firma. — Maar wat wil hij? Hij zal mij toch geen wijn komen aanbieden? Nu! laat hem binnenkomen.quot;

Niet lang duurde het, of hij zag een deftig in 't zwart ge-kleeden heer binnentreden.

„Mijn naam is Bleek,quot; zeide deze, „van Amsterdam. Ik heb immers de eer, tot den Heer Drenkelaer te spreken?quot;

„Ja Mijnheer. Waarmede kan ik u van dienst zijn?quot;

„Mijnheer ia de zoon van wijlen David Volkert Drenkelaer, in leven assuradeur, nietwaar?quot;

„Ja Mijnheer,quot; antwoordde nogmaals de toegesprokene, zich op de lippen bijtende; want hij was half bevreesd, dat de man, die tegenover hem stond, nog een pretentie op zijn vader had.

„Mijnheer heeft broeders nog zusters?quot;

„Niet dat ik weet. Mijnheer.quot;

„Juist zoo! en, als ik vragen mag, uw moeder heette van haar zelve Judith Geertruida Zwenkveld?quot;

„Ja, Mijnheer,quot; antwoordde ten derde male onze substituutgriffier, half knorrig, half er om moetende lachen, dat hij, die anders gewoon was verhooren op te teekenen, er nu zelf een onderging.

„Juist! dat komt uit,quot; hernam Bleek, een papier, dat hij uit zijn brieventasch genomen had, met een weltevreden blik beschouwende: „en uw moeder. Mijnheer, was de eenige erf. genaam van Pieter Zwenkveld en Sara Wayland.quot;

„Schrijft Mijnheer een werk over genealogieën?quot; vroeg

ocr page 267

258

Drenkelaer, wien al dat ondervragen machtig begon te vervelen, „dat hij zooveel belang stelt in de mijne?quot;

„Neen, Mijnheer,quot; antwoordde Bleek: „aan 't schrijven van werken heb ik mij nooit bezondigd. Maar, om verder te gaan, uw moeder heeft evenmin broeders of zusters gehad.quot;

„Geen enkele; maar . . . .quot;

„Dus er is buiten Mijnheer niemand, die eenige aanspraak maken kan op de nalatenschap van gezegde uwe grootouders Pieter Zwenkveld en Sara Wayland ?quot;

„Niemand; — maar die nalatenschap is een zaak, die tot de oude geschiedenis behoort.quot;

„Hm! niet zoo geheel misschien, als Mijnheer wel denkt: wat zou Mijnheer wel zeggen, als ik hem de gelegenheid verschafte, daar nog een aardige pruim — zoo iets als b. v. een paar ton — uit te halen?quot;

„Ik zou zeggen: wel verplicht.quot;

„Ja maar,quot; zeide Bleek, zijn mond vertrekkende tot iets, dat een lach verbeelden moest: „daar zou een man van zaken, als ik ben, juist niet mee tevreden zijn. Ik kom u een voorslag doen, waar je rondweg ja of neen op zult antwoorden. Als ik je in staat stel om de nalatenschap van gezegde Sara Wayland te beuren, wil je dan met mij deelen wat er van komt?quot;

„Zijn er nog bezittingen van haar op de Weeskamer?quot; vroeg Drenkelaer.

„Het is mijn zaak, waar ik mijn kennis vandaan heb,quot; antwoordde Bleek.

„Mijnheer!quot; hernam Drenkelaer: „ik heb in de kronieken van het recht, zoo hier als elders, en zelfs gedurende mijn kortstondige carrière bij de rechtsmacht, al zoovele voorbeelden gezien van processen, gevoerd wegens twijfelachtige of zelfs geheel denkbeeldige erfrechten, dat ik geen trek gevoel om de rij der slachtoffers van zelfbedrog of van schijnbeloften te vermeerderen en mij belachelijk te maken op den koop toe.quot;

„Mijnheer!quot; hervatte Bleek: „ik zeg u, zekerheid kan niemand geven, zoodra 't een proces betreft; maar de kansen staan

ocr page 268

254

negen en negentig tegen honderd, dat wij de zaak winnen: — en, als ik er nu bijvoeg, dat ik de kosten voor mijn rekening neem, wanneer wij de zaak verliezen, wat waag je dan?quot;

„Mets, dat beken ik,quot; antwoordde Drenkelaer, „behalve misschien de bespotting van het publiek: — en je zult mij toestemmen, dat die ook niet zonder gewicht is, waar 't iemand geldt, die, om voort te komen, zijn reputatie niet in de waagschaal stellen mag.quot;

„Hm! ik kan niet gelooven, dat het publiek ooit iemand bespottelijk zal kunnen vinden, die zijn best doet om te vorderen wat hem toekomt.quot;

„Nu!quot; zeide Drenkelaer: „fiat! ik stem toe: 't is waar, men moet iets wagen.quot;

„Nietwaar?quot; vroeg Bleek: „ja! ik dacht het wel: — indien Mijnheer nu maar de goedheid wil hebben even in te zien, of hij zwarigheid zou maken een overeenkomst als de nevensgaande te teekenen.quot;

„Volstrekt niet,quot; antwoordde Drenkelaer, na het concept te hebben ingezien, dat Bleek hem had ter hand gesteld: „alleen, ik zie, dat de namen, zoo van den erflater, als van den man, tegen wien het proces gevoerd zou moeten worden, in blanco gelaten zijn.quot;

„Natuurlijk,quot; zei Bleek: „Mijnheer kan toch niet vergen, dat ik hem wijs maak voor den tijd. Ik zal de namen invullen, zoodra Mijnheer het stuk geteekend heeft.quot;

„Hm ja! heel voorzichtig,quot; hernam Drenkelaer: „intusschen, ik vind hier nog een paar stijlfouten, die het stuk minder duidelijk maken; — doch dat is niets, die zal ik onder 't overschrijven wel verbeteren.quot;

„Ik heb twee zegels medegebracht,quot; zeide Bleek, het gestempelde papier voor den dag halende.

„Ik zie, je hebt je voorzorgen genomen. Mijnheer Bleek!quot; zeide Drenkelaer: „doch anders had je bij een substituut-griffier niet om zegels behoeven verlegen te zijn.quot;

En met een vlugge hand schreef hij het stuk over, te gelijk het geschrevene hardop aan Bleek voorzeggende, die, een fraaie

ocr page 269

255

maar zware kantoorhand schrijvende, moeite had hem te volgen.

Zonderlinge overeenkomst van gedachten bij geheel verschillende toestanden. Hier viel Drenkelaer op eens dezelfde gedachte in, die vroeger in een door ons beschreven tooneel bij Albert Hermans was opgekomen.

„Weet je wat ik mij onder 't schrijven verbeeldde?quot; vroeg hij, terwijl hij het door hem geteekende stuk over de tafel heen aan Bleek toewierp en het andere van dezen ontving: „ik verbeeldde mij, dat ik hoornen uit uw voorhoofd zag oprijzen, en uw vingers over 't papier tot kromme klauwen vergroeien en een paardepoot uit uw broekpijp zag steken: — met andere woorden, dat je Sinjeur Satan waart, aan wien ik, met het teekenen van dit stuk, mijn ziel verkocht had.quot;

„Bewaar ons. Mijnheer Drenkelaer!quot; zei Bleek: „wat is dat voor lichtvaardige spotternij ? Helaas! de Booze loert al genoeg rond, zoekende wien hij verslinden zal, zonder dat onze verbeelding hem behoeft te hulp te komeu.quot;

„En nu, mijn vrome Heer!quot; hernam Drenkelaer, „nu ik aan uw verlangen voldaan heb, zal ik nu mogen weten, van wien en hoe ik de beloofde erfenis te wachten heb?quot;

„Ik zal het u zeggen : het geldt de erfenis van uw over-oudoom James Wayland in de Berbice.quot;

„Drommels!quot; zei Drenkelaer, een scheef gezicht zettende: „er moet wel een halve eeuw verloopen zijn, sedert die het heeft laten afweten.quot;

„'t Scheelt niet veel,quot; zeide Bleek: „hij is in 1799 overleden, en heeft tot erfgenamen nagelaten de dochters van zijn beide broeders, Sara en Magdalena of Madeline, gelijk zij op zijn Engelsch heette. Van deze twee volle nichten huwde de eene, Sara, uw grootvader, de andere, Madeline, werd de vrouw van Herman Plinck.quot;

„Ik heb mijn vader wel eens van dien oudoom Wayland hooren spreken,quot; zeide Drenkelaer, peinzende: „doch er altijd bij hooren zeggen, dat de erfenis mijn vader niet verrijkt had.quot;

„De zaak is deze,quot; zeide Bleek: „uw grootmoeder, Sara.

ocr page 270

256

woonde bij haar vader te Amsterdam: haar nicht, Madeline, daarentegen, aan de Berbice, waar de Heer Flinck haar leerde kennen. — Nu behoef ik u het oude spreekwoord niet te leeren kennen: „wie 't dichtst bij het vuur zit, warmt zich 't best:quot; — de nalatenschap bestond uit plantages, en de Heer Flinck, die er opzichter over was, bleef in 't beheer.quot;

„En deed hij deswege geen rekening aan mijn grootmoeder ?quot; vroeg Drenkelaer: „ik kan toch niet denken, dat zij, of haaiman, hun belangen zoo slecht zouden behartigd hebben, om dien overzeeschen neef in 't ongestoord bezit te laten van wat hun toekwam.'quot;

„Ik zal u dit ophelderen,quot; zei Bleek; „er was een proces aanhangig over sommige van die goederen, en daardoor schijnt de Heer Flinck, die het ginds, zoo voor zijn vrouw als per procuratie voor zijn nicht hier te lande, voerde, niet bij machte geweest te zijn, iets over te maken.quot;

„Een proces!quot; riep Drenkelaer: „ach lieve hemel! dan zullen de aandeelen in die plantages ook wel incourante waar zijn geworden, en thans niet veel meer waard dan Fransche assignaten.quot;

„Een oogenblik!quot; zei Bleek: „ik ben het volkomen met u eens, dat ik, in 't algemeen gesproken, liever een aandeel in de Nederlandsche Bank heb dan in een plantage; maar die van den ouden Wayland schijnen toch vrij wat waarde te hebben gehad.quot;

„Gehad!quot; herhaalde Drenkelaer: „gehad is een leelijk ding: — en dan, je spreekt van een proces. Is dat misschien verloren?quot;

„Ziedaar nu juist, wat niet zoo klaar schijnt te wezen. Immers dit is zeker, dat er een correspondentie is gevoerd tusschen wijlen uw vader en den Heer Flinck, waarin over de afrekening gehandeld is. Uit die correspondentie, die omstreeks 't jaar 1819 is aangevangen, blijkt, dat de waarde, die toen de nalatenschap van James Wayland had, op ruim derd'halve ton werd geschat.quot;

„Mijn goede vader was wel meer gewoon,quot; zei Drenkelaer,

ocr page 271

257

met eenige aandoening „zich al licht groote voorstellingen van de dingen te maken, en zich telkens door illusiën te laten verblinden: hij zal misschien ook ten opzichte van dien boedel zich wonder wat verbeeld hebben.quot;

„Ik zeg u, uit een brief van uw vader, dien ik gelezen heb, blijkt, dat de Heer Flinck, toen te Batavia zijnde, zelf in een brief aan hem erkend had, dat de nalatenschap ongeveer de som bedroeg, die ik zooeven noemde, en voorstellen omtrent de wijze van afdoening had gedaan: die voorstellen zijn door uw vader met een contra-voorstel beantwoord geworden; — doch wat het resultaat daarvan geweest is, weet ik niet; immers met den brief van 10 Juni 1821, den laatsten, dien uw vader over 't geval geschreven heeft, schijnt de correspondentie te hebben opgehouden. Wellicht door het overlijden van uw vader: en zoo zou de Heer Flinck op de eieren zijn blijven zitten. — En wat aan dit mijn vermoeden kracht bijzet, is, dat, onder het contra-voorstel door uw vader gedaan, met de eigen hand van den Heer Flinck is aangeteekend: „daar zal nooit iets van gebeuren.quot;quot;

„Hm!quot; zei Drenkelaer, na een wijl gepeinsd te hebben: „'t is mogelijk, dat je gelijk hebt. Of mijn vader het geld nog bij zijn leven ontvangen heeft, weet ik niet; maar zooveel is zeker, dat de gelden niet in zijn boedel gekomen zijn: immers,quot; voegde hij er met een zucht bij, „hadden de zaken in dat geval een anderen keer genomen. — Maar onverklaarbaar is het mij, dat de Curators die pretentie niet hebben doorgezet.quot;

„Zij zullen er geen kennis van hebben gedragen,quot; zei Bleek.

„Zij moesten toch de papieren, die er betrekking op hadden, het extract uit het testament, de brieven van Flinck, andere bescheiden meer, hebben gevonden, en daar dit het geval niet schijnt geweest te zijn, zoo komt mij de geheele historie nog zeer apocrief voor.quot;

„De pretentie is echter niet twijfelachtig,quot; hernam Bleek — „en, zoo de Heer Flinck geen bewijs kan overleggen, dat hij behoorlijk is gedéchargeerd, zal hij moeten bloeden.quot;

iv. - k. z. n

ocr page 272

258

„Maar — in elk geval zullen dezerzijds stukken moeten worden overgelegd tot justificatie mijner pretentie.quot;

„Dat spreekt van zelf,quot; zei Bleek, „en daartoe zal het ook niet kwaad zijn, dat je nog eens aandachtig in de papieren van je vader snuffelt of daar misschien niet nog wat in te vinden is.quot;

„Ik twijfel of dat iets zal opleveren,quot; zei Drenkelaer. „Je zult wel weten,quot; vervolgde hij, op een toon, die niet vrij van wrevel was, en aanduidde, hoe weinig aangenaam het hem was, dat onderwerp aan te roeren, „je zult wel weten. Mijnheer, dat mijn vader in 't laatst van zijn leven met tegenspoed heeft te kampen gehad, zich failliet heeft moeten geven en grootendeels van verdriet daarover gestorven is. Zijn boeken en papieren zijn bij de Curators in de massa gekomen, en ik heb ze nooit onder de oogen gehad : — maar jij misschien wel. Mijnheer Bleek! . . .. want waar drommel heb je al die bescheiden ontdekt, waar je mij van gesproken hebt en die u zoo goed op de hoogte hebben geholpen?quot;

„Hm!quot; antwoordde Bleek, die juist niet verlangde te bekennen, hoe hij aan zijn wetenschap kwam, „dat is nu mijne zaak: — genoeg, dat ik de correspondentie ken, die tusschen uw vader en den Heer Plinck is gevoerd, en die wij hem wel zullen dwingen over te leggen, als hij niet goedschiks met de gelden wil overkomen. Al wat er noodig is, is een kopie te krijgen van het testament van den ouden James Wayland; — waarschijnlijk bevindt het zich onder de stukken, welke tot die vroegere procedure, waar ik van sprak, behoort hebben, en die gedeponeerd geweest zijn bij den Advocaat Hoogenberg. Laat die zorg gerust aan mij over, en wat ik van u verlang, dat zijn de noodige geboorte,- huwelijks- en doodakten, waaruit blijken kan, dat je optreedt als eenige rechthebber op de nalatenschap van Sara Wayland.quot;

„Nu, die zal ik u gemakkelijk kunnen bezorgen,quot; zei Drenkelaer; „maar vertel mij eens, is die Flinck nog al goed voor het geld?quot;

„Of Flink goed voor het geld is!quot; riep Bleek, de handen

ocr page 273

259

over zulk een vraag in elkander slaande: „Ik wou, dat ik aan kapitaal bezat wat hij aan inkomen heeft.quot;

„Ei zoo! — En welk een soort van man is het?quot;

„Een nare oude grompot: een rechte Nabel! en daarbij een die den Mammon dient en, bij al zijn schatten, nog altijd rijker worden wil.quot;

Drenkelaer kon niet nalaten te meesmuilen over het afkeurend oordeel, door Bleek over den ouden man geveld, en aan de parabel van den splinter en den balk te denken.

„Maar,quot; zeide hij toen: „heeft men hem ooit verdacht gehouden, zich door oneerlijke middelen te hebben willen verrijken ?quot;

„Dat weet ik niet,quot; antwoordde Bleek: „hij heeft zijn geld in de Oost gewonnen — en wie weet, of die erfenis van James Wayland hem. daartoe niet in staat heeft gesteld.quot;

„Zoo! — en je zegt alzoo, die vrouw van Flinck en mijn grootmoeder waren volle nichten?quot;

„Ik heb hier een afschrift van de genealogie bij mij,quot; zei Bleek: „daaruit blijkt, dat de familie uitgestorven is.quot;

„En heeft Flinck geen kinderen of kindskinderen?quot;

„Geen wettige althans. Zijn eenige zoon Herman, die zijn moeders naam van Wayland had aangenomen, is 'reis een mooien dag op de hort gegaan met een Juffrouw Van Doertoghe____quot;

„Hoe zeg je?quot; viel Drenkelaer in.

„Wel ja! een nicht van de rijke Van Doertoghes____maar

zij had niet veel, geloof ik: . . . . althans, wat daarvan wezen moge, wettig getrouwd zijn zij niet; hij is dood, en de oude Flinck heeft kind noch kraai, dat van hem erven kan.quot;

„Hm!quot; zei Drenkelaer, nadenkende: „en zou hij met zijn vrouw in gemeenschap van goederen getrouwd zijn geweest?quot;

„Je wilt zeggen, als dat niet het geval is en zij geen testament gemaakt heeft, dan zouden wij naaste erfgenamen zijn, niet alleen van Sara, maar ook van Magdalena, of, zooals 't op zijn Engelsch luidt, Madeline Wayland?quot;

Drenkelaer begon te vinden, dat Bleek het voornaamwoord wij wat erg misbruikte, en kon niet nalaten te zeggen:

ocr page 274

260

„Nous n'est pas le vrai mot; mais moi c'est different.quot;

Ofschoon Bleek nooit de fabels van Florian gelezen had en niet veel meer dan wat Koopmans-fransch kende, verstond hij echter de terechtwijzing, in de bovenstaanden regel vervat.

„Wel!quot; zeide hij, met een spotachtigen glimlach, „volgens onze overeenkomst deelen wij immers wat er van komt?quot;

„Dat spreekt van zelf,quot; hernam Drenkelaer: „wat bepaald is, blijft bepaald. — Maar nu! heb je al een praktizijn in de zaak geraadpleegd? — Want dien zullen wij toch behoeven, als zij wordt doorgezet.quot;

„Ik heb natuurlijk gewacht, tot ik eerst je volmacht had,quot; antwoordde Bleek: „maar ik zal er nu geen gras over laten groeien, en onmiddellijk na mijn terugkomst den procureur Knuizer gaan spreken.quot;

„Denkt Mijnheer al spoedig weer te vertrekken?quot; vroeg Drenkelaer.

„Ik heb hier nog een commissie in de buurt te verrichten, en hoop dan zoodra mogelijk weer naar Amsterdam te vertrekken,quot; antwoordde Bleek.

„Ja, dat kan ik beseffen,quot; hernam Drenkelaer: „Marlheim is juist geen vermakelijke plaats.quot;

„Neen, vooral niet als men te Amsterdam gewend is,quot; zei Bleek.

„Dat's klaar: publieke vermakelijkheden missen wij hier: geen komedie, geen concerten, geen carousel, behalve de draai-schuitjes met de kermis.quot;

„Mijnheer!quot; zei Bleek, op een toon van verontwaardiging: „met dat slag van ijdelheden houd ik mij niet op.quot;

„O! ik verzoek verschooning,quot; haastte zich Drenkelaer te zeggen: „ik had de woorden van Mijnheer verkeerd opgevat: maar neen, ik begrijp, dat Mijnheer een man van zaken is en om die gekheden niet geeft;quot; — maar bij zich zeiven dacht hij: „vervloekte huichelaar!quot;

En toch, ook nu huichelde Bleek niet, althans niet in den wezenlijken zin des woords: hij zou er bepaald een gemoeds-

ocr page 275

261

bezwaar van gemaakt hebben, den schouwburg te bezoeken, even gelijk hij om geen geld van de wereld een kerkgang zou verzuimd hebben; maar, waar 't op geld verdienen aankwam, had hij zoo wat zijn eigen denkbeelden.

„Nu,quot; zeide hij: „wij hebben, geloof ik, verder niets meer te bespreken: ik zal dus mijn afscheid nemen .... maar, ik bedenk daar nog iets: Mijnheer zal mij zeker wel weten te zeggen, in hoeveel tijds ik naar Bralhem en terug kan gaan, als ik mij daar een paar uurtjes op zal houden.quot;

„Naar Bralhem!quot; herhaalde Drenkelaer: „en dat in dezen tijd van 't jaar? Wel! — dat valt moeielijk te zeggen. Als je een goed paard en een stevig karretje huurt, en geen dronken voerman treft, maar een, die de gaten langs den weg weet te mijden, dan is de afstand in derd'half uur af te leggen; maar dan moet je het nog treffen, dat je niet hier of daar in de modder wegzakt.... Maar wat drommel kan Mijnheer bewegen, naar zulk een verloren gat te reizen?quot;

„Hm!quot; antwoordde Bleek: „er zijn daar landerijen, die ik bezichtigen wil.... nu ja! de weg moge dan wat slecht zijn : — ik zal er toch wel komen, hoop ik.quot;

„Ja, als je niet onderweg blijft steken,quot; hernam Drenkelaer: „maar versta ik wel? wou je daar landerijen gaan koopen? Mijn waarde Heer! daar is niets te vinden, dan schraal zand aan de eene, en moerassen aan de andere zijde.quot;

„Hm! neen, koopen juist niet,quot; antwoordde Bleek, die intusschen geen trek had, aan Drenkelaer te vertellen, dat hij plan had, die zoogenaamde landerijen aan een ander te verkoop en; „maar.... Mijnheer weet mij misschien wel te zeggen, of ik daar te Bralhem ook lieden vinden kan, die verstand hebben van de waarde van den grond, om b. v. als taxateurs te bezigen ?quot;

„Lieden, die er verstand van hebben, voorzeker,quot; antwoordde Drenkelaer: „maar of ik ze je daarom zou kunnen aanbevelen, als je hun dienst noodig hadt, is een andere zaak.quot;

„Niet? — en waarom niet?quot;

„Wel! omdat het allemaal het grootste rapaille is, dat

ocr page 276

262

men bedenken kan: lieden, die van sluiken, stroopen en bedriegen leven, en die voor een muntje van tien gulden hun vader en moeder aan de galg zouden praten. Daar heb je Hannes Krevelbaard, een van de gegoedsten, en nog wel wethouder van de Gemeente, die is nog onlangs voor de rechtbank geweest om zich te verantwoorden op een beschuldiging van valsche getuigenis te hebben afgelegd, en, ofschoon de man is vrijgesproken, was de indruk, dien hij op de rechters en op iedereen maakte, genoegzaam om te voorkomen dat iemand hem voortaan op zijn woord gelooven zal. En daar heb je verder Krijn Meeuwis, de kastelein, die al ik weet niet hoeveel vonnissen wegens sluikerij en oplichting tot zijn last heeft: en dat zijn nog wel de notabelen: oordeel dan zelf over de rest.quot;

„U zeide, ze heeten?quot; vroeg Bleek, zijn zakzoekje uithalende.

„Hannes Krevelbaard en Krijn Meeuwis,quot; antwoordde Dren-kelaer, eenigszins verwonderd, dat Bleek, in stede van over de ontvangen mededeelingen eenig leedgevoel of teleurstelling aan den dag te leggen, zich zoo onverschillig betoonde aangaande de moraliteit der bedoelde personen.

„Ja,quot; hernam Bleek, nadat hij de hem opgegeven namen genoteerd had: „ik had wel al gehoord, dat die Bralhemsche bevolking niet tot de respectabelste behoorde; maar wat wil je? men moet roeien met de riemen die men heeft, en, wat de inlichtingen betreft, die ik hun te vragen heb, zoo zie ik niet, welk belang zij zouden hebben, mij te misleiden. In allen gevalle ben ik nu gewaarschuwd en zal dus op mijn hoede zijn. Dank alzoo voor uw inlichtingen, ik hoop er mijn profijt van te doen.quot;

„Gelijk ik niet minder van hetgeen mij door u is medegedeeld,quot; zei Denkelaer.

„O! spreek daar niet van,quot; zei Bleek: „zie je, het zal mij maar recht genoegen doen, als het geld in handen van den rechtrnatigen eigenaar komt. Ik kon het toch niet van mij verkrijgen, stil te zitten, waar ik zag dat zoo'n rijke Nabob,

ocr page 277

263

zoo'n hebzuchtige vrek als die Flinck, zoo'n vent, die nooit ter kerke gaat, geen enkel nuttig boek in zijn kast heeft, en van God noch zijn gebod weet, in 't bezit bleef van wat een ander toebehoort! — Doch ik mag u niet meer van uw kostbaren tijd berooven: je zult ook wel je zaken hebben, en ik neem alzoo ootmoedig afscheid.quot;

„Ik ben zeer uw dienaar,quot; zei Drenkelaer, hem tot aan de deur geleidende.

„Tot weerziens,quot; zei Bleek, in 't heengaan: „en op ons goed s u c c e s.quot;

„Ons goed succes!quot; herhaalde Drenkelaer, toen hij de deur achter Bleek weder gesloten had: „denkt de schoelje, dat hij een stoffel voorheeft, die genegen is, den buit met hem te deelen? — zoo er al eenigen buit te behalen valt. Hij gaat heen in 't vaste vertrouwen, dat hij mij te slim is geweest met dat stuk, 't welk hij mij heeft doen teekenen, en hij heeft met al zijn slimheid niet opgemerkt, dat hij verschalkt is door mijn quasi-stijlverbetering, en dat de woorden „bij rechterlijk vonnisquot;, die ik er heb ingelascht, hem, zoodra ik maar langs een anderen weg dan door een procedure, het geld kan machtig worden, alle aanspraak doen verliezen op de helft, die hij zich heeft voorbehouden. En in allen gevalle spreekt dit papier alleen van de aanspraken, voortvloeiende uit het testament van James Wayland ten behoeve van Sara Wayland; — van wat ik zou kunnen beuren als erfgenaam van Madeline Wayland zou ik dus niets behoeven af te schuiven. — Maar hoe drommel komt die vent iets te weten van die oude zaak, waar ik zelf, dien zij aangaat, niets van weet? — Een van beide is het geval: de oude Nabob heeft er hem iets van verteld, of Bleek heeft in 's mans papieren gesnuffeld: in beide gevallen bestaat er schennis van vertrouwen: — wist ik maar, welk een slag van een man die Flinck is; want aan het oordeel, dat Bleek over hem velt, hecht ik juist zooveel niet. Wie weet? als ik eens den edelmoedige jegens hem speelde, en hem inlichtte aangaande de plannen, die tegen hem gesmeed zijn? misschien zou mij dat zijn gunst doen winnen en ten slotte nog voor-

ocr page 278

264

deeliger voor mij uitkomen dan een proces. Ja! maar zoo de man eens onvatbaar ware, om dergelijke edelmoedigheid op prijs te stellen: dan had ik mijn schepen verbrand, zonder den slag te winnen. Of — wat ook zeer denkbaar is, indien de geheele pretentie eens blijkt een hersenschim te zijn! — Drommels! laten wij geen gek figuur slaan. De zaak komt mij hoe langer hoe onwaarschijnlijker voor. Ik moet eens nakijken, of ik ook nog brieven of andere papieren van mijn vader vind, die uit den boedel gered zijn. Wist ik verder maar iemand, die mij buiten J. Bleek Az. om, een en ander aangaande dien ouden Flinck mededeelen en mij een afschrift van dat testament bezorgen kon. Wacht! ik zal er Van Delft eens over schrijven; daar heb ik nog mee gestudeerd: die moet eens voor my bij Hoogenberg gaan: zeker weet deze van de zaak af- — Ik moet noodzakelijk een middel vinden, om mijn doel langs mijn eigen weg te bereiken en de speculatie van dien sinjeur Bleek te laten mislukken. Hij moet geen andere rol spelen dan die van de vlieg, die, nadat zij om de paarden gevlogen en ze tot loopen aangezet heeft en haar loon verlangt, met een zweepslag wordt weggejaagd. — Maar wat of de kerel te Bralhem te doen heeft? 't Was waarachtig of 't hem genoegen deed, toen ik hem vertelde, dat daar louter schorremorrie woonde. Als de reis derwaarts niet in verband staat met een of andere schelmerij, die hij in den zin heeft, is mijn naam geen Lucas Drenkelaer. — Maar kom! 't is hoog tijd, dat ik mijn papieren samenpak en naar de griffie kuier. — Eigenlijk— als ik Bettemie trouw, wat kan mij dan dat fortuintje van Sara Wayland schelen? — Nu ja; maar zooals wijlen mijn vaders oude bediende zeide: „de ruimte schaadt nooit, al is 't maar in geld.quot; quot;

ocr page 279

ZEVENTIENDE BOEK.

EERSTE HOOFDSTUK.

VAN HET ONVERWACHT BEZOEK, DAT DE WEDUWE HERMANS KREEG.

De weduwe Hermans zat op een morgen — 't was omstreeks elf uren — in haar kamer en had juist het werk, waar zij aan bezig was, even gestaakt om een briefje te lezen, dat zij van Nicolette had ontvangen, toen er aan de deur werd getikt, en, op haar geroep van „binnen!quot; een welgekleed jong meisje zich op den drempel vertoonde.

„Wie heb ik de eer te zien?quot; vroeg de weduwe, oprijzende en de wel zeer bevallige, maar toch onverwachte en onbekende verschijning met eenige bevreemding aanstarende.

„Herkent Mevrouw mij niet?quot; vroeg de Juffrouw, terwijl zij, een weinig nader tredende, haar welgemanierde hoofdbuiging met een vriendelijk lachje vergezeld deed gaan: „wij hebben elkander toch nog eens gezien: 't is waar, 't was op een oogenblik, dat wij allebei een weinig van streek waren.quot;

„Inderdaad!quot; zeide Juffw. Hermans, onthutst en verlegen: „ik geloof ook .... ik meen . . . .quot;

„Wij zijn bovendien nichten. Mevrouw,quot; vervolgde de bezoekster, „en in die hoedanigheid had ik u voorlang een bezoek behooren te brengen.quot;

„De Freule Van Doertoghe!quot; riep de weduwe, terwijl zij bleek werd en een stap terugdeed.

„Bettemie Van Doertoghe, om u te dienen,quot; antwoordde het

ocr page 280

266

jonge meisje: „die u verschooning vraagt, dat zij zich dus onaangemeld en zonder voorgesteld te worden aan u vertoont. Maar ik ben eerst sedert een paar dagen bekend met het voorrecht, dat ik bezit, u tot nicht te hebben, en ik haast mij, het te doen gelden.quot;

„Ik wist niet,quot; zeide de weduwe, altijd nog onder den indruk van een min aangename verrassing, ik wist niet dat er nog iemand onder de Van Doertoghes bestond, die mij als nicht wilde erkennen.quot;

„Ik heb het met u goed te maken, dat ik niet vroeger hier geweest ben,quot; zeide Bettemie, zich gelatende of zij de opmerking niet hoorde.

„De Freule is wel goed,quot; zeide de weduwe, nog immer een terughoudend voorkomen bewarende: „zal de Freule geen plaats nemen?quot;

„Met genoegen,quot; zeide Bettemie, altijd voortgaande op den toon van vroolijke ongedwongenheid waarmede zij begonnen was: „maar wees nu zoo goed. Mevrouw! en noem mij geen Freule: vooreerst ben ik dat in Amsterdam niet gewend: en in de tweede plaats stel ik er prijs op, dat Mevrouw mij Bettemie noemt; dat zal een bewijs zijn, dat zij geen rancune tegen mij heeft, en met mij op een gemeenzamen voet wil verkeeren.quot;

Rancune! — Had iemand die ooit kunnen voeden tegen een lief meisje als Bettemie, zeker de weduwe niet. Al de redenen tot ontevredenheid, die haar familie haar gegeven had, en de vooroordeelen, die zij nu jaren lang tegen al de leden daarvan gekoesterd had, waren vergeten, bij 't staren op dat vriendelijk en open gelaat, dat haar toelachte, bij 't hooren van die zilveren stem, welke zulke hartelijke woorden tot haar sprak.

„Rancune tegen u!quot; herhaalde de weduwe, nu ook van hare zijde de meeste minzaamheid in haar toon leggende: „neen voorwaar niet! Ik ken u bij reputatie als lief en goed; maar hoe grooter de welwillendheid is, mij door u bewezen, hoe minder ik den afstand mag vergeten, die tusschen een

ocr page 281

267

juffrouw van de haute volée en een arme naaister als ik bestaat.quot;

„Arbeid ontadelt niet,quot; zei Bettemie, „en vooral geen burger-adel als de onze is. Ik acht er u te hooger om, lieve Nicht, dat je dus met kloeken geest weerstand geboden hebt aan den tegenspoed.quot;

„God heeft mij kracht naar kruis geschonken,quot; zeide de weduwe: „en sedert ik mijn zoon bij mij heb, die alles voor mij is, ben ik met mijn lot tevreden en gelukkig.quot;

„O ja! ik heb met Mijnheer uw zoon reeds half kennis gemaakt.... ik heb hem ontmoet ten huize van Juffrouw Van Marsden .... maar ik wist toen nog niet, dat hij mijn neef was.quot;

„Inderdaad? — Wel! Daar heeft hij mij niets van verteld,quot; zeide de weduwe.

„Hij zal het nieuws niet zoo bijster belangrijk gevonden hebben,quot; zei Bettemie, met een glimlach, die toch maar half van harte ging; want zij was er wel eenigszins geraakt over dat de ontmoeting zoo weinig indruk op Albert scheen gemaakt te hebben.

„Je bent hier waarlijk heel lief gelogeerd. Nicht!quot; zeide zij, van onderwerp veranderende, en terwijl zij eens rondkeek.

„Ik ben hier beter, dan ik 't jaren gewend ben geweest,quot; zei Juffw. Hermans: „en voor mij is alzoo een paleis wat voor u een zeer ordinair vertrekje is.quot;

„Je hebt hier de noodige ruimte,quot; zei Bettemie, „en dat is alles wat men wenschen kan. — Je hebt, hoor ik, zelfs een logee kunnen bergen, iemand, over wier belangen ik wenschte met u in overleg te treden: — ik bedoel die arme Nicolette.quot;

„Ach! hoe treft het zoo?quot; riep de weduwe uit: „ik was juist in mijn gedachten met haar bezig: ja, zoo die op de eene of andere wijze te helpen ware! zij verdient het zoo in alle opzichten. — Je weet alzoo, dat zij hier is?quot;

„Ik heb haar bij Mad. Puri ontmoet en gisteren ben ik bij haar geweest.quot;

ocr page 282

268

„Wel! ik was juist bezig te denken over een briefje, dat ik van haar ontvangen heb. Zie wat zij mij schrijft.quot;

Bettemie nam het briefje en las:

„Lieve Juffrouw Hermans!

„Ik ben al twee dagen verlangend, uw raad in te roepen; maar waarlijk, ik vond den moed niet, om een pen op 't papier te zetten. — Gij hebt al zooveel voor mij gedaan, dat ik u bijna niet meer lastig durf vallen. En toch, tot wie zal ik anders om raad gaan dan tot u, die ik als mijn tweede moeder — of neen, een eerste heb ik nooit gekend — als mijn eenige moeder beschouw ?quot;

„Het goede kind!quot; zeide de weduwe, zich een traan uit het oog wisschende.

Bettemie las verder:

„Ik zou tot u gekomen zijn; maar ik ben ongesteld, en ik zou geloof ik, de kracht niet hebben, zoover te gaan. 't Zal wel niets te beteekenen hebben, en 't zijn de zenuwen, die mij plagen; maar ik ben kinderachtig geschrikt: ik zal u dat wel vertellen .... ach lieve Juffrouw! ik weet, hoe kostbaar uw tijd is; maar als gij 't eenigszins schikken kunt, kom dan bij

Uw arme Nicolette.quot;

Nu wischte ook Bettemie zich een traan uit het oog.

„Wat kan er met het lieve kind toch gebeurd zijn?quot; vroeg de weduwe.

„Dat kan ik u vertellen,quot; antwoordde Bettemie: „zij is toevallig in den winkel gekomen op een oogenblik dat ik mij daar bevond met Mevrouw Van Eylar: en dat onverwachte wederzien, gevoegd bij een min heusche bejegening van Mevrouw Van Eylars zijde, heeft haar geschokt. Nu wil zij volstrekt het huis van Mad. Puri weer verlaten; doch waarheen dan?quot;

„Arme Nicolette!quot; herhaalde Juffw. Hermans: „wel! ik zal nog voor den eten bij haar gaan?quot;

ocr page 283

269

„Doe dat,quot; zei Bettemie: „en in zooverre ik u van dienst kan zijn, b. v. met het oplossen van eenig financieel bezwaar, schroom dan niet, over mij te beschikken.quot;

„Ik dank u — ik zal er gebruik van maken, lieve Nicht!quot;

„Ik heet Bettemie,quot; zeide deze, met een vriendelijk verwijtenden lach.

„Lieve Bettemie dan,quot; hernam de weduwe, haar uitdrukking verbeterende: „o! ik zie nu in, hoe verkeerd ik gehandeld heb, toen ik u beoordeelde naar de overige leden uwer familie: en toch had ik, in het laatste jaar althans, reden genoeg gehad om gunstig over u te denken — wat uw persoon aangaat, door de lofspraken, die Dr. Van Zevenaer en laatstelijk ook jSTicolette over u hield, en, wat, uw talent betreft.... kom eens even met mij boven, zoo je niet schrikt tegen de trap.quot;

„Met genoegen,quot; zei Bettemie, ofschoon zij niet begreep, wat de weduwe van haar begeerde.

„Wel! je zult zien,quot; vervolgde de andere: en, meteen vooruitgaande, voerde zij haar naar het kamertje van Albert en wees haar de prijsteekening aan den wand.

„Ei kom! Is die hier beland,quot; vroeg Bettemie: „nu! dat doet mij genoegen. Dr. Van Zevenaer vertelde mij, toen ik er hem naar vroeg, dat zij op het lot van een van ziln patiënten gevallen was, van een naaister, zeide hij, die ik toch niet kende.quot;

„Om je de waarheid te zeggen,quot; hernam de weduwe, „ik was er maar half mee in mijn schik; want de teekening herinnerde mij het verdriet, dat ik ... . doch ik wil daar niet meer over spreken; — nu, mijn zoon bemerkte dat wel, en daarom nam hij de teekening maar op zijn kamer.quot;

„Ei zoo?quot; zei Bettemie, terwijl zij op de teekening met diezelfde aandacht staarde, welke wij schenken aan een landschap, aan een woning of ander voorwerp, waarvan de be schouwing vroegere herinneringen in ons verlevendigt. Nog hield zij de oogen peinzende op haar werk gevestigd, toen zich plotseling voetstappen op de trap deden hooren en zij.

ocr page 284

270

omkijkende, den bewoner van 't vertrek voor zich zag staan.

Men kan zich de gewaarwordingen voorstellen, die Albert ondervond, toen hij daar op eens Bettemie, in gezelschap met zijn moeder, en op zijn kamer, aantrof.

„Dat je ook juist nu moest thuis komen,quot; zeide zijn moeder, zich houdende of zij ontevreden was; doch in den grond was zij verheugd, dat Bettemie haar zoon, op wien zij zoo trotsch was, ontmoette.

„Veroorloof mij,quot; zeide zij, „lieve Nicht, u mijn zoon Albert voor te stellen. — Albert, Freule Bettemie Van Doertoghe.quot;

„O wij kennen elkaar reeds,quot; zei Bettemie, terwijl zij Albert haar hand toestak, met een glimlach, die hem bijna geheel van zijn stuk bracht.

„Dat mag wezen,quot; hernam Juffw. Hermans: „maar hij was u nog niet officieel voorgesteld, als 't onder beschaafde lieden betaamt. — Maar waarom heb je mij niet verteld, Albert, dat je Nicht Bettemie ontmoet hadt bij Juffw. Van Marsden ?quot;

„Ik weet niet,quot; antwoordde Albert, stamelende: „ik dacht____

heb ik het u inderdaad niet verteld?quot;

„Och wat!quot; zei Bettemie, zijn verlegenheid bespeurende: „Mijnheer zal wel gewichtiger dingen in 't hoofd gehad hebben.quot;

Die ongelukkige vraag, door Juffw. Hermans gedaan, had ten gevolge, dat geen van drieën zich op zijn gemak gevoelde: Albert niet, omdat hij begreep, dat Bettemie zijn verzwijgen van die ontmoeting aan onverschilligheid zou toeschrij ven; — Bettemie niet, omdat haar inderdaad die onderstelde onverschilligheid vreemd voorkwam; — Juffw. Hermans niet, omdat zij spijt had, Albert in verlegenheid gebracht en vreesde, hem daardoor, in plaats van, als zij gehoopt had, bij Bettemie in een gunstig, in een ongunstig daglicht gesteld te hebben.

„Ik kan niet gelooven,quot; zeide eindelijk de jongeling, nog altijd met een onvaste stem, en met een kleur als een meikers, „dat de Freule zoo nederig over zich zelve zou denken, om te meenen, dat er iemand zou kunnen zijn, die het voor-

ocr page 285

recht van haar te ontmoeten niet als een hoogst belangrijk oogenblik in zijn leven beschouwen zou.quot;

„Ik zie, dat Mijnheer mijn Neef er zich op verstaat, fraaie complimenten te maken,quot; zei Bettemie.

„Wees verzekerd,quot; hervatte Albert, thans met vuur, „dat ik voor 't minst dit tegenwoordige oogenblik zegen, waarin ik u. Freule, met mijn moeder in goede harmonie bij elkander zie.quot;

„Metwaar,quot; vroeg Juffw. Hermans: „dat had je niet verwacht; en ik waarlijk ook niet. Wel! ik had aan onze nicht verteld, op wat wijze die teekening bij ons te land was gekomen, en, nu zij die gezien heeft, kunnen wij weer naar beneden gaan. — En nu je onze woning weet,quot; vervolgde zii, toen zij weder in haar kamer gekomen waren, „nu hoop ik, dat je, dezen weg uitkomende, mij nog wel eens met een bezoek zult willen vereeren; — al spijt het mij, dat ik het niet zal kunnen reciproceeren; — ik heb mij eens in een nederigen stand gezet en er mij in geschikt, en zoo een Juffrouw van de Bocht van de Heeregracht zonder zich te com-promitteeren, bij haar nicht de naaister op de Leliegracht kan komen, nicht de naaister zou zich aan groote indiscretie schuldig maken, indien zij anders dan in de laatste hoedanigheid aan de Bocht van de Heeregracht verscheen.quot;

„Mij dunkt, dat is de nederigheid wat ver getrokken,quot; zei Bettemie, glimlachende.

„Neen,quot; zeide de weduwe: „dat is het niet. En, noem het geen nederigheid, noem het liever trots, — je kunt mij niet tevens ontvangen met Mw. A. en B. en C., die het u zeer kwalijk zouden nemen, indien je haar op mijn gezelschap trakteerdet en, om in 't verholen bij u te komen, wel! dat zou ik om geen goud willen doen. — Daarbij, ieder moet blijven in den kring, waar zijn gesternte hem geplaatst heeft: ik bedoel namelijk elke vrouw,quot; voegde zij er bij, zich op eens bezinnende, en niet begeerende, dat haar woorden door Bettemie in volstrekt algemeenen zin genomen en dus ook op Albert werden toegepast: „met een man,quot; ging zij voort, „is 't natuurlijk anders gelegen: een man kan vooruitkomen als hij knap is.quot;

ocr page 286

272

„Hm ja!quot; merkte Albert, glimlachende aan: „een soldaat kan generaal worden: maar taalmeesters, die carrière maken, levert ons land vooralsnog niet lomp veel op.quot;

„Wel zij Bettemie: „een taalmeester is, toch een man van de wetenschap: — en ik zie, wat mij betreft, hooger op tegen iemand, die kennis bezit en in staat is wat hij weet aan anderen mede te deelen, dan tegen zoovelen van mijn familie of van mijn kennis, die om postjes solliciteeren: een taalmeester is een onafhankelijk man, en die om niemands gunst heeft te bedelen.quot;

„Voorwaar!quot; zeide Albert, die haar, terwijl zij sprak, met klimmende opgetogenheid had aangestaard: „al de taalmeesters van Nederland moesten uwe woorden hooren en u een dank-adres aanbieden; — en toch vrees ik, dat meer dan één onder hen u beschuldigen zou, alleen de poëtische zijde van zijn vak te zien. Waarlijk, Freule, die onafhankelijkheid, waarop door u gewezen wordt, bestaat bij de meesten alleen daarin, dat zij vrij zijn, leerlingen te weigeren — en daardoor ook wat zij behoeven tot hun levensonderhoud; voor 't overige zijn zij, die, zoo goed als de soldaat, prompt op 't appèl moeten zijn, niet alleen de slaven van hun lessen, maar ook die van de wenschen, dikwijls van de grillen en opvatting van ouders, gouvernantes leerlingen e tutti quanti.quot;

„Ik begrijp dat,quot; hernam Bettemie: „maar een afhankelijkheid van dien aard is in meerdere of mindere mate aan elke plichtsvervulling verknocht: ook in de gewone samenleving en onder bijna alle omstandigheden laat zij haar juk gevoelen, dat zelfs te knellender is, naarmate men zich in hooger kring beweegt: immers daar zijn 't niet alleen handen van zedelijkheidj van welvoeglijkheid, die ons worden opgelegd, maar ook die van de mode, van de sleur, van de etiquette, van het q u' en dira-t-on, van honderd andere zoogenaamde plichten, waar ieder op knort, doch waar ieder zich aan onderwerpt, wil hij niet voor excentriek of voor ongemanierd gescholden worden. — Neen, toen ik van onafhankelijkheid sprak, bedoelde ik die van den man, die geen superieur heeft, van wien hij bevelen

ocr page 287

273

heeft te wachten, en wien hij gehoorzaamheid schuldig is: — en zoodanig een is in mijn oog de onderwijzer, is de kunstenaar, is al wie zich toewijdt aan hetgeen men oudtijds, en zoo terecht, de zeven vrije kunsten heette. — En wat ik van hen zeg, dat pas ik evenzeer toe op de vrouw, die zich, zooals uw moeder, door eigen arbeid en vlijt een bestaan weet te scheppen. Zie! wanneer ik in aanmerking neem, welke inspanning zij daartoe heeft moeten aanwenden, welke moeite zij zich heeft moeten getroosten, tegen welke bezwaren zij heeft moeten strijden, dan kom ik tot de slotsom, dat zij dat alles is te boven gekomen, juist omdat zij den vasten wil had, onafhankelijk te blijven en te zijn. Heb ik gelijk of niet, lieve Nicht? en dwaal ik, wanneer ik zeg, dat het besef van onafhankelijkheid nog oneindig levendiger en streelender tevens bij u moet zijn dan bij mij, omdat zij bij u geheel uw eigen werk is, terwijl ik haar alleen te danken heb aan omstandigheden, buiten mij gelegen.quot;

„Waarlijk, lieve Nicht,quot; zei Juffw. Hermans, terwijl zij de opgewonden taal van het jonge meisje tevens bewonderde en er om glimlachen moest: „ik moet zeggen, datje welsprekend zijt, en wel in staat ook den minstbevoorrechte met zijn lot te verzoenen. Ik verbeeldde mij, het al heel ver gebracht te hebben, door mij tevreden te betoonen met mijn nederige positie; maar dat ik nu nog als 't ware benijd zou worden door iemand, die zich in de hoogere sfeer beweegt, waar mijn waarde Nicht in verkeert, neen, dat had ik mij nooit voorgesteld.quot;

Albert zeide niets: hij bleef in stille aanbidding op de schoone jonkvrouw staren, wier woorden als hemelmuziek in zijn ooren, neen in zijn hart hadden weerklonken.

„Kom,quot; zei op eens Bettemie, „ik verpraat mijn tijd, wat er juist niet op aan zou komen, maar ook den uwen, lieve Nicht, die daartoe te veel waarde heeft; en ik mag vooral niet vergeten, dat die arme Nicolette u noodig heeft.quot;

„Is Nicolette ongesteld?quot; vroeg Albert, verrast, aan zijn moeder.

iv. - k. z. is

ocr page 288

274

„Hij is zeker verliefd op haar, de arme jongen,quot; dacht Bettemie bij zich zelve.

„Ja, zij heeft mij verzocht, bij haar te komen,quot; zeide de weduwe: — en nu deden beiden, moeder en zoon, hun nicht uitgeleide tot aan de voordeur: — Met niet weinig verbazing merkte Juffw. Prijgraag op, die van de overzijde zat te gluren, dat Juffw. Van Doertoghe aan de naaister bij 't afscheid nemen zoo hartelijk de hand drukte, of het zusters waren: en zij beloofde zich wel, dat merkwaardige nieuws, op de eerstvolgende soiree bij Mw. Lix, aan Mw. Spilbier en Mw. Bleek en Leen Barwel en de overige vriendinnen te vertellen. — 't Is maar jammer, dat haar oogen niet scherp genoeg waren, om door den gevelmuur heen, in de woning van Juffw. Hermans te dringen, noch haar ooren, om het gesprek te beluisteren, dat, na het vertrek van Bettemie, daarbinnen plaats had tusschen moeder en zoon.

„Albert! wat is er toch, my boy? Schort u iets?quot; vroeg de weduwe, aan wie de ontroering van Albert niet ontgaan was; „ik heb u nooit zoo gezien: je bent geheel van je streek. Mijn Hemel wat is er toch? Is het het bezoek van onze nicht, dat u . ... waarlijk? — o! domme gans die ik ben .... hoe heb ik tot nog toe zoo blind kunnen zijn? en dat je mij niet verteldet, dat je haar ontmoet hadt.... dat je zoo dikwijls droefgeestig waart. . . . Albert! je hebt dat meisje lief.quot;

„Ja Moeder!quot; zeide hij, en viel haar om den hals.

„En je hebt er mij nooit iets van gezegd, mij, je moeder, niet vertrouwd!quot;

„'t Was, dat ik het ongerijmd, dat ik het belachelijk vond, en u geen kwelling wilde veroorzaken. — Maar o! 't heeft mij zooveel gekost.quot;

„Arme Albert!quot; zeide zijn moeder, hem aan haar hart drukkende: „arme Albert! o! nu is mij alles duidelijk.quot;

„Maar zij heeft het gezegd. Moeder! nietwaar, zij heeft het gezegd: een taalmeester staat bij haar hooger in achting dan iemand, die om postjes bedelt.... en .. . .quot;

-Maar beste jongen .... om een paar woorden, die zij uit

ocr page 289

275

vriendelijkheid gezegd heeft.... och! bedenk toch.... zij, zoo rijk en aanzienlijk.... jij, zonder vermogen.... daar kan immers nooit iets van komen.quot;

„Ja,quot; vervolgde hij; „ik wil zekerheid hebben.... ik wil weten, of het waar is, dat een bespottelijk verschil van wetgeving mij beletten zou, hier te zijn wat ik in Engeland ben, de wettige zoon van Wayland Flinck: en, ben ik dat, dan is er niemand, die mij mijn rechten kan betwisten als kleinzoon en erfgenaam van dien rijken Oosterling — en niemand, die er iets vreemds in vinden kan, als ik mede naar de hand van mijn nicht wil dingen, of die mij behoeft te verdenken, alleen op haar schatten verliefd te zijn.quot;

„Albert! ik heb je nooit zoo opgewonden gezien. — Maak je geen droombeelden, beste jongen!quot;

„Misschien! — maar dat moet Hoogenberg uitmaken: — ik heb dat bezoek reeds te lang uitgesteld; — maar morgen aan den dag ga ik naar hem toe.... O Moeder! moederlief! als ik u weder eens in dien staat kon zien, dien je recht hebt te bekleeden!quot;

„Ja! ga naar den advocaat,quot; zei Juffw. Hermans: „die zal vi goeden raad geven: en nu Albert! ik moet naar Nicolette: 't is met dat arme kind niet als 't behoort.quot;

En, haar winterhalsdoek omslaande, begaf zij zich op weg naar het huis van Mad. Puri.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE HEER FLINCK EN ZIJN SCHOONDOCHTER.

„Zoo!quot; zei Mad. Puri, toen zij haar vriendin zag binnentreden in de achterkamer, waar zij met haar man gezeten was: „'t is goed, dat je hier komt: ik weet geen raad meer met onze arme Nicolette. Zij is niet wel, dat is zeker: ik heb

ocr page 290

276

haar al aangespoord, geneeskundige hulp in te roepen; doch daar wil zij niet van weten.quot;

„Niet?quot; vroeg de weduwe: „maar dat is verkeerd.quot;

„Nietwaar? te meer, daar de Heer Van Blinkerswaard nog wel heeft aangeboden, al de kosten van dokter en apotheker voor zijn rekening te nemen.quot;

„De Heer Van Blinkerswaard!quot; herhaalde de weduwe.

„Och ja! de oude bulderbast is onder een hoed te vangen sedert dat zij ongesteld is, en komt ieder oogenblik bij mij hooren, hoe zij 't maakt.quot;

„IJ isse van 'aar verlief,quot; merkte Monsieur Puri aan.

„Mais ne vous permettez done pas de pareils radotages. Monsieur Puri.quot; „Och! wat mij betreft, ik zie nog geen gevaar; maar het arme kind heeft rust noodig.quot;

„Wel! ik zal eens gaan zien,quot; zei Juffw. Hermans: „doe geen moeite, lieve Mevrouw! ik ken den weg.quot;

Meteen ging zij de trap op: doch niet weinig verwonderd keek zij op, toen zij, boven op 't portaal gekomen, zich den toegang tot Nicolettes kamer als 't ware versperd zag door een oud Heer in een kamerjapon, die in gebogen houding aldaar stond te luisteren.

„Met uw verlof. Mijnheer!quot; zeide zij, met een gebaarde, die zooveel zeggen wilde als: „zou je wel zoo vriendelijk willen zijn, je hier vandaan te begeven en mij den doortocht vrij te laten?quot;

De man richtte het hoofd op en zag haar strak aan, ongeveer op de wijze als een dorpelwaarder, bode of kamerheer dengenen doen zou, die zich ter toelating, in een besloten gezelschap, of bij een minister, of ten Hove aanmeldde.

„Ben je een kennis van Juffrouw Zevenster?quot; vroeg hij, met een heesche stem.

„Ja Mijnheer!quot; antwoordde de weduwe, hem met verbazing aanstarende.

„En je komt eens zien, hoe zij 't maakt?quot; hernam hij, altijd met een gesmoorde stem, als vreesde hij, gerucht te maken en de zieke te hinderen: „goed ! — maar stel je belang in haar?quot;

ocr page 291
ocr page 292
ocr page 293

277

„Ongetwijfeld Mijnheer! ik heb haar van harte lief, — maar Mijnheer maakt mij ongerust. Is 't dan minder goed met haar?quot;

„Ha! nu zie ik, dat je 't meent,quot; hernam hij, zich oprichtende en de dorre hand om den arm van Juffw. Hermans leggende, als om haar te noodzaken, haar aandacht te schenken aan zijn gemompel; „maar, of zij minder goed is, dat is nu juist wat ik weten wilde. Dien koeterwaalschen kapper en die vrouw daar beneden met haar gerammel vertrouw ik maar half: — althans, ik weet niet, of zij aangaande dat meisje wel de geheele waarheid zeggen: zij willen geen dokter voor haar laten komen, ofschoon ik heb aangeboden, hem te betalen. — Zij beweren, dat het meisje zelf er geen verlangt; maar ik van mijn kant zeg, aan dergelijke meisjesgrillen moet men niet toegeven. Onderzoek nu eens goed, hoe 't met haar gesteld is: ik zal hier op u wachten tot je weer heengaat, om te hooren wat uw bevinding is.quot;

„Maar Mijnheer!quot; zei de weduwe, getroffen over de belangstelling, die de oude man betoonde: „dat is immers niet noodig: ik zal, indien Mijnheer 't mij veroorlooft, hem wel voor mijn vertrek verslag komen geven, hoe ik haar gevonden heb : dan behoeft Mijnheer hier niet in den tocht te blijven staan.quot;

„Je belooft het mij?quot; vroeg de oude man, haar nog eenigszins wantrouwend aanziende.

„Stellig, Mijnheer,quot; antwoordde zij.

„'t Is goed! ik zal op uw woord afgaan,quot; hernam de andere, haar den doortocht vrijlatende: „daarginds aan 't eind van de gang is mijn kamer: daar loopje maar binnen, als je hier vandaan komt: — en hoor,quot; vervolgde hij, terwijl hij, na zich reeds van haar afgewend te hebben, weder terugkeerde: — „indien je er tijd mee verzuimt, dan wil ik je dien gaarne betalen. Herman Flinck is geen man om iets voor niemendal te verlangen.quot;

Juffw. Hermans had de kruk van de deur reeds in de hand om de deur van Nicolettes kamer te openen: — doch 't was of 't hooren van dien naam van Herman Flinck haar voor een oogenblik in een steenen beeld veranderd had. Hoe! die

ocr page 294

grijsaard, die zooveel hartelijke belangstelling toonde in 't welzijn van een meisje, dat hem geheel niet aanging, was diezelfde Herman Flinck, die zich tegen haar, de weduwe zijns zoons, zoo onbarmhartig gedragen had! En aan dezen man, dien zij gezworen had, nimmer te ontmoeten, had zij een vertrouwelijk onderhoud toegezegd! Spraak- en roerloos oogde zij hem na, terwijl hij de gang ten einde liep, en, zelfs nadat zij hem zijn kamer had zien binnengaan en de deur achter hem gesloten was, duurde het nog een poos, eer zij uit haar mijmering opschoot en zich vermande om binnen te gaan.

Zij vond Nicolette aan haar tafel gezeten, gekleed en met haar werk voor zich, doch bleek van uitzicht en blijkbaar ontdaan.

„Zoo, lieve Juffrouw!quot; zeide het jonge meisje: „dit is al te vriendelijk van u, zoo spoedig aan mijn verzoek te voldoen; ik meende reeds uw stem aan de deur te hooren.quot;

„Ja,quot; zeide de weduwe: „er stond daar iemand, die verlangend was, berichten aangaande u te vernemen.quot;

„Wat scheelt er aan. Juffrouw Hermans?quot; vroeg Nicolette, op een toon van bezorgdheid: „je ziet er geheel ontdaan uit: is u iets gebeurd onderweg?quot;

„Neen — 't is niets .... ik ontmoette daar aan de deur ... .quot;

„O! toch niet onzen ouden commensaal van de voorkamer?quot;

„Ja! — hij wilde volstrekt weten, hoe je 't maakt.quot;

„De goede man!quot; zei Nicolette.

„Ook zij noemt hem goed!quot; kon Juffw. Hermans niet nalaten, halfluid te mompelen, en vervolgens voortgaande: „maar die Heer,quot; zeide zij, „dien ik tot nog toe niet anders hoorde noemen dan Van Blinkerswaard . .. .quot;

„O!quot; viel Nicolette in: „nu begrijp ik uw ontroering. Ja! ook ik weet eerst sedert kort, dat de Heer Van Blinkerswaard en de Heer Flinck een en dezelfde persoon is.quot;

„En.... je hebt toch over mij niet gesproken?quot; vroeg angstig de weduwe.

„Zou ik dat buiten uw voorkennis hebben durven doen?quot; vroeg Nicolette.

ocr page 295

279

„Des te beter! Ik heb hem beloofd.... hij had zich toen nog niet genoemd .... verslag te doen, hoe ik u gevonden heb.quot;

„De goede man,quot; zei nogmaals, onwillekeurig, Mcolette.

„Inderdaad? — Wel! ik zou betere gedachten van hem kunnen krijgen, sedert hij zoo lief is jegens u. — Maar hoe is 't met u, beste meid? en wat scheelt er aan?quot;

„'t Is niets: 't zal wel spoedig weer over zijn: een beetje schrik — en .. . .quot;

„Maar je wildet geen dokter spreken.quot;

„En waartoe? Kan een dokter de ziekte der ziel genezen? — en o! lieve Juffrouw! mijn ziel is ziek. 't Is die blik van diepe verachting, dien Mevrouw Van Eylar op mij wierp, die 't mij gedaan heeft: — o! ik moet voor ieders oogen wegschuilen.quot;

„Maar wees toch kalm en bedaard, lieve Nicolette: — je hebt je zelve niets te verwijten en waarom zou je dan wanhopen ?quot;

„'t Is juist omdat ik mijn toestand kalm en bedaard heb overwogen, dat ik zoo wanhopend ben. — Ik heb mij niets te verwijten, dat weet ik; maar ik weet ook, dat zelfs de schijn van 't kwaad genoeg is om een vrouw buiten de maatschappij te sluiten. Zie je, Juffrouw Hermans, jij gelooft niet aan mijn schuld: Bettemie is bij mij geweest en gelooft er ook niet aan: en Mad. Puri evenmin; maar dat alles weegt niet op tegen het kwaad vermoeden, dat de menigte hebben moet. Zie je — hier op deze japon is, toen ik nog bij u was, een inktvlek gekomen: wij hebben al ons best gedaan om die er uit te wasschen: — en wij meenden er in geslaagd te zijn, — maar neen: — telkens komt zij weerom : — 't was niet met moedwil, dat ik de japon bevlekt had; 't was zelfs buiten mijn schuld, dat er inkt op gespat werd: — maaide smet blijft daarom dezelfde: — en niemand zal voortaan de japon meer om haar netheid kunnen prijzen.quot;

„Arm kind!quot; zeide Juffw. Hermans, haar tegen zich aandrukkende: „en wat wil je dan?quot;

„Ach! weet ik, wat ik wil? — Ik weet, dat het zondig is.

ocr page 296

280

naar den dood te wenschen — en o! ik ben daar niet op voorbereid.... ik wenschte, dat ik naar een land kon gaan, waar niemand mij kende.... ach! maar wat zou 't helpen ? overal zou, op een dag, dat ik zulks 't minst verwachtte, het bericht kunnen komen: „dat meisje is in een bordeel geweest.quot; quot;

Juffw. Hermans zat een wijl zwijgende tegenover een zoo diepe smart. Zij voelde de kracht van Nicolettes redeneering, het moeilijke, zoo niet onmogelijke, daar eenige afdoende gronden tegen aan te voeren, en tevens, dat het oogenblik slecht gekozen zou wezen, om met stichtelijke algemeenheden voor den dag te komen. Zij vergenoegde zich dus te zeggen: „God heeft mij in vele langdurige beproevingen gesterkt, en Hij zal u ook kracht naar kruis verleenen. Maar, waar wij nu aan te denken hebben, dat is, wat je voor 't oogenblik zult aanvangen, indien je hier niet blijven wilt.quot;

„Ach! had ik maar een kamer, waar ik wist dat niemand — niemand mij zag.quot;

„Maar, beste meid, op den duur zou dat niet met u gaan: op uw leeftijd heeft men lucht noodig en vrije beweging: en door voortdurend in een kamertje te muffen, zou je wegkwijnen als sneeuw voor de zon.quot;

„En wat heb je zelve gedaan?quot; vroeg Nicolette: „je waart ook nog jong, toen ik u in de achterstraat kennen leerde op dat bovenkamertje: en je ziet er toch nog frisch en gezond uit.quot;

„Wel! ik weet niet,quot; zei Juffw. Hermans: „'t eene gestel verschilt van 't andere; maar toch geloof ik, als je buiten waart, dat het je goed zou doen, — en ik wed, dat ieder dokter het met mij eens zou wezen: ware het zomer, ik zou zeggen: al was het maar voor een week of wat, je moet in de wei — en je zoudt immers ergens kunnen gaan, waar je een frisscher lucht genoot, en niemand je kende. — Wie weet, de Freule van Doertoghe is bereid, je in de kosten te gemoet te komen.quot;

„Je hebt Bettemie gesproken?quot; vroeg Nicolette, uit blijdschap over die ontdekking haar leed een oogenblik geheel vergetende.

ocr page 297

281

„Zij is juist van mij vandaan gegaan,quot; antwoordde de weduwe: „en ik moet zeggen, zij zou in staat zijn, mij met de familie te verzoenenen meteen deed zij aan Nicolette verslag van het bezoek van Bettemie: natuurlijk zonder te vermelden, wat zij bij die gelegenheid betreffende het hartsgeheim van Albert had ontdekt.

„O! dat is voortreffelijk,quot; zei Nicolette: „zoo iets te hooren, doet mij meer goed dan honderd drankjes. Zie! als ik u nu ook maar verzoend zag met mijn ouden vriend hier van de voorkamer — dan had ik, wat u betreft, niets meer te wenschen.quot;

„Uw oude vriend!quot; herhaalde de weduwe, die 't weinig hinderde, een man, over wien zij zich zoozeer te beklagen had, door Nicolette herhaaldelijk met den naam van vriend te hooren bestempelen.

„Ten minste voor mij is hij goed,quot; zeide Nicolette: „hij moge tegen anderen korselig en ruw zijn, jegens mij is hij altijd als een lam, en ik kan 't niet helpen, maar ik gevoel mij, spijt al zijn gebreken, tot hem aangetrokken: — ja ik beschuldig mij, dat ik hem dezer dagen niet heb willen ontvangen ; — doch hem kon ik niet vertellen wat het is, dat mij kwelt, — en nu zal hij mij voor onvriendelijk aanzien.quot;

„Neen,quot; zeide de weduwe: „dat niet; maar hij is op de gedachte gekomen, dat je erger waart dan inderdaad het geval is: ik zal hem op dat punt geruststellen: want, als ik reeds zei, ik heb hem moeten beloven, hem te gaan vertellen hoe je 't maakte.quot;

„O! dat is goed: en dank hem meteen uit mijn naam voor zijn belangstelling: 't zal mij waarlijk vreemd zijn, hem in het vervolg niet meer te zien.quot;

„Wel, waarom zou je hem niet meer zien? ja, 't is waar, als je hier vandaan, vooral als je uit de stad gaat.quot;

„Indien je denkt, dat ik dit doen moet.... ja, 't is misschien ook maar beter: hier strek ik toch maar tot een voorwerp van afschuw aan hen, die mij naar den schijn beoordeelen, en tot een voorwerp van overlast aan hen, die van mijn onschuld overtuigd zijn.quot;

ocr page 298

282

„O! denk dit laatste toch niet,quot; zei Juffw. Hermans; „foei! alsof het om die reden was, dat ik u dien raad gegeven heb; neen! dat kun je niet oprecht meenen.quot;

„Och! ik weet het wel,quot; hervatte Nicolette, „hoe liefje mij behandelt. Maar op den duur zou 't u toch als iedereen, vervelen, bij iemand te komen, die niets doet dan klaagliederen zingen.quot;

„Foei! welke leelijke gedachten haal je je zeiven toch door 't hoofd: ik zal er maar niet op antwoorden. — Hoor! ik wil toegeven, dat je op den duur bij Mad. Puri niet blijven kunt; maar vooreerst heeft zij nog niemand, om u te vervangen, en om buiten de stad te gaan, daar is 't nn het seizoen niet voor: hier te Amsterdam een kamer te nemen en alleen te gaan wonen, zou je nog veel meer aan opspraak blootstellen. Wie zou je beschermen? Je hebt bij ondervinding gezien, hoe licht men een jong meisje zonder ervaring in een strik lokt. — Je zult zeggen, ik heb indertijd hier ook op mijn eigen wieken gezworven; maar ik was nooit zoo'n bijzondere schoonheid geweest, en toen ik hier aanlandde, was ik pas hersteld uit een zware ongesteldheid, zoodat wel niemand moeite gedaan zou hebben om een zwakke, fletse weduwe, als ik toen was, en ik nog niet begrijp, wat die kapitein, waar dat slechte wijf van sprak, aan mij vinden kon. — Maar op u zullen de Tilbury's, oud en jong, komen aansnorren als de vliegen op de suiker, en al had je dubbele grendels op je deuren, je zoudt ze niet van je afslaan. — Neen, dat ware onmogelijk en onuitvoerlijk. Je zult dus voor 't oogenblik je moeten getroosten, nog hier te blijven, en goed eten en drinken, en je krachten zien te behouden. Ik zal je zoo dikwijls komen bezoeken als mij maar eenigszins mogelijk is, en intusschen mijn best doen, om iets te vinden, dat geschikt voor u is. Ik zal daar met Bettemie over raadplegen, en het zou wel ongelukkig wezen, indien wij niet het een of ander voor u uitdachten.quot;

„Ik zal de toekomst Gode en u aanbevelen,quot; zei Nicolette, het hoofd langzaam schuddende en met een droefgeestigen blik, die genoegzaam lezen liet hoe luttel rekening zij maakte

ocr page 299

283

op den goeden uitslag van de welgemeende bedoelingen der weduwe.

„Wel!quot; zeide deze, nadat zij Nicolette nog eenige vragen , gedaan had betreffende haar gezondheid, en nog eenige raad

gevingen had medegedeeld: „ik ga nu naar uw ouden buurman toe, om de belofte te vervullen, die ik hem gedaan heb; misschien kom ik u nog straks vertellen, wat de uitslag van ons gesprek is geweest.quot;

„Als 't u belieft. Juffrouw,quot; zeide Nicolette: „en zeg hem toch, dat ik, zoodra ik kan, hem weer hoop te gaan zien.quot;

Niet zonder een mengeling van verschillende gewaarwordingen, begaf zich de weduwe naar de voorkamer, om er een gesprek te voeren met den man, dien zij nu gedurende vijf en twintig jaren had beschouwd als den hoofdbewerker van al de wederwaardigheden, die haar getroffen hadden, als de oorzaak van den dood zoo van haar man als van het onschuldige kind, dat zij te Leiden ter wereld gebracht had, alleen om het weder te verliezen, van haar langdurige ziekte, en van de behandeling, die zij van haar eigen familie ondervonden had: dien man, aan wien zij nooit dan met een gevoel van afkeer en wrok gedacht had, en dien zij nu, zoo onverwachts en van een zoo goede zijde had leeren kennen. En het was deze laatste bijzonderheid, die de uitwerking had, dat zij, ofschoon nog geheel in geen vergevingsgezinde stemming jegens haar schoonvader verkeerende, toch een weinig nieuwsgierig was, of hij den gunstigen indruk, dien hij, onbekend, bij haar gemaakt had, bij kennismaking zou rechtvaardigen.

Zij tikte aan de deur, trad binnen en vond den ouden heer, die blijkbaar haar ter eere, zijn japon uitgetrokken en zijn jas had aangetogen, bij den haard gezeten, i „Wel?quot; vroeg hij, haastig oprijzende: „hoe is het met de

' zieke?quot;

„Zij laat u dankzeggen voor uw vriendelijke deelneming. Mijnheer!quot; zeide de weduwe.

„Dat is niet wat ik vraag,quot; hernam Flinck, op een toon van ongeduld: „is zij beter of slimmer? daar komt het op aan.quot;

ocr page 300

284

„Ik durf daaromtrent niets beslissen,quot; antwoordde Juffw. Hermans: „zij is minder ongesteld naar 't lichaam dan naar den geest; — doch, ware de reden van haar kwaal mij bekend, dan zou ik nog mij niet gerechtigd achten, die te openbaren.quot;

„Naar den geest! — is zij ook verliefd? Ja, stellig zal zij verliefd zijn. Maar mijn hemel! waarom trouwt zij dan niet? Misschien wil die miserabele vrijer haar niet trouwen, omdat zij geen geld heeft: — maar zij heeft geld; meer dan hij droomen kan! Is Flinck er dan niet ? zal die haar in den steek laten? Vertel mij maar eens wat zij hebben moet.... maar ga toch zitten. Mevrouw! . . .. of Juffrouw, wat je wezen moogt.quot;

„Hoe, Mijnheer!quot; riep Juffw. Hermans, terwijl zij plaats nam: „je zoudt de goedheid hebben . . . .quot;

„Is dat zoo iets vreemds, datje mij zoo verbaasd aankijkt? — Nu ja, natuurlijk! je zaagt ook al Herman Flinck aan als een Nero, die op zijn geldkist zit en er niemand iets van gunt. Ik weet, wat de lui van mij zeggen: omdat ik niet van hetgeen ik met hard werken verdiend heb, aan eiken bedelaar van hoogen of lagen stand geef, die 't maar voor 't vragen hebben won. Als ik geef, geef ik aan wie 't noodig heeft en er niet om vraagt: en dan doe ik het voor mijn plezier: zeg dus maar ronduit wat er wezen moet.quot;

„Wel!quot; zeide de weduwe: „zoo Mijnheer iets ten beste van onze lieve Nicolette wil doen, zal zulks mij steeds genoegen verschaffen; maar de onderstelling van Mijnheer is minder juist: er is, zooverre ik weet, vooreerst geen mensch, die plan heeft om haar ten huwelijk te vragen.quot;

„Niet? — Waar hebben onze jongelui dan tegenwoordig hun oogen? Mij dunkt, half Amsterdam moest op die meid verliefd zijn.quot;

„Dan moest men haar eerst kennen, — en zij komt de deur niet uit.quot;

„Maar wat kan haar dan schelen? Zie je, ik eenloopende oude vrijer heb geen verstand van hartkwalen bij een vrouw, en meende, dat daar altijd liefde in 't spel was.quot;

ocr page 301

285

„Het is hier droefgeestigheid, Mijnheer! en die is bij het arme kind zeer natuurlijk: dus alleen op de wereld — zonder ouders of naaste betrekkingen, altijd peinzende over de toekomst, en zich het ergste voorstellende.quot;

„Over de toekomst!quot; herhaalde Flinck: „maar als het dat is.... daar behoeft zij zich niet over te bekommeren: — ik wil immers voor haar zorgen: zij moet maar zeggen wat zij verlangt: — wil zij een paar mooie kamers, desnoods een geheel huis? ik zal het haar geven: als zij maar toelaat, dat ik nu en dan wat met haar kom praten.quot;

Juffrouw Hermans zag bij deze woorden den ouden man ernstig en uiivorschend aan: het aanbod was zoo edelmoedig, dat zij een oogenblik vermoedde, of er ook iets achter school, dat niet richtig was, en of de Heer Flinck ook een tweede editie was van den Baron Van Tilbury: — doch de uitdrukking van angst, die, zoo uit de stem als uit het gelaat van den grijsaard sprak, deed haar terugkomen van dat verdenken.

„Waarlijk,quot; zeide zij: „Mijnheer is zeer edelmoedig, en ik mag natuurlijk niet beslissen, hoe Nicolette over zulk een voorstel denken zal. — Maar Mijnheer heeft zeker ondervinding genoeg van de wereld, om te weten, welke uitlegging zij er aan geeft, wanneer een jong meisje dagelijks weldaden aanneemt van een heer, die niet aan haar vermaagschapt is.quot;

„Hm; wat schoons! weet je wel, Juffrouw — of Mevrouw, wat ben je? — dat ik zoetjes aan naar de tachtig kuier?quot;

„Zeg maar „Juffrouw,quot; Mijnheer: — ik wilde maar zeggen, hoe ouder Mijnheer is, hoe meer men den steen zal werpen — niet op hem, maar op het meisje.quot;

„Maar wat hamer! — wat moet ik dan doen? — haar het geld door iemands tusschenkomst bezorgen misschien?quot; en hier keek hij op zijn beurt wantrouwend, als wilde hij zeggen: „je zoudt er misschien mee van willen proflteeren.quot;

„Mijnheer!quot; zeide de weduwe: „zoodra een jong meisje, dat bekend staat als onvermogend, opeens in goeden doen geraakt, zonder dat de bron van haar fortuin bekend is, dan

ocr page 302

286

schrijft het publiek dit aan redenen toe, die alles behalve vereerend voor haar zijn.quot;

„Maar wat dan? —■ Voor den duivel! Ik had haar willen adopteeren; dan zou niemand er toch iets in hebben kunnen vinden; — en nu hebben zij, juist in mijn afwezigheid, de adoptie afgeschaft.quot;

„Inderdaad?quot; vroeg de weduwe, den ouden man met een paar oogen aanziende, die flonkerden van genoegen.

„Ja! ben je daar zoo blij om, dat ze die hebben afgeschaft?quot;

„Neen: maar ik verneem met aandoening en blijdschap uw goede voornemens ten opzichte van Mcolette: — Zie, Mijnheer! ik mag in deze zaak niet spreken; — en ik zou zelfs niet gaarne de tusschenpersoon wezen, die haar uw aanbieding overbracht; want ik weet in gemoede niet, wat ik haar zou zou moeten raden.quot;

„Met? — Wel drommels, jij bent ook al een raar slag van een mensch, dat je iemand zoudt afraden, geld te aanvaarden, dat met een goed hart wordt aangeboden, en onder geen andere voorwaarde dan .... of was het misschien juist die voorwaarde ? Wel! haal mij de d . . . . ! indien het niet anders kan, dan ook zonder voorwaarde. Hê! wat zeg je?quot;

„Ik zeg, dat Mijnheer een goed, edel mensch is, en dat ik berouw gevoel, hem zoolang miskend te hebben.quot;

„Zoolang! — Wat d....! wij zien mekaar voor 't eerst van ons leven.quot;

„Volkomen waar,quot; zei Juffw. Hermans, en zij had er kunnen bijvoegen, dat het hare schuld niet was, zoo de kennismaking niet vroeger had plaats gehad; maar toch, ik had vroeger veel van Mijnheer gehoord, en ik beken, dat de indruk, dien ik toen ontvangen heb .... ik vraag in elk geval Mijnheer om verschooning.quot;

„Mag ik vragen, hoe je hiet, Juffrouw?quot; vroeg Flinck, haar eenigszins verwonderd aanstarende.

„Men noemt mij de weduwe Hermans, Mijnheer!quot;

„Zoo! — en Nicolette is niet van je familie.quot;

„Neen, Mijnheer! zij heeft helaas! geen familie, — en des

ocr page 303

287

te meer gevoel ik mij verplicht, haar mijn belangstelling te doen blijken.quot;

„Zoo! en dus kwam je eens naar haar kijken?quot;

„Ja Mijnheer! — bovendien had zij het mij verzocht.quot;

„Zoo! dus zij stelt vertrouwen in u.quot;

„Ik geloof, dat ik het verdien, Mijnheer.quot;

„Wel! — Ik wil u niet vragen, dat vertrouwen te schenden : maar zie je, zooveel kon je toch doen, dat je mij raad gaafc, hoe ik het moet aanleggen om dat kind genoegen te doen. Ik beken je ronduit, dat ik nooit slag heb gehad, met vrouwen om te gaan: — eens.... ja dat is jaren geleden, kende ik er eene: die zou, als zij geleefd had, misschien een ander mensch van mij gemaakt hebben; — maar die werd mij ontnomen, en zoo is Herman Flinck gebleven wat hij was, een koopman en fabrikant, die het menschdom van zijn slechtste zijde leerde kennen, dien men tegenwerkte en dwarsboomde, zoolang hij zijn weg naar de fortuin nog openhakken moest, en dien men vleide, flikflooide en bedroog, toen men eens onderstelde, dat hij rijk was; en die dampkring, waar zoo'n jong ding als Nicolette zich in beweegt, is voor mij een Egyptische duisternis, waar ik in den blinde rondtast. Kan de Juffrouw mij nu een lantaarn verstrekken, die mij voorlicht, zoo zal zij mij genoegen doen.quot;

„Ik wenschte het, Mijnheer!quot; zeide de weduwe: „maar ik ben zelve nog overleggende wat het beste voor haar is.quot;

„Kan ze niet bij u wonen?quot; vroeg Flinck.

„Dat heeft zij een tijdlang gedaan; maar . . . .quot;

„Maar zij kon geen kostgeld betalen misschien?quot; vroeg Flinck, bij wien de achterdocht weer bovenkwam.

„Neen Mijnheer! dat was het niet. Ik ben niet meer dan een eenvoudige naaister, en leef van wat mijn zoon met zijn arbeid en ik met den mijnen verdien; — maar toch zou er altijd wel een stuk brood en een plaats onder mijn dak voor Nicolette overschieten; — doch, zoolang mijn zoon niet getrouwd en de deur uit is, zou dat stof geven tot gebabbel: — en dat moet niet.quot;

ocr page 304

288

„Zoo! — en die zoon van je — heeft die altemet een goed oog op haar?quot;

De weduwe vergenoegde zich tot antwoord op deze vraag te glimlachen en ontkennend met het hoofd te schudden.

„Zoo!quot; hernam Flinck: „het is dus uit pure vriendschap en genegenheid, dat je belang stelt in dat meisje?quot;

„En welke andere reden zou ik er voor hebben?quot;

„Welke andere!quot; herhaalde Flinck: „wel! ik weet het niet; maar men ziet zelden op de wereld zoovele blijken van welwillendheid geven aan wildvreemden, als er niet de eene of andere drijfveer bijkomt.quot;

„Wel!quot; zei Juffw. Hermans: „ik zou dan wederkeerig durven vragen, wat de drijfveer is van de welwillendheid, die Mijnheer aan dat meisje betoont, en of hij zich misschien verbeeldt, het monopolie te bezitten van een onbaatzuchtige vriendschap ?quot;

„Goed weeromgekaatst!quot; zeide Flinck, lachende: „weetje wel, dat je mij bevalt, Juffrouw Hermans?quot;

„Dat is mij aangenaam, Mijnheer Flinck,quot; zeide de weduwe.

„Voor den drommel neen!----ik meen het,quot; hernam hij:

„zie je, ik denk met den zomer een landgoed te betrekken, dat ik gekocht heb, en ik dacht er half over, een advertentie in de dagbladen te plaatsen om een huishoudster of gezelschapsjuffrouw, zoo men 't noemen wil; maar ik vroeg mijzelven af: wat zal 't geven ? aanbiedingen bij de vleet — al verveling genoeg, ze te moeten lezen: — met de overtuiging dat het voor quot;YiooSten leugen en bedrog is wat men onder de oogen krijgt: — en dat, als men denkt een aaltje gepikt te hebben, het doorgaans nog op een slangetje uitkomt. Maar zie je, als ik nu iemand kon treffen zooals jij — dat zou mij wel lijken: en als je dan Nicolette meenaamt — dan was, dunkt mij, de zaak in orde, en wij waren alle drie geholpen. — Wat zeg je er van?quot;

Maar de weduwe zei vooreerst niets: zij was stom van verbazing en ontroering over den zonderlingen loop der dingen, waardoor de man, die haar voorheen, en toen zij billijke

ocr page 305

289

aanspraken had op zijn welwillende hulp, zoo onbarmhartig had van zich gestooten, haar thans, nu zij hem vreemd was, uit eigen beweging tot zich riep en haar een rustige toekomst wilde verzekeren.

„Mijnheer!quot; zeide zij ten laatste; „uw voorstel is zoo vriendelijk .... en 't valt mij zoo onverwacht op 't lijf, dat ik voor 't oogenblik buiten staat ben, er naar behooren op te antwoorden .... ik ben u er intusschen innig dankbaar voor.quot;

„Dat behoeft niet,quot; viel Flinck haar in de rede. „Dankbaarheid is een artikel, dat sedert lang niet meer op de prijscourant genoteerd staat, en als ik u met dat woord voor den dag zie komen, dan maakt zulks op mij den indruk, als zocht je een beleefde inleiding tot de verklaring, dat je van mijn voorstel niets wilt weten.quot;

„Dat zeg ik niet. Mijnheer,quot; hernam de weduwe: „maar ik kan hierin niet handelen, zonder mijn zoon geraadpleegd te hebben.... en Mcolette; en dan nog.... maar mijn God is het mogelijk?quot;

„Wat mogelijk? — Wel, 't is heel mogelijk,quot; zei Flinck, die van dien uitroep der weduwe zoomin als van haar ontsteltenis iets begreep.

„Ach Mijnheer! — ik kan u de zaak nu niet uitleggen; — als Mijnheer mij eens nader kent, dan zal Mijnheer begrijpen, hoe zijn voorstel mij treffen moet. „Wel! ik zal er over nadenken — ik zal er over spreken met mijn zoon — ik hoop u nader bericht te geven .... maar vergun mij thans, u te verlaten.quot;

„Net zooals je wilt: ik zal je besluit dan wel vernemen; — maar intusschen wil ik hopen, dat Nicolette spoedig wèl genoeg zal zijn om mij te ontvangen. — Nu, vaarwel Juffrouw Hermans! — en als je zoon altemet met gekke bezwaren voor den dag komt, stuur hem dan bij mij, dan zal ik hem wel aan zijn verstand brengen, dat hij er geen schaê bij zal hebben, als ik hem zijn moesje ontneem.quot;

19

IV. - K. z.

ocr page 306

290

DERDE HOOFDSTUK.

HOE NICOLETTE DEN OUDEN MAN DE LES LEEST.

Met weinig keek Nicolette op, toen Juffw. Hermans, bij haar teruggekeerd, haar den uitslag mededeelde van het gesprek, dat zij met den ouden Heer had gehad. Intusschen was het jonge meisje er meer verheugd over dan verbaasd; zij, die zelve (en niet zonder reden) zoo ingenomen was met de weduwe, vond het niet meer dan natuurlijk, dat de Heer Flinck zich evenzeer tot haar had aangetrokken gevoeld: ware het anders geweest, dan zou de grijsaard den goeden dunk, dien zij langzamerhand van zijn schrander oordeel en menschenkennis had opgevat, hebben gelogenstraft.

„En,quot; vroeg zij ten slotte: „wat heb je hem geantwoord?quot;

„Wel! — dat ik mij beraden moest; — je voelt, ik dien eerst te weten, hoe je er zelve over denkt, en dan . . . .quot;

„Hoe ik er over denk? — Maar mij dunkt, dat doet niets tot de hoofdzaak, namelijk tot uw verzoening met uw schoonvader. En hoe kan die beter tot stand komen, dan wanneer hij u, ten gevolge van dagelij kschen omgang, heeft leeren kennen?quot;

„Ik weet het niet,quot; zei Juffw. Hermans, weemoedig het hoofd schuddende: „het vooroordeel is een zonderlinge zaak. — Welken waarborg hebben wij, dat diezelfde man, die zoo vriendelijk was jegens mij, nu hij mij niet kende, niet als een blad op een boom veranderen zal, wanneer hij verneemt, wie ik ben; en dit dient hij te weten, eer ik mijn intrek bij hem neem.quot;

„Is dit geen overdreven kieschheid, lieve Juffrouw?quot;

„Misschien; maar ik wil er liever den naam aan geven van gewone voorzichtigheid; immers, hoe zou hem op den duur de zaak verborgen kunnen blijven? Al ware het niet, dat Albert hemel en aarde bewegen zal om het recht te handhaven van zijn vaders naam te dragen, en misschien reeds

ocr page 307

291

spoedig daarmede voor den dag kan komen, zoo zou toch vroeg of laat het geheim uitlekken, en dan zou ik van misleiding kunnen beschuldigd en met schande de deur worden uitgezet: — en dat zou erger wezen, dan toen mij dit vroeger overkwam: want nu zou ik mij kunnen verwijten, dat ik het mij zelve had op den hals gehaald.quot;

„Maar, zou je zelve niet langer tegen het denkbeeld opzien van bij den ouden Heer in te wonen?quot; vroeg Mcolette.

„Neen! — ik had groote preventies tegen hem; — doch de man is blijkbaar eerlijk en oprecht, en met de zoodanigen kan men het op den duur het beste vinden; want men weet wat men aan hen heeft: — en dan, daarbij, zou ik de schikking de wenschelijkste vinden in uw belang. Als wij beiden bij den ouden Heer rustig op zijn landgoed woonden en ... . wie weet ? Albert zou hij ook wel voorthelpen.... Maar — wat er van zij — ik doe in deze niets, zonder er met Albert over gesproken te hebben: die moet beslissen, of wij na het gebeurde, al dan niet eenige weldaad van den Heer Flinck mogen aannemen.quot;

„Nu! ik hoop, dat hij dan evenmin haatdragend zal wezen als zijn moeder,quot; zei Nicolette: — „want de zaak doet mij te veel genoegen, dan dat ik die zonder noodzaak zou willen zien afspringen.quot;

„Dat verheugt mij,quot; zei Juffw. Hermans: „en zeker zou de gedachte, dat het ook in uw belang ware, zoo wij aan den wensch van den Heer Flinck toegaven, een groote spoorslag voor mij zijn om dien aan te nemen; doch, als ik reeds zeide, alles hangt er van af, hoe Albert er over denkt.quot;

En hiermede verliet zij Nicolette, niet zonder blijdschap bespeurende, dat deze, ten gevolge van de gedane mededeeling, wat opgebeurd en opgeruimder was. — En werkelijk had hetgeen Nicolette aangaande de ontmoeting tusschen schoonvader en schoondochter vernomen had, weldadig op haar gewerkt. Niet, dat zij in den voorslag, door den ouden Nabob gedaan, eenige uitkomst voor zich zelve meende te zien: immers, al scheen het vooruitzicht, een veilig toevluchtsoord

ocr page 308

292

te vinden op het landgoed van den grijsaard, in een streek, waar niemand haar kende, bijzonder aanlokkelijk, zij mocht, volgens haar begrippen van eerlijkheid, het voorstel, dienaangaande gedaan, niet aannemen, zonder hem bekend te maken, met haar lotgevallen, en het liet zich aanzien, dat, na zulk een mededeeling, de toegang tot dat gewenschte toevluchtsoord voor haar niet langer zou openstaan. Sluit niet elke haven zich voor het schip dat van een verdachte plaats komt, ook al heeft het geen besmetting aan boord? Het was alzoo niet uit eenige zelfzuchtige gedachte, dat Nicolette de voornemens van Flinck met zooveel welgevallen vernomen had, neen, het was uithoofde van de toenadering, die over en weder tusschen hem en zijn schoondochter had plaats gehad, en van de welwillendheid, die aan beide zijden de vroegere afkeerigheid had vervangen. Kon zij, Nicolette, nu het middel zijn, dat beiden nader tot elkander bracht, kon zij een volledige verzoening tusschen hen bewerken, welk een streelende voldoening zou dit haar verschaffen! Zij zou dan niet nutteloos op aarde geleefd, zij zou goed gesticht hebben, waar zij gelegenheid vond, zulks te doen.

Geen wonder dan ook, dat zij de uitnoodiging, die Flinck haar door Letje deed toekomen, om dien avond met haar werk een uurtje bij hem te komen praten, volgaarne aannam.

„Wel!quot; zeide hij, nadat hij een paar woorden naar haar gezondheid gevraagd en als zijn gevoelen te kennen gegeven had, dat zij te weinig distracties had, en eens met hem naar de opera of 't concert moest gaan, „wel! die juffrouw Hermans heeft je gezeid, wat ik haar heb voorgesteld?

„Zij heeft mij verteld,quot; antwoordde Nicolette, hem de hand toestekende en de zijne met warmte drukkende, „hoe welwillend mijn oude vriend over mij denkt, en ik ben er hem uit den grond mijns harten dankbaar voor.quot;

„En je neemt dus aan?quot;

„Ik neem niets aan vooralsnog, omdat Mijnheer mij niet kent, en later misschien er berouw van zou hebben, zich mijner te hebben aangetrokken.quot;

ocr page 309

293

„Wat behoef ik meer van je te weten,quot; bromde Flinck, „dan dat je een wakkere meid bent, die mij geholpen hebt, toen ik voor mirakel met een bebloed kopstuk op den grond lag, en wier gezelschap mij meer waard is dan dat van al de rest. Wat er vroeger met je gebeurd is, kan mij geen oortje schelen. Gesmoord of gestolen zal je niet hebben: je kijkt veel te helder uit je oogen, dan dat men je van eenige dartelheid zou beschuldigen, en voor 't overige wil ik je biechtvader niet wezen. Ik heb lieden genoeg op mijn pad ontmoet, die de prachtigste getuigenissen van de wereld in hun zak, ja metalen kruisen of zelfs Nederlandsche tijgers ') in hun knoopsgat hadden, en die toch, als 't op stuk van zaken kwam, de grootste schavuiten waren, die op twee beenen konden loopen. En daarom, ik geef geen halve ropij om getuigenissen en voorspraak, ik ga alleen af op bewijzen, en die heb je mij gegeven: en als

ik tevreden ben, wie d____r zou er dan wat mee te maken

hebben?quot;

„Foei, Mijnheer Flinck! daar kom je alweer met zulke leelijke woorden aan. Je hadt mij beloofd, je zoudt die voortaan niet meer bezigen.quot;

„Ja, je hebt gelijk; doch wat wil je? Natuur gaat boven de leer. Nu zooals gezeid is: je neemt aan wat ik je voorsla en je komt bij mij op mijn buitengoed Blinkerswaard wonen, met Juffrouw Hermans, of, zoo die niet wil, met eene andere — en als je 't mij weigert, dan worden wij kwaje vrienden.quot;

„Dat zou mij spijten,quot; zei Nicolette : „en dat geloof ik ook niet; — maar ik heb nog een ander bezwaar.quot;

„En dat is?quot;

„Zouden er geene andere zijn, die meer recht hebben op je weldaden en, laat ik er bijvoegen, op je affectie dan ik, die u vreemd ben?quot;

„Anderen!quot; herhaalde Flinck: „wel hoe kom je er aan? Ik

^ De Javanen die geen leeuwen maar wel tijgers kennen, zijn gewoon het laatste woord ook tot aanduiding van het eerste te bezigen. Evenzoo geven zij aan een schaap den naam van Hollandse he bok.

ocr page 310

294

sta alleen op de wereld: zoo alleen en verlaten als Robinson op zijn eiland.quot;

„Heb je niet een zoon gehad?quot; vroeg zij, zelve schrikkende over de vrijmoedigheid, waarmede zij een zoo teedere snaar aanroerde, en er half berouw over hebbende, toen zij de verandering bespeurde van 's mans gelaat.

„Hoe weet je dat?quot; vroeg hij, op een bitsen toon, die Nicolette weinig goeds voorspelde. Zij had echter eenmaal a gezegd en wilde zich nu niet terstond laten ontmoedigen, noch voor 't eerste harde woord uit het veld terugdeinzen. In plaats van alzoo te antwoorden op zijne vraag, ging zij met de hare voort:

„En dien zoon heb je immers liefgehad?quot;

„Ik weet niet, hoe je op dat onderwerp komt,quot; zeide hij. strak voor zich ziende: „jawel, een zoon heb ik gehad: en hij was mij lief: — maar hij is mij ongehoorzaam geweest, en hij heeft daardoor de plaats verbeurd, die hij hierquot; — op zijn hart slaande — „bekleedde.quot;

„Heeft dan zelfs zijn dood u niet met hem verzoend?quot; vroeg Nicolette, op een toon van verwijt.

„Hij is mij ongehoorzaam geweest, herhaal ik u.quot;

„En gelooft Mijnheer Flinck dan,quot; vroeg het jonge meisje, den neus en de schouders optrekkende en met een minachtend glimlachje, „dat hij de eenige vader is, die zich te beklagen heeft gehad over de ongehoorzaamheid van een kind? — Wel foei! ik schaam mij over u. — Tot nog toe had ik altijd gedacht, dat indien kinderen somtijds ondankbaar zijn, een vader of moeder daarentegen altijd vergevingsgezind is, en zijn kinderen blijft liefhebben, in spijt van hun verkeerdheden. Maakt nu Mijnheer een uitzondering op den algemeenen regel ?quot;

„Hm!quot; bromde Flinck: „ik had het goed met hem voor: ik had een vrouw voor hem klaar, rijk, lief, verstandig, al wat een jong mensch maar begeeren kon: en hij is zich gaan verslingeren op een bedelares.quot;

„Dat was zeker niet wel van hem,quot; zei Nicolette, die begreep met den ouden man te moeten handelen als de ervaren

ocr page 311

295

visscher, die de lijn, waar hij den snoek mede tot zich wil trekken, een weinig viert, om hom te zekerder tot zich te halen, „maar vergun mij een vraag: kende hij het meisje, dat je voor hem bestemdet?quot;

„Wat behoefde dat, zoodra ik dat huwelijk wilde.quot;

„Met uw verlof! — Hij was u gehoorzaamheid schuldig in alle dingen; behalve waar 't op zijn toekomstig levensgeluk aankwam. Gedwongen huwelijken zijn uit den smaak, en ik geloof, dat Mijnheer, toen hij jong was, ook zoo maar niet de eerste vrouw de beste zou genomen hebben, die een ander, al was 't ook zijn vader, hem wou opdringen.quot;

„Hm! — 't Kon er naar geweest zijn. Maar wat praat je van de eerste vrouw de beste; 't was een»heerlijke partij, die ik voor hem klaar had. — En dan nog, dat hij buiten mijn voorkennis trouwde, was dat ook al zooals 't hoorde ?quot;

„Ik heb u reeds gezeid, dat hij daaraan verkeerd deed, maar . . . .quot;

„Heel verkeerd! Het was juist na dat failliet van Rommelaar en Behr; — ik zat een oogenblik vast en had groote betalingen te doen: de oude Berkhuizen — de vader van dat meisje — zou mij 't geld geschoten hebben voor 5 of 6 %; toen deed de dwaze coup van dien jongen het huwelijk afspringen — en ik heb er 7 moeten betalen.quot;

„Foei! uw zoon moest dan trouwen om u in uw speculatie te helpen? — Je had alzoo den Mammon liever dan hem?quot;

„Hm! jonge meisjes hebben geen verstand van zulke zaken: die denken maar, dat, als men verliefd is, al de rest er voor zwichten moet.quot;

Nicolette had hem door haar eigen voorbeeld kunnen bewijzen, dat er jonge meisjes bestaan, die zelfs haar liefde aan haar plichtgevoel ten offer brengen: zij deed dit niet, doch zeide op ernstigen toon:

„Zou uw zoon tot dien stap, die te recht door u wordt afgekeurd, zijn overgegaan, indien er een ander middel ware geweest om het huwelijk onmogelijk te maken, waartoe zijn

ocr page 312

296

vader hem wilde dwingen? — En komt daardoor hetgeen hij misdeed niet voor een groot dee] op uwe rekening?quot;

Flinck keek wrevelig voor zich: 't was duidelijk, dat hij, al wilde hij 't zich zei ven nog niet bekennen, de kracht gevoelde van Nicolettes redeneering. Maar uit dat oogpunt had hij de zaak nooit beschouwd, en niemand vóór Nicolette had hem woorden durven doen hooren, als die zij nu tot hem sprak.

„Voor zooverre 't mij voorkomt,quot; ging zij voort, den indruk bespeurende, dien haar rede op hem maakte, „heeft Mijnheer Flinck nooit kunnen verdragen, dat iemand zijn plannen dwarsboomde, en is hij altijd gewoon geweest door te zetten wat hij zich eenmaal in 't hoofd had gesteld: — en ik begrijp daarom zeer goed, hoe 't hem hinderen moest, dat zijn zoon van zijn kant ook plannen had en ze ook doorzette, lijnrecht met de zijne in strijd. Doch de vader had moeten bedenken, dat zijn zoon billijkerwijze niet gehouden was, zijn toekomstig levensgeluk te offeren aan wat hij misschien als een voorbijgaande gril van zijn vader beschouwde. En indien uw zoon u geleek, ook een vasten wil had, ook een onbuigbare stijfkop was, die bij een eenmaal genomen besluit bleef volharden, hoe kon het dan bij u opkomen, hem kwalijk te nemen, dat ook hij zijn hoofd volgde?quot;

„'tls hem zeker goed bekomen,quot; bromde Flinck, niet geneigd om toe te geven aan de argumenten van het meisje.

„Er kon geen zegen op zijn huwelijk rusten,quot; zei Nicolette, „omdat het zonder uw toestemming gesloten was: maar moest de gedachte, dat hij geboet heeft voor zijn onberaden handeling, u niet met hem verzoend hebben ? — Hoe zwaar hij u ook mocht beleedigd hebben, moest u ontevredenheid duren tot na zijn dood? Sterft 'niet alle haat, alle wrok uit bij een graf? Is er nooit een stem in uw binnenste geweest, die tot u zeide: „hij was toch uw zoon, uw eenige, uw lieveling, en kon hij nog maar tot u komen, dan zou alles goed zijn.quot;

„Je zegt mij dingen, die mij nooit gezegd zijn,quot; mompelde Flinck.

ocr page 313

297

„En heb je zijn moeder niet eenmaal liefgehad?quot; vroeg Nicolette.

„Zijn moeder!quot; herhaalde de oude man, terwijl hij Nicolette aanstaarde met dienzelfden blik waarmede hij haar had aangestaard, toen zy aan 't huis van Van Zirik hem voor 't eerst verschenen was.

„Mijnheer Flinck!quot; ging zij voort; „ik weet niet, hoe 't hiernamaals wezen zal.... maar stel u voor, dat die moeder, zij, die eens het voorwerp van uw eerste liefde was, u daar in die gewesten ontmoet, en de vraag tot u richt; „zijt gij een liefderijk vader geweest voor den zoon, dien ik u op aarde achterliet?quot;

„Neen Madeline ! Neen — zie mij zoo niet aan,quot; riep Flinck, terwijl hij opstond en terugdook als om een dreigend spooksel te ontwijken.

„Madeline!quot; herhaalde Nicolette halfluid, en op hare beurt verschrikt over de uitwerking, die haar woorden, meer dan zij bedoelen of verwachten kon, op den grijsaard teweegbrachten; „noemde hij dien naam niet, toen hij dien avond voor 't eerst uit zijn flauwte bijkwam?quot;

„Maar ik ben een dwaas,quot; zei Flinck, terwijl hij, zich er over schamende, dat hij aldus door een ijdele zinsbegoocheling zich van zijn streek had laten brengen, zijn plaats hernam; „en toch — zulk een gelijkenis heb ik nooit meer gezien, 't Was reeds in Den Haag, bij dat malle wijf, toen je met die kinderen binnenkwaamt, dat ik mij verbeeldde, mijn overleden vrouw, uit het graf verrezen, voor mij te zien, en evenzoo, toen ik hiernaast op den grond had gelegen en weer bijkwam, en uw gezicht tegenover mij zag, was mijn eerste gedachte niet anders, dan dat ik in de andere wereld ontwaakte; en nu ook weer .... zie! hoe kom je toch aan haar gezicht, aan haar oogen .... je bent in alles haar evenbeeld .... waar ben je toch geboren?quot;

„Ik ben een vondeling,quot; antwoordde Nicolette: „ik heb Mijnheer dat reeds meer verteld.quot;

„Ja, een vondeling. Zoo Madeline een dochter had gehad,

ocr page 314

296

vader hem wilde dwingen? — En komt daardoor hetgeen hij misdeed niet voor een groot deel op uwe rekening?quot;

Flinck keek wrevelig voor zich: 't was duidelijk, dat hij, al wilde hij 't zich zei ven nog niet bekennen, de kracht gevoelde van Nicolettes redeneering. Maar uit dat oogpunt had hij de zaak nooit beschouwd, en niemand vóór Nicolette had hem woorden durven doen hooren, als die zij nu tot hem sprak.

„Voor zooverre 't mij voorkomt,quot; ging zij voort, den indruk bespeurende, dien haar rede op hem maakte, „heeft Mijnheer Flinck nooit kunnen verdragen, dat iemand zijn plannen dwarsboomde, en is hij altijd gewoon geweest door te zetten wat hij zich eenmaal in 't hoofd had gesteld: — en ik begrijp daarom zeer goed, hoe 't hem hinderen moest, dat zijn zoon van zijn kant ook plannen had en ze ook doorzette, lijnrecht met de zijne in strijd. Doch de vader had moeten bedenken, dat zijn zoon billijkerwyze niet gehouden was, zijn toekomstig levensgeluk te offeren aan wat hij misschien als een voorbijgaande gril van zijn vader beschouwde. En indien uw zoon u geleek, ook een vasten wil had, ook een onbuigbare stijfkop was, die bij een eenmaal genomen besluit bleef volharden, hoe kon het dan bij u opkomen, hem kwalijk te nemen, dat ook hij zijn hoofd volgde?quot;

„'tls hem zeker goed bekomen,quot; bromde Flinck, niet geneigd om toe te geven aan de argumenten van het meisje.

„Er kon geen zegen op zijn huwelijk rusten,quot; zei Nicolette, „omdat het zonder uw toestemming gesloten was: maar moest de gedachte, dat hij geboet heeft voor zijn onberaden handeling, u niet met hem verzoend hebben? — Hoe zwaar hij u ook mocht beleedigd hebben, moest u ontevredenheid duren tot na zijn dood? Sterft 'niet alle haat, alle wrok uit bij een graf? Is er nooit een stem in uw binnenste geweest, die tot u zeide: „hij was toch uw zoon, uw eenige, uw lieveling, en kon hij nog maar tot u komen, dan zou alles goed zijn.quot;

„Je zegt mij dingen, die mij nooit gezegd zijn,quot; mompelde Flinck.

ocr page 315

297

„En heb je zijn moeder niet eenmaal liefgehad?quot; vroeg Nicolette.

„Zijn moeder!quot; herhaalde de oude man, terwijl hij Nicolette aanstaarde met dienzelfden blik waarmede hij haar had aangestaard, toen zij aan 't huis van Van Zirik hem voor 't eerst verschenen was.

„Mijnheer Flinck!quot; ging zij voort: „ik weet niet, hoe 't hiernamaals wezen zal.... maar stel u voor, dat die moeder, zij, die eens het voorwerp van uw eerste liefde was, u daar in die gewesten ontmoet, en de vraag tot u richt; „zijt gij een liefderijk vader geweest voor den zoon, dien ik u op aarde achterliet?quot;

„Neen Madeline ! Neen — zie mij zoo niet aan,quot; riep Flinck, terwijl hij opstond en terugdook als om een dreigend spooksel te ontwijken.

„Madeline!quot; herhaalde Nicolette halfluid, en op hare beurt verschrikt over de uitwerking, die haar woorden, meer dan zij bedoelen of verwachten kon, op den grijsaard teweegbrachten; „noemde hij dien naam niet, toen hij dien avond voor 't eerst uit zijn flauwte bijkwam?quot;

„Maar ik ben een dwaas,quot; zei Flinck, terwijl hij, zich er over schamende, dat hij aldus door een ijdele zinsbegoocheling zich van zijn streek had laten brengen, zijn plaats hernam; „en toch — zulk een geiykenis heb ik nooit meer gezien, 't Was reeds in Den Haag, bij dat malle wijf, toen je met die kinderen binnenkwaamt, dat ik mij verbeeldde, mijn overleden vrouw, uit het graf verrezen, voor mij te zien, en evenzoo, toen ik hiernaast op den grond had gelegen en weer bijkwam, en uw gezicht tegenover mij zag, was mijn eerste gedachte niet anders, dan dat ik in de andere wereld ontwaakte: en nu ook weer.... zie! hoe kom je toch aan haar gezicht, aan haar oogen .... je bent in alles haar evenbeeld .... waar ben je toch geboren?quot;

„Ik ben een vondeling,quot; antwoordde Nicolette: „ik heb Mijnheer dat reeds meer verteld.quot;

„Ja, een vondeling. Zoo Madeline een dochter had gehad.

ocr page 316

298

zoowel als een zoon, had die er niet anders kunnen uitzien.quot;

En meteen een brieventasch van de schrijftafel halende, bracht hij het portretje voor den dag, dat Bleek in dien zekeren nacht gezien had, en vergeleek de trekken, daarop voorgesteld, met die van Nicolette.

„Maar zij kan uw moeder niet geweest zijn.quot; zeide hij: „zij is reeds meer dan veertig jaar dood.quot;

„Ik wenschte dat ik zulk een moeder had gehad,quot; zei Nicolette: „maar, waar ik nu zeker van ben, dat is dat je lang zulk een hardvochtig mensch niet zijt. Mijnheer Fiinck; als waar de lieden u voor houden, omdat je eigenlijk liefhebberij er in hebt, er u voor te laten doorgaan. Zie je, als je een kind hadt, dat op uw vrouw geleek, dan zou je 't liefhebben, nietwaar?quot;

„Waar wil je heen?quot; vroeg Fiinck.

„En als 't nu een kleinkind was?quot; vroeg Nicolette.

„Ben jij de dochter van Wayland Flink?quot; vroeg de oude man, met driftige hoop.

„Ik zou het van harte gaarne wenschen,quot; antwoordde zij, „indien je dan ter liefde van mij, aan je zoon vergeven wildet.quot;

„En ik zou hem alles vergeven, indien je zijn dochter waart.quot;

„Goed! — maar indien hij nu, in plaats van een dochter, een zoon, had nagelaten, een lieven, braven jongen, een kleinzoon, op wien je met reden trotsch zoudt wezen, zou je hart dan niet voor hem spreken, even als 't nu voor mij doet?quot;

„Hm! een zoon van die bedelares?quot;

„Maar, Mijnheer Fiinck! een Freule van Doertoghe een bedelares te noemen! dat is toch wat te sterk.quot;

„Waarom? — Zij heeft bij mij gebedeld.quot;

„Was dat bedelen, dat zij, toen zij haar man verloren had, ten behoeve van haar kinderen de hulp en bescherming van hun grootvader ging inroepen?quot;

„Wel! zij had mij niet noodig gehad om te trouwen; dus had zij mij ook niet noodig voor de gevolgen van die zoogenaamde trouw.quot;

ocr page 317

299

„Ik begrijp alweer,quot; hernam Nicolette, „dat je, te recht of te onrecht, eenige reden meendet te hebben om op haar verstoord te zijn; maar konden die arme kinderen dat helpen? de kinderen van uw zoon, uw kleinkinderen. Mijnheer Flinck! moesten die daarom zoo onbarmhartig door u behandeld worden ?quot;

„Waarom ging zij niet bij haar familie, die vrouw, als zij dan toch zoo adellijk en aanzienlijk was, liever dan bij een burgerman als ik ben?quot;

„Wel! Mijnheer Flinck!quot; vroeg van hare zijde Nicolette, „wie zegt u, dat zij dat niet gedaan heeft? Maar 't was immers natuurlijk, dat zij in de eerste plaats bij u kwam. Hoor eens. Mijnheer! — dat je, in de eerste dagen na dat huwelijk tusschen uw zoon en haar, in de eerste maanden zelfs, op allebei verstoord waart, dat kan ik begrijpen, en desnoods verschoonen; maar dat je in je gramschap volhardde, toen je zoon dood en zijn arme weduwe ziek en hulpeloos te Leiden lag, en dat uw weigering om haar te zien haar ziekte en den dood van haar eene kind ten gevolge had, dat vergeef ik u niet; — althans niet, voordat je 't weer goedmaakt aan de nablijvenden.quot;

„Hoe weet je toch al die bijzonderheden?quot; vroeg Flinck.

„Zie je, Mijnheer Flinck!quot; vervolgde Nicolette, wederom zijn vraag onbeantwoord latende: „je bent oud en alleen, en je voelt nu zelfs behoefte aan gezelschap: anders zou je mij niet tot u roepen. En hangt het nu niet van u zelf af, aan die behoefte te voldoen op een wijze, waardoor je tevens een oude schuld afdoet? en dat door tot je te roepen die je 't naaste zijn: — de weduwe en den zoon van Wayland Flinck.quot;

„Is die zoon misschien een vrijer van u?quot; vroeg de oude man: „dat je zoo voor hem in de bres springt.quot;

„Neen, Mijnheer,quot; antwoordde zij, op een zoo koelen toon en hem met een zoo kalmen blik aanziende, dat hij aan de waarheid van haar verzekering wel niet twijfelen kon.

„En wat reden bestaat er dan, dat je zoo driftig partij voor hem trekt?quot;

ocr page 318

300

„Geene andere, dau dat ik voor de rechtvaardigheid ben, en om alles op de wereld niet zou verlangen, dat iemand mij met schijn van grond kon beschuldigen, weldaden van u genoten te hebben, ten koste van uw naaste bloed: — en dan, ja, er is nog een reden; en die ligt daarin, dat ik mijn ouden vriend oprecht genegen ben, en hem zoo gaarne verschaffen zou wat hij tot opbeuring en troost van zijn levensavond noodig heeft — rust en vrede met zich zeiven : — en die kan hij onmogelijk hebben, zoolang die oude schuld op zijn geweten drukt.quot;

„Je schijnt dien zoon te kennen. Waarom heeft hij zich nooit bij mij aangemeld?quot;

„Wel mij dunkt,quot; antwoordde Nicolette, „dat de wijze, waarop je zijn moeder behandeld hebt, niet zeer geschikt was om hem aan te moedigen; — dit is zeker, dat hij zich niet aan u vertoonen zal, voordat weer door u is goedgemaakt wat aan zijn moeder is misdreven.quot;

„Ei zoo! die jongen draagt dan het hart al heel hoog.quot;

„Ja! hij is stijfhoofdig op sommige punten, en hij heeft dat van niemand vreemds,quot; zei Nicolette, hem aanziende met een blik, die half ernstig half ondeugend was.

„Wel! wel! — Hoor, wil ik je wat zeggen, kindlief! indien hij inderdaad mijn kleinzoon was, dan zou hij wel getracht hebben, mij te zien. Dan zou hij gedacht hebben; zoo'n grootvader is nog waard, dat men moeite doe, om zijn goede gunsten te winnen en in zijn testament te komen.quot;quot;

„En ik zeg, dat hij niet zal trachten, Grootvader te zien, zoolang Grootvader hem niet roept.quot;

„Dan kan hij lang wachten.quot;

„Dat zou mij spijten; want dat zou een bewijs zijn, dat al mijn praten tevergeefs is geweest, en dat Mijnheer blijft volharden in zijn ongeloof aan 't bestaan van menschen, die hun beginselen liever hebben, dan wat geld of goed.quot;

„Ik heb.quot; zei Flinck, „indertijd in de couranten een advertentie laten zetten, dat wie wat te pretendeeren had op wijlen Wayland Flinck, zich maar had aan te melden ten kantore van den Advocaat Mosch, en er is niemand opgekomen.quot;

ocr page 319

301

Nicolette achtte het niet der moeite waardig, eenige opmerkingen te maken op de laatste mededeeling, welke Plinck als 't ware bijwijze van een finale décharge had voor den dag gebracht: „ik moet nu aan mijn werk,quot; zeide zij: „vergeef mij, indien ik wat te vrij gesproken heb.quot;

„Dat weet je, dat eens vooral de afspraak tusschen ons is,quot; zei Flinck: „maar nu,quot; vervolgde hij, zich de kin wrijvende: „die knaap .... waar is hij? wat doet hij voor den kost?quot;

„Dat zal ik alles aan Mijnheer vertellen, als Mijnheer mij eerst beloofd heeft, zich grootvader tegen hem te betoonen: zoolang dat geen plaats heeft, moet het Mijnheer volkomen onverschillig zijn, waar die jongen is of wat hij uitvoert. — Bovendien, als ik reeds zeide, ik ben niet door hem gemachtigd om u over zijn belangen te onderhouden, en ik weet zelfs niet, of hij 't wel zal goedkeuren, dat ik reeds zooveel over hem heb durven spreken als ik gedaan heb.quot;

„Weet je waarover ik denk?quot; — vroeg Flinck, die haar, terwijl zij sprak, aandachtig had zitten aankijken.

„Waarover dan?quot;

„Of ik niet aan den Koning schrijven zou, dat, zoo hij altemet een ambassadeur noodig heeft, die in al de fijnheden van de diplomatie is volleerd, hij dan niemand beter kan kiezen dan Klaasje Zevenster.quot;

VIERDE HOOFDSTUK.

HOE BETTEMIE AAN HET TOBBEN IS.

Het was nu reeds December, en de tijd alzoo gekomen, waarop Mevrouw Van Doertoghe gewoonlijk de winterkwartieren weder betrok. Dit jaar echter kwam er een brief van Pietje Pancras aan Bettemie, met het bericht, dat Tante sukkelende was, niet zooals gewoonlijk aan die onbeduidende kleine kwalen, die zij er anders als uit een soort van weelde op nahield, en

ocr page 320

302

die strekken moesten om het ontbieden van een lijfarts te rechtvaardigen, maar aan ongesteldheden, die werkelijk van eenigszins ernstigen aard waren, in zooverre namelijk, dat zij de oude vrouw verhinderden, met zooveel gemak als anders, naar moestuin of diergaarde te wandelen en er haar bevelen uit te deelen, of, trap op trap neer, van haar zitkamer naar den zolder, van daar naar den kelder, en van den kelder naaide provisiekamer te trekken; ja, wat nooit gebeurd was. Pietje Pancras had zich een paar reizen de sleutels van de beide laatstgenoemde lokalen zien toevertrouwen, om het noodige voor de dagelijksche behoeften uit te geven. Wel zag Le Mat in Tantes toestand niet het minste gevaar en schreef hij haar onpasselijkheid aan gevatte kou, te groote vermoeienis, enz., toe — natuurlijk niet aan haar vergevorderden leeftijd — maar toch had hij er bezwaar in gevonden, dat zij, alvorens volkomen hersteld te zijn, de reis naar Amsterdam zou ondernemen. Het was intusschen, naar Pietjes oordeel een veeg teeken bij Tante, dat zij alzoo van haar vaste gewoonte zou afgaan ; te meer, omdat het doorbrengen van den winter op Doornwijck groote bezwaren met zich bracht. Niet, of het huis was hecht, sterk en weldoortimmerd, van alle gemakken voorzien, en evengoed tot winter- als tot zomerverblijf geschikt; maar — de slaapkamer van Mevrouw zag op het Noorden, wat haar in den zomer zeer koel en frisch, maar tegen 't late najaar wel wat koud maakte: — te koud, naar het oordeel van Le Mat, die er dus op aandrong, dat Mevrouw op haar slaapkamer stoken zou. Hiertoe was in zooverre gelegenheid, dat er zich op gezegde kamer een schouwe bevond, met een fraai zeegezicht boven den schoorsteenmantel; — doch nog nooit, zoolang Mevrouw in die kamer geslapen had, was er gestookt, en het zou een geweldigen omslag geven, den schoorsteen, die gewis vol zat met allerlei sedert vijftig jaar daarin opgegaarde onreinheden, schoon te maken, en er een haard te plaatsen — zoo'n benauwend voorwerp als een kachel kon wel niet in aanmerking komen — er turf en hout heen te sjouwen, de trappen vuil te maken, enz., enz.: — en dan

ocr page 321

303

daarbij; Tante had, zoo oud als zij was, nog nooit vuur op haar slaapkamer gehad. — Men kan beseffen, dat het niet weinig voeten in de aarde had gehad, al zulke bezwaren te overwinnen en de toestemming van Tante tot zulke nieuwigheden te verkrijgen. Het eerste wat zij veroorloofd had, omdat zij zich daarmede tot niets verbond, was het schoonmaken van de schoorsteenpijp, waar wel geen roet uitkwam — er was nooit in gestookt — maar een geweldige menigte vuilnis, takken, wol, riet, nesten van vogels, een levende uil, een doode uil en het geraamte van een uil. — Toen al deze voorwerpen, die tot dien tijd de schoorsteenpijp verstopt hadden, waren weggeruimd, sprak het van zelf, dat de schoorsteen nu heette te tochten, en zoo was er geen keus meer, dan of den tocht te lijden — waar Mw. Van Doertoghe natuurlijk zeer bevreesd voor was —, of te stoken: er moest alzoo wel tot dat laatste besloten worden — en zoo was er een haard, met al zijn ap- en dependenties, voor den dag gehaald, en had het ook eenige dagen wat gerookt op de kamer, er brandde ten minste nu 's ochtends en 's avonds een vuur van turven en blokjès: de laatsten had men maar voor 't hakken: de eersten moesten met zware kosten worden aangevoerd; want van Geldersche turf — laat staan van plaggen — had Mevrouw een ingeboren afkeer.

Dat bericht van de ongesteldheid, of liever van het niet in de stad komen van haar Tante, was Bettemie hoogst onaangenaam, niet alleen om de zaak zelve, maar ook, omdat zij, gelijk men zich herinneren zal, zich voorgesteld had, aan de oude vrouw, zoodra die in Amsterdam kwam, mededeeling te doen van het aanzoek van Drenkelaer, en zich nu wel in de verplichting zag, schriftelijk den raad van Tante in te nemen, — en tegen het schrijven van zulk een brief zag zi] geweldig op. — Immers, als zij van het aanzoek sprak, dan diende zij er wel bij te voegen, dat zij daarover niet ongunstig dacht, en als zij voor die denkwijze uitkwam, diende zij die eenigszins te motiveeren; — en nu vond zij, dat juist dit laatste heel moeilijk was: al wilde zij er niet bij bekennen.

ocr page 322

304

dat al de argumenten, die vroeger bij haar ten voordeele van Drenkelaer pleitten, veel van hun kracht bij haar verloren hadden, sedert zij Albert ontmoet had. Zij mocht er op zich zelve boos over wezen; zij mocht al haar best doen, om zijn beeltenis van voor haar geest te verdrijven; herhaaldelijk zag zij, in verbeelding, Alberts gelaat zich voor dat van Drenkelaer plaatsen, en was 't, of zijn diep, maar droefgeestig oog haar aanstaarde, of zijn welluidende, volle stem haar tegen-klonk. — En al overdacht zij dan bij zich zelve, dat zij verraad tegen Drenkelaer pleegde, dat die Engelsche meester, al was hij ook haar neef, toch geen geschikte partij voor haar zijn kon, dat haar geheele familie wraak zou schreeuwen over een huwelijk met iemand, die les gaf voor zooveel in 't uur, ja met iemand, die niet eens met zijn moeders, laat staan met zijn vaders naam voor den dag dorst komen; dat eindelijk, wat nog wel 't meeste gold, die neef in 't geheel niet aan haar dacht, en het alzoo niet enkel ongepast, maar ook hoogst kinderachtig was, aan hem te denken, toch kon zij 't niet nalaten. — Met dat al, zij had eenmaal haar woord aan Drenkelaer gegeven; en zij mocht zich door geen dwaze grillen laten terughouden om na te komen wat zij hem beloofd had. Of de appel zuur of zoet was, zij moest hem doorbijten, en zoo besloot zij, als 't ware haar schepen te verbranden, en niet alleen haar Tante, maar ook haar Oom met de zaak bekend te maken. De brief aan Tante was vervat in drie stukken (zooals men oudtijds zou gezegd hebben): het eerste stuk liep over Tantes gezondheid en behelsde tal van wenschen en raadgevingen, daartoe betrekkelijk. Het tweede stuk bevatte de nieuwtjes uit de stad en omstreken. Het derde stuk, en verreweg de kortste, was van den navolgenden inhoud:

„Ik mag verder voor u, lieve Tante, niet verzwijgen, dat de Heer Mr. Lucas Drenkelaer, dien wij 1.1. zomer herhaaldelijk ontmoet hebben, toen hij op Hardestein logeerde, om mijn hand gevraagd heeft. Ik heb hem geantwoord, dat ik in deze gewichtige zaak geen beslis-

ocr page 323

305

sing zou nemen, dan na mijn meerderjarigheid en wanneer ik op het aanvaarden van zijn voorstel uwe goedkeuring had verworven. Hoogst aangenaam zal het mij dus zijn, lieve Tante, van u te vernemen hoe gij er over denkt. Fortuin heeft hij niet; doch hij is van goede familie, en gaat door voor iemand, die in elk geval wel carrière maken zou. Ik geloof, wat mij betreft, dat ik slechter zou kunnen treffen.quot;

Men ziet, de uitdrukkingen waren niet hoogdravend of zwierig; men zou ze eer droog kunnen noemen, en er althans geen zoodanige verliefdheid uit opmaken, als welke, wanneer zij gedwarsboomd werd, tot wanhoop moest overslaan.

Met Oom Van Bassen werd de quaestie evenmin op aan-doeningwekkende wijze ter sprake gebracht.

„Oom,quot; zeide zij, eens dat zij met hem aan 't ontbijt zat, „ik moet u wat vertellen : men heeft mij ten huwelijk gevraagd!quot;

„Zoo? — Nu dat is de eerste keer niet,quot; zei Oom.

„Neen, dat is ook waar,quot; zei Bettemie, gapende op de bloote gedachte aan de verveling, die haar de conversatie van Pietje Batist, Frederik de Groote en anderen eiusdem far in a e1) had doen uitstaan.

„Dus heb je hem afgewezen?quot; vroeg Oom.

„Dat niet precies, Oom!quot;

„Wat!quot; riep de Heer Van Bassen uit, terwijl hij van zijn courant opzag, en met wijd opengespalkte oogen naar haar keek : „heb je, zonder voorkennis van je voogd, over je hand beschikt?quot;

„Zoover is 't nog niet,quot; antwoordde Bettemie: „ik heb hem alleen gezegd, dat ik u om raad zou vragen.quot;

„Het hangt er veel van af, wie die hem is,quot; zei Oom met een zeer diepzinnig wezen: „maar al was 't nog zoo'n goeje partij, ik zou je raden, hem te bedanken: je bent nog veel te jong.quot;

„Vindt Oom? — Wel, mij dunkt, Tante van Doertoghe, en

') „Van 't zelfde deeg.quot; IV. - K. Z.

20

ocr page 324

306

Tante Van Bassen, en mijn moeder, en al de dames van onze familie, waren op mijn leeftijd al getrouwd.quot;

„Hm, ja! dat is ook zoo, daar heb je gelijk aan; maar dat was in den goeden tijd: toen kon men dat beter doen; maar tegenwoordig is dat vroegere trouwen uit den smaak.quot;

„Heden Oom! sedert wanneer is Oom er zoo op gesteld, dat men bij voorkeur den nieuwen smaak volge?quot;

„Wel! daar ben ik geheel niet op gesteld,quot; antwoordde Van Bassen, brommende: „maar dat vroegere trouwen verbiedt tegenwoordig zich zelf. Immers, in mijn jongen tijd was er voor fatsoenlijke lieden geen bezwaar bij, al kregen zij kinderen: waren 't jongetjes, dan werden zij op hun zevende of achtste jaar, of nog vroeger. Commissaris van 't een of ander veer, dat lieten zij dan waarnemen: waren 't meisjes, dan benoemde men die tot Moertjes van de turf of tot Zakjesnaaisters van 't stadhuis, of men had of men verzon een postje, daar ze titularis van werden. En werden zij ouder, de jongens namelijk, dan werden zij op hun 16de of 17de jaar Kerkmeester en vervolgens Schepen en Raad, en dat was wel onbezoldigd; maar 't gaf beschikking over ambten, die wel degelijk geld verschaften en waar men dan over en weer mekaar in hielp: en op zoo'n manier was er nooit gevaar bij, wil ik maar zeggen, dat de kinderen niet aan den kost zouden komen. — Maar nu! — je weet het net zoo goed als ik: allerlei onbekende menschen hebben zich thans in de regeering gedrongen, en tot een oude familie te behooren, is op zich zelf al een reden tot uitsluiting; en, wat postjes voor je kinderen betreft! lieve hemel! iemand mag blij zijn, als hij, na twintig jaar gesolliciteerd te hebben, er een voor zich zelf krijgt.quot;

„Wel Oom!quot; zei Bettemie: „wij willen daarover niet twisten, en ik heb, wat mij betreft, volstrekt geen plan, maar zoo dadelijk te trouwen. — Al is men geëngageerd, daarom is men nog niet getrouwd,quot;

„Hm!quot; bromde Van Bassen: „die lange engagementen, dat geeft ook wat! — in mijn jongen tijd wachtte men geen jaren

ocr page 325

307

na 't engagement, om eindelijk eens te trouwen als men mekaar al beu begon te worden.quot;

„Ja maar, Oom, je erkent zelf, dat alles nu anders is dan toen.quot;

„Ja, en niet beter,quot; zei Van Bassen.

Bettemie kende haar Oom genoeg, om te weten, dat een geregelde redetwist een onbegonnen zaak met hem was: zij vergenoegde zich dus, met te zeggen: „alles volkomen waar, Oom; maar over vroeger of later trouwen is hier nu geen quaestie. De man, die mij ten huwelijk gevraagd heeft, dient een antwoord te hebben, 't zij dadelijk, 't zij over een week drie vier, en nu kan ik, als ik eens drie en twintig jaar ben, hem toch niet zeggen: „kom, als Jacob om Rachel, over zeven jaren eens weerom.quot; quot;

„En mag men nu weten, wie die Heer is, die u de vraag gedaan heeft ?quot;

„Natuurlijk Oom; ofschoon Oom er niet veel verder mee zal zijn: — 't is de Heer Mr. Lucas Drenkelaer.quot;

„Pas connu! — Woont hij hier?quot;

„Neen Oom: hij is substituut-griffier aan de rechtbank te Marlheim.quot;

„Zoo! — Hm! en waar heb je dien vrijer opgedaan? Je bent, zoover ik weet nooit te Marlheim geweest.quot;

„Neen, ik heb hem te Hardestein ontmoet, waar hij bij Mw. van Eylar logeerde. Hij was met Maurits bevriend.quot;

„Drenkelaer!quot; herhaalde Van Bassen; „is hij van de Zuid-Hollandsche Drenkelaers ?quot;

„Ik geloof, dat hij van een goede familie is. Oom.quot;

„Ja, ja! dat zal 't wezen. Er was een Drenkelaer in de Admiraliteit van de Maze, en dan heb ik een Rombertus Drenkelaer gekend, die Burgemeester van Schiedam was, en een Willem Drenkelaer was Schepen van Gouda; — jawel! — het was een goede familie, een heel goeie familie. Maar ze zijn, geloof ik, deerlijk op zwart zaad geraakt.quot;

„'t Is waar, fortuin heeft hij niet,quot; zei Bettemie.

„Och ja!quot; ging Van Bassen door: „dat is die vervloekte

ocr page 326

308

revolutie van vijf en negentig, die zooveler fortuin verdorven heeft, en dan later die Franschen, met hun vrijheid, gelijkheid. Broederschap, Ja, we zijn wat geplunderd! — Heb ik niet al het ouwe familie-zilver uit mijn moeders huis moeten zien wegdragen om op het altaar van 't vaderland gebracht te worden? Een mooi altaar! Toen een jaar of zes later een gewezen lid van 't Comité, dat het boeltje in ontvang genomen had, aan een beroerte kwam te sterven, zonder dat hij orde op zijn zaken had gesteld, vonden zij zijn zolder nog volgepropt van geofferde zilveren serviezen en andere fraaie voorwerpen, die hij verdonkermaand had.quot;

,.Ja, Oom! dat was een droevige tijd; en wat er nu de oorzaak van is, weet ik niet; alleen de slotsom is deze: de Heer Drenkelaer heeft geen fortuin.quot;

„En dus wil hij zijn verachterden boel weer oplappen met uw geld.quot;

„Ik weet het niet: in allen gevalle vlei ik mij, genoeg te hebben, om er met twee personen van te leven.quot;

„Jawel; maar 't is sekuurder, wanneer het geld van beide kanten komt.quot;

„Recht zoo: dat ben ik volkomen met u eens, Oom, mits men dan van beide zijden een bescheiden voorraad aanbrengt; maar dat aanbrengen van een groot vermogen van weerszijden acht ik overtollige weelde.quot;

„Nooit overtollig! nooit overtollig!quot; zei Van Bassen: „wie

waarborgt je, dat je niet een dozijn kinders krijgt? en dan----

je kent het ouwe spreekwoord: waar veel varkens zijn, wordt de spoeling dun.quot;

„Juist Oom, en dan zullen zy begrijpen, dat zij niet allen millionairs kunnen zijn, en zij zullen leeren werken om hun brood.quot;

„Mallepraat!quot; zei Van Bassen, de schouders ophalende: „'t is vrij wat beter, dat zij niet behoeven te werken en van hun renten kunnen leven, zooals jij en ik.quot;

„Maar Oomlief! indien ons beider voorouders niet gewerkt hadden, dan zouden wij geen renten bezitten; en ik vind.

ocr page 327

309

dat het levende geslacht daar wat meer aan denken moest.quot;

„Onze voorouders?____ Wel, die hadden het niet, en dus

hadden zij gelijk, dat zij werkten; maar wie 't heeft, wat zal die zich nog uitsloven? Waar die voor te zorgen heeft, dat is, om hetgeen hij heeft, te bewaren, en zoodanig te beleggen en te verdoelen, dat hij er zonder erg kleerscheuren afkomt, wanneer eens 't een of ander effect niet betaalt. En als iedereen werkte, wie zou dan overblijven om 't werk te betalen? —

Laat ieder in zijn vak blijven. — Maar nu die vrijer____waar

en wanneer heeft hij aanzoek bij je gedaan ? Ik kan op al de wereld niet begrijpen, dat ik daar nooit iets van gemerkt heb.quot;

„Hij heeft mij te Hardestein zijn hof zoo wat gemaakt,quot; antwoordde Bettemie: „en, dewijl ik niet wist, of het tot iets leiden zou, heb ik er Oom niet van willen spreken; — doch nu is hij onlangs hier geweest en heeft zijn aanzoek herhaald: — en ik heb hem alweer tot Januari uitgesteld, en hem verklaard, dat ik niets deed zonder uwe toestemming, Oom.quot;

„Zoo? nu, dat was voor 't minst verstandig van je. — Ja, zooals ik je zeg, als hij niets heeft... 't is jammer! hij is anders, als ik zei van een goeie familie.quot;

„En hij is heel knap daarbij, naar men zegt.quot;

„Is hij? — Nu! dat 's mogelijk: ofschoon anders die Rom-bertus, daar ik straks van sprak, en die Burgemeester was van Schiedam, moet al een heel groote stoffel geweest zijn: daar heeft mijn Oom Rutger Van Bassen, die hem meer dan eens ter dagvaart ontmoet heeft, mij kluchtige staaltjes van verteld. — En die andere, van Gouda, was geen greintje verstandiger.quot;

„Nu!quot; zei Bettemie: „dan geloof ik niet, dat hij tot dien tak van de familie behoort; want voor een stommeling zal niemand hem verslijten; maar Oom! dat moet toch een rare boel geweest zijn, toen men door zoo domme lieden geregeerd werd.quot;

„Wel,quot; zei Van Bassen: „men had de mallen, en de niemendallen; maar men had ook de allen, die 't werk deden. En dat ging vrij wat beter dan tegenwoordig, nu zij

ocr page 328

310

alleen knappe lui willen hebben, en dat maakt, dat iedereen zijn zin wil hebben, en de een hier aan 't lijntje trekt, en de ander daar, zoodat per slot alles in de war loopt: van te voren liet men 't bestier over aan wie er in was opgevoed en er verstand van had, en zoo ging alles ordelijk en stilletjes zijn gang; maar sedert booi baas is, en iedereen wijsheid schaffen moet, loopt alles in 't riet.quot;

Bettemie keek Oom een weinig verwonderd aan: zij vond de laatste tirade (op de conclusie na, die zij zich niet vermat te beoordeelen) wel wat paradox; maar toch zoo heel dom niet, en althans van geheel ander allooi dan de zinlooze uit-boezemingen, waar Van Bassen zich gewoonlijk aan toegaf, of dan de onzin, dien hij even te voren had verteld. Zij kwam bij zich zelve dan ook tot het besluit, dat Oom deze reis niet uit zijn eigen vaatje tapte, maar napraatte wat hij in de Sociëteit of elders had gehoord uit den mond van dezen of genen politieken geloofsgenoot, die meer vernuft bezat dan hij; — en dit was ook werkelijk het geval.

„Oom!quot; zei zij ten slotte: „ik geloof, dat de voorouders van den Heer Drenkelaer, dien ik ken, in Den Haag gewoond hebben.quot;

„Zoo!quot; zei Van Bassen: „ah ja! — dan is hij een kleinzoon van dien Drenkelaer, die nog eens onze Nicht Van Doer-toghe heeft opgepast')- — Jawel! — nu! wat mij betreft, jij moet het weten: maar wat voert hij uit?quot;

„Ik zei u. Oom, dat hij te Marlheim bij de rechtbank is.quot;

„En trek jij dan daar ook naar toe?quot;

„Ja, zie je Oom, dat is van latere zorg. Als het eens-zoover komt, dat wij getrouwd zijn, dan zal ik hem natuurlijk moeten volgen waar hij goedvindt zijn verblijf te vestigen: en wil hij dan in Marlheim blijven wonen, dat is zijn zaak. Een man die niets omhanden had, zou mij ook niet bevallen.quot;

„Ei kom! je kunt je voorwaarden vooruit maken: als hij nu hier kwam wonen, en als hij dan zoo knap is als je zeit,

1) Men noemde in de 18de eeuw „oppassenquot; wat men nu „zijn hof makenquot; heet.

ocr page 329

311

wel, dan heeft hij al gauw genoeg kans om lid van den Raad en van de Staten te worden; en misschien van de Kamers .... ofschoon menschen van een goede familie willen zij daar toch niet meer heen zenden, — ik heb er nog laatst eens de namen van gelezen in 't adresboek: — twee of drie, die ik kende, de rest allemaal schorremorrie.quot;

„Dus Oom! je raadt mij om ja te zeggen?quot;

„Wel ik raad je niets: jij moet het weten, meid! denk je, dat hij nu de rechte Jozef is, wel neem hem dan; zooals ik zei, 't is een goeie familie. — Maar kom! — het is tijd, dat ik naar mijn kamer ga.quot;

Met deze woorden verwijderde hij zich, Bettemie maar half tevreden achterlatende. Oppervlakkig beschouwd, had zij echter geen reden, niet vergenoegd te zijn: Oom had immers de zaak zeer goed opgenomen en geen bedenkingen gemaakt of bezwaren geopperd van eenig belang: en dat hij de beslissing aan haar had overgelaten op eene wijze, die meer van onverschilligheid dan van hartelijkheid getuigde, kon haar zoo erg niet hinderen; zij was toch te zeer overtuigd, dat hij een gevoellooze egoïst was, om van hem iets te verwachten, dat naar hartelijkheid zweemde. Maar wat haar hinderde, was misschien juist, dat Oom geen tegenwerping gemaakt had; zijn gave toestemming maakte 't haar nu nog moeilijker dan te voren, de hare te weerhouden, en hoe langer hoe meer begon zij de overtuiging te verkrijgen, dat er niets anders opzat, en dat zij Mw. Drenkelaer moest worden.

En, als moest alles zich vereenigen om haar in die overtuiging te bevestigen, het antwoord, dat zij een paar dagen later van Mw. Van Doertoghe kreeg, leidde tot dezelfde uitkomst als dat van Van Bassen. De douairière had, gelijk reeds verhaald is geworden bij de beschrijving van het diner op Doornwijck, den Heer Drenkelaer een welopgevoed jong mensch gevonden, en die zich boven de meesten onderscheidde door beleefdheid en f-oede manieren, en zij kon zeer goed begrijpen, dat Bettemie hem naar haren zin vond. Dewijl de jonkman bovendien van een goede familie was, achtte zij 't in de

ocr page 330

312

meeste opzichten een zeer convenable partij. Dat hij nu geen vermogen had, buiten zijn wedde, was zeker wel wat jammer, doch kon geen reden tot afwijzing zijn, daar Bettemie toch genoeg bezat en genoeg te wachten had. — Wat voor 't overige de gezondheid van Mevrouw betrof, die bleef, volgens een bijgevoegd schrijven van Pietje Pancras, zoowat op dezelfde hoogte, of laagte, zooals men 't noemen wilde. Le Mat zag vooreerst geen gevaar in haar toestand, hoewel hij de verhuizing naar Amsterdam bleef afraden; wat zij, Pietje, misschien daaraan toeschreef, dat hij vooral in den winter, als de winstgevende praktijk schaarsch was, zulk een melkkoe (de vergelijking was zeker aan Pietjes pen ontsnapt en klonk in de kiesche ooren van Bettemie wel wat triviaal; maar toch. Pietje had somtijds van die platte uitdrukkingen) wel op zijn stal wilde houden.

De teerling was alzoo geworpen, en, ware het dan ook met een beklemd gemoed, onze beminnelijke erfdochter zag geen ander verschiet voor haar geopend, dan met den aanvang van het jaar 184 . de verloofde, en eerlang de vrouw te worden van Mr. Lucas Drenkelaer. Het was, terwijl zij in die stemming verkeerde, dat zij op een morgen het bezoek ontving van haar vriendin Ernestine.

„Wel!quot; vroeg deze, nadat zij een poos over de laatste wintermodes, het eerstkomende bal, de preek van Dominee Glansdorp en andere hoogst gewichtige onderwerpen hadden geredeneerd: „hoe staat het nu tusschen u en uw basiliscus? Is de zaak nog niet klaar?quot;

„Neen; maar ik denk toch. . .

„Dat je hem spoedig schrijven zult: „kom maar over:quot; — dat zie ik aan je kleur.quot;

„Oom Van Bassen keurt het goed, en Tante Van Doertoghe insgelijks,quot; zei Bettemie.

„Zoo! en de berichten, die Dr. Van Zevenaer zou inwinnen, zijn die al gekomen?quot;

„Hij heeft er tot nog toe geen andere dan gunstige ontvangen,quot; antwoordde Bettemie: „en alles komt neder op hetgeen

ocr page 331

313

Kato Tronk mij reeds verteld had; bovendien ken ik Maurit8 genoeg, om te weten, dat hij niemand, die een slechte reputatie had, als zijn vriend op Hardestein zou hebben ingeleid.quot;

„Zoo! dan zullen wij u eerlang met uw engagement kunnen geluk komen wenschen,quot; zei Ernestine, doch op denzelfden toon en met hetzelfde visage de circonstance, waarmede zij tegen een bedrukte weduwe gezeid zou hebben : „ik condoleer u wel met het verlies van uw lieven man.quot;

„Je hebt iets tegen Mijnheer Drenkelaer, Ernestine!quot; zei Bettemie verwijtend.

„Ik? — Hoe wou ik iets hebben tegen een man, dien ik eens in mijn leven met een zwenk aanschouwd, en met wien ik geen tien woorden gewisseld heb.quot;

„Je bent het zelve geweest,quot; vervolgde Bettemie, het dei-moeite blijkbaar niet waardig achtende, op het ontwijkend antwoord van haar vriendin eenig wederantwoord te leveren, „die mij, in den eersten brief, dien je mij over hem schreeft, den raad gegeven hebt, hem te nemen.quot;

„Ja, dat herinner ik mij zeer goed,quot; hernam Ernestine, „en ik zou ook nu nog, oppervlakkig beschouwd, behalve zijn gebrek aan vermogen, waar je niet om geeft, niets tegen hem weten in te brengen, dat een tegenwicht in de schaal zou kunnen leggen.quot;

„Nu! en wat is dan de reden, dat je zoo'n gezicht zet, als je van de mogelijkheid van een verbintenis tusschen hem en mij gewaagt?quot;

„Dat zal ik je zeggen,quot; antwoordde Ernestine: „ik weet het niet; maar alles gaat met die vrijerij zoo raar toe, zoo heel anders als bij gewone menschenkinderen. Als andere kennissen van mij een inclinatie hadden, en er was kans, dat de zaak haar beslag zou krijgen, dan vond ik ze vroolijk en opgeruimd, plannetjes makende voor de toekomst, zich infor-meerende naar goedkoope huizen, naar dienstmeiden, die los kwamen, naar meubel- en linnenmagazijnen, en wat dies meer zij: en dan lachten en schertsten zij en toonden zich recht in haar schik. En was men dan nieuwsgierig om te weten

ocr page 332

314

hoe het zich had toegedragen met die vrijage, dan luidde het antwoord heel eenvoudig, en men hoorde bijzonderheden, juist zooals men ze verwachten kon, en zooals zij in den gewonen loop der dingen ook behooren. Maar wat jou betreft, lieve hemel! je gezicht staat even weinig vroolijk als zooeven het mijne stond, en 't is, of je aan je aanstaande niet alleen het offer van je hart en van je vrijheid brengt, maar ook dat van je toekomstig geluk. En de manier, hoe je aan hem gekomen bent, ja, die, zul je zeggen, is ook heel natuurlijk: je hebt zijn kennis gemaakt op een wandeling, op een diner, op een muziekpartij, enz., enz., net zooals men dit gewoonlijk doet; maar wat de bijomstandigheden betreft, die zijn niet natuurlijk, en wat je mij in je tweeden brief geschreven hebt van dien droom, en mij later verteld hebt van dien flacon, en al die grollen over die oogen, en den invloed, dien dat een en ander op je uitoefent, dat is niet natuurlijk, en dat heeft mij — je moet niet boos worden, Bettemie; maar 't woord moet er uit — een hekel aan den man doen krijgen. Zooals 't mij met mijn domme verstand voorkomt, handelt hij niet ronduit met u en speelt hij geen fair play. Hij heeft gemerkt, dat je geëxalteerd waart van aard, en hij heeft daar voedsel aan zoeken te geven, door al die fratsen met zijn oogen en zijn flacon, en met de hemel weet wat nog meer, hoe hij gepraktizeerd heeft. Ik heb hem maar eens gezien, zei ik zooeven, ja, dat 's waar; maar toen hij daar in de opera zat, toen heb ik hem toch herhaaldelijk opgenomen: en toen vond ik, dat hij niet alleen naar u keek, wat ik hem niet kwalijk kon nemen; want daar kwam hij voor; maar dat hij op u zat te loeren, net als een kat, die gereed is op een muis te springen. En al wat ik naderhand uit je eigen mond over hem gehoord heb, heeft alleen gestrekt om den onaangenamen indruk bij mij te versterken, dien hij bij zijn eerste verschijning op mij gemaakt heeft. Ik mag lijen, dat ik mij in den man bedrieg; maar ik zou, geloof ik, als ik moeder was, mijn dochter tegen hem waarschuwen. — En dan is er nog iets,quot; vervolgde zij, terwijl Bettemie somber en neerslachtig voor

ocr page 333

315

zich bleef zien, en geen poging aanwendde om dien stortvloed van woorden te stuiten, waarin zooveel voorkwam, dat zij met te grooter angstgevoel hoorde, omdat zij 't zich zelve alreeds meer dan eens gezegd had: „dan is er nog iets_. namelijk: je moogt er mij van vertellen wat je wilt: maar je bent niet op hem verliefd.quot;

„Je zegt!....quot; viel Bettemie in, met een uitdrukking, die tegenspraak en verontwaardiging over zulk een onderstelling moest uitdrukken, en die niets uitdrukte dan schrik.

„Ik zeg wat ik meen, of liever wat ik zeker weet. Je maakt het je misschien wijs, dat je doodelijk bent van dien Drenke-laer, maar er is geen woord van aan. 't Is met jou gegaan, net als met de helden en de heldinnen van die romans van Hoffman, waar je indertijd zooveel met ophadt, en waar ik met mijn eenvoudig terre-a-terre verstand nooit het aardige van heb kunnen begrijpen, maar vond dat het precies benauwde droomen waren. Die personages nu zijn ook altijd onder den invloed van deze of gene idéé fixe, die ze heel anders doet denken en handelen dan een mensch, die bij zijn gezonde zinnen is, zou doen. Die meenen ook verliefd te zijn op dezen of genen, die ze heeft weten te begoochelen met allerlei hekserijen en wonderlijke streken, en dan komt het per slot van rekening uit, dat zij heel blij zijn, als men hun de schellen van de oogen slaat, en hun aan 't verstand brengt, dat zij aan het quasi-beminde voorwerp eigenlijk een hekel hebben, en dat zij in den grond huns harten een heel ander liefhebben. En nu zul je boos wezen, dat ik je dat zoo cruement zeg; ik kan 't niet helpen, het moest er uit, en ik houd te veel van je, Bettemie, om je een slachtoffer te zien worden van je eigen opgewonden verbeelding.quot;

Dat deze laatste betuiging waarheid behelsde, en dat Ernestine uit het hart gesproken had, bevestigden de dikke tranen, die, bij het einde van haar pathetische toespraak, in haar oogen opwelden, en haar voor een oogenblik verhinderen te zien, hoe diep ook haar vriendin geroerd was. Sprakeloos zat deze neer, met het besef, dat zij de beweringen van Ernestine

ocr page 334

316

moest tegenspreken, eer deze haar stilzwijgen voor toestemming opnam, en zich onmachtig gevoelende, zulks te doen, omdat er in haar binnenste een stem sprak, die haar toefluisterde, dat die beweringen misschien wel de eenvoudige waarheid konden bevatten.

„O!quot; zeide zij eindelijk, de hand aan het hoofd brengende, en die sterk tegen 't voorhoofd drukkende, terwijl zij staroogend voor zich zag; „ik zal nog inderdaad worden, wat zij mij te Hardestein zeiden te zijn.quot;

Ernestine ontstelde op hare beurt, toen zij den indruk zag, dien hare toespraak op haar vriendin gemaakt had, en het denkbeeld, dat zij misschien maar al te goed den spijker op den kop geslagen had, verre van haar eigenliefde te streelen, vervulde haar met medelijden voor Bettemie.

„Is het inderdaad zoover gekomen?quot; vroeg zij, na haar een poos met een weemoedigen blik te hebben aangestaard: „kom!quot; vervolgde zij, den arm om den hals van Bettemie heenslaande en haar een kus op de koude wangen drukkende, „zoo wil ik je niet zien. Zoolang je niet getrouwd, zelfs niet verloofd bent, ben je immers niets aan niemand schuldig en in je handelingen vrij als een vogel in de lucht. Schrijf aan dien Mijnheer Drenkelaer, dat je hem nog niet genoeg kent, dat je nog wat van je vrijstersleven genieten wilt, dat je Oom er tegen is: — wat je maar bedenken kunt.... een voorwendsel te vinden kan je niet zwaar vallen, — mits dat engagement maar verschoven wordt: zie dan, datje tegen 't voorjaar iemand vindt, die je meeneemt op een reis naar Zwitserland of naar Engeland, om 't even waarheen, zoodat je gedachten eens een geheel anderen loop krijgen, en lees intusschen niets anders dan Murray of Baedeker, dan zullen die grillen, die je nu door 't hoofd malen, van zelf wel weg-dampen. En als je dan, na je terugkomst en na bedaard overleg, nog tot de slotsom komt, dat Drenkelaer de man is, die je gelukkig moet maken, wel! trouw hem dan, en ik zal zelve de eerste zijn, om je besluit toe te juichen.quot;

„Je hebt misschien gelijk,quot; zei Bettemie, terwijl zij op haar

ocr page 335

317

zakdoek beet en nog altijd voor zich heen zag: „maar ik zou dien raad niet meer kunnen volgen; ik heb hem beloofd, dat, zoo er geen bezwaren gemaakt werden door Oom of door Tante, en ik niets tot zijn nadeel hoorde, ik met mijn meerderjarigheid acces zou verleenen, en wat ik eenmaal beloofd heb, dat zal ik gestand doen, er kome van wat het wil.quot;

„Zoo? ja, zie je, dan weet ik er niet anders op, dan maar te hopen, dat de berichten, die Dr. Van Zevenaer je brengen zal, van dien aard mogen zijn, dat je met een gerust geweten je van je woord ontslagen moogt achten.quot;

„Foei Ernestine! mag ik zoo iets wenschen?quot; vroeg Bettemie, bij wie nu voor 't oogenblik geen opgewonden verbeelding, maar de haar ingeboren rechtschapenheid sprak: „toen ik aan den Heer Drenkelaer hoop gaf op mijn bezit, was dit, natuurlijk, omdat zijn aanzoek mij welgevallig was, en ik mijnerzijds de hoop voedde, zoo niet de overtuiging, dat hij mijn liefde verdiende; anders ware niets eenvoudiger geweest, dan hem met een weigering af te schepen; — en zou ik nu mogen wenschen, den man, wien ik dat uitzicht gegeven heb, den man, dien ik tot heden boven allen heb uitgelezen, vernederd te zien in mijn oogen, te ontdekken dat hetgeen ik voor echt goud aanzag, niet anders was dan een mengsel zonder waarde, en mij op die wijze te moeten schamen over mijn eigen kortzichtigheid? Neen: ik moet, ik wil hopen, dat het gevoel, hetwelk bij mij voor den Heer Drenkelaer spreekt, mij niet bedriegt, dat hij even braaf van karakter is als schrander van brein en beschaafd in den omgang, en dat ik alzoo minder berouw moge gevoelen over de keus, die ik gedaan heb. — Zie, ik wil het niet ontkennen, toen je zooeven zulk een akelig tafereel ophingt van wat je je verbeeldt in mijn hart te lezen, toen heb je mij geschokt, en toen vroeg ik mij zelve een oogenblik af, of je ook gelijk kon hebben; maar neen, dat kan het geval niet zijn: en zoo het dwaasheid in mij ware, een man te trouwen, alleen omdat ik mij verbeeldde, hem lief te hebben, nog grootere dwaasheid zou het zijn, hem niet te nemen, uit loutere bezorgdheid, of de liefde, die ik

ocr page 336

voor hem gevoel, wel eigenlijk de ware liefde zou zijn. Je zegt zelve, vervolgde zij met eenige stemverheffing, „dat je niets op hem hebt aan te merken; en als men je vraagt, waarom ik hem niet nemen moet, weet je geen anderen grond aan te voeren, dan dat zijn oogen u mishagen en dat hij partij getrokken heeft van mijn zucht tot het wonderbare, van mijn droom, weet ik het al? — Nu, wat zijn oogen betreft, ik heb je zelve gezegd, dat ik er in den beginne ook bang voor was; maar ik zal daar licht aan gewennen, en 't is maar heel zelden, dat zij die uitdrukking aannemen, waar je op doelt; in den regel zijn zij zacht en vriendelijk als die van een jong meisje .. . zelfs, als ik wat op hem aan te merken heb, is het, dat hij er voor een man wel wat te meisjesachtig uitziet. Wat het overige betreft, hij kan toch niet weten welken gekken droom ik gehad heb: hij heeft dien flacon niet laten maken, noch op Hardestein meegebracht, met het oogmerk om er mij mee te beheksen; — want toen hij daar kwam, kon hij op zijn best weten, dat ik bestond: en stel eens, dat hij gepoogd heeft, op mijn verbeelding te werken, is hem dat in den grond zoo kwalijk te nemen ? Zoekt ieder minnaar niet steeds den smaak, de liefhebberijen, ja de zwakheden van zijn meisje te vleien? Doet hij niet zijn best om bij haar in beweging te brengen wat men in 't Fransch la corde sensible noemt? Hij vernam, reeds den eersten dag dat wij elkander zagen, en nog wel uit mijn eigen mond, dat ik een dilettante was in de chemie, en gestudeerd had in boeken over tooverkunst en wat dies meer is: en kan ik hem dan kwalijk nemen, daarvan partij getrokken te hebben? Hij had opgemerkt, dat die flacon mijn bijzondere opmerkzaamheid gewekt, en dat ik naar de legende daarover met groote belangstelling geluisterd had; was het dan zoo vreemd, dat hij mij daar een geschenk van maakte? en dat nog wel op een zoo behendige en kiesche wijze, als ware het een bloot toeval, 't welk mij dat voorwerp in handen gespeeld had? — En stellig moet het hem veel gekost hebben, van een familiestuk te scheiden, waaraan zich voor hem zoovele herinneringen vastknoopten. Neen,

ocr page 337

319

wanneer ik juist niet mijn verbeelding, juist niet mijn gevoel, laat werken, maar de dingen neem zooals ze zijn, en de feiten, zooals zij zich hebben toegedragen, en dan volgens de regelen van het eenvoudig gezond menschenverstand redeneer, dan vervallen al die booze vermoedens, die te zijnen nadeele in uw of in mijn brein hebben kunnen opwellen, en, blijft er dan nog eenig vezeltje van over, dan is dat uwe of mijne schuld en niet de zijne.quot;

Ernestine gevoelde, dat tegen het onverbiddelijk logisch betoog, dat Bettemie gehouden had, inderdaad niets degelijks was in te brengen. Maar niet zelden is het gebeurd, dat het pleidooi, voor een beschuldigde gehouden, den rechter, die alleen op bewezen feiten en bestaande wetsbepalingen letten mag, onmisbaar tot een vrijspraak leiden moest, zonder toch uit zijn ziel de overtuiging van de schuld des vrijgesprokenen te wisschen. Zoo was het ten deze ook het geval met Ernestine. Al moest haar rede zich gevangen geven, al was er niets in hetgeen door Bettemie gezegd was, dat voor afdoende wederlegging vatbaar scheen, toch was zij niet overtuigd, en, wat meer is, zij hield voor gewis, dat haar vriendin het evenmin was, en dat deze, om zich in haar eigen oogen te rechtvaardigen, gronden voorzette, waartegen zij in 't binnenste van haar gemoed in opstand kwam. 't Was, meende Ernestine, de kranke verbeelding van Bettemie, die aan het heldere brein van Bettemie hulptroepen vroeg om hare opvatting te verdedigen. In dezen stand der zaak achtte zij dan ook allen verderen redetwist onnut.

„Nu!quot; zeide zij: „indien je de zaak dus beschouwt, is al wat ik zeggen zou overbodig. Ik wil dan maar hopen, dat alles ten beste moge afloopen, dat je vergeten zult wat ik gezegd heb, en dat je er mij nooit minder lief om zult hebben.quot;

„Wees daar gerust op, Nestje-lief!quot; zei Bettemie, haar met hartelijkheid omhelzende: „ik weet hoe je vanouds aan mij gehecht bent, en onze afspraak was immers altijd, dat wij rond en zonder omwegen elkander zouden zeggen wat ons op 't hart lag.quot;

ocr page 338

320

„En nu van wat anders!quot; hernam Ernestine: „daar heb ik ook nieuw van opgehoord, dat die paladijn, die zich te Harde-stein zoo heldhaftig voor je paard wierp, dien wij later bij het orkest zagen staan, toen men 1'Elisire d'amore gaf, dat onze Engelsche meester, in één woord, een neef van je was! En waarom heb je mij dat nooit verteld?quot;

„Om de zeer eenvoudige reden,quot; antwoordde Bettemie, een weinig kleurende, „dat ik het zelve pas gehoord heb. — En van wie heb je 't?quot;

„Van wie? Wel! dat weet ik zelve niet: ja toch, ik geloof, dat Pietje Batist het mij verteld heeft, die het in zijn Sociëteit had gehoord geloof ik. Och kind! zulke dingen blijven nooit geheim, en 't is daarmee als met de historie van Ibicus: brengen de menschen het niet uit dan doen het de raven.quot;

„Ha zoo!quot; zei Bettemie: „ik dacht misschien, datje 't van hem gehoord hadt.quot;

„En dat zou je indiscreet gevonden hebben, nietwaar?quot; vroeg Ernestine: „maar neen: dat is het geval niet; daar heeft hij te veel savoirvivre voor.quot;

„'t Is niet,quot; hernam Bettemie, „dat ik mij de relatie eenigs-zins schaam, ik heb zelve de eerste stappen gedaan en ben zijn moeder gaan bezoeken.quot;

„Ik geloof waarachtig wel, dat je je zoo'n neef niet schaamt,quot; zei Ernestine: „'t is een jongen om uit te schilderen, en als mijn vader van te voren geweten had, dat hij nog zoo jong was en zoo'n gunstig voorkomen had, dan had hij hem niet aangenomen om les te geven aan Rudolf, uit vrees dat hij mij het hoofd op hol mocht maken. Maar Mijnheer Braassem had hem aan Papa gerecommandeerd; zoodat de zaak al half beklonken was, toen hij bij Papa kwam om over de les-uren te spreken, en toen vond Papa, dat het toch wat gek stond, hem weer af te wijzen op grond, dat hij er te goed uitzag.quot;

„En voldoet hij goed, wat zijn methode van onderwijs betreft?quot; vroeg Bettemie, op een onverschilligen toon.

„Jawel,quot; antwoordde Ernestine: „hij is streng, en ziet niets

ocr page 339

321

door de vingers; maar toch houdt Rudolf veel van hem; en Ik moet ook zeggen, de man is een engel.quot;

„Zoo!quot; zei Bettemie glimlachende: „wel mij dunkt, de vrees van Mijnheer Van Marsden was zoo ongegrond niet, en je kunt waarlijk niet veel meer van den man zeggen dan je doet.quot;

„Ochlquot; hernam Ernestine, met een gemaakten zucht: „wat zou 't mij helpen of ik al doodelijk van hem was: hij is het niet van mij: hij heeft zijn affecties elders geplaatst.quot;

Wederom kleurde Bettemie: zij kon of liever zij dorst zich zelve geen reden geven, waarom; doch, zich vermannende, zeide zij, op zoo koelen toon mogelijk:

„Heeft hij u dan zijn confidences gedaan, dat je zoo goed met zijn hartsgeheimen bekend bent?quot;

„Neen! dat juist niet, ofschoon, wat zijn lippen niet gezeid hebben, dat hebben mij toch zijn oogen verraden, honderd andere symptömes bovendien. Ja, zie! als 't niet was, dat die andere .... nu! dat is nu eenmaal zoo.quot;

„Maar wat zijn dat nu weer voor chimères, die je door 't hoofd malen?quot; vroeg Bettemie: „ik begrijp niets van al wat je mij daar vertelt.quot;

„'t Is toch nogal begrijpelijk. Een dag of wat geleden, toen ik verkouden was, weet je, toen je mij bezocht — zoo 't een bezoek mocht heeten; want je waart zoo gejaagd en verstrooid, dat wij geen tien verstandige woorden hebben kunnen wisselen ... .quot;

„Nu ja,quot; viel Bettemie in: „ik had toen ook mijn hoofd vol met die arme Nicolette en ik had maar even den tijd om bij u aan te wippen.quot;

„Goed! waar je 't hoofd mee vol hadt, weet ik niet; zeker is het, dat je heelemaal van je stuk waart, en dat Rudolf, toen hij later bovenkwam, mij allerlei dingen vertelde, waar jij, geheimzinnig wezen, mij niets van verteld hadt: hoe je namelijk binnen waart gekomen, terwijl hij les nam, en hoe de meester en jij mekaar kenden, en hoe jelui met mekaar gesproken hadt, en hoe nadat je weg waart. Mijnheer Hermans heelemaal in de war was, en, bij vergissing, in plaats van IV. - k. z. 21

ocr page 340

322

het boek dat hij meegebracht had om in te lezen, het boek had meegenomen, waar Rudolf zijn thema uit maken moest. En dat een en ander gaf mij stof tot nadenken.quot;

„Je spreekt van mijn verbeelding. Nestje!quot; zei Bettemie: „maar mij dunkt, dat die bij jou ook nogal per post gaat.quot;

„Tut! tut! luister verder,quot; zei Ernestine: „ik ben nog niet aan 't eind. 't Spreekt van zelf, dat ik Rudolf beknord heb over zijn ongepaste aardigheden en gevolgtrekkingen; maar zooals ik zei, ik dacht er over na, en ik moest er het mijne van hebben. Ik wou natuurlijk niet hebben, dat Rudolf er verdere badinages over maakte ... .quot;

„Neen, dat zou ook niet consequent zijn geweest, nadat je hem er eerst over bestraft hadt,quot; zei Bettemie.

„En zoo nam ik,quot; vervolgde Ernestine, „eens de gelegenheid waar, dat Mijnheer Hermans bij ons was, en de jongen even de kamer uit was geloopen om een boek te halen, dat ik vergeten had . .. .quot;

„Natuurlijk met opzet vergeten,quot; merkte Bettemie aan.

„Stoor mij niet — om, zoo langs mijn neus weg, tegen hem te zeggen: „heden Mijnheer Hermans! ik wist niet, dat gij het waart geweest, die u zoo dapper gekweten hebt laatstleden zomer, toen Juffrouw quot;Van Doertoghe dat ongeluk had met haar rijtuig.quot; — Ik zei dat natuurlijk in slecht Engelsch; maar 't deed daarom geen minder goede uitwerking. Je hadt den man eens moeten zien, hoe hij op eenmaal zoo rood werd als een kers, en hoe zijn oogen flonkerden als twee heldere starren.... quot;Waarachtig, Bettemie, hij heeft twee prachtige oogen.quot;

„Och! hoe kun je je zulke dwaasheden in 't hoofd stellen?quot; zei Bettemie, half lachende, half wrevelig.

„De man was geheel van zijn stuk,quot; vervolgde Ernestine: „en het schot, dat ik eigenlijk zoo maar in 't wilde had gelost, bleek volkomen getroffen te hebben. Hij stamelde zoo'n paar phrases, dat hij natuurlijk niet anders had kunnen doen, dat ieder in zijn geval 't zelfde zou gedaan hebben, enz. Toen begon ik weer, en zei hem, dat ik hem persoonlijk

ocr page 341

insgelijks dank verschuldigd was voor zijn ridderlijke daad; want dat hij, door u uit gevaar te redden, mijn beste vriendin had gered, en dat je het liefste meisje was, dat ik kende. — En wat denk je, dat hij mij toen antwoordde ?quot;

„Wel natuurlijk niets,quot; antwoordde Bettemie: „en dat was ook 't verstandigst wat hy doen kon.quot;

„Jawel, hij antwoordde wat.quot;

„Ik hoop niet,quot; hernam Bettemie, „dat hij zeide, 't met u eens te zijn; want dat zou mij in dit geval een slechten dunk gegeven hebben, zoo niet van zijn goede gedachten nopens u, dan althans nopens zijn beleefdheid.quot;

„Vous n'y êtes pas,quot; zei Ernestine: „de man was slimmer, dan ik dacht, dat een man kon wezen: hij had zeker lont geroken, en begrepen, dat hij op zijn hoede moest zijn: zijn gelaat had weer een effen plooi genomen, en, op een echten schoolmeesterstoon, dorst hij mij in mijn facie zeggen: „a young lady expatiating into another young lady's praise! quot;What a splendid example you are giving. Miss Ernestine.quot;

„He served you right,quot; zei Bettemie.

„Ja, dat 's 't zelfde,quot; hernam Ernestine: „hij wist op die manier heel aardig van den tekst te dwalen; maar 't was ongelukkig te laat, en ik voor mij, ik wist genoeg.quot;

„Loop heen, malle meid!quot; zei Bettemie: „hij wist je eenvoudig het bewijs te leveren, dat hij een schoolmeester is, en er zich op verstaat, een hatelijkheid te zeggen.quot;

„Zoo? — En ik, voor mij, vind, dat het zeggen van die hatelijkheid en het aannemen van dat pedante schoolmeestersair heel veel tact bij hem aanduidde. De uitlegging, die ik er althans aan gaf, was deze: „Juffrouw Ernestine, je hebt daar al een heel teere snaar aangeroerd: ik ben bang, dat, als ik daar mede aan tokkelde, ik te veel zou zeggen en misschien mijn ondergeschikte positie van onderwijzer vergeten, en ik wil u toonen, dat zulks in geenen deele het geval is, en dat ik niet vergeet, hoe belachelijk het in een eenvoudigen taalmeester zou wezen, zijn oogen te durven verheffen naar

ocr page 342

326

bekwaamheid, maar is ook tot geen andere slotsom kunnen komen, dan dat deze de achting, welke hij in zijn woonplaats geniet, zoo door zijn gedrag als door de gevoelens, die hij uit, volkomen verdient. Dat hij ook zijn vijanden heeft en er door dezen of genen kwaad van hem gesproken wordt, valt niet te ontkennen; doch als ik had gehoord, dat uw vrijer een allemansvriend was, zou ik de eerste zijn om u toe te schreeuwen: neem dien toch vooral niet!quot;

Zoo was, door de verkregen gunstige berichten, voor Bette-mie elk voorwendsel weggenomen, dat haar nog kon terug doen treden, en, beurtelings met genoegen en met angst; zag zij nu het tijdstip van haar verjaring en van Drenkelaers aankomst te gemoet.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE WACHTKAMER VAN EEN PEAKTIZIJN.

Wij zijn in het vorige Hoofdstuk, ten einde een aaneengeschakeld verhaal te kunnen geven van den zielstoestand van Bettemie, den tijd eenigszins vooruitgeloopen, en verzoeken nu den lezer, zich weder eenige dagen terug te denken, en zich met ons te verplaatsen naar een ander huis op de Heerengracht, aan welks deurpost te lezen staat: „Mr. W. Hoogenberg, Advocaat,quot; en wel naar de binnenkamer, de ongezelligste van dat huis, althans de donkerste: immers, zij ontvangt geen licht dan door een raam, dat op de drie muren (waaronder een blinde muur) van een binnenplaats uitziet, en dat licht wordt nog voor zeven achtsten weggenomen door een paar zware, stofferige, donkerbruine overgordijnen, met verkleurde, hier en daar losgerafelde groene franjes en dito passement. Wellicht kan het geen kwaad, zoo het in dat vertrek wat duister is; want de stoffeering is er in harmonie met de gordijnen, te weten, vuil en smakeloos.

ocr page 343

327

en zij getuigt, dat hier geen vrouw, althans geen vrouw des huizes, toezicht houdt. Die stoffeering bestaat uit eenige ouder-wetsche stoelen, vermoedelijk bij een uitdrager of op een veiling gekocht, en die misschien in haar goeden tijd de pronkvertrekken van een rijken bankier hebben opgeluisterd; maar waarvan nu de bekleeding gescheurd, gevlakt en versleten is: voorts uit een vergulde pendule uit den tijd van 't Directoire, rechts en links op den schoorsteenmantel geflankeerd van porseleinen vazen met papieren bloemen; doch alle drie welke pronkstukken nauwelijks te onderkennen zijn, ten gevolge van de dikke stoflaag, die de stolpen overdekt. Van een vrij apocrief De Witje boven de portebrisée, die naar de zijkamer zou leiden, indien zij niet altijd gesloten bleef, laat natuurlijk de duisternis niet toe, iets te onderscheiden : niet veel meer ziet men van drie levensgroote portretten in olieverf, waarvan twee aan weerszijden van den schoorsteen hangen en het derde in 't verst van 't raam verwijderde vak aan de overzijde, — in het vierde vak bevindt zich de deur, die in de gang uitkomt. Gemelde schilderstukken hebben hoogst waarschijnlijk hun plaats in dit vertrek daaraan te danken, dat zij, of de daarop afgebeelde personen, te leelijk zijn om het daglicht te kunnen verdragen. Eindelijk ontwaart men hier nog, over den schoorsteen, een t rum eau, waarop een theeservies, over 't welk een bestoven lap zilvergaas gespreid is, en, voor het raam, een tafel, met een verschoten blauw kleed bedekt en waarop eenige beduimelde, gescheurde, gevlakte illustraties en pamfletten van den dag liggen, tot tijdkorting van al wie veroordeeld is, hier te zitten wachten op het blijde bericht, dat het zijn beurt is om bij den Heer des huizes te worden toegelaten: in 't kort, wij voeren den lezer de wachtkamer in.

Het zijn de dagen niet meer, toen Hoogenberg aan zijn vrienden verklaarde, blij te zullen zijn als zijn practijk hem zooveel opbracht, dat hij er zijn snuif van betalen kon; zijn reputatie en zijn cliënten zijn jaar op jaar vermeerderd, en sedert lang erkent men hem algemeen voor een der kundigste, eerlijkste

ocr page 344

328

en bekwaamste advocaten van Amsterdam. Geen wonder dan ook, dat zijn wachtkamer dagelijks, en reeds van den vroegen morgen, bestormd wordt door bezoekers, die hem over hunne belangen komen raadplegen, en waarvan er zelden een vertrekt, die niet weldra door een nieuwaankomende vervangen wordt.

Ook thans wederom, en wel op den dag, volgende na dien, waarop de tooneelen zijn voorgevallen, in de drie eerste Hoofdstukken van dit Boek beschreven, zijn achtereenvolgens ettelijke bezoekers gekomen en weder vertrokken, en bestaat voor 't oogenblik het getal der aanwezigen nog altijd uit een vijftal personen, van verschillenden stand, ouderdom en kunne: een daarvan is een procureur, die met den advocaat een conferentie hebben moet over een zaak, waaraan beiden hun diensten wijden; een ander is de chef van een Duitsch huis van negotie, die een advies komt halen over een assurantiequaestie; een derde een pleitzieke boer uit de Beemster; een vierde, een winkelier, die een proces-verbaal wegens overtreding der patentwet tot zijn laste heeft. De vijfde in 't getal is een net gekleed juffertje, naar 't schijnt versch van de reis gekomen; immers zij draagt een grooten geruiten mantel en — niet heel winterachtig — een stroohoed boven haar muts, en heeft een soort van groote momière of zak van gevlochten matwerk nevens zich. Onder haar tegenwoordig gewaad zouden wij haar bij den eersten opslag niet herkennen; doch kijken wij wat nauwer toe, dan ontdekken wij spoedig, dat dit niet onbevallig, ofschoon wat snibbig bakkesje toebehoort aan Karoline, de gewezen kamenier van Mw. Van Zirik.

In dergelijke vereenigingen van toevallig bijeengebrachte lieden heerscht doorgaans een geheimzinnig stilzwijgen, 't Is of de een bang is, dat de ander aan zijn gezicht zal zien, welke zaak hem naar den advocaat drijft: — alleen de procureur is natuurlijk niet verlegen: voor hem zijn die tooneelen in de wachtkamers dagelijksche kost: hij haalt nu en dan zijn processtukken half uit den borstzak van zijn jas; bekijkt ze even; doch duwt ze snel weer naar binnen, als vreesde hij, dat een onbescheiden oog de opschriften er van lezen zou.

ocr page 345

329

Voorts, zoo het wachten hem verveelt, hij laat er niets van blijken; zijn cliënten moeten toch de vacatie betalen, en hij is gewoon, hun het uur in rekening te brengen van het oogen-blik af, dat hij op de stoep stond: — moderaat genoeg; want hij zou het kunnen rekenen van 't oogenblik, dat hij zijn woning verliet. — De handelaar toont zich minder geduldig, gaapt nu en dan, kijkt herhaaldelijk op zijn horloge, en vergelijkt het uur, dat dit aanwijst, met het uur, dat de pendule op den schoorsteen aanwijst, speelt met den knop van zijn rotting, en brengt, beurtelings, het rechter- boven het linkeren wederom het linker- boven het rechterbeen. — De boer en de winkelier zitten in hun stoelen, zoo stokstijf als de poppen in 't Doolhof: en laatstgemelde geeft geen teeken van leven, dan door somwijlen een steelschen blik te werpen naar de lithographieën op de tafel, die hij wel gaarne zou willen bekijken, maar toch niet naar zich toe zou durven halen.

Eindelijk, daar doet het geluid van een schelletje allen opkijken; men hoort voetstappen door de gang: men hoort de voordeur dichtslaan: men hoort den bediende, die iemand heeft uitgelaten, terugkomen: aller ooren zijn gespitst, doch zij, die hier voor de eerste maal zijn, vinden zich teleurgesteld; want wederom zwijgt het geluid. Maar de procureur en de handelaar weten, dat de bediende wederom naar de kamer van „Mijnheerquot; is, om te hooren wie hij nu moet binnenlaten: en werkelijk, slechts een paar minuten duurt het, of daar hoort men nogmaals iemand naderen; en de kantoorbediende, een man met een scheef gezicht, een bleeke kleur, en een jas, waarvan de eene mouw met een grooten winkelhaak prijkt, en beide mouwen onder de ellebogen gescheurd zijn, en die een pen achter 't oor heeft, vertoont zich even aan de deur en zegt:

„Als 't u blieft. Mijnheer Smallewinkel!quot;

De procureur staat op, door de vier anderen benijd; doch bij 't heengaan zegt hij tegen den handelaar, tot diens geruststelling: „ik zal het niet lang maken. Mijnheer Schlepp.quot; — En werkelijk, nadat weinige minuten verloopen zijn, herhaalt zich de voorstelling van zooeven, en komt de Heer Schlepp

ocr page 346

330

aan de beurt om geroepen te worden. Maar, zoo hij vertrekt, zijn plaats blijft niet onbezet; want inmiddels is er aan de voordeur gescheld en een oud Heer komt binnenstrompelen.

„Als Mijnheer hier zoolang wil wachten,quot; zegt de kantoorbediende.

„Wachten!quot; herhaalt de toegesprokene, terwijl hij den bediende met een barsch gelaat aanstaart, en de kruk, waar hij op leunt, krampachtig in de dorre hand knijpt; „wachten? heeft Mijnheer mijn briefje dan niet gekregen, dat ik bij hem komen zou? — Mij dunkt, als ik vooruit belet vraag, komt het niet te pas, mij te laten wachten: Zeg hem dat, uit naam van Flinck, hoor!quot;

De bediende schijnt aan dergelijke toespraken te veel gewoon om ze eenige aandacht waardig te keuren: althans hij heeft reeds bij de eerste woorden zich weder verwijderd, zoodat onze vriend Flinck hem de laatste moet naschreeuwen.

,/t Zal niet helpen, Mijnheer!quot; zegt de winkelier, fluisterend, alsof hij bang was, dat men hem daarbuiten hooren zou: „ieder krijgt hier zijn beurt.quot;

De Oosterling schijnt het geheel beneden zich te vinden, op deze waarschuwing acht te geven, of zich met den spreker in te laten; hij zet zich met een knorrig gezicht in een der vacant geworden stoelen, kijkt naar de kachel, dan naar de deur, vervolgens naar het raam en bromt in zich zeiven:

„Is dat een beroerd stoken, dat zij hier doen? — dat raam tocht als de weerga: een mooie manier van de menschen te ontvangen: zoo'n processen-verknoeier laat je antichambre maken of hij een gouverneur-generaal was. — 't Is hier een vervloekt gemeen hok!quot; en wederom ziet hij rond, staat op en gaat naar de kachel kijken.

„Jawel! — als ik het niet dacht? op zijn best vuur genoeg in die kachel, om een muskiet aan te braden.quot;

En zie, als had men hem gehoord, daar gaat de deur open en komt de oppasser van den Heer Hoogenberg binnen met een kolenbak.

„Ja! dat zal wat helpen,quot; bromde Flinck: „als je er

ocr page 347

331

nu geen nieuw vuur in doet, doof je net uit wat nog smeult.quot;

De oppasser voorziet zich van een pook en veroorlooft zich een afschuwelijk gekras in de kachel, zoodat zich Flinck de ooren dichtstopt: vervolgens smijt hij een vracht steenkolen op den haard, en, ziende dat zij geen vlam vatten, begint hij opnieuw zijn gemorrel en gekras; waarna hij het vertrek verlaat, om spoedig daarop te keeren met een vuurdrager, uit welken, bij het afnemen van het deksel, een dikke walm opstijgt; zoodat Karoline zich een zakdoek voor den mond houdt, de winkelier aan 't hoesten raakt en Flinck een paar vloeken doet hooren. Alleen de boer blijft onder dit alles even rustig en onverschillig in zijn leunstoel zitten.

Gedurende dit tooneel zijn er achtereenvolgens weer twee personen binnengelaten: de een is onze vriend Albert; de ander een man in 't duffel, met een cache-nez van witte wol. Albert kijkt eenigszins ontsteld, nu hij Flinck herkent, en blijft een wijl aan de deur staan, als 't met zich zeiven oneens of hij zal blijven dan terugkeeren. Hij besluit eindelijk tot het eerste, en zet zich in een stoel, zoover mogelijk van 't raam; de man in 't duffel daarentegen heeft zich terstond als een spraakzaam wezen aangekondigd door een luid klinkend „goeie morgen saam,quot; aan 't gezelschap, gevolgd door een soort van alleenspraak: „ik zal deuzen stoel maar nemen; die is toch leeg:quot; en meteen zet hij zich op de plaats, die de procureur ontruimd had.

„Smerig weer vandaag,quot; vervolgt hij, zich meer bepaald tot den landman wendende: „nou! wij hebben 't dan lang goed gehad: en, zonder die s n u van verleden week, stond 't vee nog in 't land.quot;

„Ik heb 't mijne met St. Maerten binnen'nomen,quot; zegt de boer, „behalve zeuven, die op 'n stikkie 'an den dijk liepen, dat nogal hoog leit.quot;

„Hoor jij in Waterland thuis?quot; herneemt de man in't duffel: „dan kan je me wel zeggen of die nieuwe brug bij Slikdorp wel voldoet.quot;

ocr page 348

332

„Maer slappies,quot; antwoordt de boer: „er is al 'n paer keeren mankement an eweest.quot;

„Ja, dat dacht ik wel,quot; herneemt de ander: „'twas dan ook veul te laeg 'angenomen.quot;

„Dat schijnt zoo,quot; zegt de boer.

„Dat is wel zoo,quot; zegt de man in 't duffel.

„Jae,quot; zegt de boer: „ik leuf het ook.quot;

„Ik ben er zeker van,quot; zegt de ander.

„Jae,quot; zegt de boer: „'t was te laeg.quot;

„Veel te laag,quot; zegt de ander: „ik heb het terstond aan den burgemeester gezeid.quot;

„Zoo! dan ken je onzen burgemeester?quot;

„Of ik hem ken! — ik heb gisteren nog met hem op den spoortrein gezeten: — en jou ken ik ook, dunkt mij,quot; — zich plotseling tot Karoline wendende: — „maar ik weet mij niet te binnen te brengen, waar ik je gezien heb.quot;

„Mijnheer heeft vast de verkeerde voor,quot; zegt op vrii onvriendelijken toon het kamermeisje, dat op de kennismaking of hernieuwing niet bijzonder gesteld schijnt: „ik hoor hier niet thuis.quot;

„Nou! ik ook niet, en ik zeg ook niet, dat ik je hier heb gezien; maar jawel! ik weet het al: — ik heb je in Den Haag wel ontmoet, bij Van Zirik aan huis.quot;

„Kwam Mijnheer daar wel?quot; vroeg Karoline, eenigermate verwonderd.

„Wel dat zou ik denken,quot; antwoordt de man in 't duffel: „ik heb al menigen stuiver 'an 'm verdiend: ik heb nog al zijn bruggen gebouwd toen hij den Witten Plas heeft ingepolderd. — En heb je dien knecht nog bij jelui 'an huis, dien wandelenden promenadepot, met zijn hoedje op halfzeven en zijn rooie wangen?quot;

„Jawel,quot; zegt Karoline, die zeker geen te beste vrienden van Filip gescheiden was; althans zij schijnt zich niet te ergeren aan het signalement, dat de man in 't duffel van hem geeft: „je meent Filip ommers? — ja, die is er nog: maar ik ben er niet meer.quot;

ocr page 349

333

„Niet? heb jij je schaapjes al op 't droog, en ga je nou van je renten leven ?quot;

„Daar vraagt Mijnheer ook meer dan ik hem antwoorden kan,quot; zegt Karoline.

„Nou! — 't is maar een vraag, en als je er niet op wilt antwoorden, dan is 't uit. Anders, kijk! ik ben weeuwenaar, en zoo'n vrouw als jij bent, die zou mij net lijken, maar dan moest zij natuurlijk van haar kant ook iets kunnen 'anbrengen. Alles van één kant, dat gaat niet.quot;

„Heere hoe aardig!quot; zegt Karoline: „maar bewaar je diskoers; ik ben vooralsnog volstrekt niet van zins om te trouwen.quot;

„Wel! zooals ik zei, 't is maar een vraag: — en wil jij er je op bedenken, ook goed: wij spreken er dan wel eens nader over.quot;

Hier wordt het gesprek een oogenblik gestoord, door dat men den Slikdorper boer bij den advocaat komt roepen: een blij vooruitzicht voor den winkelier, die de naaste aan 't bod is, doch niet kan nalaten even op zijn horloge te kijken.

„Ja!quot; zegt de man in 't duffel: „kijk maar niet te gauw op je knol. As je binnen 't uur je beurt krijgt, mag je blij zijn; want de boeren binnen deurgaens lang van stof, als ze eens beginnen, en ze motten wil hebben van 'er zes schellingen.quot;

„Als ik dat wist, ging ik terstond weer heen,quot; bromt Flinck, ontevreden.

„Ei kijk! ik zou er op zweren, dat ik Mijnheer ook meer heb ontmoet.quot;

„Ik geloof, dat je je vergist, vriendje!quot; zegt Flinck, met een gebaarde, die zooveel wil, als: „ik ben in geen geval op een hernieuwing van de kennismaking gesteld.quot;

Het blijkt intusschen, dat de voorspelling van den duffel niet is uitgekomen en dat een van beide waar moet zijn, öf dat de boer zeer weinig te zeggen, öf dat Hoogenberg het talent heeft gehad, hem zeer spoedig af te schepen; — althans, vroeger dan iemand het verwachtte, hoort men de beslagen schoenen van den Slikdorper door de gang klotsen, en komt

ocr page 350

334

de bediende den winkelier roepen: en, nu ook deze weldra weder zijn afscheid genomen heeft, komt de beurt aan Karoline. Wat de vorige cliënten te zeggen hebben gehad, zal vermoedelijk den lezer even onverschillig zijn als het ons is; doch stellig is hij nieuwsgierig naar de reden, die het kamermeisje naar Amsterdam, en bovendien naar het zoeken van rechtsgeleerde hulp, heeft gedreven. Wij zullen, te meer omdat er dien dag niets meer in de wachtkamer voorviel of gezegd werd, dat hier verdient herinnerd te worden, dat vertrek dan ook maar voor goed verlaten en ons naar Hoogenbergs Olympus begeven.

ZESDE HOOFDSTUK.

HET KABINET VAN DEN PBAKTIZIJN.

Men zal zich de weinig vleiende schilderij herinneren, die, in het begin van dit werk, van Hoogenbergs uiterlijk voorkomen gegeven is, alsmede, hoe hij toen, onder zijn medestudenten, den alles behalve bevalligen naam van „kat-uilquot; droeg. In de twintig jaren en meer, die er sedert dien tijd verloopen zijn, komt hij, nu wij hem weder terugzien, ons vrij wat veranderd voor; doch, wat anders na zulk een tijdsverloop zelden plaats heeft, het is een verandering ten goede. Het gemis van frisschen blos en jeugdigen zwier, dat ons hinderde bij den jongeling, hindert ons niet bij den man van zes-en-veertigjarigen leeftijd. De vroegere linkschheid in houding en manieren is sedert lang geweken, bij de bewustheid van den invloed, dien hij uitoefent op al wie hem komt raadplegen: de onafhankelijkheid van positie, die hem zijn kunde, zijn rechtschapenheid en het vertrouwen zijner talrijke cliënten hebben doen verwerven, zet hem tegen al wie bij hem komt op zijn gemak: de gewoonte, zijn woorden als orakels te zien ontvangen, doet hem het hoofd hoog dragen, ja geeft hem

ocr page 351

335

iets waardigs, iets gebiedends, waarvoor men onwillekeurig ontzag gevoelt, en niemand zou er nu meer aan denken, hem nog met den spotnaam uit vroeger tijd te bestempelen: te minder, dewijl hij dien bril met ronde glazen, waar hij eertijds mee voor den dag kwam, sinds lang heeft afgelegd, of alleen bezigt, als hij zit te werken: zoodat, bij 't gewone gesprek, of als hij pleit, men gelegenheid heeft, den doordringenden, geestvollen blik op te merken, die de mindere fraaiheid van zijn gelaat geheel vergeten doet. En ten slotte, zijn afzichtelijke bakkebaarden zijn onder 't scheermes, het meerendeel van zijn hoofdhaar onder den sikkel des tijds, verdwenen: en de enkele zilverwitte lokken, die zich nog ter weerszijden van zijn voorhoofd vertoonen, zetten aan zijn voorkomen iets eerwaardigs en eerbiedwekkends bij. — Hij zit, bij 't binnentreden van Karoline, in zijn leunstoel achter een tafel, met talrijke papieren overladen: -— een chaos, waaruit geen orde bij mogelijkheid schijnt te kunnen geboren worden: hij draagt een donkergrijze kamerjapon en vilten muilen; doch is voor 't overige geheel in 't zwart, met een witte, los omgeslagen das. Hij rookt een sigaar, die hij zal wegwerpen eer die half uit is, om er een versche te nemen: aan welke daad van verspilling hij zich dezen morgen reeds — trouwens naar gewoonte — een half dozijn keeren heeft schuldig gemaakt. Bij het binnenkomen van Karoline maakt hij een lichte hoofdbuiging, wijst haar den stoel aan, die tegen hem over staat, en wacht af, wat zij hem heeft mede te deelen. Karoline van hare zijde, hoewel anders niet op haar mond gevallen, schijnt te begrijpen, dat hij, als man, 't eerst het woord moet voeren, en blijft dus, na op zijn stomme uitnoodiging zich te hebben nedergezet, zwijgend voor zich kijken.

„Wat is er van uw dienst. Juffrouw?quot; vraagt eindelijk Hoogenberg, met eenig ongeduld.

Karoline opent nog den mond niet, maar haalt van onder haar omslagdoek een brief voor den dag, dien zij hem overhandigt.

„Ik zie,quot; zegt Hoogenberg, na dien doorloopen te hebben.

ocr page 352

336

„dat mijn confrère Vlerk in Den Haag u tot mij renvoyeert betreffende een quaestie van erfenis. — Wat is er van de zaak?quot;

.,Dat zal ik u zeggen, Mijnheer! Ik heb een neef, Mijnheer, die Verdrongen heet, net zooals ik, Verdrongen Van Prikkelen-berg: die woont nu te Hardestein, Mijnheer, maar hij heeft vroeger hier te Amsterdam gewoond, waar hij in manufacturen deed. — Mijnheer zal hem wel gekend hebben misschien.quot;

„Ja, ik meen mij den naam te herinneren,quot; zegt Hoogen-berg: „de man heeft indertijd een akkoord met zijn krediteuren gemaakt: — ik ben nog voor een van hen in die zaak werkzaam geweest.quot;

„Juist, Mijnheer! dat meende Mijnheer de advocaat Vlerk ook, en daarom stuurde hij mij naar Mijnheer. — Nu moet Mijnheer weten, dat mijn vader hem geld geleend had. Mijnheer, omdat hij een neef van ons was. Mijnheer, en hij heeft het hem nooit terugbetaald. Mijnheer.quot;

„Dan vrees ik, dat uw vader het nimmer terug zal krijgen mijn kind,quot; zegt Hoogenberg.quot;

„Dat is te zeggen. Mijnheer, mijn vader is dood; weet Mijnheer? maar nu wou ik toch wel weten, waarom of wij het geld niet zouden krijgen, die toch voor onzen vader opkomen.quot;

„Om de zeer eenvoudige reden, dat hij het niet hebben zal,quot; zegt Hoogenberg.

„Maar Mijnheer! 't is toch een gerechte zaak, en hij woont toch zoo ik hoor, te Hardestein als een prins, in een mooi huis, en zijn dochter converseert er met de eerste lui; dat heb ik nog van menschen, die het weten kunnen, o, a. van Juffrouw Zevenster, die ze van den gepasseerden zomer nog gezien heeft.quot;

„Van Juffrouw Zevenster!quot; herhaalt Hoogenberg: „van welke Juffrouw Zevenster?quot;

„Och, Mijnheer! dat was een Juffrouw, die zooveel als bonne geweest is bij ons aan huis.quot;

„Bij u aan huis?quot;

„Ja; bij Mevrouw Van Zirik.quot;

„O zoo! Je diendet dus bij Mevrouw Van Zirik.quot;

ocr page 353

337

„Ja Mijnheer, ik was er zooveel als kamenierster: schrijft de advocaat Vlerk dat niet?quot;

„Neen,quot; antwoordt Hoogenberg.

„Och ja, Mijnheer! — Ik was eigenlijk niet geboren om onder de menschen te gaan, — maar dat is juist ten gevolge van dat geval, dat kan Mijnheer begrijpen: —■ met ons acht kinderen, wij moesten wel door de wereld.quot;

„Dat is duidelijk: — maar nu, die Verdrongen: — wat je mij vertelt van hem gehoord te hebben, bewijst nog maar alleen voor den uiterlijken schijn, en die kan bedriegen. Ik wil wel gelooven, dat de man gezorgd heeft, zooveel uit den brand te redden, dat hij stilletjes leven kan; — maar of hij daarom nu in staat zal zijn, zijn oude schulden af te doen, dat is een geheel andere quaestie. Bovendien, er is een jaar zes zeven geleden een akkoord aangegaan, en als je vader daarin geconsenteerd heeft. . . .quot;

„Maar Mijnheer! toen was mijn vader al lang dood: daar kon hij niet in consenteeren.quot;

„Maar zijn zijn erfgenamen dan toen niet opgekomen met de pretentie?quot;

„Jawel Mijnheer! ik heb er toen nog over geschreven; maar 't heeft alles niets mogen helpen.quot;

„Neen! dat wil ik wel gelooven, als 't bij 't schrijven gebleven is; als je toen bij mij waart gekomen, had ik misschien iets ten uwen voordeele kunnen doen: nu zal 't, vrees ik, te laat zijn; — maar dat doe jelui altijd: eerst laat jelui 't kalf verdrinken, en dan wil jelui den put gedempt hebben.quot;

„Maar Mijnheer! 't is toch een rechtvaardige zaak, daar ik mee voor den dag kom.quot;

„Ja, dat is 't oude liedje: „maar 't is niet genoeg, dat men met een zaak, rechtvaardig of niet, voor den dag komt, men moet het ook op zijn tijd doen.quot;

„Meent Mijnheer dan, dat er niets aan te doen valt?quot; vraagt Karoline, een weinig ter neder geslagen: „dat zou toch schreeuwend zijn.quot;

„Dat zeg ik niet,quot; antwoordt Hoogenberg: — „alleen heb

iv. - k. z. 22

ocr page 354

338

ik er te weinig moed op: — maar een bepaald oordeel kan ik er niet over vellen, zonder de stukken te zien. Heb je de schuldbekentenis niet bij je? en de brieven, die over de zaak gewisseld zijn?quot;

„Jawel, Mijnheer!quot; antwoordt Karoline, en, haar spoorwegmandje opnemende, haalt zij er een pak papieren uit, in een oude courant gewikkeld en met een dikken draad omwonden, dat zij hem aanbiedt.

„Best,quot; zegt Hoogenberg: „ik zal 't onderzoeken.quot;

„Dus kan Mijnheer mij niet dadelijk zeggen . ..

„Neen! — ik dien eerst na te zien hoe 't met dat akkoord in zijn werk is gegaan: — en kom dan maar over 8 of 14 dagen eens terug: — als het je namelijk schikt. — Woon je nog in Den Haag?quot;

„Ja, voor 't oogenblik nog: — maar Mijnheer begrijpt, ik ben nu met dat geval van Mevrouw Van Zirik zonder dienst, 't Is een erg iets. Mijnheer! en als Mevrouw zoo iets in 't zin had, had zij toch vooraf wel kunnen zorgen, dat ik een anderen dienst kreeg; maar dat mensch dacht alleen aan haar eigen zei vers. — Wat dat betreft, ik had haar toch al lang den dienst willen opzeggen; want het was er niet meer uit te houen, zooals ze de lui treiterde: — nou, daar kan die Juffrouw Zevenster ook van meepraten! — Heeft ze me dat arme schepsel niet in een slavernij laten leven en zich aftobben met de kinderen en met het goed, dat zij verstellen moest! allemaal, geloof ik, omdat ze jaloersch van 't meisje was . .. .quot;

„Zoo?quot; zegt Hoogenberg, die langzamerhand meer belang begint te stellen in de mededeelingen, die Karoline hem doet: „en — heb ik niet gehoord, dat die Juffw. Zevenster tusschen-tijds heeft moeten verhuizen?quot;

„Ja: wat het fijne daarvan is, weet ik niet,quot; antwoordt Karoline: „daar hebben wij allemaal zoo onze eigen gedachten over gehad: — dat kan ik Mijnheer verzekeren, dat wij booien geen van allen ooit iets op 't meisje hebben aan te merken gehad: zij was vriendelijk jegens allemaal, ik zou

ocr page 355

839

jokken als ik anders zei: — en ging nooit uit als met de kinderen; — om die met de Politie te laten wegbrengen! — en dat nog wel naar zoo'n huis als waar ze 'er heengereden hebben! Neen! dat zouen ze met mij zoo gemakkelijk niet gedaan hebben; ik had hem liever zijn oogen uit zijn hoofd gekrabd, aan dien inspecteur!quot;

„Je gelooft dus,quot; zegt Hoogenberg, „dat het meisje niet uit eigen beweging naar dat huis is gegaan?quot;

„'t Is allemaal een bestoken werk geweest,quot; antwoordt Karoline: „ik heb Mevrouw nog tegen den gouwverneur op zijn Fransch hooren zeggen, dat zij nu wel gezorgd had, dat dat kreatuur ergens was, waar zij niet meer vandaan kon. — Zij dacht, dat ik haar niet verstond; — maar ik ben in mijn tijd ook op 't Fransche school geweest.quot;

„'t Is wel! — en uw adres is?....quot;

„Wacht! 'k zal 't Mijnheer zeggen; ik ga nou bij een tante van mij te Marlheim: wil Mijnheer 't opschrijven?quot;

En onder haar dictée schrijft Hoogenberg:

„Aan Mejuffrouw Carolina Maria Verdrongen

„bij Mejuffrouw de weduwe Klaassen geb. Soezel „op het Plein „te

„in een Banketbakkerswinkel.quot; „Marlheim.quot;

En, na natuurlijk een knipje voor den dag gehaald, en gevraagd te hebben, wat zij Mijnheer schuldig is, en even natuurlijk tot antwoord bekomen te hebben, dat zij dat later wel vernemen zal, neemt Karoline afscheid van den advocaat. — In den tijd, die er verloopt, terwijl de bediende haar uitlaat, peinst Hoogenberg na, minder over 't geen zij hem betreffende haar zaak, dan over 't geen zij hem betreffende Nicolette verteld heeft.

„'t Is vreemd,quot; zegt hij bij zich zeiven: „en dit, vergeleken bij 't geen Eylar aan Bol schrijft.... Zou ik dat meisje verkeerd beoordeeld hebben? — Ik moet noodzakelijk dien Pedaal eens zelf in 't verhoor nemen.quot;

ocr page 356

340

„Eusting!quot; vervolgt hij, hardop tegen zijn bediende, die binnenkomt: „schrijf op: „besogne met Juffrouw C. Verdrongen.quot; — en nu, die volgt.quot;

Rusting begeeft zich weder naar de wachtkamer, en roept: „Mijnheer Flinck! asjeblieft.quot;

Op het hooren van den naam van Flinck richt de man in 't duffel het hoofd op, en bekijkt aandachtig den ouden Heer, die, zonder op hem te letten, zijn geleider naar het sanctum sanctorum1) volgt.

„Het spijt mij. Mijnheer Flinck,quot; zegt Hoogenberg, zoodra de ander gezeten is, „dat ik u een poos heb moeten laten wachten: — ik begrijp, dat dit voor iemand van uw leeftijd onaangenaam is. — Mag ik u een sigaar aanbieden?quot;

„Dank je,quot; antwoordt Flinck, die nog altijd knorrig is over het gedwongen verblijf in de wachtkamer, en die noch de beleefde woorden van den advocaat, noch het aanbod van een sigaar, een genoegzame vergoeding acht; „ik rook nooit dan manilla's.quot;

„Die heb ik ook tot uw dienst,quot; zegt Hoogenberg, de wood-villes, die hij in de hand had, nederleggende om naar een ander pakje te grijpen.

„Ik zal niet rooken,quot; herneemt Flinck.

„Dat spijt mij,quot; zegt de advocaat, met een fijnen glimlach: „ik zou anders aan dien vredesigaar hetzelfde denkbeeld van een verzoeningsgezindheid hebben gehecht als de Indianen aan een vredepijp. — Maar, ter zake: „wat is er van uw dienst?quot;

„Dat zal ik u zeggen. Ik wensch te weten, hoe ik op de beste wijze een meisje kan bevoordeelen, daar ik belang in stel.quot;

„Ik zie niet in, hoe ik u daarin van raad kan dienen,quot; zegt Hoogenberg, hem eenigszins verwonderd aanziende: „Mijnheer is immers meester van het zijne, en kan dus geschenken geven aan wie hij verkiest.quot;

„Geschenken! — die wil ze niet hebben,quot; zegt Flinck.

') ..Het Heilige der Heiligen.quot;

ocr page 357

341

„Dat is vreemd,quot; zegt Hoogenberg: „anders zijn jonge meisjes daar zoo afkeerig niet van.quot;

„Neen,quot; vervolgt Flinck: „'t schepseltje is niet zelfzuchtig, en, juist omdat gevoelens, als die zij openbaart, zoo zeldzaam zijn, wil ik haar voor altijd een onbezorgd leven verschaffen.quot;

„Dat is uwe zaak. Mijnheer Flinck,quot; herneemt de advocaat; „maar dewijl mijn raad door u wordt ingeroepen, moet ik zoo vrij zijn u te zeggen, dat ik reeds meer voorbeelden heb gekend van grootmoedige jonge meisjes, die kleinigheden versmaadden, omdat zij ... . liever wat groots hadden. Dergelijke dames komen in den regel het duurst uit.quot;

„Maar waar denk je dan, dat ik van spreek?quot; vraagt Flinck, terwijl hij uit de diepten zijner oogholten op Hoogenberg verbaasde en vergramde pijlen schiet.

„Wel!quot; antwoordt de ander; „van een jong meisje, waar je belang in stelt; dat zijn uw eigen woorden geweest, en ik heb gemeend, die te moeten opvatten in de beteekenis, die men er gemeenlijk aan geeft.quot;

„Wat!quot; roept Flinck uit; „je ziet mij dus aan voor iemand, die, met zeven kruisjes achter zijn rug, nog tot zulke dollig-heden in staat zou zijn?quot;

„Mijnheer!quot; herneemt Hoogenberg; „indien ik vrijheid had, u de geheimen van mijn praktijk te openbaren, dan zou het u blijken, dat van de tien, die in moeielijkheden zijn gewikkeld geworden ten gevolge van dergelijke betrekkingen met de schoone sekse, er negen zijn, van wie men met reden had kunnen verwachten, dat zij, met de jaren, ook wijsheid, althans ondervinding, hadden opgedaan. En dewijl ik die zwakheid ten aanzien van vaak zeer onwaardige voorwerpen heb opgemerkt, niet alleen bij onnoozele halzen, maar ook bij zeer knappe en in elk ander opzicht zeer verstandige lieden, zoo zal de Heer Flinck het mij niet ten kwade duiden, dat ik er hem ook van verdacht hield.quot;

„Ei wat! gekheid! zegt Flinck; „ik spreek van een engeltje, dat ik liefheb als mijn dochter, en dat ik, juist omdat erg-denkende labbekakken mijn handeling niet verkeerd zouden

ocr page 358

342

kunnen uitleggen, tot mijn kind wenschte aan te nemen.quot;

„De adoptie is afgeschaft,quot; merkte Hoogenberg aan.

„Ja! dat is de duivel!quot; bromt Flinck.

„Dat is het,quot; vervolgt de advocaat: „want indien het meisje, waarvan je spreekt, u niet in den bloede bestaat, dan zal je nimmer, hoe je 't ook aanlegt, haar financiën verbeteren kunnen, zonder aan die labbekakken, waar je van gewaagdet, stof tot gebabbel te geven. — 't Beste ware in dat geval nog maar, dat je haar trouwdet.quot;

„Zij zou niet willen,quot; zegt Flinck: „zij is droefgeestig en geheimzinnig: en dat is voor mij een vast bewijs, dat zij verliefd is.quot;

„Wel!quot; hervat Hoogenberg: „wat zwaarst is, moet zwaarst wegen: — en als men zich bewust is, wel te handelen, moet men zijn gang gaan en zich niet storen aan 't gebabbel van de lieden, dat eindelijk vanzelf wel ophoudt. Maar misschien bestaan er andere redenen, die u doen twijfelen of je het meisje wel zoo veel zoudt kunnen bevoordeelen als je wenschte. Heb je kinderen?quot;

„Ik heb een zoon gehad,quot; zei Flinck, op een somberen toon: „doch hij is nu drie en twintig jaren dood.quot;

„En, kinderloos overleden?quot;

„Ik weet het niet,quot; mompelt de oude man, een beweging makende, als wilde hij de gedachten aan het vroeger gebeurde van zich afweren.

„'t Is niet,quot; zegt Hoogenberg, „dat ik onbescheiden wil zijn en mij indringen in familiegeheimen; ik moet u alleen dit in herinnering brengen, dat, zoo die zoon wettige kinderen heeft nagelaten, er door u bij uitersten wille alleen beschikt kan worden over hetgeen er overblijft na aftrek van hetgeen naaide wet aan uw zoon zou zijn toegekomen.quot;

„En dat is het juist, wat ik nooit heb willen onderzoeken,quot; zegt Flinck: „mijn zoon heeft indertijd tegen mijn wil te Londen een huwelijk aangegaan; — en nu is de vraag, vooreerst of daar kinderen van leven, ten andere, of die recht hebben op mijn nalatenschap.quot;

ocr page 359

343

„Dat hangt af van de vraag omtrent hun wettigheid,quot; zegt Hoogenberg: „maar — vergun mij een andere vraag: leefde uw vrouw nog, toen uw zoon stierf?quot;

„Zij is reeds veertig jaren dood,quot; antwoordt Flinck.

„En hetgeen zij nagelaten heeft, veel of weinig, is dat aan haar zoon verantwoord?quot;

„Neen: hij was, toen hij trouwde, juist meerderjarig geworden, en daar ik het verzworen had, hem te schrijven, heb ik gewacht, dat hij het deed. Maar toen is hij een jaar later gestorven, en zoo heb ik begrepen, dat ik, als zijn erfgenaam, die nalatenschap onder mij kon houden.quot;

„Hm!quot; zegt Hoogenberg: „dat kan, wanneer zijn kinderen, wettig of onwettig, eens opkomen, nog aanleiding geven tot een lastig proces; — over die gelden althans zou ik in uw geval op dat punt niet gerust zijn.quot;

„Ei wat!quot; zegt Flinck: „indien er erfgenamen bestonden, dan zouden zij immers al sedert lang zijn opgekomen.quot;

„'t Zou zeker vreemd zijn,quot; zegt Hoogenberg: „doch niettemin verklaarbaar, indien zij b. v. zich elders bevonden, in behoeftigen toestand: onwetend met de toedracht der zaken en met de wet. Zulke dingen ziet men meer gebeuren.quot;

„Nu!quot; herneemt de oude man: „Herman Flinck zal niemand ooit het zijne onthouden, en, komen er op, die hun recht bewijzen op de nalatenschap van Madeline Wayland, ik zal hun die, desnoods met de renten, uitbetalen, en nog genoeg overhouden, om dat arme kind, waar ik zooeven van sprak, onbekrompen te laten leven.quot;

„Des te beter,quot; zegt Hoogenberg, met een goedkeurend knikje, en zich zeiven in stilte half verwijtende, dat hij den grijsaard verdacht had, gelden te hebben willen onder zich houden, die hem niet toekwamen: „intusschen,quot; vervolgt hij, „bedenk er dit bij, Mijnheer Flinck, dat, zoo het kind of de kinderen van uw zoon hun wettigen staat bewijzen, zij ook in zijne plaats, niet slechts als de erfgenamen uwer overleden vrouw, maar ook, in tijd en wijle, als uw eigen erfgenamen zullen optreden.quot;

ocr page 360

344

„Om 't even,quot; zegt Flinck: „er zal altijd nog genoeg overblijven, om Juffrouw Zevenster een goede partij te doen zijn.quot;

„Juffrouw Zevenster!quot; herhaalt Hoogenberg, met een verbazing, die aan Flinck niet ontsnapt.

„Wel ja,quot; hervat deze: „ken je haar, dat het je zoo schijnt te verwonderen ?quot;

„Hm! een weinig,quot; mompelt Hoogenberg, „in zooverre als zij eenigszins onder mijn voogdijschap heeft gestaan; doch dat Mijnheer haar kent, ja, dit beken ik, dat mij vreemd in de ooren klinkt.quot;

„Nu, als je haar voogd bent of geweest zijt, dan zul je weten, wat een engeltje het is.quot;

„Ik heb haar in den laatsten tyd uit het gezicht verloren,quot; zegt Hoogenberg: „en ik weet zelf niet, waar zij zich op dit oogenblik bevindt.quot;

„Erg genoeg,quot; zegt Flinck: „dat zoo'n lief schepseltje den kost moet verdienen met bij een modemaakster te werken! — Wel, zij woont, waar ik ook woon, bij Mad. Pari.quot;

„Zoo!quot; zegt Hoogenberg, langzaam drukkende op dat tus-schenwerpsel. — „Nu, 't verheugt mij; te hooren, dat zij zulk een welwillende beschermer gevonden heeft als Mijnheer Van Blinkerswaard; — want zoo is tegenwoordig uw naam, nietwaar ?quot;

„Ik heet Flinck en ben een burgerman,quot; zegt de andere, wrevelig: „en ik weet niet, wat die gekheid van de lieden beteekent, mij, omdat ik een landgoed heb gekocht, met den naam daarvan te bestempelen. — Maar daarbij, er lag, in je toon van spreken, iets, of je mijn genegenheid voor dat meisje afkeurdet. Heeft zij dan iets uitgevoerd, waarom ik haar niet zou moeten voorthelpen?quot;

„Mijnheer Flinck,quot; zegt Hoogenberg: „omtrent dat meisje wil ik vooralsnog mijn oordeel opschorten: dit zeg ik u alleen, dat zij of een canaille is, zooals ik er geen tweede weet, of het slachtoffer van gruwzame boosheid: en, dewijl ik mij juist bezig ga houden met het onderzoek wat daarvan is, zul je mij zeer verplichten, indien je alle handeling te haren gunste

ocr page 361

345

zoo lang opschort, tot ik in staat ben, u den uitslag van dat onderzoek mee te deelen.quot;

„Drommels! dat schijnt heel ernstig!quot; zegt Flinck, hem aanziende met een ongerusten blik: „ze heeft toch niet gemoord of gestolen?quot;

„Ik kan mij niet verder uitlaten,quot; zegt Hoogenberg: „ik vertrouw, dat je mij voor een eerlijk man houdt, Mijnheer Flinck, anders zou je niet bij mij zijn gekomen. Geloof daarom, dat ik er geen minder belang in stel dan je zelf doet, de waarheid omtrent die fatale historie voor den dag te zien komen .... en vergun mij nu, ons onderhoud over deze zaak tot een andere gelegenheid uit te stellen — tenzij je mij nog iets mocht te vragen hebben.quot;

„Zoo! dus drijf je mij uit: — 't is waar, een ander moet ook zijn beurt hebben,quot; zegt Flinck, terwijl hij de beweging maakt van op te staan.

„Ik drijf u zoo weinig uit, dat ik u op mijn beurt ook een vraag wensch te doen, namelijk, of je nog eenige zorg hebt aangaande pretentiën, die op mochten komen ten laste van James Wayland?quot;

„Ik? wel die boedel is immers al voor jaren vereffend,quot; zegt Flinck: „wie zou mij daar nog over lastig vallen?quot;

„Dat weet ik niet,quot; antwoordde Hoogenberg: „maar wel, dat mij dezer dagen iemand, en nog wel een praktizijn, aan boord is geweest, om die papieren eens in te zien, die ik nog onder mijn berusting heb.quot;

„Nu! en .. . .quot;

„En ik heb hem met een kluitje in 't riet gestuurd. Maar, zoover ik heb kunnen merken, scheen men nog aan die zaak te willen tornen.quot;

„Ik wensch veel vreugde aan wie daar lust toe gevoelt,quot; herneemt Flinck: „je weet niet, wie hem zond?quot;

„Neen,quot; antwoordt Hoogenberg: „ik meende echter, u van de zaak niet onkundig te moeten laten: dat is alles.quot;

„Ik dank je.... en nu nog iets: hoe denk je over Jan Bleek?quot;

ocr page 362

346

„Jan Bleek is mijn neef,quot; antwoordt Hoogenberg, glimlachende.

„Zoo, ja, dat is een ontwijkend antwoord. Zou je hem daarom je geld vertrouwen?quot;

»Ik? — mijn kat zou ik hem niet vertrouwen, indien het vel van het beest eenige waarde had.quot;

„Zoo! — Hij wil mij gronden aansmeren, die een uur twee drie boven Marlheim gelegen zijn, en wanneer zij ontgonnen worden, uitmuntend veen moeten opleveren; — hier heb ik twee brieven er over van lieden uit de buurt, die hij mij gelaten heeft.quot;

„Laat zien!.... Hm zoo! Ik heb de eer niet, de Heeren Krijn Meeuwis en Hannes Krevelbaard te kennen, die de brieven geteekend hebben; doch ik ken des te beter de Erven Rossevaal, te wier naam de bewuste gronden op 't kadaster staan.quot;

„Inderdaad?quot; vraagt Flinck: „en wie zijn dat dan?quot;

„Die zijn machtig gedund,quot; antwoordt Hoogenberg, „en worden thans, zoo ik mij niet bedrieg, alleen vertegenwoordigd door Anna Ril, wettige huisvrouw van den Heer Jan Bleek Az. Ik onderstel, dat de bewuste gronden even dor en onvruchtbaar zullen zijn als de eigenaresse daarvan.quot;

„Wat!quot; roept Flinck, met heftige verontwaardiging: „de schoelje wil mij alzoo zijn eigen gronden, die niets waard zijn, voor een hoogen prijs aansmeren! dat zal hem de duivel!quot;

„Wil je, dat ik er hem eens over onderhanden neem?quot; vraagt Hoogenberg.

„Neen,quot; antwoordt Flinck, met een boozen lach: „zoo gemakkelijk moet hij er niet afkomen! Hij moet weten, dat men Herman Flinck niet ongestraft poogt te bedotten, en hij moet bloeden voor pekelzonde. Ik heb een plannetje, en, zoo dat lukt, dan zal hij zelf in het net loopen, waarin hij mij wou vangen. Kun je mij ook iemand aan de hand doen, die verstand heeft van veengronden ?quot;

„En die van zijn bevinding een eerlijk verslag geeft?quot; vraagt Hoogenberg.

ocr page 363

347

„Natuurlijk! — ik heb nooit iemand bedrogen, en ik wil niet bedrogen worden. Intusschen, als het maar iemand is, die niet al te oneerlijk is, of die er althans geen belang bij heeft, het te zijn, dan ben ik al wel tevreden.quot;

„Ik geloof,quot; hernam Hoogenberg, „dat de man, die u lijkt, juist in de wachtkamer zit. Als het u goeddunkt, dan zal ik hem misschien wel dezen middag by u sturen.quot;

„Uitmuntend,quot; zegt Flinck, zich de handen wrijvende: „er moet geen gras over groeien! Oho! Mijnheer Bleek! je dacht misschien een boer voor te hebben, maar je zult ondervinden, dat Herman Flinck ook uitgeslapen is. Nu, tot weerziens, Mijnheer Hoogenberg; ik hoop je den afloop van de grap wel nader te komen vertellen.quot;

Met deze woorden verwijdert zich de Heer Flink en wordt eerlang gevolgd door den man in 't duffel.

„Wel, vriend Klabbe!quot; vraagt de advocaat: „wat is er aan de hand? Weer een slechte betaler, die cap tie maakt op je werk?quot;

„Goddank neen. Meneer!quot; antwoordt Klabbe, terwijl hij gaat zitten, zijn pet naast zich op den grond smijt en, voor 'teerst sedert hij het huis van Hoogenberg is binnengetreden, zijn wollen bouffante afdoet en op gezegde pet laat vallen, waarna hij zijn pijakker openslaat: „ik zal 't je zeggen: ik kom zooeven van Mijnheer Bleek, die mij ontboden had.quot;

„De koopman?quot;

„Ja Meneer! — Ik ken hem, omdat hij van de Commissie was, toen ik die vertimmering aan de Kapel had 'angenomen. Nou wil hij mij naar Marlheim sturen, om 'er een veenderij te taxeeren, die puik puik moet zijn.quot;

„Inderdaad? — Nu! dat treft nogal aardig,quot; zegt Hoogenberg, half bij zich zeiven; „en wat verder?quot;

„Ik wou Meneer vragen, of ik daar kwaad 'an kan.quot;

„Of je daar kwaad aan kunt? Hoe meen je dat?quot;

„Ja Meneer. Ik ben eigenlijk geen geadmitteerd taxateur van veengronden.quot;

„Hoe is het, Klabbe? scheren wij mekaar? Je weet toch

ocr page 364

348

zoo goed als ik, ja beter, dat, als iemand op je taxatie blieft af te gaan, hij daar aan niemand rekenschap van hoeft te geven: en voor zoo nederig zie ik je niet aan, dat je 't zoudt weigeren, op grond dat je geen verstand van de zaak hadt!quot;

„Neen, dat is 't niet; maar 't is maar, hij wil, dat ik nog iemand opsnor, die met mij taxeert, voel je?quot;

„Ik voel niets, dan alleen, dat er nog iets achter schuilt, waar je niet mee voor den dag wilt komen.quot;

„Om je de waarheid te zeggen, neen; maar zie je, ik spreek met Meneer als met mijn biechtvader, 't Is dan eigenlijk, Jan Bleek wil mij ordentelijk betalen, moet ik zeggen, maar dan zou hij graag willen, dat ikke, en mijn confrater ook, verklaarden, dat het land uitmuntenden veengrond bevat, en, als 't goed ontgonnen wordt, wel plus minus /'1500 het bunder waarde zal hebben, ofschoon 't op 't kadaster maar voor/quot;30 het bunder staat, en voor zooverre ik de streek ken, ik er geen fbO voor geven zou.quot;

„Wel! dan taxeer je 't op /40,quot; zegt Hoogenberg: „dat 's een gemiddeld getal.quot;

„Ja maar, zie je, dat zou niet aan 't oogmerk voldoen.quot;

„Aan welk oogmerk?quot;

„Dat weet ik niet. Jan Bleek zei, als 't hooger getaxeerd werd, zou 't meer gelden.quot;

„Dat is natuurlyk; maar dan zou de kooper er inloopen, en je zult je toch, hoop ik, niet laten vinden om daartoe door een valsche verklaring mede te werken.quot;

„Neen, natuurlijk niet, als het was om iemand te bedriegen; maar dat is hier de zaak niet; want Bleek wil de gronden zelf koopen.quot;

„Zelf koopen! — En dat liefst boven de waarde? Maar dat zal hij immers zelfs aan geen klein kind kunnen wijsmaken.quot;

„'t Is zooals ik Meneer zeg: en omdat ik het ook niet begrijp, kom ik er Meneers raad over inwinnen.quot;

„Ik heb u geen raad te geven: 't is dunkt mij, onnoodig, bij een advocaat te loopen, om te vernemen of men een schurkenstreek zal begaan of niet.quot;

ocr page 365

349

„Meneer noemt het zoo raar____quot;

„Ik ben gewoon, die dingen bij hun naam te noemen, en als je zelf niet voeldet, dat de naam, dien ik er aan geef, de rechte is, zou je over die zaak niet bij mij gekomen zijn.quot;

„Ja maar,quot; zegt Klabbe, zich de kin wrijvend, „als Bleek

toch____ zie je____ hij wou 't mij doen voorkomen, dat hij ze

tegen taxatieprijs wou overnemen, om als 't ware op een bedekte wijs een geschenk aan de eigenaars te maken. Hij haalde daar nog een paar spreuken bij aan uit de schrift, over weldadigheid, en van de linker- en de rechterhand, weet ik het?quot;

„Zoo! misschien ook wat er in staat omtrent hen, die valsche getuigenis afleggen? — In allen gevalle, je weet wat ik je gezeid heb, den eersten keer dat je bij mij bent gekomen?quot;

„Jawel Meneer! dat heugt mij nog best: ik vertelde je toen, dat ik vroeger altijd bij den advocaat Vinkeplukker geweest was, maar dat die mij zulke rekeningen van Jan Kalebas maakte en mijn leste zaak verknoeid had daarbij: en toen zei Meneer mij, dat ik niet meer had dan mijn verdiende loon; maar dat Meneer zich niet ophield met zaken, waar een luchtje aan was, en ik wel weer kon opdrossen: en toen ik Meneer 'an z'n verstand bracht, dat er in mijn zaak, die ik toen had, niets was, of men kon het voorbij den schout z'n deur dragen, toen zei Meneer, dat hij mij helpen zou: — en dat heeft Meneer ook trouw gedaan, ik kan niet anders zeggen.quot;

„Juist,quot; zegt Hoogenberg, „en ik voegde er bij, dat, indien ik ooit bemerkte, dat je in eenige zaak u met knoeierij hadt afgegeven, al ware 't ook nog zoo luttel, ik u voor altijd mijn deur zou verbieden.quot;

„Precies Meneer! en dat heb ik toen achter mijn ooren geknoopt, en gedacht: ja, wanneer ik als aannemer of anderszins 'an 't knoeien ga, dan mag ik er vandaag goed geld 'an verdienen, maar morgen vertellen ze overal: „Joost Klabbe is een knoeier:quot; — en dan raak ik toch achter de bank: en daarom heb ik tot mezelf gezeid, 't is toch op den duur voor-deeliger een goeien naam te hebben en de menschen goed te

ocr page 366

350

bedienen; — en dat is ook zoo uitgekomen. Ik betaal mijn leveranciers en mijn bazen altijd prompt op zijn tijd, maar ze moeten mij goed werk en goeie materialen leveren: ik houd mij niet op met steekpenningen en presenten 'an insenieurs of opzichters te geven: en ik heb toch ruim m'n brood. De lui zeggen wel, dat ik duur ben; maar zij zijn toch met mij tevreden, en zij weten, dat zij op mij 'an kunnen en ik ze geen kat in den zak lever.quot;

„Nu, daar heb je 't immers al,quot; valt Hoogenberg in: „en dewijl je zelfs erkent, dat knoeierij op den duur geen voordeel geeft, en je weet dat ik er een afkeer van heb, wat behoef je dan mij te komen ophouden, met mij een vraag te doen, waar je zelf zoo gemakkelijk het antwoord op hadt kunnen geven ?quot;

„Ja! wat zal ik je zeggen?quot; antwoordt Klabbe, terwijl hij zich achter de ooren krabt: „ik zei ook al teugens m'n eigen: „'t is geen zuiver spul.quot; Maar als nou toch zoo iemand als Jan Bleek er geen kwaad in ziet.... en die nog wel een neef van Meneer is, zoo ik hoor____quot;

„Als ik, of een ander, in wien je krediet hebt, je den raad geeft, een diefstal te plegen zul je 't dan doen? Zeg jij eenvoudig aan Mijnheer Bleek, dat, als hij die gronden van de Erven Rossevaal getaxeerd wil hebben....quot;

„---- Wat zeit Meneer?quot; vraagt Klabbe, terwijl hij Hoogenberg met groote oogen aanziet.

„.... Dat hij dan,quot; vervolgt Hoogenberg, „zich bij een ander te vervoegen heeft, en dat jij niet anders taxeert dan gelijk je kennis en je geweten je voorschrijven.quot;

„Maar weet Meneer dan al van den moord van Parijs?quot; vraagt Klabbe, die nog niet van zijn verbazing is teruggekomen, „dat Meneer die gronden zoo weet te noemen?quot;

„Ik weet, dat ze aan zijn vrouw toebehooren,quot; zegt Hoogenberg: „en nu kun je zelf oordeelen, of de zaak zuiver is.quot;

„An z'n vrouw!quot; herhaalt Klabbe, geheel verwezen kijkende: „maar,quot; vervolgt hij al lachende, „misschien wil hij de

ocr page 367

351

gronden van z'n vrouw koopen, om haar den prijs er van voor haar nieuwejaar te geven.quot;

„Om 't even,quot; herneemt Hoogenberg: „maar, wat die gronden betreft, je zult ze toch taxeeren, indien je 't verkiest, al is 't dan dat een ander je in dienst stelt.quot;

„Hoe meent Meneer dat?quot;

„De heer Flinck, die hier juist van daan gaat, heeft mij verzocht, hem iemand aan te wijzen, om zulks te zijnen behoeve te verrichten: en ik heb aan u gedacht. Indien je dus naar zijn woning wilt gaan, bij Mad. Puri in 't modemagazijn op de Keizersgracht, dan zul je verder wel hooren, wat hij van u verlangt.quot;

„Ik bedank Meneer wel.... zoo! dan had ik toch wel gezien en was dat toch meneer Flinck, dezelfde die te Leiden gewoond heeft, nou een dikke twintig jaar geleden.quot;

„Ja, en wat zou dat?quot;

„Wel! ik dacht al: zijn gezicht kwam mij zoo bekend voor: „ik heb hem wel gezien, in De Pauw, waar ik een poosje biljartjongen geweest ben: daar kwam Meneer de ave-caat ook, en Meneer Van Eylar, en Meneer Galjart... . jongen! wat was die sterk op 't Kruis! — by Meneer Soek af.quot;

„Dat was hij, — maar nu... . ik heb meer menschen te spreken:quot; en meteen schelt Hoogenberg.

„Eens,quot; vervolgt Klabbe, terwijl hij pet en bouffante opraapt en van zijn stoel rijst, „heb ik nog 'reis een boodschap bij Meneer Flinck aan huis gedaan.quot;

„Nu ja, goedquot; zegt Hoogenberg.

„Op 'n Sunterklaas-avond — een weer, dat je geen hond of kat de deur zoudt uitsturen.quot;

„Wat blief je?quot; vraagt Hoogenberg, op eenmaal opmerkzaam wordende.

„Ja! om hem een doos t'huis te brengen: mooi zwaar ook!quot;

„Een doos!quot; herhaalt Hoogenberg, bleek wordende: „neen, wacht nog even, Rusting!quot; roept hij zijn bediende toe, die op het geluid der tafelschel is binnengekomen, maar zich

ocr page 368

352

weder verwijdert: „ga nog even zitten, Mijnheer Klabbe, en herhaal eens wat je mij daar verteldet.quot;

„Klabbe kijkt geheel verbaasd op over het verzoek van Hoogenberg en over de gelaatsverandering, die hij bij dezen bespeurt; hij voldoet intusschen aan 't verzoek, zet zich neder en zegt;

„Ja Meneer: 't was in 't jaar 182., op Sunterklaas; toen heb ik een doos motten brengen bij Meneer Flinck 'an huis.quot;

„En van wie kwam die?quot;

„Wel! die was mij ter bezorging gegeven door Vrouw Swalm, op den Singel buiten de Witte poort.quot;

„Vrouw Swalm!quot; herhaalt Hoogenberg: „ik heb, dunkt mij, dien naam meer gehoord.quot;

De lezer herinnere zich, dat die naam op 't verslag stond, dat Pedaal bij Eylar had ingeleverd.

„En wat deed die Vrouw Swalm?quot; vervolgt Hoogenberg.

Zij waschte voor de officieren: en dan hield zij kostgangers: een mooi bleek jong vrouwtje had zij in dien tijd bij 'r.quot;

„En leeft zij nog, dat je weet?quot;

„Wel! er is meer gelijk a's eigen: en ik zou mij sterk bedriegen, indien ik haar niet een dag twee drie na de Valkenburger paardenmarkt op de delizans tusschen Utrecht en Den Haag heb ontmoet. Zij was toen mooi behangen; — maar, zooals mij de conducteur zei, toen ik afstapte, 't is niet al goud wat er blinkt; want, zei hij, ze hield een huis van pleizier in Den Haag. Had ik dat maar vroeger geweten, dan had ik zoo'n jong ding, dat naast mij zat en ook naar Den Haag gong, wel gewaarschuwd, haar maar links te laten leggen.quot;

„Een jong ding?quot;

„Ja, een meisje, dat naar Van Zirik moest, een lief aardig snoetje, dat er te Utrecht was op gebracht door Meneer Van Eylar.quot;

„Drommels!quot; roept Hoogenberg: „ik heb je straks beknord: dat je bij mij waart gekomen; maar nu zal ik je nog per slot moeten bedanken; want ze vertelt dingen, die van niet

ocr page 369

353

weinig belang voor mij zijn. — Je moet vandaag zeker weer uit de stad ?quot;

„Van avond nog naar Utrecht, voor een groote aanbesteding, die morgen plaats heeft. En als er haast bij die reis naar Marlheim is... . Meneer weet, ik ben altijd reizende en trekkende.quot;

„Ja goed! maar ik zal u spoedig noodig hebben.quot;

„Meneer weet mijn adres, en als Meneer mij een paar dagen vooruit wil waarschuwen, dan ben ik altijd tot Meneers dienst.quot;

„Uitmuntend! Intusschen, je spreekt vooralsnog met den Heer Flinck geen woord over die boodschap, die je te Leiden bij hem verricht hebt. — De zaak is van meer gewicht, dan je droomen kunt.quot;

„Als Meneer dat noodig acht, geen woord,quot; zegt Klabbe, terwijl Hoogenberg nogmaals schelt: „te drommel!quot; denkt onze aannemer, bij 't heengaan, „die doos moet stukken van waarde bevat hebben, dat er, na twintig jaar, nog zooveel gewicht aan gehecht wordt.quot;

„Voor hoeveel moet hij aangekalkt worden?quot; vraagt Rusting, nadat hij Klabbe heeft uitgelaten, aan zijn patroon.

„Voor één besogne;.... neen! voor niets; maar noteer, dat ik hem nader spreken moet; en nu spoedig de volgende. — Te drommel!quot; vervolgt hij, bij zich zeiven: „dat kind, welks vaderschap wij nu ruim twintig jaar geleden elkander toe-kaatsten, werd alzoo aan den Oostinje-man thuis gezonden. En nu wil hij 't adopteeren! Of hij was met de zaak bekend, of 't spreekwoord zegt waar, dat het bloed kruipt, waar 't niet gaan kan. — Met wien heb ik het genoegen te spreken?quot; — deze laatste woorden gelden den jonkman, die gedurende zijn alleenspraak is binnengekomen.

„Ziedaar juist, Mijnheer,quot; antwoordt Albert, „wat ik u moeilijk zeggen kan; want zoo ik mij tot u vervoeg, is het, om te weten, welken naam ik recht heb, hier te lande te voeren. In Engeland noemt men mij Albert Wayland Flinck.quot;

„Flinck!quot; herhaalt Hoogenberg, hem verbaasd aanstarende.

IV. - k. z. 23

ocr page 370

354

„Ik begrijp, wat Mijnheer bedoelt. Ja, de man, die hier zooeven uitging is mijn grootvader.quot;

„Oho, ik vat het al! je zoudt gaarne door hem als kleinzoon worden erkend. Nu je hebt waarlijk geen ongelijk: men kon het slechter treffen.quot;

Bij deze, op eenigszins spottenden toon uitgesproken woorden, ziet Hoogenberg den jongeling scherp in 't gelaat; doch hij kan niet nalaten, gunstige gedachten van hem te koesteren, nadat hij dien open blik en dat helder voorhoofd meer aandachtig beschouwd, en vooral nadat hij diens antwoord vernomen heeft.

„Mijnheer!quot; zegt Albert; „ik verlang van den Heer Flinck geen gunst of erkenning; hij heeft er mijn moeder niet naar behandeld. Ik wensch alleen, dat niemand haar zal kunnen verwijten, een bastaard ter wereld te hebben gebracht.quot;

„Goed gesproken,quot; zegt Hoogenberg; „ik had u juist willen waarschuwen, dat ik den Heer Flinck als advocaat bedien, en u dus niet zou kunnen bijstaan, indien je eenig proces tegen hem te voeren hadt. Doch in elk ander opzicht ben ik tot uw dienst, gelijk tot den zijnen. Wat is er van uw zaak?quot;

Wij zullen het verhaal hier niet teruggeven, dat Albert aan Hoogenberg doet, betreffende het huwelijk zijner moeder en haar verdere lotgevallen, dewijl het, hoezeer dan meer zakelijk en beknopt, op hetzelfde neerkwam, dat door zijn moeder aan Mcolette was gedaan.

„En nu wensch je van mij te weten,quot; zegt Hoogenberg. nadat de jonkman met spreken geëindigd heeft, „of er iets aan te doen is om den bedorven winkel weer in orde te brengen. Ik zal u mijn meening zeggen. — Wat het huwelijk uwer moeder betreft, dat gaat euvel aan verschillende informaliteiten, die ieder op zich zelve nietigheid medebrengen, en, ten gevolge van den dood uws vaders, bij geen mogelijkheid kunnen worden gedekt. Het klinke ongerijmd; maar ik vrees, dat uw moeder overal, behalve juist hier te lande, hare rechten als de weduwe uws vaders zal kunnen doen gelden.quot;

„'tis hard,quot; zegt Albert, somber voor zich heen ziende.

ocr page 371

355

„Dat is het,quot; zegt Hoogenberg: „en te meer, omdat, wat u betreft, ik de zaak van een veel gunstiger zijde beschouw. — Je zult zeggen, hoe rijmt dat samen, en toch is het zoo. Zie u de noodige getuigenissen te verschaffen, dat men u in Engeland van kindsbeen af heeft gekend als den wettigen zoon van Herman Wayland Flinck en Sara Maria Van Doertoghe, en dat deze beiden als echtelieden geleefd hebben en als zoodanig ook bij een ieder bekend stonden, dan heeft niemand het recht, verdere bewijzen omtrent de echtheid uwer geboorte te vorderen, en je vergenoegt u, de notoriëteit ten uwen profijte in te roepen. Art. 137 van het Burgerlijk Wetboek is op dat punt beslissend.quot;

„Inderdaad?quot; vraagt Albert: „maar hoe zal men denken over de tegenstrijdigheid, wanneer ik mijn vaders naam draag, en mijn moeder niet?quot;

„Hm!quot; antwoordt Hoogenberg, de schouders ophalende: „laat zij gerust zich voor de menschen mistriss Wayland Flinck laten noemen; niemand zal 't haar beletten; zelfs is 't nog de vraag, of iemand haar de bevoegdheid betwisten zou, dit in openbare stukken te doen, zoolang er geen bepaalde noodzakelijk bestond tot het overleggen van haar trouwbewijs: alleen de oude Heer Flinck zou er misschien tegen opkomen, als hij 't hoorde: hoezeer ik niet kan denken, dat zijn wrok nu, na vijf en twintig jaren, nog zou voortduren. — Maar waarom geen poging aangewend om hem tot vriend te krijgen ? De man is alleen en zonder erfgenamen: wie weet, of hij niet best in zijn schik zal zijn, als hij een kleinzoon voor zich ziet, voor wien hij zich voorwaar niet te schamen heeft.quot;

„Mijnheer is wel vriendelijk,quot; zegt Albert, met een lichte hoofdbuiging: „maar de Heer Flinck heeft vroeger niets van ons willen weten, en ik zou zelfs den schijn niet willen aannemen, hem om zijn geld het hof te maken.quot;

„Dat is zeer fier gedacht en gesproken: maar of je hem al of niet het hof maakt, je bent en blijft zijn kleinzoon en wettige erfgenaam, met uitsluiting van ieder ander, zoodra je als zoodanig je rechten laat gelden. En nu vraag ik het

ocr page 372

356

aan u zei ven, of het niet loyaler is, tot hem te gaan en te zeggen: „hier ben ik,quot; dan te wachten, tot hij dood is, en dan een proces te voeren tegen collateralen en legatarissen. Want je zult de edelmoedigheid toch zoo verre niet willen drijven, om afstand te doen van alle aanspraken op zijn nalatenschap? daargelaten, dat, zoo hij tot betere gedachten komt, hij nog bij zijn leven aan uw moeder kan goedmaken wat hij tegen haar misdreven heeft.quot;

„Om u de waarheid te zeggen. Mijnheer! een zonderling toeval heeft hem reeds met mijn moeder in betrekking gebracht, zonder dat hij nog haar naam weet en de indruk is over en weder gunstig geweest. Verneemt hij eenmaal wie zij is, en betoont hij dan eenig leedgevoel over zijn vroeger gedrag jegens haar, dan zal mijn moeder het hem misschien kunnen vergeven, dat zij, ten gevolge van zijn harde behandeling in 182 ., ontijdig bevallen is en haar dochtertje verloren heeft.quot;

„Hm!quot; zegt Hoogenberg, voor wien plotseling een licht opgaat: „dat was, toen zij buiten Leiden woonde bij Vrouw Swalm, nietwaar?quot;

„Ja Mijnheer. Hoe weet Mijnheer dat? ik heb 't hem niet verteld, zoover ik mij herinner.quot;

„Hm! ik weet misschien nog meer! die bevalling uwer moeder had plaats in 't najaar, omtrent het St.-Mcolaas-feest.quot;

„Ik geloof ja; doch hoe is 't mogelijk .. ..quot;

„Alle dingen zijn mogelijk: tot zelfs mirakelen. Hoor! je hebt mijn raad gevraagd : volg dien nu: ga aanstaanden Dinsdag met de Batavier naar Londen: verschaf u de noodige akte: — ik zal u een concept-opstel vervaardigen, dat je mee kunt nemen — en kom dan zoo spoedig mogelijk terug. Geef mij intusschen het adres uwer moeder: 't mocht zijn, dat ik haar iets te vragen had. — Kijk maar zoo verwilderd niet: ik heb niets dan 't beste met haar voor.quot;

„De weduwe Hermans, Leliegracht.. ..quot;

„Wat!quot; roept Hoogenberg, met schrik: „je bent toch niet dezelfde Hermans, die bij Bleek op 't kantoor is?quot;

„Geweest, Mijnheer, sedert zes weken niet meer,quot; antwoordt

ocr page 373

357

Albert, verbaasd over de ontsteltenis, die hij bij Hoogenberg bespeurt.

„Hemelsche goedheid!quot; roept deze, wien de betrekking, die, volgens de berichten der Politie, tusschen Nicolette en een kantoorbediende bij Bleek zou bestaan, en de betrekking van bloedverwantschap, welke hij tusschen hen reeds als zeker veronderstelt, tevens voor den geest komen: dat zou verschrikkelijk zijn!quot;

„Wat, Mijnheer?quot; vraagt Albert, meer en meer verbaasd.

„Heb je niet een Juffrouw bij je in huis gehad, die uit Den Haag gekomen was en nu bij Mad. Puri woont?quot;

„Juffrouw Zevenster,quot; zegt Albert: „jawel Mijnheer.quot;

„Jong mensch! . . .. en.... uw relatie tot haar?quot; vraagt Hoogenberg, met een bevende stem.

„Mijnheer!quot; zegt Albert, vrij ontstemd, dat hij zich wederom op dat punt heeft te verantwoorden: „het schijnt, dat delaster-tongen bij u insgelijks aan den gang zijn geweest en den naam van een eerlijk meisje hebben beklad.quot;

„Zoo!quot; zegt Hoogenberg, nog maar half gerustgesteld: „je geeft mij dus de verzekering, dat er niets tusschen u en haar bestaat?quot;

„Ik heb u reeds gezegd,quot; antwoordt Albert op eenigszins fleren toon, „dat al wat men daaromtrent verhaalt, niets is dan logentaal, oude wij ven-geklap en 't antwoorden niet waard.quot;

„Indien je wist, dat ik haar voogd ben,quot; herneemt Hoogenberg, „zou je 't mij niet ten kwade duiden, dat ik omtrent dat punt de waarheid wensch te weten, en recht heb, die uit te vorschen.quot;

„In dat geval,quot; zegt Albert, „vraag ik Mijnheer om verschooning. — Maar als man van eer herhaal ik, er is geen quaestie geweest van eenige onvoegzame betrekking tusschen dat meisje en mij.quot;

„Goddank! dat is mij een pak van 't hart. — Nu nog een verzoek: zoo je die juffrouw Zevenster ziet, zeg haar dan niet, dat wij te zamen gesproken hebben. — Ik heb daartoe mijne redenen.quot;

ocr page 374

358

„Ik zie haar tegenwoordig zelden,quot; zegt Albert: „in elk geval zal ik ingevolge uw wensch handelen!quot;

„Zeer goed. — 't Is in haar belang, dat ik spreek, zoowel als in 't uwe. — Ik groet u. Mijnheer.quot;

„Ziezoo!quot; vervolgt hij, nadat Albert vertrokken is: „dat is een ochtend vruchtbaar aan incidenten, en die mij werk zal geven, of ik bedrieg mij zeer. Dat die meid nu juist bij haar moeder belanden moet, en dat die oude man zulk een genegenheid voor haar heeft opgevat! Ik zal voortaan nooit meer twijfelen aan de inspraak des bloeds. — Wie volgt, Eusting?quot;

„De Heer Galjart, die zooeven is gekomen.quot;

„Laat hem binnenkomen,quot; zegt Hoogenberg, een scheef gezicht zettende: „een slechte cliënt,quot; vervolgt hij, bij zich zeiven, „en aan wien weinig te verdienen zal vallen: — een van die lieden, die zich onder water gewerkt hebben en niet meer te bewaren zijn voor 't verdrinken.quot;

Hier breekt hij zijn overpeinzing af: want de man, wien zij gold, treedt binnen: zijn uiterlijk voorkomen is er niet op verbeterd, sedert wij hem 't laatst hebben ontmoet.

„Wel!quot; zegt Hoogenberg, een schertsenden toon aannemende : „wie ik hier verwachtte, u zeker niet. Sedert wanneer in Amsterdam terug, Galjart? Ik dacht, dat je verzworen hadt, onze stad ooit weer te bezoeken.quot;

„Vraag mij niet, wat mij hier drijft,quot; zegt Galjart kuchende: „ik ben hier, omdat ik ergens wezen moet, en omdat men in een groote stad vrijer is en daarbij nog beter kans heeft, iets te verdienen, dan elders.quot;

„En heb je al iets gevonden?'-

„Hm! ik zal niet klagen: — ugh! ugh! bovendien heb ik nog een reden, waarom ik hier ben: ik weet, dat mijn lieve zwager er het land mee opgejaagd wordt, en het kippenvel krijgt zoo dikwerf hij mij ziet.quot;

„Maar je bent immers in goede vriendschap van hem gescheiden,quot; zegt Hoogenberg, het hoofd schuddende.

„Mocht wat! — Ik weet niet wat je goeie vriendschap noemt; maar ik weet, dat ik, bij 't scheiden, in ruil voor

ocr page 375

359

mijn goeie geld, dat ik in de zaak gestoken had, niets heb gekregen dan verwijten, dat ik door mijn nonchalance de oorzaak geweest was van de verliezen, die wij geleden hadden — en een bundel zedenpreeken op den koop toe. Ugh! ugh!quot;

„Zeker een troost, daar je niet veel aan hadt; — maar je moet denken, 't was voor hem ook niet plezierig, zich verstoken te zien van de voordeelen, die hij gedroomd had.quot;

„'t Is toch vreemd, dat de schoelje .... maar dat is ook waar, 't is je neef. — Heb je ook familiezwak, Hoogenberg?quot;

„Niet in het minst: — maar ik zie daarom nog niet, waarom Bleek juist een schoelje wezen zou.quot;

„Ugh! ugh! Ik zal je maar een paar dingen in overweging geven. — Ik weet precies, wat Bleek bezat, toen ik mij met hem associeerde: want mijn vrouw, die zijn zuster was, en ik hebben te zamen die erfenis van zijn vader gedeeld — en die bedroeg een bedroefd klein beetje. Mijn associatie met hem moest hem er bovenop helpen, heette het toen. Best! — 't heeft hem er ook bovenop geholpen; want hij heeft er altijd goed van geleefd, en leeft er nog goed van; — maar mij heeft hij er onder geholpen. — En nu vraag ik u alleen, hoe dit is op te helderen ?quot;

„Hm! Je weet toch, zoo goed als ik, dat Bleek buiten den wijnhandel nog andere zaken deed: — en daar kan hij gelukkiger mee geweest zijn!quot;

„Best mogelijk! zooals je zegt: 't is alleen maar de vraag: met wiens geld?quot;

„'t Spijt mij in allen gevalle, dat het u zoo is tegen-geloopen; — maar je hebt de afrekening gezien — en goedgekeurd. Door nu te gaan klagen bij wie 't hooren wil, stel je u zelf er dus aan bloot, dat men u uitmaakt öf voor iemand, die niet weet wat hij teekent, öf voor een lasteraar.

„Of voor een bedrogene,quot; voegt Galjart er bij : „maar dat daargelaten: 't is niet over mijn ongeluk, dat ik u spreken kwam: 't is over een ander onderwerp: — ik heb in Den Haag ons pleegkind ontmoet.quot;

ocr page 376

360

„Zoo? — en dat waar?quot;

„Waar ik haar het minst verwacht had, en zij zeker 't minst thuis behoorde; bij Mont-Athos.quot;

„Ik wist, dat zij daar geweest was.quot;

„Ja! een gek avontuur! — Ik kom daar op een mooien dag aan — ik was niet volkomen snik — en 't was er niet beter op geworden, nadat ik daar op eenige flesschen champagne had getrakteerd: . .. . ik zou heengaan; daar hoor ik in een kamer, die ik voorbij moest, een stem, die om hulp roept: — ik trap de deur open — en zie — Nicolette aan 't worstelen met dien ouden Satyr van een Tilbury. Ik smijt onzen Baron de trappen af, hou, geloof ik, een zedenpreek aan Nicolette .... en .... wat er verder gebeurd is, weet ik niet; maar alleen, dat, toen ik den volgenden morgen door dat vervloekte wijf en den inspecteur van Politie werd wakker-gemaakt, ik op den grond te slapen lag — en de meid gevlogen was.quot;

„Inderdaad?quot;

„Mama Canaille was woedend, dat het meisje juist ontsnapt was, nu 't haar wat op zou brengen, en zij gaven er mij de schuld van; anders had ik mij misschien de heele zaak niet herinnerd. Ik was toen nog zoo versoezeld en beroerd, dat ik met een vigilante naar mijn logies moest gebracht worden: daar trok ik terstond naar bed en bleef een ge-ruimen tijd ongesteld: — en het was eerst later dat ik, mijn paletot weer aandoende, in een der zakken een briefje vond, dat zij er moet ingestopt hebben, terwijl ik sliep. — Hier is het.quot;

„Dank je,quot; zegt Hoogenberg, het briefje overnemende: „maar hoe komt het, dat je tot heden wachtte om aan één onzer kennis te geven van het gebeurde?quot;

„Wel! ik zeg je immers, dat ik ziek was: — en zie je, — ik had geen lust, bijzonderheden op 't papier te zetten, betreffende dingen, die niet zeer tot mijn eer strekten .. . . vooral niet, nadat Donia .... nu, dat 's 't zelfde: — in allen gevalle was zij dat huis uit, en dat was het voornaamste. —

ocr page 377

361

Maar nu hier zijnde, dacht ik: aan u moet ik het toch mede-deelen.quot;

„Ik wenschte, dat je 't wat vroeger gedaan hadt,quot; zegt Hoogenberg, die intusschen 't briefje van Nicolette doorloopen had: „gelukkig ben ik reeds eenigermate ingelicht: en nu kan dit document bij de rest gedeponeerd worden. Je zeidet, er was 's morgens een inspecteur in huis?quot;

„Ja.

„Zoo! — nu ik zal dien sinjeur in 't verhoor nemen; en waar is uw adres tegenwoordig, Galjart?quot;

„Op het Schildburgerpad N0. 17!quot; antwoordt Galjart, met hetzelfde a-plomb alsof hij gezegd had: „Bocht van de Heerengracht.quot;

„Ik dank je,quot; zegt Hoogenberg, na het adres te hebben opgeteekend: „je hebt mij anders niet te zeggen?quot;

„Neen,quot; antwoordt Galjart, opstaande: „God zegen u.quot;

't Kon toch Hoogenberg maar half van het hart, zijn ouden makker weer te laten vertrekken, zonder hem eenig blijk te hebben gegeven van sympathie.

„Vertel mij eens. Frits,quot; zegt hij: „kan ik iets voor u doen ?quot;

„Ja,quot; antwoordt de ander, op een schorsenden toon, terwijl hij den stoel, dien hij verlaten heeft, bij den bovenrand omvat en dien heen en weer beweegt: „als er eens een plaats van Directeur bij de Bank of Handelmaatschappij openkomt, zie dan, dat je er mij voor recommandeert.quot;

„Zou je niet aan de eene of andere courant als verslaggever willen geplaatst worden?quot; vraagt Hoogenberg, zonder de flauwe scherts van Galjart zijn aandacht waardig te keuren: „je placht nogal vlug te stellen: je hebt smaak en lectuur genoeg: — en ik zou misschien wel kans zien, je zoo iets te bezorgen. Mij dunkt, dat zou juist een kolfje naar uw hand zijn.quot;

„Ik dank u,quot; zegt Galjart, hem de hand toestekende: „ik ben 't eigenlijk niet waard, dat iemand belang in mij stelt; maar als ik door je tusschenkomst iets van dien aard ver-

ocr page 378

' 362

krijgen kon.... ugh! ugh! — Die vermaledijde hoest! ja! zoo iets zou mij juist lijken.quot;

„Welnu! wij zullen zien: — zorg intusschen voor uw gezondheid, Frits! je hadt vroeger een sterk gestel; maar bedenk, dat je ook al je jaren begint te krijgen, en dat men van een paard van twintig jaar niet hetzelfde kan vergen als van een paard van zes.quot;

En met een handdruk scheidden de vrienden van elkander.

ocr page 379
ocr page 380

gt;/

instituut de vooys

quot;voob nederlandse taal-en letterkunde aan de rijksuniversiteit te utrecht

ocr page 381
ocr page 382

gt;/

instituut de vooys

quot;voob nederlandse taal-en letterkunde aan de rijksuniversiteit te utrecht

ocr page 383