LX1X ^l8
INSTITUUT DE VOOYS VOOR NEDERLANDSE TAAI^ EN LETTERKUNDE AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
â
â.
-xix
7. le-j
_
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0854 7923
Mh. J. VAN LENNER
KL A AS J E ZEVENSTER.
MET ILLUSTRATIEN
VAN
W. DS rAMAHS TESTAS.
Ill,
W. SIJTHOFP.
De Lotgevallen van Klaasje Zevenster.
TIENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
verhalende, hoe nicolette haar nieuwe betrekking werd ingeleid.
Toen Nicolette, na van Mad. Mont-Athos een handdruk tot afscheid ontvangen te hebben, zoo welgemeend en krachtig, dat zij de lippen op elkander persen moest om het niet uit te schreeuwen van de pijn, toen Nicolette, zeggen wij, den wagen uitstapte, was natuurlijk haar eerste werk om rond te zien, of zij, tusschen al die haar onbekende gezichten van belangstellende familieleden of dienstdoende geesten, die verwanten of meesters kwamen afhalen, van stalknechts en van sjouwerlieden van elke kunne en ouderdom, die zich, ten dienste van wagen, paarden of passagiers, om het rijtuig drongen, iemand ontdekken kon, die gezonden was om haar te helpen. Reeds een paar keeren hadden haar oogen den kring doorloopen, terwijl om haar heen uit een dozijn monden haar de vragen tegenklonken van âheeft de juffrouw ook bagazie? â weg waizen. Juffrouw? â mot de Juffrouw een kruier hebben? â mag ik uwees pakkie dragen?quot; enz., â reeds begon zij te vreezen, dat zij zich aan een der omstanders zou moeten toevertrouwen, toen zij tot haar blijdschap een stem uit luider in. - k. z. i
keel hoorde roepen: âIs hier ook een Juffrouw, die bij menheer Van Zirik wezen moet?quot;
âHier!quot; antwoordde zij en drong meteen door den troep, die haar omringde, den huisknecht te gemoet, die de vraag had gedaan, en die, zeker in den waan verkeerende, dat hij ter wille van een âkinderjuö'rouwquot; geen bijzondere haast te maken had, zich niet vroeger uit het wijnhuis, waar hij met een kameraad smousjassen zat te spelen, naar het kantoor der onderneming begeven had, dan toen hij den wagen had hooren stilhouden. Hij bracht, toen Mcolette naderde, even den duim aan zijn glanzenden, met een gouden galon versierden hoed, en vroeg toen, op vrij lompen toon: âheb je al iemand voor de bagazie?quot;
âNeen, nog niet,quot; antwoordde Nicolette, die bij zich zelve vond, dat niet zij, maar de persoon, die haar halen kwam, daarvoor had dienen te zorgen.
âHier! â Ikke!quot; riepen terstond ettelijke stemmen. De knecht koos er een uit den hoop en verzocht aan het jonge meisje, of zij nu maar zeggen wou, wat haar goed was.
De conducteur werd geroepen, en de eigendommen van Nicolette afgeladen en door den kruier overgenomen.
âHeb je nu alles?quot; vroeg de knecht: â âja? â als je dan maar mee wilt gaan.quot;
âIk hoop, dat de heer beleefder zal zijn dan de dienaar,quot; dacht Nicolette, terwijl zij haar wandeling begon over de straatsteenen van Den Haag, met den kruiwagen achter â en, wat haar vrij ongepast voorkwam, den livreiknecht nevens zich.
âHelaas!quot; kon zij niet nalaten bij zich zelve te denken: âzoo Maurits dat eens zag!quot;
âJe hebt mooi weertje op reis gehad,quot; zei de knecht nu, op een toon, die vriendelijk heeten kon, doch waarvan de gemeenzaamheid Nicolette nog meer tegenstond dan 's mans lompheid van zoo even.
âHeel mooi,quot; antwoordde zij, terwijl zij hem even aanzag met een blik, zoo koel, dat ieder ander zou gevoeld hebben, dat
hij geen moeite behoefde te doen om het onderhoud voort te zecten.
Of Filip, gelijk de knecht geheeten was, de strekking van dien blik begreep, zouden wij niet durven beslissen; wij zouden er zelfs aan twijfelen; want fijnheid van gevoel of verlegenheid schenen geen hoedanigheden te zijn, bij hem bekend. Hij was dan ook meer gewoon, bewonderd en gevreeën, dan terug-gestooten te worden. Een glimmend gelaat, een blozende kleur, oogen, wier uitdrukking door onbeschaamdheid vergoedde wat zij aan eigenlijke vrijmoedigheid misten, krullende gitzwarte lokken, een vierkante gestalte, vervaarlijke kuiten bovenal, en al deze natuurgaven verhoogd door den glans van een blauwen livreirok met groote vergulde knoopen, een paarlgrijze korte broek en witte kousen, maakten hem den don Juan der Haag-sche dienstmaagden: en, naar men verhaalde, had hij zelfs daar gezegepraald, waar de aanval van twee korporaals der grenadiers en van een sergeant der jagers was afgewezen. Hij toonde dan ook niet in 't minst uit het veld geslagen te zijn door de koele houding, die Nicolette tegen hem aannam, maar zette zijn onderhoud voort:
âMeer in Den Haag geweest?quot;
âNeen,quot; antwoordde Nicolette, deze reis zonder hem zelfs met een blik te verwaardigen.
âNou, dan zei je wat anders zien dan op dat dorp, daar je vandaan komt. Ik ben ook 'reis met Mijnheer dien weg uit geweest, op een buitenplaats, bij famielje van Mijnheer, maar ik kan niet zeggen, dat het er mij beviel, en Mijnheer ook niet. Land en boomen, anders viel er niets te zien, waar wij geloozeerd waren: niemand, die er ooit voorbij passeerde, als hooiwagens, mistkarren en varkens, 's ochtends wat jongens en meiden met bloote voeten, die hout in 't bosch waren gaan stelen, en om den anderen dag 'reis een rijtuig: neen, dan zei je hier anders opkijken, as je hier al die menschen ziet, en die ekipazies, en de muziek in 't Bosch, en de gar-nadiers, en het badhuis, en den Koning, assie uit rijen gaat. Ja, er valt hier altijd wat te kijken.quot;
4
Nicolette dacht bij zich zelve, dat er inderdaad verschil bestond tusschen Den Haag en Hardestein; doch de vergelijking viel vooralsnog niet voordeelig uit voor de
Stadt der steden een, waar ieder straet een stadt is.
Waarschijnlijk echter zou de residentie een gunstiger indruk op haar gemaakt hebben, indien zij, bij haar eerste komst aldaar, die in ander gezelschap doorwandeld had. Wat er van wezen mocht, zij achtte het noodeloos, aan haar geleider te kennen te geven, dat er, volgens hare meening, nog andere zaken waren, behalve ekipazies, garnadiers en de aanwezigheid van den Koning, die het verblijf op een plaats aangenaam konden maken.
Filip van zijne zijde begon te denken, dat de ânieuwe Juffrouwquot; al heel weinig conversatie had: doch zijn eer was,
meende hij, er mee gemoeid, dat hij haar aan 't praten kreeg, en, wanhopende hierin te slagen, tenzij hij bepaalde antwoorden uitlokte, begon hij weer met zijn vragen: tat
âVan morgen zeker al vroeg op reis gegaan, nietwaar?quot;
Nicolette knikte met het hoofd en bracht een nauwelijks hoorbaar âjaquot; uit.
âDan zei je wel honger hebben, hé?quot;
âOch!quot; zei Nicolette, op een toon, die evengoed ontkennend als bevestigend kon verstaan worden.
âJa, 't is jammer, dat je na den eten komt,quot; hernam Filip,
âmaar zie je, als ik een goed woord aan Stijntje de keukenmeid doe, zou ik je nog altijd wel wat kunnen bezorgen.quot;
âIk zal wachten, wat Mevrouw daaromtrent goedvindt te bevelen,quot; zei Nicolette, hem deze reis nogmaals en wel zeeluit de hoogte aanziende, in de hoop van hem te doen begrijpen,
dat zij in geen geval van zijne bescherming afhankelijk wenschte te zijn.
En werkelijk, indien Filip kort te voren den blik van het quot;â ***
jonge meisje niet had verstaan of niet had willen verstaan,
deze keer was die in verband met haar woorden ook voor zijn plomp verstand niet te misduiden. Hij voelde den steek.
O
en, met de hand de krul in orde schikkende, die zijn rechter-hoofdslaap bedekte, begon hij een deuntje te fluiten, terwijl
________hij door zijn houding poogde uit te drukken: âben je zoo
preutsch tegen mij, dan kun je lang wachten eer ik je weer toespreek.quot;
Maar zoo Nicolette er zich nu al in verheugen mocht, van zijn lastig discours ontslagen te zijn, zij voelde op dit oogen-blik, dat zij, van nu af, Filip zich tot vijand gemaakt had, en de gedachte was voor haar weinig bemoedigend, dat zij in de woning, waar zij verblijf zou houden, reeds, voor zij die was binnengetreden, zich de ongenade van een der huisgenooten op den hals had gehaald.
Nog peinsde zij hierover na, toen gelukkig de livreibediende stilstond en de kruier zijn wagen neerzette voor een fraai huis op den Vijverberg.
âZiezoo! daar zijnen wij d'r,quot; zei Filip, terwijl hij aanbelde. Het duurde als gewoonlijk in huizen, waar veel dienstboden zijn en de een het dus op den ander laat aankomen, een geruimen tijd eer de deur geopend werd en er een dienstmaagd verscheen, een dikke, logge zus, met oranjerood haar, vermiljoenrood aangezicht, en purperroode randen om een paar oogjes, waarvan het wit met bloedroode aderen doortrokken was, en waarvan de appels, grijsrood als het koffertje van Harpagon, Filip lodderig tegenlonkten. Ik 't kort, alle schakeeringen van het rood waren hier vertegenwoordigd.
âStijntje!quot; zei Filip! âhier was de nieuwe Mamzel.quot;
âEi zoo!quot; antwoordde de keukenprinses, hare blikken terloops en zijdelings even op Nicolette en vervolgens even op den kruier slaande, om ze daarna weder naar Filip te wenden: âja! dan zullen wij Kurlien dienen te roepen; want die weet, waar de Mamzel wezen mot. â Breng jij ondertusschen den boel maar binnen, vrindje!quot;
Dit bevel was tot den kruier gericht, die zich haastte er aan te voldoen, en de bagage in de gang nederzette, waarna hij, met de pet in de hand, bleef wachten op zijn belooning. 't Scheen, dat Filip geen last dienaangaande bekomen had, of.
zoo dit het geval mocht geweest zijn, dien niet verkoos na te komen, althans hij was onmiddellijk naar de trap gedraafd, die halverwegen de gang naar boven liep, en schreeuwde daar uit alle macht:
âO Kurlien! kom 's af!quot; â terwijl Stijntje, hem met den zwier van een vette gans achtervolgende, haar grove mans-tonen met zijn schrille stem huwde en insgelijks uit al haar macht âKurlien!quot; schreeuwde, intusschen Mcolette bij de open voordeur latende staan in alles behalve benijdenswaardige positie. Immers, toen zij haar beursje had uitgehaald om den kruier te voldoen, bevond zij, dat er niets meer dan groote muntstukken in waren en zij haar laatste kwartje aan den conducteur gegeven had.
âHoeveel is het?quot; vroeg zij aan den kruier, die nog altijd te wachten stond.
âDat laat ik 'an de Juffrouw d'r beleefdheid,quot; was natuurlijk het antwoord van den kruier.
âHeb je ook klein geld van een gulden?quot; vroeg zij.
âNeen, Juffrouw,quot; antwoordde deze: âen ook.... het is een heel end, en een heele sjouw hier naar toe,quot; voegde hij er bij, een toon aannemende, die bestemd was, mededoogen te wekken.
Nu bleef er voor Nicolette wel geen andere keus over, dan of den man een gulden te geven, wat zij te veel oordeelde, of de hulp van Filip in te roepen, wat, na de koele wijze, waarop zij hem behandeld had, haar, vreesde zij, in een valsche stelling tegenover hem plaatsen zou. Zij kon tot dit laatste niet besluiten, en bracht dus haar gulden ten offer, dien de kruier aannam met een zeer minzaam lachje, hetwelk toen hij de deur uit was, overging in een spotgelach, dat hij die âJuffrouw van buitenquot; zoo had beetgehad.
Nicolette begreep toch niet langer op de vloermat te kunnen blijven staan: zij begaf zich alzoo langzaam naar achteren, en vroeg aan Stijntje, die nog altijd doorschreeuwde, of Mevrouw niet thuis was.
âMeneer en Mevrouw binnen uit eten,quot; zei Stijntje: âmaar
-
Mevrouw heit 'r orders aan Kurlien gegeven. O Kuiiien! â Kurlien! â waar zitje toch? 'k Loof warempeltjes, dattet schepsel doof is geworden. O Kurlien!quot;
âTrip! trip! trip!quot; hoorde men eindelijk boven aan de trap, welk geluid vergezeld ging met een vrij snibbig toeroepen van; ânou, wat is er dan?quot; â en meteen kwam de lang gewenschte Caroline, een zwierig kamermeisje, in een afgelegde japon van Mevrouw en met een muts, waaraan geen rozekleurig lint ontbrak, naar beneden getrippeld.
âHier is de nieuwe Mamzei,quot; bromde Filip; maar eer hij lt;ie woorden half had uitgebracht, daar deed een slag, waar 't gansche huis van dreunde, alle vier verschrikt omzien, 't Was de voordeur, die, ten gevolge van de trekking, uit het achterhuis komende, van zelve dichtsloeg.
âHad je dan de deur niet kennen toedoen?quot; vroeg Filip, vrij knorrig, aan de keukenmeid.
âWel! dat had je zeivers ommers ook kennen doen,quot; snauwde deze hem toe, terwijl de schrik of het toegevoegde verwijt bij haar voor een oogenblik zegevierde over de vrees om aan Filip te mishagen.
,,'t Is, dat je altijd de plaatsdeur laat openstaan,quot; voegde Caroline haar toe: âje weet, dat Mevrouw dat niet wil hebben.quot;
âDaar heb jij in allen gevalle jou neus niet in te steken,quot; riep de verbolgen keukenmaagd: âbemoei jij jou met jou eigen bemoeisels.quot;
âIk bemoei me met waar ik me mee verkies te bemoeien,quot; hervatte Caroline: âen 't gebeurt ieder oogenblik, dat die deur toeslaat en een mensch van schrik van zijn werk opspringt.quot;
âJa, dat werk is ook wat, dat jij doet,quot; zei Stijntje.
âIk zit althans niet den heelen avond op mijn stoel te slapen, zooals jij,quot; kaatste Caroline terug.
âEn ik slenter 's avonds niet over straat, zooals jij,quot; hernam Stijntje.
De twist, die over een dichtgevallen deur begonnen en nu reeds tot persoonlijke verwijten overgeslagen was, had, tot
stichting van Nicolette, nog lang kunnen duren en ware zeker al hooger en hooger geloopen, zoo niet Filip, die er zich onder andere omstandigheden mede vermaakt zou hebben, naar zijn gemak had verlangd, en tevens niet ongepast geoordeeld, van zijn invloed en gezag op de schoone sekse een sprekend bewijs aan Nicolette te geven.
âKom kom!quot; zei hij: âstel dat gekijf nou uit tot een beter gelegenheid: help jij de Mamzei te recht, waar ze wezen mot, Kurlien! wat mot het mensch wel van jelui denken?quot;
Het vriendelijke lonkje, dat deze woorden vergezelde, scheen een onweerstaanbaren invloed te oefenen op het hart van Caroline; althans zij vergenoegde zich, met nog een paar grimmige blikken op Stijntje te werpen en een dof gebrom te doen hooren, niet ongelijk aan dat van een hofhond, die, na den voorbijganger te hebben tegengeblaft, in zijn hok terugkeert, waarna zij, zich tot Nicolette wendende, deze verzocht haar naar boven te volgen,
âEn waar moet die boel naar toe?quot; vroeg Filip, Caroline terughoudende.
âHm ja!quot; zei Carolina, zich even bedenkende: âik denk____
naar den bovenzolder; â maar.... is er geen siffenjère bij ? of geen eens een latafel?quot;
âEen chiffonnière!quot; herhaalde Nicolette, verbaasd: âdaar heb ik nooit mee gereisd.quot;
âNou!quot; merkte Filip wijselijk aan: âeen siffenjère is nog wel in Den Haag te krijgen. Ik zal bij provisie de bagazie maar in de bovengang laten zetten: dan kan Mevrouw altijd nader verordineeren waar ze wezen moet.quot;
Met deze geruststellende beslissing keerde Filip zich om en verwijderde zich naar de keuken, waar hem Stijntje reeds was voorafgegaan; terwijl Nicolette, nog altijd er niets van begrijpende, waarom zij een meubelstuk, dat zij tot nog toe overal had gevonden, zou hebben moeten medebrengen, Caroline naar boven volgde.
De marmeren trap was zeker prachtig: bijna zoo breed als die op 't kasteel te Hardestein, met een kostbaren looper
9
belegd, waarvan de vergulde roeden u tegenblonken; op den belétage zag Mcolette in 't voorbijgaan, overal bloemvazen in kostbare potten en fraaie beeldjes in nissen of op voetstukken: het sprak wel van zelf, dat men, om de kamer te bereiken, aan Mcolette tot verblijf bestemd, een verdieping hooger klimmen moest, en bovendien, bij de mistroostige stemming, waarin zij gebracht was door de ontvangst, die haar in Den Haag en in haar toekomstig woonhuis was wedervaren, sloeg Nicolette maar weinig of geen acht op hetgeen zij om zich heen zag, en terwijl zij met loome schreden achter Caroline de trap besteeg, dwaalden haar gedachten naar Hardestein terug, en hoe zij daar, bij haar aankomst, geen onbeschaamden lakei, maar den vaderlijk beminden predikant had gevonden om haar af te halen: en hoe haar ontvangst aan de pastorie en bij Eylar verschild had bij die, welke haar hier was te beurt gevallen. Daarbij gevoelde zij zich vermoeid en versoezeld van de reis, en verlangde naar rust en verkwikking.
Intusschen scheen Caroline begrepen te hebben, dat zij haar nieuwe huisgenoot juist niet op de meest gepaste wijze verwelkomd had, en haar in allen gevalle eenige verklaring schuldig was, waarom juist zij haar tot geleidster strekken moest, en reeds op de trap deelde zij haar mede, dat Mijnheer en Mevrouw uit eten waren bij den Baron Van Tilbury, en dat Mevrouw daarom aan haar, Caroline, de zorg had opgedragen om de nieuwe Juffrouw te verwelkomen en van het noodige te onderrichten.
âHet spijt mij,quot; was al wat Nicolette tijd vond op de mede-deeling te antwoorden, want die was nauwelijks afgeloopen of zij bevonden zich op 't bovenportaal, waar het kamermeisje eene der menigvuldige deuren, die er op uitkwamen, opende, en Nicolette, haar naar binnen gevolgd zijnde, zich in fquot; de tegenwoordigheid bevond van haar toekomstige é 1 è v e s.
âHier zijn de kinderen,quot; zei Caroline: âdaar is Emelie en Siane, en daar heb je Sjarle en Edewaar.quot;
âDag lieve kinderen,quot; zeide Nicolette, met een pijnlijk
|
]
10
gevoel, dat zij niet door de moeder zelve aan de kleinen werd voorgesteld.
De groet werd dan ook niet beantwoord; Emilie en Jeanne, twee opgeschikte poppetjes van zes en vier jaar, die aan een klein tafeltje met een tinnen theeserviesje speelden, keken het haar onbekende gelaat met open mond en bevreesde blikken aan: de achtjarige Charles, die met een legprent bezig was, zag even op en ging toen weer met zijn arbeid voort: en de kleine Eduard, die nog maar twee jaren telde, sprong verschrikt op van den vloer, waar hij tusschen allerlei verstrooid speelgoed gezeten was, en klemde zich schreeuwende aan den boezelaar en den schoot der kindermeid vast.
âHier is de nieuwe bonne,quot; zei Caroline.
âDe nieuwe bonne!quot; dacht Mcolette bij zich zelve, en niet zonder een pijnlijk gevoel te ondervinden. Niet het woord bonne had in den brief van Van Zirik gestaan. Was het Caroline die zich hier vergiste? of was zij, Mcolette, zelve omtrent den aard harer bestemming misleid geworden? In elk geval, de gebezigde uitdrukking was oorzaak, dat zij voor een wijl sprakeloos en verlegen voor zich heen zag.
âEi! ei!quot; zei de kindermeid, Nicolette van 't hoofd tot de voeten metende: ânu! ik hoop, dat zij er veel pleizier van beleven mag. â Goeien avond. Juffrouw!quot;
âGoeden avond!quot; zei Mcolette, en wendde toen den blik weer naar de beide meisjes, die zoo keurig waren uitgedost, waarvan het blonde haar zoo net gekamd en opgemaakt was, maar die er zoo tenger, zoo bleek, zoo lijdend uitzagen, en naar het jongste knaapje, dat een toonbeeld was van magerte, en welks oogjes zoo akelig hol stonden. Ook Charles was klein en schraal, en bovendien scheef gegroeid, zoodat hij wel een paar jaar jonger scheen, dan hij inderdaad was.
âEn nu kom ik bij je, lieve kinderen!quot; zei Mcolette: âom met je te spelen, en met je te wandelen, en om altijd bij je te wezen, als je niet bij Mama zijt.quot;
De kinderen waren blijkbaar verrast; en dit bedroefde wederom Mcolette, die zich niet had kunnen voorstellen, dat
11
men ze op haar komst niet eenigszins zou hebben voorbereid. Doch wat haar wederom stof tot blijdschap gaf, was, dat haar mededeeling blijkbaar geen ongunstigen indruk maakte. Ook nu hadden de minzaamheid van haar toon en het bevallige van haar stemgeluid hun gewonen invloed niet gemist: meer vertrouwelijk dan te voren staarden de twee meisjes haar aan: de kleine Eduard lichtte het hoofd op en keek naar Nicolette om, en, ofschoon hij terstond zijn gelaat weder in den boezelaar van Mietje de kindermeid verborg, hij schreide niet meer en herhaalde nog meer dan eens de pantomime van om te zien en de onbekende even te begluren: wat Charles betreft, hij leide het stuk van de legprent, 't welk hij in de hand had, neer, zag Nicolette verbaasd aan en vroeg toen;
âKom je dan in de plaats van monsieur Eostan?quot;
Xicolette, die niet wist, wie monsieur Eostan was, stond verlegen hoe te antwoorden; doch Mientje ontsloeg haar van die moeite.
âWel neen Sjarle!quot; zeide zij: âhoe kun je zoo mal wezen? mesjeu Eostan blijft voor jou.... en nog voor iemand anders,quot; voegde zij er bij, met een spottenden lach, terwijl zij zijdelings Caroline aankeek, die een waardige houding aannam, alsof zij van dat gebarenspel niets begreep: âen deuze Juffrouw komt hier voor je zusjes en voor Edewaartje.quot;
âIk wou liever dat Monsieur Eostan heenging en deze Juffrouw bij mij kwam,quot; zeide Charles.
âDat is heel vriendelijk voor mij,quot; zei Nicolette: âmaar monsieur Eostan zal zeker een knapper jongen van je maken dan ik zou kunnen doen. Wij zullen daarom toch wel goede vriendjes samen wezen, nietwaar, lieve jongen?quot;
Ja, dat's goed,quot; zei Charles, zijn hand leggende in die, welke Mcolette hem aanbood: âen dan zul je mij wel eens helpen, als ik mijn werk niet afkan, nietwaar?quot;
âWelzeker!quot; hernam Mcolette: âen ik zal u mooie spelletjes leeren ook en knipsels leeren maken en doozen plakken en allerlei aardigheden meer.quot;
âEn aan mij ook, aan mij ook!quot; riepen Emilie en Jeanne,
12
wier beschroomdheid nu geheel geweken was, terwijl zij van haar stoeltjes opsprongen en naar Mcolette toeliepen.
âWel gewis! aan u ook,quot; antwoordde deze, terwijl zij de beide meisjes omarmde en kuste.
âWel, kijk! ze zijn al heelemaal met u eigen,quot; merkte Caroline aan.
â0! daar was ik niets bang voor,quot; zei Mcolette; âkinderen zien altijd gauw genoeg, of zij met iemand te doen hebben, die van kinderen houdt.quot;
âMaar,quot; hernam Caroline, die al vond, dat het tooneel lang genoeg duurde, âzul je nu niet verlangen eens te zien waar je lozeert ?quot;
âJa inderdaad,quot; antwoordde Nicolette: âje zult mij zeer verplichten met mij ergens te brengen waar ik mij wat opfrisschen kan; want ik zit vol stof.quot;
âWij zullen niet ver behoeven te gaan,quot; zei Caroline; en, een deur openende, die met de kinderkamer gemeenschap had, ging zij Nicolette voor in een vertrek daarnevens, dat, hoezeer klein, er niet ongeriefelijk uitzag.
âHier zal vooreerst je slaapkamer zijn,quot; zei zij, âheb je nu ook iets noodig?quot;
âJa,quot; antwoordde Nicolette: âik zou mijn goed wel hier willen hebben om . . . .quot;
âJa! maar waar zul je 't bergen?quot; vroeg Caroline, bezorgd om zich heen ziende. En Nicolette, haar blikken volgende, merkte dat zich werkelijk noch kabinet, noch latafel in de kamer bevond.
âHier in den hoek is wel een hangkast,quot; ging Caroline voort; âmaar ik geloof, dat Mevrouw daar nog goed in heeft.quot;
âNu! dat zal ik van Mevrouw wel hooren,quot; hervatte Nicolette: âals ik nu mijn goed maar boven heb, dan kan ik er provisioneel altijd uitnemen wat ik voor het oogenblik behoef.quot;
âIk heb den boel nog niet hooren bovenbrengen,quot; zei Caroline, de deur openende, die op het portaal uitkwam: âneen waarlijk niet! â- die luie Dries was zeker weer niet bij de
13
hand: wacht! ik zal hem eens gaan porren.quot; En meteen trippelde Caroline, niet kwalijk in haar schik, dat zij eenig gezag kon gaan uitoefenen, naar beneden. Nicolette, die niet kon nalaten bij voortduring haar ontmoetingen hier met die op de pastorie te vergelijken, herinnerde zich, hoe zij daar, waar het dienstpersoneel uit maar ééne meid bestond, haar koffer dadelijk had boven gehad; terwijl hier, waar een aantal dienstboden aanwezig was, geen handen tot dat werk schenen te kunnen gevonden worden, 't Is waar, op Hardestein was zij als logee gekomen, hier kwam zij in â zij wist zelve ternauwernood in welke, althans in â een ondergeschikte hoedanigheid, en dat moest, begreep zij, eenigen invloed hebben op den meerderen of minderen graad van dienstvaardigheid, die haar te wachten stond. Nadat Caroline, in de keuken gekomen, zich had vergewischt, dat Dries, de palfrenier, niet âbij de handquot;, maar âom een boodschap wasquot;, en zij te kennen had gegeven, dat men de bonne toch niet zonder haar goed kon laten, en dat Filip zich dus wel zou moeten belasten met de bagage de trappen op te sjouwen, en nadat Filip herhaaldelijk had aangemerkt, dat zoo iets âzijn werkquot; niet was, en dat hij in allen gevalle niet in dienst stond van de bonne, die een grootsche nuf was bovendien, wat aanleiding gegeven had tot de vraag van Caroline, âof hij haar dan al lievigheden had gezeid, dat hij dat zoo wist,quot; kwam men ten leste tot een vergelijk, en met behulp van de werkmeid, die een goedwillige sloof was, werd de bagage eindelijk naar boven gedragen door haar en Filip. Nicolette, die reeds begon te vreezen, dat zij dien avond in haar bestoven kleeren zou moeten doorbrengen, hoorde hen met blijdschap de trap opkomen, en iemand een oogenblik later aan de deur tikken.
âKomt het u gelegen, dat zij het nu maar hier neerzetten?quot; vroeg Caroline, haar neus door de deur stekende.
âAls 't u belieft,quot; antwoordde Nicolette: âhet spijt mij dat ik u allen zooveel moeite geef,quot; voegde zij er bij, gevoelende, dat het van haar belang kon zijn, de gunst der dienstboden.
14
die zij vreesde reeds eenigszins verbeurd te hebben, zich te herwinnen.
âOch dat 's niets, Juffrouw!quot; zeide de gedienstige werkmeid, en trok, al sprekende, den koffer de kamer in, terwijl Filip, nu fier op zijne beurt, zich, schijnbaar zonder acht te geven op de toespraak van Nicolette, weder verwijderde.
âJe hadt hem beneden wel wat mogen afstoffen,quot; veroorloofde Caroline zich, aan de werkmeid te doen opmerken.
âJa,quot; zei deze: âik heb er het stof al wat met mijn boezelaar afgeslagen; maar 't zit er dikker op dan ik dacht: die dingen worden dan danig vuil op die wagens. Wacht,quot; vervolgde zij tegen Nicolette, ziende dat deze zich de handen reeds gewas-schen had; âik zal die riempjes wel losmaken:quot; en zich meteen op de knieën werpende, gespte zij de riemen en de klep los, en sloeg die nogmaals af, zoodat Nicolette den koffer althans kon openen zonder haar handen weer in een erger toestand te brengen dan ze een wijl te voren waren: âziezoo!quot; zeide zij: ânu is het zoover klaar.quot;
âIk dank u wel vriendelijk,quot; zei Nicolette: âen ik zal mij verder wel alleen redden.quot;
De werkmeid verwijderde zich; doch bij Caroline was nu de vrouwelijke nieuwsgierigheid opgewekt, om te weten wat er alzoo in dien koffer zitten zou, en of de nieuwe bonne nogal een goede garderobe had meegebracht. Zij bleef daarom en vroeg of zij Nicolette ook kon helpen met het uitpakken.
âO!quot; antwoordde deze: âje bent al te goed; maar ik zou je om doodswil niet van je werk willen afhouden.quot;
âOch! mijn werk! mijn werk, dat kan ook wel uitstel lijen,quot; zeide Caroline: âje zult nu toch wel moe wezen van de reis, denk ik, en dan kan men wel een beetje hulp velen.quot;
âJa, als ik de waarheid moet zeggen,quot; zei Nicolette: âik ben doodmoe: en als het u werkelijk niet ongelegen komt, dan zou het mij bijzonder aangenaam zijn, indien je mij nog even wildet helpen van kleed te veranderen. â Ik ben anders nooit gewoon, iemand bij mijn toilet te roepen; maar vandaag is 't mij of ik geen handen aan mijn lijf heb.quot;
âWel natuurlijk,quot; zei Caroline, bij wie nu zich aan de straks vermelde reden toch eenig medelijden met de zoo geheel vreemd en vermoeid aangelande Nicolette kwam paren: â't is immers mijn dagelijksch werk:quot; en meteen begon zij reeds de haakjes achter aan Xicolettes japon los te maken. Gewend om met haar meesteres, terwijl zij die kleedde, haar tong den vrijen teugel te vieren, deed zij dit, om de gewoonte niet te verliezen, ook nu; terwijl beurtelings de kleedingstukken, die zij hanteerde, haar ongezocht stof aanboden te spreken over die, welke haar meesteres bezat, en over de wijze waarop deze het haar droeg, of de muts vastgemaakt, of de japon gegarneerd wilde hebben, enz. enz., al welke praatjes gelukkig van dien aard waren, dat Nicolette, die weinig tot spreken gestemd was, er met âja, neen, zoo!quot; of âwaarlijk!quot; op kon antwoorden.
Zooveel intusschen had Caroline opgemerkt, dat over 't geheel de kleedij van Mcolette, al was het dan ook maar een reisgewaad, in haar bijzonderheden gedistingeerder was, dan zich bij een gewone bonne verwachten liet: en dit prikkelde haar nieuwsgierigheid nog meer aan, om te weten wat de koffer zou opleveren. quot;Weldra kon die nieuwsgierigheid bevredigd worden, toen de koffer open moest om nieuwe kleederen in plaats van de afgelegde te verschaffen, en nu was er, bij 't zien van sommige voorwerpen, die voor den dag kwamen, aan Carolines verbazing geen eind.
âO wat een beeld van een fiesuutje!quot; riep zij in opgetogenheid uit.
âDat heb ik van een schoolvriendinnetje,quot; zei Nicolette.
âDrommels!quot; zei Caroline: âik kreeg van mijn schoolkameraadjes zulke mooie presenten niet. En dat fijne kraagje dan?quot;
âDat is een geschenk van Mevrouw Van Eylar,quot; zei Nicolette.
âNu! die is ook mal met je geweest: en hier, dat snoeperige werkdoossie met dat schilderijtje er op?quot; Men weet, ten onzent geven de meeste lieden den naam van schilderij
16
aan al wat in een lijst gezet kan worden en waarop iets is voorgesteld.
âDat is ook van een vriendin van mij .... van de Freule Van Doertoghe.quot;
âVan een Freule!quot; herhaalde Carolina verbaasd.
âZij heeft dit landschapje zelve geteekend,quot; hernam Nicolette : âlief nietwaar?quot;
âZelve geteekend!quot; wedergalmde Caroline, wier brein langzamerhand geheel verwilderd begon te raken: âmaar. ekske-zeer, ik heb toch niet de verkeerde voor: uwees is immers wel. . . .quot;
âJuffrouw Zevenster, jawel!quot; zei Nicolette.
âGrut heeremijn! neem mij dan niet kwalijk. Juffrouw! â maar zie je, ik dacht.... uwees is hier dan immers wel te recht?quot;
âTen minste als ik bij Mevrouw Van Zirik aan huis ben.quot; zei Nicolette.
âWelzeker! â maar wij verwachten .... dat is te zeggen. Mevrouw verwachtte . . . .quot; en het anders zoo welbespraakte kamermeisje dorst het woord niet uitspreken, dat haar op de tong lag.
âNu ja,quot; zei Nicolette: âeen gouvernante bij de kinderen: een bonne, zooals je 't noemen wilt: en dat ben ik.quot;
âWel kijk eens!quot; hernam Caroline, die nog maar half begreep, hoe de vork in den steel zat: âmaar toch.... als ik zoo'n mooie garderobe had, en Freules onder mijn vriendinnen, dan zou ik er wel de maan van hebben, in een dienstbare betrekking te gaan.quot;
âWel, beste meid!quot; zei Nicolette lachende: âvan mijn garderobe kan ik niet eten: van vriendschap en van presenten zou ik op den duur niet willen eten, en ik zoek liever op een eerlijke wijze mijn kost te verdienen, dan dat ik bij de lui op de klap ga loopen.quot;
âWel zoo, wel zoo!quot; riep Caroline uit: âja, wat zal ik
zeggen: âik ben ook eigenlijk van een heele goeje familie____
ik had ook niet gedacht, toen ik klein was, dat ik ooit onder
17
de lui zou gaan: mijn vader was in watten goeien doen en wat een deftig man ook, ouderling bij de geriffermeerde Kerk en hij deê in ijzerwaren.quot;
âWaarschijnlijk een smid,quot; dacht Nicolette, die het niet lang te voren verschenen blijspel âDe Nevenquot; had gelezen.
âOch ja! â misschien heeft uwees zijn naam wel eens gehoord: Verdrongen: een heele bekende naam.quot;
âVerdrongen!quot; herhaalde Nicolette: âVerdrongen van Pikkel .... neen, van Prikkelenberg ?quot;
âKent Uwees die?... neen: Verdrongen van Prikkelenberg was een neef van mijn vader .... en juist de man, die hem in 't ongeluk gebracht heeft.... die hem spikkelaties heeft laten doen in de olie .... of in de wol.... neen, 't was in de guanomest, geloof ik, afin! 't end er van was, dat hij mijn vader in 't ongeluk gebracht heeft, zoodat de man heelemaal gerenuëerd was en van sagrijnigheid gestorven is: â ja, 't was een ding! â We bleven met ons achten, en dan geen vermogen meer: uwees kan wel denken....quot;
âDat is zeker heel treurig,quot; zei Nicolette: âja, die neef van u, dien ken ik wel: die woont te Hardestein, waar ik de laatste weken juist heb doorgebracht: hij woont er nog al heel aardig.quot;
âNiet waar? ja â ik heb 't al meer gezeid; de schoelje speult mooi weer van ons geld: ik heb al dikkels gedacht,
as ik 'n knappen avekaat had, die 't'reis voor ons opnam____
ik ben al'reis een en andermaal zoo vrijpostig geweest, er met onzen Meneer over te spreken, maar die is altijd zoo raar: en als ik er over begin, dan lacht hij m'n uit; laatst zei hij nog teugen mij â hij valt zoo komiek assie begint, onze Meneer, weet je? â âja, Karlien!quot; zeide hij, âal wordt die Verdrongen nog zoo in den hoek gedrongen, en al prik je nog zoo in dien berg, dan krijg je er toch niks niemendal uit:quot; â maar dat wou ik dan toch wel 'reis zien, dat een knap avekaat er niks uit zou krijgen: dan moest er geen recht zijn op de wereld; maar onze Meneer is altijd vol grappen.quot;
III. - K. Z. 2
18
âNu, ik geloof toch,quot; zei Nicolette, âdat Mijnheer niet zoo geheel ongelijk heeft; want ik heb ginder ook wel gehoord, dat die neef van u, al laat hij het uiterlijk zoo niet merken, toch alles behalve ruim bij kas is. Maar voor 't overige, ik heb er niet ingekeken.quot;
Onder dit gesprek was het noodige voor den dag gehaald en was Nicolette begonnen, altijd met behulp van Caroline, haar bestoven gewaden tegen andere te verwisselen, en zich genoegzaam op te knappen om behoorlijk voor Mevrouw Van Zirik, als deze te huis kwam, te verschijnen. Maar wanneer zou dat wezen? dit wenschte zij wel te weten en zij vroeg het aan de kamenier.
âO!quot; antwoordde deze: âze zullen by den Baron wel gedaan hebben voor acht uren; maar of Mevrouw dan al thuis zal komen, dat zou ik niet vast durven zeggen. Ik heb zoo wat gehoord, dattet wel mogelijk is, dat Mevrouw naar de opera gaat van avond.quot;
âO hemel! en ik zal toch niet naar bed durven gaan eer dat Mevrouw terug is,quot; zei Nicolette.
âWeet je wat ik zou doen,quot; zei Caroline: âik zou een tukje vooraf nemen: dan ben je straks weer frisch.quot;
âJa,quot; zei Nicolette: âdie raad is niet kwaad; maar of ik het zeg of zwijg, ik ben van al dat rijden wat flauw geworden, en als je zoo vriendelijk kost zijn om mij iets te bezorgen .... al was 't maar een beschuitje .. . .quot;
âWeet je wat,quot; zei Caroline, die in den grond geen kwaad hart had, en nu met de nieuwe bonne al heel eigen geworden was: âzoo meteen gaan de kinderen naar derlui koesjee en dan zal ik aan Naatje zeggen, dat, als zij het theewater bovenbrengt bij Mientje, zij er dan een paar goeje boterhammen bij brengt voor uwees. Uwees zal ommers niet te kom-plezant zijn om met Mientje thee te drinken?quot;
Nicolette gaf terstond te kennen, dat zij geen vriendin van complimenten was en dus voor dien avond zeer bereid was om bij Mientje thee te drinken. Wat nu Caroline verder nog rammelde zal ik hier niet vermelden, als geheel onverschillig
19
aan den lezer. G-enoeg, dat het toilet spoedig was afgeloopen, de verwisselde kleederen over een stoel gehangen werden, en onze heldin daarop weder aan haar eigen overdenkingen werd overgelaten.
Ik durf niet zeggen, dat die overdenkingen van de vroolijkste soort waren, en zeker was Nicolettes positie weinig benijdenswaardig, zich dus alleen, en voor 't eerst, te bevinden in een vreemd huis, aan den goeden wil van dienstboden overgelaten, onbewust, wanneer en hoe haar ontmoeting zijn zou met de vrouw, van wier luim zij voortaan af moest hangen, onzeker eindelijk, op welken voet zij in dit huis verkeeren zou. Doch elke zaak heeft, wel beschouwd, een goede zijde, en zoo vond Nicolette, nu eenmaal de minder aangename ontvangst, die zij genoten had, achter den rug en zij zelve van stof gereinigd en door verwisseling van kleeding verfrischt was, het nog al rustig, dat Mevrouw er niet was, en zij dus met deze niet behoefde te praten, wellicht in gezelschap te zitten, spijt haar vermoeienis en weinige opgewektheid tot conversatie. Zij kon nu nog, in elk geval, zich vooraf verkwikken met een kopje thee en eenige spijs, en zoo Mevrouw lang uitbleef, ook met wat uit te rusten op haar bed. Wel gevoelde zij trek, dit laatste terstond te doen; doch in de onderstelling, dat zulks de moeite niet waard zou zijn, oordeelde zij het verstandiger, op de kinderkamer de toegezegde thee te gaan afwachten. Zij kon dan misschien hulp bieden bij het uitkleeden der kinderen, die zij nog hoorde babbelen, zich meer en meer dringen in hun gunst en ook wellicht daardoor de genegenheid winnen der kindermeid, met welke het van belang voor haar was, op een goeden voet te zijn.
Zoo gezegd zoo gedaan: zij opende de tusschendeur en werd terstond met de vriendelijkste knikjes van de zijde der meisjes ontvangen, terwijl het jongste kind, zijn schuchterheid bereids geheel overwonnen hebbende, op haar toewaggelde en haar bij 't kleed vatte, en Charles, op een elleboog steunende, haar met welwillende blikken aanstaarde.
âIk hoor,quot; zeide zij, nadat zij den kleinen Ednard opgeno-
20
men en gekust had, tegen Mientje; âik hoor, dat de kinderen zoo meteen naar bed moeten, en nu kwam ik eens zien, of ik u daarbij van dienst kan zijn.quot;
Dat aanbod, hoe goedhartig ook gedaan, scheen Mientje weinig te bevallen. Zij behoorde tot dat slag van dienstboden, die zich volmaakt achten en daarom begrijpen, dat niemand zich in hun taak mag mengen. Zij antwoordde dan ook vrij stroef en koel:
,,'t Is heel vriendelijk; maar ik ben gewend, zelve de kinderen uit te kleeden, en ik heb niet graag, dat een ander zich daarmee bemoeit.quot;
âO!quot; zei Mcolette, niet weinig uit het veld geslagen: âin dat geval trek ik mijn voorstel weer in; maar 't was anders goed gemeend. Je zult mij toch wel willen vergunnen, er bij te blijven, als je ze helpt: ik zou gaarne zien, hoe dat in zijn werk ging; want het kon gebeuren, dat ik op de wandeling of elders iets aan hun toilet herstellen of veranderen moest, en dan zal het niet kwaad zijn vooraf van u geleerd te hebben, hoe ik daarmee aan moet.quot;
Het scheen, dat deze erkentenis van Mientjes meerderheid aan deze niet ongevallig was: althans haar gelaat kreeg een vriendelijker plooi; ongelukkig was die gunstige stemming van korten duur. De kinderen hadden het voorstel van Nicolette gehoord en nu riep plotseling de kleine Jeanne:
âHeden ja: de Juffrouw moet ons uitkleeden van avond. Niet waar Emilie? De Juffrouw moet ons uitkleeden.quot;
âNeen!quot; zei Mientje, verstoord; ,.de Juffrouw zal Siane niet uitkleeden: Mientje zal Siane uitkleeden, net zoo als altijd.quot;
âNeen, de Juffrouw moet ons uitkleeden,quot; drensde Jeanne.
âJa! de Juffrouw!quot; herhaalde Emilie.
âWel zeker,quot; voegde Charles er spottend bij: âde Juffrouw moet dat van avond eens doen, en Mientje het aankijken.quot;
âDaar komt niks van in,quot; riep Mientje verbolgen: âallo Siane! kom hier! dan zal Mientje je helpen!quot;
âIk wil niet! ik wil dat de juffrouw mij helpt,quot; schreeuwde Jeanne, zich te weer stellende tegen Mientje, die haar nu vrij hardhandig had aangepakt.
âIk zei je leeren, stoute meid!quot; riep Mientje.
âMientje is zeker bang, dat de Juffrouw het beter zou doen,quot; zei Charles, sarrende.
âKwaje bengel! waar bemoei jij je mee?quot; duwde Mientje hem toe.
âNeen, kinderenlief!quot; zeide Mcolette, vol berouw over haar onvoorzichtigheid: âals Mientje het zeit, dan moet het ook gebeuren: Mientje is de baas op de kinderkamer.quot;
âEn dat hoop ik ook te blijven in die dagen, dat ik nog hier ben,quot; bromde de kindermeid.
â't Zal maar beter wezen, dat ik heenga,quot; zei Mcolette; âdan zullen zij wel weer zoet worden,quot; en, uit vreeze van de gemoederen nog meer aan den gang te maken, zich bij een knikje tot afscheid bepalende, vluchtte zij in haar kamer terug, waar zij nog een geruimen tijd het gedruisch der kinderen en het gekijf der meid moest aanhooren. Zij kreeg nu eenig handwerk voor den dag, om daarmede den tijd te dooden; doch het wilde niet vlotten, en het was haar niet mogelijk haar gedachten bij elkander te houden: zij voelde zich slaperig en afgemat, en het gerucht in de kamer nevens haar klonk hoe langer hoe verwarder en onduidelijker haar in de ooren. Wel was het, of zij behalve de stemmen van Mientje en de kinderen, nu ook die van een man hoorde, die op Charles scheen te knorren; doch zij kon niet onderscheiden wat er gesproken werd en zoo bleef zij in dien dommelenden staat tusschen slapen en waken verkeeren, totdat een tikken aan de deur haar verschrikt deed opspringen.
âBinnen!quot; riep zij; doch niet weinig verrast vond zij zich, toen zij in plaats van de meid, die zij reden had te verwachten dat haar de thee zou aankondigen, een onbekenden Heer tegen-over zich zag staan. Zij rees op en, hem verwonderd aanziende, wachtte zij af, wat zijn bezoek beteekende.
âVergeef mij. Mejuffrouw!quot; zei de onbekende in 't Fransch, âzoo ik onbescheiden ben; maar mijn élève heeft mij medegedeeld, dat gij waart gekomen: en dewijl wij bestemd zijn, in dit huis een gelijksoortige taak te vervullen, en ik mij dus
22
eenigszins als uw makker beschouwen kan, zoo ontleen ik daaruit de vrijmoedigheid u te komen vragen of ik u van eenigen dienst kan zijn.quot;
Er was noch in de vraag, noch in den toon, waarop die gedaan werd, iets, dat aan ongepaste indringerij kon doen denken, en monsieur Rostan (want de spreker kon natuurlijk niemand anders dan de Fransche gouverneur zijn) bleef onder 't spreken zeer bescheiden in de open deur staan; â maar toch had Nicolette zich meer op haar gemak gevonden, indien de vraag haar op een onzijdigen bodem gedaan ware, en stuitte het haar, dat een vreemd jong mensch dus in haar kamer gluren kwam. Bovendien had de spreker, hoewel jong, vlug, voorkomend en in de oogen van velen er niet onbevallig uitziende, iets vrijpostigs in zijn blik, dat in weerspraak was met het zedige van zijn taal; en zij achtte het dan ook voegzaam, hem terstond haar begeerte te doen merken, elke nadere kennismaking tot een betere gelegenheid uit te stellen. Zij beantwoordde zijn vraag alleen door een vrij stijve hoofdbuiging en een droog âmerci monsieurquot;; welk een en ander zeer duidelijk zeggen wilde als: âganu maar weer heen.quot;
Maar Monsieur Rostan was niet de man om zich zoo gemakkelijk te laten afschepen. Hij was kort te voren Charles komen afhalen om dezen, die met hem op één kamer sliep, naar bed te doen gaan: hij had hem hooren spreken van de lieve mooie Juffrouw, die gekomen was: zijn nieuwsgierigheid was gaande gemaakt en, nu hij Nicolette gezien en haar bekoorlijkheid zijn verwachting verre overtroffen had, gevoelde hij weinig lust zich te verwijderen, zonder althans eerst te onderzoeken, of haar weerzin in 't aanknoopen van een onderhoud maar schijnbaar, dan wel ernstig gemeend was. Hij was Fransch-man genoeg om zich niet door een koel bescheid bij een eerste ontmoeting te laten afschrikken, en om de overtuiging te hebben dat geen vrouwendeugd, zoo die al bestond, waar hij aan twijfelde, op den duur tegen zijn bekoringsmiddelen kon bestand zijn.
âIk begrijp,quot; zeide hij op een toon van diepe neerslachtigheid en berouw, en terwijl hij, een voet achteruitzettende, den
23
schijn aannam van heen te gaan, ofschoon hij den anderen voet binnen de kamer, en de hand aan de kruk van de deur hield, âik begrijp, dat ik misschien zeer ongelegen kom; maar ik meende. Mejuffrouw! dat gij, na een zoo lange reis, behoefte aan 't een of ander zoudt kunnen hebben: ik weet, hoe lomp hier dat dienstvolk is, en ik weet eenigszins, hoe met hen om te springen.quot;
âMijnheer!quot; zei Nicolette: âal waar ik voor 't oogenblik behoefte aan heb, is aan rust en eenzaamheid.quot;
âDit begrijp ik,quot; hernam hij, de oogen neerslaande; âen ik zal u ook niet langer met myn tegenwoordigheid lastig vallen: alleen.... misschien zal u, om de eenzaamheid wat op te beuren, eenige lectuur niet onwelkom zijn, en daarom zult gij mij veroorloven u dit boek te laten.quot;
Dit zeggende leide hij een boek, dat hij in de hand had, op den stoel, die naast de deur stond, neder, boog zich beleefdelijk en verwijderde zich.
Deze handeling was op 't effect berekend en die berekening was niet verkeerd. Immers nu hij weg was, begon Nicolette zich af te vragen, of zij zich niet nuffiig en onbeleefd tegen hem gedragen had, en of zijn bescheiden aanbod wel zulk een koele, zelfs verwijtende afwijzing verdiend had. Dat hij een boek opzettelijk meegebracht had ten haren gevalle bewees toch, dat hij van nature gedienstig en welwillend moest zijn, en het was, meende zij, belachelijk, te onderstellen, dat hij met eenig boos opzet gekomen zou zijn, hij, die haar nooit gezien had en dus niet weten kon of zij eenige de minste aantrekkelijkheid bezat. Zelfs kwelde haar spoedig de gedachte, dat hij haar niet alleen voor lomp, maar voor een ingebeelde, preutsche zottin zou houden, en zij nam daarom voor, hem, bij hun eerstvolgende ontmoeting, zoo beleefd te behandelen als de omstandigheden gedoogen zouden.
Nog peinsde zij hierover, toen de tusschendeur openging en Mientje haar kwam waarschuwen, dat de thee en de boterhammen op de kinderkamer klaarstonden. Niet onwelkom was haar deze afleiding: zij begaf zich naar de kinderkamer, waar zij nu de kinderen te bed en reeds slapende vond en zich
24
tegenover Mientje aan tafel zette, die, nog altijd verstoord, haar zwijgend een kopje inschonk en toereikte. Nicolette was te jong en te gezond van gestel dan dat, hetzij een hopelooze liefde, hetzij de kleine verdrietelijkheden, die zij dien namiddag ondervonden had, haar den goeden eetlust zouden ontnomen hebben, en zij nuttigde dus met smaak het sober maal, dat haar voorgediend was. Ik moet evenwel zeggen, dat de keukenmeid, hetzij uit eigen beweging, hetzij daartoe overgehaald door de welsprekendheid van Caroline of van Naatje, de broodjes niet alleen geboterd, maar met een dikke laag kalfsgehakt bedekt had. Wat de thee betreft, die was niet van de beste, en tamelijk slap; hoezeer Nicolette huichelares genoeg was om die als heel lekker te roemen en er drie kopjes van te drinken. Hierdoor wederom de kwade luim van Mientje eenigszins verdreven hebbende, vroeg zij haar, of zij wèl verstaan had, dat zij haar van een ophanden zijnde vertrek had hooren spreken.
âJa,quot; antwoordde Mientje: âover acht dagen, met Augustus, 't Was hier niet langer voor mij uit te houen. Mevrouw vergt het onmogelijke van een kindermeid. De andere booien hebben metter allen zoo veul niet te doen als ik alleenig: en zij zouen een mensch nooit iets uit de hand nemen.quot;
Nicolette kon niet nalaten te meesmuilen bij de gedachte hoe dezelfde persoon, die zooeven te voren het aanbod van hulp, dat zij haar gedaan had, had afgeslagen, zich thans beklaagde, dat niemand iets voor haar deed. Zij achtte het echter wijzer, haar opmerking over dit gebrek aan consequentie voor zich te houden.
âNou,quot; ging de kindermeid voort, âbij provisie zit dan ook Mevrouw zonder meid, en het zal lang duren, eer zij er een vindt, 't Is genoeg bekend wie en wat Mevrouw Van Zirik is.quot;
Het was nu de beurt van Nicolette, bij wie dat nog niet zoo geheel bekend was, het stilzwijgen te bewaren. De wending, die het gesprek genomen had, beviel haar niet; zij nam dus de eerste gelegenheid waar, om zich bij Mientje te verontschuldigen, indien zij haar weder verliet, en keerde naar
haar vertrek terug, met het voornemen, zich te kwijten van een belofte, welke zij zich nog niet in staat gevonden had te vervullen, die namelijk van aan Bol de tijding van haar behouden aankomst te melden. De zaak ging echter niet gemakkelijk in haar werk: eerst moest het schrijfgereedschap uit den koffer gekregen worden, en, dewijl het papier op den bodem, de pennen in één hoek en het lederen foudraaltje, dat den inktkoker verborg, in een anderen hoek verstopt zaten, en beide reeds door het omhalen van sommige voorwerpen voor haar toilet van plaats veranderd waren, zoo duurde het een ge-ruimen tijd eer het onontbeerlijke bijeen was. Toen bleek het, dat het eenige tafeltje, 't welk zich in 't vertrek bevond, niet alleen zeer klein was, maar ook zeer wankel op zijn pooten, zoodat Nicolette elk oogenblik vreesde, dat het om zou duikelen, en zij vrij wat werk had, zich naar behooren van haar taak te kwijten. Zij besloot dan ook spoedig die maar weer op te geven, te meer, dewijl de brief toch dien avond wel niet meer vertrekken kon, en zij, den Heer en de Vrouw des huizes nog niet gezien hebbende, hem niets anders zou kunnen melden dan een relaas van verdrietelijkheden, waar zij liever niemand mede wilde lastig vallen.
Toen zij nu haar papier en de rest weder in haar koffer wegsloot, viel haar oog op het boek, dat monsieur Rostan had achtergelaten, en nam zij het op, om zich te vergewissen, in hoeverre het misschien geschikt zou wezen, haar eenige verstrooiing te bezorgen. Het was een fraai ingebonden exemplaar van Victor Hugo's Notre Dame, een werk, waar Nicolette veel van gehoord, doch dat zij nog niet gelezen had. Mevrouw Zilverman had het niet onder zoodanige boeken van smaak gerangschikt als juist in de bibliotheek van een kostschool van jongejuffrouwen voegen, en ofschoon het dikwijls aan Nicolette door vriendinnen ter leen beloofd was, had zij het nooit in handen gekregen. Haar eerste gevoel, toen zij den titel las, was dus een gevoel van aangename verrassing, en zij vroeg bij zich zelve, of het mogelijk zijn kon, dat die monsieur Rostan bekend ware gemaakt met haar geheimen wensch om het werk
26
van zijn beroemden landgenoot te lezen; doch toen zij zich wel had nedergezet om hiermede een aanvang te maken werd zij door een gemoedsbezwaar overvallen. Mevrouw Zilverman had gezegd, dat het geen boek voor jonge meisjes was: was het wel betamelijk, dat zij het las? â en indien zij het nu lezen ging ten gevolge van den ingeschapen trek naar een verboden vrucht, was het dan geen plicht, dien trek te bestrijden ? Maar neen, fluisterde een verleidende stem haar in: zoo zij 't lezen wilde, 't was om den roep die er van uitging: de Graaf van Eylar, Maurits, madame mère, Dominee zelf, hadden er, ofschoon dan uit verschillende oorzaken, met hoogen lof van gesproken: zij was in allen gevalle geen jong meisje meer: zij had een positie in de maatschappij gekregen, en wat meer zeide, als met de opleiding en vorming der jeugd belast, moest zij plichtshalve elke gelegenheid aangrijpen om zich bekend te maken met de voortbrengselen van het genie: Mevrouw Zilverman had het toch zelve zeker gelezen; anders kon die er niet over oordeelen, en nu zij, Nicolette, een Mevrouw Zilverman in 't klein was geworden, mocht zij het dus ook wel lezen. Deze laatste overweging was afdoende voor Nicolette, die, gelijk men ziet, spijt al haar natuurlijk gezond verstand en gevoel voor het betamende, toch op zijn tijd even netjes gewaagde stellingen kon aaneenschakelen en er curieuze gevolgtrekkingen uit opmaken als de knapste sophist. Het gewicht van hare argumentatie dan ook in 't midden latende, zal ik mij bepalen met te zeggen, dat zij den roman begon en spoedig zoo geheel medegesleept was door den betooveren-den stijl en het treffende der voorstellingen, dat zij de doorgestane vermoeienis en de ondervonden onaangenaamheden, de plaats, waar zij zich bevond, ja schier alles in de wereld vergat voor het Parijs der vijftiende eeuw en de merkwaardige figuren, die zich aan 't hof van Lodevvijk XI of in dat der Mirakelen bewogen, voor Quasi-modo en Claude Frollo, voor Esmeralda en Chateau-Pers. Zoozeer was zij verdiept in de lectuur, dat de wijzer reeds drie malen op de uurplaat had rondgedraaid, dat de kaars, die Naatje haar, toen 't donker
27
werd, was komen brengen, reeds voor tweederden was afgebrand, dat de huisbel luider dan anders was overgegaan, dat er deuren waren geopend en dichtgedaan, dat er heen en weder door huis was geloopen, dat er lieden boven waren gekomen â zonder dat zij er acht op geslagen had: â en met een kwalijk gesmoorden gil van schrik sprong zij op, toen de deur plotseling openging, en een prachtig gekleede vrouw, met een zilveren nachtblaker in de hand, voor haar stond.
âKom maar binnen. Van Zirik!quot; zeide de Vrouw des huizes; want niemand anders was de bezoekster: âde Juffrouw is nog op.quot;
En nu trad ook, evenzeer met een nachtblaker gewapend, Van Zirik te voorschijn, nog altijd even net, even glad, even keurig opgedirkt als hij in het eerste Hoofdstuk van dit werk aan den lezer is vertoond, van den voormaligen student daarin alleen verschillende, dat zijn haar iets dunner was geworden en zich daarop, spijt alle cosmetieken, hier en daar een vaalgrijze tint vertoonde. Maar, gelijk reeds eenigszins uit de mededeeling van Caroline kan gebleken zijn, droog komiek was hij nog altijd, wat de bewondering wekte van hen, die aan zijn disch onthaald werden, en de ergernis zijner vrouw.
Hij legde echter bij deze wederontmoeting met zijn pleegkind geen dadelijke neiging tot schertsen, maar, wat minder bemoedigend voor ÃSTicolette was, ook geen de minste hartelijkheid, aan den dag, en een stijf: âgoeden avond. Juffrouw Zevenster!quot; was zijn eenige welkomstgroet, 't Is waar, Mevrouw Van Zirik had hem aan 't verstand gebracht, dat, nu zij er in toestemde, een meisje, dat haar ouders niet kende, bij zich aan huis te nemen, zij dit alleen deed onder voorwaarde, dat hij het niet langer op den voormaligen voet zou behandelen, en niemand buitens- of binnenshuis iets van de bestaande betrekking vernemen zou; dat dit alleen geschieden kon, door Nicolette reeds van het eerste oogenblik af op een afstand te behandelen, en den gemeenzamen toon, dien de betrekking tusschen pleegvader en dochter gewettigd zou
28
hebben, nimmer te bezigen: â Van Zirik had zich aan die voorwaarde onderworpen, en hij begroette daarom Nicolette met dat stijve âgoeden avond, Juffrouw Zevenster!quot;
âGoeden avond. Mevrouw! goeden avond. Mijnheer!quot; bracht Nicolette half stotterende uit: âmen had mij gezeid, dat Mijnheer en Mevrouw uit waren, en ik heb uw tehuiskomst willen afwachten.''
âDat is ook zeer goed,quot; zeide Mw. Van Zirik, met een genadigen hoofdknik en een blik, half beschermend, half verstrooid: âheb je de kinderen al gezien?quot;
âJa Mevrouw! en ik durf zeggen, dat wij al vrij goede maatjes zijn.quot;
âEn hoe is de reis geweest?quot; vroeg Van Zirik.
âO! het eerste gedeelte was natuurlijk zeer aangenaam; want Mijnheer Van Eylar heeft de goedheid gehad mij tot Utrecht te brengen:quot; â hier verduisterde een wolk het liefelijk aanschijn van Mevrouws gelaat â âhet laatste, in de volle diligence, was wel wat vermoeiend.quot;
âZoo! heeft Eylar u gebracht?quot; vroeg Van Zirik, âen hoe maakt het mijn vriend Eylar?quot;
âZeer goed, en hij heeft mij verzocht u en Mevrouw op 't minzaamst te groeten: ââ en Dominee ook.quot; â Hier scheen Nicolette iets te zoeken.
âBest!quot; zei Van Zirik: âen is hij ook nog altijd de oude en dezelfde, mijn vriend Bol? â de lieden met sophismen en paradoxen naar 't hoofd werpende.quot;
âMij dunkt. Van Zirik! je moest dergelijke vragen liever tot morgen uitstellen,quot; merkte Mevrouw aan.
âO! Dominee is altijd even goed en minzaam,quot; zei Nicolette : âik heb een brief van hem voor Mijnheer in mijn werkmandje.quot; En zij keek rond, waar dat werkmandje, 't welk zij, toen zij was gaan schrijven, van de hand gezet had, nu gebleven was.
âAls ze je dat werkmandje maar niet op de diligence ontfutseld hebben,quot; zei Van Zirik: âjonge meisjes raken licht wat kwijt op een diligence.quot;
29
Deze laatste aanmerking, die te oordeelen naar den toon waar zij op gemaakt werd, voor geestige scherts moest doorgaan, wekte de verontwaardiging op van Mevrouw, die zich haastte, haar gemaal de navolgende woorden toe te voegen, die zij vergezeld liet gaan van een verwijtenden blik;
âMij dunkt, wij konden nu naar bed gaan en Mademoiselle Nicolette, die wel vermoeid zal zijn, wat rust gunnen. Wij wilden maar even zien of zij goed gearriveerd was, en die brief schijnt vooreerst niet te vinden: je zult dien van avond toch niet meer lezen.quot;
âO! hier is mijn mandje,quot; riep Nicolette uit; zij had tot nu toe op den grond en op de stoelen gezocht en in haar verwarring er niet aan gedacht, dat het voor haar op de tafel stond, doch bedekt door het boek, dat zij er op neergelegd had om het dichter bij haar oog en bij de flauw schijnende kaars te hebben: âen hier is de brief.quot;
âDank je, kindlief!quot; kon Van Zirik, die geen slecht hart had, niet nalaten bij 't aannemen van den brief te zeggen, en tevens aan Nicolette een vriendelijk knikje te geven, wat Mevrouw niet op kon merken, dewijl haar aandacht juist gevallen was op het boek, 't welk Nicolette, bij 't opnemen van 't mandje, dichtgeslagen en ter zijde gelegd had. Het kapitorie kwam haar bekend voor: zij trok het tot zich, opende het en vestigde de oogen op den binnensten omslag, waar de naam van George Rostan geschreven stond, iets wat Nicolette, die het boek onmiddellijk daar geopend had, waar 't verhaal begint, niet had opgemerkt. Toen werd zij beurtelings bleek en rood, beet zich op de lippen, zag Nicolette scherp aan en zeide met een heesche, alles behalve minzame stem:
â't Schijnt, dat je met Monsieur Rostan ook al kennis gemaakt hebt.quot;
Nicolette kreeg een kleur, als iemand, die op een verkeerde handeling betrapt wordt. Zij gevoelde terstond, hoe, zoowel het bezoek van den gouverneur, als het lezen van dat boek, haar ten kwade kon geduid worden.
30
âDie Heer,quot; zeide zij bedeesd, âis mij komen vragen of ik iets noodig had, en heeft mij dat boek tot tijdkorting achtergelaten.quot;
âIs hij hier geweest?quot; vroeg Mevrouw.
âWelnu! wat zou dat?quot; vroeg Mijnheer; âdat zou ik in zijn plaats ook gedaan hebben.quot;
âZoo! dan had je iets heel onbetamelijks gedaan,quot; zei Mevrouw.
âIk dacht, lieve! dat je zoo'n haast hadt om naar bed te gaan,quot; zei Van Zirik.
âIk verzeker u. Mevrouw!quot; zei Mcolette, âdat die Heer niet verder dan den drempel is geweest en niet langer dan den tijd om dat boek op dien stoel daarginds neder te leggen.quot;
â't Is zeker bijzonder beleefd,quot; hervatte Mevrouw; âmaar 't zal goed zijn, dat je in 't vervolg u van dergelijke beleefdheden verschoont.quot;
âNu! mij dunkt, dat discours kon ook tot morgen uitgesteld worden,quot; zei Van Zirik; âik althans heb slaap en ga naar bed.quot;
âEen nuttige waarschuwing moet niet uitgesteld worden,quot; zei Mevrouw; âen ik wilde er juist morgen niet op terugkomen, in de verwachting, dat Mademoiselle in 't vervolg voorzichtiger zal wezen. â Wel te rusten!quot;
Met dit afscheid wendde zij zich om en verliet het vertrek, het boek bij wijze van corpus delicti medenemende; terwijl Van Zirik. na nogmaals een knikje aan Nicolette te hebben toegezonden, de schouders ophaalde en zijn vrouw volgde.
Zoodanig was het onthaal van onze heldin in Den Haag, en aan het huis, waar zij haar nieuwen werkkring zou aanvangen.
31
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAARIN VERMELD WORDT, WAT MEVROUW VAN ZIRIK ZOO AL VAN NICOLETTE VERLANGDE.
Het was een alles behalve vroolijke stemming, waarin Nicolette verkeerde, nadat de Heer en Vrouw des huizes haar verlaten hadden. Met moeite had zij hun afscheidsgroet kunnen beantwoorden; want zij voelde toen reeds de tranen in de keel opwellen, die zich, zoodra zij alleen was, in overvloed een weg baanden naar haar oogen. Zoo was zij dus sedert haar komst in Den Haag niet alleen een voorwerp geweest van de onbeschaamde galanterie eens lakeis, zoo had zij niet alleen aan de gemeenzaamheden, en met geringe uitzondering, aan de grofheden der dienstboden ten doel gestaan, maar ook haar nieuwe meesteres, verre van bij de eerste ontmoeting eenige voorkomendheid jegens haar aan den dag-te leggen, had die niet willen laten afloopen zonder een waarschuwing of veeleer een bestraffing. â Was zoo het begin, hoe zou dan het vervolg zijn?
Zij had zich schreiend en snikkend op de knieën voor haar ledikant en het hoofd op het bed voorover geworpen, en lang was zij in die houding gebleven, tot zij plotseling werd opgeschrikt door het kissend geluid, dat de kaars maakte, die op het punt was, in de pijp te branden. Toen met den angst of niet het opbranden van een geheele kaars op een avond nieuwe en geen onbillijke stof tot verwijt zou kunnen geven, had zij den domper op het licht gezet, zich in 't donker, zoo goed en zoo snel zij kon, uitgekleed, en haar bed gezocht, waar de natuur haar rechten hernomen had en zij van afgematheid was ingesluimerd; doch haar slaap was onrustig geweest en benauwende droombeelden hadden haar gekweld. Eerst met het aanbreken van den dag waren deze van vroolijker natuur geworden en haar slaap kalmer en vaster, tot zij eindelijk tegen acht uren 's morgens door kinderstemmen gewekt werd.
32
Zij wreef zich de oogen uit; want, gelijk dat veelal plaats heeft bij hen, die elders dan op hun gewone ledikant geslapen hebben, zij wist in de eerste oogenblikken niet recht, waar zij zich bevond. Dan spoedig riep haar het gesnap en gejoel in de kamer nevens de hare tot de wezenlijkheid terug; zij keek op haar horloge, ontstelde, toen zij zag, dat het al zoo laat was, en haastte zich, uit het bed te springen en zich aan te kleeden.
âJa,quot; dacht zij intusschen bij zich zelve: âdie kinderen! die voor 't minst hebben mij genegenheid betoond: met hen zal mijn taak mij licht en aangenaam vallen: en dat is de heldere zijde der zaak. Ik was ondankbaar, toen ik gisteravond zoo neerslachtig en moedeloos was. Als die kinderen mij maar liefhebben en ik hun nuttig kan zijn, dat is immers het voornaamste, zoo niet het eenige, waar het op aankomt.quot;
Zij was gekleed, maar wat behoorde zij nu te doen? Niemand had haar gezegd, hoe laat, waar, of hoe zij ontbijten zou: zij wist niet, of zij reeds nu bij de kinderen gaan moest, gelijk zij wel gaarne zou gedaan hebben, maar niet durfde doen, uit vrees, dat haar tegenwoordigheid aan Mientje even onaangenaam bij het morgen- als bij het avond toilet dei-kinderen zijn zou. Zij oordeelde dus veiligst te wachten, tot iemand haar roepen kwam, en inmiddels den brief af te schrijven aan den predikant. Vreezende echter, dat haar daartoe de tijd zou ontbreken, indien zij in bijzonderheden trad, en ook, als reeds gezegd is, alles willende vermijden, wat ontevredenheid aan den dag zou leggen, bepaalde zij zich bij de mededeeling, dat zij nog voor haar naar bed gaan een bezoek van Mijnheer en Mevrouw had gehad, en nader meer omstandige berichten hoopte te geven, als zij eerst met den aard en den omvang van haar taak beter bekend zou wezen. Zij wachtte echter met het sluiten van den brief, tot zij Van Zirik gesproken, en vernomen had, of die haar wellicht eenige boodschap voor Bol te geven had.
Daar ging nu ten leste de deur open en trad Naatje de werkmeid binnen.
33
âHeden mijn tijd, is uwee al kant en klaar!quot; riep deze: âik bracht juist schoon water hier, wil ik 'reis zeggen.quot;
âEr was nog in de kan,quot; zei Nicolette: âen ik heb mij beholpen. â Maar zeg eens. Naatje! weet je ook waar ik ontbijten moet.quot;
âOntbijten!quot; herhaalde Naatje, met een onthutst gelaat: â âneen, daar heb in niets van gehoord: â och! wil ik 'reis zeggen, door dat Mevrouw gisteren uit is geweest heeft zij zeker verzuimd, daaromtrent iets te gelasten, wil ik 'reis zeggen.quot;
âMaar er wordt toch zeker ergens ontbeten,quot; zei Nicolette, lachende.
âJa, Mevrouw gebruikt 's morgens een kopje thee op haar bed, wil ik 'reis zeggen, en dan deuzineert ze eerst te elf uren, met Meneer, zoo op z'n Fransch, wil ik 'reis zeggen, met beljon, en wijn, en biefstik met aardappelen en zoo meer.quot;
âO! ik begrijp al,quot; zei Nicolette: âen de kinderen?quot;
âO! de kinderen, wil ik 'reis zeggen, die deuzineeren hiernaast met Mientje.... die komen nooit beneden â alleen Siarle, die deuzineert bij den goewverneur, weet u, op die z'n kamer. â Maar ik zal eens aan Kurlien zeggen, dat zij Mevrouw vraagt, waar uwee deuzineeren moet.quot;
Meteen snelde zij weg; doch Nicolette had weer overvloedig den tijd om geduld te oefenen. Eindelijk, na verloop van ruim een half uur, kwam Naatje terug, met een blaadje in de hand waar zich een kommetje met warme thee en een paar sneden brood en boter op vertoonden.
âIk heb u maar wat gebracht, wil ik 'reis zeggen,quot; zeide zij: âwant Mevrouw had eigenlijk vergeten aan Kurlien te zeggen, of Kurlien had vergeten het ons te zeggen, dat weet ik nou niet, wil ik 'reis zeggen, dat uwee verzocht werd, pervizeneel met Mientje te deuzineeren; maar daar was het deuzinee al weggenomen.quot;
âIk dank je wel voor je moeite, die je genomen hebt,quot; zei Nicolette, die toch er maar half in gesticht was, dat zij dus tot tweemalen toe van de goedhartigheid eener dienstbode
III. - K. Z. 3
34
had afgehangen: ânu, ik denk, dat ik straks wel van Mevrouw zal hooren, hoe zij dat ingericht wil hebben.quot;
En werkelijk, niet lang nadat Nicolette haar ontbijt gebruikt had, kwam Caroline haar zeggen, dat Mevrouw haar verlangde te spreken.
Niet zonder eenige hartkloppingen volgde Nicolette de kamenier, die aan 't einde van 't portaal gekomen, aldaar een deur opende, en haar wenkte binnen te treden. De deur verleende toegang tot een sierlijk gemeubileerd boudoir, in een hoek van 't welk Mevrouw Van Zirik in een bevallig morgengewaad op een eau se use gezeten, of liever half uitgestrekt was, met een romannetje op den schoot en een reuk-fleschje in de hand.
âAsseyez-vous, mademoiselle,quot; zei Mevrouw, toen Caroline vertrokken was en de deur achter zich toegehaald had.
Nicolette boog zich, nam plaats op een tabouret, die tegenover de causeuse stond, en bleef eerbiedig zwijgend de rede aanhoor en, die Mevrouw tot haar richtte, en die ik hier vertaald zal geven, even als de daarop volgende samenspraak, voor zooverre dit laatste woord te pas kan komen, waar, van de twee personen die spreken, de eene eigenlijk niet veel anders doet dan een soort van weerklank geven op hetgeen de andere zegt.
âIk spreek u in 't Fransch aan,quot; vervolgde alzoo Mevrouw: âomdat ik wensch, dat gij al dadelijk gewent, u uitsluitend van die taal te bedienen. Ik hoor, dat gij een goede uitspraak hebt, en ik vlei mij, dat gij wel uw best zult willen doen om die nog te verbeteren; want ik ben er zeer op gesteld, dat de kinderen de taal zuiver leeren spreken.quot;
âIk zal mijn best doen. Mevrouw te voldoen,quot; zei Nicolette.
âEn nu, wat betreft hetgeen ik van u verlang,quot; vervolgde Mevrouw, die al een paar keeren aan haar flacon geroken had, doch, hiermede niet voldaan, dien nu half ledigstortte over haar kanten zakdoek: âde kinderen staan in den zomer te zeven uren en in den winter te half acht op en ontbijten te acht uren. Gij zult dan wel de lessen met de meisjes te
35
half negen beginnen, en, zoo gij daarbij eenige boeken of andere dingen begrijpt te behoeven, dan hebt gij er maar om te vragen.quot;
âIk heb nog eenige boeken van school meegebracht,quot; zei Nicolette, âdie misschien kunnen dienen.quot;
âDie zullen wel afgebruikt en smerig zijn,quot; zei Mevrouw terwijl zij, alsof zij er de muffe lucht van onder den neus had, haar toevlucht tot haar zakdoek nam: âdoch dat daargelaten. Tegen elf uren doet gij, als 't goed weer is, een wandeling met de kinderen; te twaalf uren zorgt gij weer thuis te zijn; dan kunnen de lessen weer beginnen tot vijf uren, wanneer zij eten: en na den eten houdt gij hen met handwerken bezig en eenige spelletjes, totdat zij naar bed gaan. Gij hebt alles begrepen, nietwaar?quot;
âVolkomen, Mevrouw!quot; antwoordde Nicolette, voor wie het zeer duidelijk werd, dat zij, buiten de kinderen, geen ander gezelschap hebben zou.
âHet spreekt van zelve,quot; hernam Mevrouw: âdat gij met de meisjes ontbijten en eten zult. â Het eerste ontbijt op de kinderkamer, het tweede en het diner in de leerkamer.
Nicolette boog het hoofd, ten teeken dat zij het onthouden zou.
âVoorts moet ik u zeggen, dat de kindermeid mij over acht dagen verlaat, wat mij aan één kant veel genoegen doet, want die meiden leeren zulke platte woorden en gemeene manieren aan de kinderen, maar wat mij aan den anderen kant zeer onthandt, dewijl de nieuwe meid eerst acht of veertien dagen later komen kan. Ik heb hoop, zoolang een noodhulp te krijgen .... maar anders zult gij wel de goedheid hebben, nietwaar, een handje aan het toilet van de kinderen te helpen?quot;
âIk wil het gaarne beproeven,quot; zei Nicolette: âdoch ik sta er niet voor in, dat ik geen onhandigheid bedrijven zal.quot;
âDaarom zou het niet kwaad wezen, indien gij, van nu af, bij het uit- en aankleeden tegenwoordig waart. â Hebt gij daar niets tegen ?quot;
âIk niet in 't minst; maar ik weet niet, of de kindermeid
36
er op gesteld is, dat ik mij om zoo te zeggen in haar zaken meng.quot;
âIk zal haar laten weten, dat ik het zoo verlang,quot; zei Mevrouw, op een toon van weemoed, die in volkomen tegenspraak met het beslissende van haar gezegde was: âen dan, Caroline heeft mij gezegd dat gij u beklaagd hadt, geen berging voor uw goed te hebben.quot;
âIk heb er nog niet aan gedacht, mij over iets te bèklagen; ik heb natuurlijk begrepen, dat Mevrouw dat wel schikken zou.quot;
âO!quot; zei Mevrouw: âals gij nu bij voorraad zoo goed zijn wilt, u wat te behelpen, dan kunt gij, als Mientje weg is, van eene der ruime kasten op de kinderkamer gebruik maken, die zij nu, naar ik hoor, met allerlei goed van haar heeft volgestopt, alsof zij daarvoor aan haar latafel en sluitmand niet genoeg had.quot;
Nicolette had kunnen vragen, waar de volgende kindermeid haar overtolligen boel in stoppen zou; doch gelukkig dacht zij zooverre niet vooruit.
âWat Charles betreft,quot; vervolgde Mevrouw: âdie slaapt en eet op de kamer van den gouverneur: alleen wanneer deze eens uitgaat, zult gij wel zoo goed zijn, het oog op hem te houden.quot;
Indien Nicolette vrolijker gestemd ware geweest en tegenover Mevrouw Van Zirik had durven schertsen, zou zij gevraagd hebben, op wien 'zij eigenlijk het oog te houden had, op Charles of op zijn gouverneur.
âEn nu ik van monsieur Rostan spreek,quot; hernam Mevrouw, âzoo vlei ik mij, dat gij de herhaling niet zult toelaten van zijn bezoeken. Gij zijt nog jong, en, hoop ik, nog onbedorven; maar het is noodig voor uw eigen welzijn zoowel als voor de eer van mijn huis, dat gij alle gemeenzaamheid vermijdt met een jong mensch als monsieur Rostan, en hem nimmer op de kinderkamer, veel min op de uwe ontvangt.quot;
âIk bedank Mevrouw wel voor haar goeden raad,quot; zei Nicolette: âen ik wil mij ten opzichte van dien Heer niet anders gedragen, dan gelijk Mevrouw begrijpt dat betamelijk
37
is. Welke houding verlangt Mevrouw, dat ik jegens hem aan-neme, als ik hem bij toeval ontmoet? wat voor menschen, die in 't zelfde huis wonen, onvermijdelijk is.quot;
âO! voor toevallige ontmoetingen behoeft een jong meisje niet bang te zijn, wanneer zij die zelve niet naloopt; â als gij hem te woord moet staan, wees dan koel beleefd jegens hem; doch zorg slechts, dat gij u nimmer met hem alleen bevindt. â En nu, adieu! Ik ben zwak en zenuwachtig: en zoo'n gesprek, dat de belangen van mijn dierbare kinderen geldt, heeft mij zeer vermoeid.quot;
Nicolette keek eenigszins vreemd op bij deze slotperiode; want zij had in al wat voorafging niets bespeurd van overdreven zorg voor die zoo dierbare kinderen; ja zij had wel gewenscht, dat Mevrouw, juist met betrekking tot hen, in wat meer bijzonderheden getreden ware; zelfs oordeelde zij het noodig, omtrent één punt eenig bepaald uitsluitsel te bekomen, en zei daarom;
âVergun mij nog ééne vraag, Mevrouw! â zijn er ook vaste uren, waarop Mevrouw gesteld is, dat ik de kinderen bij haar breng?quot;
âBij mij ?quot; riep Mevrouw uit, als gold het de bespottelijkste onderstelling; âo neen! ik ben veel te zwak van hoofd, om de kinderen zoo ieder oogenblik om mij heen te hebben; â zij komen ons gewoonlijk even goeden morgen zeggen als zij van de wandeling terugkomen en we aan 't déjeuner zitten; daar is Mijnheer op gesteld; wat mij betreft, ik zal u altijd wel laten weten, als zij komen kunnen .... en dan, ik kom zelve dagelijks naar hen zien.quot;
Er bleef voor Nicolette niets over, dan opnieuw toestemmend het hoofd te buigen. Zij begreep, dat zij nu gaan kon; doch zij herinnerde zich haar brief aan Bol.
âVergeef mij; maar weet Mevrouw ook, of Mijnheer iets te zeggen heeft aan Dominee? ik heb juist mijn brief af en zou er dat bij kunnen voegen.quot;
âIk weet niet,quot; antwoordde Mevrouw, op verstrooiden toon; âdat moet gij maar aan Mijnheer laten vragen, zoodra hij bij
38
de hand is. â Ik weet daar niets van af, en, gelijk ik zoo even zeide, ik ben zeer vermoeid.quot;
Nicolette had nu niets beter te doen dan te nijgen en te vertrekken; juist zooals zij de deur opende kwam Caroline haastig aangeloopen, met de boodschap, dat de Juffrouw van madame Tripplewitz er was.
Mevrouw knikte goedkeurend en een minuut later had de zwakke en vermoeide vrouw, in een onderhoud met de afge-zondene der wijdberoemde naaister, haar vermoeidheid en haar zwakke zenuwen vergeten.
Toch waren die zenuwen in 't spel geweest en had Mevrouw Van Zirik inderdaad een onrustigen nacht gehad, gevolgd van een gesprek, 't welk dat met Nicolette was voorafgegaan en 't welk niet gestrekt had om haar meerdere kalmte te geven. Immers nauwelijks was zij dien morgen in haar boudoir gezeten geweest of zij had door Caroline Monsieur Rostan laten ontbieden. Daar het onderhoud, 't welk zij met dezen had, niet zonder invloed bleef op hetgeen later met Nicolette voorviel, mag het den lezer niet onthouden worden.
De gouverneur had het âmosjeu! venir chez me dam,quot; door Caroline op een schalkschen toon uitgebracht, met een half onverschillige, half deemoedige gebaarde aangehoord, en zich met gebogen hoofd en in bescheiden houding naar Me-vrouws boudoir begeven. In diezelfde houding bleef hij voor haar staan toen hij zich daarbinnen bevond en vroeg, wat zij hem te bevelen had.
âDat gij de deur sluit,quot; zei Mevrouw, die Caroline in 't zijportaal achter hem zag.
Rostan deed als hem geboden was, en toen, het hoofd in den nek werpende en den toon van eerbied tegen dien van vroo-lijke scherts verwisselende, hervatte hij:
âEn nu. Mevrouw?quot;
Maar hij zag terstond, dat hij zich vergist had, en dat Mevrouw tot geen scherts gestemd was. Haar gelaat was bleek, en droeg duidelijke sporen, dat zij geschreid had: de smachtende uitdrukking, welke haar oogen gewoonlijk bezaten, had plaats
39
gemaakt voor een uitdrukking van toorn, en de krampachtige wijze, waarop haar fijne lippen op elkander gesloten waren en haar dunne vingers aan haar zakdoek plukten, bewees, dat zij door een hevige drift bewogen werd.
âWat is er, Emilie?quot; herhaalde Eostan, deze reis op een toon van bezorgdheid en deelneming: âscheelt u iets?quot;
âNiets,quot; antwoordde zij, een gramschap pogende te vermeesteren, die te snel dreigde uit te bersten; âik wilde alleen u een boek teruggeven, dat u toebehoort.quot;
En zij smeet den roman van Victor Hugo, dien zij nevens haar op de causeuse had liggen, voor hem op de tafel. Rostan begon eenigszins lont te ruiken; hij hield zich echter, of hij niets begreep en vroeg op doodeenvoudigen toon:
âWelnu! dat boek ....?quot;
âGij hadt moeten gevoelen, dat dit geen boek is om aan een jong meisje te leenen.quot;
âEn waarom niet? Het is een verheven dichtstuk, een der meesterstukken onzer letterkunde, en dat, ten onzent, een jonge juffrouw niet zou durven bekennen, niet gelezen te hebben.quot;
â't Is mogelijk, maar de menschen hier vallen wat preut-scher van aard in de keus der boeken, die zij aan jongelieden in handen geven. Maar gij weet zeer goed, dat het niet alleen over de keus van dat boek is, dat ik u onderhouden wilde. Wat hadt gij noodig, ongevraagd, een boek aan mejuffrouw Zevenster te leenen, en ongeroepen in haar kamer te verschijnen?quot;
âHeeft zij zich over mij beklaagd?quot; vroeg Rostan; âik geloof, dat zij er evenmin reden toe had, als gij om u boos te maken over een doodonschuldig geval.quot;
âGij noemt dat onschuldig? als een jonkman, onder schoonschijnende voorwendselen, het slaapvertrek eener jonge juffrouw betreedt?quot;
âNiet zonder vooraf aan de deur getikt te hebben,quot; zei Rostan.
âGij hadt er geen boodschap,quot; hernam Mevrouw.
âIk had van Charles, toen ik hem op de kinderkamer ging halen, vernomen, dat er een oude juffrouw gekomen was
40
en zich alleen in het vertrek daarnevens zat te vervelen.quot;
âEen oude juffrouw!quot; herhaalde Mevrouw, een gezicht zettende, 't welk duidelijk toonde, hoe weinig geloof zij sloeg aan zulk een praatje.
âIk had moeten bedenken,quot; hernam hij, âdat kinderen alle volwassen personen oud noemen: hoe 't zij, ik dacht bij mij zeiven; die arme ziel is van de reis gekomen en bevindt zich hier aan de goede genade der dienstboden overgeleverd: ik wil zien of ik haar ook van eenigen dienst kan zijn.quot;
âHoe menschlievend!quot; zei Mevrouw op een toon van bittere spotterij.
âIk dacht een oude juffrouw te vinden,quot; vervolgde hij, âen vond een kind.quot;
âEn gij waart zeker teleurgesteld?quot; vroeg zij op denzelfden toon.
âIk geloof waarachtig, Emilie! dat gij jaloersch zijt van dat meisje,quot; zei Rostan, met een gemaakten lach, en de zaak als een grap pogende te behandelen.
Maar er zijn dingen, op wier stuk een vrouw geen schertsen verstaat.
âIk weet niet,quot; zei Emilie, met een blik, waar heftige toorn en verachting in blonken: âof gij het wel waard zijt, dat iemand jaloersch van u ware.quot;
âMaar bedenk toch, Emilie! . . . .quot;
âNoem mij geen Emilie meer: ik verlang geen verdere gemeenschap tusschen ons.quot;
âMevrouw heeft alzoo berouw over haar goedheden jegens haar onderdanigen dienaar,quot; zei Rostan, op een toon, die, hoe ook schijnbaar deemoedig en bedrukt, toch niet vrij was van een mengsel van spotternij, en die in allen gevalle de jonge vrouw een rilling door 't lijf deed loopen; want zij kon zich niet ontveinzen, dat zij, dat haar goede naam althans, in de macht was van dien man, die daar over haar stond. Zij was echter nog niet bedaard genoeg, om aan de koele rede de heerschappij boven den hartstocht te gunnen, en zij hernam, met een blik van verontwaardiging:
41
âIk zou, geloof ik, reden genoeg hebben, om er berouw over te gevoelen.quot;
âWaarom?quot; vroeg Rostan. âLaat ons eens bedaard de zaak bespreken,quot; vervolgde hij, terwijl hij den stoel nam, die hem niet was aangeboden, zich neerzette met den elleboog op de tafel en de linkerhand onder de kin, en het boek van Hugo in de rechter op en neder liet springen. âGij verdenkt mij, naar 't schijnt, van verliefde oogmerken jegens dat kind, dat gisteren gekomen is: maar liefde, of liefdedrift, zoo als gij 't noemen wilt, rijst toch niet op, zonder dat men het voorwerp daarvan gezien heeft: en ik had dat juffertje niet gezien, toen ik haar drempel betrad.quot;
âDe verbeelding doet somtijds meer dan 't aanschouwen,quot; zei Emilie, die, geleid door die intuïtie, welke alleen de vrouw bezit, bij haar zelve het bewustzijn had, dat de redeneering van Rostan, al was zij niet in staat die te wederleggen, toch meer schijn dan waarheid bevatte: âzie! indien gij het meisje lang gekend hadt, en dan verliefd op haar geworden waart, dat zou nog te vergeven zijn geweest; maar dat gij, juist bij een onbekende, een kijkje gaat nemen, of zij u misschien behagen mocht, dat is onverschoonbaar.quot;
âMaar inderdaad. Mevrouw! gij zijt ongerijmd. â Ik ben het niet, maar gij, die dat meisje hier liet komen: haar betrekking loopt evenwijdig met de mijne: wij zullen elkander dagelijks ontmoeten.quot;
âIk dacht, dat evenwijdige lijnen elkander nimmer ontmoeten,quot; merkte Mevrouw aan.
âVolkomen juist,quot; hervatte Rostan: âen ik verheug mij, in uw vernuftige terechtwijzing een bewijs te zien, dat gij niet meer zoozeer op mij, onwaardige, gebeten zijt.quot;
âIk zoek niet vernuftig te wezen,quot; zei Emilie: âik wilde u alleen herinneren, dat gij en dat meisje, al hebt gij een gelijksoortige taak, toch ieder op u zelf en aan elkander vreemd kunt en behoort te blijven.quot;
âDat kan zeker,quot; zei Rostan: âmaar zou het beleefd, zou het behoorlijk, zou het zelfs betamelijk zijn? Zoudt gij zelve
42
begeeren, dat ik onder de lieden van mijn staat hier ter stede, en wat meer zegt, in mijn eigen oog, den naam verdiende te dragen van vlegel?quot;
âGij hebt haar volstrekt niet op den voet van een gelijke te behandelen,quot; zei Emilie op een bitsen toon: âzij is als een juffrouw gekleed, heet mademoiselle, en krijgt hooger loon, dat is het eenige onderscheid, dat ik tusschen haar en de overige meiden zie.quot;
âEr is er nog een,quot; zei Kostan: âte weten dat geen van de meiden mooi is en zij wel.quot;
âZoo! hebt gij dat toch bespeurd?quot;
âVoorzeker: en ik schroom te minder om daarvan te gewagen, omdat ik daaraan alleen uw ontevredenheid kan toeschrijven. En veroorloof mij thans u te zeggen. Mevrouw! dat, zoo iemand hier te laken is, ik het niet ben, maar gij zelve.quot;
Ik 9quot;
âJa Mevrouw. Ik wist niet, dat wij hier een schoone huisgenoot kregen; gij wist dat wel: en daarom hadt gij, alvorens haar te doen komen, u zelve moeten afvragen, of gij sterk genoeg van geest waart en genoeg vertrouwen in mij bezat om uit haar tegenwoordigheid geen stof tot jaloezie te putten. â Gij hebt dit blijkbaar niet gedaan, en daardoor u zelve thans onaangenaamheden berokkend en mij in een lastige stelling gebracht. Ik zal over het â misschien te weinig doordacht â beleefdheidsbezoek van gisteren en het uitleenen van een roman, dien ik toevallig bij mij had, aan iemand, die zich verveelde, mij wel niet verder te verontschuldigen hebben; maar u alleen doen opmerken, dat elke eerste ontmoeting tusschen dat meisje en mij, hoe onschuldig en toevallig ook, evenzeer uw ongenoegen zou gewekt hebben, en dat, ofschoon mijn gedrag nog zoo omzichtig en terughoudend ware geweest, er bij u toch argwaan bestaan zou hebben. En dewijl waarschijnlijk niets in staat zal zijn u dien in 't vervolg te ontnemen, zoo voorzie ik, dat het verbli]f in dit huis èn voor dat meisje èn voor mij ondraaglijk zal wor-
43
den. Daar zij niets misdreven heeft, zoo bestaat er geen reden om haar weder weg te zenden; te meer, dewijl gij er morgen een ander zoudt krijgen, daar gi] ook â evenzeer zonder reden â jaloersch van wezen zoudt. En daaromquot; â hier zuchtte hij en zag droevig voor zich neer â âzal 't maar beter zijn, dat ik het slachtoffer zij, en door mijn ontslag te vragen aan Mijnheer Van Zirik, en door mijn vertrek, u alle stof tot onrust ontneme.quot;
âHoe!quot; vroeg Mevrouw, ontsteld: âgij zoudt mij verlaten, gij ?quot;
âMet een hart vol dankbaarheid jegens u, vol zoete, ofschoon dan tevens smartelijke herinneringen van het hier gesmaakte geluk.quot;
âGeorge, gij meent het niet,quot; hernam zij, hem met een angstigen blik aanstarende.
âIk zie duidelijk in,quot; vervolgde hij, zonder de oogen op te slaan en zich houdende, als bespeurde hij den indruk niet, die zijn pathetische tirade maakte, â George Rostan was, eer hij zich aan 't onderwijs ging wijden, acteur aan een theater van de Parijsche boulevards geweest, â âik zie, dat uw zoogenaamde liefde voor mij een eenvoudige caprice was, die voldaan en voorbij is, en dat gij de eerste aanleiding de beste zoekt om mij een querelle d'allemand te maken en mij van u te verwijderen. Maarquot; â en hier wischte hij uit zijn oog een traan weg, die er niet in was â hier te blijven, na uw gunst verbeurd te hebben, zou mij niet mogelijk zijn, en u zou mijn aanwezigheid hinderen, 't Is daarom beter dat ik ga: mijn carrière moge voor 't oogen-blik gebroken zijn: ik ben jong, ik heb moed, en misschien eenige bekwaamheden: ik zal wel op de eene of andere wijs te recht komen.quot;
âNeen! â gij zult niet gaan â ik wil niet, dat gij gaat â gij weet wel, dat uw vertrek mij dooden zou,quot; snikte Mevrouw in hartstochtelijke vervoering: âdat meisje zal gaan. â Ik zal haar wegzenden.quot;
âZeker,quot; zei Rostan, met een spottenden lach, âzoudt gij
44
mij geen meer overtuigend bewijs kunnen geven, dat gij mij nog steeds wantrouwt. Maar wat zou 't baten? Er zou een ander meisje komen in de plaats van dit, en uw jaloezie, nu zij eenmaal is opgewekt, zou er vermaak in scheppen, mij te verdenken van op de nieuwe bonne verliefd te zijn, al zag zij er uit als een Gorgo: zulk een leven ware op den duur voor mij niet uit te houden, evenmin als voor u.quot;
â't Kan zijn, dat gij gelijk hebt,quot; zei Mevrouw, maar half overtuigd; âik zal dan zien .... ofschoon .... neen! ik beloof u, ik zal vertrouwen in u stellen .... ach! zoo ik jaloersch was, 't immers alleen omdat ik u zoo liefheb.quot;
âDan zijt gij wel hard tegen mij geweest, Emilie!quot; zei Rostan, haar met smeltende blikken aanziende.
Zij stak hem de hand toe: âgij verzekert mij dan,quot; zeide zij, âdat gij niets voor dat meisje gevoelt?quot;
âIk betuig u op mijn eer als edelman,quot; â George Rostan had zich nu en dan laten ontvallen, dat zijn naam van Rostan maar een nom de guerre was, en dat hij eigenlijk een Breteuil was, met den hoogsten adel van Frankrijk verwant; â welk laatste in zooverre waar was, als dat zijn moeder gesproten was uit een liaison van een jonkman van geboorte met een keukenmeid: âik betuig u, dat ik haar nauwelijks gezien heb, en zij mij alzoo ten eenenmale onverschillig is. â Ik zou,quot; vervolgde hij, haar hand aan zijn lippen brengende, âkunnen zeggen, dat, wie u lief heeft, geen oogen hebben kan voor een andere; doch ik weet. ...quot;
âDat ik niet op flauwigheden gesteld ben,quot; viel Emilie in, terwijl echter een glimlach, die op haar gelaat de smartelijke uitdrukking van zoo even vervangen kwam, zou hebben kunnen doen vermoeden, dat een weinig vleierij haar niet onaangenaam was. âNu!quot; vervolgde zij, âwij zullen trachten elkander en ons zeiven niet meer te kwellen. Maar nu is het tijd, dat gij gaat: gij zijt hier reeds langer geweest dan goed is: en wij moeten voorzichtig zijn. Vaarwel! en zend mij Caroline hier.quot;
Het was na den afloop van dit gesprek, en nadat Mevrouw Van Zirik alvorens haar toevlucht tot de verborgenheden
ERffiSaBralKKll
45
der kaptafel genomen had om alle sporen van doorgestane ontroering te doen verdwijnen, dat zij Nicolette had doen ontbieden, en de dagorde, welke zij haar voorschreef, opzettelijk zooveel verzwaard had als dienen kon om reeds van den aanvang af aan het meisje een tegenzin in haar werkkring te doen krijgen.
DERDE HOOFDSTUK.
NICOLETTE TEEEDT IN DIENST.
De lezer zal niet verwonderd zijn, als ik zeg, dat Nicolette van haar bezoek bij Mevrouw Van Zirik met een weinig opgeruimd gemoed in haar kamer terugkwam. Dat zij zich voortaan op een leerkamer zou gebannen zien, zonder andere uitspanning dan een wandeling en zonder ander gezelschap dan dat dei-kinderen, daar was zij reeds half en half op voorbereid; doch dat de moeder haar niet zelve bij de kinderen inleidde, dat haar niet gezegd werd, hoe en op wat wijze zij haar taak aanvaarden zou, dat was haar onverklaarbaar, dat ergerde haar. âWelnu!quot; zeide zij, na een weinig gepeinsd te hebben, tot zich zelve: âindien ik dan op eigen verantwoordelijkheid handelen moet, ik zal het doen. Mevrouw heeft gezegd: te elf uren wandelen met de kinderen, 't Is nu halfelf: â ik zal hen daarop gaan voorbereiden.quot;
Dit besluit genomen hebbende, opende zij de tusschendeur en vond de twee meisjes nog in haar ochtendgewaad en ravottende op den grond; terwijl de kleine jongen aan tafel zat te spelen. Er ging een kreet van blijdschap op toen zij binnenkwam.
âZoo mijn liefjes!quot; zeide zij: âMama heeft gezegd, je zoudt tegen elf uren gaan wandelen. Mag ik dan ook meegaan?quot;
âWel zeker!quot; klonk het antwoord.
âNul dan moet Mientje maar thuis blijven, nietwaar?quot; vroeg de kindermeid, verstoord.
46
âJa, Mientje moet maar thuis blijven,quot; zei Jeanne.
âNeen, kindlief!quot; zei Nicolette: âdat zou niet gaan, Mientje moet mede, dat behoort zoo: en hoe zou ik u anders weer op zijn tijd thuis kunnen brengen? Ik weet hier den weg niet.quot;
âO! dien zal Mamzei wel vinden,quot; zei Mientje, even jaloersch van Nicolette als haar Mevrouw het was, en met even veel grond, schoon uit andere oorzaken: ârecht toe recht aan naar het Bosch, en evenzoo terug.quot;
âWel!quot; zei Nicolette: â't zou mij toch lief zijn, Mientje, zoo je medegingt.quot;
Op dit oogenblik kwam Caroline binnen met een boodschap, die de zaak tot beslissing bracht. Mevrouw Van Zirik had wel niet bedoeld, aan Nicolette een gemakkelijk of genoeglijk leven te verschaffen, maar het niet behoorlijk regelen van de verhouding tusschen haar en de dienstboden was een bloot verzuim geweest, toe te schrijven aan de spanning, waarin zij verkeerd had. Zij had zich, na Nicolettes vertrek, herinnerd, dat zij haar zonder lastbrief had weggezonden, en had nu de noodige bevelen aan Caroline gegeven, luidende, dat Mademoiselle met Mientje en de kinderen uit zou gaan om den weg te leeren, en dat Naatje in dien tusschentijd de leerkamer in behoorlijke orde brengen zou.
Er viel hier dus geen verder praten over, en Mientje onderwierp zich, ware het ook met tegenzin. Nu zat Nicolette nog altijd met haar brief verlegen en vroeg aan de kamenier of âMijnheerquot; al bij de hand was.
âIk heb hem zoo even naar zijn studeerkamer zien gaan,quot; antwoordde Caroline: âwou Mamzei hem spreken?quot;
âDat is te zeggen, als het gelegen komt,quot; antwoordde Nicolette.
âIk zal het gaan hooren,quot; zei Caroline, die, als wij gezien hebben, vrij gedienstig van aard was, maar vooral zeer geneigd om haar gedienstigheid te doen strekken tot het uitvorschen van iemands geheimen, en meteen wipte zij de kamer uit. Spoedig was zij weer terug, met het bericht, dat Mijnheer de
47
Mamzei verwachtte, en ging toen Nicolette voor naar beneden, waar zich de studeerkamer van Mijnheer bevond.
Van Zirik was, toen Nicolette bij hem werd aangediend, in zijn morgengewaad â een zwierigen chambercloak, bont-kleurigen zijden das, met gouddraad en bloemen gestikt mutsje, Turksche pantoffels, enz. op een divan gezeten en studeerde.... in de dagbladen, die in groote menigte op zijn bureau waren uitgespreid. Hij had nu wat hij wenschen kon, een mooie, elegante, en â voor zoover hij alleen in Den Haag het tegendeel niet vermoedde â hem aanbiddende vrouw, kinderen, wel wTat tenger en ziekelijk, maar die elke bezoeker âheel liefquot; en elke bezoekster âkleine engeltjesquot; vond, geld in overvloed, een fraai huis en dito équipage en hem ontbrak nu alleen maar een zetel in de Kamer, althans voorloopig in den Raad van de stad. Om zich daarop billijke aanspraak te verwerven, had hij het noodig geacht, zijn politieke kunde, die sedert zijn vertrek van de academie een weinig verachterd was, weder wat te vermeerderen, en hij las daartoe â geen geleerde werken, maar dagbladen.
Zoo dom niet! Om in de politieke loopbaan te komen â ik zeg niet om een degelijk staatsman te worden â zijn er twee wegen open: langs den eenen wordt men door de Regeering, langs den anderen door de Oppositie naar boven gekruid. â Er is nog wel een derde middel om te slagen, te weten, wanneer men er heen gedragen wordt op de vleugelen eener algemeen gevestigde reputatie; doch een dergelijke vliegtocht is een te groote zeldzaamheid om bij het stellen van algemeene regels in aanmerking genomen te worden. â Nu was Van Zirik nog niet oud genoeg om hoop te voeden, dat hij in de Eerste Kamer zou benoemd worden, waar hij anders wegens zijn gegoedheid aanspraak op hebben kon1), en bovendien was dat lidmaatschap der Eerste Kamer een ambt, waarmede iemands politieke loopbaan besloten, niet begonnen moest worden. Hij oogde dus op dat der Tweede; doch de Regeering.
1
) Men bedenke, dat hetgeen verhaald wordt, vóór het jaar 1848 voorviel.
48
op dat tijdstip den steun zoekende van bekwame sprekers, of van lieden, op wier ondersteuning zij staat kon maken, had een en andermaal zich doof gehouden, toen hij zijdelings had te kennen gegeven, dat hij casu quo zich een benoeming zou laten welgevallen, en hij kon op een aanbeveling van die zijde bij de Provinciale Staten niet rekenen. Hij zag dus geen kans voor hem open, tenzij hij zich in de armen der Oppositiepartij wierp, die zich nu ook reeds in gezegd collegie vrij sterk begon te doen gelden. Doch om bij haar in aanmerking te komen, diende hij zich te laten aanprijzen door de dagbladen, en daartoe diende hij dan aanleiding te geven, 't zij door een politieke handeling, 't zij door een geschrift in hun geest. Een politieke handeling kon Van Zirik, als rentenier zonder betrekking, moeilijk verrichten: al wat hij van dien aard kon doen was in te teekenen op boeken, lijsten enz., die een zoogenaamd liberale strekking hadden. Als schrijver op te treden, achtte hij te gewaagd. Het voormalige medelid der Dorstige Pleïaden bezat genoeg letterkundigen tact, en tevens genoeg zelfkennis, om te weten, dat hem de noodige oefening en kennis ontbraken om iets dergelijks met goed gevolg te ondernemen. Maar wenken, berichten, nu en dan zelfs een artikeltje aan een dagblad te leveren â met bescheiden vergunning aan den Redacteur om er partij van te trekken met zoodanige wijzigingen, bekortingen of bijvoegingen als de man zelf noodig oordeelde, dat zou nog wel gaan. Op die wijze zou hij, naar hij zich vleide, zijn stijl langzamerhand leeren vormen, totdat hij misschien in staat ware, een brochure met zijn naam in 't licht te geven. In allen gevalle moest hij beginnen met zich goed op de hoogte te stellen van de gewichtigste vragen van het oogenblik, vooral ook goed het alphabet leeren kennen van de partij, wier banier hij vooreerst wilde volgen. Vooreerst, zeggen wij: immers, was hij eenmaal in de Kamer, dan zou hij misschien, met een lintje in 't vooruitzicht, zich nog wel genegen toonen, âden Koningquot; â zooals toen de geijkte term was â âniet te verlatenquot; en te helpen zorg dragen, dat de zaken geen verkeerden loop namen.
49
Dit nu was de reden, waarom Karei Van Zirik dagelijks een uur wijdde aan de lezing der dagbladen, en zich de hersens meubelde met uitdrukkingen als: âloodzware druk der belastingen â zweet der natie â ruif van 't budget â vuige ambtsbejagers â jabroers â nepotisme â zwarte boek â lage kuiperijen â geldverspilling â bevoorrechte kasten,quot; enz. enz. aan de eene zijde, en, aan de andere: âvrijzinnigheid â openbaarheid â beginselen van 89 â gelijkheid voor de wet â afschaffing van belastingen â ontwaakte volksgeest â herziening der Grondwet â vrijmaking van den arbeid â vermeerdering van de productieve krachten der Natie,quot; enz. enz.
Reeds een en andermaal had hij, in afwachting dat hij artikels schrijven zou, aan de redactiën van sommige oppositiebladen mededeelingen ingezonden van kleine hof- of politieke schandaaltjes, die hem ter oore waren gekomen, en die verzeld doen gaan van betuigingen van sympathie: en hij had daarvoor brieven van dankbetuigingen ontvangen, met beleefde uitnoodiging tot verdere medehulp. Inzonderheid was hem dit verzoek gedaan door de redacteurs van den Marlheimer Bode â waar, als vroeger verhaald is, onze vriend Drenkelaer aan medewerkte; â doch bij die gelegenheid was tevens aan Van Zirik een wenk gegeven, dat, aangezien men aan het blad meerdere uitbreiding wenschte te geven, materiëele hulp evenmin zou afgewezen worden. Die wenk was voor onzen adspi-rant-staatsman niet verloren gegaan: hij had bij zich zeiven de gevolgtrekking gemaakt, dat hij zich van den steun, dien genoemd blad hem verleenen kon, niet beter kon verzekeren, dan door het wederkeerig te steunen, op welke wijze men over en weder elkanders belangen zou kunnen voorstaan. quot;Wellicht zien wij later, waartoe het aldus gesloten bondgenootschap verder zoude leiden.
âQue désire mademoiselle?quot; vroeg Van Zirik aan Nico-lette, toen deze bij hem binnentrad. De vermaning van Mevrouw, om zich in 't Fransch uit te drukken, was hem niet ontschoten.
Zij knipte een traan weg uit het oog: â niet zoozeer omdat hij Fransch sprak, als omdat hij, zelfs nu zij alleen waren,
iii. - k. z. 4
50
haar niet, â al ware 't maar eens â met den ouden naam van âKlaasjequot; toesprak. Doch waar hij de gemeenzaamheid wegsneed, uit een heilige betrekking ontstaan, mocht zij die niet weder aanbinden, en zij gaf dus, in 't Fransch, de reden van haar komst te kennen.
âZoo,quot; zeide hij: âhebt gij een brief aan onzen braven predikant geschreven? Nu, ik heb den zijnen gelezen. Lasch dan maar in uw postscrimtum een groet van mij in, aan hem en aan den Heer Van Eylar, en, dat ik hem eerstdaags hoop te antwoorden. Is er nog iets?quot;
âJa Mijnheer!quot; zei zij op beschroomden toon: âhoe ik ermede aan moet met de bezorging van den brief?quot;
âWel, dien kunt gij aan Filip geven, als hij boodschappen gaat doen: of hem op de trap leggen bij de mijne. â En nu, je gaat zeker wandelen met de kinderen? â 't Is best; wees dan zoo goed, op te letten, dat Emilie haar linkerschoen niet scheef loopt en dat Jeanne het hoofd recht houdt. Adieu.quot;
Uit deze vermaning, waarmede Mcolette werd afgescheept, kon zij de gevolgtrekking maken, dat Mijnheer nog meer oplettendheid schonk aan de kinderen dan Mevrouw, maar tevens, hoe die zich bepaalde tot houding en gang; noch over het lichamelijk, noch over het zedelijk welzijn der kleinen had een van beiden een woord gerept. Met een wee moedigen indruk keerde zij naar boven, waar intusschen de kinderen gereedgemaakt waren, terwijl de klok van elven weldra sloeg en zij alsnu, met de twee meisjes en het jongste knaapje, dit laatste voorloopig op den arm van Mientje, zich weer naar beneden begaf om de wandeling te aanvaarden. Men zal zich herinneren, dat, als Naatje aan Nicolette verteld had, de luncheon van Mijnheer en Mevrouw te elf uren gehouden werd, en Mevrouw had aan Mijnheer weten te beduiden, dat het nuttig was voor Charles, en voor de bediening gemakkelijker, dat hij (en dienvolgens ook zijn gouverneur) daar met hen gebruik van maakten. Zoo trof het dan zeer natuurlijk, dat de twee laatstgenoemden, zich tot dat einde ter bestemder tijd naar beneden begevende, Nicolette en haar gezelschap op
51
de trap achterop kwamen. Charles stoof terstond eenige treden af, om Nicolette op zijne manier goeden dag te zeggen, te weten door haar bij haar kleed te pakken, zoodat het niet weinig gevaar van scheuren liep.
âLaat dat staan, Charles!quot; zei Rostan: âdat is onbescheiden, en Mejuffrouw houdt niet van onbescheiden menschen.quot;
Onder het uitspreken van het eerste gedeelte van dezen volzin had hij Charles bij de hand, die het kleed vasthield, gegrepen en dus gedwongen los te laten; bij het laatste was hij Mcolette voorbijgegaan met een beleefde buiging, doch tevens met een op haar geworpen blik, waarin zij een stil verwijt meende te lezen. âZou hij reeds weten,quot; dacht zij, âdat ik zijn boek niet meer heb? Zou hij misschien denken, dat ik bij Mevrouw over hem geklaagd heb?quot; â en die gedachten maakten, dat zij bij haar wedergroet bloosde en een verlegenheid toonde, die aan Rostan niet ontsnapte. Op het portaal gekomen ging ieder zijns weegs, Rostan met Charles naar de eetkamer, de overigen naar het benedenportaal en op de voordeur aan. Juist op dat oogenblik werd er gebeld, en Filip kon dus twee vliegen in één klap slaan, namelijk de kinderen uit-, en den bezoeker binnenlaten. Deze was een bejaard mannetje, met een gelaat als een gedroogde winterappel, doch blijkbaar nog voor vlug en jeugdig willende doorgaan. Immers het hoofd was met een fraai gekruld blond pruikje gedekt, boven 't welk een witzijden hoed op half zeven stond; op de wangen bloeiden rozen, al had ze dan ook de kunst in 't leven geroepen; prachtige elpenbeenen tanden, te wit om echt te zijn, blonken u tusschen de loodkleurige lippen tegen: twee hoog opstaande vadermoorders staken aan weerskanten van het puntige kinnetje uit een zijden foulard van een bont en excentriek patroon, die met een lossen zwier om den nek was geslagen, en waarvan de tippen, door een breeden, gouden, met robijnen versierden ring gehaald, zich, bolrond, als de krop van een doffer, op de borst verhieven en, lager, juist boven de uitsnijding van het vest, vastgestoken waren met een doekspeld, waarop een kost-
52
bare onys prijkte, die den roof van Proserpina door Pluto voorstelde. De eigenaar wees dit kunststuk gaarne, vooral aan jonge dames, die dan niet dorsten kleuren, omdat het onderwerp uit de mythologie, en hij die 't wees, een oud heer was. Boven het genoemde vest, 't welk van wit piqué was en met robijnen knoopjes voorzien, bungelde aan een hemelsblauw koord een toeslaande, rijk in goud gevatte bril: het parelgrijs zomerjasje, uit welk borstzak een gele Japansche zakdoek zich even vertoonde, liet aan de uiteinden der mouwen een paar gegaufreerde manchetten doorkomen. De pantalon was van witte zomerstof, de kousen van lamswol, en men kon zich spiegelen in 't blinkend verlaksel der geregen schoenen. Een paar blauwe zijden handschoenen en een badine van flh in de linkerhand voltooiden dit geheel, dat bijzonder geëigend scheen om, in pleister nagemaakt, op een schoorsteenmantel of, zooals het was, in een Harlekijne-ballet vertoond te worden. Het origineel gaf antwoord op den naam van Baron Van Tilbury: het was in zijn jeugd gehuwd geweest en reeds in 't zelfde jaar weduwnaar geworden; doch dat was zoolang geleden, dat nauwelijks iemand in de residentie het zich meer herinnerde: zeker is het, dat onze Baron, 't zij uit voorbeeldige trouw aan de nagedachtenis zijner echt-genoote, 't zij uit zucht om zijn vrijheid, nadat die eenmaal voor een poos aan banden was gelegd geweest, niet weder te verliezen, nimmer een tweede huwelijk had willen aangaan en het leven van den bonten vlinder, die van bloem tot bloem vliegt, bleef leiden. Hij was millionair, gaf prachtige diners aan de ouders, en liet de dochters, in zijn sociable, door 't Bosch of naar Scheveningen toeren, welk een en ander in hem eenige menschelijke zwakheden â waarvan zijn trek om jeugdig te schijnen wel de minste was â over 't hoofd deed zien, en hem over 't geheel den naam verworven had van een hupsch, vroolijk, vriendelijk, dienstvaardig mannetje, dat aan niemand kwaad, en aan ieder genoegen deed. Den dag te voren hadden, als reeds gezegd is, de Heer en Mw. Van Zirik bij hem gedineerd: bij die gelegenheid had
53
er een minnelijk geschil plaats gehad tusschen Van Zirik en den gastheer over den ouderdom en de herkomst van de keurige madera, die op 't nagerecht geschonken was: en Van Zirik, die beweerde, mede puike madera te bezitten, had den Baron genoodigd, dien bij hem den volgenden morgen te komen proeven. De ander had dit aangenomen en was zich nu van zijn belofte komen kwijten.
De Baron Van Tilbury was bekend om zijn minzaamheid jegens kinderen: hij sprak die aan, waar hij ze vond, en wist allerliefst met ze te snappen. En men moet niet denken, dat hij het alleen deed in de salons, als de mama's er bij waren, om dezen te vleien. Och neen! hij deed het even gereedelijk op de wandeling, als zij alleen met hun bonne waren. Zelfs deed hij het dan bij voorkeur. Dan sprak hij met hen en ook zelfs met de bonne; want hij was niet grootsch, al stamde hij ook uit een oud adellijk Engelsch geslacht. Een recht vriendelijk heer was hij, die Baron Van Tilbury.
Ook nu verzaakte hij, toen hij de kinderen van Van Zirik op den drempel tegenkwam, die vriendelijkheid niet: hij noemde Emilie en Jeanne âmijn hartjes,quot; en gaf haar beurtelings een kus op 't voorhoofd, wat zij maar half pleizierig schenen te vinden, die kleine ondankbaren! hij beproefde het ook met Eduard; doch het ondeugende schepseltje begon te schreeuwen en zich vast te klemmen aan Mientje: dit gaf den Baron aanleiding om aan Mientje te vragen, hoe zij voer, en toen zij â ik moet het tot haar schande bekennen, vrij stuursch â antwoordde âheel wel,quot; liet hij er op volgen, dat hij zulks aan haar blozende kleur reeds had meenen te bespeuren.
Toen eerst bemerkte hij Nicolette, die, bij zijn binnentreden, uit beleefdheid een weinig op zijde geweken en zoodoende door de deur en door Filip gemaskeerd was gebleven. Haar verschijning had op hem een uitwerking, niet onmogelijk aan die, welke men ondervindt, als op 't slot van een ballet, het sombere grotdoek naar boven gaat om het verraste publiek in een rijk tooverpaleis of een paradijsachtig landschap te
54
doen turen. Hij keek geheel verbaasd: zijn katoogjes glinsterden als twee nachtpitjes, zijn hand zocht den rand van zijn hoed: zijn rug kromde zich, en zijn lippen stamelden een: âpardon! ik had niet de eer u te zien, Mejuffrouw!quot;
Toen zag hij Mientje vragende aan.
â't Is de nieuwe mamzei,quot; zei de kindermeid.
Uit dat woord m a m z e 1 opmakende, dat Nicolette een Fran-sche of Zwitsersche bonne was, achtte de Baron het voegzaam, haar in 't Fransch aan te spreken, en toonde daarbij zijn vernuft door het maken van een onvertaalbare woordspeling, waarom ik ook zijn toespraak in 't oorspronkelijke laat volgen:
âAh! vous êtes done la Bonne fée, chargée de protéger ces enfants et de verser sur eux tous les dons qui sont en vous.quot;
âMonsieur veut plaisanter,quot; zei Nicolette, terwijl zij even neeg, en den Baron voorbijschoof, zonder recht te weten, of zij zich moest ergeren aan het ontvangen compliment, dan wel er om lachen. Toch vroeg zij aan Mientje, toen deze nevens haar met de kinderen op straat was, wie die heer was, en kreeg daarop tot bescheid, dat het een âouwe gek was, die de B'ron Van Tilb'ry heette en geen jong meisje met vrede liet.quot;
Toen vroeg Nicolette niet verder en wandelde met haar gezelschap den weg op naar 't Bosch.
Intusschen was de Baron in de eetkamer gelaten, waar hij den Heer en de vrouw des huizes, benevens Charles en zijn gouverneur, bij elkander, en het déjeuner gereed vond.
Wij achten het minder noodig, hier een verslag te geven van hetgeen aan dat maal verhandeld werd; het zou den lezer weinig belang inboezemen: complimentjes, door Tilbury aan Mevrouw gemaakt over haar smaakvol négligé en aan Mijnheer over zijn smakelijke madera, flauwe geestigheden, dooiden laatstgemelde uitgekraamd, beoordeelingen van de meerdere of mindere verdiensten van het zangpersoneel, dat men den vorigen avond gehoord had, nieuwtjes uit de stad, comméra-ges en cancans, waarbij de magna reverentia puero
55
debita1) wel eens uit het oog verloren werd, maakten er den schering-en-inslag van. Ik zal hier alleen vermelden, dat, tegen den afloop van het déjeuner, de Baron van een oogen-blik van stilte gebruik makende, zich tot Mevrouw wendde, met het navolgende gezegde, op een toon van volkomen onverschilligheid uitgesproken:
âIk heb gezien. Mevrouw heeft een Fransche juffer bij de kinderen genomen.quot;
âWel neen, zij spreekt Hollandsch,quot; merkte Charles aan, die tot nog toe, even als monsieur Rostan, alleen de rol van toehoorder gespeeld had.
âTaisez-vous, Charles!quot; zeide zijn moeder, welke drie woorden genoeg waren om te verraden, dat zij ook geen Fran^aise was; anders zou zij, tegen haar zoontje sprekende, gezegd hebben: âtais-toi.quot;
En toen, zich tot den Baron wendende, vervolgde zij: â't is een meisje, daar Van Zirik voogd over geweest is, en dat ik bij de kinderen genomen heb, zoo wat half als bonne, en half om aan de meisjes Fransch te leeren.quot;
âEn waarom aan mij ook niet?quot; mompelde Charles nauw-lijks hoorbaar tusschen de tanden, terwijl hij zijn onderwijzer zijdelings een blik toewierp, die alles behalve van bijzondere gehechtheid aan diens persoon getuigde.
âCharles!quot; hernam zijn moeder, hem gramstorig aanziende.
âAllons Charles! il est temps de monter,quot; zei monsieur Rostan, terwijl hij opstond, een buiging maakte en naar de deur ging. Zijn kweekeling volgde, hoewel met blijkbaren tegenzin, het gegeven voorbeeld, doch, voordat hij heenging, wilde hij een bewijs leveren, dat hij het verloopen uurtje niet vruchteloos had besteed. Pope zegt met rede:
The noblest study of manskind is man,
en Charles had zijn tijd aan tafel met die edele studie doorgebracht, en den Baron tot voorwerp daarvan genomen. Hoe
1
) âDe eerbied, aan het kind verschuldigd.quot;
56
goed hij daarin geslaagd was bleek, toen hij, aan de deur gekomen, 's mans hoed en stok van den stoel daarnevens nam, den hoed schuins opzette, de badine omhoog hief, zijn gelaat verwrong, en in houding en gebaren een kopie in miniatuur van den bejaarden Celadon voorstelde, zonder dat deze iets gewaarwerd van de vertooning, die achter zijn rug plaats vond: alles tot groot vermaak van Van Zirik, innerlijk verheugd te ontwaren, dat zijn zoon een evenbeeld was van 't geen hij zelf in zijn jeugd geweest was, en tot grooten angst van Mevrouw, die doodsbang was, dat de Baron omkijken en iets merken zou. En werkelijk, hij merkte iets: maar gelukkig eerst toen de grap over was en Charles, hoed en stok nederwerpende, de deur uitsnelde.
âDie wilde jongen!quot; zei Mevrouw: âdaar loopt hij nog in 't heengaan tegen den stoel en gooit er uw hoed af.quot;
âDe jeugd is wild,quot; zei Tilbury, die op 't gedruisch het hoofd had omgewend: âja, ik was ook een gastje in mijn tijd.quot;
âIk geloof, dat Mijnheer het nog wel is nu en dan,quot; zei Mevrouw, hem schalks aanziende, en wel overtuigd, dat het compliment hem streelde.
âEen gastje!quot; â herhaalde Van Zirik: âwel hij is op dit oogenblik een gast â en gisteren was hij een gastheer.quot;
âUch! uche!quot; zei de Baron, met een kuch, die voor een lach moest doorgaan: âMevrouw heeft er altijd plezier in, mij te plagen, en Mijnheer is altijd vol geest. â 't Is waar ik
heb niet te klagen en ik kan nog met de jongelui meedoen____
wat eigenlijk geen groote kunst is, als men de meesten onderhen op de keper beschouwt.quot;
âMetwaar? verdronken voordat zij water gezien hebben,quot; viel Van Zirik in.
âMaar Mijnheer Van Tilbury is er doorheengezwommen,quot; zei Mevrouw: âen lacht nu die vlasbaarden uit, die ongelukkige drenkelingen, die hem van uit de diepte benijden.quot;
âDrommels! je wordt poëtisch, Emilie! zei Van Zirik: âuit welken roman heb je die allegorische voorstelling gestolen?quot;
âMevrouw heeft verbeelding genoeg, en behoeft waarlijk bij
57
geen romanschrijvers ter markt te gaan,quot; zei de Baron; âmaar, wat nu dat meisje betreft, als haar capaciteiten aan haar extérieur beantwoorden, dan heeft Mevrouw het goed getroffen.quot;
âIk geloof waarachtig, dat je ook Fransch bij haar zoudt willen leeren,quot; zei Van Zirik.
âTJch! uche! ik weet niet.... misschien wel; maar wat ik weet, is, dat Mevrouw Van Zirik al een admirabel vertrouwen in haar man moet stellen, dat zij zulk een knap jong ding in huis neemt.quot;
âVous voyez!quot; zei Mevrouw.
Hoe gesteld Van Zirik ook op grappen zijn mocht, en hoe weinig hij zich weerhield, die zelfs ten koste van zijn naaste betrekkingen te debiteeren, toch begon zijn betere natuur deze reis bij hem te spreken, en hem te herinneren, dat Nicolette zijn pleegdochter was en, in zijn tegenwoordigheid, niet tot voorwerp strekken moest aan ongepaste aardigheden.
âIk moet Mijnheer doen opmerken,quot; zeide hij, âdat hier van geen goed of kwaad vertrouwen sprake kan zijn. Dat meisje heeft, gelijk mijn vrouw zooeven zeide, reeds als kind onder mijn voogdij gestaan . .. .quot;
âAhé! Rosine en Bartholo,quot; viel Tilbury in, en den Barbier parodiëerende, neuriede hij met een bevende en schril kwakende stem:
âCrois-tu done qu'il soit difficile,
De tromper un tuteur tel due toi?quot;
âIk hoop, dat ik nog geen Bartholo ben,quot; zei Van Zirik, rood wordende, en zijn lippen bedwingende om zich geen âBartholo mag je zelf wezenquot; te laten ontvallen.
âBravo, Mijnheer Van Tilbury,quot; zei Mevrouw, die gaarne van gesprek wilde veranderen: âje hebt nog een stem als een lijster.quot;
âDe lijster is er maar een beest bij,quot; merkte Van Zirik aan, die zelfs in zijn wrevelachtige stemming niet kon nalaten deze schrikkelijk flauwe- en oudbakken geestigheid te plaatsen.
58
âOch! ik doe er weinig meer aan,quot; zei de Baron; âvooral sedert mijn gitaar defect is. Ik placht veel bij de gitaar te zingen, maar ik weet niemand meer, wien ik het ding goed zou durven vertrouwen, 't Is een kunststuk, dat ik niet graag wilde missen.quot;
âO! ik herinner mij, wel gehoord te hebben van de romances die je placht te zingen.quot;
âHeb je zelf Mijnheer nooit gehoord?quot; vroeg Mevrouw.
âNeen! 't was voor mijn tijd,quot; antwoordde Van Zirik, wat juist niet zeer beleefd, en ook niet volkomen waar was. Immers het was nog geen twintig jaar geleden, dat de Baron zich bespottelijk maakte door de lieden op muzikale intermezzo's te onthalen; doch toen bewoog hij zich nog uitsluitend in de hooge sfeer, waar Van Zirik niet in werd toegelaten. Sedert dien tijd was de oude man, ten gevolge van voorvalletjes, die met hem plaats hadden gehad, en die hem niet bijzonder tot eer verstrekten, langzamerhand niet meer ge-noodigd geworden in de meeste huizen, waar hij vroeger ontvangen werd, en zag hij de uitnoodigingen, door hem gedaan, herhaaldelijk met weigeringen beantwoord. Dit had ten gevolge gehad dat hij uit den kring, waartoe hij door zijn geboorte behoorde, was overgedwaald tot een anderen, waar men of vereerd was een Baron te ontvangen, of minder met zijn antecedenten bekend. Het was in dezen, dat Van Zirik, die juist een tegenovergestelde!! weg opwandelde en verder hoopte te bewandelen, namelijk uit den deftigen burgerkring naar dien der hooge aristocratie, hem ontmoet had.
De uitval van Van Zirik had een oogenblik stilte doen ontstaan, die gelukkig werd afgebroken door een bellen aan de voordeur en het kort daarop binnenkomen van de drie kinderen, die, van hun wandeling terug zijnde, volgens gewoonte hun eerst en veelal eenig bezoek bij hun ouders kwamen afleggen. Mientje was met hen binnengetreden, het vermoeide Eduardje op den arm houdende, en Nicolette was gevolgd, doch bleef aan de deur staan wachten.
Nauwelijks hadden Emilie en Jeanne den Baron in 't oog
59
gekregen, of zij maakten een omweg om bij haar moeder te komen, aan welke zij de hand gaven, en van welke zij iedereen kus op 't voorhoofd ontvingen, en toen vielen zij haar vader op 't lijf: â kinderen zijn, in den regel, zoolang zij jong zijn, gekker met hun vader dan met hun moeder. Men zou de reden van dit verschijnsel daarin kunnen zoeken, dat vader hun geen conserven of drankjes ingeeft, hun geen kaarsvet onder den neus smeert als zij verkouden zijn, er minder op let, als de veters van hun laarsjes niet door 't rechte oogje gestoken zijn, als zij hun boezelaar vuil maken, hun jurkje scheuren, hun haar in de war brengen, een schoteltje breken, of een kopje omstooten enz.; in één woord, dat vader hen niet kwelt over honderd nesterijtjes, waar moeder gehouden is acht op te slaan. â Eerst als de kinderen ouder worden, beginnen zij de moederlijke zorg beter te begrijpen, meer op prijs te stellen, en dan wordt dikwijls de verhouding tegenover de ouders langzamerhand juist anders dan vroeger, 't Is nu niet meer Moeder, 't is Vader, wiens ontevredenheid, berisping, bestraffing men te duchten heeft â niet meer over geweigerde medicijnen, scheef geregen laarsjes, gebroken kopjes, maar over rekeningen van kappers, naaisters, modemaaksters, van wijnkoopers, koks, sociëteiten en huurkoetsiers, â en dan vindt men niet zelden troost en steun bij Moeder, gelijk men vroeger toegevendheid en verschooning bij vader vond.
Maar in het huisgezin van Van Zirik kon de voorliefde dei-kinderen voor hun vader niet aan de opgegeven reden worden toegeschreven; want Mama bemoeide zich persoonlijk zeer weinig met hen, en zoo zij nu en dan aanmerking maakte op hun toilet, hun gang of hun manieren. Papa deed dat, als wij gezien hebben, nog nauwlettender dan zij. Maar hier bestond een andere reden; Papa betoonde zich somtijds vader: in Mama hadden zij nooit gevoeld dat zij een moeder hadden.
âO, Papa!quot; zei Jeanne: âMademoiselle heeft ons zulke aardige historietjes verteld.quot;
âEn zoo'n mooie bracelet gemaakt,quot; zei Emilie, een kransje
60
toonende, dat Nicolette, gedurende een halt, op een bank in 't Bosch doorgebracht, van dooreengestoken bloempjes vervaardigd had.
âWel zoo! welzoo!quot; zei Van Zirik.
âWelzoo!quot; herhaalde Tilbury, die zijn stoel intijds verschoven had, zoodat hij niet meer met den rug naar de deur gekeerd zat, en, een gouden tandenstoker voor den dag gekregen hebbende, onder 't volbrengen eener bezigheid, die zijn fraaie tanden (wel de zijne, want hij had ze betaald) liet zien, onafgebroken naar Nicolette tuurde.
âIk zou een andere reis dat vullis liever niet in huis brengen,quot; zei Mevrouw: âmen vindt dan later overal vertrapte bloemetjes â Maar wat scheelt Eduard?quot;
âEdewaartje is moe en slaperig,quot; zei Mientje.
â0! Eduard is zoo stout geweest onderweg,quot; zeide Emilie; âhij wou maar volstrekt niet loopen en dwong den geheelen tijd, dat Mademoiselle hem dragen zou.quot;
Mientje bevestigde deze woorden met een knik, en tevens met een vinnigen blik, op Nicolette geworpen.
âNu!quot; zei Mevrouw: âdan moet Eduard maar gauw in zijn bedje gelegd worden. Et a présent, retournez vite vers Mademoiselle, mes enfants, et allez dejeuner.quot;
De kinderen huppelden terug naar Nicolette, die, met een nijging binnengekomen, met een nijging weder verdween, een meisje aan elke hand en Mientje achter haar.
De Baron oordeelde, dat nu ook voor hem de tijd van verdwijnen gekomen was. De luncheon was afgeloopen, de madera gedronken, Nicolette niet meer zichtbaar; hij kon nu afscheid nemen, en dat deed hij.
âMorgenochtend,quot; dacht hij bij zich zei ven, onder 't naar huis gaan, âzal ik te halfelf ontbijten en dan eens in 't Bosch gaan wandelen.quot;
âDe oude gek!quot; riep Van Zirik, toen hij zich met zijn vrouw alleen bevond: âheb je gezien, met welke oogen hij Nicolette aankeek?quot;
âO! hij is walgelyk,quot; zei Mevrouw, zich achterover in haar
61
stoel werpende, als had het gebruikte maal, iu stede van haar nieuwe krachten te schenken, alleen gestrekt om haar te vermoeien. âMaar a propos, Van Zirik! ik heb zooveel berouw als haren op mijn hoofd, dat ik dat mensch hier heb ingehaald.quot;
âWie? â Tilbury?quot;
âWel neen: â Nicolette: â je ziet immers, dat het een coquet ding is, die iedereen het hoofd op hol maakt.quot;
âIk zie, dat het een mooie meid is, en dat de kinderen met haar zijn ingenomen. Mij dunkt, het eerste is geen zonde, en het tweede is een verdienste. Of zag je liever een leelijk spook, waar ze bang voor waren?quot;
âIk zag liever alles behalve een behaagziek, ijdel ding .. ..quot;
âHei wat! coquet, behaagziek, ijdel! is er ook nog iets? Waar drommel haal je dat alles vandaan? 't Is goed, dat mijn vrienden te Hardestein je niet hooren; zij, die haar hemelhoog verheffen als een engel van zedigheid, bescheidenheid, zelfbeheersching, ja weet ik al wat meer. Daar, lees dien brief van Bol eens; die kent haar: dan zul je eens zien, hoe die haar beoordeelt.quot;
âJa, dat wil ik gelooven,quot; zei Mevrouw, zonder den brief op te nemen, dien Van Zirik voor haar op tafel geworpen had: âDominee Bol zal haar wel prijzen: die zal daar wel zijn reden toe hebben: althans zoo 't waar is, wat je mij verteld hebt, dat ze hern bij haar geboorte is thuis gestuurd.quot;
âIk wenschte, dat je mijn vriend Bol kendet,' zei Van Zirik, âdan zou je er niet aan denken, zulke dwaze vermoedens te koesteren, als je woorden meebrengen. Dat leelijke, platte, triviale taankleurige gezicht â vergeleken bij dat fijne gracieuse, gedistingueerde, dat Nicolette onderscheidt.quot;
âBah!quot; hernam Mevrouw: âde moeder kan mooi geweest zijn. â En zoo heel buitengemeen kan ik haar ook niet vinden.quot;
âDan vrees ik, dat je deze reis in Den Haag alleen van die opinie zijn zult.quot;
âMaar dat is nu juist wat ik niet verlang, een bonne,
62
die voor mooi passeert en die de vrijers lokt. Dat zal alleen stof tot onaangenaamheden geven.quot;
âMaar wat wil je dan, Emilie? Het meisje heeft, naar al wat ik van haar verneem, een lief karakter, een menigte talenten en perfecte manieren, drie vereischten, die men, al zoekt men nog zoo nauw, zelden of nooit in één persoon vereenigd ziet. Ik bezorg u in haar, en nog wel goedkoop, een gouvernante, zooals wij er geen andere tegen haar gewicht in goud zouden kunnen krijgen. En nu, omdat ze er lief uitziet, zou ze weg moeten! Bedenk toch, dat wij ons nimmer zouden kunnen verantwoorden bij Bol en bij Eylar, zoo wij haar, zonder geldige reden, van ons zonden.quot;
âWij zijn aan die lieden toch geen rekenschap verschuldigd,quot; zei Mevrouw.
âHeb je haar zien nijgen? hoe weinig dames zijn er, die nijgen kunnen, zonder stijf te zijn? Van de honderd nauwelijks eene. Men kan wel zien, dat zij met de Eylars en Doer-toghes en anderen van de haute volée verkeerd heeft.quot;
âEn juist daarom hadden wij haar niet moeten nemen. Omdat zij nu toevallig een week drie vier in relatie geweest is met lieden ver boven haar sfeer, zal zij misschien op ons nederzien;.. . . maar dat heb ik haar al bij voorraad anders beduidt. Haar plaats is op de kinderkamer: en daar zal zij niet af.quot;
âMaar dat is onredelijk, dat is wreed.quot;
âIn 't geheel niet. Die groote dames, waar je van spreekt, mogen haar al een tijd lang als haar gelijke behandeld hebben, dat zijn van die caprices, die ik ken. Zij speelden met haar, evenals zij vroeger, toen zij klein waren, met de kinderen van den tuinbaas of van den boer gespeeld hebben. Dat weet ik, dat doen die groote lui; mais (ja n'engage a rien. Zij was te Hardestein de logée van Dominee, en verder vroeg men niet: hier is zij iemand, die voor loon dient: en met de zoodanigen gaat men niet om als met zijns gelijke. Ja zelfs de dienstboden zouden 't beneden zich achten, dat te doen, indien zij wisten, waar zij vandaan kwam: die
hebben ouders gehad, die zij kunnen aantoonen, en zij is een vondeling. Haar op een plaats brengen waar zij niet behoort, is de banden der maatschappij verscheuren. Waar zou het op zoo'n manier heen, als men iemand, die uit het slijk is opgeraapt, op ééne lijn ging stellen met lieden van aanzien en geboorte? Dat kan immers niet.quot;
Dat alles was zeer fraai en logisch: logischer zelfs dan de handelwijze van Mw. Van Eylar of Bettemie jegens Mcolette. Vooral die passage van de banden der maatschappij, door Mw. Van Zirik, op haar gewonen, sleependen toon voorgedragen, was recht treffend. â 't Is vreemd, dat doorgaans zij, die er zich niet erg over bekommeren, zeiven een der banden, waar die hen te veel kwelt, een weinig los te maken, er zoo op aandringen, dat die banden door anderen zooveel te strakker worden toegehaald. Met reden: immers zoo blijft de maatschappij nog een weinig in haar geheel, die in duigen zou spatten, wanneer ieder deed als zij.
Van Zirik wist dan ook niet meer wat hij in 't midden brengen zou tegen hetgeen zijn vrouw zoo welsprekend betoogde; hij had wel een duister vermoeden, dat het minder een koel besef van het betamelijke, dan wel deze of gene booze hartstocht, als trots, afgunst, jaloezie was, die aan zijn vrouw dat betoog in den mond gaf; doch dat maakte de wederlegging niet gemakkelijker: en bovendien, zoo Mevrouw, uit welken hoofde dan ook, aan Nicolette een bepaalden hekel had â hij wist er geen ander woord voor â dan zou het meisje het toch op den duur niet bij hem kunnen uithouden: er viel dus, begreep hij, niet langer tegen te praten: hij had alleen maar te toonen, dat hij, evengoed als zijn vrouw, de zaak uit het rechte oogpunt beschouwde.
âIk vat niet,quot; zeide hij, âtegen wien je 't eigenlijk hebt. Ik ben het immers van den aanvang af volkomen met u eens geweest omtrent de positie, die Nicolette hier bekleeden zou? Ik heb haar dan ook op een afstand behandeld en zal dat blijven doen. Kun je 't op den duur niet met haar stellen, dan moet zij weg; dat 'skiaar: â alleen, nu wij haar
64
eenmaal, met een zoo gunstige aanbeveling van respectabele menschen, hebben bij ons genomen, moeten wij zorgen, dat niemand ons verwijten kan, haar zonder bepaald motief, of onder bloote voorwendsels, te hebben laten gaan.quot;
âDat stem ik gereedelijk toe,quot; zei Mevrouw, âen,quot; voegde zij er in zich zelve bij: âik zal wel zorgen, dat er een voorwendsel gevonden worde.quot;
Terwijl deze samenspraak beneden gevoerd werd, was zij, die er het onderwerp van uitmaakte, met de kinderen aan 't ontbijten. Na den afloop daarvan vroeg zij aan Mientje, waar nu de leerkamer was, naar welke zij, volgens de schikking van Mevrouw, zich moest begeven. Daar wist Mientje niets van: die had nooit van een leerkamer gehoord. Toen ging zij 't beneden aan de werkmeid vragen: die wist er evenmin iets van: toen aan Filip, die eerst antwoordde, dat het hem niet raakte, doch, bij naderen aandrang, besliste, dat het de kamer moest wezen van mesjeu Rostan. Deze uitspraak van Filip bracht de kindermeid aan Nicolette over, die er zich niet mede kon vereenigen, waarop Caroline, die juist voorbijging om zich naar de strijkkamer te begeven, werd binnengeroepen en ook aan haar, die beter dan iemand Mevrouws geheimen kennen moest, de vraag werd voorgesteld, âwaar de leerkamer was?quot;
Tot Nicolettes groote verbazing antwoordde de kamenier, evenals Filip, dat zij er geen andere kende, dan die, waar Siarle les nam bij mesjeu Rostan.
âDat kan Mevrouw toch niet gemeend hebben,quot; zei de ongeloovige Nicolette, âdat ik op diezelfde kamer met de meisjes gaan zou.quot;
âNeen, dat geloof ik ook niet,quot; zei Caroline, een glimlach onderdrukkende. âMaar wat kon Mevrouw dan gemeend hebben ?quot;
Men kwam nu tot het besluit datgene te doen, waarmede het eenvoudiger geweest ware, te beginnen, namelijk, het aan Mevrouw te gaan vragen, iets, waar Nicolette eenigszins tegen opzag; waarom Caroline, deels uit goedwilligheid, deels
65
om te toonen, dat zij een persoon van gewicht was, deels uit nieuwsgierigheid, de taak op zich nam, en Mevrouw ging zoeken. Na verloop van eenigen tijd bracht zij bericht, dat met de leerkamer bedoeld was de kamer waar Nicolette sliep â âen Mevrouw vond het vrij dom, dat men dat niet begreep,quot; voegde Caroline er bij, blijkbaar vrij ontevreden, dat men haar een gek figuur had laten maken.
Nicolette keek verwonderd en teleurgesteld; dat smalle vertrek, half ingenomen door haar ledikant, haar koffer en waschtafel, moest zij daar met twee, misschien met drie kinderen ziten? Behalve dat zij dat établissement vrij uncomfortable oordeelde wat haar zelve betrof, zoo achtte zij het ook te benauwd en te weinig geschikt voor kinderen, die ruimte en lucht noodig hadden. En dan was er niets als dat ronde wiptafeltje om aan te zitten! hoe zou men daar de lessen aan doen?
Doch er viel vooreerst niet aan te veranderen: en het kwam er nu voor Nicolette slechts op aan, van den nood een deugd te maken en haar vindingrijkheid te toonen. Zij schoof het tafeltje tegen den hoek, dien het raam met den muur maakte, plaatste daar een stoel aan voor zich zelve en een tabouretje voor het oudste meisje: het andere zou zij op schoot nemen. Toen haalde zij een paar lees- en prentenboekjes, en een doos met losse letters en andere dergelijke hulpmiddelen voor eerstbeginnenden, ââ de meeste nog uit haar eigen leertijd herkomstig, â voor den dag, en plaatste die nevens haar werkdoosje op tafel. In de eerste dagen zou het er voornamelijk op aankomen, te onderzoeken, wat de kinderen, die, gelijk zij van Mientje vernomen had, al eenig onderwijs van een schoolmeester gehad hadden, al zoo wisten: en voorts, hen zooveel mogelijk bezig te houden. Toen alles klaar was, ging zij Emilie en Jeanne halen, en de les begon.
Het bleek haar al spoedig, dat de gemaakte vorderingen niet zeer groot waren; doch zij dacht met den Griekschen wijsgeer, dit als een voordeel te moeten aanmerken: zi]
III. - K. Z. 5
66
behoefde dan den kinderen niet af te leeren wat zij verkeerd wisten. Zij begon met ze achtereenvolgens eenige korte vertelseltjes te laten lezen. Emilie las schijnbaar zeer vlot; doch wat zij las was voor anderen en in de eerste plaats voor haar zelve onverstaanbaar, omdat zij de moeielijke woorden voor 't gemak maar oversloeg: Jeanne was vlugger, ja al te vlug; want zij begreep doorgaans uit den aanhef van een volzinnetje wat er volgen moest, en las dan, of liever, raadde dan wat er, naar zij meende, behoorde te slaan, wat niet altijd 't zelfde was als 't geen er werkelijk stond. Nicolette oordeelde nu, dat een en 't zelfde middel zou kunnen dienen om beiden op het rechte spoor te brengen: zij liet ze tezamen dezelfde volzinnen overlezen, doch woord voor woord, terwijl zij al wat er volgde met een reep papier bedekt hield, en dan moest de eene de andere verbeteren als die 't niet goed deed. Toen dit genoeg geduurd had, begon het onderzoek naaide vorderingen, welke de verstandsontwikkelingen der kinderen gemaakt hadden, wat spelenderwijze geschiedde, namelijk door hun prentjes te laten kijken en ze naar aanleiding daarvan te ondervragen. Spoedig bleek het, dat de kinderen, die schaars ander gezelschap hadden gehad dan dat van de meiden, wier denkvermogen nooit door wrijving met bekwamer lieden was gescherpt geworden, wier gedachten altijd beperkt waren gebleven binnen den engen kring van eten, drinken, spelen en mooi gekleed zijn, zich niet de flauwste voorstelling konden maken van hetgeen buiten dien kring gelegen was, veelmin van het onderling verband der dingen, ook der eenvoudigste niet. Vroeg Nicolette wat een paard was, ja, dat wisten zij ; maar op de vraag waar een paard van leefde, bleven zij met open mond zitten. Eindelijk echter, nadat Nicolette langs alle middelen gepoogd had, ze op den weg te helpen, zei Jeanne, terwijl zij in de handen klapte:
âIk weet het: van suiker!quot;
Het kind had namelijk, bij ik weet niet wat gelegenheid, een dame gezien, die een klontje suiker aan haar rijpaard gaf.
Boomen en huizen kenden zij natuurlijk: maar dat er beuken
67
en eiken, linden en dennen waren, en waaraan men die van elkander onderscheiden kon, daar hadden zij nooit van gehoord; en evenmin uit welke materialen een huis gebouwd wordt. In 't kort, de wereld buiten de kinderkamer was voor haar een gesloten boek, en Nicolette ondervond een gevoel van diep medelijden, bij 't ontdekken, hoe die kinderen, bij wie 't echter geenszins aan natuurlijke gaven des geestes faalde, naar lichaam en geest verdoofd waren geworden, 't Waren plantjes, die lucht en licht en vrijheid en voedzame aarde behoefden en bij het ruim genot daarvan welig zouden getierd hebben, doch die, in een muffe kast geborgen, kwijnden en verdorden.
Nog een zaak, welke Nicolette terstond reeds bemerkte dat zij aan de meisjes zou moeten leeren, was naarstigheid bij 't werk. Op haar vraag, of zij reeds eenig handwerk gemaakt hadden, was er een halve lade vol broddelwerk voor den dag gekomen: eenige half uitgerafelde wollen kousebandjes, het twintigste gedeelte van hetgeen een geknoopte beurs had moeten worden: eenige kaarten, waar groene en roode lintjes doorheen gehaald waren, doch zonder dat men raden kon tot wat einde; een koordje, tot op zekere hoogte uit veelkleurige zijden draden gevlochten; in 't kort, een aantal begonnen werkjes van allerlei aard, die niet alleen onvoltooid waren gebleven, maar aan wier vuilbestoven uitzien blijkbaar was, dat zij weder weggeworpen waren, omdat de lust of de hoop van ze te voltooien verdwenen was.... Nicolette begreep terstond, dat men aan de kinderen dingen had willen laten doen, die nog te moeiliik voor haar waren; doch ook wat dit betrof wanhoopte zij niet, de begane fout te herstellen. Zij nam een paar kaarten uit een defect spel, dat mede in de lade gevonden was, teekende op de eene een roos, op de andere een lelie, wat de meisjes heel mooi vonden, prikte toen gaatjes langs de geteekende lijnen, gaf aan ieder een kaart met een naald en een draad van groene zijde en onderrichtte ze, hoe zij die nu gebruiken moesten om de bloemen af te werken, groene zijde voor den steel en andere kleuren
68
voor de bloem bezigende. Middelerwijl knipte zij zelve uit kaarten een tafel en stoelen en allerlei huisraad, en beloofde, dat zij al dat moois zou wijzen als ieder haar steeltje naar behooren had afgewerkt. Toen dit na eenige terechtwijzingen gelukt was, had dan ook het vertoonen en rangschikken dei-vervaardigde figuren plaats en de kinderen hadden een ontzaglijke pret. â Maar toen oordeelde Nicolette, dat zij ook lang genoeg hadden gezeten, en nu voor de afwisseling wat moesten springen en dansen: het kleine broertje had zijn middagslaapje gedaan en was weder over den vloer: zoodat vrees van het te storen geen beletsel meer behoefde te zijn om in de kinderkamer wat beweging te maken. Nicolette ontsloot dan weder de tusschendeur en leerde nu aan het drietal eenige spelletjes, waarbij het in een geregelde beweging kon blijven, die niet tot woestheid behoefde over te slaan. Doch middelerwijl bedacht zij, dat haar brief nog wegmoest: zij nam een geschikt oogenblik waar om aan hetgeen zij geschreven had de boodschap toe te voegen, die Van Zirik haar gegeven had, vouwde den brief dicht en verzocht aan Mientje, die kort daarop naar beneden moest, hem aan Filip ter bezorging te geven. Toen het drie uren was, kwam de werkmeid zeggen, dat de muziekmeester er was. Dit gaf eenige verstrooiing aan Nicolette, die nu met de meisjes naar beneden ging, en wel naar een achterkamer, waar een oude piano stond. Nicolette begreep niet recht, waarom die kamer, die afgezonderd en in allen deele tot zoodanig einde geschikt was, niet door Mevrouw tot leerkamer was bestemd, maar Mevrouw hield nu eenmaal vast aan het beginsel, dat de kinderen zoomin mogelijk van boven moesten komen: en zoo er maar plaats voor geweest ware, zij had de piano naar de kinderkamer laten overbrengen. Dat nu het getrommel der onervaren kindervingers op dat hakkebord Nicolette vermaakte, zouden wij niet durven beweren ; doch zij verkreeg althans de overtuiging, dat haar é 1 è v e s het nog niet zoover in de muziek gebracht hadden, of zi] kon haar oefeningen nog wel besturen. â Na de piano-les moesten de kinderen gekleed worden .... omdat het misschien
69
mogelijk was, dat Mevrouw ze roepen liet om uit rijden te gaan of dat er bezoeksters kwamen, die naar hen vroegen: â doch noch het eene noch het andere gebeurde, en zoo bleven tot groote ergernis van Mcolette, de kinderen als opgeprikte kapellen zitten wachten, totdat het eten voor hen werd opgebracht. Na den eten moest de muziek gerepeteerd worden, en toen weer naar boven: hier kwam zich nu Charles bij de overigen voegen: want monsieur Rostan was gewoon, na den maaltijd een kop koffie in een café te gaan gebruiken: iets wat Van Zirik volstrekt niet inzag dat noodig was, dewijl hij later, als Charles naar bed was, toch uitging; doch wat Mevrouw verschoonbaar achtte in iemand, die den geheelen morgen lessen gegeven had. De kinderkamer werd nu weer in een académie de jeux herschapen, waarbij Nicolette, tot groot genoegen van het viertal, het voorzitterschap bekleedde, en dit duurde zoolang, totdat de gouverneur zijn kweekeling weer kwam halen.
âEh bien!quot; zeide hij tegen Nicolette: âvous n'avez done pas voulu lire le livre que je m'étais permis de laisser chez vous.quot;
âMadame a décidé que ce n'était pas une lecture convenable pour moi,quot; antwoordde Nicolette: âen tout cas, j'aime a croire que votre intention était de m'oblige r, et je vous en re conn ais santé.quot;
âHélas, je vois trop, qu'elle a été bien défavo-rablement interpretée, hernam Rostan: âall ons Charles, salue Mademoiselle et par tons.quot;
Met deze woorden boog hij zeer onderdanig voor Nicolette en vertrok.
Zij was nu wel blijde, de gelegenheid gehad te hebben, hem voor zijn beleefdheid te bedanken; doch het hinderde haar, te bespeuren, dat hij nog een weinig gekrenkt scheen. De man kwam haar ook nu zoo beleefd en bescheiden voor, dat zij bij hem geen ander dan een loffelijk doel kon veronderstellen â en daarom wilde zij bij hem geen verkeerden indruk achterlaten. Zij troostte zich echter met de gedachte,
TO
dat de zaak niet van veel gewicht was, en dat hij er zich niet lang over bekommeren zou.
De kinderen gingen nu naar bed, Mcolette naar haar kamertje, waar zij den tijd zoo goed zij kon met eenig handwerk en met eenige weinig opbeurende bespiegelingen over 't verleden en de toekomst doorbracht en toen vroeg ter ruste ging.
VIERDE HOOFDSTUK,
WAARIN MEN HET SPBEEKWOORD OUD MAL GAAT BOVEN AL, OPNIEUW BESrESTIGD VINDT.
Toen Mcolette, den volgenden morgen de wandeling met Mientje en de kinderen naar het Bosch herhalende, zich evenals den vorigen dag op een bank nederzette en er kransjes vlocht, wandelde de Baron Van Tilbury toevallig de Maliebaan rond, en wel zoo, dat hij het daar bijeengezeten groepje voorbij moest. Hij bleef stilstaan en wenschte 't een âgoeden morgen.quot;
Eerst aan de kinderen: dat sprak van zelf. Hij had deze reis, wederom toevallig, ulevellen in zijn zak, in mooie papiertjes gewikkeld, en deelde die uit. Nu waren zij natuurlijk minder beschroomd voor hem; alleen de kleine Eduard greep wel de hem aangeboden ulevel, maar wendde toen terstond het gelaat af, en borg het in den schoot van Mcolette. Die eenkennigheid van het kind gaf aanleiding aan den Baron om, natuurlijk in 't Eransch, aan het jonge meisje te vragen, of die dreumis altijd en voor iedereen zoo bang was, waar Mcolette op antwoordde, dat hij het in 't eerst voor haar ook geweest was, doch zeer spoedig aan haar gewend was geraakt: waarop de Baron zeide, dat dit ook niet anders kon, als zijnde het, volgens hem, niet denkbaar, dat er eenig schepsel op aarde bestaan zou, hoe vreesachtig ook of hoe woest van nature, 't welk zich niet, bij de eerste ontmoeting met zulk een bevallig wezen als zij, tot haar getrokken gevoelde.
Mcolette oordeelde, bij zich zelve, dat zij hem zijn compliment moeilijk zou kunnen teruggeven; immers, onder 't uitbrengen daarvan deed hij haar denken aan een verliefden baviaan, en zij vond de vrees, die Eduard voor hem aan den dag legde, zeer natuurlijk. In stede alzoo van eenig antwoord te geven, draaide zij het hoofd om en keek achter zich, alsof zich daar iemand bevond, tot wie al dat fraais ware gericht.
De Baron Van Tilbury scheen er op gesteld, voor 't minst goede vrienden te worden met het weerbarstige knaapje: â âall ons! mon gen til petit ami,quot; zeide hij: âtu me donneras bien la main, n'est-ce-pas?quot; en meteen zocht hij zich meester te maken van het kleine handje, dat Eduard onder de afhangende écharpe â de dames droegen toen lange vierkante zijden omslagdoeken, die men écharpes heette â van Nicolette verborg. Ongelukkig waren dat kinderhandje en Nicolettes knie in elkanders nabijheid en, wat hij zeker niet helpen kon, hij vergiste zich in zijn greep. Mcolette echter was kinderachtig genoeg om dat abuis kwalijk te nemen; zij stond plotseling op en zeide, zonder hem aan te zien, in goed Hollandsch tot Mientje: âik geloof, dat het hoog tijd voor ons is, van hier te gaan.quot;
Toen, zonder eens af te wachten of Mientje met dat gevoelen instemde, en zonder zelfs den Baron met een enkelen blik, laat staan met een groet of verontschuldiging, te verwaardigen, nam zij Eduard op en stapte heen. âIncessu pa tuit dea1)quot; zou Tilbury, toen zij zich verwijderde, ongetwijfeld gezegd hebben, indien citaten uit het Latijn nog in de mode geweest waren en onze Baron Latijn verstaan had. Doch zoo hij de uitdrukking van Virgilius niet bezigde, hetgeen hij dacht kwam nagenoeg op hetzelfde neer en met verdubbelden gloed blaakte het onheilig vuur in zijn Saters-oogen bij 't nastaren van zooveel bevalligheid, ter dezer gelegenheid aan zooveel majesteit gepaard.
Mientje was natuurlijk ook opgestaan en had Nicolette
1
) âZij bleek aan haar démarche een godin te zijn.quot;
72
achtervolgd. Eerst toen zij haar inhaalde, bemerkte zij aan de verontwaardiging, die in de oogen van Nicolette schitterde, hoe hoog deze de beleediging, haar aangedaan, had aangenomen. Zwijgend, met stijf op elkander gesloten lippen, vervolgde Nicolette haar weg, en het was eerst toen zij wel vijftig schreden van den Baron verwijderd waren, dat ze tot de kindermeid met een gesmoorde stem zeide:
âWandelt die oude Heer 's morgens wel meer in 't Bosch?quot;
âJa,quot; antwoordde Mientje: âzoo nu en dan; â och! 't is een ouwe quibus, die, al staat hij met één voet in 't graf, nog altijd niet kan nalaten, gekheid te maken met de jonge meisies. Ik moet zeggen, wat mij betreft, ik heb nooit geen last van 'm gehad; maar ik heb ook altijd m'n kontredans tegen zulk volk bewaard. Zoo'n uitgedroogde pippeling! hij moest liever denken a'n 't uur van z'n dood.quot;
âIndien ik wist, dat wij hem hier weer ontmoeten zouden, dan zou ik u verzoeken een anderen kant uit te wandelen.quot;
âJa, waar zei je anders loopen? â al de kinderen worden dezen weg uitgestuurd: â en dan, de man zei je niet opeten, en je zult ook je vleesch niet van je brood laten nemen.quot;
âDat's hetzelfde,quot; zei Nicolette: âik zou den man toch niet graag weer ontmoeten.quot;
Toen zij echter, den volgenden morgen, zich weder op weg naar 't Bosch begaven, begreep Nicolette, dat het dwaasheid zou genoemd kunnen worden, indien zij, uit vrees voor een enkel oud man, en tegen wiens vrijpostigheid zij nu op haar hoede kon zijn, zou schromen, op licht klaren dag met haar gezelschap de wandelplaats te bezoeken, die door alle mogelijke bonnes en kindermeiden als de meest geschikte scheen te zijn uitgekozen, en zij maakte dan ook geen zwarigheid, denzelfden weg weder uit te gaan; doch toen zij aan 't eind der Dreef gekomen waren, en zij, in de laan, die langs de Maliebaan slingert, den witten hoed van den Baron in de zon meende te zien schitteren, stelde zij aan Mientje voor, deze reis, niet de Maliebaan, maar den Koekamp om te gaan, ten einde hem te vermijden. â Mientje pruttelde daar wel wat
73
tegen, bewerende, dat die weg minder fatsoenlijk, en het pad voor de kinderen niet zoo gemakkelijk was, doch zij liet zich overreden, en zoo wandelden zij linksaf, zich, toen zij verder waren gekomen, onderling vermakende bij 't zien hoe de Baron rechts omsloeg en alzoo precies den weg, die van haar afbracht.
De twee volgende ochtenden regende het, en nu kwam er van 't wandelen niets. Nicolette, die behoefte had aan beweging, had den eersten dag eenige hoop, dat toen, in den namiddag, het weer beter was geworden, zij haar schade zou kunnen inhalen; maar zij had buiten den waard gerekend. Mevrouw Van Zirik was gesteld op regel in haar huishouden, en in dien regel was een wandeling met de kinderen na den middag niet begrepen. Doch omdat de meisjes toch eenige lucht moesten scheppen, nam Mevrouw ze mede, toen zij uit rijden ging â en evenzoo den volgenden dag. â Nicolette kon beide reizen te huis blijven.
Dat waren treurige, eentonige dagen voor het arme meisje: en, over 't geheel, welk een tegenstelling tusschen het leven, dat zij nu leidde, en dat wat zij te Hardestein geleid had. Niet, dat wij hierbij eenigszins doelen op de verandering, die er gekomen was in Mcolettes maatschappelijke positie. Zij wist te voren, dat zij een ondergeschikte betrekking te gemoet ging; â en al viel de behandeling die zij onderging, haar juist niet mede, zij schikte zich er in; â maar geen lucht te kunnen scheppen, geen beweging te kunnen nemen, dat was erger, dat was zij nooit gewend geweest. Toen zij nog een kind was, woonde zij, ja, in een bedompten kelder, en bracht zij ettelijke uren van den dag door in een benauwde school, doch hoevele uren daarentegen, dat zij op stoep zat, op straat speelde en in de vrije, zij het dan ook niet welriekende, Amsterdamsche lucht liep. Haar verderen leeftijd had ze voornamelijk doorgebracht bij Mw. Zilverman, in een ruim en luchtig lokaal, te midden eener lachende natuur, en onder 't genot van dagelijksche wandelingen, weer of geen weer: â en, zoo op de kostschool nog een groot gedeelte
74
van den dag binnen gesleten werd, gedurende haar laatste verblijf bij Bol was het schier alleen om te middagmalen of om te slapen, dat zij den tuin of de open lucht verlaten had. En hoe geheel anders hier bij Van Zirik, waar zij nu, sedert vier dagen, en dat wel in 't hartje van den zomer, geen voet buiten deur gezet had dan voor drie wandelingetjes, en bijna al de rest van den tijd in die benauwden dampkring had doorgebracht, die meestal op een kinderkamer heerscht, ook al wordt die beter gelucht dan hier het geval was. Nu meende zij, dat zij zich in alles zou kunnen schikken, aan alles zou kunnen wennen, behalve aan gemis van beweging en versche lucht, en zij voelde, hoe dat gemis reeds nu op haar gestel een nadeeligen invloed deed. Haar nachtrust was slecht; zij had benauwde droomen als zij sliep, en hoofdpijn als zij opstond: het eten smaakte haar niet en bekwam haar evenmin goed: zij gevoelde lusteloosheid, gemis aan veerkracht, juist nu zij deze laatste dubbel meende noodig te hebben.
Maar op die twee regenachtige dagen, waarvan gesproken is, moest eeu Zondag volgen, en dan zou zij ten minste naar de kerk heen en weer gaan. IJdele hoop! Toen zij des Zaterdagsavonds haar stoute schoenen aantrok en naar Mevrouw toeging, om te vernemen hoe 't met dat kerkgaan wezen zou, kreeg zij tot bescheid, dat zij zich den volgenden morgen maar tegen kwartier voor tienen gereed had te houden en dat zij dan mee kon rijden.
Nu! de beweging van een rijtuig was in allen gevalle nog beter dan in 't geheel geene: en Zondagmorgen was zij klaar op den bepaalden tijd. Toen Caroline haar roepen kwam, kuste zij de kinderen vaarwel, beval hun aan, heel zoet te zijn en liep naar beneden, waar zij bevond, dat, behalve Mevrouw, ook Rostan en Charles van de partij zouden zijn. Mijnheer was een philosoof, ging niet naar de kerk uit beginsel, en ook omdat hij nooit voor tien uren bij de hand was. Het viertal stapte in 't rijtuig, en men reed naar de Fransche kerk. Ni-colette dacht bij zich zelve, dat het weinig der moeite waardig was, voor zulk een kleinen afstand de paarden te laten in-
t O
spannen en in en uit een rijtuig te stappen. Of de preek haar stichtte weten wij niet; wat haar ontstichtte was, dat, bij 't uitgaan, het apengezicht van den Baron Van Tilbury, tusschen de menigte, die uit het gebouw drong, op haar gericht was en haar grinnekend toeknikte. In de kerk had zij hem niet gezien, en waarschijnlijk was hij dan ook alleen maar tegen 't einde van de godsdienstoefening daarheen gekuierd, om te vernemen of de preek mooi was geweest.
In 't naar huis rijden sprak Mevrouw geen woord, evenmin als bij 't heengaan: doch haar oogen bleven, als toen, stijf en strak op den gouverneur, die tegenover haar zat, gevestigd, 't Waren oogen, die zooveel zeggen wilden als: âheb het hart niet, het meisje, dat naast mij zit, aan te kijken, of gy hebt met mij te doen.quot; â Maar Rostan scheen er niet aan te denken, ergens naar te kijken dan naar het voetkleed van pluche, dat op den bodem van 't rijtuig lag.
Toen het gezelschap weder aan huis afgestapt en binnengetreden was, liet Mcolette den gouverneur met Charles naar boven draven en volgde Mevrouw, die naar de zijkamer ging, om zich met behulp van Caroline van hoed en sjaal te ontdoen.
âBegeert gij iets?quot; vroeg Mevrouw in 't Fransch, en eenigs-zins bevreemd opziende.
âIk wenschte alleen te weten, of Mevrouw niet goed zou vinden, dat ik, na de koffie, wat ging wandelen met de kinderen, 't Is nu al drie dagen, dat zij geen beweging hebben gehad, en ik geloof, dat het hun goed zou doen.quot;
âVergun mij, Mejuffrouw, de eenige beoordeelares te zijn van wat goed of niet goed is voor de gezondheid dier lieve kinderen. â Er is vandaag nogal wind, en die schapen zijn zoo vatbaar voor kou.quot;
Nicolette liet zich nog niet afschrikken. âMaar,quot; zeide zij: âindien wij hun een lijfrokje meer aantrekken en de halsjes wat meer dichtstoppen, dan zal, dunkt mij, de lucht op zich zelve hun geen kwaad kunnen doen.quot;
âGij zoudt dus willen, dat zij er als burgerkinderen uitzagen? â En dat nog wel op Zondag! â Ik zal misschien
76
met hen in 't Bosch gaan rijden, dat vinden die lieve cherubijntjes zeker aangenamer dan te loopen.
âZeker moet het gezelschap van hun moeder hun aangenaam zijn boven elk ander,quot; zei Nicolette, met een lichte hoofdbuiging.
Mevrouw Van Zirik zag haar zwijgend aan en poogde op haar gelaat uit te vorschen, of zij het gezegde van Nicolette als een beleefdheid of als een verwijt moest opnemen. Toen zeide zij, op een koelen toon, die bloemzoet eindigde:
âVoor 't oogenblik, Mejuffrouw! is het niet de vraag, wat die lieve kinderen het aangenaamst vinden, maar wat het nuttigst voor hen is, en naar ik hoor, schijnt gij er u uitnemend op te verstaan om hen bezig te houden.quot;
Deze laatste woorden konden door Nicolette, evenals 't geen zij gezegd had door Mevrouw Van Zirik, verschillend worden uitgelegd, en opgevat als een compliment, of als een wenk om naar die âlieve kinderenquot; te keeren. Aan de laatste opvatting begreep Nicolette zich te moeten houden, en begaf zich naar boven, met het aangenaam vooruitzicht, den dag weder als een nonnetje in haar cel door te brengen. Zij wist zich echter het uur, dat de kinderen uit rijden waren, ten nutte te maken, door eens aan Juffrouw Leentje Bol en voorts aan haar vriendin Van Erlangen te schrijven. Het gedeelte van den brief aan de eerstgemelde, dat over haar zelve liep, was kort; immers zij was bevreesd, dat, zoo zij de volle waarheid daaromtrent schreef, zulks den schijn zou hebben, alsof zij zich beklaagde, of wel, dat het Bol bedroeven zou, en, met een oprecht gemoed verklaren, dat zij 't naar haar zin had, dat kon zij niet. Het andere gedeelte was langer en hoofdzakelijk gewijd aan herinneringen van de genoeglijke dagen, aan de pastorie doorgebracht en uit vragen naar hen, die zij er achtergelaten had, naar Dominee, naar Antje, naar madame mère, naar Eylar, naar Mevrouw Mietje enz., enz., zelfs naar Mevrouw Zuring en naar Jacomina Verdrongen. Slechts naar twee personen vroeg zij niet, vooreerst naar Snel niet, uit vrees, dat het hem weer hoop mocht geven, indien het hem over-
77
verteld werd â waar zij echter geen vrees voor behoefde te voeden; want, hoe snapachtig Juffrouw Leentje ook wezen mocht, dat zou zij wel voor zich houden. â Wie de tweede persoon was, waar Nicolette niet naar vroeg, ofschoon zij, naar Hardestein schrijvende, niet nalaten kon, gedurig aan hem te denken, het zal wel noodeloos zijn dien te noemen.
In den anderen brief, aan Mejuffrouw Van Erlangen, schreef zij meer vertrouwelijk. Zij kon daar gerust haar hart uitstorten zonder vrees voor onbescheidenheid; want Louise Van Erlangen woonde veraf en kende vooralsnog geen van de personen, die Nicolette ten tooneele voerde. Met dit al, ook tegenover haar vriendin zorgde zij, zich op zoo gematigde wijze uit te drukken, dat niemand uit haar woorden, al klonken die wat droefgeestig, iets zou hebben kunnen halen, dat als een klacht luidde tegen haar meesteres of haar huisgenooten.
Het zou tot het recht verstand dezer geschiedenis weinig afdoen, en, wat erger ware, den lezer vervelen, indien wij in omstandige bijzonderheden traden aangaande de wijze, waarop Nicolette de volgende veertien dagen ten huize van Van Zirik sleet. Men kan er zich een denkbeeld van maken uit hetgeen hierboven verteld is. De eene dag geleek volkomen op den anderen; was het goed weer, dan had de gewone wandeling naar 't Bosch plaats: was er regen of wind, of vrees daarvoor, dan bleef men thuis. Verder gingen de lessen geregeld haar gang: de kinderen hechtten zich hoe langer hoe meer aan Mademoiselle, en Mademoiselle aan de kinderen: Mijnheer was en bleef tegenover haar koel beleefd, met iets verlegens in zijn houding: Mevrouw bloemzoet, en de gouverneur, zich op een afstand houdende. Alles te zamen genomen zou Nicolette wel tevreden zijn geweest, als zij maar nu en dan wat meer beweging had mogen nemen. Van den Baron had zij tot haar vreugde niets meer gemerkt, sedert zij hem aan de kerkdeur gezien had. Van Bol had zij een brief ontvangen, met berichten aangaande den welstand harer bekenden te Hardestein. Hij meldde haar, onder anderen, hoe hij naar Doornwijck was geweest, doch Bettemie reeds vertrokken en Mevrouw Van
78
Doertoghe niet weinig over dat vertrek ontsticht had gevonden; voorts, wat Nicolettes hart bij 't lezen niet weinig kloppen deed, dat ook Maurits, wiens verloftijd om was, Hardestein verlaten had, en, als natuurlijk was, Drenkelaer evenzeer.
Het vertrek van Mientje, dat door toevallige omstandigheden ettelijke dagen verschoven was, zou nu eindelijk plaats hebben, en daarbij vielen de gewone tooneelen voor: Mientje schreide, de kinderen schreiden, de boel werd weggedragen: het afscheid van Mevrouw was over en weer droog, dat van de kameraden over en weer koel â en er was een mensch minder in huis, die een halve minuut later al vergeten was.
Men zal zich herinneren wat Mevrouw aan Nicolette gezegd had, dat namelijk Mientjes plaatsvervangster vooreerst niet komen zou, en hoe daarbij tevens te kennen was gegeven, dat Nicolette zoolang voor kindermeid zou spelen. Dat geschiedde dan ook, en Nicolette kwam op de kinderkamer slapen. Maar wat haar eenigszins bevreemdde was, dat, kort na Mientjes vertrek, Caroline met een behangersknecht verscheen, die het ledikant op de leerkamer uiteennam en wegbracht. Toen Nicolette vroeg, wat dat beteekende, antwoordde de kamenier, dat zulks op last van Mevrouw geschiedde, en dat Nicolette nu meer ruimte op de leerkamer zou hebben: voorts, dat er zoo meteen een grooter tafel gebracht zou worden.
âDat is alles mooi en goed,quot; zei Nicolette: âen ik ben er dankbaar voor: maar als de nieuwe meid nu komt, waar moet ik dan slapen?quot;
âJa, de nieuwe meid!quot; herhaalde Caroline, met een lach, die niet naliet Nicolette een weinig te ontrusten: â âdan is dan: en het ledikant is altijd in drie vloeken en een zucht weer opgezet.quot;
Nicolette was dus nu in de stelling gebracht van een staatsman, die, als wij wel eens bij ons hebben zien gebeuren, twee ministeries waarneemt: met dit onderscheid echter, dat het departement, waarvan het beheer aan den staatsman als bijzaak wordt opgedragen, doorgaans van minderen omvang is
79
dan dat, waar hij reeds mede belast was, en hij een bekwamen, der zake kundigen secretaris-generaal, directeur, of hoe men 't heeten moge, onder zich heeft: terwijl aan Nicolette, bij den gewichtigen post van gouvernante, nu ook de werkzame betrekking van kindermeid werd opgedragen, en dat, zonder eenigen bijstand. Dat was niet volkomen in overeenstemming met de voorwaarden, waarop zij zich verbonden had: dat was een eventualiteit, waar Van Zirik zelfs in de verte niet op gezinspeeld had in zijn brief aan Eylar, waarvan men eerst gewaagd had na haar komst, en toen nog met een halve toezegging, dat het haar niet aan hulp ontbreken zou. En toch was Nicolette niet zoo ter neer geslagen, noch zag zij zoozeer tegen haar dubbele taak op, als men wel verwacht zou hebben. Aan het besef, dat die taak zwaar te vervullen zou zijn, paarde zich bij haar zeker gevoel van verlichting. Zij was tot nog toe veroordeeld geweest tot het uitsluitend gezelschap van Mientje, die, ja haar plichten als kindermeid met redelijke nauwgezetheid vervulde en er voor berekend was, maar die, door haar ongelijkheid van luim, haar afgunstigen aard en haar lichtgeraaktheid, het al wie met haar om moest gaan hoogst lastig maakte, zoodat Nicolette de grootste omzichtigheid en het grootste geduld noodig had gehad om met haar op een goeden voet te blijven. Van dat gezelschap was zij nu ontslagen, en, al zou zij voor 't oogenblik geen âaanspraakquot; hebben dan die van de kinderen, zij kon zich gemakkelijk het gemis getroosten van een conversatie, die hoofdzakelijk over onderwerpen liep, voor haar zonder 't minste belang, over twisten tusschen meesteressen en haar dienstboden of tusschen dienstboden onderling; over bakers en minnemoeders, in één woord over personen, die zij niet kende, en over zaken, schier te onbeduidend om naar te luisteren. Dat alles niet meer te hooren zou een ware verlossing zijn. Bovendien, tegenover Mientje bevond zich Nicolette in een valschen toestand, en dat, ten gevolge van het verzuim, door Mw. Van Zirik (misschien moedwillig) begaan, om de onderlinge verhouding tusschen de twee behoorlijk te bepalen en de grenzen van ieders plichten
80
streng af te bakenen. Het gevolg van dat verzuim was, dat. aan 't ontbijt, op de wandeling, aan den disch, overal, waar 't een gemeenschappelijke handeling gold, het gezag en de invloed, die Nicolette begreep te moeten doen gelden, gedurig te niet gedaan werden door de pretentiën van de kindermeid, die, tegenover de hoogere beschaving van Nicolette, haar eigen vroegere ondervinding en het veeljarig gebruik inriep. â Zij zou nu voortaan meesteres zijn, er zou eenheid in het bestuur zijn, en niemand kon langer haar beschikkingen dwarsboomen. Dat was vrijheid, en waar vrijheid bestaat, daar valt de arbeid licht')
En inderdaad, de met moed aanvaarde dubbele taak viel in de eerste dagen Nicolette minder zwaar dan zij oogen-schijnlijk wezen moest. Het aan- en uitkleeden der kinderen had zij Mientje genoegzaam afgezien, en met het aanvegen van de kamer, dat anders tot de taak der kindermeid behoort, had het gedienstige Naatje zich vrijwillig belast, verklarende, dat dit geen werk was voor iemand als de Mamzel. Wel was de wandeling vermoeiender dan te voren, dewijl Eduard, zwak en ziekelijk zijnde, den meesten tijd gedragen moest worden, wat te voren Mientje schier uitsluitend deed, doch wat nu Nicolette wel doen moest en bovendien de beide meisjes in 't oog houden; doch zij getroostte zich zulks te liever, bij de overweging, dat vermoeienis nuttig was voor haar gestel. Verder ging dag bij dag rustig om; doch waar Nicolette tegen had opgezien was tegen den nacht. De kinderen, vooral Eduard, waren onrustige slapers, en Mientje had zich dikwijls beklaagd, dat zij telkens, nu om deze, dan om gene reden, het bed uit moest. Niet zonder grond was Nicolettes bezorgdheid geweest: niet zoozeer daarvoor, dat zij nu en dan in haar nachtrust zou gestoord worden, als wel
') Althans dit is het geval bij de beschaafde volkeren, die den arbeid hebben leeren beschouwen als een weldaad: bij de min-beschaafde, en dat vergeten onze economisten wel eens, heerscht altijd het oud-testamentische begrip, dat de arbeid een straf zou zijn.
81
dat zij vreesde te vast te zullen slapen en de klagende of schreeuwende stemmetjes niet te zullen hooren. Zij had zich herinnerd, hoe, op de kostschool zijnde, zij alleen niets gehoord had van een hevigen donderslag, die op zekeren nacht het huis had doen dreunen en al de bewoonsters het bed uitgejaagd; en hadden, op de pastorie, vooral in den laatsten tijd, gedachten, die de lezer raden kan, haar wel eens belet, zoo spoedig den slaap te vatten als zij gewoon was, wanneer zij eenmaal insliep, dan was het, zelfs toen ook, voorgoed. Maar zij had zich tevens herinnerd, wat Mevrouw Zilverman meermalen gezegd had, dat alles maar een zaak van gewoonte was, dat men kon wat men wilde, dat iemand, die wist, dat hij vroeg op moest en niet geroepen zou worden, zich niet licht verslapen zou, en dat de mensch, zoo goed als de haas, zich wennen kon met open oogen â in overdrachtelijke beteekenis â te slapen. Dit laatste had Nicolette ook beproefd; en het was haar te beter gelukt, omdat zij, sedert haar komst in dit huis, toch, als reeds gezegd is, minder rustig sliep dan voorheen; ja het was haar zelfs al te goed gelukt; wTant deels de vrees om te vast te slapen, deels het optrekken met de kinderen, was oorzaak, dat zij drie vierden van den nacht slapeloos doorbracht, en dan 's avonds dutte in haar stoel. Een en ander had ten gevolge, dat zij noch gelegenheid noch opgewektheid tot schrijven meer overhad, en zij op zijn best den noodigen tijd kon vinden om zoodanige dringende herstellingen aan haar kleederen te doen, als deze vorderden.
Had Mw. Van Zirik zich voorgesteld, Nicolette, door haar met arbeid te overladen, weerzin in haar betrekking te doen krijgen, zij had vooralsnog haar doel niet bereikt; doch zij had een bondgenoot, waar zij niet op gerekend had, en wel; den Baron Van Tilbury. â Deze had een paar weken wegens rheumatiek het huis moeten houden; doch pas was hij weer in staat, zich buiten deur te begeven, of hij was zijn morgenwandelingen weder begonnen; en tot zijn niet geringe blijdschap had hij, reeds den eersten dag dat hij uitkwam, Nico-iii. - k. z. 6
82
lette, die zich al van zijn beleefdheid ontslagen gerekend had, op haar gewone bank vinden zitten. Zij had hem niet zien naderen, en hij stond voor haar eer zij hem kon ontwijken.
âVergeef mij,quot; zeide hij, met een gegrijns, dat voor een lach moest doorgaan: âik geloof, dat ik u laatst tegen mijn wil heb boos gemaakt. Maar wat drommel! ik had immers geen kwaad in den zin.quot;
âIk hoop ook zoo, voor u en voor mij,quot; zei Nicolette: âhet zou mij leed doen. Mijnheer! indien ik iemand van uw leeftijd verkeerd beoordeeld had.quot;
âIemand van mijn leeftijd!quot; herhaalde Tilbury, een weinig geraakt; âmaar bedenk, dat iemand van mijn leeftijd bescheiden en voorzichtig is, meer dan een jonge melkmuil, en dankbaarder bovendien.quot;
âIk versta u niet. Mijnheer!quot; zei Nicolette: âen ik verlang u niet te verstaan. Ik weet niet wat Mijnheer van dankbaarheid spreekt, maar ik zou Mijnheer dankbaar zijn, indien hij mij met de kinderen alleen liet.quot;
âWel, wie kan er wat op te zeggen hebben, dat ik hier voor u sta? â Iemand van mijn positie, en een huisvriend van den Heer Van Zirik bovendien! Zoo die niet eens met de kinderen praten mag en zich bij u niet naar den welstand van uw meesteres informeeren, dan weet ik niet, wie dat voorrecht hebben zou. â Zie eensquot; â en meteen haalde hij een peperhuis voor den dag. âik heb weer wat voor de kinderen op zak.quot;
De meisjes, die volstrekt geen reden zagen om den Baron te schuwen, staken gretig de handen uit naar de haar aangeboden versnapering, en Eduard, toevallig dien dag in een niet eenkennigen luim, greep moedig een chocolaadje.
âZiezoo!quot; zei Nicolette, opstaande: âbedank Mijnheer nu, en dan gaan wij verder.quot;
Maar dat maakte de rekening van den Baron niet: hij liet zich zoo spoedig niet afschepen en hij had meer dan één koord op zijn boog, â âWacht!quot; zeide hij, zich tot de kleine Jeanne wendende: âheb je de eendjes al brood gegeven?quot; â
83
en meteen haalde hij een broodkorst voor den dag, die hij bijwijze van voorzorg bij zich gestoken had, nam het kind bij de hand, wandelde met haar naar den waterkant toe, waar een veertigtal eenden, groot en klein, onder de takken der afhangende rhododendrons kwaakten in het kroos, wierp een paar stukjes onder den hoop en brak er toen eenige af voor Jeanne, die zijn voorbeeld beproefde na te volgen, ofschoon haar worp zelden veel verder kwam dan het oevergras. 't Spreekt van zelf, dat Emilie er nu ook bij moest zijn, ja Eduard trok Mcolette bij haar kleed, om haar uit te noodigen zijn zusje te volgen.
Dit alles bracht Nicolette, die den ouden indringer in haar hart verwenscht zou hebben, indien haar hart in staat ware geweest het iemand te doen, niet weinig in verlegenheid. Den Baron zijn gang te laten gaan, was haar gezag over de kinderen verspelen en hem als 't ware toegeven; de kinderen met geweld van hem te halen, zou misschien aanleiding geven tot een scène, en dat moest vermeden worden. Zij begreep eindelijk, dat het best was, te wachten tot de voorraad brood op was, wat toch niet lang kon duren: â en zoodra dit plaats had, zeide zij op een toon, die geen wederspraak toeliet;
âKomt, kinderen! 't is meer dan tijd, dat wij naar huis gaan. â Dit is nu goed voor eens; maar een andere reis loopt gij niet van mij af. Gij weet. Mama, houdt er niet van, dat gij zoo dicht bij 't water komt en uw laarsjes met slik maakt.quot;
âNog een chocolaadje eer gij heengaat,quot; riep Tilbury, zijn peperhuis nogmaals toestekende.
âMets meer: de kinderen hebben genoeg gehad,quot; hernam Nicolette, terwijl zij haar kleine kudde weder bijeendreef.
âEn gij zelve!quot; riep de oude boef: âik ben onbeleefd geweest, ik had met u moeten beginnen.quot; Dit zeggende, bood hij het peperhuis, waar hij behendig een paar goudstukken boven op de chocolaadjes had doen glijden, aan Nicolette voor, die ondanks haar zelve niet kon nalaten er een blik in te werpen. Nauwelijks had zij het goud gezien, of zij werd bleek :
84
zij voelde iets, dat als een koude rilling langs haar ruggegraat opkwam: zij begon over al haar leden te beven; ja zij had werk de tranen te bedwingen, die zich met geweld een weg naar haar oogen baanden.
Bij aanbiedingen zoo hoonend als die, welke aan Nicolette gedaan werden, wordt een meisje, dat werkelijk haar onschuld, zoo in gedachten als in daden altijd rein bewaard heeft, niet rood; want een blos wordt opgewekt door een gevoel van schaamte; maar zij wordt bleek omdat zij een gewaarwording ondervindt van schrik.
Nicolette sprak geen woord, zij wierp geen blik op den on-beschaamden grijsaard, zij liet hem, wien iets van zulken aard nooit te voren ontmoet was, geheel verbaasd achter en verwijderde zich, als iemand, die door een onverhoedschen slag getroffen en suf en wezenloos geworden is; ja, zij was reeds de brug, die naar de Heerengracht leidt, genaderd, eer zij recht bij haar bezinning kwam: â toen drongen de tranen met onweerstaanbare kracht naar buiten en stroomden haar langs de wangen.
De kinderen, die de eendjes en de hun ontzegde choco-1 a a d j e s betreurden, zonder dat Mademoiselle, gelijk zij anders deed, met hen sprak, en die haar nu zagen schreien, begrepen wel, dat er iets buitengewoons plaats had, iets verschrikkelijks zeker, en begonnen ook, eerst zacht, toen luider te weenen: â tranen met tuiten â zoodat de voorbijgangers omkeken.
Dat een en ander bracht Nicolette van den weeromstuit aan 't bedaren. Zij schaamde zich de zwakheid die haar overmeesterd had, veegde snel haar oogen af, knipte de leste tranen, die naar buiten drongen, weg, bleef stilstaan, boog zich over het drietal heen, kuste de traantjes der kinderen van hun wangen weg, gaf hun allerlei lieve woordjes en zeide hun, dat zij immers zoet waren en dus niet behoefden te huilen. Toen vervolgde zij haar weg, weder met hen snappende en lachende als ware er niets gebeurd; maar, al was zij uiterlijk kalm geworden, van binnen bonsde 't nog in haar hart van ontroering
85
over den hoon haar aangedaan. Haar, een zedig en welopgevoed meisje, dat in hoogbeschaafde kringen verkeerd, en er altijd een kiesche behandeling genoten had â haar had men goud durven aanbieden! Was er dan iets in haar voorkomen, in haar houding, in haar gebaarden, in haar oogopslag geweest, dat zoo iets had kunnen wettigen of voor 't minst verschoonbaar maken? Zij had wel eens hooren zeggen, dat ook de meest verdorven man niet licht een vrouw beleedigen zal, wanneer deze er geen aanleiding toe heeft gegeven. Had zij dat gedaan? â Had zij niet genoeg voor haar zelve gewaakt? Wat zij ook daarover nadacht, en welke redenen tot zelfbeschuldiging zij zocht, 't was vruchteloos; zij kon ze niet vinden.
En inderdaad, zij bestonden ook niet, en alleen een in 't kwaad vergrijsde lichtmis als de Baron Van Tilbury, alleen iemand, die geen geloof wilde slaan aan vrouwendeugd, of die althans, naar de leer van Filippus van Macedonië, alles voor geld veil achtte, had zich omtrent Nicolette zoo grof kunnen vergissen.
Het was echter eerst later, toen Nicolette zich op haar kamer alleen bevond, dat zij het zelfonderzoek instelde, waarvan wij zooeven gewaagden; een tooneel, dat het onaangename van haar positie nog vermeerderen zot;, moest daaraan voorafgaan.
ELFDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
VAN DEN TEEFFENDEN INDRUK, DIEN DE MEDEDEELINGEN VAN NICOLETTE NOPENS HAAR ONTMOETING OP DEN HEER EN MEVROUW VAN ZIRIK MAAKTEN.
Toen Nicolette, thuis gekomen van haar wandeling, de kinderen, als naar gewoonte, bij hun ouders bracht, die aan 't déjeuner zaten, antwoordde Jeanne tot haar vader, op diens vraag, of zij zoet was geweest;
âJa, Jeanne is zoet geweest. Mademoiselle heeft het gezeid. En daarom moest ik ook niet huilen. Maar Mademoiselle is zeker niet zoet geweest; want die heeft wèl gehuild!quot;
âWat hoor ik. Mademoiselle! Is er iets, dat u verdriet heeft gedaan?quot; vroeg Van Zirik: âof heb je stof tot ontevredenheid?quot;
âOch!quot; zei Mevrouw, op een half beklagenden, half spot-tenden toon; âjonge meisjes schreien wel meer, zonder recht te weten waarom; maar,quot; voegde zij er op een toon van ernst bij; â't is altijd beter, dat te vermijden in 't bijzijn van kinderen.quot;
âMevrouw heeft gelijk,quot; zei Nicolette: âmaar wanneer ons een beleediging in hun bijzijn wordt aangedaan, is men niet altijd in staat, die te verkroppen, tot men alleen is.quot;
âEen beleediging!quot; herhaalde Van Zirik: âwat is er dan gebeurd ?quot;
Nicolette zweeg en wees met haar oogen op de kinderen.
87
âAha zoo! ik begrijp al. â Nu ja, breng ze dan eerst boven. Caroline zal dan wel zoolang op hen passen.quot;
âJe bent wel goed,quot; zeide, zoodra Nicolette weg was. Mevrouw Van Zirik tot haar man; â't zal wel niets te beduiden hebben. Deze of gene korporaal van de grenadiers misschien, die tegen haar gelachen heeft.quot;
âAls 't nog een generaal was,quot; zei Van Zirik.
âJe gooit er altijd laffigheden onder,quot; zei Mevrouw: âik hou niet van laffigheden.quot;
âIk ook niet,quot; zei haar onverbeterlijke gemaal; âen daarom zoek ik ze kwijt te raken. Maar a propos! Ik heb nog vergeten u iets te vertellen: weet je, wien ik gisteravond in de Sociëteit gesproken heb?quot;
âWelnu!quot;
âIemand, dien ik in geen vijftien of zestien jaar had gezien .... Occo Van Donia.quot;
âConnais pas,quot; zei Mevrouw.
âConnais pas, connais pas,quot; herhaalde Mijnheer wrevelig: âje kent ook geen mensch.quot;
âMaar hoe wil je dan, dat ik iemand ken, dien je vertelt, datje zelf, van voor ons trouwen, uit het oog verloren hebt?quot;
âWel! wat doet dat er toe?quot; vroeg Van Zirik: âDonia is een naam als Eylar, als Rengers, als Lynden, een van die namen, die men behoort te kennen. â En dan, Occo Van Donia is jaren lang in de Oost geweest.quot;
âJa, dan moest ik hem zeker kennen,quot; viel Mevrouw spijtig in.
âOch! je zoekt aardig te wezen en 't mislukt je,quot; zei Van Zirik.
âDat heb ik van niemand vreemds,quot; zei zijn vrouw.
âNu, wil je weten wat ik je te vertellen heb of wil je 't niet weten?quot;
âZal 't mij bijzonder interesseeren?quot;
âDat weet ik niet; mij in allen gevallen interesseert het zeer. Occo Van Donia is Raad van Indië geweest, de eerste naast den Gouverneur-Generaal .... en dus een persoon van gewicht.quot;
88
â'k Wil 't gelooven,quot; zei Mevrouw: âwij hebben eens bij Mevrouw Sleng met een Raad van Indië gedineerd, die verbazend veel gewicht had; hij woog wel driehonderd pond, zeide men.quot;
't Scheen dat de rollen veranderd waren, en dat het nu Mevrouw was, die aardigheden wilde slijten en er haar man mee ergeren.
âNu! Donia weegt zeker zooveel niet. Hij heeft nog hetzelfde flinke voorkomen als vanouds, alleen is hij wat door zijn haar gegroeid: â doch dat's nu 't zelfde. Ik herkende hem toch terstond. Ik had in de courant gelezen, dat hij op zijn terugreis was, en ik begon al ongerust te worden, dat hij niet kwam opdagen.quot;
âIk lees geen couranten,quot; zei Mevrouw, âbuiten de damescourant.quot;
Ieder weet, dat het gedeelte van de Haarlemmer, waar de advertentiën in staan, zoo genoemd werd.
âMaar,quot; vervolgde Van Zirik: âdaar is hij gistermorgen eensklaps uit de lucht komen vallen. En van waar denk je dat hij kwam?quot;
âJe zeidet immers uit Indie.quot;
âNu ja, maar 't laatst?quot;
âUit de lucht dan. 't Zijn je eigen woorden. Misschien met een ballon.quot;
âNu, als je 't niet raden wilt: â uit Parijs; hij had binnen door gereisd, over Hindostan, Arabië, Egypte, weet ik het? Een prachtige reis '). En nog heeft hij die veel bekort; want hij had zich eerst nog in Klein-Azië en Turkije willen ophouden. â Maar onderweg bekroop hem het heimwee.quot;
âDat kan ik begrijpen,quot; zei Mevrouw, geeuwende; want al die bijzonderheden boezemden haar geen belang hoegenaamd in.
âJa â en nu is hij hier in Den Haag. Hij wacht maar? dat de Koning hier is, om een audiëntie te hebben, en dan gaat hij naar Friesland, waar hij thuis hoort: hij was in de Witte Sociëteit: hij herkende mij terstond: nu, ik hem ook,
'J Van de reis met de mail was toen nog geen spraak.
89
als ik reeds zei, al zag hij er wat verbrand uit: je weet, wij waren groote vrienden aan de academie, en in 't zelfde gezelschap te zamen, âde Dorstige Pleïaden.quot; Hij zal nu wel
spoedig lid van de Kamer worden, misschien wel Minister____
hij kan worden wat hij wil.quot;
Hier werd Mevrouw plotseling aandachtig en keek op.
Een Eaad van Indië, dat sprak weinig tot haar verbeelding: â maar een Minister! dat had meer gewicht bij haar.
âWelnu!quot; zeide zij: âindien hij dan een oud vriend van u is, had je hem ten eten moeten vragen.quot;
âEn dat heb ik gedaan. Gelukkig dat ik hem gisteren heb ontmoet; vandaag zou ik stellig achter 't net gevischt hebben; want hij was al bijna voor de gansche week verzeid. â Vandaag bij zijn landgenoot Ripperda, morgen bij den Graaf Van W., overmorgen bij den Minister van Koloniën, Zaterdag bij dien van Buitenlandsche Zaken: hij had alleen den Vrijdag open, en dien heeft hij mij gegeven.quot;
Mevrouw knikte goedkeurend; het was haar niet onverschillig, jegens iemand gastvrijheid uit te oefenen, tusschen twee ministers en een Graaf in.
âEn wie zullen wij er bij vragen?quot; vroeg zij toen.
âIk heb nog een Oosterling genoodigd,quot; zei Van Zirik: âeen oud heer, zekeren Flinck. Hij was ook in de Sociëteit, en Donia scheen hem te kennen: ânu, dat's geen wonder: al die Oosterlingen kennen elkander.quot;
âHeel goed, maar ik verlang geen diner uitsluitend van Oosterlingen. Indien wij de Eolrodes vroegen?quot;
âFlauw volk! weinig saillant,quot; zei Van Zirik: âmaar passé.quot;
âEn Looshert met zijn zusters: die is toch referendaris.quot;
,,'t Is wat schoons!quot;
âNu, Graven kan ik hem voor 't moment niet bezorgen,quot; zei Mevrouw.
âMaar wel een Baron: â wij zouden Tilbury kunnen noodigen. â Binnen!quot; Dit laatste woord gold iemand, die buiten stond en aan de deur tikte.
90
âJa, dat's waar. Wij kunnen Tilbury vragen; ja, Tilbury!quot;
Op dit oogenblik was Nicolette weder binnengekomen. Zij verbleekte nogmaals, nu de toevallige samenloop der dingen haar juist de laatste woorden van Mevrouw en den gehaten naam van Tilbury deed hooren.
âWel! wat is het nu, dat u overkomen is?quot; vroeg Van Zirik.
Nicolette stond verlegen. Zij was beneden gekomen met het bepaalde opzet om zich over den Baron te beklagen, en nu hoorde zij, dat hij ten eten genoodigd werd. Levendiger dan te voren kwam haar de bedenking voor den geest; âdie man, dien gij beschuldigen gaat, is een huisvriend: â zal de Heer Van Zirik het tegen hem opnemen? Zal hij zich ter liefde van u, met hem willen brouilleer en? â Zal hij, zoo hij al den Baron over de zaak onderhoudt, en deze eens loochent, niet meer geloof slaan aan diens woorden dan aan de uwe, of althans niet veinzen, zoo te doen?quot; â Al deze overwegingen kwamen zich in haar brein verdringen, en waren oorzaak, dat zij een wijl als sprakeloos tegenover het echtpaar staan bleef.
âWelnu?quot; herhaalde Van Zirik.
âWij hebben nog iets af te handelen, Mijnheer en ik,quot; zei Mevrouw: âgij zult ons verplichten, het kort te maken.quot;
De toon, waarop dit gezegd werd, was even weinig bemoedigend als de woorden. Een en ander ging Nicolette als een vlijm door het hart en zij kon de tranen niet weerhouden, die opnieuw bij haar oprezen.
Van Zirik begon medelijden met haar te krijgen. Zijn hart was in den grond niet kwaad en hij kon 't zich niet verbloemen, dat hij, eenmaal de dwaasheid begaan hebbende, Nicolette tot pleegkind aan te nemen, er de gevolgen van moest ondergaan: âkom!quot; zeide hij, op een toon van medelijden, en deze reis zich niet in 't Fransch, maar in 't Hol-landsch, uitdrukkende â een en ander bestemd en geschikt om den indruk weg te nemen, dien de hardheid zijner vrouw op Nicolette gemaakt had, â âschrei niet, mijn kind! ga zitten
91
en vertel eens, wat er is, dat u dus van streek heeft gemaakt.quot;
Deze toespraak deed de verlangde uitwerking: Nicolette zag Van Zirik aan met een blik, zoo vol erkentelijkheid over zijn welwillende woorden, dat hij zich aangedaan gevoelde, ja eenigszins beschaamd, bij het besef, hoe weinig lief hij tot nog toe voor haar geweest was: doch juist door dat zij hem aanzag, bemerkte zij gelukkig het scheeve gezicht niet, dat Mevrouw trok, bij die, volgens haar, ongepaste voorkomendheid van haar man: zij nam een stoel, ging zitten en vatte weer moed. Zij herinnerde zich, dat, zoo zij al om haar zelfs wille had kunnen zwijgen, zij spreken moest, omdat het ook de kinderen gold. Zij hoopte echter een middel gevonden te hebben, waardoor alle onaangenaamheden voor Van Zirik voorkomen werden: dit was, den beleediger niet te noemen.
âMijnheer!quot; zeide zij: âik ben misschien dwaas, mij de zaak zoo aan te trekken; maar Mijnheer moet denken, dat ik hier in Den Haag vreemd en onervaren ben, dat er een zware verantwoordelijkheid op mij rust, en dat, wanneer ik buiten mijn schuld belemmerd word in het vervullen van mijn plicht, dit mij geheel in de war moet maken. Ik heb nu al een en andermaal in 't Bosch een oud heer ontmoet, die aan de kinderen lekkers aanbiedt, en hen naar de eendjes troont, en zeer onbescheiden is.quot;
âWelnu! dan keer je hem den rug toe en gaat uws weegs,quot; zei Mevrouw.
âDat heb ik telken reize gedaan,quot; hernam Nicolette: âen reeds de eerste reis had hij moeten begrijpen, dat zijn onbescheidenheid mij lastig was: â Mevrouw gevoelt dat ik niets liever zou wenschen, dan hem te ontwijken; doch met drie kinderen bij mij is mij dit niet mogelijk: en hem het spoor bijster te maken door een andere dan de gewone wandeling te doen, gaat evenmin; want ik ben met den weg niet bekend en zou verdwaald raken.quot;
âMaar loopen er dan geen dienders') in 't Bosch om op
') Die men heden ten dage âagentenquot; noemt.
92
zulke dingen te passen?quot; riep Mevrouw uit: âwat! een onbekend persoon durft mijn kinderen aanspreken.quot;
âHij zal u toch niet willen opeten, als de Reus uit Klein Duimpje,quot; zei Van Zirik: âmij dunkt, hij moet iets meer gedaan hebben, om u dus tot schreiens toe bewogen te hebben.quot;
âDat heeft hij,quot; zei Mcolette, de oogen neerslaande: âhij heeft.... hij heeft mij dingen gezegd .... die ik niet verstaan heb, die ik niet onthouden heb: â en hij is geëindigd met mij . . ..quot;
âMet u ook ulevellen aan te bieden?quot; viel Van Zirik in: âo, die guit!quot;
âNeen .... dat niet,quot; hernam Mcolette: âgouden tientjes____
aan mij!quot; en haar stem was heesch van verontwaardiging en toorn.
âInderdaad! dat wordt ernstiger,quot; zei Van Zirik: âdaar dient orde op gesteld. â Wacht! â indien je in 't vervolg een half uur vroeger uitgingt, dan zou ik Rostan kunnen verzoeken, tegen dienzelfdon tijd met Charles te gaan wandelen, en 't oog op u te houden.quot;
âWaar denk je om. Van Zirik?quot; vroeg Mevrouw: âte tien uren heeft Charles immers teekenles: en bovendien .... dat kan niet.... dat zou onvoegzaam zijn.quot;
âWil ik Filip dan meegeven?quot;
Nicolette kreeg een schrik: zij herinnerde zich den gemeen-zamen toon van Filip jegens haar â een toon, dien ik met leedwezen zeggen moet, dat er sedert dien tijd niet op gebeterd was, en zij oordeelde het geneesmiddel bijna zoo erg als de kwaal.
âEn wie zal dan het werk van Filip doen in zijn afwezigheid?quot; vroeg Mevrouw.
âJe begeert toch niet, dat ik meega?quot; vroeg Van Zirik: âen het déjeuner verloop of verschik? â En al deed ik dat nu een paar keer, die vent zou zijn slag weer waarnemen als ik er niet was. Misschien zou 't best zijn, Emilie! dat wij terugkwamen op uw eerste denkbeeld, en dat ik mij eenvoudig tot de politie wendde, en haar opdroeg te zorgen, dien onbeschaamden vlegel voortaan een anderen weg te doen
93
opkuieren. Maar dan dien ik zijn signalement op te geven. Hoe zag hij er zoo omtrent uit, Mademoiselle?quot;
âVergeef mij ... . ik zou niet willen.... ik zou niet durvenquot; .... stotterde Nicolette, die, op de woorden politie en dienders, zich reeds in verbeelding een opschudding, een gevangenis, een getuigenverhoor voor een rechtbank, een publiek schandaal, en de Hemel weet wat al meer verschrikkelijke dingen voor den geest haalde.
âMaar het is toch noodig,quot; hernam Van Zirik: âje beklaagt je, en met recht; maar dan moet je ook niet terugdeinzen voor de gevolgen.quot;
âJa, Mijnheer heeft gelijk; maar het zou mij moeite kosten, om .. . .quot;
âToch niet om hem te beschrijven? iemand, die u herhaaldelijk aangeklampt en 't lastig gemaakt heeft? Je zult toch weten, of zijn haar grijs of zwart is, of hij een blauwen of een bruinen rok, of hij al of niet een bril draagt, en wat dies meer zij.quot;
âZie Mijnheer!quot; zei Nicolette, die, in haar laatste verschansing teruggedrongen, geen kans zag, den naam meer te verzwijgen: âik had u liever den heer, over wien ik mij te beklagen had, niet willen noemen; want hij is een goede bekende van u, en ik zou niet begeeren dat Mijnheer om mijnentwille onaangenaamheden met hem had. Misschien doe ik verkeerd, mij de zaak zoo aan te trekken. Ik ben maar een in ondergeschikte betrekking, en tegen zoodanig eene veroorlooft iemand van geboorte zich allicht vrijheden, die hij tegenover zijns gelijke niet nemen zou. Ik zou waarschijnlijk niet eens van de zaak gesproken hebben, als 't mij alleen gold: maa.r als ik uit ben met de kinderen, mag ik niet gedoogen, dat men mij aanspreekt en mij verhindert behoorlijk toezicht over hen te houden, en . . . .quot;
âZeer waar! zeer waar!quot; riep Van Zirik: âmaar tot de zaak! Wie is het?quot;
âHet is die oude heer, die den dag na mijn komst hier ontbeten heeft.quot;
94
âTilbury!quot; riep Van Zirik lachende uit: âik vermeende het al! die oude Suzanna-boef.quot;
âFoei! dat is walgelijk!quot; zei Mevrouw, en toen, als had zij berouw over haar uitroep: âmaar, wel beschouwd, hij is altijd lief tegen de kinderen, en dat hij ze toespreekt op de wandeling, daar steekt zooveel kwaad niet in.quot;
âNeen!quot; zei Van Zirik: âmaar de gouden tientjes?quot;
âNu ja!quot; hernam Mevrouw: âmaar wat heeft hij precies gezegd? Daar komt het op aan.quot;
Mcolette gaf een kort verslag van wat bij de laatste ontmoeting gebeurd was.
âZoo!quot; zei Mevrouw: ânu, dan is 't immers niet bewezen, dat hij kwade bedoelingen had. Hij kan immers dat goud toevallig en bij distractie bij het lekkers gedaan hebben, en, zonder het zelf te weten, het papieren zakje aan Mademoiselle hebben toegestoken. Dat hij wat complimentjes gemaakt heeft, dat is zoo zijn manier .... dat bewijst ook niets.quot;
Mcolette vond, dat een en ander, in verband met hetgeen voorafgegaan was en met de blikken van den ouden wellusteling, al heel veel bewees; doch zij maakte geen aanmerking: het zou haar niet mogelijk geweest zijn, uit te weiden over bijzonderheden als die er waren voorgevallen.
âNu!quot; zei Van Zirik: âwat er ook van zij, wees maar gerust. Mademoiselle! Ik zal wel zorg dragen, dat je geen last meer van onzen vriend hebt.quot;
âIk zal u veel verplichting hebben,quot; zei Nicolette, en, begrijpend, dat dit een afscheid was, rees zij op, neeg en vertrok.
âDat is een kink in de kabel!quot; zei Van Zirik, toen zij weg was.
âGekheid!quot; riep Mevrouw: âik ben overtuigd, dat de zaak niets beteekent en alles pure verbeelding is van die nuf.quot;
âTut! tut!quot; zei Van Zirik: âdie ouwe quibus is er niets te goed toe. Of heb je niet opgemerkt, toen hij laatst hier was, hoe hij haar aankeek met oogen als een schelvisch, die op 't strand ligt? hoe hij bij ons vischte, om te weten waar zij vandaan kwam?quot;
95
âDat is mogelijk: maar wij kunnen hem toch geen scène gaan maken, omdat hij douceurs aan onze bonne vertelt.quot;
âEen scène maken, neen! â maar ik heb een machtigen trek, hem een briefje te schrijven, waarbij ik hem verzoek, nimmer meer een voet bij ons over den drempel te zetten.quot;
âDroom je nu heelemaal. Van Zirik? Een man van zijn stand!quot;
âReden te meer voor hem om zich ordentelijk te gedragen.quot;
âEn zonder verder onderzoek? â Die meid kan wel bepaalde redenen gehad hebben, om de zaak zwarter voor te stellen dan zij is. Misschien heeft zij hem wel 't eerst aangehaald en is zij niet geslaagd in haar oogmerk, en zoekt zij dat nu op hem te wreken.quot;
âIk moet bekennen, dat je al zeer kostelijke gedachten hebt.... aangaande Tilbury,quot; zei Van Zirik.
âIndien wij hem nu niet noodigen,quot; zei Mevrouw, âdan zal hij vermoeden, uit wat hoek de wind waait, en dat wij om Nicolette met hem breken willen. En ik zou toch wel gaarne zien, dat hij Vrijdag ook hier kwam eten. Die Mijnheer Van Donia zou anders denken, dat wij niemand van geboorte aan onzen disch konden krijgen. En Tilbury is toch Baron, en van ouden adel.quot;
âEen mooi staaltje van den adel, dat je daar aan Donia wilt voorstellen,quot; zei Van Zirik, de schouders ophalende: âeen Baron, die door zijn eigen kliek verschopt is.quot;
âOch! maar dat kan iemand, die uit de Oost komt, niet weten. Hoor eens, Van Zirik! ik ben bang, dat, als jij zelf onzen vriend onderhanden neemt over het voorgevallene, het aanleiding zal geven tot schandaal. Daarom, laat mij daarvoor zorgen. Ik zal het wel zoo weten aan te leggen, dat hij Mademoiselle niet meer lastig valt, en toch op een goeden voet met ons blijft.quot;
âInderdaad?quot; vroeg Van Zirik: ânu!quot; ging hij voort, na een poosje te hebben nagedacht, en daarbij overwogen, dat hij zelf in den grond wel wenschte het geval zonder opschudding uit de wereld te hebben: âik heb er vrede mee: â ga je gang.quot;
96
âJe geeft mij dus carte blanche?quot;
Van Zirik knikte toestemmend.
âMaar nu, om op ons chapitre terug te komen: â zal ik de invitaties rondzenden?quot;
âNatuurlijk.quot;
âEn moet die Mijnheer Van Donia er ook nog eene hebben?quot;
â't Is niet noodig; want hij heeft mij zijn woord gegeven; maar 't kan geen kwaad misschien: â hij logeert in 't Keizershof.quot;
â't Is goed, dat het je weer te binnen geschoten is, dat je hem verzocht hadt,quot; zei Mevrouw.
âJa, en weet je waardoor? door het binnenkomen van Nicolette.quot;
âWat zeg je? Wat heeft Mademoiselle daarmee temaken?quot;
âIk zeg, âvan Nicolette:quot; hij is een van mijn collega's pleegvaders over haar.quot;
âWaarlijk? â Hij! â wat je zegt,quot; hernam Mevrouw, en zat na te denken.
âJa, en hij heeft mij al naar haar gevraagd ook.quot;
âJe hebt hem toch niet gezegd, dat zij bij ons aan huis woonde?quot;
âEn waarom niet? â Is dat dan een geheim ? of een schande?quot;
âBegrijp je dan niet, dat hij haar zal willen zien?quot;
âNatuurlijk zal hij dat. â Zij zal hier komen, of ik zal haar bij hem sturen, net zooals hij dat verlangt.quot;
âMaar als zij hem dan vertelt, dat zij hier .... zooveel als kindermeid is.quot;
âDan zal zij hem de waarheid vertellen.quot; zei Van Zirik: âen ik wenschte van harte, dat het niet zoo ware.quot;
âJa, ik heb haar niet hier in huis gehaald,quot; merkte Mevrouw aan.
âIndien wij haar Vrijdag, zonder consequentie voor 't vervolg, met ons lieten eten,quot; zei Van Zirik.
âWelzeker! En de kinderen ook? En monsieur Rostan ook? En Charles ook ?quot; â zei Mevrouw op een toon van bittere spotternij: âwat! wij hebben dat ingebeelde schepsel pas op
haar plaats gezet en wij zouden alles weer gaan verbroddelen? Dat In eeuwigheid niet. Maar laat dat ook maar aan mij over; â ik zal dat wel beredderen.quot;
âIk hoop het,quot; zei Van Zirik, terwijl hij de schouders ophaalde en kort daarna het vertrek verliet. Zoodra Mevrouw alleen was, haastte zij zich naar haar kamer, zette zich aan haar schrijftafel en bewees haren aanleg voor diplomatieke onderhandelingen door het schrijven van een briefje, 't welk wij hier vertaald laten volgen, te meer, dewijl het Fransch van Mw. Van Zirik, wat spelling en stijl betrof, nog wel wat te wenschen overliet.
âMijn waarde Baron!
âWat zijn de menschen heden ten dage boosaardig. Verbeeld u, dat ik mij daar een bezoek krijg van een der dier lieden, die hun tijd doorbrengen met eens anders daden te bespieden, en die mij vertelt, dat gij 's morgens in 't Bosch met mijn kinderen stoeit, en zelfs hun bonne niet met vrede laat. Ik sla aan zulke praatjes geen geloof: maar men kan in dergelijke dingen niet te voorzichtig wezen, en ik heb maar gedacht, dat het best was, u terstond over te brengen wat men vertelt, dan kunt gij de noodige voorzorgen nemen. Gij zult mijn vrijmoedigheid niet kwalijk nemen en dit wel willen bewijzen door aanstaanden Vrijdag onzen disch met uwe tegenwoordigheid te vereeren. Wij eten te vijf uren. In de hoop, u frisch en jeugdig als altijd, bij ons te zien, noem ik mij, waarde Baron,
âUw onderdanige dienaresse âEmilie Van Zirik geb. Klimmerblad.quot;
Men heeft gezien, dat Mw. Van Zirik er op gesteld was, den Baron, ondanks het gebeurde, tot gastvriend te behouden, 't Was echter niet alleen om zijn titel. De Baron was een levend register van alle schandalen, die, sedert een halve eeuw, en langer nog, in de Haagsche wereld hadden plaats gehad,
iii. - k. z. 7
98
en er was geen familie in de Residentie, waarvan hij niet het een of ander wist te vertellen, dat er een vlek op wierp. Nu worden dergelijke mededeelingen door niemand gretiger opgevangen dan door de zoodanigen, die zeiven zich iets te verwijten hebben en die in de zwakheden en overtredingen van anderen een reden van verklaring en verschooning voor de hunne vinden, ja niet zelden door de balken, die hun in de oogen van anderen worden aangewezen, met den balk in hun eigen oog te vergelijken, dezen laatsten tot een zeer onbeduidend splintertje verminderd achten. Mevrouw Van Zirik maakte gaarne vergelijkingen van dien aard, en de verhalen, die de oude Sater deed, schonken haar overvloedig daartoe de gelegenheid. Hij was haar uit dien hoofde een te nuttig meubel om er zich van te ontdoen. â Daarbij was hij altijd vol vleiende complimentjes en flikflooierijen, en Mw. Van Zirik werd gaarne gevleid en geflikflooid, al was het door een meer dan zestigjarigen aanbidder. Ja, indien zij den bodem van haar hart had gepeild, dan had zij bevonden, dat zijn gedrag jegens Nicolette haar niet zoozeer ergerde om de zaak zelve, als wel omdat een hulde, die zij begreep, dat alleen aan haar toekwam, aan een andere gebracht werd. Hier was nieuwe stof tot jaloezie en spijt: en meer dan ooit werd zij op het onschuldige voorwerp daarvan verbitterd.
Haar briefje aan den Baron geschreven en dichtgemaakt hebbende, vulde zij de gedrukte uitnoodigingskaartjes in voorde overige personen, die op Vrijdag haar gasten wezen moesten, en gaf ze aan Pilip ter bezorging. Van allen kwam gunstig antwoord; meest mondeling. De Baron echter, een briefje hebbende ontvangen, diende wel met een briefje te antwoorden, en dit deed hij ook. Hij schreef daarin, dat hij over den laster, die tegen hem uitgestrooid was, wel bedroefd, maar niet verwonderd zijn kon. Ieder wist dat hij op niets zooveel prijs stelde als op de gunst van Mw. Van Zirik: ieder benijdde hem de welwillendheid, die zij hem betoonde en zoo was het natuurlijk, dat men elk middel aannam om hem die te doen verliezen. Zoo had men van de ontmoeting in 't Bosch
99
en aan zijn woordenwisseling met kinderen, die hij liefhad omdat zij de hare waren, een booze uitlegging weten te geven. Hij was bereid, te zweren, dat hij niets gedaan, gezegd of zelfs gedacht had, in strijd met den eerbied, dien hij aan Mw. Van Zirik en aan al wat haar toekwam verschuldigd was.
âHad men,quot; zoo eindigde hij, met een drieste en aan haar tot wie de brief gericht was toch niet ongevallige onbeschaamdheid, âhad men mij beschuldigd, niet, dat ik het hart van uw bonne, maar dat ik het uwe wenschte te veroveren, dan zou die beschuldiging geen laster, maar waarheid behelsd hebben. Gelukkiger sterveling zal er dus ook niet zijn, dan op aanstaanden Vrijdag hij, dien gij alsdan tot u roept, en die geen schooner eeretitel voor zich weet uit te vinden dan dat hij zich noemen mag.
âUw gehoorzamen slaaf âTilbury.quot;
In hoeverre de Baron begreep, door wie Mw. Van Zirik van het gebeurde in 't Bosch kennis droeg, zeker is 't, dat hij zich voor gewaarschuwd hield en vooreerst zijn ochtendwandelingen staakte. Misschien ook had Mcolettes bejegening hem afgeschrikt. In hoeverre hij daarom alle hoop van die zijde opgaf zal het vervolg leeren.
TWEEDE HOOFDSTUK,
waarin nicolette ben nieuwen vrijer krijgt.
Eeeds meer dan acht dagen waren sedert het vertrek van Mientje verstreken, en nog kwam de nieuwe kindermeid niet opdagen: een paar keeren had Nicolette, nu eens aan Caroline, dan weder aan Naatje gevraagd, of zij ook dienaangaande iets vernomen had; beiden hadden geantwoord, de eerste met denzelfden spotachtigen glimlach als vroeger, de laatste met
100
een meewarig hoofdschudden; welk een en ander niet weinig toebracht, om bij Nicolette een duister vermoeden te doen ontstaan, dat de nieuwe kindermeid niet meer dan een mythe was, een bloot verdichtsel van Mw. Van Zirik, en dat, naar het vooruitberaamde plan van deze, het verdubbelen der taak, aan haar, Nicolette, opgedragen, wel in naam tijdelijk maar inderdaad blijvend zijn zou. Dit was, dat gevoelde zij, een noch eerlijke noch oprechte behandeling: dit was een misbruik maken van haar afhankelijke positie: dit was, om 't met het ware woord te noemen, misleiding en schennis der goede trouw.
Met dat al, Nicolette had nog geen zekerheid, dat haar vermoeden gegrond was, en zoolang zij die niet had, wilde zij haar dan ook niet beschuldigen, veelmin, 't zij hare vrienden te Hardestein, 't zij hare vriendin Louise met klachten lastig vallen; ook had zij tot het voeren van eenige correspondentie hoe langer hoe minder gelegenheid; want Mw. Van Zirik, zeker bevreesd, dat Nicolette met haar leege oogenblikken geen weg zou weten, had haar op een mooien dag een halve baliemand doen brengen met japonnen en andere kleeding-stukken, die herstelling behoefden, en het vriendelijk verzoek er bijgevoegd, dien rommel eens na te zien en het defecte weder in bruikbaren staat te brengen. Zij was alzoo nu ook linnenmeid of althans naaister geworden, en zij begon zich zelve af te vragen, of zij ook niet t'avond of morgen zou worden uitgenoodigd, een pudding of ragout te helpen maken, eenden te plukken of aardappelen te schillen, 't Is waar, wanneer de kinderen naar bed waren, en zij zich aan den arbeid gezet had, kwam Caroline haar doorgaans wat helpen en bleef dan niet zelden den geheelen avond tegenover haar gezeten; een vriendelijkheid, die haar den weinigen vrijen tijd ontnam, die haar overschoot; en die zij toch den moed niet had af te wijzen. Weinig droomde zij, wat de kamenier zelve zeer goed begreep, dat Mevrouw alleen daarom Caroline tot die hulpvaardigheid had aangespoord, om zeker te zijn, dat, al waren de kinderen naar bed, er altijd iemand zou wezen, om de handelingen van Nicolette te controleeren.
101
Doch er was nog iemand, die de list van Mevrouw doorzag, te eerder, omdat zij inderdaad tegen hem zeiven gebruikt werd, en dat was monsieur Rostan. Al ware hij minder verliefd van cornplexie geweest, en al had Nicolette niet reeds bij hun eerste ontmoeting een diepen indruk op hem gemaakt, dan toch zou hij naar haar gunst gestreefd hebben alleen uit den allen menschen ingeschapen trek naar 't verbodene. Nicolette was een schat, dien 't hem ontzegd en belet werd te naderen: reden genoeg om dien te begeeren. 't Was dan ook, naar zijn oordeel, een kwelling als die van ïantalus, welke hij onderging; in 't zelfde huis, op dezelfde verdieping, den dag moeten doorbrengen met een bevallig jong meisje, van 't welk men maar door twee deuren en een portaal gescheiden is, en haar niet te mogen zien dan nu en dan op de trap, waar 't bijzijn van een enfant terrible alle woordenwisseling uitsluit en alleen die van een koelen groet gedoogt! â Doch dat kon zoo niet blijven. Zijn eer, dacht hij, was er mede gemoeid. Dat hij nu reeds vier weken had laten verloopen zonder het eene of andere middel te beproeven, 't welk eenige verandering in dien staat van zaken bracht, was alleen daaraan toe te schrijven, dat hij niets wilde bederven door onvoorzichtigheid. De gunst, welke zijn verliefde beschermster hem bewees, en de mildheid, waarmede zij hem steeds bijsprong als hij schulden had of schulden veinsde, waren hem te veel waard, dan dat hij die roekeloos zou hebben willen verbeuren. Hij moest dus omzichtig handelen en daartoe in de eerste plaats alle achterdocht bij Mw. Van Zirik, zoo niet verdrijven, dan voor 't minst in slaap sussen, vervolgens wachten op een gelegenheid, die zich t'avond of morgen, misschien op 't onvoorzienst, toch wel eenmaal zou voordoen, om Nicolette onbemerkt te spreken te krijgen, en alsdan niet verzuimen zich daarvan te bedienen. De mogelijkheid, dat, behalve de jaloezie van Mevrouw, ook de tegenzin, de onverschilligheid of het plichtgevoel van het meisje zelf een hinderpaal tegen de vervulling zijner wenschen zou kunnen zijn, kwam niet bij hem op. Hij had, als reeds gezegd is, een grooten dunk van zijn persoon en een zeer
102
kleinen van de deugd der vrouwen in 't algemeen. Wat nu nog in 't bijzonder bij Mcolette in zijn voordeel werken moest, was, vooreerst, zekere spijt, die zij ongetwijfeld zou gevoelen over de koelheid, waarmede hij haar behandelde, een spijt, gevolgd door blijde verrassing, bij 't bespeuren, dat die koelheid alleen in schijn bestond: ten andere, de verveling, die haar ongetwijfeld kwelde, en de behoefte, die daaruit moest ontstaan zijn aan verstrooiing, aan gezellig onderhoud met iemand anders dan met kinderen en dienstmeiden (vooral wanneer die iemand een knap, geestig en beminnelijk jonkman was), en, ten derde, dankbaarheid jegens hem, die alleen misschien in huis zich harer aantrok.
Het denkbeeld was een oogenblik bij hem opgekomen, of hij Mcolette ook een briefje in de hand zou spelen. Doch na rijp beraad verwierp hij het, als onzinnig. Het uitgeleende boek had alreeds gestrekt om tegen hem te getuigen; â hoeveel te meer zou een briefje het kunnen doen! Neen! neen! litera scripta manet ') was een spreuk, die geen verstandig man moest vergeten, en de staatsman was wijs, die tot gewoonte had, nimmer een briefje te schrijven en nimmer een brief te verbranden.
Hij had er ook over gedacht of hij haar een ruiker zou doen geworden. Nicolette was jong, zij kwam van het land, zij hield ongetwijfeld van bloemen. â Maar bij nader inzicht liet hij ook de gedachte aan dit verleidingsmiddel varen, als misschien nog meer gewaagd dan het zenden van een brief. Een brief, mits de inhoud welgevallig ware, zou Nicolette kunnen verbergen, desnoods vernietigen: een ruiker heeft geen waarde, heeft geen zin, wanneer hij verstopt moet worden: een brief rust onzichtbaar op het hart, achter het kleed of in een gesloten doos: een ruiker moet, zichtbaar, boven het kleed of in glas, op de meest in 't oog vallende plaats prijken : een brief komt niet dan door onvoorzichtigheid of onbescheidenheid onder de oogen van vreemden: een ruiker schijnt
') Geaohreven schrift blijft.
103
aan al wie gaat en komt toe te roepen: âhier ben ik! kom tot mij! bezie mij, hoe ik schitter; geniet mijn welriekende geuren: buig u over mij heen: bewonder mij.quot;
Hij had dus, gelijk wij zeiden, niets gedaan, en zich bepaald, een gunstige gelegenheid af te wachten, en die deed zich dan ook eindelijk eens voor.
't Was op een Donderdag: den dag voor dien, waarop 't reeds besproken dine r zou _ plaats hebben. Charles was ge-noodigd, een uurtje te komen spelen bij een knaap van zyn leeftijd: Rostan had hem daarheen gebracht en was vervolgens weer thuis gekomen. De trap opgaande, hoorde hij, dat in de achterkamer op de piano gespeeld en daarbij gezongen werd: het was, zeide hem zijn geoefend oor, niet het getjangel van «en kind, 't was een bekwamer hand, die dat geluid voortbracht: noch Emilie, noch Jeanne zongen aria's uit Meijerbeer, en bovendien, de drie kinderen waren, gelijk hij wist, met hun moeder uit rijden; de musicienne kon dus niemand dan Nicolette zijn: hij ging, behoedzaam op de punten van de voeten loopende, naar achteren: hij zag rond: geen dienstbode in de buurt: de kust scheen veilig: de deur der kamer stond open en hij trad binnen.
't Was werkelijk Nicolette, die, na het vertrek der kinderen, haar toevlucht daarheen gezocht had, omdat de kinderkamer âgedaanquot; werd en de leerkamer vol stond met van de hand gezette meubelen. Zij had de piano opengeslagen, er zich voor neergezet en de vingers over 't klavier laten dwalen, 't Was, als gezegd is, geen Pleyel of Erard; maar toch, de stemmer was er juist dien morgen geweest, en men kon het instrument bespelen zonder al te oorverscheurende noten voort te brengen. Zij was met haar gedachten ver, zeer ver van de plaats waar zij zich bevond, ver van Den Haag, zij wist zelve niet waar: die gedachten volgden een beeltenis, en een beeltenis is overal of nergens. In den beginne speelde zij werktuiglijk, onbewust wat; doch 't waren klanken van weemoed, op muziek gezette tranen. Eindelijk bemerkte zij dit zelve en schaamde zich hare zwakheid. âIk moet mij niet zoo laten gaan,quot; dacht zij:
104
âik moet verstandig zijn. van de gelegenheid gebruik maken, en eens onderzoeken, of ik wat ik kende nog niet verleerd heb.quot; Maar van hetgeen zij kende koos zij niet het vroolijkste: zij koos de aria van grace uit Robert en het was onder het uitvoeren van dit stuk, dat Rostan haar verraste. Haar eigen stem en spel hadden haar verhinderd, hem te hooren naderen, en hij, dit bemerkende, sloop zonder gerucht te maken, voorwaarts, hield den adem in en wachtte tot het lied was uitgezongen. Toen, oordeelende, dat, om aan Nicolette te behagen, hij niet beginnen moest met haar aan 't schrikken te maken, deed hij een paar stappen terug en kuchte, als om haar aandacht te wekken.
Hoe bescheiden ook dit gerucht was dat hij maakte, zij was toch verrast en kon een kleinen gil niet bedwingen. Zij keek om en zag Rostan aan de deur staan in een onderdanige houding.
âIk waande mij alleen,quot; zeide zij.
âIk zou wanhopend zijn, indien ik u schrik had aangejaagd,quot; zeide hij, âmaar, wanneer men een stem heeft als de uwe, dan kan men die niet ongestraft doen hooren; en wil men dan alleen blijven, dan dient men in een woestijn te gaan zingen, ofschoon men dan nog, als wijlen Orpheus, gevaar loopt, de wilde dieren om zich heen te lokken.quot;
âIk dacht, dat iedereen uit was en dat ik mij zoogoed als in een woestijn bevond.quot;
âIk was zooeven thuis gekomen en in 't naar boven gaan trof mij uwe stem; en dewijl ik een hartstochtelijk minnaar van de muziek ben, was het, geloof ik, verschoonbaar, zoo ik mij hierheen begaf. â Gij zijt er toch niet boos om?quot; vroeg hij, op den deemoedigen toon van een kind, dat excuus vraagt.
âVolstrekt niet,quot; antwoordde zij, lachende: âen ik geloof, dat ik in uw plaats hetzelfde zou gedaan hebben. quot;Wanneer ik muziek hoor, dan is het, alsof ik er met een kabel naar toe getrokken word: ik zou, geloof ik, ook overboord springen als er Sirenen om het schip zongen.quot;
âIk ben u dan dubbelen dank schuldig: eerst voor den zang
105
waarop gij mij onthaald hebt, en daarna voor de verschoonende wijze, waarop gij mijn onbescheidenheid opneemt.quot;
âDoet gij zelf iets aan de muziek?quot; vroeg Nicolette, die te onschuldig en te weinig ergdenkend was, om zich tegenover een huisgenoot niet op haar gemak te gevoelen.
âHelaas!quot; antwoordde hij: âhet eenige instrument, dat ik in mijn leven bespeeld heb, is het draaiorgel.quot;
âMaar gij zingt dan toch?quot;
Rostan was eenigszins verrast geweest door Nicolettes ongedwongenheid tegenover hem. Hij had gerekend, dat zij verlegenheid zou getoond hebben, en daarop zijn tactiek gebouwd: volgens deze zou hij, na eerst den toon van deemoed te hebben aangeslagen, daaruit zijn overgeslagen in dien van weemoed â dat scheelde maar eene letter â ten einde haar eerst welwillend, vervolgens weekhartig te stemmen, op haar zenuwgestel te werken en de gevoeligste snaren bij haar aan te roeren; maar daarbij had hij gerekend, dat hij haar in een gedrukte, sombere, eenigszins vijandige stemming zou aantreffen: â en ziet! nu gebeurde het, dat zij volstrekt niet verlegen was; ook niet al te vrij, maar eenvoudig en natuurlijk. Dat had hem, rechtuit gezegd, eenigszins teleurgesteld; want het deed de geheele stellage, welke hij gebouwd had op haar onderstelde spijtigheid en zoo voort, in duigen storten. Hij had nu een frontverandering moeten maken en wist er niets beter op, dan een schertsenden toon aan te nemen, dien hij bleef volhouden in zijn antwoord op haar laatste vraag.
âAan aanleg om te zingen zou het mij niet haperen; maar ongelukkig mis ik twee vereischten, die men beweert, dat daarbij evenzeer te pas komen: namelijk, ik heb geen stem en kan geen wijs houden! Nu! er moeten niet alleen zangers en kunstenaars, er moeten ook toehoorders zijn, en onder deze laatste klasse rangschik ik mij, en bekleed er, hoop ik, geen onwaardige plaats; want ik ben, als ik reeds de eer had u te zeggen, een hartstochtelijk minnaar van de kunst en heb een paar goede ooren.quot;
106
âAls dat zoo is,quot; zei Nicolette, âdan zal ik wel zorgen,, nooit weer te spelen, tenzy ik weet, dat gij een mijl ver zijt.quot;
âDan zoudt gij mij onverdiend straffen, door mij het genot te onthouden van naar zulke zuivere tonen te luisteren.quot;
âVergeef mij: ik vischte niet naar een compliment. Ik weet genoeg wat mij ontbreekt en heb niet de minste pretentie een zangeres te zijn.quot;
Dit zeggende sloot zij de piano dicht.
âHoe â gij speelt niet meer?quot;
âIk moet gaan zien, of mijn kamer gereed is,quot; zei Nicolette.
âIndien ik het ben, die u belet hier te blijven, dan zal ik heengaan,quot; zei Eostan: â âmaar zoo het zingen u vermaakt, dan weet ik niet, waarom gij zoo onbarmhartig zult zijn tegen u zelve en tegen mij, om u een schuldeloos genoegen te ontzeggen en mij een hemelsch genot.quot;
âOch!quot; zei Nicolette: âindien 't anders niet is: waarom niet?quot; en, de piano weer openende, ânu! luister goed toe: en waarschuw mij als ik nu en dan mis ben.quot;
En toen, door een fijn gevoel van welvoeglijkheid geleid, dat haar het gepaste deed inzien, om, zoolang zij met Rostan alleen was, den luchtigen, schertsenden toon niet enkel in het gesprek, maar ook in haar zang te bewaren, speelde zij een vroolijke inleiding en zong toen een kluchtig Fransch liedje.
âAllerliefst!quot; zei Rostan: âmaar het liedje is beneden uw talent. Zie! gij kent ongetwijfeld wel iets uit Lucia, of uit de Norma.quot;
âIk vlieg zoo hoog niet meer,quot; zei Nicolette: âgij hebt uw deuntjes gehad, adieu!quot;
âMaar .... eene vraag toch. Weet Mevrouw Van Zirik, dat gij zulke gaven bezit?quot;
âZij heeft mij nooit verzocht, te zingen,quot; antwoordde Nicolette: âen bovendien, daar ben ik niet op gehuurd. Zij weet, dat ik de beginselen aan de kinders kan onderwijzen, en meer vergt zij niet van mij.quot;
âIk weet, dat zij veel van u vergt, meer, oneindig meer dan behoorde,quot; zei Rostan.
107
âIk beklaag mij over niets,quot; zei Mcollette, op eens ernstig wordende.
âNeen! dat wil ik gelooven; daartoe zijt gij te moedig, te groothartig; â en daarbuiten zal men 't niet weten; maar voor een huisgenoot kan zoo iets toch niet verborgen blijven. Hoe! u, die een eereplaats in de salon zoudt waardig zijn, u bant men naar de kinderkamer, u veroordeelt men tot het werk van een dienstmaagd, tot de meest slaafsche verrichtingen ! U, die schitteren zoudt in hoofsche kringen, u staat men geen ander gezelschap toe dan dat van kinderen en meiden!quot;
âNog eens. Mijnheer!quot; hernam Nicolette: âzoolang ik mij zelve niet beklaag, verlang ik niet, beklaagd te worden.quot;
âGij zult mij in dat geval niet beletten, dat ik u bewonder,quot; zei Rostan.
âHoor eens. Mijnheer!quot; hernam zij, hem aanziende met een vrijmoedigen, open blik: âik heb zooeven met u geschertst en voor u gezongen, en u, geloof ik, bewezen, dat ik geen preut-sche nuf ben. Ik ben volkomen gezind om mij tegenover u op even vrijen voet te blijven gedragen, zooals dat voegt tusschen huisgenooten en fatsoenlijke liedenquot; (gens de bonne compagnie was de uitdrukking, die zij bezigde); âmaar om u tot mijn vertrouweling, tot mijn raadsman te maken, of zelfs toe te laten, dat gij u over mijn bijzondere aangelegenheden bekommert, daartoe zal ik nimmer overgaan.quot;
Rostan keek niet weinig op zijn neus bij een taal als deze, die hij niet verwacht had, waar hij niet op voorbereid was. Gewis zoude hij suf en sprakeloos zijn blijven staan, indien zijn deelneming in het lot van Nicolette geveinsd ware geweest; maar hij had werkelijk medelijden met het meisje, 't Is waar, daar kwam een ander gevoel bij, en, zoo hij zijn einddoel bereikte, dan zou dit gewis niet strekken tot bevordering van Nicolettes welzijn of geluk; maar de menschen zijn over 't algemeen zoo gesteld, dat zij het voorrecht om iemand verdriet aan te doen aan een derde misgunnen, om 't voor zich zelf te bewaren. Wij hebben er genoeg gekend, die de eene reize precies evenveel geld, moeite, tijd, list, invloed,
108
besteed zouden hebben om de eer van een meisje uit de grijpende klauw des verdervers te redden, als zij die een andere reize besteden zouden om diezelfde eer voor eigen rekening te confiskeeren. Dan, om terug te keeren tot wat wij zeiden, Rostan gevoelde zich gekrenkt, dus telkens afgeslagen te worden als hij sympathie wilde toonen, en met een drift, die des te beter uitwerking deed omdat die niet bestudeerd was, Mcolette, die, na het uitspreken van het bovenvermelde afscheid een hoofdbuiging gemaakt had en zich verwijderen wilde, tegenhoudende riep hij uit;
âMaar dat is wreed, dat is onbarmhartig, dat heb ik niet verdiend! Ik mag u dus niet laten gaan: ik wil niet, dat gij de gedachte met u neemt, als ware ik een indringer, een bemoeizieke kwast. Verre van mij de verwaandheid, alsof ik mij tot uw raadsman zou willen opwerpen of eenige aanspraak maken op uw vertrouwen. Maar ik zie niet in, dat ik een ongepastheid zou begaan, door te wenschen, dat gij in een atmosfeer leefdet, u beter waardig, of door mij bereid te verklaren tot al zoodanig dienstbetoon als ik, behoudens eerbied en achting, bewijzen kan. Mij dat te verbieden is on menschel ijk, en gij zoudt niet gesproken hebben als gij daar deedt, indien booze tongen u niet tegen mij hadden ingenomen.quot;
Er lag zulk een waarheidstoon in de klacht van Rostan en zooveel schijnbare grond, dat Nicolette er door getroffen werd en een oogenblik zwijgend voor zich neer bleef zien, als om haar gedachten bijeen te garen. â âHoor eens, Mijnheer Rostan!quot; zeide zij toen, op een milder toon dan zij even te voren gebezigd had: âik wil mij overtuigd houden, dat gij 't wel met mij meent; en welke reden zoudt gij ook kunnen hebben, mij verdriet te willen aandoen? Maar geloof dan ook uwerzijds, dat er bij mij geen reden bestaan kon om u iets kwetsends te willen zeggen. Ik heb alleen mijn meening u willen mededeelen omtrent de grenzen, binnen welke wij ons bewegen moeten. Ik kan mij niet klaarder uitdrukken: ver-stondt gij desniettemin niet evengoed wat ik bedoel, dan zoudt gij den goeden dunk, dien ik van uw schranderheid
109
heb, te leur stellen. Is er voor 't overige in de wijze, waarop ik mij heb uitgedrukt, iets, dat u mishaagde, dan zult gij 't mij vergeven. Ik had geen 't minste oogmerk u te beleedigen, en ik verlang niets liever dan goede vrienden met u te blijven.quot; Dit zeggende stak zij hem de hand toe.
Rostan had een gevoel, dat hij nooit te voren gekend had: dat eenvoudige meisje daar tegenover hem sloeg hem op ieder terrein van aanval, dat hij beproefde: die natuurlijke onschuld, dat kalm en zich zelf beheerschend hart waren hem te kloek: hij nam met levendigheid de hem aangeboden hand: die hand was satijnig en frisch: en het was de zijne die beefde: hij boog zich diep over die hand heen, doch hij dorst die niet te kussen; toen liet hij die los, boog zich nogmaals en stond alleen.
âHet is duidelijk,quot; zeide hij tot zich zeiven, nadat hij een wijl had voor zich gekeken, âhet is duidelijk, dat George Rostan haar zoo onverschillig is als de groote Mogol. En dat te moeten bemerken, juist nu ik hoe langer hoe meer talenten in haar ontdek en haar hooger leer waardeeren. Zij zal, de drommel haal mij, niet hetzelfde omtrent mij zeggen. Integendeel zal zij al een heel povere gedachte van mij medenemen. Wanneer ik mij in dien spiegel daar bekijk, dan heb ik al het voorkomen van een gek. Ik wil strikken zetten voor een ander en vang er mij zelf in: zij gaat heen en laat mij beteuterd staan, zonder een woord meer van mijn rol te kennen of liever te pas te kunnen brengen. Ik had die toch zoo mooi geleerd. Is zij nu beter actrice dan ik? of gaat natuur alle kracht te boven? â Nu! in allen gevalle, zij heeft mij de hand in 't heengaan gegeven en mij vergiffenis gevraagd! Vergiffenis! ja zooals een rijkaard die zou vragen aan den bedelaar, dat de aalmoes niet grooter is, die hij hem toewerpt. Hm! een koele handdruk, a l'anglaise....en daar zal 't ook bij blijven. Ja, een aria misschien, die zij, als er gelegenheid is, voor mij zingen zal. Daar kom ik zeker een boel verder mee. â 't Is ongetwijfeld eene dier vrouwen, die men bepaald ten huwelijk vragen, of â om juister te
110
spreken â ten huwelijk nemen moet, eer zij u de minste gunst bewijzen. Nu! zoo ik immer plan had om te trouwen, zeker haar liever dan elke andere. Ik zou mijn vroegere loopbaan weer kunnen beginnen: zij zou een uitmuntende aanwinst voor het tooneel zijn: zij heeft in de groote wereld verkeerd en op de kinderkamer: zij zingt als een prima donna, heeft het lachje van een Venus, scheept iemand af met de houding van een Juno .... en kan haar eigen kleeren verstellen. Zij zou in alle rollen thuis zijn; zij spreekt zuiver Fransch, en, hapert er hier of daar wat aan, dat zou zij spoedig leeren verbeteren. â Maar ik bazel; ik zoek immers mijn fortuin te maken.... en daar moet Emilie mij aan helpen. â Hoe? Waarachtig, sedert ik dit meisje gezien heb? begint mij Emilie tegen te staan: zeker niet het minst om de wijze, waarop zij dat goede kind behandelt. â Zij is jaloersch â en zij heeft er reden toe; â reden: Ja, maar,, wel beschouwd, geen recht. Zij heeft mij geschonken wat haar eigendom niet was, wat een ander toebehoorde, en waarvoor ik haar geen dankbaarheid schuldig ben: zij had haar man trouw beloofd en ik nooit aan haar: liaisons als de onze zijn voor geene der partijen verbindend; en zij moet niet vergeten, dat zij meer in mijn macht is dan ik in de hare.quot;
Het was onder 't op en neer wandelen van de kamer, dat Eostan deze bespiegelingen bij zich zeiven maakte, en meer andere, die wij den lezer schenken. Toen hij eindelijk de deur opende en het vertrek verliet, kwam Caroline juist de trap af en zag hem eenigszins verwonderd aan, en met een glimlach, die niet vrij was van spotternij.
âDrommels,quot; dacht hij, terwijl hij zich op de lippen beet: âdie heks weet, dat Mademoiselle zooeven hier was, en nu weet zij dat ik er ook was. Zij zal 't aan haar Mevrouw vertellen, en ... . dat bezorgt mij weer een nieuw tooneel en aan die arme meid nieuwe vervolgingen.quot;
En trots al zijn dappere voornemens, ging George Rostan met een bezorgd gemoed, een hangend hoofd en loome schreden naar zijn kamer.
Ill
Ook Mcolette van hare zijde was het overige van den dag niet op haar gemak, en zij was het nog minder den volgenden morgen, toen, reeds dadelijk na 't eerste ontbijt, Caroline bij haar kwam, met de boodschap, dat Mevrouw haar wenschte te spreken.
De kinderen zoolang onder het toezicht der kamenier latende, trok Nicolette, schoorvoetende en met een beklemd gemoed, naar het boudoir van Mevrouw. Het gelaat van deze stond koel en strak, als Mcolette dat gewoon was; doch de aanhef luidde geheel anders en meer geruststellend dan zij verwachtte.
âWij hebben van middag menschen ten eten, Mademoiselle,quot; zei Mevrouw.
Nicolette maakte een hoofdbuiging, die zooveel beteekende als: âdaar heb ik van gehoord.quot;
âAls naar gewoonte,quot; vervolgde Mevrouw, âzullen de kinderen op het dessert komen. Gij zult Emilie en Jeanne haar witte jurken met blauwe koordjes en blauwe streepjes aandoen, en lage schoentjes: en Eduard zijn roode ruit.quot;
â't Is wel, Mevrouw,quot; zei Mcolette.
âGij zult ze zelve binnenbrengen.quot;
Hier maakte Mevrouw een kleine pauze, eer zij weder voortging.
âWij wachten een gast, die u verlangt te zien en dien het u genoegen zal doen te ontmoeten.quot;
âMijnheer de Graaf Van Eylar?quot; vroeg Nicolette, met een uitroep van blijdschap, en natuurlijk 't eerst aan hem denkende, omdat zij wist, dat hij meer bij Van Zirik gegeten had.
âNeen,quot; antwoordde Mevrouw; â't is iemand, dien gij in lang niet gezien hebt, en Mijnheer (Van Zirik) heeft verzocht dat ik hem u niet noemen zou. â⢠Maar ik hou niet van theater-coupen, en gij zult dus wel zoo goed willen zijn, u te onthouden van al wat zweemen zou naar herkennings-tooneelen en dergelijke dingen meer.quot;
âMaar ik begrijp niet. Mevrouw . . ..quot;
âDit is al wat ik u te zeggen had,quot; viel Mevrouw in, alle verdere verklaringen afsnijdende.
112
Nicolette maakte een stilzwijgende hoofdbuiging en vertrok. Toen zij aan de deur was, zei Mevrouw:
âApropos, wanneer gij weder muziek in de benedenkamer maakt, sluit dan de deur, eer men er u verrasse.quot;
Het oog van Mevrouw schoot vlammen.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN DINER BIJ VAN ZIEIK.
Vrijdag was gekomen en op het bestemde uur verschenen achtereenvolgens bij Van Zirik de gasten, die hij genoodigd had. Die het eerst opdaagden waren de Heer en Mevrouw Rolrode met hun dochter. Mijnheer was een zeer zwaarlijvige vijftiger, met een hoog opgezette kleur, een zwarte pruik, die hem tot op de wenkbrauwen viel, een wit vest en een groote gouden snuifdoos. Voor 't overige viel er weinig van hem te vertellen, behalve dat hij veel geld had geërfd van een verren neef, waar hij voogd over geweest was, en die, alles hebbende doorgebracht wat hij bezat, als koloniaal naar de Oost was getrokken en er fortuin had gemaakt.... om er zijn voor-maligen voogd het genot van te laten hebben. De neef in Oost-Indië was vermoedelijk de hoofdaanspraak, welke hem, Rolrode, gewettigd had, met Donia genoodigd te worden. Mevrouw Rolrode was een klein, schraal, bleek, pokdalig vrouwtje, dat a l'enfant gekapt was, door den neus sprak en de r niet kon zeggen; Mejuffrouw Rolrode daarentegen was rood van aangezicht als haar vader, altijd naar den laatsten smaak gekleed, of liever, dien overdrijvende, en nooit anders dan Fransch lezende, sprekende of zingende. Het drietal was, gelijk Van Zirik terecht had aangemerkt, weinig saillant.
De Heer Looshert, die, spoedig na de eerstgenoemden, met zijn beide zusters verscheen, was een man van vijf en veertig jaren, niet wichtig van persoon, maar gewichtig van voor-
113
komen, als 't een referendaris paste. Hij had de perkamentachtig gele kleur van iemand, die het grootste gedeelte van zijn leven in een kamer doorbrengt, waar 's zomers de zon op staat en 's winters heet gestookt wordt: voorts dunne wenkbrauwen, regelmatige, zelf fijne trekken, de onderlip strak, hoog, en even omgekruld, als moest daarmede een voortdurend verachten worden aangeduid van elke andere meening dan de zijne. Het voorhoofd rimpelde zich telkens als hij sprak, en dan fronsten zich ook tevens de twee dunne wenkbrauwen, die, even als het hoofdhaar, lichtbruin van kleur waren, met enkele grijze haartjes vermengd. De grijze, doorschijnende oogen waren gewapend met een bril, in schildpad gevat, en het was een hebbelijkheid van den man, wanneer hij tegen iemand sprak, dien bril met den nagel van den linkerduim op te lichten tot op de hoogte van 't voorhoofd, en den toehoorder met straffe blikken aan te kijken, om 't even of hij den minister voorhad of den bode, een vrouw van aanzien of een boute-feu. Altijd uitte hij zijn woorden alsof zij voor wetten en orakelen golden en voor geen tegenspraak vatbaar waren; wat hem, over 't geheel, aan zijn Ministerie meer vreezen dan beminnen, en in gezelschap door de meeste lieden ontwijken deed. Maar het was hem zoo erg niet ten kwade te duiden, indien hij zich gelden liet en zijn eigen persoonlijkheid gewichtig achtte, ja vrij wat gewichtiger dan die van zijn minister. Een minister treedt af, een referendaris niet: die wordt op pensioen gesteld als zijn tijd daar is, en zoo dat al, in dagen van bezuiniging door vereenvoudiging, enkele reizen vroeger geschiedt, met Looshert kon zoo iets nooit het geval zijn. Die was knap, knapper dan iemand â niet in 't opsporen van eenig nieuw denkbeeld, niet in 't stellen van eenig rapport van gewicht, niet in 't uitdenken of bewerken van eenig nieuw wetsontwerp, maar â in 't aanhalen van precedenten: â en daarom werd hij aan 't Ministerie als onmisbaar beschouwd, en daarom had hij overal een naam van hooge bekwaamheid verworven, en daarom stelde Van Zirik er haast evenveel prijs op, hem bij zich te hebben, alsof hij den Minister zeiven had gehad.
III. - K, z. 8
1
114
Van de beide zusters, met welke Looshert woonde, en die hem nu vergezelden, was de oudste, Mary, een vroolijke brunette van ongeveer vijf en dertig jaar, die zeer verdienstelijk piano^ speelde, en bijzonder handig was in het vervaardigen van alle dames-werken, Jeannette was drie jaar jonger, geleek sprekend op haar broeder (behalve dat zij donkerblauwe oogen had en donkerder haar dan hij), ging voor een savante door en zond nu en dan verzen aan almanakken. Beiden waren, daar zij er niet kwaad uitzagen en een stuivertje geld hadden, al dikwijls in de gelegenheid geweest om een huwelijk te doen; doch zij hadden zulks telkens afgeslagen, en wel, zoo men geloof mocht hechten aan 't geen zij zeiven aan haar vertrouwde vriendinnen vertelden, omdat zij niemand kenden, die maar in de verste schaduw van haar broeder kon staan. Aan wie 't wat sterk mocht voorkomen, dat er vrouwen bestaan, die 't zusterlijk gevoel zoo hoog opvoeren als de Juffrouwen Looshert, kunnen wij alleen verklaren, dat er zulke vrouwen bestaan; wel niet vele, maar zij zijn er. Zij zagen dan ook op tegen dien broeder als de dochter van Farao en de Koningin van Scheba tegen Salomo, en haalden om 't zeerst zijn uitspraken als axioma's en zijn handelingen als voorbeelden aan, waar 't heiligschennis zou geweest zijn iets tegen in te brengen.
Met dat al, men vond Thomassen, die beweerden, dat zoo er zich eens iemand om eene der beide zusters aanmeldde van een aanzienlijke geboorte, of die een groot vermogen bezat â twee hoedanigheden, die de vorige vrijers gemist hadden, zij in zulk geval zich het misschien wel getroosten zouden van dien zoo aangebeden broeder te scheiden.
De Baron Van Tilbury, die gelijktijdig met de laatstgenoemden binnenkwam, behoeft den lezer niet te worden voorgesteld: evenmin zal 't noodig zijn, uit te weiden over het zwierige toilet, waarin hij zich gestoken had. Genoeg zij het, te zeggen, dat hij nog lekkerder rook dan gewoonlijk, en aan een zijner vingers een prachtigen onyx droeg. Binnengekomen, stapte hij met een aangenamen zwier op de gastvrouw toe, boog zich diep, drukte de vingers, die zij hem toestak, zag haar aan met
.3
115
een schalkschen blik, die voor commentaar op zijn brief heette te dienen, en groette toen het verdere gezelschap. De dames Looshert beantwoordden dien groet met een lichte buiging van het hoofd, daarbij dat hoofd half afwendende; want haar broeder had zich meermalen uitgelaten, dat de Baron een ellendeling was, die 't tuchthuis verdiende. De wedergroet van Looshert was dan ook zoo stijf mogelijk, en zijn onderlip verhief zich nog hooger dan gewoonlijk. Eolrode knikte den Baron even toe, daarbij droomerig kijkende als iemand, wiens gedachten elders zijn, wat ook inderdaad zoo was; want hij had honger en hij was meer bezig met het maal, dat hij wachtende was, dan met het mannetje, dat voor hem boog. Mevrouw Rolrode neeg zeer diep, en met neergeslagen oogen. Haar dochter was de eenige, die den Baron, met wien zij nogal ophad, omdat hij zulk lief Fransch sprak, met voorkomendheid ontving, en dan ook beloond werd, doordien hij zich nu uitsluitend met haar bezig hield, haar douceurs zeide en haar een nieuwen roman van Sue beloofde te sturen.
Na Tilbury vertoonde zich, juist toen de klok vijf sloeg, en alzoo prompt op 't appèl, een tweede luitenant der infanterie met een bleek gezicht, rood haar en roode knevels. Hij was een neef van Van Zirik, en door dezen genoodigd om het dozijn aan tafel voltallig te maken. Zulk een fortuintje viel hem meer te beurt; enkele reizen was hij ook de veertiende man; want voor het noodlottige getal dertien had Mevrouw Van Zirik een groote vrees, of liever, zij beweerde, dat anderen er zoo bang voor waren. Gemelde luitenant was zeer bescheiden van aard: hij bleef gewoonlijk voor den eten zwijgend in een hoek staan: gedurende den maaltijd viel hij niemand lastig met zijn conversatie, maar deed zijn best om voor twee dagen te eten, en te drinken voor drie, welk laatste het gelukkig gevolg had, dat de kleur van zijn gelaat langzamerhand in harmonie kwam met die van zijn haar, en dat hij, na den eten nog minder tot praten gestemd zijnde dan te voren, zich weder in een hoek terugtrok, zijn koffie slurpte, zijn anisette naar binnen sloeg, en weg wist te sluipen op een oogenblik dat er niemand was
116
om hem uit te laten. Hij was op het diner van zijn neef niet meer dan een meubel, ofschoon dan een verslindend meubel, van 't welk de gasten in 't geheel geene, en de dienstboden, die niets aan hem verdienden, bitter weinig notitie namen.
Van Zirik had aan zijn gasten medegedeeld, wie de voorname persoon was, dien hij nog verwachtte. Rolrode had die mede-deeling wederom met een slaperigen hoofdknik beantwoord; Tilbury, die. een wandelend woordenboek van den adel was, berichtte aan 't gezelschap, dat de Donia's tot de oudste familiën van Friesland behoorden, wat de dames Rolrode belangstellend het hoofd deed opsteken. Looshert verklaarde, dat de Heer Van Donia den naam had, een kundig administrateur te zijn, waarop de dames Looshert nu ook belangstellend het hoofd opstaken. Vervolgens verhaalde Van Zirik, dat hij nog een heer uit de Oost wachtte, namelijk den Heer Flinck, een suiker- en tabakscontractant, dat wist hij niet recht, maar schrikkelijk rijk â en deze reis staken al de dames het hoofd op: en na deze narichten gegeven te hebben, zag hij eerst triomfant rond van tevredenheid, dat hij gasten zou krijgen, die zoozeer de aandacht wekten, en toen zenuwachtig gespannen, omdat die gasten nog niet kwamen opdagen. Gelukkig duurde het niet lang, of de dubbele deur ging wederom open en de Heer van Donia werd aangediend.
Wie de moeite wil doen, het Eerste Hoofdstuk van het Eerste Boek dezer geschiedenis na te slaan, zal daarin de beschrijving vinden van het uiterlijke van Occo quot;Van Donia in zijn studententijd. Dat uiterlijke was in vele opzichten hetzelfde gebleven. Wel was zijn schedel, als dit in de Oost met blonde lieden pleegt te geschieden, geheel kaal geworden, en het weinige haar, dat nog aan de slapen en het achterhoofd groeide, aan 't schimmelen geraakt; wel had zijn gelaat een bruine tint aangenomen; wel vertoonden zich eenige dunne rimpels aan de ooghoeken; maar de oogen flonkerden nog altijd van jeugdig vuur, de stem klonk nog altijd helder en muzikaal, de gespierde lichaamsbouw getuigde nog altijd van vlugheid en kracht, en hij was nog altijd even onverschillig op 't stuk
117
van zijn kleedij. Met, dat hij er slordig of haveloos uitzag; maar, evenals hij zich voorheen zelden anders dan in een bruin buis met knoopen van hartshoorn aan 't lijf en met een stropdas vertoonde, evenzoo had men hem in de Oost nooit anders gezien dan, bij gewone gelegenheden, in een wit buis, zonder das, bij buitengewone, in een loshangenden zwarten rok, een wijd dito vest en met een witte das: en zoo was hij nu ook in 't moederland gekleed; alleen waren hier zijn rok en vest van laken en zijn das van linnen.
Reeds was de voorstelling van onzen Raad van Indië aan Mw. Van Zirik en aan de overige gasten afgeloopen, reeds had Donia bewijs gegeven van gevatheid en talent, door een der moeilijkste dingen te doen, die gedaan kunnen worden, namelijk, op dien noodlottigen tijd, die een diner voorafgaat, en wanneer de genoodigden nu op het rechter-, dan op het linkerbeen staan te draaien, een gesprek dat niet over 't weer loopt aan te knoopen met een gastvrouw, die men voor 't eerst ziet, â reeds had Rolrode drie malen hoorbaar gezucht en zichtbaar zijn maag gewreven, â reeds had Van Zirik angstvolle blikken, nu eens naar de straat, en dan weder op zijn vrouw geslagen, blikken die zooveel te kennen gaven, als; âwaar blijft toch de Heer Flinck?quot; en: âzouden wij ook laten opdoen?quot; â reeds keken, op stoep, de bedienden nu rechts dan links uit, â reeds was het ruim kwartier voor vijven en nog kwam de twaalfde man niet opdagen.
âUw collega-Oosterling laat zich lang wachten, Donia!quot; zei eindelijk de gastheer: âis dat zijn gewoonte, voor zoover je weet?quot;
âIk heb er nooit bijzonder op gelet,quot; antwoordde Donia: âin allen gevalle zal ik er hem niet hard over vallen, want ik ben zelf, geloof ik, over mijn tijd hier geweest, en ik mag dus dankbaar zijn aan ieder, die oorzaak is, dat ik niet de laatste ben.quot;
âIk geloof niet,quot; zei de vrouw des huizes, met een vleienden glimlach, âdat de Heer van Donia ooit gewoon is geweest, ergens de laatste te zijn.quot;
118
âTen minste aan de Academie was hij het niet,quot; zei Van Zirik.
âEn in de Oost evenmin,quot; voegde Looshert er bij; waarop zijn zusters eerst hem, en toen Donia, met verbazenden eerbied aankeken. Zoo zelden overkwam het Looshert iemand te prijzen, dat de gelukkige, dien hij 't deed, al een heel buitengewoon wezen zijn moest.
âIk ben lang in de Oost geweest. Mijnheer Looshert,quot; zei Donia met een buiging, âen ik moest dus wel eindelijk van zelf vooruitkomen; ware ik hier gebleven, ik twijfel er zeer aan, of ik het al zoover gebracht zou hebben als Mijnheer.quot;
âZou ik ook iemand naar Bellevue sturen?quot; vroeg Van Zirik, âom te hooren of Mijnheer Flinck 't altemet vergeten heeft ?quot;
Rolrode zuchtte nogmaals diep.
âEen invitatie bij Mevrouw Van Zirik vergeten!quot; riep Tilbury: âdat zou den man voortaan onwaardig maken, aan eenigen disch genoodigd te worden.quot;
âJa maar, inderdaad,quot; zei A^an Zirik; âik zal aan het hotel....quot;
Het gerucht van een aanrijdende vigilante deed hem zijn volzin afbreken: de vigilante hield op voor de deur; men hoorde 't portier open en dichtslaan, een wijl daarna een zwaren stap en het geluid van een stok, die op 't gangplaveisel neerkwam: de deur ging open en de met ongeduld verwachtte gast trad, of liever klotste, eindelijk binnen.
De naam van den Heer Flinck is bereids op eene der eerste bladzijden van ons verhaal genoemd; doch daarom juist zal hij door den lezer voorlang vergeten zijn; immers later is er maar eens, in 't voorbijgaan, gewag van gemaakt. En toch zou hij beide reizen niet zijn vermeld, indien schrijver dezes niet had geweten, dat de man later in persoon te voorschijn treden en in onze geschiedenis een gewichtige rol vervullen moest. In het tweede Hoofdstuk nu van 't Eerste Boek is van hem gezegd, dat hij een oude grompot was, die zich in 182., men wist niet waarom, te Leiden bevond, en altijd op de kachel zat in de Pauw. Hij was er, in die meer dan twintig
119
jaren, dat wij hem uit het oog verloren hebben, niet jonger op geworden, ook niet minzamer, maar wel al rijker en rijker, en daarbij meer en meer rheumatiek. Zijn gelaat echter was weinig veranderd. Het was een van die gezichten, die al vroeg een oudachtig voorkomen hebben, en waaraan de latere jaren alleen eenige rimpels meer toevoegen. Te Leiden droeg hij een zwart fluweelen kalot op 't hoofd en hij deed het nog. Van onder die kalot kwamen eenige grijze haren uit, en sinds lang vergrijsd waren ook de zware wenkbrauwen, onder welke men schier zoeken moest naar de dicht in hun kassen verscholen en naar den grond geslagen oogen. Het voorhoofd was sterk gefronst, en de wangen deden denken aan een olifantshuid, door een vuile spinneweb heen gezien. De pijnlijk vertrokken mond, de gebogen houding en de kreupele gang gaven aan 's mans uiterlijke iets zwaks en ziekelijks, ja het algemeene gevoel, dat hij bij de gasten opwekte, toen hij daar binnenkwam, moeizaam steunende op zijn stok met ivoren kruk en meer hebbende van iemand, die naar zijn graf, dan van iemand die naar een gastmaal gaat, was een gevoel van medelijden. Van Zirik zei later, dat de man hem had doen denken aan het beeldje, 't welk men op de laatste en onderste trede van de gekleurde âTrap van 't menschelijk levenquot; op de oortjesprenten ziet afgebeeld, en waar 't getal 90 bij staat. Niemand, behalve misschien Eolrode, die te veel honger had om eenige verschooning te vinden voor iemand, die vertraging veroorzaakt had in 't opdisschen, vond den moed om langer boos te wezen op den armen lijder, wiens laat komen sommigen meenden te mogen toeschrijven aan een twijfel, bij hem wellicht ontstaan, of hij naar zijn diner dan wel naar bed zou gaan, en dan oordeelde men, dat hij wijzer zou hebben gedaan, de laatste partij te kiezen: ja enkelen konden de heimelijke vrees niet onderdrukken, dat hij een lijk zou wezen eer men aan de pasteitjes was, of althans den pudding niet halen zou. Van Zirik was dadelijk in de weer om hem met een stoel te gemoet te gaan, en Mevrouw trad hem, met een air van innige deelneming, tegen.
âGa toch zitten, Mijnheer Flinck!quot; zei de gastheer, âje schijnt vermoeid.quot;
âGa toch zitten,quot; herhaalde Mevrouw.
âU is toch niets overkomen?quot; vroeg Mijnheer.
âWij waren al zoo ongerust,quot; zei Mevrouw.
âWaarschijnlijk Mevrouw Van Zirik?quot; vroeg Flinck, de oogleden half oplichtende en beurtelings Mevrouw en Mijnheer aanziende.
Er lag in zijn blik iets verwijtends, dat Van Zirik deed schrikken. Hij, anders zoo nauwlettend bij 't in acht nemen der vormen, had deze reis, door alleen te luisteren naar de stem van 't medelijden, vergeten, aan die der etiquette te voldoen en er aan te denken, dat hij in elk geval had moeten beginnen, zijn vrouw en zijn gast aan elkander voor te stellen. Hij kreeg een kleur tot achter de ooren, en stamelde:
âPardon! Ik had inderdaad.... maar ik was wezenlijk ongerust.... jawel! . . . . mijn vrouw ! â Emilie, Mijnheer Flinck. â Maar ga toch zitten, mijn waarde Heer!quot;
âZitten!quot; herhaalde Flinck, na een korte hoofdbuiging tegen Mevrouw; âwaarom zitten? wij zullen toch zoo meteen aan tafel wel zitten, denk ik. En waar was je dan ongerust over, Mijnheer?quot;
Al de aanwezigen, behalve Donia, die den man van vroeger datum kende, keken verbaasd, ja half verschrikt op. Niet alleen was de stem van Flinck onder 't spreken al luider en snijdender geworden, en geheel niet die eens zieltogenden of zelfs eens zieken, maar zijn gekromde rug werd recht, zijn gestalte verhief zich, zijn zwarte oogen gingen wijd open en schenen streng en doorborend uit hun holten naar voren te schieten ; in 't kort, Jeannette Looshert, de sa van te, fluisterde Mejuffrouw Rolrode in, dat hij haar volkomen Sixtus V had herinnerd, na zijn verheffing het pak zijns ouderdoms van zich afwerpende.
âWaar ik ongerust over was. . . .quot; herhaalde Van Zirik, niet wetende hoe hij 't had en wat hij zeggen zou. Ter goeder ure ging de dubbele tusschendeur, die naar de eetzaal leidde.
op dit oogenblik open, ten bewijze dat er was opgedischt. Hij haastte zich nu, de wederkeerige voorstelling van Flinck en de overige gasten vrij onverstaanbaar af te rabbelen, verzocht Donia, Mevrouw Van Zirik aan tafel te leiden, bood zelf zijn arm Mevrouw Rolrode aan, en wees toen den weg aan de overigen, die haastig volgden, de eettafel rondliepen om te zoeken naar het kaartje met hun naam, en spoedig allen gezeten waren.
De plaatsen aan den disch waren op de navolgende wijze geschikt: De gastheer en gastvrouw zaten in 't midden tegenover elkander, door de breedte der tafel gescheiden: hij tus-schen Mw. Rolrode en Mary Looshert, zij tusschen Donia en Rolrode. Tot rechter buurvrouw had Donia de sa van te, Flinck was de linker buurman van Rolrode. Naast de vrouw van dezen zat Looshert, Tilbury tusschen Mary Looshert en Mejuffrouw Rolrode: de luitenant scheidde Looshert en Jeannette.
Dat er, om die twaalf menschen te bedienen, behalve Van Ziriks koetsier, knecht en twee palfreniers, in hun schitterende livreien, nog een voorsnijder en een huurlakei aanwezig waren, wordt hier alleen pro memoria aangemerkt, en evenzoo dat alles, wat hier te zien en te genieten viel, even prachtig en uitgelezen was.
De tijd, gedurende welken men soep eet, is een tijd, dat men niet praten, zelfs niet denken kan: het warme gerecht, het geklikklak der lepels, het ronddienen der sherry, alles te zamen maakt het een en het ander onmogelijk: en die inleiding tot het maal kan niet beter worden vergeleken dan met de muziek, die 't orkest maakt voor 't ophalen van 't gordijn en die ook doorgaans de conversatie zwijgen doet en den overgang vormt tot de eigenlijke vertooning. Alleen bij den gastheer, gelijk bij den tooneeldirecteur, zijn dan somwijlen de gedachten werkzaam, en zoo dacht Van Zirik bij zich zeiven, hoe juist van pas het aan tafel gaan hem verlost had van de moeite om op de vraag van den ouden Indisch-gast te antwoorden. Helaas! hij had buiten den waard gerekend;
122
want nauwelijks was het soepbord van Flinck weggenomen, of deze fronste weder de wenkbrauwen, keek zijn overbuurman barsch aan en herhaalde de vraag:
âEn waar was je nu zoo ongerust over, Mijnheer Van Zirik ?quot;
De geheele tafel zag op.
âDie Heer begint zijn maaltijd met zijn gastheer de duimschroeven aan te zetten,quot; fluisterde Looshert Mw. Rolrode in, zooveel hij namelijk fluisteren kon; âdaar heb ik nooit een precedent van gezien.quot;
Mw. Rolrode, die maar half begreep, wat een precedent, en geheel niet wat duimschroeven waren, maar toch wel, dat het iets heel verschrikkelijks wezen moest, keek beangst, en fluisterde op haar beurt;
âAls ze maang geen nguzie knijgen.quot;
âQuel animal bourru,quot; beet Mejuffrouw Rolrode Tilbury in 't oor.
âJe le crois plu tót fantasque,quot; antwoordde deze.
âOch hemel!quot; zuchtte Mary Looshert.
âZoo even vergeleek ik dien ouden Heer bij Sixtus V,quot; zeide haar zuster zacht tegen den tweeden luitenant: âmaar nu doet hij mij aan Hendrik VIII denken.quot;
De tweede luitenant keek heel verbaasd op, vooreerst, omdat hij aangesproken werd (wat Jeannette ook wel niet gedaan zou hebben, indien zij meer naast hem gezeten had) en, ten tweede, omdat hij nooit van Sixtus V of van Hendrik VIII gehoord had. Hij begreep echter te moeten antwoorden, en zeide: â âDie ken ik niet; maar 't is net de stem van onzen sergeant-instructeur.quot;
De savante wendde verontwaardigd het gelaat van hem af en deelde haar opmerking aan Donia mede. Deze zag haar met zijn schalksche oogen zijlings aan en zeide toen:
âHij doet mij meer denken aan old Touchwood uit St. Ronan's Wells.quot;
Nu keek de savante op haar beurt verlegen; want zij had juist dezen roman van Sir Walter Scott niet gelezen; â
123
en wist dus evenmin, wie Touchwood, als de tweede luitenant, wie Sixtus V was.
âWat zullen wij antwoorden?quot; vroeg Mw. Van Zirik, half bij zich zelve en half tegen Donia.
Alleen Rolrode zeide niets; want hij had een pasteitje in den mond; maar hij keek Flinck toch heel verbaasd aan.
Dit alles had bijna gelijktijdig plaats gehad.
Van Zirik, hoe bedremmeld ook, zag echter in, dat, tenzij hij spoedig antwoordde, de vraag wel eens herhaald kon worden ; en toch dorst hij niet ruw weg aan iemand van hoogen leeftijd, dien hij voor 't eerst bij zich zag, en die zelf niet scheen te begrijpen, dat hij zich had laten wachten, deswege een verwijt doen. Hij dacht het was best, indien hij de schuld op zijn vrouw schoof en zich met een grap van de zaak zocht af te maken.
âZie je. Mijnheer Flinck!quot; zeide hij, op luchtigen toon: âmijn vrouw ontrust zich terstond, als er iemand maar een halve minuut na den bestemden tijd komt. ..
âEn 't was er al vijftig over,quot; bromde Rolrode voor zich uit, terwijl hij een tweede pasteitje nam.
Flinck zag eerst Mevrouw en toen Rolrode aan, en zeide vervolgens:
âEen halve minuut! .... Wel ik heb bepaald last gegeven dat de vigilante tien minuten over vijven zou voorkomen.quot;
âO! 't is 't zelfde,quot; zei Mw. Van Zirik, op smeekenden toon: âwij zitten nu eenmaal goed aan tafel en 't is alles te recht gekomen.quot;
âIk vraag de dingen, om ze te weten,quot; hernam de onbarmhartige contractant: âik ben nog niet op de hoogte van de Haagsche manieren. Vier dagen geleden heb ik de zitting van de Kamer bijgewoond: die was te elf uren aangezegd; ik was er kwart voor elven: â jawel: 't is kwart na elven, dat men eerst aanleg maakt om te beginnen: â Dinsdag jl. moest ik een ambtenaar van 't Ministerie spreken: ik kwam er te half elf â ik dacht, de man zal er al lang zitten: â zoo menig een Franschman? ik kon een kwartier wachten.
124
Maandag moest ik op een vergadering van crediteuren zijn: ik was er op mijn tijd en zat een kwartier alleen . . .
âEn nu wreekt Mijnheer zich op Mijnheer en Mevrouw Van Zirik,quot; viel Donia lachende in.
âWel!quot; vroeg Flinck, âkon ik dan tot een ander besluit komen, dan dat men in Den Haag altijd een kwartier later moet komen dan men aangeschreven is?quot;
âNiet op een diner,quot; bromde llolrode wrevelig, terwijl hij een bord met tarbot aannam en zich een glas wijn inschonk.
âEn de opera begint ook a 1'he ure indiquée,quot; lispte zijn dochter.
â't Is waar,quot; zei Van Zirik: âde gevolgtrekkingen van Mijnheer zijn volkomen juist: wij hadden op het invitatiekaartje moeten zetten âprecies.quot;
Mary en Jeannette Looshert keken haar broeder eens aan, om te weten, wat die er van dacht: hij schonk zijn glas in, nam een teug, op gelijke wijze als een Kamerlid, die een rede gaat houden, bracht de hand aan zijn bril, en zeide toen:
â't Is als de Heer Flinck zegt: men begint hier de vergadering een kwartier na den tijd, omdat de klokken kunnen verschillen: en wat de bureaux betreft, ja, 't is zoo: vele ambtenaren komen te laat: daar zijn ook al vele aanschrijvingen over geweest, als in 1823 bij ....quot;
âMaar als men ergens voor zijn pleizier moet wezen,quot; viel Tilbury in, dan zorgt men, er op zijn tijd te komen. Op zijn tijd in de opera, op zijn tijd op een diner, op zijn tijd op een rendez-vous . . .
âDus dan verschillen de klokken niet?quot; vroeg Flinck: ânu, men moet het maar weten. Ik zou het ze bij mij geleerd hebben als ze niet op hun tijd aan de fabriek waren geweest.quot;
âO! een fabriek!quot; zei Mw. Van Zirik, den neus een weinig optrekkende: âhier moet het volk van een fabriek ook op zijn tijd aan 't werk zijn. Maar wij spreken nu van den beau monde.quot;
âBeau monde!quot; herhaalde Flinck: âbehoort de Tweede Kamer ook al onder den beau monde? of die pennelikkers
125
aan de Ministeriën ?quot; âHier keek Looshert, of hij een beroerte kreeg. â âWorden zij ook niet betaald om hun plicht te doen, zoo goed als 't werkvolk aan de fabrieken? En komt het dan te pas, dat zij hun tijd verluieren, en mij den mijnen doen verliezen er bij ? â Dank je Mevrouw, ik drink nooit anders dan portwijn.quot;
âZet een üesch portwijn bij Mijnheer,quot; zei Van Zirik, en vervolgde toen, zeer verheugd, een gelegenheid te vinden om op de politiek te komen: âvan de ambtenaren zal ik niet spreken. Mijnheer! dat is een schande, zooals de meesten het maken. Je zegt wèl, zij worden er voor betaald.quot; â Hij zei er niet bij, hoe de meesten betaald worden en wat somtijds van hen gevergd wordt, 't Is waar, hij was rijk en deed niets, twee vereischten, die aanspraak geven om te klagen, dat lieden; die arm zijn, te weinig doen. â âMaar,quot; ging hij voort, âmet de leden van de Kamer is 't anders gesteld: beginnen die een kwartier later, zij moeten 't naderhand weer inhalen, en dat komt dus op 't zelfde neer. Waar wij ons over te beklagen hadden, dat zou juist wezen over het onnoodig rekken der zittingen, door zooveel gewauwel over onbeduidende dingen, 't Is tijd, en meer dan tijd, dat er eens practische mannen in komen, die den stal van Aügias eens schoonmaken. â Hamburger rib. Mevrouw! ik durf het u wel aanbevelen.quot;
âHanbunging nib!quot; herhaalde Mw. Eolrode.
âAugias,quot; verbeterde Donia, bij zich zeiven.
âHeden! is 't Augias, Mijnheer?quot; vroeg de savante, verbaasd: âheusch? Augias?quot;
âIk vraag u om verschooning voor die pedante correctie,quot; zei Donia: âdie mij onwillekeurig ontsnapte; maar Van Zirik en ik zijn oude medestudenten, en ik dacht mij op eens in een tijd teruggeplaatst, toen wij gewoon waren op elkanders woorden te vitten.quot;
â't Verwondert mij, dat Mijnheer dat na zooveel jaren nog zoo goed weet,quot; zei Jeannette.
âMaar,quot; ging onderwijl Van Zirik voort: âeer dat alles gebeurt, zal er nog veel moeten veranderd worden.quot;
«i
126
âDat is zeker,quot; zei Flinck: âdat zij van de Oost net zooveel weten als een blinde van de kleuren. Wat ik hen althans eergisteren heb hooren kletsen raakte kant noch wal, en de Minister, die antwoordde, had er omtrent evenveel van te doen als het lid dat hem aanviel. Wat zeg jij er van, Donia? jij waart er ook bij.quot;
âMijn beste Heer Flinck!quot; antwoordde Donia: âhet moet u niet verwonderen, indien men het hier over de Oost-Indische quaestiën niet eens is, wanneer je maar bedenkt, hoe de rapporten, die zij van ons, Oosterlingen, krijgen, altijd hemelsbreed uiteenloopen.
âWel! reden te meer, dat zij er hier hun mond over houden,quot;' zei Flink.
âIndien je door âhierquot;, âhier aan tafelquot;, verstaat, dan ben ik het volkomen met u eens,quot; zei Donia: âik voor mij, bij voorbeeld, ben nu zoo lang afwezig geweest, dat ik liever over 't moederland hoor spreken. â Maakt Mevrouw nogal gebruik van den spoorweg?quot;
âSpoorwegen! ja! â die konden wij bij ons ook wel gebruiken,quot; hernam Flinck: âdat is goede portwijn. Van Zirik! maar ik zal er u eens zenden, zoo als je dien stellig nooit gedronken hebt.quot;
âHeb je zulken goeien portwijn?quot; vroeg Rolrode, met de lippen smakkendde, en opziende als een strijdros, dat het trompetgeschal hoort.
Inmiddels waren hier en daar gesprekken aangeknoopt, belangrijker voor de dames dan Indische quaestiën en portwijn. Tilbury maakte wederom misbruik van zijn jaren om aan Mary Looshert en Mej. Rolrode aardigheden te debiteeren, die hij beter had gedaan te zwijgen. Mej. Rolrode had Van Zirik naar zijn âkindingenquot; gevraagd en âhoe hij te vngede was over zijn nieuwe bonne.quot; Donia gaf aan Looshert en zijn zuster Jean-nette het verhaal van een hertejacht in de Oost, en Mw. Van Zirik had Flinck tot een gesprek weten te krijgen over de kapsels der dames aldaar, hetwelk zij voorbij Rolrode heen met hem voortzette. Opeens, bij gelegenheid dat er een pauze-
127
was, richtte de gastheer 't woord weder tot Donia en vroeg-hem, of hij nog verzen maakte.
âMaakt Mijnheer verzen?quot; vroeg Jeannette, hem met opgetogenheid aanstarende.
âWel ja,quot; zei Van Zirik: âdaarvoor heb ik u naast elkander gezet.quot;
Donia maakte een halve buiging tegen zijn buurmeisje, die voor een compliment moest gelden over haar poëtische gaven, waar hij niets van wist, doch waarvan hij de voortreffelijkheid gaarne wilde aannemen.
âO Mijnheer Van Zirik!quot; zei de sa van te, met een half verwijtenden blik, en een buiging van het hoofd, die verlegenheid, zedigheid, en nog een half dozijn andere deugden moest te kennen geven.
âHij was de factor, de hoofddichter bij ons gezelschap,quot; zei Van Zirik, op Donia wijzende.
âWat ik was,quot; zei Donia, de schouders ophalende, âof waar men mij toen voor wilde houden, weet ik niet. Zeker is het, dat, zoo ik immer âheilig vuurquot; bezeten heb, dat vuur in Indië spoedig is uitgedoofd geweest: Apollo heet daar alleen Febus, en heeft het in die hoedanigheid veel te druk met de koffie en suiker, om aan de poëzie te denken. Ik heb de lier aan de wilgen, of liever aan de klapperboomen moeten hangen. Met poëzie komt men daar niet ver: vraag het maar aan den Heer Flinck.quot;
âNeen waarlijk niet,quot; zeide deze, bevestigende: âdat is geen product, waar iemand in de Oost iets op bieden zou, en ik weet ook niet, wat men er mee zou uitvoeren.quot;
âMen heeft daar ook andere en gewichtiger dingen te doen, dan verzen te maken,quot; zei de referendaris.
âNu,quot; zei Mw. Van Zirik: âwij willen hopen, dat Mijnheer Van Donia, nu hij terug is, de oude liefhebberij weer zal opvatten.quot;
âHelaas, Mevrouw!quot; zei Donia: âhet verzen maken is eene van die zaken, waar men de hand aan moet houden; anders verleert men die geheel: en dat is mijn geval.quot;
128
âJuist,quot; merkte Van Zirik aan: âzoo als de spreuk van een oud genootschap luidde: âOefening kweekt kunstenquot;.quot;
âO, Mijnheer Van Donia!quot; zei Jeannette: â't is immers: âeens dichter, altijd dichter. Je zult wel weer geïnspireerd worden.quot;
âIndien ik dikwijls de eer had in uw gezelschap te zijn, misschien,quot; zei Donia, met een hoffelijke buiging: âik hoor, dat Mejuffrouw een dichteres is; mag ik weten of er vruchten van haren arbeid verschenen zijn ? â De vraag is voorzeker onbeleefd; want uw werken zullen hier te lande bekend genoeg zijn; maar mijn onkunde is te verschoonen. Men zendt zoo zelden letterkundige voortbrengselen naar de Oost, en ik ben geheel niet meer op de hoogte.quot;
âOch! wat ik heb laten drukken, heeft niet veel te betee-kenen,quot; zei Jeannette, schaamachtig: âen in de Xen ographi e, en dan wat eigenlijk een geheim is, onder den pseudoniem Adelgonde.quot;
âEn uw genre?quot; vroeg Donia.
âNatuurtafereelen en bespiegelingen,quot; antwoordde de dichteres: âbeschrijvingen en zedenkundige poëzie: â daarom zend ik die naar de Xenographie. De Xenographie zal toch wel naaide Oost gaan .... die is juist gewijd aan uitheemsche toestanden en tooneelen.quot;
â't Is mogelijk,quot; zei Donia: âmaar ik nam in de Oost liever zulke werken ter hand, die mij van 't moederland spraken.quot;
âEn het Tijdschrift voor onderwijzeressen? Mij dunkt, dat zou juist iets voor de Oost zijn, waar de dames toch zoo weinig gelegenheid hebben, goede leiding en lessen te ontvangen. Ik heb in 't voorlaatste nummer nog een gedicht geplaatst over het nut eener verstandige meisjes-gymnastiek.quot;
âIk vrees,quot; zei Donia: âdat geen onderwijzeres in de Oost zich genegen zou gevoelen, op dat tijdschrift in te teekenen.quot;
âEn waarom niet?quot;
âOmdat zij bij zich zelve berekenen zou, het niet langer noodig te hebben, tegen dat het derde nummer uitkwam.quot;
129
âEn waarom niet?quot; vroeg Mw. Van Zirik, zich in 't gesprek mengende.
âOmdat een meisje, dat als secondante of gouvernante uitkomt, doorgaans binnen de drie maanden getrouwd is.quot;
âInderdaad ?quot;
â'tls zooals ik u zeg. Zij zijn dikwijls al besproken eer zij van boord zijn.quot;
âFoei! nu geloof ik, dat Mijnheer een weinig malicieus is,quot; zei Mw. Van Zirik.
âIk zou u weer naar Mijnheer Flinck kunnen verwijzen,quot; zei Donia.
âO foei! neen,quot; fluisterde Emilie: âdie norsche beer.... laat dien er maar buiten. Maar.... zoo de Heeren in de Oost zoo gretig de hand leggen op de jonge meisjes, die vanhier komen .. . .quot;
âDes noods zelfs op de weeuwtjes,quot; viel Donia in.
... .âHoe komt het dan, dat Mijnheer niet getrouwd is?quot;
âJa .... hoe komt dat?quot; wilde Jeannette er bijvoegen, doch bleef midden in de vraag steken en kreeg een kleur.
âIk had geen tijd,quot; antwoordde Donia.
âOm te trouwen?quot; vroeg Emilie.
âNeen, om mijn hof te maken: ik was van de leer, dat aangezien men geen huwelijk doet voor veertien dagen, maar voor het leven, de zaak althans een maand overleg behoeft, en wanneer ik soms over een meisje dacht, dan was het voor mijn neus weggekaapt eer ik tot een besluit gekomen was.quot;
âFoei! dan was Mijnheer zeker nooit verliefd,quot; zei Mw. Van Zirik: âals men verliefd is, wikt en weegt men zoo niet.quot;
Jeannette zag Donia aan met een blik, die zooveel te kennen gaf als dat zij met de zielkundige opmerking van Mw. Van Zirik volkomen instemde.
Het is zonderling, hoe moeilijk het valt, in gezelschap het punt van trouwen en verliefd zijn zoo stil te behandelen, dat de aandacht van anderen er niet op gevestigd raakt. In weerwil, dat, toen het gesprek tusschen Emilie en Donia was begonnen, de overige gasten â de tweede luitenant altijd
III. - k. z. 9
130
uitgezonderd â ieder met zijn buren aan 't praten waren, zoo bleken zij toch allen, en in de eerste plaats de jonge dames, een oreille en campagne te hebben: weldra lette geen van deze laatsten meer op wat haar buurman zeide, maar wijdde haar aandacht uitsluitend aan de conversatie, die aan de overzijde plaats had, en de heeren, zich genoodzaakt ziende, hun rede af te breken, volgden het voorbeeld, dat de dames gaven.
Het antwoord, dat Donia op het laatste gezegde van M\v. Van Zirik gaf, was dan ook werkelijk wel geschikt om alle vaders en broeders van ongetrouwde Juffers, en vooral om deze laatsten opmerkzaam te maken. Het luidde:
âIk weet het. Mevrouw! â Maar 't schijnt, dat ik voor dat gevoel, 't welk men liefde noemt, niet vatbaar ben.quot;
âEn daar durf je zoo rond voor uitkomen?quot; riep Van Zirik: âen zonder vrees voor de verontwaardiging van al de dames, hier present?quot;
't Is waar, dat de jonge dames heel verontwaardigd keken, en Donia lang zoo'n interessant mensch niet meer vonden als een oogenblik te voren.
âMaar foei! Mijnheer Van Donia,quot; zei Mw. Van Zirik: âhoe kun je zoo iets zeggen?quot; Je ziet er toch niet uit alsof je een hart van staal of ijs hadt.quot;
â't Zal in de Oost misschien te warm zijn om er verliefd te worden,quot; zei Van Zirik.
âDaar is wel wat van aan,quot; zei Donia lachende.
âDat begnijp ik niet gnecht,quot; zei Mw. Rolrode; maar z\\ kreeg ongevraagd de oplossing van Flinck.
âVerliefd! In de Oost?quot; riep deze, de schouders ophalende en met een uitdrukking van diepe minachting: âwel! ik wou wel 'reis zien, wie dat was. Men is er om geld te verdienen, niet om verliefd te worden. â Wie er trouwt, doet het of uit speculatie, en dan neemt hij de eene of andere schatrijke liplap, of omdat hij toch een huishoudster noodig heeft, en zijn zwarte meid hem verveelt.quot;
Hier keken de dames op haar bord: en de borden waren
131
wel bezienswaardig; een servies van Sèvres met prachtige bloemen.
âIk hoor, daar moeten mooie meisjes zijn onder die inlandsche,quot; zei Tilbury.
âAh fi 1'horreur!quot; riep Mw. Van Zirik; â âzwarte portretten ?quot;
âZwart! nu ja, dat 's zoo bij manier van spreken,quot; hernam Flinck: âzij zijn bruin en er zijn knappe onder; â metrooie tanden, als je daarvan houdt.quot;
âRooie tanden!quot; herhaalde Tilbury verbaasd.
âWel ja! van 't sirie-kauwen.quot;
âAh fi!quot; riep nogmaals Emilie; â âen u Mijnheer, is u nooit getrouwd geweest?quot;
âIk? Nooit,quot; antwoordde Flinck, na een korte poos gezwegen te hebben, alsof 't een punt betrof, waaromtrent hij niet zeker was.
âMet?quot; vroeg de Baron, verbaasd: âwel mij dacht.... was dan Herman Wayland Flinck uw zoon niet? Wayland Flinck, die nog met een Freule Van Doertoghe is getrouwd geweest. . . . zoo wat vijf en twintig jaar geleden. Of waren er meer rijke Oostinjenaren van uw naam?quot;
Aller oogen vestigden zich met niet weinig verbazing op Flinck. Hij was plotseling wit geworden als een laken en zijn onderkaak begon heftig te beven.
âWayland Flinck?quot; zei Looshert: âwel! dien heb ik nog als surnumerair gekend.quot;
âEen Freule Van Doertoghe!quot; herhaalde Emilie: âwanneer heb ik dien naam meer gehoord?quot;
â't Is een Amsterdamsche familie,quot; zei haar man bestraffend: âallereerst! hoor!quot;
Dit een en ander was halfluid gezegd en bij wijze van tusschenzin: en zonder dat de oogen daarom afgewend waren van Flinck, die nog steeds sprakeloos en aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scheen. Men begon ongerust te worden en Van Zirik vroeg:
âU scheelt toch niets. Mijnheer Flinck?quot;
132
âEen glas water?quot; vroeg Mejuffrouw Rolrode, terwijl zij er een inschonk en den ouden man aanbood.
Flinck zag haar als wezenloos aan, schoof het water terug, nam toen de karaf met portwijn op, schonk zich een glas boordevol en dronk het in een teug uit. Dit scheen hem hersteld te hebben: zijn kaak hield op te beven, de doodskleur week van zijn gelaat; zijn oogen stonden weder streng en stroef als te voren en met een vaste stem sprak hij Tilbury aan in deze woorden;
âZoo je Wayland Flinck gekend hebt, dan kan ik u met die kennis geen geluk wenschen. â Hij was de zoon van Madeline Wayland, dat is zoo; en Madeline Wayland was de vrouw van Herman Flink. â Maar zij ligt sedert meer dan veertig jaren in 't graf â en ook haar zoon is lang dood â en voor Herman Flinck, die hier zit, is dat alles, als zaken die voorbij zijn, en waar hij niet van hooren wil. Wie trouwt, doet een gekheid, en niemand behoeft te erkennen, dat hij een halve eeuw te voren een gekheid gedaan heeft.quot;
âMaang dan heb ik uw zoon nog gekend,quot; zeide Mw. Rolrode: âWayland, wel ja! daang heb ik nog wel mee gedanst.quot;
âZeer juist. Mevrouw!quot; zei Looshert: âhij was surnumerair en werd ontslagen wegens afwezigheid zonder verlof. Ik heb dat dezer dagen nog aangehaald, toen Mathenesse van Hollem-berg acht dagen over zijn tijd was uitgebleven.quot;
âWel!quot; hernam Tilbury: âik kan tegen u zeggen. Mijnheer Flinck: âbroeder, geef mij de hand.quot; Ik heb ook in mijn jonge jaren de dwaasheid gedaan een vrouw te nemen; maar ik ben, gelukkig, even als Mijnheer, er heel gauw van verlost geweest.quot;
âMaar dat is abominable, wat je daar zegt,quot; zei Mw. Van Zirik.
âOch Mevrouw!quot; hervatte Tilbury, âindien zij uw bekoorlijkheden had gehad, of die van eene der dames hier aan tafel, ik zou geheel anders spreken.quot;
âZijn er hier meer in Den Haag,quot; vroeg Donia stil aan
138
zijn buurmeisje, âdie zoo walgelijk onbeschaamd over een afgestorven vrouw spreken?quot;
âMijnheer heeft wel gelijk,quot; zei Jeannette, âen mijn broeder heeft ons ook altijd gewaarschuwd, niet naar hem te luisteren. De Baron schijnt zich met opzet te willen voordoen als iemand, die geen hart heeft.quot;
âMij dunkt, hier is meer dan schijn,quot; zei Donia, ernstig.
âMaar Mijnheer zelf?quot; hernam de sa van te, op schertsenden toon en met een blik vol ondeugend verwijt.
âIk geloof,quot; zei Donia, âdat ik ten minste kieschheid genoeg zou hebben om de dooden te laten rusten.quot;
âNu! dat geloof ik ook,quot; zei Emilie, wederom zich in 't gesprek mengende: âintusschen weet u wel, Mijnheer Van Donia, dat ik er zeer blij om ben, dat u nog niet verliefd zijt geweest?quot;
âEn de reden. Mevrouw?quot;
âWel! omdat u het toch eenmaal zult worden, en dan met een lieve, beschaafde vrouw van uw stand en educatie zult voor den dag komen, in plaats van zoo'n affreuse.... hoe heette die Mijnheer Flink het ook?.... o ja, zoo'n liplap, of zoo'n pedante secondante .... maar a propos daarvan____dat brengt mij op een idée. U zegt, een jong meisje
heeft kans op een voordeelig huwelijk, als zij in de Oost komt.quot;
âZoo is 't,quot; antwoordde Donia: âin zooverre namelijk, als voordeelig in den beperkten zin van âgeld-aanbrengendquot; genomen moet worden.quot;
âEn natuurlijk doen zij, die er goed uitzien en eenige bekwaamheid bezitten, de beste partijen?quot;
âDergelijke aanbevelingen schaden ten minste nooit,quot; antwoordde Donia.
âWelnu! waarom zou dan dat jonge meisje, dat bij mij aan huis is, dat pupilletje van u, niet naar de Oost gaan?quot;
âZou Mevrouw haar kwijt willen zijn?quot; vroeg Donia.
Een lichte blos vertoonde zich op het gelaat van Mw. Van Zirik; want Donia had, zonder te weten en vooral zonder nog
134
eenig vermoeden te hebben omtrent haar ware bedoeling, den spijker op den kop geslagen.
âFoei!quot; zeide zij: âhoe zou Mijnheer zoo iets kunnen denken? Ik doel hier alleen op het voordeel van het meisje.quot;
âZou zij er zelve genegenheid toe hebben?quot; vroeg Donia.
âIk heb het haar niet gevraagd. Zij is nog zoo kort bij mij ; â doch ik zou wel haast denken, dat, als zij het vooruitzicht had op een onafhankelijke positie ?....quot;
âInderdaad?quot; riep Donia, een navorschenden blik op haar vestigende: âheeft zij u doen blijken, dat zij met haar toestand niet tevreden was ?quot;
âWat zal ik u zeggen?quot; antwoordde Emilie: âzij heeft daar op Hardestein veel in de groote wereld omgegaan .... het was dunkt mij, verkeerd van dien Dominee, haar daar te laten komen .... en nu is zij natuurlijk verwend.quot;
âToont zij dat?quot; vroeg Donia.
âU begrijpt, haar positie is hier zoo geheel anders,quot; vervolgde Emilie, terwijl zij het geven van een rechtstreeks antwoord bleef ontwijken: âik poog haar wel zooveel mogelijk als een moeder te behandelen en haar vertrouwen te winnen; maar toch, zij is nu eenmaal hier in een ondergeschikte betrekking, ik kan haar niet in gezelschap introduceeren, en dat valt haar natuurlijk af.quot;
âZij kon er zich toch op verwachten,quot; zei Donia; âmaar heeft zij daarover geklaagd?quot;
âEn dan,quot; ging Mw. Van Zirik voort: âzij is, geloof ik, nog al gewend geraakt, douceurs aan te hooren, en ik vrees, dat zij daar nu behoefte aan heeft: Mijnheer, u gevoelt, dat, zoo zij het opzicht over die lieve kinderen ging verwaarloozen om naar praatjes van Heeren te luisteren . . . .quot;
âHeeft zij dat gedaan?quot;
âMen moet altijd begrijpen, de dochter trekt zoo licht naaide moeder, en haar moeder is toch zeker ook niet veel geweest. Indien zij eens denzelfden weg opging.quot;
âIs u dat alles niet voor den geest gekomen, Mevrouw! eer je besloot haar in huis te nemen?quot;
135
âWel zeker, Mijnheer! maar Van Zirik was er zoo op gesteld, voelt u?quot;
âHm! ja,quot; zei Donla, die langzamerhand begon te vinden, dat de redeneering van Mw. Van Zirik, op 't stuk van fraai bijgebrachte argumenten en beschouwingen, wat heel veel had van een diplomatieke nota, en een sterk vermoeden kreeg, dat er hier of daar een angel onder 't gras school.
âEn daarom, dacht ik,quot; zoo besloot zij haar rede, âdat zij, niet beter kon doen dan naar de Oost gaan. Zij ziet er goed uit, zij is bekwaam: zij zal wel dezen of genen nabob in 't oog vallen, en dan is zij er uit en kan weer een leven leiden, dat haar smaakt.quot;
âMevrouw!quot; zei Donia, na een oogenblik te hebben nagedacht : âhet denkbeeld, door u geopperd, is reeds meer ter sprake gekomen: ik heb er zelfs over gecorrespondeerd met Dominee Bol; doch ik, die er, geloof ik, 't best over oordeelen kan, heb het steeds afgeraden. Het is waar, meisjes als zij vinden in de Oost licht gelegenheid een rijk huwelijk te doen; maar dan moet ook niet zelden het geld alles verzoeten.quot;
âJa, dat begrijp ik,quot; zei Mevrouw: âelke zaak heeft twee kanten.quot; En zij dacht aan haar eigen huwelijk, en hoe zij Van Zirik ook genomen had alleen om zijn geld, en zij zuchtte diep.
Die zucht ontsnapte Donia niet, en hij kon zich niet onthouden, even een blik naar den gastheer te slaan, die daar, aan de overzijde der tafel, in volle zelfgenoegzaamheid, tegen Looshert een hoogdravend vertoog hield over 't ongrondwettige van ik weet niet welk besluit, een vertoog hoofdzakelijk ontleend aan ik weet niet welk oppositie-blad.
âIk weet. Mevrouw!quot; ging Donia voort: âdat meisjes ook hier te lande wel eens doen, wat zij een mariage de raison heeten; doch over 't geheel blijft men dan in zijn stand en al is de man wat oud, of wat dom, of wat krom, hij is toch in den regel zoo, dat men met hem voor den dag kan komen. Maar in de Oost vervallen al de grenzen, die hier in de maatschappij de lieden van elkander scheiden, en het eenige, waar men
136
u naar vraagt, is; âbekleedt die of die een hooge betrekking?quot; en, liever nog; âheeft hij geld?quot; â Je zult er op een bal de afschuwelijkste, logste, leelijkste matronen den geheelen avond zien dansen, alleen omdat de man rijk is, en de mooiste jonge meisjes tapisserie zien maken, wanneer zij geen fortuin hebben. â Wees graaf, wees patriciër, wees geleerde, wees dichter, heb je geen geid, niemand zal notitie van u nemen? en je zult u zien verlaten voor dezen of genen karremans-zoon of schoenpoetser, die fortuin heeft gemaakt. Het trouwen is er een bloote financiëele operatie, waarbij alleen naar het bezit, niet naar de herkomst van het geld gevraagd wordt; en de personen zeiven eigenlijk maar bijzaken zijn. â Ik zeide u straks, ik had in de Oost aan geen trouwen gedacht; ik schertste. Had ik een vrouw gevonden, niet bloot voor de Oost, maar die ik kon meenemen, en die in mijn kring hier te lande evengoed op haar plaats zou zijn als in dien van Batavia, ik had mij het heil van 't huwelijk niet ontzegd. Er waren er misschien; â enkelen; â zij hebben andere echtgenooten gevonden. En nu, om op ons uitgangspunt terug te komen; Een jong meisje, als waar wij over spraken, een secondate, of iets dergelijks, die niets heeft, zal wel ten huwelijk gevraagd worden ; maar alleen door een man, die groote rijkdommen bezit, en dus waarschijnlijk reeds bedaagd is; is zij mooi, dan is het tien tegen een, dat hij, die haar neemt, zulks alleen doet om met haar te pronken; heeft zij talenten, dan is 't evenzeer tien tegen een, dat de vrijer behoefte heeft aan een vrouw, die hem eer aandoet en de conversatie ophoudt aan de partijen die hij geeft. â Nu zal haar lot, naast den ongelikt en geldwolf, aan wien zij zich verbonden heeft, nog draaglijk zijn, zoolang zij zich in de Oost bevindt; maar eenmaal keert het paar naar 't moederland terug. Dan wordt het tooneel anders. De man, die op Java overal gevierd en geëerd werd, is hier niets meer; zijn geld alleen kan hem, die noch geboorte, noch beschaafde manieren, noch smaak voor kunst en wetenschap heeft, die zelfs geen Fransch spreekt, den toegang zelfs tot geen deftigen burgerkring ontsluiten. Hij verveelt zich, wordt
I
137
baloorig, gaat op reis, ziet zich door fatsoenlijke lieden den nek toekeeren en door kelners uitlachen, wordt nog balooriger, zoekt het, nu hier, dan daar, wreekt zijn leed op iedereen, in de eerste plaats op zijn vrouw, en eindigt met naar de Oost terug te keeren, wat dan ook nog het wijste is dat hij doen kan. â⢠Zie! het lot van zulk eene vrouw is niet benijdenswaardig, en ongaarne zou ik er, anders dan in de uiterste noodzakelijkheid, mijn pleegkind aan blootstellen.quot;
â't Is zeker geen engageant tafereel, dat Mijnheer daar ophangt,quot; zei Emilie: âdoch er zullen toch wel excepties zijn.quot;
âJa, even als bij de kolonialen. Enkele treffen 't, en worden officieren, een of twee misschien, in vijftig jaar, hoofdofficier; maar zoo gaat het niet met de meerderheid.quot;
âEnfin! 't zou toch voor u en de andere Heeren een groote geruststelling wezen als zij hier vandaan was. 't Is zoo gek, als de menschen vragen: âwie is die Juffrouw Zevenster eigenlijk? en hoe komt Mijnheer Van Zirik haar voogd? o, En natuurlijk zoekt men er meer achter dan er werkelijk in
steekt.quot;
âIk besef volkomen,quot; zei Donia: âdat onze landgenooten nog steeds even geneigd zijn, het ergste van hun naaste te denken, als toen ik, twintig jaar geleden, van hier trok; â maar zie, dat zijn consideraties, waar wij moeilijk gehoor aan kunnen geven. â Enfin, ik hoop zelf eens met haar te spreken, en dan zullen wij zien.quot;
Hier gaf Donia plotseling een wending aan het gesprek met Mw. Van Zirik, als wilde hij op een beleefde wijze te kennen geven, dat hij het onderwerp, waarover zij bezig waren geweest, als afgehandeld beschouwde. Wij hebben de woordenwisseling, die daarover gevoerd werd, aaneengeschakeld gegeven, ofschoon zij, als te begrijpen is, door korte tusschengesprekken met anderen, door bevelen, die Mevrouw had te geven, of door aanbiedingen van wijn en spijzen, aan Donia gedaan, herhaaldelijk was afgebroken, en dikwijls eerst na een verwijl van eenige minuten was hervat geworden. Intusschen, reeds voordat zij geheel ten einde was geloopen, had Donia bij zich
138
zeiven de overtuiging bekomen, dat, onder al de redenen, waarom Mw. Van Zirik zijn pupil naar de Oost wenschte te hebben, er eene was, welke zij niet zeide, en dat die eene wel de ware zou zijn.
VIERDE HOOFDSTUK.
WAT ER BIJ VAN ZIRIK VERHANDELD WERD ONDER DE SIGAREN, KOFFIE EN LIKEUR.
Het nagerecht was afgeloopen: de dames waren opgestaan en hadden zich naar de zijkamer begeven, om de Heeren bij 't genot van hun sigaar te laten, 't Was bij Van Zirik geen grand genre, als bij Mw. Van Doertoghe, waar niet gerookt werd, 't was er ook geen half grand genre, als bij Eylar, waar de Heeren in een andere kamer gingen rooken, 't was er genre bourgeois, en de Heeren bleven aan tafel rooken en gingen met wijn drinken voort. Bol zou er heel wat over te zeggen hebben gehad, en zijn diatribe, die in Boek VI voorkomt, hebben vermeerderd met een uitvaren tegen 't onhebbelijke, om, in een kamer, vlak naast die, waarin zich de dames bevinden, een tabakswalm te doen opstijgen, die zijn weg tot haar vinden moet, telken reize als de tusschen-deur opengaat; en zelfs in spijt van die deur. â Nauwelyks waren de dames gezeten en brachten de bedienden de koffie binnen, of Mw. Rolrode vroeg:
âWij zullen de kindungen toch zien, niet waang?quot;
âWel zeker, die lieve kinderen,quot; zei Mary Looshert.
Dit was niet anders dan een soort van sein, waar Mw. Van Zirik op gewacht had.
âFilip!quot; zeide zij: âzul je Mademoiselle waarschuwen.quot;
âDat is al gedaan,quot; antwoordde hij: âen den jongenheer ook.quot;
â't Is goed,quot; zeide Mw. Van Zirik: âmaar waarom komen zij dan niet?quot;
139
Het antwoord op die vraag kon nog al licht gegeven worden : noch Nicolette, noch haar é 1 è v e s hadden vleugels, en zij moesten dus als gewone schepselen langs de trappen naar beneden gaan. Spoedig echter ging de deur open en trad het vijftal binnen. Charles, die met zijn gouverneur boven gegeten had, vooruit, omdat hij een jongen was en zich langs de leuning van de trap af, naar beneden had laten glijden, vervolgens de twee meisjes, en eindelijk Nicolette, met Eduard aan de hand. Dat binnentreden bracht natuurlijk de gewone uitwerking teweeg, en deed de sacramenteele kreten ontstaan van; âoch! daar zijn ze! och! hoe lief! Wat zien ze er âsnoepig,quot; of âsnoeperigquot; V uit! â honnig! â ) âbeeldig!quot; of âbeelderig!quot; ;|) â Welke uitroepen van bewondering afgewisseld of gevolgd werden door stil gefluisterde opmerkingen, die niet aan 't adres van de moeder der geprezen kinderen gericht waren, als: âwat zien die schapen bleek! â die Emilie groeit leelijk op! â Charles krijgt bepaald een bochel!quot; enz.
Hierop volgde de gewone ceremonie van het ronddienen der kinderen, evenals zoo straks het ronddienen der koffie, en werden Emilie en Jeanne langs de wangen gestreeld, en Charles over zijn vorderingen bij monsieur Rostan ondervraagd : door de savante meer bijzonder over de géographie. â Wat Eduard betrof, die was eenkennig als naar gewoonte, liet Nicolettes boezelaar niet los, en kleefde zich beangst tegen haar zijde: wat aanleiding gaf tot het beklag, halfluid door Mw. Van Zirik tegen Mw. Rolrode gedaan, dat de Juffrouw zoo weinig slag had om dien jongen vriendelijk te maken.
Voor 't overige was er niet eene van de bezoeksters, die notitie nam van Nicolette: of liever zij namen wel notitie van haar; maar 't was om te onderzoeken of zij inderdaad den roep rechtvaardigde, die er, den geheelen Haag door, over âdie mooie bonne bij Van Zirikquot; ging. Het eindoordeel was,
M De geleerden zijn 't niet eens, welk van beide beter is, en de dames ook niet.
-) Waarschijnlijk van honig afkomstig.
3) Als met snoepig en snoeperig.
140
dat er wel wat van aan was, ofschoon de neus te veel dit, de wangen te veel dat, de mond te groot, de ooren te klein, de houding te vrijmoedig en de kleeding boven haar stand was.
De arme Mademoiselle bleef alzoo, gedurende het half uur, dat de dames zich met elkander of met de drie oudste kinderen bezig hielden, in een hoek van 't vertrek met Eduard alleen staan, vruchteloos pogingen aanwendende om hem te bewegen zich minder weerbarstig te gedragen. â Eindelijk werd de thee binnengebracht en de Heeren gewaarschuwd, dat men hun tegenwoordigheid verlangde. De sigaren werden weggeworpen en de Heeren wandelden binnen.
âMademoiselle,quot; zei hierop Van Zirik tot Nicolette, âhier is een Heer, die de kennis met u wenscht te hernieuwen.quot;
Nicolette had, toen de tusschendeur openging, even opgekeken en haar oog had dat van Tilbury ontmoet, die 't eerst binnengekomen zijnde, het zijne met zijne gewone onbeschaamdheid op haar gevestigd hield, zoodat zij verontwaardigd en verlegen het hoofd afgewend had en maar half verstaan wat Van Zirik tot haar zei, en hij zich verplicht vond te herhalen: âMademoiselle!quot;
â't Is een heel oude kennis, die op dat voorrecht aanspraak maakt,quot; zei Donia, âeen, die zich verheugt, u zoo goed opgegroeid en in zoo goeden welstand terug te zien.quot;
Nicolette had die stem niet gehoord dan voor zestien jaren, toen zij nog een klein kind was, en toch klonk haar die als van een bekende tegen; zij zocht echter vruchteloos uit die trekken den naam uit te vorschen en stamelde verlegen: âMijnheer!quot;
âHeeft men u niet gezegd,quot; hernam hij, haar de hand toestekende, âdat Occo Van Donia uit Java werd terugverwacht?quot;
âMijnheer Van Donia!quot; riep Nicolette verheugd en vroolijk uit, en terwijl zij de toegestoken hand wilde kussen.
âNeen!quot; zeide hij, âdat behoeft niet: ik zal zoo vrij zijn, gebruik te maken van mijn vaderlijk recht,quot; en meteen omvatte hij Nicolette en kuste haar, dat het klapte, wat den nijd en de afgunst opwekte van Tilbury, die op dat oogenbiik in zijne
141
plaats had willen zijn, en de verontwaardiging der jonge dames, die misschien wel in de plaats hadden willen zijn van Nico-lette; â maar tevens ook den angst van Eduard, die zeker dacht, dat men Mademoiselle een groot kwaad deed, en begon te schreeuwen als een Turk.
âEst-ce qu'on ne peut faire taire eet enfant?quot; vroeg Mw. Van Zirik, die wij weten, dat niets van scènes hield.
âHij is jaloersch van ieder, die Mademoiselle nadert,quot; zei Van Zirik: âwacht! ik zal u van dien schreeuwleelijk verlossen,quot; en meteen nam hij den knaap op, die nu nog harder begon te schreeuwen en Mademoiselle niet wilde loslaten.
âHij zal wel zoet zijn, Mijnheer!quot; zei Nicolette : âlaat hem mij maar.quot;
âHij moet gehoorzaam wezen als zijn vader het gelast,quot; zei Van Zirik, die niet begreep, of wel vergat, dat ouders geen gehoorzaamheid kunnen vergen van hun kinderen, wanneer zij hun niet door bestendigen omgang gehechtheid en ontzag hebben weten in te boezemen; â ook hielp de machtspreuk bitter weinig, en de kleine bengel bleef tegenspartelen, en met handen en voeten schoppen en schreeuwen, met een stem van tien citroenwij ven-krachten, zoodat het einde was, dat Van Zirik, die niet toegeven wilde, hem aan Pilip overhandigde, met last hem boven en bij de meid te brengen. â Van Zirik was in zijn drift geheel vergeten, dat er geen meid, althans geen kindermeid, meer boven was.
âMaar ik zal met hem gaan,quot; zei Nicolette verlegen.
âNeen,quot; zei Van Zirik: âdie ondeugende jongen moet zijn zin niet hebben. Doe wat ik zeg, Pilip!quot;
âMaar bij wie moet ik hom brengen ?quot; zei Pilip: âde meissies zitten nog te eten.quot;
Een bediende van goeden huize, ein gebild eter Haus-knecht zouden de Duitschers zeggen, noemt zijn kameraden van 't vrouwelijk geslacht nooit anders dan: âde meisjes.quot;
âWat raakt mij dat? roep er dan een van,quot; riep Van Zirik, hoe langer hoe meer opgewonden.
142
âWaarlijk, hij zal niet zoet worden, tenzij ik meega,quot; herhaalde Mcolette, smeekend, tusschen dit alles in; maar het mocht niet baten. Van Zirik had een bui van koppigheid, en Filip bracht den knaap weg, wiens noodkreten men nog in de gang hoorde.
De tweede luitenant was zeker door dat ongewoon rumoer verschrikt geweest; althans hij had dat oogenblik waargenomen om ongemerkt de deur en 't huis uit te sluipen.
âDat kind is anders nooit zóó,quot; zei onderwijl Mw. Van Zirik tegen de dames; âmaar ookquot; â dit laatste fluisterend, en zijdelings van Donia ziende, âhet is zulke zonderlinge vertooningen niet gewend.quot;
âIk verzoek u verschooning voor mijn zoon,quot; zei Van Zirik luid tegen 't gezelschap.
âEduaartje is altijd zoo,quot; merkte de kleine Jeanne aan: âlaatst zette hij ook zoo'n keel, toen Meneer Tipperie Mademoiselle wou plagen.quot;
Mw. Van Zirik kreeg een kleur en lei haar enfant terrible de hand op den mond; maar natuurlijk was 't al te laat. De dames keken eerst met een glimlach Tilbury aanr die de Mademoiselle dorst plagen, en toen, met verontwaardiging, Mademoiselle, die zich van Tilbury plagen liet. De Baron keek heel onnoozel naar een schilderij aan den wand en hield zich, alsof hem de beschuldiging niet gold.
âIk ben het alleen, die verschooning heb te vragen,quot; zei Donia, die van dit alles niets gehoord of begrepen had; âik ben schuld aan het gebeurde, en dat is het gevolg er van, als men zelf geen kinderen heeft, en niet weet, hoe met dat kleine volkje om te gaan.quot;
â't Is ook,quot; zei Mw. Van Zirik, zich geweld aandoende om een honigzoeten toon aan te nemen; want inwendig was zij woedend over al het gebeurde en vooral op Mcolette; â't is, dat de kleine jongen niet gewend is, dat men Mademoiselle zoo om 't lijf pakt.quot;
âOf hij is 't misschien al te veel gewend,quot; fluisterde Mej-Rolrode Mary Looshert in 't oor.
143
âWat wil je, Mevrouw?quot; hernam Donia: âik was blij, mijn pupilletje terug te zien na zulk een lange afwezigheid en als frije Fries ben ik misschien wat al te frij geweest. â En,'quot; vervolgde hij, zich plotseling weer naar Nicolette wendende, âhoe heb je den Dominee gelaten, en mijn ouden vriend Eylar?quot;
âHeel wel,quot; antwoordde Nicolette, maar half verstaande, wat er gevraagd werd; want al was zij verheugd geweest, Donia te zien, zij was ongerust, dat de kleine Eduard zich een ongeluk zou schreeuwen: âMijnheer zal mij wel verschoonen,quot; vervolgde zij: âmaar ik moet even gaan zien, of ik dat kind niet tot bedaren kan brengen.quot; â En meteen snelde zij weggt;
âWat is dat?quot; vroeg Mw. Van Zirik: âwaar gaat Mademoiselle naar toe?quot;
âHet kind troosten en weer goedmaken wat ik misdreven heb,quot; antwoordde Donia.
âElle aurait bien pu nous demander si cela nous convenait,quot; zei Mevrouw, tegen haar man.
Zeker zou zij met het antwoord verlegen zijn geweest, indien haar iemand gevraagd had, waarom zij dat in 't Fransch zei, en niet in 't Neerduitsch. Vermoedelijk was zulks dan ook alleen te verklaren in de gewoonte, die sommige lieden hebben, om, wanneer zij aan een ander iets zeggen willen, dat de kinderen of de bedienden niet hooren moeten, in plaats van dan te wachten tot zij alleen zijn, zich van een vreemde taal te bedienen, van welke taal dan echter die kinderen of bedienden doorgaans juist genoeg verstaan om deelgenooten te worden van het geheim, dat men voor hen verbergen wil. â Diezelfde gewoonte blijft hun ook in gezelschap bij, en dan geldt dat bezigen eener andere, schoon aan al de aanwezigen bekende taal, zooveel als een verzoek aan deze laatsten, om voor een oogenblik niet te luisteren.
âVoorwaar!quot; dacht Donia, die ongelukkig niet had kunnen nalaten, den uitval van Mevrouw te hooren: â't is zoo als ik al gedacht had, en ons Klaasje heeft bij haar pleegvader hier niet de liefderijkste pleegmoeder gevonden.quot; Terwijl hij
144
hierover aan 't peinzen was, werd hij uit zijn mijmering gestoord door den ouden Heer Flinck, die hem de hand op den arm leide en vroeg:
âIs dat meisje, dat daar heenging, familiebetrekking vanu?quot;
âNiet volkomen,quot; antwoordde Donia, en tevens, den grijsaard aanziende, ontstelde hij min of meer over de uitdrukking welke diens gelaat weder had aangenomen. Bij de confusie, door het misbaar van den kleinen Eduard veroorzaakt, had niemand er acht op geslagen, hoe Flinck, op het hooren der stem van Nicolette, bevreemd had opgekeken en van dat oogenblik af haar had aangestaard op een wijze, die, zoo zij er iets van gemerkt had, haar nieuwen angst zou hebben ingeboezemd. Toen zij vertrok had hij haar nageoogd en nu stond hij nog, leunende op zijn kruk, naar de deur te turen, die achter haar was dichtgegaan, terwijl zijn gelaat weder, als dien middag aan tafel, verbleekt, en zijn kaak weder aan 't beven geraakt was.
âSchort er iets aan?quot; vroeg Donia.
âWaar is dat meisje vandaan?quot; vroeg Flinck.
âZiedaar wat ik zelf dankbaar zou zijn te vernemen, en onze vriend Van Zirik ook,quot; antwoordde Donia; â't is een vondeling, daar wij en nog eenige makkers ons over ontfermd hebben toen wij te Leiden studeerden, in 182 .quot;
âIn 182 .! toen was ik ook te Leiden,quot; zeide Flinck, nadenkende.
âJuist, dat herinner ik mij,quot; zei Van Zirik, die inmiddels genaderd was: âalle namiddagen in De Pauw, bij de kachel. Mijnheer heeft toch altemet geen kennis aan de moeder van dat meisje gehad ?quot; vroeg hij er, half schertsende, half onderzoekende bij.
âIk?quot; vroeg Flinck, met een toon van stem, die alles behalve vriendelijk was: âIs dit ernst of gekscheren. Mijnheer ?quot;
âVerschoon mij, Mijnheer?quot; stotterde Van Zirik: âik wilde maar ...
âIndien het ernst is,quot; vervolgde Flinck, âdan wil ik u alleen zeggen, dat ik een half jaar bijna te Leiden ben geweest.
145
lijdende aan 't graveel, en al dien tijd onder behandeling van Professor Gelonides, die mij genezen heeft, en dat ik onmiddellijk daarna verder getrokken ben.quot;
âMijnheer!quot; hernam Van Zirik, zich buigende, en op den nederigsten toon mogelijk, âik verzeker u, 't was verre van mij, iemand van uw jaren te verdenken, dat. ..
't Was in 't noodlot van Van Zirik, als meer gebeurt met lieden die excuses willen maken, de zaak nog te verergeren door 't geen zij tot verzachting bijbrengen. Dit bleek hem tot zijn schrik uit de woorden, waarmede hem Flinck in de rede viel.
âIemand van mijne jaren! â Mijnheer! ik ben nu negen en zestig, en nog kras genoeg, durf ik zeggen, zoo kras, als menige Haagsche spring in 't veld durft denken. Ik ben rheumatiek in mijn linkerpoot, en 't rijden vermoeid mij; maar anders .... ik zou er nog geheel niet tegen opzien, een jonge vrouw te nemen, indien ik het huwelijk niet als een dwaasheid beschouwde.quot;
Dit alles was zoo luid gezegd, dat de dames het hoorden, en deze en gene van haar bij zich zelve berekende binnen hoevele jaren zij een rijke weduwe zou kunnen zijn, indien de Heer Flinck haar tot vrouw nam.
âWel!quot; zei Looshert: âwaarom niet? Daar is de gepension-neerde adjunct-commies Blikkering, die is op zijn acht en zeventigste jaar getrouwd met een weduwe van vier en dertig en heeft nog zes kinderen gekregen.quot;
âLes amis sont toujours la;quot;
neuriede Tilbury.
âEn ik zou meer zulke precedenten uit de pensioenlijst weten op te delven,quot; vervolgde Looshert.
âMaar,quot; zei Donia tot Flinck: âalle scherts en ongepaste onderstellingen ter zijde gelaten, uw vraag naar dat meisje duidde toch eenige belangstelling aan, ja een meer dan gewone.quot;
âZeer waar!quot; zei Flinck: âdie stem klonk mij in 't oor, alsof ik die meer gehoord had â en zelfs de trekken kwamen
III. - K. Z. 10
146
mij bekend voor. â Maar neen,quot; vervolgde hij, als tot zich zeiven: â't zou letterlijk onmogelijk zijn.quot;
Op dit oogenblik kreeg hij gelegenheid, zijn onderzoek te hernieuwen; want Nicolette keerde terug, den kleinen Eduard op den arm houdende.
âZie Papa!quot; zeide zij, zich tot Van Zirik wendende : âEduardje heeft mij beloofd, dat hij nu heel zoet wezen en niet meer schreeuwen zou,quot; en meteen zette zij het knaapje neer, dat nu inderdaad niet meer schreeuwde, maar welks borstje nog op en neer ging als de golven nadat de storm bedaard is, en wanneer zij nog getuigen, hoe het beneden hun oppervlakte kookt.
â't Is goed,quot; zei Mw. Van Zirik: âmaar neem hem nu maar weer mede, en de meisjes ook. Charles kan nog wat hier blijven.quot;
âHij zal goeden nacht zeggen, niet waar mijn schat?quot; zei Nicolette: ânu, geef aan Papa en aan Mama een kusje en zeg dan maar: âbonsoir tout le monde.quot;
âIk kan het toch niet gelooven,quot; bromde Flinck bij zich zeiven, terwijl hij ging zitten: â't is omdat ik straks aan tafel over haar gesproken heb, en dat mij haar beeld weer zoo levendig voor den geest stond, dat ik het waande terug te vinden in de trekken van dat meisje:quot; â en hij haalde de schouders op, als schaamde hij zich over zijn eigen dwaasheid.
âMaar met uw verlof,quot; zei Donia, toen Nicolette, nadat zij de kinderen behoorlijk afscheid had laten nemen, weder vertrekken wilde: âeer je heengaat. Ik moet een langer conversatie met je hebben, dan mij nu gegund is.quot;
âIk ben lijdelijk in 't geval,quot; zei Nicolette, zijdelings naar Mw. Van Zirik ziende.
âNatuurlijk, â nu. Mevrouw zal mij wel toestaan, dat ik u haar eens voor een uurtje ontroof, niet waar Mevrouw?quot;
âO, dat spreekt van zelf,quot; antwoordde Mevrouw, innerlijk dien Raad van Indië, dien ouden contractant, dien Tilbury en alle mogelijke heeren verwenschende die van Nicolette zooveel notitie namen: âMijnheer heeft maar te bepalen wanneer, morgen, overmorgen, in de volgende week.quot;
147
âOvermorgen vroeg vertrek ik van hier,quot; zei Donia: âten minste als ik morgen hier gedaan krijg, â laat dus zien â morgenochtend te elf uren?quot;
âDan moet ik met de kinderen wandelen,quot; fluisterde Ni-colette.
âNu, dan .... ja, te halftwee ben ik bij den Koning bescheiden: dus, tegen twaalf uren, schikt u dat? â Ik logeer in 't Keizershof, Nn. 20.quot;
âSchikt dat Mevrouw?quot; vroeg Nicolette.
Mevrouw vond, dat het volstrekt niet schikte, en had zulks wel gaarne geantwoord: doch zij wilde Donia te vriend houden: hij zou misschien nog trouwen en zich in Den Haag nederzetten, en dan zou hij haar natuurlijk bij zich ten eten vragen, waardoor zij hooge connexies krijgen zou. Zij verleende dus grif haar toestemming, waarop Nicolette met de kinderen vertrok.
âWij zullen u toch spoedig weer hier zien. Mijnheer Van Donia,quot; zei toen Mw. Van Zirik.
âAlles is nog zoo onzeker,quot; antwoordde hij: âik ben evenals de vogel, die kringen in de lucht beschrijft, eer hij de plaats gevonden heeft, waar hij zich nederzet.quot;
âHa! aan die beeldspraak herken ik onzen ouden factor weer,quot; zei 7an Zirik: âmaar weet je wat, ik twijfel er niet aan, of, als je morgen bij den Koning gaat, hij je tot lid van de Eerste Kamer benoemt, en dan zien wij je spoedig weer hier.quot;
âFoei! Van Zirik! wil je Mijnheer nu al in 't Oudemannenhuis stoppen?quot; vroeg Mevrouw: âen Mijnheer Flinck, denkt die zich hier in Den Haag te établisseeren?quot;
âDe Hemel bewaar mij,quot; antwoordde Flinck: âik hoor hier niet thuis. Ik heb met November kamers gehuurd te Amsterdam, en dan zal ik zien of er tegen den zomer ook hier of daar aan den kant van Utrecht of Arnhem iets te vinden is, waar ik mij kan terugtrekken.quot;
âO! te Velp bij voorbeeld, daar is 't zoo beelderig,quot; lispte Mary Looshert, die in zich zelve dacht, dat zij zich 't gezelschap van den ouden Flinck getroosten zou, als hij haar een équipage en een buitengoed bezorgde.
148
âOf te Driebergen,quot; zei Mej. Kolrode, âdaar is 't ook zoo lief, en dan, zoo in de prosimiteit van Utrecht, dat heeft 's winters zooveel a vantages.quot;
âMaar je zult het toch heel eenig hebben,quot; zei Jeannette Looshert: âje moet toch gezelschap zoeken.quot;
âNu! wil je dan eens beurt om beurt bij mij komen logee-ren?quot; vroeg Flinck, op alles behalve uitlokkenden toon; âmaar één ding moet ik jelui zeggen: ik val in slaap als er muziek gemaakt wordt, en van rijmelarij heb ik geen verstand.quot;
âDie ongelikte beer!quot; dachten de drie jonge dames â maar toonden het niet.
âA propos Donia!quot; zei Van Zirik; âals je overmorgen vertrekt, konden wij wel eens reisgenooten zijn.quot;
âIk ga naar Friesland,quot; zei Donia.
âEn ik naar Amsterdam,quot; zei Van Zirik: âmisschien wat verder; doch dat is nog onzeker.quot;
âNu, dan gaan wij ten minste een goed eind samen,quot; zei Donia: âalthans als wij met dezelfde gelegenheid van hier reizen.quot;
De heeren namen nu hun afscheid: Flinck, om in den Holland-schen schouwburg te gaan dutten; Donia, om in de club aan het edele whistspel deel te nemen; Tilbury, om in de Witte Sociëteit naar het potspel te kijken en op de hand van dezen of genen bekwamen biljartspeler te pariëeren: Van Zirik, om in de Besognekamer een partijtje hombre te maken, en Rol-rode, om aldaar achter het hombre-tafeltje naar 't spel te kijken, tot hij, als naar gewoonte, er bij in slaap viel: Looshert eindelijk, om, gelijk hij 't uitdrukte, âmet zijn minister te werken.quot;
Wij zullen doen als zij, onze buiging voor de dames maken en ze alleen laten, zich, zoo goed zij kunnen, vermakende met te praten over allerlei onderwerpen, voor haar misschien hoogst belangrijk, maar die ons in 't minst niet aangaan.
TWAALFDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
ZIJNDE EEN GESPREK, DOOR DEN SCHHIJVEE OP DEN SPOORWAGEN GEVOERD MET MEVROUW X., EN ALZOO EEN TDSSCHEN-HOOFDSTÃK, DAT TOT HET VERHAAL ZELF NIETS AFDOET, EN WAARVAN WIJ DESNIETTEMIN DE LEZING UITDRUKKELIJK AANBEVELEN, VOORAL AAN DE PERSONEN IN DE EERSTE REGELS DER EERSTE BLADZIJDE VAN HET EERSTE DEEL GENOEMD.
Het gebeurde onlangs, dat de schrijver der lotgevallen van Klaasje Zevenster zich, met om 't even welken spoortrein, om 't even waarheen begevende, in den wagen, waarin hij plaats nam, iemand aantrof, die onze lezers hebben leeren kennen onder den naam van Louise Van Erlangen, de jonge Juffrouw, die een enkele reize, als correspondente van Nicolette, voor 't eerst en voor 't laatst in ons verhaal opgetreden, en die thans al sedert jaren getrouwd is en moeder van een half dozijn kinderen. Er was niemand in het compartiment gezeten, buiten de twee genoemde reizigers, en dit gaf dan ook aanleiding, dat het gesprek tusschen hen beiden levendiger en van weerskanten vrijmoediger zijn kon, dan het in 't bijzijn van een toehoorder zou geweest zijn. Te huis gekeerd, teekende de schrijver het gesprokene uit zijn geheugen op, en dewijl hij oordeelde, dat de kennisgeving daarvan voor de meesten onder zijn lezers niet van belang ontbloot zou zijn, achtte hij het gepast, het opgeteekende hier mede te deelen. Ter vermijding der herhalingen van âzeide zij, antwoordde hijquot; en
150
dergelijke, wordt de samenspraak naar den ouderwetschen trant gegeven, en Mevrouw X., â wier waren naam wij verzwijgen â met Zu, schrijver dezes met Ik, aangeduid.
Nadat de conducteur de kaartjes had onderzocht, de trein in beweging was gekomen, en de gewone groeten, benevens de niet min gewone weerkundige beschouwingen gewisseld waren, begon
Zu. Ik heb de twee dealen van Klaasje Zevenster gelezen, Mijnheer. ')
Ik. Zeer veel voor mij, Mevrouw.
Zu. Ja, en ik ben blij, dat ik u eens ontmoet; want ik moet geducht op u knorren.
Ik. Dat doet mij zeer veel leed, Mevrouw. En mag ik vragen, waar ik uw toorn mee heb verdiend?
Zu. In de eerste plaats vind ik het mooi onbescheiden van u, een brief van mij te laten drukken.
Ik. Ik moet u doen opmerken. Mevrouw, dat ik uw waren naam verzwegen heb, evenals ik met betrekking tot al de personen heb gedaan, die in mijn verhaal voorkomen.
Zu. In allen gevalle had je mij eerst verlof kunnen vragen, mijn brief openbaar te maken.
Ik. Er staat zoover ik weet, niets in dien brief, waarover Mevrouw zich zou hebben te schamen: integendeel geloof ik, dat ieder, die hem leest, hulde moet doen aan het gezond verstand, zoowel als aan het hart van de schrijfster.
Zu. Hm! â een brief van een jong meisje, dat pas de school heeft verlaten!
Ik. Nu! 't ware te wenschen, dat alle jonge meisjes, die in 't zelfde geval verkeeren, zich zoo verstandig en in zoo goed Neerduitsch wisten uit te drukken, als in haar tijd Juffrouw Louise Van Erlangen.
Zu (de schouders ophalende). Je schijnt al een heel
') De eerste uitgave Tan dit werk verscheen in vijf deelen. Vandaar dat toen de indeeling anders was, ofschoon de inhoud later dezelfde bleef.
151
geringen dunk van onze jonge meisjes te hebben, Mijnheer. ')
Ik. Ik heb een grooten dunk van Mevrouw X., Mevrouw! Doch, veroorloof mij wederom, u te vragen, of het opnemen van dien brief de eenige reden is uwer ontevredenheid.
Zij. Neen voorwaar niet! Ik heb een andere, en vrij wat gewichtiger grief tegen u. Je hebt niet meer of minder gedaan, dan uw lezers bedrogen, en dat wel op een wijs, die ik liever niet qualificeeren zal.
Ik (geheel uit het veld geslagen). Mevrouw! dat is een beschuldiging! â Ik hoop toch, dat het maar scherts is?
Zij. Volstrekt niet, ik spreek in vollen ernst.
Ik. Maar, wees dan zoo goed, u nader te verklaren; want ik begrijp volstrekt niet, waar Mevrouw op doelen kan.
Zij. Je begrijpt mij heel goed, en anders zal ik het u duidelijk maken. Op de eerste bladzijde van je boek geef je hoog op van den roem van zedelijkheid, dien je werken verworven hebben, Vous ne vous donnez pas mal du linge.... en dan geef je de plechtige verzekering, dat er niets in je boek zal voorkomen, dat men niet gerust aan jonge meisjes kan voorlezen.
âIk. Dat is zoo: dat heb ik gedaan en.. . .?
Zij. En! Nu, bij voorbeeld! vraag je dat nog?
Ik. Ik betuig u, niet te weten, waar ik mijn belofte ontrouw zou gebleven zijn.
Zij. Neen! 't is zeker heel stichtelijk voor jonge meisjes om aan te hooren, wat je van die Mie Lammerts, of hoe heet het schepsel, vertelt. â En dan die conversatie op de slaapkamer van Maurits, tusschen hem en Drenkelaer â 't is wat fraais! Kon ik dat aan mijn dochters voorlezen?
Ik. Dus mogen, volgens u, uwe dochters niet weten, dat er lichtzinnige deernen bestaan, die zich verloopen en er de gevolgen van bezuren: en evenmin, dat er mans zijn, die er
') Die â beschuldiging is glad verkeerd. De schrijver heeft een zesr hoogen dunk van onze jonge juffrouwen en van haar briefstijl. Maar tegen Mw. X kon hij toch, om haar weder in een goede luim te brengen, wel niet anders spreken, dan door hem gedaan is.
152
geen bezwaar in vinden, de onschuld van een jong meisje te belagen ?
Zij. Dat zullen zij later van zelf wel komen te weten. Het behoeft haar althans niet in een roman te worden verteld, en je weet zeer goed, Mijnheer! wat ik bedoel.
Ik. Ik weet dat niet volkomen, Mevrouw; maar wel wat ik bedoeld heb: namelijk, onze maatschappelijke zeden en toestanden naar waarheid af te schilderen. En moet ik dan zwijgen juist van zoodanige driften en hartstochten als in de samenleving een hoofdrol spelen ? â Is het niet veeleer plicht, daartegen te waarschuwen en er de noodlottige gevolgen van te doen zien?
Zij. Het stond u volkomen vrij, al dergelijke schandaleuze onderwerpen te behandelen, mits je maar niet in je inleiding beloofdet, het niet te doen.
Ik. Ik verzoek Mevrouw, mijn inleiding nog eens over te lezen. Ik heb daarin wel beloofd niemand te zullen ergeren; maar ik heb zeer voorzichtig uitgezonderd de zoodanigen, die preutschheid met kieschheid verwarren.
Zij. Ik dank u voor 't beleefde compliment. Ik behoor dus, naar uw meening, tot de prudes.
Ik. Ik mag dit niet beslissen. Mevrouw; alles hangt ten deze af van de bepaling der grenzen, binnen welke men iemand vergunnen moet zich te bewegen, eer men hem beschuldigen mag, aanstoot te geven.
Zij. Ik geloof, dat je die grenzen al heel ruim stelt. Mijnheer.
Ik. Indien ik te dien opzichte werkelijk wat ver ga. Mevrouw, dan is dit misschien daaraan toe te schrijven, dat ik een man van jaren ben, en dus niet genoeg op de hoogte van wat onze hedendaagsche mama's al of niet een voegzame lectuur voor haar dochters vinden. Ik leef op dat punt wellicht te veel in de maatschappij, zooals zij voor zestig jaren bestond. Toen lazen onze jonge meisjes Clarissa en Grandison, die nog wel door een dominee geschreven waren, en Willem Leevend, dat twee vrouwen tot auteurs had, boeken, niet alleen nog vrij wat langer dan Klaasje Zevenster, ofschoon dat al lang
153
genoeg is; maar waar vrij wat dingen in voorkomen, die Mevrouw gewis nog minder stichtelijk zou vinden, dan die enkele plaatsen, welke haar in mijn werk choqueeren. En zij lazen die romans niet in 't geheim: volstrekt niet; zij lazen ze en familie, en zij huilden er tranen met tuiten bij; en zij correspondeerden er over, en zij discuteerden er over, zoo goed als zij heden ten dage over orthodoxie of moderne theologie zouden doen. â En onze grootmoeders! wel die hadden, als jonge meisjes, Tom Jones gelezen, en zij prezen het aan, niet slechts als een meesterstuk, gelijk het inderdaad is, maar als een hoogst zedelijk boek. En nu kan ik u verklaren, dat die lectuur volstrekt geen nadeeligen invloed op eene van de door mij bedoelde dames, zoover ik ze kende, gehad heeft, en ze niet heeft belet, vrome, brave, verstandige huismoeders te worden: ja, ik zou zelfs durven beweren, dat juist het lezen van dergelijke boeken weldadig op haar gewerkt heeft. Het heeft haar een kijkje gegeven buiten de conventioneele wereld, waarin zij zich bewogen, en heeft haar gedachtenkring, die gevaar kon loopen, vrij bekrompen te worden, aanmerkelijk verruimd, en ze daardoor in staat gesteld, zich aan voorbeelden te spiegelen, klippen te vermijden, zaken en handelingen, waarvan zij zich anders geen flauw begrip zouden gevormd hebben, met juistheid te beoordeelen, zich niet vreemd te gevoelen in de wereld, die haar omgaf en haar plichten als echtgenoot en moeder met kennis van zaken en oordeel des onderscheids te verrichten.
Zij. Ik hoop toch waarachtig niet, dat het vervolg van je boek in het genre van de romans van Fielding zal geschreven zijn.
Ik. Neen, Mevrouw: zoomin als ik thans kluchten zou willen schrijven in den smaak van de Puiterveensche Helleveeg of Pefroen met 't schaapshoofd, of zelfs mij in een blijspel alles zou durven veroorloven wat Molière zich in de zijne veroorloofde. Ik weet zeer goed, dat evenals er gezegden zijn, die men in een gezelschap van beschaafde lieden niet meer gedoogt, er tafereelen zijn, waarover men thans een sluier
154
moet werpen â al doet die sluier, die de nieuwsgierigheid wekt, somtijds meer kwaad dan de voorstelling der naakte waarheid zou gedaan hebben. De antieke standbeelden zijn voor 't grootste deel in 't zelfde kostuum als Adam en Eva op de schilderijen der oude meesters: en ik heb nooit gehoord, dat het beschouwen, 't zij van die standbeelden, 't zij van die schilderijen, een nadeelige uitwerking heeft gehad op de jeugd: â daarentegen heb ik wel eens in de openbare galerijen voorstellingen gezien van half of geheel gekleede personages, die ik er van zou hebben willen zien weren, omdat de gedachte, die ze in 't leven geroepen had, onrein was en bij den toeschouwer onreine gedachten opwekte. Die kluchten waar ik zooeven van sprak, zouden u gruwzaam aanstootelijk voorkomen, Mevrouw, en, indien zij die nog gaven, je zoudt er je dochters niet willen heenleiden: en toch zou ik het minder gevaarlijk achten, ze daar te brengen, dan in menige vaudeville, bij het spelen waarvan ik de eer heb gehad, u wel eens te ontmoeten! Het is niet het noemen, het vertoonen zelfs van een zaak, dat zooveel kwaad zal stichten: het is het verschoonen, het vergoelijken, het behaaglijk maken van het kwaad. Wat ik afkeur, dat zijn werken als de Mystéres de Paris en de Misérables, niet omdat er dieven en publieke vrouwen in voorkomen, maar omdat de bekwame schrijvers al het vernuft, al het betooverend vermogen van hun stijl hebben doen dienen, om zoodanige personen belangwekkend te maken, ze te verontschuldigen, te verheffen, te idealiseeren, ik zou bijkans zeggen, te canoniseeren. Dat veroordeel ik: want daardoor wekt men in jeugdige verstanden, die niet genoeg beseffen, dat zij hier met onmogelijke exceptiën te doen hebben, valsche denkbeelden op: men leert hun roof en zedeloosheid als verschoonbare zaken beschouwen, en, wat niet minder erg is, behalve het kwaad, dat men in argelooze gemoederen sticht, ondermijnt men de grondslagen, waar een welgeordende maatschappij op rusten moet.
Zij. Dat wil ik alles toegeven; â maar wat behoeft men in 't geheel over zulke personen, als je daar noemdet, te
155
schrijven? Wat behoeven onze jonge meisjes te weten, dat zij bestaan ?
Ik. Dus, Mevrouw, indien er in de buurt van uw landgoed slooten en moerassen zijn, acht je het verstandiger uw kinderen daarvan geheel onkundig te laten?
Zij (een weinig geraakt). Ja maar, dat vind ik een zonderlinge vergelijking. Ik hoop toch, dat onze lieve Heer mijn dochters bewaren zal voor.... enfin! die zullen toch nooit in de gelegenheid zijn van te worden wat je daar zooeven noemdet.
Ik. Ik zou u kunnen antwoorden. Mevrouw, dat ik niet alleen schrijf voor lezeressen uit uw stand; maar bovendien, ik heb nog in den afgeloopen zomer een badplaats bezocht en mij met eigen oogen overtuigd, dat er in onze hedendaagsche wereld geen stand is, hoe hoog ook, die niet in den demi-monde vertegenwoordigd wordt. Ik wil gaarne aannemen, dat uw lessen en uw voorbeeld den heilzaamsten invloed op uw dochters zullen hebben; maar Mevrouw weet zoowel als ik, dat men op elke sport van de maatschappelijke ladder gevaar loopt naar beneden te vallen: al zinkt men daarom juist niet in het diepste slijk: en dat zij het eerst aan 't gevaar blootgesteld zijn, voor wie men dat bedekt heeft gehouden. Mag men van de steenen, die beneden liggen, en waar men zich het hoofd of de beenen op zou kunnen breken, mag men van den modderpoel, waar men in zou kunnen stikken of zich althans bezoedelen zou, niet spreken, dan loopt men de kans, dat zij, die niet gewaarschuwd werden, er niet op bedacht zijn, om, als de sport, waar zij op staan, eens breekt, zich met de handen stevig vast te klemmen aan de sport van goede beginselen, die boven hun hoofd is, en zich maar naar beneden laten tuimelen: te meer, omdat de keien er glinsteren als juweelen, en de poelen zich onder welriekende bloemen bevinden.
Zij. Al die beeldspraak is heel zwierig, maar overtuigt mij volstrekt niet. Wil ik u eens wat zeggen? Sue en Hugo beweren, dat zij met diezelfde romans waarvan te recht de
156
strekking door u wordt afgekeurd, een zedelijk doel hebben gehad: zij willen ons zelfs wijsmaken, dat zij, met het schrijven daarvan, een heiligen plicht hebben vervuld: en nu geloof ik, dat, al wil ik uw zonde tegen de wetten' dor kieschheid niet met de hunne vergelijken, uw pleidooi, gegrond op het quasi-verdienstelijke van uw arbeid, evenmin steek houdt als het hunne. Je hebt Klaasje Zevenster alleen voor je pleizier geschreven, en volstrekt niet om er nut mee te stichten, en in zoodanig werk behoeft men, ik herhaal het, geen aanstootelijke voorwerpen of gezegden te brengen, en je hadt het gerust aan ouders en onderwijzers kunnen overlaten, hun kinderen of leerlingen zoodanige waarschuwingen te geven als zij gepast oordeelden.
Ik. Wat zal ik zeggen. Mevrouw? Wanneer door u van de stelling wordt uitgegaan, dat ik alleen schrijf voor vermaak, valt het mij moeilijk, u het tegendeel te bewijzen. Zeker is het, dat geen schrijver of kunstenaar, die niet alleen voor den broode werkt, en alzoo met den ambachtsman gelijkstaat, immer onverplicht een gedicht, een roman, een beeld, een schilderij zal op touw zetten, zoo hij er niet toe wordt geleid door een trek, waaraan hij geen weerstand bieden kan; maar zeer zeldzaam zal men een voorbeeld vinden, dat iemand schreef of een kunstwerk vervaardigde, zoo hij vooraf wist, dat niemand het zien zou. Hij wil zich zeiven, maar hij hoopt ook anderen genoegen te doen, en hoe kan hij die hoop vervuld zien, indien hij niet, bij zrjn arbeid, den smaak, het nut, het belang dergenen, die zijn werk zien zullen, in het oog houdt? Hogarth en Cruikshanks zouden zeker de teekenpen niet gehanteerd hebben, indien zij er geen behoefte toe gevoeld hadden: en toch, toen de eerste zijn Harlot's progress en de tweede zijn Bottle in plaat gaf, wat zij natuurlijk ook âvoor hun pleizier deden,quot; zooals Mevrouw het noemt, begrepen zij tevens, een nuttig werk te verrichten, door op een aanschouwelijke wijze die twee groote kankers der maatschappij, ontucht en dronkenschap te bestrijden. En waarom zou men nu van mij moeten aannemen, dat ik evenzeer, bij 't schrijven van een
157
werk, waaraan ik gedurende twintig jaren van mijn leven met herhaalde tusschenpoozen mijn tijd heb besteed, en dat ik tal-looze malen herzien en overgewerkt heb, mijn pen alleen zou hebben laten besturen door de luim van 't oogenblik, zonder daarbij te denken aan 't goed of kwaad, dat ik met mijn geschrijf kon stichten ? Je hebt zelve. Mevrouw, met Nicolette school gegaan, en je kent hare lotgevallen. Je hebt ook de familie op Hardestein gekend, en Mevrouw Van Zirik, en den Baron Van Tilbury, en vele anderen, die ik onder verdichte namen ten tooneele voer, en je weet, dat er nauwelijks onder hen een karakter is, dat niet naar 't leven genomen is, al heb ik, bij het teekenen van mijn portretten, steeds gezorgd, het tegenovergestelde te doen van wat de schilder doet, en te maken, dat niemand onder een daarvan den naam van 't origineel kan zetten. En evenzeer weet je ook. Mevrouw, dat in mijn verhaal bijna geen gebeurtenis te vinden is, die niet, al is het dan met andere personen, onder andere omstandigheden en met verschil van détails, werkelijk heeft plaatsgegrepen: â en zoo zal het ook in 't vervolg zijn. Welnu, ik heb gemeend, dat dit afbeelden van karakters, die ik niet uit mijn verbeelding riep, het schilderen van toestanden en voorvallen, uit de werkelijkheid gegrepen, niet alleen een nuttige bijdrage zou kunnen zijn tot de kennis onzer maatschappij, zooals zij zich voordeed in het tijdvak, dat achter ons ligt, maar dat er ook hier of daar een meer of min gewichtige les uit zou kunnen getrokken worden. En dewijl ik nu voor alle standen schrijf en miju boek zoowel in handen komen zal van de Verdrongens, de Klabbes en de Ruffels als van de Eylars en de Van Doertoghes, zoo heb ik ook aan alle standen mijn waarschuwingen moeten richten, en mij niet mogen storen aan de â vergeef mij 't woord. Mevrouw â aan de suscep-tibiliteiten van enkelen onder mijn lezers of lezeressen.
Zij. Daar heb ik allemaal vrede mee; maar waarom dan in uw inleiding uitdrukkingen gebezigd, die ons â prudes, susceptible lieden, zooals je ze noemen wilt â van 't spoor moeten leiden ?
158
Ik. Mevrouw, ken je Uncle Tom's cabin?
Zu. Natuurlijk; maar wat doet er dat toe?
Ik. En hebben je dochters dat ook gelezen?
Zij. Welzeker.
Ik. Dat dacht ik al: hoe kon 't ook anders ? Een boek in 't Engelsch geschreven door een domineesvrouw, en dat tegen de slavernij gericht is; drie geldige aanbevelingen, voorwaar! Welnu, in dat boek, dat, ik erken het gaarne, zeer onderhoudend is, komt, onder meer, een zekere planter voor, die Legree heet, en er een niet onaanzienlijke rol in speelt, en ten huize van dien Legree vallen tafereelen voor, afgrijselijk genoeg om aan wie ze leest een rilling door 't lijf te jagen.
Zij (een weinig verlegen). Ik weet niet.... 't is al lang geleden, dat ik het boek las.... ik herinner mij dat alles zoo precies niet meer.
Ik. Versta mij wel, Mevrouw! ik keur het volstrekt in Mad. Beecher Stowe niet af, dat zij die tafereelen geschetst, of, laat ik liever zeggen, uitgewerkt, ja tot het hideuse toe heeft uitgewerkt. Haar onderwerp moest er haar van zelve toe leiden; zij kon, ter bereiking van het doel, dat zij beoogde, geen kleuren vinden, die te sterk, te afschrikwekkend waren, om de akelige gevolgen der slavernij mede af te schilderen. En evenmin veroordeel ik het in u, dat je dat boek aan uw dochters in handen gaaft. Dat boek lokt voorwaar niet tot de zonde, maar geeft er een walg van, en daarom kan het geen kwade indrukken achterlaten. En nu. Mevrouw, zul je mij ten kwade kunnen duiden, dat ik een boek, 't welk alle jonge meisjes met Mama, of althans met toestemming van Mama gelezen hadden, tot den standaard nam, waaraan ik het kiesch-heidsbegrip dier Mama's had te toetsen? Zie, indien je, in mijn geheele boek, een enkelen regel vindt, die de strekking heeft om wat zondig is behaaglijk of aantrekkelijk te maken, of die schadelijke indrukken bij een jeugdig brein of in een schuldeloos hart kan achterlaten, dan geef ik u volle recht, mijn boek onzedelijk te noemen; maar geldt uw veroordeeling alleen zulke uitdrukking of zulke tooneelen, als u in ü n c 1 e
159
T o m niet gestuit hebben, wees dan zoo goed, mij met dezelfde mate te meten als waarmede je het meesterstuk van Mad. Beecher Stowe hebt gemeten.
Zij (nog niet geheel overtuigd en het hoofd schuddende). Ja.... maar toch, je inleiding.... A pro-po s! dan komt dat dikke schepsel, dat met Nicolette op de diligence zat, zeker in uw verhaal weer te voorschijn?
Ik. Ongetwijfeld, Mevrouw: intusschen, alleen in't Derde Deel.1)
Zij. Zoo ! ik ben blij, dat ik het weet, dan zal ik zorgen, dat Deel eerst eens alleen te lezen, eer mijn meisjes 't in handen krijgen.
Ik. Daartoe heb je onwederspreekbaar het recht. Mevrouw.
Hier hield de trein aan een station stil: er kwamen medepassagiers bij ons zitten: en onze samenspraak was uit, of liep althans verder over andere zaken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
hoe het bezoek van nicolette bij donia afliep.
Den dag na het diner bij Van Zirik, zou Nicolette, volgens de gemaakte afspraak, na van de wandeling met de kinderen teruggekeerd te zijn, het beloofde bezoek bij Donia gaan afleggen: zij was sedert haar komst ten huize van Van Zirik, nog geen anderen weg uit geweest dan, met het rijtuig, naar de kerk, en, te voet, van den Vijverberg recht toe recht aan op het Bosch en terug, en, gelijk zij van dat Bosch niets anders kende dan de wandeling om den Hartekamp, evenzoo was zij in de Hofstad een volslagen vreemdeling gebleven, ten opzichte van alle grachten, straten of pleinen, buiten het bovenvermelde gedeelte gelegen. Zij oordeelde het dus nood-
^ In deze uitgave van dit werk natuurlijk reeds in het Tweede Deel.
160
zakelijk, eer zij uitging, aan de werkmeid te vragen, of het Keizershof veraf was, en zij was niet weinig in haar schik, toen zij vernam, dat zij slechts het poortje ginds aan 't eind van den Vijverberg had door te gaan en dan verder rechts te houden.
âEn,quot; vroeg zij verder, âis er dan ook een winkel in de nabijheid, waar ik lint, band en andere benoodigdheden zou kunnen koopen?quot;
Men bedenke, dat Nicolette, tijdens haar verblijf te Hardestein dikwijls in de verplichting was geweest, zich te kleeden om uit te gaan, en dat alzoo haar toilet wel eenig herstel en vernieuwing behoefde.
âOp het Buitenhof niet,quot; antwoordde Naatje; âmaar je zult, niet ver van 't Keizershof, een steegje zien, en als je daar doorgepas-seerd bent, heb je maar rechts of links te gaan, wil ik 'reis zeggen, dan zul je winkels genoeg vinden : daar heb je bij voorbeeld____quot;
Wij zullen de namen der winkels, die het goede mensch Nicolette aanbeval, hier niet opnoemen: die winkels zijn of niet meer aanwezig, â en dan zou het vermelden daarvan tot misleiding strekken van deze of gene onder mijne lezeressen, die, in Den Haag komende, en, aldaar even onbekend als Nicolette, ze, op ons krediet af, ging zoeken; â of zij bestaan nog, â en dan zou de vermelding wel wat den schijn hebben van 't geen men in 't Fransch een réclame noemt; een zaak, waar wij altijd een geweldigen afkeer van gehad hebben. Genoeg is het, dat de inlichtingen en aanduidingen, welke de goede sloof aan Nicolette gaf, breedvoerig en daarbij duidelijk genoeg waren om haar moed in te boezemen tot het beproeven eener ontdekkingsreis naar onbekende streken, en zich nu voorziende van het noodige geld, trok zij, na, met medeweten van Mw. Van Zirik, de kinderen te hebben overgedaan aan het opzicht van Caroline, de deur uit en op weg.
Nicolettes eerste gewaarwording, toen zij zich op straat en alleen bevond, was â en wie zou dit misbillijken in een jong en tot dien tijd levenslustig meisje, 't welk, na bijna een maand in strenge dienstbaarheid en meestal achter vier muren te hebben doorgebracht, zich eindelijk weder een oogenblik vrij
161
en haar eigen meesteres bevond? â was gewaarwording van vreugd, en zij haalde adem, als iemand, die uit zijn kerker ontslagen wordt. Had zij nu, in plaats van de hooge huizen rechts, en den Vijver met het oude Binnenhof daarover links, nederige dorpswoningen, groene bosschages en lachende boekweitvelden om zich heen gehad; die blijde stemming zou haar langer zijn bijgebleven; doch in een stad, waar zij niemand kende en zorgen moest, niet verkeerd te loopen, gevoelde zij al spoedig zekere beschroomdheid, die haar het genot harer vrijheid vergalde. Weldra had zij nu het haar aangeduide poortje in 't gezicht gekregen en toen herinnerde zij zich plotseling, dat zij dat meer gezien had, en wel op een plaatje, dat den moord voorstelde der Gebroeders De Witt.
âO!quot; zei zij bij zich zelve, âdat is de Gevangenpoort, en waar ik nu sta, dat zal gewis het Groene Zootje zijn.quot;
Zij bleef een poos in gedachten verzonken; en voor haar ontrolde zich de schooltijd weer, en de les in de geschiedenis des vaderlands en de moeite, welke zij gehad had, eerst om het voornaamste daarvan in haar eigen hoofd, en later in dat van de jongere meisjes te prenten. Toen versnelde zij haar tred en ging het poortgewelf door, en toen zag zij links even om naar de brug, die naar 't Binnenhof voerde, en zij zou wel gewenscht hebben naar een gids, die haar ook daar in die historische gedenkstukken rondleidde. Maar plicht riep haar rechts, en zij hield dan ook rechts; en stuitte, als haar voorzegd was, op het Keizershof, waar zij, naar den Heer Van Donia gevraagd hebbende, naar diens kamer geleid werd, en hem dan ook vond, die haar wachtte.
âWel Klaasje!quot; zei Donia, haar de hand schuddende, âdat verheugt mij, kind! dat wij ons nog een uurtje op ons gemak en zonder getuigen te zamen kunnen onderhouden. Je zult nu wel een kopje koffie met mij gebruiken willen, en ik heb op u gerekend om mij die te schenken. Ik heb zoovele jaren niemand anders gehad om mij te bedienen dan een Javaan-schen Sidin of Ali, en ik stel er dus dubbelen prijs op, dat mij eens weder vrouwenhnlp gewordt. Ga nu eens uit uw
III. - K. Z. U
162
hoed en uw sjaal, zooals wij in mijn jonge jaren zeiden, en zet u dan op uw gemak; maak u lekker, als wij in de Oost zeggen: â ik zal van mijn kant hetzelfde doen.quot;
Mcolette nam plaats aan de ontbijttafel, waar reeds de koffie, brood, vleesch en vruchten gereedstonden, en Donia zette zich tegenover haar. Hij droeg een loshangende morgenjapon, rijk met zijden bloemen gewerkt; en daaronder kwam een kanten jabot te voorschijn en een fluweelen korte broek, zijden kousen en schoenen met gouden gespen voorzien. â Op een canapé lag het prachtige galakleed eens Raads van Indië met gevederden hoed en degen. Donia hield niet van tijd te verliezen, en had zich daarom maar voor Nicolettes komst zoover gekleed, dat hij terstond klaar zou zijn, als het rijtuig voorkwam, dat hem naar het Hof moest brengen.
En nu moest Mcolette hem alles vertellen van haar school, van het onderwijs, dat zij daar ontvangen en gegeven en, van de vriendinnetjes, die zij er gemaakt had, en honderd andere bijzonderheden uit dien tijd: en bij dat vertellen gebeurde het niet zelden, dat Donia naar dingen vroeg, waarvan zij niet begreep, hoe hij ze weten kon, ja zelfs 't een en ander in haar verhaal aanvulde of verbeterde. â In 't eerst wekte dit haar verbazing; maar weldra werd het haar duidelijk, dat Donia, schoon afwezig, niet alleen om haar was blijven denken, niet alleen berichten omtrent haar was blijven ontvangen, maar ook al wat hem bericht was in geheugenis bewaard had. Men kan zich voorstellen, hoe zij aangedaan was over dit blijk zijner voortdurende belangstelling, en hoe zij er zich meer en meer door gedrongen gevoelde, hem met kinderlijke liefde en eerbied te beschouwen en hem haar vertrouwen te schenken.
Toen moest zij hem vertellen van haar verblijf te Harde-stein, waarvan hem natuurlijk nog geen bijzonderheid ter oore was gekomen, en zij zag, hoe goed het hem deed, weder wat naders van het huiselijke leven en van de omstandigheden zijner oude vrienden Bol en Eylar te vernemen, 't Spreekt van zelf, dat ook de namen ter sprake kwamen van de personen, met welke Mcolette bijzonderen omgang had gehad.
163
Toen zij dien van Mw. Van Doertoghe noemde, zag Donia even op en wreef zich met de linkerhand over 't voorhoofd, als om zich iets te herinneren.
âDoertoghe!quot; zeide hij: âzonderling! onze oude Heer van
gisteren zeide immers____Zeg eens. Klaasje! heb je ook hoor en
spreken van een Freule Van Doertoghe, die met een Heer Flinck getrouwd moet zijn, nu vele jaren geleden?quot;
âNeen, nooit,quot; antwoordde zij.
âNu, 't zou dan ook niet dan bij toeval geweest zijn, dat je 't gehoord hadt, en vermoedelijk zou de zaak u niet belangrijk genoeg zijn toegeschenen om haar te onthouden. â 't Was dan ook maar een vraag in 't wilde, die ik deed. En ga nu voort met uw vertellingen.quot;
Nicolette voldeed aan 't verzoek en verhaalde al wat zij begreep, dat Donia's belangstelling wekken kon: â of neen, zij vertelde niet alles, en de naam van Maurits Van Eylar werd niet dan in het voorbijgaan genoemd.
âEn hoe is 't nu gebeurd, dat je hier naar Den Haag gekomen zijt in de betrekking, waarin ik je gevonden heb?quot; vroeg Donia.
Deze vraag raakte een teere zijde: Nicolette maakte er zich van af, zonder die aan te roeren.
âIk wilde gaarne mijn brood verdienen, zonder iemand tot last te zijn: de conditie bij Mw. Van Zirik kwam open: Mijnheer liet mij voorstellen die te aanvaarden, en ik deed het.quot;
âAls een wakkere meid gehandeld,quot; zei Donia: âen wat verdien je nu?quot;
Nicolette kreeg een kleur: â dat punt was nog nooit aangeroerd geworden â en dat kwam haar, nu er van gesproken werd, zelve vreemd voor. Zij vergenoegde zich, te antwoorden:
âDat zou later bepaald worden.... al naarmate ik voldeed.quot;
âGoed! â En wat is nu eigenlijk uw werk? Gisteren speelde je bij dien kleinen schreeuwer voor bonne. â Is er dan geen kindermeid ?quot;
164
âVoor 't oogenblik niet, â maar Mevrouw had mij gezeid, dat er een komen zou . . .
âHm! zoo! â Nu! dat is een zaak tusschen u en haar,quot; zei Donia, maar half gesticht met wat hij hoorde en meer en meer bevestigd in zijn vermoeden, dat het jonge meisje inderdaad werd geëxploiteerd, als men 't noemt; âmaar heb je nu in lang tijding van Hardestein gehad?quot;
âNiet zooveel als ik wenschte,quot; antwoordde Nicolette: âeen korten brief van Juffw. Leentje, dat Mijnheer Van Eylar een
pleizierreis was gaan doen, en dat Dominee wat ongesteld was____
dat maakt mij een weinig ongerust.quot;
âDat begrijp ik; â nu! ik zal hem eens schrijven, dat ik u ontmoet heb. â Je zult zeker ook wel met die Freule Bettemie in correspondentie zijn, in wier lof je zoo hebt uitgeweid.quot;
âIk had haar moeten schrijven; â en ik verwijt mij 't niet gedaan te hebben; maar ik heb het overdag zoo volhandig, en 's avonds ben ik zoo moe.quot;
âJa, dat begrijp ik. Het valt je dus niet erg mee hier. Zeg het maar ronduit, en denk, dat je tegen een vader spreekt.quot;
âIk wist van te voren,quot; zei Nicolette, de oogen neerslaande, âdat ik het hier niet kon hebben als aan de pastorie .... en ik klaag ook niet.quot;
âNeen, dat hoor ik,quot; hernam hij, haar met medelijden beschouwende ; âje zeidet, je waart 's avonds moede, en je hebt ook iets vermoeids.... je zult voor je gezondheid wat meer zorg moeten dragen.... meer beweging nemen. Misschien deugt de Haagsche lucht niet voor u, die zoolang in een hoo-ger streek heeft gewoond.quot; â En hij nam zich voor, den volgenden dag Van Zirik eens geducht onderhanden te nemen over de wijze, waarop hij hun pleegkind behandelde.
âMaar,quot; vroeg hij op eens; âheb je nog wel eens iets vernomen van die lieden, waar je als kind gewoond hebt?.... Ruffel meen ik, heetten zij.quot;
âDie is de oude en dezelfde, als ik hoor.... moeder.... vrouw Ruffel meen ik.... schrijft mij nog altijd een brief
165
alle vierendeeljaren, en dan nog op Sinterniklaas en op Nieuwe jaar .. .
âNatuurlijk! Een aangename herinnering â en dan stuurt Klaasje haar wat van haar zakgeld: is 't niet zoo ? â Ik kan dat begrijpen. Maar ik noem u altijd âKlaasje;quot; je bent zeker herdoopt sedert je op Hardestein waart.quot;
âOch Mijnheer! het doet mij nog zooveel genoegen, u Klaasje te hooren zeggen: voor de menschen wil ik wel Nicolette zijn: dat is mij onverschillig: maar Klaasje is de naam, die mij aan mijn pleegvaders en aan hun weldaden verbindt.quot;
âWel! dat verheugt mij; â al doet het mij aan de andere zijde leed, dat ik zoo schaars in de gelegenheid ben geweest, iets voor u te doen.quot;
âHoe, Mijnheer!quot; zeide zij; âen weet ik dan niet, hoe trouw je ook uit Indië voor mij zorgen bleeft. .. .quot;
âWat schoons! ik zond geld over, als mijn plicht was; â daar had ik mij eenmaal toe verbonden: â maar een vader dient zijn liefde aan den dag te leggen door iets meer, door iets beters: het geld geeft geen band: en daarmede koopt men geen genegenheid, op zijn best wat dankbaarheid. Doch, daarvan gesproken, ik heb wel iets voor u meegebracht, doch dat zit in een van mijn kisten, en die zijn nog niet uitgepakt; en dewijl ik nog geen ander welkom thuis heb, en bij de onzekerheid welke schikkingen Van Zirik met u maken zal.... hier is een kleinigheid, die je wel zult aannemen om er het een en ander voor te koopen, dat je noodig hebben mocht, en het ten mijnen gevalle te dragen.quot; Dit zeggende, haalde hij een rolletje voor den dag, dat aan weerszijden was dicht-gelakt, en stak het haar toe. â't Is uw Sinterniklaas van verleden jaar,quot; voegde hij er lachende bij, terwijl zij zijn hand kuste en het geld in haar zijzak glijden liet.
Ondertusschen was het kwartier voor éénen geworden en Nicolette, vreezende onbescheiden te zijn door langer te blijven, en met het oog op de boodschappen, die zij nog te doen had, tevens dienende te zorgen, dat zij geen misbruik maakte van het haar verleende verlof, rees op om afscheid te nemen. Zij
166
kon echter niet zoo dadelijk wegkomen; want Donia, meer en meer behagen in haar scheppende, liet haar hand niet los en bleef haar met vraag op vraag bestormen: ja hun onderhoud had nog een geruimen tijd kunnen duren, indien er niet vrij hard aan de deur getikt ware, en deze, onmiddellijk daarop opengaande, een bezoeker vertoond had.
âNu zal ik u niet langer ophouden,quot; zei Nicolette tegen Donia: âvan harte goede reis, Mijnheer! en dat wij u spoedig mogen terugzien.quot;
âVaarwel, mijn kind!quot; zei Donia, haar de hand schuddende en die toen loslatende: âje zult weldra van mij hooren.quot;
Nicolette keerde zich om, maakte een lichte buiging voor den heer, die aan de deur stond, en wipte toen de kamer uit.
âWat wil Mijnheer?quot; vroeg Donia aan den bezoeker, die nog met het oog naar de gesloten deur gewend stond, als om de bekoorlijke verschijning na te staren, die hem voorbijgegleden en als een droom verdwenen was.
âWat wil Mijnheer?quot; herhaalde Donia, luider, en eenigszins verstoord, dat hij geen antwoord kreeg; maar op eens, den man, die voor hem stond, herkennende: âwat drommel!quot; riep hij: âFrederik Galjart!quot;
Het was inderdaad Galjart, dezelfde, dien wij in den aanvang van dit werk hebben leeren kennen als den schoonsten en schitterendsten onder de Pleïaden, die op den vermaarden St.-Nicolaas-avond van 182. bij Bol vereenigd waren. Het was Galjart; maar met meer recht nog dan Bol het indertijd op Mietje Ruffel deed, mocht men op hem het quantum mutatus ab illo toepassen. Het gelaat was nog altijd blozend; maar het frissche rood, dat van gezondheid en kracht getuigde, had plaats gemaakt voor het valsche en vurige rood, dat door geestrijke vochten wordt opgewekt: het vleesch der wangen was flets: de lippen hadden een blauwe tint gekregen: de eens zoo heldere oogen stonden dof en glazig: en het haar, nog als voorheen verwilderd, had den glans verloren, die te voren juist aan dat verwilderde iets bevalligs gaf. Ook nu
167
hingen hem, als vroeger, de kleeren los om 't lijf; doch wat bij den jongeling een aim able abandon scheen, was bij den man een haveloos voorkomen. En toch, hoe verloopen hij er uitzag, hij had nog altijd, in houding en bewegingen, bij den zwier hem aangeboren, ook die bevallige ongedwongenheid behouden, welke hem aan de Academie eigen was. In de dagen, toen hij daar nog verkeerde, noemde men hen, die geen studenten waren: âploerten.quot; En nu bestaat er tusschen den verloopen student en den verloopen ploert nog altijd dit onderscheid, dat de laatstgemelde een ploert is in de tweede macht; terwijl de student, ook al heeft hij zijn tijd aan alles behalve aan de studie besteed, toch altoos, door den omgang met jonge lieden van smaak, kennis en beschaving, uit die wrijving, welke nergens in die mate als aan de hoogeschool te vinden is, een geur van goede manieren ontleent, die nimmer geheel verdampt. Galjart droeg nog, ouder gewoonte, en omdat het hem als jongeling goed gestaan had, een hemelsblauwe das, luchtig omgestrikt: en het was aan die das, dat Donia hem 't eerst herkend had.
âDrommels!quot; riep Galjart, altijd nog omkijkende en blijkbaar, ten gevalle van de onbekende schoone, met welke hij chassez croisez gemaakt had, den ouden vriend, dien hij zoeken kwam, vergetende. Die verstrooidheid van gedachte duurde echter maar een oogenblik; snel keerde hij zich naar Donia, greep hem bij de hand en zeide:
âJe herkent mij dan nog?quot;
De hand, die Donia aanvatte, was klam en koortsig: de stem, die tot hem sprak, was wanluidend en schor, en de ontmoeting, alles samengenomen, deed Donia pijnlijk aan. Hij was echter te hoffelijk en had te goed geleerd zijn gedachten voor zich te houden, om daar iets van te laten blijken en, zooveel hartelijkheid als hem mogelijk was in zijn toon leggende, antwoordde hij:
âWel waarachtig herken ik u. â Denk je dan, dat ik een ouden makker vergeten zou, omdat ik wat lang ver van honk ben geweest ? . . . . Alleen ik verwachtte u niet, en was een
168
oogenblik onzeker, wien ik voor mij had. â Je woont toch niet in Den Haag?quot;
âIk woon in Den Haag zoogoed als elders,quot; antwoordde Galjart, op luchtigen toon: âik woon eigenlijk nergens voor 't oogenblik.quot;
âNiet?quot; vroeg Donia, wiens voorhoofd een weinig bewolkt werd: want hij begon te vreezen, of er ook dingen met Galjart waren gebeurd, die 't licht niet best konden velen, en, hoe welwillend ook jegens een voormaligen makker gezind, hij oordeelde, voorzichtig te moeten zijn en zich niet te veel met hem af te geven, zonder meer van hem te weten, 't Zal sommige onder onze lezers ook wel gebeurd zijn, onverwachts bezoek te ontvangen van een kennis uit vroegere dagen, dien zij sedert jaren uit het oog verloren hadden, en die nu déconfiture is, en in dat geval zullen zij zich kunnen voorstellen, wat er op dit oogenblik in het hart en in het brein van Donia omging.
âJe zult er waarschijnlijk niet van gehoord hebben,quot; zei Galjart: âofschoon, 't heeft in de courant gestaan; â maar toen die uitkwam was je misschien nog niet in 't land, of je oog zal er niet op gevallen zijn. Hier! Kijk maar.quot;
Al sprekende had hij een oud en vrij vuil exemplaar van het Handelsblad voor den dag gehaald, juist zoo gevouwen, dat de plaats, waar hij op doelde, en die bovendien met een dikke streep van rood krijt was omgehaald, terstond in 't oog moest vallen.
Donia nam het nieuwsblad, en doorliep de aangestreepte advertentie. Zij was van 1°. Augustus gedagteekend, en berichtte, dat de firma Bleek en Galjart ontbonden was, en dat de eerstgenoemde der vennooten, de Heer Jan Bleek Az., zich met de liquidatie belast had.
âWel!quot; zei Donia, âik zie dat de compagnieschap gedissol-veerd is. Gaf de zaak geen voordeel?quot;
âVoordeel!quot; herhaalde Galjart, die zich, terwijl Donia las, achterover in een leunstoel geworpen en met de handen in de vestzakken een gemakkelijke houding had aangenomen:
169
âik moet gelooven van neen. Althans zoo ik naar de uitkomst moet oordeelen. Mijn boeltje is er bij ingeschoten, en 't heet dat ik nog schuld heb aan de firma.quot;
âWel, dat is treurig,quot; zei Donia, meewarig het hoofd schuddende : âik dacht, dat het kantoor goede zaken deed: ik heb in de Oost onderscheiden lieden gekend, die er wijn van lieten komen, en het had den naam van solide te zijn.quot;
âSolide!quot; herhaalde Galjart met een bitteren lach: âja, als i k er niet geweest was, zegt men: ik was niet solide, ik: ik heb nooit voor solide kunnen doorgaan. â Mijn compagnon was solide, ik niet: â Jan Bleek was solide, mijn geëerde zwager. Hij is er dan ook niet mee geruïneerd, maar ik wel.quot;
âMij dunkt toch,quot; merkte Donia aan ; âindien de zaak voor den eenen slecht afliep, moest zij 't ook voor den anderen doen.quot;
âJa, dat schijnt zoo! â Er zijn er meer, die dat niet begrijpen. 't Klinkt zeker vreemd, dat ik, die vijftig duizend gulden in de zaak gestoken heb, er nu nog tien duizend aan schuldig zou blijven â en dat mijn geachte zwager, die er maar tien duizend heeft ingebracht â en zijn kunde â zijn kunde vooral niet te vergeten! â dat die zijn huis nieuw heeft laten opmaken en een buitentje te Zeist heeft gekocht. â Vreemd is het, heel vreemd.quot;
âHij deed er ook altemet andere zaken bij.quot;
â Ongetwijfeld! â Speculaties! â keurig! altoos met mij : â daar heb ik ook nog een aardig sommetje bij ingebrokkeld . . . . 't is waar, hij had de kunde: en als men de kunde maar heeft, dan komt alles wel weer te recht.quot; Hier lachte hij wederom luid; doch niet van harte.
âJe zoudt dus denken, dat je zwager de schapen geschoren had en u de varkens had laten scheren?quot;
âBewaar ons! Wie zou zoo iets durven denken .... veelmin zeggen? Denk je, dat ik wegens laster vervolgd wil worden? Mijn zwager is een vroom man: een kerksch man: â een lid van 't Zendelinggenootschap: â zou die zich hebben willen verrijken ten koste van zijn zusters man? â 't Is waar, mijn
170
goede vrouw is dood, en daardoor is de band losgeraakt; â
maar toch .... zoo'n vroom man, die geen kaart in handen
neemt, die 's Zondags uit de sociëteit blijft, en met inteeken-lijsten voor afgebrande kerken in zijn zak loopt!quot;
âHet spijt mij, dat ik u in geen beter positie terugvind,quot; zei Donia.
âJa! zoo gaat het: 't is als 't liedje op de oortjesprinten in mijn jeugd zei:
Zoo draait het rad van avontuur,
Den een tot zoet, den aêr tot zuur.
âEn dan was er op dat prentje een, die onder lag, met het rad op zijn buik, en een die er bovenop zat: de eerste verbeeld ik: jij de laatste: nu ik misgun het jê niet. Je hadt vast geen zwager, die kerksch was: â en bovendien, al maakte je verzen in je tijd, je waart altijd solide. Ik niet.... en ik vrees, dat ik het nooit worden zal.quot;
Donia zweeg: hij vond geen vrijmoedigheid om dat geloof van Galjart te bestrijden.
âMaar,quot; vervolgde deze: âdat is nu alles tot daar aan toe. 't Is u voorspoedig gegaan, dat doet mij genoegen: â en Van Zirik ook, al heeft hij een vrouw, die hem met open oogen bedriegt.... nu: de beste deugt ook niet veel: â en Hoogen-berg, die meer praktijk heeft, dan hij afkan: â en de Maleier dan, dien ze al tweemalen professor hebben willen maken â en Bol, die zijn leven tusschen rijke Douairières slijt, om van Eylar niet te spreken, die altijd een grand seigneur geweest is en 't altijd blijven zal.quot;
âHeb je Eylar in lang gezien?quot;
âNeen! ik kom bij zulke groote Heeren niet.... je zult zeggen, wat doe ik dan bij jou? â Wel, in de eerste plaats, ik hoorde gisteravond, in de Tent, dat je hier waart, en toen heb ik mijn lust niet kunnen bedwingen, van je de hand te komen drukken.quot;
âDat was hartelijk van u,quot; zei Donia, die uit den gevoeli-gen toon, waarop Galjart de laatste woorden gesproken had.
171
toch meende te mogen opmaken, dat zij uit het hart kwamen, en dat dit hart nog, als voorheen, voor goede en edele indrukken vatbaar was: â en hij stak de hand naar Galjart uit.
â 't Spijt mij maar, dat ik misschien ongelegen kwam .... ik zie je bent in pontificalibus, op den rok na: â en dan had je bezoek Heureux mortel! Ik dacht, dat alleen lieden van mijn slag jonge dames bij zich te visite kregen:.... maar, naar ik zie, een Raad van Indië wordt er ook al mee gefavoriseerd. â Sakkerloot wat een beeld van een meid! â Die heb je toch niet uit de Oost meegebracht?quot;
âWel!quot; zei Donia: âdat is waar ook.... Ja, ik herkende u eerst, toen zij weg was: â En je scheent elkander ook niet te kennen.quot;
âNeen, waarachtig kende ik haar niet,quot; zei Galjart: âik wou dat ik haar kende. Kun je maken, dat ik haar leer kennen?quot;
âWel! je hebt eerder recht op haar dan ik,quot; zei Donia: âwant jij waart het, die haar, op zekeren Sinterniklaas-avond van 't jaar 182 ., 't eerst aannaamt en boven bracht.quot;
âWat! die Juffrouw daar, was dat....?quot;
âKlaasje Zevenster, ons pleegkind, in eigen persoon,quot; zei Donia; âje schijnt haar dus in lang niet gezien te hebben.quot;
âTot mijn schande moet ik erkennen van neen: in de eerste jaren toen zij op school was, ben ik er nog een keer of wat heen geweest om haar te bezoeken; maar later niet meer.... en ... . zoo ik al aanspraken op haar gehad heb, dan heb ik ze lang verloren. â Maar wat een pracht van een meid is zii geworden! â En waar hangt zij nu uit?quot;
âZij woont bij Van Zirik,quot; antwoordde Donia: âzij is bonne of niet veel meer; ik weet juist niet, of zij 't daar zoo goed heeft als ik wenschen zou.quot;
âBonne!quot; herhaalde Galjart, op de tafel slaande: âbaronne moest ze zijn, als er gerechtigheid op aarde was. â Bij Van Zirik! hm! een mooie school, daar ze verzeild is. â Wie heeft dat bedacht, haar bij Van Zirik te zenden?quot;
âWel! â naar ik hoor, is dat door tusschenkomst van onze vrienden op Hardestein gebeurd.quot;
172
âJuist! ils n'en font jamais d'autres, die brave onergdenkende lui. Gekheid! Men moet een lichtmis als mij raadplegen, als men weten wil, waar men met een jong meisje heen zal. Had men 't gedaan, ik zou hen intijds gewaarschuwd hebben. Die vrouw is uit een nest, waar nooit iets goeds uit is voortgekomen. Zij heeft met haar fijne bakkes en fleemerige praat Van Zirik ingepakt, die een onnoo-
zele hals is, al verbeeldt hy zich een politicus te zijn.....
heb je gehoord, dat hij artikels aan den Marlheimer Bode zendt?.... of liever de bouwstoffen; want alles moet omgewerkt worden, eer 't presentabel is. â Een mooie politicus! â Nu, wij spraken van zijn vrouw. Die had al, voor zij hem inpalmde, een half dozijn intriges gehad, en zij is, beweert men, bij die gewoonte gebleven. Ik kan dat slag van vrouwen niet uitstaan, dat zelf niet deugt, en op arme meisjes scheldt, die uit armoe of uit liefde een misstap doen. â Waarom mij ook niet geraadpleegd?quot; herhaalde hij, vergetende dat hij een oogenblik te voren erkend had, alle aanspraak daarop verbeurd te hebben.
âIndien dit zoo is,quot; zei Donia; âdan zal ik er Bol eens over schrijven, en wij zullen zien, of wij niets beters voor haar vinden. Doch nu,quot; vervolgde hij, op zijn horloge ziende, dat voor hem lag; âmijn tijd zal weldra om zijn.... en je hadt, geloof ik, nog een tweede reden, waarom je mij zien wildet.quot;
âJuist.quot; â Hier kuchte Galjart, wat hij reeds een paar keeren gedaan had; â âik ben arm en geruïneerd â zoo als ik zeide .... en,quot; voegde hij er haastig bij: ânu moet je niet denken, dat ik je om iets vragen kom.quot;
âWel!quot; zei Donia; âik geloof niet, dat ik u ontvangen heb alsof ik zoo iets onderstelde.quot;
âNeen! â dat is 't niet; â maar je kunt mij raad geven, misschien ook verder van dienst zijn. â Ik heb hier niemand meer, die belang in mij stelt, of in wien ik belang stel: â wat zou je er van denken, indien ik naar de Oost ging?quot;
Donia peinsde een oogenblik, terwijl hij Galjart aandachtig opnam; âBen je niet al wat oud?quot; vroeg hij toen.
178
âJe wilt zeggen, wij zijn van gelijke jaren, en ik had op uw leeftijd moeten heengaan. Heel waar: â dan droeg ik nu misschien ook een mooien rok, als die daar over de canapé hangt; â misschien ook niet: en 't zal wel te laat voor mij zijn, om 't zoover te brengen.quot; â Hier kuchte hi] weder en bracht zijn zakdoek aan den mond: toen hij dien terugnam, zag Donia er bloedvlekken op.
âHoe!quot; zei hij: âbloed?quot;
âO dat 's niets,quot; zei Galjart: âstraks een glas bitter, en dan is dat weer over. â Maar je denkt dus ... .quot;
âIk denk, dat je geen bloed moet opgeven en zoo min mogelijk bitter drinken, indien je plan hebt om naar de Oost te gaan. â't Is hier zoo treurig, men kan zich hier niet een exces permitteeren,quot; zei een jonge dame in de Oost aan Mijnheer Elout, toen die Commissaris-generaal was: â en zoo is 't nog. 't Klimaat is gevaarlijk zelfs voor den gezonde en matige; maar wie noch 't een noch 't ander is, handelt wijs als hij hier blijft.quot;
âDus je houdt mij niet voor gezond en niet voor matig?quot; vroeg Galjart.
âWij zijn oude vrienden,quot; hernam Donia: âen je hebt mij om raad gevraagd. Ik mag u dien niet onthouden en nog veel minder u misleiden. Openhartig gesproken, als ik naar uw voorkomen oordeel, dan vrees ik, dat je nog dezelfde zijt, die je aan de Academie waart, even goedhartig en los als toen, maar minder sterk en minder in staat om het ingeslagen pad te verlaten. Ik zou u bedriegen, indien ik u in uw voornemen steunde.quot;
âZoo! â Dat spijt mij,quot; zei Galjart, eenigszins zuinig kijkende: âik had mij nog al gevleid, dat.... met uw voorspraak zou ik daar wellicht zijn voortgekomen.quot;
âOok zonder mijn voorspraak, mits èn de wil, èn de macht tot werken bij u bestond. Dat het eerste het geval is, wil ik aannemen; ik laat het aan uw geneesheer over, het tweede te beoordeelen. Ik spreek naar mijne ervaring, en die behoeft u niet genoeg te zijn. Op uwe jaren moet men weten wat
174
men te doen heeft. Blijf je bij je besluit, schrijf het mij dan, provisioneel aan mijn adres bij de Heeren S. S. Astor en Zoon, makelaars te Amsterdam, mijn hommes d'af faire, die je kennen zult: â en dan zal ik u van dienst pogen te zijn. Maar hoe is 't nu voor 't oogenblik?quot; vroeg hij, opstaande, wat Galjart werktuiglijk ook deed: âheb je ook behoefte aan contanten ?quot;
Aan Galjart sprongen de tranen in de oogen: âje bent verd ... de eerste, die mij dat vraagt,quot; zeide hij.
Misschien had Donia de vraag ook niet gedaan, als hij een half jaar langer in 't land was geweest; maar de milde Oostersche aard zat er nog bij hem in. Hij legde de woorden van Galjart, ofschoon geen stellig antwoord op zijn vraag behelzende, dan ook uit als een erkentenis van behoefte en, nogmaals een rolletje voor den dag halende, van gelijken vorm als dat hij aan Nicolette gegeven had, reikte hij het over aan Galjart.
âJe zult het mij wel teruggeven, als je rijk geworden bent,quot; zeide hij.
âWie had dat voor twintig jaar ooit geloofd?quot; zei Galjart, terwijl hij het goud aannam en zich de oogen afwischte: â âtoch altijd de oude, Donia! ik weet, dat ik het niet verdien, en dat het alles mijn eigen schuld is ... . ik had mij beter moeten gedragen, en, in plaats van een leven van vroolijken Frans te leiden, moeten toekijken op die boekhouding, die voor den eenen zulke treurige resultaten opleverde, en voor den anderen niet. Nu â hartelijk dank, en God zegene u, Donia. â Zorg, dat ons Klaasje niet in dat huisje blijve.quot;
Dit was zijn afscheid. Donia oogde hem medelijdend na, in de ziel geroerd over het treurige lot van den eens naar geest en lichaam zoo rijk begaafden jongeling, die zich zeiven zoo deerlijk bedorven had en bij wien, als uit zijn laatste woorden bleek, toch nog zooveel medegevoel voor 't lot van anderen bleef. Hij beloofde zich zeiven dan ook, de ontvangen vermaning niet in den wind te slaan, en schreef dien zelfden avond nog aan Bol, terwijl hij, den volgenden dag met Van
175
Zirik reizende, dezen met bescheiden ernst onder de oogen bracht, hoe weinig liefderijk en kiesch zijn behandeling van Nicolette geweest was, en hem de belofte afperste, daar orde op te stellen.
Maar het duurde nog weken, eer Bol dien brief van Donia las; en toen quot;Van Zirik, drie dagen later, van zijn uitstapje weder thuis kwam, vond hij er Nicolette niet meer.
Wat daarvan de reden was, zullen de volgende Hoofdstukken ons leeren.
DERDE HOOFDSTUK.
HOE NICOLETTE, CHARYBDUS ONTVLIEDENDE, OP SCYLLA VERVALT.
Toen Nicolette het Keizershof was uitgewandeld en, overeenkomstig de aanduidingen, door Naatje gegeven, haar schreden had gericht naar het kort daarbij gelegen straatje, had zij niet gemerkt, dat de oude Heer, die sedert een half uur voor een der ramen van de Sociëteit de Besognekamer plaats genomen en, onder 't genot van een kop chocolaad, de oogen stijf gevestigd had gehouden op de deur van het hotel aan de overzijde, onmiddellijk opgestaan, naar buiten geloopen en, zoo snel als zijn jaren het toelieten, het Buitenhof dwars was overgestoken. Het hofplein is echter te uitgestrekt, en de afstand tusschen de Besognekamer en het Halstraatje te groot, dan dat hij dit laatste vroeger kon bereiken dan juist op het oogenblik, dat het jonge meisje het reeds ten einde geloopen en op de Groenmarkt gekomen was: ja, het zou hem waarschijnlijk niet gelukt zijn. haar in te halen, indien zij, in de onzekerheid, waar zij een dier winkels vinden zou, die haar waren aangeduid, niet een korte wijl besluiteloos was blijven staan, de oogen nu her- dan derwaarts wendende. Weldra echter scheen zij voldaan over haar onderzoek, en stak de markt over, recht op een winkel af, dien
176
zij op eenigen afstand ontdekt had, en waar zij onderstelde, de benoodigde garens en band te zullen vinden. Die korte weifeling in haar gang had echter aan haar vervolger gelegenheid gegeven om haar achterop te loopen, en plotseling, toen zij er het minst op verdacht was, zag zij nevens zich het gehate gezicht van den Baron Van Tilbury.
quot;De Baron had den dag te voren gehoord, welke afspraak er tussclien Donia en Nicolette gemaakt was, en terstond bij zich zeiven het voornemen opgevat, daar partij van te trekken om het jonge meisje nog eenmaal met zijn aanzoeken aan boord te komen. Noch de herhaalde blijken van weerzin, die hij van haar ontvangen had, noch de vrees, dat zij hem nogmaals bij Mw. Van Zirik zou aanklagen, waren in staat geweest, hem terug te houden. De Baron was verstokt in 't kwade en waar het de voldoening van een hartstocht gold, bezat hij een zoodanige volharding, als zeldzaam zal worden aangetroffen bij iemand, die een goed en loffelijk doel voor oogen heeft. Het is reeds meer gezegd, dat hij aan geen vrouwendeugd geloofde en, was hij, bij zijn vorige ontmoetingen met Nicolette, telken reize op ernstige wijze afgeslagen, hij zou toch, naar hij zich vleide, door aanhouding winnen. Misschien, dacht hij, was het bijzijn der kinderen oorzaak geweest van haar weerbarstigheid en zou zij minzamer jegens hem zijn, wanneer hij haar alleen aantrof: misschien behoorde zij tot de zoodanigen, die, althans in den beginne, zich be-leedigd gevoelen, wanneer men met geld, doch wat handzamer worden, wanneer men met een geschenk voor den dag komt: en naar deze veronderstelling had hij zijn plan van aanval ingericht. Hij had gerekend, dat Nicolette van het Keizershof weer naar huis zou keeren, en dan had hij met haar gelijktijdig aan de Gevangenpoort kunnen zijn; nu had hij wat harder moeten loopen om haar in te halen, doch dit nadeel achtte hij ruim opgewogen door de gelegenheid, welke zich nu voor hem opende, haar op grooter afstand van haar woning aan te treffen.
âWel Mejuffrouw!quot; zeide hij, nevens haar voortgaande, en
177
met een stem, die, ten gevolge van 't harder dan gewoonlijk loopen, vrij heesch klonk: âHeb je Mijnheer Van Donia gevonden ?quot;
Nicolette, niet weinig ontsteld over het plotseling wederzien van haar lastigen vervolger, gaf geen antwoord, maar verhaastte haar stap. Al hijgende vervolgde Tilbury;
âHij is wel gelukkig, die Donia, morgenbezoeken van zulk een lief meisje te krijgen.quot;
Geen antwoord. Tilbury begon werk te hebben, gelijken tred met haar te houden en met afgebroken woorden ging hij voort:
âIndien mij .... zoo iets te beurt viel, hoe zou ik... . hoe zou ik ... . mijn gesternte zegenen.quot;
Geen antwoord. Nog sneller verhaastte Nicolette haar tred.
âMaar luister dan toch.,., kindlief.... men kan u niet bijhouden.... zie eens wat ik daar gekocht heb. . . .quot; en hij haalde een rood foudraaltje voor den dag, dat een bracelet bevatte.
Nicolette, bespeurende, dat deze en gene onder de voorbijgangers reeds naar hen keken, en dat haar zwijgen en hard voortstappen niet genoegzaam scheen om den Baron te doen afhouden, bleef plotseling stilstaan en zei:
âFoei Mijnheer! 't staat u slecht en gemeen, een fatsoenlijk meisje dus lastig te vallen. Ga uw weg, en laat mij den mijnen gaan.quot;
Ieder ander zou afgeschrikt zijn geweest door den toon van gramschap en verontwaardiging, waarop deze woorden werden uitgesproken; doch Tilbury niet, die integendeel bij zich zeiven dacht: âzij blijft staan, nu ik mijn cadeau voor den dag haal: gunstig teeken!quot; en meteen opende hij het foudraal op een kiertje, doch zoo, dat het licht op de gesteenten blonk, wier schittering hij hoopte dat Nicolette verblinden zou.
âMaar kijk toch eens even,quot; zeide hij, smeekend.
âOuwe gek!quot; voegde zij hem toe en zette haar weg verder voort.
âMaar hoor toch .. ..quot; en hij vatte haar bij haar kleed, om
III. - K. Z. 12
178
haar tegen te houden, toen op eens een hand op zijn schouder gelegd werd en een krachtig âlachez mademoisellequot; hem in de ooren klonk.
De reden van deze tusschenkomst was als volgt: Charles Van Zirik nam alle Zaterdagen van 12 tot 1 uur deel aan gymnastische oefeningen, die in een lokaal omtrent de Groote Markt gegeven werden. Zijn gouverneur vergezelde hem bij die gelegenheid, en daar het juist één uur geslagen had, was niets natuurlijker, dan dat zij te zamen over de Groenmarkt terugkeerden, op het oogenblik dat Tilbury Nicolette aansprak. Charles had hen 't eerst in 't oog gekregen en terstond Rostan er opmerkzaam op gemaakt. Deze, die reeds voor eenigen tijd vernomen had, hoe het meisje last had van de aanzoeken des ouden mans, en dienvolgens tegen dezen, als tegen een medevrijer, een heftigen haat had opgevat, was een oogenblik blijven staan, om zich te vergewissen, hoeverre de onbescheidenheid van Tilbury gaan zou. Hij had gezien hoe deze aan Nicolette iets had gewezen â hij kon niet onderscheiden wat â hoe zij alle bliiken van weerzin gegeven had, en wat aandrang hij bij haar bezigde. Hy was toegesneld, met Charles achter zich, en ziende dat Tilbury Nicolette vasthield, had hij geoordeeld, dat het hoog tijd werd om tusschenbeiden te komen. In plaats echter, dat die tusschenkomst Nicolette gerustheid inboezemde, had zijn uitroep ten gevolge, dat haar schrik nog vermeerderde, en op de bloote gedachte sidderende, dat zij aanleiding zou geven tot een twist en daarbij onvermijdelijk straatgerucht, rukte zij zich los, zonder te merken, dat zulks een deerlijke scheur in haar kleed ten gevolge had, en spoedde zich verder, doodbeschaamd voor de blikken der voorbijgangers, die hier en daar bleven stilstaan, en de oogen beurtelings op haar en op de twistenden wendden. In haar verlegenheid had zij niet gemerkt, dat zij den winkel, waar zij heen wilde, was voorbijgeloopen, en, terwijl zij, nu eindelijk stilstaande, rondzag, zonder te weten wat weg zij uit moest, daar ontdekte zij op eens, tot haar blijdschap, een bekend gelaat in dat van een welgekleede vrouw, die langzaam voort-
179
wandelde langs de huizen, met een grooten gevlochten zak of zoogenaamde momière aan den arm. Dat scheen een uitkomst; Nicolette haastte zich, de straat over te steken en met een wenk en een groet uit de verte, naar de wandelares toe te snellen, die van haar kant het jonge meisje herkende en met het vriendelijkste gezicht van de wereld te gemoet kwam.
âMevrouw!quot; zei Nicolette: âik kom mij voor een oogenblik onder uw bescherming stellen.quot;
Had Nicolette maar in de verte kunnen raden, tot wie zij zich eigenlijk wendde, dan had zij liever een galop gedanst met den Baron Van Tilbury, liever met Rostan een quatre-mains gespeeld met Mevrouw Van Zirik als toehoorderes, liever zich door Snel een zoen laten geven voor de oogen van Maurits Van Eylar, in één woord liever de onmogelijkste dingen gedaan, die gedaan konden worden, of het ergste geleden wat te lijden was, dan bij die vrouw haar toevlucht te zoeken.
Inmiddels had tusschen de beide heeren het navolgende tooneel plaats.
Tilbury, dus onzacht aangegrepen, had zich in toorn omgekeerd en aan Rostan gevraagd, waar hij zich mee bemoeide.
âZeer natuurlijk. Mijnheer!quot; was het antwoord van Rostan: âdie Juffrouw is mijn huisgenoot, en ik dien het wel voor haar op te nemen, wanneer men haar beleedigt.quot;
âHaar huisgenoot.... misschien wel haar minnaar?quot; vroeg Tilbury, hem met verachtenden spot aanziende.
âDat gaat u niet aan: en ik laat u niet los, dan voordat ik zeker weet, dat zij niets meer van u te duchten heeft.quot;
âLoop naar den â duivel!quot; wilde Tilbury er bijvoegen, toen 't woord hem in de keel bleef steken: en hij op geheel veranderden toon voortging: âmaar eilieve. Heer Ridder Don Quichot! hebt gij gezien, aan wie uw preutsche Dulcinea haar leed gaat klagen, en wie zij zoo vriendelijk knikjes toezendt?quot;
âHemel en aarde!quot; riep Rostan, en zijn eerste beweging
180
was, naar Nicolette te snellen; doch nu hield hem Tilbury op zijne beurt tegen.
âStoor die aandoenlijke ontmoeting toch niet, mijn waarde Paladijn!quot; hernam hij schamper lachende; âeen ontmoeting tusschen twee oude bekenden, als 't blijkt uit dat handjes geven; â zie maar, hoe lief.quot;
âOude bekenden!quot; â herhaalde Rostan, nu door de verbazing als genageld op de plaats, waar hij stond: âMademoiselle een bekende van dat wijf! Het meisje is nooit in Den Haag geweest en voor 't eerst alleen op straat.quot;
âOch, mijn beste verdediger der onschuld!quot; hervatte Tilbury: âwie kan met zekerheid verklaren, wat een vrouw al dan niet gedaan heeft? Dat zij elkander kennen is immers duidelijk genoeg. Zie! nu neemt Mama Canaille haar onder den arm: â recht zoo! daar wandelen zij te zamen op. Goed! zij slaan den hoek om. â Toe! volg ze nu en maak u belachelijk.quot;
âZouden wij niet naar huis gaan?quot; vroeg hier op eens Charles, die in den beginne het tooneel, half beangst, half nieuwsgierig, had staan aankijken, doch, nu eens de twist geëindigd scheen en Nicolette uit het gezicht was, er niets raars meer aan vond.
âPrecies!quot; zei Tilbury: âuit den mond der kinderen hoort men de lessen der waarheid: â naar huis! edele wreker van het onrecht! Dat zal het verstandigste wezen, wat gij doen kunt.quot;
âKom Charles!quot; zei Rostan, na een oogenblik besluiteloos op zijn nagels te hebben staan bijten: en den knaap bij de hand nemende, stapte hij weg, zonder Tilbury te groeten.
âAdieu! Mijnheer de Ridder van de droevige figuur,quot; mompelde deze, hem imoogende, en toen bij zich zeiven overleggende: âzal ik haar volgen? â neen, niet nu. Ik moet eerst goed poolshoogte nemen: en ik ben nu te veel vermoeid van die buitengewone beweging. Bah! â een dag vroeger of later: â wat scheelt het mij ? Ik weet nu eenmaal, dat al die voorgewende preutschheid maar lak is, en dat zij in mijn macht
181
zal zijn, zoodra ik het verkies. Welk een gelukkige ontdekking: â ik ga in de Besognekamer een glas kirschwater nemen en wat uitrusten.quot;
quot;Wij zullen hem niet volgen, maar wel Nicolette, die wij even hebben moeten verlaten om te beschrijven, welken indruk haar samentreffen en verdwijnen met de vrouw, die zij ontmoet had, op de beide heeren had gemaakt. Wij hervatten den draad van het verhaal bij het punt, waarop Nicolette de bescherming der voorbijgangster inriep. De schrandere lezer zal reeds begrepen hebben, dat zij in deze dezelfde dame had herkend, met welke zij de reis van Utrecht had gemaakt, en zij was, als reeds gezegd is, verheugd, onder al die vreemde gezichten er een van kennis aan te treffen.
âWel lieve deugd. Juffrouw!quot; zei Madame Mont-Athos, haaide hand toestekende: âhoe staat het met de gezondheid?. ... mankeert er iets aan?quot;
âOch, Mevrouw!quot; antwoordde het meisje: âik ben zoo geschrikt .... die heeren .. . .quot;
âWel dat zie ik, dat je geschrikt bent, kind! â En zie, je kleed is heelemaal gescheurd.... je kunt zoo niet over straat gaan.quot;
âHemelsche goedheid!quot; riep Nicolette, die nu eerst het gebeurde ongeluk bespeurde: âwat zal ik doen? .... Is hier niet een winkel, waar?quot;
âJawel kindlief!quot; viel de matrone in: âmaar wacht!.... 't is beter, dat je met mij naar mijn huis gaat; ik zal je dat gauw opknappen.quot;
âIk zou u niet durven derangeeren,quot; zei Nicolette, met een weigerende gebaarde.
âOch! ik woon hier vlak bij: wij zijn er in drie vloeken en een zucht. Kom maar spoedig! 't Zal in een ommezien klaar wezen: Toe! geef mij den arm en loop aan dezen kant, dan ziet men den lap niet, die er bij hangt.quot;
Meteen nam zij Nicolettes arm en keerde, langs den weg dien zij gekomen was, terug.
âMaar ik mag het niet aannemen,quot; zeide het jonge meisje;
182
âik zie, dat Mevrouw weer voor mij den weg opgaat, dien zij gekomen Is... . ik zal wel in een winkel. . .
âTut! tut! gekheid!quot; hernam de andere: âik kan die boodschappen straks nog wel doen, of anders van avond. Ik heb je nu en laat je zoo licht niet weer los. Och! 't is mi] altijd een genoegen, als ik jonge lieden van dienst kan zijn. Een genoegen, zeg ik: â 't is, om zoo te zeggen, mijn lust en mijn bedrijf.quot;
âMaar ik weet wezenlijk niet, of ik wel zoover durf gaan,quot; hernam Nicolette, ziende, dat Mad. Mont Athos een zijstraat insloeg.
âO! 't is vlak bij, een hanetree. Wij zullen dat spoedig herstellen. Ik heb er onder mijn pensionnaires, die keurig met de naald omgaan en u een winkelhaak weten aan te hechten, dat er zoomin een naad op het kleed te ontdekken valt als op een glas pons: â en je moet wat gebruiken ook, je bent geschrikt, kind! â Je beeft er nog van.quot;
Nicolette antwoordde niet; want zij wilde zich goed houden, en niet erkennen, dat haar de knieën knikten onder 't lijf, en zij moeite had, zich gaande te houden.
âLeun maar gerust op mij,quot; vervolgde de matrone, die, ondanks haar zwaarlijvigheid, zoo wakker voortstapte als een voltigeur: â't is nog maar een halve straat verder. Een, twee, drie en wij zijn er.quot;
Nicolette, te vermoeid om weerstand te bieden, liet zwijgend zich door haar geleidster medevoeren.
Wij hebben in het vorige Hoofdstuk vermeden, de adressen op te geven van de winkels, door Naatje aan Nicolette opgenoemd, en nog veel minder zullen wij het adres opgeven van de vrouw, die Tilbury als Mama Canaille had aangeduid, en die zich zelve Mont-Athos heette, ofschoon zij, bij den Burgerlijken Stand, noch onder den eenen noch onder den anderen naam bekend stond. Toch was de laatste gegraveerd op de koperen plaat, die naast de deur van haar woning prijkte: â een net geschilderd en niet opzichtig perceel. De bewoonster ontsloot de deur met een zwaren sleutel, dien zij
183
bij zich droeg, deed die, zoodra beiden binnen waren, achter zich dicht en liet toen Nicolelte voor zich uit onmiddellijk rechts in een zijkamertje gaan, waar zij verwelkomd werden, eerst door den schellen zang van een dozijn kanarievogels, en toen door een dikke kat, die van een stoel waar zij haar middagslaapje op genomen had, afsprong en haar te gemoet kwam.
âGa zitten,quot; zeide de vrouw des huizes: âik zal u eerst wat te drinken geven, en dan zullen wij die scheur onderzoeken.quot;
Nicolette nam plaats, of liever, zij liet zich bijna nedervallen op haar stoel. Madame Mont-Athos had terstond de kamer verlaten, doch was spoedig teruggekeerd, ontdaan van hoed en omslagdoek, en met een presenteerblaadje in de hand, op 't welk twee karaffen stonden, de eene met maderawijn, de andere met water gevuld, een groot drinkglas en een suikerpot, alles van fraai geslepen kristal.
âZiezoo,quot; zeide zij: âdrink nu wat, mijn kind! dat zal u goeddoen.quot;
âAl te veel goedheid. Mevrouw!quot; zeide Nicolette: âeen glas water, zoo 't u belieft.quot; En meteen wees zij de madera af, die haar gastvrouw haar wilde inschenken.
âWat! alleen water?quot; vroeg Mad. Mont-Athos: âje wilt toch niet als de kikkers doen?quot;
âInderdaad, Mevrouw! liever water, als ik zoo vrij mag zijn.quot;
âNu,quot; zeide de andere, haar bedienende: âeen mensch zijn zin een mensch zijn leven. â Maar anders, ik zou je toch raden, er wat madera met suiker bij te nemen, 't Is zoo gezond.quot;
âWaarlijk niet. Mevrouw!quot; zei Nicolette: âik ben dat niet gewend, en ik voel mij al beter.quot;
âNu, voor de lekkernij dan? Ook al niet? Kan ik dan niets anders aan je kwijt worden ? Ik had mij al zoolang gevleid, je eens bij mij te visite te hebben, en nu je er bent, wil je niets gebruiken, 't Is je immers van harte gegund?quot;
âMevrouw is al te vriendelijk,quot; hernam Nicolette: âdoch ik heb waarlijk aan niets behoefte, en ik zou nu gaarne----quot;
184
âEn wat was dat nu eigenlijk met die Heeren ?quot; viel Madame in: âwilden zij u kwaad doen?quot;
âOch!quot; antwoordde Nicolette: â't is kinderachtig van mij, dat ik zoo van mijn streek was; maar daar is een oud Heer, die mij overal vervolgt, en____quot;
âO! was het die? â de Baron Van Tilbury! Ja, ik heb hem meenen te zien â hij zit altijd de jonge meisjes na.quot;
âKent Mevrouw hem?quot; vroeg Nicolette, met een zeker gevoel van angst,
âWees niet bang. Hij zal u hier niet komen vervolgen.quot;
âNeen, dat begrijp ik,quot; zei Nicolette.
âDe Baron Van Tilbury!quot; herhaalde de matrone, als voor zich zelve: âhm!quot; âDat âhm!quot; had de kracht van: âdie Baron zal tot mij komen en mijn hulp inroepen.quot;
âMaar nu,quot; zei Nicolette, opstaande, âindien Mevrouw zoo goed wou zijn, even te zien naar mijn japon____quot;
âWelzeker, mijn kind!âWelzeker. â O, 't is nogal gelukkig afgeloopen: een torn, en niets meer. Wacht, wij zullen zorgen, dat dit in orde komt,quot; en meteen wipte zij de kamer uit.
Nicolette, weder alleengelaten, keek het vertrek eens rond. Tegenover het raam stond een canapé, die oorspronkelijk fraai moest geweest zijn, doch waarvan de geel damasten bekleeding nu vrij wat verschoten was: ook de vier stoelen, die er aanwezig waren, droegen de sporen van lang gebruikt te zijn. Zoowel deze meubelen, als de ronde tafel, met verguldsel aan rand en pooten, liet driehoekige, van voren bolvormige buffetkastje, in den hoek, en het gebloemde tapijt op den vloer zou een kenner terstond herkend hebben als herkomstig uit de dagen van het keizerrijk. Ongetwijfeld hadden zij toen een elegant vertrek versierd, maar geen wonder dat zij nu eenige blijken droegen van verval. ïusschen de twee smalle vensters hing een spiegel in vergulde lijst boven een trumeau met marmeren blad, op hetwelk een ruiker van geknipte bloemen onder een stolp prijkte, en aan den voet van hetwelk een verlakte theestoof en ketel stond. Tegen den wand hing een groote
185
kooi, die ten verblijf strekte aan de kanaries, wier muziek Nicolette reeds bij 't binnentreden gehoord had, en die bij tusschenpoozen hun concert hervatteden. Tegenover die kooi hing, in een vergulde lijst, een portret in pastel, zijnde dat van een heer met zware zwarte knevels, een okerkleurig gelaat, een stok van dezelfde kleur, een hooge zwarte das en een lichtblauwen rok met glimmende knoopen. Terwijl Nicolette dat kunstgewrocht bekeek, hoorde zij Madame Mont-Athos in 't achterhuis bevelen geven aan de meid; â althans zij onderstelde, dat het Mad. Mont-Athos was, hoewel de stem, die tegen haar zoo zacht en vriendelijk klonk, zich van op een afstand hard en schril deed hooren. Maar Nicolette herinnerde zich reeds in de diligence te hebben opgemerkt, hoe de matrone daarin een uitzondering maakte op het gros der stervelingen, dat zij twee stemklavieren tot haar beschikking had.
Spoedig was de vrouw des huizes terug.
âZiezoo,quot; zei zij, nu weer met haar fluweelige stem, âik heb die Juffrouw, waar ik van sprak, die zoo handig is, laten vragen, of zij zoo goed wilde zijn, u te komen helpen. Ja, je kijkt naar die schilderij : 't portret van wijlen mijn overleden man. Majoor Mont-Athos, die in Algerië gesneuveld is, juist toen hij Overste zou worden. Hij is hier in politiek, omdat hij dat zoo verkoos. Hij was nederig, weet u, en wilde niet eens, dat men hem uitschilderde met het Officierskruis van 't legioen van eer, en met de Willemsorde, en met de Zweedsche orde en met die van den Grooten Turk, allemaal omdat die van den Kouseband er niet bij kon; want dan had hij natuurlijk ten voeten uit moeten geschilderd worden, en dat zou te durabel zijn uitgekomen. Ja, ik mis wat aan mijn man. 't Is waar, ik trek pensioen; dus kan ik niet klagen, en dan heb ik die Juffrouwen, die bij mij in den kost zijn: â ja, een weduwe moet wat doen om fatsoenlijk door de wereld te komen. Maar daar is Mademoiselle Rosalie.quot;
De aangeduide persoon trad binnen; een bleek, tenger meisje, met blonde krullen en bescheiden voorkomen en met een zijden peignoir aan 't lijf, wat Nicolette voor zoo laat op den
186
middag wel een eenigzins vreemd toilet vond. Zij droeg een mandje met naaigereedschap in de hand.
âHier, Mejuffrouw Rosalie,quot; zei de Majoorsweduwe tegen de nieuwaangekomene, in 't Fransch, hier is de dame, die uw bijstand inroept: een losgetornd kleed, dat is licht te herstellen.quot;
Mdlle Rosalie glimlachte, liet een stel fraaie witte tanden zien en keek Nicolette vlak in 't aangezicht; toen boog zij zich op eene knie, bezag de scheur, nam naald en draad uit haar mandje en zette zich aan 't werk.
âHet spijt mij wel, Mejufvrouw! dat ik u zooveel moeite geef,quot; zei Nicolette.
âO! dat is niets,quot; antwoordde, niet de de hulpvaardige Rosalie, maar de vrouw des huizes: âMademoiselle doet zoo iets zeer gaarne.quot;
De Mademoiselle wierp op de Madame een zijdelingschen blik, zoo vol haat, dat Nicolette er van verschrikt zou geweest zijn, indien zij dien had opgemerkt. Madame scheen zich dat niet aan te trekken en vervolgde;
âZie je, zij verwijt mij al, dat ik er van spreken durf. O! zij leeft alleen als zij anderen van dienst kan zijn.quot;
Op dit oogenblik werd er hard aan dc voordeur gebeld: de dienstmaagd kwam van achteren geloopen, om te zien, wie zich aanmeldde, en terstond daarop met een verschrikt gelaat aan Madame zeggen, dat âMenheir de inspecteurquot; er was. Madame fronste de wenkbrauw, liep de gang in en verzocht den bezoeker haar naar achter te volgen. Wat er tusschen hen beiden verhandeld werd zal nader blijken. Zooveel zij hier genoeg, dat het gesprek spoedig was afgeloopen, en dat de laatste woorden, die de bezoeker tegen de bewoonster zeide, toen zij hem uitgeleide deed, door Nicolette duidelijk gehoord werden.
âJe hebt het onthouden. Binnen vijf minuten moet zij uw huis uit, of binnen een half uur met u aan 't bureau.quot;
â't Zal gebeuren. Mijnheer Pedaal!quot; klonk het antwoord van Mad. Mont-Athos, en spoedig was zij weder binnen; zij scheen eenigszins ontstemd door het onderhoud.
187
Juist was het ongemak door de behendigheid der zwijgende schoone hersteld: Nicolette bedankte haar; doch Madlle Rosalie scheen op geen dank gesteld: zij zag nogmaals Nicolette zwijgend en lang in 't aangezicht, nam toen haar mandje weder op en ging heen, zooals zij gekomen was, zonder een woord te spreken of iemand te groeten.
â't Is zonderling,quot; dacht Nicolette: âde Juffrouw op de diligence sprak ook geen woord. Zou deze en die andere eene en dezelfde wezen ? â Mij dunkt, deze is fijner van trekken.quot; â En toen, zich tot Mad. Mont-Athos wendende: ânu is het meer dan tijd dat ik ga .... ik ben wezenlijk beschaamd over al den last, dien ik u veroorzaakt heb.quot;
âGeen verschooningen, wat ik u bidden mag,quot; zei de andere: âalleen, zoo je werkelijk begrijpt mij eenige erkentelijkheid schuldig te zijn, bewijs het mij dan, door spoedig eens terug te komen.quot;
âIk zou dit gaarne doen,quot; hernam de andere; âmaar ik ben mijn eigen meesteres niet.quot;
âNiet? â wel ik zou nergens willen blijven, waar ik mijn vrijigheid niet had.quot;
âMen dient op de wereld zich te schikken naar de omstandigheden,quot; zei Nicolette: â âmaar nu moet ik mij waarlijk haasten; ik ben al een uur langer uit geweest, dan ik voornemens was, en Mw. Van Zirik zal reden hebben, ontevreden te zijn.quot;
âWel! ik zou 'r laten brommen,quot; zei Mad. Mont-Athos: âik begrijp niet, hoe iemand als jij, mijn kind! zich goedwillig aan zoo'n slavernij onderwerpen kan. Je kondt immers leven zooals je verkiest. Nu! als het je daar verveelt en je wilt het eens bij mij probeeren! wij leven hier genoeglijk en stil onder malkaar, en ik durf zeggen, dat ik geen pension-n air es ooit gehad heb, of zij zijn over mijn behandeling tevreden geweest.quot;
Nicolette gaf geen ander antwoord op deze laatste aanbeveling dan een vriendelijke hoofdbuiging, en maakte zich gereed om heen te gaan.
186
middag wel een eenigzins vreemd toilet vond. Zij droeg een mandje met naaigereedschap in de hand.
âHier, Mejuffrouw Rosalie,quot; zei de Majoorsweduwe tegen de nieuwaangekomene, in 't Fransch, hier is de dame, die uw bijstand inroept: een losgetornd kleed, dat is licht te herstellen.quot;
Mdlle Rosalie glimlachte, liet een stel fraaie witte tanden zien en keek Nicolette vlak in 't aangezicht: toen boog zij zich op eene knie, bezag de scheur, nam naald en draad uit haar mandje en zette zich aan 't werk.
âHet spijt mij wel, Mejufvrouw! dat ik u zooveel moeite geef,quot; zei Nicolette.
âO! dat is niets,quot; antwoordde, niet de de hulpvaardige Rosalie, maar de vrouw des huizes: âMademoiselle doet zoo iets zeer gaarne.quot;
De Mademoiselle wierp op de Madame een zijdelingschen blik, zoo vol haat, dat Nicolette er van verschrikt zou geweest zijn, indien zij dien had opgemerkt. Madame scheen zich dat niet aan te trekken en vervolgde:
âZie je, zij verwijt mij al, dat ik er van spreken durf. O! zij leeft alleen als zij anderen van dienst kan zijn.quot;
Op dit oogenblik werd er hard aan de voordeur gebeld: de dienstmaagd kwam van achteren geloopen, om te zien, wie zich aanmeldde, en terstond daarop met een verschrikt gelaat aan Madame zeggen, dat âMenheir de inspecteurquot; er was. Madame fronste de wenkbrauw, liep de gang in en verzocht den bezoeker haar naar achter te volgen. Wat er tusschen hen beiden verhandeld werd zal nader blyken. Zooveel zij hier genoeg, dat het gesprek spoedig was afgeloopen, en dat de laatste woorden, die de bezoeker tegen de bewoonster zeide, toen zij hem uitgeleide deed, door Nicolette duidelijk gehoord werden.
âJe hebt het onthouden. Binnen vijf minuten moet zij uw huis uit, of binnen een half uur met u aan 't bureau.quot;
â't Zal gebeuren. Mijnheer Pedaal!quot; klonk het antwoord van Mad. Mont-Athos, en spoedig was zij weder binnen; zij scheen eenigszins ontstemd door het onderhoud.
187
Juist was het ongemak door de behendigheid der zwijgende schoone hersteld: Nicolette bedankte haar; doch Madlle Rosalie scheen op geen dank gesteld: zij zag nogmaals Nicolette zwijgend en lang in 't aangezicht, nam toen haar mandje weder op en ging heen, zooals zij gekomen was, zonder een woord te spreken of iemand te groeten.
â't Is zonderling,quot; dacht Nicolette: âde Juffrouw op de diligence sprak ook geen woord. Zou deze en die andere eene en dezelfde wezen? â Mij dunkt, deze is fijner van trekken.quot; â En toen, zich tot Mad. Mont-Athos wendende: ânu is het meer dan tijd dat ik ga .... ik ben wezenlijk beschaamd over al den last, dien ik u veroorzaakt heb.quot;
âGeen verschooningen, wat ik u bidden mag,quot; zei de andere: âalleen, zoo je werkelijk begrijpt mij eenige erkentelijkheid schuldig te zijn, bewijs het mij dan, door spoedig eens terug te komen.quot;
âIk zou dit gaarne doen,quot; hernam de andere; âmaar ik ben mijn eigen meesteres niet.quot;
âNiet? â wel ik zou nergens willen blijven, waar ik mijn vrijigheid niet had.quot;
âMen dient op de wereld zich te schikken naar de omstandigheden,quot; zei Nicolette: â âmaar nu moet ik mij waarlijk haasten; ik ben al een uur langer uit geweest, dan ik voornemens was, en Mw. Van Zirik zal reden hebben, ontevreden te zijn.quot;
âWel! ik zou 'r laten brommen,quot; zei Mad. Mont-Athos: âik begrijp niet, hoe iemand als jij, mijn kind! zich goedwillig aan zoo'n slavernij onderwerpen kan. Je kondt immers leven zooals je verkiest. Nu! als het je daar verveelt en je wilt het eens bij mij probeeren! wij leven hier genoeglijk en stil onder malkaar, en ik durf zeggen, dat ik geen pension-n air es ooit gehad heb, of zij zijn over mijn behandeling tevreden geweest.quot;
Nicolette gaf geen ander antwoord op deze laatste aanbeveling dan een vriendelijke hoofdbuiging, en maakte zich gereed om heen te gaan.
188
âWacht!quot; zei Mad. Mont-Athos, âindien je dan zoo'n haast hebt om te gaan, dan zal ik met je gaan en je weer op den rechten weg brengen. Je mocht verdwalen, mijn kind! en dan zou die Mevrouw nog meer ontevreden zijn.quot;
âMaar Mevrouw! ik kan het niet van u vergen,quot; zei Nico-lette: âik zal het wel vinden.quot;
âNeen! neen! ik heb toch mijn boodschappen nog te doen, en 't is immers mijn weg.quot; Deze laatste woorden waren half in de gang gesproken en de matrone, naar achteren gegaan, keerde spoedig met hoed en doek terug, waarop zij de voordeur ontsloot en beiden het huis verlieten. Nicolette was niet rouwig, dat zij haar geleide had; zij was in 't gaan van de markt naar het huis der weduwe te veel van haar stuk geweest om te letten op al de straten, die zij waren doorgegaan, en zij zou, zonder vragen, den weg niet hebben teruggevonden.
Die weg scheen, zooals doorgaans het geval is, veel korter bij 't keeren dan bij 't gaan. Toen de beide dames zich weder op den hoek der Groenmarkt bevonden, stond daar een diender, die aan Mad. Mont-Athos in 't voorbijgaan een nauwelijks merkbaar knikje gaf.
âZie je? nu heb je hier zoo'n vent van de Politie,quot; zei de weduwe van den Majoor, die Overste had moeten wezen, tot Nicolette: â't was beter geweest, als hij er straks gestaan had, en die heeren, die u molesteerden, op hun plaats had gezet. Maar zoo gaat het: zij zijn altoos daar, waar niets te doen valt.quot;
âEn nu,quot; zei Nicolette, het Halstraatje herkennende, ânu zal ik mijn weg verder alleen wel vinden. Nog duizendmaal dank. Mevrouw!quot;
âGoed!quot; zeide de weduwe: âik mag zien, dat je weer courage hebt. Nu, zooals gezeid is.... je vergeet niet, als je tijd hebt, eens bij mij te komen: â en hoor!quot; vervolgde zij, een bedenkelijk gezicht zettende: âvertel maar liever niet, bij wie je geweest bent. Zeg, als 't noodig is, dat je bij een weduwe geweest bent, die je niet kent; maar noem mijn
189
naam liever niet. Ik heb eens onaangenaamheden gehad met die familie Van Zirik, en zij mochten altemet verkeerd vinden, dat je mij bezocht hadt. â Nu, vaarwel! zooals gezeid is, ik heb altijd een kamer voor je open.quot;
Hier scheidden zij, en Nicolette, door het Halstraatje gaande, stapte met haastigen tred het Buitenhof over en voorts door de Poort naar huis. Zij had geen harer boodschappen gedaan.
VIERDE HOOFDSTUK.
ER BEGINNEN WOLKEN SAMEN TE TREKKEN OVER NICOLETTE.
Nicolette vond, toen zij terugkeerde, niemand thuis. Mevrouw was met de kinderen uit rijden. Mijnheer was naar de Sociëteit. Zij kon zich dus vleien, dat haar laat thuiskomen niet bekend zou worden, en zij had meteen tijd, zich wat te herstellen. Zij gevoelde zich vermoeid en had zware hoofdpijn, welk een en ander zij toeschreef aan het voorval, dat plaats had gehad. Zeker had dit er geen goed aan gedaan; zij kon zich echter niet ontveinzen, dat zij reeds sedert eenige dagen aan loomheid door de leden en lusteloosheid leed, en dat, indien zij volkomen gezond en onbezorgd geweest ware als gewoonlijk, zij het hoofd niet verloren zou hebben bij het tooneel tusschen de twee medevrijers. Zij vond, dat zij laf en kinderachtig had gehandeld: zij had eenvoudig rechtsomkeert moeten maken, en naar huis gaan of in den eersten winkel den besten loopen. Zij had in allen gevalle niet moeten weghollen en daardoor een scheur in haar kleed krijgen.
Intusschen bleef het bij haar een twijfelachtige vraag, of zij deze nieuwe onbescheidenheid van den Baron aan den Heer Van Zirik of zijn vrouw zou mededeelen. Zij gevoelde aan de eene zijde, dat zulks wel betamen zou; doch aan de andere was zij er huiverig voor: zij had gezien, en 't had
190
haar genoeg gehinderd, dat, ondanks de klachten, die zij tegen Tilbury had ingebracht, deze op het eerste diner het beste, dat er gegeven werd, genoodigd was. Zij kon hieruit opmaken, hoe luttel de gastheer en Mevrouw het onrecht telden, dat haar was aangedaan, en hoe een nieuw beklag over een gelijk feit tot weinig anders leiden zou dan om hen te vervelen. Zij besloot eindelijk, aan Bol te schrijven en diens raad in dezen in te nemen, en daartoe den Zondag-avond te nemen, toen zij een brief begon, waarin zij hem uitvoerig met den geheelen stand der zaak bekend maakte, en alles vertelde, ook haar bezoek bij Mad. Mont-Athos. Zij wilde er nog het een en ander bijvoegen, doch zij gevoelde zich koortsig en afgemat, en legde daarom den brief in een lade van de latafel weg, om dien, als zij den volgenden morgen eens een oogenblik vrij had, te sluiten.
Doch den volgenden morgen gebeurden heel andere dingen.
De Heer Van Zirik was, als wij verteld hebben, dat zijn plan was, naar Amsterdam vertrokken en Mevrouw had het rijk alleen. Doch 't was niet genoeg, dat Mijnheer van huis was, Charles was, als enfant terrible, in sommige opzichten nog gevaarlijker, en in allen gevalle een blok aan 't been van Rostan. Daarom was Mevrouw reeds intijds op een middeltje bedacht geweest om den knaap van de hand te sturen en had hem voor een paar dagen bij een tante, die buiten woonde, doen verzoeken. Hij zou door die tante 's-Maandags-morgens tegen halftien met het rijtuig worden afgehaald en kwam nu eenige minuten te voren bij zijn moeder, om afscheid van haar te nemen en de noodige vermaningen mede te krijgen. Die waren dan ook gegeven, en Mw. Van Zirik zat te bedenken of er ook nog iets was, dat zij vergeten had te zeggen, toen Charles plotseling een geheel ander onderwerp op 't tapijt bracht.
âVerbeeld u. Mama!quot; zei hij, âdat eergisteren Monsieur gevochten heeft met Mijnheer Tilbury.quot;
âWat! Wat zeg je?quot; vroeg zijn moeder, als uit een droom opschrikkende: âgevochten? â Waar? Waarom?quot;
191
âJa, op de Groenmarkt. Mijnheer Tilbury sprak met Mademoiselle. â Ik zag het 't eerst. Monsieur riep terstond: sacré, mille tonner res.... Wat wil dat eigenlijk zeggen, Mama?quot;
âNiets.... een leelijk woord, dat je niet behoeft te onthouden. En toen?quot;
âEn toen liep hij met een ijselijke drift op Mijnheer Tilbury af en pakte hem beet: en Mademoiselles jurk scheurde, en Mijnheer Tilbury eu Monsieur spraken heel driftig met malkaar, en toen bedaarden zij, en toen gingen wij weer naar huis.quot;
Mevrouw Van Zirik was staande dit verhaal eerst rood van toorn, en vervolgens bleek als een doek geworden.
âScheelt er wat aan, Mama?quot; vroeg Charles.
âNiets â neen, niets,quot; antwoordde zijn moeder, op haar zakdoek bijtende. En waarom was Monsieur zoo boos op Mijnheer Tilbury?quot;
âDat weet ik niet. Mama: ik geloof, hij wou niet hebben, dat die met Mademoiselle praatte. Ik begrijp niet, wat het hem raakte. Vindt je dat niet heel gemeen van Monsieur, dat hij zoo op straat een standje ging maken aan Mijnheer Tilbury, Mama?quot;
Men zal zich herinneren, dat Charles aan Eostan alles behalve genegenheid toedroeg en de zaak dan ook niet op 't voordeeligst voor hem uitleide. Mw. Van Zirik, hoe innig vergramd ook, begreep echter, tegenover den leerling de waardigheid van den leermeester te moeten ophouden, en antwoordde;
âMonsieur zal daar zijn redenen toe gehad hebben. Misschien wou Mijnheer Van Tilbury aan Mademoiselle kwaad doen. Zoo iets gaat kleine jongens niet aan, en je behoeft het niemand te vertellen. Dat je 't mij vertelt is goed; maar als je er ooit een woord over spreekt met een ander, dan ga je nooit weer naar je tante!quot;
âMaar Mama!quot;
âGeen âmaar Mama:quot; ik verzoek je te onthouen wat ik je gezeid heb, of ik zal je anders leeren. â Daar hoor ik het
192
rijtuig.... Geef me nu gauw een zoen en maak, dat je wegkomt en je tante niet laat wachten.quot;
Het duurde een poos, eer Mw. Van Zirik bekomen was van den indruk, dien de mededeeling van Charles op haar gemaakt had. Zoo had dan Eostan zich op den openbaren weg voor Nicolette in de bres gesteld! â Behoefde er sterker bewijs geleverd te worden van zijn ontrouw tegen haar, van zijn liefde voor die coquette? â Ãén ding stond overlang bij haar vast: dat meisje moest haar huis uit; â maar welk voorwendsel zou er te vinden zijn? â Het middel om haar, door overlading van werk, afkeerig te maken van haar betrekking was tot nu toe niet gelukt. Nicolette klaagde niet, maar deed, en deed met ijver, al wat van haar gevergd werd; haar te beschuldigen van lichtzinnigheid ging ook niet; want er was geen bewijs te leveren, dat zij immer, öf Rostan nageloopen, of Tilbury anders dan met weerzin behandeld had. Het spreekwoord zegt wel: wie een hond wil slaan zal lichtelijk een stok vinden; â doch hier was dat zoo gemakkelijk niet, ten minste niet behoudens eer en fatsoen, en zoo, dat de wereld de partij van Nicolette niet tegen haar meesteres nam en haar als een onschuldig slachtoffer van grillige luim voorstelde. Lang zat zij te peinzen, nu eens meer bedaard, dan weder zich zelve opwindende tot heftige drift: en die gold alleen Nicolette, nimmer Rostan. Een vrouw vergeeft alles aan een man, dien zij liefheeft, al is hij haar ontrouw: nimmer iets aan haar, die hem ontrouw maakte, ook al heeft die er geen schuld ter wereld aan. Maar met dat al, Emilie wilde vóór alles toch weten, of Rostan werkelijk eenige neiging voor Nicolette had opgevat: 't kon toch zijn, dat zijn ruzie met Tilbury alleen het gevolg geweest was van een onberedeneerde zucht om Nicolette van diens lastige aanspraken te bevrijden, en dat hij voor 't overige geheel niet aan het jonge meisje dacht. Ten einde dienaangaande een onderzoek in te stellen was zij juist opgestaan, om aan de schellekoord te gaan trekken en Caroline te ontbieden, toen deze binnenkwam.
193
âAha! ben je daar? Ik had je net noodig. Verzoek Monsieur Rostan hier te komen.quot;
âJa Mevrouw!quot; zei Caroline: âMevrouw! daar is een heer om u te spreken.quot;
âI'-en heer! op dit uur? Onmogelijk.quot;
âHij vroeg eerst naar Mijnheer: en toen hij hoorde, dat die uit de stad was, naar Mevrouw.quot;
âIk kan nu niemand spreken.quot;
âHij zeit, het is een zaak, daar heel veel haast bij is, een zaak van 't uiterste belang.quot;
âVoor hem misschien .... de een of andere bedelaar! Heeft hij zijn naam gezegd?quot;
âNeen Mevrouw!quot;
âWaarom heeft Filip hem dan niet weggestuurd? Hij weet toch, ik spreek geen menschen, die ik niet ken.quot;
âJa Mevrouw! maar Filip zeit, hij gelooft....quot;
âWat?quot;
âHij gelooftquot; â en hier deed Caroline een paar stappen vooruit, boog het hoofd naar haar meesteres voorover, en zeide op geheimzinnigen toon, half fluisterend, als ware zij bang, dat een derde het hooren zou : âdat het iemand van de Politie is.quot;
âVan de Politie!quot; herhaalde Mevrouw, op gedempten toon: âwat kan die hier te maken hebben?quot;
Daar schoot haar op eens een lichtstraal voor den geest. De twist tusschen Rostan en Tilbury had misschien opspraak veroorzaakt, en nu kwam de Politie inlichtingen daaromtrent vragen. â Ja, dat moest het zijn. En wie wist, of daar niet een aanleiding uit geboren werd, om dat gehate schepsel in de zaak te betrekken, zoodat zij ter wille der convenance wel verwijderd zou moeten worden. Een lach zweefde bij die gedachte over haar lippen, geen glim- maar een grim-, ja een grijnslach, zoo boosaardig, dat Caroline later in de keuken vertelde, zij had Mevrouw nooit zulk een akelig gezicht zien zetten.
âLaat die persoon in de zijkamer gaan,quot; zei Mevrouw: âik zal beneden komen.quot;
III. - K. Z. 13
194
âGoed Mevrouw.quot; Caroline vertrok, en weldra was haar meesteres haar gevolgd en had zij zich naar de zijkamer begeven, waar de onbekende was binnengeleid. Zij had er zich op verwacht, iemand te vinden, die er smerig en wat bar-baarsch uitzag; zij was eenigszins verrast, toen zij een heer aantrof, die een zeer fatsoenlijk voorkomen had en haar op bijzonder hoffelijke wijze groette.
âMijnheer wenschte mij te spreken,quot; zeide zij, met een verlegen wedergroet, een zoodanigen, als men aan hen geeft, die men niet recht weet, in hoeverre zij aanspraak op een beleefde behandeling kunnen maken.
âJa Mevrouw,quot; antwoordde de onbekende, nogmaals buigende: âen ik moet beginnen. Mevrouw mijn excuses te maken, dat ik haar zoo vroeg kom storen. Zijn wij hier op een plaats, waar niemand ons hooren kan?quot;
Deze vraag baarde aan Mevrouw eenige ongerustheid. Er was in de laatste dagen veel verteld van indringers, die zich onder valsche namen of valsche voorgevens lieten aanmelden, en dan van de gelegenheid, dat zij zich met de vrouw des huizes alleen bevonden, van haar weerloosheid en schrik, misbruik maakten om haar geld af te persen, of zelfs haar te berooven. De man, die voor haar stond, had wel geen ongunstig uiterlijk; doch dat bewees niets, en dat hij van de Politie zou zijn, kon ook wel alleen uit de verbeelding van Filip zijn ontstaan; wie weet, of hij ook niet met booze bedoelingen gekomen was.
De onbekende las ongetwijfeld, wat er in haar ziel omging. Hij glimlachte even, en tastte toen in een der veelvuldige zakken van zijn donkerbruine p a 1 e t o t.
Door die gebaarde nog meer ontrust, keek Mevrouw op om te zien of zij tijd zou hebben om de schellekoord te bereiken; zij werd eenigszins tot kalmte gestemd, toen zij zag, dat de man geen pistool of dolk, maar een kleine lederen portefeuille voor den dag haalde, waar hij een visitekaartje uitnam, 't welk hij haar overhandigde. Zij sloeg er de oogen op en las
195
PEDAAL,
Inspecteur van Politie.
âEn nu, Mevrouw! ik heb u over een onderwerp van zeer kieschen aard te spreken. Daarom herhaal ik mijn vraag; is er iemand, die ons beluisteren kan?quot;
âNeen Mijnheer.quot;
âDie communicatie-deur?quot;
âGeleidt naar de eetkamer.quot;
âIs daar niemand?quot;
âNeen, ten minste .. .quot;
âVeroorloof mij, mij daarvan te verzekeren.quot;
Met deze woorden opende hij de deur, trad de eetzaal binnen, liet het oog in 't rond weiden, keek achter het buffet, onder het tafelkleed, in het kabinetje, dat aan het vertrek annex was, draaide de deur, die naar 't portaal leidde, op slot, keerde terug, en sloot ook de tusschendeur achter zich toe.
âWij zijn veilig,quot; zeide hij toen, met een tevreden gezicht: âen nu, Mevrouw, als ik u mag verzoeken mij een oogenblik gehoor te verleenen. â Hier, Mevrouw, zoo 't u belieft: hier zijn wij 't verst van de deur verwijderd.quot; Dit zeggende wees hij haar met de eene hand op een c a u s e u s e, die in een hoek der kamer bij 't raam stond, en maakte met de andere een uitnoodigende beweging, die zooveel te kennen gaf als: âwees zoo goed en neem plaats.quot; â Mw. Van Zirik keek eenigszins bevreemd op over de zonderlinge wijze, waarop de rollen tusschen haar bezoeker en haar waren omgekeerd, en waarop hij niet alleen in hare tegenwoordigheid zich als heer en meester in haar kamers gedroeg, maar zelfs, tegenover haar, de vrouw des huizes, de honneurs waarnam. Zij voldeed desniettemin aan zijn verzoek en ging zitten: hij van zijne zijde ging voort te doen alsof hij thuis was; nam een stoel en plaatste zich tegenover haar.
Alvorens het gesprek op te geven, dat tusschen hen voorviel, een woord over het nieuwe personage, dat hier opgevoerd wordt. Wel is hij in het vorige Hoofdstuk reeds voorgekomen
196
en een door hem uitgesproken volzin opgeteekend; doch persoonlijk is hij den lezer nog niet voorgesteld.
Felix Pedaal had een veel bewogen loopbaan gehad. Waar hij eigenlijk geboren of wie zijn ouders waren is niemand ooit recht gebleken; volgens de waarschijnlijkste berichten was hij uit een vondelingshuis in een Vlaamsche stad herkomstig. Wat daarvan zij, reeds vroeg had hij in de wijde wereld rondgezworven, en, als Ulysses, veler menschen zeden en steden gezien, en dat onder verschillende oogpunten, nu eens in het gezelschap van duizenden, dan weder alleen, nu eens ten behoeve van anderen, dan weder voor eigen rekening en risico, reizende. Zoo had hij onder den Hertog van Angoulème den veldtocht in Spanje gemaakt, en, onder de Nederlandsche vlag, bij Palembang gestreden: zoo was hij als koerier met een gezelschap naar Italië gereisd, en als commissionair vooreen wijnkantoor naar Noord-Amerika. Hij had later eigen zaken gedaan, nu eens in Duitschland, dan weder in België, een herberg gehouden, met vrij wisselvallige kans, en zich eindelijk hier te lande nedergezet, waar men hem, om ik weet niet welken dienst, door hem aan de Politie bewezen, en om de vlugheid, waarmede hij meest alle Europeesche en ook enkele talen van buiten Europa sprak, en om andere gaven meer, die men in hem opmerkte, in de betrekking aanstelde, die hij tegenwoordig vervulde. Spoedig gaf hij daarbij blijk van onge-meene schranderheid in 't nasporen van verborgen zaken en handelingen, en tevens van zijn talent, om zich, als een ware Proteus, te voegen naar de menschen, met welke hij zich bevond; wat niet vreemd kon schijnen, als men wist, hoe hij in zijn wisselvallige loopbaan, met lieden van allen stand en rang, nu eens met vorsten en graven, dan weder met matrozen en soldaten verkeerd had. Daarbij had hij, als de zwaluw van La Fontaine, niet alleen veel gezien, maar ook veel onthouden, wist geestig te vertellen van zijn ontmoetingen, waar of onwaar, was onuitputtelijk in anekdoten, en wist de spraak en de manieren, ook van lieden, die hij maar eenmaal ontmoet had, op begoochelende wijze na te bootsen. Ook maakte hij
197
geen onaardig gedicht, en had zelfs in den aanvang zijner nieuwe loopbaan een paar vaudevilles vertaald. Misschien verbeeldde hij zich, toen hij zulks deed, dat een zekere mate van letterkundige en bijzonder van dramatische verdiensten een vereischte was in een ambtenaar bij de Politie: een meening, die door talrijke voorbeelden gerechtvaardigd werd. Alexis Van Ray, B. A. Fallee, Holtrop, Chandon, Jac. Grevelink, en, ful-gens inter minora side ra') Samuel Iperuszoon Wiselius, om er geen meer te noemen, hadden zich als auteurs onderscheiden. Dat tijdperk was echter nu voorbij, en Pedaal, nooit gewoon de gunst te bejagen of de banier te volgen van wie hem niet langer helpen kon, had aan de Muze den zak gegeven, en zich vergenoegd met nu en dan onder de roos een luimig gedichtje voor te dragen of een paar coupletten uit de oude doos te neuriën, en op die wijze bij de lieden door te gaan voor iemand, die zeer goed als schrijver een naam zou kunnen maken, indien hij zijn kostbaren tijd aan zulke beuzelarijen verkoos te geven. Over 't geheel was hij bij zijn superieuren als een hoogst verdienstelijk, ja als een onmisbaar ambtenaar-bekend, bij wien men daarom eenige kleine pekelzonden dooide vingeren mocht zien.
Die pekelzonden waren echter somtijds van dien aard, dat zij, in onze dagen, en nu daarop strenger toezicht gehouden wordt, zijn onmiddellijk ontslag ten gevolge zouden gehad hebben. Gewis zou dit hem ook zelfs toen niet ontgaan zijn, indien maar een tiende deel ware bekend geweest van de praktijken, welke hij zich veroorloofde. Nooit, ook in de vorige bedrijven en beroepen, die hij bij de hand had gehad, was hij bijzonder nauwgezet geweest bij de keus der middelen, door hem aangewend om zich te bevoordeelen, en hij was op dat punt niet veranderd sedert zijn inspecteurschap; â maar hij wist zijn handelingen met voorzichtigheid te besturen. Er is wel eens beweerd, dat de eigenaar van een buitengoed met
'j âUitschitterende tusschen de mindere sterren.quot;
198
broeierij en moestuin niet beter gediend wordt dan door een tuinman die hem besteelt; mits namelijk gezegde tuinman aan zijn hebzucht genoegzaam oordeel paart; immers dan weet hij te zorgen, zijn diefstallen te bedekken, door de tafel zijns meesters altijd van een rijken overvloed van moesgroenten en ooft te voorzien. Pedaal handelde als die wijze tuinman. Hij zorgde, dat de ambtenaar, die boven hem stond, altijd in ruime mate mededeelingen ontving van ontdekte geheimen; doch er bleven er altijd over, die hij voor zich alleen hield; en die geheimen, wij behoeven zulks nauwelijks te zeggen, waren altijd van zoodanigen aard, dat hij er zijn profijt mee kon doen. En dit laatste verzuimde hij dan ook niet. Was hij de schrik der boozen, wanneer die boozen rasphuisboeven, zakkenrollers of ander gespuis waren, van wie niets te halen viel, hij was daarentegen altijd geneigd, de schelmerijen te bedekken, gepleegd door iemand van fatsoenlijke familie, vooral wanneer zijn stilzwijgen betaald werd. Gaarne bracht hij de ongerechtigheden van een gierigen woekeraar of zwendelaar aan den dag; alleen dan, wanneer de woekeraar of zwendelaar niet gierig was, althans jegens hem niet, verzweeg hij wat hij van hem wist. Had een jongeling een jonge deerne verleid en naderhand last van haar, of was er een kind geboren, zonder dat tusschen de ouders zekere vereischte ceremonie op 't stadhuis voorafgegaan was, was zelfs zoodanig kind verdonkerd, hij wist de zaak openbaar te maken of te smoren, al naarmate het de eer gold van menschen uit de mindere klasse, of van deftige lieden, die tot redding dier eer zich eenige opoffering wilden getroosten. Doch ook met lieden, op wie gewoonlijk het woord van deftig niet wordt toegepast, met tappers, bordeelhouders en dergelijken, die aan vaste reglementen gebonden zijn of onder 't onmiddellijk toezicht der Politie staan, versmaadde hij 't niet, zijn voordeel te doen. Dat hij niets betaalde van 't geen hij in een herberg verteerde sprak wel van zelf, doch hij nam ook bovendien nog wel eens een geschenk aan van waard of waardin, die hem te vrind wilde houden, en was dan, maar ook dan alleen, vriendelijk
199
genoeg om de oogen te sluiten voor overtredingen â somwijlen ook voor gruwelen.
Zoo was in handel en wandel de man, die nu tegenover Mw. Van Zirik gezeten was. Wat zijn uiterlijk betreft, wij hebben reeds gezegd dat het gunstig was. Ofschoon reeds op vijftigjarigen leeftijd, had hij nog een jeugdig voorkomen, fraai zwart haar, zonder een enkel verzilverd draadje er tusschen in, fijn besneden trekken, die hem een aristocratisch air gaven: maar wat vooral vermelding verdient, waren zijn lippen en zijn oogen. De lippen hield hij gewoonlijk naar binnen, half tusschen de tanden getrokken, en de oogen half gesloten: even alsof hij niet spreken, niet zien, maar alleen nadenken wilde. Sprak hij, dan nog was hij gewoon den mond maar even â om 't zoo uit te drukken â op een kiertje te zetten, en kwam de stem door die smalle opening, wel zeer zacht, maar toch zeer duidelijk en beslissend voor den dag. Bvenzoo werd degeen, die hem over een teedere of gewichtige zaak te onderhouden had, al zeer spoedig gewaar, hoe van tusschen die half gesloten oogleden een doorborende blik op hem rustte, een blik, wel in staat dengenen, dien hij gold, een onaangename, ja verontrustende gewaarwording te doen ondervinden. Spalkte nu en dan Pedaal die oogleden op, dan ging iemand een huivering door de leden, zoo gestreng, koud en verstijvend was de uitdrukking, waar mede die oogen hem alsdan aanstaarden. En dit deden zij niet alleen als hij over zaken sprak. Zelfs aan den disch, bij vroo-lijke bijeenkomsten, als hij er de ziel van geweest was, en het gezelschap een heelen avond met zijn vertellingen vermaakt had, kon hij plotseling rondblikken op een wijze, die de gasten angstig voor zich heen deed zien, en zich afvragen, of iemand onder de aanwezigen iets misdaan of miszegd en daardoor de aandacht der Politie tot zich getrokken had.
Wat verder de kleeding van den Heer Pedaal betrof, hij droeg, staande zijn bezoek bij Mw. Van Zirik, een donkerbruine pale tot, een lichtgrijs vest, met zwart geboord en dat tot den strot was dichtgeknoopt, een hooge zwarte stropdas, waar de twee heldere witte punten van zijn boordje slechts even uit-
200
keken, een pantalon van dezelfde stoffage als het vest, en schoenen met gele slobkousen. De linkerhand, bedekt met een bruin lederen handschoen, omklemde, behalve den rechtschen handschoen, een ronde snuifdoos met een medaillon.
âMevrouw!quot; begon Pedaal: âje hebt hier aan huis een jong meisje, dat omstreeks zes weken geleden met de diligence van Utrecht gekomen is, nietwaar?quot;
âNicolette Zevenster!quot; riep Mevrouw uit, verrast en verblijd, dat haar voorgevoel zoo goed uitkwam.
âJuist Mevrouw!quot; hernam Pedaal, den wijsvinger aan den mond brengende als om tegen een te luid spreken te waarschuwen: ânu! ik moet u raden, dat meisje hoe eer hoe liever uit uw dienst te ontslaan.quot;
Hier zweeg hij een oogenblik, als om aan Mevrouw den noodigen tijd te gunnen om terug te komen van de ontroering, die de gegeven raad bij haar, naar zijn onderstelling, verwekken moest. Tot zijn bevreemding ontwaarde hij, dat de indruk, dien zij ontving, verre van onaangenaam te zijn, eer een gewaarwording van blijdschap genoemd kon worden. Wel is waar, het tintelen van haar oogen op het oogenblik, dat zij woorden hoorde spreken, zoo volkomen in harmonie met haar heime-lijken wensch, had niet langer geduurd dan dat van de vlam, die een afgeschoten vuurroer geeft, en zij had terstond elk uiterlijk vertoon van tevredenheid bedwongen; doch voor een schranderen opmerker als Pedaal kwam alle veinzerij op dat punt te laat.
âZoo!quot; zeide hij tot zich zeiven: âzij neemt het anders op, dan ik vermoeden kon. Daar schuilt iets achter: ik zal te weten komen wat.quot;
Mw. Van Zirik had intusschen begrepen, dat het niet genoeg was, al kwam de raad, dien de inspecteur gaf, met haar wensch overeen, en dat die raad, om gevolgd te worden, met redenen omkleed diende te zijn, en zoo vroeg zij, hoewel met eenige weifeling in haar stem:
âEn waarom moet ik haar wegzenden? Wat heeft zij misdaan ?quot;
201
âIk zal 't u zeggen, Mevrouw! Eergisteren is dat meisje uit geweest; weet Mevrouw waarheen?quot;
âZoover ik weet is zij nergens geweest, dan, 's morgens in 't Bosch en tegen twaalf uren naar 't Keizershof, om een bekende te zien.quot;
âZij was ruim één uur op de Groenmarkt, Mevrouw! Van daar is zij uit eigen beweging op een vrouw toegeloopen, met wie zij bekend scheen, en zij heeft die vrouw naar de woning van deze vergezeld: zij is daar een groot half uur verbleven, en toen weder teruggekomen, altijd met diezelfde vrouw, die niet dan aan 't Halstraatje afscheid van haar genomen heeft.quot;
âEn die vrouw?....quot; vroeg Emilie.
âHoudt een slecht huis, Mevrouw!quot; antwoordde hij.
Wederom tintelden haar oogen en er lag zegepraal in haar blik.
âVoorwaar!quot; dacht Pedaal; âeen vrome moeder, aan wie ik kwam vertellen, dat haar ongeloovige zoon in de kerk was gezien, zou niet anders kijken dan deze, nu zij hoort, dat haar bonne een bordeel frequenteert.quot;
âIk heb gedacht,quot; ging hij voort, na een oogenblik zwijgens, âdat het mijn plicht was, zulk een feit, hoe droevig dan ook,quot; â hier zette Mevrouw op eens wat men un visage de cir-constance noemt â âniet voor zulke respectable lieden als Mijnheer en Mw. Van Zirik verborgen te houdenquot;.
Ware het de meid van de groenvrouw uit het Achterom geweest, die hij met Mad. Mont-Athos had zien wandelen, hij had er geen woord van gesproken.
âIk ben u duizendmaal verplicht, Mijnheer,quot; zei Emilie, en liet onmiddellijk, met een beslissende stem, daarop volgen: âwelzeker! dat schepsel moet mijn deur uit, en hoe eer hoe beter.quot;
âJa Mevrouw! Juist wat ik zei. Intusschen, 't had kunnen zijn, dat het arme kind, zonder het te weten, in een valstrik gelokt ware.quot;
âMijnheer! hernam Emilie: â't is genoeg, dat zij publiek met zulk een wezen op straat is gezien .... en dan, je zegt immers zelf, dat zij, Mcolette, dat andere mensch 't eerst heeft aangesproken.quot;
202
âJuist Mevrouw! â Maar schijn is altijd nog geen zekerheid; en ik heb zekerheid zoeken te verkrijgen.quot;
âEn wat heeft die opgeleverd?quot; vroeg zij met een haastige drift.
âMevrouw weet misschien, dat wij een register houden van .... die dames.quot;
âNeen Mijnheer!quot; antwoordde zij, het hoofd half afwendende en den neus optrekkende, om die soort van walging uit te drukken, welke een brave en onberispelijke vrouw gevoelt, wanneer over zulke zedelooze vrouwen gesproken wordt.
âIk wil 't gelooven, Mevrouw! â Nu! Ik zag uw bonne, gearmd met Madame Mont-Athos, de Groenmarkt verlaten.quot;
Nieuwe trek van walging op het aangezicht van Mevrouw.
âIk dacht, dat meisje ken ik niet, en ik moet eens zien, waar zij blijft. Ik liet haar volgen; men berichtte mij, dat zij bij die vrouw was ingegaan. Dat kon wezen om een bloot bezoek af te leggen, in alle eer en deugd: â anders, moet zij op 't register komen .... ik verzoek vergeving, Mevrouw! zoo ik in dergelijke bijzonderheden treed.quot;
âNeen Mijnheer! Hoe onaangenaam het zij, ik dien alles te weten,quot; haastte Emilie zich te zeggen, die reeds bang werd, dat hij iets verzwijgen zou.
âIk moest dus hoogte nemen, ging zelf en sprak afzonderlijk met die vrouw. Op mijn opzettelijke vragen vernam ik van haar, dat het jonge meisje, vooreerst, haar reeds van vroeger kende, ten andere, dat zij vrijwillig bij haar gekomen was, ten derde, dat zij ten uwent woonde. Ik gaf toen last, dat die Nicolette of binnen 't uur aan 't bureau komen, of onmiddellijk het huis verlaten zou. Dit laatste geschiedde.quot;
âEn u heeft niets gehoord, of. . . . of misschien....?quot; vroeg Mevrouw, zonder den volzin ten einde te brengen.
âNiets meer, dan ik u zeg. En nu. Mevrouw, de Hemel beware mij, dat ik het meisje zou willen bezwaren. Bewijs van eigenlijke schuld bestaat er niet tegen haar, en, zoo 't wegens de opspraak beter is, dat zij hier niet blijve, de mogelijkheid bestaat, dat zij geheel onwetend gedwaald heeft.quot;
203
âNeen Mijnheer! die mogelijkheid kan, zooals ik het beschouw, niet bestaan. Zij is schuldig, daar is geen twijfel aan. Dat zij coquet was wist ik, en ik zou haar toch niet gehouden hebben; maar zulke zaken als door u verhaald worden! . . . . Zij moet geen uur langer in mijn huis blijven.quot;
âHeeft Mevrouw bepaald bewijzen, waaruit die coquetterie blijkbaar is?quot; vroeg de inspecteur, een snuifje nemende en sterker toekijkende dan ooit.
âHm! Mijnheer is van de Politie, en moet ik hem dan vertellen, hoe zij eergisteren met den ouden Heer Van Tilburg stond te praten, toen monsieur Rostan .... toen de gouverneur van mijn zoon er op afkwam en er nog een woordenwisseling tusschen die beide heeren heeft plaats gehad?quot;
âIk ken die historie,quot; zeide Pedaal: âMevrouw zou dus denken, dat zij gecoquetteerd had met dien ouden Baron.quot;
âJa Mijnheer, herhaaldelijk.quot;
âEn ook met.... den gouverneur van uw zoon?quot; Hier spalkte hij zijn oogen een weinig meer open.
âJa zeker! .... maar.. . .quot; en zij kon 't niet verhinderen, dat zij een kleur kreeg: 't was of die blik magnetisch op haar rustte.
â't Is niets. Mevrouw!quot; zei hij: âeen inspecteur is gesloten als een biechtvader of een geneesheer; en ik durf er bijvoegen, dat het in hem nog grooter verdienste is; want een biechtvader en een geneesheer verzwijgen alleen de geheimen, die hun als zoodanig worden toevertrouwd, en ik doe het somwijlen ook die, welke mij verklapt worden.quot;
Een angstige rilling doorliep het lichaam van Mw. Van Zirik : zij sloeg de oogen neder, poogde toen goede contenance te maken, en Pedaal stoutmoedig in 't aangezicht te staren; doch ten tweeden male ontmoette zij dien starren blik: zij liet het hoofd weder zakken en kromp ineen als een kind, â dat op snoepen betrapt wordt.
âJa Mevrouw!quot; hernam hij, de oogen weder half sluitende, â en een buiging met het bovenlijf makende, vergezeld van een vriendelijken glimlach, die als tot geruststelling dienen moest;
2U4
doch Emilie was niet gerust; zij had straks dien man daar over haar wel willen kussen tot belooning voor het bericht, dat hij bracht, en nu was zij bang voor hem; want zij gevoelde zich in zijn vermogen; zij, de rijke en elegante vrouw, in 't vermogen van een Politiebeambte!
âMevrouw wenschte alzoo,quot; hernam Pedaal, na een kort stilzwijgen, âdat meisje de deur uit te hebben.quot;
âJa Mijnheer!quot; antwoordde zij, met een zenuwachtige drift.
âEn natuurlijk zonder opspraak of burengeruchten nietwaar ?quot;
âNatuurlijk; maar.... met uw verlof, waarom vraagt u mij dat? â Ik heb haar immers alleen te zeggen, dat zij heen moet, om redenen die zij zelve wel begrijpen zal, en dan .... en dan . . .
âJa Mevrouw! dan zal zij die redenen willen weten, en misschien niet willen heengaan, en dan zal het eene woord het andere uithalen en dan.... vergeef mij â als twee vrouwen â de stand doet er niets toe â aan het twisten raken, dan wordt er meer gezegd, dan dat tot beider eer wel dienstig is.... en uit zulk een twist zou juist het burengerucht kunnen ontstaan, dat vermeden moet worden.quot;
âWat dan gedaan?quot; vroeg Emilie moedeloos.
âZou Mevrouw ook willen wachten tot Mijnheer weer thuis was? Een man is eigenlijk degene, die de politie in zijn huis moet waarnemen.quot;
âEn nog twee nachten met dat schepsel onder één dak blijven! â Liever stierf ik. Hoe Mijnheer! 't is van u zeiven dat de raad uitging, om haar onmiddellijk weg te zenden, en nu wil u dat ik haar nog twee dagen houde.quot;
âMevrouw,quot; antwoordde Pedaal, âtoen ik dien raad gaf, wist ik niet, wat mij door u verteld is, dat die gouverneur haar het hof maakte .... Zie, die man zou misschien tusschen beiden kunnen komen en partij voor haar trekken, en dat zou de opschudding slechts vermeerderen.quot;
De woorden van Pedaal vielen in 't gemoed van Mw. Van Zirik als druppels olie in een vlam. Had zij eens gesidderd van angst, nu deed zij 't weer van toorn en jaloezie. Hoe!
205
Rostan zou tusschen beiden komen, haar misschien afvallen om voor de eer van dat meisje te strijden, 't Is waar, zij zou hem zoowel als haar het zwijgen kunnen opleggen; want daartoe behoefde zij alleen de reden te noemen, waarom zij Mcolette heenzond; maar wie weet ? misschien was hij het juist, die Mad. Mont-Athos als koppelaarster bezigde en dan vertelde zij hem niets dan wat hij wist. Al die denkbeelden vlogen haar wild door 't hoofd, en het duurde een poos, eer zij het woord weer opvatte en aan den inspecteur vroeg;
âMaar welken raad kan Mijnheer mij dan geven? Tot nog toe heb ik alleen bezwaren gehoord.quot;
âMevrouw, die raad kan heel eenvoudig zijn: 't is, dat je u zelve er buiten houdt, dat meisje niet meer ziet en aan een ander de zorg overdraagt om haar weg te krijgen.quot;
âAan een ander! â O! ik hoop, dat ik u begrijp: als ik het aan u vroeg, mij dien dienst te bewijzen.quot;
âDe commissie is zeer vereerend, Mevrouw, maar alles behalve vermakelijk. Met een gewone dienstmeid behoeft men geen complimenten te maken; maar dit meisje â haar con-nexie met die vrouw daargelaten â is fatsoenlijk in haar vormen en manieren, en dient ja, met fermeteit, maar toch beleefd behandeld te worden.quot;
âBeleefd! â dat wezen!quot; riep Emilie met verontwaardiging uit.
âMevrouw! het is mijn plicht, beleefd te zijn jegens een iegelijk â en mij heeft dat meisje geen kwaad gedaan. â Onze commissaris is niet gemakkelijk: â wijkt men 't minst van de voorgeschreven gedragslijn af, dan is 't dadelijk boete of tijdelijke suspensie; â en mijn salaris is op zijn best kruiersloon.quot;
Dit begon duidelijker te zijn, en Emilie begreep hem.
âWel Mijnheer! 't spreekt van zelf, dat ik van u geen dienst zou vragen, zonder dien te beloonen.quot;
Pedaal boog zich, en als dat punt nu voor besproken houdende, ging hij voort:
â't Is wel Mevrouw! ik zal dat dus beredderen; â en â waar zal ik dat meisje heenbrengen?quot;
206
âWel!.... bij dat vrouwmensch, waar zij behoort.quot;
Er lag zulk een bittere haat in den toon van Mw. Van Zirik, toen zij deze woorden zeide, dat Pedaal, die anders in zijn leven genoeg uitingen van booze hartstochten gehoord had, zich zeiven bekende, dat deze de kroon spande.
âZou u dat aangenaam zijn?quot; vroeg hij: âeen lief, mooi,, misschien onschuldig jong meisje bloot te stellen aan een leven, als daar geleid wordt?quot;
Deze aandoenlijke voorstelling was schijnbaar berekend om het vrouwelijk gevoel tot medelijden te wekken, en zou dit ook misschien gedaan hebben, indien Pedaal er geen lofspraak op Nicolettes uiterlijk had ingemengd. Zijn woorden strekten dus alleen om haar drift verder gaande te maken: â en dit was wat hij bedoelde.
âMijnheer,quot; berstte zij in heftige verontwaardiging los: âalles zal mij aangenaam zijn, wat dat onschuldige meisje kan verachtelijk maken in ieders oogen, meer nog dan zij is.
Ja, breng haar in dat huis, en zóó, dat zij er niet uitkome____
zoodat ik aan ieder, wie mij later met belangstelling naar haar vraagt, kan toefluisteren: â dat fijne bakkesje zit in een bordeel!quot;
âBravo!quot; dacht Pedaal bij zich zeiven; maar overluid zeide hij: âik moet Mevrouw doen opmerken, dat zij in dat établissement niet kan opgenomen worden dan met haar vrijen wil, en dat ik, in spijt van het afgelegde bezoek, nog sterk twijfel, of zij genegen zou zijn, een kostgangster op die plaats te worden.quot;
âDes te beter!quot; riep Emilie uit, met het gevoel eener verfijnde wraakzucht, die een verhoogd genot vond in het denkbeeld, dat Nicolette tegen wil en dank aan ontucht zou overgeleverd worden. â Zij merkte echter, dat zij zich versproken had en hield bot op.
âGeneer u niet. Mevrouw!quot; zei Pedaal: âik zie toch al genoeg hoe de vork in den steel zit. Dat meisje is Mevrouw in den weg en Mevrouw haat haar met al de kracht van een medeminnares. Dat is Hermione tegen Andromaque,
207
Médée tegen Créuse, Roxane tegen At hal id e,quot; â hij sprak de namen op zijn Fransch uit â âdat is een oude tragedie, die altijd nieuw blijft.quot;
âMijnheer!quot; riep zij, op den toon van iemand, die een waarheid hoort, welke hij niet loochenen kan, maar zich toch niet wil laten zeggen.
âHeb ik ongelijk. Mevrouw?quot; vroeg hij, haar wederom met zijn blik vasthoudende, gelijk men een dog vasthoudt, die uit den band wil springen.
âOm 't even,quot; zeide zij: âen waarom zou ik dan ook veinzen ? Kort en goed, bezorg dat meisje .... op die plaats, waar je mij van gesproken hebt â en reken op mijn dankbaarheid.quot;
âDankbaarheid!quot; herhaalde Pedaal langzaam: âMevrouw! ik zal openhartig zijn: geef mij carte blanche en je zult tevreden wezen; â maar ik waag veel, en meer clan een bloote belofte mij kan vergoeden.quot;
âHa!quot; riep Etnilie, verheugd, dat zij nu weder als last-gevende en betalende partij, haar verloren evenwicht in zekere mate herwon: âbepaal zelf uw loon!quot;
âMevrouw!quot; hernam hij: âik ben niet van degenen, die zich laten omkoopen. Ik heb in mijn vrije uren nu en dan aan Apollo en de Muzen geofferd . .. .quot;
âHoe komt dat hier te pas?quot; vroeg bij zich zelve Mw. Van Zirik. Pedaal ging voort:
âLieden van smaak hebben mij aangespoord, het vervaardigde in een bundel uit te geven. Ik heb daar wel ooren naar.quot;
âMaar wat doet. . . .quot; vroeg halfluid Emilie.
âOngelukkig ben ik niet als dichter bekend; en nu vind ik geen uitgever, die 't drukken wil, anders dan voor mijne rekening.quot;
âZoo!quot; zei Mevrouw, die iets meer op de hoogte begon te komen: âen .. ..quot;
âEn dat is een grap van een zak guldens,quot; vervolgde hij.
âEn dus . .. .quot;
âDoor mij die som te leenen, zou Mevrouw mij in staat
208
stellen mijn roem als schrijver te vestigen: misschien daarin een aangenaam bestaan te vinden. Ik zou het mij tot een genoegen en groote eer rekenen, Mevrouw een exemplaar op satijn papier, goud op snede, te mogen aanbieden.quot;
âIk zal u het geld ter hand stellen,quot; zei Emilie, opstaande.
âEn dan,quot; zeide hij: âzal ik van u het geld moeten ontvangen, dat aan dat meisje toekomt voor haar loon. Hoeveel ontving zij in 't jaar?quot;
âIk zal u 25 gulden geven; dat zal wel genoeg zijn.quot;
âZuinig genoeg: â en dan zal de stilzwijgendheid dier vrouw misschien gekocht moeten worden.quot;
Emilie begon te vinden, dat het wel eenigszins neerkwam op die afzetterij van een indringer, waar zij eerst bang voor geweest was: â doch zij was eenmaal in 't zog en moest mede: â âen hoeveel zal dat wel zijn?quot; vroeg zij.
âOch! met f 1000 voor alles en alles te zamen zal ik ver komen.quot;
âWacht mij hier,quot; zeide Emilie.
âMevrouw!quot; zeide hij, insgelijks opstaande: âik heb den tijd.quot;
Zij haastte zich naar haar kamer en opende haar bureau. Zij had juist geld van haar man gekregen om eenige winkelschulden te betalen. Die zouden nu achterstaan: â zij nam een bankbriefje uit de lade en ging weder naar beneden, toen zij voor zich Nicolette zag met de kinderen, alle vier gekleed om de gewone wandeling te gaan doen.
âGa nog niet uit,quot; zeide zij: âer is iemand beneden om u te spreken.quot;
En, Nicolette eenigszins verwonderd latende staan, draafde zij de trap af.
In 't voorportaal kwam Filip haar tegen, en vroeg heel verbaasd:
âMevrouw! waar moet ik het déjeuner klaarzetten? â Ik heb de deur van de eetkamer gesloten gevonden.quot;
âWacht tot ik bel. â Ik zal 't u zoo zeggen.quot; En, hem voorbijgaande, kwam zij weder bij Pedaal.
âHier is het gevraagde,quot; zeide zij.
209
âEn hier is de schuldbekentenis,quot; zeide hij; terwijl hij het bankbiljet bij zich stak en haar een strook papier overhandigde, waarop hij geschreven had:
âOntvangen van de WelEd. Mevrouw Van Zirik een som van Zeshonderd gulden, Ned. Ct., om die te restitueeren uit de eerste opbrengst van het werkje, getiteld: M ij n Eerstelingen, door F. P.quot;
âEn zal ik u nu dat creatuur hier zenden?quot; vroeg zij. âJa Mevrouw! en als Mevrouw dan gelieft te zorgen, dat, terwijl zij hier is, haar koffer en al wat haar toebehoort, gepakt worde en in de vigilante gebracht, die de knecht bestellen zal. Ik zal het meisje hier verwachten.quot;
Op deze wijze was de overeenkomst tusschen dit waardige tweetal gesloten, waarbij het de uitlevering gold en het vernietigen van de toekomst van een jong meisje. Er is een handel, erger dan die in negerslaven, en waar de Kamers en de philanthropen niets aan kunnen doen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
HET ONWEDER BARST LOS.
Nicolette stond nog altijd met de kinderen in de bovengang te wachten, toen Caroline, die door Mevrouw was geroepen en met deze eenige woorden gewisseld had, haar de boodschap brengen kwam, dat zij in de zijkamer werd verlangd, waar iemand was om haar te spreken: zij, Caroline, zou vandaag met de kinderen uitgaan.
Wel sloegen deze laatsten aan 't morren tegen deze schikking; doch Nicolette paaide hen met de belofte van, als zij nu zoet met Caroline medegingen, hun een mooi nieuw historietje te vertellen als zij thuis kwamen; waarna zij zich naar beneden begaf, vrij nieuwsgierig, wie toch de bezoeker wezen kon. Zekere hoop vervulde haar, of het ook een van de Harde-
III. - K. Z. 14
210
steinsche vrienden wezen mocht, en zij was niet weinig teleurgesteld, toen zij, de deur openende, een geheel onbekend gelaat voor zich zag. Het voorgevoel van een slechte tijding overviel haar, en met een bezorgden blik zag zij den man aan, die tegenover haar stond, en bleef afwachten, wat die haar kon hebben mede te deelen. Haar ongerustheid verminderde niet, toen die heer, na met een lichten hoofdknik even gegroet en haar met een beweging der hand te hebben uitgenoodigd op een stoel te gaan zitten, die midden in de kamer stond, naar de deur ging, den sleutel in 't slot omdraaide en bij zich stak, waarna hij terugkeerde en tegenover haar plaats nam.
Dat begin was alles behalve opwekkend, en het jonge meisje, dat zich, als gezegd is, bovendien niet wel gevoelde, werd ongerust en bang. De leer van Van Alphen, dat men dit laatste slechts wezen mag âals men voorheeft kwaad te doenquot; is zeer mooi; doch er zijn uitzonderingen, en wie bekende gevaren met een kalm en onbevreesd gemoed zal tegengaan, zal met schrik en huivering worden aangedaan voor een gevaar, dat onbekend, ja misschien denkbeeldig is.
âUw naam is Nicolette Zevenster?quot; vroeg Pedaal, haar op zijn gewone wijze van onder zijn neergelaten oogleden opnemende.
âJa Mijnheer,quot; antwoordde zij: âen Mijnheer is....?quot;
âIk ben iemand, aan wien Mw. Van Zirik het heeft opgedragen, u een tijding mede te deelen, die u niet aangenaam wezen zal.quot;
âWat is er dan ?quot; vroeg zij, meer en meer ontsteld, en zich opeens voorstellende, dat die Heer zeker gekomen was om haar te vertellen, dat de ongesteldheid van Dominee Bol van ernstiger aard geworden, dat hij misschien al dood was.
âEr is,quot; antwoordde hij, âdat Mw. Van Zirik uwe diensten niet langer behoeft.quot;
âO!quot; zeide zij, en zij sprak dat âO!quot; uit op een toon, dat men er bijna uit zou kunnen hebben verstaan: âis het anders niet?quot; immers de eerste gewaarwording, welke de woorden van Pedaal bij haar deden ontstaan, was die van genoegen,
211
dat haar vrees zonder grond bleek te zijn; â doch hierop volgde onmiddelliik een gevoel van bevreemding. Wat was de reden van ongenoegen, die Mevrouw tegen haar had ? en waarom moest zij de boodschap van een onbekende en op zoo plechtige wijze vernemen?
âIk weet niet,quot; hernam zij, na een korte pauze, âwaardoor ik de gunst van Mevrouw kan verbeurd hebben, en nog veel minder, waarom mij zulks door een derde moet worden aangekondigd.quot;
Er was Avaardigheid in haar toon en houding, toen zij dit sprak, en Pedaal, die de menschen had leeren kennen, en echte van valsche munt wist te onderscheiden, was bovendien reads tot de slotsom gekomen, dat hij een eerlijk meisje voor zich had, en dat het bezoek bij Mad. Mont-Athos alleen aan onwetendheid en onvoorzichtigheid moest worden toegeschreven. Die overtuiging van Nicolettes onschuld maakte echter volstrekt geen verandering in de gedragslijn, welke hij zich had voorgeschreven, en, op denzelfden kouden toon, waarop hij tot nu toe gesproken had, vervolgde hij, zonder alsnog te antwoorden op de vraag, die hem gedaan was:
âIk heb mijn boodschap nog maar ten deele verricht. Mw. Van Zirik verlangt, dat je haar woning onmiddellijk verlaat.quot;
âOnmiddellijk!quot; herhaalde Nicolette, terwijl zij zich het bloed van verontwaardiging naar 't hoofd voelde stijgen: âmen zet mij dus de deur uit, als ik u wel versta.quot;
âJe hebt het gezegd,quot; antwoordde Pedaal.
âMaar dat is iets onbegrijpelijks en onmogelijks,quot; zei Nico-lette: âen ik ga ook zeker niet van hier, eer ik Mevrouw gesproken, en ten minste vernomen heb, wat haar grond geeft, mij op dusdanige wijze te behandelen.quot;
Onder 't spreken was zij opgerezen en wilde naar de deur gaan.
âVermoei u niet,quot; zei Pedaal: âde deur is gesloten. En,quot; vervolgde hij, terwijl Nicolette als besluiteloos midden in het vertrek bleef staan, âhet is juist omdat Mevrouw u niet verkiest te spreken, dat zij mij heeft opgedragen, u het noodige te doen weten.quot;
212
âMaar ik neem van u zulke boodschappen niet aan,quot; zei Nicolette, met bitterheid: âik ken u niet en kan ook niets ge-looven van wat gij mij zegt.quot;
âIk zal u mijn credentialen toonen,quot; hernam Pedaal en stelde haar zijn kaartje ter hand.
âPolitie!quot; riep Nicolette, het laatste woord dat zij gelezen had overluid herhalende: âmen meent de Politie er bij te moeten halen om mij te doen vertrekken! Word ik dan van diefstal beschuldigd? Ik zeg u, ik wil en zal Mw. Van Zirik spreken: zij moet mij rekenschap geven van zulk een behandeling.quot;
Noch Bol, noch Eylar, noch Bettemie, noch zelfs Maurits, zou op dit oogenblik de zachtzinnige Nicolette hebben herkend. Niet, dat zij niet bekoorlijk was als altijd; maar het lam was in een leeuwin verkeerd; de lieve vriendelijke uitdrukking van het gelaat had plaats gemaakt voor de uitdrukking der heftigste, en wij mogen er bijvoegen, der billijkste gramschap: haar oogen schenen glinsterende vonken te schieten: de blauwe adertjes, die het fijne vel bij de hoofdslapen doorkronkelden, waren gezwollen of zij barsten zouden, en de omgekrulde onderlip sprak van felle verontwaardiging over den geleden hoon, en van diepe verachting voor haar, van wie zij die lijden moest.
Pedaal bewonderde haar; doch zijn hart bleef even verstokt.
âWees bedaard!quot; zeide hij: âal die drift zal u toch niets baten. Niemand beschuldigt u van diefstal of van eenige andere wetsovertreding. Met de motieven van Mw. Van Zirik heb ik niets te maken. Zij wil u van hier hebben, zonder opschudding of opspraak, en, juist omdat zij voorzag, dat je boos zoudt wezen, heeft zij mijn assistentie ingeroepen. Ik ben gehouden, haar in dezen ten dienste te staan, en u goed- of kwaadschiks van hier te doen vertrekken.quot;
De koele en kalme toon van den inspecteur werkte in zekere mate gunstig op Nicolette. Zij verkreeg er de overtuiging door, dat aan het geval niets te veranderen viel, en dat zij zich voor 't oogenblik naar de omstandigheden schikken moest, behoudens het afwachten eener nadere gelegenheid om rekenschap
te vorderen van het gedrag, dat men tegenover haar hield. Ãéne zaak echter drukte haar zwaar op het hart: âmoet ik dan heengaan,quot; vroeg zij, âzonder eens aan die lieve kinderen vaarwel te zeggen ?quot;
Pedaal haalde de schouders op. â't Zijn juist dergelijke tooneelen, die vermeden moeten worden,quot; merkte hij aan.
â't Is hard,quot; hernam zij, na een poos peinzend voor zich te hebben gezien: â âmaar zoo 't niet anders kan, wel, â laat mij dan mijn koffer gaan pakken.quot;
âWees daarover niet bekommerd,quot; zei Pedaal: âdie koffer wordt gepakt, en, mocht er nog iets vergeten worden, dat zal u eerlijk worden nagezonden.quot;
âMaar ik word behandeld als een slavin,quot; zei Nicolette, met den voet tegen den grond stampende.
âNiet volkomen,quot; hernam Pedaal: âwant aan een slavin wordt geen loon uitbetaald en ik ben gelast, u vijf en twintig gulden te geven voor hetgeen u tegoed komt.quot;
âIk zal van Mw. Van Zirik geen cent aannemen,quot; zei Nicolette.
âBedenk u wel,quot; hernam Pedaal.
âMets, geen cent,quot; herhaalde zij: â't zou een goedkeuring inhouden van haar handelwijze jegens mij.quot;
âZooals je wilt,quot; zei Pedaal, niet kwalijk in zijn schik, dat hij het geld op die wijze voor zich zeiven behouden kon: âen zoo blijft er dan nog maar één punt te beslissen, namelijk, waar ik u brengen zal.quot;
âJa,quot; zei Nicolette, peinzende: âwaar zal ik heen?quot;
En hier schoot het haar in den zin, dat zij voor 't oogen-blik nergens te recht kon. Naar Hardestein, dat ging niet: vooral nu Bol ongesteld was: Donia was juist vertrokken: en geen van haar overige bekenden kon zij zoo onverhoeds op 't lijf vallen.
âIk was natuurlijk op iets dergelijks niet voorbereid,quot; zeide zij, âen, ofschoon ik vrienden genoeg heb, zoo dien ik hun toch vooraf belet te vragen, of althans hen te waarschuwen van mijn komst.quot;
214
âHeb je dan hier ook een kennis, bij wie je zoolang blijven kunt?quot; vroeg Pedaal; âin een logement zul je zeker liever niet willen gaan,quot; voegde hij er met inzicht bij.
âNeen,quot; antwoordde Nicolette, in haar onnoozelheid het vaarwater vermijdende, dat zonder gevaar was, om goedmoedig de fuik in te zwemmen, welke hij voor haar openhield; âniet in een logement; â maar waar dan ? ik ken hier eigenlijk niemand in Den Haag.quot;
âMemand?quot; vroeg Pedaal.
âAlleen, ja, een Mevrouw, daar ik mee gereisd heb van Utrecht hier naar toe; â maar 't mag op zijn best kennen heeten, een majoors-weduwe .... Zij heeft kostgangsters, vertelde zij mij.quot;
âNu!quot; zei Pedaal; âindien je daar gebracht wilt wezen?____quot;
âJa maar, ik weet niet, hoe de straat heet.quot;
âO! dat is minder!quot; zeide Pedaal; âals je mij haar naam maar weet te zeggen.quot;
âZij heet Mont-Athos,quot; zeide Nicolette.
âIk ken haar,quot; zeide Pedaal: âjawel, zooals je zegt, daar logeeren meer dames. Zoo verlang je dus, dat ik u bij haar brenge ?quot;
âJa,quot; antwoordde Nicolettte, âik weet niemand anders.quot;
't Is goed,quot; hernam Pedaal; âmijn last luidt wel, om u van hier te doen verhuizen, maar ook tevens om verder, in alles, alleen naar uw begeerte te handelen, en de keuze van uw verblijf geheel aan u zelve over te laten â en daar hoor ik meteen de vigilante aankomen. Als uw bagage nu gepakt is, dan kunnen wij terstond vertrekken. Het treft goed, dat je juist gereed waart om uit wandelen te gaan.quot;
âIk ben tot uw dienst,quot; zeide Nicolette, haar handschoenen aantrekkende, wat alleen nog aan haar toilet haperde.
Weldra hoorde men geloop en geschoffel door huis, als van dingen die versjouwd worden, en kort daarop zag Pedaal, die uit het venster gluurde, dat de koffer en de hoedendoos van Nicolette werden opgeladen. â Mw. Van Zirik, om dit in 't voorbijgaan te zeggen, had zich de moeite van het inpak-
215
ken zelve getroost: vooreerst, omdat zij Caroline met de kinderen had uitgezonden en geene van de andere dienstboden voor dat werk geschikt achtte: ten andere, omdat zij nieuwsgierig was, of zij bij die verrichting ook het een of ander vinden zou, dat haar stof tot nieuwe ergernis geven kon. Wat het inpakken betrof, dat ging spoedig genoeg in zijn werk, dewijl Mcolette haar meeste kleederen en al datgene waar zij waarde aan hechtte, toch in haar koffer borg â niet wegsloot, want de sleutel stak op 't slot: welk laatste niet het geval was met de cassette, die de brieven, enz. bevatte. Mw. Van Zirik had wel lust, doch geen moed of tijd om het slot met geweld te openen, en zij moest alzoo bij haar onderzoek de hoop opgeven, verborgen zaken te ontdekken. Een voorwerp echter vond zij, dat los in den koffer lag en dat zij bij zich stak: wij zullen zoo aanstonds zien wat het was.
âEn nu,quot; zeide Pedaal, âben ik tot uw orders.quot; Dit zeggende, ontsloot hij de deur weder en bood Nicolette den arm aan.
âVergeef mij,quot; zeide hij, toen hij zag, dat zij aarzelde: âik volbreng de taak, die mij is voorgeschreven.quot;
Dit was natuurlijk een logen: de waarheid was, dat hij vreesde, dat Nicolette hem in 't portaal ontloopen mocht om Mevrouw te zoeken. Zij onderwierp zich en liet zich door hem naar beneden geleiden.
Hier vonden zij al de dienstboden vergaderd. En niets was natuurlijker; want niet alleen was het zonderlinge nieuws, dat er iemand van de Politie met Mevrouw een langdurig onderhoud had gehad, dat, ten gevolge daarvan, Nicolette bij hen ontboden was, en dat Mevrouw zelve de bagage van deze had ingepakt, als een loopend vuurtje van de keuken naar stal en zolder geloopen, maar ook waren deze reis de koetsier en Dries, die niet bij de hand waren, toen, bij Nicolettes komst, de koffer naar boven gedragen moest worden, dadelijk present om dien af te dragen, in de hoop van alzoo niets te missen van het tooneel, dat nu plaats had. Zoo stond de geheele dienstbare stoet, toen Nicolette, aan den arm van
216
Pedaal, tusschen hen doorging, haar met verbaasde en wantrouwige blikken aan te staren. Alleen de goedhartige werkmeid trad op haar toe, reikte haar den sleutel van haar koffer over en vroeg met een treurige stem: âgaat de Juffrouw heen?quot;
âJa, mijn goede NaatjeIquot; antwoordde Mcolette, haar de hand gevende: â vaarwel! en veel dank voor al de vriendelijkheid, die ik van u genoten heb.quot;
âWel! wel! wat zullen die bloeien van kinderen bedroefd zijn,quot; riep Naatje.
âOpen het portier!quot; zeide Pedaal op een gebiedenden toon tegen Filip, die met zijn gewone onbeschaamdheid Nicolette stond aan te staren, en hij zag daarbij Filip aan met een blik, die dezen zich haasten deed, aan het bevel te voldoen.
Pedaal hielp Nicolette in 't rijtuig; had zij opgekeken, zij zou Mw. Van Zirik hebben kunnen zien, die, uit het vensterraam van haar kamer liggende, haar naoogde.
âEn nu,quot; zeide Pedaal tegen de dienstboden, die hij oordeelde dat niet behoefden te weten, waar hij voornemens was heen te rijden, âkun jijlui wel naar binnen gaan: ik heb geen verdere hulp noodig.quot;
Men gehoorzaamde; Pedaal fluisterde den voerman iets in 't oor, sprong toen in de vigilante en trok het portier achter zich dicht, waarop het rijtuig wegreed.
In den achtermiddag van den volgenden dag bracht Hendt, de besteller van Hardestein, drie brieven op de pastorie, en verzuimde niet, zich bij Juffrouw Leentje, die ze aannam, naar de gezondheid van Dominee te invermeeren. Het naricht luidde weinig gunstig. Dominee lag in zware koortsen, ijlde gedurig en moest, volgens 't voorschrift van Le Mat, zeer kalm gehouden worden.
Toen Hendt weg was, zag Juffrouw Leentje de opschriften der brieven na: een daarvan luidde aan Bol en was van een hand, die zij wel niet herkende, maar toch zich herinnerde, meer gezien te hebben: het was de brief, dien Donia twee avonden te voren geschreven had; doch die eerst den volgenden
217
morgen op de post was gedaan. Zij leide dien op de tafel in Dominees studeervertrek neder, om daar te blijven, tot hij in staat zou zijn, dien te lezen.
De tweede was voor haar zelve, en van Bettemie, die verzocht, dat iemand haar berichten zou, hoe Dominee het toch maakte. âJawel!quot; dacht Deentje, âdat schrijven zij allemaal, alsof ik nu tijd had om brieven te dichten.quot;
De derde brief was ook aan haar adres, en droeg, evenals de eerste, het postmerk 's-Gravenhage; â doch het schrift was haar ten eenenmale onbekend. Eenigszins verwonderd en nieuwsgierig brak zij den brief open. Er viel een kaartje uit dat zij opnam en las. Het luidde:
Mad. MONT-ATHOS.
.....straat nquot;......'s-Gravenhage.
âWat moet dat beteekenen?quot; vroeg zij zich af. Toen keek zij naar de naamteekening: âEmilie Van Zirik, geb. Klimmerblad.quot; âZeker moet er iets met Nicolette gebeurd zijn.quot; Zij las hetgeen volgt:
Mejuffrouw!
âUEd. zal verwonderd zijn, een brief van mij te krijgen. Ik zou aan Mijnheer uw broeder hebben willen schrijven; maar dat durf ik zoo niet: en ofschoon ik de eer niet heb u te kennen, gaat hetgeen ik te zeggen heb beter van vrouw tot vrouw. Ik moet u dan zeggen, dat Dominee en de Graaf Van Eylar zich schrikkelijk moeten bedrogen hebben ten opzichte van dat Juffertje, dat zij mij gezonden hebben!____quot;
âWat? Nicolette! Wat kan dat wezen?quot; vroeg Leentje, hardop sprekende. Zij las voort:
â't Is niet, dat ik te klagen had over haar onderwijs of over haar wijze om met de kinderen om te gaan. Maar zij was gruwelijk coquet en praatte op de wandeling altijd met heeren . . . .quot;
218
âNicolette! Wel! wel! dat valt mij tegen,quot; viel Juffrouw Leentje zich zelve in de rede, terwijl zij bedenkelijk het hoofd schudde. Zij las verder:
âDoch dat was nog 't minste: maar 't blijkt nu van achteren, dat zij kennis had met een vrouw uit een slecht huis . . .
âWat?quot;
. uit een slecht huis, en dat zij daar nu en dan kwam ...
âNicolette! Onmogelijk, zou 'k haast zeggen.quot;
â... . kwam, en de Hemel weet, wie zij daar dan ontmoette. Ik zou het niet geloofd hebben . . . .quot;
âEn ik geloof het nog niet.quot;
â. . .. indien het mij niet door iemand van de Politie bevestigd was geworden . ...quot;
âWel lieve deugd!quot;
. en indien niet, toen ik haar door dien persoon in 't verhoor liet nemen, zij zelve verklaard had, daar, in dat huis, haar intrek te willen nemen. Zij is daar met pak en zak heengetrokken, en, zooals mij die persoon zooeven bericht heeft, met open armen ontvangen. Ik sluit hier, tot nader bewijs, de adreskaart bij in van dat wijf, die ik onder haar boeltje gevonden heb.
âIk weet niet, in hoeverre zij nog de onbeschaamdheid zal hebben, haar gedrag te vergoelijken. Maar ik achtte het mijn plicht te zijn, u te waarschuwen. Het doet mij leed voor Dominee en die andere heeren, dat zij aan zulk een schepsel nog zooveel zorg en geld besteed hebben. Maar zeker zal haar moeder niet veel beter geweest zijn, en zit de slechtheid bij haar in 't bloed. Mijnheer Van Zirik is naar Amsterdam en zal ook verwonderd opkijken als hij weer thuis komt en zoo iets van zijn pleegkind
219
hoort. â Met verzoek van mijn respects aan Dominee, schoon onbekend, noem ik mij hoogachtend, lieve Juffrouw, enz.quot;
Juffrouw Leentje was te veel onthutst geweest over de eerste helft van den brief om gedurende het lezen van het laatste gedeelte eenige aanmerkingen meer te maken. Toen zij aan 't slot gekomen was, deed zij wat Bilderdijk van een andere bedaagde juffrouw vertelde:
Sibylle vouwt de handen samen En scheidt ze weer;
âDaar is,quot; dus sprak ze, ânoch betamen.
Noch godsvrucht meer.quot;
Zij las het schrikkelijk nieuws nog eens over, en nog eens, en ook die adreskaart, met dien naam van âeen wijf uit een spul,quot; zooals zij 't uitdrukte. Zij las, las, tot zij den brief van buiten kende, en wederom vouwde zij de handen samen en kneep haar roode vingers blauw, en zat als wezenloos voor zich te kijken, 't Stond er, en de adreskaart bewees het ook, en toch was het bijna ongelooflijk. â Niet, dat Juffw. Leentje juist zoo geneigd was, het beste van haar naaste te denken; â maar indien er iemand was geweest, van wie zij zoo iets niet had kunnen denken, dan was het Nicolette. Wel was het meisje een weinig coquet: ja coquet was zij, zij had Snel wel wat aangehaald en zij was met den Jonker ook wel wat vrij geweest; maar dat zij zich geheel zou vergooien! dat had zij van haar niet verwacht. â En wat nu te doen? â Wat zou Dominee zeggen, als die 't hoorde! â och! wie wist, of de man 't wel ooit vernemen zou! â en, zoo hij van deze ziekte niet herstellen moest, dan was 't beter, dat hij zoo iets niet te weten kwam, wat zijn laatste levensuren verbitteren en een nagel aan zijn doodkist zijn zou. â En, al werd hij, door Gods hulp, weer beter, dan zou 't hem toch niet verteld mogen worden, zoolang hij niet geheel weer van zessen klaar was. Hij hield zooveel van dat kind: 't zou hem opnieuw doen instorten. â Maar wat dan te doen ? â Dat nu
220
Miinheer Van Eylar ook van huis was.... dat niemand haar raden kon! 't was een erg geval!
Daar ging op eens een licht voor haar op. Mijnheer Van Zirik was niet thuis, toen zijn vrouw den brief schreef. Als hij terugkwam, en 't geval hoorde, zou hij wel waarschijnlijk de zaak nog nader onderzoeken en dan ook misschien wel nader schrijven .... in allen gevalle ging Mcolette hem evenveel aan als Bol of Eylar. â 't Beste zou zijn intusschen â let wel op het eindbesluit, waar Juffrouw Leentje toe kwam! â den inhoud van den brief geheim te houden, en er niemand iets van te vertellen, zelfs niet aan Madame mère, noch aan de Dames Prawley, noch aan Jeannette Fix, noch aan Antje, noch aan wie ook .... althans in de eerste dagen niet.
't Is jammer van deze laatste clausul, die wij, als waarheidlievend historieschrijver, niet verzwijgen mochten. Bestond die niet, wij zouden met volle kracht hebben durven beweren, dat al de overwinningen, door Alexander, Cesar of Napoleon behaald, te zamen niet opwogen tegen die, welke Juffw. Leentje behaald had.
Zij vond zich echter teleurgesteld: er kwam geen tweede brief over de zaak. â Van Zirik, bij zijn thuiskomst het gebeurde vernomen hebbende, volgens de inkleeding, die Mevrouw er aan verkoos te geven, liep naar het bureau van politie en sprak met Pedaal. Hetgeen hij van dezen hoorde deed hem de schouders ophalen, en tot de slotsom komen, dat het best was, niet meer aan de zaak te denken.
DERTIENDE BOEK.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN CONTRACT VAN KOOP EN VERKOOP, WAAR 'T WETBOEK NIET VAN SPREEKT.
Nicolette had bij 't in 't rijtuig stappen haar voile neergeslagen en zich laten wegvoeren, zonder een woord met haar geleider te wisselen, 't Scheen haar alles een droom. Zij kneep zich in den arm om te voelen of zij wel waakte. Waar zij gebracht werd, wist zij zelve nauwelijks meer: 't was haar in zekere mate onverschillig. Zij keerde niet tot het besef der wezenlijkheid terug, dan toen de vigilante stilhield, de stem van Pedaal haar deed opschrikken met de woorden: âwij zijn er,quot; en zij de groene deur en de koperen plaat daarnevens herkende, die zij den vorigen dag opgemerkt had.
De deur ging open, nog eer er werd aangebeld: en Pedaal, het portier geopend hebbende en op de stoep gesprongen zijnde, bood Nicolette de hand om uit te stijgen en leidde haar de woning binnen. Mad. Mont-Athos, deze reis in een wit négligé, gelijk zij het zelve, of een nachtjak, zooals anderen 't heetten, kwam haar in de gang te gemoet, en zag niet weinig verblijd op, toen zij Nicolette herkende, maar tevens niet weinig verwonderd, dat het Pedaal was, die haar binnenleidde. 't Was dan ook inderdaad hier de herdersjongen, die 't beste lam uit de kudde, die hij te bewaken had, in 't hol der wolvin bracht.
âMadame,quot; zeide de inspecteur: âdeze Juffrouw wenschte te weten of je een kamer tot haar beschikking hebt.quot;
222
âWel drie, als je wilt,quot; antwoordde Mad. Mont-Athos, tegen Mcolette sprekende: âwel! dat is een blijde verrassing. Welkom ! duizendmaal welkom.quot;
â't Zal misschien maar voor één nacht zijn,quot; zeide Nicolette.
âIk hoop wel van beter,quot; hervatte de majoorsweduwe met een schuinschen blik op Pedaal: âheb je ook bagage? Ik zal dat wel bezorgen. Kom toch binnen, kindlief! â Blijf hier niet in den tocht staan.quot;
âIk wilde, zoo 't u schikte, wel terstond naar mijn kamer,quot; zei Nicolette.
âHeel goed! â Bet! help den koetsier 't goed afladen. Waar is Trui? roep haar om je te helpen, als je 't niet alleen afkunt: â- ga binnen Mijnheer Pedaal. â Wacht! ik zal je den weg naar je kamer wijzen, mijn kind!quot; En meteen ging zij, gevolgd door Mcolette, een smal wenteltrapje op, dat halverwegen de trap begon en geleidde naar een portaal, waar zij de deur opende eener kamer, recht tegenover de trap gelegen. âHier,quot; zeide zij, den arm om Nicolettes rug slaande en haar om zoo te zeggen binnenduwende, âhier zul je logeeren als een prinses.quot;
Nicolette zou, ware zij anders gestemd geweest, misschien gevonden hebben, dat het logies er voor dat van een prinses al vrij vreemd uitzag; doch zij maakte geen aanmerkingen, en knikte met het hoofd, als om te kennen te geven, dat zij met alles tevreden was.
âJe ziet, mijn kind, ik had er een voorgevoel van, dat je een pensionnaire van mij worden zoudt,quot; zeide de matrone: âIk zei net van morgen aan Trui de schoonmaakster: Trui! zeg ik, je moet van morgen de gele kamer doen: daar krijg ik van middag zeker een logee: â en zie, net een half uur geleden was zij kant en klaar. Nu! je kunt je beroemen het neusje van den zalm te hebben, de beste kamer van 't huis.quot;
Inmiddels hadden de dienstmaagd, die er vrij vuil en smerig uitzag, met een andere vrouw, die waarschijnlijk de schoonmaakster wezen moest, te zamen de bagage van Nicolette de trap opgehaald en binnen gebracht.
223
âZet het hier, Trui!quot; zeide de vrouw des huizes, op een hoek van 't vertrek wijzende.
âGoed Juffrouw,quot; zei Trui, en keek in 't voorbijgaan Mcolette even in 't gelaat, 't Was, of zij daar iets bekends in zocht: althans toen zij, terstond daarop, weder met de meid de kamer verliet, keek zij Nicolette nog eens aan, en schudde toen in 't heengaan het hoofd.
âEn nu, wat zal je noodig hebben?quot; vroeg de majoorsche.
âO ! voor 't oogenblik niets.quot;
âWat sherry?quot;
âNeen; .. .. als ik u verzoeken mag, wat inkt.quot;
âIk zal 't bezorgen; â maar neem mij niet kwalijk â ik moet even naar beneden om Mijnheer Pedaal uit te laten.quot;
âO volstrekt niet,quot; zei Mcolette, die naar niets meer verlangde, dan naar de eenzaamheid. â Zij had, tot dien tijd, in een staat van spanning verkeerd, die haar belet had toe te geven aan eenige weekhartigheid; het gevoel eener gekrenkte eigenwaarde had bij haar het meesterschap gevoerd over de smart; maar nu was er geen aanleiding meer om eenige fierheid aan den dag te leggen: nu kwam het besef van mishandeld, en in een toestand gebracht te zijn, waarin zij zich alleen, hulpeloos en van ieder verlaten vond, in al zijn kracht voor den dag, en nauwelijks was Mad. Mont-Athos vertrokken, of Nicolette zakte op een leunstoel neer, barstte uit in bittere tranen en snikte hoorbaar.
Intusschen had zich de majoorsche naar het zijkamertje begeven, waar Pedaal haar stond te wachten.
âWel, Mijnheer Pedaal!quot; zeide zij: âdat had ik niet verwacht, na 't geen je mij eergisteren zeidet, dat je vandaag zelf de man zoudt wezen, die dat meisje bij mij terugbracht. â Deksels!quot; voegde zij er, als tot zich zelve sprekende, bij: âwat zal die ouwe Tilbury blij zijn,quot; en zij liet haar tong tegen het verhemelte klappen.
âJe schijnt er dus op gesteld, haar te houden,quot; zei Pedaal.
âWel wis en drie! â Ja, nu zij eens op mijn bovenkamertje is, zal 't een kerel wezen, die haar weer uit mijn kluiven
224
krijgt.quot; Hier kromde zij, om kracht bij te zetten aan deze verklaring, haar vingers tot een grijpenden klauw te zamen.
âHm! â zoo,quot; â hernam Pedaal: âbehalve toch als ik haar weer meenam.
âMijnheer schertst zeker!quot; zeide zij, een weinig onthutst: âwat! haar eerst brengen en dan weer meenemen? wel dat is erger, dan dat je een glas pons voor den neus gehouden en dan weer weggehaald werd.quot;
âZeer waar! maar ik scherts volstrekt niet: â hoor eens mama Canaille! ik verzoek u, wel op mijn woorden te letten. Dat meisje is vrijwillig hier gekomen, dat is waar.quot;
âWelnu! dan is er immers geen reden, waarom zij weder vertrekken zou.quot;
âDie is er terstond,quot; zeide hij, âwanneer ik haar slechts bekend maak, bij wie zij zich eigenlijk bevindt.quot;
âHoe! wat meent Mijnheer?quot;
âHoor eens. Mamaatje! laten wij elkander geen knollen voor citroenen verkoopen: dat meisje kent je niet anders dan dat zij je op den wagen van Utrecht ontmoet heeft. Zij is hier gekomen in een oogenblik van verlegenheid: zij is je huis binnengetreden als een respectabel huis.quot;
âEn is mijn huis dan niet respectabel?quot; viel de raajoorsche in, op den toon van iemand, die in zijn eer gekrenkt wordt: âik wou wel weten, of er een établissement in de stad is, zoo respectabel als het miine . . . .quot;
âISTu ja,quot; zei Pedaal: âje troost je met den troost, dien de Dominee aan den bocheljoen gaf, toen deze, met het oog op zijn bult, hem vroeg, hoe hij had kunnen preeken, dat alle ding welgeschapen was, en toen hij hem antwoordde, dat hij ook welgeschapen was.... voor een bocheljoen.quot;
âDe eerste heeren van de stad en van het land frequen-teeren mijn huis.quot;
âJa â maar niet precies de eerste dames,quot; antwoordde Pedaal.
âHm!quot; zei de weduwe: âik zou je daaromtrent misschien historietjes kunnen vertellen, die . . . .quot;
225
âGenoeg! â wij dwalen van den tekst; ik wil alleen zeggen, dat, indien ik naar boven ga en aan dat meisje mededeel, welke soort van kostgangsters je er op nahoudt, zij mij onmiddellijk verzoekt, haar weer weg te brengen.quot;
âMaar dat zul je haar toch niet zeggen, mijn goeie Mijnheer Pedaaltjelief! dat weet ik beter.quot;
âHm! â dat weet ik nog niet. â Toen ik voor het huis van Mw. Van Zirik aan den voerman last gaf, ons hier te brengen, verkeerde ik nog in den waan, dat zij wist, welk bedrijf hier uitgeoefend werd: eerst onderweg bleek mij, dat zij daarvan onwetend was.quot;
Mad. Mont-Athos had een sterk vermoeden, dat Pedaal haar een grove leugen vertelde; doch dat was haar in zooverre om 't even, dewijl zij toch begreep, waar hij eigenlijk heen wilde, en dat hij, alvorens haar te vergunnen, Nicolette tot een winstgevende koopwaar te bemachtigen, er eerst zelf mee speculeeren wou. Het zou dus maar aankomen op het bepalen der som, waarvoor zijn stilzwijgendheid en medehulp te koop was.
âWel!quot; zeide zij, die zich even goed op het veinzen verstond als Pedaal, en nu op eens van tactiek begreep te moeten veranderen, âindien dit zoo is, dan is zij vrij om te gaan. Ik hou niemand tegen zijn zin; behalve natuurlijk, die eens gekocht zijn.quot;
âMet? Ik dacht, je waart zoo op haar gesteld?quot;
âOch! neen: â ik vind haar zoo buitengewoon mooi ook niet.quot;
âNu! maar de oude Tilbury wel, en hem zal het toch wel wat waard zijn, haar hier te vinden.quot;
âLaat de ouwe Tilbury voor mijn part rondhoepelen.quot;
âHm! zoo? â Nu, maar dan is 't vreemd, dat je iemand, die je niet mooi vindt, en daar je geen boodschap aan hadt, eergisteren bij je gelokt hebt. Als Mijnheer de commissaris het hoort, kon je dat nog wel eens opbreken, Mama Canaille!quot;
âEn als Mijnheer de commissaris hoort, dat ik haar weer heb laten gaan en dat zij door u is teruggebracht?quot;
Hier zweeg zij bot stil, want een koude, dreigende oogopslag van Pedaal wees haar, dat zij te ver gegaan was.
ui. - K. Z. 15
226
âMadame Mont-Athos!quot; zeide hij, met zijn scherpe, snijdende stem, âzal binnen 't half uur aan 't Bureau komen, met de persoon van Nicolette Zevenster, welke ik hedenmorgen, op verzoek van Mw. Van Zirik heb doen verkassen en op haar eigen verzoek hier heb gebracht, waar zij ook is opgenomen en thans gehuisvest, ten einde gemelde persoon op het register teekene.quot;
âBinnen 't half uur! â Mijnheer weet zelf wel, dat zulks
niet kan. Ik zal dat meisje moeten voorbereiden, bepraten____
je moet mij een paar dagen gunnen.quot;
âJe wilt haar dus houden? â Ja of neen? Mijn tijd is kostbaar.quot;
âNu dan, ja.quot;
âJe weet. Mijnheer de commissaris is nauwlettend op zulke zaken.quot;
âJa, maar Mijnheer de inspecteur weet wel een huismiddeltje, om te maken dat zijn chef er niets van gewaar wordt.quot;
âKort en goed: â Wat is het u waard?quot;
âVijf en twintig pop'),quot; antwoordde zij.
âVijf en twintig slagen met de roeden, die je al lang zoudt gehad hebben, als je een vijftig jaar vroeger geleefd hadt.quot;
âNu dan â veertig.quot;
âVeertig raderen2) zouden nog niet genoeg zijn; â het geldt hier een pleegkind van voorname lieden, die rekenschap van het gebeurde zullen vragen: â en het is niet genoeg, door de vingeren te zien, men moet ook kunnen gewapend wezen tegen elke achterdocht.quot;
âNu dan! â wat moet het kosten?quot;
âHonderdvijftig pop! â en geen cent minder: â dan zal ik zorgen, dat voor kleine onregelmatigheden het oog gesloten blijve â en dat niemand u bemoeilijke.quot;
âJe bent vandaag schrikkelijk duur, Mijnheer Pedaal!quot; zei de majoorsche, terwijl zij haar buffet opensloot en er een
*) âGuldens.quot;
quot;) âRijksdaalders.quot;
227
trommel uithaalde, uit welke zij een portefeuille voor den dag bracht, waaruit zij wederom de vereischte som aan bankbiljetten kreeg, die zij aan Pedaal voortelde.
âAlle waar is naar zijn geld,quot; zei Pedaal, op onverschillige wijze den bloedprijs aannemende en bij zich stekende. â âNu Mamaatje! vaarwel! â en handel voorzichtig met dat meisje.quot;
En met deze woorden stapte Pedaal de deur uit, bijzonder voldaan over zich zeiven.
âZiezoo,quot; dacht hij: âik kan nu ten minste niet, als wijlen Keizer Titus zeggen, dat ik mijn ochtend verloren heb. Ik moet altijd lachen, als ik de heeren hoor klagen, dat de schoone sekse hun zooveel geld kost: mij integendeel is zij een goede melkkoe, en dan kom ik nog even ver als die heeren.quot;
âEn nu,quot; peinsde hij vervolgens: âals de historie onzen baas ter ooren komt en hij vraagt mij, waarom dit meisje nog niet is komen teekenen? â Bah! dan zal ik zeggen, dat zij ziek is, en haar kamer niet verlaat.quot;
Men zal zien, hoe de omstandigheden Pedaal in de hand werkten, door de voorgenomen leugen weldra tot waarheid te maken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET VOGELTJE IN DE KNIP.
Toen Mad. Mont-Athos weder boven kwam om naar haar nieuwe logeergast te kijken, vond zij die nog steeds op haar stoel achterover liggende en aan de heftigste smart ten prooi.
âWel! wel! heb ik het meer zoo beleefd?quot; vroeg zij: âis dat nu verstandig, je gladde koontjes vuil te maken en je een rooien neus en rooie oogen te huilen. Denk je, dat zoo iets een meisje flatteert? â Mijn man de majoor placht altijd te zeggen: âdat mag in de romans zoo zijn dat tranen een vrouw nog schooner maken: in de wezenlijke wereld heb ik het nooit ontmoet.quot; Zie je. dat zei mijn man, en die had
228
veel gezien. Ei wat! je bent veel te jong en te aardig om zoo bedroefd te zijn. Neem een glas sherry en spoel je de muizenissen uit het hoofd.quot;
Nicolette zag haar aan, met dien verwezen blik, die zooveel te kennen geeft als: âik begrijp niets van wat je mij daar vertelt, en ik verlang er ook niets van te begrijpen.quot;
âIk had u om wat inkt gevraagd,quot; zeide zij.
âWel! â ik geloof, dat hier nog wel wat in zal wezen,quot; zei de majoorsche, een herdertje van Saksisch porselein, dat boven op een soort van kommode stond, krijgende, en het de muts aflichtende: â âneen! niets! â och er wordt hier niet veel geschreven: âWaar dient ook al dat geschrijf toe?quot; placht mijn man de Majoor te zeggen.quot;
âMevrouw zal mij dan verplichten, wat te laten halen.quot;
âWelzeker, mijn kind! â Ik zal de meid dadelijk sturen; â maar nu moet ik je zeggen .... wij eten hier te twee uren: schikt u dat?quot;
âIk kan toch op mijn kamer wel wat eten krijgen, nietwaar?quot; vroeg Nicolette, geheel ontsteld op het denkbeeld van met een gezelschap vreemde menschen te eten.
âWelzeker! dat spreekt van zelf: â ik zal u eten zenden. â Nu! is er nog iets? Je zult misschien liever alleen zijn.quot;
Nicolette gaf een toestemmenden knik, en verheugde zich, van de tegenwoordigheid harer hospita ontslagen te zijn. Zij veegde haar tranen af en ging aan 't overleggen, wat haar te doen stond. â Een slotperiode voegen aan den brief, dien zij aan Bol geschreven had ?. daar bedacht zij op eens, dat zij dien brief in de lade van de tafel op de leerkamer verborgen had en dat die wel waarschijnlijk niet mede onder haar goed was ingepakt. â Deze gedachte hinderde haar, vooreerst, omdat zij nu dien brief moest overschrijven, waartoe zij zich weinig opgewekt gevoelde, ten andere, omdat het opstel allicht in verkeerde handen komen kon. In dit laatste troostte zij zich echter; er stond in dat opstel niets, dat zij zich had te schamen, en het was haar vrij onverschillig, hoe iemand, die haar behandeld had als Mw. Van Zirik, over haar
229
dacht: â doch van den brief kwam zij op haar andere zaken van waarde te denken en inzonderheid om het geld; zij haastte zich, haar koffer te openen en vond gelukkig haar kistje terug, wat haar geruststelde op één punt: de rest zou zich later wel vinden. â Zij haalde nu papier voor den dag, in afwachting van den inkt, die nog maar niet kwam. Toen werd zij ongeduldig en zag rond, of er ook iets in de kamer was als een schellekoord of tafelbel. Bij die gelegenheid nam zij de localiteit nauwlettender op. De kamer, waarvan de deur, als gezegd is, over de trap uitkwam, was behangen met een citroengeel papier, waarop hetzelfde groote bouquet van hardgroene bladeren en vuurroode bloemen zich in diagonale lijnen tot in 't oneindige vermenigvuldigde. Tegenover het venster, dat met witte, vrij vuile Fransche gordijntjes voorzien was, stond het ledikant, waarvan het gordijn, van vaal, verkleurd sits, over een in den muur bevestigde speer met vergulde punt geslagen was. Naast dat ledikant was in den muur een hangkast, met een kapstok om hoeden of japonnen aan te hangen. Het verdere meubilair bestond uit een tafel, waarover een kleed, dat eens blauw en oranje geweest, maar nu versleten â was, gespreid lag, en waaropeen toiletspiegel stond: voorts een commode, als mahoniehout geschilderd, boven welke een pleisterbeeld van Socrates prijkte (die zeker al heel vreemd moest neerzien op de Aspasia's, welke hier gewoonlijk huisden), geflankeerd van een paar defecte beschilderde porseleinen theekoppen, en twee dito sigaren- en zwavelstokkenhouders en een kwispedoor: â zeker een vreemdsoortig meubel in een kosthuis voor dames: drie stoelen met trijpen zitting en overtreksels van smerig geworden katoen, en tegenover de commode, een reusachtige, op gelijke wijze overtrokken canapé. Verder, in den hoek bij 't ledikant, een rond wasch-tafeltje, op drie pooten, waarvan een in de lucht stond. De wanden waren versierd met onderscheidene tafereelen en portretten, bij de keuze waarvan degeen, die ze daar gehangen had, alleen scheen overwogen te hebben, hoe hij 't best naar de leer der contrasten zou te werk gaan. Een Maria Magdalena
230
naar Guido Reni â zwarte kunst â die, als middelstuk, in een zwarte lijst boven de commode prijkte, had aan de eene zijde een gekleurd prentje in een rood lijstje gevat, waarschijnlijk uit een oud Journal des modes gescheurd en een muscadin voorstellende uit het laatst der vorige eeuw; â aan de andere zijde, in een verguld lijstje, een prent met een bloemruiker en waarop het nummer 8 aan den bovenkant vermoeden deed, dat zij deel had uitgemaakt van een verzameling voorbeelden om na te teekenen. Boven de canapé hing de welbekende gekleurde plaat van Poniatowski's omkomen, tusschen de ongekleurde portretten van Jan Nieuwenhuyzen, den stichter der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, en dat van de hemel weet welke Hessische of Saksische prinses: voorts nog, langs den wand, een prent van Abrahams offerande, een dito van den verloren zoon, een van Genoveva met de hinde, en een van de Ramp van Leiden, 't Spreekt van zelf, dat de geheele verzameling, met lijsten en al, op een ver-kooping geen vijftig cents zou hebben opgebracht, dat de glazen, voor zoover die nog bestonden, öf een stuk misten, of gebarsten waren, öf zoo verweerd, dat de prent zich nauwelijks meer onderscheiden liet.
Het beste in het geheele lokaal was het kiddermeistertapijt, dat vonkelnieuw was, doch daardoor te meer schreeuwde tegen de rest.
Alles, behalve misschien dat tapijt, scheen, in weerwil dat de kamer pas heette te zijn schoongemaakt, doortrokken met een benauwden walm van muskus, patchouli, tabaksrook, wijn, rum, natte parapluien en andere dampige zaken, die Nicolette onaangenaam aandeed, zoodat zij, nadat haar vruchteloos onderzoek naar een middel om zich te doen hooren, was afge-loopen, een groot verlangen begon te gevoelen naar versche lucht, en het raam beproefde open te schuiven. Dit ging niet gemakkelijk in zijn werk; vooreerst, omdat een van de twee handvatsels ontbrak, ten andere, omdat het houtwerk gezwollen was: en, toen de zaak, na herhaalde vruch-telooze pogingen, eindelijk gelukt was, en Nicolette het hoofd
231
-wilde buiten steken, liep zij gevaar in de klem te raken, dewijl het venster even snel weder neerviel als het was om-hooggegaan: de tegenwichten ontbraken of waren gebroken. Ongetwijfeld had men, omdat er buiten niets bijzonders te kijken viel, aan het venster niet veel onkosten -willen doen; immers, wie er voorstond, had geen ander uitzicht dan beneden op een kleine binnenplaats, rechts en aan de overzijde op de blinde muren van het achterhuis, links op een lager muurtje, dat van boven met opstaand latwerk tegen 't overklimmen beveiligd was.
Zoo miste Nicolette niet alleen twee dingen, waar zij behoefte aan had, t. w. lucht en inkt, maar ook het middel om zich te doen hooren en er om te vragen. Zij kon, wel is waar, aan de deur gaan staan roepen of naar beneden loopen om iemand te zoeken; doch het eerste, had zij bij Mevrouw Zilverman geleerd, dat heel onfatsoenlijk was en om het tweede te wagen, daartoe was zij te beschroomd. Er zat alzoo niets anders op, dan geduld te oefenen. Zij nam haar werkmandje, dat zij uit haar koffer gekregen had, en zette zich aan 't breien. Doch nauwelijks had zij een paar toeren afgebreid of zij begon zich ongerust te maken, dat, zoo zij niet spoedig schreef, haar brief misschien dien dag niet meer zou kunnen vertrekken, 't Speet haar nu, dat zij maar niet dadelijk naar den wagen gegaan was, die op den spoortrein correspondeerde naar Amsterdam. Zij had daar nog drie pleegvaders. Van Zevenaer, Hoogenberg en Bleek: een hunner zou haar wel met goeden raad geholpen hebben: en zij overlegde bij zich zelve, of zij niet nog op reis zou gaan. Het lokaal, waar zij zich bevond, begon haar gruwelijk tegen te staan: en die tegenzin ontsproot niet bloot uit den onaangenamen indruk, dien het voorkomen der kamer en de verdorven atmosfeer, die men er inademde, op haar maakten. Bij Ruffel rook het ook niet naar eau de cologne, en op de leerkamer bij Mw. Zilverman, zoowel als op de kinderkamer bij Mw. Van Zirik, kon het ook heumig genoeg zijn; maar hier begon langzamerhand dat geheime instinct bij haar te spreken, dat der onschuld eigen is, en
232
haar waarschuwt, wanneer zij zich in de nabijheid der ongerechtigheid bevindt. Zij begreep wel, dat in een kosthuis geen meubelen te verwachten waren als bij Mw. Van Zirik; op de pastorie waren die ook niet fraai; doch daar was alles eenvoudig en rein; hier was het, gelijk de Engelschen 't noemen, shabby genteel, opgeschikt en onzindelijk; en dan, die majoorsweduwe, hoe vriendelijk en voorkomend ook, beviel haar toch eigenlijk niet: 't mensch had bij die voorkomendheid iets gemeenzaams, iets vrijpostigs, vooral wanneer zij âmijn kind,quot; of âkindliefquot; zei, dat Mcolette onuitstaanbaar vond. Kortom, alles wel beschouwd, zij wenschte maar hoe eerder hoe beter hier vandaan te zijn: en dewijl dit niet gelukken zou, zoolang zij stil op haar stoel bleef zitten, nam zij een moedig besluit, ging aan den rand van de trap staan en riep, eerst een keer of wat met een gesmoorde stem, en, toen dat niet hielp, wat luider: âmeisje! meisje!quot;
âZoo het âmeisjequot; al niet hoorde, of hoorende, niet verscheen, toch waren er anderen, wie 't geluid ter ooren kwam. â Van het portaal, waar zij stond, liep een lange gang naar 't achterhuis, op welke gang onderscheidene deuren uitkwamen. Eene dier deuren ging open en toen een andere, en toen een derde, en uit elke deur kwamen een of meer gepapiljotte hoofden voor den dag en half ontbloote schouders, en Nicolette zag blinkende oogen, die op haar gevestigd waren, en blinkende tanden, in monden, die vroolijk lachten en zich met haar verlegenheid schenen te vermaken: en zij trad met angst in haar kamer terug en deed de deur weer achter zich dicht: zij vond die pensionnaires van Mad. Mont-Athos niet beleefd. â Maar hoe zonderling, dat zij allen nog zoo jong waren, en juist allen bezig aan haar toilet!
Zij zette zich weer aan 't breien: 't ging hoe langer hoe minder vlot: daarbij kwelde haar de hoofdpijn hoe langer hoe meer, en gevoelde zij zich weder even onlustig als dien morgen, toen zij opstond, en als den avond te voren. En dat raam, dat niet open wou blijven! Eindelijk bedacht zij er een middel op: zij nam al de boeken, die zij bijeen kon halen, uit
233
haar koffer, wikkelde die, om ze zoomin mogelijk te beschadigen, in grauw papier, spande toen haar krachten nogmaals in om het raam open te zetten, en schoof, eer het nederviel, het pakket er onder. Zoo kwam er ten minste eenige lucht binnen, al was het dan ook niet veel, en al was die lucht niet zuiver, maar vermengd met walmen, die opstegen uit een keuken beneden, waar met een Duitsche kachel gestookt werd.
Zij ging wat op de canapé liggen, met het hoofd op haar zakdoek, en, 't zij dat de benauwdheid op haar werkte of de vermoeienis, zij raakte in slaap, of liever, in den dommel, waarbij men niet wakker meer is, allerlei akelige droomen heeft en toch alles onderscheidt wat men om zich heen ziet. â Hoe lang zij in die houding gelegen had, wist zij niet, toen er op eens aan de deur getikt werd. Eer zij nog opgesprongen was en âbinnen!quot; geroepen had, ging de deur open en een manshoofd, niet ongelijk aan die voor de kapperswinkels prijken, met prachtige kastanjebruine krullen en dito Henri-quatre voorzien, keek naar binnen.
âMoete Mademoiselle niet kekap worden?quot; vroeg hij.
âNeen,quot; antwoordde Nicolette. verschrikt, en toch moetende glimlachen om het zonderlinge figuur: âik dank u.quot;
âDie demoisel daar akter zij 'eb kezeit, ik zou 'ier anklop: 'ier was een demoisel.quot;
â't Is zeer vriendelijk; maar ik heb u niet noodig.quot;
âNu dan! ce sera done pour demain, u tok niet kan buiten de kap'. â Tot mork.quot;
De kapper wilde juist zijn hoofd terugtrekken, toen Nicolette op eens bedacht, dat de man haar toch van dienst kon wezen, en hem nariep:
âMonsieur!quot;
âMademoiselle!quot; naar binnen springende.
âHeb je ook eau de lavende bij u?quot;
âWel zeker,quot; antwoordde hij, een lederen kistje, dat hy in de hand had, op tafel zettende: âeau de lavende ambrée, eau de lavende musquée, eau de lavende a mille
234
fleurs,quot; en al sprekende; pakte hij zijn voorraad uit.
âNeen! ik meen zuivere eau de lavende,quot; zei Nicolette, verdrietig: âik heb hoofdpijn en zou gaarne iets ruiken, dat frisch was.quot;
âDie demoiselle altijd prefereer deze soorten,quot; zeide hij.
âMaar ik niet,quot; zeide zij.
âNu! ik ze u meebrenk mork' van de beste, 'oor.quot;
âOch! dat behoeft niet,quot; zeide zij; âvooreerst zou mij dat nu niet helpen, en ten andere weet ik niet, of ik morgen nog hier wezen zal.quot;
âWatte? De Mademoiselle 'ier kom fan daak en niet meer 'ier wees mork': â c'est totalement onmooklijk.quot;
âOnmogelijk! waarom?quot; vroeg Nicolette.
âMais .... omdat soo een saak nooit foorfal: â de Madame je niet late kaan: â eens 'ier, blijf 'ier, zooiank de Madame verkies .... dat de Demoisel wete fooraf.quot;
âNu ja, dat zullen wij zien,quot; zei Nicolette, het gezegde van den kapper voor scherts opnemende.
âMaar de Mademoiselle sal tok wel noodik 'ep vinaigre anglais: de Mademoiselle ziet 'eele bleek: als de Mademoiselle eens wil uitsoek onder mijn cosmétiquesquot; â en hij pakte wederom eenige potjes en fleschjes uit.
âDankje!quot; zei Nicolette, die volstrekt niet wist wat vinaigre anglais was of waar het voor gebruikt werd, noch wat al die lapzalverij te beduiden had: âik gebruik nooit van zulk goed.quot;
âNiete?quot; riep de kapper uit, geheel verbaasd: âeh bien! dat is koet so lang asse dure; maar sal wel anders word. â De Madame daar wel order op stel! â Ook keen pommade nootik foor de lip? â Of een watertje om te ferdrijf die flak in 't aankesik? â Of een flakon 'aarolie? Of....quot;
âVoor 't oogenblik niets, mijn vriend! ik ben niet al te wel, en nu spijt het mij van den tijd, dien ik u ontroofd heb.quot;
âO isse niets! isse niets! â Ik mork' wel wat 'an u slijt: ik 'ier tok alle dak kom .... en dikwijls 's avonds weer, als die demoiselle kaan naar de opera.quot;
235
â't Is wel! â Indien ik hier blijf, beloof ik u, dat ik van u koopen zal; maar zoo je mij nu een dienst wilt doen, vraag dan, of Madame eens boven wil komen, als zij thuis is, of anders de meid.quot;
âO! zij zoo aanstonse kom. Zoo taatlijk tijd om te eet. . . . maar tok uw bootskap doen. A de main. Mademoiselle, tot mork'!quot;
En zijn lederen kistje weder dichtpakkende, wipte onze maat de deur weder uit.
Of hij zijn boodschap deed of niet, bleef Nicolette onbekend; zeker is 't, dat het nog een goed kwartier duurde, eer de deur, en deze reis zonder dat er getikt werd, weder openging, en de dienstbode binnenkwam, op den eenen arm een paar servetten dragende en in den anderen een tafelbak, met het noodige gereedschap. Zwijgend zette zij den bak neder, dekte de tafel aan de eene zijde, schikte de borden en wat verder noodig was in orde, en vertrok toen weder zonder een woord te spreken, en zonder dat Nicolette, die straks nog zoo be-geerig was naar hare komst, een enkel woord tot haar richtte. Dit moge vreemd schijnen; het liet zich verklaren uit zekeren afschrik, welken de dienstmeid, met de ongewasschen handen, met die gescheurde, het ongekamde haar hier en daar doorlatende, vuile floddermuts boven een nog vuiler tronie, dat gelapte, met smeervlekken overal bezoedelde kleed, dat walgelijk geheel in één woord, haar inboezemden: een duif moet, dunkt ons, een dergelijk gevoel hebben, als zij een bunsing in haar hok ziet komen. Desniettemin overwon Nicolette haar tegenzin, toen de meid terugkwam en een paar bedekte schotels binnenbracht en haar vroeg of zij iets begeerde te drinken.
âJe zult mij verplichten, met mij wat versch water te brengen,quot; antwoordde Nicolette: âen dan tevens wat inkt, waar ik al een uur of wat geleden naar gevraagd heb.quot;
âHm! inkt!quot; herhaalde de meid: âwou je schrijven?quot;
âVermoedelijk ja,quot; antwoordde Nicolette.
âIk weet niet, of er inkt in huis is,quot; zeide de slons: âhier wordt nooit geschreven.quot;
236
âHoe! is er niet eene van de dames, die hier logeeren, die nu en dan schrijft?quot; vroeg Mcolette, verbaasd.
De dienstmeid haalde de schouders op, als wilde zij zeggen: âwaar zijn uw gedachten?quot;
âjSTu!quot; zei Mcolette: âwat anderen doen, gaat mij niet aan: hier is een kwartje, daar kun je mij wel wat inkt voor bezorgen, niet waar?quot;
â'k Zal zien,quot; zei de meid, zonder dat er een plooi op haar gezicht vertrok.
âEn dan breng je mij water?quot;
âWil je niet liever bier?quot; vroeg de meid: â't water is hier niet te best.quot;
âIk dank uquot; â antwoordde Nicolette: âen kun je dan ook meteen een talhout boven brengen of iets anders, om het raam open te houden?quot;
De meid keek naar het raam, vervolgens weer naar Nicolette en ging toen, zonder ja of neen te zeggen, weer heen. â Spoediger echter dan verwacht was kwam zij terug met een ledige sigarenkist, die zij de plaats van de boeken deed innemen, en met een karaf water. Werkelijk had zij van dit laatste niet te veel gezegd: want toen Mcolette er van beproefde te drinken, deed de walgelijke lucht alleen haar terugdeinzen.
Maar ook het eten stond haar tegen: â was het de sterke boter, waarmede de slaboonen waren klaargemaakt, of het klinkklare vet, waar het vleesch in zwom, of de haarspeld, die tusschen de aardappelen lag? â eene enkele dier zaken zou reeds genoeg zijn geweest, om iemand, die reeds weinig eetlust gevoelde, dat weinige nog te ontnemen. Zij verwijderde zich spoedig van de tafel en ging weder op de canapé zitten, met het stellige besluit, dat pension van Mad. Mont-Athos zoo spoedig mogelijk te verlaten.
Zij lag niet gemakkelijk: zij nam een kussen uit het ledikant, zij leide dat op de canapé onder haar hoofd en poogde weer te slapen.
Zij had ongeveer een kwartieruurs gelegen, toen zij gedruisch van deuren, gesnap, gelach en geloop hoorde. Zij veronderstelde,
237
dat de dames, van welke de kapper gesproken had, uitgingen, en werkelijk hoorde zij weldra gefladder en geruisch van zijden japonnen, dat haar deur voorbijging, en een stem die sprak: âhier is de nieuwe in kwartier,quot; waarop een andere antwoordde: âzoolang als 't duurt,quot; en een luidruchtig gelach volgde .... welk een en ander Nicolette geen grooten dunk van de opvoeding en manieren der jonge dames gaf.
Niet lang nadat dezen de trap afgehold, en het ophouden van alle gerucht deed veronderstellen, dat zij 't huis uit waren, kwam de meid de tafel afnemen en bracht nu eindelijk den lang verwachten inkt: â wat Nicolette vroeger zeer welkom geweest zou zijn, maar nu, dewijl zij toch hoe langer hoe meer versterkt was in haar plan om te vertrekken, in zekere mate onverschillig was geworden. Zij herhaalde dan ook het verzoek, dat zij reeds vroeger gedaan had, om Mad. Mont-Athos te spreken: â en dat de meid de boodschap deed, bleek daaruit, dat weinige minuten later de deur weder openging en de majoorsche zich, nu in volle toilet vertoonde. Zoo als zij daar, 't breede lichaam versierd en omzwierd met wijd afhangende mouwen, fladderende écharpe, breede linten van hoed en hals wapperende, met kettingen en broches beladen, de deur, die zij met haar omvang geheel vervulde, binnenzwem, moest zij ieder doen denken, aan een volgetuigd oorlogsschip, dat zonder een doek te minderen, den nauwen havenmond binnenzeilt.
âWel kindlief,quot; vroeg zij, zich terstond met een nobelen zwier op de canapé werpende, die zij met haar breede lichaam schier vervulde: âwat is er aan de hand?quot;
âMevrouw!quot; vroeg Nicolette: âhoe laat gaat de wagen, die met den laatsten trein op Amsterdam correspondeert?quot;
âTe zes of zeven uren, geloof ik,quot; antwoordde de majoorsche, âhad je daar een boodschap voor?quot;
âNeen,quot; antwoordde Nicolette: âik wilde er zelve mee wegreizen.quot;
âWegreizen!quot; herhaalde de berg-Athos met een blik vol
238
verontwaardiging en verbazing: ânu vraag ik je! Wel menschT je bent pas gekomen.quot;
âJe zult het mij niet ten kwade duiden, Mevrouw!quot; vervolgde Nicolette: âik was het van morgen nog met mij zelve niet eens, waar ik heen wilde, en daarom ben ik maar voor-loopig hier gekomen. â Nu echter heb ik rijpelijk er over nagedacht, en ik geloof, dat het verstandiger is, indien ik van avond maar naar Amsterdam vertrek. Ik zal u natuurlijk gaarne de kamer betalen, alsof ik er 24 uur gelogeerd had.quot;
Mad. Mont-Athos begreep, dat het nog geen tijd was om het masker af te werpen, en antwoordde met haar zachte stem :
âMaar kindlief! waar denk je aan? 't is elf uren, half twaalf, eer je te Amsterdam aankomt. Dan sta je daar als meisje alleen in 't holle van den nacht aan 't station: niemand om je af te halen: dan moet je zelve een vigilante zoeken en dan waarheen? Heb je familie wonen te Amsterdam?quot;
âIk heb er althans bekenden,quot; antwoordde Nicolette.
â't Kan zijn, maar, als ze je niet wachten, durf je daar zoo bij nacht en ontijd aan te komen ? â Zou 't niet beter wezen, als je morgen bij den dag ging? Wijlen de majoor placht te zeggen: âeen muisje, dat 's avonds alleen gaat, dat vreet de kat,quot; en tusschen muisje en meisje is om zoo te zeggen geen verschil.quot;
Nicolette kon de juistheid niet ontkennen van hetgeen door de vrouw des huizes werd aangevoerd; en toch was het haar, of zij liever overal, des noods op de straat van Amsterdam, zou vernachten, dan in het huis, waar zij zich bevond: maar dit was nu iets, dat zij moeilijk aan haar hospita vertellen kon. Niets is lastiger, dan wanneer men, ter verdediging zijner handelwijs, schoonschijnende redenen moet zoeken, omdat men met de wezenlijke niet voor den dag durft komen.
âO Mevrouw!quot; zeide zij: âik ben te Amsterdam als kind geweest en ken er genoeg den weg. Dat zou voor mij geen bezwaar maken.quot;
âOho!quot; hernam de vrouw des huizes, haar met een spot-achtigen blik aanziende: âben je zoo goed bekend in Amster-
239
dam? Nu! ik wil 't gelooven, dat je haast maakt: hij wacht zeker al met ongeduld, dat je komt.quot;
âWie hij?quot; vroeg Nicolette, en zag op naar de majoorsche, die geen ander antwoord gaf dan door de lippen stijf te zamen te drukken, de hoeken van den mond zoover mogelijk van elkander te verwijderen, den neus op te trekken, en met half dichtgeknepen oogen Nicolette toe te knikken: welke ongepaste scherts, of wat het wezen mocht, de wrevelige stemming van Nicolette niet verbeterde.
âIk begrijp u niet,quot; zei het jonge meisje, op een toon van gekrenkt eergevoel, âen ik verlang u ook niet te begrijpen.quot;
âNu!quot; riep de andere, haar gezicht weer in een minzamer plooi brengende, âik hoop, dat ik geen kwaad zeg. Er zou toch niets vreemds in zijn, dat zulk een mooi lief meisje een beminde te Amsterdam had, zoo goed als ergens anders. En dan spreekt het toch wel van zelf, dat hij naar u uitziet als een ooievaar naar een aaltje. Wel, wij weten er hier, die niet J minder op den uitkijk zouden zitten, en er wat voor over
zouden hebben, om een uurtje met u te keuvelen.quot;
âMevrouw!quot; zei Nicolette, wie de wending, welke 't gesprek nam, niet weinig begon te hinderen: âschertsen is goed op zijn tijd; maar dit is een soort van scherts, die mij niet aanstaat, en ik herhaal u, ik wenschte, dat je een vigilante bestellen liet, en mij zeide wat ik schuldig ben.quot;
â't Is net zooals je wilt,quot; hernam de vrouw des huizes: âmaar ik zeg je vooruit, dat ik er miin handen van wasch in onschuld. â Hoor kind! zal ik je wat zeggen? je zenuwen zijn geschokt, je wordt om en om rood en bleek: je hebt niets gegeten van hetgeen ik je gezonden heb: je bent nu gejaagd en driftig, en je zoudt heelemaal ziek worden, indien je nu heenging. Rust eerst bedaard wat uit; dan zul je morgen weer frisch zijn, en dan kun je gaan zoo vroeg als je wilt.quot;
Wederom kon zich Nicolette niet ontveinzen, dat de vrouw waarheid sprak; want hoe langer hoe meer kwelde haar een koortsig gevoel: het was haar, of een dozijn hamertjes op haar hersenen de maat sloegen en of er aan ieder van haar
240
voeten vijftig pond gewicht hing; haar aangezicht en handen gloeiden: haar keel was droog: zij voelde pijn door al haar ledematen, en, wat moeite zij ook deed om zich tegen de onaangename gewaarwordingen te verzetten, die haar bestormden, zij begon te wanhopen, daarin te slagen: ja het was haar, alsof de laatste woorden van Mad. Mont-Athos het vermogen hadden gehad eener tooverspreuk, die de kwalen deed oprijzen, naarmate zij die noemde.
âIk geloof inderdaad, dat je gelijk hebt,quot; zei Nicolette, na een oogenblik stilte, met een weifelende stem: âik voel mij wat ongesteld, en ik zal beproeven een uurtje te slapen; misschien is het straks wel over, en dan zal ik zien, wat ik verder doe.quot;
âWel zeker! doe dat, mijn kind!quot; zei de majoorsche, op den paaienden toon, dien men tegen een kind bezigt; âdoe dat, en het zal je goed doen. â En is er nu ook iets, dat je noodig hebt of dat je verlangen zoudt?quot;
âJa,quot; stamelde Nicolette: âdat water hier is niet drinkbaar: indien je mij een kruik seltzerwater met een citroen woudt doen geven, dan zou ik u zeer verplicht zijn.quot;
âWel zeker mijn kind!quot; antwoordde Madame Mont-Athos âcitroenen en mineraalwater zijn hier altijd bij de hand: in een minuut zul je alles hebben wat je begeert. Ontrust je maar over niets, je hebt maar over mij te disponeeren: 't is hier: mondje wat lust je? hartje wat begeer je?quot;
En, na met haar breede hand een paar keeren Nicolette beschermend op den schouder geklopt te hebben, zwom de vrouw des huizes de kamer weder uit. Nog was zij de trap niet af, toen Nicolette zich reeds boven op haar bed geworpen had, nu stellig overtuigd van hetgeen zij zich vergeefs had zoeken te ontveinzen, dat zij namelijk door de koorts was aangetast.
Mad. Mont-Athos was deze reis zoo goed als haar woord, en spoedig teruggekeerd met het gevraagde, waaruit zij zelve nu voor de kranke een verfrisschende limonade bereidde en zich in alle opzichten vol zorgen en belangstelling toonde, wat het
241
meisje, van nature zoo weinig geneigd het ergste van haar naaste te denken, weder eenigszins gunstiger gedachte aangaande haar deed opvatten. Zelfs volgde zij den raad dei-matrone om zich te ontkleeden en onder de dekens te kruipen, wat dan ook het weldadige gevolg had, dat zij zich, wel niet lustiger, maar toch meer op haar gemak gevoelde. Zij deelde dit aan haar verzorgster mede, die zich nu meer gerustgesteld verklaarde, en, na nogmaals haar dienst te hebben aangeboden, het vertrek weder verliet. Nicolette haalde zich nu het laken geheel over 't hoofd, borg het gelaat in haar hoofdkussen, en wachtte af, in hoeverre het haar al of niet gebeuren zou, den slaap te vatten.
DERDE HOOFDSTUK.
HET VOGELTJE PIKT VERGEEFS TEGEN DE TRALIÃN.
Toen Mad. Mont-Athos tegen het vallen van den avond Nicolette wederom bezocht, vond zij haar met verheffing van koorts, en onrustiger dan toen zij haar verlaten had. Wel had de kranke nu en dan eenige minuten gesluimerd; doch telkens was zij uit die sluimering met een benauwder gevoel ontwaakt en van verkwikking door den slaap was geen sprake geweest: aan opstaan kon wel niet gedacht worden: er deden zich al meer en meer zorgwekkende verschijnselen voor, en toen de matrone vroeg in den volgenden morgen haar bezoek herhaalde, ontdekte zij. en nu met wezenlijke ongerustheid, dat haar logeergast in een ijlende koorts lag. Zij liet hierop zonder verwijl den geneesheer ontbieden, die 't hoofd schudde, het noodige voorschreef, en de meest mogelijke rust gebood, tevens verklarende, dat hij nog nadere verschijnselen zou moeten afwachten, alvorens over den aard van de ziekte genoegzaam te kunnen oordeelen. Den volgenden dag echter was hij reeds gereed daaromtrent uitspraak te doen, en wel,
III. - K. Z. 16
242
dat hij hier met een hevige zenuwziekte te maken had. Wel hoopte hij, dat bij een meisje, 't welk, naar 't hem toescheen, sterk van gestel en niet kwaadsappig was, de natuur krachtiger werken zou dan alle geneesmiddelen; doch de toestand der lijderes bleef immer hachelijk.
Het ligt geenszins in ons plan, den loop van Nicolettes ziekte in al haar bijzonderheden te beschrijven. Genoeg zij het, hier te melden, dat zij, gedurende acht dagen, bijna zonder tusschen-poozen, door heftige koortsen aangetast, in een staat verkeerde, waarin zij of te verward, of te zwak van hoofd was om zich eenige rekenschap te kunnen geven van de plaats, waar zij zich bevond, van de personen, die haar omringden, of van hetgeen met haar was voorgevallen. Haar kamer, hoezeer op een binnenplaats uitziende, en dus verwijderd van alle straatgerucht, was echter verre van rustig te zijn; en vooral bij avond drongen herhaaldelijk geluiden van geheel onderscheiden aard haar in 't oor. Nu eens waren die niet onaangenaam, maar integendeel liefelijk en weldadig in hun werking, 't Was, alsof harp- of klavecimbeltonen, somtijds vergezelschapt door welluidend gezang, zich van uit het achterhuis deden hooren. De afstand, of liever de dubbele scheidswanden dempten het geluid, verzachtende al wat anders of niet volkomen zuiver of te hard geklonken zou hebben, en dan was het Nicolette, of engelenmelodien haar uit den hemel tegenruischten. Maar te dikwerf was hetgeen zij hoorde van geheel tegenoverge-stelden aard: woest geklots en íraaf langs trap en gangen, gebons tegen de wanden, zelfs nu en dan tegen de deur van haar vertrek, twist- en scheldwoorden, geschreeuw, gegil, krachtig uitgegalmde vloeken, wilde dronkemansliederen uit schorre kelen, of rauwe kreten, die niets menschelijks hadden, door 't portaal1 gegalmd, kwamen haar beangstigen, en voor haar ontstelde verbeelding was het dan, of helsche geesten haar omringden, die dat rumoer verwekten of die wanklanken voortbrachten. Ja enkele malen was het haar, of die geesten een lichaam verkregen en zich in de meest gehate gestalten voor haar vertoonden. In hoeverre die gestalten werkelijk vleesch
243
en been bezaten, of alleen door het verhitte brein der lijderesse in 't leven waren geroepen, willen wij niet beslissen: zeker is het, dat, behalve de schoonmaakster, aan welke de taak van ziekenoppasster was opgedragen, en die dagelijks op gezette tijden het drankje ingeven, het glas water met suiker vullen of de kussens opschudden kwam. Mad. Mont-Athos, die, min geregeld, maar toch dagelijks eens naar de zieke kwam hooren, en den geneesheer, Nicolette somtijds nog andere figuren door haar vertrek bewegen zag. Schoone en bevallige sylphenvormen, nu eens op 't zwierigst uitgedost, dan weder in 't eenvoudigste négligé of minder nog dan dat, zweefden met nieuwsgierige blikken om haar heen; â eens was het, als zag zij, nevens de gedaante van de vrouw des huizes, zich die van Pedaal verheffen, en als hoorde zij hen met elkander fluisteren: eens zelfs â de gehate figuur van Tilbury, met onbescheiden blikken op haar starende. Dan kneep zij de oogen dicht; dan duizelde het in haar brein, dan verhief zich de koorts, en wist zij niet meer, of zij door een droom misleid was geweest dan of zij werkelijk die afschuwwekkende voorwerpen had aanschouwd.
Eindelijk, nadat de noodlottige termijn van negen dagen verstreken was, verklaarde de geneesheer Mcolette buiten gevaar. Had het nu eene rijke en vermogende patiënte, of slechts eene zoodanige gegolden, die al den tijd had om op haar gemak te herstellen, dan had hij gewis nog gedurende een paar weken rust en onthouding aanbevolen; maar vooreerst was Mad. Mont-Athos bij hem geabonneerd tegen een vaste som in 't jaar, waarvoor hij al haar gewone pensionnaires bediende, zoodat hij er altijd belang bi] had, ze zoo spoedig mogelijk op de been te helpen, en, ten andere, in den waan verkeerende, dat Nicolette tot die gewone pensionnaires behoorde, mocht hij, in 't belang van de vrouw des huizes, de herstellende niet, als men 't noemt, lang aan de praat houden. Hij schreef dus, spoediger dan hij het in andere gevallen gedaan zou hebben, krachtige bouillons en versterkende dranken voor, en deze, geholpen door jeugd en een
244
sterk gestel, hadden dan ook tengevolge, dat Nicolette met rassche schreden in beterschap toenam, en zij, na verloop van weinige dagen, weder opstaan en de kamer op en neer kon gaan. Ja, zelfs zei de geneesheer, dat het haar goed zou doen, eens uit rijden te gaan, zoodra de luchtsgesteldheid, thans guur en regenachtig, wederom wat zachter geworden was. Nu gebeurde het, dat, toen hij voor de tweede maal, ten aanhoore van Mad. Mont-Athos, die altijd bij zijn bezoeken tegenwoordig was, deze opbeurende verklaring aflegde, Nicolette hem vroeg, of hij er dan zwarigheid in zien zou, dat zij, goed ingepakt, met de diligence en spoortrein, of desnoods met rijtuig naar Amsterdam vertrok.
âHm!quot; antwoordde hij, eenige bevreemding toonende over een vraag, die hem vrij zonderling voorkwam: âindien je goed genoeg bij kas waart om rijtuig te bekostigen, en zorgdet buiten tocht en ongemak te blijven, dan zou ik er zooveel gevaar niet in zien: â en toch misschien, als je nog wat geduld hebt.... er kan in twee, drie dagen veel gebeuren.quot;
âNu!quot; hernam Nicolette: âik geloof ook, dat het misschien wijzer is, mijn vertrek nog een paar dagen uit te stellen; maar toch zou ik gaarne den dag vooraf bepaald hebben, darken ik mijn vrienden op mijn aankomst voorbereiden.quot;
âNu,quot; zei de geneesheer, âwij hebben vandaag Zondag; â tegen Donderdag; dan denk ik wel, dat je genoegzaam klaar zult zijn â ik althans heb geen plan om mijn bezoeken te hervatten; zoo het noodig mocht zijn, ben ik natuurlijk altijd weer tot je dienst.quot;
âJa maar. Dokter,quot; hervatte Nicolette, âik zou dan toch graag uw rekening hebben; want ik wil Den Haag niet met schulden verlaten.quot;
âHoe meen je dat?quot; vroeg de geneesheer, en wendde zich met een verwonderd gezicht naar de vrouw des huizes, als wachtte hij van deze de oplossing van het raadsel af.
âGekheid! â de Juffrouw weet de gewoonten van het huis niet,quot; zei Mad. Mont-Athos, haar ongerustheid, dat de vraag
245
aanleiding mocht geven tot nadere ophelderingen, onder een gemaakten lach verbergende.
De arts, die nog jong was, eo nog geen praktijk had, zoo uitgebreid, of een extra voordeel moest hem welkom zijn, scheen maar half voldaan met de verklaring, en Nicolette was 't in 't geheel niet.
âIk weet niet,quot; zeide zij: âvan welke gewoonte Mevrouw spreekt; maar ik meen, dat, als ik een dokter heb gehad, ik het ook ben, die zijn diensten vergelden moet.quot;
âDe dokter bedient het huis bij abonnement,quot; zei Mad. Mont-Athos: âmaar wil je hem een douceur bovendien geven, dat staat je natuurlijk vrij.quot;
âWelzeker!quot; zei Nicolette: âen ik wil er ook niet lang mee wachten.quot; En meteen rees zij op van de canapé, waar zij gezeten was, en wilde naar den hoek gaan, waar zich haar kofter bevond, om daar eenig geld uit te krijgen.
âMijn Hemel!quot; zei Mad. Mont-Athos, haar terughoudende: âdat heeft immers zoo'n haast niet. â Wat zul je je nu gaan vermoeien, mijn kind? De dokter komt immers nog wel eens naar je kijken.quot;
âO zeker!quot; zeide de dokter, die zeer weinig over de tusschen-komst der matrone gesticht was, maar wel niet anders doen kon, dan zich groothouden, en meteen nam hij zijn afscheid.
âHij zou je wel willen plunderen,quot; zei Mad. Mont-Athos, toen hij weg was. âIk heb hem al ruim betaald, den eersten dag dat hij hier gekomen is, want hij zei: âonbekend maakt onbemind, en ik behandel geen patiënten, die ik niet ken, zonder eerst te weten, wie mij mijn moeite vergoedt.quot;
âGoed!quot; zei Nicolette: âmaar hoe kon hij dan van te voren weten, hoe lang mijn ziekte duren zou ? â Nu! om 't even: ik zal dat dan met u afrekenen; maar de man heeft mij spoedig klaar gekregen, en hij verdient wel een extra belooning.''
Hiermede liep het gesprek af. Zoodra bevond zich Nicolette niet alleen, of zij zette zich aan 't schrijven aan Bol, en dit nam haar een geruimen tijd weg; want zij had niet weinig bijzonderheden te vermelden; vervolgens schreef zij een brief
246
aan Van Zevenaer, ten einde hem te verzoeken een logies voor haar te Amsterdam te bestellen tegen den volgenden Donderdag. Toen het er echter op aankwam, haar brieven van een dagteekening te voorzien, was zij plotseling met de zaak verlegen; immers, gelijk dit pleegt te gebeuren als men ziek geweest is en eenigen tijd noch dagbladen noch brieven ontvangen heeft, zij was geheel met de tijdrekening in de war; wel kon zij vaststellen, dat het reeds September zijn moest; maar zij was eenige dagen, hoe vele wist zij niet, buiten westen geweest, en zoo kon 't misschien reeds October zijn. Haar horloge stond stil en zij hoorde klok noch klepel, zoodat zij ook geen gevolgtrekking kon opmaken uit de kenteekenen, die 't op- of ondergaan der zon aan de hand doen. Bovendien, als reeds gezegd is, 't was regenachtig weer, en de kamer ontving geen licht dan uit de hoogte, zoodat er dikwijls duisternis heerschte, als 't elders nog dag was. Nicolette vond het toch te dwaas, brieven weg te zenden, die niet gedagteekend waren, en zij besloot dus, aan den eersten den besten persoon, dien zij sprak, de vraag te doen, den hoeveelsten der maand men had. Bij voortdurend gemis aan een tafelbel was er geen ander middel om iemand te spreken te krijgen, dan om aan de trap te roepen of geduld te hebben tot er iemand bij haar kwam. Dit laatste was echter ongewis, en zoo opende zij haar deur, in de hoop, dat er misschien iemand voorbij zou komen. Werkelijk hoorde zij, na eenige minuten geloerd te hebben, een luchtigen voetstap en zag zij een jong meisje de gang afkomen, dat zij terstond herkende voor degene, die die scheur in haar japon gedicht had, en die door Mad. Mont-Athos Mademoiselle Rosalie genoemd was.
âO! Mejuffrouw!quot; zei Nicolette, haar in 't Fransch toesprekende: âgij zoudt mij een grooten dienst kunnen doen.quot;
âEen dienst ? â Met genoegen,quot; zeide de andere, terstond zonder omslag de kamer inhuppelende; â âwel, ma belle. Hoe is 't! is er weer een jurk te herstellen?quot;
âNeen!quot; antwoordde Nicolette, lachende: â't is maar om te weten, welken dag wij hebben ?quot;
247
âAlsof ik dat wist,quot; zeide de andere, lachende: âmaar a propos: gij zijt ziek geweest; hoe staat het er mee? Zijt gij weer heelemaal in orde?quot;
âVolkomen, ik dank u,quot; antwoordde Nicolette.
âWij zijn mooi angstig geweest in 't begin: men had ons bang gemaakt, dat gij het rookvonk of de cholera hadt, ik weet zelve niet wat. La Mont-Athos zat ook wat in den brand, 't Zou een mooien naam aan haar huis gegeven hebben! â Nu! Mama Canaille mocht wel eens iets hebben voor haar pekelzonden. â Maar enfin! wij zijn spoedig weer gerustgesteld, en zoo zijn wij nu en dan eens naar u komen kijken; maar gij waart buiten westen, en ik had niet gedacht, dat ik u al zoo spoedig weer kant en klaar zou zien.quot;
Al sprekende had zij zich op de canapé nedergeworpen, en liet den blik in 't ronde gaan. Zij had nu geen peignoir aan, als de vorige reize, maar was in prachtige zijde uitgedost, en keurig gekapt; terwijl, gelijk Nicolette, niet zonder verbazing, meende op te merken, haar hals en armen te blank, haar wangen en lippen te rood waren, dan dat hier niet te denken viel aan de kunstmiddelen, die de kapper bezorgde. Wat daarvan wezen mocht, 't ensemble was bevallig, doch meer bestemd om op een afstand of bij kunstlicht, dan wel om van nabij en bij een bleek daglicht gezien te worden.
âVoorwaar, mijn kind!quot; vervolgde Rosalie, 't eene been over 't ander leggende, de beide armen langs den rug van de canapé uitstrekkende en het hoofd achterover werpende: âgij spreekt goed Pransch, al hebt gij nu juist den Parijschen tongval niet. Waar zijt gij vandaan ? Niet uit België, dat kan ik wel hooren: ook niet uit Zwitserland.quot;
âIk ben een Hollandsche,quot; antwoordde Nicolette.
âVoorwaar! dan zijt gij op eene goede school geweest: â nu, ik ook in mijn tijd, en mijn ouders hadden ook niet gedroomd, dat.... nu! dat 's tot daar aan toe: â wat ik maar zeggen wilde is, dat gij beschaafder Pransch spreekt dan die zoetelaarster, aan wie men 't altoos hooren kan, dat zij haar meesten tijd bij den legertros gesleten heeft.quot;
248
âEen zoetelaarster? â wie bedoelt gij?quot;
âWie? â wel Mama Canaille, Madame, hier aan huis. quot;Wie zou ik anders bedoelen? Zij heeft zoolang het tonnetje met schnaps gedragen, dat zij eindelijk zelve in een ton veranderd is.quot;
âIk dacht, dat zij een majoors-weduwe was,quot; zei Nicolette.
âDat zij de waschvrouw van een sergeant-Majoor geweest is, ja, dat wil ik gelooven; â meer stellig niet!quot;
âEn dat portret beneden?quot;
âWel! dat heeft zij, al vóór mijn tijd, zooals mij verteld is, op een stalletje gekocht en een beetje laten opknappen: â andere huwelijken dan in 't dertiende, zooals wij te Parijs zeggen, heeft zij wel nooit gesloten. â Maar dat's haar zaak: gij vroegt, den hoeveelsten wij hadden: wat duivel kan 't u of iemand schelen, welke dag het is?quot;
âIk wilde een brief dagteekenen,quot; antwoordde Nicolette, die een weinig beschroomd was tegenover de vrijpostige onbekende.
âEen brief!quot; herhaalde Rosalie lachende, en een dubbele rij fraaie witte tanden wijzende; âmaar men schrijft hier immers niet?quot;
âEn waarom niet?quot;
âWel! daarom niet;âja, sommigen, omdat zij niet schrijven kunnen, dat 's ééne reden; anderen, als ik b. v., omdat zij zich schamen over de taal, die zij schrijven, en over de hanen-pooten, die zij krabbelen; â en dan, in de voornaamste plaats, omdat de brief toch niet zou bezorgd worden.quot;
âNiet? â En dat waarom niet?quot; vroeg Nicolette onthutst.
âAlweer daarom. â Denk je, dat Mama Canaille, onze welbeminde en zeer gevreesde herderin, 't zou dulden, dat haar schapen correspondentie hielden met de wereld daarbuiten? Neen kind! ik heb te Brussel een tijd lang in.... nu ja, 't is hier toch genoeg bekend.... in 't verbeterhuis gezeten; daar mocht een brief de deur uit, als eerst Mijnheer de officier hem gelezen had; â maar hier? de groetenis!quot;
Nicolette begon te vreezen, of 't Mejuffrouw Rosalie temet
249
in 't hoofd scheelde; 't mensch kwam haar toch reeds in alle opzichten zoo raar voor.
âMaar wij zijn hier toch in geen verbeterhuis,quot; zeide zij, met een mislukte poging om te glimlachen.
âIn een verbeterhuis,quot; herhaalde de andere, terwijl zij schaterde van 't lachen: âneen waarachtig niet! â de pastoor komt hier nooit, .... althans niet in zijn pontificaal, en de dames patronessen draaien 't hoofd om, als zij voorbijgaan. Zoo er ergens een huis is, waar men niemand dient dan sinjeur den Duivel, dan is het hier; â wie hem wil leeren kennen, en vooral zijn mama, die moet maar hier komen.quot;
Nicolette werd bang: wel had zij, als kind, ruwe woorden, maar nooit woorden als deze gehoord â en dat nog wel uit den mond van een welgekleed meisje van haar jaren, 't Moest dat arme schepsel in 't hoofd schorten, dat was klaar.
âJa,quot; vervolgde Rosalie, nu als tot zich zelve sprekende: âzoo er iemand is, waardig zijn moeder te heeten, dan is het deze. 't Zegt niets, uur op uur als een lastdier verhuurd te worden: 't zegt niets, de omhelzing te moeten gedoogen van wie ons tegenzin en walging inboezemt: 't zegt niets, liefde te moeten veinzen, waar afschuw ons vervult: 't zegt niets, mond en oogen te doen glimlachen, waar 't hart van weedom terugkrimpt: 't zegt niets, veracht en verstoeten te zijn dooide wereld daar buiten: 't zegt niets, het geld der schande, door ons verdiend, aan haar te moeten opbrengen, dat wisten wij, konden wij althans weten, toen wij ons contract met haar maakten, toen wij ons, lijf en ziel, aan haar verpandden; â maar dat zij ons, wier lot al rampzalig genoeg is, ons, de tijdelijke slavinnen van wie ons beurtelings koopt, nog bovendien als haar slavinnen behandelt, en ons haar juk van ijzer met eiken dag gruwzamer gevoelen doet, dat zij lacht met onze smarten en vermaak schept in onze vernedering, dat haar vervloekte goudzucht van geen deernis, van geen sparen weet, dat zij ons niet gunt wat den minsten negerslaaf wel gegund wordt, een uurtje van rust en verpoozing na den arbeid, dat zij er niet om geeft, dat wij krank, en
250
afgetobd, en onmachtig zijn, zoodra haar grijpende klauwen slechts kans vinden, eenige guldens meer naar zich toe te halen, dat, als do afgebeulde natuur zich eindelijk weerbarstig toont en weigerachtig is aan 't onmogelijke te voldoen, zij terstond met bedreiging, met slagen, met politie, met gevangenis, met onthouding van spijs en drank, met al de kwellingen, door tirannen uitgedacht, gereed is, dat de hel, waarin wij leven, ons, door haar toedoen, erger en verschrikkelijker wordt dan de hel hiernamaals zijn kan, dat zij mij nog eenmaal er toe zal brengen, een einde te maken aan een leven vol ellende en gruwzaamheden, zie! dat kon ik niet vooruit zien, dat vervult mij de ziel van haat en wraaklust.... o! ware ik maar dood!quot;
Sprakeloos en 't hart van ontzetting vervuld, had Nicolette deze rede aangehoord, en daarbij met ijzing de verandering opgemerkt, die 't gelaat der ongelukkige onder 't spreken had aangenomen. Op het straks zoo liefelijk, schijnbaar zoo opgeruimd gelaat, hadden zich diepe rimpels gegroefd; de lach was geweken van den nu scheefgetrokken mond en door een wanstaltig gegrijns vervangen: de tandjes knersten op elkander: de onderlip was met schuim bedekt: het fijne neusje was opgetrokken, de neusgaten, gezwollen en wijd uiteenstaande, schenen vlammen te blazen: de uitdrukking van levenslust, die een oogenblik te voren uit de oogen flikkerde, had plaats gemaakt voor een uitdrukking van woede en wanhoop en haat; en, zelfs door de laag blanketsel scheen de vale doods-verf heen, die zich over de wangen had verspreid, en zag men de loodkleurige aderen aan de hoofdslapen zwellen, of zij barsten zouden. â In den aanvang had Nicolette van de heftige uitdrukkingen van Rosalie niets begrepen en die aan waanzin toegeschreven; doch naarmate zij verder luisterde, begon zij langzamerhand van die gedachte terug te komen, en, al verstond zij, de onschuldige en in 't kwade gelukkig onwetende, maar half wat er gesproken werd, toch had zij op haar kostschool wel zooveel van de wereld gehoord, om eenigszins te kunnen gissen, welk beroep dat meisje daar tegenover haar
251
dreef, en tevens â hier was het alsof haar hart werd toege-schroefd â in welk soort van kosthuis zij zich bevond. En, hoe schrikkelijk het verblijf in dat kosthuis wezen moest, dat leerde zij uit hetgeen haar verder met zulke ijzingwekkende woorden werd afgeschilderd. Vergeefs, of zij zich nog poogde diets te maken, dat hetgeen zij hoorde alleen de taal eener krankzinnige was: tallooze bijzonderheden, die haar, èn op de diligence, èn bij haar eerste bezoek ten huize van Mad. Mont-Athos, èn sedert haar verblijf aldaar, zonderling en duister waren voorgekomen, werden nu plotseling opgehelderd en vulden aan wat nog aan de woorden van Rosalie ontbreken mocht. En toch, zoo geneigd is de mensch, zich nog altijd aan een schijn van hoop vast te klampen, dat zij, al meende zij het antwoord te kunnen voorzien, toch niet kon nalaten aan Rosalie, toen deze eindelijk zweeg, de vraag te doen; âmaar waar ben ik dan hier?quot;
Wederom had er een plotselinge omkeering plaats op het beweegbare gelaat van Rosalie; doch niet zoodanig eene als meer geruststellend was: wel verdwenen de rimpels 'en de bleekheid, wel de uitdrukking van toorn en haat: wel lachten weder oog en mond; maar het was een lach van bittere spotternij, en heesch en boosaardig klonk het uit haar mond ;
âWaar gij zijt? â Nu! dat zoudt gij niet weten? â De kleinste knaap van de straat zal u vertellen, wat het huis van Mad. Mont-Athos is. Ha! ha! 't is of een van de gouden torren van 't Noordeinde hoog en droog op 't paleis zat en dan nog vroeg waar hij was?quot;
âMaar ik begrijp er niets van,quot; zei Nicolette, terwijl zij opstond en met een onbeschrijfelijk gevoel van angst om zich heen zag; âik dacht hier in een hotel-garni te zijn, in een gewoon kosthuis van fatsoenlijke dames.quot;
Wederom herklonk het bitter hoongelach van Rosalie: âfatsoenlijke dames, welzeker! â canailles allemaal zooals gij zijt, of zoo gij 't nog niet zijt, dan spoedig worden zult. â Hm! Mejuffrouw wil voor onnoozel doorgaan en zou, toen zij hier aanbelde, niet geweten hebben waar zij toen kwam! â
252
't Is waar, gij ziet er nog uit, om bij wie u overal elders ontmoette voor een eerlijk meisje te kunnen doorgaan.
Maar eerlijke meisjes komen niet bij Mama Canaille: eer-lijke meisjes halen den neus op voor dit huis, en wenden 't gelaat van ons af, de nuffen die zij zijn! â Of, zoo 't ai gebeurde, dat er iets eerlijks hier binnenkwam, hou u maar voor verzekerd, dat het er niet uitkomt dan bedorven. Nu, kijk maar zoo verwezen niet, het is nu toch eenmaal te laat. Al waart gij Suzanna kuischer gedachtenisse in eigen persoon, gij zijt in 't schuitje en moet medevaren.quot;
âMaar dat kan niet,quot; zei Nicolette, wie elk woord als een dolk door 't hart priemde: âik wil van hier: wij zijn in een vrij land .... die vrouw heeft geen recht, mij hier langer te houden.... ik ga heen .... terstond!quot; En zij liep reeds naar de kast om hoed en doek te halen.
âGoede reis! kindlief!quot; zei Rosalie, op een sarrenden toon: âgij gaat zeker naar Amsterdam om kermis te houden? ik ben daar verleden jaar geweest. â Hemelsche goedheid! wat heb ik mij toen vermaakt!quot; â En zij strekte zich zoo lang zij was op de canapé uit.
Doodsbleek wankelde Nicolette terug; zij had in de hangkast gezocht: hoed, doek, mantille, alles was verdwenen.
âMijn goed is mij ontstolen!quot; riep zij, terwijl zij haar knieën voelde knikken en zich aan den rug van haar stoel vasthield.
âOntstolen!quot; herhaalde Rosalie: âfoei! gij zijt hier bij geen dieven: 't is maar bewaard, kindlief! en zoo zal het met uw schoenen en laarsjes ook wel 't geval zyn. Mama Canaille weet haar voorzorgen te nemen. â Eens in de knip, dan helpt het niet meer, of de lijster met den bek tegen de traliën pikt.quot;
âO!quot; hernam Nicolette: âgeen macht op aarde zal mij hier houden: â ik zal van hier, al moest ik blootshoofds en op mijn muilen de straat op. Ik zal om hulp roepen .... ik zal! .... o mijn God! wat ben ik ongelukkig!quot; â en zij zakte weder op haar stoel; want haar trillende beenen weigerden haar allen dienst.
253
âWees toch bedaard, kind!quot; zei Rosalie, de schouders ophalende: âgij zijt pas ziek geweest en zoudt het weer worden. Ik heb het straks al gezegd: 't is hier de gevangenis en niemand mag die verlaten voor zijn tijd.quot;
âHeb medelijden met mij,quot; zei Nicolette, schreiende en de handen vouwende: âgij, die u zelve zoo beklaagt over die vrouw, gij zult haar bondgenoot niet willen zijn in de booze voornemens, die zij tegen mij smeedt. Zeg mij, leer mij, hoe ik haar ontkomen kan?quot;
âJa! â kon ik haar een poets spelen,quot; zeide, als tot zich zelve pratende, Rosalie, wier echt Fransche levendigheid snel van 't een op 't andere sprong: âdat zou mij vermaken! â Ha! ha! â een spaak in 't wiel te steken! die nieuwe speculatie te doen mislukken! dat ware goud waard!quot; en zij wreef de handen van genot.
âO ja!quot; hervatte Nicolette, een weinig bemoedigd door de hoop op Rosalies bijstand: âlaat die speculatie mislukken: gij zijt eens zoo vriendelijk geweest, mij aan mijn kleed te helpen, toen 't gescheurd was; bewijs mij nu een oneindig grooter dienst en help mij, dat mijn eer geen scheur bekome. Ik ben zelve niet rijk; maar ik heb vermogende vrienden en voogden : zij zullen u beloonen â ruim beloonen: red mij slechts.quot;
âMaar 't is heel eenvoudig onmogelijk,quot; viel Rosalie in, op een toon, die Nicolette geheel weer ter neder sloeg: âof denkt gij, dat, zoo ik iemand uit dit huis kon helpen, ik niet beginnen zou met mij zelve? Bah â De deur uit te komen, dat ware niets. Wij rijden op onze beurt uit en wij gaan naar de opera; doch denkt gij, dat, indien eene van ons aan den koetsier zei: âhou stil, ik wil er uit,quot; of aan de ouvreuse verzocht, ons de achterdeur te openen, zij er gehoor aan zouden geven? â Denkt gij, dat, als ik, terwijl onze équipage stilstond bij de muziek in 't Bosch, het portier opende en aan den loop ging, er niet dadelijk een diender klaar zou staan, met een gezicht als de poort van 't spinhuis, om mij weer naar 't rijtuig te brengen? â Zij zeggen, de slavernij van de zwarten is afgeschaft: ik wil 't gelooven; maar wij blanke
254
meisjes blijven slavinnen, en, zoolang men ons niet vrijgekocht heeft, sleepen wij onze ketens mee waar wij gaan.quot;
Nicolette rilde van wat zij hoorde: hoe! het kon dan waar zijn, dat, in een beschaafde, welgeordende maatschappij, meisjes, die 'eenmaal gevallen, zich aan haar leven van schande wilden onttrekken, hierin verhinderd, ja zelfs, door een macht, die in den staat voor de veiligheid en 't recht te waken heeft, gedwongen konden worden tot de holen der ontucht terug te keeren. Dat was zoo iets ongehoords, zoo iets aandruischend tegen alle begrippen van zedelijkheid en recht, dat zij het nauwelijks gelooven kon, en aan een misverstand bij de ongelukkige, die daar over haar zat, moest denken. Maar, wat daarvan wezen mocht, dezelfde regelen, die misschien voor een zoodanige als Rosalie bestonden, konden toch, meende zij, niet geldende zijn voor haar, Nicolette.
,,Ik weet niet,quot; zeide zij, na een oogenblik zwijgens, âot het inderdaad zoo met u zou gaan als gij zegt; maar gij spreekt van vrijkoopen: en hoe zou dat ten opzichte van mij te pas komen, die nooit verkocht ben geweest'?
âIk weet het niet,quot; antwoordde Rosalie, nogmaals de schouders ophalende: âvraag het aan Mama Canaille; die zal
't u misschien kunnen zeggen.quot;
âJa,quot; zei Nicolette: âik zal 't haar gaan vragen: ik ben nog zwak, dat 's waar; maar de radeloosheid zal mij krachten geven: ik ben geen slavin en wil het niet zijn.
't Was inderdaad of die vaste wil haar op eenmaal sterkte gaf en met een vrij vasten stap begaf zij zich naar de deur; â doch toen zij die opende, stond op eens de vrouw, die zij zoeken ging, voor haar. Bij die onverwachte verschijning deinsde Nicolette terug en sprong Rosalie met beangst gelaat op de been.
Een blik, rechts en links geworpen, was genoeg om Mad. Mont-Athos op de hoogte te brengen, en met een gelaat dat zwol van toorn, vroeg zij aan Rosalie:
âWat doet gij hier?quot;
âDie Juffrouw had mij binnengeroepen.quot;
255
âEn gij weet dat ik u verboden had, hier te komen. Wat zijt gij hier komen vertellen?quot;
Haat en vrees leverden elkander op Rosalies gelaat een strijd, die vreeselijk te aanschouwen was. Deze reis zegevierde een oogenblik de haat, en met een zijdelingschen blik van woede antwoordde zij;
âIk heb haar verteld, dat het hier een hel is, waarbij die andere een paradijs moet wezen.quot;
De vrouw des huizes scheen niet gestemd iets dergelijks te hooren. Zij lichtte de breede hand op en liet die zoo onzacht om de ooren van Rosalie nederkomen, dat de slag door het geheele huis kon gehoord worden, en toen de arme meid huilende wegkromp en naar de deur kroop, kreeg zij nog, met een âscheer je weg!quot; een flkschen trap achterna, die haar 't portaal deed opstuiven. De vrouwelijke dwingeland smeet de deur achter de vluchtende dicht en wendde zich toen naar Nicolette, die, bleek van angst, naar de andere zijde der tafel was weggestoven en daar bevende stond te verbeiden wat er volgen zou.
âDie kreng is niet wel bij 't hoofd,quot; zeide de vrouw des huizes, als voelde zij behoefte, zich te verontschuldigen: âen zij moet met de zweep geregeerd worden. Hoe is 't? je bent toch niet bang, dat je ook klappen zult krijgen? â Ga toch zitten, kind, en wees gerust.quot;
Bij deze toespraak had Mad. Mont-Athos het scherpe stemgeluid, dat zij tegenover Rosalie gebruikt had, weder in het zachte doen overgaan, en dat schonk aan Nicolette, die in 't eerste oogenblik sprakeloos van schrik geweest was, eenigen moed.
âMevrouw!quot; zeide zij: âik geloof inderdaad, dat die Juffrouw, die zooeven wegging . . . .quot;
âDie ik wegschopte,quot; viel de ander in.
âDat die Juffrouw,quot; vervolgde Nicolette, zonder op die rectificatie acht te geven, âniet wel bij 't hoofd is. Zij scheen althans in den waan te verkeeren, dat ik hier gevangen was, en dat Mevrouw mij niet zou laten gaan. En nu bestaan er
256
redenen, waarom een langer verblijf hier mij onmogelijk is en mijn tegenwoordigheid elders dringend vereischt wordt. Mevrouw zou mij dus zeer verplichten, met mij mijn hoed en wat verder uit gindsche kast is weggenomen, terug te doen geven, een vigilante voor mij te laten bestellen en mij te zeggen, wat ik schuldig ben.quot;
De matrone had zich vierkant nedergezet op de plaats, die â¢door Rosalie was ontruimd, en met een kalmen glimlach naar de woorden van Nicolette geluisterd. Toen deze geëindigd had met spreken, zeide zij zeer bedaard:
âDie Juffrouw heeft volkomen de waarheid gesproken. Je bent vooreerst nog niet in staat, dat ik je zou kunnen of willen veroorloven hier vandaan te gaan.quot;
âVeroorloof mij. Mevrouw!quot; zei Nicolette op vasten toon, âdat punt zelve te beoordeelen. quot;Wij leven, geloof ik, in een vrij land, en ik sta er op, om te vertrekken.quot;
Mad. Mont-Athos zette groote oogen op en zag Nicolette sterk in 't gelaat; doch zij ontmoette een blik, die voor den haren in onverschrokkenheid niet zwichtte. De stellige begeerte om dat huis te verlaten, had bij het jonge meisje boven alle vrees de overhand gekregen, en het besef, dat zij in haar recht was, had haar een moed en een vastberadenheid gegeven, waar zij zelve later verbaasd over was. âHet is niet anders, Mevrouw!quot; hernam zij: âik wil van hier.quot;
âMa foi!quot; zeide de matrone: âik begin nu zelve te zien, dat je weer van zessen klaar bent, en dat zal veel genoegen doen aan zeker iemand, dien ik niet noemen wil. â Nu! â 't zij zoo! ik zal een rijtuig doen bestellen; â maar aangezien ik de eer heb, uw relaties te kennen, zul je wel zoo goed zijn, onmiddellijk af te dokken wat je me schuldig zijt.quot; â-Bij deze laatste woorden was het honigzoet der uitspraak in bitterzoet overgegaan.
âZoodra ik die opgave heb,quot; zei Nicolette.
âDat is boud gesproken,quot; hernam de andere, met een boos-aardigen lach; âdoch wij zullen zien of je dien volhoudt. â Ik zal de rekening gaan opmaken, en dan geld bij de visch,
25 lt;
hoor!quot; â en, meteen oprijzende, wandelde zij de kamer uit, Nicolette niet weinig in haar schik latende, die er niet op gerekend had, haar oogmerk zoo spoedig te hebben bereikt. Ongelukkig rekende het arme meisje ten deze buiten den waard, of juister te spreken, buiten de waardin.
Nauwelijks was zij alleen, of zij haastte zich, beide brieven, al was het dan ongedagteekend, te sluiten, en van adressen te voorzien. Toen opende zij haar koffer ten einde het noodige geld daaruit te nemen om de rekening, zoodra die kwam, te voldoen. Zij haalde het kistje voor den dag, waarvan vroeger gesproken is, en dat haar kleine vermogen bevatte, zij opende, zij doorzocht het; :â de brieven en andere papieren, die zij er in geborgen had, waren er in; â de drie bankbriefjes, â die zij, bij haar vertrek van Hardestein, van Eylar ontvangen, en die zij den dag van haar komst nog in de cassette gezien had, waren verdwenen. â Zij onderzocht het slot, dat gaaf en ongeschonden was: er bestond geen twijfel, of men had misbruik gemaakt van den bewusteloozen toestand, waarin zij verkeerd had, om met haar eigen sleuteltjes koffer en cassette open te maken en haar te bestelen. Geheel buiten zich zelve, als men denken kan, over deze ontdekking, en zich nog willende diets maken, dat zij misschien het bankpapier bij vergissing ergens anders gelegd had, haalde zij haar geheelen koffer om: â 't was alles vergeefsch! â en 't was, terwijl zij in den radeloozen toestand verkeerde, die 't natuurlijk gevolg was der verkregen overtuiging, dat Mad. Mont-Athos weer binnenkwam, een blad papier in de hand houdende.
Dezelfde boosaardige lach als zoo straks speelde op de lippen der matrone, toen zij Nicolette voor haar koffer geknield zag, en aan haar geheele voorkomen bemerkte, wat er gaande was.
âHier,quot; zeide zij, het papier op de tafel leggende, âhier is de rekening: het bedrag is /quot;274.30: â als je nu maar met de pitten voor den dag wilt komen.quot;
âMevrouw!quot; zei Nicolette, opstaande en haar aanstarende: âik ben bestolen.quot;
âBestolen!quot; herhaalde het wijf, zich heftig verontwaardigd
III. - K. Z. 17
258
veinzende: âdenk je, dat je hier onder dieven bent, juffertje ? â bestolen! â weet je wel, dat het laster is, wat je daar zegt? â Tut! tut! wij kennen die praatjes: zonder geld in een fatsoenlijk huis een kamer komen vragen, en, als men er vier weken geweest is, en 't op betalen aankomt, durven zeggen dat men bestolen is! Maar dat zeg ik je, je zult hier niet uit, voor en aleer je mij ten volle betaald hebt. â Je bent de eerste niet en je zult de laatste niet zijn, die de kosten weer inverdienen moet, die ik voor haar gemaakt heb.quot;
Gelijk het veelal gaat, was het ook nu gebeurd. Mad. Mont-Athos was al pratende meer en meer opgewonden geraakt, en haar gramschap, in den aanvang slechts voorgewend, was, terwijl zij sprak, tot werkelijke drift overgeslagen: stemgeluid, toon, gelaatstrekkken, houding, gebaren, alles was al meer en meer grof, wild en dreigend geworden: gemeene vloeken en andere uitdrukkingen, waarmede wij onze pen niet bezoedelen willen, wisselden haar woorden af, en herhaaldelijk sloeg zij met de volle vuist op de tafel, zoodat inktkoker en glas, en wat er verder op stond, aan 't dansen raakten.
Wel was Nicolette niet bekend met de gewone theorie, waardoor vrouwen van den stempel als Mad. Mont-Athos de onge-lukkigen, die zij bij zich aan huis gelokt hebben, eerst, door het leenen van geld, kleederen en voeding, aan zich weten te verplichten, en ze dan dwingen de gemaakte schuld met persoonsdiensten â niet af te lossen; want dat geschiedt nimmer, dewijl dagelijks nieuwe schuld de oude komt vermeerderen, maar, te vergelden: â wel, zeg ik, was zij niet op de hoogte van dat stelsel, waarbij het oude qui non habet in aere, luat in pelle') wordt in toepassing gebracht, doch zij had desniettemin bij de overtuiging, dat men haar een valstrik gespannen had, een duister besef van het doel, dat er mede beoogd werd. Zij was, dit bleek duidelijk, in de macht van het gruwzame wijf, dat tegenover haar stond: daaruit moest zij verlost worden: en nu, dacht zij, kwam het er vooral op aan
') âDie geen geld bezit, moet boeten met zijn lichaam.''
259
haar tegenwoordigheid van geest niet te verliezen, zich boven alle vrees te verheffen, en te beproeven, van hare zijde, dooreen flinke houding, vrees aan te jagen aan de wederpartij. Wel had zij straks, bij de mishandeling, door Rosalie ondergaan, gebeefd; doch het hachelijke zelf van haar toestand had haar den moed der wanhoop geschonken, en zij had als kind zoo dikwerf het kijven en schelden van haar pleegmoeder en andere buurvrouwen aangehoord, dat zij aan dergelijk misbaar van de zijde der vrouw des huizes op zich zelf zich minder stoorde.
âIk weet niet,quot; zeide zij, terwijl zij zich recht oprichtte, de armen over elkander sloeg, met elke hand den tegenoverge-stelden bovenarm omvatte, en in die wakkere houding met opgeheven hoofd de helleveeg aanstaarde, âik weet niet, wie de dief is; maar ik herzeg, dat ik bestolen ben: en wanneer ik gindsche hangkast ledig vind, dan moet ik wel tot de gevolgtrekking komen, dat mijn geld denzelfden weg is opgegaan als mijn hoed en de rest.quot;
Hier had Nicolette het bij moeten laten; doch bij een twist zijn vrouwen altijd geneigd, meer te zeggen dan precies noodig is, en, vooral wanneer zij vernuft hebben, kunnen zij niet nalaten het te toonen en scherp te zijn, ook al weten zij, dat het alleen kan dienen om de tegenpartij nog woedender te maken. Zij voegde er daarom bij;
âOf ben ik hier misschien, evenals zonder geld, ook zonder hoed en doek gekomen?quot;
De vraag was logisch en afdoende. Mad. Mont-Athos werd er des te meer door verbolgen, en, de rekening op de tafel smijtende, bulderde zij uit: âde hoed en mantel zullen wel terugkomen: als ik eerst het geld heb. Ik heb met die praatjes niet noodig, kleuter! Je zult Madame Mont-Athos leeren kennen en je brutalen mond smoren, of ik zal je nog anders tracteeren als ik straks Rosalie getracteerd heb. â Wat let mij of. . ..quot; En zij hief haar breede hand omhoog; doch 't zij dat zij intijds bedacht, dat Nicolette voor quot;t oogenblik nog gemenageerd moest worden, 't zij dat de scherpe blik en de onbeweeglijke houding
260
van het jonge meisje een uitwerking op haar deden als die gewoonlijk wilde dieren ondervinden, wanneer zij het oog van den mensch ontmoeten, de opgeheven klauw zakte weer neer, en zonder een woord meer te verspillen, stapte zij de deur uit, sloeg die achter zich dicht, draaide het slot om en stak den sleutel bij zich, terwijl zij bij 't afgaan van de trap in zich zelve bromde:
â't Wordt hoog tijd, dat wij die nuf tam maken en ten minste zorg dragen, dat zij niet meer van haar eerlijkheid spreken kan.quot;
Nicolette behoefde zich nu twee dingen niet langer te bewimpelen, te weten, dat zij bestolen, en dat zij gevangen was; doch een en ander begreep zij, dat nog maar een voorbode was van erger dingen, die haar gebeuren konden. Zij ging zitten en overlegde wat haar te doen stond. Vooreerst, te zorgen, dat niemand, zonder geweld te gebruiken, bij haar binnen kon komen: te dien einde trok zij, hoewel niet zonder inspanning en moeite, de canapé voor de deur; een versperring, die wel altijd door een indringer was weg te ruimen; doch welk laatste voor 't minste niet geschieden kon zonder haar te waarschuwen, dat er onraad was. Toen schoof zij het raam zoo hoog mogelijk op en zag naar buiten, wat zij nog nooit met het oog op een ontsnapping gedaan had. Wel is waar, de gelegenheid hiertoe deed zich alles behalve gunstig voor: het raam mocht ongeveer het dubbele van Nicolettes hoogte van de binnenplaats af zijn; doch gesteld, het gelukte haar op de eene of andere wijze zich naar beneden te laten zakken, dan nog was zij niet veel gevorderd; want om op straat te komen, moest zij of het huis door, öf het muurtje, dat de plaats aan de eene zijde afsloot en, als reeds gezegd is, van boven met raster- of latwerk voorzien was, overklauteren, iets dat voor een huisbreker van beroep geen bezwaar zou hebben opgeleverd, maar niet volkomen 't werk was van een jonge juffrouw, althans niet zonder hulp van buiten. â Maar toch, die hulp kon misschien komen: en dan, er was middel om die in te roepen. Zij zette zich aan tafel en schreef eenige
261
regels aan den Heer Van Zirik, waarbij zij hem te kennen gaf, dat zij, door een samenloop van omstandigheden bij Mad. Mont-Athos aangeland zonder te weten welke soort van huis het was, daar nu gevangen gehouden werd en verlost wenschte te worden. Zij vouwde en sloot dien brief en bond dien met de beide andere (welke zij begreep dat wel niemand daar in huis op de post zou brengen) tot een pakketje te zamen; toen zag zij rond naar iets, dat gewicht aan dat pakketje geven kon, en zonder veel gewetensbezwaar te maken over den diefstal, dien zij wederkeerig pleegde, nam zij een der kleine âschilderijtjes,quot; den Merveilleux in 't houten lijstje, hechtte daar met tal van draden het pak brieven aan vast en keilde toen een en ander op goed vertrouwen het raam uit en over het hekwerk heen. Ongelukkig kon zij niet zien waar het bleef: of misschien gelukkig; want nu leefde zij nog in de hoop, dat het, op de openbare straat, aan de voeten van een eerlijken voorbijganger mocht geraakt zijn: en dit was, helaas! het geval niet; want wat zich achter het muurtje bevond, was niet de openbare straat, maar een pleintje, dat achter een stal gelegen was, en waar zelden of nooit iemand kwam, dan om er een kruiwagen met mest leeg te gooien: het pakket nu was wel niet in den mest nedergekomen, maar boven op een oud ongebruikt varkenshok, en, van de helling afglijdende, in de ruimte tusschen het hok en den muur blijven liggen, waar niemand, dan die eerst het hok opzettelijk beklom, het ontdekken kon.
Nu de eenige maatregelen van veiligheid genomen hebbende, waar zij voorloopig dienst van verwachten kon, besloot Nico-lette af te wachten wat er gebeuren zou, en daar menschen-hulp haar vooreerst ontbrak, smeekte zij, geknield voor haar sponde gelegen, in een vurig gebed, den Heer des Hemels om de hulp, die zij zoo dringend behoefde.
De avond was reeds gevallen, toen Nicolette uit haar mijmeringen werd opgewekt door het naderen van een stap en het omdraaien van den sleutel in 't slot: de deur sprong open en Nicolette van haar zitplaats, en een lichtstraal drong
262
naar binnen. Het was de gewone tijd, waarop men haar licht en een komnietje thee kwam brengen, en nu schaamde zij zich half voor de meid, die buiten stond, en de handen vol hebbende, vergeefs beproefde de deur verder open te duwen.
âBen je alleen?quot; vroeg Mcolette: âwacht, ik zal u helpen;quot; en meteen trok zij het meubelstuk, dat den toegang versperde, een eind terug.
De meid schoof binnen, keek vrij zuur, zette het kommetje, waaruit zij de helft gespild had, toen zij op de canapé stuitte, op de tafel en stak de lamp aan. Nicolette beschouwde haar aandachtiger, dan zij immer te voren gedaan had: 't was of zij haar door en door wilde zien en te weten komen, of wellicht achter dat ruwe voorkomen een hart schuilde, dat deernis met haar hebben zou; doch zij kon tot geen gunstige uitkomst geraken, en zij liet de meid weder vertrekken, zonder oen woord met haar gewisseld te hebben. Toen herstelde zij de versperring, gelijk die geweest was. Het was haar toch een soort van geruststelling, dat men, als nu gebleken was, niet binnen kon komen, zonder dat zij 't merkte, en zij dan nog een tijdlang den indringer kon buiten houden. Zij zette zich aan de tafel, dronk een weinig en bleef intusschen het oog stijf op de deur gevestigd houden. Daar hoorde zij geloop, de trappen op en weer af; doch het ging voorbij: later hetzelfde herhaald: muziek, zang, nu en dan het gerinkkink van glazen, die door de gang gedragen werden: in 't kort, allerlei blijken, dat er bezoekers waren. Terwijl zij luisterde, was het haar op eens, of zij lood in 't hoofd had en voelde zij een schier onweerstaanbare neiging tot slapen. Het vermoeden rees onmiddellijk bij haar op, dat een slaapmiddel haar in de thee was toegediend. Zij stond op, deed eenige schreden door de kamer heen en weer, baadde zich het hoofd in koud water, hervatte haar wandeling, en verzette zich zooveel mogelijk tegen de bedwelmende gewaarwording. Gelukkig was een gedeelte van de thee, als gezegd is, gespild, en had zij de rest niet geheel opgedronken; zoodat het slaapmiddel, gesteld dat de vermenging werkelijk had plaats gehad, zijn volle uit-
263
werking niet had kunnen doen. Langzamerhand week dan ook de dofheid, die zij gevoeld had, voor den krachtigen prikkel van den angst over hetgeen haar te wachten stond. Eindelijk, vermoeid van 't op en neder loopen, zette zij zich weder, als te voren de oogen op de deur gevestigd houdende. Maar wie schetst haar schrik, toen zij op eens een gerucht achter zich hoorde ? Zij zag om: uit het donker trad een gedaante te voorschijn, en, eer zij van ontsteltenis opstaan of zich roeren kon, zag zij voor zich den gehaten persoon van den Baron Van Tilbury.
VIERDE HOOFDSTUK.
HET VOGELTJE TÃSSCHEN DEN SPERWER EN DEN SPREEUWquot;.
âIk wist het wel, ma charmante! dat ik eindelijk mijn wensch bereiken zou,quot; zei Tilbury, al grinnikende, en terwijl hij zijn arm om Nicolettes hals poogde te slaan; maar deze, hoezeer een oogenblik door de verrassing als versteend, was spoedig weder tot haar zinnen gekomen en, opspringende, ontdook zij de omhelzing, vlood naar de andere zijde van de tafel, haar stoel met zich trekkende, en dit verdedigingsmiddel met beide handen vasthoudende, stond zij nu ter afwering van alle gemeenzaamheid gereed.
âMaar wees dan toch zoo dwaas niet, malle meid!quot; zei Tilbury: âzie je, in 't Bosch of op de markt, daar ging het goed, de preutsche te spelen; maar hier in huis strijdt zoo iets tegen allen regel en alle reden. Je bent ongesteld geweest, en dat heeft mij gespeten: nu kom ik u gelukwenschen met uw herstel, en dan is 't niet heusch, mij voor mijn beleefdheid een stoel naar 't hoofd te willen gooien: bovendien zou u die drift maar weer doen instorten. Kom wees een verstandige meid, zet dat meubelstuk neer, en drink een glas wijn met mij; dat zal je levensgeesten weer opwekken. â Hier mama! waar ben je met je wijn?quot;
264
âHier ben ik,quot; antwoordde, tot hernieuwden schrik van Nicolette, de stem van Mad. Mont-Athos uit denzelfden donkeren hoek, als waar Tilbury uit was opgedaagd, en de matrone trad naar voren, met een blaadje, waarop een flesch en twee glazen. Zij wendde den blik even naar de versperring en begon toen luidkeels te lachen.
âZie! dat had je niet gedacht, juffertje, dat wij er meer dan één manier op wisten, om hier binnen te komen. Je ziet wel,quot; â en hier zette zij eerst het blaadje op tafel en toen de canapé weder op haar plaats â âdat al die kunsten niets helpen. Ik zou nu, in jou plaats, maar verstandig wezen en geen fratsen meer maken, als Mijnheer zoo beleefd is, je een visite te komen brengen .... Mijnheer is een genereus heer, die het goed met je maken zal.... â Nu! â niet kinderachtig wezen, en als Mijnheer wat noodig heeft, dan roept hij maar ... .quot;
âIk heb het middel hier om mij te doen hooren,quot; zei Tilbury, en den kattekop, die zijn rotting versierde, in den mond stekende, deed hij een schel gefluit herklinken.
âJe hoort het,quot; hernam Mad. Mont-Athos, tegen Nicolette: âop 't minste sein ben ik hier, en ik raad u, geen onnoodige sporreling te maken.quot; Met deze vermaning verwijderde zij zich langs den weg van waar zij gekomen was, en nu zag Nicolette, dat die weg eenvoudig door de hangkast liep, welke laatste door een verborgen achterdeur met een zijgang verbonden was.
âNu, mijn engel,quot; zei Tilbury, terwijl hij, Nicolette met tintelende oogen aanziende, de glazen inschonk, âleg nu die boosheid af, en kom als een goed kind bij mij zitten.quot;
âMijnheer de Baron Van Tilbury!quot; zei Nicolette, altijd in dezelfde houding tegenover hem staande : âindien je waarlijk een edelman zijt, als men van u zegt, toon het dan door uw handelwijze, en help mij dit hol verlaten, waar ik door een ongelukkig toeval ben ingekomen, en waar ik tegen recht en billijkheid gevangen wordt gehouden.quot;
âU hier uithelpen!quot; riep de andere, met een boozen lach;
2(35
âmijn eigen werk weer vernielen? â Want wie anders dan ik is 't geweest, die, toen ik ontdekte, dat Mama Canaille u kende, haar geld beloofd heb, indien zij mij een ontmoeting met u bezorgen kon? wie heeft, toen je ziek waart, en zij u naar 't gasthuis zenden wou, haar beduid, u hier te houden en de verpleegkosten betaald ? Wie is hier keer op keer geweest, om naar uw toestand te vernemen, en wie heeft zich verheugd over uw herstel? â En nu, in plaats van een weinig dankbaar te zijn voor al wat ik gedaan heb, sta je daar in een dreigende houding, alsof ik je doodvijand was, ik, die je adoreer van 't eerste oogenblik dat ik je gezien heb!quot; en, als besluit van deze treffende tirade, hief hij, met een bevende stem, het lied uit de Favorite (eenigszins verhanseld) aan:
Pour tant d'amour ne soyez point ingrate:
Quand je n'aurai que vous pour mon bonheur.
Quand d'etre airaé maintenant je me flatte,
Ne me chassez jamais de votrc coeur.
âU dankbaar zijn!quot; riep Nicolette: âu, die met zulke schepsels, als die vrouw daar, heult en uw geld uitgeeft met geen ander doel dan om mij voor altijd ongelukkig te maken. Mijnheer! is dat de handelwijs van een edelman? ik vraag 't u nog eens! â Ik heb u reeds dikwijls genoeg doen blijken, dat uw vervolging mij lastig was, en het is een man van uw stand en jaren onwaardig, mij desniettemin te blijven vervolgen met wat je liefde noemt. Indien je eenig gevoel van eer, of, laat ik zeggen van menschelijkheid in je lijf hadt, dan zou je bewogen zijn met het lot van een wees, die, onschuldig, hulpeloos en verlaten, het slachtoffer is van de gruwelijkste boosheid, en je zoudt mij helpen, weder uit de klauwen van die vrouw te geraken. â Och! doe dat. Mijnheer! wees edelmoedig! wees goed voor mij! â breng mij hier uit, en ik zal uw naam nog zegenen: en het zal u op uw ouden dag nog een aangenaam herdenken geven, en hiernamaals u meer goed doen, dan het volharden in pogingen, die u toch mislukken zullen; want ik verklaar u eens voor al, gebeure wat er wil, ik zal eer sterven dan dat ik slecht
266
worde. Men zal mij kunnen slaan, mishandelen, opsluiten, doen wat men wil, ik zal sterven, eer dan toe te geven.quot;
Het was vergeefs, of Nicolette in haar rede beurtelings het medelijden, het gevoel van eer en het godsdienstig gevoel van den Baron had willen opwekken: hij was even doof voor vermaningen als voor smeekingen, en even weinig vatbaar voor plichtbesef als voor schaamte: of liever, hij had niet geluisterd, maar, zoolang Nicolette sprak, zitten loeren als een kat, die 't geschiktste oogenblik verbeidt, dat zij een muis onverhoeds bespringen zal: en juist toen zij zweeg, nam hij zijn kans waar, sprong met tijgervlugheid op, en had haar om 't midden gevat, eer zij er op verdacht was of zich van den stoel bedienen kon om hem te weren. Doch hij had deze reis niet veel meer gewonnen dan de vorige, en het behaalde voordeel was van korten duur. Reeds dadelijk kon hij ondervinden. dat een uitgemergelde grijsaard als hij niet opgewassen was tegen een meisje van even twintig jaren, dat, al mocht het door de koorts wat verzwakt zijn, toch nog altijd kracht genoeg behouden had om hem te weerstaan, vooral nu de angst die kracht vertienvoudigde. Den stoel loslatende, greep zij hem met de eene hand in zijn das en deed met de andere vuistslag op vuistslag op zijn armen nederdalen, totdat zij hem dwong los te laten en, half gewurgd, op de canapé terug te vallen. Doch de ontvangen les had zijn saterswoede slechts verdubbeld, en zijn rotting opnemende, blies hij uit al zijn macht in het fluitje aan den knop.
âLafaard!quot; riep zij, wederom den stoel oprapende en zich gereed houdende een nieuwen aanval te doorstaan.
Dit was spoedig genoeg het geval. Door het gefluit gewaarschuwd, stormde, nu door de gewone deur. Mad. Mont-Athos binnen.
âWat is er aan de hand?quot; vroeg zij met de oogen eener furie.
âDe prij is mij te sterk,quot; antwoordde Tilbury, al hijgende.
âWil ze niet goedschiks, dan kwaadschiks,quot; zeide de helleveeg: âwij weten, hoe men met dat volkje omspringt als 't weerbarstig is.quot; En te gelijk, met opgeheven arm op Nico-
267
lette, die zich in een hoek verschanst had, losgaande, begon zij met den stoel te grijpen en haar dien te ontweldigen, waarna zij het arme schaap met haar twee breede handen bij de schouders pakte, die ze kneep alsof zij ze tot pulver malen zou, haar aldus belettende eenige tegenweer te bieden; waarna zij haar naar de canapé droeg. Hier voelde Nicolette de handen van den ouden booswicht weder op haar kleed en de afschuw ontlokte haar een gegil, zoo rauw, dat het door 't ge-heele huis doorklonk. Snel lei nu de gruwzame megeer haar de eene hand op den mond, greep haar met de andere om de keel en drukte haar zoo op de canapé neder. Nicolette had nu echter de armen weder vrij gekregen: snel draaide zij zich om, raakte een oogenblik los en hief een tweede, niet minder ijzingwekkend gegil aan. â 't Was echter vergeefs, dat zij hopen kon, zich tegen de overmacht te verdedigen. Zij was onmiddellijk weder onder het bedwang van het reusachtige wijf, en de gruwzame Tilbury beschouwde haar reeds als een wisse prooi, toen zich van uit het portaal een luid rumoer deed hooren, een forsche trap de deur deed openvliegen en een heer, met een stuk drie of vier jonge meisjes achter hem, zich op den drempel vertoonde.
âWat wil dat?quot; vroeg hij met schorre stem: âwordt hier een varken gekeeld?quot;
Mad. Mont-Athos had op 't gerucht omgekeken en Nicolette «ven losgelaten, die, redding ziende opdagen, terstond haar hulpgeschrei weder aanhief.quot;
âHulp!quot; riep zij, âwie daar wezen mag! die booswicht wil mij geweld aandoen.quot;
âWat! die ouwe?quot; vroeg de onbekende, terwijl hij Tilbury van achteren bij zijn rokskraag pakte en naar zich toe trok: â en hij barstte in een luid geschater uit.
Mad. Mont-Athos stond een oogenblik onthutst: zij kende den nieuwgekomene zeer goed: 't was een mild heer, die een half uur te voren naar achteren gegaan was en een paar flesschen champagne besteld had, en zij wilde een gevecht tusschen twee goede klanten van haar voorkomen.
268
âWees bedaard,quot; zeide zij: âMijnheer Galjart! het is niets: alleen een meisje, dat haar plicht niet verkiest te doen.quot;
Maar op het hoeren van dien naam was Nicolette opgesprongen met den uitroep:
âRed mij! red mij! ik ben Klaasje, uw Klaasje!quot;
âKlaasje!quot; herhaalde Galjart, die nu hetzelfde meisje, dat hij bij Donia gezien had, en tevens zijn pleegkind, herkende.
âKlaasje!quot; herhaalde een echo in 't portaal; doch zonder dat iemand van hen, die binnen waren, het hoorde.
âEn wat had jij met Klaasje voor, ouwe schobberd?quot; vervolgde hij, Tilbury in de borst pakkende.
âHelp!quot; kreet Tilbury vol angst: âverlost mij van dien beschonken kerel.quot;
âBeschonken!quot; brulde Galjart, wien dit epitheton te meer hinderde, omdat het werkelijk eenigszins verdiend was: âdat mag je zelf wezen,quot; en meteen den ouden man schuddende als een zak, smeet hij hem door de open deur en dwars door het aldaar staande vrouwvolk heen van zich af. De Baron, op den rand van de trap te land gekomen, deed een slag om en buitelde van al de treden naar beneden, waar hij kermend liggen bleef.
âMoord! moord! Politie!quot; riepen de meisjes, verschrikt door elkander stuivende.
âMijnheer Galjart! mijn hemel bewaar ons! wat heb je gedaan?quot; â riep Mad. Mont-Athos en snelde de kamer uit.
âBrui naar de pomp!quot; riep Galjart, de deur achter haar toewerpende: en toen, zich naar Nicolette wendende, vroeg hij op verbaasden toon: âhoe duivel is dat, dat ik jou hier vind?quot;
âOch! lieve vader Galjart! help mij toch hier vandaan,quot; smeekte Nicolette, de handen wringende.
Ware Galjart volkomen nuchteren geweest, hij had waarschijnlijk niet geaarzeld, aan het verzoek te voldoen, of zulks althans te beproeven; maar ongelukkig was hij reeds met een halven roes aan 't huis van Mad. Mont-Athos aangeland; hij had er met eenige deernen in de achterkamer zitten champagne drinken, en, al kon hij het nog op de been houden.
269
toch was het hem niet volkomen helder in 't hoofd, en, gelijk dronkaards gewoonlijk zich vasthouden aan een bepaalde opvatting, zoo kwam nu het denkbeeld bij hem op den voorgrond, dat hij juist hier geroepen was, om Mcolette te onderhouden over haar aanwezigheid te dier plaatse. Hij zette zich, zag haar met een verwijtenden blik en een ernstig hoofdschudden in 't gelaat, en begon toen, op een toon die plechtig zou geweest zijn, indien hij minder in tegenspraak ware geweest met het schorre van het geluid en met het gerasp, gegorgel, gehik en gekuch, dat zyn rede telkens afbrak, een deftig sermoen;
âWel Klaasje! Klaasje! is het zoo, dat ik u moest.... huch .... dat ik je moest terugvinden! Hebben wij .... hrrr! heb ik, wil ik zeggen, je daarom, in een doos met letters.... neen .... hrrr! . ... zonder letters, aangenomen en .... als mijn .... uch! als ons eigen kind gevoedsterd en verpleegd en uw kostgeld betaald.... ofschoon ik er... . er in de laatste .... hk! . .. . jaren .... veel te kort aan ben .... hrrr!.... geschoten, om je terug te vinden.... hk! in een .... hk!quot;
âMaar ik verzeker u . . . .quot; zei Nicolette.
âHm! stil!quot; hernam Galjart, met een plechtige gebaarde; âval mij niet.... hm!. . . val mij niet in de rede, â ik wil maar zeggen .... huch! . . . . ik zou er van kunnen schreien.... hrrr! ik en al uw pl. . . . pl. . . . pleegvaders .... alle zeven, kon ik dat denken.... hk! . .. . toen ik je een maand geleden ontmoette en ... . hk ! . .. . niet.... hk! . . . . niet herkende .... dat je zoo de Bree-Veertien zou zijn opgevaren? â Kon ik dat denken? â Neen! Kon Donia het denken? â neen! â Schreien zal hij, als hij 't hoort: â hk! en de Maleier zal schreien.... en Hoogenberg â en Dominee â en Eylar â allen zullen ze schreien! en Bleek .... neen! â die zal niet schreien; maar hij zal... . hk! . . .. u een boet-pr .... predikatie houden, de gemeene hui.... huichelaar die hij is, en allen .... Van Zi . ... Zirik ook . . . .quot;
âMaar ik bid u, laten wij toch niet langer hier. . . .quot;
270
âStil! ik heb nog niet uitgesproken,quot; hernam Galjart, op-dit oogenblik even stijf op zijn stuk blijvende als de schoolmeester bij La Fontaine tegenover den knaap, die in 't water lag: âik had gehoord je waart van Mw. Van Zirik vandaan.... ik zou er je nooit gebracht hebben: 't was een alles behalve goede leerschool voor je ... . maar toch, dat je ... . hm! . . . . zoo spoedig.... dat je, zeg ik .... hrrr!....quot;
En, het noodig oordeelende zijn droge keel wat te laven, schonk hij zich zonder omslag een glas vol van den wijn, die voor Tilbury gekomen was, en zwolg het leeg.quot;
âHm! goede pommiez deze: ik moet hem nog eens proevenâ en hij ging voort met zich in te schenken en glas achter glas te ledigen.
âEn dat je nu zoo spoedig den weg, die ten verderve leidt.... hk! bent opgerend .... en dat ik je hier vind .... hier .... wijn drinkende met dien verloopen .... verlieder.... liederlijkten Baron .... dien Til... . Tilbury! . . . . wijn drinken .... neen â 't was niet met je consent zul je zeggen.... maar hoe kwam je dan hier? â ordentelijke meisjes komen niet hier .... en wie hier komt, is bedorven .... en zie ... . dat spijt mij van je ... . dat spijt mij.... daar kan ik van schreien.quot;
En werkelijk barstte hij uit in tranen: de dronkenschap was nu in de phase der aandoenlijkheid overgegaan: en, met de ellebogen op de beide knieën gesteund en het aangezicht in de handen bergende, schreide en snikte hij als een kind. Dit was niet geruststellend voor Nicolette, die met angst voorzag, dat zij, in de stemming, waarin hij zich bevond, weinig bijstand van hem hebben, weinig bescherming bij hem vinden zou. En toch was hij de eenige, van wien zij redding meende te kunnen wachten: geraakte hij buiten staat haar die te verleenen, dan was haar lot beslist, dan stond haar niets voor oogen dan de dood: want de dood zou haar in elk geval verkieselijk zijn boven de schande.
En toch was zelfzucht op dit oogenblik niet de gewaarwording, die bij haar bovendreef: zij had innig medelijden
271
met den ongelukkige. Was hij het niet, in wiens handen zij als onnoozel wicht was overgegeven, en die haar liefderijk had opgenomen? Was hij niet haar pleegvader, die jaren lang tot haar verzorging had bijgedragen? Had hij niet, ook nu, zich den reddenden engel getoond, die haar van dien afschuwe-liiken Tilbury had verlost? die door woord en daad getuigde, dat hij haar nog genegen was? wiens verwijten zei ven, hoe hard en onverdiend die haar in de ooren klonken, haar toch van zijn innige belangstelling getuigden? â En was het niet om haar, dat die tranen vloten ? O! zij schaamde zich bijkans, dat hier tegenover hem nog een ander gevoel bij haar sprak, dan dat van deelneming met zijn toestand: zij vond zich zelve onbillijk en ondankbaar tegen den man, aan wien zij zooveei verschuldigd was. Zoolang hij hier en by haar was, kon zij immers gerust zijn: zijn tegenwoordigheid was haar immers een waarborg van veiligheid.
âWeen niet, wees niet bedroefd, lieve vader Galjart!quot; riep zij, terwijl zij naast hem nederknielde en met haar zakdoek de tranen van zijn gelaat wischte: âween vooral niet om mij, want ik ben nog altijd uw liefde waardig, ik heb mij niets te verwijten van wat mijn lieve vader gelooft. Wees toch bedaard lieve Vader, het is mij zoo akelig, iemand dien ik liefheb, iemand van uw leeftijd, te zien huilen; je behoeft om Klaasje niet te huilen: God is mijn getuige. Klaasje is nog altijd onschuldig en rein: 't is een samenloop van zaken, die mij hier heeft gebracht zonder dat ik wist waar ik kwam. Wees toch bedaard, en laten wij van deze afschuwelijke plaats gaan.quot;
Op deze wijze ging zij nog een geruimen tijd voort met haar pogingen, om door vleiende woorden en betuigingen van haai' onschuld hem tot bedaren te brengen; maar 't was of zij tot een doove sprak, of althans tot iemand, die door een vast denkbeeld bezeten was. Helaas! het was den armen Galjart niet ten kwade te duiden, dat hij, waar de schijn zoo luide sprak, en zijn brein te veel beneveld was om hem te vergunnen een bedaard onderzoek in te stellen, aan haar verzekerin-
272
gen geen geloof sloeg. Zoo menigmalen had hij er dergelijke aangehoord; zoo menigmalen, toen hij nog jong en minder ervaren was, er geloof aan geslagen, om later te ontdekken, hoe bitter men hem bedrogen had. Te meer betreurenswaard was het, dat, nu, een onschuldige het misgelden moest en het geloof niet verkreeg, dat hij vroeger aan onwaardigen geschonken had.
âJa, ja!quot; stotterde hij met een stem, door snikken afgebroken: âik ken dat.... je hoeft er mij niets van te vertellen____
jelui bent er allemaal ongelukkig aangekomen .... 't is altijd het oude historietje.... men wist niet.... en men dacht niet.... en men was niet voornemens .... och! och! dat je zoo te land moest komen.... o! wat zal Donia zeggen! en Bleek â Bleek zal er in groeien .... die heeft het altijd wel gezeid, die schijnheilige huichelaar!quot;
Hier kregen, als het met beschonken lieden meer gaat, zijn gedachten opeens een anderen loop, en vergat hij een poos den toestand van het meisje, dat nevens hem geknield lag, om den man, aan wien hij het verlies van zijn vermogen weet. De phase der aandoenlijkheid werd weer vervangen door die der verontwaardiging, en het schreien door een bitter en akelig lachen.
âJa,quot; riep hij, âdie Bleek! â En nog wel mijn zwager! â Van je famielje moet je 't hebben; 't Is gelukkig, dat je geen famielje hebt, Klaasje! â die vrome man met zijn uitgestreken gezicht! â te zeggen, dat de firma ontbonden is en ik al mijn geld kwijt ben .... en hij .... ha ha! een nieuwen gevel aan zijn huis zet en er een buitenplaats op nahoudt! â Heb je er van gehoord Klaasje? Jan Bleek Az. blijft de groote man, de solide man, een pijler van de Beurs, en ik word met den vinger nagewezen, omdat ik niet solide ben. â Maar ik versta ook geen boekhouden. â Jan Bleek Az. verstaat het â en daarom heeft hij ook een plaats te Zeist, waar hij s Zaterdags naar toe gaat, en Zondagsavonds vandaan komt. â Ha! â En voor hem neemt ieder zijn hoed af, terwijl zij, die mij kennen, het hoofd van mij afwenden. â
273
Nu! 't is billijk: hij heeft immers geld â en voor geld neemt ieder den hoed af, onverschillig hoe 't verkregen is: â en daarbij is hij vroom: â vroom! ha! ha! ha! â Hoor eens Klaasje, als je zoo iemand tegenkomt, met een uitgestreken gezicht, een altijd even glanzende kachelpijp op de gladgekamde haren, een witte das, een zwarten rok en het voorkomen van een diaken op Zondag, wacht je dan voor dien man â hij zal je een traktaatje in de hand stoppen met de eene, en je zak rollen met de andere hand, gesteld, dat je nog wat in je zak hebt. â 't Is de gevleesde satan, die Bleek! â Een p ere at moet je met mij op hem drinken! maar wat d .. . .! de flesch is leeg. â quot;Wijn moet er wezen! meer wijn! â Ik moet een pereat drinken op Bleek.quot; En meteen opstaande, en met de beide handen op de tafel rustende om zich staande te houden, liet hij zijn blikken daar overheen dwalen.
âIs er geen schel?quot; vroeg hij: âgeen schel! â Wat is dit hier voor een huishouding, dat er ... . geen schel is ?quot;
Hoe ook Nicolette te voren naar een schel verlangd mocht hebben, nu was zij maar blijde, dat die ontbrak; de vrees, dat Galjart, in den toestand, waarin hij verkeerde, haar hulp noch bescherming zou kunnen verleenen, kwelde haar op zich zelve reeds genoeg, en hoeveel te meer moest haar het denkbeeld doen sidderen, dat hij die gehate vrouw weer binnen zou roepen, en wat zou dan daarvan het gevolg zijn ? öf een twist tusschen die beiden, öf, wat niet minder te duchten was, het inwilligen harerzijds van zijn begeerte naar nog meer wijn. 't Eene was nog gevaarlijker dan 't andere, en hoe 't liep, in beide gevallen liet het zich voorzien, dat Nicolette er het slachtoffer van wezen zou.
Zij had zich gelijktijdig met Galjart opgericht, en stond nu met gevouwen handen in smeekende houding voor hem.
âAch, lieve vader Galjart!quot; smeekte zij: âlaat dat mensch niet hier komen, en wees toch bedaard. Wie zal mij hier uithelpen, indien Vadertjelief het niet doet? Ga toch weer zitten, en laat ons bedaard over de zaak spreken.quot;
âJa, goed!quot; antwoordde hij, op een toon, die alles behalve
III. - k. z. 18
272
gen geen geloof sloeg. Zoo menigmalen had hij er dergelijke aangehoord; zoo menigmalen, toen hij nog jong en minder ervaren was, er geloof aan geslagen, om later te ontdekken, hoe bitter men hem bedrogen had. Te meer betreurenswaard was het, dat, nu, een onschuldige het misgelden moest en het geloof niet verkreeg, dat hij vroeger aan onwaardigen geschonken had.
âJa, ja!quot; stotterde hij met een stem, door snikken afgebroken: âik ken dat----je hoeft er mij niets van te vertellen____
jelui bent er allemaal ongelukkig aangekomen .... 't is altijd het oude historietje.... men wist niet.... en men dacht niet.... en men was niet voornemens .... och! och! dat je zoo te land moest komen.... o! wat zal Donia zeggen! en Bleek â Bleek zal er in groeien .... die heeft het altijd wel gezeid, die schijnheilige huichelaar!quot;
Hier kregen, als het met beschonken lieden meer gaat, zijn gedachten opeens een anderen loop, en vergat hij een poos den toestand van het meisje, dat nevens hem geknield lag, om den man, aan wien hij het verlies van zijn vermogen weet. De phase der aandoenlijkheid werd weer vervangen door die der verontwaardiging, en het schreien door een bitter en akelig lachen.
âJa,quot; riep hij, âdie Bleek! â En nog wel mijn zwager! â Van je famielje moet je 't hebben: 't Is gelukkig, datje geen famielje hebt. Klaasje! â die vrome man met zijn uitgestreken gezicht! â te zeggen, dat de firma ontbonden is en ik al mijn geld kwijt ben .... en hij .... ha ha! een nieuwen gevel aan zijn huis zet en er een buitenplaats op nahoudt! â Heb je er van gehoord Klaasje? Jan Bleek Az. blijft de groote man, de solide man, een pijler van de Beurs, en ik word met den vinger nagewezen, omdat ik niet solide ben. â Maar ik versta ook geen boekhouden. â Jan Bleek Az. verstaat het â en daarom heeft hij ook een plaats te Zeist, waar hij 's Zaterdags naar toe gaat, en Zondagsavonds vandaan komt. â Ha! â En voor hem neemt ieder zijn hoed af, terwijl zij, die mij kennen, het hoofd van mij afwenden. â
273
Nu! 't is billijk: hij heeft immers geld â en voor geld neemt ieder den hoed af, onverschillig hoe 't verkregen is: â en daarbij is hij vroom; â vroom! ha! ha! ha! â Hoor eens Klaasje, als je zoo iemand tegenkomt, met een uitgestreken gezicht, een altijd even glanzende kachelpijp op de gladgekamde haren, een witte das, een zwarten rok en het voorkomen van een diaken op Zondag, wacht je dan voor dien man â hij zal je een traktaatje in de hand stoppen met de eene, en je zak rollen met de andere hand, gesteld, dat je nog wat in je zak hebt. â 't Is de gevleesde satan, die Bleek! â Een p ere at moet je met mij op hem drinken! maar wat d....! de flesch is leeg. â Wijn moet er wezen! meer wijn! â Ik moet een per eat drinken op Bleek.quot; En meteen opstaande, en met de beide handen op de tafel rustende om zich staande te houden, liet hij zijn blikken daar overheen dwalen.
âIs er geen schel?quot; vroeg hij; âgeen schel! â Wat is dit hier voor een huishouding, dat er... . geen schel is ?quot;
Hoe ook Nicolette te voren naar een schel verlangd mocht hebben, nu was zij maar blijde, dat die ontbrak; de vrees, dat G-aljart, in den toestand, waarin hij verkeerde, haar hulp noch bescherming zou kunnen verleenen, kwelde haar op zich zelve reeds genoeg, en hoeveel te meer moest haar het denkbeeld doen sidderen, dat hij die gehate vrouw weer binnen zou roepen, en wat zou dan daarvan het gevolg zijn ? of een twist tusschen die beiden, of, wat niet minder te duchten was, het inwilligen harerzijds van zijn begeerte naar nog meer wijn. 't Eene was nog gevaarlijker dan 't andere, en hoe 't liep, in beide gevallen liet het zich voorzien, dat Nicolette er het slachtoffer van wezen zou.
Zij had zich gelijktijdig met Galjart opgericht, en stond nu met gevouwen handen in smeekende houding voor hem.
âAch, lieve vader Galjart!quot; smeekte zij: âlaat dat mensch niet hier komen, en wees toch bedaard. Wie zal mij hier uithelpen, indien Vadertjelief het niet doet? Ga toch weer zitten, en laat ons bedaard over de zaak spreken.quot;
âJa, goed!quot; antwoordde hij, op een toon, die alles behalve
III. - K. Z. 18
274
geruststellend was: âwij zullen er over spreken.... als ik
eerst wat te drinken heb; â ik heb dorst____grooten dorst____
en er is geen schel.... waar is dat vervl.... wijf! Mama Canaille!quot; riep hij, met een schor geluid, en terwijl hij de
tafel losliet en naar de deur zwaaide: âMama Ca____naille!
Moeder van satan! wijn!quot;
Nicolette was hem nagesneld en poogde hem de hand voor den mond te houden, wat echter weinig zou gebaat hebben; doch een andere macht, sterker dan de hare, de staat zelf, waarin hij verkeerde, bracht hem tot zwijgen. Zoolang hij nog op de canapé was gezeten en daarna een steunpunt aan de tafel had gehad, had zijn physieke kracht hem niet geheel verlaten; doch nauwelijks had hij beproefd te loopen, of het bleek, dat de gedronken pom mie z, en daarbij wellicht de aandoening, welke hem de ontmoeting met Nicolette veroorzaakt had, hem den nekslag had gegeven. Hij werd topzwaar, do beenen weigerden hun dienst en, eer het arme meisje er op verdacht was of een poging kon aanwenden om het te voorkomen, plofte hij op den vloer en bleef als een roerloos blok uitgestrekt liggen.
âO mijn God! wat nu weer?quot; kermde zij, de handen angstig wringende.
't -Was natuurlijk vruchteloos, dat zij beproefde hem op te helpen; er was geen beweging in het lichaam te krijgen: het hoofd was op de borst gezonken en de oogen waren gesloten.
Nicolette vergat een wijl haar eigen toestand, om alleen aan dien van den ongelukkigen beschonkene te denken. Zij kreeg de kussens van haar bed en lei die onder het hoofd van Galjart: zij doopte haar handdoek in water en wreef er zijn hoofdslapen mee: zij maakte zijn das en halsboord los om hem lucht te geven: zij deed alles in 't kort wat zij uitdenken kon om hem verlichting te verschaffen. Welke bekommering echter zijn wezenlooze toestand haar inboezemde, zij zou vermoedelijk nog grooter angst gevoed hebben, indien zij nooit te voren een beschonkene had gezien. Doch als kind had zij, in de buurt waar zij woonde, meermalen de gelegen-
275
heid gehad, lieden in gelijken toestand op straat of op een stoep te zien liggen, die dan den volgenden dag, als zij hun roes hadden uitgeslapen, weer haar kelder in de Bloemdwars-straat voorbij kuierden en naar hun karwei gingen, zonder dat hun iets scheen te deren. Zij vleide zich dan ook nu, dat de rust Galjart wel weer herstellen zou, en werkelijk, na eenigen tijd, kondigde haar zijn luid gesnork aan, dat hij sliep. Wel klonk dat snorken benauwd en akelig, en zwoegde de borst heftig op en neer; maar in den staat, waarin de slaper verkeerde, was er wel niet anders te verwachten.
Nu eenigszins van haar bezorgdheid voor Galjart bevrijd, begon die voor haar eigen toestand weder met dubbele kracht bij haar op te rijzen. Wat zou zij doen, indien Mad. Mont-Athos eens wederkeerde, den slapende naar een ander vertrek liet vervoeren, misschien op straat werpen of aan de Politie overgeven â 't schepsel was er niet te goed toe, meende zij â in elk geval den eenigen man verwijderde, van wien zij redding wachten kon, wiens tegenwoordigheid alleen, zelfs in den toestand, waarin hij nu verkeerde, haar eenige gerustheid schonk? Hoe zou zij, in geval zij den bijstand van Galjart miste, aan dit huis ontkomen? hoe, in geval zich geen middel tot verlossing voordeed, op den duur haar worsteling voortzetten met de vrouw, in wier macht zij zich bevond, en die voor geen gewelddadigheden terugdeinsde om haar afschuwelijk doel te bereiken? â Intusschen, hoe raad- eu reddeloos haar toestand scheen, zij besefte toch, dat klagen en jammeren en handenwringen, haar niet baten zou, dat een middel om te ontkomen moest opgespoord worden, en dat dit alleen kon plaats hebben door 't in 't werk stellen van bedaard overleg: ja zelfs, al kreeg zij, na het berekenen van alle kansen, de overtuiging, dat ontvluchting onmogelijk was, dan nog was er kalmte noodig om te besluiten wat zij doen zou ter verdediging van haar eer. â Immers zij mocht al bij zich zelve het gevoel hebben, dat zij den dood zou verkiezen boven de schande, en niet terugdeinzen voor de schrikkelijke gedachte aan een zelfmoord, een zelfmoord is en blijft toch
276
altijd een misdaad, die alleen verontschuldigd kan worden als zij gepleegd wordt om het bedrijven van een erger kwaad te ontgaan, en waartoe men alzoo zijn toevlucht niet nemen mag, dan wanneer men tot het uiterste gedreven is: â en nu deed zich de vraag op, of juist, als dat uiterste gekomen was, de zelfmoord wel bij eenige mogelijkheid zou uitvoerbaar zijn. De speler bij Regnard mocht al zeggen, dat hij daartoe overvloed van middelen bij de hand had.
La riviere, le feu, le poison et le fer;
rivier, vergif noch vuur was hier te vinden, en dolken of andere doodende werktuigen hebben alleen de tooneelhelden bij zich. Uit het raam te springen, zou haar wel belet worden, en dan nog de kans opleveren dat zij enkel een arm of been brak, zonder aan de macht der vrouw van den huize te ontsnappen. Was er niet een wapen te vinden, dat zij tegen anderen, of desnoods tegen zich zelve keeren kon ? â Zij moest zoeken.... zij opende haar koffer, haalde werkmandjes en doozen voor den dag, nam beurtelings scharen, een penne-mesje, een priempje â helaas! voorwerpen, waar men, ja, een wond mee kon toebrengen, maar niet wel iets degelijks mee kon uitrichten.
Terwijl zij al verder zocht en haar goed omhaalde, daar voelden haar vingers iets hards, dat zij greep en onwillekeurig naar zich toehaalde, 't quot;Was iets, dat in eene van haar japonnen zat, en wel in dezelfde, die zij had aangehad op den nood-lottigen dag, toen zij voor 't eerst een voet in dit huis gezet had: die japon, waar Rosalie die scheur aan verholpen had: â op eens wist zij wat het was: â 't was het rolletje, dat zij van Donia gekregen en bij zich gestoken had. Bij haar terugkomst ten huize van Mw. Van Zirik had zij die japon onmiddellijk uitgetrokken om haar middagtoilet te maken en ook, om te zien, of de scheur wel goed gedicht was en die dan bij gelegenheid op haar gemak te herstellen. De ontroering, door het gebeurde op de Groenmarkt bij haar teweeggebracht, had haar, op het oogenblik, dat zij de japon over een stoel
277
wierp, geheel doen vergeten, dat daar nog iets inzat, dat weggesloten diende te worden. Mw. Van Zirik had het gewaad met de rest in den koffer geworpen zonder het te betasten, en het bleek nu, dat Mad. Mont-Athos dit laatste ook niet gedaan had.
Nicolette haalde onmiddellijk het rolletje voor den dag en stak het bij zich. Een drenkeling klemt zich aan een drijvende stroowisch: doch hier was meer dan een stroowisch: hier was klinkende specie, en die kon misschien redding verschaften. In elk geval, de wijze waarop dit goud, juist ten gevolge van een verzuim van Nicolette uit de klauwen van Mad. Mont-Athos gered was, had iets providentieels: 't gaf een eerste flikkering van hoop in Nicolettes hart: het scheen haar een waarborg toe, dat de Vader daarboven zijn kind niet geheel verlaten had.
VIJFDE HOOFDSTUK.
HET VOGELTJE ONTSNAPT ZIJN KOOI.
Terwijl Nicolette nog naast haar koffer zat, nu eens overleggende, wat zij met haar schat zou doen, en of er ook kans zou zijn, de meid om te koopen, dat die haar de deur uithielp, en dan eens weder het hoofd wendende naar Galjart om te luisteren of hij nog sliep, hoorde zij op eens, achter zich, getik tegen een beschot, en een stem, die met nauwelijks hoorbaar geluid: âKlaassie! Juffrouw Klaassie!quot; riep.
Haastig wendde Nicolette het hoofd om naar de zijde, waar het geluid vandaan kwam. 't Was van uit de kast, en zij meende de stem van de schoonmaakster te herkennen. Maar hoe kende die haar bij den naam van Klaasje, die nog door niemand in dit huis, dan even te voren door Galjart, was uitgesproken? Op eens! daar was 't, of Nicolette de schellen van de oogen vielen: reeds meermalen was het haar voorgekomen, als had zij die stem van de schoonmaakster meer
278
gehoord; al kon zij zich niet herinneren waar of onder welke omstandigheden; maar nu die stem haar naam noemde, nu werd haar plotseling duidelijk wie haar riep, nu was alle twijfel zekerheid geworden, en nu snelde zij haastig naar de kast, ontsloot de aldaar aanwezige buitendeur en zeide: âkom binnen Trui!quot;
Waarschijnlijk zal de lezer, of hij moet niet alleen, wat wij natuurlijk van hem veronderstellen, heel vlug van bevatting zijn, maar ook een zeer sterk geheugen bezitten, niet zoo maar dadelijk kunnen raden, welke Trui daar aan de deur stond, noch zich herinneren, of die reeds vroeger in ons verhaal is voorgekomen. Wij zullen hem dan ook terstond uit den droom helpen, 't Staat hem wellicht nog voor dat Mietje Lammertsz, op het tijdstip, toen Van Zevenaer de vondeling bij haar bracht, twee kinderen in leven had, een meisje van acht jaar, en een jongentje van eenige maanden. In het Derde Boek verhaalden wij, hoe het zoontje jong gestorven en de dochter vroeg uit dienen was gegaan. Het was die dochter, die, evenals grootmoeder. Trui heette, welke Nicolette thans, tot haar niet geringe verbazing en vreugd, na een tijdsverloop van bijna veertien jaren, waarin zij haar niet gezien en nauwelijks iets van haar vernomen had, hier, onder zulke vreemde omstandigheden terugvond. Hoe het gekomen was, dat Truitje Lammertsz bij Mad. Mont-Athos over den vloer was en Nicolette haar niet vroeger herkend had, zal opgehelderd worden door het gesprek, dat nu tusschen haar beiden gevoerd werd.
âBen je 't waarlijk. Truitje?quot; vroeg Nicolette, zoodra de schoonmaakster, na de deur behoorlijk achter zich gesloten te hebben, haar binnen de kamer gevolgd was: âik had je tot nu toe niet herkend.quot;
Truitje had kunnen vinden, dat Nicolette, al lag het niet in haar bedoeling, haar alles behalve een vleiend compliment maakte. Zij nam dit echter niet euvel op; want zij ontveinsde 't zich volstrekt niet, dat de betrekkelijk weinige jaren, die er verloopen waren sedert dat zij het huis van haar moeder
279
verliet, haar, toen nog een meisje met een frisch gelaat en een net figuurtje, in een leelijke, uitgezakte, vervallen vrouw herschapen hadden.
âJa, ik wil 't wel gelooven,quot; zeide zij, na een zijdelingschen blik op Galjart geslagen en zich verzekerd te hebben, dat deze buiten staat was, haar te beluisteren: âwant zie je, acht kinderen gehad, en dan aan de pokken gelegen â en niks anders als armoe en tegenspoed, dat maakt een mensch oud voor zijn tijd. Juffrouw!quot;
âJe waart getrouwd, nietwaar?quot; zei Nicolette: âik heb daar iets van gehoord.quot;
âOch ja! als men alles van te voren wist,quot; zei Trui, met een huilerige stem: âals de meissies dienen, al hebben zij 't nog zoo goed, dan denken zij maar om getrouwd te zijn, alsof zij er dan heelemaal uit waren, en och heden! dan komt de ellende eerst aan en de naweeën. In 't begin ging het redelijk, omdat mijn man nogal zijn brood had; hij werkte hier aan de fabriek .... maar toen kwam er kind op kind, en ziekte op ziekte, totdat ze eindelijk allemaal aan de pokken leien, en hij er aan heenging, en mij met acht bloeien achterliet. Ach hemeltje! ik weet nog niet, hoe ik er door gekomen ben, â wat kan een arme weduwvrouw met schoonmaken verdienen? Je begrijpt, dat is ook niet veel.quot;
âHeb je nog andere huizen dan dit?quot; vroeg Nicolette.
âOch! dat is niet veel,quot; antwoordde Trui: âen ik hou mij maar liefst aan de madam hier; want die betaalt goed, en dan valt er nogal 'reis iets te verdienen an 'n boodschap voor een van de meissies, of van de heeren, die hier kommen. â Maar dat j ij hier beland bent, Klaassie, kijk, dat spijt me toch, dat had ik niet van je gedacht. Ik twijfelde er al 'an, toen ik je 't eerst zag, of je Klaassie niet was; maar ik ontgaf het mij : want ik dacht: Klaassie leit school, en daar zullen die groote lui, die voor d'r zorgen, wel op passen, dat die 't goed heit; maar toen meneer Galjart je straks bij je naam noemde, toen merkte ik toch, dat ik goed gezien had. Nou, nou! jij ook al hier, en zoo jong nog!quot;
280
âOok ben ik hier niet dan bij vergissing,quot; zei Nicolette: âen zonder te weten wat dit voor een huis was. Indien je straks geluisterd hebt dan zul je wel gehoord hebben, hoe ik mij veizette tegen die vrouw .... Ik ben hier door een schandelijk bedrog heengevoerd, en nu â ik smeek u met gevouwen handen, help rnij om hier uit te komen.quot;
âIk!quot; zei Trui, met een gesmoorde stem en een angstig gelaat: âlieve help! dan was ik mijn bestaan kwijt! â En ik duif ook niet langer hier blijven. â Madam heit me hier gestuurd omdat ze weten wou, of meneer Galjart wat bedaard was, en ik zou niet langer . . ..quot;
âOch Truitje! Truitje-lief!quot; viel Nicolette in: âverlaat mij niet, ontzeg mij je hulp niet, help mij uit dit huis: ik zal je al mijn leven dankbaar zijn. Je wilt mijn ongeluk toch niet, mijn verderf, het verderf van Klaasje, van het zusje, dat je als klein kind gekend hebt, waar je toen zooveel van hieldt. Je wilt toch mijn dood niet; want ik zal sterven, zeker zal ik sterven, liever dan toe te geven, sterven, als ik hier nog een dag langer blijven moet. Je hebt toch zelve kinderen, zou je die niet zoeken te verlossen, indien ze hier, tegen hun wil, in dit wolvennest gebracht waren? En niemand zal het weten, dat jij het geweest bent, die mij geholpen heeft, en als je er schade bij lijden moet, die zal je wel vergoed worden. Mijnheer Van Eylar zal er dankbaar voor wezen, dat je zijn Klaasje verlost hebt, en er je wel voor beloonen â en ik heb zelve
nog wat---- zij hebben mij hier wel bestolen; maar ik heb
toch nog wat! en graag wil ik het je ruim betalen, als je mij hier vandaan helpt.... Och Trui! verlaat mij niet, bedenk een middel om je arme Klaasje te redden. Onze Lieve Heer zal er je voor zegenen, voor wat je aan mij doet.quot;
Nicolette was, reeds voor den aanvang dezer toespraak. Truitje om den hals gevlogen en had zich zoo stevig om haar vastgeklemd, dat de goede vrouw even weinig kans zou gezien hebben, uit haar omhelzing los te raken als een eik om zich te ontslaan van het klimop, dat hem houdt omvat. De lieve oogen van het beangste meisje, zoo smeekend op haar pleeg-
281
zuster gevestigd, de tranen, die langs haar wangen stroomden, de kussen, waarmede zij klem poogde bij te zetten aan haar woorden, de herinneringen, door die woorden opgewekt, alles te zamen strekte om het hart van Truitje, dat toch reeds gunstig gestemd was voor haar vroeger speelpopje, voor het zusje, dat zij als kind op den arm had gedragen en dat zij nu in zulk een hachelljken toestand terugvond, al meer en meer te vermurwen. Wij moeten er zelfs tot haar eer bijvoegen, dat de toezegging van vergoeding en belooning, door Mcolette gedaan, weinig of geen invloed had op haar besluit om een poging tot Mcolettes redding te wagen. En zeker, de gewone wereldwijsheid zou haar veeleer hebben ingefluisterd, dat een vogel in de hand beter is dan tien die vliegen, en dat het dwaasheid ware, de zekere voordeelen, die de klandizie van Mad. Mont-Athos aanbracht, prijs te geven ter wille eener kans op vergoeding, door een afwezige, van wien het onzeker was, of hij de belofte, uit zijn naam gedaan, zou willen gestand doen. â Want dat Mcolette nog iets van belang gered zou hebben uit de schraapzuchtige klauwen der vrouwelijke hyena, kwam haar ongelooflijk voor.
âNu ja,quot; zeide zij; âik zal zien â maar laat mij nu los â ik zal mijn best doen â huil maar niet â wees bedaard â ik zal zien â laat mij toch gaan â ik moet er op prakke-zeeren, of het mogelijk is â hou je nou toch bedaard: ik kom weerom, als ik kan.quot;
âOch! zul je. Truitje-lief! Och! op mijn bloote knieën zal ik je danken, en nooit zal ik het je kunnen vergelden, als je mij uit dit moordenaarshol brengt. â Och! kom je toch vast en zeker terug?quot;
âJa, ja!quot; antwoordde Trui, en, gebruik makende van het oogenblik, dat Mcolette haar even losliet om dankbaar de handen te vouwen, snelde zij de kamer uit en begaf zich naar beneden om verslag te doen aan de vrouw des huizes.
Tot beter verstand van hetgeen volgen zal, dienen wij met een paar woorden te zeggen, wat er beneden was voorgevallen in den tijd, die er verloopen was, nadat Galjart den ouden
282
Baron zoo onzacht de trappen had afgeworpen. Al is Tilbury juist de man niet om bij onze lezers een groote belangstelling-op te wekken, zoo zullen zij misschien toch nieuwsgierig zijn om te weten of hij in den val al dan niet nek en beenen gebroken heeft.
Ziedaar wat Mad. Mont-Athos ook wel wilde weten, toen de oude zondaar bebloed en wezenloos in de armen der ontstelde nimfen in de zijkamer gesjouwd en op de canapé was neder-gelegd, onder het misbaar, dat gewoonlijk bij zulke gelegenheden plaats vindt, 't Was een gejammer en getreur, tranen met tuiten, handenwringen, geschreeuw om een dokter en chirurgijn, om politie, al wat men maar denken kan. Met, dat zij innerlijk zoo bewogen waren met het lot van Tilbury, of zelfs eenig medelijden gevoelden met den ouden gek, dien zij meest allen verachting, sommigen zelfs haat, toedroegen; maar vrouwen zijn over 't geheel aandoenlijk, en een slag van vrouwen, als hier bijeen was, is inzonderheid vatbaar om, bij standjes, als hetgeen had plaats gehad, zijn zenuwgestel op onrustbarende wijze geschokt te gevoelen. Eene der dames viel stijf van haar zelve, en dat loffelijke voorbeeld wekte straks een ander op, om het na te doen, natuurlijk met overdrijving, zooals bij alle kopieën plaats heeft; want die sloeg met armen en beenen, en gilde als een bezetene. Een gewoon sterveling zou den kop kwijtgeraakt zijn bij het tooneel van verwarring als dit; doch Mad. Mont-Athos had in haar tegenwoordig en in haar voormalig leven te veel bijgewoond, om voor een klein geruchtje vervaard te zijn. Als marketentster en waschvrouw had zij dikwijls een dozijn dragonders overschreeuwd en voor haar bedreigingen doen beven, en zou zij dan niet in staat zijn, orde te houden onder haar slavinnen ?
Geen Napoleon, op het beslissend oogenblik, dat hij zijn leger door den onverhoedschen aanval eens machtigen vijands aangegrepen, en op het punt ziet om in verwarring te geraken, â geen aanvoerder van zeeroovers, die de muiters aan zijn boord te bedwingen heeft, geen afslager op een vendutie, waar 't wemelt van dooreen schreeuwende en joelende smousen, geen
283
dierentemmer in een hok met weerbarstige leeuwen, kan meer tegenwoordigheid van geest toonen, met koeler beleid spreken en handelen, en aan 't donderende woord sneller en gevatter de daad paren, dan hier onze vrouwelijke plaats-commandant te midden van haar garnizoen deed, bij het houden der navolgende toespraak, liefelijk afgewisseld met de noodige oorvijgen en stompen in den rug.
âStilte allen!quot; bulderde zij: âwat beduidt dat lawaai? â Wie spreekt daar van Politie? Wil jy je mond wel houen (flap!). Denk je, dat ik hier de Politie haar neus in wil laten steken en twee goeie klanten verliezen ? â Allo! uit den weg, jij daar (flap!). En wat deksel beginnen mij die meiden daar nou? Denken die zich interessant te maken? â Hier jullie met je beien (pan! pan!) sjouwt mij die Heloïse 'reis naar achteren, die daar zoo'n spektakel maakt. â Laat Bet 'r een emmer water over d'r bakkes gooien, aan die anstellerige nuf, die ze is, dan zal ze die kuren wel afleeren. Toe! gauw wat, als ik je commandeer (pan! pan!) â Wil jij daar wel zoo niet grienen (flap!). En die daar, die mi] ook al als een blok op den grond leit! Uit den weg jij!quot;
Hier schopte zij de juffrouw, die 't eerst flauw gevallen was, op zijde, en aldus den storm gestild en zich wat ruimte gemaakt hebbende, trad zij naar den Baron toe, om zich aangaande diens toestand te vergewissen. Dat de man niet dood was, bleek uit de pijnlijke zuchten en klaagtonen, die hij slaakte; dat de val echter goed was aangekomen, uit zijn onmacht om meer dan een flauw geluid te geven, en uit het bloed, dat in dikke druppels van onder zijn pruik over zijn voorhoofd nederstroomde en zijn wangen nog rooder verfde dan gewoonlijk. Mad. Mont-Athos nam de pruik van 't hoofd en nu ontdekte zich een wond bij den hoofdslaap.
âLicht eens bij, Trui!quot; zeide zij, âen haal dan wat azijn en water, een van jelui allen. â Heb je je erg bezeerd, Mijnheer de Baron? â Waar voel je pijn?quot;
âOei! ai!quot; antwoordde Tilbury, en wees op zijn knie.
âZou het toch niet noodig zijn, dat er een surezijn gehaald
284
wier?quot; vroeg Trui, terwijl zij met den blaker bijlichtte.
âJa, 't zal noodig zijn,quot; besliste Madam: âneen jij niet! â laat Bet er heengaan: 't is beter, dat jij hier blijft om mij te helpen.quot;
Zoo werd Bet, de meid, naar den heelmeester gezonden, en de jonge dames naar haar kamer; terwijl de vrouw des huizes inmiddels de bekwaamheid in 't verplegen van gewonden, die zii in 't leger had opgedaan, bewees, door het leggen van een kompres en voorloopig verband op den kalen schedel des Barons, dien zij vervolgens, met behulp van Trui, van zijn bovenkleederen ontdeed, ten einde te onderzoeken, welk verder letsel hij hebben mocht. Dat deze operatie niet geschieden kon zonder blijkbaar den lijder nieuwe pijn te veroorzaken, bleek uit het steunen, dat hij deed, en de scheeve gezichten die hij trok.
âZiezoo!quot; zei Madame, nadat zy een deken voor den dag gehaald en er Tilbury mede had toegedekt, ânu is er voorloopig niets meer aan te doen: loop jij nu eens naar boven. Trui, en luister, hoe 't met dien dronken Galjart staat en of dat malle schepsel, dat zooveel spuls maakt, wat bedaard is.quot;
De reden, waarom Mad. Mont-Athos deze boodschap aan Trui opdroeg en niet zelve naar boven ging, was, omdat zij de portefeuille en de porte-monnaie van Tilbury uit zijn zakken wilde nemen â niet om er iets uit te ontvreemden of zelfs niet om ze na te zien: wij willen haar niet zwarter maken dan zij is, en dezelfde vrouw, die zich niet ontzien had, Mcolette te bestelen, zou zich wel gewacht hebben, zich â anders dan langs den gewonen weg â iets toe te eigenen, dat aan een van haar klanten toekwam, en op die wijze den goeden naam van haar huis in de waagschaal te stellen; â neen, zij wilde alleen de gezegde voorwerpen in veiligheid brengen en ze daartoe in haar secretaire bergen â en daar behoefden geen vreemde oogen in te gluren.
âZoo ben je daar eindelijk weerom?quot; vroeg zij, toen Trui van haar zending terugkwam: âik dacht al, of je boven in slaap gevallen was.quot;
285
âJa, Madam!quot; antwoordde Trui: âdat kwam, dat ik zoolang aan de deur heb moeten luisteren; ik wist niet hoe ik 't had. 't Was zoo doodstil op de kamer, dat ik al dacht, of ze allebei dood waren; maar eindelijk heb ik hooren snurken â en eerst toen ik daar zeker van was, was ik gerust en ben heengegaan.quot;
âSnurkten zij allebei?quot; vroeg Mad. Mont-Athos, met een lach van boosaardige vreugde.
âJa, ik geloof allebei,quot; antwoordde Trui, dat leugentje zeer geoorloofd achtende om de matrone gerust te stellen.
âKapitaal!quot; riep deze, terwijl zij haar breede handen op elkander sloeg dat het klapte. Laten zij voor mijn part snurken tot morgenochtend toe. Zij zal nu in allen gevalle een heer bij zich gehad hebben, om 't even wien, en dat is genoeg.quot;
Het duurde nu niet lang, of Bet kwam met den heelmeester terug, die den lijder betastte en bevoelde. De uitkomst van het onderzoek was, dat de Baron wel verscheidene kneuzingen en builen had, doch dat er niets gebroken en geen edel deel â gesteld dat iets edels buiten zijn naam aan den man te vinden ware â beschadigd was. Wat de hoofdwond betreft, die was wel diep, maar niet gevaarlijk, bijaldien er geen koorts bij kwam. De Baron was echter een man van jaren, en het was dus niet te zeggen, welke gevolgen de schrik en de ontsteltenis hebben konden. Intusschen zag de man van de kunst er geen bezwaar in, hem naar zijn woning over te brengen, en beloofde spoedig terug te komen met een vigilante en een zijner handlangers om zulks ten uitvoer te brengen.
Terwijl dit een en ander gebeurde, en nog lang naderhand, zat Mcolette in gespannen verwachting, tusschen hoop en vrees geslingerd, op de terugkomst van Trui te wachten. Men kan beseffen, dat de minuten haar uren, en elk uur een eeuwigheid scheen. Bij iederen stap, dien zij langs haar kamer hoorde gaan â en er gingen nogal stappen, want in weerwil van het gebeurde, stond de affaire niet stil â luisterde zij, of 't ook die van Truitje zijn kon, en telkens vond zij zich
286
teleurgesteld. Reeds begon de angst haar te vermeesteren, dat de belofte van haar pleegzuster niet welgemeend was, en alleen gestrekt had, om van haar ontslagen te raken, of althans, dat Trui meer beloofd had, dan zij kans zag na te komen. Eindelijk, toen zij alle hoop schier had opgegeven en schreiende naast haar bed zat, daar ging de deur in de kast weder open en de lang gewenschte Trui kwam binnen.
âO Goddank!quot; riep Nicolette: â âen nu, zeg mij spoedig, zie je kans, mij van hier te helpen?quot;
âMisschien,quot; antwoordde Trui: âals je nog een beetje geduld hebt.... maar 't zal zwaar gaan.quot;
âMaar dat begrijp ik niet,quot; zei Nicolette, een weinig ongeduldig. âHoe is het toch mogelijk, dat het in een vrij land geoorloofd is, de lieden tegen hun zin gevangen te houden?quot;
âJa, wat zal ik zeggen?quot; zei Trui: âde juffrouwen hier hebben 'erlui vrijigheid aan Madam verkocht of verpand, en als ze dorsten wegloopen, öf de Politie ze gauw weerom zou brengen!quot;
âMaar ik dacht, dat de Politie er was om de menschen te helpen tegen dengenen, die ze kwaad wou doen.quot;
âDe menschen zooals ik en mijns gelijken, ja,quot; zei Trui, met zekeren trots: âmaar die geteekend hebben op 't register worden niet geteld onder de menschen.quot;
âMaar ik heb niets geteekend,quot; zei Nicolette.
âNiet? o! dat verandert,quot; zei Trui, âen dan heeft Madam ook geen recht om je te houen .... als alleen voor wat je haar schuldig bent voor logies en den kost, en den dokter en zoo.quot;
âMaar daar zullen mijn vrienden wel voor zorgen, dat zij aan mij niet te kort komt â en in allen gevalle heeft zij zich reeds van mijn geld betaald. â Maar zeg nu, in 's Hemels naam, hoe kom ik er uit?quot;
âHoor,quot; zei Trui: âwat ik geprakkezeerd heb. Zoo meteen komt de zurezijn weerom met een vigelant, om den Baron te halen: â eer hij weg is, zal 't wel één uur wezen, en dan gaat Mad. naar bed, en ik naar mijn huis. Somtijds blijf ik
287
nog wel een beetje langer, als er veel glazen te spoelen zijn en ander gerei is schoon te maken; en dan laat Bet mij uit. â Nu is 't maar de kunst om je met mij de deur uit te krijgen, zonder dat Bet het merkt.... maar daar zal ik wel wat op vinden. â Hou je dus maar klaar, tot ik je kom waarschuwen.quot;
âMaar die arme Mijnheer Galjart,quot; zei Nicolette: âzal die dan hier alleen blijven ?quot;
âO dat 's niets,quot; hernam Trui: âlaat die maar slapen: die is dat wel gewend, 't Is de eerste keer niet, dat ik hem hier 's avonds met een nat zeil heb zien komen en zich zoo dronken drinken dat hij niet staan kon, en dat hij bleef liggen snurken tot den volgenden middag. â Die is hier als kind in huis. â Nu, zooals gezeid is: â pak ondertusschen maar alles bij je, wat je mee kunt nemen. â Maar mensch! ââ daar bedenk ik wat. â Hoe zul je over straat gaan zonder hoed of doek?quot;
âWeet je niet, waar ze de mijne gestopt hebben?quot; vroeg Nicolette.
âOch! die zijn zeker al lang aan den jood verkocht,quot; antwoordde Trui: âniemand mag hier in huis andere kleeren dragen dan die Madam ze geeft: â 't is wonder, dat ze je japonnen ook niet verkocht heit; â maar misschien waren die nog nieuw genoeg, en dan spaarde 't haar de kosten er nieuwe te maken.quot;
âWees gerust,quot; hernam Nicolette, bij wie het gewicht van 't oogenblik het denkvermogen scherpte: âik zal zorgen, als je komt, dat ik klaar ben om over straat te gaan, zonder dat het iemand in 't oog valt. â Maar, als die vrouw intusschen eens hier kwam.quot;
âWees daar niet bang voor,quot; zei Trui: âdie denkt niet anders of je ligt rustig en wel te bed. â Nou, zooals gezeid is â houd je klaar tot ik je halen kom.quot;
Nicolette haastte zich, zoodra Trui vertrokken was, aan den gegeven wenk te voldoen en van den tijd gebruik te maken. Haar cassette was te zwaar, dan dat zij die had kunnen meenemen, doch zij nam er de brieven uit van Bol en van
288
haar vriendinnen, die zij te heilig achtte om door iemand in dit huis gelezen te worden, en met eenige, haar dierbare kleinigheden in haar werkmandje verborg. Vervolgens zocht zij een stel van het noodigste lijfgoed bijeen en knoopte het in een doek: een paar schoenen had zij nog onder 't bed gevonden ; maar zij moest een middel uitdenken om in 't gemis van hoed en doek te voorzien. Weldra had zij er een; zij haalde uit haar koffer een japon van donkere zijde voor den dag, vouwde die, met de mouwen naar binnen, in 't fatsoen van een driehoek ineen, en stak die goed met spelden vast om ze in dien vorm te houden; dien aldus geïmproviseerden halsdoek sloeg zij om en stak dien van voren meteen broche vast; toen nam zij een nieuw zwart zijden boezelaar, die insgelijks genade in de oogen der matrone gevonden had, vouwde die in 't lang, sloeg dien zich om het hoofd en bond hem met een koord om den hals, zoodat hij, althans bij donker en voor wie hem niet nauwkeurig bekeek, volkomen de gedaante had van een kaper. Zeker zou Nicolette bij dag in dit toilet een vreemde vertooning gemaakt hebben: van boven een bagijntje, lager een burgerjuffrouw, en beneden in de zijde. Doch hier viel geen keus, en zij zou, hoopte zij, niet op de kepei bekeken worden, toen zij, de lamp van tafel genomen hebbende, zich in den spiegel bekeek.
âZou 't zoo gaan?quot; vroeg zij zich zelve af.
âVerd . . . . mooi!quot; bromde een stem achter haar.
Nicolette had van schrik de lamp bijna uit haar handen laten vallen. Zij herstelde zich echter spoedig, en bestrafte zich zelve over haar dwazen schrik. De stem, die zij gehoord had, was die van Galjart, die in den slaap sprak.
Nicolette was nu een weinig bevreesd, of hij ook altemet wakker zou worden, in welk geval hij misschien, 't zij uit deze of gene gril, 't zij alleen door opschudding te verwekken, haar plan tot ontvluchting verhinderen zou. Wel sliep hij nog als te voren; maar die slaap des dronkaards, inderdaad zoo zwaar en diep, gaat gepaard met zulk een benauwde ademhaling, zulke bange geluiden, zulke onrustige bewegingen, dat
289
wie er getuige van is, zich bijna niet kan voorstellen, hoe die verkwikking kan aanbrengen, en zich onwillekeurig verbeeldt, dat daarop een snel ontwaken volgen moet, Nicolette hield langen tijd op den ongelukkige een blik vol innig medelijden gevestigd: de man, die daar sliep, was de eerste geweest, die, toen zij als kind door de haren uitgeworpen was, zich over haar had ontfermd, en jaren lang zich harer had aangetrokken ; en zou zij zich aan geen gruwzame ondankbaarheid schuldig maken, indien zij hem, in den staat, waarin hij zich bevond, alleen, aan zich zeiven overliet? was het haar plicht niet, aan zijn zijde te blijven, bij hem te waken, hem, als hij wellicht hulp of lafenis behoefde, die te verschaffen, hem bij te staan, te verzorgen, op te beuren? En toch! â zou door het betrachten van dien plicht haar redding uit dit hol des verderfs niet onmogelijk worden? en was zelfbehoud niet hooger plicht, waarvoor alle andere beschouwingen moesten wijken?
Terwijl deze gemoedsbezwaren in haar brein en in haar hart met elkander strijd voerden, en zij met klimmenden angst om licht bad voor haar geest, ten einde zoodanig besluit te nemen, dat zij zich later niets verwijten zou, daar hoorde zij weder een stap, die de trap opkwam, en, daarna, een zware hand, die op de deur bonsde, en een stem, die van buiten riep: âdormez bien, mes chéris. Het was Mad. Mont-Athos, die zich naar bed begaf en in 't voorbijgaan dezen groet deed hooren.
Dat tikken, die stem, die nachtgroet hadden Nicolettes hart van schrik ineen doen krimpen, en toch oefenden zij een heilzame werking uit; want zij waren als het zwaard, dat den Gordiaanschen knoop doorhakte; zij deden alle verdere overwegingen bij haar zwijgen; zij vestigden haar besluit: âalles liever, dan langer op een plaats te vertoeven, waar die vrouw-macht voert, waar die afschuwelijke stem gebiedt.quot; En dan de woorden zelve! welk een gruwelijke onderstelling lag daar niet in opgesloten!
Neen, neen, die woorden waren een waarschuwing, die de Hemel haar toezond door den mond eener duivelin: zij moest
III. - K. Z. 19
290
van hier, en dat zonder verwijl. â Maar toch, daar kreeg zij een ingeving: als zij ging, dan moest het niet zijn, zonder voor 't minst aan Galjart vaarwel gezegd te hebben.
Haastig sprong zij op, opende nogmaals haar schrijfkistje, haalde een blad papier voor den dag, en schreef, met een hand, die koortsig beefde, de navolgende regels:
âLieve vader Galjart!
âIk kan, ik wil niet langer in dit gruwzame huis blijven, waar ik door de list van booze menschen ben gebracht, Ik moet dus trachten van hier te komen. Als gij dit briefje leest, ben ik ver weg of dood; want de dood zal mij verkieslijker zijn dan de schande. Vaarwel dus, lieve Vader! Zoo waar er een God is, nog altijd rein en kuisch, en nog altijd de liefde en achting van haar pleegvaders waardig, is
Uw pleegdochter Klaasje.quot;
Zij vouwde den brief dicht, schreef er het adres op, stak hem in den borstzak van Galjart, en drukte dezen een afscheidskus op 't voorhoofd.
De beslissende stonde moest nu weldra komen, 't Was klaar, dit begreep zij zelve, dat eerst zoolang moest gewacht worden, tot men berekenen kon, dat de vrouw des huizes rustig te bed lag. ... dat zulk een vrouw rustig te bed liggen kon, ziedaar wat Nicolette een raadsel scheen; â en toch, het is alweer een wijze beschikking, dat de boozen evengoed en dikwijls beter slapen dan de goeden; zij kunnen gedurende dien tijd geen kwaad uitvoeren of bedenken.
De tijd ging nu, wel langzaam, maar toch zeker voort. .. . en eindelijk.... eindelijk.... daar meende Nicolette weder een flauw gerucht te vernemen van iemand, die naar boven kwam â ja! â Trui was zoo goed als haar woord geweest: de deur in de kast ging open, en op haar kousen trad zij binnen. Zij sprak niet, maar gaf met een knik van welgevallen
291
haar goedkeuring te kennen over Nicolettes vermomming, terwijl deze, na haar medehelpster met een knik van dankbaarheid verwelkomd te hebben, nogmaals den deken, die Galjart bedekte, goed over hem heen streek, het kussen onder zijn hoofd wat opschudde, hem nog eenmaal vaarwel kuste, en zich toen bereid toonde, haar geleidster te volgen. Deze wees haar echter op haar schoenen, en haastig trok Nicolette die uit, en nam ze in de rechterhand, terwijl zij onder den linkerarm haar mandje droeg en onder den rechterarm haar pakje vastklemde. Trui, niet louter uit gedienstigheid, maar oordeelende, dat Nicolette eene harer handen vrij moest hebben, haastte zich, haar het pak en de schoenen te ontnemen, haar bij de hand, die vrij was, te vatten, en zoo door de kast op het portaal te trekken.
Hier bespeurde Nicolette terstond, hoe nuttig de genomen voorzorg was geweest; want het was stikdonker op 't portaal, en Trui moest haar weg op den tast vinden. Zoo naderden zij de trap, en, geen voet dan met de uiterste voorzichtigheid nederzettende, daalde het meisje, door Trui geleid, naar beneden. Hier maakte de duisternis plaats voor de schemering, veroorzaakt door den weerschijn van het licht, dat achter in de keuken brandde, uit welke zich het geluid van 't omspoelen van glazen liet hooren. Trui stelde nu met overhaasting aan Nicolette het pak, dat zij droeg, ter hand, duwde haar naar voren en beduidde haar met een wenk, dat zij zich in de zijkamer moest verbergen en er het geschikte oogenblik afwachten, terwijl Trui zelve naar achteren ging.
De deur der zijkamer stond open, en alzoo kon Nicolette, zonder gerucht te maken, haar schuilplaats bereiken. Pas was zij echter daar, of ontsteltenis overviel haar, toen zij bedacht, dat Truitje haar schoenen mee had en deze 't geheim aan Bet verraden konden. De angst scherpte haar gehoor bij 't luisteren naar het gesprek, dat nu achter plaats had, en waarvan haar, bij de stilte, die in huis heerschte, geen woord ontving.
âWel! heb je 'm gevonden?quot; vroeg Bet.
âDe lampetkan?quot; antwoordde Trui: âwel neen ik; â terwijl ik al daar boven, waar 't zoo donker wTas als de pikke, om
292
me heen langs den grond zocht, daar bedacht ik in eens, dat ik hem op de kamer van Zeraldien heb gebracht. â Waar 'n mensch z'n zinnen al kenne blijven! â Nou, Bet, nou zal 't myn tijd worden. Kan ik je anders nog 'an iets helpen?
âNeen, 't hoeft niet; maar wat heije daar onder je boezelaar?quot;
âDat? dat benne 'n paar ouwe schoenen, die ik van Lewize heb gekregen. Nou! dan zal ik m'n schoêr maar omslaan. Nacht, Bet! Ik zal de deur wel toetrekken, hoor!quot;
âNeen, neen, ouwer gewoonte! ik zal je uitlaten; 'k mot toch reis zien, wat voor weer het is, en de deur op 't nachtslot doen.quot;
't Was of er een hamer bonsde in 't hart van Nicolette. Daar stond zij nu, vlak in de nabijheid der voordeur, en nu zou de gedienstigheid, of wel de groote zorg van de dienst meid, haar misschien het vluchten langs dien weg onmogelijk maken. Reeds voelde zij berouw, dat zij niet maar, terwijl Trui nog achter was, terstond van de gelegenheid gebruik gemaakt had om de deur te openen en er uit te loopen. Doch zij had niet lang tijd om na te denken wat al of niet had kunnen gebeuren. Daar naderden de beide vrouwen al en school zij achter de deur der zijkamer weg.
âKijk! daar staat warentig de zijkamer nog open,quot; zei Bet, en lei de hand reeds op de kruk van de deur om die te sluiten, tot hernieuwden angst van Nicolette.
âNeen!quot; zei Trui: âMadam heit gezeid, de deur moest openblijven, om de azijnlucht er wat te laten uittrekken.quot; En inderdaad, Nicolette vond nu ook, dat het sterk naar azijn rook. Men weet, dat die voor het verband van Tilbury gediend had.
âWel! die zal van nacht toch niemand hinderen,quot; merkte Bet aan: âen morgen vroeg kan ik immers de kamer openzetten : dan lucht het genoeg.quot;
âNou! jij mot weten wat je doet, Bet! â maar Madam heit het mijn zoo verordineerd. â Nou! ge nacht Bet!quot;
En meteen trok zij de voordeur open. Nicolette begon nu te gelooven, dat alle kans tot vluchten voor haar verloren
dat aar
i nu oren
293
was. â Zij had echter niet gerekend op het vindingrijk vernuft van haar pleegzuster.
âDrommels Bet!quot; zei Trui, in de open deur staande, âwaar loopt de kat daar mee weg?quot;
âDe kat?quot; herhaalde Bet.
âJa. de kat: of is 't de kat niet, die daar de trap oploopt met iets in 'r bek?quot;
âIk zal reis gaan kijken,quot; zei Bet.
En terwijl Bet, de kruk van de deur der zijkamer loslatende, naar achteren gegaan was en, met het hoofd door de trapdeur, âPoes! poes!quot; riep, daar snelde Nicolette, die het sein begrepen had, de zijkamer, en achter de schoonmaakster om, de voordeur uit.
âIk zie of hoor 'm niet,quot; zei Bet, terugkomende.
âNiet? â nou dan zal ik mij vergist hebben. Nou, genacht Bet!quot;
âGenacht Trui!quot; zei Bet, en sloot de deur dicht, zonder Nicolette te bemerken, die terstond een huis of drie ver was geloopen.
Het vogeltje was zijn kooi ontsnapt en kon weer in de open lucht zich bewegen.
ZESDE HOOFDSTUK.
WAAE ZAL HET VOGELTJE Nü HEEN VLIEGEN?
Nicolette stond nu op straat en vrij; en zij zou wel op haar knieën hebben willen vallen, om God voor haar verlossing te danken; â doch zij achtte, en te recht, zich nog niet veilig, zoolang zij in de buurt van dat huis bleef, en evenzoo beschouwde Trui de zaak.
âWacht!quot; zei de schoonmaakster, nadat zij aan Nicolette haar schoenen had teruggegeven, welke deze haastig aantrok: âgeef mij een arm en loop aan den huizenkant, dan val je minder in 't oog.quot;
294
Voor 't in 't oog vallen was juist geen groote vrees: de nacht was donker: er viel een fijne motregen, en de zeer enkele lieden, die onze wandelaarsters op haar weg ontmoetten, keken, voor zooverre zij parapluies droegen, daar niet onder vandaan, of namen, voor zooverre zij niet behoorden tot de bevoorrechten, die een paraplu ie rijk zijn, geen notitie van die vrouw met haar schoudermantel om 't lijf en die andere met haar regenkleed over 't hoofd.
Intusschen was het misschien goed, dat Nicolette onderweg eenigen angst voor een kwade ontmoeting bleef voeden; want dit hield haar in spanning; en die spanning hield wederom haar kracht op, en stelde haar in staat om, zonder voor 't oogenblik te gevoelen, hoe haar ongesteldheid haar verzwakt had, met gelijken tred den vrij langen afstand af te leggen, die het huis, dat zij verlaten had, scheidde van het nederig woonverblijf van Trui. Toch was zij recht blijde, toen zij dat eindelijk bereikten.
Het woonverblijf was in een blok kleine huisjes, die, aan een uithoek der stad gebouwd, geheel door armoedige huisgezinnen werden bewoond â en het bestond uit een enkel vertrek, dat tot eet-, huis- en slaapkamer en keuken diende, en een vlierinkje. Trui ontsloot de deur, liet Nicolette de kamer binnen en ontstak een blikken lamp, die op tafel stond. Al wat bij het flauwe schijnsel dier lamp te bespeuren was, getuigde van armoede. Twee stoelen op het roode vloersteen, een haard, maar waar geen enkel kriezeltje asch getuigde, dat er dien dag vuur op gebrand had, een paar kopjes zonder oor op den schoorsteenmantel, een blikken koffieketeltje, en een aarden melkpot maakten, met de straks genoemde tafel en lamp, zoo wat het geheele meubilair uit. In een hoek vertoonde zich iets, dat Nicolette eerst voor een hoop prullen aanzag; doch dat zij, toen een zonderling veelstemmig geluid daaruit oprees en haar opmerkzaamheid wekte, begreep, een slaapplaats te moeten verbeelden. En werkelijk lag daar, onder hetgeen zij bij een meer aandachtige beschouwing voor een oud paardendek, een brok tapijt en eenige onbruikbare kleeding-
295
stukken herkend zou hebben, oen vijftal kinderen op stroo te snurken. Dit waren de oudste spruiten van Trui; de drie jongsten sliepen in de bedstede daarnevens.
Het hart kromp Nicolette ineen bij het bespeuren van zooveel armoede â en toch herinnerde zij zich, als kind, meer dergelijke tooneelen te hebben bijgewoond.
Nu was zij vrij en veilig; maar toch was haar toestand nog alles behalve benijdenswaard, zooals zij daar neerzat, koud, van den regen doortrokken, zwak en doodvermoeid, op een plaats waar geen enkele geriefelijkheid aanwezig was, waar zij waarschijnlijk geen gelegenheid zou vinden, noch om zich innerlijk of uiterlijk te verwarmen; â en bij dat alles zonder vooralsnog te kunnen antwoorden op de moeilijke vraag; âwat nu?quot; een vraag, die haar en haar geleidster te gelijk van de lippen vloeide, doch uitgesproken werd op verschillenden toon. Immers bij Nicolette lieten die woorden zich omschrijven als meende zij er mede; âhoe kom ik nu van hier naar Amsterdam?quot; â in den mond van Trui hadden zij de beteekenis van; âwat zou je voor 't oogenblik verlangen? en kan ik je ook ergens mee dienen ?quot; â Zij liet er dan ook onmiddellijk op volgen;
âJa! 't spijt mij, dat ik je niet beter kan ontvangen; 't is hier wel wat bekrompen, je zult wel moe zijn, ziel! ik wou dat ik nou maar wat voor je had. Wacht â ik heb, geloof ik, nog een klein beetje brandewijn in een fleschjequot; â en meteen stond zij op om dat te zoeken.
âNeen, vriendelijk dank,quot; zei Nicolette: âik zie nu in, hoe ik alleen om mij zelve gedacht heb, en niet om den last, dien ik je veroorzaken zou. â Ja ik ben moe, en toch .... ik zou nu, geloof ik, niets kunnen gebruiken, en ook niet rusten met het denkbeeld, dat ik je misschien in ongelegenheid breng. â Wat zullen je kinderen zeggen, als zij wakker worden, en je buren, als ze mij morgenochtend eens zagen? Was 't niet beter, als ik maar weer heenging .... in een fatsoenlijk logement.... of neen.... niet in een logement!quot; (hier dacht Nicolette er aan, hoe zij eens misleid was geworden)
296
âin .... bij ... . ach! ik weet niet waar ik zou kunnen gaan!quot; â en bij 't besef van haar verlatenheid barstte zij in tranen uit.
âNu, huil maar niet, Klaasje!quot; zei Trui: âalles zal zich immers wel schikken, 't Is 't slimste, dat je nou geen hoed of doek hebt â en al wou je er nou nog zoo veul voor geven, ik zou op dit uur geen kans zien, een winkel te vinden, waar ze me opendoen. â En toch â als ze je morgenochtend hier zien, dat's ook al bedenkelijk. Wacht! â daar schiet mij te binnen â kijk! hoe kon ik toch zoo dom wezen, dat ik daar niet eer op dacht?quot; â En meteen stond ze op, nam haar stoel, ging daarmede naar de bedstede, klom er op â op den stoel namelijk â voelde op een dwarsplank, die hoog boven in de bedstede zat, en kwam van haar ontdekkingstocht terug met een strooien hoed.
âDat's een hoed,quot; zei zij, terwijl zij er met haar boezelaar de stof van afsloeg: âdie heb ik van een mevrouw gekregen, waar ik uit schoonmaken was: heel nieuwerwetsch is ie wel niet, en 't lint is wel 'n beetje verkleurd, maar voor 't oogen blik zou je er mee geholpen wezen. â As we nou nog maar 'n doek of 'n mantielje hadden.quot;
âWel, mij dunkt, die hoed is nog best,quot; zei Nicolette, nadat zij haar kaproen afgezet en het hoedje gepast had: alsnu de blauwe voile, die zij zich herinnerde, dat in haar pakje zat, voor den dag gekregen hebbende, bond zij die om den bol heen, wat den rand, die een weinig beschadigd was, bedekte, en aan 't geheel iets vroolijkers bijzette: â âmaar bedenk nu eens â zou 't niet mogelijk zijn een rijtuig te krijgen? ik kan toch, zooals ik ben, niet over straat gaan of mij in een diligence of spoortrein vertoonen. Indien ik een rijtuig nam tot Leiden b. v., daar kent mij niemand, ik zou mij daar het noodige kunnen aanschaffen om verder te komen.quot;
âWaarachtig!quot; zei Trui: âdat's een goed denkbeeld, dat je daar hebt: ja, dat zou kunnen gaan. Bij de voerlui kan men altijd terecht. A's je dan maar zoolang hier blijft, dan zal ik zien of ik een rijtuig voor je krijgen kan. â Probeer jij onder-tusschen, of je niet wat slapen kunt.quot;
297
Zoo gezegd, zoo gedaan. De goede vrouw, aan Mcolette ten minste een betrekkelijk comfort willende verschaffen, zette, nevens den stoel, waar deze op zat, haar eigen, den eenigen nog beschikbaren stoel, en verliet het huis, Nicolette alleen latende; â want het slapende achttal kon nauwelijks een gezelschap genoemd worden. Dus eenzaam in dat treurig verblijf, koud, verlaten, met een onzekere toekomst voor zich, moest het arme meisje zich alles behalve op haar gemak gevoelen: gelukkig was de vermoeidheid naar lichaam en geest te groot, dan dat zij haar toestand geregeld overdenken kon, en niet lang had zij, met de beenen uitgestrekt op den voor haar geplaatsten stoel, en 't hoofd in den arm, op de tafel gelegen, of de slaap deed haar het besef van haar toestand verliezen en schonk haar, zij het geen kalme en liefelijke, dan toch een betrekkelijke weldadige rust.
Hoe lang die rust duurde, zou zij moeilijk hebben kunnen bepalen: dikwijls was die afgebroken geworden, nu eens, als een benauwde droom haar met een schrik ontwaken deed, dan weder, door het een of ander gerucht, dat een der kinderen maakte; telken reize echter viel zij onmiddellijk weer in slaap. Zoo duurde het, totdat de goede vrouw terugkwam en haar wakkerschudde.
âHij wacht ons al bij de brug met het rijtuig,quot; zeide zij.
âInderdaad!quot; riep Nicolette, opspringende.
âJa; 't is niet zonder moeite geweest, dat ik er een gekregen heb. Ik ben er bij drie geweest, en eerst bij den derde ben ik klaar gekomen; â maar hij wou het niet minder dan twaalf gulden doen.quot;
âJa, dat is ook waar,quot; zei Nicolette, en meteen het rolletje in haar zak openbrekende, nam zij drie van de gouden tientjes, die het bevatte, en stopte die in de hand van Trui.
âIk hoop het hier niet bij te laten,quot; zeide zij: âvoor 't oogenblik duizendmaal dank.quot;
âWel! ik mot dankje zeggen. Klaas.... Juffrouw!quot; zei Trui, die in lang zulk een geldswaarde niet in handen had gehad.
298
âZeg maar altijd Klaasje,quot; zei Nicolette: âdat wil ik voor u altijd blijven.quot;
En nu trokken beiden de deur uit, en de straat weder op; terwijl Trui aan Nicolette het fabeltje vertelde, dat zij den huurkoetsier had wijsgemaakt. Er was iemand van heur Juf-frouws familie te Leiden gestorven, had zij gezegd, en daar moest haar â Juffrouw nu onmiddellijk naar toe; maar omdat de moeder van de Juffrouw schrikken zou, als er 's nachts een rijtuig voor de deur kwam, moest het niet aan huis rijden, maar zou de Juffrouw er aan de brug inkomen.
Of nu de huurkoetsier, of de voerman, iets van dien roman geloofde, is een zaak, die wij niet te onderzoeken hebben; en het was hun dan ook vrij onverschillig, mits de een maar zijn vracht en de ander een goede fooi verdiende.
En werkelijk, aan de brug stond het rijtuig: âdag Juffrouw! goeje reis,quot; riep Trui, die de fabel, aan de koetsier verteld, wilde blijven spelen, en daarom den nadruk legde op de eerste syllabe. Juffrouw toch is de titel, waarmede men in 't algemeen elke ongehuwde aanspreekt; Juffrouw zegt men alleen tegen haar, bij wie men dient â en meteen opende zij het portier en sloeg de trede neder.
âDag Trui!quot; zei Nicolette, terwijl zij den eenen voet op de trede zette, maar eer de andere volgde, vergat zij haar rol, keerde zich om, viel de schoonmaakster om den hals en kuste haar hartelijk.
Toen rukte zij zich los en klom in de vigilante: Trui maakte het portier weer dicht, de voerman lei de zweep over de paarden en het rijtuig stelde zich in beweging.
Nicolette wrong zich in een hoek van 't rijtuig, en zoover van 't portier mogelijk, opdat toch het licht der lantarens niet op haar vallen en haar aan dezen of genen voorbijganger verraden zou; zoolang zij over de straatsteenen van Den Haag reed, achtte zij zich maar half veilig. Zelfs verliet zij die houding niet, toen de paarden de Dreef op en het Bosch ingereden waren. Eerst toen het rijtuig den hoek van de Koekamp omsloeg en zij aan de overzijde in de verte diezelfde prachtige
299
kaai, maar nu door tallooze lantarens verlicht, terugzag, die zij op den avond van haar komst had begroet, toen bukte zij zich voorover naar 't glas en wierp een laatsten langen blik naar die stad, waar, van het oogenblik dat zij er was afgestapt, haar schier niets dan miskenning en leed was wedervaren.
âVaarwel Den Haag!quot; zeide zij; âstad die alle jonge meisjes verlangen te bezoeken, en zich afschilderen als een paradijs vol genot! Mij zijt gij een kerker geweest, en ik dank God, dat ik er uit verlost ben.quot;
En zich in de vigilante op de knieën werpende, wendde zij haar hart tot God met een lang en innig dankgebed voor haar bevrijding.
Voor 't overige was de verwisseling van toestand, ofschoon telkens ten goede, nog verre van tot het volmaakte geleid te hebben. Dun gekleed, zonder warmen doek of mantel, op dat vroege uur, voordat de dag aanbreekt en wanneer de lucht ook zelfs in den heetsten zomer zoo scherp en kil is, hielp het Nicolette niet veel of zij de raampjes al dicht had, en zich de handen wreef en met de voeten trappelde; â de nachtkou drong door alles heen â en bijzonderen voortgang maakte het rijtuig niet. De voerman begreep zeker, dat hij ten gevalle van een jonge juffrouw alleen, zijn paarden zoo niet behoefde te vermoeien. Aan de tolhuizen duurde het ook telkens een geruimen tijd, eer de gaarder wakkergeschreeuwd was. Bij den eersten tol was zelfs Nicolette een poos erg in verlegenheid, toen de man aan 't portier kwam om het tolgeld af te vorderen. Zij had niet dan goud bij zich, dat zij niet voor den dag wilde halen, en de voerman had geen geld: â gelukkig, dat de gaarder hem kende en, evenals die aan de volgende tollen, zich liet tevreden stellen met de toezegging van bij het weerom komen te betalen.
âAan den laatsten tol stilhoudende, deed de voerman de natuurlijke vraag:
âWaar mot de Juffrouw te Laien wezen?quot;
Dat was waar ook. Waar moest zij wezen? Leiden was wel de stad, waar zij â wij willen nog niet zeggen geboren, dan
300
toch zeker â als geboren ingeschreven was, maar zij was er met dat al zoo onbekend als te Negapatnam; zij schrikte op het denkbeeld van bij vreemden, misschien weer verkeerd, te land te komen â en toch â er zat niets anders op. Immers, al begon een vale streep in het oosten het naderen van den dageraad te verkondigen, toch was het nog geen uur om winkels te bezoeken en zich van 't noodige te voorzien. Zij besefte dus, dat het noodzakelijk was, in een herberg te gaan â en dan daarbij gevoelde zij, dat het evenzeer noodzakelijk voor haar was, eenige rust te nemen, die zij moeilijk elders vinden zou: â zij antwoordde dus op de gedane vraag; âbreng mij maar naar 't logement.quot;
âNaar welk logement. Juffrouw?quot; vroeg de voerman weer.
âOch â waar het stil en rustig is, bij. . .quot;
âBij moeder Schlette, heel goed,quot; zei gelukkig de koetsier.
âJa juist, bij moeder Schlette,quot; herhaalde Nicolette, die zich terstond herinnerde, dat zij dien naam meermalen had hooren noemen door Bol en door Eylar, die beiden, gelijk trouwens alle studenten, steeds met opgetogenheid van de aangename uren spraken, die zij aldaar hadden gesleten, van de goedhartige zorg van de vrouw des huizes, en van de wakkerheid van Door.
Helaas! Ook zij is niet meer, die brave, vlugge, gedienstige Door Schlette, wier schitterende bruine oogen overal te gelijk waarden, om te onderzoeken of er iets benoodigd was, of ontbrak, of weggenomen, of verruild moest worden, en iemands wenschen raadden, eer zij nog waren uitgesproken. Door, die alle studenten liefhadden en eerbiedigden als een oudere zuster, aan wie zij hun plannen, hun liefdegeheimen, het onderwerp hunner dissertatie, hun twisten, de brieven, die zij van huis kregen, den overlast, dien zij van hun beren hadden, en hun uitzichten voor de toekomst, mededeelden: die met belangstelling naar hun verhalen luisterde, en nimmer hun vertrouwen schond; die verstandig wist te praten en raad te geven, en wist te zwijgen als het graf. Vrede zij haar assche: â geen eeuw brengt haar gelijke in de academiestad â zoo ergens â terug.
301
Terwijl nu de voerman verder reed, had Nicolette den tijd, de fabel te bedenken, die zij vertellen zou, om aan de kasteleines het vreemde te verklaren van haar komst.op zulk een ongewoon uur en met zulk een sobere uitrusting. Het haar ingeboren gevoel van oprechtheid drong haar echter, daarbij zoomin mogelijk van de waarheid af te wijken; wat dan ook wel het verstandigste was. Ook deed zij nog iets, wat evenzeer verstandig was, zij telde namelijk de tientjes, die zij van Donia gekregen had. Die waren, met degene die zij aan Trui gegeven had, vijf en twintig in getal, en daarmede zou zij, naar zij meende, zich voorloopig wel redden.
Het was juist toen de dag aanbrak, dat de vigilante voor de deur van het logement stilhield. Vrij spoedig werd er opengedaan ; een dienstmaagd verscheen en antwoordde op de haar gedane vraag, of er nachtverblijf was, toestemmend; waarop Nicolette, na voor de huur van 't rijtuig en voor fooi, twee tientjes aan haar voerman te hebben gegeven, omdat zij geen zilvergeld had â 't is soms schade, te rijk te zijn â en hij niet terug kon geven, en ook, naar hij beweerde, weer terstond terug moest, naar binnen stapte, zich door de meid, die wel wat vreemd keek, maar nog te slaperig was om veel op te merken, veelmin om vragen te doen, haar slaapvertrek liet aanwijzen, verzocht tegen acht uren geroepen te worden, zich, zoodra zij alleen was, uitkleedde, en nu eindelijk, na zooveel vermoeienis en koude, een verkwikkende en verwarmende rust genoot.
Den volgenden morgen zat zij in haar kamertje met smaak te ontbijten, toen de dochter van den huize zich bij haar vervoegde om te hooren of zij haar in iets van dienst kon zijn.
Nicolette behoefde nu, tot haar vreugd, niets te vertellen, want haar was geen onbescheiden vraag gedaan, en gewis had haar voorkomen, zoo eenvoudig, zoo zedig en innemend, belet, dat er eenig ongunstig vermoeden aangaande haar kon ontstaan. Zij nam dus gretig de gelegenheid waar en verzocht eenige adressen van winkels, waar zij zich verschaffen kon wat zij behoefde. De vriendelijke Juffrouw bood zich terstond
302
aan om haar geleidster te zijn; en zoodra was het ontbijt niet afgeloopen, of zij waren te zamen op weg naar een bazaar, waar alles te krijgen zou zijn. En inderdaad, Nicolette kocht een hoed, een écharpe, een mantel, eenige andere t o i 1 e t-artikelen en een fatsoenlijken reiszak om een en ander in te bewaren. Toen zij aan de herberg terugkeerde, was haar schat natuurlijk wel heel wat verminderd; doch zij kon weer presentabel voor den dag komen.
Zij gevoelde nu, zonderling genoeg, als men de zware ziekte in aanmerking neemt, waar zij pas van opgerezen was, en de hevige gemoedsbewegingen, die terstond daarna haar gefolterd hadden, volstrekt niets van haar zwakheid meer, en integendeel zich sterk genoeg om de reis naar Amsterdam hoe eer hoe beter te aanvaarden; nadat zij zich het adres van een stil en fatsoenlijk logement in de hoofdstad had laten geven, alsmede de noodige inlichtingen, hoe men het maken moest met het nemen van een briefje voor den spoortrein, met welken zij nog nooit gereden had, en die haar dus als iets zeer vreemds en schrikbarends voorkwam, trok zij met een wegwijzer naar 't station en zat wat later in de tweede klasse van den beurstrein, natuurlijk met eenige jeugdige kapelaans, die op haar binnentreden zich bevlijtigd hadden te kijken .... in hun brevier. Ongeveer twee uren later had zij haar voorloopigen intrek genomen in een dier ouderwetsche en rustige logementen, die men aantreft in de Warmoesstraat, en schreef zij een briefje, waarin zij aan Mr. W. Hoogenberg advocaat, kennis gaf van haar komst te Amsterdam, en hem verzocht haar een uur te bepalen, op hetwelk zij hem zou kunnen spreken.
Het antwoord, dat nog dienzelfden avond kwam en door Nicolette met zulk een levendig verlangen was tegemoet gezien, was voor het meisje verpletterend. Het luidde als volgt:
âMr. W. Hoogenberg kan Mejuffrouw Zevenster niet afwachten en verzoekt voortaan van brieven en boodschappen van harentwege verschoond te blijven.quot;
Toen Mie Euffel, op den volgenden namiddag, in denzelfden kelder, waar wij haar eens ontmoet hebben, onder haar kommetje koffie zat, met haar kat nevens haar, die zich op een klontje vergastte, stoof er op eenmaal een welgekleede Juffrouw binnen, die haar in de armen viel met den uitroep:
âMoeder! hier is Klaasje weerom, die nergens uitkomst meer weet en bij u hulp en troost komt zoeken.quot;
tHBii
mm
SC
/r gt;7/
INSTITUUT DE VOOYS VOOR NEDERLANDSE TAAIEN LETTERKUNDE AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT