m.
sis-;'? ^si?g^^Esgt; â¢.*⬠^^gg5^sglt;é'r»Sf8gK5re,Sfe5rg sfssrè-jfe «?gt; j^^esfe ?
rv) -l^ vn) ih'} 'H) (oj Â¥*'*§?gt;) 'Ai 'i1^ ^ /?) 'ft) ^ ^ quot;nquot;) -r»; ril irv. si) ft 'â $gt;â amp;)
â¢m â m
â S;|f
â¢iis
1!« «IS
�,ls
â¢iSI«
li â¢SIC
â¢tl® ⢠: lfS â¢Sl«
.4 I'S â¢|!« â¢11® â¢!êl« â¢4 1«
â i is
. ^
â¢wl t-©;
IAW.A^AMAAM/.^WAWAA)W.^.MAAAM^W.MA/W^AAAA W,; sj)^ | ___ |«jl
Iffll laar liet Donkere Were
jwp#|
JgSl-gagg .r.-i',
â¢if . , i.Vquot;»â V.Kh quot;⢠quot;â â¢â¢ \
;bgt;f{â¢â¢, ,vrij/11 ⢠v !i â¢if
»;
â¢-..-w.'.-11-- .
.. -y.
ipsiii :
-si
) si$-
Sl-T-i 31?.-$lf-; «l ï-SIS-I Siï1-
m-
mmMÃM
'S'
r|n_ /VJ.ij,-. .jra .â¢.:-\ ^ :: â¢/; â
-.IBBHaaH
Naar het Donkere Werelddeel.
PORSPRONKELIJK VERHAAL
bek
^ ^ -A- V E I ^
VAN* lilSN
Esrw. Piiri J. YAH EER BIIRST. '
msionaris can de Congregatie can O. L. Vr. can Afrika. (Wille Paler*.)
IJ3
j
â---
kindiiovkx.
stoomdruk van M. I'. V.\.\ l'IKHK k ('â
li*
mÃÃÃÃMÃm
BLADWIJZER.
1S93. Met welk doel cn hoe deze bladzijden gesehreven
werden 1
ALiiirt. Afscheid van I abarku (X.-Afrika, Ivabvlitquot;). Ocvaron
op reis ....... 5
Apiil. Garnizoen te 'lunis. ( urtliago Maison-Carree. . s Mei Bezoek aan liet ouderlijke huis. Afscheid van allen . 1 ü
Juni. Terugreis naar Parijs cn Carthago Afstanden . . I :ï
Over Apostolische reizen X Dame de la Garde . 14 lo Juni. Naar Malta .De catechisten-dokters Een inedereizend
Semiet. Aankomst bij mijne oud-élèves . . .17 Dj quot; Hartroerend afscheid van de negertjes. Naar Port-Saïd. l'.i 20 // Port-Saïd Teleurstelling. List om huisvesting te be-
k'oineu . . . . _ _ quot; _ oi
2 Juli. Een Hollandsch schip in zicht. Kanaal van Suez.
Tolgeld........ oj.
De Roode Zee Vroegere eeuwen Sinaï, 1 lorei) . 27 quot; Op volle zee. De Islam. Djeddah. Suakim, Dongola. 30 '[ quot; l'erini llab-cl-Mandeb Engelschen en Russen. Aden. ol De duikertjes van Aden. Zeeziekte. Gods schoone natnur ....... 35
quot; Bastillefeest, ook op zee gevierd . . . ;j ^
quot; Aankomst te Zanzibar. Blijde tijding voor den Missionaris. ...... 40
'' quot; ln de Procuur te Zanzibar. Ziek tengevolge van vergiftiging...... é
quot; O]) weg naar de Binnenlanden. I'ater Pressen. Br.
Marius. Sewa en zijne pakhuizen. Inlandsche schepen of boaters. . . . . . 4S
'quot; Bagamoyo. Het aanwerven van dragers . . .52 Aankomst in de karavaan. Het Model-Missiehuis van
de Paters v. d. H. Geest.....5.1.
quot; 0,vcr de draaglasten. Aansluiting l)ij de karavaan . 55 \\at Bagamoyo voor den neger is. Eigenaardigheden.
\ ooruitgang der stad . . . . . . 5() De nieuwbakken ezelrijder. De karavanen der laatste
jiircn.........58
In het eerste kam]) : Chem-Chem. Onder onze tent . 59 '' quot; Eerste H Mis onder het tentdak Br. Osear. Samenstelling der karavaan Het draagloon . . CO 12 quot; Tweede kamp: Kingani I. Onze askaris. Over de
rivier. Veergeld vooruit te betalen , c
Blz.
I'.i'iic maïsolie regenbui. Duitschc beambten. Hoe onze
ezels over de rivier kwamen . . . . (57
Na den regen Een ezel verwekt oproer . . . (i!) Derde kamp: ilianzi. Drinkwater. Patriarchale
redevoering lioeftoe, de hond, bespeurt onraad . 7 1 Vierde kamp: Kingani il Boschbrand Pintaden.
Eene slang ....... 74
Vijlde kamp: Honïra. Bezoek van een dorpshoofd 75 Zesde kamp: Mbiki. Remplaeanten-dragers. Déserteurs 70 Zevimde kani]) ; ^ata-Kiboelnva. Toezicht over de
karavaan Ziekenverpleging . . . . .78 Achtste kam]): Msoewa Door een boseh. Wachtvuren. MJ Negende kamp: Kisenio Geraamten in menigte.
lgt;e Duitsche vlag Slavenjachten en handel Markt. *3 Rustdag. Bezoek van een Duitsch ottieier. Een
too venaar . . . . . , . .85 'I iende kamp : Guérenguéré. Een zieke broeder op
reis naar de kust . . . . . . Ss
11 de kamp : ^ angé. U at eene pori is Tusschen
bergen.........yo
12de kam]) : Miki'sr Hoe de ])]iiats voor een kamp
gereinigd wordt De neger i» een groot kind . !) I 13de kamp; Palange Ontzaginboezeming Moed der negers ..... ... 1)2
14de kamp : Mrogero. Iets over hoeden Sorglio-meel en Moetama .... ... i):S
Missiestatie van de I'. v. d. H Geest. Een ezelsgrap.
Geschenken, Koning Kingo . . . , , Dl-llustdag. AA elke dagorde wij op reis volgen, Feest 90 lets over de 1 ijt'eigenschap onder de negers . .98 13de kamp: Guérenguerè 11 Negerzang. Eene brug. Bijgeloof .... . . 99
16de kamp: \ ian/.i Dubbele marseh Het opbreken der karavaan. Bij drinkbaar water. Hoe men dit vervoert . . . . , . , . löü 17de kamp: Mkata. Weer eene brug, maar niet voor ezels Grasbrand ....... 102
18de kam]): Kingo-Udogo Koning Kingo de jongere. IIKJ 19de kamp: La Longa Sym])athic der bevolking. Een groot geluk bij een ongeluk. De 1'ost der 1'. v d II. G. alhier. De pokken. Nog slavenhandel. lO-l Stortbuien De weg, door ons tot dusverre afgelegd. 100 Eene duivelbezwering V Het koopen van nieuwen
mondvoorraad. Een slangennest .... 107 Lijkplechtigheid. Nieuwe dragers aangeworven. De
Posho . . . . . . . .109
De zang onder de H. Diensten. Een koerier. Onze brievenpost . . . . . . . ,110
in
BLZ.
17 A''quot;quot; 2 I'quot;111': ^iIof ?⢠15en heirbaan van do Diiitschers 113 ' 21*0 W- Mnóm-rsa^ Ontmoeting met cone
is â r0quot; r,T-!lan' l':en koerlcr nit l?quot;kquot;mbi . 114
lÃile'Tne^r- ^«ktc.
Tlien quot;^tciiteop: -MHka.an:
!' quot; v:in c:u ^-'-ns116
09 quot; Sost'. kmnj.: Tnbnqne. In de Pori . ' quot;i,^
~ Ib't i)quot;1-?: i Karavaan van inlanders
Het I hntseh tort alhier Budget v lt;1 Ddtsche
kingen'. U,Jmcts,',aar8 Winstgevende botrek-Transportkost'.n van een karavaan Hoe l.et loon wordt
V li 1 , U,nquot; (hr l!lstm- Wifze van inpakkin-23 â Kattendans Malheur met het veldbed . quot; 133
*1 J' kls0118«'é Gij /uit niet stelen, aan-scho.nyehjk voorgeteld Hen A nglikaansehe Missiepost. cue verlaten is . . t;,.
quot;'quot;tiitschers kctter ? 1gt;1-otest!intsche Missiejiosten der
H, ],:1 i 0ni' , l ('1,e Voorzich-
25 quot; 2M e k i!Il \ quot;quot;T ^r'1, ^eStitutie V!in «â quot; oeu'l:er 130
de 1 w1 : Mchl'lgt; dubbele marsch door
28 quot; -
M Aquot;°- ,Mquot;5viquot;'»quot;« «
30 quot; 32ste kamp: Ipara .' .' ' V*
^J7]v â XajaSC' 0f de IleSCTS ook bang zijn voor de 1'ruisen quot; 0 J
Sq.t. 34ste kanj,,: Kérengâél,\ Kudden van' duizenden '
3 quot; 35ste k'ini') J1.''quot;' mmlwillige grasbrand .13',)
ltigt;;r â lMat!',,quot;]nsl- ()l' «oi verkeerd pad. I 'Lljcate smaak van den neffcr ,,,
oCsto kamp; Hirinde. Moeilijk begaanbare paden' .Heiooving van eene karavaan Ander quot;-evaar l-'en i ^ verlaten pokkcnlijder. Hrandhlnsseliersquot; ' i.j9
5 quot; S^tekmü- va:X;lJUCzi;J!iJ 0,,i!ccl-1-steim-o,-hianenquot; 144
I ' 1 ⢠-V-'Sülo \\ eer op een verkeerde iveg. ,. Uc ll;vue wordt gepasseerd . ij-
nos^'ÃÃé'h wquot;y!,I,fuir!l- gezoek aan den Duiisehen 7 â ! I)e ii'^temenicn der Pnitsehe beambten alhier 14G
aii'P: Kilimantindini. Eene klojipartij . .148
BLZ.
11ste kamp; Mochalabi Bergachtige streek. Hoovers
bestraft. Samcutvcft'cn met andere karavanen . . 14'.i Kustclag Bezoek van don Sultan Vroegere knevelarijen. Voorzorgen voor don toclit door een gevaarlijke strook . . . . . . .151 42ste kamp: Kapalata. Waterleliën. Bezoek van
don Koning . . . . . . ⢠.153 l;isto kamp: Itawa Do kortste weg vermeden Eene karavaan van dragers trekt naar de kust, om dienst te zoeken . . . . . . ⢠15 5
44ste kamp : Yisime Visati; De drie putten Pater
Gossean wordt ziek . . . . . .15(5 43ste kamp: _Mihamina Hot draagbod voor don
zieken eonfrater . . . . ⢠1 â gt; li
IGste kam]): Itawa ya Madje Onze gebeden op reis. 157 47ste kamp: Ikungu 1 Eon ontaarde vader. Begrafenis. F G^sseau blijkt zwaar ziek to zijn . 15 s 4Ssto kamp: Ikungu II De zieke oon weinig ver-lieht. De Woltsmolkstrnik Vrecsacbtiglioid dei-negers Bezoek van koningin Hadiki. 1'. Gossean bediend. ........ IBt)
.Rustdag. Melkvee. 15en droppel chartreuse. Ideeën van de negers, üitdeeling der posbo. De tembe der koningin, Het kroon prinsje. Muziek on dans. 102 4!)ste kamp: Ikungu IH. i' Gosseau iets beter. Het negerbicr. Gevlochten drinknap])en. lïedreigiug met oorlog . . . . ⢠⢠â . 1 lt;i 7 SÃste kamp: ^Itoui. Eerherstel. Echte soldaten. P Gosseau aan de beterhand. Gestoken door een schorpioen Onze reisapotheek. Palmboomen, Slan-genneston .... .... Kii)
51ste kamp : Mwara Grondsgesteldheid in Duitsch
O.-Afrika. Bevolking. Onoenigheid der gidsen . 172 52sto kamp: Simbo. Apenjacht. Jacht op rivier-paarden, die bijna een droevig slot had gehad. P. Gosseau lijdt aan ijlkoortsen . . . . .173 53ste kamp: ,Mana Tombolo. De woningen der Geesten. Bijgeloof. Bezoek van hot dorpshoofd.
Zijn verantwoordelijkheid . . . . . 17.gt; 54ste kamp : Sanguisi. Een door ons verboden eer-bewijzing. De wisseling van geschenken. Haartooi der negers. P. Gosseau gaat wéér iets vooruit . 177 55ste kam]): Myawa. Goheele kudden ossen. Een
edel ezelras. Zonderlinge welkomsgroet. . . 17!) 5(gt;ste kamp; I songo. Ons reisaltaar. De Engelsch-man Stokes. Beleefde behandeling vanwege de Angl. zendelingen ? Was bij Katholiek ot Protestant ? Een ontoerekenbare oproerling . . . . .180
V
I. li/,*
ill Sept. öistc kmnp ; Xgurn. Koopon en afdingen. Ken
gedienstig sultiin, 1'. Gosscan herstelt metr en meer. I ~'i quot; 5Sste kaiup; .M ton i li. Dubbele marseh Tegen wil en dimk moeten wij verder. ])e steinniing verandert eensklaps Gebrek aan drinkwater. Ecne slechte tijding- voor ons . . , . . I ^.'i s quot; Sliste kamp: Alassari Allen in opgewekte stemming.
\ ele dragers verlaten de karavaan. .Nieuwe aanwerving . . is; S'.i eu oO Sept. Ilustdageu J)e trom der negers t itwerkselen van de pombee I Sijnu geheel verlaten Beproefd schelmstuk van een nyampara. Hetere tijding lien kliin-tochtje . . ' , . . , |sS
1 Oet. liet geld in Afrika. Sieraden Kuihniddelcn. Snuif'
en snuiven. Hennep- en tabakrookers l)e klceding der zwarten. Hunne wapenen ... 11)1 Hun woningen Voortbrengselen van het land . . HMi liet dierenrijk alhier Onze planten. Ciodsdienst van 't volk - . . . . . . _ . l'JS
2 // Het uitzoeken van lasten . . . . _ . 2(JU ii '/ Laatste voorbereidselen tot de verdere reis. . . 201 I quot; 60ste kamp: Usulé. De nieuwe karavaan . . 201
1*. Gosscau w eer in staat om te rijden. Koude hutten.
Ander volk, Alweer ezelsstreken . . . 302 5 quot; 61ste kamp : Nindo. Onmogelijke bewaking dei-
karavaan Een dwerg en vroegere afzetter . . 203 62ste kamp: 1'orini. Hulp van het dorpshoofd. Alweer ezelskuren Ongelukkige dagmarseh . . 201 7 quot; 63ste kamp: Salawa Plaatselijke ligging. Mzimoe's.
Honig......' . , 0||5
(i-lste kamp : Mamora ya Xera \ ertrouwelijkc omgang met apen Men zandruiter Pombeedriukers 20? li quot; 05ste kamp: Kassorolo. Het eerste gezicht op het Xyanzameer .Bevolkte vlakte, Ilijkdom en armoede. Koddig kleederen aanpassen, 't Veldbed . . 21111
10 ft Onze L, Vrouw van Kamoga Ukumbi Or.uliiiking
van de wet. Over de rivier gedragen Schijnbare diefstal . . . . . . _ ' o | o
Vreemde manier van groeten. Het weerzien van onze
confraters . , . ... 211
Bezoek aan het kerkhof Overzicht der reis . .215 Onze eerste karavanen en missieposten alhier . .21(3
De Statie van O L V van Kamoga.....2 17
Onverhoopt weerzien van venneende ballingen . .21^ Onze Missiehnizcn alhier en hunne bewoners , . 2111
11 quot; _ rhnis en toch nog niet thuis . , . , ,2111
Namen en bijnamen der Paters. Onze schuiten. . 220
11- ft Weer op reis. Onze L. V. der Kallingen. 2:21
VI
I!LZ.
1 I quot;lt;'t. l'Apcditir van don Anti-stavcrnij-bond . . . 222 ló '/ J oevluclitsoorcl van dc zusters en kinderen v. Koning
M wniipi, ........ 224
1'/ quot; eer op marsch mot de karavaan Vrees voor de
Duitsehers alhier ....... 22ö
li' quot; üietbrand. Wij moeten eenen omweg maken . . 220
20 quot; Waarom de munen der ])laatsen hier zoo vaak veranderen 227
21 quot; Verraderlijke bodem onder de voeten . , .22s
22 quot; Verwoeste dorpen Ken neger met een geroofd geweer 22'.l 21 quot; V\at dc negers wM eten, en wat niet. . . . 2o0
Kene smidse Oriëntatie-gemak der negers. . . 231 Ken praclitig gesehenk van den koning Malaise . 202 2(i quot; Loofhutten. Waarom de koning bedeesd was . . 233 Eelite krijgslieden. In de hangmat .... 234 2S quot; liet einddoel bereikt I shirombo .... 235 Lenige datums betrekkelijk onze afgelegde reis . 23(5
Begin en vooruitgang der Statie van O. L. V. ter Hulp
Ken geheim genootschap . . . . .237 Dc funza (aardvlooi) (iebonwen. Benoemd tot het stichten van een nieuwen post Besluit. . . 238
REIS NAAR MIDDEN-AFRIKA,
(28 Maart tot 28 October 1892),
door J. M. M. van der Bcrgt, Priester-Missionaris van 0. L. V. van Afrika.
1ste Gedeelte. (28 Maartâ16 Juli 1892), van Tabarka tot Zanzibar.
Op tweeden Paasclidag 6 Juni 1892, op den vooravond mijner definitieve atreis naar Zanzibar en Afrika's binnenlanden mij te Oudenbosch bevindend, verzocht de verdienstelijke redacteur der Huil. Annalen der Afrikaansche Missiën, mij zoo dringend om mede-deeling' van een en ander over mijne aanstaande reis, mijn verder wedervaren, den stand onzer dierbare Missiën van Equatoriaal-Atrika, bij tijd en gelegenheid, dat ik wel beloven moest. Laat mij er aanstonds bijvoegen, dat ik zulks gaarne beloofde. Immers ik weet te goed hoezeer door t Liefdewerk der Afrik. Missiën in Nederland onze zware Missiën gesteund worden. De duizenden lezers en lezeressen der âAnnalenquot;, allen weldoeners respectievelijk naar vermogen, hebben daarom ook t volle recht iets te vernemen over die verre Missiën en van de Missionarissen, die zij door hunne gebeden eu oilers ter hulp komen. In t bijzonder mogen ze zulks verwachten van landgenooten, die in 't verre Afrika arbeiden. Wel rekenen wij ons de gunst onwaardig uitgekozen te zijn om in de binnenlanden, in thart van 't zwarte werelddeel zelve te arbeiden aan de bekeering der arme zwarten in die geheimzinnige gewesten, waarover iedereen sinds 15 jaren vooral, na de reizen van Livingstone, Stanley, Cameron, Speke, Grant,-Wisswann enz., spreekt, terwijl 't meerendeel onzer medebroeders in Noord-Afrika, Kabylië, Sahara, op Malta, te Jerusalem, zelfs in Frankrijk, België, Luxemburg en Nederland (ofschoon immer voor 'tzelfde doel) werken, maar toch is 'thun te vergeven, indien ze fier zijn, dat ook Hollandsche Missionarissen daar in 't Binnenland mochten doordringen. In ronde cijfers telt onze Societeit (Priesters-Broeders-Zusters) op 't oogenblik 100 Hollanders onder hare leden, daaronder novicen, apostoliekeu en postulanten gerekend. Voorwaar een trotsch getal voor 't kleine Nederland! Allen gewis zijn edelmoedig genoeg ons naar den Evenaar te volgen. Geduld. De tijd zal komen. Weest niet bang dat t werk mocht ontbreken. Mijn God! De oogstvelden zijn zoo onmetelijk groot en meest alle rijp voor de inzameling, doch de-werklieden zoo jammerlijk klein in aantal! Wat vermogen een 50-tal missionarissen in een missieveld veel grooter dan Europa !
2
Gewis is men benieuwd te weten hoeveel landgenooten iu Midden-Afrika arbeiden. Vier tot hiertoe; twee priesters en twee broeders. Br. Gerard uit Maastricht (Kavema); Br. Antoine uit 's-Bosch (Mangwe, Nyassa); P. Schmier uit den Haag (Boekoba, Kiziba) en uwe onderdanige dienaar.
Ik zei dat ik bij mijn vertrek deu goeden Broeder Bernardinus volgaarne beloofde nu en dan iets van mij te laten hooren. Echter stelde ik mijne voorwaarden; ik moest ze wel stellen. Best, zei ik: als onze Lieve Heer mij voldoende gezondheid geeft. Want als de zeeziekte of de Afrikaansche koortsen u te pakken krijgen, dan wenscht zelfs de felste briefschrijver pen, inkt en papier naar den drommel. Eerste reden waarom nieuws van ons uit 't Binnenland zoo slap atkomt. Dus geen klachten, maar medelijden. Probeer vervolgens (doch tusschen twee haakjes; dat is u onmogelijk) u een denkbeeld te vormen van 't Afrikaansche Missie-leven. Soms in een verloren oogenblik zelfs in karavaan, gevoelt men wel trek eenige regelen neer te krabbelen, doch daar staat men: nu eens geen papier, dan geen pen «f inkt bij de hand ! Afgedaan. Dan moet er maar gelegenheid zijn een briet naar de kust en vervolgens naar Nederland te verzenden. Dat zijn buitenkansjes. Vraag hier niet naar post- of telegraafkantoor! Geen koerierdienst is geregeld. Nu en dan om de twee of drie maanden zegt de Overste u : âMaak uwe brieven klaar: morgen of overmorgen hebben we een koerier.quot; Vreugde natuurlijk. Doch zie: die dagen evenals de gewone dagen heelt men de handen overvol met bezigheden, taalstudie, katechismus, ziekenverpleging, bezoeken, timmeren, metselen, enz., enz., bezigheden, die niet stilstaan kunnen, dat er o ! zoo bitter weinig tijd overblijft om te keuvelen per brief met de lieve vrienden. En als men dan 't geluk heeft een respektabel getal dikke vrienden en talrijke familie te bezitten! Men is buiten raad. Kom, toch aan den slag. Natuurlijk zijn de eerste regelen voor de dierbare ouders, als men 't geluk heeft die nog te bezitten. Hoe zou 't anders kunnen? Daarna een of anderen dikken vriend of bijzonderen weldoener uitgezocht en daarmee is 't meestentijd gedaan. Voort gaan de nieuwtjes, 40, 50 ö, 60 dagen tot de kust en nog een maand vooraleer ze 't lieve vaderland bereiken, zoo gerekend drie maanden. Nieuwe wanhopige gedachte ! Er kunnen missionarissen zijn, die bij zich zeiven denken: âHoe onzeker is 't of mijne brieven behouden aanlanden ! De koerier kan overvallen en uitgeschud worden en mijne brieyen zijn naar de maan! Daarom maar niet schrijven.quot; Eindelijk de voornaamste oorzaak der schaarschte van nieuws uit 't Binnenland, is de overstelpende, onderbroken drukte der Missionarissen. Gewoonlijk is men met drie of vier in een Missiepost,
3
quot;Welnu: van den vroegen morgen tot den laten avond, soms een gedeelte van den nacht er in begrepen, heeft ieder zijn bepaald werk, zooals ik zooeven reeds optelde. En men weeklaagt dat zooveel werk ongedaan moet blijven en men bidt om meer werklieden ! â Ziedaar, redenen genoeg, die den Missionaris verontschuldigen als hij niet zoo gul is met brieven gelijk dat eïders mogelijk is. De meeste iier redenen voerde ik aan bij den goeden Br. Bernardinus tot rechtvaardiging mijner voorwaarden, en ik heb de zekerheid dat ze begrepen zijn. Mochten alle mijne vrienden en familieleden, die al vlasschen op lange en talrijke brieven, ieder atzonderlijk eveneens die redenen verstaan!
Men mocht allicht oordeelen naar de lengte van de voorgaande soort inleiding, dat mijn reisverhaal zeer lang en wel een boekdeel beslaan zal. Ofschoon de stof natuurlijk niet ontbreekt, zal dat niet zijn, ten minste zoo is mijn plan. Ik ben wel met goeden moed begonnen, doch ik kan zelf niet voorzien hoever ik mijn verhaal voeren zal en ot ik 't ten einde zal kunnen brengen. Gewis wel, als ik eenige volle dagen niets anders te doen had. Het zullen enkel de verloren oogenblikjes zijn, die ik stukje bij stukje benuttigen wil, om deze mededeelingen, ten gelieve mijner vrienden en ten nutte misschien van sommige mijner confraters en toekomstige missionarissen, op papier te brengen. Men versclioone daarom het gebrek aan samenhang dat dikwijls in mijn geschrijf zal op te merken zijn. Vervolgens verwachte men van mij geeue geleerde beschouwingen, bijvoorbeeld om maar iets te noemen (van af Carthago tot Zanzibar), over de geschiedenis der volken, welke die zeeën en naastgelegen streken vroeger beroemd hebben gemaakt (bv. Malta, Egypte enz.), over hunne monumenten enz.; evenmin diepe studiën over historie, geographie, botanie, natuurlijke historie, mineralogie, philologie en ik weet niet wat al, op mijn reis van Zanzibar naar 't Victoria Xyanza-meer en mijne missie van üshirombo. De noodige kennis ontbreekt mij om mij op dat terrein te wagen. Die kennis schaadt niet in den missionnaris, integendeel. Iedereen weet hoeveel de verschillende takken van wetenschap (o. a. de zooeven opgenoemde) den Mission-narissen danken. Ik herinner alleen aan de yiissionnarissen van China, Indië en Zuid-Amerika. Doch daartoe behoort bijzondere aanleg, veel studie, tijd, gelegenheid en jarenlange ondervinding. Een jeugdig Missionnaris echter, die als ondergeteekende zulke reis aanvaardt (en nog wel zoo goed als alleen) vindt alles vreemd en onbekend bij iederen stap. Men moge al de reisverhalen der tien
4
voorgaande karavanen onzer medebroeders, hunne brieven, de werken der meest bekende Atrika-reizigers, en alles wat de pers dagelijks over Afrika publiceert, gelezen hebben, het baat niet. Als men niet ter plaatse geweest is eu met eigen oogen gezien heeft, begrijpt men van dat alles iveinig of niets. Integendeel men verHnast dikwijls over de valsche begrippen, die men zelf had en over de divaasheden en belachelijke denkbeelden, die men in Europa vaak heeft over Afrika, Afrikaansche toestanden, het negerras en zelfs over den slavenhandel. Ik hoop later gelegenheid te hebben hierop terug te komen. Om Afrika te kennen zooals het is in werkelijkheid, behoort jarenlange ondervinding ter plaatse. Bij 't lezen der werken van de beroemdste Afrika-reizigers (eenigen uitgezonderd) zij men op zijne hoede en men wachte zich alle voor goede munt en als onomstootelijke waarheid aan te nemen. Men brodeert er maar op los. Waarom niet? In Europa kan men 't toch niet controleeren. Die heeren doortrekken in groote snelle dagmarschen de verschillende landstreken, verzamelen eenige vluchtige, oppervlakkige inlichtigen en daarmee uit. Iets geheel anders-is 't met onze Missionarissen, die 8, 10, 12 jaar ter plaatse zijn. Daarom dan ook is het een waar genoegen voor een jong Missionaris, eenmaal in zijne Missie aangekomen, die confraters, gebroken meestal door den last des Apostoiaats, aan te hooren. Zoo leert men Afrika en de negers kennen! Zoo echter is 't met mij nog niet; men spanne dus zijne verwachting niet hoog. Daarenboven nog ontbrak mij op mijne reis behalve kennis en ondervinding elk boekwerk of geschrift over Afrika. Men zal mij dus niet van plagiaat (atschrift) kunnen beschuldigen. Immers met de bovenvermelde bronnen (reis-journalen der karavanen enz., of zelfs maar alleen met de belangwekkende brieven van P. Vyncke voor zich) ware heel wat samen te flansen. Alles wat mij ten dienste stond van dien aard, was de partieele kaart van Richart Kiepert van Duitsch Oost-Afrika (â AequatorialOst-Afrika nach den Vereinbarun-gen vom 1 Juli 1890, von Richard Kiepertquot;) mij door eyi Duitsch officier gratieus verstrekt. Dit is een zeer goede kaart, en ik kan die iedereen aanbevelen, die ook eenige geographische kennis van onze Equatoriale Missiën bezitten wil. Daarop, toch zijn de meeste onzer Missie-staties door roode punten aangegeven. Zonder veel moeite kan men er op de reisroute dezer Missionarissen volgen. Eindelijk omvat die kaart nagenoeg al de Missies onzer Societeit, door den H. Stoel aangewezen, uitgenomen een gedeelte der Nyanza-Missie naar 't zuiden en der Oeganda-Missie naar 't noorden, die er niet op voorkomt, en behoudens een aanmerkelijke strook links van den Boven-Congo, die aan de Mis-
5
sionarisseu van Sclientveld toekomt, en eene gewiclitige en groote sti'ol'k aan de Oostkust langs den Indischen oceaan (circa tot deu â¢36° oosterlengte, die door de Paters van den H. Geest en de Benedictijiier-Missionarissen, worden geëvangeliseerd. (Men kau die kaart bevragen bij den uitgever van het Missie-Maandschrift âO-ott v\ill es ! A. Eiffarth te M.Grladbach, doch men vrage de nieuwste editie.)
Mijn doel is eenvoudig en gemoedelijk met den lezer te keuvelen over t geen ik op mijne reis zag, ojimerkte en ondervond. Ik hoop mij wel te wachten van overdrijving, maar naar werkelijkheid en waarheid dat alles weer te geven. Ik kies den vorm van dagboek ten minste vanaf Zanzibar tof üshirombo (18 Juli â 28 Oct. 1892), zoodat we dag in dag uit samen reizen. Mede zal ik aangeven het cijfer en den naam der kampeerplaatsen onzer karavaan (zoo-als P. \ yncke dat deed) alsook den afstand in uren die we dagelijks aflegden. Die droge, eeuwig zich herhalende aangifte moge vervelend scnijnen, ze kan dienen voor anderen, en die verbrokkeling verpoost den lezer en verschaft hem een rustpunt (ofschoon zij en passant gezegd) zulk rustpunt na eene vermoeiende dag-marsoh ons in realiteit ter plaatse heel wat positiever genoegen moge verschaft hebben.) Om de eentonigheid min of meer te verminderen, is mijn plan hier eu daar meer algemeene beschouwingen over volken, gebruiken, talen, Missie-aangelegenheden enz. enz. iu te lasschen.
En nu op reis 7 maanden lang!
28 Maart lb9:2. - Ik heb vroeger den Lezer onderhouden over onze .Missie van Klmunirie en Tabarka en omstreken in 't bizonder. Naar mijn vermogen was ik begonnen met hart en ziel en allen ernst dat arbeidsveld te ontginnen en in korten tijd was mij die Missie wezenlijk dierbaar geworden, zoodat het mij hard \iel deze te verlaten, toen cp 't einde van Maart een order mij naar Maison-Carreé riep. Ik vermoedde toen echter allerminst dat die reis na (3 maanden eindigen zou aan de Evenaarsstreken van Midden-Afrika. Die gedachte alléén zou mij in dit geval hebben kunnen troosten, want de Evenaars-Missiën staan boven aan in de voorliefde onzer Missionarissen.
Op Zondag den 2/ Miart bevond ik mij voor de laatste maal onder mijne dierbare parochianen van Tabarka. O ja, ik had ze liefgekregen, die bevolking zoowel Europeaansche als inlandsche. Gewis: er viel nog zeer veel te doen, doch. Goddank, er waren
6
reeds menigvuldige sporen te ontdekken van een omkeer ten goede. Het getal Mishoorders sterkte aan. Mijn klein kapelletje was allang te klein. Minstens tweederden der kinderen van 6 tot 13 jaar kwamen Zondags naar den katechismus. De vroeger zoo ellendige en onzindelijke kapel (of liever de barak, die als zoodanig doorging) was thans zoo zindelijk en siei-lijk mogelijk in orde gebracht: de wanden met een nette stot behangen ; nieuwe banken, een klein harmonium, tabernakel, kruisweg, een paar schilderijen, een aantal vaandels (âoriflammesquot;) enz., allen natuurlijk zoo simpel mogelijk, aangeschaft, het uiterlijke gewit en wat opgehaald enz. De restauratie eindelijk en inrichting der oude Eomeinsche ruïne, die als parochiekerk dienen moest, was ver gevorderd, zoodat ik met Paschen in staat geweest zou zijn er de H.H. Diensten in te verrichten. Het beviel de bevolking, dat men eindelijk iets deed voor Tabarka. Een groot aantal toeschouwers ontbrak nooit op de werkplaats ; menigeen deed mij dezen of genen dienst ; men beloofde kerksieraden en, zonder ijdelheid gesproken, men had achting voor den Pastoor. Hoe zou 't mij mogelijk zijn hier de weldoeners en weldoensters te vergeten, die van uit 't verre Nederland zoo edelmoedig mij in staat stelden deze arme verlaten zielen ter hulp te komen ! Nogmaals betuig ik hun allen hierbij mijn hartelijksten dank. God zal hen zegenen. Hunne liefdegaven zullen vroeg of laat, maar onfeilbaar gedijen; daar spreekt ons geloof borg voor. Het zal dan niemand verwonderen, dat ik innig geroerd was, toen ik op geraelden Zondag mijne christenen een laatst vaarwel toesprak. Vooral bekommerde ik mij over 't lot der arme jeugd.
Op Maandag den 28 Maart na mijne H. Mis besteeg ik in den vroegen morgen mijn trouw ros âNegroquot; en keerde den rug aan :t vermaarde Tabarka (Tabraca-huis der zegening, der oudheid, gesticht door de Pheniciers, doch veel meer beroemd door zijne patrones de H. Maxima), aan zijn bekoorlijk eiland,bekroond door een mid-deleeuwsch slot, en de blauwe wateren der Middellandsche zee. Mijn gemoed was vol en mijn paard de beide sporen gevend, was ik de 15 kilometer lange vlakte door zonder 't nauwelijks gemerkt te hebben. In plaats van mij regelrecht naar Maison-Carrée (Algiers) te begeven had ik in last vooreerst in Tunis-Carthago gedurende den paaschtijd dienst te verrichten. Mijn vast plan was nog dien dag in Tunis te zijn ondanks een reis van 13 uur (82 k.m.) te paard tot Souk-el-arbo en 50 uur afstand sporens. Dit zou echter tegenvallen. Tot Ain-Draham ging alles wel. Daar echter moest ik van paard verwisselen en wijl er oogenblikkelijk geen huurpaard bij de hand was, mij behelpen met 2 muilezels, een voor mij en een voor mijn gids
(Rlirumir). In 6 uur meende ik wel den afstand van 40 k.m. tot Souk-el-arbo te kunnen afleggen en den nachttrein voor Tunis te halen. Doch ik rekende buiten den waard, of liever buiten de koppige domheid en ezelachtigheid mijner muildieren, In de bergen overviel ons een dikke mist en later een hevig onweer en plasregen, die tot in den nacht duren zou. Gedurig haperde er iets: nu de toom, dan de stijgbeugels, dan de zadelkoorden gebroken, enz. Tegen den avond waren we nog niet halfweg; al te laat voor den trein. Halfweg te Ternana staat wel een soort twijfelachtig logement, doch ik had weinig trek in de bandietenstreek te vernachten. Dus \ ooi uit tot eiken prijs, al zou took middernacht, morgen zijn. alvorens Souk-el-Arba te bereiken. Onweer en regen namen steeds toe, een duisternis, die niet toeliet een hand voor oogen te zien ; geen levende ziel ei gens; wel hoorde men over de vlakte het akelig gehuil der jakhalzen, en ontwaarde men op grooten afstand de dwaallichtjes der Rhrumir-hutten. Een laatste ongeval, mijn langoor kreeg 't op eens in 't hoofd zijn berijder af te werpen, en mij een eind weegs door 't slijk mee te sleuren. Wijl ik uit vrees voor een grooter ongeluk den toom wel loslaten moest, koos grauwtje 't hazepad, juist in tegenovergestelde richting. Mijn gids verantwoordelijk (vooi den Caïd) voor de beide lieve beestjes, hem nagezet! Daar stond ik alleen in 't holle van den nacht in eene woeste vlakte en een helsch onweer en stortregen op den koop toe. Van mijn muildier of gids vernam ik niets meer. Een uur lang sukkelde ik voort, den anderen ezel bij den toom leidend, toen ik eensklaps bij t helle schijnsel van een bliksemstraal aan den rand stond van de Oued-Kebir (de aanzienlijkste rivier van Tunisie in de oudheid Bagrada genoemd en vermaard door vele veldslagen langs diens boorden, door de Romeinen geleverd) Ik was dus op eenige minuten van Souk-el-Arba. Hoe de rivier over te komen ? Op ge-â wone tijden door waadbaar, waren nu echter hare wateren zoo gezwollen en onstuimig, dat er zeker levensgevaar was den overtocht te beproeven. Fraaie positie; 't was middernacht, de regen liield immer aan; stikdonker; nergens een boom of struik, zelfs geen steen om uit te rusten, niets dan modder en slijk, en daarbij was^ ik letterlijk uitgeput van honger en vermoeienis, en tot de liuid doorweekt van den regen. Er waren reeds 18 uren verloopen sinds ik Tabarka verliet. Er zat niets op, ik moest op de plaats waar ik stond vernachten. Mijn ezel natuurlijk weinig zich ' be-kommerend om zijn ruiter begon dapper te grazen, en zelf strekte iiv mij op den grond uit. Ik behoefde geen plek uit te kiezen, overal was de grond even slijkerig en doorweekt. Mijn burnous oser t hoofd trekkend moest ik er toch in berusten, dat de regen
8
altoos in stroomen op mij neer plaste. Mijn arme, trouwe hond bevreesd voor de felle bliksemstralen kwam zich vlak naast mij verschuilen. Nooit in mijn leven ben ik vaster overtuigd geweest dat mijn laatste uur gekomen was; nimmer ook heb ik een hartgrondiger akte van berouw verwekt en mij aan Gods wil overgegeven. Doornat en doorweekt en rillend van koude als ik was kon een plotselinge longontsteking eene zware koorts enz. mij in eenige uren wegrukken. Niets inderdaad is gevaarlijker in deze streken. Van klinkklare vermoeienis sliep ik in en ontwaakte tegen den morgen. Toen 't dag was zag ik 't stadje voor mij liggen aan de andere zijde der rivier en het pontveer, door geniesoldaten bediend, op eenigen afstand. In mijne witte kleeren zag ik er uit of ik uit een modderpoel opstond, en de soldaten herkenden nauwelijks hue aalmoezenier. Men was mij liefderijk behulpzaam en zette mij ten spoedigste over. Ik begaf mij naar 't logement, waar de pastoor der plaats uit gebrek aan eene pastorie, zijn intrek heeft, en liet Z.Eerw. aanstonds ontbieden, om me een toog, kousen, schoenen en linnengoed te verschaffen.
Na eenige uren rast was ik geheel opgeknapt, doch onbegrijpelijk is het dat ik in dien gedenkwaardigen nacht geen felle koorts, borstontsteking of iets van dien aard heb opgeloopen. Integendeel God zij dank heb ik niet de minste rilling van koorts ot wat ook gewaar geworden. Gods Engelen hebben als immer over zijn Missionaris gewaakt. Toch was mijn offer in dien nacht reeds gebracht. Ik dacht: Mijn God, ziedaar G maanden dat ik gewerkt heb zoo goed ik kon in dezen wijngaard; uw bevel roept mij terug, doch is het uw beter welbehagen, dan wil ik hier juist op de grens mijn leven volgaarne laten voor mijne dierbare Eliru-mirs. Met opzet heb ik wat langer willen verwijlen bij 't geen mij op dezen gedenkwaardigen dag (28 Maart 1892) overkwam. Inderdaad ; niet licht zal ik dien vergeten. Men meene daarom niet, dat dergelijke gevallen van ontberingen, gevaren, vermoeienissen zeldzaam zijn in een Missionaris-leven. O neen: aan den Evenaar vooral is bijna dagelijksch brood. Op dat oogenblik wist ik nog niet, dat ik eenige maanden later op weg zou zijn naar Midden-Atrika ; toch dacht ik ; ziedaar een avontuurtje, zooals mijne confraters aan den Evenaar er bij de vleet tellen. Nu zie ik in dat onze Lieve Heer mij een voorproefje wilde geven. â Twee dagen later zette ik mijne reis naar Tunis voort, want ik Iiad mijn Missionaris-gewaad moeten doen wasschen en reinigen, alvorens mij buiten in 't publiek te kunnen vertoonen.
30 Maart tot 18 April. â Tunis-Carthago. Het getal Fransche bezettingstroepen, die in en rondom de stad Tunis in garnizoen lig-
9
gen, bedraagt bij de 10.000 man. In den geestelijken nood van al die troepen moet één aalmoezenier voorzien, M. L'abbe Marceille een eerbiedwaardige, reeds bejaarde priester, een man van zeldzame deugd en bewonderensvvaardigen ijver. Alle soldaten zoowel Oversten als minderen achten hem even hoog. Hij is vriend, trooster en helper van allen. Een wezenlijk soldaten vriend. Van alle middelen, die zijn heilige ijver hem ingeett, weet hij te profiteeren om âzijn kinderenquot; een ernstig woord te doen aannemen en tot t goede te leiden. In den paaschtijd echter kon Z.Eerw. onmogelijk in allen nood voorzien, en daarom was ik geroepen om nu quot;eu dan zijn helper te zijn. De troepen zijn in eene menigte kazernes in, en soms op vrij grooten afstand buiten de stad Tunis verspreid. Om nu allen zooveel mogelijk in de gelegenheid te stellen hun paaschplichten te vervullen gingen we nu in deze dan in gene kazerne ons geestelijk dienstwerk verrichten, de H. Mis lezen, enz. Gewis in onze treurige eeuw vindt men veel voorbeelden van dor, bijna uitgedoofd geloof, veel lafaards onder al die gedoopte christenen, dieuit menscheüjk opzicht vooral hun paascliplichren verzuimen, doch gelukkig ook nog veel voorbeelden van heldhaftio-e deugd en godsvrucht. We hebben er menige stichtende gevallen van gezien. Het Fransche leger bezit nog eene goede kern van ware onversaagde christenen, vooral onder zijne officieren.
3OâSO April. â Na twee dagen en twee nachten sporens ( i â¢gt; uur afstand nagenoeg) bevind ik mij weer in ons dierbaar Moederhuis van Maison-Carreé, na twee jaren afwezigheid. Iedere confrere zal 't met mij eens zijn, dat 't goed doet aan 't hart van den Missionaris weer eens te ademen in die heilige sfeer, binnen die eerbiedwaardige muren op de plek, waar men het zalig jaar van zijn novicaat sleet, waar 't heilig vuur van onzen jeugdig opkomenden aposfolischen ijver door wijze raadslieden bestuurd en geleid werd. â In den nacht aangekomen, vernam ik reeds 's anderendaags 's morgens mijne benoeming voor de Procure van Zanzibar. Ofschoon reeds lang een onbestemd voorgevoel mij zeide dat ik binnen kort den weg naar 't verre zuiden zou inslaan, had ik toch die groote gunst zoo spoedig niet van onzen Lieven Heer durven verwachten. Verbeeldt u dus mijne verrassing en dankbare vreugde tevens : Ik had slechts af te wachten, dat mij de datum, gelegenheid en wijze mijner afreis zouden worden aangewezen.
/â/7' Mei. â In afwachting van mijn vertrek was 't mij eene uiterst aangename verpoozing in de Basiliek van Onze Lieve Vrouw van Afrika nabij Algiers gedurende een gedeelte der Meimaand dienst te kunnen doen. Naar men weet is daar het eeniquot;-e bedevaartsoord van geheel Noord-Afrika. Groot is de godsvrucht en
10
liet vertrouwen der Katholieke bevolking-, vooral Spanjaarden en Italianen, jegens Onze Lieve Vromvvan Afrika. Zonder tal zijn de wonderdadige gunsten in Hare Baseliek verkregen. Meer dan 10.000 ex-voto's â bedekken de muren van Maria's tempel. Groot is de toevloed der pelgrims 't geheele jaar door, doch vooral in de Meimaand. Bijna dagelijks komen processiën of Vereenigingen uit de parochiën dei-hoofdstad en omstreken, Maria hunne hulde brengen. De communiekinderen der verschillende parochies onder leiding hunner herders, komen beurtelings na de plechtigheid in de parochie de plechtige opdracht aan Maria hier in Hare bevoorrechte Basiliek verrichten. Twee Missionarissen hebben in die dagen de handen vol met werk. Doch wat troostend werk! Bij vooibeeld: het wekt U tot tranen toe de Basiliek opgevuld te zien met die Eerst-communikanten, hun gezamelijk opdrachtsgebed aan de H. Jlaagd en de schoone lofzangen, die uit hunne reine kinderharten opstijgen, te hooren. Dan denkt men: Och mochten die lievelingen van Maria zoo gestemd blijven ; mochten ze allen in die heilige gesteltenissen opgroeien. Helaas, zoo menige kostbare kinderziel is vaak spoedig door de wolven verslonden; zoo velen zinken weg in den maalstroom onzer bedorven wereld! Onze Lieve Vrouw van Afrika is de groote Patrones, Schutsvrouwe en Koningin onzer dierbare Missie-Societeit. Iedere Missionaris dankt gewis Maria een of andere gunst, en ik in 't bijzonder heb alle reden O. L. V. van Afrika dankbaar te zijn. Die goede Moeder was het, naar ik immer vast gelooid heb, die mij van af 3â7 Dec. 1889 uit een bijna zeker doodsgevaar redde, (âangine couënneuse, diphthéritiquequot;). Thans op 't punt af te reizen naar Zanzibar en onze verre Missiën in 't hart van Afrika, bleet ik natuurlijk niet in gebreke, die lange gevaarvolle reis, en de nieuwe Missie, die mij zou worden toevertrouwd, aan mijne machtige hemelsche Moeder aan te bevelen. Wat vreezen, waaraan wanhopen, als Maria ons bijstaat?
17 Mei tot 6 Juni. Den 1 Cflequot; Mei's avonds vernam ik eensklaps, dat mijne Oversten mij veroorloofden een atscheidsbezoek aan mijne tamilie in 't dierbare vaderland te brengen, alvorens naar Zanzibar af te reizen; naar men begrijpen kan, eene gunst die met innige dankbaarheid aanvaard werd. Eenmaal in Afrika, eenmaal plechtig zijne arme zwarte broeders en zusters voor erfdeel verkozen hebbend, dient de Missionaris onherroepelijk alle banden verbroken te hebben, (Men kent de woorden waarmeê de Zaligmaker zijne Apostelen en toekomstige Missiona rissen die voorwaarde stelde), zoodat hij zonder om te zien den doornigen weg naar zijn arbeidsveld in 't verre Zuiden moet inslaan; toch mag hij met des te geruster geweten en zonder vrees van eene gunst al deze genieten, naarma'.e ze
11
met minder gespannen verwachting verbeid was. Den 17den Jiei 's middags om één uur nam de âMaréchal Bugeaudquot;, groote pakketboot der âCompagnie Générale Transatlantiquequot; ons aan boord. Geen rimpel bewoog de blauwe watervlakte. Weldadig koesterend goot de Algevijnscbe Meizon hare nog niet te drukkende stralenbundels uit over de blauwe golven van af hare azuren transen. Daar ginder in 't Zuiden der baai ligt ons dierbaar Moederhuis verscholen in een donkergroen bosch van Encalyptusdreven, zoo ver 't oog reikt allerwegen omgeven van vruchtbare wijnbergen. Onvergelijkelijk schoon is 't gezicht van uit de zee op de stad Algiers met hare faubourgs, zacht leunend tegen de helling van deu Bouzariah. Terwijl onze steamer statigquot; zijn weg vervolgt naar 't killere noorden, groet ons oog een laatste maal de Hemelsche Moeder âSter der zeequot;, ginder rechts in hare blank stralende Basiliek, tronend op haar zoo rijken genadentroon, en gewis met haar Moederoog ons, hare kinderen, volgend. â Het liet zich aanzien dat de overtocht zoo voorspoedig mogelijk zijn zou. Overal op t dek vreugdige gezichten onder de zeer talrijke passagiers. In den nacht echter om 2 uur overviel ons een storm op de hoogte dei Balearische eilanden, die tot 's anderendaags duurde. Alleman zonder uitzondering was zeeziek, ziek, ja ziek tot den dood. Ik had zoo dikwijls gespot met dat zoozeer gevreesde fantoom, gisteren avond zelfs nog. Ja wel, er was geen twijtel aan: die vreemde narigheid moest wel de zeeziekte zijn. Den 18den 's avonds om 7 uur, liepen we de haven van Marseille binnen, 5 uur over tijd. Ik miste deu sneltrein naar Parijs, die met onze boot moest aansluiten. s Nachts om halt twaalf den Exprestrein nemend was ik s anderendaags avonds om 5 uur â- in 18 uren sporens â reeds in Parijs. Na 6 uur oponthoud bij mijne confraters der Procure (Rue Cassette no. 27) alweer 's avonds om 11 uur in de coupé geklonterd om na een genisten slaap Vrijdags morgens 20 Mei te Brussel te ontwaken. Tut mijne vreugde kon ik reeds om 7 uur mijne H. Mis lezen in t Apostolische Instituut onzei' Missionarissen te Mechelen (Bruelstraat). â Om de waarheid te zeggen, de grond begon me onder de voeten te branden. Nog een paar uren en men voelt met o zulk zalig gevoel weer den vader-laudschen bodem onder de voeten. Hoe meer men de grenzen nadert, hoe sterker een onverklaarbaar gevoel u 't hart beklemt, 'tl? of uvi hart deu trein wil vooruitvliegen. Men ziet uit naiir rechts en jinks en men bemerkt met vreugde dat menschen, hui/.'-ü. boomen velden en weiden, dat alles reeds een vaderlundsche tint krijgt. Eindelijk daar vliegt de grenspaal voorbij. ..Hoezee, wc zijn' in Holland. Men is blij als een kind, in den letterlijken /in. Toen
12
ik weer in Maastricht de Zaid-Willerasvaavt, die trekscliepen en stoombootea (die ik echter mikroscopisch klein moest vindenl zag, en die menschen die ik alle kende, dacht me, eindelijk weer mijn moedertaal allervveg-e hoerend, toen ja scheen liet, dat mijn geluk niet te meten was. Ik bespaar U, Lezer, de beschrijving van 't geen mijn hart gevoelde en ondervond bij 't wederzien mijner dierbare, bejaarde ouders vooral en verder van familie en vrienden ... Ãéne bemerking toch. Ben ik God oprecht dankbaar voor de gnnst van dit waarschijnlijk laatste wederzien, vooral Inu ik Onzen Lieven Heer dankbaar zulke ongekende en zalige vreugde verschaft te hebben aan 't hart mijner goede ouders als vergelding voor't geen zeden lieer afstonden..... In de veertien dagen, die ik in Nederland doorbracht, ondervond eu kon ik mij overtuigen tot mijn innig genoegen, welken ijver, ja meer, welke steeds klimmende geestdrift de goede Katholieken van mijn vaderland aan den dag leggen voor de Missiën en onze Afrikaansche Missiën in 't bijzonder, en nog vuriger dan gewoonlijk bad ik God Zijne volste zegeningen als vergelding te willen uitstorten over al die brave zielen. O ! weest er verzekerd van, dat ik mij dagelijks herinneren zal in Equaoriaal Afiika, wat ik met eigen oogen zag en dal dit een nog krachtiger spoorslag voor mij wezen zal om aan het altaar des Heeren al die brave menschen te gedenken.
De veertien dagen waren als een rook voorbij en 't uur van vertrek daar. De goede God had gewild, dat mijn meuschelijk hart nogmaals voor eenige oogenblikken en ten volste in contact kwam met 't geen het hart eens apostels edelmoedig, onherroepelijk en algemeen slachtofferen (d. i. vernietigen) moet, alvorens mijn eind-offer te vragen en mij heen te zenden naar de meest verlaten schapen van zijn schaapstal! Recht dankbaar ben ik er Onzen Lieven Heer voor, mij in een verloop van eenige maanden in de scherpste kleuren en de sterkste tegenstelling te hebben doen zien een priester verlaat, die Zijn Missionaris zijn wil: eer, aanzien, gemak, nabijheid van familie, vrienden, enz. en icat hem wacht in de verre Missielanden: vermoeienissen, ontberingen, gevaren, ziekten, enz., dag aan dag en tot den dood. Waarom 't verzwegen ? liet is eene geduchte vuurproef voor 's menschen arm hart, doch mede geloof ik dat er geen betere toetssteen is voor de ware apostolische
roeping. Wee hem die wankelt en omziet____ Maar neen. Zijn
de uren geteld, die Gods goedheid wel wilde toemeten als laatste offer aan mv menschelijk hart, dan z wij ge voortaan de stem des vleesches, dan spraken alleen de rede en handele de wil door boven-aardsclie kracht en licht en vuur verhoogd en verhelderd. En als dan uw oor op eens van uit 't verre Afrika op de vleugelen der
13
electnciteit (telegraaf) dat zalige âSequere Mequot; verneemt, springen alle banden los. Eenige dagen was ons hart aan 't dolen geweest in 't ondermaansche (ofsclioon met Gods welnemen); en als de duit der arke Noe's vond liet er geen plek om er te rusten, Afrikaquot;, âAfrikaquot;, klonk liet gedurig in 't hart. Bij dagen bij nacht staan u die scharen arme zwarten voor den geest, die de handen smeekend naar u uitstrekken en u toeroepen: âBlanke, kom, kom spoedig; we versmachten en vergaau hier in Satans rijk, baan ons den weg-des Hemels!quot;
Als de zuidervogel die ia t kille Noorden zich niet thuis voelt, zoo de Afrikaansche Missionaris, die eenmaal Afrika als arbeidsveld ont\ ,iig uit de handen van den hemelscheu Hovenier. In den gxest zag ik i eeds Zanzibar, de parel van den Indischen Oceaan, met zijn palm- en dadelboomen, in al zijn tropische pracht voor mijn oog opiijzen, en landwaarts den eindeloozeu, zandigen en dooruigen karavanenweg, die mij voeren zou naar gindsche tembé, gekroond dooi een houten kruié, den armen negers rondom verkondigend âdat het licht onder hen verschenen is,quot; Zuo ging het mij, toen daags voor Pinksteren een telegram mij op staanden voet naar Carthago riep.
6 Juni lot 2 Juli. aartwei dierbare Ouders, broeders, familie en vrienden! mogelijk, ja waarschijnlijk zien we elkander niet meer in dit ballingsoord. Oeeu verlies: we zien elkander weder ineen beter vaderland, waar geen 'scheiding meer zijn zal. Waarom ween en ? Ge ziet hoe tevreden en blijmoedig een Missionaris zich spoedt naar de hem wachtende schapen. Benijdt liever een onwaardige, dien God uitkoos voor de schoonste roeping ter wereld. Maar neen, ik bewonder uwe christelijke berusting; uw diep geloof en hoop en lietde troosten en sterken mij. Vaartwel, bewoners van Beek en Donk, mijne geliefde dorpsgenooteu. Hebt dank voor uwe geestdriftige belangstelling, en voor de plechtig door u allen mij toegezegde gebeden! Vaartwel, Katholieken van Nederland, weldoeners en. weldoensters onzer Missiën, dank voor uwe nimmer verflauwende belangstelling in ons arm Atrika!
Drie dagen om van Algiers naar Holland over te komen (2000 kilometers, circa 365 uren), drie dagen om uit Holland naar Carthago te reizen (2400 kilometer of 435 uren, samen 4400 kilomers of 800 uren). Zie eens hoe de moderne uitvindingen den Apostel heden ten dage ten dienste staan tot verspreiding des Geloofs op alle punten der wereld! Columbus, uitzeilend ter ontdekking van Amerika, had een bovennatuurlijk doel: lauden te vinden, waar zielen te winnen zouden zijn. Doch de uitvinder der stoommachine en der locomotief had zeker in de verste verte niet voor doel een
14
middel te verschaffen tot bespoediging der uitbreiding van Gods Rijk op aarde. En zie: Onze Lieve Heer gebruikt dat alles tot Zijnen dienst! Wat verschil, dacht ik, in onze matrer van reizen, van ons negentieneeuwsche Missionarissen en die der Apostelen, der geloofsverkondigers van ons vaderland, van Europa, en zelfs die der middeleeuwen ! En Holland, België en Frankrijk in hunne geheele lengte in eenige uren doorvliegend op de vleugelen van quot;t stoompaard, stelde ik mij in den geest voor een H. Bonifacius, Willebrord, Lambertus, Remigins, Jlartiaus en zooveel anderen, diezelfde landen te voet doortrekkend; op de wateren der Aliddel-landsche Zee, aan de apostolische reizen te land en ter zee der Apostelen, van St. Thomas en St.Paulus vooral, zich ontschepend of zich inschepend in bijna al de ontelbarehavens der Middellandsche Zee. Een raadsel is liet ons, hoe onze voorgangers in 't Apostolaat met de H.H. Apostelen te beginnnen, zonder de reis- en vervoermiddelen te bezitten, waarover wij door Gods goedheid thans kunnen beschikken, zulke kolossale afstanden konden afleggen en zooveel uitgestrekte landstreken in een gewoon menschenleven konden doorkruisen en evangeliseeren. Ik reis thans zoo gemakkelijk in Europa, doch 1000 jaren, ja 18 eenwen voor mij, doorliepen de monniken en de Apostelen zeiven die gewesten. Ik bevaar de Middellandsche Zee, doch vóór mij doorkruisten mijne voorgangers der middeleeuwen diezelfde zee in alle richtingen. En 't onmetelijke, massieve Azië, dat thans nog zooveel onbekende hoeken telt! De H. Thomas en na hem zijne opvolgers, verscheen in al zijne onmetelijke koninkrijken, zoodat de gedachte aan die apostolische loopbaan u doet duizelen: Arabië, Medië, Perzië, Hyrkonië, Bactrië, Indië, Ceilon, China, Thibet, ja Siberië, Rusland en Duitschland (naar men wil) ontvingen van hem het woord Gods! Ik ben op weg naar Equatoriaal-Afrika, naar dat duistere werelddeel, dat men zich voorstelt immer ongenaakbaar eu onbereikbaar geweest te zijn. Doch herinner n de bloeiende christenheden in Noord- en Noord-Oost Afrika van at den H. Lucas en Cyprianus, zeer die}) zich vertakkend in de tegenwoordige Sahara, in Lybië, Egyptisch Nubië, Abyssinië, wie weet, mogelijk tot in 't hart van Atrika (Oeganda?) Vijftig jaar voor dezen kenden men enkel een strookje van West-Zuid- Zuid-Oost-Atrika. Hier en daar eenige christenen verspreid op die onherbergzame kusten. Doch van de 14de tot de 17Je eeuw bloeiden daar allervvege tot diep in 't vasteland schoone missiën van Jezuïten, Dominikanen en Franciscanea (Congo, Zambezie, enz.) Wat reizen, afstanden en moeilijkheden! We meenen al ieti te doen, doch die beschouwingen zijn wel in staat, onzen ijver en moed aan te vuren, ja, maar ook onzen eigenwaan een beetje in te toornen. Om de waarheid
15
te zeggen was ik beschaamd bij die gedachte mij te bevinden in zulke gemakkelijke coupé en op zulke wel ingerichte boot. Doch ik dacht mede aan mijne lange karavaanreis van 90 dagen en dan mocht ik gerust een vergelijking maken!
Met deze en dergelijke gedachten hield ik mij bezig, eenzaam gezeten in den sneltrein van Rozendaal naar Parijs op 7 Juni. t Was of 't zoo zijn moest. Van Algiers naar Holland immer met Oonrraters, en in woelig gezelschap van passagiers en reizigers op boot en in den spoortrein. Van uit 't vaderland tot Zanzibar toe a tij en oveial alléén, eenzaam, zeer weinig of geen reizigers of passagiers. Ik dacht: zooveel beter; onze Lieve Heer wil quot;me ge-egenheid^ geven om op mijn gemak te mediteeren, en stof was er
r»xrov» triï/v. T)__.1. ⢠,
x t/ o Vyllj vu o
overvloedig. â Reeds eenige uren lagen de grenspalen van mijn iier mar vaderland achter mij. De geboortegrond met al wat hij dierbaar aan mijn hart draagt, was al lang van onder mijne voeten
n oon »rITl. __i_ i ⢠_ â¢'
heengevloden. Ik stond weer in den vreemde, neen, onwaar! de heele wereld is het ondermaansche vaderland van den Missionaris. Bij zooveel aan te leeren wilde talen, blijft zijn moedertaal immer verscholen zitten in een hoek van zijn memorie, en in geen andere dan die taal, waarin zijne moeder hem bidden leerde, zucht zijn hart in sommige kritieke oogenblikken : âJesus, Maria, staat mij bijquot;; âMaria, help!quot;; âMijn Jesus, alles voor Uquot;; âAlles tot Uwe eer en glorie mijn God!quot;^ Ouders, broeders, zusters, familie vindt hij overal weer in zijne dierbare neophyten, katechumenen, en zijne verlatenste schapen. â Ik zei boven wat ik gevoelde bij 't weerzien van vaderland, vrienden en familie. Goddank : bij 't heengaan had de stem des Geloofs de stem des vleesches volkomen tot rede gebracht. âDat schikt God zoo,quot; zeggen de brave menschen bij ons, en zoo is het. Het offer was gebracht, alles scheen mij als in een nevel achter mij te verdwijnen, en voor mij in 't verre Zuiden in helder licht op te gaan. Ik meende reeds de witte kusten van t dierbare Afrika voor me te zien. 't Gebeurde dezer 14 dagen was mij reeds als een droom, een aangename droom ja, doch die spoedig als alle droomen vergeten zou zijn!
Om 6 uur 's avonds, 7 Juni, was ik bij mijne confraters in Parijs en na 3 uur oponthoud in den nachttrein van Marseille gestapt, waar ik 's anderendaags â 8 Juni â's avonds om 4 uur een uur na mijne aankomst uit Parijs, reeds afvoer naar Carthago! op de boot âLAfrique.quot; Afrika heette de boot, naar Afrika ging
5 Wee!' .teru^! voor immer thans als 't God behaagt. Heerlijk glanzend in de stralen der dalende zon, schitterde het gouden beeld van âO. L. V. ter Wachtquot; van af de hooge tinnen van Haren marmeren tempel bij 't verlaten der haven van Marseille. Dui-
16
zenden Missionarissen vóór mij, dezelfde haven verlatend om naar de vier windstreken 't zaad des geloofs te gaan uitstrooien, groetten die goede Moeder âSter der Zee,quot; âKoningin der Apostelen,quot; eu bevalen Haar liunne reis, lieel hunne apostolische toekomst aan. Ook ik op mijne beurt, eenzaam staande aan den achtersteven des schips, zond een hartelijk gebed op tot mijne hemelsche Beschermster en Vorstin en zacht zongen mijne lippen het: âAve Maris Stella.quot; Voorspoedige reis tot hiertoe; geen rimpel bewoog de blauwe wateroppervlakte. Ik was nagenoeg de eenige passagier en kon op mijn gemak de dartelende dolfijnen ofwel de kale bruine heuvelen van Sardinië beschouwen.
Vrijdag â 10 Juni â 's morgens liepen we de golf van Tunis, haven van La Goulette binnen. In deze wateren kruisten eu bekampten elkander de vloten der liere Eomeineii en der even trotsche, onbuigzame Carthagers. Al de namen dier groote mannen van Hannibal, Scipio, Eegulus, die verwoede oorlogen en veldslagen, dat alles kwam mij in 't geheugen uit mijn Gyninasium-tijd aan Gemen's âAlma Mater.quot; Providentieele roeping dier Romeinsche veroveraars, die immer strijdend en verwinnend de gehèele toen bekende wereld onderwierpen, juist om bij de komst van Christus de Eoornsche wereldheerschappij door 't kruis mogelijk te maken. Hier, dacht ik, in deze wateren, op die heuvelen daar voor mij, werd de beslissende, profetische kamp gestreden tusschen Eomeinen (afstanunelingen van Japhet) en de Carthagers (alstammelingeu van Sem). 't Oude Verbond week voor 't Nieuwe. Met de kaart van Poncin (Poncin, Geogr. Historique, Paris, Colin amp; Cie., pag. 33.) voor me, bewonderde ik de providentieele vorming eu ligging van dat Eoiiieinsche wereldrijk, als in een gordel geschaard rondom 't bekken der Middellandsche-Zee, keerpunt der wereld, enkel de Noord-Oost- en Zuidhoeken der oude wereld en in 't Westen eu Oosten Amerika en Oceanië der nieuwe wereld, overlatend ter eindverove-ring aan den Paus van 't ééne, zelfde, eeuwige Home.
Een uur later bevond ik mij te St. Louis-de-Carthage. 't Scholasti-caat onzer Societeit, gebouwd op de kruin van den heuvel Birsa, (1) het bolwerk en middelpunt van 't machtige Carthago. Het trof juist, dat ik aldaar onzen beminden Algemeeneu Overste, Mgr. Livinhac ontmoette, om zijne laatste wijze vaderlijke raadgevingen
(!)⢠Curiositeitahalve wijs ik hierbij op de zonderlinge gelijkenis van dit woord in eenige oude en nieuwe talen: Birdj ~ Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Aramaïsch, Punisch; â Bordj = Araabsch; Borg s Malteesch; Bourg Fransch; Borgia s Spaanscb j Borgo s Italiaansch (verwant waarschijnlijk aan een oud Laiijnsch woord) J Burg, Burgt, Borgt s Vlaamsch, Hollandsch; Burg s Duitsch; Borg (?) s Deenhch; Borough s Engelsch.
âââ
17
en inlichtingen te ontvangen, alvorens mij verder te spoeden naaide missiën, die Zijn HoogEerw. zoo na aan het hart liggen, en waarin hij zelf tien jaar gearbeid en gezwoegd heeft. Er was geen scheepsgelegenheid naar Malta vóór 13 Juni. Xa een hartelijk afscheid van mijne talrijke confraters van Carthago genomen en hun een tot weerziens aan de Groote Weren toegewenscht te hebben, (met name aan de talrijke Hollandsche scholastieken, die allen reeds reikhalzend naar den Evenaar uitzien) ging ik dien avond welgemoed aan boord van de Yille de Béne, die mij in 16 uren naar f2t;V!r/;;e,rbrengequot;- öf 9 quot;re 'S avonds passeerden wijden
quot;Raiho u r-, 6,1 0,1 lk mij op 0118eveei' gelijke Lengte met
'me. Heerlijk was de nacht, millioenen sterren verkondigden daaiboven de glorie des Scheppers en de legioenen onzichtbare geesten, bewoners dier duizelingwekkende wereldruimte, schenen mij uit te noodigen mijn gebed en dankzegging bij de hunne te voegen. Jn den geest verplaatste ik mij in Rome, den zetel van den Koning der eeuwen, en ik voegde mijne zoo zwakke gebeden b.| die van den Algemeen en Vader der geloovigen, biddende voor de geheele wereld, herders en schapen, en dus ook voor mij en mijne arme Afrikanen. Nergens beter dan op de eindelooze'zee, in zulke sublieme nachten, voelt men de volheid zijner nietigheid, ei trouwvol dan ook beval ik mij in de gunst en de bescherming gloneuse apostel vorsten Petrus en Paulus en in die der millioenen martelaren en heiligen aan, wier zalige assche den grond
balsemt0quot;16 ^ ^ fondameilten met een hemelschen geur
Weinig overigens dat de eentonigheid van deze overtocht kwam afwisselen. Toch had ik gelegenheid kennis te maken met een Oostenrijker, uitmuntend Katholiek en Anti-Semiet. Van Antisemitisme gesproken, daar valt me juist de vermakelijke scène in die plaats had in La Goulette, aan liet loket voor iiet kaartjes
narfp,1!' i T VOrnide quot;(iuequot;equot;' zooals dat ^quot;'t. doch zie, daar 1'üogha.t.g een zone Israels, alleman op zij duwend, in de meening natuurlijk ook hier haantje de voorste en meester te zijn (zooals trouwens in Tunisië en Algiers 't geval is). Mijn hercu-isc ie ostenrijker, die, geloof ik, alle joden instinctmatig uit de overige kinderen Adams kent. voelt zijn bloed koken, en - een
,r'a ne' ?akt 11 !j dequot; Semiet biJ den kviiaS: die ineene potsier-jk slingering wel op tien passen afstand te recht komt. Een Fiansch hoofdofficier, dien ik toevallig als jood kende, en die bij
,irr.legenvrrdig Was' ni0et vvel 66,1 vreemde «fictie genaakt hebben. Met denzelfden jood bevond ik mij eemge uren
later in de noodzakelijkheid eene lans te breken aan tafel, waar
18
ook twee âZusterkens der amenquot; aanzaten. Dat ellendig sujet scheen met blijkbaar opzet een ongepast onderwerp te willen bespreken en bleek er op te staan door allen goed gehoord te worden en alléén aan 't woord te zijn. Het bloed steeg me naar hoofd en wangen en, het heerschap plotseling onderbrekend, duwde ik hem het volgende toe: âHoor eens hier, het is mij wel bekend, wat de lluzelraansche ot Semietische etiquette duldt en zelfs van goeden toon vindt, doch onder christelijke menschen bespreekt men 200 iets niet, vooral niet in het bijzijn van dames.quot; Ik verzeker u, dat de âSeitenhiebequot; raak was. De jood maakte zich uit de voeten en eenige Maltezers, een oogenblik door dien snoeshaan overbluft, waren thans over hun stilzwijgen beschaamd en herinnerden zich weer Christenen te zijn.
Dinsdags 's morgens 14 Juni â om half zes was ik ontscheept in de haven van La Valette en een half uur later bevond ik mij weer â na 9 maanden afwezigheid â in het dierbare Apostolisch Neger-Instituut van Casal-Tarxien (Malta), waar ik het geluk had twee jaar nagenoeg werkzaam te zijn. Nooit vergeet ik het tooneel, dat plaats had zoo spoedig ik de deur geopend had. Als een zwerm bijen kwamen de Neger-kinderen, grooten en kleinen, op mij aangevlogen. Ik wist niet waar ik het had. Men omstuwde en trok me van alle kanten te gelijk. Een lawaai, een vreugde, waaraan geen einde scheen te komen, zoodat ik moeite had mij aan hunne onstuimige vreugde te onttrekken.
Vijf der grootsteu hunner, die nagenoeg hunne studiën voltrokken hadden, had ik in last mee te nemen naar Zanzibar en den Evenaar.
Slechts twee dagen verwijlde ik op Malta. Het Agentschap âThos Cook and Sonsquot; had mij verwittigd, dat binnen eenige dagen een boot der Clan Line op een onbepaald uur Malta zou aandoen. Er is geen geregelde scheepvaartgelegenheid voor Port-Saïd. Ik zou op H. Sacramentsdag een laatste maal de Hoogmis doen, de laatste H. Mis, die het mij mogelijk zou zijn op te dragen voor Zanzibar. Het zou echter niet plaats hebben.
Ora 7 uur komt men ons in alle haast zeggen, dat de aangekondigde steamer reeds in de haven lag en maar eenige uren bleef. Sliste ik die, dan moest ik nog eene maand wachten. In een half uur Avas alles klaar, en moest ook alles klaar wezen, voor het vertrek. In alle haast pakten mijne 5 zwarte reisgenooten eenige boeken en hun plunje bijeen, wij ontbeten staande weg, terwijl de harmonie het âWien Neerlands bloedquot;, en het âWilhelmusquot; blies, en vooruit in vliegende vaart naar de haven. Uit volle borst, en zoo goed ze konden speelden zij, die arme jongens, en het was mij
19
ÃÃTTSfwi quot;quot; quot;VT' 1quot; ,iquot;,tSte tone., door
die zwarte Ah,kanen uitgebracht, te vernemen, doei. toen hunne
instrumenten zwegen, verstikten hunne stemmen door het vveenen Ik
â¢l Y ( lt lk d001quot; lien bequot;lind was gedurende de twee jaar die ik onder hen doorbracht, doch ik wist niet dat ze mij zóo liefhadden En daaibij, vyf hunner makkers verlieten hen. Zoo gebeurde het 4. .k op dien b,.seâ feest,ik ,
lezen^ n,J 0^ '0lt;?S1' 1,1 6 onmoffeliJklieid was de H. Mis te ezen. Dat gein.s viel me zeer zwaar. Alweer een offer dacht
ik, ja alle soort van offers dient de missionaris bereid zijn te ) engen, en .iet zal hem wel meermalen voorvallen zelfs geestelijken troost te moeten missen. Om 9 uur waren we reeds -e-instaileerd op het groote stoomschip âBuchananquot; der âClan Linequot; \\ e w aren de eemge passagiers. Om halt elf dreef onze stoomer statig en langhaam de groote âHarbourquot; uit en koos daarna
den keTklSr 111 0üStelijke ricl,til1^ De ll0quot;dquot;-
den keikklokken van La \ alette met zijne voorsteden Sliema Flo-
nano, Eicesoli, Vittoriosa, Bourmela en de omliggende dorpen eimengd met kanongebulder verkondigen allerwege het Hooge Feest' De kerken, opgevuld met geloovigen. Hoogmissen met hemelschen zang en tentoonspreiding der rijkste kerkschatten, feest in de o-e. heele christelijke wereld; bijvoorbeeld in Frankrijk (vroeger vooral) met zijne onvergelijkelijk schoone publieke processies, waar het majestuense en sublieme âLauda Sionquot; weergalmt onder de ge-welven zijner gothieke kathedralen ; overal feest, feest van liefde liefde en nogmaals liefdeen dank aan âGod met onsquot;, Emmanuel' die wonen wil m onze Tabernakels, - en ik. arme Missionaris' Vy Tm nege,S' 1,ier 0P !le wöde zee dobberend S
van nl 1 r 611 enen- (IlldiërS)' eenzau,n eu alIeen- verwijderd van al dat vertroostende en schoone! Maar neen, ik ben niet
alleen : ik voegde mijne aanbiddende gebeden bij die aller geloovi-en
Moeten alle christenen niet één hart, ééne ziel vormen. DiezeBde
K.tÃnr rilteel te,VnVV0quot;r,!i? quot;P de honderdduizenden altaren e vatho ieke,' wereld, en vooral heden door zulke gloeiende Wen aanbeden troont diezelfde Jezus ook niet in het Hemelsei.. ° d'â¢1'boven dat blauwe hemelgewelf? Helaas! de Protestanten
de zier de'? Liefde-eheim' iiet centrum, het brandpunt,
de ziel, de adem van den waren godsdienst. Alles dan ook hier ron-
leven!' ^ JSCh; s-vmr'toom van vreugde ot geestelijk
Lren lang staarden mijne oogen naar het goede eiland Malta â¢ie zijne vrome Katholieke bevolking, die op het oo» eens barre rots eens metz.jne heldhaffge Ridders het bolwerk der ChristenHeTd tegen
20
de aanstormende Halve-Maan was. Eindelijk was alles verdwenen in de golven; niets meer dan een ronde horizon, donkerblauwe golven beneden, het diep blauwe azuur boven onze hootden, en uu en dau in de verte een voorbijvarend schip.
Tot Malta toe gevoelde ik mij immer nog min ot meer verbonden met alles, wat ik verliet, aan dierbaren en bekenden. Thans immer verder op weg naar het onbekende en geheimzinnige Oosten en Zuiden, thans voelde ik alle banden los, en eene groote leegte ontstaan in mijn hart, een leegte, aan te vullen door eene nieuwe wereld! Ook mijne vijt negers was het aan te zien, dat ze aan ernstige gedachten ten prooi waren. Ze gingen terugkeeren in hun land als vrije kinderen Gods, als Christenen, vrij onder alle opzichten, zij, die eenige jaren vroeger slaven waren in dubbele beteekenis, slaven van soms harde meesters, maar vooral slaven van Satan, onder wiens wreed eu knellend juk zij zuchtten. Thans keerden zij terug met de Missionarissen, die hen vroeger afkochten, doopten en jarenlang met geduld onderwezen, om op hunne manier Aposielen te zijn en hunne arme zwarte broeders eu zusters hetzelfde geluk te doen deelen; als katechisten om hun den weg ten Hemel te toonen; als verplegers der zieken en lijdenden, om door en met het lichaam de zielen te helpen genezen.
De overtocht naar Port-Saïd (Egypte, duurde vier volle dagen. De otficieren waren zeer beleefd en de gallons buitengewoon gedienstig. Weitig afwisseling in de eentonigheid. Wij waren, naar ik zei, de eenige passagiers. Veel tijd was ik doende met mijne zwarten, 's Avonds in de stilte en de kalmte zongen we soms samen eenige kerkzangen ot geestelijke liederen. Wel verre van er zich over te storen of zulks te verbieden, kwamen de lieden aan boord luisteren. Nergens land in 't gezicht. We bevonden ons tusschen de Golf van Tripoli rechts en de .Ionische Zee. Zaterdag 18 Juni passeerden we den 20sten meridiaan, links Griekenland, het voorname tooneel der Apostolische werkzaamheid van den grooteu Volkeren-Apostel ; rechts het vasteland van Afrika, Cyrene alsmede het eiland Creta (Candia.) De kapitein had ons verwittigd, dat men zelts des zomers dikwijls met stormen te kampen heeft op de hoogte van Creta. Op mijne reis echter heb ik er niets van bespeurd ; de zee was en bleef onverstoorbaar kalm. De H. P. uil us op zijne reis van Palestina naar Rome langs de kusten van Klein-Azië en Griekenland had, naar ieder weet of lezen kan, juist op deze zelfde hoogte van Creta een schrikkelijken storm en groote gevaren te doorstaan. Xa 15 dagen rondgezwalkt te hebben op de woedende golven, leed hij schipbreuk op de rotsen van Malta (Melita).
Des Maandags 's morgens â 20 Juni âreeds vroeg, zag men
21
langzamerhand de lage stranden (alluviale grond) van Egypte als een lange bruine streep aan den horizon oprijzen, en al naderende begon men den vuurtoren, de Katholieke Kerk en de huizen der stad Por: Saïd te onderscheiden.
De loods kwam op ons afgezet en zachtjes, zeer behoedzaam liepen we de monding van het Suez-kanaal binnen. Cooks-boot kwam ons afhalen, docli vvreede ontgoocheling! De boot der âBritisch-India waarop ik 2 dagen later kon overgaan naar Zanzibar, naar men mij in .Malta verzekerd had, was juist twee uur vóór onze aankomst vertrokken Mooi vooruitzicht! daar een maand misschien te wachten. Iets verschrikkelijks zou zulke misrekening zijn voor een toerist, en ik wilde wel eens de driftige woede zien van een Amerikaan, die op die manier door Cook werd beetgenomen ; 't zou hoog loopen! Gelukkig was ik geen toerist, doch slechts missionaris. Alweer een offertje en gelegenheid tot geduld-beoefening. We waren in alle geval reeds zonder âaccidentenquot; ontscheept. Al heel iets, want eenige jaren geleden had een onzer missionarissen, die met een vijftal negers, naar Malta bestemd, van Zanzibar kwam, hier veel moeite. Men beweerde, (de Egyptiscli-Engelsche beambten) dat hij slaven meevoerde en men was op het punt ze in de gevangenis te stoppen. Met de hulp van den Eran-schen Consul iiad ik thans niet de minste moeite.
Na mijn zwart volkje voorloopig geborgen te hebben, liep ik uren lang met â Cooks ' agent de bureaux af van alle mogelijke scheepvaartmaatschappijen. De agent van âCookquot; was zeer gedienstig en wilde blijkbaar d^ flater herstellen. De bevinding was, dat de eerste scheepsgelegenheid naar Zanzibar een boot van de Portugeesche niailpost zijn zon, en dat ik noodzakelijk 12 dagen moest wachten.
AVat aanvangen gedurende die 12 dagen? Had ik mijne negers niet bij mij gehad, en ware ik alleen geweest, dan had ik stellig van die gelegenheid gebruik gemaakt om Jerusalem en Bethlehem te bezoeken. Niets gemakkelijker van uit Port-Saïd, en de kosten niet noemenswaardig. lederen dag in den namiddag is er scheepsgelegenheid naar Jaffa (Joppe), waar men 's anderendaags reeds vroeg aanlandt. Met een goed paard en een géds is vervolgens de afstand van Jaffa naar Jerusalem zeer gemakkelijk denzeltden dag nog af te leggen. Zulke rit is eene kleinigheid voor een oud militair, aalmoezenier van Khrumirië. Eenmaal in .Jerusalem zouden onze Missionarissen van St. Anna aldaar me wel begeleiden bij mijne bezoeken aan de heilige plaatsen. Doch de plicht was daar, en plicht boven alles, hoe aanlokkelijk anders deze gelegenheid was. Ik kon en mocht mijne zwarte beschermelingen niet achterlaten.
Anders, geloof me vrij, verwijlde mijn liart wel bij 't H. Graf des-Zaligmakers, aan den voet van den Calvarieberg', in den hof van Gethsemane; verder in de grot van Bethlehem, te Nazareth en zooveel honderden andere plaatsen, geheiligd door de voetstappen, des Verlossers, der II. Maagd, der Apostelen enz. Wat moed, kracht en gloeienden ijver kan daar een Missionaris niet putten ! Nogmaals een offer. Thans moest ik mij vergenoegen met vrome wenschen; mijn oog was dikwijls gewend in Noord-Oostelijke richting, langs de ruïnen van het oude Pelussium naar gindsche bruine streep aan den horizon, waar het land der Amalecieten, van Idumiea, Gaza en het Zuiden van Palestina een aanvang neemt.
Eenmaal in Port-Saïd had ik 'heel wat te stellen, vooraleer ik met mijne vijf negers onder dak was. Alles is in Port-Saïd afschuwelijk duur. Men vroeg mij in het âHotel Continentalquot; 100 fr. per dag voor ons zessen, zegge 1200 frs. in 12 dagen. De beurs van een missionaris kon daar niet bij. In liet Capncijnenklooster, evenmin als bij de âBroeders der christelijke seindenquot; kon men ons allen tegelijk herbergen, ondanks allen goeden wil en gedienstigheid. Men ried mij aan te beproeven, of de zusters van den Goeden Herder, die het Engelschâ-Egyptische hospitaal bedienen, er niet in konden slagen, met een recommandatie van den Franschen consul, als quasi-zieken aldaar ons te doen opnemen. Dat lukte aanvankelijk naar wensch, doch de Engelsche dokter, een echte papenvreter, had me 's anderendaags reeds met mijne negers aan de deur staan. Niettegenstaande het vrij onaangename mijner positie heb ik in mijn leven nooit zoo hartelijk gelachen om eene reeks allerkoddigste too-neeltjes, die aldaar door en met ons werden afgespeeld. We dienden ons allen aan het hospitaalreglement te onderwerpen, en mijne zwarten moesten hun aardig zouavenpakje verwisselen tegen het leelijke grijze pak der zieken. De arme drommels zagen er letterlijk uit als boeven. Met mij kon ot durfde hij zoo niet omspringen, ofschoon hij het de goede zuster niet vergeven kon, dat zij juist, omdat ik priester en wij Katholieken waren, ons had binnengesmokkeld. Toch \\;ilde hij mij op mijne kamer den eersten avond zijne eerste reglementaire visite brengen, om als een ware volgeling van Esculaap er achter te komen, aan wat kwaal ik mocht laboreeren. Dat komediestukje gaat alle beschrijving te boven.
Enfin die lieden zijn tot alles in staat en om de goede zusters onaangenaamheden te besparen, trok ik mij terug. De kanselier van het Fransche Consulaat wees me toen een goed en
23
eenvoudig' ^quot;tel bij bi-ave, Katholieke mensclien, waar we de 12 dag-en in alle rust en kalmte dourbrachten, zonder storing, met weinige,' bijna niet noemenswaardige kosten. We werden bijna als leden der t a rail ie beschouwd door die goede mensclien; en als iemand mijner lezers of lezeressen (van Jerusalem komend) Port-Saïd aandoet, dan recommandeer ik hem het ifótel de Marseille in de âKue de la boulang-erie'*, bij Papa Silvan.
lederen morgen ging ik, vergezeld van mijne zwarten, mijn . Mis lezen en 's avonds het Lot doen of mijn bezoek aan het M. .Sacrament brengen in de kloosterkapel der âZnsfers van den (roeden Herderquot;, tot groot gemak en vreugde der Zusters, die juist m die dagen zonder Eektor waren.
I hans een en ander over Port-Saïd, nu we er toch zijn Van de stad bestond niets vóór de doorgraving der landengte van Suez, iüans is het reeds een aardig stadje met fraaie straten en veel schoone hnizen. De plaats lag vroeger ver in zee doch het land wint gedurig- op de zee. Zoover het oog reikt, overal lage, alluviale grond, zonder een struik, grassprietje ot steen. i)e grond is zwart gebrand door de schromelijke hitte, die hier heerscht. Alle groenten en vruchten worden aangevoerd uit Syrië en elders bouwsteen eveneens van verre, zelfs uit Malta. Zoo is de fraaie! Katholieke kerk uit witten Maltezer steen opgetrokken. De bevolking (10,000 zielen) bestaat behalve uit Egyptenaren, Turken en Joden, vooral uit Grieken, Italianen, Maltezers en eetiige Franscl.en en Lugeischen Men vindt er nog een aanzienlijk aantal goede Katholieken De Eerw. Paters Capucijnen, die er een klooster hebben, bedienen de parochie. De Broeders der Christelijke scholen hebben er zeer druk bezochte en zeer gewaardeerde scholen voor jongens, vooral de Zusters van den Goeden Herder doen er zeer veel goed door hare bediening van het Hospitaal, hare scholen, pensionaat, werkschool, toevluchtsoord voor gevallenen enz Die vrome (Jommunaufeit telt 18 leden. Men spreekt er wel 15 talen en men vindt er Zusters uit even zooveel landen o. a. zeven Holland-sche, waarvan eenigen al een twintigtal jaren onder den ver-schroeienden hemel van Egyte werkzaam waren. Ziedaar zelf-opoffenngen, door de wereld, zelfs in het vaderland ongekend Verbeeldt L mijne verbazing en voldoening tevens, aldaar onder de Zusters eene mijner familieleden te ontmoeten, waarvan ik nooit iets geweten had en die dan ook al 20 jaren te Port-Saïd, te Ismaïla en te Cairo had doorgebracht. Bij de Eerw. Paters Capucijnen Mas
Bnri!, \TWfk0-m' De EenV- P'Uö1' een voormalig
Butsch artillerie-kapitein sprak me in het Hollandsch aan; geen
wonder, daar Zijneerw. op zijn minst twaalf talen meester
IS.
24
De Hollaadsche Consul, Graat van der Duyn. was door ongesteldheid verhinderd ons te ontvangen. Het schoonste gebouw van heel Port Saïi (een waar paleis) heet thans nog âle palais des Hollandaisquot; ; 't is liet vroeger Hollandsche Consulaatsgebouw, later door de Engelsdien gekocht. Het tegenwoordige Holl. Consulaat is heel wat modester.
Wegens de schromelijke hitte konden we ons des daags weinig uitstapjes veroorloven, alleen tegen het vallen van den avond langs het zeestrand. Op een namiddag komt men mij verwittigen, dat een Hollandsch stoomschip uit het kanaal in de haven was aangekomen. Vreemd! Dat trekt toch! Fluks naar de haven! Het was de âPrinses Mariequot;, prachtige steamer der Holl. Oost-Indische stoomvaartmaatschappij. Ongelukkig was juist het anker gelicht voor de afvaart, anders had ik gewis een bezoek aan boord gebracht, waar ik m'j als Tt ware op Hollandsch gebied zou bevonden hebben. Maj'isnieus stoomde de âPrinses Mariequot; met de wapperende Vaderlandsche driekleur 't kanaal uit. Nogmaals, adieu, Nederland ! !
Men kent uit de Bijbelsche Geschiedenis de tweede plaag van Egypte, u. 1. milliarden muggen, die menschen en dieren martelden door hare venijnige beten. Welnu, nog thans zijn er de muggen en muskieten een ware plaag. Des avonds en des nachts is het bijna niet uit te houden. De menschen dragen er dan ook veel zorg voor om bedden en ledikanten met gaas te omhullen.
2â16 Juli. Van Port-Saï 1 tot Zanzibar. Zaterdag, 2 Juli, kwam ,,Cooksquot; agent ons verwittigen, dat de Portugeesche stoo-mer in het gezicht was, en zette ons tot spoed aan; want de boot bleef maar twee uren in de haven. We lieten het ons geen tweemaal zeggen, dat verzeker ik u. Eindelijk bij de eerstvolgende ontscheping over 14 dagen zouden we op het lang verbeide Zanzibar zijn. Om 9 uur beklauterden wij de âRei de Portugal,quot; een trotsehe stoomer dei' ,, Mala real Portugueza,quot; en om 11 uur stoomden wij het kanaal van Suez in.
In Holl md is man zoozeer aan kanalen gewend, dat het veel besproken kanaal van Suez beneden mijne verwachting bleet. Toch is het een kolossaal werk, een kanaal van 160 Kilometer lang (en op het oog 50 M. breed) door eene barre woestijn gegraven. Dat is niet alles, doch 60 K.M. ver ; van at Port-Saïd loopt het kanaal door een reeks moerassen, en de bodem van het kanaal ligt boven derzei ver oppervlakte, zoodat men met groote moeite zware dijken heeft moeten opwerpen. Omgekeerd echter heeft men geproliteerd van eenige meren, die bevaarbaar zijn ; o. a. 't meer Timsah en vooral de groote Bittermeren. (22 K.M.
25
0ve,ral 1:lnff, ,iet kanaal «'ordt nog immer druk gewerkt met duizenden werklieden aan reparatiën.
De boorden, ofschoon overal goed bekaaid, vallen in. Hen spreekt reeds van verbreeden, of wel vaneen tweede kanaal er naast. De wo en varen slechts zeer langzaam en leggen de 160 KM. tot
wntVi'1 --f uren ongeveer af. Ontmoeten twee booten elkandar, wat dikwijls voorkomt, dan moet de eene ankeren. Deze kolossale onderneming heeft onnoemelijke schatten gekost, doch de geldschieters trachten zich schadeloos te stellen en verdienen er nog eene mooie duit mee. Iedere boot, die passeert, betaalt een aardig som-me.je de onze b.v. 40.300 frs, of 't niets was. Een groot gemak n elk geval, niet alleen voor toeristen en kooplui, maar vooral Nooi ons. Missionarissen, ten dienste der H. Kerk. De H Fran-ciscus Xaverius vertrok ook op een Portngeesch schip naar Indië, doch moest onder groote gevaren heel Afrika's, West-, Zuid- en Oostkust omzeilen. Zonder het kanaal van Suez zouden wij ook thans dien omweg moeten maken, om onze missiën te bereiken ⢠of N\el probeeren moeten de Congo-rivier op te varen om â bijna dwars dooi- Afrika â in ons Pro-vicariaat Oenyanyembee aan' te landen. De 19eeuwsche beschaving, waarop men zoo snoeft, en die men meent alleen menschenwerk te zijn, is Gods werk, die hait, wil en verstand der arme stervelingen ingeeft en bestiert om e iechter tijd en plaats tot Zijne glorie te doen strekken.
reung, akelig, doodsch is het gezicht op de Egyptisch-Ara-bibclie woestijn, aan beide zijden van het kanaal tusschen Azië
h nv^T^ 7. ' VVailr de blik ^1' We,quot;lt' ééquot;e o'^^ienbare, lieuvelachtige vlakte van roodachtige, gloeiend heete aarde zonder eeu.g geboomte, of struikgewas, of groen. Niets stoort de kalmte en de eenzaam!,eid dan de bedrijvigheid langs het kanaal en de milhoenen witte en grijze watervogels (soort ooievaar) in iet moeras âMeuzalekquot;. Ik zeg millioenen, doch het is veel meer. Met het bloote oog ziet men âiets dan ééne witte massa: alleen
® een .ver,'ek,jkel' onderscllei(lt men dat ontelbaar leger schoone o eh, die hier m de woestijn op hunne wijze de wonderen van b-ods schepping verkondigen.
en 'tp^ni^Hp 1116 i t aVÃ',ldS Waren We 0P llet diel)e nieer Timsali en middernacht op de groote (bevaarbare) Bitter- of Zoutmeren
Fen wpquot; b]0.01rd,van liet meer Timsali ligt het nieuwe stadje Ismaïla,
r» net mcuwe sLcia e isnuiiia.
^ taSe el 8:6210111 deS nachts 0P dit raeer. negens
Om ! J electrische lichten der schepen, vuurtorens, bakens, enz. Om 4 uur in den namiddag (van 2 Juli) op 45 k.m. van Port-a waren we het plaatsje Rantara gepasseerd. Hier kruist het kanaal met den ouden, ja tientallen van eeuwen ouden, grooten
26
weg of baan van Egypte naar Palestina, Syrië en omgekeerd. Van Gaza of stad der Pliilistijnen volgt deze weg 't zeestrand nagenoeg tot liet oude Pelusium, loopt dau meer woestijnwaarts in zuid-westelijke j'icliting om de moerassen te ontwijken, om langs Kantaro voor Heliopolis en Memphis te eindigen. Dezen weg volgde de H. Familie; Jezus, Maria en Jozef, op bare vlucbt naar Egypte. De overlevering wil dat voor de H. Familie, versmachtend van dorst ia deze barre woestijn, van af Pelusium langs Kantara tot Heliopolis door Gods wonder bronnen ontsprongen langs den weg. Thans nog bestaan juiat en alleen langs dien ueg bronnen of putten, eenige nabij Kantara. Zeven jaar verbleet de li. Familie in Egypte in ot nabij de steden Heliopolis, Memphis en Metarich.
Gij kunt denken wat aandoening mij overmeesterde bij de gedachte op eeu plaats te zijn, eenmaal geheiligd door de tegenwoordigheid van den Verlosser, van de H. Maagd en van den H. Jozef, als 't ware de voetstappen te drukken, in de schaduw te staan der H. Familie. Ik liet mijne gedachten den vrijen teugel en in den geest volgde mijn oog de heilige reizigers in die afschuwelijke woestijn. En als ik daar in de verte een Bedotï;uentainilie met hun ezel langzaam zag voortstrompelen, dan meende ik eene vergelijking met de arme familie van Nazareth, met het Kindeke van Bethlehem gevonden te hebben, en vurig bad mijn hart 't Goddelijk Kind ook mij te beschermen op mijne reis. Zoo iets troost op eene reis eu die plek, hoe akelig ook, was mij dierbaarder en liever dan de heerlijkste en vruchtbaarste oasis van Egypte. Waarom thans nog noodig, in den breede uit te weiden over 't oude en nieuwe Egypte, zijne geschiedenis, monumenten, pyramiden. obelisken, tempels, koningsgraven, enz. enz. Overigens een allermerkwaardigst land. Men kent uit de Bijbelsche Geschiedenis 't verblijf van Abraham, Jozet en zijne broeders en na hen de Israëlieten in Egypte. Na of met China en Indië is Egypte 't oudste beschaafde land, waarvan de geschiedenis melding maakt. Zijne Annalen, monumenten, geniale uitvindingen en wetenschappen getuigen er van. 2000 a 2200 jaren vóór Christus vond er de patriarch Abraham reeds eene blijkbaar goed georganiseerde monarchie en eene goedgevorderde beschaving. Zes en twintig dynastieën of vorstelijke families regeerden over Egypte tot 520 vóór Christus. Memphis, Thebe (stad met 100 poorten) en Tanis waren beurtelings zijne hoofdsteden. Keeds zeer spoedig, kort na Christus Hemelvaart, werd het christendom verkondigd in Egypte (H. Lucas) en verspreidde zich met den tijd tot zeer diep in het vasteland van Afrika: Lybië, woestijn van Thebe, in Opper-Egypte, Abyssinië en wie weet
lioe diep in de binnenlanden. Doch de vraag is of de binnenlanden van Centraal en Ãquatoriaal-Atrilca toen reeds bevolkt ^tiien. De christen school van Alexandria was beroemd in hfet lieele Oosten en Westen (Origenes.) In dit land, van alie oudheid tot heden ten dage. meer dan elk ander land het tooneel der meest satanische afgoderij en der dierlijkste verdorvenheid, zag men daarnaast in de eerste eeuwen des Christendoms de schoonste en zuiverste christen deugden bloeien in de ontelbare kloosters of kluizen zijner heilige eremijten; woestijnvaders eu anachoreten in Opp-1'-Egypte. Lybië in de Arabische woestijn (nabij den berg Sinai eu Horeb). De stad Damiette, niet ver van Port-Saïl ten Westen, deed mij denken aan de kruisvaarders, waaronder de Hollaudsche, onder den Graaf Wülem. die zoo krachtdadig bijdroegen tot bestorming dier stad. Hoeveel ware er over Egypte te zeggen ! doch ik heb er tijd noch lust toe.
Op Zondag-morgen 3 Juli om (3 uur lagen we voor de stad Suez aan den ingang der golt van dien naam tof Eoode Zee.) Onze boot stopte slechts een kwartier uurs om de brievenpost aan boord te nemen en stoomde toen met volle vaart de Roode zee in. Ofschoon ver van de kust stilliggend, genoten we toch een fraai gezicht op de stad Suez, en zijne wit gepleisterde huizen, allen beheerscht door eene fraai Katholiek Kerkje. In de golf van Suez heeft men immer aan beide zijden land in zicht, rechts de Egyp-tiscli-Arabische woestijn (of liever de voortzetting er van) en links 't schiereiland van Sinai. Naar schatting kan de golt 10 uren breed zijn. In dien voormiddag passeerden we de plaats, vaar Mozes door een ontzaglijk wonder de wateren der Eoode zee scheidde en die droogvoets doortrok met zijne 600.000 Israëlieten, zonder de vrouwen, kinderen, volgelingen en dienaren van allerlei rang en soort mede te tellen. Eeni-geii^ schatten het geheele getal op verscheidene millioenen. Zwijgend en ernstig staarden allen, â zelfs de onverschilligste reizigers, -â naar die blauwe golven onder ons. Mijne verbeelding deed zich geweld om zicli die drieduizendjarige gebeurtenis voor te stellen. Inderdaad verbeeld U die kolossale menschenmassa voortrukkend op den drogen bodem der zee over eene lengte van 10 uren en weinige uren breed misschien. Ontelbare kudden vee en allerlei kostbaarheden voerden de kinderen van Israël met zich. En achter hen het leger van Pharao, zijne strijdwagens enz. Gewis de verbeelding heeft hier ruim spel. Reeds uren had onze boot de vermoedelijke plek des wonders achter zich, als ik nog immer mijmerend nadacht over dat grootsche bewijs van Gods va^ derlijke goedheid en gerechtigheid tevens jegens zijne kinderen.
28
En dan. welke schoone voorafbeelding is niet de toclit van de Israëlieten uit den nacht van Egypte naar het beloofde Land van onze bevrijding uit de macht van Satan en onze intrede in het Hemelsche beloofde Land! In stilte zocht ik in mijn Brevier Mozes' overschoon danklied op, en vurig bad ik, dat de arme Afrikanen spoedig uit de macht van den helschen Pharao mogen worden bevrijd.
Overigens buiten die herinneringen is het een treurig land. Eechts en links niets dan woestijn en roodachtig bruine heuvelen en bergen. Links in die barre woestijn, thans slechts doorkruist door eenige zwervende Bedouïnenhorden, vroeger het vaderland van den patriarch Job; daar dwaalden de kinderen Israels 40 jaar rond.
Van 1 tot 6 ure in den namiddag hebben we den berg Sinax en Horeb in het gezicht. Wat men aldus berg noemt, is eigenlijk eene doorloo-pende bergkreten, waarvan Sinaï en Horeb twee der verhevenste toppen zijn. Met liet bloote oog en ondanks de juiste aanduiding der otlideren van de boot zou ik ze uiet hebben kunnen ontwaren, doch dank aan een verrekijker, die eene ijverige zélatrice der
Annalen, M. v. T...... juist vóór mijn vertrek mij verschafte, kon
ik Sinaï en Horeb zeer goed onderscheiden. Aan den voet dier bergen dus lagen de Iraëlieten gekampeerd, toen God onder donder en hemelvuur zijne geboden schreef op Mozes steenen tatels. En ziet, diezelfde Iraëlieten, nog kortelings getuigen van zulke wonderen, pleegden afgoderij en aanbaden een gouden half... Zware beproeving voor Mozes' ijver. Een les voor mij, dacht ik. De arme zwarten zullen inij misschien, en meer nog gelegenheid geven tot geduldsbeoefening door hunne herhaalde fouten enz... Doch geen nood. Nimmer wanhopen! âCharitasâ omnia sperat, omnia suften,... non exciditquot; de liefde hoopt alles (wanhoopt nooit)... verdraagt alles .. gaat niet te niet.
4 Juli. â⢠We ziju in volle zee. Nergens ontwaart men land, tenzij nu en dan een rots of klip in zee, aangewezen somtijds door een vuurtoren, of wel 't wrak van een vergaan schip. Tegen den middag zijn we op de hoogte van Medina, vaderland van den valschen propheet Mahomet. Men zegt, dat de Roode xee het heetste punt der aarde is, en in den regel heerscht er dan ook eene ondragelijke, stikkende hitte. We hebben ons niet te beklagen. Eene frissche bries komt de hitte vrij wat temperen. Toch is 't heet, ja, zeer heet, en ik ben maar blij met den dunnen gandoura, dien P. F____ mij juist van pas meegaf. Maar och kom! Een Afrikaan, die al vier, zegge vier Atrik. zomers achter den rug heeft, vindt zulke variatie in de temperatuur zeer prettig. Overdag be-
29
schut ons t dubbele zcsldwck boven 't dek geiiuegzaam tegen zonnesteken, en 's avonds en 's nachts is het bepaald heerlijk op het dek. Tegen li ot 12 uur zoekt men een plaatsje uit op een der banken op liet dek, en men slaapt als ee» prins, met het oog gericht naar Gods lieven Hemel, bezaaid met millioenen fonkelende sterren, Eugelenoogen, die over ons waken. Zoo slaapt men in één trek dooi tot s morgens o uur, als wanneei de matrozen met macht van water het dek komen schrobben, en u soms, zonder erg, een fikschen straal in 't gezicht of over de teenen slingeren. Men springt half droomend op en met het leukste gezicht ter wereld staan de lummels u aan te gapen. Dit is zeer komiek. Brave kerels toch en meestal goede christenen, naar ik soms heb opgemerkt.
ü Juli. - In alle stilte en eenzaamheid vier ik heden mijn 29sten verjaardag, ver van ouders, familie en van vrienden. Niemand, tenzij mijne vijt christen negers, die er kennis van droeg. Het trot mij en 't ging mij aan het hart, toen ze alle vijt in den vroegen morgen mij hunne welgemeende wenschen kwamen aanbieden, en ik dacht: âOuders, familie eu eenige vrienden denken waarschijnlijk aan mij vandaag, doch God zij dank ! ziedaar degenen, die voortaan die plaats zullen innemen.quot; En ernstiger dan ooit overwoog ik liet bekende voorval en Christus' woorden uit 't H. Evangelie. Ik zei : âkinderen bidt van daag eens uwe rozenhoedje voor mij, ongelukkig heb ik den troost niet de H. Mis te kunnen opdragen.
Inderdaad is dit gemis een der gevoeligste voor een missionaris op zijne reizen. Op zee heeft men soms devergunning van Rome de H. Mis te lezen, doch onder zekere voorwaarden : eene draagbare reis kap el, vrij kalme zee. assistentie van een priester en verlof des scheepskapiteins. \ au Marseille tot Zanzibar, bijna eene maand lang dien troost te missen, valt hard. Doch men brengt ook alweer dit offer. Dit komt ongeveer overeen met 't woord der H. I lieresia, dat men soms God om God verlaten moet.
Haitelijk dank hierbij aan allen, die op dezen dag aan mij gedacht en voor mij gebeden hebben. Zij weten dat ik hen evenmin vergeten heb, ofschoon ver van hen op de Roode-Zee Mooie, kalme zee, iets heeter dan de vorige dagen. Om één uur valsch alarm. Men meent een schip in nood te ontdekken, en eene reddingsboot niet 1' ransche vlag te zien dobberen. Onze kapitein verandert van koers en stuurt er met vollen stoom op aan. Alle man aan boord verkeert in hoop en vrees. Naderbijkomend is het niets dan een soort baken, waarop werkelijk eene Fran-
scbe vlas; woei. Waarschijnlijk een aanzienlijk Franschman, die op de Roode zee stierf, daar op dea bodera der zee zijn graf had, en gewild henft, dat op die manier de plek kenbaar bleef', behoed en beschut tot in den dood door de Fransche driekleur.
In den voormiddag bevinden wij ons op de hoogte van Djeddah, stad aan de Oostkust der Roode zee gelegen, en van het beruchte Mekka, met liet graf van den afschuwelijken Mohamet op 20 uur landwaarts en tegenover Djedda. In deze havenplaats ontschepen jaarlijks honderdduizend pelgrims (hadzji's genaamd), die het graf van hun valschen profeet en den fameuzen zwarten steen, naar hun geloof uit den hemel afkomstig, gaan vereeren. Immer fanatieker en gloeiender van haat tegen de honden van christenen keeren ze terug. Uit de heele Muzelmansche wereld: Azië, Afrika, Oeeanië en Europa, diep uit de Sahara en Centraal Afrika, ver uit Indië, China, Thibet en de eilanden van den archipel komen er deputation, Mekka is het brandpunt van den Islam, zijn bloeddorstig fanatisme verkeert daar in het kookpunt. Het ideaal der kruisvaarders in de lie, 12e en 13e eeuw was liet graf des Verlossers te Jerusalem den islam te ontwinnen en het graf van Mohamet te Mekka te gaan verdelgen. Zij slaagden niet. Men zegt, dat ook Napoleon I in Egypte zijnde, een oogenblik het gedacht heeft gehad Mekka te overweldigen. Men zou zeggen, dat het den Engelschen thans weinig moeite zou kosten: het ware gewis eene heroïeke daad, doch anderzijds raakte er wis Azië, Afrika en Europa door in vuur en vlam, want zeker zou het eene ijselijke uitbarsting van haat en fanatisme teweegbrengen onder de ontelbare volgelingen van den valschen profeet. Blijft Mekka daarom onaangetast, ieder Europeaan die het waagt Mekka binnen te dringen, is zeker op het graf van den profeet gewurgd te worden. Toch weet men uit het verhaal van vermomde reizigers, wat, Mekka is en wat er voorvalt. Het is namelijk het meest gelijkende beeld der hel, dat op aarde bestaat; voorshands, zonder het fanatisme van den islam onnoodig op te zweepen, is het al erg genoeg, dat die afschuwelijke, myste-rieuse dwaalleer (het meesterstuk van Satan) bijna gansch Centraal en Equatoriaal-Afrika bezoedelt en er meer en meer vasten voet krijgt. Eu. o geheim! daar, waar de Islam zijn Safansvlerken uitstrekt over een land, is het voor eeuwen (voor altijd?) onmogelijk het zaad des Evangelies te doen wortel schieten!
In den namiddag zijn we op de hoogte van Souakim, zeestad ten Westen der Roode Zee en der steden Dongola en Berbar in Nubië aan den Nijl gelegen, allen bekend uit den ongelnkkigen veldtocht der Engelschen tegen den Maddhi. Wijl het mijn feest
31
was, regaleerde ik mijne vijf zwarten op een extraatje. De arme drommels mochten wel iets hebben. Ze hadden het niet te breed.
De Portugeesche 3e klas is ellendig. Daarbij lieten hen hunne medepassagiers (meest Portugeesche soldaten)' niet altijd met vrede, zoodat ik meermalen te hunnen gunste moest tusschenbeide komen.
6 Juli. Des middags passeeren we Massouak zeestad aan de Westkust der Eoode zee en uitgangspunt der Italiaansche expeditie, die uitliep op het protectoraat over Abyssinië en het nominale bezit der Ga 11a en Somalistreken. Tegenover Massouah, aan de samenvloeiing van Witten en Blauwen Nijl ligt het bekende Ghartoum, treurig vermaard door den tragischen dood van den heldhaftigen Generaal Gordon. Groot verlies! Niemand misschien in onze 19e eeinv had het beter voor met de Afrikaansche slavenbevrijding en weinigen waren zoo berekend voor die taak als die geniale man'. Doch men het hem trouweloos in den steek ! O ! dat materialistische Europa!
Dezen nacht tegen 1 1 ure stiet ons schip bijna op eene klip. Door eene plotselinge wending ontweek onze kapitein het dreigend gevaar. God weet, wat er van ons alhn geworden ware bij eene schipbreuk 1 Doch Gods Engelen waakten over ons. De âReij de 1 ortugal' had een missionaris aan boord. Wie weet ? Overigens is de doorvaart hier immer met gevaren van dieu aard vergezeld Overal eilandjes, rotsen in het gezicht, enklippen onderwater, die men niet ziet. Het heet opletten voor de scheepskapiteins. In volle veilige zee laat de Commandant de zorg voor roer en directie gewoonlijk over aan een der luitenants gedurende den tijd van het dineeren. Heden echter bleef hij wel degelijk boven op zijn post. '
varen we liet aanmerkelijk groot e eiland Hanish voorbij en des middags zijn we in de straat van Dab-el-i.Iandeli (12° 59' Noorderbreedte 43° 16' Oosterlengte).
We varen rakelings langs het eiland Perim, eene ICngelsche bezitting, gelegen juist midden in de straat van Bab-el-Mandeb, om des noods de doorvaart er van te versperren. Die Engelschen zijn warempel met dom, evenmin als oudtijds de Pheniciërs. Langs de tellede route van Londen naar de Indien hebben ze de beste strategische punten ingepalmd; Gibraltar, Malta, Cyprus, Egypte met zijn kanaal, Perim, Aden, enz. De grootste brokken van Afrika vallen liun ten deel, en rondom heel Afrika bezitten ze overal met overleg uitgekozen puntjes om den buit te verzekeren. Zoo
32
even goed ia de rest der wereld, in Azië, Oceanië en Amerika.. De Frauschen zijn geestig en daarbij jaloersch op de Engelschen. Een der eersten zou eens gezegi hebben ; âZoo gauw de zonen. Albions niets meer op aarde te koloniseeren (exploiteeren is het eigenlijke woord) vinden, beklimmen ze gewis de maan om er eene kolonie van te maken.quot;
Kurieus is het inderdaad op de vergelijkende kaart van Tonkin de Engelsche bezittingen over de gansclie aardoppervalkte, in gele tint gekleurd, na te gaan. En sinds 1888 hebben zij wel bijna de heltt van Afrika ingepalmd. Bijna gansch Zuid-Afrika tot aan de Zuidpunt van het Tanganikameer, vervolgens Egypte, Lybië, Nubië en den Nijl opvarende tot het Victoria-Nyanzameer toe, zonder nog eens te spreken van hunne aanwinsten in da golt van Guinea tot het meer Tzad toe enz.
Men gelooft, dat voor Engeland nog eene providentiüele zending is weggelegd. Wie weet! Als het eens tot de Moederkerk terugkeerde, en onmiskenbaar is het op weg ! Als dan die wereldmacht en invloed, die onnoemelijke schatten, die liet nu verspilt aan de Protestantsche Missiën, die Engelsche taal door de helft der mensch-heid gesproken, als dat alles eens ten goede kwam aan de H. Kerk en de Missiën! Als dan die leelijke Russen hen maar met vrede laten. Dat is een andere kolos, hij is goed op weg een tweede wereldmacht te worden. Als heel Westersch Europa reeds het onderste boven ligt, vertreden onder de hoeven der kozakken, dan konden die twee wereldmachten wel eens geducht slaags raken. Alles wel bedacht kon het officiëele Engeland (eigenlijk al te materialistiscli) wel eens niet tot Rome terugkeeren en als eenige hulp tegen den Beer van het Noorden, zijne honderden millioenen muzelmansche onderdanen richten tegen zijn doodsvijand (men kent de mysterieuse antipathie der Russen voor de muzelmannen en de semieten). De twintigste eeuw zal nog niet ten einde, mogelijk niet ten halve zijn, voordat men dat spektakel aanschouwen zal.
De beste verklaarders der H. Schrift zeggen dat de Antichrist het hoofd der Russen en Moskovieten zijn zal, uit het land van Gog en Magog, en zij zeggen dat de profeet Ezechiël dit reeds voorspelde, 2400 jaar geleden. Het woord, Rons, voorkomend in den Hebreeuwscheii tekst, is door den H. Hieronymus (in de Vulgaat) achterwege gelaten, âomredenquot;, zegt de H. Kerkvader, dat hij dat volk nergens kon terugvinden. Wat er van zij, het is een hoogst waarschijnlijk gevoelen..... Doch men zou zeggen, hoe het mogelijk is, dat mijne gedachten zoo konden afdwalen, en terecht komen op den Antichrist. Och ja, als men gansch alleen in volle zee is^
onder menschen, die niets dan Portngeesch spreken, dan heeft men allen tijd tot denken en overwegen. Daarbij vindt een priester immer voedsel daartoe in de lezing der H. Schriftuur, van een theologisch werk enz. Otschoon bijna van alles ontbloot, vond ik tocii in mijn eénig valiesje den mooien bijbel van Filion, (nog wel verguld op sneè en keurig gebonden) dien een confrère op Malta mij piesent deed. Daarbij een Brevier, et.... que voulez-vous de plus ?quot; Een missionaris meent daarmee al rijk te zijn.
En passant waren we no^ altoos in de golf van Bab-el-Mandeb. Perim (akelige rots, wel beschouwd) met zijne forten eii groepen huizen hadden we achter den rug, en weldra stevenden we de golf van Aden binnen, in recht Oostelijke richting. Obock, kleine Fransche bezitting op het vasteland van Afrika, lag achter ons. freurige kolonie van bar zand, ongezond, stikkend heet. Wat belang de hiauschen daarin wel mogen zien! Des avonds om 11 me ontdekten wij de lichten der vuurtorens en de havenlichten van Aden. Geen haven, slechts eene reede, nog al onveilig er bij. Het duurde lang, vooraleer onze matrozen, hun dieplood uitwerpend, eene voegzame waterdiepte gevonden hadden om te ankeren. Niet ver van de plaats zag men nog de masten boven w.itei uitsteken van eene boot der Messageries maritimes,quot; daar voor twee jaren verongelukt. Wij ankerden vrij ver van de kust en konden des nachts en zelfs 's anderen daags bij klaar lichten dag v\eiiiig of niets van het stadje Aden onderscheiden.
-Nauwelijks lagen wij geankerd, of een aantal ranke bootjes schoten op ons af. Men schreeuwde en vocht onder aan de sclieeps-ladder dat het liefhebberij was ; eindelijk krioelt het heele dek van zwarte Somalinegers. En dat in het duister om niiddernacht! (ti iezeliger. akeliger tooneel had ik in mijn leven nog uiet aanschouwd. Rechtuit gezegd: zonder bang te zijn, huiverde ik er van, terwijl ik over de leuning gebogen onder mij, boven de zwarte wateren al die negers als duivels met hun opstaand lang haar (zooals de Somali s dat hebben) dooreen zag dwarrelen, al vechtend, huilend en schreeuwend. Depaald, bij iemand, met zwakke zenuwen, zouden juist als bij de Somalis de haren overeind gerezen zijn. Echt spokengezicht. Ik dacht: och, kom! het zijn van
mijne parochianen en brave lui!..... Om een uur 's nachts was de
zw.ute troep afgetrokken (meest pakkendragers, arbeiders of slaven uei handelshuizen en bureaux van Aden). Alles was nu stil op het dek, inaar wat stikkende hitte! Het was of men in een stoombad verwijlde, en dat boven op het dek, boven het water om middernacht! Ik probeerde of ik wat slapen kon op 't dek. Bijna geen denken aan. Nu, dat noem ik warmte! alle andere hitte is er niets bij.
34
S Juli Vrijdag. Zoo ben ik dan al te Aden, en Zanzibar komt, al dichter. Maar geduld. Komen doen we er! Aden, aan de Zuidpunt van het Arabische schiereiland, ligt op 12029' N. Br. eu juist 45° 0. L. Onze stoomer houdt hier 12 uren stil. Eenige reizigers voor Indië ontschepen. Was de hitte al onuitstaanbaar des nachts, op den dag is het bepaald te grof. We troffen het dan ook juist! Men zei ons dat er aan land in de stad en in de omstreken van Aden zulk eene hitte heerschte, dat men sinds 12 jaar zoo iets niet beleefd had. \ele menschen vielen dood neer op de straten, getroffen door zonnesteken. Ik bleef maar stilletjes aan boord ; anders had ik wel plan gehad even een kijkje te gaan nemen in het fameuse Aden. Eigenlijk is het geen kijken waard, het heeft alleen waarde voor de En-gelschen, die er steenkolen-depots, en eene macht van forten en kanonnen bezitten. Nergens gewis ter aarde vindt men een treuriger oord ; overal niets dan kaal terrein en naakte rotsen, zwart geblakerd door de zonnehitte. De weinige huizen zien er al even vaal grijs uit. Geen bewijs van gras of geboomte, treen beweging of leven. Eenzaam ligt hier en daar op de reede een schip. Volmaakt beeld des doods. De bezetting van het Engel-sche garnizoen bestaat bijna enkel uit lersche Katholieke soldaten.
Ten dienste van dezen vooral hebben de Eerw. Paters Franciscanen een klooster te Aden. Ook vindt men er eeu Zusterklooster met hospitaal. Eene merkwaardigheid van Aden zijn zijne kolossale waterreservoirs, die honderdduizenden kubieke meters water kunnen bevatten, doch bijna immer droog zijn, wegens den weinigen regen, die er valt. Vlak achter het stadje verheffen zich eenige steile bergen van aanmerkelijke hoogte. Verbeeldt u, dat de Engelschen daarboven voor alle sekuriteit nog eenige torten gebouwd hebben en een mooi getal kolossale kanonnen dien berg hebben opgesjouwd. Hoe ze daarmee klaar gekomen zijn, begrijp ik niet. 't Is zoo hoog, dat men de torten nauwelijks met het bloote oog ontwaart. Enfin, van daarboven at boren ze alle schepen, die naderen of passeeren durven, in den grond, ot het een kleinigheid ware! 't Woord, âAdenquot;, heeft in de Oostersche talen dezelfde beteekenis als 't woord âEdenquot; (lusthof, paradijs) uit de H. Schriftuur. Ondanks die overeenkomst zou het te origineel zijn het Aardsche paradijs hier te willen zoeken. Wat er van zij, al de Muzelmannen vereeren hier de graven van Adam en Eva. Geen toerist vergeet die te bezoeken. Naar ik eens van een ooggetuige vernam, zijn 't kolossale grafplaatsen in de rotsen uitgehouwen, want naar 't zeggen van de Muzelmannen, waren onze Voorouders van meer dan buitengewone gestalte (een tiental meters
35
of zoowat). Wat er van zij, weinig bezoekers zijn er van overtuigd, doch altijd blijft het een zonderling volksgeloof.
Keeren we weer terug aan boord van de âRey de rortugalquot;. 't Wemelde rondom onze boot van eene menigte ranke, lange, smalle bootjes. Spoedig was 't dek van het schip, als 't ware, in eene markt herschapen. Tal van Indiërs (llindous) en negers hadden er hunne waren uitgestald. Alles peperduur natuurlijk ; want de brave liü meenen dat alle reizigers ter wereld Engelschen zijn, en die zijn immers allen schatrijk. Soms vindt men onder heel wat voddengoed ook mooie zaken : lijn met goud en zilver bewerkte stoffen, tapijten, borduurwerken, enz. Kunstig snijwerk uit hout, ivoor etc. ; lijk met goud of zilver ingelegde dolken, pistolen enz. Ook ziet men er tal van geldwisselaars rondloopen, die met alle geweld uw Fransch ot Engelsch goud tegen Indische roepies willen omruilen, natuurlijk respectievelijk met groot verlies ot winst.
Ken bekende curiositeit van Aden zijn zijne duikertjes. Reeds vroeg hoorde men die snaaksche troep rondom het schip maatsgewijs hun honderdvoudig herhaald âoho ycslquot; zingen. Die zwarte ventjes van 5 tot 10 jaar zijn met een ot twee gezeten in zeer kleine bootjes, smal en vrij lang naar evenredigheid, uit schors, kurkhout ot eene andere lichte stof vervaardigd. Echte notendoppen, die dobberen en dansen op vrij bewogen golven, dat liet een lust is. Men moet ze zien manoeuvreeren met hun éénige roeispaan! Bemerken de guiten^ dat de passagiers erg in hen krijgen, dan beginnen ze in koor, maatsgewijs en in een eigenaardig âtempo-staccatoquot; hun vakrefrein te zingen onder de potsierlijkste bewegingen: âOho a la mer, un franc, a la nier; oho a la mer, un franc ü la mer.quot; â Dat wil zeggen, dat ze voor een franc, maar ook wel voor een sou pardoes in zee springen en uw franc op den bodem der zee zullen gaan opvissclien. Ik had nog juist eenige Belgische nikkelmunt, stukjes van 10 centimes in mijn zak. Die zagen er van verre vrij goed als een franc uit. Een, twee, drie, daar verdwijnt de sou in de golven, en bliksemsnel schieten al de snuiters als zooveel zwarte eendjes in het water. Na een poosje komt er eeu boven, en toont triomfantelijk het nikkelstukje, dat liij tusschen de tanden geklemd houdt, aan zijne kameraadjes. Onder onze groote, diepe boot doorzwemmen beteekent voor hen al evenmin iets.
Des middags om 1 2 uur hervatten wij onze reis. Nog 8 volle dagen in volle zee, nog omstreeks 3300 k. m. of G00 uren (van Aden tot Zanzibar). Wij zijn midden in de golf van Aden, en stevenen in recht Oostelijke richting. Nergens land te bespeuren. Eeu frissche zeebries dost spoedig de hitte van Aden vergeten.
36
.9 Juli. â Een sterke wind uit den Indischen Oceaan, recht van voren, doet onze toot buitelen. Het is bijna storm. De scheepsdokter in persoon is zeeziek ! liet is ook zijne eerste zeereis. Het was juist iets voor de officieren om zich over den armen tobberd, die liet al hard genoeg te verantwoorden had, vroo-lijk te maken. Tegen den avond krijgen we weer rechts Afrika in het gezicht, want de kapitein richt koers naar de punt van kaap Guardafui. Overal op dat gedeelte der kust van Afrika, van Zeila tot Guardafui en de kaap om, tot 10° N.Br. vindt men vlekjes en stadjes, allemaal Engelsche bezittingen.
In dien hoek van Afrika wonen de verschrikkelijke Somali-negers. Wee den armen passagiers, die door schipbreuk (niet zeldzaam nabij kaap Guardafui) op die kust geworpen worden ! Ze zijn zeker, uitgeschud, vennoord en waarschijnlijk opgepeuzeld te worden. De wind werd al sterker en wildei, naarmate we de kaap naderden en in de wateren van den Indischen Oceaan kwamen. Weldra slaan de golven over het dek. Alle zeilen zijn gestreken. De boot kraakt eu steunt en stampt met de golven. Onheilspellend loeit en buldert de zee. Intusschen, oin 7â8 ure 's avonds, varen we kaap Guardafui oin, midden door klippen en rotsen. Juist bij de omvaart ontmoeten wij een schip, dat ook danig te kampen heeft, naar het schijnt. Er was geen denken meer aan, boven op het dek te slapen. Een golfslag kon u meesleuren in zee, en daarbij was het er ook te frisch. Dus naar kooi, en ondanks de vervelende buitelingen van het schip, sliep ik weldra gerust in, mij overgevende in (rods handen, de storm mocht aanhouden of zelfs verergeren !
10 Juli. Zondag. De stormachtige wind van gisteren houdt aan tot 4 uur in den namiddag. We leggen vandaag maar 229 zeemijlen af, in plaats vim 285 gisteren; dus 5() mijlen tegenwind. We hebben den wind in de linkerflank, zoodat de boot eene dubbele buitelende beweging heeft, ze lielt schrikbarend over, van rechts naar links en omgekeerd, en tegelijkertijd schiet ze nu eens met den voorsteven in de diepte, om even daarna op den rug eener hooge golf te klimmen. De achtersteven speelt juist de tegenpartij. Nu eens schiet hij omhoog om daarna in de diepte bijna te verdwijnen. Men kan dan ook niet op de beenen blijven op het dek. Men dient er aan gewend te zijn en den vasten ma-trozentred te hebben. Kranige kerels, die matrozen ! Het griezelt U voor de oogen, als men ze bij stormweer in de masten en in het touwwerk ziet klauteren, vlug als katten en daarboven de kommando's ziet uitvoeren met eene zekerheid en gerustheid en even lustig als ze 's middags hun boterham oppeuzelen. Ik voelde
37
â volstrekt niets van zeeziekte en ik liad werkelijk schik in dat stormweer. Ik bleef dus op het dek, alhoewel de meesten ot allen naar beneden gingen. Stevig eene leuning vasthoudende, beschouwde ik beurtelings de gedwongen danspassen onzer boot, of wel de woedende, ziedende en schuimende golven beneden mij. In dolle blinde vaart komen ze aangerold en beuken razend de flanken onzei boot, doch om zich te verpletteren en in millioenen schuimvlokken uiteen te spatten. Nu en dan komt een fiksche vlaag onvoorziens mijn baard schoonpoetsen, doch de Hollanders zijn echte waterratten ea voor de zee geboren. Niets ontzagwekkende!1 dan een storm ot orkaan op zee. Men weet niet wat subliemer is; een kalme sterrennacht in volle zee, nauwelijks gerimpeld door een onvoelbaar briesje, of wel, de zee in razernij met hemelhoog opgestapelde golven, loeiende en brullende baren, in een pikdonkeren nacht, nu en dan spookachtig verlicht door gruwzame bliksemflitsen, terwijl rollende donders, door de ontelbare golven weerkaatst, den armen reiziger onheilspellend in de ooren klinken. Wezenlijk indrukwekkend 1 In zulke oogenblikken wendt zich ons arm hart instinctmatig of (oin een passender woord te bezigen) van natuurswege tot zijn Schepper en 't bidt! âMijn God, wat ben ik nietig en wat zijt Gij groot! Majestueus in al uwe werken!quot; Ik daag den stoutsten godloochenaar uit in zulk oogenblik op zee, te zeggen; âEr is geen God of bovennatuurlijke macht !quot; Mysteri-euse zee! Overigens bevatten de aarde en de hemelruimte zooveel mysteries! Zijn t de domme onbewuste natuurkrachten alléén, die aarde en zee en de millioenen hemelbollen boven onze hoofden leiden en besturen? Onzin. De ware geleerden, zooals Newton, Kepler, Copernicus enz. dachten er anders over. Wie geeft die lieve kalmte aan de wateren der zeekolken ? Gods lieve Engelen ? We verwekt op andere tijden in den schoot derzeltde wateren die verschrikkelijke orkanen, cyclonen, enz. ? De booze geesten ? Een christen alleen zou hierop kunnen antwoorden, en hij vindt het heel natuurlijk, als b. v. de H. Franciscus de Sales het meer van Geneve, door een storm bewogen, exorciseert. Nooit zal een geleerde de oorzaak, den aard der werkingskracht, b. v. van een zeeorkaan, kunnen aangeven, alléén zoekend in 't wetboek der
natuur..... Zoo mijmerend stond ik nog immer aan mijne scheeps-
leuning. ^ t Wis inmiddels nacht geworden en afdalend naar mijn cabine, dacht ik; âJuist als 's menschen leven; nu eens kalme âzee, dan wind, storm, ja, zelts orkanen. Zoo schipperen alle âAdamskinderen door het leven; zoo kan 't zelfs een missio-ânaris gaan. Neen, zoo, zoo zal het hem voorai gaan. Storm en âstrijd is zijn leven. Wis en zeker zal het er soms in Midden-
38
âAfrika zelfs spannen! Na poosjes van rust en kalmte komen, stormen eu orkanen. Waarom niet ? Juist in de Missie heelt ..satan en zijn gespuis alle reden lawaai te maken, al zijne liel-âsche orkanen los te laten tegen Gods Rijk. Geen nood! Maria,
,,Sterre der zee,quot; St. Michael en zijne Engelen zijn met ons.....quot;
Zoo dacht ik voort, als de golven me alweer in slaap wiegden ten langen laatste.
i/âis Juli. â Nergens land. We dobberen vrij wel gelijk de vorige dagen en we vorderen slapjes, b.v. van daag â 13 Juli â-maar 122 zeemijlen afgelegd in 24 uren, in plaats van 295 in de Roode zee.
It Juli. â Bastille-teest of revolutie-feest in Frankrijk. Nooit te gelooven ! Die onzalige datum, bloediger gedachtenis, is goed op weg nationale feestdag te worden. Arm Frankrijk ! keer terug tot den Heer, uw God, die ü zoo lief had, zoo groot maakte, door uw machtigen arm zooveel deed voor zijne kerk, door uwe edelmoedige aalmoezen en liet zweet en bloed uwer honderdduizenden priesters, missionarissen en Zusters zooveel uitwerkte tot uitbreiding van Zijn Rijk op aarde ! Arm land! dat in lichtzinnigen dans aan de hand der Vrijmetselarij, ot van het Satansgebroed
voortholt naar den afgrond !..... Keer terug, 't Ware beter 15
Aug. Maria's opname ten Hemel tot nationalen feestdag te nemen, zooals onder het keizerrijk, of boete doende den 21en Januari, datum van uw koningsmoord, als nationalen verzoendag te vieren. Wee U, Parijs ! Millioenen verlustigen zich op uwe straten en uwe pleinen, doch hoe weinigen klimmen op naar Montmartre en knielen neer in de nationale kerk van het H. Hart!
Men schonk Champagne aan tafel vandaag. Heb je van je leven.....dacht ik. Een der passagiers, dien ik voor een Portugees aanzag, bleek een Franschman te zijn, en dacht als vergelding voor zijne vrijgevigheid getuige te zullen zijn van eene geestdriftige manifestatie. Mogelijk verkneukelde hij zich reeds de liefelijke tonen der Marseillaise, door allen staande gezongen, te hooren weerkaatsen door de rollende golven daarbuiten. Och arme ! 't Viel totaal in 't water. De eenvoudige Portugeezen schenen 't niet te vatten, hoe men nu den dag der afbraak van een oud spinhuis kon kiezen tot nationalen feestdag. Niemand, de kom-mandant aan 't hoofd, verroerde een vinger. Geen enkele speech ! 't Was kritiek. Mijn Fransche buurman zat op hette kolen, dat geloof ik zeker. Eindelijk pakt hij toch zijn glas, en zoo gebrekkig als 't ging, verzocht hij ons toch in 's hemels naam onze glazen te willen uitslurpen op de gezondheid der Republiek, 't Werd tijd ; want anders hadden we allen onze bokalen, gevuld met brui-
39
senden champagne â- die, achterna beschouwd, zeer goed was â-naar binnen gesmokkeld onder zwijgende gebaren. Want ik geloof, dat toch weinigen zin hadden er dat op toe te geven, 't Bastil-leteest was dus mislukt in den Indischen Oceaan. Een missionaris doet niet aan politiek, ot 't moet de politiek Gods zijn, m. a. w. de studie van de belangen der Kerk op aarde. Anders zijn hem alle volken en stammen even lief. Mijn rol dus bij het komieke geval van zoo even was vrij eenvoudig, d. i. zeer gereserveerd.
15 Juli. â Lezer of lezeres, kent ge âv. d. Lans' Maagdepal-men. Bladen uit de geschiedenis der Evangelieprediking in de Nederlanden.quot; Een vriend verschafte mij dit waar juweeltje voor mijne reis. Meermalen heb ik onderweg die onovertrefbaar schoone bladzijden gelezen en herlezen. En welke meent ge dat mijne beschouwingen en vergelijkingen waren ? Ik vormde mij een beeld van Zuid-Nederland en België in 't bijzonder, als Missieland in de eerste helft der 7de eeuw en ik vond zooveel aanrakingspunten, dat ik die missie onder onze voorouders van vóór 121/2 eeuw kon vergelijken met onze missiën op dit oogenblik in Midden-Afrika. Bij voorbeeld: Hier en ginds ruwe wilde bewoners, soms hardnekkig weerstand biedend aan de Evangelieprediking: â de gruwelen van den slavenhandel, noodwendig gevolg van 't heidendom, â enkele missionarissen slechts (St. Amand, Arnulf, Grinioald) onmetelijke streken doortrekkend, onder ontberingen en gevaren van allerlei aard â een uitgelezen getal christenen en Christen tamiliën (o. a. de Heiligen familie van Pepijn van Landen) hier en daar verspreid.
â Missieposten of kloosters als zoovele brandpunten van het licht des geloofs, allengs heele gewesten verlichtend ; â vrome vrouwen en maagden de jeugd onderwijzend, de weezen, veriatenen, slaven opvoedend (H. Gertrudis. Runildis, Gudula, Begga, Itta, Amelberga, \V ilfetrudis) ; â Christen hoofden, vorsten en koningen, allengs door Gods beschikking en hun macht :t Evangelie doende zegevieren over de vijanden van Gods naam (Pepijn van Landen, Pepijn van Herstal, Karei de Grootei ; â eenvoudige christen kerkjes, hier en daar verspreid over groote gewesten; â de dorpjes der nieuwbekeerden zich groepeerend rondom zulke kerkjes en de missieposten of kloosters enz. enz. Ziedaar tien aanrakingspunten, werkelijk treffend van gelijkenis. Zoo in de 7e eeuw in N.-Brabant, Zeeland. België, enz. : zoo in de 19e eeuw in Midden-Atrika en in alle onbeschaafde gewesten. â Zoo werkte de H. Moederkerk in alle eeuwen overal; dit zal haar arbeid zijn tot 't einde der eeuwen. â Aldus verschafte mij 't genoemde werkje een waar genoegen en een wezenlijk nut.
40
16 Juli. â In den nacht zijn we Mombaza, voornaamste havenstad der Engelsche Equatoriale bezitting, gepasseerd. Reeds vroeg in den morgen ontwaren we links van ons 't aanzienlijke eiland Pemba. Wat hberlijke en prachtige natuur, en weelderige vegetatie ! We bemerken, dat we de tropische streken bereikt hebben. De zee is vandaag even als gisteren veel kalmer. Tegen 9 ure onderscheiden we reeds een der vuurtorens aan de Noordelijkste punt van Zanzibar. Een uur of wat later verlustigt ons oog zich reeds in den paradijsachtig schoonen plantengroei van 't eiland Zanzibar.
Mijn iiart klopt sneller en de vreugde mijner 5 negers van Malta te beschrijven is onmogelijk. We varen vrij dicht langs de Westkust van het eiland. Hier en daar bemerkt .men de negerhutten, halt verscholen onder 't groen geboomte of struikgewas. Weldra kunnen we de stad Zanzibar, aan den Zuid-Westkant van 't eiland, bemerken, en spoedig daarna in haar eigenaardig geheel aanschouwen. Een vrij groot aantal schepen liggen op de reede geankerd. Ook onze kapitein zoekt een veilige plaats, de ankers zijn neergelaten in zee. âDeo gratias,quot; hoezee! We zijn op Zanzibai-. Vóór we gelegenheid hebben te ontschepen, kunnen we reeds een vluchtigen blik werpen op de stad. Vreemder en schilderachtiger steden zijn er wis weinig. Nog al vele witgepleisterde huizen in Eiu-opeeschen trant, eenige zelts, groot, hoog en met met meerdere verdiepingen (o. a. 't Fransche, Engelsche en Duitsche Consulaat, en 't imposante paleis des Sulrans met zijne veranda's, niet te vergeten), doch daartusschen en rondom de stad ontelbare negerhutten uit stroo, boomtakken en leem opgetrokken, 't Krioelt overal, vooral aan de reede, van eene zwarte raenschenmassa. En dat alles in beweging, loopt, sjouwt, werkt, vecht en schreeuwt. Een echt mierennest.
Die eerste blik in de negerwereld maakt een diepen, overweldigden indruk op iemand, die kersversch uit de beschaafde wereld in die nieuwe omgeving komt gevallen. Een aardig verschil van indruk b. v. op 7 Juni in Parijs en op 16 Juli te Zanzibar.
Alvorens te ontschepen, had ik een paar vrij kernachtige woorden gegriffeld in het Reclameboek der âRey de Portugal.quot; En niet zonder reden. Eenige officieren waren in een paar gevallen diep beneden hun fatsoen eu plicht gedaald in omstandigheden, die een priester aan boord onmogelijk, zonder protest althans, kon over 't hoofd zien.
Terwijl ik over de scheepsleuning gebogen, mijn blik liet weiden over Zanzibar, nadert me, zonder dat ik het bemerkt had, een negerjongen van een jaar of 12, die me verwelkomt en in goed
41
Fransch begint toe te spreken. Na de eerste verrassing begreep ik dat 't een onzer negers was der Procure van Zanzibar. âBest, brave jongen, en hoe maken het P. Bresson en P. Gossean (dien ik moest vervangen) Broeder Marius en Jean Pierre?-' â-âAllen zeer goed.quot; â âEn zijn zij allen thuis ?quot; â âNeeu, Pater Gosseau en een Broeder zijn in Bagamoijo bij de karavaan, die naar het Nyanza-meer vertrekt; Z7 gaat ook mee; ze wachten
op Lr!quot;.....â¢â âWat!quot; â ik geloofde mijne ooren niet. En
dat alles, zei de jongen op zoo onnoozelen leuken toon, alsof liet voor mij niets beteekende. Na vragen en hervragen bleek het wel zoo te zijn. Onder den indruk mijner verrassing en overgroote blijdschap, nog vermengd met eeuige onzekerheid, had ik niet bemerkt, dat de goede Pater Bresson in persoon de ladder was opgeklommen en naast mij stond. Na de eerste hartelijke, broederlijke omhelzing, had ik spoedig zekerheid, 't Was wel zoo zonder dat ik 't in het minst gehoopt had, althans voor het oogenblik, of vermoed had op mijne reis, had de telegraaf onder mij op den bodem der zee, tot tweemaal toe, dat zalig en gelukkig bevel overgebracht naar Zanzibar In plaats van bij onze Procure op Zanzibar Pater Gosseau, die naar Algiers zou terugkeeren, op te volgen, rukten we beiden op met Br. Jean Pierre naar de Groote-Meren. Ge kunt denken, hoe blij ik was, en of ik Onzen Lieven Heer dankte voor deze wezenlijk wonderlijke providentieele beschikking ! De bootslui vochten om ous naar wal te roeien, docli gelukkig bracht P. Bresson een bootje mee. Geen wonder dat we veel te vragen en te vertellen hadden, doch ik was zoo verstrooid, dat ik niet geregeld kon antwoorden.
Ook mijne vijf negers waren ganscli onthutst. Ook zij trokken mee op. 3 naar Nyanza en 2 naar Tanganika. We waren aan land, passeerden de douane en ons eerste bezoek gold den bisschop van liet eiland Mgr. de Courmont, Apostolisch Vicaris der Missie van Zanzibar en Zanguebar, Oostkust van 't vasteland. Monseigneur, evenals zijne missionnarissen, behoort tot de Paters van den H. Geest en 't H. Hart van Maria. Ue eerbiedwaardige heilige bisschop ontving ons allerhartelijkst. We begroetten ook de overige Paters des huizes, en namen vluchtig hunne missie-inrichting : weeshuis, â werkplaatsen voor ambachten â drukkerij â kapel enz. in oogenschouw.
Ze bewonen eene groote oude Arabieren-woning, die zich niet te best leent om goed en practisch een en ander te plaatsen, kleine hokjes, veel trappen, gaanderijen enz.
Voor een nieuweling is de eerste indruk bij 't doorloopen niet slechts verrassend, maar overstelpend. Alles steekt te zeer af bij
42
hetgeen hij tot heden zag. Meer en meer ziet hij, dat hij niet slechts in eene geheel andere menschelijke, maar ook stoffelijke maatschappij binnentreedt. Ik won wel eens de uitroepen opvangen van eene Hollandsche, kraaknette, spreekwoordelijk zindelijke huismoeder bij 't doorwandelen der straten (?) van Zanzibar ; âHeere mijn tijd, wat smerige boel ! 't is ongepermitteerd !quot; Het is erg en grof ook inderdaad ! Zij, die zich ooit gewaagd hebben in het Arabieren kwartier van de stad, Algiers of Tunis b.v. kunnen zich er een klein idee van vormen. Verbeeldt U eene vrij groote stads-oppervlakte, opgepropt met huizen van allen vorm, ligging, grootte, inrichting, uit alle soorten van stoffen opgetrokken : hout, steen, aarde ot leem, stroo riet, sparhout, palm en kokosbladeren, enz. 't eene al hokkiger, vuiler, donkerder dan 't andere. Daartusschen slingeren zich in alle richtingen en krommingen : steegjes, paadjes, of beter pijpjes, hier drie, daar twee, ginder een meter breed slechts, opgepropt met slijk en vuilnis, want de straten dienen in Zanzibar tot algemeenen vuilnisbak. Gewis in een bijenkort ot termieten â heuvel is meer orde en regelmaat dan in 't plan der stad Zanzibar. En overal krioelt het van menschelijke en dierlijke wezens. Negers (ver de meerderheid) oud en jong, naakt, halfnaakt, in lompen of in schitterende, opzichtelijk gekleurde stoffen gehuld, al naar stand, neergehurkt of slapend in de straten, lasten torsend enz. ; Arabieren van Mascate b.v. trotsch en in prachtige, rijk van goud en zilver schitterende Ãustersche kleeding; Hindous (Indiërs, nog al talrijk) van Calcutta, Bombay enz. allen min of meer rijke kooplieden ; Goanezen; eenige Europeanen, Engelschen, Franschen, Duitschers, Portugeezen, (meest beambten, en eindelijk een mengelmoes van alle talen, stammen en huidskleur. Nubiërs, Zoeloes, Creolen, Jlaleiers, vereerders van Zoroaster en aanbidders van de zon, benevens Chaldeërs in hunne spookachtig plechtige kleeding.
In Zanzibar is veel handel, meest omzet van ruilwaren voor 't binnenland van Oost- en Equatoriaal Afrika, kolossale hoeveelheden katoenen en gekleurde stoffen, koralen, koperdraad enz. enz. De Indiërs vooral zijn echte handelslui, nog driemaal meer gewiekst dan Joden.
Zanzibar heeft een sultan, vroeger zeer machtig, thans een nulliteit, sinds Engeland meester is van 't eiland. Toch heett hij een groot paleis, eene hofhouding, een legertje, eene vloot 3 ot 4 nog al aardige schepen, enz. De Engelschen beginnen al wat zindelijkheid en orde in den warboel te brengen. Op Zanzibar vindt men nog tienduizend slaven. O, de lieve tractaten ! de slavenhandel is er immer in vollen gang, ofschoon niet meer publiek op straat!
Buiten de Goaneezen en Portugeezen vindt men in Zanzibar weinig Katholieken. De kapel der Paters van den H. Geest dient als eenige parochiekerk. Toch werken de Paters er niet vrucht. Ook de Protestanten (Ritualisten en Anglikanen) hebben er eene missie (?1) en weeshuizen, scholen en kerken, o. a. de Ritualisten, eene zeer fraaie en rijk geornamenteerde. Men weet, dat de Ritualisten de H. Moederkerk het dichst genaderd zijn. In hunne kerk vindt men : biechtstoel, altaar, kruis, waskaarsen, heiligenbeelden, doopvont, enz. enz. Ze hebben een bisschop, diakenen en diakouessen (soort Zusters).
Op Zanzibar is het 't heele jaar schromelijk heet, en wel dag en nacht, daarbij zeer vochtig en bijgevolg ongezond. Alleen lettend op de natuur is het eiland Zanzibar een waar paradijs. Men noemt het ook niet voorniets âde parel van den Indischen Oceaan.quot; Pjegeet't men zich buiten de stad, dan waant men zich in een too-venvereld! Wat rijkdom en v eelde van boom- en plantengroei en vegetatie ! alles in Europa is vooreerst heel anders, en haalt er niet bij. De kokos- en palmboomen (of struiken) domineeren, doch hoeveel anderen, die mij onbekend zijn ! Welke hoogte en omvang en vruchten en bladeren en rijkdom dier woudreuzen! Alle boomen op Zanzibar dragen vruchten en de sappigste en de heerlijkste, die men denken kan. â Op zedelijk gebied is Zanzibar echter eene hel te noemen. Woeker, atzetterij, dietstal, goddeloosheid, tooverij, duivelsdienst in één woord en de brutaalste zedeloosheid zich publiek uitstallend. - - Ziedaar alles wat ik over Zanzibar te zeggen heb. Tijd, meerdere kennis en ondervinding ontbreken mij.
We waren inmiddels de âProcure der Missionarissen van Algiersquot; genaderd. Br. Marins en de negertjes heetten ons hartelijk welkom.
Men wist dat ik op weg was, doch toen noch de Fransche, noch de Engelsche mailboot inij aanbracht, wist men niet meer wat te denken. Men dacht nauwelijks aan 't geval, dat ik onder Portu-geesche vlag (als Franciscus Xaverius), in Zanzibar voet aan wal zou zetten. Ik had geen tijd te verliezen. Overmorgen â 18 Juli â reeds zou ik den weg naar den Evenaar inslaan. Aan nieuws vertellen en aanhooren geen gebrek. Pater Bresson â zoo goed op de hoogte ââ vertelde mij honderden nuttige zaken van 't binnenland en in 't bijzonder over de laatste vervolging in Oeganda.
En zoo zette ik voet aan wal op Zanzibar, op Zaterdag â 1 (J Juli â¢â feestdag van O. L. IV. van den Burg Kar mei! Reeds die omstandigheid vertroostte en sterktte mij. Dank, o Maria, zoete Moeder, Koningin der Apostelen ! dank voor de providentiëele lei-
44
ding aan Uwe hand tot hiertoe. quot;Wat zou ik vreezen, waaraan wanhopen, wat onmogelijk achten, immer door Uwe hand geleid ! Uw scapulier van den Berg Karmel zal mijn schild zijn. Als Ridder Uwer eer en die van .lezus, Uwen Zoon, bedekt met Uwe livrei, Uw schild en wapenrusting, wil ik den kamp aanvangen tegen de vijanden van Uw naam, tegen de hellemachten, die mijne zwarte broeders en zusters daar in de diepte van Afrika onder hun wreed juk gekneld houden!
St. Michael! Viva Gem, Viva Maria!
He Gedeelte (â-17 Juli â 10 October 1802), van Zanzibar tot Boekoembi.
De Procuur der Missionarissen van Algiers werd, naar ik meen, in 1881 of 1882 opgericht door Pater L. Jamet, (thans Overste van 't Postulantenhuis voor Broeders, St. Charles te Bokstel.
Nagenoeg zeven jaren nam P. Jamet deze Procuur waar, en werd in 1889 opgevolgd door P. A. Bresson, die ze ook nog thans bestuurt.
Deze Procure voorziet in eene werkelijke en groote behoefte, en reeds de missionarissen der lstc karavaan, (1878â1879) zagen er de noodzakelijkheid van in. Immers ZanzibarâBagamoye is de sleutel, de poort van al onze Equatoriale Missiën. Daar moeten de karavanen georganiseerd, dragers aangeworven, de bagages verpakt en verdeeld, ruilstoffen (parelen, katoen enz.) aangeschaft worden. Approviandeering kan van daav uit alleen aan de gevestigde Missiën worden toegezonden, en de korrespondentie (brieven-koeriers) onderhouden.
Al de gebeurtenissen en 't nieuws uit de binnenlanden kan men daar vollediger opvangen en beoordeelen. Daarbij zijn we verplicht over 't Missiegebied der Paters van den H. Geest te trekken, wat noodwendig wederzijdsche betrekkingen ten gevolge heett. Eindelijk zijn er heel wat belangen te behartigen bij de Europee-sche Consulaten, vooral die van Frankrijk, Engeland, Duitschland, België en Portugal. Altemaal redenen, naar men ziet, die de Procure van Zanzibar maken tot een der gewichtigste posten. De Procure ligt ten zuiden, nagenoeg buiten de stad, vlak aan het zeestrand. Een mooiere ligging is er niet in Zanzibar. Jammer, dat de huizing (oud aangekocht) bijna bouwvallig is en onpractisch
45
ingelicht. t Is een liuis als alle liuizeu der Araben-Indiërs ; op 't oog vrij groot, doch van binnen niets dan halfdonkere hokjes, gangen, trappen enz. Overigens vrij en afgelegen met een aardig tuintje en een steenen perron, waartegen de zeegolven aandruisen.
\ andaai af geniet men, althans s avonds een weinig frissche zeelucht. Verschillende bijgebouwtjes dienen tot magazijn en bewaarplaats voor missiebenoodigdheden enz. uit Algiers of elders afgezonden, en die bij gelegenheid met de karavanen naar de Binnenlanden vertrekken. Men zou niet gelooven, dat zooveel materieel noodig is voor missiefundaties in wilde landen. Alles, natuurlijk van dien aard, ontbreekt in de missielanden zeiven, in onze missiën althans. Laat me eens een en ander optellen, nu ik toch in t magazijn ben. Eerstens is er heel wat noodig om de Geheimen van onzen heiligen godsdienst, de toediening der H. Sacramenten, betamelijk en met eenigen luister te vieren of toe te dienen, 't Ware te wenschen, dat men die zooveel mogelijken luister kon bijzetten om indruk te maken op de Negers. Alzoo de onontbeerlijkste altaarbenoodigdheden: H.iï. Vaten, misgewaden, kerklinnen, enz. Men durft nauwelijks denken aan een kerkklokje,' harmonium of een paar beelden, wegens de lastigheid van het transport. 2e. Leu aanzienlijke voorraad geneesmiddelen voor de missionarissen en de ziekenverpleging, peperduur b. v. 1 K.G. kinine a 300 fr. en al die fleschjes en potjes vullen heel wat kisten. .5e. W ijn voor de H. Mis, waarvan het transport zoo moeilijk en gewaagd is; tarwe voor hosties; een voorraad kottie-boonen, thee, suiker, zout, scheepsbeschuit, wat Liebigs chocolade, confituren, chartreuse enz. om althans iets aan zieke missionarissen te kunnen geven, ten einde hun kostbaar leven zoo mogelijk voor de missies te redden. 4e. Het onontbeerlijkste keuken- kook- en tafelgerief. Daar lampgerei voor licht, de Godslamp voor ?t H. Sacrament. 5e. Eene heele ballast gereedschappen en werktuigen van de noodzakelijkste ambachten; voor land-en tuinbouw (zaden); voor timmerwerk (zagen, beitels, boren, spijkers, enz. enz.); voor metselwerk, althans truffels; â een en ander om te smeden, schoenen te lappen enz. â naai- en stopgetuig; â schrijtbenoo-digdheden; eenige wetenschappelijke instrumenten; kompas,quot; zonnewijzer, barometer, thermometer enz.; (ie Boekerij ; immers staan de missionarissen soms in de grootste verlegenheid, wanneer ze zich door dit middel niet inlichten kunnen. 7e. Veiligheidsmiddelen op reis en in de statiën; geweren en munitie. 8e. Eindelijk eene zeer aanzienlijke hoeveelheid ruilwaar; katoen en kleuren-stoffen, vooral daarbij een voorraad van allerlei snuisterijen voor
40
inlandscbe vorsten, om soms met een spiering een kabeljauw te vangen m. a. w. de zwarten door een ot ander Europeesch presentje tot vriend te maken. Ziedaar een algemeen overzicht, doch men moest de dètaillijst eens onder de oogen hebben! En men wete wel, dat men zich tot 't hoog noodzakelijke bepaalt en dat de missionaris zich zooveel mogelijk behelpt. De kosten van t transport tot de groots meren loopen schrikbarend hoog. Van spoorwegen, kanalen, bevaarbare rivieren, met een kar berijdbare wegen (er zijn geene wegen, niets dan voetpaden) geen spraak. Paarden en muilezels kunnen in de binnenlanden niet leven. Jiug. en schouders der negers, ziedaar 't eemge middel. Een misigo of draagportie van een neger kan slechts 30 a 35 K.G. (35 Eugel-sche ponden) wegen, en iedere 30 of 35 kilo kent der Missie op 50 of 100 frs. te staan tot aan de Groote Meren. Maak U dan eens een denkbeeld van 't getal kisten en pakken, dat men te arran-geeren heeft met 't oog op mijne sominaire opsomming van zooeven, en men zal mede een gedacht krijgen der kosten. Dit een en ander over de Procuur van Zanzibar kan doen zien, dat het den missionarissen, daarmede belast, niet aan werk ontbreekt.
Aan de Procuur leidt men immer mede een 20-tal negertjes, vrijgekochte slaafjes, op. Ook nu lieeit men er ongeveer 20 van 5 tot 15 jaar, aardige kroeskopjes met hun pagne om de lenden. Bij mijne aankomst en iederen morgen kwamen xe mij (en zoo doen ze dagelijks met de Missionarissen der Procuur) buigend groeten onder 't zeggen van âBonjour, mon Père.quot; Hoofdzaak is hun eene christelijke opvoeding te geven, doch daarbij leeren ze wat lezen en schrijven en handenarbeid. Ze verrichten al liet werk in huis. Later gaan ze met de karavanen mee naar 't binnenland en bewijzen den missionarissen op reis en in de posten kostbare diensten; daarbij vormen ze de eerste kern van een christen dorp. Eenigen worden door de missionarissen te Zanzibar vrijgekocht. Soms ook wel krijgt men een paar zulke arme schapen present, als de Engelschen een Arabische âboutre,quot; (zeilschip) met slaven beladen, overvallen.
17 Juli 1893. Ondanks hitte, muggenplaag, en 't vernomene van gisteren is 't mij gelukt vrij wel te slapen. Hoe zalig dan ook weer onder eigen dak, onder confraters te zijn, na zoo lang rondgezwalkt te hebben onder allerlei volk. Tot mijn troost kon ik heden weer mijne H. Mis opdragen (de eerste keer sinds Port-Said) en nog wel in de parochiekerk van heel Zanzibar, tevens kate-draal, en in tegenwoordigheid van Mgr. de Courmont. Ziehier hoe dat kwam. Alle Paters van den H. Geest, Monseigneur
er onder begrepen, waren den vorigen dag- bijna vergiftigd geweest door liet eten eener ignamevruclit, die slecht toebereid was. Allen waren er min of meer zwaar ziek van. En zoo kon niemand hunner Zondagmorgen de H. Mis lezen voor de parochianen. Wijl Pater Bresson, wien men 't gevraagd had, zelf ongesteld was, was het wel mijn beurt. Plechtige H. Mis met uitstelling van 't H. Sacrament, assistentie van Mgr. de Counnont en goed bezette kapel. Na de H. Mis had ik gelegenheid kennis te maken met den uitstekenden Franschen Consul-Generaal M. Ottavi, vriend der Missie, die ons groote diensten bewijst.
De rest van den dag had elk natuurlijk heel wat af te praten met den goeden Pater Bresson. Morgen immers rukken we op naar Bagamoyo. We spraken nogmaals over Woluwe bij Brussel, waar hij meerdere jaren Supérieur was.
't Was de eerste der âPères Blancsquot; dien ik zag en leerde kennen, toen ik m Juli 1888, alvorens voor mijn noviciaat naar Maison Carrée af ie reizen, een bezoek bracht aan Woluwe. \Velke mijn indruk was behoef ik niet te zeggen, want de goede 1 ater Bresson had menig vriend in Nederland en bezit thans nog veler sympathie. 0
Het spreekt van zelf dat ik bedacht was op mijne toebereidselen, benoodigdheden voor de reis en 't verblijf in dien ganscli nieuwen werkkring. Ik mocht doen wat ik wilde ; 't moest blijven bij bedenken en vrome, nuttelooze wenschen! Tijd ontbrak voor-eerst. Daar stond ik met mijn reisvaliesje, juist zooals ik uit Holland kwam ; één paar schoenen aan de voeten, 2 paar kousen eenige zakdoeken en nog wat.
Basta! Mijne koffers stonden nog in Algiers. Alles kwam onverwacht. In de verste verte had ik er niet aan gedacht mijn boeltje en paperassen er op in te richten om naar den Evenaar te stevenen. In mijne groote blijdschap had ik gisteren zelfs aan die mateneele zorgen niet gedacht. Als eene karavaan vertrekt, dan hebben de vertrekkende missionarissen minstens een maand ot wat tijd om hunne persoonlijke approviandeering te behartigen. En ziehier waarom. Eenmaal in Midden-Afrika is men, als 't ware buiten de wereld; iets te ontbieden heeft veel in, en duurt schro-mehjk lang. â En veel dingen, boeken, linnen b.v. en honderden kleinigheden zijn onontbeerlijk. In Europa merkt men dat niet, doch men moest eens er van verstoken zijn. â Daarenboven is soms het genus van een nietswaardig voorwerp oorzaak, dat een of ander goed en nuttig werk U onmogelijk is. P. Bresson hielp me wel allerliefderijkst aan het meest onontbeerlijke, doch
48
't magazijn der Procuur is niet ingericht voor de persoonlijke provisiën der missionarissen. Mijne koffers zouden mij wel zonder twijfel worden nagestuurd in Zanzibar, doch de eerstvolgende karavaan, (die ze mee zou kunnen brengen), vertrekt mogelijk eerst 't volgende jaar! Ik bevond mij dus in geheel bijzondere omstandigheden. Geloot daarom niet, dat ik weeklaagde over 't gemis vau al dat stoffelijke ! O, neen ! Integendeel, alles beschouwd vond ik 't recht aardig. Ik dacht: âZiezoo, dat begint al langer hoe meer te lijkeu op de Apostelen. Ook zij trokken ter missie âSine sacado, sine pera,quot; zonder reiszak ot' gepak, zegt de H. Schrift. Ik heb althans mijn Brevier en eene H. Schriftuur bij me ; de katechismus, dien ik den negers leeren en prediken moet, ken ik van buiten. Geen nood! Voorwaarts ! Als ik met Gods gratie er maar ben. Ik zal en moet me maar zien te behelpen. De H. Paulus repareerde ook wel tenten op zijne missiereizen. De H. Franciscus de Sales, stopte wel zijne kousen en verstelde wel zijn linnen op zijne Apostolische tochten in de Chablais. Ik zal ook mijne kousen wel gestopt en mijne schoenen gelapt krijgen, zelts zonder naald. Anders leen ik maar een paar kousen of schoenen bij de Negers ! Ik sliep er 's avonds zeer gerust op in, met de blijde gedachte, morgen den dierbaren Afrikaanschen grond weer te betreden eu met mijne reiscollega's in kennis te komen. Ook was ik ongeduldig te zien, wat dan wel eene Atrikaansche karavaan zijn mocht. Men hoort er eeuwig van eu men begrijpt er niets van.
18 Juli Maandag. â â Na mijne H. Mis liet ik niet na vóór mijn vertrek een bezoek te brengen aan 't R. K. Kerkhof, een eind weegs buiten de stad gelegen. Daar sluimeren in afwachting der eeuwige rust twee mijner medebroeders, P. Barbot en Br. Christiaan, alsmede een der vroegere Zouaven-hulpmissionarissen, de Heer Ad. Loosveldt, naar ik meen. Een hartelijk âde Pro-tundisquot; steeg uit mijn hart op tot lafenis hunner zielen. Een eenvoudig houten kruis wijst hun graf aan op het door de Paters v. d. H. Geest goed onderhouden kerkhof. Eenzaam is de streek en zacht suizelend speelt de zoele Zuidenwind door 't loover en doet de takken klapperen der palm en kokoskoomen, die hun graf overhuiven. Niets welsprekender dan 't graf van een missionaris in die gewesten, ver van vaderland, ouders en vrienden ! Niets troostender tevens, want 't stomme graf eens missionaris ouder wilden predikt nog immer de liefde voor God en de zielen, die zijn hart vervulde en hem daar voerde. Waar zal eens mijn graf zijn ? dacht ik bij het verlaten van het Kerkhof.
49
Onze toebereidselen tot 't aanvaarden der groote reis waren in een ommezien gemaakt. Drie der vijf negers, van Malta meegebracht, zouden mij naar 't Nyanza-meer vergezellen; de twee anderen zouden binnenkort, in aansluiting met een koerier, naar het Tanganika-meer vertrekken. Het ging mij aan 't hart hun aandoenlijk afscheid van hunne kameraden te zien. Zoo gelukkig hadden ze jaren lang als broeders samen geleefd, en nu scheidden ze voor 't leven. En mij viel het eveneens hard die kinderen vaarwel te zeggen, die ik in ilalta had leeren kennen en liefhebben.
Pater Bresson zou ons in persoon geleiden tot Bagamoyo. Na een hartelijk afscheid van Br. Marius trokken we af, de stad door naar 't zeestrand. Een boeter van Sewa, die juist vertrok, zou ons naar boord nemen. Wat een gewoel en gesjouw op de reede met lossen en laden enz. Ons schip (!) lag op ongeveer 30 Meter van het strand, als verloren onder een hoop van wel 50 andere boeters.
Een echte toer om er in te komen, zonder een onvrijwillig bad te nemen. Geen spraak van havenhoofden, loopplanken ot iets van dien aard. Maar geen nood ; daar presenteert zich een herculische neger. Ik beklauter zijn breed en rug, juist alsof ik al mijn leven door negers âgemarschtquot; ware geweest. Als een vlieg, zoo licht bleek ik te zijn, zette mijn âChristophorusquot; me heel bedaard neer in 't kleine bootje, dat ons naar de boeter voeren moest. Denk eens na. Lezer of Lezeres, over dit woord âChristophorusquot;, dat ik daar zoo juist bezigde; mogelijk vindt ge er wel een diepen zin in. Pater Bresson in al zijn waardigheid had geen ander transportmiddel. Zelfs mijne drie dokters-katechisten werden door hun stamgenoot getorst tot groote verbazing van houderden zwarten, die ons stonden aan te gapen. âHoe! negers met kousen en schoenen aan, en wij,quot; zoo dachten ze gewis, âwij achten't overbodig zelts onze broekspijpen op te stroopen, zonder daarom gevaar te loopen ons plunje nat te maken!quot; Nu, op onzen boeter at. Ook alweer niet gemakkelijk, want ons bootje liep gevaar tnsschen de dansende boeters verpletterd te worden.
We zijn er toch, en in een halsbrekenden sprong ben ik aan boord van boeter No. 135 (er zijn er wel 500 a 600 op Zanzibar. Allerlei pakken en zakken werden nog immer ingeladen. Eindelijk om een uur werd 't groote zeil geheschen, en dreven we at, met een vijftiental passagiers van alle taal en stam, Indiërs, Negers, ik weet niet wat al meer. Hoe zulk een Arabische boeter er uitziet? Ik diende aan de Zuid-Willemsvaart te staan, om een model te vinden, 't Zijn logge, plompe, vrij diepe karkassen van 3 a 4 meter breed en 8 a 10 meter lang, zij hebben een soort
50
voor- en achterdek, (waaronder kleine hokjes) en in 't midden het groote diepe scheepsruim voor goederen. Dit ruim is overdekt door een soort van dak uit stroo, latten en sparren, ruw vervaardigd. Hen trekt er een hoek van omhoog, als 't luik niet groot genoeg is, om kisten of omvangrijke pakken door te laten. Daaronder in dat ruim worden de arme slaven opeengehoopt als 't een boeter van een slavenhandelaar is. Wie weet ot de onze niet gediend heeft tot vervoer van zulke menschelijke koopwaar. Waarschijnlijk wel. En te denken is het, dat ook thans nog veel boeters op Zanzibar slaven uit Bagamoyo, Saaden enz. op die wijze aanvoeren. In de verbeelding stelde ik mij de ijselijkheden voor van den toestand, daaronder in 't donkere ruim.
Inmiddels zijn we van tusschen de schepen, (e:hte schepen en booten), op de reede geankerd, uitgelaveerd. Wat kolossaal verschil tusschen onzen boeter en die trotsche, prachtige zeebooten van honderd nieter lang en soms vijftien a achttien meter breed! De stad Bagamoyo ligt in Zuidwestelijke richting der stad Zanzibar, op tien uur afstand nagenoeg. We hadden bijna geen wind of liever tegenwind (uit het zuiden). Ik vroeg me reeds af, of we dien namiddag nog in Bagamoyo zouden aanlanden, 't Is eenigen onzer missionarissen gebeurd, dat zij na vier en twintig volle uren gelaveerd en gezwoegd te hebben, nog maar halfweg waren. En toch is men wel verplicht te ..boeterenquot;. Er is wel een Duitsch stoombootje, dat den dienst doet tusschen Zanzibar en Dar-es-Salaam, Zanzibar en Bagamoyo enz., doch men moet dat maar juist treffen. We hadden onze voorzorgen genomen en een goeden voorraad brood, kaas, koud vleesch en oranjeappels in een tasch gestoken, voor 't geval we op zee moesten vernachten. Verduiveld, daar kwam nog de zeeziekte bij te pas, âPater Bresson had ze onder de leden,quot; zou men in Noord-Brabant zeggen. Karei (een der Negers der Procuur, die met ons meegaat om in de karavaan onze kok te zijn), was doodziek. Arme jongen! Ik hield me taai; 't zou dan ook schande geweest zijn, na zooveel zeeën en oceanen ongenaakbaar voor dat koddig fantoom overgestoken te zijn. Langzamerhand zagen we de huizen van Zanzibar, schepen palmbosschen enz. onder den waterspiegel wegduiken. We waren halfweg. Op dit punt zegt men, kan men Bagamoyo en Zanzibar te gelijk zien, als.....men scherpe oogen heeft. Zelfs met mijn
verrekijker was 't mij onmogelijk. We waren in volle zee, en golfjes, asjeblieft, die meepraten. Zonder bevreesd te zijn, zag ik toch bezorgd dat leelijke zwenken aan. Alle boeters hebben een groot, langwerpig vierkant zeil met stompe en scherpe hoeken, aan een mastboom bevestigd door een zeer lang dwarshout; 't zeil heeft
wel 6 a 8 meter lengte of breedte. De wind was veel sterker geworden. Die negers zijn kundige stuurlieden en meesters in 't laveeren. 't Ging zeer snel vooruit, doch de boeter zwenkte zoo gevaarlijk naar links vooral, dat ik ieder oogeublik vreesde: We slaan om en we vergaan met man en muis.quot; De onverstoorbare kalmte van kapitein en stuurman stelde me echter gerust. Ik hield me terdege vast aan een stevig touwen meende: âdat hoort zoo bij een boetervaart.quot; Afrika en Bagamoyo zijn in 't gezicht! Hoezee! Hecht voor ons bespeuren we de huizen der stad; rechts in dat groene bosch ligt de beroemde Missiestatie der Paters van den H. Geest. Ver landwaarts in zien we de toppen van den Kilima-bergketen oprijzen. Daarop ligt Mandera, een audere post der Paters van den H. Geest. Om half zes zijn we er, in vijf en een half uur tien uur afgelegd, 't gaat wel, dunkt me. Van een haven geen kwestie. Wel ligt Bagamoyo recht voor eene kleine baai, doch 't water is er zoo ondiep, dat zelfs de boeters wel zestig meter van 't zandige, lage strand moeten ankeren, 't Was ebbe-getij, doch bij vloed komt de zee tweehonderd meter verder, tot aan de huizen. Weer dezeltde historie bij 't ontschepen als bij het scheepgaan. Eerst in een bootje, dan 50 31. ver op den rug eens Negers. Dezen keer meende ik zeker een zeebad te zullen nemen. Mijn marskramer, bij lange na niet zoo stevig gebouwd als nomnier één, begon 't uit te schateren van 't lachen, â waarom weet ik niet: mogelijk kreeg hij érg in de bezorgdheid van den Mezoengoe (Blanke). Het liep echter goed af. â Geen aantrekkelijk schouwspel in de halve duisternis. Een heele troep dier zwarte gestalten, in Adamscostunm, omringden ons bootje, belust om een paar pesa's (een pesa is twee cent) te verdienen. Die brutale ongegeneeerdheid maakt voor den eersten keer een onaangenamen en zeer hinderlijken indruk, doch men went er al spoedig aan. De zwarte drommels zijn ook zoo arm.
Ik stond weer op Afrikaanschen bodem. Goddank, en vaster dan ooit, naar ik hoopte. De Duitsche douane-beambten waren zeer inschikkelijk en lieten ons rustig passeeren, daar we overigens ook niets te declareeren hadden. Het was te laat om veel van Bagamoyo te zien, en ik stelde mij voor morgen dat boeltje, dat er nog al schilderachtig uitziet, meer van nabij op te nemen. We liepen een paar straatjes door, waren spoedig buiten de stad en sloegen links den weg in naar de Paters van den H. Geest. Na een kwartier loopens (alles eigendom der Missie) door een bosch van prachtige kokosboomen, bereikten wij de bekende Missiestatie van Bagamoyo. We troffen de Paters en Broeders aan tafel en werden met de hartelijkste liefde gastvrij ontvangen, aan welke
52
gastvrijheid overigens, al onze Missionarissen, die langs Bagaraoyo naar de Binnenlanden vertrekken, sinds vijftien jaar gewoon zijn. Ik hoopte er mijne reiscollegas's Pater Gosseau en Br. Jean Pierre aan te treffen, doch onze karavaan had het eerste kamp van Chem-Chera op een halfuur afstand, tnsschen Bagamoyo en de Kingari, reeds betrokken. Ik kwam als uit de lucht gevallen en natuurlijk moest ik mijne reisavonturen en providentieele reis in den breede vertellen.
19 Juli. Feestdag van den H. Vincentius a Paulo. â Moge ook in mijn hart een straaltje doordringen van die blakende liefde, die 't hart vervulde van dezen grooten Missionaris, die de arme lijdende menschheid onder alle vormen troostte en opbeurde, die zelt slaaf was in Tunis, zoo de harten der slaven wist te winnen en zich met hunne slavenketeneu belastte om hun de vrijheid te schenken. Ook ik behoor een apostel der slaven te worden. ⢠H. Vincentius, bid voor mij en de arme Negers! Zoo bad ik heden morgen aan 't Altaar, de eerste maal dat ik mijn H. Sacriftcie opdroeg op Equatoriaal-Afrikaanschen bodem. Xa mijne H. Mis ontmoette ik mijn confrater P. Gosseau, die dien morgen aangekomen was. Men kan denken, wat hartelijke begroeting! Drie maanden zouden we samen reizen, onder dezelfde tent vernachten, lief en leed, ontberingen, vermoeienissen, gevaren en zorgen deelen. In den voormiddag maakte ik met P. Bresson een uitstapje in Bagamoyo, om eenige zaken te regelen, cenige visites af te leggen, enz. Ons eerste bezoek gold den Indischen handelaar Sevva, die van werkman millionnair geworden is. Deze Sewa had, gelijk reeds vele malen, ook thans de organiseeriug onzer karavaan op zich genomen. Tot recht verstand hiervan eenige ophelderingen. Men kan moeilijk beseffen, wat bet is eene karavaan van 500, 1000, soms 3000 negers uit te rusten voor eene reis van 3 a 4 maanden naar de Meren. Zonder overdrijving zou het een reuzenwerk zijn voor Europeanen en missionarissen vooral. Daartoe behoort jarenlange ondervinding, kennis van negers, van hunne verschillende stammen, van hun talen, karakter, vertrouwbaarheid, van reisroutes, politieke gesteldheid van 't binnenland, prijzen van ruilwaar, betaalmiddelen, enz. enz. In één woord, een som van kennissen, ondervinding, berekenden koopmansgeest, gewiekstheid, die een Europeaan nooit voldoende bezit; daarvoor moet men geboren Indiër, Arabier ot Wangwana (vrijge-worden neger) zijn. Honderden kunstjes en middeltjes komen er bij te pas. En vooral welk taai geduld, tact en negerkennis zijn er noodig om die eeuwig lange maneno's (praatjes) aan te hooreu, over 't loon eens te worden, de dragers uit te betalen, een neger
te bevredigen, wat ons een utopie schijnt enz. Nog eens, een Europeaan is daarvoor niet in de wieg gelegd. De Engelscliman Stokes, die van Protestansch zendeling (missionaris) groot karavaanvoerder werd, maakt op dezen regel eene uitzondering. De man schijnt uitstekend te slagen en doet Sewa een leelijke concurrentie aan. Zeker is 't dat hij thans meer duizenden wint, dan vroeger zieltjes voor ziju Protestantschen hemel.
Dergelijke handelaars en karavanen-uitrusters vindt men verscheidene in Bagamoyo, mede in Tabora en Oejiji, doch Sewa en Stokes met Said-ben-Sali tellen onder de voornaamsten. Wil dit nu zeggen, dat die bemiddeling voordeelig voor ous uitkomt ? In vele gevallen niet, doch er is anders eenvoudig geen kans met eene karavaan klaar te komen. Hoe in Bagamoyo 800 a 1000 negers bijeen te trommelen, hun uwe voorwaarden te doen aannemen, enz. enz. En in dat geval hebben uwe concurrenten, Indiërs, Arabieren, enz. honderd middeltjes voor één bij de hand om u uwe dragers afhandig te maken, zoodat er n geeneen overblijft. Alle Europeanen, Engelschen, Duitschers, Belgen, ontdekkingsreizigers, militaire expedities, missionarissen laten aldus hunne karavanen uitrusten.
Toch ware er een middel voor ons om onze karavanen en bagage veel goedkooper, wisser en veiliger naar de meren te voeren, en 't is te hopen, dat dit mettertijd uitvoerbaar zal zijn. 't Is het volgende : een missionaris in ;t binnenland uitgerust met de noo-dige kennissen en jarenlange ondervinding (en die zijn er) verzamelt uit de stammen rondom zijne missie (wier vertrouwen hij heeff) 't noodig getal dragers, komt met hen overeen over loon, enz. gaat met zijne lui aan de kust te Bagamoyo de karavaan halen en voert ze terug naar de Missie-statie. Wat gemak daarenboven voor nieuwe missionarissen, uit Algiers gekomen, ofwel voor zieke uitgeputte confraters om op die manier in een ander klimaat hun gezondheid te gaan herstellen ? Doch ik houd mij te lang op, we moeten vooruit. Sewa, een flegmarieke Indiërstype, die blijkbaar het er goed van neemt, te oordeelen naar zijn welgedaanheid, ontvangt ons zeer hoffelijk. Nu, dat mocht wel, hij weet wel waarom. We treffen hem in zijne magazijnen, bezig met een aantal beambten, Indiërs of Wangwana's onder zijne bevelen, de laatste lasten onzer karavaan te verdeelen en uitbetaling te doen. Wat schilderachtig gezicht op 't plein voor 't huis van Sewa! 't Krioelt van negers, meest behoorende tot onze dragers (pagazis), waarvan eenigen bij troepen onder zang een Wasakoema-dans uitvoeren. Wat vroolijk volkje, dacht ik, men zal er wel mee overweg kunnen. Allen hadden 't oog op mij, en spoedig was ik in
54
een zwarten menscliencirkel ingesloten : âJambo Bwana-Mkubwa, (goeden dag, groote Meester.quot;) Jambo, jambo, jambo zonder eiude. Al die nieuwe parochianen maakten op mij den gunstigsten indruk. Volstrekt geen wilden, zooals men zich altijd alle negers voorstelt, maar 't leken allen goede jongens, groote kinderen, zooals ik honderden malen in de gelegenheid zou zijn te constateeren. Ze hadden wis vernomen, dat er drie Bwana-Mknbwa's, drie Wa-zoeugoes (Blanken) mee naar Boekoembi zouden gaan en allen achtten zich verplicht mij te komen groeten.
We brachten vervolgens een bezoek aan 't douanenkautoor, 't posthuis (tevens blockhaus ot verschansing) en 't hospitaal, allen door Duitsche beambten bediend. Die heeren waren allen eveu minzaam en gedienstig.
Teruggekeerd in 't missiehuis was :t wel de moeite waard, dat model eener missie, gelijk men 't altijd voorstelt, meer in de bijzonderheden op te nemen, 't Hoofdgebouw met ééne verdieping, eene veranda en twee dwarspanden aan ieder einde kan vijttig meter lang en zes meter breed zijn. Links er achter staat de kerk, zeer ruim voor eene missiekerk, veertig meter lang op tien meter breed. Verbeeld u natuurlijk daar geen paleis en hier geen kathedraal. Otschoon zindelijk versierd en gemaskeerd, lijkt de inwendige constructie (stijlen, balken en kapwerkeu) op die eener groote schuur in Noord-Brabant. In plaats van met stroo en aarde is deze kapel met zinken platen bedekt. Daarenboven ziet men overal huizingen (afdaken of barakken) voor magazijnen, bergplaatsen, stallen voor ezels, schapen en geiten, vervolgens werkplaatsen voor allerlei ambachten. Alles ligt hier in 't lommer van heerlijke palmen kokosboomen, bij duizenden door de Paters geplant. Him eigendom is meer dan honderd Hectaren groot. Links op eenigen afstand staat 't missiehuis voor hunne Zusters-llissionarissen, met de opleiding der meisjes en vrouwen belast. De missie der Paters van den H Geest op Zanzibar en de kust van Zanguebar (Bagamoyo) bestaat, naar ik meen, reeds meer dan veertig jaar, maar ook hoeveel duizenden slaatjes zijn door hen sinds die jaren niet afgekocht, opgevoed, die thans de kern van christen dorpen hier en in hunne andere missiën vormen, en door nuttige handwerken in hun onderhoud voorzien. Bijzonder interessant is een bezoek aan de Zuster-afdeeling. Hoe aardig en lief weten die Zusters (meest creolen van de eilanden Bourbon, St. Maurice enz.) met die negerinnetjes om te gaan ! Welke goede manieren krijgen die ruwe natuurkinderen ! Men moest ze gezamenlijk in de kapel 's morgens en 's avonds hooren bidden of zingen (alle nieuwbekeerdeu namelijk doen hun morgen- en avoudge-
oo
bed gezamenlijk in de kerk). Mochten ook spoedig de omstandigheden het toelaten, dat onze Zusters van O. L. Vr. van Afrika ons volgen kunnen naar onze missiën. God geve het ! Hoe ontzaglijk meer goed ware er te vemchten ! Eene model-missie inderdaad, men waant zich in een soort paradijs. Vroeger was daar alles wild en onbebouwd en onveilig door de wilde dieren, o. a. den tijger ; thans overal de heerlijkste, kostbaarste boomsoorten, groenten en gewassen, kokosnoten, palmolie, dadels, bananen. Tijgen, oranje-en citroenappelen, meloenen, pagayenvrucht, ignamen, enz. enz. Alles wat t gehemelte streelen kan. Geen wonder dan ook dat deze missie door de Protestanten zelfs (Majoor Wiszmann, Dr. Emin-Pacha, Dr. Peeters enz.) ten hoogste geroemd wordt. Waar ter wereld kunnen de Protestantsche zendelingen ondanks hunne millioenen zulk eene missie aanwijzen ? De Paters van den H. G-eest hebben nog een aantal missiestaties een eind weegs :t binnenland in, o. a. te Mandero, Mrogero, Longa, Mhonda, Momboja, Toenoengoeo en daarenboven te llombassa, in de Engelsche bezitting van dien naam. Drie Paters en zes Broeders besturen eu leiden de groote missie-inrichting van Bagamoj'o. Bijna allen, zoowel hier als in de overige posten, gelegen binnen de Duitsche bezitting van Oost-.Afrika, zijn Duitschers of Elzassers.
20 Juli. â De voormiddag gaat voorbij met liet in orde brengen van een boel kisten en pakken. De karavaan legert wel reeds te Chem-Chem, doch een groote stapel draaglasten (misigo's) ligt nog vlak hierbij in 't kokosboomenbosch der Paters. Wat eeu gesjouw! Inpakken, uitpakken, wegen, kisten dichtspijkeren enz. enz. Iedere draaglast mag maar 30 a 32, hoogstens 35 kilogram wegen. Dan dient gelet op vorm van pak of kist, om die zoo gemakkelijk mogelijk draagbaar te maken voor rug, schouder of hoofdschedel der negers. Lompe vierkante kisten, al wegen ze zelfs maar 30 kilo of minder, laten ze wel staan. Dus langwerpig vierkant, driemaal zoolang als breed. Enfin een gausch nieuw handwerk voor mij, doch Br. Oscar en Br. Mathurinus â vaa de missie der Paters van den H. Geest, gaven mij allerlei nuttige lessen en inlichtingen. Immers 10, 20, 40 jaar lang zijn ze met karavanen doende geweest.
Toen alles nagenoeg in orde was en de laatste manschappen met hunne lasten op weg waren naar 't kamp, liet ik mij door Br. Mathurinus vergezellen naar Bagamoyo, om mij, zoo 't te vinden was, eenige kleinigheden aan te schaften. De winkels en bazaars ontbreken niet in 't stadje. Doch verbeeld u geen bazaar van Parijs of Eotterdam. In hokjes van 3 M. vierkant vindt men alle denkbare artikelen en snuisterijen opgestapeld, die oog en
56
hart van den neger verlokken kunnen. Verschillende Enropee-sche zaken beginnen reeds in den smaak te vallen : lucifers, kleine kammen, vingerringen, geurende zeep, naalden enz. enz. Van veel dingen kennen ze de waarde niet, en 't is God geklaagd, hoe de Indiërs, ook wel de negerkooplni, hen atzetten. De Duitschers hebben in de laatste jaren een koperen munt, pesa geheeten in omloop gebracht, en men vindt ze reeds diep in 't binnenland. De nieuw geslagene zien er als goud schitterend uit. Als nu de dragers eener karavaan hun loon ontvangen hebben, in den vorm van katoenkleurstoffen enz., dan meenen ze schatrijk te zijn. Toen onze karavaan nog vlak nabij 't missiehuis van Bagamoyo lag, moest Br. Oscar menigwerf de Indiërs wegjagen, die met een zak vol pesa's onzen dragers soms t.egen een handvol van die koperen munten een stuk stof van een roepi (2 fr.) of 1 piaster (4 fr.) kwamen afhandig maken. En de stumperds waren dom en kinderlijk genoeg om ze soms na te loopen. Juist als kinderen. Nu is 't waar, dat die munt in 't binnenland dienst doet als toilet-artikel. Op vele plaatsen ontmoetten we dames, die de mooie pesa's kunstig in 't haar gevlochten droegen, of wel aan-eengesnoerd als armbanden. Voor de negers der binnenlanden is Bagamoyo 't volmaaktste, heerlijkste, wat op aarde bestaat. Wat Parijs is voor den Normandischen schaapherder en den Haag of Amsterdam voor een Peelboerfje, dat is Bagamoyo in 't oog van den neger der binnenlanden. De weinigen, die een reis naaide pwani (kust) of de mzima (kust van Zanguebar) gemaakt hebben, worden in hun land als groote heeren aangezien. âNapels zien en sterven,quot; zegt de toerist in Europa; onze zwarte zegt: âde pwani zien en sterven.quot;
Bagamoyo is voor hen het uiteinde van de wereld. Die groote zee met alles wat er achter ligt, is voor hen een mysterie; ze noemen het Oelaya, Europa of eigenlijk evengoed Azië, Australië en Amerika. Dat alles heet bij hen Oelaya. Er is geen kwestie, dat men een neger gewillig te Bagamoyo de zee overkrijgen zal! Den armen slaven, die men van hieruit transporteert, vraagt men natuurlijk niet naar hun wil.
Ik vond niet veel naar mijn gading, eindelijk toch een paar
schoenen, die me goed te pas kwamen en____ verbeeld u... Hol-
landsche sigaren! Wie zou nu warempel in Bagamoyo dat geurig vaderlandsch artikel gezocht hebben! 't Was toch zoo, en bepaald echte, 't Was lang geleden, sinds ik mij 't genot eene Hollandsche sigaar te rooken, had kunnen veroorloven. Doch in Midden-Afrika is rooken een erkend koortswerend middel. Of 't eene bekoring voor me was, laat ik u raden! Daarenboven heeft de missionaris
57
op route naar Midden-Afrika geen portemonnaie meer. Ik liet die achter, benevens zijn schralen inhoud, aan P. Bresson, die voortaan kas voor me houdt. Wat aan te vangen? Br. Mathurinus had blijkbaar deernis met mij, hij had wat pesa's in den zak, en... ik was twee kistjes van 50 sigaren rijk. Stel u voor: 100 sigaren voor 5, 8, 10 jaar misschien! Ik meende een Cresus te zijn, en stelde mij reeds een zuinigheidsreglement: eenige maar op reis gerookt en de anderen alléén op hooge feesten, verjaardag enz.
Een paar woorden nu over Bagamoyo. Veel gelijkt het op Zanzibar met minder Europeesch aanzien. De gansche bevolking bijna bestaat uit negers niet eenige Indiërs en eene geduchte troep Arabieren. Bagamoyo met Zanzibar, Tabora, Oejiji, Nyangwe, is een hunner voornaamste roolnesten. Daar worden de plannen beraamd der slavenjachten, van den slavenuitvoer, hun transport naar Arabic, Perzië, Indië, Turkije zelts, enz. We gingen voorbij 't huis, waar de ingewijden hunne geheime bijeenkomsten en beraadslagingen houden. Een aantal Arabieren, onder de veranda gezeten, groetten ons zeer beleefd, uiterlijk. Ik had moeite een verachtenden blik van hen at te wenden. De straten van Bagamoyo zien er zindelijker uit; ze zijn ook breeder en regelmatiger. De Duitschers houden goede orde. Men weet dat de Duitschers vooral tijdens 't bestuur van Majoor Wiszman nu juist niet zeer teergevoelig waren voor de slavenhandelaars, en menigeen opknoopten, 't Bombardement van Bagamoyo, Saadani, Pangani, Tanga en Dar-es-Salaam in 18-^8, gevolgd door 't krachtdadig onderdrukken van den Avabischeu opstand ouder Bushiri en Bwana-Heri, door Wiszmann, Baron von Gra-venrenth. Baron von Bulöw enz., heugt hen nog. Het tegenwoordige (civiele) bestuur onder Baron von Soden is op verre na zoo energiek en practisch niet. Eens zal men 't zich beMagen. Het laat veel oogluikend toe, o. a. de logevergaderingen bovenvermeld, enz. Wiszman zag terecht in, dat Bagamoyo de koloniale hoofdstad zou worden, en niet Dar-es-Salaam, zooals thans. Immer zal Bagamoyo 't groote uitgangspunt der karavanen naar 't binnenland blijven en omgekeerd de handel langs hier afvloeien. Dar-es-Salaam zal of kan dat nooit worden.
Reeds heel wat orde hebben de Duitschers in Bagamoyo gebracht; de straten worden zindelijk gehouden, nieuwe aangelegd, 's nachts licht onderhouden, de huizen genummerd, enz. Een echte Arabier en Muzelman groet nooit een christen. Geen nood. op straf van eene aardige geldboete zijn Arabieren en negers verplicht een Europeaan, die passeert, op Duitsche militaire wijze te salueeren, d. w. z. op te staan, een stijt rechte positie aan te nemen en behoorlijk aan te slaan. Men moest zien wat potsierlijke, lachwekkende
58
grimassen die zwarte Duitsche onderdanen, daarbij maken.
Om 3 uur in den namiddag, na de goede Paters van den H. Geest hartelijk te hebben bedankt voor hunne gastvrijheid, bestijg ik voor de eerste maal, in gezelschap van Pater Gossean mijn grauwtje, om mij bij ons kampeerend leger detinitiet aan te sluiten. In Tabarka had ik een puik Arabisch ros; thans moest ik mij te vreden stellen met een modesten langoor van Maskate, dien men voor mij had aangeschaft. Ieder van ons drie had den zijnen; die mijner collega's waren wanyamoe-wezi-ezels, hupsche stevige beesten ; de mijne echter nog robuster, dewijl ik iets of wat meer ..puudeerdequot; zegt men elders. Dat ritje van een half uur viel me veul mee. Nog een ot twee zulke ritjes en ik zou zoo goed ruiter te ezel als te paard zijn. We draafden, ja galoppeerden soms langs de kronkelende voetpaadjes, verscholen in 't hooge gras, dat 't een aardigheid was. Gelukkig hadden we goede zadels kunnen machtig worden, eeu zeer practische voorzorg, als 't negentig dagen rijdens betrett, wat licht begrijpelijk is. We doorwaadden een klein beekje (van tien M. breed op onzen weg). Mijn paard.... pardon mijn langoor (ik vergis me gedurig in 't begin) had gansch geen vrees van 't water. De berijder echter vreesde min ot meer eene
zwenking links of rechts met 't gevolg, dat..... Immers, het
water kwam langoor tot den buik, en wijl ik geen laarzen aan had, moest ik me bijna op de knieën boven op den rug van mijn trouw beest vast zien te houden. Schilderachtige positie ! En zoo trekt men ten Evenaar, lezer ! Ik kon mijn oog niet afwenden van de schoone weelderige natuur hier, rondom Bagamoyo. Echt tropisch !
We zijn intusschen de kampeerende karavaan genaderd, en de goede Bv. Jean Pierre komt me hartelijk groeten en welkom hee-ten. De 12e karavaan naar Equatoriaal Afrika (sinds 1878), saamgesteld uit 3 missionarissen, was dus bijeen. Drie : 't getal was niet groot, maar toch âtres faciunt collegiumquot; vrij vertaald: drie man vormt een karavaan ! De 9e karavaan (in 1890) bestond uit achttien missionarissen. De twee karavanen van 1891, de 10e en 11e, ieder respectievelijk 7 en 8 priesters of broeders. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zegt 't spreekwoord. Ik kan u toch verzekeren, dat er op dat oogenblik drie blijde en vreugdedronken zielen bijeen waren. Geen nood, we hoopten 't met ons drieën wel te zullen lappen.
We zijn dus in kamp (cambi) No. 1 : Chem-Chem. Eerste blik op eene kampeerende karavaan voor een nieuweling ! 't Zou moeilijk zijn dien eersten indruk te beschrijven en al 't schilderachtig vreemde van zulk tooneeltje uit te drukken. Men moet
59
zoo iets gezien hebben om er een begrip van te hebben, anders is 't beeld dat men er zich van vormt geheel onvolledig, valsch zelts. Al de draaglasten (in 8 hoopen) staan reisklaar opgestapeld in de nabijheid of rondom drie kolossale boomen, echte woudreuzen (den naam herinner ik mij niet), wier stam -4 m. omtrek heeft, en onder wier rijk groen, dicht en ondoordringbaar gebladerte de geheele karavaan van plus minus 825 man gelegerd ligt in een wijden kring van 25 m. doorsnee. In 't midden de groote groene tent der missionarissen; hier en daar nabij do bagages de tenten der christenen, die we in ons kamp en overal rechts en links de kleine tentjes, die sommige dragers en de Chets der acht verschillende compagnieën of afdeelingen onzer karavaan er op na houden. Niets meer dan zwarte gestalten en zwarte gezichten. En wat gewoel en gedwarrel in dien menschelijken mierenhoop! Eenigen slapen uitgestrekt op den barren grond, anderen zingen, springen en dansen; de eenen zijn bezig boven hun kampvuurtje hun mtama, maniac, sorgho, rijst etc. toe te bereiden, de anderen, met zes of acht in een kring neergehurkt, verorberen hun sober maal.
Juist als voor t huis van Sewa, zoo ook hier, allen wilden den nieuw aangekomen Bwana-mkubwa zien en groeten. Aan de jam-bo's kwam geen einde, 't Spreekt van zelf, dat die namiddag niet voldoende was om alles op mijn gemak op te nemen. Alles was zoo vreemd. Er is zelts heel wat tijd noodig om een overzicht te hebben eener karavaan; hoe alles in elkaar zit en geregeld is.
Tegen den avond kwam P. Bresson met Sewa een kijkje nemen in ^ t kamp. Ik installeerde mij in de groote ruime tent, waar mijn veldbed reeds lang door mijne collega's in orde gebracht was.
Ziezoo : drie maanden lang zou de tent onze gemeenschappelijke huizing zijn. Onze Karei schijnt allen aanleg te hebben eene veldkeuken te kunnen beredderen, 't Smaakte mij allerbest, wat hij mij al zoo opschepte, 't Is waar, dat alles nog geen negerkost was op 't oogenblik, en min of meer Europeesche kleur en smaak had. We waren dan ook nog te dicht nabij de kust. Lang keuvelden we samen, gezeten voor den ingang onzer tent. Het was dan ook een zoo schilderachtig mogelijk tooneel. De gloed der talrijke veldvruchten wierp een spookachtig licht op al die zwarte negergestalten ; de prachtigste sterrenhemel, die denkbaar is ; duizenden glimmende vlinders (als vuurvonken) speelden en dartelden in t donkere loot der reusachtige boomen, waaronder we gezeten waren.
Eindelijk nadat men zich verzekerd had, dat alles in orde was, en dat eenige soldaten (askari's) de nachtwacht zouden betrekken en groote vuren onderhouden, trokken we ons terug' in onze tent.
60
Slapen voor de eerste maal, onder eene tent! Ik droomde dien nacht van alle patriarchen, Job, Abraham, enz. met wie wij van nu af alle overeenkomst hadden in levenswijze, reizen, enz.
21 Juli. â Het stond mij zeer goed aan onder de tent, ik had geslapen als een ârus,quot; otschoon de nacht frisscher was dan ik vermoed had, zoodat ik nog in tijds naar een tweede deken moest omzien. Na onze morgengebeden werd 't reisaltaar opgeslagen, en lazen we onze H. Mis onder eene tent, in de karavaan, omringd door heidenen ! Welke mijne gevoelens, indrukken en gedachten waren gedurende dat eerste H. Sacrificie, js mij onmogelijk u te schetsen. Mijn God ! onbegrijpelijk is Uwe goedheid! Wat onbeholpenheid, wat nederige armoede, en toch daalt Gij neer in de handen van Uw missionaris, even goed als in den schoot van Maria in 't nederige huisje van Nazareth ; even goed op het simpele reisaltaar onder eene tent midden in de wildernis ouder heidenen, als op het van goud en edelgesteenten schitterend altaar in de majestueuze tempels van 't Katholieke Europa! Arme dolende schapen daar buiten rondom mij! Ze begrijpen of vermoeden niet, dat hun God en Schepper hun zoo nabij is! 't Ware Licht daalt neer onder hen en ze tasten rond in de duisternis ! Duizenden engelen omringen die tent, en hun geestesoog ontwaart ze niet! Slechts negen christenen, daar achter mij neergeknield, aanbidden dankend 't Lam Gods, en wat doen zij, waaraan denken zij? Mijn God, hoe ondoorgrondelijk zijn Uwe raadsbesluiten en nysteries Uwer goedheid en rechtvaardigheid! Nooit vuriger dan toen bad mijn hart tot den God van genade, tronend in mijn binnenste; lux aetcrna luceat eis â 't eeuwige licht verlichte hen; adveniat regninii tuum â Uw rijk kome ook hun toe.quot; En o ja, wie kan zeggen wat er omging in de harten van eenigen dier arme negers op die oogenblikken ? Wie weet of toen niet stroomen van genaden zijn neergedaald in die harten..... Wie weet ot kan nagaan wat ééne H. Mis, opgedragen in zulke wilde landen, overgeleverd aan Satan, uitwerkt... De laatste oordeelsdag zal al die geheimen ontsluimeren. Bij de intrede van 't Goddelijk Kind in Egypte op Zijne vlucht vielen vele afgodsbeelden omver op den weg en in de steden, die het doortrok, aldus zegt de traditie. Hetzeltde gebeurde dikwijls, naar mea leest in de levens der heiligen en martelaren van de eerste eeuwen der Kerk, op 't gebed vau Christus' belijders. Men kan oordeelen naar 't groot getal bezetenen, waarvan 't Evangelie gewaagt, hoe de hel in rep en roer was tijdens Jezus verschijning en prediking onder de menschen. Geen twijfel, ook voor Afrika's arme negers is 't uur der genade gekomen; mogen ze er gebruik van maken en de genadestem niet verstikken !
61
Nimmer, Lezer en Lezeres, gevoelde ik mij gelukkiger, missionaris te zijn, dan in die oogenblikken.
In den vroegen morgen kwam Br. Oscar, van wien ik boven reeds sprak, naar ons kamp om ons. oner varenen, behulpzaam te zijn in t regelen en beredderen der laatste toebereidselen voor 't vertrek van morgen. Wat kostbare diensten bewees hij ons en hoeveel praktische wenken gaf hij nog dien morgen! Geen tweede missionaris in Oost-Afrika heeft de ondervinding van Br. Oscar Gedurende 30 i'i 40 jaar heeft hij gewerkt in Bagamove en Zan-guebar. De bloei der missie is vooral hem, benevens den overle-den F Horner te danken. Alle negers en Arabieren kennen Br. Oscar Hij alleen heeft meer invloed dan alle Dnitschers te zamen ⢠deze laatsten erkennen dit ten volle en stellen zijn raad en hulp' soms zeer op pnjs. Hij kent 't raderwerk van heel die zwarte maatschappij en is beter op de hoogte en invloedrijker in Bagamove dan zijn Gouverneur, Mijnheer Estke. Men moet hem bezi- zien m onze karavaan. Met één blik heeft hij alles overzien en be-grepen. Weinige woorden zijn voldoende om alles te re-elen en zijn oiiatscheidelijk pijpje rookend, heeft hij den schijn niet zooveel werk uit de voeten te zetten. Den geheelen dag stond hij ons zoo ten dienste. â¢
Onze karavaan bestond in 't, geheel uit circa 825 man waar onder 512 dragers (wapagazi's), 20 soldaten (askari's) of'neo-'ers van een geweer voorzien. De overige 280 zijn volgelingenquot; soidaten o chefs of wel vrouwen en kinderen (een vijftigtal samen). Al die laatsten dragen t geld of loon onzer dragers. Men bedenke dat ze uitbetaald zijn in stoften en ik verzeker n, dat dit een respekfabel aantal draaglasten vormt. Eenigen draden niets Het totale cijfer onzer draaglasten bedroeg 475; want een'zeker aantal wordt door twee man gedragen. Onder die 475 draadasten telden we wel circa 230 mitoemba's = balen stof, ieder ter zwaarte ⢠o kilo. In dien vorm voorzien we de portemonnaie (?) onzer con-fraters m de missieposten; die pakken met katoenen en andere stoffen maken limine munt uit. Daarmee koopen ze slaafjes vrii terrein voor missiën aan, daarmee verschaffen zij zich levensmiddelen en daarmee betalen zij werklieden enz. Ik zei reeds dat Sewa zich belast had met de vorming onzer karavaan. Hoe kreeg hij al die S2,) man bijeen ? Ziehier: In den karavanentijd vindt men ui Baganioye immer min of meer negers, meestal Wanvamoe-wez1 s of Wasakoema's, die nithet binnenland naar de kiist'komen ondei leiding hunner chefs om dragersdienst te verrichten Sewa klampt de voornaamste chefs aan, bepraat hen en spiegelt hun een
Cgt;-2
mooi cadeau voor. Die chefs of Nyampara's trommelen dan hun volk bijeen, honden plechtig' raad en worden't eindelijk eens, nadagenâja wekenlange beraadslagingen en maneno's (praatjes) over het draag-loon of' soldij (mshahara) dat ze bedingen zullen. Sewa rekent natuurlijk ook, maar ten lange laatste komt men klaar; 't noodige aantal dragers is bijeen, de lasten worden gekeurd door de heeren Wapagari, gewikt en gewogen, op schouder geprobeerd, weggeworpen, herkozen enz., enz. In den troep is een groot Nyampara of chef, onder hem vindt men weer een groot aantal kleinere nyampara's, die ieder hunne lieden hebben, soort dienstbaren of lijfeigenen, die zij zeer aardig hunne kinderen, Watoto's noemen, üok die houden beraadslagingen met hunne lui. De een heeft vier, vijf, zes, de andere soms tien, twaalf zulke Watoto's.
De dragers en evenzeer de askari's of soldaten ontvangen eigenlijk een drievoudige betaling. Vooi eerst de mshahara of 't eigenlijke draagloou. Ten tweede een heshima of geschenk. Dit is natuurlijk grooter voor de Nyampara's.
De natuur der heshima hangt af van de liefhebberij der negers en de heerschende mode. Eenigen kiezen ijzeren of koperen ketels om hun mtama te koken, anderen willen kleurige stoften enz. Dit jaar gaf Sewa aan de Nyampara's broeken en jassen, gemaakt van witte katoenen stof, en roode chechia's. Allen kregen een paraplu, wit, rood, geel gekleurd, present. Verbeeldt U, negers in Europee-sche kleeding, met een paraplu in de hand ! Ik heb me bijna dood gelachen. Een heele toer was 't voor hen die mooie broek en jas aan te passen. Eenigen wilden de broek 't achterste voor aanschieten, anderen staken heel parmantig de beeuen in de mouwen van de jas! Onbetaalbare, allerkoddigste scènes woonden we bij. Onder voorgeven, dat de broek of jas niet goed was, kwamen ze bij Sewa eene andere vragen en het kostte den geduldigen man heel wat moeite hun te beduiden, dat de broek en ook de jas icel goed waren.
Eindelijk de derde soort betaling is de pocho of hun onderhoud op weg, den heelen duur der karavaan. Sewa gaf hun de pocho (eenige ellen stof ieder) tot Mpoeapoea. Daarna moesten wij die uitdeelen om de vier of zes dagen.
De lasten worden op drie manieren gedragen, op de schouders, op 't hoofd (zoo dragen ze de vrouwen), of wel twee aan twee aan een stok, mambo geheeten. Alle pakken of kisten (mizigo's) of balen stof (niitoemba's) worden genaaid in grove raatten, vervaardigd van palmbladeren, en bambo's of makandta's geheeten.
Daarna worden ze stevig gebonden met bruine koorden van
63
kokosboom vezelen, tiissclien een soort vork of gaffel (mpiko), gevormd door twee ot drie groene dunne staken, soort buigzame boomstaken. Die manier veroorlooft hun ze gemakkelijker vast te houden van schouder te verwisselen onder 't gaan en den last op 't uiteinde dier staken overeind te zetten en uit te rusten.
Soms gebeurt het, dat Sewa niet slechts onze karavaan organiseert, maar ook met zijne beambten (karani's) geleidt tot de groote meien onder zijne verantwoordelijkheid. Niet aldus dezen keer. Ditmaal voer ze op eigen risico, geleid door de missionarissen, nl. door een christen Bagandaneger, door Pater Hanttecoeur, uit Boekoembi te dien einde gezonden met een aantal dragers Wasakoema's. Deze werd bijgestaan door een Waugwana, Hansin genoemd, die otschoon muzelman, ons reeds dikwijls in karavanen groote diensten bewees en ook thans bewijzen zou. Deze twee regelden nagenoeg alles op reis, zoodat wij, missionarissen, slechts in 't algemeen een oog in 't zeil te houden hadden, voor een goede orde en tucht moesten zorgen, zooals dat behoort in eene karavaan van missionarissen, en eindelijk voor de defensie en veiligheid in 't kamp en op route.
Onder de 825 man waren we slechts met ons tienen christenen; wij, drie missionarissen, mijne drie dokters-katechisten van Malta: Joseph Mongo'ia, Leo Oussetuhé en Karei liouzabalta; ons negerventje van Zanzibar, onze kok Karei, de Baganda-neger Jacques, Opper-Nyampara, vergezeld van twee volgelingen Fabiaan en Alton s.
Onze karavaan bestond uit acht afdeelingen onder een groot Nyampar, die immer op route in de volgende orde marcheerden. Kitevo met circa 175 volgelingen; Kipamila met 125; Merare met 100 ; Mweka-Xouma met 75 ; Mshokem met 65 ; Alfemi Wa-lenmka 70; Makomcla met 100; en Tonsiri met 100 volgelingen. Kipamila en Marera met hun volk waren Wanyamoewezi-negers uit de omstreken van Toera, Oejiji en Tabora ; Kitevo en Mshokera, Bakoembi (Oekoembi); de andere vier diets uit de streek Oesmatt, Oost-Xoordoostelijk van Boekoembi.
Tot den namiddag hielp Broeder Oscar alles regelen. Jacques en Hamsin bewezen nu reeds wat dienst we van hen hebben zouden. Een karani van Sewa was ook gekomen om de pocho tot Mpoeii-poea uit te deelen. Sewa betaalde die deels in stof, deels in den vorm van een soort kleine erwtjes en bruine boonen. Iedere Ny-ampara op zijn beurt stelde zijne lui in ;t gelid. Nog eeiie aardige scène. Ze kregen t op eens in 't hootd voor die gelegenheid hunne rood-wit-gele paraplu te gebruiken. Geen regen ot brandende
64
zonnestralen Dat kwam er niet op aan; 't was enkel voor de âchiquequot;. Ginder op een afgeoogst sorgho-veld staan ze allen rond te springen als gekken, niet de paraplu boven 't hoofd.
Tegen den avond komt Pater Bresson een laatste maal afscheid van ons nemen. Het viel hem hard, dat zag men en ons niet minder. Zouden we elkander nog ooit wederzien ? Br. Oscar keert thans ook naar Bagamoye terug. Heb dank, goede Broeder, voor al uwe belangelooze zorgen: Onze Lieve Heer alleen kan er ü voldoende voor beloonen. Ze bestijgen hunne ezels en weldra zijn ze uit ons oog verdwenen. Wij blijven met ons drieën over, en morgen vroeg, als 't God belieft, rukken we op.
22 Juli - Vrijdag. Feest der H. Maria Magdalem, Kamp No. 2 Kixgaki ; l'/a uui' marsch van 8â9 en van o'/g i uur. â Om 4 uur zijn we ter been. We doen gezamenlijk ons morgengebed ; daarna gezwind alles ingepakt : veldbed ineen gevouwen, laarzen aangeschoten, kurken helmhoed op het hootd gedrukt, revolver iu den gordel gestoken, veldflesch met koude kottie op zijde, staande een kop waterchocolade gedronken en klaar ben ik. In-tusschen heeft mijn askari ( â zooveel als mijn ordonnance-offider) mijn grauwtje gevoederd. Van 't zadelen heett hij nog geen slag; want hij had heel onnoozel 't zadel het achterste voor vastgegespt, in de meening dat ik ruggelings den tocht zou ondernemen, wijl een nizoengoe daar knap ruiter genoeg voor zijn zou. Na eenige moeite kreeg ik hem toch aan 't verstand gebracht, hoe een ezel gezadeld behoort te worden. Ik belast mijn askari verder met mijn snel-vurend Legras-geweer, hang hem mijn reistasehje met eenige kleinigheden en mijn verrekijker over de schouders en ge moest eens gezien hebben, hoe tier Magina (zoo is zijn naam) er uitzag, 't Was dan ook geen geringe eer, zooveel rare dingen van den Mzoengoe te dragen en vooral zijn askari of janitsaar te zijn den heelen duur der reis. Inmiddels is ook onze tent dooi de askari's neergehaald, opgevouwen en als draaglast ingericht. Eveneens is al ons verder gerief, het keukengerei enz. ingepakt. Wat rumoer en oor-verdoovend geschreeuw in 't kamp ! âSatariquot; roept men aller-wege, en in een oogwenk is alles in rep en roer. liet geestdrift zoekt ieder zijn last iu den stapel en loopt er jubelend mee heen al zingend en schreeuwend. Al ons volk is ongeduldig om te vertrekken. Een goed voorteeken! Toch bleek het, dat alles nog zoo precies niet klaar was als men het verwacht had. Dat is immer zoo, als eene karavaan opbreekt. Honderden redenen tot verti aging, vooral nu de eerste maal.
Eerst om 8 uur kan de karavaan zich in beweging zetten. Som-
mi gen zijn al wel drie uur klaar en wachten met ongeduld. Tk bestijg mijn âedel rosquot; en plaats me aan !t hoofd, terwijl P. Gos-sean de achterhoede zou vormen, en pas volgen zou als alles op route was. Br. Jean Pierre en de drie Maltezers verdeelen zich over t gros der karavaan. Een voor, een achter, in een onafzienbare, slingerende rij volgen onze lieden. Kitevo met zijne 1 75 man rukt voorop en gaat zijne lieden voorat met eene Duitsche vlag in de hand. Achter hen volgen de Kirangozi (gidsen) zijner troep, te onderscheiden aan hunne roode mantels, groote stukken stof, bij wijze van bnrnoes langs den rug afhangend. Na verloop van tien minuten staan we reeds voor een vijftig meter breed moeras, verscholen onder gras en lissen, uitgenomen op één punt waar men eene oogenscliijnlijk doorwaadbare wateroppervlakte voor zich heeft, ik dacht: kom, kom, nu reeds afstijgen, en mij door mijn askari er door laten marsen! Dat nooit! Klets ging de zweep en vooruit te water. Grauwtje ging er gewillig in; doch i.ilfueg raakte hij t harde onzichtbare voetpaadje kwijt. Wel deed hij zijn best de ponten uit den modder te trekken, doch elk oogenblik dacht ik een buiteling te maken en een modderbad te nomen. t Water kwam tot aan den rug, zoodat ik maar half hoog en droog zat. Het liep toch goed af. Mgr. de Cnniiont in eigen persoon nam hier, nog niet lang geleden, een onvrijwillio-modderbad en gewis deden velen mijner confraters hetzelfde. Voor onze negers beteekent dit niet*; ze marclieeren behoedzaam in t water en den modder, en ze zijn veel meer bevreesd hun last in't water te laten vallen, dan hun persoon en plunje nat te maken. Ze weten wel, dat de Blanke in 't eerste geval lee-jk 0P zal spelen. Na een half uur komen we aan 't, tolhuis eene soort barak ot afdak, waar een Wangwana, beambte aer Duitschers, 4 pesa's per drager vordert om de rivier de Kin-gam over te steken. Ik was in den waan, dat dit tolgeld aan de rivier gevorderd werd en begreep daarom aanvankelijk niet, wat die kerel in zijn witten Arabischen gandoera mij wilde beduiden t bcheen dat hij wou zeggen, dat ik hier met al ons volk moest slilhoiulen. Gelukkig* dienden mij mijne negers van Malta, nu en later dikwijls als tolken, wijl ik de Kiswahili-taal nu juist noquot;-niet voldoende voor :t oogenblik meester ben. Ik was dus dra ingelicht en dit oponthoud bewees me zelfs dienst, wijl ik alzoo een overzicht kon hebben onzer manschappen. In twee gedeelten liet ik onze lieden een grooten ronden kring vormen, zoodat de u angvvana ze met gemak tellen kon. Daarna, eene zandige hoogte afdalend weer op marsch, door een moeras van een half uur lang.
60
dat echter tliaus, wegens 't lieete seizoen, droog was. In 't lange, een a twee meter hooge gras van dit moeras huizen veel hyena's, tijgers en luipaarden, die de omstreken van Bagamoye onveilig maken. Overdag echter ontmoet men die immer onwelkome beestjes zelden. Een twee meter breed, kronkelend pad, waar 't gras vertreden is, loopt midden door dit moeras. Om 9 uur arriveeren we aan de rivier de Kingani. Ueze rivier (met de Rovoema-, Koetidji-, Wani- en Koevoe-rivieren) een der voornaamste van Dnitsch Oost-Afrika, daalt in tweeën vertakt van de bergen van Mrogero en Mgoenda, om zich een weinig ten Noorden van Bagamoye in zee te storten.
üe Kingani had ecu lagen waterstand, maar toch eene breedte van dertig meter ongeveer. Heel iets om over te steken met 825 beladen negers in Atiika, waar bruggen onbekend zijn! Tot onzen troost is het de eenige rivier van wat beteekenis op onzen tocht. We mogen zelts van geluk spreken, want sinds eenige jaren ligt ter plaatse eene soort logge bark van vijt meter lang, twee meter breed en vijt en zeventig centimeter diep om de karavanen over te zetten en daarvoor eigenlijk betaalt men vier pesa's per drager. Ik wacht tot tien uur, opdat dragers en lasten ten naastenbij aangeland zouden zijn en daarna begint de overtocht. Wat een gesukkel en modderwerk! Aan onzen kant was de boord der rivier vrij steil en modderig. De bark moest een eind van wal blijven; zoo goed als 't ging, reikten de dragers, tot boven de knieën in den modder wegzakkend, elkander de lasten over. Het duurde lang voordat do bark (met c. a. vijttig lasten) geladen en langs een gespannen kabel overgeschipperd was. Het ontladen ging wat vlotter van de hand, wijl de rivierrand er vaster, droger en zacht hellend was. Daarbij nog was de bark lek en nam veel water, zoodat men zeer beducht was, dat sommige kisten ot balen, die op den bodem terecht kwamen, nat zouden worden, wat later in Boekoembi bleek waar te zijn. Toch meende men voorzorgen genoeg genomen te hebben, door stukken hout op den bodem te leggen.
Om elf uur kwam Pater Gosseau aan, doch alle dragers en alle lasten waren nog niet aangekomen, Jacques en Hamsin bleven achter om de laatste overblijfselen van 't kamp aan te voeren.
In 't hooge gras verscholen aten we in haast uit de vuist een stuk droog brood, koud vleesch met een paar oranje-appelen en
bananen en.....ons diner champêtrc was afgeloopen. Daarna over
de manoeuvres gesurveilleerd, en dat was niet overbodig, om te ver-
hoeden dat de misijo's (lasteu) iu het water ot in den modder terecht kwamen. Tot overmaat van ongeluk begon het tegen den middag fiks te regenen, welke regen tot den avond aanhield en den lieelen nacht en den volgenden dag zou voortduren. Al onze lasten op de beide boorden der rivier verspreid, waren aldus aan den regen blootgesteld, en ie inhoud kon mogelijk totaal verloren gaan. En geen enkel middel oin ze te beschutten. Dat dit zoo juist treffen moest! Het was de eenige regen van beteekenis, dien we tot Boekoembi gehad hebben. Het overzetten stond twee uur stil; want de negers zijn dol bang voor nat worden, wat ons onbegrijpelijk voorkomt. Ze hebben er toch geen fijn pak, mooie boorden of kanten mutsen mee te verspelen. Eenigen gelooven zich met hunne tameuse paraplu te beschutten, maar ze worden er even nat onder, als daar buiten. Anderen hangen liet weinige, wat ze op 't lijf dragen, op hun hoofd. Eigenlijk vreezen ze de koude, en inderdaad, ik zie een aantal arme drommels rillen en boven van koude. Vlak bij het veer staat eene kleine, bouwvallige huizing. Eenigen willen zich verschuilen onder dat afdak, doch dc wangwana (tolbeambte) slaat met zijn grooten stok (kiboko) zoo vervaarlijk rond onder de stumpers, dat het God geklaagd was. Juist of hij met beesten te doen had. Waarschijnlijk was hij vroeger ook slaaf geweest. Doch juist zulke Wangwananegers, eenmaal door een of ander toeval vrij man geworden en min of meer invloedrijk, zijn de wreedaardigste slavenhandelaars, ook in 't binnenland, soms on menschel ijker dan de Arabieren. We troffen daar eenige Duitsche otlicieren, o. a. den Gouverneur van ISagamoye, den Heer Estke in persoon, en den Heer Wyneckën, president der Duitsche anti slaven-loterij. Al die heeren waren uiterst vriendelijk, en lieten niet los vóór we met hen een glas champagne geledigd hadden. De Heer Estke overhandigde ons de vereischte âChetiquot; (paspoort) ot verlot van reizen met zooveel man, dito geweren, kruit enz. gericht aan den kommandant van Mpoeapoeii. De Heer Wynecke vertelde mij in last te hebben oi'er een paar maanden met 3000 dragers de bekende stoomboot van Maj. Wiszmann naar het Nyanza-meer te transporteeren. Doch hoe aan 3000 dragers te komen, en dat iu het regenseizoen! Ik dacht: goede mijnheer, daar komt niets van. We spraken verder over de oorlogsgeruchten uit liet binnenland, met iiaine den oorlog van Sike tegen de Ouit-schers van Tabora, en vroegen of we gevaren te duchten hadden. Dt heeien ofticieren verzekerden ons, dat dc weg volkomen veilig was, en dat de opstand van Sike rondom Tabora beperkt was. Het bleek dat zij het toch zich niet ontveinzen konden, dat ook
08
daar de Arabieren de hand in liet spel hadden. De heeren waren uitgetogen om eene nijlpaardenjacht op de Kingani te maken. Te dien einde bestegen ze ook weldra vol moed en hoop hnn lief bootje doch in den namiddag keerden ze terug, doornat en verkleumd van kou, zonder natuurlijk een enkel nijlpaard gedood ot zelfs maar gezien te hebben.
Om twee uur begon opnieuw het overzetten : nu vooral, na den regen, was het eene ellendige, slikkerige, modderige boel. Arme misigo' (draaglasten), 't Was om te weenen. Enfin, dat deden we toch niet, integendeel, een oogenblik later zouden wij nog alle reden hebben tot uitgelaten lachen. Ik zou oversteken met den Broeder en twee der Maltezers, om het kamp te gaan opslaan en het overgebrachte te bewaken. Praat niet van proper en zindelijk van kleeren en schoeisel te zijn op die manier ! Ik zag er uit als een baanstrooper. Daarom toch stond ik er niet op een kompleet slijkbad te nemen, waarvoor alle gevaar was, alvorens in de boot te komen. Het gelukte toch min of meer. Hoe nu de ezels over te brengen ? Die moeten maar zwemmen. Goed, maar geen der drie langooren had trek in een bad, ook de mijne niet, waarschijnlijk door 't slechte voorbeeld zijner kameraden. Een lang touw weid hun om den hals geslagen ; drie of vier man van de baik trokken uit alle macht, wel tien dikke stokken werden op hen stuk geslagen ! Het hielp niemendal, die beesten zijn ongelooflijk sterk en vooral koppig, zooals alle ezels. Xu werd het touw vastgemaakt aan de bark, terwijl alleman â uw dienaar al van 't hardste â aan de kabel trok om de bark naar den overkant te sturen. Nu moest langoor 't wel opgeven en plof, daar is hij te water en de twee andere deugnieten daarna eveneens. In een paar minuten was alles afgeloopen. De askari's schoten eenige patronen af in 't water om de krokodillen en rivierpaarden op een afstand te houden. De Kingani wemelt er van en langoor twee beeneu in één hap, als ware 't ham, afbijten, beteekent voor een krokodil niets.
Twee derden onzer bagage was overgezet en reeds op weg naar 't kamp. Om drie uur sloeg ik eveneens den weg in naar 't kamp, op een halfuur afstand gelegen. Weer door een moeras met hoog gras en struikgewas, langs een slijkerig en glibberig pad. Ezels hebben den voet zeker en vast, maar toch was het een halsbrekende tocht : Broeder Jean-Pierre werd door zijn ezel een paar malen afgeworpen.
Om halt vier zijn we het moeras door en komen we in eene min ot meer verhevene vlakte. Van verre bemerken we reeds ons
69
kamp. Onze groene teut is door de askari's opgeslagen, de Duit-sclie vlag staat er boven op. Een deel der lasten is opgestapeld. Treurig gezicht in het kamp. De tent, erg beslijkt, was slecht opgeslagen ; (onze soldaten konden er nog niet goed mede weg), de bodem was slijkerig, de meeste lasten lagen links en rechts tegen den grond, doornat en beslijkt; de negers rillend van kou, warmden zich aan vuren, zoo goed mogelijk met half nat gras en nat sprokkelhout onderhouden, docli een rook afgevend, die een onuitstaanbare pijn in de oogen veroorzaakte.
Tot in den donkeren avond toe kwamen nog immer onze lieden met hunne lasten bij groepjes aan van de Kingani. We waren doorweekt van den regen, rammelden van honger en hadden zoo goed als niets tusschen de tanden te steken.
De meeste kisten of pakken met mondbehoeften, keuken- ot tafelgerief waren nog achter, of lagen onder een hoop andere lasten verborgen, waar men ze in 't duister niet vinden kon.
Zelts konden we geen kopje koffie zetten om ons wat te verwarmen en op te knappen. Doch juist om al dat gebrek en het avontuurlijke, echt missionarisachtige van onze positie, was de vroolijkheid niet uitgedoofd, al moesten we ook met nagenoeg holle magen naar bed. Pater Gosseau kwam niet van de Kingani, Jacques en Hamsin evenmin van Chem-Cliem. Alvorens te gaan rusten vergewiste ik mij of alle lasten aan dezen kant der Kingani waren aangekomen. Br. Jean-Pierre wilde met een lantaarn Pater Gosseau gaan opzoeken, doch gelukkig ontmoette hij eenige onzer dragers, die hem zeiden, dat het moeras in den nacht onveilig was door de nijlpaarden; diensvolgens keerde hij gezwind terug. Alles was min of meer nat, vochtig of klam in onze tent, zelfs de dekens ; van vermoeienis echter sliep men spoedig in ondanks dat alles. De regen viel immer en hield den ganschen nacht aan.
23 Juli. â Toen we om 6 uur buiten onze tent traden, zagen we eerst, hoe verlept alles er uitzag. Een dikke, verstikkende rook vulde t heele kamp. Een deel van ons volk was ter been; anderen sliepen in hunne kleine hutjes, voor de gelegenheid van gras en boomtakken of twijgen vervaardigd, ot wel ouder hunne tentjes. Onmogelijk dien morgen de II, Mis op te dragen. In die verwarring is er niets te vinden. Om 8 ure eindelijk arriveert Pater Gosseau, die het insgelijks hard te verantwoorden had gehad. Nadat alles overgezet was, wilde hij gisteren avond terwijl het reeds donker begon te worden ook ons kamp bereiken. Nauwelijks echter in :t moeras, verneemt hij groote beweging in 't hooge gras, vergezeld van een loggen tred en een dot snorkend geluid. Het waren hippopotameii of rivierpaarden,
70
die 's nachts aan land kuiiien om te grazen. Karei Bouzabaliaó, die zijn geweer droeg, liad slechts één patroon.
Onnoodig te zeggen, dat ze rechtsomkeer maakten en gelukkig ook. Het is een toeval onder duizend, dat men met een schot, allergunstigst gericht, een nijlpaard doodt, en wee den schutter of jager als hij mist! Ze lieten zich dus weer overzetten en vonden voor den nacht eeue schuilplaats in de barak van den tolbeambte. Zij hadden letterlijk niets te eten en daarbij, geen dek of dekens eu het was koud en nat, alle kans eeue tiksche koorts op te loopen.
In den voormiddag arriveeren eindelijk Jacques en Hamsin met de laatste lasten en dragers. We vermissen niets, en merken ook op dat geen enkele drager gedeserteerd is. Dat is wel een echt luitenkaasje; want bijna altijd gebeurt het, dat dragers de plaat poetsen, vóór men de Kingani over is, en zelfs nog later. Soms, doch zelden, valt het voor dat zij hun draaglast meene-meu, maar als zij er kans toezien, wel degelijk hun pak stof, dat zij als betaling ontvingen. De wangwana-tolbeambte bewees ons in dezen eeu dienst. We geven hem last geen enkelen onzer lieden, eenmaal over de Kingani, te laten terugkeeren.
Vandaag was er kans eens wat vettere keuken te hebben dan gisteren. Al zoekend vonden we ons gerief eu daarbij had de goede Broeder Oscar ons nog een schoon stuk vleesch, brood, oranjeappelen en bananen nagezonden. Over eenige dagen zou dat alles ontbreken. Het regende nog nagenoeg den geheelen dag, en onze teut liep ouder water. Na beraadslaging was ieder van oordeel morgen te vertrekken. De streek hier aan beide kanten van de Kingani is zeer moerassig en ongezond en vooral na dien regen was het zeker, dat we aan eeu aanval van koorts niet zouden ontsnappen. Daarom wilden we vooruit.
In den namiddag regelden wij reeds voorloopig een en ander eu deelden aan onze soldaten (askari's) hunne geweren uit : vijftien Le Grasgeweren (van 't Fransche leger) en drieëntwintig gewone geweren (voorladers). Behalve onze twintig askari's met een Le Grasgeweer toegerust, bekwamen ook achttien der voornaamste nyanipara's of kirangozi's (gidsen) eeu geweer. Om 10 ure 's avonds was alles geregeld om 's morgens vroeg te vertrekken. De regen had opgehouden.
Groot alarm en rumoer des nachts in ons kamp. Wat was er gaande ? In een seconde waren we alle drie overeind. Ik zocht reeds in de duisternis naar mijn revolver, die immer geladen onder mijn hootd rust, en naar mijn geweer, eveneens geladen onder mijn veldbed. Nog eens, wat was er gaande? Was een tijger, leeuw of' hyena in 't kamp gedrongen ? Een vechtpartij omstaan
71
tusschen ons volk ? Wilde men deserteeren of stelen ? Niets van dat alles, het was de baloorige ezel van Pater Gossean, die was losgebroken en alles overhoop zette, hutjes en tentjes omverliep, slapende negers vertrapte enz. Overal geroep van i-es /-es, uitroep van verrassing. Grauwtje werd met moeite opgevangen en weer vastgebonden. Het zou niet de eenige maal zijn, dat dezelfde onverbeterlijke vlegel ons die part zou spelen.
t ^ Juli- ' ~ Zondag. â⢠Feest van den H. Apostel Jacohns. Kamp No. 3 JIiANzr. Twee en een half uur marsch van half zeven tot negen uur. Om vier uur ter been. Om half vijf had ik nogmaals het geluk mijne H. Mis te kunnen lezen. Allen, ook Pater Gos-seau communiceerden uit mijne hand. ,,Pnsillus Grex,quot; kleine kudde van tien personen, terwijl in christen landen de kerken gevuld zijn met geloovigen. Mogelijk dat de H. Apostel Jacobus de Meerdere in Spanje en elders het geloof verkondigend, in nog armoediger en nederiger omstandigheden het H. Sacrificie heett opgedragen. Helaas ! alleen des Zondags zouden we voortaan het geluk hebben de H. Mis te lezen. e kunnen zelfs dien dag niet uitrusten. Het kamp is in volle beweging en in een uur tijd om half zeven neemt de tocht een aanvang. Alles ziet er vroolijker uit ; het is schoon weer, de bagage is reeds bijna droog. De opgaande zon in 't Oosten giet haar weldoende stralen over de vlakte. Pater Gossean trekt op aan de voorhoede, terwijl ik ditmaal de achterhoede dek met een tiental soldaten en trachten moet de achterblijvers voort te drijven, het deserteeren (nog immer te vreezen) te voorkomen, enz. Een smal, slingerend pad voert ons beurtelings door bosschen, geboomte en vlakte, hier en daar bezet met doornig struikgewas of met hoog gras van een of twee meter. Wat vreemde, wilde streek, nu en dan aardige gezichten opleverend ! Om negen uur komt de voorhoede in 't nieuwe kamp aan ; een kwartier later is het gros der karavaan ter plaatse, doch het was drie ure in den namiddag, alvorens Jacques en Hamsin met de laatste achterblijvers en sukkelaars aankwamen.
âMianziquot; wil zeggen ; streek der bamboes. We zien echter neigens bamboes. Dit kamp vindt men niet aangegeven op de kaart, doch het bevindt zich op de grens van het zoogenaamde Duitsche sclmtsgebied, m. a. w. protectoraatsgebied. Dit protectoraat omvat eene smalle streek langs de zeekust van Wanga at ten Noorden tot den mond van den Eovoema ten Zuiden, en verder binnenwaarts in de vier provinciën Oekami, Oesagara, Oese-goeha en Ngoeroe. Ons kamp van heden rechts van 't karava-nenpad is heerlijk gelegen in eene vlakte, langs alle zijden op een half uur afstand door donkergroene bosschen afgezet.
Onze tent verhett zich op eene verhevenheid onder eeu grooten boom. De acht hoopen met lasten, respectievelijk de acht atdeelingen, zijn op tien meter rondom onze tent gelegen. Tusschen in en daarachter kampeert ons legertje in een grooten cirkel. Alles gaat al met meer urde. De geweren staan voor onze tent in twee halve cirkels overeind, zes aan zes kruiselings ineengezet.
Goed gras voor onze ezels in de nabijheid en vrij goed drinkwater. Helder, zuiver en smakeloos water is eene groote uitzondering gedurende de heele reis en overal in 't binnenland. Het beste dat de askari (soldaat), daarmee belast, voor ons vinden kan, is nog immer troebel, witachtig en heelt onder meer altijd een grondsmaak. Zulk water onvermengd aldus te drinken, zou zeer ongezond zijn en zeker koorts, dyssenterie, enz. ten gevolge kunnen hebben. Daarom nemen we immer de voorzorg met een beetje aluin het water te klaren, zuiver en drinkbaar te maken. Na eeu half uur is het helder als kristal en zijn alle onzuivere bestanddeelen op den bodem van den emmer neergeslagen.
Van avond, voor onze tent gezeten, waren we getuigen van een eigenaardig gebruik in eene karavaan. Kiparaila, een der bejaardste en eerbiedwaardigste der nyampara's, hield eene redevoering. Het is tamelijk moeilijk er een goed denkbeeld van te geven, te meer wijl hij in de kisoekoema taal het woord voerde. De redenaar plaatst zich op eene verhevenheid, midden in 't kamp en begint met een anderen nyampara (hier Kitevo de voornaamste, hoewel een der jongste chefs) te interpelleeren en bij zijn naam te noemen. Deze antwoordt âjaquot; (het Duitsche en Hollandsche woord ja, een woord reeds door alle negers verstaan en veelvuldig gebruikt.) In eens houdt alle rumoer op, en de diepste stilte heerscht in 't kamp. Dan vangt de spreker aan in zijne eigenaardige welsprekendheids-vormen en zegt, tot de dragers het woord richtende;
Wangwana, mijne broeders, luisrert goed! wij gaan nu vele gevaren te gemoet. Maar deze zijn onvermijdelijk. Luistert dan naar mij, Toembi iioembo. Laten wij achter elkander volgen, zacht zonder een woord, zonder leven, zonder te niezen, zonder te spuwen. Als de een of ander behoefte gevoelt stil te houden zal hij zeggen, âik gevoel behoefte stil te houdenquot; en iedereen zal blijven staan. En wanneer hij weer voortgaat zal iedereen voortgaan ; want het zou jammer zijn, wanneer hij door een leeuw verscheurd werd. Hoe zou men het aanleggen om zijn last te dragen ?
Zonder gerucht, zonder te niezen, zonder te spuwen ; want als de buffels ons hooren, zullen zij zeggen : âWie gaat daar voorbij ?quot; en zij zullen komen zien en eenigen onzer aanvallen en niedesleepen.
73
Zonder leven te maken, zonder te niezen, zonder te hoesten, zonder te spuwen. O, mijne kinderen, de Rhinocerossen zijn er ook met hunne hoornen. Ik zou U wel eens aan een Rhinoceros-hooru gestoken willen zien, groote dwaas! Welaan dan! mijne Watoto's. Gij hebt mij nu begrepen, allen achter elkander zachtjes zonder leven te maken, zonder te hoesten.....
Op die manier ging hij een geruimen tijd voort en onderbrak zijne rede gedurig door een beroep op den tweeien nyampara (hoofd), die immer ja antwoordde en aldus uit aller naam van zijne instemming met het gezegde blijk gaf.
Het was bepaald een treffend tooneel van patriachalen eenvoud. Zoo stelde ik mij de aartsvaders, ofwel een opperhoofd der Franken, Friezen, Saksers of Noormannen voor, in eene plechtige vergadering het woord richtend tot hunne krijgslieden, onderdanen, of stamgenooten, midden in de woestijn, ofwel in de wouden van Europa van vóór vijftien eeuwen. Wat eenvoud! natuurlijke en toch eigenaardige welsprekendheid! Wat gezag en patriarchale majesteit van den eenen kant en eerbied van den anderen kant! En toch die neger, die 't woord heeft, onderscheidt zich in niets van de andere negers. Eenzelfde kleeding, ook hij draagt meestal een last. Hij is enkel met gezag bekleed en dat is voldoende. Heel wat meer gezag, eerbied voor t gezag en onderdanigheid dan in Europa, waar geen waar gezag of eerbied meer is, doch enkel eene slaafsche, tyranniek afgedwongene regelmatigheid; een gezag in één woord, waarvan de gendarme de ..conditio sine cnia nouquot; is. De spreker werd hier niet kwajongensachtig onderbroken, zooals in sommige Tweede Kamers van Europa. En, al vergelijkend, dacht ik; Wie had het ooit gedacht! Die negers kennen soms beter de wetten der welvoege-lijkheid. toonen zich beter opgevoed dan sommige bloedroode woelgeesten in 't fijn beschaafde Europa! Toen de spreker zweeg, steeg ten teeken van instemming, uit aller mond een algemeen hóóöuó! op.
Nog eens een tooneeltje in den stillen nacht onder den Zuider-hemel, fonkelend van millioenen sterren, in eene wildernis waar men geen enkel menschelijk wezen ontmoet. We hebben een kleinen jongen hond, die op den naam van Boeftoe antwoordt, van Zanzibar meegenomen. Dit aardig dier verschaft ons heel wat'afleiding door zijne speelschlieid en jeugdige uitgelatenheid, zooals men dat van jonge honden verwachten kan. 's Nachts zoekt Boeftoe een plaatsje op onder 't bei van een van ons drieën, doch van nacht maakte de guit een zenuwprikkelend alarm. Op eens worden we alle drie wakker door zijn gegrom. Er moest onraad zijn, daarbij meenden we geritsel en eene kruipende beweging in
74
de tent te vernemen. Een slang, was 't vermoeden. Inderdaad, slangen, adders, enz., vindt men allerwege zeer veel en niets natuurlijker dan dat die beestjes de warmte opzoeken en soms wel eens tusschen uwe dekens een slaapplaatsje konden uitkiezen. Fluks met ons drieën aan 't zoeken, doch we vonden niets. Gerust was er geen van de drie op. Niets griezeliger ook dan een slang en voor mijn part wil ik wel bekennen, dat ik voor niets banger ben dan voor slangen. Me dunkt, dat het gezicht van een hyena of van een leeuw me minder zenuwachtig maken zou dan het zien van eene adder. Al schertsend probeerden we de onaangename gewaarwording te verdrijven en weer den slaap te vatten. We kwamen overeen als het waarschijnlijkste aan te nemen, dat Boeftoe hardop gedroomd had, gelijk sommige menschen dat ook wel doen.
25 Juli. â Maandag. Kamp No. 4 Kingant. SYj uur marsch 6âi^/j uur. In een halt uur is vandaag alles op marsch. Gisteren duurde dit nog een vol uur. We trekken door eene mooie heuvelachtige streek, afgewisseld door schilderachtige bosschages en opene vlakten met hoog gras of riet, hier en daar afgebrand. Op mijne vraag, waartoe die gras- en boschbranden dienden, zeide men mij dat de doortrekkende karavanen dien brand soms veroorzaken om de wilde dieren te verjagen, en dat de bewoners dei-streek dit ook wel doen om zeker wild te vangen. Nergens ontmoeten we dorpen, negerhutjes, of menschelijke wezens op onzen weg. Men zegt dat het vroeger langs den karavenweg overal vol dorpen was, doch dat de bewoners, bang voor de Duitschers (Wa-deutshi), zich langs beide kanten teruggetrokken hebben. We ontmoeten een Duitschen koerier, die ons volgens 't gebruik zijn reispas laat zien.
We bevinden ons thans in het districkt Oekwéré (provincie Oesaramo). De Wasarawo- en Shahili-negers langs de kust zijn slecht befaamd. Door hunne meerdere aanraking met de Arabieren, Wangwana's en ander gespuis der kust zijn ze meer verdierlijkt, diefachtiger enz. We passeeren een smal, droog beekje, een zijtak der Kingani-rivier en kiezen ons kamp op eene verhevenheid in eene open vlakte, rondom door bosschen afgezet. Niet ver van ons kamp staat eene kleine groep negerhutten. Op de vele voetpaden ontwaart men de sporen van leeuwen, hyena's en buffels. Alles komt vandaag in orde en vlug aan wal. Pater Gosseau en Br. Jean-Pierre, die, gelukkiger dan ik, ieder een tweeloopsgeweer rijk zijn, hebben vandaag onder weg een paar pintaden geschoten, wat in onze keuken goed te pas komt. Sinds de Kingani hebben wij geen rundvleesch, brood of vruchten meer. We leven voortaan grootendeels van de jacht, rijst, bruine boonen. sorgho of moetama,
75
manioc, aracliiden of aardnoten en anderen inlandsclien kost. Alleen om geen al te groote, te plotselinge en bijgevolg nadeelige revolutie te stichten in onze magen, wisselen we dien inlandsclien kost af, of vullen dien aan met wat vleesch-extract, ingemaakte erwten, wortelen enz., een stukje kaas (nog wel Hollandsche), een brokje scheepsbeschuit en een scheutje wijn om het water onschadelijker te maken. De goede Pater Bresson had ons een kleinen voorraad van een een ander verstrekt. Later, eenmaal in 't binnenland, blijft al dat Europeesch lekkers trapsgewijze achterwege. Men is al blij, wanneer men iets van dat alles heeft voor zieke missiona, rissen; de gezonde eten negerkost: schape-, geite- en buftelvleesch-rijst, bruine boonen, enz. enz.
Weer een vreemd tooneel van avond, terwijl wij al pratend en keuvelend voor onze tent gezeten zijn. Op eenige meters van ons liggen mijne drie Maltezers, rondom hun helder flikkerend vuur te snappen met de andere christenen. âNyoka!quot; ânyoka !quot; een slang! een slang! en bliksemsnel springen allen op. Het is bepaald koddig om te zien, wat bokkensprongen ze maken. Eindelijk heeft er een tegenwoordigheid van geest genoeg om een stok te grijpen en 't dier door een slag te verdooven. Ik kom nader en maak aan de opschudding een einde door de adder in 't vuur te schoppen, waarin ze na eenige wanhopige kronkelingen verbrandt.
26 Juli. Dinsdag. â Feest der H. Anna. â Kamp No. 5 Bouïha., diie en een halt uur marsch, van zes uur tot half tien. Hoe gaarne had ik vandaag mijne H. Mis gelezen! Moge de groote, machtige H, Anna, moeder der H. Maagd, mij beschermen en steunen. In den geest vereenig ik mij met mijne confraters van Jerusalem, die in hun gesticht en kerk, gebouwd boven de plek, waar het huis van Joachim en Anna stond en de H. Maagd onbevlekt ontvangen en geboren werd, dit feest met zooveel luister en godsvrucht vieren kunnen.
\\ eer om zes uur op route bij immer schoon weer. De streek is vandaag niet alleen mooi, maar prachtig, ondanks het droge jaargetijde en het weinige groen. Vele boomen hebben nog hun groen gebladerte behouden. Grillige afwisseling van groene bosch-jes, dorre, grijze, ontbladerde doornstruiken, gras- en rietvelden enz. Het karavanenpad is hier zeer goed begaanbaar, wat niet immer het geval is. Zeer heet weer. Veel achterblijvers onder de dragers, vermoeid onder hun last en erg lijdend van den dorst. Om half tien zijn we 't kamp genaderd, doch eerst om drie uur in den namiddag komen Jacques en Hamsin met de laatste achterblijvers aangestuwd. We kampeeren midden in 't woud op eene kleine ronde open plaats. Ons kamp raakt bijna den boschrand. We
76
dringen zoo dicht opeen als mogelijk is en nemen onze voorzorgen voor den nacht tegen de wilde dieren, waarvan deze bosschen wemelen. Dicht nabij ligt een negerdorp, verscholen in 't bosch. Men had ons verzekerd, dat er bij den dorps-chef goed drinkwater te vinden was, doch het bleek juist hetzelfde troebele, zoutachtige water te zijn als overal elders. Op grooten afstand in een klein beekje vond onze askari min of meer drinkbaar water. Onze jagers konden vandaag onder weg niets snappen; magere keuken dus. Om 4 uur in den namiddag komt het dorpshoofd, Moenié-Tebinko, vergezeld van een zestal oude eerbiedwaardige negertypen (waarschijnlijk den gehelen Gemeenteraad) ons met een bezoek vereeren en een geschenk aanbieden, bestaande in eene vette geit, een liaan en eene maat moetama-meel. We ontvangen den chef' met alle staatsie. Alles in ons kamp, vooral onze tent met wat ze bevat, tafel, bedden, enz. doch meer nog het respectabel aantal geweren voor de tenten opgesteld, trekt hunne aandacht en maakt hunne verbazing gaande. Het zien er goedige, vreedzame lieden uit, van wien we niet® te vreezen hebben. Als tegengeschenk ontvangt hij een paar meters katoenstof; ofschoon hij als een gierigaard bekend staat, schijnt hij toch met ous present in zijn schik te zijn.
De tijd heeft voor negers geen waarde. iloenié-Telimko hield ons wel wat lang aan den praat. Hij begreep natuurlijk niet, dat tijd voor ons, Wazoengoe's, wel waarde heeft, en dat we meer te doen hadden. Heerlijke kalme nacht midden in dit woud. Voor ons boven den boschrand duikt de maan in het donkere loover weg.
27 Juli. â Woeasdrnj. â Kamp Xo. 6 Misiki, twee en een half uur marsch, van zes uur tot half negen. Toen al ons volk zoowat opgetrommeld was, bleek het, dat een drager met zijn vrouw gedeserteerd was, met zijn draagloon (mshahara), benevens nog een andere drager, die echter zijn mshahara niet had meegenomen. Zoo iets gebeurt in alle karavanen zeer dikwijls, vooral zoolang men nog in de nabijheid der kust is. Zoolang ze nog een pesa in den zak hebben en bevreesd zijn, dat die in hun land geen waarde meer hebben zal, zien ze er niet tegen op zes, acht, soms tien uren terug te loopen naar Bagamoyo, om er een of ander voor aan te koopen. We mogen van geluk spreken, dat we tot heden zoo weinig desertie gehad hebben. Dus twee lasten bleven over zonder dragers. Gelukkig vinden we in het nabijgelegen dorp twee lieden om als gombozi = remplacanten tot aan het volgende kamp dienst te doen tegen vergoeding van een Oepandé, twee ellen stof.
Streek als die der vorige dagen. We kampeeren nabij een grooten boom in eene opene vlakte, door bosschen omzoomd. We laten het hooge gras op onze kampplaats door de askari's weg-
77
ruimen. Men bespeurt veel wild en gevogelte in de streek: gazellen, pintaden, snippen, eenden en vooral tortelduiven.
De twee deserteurs van dezen morgen zijn door bewoners der streek opgevangen en worden in liet kamp teruggebracht. Ten einde eens en voor altijd een indrukmakend voorbeeld te stellen en den lust tot deserteeren en stelen te verminderen, besloten we eenpai-ig den twee schuldigen wel geen zware, maar eene in 't oog loopende straf en vernedering te doen ondergaan. We hadden eenige handboeien en voetkluisters bij ons. Onder ons voorzitterschap wordt een soort krijgsraad gehouden, saamgesteld uit de voornaamste nyampara's. Allen zijn het eens over hunne schuld en vinden eene strat hoogst billijk en noodzakelijk. Broeder Jean-Pierre, een groote, stugge kerel, meestal in burgerkleeding, voert de schuldigen, van schrik aan alle ledematen bevend, bij den schouder voor ons, en doet hun met allen ernst en zorgzaamheid de voetkluisters aan. Ze zijn verplicht den geheelen dag en nacht nabij onze tent te blijven onder toezicht van een askari. Alle dragers waren nabijgekomen en van deze bestraffing getuigen geweest. Ik verzeker u, dat de les door allen verstaan en begrepen was. Wat hun vooral vrees aanjoeg, was de bedreiging de deserteurs aan de Duitschers van Mpvvapwa over te leveren. Een oogenblik later in onze tent terug getrokken, proestten we het uit van het lachen. Arme sukkels! Weest maar niet bang voor ons, missionarissen; we willen u in 't minste geen kwaad doen, integendeel alle goed bewijzen.
Dat nam echter niet weg, dat het eene noodzakelijke komedie was. Er moest gezag en tucht zijn. Hoe anders de orde te handhaven onder een achthonderdtal negers! Hoe te beletten dat de dragers ons, midden in eene wildernis, met onze lasten in den steek laten, of nog erger er mee aan den haal gaan! Achter at droegen we zorg, dat het onzen gevangenen niet aan voedsel ontbrak en dat ze des nachts geen koude leden.
O de negeis (al ons volkje) weten al lang dat we niet kwaad, streng, boos (wabaya,) zijn, neen, maar wel, goed (wazoeri), zeer goed (wazoeri sana), heelemaal goed (wazoeri sana kabisa) zijn. En het bewijs is: den geheelen namiddag nagenoeg na dit voorval brachten wij door met wonden en ettergezwellen tereinigen en te verbinden en zieken te behandelen.
De nyampara Yitevo houdt van avond op zijne beurt eene redevoering naar aanleiding van 't gebeurde met de deserteurs. Op eene voor dit zwarte volkje bevattelijke manier boezemde hij hun eene heilzame vrees in, wees op de strat en vooral op de mogelijkheid van met de Wadeutshi (de Duitschers) kennis te maken.
78
28 Juli. Kamp No. 7; Sata-Kiboebwa. Vier uur marsch, van half zes tot half tien. Onze karavaan marcheert al meer en meer in de beste orde. Iedere nyampara heeft met zijn troep zijne plaats in de slingerende kronkelende rij van een halt uur lang. Kitevo voorop en Tousiri achteraan. Pater Gosseau met zes askari's voorop. Achter de eerste vierhonderd man (3 nyampara's) de Broeder met Karei en vier askari's. Tweehonderd, soms driehonderd man achter den Broeder marcheer ik, in den regel met Leo Oussembe en vier askari's. Eindelijk achter de lieden van Tousiri sluiten zes askari's, benevens Karei Bouzabaliaü, Josef Mongoïa, Alfons, Fabiaan, Jacques en Hamsin immer de karavaan. Als er geen achtei'blijvers, zieken of deserteurs zijn, dan komen ze onmiddellijk achter Tousiri. Soms echter zijn ze een kwartier, halt uur, een uur of meer achter het gros der karavaan. Insgelijks zijn vaak de tien laatste askari's ten achter, wijl die in last hebben de achterblijvers in 't oog te houden, niet alleen te laten en voort te doen sukkelen. Hij, die aan 't front oprukt, heeft gedurende de marsch weinig of geen zorg, en enkel den tred van zijn langoor in te toornen en langzaam, gelijkmatig voort te doen stappen, opdat de karavaan door te grooten spoed achter hem niet onderbroken worde. Zelden of nooit wordt eene karavaan van voren aangevallen. Aan 't hoofd te marcheeren lijkt een ware triomftocht. Als men daarbij jager is, dan heeft men alle gelegenheid zijn lust te bevredigen. Links en rechts van 't karavanen-pad ziet men, vooral in den vroegen morgen, allerlei wild en gevogelte opstuiven. Achteraan bespeurt men niets, wijl alles door 't rumoer der doortrekkende karavanen is weggevloden, uitgenomen de minder schuwe tortelduiven.
Aanvallen of berooving en uitschudding der dragers is vooral aan 't einde der karavaan, of nagenoeg aan het einde te vreezen. Daar is minstens een dubbel aantal askari's noodig. Daar heet het oppassen, en is eene voortdurende surveillance hoog noodzakelijk. Het is ongeloofelijk, hoe vermoeiend dat baantje is. De voorste helft der karavaan, of zelfs twee derden marcheert immer goed aaneengesloten, doch alle zieken, vermoeiden, kreupelen, enz. komen aan 't einde terecht met het onvermijdelijk gevolg, dat de rij daar zeer dikwijls onderbroken is. Met tien, twintig, dertig meter tusschenruimte soms, vooral op 't einde eener lange marsch; ziet men ze aan komen strompelen, soms alleen, soms bij groepen van drie, vier. vijf', zelfs vijftien ii twintig man. In plaats van de tien askari's aan de achterhoede bijeen te laten, is het in die gevallen zaak ze te verspreiden over een afstand, soms van een kilometer, en hen te belasten, die afgescheidene groepjes of geïso-
79
leerde dragers in 't oog te houden, op een overval van roovers bereid te zijn, de achterblijvers tot spoed aan te zetten, op gevaar af wat ruw te werk te gaan en wat hard te roepen of te dreigen. De troep van Tousiri, ofschoon grootendeels uit jonge lieden saam-gesteld, marcheert immer in goede orde, niet zoo de troepen der vier voorgaande nyampara's, en daarom plaats ik mij gewoonlijk achter de laatsten, onmiddellijk voor de kirangozi (gidsend van Tousiri. De drie negers van Malta, ieder bevelvoerend over vijf askari's, bewijzen, vooral op marscli, uitstekende diensten door goed te surveilleeren en de orde te handhaven.
Het overzicht is uiterst moeilijk; want uitgenomen in de vlakten, kan één persoon hoogstens van twintig tot veertig dragers in 't oog houden, soms nog minder. Dit ligt aan het immer kronkelend pad, nu eens afdalend in een ravijn of in eene rivier, dan weer verdwijnend in een dicht bosch of in een rietveld enz. Als de dragers Wasakoema's of Wanyamoeëzi's zijn, dan gebeurt het zelden, dat ze hun last wegwerpen of stelen zullen, of het moest zijn, dat ze door ziekte, vermoeidheid enz. letterlijk niet meer voort kunnen. Iets anders zou het wezen als de dragers uit de streek zijn, die men doortrekt, b. v. : Washahili's, Wasaramo's, Wakarai's, Wago-go's enz. Gevaar voor verlies komt van den kant der roovers, roega-roega's of lieden der streek, die, in een bosch verscholen, een eenzamen drager, vooral vrouwen en zelfs groepjes van dragers overvallen, hun den last en de kleederen ontrukken, en hen bij weerstand soms dooden, verwonden of als slaaf meesleuren in het bosch, en dit met de snelheid des bliksems. Over het algemeen zijn de negers bang en laf. Zij zullen b. v. in 't geval van zulk een overval den last neerwerpen en als ze kunnen, de plaat poetsen ; enkel uit vrees durven zij dan nog niet om hulp te roepen. Men ziet dus, dat er heel wat in 't oog te houden is.
De streek van vandaag is mooier en schilderachtiger dan die der vorige dagen. De noodige kennis ontbreekt mij om in bizou-derheden te treden over de verschillende vreemde boom- en houtsoorten, over de verscheidene onbekende vogels, enz. enz. Ons kamp is gelegen in eene vlakte door bosschages, door boomen en hier en daar op een half unr afstand door donkere wouden omzet. Pater Gosseau schoot van morgen een mooien, onbekenden vogel. Daardoor verlokt, togen de Pater en de Broeder in den namiddag ter jacht, doch zij kwamen met leege veitasch terug.
Ziekenverpleging als gewoonlijk, 's Avonds kwam een neger om een daouii, geneesmiddel, vragen voor zijn jongen, die naar zijn zeggen gek was, niet sprak en niet wilde eten. Men zei ons, dat de vader den armen hals erg mishandelde en dat hij hem den
80
een ot anderen dag zeker, de hyena's ten prooi, in een bosch zon achterlaten. Deze lieden meenen, dat we voor alles geneesmiddelen hebben. De jongen leek inderdaad idioot te zijn en mogelijk wel.... bezeten. âHij deed zoo wonder aardig,quot; getuigden de lui.
We lieten hem gewijd water drinken, en verweten den ontaarden vader zijne wreedheid. âGe verdient den naam van vader niet.quot; âNeen, zeker niet,quot; bevestigden de omstanders. âMeester,quot; zeiden zij tot mij âhij is een booi mensch.quot; We zeiden aan papa, dat wij zijn zoon onder onze bescherming namen, dat hij er voor te zorgen had, dat hij hem te eten moest geven enz., en dat wij het oog op hem zouden hebben. Hij beloofde een en ander stellig en inderdaad de les hielp.
29 Juli, Vrijdag, Feest der H. Martha. Kame Xo. 8, Msoewa. Vijf uur marsch van halt zes tot half elf. Het ver verwijderde kamp ligt nagenoeg op de grens van de twee provinciën Oesaramo en Oekami. We komen dus in in het land der Wakumi's. De drie laatste kampen Bouïra, Mbiki en Satakikoebwa komen niet voor op de kaart. In rechte lijn naar West, min ot meer Zuidwest, bedraagt de afstand tnsschen Msoewa en Bagamoyo elt eu een half uur, en we hebben al drie en twintig uur gekuierd !
Drie lasten blijven dezen morgen liggen, wijl de dragers ziek zijn, ofwel niet op 't appel verschijnen. Zonder veel moeite vinden we toch remplaoanten. Vandaag passeeren we het berucht bosch van Msoewa, een uur lang. De karavaan vordert zeer langzaam en marcheert met alle behoedzaamheid.
Verbeeldt u een bosch, gevormd door boomen van allerlei soort, grootte en gedaante, verder door allerlei struikgewas, sparhout, bamboestwijgen, en dat alles nog doorstrengeld met slingerende lianen en klimopgewassen. Midden door dat bosch loopt in grillige bochten een pad, ot beter gezegd een pijp, van één meter, soms maar een halven meter breed. De dooreengegroeide lianen en twijgen vormen een voor de zonnestralen ondoordringbaar gewelf. Nu en dan is dat gewelf zoo laag, dat de drager zich bukken moet, soms bijna op de knieën voortkruipen.
Het is er kil en bijna duister. De beide wanden van dien boschtunnel zouden onmogelijk aan roovers een doorgang verleenen, doch wel de kruis- en dwarspijpen die men nu en dan rechts en links bespeurt. Op zulk kruispunt beloert de roega-roega zijn prooi. Hier vooral is alle waakzaamheid noodig. Alle askari's krijgen bevel hunne geweren gereed te houden en hunne oplettendheid te verdubbelen. Ik stijg van mijn ezel en schrijd in de donkere boschgewelven voort; ik heb mijn geladen revolver in de hand, want niet alleen roovers, maar ook wilde dieren van aller-
81
lei soort huizen in dit geheimzinnige bosch. Gewis de toovenaars en de duivelaanbidders uit den omjrek kunnen geen beter oord uitkiezen voor hun nachtelijken heksensabbat. Alles ziet er gruwzaam en mysterieus uit. Onze dragers hebbeu alle moeite om vooruit te komen. Gedurig hoort men voor en achter zich misigo's op den grond ploften. Ieder oogenblik raken ze met hun last verward in de twijgen, bamboesstengels en slingerplanten. Soms verliezen ze zeiven het evenwicht, en vallen onder, of naast hun last neer. Arme sukkels! Ze hebben toch alle zorg voor hunne lasten. Vooral de vrouwen, die immer hun last op het hoofd dragen, doen wonderen van balanceerkunst eu behendigheid. Ze slagen veel beter dan de mannen, en struikelen of raken zelden verward met hun mitoemba (balen.) ilijn ezel, door mijn askari, Magina, bij den toom geleid, heeft moeite genoeg zonder berijder vooruit te komen, want gedurig versperren boomwortels of boomtakken het pad.
Eindelijk na een uur lang sukkelen, hebben wij het fameuze bosch achter ons. Onmogelijk kan de dragersrij geregeld aaneengesloten blijven. Toch vermisten we geen enkel drager en geen enkelen last. Evenwel liggen er, naar men zegt, in dat bosch verscheidene Wakami dorpen verscholen, waarschijnlijk meest bestaande uit struikroovers. W e hebben er geen enkelen ontmoet.
Om halt elt bereiken we allen zeer vermoeid ons kamp, zeer aardig gelegen, bijna midden in het woud, op eene verhevenheid, langs drie kanten door den bosclirand omgeven en tevens beschut. Vóór ons naar t Oosten slechts breidt zich eene kleine vlakte uit, met laag struikgewas bezet.
We namen vandaag bijzondere voorzorgen in het kiezen en anangeeren van ons kamp. De acht hoopen bagage waren iu een engen kring rondom onze tent gelegen, en ook onze lieden met hunne hutjes en tentjes waren dichter opeen gedrongen. Aan drie zijden werd eene boraa (omheining) uit doornen takken enz., aangebracht, om wilde diereu, ook wel roovers te beletten ons kamp onverhoeds binnen te dringen. Mede om de wilde dieren op een atstaud te houden en tegelijk als veiligheidsmiddel, had iedere askari last eene goede paitij droog hout te gaan zoeken, om den heelen nacht groote wachtvuren te onderhouden. Een vóór de tent der missionarissen, midden tusschen de acht stapels goederen, en deze alle beschijnend, en de vier andere op vier uithoeken, nagenoeg aan den buitenrand van het kamp. Twee, soms vier askari's betrekken iedereu avond de wacht en worden om middernacht door twee of vier andere afgelost. Aldus is het naderen van wilde dieren (vooral hyena's ot tijgers) zeer zeldzaam, wordt een onver-
82
lioedsche overval onmogelijk en is er geen vrees, dat lieden uit het kamp zelf de lasten naderen en die stelen zouden.
Ons kamp was vandaag bepaald naar alle eischen der strategie ingericht. Met eenige veranderingen, afhankelijk van plaats, landstreek enz. behoort overigens immer het kamp eener karavaan aldus te worden ingericht. Onze tent verheft zich op eene zandige verhevenheid, van waar men alles overziet. Onze confraters van de tiende karavaan kampeerden juist op dezelfde plaats den 5 Aug. 1891, zoo vertelt Humsin ons. Hun dagboek geef: aan, dat Pater Levesque hier erg werd toegetakeld door een bijenzwerm, die uit een hollen boomstam onverwacht op hem afkwam. Msoewa ligt reeds honderd en vijf meter boven de oppervlakte der zee.
Het hoofd van liet negerdorp, dat niet ver van ons in het woud verscholen ligt, komt ons groeten en ons een geschenk, bestaande uit kuikens, aanbieden.
Kipamila hield van avond weer een âspeechquot;. Al ons volkje werd dringend aangemaand, om, in geval van noodzakelijkheid zich gedurende den nacht op een behoorlijken afstand van het kamp te begeven, wijl de Wazoedgoe's (Blanken) niet verkozen, dat liet kamp door zekere uitwasemingen verpest werd. De negers houden er geen ambtenaren op na, belast met de openbare gezondheid. Het einde der delicate redevoering werd door een algemeen veelbeteeke-nend gelach begroet, allen hadden begrepen. Dezen gezondheidsmaatregel kan ik aan alle karavanen-aanvoerders recommandeeren.
30 Juli Zaterdag. Kamp No. 9 Kisemo. Vier uur marsch van halt zes tot half' tien. De streek wordt mooier, heuvelachtiger. Als bijna overal (van Bogamoyo tot Mpwapwa) afwisseling van vlakten met dor gras en ontbladerde doornstruiken, elfen vlakten met hoog riet of gras, en bosch van verschillende breedte, hier cn daar even dooreengestrengeld en ondoordringbaar als het bosch van Mosewa. De weg of liever het voetpad is hier en daar slecht begaanbaar, maar in elk geval droog. Dikwijls is er oponthoud en wordt bijgevolg de rij onderbroken door het trekken over diepten, over droge beddingen van kleine stroomen (in de masika of' het regenseizoen vol water) soms met zeer steile boorden, 't Is een heel gesukkel voor onze lieden met hun last op hunne schouders, om zonder struikelen over te komen.
Hier en daar langs 't pad valt uw oog op witte, uitgebleekte doodshoofden en menschelijke geraamten. Onze negers letten op
zoo iets volstrekt niet, ze zijn er gewoon aan!---- De missionaris
echter kan een gevoel van huivering, van deernis en medelijden niet onderdrukken. Bij eeiie van zulke ontmoetingen in eene groote grasvlakte was ik afgestegen, ik zette mij langs het pad in 't
83
hooge gras neer, en liet liet achterste gedeelte onzer karavaan pas-seeren, intusschen aan mijne gedachten den vrijen teugel latend. Terwijl mijn oog op een dier doodshoofden gevestigd was, dacht ik: âArme zwarte Broeder ot Zuster, waart gij slaaf en liet uw wreede meester u hier achter, of doodde hij u misschien om wat posho (kost) uit te winnen?
Waart gij drager in eene Arabieren karavaan en ziek, en be-zweekt gij hier? Verscheurde een dier u hier in deze pori (wildernis)? Of vverdt gij een slachtoffer der roega-roega's, die verleden jaar hier zoo verschrikkelijk huishielden, alles platbrandend, vermoordend of als slaaf meevoerend?.... En vooral, waar is uwé arme ziel?â Mijn (jod, wat treurige gedachten!
Tegen 9 ure komen we in eene soort van lange vallei met droog gi as overdekt. Links en rechts ontdekt men dorpen zeer wel verscholen tusschen hoog geboomte, dat vroeger met opzet geplant schijnt te zijn om het dorp te beschutten.
Inderdaad zouden met eenig verstand en overleg zulke verschanste dorpen zeer goed te verdedigen zijn. Ãéne enkele nauwelijks zichtbare poort, uit geduchte balken en stevig houtwerk vervaardigd, geeft den toegang.
Midden in die soort van vallei zien we boven in een boom eene Duitsclie vlag wapperen. Waarschijnlijk hadden al die dorpshoofden het Duitsche gezag erkend, en als gemeenschappelijk bewijs daar die vlag geheschen. Bijna overal in die dorpen bezit men eene Duitsche vlag, en de chefs zorgen wel die te hijschen, vooral bij 't doortrekken eener karavaan van Wazoengoe's. Het moet gezegd worden, dat de Duitschers reeds goed op weg zijn om overal in hunne groote Afrikaausche kolonie hun gezag te doen erkennen. Uitgenomen bij eenige zwervende rooversstammen, o. a. de Wahéhes, Massaï, Djagga's enz., is hun gezag algemeen in eer. Het land is reeds rustiger en veiliger; de karavanen hebben weinig of niets meer te vreezen; de fameuze hongo's (tolrechten), vroeger door tal van sultans en potentaatjes den Europeanen afgeperst, zijn vervallen; integendeel, men brengt thans bij de Europeanen geschenken. De Duitschers laten dan ook niet met zich spotten, en het is ongeloofe-lijk hoe bang de negers voor hen zijn. Om te beginnen heeft dit zijne goede zijde; de vrees is voor den neger het begin der wijsheid en handelbaarheid. In geheel het Duitsch Oost-Afrikaansch gebied hoort men niet meer of zeer weinig van slavenjachten, behalve in den zuidelijken hoek na bij 't Nyassa-meer en misschien ook naar 't Noorden, nabij de Kenia- en de Kiiimandjarobergen. Ook de Inlandsclie oorlogen onder negers, onderling, (waarvan slavenhandel gewoonlijk hoofdmotief is) worden zeldzamer. Wel duurt
84
de slavenhandel immer in 't geniep voort. Natuurlijk zal dat zoo blijven, zoolang de macht der Arabieren en de Wangwana's van Bagamoyo, Tabora en Oejiji e. a. niet gefnuikt is, doch dit zal met den tijd komen. Het ware in elk geval te wenschen, dat de Engel-schen, Franschen, Portugeezen en de Belgische Congostaat zoover gevorderd waren in 't fnuiken van den slavenhandel als de Duitschers.
Van de Duitsche vlag gesproken: alle karavanen (zoowel die van Europeanen als van Arabieren, Indiërs of Negers) reizen onder Duitsche vlag, en ik geloof dat zelfs een Stanley het niet meer wagen zou de groene vlag van den valschen proleet aan 't hoofd zijner karavaan te doen dragen! De vlag is rood-wit-zwart, doch de zwarte baan is bijna altijd donker blauw of blauwachtig getint, zoodat het sprekend de Hollandsche vlag is. Een paar onzer nyam-para's, lier op hun bendera (vlag) der Wadeutshi (Duitschers), voerden alzoo de Hollandsche driekleur. Het deed mij een zeker heimelijk genoegen aldus, als 't ware, onder de geliefde vaderlaudsche kleuren te reizen, al was het eene lictie!
We kozen als kampplaats eene kleine verhevenheid in de vallei, links van het pad. Het liad heel wat in, om met behulp van schoppen, bijlen en hakken het hooge gras en de struiken weg te ruimen van het terrein voor ons kamp bestemd. Eenmaal gereed, hadden we een mooi kamp met fraai uitzicht op de vallei en omliggende dorpen.
Voor de eerste maal sinds ons vertrek van Bagamoyo, komen de dorpsbewoners ons en ons volk levensmiddelen te koop aanbieden; kippen, eieren, meel, patatten, maïs, manioc enz. Het is waar, dat de streek tot hiertoe onbewoond is ot althans onbewoond schijnt. Weinig of geen dorpen en bebouwd land. De bewoners hielden zich schuil in de meening, dat ook wij Duitschers waren. Vandaar gebrek aan levensmiddelen, wat voor een karavaan van 800 man zeer hinderlijk kan zijn. Gelukkig hadden onze lieden van Sewa als posho (loon om den kost te koopen) een voorraad erwten en linzen meegekregen, doch de meesfen hadden alles al op. Zelfs wij gevoelden er den terugslag van. Buiten eenige kuikens, als geschenk ontvangen eu eenige piutaden, duiven enz. op marsch geschoten, was onze keuken mager. Vandaag echter geen gebrek en ons volkje deed heel wat inkoopen.
Vreemd, juist als in Europa zijn liet bijna uitsluitend de vrouwen, die ter markt gaan om hun waren te verruilen. De levensmiddelen zijn dit jaar vrij duur, althans hier. Toch heeft men vóór één Oepanda (twee ellen witte katoenen stof, circa veertig centen) twaalf of vijftien eieren, een groote maat maïs of moutaraa meel of een mooien zak zoete patatten.
85
Deze bevolking ziet er zeer welwillend en gunstig uit; liet lijken bedaarde, vreedzame lieden. Men vindt er sclioone negertypen onder met regelmatige, bijna Enropeesche gelaatstrekken, en niet die terugstootende, brutale gelaatsuitdrukking: liet laag uitwijkend voorhoofJ, de dikke lippen, platte wipneus, enz., zooals men die vindt bij de negers van Guineii, Dahomey, Senegal, Westersch Soudan, enz. Men bedriegt zich zeer als men zich alle negers van Atrila aldus voorstelt. Uitgenomen de zwarte kleur, ontmoet men dikwijls onder de negers van Oost-Afrika prachtig gebouwde mensclien, figuren met soms bijna ideale en zeer verstandige gelaatsuitdrukking. De zwarte kleur is lang zoo afzichtelijk niet als men wel neemt. Bijna altijd lijkt het op een soort van doorschijnend zwart ivoor, wat een aangenamen indruk maakt. Men is er spoedig aan gewend. Het ongeluk is maar, dat men gewoon is witte mensclien te zien. Indruk van louter gewoonte, niets minder of meer! Voor mijn part vind ik er geen verschil meer in. En zoo is het met honderden andere dingen. Och, kom ! alle Adamskinderen, over den heelen aardbodem verspreid, ze mogen wit, zwart, bruin, kopergeel, groen gekleurd zijn, ze mogen onvoldoende, schamel, piek-piektijn a la mode de Paris gekleed zijn, duizenden verscliillende talen spreken, hun eigen kost, woning, wapenen, nering, wetenschappen, godsdienst, enz. hebben, ' alle Adamskinderen, zeg ik, zijn broeders en zusters en lijken dm sprekend op elkander, vooral in het oog van den missionaris. Gewis de Dahomey-negers en anderen vertoonen brutale, verdierlijkte typen, vooral veroorzaakt door hunne monsterachtige ondeugden, wreedheid, ontucht, dronkenschap. Doch vindt men zulke, zelts physiek-afzichtelijke typen niet evenzeer in de onderste lagen der maatschappij in Lnropa ? Men stelle zich slechts eene commune of revolutie voor en t oog zal zulke witte ot gebruinde monsters in overvloed ontmoeten 1
Vele bewoners van leisemo waren zelfs niet eens zwart, maar halt blank gekleurd. De kleintjes, die, in een stuk stof gebonden, door de mama's op den rug gedragen werden, zagen er zeer liet en snoeperig uit. Ik overdrijf niet: soms wezenlijke engelenkopjes, en Rafael zou 't niet vermoed hebben over zulke modellen te kunnen beschikken om zwarte cherubijntjes te malen. Helaas ! niets ontbrak, als de arme kleintjes maar gedoopt en kinderen Gods waren.
ol .Juli. Zondag, Feest van den H. Ignatius van Loyola. â Het is de dag dcS Heeren en rustdag. Al onze heidenen protiteeren er van. Jammer, dat we niet eiken Zondag een rustdag nemen kunnen. Overigens hadden onze dragers wel een dag rust noodig, na acht dagen marclieerens. De eerste veertien dagen lijden jeng-
so
dige dragers vooral veel van de vermoeienis. Later worden ze er al meer en meer aan gewoon. Hoe gelukkig zijn we, vandaag weer beiden onze H. Mis te kunnen lezen. De tent wordt ojige-rnimd en zoo goed mogelijk in orde gebracht, een kruisbeeld en eenige platen opgehangen, enz.
Moge de groote H. Ignatius ons iets verkrijgen en mededeelen van zijn gloeienden zielendorst. zijn brandende lietde Gods en ijver voor de zaligheid der zielen. Een waar soldaat van Christus, veroveraar van zielen, groot missionaris was de H. Ignatius, en welke beproefde, onoverwinnelijke keurbende, lijfwacht als 't ware, heeft hij aan de H. Kerk toegevoegd ! Legioenen van apostelen en missionarissen strijden na zijn do'd en thar.s nog onder zijn bevel, volgens zijne veldplannen in de beschaafde en onbeschaafde wereld. Dank aan hem en aan zijne Jesuïten werd de groote apostasie der Die eeuw beteugeld ; in de heltt van 't afvallige Europa, in Engeland, Nederland en Duitschland gered, wat nog te redden was ; Oostenrijk en Zuid-Dnitschland grooten-deels herwonnen op de dwaling, en in de zuidelijke helft van Europa het geloof verlevendigd en bevestigd. Doch de heele wereld is hun str.jdveld en, terwijl een leger in het onde Europa het Geloof schraagt en behoedt, trekt een ander leger ter verovering uit naar Oost, Zuid en West. De H. Franciscus Xaverius alleen herwint voor de Moederkerk zooveel als de heillooze dwaling van Luther c. s. deed afvallen. Wat al veroveringen allerwegen in China, in de Indien, op Afrika's kusten, in Amerika (Paraguay, Mexiko, enz)! Wat namen van missionarissen, als: P. Ricci en Ad. Schall, de Xoblli. de Zalige de Critto, Gaspar Perse (de Xederlandsehe Franciscus Xaverius genaamd), de H. Petrus Claver en honderden anderen!
Dien morgen ontvingen we om 9 uur bezoek in ons kamp van Luitenant Brüning, commandant van den Duitschen post Kilossa, die zich niet zeven Zoeloe-soldaten naar de kust begaf. Z. Ed. Gestrenge was zoo minzaam mogelijk en vertoefde twee uur bij ons. Jammer dat men die heeren bij allen goeden wil zoo weinig offreeren kaïj : in een karavaan is men toch weinig rijker of beter voorzien dan de negers zeiven. Een tas chocolade evenwel is het ons mogelijk Z.Ed. te kunnen aanbieden. Ik haalde daarna mijn kistje sigaren voor den dag, en dat werd eigenlijk nog als het kostelijkste van alles gewaardeerd.
Dien avond kwam Leo Oessembe mij roepen en mij zeggen, dat een toovenaar bezig was met waarzeggerij, hekserij, duivelskunsten in één woord, uit te voeren. Fluks er naar toe. Na eenige minuten toeziens stond mij dat boeltje in het geheel niet aan. Ik verbood daarom streng er mee voort te gaan en er in het vervolg op-
nieuw mede te beginnen, wijl de niissioiKU-issen dit in hun kamp niet gedoogen, daar dit ongeluk aanbrengt, zwarte tooverkunst is en van de booze geesten, de duivels voortkomt. Natuurlijk wachtte ik mij wel er mee te lachen, te spotten of te zeggen, dat die praktijken enkel overbodig, belachelijk, nutteloos of soms vermakelijk waren, en mij aan te stellen alsof ik van dat alles niets geloofde. Een missionaris, die in heidensclie landen als Afrika aldus datgene zou opvatten, wat men gewoonlijk verstaat ouder den naam van ;)bijgeloovighedenquot; (een woord, dat in den regel slecht begrepen wordt), en er zijn gedragslijn naar vormen wilde, zou niet alleen door de negers worden uitgelachen als iemand die ziende blind is, en de oogen sluit voor de werkelijkheid, doch het zou mij benieuwen, hoe hij met dat stelsel eene orthodoxe leer wil verkondigen. Overigens is dit overal zoo. Hoe b. v. de oogen te sluiten in tegenwoordigheid van Satan's werkzaamheid en manifestaties in negentieneeuwschen vorm gestoken onder namen als magnetisme, spiritisme, hypnotisme, enz., de mysteries der vrijmetselarij als twee druppelen water gelijkend op de mysteries van Eleusis en Samothrace, den sabbat der middeleeuwen, de vergaderingen der Muzelman-nen in Noord-AtVika, den sabbat der toovenaars in Afrika, enz. ? Er is niets nieuws onder de zon. Neen als de Apostelen en de eerste christenen, als de geloofsverkondigers in 't nog heidensch Europa dienen we hun te zeggen: âWe kennen dat alles; die âmacht komt u van Satan, hij, dien ge aanbidt en aldus eert en ..huldigt, heet nogmaals Satan of heer van booze geesten. Ver-âzaakt Satan en zijne werken: verbrandt wat ge hebt aanbeden; âwerpt af die amulelten, al die teekenen van verbond (pactum) âmet Satan, vooral dat ..signum lestiaequot; (teeken van het beest), âaanbidt integendeel Moengoe, den éénen, waren God, Dien we u âverkondigen, voor Wien al uwe booze geesten en duivels beven âen machteloos zijn. Vereert de engelen van Moengoe, goede gees-âten, die u geen kwaad doen,quot; enz. enz.
De toovenaar van vanavond was een nog jong mensch, en scheen eene groote reputatie te hebben. Hij behoorde onder de lieden van den nyanipara Merare. Alleen de Wanyamoewezi van ons kamp schenen er zich mee op te houden en niet onze zeshonderd Wa-soekoema's, ofschoon overigens aan duivelskunst, zwarte kunst enz. evenzeer overgegeven. Dezen hebben hun eigen praktijken, en uit nationaleu trots en afkeer willen ze niets van genen weten, juist gelijk b.v. het Groot-Oosten van Amerika of Italië soms overhoop ligt met dat van Frankrijk. In den grond is dat aan Satan volkomen onverschillig, want op slot van rekening zijn allen zijn trouwe slaven. Het jong-mensch gat aan allen, die zijne kunsten macht willen ondervinden.
8S
met maïsmeel een teeken op de borst, voorhoofd of schouder. Zijne moeder, eeue oude tooverheks, diende hem als medium. De operatie geleek volkomen op hypnotiseeren. Hij bediende zich van een zwarten koestaart om door aanraking daarmede op zijn medium te infiueuceeren eu haar helderziend, profetisch te maken. Daarna vertelde de tooverkol U alles, wat ge maar weten wildef, of ge b.v. eene geheime, inwendige ziekte hadt, of morgen de reis gelukkig zou zijn, wat er op een afstand gebeurde, enz. Vooral de golvende, kronkelende, slangachtige beweging van den staart zonder zichtbare oorzaak had iets huiveringwekkends. De staart is in de meeste streken van Oost-Atrika een der geduchtste machtteekeuen en eeu kenmerk van eeu innig verbond met Satan. Later vertelde men dat de toovenaar verklaard had geen macht te hebben over ons âmapa-deriquot;, als zijnde âgoed en zuiver.quot;
Kenschetsend! En de spiritisten en hypnotiseerders in Europa, die meermalen gedwongen waren hetzelde te bekennen?
Morgen groote dagmarseh van vijf uur. We laten door onze Malthezers eene revue houden over ons bataljon askari's, die er reeds kranig, als echte ijzervreters beginnen uit te zien. Kisemo ligt 1(30 nieter boven de oppervlakte der zee.
i Augustus, Maandag, Feest van St. FieJershauden. Kamp No. 10, Guékexuéré. Vijf uur marsch â van zes tot elt uren â De rust schijnt ons volkje lui en vadsig te maken. Mogelijk waren ze ook ziek, omdat ze gisteren te veel gegeten hadden. In alle geval, van morgen lieten zich wel vijftig dragers door gombozi vervangen. Voor ons is het. om lier even : want die kosten (een stuk stof, gewoonlijk 1 Gepande of '/s i'oti) is voor hunne rekening. Als groote heeren volgen ze dan hun remplagant. Lieden uit de dorpen, die zeer blij waren daardoor een stuk stof te verdienen, ontbraken van morgen hier niet. Een lummel vooral deed met zich lachen. Reeds een kwartier op weg, liep hij nog terug naar het kamp om ecu gombozi op te sporen. Allen lachten hem uit.
Een half uur marcheeren we door rietvelden en droge moerassen. Ik liep vandaag minstens vier nur te voet. Een jongen van vijftien jaar in onze karavaan leed geweldig aan een soort heupontwrichting en sleepte zich met de grootste moeite voort. Zeker ware hij in de wildernis achtergebleven en daar even zeker omgekomen van honger, of als prooi der wilde dieren. Ik aarzelde geen seconde, steeg at, tilde hem op mijn ezel (de arme bloed was zoo licht als een veer), en liet den ezel door mijn askari bij den toom leiden. âWeest barmhartig en gij zult barmhartigheid verwerven,quot; zegt O. L. Heer.
89
De negers wareu niet weinig verwonderd over mijne handelwijze, en begrepen er niets van. Anne verblinden !
In het kamp verzorgd, kon de jongen den volgenden morgen met behulp van een stok de karavaan volgen.
Tegen elf uren passeeren we de rivier Griiéienguéré, ot' liever een der twee groote vertakkingen der Kingani-rivier, die den naam van Gnérenguéré heeft. De Kingani van Bagamoyo, na eerst twintig uur ver in Zuidwestelijke richting opgeklommen te zijn, splitst zich, en de tak Gnérenguéré loopt dan in Noordwestelijke richting, twintig uur ver tot op de hoogte van Bagamoyo, vormt daar een kromming en klimt weer in Zuidwestelijke richting, in meerdere stroompjes gesplist, naar de bergen van Mrogero, waar ze haar oorsprong heeft. De rivier, ofschoon twintig meter breed, is gemakkelijk over te komen. Ze heett zacht glooiende oevers, slechts een halven nieter water en een harden bodem. Ze vertraagt onze karavaan geen oogenblik.
De karavanen kampeeren gewoonlijk vlak aan de overzijde op een groot terrein, dat inderdaad alle sporen draagt van legerkrmpen ; halt verbrande loothutjes, de assche der kampvuren enz. enz. Doch juist sommige ondubbelzinnige sporen van menschelijke tegen-woordigheid deden ons besluiten tien minuten verder te trekken en een nieuw, althans rein en onbesmet terrein voor onze karavaan uit te zoeken. We legerden dus honderd nieter links van den weg in een soort van woudachtige diepte van een zeer schilderachtig uitzicht. Het hooge gras en 't struikgewas was spoedig weggemaaid. Onze tent werd opgeslagen nabij een kolos-salen boabab-boom van wel tien nieter omtrek. De stam bestond eigenlijk uit vier stammen, nagenoeg ineengegroeid. We bevinden ons reeds op een aanmerkelijke hoogte (180 M. boven de zee) en men ziet van hieruit reeds de bergen van Mrogero.
Ik had me vandaag op een zeker punt van de route geplaatst om ons volk te tellen, 807 man en drie missionarissen, te zamen 810 man. Na den middag ontvingen we een bezoek van den sultan, den vorst der streek. De grijsaard zag er met zijn gouden kroon op 't hootd bepaald koninklijk uit. Wie mag wel Zijne Majesteit dat meubel aan de hand gedaan hebben? De kroon bestond uit een band verguld koper, tandsgewijze uitgeknipt. We waren niet weinig verrast door deze imposante verschijning. De sultan was vergezeld van vier ouderlingen; hij zag er zeer goedig uit. Als overal ontvangen we een geschenk, en geven we een tegengeschenk.
Om 4 uren komt men ons verwittigen, dat er een kleine troep nadert, die een âBwaua paderiquot; in een hangmat draagt. Een
90
missionaris! Wie kan dat zijn? Het was een Broeder van de Paters van den JL Geest uit de statie Mrogero, die, zwaar ziek en uitgeput, (naar 't scheen eene vergevorderde tering ot anemie) naar de kust terugkeerde. Twee christenen droegen hem in een deken, aan een draaghout bevestigd. We hadden het grootste medelijden met den Broeder, en trachtten hem het beste te geven, wat we vermochten. Hij zag er zoo treurig uit.
~ Dinsdag. Feed van den 11. Alfonsm Maria. Kamp Xu. 11. Yanué âYangé, â drie ea een halt uur marsch, â van zes uren tot halt tien. â De landstreek krijgt een heel ander aanzien en begint er reeds bergachtiger uit te zien. Schoon land, doch weinig ot' niet bewoond en bebouwd. We trekken nog immer bij afwisseling door vlakten met hoog gras en riet, en menige âporiquot;. De negers hebben gedurig dit woord in den mond en op uw vraag s morgens wat voor streek we dien dag aantretfen is bijna altijd hun antwoord: âniets dan pori, veel poriquot;. Pori wil eigenlijk zeggen eene dorre, onbewoonde vlakte of wildernis, enkel bedekt met mager gras en eenige knoestige verwrongen hoornen of struiken. ^ e passeeren eenige droge beddingen van kleine stroompjes. In 't regenseizoen zijn die alle boordevol, en zouden onoverkomelijke moeilijkheden aan eene karavaan opleveren, die gedurende de tropische regens zon reizen. Xu eens loopt liet Karavanenpad over een heuvel, om dan weer in eene diepte of vallei at te dalen. Hier en daar ontmoet men een steenachtigen bodem en eene roode steensoort (marmer.) Ik geloof, dat deze streek rijk moet zijn aan kostbare steengroeven. Vond men ten minste maar ergens kalksteen om kalk te branden, doch na veel zoekens heeft men dien tot nu toe in Oost-Atrika nog niet gevonden.
De Duitschers zouden heel wat geven voor znlk eene vondst, om hechtere torten te kunneu bouwen, en ook ons, missionarissen zou het bezit van kalk veel dienst bewijzen.
Prachtige kampplaats vandaag, de mooist gelegene, die we tot lieden betrokken. We kiezen een vlakken, onbegroeiden heuvel uit, allerwegen omringd door ondiepe valleien, doch op verderen afstand omkranst door al hooger en iiooger achter elkander opstijgende heuvelen en bergen, rijk met groene bosschen bedekt. Heerlijk gezicht! Kechts naar 't Xoorden ontdekt men de blauwe toppen der Sauga Sanga bergen, ITiiO .VI. hoog, links in 't Zuiden de Roetoetoe bergen (tot 2500 M. hoog) en recht voor ons, naar 't Westen, de Kambasi- en Kill m lo-bergen vau Mrogero (2000 a 4000 M. hoog). Daarbij eclit strategische ligging voor een karavaankamp, desnoods zeer gemakkelijk te verdedigen.
De grond is inin_ of meer steenachtig eu men ontdekt veel schor-
91
pioenen. Weer nachtelijk rumoer tot tweemaal toe: iemand bleek tamelijk dicht bij de tent van een ander onreinheid gedeponeerd te hebben. Vandaar groot rnmoer, gekijf en gelach ! Een nnr latei-weer rumoer rondom de tent. üoettoe was aan't vechten, of liever aan 't spelen met de geit, doch de laatste, veel ouder en ernstiger dan Boeftoe, wilde er niets van weten en deelde geduchte stooten uit.
3 Aug. oensdag. Kamp No. 12 Miicksé. Vier uur marsch, van halt zes tot halt tien. Lastige, vermoeiende tocht door eene schilderachtige streek. Nu eens loopt het pad over den rug van eon heuvel, met droog, laag gras bedekt, om dan weer af te dalen in eene vallei met schoon geboomte en kleine, droge beekjes vol steen- en rotsblokken.
We slagen er vandaag niet in een ordentelijke kampplaats te vinden. Eindelijk houden we halt op een terrein, mat hoog gras en struikgewas overdekt, waar nog niet lang geleden eene karavaan gekampeerd had. Alles duidde dit aan, o. a. een verpestende reuk. Er werd gauw raad geschaft. In een ommezien stond een oppervlakte van twintig vierkante meter in brand, en zoo hadden we spoedig een zuiver gereinigde plaats, om althans onze tent op te slaan. Eene helsche hitte heerschte geduiende eenige oogen-blikken en men braadde bijna onder 't opslaan der tent.
Goede brave lieden, die zwarten, maar allen grooten kinderen. Alles, wat ze een Mzoengoe (Blanke) zien doen, al de vreemde dingen, die hij bezit en waarvan hij gebruik maakt, alles wekt hunne verbazing, en met neus en mond gapen ze u aan. We laten hun hunne naïeve nieuwsgierigheid maar botvieren. Ze vermaken zich op hunne manier heerlijk ten onzen koste, doch ook wij omgekeerd. Wij eten gewoonlijk voor onze tent in de schaduw. Wat kreten van bewondering bij het zien van al wat op onze tafelis: vorken, lepels, messen, borden, enz. Ze begrijpen niet, dat we ons niet verwonden met een vork en denken; ..onvoorzichtige lui, die Blanken, 't is toch heel wat sekuurder met de tien geboden te eten, zooals wij doen!quot; Het gebruik van servet en vooral dat van zakdoek is voor hen totaal onbegrijpelijk. De operatie van 't neussnuiten doen 't hen uitschateren van lachen, maar strekt hun tevens tot ergernis. âHoe! Zulke mooie roode doeken (de roode kleur is door hen zeer gezocht) en die aldus bederven! 't Is zonde! En verbeeldt u, dat die Blanke die onreinheid zeer behoedzaam bewaart en in zijn zak steekt. Neen, dan zijn wij, die ons gezwind er van ontdoen, heel wat zindelijker!quot; Zoo redeneeren ze.
Kitevo komt van avond een praatje met ons maken. Hij is uit Boekoembi, woont slechts tien minuten van de missie onzer con-
92
fraters, komt er dikwijls en kent ze allen zeer goed. Wij vertellen hem een en ander van de wonderen van Europa, b. v.: als wij in karavaan twee en een halve maand besteden om van Bagamoyo naar Boekoembi te marcheeren (133 uren of 738 K.M.), heeft men in Europa zulke snelloopeude wagens zonder ezels, dat men den-zelfden afstand in vijftien uren, b.v. van 's morgens drie tot 's avonds zes uur aflegt. We hebben hier vijftig askari's (soldaten), docli de sultans in Europa beschikken soms over 500,000 en 1 a 4 millioen soldaten, en dan de mzingo's (kanonnen), de groote merkeboe (barken) van honderd meter lang en achthonderd soldaten er in; en dan de tembees en de mgini's van Europa, zoo uitgestrekt als heel de landstreek van Boekoembie, enz. enz. Dat alles doet den braven neger in de handen klappen van loutere verbazing. Als er hier vier of vijf vallen in een krijg tusschen inlandsche vorstjes, dan heet dat een groote oorlog; doch als er in Europa in een broeder-krijg vijfhonderdduizend of een millioen in 't zand bijten of om
zeep gaan, dan is dat zeer.....verstiindlich en.....slechts âfin de
siècle.quot; Ik dacht: Goede man, wees maar kontent met uwe patriarchale beschaving, gewoonten en behoeften. Verlang maar niet naar die zoogenaamde beschaving en rijkdom van Europa. Dat de Arabieren-slavenhandelaars uwe vrijheid slechts eerbiedigen, dat de boden des Evangelies zich slechts vrijelijk onder U bewegen kunnen, dat geen pest, hongersnood enz. U bezoeken, wees daarmede tevreden.
4 Aug. Donderdag. Feest van den H. Dominicus. Kamp No. 13. Palangué. Zes uur marsch van half zes tot half twaalf. Vandaag en eergisteren feestdag van twee groote heiligen, hoog in vereering bij iederen missionaris. Beiden waren groote missionarissen en stichters van Missionaris Orden, die der Eedemptoristen en Dominicanen. Beiden waren tevens, wat ieder missionaris behoort te zijn, bizondere vereerders der H. Maagd, de Koningin der Apostelen. H.H. Altonsus en Dominicus, bidt voor ons!
Naar gelang we Mrogero naderen, wordt de streek vruchtbaarder; voor den eersten keer zien we bebouwd land. Aan onze linkerzijde hebben we vrij hooge bergen. Ondanks de geduchte marsch van zes uur, de langste tot heden, houden onze dragers goei vol. Het is werkelijk onbegrijpelijk, hoe zij het uithouden. Ze schijnen er voor geboren te zijn. Zes uur kuieren met een last van dertig tot vijf en dertig kilo op hoofd of schouder! Sommigen hebben de schouders heelemaal ontvleesd en 't bloed zijpelt hun langs den rug. Vandaag, meer dan andere dagen, zongen onze lieden op marsch, dat het een lust was. Nadenkend begreep ik, dat dit jnist was om elkander aan te moedigen en den weg minder eentonig en vermoeiend te maken. Vooral de troep van één nyampara
93
had eene zeer aardige zangmanier. Een soort voorzanger hiet een wel duizendmaal herhaald konpiet aan (van een soort litanie), hetwelk door allen beantwoord werd.
We slaan ons kamp op juist bij 't uittreden van een bosoh, rechts in den hoek eener vlakte, langs twee zijden door ?t bosch ingesloten.
In den namiddag kregen twee dragers, niettegenstaande hunne vermoeienis, het in het hoofd, elkander at' te ranselen. De een bekwam eene wond aan 't hootd. Prompte justitie werd gedaan en de meest schuldige moest voor straf zijn slachtoffer een doti stof betalen.
Broeder Jean-Pierre lijdt vrij hevig aan hoofdpijn, (een soort zonnesteek) en Pater Gosseau is ook min of meer onwel. De werking der loodrechte zonnestralen is zeer te duchten in Equato-riaal-Afrika en 3e grootste voorzichtigheid is noodig. Nooit wage men zich in de zon zonder een goeden iioed van kurk, caoetchoek of dikke vilt. De beste zijn de zoogenaamde Stanley-hoeden in den vorm van een helm. Hoofdzaak is, dat de halsstreek en de beide slapen boven het oor goed beschut zijn. Ofschoon het hier niet heeter en zelfs niet zoo heet is als in Tunis of op Malta, heeft de zon hier toch een veel gevaarlijker invloed. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat de beruchte Atrikaansche koortsen vooral aan de zonnewarmte toegeschreven moeten worden. Daarom leve de Stanley-hoed!
â ' Augustus. Feest van O. L. Vromr ter Sneeuir. Kamp No. 14. Mroceuo. \ ier uur marsch, van vijt tot negen uren. Onze weg loopt drie uur lang zeer nabij den voet der Kimbari-bergen. Bergen bedriegen immer. Hen meent soms op een kwartier afstand te zijn, men loopt twee uur en men is er nog niet. Men ziet links en rechts al meer en meer bebouwd land. De oogst is nagenoeg afgeloopen: de sorgho, of moetama, de maïs, de manioc, arachiden enz. zijn bijna alle binnen. Slechts hier en daar is men nog bezii? met de laatste velden maïs ot sorgho (hooge dikke rietstokk^en van twee of twee en eea halven meter) at te snijden. De vrouwen snijden vervolgens de trossen ot de graanhalmen af, die aan huis worden nitgedorscht. Terwijl de vrouwen werken, hebben zij hare kleine kinderen op den rug gebonden; dezen deelen in alle bewegingen van mama, gevoelen zich daar zeer op hun gemak en slapen zelts dikwijls zeer gerust.
Om zeven uren naderen we het dorp der tameuse koningin Siinba-Mioeni. Het is het eerste negerdorp sinds Bagamoyo, dat we te zien krijgen. Alle hutten bevinden zich binnen eene palissade ot omheiming (boma) van houten staken, op een terrein van
94
tvveeliondevfl meter in het vierkant naar schatting'. Vele dorpelingen komen naar buiten om onze karavaan te zien voorbijtrekken, doch ze schijnen gereserveerd, in de halve mecning, dat we Dnitschers zijn. Koningin Simba is den Paters van Mrogero wel genegen, gedraagt zich zeer goed voor eene negerin en schijnt vorstelijke talenten te bezitten. Haar hootdzwak schijnt te zijn, dat ze mogelijk te veel houdt van pombee (soort negerbier, gegiste drank, uit moetama-meel bereid).
We dalen af in de groote, lange en breede vallei van Mrogero, door twee bergketenen ingesloten, zeer bevolkt, zeer vruchtbaar en goed bebouwd. We passeeren een viertal beekjes van kristalhelder water. Zulk schoon water zagen we sinds Bagamoyo nog niet. Op een uur afstand zien we reeds de huizingen der Missie-statie van de Paters van den H. Geest, vrij hoog gelegen tegen de flank der Kambasi-bergen. Langs 't karavanenpad recht voor de missie verheft zich een groot missiekruis, vervaardigd uit twee groote boomstammen, waarvan de opgaande balk wel tien meter lang is. Te zeggen hoe goed het aan ons hart deed, daar dat monumentale kruis geplant te zien, eenzaam, midden in die vallei, is mij niet mogelijk! Christus regeert hier voortaan, en satan moet het in machtelooze woede aanzien, dat zijn lijk hem gaat ontglippen.
Van dit kruis af naar de Missie loopt een kaarsrechte weg van vijf meter breedte, de eerste weg, dien ik nog in Equatoriaal-Atrika zag. De karavanen kampeeren vier uur verder nabij 't dorp van koning Kingo, den aanzienlijksten vorst der streek Mrogero,
We slaan ons kamp op rondom een kolossalen baobab-boom op een effen, hard terrein. Op ruim honderd meter afstand vloeit eene beek van schoon helder water, en aan de andere zijde staan eenige negerhutten.
Om twee uur begeven Pater Gosseau en ik ons naar de Missie om de Paters te gaan groeten. We treffen er Pater Boulé en Pater Auberlé aan; beiden min ot meer ziekelijk, en alleen over na 't vertrek van den Broeder, dien we ontmoet hebben.
Deze post bestaat reeds een goede twaalf jaren en geldt als de schoonste na dien van Bagamoyo. Het terrein is meesterlijk gekozen en allergunstigst gelegen, honderd meter hooger dan de vallei, tegen de helling van een stellen berg. Het gezicht van hier op de vallei is overheerlijk. Vlak achter de missie komt een bergstroom met oorverdoovend geraas langs de rotsblokken naar beneden gedaald. Dit water, kunstmatig afgeleid, besproeit 't heele jaar door de tuinen en kweekerijen der Paters. Wat pracht van bananen, oranjeboomen enz. Zelfs de koftieboom schijnt hier te gelukken. Een klein paradijs! En zoo zou het overal in Afrika zijn, als het
95
water maai' niet ontbrak. Wegens Je hoogte eu do nabijheid van dat versulie, immer vloeiende water is het er frisch, zelts kil. J)c post blijkt ongezond, en toch doet alles het tegendeel vermoeden. Voor de missie ligt 't christendorp, bestaande uit veertig strooien huisjes. Het krioelt er van zwarte cherubijntjes, die op ons gezicht naar moeder loopen. roepende âpunda, pnnda,quot;: een ezel, een ezel (ezels ziet men er weinig). De kapel, twintig meter lang op zes meter breed, is reeds lang te klein. De woning der missionarissen, benevens huizing voor magazijn, bergplaats, verblijf voor weeskinderen en afgekochte slaatjes, is opgetrokken uit zandsteen, in de zon gedroogd, gedekt met sparhout en daarop een dikke laag stroo ot gras en aarde. Een veranda ot overdekte galerij omringt de woning aan iedere zijde. De Paters ontvingen ons met de broederlijkste hartelijkheid. Het beste was niet te veel. Een vette os werd geslacht en gedurende de drie dagen, die wij er doorbrachten ontbrak het ons aan niets; vleesch, groenten en vruchten uit hun tuin enz.
Pater Auberlé keerde met ons terug, om ons ter audientie te geleiden bij koning Kingo. We reden alle drie op onze ezels. Naast ons kamp, op weg naar de residentie zet de ezel van Pater Gosseau het op een galop en toen wilden zijne kameraden niet onderdoen. Eensklaps hoor ik achter mij een vervaarlijk poet! paf! Pater Auberlé ligt ten gronde met zijn langoor. Grauwtje verroerde zich niet, lag met strakke pooten en ik meende, dat hij hartstikken dood was! Maar neen: 't geraas der aanstormende negers deed hem in eens opspringen. Pater Auberlé was bleek als een doek, doch kwam er niet den schrik af. We werden door Z. IL Kingo dettig in zijne salon ontvangen. Ik zeg salon, en 't had er iets van. Verbeeldt u in een negerwoning drie fauteuils, waarvan een met rood fiuweelen kussen; een grooten spiegel met vergulde lijst, een hangklok, eeu mooie hanglamp en nog al meer. Waar mag Zijne Majesteit dat alles opgesnord hebben ? Aan de kust? Geschenken van reizigers? van Duitschors? Het meeste is hein door de Paters van den H. Geest present gedaan ou zijne vriendschap te bezitten, eu dat is hun heel wat waard. Ze staan er dan ook goed mee en Pater Boulé is de eerste raadsman des konings. Tijdens den grooten Arabieren-opstand in 1887 en 1888 ouder Bushiri beschermde Kingo krachtdadig de missie. Anders waren allen verloren geweest. Men gaf ons de keus tusschen pouibé en melk, eu de groote bekei1 melk, dien men ons bracht, deed ons bepaald goed. Kingo ziet er een kranige en schrandere neger nit, met bepaald hoffelijke manieren. Ik weet zeker, dat zeer veel blanken zulk eeu goed figuur niet zouden maken. De kroonprins,
't sprekend evenbeeld zijns vaders, schoen ons een jongen niet veel aanleg en verstand. Kingo doet ons uitgeleide tot bniten de residentie, en geett ons nog den raad, des nachts ons kamp goed te bewaken, wijl op de boschrijke bergen, die vlak bij ons twee of drie duizend meter ten hemel reizen, een geduchte rooverbende huist. In den avond laat hij ons een schoon geschenk brengen, kippen, eieren, melk, enz. enz., hij zon ons tevens eenige nieuwe dragers verschatten.
De goede Pater Anberle deelt natuurlijk ons avondmaal en op zijn terugtocht naar de Missie in den avond laten we hem door eenigen onzer askari's escorteeren, algemeene regel in Afrika, zelfs nabij eene missie: zich nooit alleen veraf wagen, maar immer zich laten vergezellen door twee of' drie christenen of catechumenen, voorzien van één ot meerdere geweren.
6' Auff. Zaterdag. Feed der Gedaanteverandering des Heeren op Thahor. We lezen beiden onze H, Mis. In den voormiddag begeven Pater Gosseau en de Broeder zich naar de missie en keeren eerst 's avonds om 5 uren terug. Ik houd het oog op het kamp, en dit is wel noodig, vooral op een rustdag. Acht honderd groote kinderen alléén thuis laten zon me iets worden ! Ik profiteer van eenige oogenblikken vrijen tijd om eenige brieven te schrijven, die de Paters van den H. Geeet zicli belasten naar de kust te verzenden. Ãit is een buitenkansje op eene karavanenreis. Het is al veel als ik lederen namiddag vijt of tien minuten tijd vind om met potlood gauw eenige aanteeke-ningen in mijn zakboekje te krabbelen.
Ziehier onze gewone dagorde. Des morgens om 4 uren komt Hamsin ons wekken. â Een sterrenbeeld, Orion geloot ik, dient hem als uurwijzer. â Gezamenlijk morgengebed in de tent, daarna gezwind ons persoonlijk boeltje ingepakt: veldbed gevouwen, dekens gevouwen, enz. : men maakt zich reisklaar, (zooals ik zei op den morgen onzer eerste daginarsch). Intusschen heeft Kareltje ons ontbijt reeds gereed. Een askari komt trouw om 4 uren 't vuur aanmaken. Om halt vijt roept Hamsin : âGolola ! Golola ! saffariquot; ter been, op reis ! en luidkeels antwoordt 't gelieele kamp en in eenige minuten is alles in beweging. Intusschen, terwijl de askari's de tent omverhalen en inpakken en eenige vaste dragers hunne respectieve lasten komen zoeken onder ons (persoonlijk) boeltje : bed, linnenzak, stoelen en 't keukengerief, 's avonds te voren grootendeels in de kisten geborgen, verorberen we staande ons ontbijt ; een bord kippensoep, een stuk koude kip ot geite-vleesch â als :t er aanzit â met een handvol gekookte rijst, eindelijk een kop waterchocolade, en klaar zijn wij.
Het is een voornaam punt lederen morgen een goed ontbijt te
97
nemen, zelfs den eetlust te t'orceeien. In 't begin waren we zoo wijs niet, ilocli de oudervindiug leert. Als men nuchter ot' bijna nuehter oprukt, komt men in het kamp aan â soms om 11 ot' 12 uur â letterlijk gebroken van vermoeienis, en de koorts heett alle vat op het lichaam. Doch ^ooals we nu doen, kan men er tegen. In een uur tijds ot minder is alles opgeruimd en ons volk in aftocht. Ieder nyampara defileert op zijne beurt. De askari's en ook wij nemen onze plaatsen in, en voui uit gaat het, immer gelijkmatig en langzaam. We doen onze meditatie op weg, zooveel de zorg voor de karavaan het toelaat. Nu en dan geven we langoor wat rust en loopen we een ot meerdere uren te voet. Pater Gosseau, die het eerste in het kamp arriveert, heeft een halt unr werk met de kampplaats nit te kiezen, de plaats aan te wijzen voor teuten voor de acht stapels in 't rond, de dragers te torceeren hun lasten in de boma's (stapels) behoorlijk te plaatsen, euz.
Onmiddellijk na aankomst effenen de askari's het terrein voor onze tent; zij hakken struiken, riet en gras weg en slaan de tent op. Ze plaatsen mede onze veldbedden, tafel enz. en beredderen alles. Drie askari's laten de ezels drinken, zoeken voeder voor hen, ot gaan ze op eenigen afstand in de weide vastbinden. Een ander is belast met aanstonds vuur aan te maken, een tweede water te halen, een ander droog hout te zoeken, enz. enz. Ieder askari heett aldus zijn vast werk. Een half uur nadat de laatste dragers aangekomen zijn, is alles op gang. Meestentijds nemen we ons middagmaal zoodra mogelijk om 11 of 12 uur, soms ook wel om een ot 2 uur, als de marsch lang geweest is. Men neemt rust, doet een middagslaapje naar verkiezing, gebruikt om halt drie een kop koftie, en men doet gezamenlijk eene geestelijke lezing van een halt uur. De overschietende tijd tot 's avonds wordt besteed aan de studie der Kiswahilitaal en 't bidden onzer rozenhoedjes, in plaats van Brevier, waarvan we op reis door den Paus gedispenseerd zijn. Menigmaal toch, b.v. op rustdagen, als we voldoenden tijd hebben, is het ons een waar geestelijk genot als naar gewoonte ons H. Ufficie te bidden. Des avonds om (5 uur ongeveer avondmaal en tot acht ot negen uur profiteeren we van de frissche lucht, van het heerlijke maanlicht en van de schoone Equatoriale avonden, alvorens ons in onze tent terug te trekken. Zoo gaat het, met kleine wijzingen nu en dan, dag in, dag uit.
Ons zwart volkje viert vandaag feest; in de dorpen van den omtrek vinden ze overvloedig en goedkoop levensmiddelen, zij vieren er nu op los, dat het een lust is. Op de kampvuren ziet men den ganschen dag groote ketels en mitoengi's (groote ronde, aarden potten) vol maïs, moutama, Oeghali enz De eene ketel volgt den
98
anderen op. Een geestig contrater zeide daarom dat de negers in tijd van overvloed niet; doen dan chargeeren en dechargeer en, laden en ontladen____ Men staat verstomd over de kolossale hoeveelheid maïs, enz. die ze naar binnen spelen. Zoo zijn ze: als groote kinderen, in een paar dagen alles opeten, om dan soms dagen lang honger te lijden. Green orde noch zorg voor den dag van morgen. Eenigen eten zich letterlijk ziek en komen dan een daoeii (geneesmiddel) vragen. ..Burma iiigondjira sana kica foemho.quot; âMeester, ik heb zoo'n buikpijn!quot;
(Quorum Deus venter estquot;, kan men vrij goed op de negers toepassen. En is het wonder? Welke moeite kost het niet, zelfs aan Christenen, de deugd van matigheid in te prenten!
Vleesch eten de negers althans in karavaan zeer weinig. Dat komt hun wat duur uit, want een geit ot schaap kost allicht een ot twee duti's (een doti is ongeveer SO cent waard). Soms hebben ze toch zulke buitenkansjes. Ze houden er veel van, doch het is walgelijk om aan te zien, hoe ze het toebereiden en oppeuzelen. Alles bijna (van een geit b. v.) gaat met haar en huid naar binnen. Het hart draait u er van om. Bijna geen enkel onzer lieden eet afzonderlijk, of bereidt voor zich alleen zijn kost. ik sprak reeds van de kleine nyampara's of diets, die ieder soms drie, vier, vijf tot tien man onder zich hebben. Zulk een troepje of club lieett één keuken, kookt één pot en eet broederlijk samen. Het is aardig, ze rondom een vollen âmtoengiquot; maïs gehurkt, met hunne vingers â â- natuurlijk â â⢠die gele korrels te zien verorberen.
Zoo een nyampara noemt de lieden van zijn clubje zijne Wa-toto's (kinderen). Soms zijn er eenigen onder, die hij zijne ndoegoe, broeders noemt. Zulke Watoto zijn in den regel een soort lijfeigenen ot dienstbaren. Dit laatste woord is juister dan dat van slaaf, wijl men allicht raeenen zou, dat alle dienstbaren (eigenlijk slaven, die men koopt, enz.) immer door hun meester mishandeld worden. In geeuen deele! Deze lijfeigenschap of dienstbaarheid is lang zoo hard niet, als men zich voorstelt. De gansche sociale maatschappij bij de negers rust op dit stelsel, en komt veel overeen met den socialen toestand in Europa gedurende de Middeleeuwen. De slavernij onder dien vorm binnen eenige jaren in Afrika uit te roeien zou louter een hersenschim zijn. Het duurde eeuwen, voordat de slavernij iu die vormen, door de wijze en zachte leiding der Eoomsclie Kerk, onder de volken van Europa verdween. Die zoogenaamde ndoegoe, broeders, beteekenen doorgaans neven ot bloedverwanten, soms ook aangenomen of geadopteerde lieden.
Heel deu avond en tot diep in den nacht heerschte er eeue groote levendigheid in ons kamp. Er werd zclts dapper gezongen.
9 ft
Him zang is meestal zeer eentonig- en min of meer melancholisch.
Hij lijkt, iets op den zang der Arabieren in Algiers. Zoo dunkt me, moeten de Hebreeuwen vroeger gezongen hebben. Ben troep (uit Boekoembi) maakt eene gunstige uitzondering. Hun zang in twee partijen met diepe basstemmen is bepaald aardig en zeer interessant.
Alles is gereed tegen .morgen. We hebben twintig nieuwe dragers voor even zooveel lasten, die vooratgezonden waren en bij de Paters in depot lagen. Tvvaalt neophieten der Paters zouden dragen tot La Longa (een anderen post der Paters v. d. H. Geest) :^(le overige acht dragers deed Koning Kingo ons aan de hand.
r Avg. Zondag Kamp No. 15. Gukrexgeke drie uur marsch van zes tot negen uren. Om vier uren op de been: om half vijf H. Mis door Pater Gosseau gelezen, waaronder ik commnniceèr met onze christenen ; om zes uren op marsch. Koning Kingo komt afscheid van ons nemen. We passeeren zijne residentie; wel de helft der bevolking komt buiten de tembee, waar, bij deze gelegenheid, ^ boven op de koninklijke woning de Duitsche vlag wappert. We ontmoeten eenige kleine waterstroompjes, die'echter slechts een voet water hebben: we zetten in Zuidwestelijke richting koers naar 't uiteinde van liet Mrogero-dal.
Tegen acht uur steken we voorde tweede maal de Guérengere-rivier over, die na eene kromming ten Noorden weer in Zuidwestelijke richting opklimt en in de bergen van Mrogero ontsprinn. Zoo gemakkelijk de eerste overtocht was, zoo moeilijk is vandaal de tweede. De rivier, otschoon vijf of zes meter breed, heeft zeer steile boorden, eene diepe bedding en eene zeer sterke strooming. Hen heeft aan beide kanten eenige boomstammen omgehakt die met tak en al op goed geluk af dwars, scheef en krom in de rivier terecht gekomen zijn. Een echt heksenwerk om over te komen. \ oor ons beteekent het niets : we stijgen af en klauteren gezwind genoeg over de boomstammen, door de takken heen. Onze dragers echter met hun last hebben heel wat te sukkelen ; met alle^be-hoedzaamheid waadt men door de rivier. Met de ezels heeft men nog het meest te stellen. Ik was erg beducht, dat de pooten breken zouden bij het afdalen der steile helling, of tusschen de boomwortels of de takken in de rivier. Mijn behendige askari slaafde er echter in grauwtje heelhuids en zonder gebroken poofeu aan den anderen kant te brengen.
Hoe gemakkelijk ware het eene soort brug te leggen ! Het hout ontbreekt niet: twee goede boomstammen, een groot aantal dwars houten, eene flinke laag riet of stroo, daar eene dikke aardlaa» over en klaar was men ! Honderden karavanen hebben hier te
ion
sukkelen geliad. De Europeanen en vooral de ïhiitschers hebben er bet meeste hinder van en toch blijft, het zoo. De laatslen hebben hunne soldaten en zooveel negers, als ze verkiezen, te hunnen dienste. In een halven dag' was alles klaar !
We kampeeren op eenigen atstand van de rivier in 't struikgewas, waar we veel sporen van wilde dieren ontdekken. Het is middag, voor dat alles de rivier gepasseerd is. Gelukkig is geen enkele last nat geworden. Van Bagamoyo af immer schoon weer : sommige dagen is de hemel min of meer bewolkt. \ andaag is hij weer betrokken, docli 's avonds heerlijk maanlicht.
Ik had vandaag nogmaals gelegenheid eenige superstitieuze en afgodische praktijken waar te nemen. Des morgens bij liet verlaten van het kamp ziet men v; ik langs het pad maïs of moeta-mameel gestrooid in verschillende figuren, nn eens rond, dan driehoekig of zelts in kruisvorm Op marsch, veelal in dorre, steenachtige pori's, ziet men nu en dan langs het pad grootere of kleinere hoopen steentjes, zand, stukken hout, enz., opgestapeld, soms ook wel een brok steen tusschen de boomtakken gestoken. Ik vroeg Oussembe wat dit beteekende, en hij maakte mij toen opmerkzaam op hetgeen eenige dragers voor ons deden. Eenigen, niet allen, stieten onder het gaan met den voet een stuk steen ot wat zand bij den hoop. Het is een soort van otter aan en huldiging van de boschgeesteu, ten einde eene voorspoedige reis te hebben, en niet te zeer door vermoeienis, dorst enz. gekweld te worden. âGeen wonder,quot; dacht ik, dat hier booze geesten huizen, en men hun hier otters brengt. In het Evangelie leest men dat de booze geesten dorre, waterlooze woestijnen bewonen ; en in 't Boek Tobias, dat de Engel Kataël den duivel Asmodeus naar de groote woestijn van Thebe in Opper-Egypte verjoeg.quot; Immer en altijd ook zochten de duivelvereerders bij voorkeur bosschen en wildernissen uit voor hunne geheimzinnige vergaderingen en praktijken, gedurende de oudheid zoo goed als tegenwoordig, zoowel in de beschaafde als in de onbeschaafde wereld.
8 shig. Maandag. Kamp No. 16, Viaxzi ; marsch van zes uur, van half tien tot half twee, van twee tot vier uren. Vandaag tirekesa (dubbele marsch) van zes uur in 't geheel, wijl hier nergens in de pori drinkwater te vinden is. Als eene karavaan een dubbele marsch doet, vertrekt men ot wel 's morgens tegen negen of tien uren, rust om twaalf of een uur wat uit, om daarna te mar-cheeren tot vier of vijf uur 's avonds, of wel men vertrekt !s avonds om tien uren of te middernacht, om aan een stuk tot 's morgens zes of acht uur door te kuieren. Op gewone dagen gaan de negers 's morgens nuchter op reis en eten eerst een of
101
twee uren na aankomst in liet kamp. Bij eene tirekesa koken ze eerst hun pot en slaan een goede;i voorraad naar binnen. Daarenboven nemen ze in hunne boejoe's (holle kalebassen van een soort pompoenvrucht), een provisie drinkwater mee.
We vertrekken vandaag dns eerst om half tien en hebben dus gelegenheid onze H.H. Missen te lezen. Ons volkje op route te krijgen kost vandaag meer moeite dan op andere dagen. Eenmaal aan 't eten weten ze van geen uitscheiden. Soms is men verplicht, hier of daar, een nog kokenden pot overhoop te smijten; dan eerst komt er haast bij en pakken zij hun boeltje bijeen.
Vele dragers hebben volgelingen, die geen lasten voor ons dragen, maar de soldij in stoffen, de ketels, kruiken, kalebassen enz. dei-dragers. Velen echter hebben zulke volgelingen niet, maar binden een en ander op hun pak, kist of mitoemba.
Men gaat langzaam, eene eindelooze pori met knoestige boomen dor gras, droge beekjes wacht ons. Xa vier uur gemarcheerd te hebben, houdt de karavaan om half twee op een grasveld halt. We hebben een tasch met mondbehoeften meegenomen en eten een stuk uit de vuist. Om twee uur weer op marsch tot vier uur.
We kampeeren nabij een schilderachtig bosch met rietpartijen van drie meter hoog. Sporen van allerlei wild, zelfs olifanten, leeuwen en honderden pintaden. Pater Gosseau en Broeder Jean-Pierre lijden beiden aan tandpijn. Toch kunnen ze de verzoeking niet weerstaan, ten minste eenige pintaden te gaan schieten, doch gezwind keeren ze terug, omdat zij op eenigen afstand in eene rivierbedding een tijger bespeurd hebben.
Arme lui! ze vinden niets dan een drabbig, modderig water, op den bodem van eenige kuilen, gegraven in de rivier bedding. Toch vechten ze er bijna om en vallen er op aan, alsof 't champagne was. Geen wonder als ze klagen over buikpijn, koorts of bloedloop, dyssenterie enz. Gelukkig zijn ze er aan gewoon. Met de voorzorg, die we nemen, hebben we immer goed drinkwater. Naar ik reeds zeide, maken wij het zuiver en helder met eene kleine hoeveelheid aluin. lederen namiddag vullen we twee groote glazen kruiken (bonbones, soort groote vitrioolflesschen met en gen hals) met aldus gezuiverd en geklaard water. Iedere kruik bevat twaalf liter en is omhuld met een soort vlechtwerk ot in een mand gestoken; een drager draagt twee zulke aan een draagstok. (In zulke bonbones wordt ook de Miswijn naar 't binnenland vervoerd. Soms breekt er een, doch dit systeem verdient niettemin verre de voorkeur boven houten tonnetjes, hoe goed ook verpakt of voorzien. Door de werking van den wijn en door de hitte gaat er wel een derde verloren.) Op die manier derhalve
102
hebben we bij onze aankomst in een nieuw kamp dadelijk goed drink- en kookwater bij de liand.
!) Dinsdag. Kamp No. 17. Mka-ta 5 uur marsch, van vijf tot tien uren. Vijf uur lang trekken we door eene eindelooze, onafzienbare droge grasvlakte. (Mboega.) De karavaan verdwijnt in het eng, kronkelend pad tusschen het twee meter hooge gras. Wee ons als men het aan twee kanten in brand stak. We kwamen tot den laatsteu man om 't leven. De negers vreezen deze pori zeer. Men hoort geen geluid. Men wacht zich wel achter te blijven. Deze pori is namelijk sterk bevolkt met alle soorten van wilde dieren. Bijna immer ziet men er troepen gazellen, buffels, wilde ezels, olifanten, luipaarden, tijgers, enz. Ik heb geen kans. .Sinds Baga-moyo zag ik nog geen enkel wild dier, uitgenomen eenige gazellen.
Om tien uur zijn we aan de rivier Mkata of eigenlijk Moekon-dokwa, groote zuidelijke tak der Wanirivier, die zich bij Saadoni in zee werpt. Deze rivier, apenrivier genoemd, is met de Kin-gani nabij Bagamoyo het moeilijkste te passeeren. Soms gaat er een dag mee heen. In vier uur tijds, ongeveer om twee uur, was al ons volkje over. Weer veel gesukkel. De rivier is vijttien meter breed, en heett eene sterke strooming. Ofschoon doorwaadbaar in het droge seizoen, wagen de negers het evenwel niet, ze al badende over te steken, wijl zich veel krokodillen in het water schuil houden. Er ligt een soort brug over (van kromme boomstammen en sparren), die «prekend moet lijken op eene brug, zooals onze Germaansche voorvaderen uit 't bronzen- of uit 't rendiertijdvak, 1000 jaar vóór Christus, die vervaardigden. Waarschijnlijk zelfs hadden de Bataven, wier naneven zulke beroemde bruggenbouwers zijn, er beter slag van. De Duitschers doen bepaald onder voor de Romeinen, die onder Gesar de beroemde brug over den Eijn sloegen. Overigens moeten de Duitschers van onze negentiende eeuw in zooveel dingen onderdoen voor die oude Romeinen, wat genie, soliede kolonisatie, enz. aangaat! Juist als apen (en ik geloof, dat de rivier daarom zoo heet) klauteren onze zwarten over die stammen en sparren. Een halsbrekend werk. Onze ezels geven ons weer de meeste moeite. Dertig meter stroomop is eene plek, waar de rivier wel breeder is, doch zacht glooiende boorden heeft. Eén voor één doet men de drie langooren een lang touw om den nek, het einde van het touw wordt vervolgens naar de overzijde geworpen. Daar trekt men met drie ot vier man, en in een minuut is de halsstarrige al zwemmend aan den overkant. Als grauwtje te water gaat, schiet men een geweerschot afin 't water om de krokodillen op een afstand te houden en hun te beletten grauwtje de pooten af te bijten.
103
We kampeeren op drie minuten atstand van de rivier onder eenige sclioone boomeu op eeue hoogvlakte. Achter ons ontwaren wij een ontzaglijken brand in de grasvlakte, die we verlaten hebben. Over vier kilometer breedte stijgen donkere rookwolken ten hemel. Men zegt dat onze Kitevo den brand aanstak. Een ware dienst voor andere karavanen, die aldus minder te vreezen zullen hebben voor wilde dieren. Pater Gosseau lijdt aan lievige tandpijn. Heerlijk maanlicht. Wij besluiten er van te protiteeren en van nacht op te rukken. Kitevo houdt een speech om onze lui daarmee in kennis te stellen. Eenige weinigen pruttelen tegen, doch geen nood! ze zullen van nacht wel optrommelen. Het is de ny amp ara Moekanoeina (een halve muzelman) die nu, zuoals wel meer gebeurt, wat lastig is, doch dit geeft niets; want al de andere spotten met hem.
10 Aug. Woensdag. Feed van den II. Laurentius. Kamp No. 18, Kinuomjhjgo ; marsch van acht uur, van middernacht tot acht uren 's morgens. Om elt uur 's nachts geschal der klaroenen (de drie dokters hebben ieder een koperen instrument uit Malta meege-gebracht). In een oogwenk is alles op de been. .Allen zijn vol geestdrift, en de pruttelaars van dien avond zijn het eerst marsch-vaardig. Bij zulk prachtig maanlicht is het ook een recht pleizier, des nachts te reizen. Om middernacht is alles op route. Weer eene eindelooze grasvlakte, doch met meer afwisseling.
We betreden de provincie Oesagara en volgen 't voetpad, door Cameron en Stanley gevolgd. Tegen den morgen wordt het landschap veel schilderachtiger. Men begint te bemerken, dat men het schoone en vruchtbare oord betreden heeft. Rechts en links voor ons verheffen tien tot twintig meter hooge palm- en dadelboomen hunne sierlijke waaiervormige kruinen boven donkergroene bosschages met weelderige lianen en klimopgewassen doorvlochten. Ook hier hebben boschbranden gewoed, te oordeelen naar de nog zwarte halfverbrande boomstammen, die men hier en daar ziet.
Om zes uur houden we een halt uur halt nabij 't voormalige dorp Komberinka, naar 't zeggen van de negers door de Duitschers (Emin-Pacha?) tot straf platgebrand. Men zegt mij, dat er aan onzen rechterkant een wild dier, een everzwijn, in de pori verdween. Fluks afgestegen, mijn Legrasgeweer genomen en met Kitevo er op los. We ontdekken echter niets meer tot onze spijt. Ik zou bepaald een ferm stuk everzwijnevleesch, of een ribbetje bij ons maal van dien dag niet versmaad hebben. Vroeger bij de Khrumiers konden we ons soms vergasten op zulk een lijnen schotel, ofschoon die mogelijk minder in den smaak zou vallen van de lekkerbekken in Europa.
104
Tegen acht uur kampeeren we in eene prachtige vlakte, onder een kolussalen baabab- of apenbrood-boom, nabij 't dorp van Kingo-mdogo, jongeren broeder van Koning Kingo van Mrogero. Overal in 't rond sclioone blauwe bergen of bergketens, vooral naar 't Noorden zeer schilderachtig, amphitheatersgewijs opgestapeld.
In den namiddag brengt koning Kingo, de jongere, ons een bezoek en een schoon geschenk. Ondanks den langen marsch van heden schijnen onze lieden niet erg vermoeid te zijn. Terwijl ik tegen den avond met mijn. verrekijker het heerlijke landschap opneem, vragen tal van negers mij wat toch wel in die zwarte doos mag zitten. Ik laat er een mee kijken. Hij beziet liet instrument van alle kanten, is er in 't eerst bang voor, en durft er nauwelijks 't oog tegendrukken. Onbeschrijfelijk is zijne verbazing. Hij kan 't in woorden niet uitdrukken, en geeft zijnen kameraden enkel door heftige gebaren te verstaan, wat al wondere dingen men in die doos te zien krijgt. Nu willen allen kijken, en het duurt heel wat tijd, vóórdat alle liethebbers tevreden gesteld zijn. Sommigen durven er niet aan in de meening, dat het een toover-middel der Wazoengoe's is. Het kost heel wat moeite hun er iets van te doen begrijpen. âI)ie Blanken,quot; denken ze, hebben wondere zaken in hun Oelaya (Europa).
Aug. Donderdag. Feest dek H. Philomena Kamp. No. 19. Ferhaxi ot La Loxga, vier uur marsch, van kwart over vijven t t kwart over negenen. Veel dorpelingen staan bij ons vertrek op den uitkijk. Een uur lang trekken we door vruchtbare velden (van sorgho, maïs, manioc) en langs negerdorpen. Daarna bij at-wlsseling bosschen, geboomte of grasvelden. We marcheeren in Zuid-Westelijke richting en de bergen van Oesagara voor ons en aan onze rechterzijde. Naarmate we Ferhani naderen en in de Longa-vallei afdalen wordt het land schooner. Veel dorpjes langs onzen weg. He bevolking schijnt zeer sympathiek en is niet terughoudend en bevreesd zooals elders. Hier en daar zegt men ons âBonjourquot;. We zijn blijkbaar in eene streek, waar Missionarissen werkzaam zijn. Werkelijk rechts op een grooten afstand zien we de Missiegebouwen vrij hoog gelegen op een vooruitspringenden heuvel van eene hooge bergketen. We passeeren zonder moeite het kleine riviertje Longa en arriveeren in ons 19llu kamp Ferhani, gelegen vlak bij drie dorpen.
Ik had daar zooeven een ongeval, dat. Goddank, gelukkig ariiep, doch ernstige gevolgen had kunnen hebben. Op zeker punt waren zoowat vijftig dragers vertraagd, ik weet niet waardoor. Wijl ik de lieden op 't smalle pad niet derangeeren wilde, koos ik een zijpad, meenende, dat dit op eenigen atstand wel op het
1U5
karavauenpad zou uitkoineii, wat niet het geval was. Gewoonlijk is 't mogelijk, ook zonder eigenlijk voetpad toih een dwarseu doortocht te vinden. Zonder gevaar te vermoeden wilde ik mijn ezel een smalle strook vrij hoog gras doen passeeren, daar lag-echter een diepe greppel onder verscholen. Grauwtje stortte eensklaps met de beide voorste pooten er in, en zijn berijder hals over kop er overheen. Ik had geen t minste letsel, doch mij oprichtende, zag ik tot mijn ontsteltenis dat mijn revolver uit mijn ceinture gevallen was, en juist onder mij, met den loop naar boven, hing te bengelen!.... Ook had ik mij in de stijgbeugel kunnen verwarren ot' onder ?t dier in de greppel terecht kunnen komen. Ik dankte vurig mijn Engel-Bewaarder mij zoowel bewaard te hebben.
We kampeeren onder een grooten schaduwrijken boom, nabij de llonga-rivier, ter plaatse, waar in den regel de karavanen o. a. ook die van Stanley, Emin Pacha, Mgr. Livinhac, Pater Hautte-coeur enz. legerden.
Om twaalf uren begeven we ons met tweeën naar de .Missie der Paters van den H. Geest, op twintig minuten gaans ten Noorden gelegen. De ligging der statie is allergunstigst gekozen, halverwege tegen eene berghelling, in eene diepte tusschen twee vooruitspringende heuvels. Voor de Missie strekt zich de Longa-vallei uit. door het riviertje van dien naam doorsneden. Vlak achter de Missie op 't hoogste punt van den bergrug verheft zich een groot houten kruis, van daar de geheele onafzienbare vlakte beheerschend. De Missiehuizing bevindt zich op een geniveleerd terrein en vijftig meter lager de vrij groote .Missiekapel met het christen dorp er om heen. De gebouwtjes hebben den gewonen vorm; zij zijn uit zandsteen, in de zongedroogd, opgetrokken, met hout, sparren, sfroo en eene dikke zandlaag bedekt, en omringd door eene veranda.
De Paters Ledonné Toussaint en de Broeder-Mathurinns (een andere Br. Oscar) ontvangen ons met de hartelijkste gast vrij lieid. Met alle belangstelling nemen we de details en bizondcrheden van hun interessanten -Missiepost in oogenschouw. Een nieuweling in Midden-Afrika moet veel leeren, en de practische kennis en ervaring van Br. Mathurinus o. a. verschaft ons menige les.
De pokken heerschen op vreeselijke wijze in den omtrek. Geheele dorpen zijn weggemaaid door dien geesel en nagenoeg uitgestorven. Ook de ueophieten en katechumeneu der Paters zijn niet gespaard. Zoo hebben ze o. a. uit het dorp hier vlak bij in drie dagen elf dooden fe betreuren, en janimor genoeg, bijna allen junggehuwden, de hoop hunner Missie.
106
De Paters zijn in den omtrek zeer gezien en hebben een grooten invloed. Vele negers, met ot zonder reden beducht en bevreesd voor de Dnitschers van Kilossa (op twee uur afstand), komen zich op hun groot llissieterrein vestigen. De streek is sterk bevolkt. Wilde dieren ontbreken niet. Vlak bij, o. a. op de boschrijke heuvels huizen honderden apen, die uog al lastig zijn en den schoonen groententuiu van Broeder Mathurinus deerlijk havenen. Soms ziet men er heele kudden buffels, gazellen, antilopen en wilde ezels. Ook tijgers en leeuwen vindt men er veel. Pater Ledonné wees ons op kleinen afstand recht voor de Missie, een boom, waarin hij eens klimmen moest, om aan de klauwen van een tijger te ontkomen.
We bekwamen hier eenige inlichtingen over den oorlog van Tabora, niet zeer geschikt om ons gerust te stellen. Een karavaan van Sewa, op weg naar Tabora was geplunderd en verschillende andere waren tegengehouden.
Naar 't zeggen der Paters duurt de slavenhandel â althans ter sluiks â immer voort, vooral te Tabora. Veelal zijn de otticieren der Duitsche posten onmachtig dien te beletten, of karavanen (van Tippo-Tib b. v.) aan te houden. Ziehier hoe de sluwe Arabieren of Wangwana's dit aanleggen. Hunne menschelijke koopwaar, buitgemaakt in de omstreken van het Tanganika-meer, en bestemd voor Zanzibar enz. wordt gemuzelmanizeerd en verdierlijkt (ik treed niet in bijzonderheden.) Hen behandelt hen vrij goed, doch men verbiedt hun, onder de verschrikkelijkste bedreigingen, aan de Europeanen te zeggen, dat zij slaven zijn, en men beveelt hun te verklaren, dat zij vrijwillig hun meester volgen, en slechts zijne dienaren (dienaressen) of lijfeigenen zijn. Wijl de huiselijke slavernij of lijfeigenschap voor liet oogenblik geduld is, staan de Duitsche beambten machteloos. En toch weet men wel beter. Verbeeldt U, eene karavaan van vijf of zeshonderd slavinnen. Allen antwoorden dat ze gceu slavinnen zijn, doch dienaressen (watoe mishi) van den meester (Bwana) zijn. Onzin'. Doch, wat aanvangen ? Ongeloofelijk ! Het gebeurt meermalen, dat bevrijde slaven terugloopen naar hnnne muzelmansche meesters; zoozeer bezitten deze laatsten het geheim de arme negers te misleiden.
Pater Ledonné keert van avond met ons naar onze tentteiug.
12 Aug. Vrijdag. Zware donderbuien en stortregens dezen morgen van drie tot vier uur. In een oogwenk staat onze tent ouder water. Groote herrie en lawaai in het kamp. Fluks hebben we twintig negers aan 't werk, die een greppel rondom de tent graven, zoo goed mogelijk de lasten voor het water beschutten, enz. Ongelukkig hebben we slechts ééne groote tent (soort huif)
107
in plaats van acht, een voor lederen stapel lasten. En toch is dit een niet genoeg aan te bevelen voorzorgsmaatregel, voor liet geval men door eene regenbui wordt overvallen. Anders heeft men alle kans, dat de inhoud van menige kist, ot pak door het water bederft.
We lezen ouza H.H. Missen en gaan om elf uren met ons drieën bij de Paters dineeren.
Van Bagemoyo tot Msoeii marcheerden we in het geheel, drieentwintig uren, terwijl de afstand in rechte lijn slechts elf en een half uur bedraagt. Van Bagamoyo tot Mrogero negen en veertig en een halt uur marsch ; de afstand in rechte lijn is vijfentwintig en een halt uur ; van Bagamoyo tot La Longa vijf en zeventig en een half uur marsch; in rechte lijn een afstand van acht en dertig uren. Al zoo het dubbele van den tijd, die noodig zou zijn als er een goede, nagenoeg, rechte weg was. Men oordeele dus over 't eeuwig kronkelende zigzagvormige karavanenpad.
We naderen reeds de hoogvlakte van Oegogo, en bevinden ons hier reeds minstens 10Q0 meter boven de oppervlakte der zee.
13 Aug. Zaterdag. Na mijne H. Mis begeef ik mij met Pater Toussaint naar eenige dorpen, in Zuidelijke richting van La Longa, om een voorraad maïs op te doen, die voor âposho'' onzer dragers moet dienen. Na door een bosch gegaan te zijn, dat een uur lang is, komen we in eene schoone, vruchtbare streek, die door de Moekondokwa-rivier en eenige harer zijtakken besproeid wordt.
Overal negerdorpen. Bij het naderen van een dezer vernemen we eene zonderlinge negermuziek. We gaan op het geluid af en komen op de binnenplaats van eenige hutten, waar juist een vreemd spektakel plaats heeft. We waren getuigen van niets meer of minder dan van eene duivel- of geestenbezwering. Een oud wijf, of een tooverkol, op den grond gezeten en door een neger vastgehouden, moest van den duivel verlost worden. Een viertal heksenmeesters slaan onder zarg met kleine stokjes op eenige, op eene rij geplaatste, trommen van verschillende afmeting, zij gaan met een duizelingwekkende rapheid en kunstvaardigheid van de eene trom op de andere over. Onderwijl voert de hoofdtoove-naar voor het oud wijf allerlei bokkesprongen uit en wel zulke vervaarlijke, zonderlinge, onnatuurlijke bewegingen, dat geen Europeesche kunstenmaker of akrobaat er bij halen kan. Een vrij groote menigte negers en negerinnen aanschouwden stilzwijgend en eerbiedig dit tooneel. We schenen zeer ten onpas te komen, ofschoon men ons beleefd ontving en zetels aanbood. Satan verroerde zich in onze tegenwoordigheid niet, wat den
108
bezweerders scheen te verwonderen. We wisten wat er van te denken en vertrokken. In vele gevallen zijn het ware bezetenen en soms wordt de duivel op die manier uitgedreven, als het in zijne kraam te pas komt, en hij zijne vereerders er mee believen en hechter aan zich verbinden kan. Ik zei dat satan sown wordt uitgedreven : dat wil echter zeggen, dat hij soms vrijicilhg die prooi verlaat om in een ander te treden. Onnoodig te zeggen dat die praktijken in het minst geen macht op den duivel uit-oetenquot;!!. Die scène duurt soms meerdere dagen. Door die wilde muziek en beweging van den toovenaar geraakt de bezetene in de gruwzaamste stuiptrekkingen. In den nacht begeeft de troep zich diep het woud in. naar de plaats van den sabbat, waar het den boozen geest, ten prijze van dansen en daden, die alle grenzen ta buiten gaan, gelieft, zijne prooi zichtbaar te verlaten onder den vorm van een zwarte damp, van een slang, enz. Satan is immer baatzuchtig en weet wel door welke middelen en tot welken prijs hij zijne slaven aan zich verbindt en hen zoo ver mogelijk van God vervreemdt. Inderdaad, arme slaven van satan ! Mocht ge allen het zoete kindschap Gods verwerven! De tooverij en duiveldienst is in deze streek zeer algemeen, en in de laatste jaren zeer toegenomen : vele praktijken zijn door de Arabieren en gemuzelmanizeerde negers der kust ingevoerd.
Eindelijk bereikten we het dorpje, waar Pater Toussaint laatst een grooten vooorraad mais gekocht had, hij deed dien aan ons over. Het meten door middel van een kikapo, (gevlochten korf) ging zeer langzaam. Het werd middag twee uur, toen ons van uit het kamp tegenorder gewerd. Verbeeld ü ; onze lekkerbekken van negers verkozen geen mais, wijl het te ver was dien te gaan halen en wijl ze voor het oogenblik toch genoeg te eten hadden En we meenden hun een zeer te waardeeren cadeau te doen, wijl hun posho door Sewa tot aan Mpvvapwa toe betaald is. Maar neen : gezeten voor hunne welgevulde potten denken ze enkel aan 't oogenblik. Zoo zijn ze: Toena Koela, Bvvana âMeester, we eten reeds.quot; Om vier uren waren we in het kamp teruggekeerd.
Het bleek dat onze tent juist boven een slangennest opgeslagen was. Een groote, overigens prachtige boom verschafte ons overvloedige schaduw.
Aan diens voet hadden we den vorigen dag wel eenige diepe gaten in den grond bemerkt, zelfs hadden we een slang, die zich tusschen onze kisten verscholen had, gedood, echter vermoedden we niet. dat die huiveringwekkende buren niet alleen in die holen, maar ook boven onze hoofden in het groene gebladerte van den boom zouden huizen. Jawel! Juist bij onze aankomst was
i 09
liet lieele kamp in opschudding. Men had eene groote, groene slang juist boven onze teut in den boom ontdekt. Onnoodig te zeggen, dat we er niet op gesteld waren gedurende den nacht zulk een schildwacht in onze nabijheid te hebben, te meer wijl dat kruipend gedierte des nachts afdaalt, en dan wel eens, en passant, in onze tent kon komen kijken, alvorens het zijn nest opzocht. Lawaai maken en gooien met stokken en steenen hielp niets. Men besloot met eene goede lading hagel er op te schieten. Dit hielp. Het ondier, gekwetst en bedwelmd, kwam ten lange laatste naar beneden gerold. Nauwelijks was deze goed en wel afgemaakt, of een paar negers verwittigden ons, dat zij nog eene andere en veel grootere slang in denzelfden boom zagen kruipen. Nogmaals een schot en ook nummer twee kwam al zwijmelend op ouze tent gevallen. Eeide hadden eene lengte van anderhalven meter en eene prachtige lichtgroene kleur. Juist geene aangename buren gedurende den nacht. We meenden wel gedaan te hebben met onze tent van mooi etten stroo, bij wijze van tapijt, voorzien te hebben, doch men zei ons dat dit juist slangen kon verlokken om bij ons den nacht door te brengen. Aanstonds werd al het hooi en stroo zorgvuldig weggeruimd en de gaten om den boom goed dicht gemaakt.
14 Aug. Zondag. Daartoe uitgenoodigd, begaf ik mij's morgens om halt negen naar de Missie om in de Missie-kapel de H. Mis te lezen voor de parochianen-neophieten. Ook Pater Gosseau en Br. Jean-Pierre komen tegen den middag bij de goede Paters dineeren.
Dien morgen was een onzer dragers overleden, na door Pater Gosseau gedoopt te zijn â- sub conditione â Al de lieden van Tonsiri (de nyampara van den overledene) hadden volgens gebruik het lijk vergezelt fer uitvaart, immers het woord begrafenis zou onjuist zijn. Door eenige makkers gedragen, werd het lijk op eenigeu afstand van het kamp in het riet aan den oever der rivier neergelegd. Had iemand de nifuwsgierigheid gehad den volgenden morgen te gaan kijken, dan zou hij het lijk, reeds minstens half door de hyena's verslonden gevonden hebben, een volgenden morgen geheel en al.
De negers, althans in dit gedeelte van Afrika, begraven hunne dooden niet, en ze gedoogen niet, dat er in hun gebied een lijk ter aarde besteld wordt. Het is gebeurd dat onze Missionarissen gebruik moesten maken van de nachtelijke duisternis om in 't geheim en in stilte een confrater te begraven. Bij eene andere gelegenheid waren ze verplicht den bodem van het Nyanza-meer voor grat te kiezen, wijl de sultan dier streek verbood, dat er op zijn grondgebied een Mzoengoe begraven werd.
11Ã
We regelden te La Lnnga definitief onze karavaan en hadden daartoe den karani of agent van Sewa, die te Kondoa â 2 uur van hier â zijne standplaats en een depot van goederen heeft, ontboden. Het getal onzer lasten was sinds Bagamoyo met eenige geslonken, o. a. door het breken van eenige bonbones Miswijn, door het uitdeden van eenige kisten geweren en patronen aan de askari's, het ledigen van kisten proviand, enz. Doch daarentegen hadden we nieuwe dragers noodig in de plaats dei-twintig van Mrogero, die enkel tot hier aangenomen waren. Eindelijk hadden we besloten nog vijftien lasten stof in te slaan bij den karani van Sewa, we vreesden dat we te weinig stof' hadden, om aan onze lieden de posho vau Mpoeiipoea tot Boekoembi te betalen. Dit alles werd geregeld en de agent van Sewa verstrekte ons vier eu twintig nieuwe dragers onder een eigen myampara tot Moehalala, (laatste kamp van Oegogo). Aan onze soldaten werd nogmaals hun vaste plaats op marscli aangewezen, hunne plichten werden hun goed voorgehouden, vooral weiden zij tot waakzaamheid aangespoord. Zij kregen het bevel niets anders te dragen dan hun geweer en hunne patronen, hierdoor konden zij beter manoeuvreeren, eu in tijd van nood als dragers dienst doen, ingeval er onderweg ziek werden, deserteerden, enz.
15 Aug. Maandag. Feest van Maria Hemelvaart. Pater Gos-seau leest zijne H. Mis in onze tent. Wel armoedig voor zulk een grooten feestdag ! Geen vrees : Onze Lieve Vrouw zal met niet minder welgevallen neerzien op het sacrificie harer Missionarissen, in zulke armoedige omstandigheden opgedragen, dan op de luisterrijke HH. Diensten in de prachtigste kathedralen van het Katholieke Europa. Uitgenoodigd door de Paters van den H. Geest, begeef ik mij om half zeven naar hunne Missie, om daar de plechtige Hoogmis, te zingen, waarbij Pater Ledonne en Pater Toussaint, als diaken eu subdiaken assisteeren. Hunne vrij groote kapel, met gekleurde stoften, banieren en vanen zoo goed mogelijk versierd, is stampvol. De meeste neophieten naderen tot de H. Tatel. Allen stichten mij zeer door hunne eerbiedige houding en godsvrucht. De Gregoriaansche Misgezangen, door Br. Mathurinus op een klein harmonium begeleid, worden door allen zeer goed meegezongen.
Mijn God, bij die duivelbezwering van eergisteren had ik een beeld der hel onder de oogen en hier, als 't ware, een beeld des Hemels. Gelukkige zielen! Wel moogt ge den goeden God en Zijne Hemelsche Moeder heden danken voor uw geluk, en bidden voor de duizenden rondom u, opdat ook zij die genaden deelachtig mogen worden!
De moeders brengen hunne zwarte cherubijntjes mee ter kerke.
Ill
Ze hebben de kleinste vau een ot twee jaar in een stuk stut op den rug of onder den arm gebonden. De grootere van at drie jaar worden door moeder bij de hand geleid of loopen dapper en vlug als snippen aan hare zijde. Soms onder de Credoquot; of âGloriaquot; verstoi'en ze wel wat den statigen kerkzang door hun buitenmaats gekraai, en zelfs onder 't stille der Mis hinderen ze eenigerraate den Celebrant, doch dit is niet erg. Integendeel: ik vond het zeer aardig, waarom niet? Ze verkondigen op hunne manier den lof van den goeden God!
Evenals bij de Paters van den H. Geest en, naar ik meen, in al de missiën onder de negers, zoo is liet ook in al onze missiestaties van Equatoriaal-Afrika het gebruik, dat alle neophieten onder de H.H. Diensten: Mis, Lof cn Vespers, meezingen. Dit is vooreerst een uitstekend middel om hunne aandacht, oplettendheid en godsvrucht gaande te houden en te verlevendigen. Daarenboven hebben de negers in 't algemeen veel smaak en aanleg voor zang; zelts zonder begeleiding van een harmonium is hun zang vrij goed. Dit neemt niet weg, dat een harmonium het effect vertienvoudigt, daar zulke begeleiding hen aanmoedigt, hun z-ng steunt en animeert. Ongelukkig hebben we veel moeite om die instrumenten ongeschonden tot aan de Groote Meren te transporteeren. De ondervinding echter leert, en als men b. v. de voorzorg neemt zulk een harmonium expres te bestellen, het zeer solied te fabriceeren en toch niet te zwaar (75 of 100 kilo), daarenboven in twee of zelfs vier stukken verdeelbaar, dan komt het gemakkelijk cn gaat op zijne bestemming.
Pater Gosseau en Broeder Jean-Pierre kwamen 's middags ook dineeren bij de Paters, die werkelijk al te goed voor ons waren. Het beste is hun niet te veel voor ons. Broeder Mathurinus voorzag ons van alles, wat ons ontbrak, en o. a. dagen lang van groenten uit zijn tuin, de schoonste salade, kool, bananen, enz. die men zich denken kan.
Om twee uur namen we afscheid van de goede Paters, wijl we nog een en ander te regelen hadden tegen ons vertrek, op den volgenden dag bepaald.
Bij onzen terugkeer in liet kamp troffen we, tot onze verrassing, een koerier aan. Deze kwam van de kust en was door Pater Bresson met een pak brieven belast, die voor Boekoembi, de Nyanza-en de Oeshirombo missie bestemd waren. Tot mijne vreugde had deze koerier ook eenige brieven en kranten aan mijn adres meegebracht. Men kan zonder moeite begrijpen, dat er gretig van een en ander werd kennis genomen.
Het was het eerste nieuws sinds den 6en Juni, den dag van mijn
112
vertrek uit het vaderland. Elders, zelts in Noord-Atrika, waar men dagelijks kans heett nieuws te ontvangen, is de vreugde minder; doch, als men enkel om de drie, vier of vijt' maanden zulk kansje heeft, is de verwachting natuurlijk meer gespannen. Maar men gewent aan alles, en na eenigen tijd zelfs zeer gemakkelijk ook aan dit gemis. Wat meer is, ten langen laatste denkt men er niet meer aan.
Vroeger duurde het vier, zes of meer maanden, voordat een briet uit Europa naar het binnenland â en omgekeerd ââ terecht was, dus acht ot twaalt maanden, vóórdat men antwoord kon hebben. Thans echter gaat het reeds vrij spoedig. Een koerier besteedt nu minstens vijf en veertig, hoogstens zestig dagen, om een pak brieven van het Nyanza- of het Tanganika-meer naar de kust en omgekeerd te brengen. Dit maakt â met gunstige aansluiting van de boot te Zanzibar â in het geheel vijt en veertig dagen; daarbij achttien dagen zeereis, is in nagenoeg twee maanden en vier dagen op en neer.
Tot nog toe is er slechts eens per maand eene vaste gelegenheid om brieven, nieuwsbladen, enz. naar Zanzibar te verzenden, n.I. den twaalfden van iedere maand uit Marseille met de booten der âMes-sageries maritimesquot;, die den dertigsten ot den een en dertigsten van dezelfde maand te Zanzibar arriveeren en den derden ot den vierden der volgende maand terugkeeren. Verder nog tweemaal per maand, gewoonlijk in het begin der maand over Londen met de âBritish Indiaquot; boot, ot over Lissabon met de âMala realo portu-guezaquot;. Eindelijk is er om de zes weken nog een vierde gelegenheid met de Duitsche Hamburger-booten.
Gewoonlijk zenden onze missionarissen in 't binnenland om de drie maanden hun koerier af naar de kust, deze wordt dan door Pater Bresson met de uit Europa aangekomen brieven, nieuwspapieren enz. teruggezonden. Soms, bijvoorbeeld in Boekombi, sluiten ze aan met de otficieren der Duitsche posten, ot zenden ze om de beurt een koerier, zoodat ze iedere maand gelegenheid hebben brieven te verzenden ot te ontvangen..
Mettertijd zal men aldus iedere maand ot zelfs tweemaal per maand zulke gelegenheid hebben. Reeds nu hebben de Duitsche beambten iedere maand een gouvernementspost, doch niet immer kan men er gebruik van maken. Zulke koerier bestaat in den regel uit vier, zes of acht man, ieder met een geweer gewapend en overigens niet bevracht. Ze leggen dagelijks tien of twaalt uren af en dragen het pak brieven, enz. in dubbel âimpermeablequot; linnen genaaid en van een duidelijk adres voorzien, om de schouders. De chef der kleine troep behoort een reispas te hebben,
1 Ui
die door den superieur van een missiepost of door een Duitscli officier geteekend is. Deze pas (cheti) moet hij aan iederen Europeaan, dien hij ontmoet, vertoonen.
16 Aug. Dinsdag. Feestdag van den H. Hyacinthus, Apostel van Polen, Kamp No. 20, Kilossa, twee en een half uur marsch van acht uren tot half elf. â Om vier uren zijn wij al op de been, maar eerst om acht uren is alles reisvaardig. Zoo is het altijd. Na een ot meerdere dagen rust zijn de negers veel luier, dan wanneer ze dagen achtereen lange dagreizen te maken hebben. Nu komt deze, dan gene zich beklagen, dat hij ziek is. Gelukkig vinden ze hier genoeg lieden, die âgombozi,quot; (remplagant) willen spelen. Alle as-cari's (soldaten) worden in 't gelid geplaatst, geïnspecteerd en ieder ontvangt twintig patronen, kardoezen of wel kogels en kruit. Er valt een weinig regen, doch gelukkig klaart de lucht spoedig op.
Pater Toussaint vergezelt ons. We marcheeren in Zuid-Westelijke richting door eene heerlijke en vruchtbare streek, passeeren een aantal negerdorpen en laten het groote dorp Kondoa links liggen. Tegen tien uren loopt ons eng karavanenpad uit op de tien meter breeds en een half uur lange kaarsrechte baan, dooide Duitschers van hun post Kilossa naar het dorp Kondoa in rechte lijn aangelegd. Had men overal zulk een schoonen weg, dan was het een lust te reizen en met een goede velocipede kon men dan in korten tijd de Groote Meren bereiken. De karavanenweg loopt vlak langs den Duitschen militairen post. Onze lieden marcheeren in voorbeeldige orde, zoodat de Heeren officieren hun bewondering niet kunnen bedwingen.
Terwijl onze karavaan vijf minuten verder gaat kanipeeren, stijgen we af om de Heeren officieren te gaan groeten. We worden met de grootste onderscheiding en hartelijkheid ontvangen, en terwijl Pater Gosseau en Pater Toussaint afscheid nemen om 't kamp te regelen, noodzaakt men mij, als 't ware, met hen te dineeren.
Luitenant Princen, een charmante kerel, kommandant op 't oogen-blik, spreekt vlot Fransch, Dr. Hartinck slechts Duitsch. De laatste, een Hannoveraan, spreekt des noods plat Duitsch, wat nagenoeg met Hollandsch overeenkomt. Hun post is gelegen op eene opene verhevenheid, juist aan den ingang' eener bergengte ; de plaats is allergunstigst gekozen.
Ons kamp van heden is gelegen juist in deze bergengte, rechts door hooge bergen, en links door de Jloekondokwa-rivier ingesloten. Een aantal vrouwen van licht allooi, vrouwen of slavinnen der Duitsche Soedaneezen, soldaten van het fort, overstroomen ons kamp. We geven order ze op staanden voet weg te jagen. Pater Toussaint is tot morgen onze gast.
114
17 Augustus. Kamp Xo. 21, Moekxi-Oesagara; zes en een half uur marsch, van kwart voor zessen tot kwart over twaalven. Pater Toussaint vergezelt ons halfweg en keert langs Kondoa terug, waar de Paters eene beginnende missie hebben, die in de toekomst veel belooft. Voor eenige jaren hadden protestantsehe Engelsche zendelingen aldaar een missiepost, dooh dezen hebben zij gelukkig opgeheven.
Halfweg vinden we eene groote Arabieren-karavaan gelegerd, bestemd voor Tabora. De cliet laat ons vragen onze karavaan te mogen volgen, te recht denkende dat hij in ons gevolg veiliger is. We staan zulks toe, op voorwaarde immer op eeu honderd meter afstand achter ons te marcheeren, en zich met onze lieden niet te vermengen. Dit is overigens het gebruik, alvorens de Oegogostreek binnen te dringen. Soms gebeurt het dat drie of vierduizend man elkander aldus op den voet volgen.
Onze weg loopt door eene heerlijke, vruchtbare streek. V\ e passeeren tweemaal de Moekondokwa-rivier, die, hoewel dertig meter breed, gemakkelijk doorwaadbaar is. Ons pad loopt op veel plaatsen vlak langs die rivier, welke, kabbelend in eene diepe bedding, hare wateren voortstuwt. Hier en daar is de passage bemoeilijkt door moerassen met hoog en dicht bamboes-riet, en verder door afwisselende hoogten eu diepten.
Links en rechts overal negerdorpen, op de vooruitspringende heuvelen der twee bergketenen gelegen. Tot onze verrassing zien we een groot houten kruis, dicht bij een dezer dorpen geplant. We konden niet te weten komen, wat dit beduidde, mogelijk strekken de Paters van La Louga tot hiertoe hunne Apostolische werkzaamheid uit. In ieder dorp waait de Duitsche vlag ten teeken van onderwerping aan het Duitsche gezag. We legeren op tien meter afstand rechts van de Moekondokwa-rivier.
Wilde dieren ontbreken hier niet. Verleden jaar had eeu onzer confraters hier op een twintig meter afstand van het kamp eene ontmoeting met twee tijgers. G-elukkig lieten die woudbewoners hem met rust.
Nauwelijks waren we ten halve gelegerd, als op eens meerdere geweerschoten vernomen werden. Onze lieden begonnen reeds: âvita, vitaquot; (oorlog, oorlog) te roepen. Zoo erg was het echter niet. Het was een koerier van Pater Hauttecoeur uit Boekoembi. bestaande uit zes christenen, die zich naar de kust begaven. Het is het gebruik der koeriers om bij aankomst op hunne bestemming, ot bij het ontmoeten van bekenden, hunne geweren at te vuren.
IS Augustus, Donderdag. Kamp No. 22, Kirasa ; drie en een
115
half uur marscli, van kwart roor zessen tot kwart over negenen. Ons pad volgt nog immer den kronkelenden loop der Kondokwa-rivier. De streek schijnt minder bewoond, alhoewel het bergdal zeer vruchtbaar is.
In een boom, op eenigen afstand van ons, zijn een hoop apen aan het kermis houden. Ze maken de potsierlijkste grimassen en heften op onze nadering een ijselijk geschreeuw aan. Een mijner askari's loopt er op aan, doch gezwind als âapenquot; klauteren ze den boom uit en poetsen de plaat.
Ons kamp is prachtig gelegen in eeue bergkom, allerwegen door bergen afgezet. Met behulp van een verrekijker kan men op groo-ten afstand, halverwegen de berghelling, eenige dorpen ontdekken. We zenden een paar askari's uit, om kippen en eieren te koopen, doch ze keeren eerst 's avonds terug zonder iets mede te brengen, zoodat we van middag en ook van avond een magere keuken hebben.
De bergen zijn bewoond door struikroovers en bandieten (roega-roega's) der Wahéhéstammen, thans nog in oorlog met de Duitschers. Het waren de Wahéhé's, die verleden jaar de kolonne van luitenant Zalewski, honderd man sterk, overvielen en totaal uitmoordden. De bergvlakte is dor, zoodat ook onze arme ezels, evenzeer als wij, zeer weinig over den tand te brengen hebben. In het droge jaargetijde is het lastig die viervoeters genoea: voedsel en drinkwater te verschaffen. Daarom geven we hun tweemaal daags een goede portie moetama. Anders kunnen ze het onmogelijk uithouden. Wijl de karavaan immer langzaam marcheert, laat ik den mijnen onder weg de zeldzame groene grashalmen op zijn gemak afgrazen. Overigens zijn onze askari's genoeg in de weer om gras te zoeken voor hunne beschermelingen. Gedurende den dag laat men ze grazen nabij 't kamp. Des nachts bindt men ze stevig vast en wel midden in het kamp, uit vrees voor de hyena's, tijgers, enz. In de vorige karavaan is het voorgevallen, dat een ezel 's morgens door de hyena's half opgepeuzeld was.
Mongoïa knipt ons de haren; een groot getal onzer lieden komt die operatie bewonderen en afzien. Ze vinden dat de Wazoengoe's van hunne haren lang zooveel werk niet maken als zij, heeren negers. Inderdaad is dit bij hen zeer ingewikkeld, er heerscht een bepaalde mode onder de verschillende stammen. Ze winnen het verre van de handigste kappers in Europa. In den regel hebben de negers hun zwart wollig kroeshaar kaal geknipt of geschoren. Eenigen lateu ee;i klein bosje staan op de kruin of aan het voorhoofd, ook gebeurt het wel dat zij vier bosjes behouden. Anderen dragen een haarrand rondom de kruin, welke op en top op een kapucijnerkruin gelijkt. Nog anderen dragen het haar niet zoo
116
kaal met uitzondering van rechte kale strepen in verschillende richting over het hoofd loopend. Eenige weinigen laten hun haar (dat echter nooit lang wordt) groeien en verdeelen het in een aantal kleine vlechtjes. Soms moet de patient voor die operatie drie dagen lang poseeren. Men oordeele dus over hunne verfijnde .. llode de Paris.quot; Onze kruin blijft voortaan achterwege, wijl juist de toovenaars in deze streken een kruin aan de onze gelijk dragen.
i.9 Augustus, Vrijdag. Kamp No. 23, Kidete, zes en een half uur marsch, van half zes tot twaalf' uren. We zijn gelegerd aan den voet der Roeëmba-bergen, 1870 M. hoog. We besteden van morgen meer dan een uur om de steile helling te beklimmen, uiterst vermoeiend, zelfs als men niet belast is. Ik beklaag onze arme lieden, die, met hun last vau zestig pond, al sukkelend de vijf honderd meter hooge helling bestijgen. Eenmaal boven, geniet men het schoonste gezicht, dat men zich denken kan. Overal in 't rond bergen, wier toppen door de stralen der opgaande zon in gouden gloed gehuld zijn. Links in het Westen strekt zich eene onafzienbare heuvelachtige vlakte uit. Als onze lieden boven zijn, houden we een half uur halt, om hen van hunne vermoeienis wat te laten uitrusten. De twee vorige dagen liep onze weg van af Kilossa in nagenoeg noordelijke richting. Vandaag eveneens, en nu en dan zelfs in oostelijke richting. Twee uur lang trekken we den eenen heuvel na den anderen over, vervolgens dalen we drie volle uren de zachte helling der Roeëmba-bergen weer af. Overal, waar het oog zich wendt, eene onmetelijke pori met dor grijsachtig en bladerloos hout en struikgewas. Ofschoon we ons op eene aanzienlijke hoogte bevinden, is het zeer heet, en ten overvloede waait er een koortsige wind uit het Westen. Nergens een negerhut of eene levende ziel te bespeuren. Tegen elf uur zien we voor ons in de dorre, grijze pori een smalle strook van groen geboomte langs de beide oevers van de Kondokwa-rivier of liever van een harer zijtakken We legeren juist aan de overzijde, na dien rivierarm gepasseerd te zijn.
Onze negers, halfdood van dorst, werpen zich onbesuisd in 't koele water der rivier en rusten uit in de frissche schaduw der boo-men. Een werkelijke oasis midden in de wildernis. Doch men neme zich in acht voor de koele schaduw en ook voor den frisschen wind, die soms waait. Hetzelfde is het geval met baden en de hydrotherapie in 't algemeen, als men in Afrika de zeldzame kans heeft, water aan te tretïen. Een en ander zal u vrij zeker eene ferme koorts op het lijf jagen. Echter hoede men zich nog meer voor de loodrecht neervallende stralen der tropische zon. De Afri-
kaansche koortsen bestaan en met den tijd ontaarden deze allicht in de zoo verschrikkelijke eu moorddadige leverkoortsen. Bijna niemand ontsnapt er aan; ze zijn het dagelijksch brood der missionarissen. Toch heeft men ongelijk, geloof ik, deze in het algemeen âmalariaquot; ot moeraskoortsen te noemen. Gewis heerschen die iu moerassige streken en gedurende de âmasikaquot;, het regenseizoen, doch de koortsen heerschen evengoed op droge, waterlooze bergvlakten. Ik ben daarom overtuigd, dat de tropische zon de voorname oorzaak is, verder de verandering van klimaat, levenswijze enz.
Ons kamp is vrij schilderachtig gelegen. Overal pori en bergen aan den horizon. Onze aandacht wordt vooral opgewekt door een kolossaal berggevaarte van grijs graniet, dat volkom0u geïsoleerd op een bergvlak van wit zand, in hel Noord-Oosten oprijst. Het is de berg Eoembat, drieduizend meter hoog. Nog dagen daarna zien we achter ons denzeltdeu berg. Opmerkelijk is het dat dit berggevaarte u de volkomen illusie geeft van een kolossaal middel-eeuwsch slot. Het grijze gevaarte, zuiver vierkant en boven afgeplat, rijst loodrecht omhoog. Niets ontbreekt, zelfs de vier bastions aan de vier hoeken niet.
Eene groote, twee meter lange slang wilde ons den weg versperren ; het ondier was evenwel spoedig afgemaakt. Overigens krioelt het hier van allerlei wild gedierte.
We verplichten den chef der Wanyamoeëzi-karavaan, die ons volgt, aan den anderen kant der rivier te kampeeren. We verbieden hem dat zijne lieden zich onder de onzen mengen, wijl er pokkenlijdeis ouder zijn. Een wel noodige voorzorg. Verbeeldt u, dat we die besmettelijke ziekte onder ons volk kregen! Wat aanvangen in zulke woestenij zonder dragers!
Onze askari's krijgen ieder dertig patronen in plaats van twintig. Tot nu toe werden hunne geweren bij aankomst, in het kamp opgevorderd des daags voor onze tent opgesteld, 's nachts door ons bewaard en 's morgens uitgedeeld. Van nu at bekomt ieder des avonds zijn geweer, om het in den nacht bij de hand te hebben, wijl de streek van hier af minder veilig wordt.
20 Augustus, Zaterdag. Feest van den H. Bernanlus. Kamp No. 22 Damui, zeven en een halt uur marsch, van zes uren tot half twee. Van morgen was het evenals gisterenmorgen vrij koud. Eange vermoeiende marsch vau zeven en een half uur door eene treurige pori over eene heuvelachtige hoogvlakte, met verschroeid, grijsachtig struikgewas, nu en dan met dor gras eu rotsachtige verhevenheden afwisselend'
Onze weg loopt nog immer in bijna noordelijke richting. Eechts eu voor ons bergen. Meer dan zesmaal passeereu we eene kron-
118
kelende, droge rivier; we kampeeren eindelijk in een soort oasis, eene kleine ronde open plaats door prachtige groene hoornen overschaduwd. Op een boogscheut ver van ons kamp stroomt een klein beekje met kristalhelder water. Ofschoon de marsch zeer lang was, zijn allen met hunne lasten toch present.
l)e streek is nagenoeg onbewoond, zoodat onze mannen heel wat moeite hebben om levensmiddelen te vinden. Soms zijn ze verplicht uren lang naar een negerdorp te zoeken. Tegen den avond brengt men ons een onzer dragers, die in een der Wagogo's dorpen eene zware wond aan het liootd bekwam. Een ander ontkwam ter uauwernood aan een pijlschot. Was het niet zoo laat geweest, dan hadden we vijttien askari's er op afgezonden. Met moeite gelukte het mij de sterk bloedende hoofdwonde te verbinden.
Ãnze kleine reisapotheek bewijst ons in menig geval veel dienst. Deze, in den vorm van een houten kist, (zestig centimeter lang, dertig centimeter hoog en breed) in een twintigtal hokjes afgedeeld, bevat de onontbeerlijkste geneesmiddelen, instrumenten, enz. Men zegt ons, dat er veel tijgers en leeuwen in de streek huizen. We nemen daarom de voorzorg om gedurende den nacht vijf groote vuren te onderhouden.
21 Augustus, Zondag. Feed van den H. Joachim, Vader der allerheiligste Maagd. Kamp No. 25, Touhouque, vijt unr marsch van zes uren tot elf uren. Ik heb om halt vijf nogmaals het geluk mijne H. Mis te lezen. Ounoodig te zeggen, dat we vurig baden vnor onzen 11. Vader den Paus, het is heden zijn patroonfeest. Immers het is de algemeene Vader der Christenen, die ons uitzendt in dit wild gedeelte van zijn wijngaard om ook deze verdwaalde schapen in zijn schaapstal te vereenigen.
De wilde dieren hebben ons van nacht met vrede gelaten. Men rilt van morgen van koude. Immer pori, woestijn. Een goed uur lang is de marsch der karavaan zeer langzaam, wij zijn namelijk in een bijna ondoordringbaar bosch van sparhout. Aan den rand van dit bosch trekken wij langs een Wagogodorp, welks bewoners niet sympathiek schijnen. Later vernamen we dat ze zelfs beproefd hadden eenige onzer dragers te berooven. Na het dorp gepasseerd te zijn, niareheeren we door eene vlakte, hier en daar met hoog gras en sporen van verbrande dorpen. Het schijnt dat de Duit-schers van Mpoeiipoeii deze rooversstreek terecht getuchtigd hebben. Immer rechts en in het Noorden vóór ons bergen.
Tegen halt elt dalen we af in eene groote kale vlakte; in den noord-oostelijken hoek kampeeren we onder een groep schaduwrijke boomen, nabij een helder beekje met schoon water. Fraai landschap door bergen omheven, behalve in het Oosten, waar we
119
den Roembat berg- alleen nog duidelijk zien. In plaats van een \ estingtoren geett deze thans de illusie van een rustenden leeuw en pioftel gezien. Hier en daar ziet men eenige dorpen, tegen de hellingen der bergen gelegen. Veel wind zoodat we alle vrees hebben, dat onze tent omwaait.
'' ' Augustus, Muciudcig, Ivamp No. 26, Mpoeapoea. Zes en een halt uur marsch, van half zes tot twaalf uren. Op aanraden van een onzer nyampara's nemen we eene andere route dan den gewonen weg-, waarmee we een uur uitwinnen. Van Foubouqné tot Mpoeilpoeii loopt de weg- in oostelijke richting en in het begin zelfs een weinig Zuid-Oost. Wij passeeren eene bergengte en vervolgens verscheidene hooge bergvlakten afwisselend met groene valleien, oudei anderen een groot bosch van hooge regelmatig staande boomen.
Om half negen ontmoeten we een karavaan van Wanyamoewezi, beladen met inlandsche schoppen en hakken, die onder weg verhandeld worden. Alle lieden zijn enkel met boog en pijl gewapend gten geweien. De eerste kirangozi rortelt de trom, algemeen gebruik in de karavanen der Arabieren of Wangwana's.
Een weinig verder ontmoeten we een Duitsch Zoeloe soldaat, die een grooten vetten os voor zich uitdrijft. Dit brengt eenige verwarring onder onze lieden. Eenigen zelfs zijn gereed hun last weg te werpen en aan den haal te gaan.
Aanvankelijk kon ik niet onderscheiden wat er gaande was en had mijn geweer gereed.
e Louden om elf uren halt op eene vlakte, allerwegen door bei gen omzet. ^ ervolgens kiezen we als weg een uur lang de droge bedding eener vrij aanzienlijke rivier. Om twaalf uur kam-peeren we op een paar honderd meter afstand van het Duitsche fort, vlak aan den rand der bergen, die we zijn afgedwaald. Eene groote vlakte, aan drie zijden (uitgenomen liet Westen) door bergen omzoomd, biedt ons daarvoor een geschikte plaats aan. Het schijnt dat deze vlakte zeer bevolkt is ; te oordeelen naar 't groote aantal dorpen of tembees.
Alle karavanen, die van de kust ot uit het binnenland komen, passeeren deze plaats, om daarna langs verschillende richtingen haar weg te vervolgen.
Daarom is de Duitscue militaire post hier opgericht, op een voortreffelijk punt gelegen. Noordelijk zoowel als zuidelijk van Mpwapwa strekt zich de âMarenga-Mchaliquot; (= booze woestenij) uit, nog nooit is een Europeaan daarin doorgedrongen, waarom allei lei bandieten deze streek tot hun veilig verblijf hebben gekozen. In de onmiddellijke nabijheid van ons kamp ziet men nog de puin-
120
hoopen der vroegere Dnitsche statie .alhier, die verwoest werd dooide Arabieren tijdens den opstand van Bnsliiri, aan de kust (87â88).
Nadat ons kamp goed en wel was ingericht, rondom een reus-achtigen boabab-boom, gingen wij een bezoek brengen aan de heeren officieren van het fort, die ons zeer net ontvingen. De bezetting bestaat uit een 50-tal Soedaneesche soldaten en drie officieren van welke luitenant Elfons de kommandant is. Het tort, militairisch en voor zijn doel zeer praktisch ingericht, heeft den vorm van een vierkant (zijde ± 50 Meter). Een geduchte ringmuur, opgetrokken uit in de zon gedroogden steen en gedeeltelijk zelfs uit rotssteen, kan aan een hevigen aanval lang wederstand bieden, daar hij wel een meter dik en vijf meter hoog is, geeue vensters of openingen bezit, en alleen voorzien is van één enkelen, door een stevige deur afgesloten toegang; voor de rest hier en daar schietgaten. De woningen voor de manschappen en hun vrouwen, het arsenaal, de magazijnen enz. zijn in 't rond tegen den ringmuur aan gebouwd, zoodat eene ruime binnenplaats van 35 tot 40 meter in 't vierkant overblijft. Al deze gebouwtjes hebben een hoogte van 2 tot S'/j meter en een plat aarden dak, dat voor omgang dient langs de schietgaten in den ringmuur. Daarenboven zijn aan de vier hoeken van den muur bastions aangebracht, elk bewapend met een of twee mitrailleuses of snelvurende kanonnen.
Aan de zuidzijde van 't fort, als 't ware boven de kazerne, verheft zich eeue verdieping, versierd met eene veranda: hier zijn de woningan der officieren. Zulk een fort, wanneer het bemand is met een 5G-tal goed geoefende soldaten en een behoorlijken voorraad ammunitie en proviand, kan het maanden lang volhouden tegen duizenden negers. Ik herinner mij niet juist meer, of het fort binnen zijn muren een put ot bron heeft, zoo ja, dan wordt daardoor de waarde van den post nog aanmerkelijk verhoogd.
Op alle punten, waar de Duitschers aldus militaire posten hebben, is de streek ver in den omtrek veilig. Immers, als de bezetting voltallig is, hebben de officieren in last, nu en dan âen colonne volante'' 20 uren in den omtrek eene militaire wandeling te maken.
Overal in Oost-Afrika hebben de negers en zelfs de Arabieren een zeer groote vrees voor de Wadeutshi ( Duitschers); ja, men jaagt hun als 't ware een panischen schrik aan, als men hen bedreigt met uitlevering of zelfs bekendmaking aan de Wadeutshi.
Voor het oogenblik is die groote vrees al zeker heel heilzaam, want met die ruim 20 militaire posten, welke Dnitsch Oost-Afrika bezit, is reeds een groot gedeelte van het land volkomen veilig. Twaalf dezer posten liggen langs de kust van den oceaan, eenige
aan 't iN.yauzameer en aan den voet van den Kilimandzjaro-berg', weer andere langs de groote karavaanwegen. Natuurlijk zijn er nog vele punten, die allernoodzakelijkst bezet dienden te wórden, vooral langs het Tangenika-meer, ja ia plaats van een 20-tal zouden er een 5O-tal zulke posten moeten zijn, dan kon men het geheele land goed in orde hebben.
Heeft men vóór zich een kaart van Duitsch- Oost-Afrika, (b.v. die van Richard Kiepert) dan kan men slechts een gevoel van bewondering koesteren voor het geniale plan van Majoor v. Wiss-man. God geve, dat hij moge slagen in zijne huidige expeditie, (een stoomboot, d. i. de samenstellende deelen daarvan door middel van eene groote karavaan naar 't Tanganika-meer te transporteeren en aldaar militaire posten te stichten.) \\ ordt zijne onderneming niet een gezegenden uitslag bekroond, dan is er een geduchte knak gegeven aan den slavenhandel, slavenuitvoer en de slavenjacht. Van welk groot belang zou dit alles zijn voor onze apostolische missieplannen ! Kon Duitschland in zijne kolonie maar over meer geld beschikken! Toch is het bewonderenswaardig', wat men in den tijd van 4 ot 5 jaar heeft tot stand gebracht met een jaarlijksch budget van 3 a 4 millioen.
Het valt zeer te betreuren, dat sinds een paar jaar het militair bestuur door een civiel is vervangen : Wissman moest toen plaats maken voor den nieuwen Gouverneur Baron Von Soden (in quot;t voorbijgaan zij gezegd, dat dit een fanatiek vrijmetselaar is.) Doch het, is ie hopen, dat men eerlang dezen misstap zal inzien, en van dit onzinnig systeem terugkeeren.
Zeer opmerkelijk is het, dat in den laatsten tijd de Vrijmetselarij (ot de moderne Mogendheden) allerwege in de koloniën het militaire bewind door een burgerlijk bestuur tracht te vervangen, b.v. Frankrijk in Algerije, Tunis, Senegal, Tonkin, Annam, Cochin-China enz. Waarom ? Dit weet men zeer goed. Altoos heeft de vrijmetselarij eene instinktmatige vrees gekoesterd voor de gewapende macht, het leger. Behalve kroon en altaar, wil zij ook het leger vernietigen ot althans verlammen en den geest van den soldaat bederven. Daarom strijd, altoos strijd tegen de Katholieke Kerk : daarom tronen omvergeworpen, de monarchie vervangen door een revolutionair republiek, bestuurd door onbaatzuchtige ? mannen : óf wel een schijnkoning wordt aan ?t hoofd geplaatst met een gezag, dat de Vrijmetselarij naar de oogen moet zien. Daarom de opmerkelijke razernij der heeren Vrijmetselaars, ten einde Boulangisti-sche beweging te onderdrukken : ze zagen zeer duidelijk koninklijke wrekers in de schaduw van den âGrand General.quot;
Daarom thans overal den invloed van het leger met argwaan
1 22
op afstand gehouden. Daarom eindelijk in de koloniën den soldaat vervangen door een Vrijmetselaar, en dan nog liefst een Jood, om als spion en tegenvverker der Missionarissen te dienen.
Neen, de Vrijmetselaarsbende bezit alle kenmerken van Satan en zijne trawanten: het streven om wanorde, oneenigheid, vijandschap en vernieling te verspreiden; allen gebieden en tiranniseeren elkander, niemand wil gehoorzamen. In eeuwigen strijd tegen Gods schepping en de orde van Gods Voorzienigheid, zoeken zij hier op aarde alles te verstoren wat gezag uitoefent, orde en eenheid bezit; alles wat deugd en waarheid verkondigt. Daar nu de H. Kerk en de Paus van Rome in 't geestelijke de banieren van Waarheid, Orde, Deugd en Vrijheid omhoog houden en zoo velen menschen tot veiligen gids dienen â daarom strijd tegen haar, strijd tegen den drager van haar hoogste gezag, strijd tot aan den jougsten dag.
De wettige koningen, als handhavers van de door God gewilde maatschappelijke orde, de legers als de arm der gerechtigheid - -treffen in de Vrijmetselaars hunne meest verwoede vijanden aan: daarom strijd, strijd op leven en dood.
Om de volkeren te tuchtigen of tot inkeer te brengen, zendt God nu en dan zijne geesels af in den vorm van oorlogen, pest, smet-ziekten, mislukken van den oogst of andere rampen.
Het is alsof de aartsengel Michael nog steeds aan de spits te zien is van de legers, die voor eene heilige zaak ten strijde trekken. Dan wordt door de Vrijmetselarij verraad en meineed gepleegd, totdat het gevaar voorbij is, om dan weer met meer trotschheid het hoofd op te steken en het recht met voeten te treden. Alle algemeene rampen, de mirakelen zelfs worden op eene natuurlijke wijze verklaard, om den gewonen man zand in de oogen te kunnen blijven strooien en hem tot een werktuig der ongerechtigheid te gebruiken.
Doch wij dwalen van ons onderwerp af. Ik constateerde dus het opmerkelijk feit, dat de Vrijmetselarij in den laatsten tijd overal een militair bewind door een burgerlijk doet vervangen. Nogmaals waarom? De soldaat, handhaver der orde en voorvechter van het goede, moet op zij, om plaats te maken voor den macon ot ma^on-nieken jood om dien âen passantquot; eene flinke winstgevende betrekking te bezorgen, want hun ..schootsvelquot; is zeer geschikt ter inzameling van zilver en goud.
In de meeste Fransche koloniën o. a. in Tonkin, Algiers en Tunis, moet men vrijmetselaar zijn om eene winstgevende betrekking te kunnen verkrijgen. Zoo ongeveer is het thans ook gesteld in Oost-Afrika. Een groot gedeelte van het kleine budget van 3 a 4
123
inillioen wordt bij wijze van traktement uitgekeerd aan een troep masons, joden, nietsdoeners aan de kust ot in 't moederland, te Berlijn. Deze heertjes hebben bezoldigingen van 10 tot 50 duizend Mark (li tot iiO duizend gld.), en allerlei buitenkansjes op den koop toe, terwijl kranige officieren (natuurlijk enkel christenen, want vrijmetselaars zoeken zulk een gevaarlijk baantje niet), die in 't binnenland allerlei gevaren trotseeren, zich jaarlijks met 600 a 1000 Mark moeten zien te behelpen. Wat brave borsten, zelts onder protestanten !
Nog eéne opmerking, alvorens we naar ons kamp terugkeeren; ik sprak van 't geniale plan van kapt. Wissman. Welk eene eer voor Z. Era. Kard. Lavigerie z, g., dat juist hij degene geweest is, die het eerst (Mei '88) aan de Mogendheden de groote lijnen van dit plan aanwees. Wissman bevond zich op dat oogeublik in t binnenland en had gedurende zijne expeditie dwars door Afrika juist hetzelfde plan gevormd, met welks uitvoering hij thans nog bezig is. Tot eer van Duitschland moet het gezegd zijn, dat tot hiertoe geen enkel ander land zooveel gedaan heeft, om Atrika toegankelijk te maken voor geloof en beschaving.
De koinmandant Elfons had ons gezegd, dat van onze karavaan van '91 nog 17 kisten met waren in dc magazijnen bij hem in depót lagen : (i voor de missie van Nyanza en 11 voor die van ?t, ranganika-meer. Natuurlijk namen wij de ii eerste mee, en na onder dankbetuiging afscheid genomen te hebben, volgde ik een sergeant, die ze ons overgaf. Zes der onzen brachten ze naar ons kamp.
Tot aan Mwapwa had Sewa aan onze dragers hun âposho-betaald, doch van nu af moesten wij zeiven om de (i dagen met onze meegebrachte stoffen uitbetalen. Hamsin en Jacques kwijten zicli voortreffelijk van dit ingewikkeld werk, waarmee een lieele namiddag gemoeid is. Vijf lasten linnen stof gaan er mee schuiven. Iedere last bevat nagenoeg 7 diora, één diora 7 doti, één doti 2 apanda. Een doti (van 1 ellen) kost ons ongeveer 3 francs. Dus moeten wij dezen keer stof geven voor een waarde van 5x7 X / X 3 fr. â 735 tr. Ieder drager ontvangt één upande, dus voor 75 cent (Nederl.). Het is een heel werk, oen 490 stukken goed af te scheuren en uit te deelen. leder nyampara afzonderlijk stelt daartoe zijne dragers op een gelid. Daardoor wordt voorkomen, dat eenigen tweemaal hun posho zouden ontvangen, alsook worden allen geweerd, die de posho soms zonden komen eisciien, zonder drager (mpagazi) te zijn. Ieder voor zich of ver-scheidenen samen maken nu eene berekening, hoe zij daarvan zes dagen zullen zien te leven, want dit linnen is dc munt, waarmee
124
zij zich van al liet noodige kuuuen voorzien. Komt de een zeer gemakkelijk hiermee een week lang toe, de minder spaarzame komt evenals overal in de wereld te kort, en moet dan vanzelf één ot meer dagen door gebrek lijden, boeten voor zijne âopmakerij.quot;
De uitbetaalde lasten hebben ons dus vijt paar vrije schouders bezorgd, maar daar tegenover staat, dat vijt man ziek zijn en ten overvloede nog de (j nieuwe kisten. Ongelukkig zijn deze kisten plomp, vierkant eu al zijn ze niet zwaar, toch zijn ze lastig te dragen. De lieeren dragers willen er maar niet aan, ze als een vracht voor één man te beschouwen, zoodat wij ons ten laatste verplicht zien, ze door twee te doen dragen. Dit vordert dus alweer een tiental nieuwe dragers, en het kost ons heel wat moeite, die 10 op de 500 uit te winnen ; b.v. door lasten te verdeden, andere te verzwaren en ten slotte moeten wij een paar askari's, die anders voor onze veiligheid te zorgen hebben, als lastdragers gebruiken.
De vorm der pakken, die per karavaan vervoerd moeten woi-den, is van groot belang. Onbeholpen, vierkante kisten, vooral zulke met scherpe kanten, al wegen ze ook slechts 5(3 a 60 pond, worden door alle dragers geschuwd. Zulke moeilijk te dragen kisten zouden in staat zijn, aan een karavaan herhaaldelijk een ot meer dagen vertraging te bezorgen, ten minste, als men niet kan besluiten, deze onhandelbare stukken achter te laten. De langwerpige, afgeronde vorm is de beste, dien men aan de vrachten kan geven. De âMitumbaquot; last: pak van l meter lengte, 30 cM. breedte en 15 a 20 cM. dikte, evenals de waterdichte zakken, 1.25 meter lang, met linnen, kleederen enz. gevuld, worden door ieder gretig aangepakt, al wegen ze ook zwaarder, soms zelts tot 75 pond. Ook als verpakking is het zeer praktisch, zulke âimpermeablequot; zakken te gebruiken. Men riskeert daarbij niets, terwijl kisten van zink, blik en ijzer wel dichtgesoldeerd kunneu zijn, maar toch meestal nog mank gaan aan het euvel, dat ze niet waterdicht blijven en dan al de inhoud bederft. Een ander voordeel van zulke praktische zakken is, dat men er vaak even veel in verpakken kan als in twee kisten of nog meer, ten minste, als de inpakking oordeelkundig geschiedt. Men vormt daartoe, volgens de afmetingen van den zak, eerst een stapel kleereu, dekens, linnen enz. Dit alles wordt goed plat uitgespreid; als men wil, kan men dan tusschen de verschillende lagen eene massa van allerlei kleinigheden bergen, die aldus weinig of geen gevaar zullen loopen van gebroken of beschadigd te worden. Is de stapel aldus klaar gemaakt, dan wordt het geheel stevig omwikkeld met een stuk linnen of katoen; dan hectt liet reeds zijn afgeronden vorm. Nu wordt
het pak mot een touw (30â10 omslag-eu, dicht naast elkaar) zóó stevig omwonden en zóó vast inéeugeperst, dat liet stijt als een stuk hout overeind blijft staan. Daarna behoeft men de ,,nüsigo'' slechts iu den waterdichten zak te laten glijden, mi dezen dicht te maken. Zulk een last komt zoo goed als zeker ongeschonden aan op de plaats van bestemming. Ãp die manier kan men zelfs misgewaden vervoeren. Later zag ik (en ik moet er bijna om weenen), hoe eene ijzeren goed gesoldeerde (?) kist met kasuitels, boeken enz. geheel verloren was: alles was door het ingedrongen nat totaal verrot. Dit is zeer begrijpelijk : bij 't doorwaden van een rivier ot moeras, ten gevolge van eene regenbui ot hoe dan ook, dringt het water door een wel gesoldeerden, maar opengesprongen naad van de kist. is het nat er eenmaal in, dan is de uitweg te klein, om het door middel vau verdamping weer te doen verdwijnen ; het blijft dus in het goed zitten en alles wordt dientengevolge spoedig bedorven.
In een pak zooals boven beschreven, zuu alles goed gebleven zijn: men had misgewaden, kerklinnen, vanen, groote platen, schilderijen enz. slechts om eene niet te dunne houten rol te wikkelen, daaromheen gewoon linnen ot een paar dekens, dan nog alleen maar de touwen en den vermelden zak en alles is tegen ongelukken verzekerd.
Misschien zal deze of gene der geachte lezers en lezeressen weinig smaak vinden in al die bijzonderheden, nnar ik moet mij tevreden stellen, met hun verschooning te vragen, want ik weet zeker, dat de toekomstige Missionaris, die deze dingen zal lezen, er bepaald belang in zal stellen, daar ze hem later vast en zeker van veel dienst zullen zijn.
Alles was aldus geregeld voor het vertrek van morgen. De ofticieren hadden ons daarenboven verzekerd, dat we niets te vreezen hadden, in de gevreesde Oegogostreek, die we in gingen; overigens gat men ons permissie des noods op roovers en bandieten te vuren.
Het is 22 Augustus ; dus we zijn juist een maand op marsch. De afstand van Mpwapwa tot liagamoyo bedraagt 4(1-/- uur. Onze karavaan deed er li.'i'/o uur over, doch men bedenke dat we een omweg van wel vijftien uur links naar het Zuiden gemaakt hebben langs Mrogero en Longa. De weg van uit Saadani aan de kust, langs Mandera Mliouda, Momboïa, drie posten van de Paters van den H. Ueest, is veel korter. Meer en meer begint men daarom dan ook dezen weg te volgen.
Mpwapwa ligt Itbt! M. boven dc oppervlakte der zee. Gedurende den nacht meenden wc onraad te bespeuren. Een verdacht
12(j
gei-aas in- eu boven ou^c teut. Waren het muizen, ratten ot slangen 'i Fluks waren een aantal askari's daartoe gerequireerd (zooals men in Amsterdam bij een Palingoproer doet) en nu er op at. Het bleken werkelijk ratten te zijn, die een rattendans uitvoerden boven onze hootden. O! Slechts ratten en muizen! Allemaal niets, maar slangen, zie je, dat is een verschrikkelijke gedachte ! Er moest er eens een onder mijn oorkussen, pardon oorzak zitten 1
Zoo vertrouwend en met zooveel devotie lees ik. den laatsten tijd vooral, lederen avond in de Completen van mijn Brevier: âHij zal zeggen tot den Heer: Grij zijt mijn bewaarder en mijn toevlucht, ik zal hopen in mijnen Heer, â âwant hij heett mij verlost uit den strik des jagers (duivels en bandieten.quot;) Deze en nog vele andere spreuken zijn zeer troostvol ea schonken vertrouwen, vooral des nachts, daarom sliep ik dan ook al spoedig in. Zoowat een uur later: krak! daar brak mijn veldbed en lag ik niet dekens en al tegen den grond! Mijne confraters sprongen verschrikt op en meenden nu in de duisternis zeker een monsterserpent of ander ondier op den grond te zien spartelen. Ik was ongedeerd, doch ik had alle kans gehad een tal voetstompen op mijn karkas te krijgen van mijne gedienstige confraters, te meer wijl het serpent juist als dat van Moeder Eva scheen te spreken. Gods Engelen hadden ine nu ook beschut, aan hen had ik het te danken dat ik mijn hootd niet gestooten had. Ik laat U raden ot we gelachen hebben!
23 Augustus. Kamp No. 27. Kisoxgwuk. 21/» uur marsch, van 6 uur tot halt negen. We passeeren de droge rivierbedding eu trekken vlak langs 't Duitsche fort in Noord-Westelijke richting langs een mooie, rechte, 5 meters breede en een uur lange baan door de Duitschers aangelegd. Juist waren dien morgen de Soedaneezen- of Zoeloesoldaten aan het exerceeren op liet groote plein voor het tort. Het zien er kranige kerels uit, zij exeercee-ren als Europeesche soldaten en zij dragen een bruin gele unitorm, korte broek, lange kousen, vastzittend aan de schoenen, kepi met athangende halsbedekking; hun wapens zijn Manlicher-geweren van het Duitsche leger, bijlen, enz. Onze lieden konden niet uitgekeken komen. Gewis maakte dit gezicht zekeren indruk op hen.
Onze weg was vrij lastig wegens honderden kleine, droge beekjes, die de vlakte doorstroomen. Talrijke dorpen of vierkante tem-bees rechts, en voor ons bergen. We maken een omweg en laten den rechten (?) weg naar Mtjonga (kamp van morgen) links liggen wijl anders de marsch wat lang is, en in Mtjouge en in de volgende kampen weinig levensmiddelen te vinden zijn. Om half negen kampeeren we in een diep gelegen uithoek der vlakte, bijna
127
langs alle kanten door bergen ingesloten, op vijftien nieter van eene tembee en slechts eenige meters van eene groote droge rivier gelegen. Zeer mooie, schilderachtige streek. Eenige groote boomen met dik, zwart, groen loover geven eene overvloedige schaduw.
De negers van het dorp verkoopen veel aan ons volk. Eenigen der onzen echter vallen als musschen op de nog te veldstaande rijpe maïs, sorgho en Moetama neder of graven de eveneens rijpe arachieden (aardnoten) uit den grond. Het begrip van âmijn eu dijn- zit hun maar eventjes in de hersens en zij meenen dat zoo iets in het gezelschap van Wazoengoe's wel mag. Wacht eventjes ! Met een sorghoriet gewapend ranselen we er geducht op los. en prenten hun zoo op hunne ruggen hel gebod Gods in : âCf/y zult niet stelen.quot; De dorpelingen zijn ons zeer dankbaar voor die prompte justitie. We maken er gebruik van om aan allen een katechismus lesje te geven. Allen begrepen ! De oude sultan van het dorp komt ons salueeren en de hand drukken. Hij is zegt hij, de hartsvriend der Blanken. Jawel, met 50 Soedaneesche soldaten op slechts anderhalf nur afstand !
Men zei ons, d-t op twintig minuten afstand een Engelsche missiepost gelegen was. We trokken er op af om twee uur. Pater Gosseau en ik. erkelijk was het zoo, doch de heeren predikanten waren allen een pleizierreisje doen in Engeland om hunne dierbare gezondheid wat op te knappen, ten einde weer met nieuwen moed aan het heil der negers te werken als.....ze nog
terugkomen. Al de missiegebonwtjes, onregelmatig en ver van een gelegen, zagen er vervallen en ellendig uit. Alleen de tuin, immer goed besproeid door een bergstroom, was schoon. Wat prachtige bananen (Adamsvijgen, Adamsvijgeboom), dadels. Sinaasappels, papaya vruchten, enz. De kamers, der âministers des Evangelies,quot; waren gesloten. Geen kerk of kapel. Enkel een soort school, die dient voor psalmgezang enz., te oordeelen naar eenige, prenten, onderwerpen uit den Bijbel voorstellende, aan de wanden opgehangen. Eveneens vond men in dat lokaal tal van schoolboeken en âtraktaatjes,quot; in Kiswahili-taal, en een prachtig harmonium. Vlak nabij ligt een Lutherscli-Calvinistisch-Anglikaansch christelijk (?) dorp. Verbeeldt U Calvijn- of Luther-christenen in Midden-Afrika! Allen kwamen op ons at. Men kon zien dat ze niet waren als andere Zwarten: eenigen zeiden, dat ze gedoopt waren, anderen dat ze kort na de terugkomst der predikanten gedoopt zouden worden. Rechtuit gezegd: ze maakten een goeden indruk op mij. Een hunner (de chef des dorps ?) liet ons alles zien en verschafte ons de sappigste en de schoonste vruchten uit den tuin. âArme schapen,quot; dacht ik. als de heeren predikanten (Ritualisten ?) u maar de vier punten ;
128
,.Een God Schepper â- drie Goddelijke Personen â .Tezus-Christns, mensch geworden, Verlosser â- God, looner van 't goed en straffer van 'r, kwaadquot; â geleerd hebben, en geen dosis doodend gift met het etiquette van Lnther, Calvijn of hoe die doosjes ook mogen heeten, hebben toegediend, en indien gij goed en wel gedoopt zijt, dan, dacht ik. waardeer ik U, boven duizenden naam-christenen, lieele ot' halve apostaten, tranc-maeons en authenthieke ketters'' van het vermolmde Europa en noem ik U mijne kinderen. Wat is een âketterquot;'? Een âketterquot; is een aartsdom, onbegrijpelijk wezen, die eene gekende, ter zaligheid noodzakelijk te kennen, waarheid halsstarrig ovlkcnt (wit zwart noemt) ot er tegen protesteert: ziedaar een ketter. Och kom, deze arme lieden ketters! Als ze maar genoeg kennen en daarna maar niets er van ontkend hebben, ot als die Engelsche trekvogels, even als Mahomet en Lnther gewoon waren te doen, hun maar niet bij ongeluk gezegd hebben : âMijne zwarte broeders en zusters, ge kent nu de vier punten, ge zijt gedoopt, zondig er nu maar op los .... !quot; (Ik durt uit eerbied voor de kuische ooren mijner Lezers en Lezeressen den bekenden tekst van den Protestantschen en Mahomedaansehen evangelist niet voleindigen). Och, onze dierbare negers zijn zoo bespottelijk domme menschen niet als die Europeanen, die eerst eene waarheid kennen en ze daaarna gaan ontkennen. Als de heeren zendelingen (gezonden-m/ssi .y door wie door Christus en zijne opvolgers, de Apostelen en de Pausen ? of door mijnheer Luther, Jan Calvijn, de aanvallige koningin Elisabeth ? of wel door mijnheer XN. president van het iiijbelsclie vennootschap NN.!), als die heeren proselieten willen maken dan doe ik hun de volgende noodzakelijke methode aan de hand: Eerst er Katholieken van maken, hun de onontbeerlijke waarheden doen kennen met de geboden en de werken, en daarna te probeeren er Protestanten van te tabri-ceeren. Dit is, mijne heeren, de eenige logische weg. Want als ge bij deze Wagoho's komt en hun zegt, âJongens, protesteert 1 protesteert! kanani ! kanani ! (kanani wil zeggen protesteeren) dan zullen ze u verbaasd aangapen, huu witte tanden laten bewonderen eu zeggen: ..Wat wil die Blanke toch van ons ? hij is stapel gek !quot; en rechtsomkeerd makend, laten ze U hun zwarten rug in hunne volle lengte zien .... Vaartwel, dus arme schaapjes ! W e zullen voor u bidden eu we geloovenu onder de onzen te kunnen tellen.
In de vallei afdalend zeiden we tot elkander: âAls die heeren eens wisten, wat wolven in hun schaapstal gedrongen zijn, zouden ze niet tieren en razen over âpaapsche stoutighedenquot; en hun lens âno poperyquot; herhalen? Och, neen: mogelijk is de herder zeiteen geloovig, gemoedig, ter goédertronw dwalend schaap, zooals er
12'J
onder liet Engelscli volk veel zijn, een Ritualist bijvoorbeeld. Velen echter zijn het tegendeel, d. i. grijpende wolven (hyena's zou men hier zeggen,) die de schaapjes buiten Christus schaapstal dolend, verscheuren of die zich voor de deuren plaatsen om ze te beletten binnen te treden. Met duizenden loopen ze over de wereld rond; de afgod Mammon betaalt ze rijk met honderden millioenen ponden sterling. Wil men hen aan 't werk zien tegenover de ware missionarissen van Christus en de resultaten van beider werk kennen, dan verzuime men niet het meesterlijk geschrevene werk van Marshall: Les missions Chrétiennes in 2 vol. te lezen.
De Protestanten hadden tot heden een vijftiental Missie('?)posten in Duitsch Oost-Afrika, o. a. 9 in den Noord-Oostelijken hoek rondom Tanga tot aan 't Kilamandzjaro gebergte, 3 in het Zuid-Westen, de andere te Kondoa, Kisongwé, Oejoei, Msalada, Nasa enz. In vele o. a. in die van Kondoa, Oejoei, Msalada, Nasa hebben die âvrome herders ' hunne kudde verlaten en den post opgeheven. Men zegt, dat de Duitsche koloniale regeering hen allen gaat verdrijven. Het is bekend dat de nederlaag der Duitschers bij den Kilomandzjaro, waarbij de verdienstelijke officier Baron van Bulow met tachtig man sneuvelde, hun te wijten is, doordien zij de Djaggo-negers ophitsten en hun honderden Wincheeter-repeteer-geweren uitdeelden. Dat schandstuk en de laagheid, die ze onlangs (naar ieder weer) in Oeganda bedreven tegen de Katholieke Missie, waren een stichtend aanhangsel in 't bovengenoemd boek van Marshall.
Op onzen terugtocht maakten we de opmerking, dat ze hier voor een post mooi terrein uitgezocht had-den, wat natuurschoon betreft. Ik geloof dat men in dit gedeelte van Afrika geen schilderachtiger streek vinden zou. Overal in het rond ravijnen, klaterende bergstroomen, hooge steile bergen met bosschen, enz.
Als Missie terrein echter zou il; de vlakte verkozen hebben op een der meest bevolkte punten. De helft van de Oegogo-streek is missie veld van de Paters van den H. Geest en van het H. Hart van Maria, Mpwapwa behoort hier onder. Het is te hopen, dat zij hier spoedig een post vestigen, (wat ook binnen kort wel gebeuren zal), want de bewoners schijnen rijp voor den oogst.
De koerier, voor Boekoembi bestemd, die ons den 15eu Aug. te La Longa inhaalde, vertrekt eerst morgen. De chef weigerde verder te gaan dan tot Kondoil. We kunnen eindelijk drie onzer lieden missen, naar we later vernamen kwamen ze 22 dagen vóór ons in Boekoembi aan.
Groot spektakel van avond in het kamp, om 6 uren bij het zichtbaar worden der maan aan den horizon in den vorm van een
130
zeer bleeken, smalleu, luilveii cirkel met de horens naar beneden gekeerd. De negers begroetten deze verschijning met geestdrift en bijgeloovigen eerbied.
24 Augustus. Woensdag Feest van den H. Bartholoineus. Apostel. Kamp Xo. 28 Mtjonyé. 3 uur marsch vau 6â-9 uren. Ik marcheer van daag weer eens voorop. Wat een verschil ! Geen andere iwrg dan enkel den stap van langoor in te toomen en regelmatig voort te gaan, opdat de karavaan zich niet in brokken verdeele, maar dat zij een goed aaneengesloten geheel blijve vormen. Achteraan nooit een stuk wild; vooraan, vooral in den vroegen morgen, wild in overvloei, vooral pintaden. Had ik nu maar een jachtgeweer! Welke weldoener, vriend der missionarissen, stuurt me eens een goed Winchester jachtgeweer met patronen? of nog beter, wijl mijn jachtlust zeer modern is, een Winchesterrepeteer-geweer ? {1)
Onze weg loopt thans weer Zuid-West over een heuvelachtig hoogvlak, dat vrij lastig begaanbaar is wegens de menigte droge diepten, waardoor onze dragers zeer vermoeid worden. Rechts zien wij nog bergen, links eenige heuvelen, het landschap wordt vlakker.
Halfweg ontmoeten we eene kleine karavaan, met ivoortanden belast. Ieder drager heeft genoeg te dragen aan een tand (35 KG.) zoo zwaar zijn ze. Slaven en ivoor, ziedaar de twee bijna eenige artikelen, die uit het Binnenland naar de kust worden uitgevoerd.
Halfweg splits zich de weg, we slaan rechtsaf; namen wij den anderen kant, dan zouden wij in Tabora komen, langs de dorpen Njambwa, Mdoboeroe en Toera. Het is schromelijk heet en we vinden slechts één enkelen boom op de kampplaats, en die boom is nog wel verdord. Daarbij, het terrein is zeer ongelijk, zoodat het zeer moeilijk is het kamp goed te organiseeren.
Hier werd de karavaan onzer confraters verleden jaar des nachts bestolen ; twee lasten waren naar de maan o. a. een kist van oen der confraters bevattende al zijne schoenen ! Een echte bandieten streek. Toch komt de chef van een Wagogodorp ons groeten en ons zelf een mooi geschenk aanbieden, n.1. een mtoengi fijne honig, die ons zeer welkom was.
(1) Kom! waarom geen lunwijzing, im ik er locvallig toch aan den':? Dus â Ca u quo â vragt; men bij Galand fabri raul tVarmesXZ ru/i d'IlatUevilhi Paris: Het Wincliestcr geweer, modclc 1870 (of een later s'il v en a) calibre 11 mil li 1 2 T'tpc 190 (album Galant! prtgL 5!) ed 57° Sporting rifle ~ canon de 71 cM' long; tutal 13 coups dc suite sans charter de nouveau, détente double; poids 4 K G, 500 gr. â a ec aecesso res ^ appareil a amorccr, douille, amorces cartouches chargces, balles, carton, e'c.
1 ?, I
Een onzer lieden had zijn geweer bemerkt in de handen van een der dragers van de karavaan, die wij ontmoet hebben. Ik gaf hem een briefje mee voor den kommandant van Mpwapwa om aan den drager dat geweer te doen restitueeren. Alle karavanen worden door de Dnitschers gecontroleerd. Des avonds was de drager met zijn geweer terug.
We bevinden ons hier op 900 meter boven de zee. We legeren nu op de grens van de Oesagara-provincie ; morgen betreden we Oegogo, het beruchte rooversland. We nemen goede voorzorgen tegen den nacht en drukken den askari's op het hart goed te waken en vijf groote nachtvuren te onderhouden.
Veel wind des nachts; men zegt dat bijna altijd in geheel Oegogoland een sterke wind waait.
Ook dezen nacht tuimelde ik met mijn veldbed weer overhoop, van nacht mag ik echter weinig tijd verliezen, want morgen âti-rekezaquot; of dubbele marsch.
'-ö Aug. Donderdag, Feest van den H. Lodacijk, Koning van Frankrijk. Kamp No. 29. Makengbni Mchali. Dubbele marsch of tirekeza van acht uren ; van veertig minuten over achten tot veertig minuten over eenen en van drieën tot vij ven. De H. Koning Lode wijk bescherme ons in de ..Booze woestijn,1' die we intreden. Het is de door de dragers meest gevreesde marsch der heele reis wegens de strnikroovers en ook wegens de schromelijke hitte, die er in deze pori heerscht, waar geen druppel water te vinden is.
We eten een beetje alvorens op te rukken. Onze dragers slaan ook in uit voorzorg, doch evenals de vorige keeren weten ze van geen uitscheiden ; we moeten ze weer tot spoed aanzetten. Eindelijk is alles om tien minuten over half negen gereed.
Een uur lang marcheeren we over eene heuvelachtig hoogvlak, daarna echter door een werkelijk afschuwelijke pori, die wel den naam van Mkali (Booze) verdient.
Barre gloeiende zandvlakten, afwisselend met dorre grijze bos-schen van doornachtig, knoestig houtgewas. Geen sterveling, niets dan Antilopen, Zebra's, rechts en links wegvluchtend, vlug als de stormwind. Loodrecht vallen de zonnestralen blakerend en verschroeiend op ons neer. Wat een onbarmhartige hitte ! Men vergaat van dorst. Veel te vroég is mijn veldflesch met koude koffie leeg. Onze dragers namen van morgen wel zakken vol water mee, doch al spoedig is die voorraad op. Langzaam en stilzwijgend zet onze karavaan â 2 K.M. langen menschenketen â haar treurigen weg voort door die doodsche wildernis.
Om tien minuten over half één houden we halt tot drie uren-Als steenen vallen de negers, van dorst en vermoeienis uitgeput.
i;;2
op den grond. Anne lieden ! De meesten hadden geen druppel water. Alle drie waren we halt dood van vermoeienis dorst eu.... honger! Eigenlijk wel wat onze eigen schuld. We hadden van morgen met een steviger stuk moeten ontbijten en daarenboven hadden wij wat provisie voor halfweg mee moeten nemen. Een les voor de confraters, die ons later volgen. Alles wat we thans hadden, bestond uit een beetje water met wat wijn vermengd meer geschikt den dorst te vergrooten, dan dien te stillen. Na vijf kwartier in de schaduw van een dorren boom uitgestrekt, uitgerust te hebben, besteeg ik weer mijn trouw lastdier en zette me aan 't hootd van de treurige menschenrij. ünze toestand leek wel iets op dien der joden, marcheerend in de woestijn van Arabië.
Eindelijk 's avonds om half zes slaan we op goed geluk at ons kamp op in de wildernis. We war0n op 1 Onze dragers evengoed. We waren zoo goed als nuchter en ziedaar! de twee bonbone's met goed drinkwater, die (als naar gewoonte) gevuld waren, voor dat wij des morgens vertrokken, werden 's avonds ledig bevonden! Het was zoo goed als zeker, dat onze lieden, door dorst gedreven, ze onder weg opengemaakt hadden. Kon men de arme stakkers er hard om vallen ? Zeker neen. Natuuilijk nergens water in de buurt. Ons avondmaal zoo miniem en schraal mogelijk. Wat droge beschuit was zoowat het hoofdbestanddeel. Overigens had ik toch geen grooten trek dooi' pure te groote vermoeienis. We zullen dus het vasten maar tot morgen verlengen.
Rumoer in het kamp om twaalf uur in den nacht. Een tier nyampara's Mchokera wil vertrekken. We slagen er in de karavaan tot den morgen te doen blijven, te recht voor een nachtelijke reis door die pori (woestijn) bevreesd. Het zou bijna een wonder zijn als we geen lasten verloren.
Een dag zooals die van vandaag moet de H. Lodewijk op zijn kruistocht in Egypte en Tunis meermalen beleefd hebben! Zijn we ook geen kruisvaarders ter verovering van zielen ? Enfin, zonder lijden, ontbering, vermoeienis, zweet, honger en dorst is !t leven van een missionaris niet denkbaar. Dat is zijn dagelijksch brood,
26â28 Augustus. Vrijdag. Kamp No. .iO, Nyagaloe, 4 uur marsch van 5â9. Alle drie min of meer vermoeid zijn we toch om 4 uren alweer op de been. Ons geheele ontbijt bestaat in een slokje chartreuse of wijn. Het was nog duister en om 5 uren begonnen we tot onze verbazing en schrik tevens te bemerken, dat bijna al onze lieden, zonder onze order af te wachten, al op marsch waren. Snel als de bliksem sprong ik op mijn ezel en eerst na een half uur lang gegalloppeerd, en wel drie stokken op hunne ruggen stuk geslagen te hebben, haalde ik de voorste rij
1 â¢quot;gt; O
I i) ij
in, en kon ik niet geweld de karavaan tegenhouden. Langzamerhand werd zoo de lange (wel een uur loopens lengte) verbrokkelde rij weer in een geduwd, echter niet dan ten koste van groote moeite. Een oogenblik kwam dat de troep onwillig werd, en, ondanks mijn bevel, vooruit wilde dringen. Het werd zoo erg, dat ik mij midden voor het vijftig meter breede front onzer 700 a 800 lieden plaatste met mijn revolver in de vuist, eu aan mijne drie Maltezer ridders en aan eenige vertrouwde askari's bevel gat' hunne geweren te laden en zich links en rechts naast mij voor het front op te stellen
Ze zagen wel, dat ik er niet mee lachte, en als deze heeren mij anders vrij algemeen âBwana mzoeriquot; den goeden meester noemen, zoo geloof ik dat thans wel eenigen morrend âBwana Mkali,quot; Boozen meester tegen mij zeggen. Een oogenblik werd de aandrang zoo sterk dat ik mijn revolver afvuurde, evenwel hoog genoeg boven hunne hoofden mikkende, zoodat ik niemand kon raken. Een oogenblik later stonden we borst tegen borst, en Kitevo, de voornaamste nyampara. vertrouwend op zijn invloed en prestige, wilde naast mij voortdringen, maar hij droop het eerst af, nadat hij een tikschen duw in de volle borst ontvangen had.
Toen de karavaan eindelijk genoeg bijeen was, stelde ik mij weer aan het hoofd van den ongeduldigen troep, hen nog immer intoomend. Ik wist zeer goed dat de arme drommels, door dorst gedrongen, vooruit wilden om des te eerder in het kamp Nyagaloe te komen waar zij zeker waren water te zullen vinden, doch het was uiterst noodzakelijk te beletten, dat onze karavaan in deze wildernis over een afstand van een uur in honderd groepen verbrokkeld werd. Het zou bijna een wonder zijn, als er zonder deze voorzorg niet vele lasten verloren gingen. Pat b.v. een ot meer dragers zich uit het oog bevindende, met ot zonder hnn last deserteerden, ot dat zulk een eenzaam groepje door struikroovers overvallen en uitgeplunderd werd, is iets dat meermalen gebeurd is. Dit weten onze lieden ook wel, doch zoo zijn ze : door honger en dorst gekweld, zijn ze in staat hun leven fatalistisch prijs te geven !
Zoo gelukte liet mij, drie kwartier lang een onwilligen men-schentroep van 700 ;i 800 man alleen tegen te houden. Reeds vermoeid en nuchter van den vorigen morgen, was ik door die buitengewone inspanning en energie totaal uitgeput; drie dagen later zou ik er eerst van bekomen. Het is een meermalen gestaafd feit, dat de negers bang zijn voor de Blanken, doch waarschijnlijk stonrf mijn Patroon St. Michaël mij ter zijde, wijl het mogelijk de heele ot halve redding gold van onze karavaan, van die lasten,
134
die sinds twee jaar door onze confraters in het binnenland zoo dringend verlangd werden. Hoe gemakkelijk ware het in die wildernis, om zich van één Europeaan te ontdoen, de lasten te stelen, en links en rechts te ontvluchten. Geen haan zou er naar kraaien. Een pijlschot midden uit den troep door een onbekende afgeschoten, ware voldoende ! Van mij toch hadden ze niets te vreezen. Ik dreigde wel inet mijn revolver, doch mijn doel was tijd te winnen, en streng had ik mijnen lieden bevolen in geen geval te vuren en hoogstens een keer hun geweer in de lucht af te schieten. Eindelijk zoo wat om 9 uren verlieten wij de bosschen en kwamen we in eene groote, schilderachtig traaie, ofschoon grootendeels dorre vlakte. We kampeerden onder een schaduwrijken boom, vlak nabij eene rivier. Van klinkklare vermoeienis en uitputting liet ik mij op den grond nedervallen, en had ternauwernood de kracht om de noodige orders te geven tot het opslaan der tent.
Links van ons op eenigen atstand van de rivier zagen wij onder een boabab-boom een koerier, die op weg was naar de knst, hij was naar we te weten kwamen, vergezeld door twee Engel-sche heeren, o. a. den beruchten zendeling Walker, die in Oeganda zooveel afbreuk deed aan onze dierbare missie. Tegen alle gebruik in gevvaardigden die heeren zich niet ons te komen bezoeken, Wij hadden meer dan eene reden om het aangenomen gebruik niet te overtreden, en den eersten stap niet te doen. Die lui zijn nu juist niet sterk op het punt van wellevendheid. Anders zijn alle blanken, die elkaar in Hidden-Afrika ontmoeten, in zekeren zin broeders, onverschillig wat ze zijn, tot welke nationaliteit zij behooren.
Ons kamp is werkelijk mooi gelegen nabij die rivier, die langs beide kanten omzoomd is met schoone, groene boomen, groen gras, struikgewas, enz. en die zich als eene groene slang door de dorre vlakte kronkelt; hier en daar nog eenige heuvelen, en rechts naar het Noorden steenachtige, vrij steile bergen. In de diepte van eene kromming dier bergketen ligt een zeer aardig landschap en eenige Wagogodorpen, welker bewoners ons gedurende deze drie dagen levensmiddelen in overvloed te koop komen aanbieden. W ater volop in de rivier, die wel grootendeels droog is, doch waarin hier en daar diepe kuilen zijn waaruit men het scheppen kan. Wild, vooral vogels, vindt men hier in menigte en de broeder, alhoewel eveneens vrij vermoeid, heeft de kans menig stuk voor onze tafel te schieten.
Ook onze ezels, die op hunne manier gevast hebben, kunnen zich deze drie dagen op lekker gras onthalen. Men komt ons zeggen, dat een onzer lieden de kwade pokken heeft. Onmiddellijk
gelasten we, op genoegzaineu afstand van het kamp, een lootluit voor hem op te slaan en overigens hem goed van alles te voorzien.
Zaterdag. 27 Augustus. Rustdag voor onze dragers en eveneens Zondag den 2Sc'n wijl we alle drie â ik vooral â nog niet waren bekomen van de doorgestane vermoeienissen en ontberingen. Drie dagen was ik letterlijk ziek van afgematheid; daarbij had ik geen eetlust. Toch gevoelde ik geen koorts, wat wel zeer te verwonderen was. Evenwel was die malaise er de voorbode van.
Zondag 38 Aug. Feestdag van den grooten, heiligen, Afrikaansche'n Aerkleeraar Augustinus. Pater Gosseau las de H. Mis, die ik op mijn veldbed uitgestrekt, bijwoonde, zonder zelfs de H. Communie te kunnen ontvangen. O, wat zijn voor een priester die dagen tieurig, waarop hij zijn H. IIis niet opdragen en niet communi-ceereu kan, vooral op zulk een schoonen troostenden teestda»- als vandaag! Men kan zulke dagen geestelijkerwijze vera-elijkeii bii koude, mistige winterdagen tegenover zoete, verkwikkende Meidagen of heerlijke, zonnige dagen in den zomer. De ware zon en zonnegloed ontbreken, niets dan een treurige mist vertoont zich Ik moet mij wel tevreden stellen met die kleine, niet noemenswaardige ongesteldheid voor mij en mijne arme Atrikanen aan liet Lam Gods aan te bieden, dat daar op eenige meters afstands on het nederige missiealtaar nederdaalt. Indien ik mijne niets betee kenende malaise vergelijk bij het lijden van mijn Goddeliiken Meester, of bij dat van de Martelaren en van zoovele mhsionaris-sen, dan ware het zonde en schande als ik mij beklaagde wat ik ook niet doe. 0 '
In den namiddag ging het al veel beter, en ik vermaakte mij zelts met de verbazing en verwondering oiuer lui op het -ezicht van een kolossalen vogel, dien Broeder Jean Pierre dien namidda-schoot. De vogel was, overeind staande, wel een meter hoog- en scheen een onbekende roofvogel te zijn. De negers zeiden dat zij er met van zouden durven eten, wijl ze anders zeker stierven De vogels, vooral eenige, staan bij hen in hooge vereeiW Ze raadplegen hunne vlucht en hunne ingewanden, hierin gelijken zij veel op de oude Romeinen, 't Was een schoone vogel, die mojreliik voor een niuzeum in Europa duizenden guldens waard zou zijn
Onze heden bleken van hunne vermoeienis en hun dooi-estanen honger en dorst reeds gansch hersteld. Des avonds tot vrii laat m den nacht heerschte er veel opgewektheid in liet kamp zii zon-gen en dansten er lustig op los.
M Augustus, Mamdag, Feest van Sint Jans onthoofding. Kamp
w â M0as;\xg^ 0 A» Hf marsch. van zes uren tot half tien. \\o zijn Goddank alle drie vrij goed. Pater Gosseau stelt zich
weer aan Je voorhoede, wijl ile surveillance aan de achterhoede werkelijk te zwaar en vermoeiend is voor den goeden Pater, daar hij vrij zwak van geitel is. Wij hebben eene goede iraaie route. Rechts hier en daar nog eenige schilderachtige rotsachtige heuvelen. Een drietal dier heuvelen gelijken van verre gezien, vrij wel op oude middeleeuwsche kasteelen, halt in nüuen ; een der drie voor ons gelijkt, als men hem op een grooten atstani ziet, wonderwel op eene kerk of kathedraal, (stijl van Malta)'
Wij kampeeren in eene zandige vlakte onder een ontbladerden boabab, wiens stam gewoonlijk 5 tot 10 meter in omtrek meet. Wij vinden wit zoutachtig water ter nauwernood drinkbaar op den bodem van eenige kuilen, hier en daar in de vlakte gegraven. Eenige zeldzame kleine vierkante Wagogo tembe's, waarvan eenige onbewoond zijn. Dat is, meenen eenigen onzer lieden, eene voldoende reden om het hout er van als brandhout te gaan stelen. Een Wagogo komt zich bij ons beklagen, de schuldigen zijn spoedig gevonden, zij moeten op staanden voet het gestolene een half uur ver terugbrengen.
Veel wind, die 's middags zoo sterk wordt, dat een der houten staven, die onze tent overeind houdt, in drie stukken breekt als ware :t een pijpesteel. Een woord over onze tent.
Deze is een prachtstuk in haar soort, het is een geschenk van de âDeutscher Officirenvereinquot; van Berlijn aan Pater Schijnze, die op het einde van 1891 in Boekoembi overleed, en jammer genoeg er nooit gebruik van kon maken.
We vonden ze in het magazijn van Sewa, juist zooals ze uit Europa aangekomen was ; wijl Pater Levesque in Oeganda ze bij testauieut ertde, namen we ze in passant mede. Het is eene otticierentent in het Duitsche leger in gebruik, zij is opgeslagen 3 meter IcUig t?ii 2.50 nieter breed eii biedt ruimte 7001* twee. drie ja zelts vier personen en even zoovele veldbedden langs de vier zijden. Het is eene dubbele tent in dien zin dat de eigenlijke overal geslotene tent overhuifd is door eene tweede, die echter voor en achter open is, niet tot den grond reikt en een vijftig centimeter diepe ruimte laat tusschen het binnen- en het buitendoek. Uitgespannen met behulp van een vrij ingewikkeld svsteem van koorden en touwen vormt ze een vierkant welks twee langste zijden eerst recht omhoog rijzen tot 80 centimeter boven den grond, en daarna als t ware een spits huisdak \ormen. Aan den voor- en achterkant (de gevels) valt het doek van boven at (den nok) recht naar beneden, het is daar ter halverhoogte gescheiden, zoodat men dat maar op zijde behoeft te slaan om toegang te hebben. Het tentdoek bestaat uit eene groene zeei steike,
â :- ii^séiestlt;r^LSSfi ^r y gt;
137
waterdichte stof. De overhuiving dient om zoo volledig mogelijk tegen de zonnestralen te beschutten. Het geheel wordt opgehouden door twee houten staven (een voor iedere tent) aan de voorzijden en insgelijks aan de achterzijde ; boven, twee dwarsstaven en een prac-tisch systeem van koorden, touwen, benevens houten en ijzeren staakjes of spillen die in den grond geslagen worden. Aan de koperen spillen die de opgaande met de dwars liggende staven verbinden zijn driekleurig geverfde bollen bevestigd, waarop aan den voorkant eene Duitsche vlag wappert. Al de kleine onderdeelen zijn zoo practisch en solied mogelijk. Men woont er gezellig onder.
Overigens hebben de tenten, die de Europeanen op hunne reizen in Afrika gebruiken verschillende vormen en grootte. Zelfs de soliditeit, practische inrichting en duurte verschilt. Eene teut ais de onze kost, geloof ik wel f 500 of meer. Hadden we het zoo niet getroffen, we zonden ons met heel wat minder tevreden gesteld hebben. \ ele teuten zijn rond van vorm en loopen spits uit, andere zijn zes, achthoekig enz. Eeeds in ons kamp ziet men heel wat vormen. Onze drie .Maltezer kateehisten hebben eene kleine ronde tent. door een staak ia het midden opgehouden. Eene groote tent (of liever huif) langwerpig, achthoekig en door twee staven en een dwarshout opgehouden, dient voor onze keuken en voor bergplaats van allerlei gesnor, dat dagelijks te pas komt en van eenige lasten, die we in het bijzonder willen bewaken, bijv. persoonlijke kisten, de geweren, de reiskapel, de apotheek, enz. Jacques met Alfous en Fabiaan, Hamsin en de groote uyampara's hebben ieder een tent (hun eigendom) die overeindstaande een meter of anderhalven meter hoog is. Zelfs zijn er wel dragers, die met behulp van een doti (vier ellen stof), spits toeloopende tentjes maken van een halven meter hoog, waar zij 'snachts ouder kruipen. Het doek van al die teuten is gewone witte katoen of meer dikke soliede ruilstof.
Met al die tentjes en tenten en onze mooie, groene tent in het midden, levert ons kamp van verre gezien een aardig gezicht op.
Nu we toch in de tenten zijn, een woord over veldbedden. Eenige dagen geleden vertelde ik, dat ik er 's nachts mee overhoop tuimelde. Niets eenvoudiger. Verbeeldt U drie tvveebeenige schraag-jes, in de lengte aan iederen kant door twee staven verbonden, daarover is eeu stevig, zestig centimeter breed stuk zeildoek gespijkerd. Dat toestel wordt met behulp vaa scharnieren zoo ineen gevouwen, dat het ruimte genoeg vindt in een zak van zestig centimeter lang en twintig centimeter breed. Men kan er zelis nog eene groote hoeveelheid linnen bijpakken. Ziedaar ons bed met eeu deken beneden eu eeu deken boven mij slaap ik er goed op. De negers slapen op den grond met eeu strooien mat, wat
138
flroge bladeren, strooisel ot een beestenvel onder zich. Voor Euro-peanen is liet gevaarlijk op den grond te slapen wegens de vochtigheid. de slangen, de schorpioenen, de gevreesde âshiafoequot; mieren, enz.
30 Augustus. Kamp no. 32, Ipaea, vijf en een half uur marsch van zes uur tot half twaalf. Een halt uur l.ing hebben wij in de vlakte een goeden weg. Daarna gaan wij vier of vijf uren door eene afschuwelijke boschachtige wildernis van doornen en distels, die zeer hinderlijk zijn voor den marsch van de karavaan. We vinden eene niet te beste plaats om te kampeeren aan den linkerkant van een heuvel, dicht bij een vrij groot aantal tembe's.
De streek schijnt nog al bevolkt te zijn, vele bewoners komen ons schapen, geiten, kippen, maïs- en moetama-meel, patatten, arachiten, enz. te koop aanbieden. Broeder Jean-Pierre beweert, dar, er in de streek hazen zijn. Mocht hij er maar eenige schieten! Wel vindt men hier in overvloed eene soort wilde meloenen of pompoenen, die bij gebrek aan echte â vrij smakelijk zijn. Zooals in de geheele vlakke Oegogo-streek veel wind. Hier en daar is de bodem steenachtig en op eenige punten, als 't ware, glad geplaveid of gecement.
Hl Augustus, Woensdag. Kamp No. 33, Najasa. Marsch van drie uren en een kwartier, van zes uur tot kwart over negenen.
Om vier uur te been nemen wij een stevig ontbijt, zooals wij overigens iederen morgen voor ons vertrek doen op conditie natuurlijk dat er iets te ontbijten is. Hadden wij dit op dien on-gelukkigen 25en Augustus ook maar gedaan ! Zelfs des morgens nog komen de bewoners ons levensmiddelen te koop bieden. G-een wonder; de passage eener karavaan is de eenigste gelegenheid voor die lieden om hun waar voor een stuk stof te verruilen, waarmede zij zich een beetje kunnen kleeden. Bij ons vertrek houden zij zich goed en toonen geen lust tot stelen te hebben, zooals de Wagogo's vroeger zoo gaarne deden. Overigens is het hun ook niet geraden. Ik blijt altijd zoo lang in het kamp, totdat alles ingerukt is, ik handel zoo uit voorzorg om te zien wat er omgaat en om Jacques en Hamsiu bij te staan, die soms heel wat te sukkelen en te parlementeeren hebben, eer zij de laatste dragers overgehaald hebben op route te gaan. Wij volgen den Noordelijksten weg, die tot nog toe door een Europeaan gevolgd werd, en die door den explorateur Junker het eerst betreden werd. Aan onze rechterhand ontwaren we nu en dan de toppen der Dibakoer bergen, daarachter liggen onbekende streken, o. a. dooide gevreesde Massaï-stammen bewoond. Een gedeelte er van werd door den Engelschman Fischer doorloopen, doch zijn tocht bracht voor de wetenschap weinig of niets aan het licht.
139
Op eeue hoogte gekomen zien wij eene onmetelijke kale vlakte voor ons, en ver zeer ver van ons een steenachtigen heuvel, volgens liet zeggen van onze lieden heet d^ze Najasa. Nn en daa ontmoeten we nog teinbé's en groote moetamavelden, door droge doorntakken omringd.
Een tijdje lang marcheeren we door een opgedroogd moeras, De grond is in duizenden klompen gescheurd, en de groote, een hand breede en soms wel een meter diepe kloven maken het raadzaam at te stijgen, want hoe vast en zeker van voet ook. kon grauwtje er best zijn pooten in breken en zijn berijder een letlijke tuimeling laten maken.
We kampeeren in die eindelooze vlakte, nabij den hierboven genoemden rotsheuvel, die bestaat uit kolossale, geïsoleerde graniet-blokken. waarvan eenige wel vijftig meter lang en twintig meter dik zijn. ^ au waar die gevaarten met bijna regelmatige vormen en dat nog wel in zulk een zandvlakte? Wie stapelde ze opeen'? Wat is God wonderlijk in zijne schoone schepping'? Wat een onvergelijkelijk schoon gezicht heeft men des avonds, als de ondergaande zon die onmetelijke vlakte met een gouden gloed overgiet en die zonnestralen schijnen te spelen tusschen die reusachtige gevaarten van graniet !
Weer veel tembe's. De Oegogostreek is sterker bevolkt dan die zandvlakten zouden doen vermoeden. De sultan zendt ons een geschenk in den vorm van een prachtige geit. Nu en dan laten we een ot ander dier slachten, dezen avond o. a. een schaap. Vroeger zou ik voor niets ter wereld geitenvleesch gegeten hebben. Eenmaal Jlissionaris vind ik een geitebout veel lekkerder dan een stuk van een vet geniest roomkalf. God komt in alles te hulp
en.....ik moet het er wel bijvoegen : We hebben niets anders,
het is onze lijnste schotel. Zoodoende hebben we reecis eene kleine kudde geiten en schapen â d;ie stuks â presenten van de kleine vorstjes en sultans.
Bijna overal worden we als Duitschers aangezien en op ons naderen vlucht alles links en rechts. Spoedig worden de arme drommels gewaar dat ze met Missionarissen te doen hebben, ..die het land niet opetenquot; (veroveren); ze vatten dan weer moed en komen hunne waren te koop aanbieden, ja zelfs bieden ze geselen-ken aan. Alweer een bewijs dat men een kolossalen schrik voor de Pruisen heeft net... als de Hollanders, zou ik zeggen als een lier Bataafsch bewustzijn mij niet weerhield. Op een der tembé's waait eene Duitsche vlag, die nu men ons ziet aankomen, ten teeken van onderwerping bliksemsnel geheschen wordt.
1 September, Donderdag. Kamp No. 34, Khrexciiu':, vier en
140
een half unr marsch, van kwart voor zessen tot kwart over tienen. Toch bemerken we dat we onder Wagogo's zijn. Van morgen voor den dageraad werden twee linnner betrapt, op het oogenblik dut zij stelen wilden, ze trokken er echter van door zonrter iets mee te nemen. We marclieeren in Westelijke richting door eene opene vlakte, slechts hier en daar afgewisseld door struikgewas en o. a. ook door een lastig doornen bosch van een nnr lang. V\ ij pas-seeren nog langs twee rotsblokken waarvan ik reeds gesproken heb. In de nabijheid van eenige tembé's staan eenige lieden, die op bnit belust zijn, op den loer, ze beproeven zelfs een paar achtergebleven dragers te berooven, doch vruchteloos. Alweer een reden te meer om op onze hoede te zijn en de rij gesloten te houden. Onze askari's (soldaten) kwijten zich nitmiuren l van hun werk, ze ranselen eenige van die dieven terdege af.
We kiezen een rechten weg naar Hirinde en laten Matangoeïsi links liggen, daardoor winnen wij vandaag twee uur uit.
Om halt negen ontmoeten we veel bebouwde maï.-veMen eu dalen in eene lagere vlakte af, die met verdord gras overdekt is. In eene onregelmatige vlakte met vele tembé's kampeerea wij «mdcr een boom, bij een heuvelhelling. Levensmiddelen zijn erin overvloed, en de. bewoners zijn blijde er wat stof voor te kunnen krijgen. Onze karavaan is de eerste, die dit jaar daar voorbij komt. 't Is een echte bandietenstreek. Verleden jaar werd hieromtrent een drager van de karavaan onzer confraters door hen in de pori gedood. Fraaie eu vruchtbare streek. Met mijn verrekijker zie ik op een grooten afstand kudden van duizenden geiten en schapen grazen. Men zegt ons dat de koning en de koningin der streek beiden dood zijn; een groot nyampai a noemt het voorloopig bestuur waar. Er moet feest zijn, want den geheelen nacht door hooren we in een nabijgelegen tembé een vrij welluidend gezang en groot rumoer.
De Wagogo's zijn meestalquot; schoon gevormde Negers met regelmatige trekken. Ze hebben de ooren gespleten en dragen er koperen ringen en allerlei vrij zware voorwerpen (amuletten) in, zoodat de oorlel door de zwaarte soms een handbreed uitgerekt is.
Toen ik van morgen in de vlakte, waarin we kampeeren, afdaalde, kwam ik op de gedachte om met een lucifer het droge gras in brand te steken. Natuurlijk vergewiste ik mij eerst of de grasbrand onze karavaan zon kunnen hinderen. Overigens behoort in Afrika het land aan iedereen, behalve een strook lands van een paar kilometer breed rondom de dorpen. Zelfs bewees ik daarmede een grooten dienst aan de Wagogo's, die op het regenseizoen wachtten om te planten en te zaaien, en die altijd vóórdat zij dit doen, het dorre gras, het onkruid en het struikgewas afbranden,
1-U
juist zooals men in de Peel de heide atbrandt om boekweit te zaaien.
In een oogwenk stonden een paar honderd vierkante merer in brand. Door een sterkeu wind aangewakkerd, greep de viam woedend om zich heen. Tut laat in den naclit hield de grasbiaud aan, die zich over verscheidene kilometers Iiad uitgestrekt. Indrukwekkend gezicht bij nacht vooral in de verte, het gaf ons genoeg ideeën aan de hand om mursen vroeg eene goede meditatie over de hel ot over het vagevuur ir doen.
2 September, Vrijdag. Kamp Xo. 35 Mataxguisi. Drie en een half uur marsen van halt zes tot negen uren.
Onder de troep van Nyampara Makomela vonden we van morgen een man, die vrij erg ziek was en onmogWjk verder kon gaan.
at er mee aan te vangen ? Als men in eene bewoonde streek is, is het gebruik zulk een zieke in eeue naoijgelegene tembé te brengen, aldaar wordt hij voor eene zekere hoeveelheid stof verzorgd. Is hij eenmaal hersteld, dan sluit hij, om naar zijn land terug te keeren, zich bij eeue karavaan aan ofwel hij blijtt in die streek naar het hem goeddunkt.
Na een goed uur gemarcheerd te hebben, bemerken we dat we door de schuld der kirangozi van Kitevo een verkeerden weg ingeslagen hebben en dat we, in plaats van den weg naar Hirindi, dien naar Matangnisi genomen hebben. Daar stond de karavaan op een smal boschpad, aan terugkeeren viel niet te denken, dus maar vooruit om b;j Mataiigaini te kampeeren. Om negen uren naderen we de tembé s van sultan Moelewo-Wanga, in eene groote vlakte gelegen. Op de tembé van den Sultan waait ook weer de D;;it-sche vlag.
Wij hebben vandaag eeue mooie kampeerplaats, goed water ia overvloed en schaduwrijke boomen. Links voor ons verheffen zich twee groote rotsheuvelen, die in de verte op versterkte steden met torens, bastions, enz. gelijken.
Kitevo wordt voorbeeldig gestraft; hij is verplicht zijne ..kiian-goziquot; (gidsen) af te zetten en door anderen te vervangen. Zelt heeft hij voortaan niets meer in te brengen, hij wordt gewcon nyampara niets meer ; Jacques en Ilamsin nemen onder ons toezicht de leiding der karavaan op zich.
Het water aanvankelijk goed en helder, is spoedig niets dan drabbige modder. Ziehier nu iets echt Afrikaansch eu negerachtig : onze lieden in het kamp aangekomen, hollen hals over kop op de een of andere waterkuil at, en beginnen met zich dapper er in te wasschen en hun geheele persoontje er in te baden, dat het eene liefhebberij is. Eerst als het water goed troebel en drabbig is, beginnen ze er hun kruiken mede te vullen, eerst dan is het lekker 1
142
De bewoners spreken van oorlog en waarscluuven ons tegen morgen voor de groote âpori-Wagogo's gaan ons vooruit om ons .laar in de pan te liakken,quot; zoo vertellen zij ons. We danken hen voor luin baatzuchtigen raad, verdubbelen onze naelitvvaclit en geven de noodige bevelen aan onze âarmeequot; tegen morgen.
We zullen ze zien komen!
3 Scptemher, Zatcrdarj. Kamp Xo. 36, Himxdb, zes en een half uur marscli, van half zes tot twaalf uren. Na een marsch van een uur door Ouwelévelden hebben we voor ons een vijf uur lang, eentonig bosch van doornig, knoestig hout. Op honderden punten is liet pad bijna versperd door overhangende takken. Dit is iederen ilag en wel een derde der geheele route tot het binnenland toe, liet geval. Ziehier wat ik doen zon, als ik nogmaals eeue karavaan moest geleiden: aan de tien askari's, die immer vooropgaan, goede scherpe bijlen verschaffen, met de opdracht de meest hinderlijke takken af te hakken; zoodoende zou het pad veel gemakkelijker worden. Men zou er veel tijd bij uitwinnen, de karavaan zou veel minder onderbroken worden, de dragers zouden zich veel minder vermoeien, terwijl ze nu aanhoudend in de takken verward raken en iedere seconde op hunne hoede zijn moeten. Wat ware gemakkelijker ! Honderden karavanen gaan door die paadjes en niemand denkt daaraan. De Duitschers konden op hunne tochten hunne Zoeloe's en hunne Soedaneezen er wel eens aanzetten. En waarom dan geen recht pad gemaakt door eenvoudig eenige takken weg te hakken? De weg werd er de helft korter om, en men zou er drie maal minder tijd voor noodig hebben om zich van de eene plaats' naar de andere te begeven.
We bespeuren geen roega-roega (bandiet), waarvoor men ons gewaarschuwd had. De marsch was zeer vermoeiend en ik had aan de achterhoede heel wat te stellen om onze lieden voort te doen sukkelen.
Om halt twee dalen we eindelijk af in de groote vlakte vau Hirindi, zoo ver 't oog ziet, met wit verdord gras 50 cM. hoog overdekt. Hier en daar staan eenige tembe's, bewoond door eene kolonie Wanyamwezi's, die zich hier in Oegogo zijn komen vestigen. We kampeeren hier ond0r een kolossalen, ouden boom, (eeu soort eik) bijna den eenigen in de vlakte. Aan den boschrand in 't Zuidenquot; en 't Oosten ontdekken we een grasbrand, die ons schijnt te naderen. Rondom de tembe's alleen ziet men eenige oewelé-velden, voor het overige niets dan eene onbebouwde vlakte- Links in het Zuiden strekt zich een keten van lage heuvelen uit, waarachter een hoogvlak ligt, dat we morgen bestijgen moeten.
Men zegt ons dat de karavaan, die ons van Mtjonga (2-1 Aug.)
14: J
volgde, en den weg ingeslagen is, dien wij verleden Donderdag-wilde nemen, in de pori door Wagogo's berooid is, en dat er o. a. Ã Mitoemba's ot lasten gestolen zijn. Door de schuld van Kitevo zijn we dus waarschijnlijk een groot gevaar ontsnapt. O, Voorzienigheid Gods I
In den namiddag raakt het droge gras midden in ons kamp in brand. Gelukkig wordt men het vuur meester. De negers springen als duivels rond en slaan er met stokken en stukken stof op los, zoodat het vuur spoedig gebluscht is.
Een Wagogo komt ons een levende pintade te koop bieden-Terwijl men onderhandelt, blaast de pintade voor onze oogeu dea laatsten adem uit. De goede man was er gansch onthutst van en wendt den vogel wel tienmaal om. Hij bekomt er niet van âame-koeta! amekoefa!quot; â'tis dood, morsdood!quot; roept hij uit.
Wij komen te weten dat onze arme pokkenlijder van Nyagaloe in de vijf uur lange pori achter ons door zijne lieden achtergelaten is. Arme ziel! Gewis vindt hij er den dood ot wordt hij reeds dezen nacht door de wilde dieren verscheurd ! zoo is hun onbarmhartig gebruik ! Zelts de naaste bloedverwanten ontdoen zich op deze wijze van hunne zieken. We kondigen daarom aau al onze lieden plechtig en ten strengste het gebod af, dat zij ons altijd moeten waarschuwen, als er zieken in het kamp zijn.
Tegen den avond bemerken we tot onzen schrik, dat de gras-brand ons al meer en meer nadert, eu door den sterkeren wind al sneller en sneller op ons alkomt. Als de bewoners eens expres den brand gesticht hadden om ous allen levend te doen verbranden ! In alle geval het gevaar was dreigend. Al onze lasten gingen wis verloren ; en dan onze kisten kruit en patronen ! Een buskruit ontplolfing op den koop toe. Jlooi vooruitzicht hier te Hirinde allen in de lucht te vliegen! Wat zouden de couranten van Europa er van spreken!
Ik sloeg voor het gras drie meter ver rondom ons geheele kamp door onze lieden te doen verwijderen met behulp van schoppen, hakken enz. Dan rondom vuur in het andere gras aan te leggen, en een tegenbrand te verwekken. Zoo riskeerde ons kamp niets. Aldus werd gedaan en aanstonds waren een vijftigtal askari's en dragers aan het werk. In eeu oogenblik was al het gras rondom ons door de vlammen verslonden. Een half uur later hadden we aan den Zuidkant van ons kamp eene ontzagelijke vuurzee, die zich wel een uur ver uitstrekte. Een onvergelijkelijk indrukwekkend gezicht, vooral bij nacht. Woedend grepen de vlammen om zich heen, en gretig lekten hunne roode tongen de dorre doornen boomen en struiken, die zij hier en daar in het gras aantroffen.
144:
Al spoedig ontmoetten de vurige gelederen elkander, en daarna werd de horizon allengs donker. Om 10 uren was alles duister, uitgenomen in liet Oosten, waar liet 's morgens nog brandde. Eene illustratie van de hel ! Het was bepaald aangrijpend.
â¢i September, Zondag. Kamp No. 37, Kwa-Valuezi. G uur marsih, van 6 â12 uren. Om half vier zijn we ter been en ik heb om vier uren liet geluk mijne H. Mis te lezen. Alles is koolzwart, en een uur lang mareheeren we over die zwarte vlakte, die gisteren nog glimmend wit was. Tot aan den voet der heuvelen, die wij beklauteren moeten, trekken onze lieden in drie rijen in plaats van in ééne. Veel enthousiasme heerscht er onder ons volkje, ofschoon hun een niaisch van zes uur wacht; al zingend vervolgen ze lustig hun weg.
Aan den voet der heuvelen houden wij even halt. Het beklimmen der honderd meter hooge bijna steile, rotsachtige helling heeft heel wat in. Op eene hooge rots staande, besurveilleerde ik de operatie. Treurig vergezicht op de zwarte vlakte. Aan deze zijde der vlikte ziet men zeer talrijke tembee's. Eindelijk is alles boven. Zelfs onze grauwtjes klauteren met rappen voet op die rotsen. Weer wacht ons op dat hoogvlak een bosch of pori van nagenoeg vijf uur lengte, doch niet zoo eentonig als dat van gisteren. Om tien uren bereiken we zelfs eene kleine opene vlakte met een paar tembee's en een aantal prachtige waaiervormige palmboomen. Overigens treurig lani. Om twaalf uren slaan we onze tent op nabij de tembee van Sultan Valuesi, midden onder eenige schooue boomen. De monarch laat ons zeggen, dat onze lieden zijne ar-chiedeu (aardnoten) uitgraven. Prompte justitie wordt gedaan. De les van den 23en Augustus is door onze zwarten reeds vergeten.
De streek is weinig bewoond en de bewoners maken op ons een slechteren indruk dan de overige Wagogo's. En toch zijn het
onze......eerste parochianen, die we ontmoeten. We zijn dus
geduldig. Hier namelijk is de grens, die onze missie van Midden-Afrika scheidt van die der Paters v. d. H Geest. We zijn dus, o, vreugde ! in onzen wijngaard, dien wij zoo lang verlangden met onze oogen te aanschouwen ! We betreden het Pro-Vicariaat van Oenyanyembe, dat ten Oosten voor grens heelt een lijn getrokken van den Kenia-berg in 't Noorden tot aan de Noordelijke punt van het Nyanza-meer. We hebben derhalve de helft van de Oegogo-streek te evangelizeeren : dit is eene provincie, die sterk bevolkt is en welker bewoners, ondanks hun kwaden naam (van roovers en bandieten) alle belangstelling verdienen. Op drie ot vier punten zou een missiepost zeer goed kunnen bloeien, b. v. Niamba,
145
Oinyangwia, Moebalala en Mdaboeroe. Op het laatste punt hebben we in het begin (188 ) â1881) reeds een post bezet. (1)
â¢j Septemhey, jHuundcig. Ivamp No. -J8, Xvag.vlo : niarsch van â gt; iuu, van half zes tot halt ii6gen. Dotr eene vergissing' sloeg Aan moigen een deel onzer karavaan, waar men op eenige minuten van ons kamp de at'deeling die voor ging uit liet oog verloor, bij een kruispad een verkeerden weg in, en richtte zich rechts, naar liet IS oord-W esten. Gelukkig werd de vergissing intijds bemerkt. Ze moesten terugkeeren, we waren er een uur mee kwijt en het gevolg was, dat de karavaan iu twee groote stukken verdeeld was. Geen ongeval had er evenwel plaats. Onze weg voert ons door pori met doornige struiken, onderbroken door bebouwde velden en eenige geïsoleerde tembee's.
Om 8 uren trekken we door eene onafzienbaar lange zandachtige effen vlakte en tot onze verrassing zien we vóór ons eeue vele kilometers lange oases van duizenden palmboomen, die de rivier de Boeboe aan beide zijden omzoomt. Verleden jaar kampeerde hielde karavaan onzer confraters. In dat woud van palinboomen was de passage vrij lastig door den moerassigen, thans echter drogen bodem, die door de droogte opengereten, en daarenboven met hoog gras en riet begroeid was.
We ka.npeeren een half uur verder op de meer verheven zandvlakte onder een reusachtigen ontbladerden boabab (apenbrood-boom). Fraai kamp nabij een groot aantal goed bevolkte tembee's. Levensmiddelen van allo soort zijn hier in overvloed. Het is rondom ons kamp als ?t ware eene markt. In het Westen ontdekken we in den nevel eenige heuveltoppen ; anders is alles vlak gelijk overigens de geheele Oegogo-streek is. Voor de derde maal wordt de posho uitgedeeld. Daarom koopen ze zoo druk.
1 egen den avond komt de Sultan der streek ons salueereu en ons een cadeau (een grooteu bok) brengen. Wij vergasten Zijne Majesteit op eene parade van ons klein legertje. Léon Oesseiiibe heett op Halte de exor aën van de Engelschen heel goed afgeloerd; hij laat onze veertig dappere krijgers zeer aardig manoeu-vreeren. Onze hooge gasten, evenmin als onze lui, konden bekomen van hunne bewondering. Zoo iets maakt een lieilzamen indruk op de bewoners eener streek en schenkt aan ons eigen volk moed en vertrouwen.
igt; September, Dinsdag. Kamp Xo. 39, Okxyaxgwika of Kwa-Makixci'é, Marsch van drie en een halt uur. Zij trokken van morgen bijzonder ordelijk uit. Het was mooi om te zien. Ver-
^TT.'er â 'a ®0e^0em')' vernam ik van Mgr. H rth mijüe bestemming voor IiL't I ro-vicariaat van Oenyaoycmbee.
1 4(j
beeldt U eene onmetelijke harde zandige vlakte en daarin eeue rij van 800 dicht aaneengesloten dragers die op een lengte van twee of drie kilomers recht achter elkander marcheeren en dooide opgaande zou op den vlakken grond afgeschaduwd worden. Onzen lieden viel het zelfs op, zij zeiden gedurig : âSafari nzoeri,quot; mooie niarscli. Ik verwijderde mij expres een paar honderd meter ter zijde om, lacgs de rij galoppeerende, van dat fraai schouwspel op mijn gemak te genieten. Een ezel, zelfs een ezel van Jlaskate, haalt liet op verre na niet van een Arabisch paard. Ik wou op dit oogeublik mijn koolzwart ros, ,,negro,quot; wel eeus gehad hebben. Wat zouden de negers verbluft gestaan hebben als ze me dan, snel als de stormwind door de vlakte hadden zien draven ! Nu eu dan eenige waaiervormige palmstruiken, een weinig laag struikgewas, eenige bebouwde moetamavelden en enkele tembee's welker bewoners bij onze nadering op den loop gaan.
We kampeeren om 0 uren ongeveer honderd meter voorbij de Duitsclie statie van Oevyaggwira het district van Sultan Makingué onder een grooten boabab ; op een rotsachtig terrein staat onze tent. De luiteiiaut-koinmaiidaut J. Ertel komt ons aanstonds begroeten. Wat een innemende, vriendelijke, charmante kerel ! Ik ging aanstonds den anderen officier van de statie Dr. S. Strilsser inviteeren om ons âdiner champêtrequot; te deelen. Twee uur lang van 2â4 uren hebben we allerprettigst gekeuveld. Mijnheer Ertel sprak goed Fransch, doch de dokter enkel Dnitsch. Mijnheer Ertel was zoo charmant en bleek zoo goed op de hoogte van Katholieke toestanden enz., dat ik bij mij zeiven dacht: âKerel, je moest Katholiek zijn,quot; eu toch waren beiden protestant. Voor het diner verzocht de luitenant ons, de tafel te zegenen, de gebeden te doen, zooals wij gewoon waren en ons niet te geneeren. De Heeren Otficieren verschatten ons vele en nuttige informatiën ; o. a. sprak ik met den dokter lang over verschillende ziekten van Afrika, b. v. koortsen, leverkwalen, Afrikaansche gezondheidsleer enz.
Tegen vijf uren gingen we hun een tegenbezoek brengen. De geheele inrichting werd ons getoond. Ofschoon nog maar drie maandeu geïnstalleerd is alles, hoewel voorloopig, zeer practisch reeds ingericht. Alle woningen en de huizing voor officieren, voor de vijftig Soedaneesche soldaten, hunne vrouwen, liet magazijn enz. bestaan voorloopig uit riet. Het geheel is omgeven door een vierkante âbomaquot; (omheining) van een dikke heg van droge doornen ; hierom heen loopt eene gracht. Alles wordt vervangen door gebouwen en muren van rotssteenen en in de zou gedroogde zand-steenen. Juist op het terrein vindt men eeue bron met puik
UT
drinkwater, waarvan we ook protiteeren, en waarmede we twee bonbones vullen.
Het is een onbetaalbaar voordeel voor de karavanen, dat de Duitschers zich hier, juist bij den gevreesden Wagogo-sultan Making-ué zijn komen vestigen. Vooral hier weiden alle karavanen vroeger gebrandschat, zij moesten een grooten hongo (tol, belasting voor passage) betalen, die soms honderden guldens beliep. Zelts ile energieke Stanley met Emin-Pacha en zeven honderd Soedaneezen-soldaten, hier passeerend, moest wel âhongoquot; betalen; hoeveel meer onze confraters in vroegere jaren ! Thans is de vreeselijke Makingué dood, hij is opgevolgd door zijn zestienjarigen zoon, met wien de Duitschers doen, wat ze willen. Xu is er geen sprake meer van âhongoquot;; daarbij is de gansche roofzuchtige streek goed en wel ingetoomd.
De Heer Ertel is tien jaar in Egyptiscueu dienst geweest en reeds vijf ot zes jaar in Duitschen dienst. Dit maakt eene goede vijttien jaar Atrikaansch leven. Weinigen zouden het volhouden. Hij is uatuurlijk een groot bewonderaar van Majoor Wissmann, evenals al de oude (eerste) officieren van Duitsch Oost-Afrika, en allerminst een bewonderaar van het tegenwoordig civiele bestuur. Die heertjes aan de kust, nooit den degen, maar altijd de pen gehanteerd hebbende, besteden hun tijd in de paperassen en stellen maar reglementen samen. Het is ongeloofelijk hoe haarfijn men in Berlijn alles wil administreeren en reglenienteeren. Bespottelijk! Zij strijken een traktement van 10.000 tot 50.000 mark op, terwijl deze officieren, aan alle gevaren blootgesteld, met (500 of 1000 mark moeten zien, dat zij rond komen. En hoeveel ontberingen! Hoe sober ! Ik had er medelijden mee. Ze worden soms door de lieden van de kust veel slechter van levensmiddelen en verdere benoodigdheden voorzien dan wij.
Hunne goedheid maakte ons werkelijk beschaamd. Ze hadden nog juist twee fiessclien bier en eenige sigaren. Welnu, ondanks al ons bedanken en weigeren, moesten eu zonden die, ter onzer eere, er aan gelooven. De dokter in persoon was wel twee uren werkzaam geweest om van het weinige meel, dat ze hadden een soort koeken te bakken, die werkelijk heerlijk waren. Gedurende den dag en nog des avonds liet de luitenant ons door zijne manschappen goed drinkwater, een groot stuk vet ossenvleesch, een kruik ver-sche melk, een zakje rijst enz. brengen. We stuurden hun op onze beurt eenige flesscben witten muskaatwijn van Maison-Carrée, en het speet ons hun niet beter te kunnen voldoen. Zoo was Wissmann en zoo waren al zijne oude wapenmakkers. Hadden die de handen vrij gehad, dau ware hunne kolossale kolonie reeds schoon gevaigd van de slavenjagers. Arabieren, enz. En dan die weder-
148
zijdsclie verstandhouding en hulpbetooning. Welk eene weldaad voor de missiën en voor de beschaving ! Verre echter van mij, dat we thans hebben te klagen. Integendeel, terwijl de Engelsche kapiteins Williams en Lugard onze christenen in Oeganda bij duizenden mitrailleeren en onze missionarissen gevangen houden, ondervinden we van de Dnitchers tot nu toe allen steun eii welwillendheid.
We hadden een groot pak bij ons voor koinmandant Long, de aanvoerder der 3e Belgische expeditie naar het 1 anganika-meei'. Mijnheer belast zich er mee dat pak naar Tabora te expedieeren.
Men verzekert ons, dat we op onzen weg niets te vreezen hebben. Wel houdt Siké nog immer in zijn boma stand tegen de Duitschers, wel lijden deze laatsten zelts verliezen (een otticier gesneuveld eu anderen gewond) doch de opstand is beperkt. Alle neger-opperhoofden kiezen de Duitsche zijde.
We nemen eindelijk een allerhartelijkst afscheid; en ik verzeker u, nooit zullen we die lieeren en hunne goedheid uit ons geheugen verliezen.
7 September, Woensdag. Kamp No. 40 Kiluiantixdixi, 5 uur marsch, van kwart over vijven tot kwart over tienen. Na het opbreken van ons kamp komen de vrouwen der soldaten van het tort het overblijfeude brandhout, r^ras eu stroo sprokkelen, deze zaken worden door haar zeer op prijs gesteld en moeten dikwijls ver gehaald worden.
Na een half uur over eene zandige verhevenheid getrokken te zijn, komen we weer in eene groote, kale zandvlakte; hier en daar staan eenige tembee's met moetama-velden en lage palmboomen, wier takken soms tot den grond reiken. De weg is goed en de zandgrond hard, nu en dan moeten we door een uitgedroogd moeras, dan is het pad niet zoo goed, want de grond is daar vol scheuren en spleten. We passeeren Mbile, waar onze confraters verleden jaar kampeerden. Mbile ligt aan den ingang eener vlakte voor de bergketen. We komen ook voorbij Mtoni, een klein beekje, waar men soms ook kampeert; wij gaan eeu uur verder ons kamp opslaan te Kilimantindi, aan den voet der steenachtige hoogvlakte van dien naam.
Geen schaduw, niets dan kale boomen. We legeren in eene diepte langs een droog riviertje, waarin men kuilen graaft om een weinig drabbig water te vinden; anderen gaan een half uur verder water halen. In de weinige tembee's van den omtrek vindt men genoeg levensmiddelen.
Onder weg raakten een vijftig stappen voor me een paar onzer lieden aan het vechten. De eene bekwam eene zwaie wond aan
149
het hoofd, die ik mij haastte met wat water te reinigen, en te vei binden. Een hall uur later vond ik een anderen ziele in de vlakte Uitgestrekt, aan dyssenterie lijdend en smachtend van dorst. Ik mum-eerde water, doch niemand had in zijne kalebas water, k gat hem toen de laatste druppels koude koflie, die ik nog in mijne veldliesuli had, eu die hij gretig opdronk. Dit scheen den arme krachten te geven, en ik vermoedde allerminst dat het doodsgevaar zoo nabij was. Ik vertrouwde hem toe aanzijn nyainpara, een ^ onzer askari s, met last hem langzaam naar ons kamp té ge eulen. Later vernam ik dat Lij een kwartier later reeds overleden was. Had ik zulks kunnen denken, wat zou ik gelukkig-geweest zijn. indien ik den armen sukkel na eenige voorbereiding had kunnen doopen. Wat een mooi geschenk zou dat geweest zijn om het morgen aan de II. Maagd aan te bieden. Wier Geboorte-eeftt; dan gevierd wordt ! Gods raadsbesluiten zijn ondoorgronde-li.ik, nog dikwijls zou ik dit kunnen constateeren. Xu lat;- zijn lijk daar, ver in de vlakte, verlaten door de zijnen! En ziiiie arme ziel.....! '
Ik dring er op aan om morgen althans, op. het feest van ilaria s Geboorte de H. Mis te lezen, onder voorgeven dat de kleine Maria anders niet content over ons zijn zou, als we Haar teest zoo vergaten. terwijl wij toch Hare machtige hulp en bescherming zoo noodig hadden. Das reeds vau avond maakten we het altaar gereed.
8 '^I'lemher, Donderdag, Feest van Maria's Geboorte. Kami. 4l' Mo Kii a lala, (i uur iiiarscli van 5 tot 11 uren. P. Gosseau draan van morgen om halt vier de H. Mis op, waaronder ik ten minste het geluk heb te kunnen communiceeren. Moge de H. Maagd, onze Goede .Moeder en Koningin, moge O. L. Vrouw vau Afrik'a ons zegenen, beschermen, en Hare genadige blikken neerslaan op die arme heidenen rondom ons!
Het is om 5 uren nog vrij donker, doch bij geluk hebben wij een beetje maneseliijn. Om 6 uren beginnen we den rotsachtigen moeilijk beklimbaren heuvelkling te bestijgen, waarmee een uur heengaat. Om 7 uren zijn allen boven, doch vermoeid. We houden dus halt. We bevinden ons op een bergvlakte van 1100 a 1200 meter boven de zee.
\ au 7 tot S uur volgen we een vrij lastigen weg over rotsen granietblokken. Overigens is dit hoogvlak vruchtbaar. Overal maïs- en moetamavelden eu vele tembee's, verscholen iu het struik-gew;is. \ au 8 tot 9 uren passeeren we een bosch, waarin we dikwijls een accident hebben.
Een jongen van een onzer lieden werd door een Wagogo overvallen en van de weinige stof, die hij met en op zich droeg, beroofd.
150
Die roovers zijn wezenlijk behendig. Alles was zno bliksemsnel in zijn werk gegaan, dal de lieden voor en achter den jongen het nauwelijks bemerkt hadden of de dief was al ter zijde van het pad in de struiken verdwenen. We zenden hem tien askari s (soldaten) op de hielen. De dief hield zich verscholen in een tembee, midden in het bosch gelegen en de chef (het opperhoofd) weigerde hem uit te leveren. Onze dapperen echter lieten niet met zich spotten. Drie der dorpsbewoners werden als gijzelaars meegevoerd en daarenboven eene kudde van vijftien geiten. Triomfantelijk kwamen onze lieden in het kamp aan. Een uur later kwamen eenige gedeputeerden van dat dorp ons achterna, zij brachten het gestok-ne terug. Doch daarenboven warm ze verplicht de vetste geit uit de kudde at te staan tot straf voor hun diefstal en tot belooning \ooi den ijver onzer soldaten, die dien dag kermis vierden. Op die manier zal men hun met den tijd het stelen en rooven wel afleeren. Ze kwamen er goed at, want hadden ze met Duitschers te doen gehad, dan was hun tembee platgebrand en de diet gefusilleerd.
Van 9 â12 uren trekken we door de onmetelijke vlakte van Moehalala, met ontelbare terabee's rondom langs de heuvelranden en een moeras in het midden, dat in den regentijd niet begaanbaar is, doch dat thans met hoog groen riet en met lisschen overdekt en geheel droog is. Weer afstijgen, want de moerasbodem is vreeselijk opengespleten. Aan de overzijde (naar t Westen) vooral schijnt de vlakte zeer bevolkt: we bemerken er verschillende karavanen, die er allen gekampeerd zijn, wel vijf ot zes.
Bijna al de bewoners der tembee's en de lieden der karavanen wachtten ons at. We gingen op eenigen afstand onder eenen schoonen alleenstaanden boom kampeeren in een veisch afgeoogst maïsveld. Voor ons naar beneden hadden we het gezicht op de tembee's en op de karavanen, en in den rug waren we door eene rotshoogte gedekt. Ik was blij dat we dien menschenhoop voorbij waren. Dubbele waakzaamheid was noodig, opdat geen onzer lasten gesmokkeld werd en vooral. . . . dat volkje stond me maar half aan. Een samenraapsel uit alle oorden! vooral de aanwezigheid van een aantal Arabieren en \\ angwana s wekte mijn wantrouwen. Hunne houding kwam mij trotsch, bijna uittartend voor. Geen wonder, de oorlog te Tabora tusschen Sikee, koning van Oenyanyembee, en de Duitschers hield nog immer aan.^ De laatsten leden zelfs ernstige verliezen. Alle Arabieren, alle Wang-wana's en de meeste negervorsten zien met angstige spanning de ontknooping van dat duel op leven en dood te gemoet. Wint Sikee, dan is het voor het Arabengebroed een triomf, die voor de Europeanen onberekenbare gevolgen zal hebben betreffende hun
löl
leven en hunne veiligheid in Oost-Atrika. Winnen de Dnitschers dan zal dat succes een gedachten knak geven aan de macht dierzelfde Arabieren.
De wegen zijn, naar men zegt. onveilig. Eene karavaan van Sewa is op eenigen afstand van Tabora uitgeplunderd. Eene andere bracht liet er beter af, zij doodde vijf roovers. Eenige dier karavanen willen zich bij ons aansluiten uit vrees voor hel beruchte ..Mkonda-^Ekali,quot; het booze wond. en inderdaad komen twee karavaan-aanvoerders, lordiërs ons die gunst verzoeken. We staan zulks toe omdat onze karavaan daardoor ook veiliger kan voorttrekken.^ quot;\ óór twee jaar waren onze confraters hier met 9000 man bijeen. Tot deze 9000 man behoorden hunne karavaan en nog eenige andere, die zich bij de hunne aangesloten hadden) doch toen leefde Makingué nog! Dat alles is nu juist zoo geheel geschikt niet om ons gerust te stellen, doch we hopen vast op Alalia s bescherming, Wier feest we heden vieren. Konden we dit maar plechtiger doen!
De vijf en twintig dragers van Sewa, den 14 Augustus te La Longa aangeworven, vertrekken reeds om vier uren in den namiddag. Wij zijn er zeer goed over tevreden. We geven hun nyampava, een koerier, eenige brieven, in haast neergekrabbeld \oor de kust aan de dierbaren van Europa mede. Hoe velen Magen zich daar niet at: âWat is er van hem geworden? Waar bevindt hij zich wel ?quot; Geen vrees, lieve Moeder, Ouders, bloedverwanten en vrienden. Uw kind, Uw vriend, die ü niet vergeet, is ook hiei in Maria s hand en onder Gods oog. hij is zijne Missie reeds vrij nabij.
.9 Sept. Vrijdag. Feest van den H. Petrus Claver. Apostel der legers. Rustdag en dus H. H. Missen. Wat een geluk! Met den H. Paulus en den H. Franciscus Xaverius is onder duizenden de H. Petrus Claver in het bijzonder onze Patroon en ons voorbeeld. Wat gloeiende zielenijver in dien heiligen Jezuïet, door hem in Zuid-Ainerika (Carthagena), jegens de arme Afi ikaansche negers ten toon gespreid, die toenmaals bij honderdduizenden als slaven naar de Nieuwe Wereld gevoerd werden. Mochten we Hem van verre gelijken. Hij doopte er 800,000, naar men zegt. Het doet mij een bijzonder genoegen, dat het leven van den H. Petrus Claver voor het eerst in het Hollandsch beschreven werd door een Jeznït J. V., mijn dorpsgenoot, studiemakker en warmen vriend.
In den voormiddag komt de sultan van Moehalala, een jong-mensch van ongeveer twintig jaar en zoon van den vroegeren rooverkoning Makingué, een bezoek aan ons brengen. Zijne Majesteit is in Europeesche kleeding en in de verte meenen wc niet een echten Europeaan kennis te zullen maken. Kurken hoed, donker
152
gelen jas, broek en vest, zells ten eerekruis op de borst. Zeer imposant! Z. M. was tr nog- m;:ar ten halve aan gewend en schoen zich weinig bewust van zijne hooge waardigheid. Niets vijandigs ot verschrikkelijks in hem. De Duitsche vlag wappert thans op zijn tembee. Hij geett ons twee mooie geiten ten geschenke en ontvangt een tegengeschenk. Zijn gevolg bestaat uit oude ministers, die lang zoo eeu onschuldig voorkomen niet hebben. \\ at leelijke schuwe gezichten! Waarschijnlijk roofmakkers van den ouden Makingué.
Wat verschil met vroegere tijden, want de eerste karavanen onzer Missionarissen moesten vooral hier en overal in Orgogo aan de kleine tirannen van dit land, voor duizenden en duizenden aan hongo's (tolrechten) betalen. Moehalala is het laatste dorp van Oegogo. We besteedden vijftien dagen om die provincie door te trekken en zonder de gedwongen rust te Xyagaloe slechts dertien dagen. Welnu in 1879, 1880 en volgende jaren deden onze confraters er zeven, acht of negen weken over. Dit verklaart mede, waarom zij dertien maanden noodig hadden om in Oeganda (ten Noorden van het Xyanza meer) aan te landen, terwijl men thans die reis in twee en een halve of diie maanden doet. Negens hongo's meer. Had de Duitsche verovering geen ander resultaat gehad dan dit, dan ware het reeds veel. Later vroeg ik aan twee dier oude missionarissen, Pater Levesque en Pater Hautte-coeur, hoe het mogelijk was, dat zoo eene groote karavaan als de hunne van tien of vijttien Blanken, ook van geweren voorzien, door hun prestige enz. die vorstjes niet tot reden konden brengen. Zeer wel antwoordden zij, doch zij moesten rekening houden met limine dragers en hunne lasten. Geen enkel drager zou zich in de pori gewaagd hebben of hij had daar zeker zijn last weggeworpen, als de hogo niet geregeld was. Dat was eene traditioneele gewoonte, aan welke voldaan moest worden, anders meenden ze zeker in de pori overvallen tezullen worden.
Dus wilden ze hunne gansche karavaan niet op het spel zetten, dan moesten ze wel geduld hebben, en wolk geduld ! Men moet de reisverhalen der eerste karavanen lezen! Wat hebben die confraters veel te verduren gehad! Dagen en dagen verliepen voordat de âbongoquot; met die schraapzuchtige vorstjes, vooral in Oegogo geregeld was. Zooveel geweren, zooveel kistjes of tonnetjes kruit, zooveel stof enz.
üitdeeling' van posho (loon om voedsel te koopen) aan onze lieden voor eenige dagen, want ze moeten provisie opdoen voor zes dagen, wijl er geen grein moetama, maïs of wat ook in de Jlkouda-Mkali (Uooze woud) te vinden is.
Om elf nur kondigen de gebruikelijke geweerschoten ons de aankomst van een koerier aan. Pater Hauttecoeur, superieur en procureur van de Boekoembisclie Missie zond zes askari's (soldaten; onder bevel van Majonga met een briefje ter verkenning uit. Hij wist wel dat er eene karavaan op weg was, doch niet dat er van dit jaar Missionarissen mede zouden komen. Zelfs Mgr. Hirth wist dit niet eens, zooals ik vroeger zei, was dit dan ook slechts ter laatste ure beslist. Uitbundige vreugde onder onze Wasoekoema-dragers. Ze vinden vrienden terug. Hoe cordiaal drukken zij elkander de hand! Wel vijf minuten schudden zij die.
De versterking komt ons goed te pas voor de fameuze Mkonda-Mkali (Booze wond). We houden ze bij ons tot we die zesdaagsche pori (woestijn) gepasseerd zijn, en dan eerst zenden wij ze voor ons uit. Het zien er kranige, flinke soldaten uit, vooral hun chef Majonga, met zijn kepi en zijne roode Engelsche militaire uniform, die hem zeer goed staat.
Men zegt ons nu, dat Sikee op de vlucht is, hetgeen later bleek niet waar te zijn. In den namiddag beklauterde ik, met mijn verrekijker gewapend, de rotshelling, die ons kamp in den rug dekte. 'Wat een schoon gezicht had ik daar op de onmetelijke vlakte van Moehalala! Ons kamp ligt afgezonderd, de andere karavanen nagenoeg bijeen, ieder door eene rieten of strooien omheining omringd.
Ons volkje is zeer opgeruimd, vooral onze askari's, die bezig zijn met hunne geit te braden en op te peuzelen. Al de anderen zijn ook zeer vroolijk. Wat mij opviel was, dat de vrouwen, als echte sapeurs, uit groote aarden pijpen rooken.
W ij nemen onze voorzorgen tegen de zesdaagsche marsch in het âBooze Woud.quot; Op marsch worden onze askari's anders geplaatst, in plaats van tien vóór, tien achter, tien (vijf en vijf in het midden) zet ik er nu een achter elke veertig man, terwijl er slechts vijf vóór, en vijf achter geposteerd worden. Als opperbevelhebber dier legermacht had ik den volgenden morgen heel wat moeite ieder te doen begrijpen, waar zijne plaats was enz. Ook wij laten voor ons en onze christeien een schaap slachten, en een jongen draagt in een korf een zestal kippen; deze voorzorgen zijn noodzakelijk, om in de Mkondi-mkali niet te verhongeren. We zijn 1120 meter boven de zee, wij hebben G7s/4 uur van af Mpwapvva en ISlYa van af Bagamoyo geriesd ; in rechte lijn slechts 862/g uur.
10 September, Zaterdag. Kamp No. 42, Kapalata. 7 uur marsch, van half zes tot halfeen. â Zooals altijd na een dag rnst worden de dragers lui, ze znekeu dus van morgen naar lieden om hen fe vervangen. In eene kromme lijn daalt onze karavaan van de hoogte af, om een kilometer verder een hoogvlakte te bestijgen. We trekken weer
154
voorbij de kampeerende karavanen, waarvan vele lieden ons volgen. Oorverdouvende hoera's 'bij het betreden van het âBooze Wond.quot; We zetten het vandaag al goed in met een marsch van zeven volle uren. Wij vermissen Boettoe, onzen kleinen hond van Zanzibar, die in Moehalala schijnt achtergebleven te zijn, ot die misschien van kant gemaakt is door de Muzelmannen, omdat zij een hond niet kunnen uitstaan.
Onze weg of liever ons pad loopt door een zeer dicht bosch van sparrenhout. Bundels van dun sparhout vormen hier als 't wave pijlerbnndels, die van weerszijden boven onze hooiden samen-loopen en natuurlijke spitsbogen vormen. Zeer aardig. Eenigen zeggen, dat het idee van de Grothiek of spitsbogenstijl daardoor onstaan is. Bijna voortdurend hebben we boven onze hoofden een lommerrijk dak. Was alles groen, dan vooral zou dat gezicht onbetaalbaar zijn. Om elf nnr houden we een half uur halt bij een klein meertje, dat heerlijk water heeft en daar in de wildernis als verloren ligt. De duizenden schoone witte en blauwe water-terleliën geven wezenlijk een dichterlijk voorkomen aan dit deli-cieuse plekje. Onze lieden drinken er van en baden er zich in naar hartelust. Zelfs onze ezels vinden een bad recht prettig en verfrisscliend. Ik laat eenige fraaie waterleliën plukken om er twee van terzijde aan den halster van mijn grauwtje te steken en een op de borst. De negers vonden dat recht origineel en hadden er pret in. Ook grauwtje was er blijkbaar fier mee.
We kampeeren om half een in eene kleine ronde grasvlakte, overal door het donkere grijze bosch ingesloten. Het kamp heet Kapalata naar den bejaarden sultan van denzelfden naam. Er staan slechts hoogstens twee tembé's. We ontmoeten een Duitsclien koerier van Tabora, die ons mededeelt dat Sikee door de Dnitscliers in zijn boma ingesloten is. Volgens gewoonte laten zij mij hun reispas zien.
Ons kamp ligt nagenoeg aan de overzijde der grasvlakte tegen den boschrand. Wij hebben goed drinkwater in overvloed. Koning Kapalata komt ons salueeren en brengt ons een geschenk. Hij lijkt een wijs en verstandig man. âMen verwijt hem gedurig,quot; zegt hij, ..dat hij mftt zijn volk iu de Mkonda Mkali de karavanen berooft, maarquot; zoo beweert hij ..het zijn de door den sultan van Moehalala uitgezonden roega roega's (roovers) die dit doen.quot; Dit neem ik ook beter aan. Op zijn tembé wappert eene mooie Duitsche vlag, die Pater Hrattecoeur verleden jaar deed hijschen ; ten overvloede toont hij ons een met veel zorg ingewikkeld papier, waarbij Stokes in 1890 getuigde dat Kapalata een braaf man is. Tegen den avond nog een andere koerier, door den eenen of anderen Arabier van Tabora afgezonden.
Kap al at a kan men al dan niet tot de Mkonda Mkali rekenen. In elk geval de vijt volgende dagen geen enkele bewoner, tembé, niets dergelijks meer, niets dan de wildernis. Evenmin kunnen onze lieden remplacanten vinden. Ze zullen dus verplicht zijn limine lasten minstens tot Ikoengo te dragen.
1L September Zondag. Kamp Xo. 43 Itawa vier en en een halt uur marsch, van zes uren tot halt elf. â Kwart voor vijven It-es ik mijne H. Mis en om zes uren marseheeren we af. üe eerste twee en een half uur gewone bosschen met eenige boomen, die reeds groen beginnen te worden. De gevleugelde zangers zingen in den vroegen morgen luui lusüg lentelied in het groene loover. Anders vindt men weinig zangvogels ; op onze route hebben wij er niet veel aangetroffen en gedurende het droge jaargetijde ziet men er bijna geen.
De rest van den marsch hebben wij eene mooie Gothieke galerij als gisteren en naar men mij zegt zullen wij die ook gedurende de vier dagen hebben, die wij in de Mkonda Mkali nog moeten doorbrengen. Een ander karavanenpad langs Oesoeri, Oesika, Nera naar Boekoembi laten wij aan onze rechterhand liggen : wij durven dit niet in te slaan, want verleden jaar overkwam de karavaan van onze confraters op dien weg een ongeval. Niet ver van Nera werd een gedeelte er van door den sultan van Sangrema totaal uitgeplunderd, (een verlies van 50.000 francs), .luist om dat verlies is onze karavaan dubbel noodzakelijk voor onze confraters, dewijl zij sinds twee jaar zonder onderstand zijn.
De eerste twee uur gingen we in Westelijke , daarna in Noord-Westelijke richting. Weer een mooi kamp, in eene open vlakte, midden in de wildernis, nabij een soort vijver met frisch water, groene lisschen en waterplanten met goudgele bloemen. Eene ware oasis, ook hier eene groote menigte zangvogels.
Eene karavaan van Wasakoema trekt voorbij ons kamp. Ze gaan naar Moehalala om te zien of ze iets kunnen verdienen met voor drager te spelen. Welk een ambacht! Arme lieden ! Ze zouden veel gelukkiger zijn, als ze rustig in hun tembé bleven. Doch het is de manie om te reizen en om de kust te zien. Ze hebben een stuk linnen om zich te kleeden, wat in hun land maar weinigen hebben ; doch de meesten maken onder weg alles op. Waren ze spaarzamer, dan konden ze een mooi pak stof thuis brengen.
Van avond zet ik mijn fameus veldbed op non-activiteit ; een scharnier is gebroken, zoodat het voortaan onmogelijk is er gebruik van te maken, vooraleer ik een ander scharnier machtig kan worden ; en een ijzerwinkel ! kom daar eens om hier in het
156
Booze Wou'Lquot; Maai' dat is niemaudal. Ik heb mijne dekens op den grond uitgespreid en dien nacht nog beter geslapen dan gewoonlijk, zoodat men des morgens nog meer moeite heeft gehad mij wakker te krijgen.
12 September, Maandag. Kamp No. 44, Visima-Visati. (De drie putten) ; marsch van vier uren, van zessen tot tienen. De eerste twee en een half uur gewone pori. Om halt negen naderen we eene anderhalt uur lange moerassige vlakte, die thans volkomen droog, doch opengescheurd is. Eene soort veengrond. Hier stonden vroeger verschillende tembé's, waarvan men de staken nog ziet. Het dorp heette Matonga ya Watatoeroe, Pater Hauttecoeur kampeerde er verleden jaar. Het dorp is dorr de Wagoniba's verwoest. Om tien uren kampeeren we dicht bij drie waterputten in eene leelijke vlakte, waar hier en daar eenige schrale struiken staan.
Die diepe in de rots uitgeholde putten dienden aan de Wata-toeroe's voor hunne kudden. Het water, dat vrij goed is, wordt door onze lieden met lange touwen omhoog gehaald. Latei-komt ons eene Arabische karavaan voorbij, die zich alleen in het woud waagt. Van de hoogte af, waarop wij ons bevinden, ziet men rondom zich en aan den horizon niets dan dorre grijze bos-schen en op één punt slechts drie kleine heuvels. Onze tent staat vlak naast eene kleine hoogte, door een paar schaduwrijke knoestige boomen overlommerd. Bovenop vindt men een soort prieel, door de natuur gevormd. Eenige dikke takken dienen voor banken. Daar deden we in den namiddag onze geestelijke leziii}!;. Het is een monster molshoop van twee meter hoogte en drie meter middellijn door termieten, eene soort mieren, bijeengesjouwd en opgehoopt.
Mijn trouwe askari heeft voortaan in last, mij voor mijn nachtleger een hoop stroo ot hooi aan te brengen. Daar slaapt men als een prins op en ik raad mijnen twee confraters aan om ook hunne veldbedden âfin de sièclequot; aan kant te zetten.
Pater Grosseau voelt zich onwel.
18 Sept. Dinsdag. Kamp No. 45, Miuamma. Acht uur marsch van halt zes to; half twee. Dit is de derde marsch van acht uur, sedert wij de kust verlaten hebben. Vier uur lang marcheeren wij door eene pori van dicht sparhout in bundels gegroepeerd, die eene lommerrijke galerij vormen. De laatste vier uur gaan wij door eene vlakte met acacia-stiuiken en ander houtgewas begroeid en afgewisseld met droge, moeilijk begaanbare moerassen. Iedereen is vermoeid en Pater Grosseau compleet ziek. Het kamp heet ook Mihamma (hamma wil zeggen koorts.) Anders zijn we nog al aardig gelegerd, bij een klein beekje op eenigen afstand van een groep fraaie palmboomen. Ik laat den askari Majonga post vatten bij
157
een der brste waterkuilen. Anders polsen allen er in als kikvorsclien. Ieder mag aan den rand zooveel water scheppen, als hij verkiest. Eerst als allen van drinkwater voorzien zijn, mag men zich baden.
De palmboomen, waarvan ik sprak, hebben een rijzigen kaarsrechten stam, minstens vijftien tot twintig Meter hoog. Slechts bovenaan prijkt eene kleine paraplnvormige kruin.
Pater Gosseau heett geen eatlnst. Aan eene buitengewone koorts, naar we aanvankelijk meenen, en vooral aan vermoeienis schrijven wij deze ongesteldheid toe. Des avonds laat ik een hamac ot draagbed gereed maken, en wijs ik vier askari's aan, die den dierbaren zieken medebroeder morgen vroeg beurtelings twee aan twee dragen zullen. Zulk eene hamac, expres daarvoor gemaakt, vindt men te Zanzibar. Bij gemis aan deze hebben we spoedig zelt een systeem gevonden. Een beddedeken wordt met de vier einden (twee aan twee bijeen) zeer stevig gebonden aan een draaghoat, een der staken van onze tent, en de hamac is klaar.
U Sept. Woensdag. Feest van Kruisverheffing. Kajip No. -Ifi. Itawa tja Madje. acht uur marsch, van halt vijt tot half een. .. Tn cruce salus:quot; het heil, de zaligheid is uit het kruis, Jezus' kruis, vroeger een schandhout, steeg op van den Moedigen Kalvaneberg. glanzend en stralend als een standaard, waaronder alle volkeren en stammen der aarde zich zouden komen vereenigen. Ook voor onze arme zwarten steeg die standaard omhoog. In de duisternis gezeten, zagen de meesten tot nog toe dat stralende kruis niet. Thans echter is het uur gekomen ; ook boven het zwarte Werelddeel met zijne millioenen zielen blinkt nu dat stralende kruis aan den hemel. Nog maar weinigen hebben de oogen ten hemel geslagen. Mochten allen spoedig hunne blikken van de aarde en van den afgrond, van waaruit Satan hen gebiedt, en tot hen komt, afwenden, om ze eindelijk naar boven te richten. De onbekende, ééne (xod daalt zoo dikwijls in hun midden neer. Zijne priesters komen die dolende schapen opzoeken. lederen morgen zegenen wij bij het betrekken van een nieuw kamp de plek met wijwater, we hangen in onze tent een kruisbeeld op en twee platen ; de eene stelt het H. Hart voor, de andere den Zaligmaker. Wij bidden vóór iederen marsch het kerkelijk reisgebed (itinerarium); ieder van ons heeft langs de woeste paden naar die verre oorden minstens twee duizend rozenhoedjes gebeden, dus met ons drieën drie maal twee duizend, dit is zes duizend en onze christenen ieder honderd maal zeven is zevenhonderd; dus de drie missionarissen en de zeven christenen te samen zes duizend zeven honderd rozenhoedjes, en dau nog zoovele andere gebeden ; welnu ; is dit niet het christendom, dat zijne intrede in dit land doet?
158
Het is nog donker, als we vertrekken. Twee askari's dragen de hamac van Pater Gossean op de schouders. Boscliacli:ige streek, afwisselend met kleine opene vlakten.
Om acht uur passeeren we eene droge rivier met rotsachtige bedding en marcheeren daarna tot negen uur onder dichte, donkere boschgewelven als vroeger. Om negen uur houden we halt bij een klein helder meertje met wier en gras overdekt, daarna trekken wij twee uur lang onder de spitsbogen voort, om ook de laatste twee en een halt uur door een bosch te gaan, dat van een andere soort is, met boomen en nu en dan kleine vlakke openingen.
We kampeeren in het bosch onder lommerrijke boomen en struiken. Ket is er bijna duister. Op honderd meter afstand verschaft een klein ineei of groote waterplas ons goed water. Als in den nacht de talrijke wachtvuren ontstoken zijn, levert ons kamp in dat donkere bosch een werkelijk fantastisch gezicht op, eene soort illuminatie âal' giorno.quot;
Eene karavaan van wel honderd en vijftig Wanyamwezi s trekt ons kamp voorbij. Ze gaan naar Moehalala ot desnoods naar de kust om drager te spelen. Wat een ambacht ! Echte trekvogels! Eenmaal eraan gewend, zijn ze tot niets anders meer in staat, en een rustig leven in hun land onder hun volksstam is hun onuitstaanbaar.
15 September, Donderdag. Kamp No. 47, Ikobxgob ; zeven uur marsch van kwart over drieën tot kwart over tienen. Pater Gossean is vrij zwaar ziek. Het is nog duister als we opbreken, vooral onder die donkere boschgewelven. Des morgens vroeg is het zeer aangenaam te reizen, als het weer kalm is en de maan schijnt. De marsch is driemaal minder vermoeiend. De streek is boschachtig. Van negen uren tot half tien is de weg zeer hinderlijk wegens het dichte struikgewas en de wortels van de boomen. Eindelijk zijn we aan den rand van het fameuze Mkonda Mkali, het Booze Woud, voor ons strekt de vlakte van Ikoengoe zich uit. Zoo ver het oog reikt, ziet men vruchtbare moetama velden. Honderden kolossale boababboomen staan er in de vlakte, vooral ook langs den boschrand.
Tegen negen uren had ik het geluk en den troost een zieken jongen, (van tien jaar) in gevaar van sterven verkeerend, te doopen onder den naam van Joannes Maria Michael. Hij behoort tot onze karavaan en werd door zijn ontaarden vader (.â ') in de pori aan zijn lot overgelaten. Na het arme kind wat uit mijn flesch te hebben laten drinken, gelast ik een onzer askaii's hem op zijne schouders te nemen en te dragen. Een eind verder ontmoette ik een ander, langs den weg. Deze, die iets grooter was, zag er lang zoo zwak en ziek
159
niet nit, als de andere. Daarenboven vergezelden hem drie of vier lieden, die, naar men mij zei, zijne ndoegoe's (broeders) waren. Wijl liet kamp dicht bij was, gelastte ik, om met dezen zachtjes tot aan het kamp voort te sukkelen. Later zon het mij spijten ook dezen niet gedoopt te hebben, na het noodige onderricht.
We kampeeren om kwart over tienen bij een dorp, het tweede in grootte in Ikoengoe. Onze tent wordt opgeslagen onder een mooien boababboom dicht bij de omheining (boma) van het dorp. Ook hier hebben de dorpen, evenals in Oegogo Moehalala en later in Oesongo, den vorm van een tembé (vierkante omheining van soms 200 meter op iedere zijde, binnen welke de ronde hutten gegroepeerd zijn.) Het dorp is sterk bevolkt. Aan de nieuwsgierigheid, vooral van Eva's dochters komt geen einde. Alles trekt hunne aandacht en brengt hen soms buiten zich zeiven van verbazing. Daartoe is overigens niet veel noodig. Levensmiddelen in overvloed en onze lieden koop en voor een handbreed stof, raoetama, aardnoten, patatten, enz. zooveel zij maar verlangen.
Nauwelijks waren wij gekampeerd, ot ik informeerde naar den jongen, van wien ik zooeven sprak, en dien ik aan de zorg zijner ndoegoe s (broeders) aanbevolen had, aan wie ik gelast had hem behoedzaam voort te helpen en hem niet te verlaten. Jawel, de ndoegoe's (broeders) vond ik, doch de onbarmhartigen hadden den armen bloed in de pori (woestijn) aan zijn lot overgelaten. Verbeeld u mijn spijt en verontwaardiging tevens! Onnoodig te zeggen, dat de vlegels eene welverdiende straf bekwamen, doch daarmee was het arme kind niet geholpen. Aan terugkeeren viel niet te denken ; zeer waarschijnlijk was de jongen gestorven, ot eene prooi van de wilde dieren geworden. Ziedaar dan voor de zooveelste maal weer een voorbeeld van Gods geheime raadsbesluiten betrekkelijk het mysterie zijner Genade-verdeeling aan ieder in het bijzonder : waarom had de eerste het geluk het Doopsel te ontvangen en waarom deze niet ? Wie zal het zeggen ?
Die wreede gewoonte n. 1. de zwaar zieken achter te laten, is in de karavanen algemeen, ten minste als men in eene wildernis is. Bevindt de karavaan zich in eene bewoonde streek dan wordt zooals ik vroeger reeds zeide, de zieke besteld in een dorp tegen zooveel en zooveel. Ongetwijfeld komt die gewoonte ons wreed voor, doch om de waarheid te zeggen, liet is soms eene fatale noodzakelijkheid. Wat aan te vangen in eene pori? Men durft niet achter te blijven en waar zal men dragers vinden om de zieken te torsen, vooral als ze talrijk zijn. Begraven doen de negers hunne dooden nooit.
Dit geval was tevens eene les voor mij. Er is ondervinding
160
noodig om zich in hun ziektetoestand niet te vergissen, als het ten minste geene uitwendige ziekten zijn. Dikwijls meent men, dat het niets dan vermoeienis is, als men integendeel eene harlot borstkwaal, eene vermomde koorts, enz. voor zich heeft. Wijs is het dus eerder te vroeg dan te laat aan doopen te denken, op voorwaarde immer (als het negers boven de zes ot zeven jaar geldt) hen in het noodzakelijke te onderrichten, en juist dit wordt des te moeilijker, naar mate men langer wacht.
De andere (gedoopte) jongen kwam levend in liet kamp aan. Onmiddellijk liet ik zijn vader opsporen. Deze scheen zeer verwonderd, dat men zich nog bekommerde om een wezen, dat toch zeker ging sterven. Onder bedreiging echter van vijftig stokslagen, kwam de oude tot andere gedachten en verpleegde, zoo goed hij vermocht, dien dag zijn kind. Des avonds stierf de jongen en werd in het duister op eenigen afstand van ons kamp hegraven. Een schoone engel in den Hemel! Vreugde over deze ziel, droefheid over de andere! Dit is zoo dikwerf het geval voor den missionaris.
Pater Gosseau is nog steeds zwaar ziek, ik constateer eene hersenkoorts, vergezeld van dilirium. We beginnen ernstige vrees te koesteren, uit voorzichtigheid neem ik de H.1I. Oliën bij me, Wat aanvangen, want de karavaan ophouden (wie weet voor hoelang) is onmogelijk. Morgen vroeg zend ik den koerier, die ons te iloei alala tegenkwam voor ons uit naar Boekoembi, met een brief aan Pater Hanttecoeur, ik verzoek hem dringend om ons tot Massari een paar honderd dragers te gemoet te zenden.
Daar stond ik alléén en moest wel de gansche verantwoordelijkheid der karavaan op mij nemen.
Van nu at waken wij (de Broeder en ik), ieder op zijn beurt, 's nachts bij den zieken Confrater. Hoge God hem spoedig de gezondheid teruggeven, en ons voor een ongeluk behoeden, waaraan we haast niet durven denken.
16 September, Vrijdag. Kamp No. 48 Ikobngoe, (Ikoengoe of hoofdstad). Zeven kwartier marsch, van kwartier over zessen tot acht uur. Pater Gosseau voelt zich des morgens wat verlicht. Wij breken dus op om bij de hoofdstad te gaan kampeeren. \\ ij doen dit om verschillende redenen, o. a. ook wijl ongeveer honderd dragers ons daar verlaten en wij verplicht ziju andere aan te werven. De zieke Confrater wordt behoedzaam in de hamac getild en goed toegedekt. Overigens is de marsch zeer kort en hier in de bebouwde vlakte van Ikoengoe, zeer aangenaam. Halverwege passeeren we een vrij groot dorp of tembé. Bijna de geheele bevolking staat buiten. Het is dan ook geen alledaagsche ge-
161
benrt.enis drie Blanken te zien en verder zooveel vreemde dingen uit Oelaj'a! (Europa).
Hier en verderop overal, zoowel in Oekoembi, Oesliirombo, Jlsa-Lilii 1 abora, enz., als in de onisrekeu van het Tangauika-meei' zijn de dorpen omringd door hooge, dichte Eiipiiorbe-heggen. De eupliorbe of wolfsnielkstrnik blijft het lieele jaar door groen. Het witte sap, volkomen op melk gelijkend, is min of meer vergiftig. Het wordt door de negers gebezigd om hunne pijlen te vergiftigen. Een druppel, die in het oog valt, kan het verlies van het gezicht ten gevolge hebben. Toch heeft de plant sommige geneeskrachtige eigenschappen b.v. tegen den beet van slangen enz.
Deze streek heeft evenals zooveel andere, vroeger veel te lijden gehad van den veroveraar Mirambo, sultan van Oerambo. ten Noord-esten van 1 abora. Buiten de tembè ziet men een aantal doodshoofden op staken en verder in den omtrek menig uitgebleekt menschengeraamte.
\\ e kampeeren op honderd meter afstand van de hoofdplaats van Ikoengoe, zooals bijna altijd, onder een grooten boabab. Hier vooral is het getal nieuwsgierigen groot. De jeugd echter schijnt maai halt gerust: 't is dan ook zoo aardig witte menschen te zien. Bij liet voorbijtrekken behoeft men enkel een ruk links aan den teugel ie geven en de heele drom zet het op een loopen. Onze twee nyampara's Merare en Kipamila verlaten ons hier met hun voIk en slaan links af om in hun land Toeroe, Oejoeï. enz. terug-te keeren. ioch zijn ze verplicht te âgombozequot;, dat wil zeggen: op hunne kosten voor ons in het dorp andere dragers op te snorren. Het getal beloopt honderd twaalf. Alle lasten worden op eene rij gelegd, en spoedig komen er liefhebbers opdagen. Des avonds is alles klaar en zijn de drie honderd dragers gevonden en betaald.
\ andaag hebben we goed drinkwater, ofschoon het, als altijd min of meei witachtig en troebel is en, zooals men het noemt, naai den grond smaakt. De streek krioelt van vogels en van allerlei wild. Frère Jean-Pierre, een ware Nimrod, zorgt voor eene vorstelijke tafel. De bevolking schijnt geen armoede te lijden, overal goed bebouwde velden en groote kudden schapen en geiten. Levensmiddelen voor onze dragers ontbreken dus niet.
In den namiddag ontvangen we een bezoek van Hadiki, koningin van Ikoengoe; zij was vergezeld van haar geheele hofpersoneel, haar eerste staatsminister er onder begrepen. Ik hechtte er aan de ontvangst zoo luisterrijk mogelijk te maken. Zooals altijd ging het bezoek vergezeld van een geschenk; dit bestond uit een paar mooie geiten. De receptie had plaats onder den grooten boabab, rondom welken wij gelegerd waren. Hare Majesteit, ruim twintig
162
jaar ond, scheen verlegen en onthutst over zooveel eerbe wij zing. De receptie leek op alle receptie's en liep at na het wisselen van eenige banale vragen eu wedervragen, waarbij een mijner negers van Malta mij als tolk diende. Hot heele kamp kwam naar die grootsche demonstratie kijken. Vooral de enkele vrouwen in onze karavaan bleken zeer nieuwsgierig en gingen er zeker groot op, dat men aan eene van hare sekte zooveel eer bewees. Bepaald gebeurt dit zelden, want over het algemeen is de negerin in dit opzicht niet verwend. Dit bleek ook hier, want met één handdruk eu ééne wederzijdsche buiging (heusch waar) was de ceremonie afgeloopen.
Tegen den avond nam de ziekte van Pater Gosseau zulk eene wending, dat ik het niet waagde de toediening der laatste H.H. Sacramenten langer uit te stellen. Ik bespiedde een oogenblik, dat de zieke bij kennis was en maakte hem zonder omwegen opmerkzaam op het ernstige van zijn toestand. Des avonds om acht uren had de plechtigheid plaats. Verbeeldt ü mijne aandoening op dit oogenblik. Niet licht zal ik het vergeten. Ik werd tot tranen toe bewogen door de volkomen kalmte en berusting in Gods heiligen Wil van den dierbaren zieke. Ook de Broeder en de zeven christenen, die alien om het ziekbed geknield lagen, waren zeer aangedaan. Met volmaakt volle kennis ontving Pater Gosseau de H.H. Sacramenten en alsof het eene gratie Gods was, onmiddellijk na de bediening traden de ijlkoortsen weer in. De zieke bracht een zeer onrustigen nacht door, doch werd tegen den morgen kalmer, zoodat we weer hoop begonnen te scheppen.
17 September Zaterdag. Van morgen trekken de dragers van Kipamila en Merare af om naar hunne haardsteden terug te keeren. Alles samen, dragers en volgelingen, is de troep wel twee honderd man groot. Wel een derde van ons kamp is leeg. Hun nyam-para Kipamila echter gaat tot Boekoembi met ons mede en neemt de leiding der remplaQanten en huune lasten, nu tot een bunia vereenigd, op zich.
Ik lees mijne II. Mis om half acht, natuurlijk met de intentie der spoedige herstelling van mijn zieken confrater.
Koningin Hadiki heeft van morgen (evenals gisteren avond) de attentie een kalebas vol versche koemelk te laten brengen voor onzen zieke. Dit is, sinds we uit Bagamoyo getrokken zijn, de eerste maal, dat we koemelk hebben. Vroeger waren al deze streken rijk aan groote kudden koeien en ossen, doch verleden jaar heeft er in Oost-Atrika (en elders?) eeae soort veepest geheerscht. Bijna al het vee stierf er aan, en hier en daar slechts bleef er een over om..... in de soort te blijven. Ouk schapen en geiten stierven
1«3
bij duizenden en tieudnizenden, en uaar ik meen, ook veel wilde dieren, o. a. antilopen, gazellen, enz. Wijl de schapen en geiten nog talrijk genoeg zijn, zon men van hnnne melk in overvloed kunnen hebben, doch, vreemd genoeg, de negers versmaden die. Allen zouden het hoogst belachelijk vinden, als zij ons eene geit of een schaap zagen melken, en geen enkel zou er toe te bewegen zijn om voor melkmeid te spelen. Met koeien is het iets anders.
Gisteren had ik 11. M. liailiki een (quot;roi'je CLiir!reuse geoffreerd. Uit bedeesdheid natuiulijk had zij het, zeer beleefd overigens, afgewezen, doch een onde minister van staat, had het zich blijkbaar goed laten âsmaken.quot; Van morgen integendeel liet ze door hare lieden er om vragen en later op den dag stuurde zij om wijn. Of het voor haar was of wel voor hare hovelingen weet ik niet. Alle negers zijn verzot op allerlei sterke dranken. De eene ot andere ontdekkingsreiziger gat er hun zonder twijfel met het doel hunne gnnst te winnen. Op een reis per karavaan kan dat, en dan nog slechts bij groote uitzonderingen geen kwaad, doch eenmaal in een missiepost aangekomen, dan opgepast. Zou men dan den sultan of den chef er aan verwennen, dan kwam er geen einde aan hunne lastige vragen. In de missie heeft men dan ook voor vasten regel, vragen van dien aard, reeds van het begin at, voor eens en voor goed at te wijzen. De missionarissen hebben al moeite genoeg om van den noodigen voorraad miswijn voorzien te zijn en eene zeer kleine provisie wijn te hebben in geval van ziekte.
De negers echter begrijpen daar niets van. In hun oog is ieder Blanke onnoemelijk rijk. Overigens is het geen wonder, dat onze dragers op dien eeuwigen langen weg, waarop zij versmachten van dorst, aan het kostelijke vocht peinzen, dat ze in twee groote stoopen op hunne schouders dragen ! En wel zoo dat men op moet passen, wil men niet met kruiken vol water aan de (iroote Meren aanlanden. De stop dient goed verzegeld en met een blikken hoed (met slot) voorzien te zijn. Anders zijn sommigen slim genoeg om het roode vocht minstens te verdunnen. Soms vragen ze âBwana, wat is er in die kruiken?quot; En als we hun zeggen ; âAh, Baba, rnadji ya Oeiaya,quot; (water uit Europa), dan kijken ze elkander lachend aan als wilden ze zeggen : ânu, we zijn zoo dom niet !quot;
Van middag wordt de posho (loon om den kost te koopen) voor twaalt dagen aan onze dragers uitgedeeld. Ieder ontvangt, een Oepande stof (vadem) en vijf snoeren roode of witte koralen, alles samen ter waarde van ruim een gulden. Ook onze nieuwe dragers krijgen hun posho. Ze hebben van hier tot Oesongo (aciit dagen, ieder drie dotie's (t 4,50) ontvangen als draaggeld, doch ze
104
liebbeu dat kostelijk goed nog niet in hun bezit. We nemen de voorzorg hst in een pakje vast te binden op ieders last, pak ot kist. Anders zouden ze de plaat poetsen, het den mzoengoe (Blanke), des verkiezende, overlatende zelt de lasten te torsen.
Om halt vijf in den namiddag ga ik aan 11. Majesteit mijn tegenbezoek brengen, ik word geëscorteerd door llamsin, de drie dokters en de voornaamste nyampara's, o. a. Kitevo. Hamsin draagt tevens het tegengeschenk, dat voor Hare Majesteit bestemd is en dat uit een paar dati's katoenstot, een koeroengoeroe (kleurige stot) en wat koralen bestaat. Alles te samen heeft zoo wat eene waarde van 10 ii 15 franc. Iets anders dan vroeger. Toen zon een karavaan als de onze aan zulk eene prinses als Hadiki voor âhongoquot; zeker betaald hebben het volgende: 50 doti's (150 francs) vijf geweren, een paar tonnetjes kruit enz. enz.
Het inwendige der hoofdstad bood me heel wat verrassingen. Nooit zou men het gelooven, dat er in zulk een vierkant zooveel volk huist. Het uitwendige beschreef ik reeds: een groot vierkant van misschien wel 200 meter op iedere zijde, de wanden van staken en latwerk gemaakt, zijn met leem bepleisterd. Greheel het inwendige is opgepropt met negerwoningen, de meesten zijn langwerpig vierkant en hebben eene verande aan de voorzijde. Eene wezenlijke negerstad! Het is een waar doolhof van honderden, elkander kniisende , zeer enge straatjes (een of twee nieter breed).
Daar zulk eene tembé maar een of twee buitenpoortjes heeft, zon men er zeer gemakkelijk in verdwalen, en niet dan met de grootste moeiten den uitweg terug vinden.
Ongeveer in het midden kwamen we eindelijk aan de koninklijke woning, eene tembé in het klein, wel vijftig meter lang en breed. Zelfs het uitwendige is met veel meer zorg gebouwd, dan de overige woningen of huisjes. Eene lage, smalle deur geeft toegang. Deur en deurstijlen zijn in den trant der Arabische huizen van Zanzibar en van Bagamoyo met snijwerk voorzien. Dit is iets buitengewoons hier in het land, want zoo iets ziet men slechts bij sultans. Het zijn in den regel Wangwana's (negers van Tabora ot van de kust, die muzelman geworden zijn) foendi, kunstenaars genaamd, die dien arbeid voor grot geld verrichten.
Men leidde ons in de audiëntiezaal, een vierkant van acht meter lang en vier meter breed, door palen onderschraagd. Een aantal roega-roega's (lijfwacht) waren er reeds aanwezig. Het vertrek is rondom behangen met wapenen, schilden, bogen, pijlen, lansen en mooie Arabische geweren, liij wijze van zetels waren er een aantal houten tabouretten, door de negers uit één stuk van een
165
boom gebeiteld, iu de rondte geplaatst. Ren kwartier lang liet men ons wachten. Eene hofdame kwam ons zeggen, dat hare Majesteit sliep. Eindelijk toch doet de vorstin hare-intrede, zij is vergezeld van haar gemaal, die geen sultan ot koning is (juist als in Nederland, wanneer H. M. Willielmina eens groot is). Van het hoofd tot de voeten gedrapeerd in eene fraaie kleurige stof, heelt ze ontegenzeggelijk iets waardigs in hare houding, dat men slechts nn en dan opmerkt. En waarom zou ook zij dit niet hebben? Oefent ze geen gezag uit? En komt alle gezag niet van God? is het dan te verwonderen, dat God, zulke koningen of koninginnen, evenals in onze christelijke landen met meerdere talenten en bijzondere gaven toerust ?
De zetel of troon bestaat uit eene fraaie kitander of rustbed, soort van breede sofa. Zich thuis gevoelend is Hadiki thans ook minder bedeesd en babbelt zij dat het een lust is. Zij doet mij uitgeleide tot buiten de tembé. Bij het passeeren der buitendeur krijgt mijn arme kurkenhoed een deuk, waarvan hij sinds nooit bekomen is. Ik maak Hare Majesteit lachend de opmerking, dat in Oelaya (Europa) de huizen der vorsten hooger zijn zoodat men geen gevaar loopt het hootd aan de deurstijlen te pletter te stooten. Al gaande krijgt ze mijn wit linnen schoenen in het oog en vraagt mij, zeer beleefd overigens, of ik er geen paar te veel heb. Volgaarne had ik aan Hare Majesteit een presentje in dien vorm geschonken, want wie zal niet inzien, dat het eene vorstin niet past barrevoets te loopen ; doch ik had zelf maar één paar.
Aldus was aan de inlandsche gebruiken voldaan. Vrij algemeen stelt men zich de negers als wilden, ot als halve wilde dieren voor. Eh bien 1 Het heeft er niets van. De negers zijn even verstandig als de Blanken. Aan de hoven dier sultans bestaat een hofceremoniëel, eene hofetiquette, even goed als aan de hoven van Europa. Men moet er rekening mee houden, en wee hem, die er zich niet aan stoort. Hij zou beschouwd worden als iemand zonder opvoeding. Een missionaris vooral moet het gezag erkennen en eeibiedigen. Dit brengt hem in de gunst bij de chefs en de onderdanen. Hoe zou hij later kunnen prediken, dat men liet van God gestelde gezag moet eerbiedigen, als hij zelt er het voorbeeld niet van geeft.
Een uur of wat na mijne visite kwamen een paar hofdames het zoontje der koningin, een aardig zwart kroon prinsje van driejaar, aan mij voorstellen. Ik begreep spoedig waar liet om te doen was. Zoo zijn nu eenmaal de Negers. Immer eu altijd den Blanke met vragen overstelpen, alles trekt hun begeerig oog. Zoowel slaven als vorsten schooien zonder blikken of blozen. Ik haalde dus een
166
kleurigen zakdoek voor den dag, die de oogen vau het kleine prinsje van blijdschap deden schitteren.
Gisteren en ook vandaag wordt onze kampeerende karavaan vereerd met Wanyaraoevvezinuiziek en dans uitgevoerd door een dertigtal meisjes onder direktie eener dettige matrone. Dit is van hier af (Ikoengoe) tot Massari toe de mode van het land. lederen namiddag krijgt eene karavaan zulk een bezoek. Na ons vergewist te hebben dat er niets onbetamelijks en snperstitieus mee voorvalt, verbieden we die voorstellingen niet. Eigenlijk is het ook slechts een kinderdans, of beter nog geen dans, ten minste volgens onze opvatting. Stelt u voor een troep van negerinnen van drie tot vijttien jaar, allen voldoende gekleed met kleurige lendestukken en wrongen van dito kleurige stof op het hoofd, zij staan in een kring rondom de matrone, die met een koeharenkwast gewapend op de inlandsche trom slaat.
Onder een zeer geanimeerd maatgezang loopen allen, door de trommehnnziek en door de gebaren der onde aangevuurd, onder de vreemdsoortigste en koddigste hootd- en lichaamsbuigiugen en krommingen rondom de trom, naar welke zij al gaande zich gekeerd houden. Vooral is het aardig de kleintjes van drie a vier jaar, die het nog leeren moeten, bezig te zien. Komt er een voornaam toeschouwer, dan kan hij zich gereed houden op eene speciale uitvoering van eenige der grootste en meest behendige danseressen â eu op het geven van een cadeau in den vorm van een stuk stof, want eigenlijk is die eere-voorstelling niets dan eene vulgaire kennisvoorstelling, waar 't om de centen te doen is. Ze krijgen nog al wat van de lieden der negerkaravanen, die er op verzot zijn. Elk groot dorp langs de karavaanwegen bezit zulk een nuiziek-en danscorporatie. Ook de sultans hebben er eene te hunnen dienste. De neger, van natuur zeer vroolijk en opgewekt, houdt veel van dans. Jlen heelt er dan ook van allerlei soort, en niet alleen kiuderdansen. Vele dier dansen, misschien de meeste (men zegt soms alle, doch dit is overdreven) zijn onzedig, b. v. die van toovenaars zijn bepaald gemeen en diabolisch. Ook heelt men nog krijgs- ot oorlogsdansen en verder voor verschillende omstandigheden en plechtigheden in het gewone leven ; b. v. overlijden, trouwen, pombeebereiding, pombeedrinkgelagen, regenmaken, enz.
Vermelding verdient een soort Wasakoema dans, waarmee onze dragers zich dikwijls vermaken, eu die bepaald komiek en onschuldig is. Verbeeldt U twintig, veertig of zestig negers tegenover elkaar opgesteld in twee, vier ot lt;) rijen. Allen houden zich kaarsrecht, de ellebogen tegen het lijf gedrukt eu de vuisten ter hoogte dér schouders. Op een gegeven teeken beginnen allen te huppe-
167
len, d. i. zich in de liondiiig, zonder van plaats te veranderen tien ot' vijftien centimeter in de hoogte te verheffen. Het aardigste is dat alle zestig, als één man die huppelende beweging op de maat uitvoeren onder een zeker maatgezang, dat hen schijnt te animeeren. Overigens gelijkt geen een der negerdansen op die van Europa. Alle bestaan in min ot meer potsierlijke hoofden lichaamskrommingen of bokkesprongen en grimassen.
IS September, Zondag, Kamp No. 49, Tkóengoe, (ihara 3e hoofdstad), twee uur marsch van halt zeven tot halt negen. â Na mijne H. Mis zet onze karavaan zich weer in beweging, doch we maken maar een kleinen marsch, wijl onze honderd nieuwe dragers nog niet gedrild zijn. Pater Grosseau, ofschoon zwak, is een beetje beter, Jacques zet met tien askari's (soldaten) onze oude dragers achterna om ieder hunner te verplichten nog één doti meer als gombozeprijs aan hunne remplaganten af te staan. Deze schijnen werkelijk onwillig om voor het ontvangen loon tot Oesongo en nog minder tot Massari te gaan. Dubbele waakzaamheid is ons dus noodig, opdat die snuiters, met onze lasten incluis, de plaat niet poetsen.
We marcheeren twee uur lang in de vlakte, door afgeoogste moetamavelden en kampeeren dicht bij het laatste Ikoegoedorp, aan den rand van eene groote pori, die wij door moeten. De tenten worden opgeslagen in een afgemaaid sorgoveld, onder eenige lommerrijke boomen. Een trissche bries doet onzen zieke goed.
Ik probeer heden nog eens of ik mij zal kunnen gewennen aan het negerbier, den veel besproken pombeedrank. Vandaag biedt men in ons kamp veel van dit bier te koop aan. Onvermengd vindt men het in het begin vrij smakeloos. ,,11 y a du boire et du manger dedans.quot; Het is pappig en daarenboven te zuur. Echter met honig vermengd, begint het me te bevallen, vooral wijl het immer koel en frisch wordt geschonken en wij voor onzen dorst nirts hebben dan lauw, slecht water.
Pombee is een gegiste drank meestal uit moetama- of sorgho-meel bereid, die eene grijze kleur heeft. Men maakt dien drank ook van bananen, maï?, enz. Met honing gekookt is hij soms zeer sterk, zoodat een volle liter iemand bepaald dronken kan maken. Het is de nectar der negers, en evenals water hun alge-meene drank. Het is er echter verre af, dat iedereen zich er tegoed aan kan doen. Er is moetamameel voor noodig en alleman bezit dat niet. Zelfs de sultans en de rijke grondbezitters kunnen het zich iederen dag niet verschaffen. De vrouwen bereiden de Pombee. Dit werk, dat zij gezamenlijk verrichten, duurt eenige dagen. In ieder dorp werken op zekere tijden dus jaars alle vrouwen aan
168
de bereiding v;iii dezen drank. Dan ziet men er soms wel tien kolossale zwartaardeu kruiken op eene rij. boven een vnnr staan. Heeft een sultan twintig of dertig vrouwen te zijnen dienste dan bereiden deze een brouwsel uitsluitend voor de hothouding.
Jlen vindt onder de negers pombeedriukers, die voor den grootsten bierdrinker niet onderdoen. Het is ongelooflijk hoeveel zij soms naar binnen slaan zonder driekwart te zijn. Dikwijls zijn zij er evenzoo aan verslaafd als een kolendrager aan zijn Sclüe-dammerbrood ; zulke lui te bekeeren is voor den Missionaris geen gemakkelijk werk.
De neger is zeer gul en gastvrij. Als er pombee in huis is, wordt er altijd een sonso (l) aan den bezoeker geprensenteerd, alsof het algemeen goed was. Herbergen dus zijn onbekend. Ook tabak, vooral snuiftabak deelt men altijd broederlijk samen. In dit opzicht is de neger in lange zoo baatzuchtig niet als de Blanke. De pombee, matig gedronken, is een zeer gezonde drank. Bijna.alle missionarissen gewennen er aan en varen er wel bij; ot zij willen ot niet, zij moeten zich er ook wel aan wennen, want water alléén is bijna altijd ongezond, omdat het zoo zelden zuiver te krijgen is.
Evenals gisteren komen de negerinuetjes in den namiddag weelbij ons kamp muziek maken. Ik geloof, dat ze vandaag niet zulke goede zaken maken.
Des avonds om zes uren zend ik twaalf askari's onder bevel van den dokter naar een nabijgelegen tembé. Ziehier de reden : Twee onzer lieden waren onder weg door bewoners van dat dorp afgerost en van hunne armoedige plunje berooid. Dat kon zoo niet blijven, iedereen eischte justitie. Het was daarenboven wat kras, dat een karavaan van Blanken door een paar vlegels zoo biutaal aangeroerd werd. Onze lieden vinden den dader buiten de tembé. Deze vlucht de tembé in, en laat in de haast zijn geweer en lans achter. De askari's willen hem achterna zetten, doch men sluit hun de deur voor den neus dicht en dreigt hen met oorlog. Onze lieden waren woedend, doch gelukkig was het donker; daarenboven had ik streng last gegeven om zonder gebiedenden noodzakelijkheid niet tot daden over te gaan en ook geen schot te lossen. Wie weet of ze anders niet in staat geweest waren de
(I) Men noemt sonso een soort rourl korfje met of zonder deksel ven een of twee liter inhoud, buitengewoon fraai en kunstig van grashalmei zoo dicht gevlochten, dat men er pombe â of water uitdrinkt Sommige negers zijn wezinlijkc kunstenaars ia liet vlechten van dergelijke korven, schalen en matten, enz. Ik liel) in Boekoembi kolossale korven gezien (reservoirs voor moelama) wel vijftig hectoliter kunnende bevatten. Zoo maakt men ook uit bnombast alle mogelijke huisraad. Dit bewijst wel dat er ouder de negers evengoed kunstenaars zijn als onder de andere volkeren.
Kif)
tembé stormemlerliand in te nemen. In Afrika zijn vijftien man met goede geweren eeu heel leger. Woedend keeren ze terug. ..De buit van een geweer eu een lar.s is niet genoegquot;, zeggen onze krijgers. Morgen willen ze terug, en voor strat twee schapen eisehen en natuurlijk daarenboven nog de gestolen stot terug vorderen. Wie west ? Die lieden hadden met oorlog gedreigd. Ik acht het raadzaam om veiligheidshalve de nachtwachten te verdubbelen (acht in plaats van vier) en goede wachtvuren aan te laten leggen.
19 September, Maandag. Kamp No. 50 Mtoxi (nabij de rivier): vijt uur marscli van 7 tot 12 uren. De dorpschef. van wien ik gisteren sprak, is reeds voor dag eu dauw bij ons, om zich te verontschuldigen. ..Het was maar'', beweerde de zwarte burgervader, ..een heethoofd, die dat stuk van gisteren begaan had.quot; Blijkbaar hadden de dorpelingen er niet gerust op geslapen. De gestolen stol' werd teruggebracht, doch we verlangden eeue vergoeding, al was hot ook maar een schaap voor onze soldaten. Wijl hij niets tot vergoeding bij zich had en ook wijl de tijd ontbrak en wij onze reis voort moesten zetten, werd het geweer verbeurd verklaard.
Juist toen de karavaan zich in beweging zette, kwam Jacques met zijne lieden van zijn tocht terug. Ieder soldaat droeg een pak doti's op het hoofd. De lieden van Merare en Kipamila waren wel verplicht geweest voor iederen remplacant nog ééa dofi at te staan. Jacques en zijne lieden hadden vier en twintig uren doorgemarcheerd zonder gegeten te hebben. In een tembé, die zij passeerden, weigerde men levensmiddelen te verkoopeu, en dat niet alleen, maar men dreigde hen zelfs met oorlog.
Ofschoon we van morgen nogmaals eeue groote pori binnendringen, zien we een uur lang hier eu daar bebouwde velden. Van 8 tot 10 uren loopt onze weg door een bosch, nu en dan door vrij groote open vlakten afgebroken. Daarna trekken we een uur lang door eene fraaie streek met palmboomen en schoone boschjes. Eindelijk van 11 tot 12 uren ontmoeten we nogmaals een bosch, maar ditmaal van ongewoon groote, lommerrijke boomen.
We kampeeren om 12 uren op eene mooie plek. midden ineen palmbosc'n, bij een vrij groote rivier, die echter bijna droog is, doch ons toch nog genoeg water verschaft. Een zeer oude vijgeboom overlommert onze teut.
Terwijl Pater Gossean, nog zeer zwak, in de schaduw uit-rust, tracht ik onze askari's een handje te helpen in het opslaan der tent. Bij het ontrollen der tent word ik eensklaps een vlijmende pijn in mijn duim gewaar, zonder dat ik de oorzaak er van te weten kom. Onze lieden zeggen mij, dat liet waarschijnlijk een
170
scliorpioen geweest is. Eu werkelijk ! binnen eenige minuten voel ik eerst mijne hand en langzamerhand mijn arm verstijven. Pijn en verstijving bepaalden zich tot het schoudergewricht en de rechterzijde. Natuurlijk talmde ik niet duim en arm op twee plaatsen at te binden, de gestoken plek met een lancet te openen en de gemaakte wond met geest van ammoniac te cauteriseeren. Des avonds werd ik niets meer gewaar.
Schorpioenen (ângequot;) en vergiftige slangen (ânyokaquot;) zijn buitengewoon talrijk. Men zij er dus op bedacht, altijd bij zich te hebben wat men noolig heelt om schorpioenen- en slangenbeten te genezen: met een goed lancet, geest van ammoniac en helschen steen is men geholpen. Soms is er geen tijd te verliezen; want eenige soorten dier dieren kunnen een spoedigen dood veroorzaken. Ongelukkig was onze reisapotheek zeer gebrekkig ingericht; het ontbrak ons soms aan de meest onontbeerlijke geneesmiddelen en instrumenten.
In velband met de samenstelling eener reisapotheek, een woord over de âmedicine dosimétriquéquot;. Ik kan deze methode of dit systeem niet genoeg aanbevelen. Mijn gevoelen is dat er geen beter bestaat vooral voor den missionaris in Afrika, waar de blanke altijd bloot staat aan langdurige koortsen, leveikwalen, cephalee's, dyssenterie, enz., enz. Die methode verwezenlijkt inderdaad het bekende axioom van Celsus: âtuto, cito en jucunde eene ziekte behandelen.quot; Alvorens ik in 1888 naar Afrika vertrok, werd de nouveau mamiel de tnédecine dosimétriqué park Dr. Biirggraeve mij ter hand gesteld door dokter L. te H., een bejaard, zeer geleerd en ondervindingrijk geneesheer, die zelf langen tijd in onze Oost vertoeft heeft. Dit kleine boekje van 160 blz. bevat een schat van nuttige dingen ; het heeft mij veel geleerd, waarvoor ik den achtingsvvaardigen schenker recht dankbaar ben. Verkiest eeu toekomstig missionaris alle inlichtingen omtrent die geneesmethode, dan richte hij zich tot het Institut dosimétriqué, rue des francs-Bourgeois 54, Paris. Aan dit adres vrage hij ook de speciale prijscourant der geneesmiddelen de volgende allernuttigste werken van Dr. Burggraeve :
Manuel de Therapeutique dosimétriqué 4 fr. Manuel de pharmacodynamic dosimétriqué 3 fr. Manuel de la Ji'evre et de son traitement dosimétriqué 3 fr. Men heeft met die methode nog dit groote voordeel en gemak, dat men in een wel ingericht koffertje of kistje, b.v. van 50 centimeter lang en 25 breed en diep eene heele apotheek met zich voeren kan, wijl de energiekste geneesmiddelen tot granulen van een halt milligram, een milligram of een centigram gecondenseerd zijn.
Onnoodig acht ik het, eene opsomming te maken van de onmis-
171
baarste medicamenten, toch kan ik niet nalaten nog een enkele wenk dienaangaande te geven. Ontegensprekelijk is het dat de quinine in Afrika onontbeerlijk is, doch verre verkieselijk boven de gewone âSulfate de quinine,quot; zijn de dosimetrische preparaten : Arseniate de quinine, hydro-ferro-cyanate de quinine, cromhydrate de quinine, enz. Ook Arseniate en Sulfate de strychnine, aconitine, digitaline hyosciamine, acide arsenie, arseniate de cafeüne, de fer podophylin, enz. enz. kunnen niet gemist worden. Het spreekt wel van zelf, dat men met die medicamenten niet luchtig kan omspringen. Eene degelijke studie ervan is noodig. Ziedaar eene kleine digressie, die mogelijk den een ot anderen nuttig kan zijn.
Eenige onzer nieuwe dragers van Ikoengo hadden van morgen de plaat gepoetst. Ondanks de waakzaamheid onzer askari's hadden ze des nachts hunne doti's stof zien los te futselen van hun pak. Gelukkig ontbrak er geen enkele onzer lasten, kisten of pakken.
Terwijl ik in den namiddag den omtrek van ons kamp opnam, dacht ik op het gezicht dier prachtige palmboomen. âWat een mooie kerkkolommen in eene Missie-kapel!quot; Men onderscheidt vele soorten van palmboomen. Deze soort heeft dit eigen, dat de stam op de halve hoogte dikker is dan daaronder of daarboven. Als ik hier van palm spreek, dan denke men niet aan hetgeen men in Noord-Brabant palm heet. Het heeft er niets van. Hier heeft men met geen palmbosschen, maar met echte palmboomen te doen en bijgevolg ziet men hier palmtakken, zooals de schilders die in de hand eens martelaars voorstellen, welker takken veel overeenkomen met eene groote vogelveder.
Vermoedelijk hebben we vandaag niet alleen schorpioenen voor gezelschap, maar ook slangen. Des avonds sissen er verscheidene in den ouden boom waaronder onze tent staat. Het gelukt ons eene groote, dikke, mooi groene te dooden. Aan den voet van den boom ziet men meerdere gaten in den grond. Daar hebben ze hun nest. Men doet wijs met altijd goed op die verdachte gaten te letten eu ze goed dicht te laten stoppen.
Vandaag hebben we geen gebrek aan brandhout. We hebben dan ook van nacht vijt groote wachtvuren wier helder flikkerende vlammen een phanfastisch effect teweeg brengen en aan ons slapend kamp onder die donkere gewelven van majestueuse palmboomen een spookachtige tint geven.
20 Septemher, Dinsdag. Kamp No 51 Mwara; marsch van zes en een half uur; van half zes tot twaalf uren. Tot acht uren iiKireheeren we door eene treurige streek met doornige struiken, zeldzaam met eenige fatsoenlijke boomgroepen afgewisseld. Van acht tot tien uren hebben we aan onzen linkerkant steenachtige
172
heuvels. Oin half tieu Uoiuleu we halt bij een g-root onatzienbaar meer ot liever moeras. De oppervlakte is bedekt met witte eu blauwe waterbloemen en ontelbare wilde eenden, ganzen, sneppen, kraanvogels, ooievaars, ibisvogels, enz., bevolken dien waterplas, die midden in de pori ligt welke door geen mensch bewoond wordt. Ziedaar wezenlijk een staaltje van tropisclie vegetatie.
Men is genegen zich Afrika aldus voor te stellen, minstens eenderde gedeelte pori, een ander derde gedeelte met de prachtigste maagdelijke wonden bedekt en men moet liet wel gelooven een laatste derde gedeelte zandgrond (de Sahara), zoo leest men over Afrika. De werkelijkheid echter is heel wat minder. Op gezag der ontdekkingsreizigers wil ik gaarne aannemen dat men al dat natuurschoon langs de oevers van den Congo, van den Niger, van de Zambezi vindt, alsmede in Zuid- en West-Afrika enz., doch Duitsch- Oost-Afrika lijkt er niet op. Men kan het vergelijken niet een onmetelijke pori vol doornig struikgewas (alle soorten der accacia zijn er wel vertegenwoordigd, geloot ik) met hier en daar eene opene, soms bergachtige ruimte, die min ot meer bewoond en bebouwd is. Toch dien ik niet te vergeten, dat we nu in liet droge jaargetijde zijn. Gedurende de âmasikaquot; (regenseizoen) als alles groen is, moet het landschap vrij wat mooier zijn. Gedurig spreek ik van doornen en doornige struik- en boomgewassen.
In dit opzicht is onze karavanenweg wel de rechte weg des Hemels ; d. i. met doornen bezaaid en beplant.
Ook wat de bevolking betreft, is een oppervlakkige blik voldoende om niet meer aan de fabelachtige cijfers der honderden millioenen bewoners van Afrika te gelooven. De waarheid is, dat de bevolking van Duitsch-Oost-Afrika betrekkelijk zeer dun gezaaid is. Men zou eene kolossale streek behooren te nemen om 25,000 zielen bijeen te hebben. Als ik hier en daar van eene dichte bevolking spreek, dan moet men dit in betrekkelijken zin verstaan, b. v. eene oppervlakte van drie uur in het rond, met tien dorpjes of tembé's, elk van 500 zielen. Een voorbeeld. We marcheerden acht en dertig en een halt uur (in (j dagen) om de Mkonda-Mkali (liet Booze Woud) door te trekken en die onmetelijke wildernis is door geen enkele levende ziel bewoond. Op andere punten van Afrika is het echter anders gesteld, b. v. in de Nigerstreek-Ik wil maar zeggen, dat er menige illusie, die men lang van Afrika gekoesterd heeft, als sneeuw voor de zon verdwijnt, zoodra men de werkelijkheid voor zich ziet.
We marcheeren nog twee uur en kampeeren iu eene droge wator-looze wildernis zonder eenige schaduw. Door een misverstand der gidsen hebben we vandaag een zeer slecht kamp. De eene
173
wilde verdei- gaan, de andere beweerde, dat men bij het meer had moeten kampeeren en zoo wierp de eene de schuld op den anderen. Dat eindeloos gekibbel verveelde me in die mate, dat ik beval te kampeeren op de plaats, waar we ons bevonden en geen voet vooruit ot terug te gaan, al was dan ook het drinkwater op twee uur afstand; het was hunne schuld, ze hadden me moeten waarschuwen.
Jacques gaat in den namiddag jagen eu keert 's avonds terug, na, zooals hij zegt, veel buffels en zebra's gezien te hebben. We hadden veel liever gehad dat iiij een vette gazel meegebracht had: want de bufteljacht, nu ja, die is in lange niet pluis!
quot;' Sepfeinher, IVoemdag, Kamp Xo. 52 Si.mmo; marscli van vijt uien en drie kwartier, van vijt uren tot kwart voor elven. Het is wezenlijk een genoegen 's morgens vroeg op te trekken. De frissche, ki.ele morgenlucht doet u goed en men manclieert zonder hinder twee a drie uur achtereen. Grauwtje mag in dien tijd op zijn dood gemak langs den weg ontbijten: m. a. w. zich aan do schaar-sche gras- ot riethalmen te goed doen. Tot zeven imr loopt de weg door eene vrij groote zandvlakte. Om half acht trekken we langs eenige groepen kolossale rotsblokken. Op de platte oppervlakte van een dier monolythen koesteren wel honderd apen, zoo groot als honden, zich met hunne jongen in de morgenzon. De kans was te schoon. Ik pak een geweer en verdwijn in het struikgewas, ten einde een paar honderd passen dichter te kunnen naderen. Ondanks mijn behoedzaam voortschrijden hadden de guiten mij bemerkt. Toch vluchten ze nog niet, maar kruipen allen in een hoek van het rotsgevaarte bijeen, altijd in spanning het oog gelicht naar den «vitten man, die voor een aap even goed eene zeldzame verschijning is als voor een neger. Eindelijk ben ik naar schatting tot op eenige honderden meters genaderd (het Le Grasgeweer draagt op 1000 nieters). Het ware moeilijk geweest te missen. Pat, en onder een ijselijk gekrijscli dwarrelt de geheele tioep dooreen en tuimelt naar beneden ot springt naar omhoog. Een vroolijk bravogeroep steeg uit onze voorbijtrekkende karavaan op.
De streek wordt verder heuvelachtig en over den oneffen rots-achtigen bodem hebben wij een vermoeiend pad.
legen elt uur kampeeren we links van den weg in eene diepte onder lommerrijke boonien, in de nabijheid van een riviertje met goed water. Men zei ons, dat die rivier wat verder op bevolkt is met hypopotamen of rivierpaarden en dat de streek vol is van allerlei wilde dieren, o. a. everzwijnen en leeuwen. Waarschijnlijk verlokte een en ander Droeder Jean-Pierre in den namiddag tot eene jacht, doch het scheelde weinig of die jachtlust bezorgde ons
174
eeu groot ongeluk, zooals ik ga vertellen. Tegen hei vallen van den avond vroeg ik onzen keuken-jongen, Karei, waar de Broeder was. Ik was in de meening, dat hij onder de groote tent rust nam. Karei zei mij, dat de Broeder reeds sinds lang met zijn jachtgeweer vertrokken was. Het werd al donkerde en donkerder, en men zag maar geen Broeder afkomen, zoodat ik zeer ongerust begon te worden.
Behalve de veelvuldige gevaren (wilde dieren enz.) vreesde ik dat hij verdwaald zou zijn en het kamp niet terug zou kunnen vinden. Ten einde raad besloot ik mijn geweer af te schieten in de veronderstelling, dat de Broeder dan zou antwoorden, zoo zouden we dan de richting kennen, waar hij zich bevond. Aldus deed ik en onmiddellijk volgde er eeu geweerschot, doch juist in de richting tegenovergesteld aan die, waarin onze jager vertrokken was. Het was dus duidelijk, dat hij verdwaald was. Na eeu half uur wachtens nog geen Broeder.
Wat nu ? Nogmaals vuurde ik mijn geweer af, ditmaal drie patronen. Geen antwoord in de pori! Doch wel iu ons kamp, tot mijne groote ergernis ! Op het hooren van eeu geweerschot begon bij onze askari's (soldaten) het geweer in de handen te branden. Ze moesten ten minste de voldoening hebben eeu patroon te verschieten. ..fair parley la poudrvquot;, het kruit laten praten, zooals de negers schilderachtig zeggen. Krak ! daar breekt het los. Eerst een, twee, vijt, daarop een echt peletonvuur liet zou mij en mijne christenen weinig gebaat hebben te razen en te tieren, üe vlegels wisten wel, dat het in de duisternis moeilijk was de schuldigen te vinden. Doch wacht maar : morgen zal ik het, bij het nazien van de patronen wel te weten komen, eu tot straf zal ik hun rantsoen (posho) inhouden. Ze vermoeden niet, dat onze voorraad ammunitie zoo gering is. Zoo zijn de negers. Het grootste, verhevenste genot voor een neger bestaat iu liet bezit van een geweer en daarbij zooveel kruit en lood ot patronen mogelijk.
Waar was intussclien Broeder Jean-Pierre. De donkere pori had de tweede maal geen antwoord gegeven. Tien askari's vertrokken in de richting van het eerste geweerschot. Aan dien kant loopt op vijf minuten afstand het pad, waar we dien morgen langs gekomen waren. Ik gaf hun last eerst dat pad te volgen en dan in de pori links at te slaan. Ik beval hun ook onder het voortgaan dikwijls te roepen en veel gerucht te maken, maar verbood hun ten strengste te schieten.
Goddank ! Een half uur later keerden de soldaten triomfantelijk terug met den verloren Broeder in hun midden. Wat een vreugde!
Ze hadden hem op het karavanenpad ingehaald. De arme was glad verkeerd geloopen en zou al verder en verder de pori in gedwaald zijn. Hoe morgen de richting te kennen? Waarheen zich te wenden, alléén? Wat gevaren daarenboven en de honger en de dorst ! Er is immers niets in die wildernis te vinden. Verschrikkelijke gedachte! Maar hoe was dat gekomen?
Daar hij te laat aan terugkeeren had gedacht, had hij ons kamp niet terng kunnen vinden. Wel branden er in het kamp altijd vuren en is er veel leven, doch ons kamp lag vandaag in een diepte. Ten ftinde raad had hij zoo goed mogelijk zijne voorzorgen tegen den nacht genomen. Eenige dorre hoornen had hij in brand gestoken en een boom uitgekozen om den nacht daarin door te brengen. Ongelukkig had hij nog maar één patroon en daarmede geantwoord op mijn eerste schot. Hij kende dus de richting naai ons kamp, doch daarmede was h\j niet gered, want geen weg ot pad is in de duisternis te vindon, ieder oogenblik komt een boom of^ een boschjc den weg versperren, zoodat men in eene minuut de richting verloren heeft. De geweersalvo's waren nauwelijks tot zijn oor doorgedrongen, maar toch was hij toen op goed geluk at op \\tg gegaan en Onze Lieve Heer beschikte, dat onze soldaten hem inhaalden. Gemakkelijk zal men beseffen hoe ongerust ik was. Want daarbij, ik vreesde het ergste voor Pater Gosseau, die nog niet volKomen hersteld, altijd nog aan ijlkoortsen lijdende was. Ik was wezenlijk bang, dat de arme confrater er volkomen zinneloos van zou geworden zijn.
Op slot van rekening liep alles nog goed af, doch die onvoorzichtigheid had gevolgen kunnen hebben, waaraan men niet. zonder huivering kan denken. De hongerdood in eene pori, of sterven in de klauwen van een verscheurend dier. Eene les voor allen, die in karavaan reizen. Vaste regel : nooit, noch op marsch, noch in iiet kamp zich zoover verwijderen, dat men uit liet oog is. Do gevaren nog daar gelaten, is het uiterst gemakkelijk te verdwalen. Vooral nooit alleen en ongewapend. Dit is zelfs een vaste regel in de missieposten, zich altijd door iemand (een christen) te doen vergezellen en minstens één geweer bij zich te hebben als men zich van den Post verwijdert.
22 September, Donderdag. Kajip No. 5, Maxa Tombolo. Vier uur marsch van kwart over vieren tot kwart over achten.
^ e rukken vroeg uit, hoogst tevreden vandaag den laatsten vijfdaagschen pori te verlaten. \\ e bemerken dat veel boomen reeds bladeren begonnen te krijgen. De winter, (herfst tegelijk) is aanstaande en daarmee het regenseizoen. Het -is juist iu de Europeesche wintermaanden, dat hier de natuur herleeft, en die
176
akelige grijze verdorde pori's in heerlijk groene varanda's veranderen.
Het laatste lialtuur bevinden we ons reeds in eene bebouwde vlakte, dit is voor ons een bewijs, dat er negerdorpen in de nabijheid zijn. O in kwart over achten bereiken we inderdaad het eerste dorp Mana-Tombolo geheeten. Ds geheels bevolking komt naar bniten gestroomd om het dehleeien van onze karavaan te zien.
Vlak achter de tembee legeren wij onder een schaduwrijken boom, den eenigen, dien het oog ontwaart. De streek schijnt goed bevolkt en vruchtbaar te zijn. Overal in de vlakte groote kudden schapen en geiten. De dorpen hebben den vorm van vierkante teinbee's, doch ze hebben dit eigenaardigs, dat ze aan den buitenkant voorzien zijn van eene overdekte galerij of veranda. In net land heeft er oorlog geheerscht, want rondom het dorp ziet men tal van doodshootden aan staken gestoken. Eveneens ondekt men hier en daar kleine ronde luitjes ol' huisjes van stroo, een meter hoog. Waartoe mogen die wel dienen ? We vernamen dat die miniatuurhutten de woningen zijn van de inzimoe s ot geesten (eigenlijk de schimmen der voorouders). De Wanyamoezi s zijn buitengewoon bijgeloovig. Om op het oogenblik maar iets te noemen. Dezer dagen hebben we nieuwe maan. Algemeen lawaai, gezang eu dans des avonds zoo gauw als de flauwe schaduw aan den horizon verschijnt. Natuurlijk wordt geluk ot ongeluk b.v. mislukken van den oogst aan den invloed van de maan toegeschreven ; door de boven vermelde manifestatie wil men daarom dan ook de nachtvorstin gunstig stemmen.
Zooals ik reeds meermalen zeide, wekken alle voorwerpen van de Blanke en alles, wat deze doet of laat, de verwondering onzer negers op. Vandaag, b.v. zien /.ij mij schrijven. Het zon radicaal onmogelijk zijn aan onze zwarten een juist begrip te geven van die manoeuvre, van dat gekrabbel met een stukje hout, waaraan een klein stukje bati (blik, tin, tuz. bati beteekent dat alles) bevestigd is, op een kitambala (stuk) papula (papier.)
Pleizier hebbend in hunne potsierlijke toon van spreken, open ik mijn horloge en houd dit aan hun oor. Ze meenen bepaald dat er een klein dier inzit of een mzimoe (geest) van Oelaga (Europa.)
Als naar gewoonte komt de sultan of het dorpshoofd ons in liet kamp eene visite brengen. Wat eene eerbiedwaardige lignnr is die grijsaard! Eene prachtige tijgerhuid vervangt zijn vorstelijken mantel. Een vreemd gezicht heeft hij doordien zijn baard en zijn haar wit zijn. Vooral aan den neger geeft dat iets echt patriarchaals. Tien negers, allen bijna even oud en eerbiedwaardig, vormen zijn stoet. De lieden waarschuwen ons voor nachtelijke die-
177
ven, waarschijnlijk uit vrees, dat we lieu \ er;intwoordelijk zouden stellen in geval er iets verdween. In ieder geval laat ik uit voorzorg meerdere wachtvuren aanleggen eu de wacht verdubbelen, lüpamila en Kitevo houden daarenboven een speech en verbieden aan onze lieden des nachts uit het kamp te gaan zonder de askari's te verwittigen.
We zijn hier 1300 meter boven de oppervlakte der zee. Des morgens is het nog al frisch. Nu dat mag ook wel want het seizoen, dat men in Midden-Atrika winter noemt, is in aantocht. De vorige dagen viel er een weinig regen. Gelukkig naderen we Boekoembi.
September, 1 rijdag. Kamp No. 54, Saxihtisi. Vier uur marsch, van kwart over vijven tot kwart over negenen. Een onzer aangeworven dragers van Ikoengoe beproefde van morgen de plaat te poetsen, wel is waar, niet achterlating van zijn last. doch zonder zijn draagloon te vergeten. Hij werd echter door eenige dorpelingen aangehouden, die wel zoo eerlijk waren, zijn nog onverdiend katoen terug te brengen.
Na nog een halt uur in de bebouwde open vlakte gemarcheerd te hebben, trekken wij nogmaals door een bosch tot ruim acht uur, als wanneer wij de vlakte van Sanguisi bereiken. We passeeren de eerste tembee's (ihara's, d. i. dorpen van den tweeden rang) eu kampeeren om ruim negen uren vlak bij de bouia (omheining) van het hoofddorp (Ikoeroe) onder eenige kleine, doch lommerrijke boompjes, eene soort noteboomen. Overal op onzen doortocht komt de bevolking, vrouwen en kinderen naar buiten gestroomd, teumiuste als onze karavaan op eeuigen atstand passeert, want loopt het pad rakelings langs eene tembee, dan gaat de troep op de vlucht, vooral bij het naderen van den ezel met zijn witten berijder, eu als zij onze askari's in het oog krijgen maken zij zich ook uit de voeten. Ik laat de stapels lasten ditmaal dicht bijeenplaatsen, wijl we wel wat te dicht bij het dorp gelegerd zijn.
Toch toont de bevolking zich zeer sympathiek, bijna gemeenzaam, veelmeer dan gisteren. Maar ik geloof dat die quasi gemeenziiainheid een anderen grond heeft. Alen bemerkt namelijk, dat de vrouwen lang zoo zedig en terughoudend niet zijn als elders.
Het schijnt hier do gewoonte te zijn de voorbij trekkende vreemdelingen, vooral de blanken, door eene soort dans of grimassen, (meu weet niet hoe men het noemen moet) te verwelkomen eu hun daarmede eer te bewijzen. Spoedig na onze aankomst kwam zulk een troep op ons afgezet. Onnoodig te zeggen, dat ik de dames zonder veel komplimenten deed begrijpen, dat wij padri (paters) van zulke hoffelijkheden niet gediend waren. Men begrijpt dat ontdekkingsreizigers, ofiiciereu en andere beambten, Engelschen, Duitschers of welke ook, daar pleizier in kunnen hebben.
178
De streek sclüjnt zeev vrnclitbaav. Er is hier een kolossale voorraad leveusniicldeleii van allerlei aard, zelts ])onibee biedt men te koop aan en dit gebeurt niet veel. Die soort rijkdom verklaart grootendeels het bovenvermeld verschilnsel, want men constateert overal, dat het zedelijk gehalte der negers in proportie daar het diepst gedaald is, waar zij van levensmiddelen en vee het rijkst voorzien zijn. Zijn de Aveeltle en ne overdaad oveiigens in Europa zelt niet een bron van onzedelijkheid en verlaging ?
Bij onze aanknmst was de sultan van Sanguisi afwezig. Zijne Majesteit was, naar men zc.l. op jacht. Eerst laat kwam hij zijn visite de règle bij ons maken, en, wat onafscheidelijk daarmede verbonden is. ons zijn geschenk aanbieden, i'it bestond in een schoon vet schaap, een gi-ooten kort sorgho-meel, eieren en kippen; van onzen kant werd bet door een evenredig tegengeschenk beantwoord. lgt;c diet zag er â¢ongegeneerd uit en leek een echte pombeedrinker en pleiziermaker: Zoo vor':t, zoo volk.
Men schijnt hier bijzonder van lawaai, muziek en zang te houden. Des avonds kwam men ons vragen of het aan de jeugd geoorlootd was. het traditioncele dans- en eereipel te houden. Na ous vergewist te hebben van deszelfs gehalte, en verorderd te hebben op een eerbiedigen afstand van ons kamp te blijven, werd dit toegestaan. Anders ware het ons onino;.'- -lijk geweest onze dragers te beletten in het dorp die voorstellingen bij te gaan wonen, en â .lit zou aanleiding gegeven hebben tot desertie, dieistai, vechtpartijen enz.
Er waren hier, naar ik zei, levensmiddelen in overvloed, doch onder het opzicht van kleeding n. 1. linnen ot katoenen stoffen, leek de bevolking tsn achter. Vele onzer dragers wisselden hunue oude vodden om tegen allerlei mondvoorraad van wel driedubbele waarde, ca tooiden zich met hnnne nieuwe Ideederen, die zij van de kust meegebracht, otwel als draagloon reeds verdiend hadden.
Men meene niet dat de mode in Afrika onbekend is, ot dat zij hier niet zoo grillig en atwisseleiul is als in Europa. Hier \ ooi al ware eene aardige studie te maken van de verschillende sieraden en toiletartikelen. Zoowel mannen als vrouwen dragen soms menig kilo roode of gele ringen van koperdraad om enkels en polsen. De mooie tonkeluiemve pesa stukken (twee en een halve centstuk) worden doorboord en in het haar geknoopt, ofwel aan een snoer als halssieraad gedragen, van haartooi bijzoneer worot veel werk gemaakt. Onze zwarte kappers besteden soms dr/'t dagen om een voornaam personage op te knappen. Ot onze moïegekken ooiv geduld hebben. Alle soorten snuisterijen worden in liet zwarte kroeshaar gedragen, als daar zijn: kleine koperen balletjes, stukjes ivoor, schelpen, enz, Arme ooren! Zo worden geklooid cn de oorlel wordt dooi het
179
gewicht van koperen ringen of van andere voorwerpen zoo uitge-gerekt, dat ze eer, palm lang afhangt.
Pater Gosseau, nog' zeer zwak en lijdend aan de gevolgen van zijii zwaren koortsaanval, wordt dagelijks uog i» ewgt; hangmat gedragen eu kan zich nog met niets, wat de karavaan aangaat, bemoeien. Toch is de slaap beter en zijn de nachten rustiger.
i-4- Septemley, Zaterdag. Kami' No. 55, Mv.wva. Feestdag van O. L Vr. ter Slaven, drie en een half uur nnrscli. van kwart over vijven tot kwart voor negen. Men weet dat er in de Middeleeuwen, naar aaüleiding eener vi-rscbijning der H. Maagd, eene Orde ontstond., genaamd die van O. I.. Vrouw tot loskooping der Slaven, In den loop dar eeuwea werden houderddnizcnden slaven bevrr'd vau het juk der Muxclmanneu van Xoord-Afrika en werden er miiliardeu ais losprijs besteed. If.-t feest va;i heden is dus wel een feest, dat ons, missionarissen der slaven, met bijzondere devotie moet vervullen. Moge de 11. Maagd ook ons steunen eu zegenen in dat apostolaat, dat in Gods oogen bij uitstek schoon moet wezen, daar .lezns Christus sti'ir. al-; teekcn Zijner zending en dus ook der onze âpauperes evangeiizanderquot;' d. i, don armen wordt het Evangelie verkondigd.
De sultan kwam van morgen nog eens kijken, terwijl we druk aan het verhuizen waren. Drie kwartier trekken we door eene bebouwde streek, daarna anderhalf uur door een boseh of pori, en eindelijk, insgelijks anderhalf uur lang door eene groote bebouwde vlakte. Altijd hetzelfde liedje. Men kan Oost-Midden-Afrika, en naar ik hoor en lees, is het elders ook zoo, vergelijken bij één onmetelijke pori of wildernis, waarin men hier en daar eenige opene, bebouwde en bewoonde vlakten ..clairièresquot; aantreft. Neem een zwart schoolbord van een meter in het vierkant en teeken er met krijt een honderdtal kringetjes op ter grootte van een rijksdaalder en ge hebt een vrij juist beeld van dat gedeelte van Afrika.
De streek is min of meer heuvelachtig, hier en daar ziet men geïsoleerde rotsblokken zich verheffen. Vele tembee's zien wij links en rechts van onzen weg; we passeeren er eenige alvorens de Ikoeroe of' het hoofddorp te bereiken. We kampeeren onder een majestueuzen boabab tusschen de Ikoeroe en een der aanzienlijkste dorpen van den tweeden rang (ihara), op gelijken afstand (200 meter) van beide. Deze geheele streek is afhankelijk van den machtigen sultan van Oesongo, Een zijner vrouwen komt ons eene visite brengen en een zijner zoons, die chef van het hoofddorp is, stuurt ons eene deputatie, om ons een geschenk aan te bieden.
\ oor den eersten keer zagen we bier kudden hoornvee, prachtige ossen, weinig koeien en eveneens lieele troepen ezels, de zooge-
180
naamde Wanyamoeëzi-ezels. Ze loopen rond in het vrije veld en zijn bijna wild. Volgens ons oordeel zijn ze verkieslijk boven de te hoog geroemde ezels van Maskate, die men te Zanzibar zeer duur betaalt. Doch het heet oppassen op reis, want ze hebben kuren en zijn bijna ontembaar.
Naar gewoonte hebben we van avond weer het gewone muziekkorps te ... . snpporteeren. Elk der naburige dorpen heeft eene deputatie zangeressen atgezonden.
Voor de eerste maal waren we van morgen getuigen en tevens het voorwerp van eene manier van welkom heeten, die we later nog meer zouden aantreffen. Ze bewijst alweder het vertrouwen der bevolking in de tegenwoordigheid der Blanken. Bij het voorbijtrekken eener karavaan komen de vrouwen naar buiten gestroomd on laten onder een moeilijk te beschrijven handenbeweging een schril geluid hooren, dat door de tong voortgebracht wordt en wel wat gelijkt op het geklok eener broeihen, doch hooger gestemd is, (pardon voor de plastische vergelijking).
De streek is zeer vlak en zeer arm aan houtgewas. We vinden niet genoeg brandhout voor onze wachtvuren en verdubbelen daarom onze wachten.
25 September, Zondag. Kamp No. 56, Ohsongo ; vier en een halt uur marsch, van kwart voor zessen tot kwart over tienen.
Vandaag heb ik nogmaals het zoete geluk mijne H. Mis te lezen ; op reis naar de binnenlanden kan men zelden de H. Geheimen opdragen. De reiskapel wordt in gereedheid gebracht en in vijt minuten is alles klaar. Wat een verschil met de prachtige, marmeren altaren, schitterend van goud, zilver en bloemen in het Katholieke Europa!
Lezer ot Lezeres, weet ge wel, wat een reisaltaar is ? Stel u voor : een houten, wel voorzien en goed gesloten koffertje, zeventig c.M. lang, zestig c.M. breed en veertig c.M. hoog. Dit wordt in het midden opengeslagen en vormt dan twee helften, de bovenste blijtt overeind staan; hierin is juist plaats voor twee stel misgewaden of liever voor vier n. 1. zwart-violet, rood-wit. In de onderste heltt vindt alles, wat voor het H. Sacrificie noodig is, zijne plaats. Aldus opengeslagen wordt de kapel op eene tafel geplaatst, de plank, waarin de altaarsteen bevestigd en die in drieën gevouwen is, uitgelegd, daarna wordt het altaarlinnen uitgespreid, kruis en kandelaars er boven op gezet, enz. Zoo leest de missionaris mis op zijne reizen, doch de devotie is er niet minder om, integendeel !
Drie kwartier marcheeren we nog in de vlakte van Nyawa, daarop twee en een half uur pori, totdat we de uitgestrekte vlakte van Oesongo vóór ons hebben. Voor dat wij de Ikoeroe ot het
281
hoofddorp bereikten, maakten mijne askari's mij opmerkzaam op eene groote, strooien barak, rechts tegenover het dorp gelegen. Ze voegden er bij, dat liet de woning en het depot van den Mzoengoe (Blanke), Stokesi, was en dat zijn nyampara er vertoefde. Eenige minuten later kwam er inderdaad een soort wangwana op ons afzetten met een soort bevel om met heel onze karavaan langs de barak te trekken. Ik vond dat vrij zonderling, daarbij, bestond er geen weg of pad en de bewuste plaats lag geheel buiten onze richting'. Ik beval dus door te mareheeren. Jawel, aan de hoofdstad gekomen, stond een oude mij op te wachten: met veel gebaren wees hij de plaats aan, waar de karavanen gewoonlijk kampeeren. Wat zou men toch voor hebben? Zoo iets was ons nog nooit gebeurd. Het beviel mij maar halt. Voorwaarts, marsch ! en we trokken een kwartier verder om bij twee andere, groote dorpen te kanipeeren.
Alles was in ons kamp in orde en reeds in diepe rust en we waren juist bezig ons soher middagmaal te verorberen, (ook Pater (rosseau, die vandaag veel beter was), toen een Europeaan, als uit de lucht gevallen, ons kwam verrassen. De barak van Stokes herbergde, dit wisten wij niet, niet één maar zelfs twee Europeanen. Deze mijnheer, blijkbaar een Engelschman, sprak slecht Fransch, zijne visite voldeed ons slecht. Het was niet die gulle openhartigheid, die onder de Blanken heerscht, (of althans diende te heer-schen) wanneer zij elkander in deze landen ontmoeten. We kregen den indruk, dat het heerschap kwam met het bepaald doel ons te interviewen en alles uit te vorschen, zonder zelt iets uit te laten. Het spreekt van zelt, dat we zeer gereserveerd waren, te meer wijl we niet wisten, met wien we te doen hadden. Naar zijn zeggen, hadden ze aldaar in depót een boot, (pasklaar en in stukkeu uit Engeland overgebracht) en wachtten ze op dragers om die naar Nassa aan het Nyanza-meer te vervoeren. Was het een boot voor Stokes, of voor de Protestantsche zendelingen van Oeganda Het laatste kwam ons als het waarschijnlijkste voor, wijl Stokes voor zijn handel op het meei al een boot bezit. Dus waren die twee heeren mogelijk zendelingen, eene reden te over om ons niet te verpraten, vooral om de toenmalige kritieke gebeurtenissen van Oeganda. Mijnheer N. vertrok zonder ons terug te inviteeren.
Niettemin oordeelden ivij dat de meest alledaagsche beleefdheid vorderde een tegen-visite te maken. In den namiddag dus liet ik mijn Maskater zadelen en trok er op af. Mijnheer N. en mijnheer Stairs, een Schotsch ingenieur, behagelijk onder de veranda gezeten, verroerden zich niet (mogelijk Engelsch gebruik!) en, ofschoon er âboysquot; genoeg aanwezig waren, zonden zij niemand 0111 mijn ezel
182
over te nemen en vast te binden. Ik daclit âik zal liier niet lang vertoeven.quot; De agent van Stokes, even practisch als zijn patroon, begon aanstonds me met een paai* commissies te belasten, o. a. een zieken soldaat der expeditie van Graat von Sc'nweinitz naar Boekombi mede te nemen. Niets werd er geoffreerd, ofschoon wij mijnheer N. liet beste voorgezet hadden, dat wij bezaten. Doch ik vergat, dat ik misschien leden van 'net Matigheidsgenootschap voor me had, ot minstens van het Gezuiverde Evangelie! Terwijl ik er was, kwam Matindzja, de sultan van Oesong'o. Thans nu het eeue zwarte majesteit gold, bogen de heeren als knipmessen, en gaven handdrukken, â com me il taut!'' Een mooie zetel werd er gauw voor dsn dag- g haald en de âboysquot; liepen nu elkaar bijna overhoop om den hoogen bezoeker sanzo's met puiks pombee aan te bieden. Ik begreep dat mijne visite, ten einde was. De agent van Stokas en ook de Sultan beloofden mij behulpzaam te zijn in het aanwerven van de honderd nieuwe dragers, die we noodig hadden. Dat was mij het voornaamste. Wat dunkt ü, Lezer ? Echte ..gentlemenquot; vindt U niet ? Met eene attentie die alle grenzen der delicatesse overschreed, had Mijnheer N. in ons kamp alles opgenomen, o. a. onze geweren (sic!) Ze wachtten zich wel, mij het minste stukje of onderdeel hunner âbootquot; te laten zien. Doch, meer dan genoeg over deze visite.
Ik sprak van de âbarakquot; van Stokes, doch zijn depot is van nabij gezien, meer dan dat. liet is een gebouw, zooais de Europeanen, de Engelschen in het bijzonder, buiiwen, met dit verschil, dat zij strooien daken en bepleisterde wanden verkiezen, terwijl andere bijv. wij, tembee's bouwen met platte daken en muren van in de zon gebakken steen ; onze huizingen zijn solieder, duurzamer en minder aan brandgevaar blootgesteld. Stokes heeft, naar men ons zeide te Oesongo, op eenige uren van daar gelegen, nog een ander huis, veel mooier dan dit, daar woont madame Stokes, geeue Engelsche, maar eene echte negerin.
In het terugkeeren ware ik zeker verdoold en had ik ons kamp onmogelijk teruggevonden, indien ik den zoon van den sultan den chef van het dorp niet ontmoet had, in welks nabijheid ons kamp gelegen was. Al die kronkelpaden doen u 'net spoor bijster worden, daarbij is de streek min of meer heuvelachtig. De prins, waarvan ik sprak, beweert in Oeganda gedoopt te zijn en Jan te heeten. In elk geval was hij uiterst charmant. Hij kon vrij goed Doeganda lezen. Was hij nu katholiek? Dit punt bleef ons duister. Een rozenkrans, schapelier of medalje kon hij niet vertoonen ; al zeer verdacht, want daardoor onderscheiden de Katholieken zich van de Protestanten. Toch vroeg hij om prentjes; dit bewees
i 8;J
echter niets, want ouk de Protestantsche zeiideliiigen ziou daar geene afgoderij in. Waarscliijnlijk was hij dus een adept der Anglikaaiische zendelingen oi een bekeerling van Stokes, die naar men weet, voeger zelt zendeling was (o. a. te Oejoei), doch later groothandelaar en karavanen-voerder werd, wat in elk geval meer pd. sr. oplevert.
De ruim honderd dragers, te Ikoengoe aangeworven, keerden van morgen, na hnnne aankomst in het kamp, dadelijk terug, liiene heele karwei om morgen honderd andere te vinden. Wij rekenen op de toezegging van Matindzja, overigens is het hier het land van pagazeeren (dragers aanwerven).
\ an avond hadden wij in ons kamp eene vermakelijke scène. Jhie askari's zijn sedert ons vertrek uit üagamoye belast niet de verzorging onzer langooren. Hun baantje is lang niet het aauge-naamste. \ ooreérst trekken die beesten alle mogelijke touwen stuk en vervolgens vindt men iii dc meeste kampplaatsen geen boom of struik om ze des i;aclits vast te binden. Dan slaan onze drie zonen van .Uars w- l -'.lUen b:t;ua een ei diep in den grond,
doch een paar rukken zijn voldoende en langoor is los. Bedaard zaten iinzr n \â â ,idom liunne oegaliketels te keuvelen, tiü-fi Pii-ic di je snaken het opeens in het hootd kregen eene echte ezelsgi-ap uit te halen. Als bezetenen holden ze rond en in een paar rainnhiii gingen bijna alk: ketels overhoop. Jlenige zwarte rolde zelfs overhoop en bekwam een blauwtje. Wat een lawaai ! Wat een geroep van ; âiesh ! icsh !quot; Een halt uur later was het kamp nog niet tot rust. liin de kostelijke avondspijs ! Naar de maan. A c] kiegen d' 'iiie deugnieten eene geduchte aframmeling, doch een ezelshuid sjidc met .'iile kiinppels. Xa de atstrafling hieven ze Zi-lis een zegelied u.'üi, als om den spot te drijven met onze arme Wasekoema's.
Een ezel ia wezenlijk tot alles in staat. Een goeden raad nu aan coniraleis, dK' na ons zullen komen, dat zij zorgdragen om voor hunne ezels geen tonwen (welke ook) mede te nemen, maar stevige kettingen.
Van Moehala af (8 Sept.) tot hier marcheerden we 751/s nur, en van Uagamoyo af 257 uren in liet geheel. We bevinden ons nu l.'MO nieter boven de oppervlakte der zee, het hoogste punt dat we bereiken. Van nu af dalen we 1240 meter (Hoekoeinbi).
Svplciiibci'. Jiii'in iag, iv \.Mi' .No. .»7 Xi;i)!'.i:oi: : marsch van twee UiM-n ; van halt a.:!it tot licalt tien. liij troej'jes komen de lui atgezet om tot liasian te. ,,goniboze'' (de vertrokken dragers te vervangen.) Ai.s altiüi is het loven en bieden. Een koop, een verkoop, een verdrag, ut wat ook van dien aard vordert bij de negers
181
tijd, veel tijd, veel maueno's (praatjes.) Ze verlangen twee doti's (8 nieter stot), in plaats van één doti en een oepande (G meter), het gewone draagtarief tot Massari. Een neger overvraagt altijd, soms nog erger dan de joden. Eindelijk komen ze toch tot rede. Buiten onze verwachting is het grootste aantal dragers in een paar uur reeds gevonden en om halt acht breken we op. Jacques en Hamsin blijven niet een tiental askari's achter om de laatste dragers op te snorren, want eei; aardig getal lasten blijft er nog achter en we willen tot eiken prijs verder, want Oesongo biedt ons weinig aantrekkelijkheid.
Anderhalf uur lang bevinden we ons nog in bewoond en bebouwd land. We passeeren menige tembee. De lieden zijn zeer vriendelijk. Velen komen me de hand drukken, men wijst ons den weg, men vergezelt ons een eind weegs, enz. Het laatste halt uur trekken wij eene hooge, zandige vlakte door, met kreupelhout bezet: van dit punt ziet men duidelijk de bergen van Massari. Algemeene vreugde der Wasekoema's op dit gezichf en algemeen geroep van: âlete Massari, lete Massari!quot; (letterlijk: âbreng Massari!quot; m. a. w. âkom nabij, Massari!quot;)
We kampeeren op honderd meter atstands van eene tembee op een afgeoogst veld onder den eenigsten boom, die er in het rond te bespeuren is. Nauwelijks zijn we aangekomen, of we ontvangen reeds een eerst bezoek van den chef van het dorp, een jonginensch van 18 ot 20 jaar. Hij is omstuwd door eeu stoet van venerable ouderlingen. In den namiddag keert Zijne Majesteit terug met een zeer fraai geschenk, n. 1. twee vette geiten, tien kippen en twee en dertig eieren. De jonge chef is wezenlijk charmant en al zijne lieden eveneens, vooral zijn eerste minister, die zelt in het dorp lieden opzoekt en met dezen Oesong gaat om onze overblijvende lasten te halen. We geven dan ook een fraai tegengeschenk, wijl die brave lieden ons werkelijk een grooten dienst bewijzen, want we waren niet zonder zorg, om dien dag ot ten minste des anderen daags een voldoend aantal dragers tot Massari te vinden. Om elf uur was alles lang nog niet aangekomen. Van uur tot uur komt er een askari (soldaat) aan, met acht ot tien dragers. Bij het vallen van den avond ontbreken er nog vier en twintig lasten. Vijftien askari's keeren terug om des noods dragersdienst te verrichten. Eindelijk arriveeren des avonds om acht uren Jacques en Hamsin met dc laatste misigo's (lasten). Werkelijk een kunststuk, in één dag te Oesongo ruim honderd dragers te vinden. Ik geloof dat weinig karavanen er in slagen zullen.
Dien avond was er weinig vooruitzicht, dat we des anderendaags onzen tocht voort zouden zetten. Alles was dien dag op zoo eene
185
ongewone wijze in zijn werk gegaan, dat velen, vooral de askari's zeer vermoeid waren ; daarbij was liet te voorzien, dat de nieuwe dragers weinig zin zouden gevoelen reeds den dag er op een grooten inarscli, nog wel eeu tirekesa (dubbelen marsch), te aanvaarden ; enfin, allen rekenden op een rustdag.
Pater Grosseau, die nog altijd in de hangmat gedragen wordt, herstelt langzaam aan, maar weet nog niet recht juist, wat er om hem henen voorvalt.
2/ Septmnber. Kamp No. 58, Mtoxi, (= nabij de rivier), Tirekesa. â Marsch van omtrent twaalf uur! â Geen lust tot vertrek, niemand in het kamp verroert zich, en het gewone uur van opbreken verstrijkt natuurlijk. De nyampara's houden raad en komen me daarna hunne mooie voorstellen doen. Men moest dien morgen maar een uur ot wat marcheeren, dan uitrusten en den volgenden dag eene tirekesa doen. Ik weet niet waarom, maar we gevoelden ons toch te dicht by Oesongo, bij die Engelschen. Ik beloofde aan onze luidjes noch rust, noch tirekesa, maar begon met zelt onze tent omver te halen : de askari's verschenen niet, zoo lang de negers de tent der Wazoengoe's nog evereind zien, komt er geen beweging in het kamp. Nu zagen ze dat het op marcheeren zou aankomen, en zachtjes aan maakten allen zich reisvaardig.
Anderhalf uur, van kwart over zevenen tot kwart voor negenen, trokken wij over eene zandige hoogvlakte. Verbeeldt u, Kitevo, die altijd aan het hoofd der karavanen optrekt en mij steeds vergezelt, vroeg na een halt uur reeds om te kampeeren, we waren juist op eene plaats, waar water was en eenige bananenstrniken groeiden. âO neen, goede vriend,quot; antwoordde ik âdat in geen geval! dan hadden we wel te Ngoeroe kunnen blijven.quot; âMaar,quot; zeide hij, âwij gaan eene pori in, en daar is geen water. Het eerste was waar, eene pori wachtte ons, doch geen water, dat was eene list, want anderhalf uui later vonden we overvloedig water. De kerels wilden dicht bij Ngoeroe blijven om daar dan weer heen te kunnen gaan ten einde zich nog eens ter deeg aan vleesch en pombee te kunnen vergasten. De lieden van Ngoeroe waren zoo gastvrij ! âEn avant dus, saffari, toeta ona. ' Om kwart voor negenen daalden we af in eene ondiepe vallei, door een riviertje doorsneden, dat wel droog was, maar waarin we toch, dicht bij eenige heerlijke lommerrijke boomen in eene diepte, eene vrij groote waterplas vonden. Op eens kreeg ik het idee, dien dag eenen grooten marsch of tirekesa te maken. Dit woord op een beslisten toon tot de voorste dragers gericht, plantte zich langs de geheele rij voort. Dit voorstel had eene uitwerking, die ik juist niet verwachtte.
WÃmmamammmmsi BansaaBUH|_aBHBaHaHBaHBaHaiHHBaBaaB
186
_______
Niemand pruttelde tegen. Toch zal menigeen wel gemord hebben âde Bvvana is gek. Eene formidabele tirekesa in plaats van een rustdag!quot; âZiedaar water,quot; zei ik, âop uw doode gemak stookt ge uwe ketels op ; morgen zijn we in Massari; ziet naar die bergen daar ginds ; daar is uw werk afgeloopen ; morgen keert ge in uwe liaarsteden terug.quot; Een soldaat werd bij den waterplas geposteerd om te beletten dat de eerstkomenden liet water modderig zouden maken. De negers ontstaken hunne vuren en wij zeiven vlijden ons in de frissche schaduw neer, in afwachting dat Charles een vette kip voor ons gebraden zou hebben.
Om kwart voor twaalven signaal tot vertrek. Algemeen enthousiasme was er onder onze dragers. Zoo zijn ze ! Groote kinderen. Men doet er mee wat men wil. Het is schromelijk heet, en geen wonder ook, want het is vlak midden op den dag. Sedert wij de vreeselljke pori van Abtjonya achter den rug hebben, hadden we zulk eene hitte niet gehad. Om twee uur halt tot kwart voor drieën. Het duurde wel twintig minnten eer de staart der karavaan liet hoofd bereikt had. Vooral onze nieuwe dragers hadden het hard te verantwoorden. Eu dan de dorst! Ik weet niet wat ik wel zou gegeven hebben voor een glas frisch water. Onze veldtlesch met kotHe was al lang ledig. Patientie tot van avond. We zullen immers bij Abtoni, niet ver van eene rivier, legeren. De inisigo's of de lasten maar weer op de schouders en allen moed en kracht bijeengeraapt. De pori leek wel iets op de woestijn van Arable. Men zag er geen einde aan. lüjna vlak, bij tnsschenpoozeu met doornachtig schaarhout bezet, was de bodem zwart en zeer opengescheurd tengevolge der grasbranden, die elk, jaar alle porl's reinigen. Dikwijls was ik verplicht af te stijgen en te voet te gaan. Mijn ezel struikelt nog al eens en die groote scheuren in den bodem stelden me maar half gerust. Onze karavaan was op veel punten onderbroken en zeer uitgerekt. Zwijgend schreden onze lieden bij troepjes voort, nu en dan liepen zij uit alle macht en in koor: âlete Abtoni! lete Abtoni!quot; (..breng Abtoni!quot; of kom nabij Abtoni!quot;) Ze vergaten voor een oogenblik Massari en dachten enkel aan het einde der dagtaak en aan het frissche water aldaar. De zou daalde en daalde en er kwam maar geen einde aan de pori. Tegen den avond onderscheidde men eene groene streep aan den roodachtigen horizon. Dat waren de boomen, die de rivier omzoomen. Om kwart over zessen eindelijk bereikte ik met de voorhoede de rivier, die wij in de halve duisternis passeerden.
Prachtige kampplaats in de rondte omzet door majestueuze, reeds geheel groene boomen. Overvloed van water hadden wij in de
187
nabijheid. Zachtjes aan kwam onze karavaan aanzetten, Joch het was inmiddels volslagen duister geworden, dit gaf aanleiding tot heel wat herrie. Ondanks de vuren, die in haast aangelegd waren, duurde het lang eer alles min ot meer terecht was. Wat een geraas en een getier. Menigeen kon niet dan na lang zoeken de boraa van zijn nyampara vinden. Onze tent werd maar halt opgeslagen. Onmogelijk de noodige keukenkisten te vinden. Geen nood, we hadden water, dat was al veel. Ook behoefden we dien avond niet in slaap gewiegd te worden na een marsch van circa twaalf uren !
Te middernacht hoorden we op eens buiten het kamp een geweerschot. Algemeene opschudding ontstond er door. Evenwel verdween onze vrees spoedig, want de koerier, te Abpwapwa naar Pater Hauttecoenr vooruitgezonden, was aangekomen en bracht ons een brief van dezen missionaris, die juist niet zeer geschikt was onze bezorgdheid te verminderen. Te Massari zonden al onze dragers ons verlaten, dus moesten we aan ruim vijfhonderd andere zien te komen. Nu hadden we er op gerekend dat Pater Hanttecoeur ons met het uoodige aantal Wasakoema's te Massari te gemoet zou komen. Misgerekend.
Pater Hanttecoeur berichtte ons dat hij niet kwam en ook geen dragers zond. Dit benam ons gedurende de rest van den nacht allen slaap.
28 September, Woensdag. Kamp No. 59, Massari (of Samui). Marsch van twee en een kwart uur, van zes uren tot half negen. Van morgen was het onnoodig ons volkje te wekken. Voor dag en dauw waren ze wakker en reeds vrij rumoerig. Vandaag immers eindigde hun engagement. Na een lustigen en gezwinden marsch van anderhalf uur door een bosch en van een nnr door eene vlakte sloegen wij vierhonderd meter voorbij de Ikoeroe (hoofddorp) en op evenveel afstand van een rotsheuvel ons kamp op. De vlakte van Massali is vrij schoon, doch niet sterk bewoond en bebouwd. De bewoners zijn, volgens het zeggen mijner lieden, arm, in alle geval, de levensmiddelen zijn schaarsch. Bij afwezigheid des sultans laat de sultane of koningin ons aanstonds eeue gi'oote kruik pombee brengen.
lieeds dien dag verlieten ons de meesten onzer dragers met luinne volgelingen, mogelijk wel vierhonderd : de honderd dragers van Oesongo gingen natuurlijk ook naar huis. Van Ikoengoe af, zal ons legertje nog wel zevenhonderd man sterk geweest zijn, Het leek wel of allen thans deserteerden. Nauwelijks waren er dien dag nog tweehonderd man over. Ook onze stapels lasten, kisten, enz., slonken geweldig.
188
Zooals ik reeds vroeger zei, honden de ,, Wapagazis'quot; (dragers), als ze zuinig zijn, een mooi pak wit katoenstof enz. (hunne betaling aan de kust) over. Dit nu verd, als gewone mitoeniba ingepakt en eiken avond door hen bij onze misigo's (lasten) in de bo-ma's gezet.
Velen hunner, die vandaag aftrokken, waren reeds vóór den avond in hun land. Nu schijnt het niet te passen, dat de zwarten, die, om dragersdienst te doen, hun hut verlaten en naar de kust gaan met een last op de schouders door hun land trekken, zonder een mooi pak stot ot een Europeesch kostuum bij zich te hebben. Het is de gewoonte zeer tier tehuis te komen. Soms zijn ze en blijven ze wat al te tier. Het zijn de beste broeders niet, die de kust gezien en Zanzibar geroken hebben. Men kent ze later immer aan hunne aanmatigende manieren. In één woord, ze lijken op boerenzoons van een nederig dorp, die de stad bewoond hebben.
Met dat alles was onze positie niet rooskleurig. Waar dat groot aantal nieuwelingen te vinden ? Massali is een onaanzienlijk, klein land. De ykoeroe (hoofddorp) met een ihara (dorp 2e rang), er bij is nagenoeg alles, wat niea ziet. Toch moesten we al liet mogelijke beproeven. We zenden een askar! naar Kima-niboe om dragers te zoeken.
De bevolking van Samoeï is een mengsel van Wasoekoema's en Wanyamwezi's. Overigens dezelfde gebruiken enz. o. a. van avond de bekende muziek van de vrouwelijke jeugd des dorps. De lieden, vooral de vrouwen zijn zeer nieuwsgierig. Men ziet Pater Gosseau voor eene âbibiquot; (juffrouw aan) Onze Jacques en en Hamsin zijn met de lieden der streek reeds druk aan het onderhandelen over de condities voor de gombazen (plaatsvervangers) tot Boekoembi, Morgen feestdag van den Aartsengel Michaiil, mijn patroon. Niet slechts al onze christenen, maar ook een aantal onzer lieden, o. a. de overgebleven nyampara's kwamen me feliciteeren.
29 September, Donder dig, Fceitilag van den H. Aartsengel Mirluiël Vier jaar geleden (1888) juist ook op mij patroondag, landde ik te Algiers om mij in het Noviciaat te begeven van de Pères Blancs. Dat samenvallen trof me en vervulde me met vertrouwen, moed en kracht : Sint Michaël zou in de apostolische loopbaan, die ik wenschte te betreden, mijn patroon en beschermer zijn. Met zooveel vurigheid als ik vermocht, bad ik van morgen mijn machtigen patroon, mij inimer zoo te beschermen als hij mij tot nu toe zoo trouw gedaan had ; ik ondervond het zoo dikwijls ! Hoe kon ik
189
in 1888 denken chit ik mij vier jaar later in Middeu-At'rika te Massali zou bevinden. (1)
Nog- een aantal onzer oude dragers trekken met pak en zak af, terwijl andere at- en aankomen oai zich te engageeren. Een onzer askari's. uitgezonden om, een dagreis ver, dragers te zoeken, komt van avond afzetten met zeventig man, de trom voorop. Het is n.l. het gebruik dat de sultan der streek, als hij eenmaal toestemming heeft gegeven om zijne onderdanen tot dragers te nemen, in zijne dorpen de trom laat slaan om liet volk bekend te maken, dat er bij den âBlankequot; uguo te verdienen is. Ook bij menige gelegenheid wordt de trom geroerd, b. v. bij feesten, in den oorlog of in oorlogsgevaar. In de karavanen der inlanders en die der Arabieren draagt meestal een der Kiragozi's (gidsen) aan het hoofd der karavaan een trom. Deze bestaat uit een uitgehold stuk boomstam, overspannen met een lamsvel. De oorlogstrom is zeer groot en heeft wel een meter in middellijn.
\ an morgen inspectie van de geweren, wel een noodige voorzorg, want de luidjes, die ons verlieten, konden de kans wel eens schoon vinden om er een in te palmen. Geen enkel ontbrak er echter.
Onze overblijvende Wasakoema's schijnen zich aan pombee goed-gedaan te hebben; van avond zijn ze zeer vroolijk, ze luchten hunne vroolijkheid, door hun nationalen dans uit te voeren. Reeds sprak ik vroeger van dien huppeldans. Hun gezang, hoewel een-tonig, is vrij aardig, vooral van avond. Eenigen kweten zich vrij wei van eene soort secunda en baspartij.
80 September. 1 rijiJag. \ ier onzer nyampara's komen ons vaarwel zeggen, alvorens zij niet de nog overschietende oude dragers vertrekken. Alleen Kitevo en Absjokera, beiden dicht bij de Missie van LSoekoembi wonende, blijven ons over. Gelukkig wonen al onze askari s in de nabijheid van onze Missie, zoodat wij ten minste hen tot blijven kunnen bewegen; Kitevo krijgt nu het bevel over onze soldaten. Ik zeg gelukkig en wel te recht. Ons kamp geleek een verlatene legerplaats. Wat eene opruiming! He-halve wij en onze Christenen, slechts een veertigtal lieden. In plaats van zeven stapels vormden al onze lasten en kisten er nu slechts c'én. Als de lieden van Abassali, Oesilia enz. eens hun slag geslagen hadden! Van ouds hebben zij geen goeden naam en hun sultan heeft heel wat geroofd, geoorloogd en heel wat
(1) Nog minder kon ik vermoeden, dat ik eenigi' UKianden nadien zou geroepen /iju) om eene nieuwe missie ic heipen sticiiteu ouder de beuamiug âSt. AiieiiAi-x van Absalat.aquot;, de eerste onzer nüssiestaües of imssicluuzen, die ceu van Gods lieve engelen tot patroon voert.
190
dorpen in de ascb gelegd. Wij zeiven hebben dit min ot meer bemerkt. Drie, viermaal kwamen troepen van Abassali's bewoners ons Imn dienst aanbieden, doch limine pretention waren buitensporig : acht doti's stot tot, Boekoembi (32 meter) per man.
Eenigen, die onze conditiën aannamen, verbraken later hun woord. Dus onze positie te Massali was nog zoo geruststellend niet, doch St. Michael beschermde ons 1
Ook Kipamila, een ander nyampara, bleet ons volgen, otsclioon zijne lieden bij Ikoengoe al opgetronul waren en zijne woonplaats bij Tabora ligt. Met alle geweld wilde hij de Missie van onze Paters in Boekoembi zien.
Makomela, een der vier nyampara's, zou, zonder onze tnsschen-komst, vóór zijn vertrek nog een schelmstuk bedreven hebben, dat, helaas ! zoo algemeen voorkomt. Al den duur der reis hadden wij dien neger gewantrouwd; hij scheen vooreerst een heele ot een halve adept van den islam te zijn, was een onverbeterlijke pom-beedrinker, dat is dronkaard; altijd was hij ontevreden en pruttelde tegen. Juist deden we gezamenlijk ons morgengebed, als plotseling, onder een doordringenden gil, eene vrouw, onze tent binnendrong. Mij het dichtst bij de opening bevindende, sprong ik naar buiten om te zien wat er wel gaande was. Het was onze Makomela, welke die vrije vrouw met geweld als slavin wilde meesleuren, en toen zij zich instinctmatig onder onze bescherming stelde, wilde hij ten minste het ellendig stuk doek, dat haar dekte, buitmaken. Het scheelde weinig of ik deed in de vaart den booswicht overhoop tuimelen. Het spreekt vanzelf' dat hij afdroop al morrend en raaskallend, bewerende, dat die vrouw eene dochter van zijn ândoegoequot; (broeder) was, dus etc. De benaming ândoegoequot; is zoo rekbaar dat de zwarten, ik weet niet wat, er wel onder verstaan, zelfs de verste aanverwanten enz. De ellendeling ! Het was wat sterk in ons kamp, onder onze oogen slavenroot, ot liever menschenroof te plegen ! Gelukkig achtten we ons, ten minste dit slachtoffer te kunnen redden. De jonge vrouw behoorde thuis in Oeshirombo. We besloten dus dat ze ons tot Boekoembi volgen zou. Daar zouden we Pater Gerboin verwittigen, en wel gelegenheid zoeken om haar naar haar land te doen terugkeeren.
Het ziet er treurig uit met het aanwerven van dragers. Wat aanvangen. We besluiten morgen een koerier naar Pater Hantte-coeur te zenden, om hem het hachelijke van onzen toestand mede te deelen en hem te vragen, ons driehonderd dragers te sturen. Ook zenden we Kitevo naar Oesiha, daar moet hij zien wat volk bijeen te trommelen.
Juist hebben we het plan opgevat een koerier naar Boekoembi
191
at te zenden, toen er eenlge uren later een Dnitsche koerier arriveert, die ons een brief brengt van Pater Hanttecoeur met het verblijdend bericht, dat Majonga overmorgen niet dragers afkomt. Mijn briet uit Ikoengoe had dit bewerkt. In dat schrijven wees ik immers op de groote moeilijkheid, die we zouden hebben om iu Massali een voldoend aantal Wapagazi's (dragers) te vinden. Tegelijkertijd maakte ik onze confraters bekend met de ernstige ziekte van Pater Gosseau.
Op een paar honderd meters links van ons kamp verheft zich een bijna geïsoleerde rotsheuvel van circa tweehonderd meter hoogte. Broeder Jean Pierre had veel lust tot eene beklimming: in den namiddag dan gingen wij het stuk beproeven. Bouzaba-liao, een der Maltezers, vergezelde ons. Pater Gosseau, nu voldoende hersteld, bewaarde het kamp. Onze geweren namen we natuurlijk mee, want die rotsen konden wel wilde dieren herbergen. Ronduit gezegd ; ik moest voor de zooveelste maal bekennen, dat ik een zoon van het vlakke Nedeiland was en geen Zwitser, nog minder een gemzenjager. Wat vermoeienis over al die rotsblokken heen te komen, dikwijls ten koste van levensgevaarlijke sprongen over diepe rotskloven ! De Broeder was me ver vooruit en ook de Baganda was rapper dan ik, toch hield ik mij goed en eindelijk hadden we het hoogste punt, een kolossaal rotsblok, bereikt. Het heerlijk vergezicht, dat we nu genoten, beloonde evenwel de moeite. Mak aan onze voeten lag ons kamp en wat verder de tweeneger-tembee s van Massali, links een heuvelketen in de lichting van Ninda: vóór ons de groote vlakte van Massali, waarin eenige dorpen als groene oasen verspreid lagen. Heel ver in liet Oosten de vlakte van Oesiha. Eindelijk achter ons eene onmetelijke onatzieubare pori, die, in zijne eenzame uitgestrektheid gezien, iets huiveringwekkends had. Onder liet afstijgen zagen we de sporen van allerlei wilde dieren, en ik was blij, toen wij weer in de vlakte waren.
1 Octohev. Zciterdag. De Dnitsche koerier, die op ons verlangen zijn vertrek tot van morgen uitgesteld heeft, neemt eenige brieven van ons mee. Niet morgen, maar van daag al, tegen den avond komen de beloofde Wasakoema's (120) afzetten.
Onder leiding van Majunga en de twee christenen Martin en Arsene dalen ze, de trom voorop in goede orde de henvelvlakte at. Van weerszijde geweersalvo's zonder einde. Dit is n.l. het gebruik. Een koerier meldt zijne aankomst door een oi meer geweerschoten | is het eene karavaan, dan heeft er soms eene losbranding zonder einde plaats.
Men begrijpt dat onze vreugde groot was ; thans zagen wij kans vooruit te komen, want gedurende den dag waren er nog
192
heel wat misigo's uitgedeeld. Men moet het geduld en den takt van een neger-wangwana hebben om dat pagazeeren (dragers aanwerven) klaar te spelen. Gelukkig dat we in Jacques en Hamsin twee vertrouwde en handige dienaren hebben. Men is het over den draagprijs, drie en een halt doti stof, eens geworden.
Ik sprak reeds over het geld in Midden-Atrika, n.1. den ruilhandel en de voorwerpen van ruil. Gewoonlijk is dat slecht fa-brieksgoed uit Bombay, Calcutta en andere Engelsclie bezittingen afkomstig. Doch andere zaken dienen als betaalmiddel, zoo bijv. parelen of koralen van glas enz, van verschillende grootte en kleur ; roode. witte, blauwe, zwarte, gespikkelde, amberkleurige, enz. Ze endien tot sieraad en worden om den hals of om de polsen gedragen. Nu is deze dan gene soort gangbaar, dat hangt af' van de mode in de verschillende streken. Vervolgens ijzer- of koperdraad (rood of geel koper) van verschillende dikte. Men ruilt het om bij rollen; men telt dan het getal omwendingen. Ook koperdraad dient tot het vervaardigen van sierraden. Soms ziet men negers, die heele kilo's ringen koper- of' ijzerdraad om de enkels meesleuren. Ook hier is de mode soms pijnlijk; liet schijnt eene ware foltering te zijn om die ringen om armen en beenen te bevestigen, want ze zijn zoo eng mogelijk, anders zouden ze afvallen. Dat lijkt iets op de corsetten der jongejuffrouwen van Europa. Dat zijn zoo wat de voornaamste rnilvoor werpen die een âBlankequot; in Midden-Afrika noodig lieett. Men zou ev naalden, naaigaien, enz. nog bij kunnen voegen. Ik spreek niet en detail over de snuisterijen, waarmee men soms meer koopt dan met merikani. Men kan de negers, b. v. een sultan ot een opperhoofd, een groot pleizier doen en aan zich verplichten, door een schaar, een zakmesje, een snuifdoos, belletjes, glinsterende knoopen enz. enz. De negers onder elkander hebben ook eenige meer gebruikelijke artikelen, die heu bij koop en verkoop dienen ; zoo b. v. eene schop of liever hak van inlandsch maaksel. Deze artikelen zooals bijltjes, messen, enz. hebben min of meer waarde naar gelang er in een gewest min of' meer overvloedig ijzererts gevonden wordt. Ook vee, ossen, geiten en schapen dienen, evenals ivoor, voor den ruilhandel. De Massa'fs o. a. verkiezen voor hun ivoor (olifantstanden) geen stof of wat ook, maar vee, wijl ze zich enkel met vleesch voeden.
Ik sprak daar van snuifdoozen, want men moet weten dat vooral de Wasoekoema's eu de Wanyamwezi's in het algemeen echte liefhebbers zijn van snuiven en rooken. Wat kan men hen blij maken en kostelijk trakteeren met een snuifje ! Hebben ze eenmaal bemerkt (en aanstonds weet de heele karavaan dit) dat
193
de rBwanaquot; ook snuift, dan is men verloren, dan mag men wel eene heele kist vol ter zijner beschikking hebben, want natuurlijk meenen ze dat wel miustens tien onzer kisten vol met tabak eu snuif zitten, en eveneens dat dit kostelijk nieskruid van Oelaya (Europa) veel beter is dan hun inlandsche tabak. De neger, natuurkind, is zeer mededeelzaam eu deelt dus eene menigte kleine zaken broederlijk met anderen. Nooit weigeren ze elkander een snuifje, doch wat moet de arme âBwauaquot; doen, als twintig of dertig zwarten hem de hand toesteken en ..toeinbakoquot; vragen ? Weigert hij, zullen zij hem dan niet aanzien voor een gierigaard of voor iemand, die de regelen der wellevendheid miskent ? Al is zijn snuifdoos nog zoo volumineus en nog zoo goed gevuld, âhet beschiet niet,quot; want â nota bene â ze vergenoegen zich niet met een modest snuifje, genomen tussckeu duim en wijsvinger neen, ze steken u de volle hand toe, eu elk rekent wel op een vierdubbele hoeveelheid (die hij overigens aanstonds met twee of' drie anderen deelt. De negers hebben hunne eigenaardige manier van snuiven. Ze leggen het kostelijk poeder in de palm der hand, plakken die vervolgens tegen de neusgaten eu snuiven zoo met een onbeschrijfelijk welbehagen het bruine poeder op. Weinige mannen ziet men rooken, doch wel vrouwen, de grootmoeders echter alleen, doch het jongere geslacht niet. Ze hebben een pijp van fraaien vorm, uit Kisoekoema-aarde gebakken. Vindt men onder de mannen weinig tabakrookers. daarentegen treft men er wel henneprookers onder aan. .Men kan die gerust vergelijken met de opiumrookers van Indië, zoo verdierlijkend is die hartstocht. Een henneprooker is tot alles in staat, tot moord enz. en ... . zijne bekeering voor ons bijna hopeloos.
Hun tabak is zeer goed en tabaksvelden ziet men overal. De bladeren worden in den vorm van een dik tuiiw samengeperst en daarna opgerold : zulk een platte rol noemt uien âmkate ya tumbatoquot; In dien vorm vindt men de tabak in deze streken. Elders b.v. aan het Tanganika-meer lijkt een mkate tabak veel op eeu stuk turf.
Ik heb vandaag den tijd, dus nog eenige aanteekeningen, van algemeenen aard, een beetje uitgewerkt.
Ie Kleeding onzer zwarten. Sedert de tegenwoordigheid der Blanken in het land en het drukkere verkeer met de kust (ivoor-handel, enz.) hebben een groot aantal negers zich kleederen van linnen, katoen of andere gekleurde stoffen kunnen verschaffen.
Vooral is dit het geval in die streken, die langs de groote karavaanwegen liggen of wel met die volksstammen, die het meest lust hebben naar de kust te reizen, ten einde dragersdienst te verrichten, zooals de Wasoekoema's, de Wasalala's, de Wany-
feii'.mtti to^III«ii«II )wiiiiii
194
anyembee's enz. Bij verreweg liet grootste gedeelte bepaalt hnnne kleeding zich nog tot een lendendoek. Het overgroot gedeelte echter der negers van Oost-Midden-Afrika, ver van de karavaanwegen en zonder verkeer met de kust, vergenoegt zich met schapen- ot geitenvellen, die hen door de manier van dragen zeer onvolledig dekkén.
Het is opmerkenswaardig dat het vrouwelijk geslacht bijna overal veel beter en voldoende gekleed is, en dit niet alleen, maar men ontmoet een kieschheidsgevoel, dat men niet zou veronderstellen. Is dit omdat zij weten dat wij niet alleen âWazoengoequot; (Blanken), âWafransaquot; (Franschen), âWadeutshiquot; (Duitschers), âWanglesiquot; (Engelschen) of wat ook zijn, maar voor alles ook ,. Waserdoti11 (priesters), âWapadiriquot; (Paters) zijn ? Waarschijnlijk grootendeels. Als men in de reisverhalen der ontdekkingsreizigers leest hoe onbeschaamd de negerinnen tegenover hen zijn en men een tegenovergestelde houding te onzen opzichte waarneemt, vraagt men zich onwillekeurig af : Vanwaar dit verschijnsel ? Zeer eenvoudig, als men weet hoe b. v. Stanley's gedrag was. Mijn God, wat slechte voorbeelden geven sommige Blanken, die geen Waserdoti zijn, aan onze arme zwarten !
Een kleed van geweven stof heet in het algemeen ângoeöquot; of Shoeka (kiswahili), âmiendaquot; (shiruana); zich kleeden, ..koevaa,quot; een dierenvel, .,ngozi.;' Het woord ângoeöquot; dient in het bijzonder om de zoogenaamde pagne of den lendendoek der arme lieden aan te duiden. De pagnes met een stuk met gekleurde strepen aan den benedenrand heeten ..kikoïquot; of âkitombiquot; De kitambi onderscheiden zich naar kwaliteit of kleur, zoo heeft men de âkitambi barsatiequot;, de ..kitambi buraquot;, de âkitambi rehaniquot; enz. Een hoofddeksel heet âkoftaquot; of ..kitambalaquot;; schoenen of sandalen âshiatoequot;; een sjerp ânkumbuu.quot; De voornaamste soorten van sjerpen zijn de âdeuliquot;, âlasiquot;, âsubayaquot;, âsahariquot;, âshali.quot; De sjerp wordt dwars over den schouder gedragen of wel, op de wijze van de kaki der Arabieren om het hoofd gewonden.
Het spreekt van zelf, dat alleen de rijken in den lande zich de weelde van fraai gekleurde, soms zijden stoffen kunnen veroorloven. Soms ontmoet men negers uitgedost in kleederen van Enropeesche snit, jas, broek en vest; dikwijls zijn het de roode uniformen der Engelsche soldaten. Verbeeldt U een neger met epauletten op de schouders en voor de rest een gewonen lendendoek. Ook ingedoken hoeden van allerlei vorm ziet men nu en dan prijken op het zwarte kroeshaar van onze negers. Men zal mij mogelijk vragen, of wij onze neophieten aanstonds met een mooi pak van Europeesch model begiftigen. Volstrekt niet. We zouden dan heel
195
wat kleermakers en modisten met ons dienen te nemen ; neen, even' min als ile apostelen (meestal Romeinen) der Franken, Germanen, Anglo-Saxen, Batavieren, enz. er aan dachten dezen dadelijk in de Romeinsche toga te steken. W ij bepalen ons bij een goed stuk geweven stof, dat hen behoorlijk en voldoende kleedt.
2e. Sieraden In den loop van mijn reisverhaal sprak ik reeds van velerlei sieraden, haartooi enz., o. a. hals- en armbanden, snoeren van koralen, koperen ringen om de enkels en de polsen.
3e. Wapenen. De Wapenen der negers zijn : lans, werpspies, pijl en boog, met schild. Natuurlijk verschillen die heel wat in vorm al naar de verschillende streken en negerstammen. Het is verwonderlijk met wat kunstvaardigheid zij het ijzer van lans en pijlen weten te bewerken, te scherpen, enz., vooral als men bedenkt dat zij bijna geen werktuigen te hunner beschikking hebben. Onze smeden zouden liet niet beter kunnen doen.
Het schild, meestal rond ot vierkant, (soms anderhalven meter lang) is vervaardigd van een stevige ossenhuid ot gehouwen uit een stuk boomstam.
In den oorlog dragen zij daarenboven meermalen sieraden, die hun een schrikwekkend voorkomen geven, b.v. de Wangoni eeue soort hoeden van zwarte vogelvederen. Anderen kleuren (tatoeëeren) zich het lichaam met roode en andere kleuren.
Behalve de opgenoemde nationale wapenen zijn velen in het bezit van een geweer met het noodige kruit, lood en slaghoedjes ; wat nog sterker is ; eenigen zelfs hebben reeds achterladers en repeteergeweren van Engelsch, Dnitsch ot' Fransch model en daarbij een min of meer groot aantal patronen. Met den dag wordt dit getal grooter. Het is ongelooflijk hoeveel geweren er in Dnitsch-Oost-Afrika, ten Westen van het Tanganika-meer en vooral in Oeganda verspreid zijn. Men heeft eens het cijfer-10.000 genoemd en werkelijk, ik geloot, dat het niet overdreven is.
Natuurlijk zijn die vuurwapenen over eene kolossale uitgestrektheid verspreid, doch dit neemt niet weg, dat het een onrustbarend verschijnsel is. Vooral als de Arabieren, die als Muzelmannen en slavenhandelaars, de gezworen vijanden der blanken zijn, er in slagen zich op een zeker punt te organiseeren en te vereenigen, of, wat nog erger is, de negerstammen tot hunne partij over te halen, hetgeen hun helaas reeds in Oeganda en aan het Tanganika meer maar al te wel gelukt is, wee dan den Blanken ! Want wat vermag een troepje Duitsche ot Belgische soldaten tegen zulke horden ? Dan zal men inzien, dat men de missiën krachtiger had moeten steunen, want dan zal het blijken, dat die streken en die stammen het rustigste zijn en des noods den kraclitigsten weerstand
196
bieden zullen tegen de Arabieren. Muzelmannen en slavenhandelaars, waar Katholieke missionarissen hun vreedzaam werk begonnen hebben. Hebben wij eenmaal de achting gewonnen vau de sultans en opperhoofden met hun volk door hen aan ons te verbinden : wat dan te duchten ? Zoo beschaaft men volkeren, evenals in vroegere eeuwen de missionarissen en monniken in Westersch-Europa de grondslagen legden der huidige beschaving, waarop men zoo trotsch is.
Men vraagt misschien hoe komen de negers aan al die geweren ? Niets eenvoudiger, alle ravens van de Oostkust staan open ! Men moet nu niet denken dat de invoer van vuurwapenen en munitie gestuit is na het congres van Brussel met zijne mooie verbodsbepalingen daaromtrent 1 De Arabieren, Hindoes, enz., hebben honderd middeltjes voor een bij de hand, om de waakzaamheid der douane te verschalken. Terwijl de Arabieren van Tabora, Oejiji, Xyangwee. Xyassa, Oeganda, zonder hinder en met alle gemak geweren en kruit vau de kust bekomen, weegt al de zwaarte dier bepalingen op de arme missionarissen. die, ter bescherming' van personen en bezittingen eenige geweren en patronen willen invoeren, en soms ongelooflijk veel moeite hebben om die te doen passeeren. En dan heet het plechtig, dat men de missiën ernstig beschermen en steunen wil. De verdedigingsmiddelen hunner dorpen zijn een palissadengordel (aangepunte dikke staken van drie meter hoogte vast naast elkander gebonden ;) daarnaast binnen en buiten diepe groeven. Dit is nagenoeg alles. Soms zijn de muren ot wanden der tembee's van schietgaten voorzien.
â ie Woningen. Uitgenomen de woningen binnen de tembee's, die soms vierkant zijn, hebben deze algemeen een ronden vorm en een hoog, kegelvormig, strooien dak. Iedere hut is, om zoo te zeggen, dubbel, want binnen in bevindt zich een tweede die eveneens rond is en waaromheen eene soort gang ot corridor loopt. De ingangen zijn zeer laag- (auderhalven meter). Het duurt heel wat tijd, vóórdat men ..bukkenquot; geleerd heeft ! Het is een wonder, dat men zich het hoofd niet te pletter stoot. Eamen zijn onbekend, hoogstens hier en daar gaten, een hand groot, in de wanden. Het is er dus altijd vrij donker. Toch is men verplicht te erkennen dat vorm, aard en inrichting hunner woningen met klimaat en levenswijze, enz. best overeenkomen. Die hutten beschutten hen zeer goed tegen regen, wind en koude: gedurende de groote hitte is het altijd koel en frisch (?) in hunne woningen. Bouwmaterialen zijn sparhout, palen, stroo of liever gras van één ot twee meter lengte en verder tot bepleistering der wanden eene
197
soort blauwaclitig-grijs leem, âkisoekoeroequot; genoemd, dat men iu de termieten-terpen vindt.
5e. Voortbrengselen des lawls enz. Overal zaait of plant men in dit gedeelte van Afrika: mals. (Turksclie tarwe), sorgho of moe-tama (shirnana-Boesoga) maniok, patatten, oewelee, arachiden of aardnoten, rijst, eene soort brniue boonen en kleine erwten, komkommers, enz. Verder vindt men iu veel streken de tabaksplant en de koffieplant (Oeganda), bananen, suikerriet, enz. Honig vindt men overvloedig. Uit bananen trekt men azijn en alcohol: uit suikerriet, suiker natuurlijk; uit arachiden eene goede olie. Zout wordt in sommige streken overvloedig aangetroffen (Oeshirombo). Zoo ziet men tevens, waarmee de negers zich voeden. De Goede God heeft er voor gezorgd, dat de bevolking van dit overigens barre en arme land geen honger behoeft te lijden. Met dat alles kan do missionaris liet ook best stellen. De maïs kent men. De sorgho ot moetama, en oewele evenzoo, is eene soort klein, grijsachtig, wit of rood graan. Gemalen tusschen twee stee-uen bereidt men er de oegali en de oedje mede. De oegali is liet brood der negers. In water gekookt, wordt het eene soort brij, die tot ballen gerold, warm uit de vuist gegeten wordt. Het is eene weelde, als men er een weinig zout of honig bij kan voegen. De oedji lijkt op eene dunne pap, eveneens met moetamaraeel bereid. Ook wij laten ons door onzen keukenjongen oegali bereiden van rijstemeel, of ook wel van moetama. Het vervangt het brood van vroeger, want tarwe en rogge vindt men niet dan zeer weinig, b.v. te Tabora nauwelijks voldoende om hosties voor het H. Sacrificie te maken, (en zeer duur). Met wat honig is die oegali zeer smakelijk. Met meel van rijst of moetama en vet, olie of eieren bakt onze jongen k-kkere struif.
De patatter. vervangen de aardappelen : gekookt of wel geroosterd en halfgebakken onder de asch waardeert men ze spoedig, otschoon ze in het begin wat te zoet en te flauw zijn. De arachiden of aardnoten. boven liet vuur geroosterd, zijn een kostelijk nagerecht. Naar ik zei, trekt men er olie uit voor de lamp en voor verder gebruik. Men verkrijgt die door stamping en persing in een grooten, houten vijzel, een zwaar werk, want dit moet op het heetste van den dag gebeuren. Groenten zijn schaars en dit gemis valt den Europeaan nog het zwaarste. Toch weten do negers een heel aantal soorten van kruiden enz. op te sporen, waarmee ze eene soort spinazie bereiden, die lang niet te versmaden is. Ook hunne (wilde) komkommers vervangen de betere.
Overigens is de rijkdom van het land niet groot, integendeel, armere koloniën bestaan er weinig, geloot ik. Werkelijk als een-
198
maal de ivoorliaudel teu einde is (liet spreekt van zelf dat liet ras der olitanten met dat koortsachtig jagen op die dieren, spoedig verdwijnen moet), dan weet ik niet wat de Duitscliers met hunne kolonie doen z nllen, welk voordeel (en daar is het toch om te doen) men er van trekken zal. Invoer : Ja, van geweven stoften voor kleeding, doch die invoerhandel is in handen der En-gelschen en speciaal van eenige weinige Hindoes (van Bombay) en Arabieren ; wat andere Enropeesche nuts- of weelde-artikelen aangaat, men zij er zeker van dat de negers voorloopig er nog geen behoefte aan gevoelen.
Ondanks alle nasporingen en reizen in alle richtingen, heeft men er tot nog toe, noch goud- of zilvennijuen, noch steenkolen, noch marmersoorten, noch kalksteen, noch kostbare en zeldzame houtsoorten gevonden. Ik eindig de optelling; in één woord : het is eene arme kolonie. quot;Wil dit nu zeggen dat de rijkdom van den bodem met den tijd niet vermeerderd kan worden ? Volstrekt niet. De monniken van het Westen vroeger en de Trappisten hedendaags hebben wel woestere oorden ontgonnen en tot grooten rijkdom gebracht. Doch daartoe is als eerste en noodzakelijke voorwaarde noodig, dat de arbeid aan den neger geleerd wordt. En wie zal hem die leeren ? Xiet de Duitscliers met hunne rondtrekkende Zoeloe soldaten, niet de koopman, die karavanen organiseert om ivoor te zoeken, nog minder de MuzelmanâArabier, die niet werkt, maar die handelt als de jood ; neen, zij allen zullen het hem niet leeren, maar wel de Katholieke missionarissen, die zich in eene streek vestigen en die met het Evangelie aan de Negers den handenarbeid leeren kennen als een plicht, en eene straf voor de erfzonde. Met den tijd, na eemmi desnoods (en niet in 10 of 15 jaren) wordt aldus een volk christen, vreedzaam, werkzaam, in één woord beschaafd en een land vruchtbaar, winstgevend.
Ge. Dierenrijk. Ia al die pori's en grasvlakten krioelt het natuurlijk van allerlei wilde dieren als : leeuwen (oesagara), tijgers, hyena's (hun getal is legio), wilde ezels, antilopen, gazellen, everzwijnen, jakhalzen, oliphanten (Massaïstreken, Oenyoro), slangen van alle kleur en grootte, eindelijk een groot getal kleine dieren, zelfs hazen.
Bijna overal vindt men groote kudden geiten en schapen, volkomen gelijkend op de in Nederland bekende. Hoornvee is minder talrijk, vooral de melkkoeien, en bijgevolg de melk. Toch is het een heele schat voor een missiepost een of meer melkkoeien te hebben. Met melk (zelfs boter en kaas), liet opgesomde onder No, 5 en verder schapen- of geitenvleesch (een vette os met Paschen !) eindelijk wild in overvloed (duiven, eenden, pintaden enz.) of ge-
199
vvone kippen en kippeneieren (overal te vinden), met dat
alles kan men het meer dan goed stellen en......âverlangt
men niet naar de vleeschpotten eu ajuinen van Egypte.quot;
De honden eu de katten ziju niet zoo beschaatd als die van Nederland, wat wilder, maar overigens volkomen gelijkend evenals b. v. duiven (tortelduiven), eenden, pintaden en kippen.
7e. Plantenrijk, bloemen, houtsoorten. In het heete seizoen geen zweem van groen, bloemen ot bladeren. Gedurende de natte maanden echter (van November tot einde Mei) is alles met eene prachtige, weelderige vegetatie en allerlei bloemen overdekt. In de porrs overvloed van hout, in de vlakten in het geheel geen. Schoon timmerhout is zeldzaam genoeg.
Se. Godsdienst. Het woord godsdienst komt eigenlijk niet te pas, wijl onze zwarten, otschoon liet bestaan van een hoogste opperwezen kennende, dien waren God niet dienen ot vereeren. Natuurlijk gelooven zij eveneens aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een ander leven van belooning ot strat. Doch al die waarheden, even als de natuurwet in hun binnenste gegrift, blijven op den achtergrond. Niet den Schepper, maar schepselen, nl. de duivelen vereeren en dienen zij. Algemeen is de Mzimoe-dienst ot vereering van de goede en kwade geesten eu van de voorouders. De kwade geesten, wier priesters de toovenaars zijn, worden verzoend door zoenoffers, de goede geesten daarentegen bedankt door dankoffers. In de dorpen en langs de wegen ziet men overal kleine strooien huisjes, op hunne hutten gelijkende, van een meter hoogte: daarin wonen de geesten. Bij verschillende gelegenheden hebben plechtige, officiëele sacrificiën plaats, b. v. om regen te verkrijgen.
Tooverij, zwarte kunst, waarzeggerij (uit de inspectie van de ingewanden eener kip b.v.), is zeer algemeen en een ware plaag voor de arme zwarten. Ontelbaar zijn de slachtoffers van dien vervloekten satansdienst. Het is voldoende dat een of andere neger zich onderscheidt door, ik weet niet wat of. .. het is een ,,mchawi,quot; een âwalogi11 (tooveuaar). Weinig tijd daarna sterft de schuldige of liever onschuldige. Daartoe is het b.v. voldoende, dat hij in den oorlog onkwetsbaar is, dat zijne sorghovelden zeer schoon staan en veel beloven, dat hij succes heeft, b.v. op de oli-fantenjacht. enz. Ziedaar de gevolgen van den officieelen dienst der goede geesten ot mizima's.
Doch niet minder talrijk zijn de gruwelen van den verborgen, geheimen dienst der booze geesten, der ware toovenaars en satans-priesters, want die ziju er in groot aantal en hun macht is verschrikkelijk. Dit niet alleen, maar er bestaan, hier en daar geheime genootschappen (van duiveldienst), volkomen gelijkend op de
20 J
vrijmetselaars-vereenigiiigen van liet fijn beschaafde Europa. Zij hebben een eigen taal. herkenningsteeken, een aantal symbolen, ver-eenigingsplaatsen in de bosschen, afschuwelijke ceremoniën enz. Zoo zon men b.v. kunnen spreken van het Groot-Oosten van Oes-hirombo, waar eene zeer talrijke en geduchte vereeniging bestaat.
Men vreest terecht de toovenaars en bijna iedereen draagt am-muletten ot voorbehoediniddelen van allen vorm en gedaante, b.v. een touwtje om den arm of om den pols, ot een stukje hout tegen den aanval van den tijger, enz.
Overigens bestaat het gewone, uiterlijke teeken van een mzi-moevereerder in een driehoekig (altijd de driehoek !) stuk ivoor-of been aan een snoer parelen of aan een eenvoudig stuk koord om den hals op de borst gedragen. Wat voor ons het kruis is, dat is voor hen die mysterieuze omgekeerde driehoek ; wat voelden christen een medalje of schapulier is, dat zijn voor den neger de amuletten. Men zal mij, hoop ik, niet verkeerd verstaan hebben : hunne goede geesten zijn even boos en zwart als de andere ; het is koekoek één zang , docli satan is listig genoeg hen allen aldus zekerder beet te nemen. Dit dualisme neemt men waar in de gebeele oudheid : heden ten dage in Afrika en waarom niet in Europa ? Ik voor mij aarzel niet onze officiëele mzimoevereerders te vergelijken bij gedoopte ketters en bij scheurmakers, en onze zwarte logenianneu der pori's bij de gelijkkleurige schootsvelbroeders der loges. De eersten hebben beiden een stuk der waarheid beet, doch zijn desniettemin in Satans net verward ; de laatsten hebben beiden dit gemeen, dat ze met Satan zeer familiaar omgaan.
Doch hoe praat ik nu reeds over dat alles. Voor ons, missio-narisseu is het uiterst moeilijk om achter de waarheid te komen, over hetgeen zij gelooven, vereeren en vooral omtrent hunne duivelachtige praktijken; zelts najaren en jaren krijgen wij er maar weinig van te weten.
In het algemeen is de neger en vooral de ingewijde stom, als men hem over dat alles ondervraagt.
Nogmaals herhaal ik hier dus, wat ik reeds vroeger zei: men verwachte in dit reisverhaal geen volledige beschrijving van al hetgeen ik, bijvoorbeeld, in de vorige bladzijden slechts even aanstipte. Ik bepaalde mij tot hetgeen ik al ziende, luisterende en opmerkende te weten kwam en daarmee uit. Eerst moet men in deze gewesten goed en wel geacclimateerd zijn, dan kan men langzamerhand met min of meer volledige kennis van zaken spreken.
2 October Rozenkrans-Zondag. H. H. Mis, waaronder 10 communiën. Moge de Koningin van den Allerheiligsten Rozenkrans ons geleiden en ons onder Hare moederlijke bescherming nemen.
201
In de onmogelijkheid op reis g-eregeld ons Brevier te bidden, vervangen we dien bij dispensatie dagelijks door een rozenkrans. Gewis heett Maria ons op onze reis machtig beschermd en go ;d-gunstig neergezien op die drie missionarissen in de pori's, haar geliefkoosd gebed prevelende !
üitdeeling der misigo's (lasten). De nieuw aangekomen dragers van Majonga werpen zich met ware razernij op de draaglasten eerstens om niet te laat te komen en ook om eene zoo licht en gemakkelijk mogelijken last, kist ot mitoemba machtig te worden. Geen nood : er schieten nog 60 lasten over. Majonga is nu groot Nyampara en kwijt zich uitmuntend van zijn taak ; een jonge vent, maar danig bij de hand en er kranig uitziende in zijn rood Engelsch soldatenvest en witten pantalon.
Des avonds laat keert Kitevo van Oeshia terug met ongeveer twintig dragers.
o Octolier, Maandag. Feest der HH. Engelbewaarders. Ziedaar weer een feest dat de missionaris op reis bijzonder dient te vieren. O ! die goede, zoete Engelen Gods ! Honderdmaal misschien hebben ze ons beschermd, ons met hunne vleugelen gedekt ! Ons oog zag hen niet, maar niettemin waren ze ons zeer nabij. O ! lieve Engelbewaarder, blijf mij beschermen, weer den Satan en alle booze geesten, die in deze streken rondzwerven, van mij af! En gij. Engelenbewaarders onzer arme zwarten, doet ons woord in hunne harten gedijen ! De laatste -10 misigo's worden links en rechts uitgedeeld, zoodat eindelijk ten naastebij alles opgeruimd is en wij, als 't God belieft, morgen oprukken kunnen. Het wordt ook meer dan tijd. Daarbij dreigt het gebrek aan levensmiddelen; de lieden van Massali hebben nagenoeg alles verkocht, wat ze missen kunnen. Ze hebben geen slechte zaken gedaan. De luiis-moeders zijn wat in hun schik, dat zij hunne zoete patatten tegen zoo mooie stof of tegen roode koralen kunnen omzetten !
De Sultan laat ons vijf groote kruiken pombee brengen, niet alleen onze christenen, maar ook de nyampara's, de askari's enz. worden getrakteerd, de laatsten op conditie dat ze morgen en de volgende dagen goed hun plicht zullen doen. Das avonds is ieder in eene goede luim, waarschijnlijk is onze pombee daar niet vreemd aan.
4 Ocfohtr, Dinsdag. Kamp Xo. 60 Obsoblk. Vier uur marsch, van half zes tot half tien.
Feestdag van den Serafijnschen Heiligen Franciscus van Assisië; feestdag in het bijzonder voor de leden van den Derden Regel, waartoe men gelukkig is te behooren zelfs in Midden-Afrika. Immers behalve de verstervingen van allerlei aard, die de missionaris
202
wel verplicht is te aan vaarden, heeft men staeds gelegenheden genoeg de gelietkoosde deugd van den H. Franciscns te beoefenen.
Ons nieuw volkje toont grooten lust tot vertrek; allen willen in eens, in een ordeloozen troep optrekken, want ondanks alle instructies gisteren avond aan de nyampara's en aan de askari's gegeven, kost het ons heel wat moeite, alvorens er eenige orde verkregen is. Onze karavaan is geheel gereorganiseerd en is lang zoo talrijk niet als vroeger. In plaats van zeven troepen onder evenveel nyampara's, is zij nu verdeeld in vier groepen Majonga met zijne Wasekoema's en aangeworven lieden van Sa-lawe, Nindo enz. 161 man ; Kioigoelia met de dragers van Oesiha enz., 95 man; Mwanakatara met 8ü man zoowat overal bijeengeraapt ; eindelijk Msongem dorpschet van Oesoelee met 53 lieden, allen samen 398, met de askari's (soldaten) en ons troepje meegerekend 450 zielen. Men kan van dat troepje zeggen gekomen te zijn ,.cle omui gente et popule et natione.quot;
Wat te voorzien was, gebeurde ?s morgens ; toen de groote hoop op marsch was, ontbraken er twintig dragers op het appel en bleven er evenveel lasten hier en daar in het kamp liggen. Twee ot drie hadden de stotj die op hun last vastgebonden was, weten los te maken en tot goeden buit verklaard. Het ergste echter was, dat er nu met groote moeite remplaganten moesten gevonden worden.
\ oor een oepanda echter boden eenigen zich aan, om een misigo tot het volgende kamp te dragen, de rest werd door de askari's gedragen.
Pater Gosseau kou van morgen zijn ezel weer bestijgen en zijue gewone plaats in de karavaan wederom innemen. Gelukkig ook, want ik had aan het einde der karavaan al mijne waakzaamheid en inspanning noodig om het deserteeren te beletten. Onze weg liep nu niet in Noordelijke maar bijna in Westelijke richting over eene hoogvlakte met kreupelhout, vrij dicht langs een heuvelketen. Er schijnt in deze streek veel geoorloogd te ziju, overal de sporen van platgebrande negerdorpen, waarvan alleen de groene euphorbe-heg nog overblijft. Dit moet het werk zijn van den vroegeren sultan van Massali of Samoeï.
We kampeeren eindelijk in het land van Oesoelee bij het hoofddorp (de ikoeroe) onder een kolossalen bladerloozen baobab. Men bemerkt dat men onder ander volk (Wasalala's, Wasoekoema's) komt. Geen tembee's meer, maar ronde hutten, bijeengegroepeerd zonder omheining, boma ot palissade, enkel als verscholen binnen kolossale heggen van euphorbestruiken of liever boomen ! De lieden lijken vroolijker van aard, niet zoo ernstig als de Waeyam-
2o;{
wezi's vau Toera, Oesonga, Tabara, enz. Schoone vruchtbare vlakten Naar het zuiden ontwaart men nog de heuvelen van Oesongo, als liet ware drijvende op den horizon vau eene onmetelijke, groene pori.
Onze wacht lost van nacht twee schoten op een hyena, die in ons kamp wil dringen om een slapendeu neger op te peuzelen, met de voeten te beginnen. We springen op en vliegen naar buiten, want geweerschoten in den nacht zijn nu juist zoo geruststellend niet.
Alles zou spoedig weer in de diepste rust teruggekeerd zijn zonder de tusschenkorast onzer langooren. Daar had men het lieve leven aan den gang. Aan het gebulk kwam bijna geen einde. Kortom al de 450 menschelijke wezens, aldus in hun slaap gestoord, waren boos op de viervoeters, doch wat kon dezen dat schelen ?
5 October, Woensdag. Kamp No. 01 Nixdo. Rit van zeven uren alsot het niets was, van 6 uren tot 1 uur in den namiddag.
De 20 misigo's van gisteren blijven ook van morgen zonder dragers. Alweer gomboze d. w. z. remplacanten zoeken om ze voor eene oepande slof tot Xindo te dragen. Een heel getob voor Jacques en Hamsin.
Noord-Westelijke richting. In de verte vóór ons bemerken wij een soort vierkanten toren, zich hoog boven het omliggende landschap verheffende. Naderbijkomende blijkt het een kolossaal vierkant rotsgevaarte te zijn.
We passeeren twee kleine dorpen, tusschen een partij rotsen verscholen.
Om 12 uren bereiken wij de groote vlakte van Nindo. Onza nieuwe diagers hebben het hard te verantwoorden, ze zijn uitgeput. Wel vijftig nemen onderweg in de dorpjes langs ons pad een remplaQant. Onze karavaan is leelijk onderbroken. Dit vermeerdert natuurlijk het gevaar voor het deserteeren en voor het stelen van ons goed, dewijl het de surveillance onmogelijk maakt. Overal in de karavaan hoort men om âgomboziquot; (plaatsvervangers) roepen. Vele lieden volgen onze karavaan enkel en alleen om op die manier een kitambala (1 meter) stot te verdienen. Eindelijk toch komt alles terecht in het kamp, dat juist tusschen het hoofddorp en het 2e dorp van Nindo ligt. Echter is het bijna avond als Jacques en Hamsin met de achterblijvers arriveereu.
Bij mijne aankomst in het kamp werd ik niet weinig verrast bij onze tent een klein mannetje te bespeuren, uitgedost in een hagelwit Europeesch pak, alleen hoed en schoenen ontbraken. Het was de mwisikoera chef van het hoofddorp (ikoeroe). Nooit zouden we vermoed hebben, dat dit klein, maar blijkbaar energieke
204
mannetje vroeger zulk een geduchte roega-roega en hongo-man geweest was. Kitevo en andere askari's (soldaten) verhaalden ons heel wat. Onze missionarissen hebben hier vroeger buitensporige hongo's (recht van doortocht) moeten betalen, o. a. Pater Giraud eenmaal 260 dot.i's (1.040 ellen) stof, 6 tonnetjes kruit, 10 geweren enz. Pater Schijnze schijnt op een zijner reizen er voor het eerst een einde aan gemaakt te hebben. Die kordate Westphaler wapende zijne christenen, nyampara's, askari's enz. en liet toen aan Mvvisikoeroe zeggen : âKom de hongo maar halen.quot;
Nindo behoort tot het groote koninkrijk Usalala en is in het bijzonder onderworpen aan een der voornaamste chefs van Msalala, AVimoe genaamd. 1'ie Wimoe is niets dan een gewoon Mvvisikoera, doch was vroeger eveneens een berucht roega-roega of roover. Pe kans was hem gunstig en hij slaagde er in een groote macht en veel invloed te verkrijgen en aldus onderwiep hij Nindo aan zijn gezag.
In plaats van met eupharbe-heggea zijn hier de dorpen met groote boomen omringd.
6' October, Donderdag. Kajip Xo. 62 Poiuxi ^in de pori). Ti-rekesa, marsch van 6 nren, van 's middags halt twee tot 's avonds half acht.
Onmogelijk van morgen op te rukken. Onze lieden zijn vermoeid en wel 40 misigo's (lasten) zijn zonder dragers, n.1. de twintig van Massali en even zooveel andere wier dragers verklaren niet verder te kunnen en een plaatsvervanger te willen huren.
We gaan aan het dorpshoofd een tegenbezoek brengen, vooral met het doel om door zijn tusschenkomst dragers te vinden. De ikoeroe is een groot dorp en door een palissade omgeven. De woning van den chet is geen gewone strooien hut, maar gelijkt op eene kleine binnentembee. Met alle onderscheiding worden we op de binnenplaats onder een boom met trisch schaduwrijk loover ontvangen. Beste pombee wordt gepresenteerd. De misikoera belooft al te doen wat hij kan om zijne lieden te bewegen een misigo (last) niet alleen tot het volgend kamp, maar tot Eoekoembi te dragen. Hij vergezelt ons naar het kamp en bewijst ons verder veel dienst. Ik weet niet wat wij zonder zijne hulp aangevangen zonden hebben. ..Quantum mutatus ah Ulo,quot; dachten wij: wat is het manneke veranderd ! Vroeger brandschatte hij onze karavanen en nu redt hij ze uit den nood. Was het naberouw ot de vrees, die hem tam en gedwee gemaakt hebben, nu de Duitschers eenmaal een ein ie gemaakt hebben aan alle hongo's aan die groote en kleine sultans enz,?
Om een uur eindelijk lieten we de trom roeren. Jlen bleek
205
weinig- lust tot vertrekken te liebbeu. Geen wonder een terekesn en eene pori zonder water. (Goddank de laatste), wachtte ons. Eenige nyainpara's zelfs ontbraken op liet appel, de pombee van het dorp was zoo heerlijk ! Een vooral IIwanaka tara. vergat zijn heelen troep (SG man), om al zijn zorg te wijden aan een jongen Wanyamwezi-ezel, dien hij op reis gekoclit had. Dat klein koppig dier bleek buitengewoon sterk te zijn. Geen kans om het vast te binden. Overigens een uiterst komiek schouwspel hem bij het kamp met het naloopen van zijn schat bezig te zien, doch men moet dan llwanakatara van nabij kennen. Een ware type Hij draagt behoorlijk broek jas en hoed, doch alles ziet er zoo verlept en versleten uit, dat het is om......den lachlust op te wekken.
De hoed vooral, een geschenk van Pater Schijnze, staat hem o zoo komiek op het hoofd ! Kortom ik gave er heel wat voor, als ik onzen nyampara uitphotograplieeren kon.
Xa een half uur schreeuwen en roepen eindelijk kon de voorhoede der karavaan zich in beweging zette. Xa den aftocht bleven er een en dertig lasten liggen ! Het was om wanhopig te worden. Het getal deserteurs was dus veel grooter dan we meenden. Ik zeg âdeserteursquot;, dit waren dragers van Massali, die er den brui van gaven verder te gaan en er reeds genoeg van hadden ! Slechts twee of drie bestolen ons door en passant hunne doti's mee te nemen.
Pater Gosseau was dus met het gros der karavaan opgetrokken. Daar stond ik. Onmogelijk om, als naar gewoonte de achterhoede te sluiten, want ondanks de gedienstigheid van Xindo's dorpshoofd, vertrouwde ik hem toch niet te best, gedachtig aan zijne schelmerijen van vroeger. Jacques en Hamsin met 31 lasten alléén laten ! Hij moest eens zijn slag slaan !
Ik gelastte den Maltezerridder Oussembe mij aan het einde der karavaan te vervangen wel toe te zien dat men niet ontsnapte met de vastgebonden doti's, of nog erger, met onze lasten incluis. Als voorzorg behield ik bij me tien askari's, die des noods een last zouden kunnen dragen. Na heel wat tobben, kon men de boel toch wat opruimen. Telkens als er 5 ot 6 dragers gevonden waren, trokken die onder geleide van een askari af. Toen er slechts nog maar eenige zaken overbleven, kon ik oprukken, na evenwel een voldoend aantal soldaten achtergelaten te hebben. Het duurde lang voordat ik den staart der karavaan bereiken kon.
Wat een treurige pori ! Na een uur in de bosschen gemarcheerd te hebben, hadden we vijf uur lang niets rondom ous dan eene afgestookten met asch overdekte vlakte, met hier en daar dun verspreide acaciastruiken en boompjes. De bodem leek op
206
veel plaatsen versteend en was door de hitte opengespleten. Het gros der karavaan marclieerde moedig, doch wat ellende met de achterblijvers! Hier in de pori konden ze niet roepen om een gombozi: dus goedschiks ot' kwaadschiks, ze moesten voort. De zon daalde al meer en meer, liet werd avond en eindelijk volkomen duister, wat natuurlijk de herrie vermeerderde. In de duisternis ontmoetten we tien askari's, door Pater Gosseau gezonden om Jacques en Hamsin te gemoet te gaan. Eindelijk zagen we in de verte vuren branden.
Het kamp was bereikt, dit was eenvoudig opgeslagen langs het pad midden in de pori. Geen druppel water, wee de lieden, die hunne kalebassen te Nindo niet gevuld of ze onderweg geledigd hadden ! Bij de maneschijn zag ons kamp er schilderachtig uit, gelegen als het was midden in groen bosschage, als liet ware eene oasis midden in de zwarte, afgebrande, dorre pori. Iedereen was vermoeid, wij niet het minst. Na telling bleek toch, dat alles nagenoeg terecht was. Om tien uren kwam Jacques aan niet vier dragers, eindelijk te middernacht Hamsin met de zes laatste misigo's (lasten), alles was terecht.
7 Odoher. Vrijdag; Kamp No. lt;)â !. Salaave. Marsch van zes en een halt uur van half vijt tot elf uren. Ondanks de vermoeienis van gisteren, zijn onze lieden vroeg uit de veeren. Ze hadden honger en dorst, en verlangden naar het kamp van Salawe om zich met een welgevulden ketel Oegali en met een teug pombee te kunnen restaureeren.
Hier midden in de wildernis, behoefden wij niet te vreezen, dat de eene of andere drager ons in den steek zoude laten. Toch werd er nog geremplaceerd, want dicht bij ons kampeerden eenige lieden van Salawe, die, onze aankomst wetende en belust zijnde op ..gomboze (plaatsvervanger van een drager te zijn), ons te gemoet kwamen.
Tot acht uren immer pori en bosschen. Om halt negen bereiken we het eerste dorp van Salawe. We houden halt om ons volk te veroorloven, alvast hun dorst te lesschen aan een grooten waterkuil. Na de bebouwde akkers van het kleine dorp gepasseerd te zijn, komen we alweer in een bosch. van een half uur daarna drie kwartier door een âhogaquot; d. 1. eene groote vlakte met hoog thans verdord wit gras overdekt. Vervolgens loopt liet karavanen-pad een uur lang links langs een groen bosch, en rechts langs eene witte grasvlakte. Zelfs in dit jaargetijde is het landschap, dat wij nu doortrekken, bepaald aardig.
Op den ikoezoe wappert de Dnitsche vlag, wij laten deze plaats links liggen en gaan kampeeren dicht bij een ihara of een
207
ander groot dorp, overigens op een kleinen afstand van het hoofddorp. Ons kamp ligt tusschen rotsblokken die op kolossale dolmen of menhirsteenen gelijken; het dorp is voorzien van eene omheining. De vlakte van Salawe, vrij ongelijk, zelts heuvelachtig, is dicht bevolkt.
Behalve een tiental groote dorpen ziet men overal kleine dorpjes verspreid.
Nog nergens zagen we zooveel maniokveldeu als hier.
Rechts naar het Oosten bemerkt men de bergen van Seke, Mamara en Nera. Salawe en Nindo eveneens, werd door Speke bezocht op zijne reis naar Tabora door het land van Msalala, Boe-raanda, enz. naar het Noorden. Salawe behooit nog tot Msalala en ib van W imoe athankelijk. Het is de Noord-Oostelijkste provincie van dit groote koninkrijk. Men zal zien dat we van Mas-sali af, of liever reeds van Moehalala at, een heelen omweg Westwaarts maken. Vroeger passeerden de karavanen naar het Nyanza-meer, Oesoeri (Irambo) en verder Oesiha, Seke. Mamara, Nera, doch die weg is sinds eenige jaren minder veilig. Zelfs sterk gewapende karavanen en Dnitsche kolonnes (o. a. Luitenant Langheldt op zijne terugreis van Boekoba) werden door de sultans dier streken aangevallen.
Meer dan elders zagen we hier bij de dorpen de zoogenaamde mzimoe-hutjes. Eenige bewoners van die strooien kabouterhuisjes schenen bijzonder vereerd, want rondom stonden een groot aantal potten en kruiken geschaard, gewis pombee en andere offerande, voor de geesten bestemd, bevattend.
De sultan van Salawe komt ons bezoeken, vergezeld van zijn zoon, een charmant jongmensch van 20 a 25 jaar. Hij brengt ons een traaie hongo, o. a. eene kruik allerbesten honing. Overigens honing vindt men in dit land in grooten overvloed. Otschoon onze negers hun patroon St. Ambrosius niet kennen, zijn zij toch kundige biemannen. Men ziet hier echter geen bie-hallen zooals in de Peel. Ziehier in 't kort hunne manier om honing machtig te worden : Boven in een boom wordt een groote aarden pot, (mitoengi) opgehangen met de opening naar beneden ; binnen in worden er eenige houtjes kruiselings aangebracht. Ziedaar alles. Men laat nu de bijen haar gang gaan. Nu en dan wordt de kruik gevisiteerd en de noodige zorg er aan besteed. De sultan presenteert ons later een zijner jongste kinderen, een aardig ventje van 4 ot 5 jaar met schrandere, zwarte oogjes. Een stuk beschuit wordt door het kleine prinsje gretig opgeknabbeld.
8 October, Zaterdag. Kamp No. 64, Ma mora ya Nera. Zeven uur marsch van halt vijt tot half twaalf. Van morgen weer 20
208
misigo's zouder dragers. Het is een eclit gesukkel. Neen, dan waren onze pagazi's van vroeger andere kerels ! Dus alweer plaatsvervangers zoeken. Te verwonderen is liet dat we toch lederen morgen af kunnen marcheeren en dat des avonds alles toch terecht komt. Ik kan het niet genoeg herhalen, God beschermt en helpt ons wonderbaar !
Vandaag zeer pitoresk landschap langs ons karavanenpad. Afwisselend : bosschen, kreupelhout, vlakten min ot meer bebouwd, groepjes negerhutten, hoogvlakten met rotsheuvelen of enkel geïsoleerde rotsblokken, soms van kolossale afmetingen : kleine dorpjes, als verborgen tusschen granietrotsen eu in deze eene natuurlijke borstwering bezittend. Xu eeus loopt het pad een heuvel op, om daarna at te dalen in een dal, met grijze rotsen omzet ; dan weer marcheeren we door een grasvlakte (boga) ot door een bosch met trissche schaduw. Wij kunnen hieraan al zien, dat wij het groote Nyanzameer naderen en dat de natuur haar groen gewaad allengs terugkrijgt.
Tegen den middag bereiken we eindelijk Mamora of Madjora ya Nera, juist gelegen daar, waar de rotsachtige hoogvlakte als 't ware op een ontzaglijken granietmuur uitloopt en waar tevens een eindelooze pori aanvangt. Het dorp is als een arendsnest boven op den zoo even genoemden rotsmuur gelegen en vormt eene natuurlijke vesting. Ook hier wappert de Duitsche vlag, hoog in een boom boven het dorp. Vreedzaam wonen de dorpelingen samen met kolossale apen, die ons op hun manier een welkomst-groat toeroepen en ons kushandjes toesteken, terwijl zij van rots op rots rondklauteren. Een paar honderd meter van het dorp verheft zich iu de diepte een heerlijke lommerrijke boom.
Daar ging men legeren, van de hoogte der rotsen af zag ik reeds onze lieden als zeer groote zwarte kabouters daar rond-wriemelen. Ik wilde mij haasten, mijn ezel eveneens. Deze wilde blijkbaar zich aan het groene tiissche gras gaan vergasten, dat hij in de verte bespeurde. Overigens schijnen onze laugooren het kamp reeds van verre te ruiken, want altijd verhaasten zij dan hun tred. Nu echter was mijn muskater te haastig. De hoogte afdalende, zette hij het op een galop.
Nu ja, in een charge heb ik wel schik, al berijd ik mijn zwart Arabisch ros, Negro, niet meer, en al moet ik mij daarom met een modesten ezel tevreden stellen. Plof' daar lag langoor tegen den grond en wip! over zijne lange ezelsooren heen ging ook zijn berijder âons aller moeder (terra)quot; omhelzen ! Juist hetzelfde gebeurde me éénmaal (de eerste maal in mijn ruiterleven) in de bergen van Kroumirië met mijn Negro.
209
lieu bemerke wel dat liet eeu grout verschil is âin het zand bijtenquot; van het paard of van den ezel vallen (piquer ime tête, zeggen de Frauschen,) ot md het paard vallen. Het laatste heb ik otficieren wel zien doen, het eerste overkwam mij nooit. ,.Soit dit sans vanietê.quot;
In her, kamp had men mijn ongeval bemerkt en iedereen was vol vrees dat ik mij bezeerd had. Gelukkig niet ; langoor evenmin, doch die kreeg toch eene aframmeling, alvorens hij aan het groene gras eer mocht bewijzen.
Om drie uur in den namiddag waren elf lasten nog niet aangekomen, eerst om vijf uren was alles terecht.
Des avonds zenden we eenige arkari's (soldaten) naar het dorp om al de dragers binnen te brengen, die ze vinden kunnen. We willen, dat zij in ons kamp vernachten, want we hebben bemerkt dat die lieden, die eeu nachtleger in de dorpen zoeken, waar altijd pombee te vinden is, des morgens haarpijn hebben, en dat dit de oorzaak is dat wij 's morgens zoo tobben moeten met âgombozequot; (plaatsvervangers).
Des avonds zijn we weer getuigen van menige vroolijke scène. Onze ezels zijn alweer de acteurs. De jonge ezel van Mwanakatara vooral maakt liet zijn meester uiterst lastig. Deze is er eindelijk te Salawe in geslaagd een waar kabeltouw te krijgen, maar nog raakt het overigens aardig beestje gedurig los en dan is het leven aan den gang. Een neger en eene negerin raakten van avond aan het plukharen; waarom, weet men niet ; algemeen gelach, natuurlijk !
.9 October, Zondag. Kami' Xo. 135. Kassduolo. Marsch van bijna acht uren. Van 's nachts kwart vooi drieën tot half elf. W ij beslaiten des nachts bij maanlicht te reizen, wijl vandaag de tocht alweer zeer lang is. Om kwart VM-r drieën is alles reeds op marsch, want men houdt er van des nachts te marcheeren, wijl dit dan minder vermoeiend is dan overdag. Van morgen geen deserteurs en luiaards.
Meer dan twee uur lang loopt de weg in Noordelijke richting dwars door eene boschrijke vlakte, die hier en daar toch bewoond en bebouwd is, wat men van verre niet zeggen zou. De enkele dorpjes, die we passeeren, zijn in volkomen rust gedompeld. Geen hondengeblaf: de honden hier in Afrika blaffen niet, jammer genoeg : een goede waakhond is overal dienstig.
Xa de vlakte beklimmen we een ander rotsachtig bergvlak en al verder trekkende, krijgt men het volle gezicht op de heerlijke, golvende vlakte X'era. die zich aan onzen rechterkant en vóór ons uitstrekt, en op .het insgelijks heuvelachtige land van
210
Oerima dat links van liet karavanenpad ligt. Gekomen op een der hoogste punten heffen onze lieden eensklaps een luid âhoeraâ¢' aan. Men heeft de blauwe wateren van het Nyanza-meer, of liever van een ver in het land dringende kreek (Gfordon's nullha genoemd) ontdekt. âNyanza!quot; âNyanza!quot;' Wel honderdmaal had ik gedroomd van dat meer, van zijne heerlijke, schilderachtige oevers, door Stanley, Speke, enz. beschreven, van de reizen onzer confraters op die soms stormachtige binnenzee, van al die Missiën rondom dienzelfden waterplas verspreid en ziedaar nu dit fameuze Victoria Nyanza-meer voor mij !
Van puur enthousiasme trok ik mijn revolver uit den gerdel en vuurde die in de lucht at. Hen lache niet met die geestdrift .,:\ la Don Quichottequot;. Is het te verwonderen dat ik âblijquot; was, (op zijn Hollandsch) na 80 dagen reizens van at de kust, het einde onzer reis en het begin onzer missiewerkzaamheden zoo nabij te zien.
Om half acht bereiken we een groot dorp, evenals de andere in de vlakte verspreid, die tot het groote koninkrijk Nera behoort.
Wat een heerlijke vlakte, bijna overal bebouwd en zoo bevolkt en zonder pori's 1 Wat eene schoone streek voor een missiepost! Hopen we dat het niet lang meer duren zal, tot hier een missie statie gevestigd wordt. Jammer dat liet noodige hout om te bouwen zoo moeilijk te krijgen zal zijn.
De dorpen zonder omheining of verdediging, bestaan uit groo-tere of kleinere groepen ronde, met stroo gedekte Wasoekoema-hntten. Meestal zijn de dorpen door heggen ot boomen omgeven. Rondom de hutten ziet men ware tuintjes keurig bewerkt, met maniok (moehogo) ot tabak beplant en onderling gescheiden door kronkelende straatjes van twee meter breedte. Het volk schijnt hier vreesachtige!quot; dan elders : blijkbaar zijn hier nog weinig karavanen gepasseerd, zoodat zij zich nog geen geweven stoffen voor kleeding hebben kunnen verschaften. De kleeding ot beter het gemis aan kleeding is erbarmelijk, ofschoon eenigen zich min of meer met dierenvellen behelpen.
Na een oponthoud van een halt uur, in de nabijheid van een tusschen de rotsen gelegen dorp, om de lang uitgerekte karavaan wat te concentreeren, marcheeren we nog drie uur verder tot Kasoaolo op de grenzen van Xera en Oerima. De weg loopt langs vele dorpen, welker bewoners onze karavaan van verre zien detileeren. Een half uur (van half tien tot tien uren) loopt het pad door een groot moeras, soort veen, echter nu gelukkig droog. Een eind weegs verder trekken we door de droge bedding eener kleine rivier.
211
Nog al tamelijk vermoeid, kampeert men dielit bij een groot dorp evenals veel andere tnssclien de rotsen gelegen van een bergachtige hoogvlakte. Van dit verheven pmit geniet men een onbetaalbaar gezicht op den omtrek : rechts in het Oosten en achter ons de schoone vlakte van Nera; heel ver, juist in liet Oosten ontwaart men een eenzamen berg, als het ware drijvend boven de wit- en roodgetinte golvende vlakte. Bij dien berg ligt Groot-Xera, daar langs loopt de karavanenweg, waarvan ik sprak. Voor ons in het Noorden, ziet men nn duidelijk de wateren der Nyanza-kreek, verder het land Oerima, enz.
Na ons herhaald vragen kunnen we niet te weten komen, hoeveel uren lang de marsch morgen zal zijn, ingeval wij Oekoembi zouden willen bereiken. Blijkbaar willen onze nyampara's er twee dagen over doen. De een praat van zooveel uren, de ander van zooveel. Basta ! we willen morgen te Notre-Dame de Ka-moga zijn.
In den namiddag brengt ons de koerier, uit Nindo afgezonden, een briet van Pater Hauttecoeur. De Duitschers van Moansa hebben aan de karavanen verboden bij aankomst op hare bestemming de gebruikelijke geweersalvo's te lossen. Jlen verwittigt ons op tijd want onze arkari's hadden er al op gerekend duchtig liet kruit te doea praten.quot; (âfaire parler la poudrequot;). Wij voor ons zijn er erg mee in onzen schik, heel wat kruit en zelts patronen blijven aldus gespaard.
Den geheelen namiddag zijn we getuigen geweest van het digste spektakel ter wereld. Naar ik vroeger zeidc kregen zeer velen onzer lieden o. a. de nyampara's en de askari's, (soldaten), als cadeau van Sowa (wel te verstaan voor onze rekening) een mooi wit Europeesch pak met fraaie knoopen. Den lieelen duur iler reis bleef dat kostbaar pak, goed en wel opgevouwen, in le mitoemba gesloten. Dezen middag echter gingen allen liet aanpassen, want morgen zouden zij aldus uitgedost, tier in het midden der hunnen verschijnen. Nog eens, wat een komiek tooneel! Velen trokken hunne nieuwe broek het achterste voor aan ; anderen, nog slimmer, deden alle mogelijke pogingen om de beenen in de mouwen van hun jas te steken, dit kleedingstuk voor liet allernoodzakelijkste aanziende, Men kon op sommige gezichten lezen : âdie Sewa lieert ons bedrogen, broek noch jas deugen.quot; We kregen eindelijk medelijden met de tobbers na goed gelachen te hebben en zoo kwamen ze klaar. We hadden nu moeite onze lieden te herkennen, zoo veranderd zagen zij er uit.
Kitevo houdt voor het laatst een speech om ons volkje aan te zeggen, dat we om middernacht oprnkken en morgen Oekoembi
212
bereiken wilden: verder dat men goed aaneengesloten eu lievei wat langzamer moet marclieeren.
Ik zeide dat ons kamp bij liet dorp tussclieu de rotsen gelegen was. Zulke terreinen nu zijn de geliefkoosde sclmiiplaatseu van slangen : vandaag doodde men er een, die onze tent binnen wilde sluipen. Seeds sedert lang slaap ik op den grond, want mijn veldbed is al lang stuk. Xu heb ik een geweldigen afkeer, om niet te zeggen groote vrees, voor slangen. Van avond dus trachtte ik mijn oud schraagmachine zooveel mogelijk ineen te timmeren. Zonder dat had ik gewis geen oog gesloten.
10 Odoler. Maandag. Oxze Lieve Veouw vax Kamoga O-EKOiiMjii. Eindmarseh vr.n tien uur, van één nur 's nachts tot elt uur. Om middernacht tromgeroffel en trompetgeschal. In een oogwenk is alles op de been. Pang 1 daar valt een eerste geweerschot: wie ? komt men niet te weten. Eutin. het is te k.at : van alle kanten te gelijk volgt er nu eene ware losbranding van alle vuurmonden der karavaan. Een rumoer en een geraas dat hooren en zien vergaat. Onze askari's wamurs te d n: s-t' geweest.
Ons plan was allen, die achterladers hadden (Gras-gewerer.). hun kardoezen te ontnemen, doch nu ze, bij de aankomst te Oekoembi, toch niet moeliten vuren, achtten we die voorzorg overbodig. Onze zonen van Mars hadden dit goed begrepen, doch zij meendendat het daarom niet verboden was hier te Kasserolo op tien passen afstand van Oekoembi. hun mooi geweer eens ter dege te laten ..sprekenquot; zoo schenen ze afgesproken te hebben, de vlegels.
Om één nur was alles reeds op marscii. Geen deserteurs van morgen, men wilde zich goed houden voor den laatsten keer. V. e hadden eene moerassige vlakte te passeeren van 5 uren lang'.
Na een kwartier gaans tiokken we eene eerste rivier over. Deze was gelukkig drong, niet zoo eene tweede, Oezendzji gehee-teu en in de Nyanzakreek uitmondend en later nog een derde. De tweede v oral was vrij breed (15 a 20 meter) eu bevatte veel water ot liever modder. Men was er getuige van allerkoddigste tooneeltjes. Gelukkig dat we helder maanlicht hadden. Men vend eene plaats waar de rivier niet te diep was, onze dragers kwamen zonder veel moeite over. Behoedzaam schreden zij voort in den modder, die hen bijna tot de lenden kwam. Hunne grootste en eenige zorg was hunnen Jas* niet in het water te laten vallen. En wij ? Hoe zouden wij het beste aan den overkant komen? Geen nood. or,ze askari's en adjudanten kennen dit. Vier negers nemen U vi-.-rkar.t op, tweo bij hoofd en schouders eu twee anderen bij de been ei;.
213
Nu te water en wees maar niet bang; al zakken ze nog zoo diep in de moeder, al hebben ze nog zooveel moeite hun eigen beeuen nit liet slijk te trekken, al schijnen zij te â¢wankelen, ze zullen den Mzoengoe (Blanke) niet listen schieten en hem geen modderbad doen nemen. Onze ezels echter veroorzaken ons alweer de meeste moeite. Eerst nmet er niet twee of drie man uit alle macht getrokken worden om ze met geweld in het water te krijgen. De arme diereu zakken tot den 'nük in de modder en kunnen zich bijna niet laswerken. De jonge ezel van .Mwanakatara scheen een «mgejiulik verloren. Hij v,in liet zwarte slijk bijna totaal verdwenen, en k»u geen poot verroeren. J[-r behulp van touwen kon men er echter in slagen den kleinen langhor weer los te wer-en «p een ander ondiep punt over te bre:,,; n.
Pater Gossean was intussdten opgerukt. Dir had nog den laatsten dag slechte gevolgen kunnen hebben en â 'U aantal lasten kunnen doen verloren gaan. Door ilv verti â¢â .ging bij het overtrekken der rivier namelijk moest noodzakelijker .'ijze de karavaan uren lang uiteengci kt, onderbroken v.Mvden, en dit bij nacht, zonder dat het mogelijk was al onze misigo's te surveii-leeren. Een ;ialt van een uur aan de rivier, totdat allti: aan den overkant waren, had dit gevaar kunnen voorkomen.
Tot negen uren verkeerde ik in de grootste vrees omtrent liet lot onzer lasten. Het mag iets buitengewoons, bijna equot;n wonder heeten dat, zooals later bleek, hoegenaamd niets verloren ot gestolen was. Vaak zag men oaze lieden bij troepjes van een, twee ot drie man in de dui.-ternis op het eenzaam pad vomt-sclirijden. Niets ware hun gemakkelijker geweest dan links .,r rechts de vlucht te nemen.
Op een zeker punt in de vlakte meende, ik, dat er werk lijk een diefstal gepleegd was. Men zei ons dat er aan den linkerkant van het pad dragers in Ie duistere vlakte verdwenen waren. Aanstonds zond ik in die richting een paar askari's, doch dezou vonden niets. Later bleek dat een troepje dragers een ander en wel een korter pad gevolgd waren.
Eindelijk om G uur hadden we het moeras achter ons, en bestegen we een heuvelachtig land, dat er heerlijk uitzag, overgoten als liet op dat oogenblik was Umv de stralen der opgaande zon. We trokken voorbij een aantal dorpjes welker bewoners reeds ontwaakt waren (de negers staan vroeg op). Nu begonnen onze lui allengs om .,gomboziquot; (plaatsvervanger als drager) te roepen.
Van deze hoogvlakte af heeft men thans een vollediger en allerschoonst gezicht op het Nyanza-meer en zijne blauwe wateren.
Na nog eene grasvlakte van een uur en eene kleine pori van
21-1
een lialf unr doorgetrokken te zijn, bereikten we (de achterhoede),, om half negen eindelijk eeu rotsachtigea heuvel, aan welks voet de karavaan halt hield. Men wees ons daar reeds den rotsheuvel, waar achter de llissiepost van Oekoembi gelegen was.
Toen alle achterblijvers eindelijk aangekomen waren en een ieder wat uitgerust was, werd er voorwaarts 1quot; gekommandeerd en trok de iieele karavaan In mooi aaneengesloten rij op. Xu de askari's midden iu de rij niet meer noodig waren, plaatste ik hen grootendeels achteraan. In hun mooi kostuum vóór mij uitstappend, zag mijn klein bataljon er bepaald aardig uit.
Het land van Oekoembi is zeer schilderachtig met zijne kale, grijze granietheuvels en zijne witachtige, bebouwde vlakten daar-tusschen. We naderen almeer en meer onze bestemming. Velen onzer dragers en onzer askari's zijn uit de streek, die we doortrekken. De verschillende dorpjes, die we passeeren loopen leeg; onbeschrijfelijke vreugde. De vrouwen vooral, die hun vaders, echt-genooten of broeders terugzien, uiten hunne vreugde door een eigenaardig geluid, door het klakken der tong voortgebracht.
Vreemd is de manier van begroeten. De mannen geven elkander de hand en schudden of liever bewegen die een paar minuten lang op- en neerwaarts. De vrouwen, die haar man, broeder enz. terugzien, nemen den arm vast en houden dien een oogenblik in de hoogte uitgestrekt, onder het voortbrengen van het bovengenoemde geluid. Men zou nieenen, dat onze lieden bij al die uitbundige vreugdebetooning zeer onverschillig schijnen. Het gebruik wil namelijk, dat zij, van de kust terugkeerend, zich her en trotsch houden !
Mijne mooie askari's wezen mij naar alle kanten op een heuvel, een dorp, enz., waar zij hunne woning hadden. Wat waren ze blij hun land weer te zien. maar niet zoo blij als wij, die ook OJis land (voortaan) voor de et-rste maal zagen.
Op een kwartier van de Missie komen de Paters Hauttecoeur, Levesque, Gacon en Broeder Marie ons te gemoet, benevens een groot aantal kinderen der Missie. Zonder moeite kan men zich voorstellen met welke vreugde eu hartelijkheid wij die medebroeders in onze armen klemden. Een vreugde, al vreugde ! En wat had men van weerszijden veel te vertellen : onze confraters over hunne Missie, vooral over die van Oeganda, wij over onze reis, overliet nieuws in de Societeit. in de wereld.... enfinI â
Langs kronkelwegen in en over rotsen eu kleine ravijnen, bereikten we eindelijk den missiepost van O. L. Vrouw van Kamoga (Oekoembi). Door Pater Levesque geleid, betrad ik langs een achterpoortje de tembee, nadat de vrome Pater mij allereerst geleid
215
had naar.....het kerkhot. Daar tusschen het groen gebladerte
eener weelderige bananerie wezeu een viertal eenvoudige kruisen de graven aan van de Paters Blanc, Chevalier, Schynze, Broeder .....Bij alle vreugde blijve men ernstig en vergete men deu
dood, de dooden niet! Wel zeker ; om te sterven, na zooveel mogelijk gewerkt te hebben, waren ook wij gekomen, en wie weet hoe spoedig ! Na een hartelijk ,.De Profuudisquot; betraden wij eindelijk het missiehuis, en na een tweede bezoek aan de kapel, om God te danken voor onze voorspoedige reis, gingen we Mgr.Hirth, den Apostolischen Vicaris van Xyauza, begroeten.
Op het binnenplein lagen al ouze lasten dooreengemengd ; de dragers trokken af, de askari's leverden hunne geweren eu patronen in en .... zoo was het karavaneleven ten einde.
Onze reis van de kust ai duurde 80 dagen. We betrokken 65 kampen en marcheerden 317 uren. Toch bedraagt de atstaud van Bagamoyo naar Oekeembi in rechte lijn slechts 133 uren (60(jlquot;) uit staat gelijk met den atstand van Kaap Bon naar Algiers ot van Algiers naar El-Goléa (Zuid-Algerië). De afstand van Bagamoyo naar Oekoembi bedraagt 107 uren, als men langs Mpwapwa, Ikoengoe, Oesongo, enz. gaat, hij komt zoowat overeen met den afstand tusschen de steden Lacalle en Oiau op Afrika's Noordkust, of met dien tusschen Tunis en Rhadames in de Woestijn. Eveneens bedraagt de afstand van Bagamoyo in rechte lijn naar Oezjizji aan het Tanganika-meer slechts 177 uren (8° 15'). Neemt men eene goede, vrij gvoote kaart van Afrika voor zich, dan zal men zien dat de afstand, dien we doorloopen hebben, zeer gering is, vergeleken bij dien tusschen andere punten van dit onmetelijke werelddeel ouderling.
Ik zei. dat de afstand van Bagamoyo (Zanzibar) tot Boekoembi slechts 133 uren bedraagt. Om een begrip te hebben van de grootte van Afrika en opdat men zien zou, dat er nog plaats voor missieposten is, geef ik hier eenige cijfers. De afstand van de Groene Kaap (uet meest Westelijke punt) tot Kaap Guardahü (het Oostelijkste punt bedraagt 1340 uren {G~0): die van Bizerte (liet meest Noordelijke punt) naar Kaap Agulhas (het meest Zuidelijke punt) beloopt 1460 uren (73°). Dit is Afrika op zijn breedst en op zijn langst. Wilde men Afrika van Banana naar Bagamoyo dwars doorkruisen, dan is de afstand 540 uren (271/g0j en wilden onze confraters van Maison-Carrée recht door de Sahara in karavaan naar Tabora reizen dan zou de afstand nagenoeg 1ÃO0 uren (50°) be-loopen. Overigens kunnen die medebroeders zich troosten. Zij branden van verlangen om zich op route te begeven naar de legendarische stad Tomboektoe en naar het meer Tzad. Welnu, in dat geval
216
overtreffen ze ons- want de atstand van Algiers naar Tomhoektoe is 420 uren (21°), die naar liet meer Tzad 470 uren ('iS1/,0).
Men ziet het: onze 133 uren maken een pover figuur bij de 1460 uren d. i. Atrika op zijn langst. Toch marcheerden wij, naar ik zei, 317 uren in 80 dagen, deze tijd is meer dan voldoende om eene reis om de wereld te maken. Om te doen zien dat onze reis toch wel langer is dan eene reis van Beek naar den Bosch, vvete men dat die afstand van 133 uren gelijk staat met dien van Marseille naar Valenciennes (Frankrijk op zijn langst) en langs de door ons gevolgde kromme lijn (167 uren) met dien \ran den Bosch naar Marseille, ot wel van Amsterdam naar Weeuen. Venetië of Bordeaux.
Aldus kwam de 12e karavaan allergelukkigst op hare bestemming. Zichtbaar beschermde de Voorzienigheid ons : we waren slechts met ons drieën en zeilen of'nooit telde eene karavaan meer lastenen dragers. i825 man) Wat nog nooit gebeur le geen enkele last, kist of baal, ging verloren of werd gestolen. (Teen enkele karavaan legde den weg in korter tijd af (de le karavaan in 1878 besteedde daartoe één jaar en 2 maanden) Geen ziekte of ongesteldheid, uitgezonderd een koortsaanval van Pater liossean. Duizendmaal zij de Voorzienigheid er voor geprezen en gedankt; hartelijken dank aan onze z iete Moeder en Koningin, Xotre Dame d'Afrique, Gods lieve Engelen, Sint Michaël vooral en onze H.fL Patronen.
file Gedeelte (11â28 October 1892),
van Boekoembi naar OeshirornJjo.
Men weet dat de Missiën van Equatoriaal- of Muiden-Afrika (een groot deel van Oostelijk-Midden-Afrika omvattend) in 1878 door den H. Stoel aan onze Societeit ter evangelizeering werden aangewezen. Peeds den 21 April van datzelfde jaar vertroii. de eerste karavaan , bestaande uit 10 missionarissen, uit Marseille ; den 19 Juni verliet zij met 450 dragers Bagamoyo en den 31 Dec. 1878 bevond zij zich te Kanoema aan den zuidelijken oever van het Nvanza-meer. Men zette echter den tocht voort tot het groots koninkrijk Oeganda. Eerst in 1881 werd de Missiepost van Xotre Dame de Kamoga in de Boekoembi-streek gevestigd: dit geschiedde na de versterking, die de derde karavaan aanbracht, toen eerst kon men aan den zuidelijken oever van het Xyanza-nieer aanvangen. Het was de ZeerEerw. Pater Blanc, die het meerendeel der missie-gebouwen, welke men thans ziet, optrok en
217
die zes jaar laug, tot 1886, niet veel vrucht iu deze Missie werkzaam was. Hij had tot opvolger als Overste Pater Girault (tot 1889). die de gebouwen uitbreidde en o. a. de fraaie kapel bouwde. De latere oversten waren de Paters Couillaud en Hauttecoenr. Tot aan hun dood waren de Paters Chevalier, Schynze, Giraud, enz. jarenlang in deze Mis«ie '.verkzaam.
Deze .Missie-statie heeft vau haar ontstaan af evenwel hoofdzakelijk gediend als weeshuis, opvoedingshuis van vrijgekochte slaatjes van de oralisr^eado gewesten, vooral na de verwoesting van de missie vau Kipalapala nabij Tabora. ia 1889 : verder gebruikte men dezen post voor tusscheupost, procure voor de groote missie van Oeganda, eindelijk voor toevluchtsoord der missionarissen van vermelde missie gedurende hunne herhaalde verbanning en vervolging.
Toch bl ven de ' gingen der missionarissen van deze statie niet vruchteloos. Xiet alleen in den omtrek, maar ook in de om-Jisrjwnde go westen strooide men het zaad des Evangelies uit. Aldus werd door Pater GiiMult eene missie begonnen bij Rouma, dt-n sultan van Moeeri. een !rr-gt;ot. machtig koninkrijk, ten westen vaa B.oekoembi gelegen. Ongelukkig moest deze missie, die zooveel beloofde .door qlt;hn-!c mn icerkliedeuquot; opgeheven worden, doch later werd zij meer Zuid .vajirts bij de ?dakolo s hervat.
De, post van Notre Dame de Kamoga is op eenige honderden meters afstands van liet Xyanza-meer, gelegen aan den voet van een rotsachtigen heuvelketen, die de Missie aan den Zuidelijken kant beschut. Onielbare bananen zijn rondom de missiegebouwen geplant, benevens een aantal eucalijpfusboomen en er is ook een schoone tuin aangelegd. Al de missiegebouwen vormen eene langwerpig vierkante tembee van 100 meter lengte en 50 meter breedte. Een boma of ringmimr. drie meter hoog en op de hoeken van fortius en schietgaten voorzien, omsluit al de gebouwen, uitgenomen daar. waar de nmren der gebouwen zelve tot boma dienen.
Verdeelt men dit langwerpig vierkant kruiselings in vieren dan heeft men in het bonedengedeelte aan den linkerkant de voor-naamste viiissi^gcbou .veu bijeen lt;». a. wuniogeii voor missioiitirissen magazijn, kapel, refter, slaapzalen der weezen, enz. De rechterkant van het benedengedeelte bevat het weeshuis der meisjes en verder in den hoek. een klein dorp of tembee van eenige gehuwde raissiekindeivn. De andere gehuwden vormen op een kwartier afstand van de Missie een christen dorp. Het overige gedeelte bevat de stallingen voor het rundvee, voor de schapen en voor de geiten, benevens andere gebouwen.
Op dit oogenblik bestaat het personeel djr Missie uit slechts
218
twee Paters en een Broeder, de Paters Hauttecoeur en Gacou eu Broeder Marie. Ongetwijfeld zijn er meer missionarissen noodig; want niet alleen voor de weeskinderen, voor de gehuwde buis-houdens en voor de procure, maar vooral ook voor het apostolaat onder de Wasakoeraa's dient gezorgd, doch helaas zoo is het in alle posten, de oogst is groot, maar de werklieden zijn gering.
Naar ik zei, hadden we het geluk Mgr. Hirth hier aan te treffen. die sedeit een maand ot wat uit Oeganda overgekomen was en reeds voor onze aankomst een visitatiereis naar de nieuwe missie van Oeshirombo afgelegd had. Monseigneur zag er zeer afgemat uit, wat niet te verwonderen is, als men even terugdenkt aan de bloedige vervolging, vermoording als 't ware zijner christenen in de eerste lielft van dit jaar; eene vervolging, naar ieder weet, komend van den kant der Anglikaansche zendelingen en de door dezen opgehitste Baganda's. Dat staaltje van dweepzieke wreedaardigheid eu papenhaat (o schande, op het einde der 19de eeuw !) doet denken aan het geuzenwerk van Gorcum, de stichtende graspreeken, de beeldstormerij en zooveel ander moois, waarop Calvyn's volgelingen terecht groot kunnen gaan ! Geen wonder dat Mgr. Hirth, de herder dier gemitrailleerde schapen, en zelt ter dood gezocht, als een hert opgejaagd en nagezet, veel geleden heett eu dat zijn bisschopshart nog immer bloedt bij het zien der vervolging en verbanning, die nog altijd voortduren.
Bij onze aankomst in Oekoembi dachten we alle confraters van de Nyanza-Missie als ballingen aldaar aan te treffen. Groot was onze verrassing en blijdschap tevens, te vernemen, dat er ten Noorden en ten Westen van Xyanza nog vijf missieposten bestonden, met achttien missionarissen. Monseigneur en de Broeders meegerekend. Men kan wel trachten het zaad des Evangelies weg te blazen, maar altijd blijven er van het eenmaal gezaaide eenige korrels ongemerkt over (immers het mostaardzaadje is zoo klein ') en dan : daar, waar men het heen blaast, schiet het des te weelderiger op. Zoo ook hier: aan de christenen was het toegestaan, slechts in de provincie Boedoe (liet zevende deel van Oeganda) aan den Noord-Westelijken Nyanza-oever gelegen, te verblijven. Daar vloden de Katholieken bij duizenden en tienduizenden bijeen en natuurlijk volgden de missionarissen hen daar. Mgr. Hirth zelt, meer bijzonder vervolgd, vluchtte met Moeiinga naar Boekoba, een Duitschen post in het land van Kiziba, ten Westen van het Meer. Dit was de aanleidende oorzaak van eene Missie aldaar voorloopig te Boekoba zelf en later detinitiet op eenigen afstand van daar gevestigd onder den naam van ..Mariënberg.quot; Ziehier de namen
219
dier staties met de namen der missionarissen van elkeu post.
1°. Maricnherg, (Kizib.i), de Paters Couilland, Schmier en de Broeders Amance en Dominicus.
2°. Maria- Villa, (Boedoe), de Paters Streicher, Houssiu, Toulze en Broeder \quot;ictor.
3o. Boejajoe, (Boedoe), de Paters Brard, Marcon en Roclie.
4o. Kiloetamoe, (Boedoe). de Paters Achte, Moullec en Bréas.
5o. H. Maria van Roehaga, (Oeganda), de Paters G-uillermaiu, Gaudibert en Levesque.
10âli October. â Zoo waren we dan thuis, dat is, ouder broeders van dezeltde familie of societeit, in eene missie-inrichting, waar alles evengoed geregeld is als in een huis der Societeit in Europa. Wat een geluk weer op de vastgestelde uren van den dag aan de geestelijke oefeningen deel te kunnen nemen, ons Brevier weer te kunnen lezen en dagelijks het H. Sacrificie te kunnen opdragen !
Maanden en maanden had men te zee en te land gereisd en gemarcheerd. We konden eindelijk wat uitrusten. De dag onzer aankomst en de volgende werden natuurlijk besteed met het opnemen van het huis en al zijne onderdeelen, der missie-inrichting in een woord. Alles was nieuw voor ons, alles wekte onze grootste belangstelling, dat kan men begrijpen. We moesten zooveel leeren zooveel met eigen oogen zien.
Ik zeide daar, dat we thuis waren. Ho, ho ! nog zoo gauw niet. Wanneer en waar is een missionaris eigenlijk thuis'? P'it zal eerst in den hemel zijn, want, zoolang hij ademt, is het reizen en rondtrekken in zijn onmetelijken wijngaard. Vandaag is hij werkzaam in deze statie, morgen in gene, want b. v. daar overlijdt een confrater ohvel de missionaris wordt opgejaagd, verbannen uit dit oord en hij begeeit zich aanstonds naar een ander om er het zaad des Evangelies uit te werpen.
We waren nu in het Binnenland en we hadden onze karavaan gelukkig naar Boekoembi gebracht, doch waar, naar welk punt, naar welken post ging men ons zenden om te arbeiden V Naar Oeganda, Kiziba ot wel zuidwaarts naar Oeshirombo in liet provicariaat van Oenyanyembee ? Rechtuit gezeid, waren we allen wel wat nieuwsgierig. Monseigneur echter maakte ons aanstonds bekend met onze bestemming. Pater Gosseau [ging, zoowel als ik, de missie van Oeshirombo versterken ; Broeder Jean-Pierre was voor de Oegauda-missie bestemd ; eindelijk gingen naar Oeganda mede twee onzer dokters-katechisteu van Malta, Jos. Mongoija en L. Bou-zabaliao, terwijl de derde, Loussembe, ons zou vergezellen. De twee eerstgenoemdeu zouden dus hun vaderland weer terugzien.
220
BcmziV)aliao behoort tot een der voornaamste christen familiën van Oegan la. Zijn neet stierf in 188(3 den vuurdood tijdens de christenvervolging van Moeanga. Zijn broeder is een der dapperste aanvoerders van de christen strijdkrachten. Zoo zou dan ons karavaanleven opuienw beginnen voor tien of elf dagen. Xn, dit schrikte ons niet af. want. uiterst blijde niet onze benoeming, brandiin we van verlangen om ons missieveld te amsdioiuven en aan de confraters van Oeshirombo onze hulp aan te bieden. Eeuige dagen echter hadden we noodig oin ons voir de reis gereed te maken, want naar ik reeds gezegd heb, hadden we ongeveer 140 draaglasten. voor de Oi'siürombo-missie bestemd, van de kast meegebracht. Er moest das eene nieuwe karavaan gseorganiseevd en dragers aangeworven worden. Dit nn zou zco moeilijk niet zijn. Pater Hauttecoeur heett maar te spreken en spoedig komen de Wasakoema's aansnellen, zoo goed kent hij zijn volk, zoo goed kennen ze hem. We hadden ons daarmee niet te vermoeien en konden eenige dagen uitrusten. Ik zeide dat Pater Hauttecoeur door zijn volkje wel gekend is. Inderdaad en niet alleen door de Wakoemba's, Wasakoema's, maar overal in het land Masalala. Oeny-anyembe, enz. is hij bekend; echter niet onder zijn Franschen naam Hauttecoeur, de negers kunnen dien niet uitspreken evenals zoovele andere namen, maar onder den naam van Bwana l\itgt; i.Vlt;-pih. naar de voormalige missie van dien naam, die in de nabijheid van Tabora gevestigd was en waarvan Pater Hauttecoeur lang overste was.
liit geeft mij de gelegenheid een woord te zeggen over de namen en de bijnamen, die de negers ons geven. Soms heett een missionaris het geluk dat hij zijn naam behoudt, doch dan nog wordt hij door de zwarten min ot meer naar hun uitspraak en taal gemarteld, bv. Pater Capnci of zelfs Caputi (van het algemeen bekend woord Caputi, uit het Duitsch kaput, kapot), in plaats van Pater Capus. Dikwijls echter als de naam wat te vreemd is, krijgt men op den duur een anderen. Zoo heb ik veel kans den naam van Bwana Toembako te krijgen (1) L. Levesqne men kan raden waarom, voert den naam van âBwana Toemboquot; (buik). De overleden Pater Schijnze, een buitengewoon goed schutter werd Bwana Boendoeki (geweer) geheeten. Men weet dat de beroemde Pater Lourdel door allen Mapera (mon Père) genoemd werd.
13 Orfober. Door Pater Garcon geleid deden we heden een toertje in de omstreken der missie. De groententuin der missie werd
fl) Toch niei. L;i;er bij de Wasalala's werd mijn oouitspre kbare naam algemeen vervangen door dien van âBuana liarohr'. Maroio wil :eggen : gias, brilglazen, dus vrij verta'ld : M'ester Briilomao !
221
mede bezichtigd. Had men, zooals in deze statie, overal gToenten, de gezondheid dei' missionarissen zou er beter bij varen, de koortsen zouden misschien zeldzamer zijn. Xn is men genoodzaakt dat gemis door een overvloediger gebruik van vleesch aan te vullen, en toch is het zeker dat een te overvloedig, bijna uitsluitend dierlijk voedsel in Midden-Afrika schadelijk voor den Europeaan is, terwijl integendeel groenten, vruchten en andere spijzen, vooral rijst en (waarom niet ?) moetama, maïs, pataten, enz. veel gezonder voor hem zijn.
De missie is slechts eenige honderden meters vau het Xyanza-meer gelegen. We bezochten de aanlegplaats der schepen. Naast een zeer fraai roeibootje (12 meter lang en 2 meter breed) dooi de Duitschers in stukken van de kust aangevoerd, en hier in elkaar gezet, lagen eenige inlandsche bootjes gemeerd. 'Workeiijk ze maken geen slecht figuur naast de keurig afgewerkte Duitsche sloep. De bootjes der Baganda's en der andere Xegers rondom het Xyanza-metT, zijn meestal kolossale boomstammen, doch met groote kunst uitgehold en van buiten in vorm voor scheepsgebruik geschikt gemaakt. Als men de lengte (10 tut 12) meter, en de breedte (slechts één meter) beschouwt, dan begrijpt men niet dat de Baganda's (de Basésé's vooral eilandbewoners zijn echte zeelieden) met die schuiten te stormen van het meer durven trotseeren en zich aan den aanval van rivierpaarden en krokodillen durven bloot te stellen, die zulke barken zeer gemakkelijk overhoop kunnen werpen. Eu dan maken ze nog wel gebruik van zeilen enz.
Men moet aan de oevers van het meer steeds op zijne hoede zijn. Ontelbaar zijn de slachtoffers der vreeselijke krokodillen, die soms het water verlaten en in het hooge gras of in de papyrus-velden langs den oever zich schuilhouden.
Pater Gacon wees ons de grenzen van het eigendom der .Missie, door den Sultan vau Boekoembi vroeger aan ons afgestaan (ot verkocht';) want vroeger moest men meermalen een stuk gruiid duur koopen van de Chefs. Hun eigendom is vele honderden hectaren groot en wordt ten Zuiden dooi steile rotsheuvelen ingesloten en ten Westen en ten Noorden door het meer.
Op onzen terugtocht passeerden we het missie-dorpje, bestaande uit tien Christen huisgezinnen eu gelegen op de missie-eigendommen. Ieder huisgezin bewoont geen hut, maar een huisje uit zonsteen opgetrokken en met een plat dak voorzien.
II October. Ook heden deden we door Pater Gacon vergezeld, een uitstapje, doch wat verder dan gisteren n.1. drie ot vier uren noordelijker naar den vroeger® post van Xyegesi of Xotrc TM na des E.rili'-, O. L. Vr. der Ballingen.
222
Onze ezels werden ijezaileld en . . . voorwaarts I De aanblik van liet Oekoembiland is schilderachtig en verschilt geheel van het uitzicht der landschappen, die we van af de kust te zien kregen. Zooals ik reeds gezegd heb, is het land heuvelachtig, de heuvels bestaan uit opeengestapelde granietrotsen. Verder is de streek bijna geheel ontbloot van houtgewas, geen poii maar vlak land en meestal bebouwd, zoover het oog reikt. De dorpjes zijn van uit de verte gemakkelijk te erkennen aan de groene euphorbeheggen. Geen tembee's hier, zelts geen palissaden rondom de ronde hutten der bewoners. De Wakoembi's zijn wel liefhebbers van reizen en echte levenmakers, maar zij zijn niet dapper en niet oorlogszuchtig. Waarom dan boma's bouwen '?
Aan den linkerkant van onzen weg hadden we bijna voortdurend het Nyanza-meer in het gezicht. Een watertochtje op het meer moet wel aardig zijn, vooral langs de oevers en zonder twijtel moet men op iiet meer de heerlijkste gezichten hebben, want overal vormen zich aan de oevers kleine kreeken met pa-pyrusriet omzoomd.
quot; Om elt uren bereiken we de voormalige missie van Nyegesi. Al de missiegebouwen (een langwerpig vierkante tembee) staan nog overeind en zijn goed onderhouden, want dit eigendom behoort steeds nog aan het Apostolisch Vicariaat. Men weet dat onze missionnarissen bij de tweede vervolging in Oeganda, ui. die der Arabieren-muzelmannen, nogmaals (ten derde male) naar het zuiden van Nyanza moesten vluchten. Een groot aantal Christen-Baganda's volgden hen. Wat te doen met al die ballingen. Missionarissen en Christenen ? Toen werd er besloten hier een post te vestigen onder den naam van O. L. Fr. der Ballingen. Aanstonds toog meu aan het werk eu in een ongeloofelijk korten tijd verrezen al de gebouwen als uit den grond, die men nu ziet. De uitgeweken christenen vormden hier een groot dorp. De streek was toenmaals vrij sterk bevolkt, zoodat een druk Apostolaat ouder de naburige stammen mogelijk was.
Toen echter de vervolging ophield, keerden de missionarissen natuurlijk naar hunne missie terug, evenzoo de Baganda's : want de meesten hunner wenschten hun vaderland weer te zien. De Negerbevolking verliet eveneens de streek en ging zich, uit vrees voor de Duitschers van Moansa elders vestigen. De Missie had dus op die plaats weinig of geen reden van bestaan meer, waarom die dan ook op het oogenblik voorloopig opgeheven is. Altijd toch kan die statie van nut zijn, b. v. bij eene 5de verbanning. Immers de vervolgingen en politieke omwentelingen en beroeringen volgen elkander in Oeganda nog veel sneller op, dan de revolutiën
22:3
in Spanje of in de republieken van Zuid-Amerika ! In den laat-sten tijd schijnen de bewoners daarenboven in hunne vroegere dorpen naar Nyegesi terug te keeren, zoodat er dus nog te werken zou zijn, ah er maar genoeg werklieden waren. De llissie-gebonwen zijn nu verhuurd aan, en worden bewoond door lieden der Expeditie, uitgezonden door het bestuur der Duitsche Anti-slavernij-Loterij.
Een gevoel van treurigheid maakte zich van ons meester bij 1 et betreden der tembee. We dachten aan onze vervolgde medebroeders van 1889, aan de Paters Lourdel, Lombard, Denoit, enz., allen reeds overleden. En was het ook niet treurig, dat al die gebouwen nn ledig stonden '?
We werden allerhartelijkst ontvangen door de Heeren Duitschers Kapitein Meyer en Kapitein Spring. De chef der expeditie Baron von Scheinitz was afwezig en vertoetde te Boekoba aau den westelijken oever van het meer. Een jaar geleden had de expeditie den Zuidelijken oever van het Nyanza-meer bereikt, met eene groote karavaan, 70 askari's en twee sloepen, waarmee de dienst op het meer moest verricht worden.
Wat was toch het doel dezer (kostbare) expeditie en waartoe heeft het bedrag dier fameuze Anti-Slavernij-Loterij gediend ? Is er één slaat mèe bevrijd en uit de handen der Arabieren verlost. Och, kom, wat is men toch naïef en.... dom in het alwijze Europa! Men zoeke hier geen slaven, slavenjagers of Arabieren ! Zelfs de zoogenaamde âhuiselijkequot; slavernij bestaat in Oekoembi niet om zoo te zeggen. Die heeren, overigens uiterst charmant, zijn hier zeer confortabel ingericht en hebben voor missie astronomische observaties te doen en meer bijzonder het Nyanza-meer op te meten. Daartoe dienen de stalen booten. Als de Arabieren-slaven-jagers dit eens wisten, wat zouden ze spotten (en terecht) met de Anti-slavernij-bemoeiingen van het ofticieele Europa.
Had men de een of twee millioen mark ouder de verschillende Missie-Genootschappen verdeeld, ja dan waren de arme Zwarten er bij gebaat doch nn ? Ze vreezen zulke Wazoengoe's en vluchten hunne nabijheid.
Het plan der Missie-tembee gelijkt op dat van de meeste andere en omvat de reeds opgenoemde noodzakelijke gebouwen. Heerlijk is de ligging op slechts honderd meter van eene kleine golf, die het meer hier vormt, en prachtig is het gezicht dat men van hieruit geniet.
De Missie-gebouwen zijn wel door het personeel der Expeditie bewoond, maar toch bouwt men op vijf minuten afstands een eigen statie ; Kapitein Mayer begeleidde ons ter bezichtiging van deze in aanbouw zijnde nieuwe standplaats.
224
2.3_16 Oei ober. Zondag. Ouze karavaan is nagenoeg gereed.
De noodige dragers zijn zonder moeite gevonden eu men ib liet eindelijk â want dat duurt altijd eenige dagen eens geworden over het draagloon {3 doti s benevens ue poshoj. .doigen rukken we op. als het God beliett.
Het was lang geleden dat ik, evenals gisteren en vandaag, in de gelegenheid was de Hoogmis te zingen en plechtig Lof en Vespers te doen. Beek eu Donk, Carthago, Zanzibar, La Longa, Oekoembi, ziedaar vrij verre afstanden, l'e Missiekapel, 20 metei lang, G meter breed, is Zondags goed gevuld. Naar schatting bedraagt het getal christenen in het geheel, groote en kleine samen, 125.
Men heett hier een treffend beeld van (ie christen vereenigingen der eerste eeuwen (b. v. eene H. Mis in de katakombenj. Daar zag men in de sombere galerijen van het onderaardsche Koine, soms Romeinsche matronen uit de voornaamste lamilim, zeLs leden der keizerlijke familie naast slaven en slavinnen nederig neergeknield. Hier eveneens, want eene zuster van Moeauga, don rwuning van Oeganda, heeft hier een toevlaclitsoord gezocht en leidt een waar religieus leven. Immers, zij verricht ouder de weesmeisjes der Missie den dienst eeuer Liefde-Zuster. Vwder verblijven lucr, zooals men weet, twee kleine prinsen niet Inunie moeders, ui. een zoon van Moeiinga en een van Karenia, dus kleinzonen van Mteca.
Toen Moeiinga zich eindelijk aan fle Engelschen der East-Ahi-can Cie overgaf, wilden dezen dat de twee prinsen met hv.niie moeders aan hen uitgeleverd zouden worden; doch Mgr. Hhth antwoordde, dat men hein niet anders dan met geweld zijne be-sclieimelingen zou ontrukken, want vrij eu ongedwongen hadden zij zich onder de bescherming der missionarissen gesteld. Het liêlsche doel was, zich van die arme, onscliuldige kinderen te ontdoen. Op dezen immers hopen de Katholieke Daganda s in laume worsteling met nuizelmanneu eu protestanten. Zij zijn de twee eenig overgebleven wettige kinderen uit het geslacnt van .dte^a en
daar nu Moeiinga zijn vaderland verraadt, door liet over ie leveieu
aan de Engolschen, de eenig reclithebbenden op den troon van Deganda.
Uiterlijk ziet men geen onderscheid tussehen hen en de am.eie weeskinderen, (meest allen gewezen slaatjes), linune speelgenooten. Beiden zijn eerst vier jaar oud. Do een is een cuarinant kind eu ziet er buitengewoon schrander uit. Men zegt onwillekeurig, âdit kind wordt iets buitengewoons Iquot; Doch als de missionarissen de-opvoeding van dit koningskind moeten voltooien, dan zal hun taak moeilijk genoeg zijn, want het prinsje is driftig en jaloersch van aard. De andere is niet ondeugend, maar lang zoo schrander
225
niet. Ze worden opgevoed evenals de andere kinderen en men vermijdt alles, wat linnne ijdelheid zou kunnen streelen.
17 October. Maandag. Wat eeu drukte op het binnenplein van liet Huis. Alle lasten liggen daar geschaard en, nadat elke drager den last heeft uitgezocht, die hem het meeste bevalt, zet hij zich aan het werk om dien zoo te binden, als hij hem het gemakkelijkste kan dragen. Om elf uur trekken de dragers op, onder leiding van hun nyampara, zij gaan kampeeren op anderhalf uur afstand. Nog vijftien lasten blijven er liggen, evenveel wapagazi's dienen nog gevonden te worden. Eerst in den namiddag om 4 uren begeven we ons naar het kamp. Monseigneur zelf deed ons een eindweegs uitgeleide, de andere confraters eveneens. In die omstandigheden is een afscheid altijd plechtig, het stemt tot ernst, bijna tot droefheid ; zouden we elkander op deze aarde nog wel wederzien ? Waarschijnlijk niet. Ook mijne twee oud-leerlingen van Alalta ging ik vaarwel zeggen, en dit afscheid viel me eveneens hard. Na een laatsten zegen ontvangen te hebben van Mgr. Hirth alsmede zijne beste heilvvenschen in vereeniging met die onzer medebroeders, bestegen we onze ezels; eenige oogenblikken later verborg een rotsheuvel voor ons oog de witte zich verwijderende gestalten ! En nu, âen avantquot; naar het beloofde land. Na anderhalf uur bereikten wij ons kamp No. 1 (No. 66) Soegxetie ya Obbweei, gelegen nabij de plek, waar we den lOden Qctober halt hielden. We vonden alles mooi in orde : onze tent, onze veldbedden, de stapel draag-asten, enz., enz. Geen wonder ook, want negen christenen van le Oekoembi-missie, flinke jongelieden, danig bij de hand en gewoon met missionarissen te reizen, zouden ons vergezellen en ons gedurende de reis voor askari's dienen.
18 October, Kamp No. 2 (No. 67); Ndixoa. Twee en eeu halt uur marsch in Zuidoostelijke richting. Rechts hebben we de blauwe wateren van het Nyanza-meer in liet gezicht en daarachter en vóór ons het heuvelachtige land van Oerima. Monseigneur had ons gezegd onze krachten te sparen en geen te lange marschen te maken. lieeds om acht uren sloegen we ons kamp op, te meer, wijl er nog vijf lasten achter waren.
De bewoners uit deu omtrek schenen bevreesd en haastten zich niet ons volk levensmiddelen te koop aan te bieden. Blijkbaar wisten zij niet, met wat soort blanken zij te doen hadden. Hadden zij geweten, dat het de mapadiri's waren, dan waren zij wel toegesneld, doch als het de Duitschers eens waren met hunne verschrikkelijke Soedaneezen en Zoeloe-soldaten ! Het is ongeloofelijk wat een vrees en angst de Duitschers overal â elders evengoed als hier â aan de zwarte bevolking ingeboezemd hebben. Nu, ja ;
226
voor liet oogenblik kim dat geen kwaad. Hier zou men ook kuu-neu zeggen : ..De vrees voor de Dnitscliers is liet beginsel dor wijsheid.quot; Zoo althans wordt het land rustig: de overmoed der inland-sche vorstjes wordt betoomd ; de inlandsche oorlogen, enz. enz.
19 October, Woensdag. Kamp Xo. 3 (Xo. 08) Matare op de grens van Oerima en Xera. Tocht van 4 uur van s middags éen uur tot 's avonds vijf uur. We besloten niet op te rukken voordat alle lasten bijeen waren, zoodat we eerst na den middag konden opbreken. Ãnze karavaan overigens klein, marcheert ordelijk in goed aaneen gesloten rij. We passeeren eenige dorpjes. Bij het naderen ziet men overal vrouwen en kinderen de vlucht nemen uit vrees voor de.... W adeutshi (Dnitscliers). Waai lijk hier vertrouwt men den Pruis evenmin als in Europa, in het vrije Holland, bij voorbeeld.
Xog altijd Zuid-Oostelijke richting, zooals men ziet, volgen we vandaag, evenals de twee vorige dagen, denzelfden weg, langs welken wij gekomen zijn. Xa een paar uur echter slaan we vandaag rechts at en passeeren we het moeras, (waarvan ik vroeger sprak), dichter bij het Meer. Wat een slechte weg en dat twee uur lang ! Ook nu weer moest ik over drie modderige riviertjes gedragen worden; onze christenen verstaan dat kunstje goed. Een oogenblik scheen de weg voor ons versperd door een rietbrand. Honderden watervogels, (eene soort reigers), maken in het moeras jacht op visch, slangen, enz., door het vuur gebraden ! Eindelijk hebben we het modderige, ongezonde moeras achter den rug, en beklimmen we een zandachtige hoogvlakte, waarop we kampeeren onder den éénigen boom in den heelen omtrek.
Eechts ten zuid-westen rotsige heuvelen. Links wees men ons op anderhalf uur afstand Kasserolo, waar we den 1...icn Oct. kampeerden, en heel in de verte Xera.
We bevinden ons nu aan de zuidpunt der Xyanza-kreek, die we dus omtrekken, want morgen nemen we koers (tot Oeshirombo toe) in zuid-westelijke richting. Men kan twee dagreizen uitwinnen, als men vlak bij de Oekoerabi-missie de kreek in schuiten passeert en dan Oerima en een stuk van Mneri dwars doorsnijdt, doch ons was dit minder aan te raden wegens 't gioole aantal lasten. Overigens ontbraken ook de noodige vaartuigen. De koeriers echter volgen altijd dien weg en bereiken Oeshirombo in 4 dagen.
,'20 October, Donderdag. Kami1 Xo. 4 (Xo. 69) Kano Oüsec.a. (Queima). Marsch van 4 uur, van 5 uur 40 tot 9 uur 40. Uren lang marscheeren we in eene vlakte door heuvelrijen ingesloten. Aan den voet dier heuvelen ziet men op een afstand eenige Ourima-dorpjes gelegen. We kampeeren nabij de ikoeroe, of het voor-
227
naamste dorp der streek. Een kolossale boom is meer dan voldoende om onze geheele karavaan voor de lieete zonnestralen te beschutten. Zijne takken breiden zich over eene oppervlakte uit van meer dan 30 meter in doorsnee. In het Westen zien we weer het Nyanza-meer ot liever eene andere kreek, die nog verder in het land loopt dan die, welke we omgetrokken zijn.
Ook hier in Ourima kent men de Wadentshi. Het dorpshoofd verschijnt niet. Jlen zegt ons dat zijne onderdanen hem verborgen hebben.
Ik noem ons kamp Kano Ousega. Zoo heet eigenlijk de thans regeerende chet ot het opperhoofd. Ik moest dus zeggen, dat wij kampeeren kwa Kano Ousega, d. i. h/j het opperhootd. W at zullen de geografen in latere jaren zich het hoofd te breken hebben, als zij honderden namen van plaatsen, door ontdekkingsreizigers in hunne reisverhalen opgeteekend, niet meer terug kunnen vinden. Eu geen wonder! Want zeer dikwijls noemt men een dorp en de streek in den omtrek naar den naam van den chet. Sterlt deze, dan krijgt men natuurlijk een anderen naam te hooren. Vele der door mij vermelde namen van onze kampplaatsen zijn niets anders dan de namen der sultans, manangwa's, mwisikoema's, internis, of wat titel die koningen, hertogen, baronnen en jonk-heeren ook dragen mogen. Levensmiddelen zijn er overvloedig in liet land ; we koopen voor drie doti's stot de posho (het rantsoen) voor al onze lieden voor twee dagen. Een stuk merikani wordt op den grond uitgespreid en al de gekochte moetama en patatten schudt men erop uit. Nu begint de uitdeeling. Elke klein-nyam-para komt op de beurt zijn portie halen en die van zijne âwatoto'squot; (kinderen), d. i. zijne kameraden, waarover hij op een of anderen titel gezag uitoefent.
Van avond vallen er eenige regendruppelen. l)c regenmaanden naderen, en het wordt tijd, dat we thuis komen.
21 Odóber, Vrijdag. Feest van St. Ursula. Kamp No. 5. (No. 70) Makolo y Teeesa. Tocht van 6 uur en een kwartier, van 5 uur 40 tot J 1 uur 55. De Heilige, wier feest we vandaag vieren, trok, van hare elt duizend maagden vergezeld, ook over land en zee met een Apostolisch doel. Moge deze vaderlandsclie Heilige (want ze vertoefde gewis maandenlang op Neerlands bodem) ons beschermen en God voor ons smeeken, onze reizen voortdurend te heiligen, opdat op ons niet toepasselijk zij; âdie veel reizen, worden zelden heilig.quot; Een kostelijke spreuk, die een missionaris wel eens mag overwegen en in zijn Brevier schrijven !
Onze weg loopt vandaag in bijna zuidelijke richting. Tot acht uur trekken we door eene vlakte met vee! dorpen. Links eu rechts
228
vrij liooge heuvelen, niet rotsachtig zooals in Oekoembi, maar met hout en struikgewas bezet. Vervolgens een uur lang pon of bosch met dim sparhont, midden tussehen twee heuvelrijen door Linde-lijk bereiken wij de bovengenoemde Nyanzakreek, welker Oostelijke oever, met papyrus bezet, we twee uur lang zuidwaarts volgen. In plaats van te kampeeren bij de dorpen van Sidimajoe besluiten we de kreek vandaag al om te trekken, en aan gene zijde ons kamp neer te slaan. De kreek eindigt niet in eens, maar loopt _ uit m een moeras en verder naar het schijnt (volgens de kaart) in eene rivier. Ik meende dat ik het te voet best klaar zou spelen. Maar jawel! De verraderlijke bodem zinkt weg onder de voeten. Gelukkig is de zon brandend heet, zoodat een nat pak spoedig
droog is. .
Twintig minuten verder bereikten wij een zeer gastvrij dorpje,
tussehen de rotsen gelegen. , â .
De streek heet Kwa Makoio ya Teresa (naam van den diet). 1 ocli staat de naam Makoio deftig op de kaart als naam van een dorp. Makoio is vazal van Roma, koning van Mueri, links van ons kamp; ten zuiden begint het uitgestrekte land van Msalala. Hier is de bevolking niet bang voor de Wazoengoe's. Zo kent hen van onds. Reeds op
eenigeu afstand van hier ten zuiden bestond vroeger een Protest antsche
Missiepost der Engelschen door den bekenden Ds. Mackay gesticht. Rechts ten Noorden, doch een paar dagreizen verder m het land van Oesambiro werd door Pater Giraelt vroeger een Missie begonnen, die echter door gebrek aan arbeiders spoedig moest worden
opgeheven. _ 1 i *
De bevolking nadert ons zonder vrees en zij weten ook dat de
missionarissen, gedachtig aan het woord des Zaligmakei» â utate ivjirmoHquot; (Verzorgt de zieken), wonden verbinden, geneesmiddelen uitdeelen, enz. Eene vrouw uit het dorp kwam in den namiddag naar ons kamp om eene verouderde, verwaarloosde atzichtelijke wonde aan den voet te doen genezen. Gelukkig heeft de Goddelijke Verlosser ons geboden de zieken te verplegen en niet die altijd te genezen. Toch besteedde ik alle zorg om de wonde te zuiveren, te ontsmetten en te verbinden. Men had eens moeten zien, met welk eene oplettendheid onze dragers en een groot aantal dorpelingen die operatie afkeken.
De sultan bracht ons een fraai geschenk. Verbeeldt u dau men ons nadert en begroet zooals de lieden hun koning begroeten d i. in de handen klappend ! Vorderden de Engelschen ait van hen.
Wii vorderen dit niet.
^2 October, Zaterdag. Kami» No. G CXo. 71) Boemasda. Mm-scIi van 5 uur, van 5 uur 50 tot 10 uur 50. Van 6 tot 8 uur Zuid-
229
Westelijke, van 8 tot 11 uur bijna Zuidelijke richting. Natuurlijk bosschen, die echter een fraaier uitzicht krijgen. Het wild is overvloedig. vooral in deze streek. Gedurig maakte men mij opmerkzaam (ze hebben oogen als verrekijkers, die Negers !) nu op een gazel ot zebra, die op eene opene plek van het bosch bedaard graasde, dan op eene troep wilde ezels in het sparhout, eens zelfs op een paar apen, die vanaf een rotsigen heuvel, midden iu de pori ons beloerden.
Om 8 uur passeeren we twee door de Wangoni's verwoeste dorpen. Niets dan de groene euphorbeheggen blijven er over. Stil en doodsch zijn die plaatsen. Al mijmerend bid ik eenige malen het âDe Profundus,quot; voor de arme zwarten, die hier waarschijnlijk in grooten getale omkwamen.
We houden halt een weinig verder bij een klein dorp, dat weer opgebouwd en bevolkt is door de overgebleven bevolking. Daarna nemen we koers naar het Noorden en beklimmen een rotsachtig hoogvlak om daarna in eene andere pori af te dalen.
Om 10 uren bereiken we do eerste dorpjes van Boemanda, gelegen in eene welbebouwde vlakte. Men ziet er vele maniocvelden. Het kamp wordt opgeslagen op een afgeoogst moetamaveld onder een lommerrijken boom. De sultan van Boemanda, Kisama komt vier uur ver ons een bezoek brengen. Hij zegt de vriend (rafiki) te zijn van Mgr. Hirth, die een maand geleden, hier ook passeerde op zijne reis naar Oeshirombo. Hij brengt ons een mooi geschenk (hongo) en schijnt werkelijk een braaf man en den Wazoengoe's genegen te zijn. We bespeuren ia zijne handen een traai nieuw (Fransch) Grasgeweer. Hoe komt de kerel er aan ?
Dit is geen raadsel. Men weet dat de karavaan van het vorige jaar (1891) grootendeels verloren ging en uitgeplunderd werd door de lieden van Sangrema op slechts eenige dagmarschen van Boekoembi. Bij die ramp (een verlies van 100.000 frs.) werden o. a. een groot getal Grasgeweeren en veel kisten met patronen gestolen. Waar bleven die? Wel heeft Pater Hauttecoeur een zeker aantal kunnen opvisschen, maar het grootste gedeelte is ongelukkigerwijs in handen der Negers gebleven. Velen der roovers verkochten hun buit aan de omliggende Chefs en zoo is het niet te verwonderen, dat men die geweren overal in de streek ziet. Te Nera, Ourima, Boemanda, Ninda, Msalala, enz., tot in Tabora toe !
Evenals haar sultan heeft de bevolking dezer streek vertrouwen in ons. Terwijl ik in den namiddag onder de geopende tent mijn brevier bid, komen velen den Alzoengoe op hun gemak begluren. Groot is hunne verwondering. Wat indruk moet dat wel op hen
230
gemaakt hebbeu ? En dat mooie boek verguld op snee (âkitaboe nezoeriquot;)! Maar wat begrip hebben zij van een boek, van lezen . Wie weet ot ze mij niet voor een toovenaar hebben aangezien . Arme lieden ! Ze vermoedden niet, dat ik bad voor hunne zieltjes.
Niet zoo gauw hebben zij bemerkt, dat ik ook snuit of een heele troep komt op mij at, en de snuit doos van Pastoor v. d. V.
is in een oogwenk leeg.
2:i October, Zondag. Kam. No. 7 (No. 72), Boem.vnda. Marsch van 2 uur, 20 minuten, van 6 uur tot 8 uur 20. Na de H. Mis om 5 uur, is alles om (i uur gereed. Eichting bijna zuidelijk met slechts 5 graden afwijking ten Westen. Atwisselmg van bebouwde velden, pori en rotsheuvelen. Om 8 uur nadeien we een andere groep dorpen, behoorende tot het koninkrijk Boemanda.
Onze kirangozi's (gidsen) zijn niet bepaald zeker van den weg. We houden dus reeds om 8 uur 20 halt en kampeeren dicht bij een groot dorp, door een boma of pallissade omgeven. De donder gromt van verre, een onweer dreigt en eeaige regendruppelen vallen reeds. Fluks wordt bevel gegeven groene takken aan te dragen om onze bagage te bedekken. In vijf minuten was alles voldoende beschut tegen eene mogelijke regenbui.
Het dorpshoofd komt ons bezoeken, ook deze lijkt een naat man, evenals zijn souverein. Veel zieken en anderen met wonden aan de voeten, enz. komen om zich te laten verplegen.
21 October, Maandag. Kamp (No. 8 No. 7;!), Kwa Migt;igi, (Msalala). Marsch van G uur. (6-12 uur) Vier uur lang westelijke richting, daarna eensklaps (van 10â12) zuidelijke nch mg. Men vraagt zich at of we vandaag geen grooten omweg gemaakt hebben Had men dien hoek niet kunnen vermijden en recht vooruit marcheeren. Geen wonder ovtrigens, indien onze gidsen met te best bekend zijn met de wegen dezer streek. Raadpleegt men de kaart van Kiepert, dan zal men zien, dat de streek, die we doortrekken, van de tweede Nyanzakreek at tot Loemerezi nog totaal onbekend is, en dat nog geen ontdekkingsreiziger dezen
\v62r ffevolffd is. . ,
Ons kamp lag op den rand van een pori, waarin onze karavaan
van morgen aanstonds verdwijnt. Drie uur lang loopt het pa
vervolgens langs den rand van een bosch ; aan de andere zijde
strekt zich eene onmetelijke, witte grasvlakte uit Ken troep wilde
ezels was, jammer genoeg, te ver af om een schot te bepioeve .
Anders, wat een heerlijke posho voor onze lieden ! Ze vmden dat
vleesch uitermate heerlijk. âDe gustibus nou est
moet niet redetwisten over den smaak, dit is ook hiei waar.
De negers eten wel de kippen, doch niet de eieren, of... ze
231
moeten vrij lang bebroed zijn. Ze eten wel wilde ezels, maar geen pintaden. Ze drinken wel pombee en modderig water, maar geen geitemelk en hoogst zelden koemelk.
Om 10 uur bereikten we eenige dorpen. Ijzererts wordt hier overvloedig gevonden. We zien dan ook overal inlandsche smederijen. Vooral vervaardigt men schoppen, hakken, bijltjes, waarmee een drukke uitvoerhandel wordt gedreven. Natuurlijk is hun smeden vrij primitief, maar tocli staat men verwonderd over de kunstvaardigheid, waarmee onze dubbelzwarte smeden b. v. de scherpst gepunte pijlen, lansen, enz. vervaardigen. De blaasbalg bestaat uit een grooten zak van dierenhuiden, waarop een of twee vrouwen met stokken slaan, onder het zingen van een eentonig deuntje. Het schijnt, dat liet werk aldus minder vermoeiend is. Ook bij het malen van de sorgho hoort men de vrouwen een eeuwig herhaald refrein op dergelijke manier neuriën.
Het is zeer heet, de weg vrij slecht. We houden dan ook drie- of viermaal halt bij waterkuilen, om onzen lieden te vergunnen hun dorst te lesschen. Van elf tot 12 uur is de richting Zuid-Oost en we moeten naar het Zuid-Westen !
Tegen den middag naderen we de hoofdstad van Mpigi, een der voornaamste hoofden van Msalala en nagenoeg onafhankelijk van zijn suzerein Gagi, mtémi of koning van geheel het groote rijk van Msalala. Wat eene uitgestrekte, schoone vlakte, en dicht bevolkt, te oordeelen naar al de dorpen in het rond, die men evenals zoovele groene oasen ziet te midden van de eenigszins rood gekleurde vlakte. Het land heeft eene golvende gedaante. Links in het Oosten, achter gindsche blauwe bergketen, liggen de overige voornaamste provinciën van Jlsalala, 't land van Oagi vooreerst, en de rijkjes van Wimoe, Msekera en eindelijk meer zuidelijk, die van Soundi, Kandi, enz.
Hamsin (ik vergat te zeggen, dat deze ons ook nu vergezelde) wees ons de richting van Tabora, Oesougo, Oekoerabi, Oeshirombo enz. Het is verwonderlijk, hoe gemakkelijk de negers zich kunnen oriënteeren, terwijl wij, met kaait en kompas gewapend, ons soms deerlijk vergissen. O, die oriëntatie ! Ik kan mij niet verbeelden, dat daar het Noorden is, waar ik altijd het Zuiden zoeken zou, en ik begrijp bijna niet, dat daar de zou opkomt, waar ik denk dat het Westen is. Dat komt hoofdzakelijk, geloof ik, omdat wij de zon altijd boven ons of een weinig ten Noorden zien, en niet meer zooals vroeger ten Zuiden.
We kampeeren vlak bij het groote dorp, onder een boom natuurlijk (ik kou er wel uitscheiden, geloof ik, met het vermelden dei-laatste bizonderheid). Mpigi laat ons aanstonds door zijn zoon een
232
groot vet schaap brengen. Papa was afwezig en op eenigen afstand bezig zijn werkvolk na te zien, evenals de oude patriarchen. Niet lang evenwel liet hij zich wachten ; hij kwam weldra, omhangen van al zijne waardigheidsteekenen en voorafgegaan door een heelen stoet rijksgrooten, ons eene visite brengen en bood ons een wezenlijk vorstelijk geschenk aan, nl. : een prachtigen vetten os. Dit is de schoonste âhongi,quot; die we van at liagamoyo ontvingen.
Ook llpigi noemt zich den vriend van Mgr. Hirth en van onze missionarissen van Oeshirombo. Zeer gaarne zou hij zien, dat wij eene Missie vestigden in zijne provincie. En werkelijk, weinig streken waren er zoo geschikt voor. Mpigi is eene type van een Neger. Vrij bejaard, wel 60 of 70 jaar oud, naar schatting, is hij nog sterk en geniet, naar 't schijnt, de beste gezondheid. Nooit heb ik een neger gezien, die vroolijker en opgeruimder was en hartelijker lachen kon dan hij. We laten hem een slokje rooden wijn proeven. Aardiger grimassen heeft men nooit gezien. Papa Mpigi schijnt echter een groot Mzimoevereerder (bijgeloovig) te zijn, want talloos zijn de amuletten van alle soort en vorm, die zijn borst, armen, beenen, enz beschutten !
Pater Gosseau en ik zeiden tegen elkander : waarschijnlijk zien we dit land terug, want de missionarissen van Oeshirombo wilden reeds lang een tweeden post stichten, otwel een zoogenaamde poste-volante of rondtrekkende Missie organiseeren.
,Vy Octohcr, Dinsdag. Kamp No. 9 (71). Mbügwe, Tocht van vier en een halt uur, van (5 uur tot half elf. Uren lang duurt het, eer we de vlakte van Mpigi door zijn. Overal dorpen, we passeeren er drie of vier.
De confraters van Boekoenibi hadden ons gezegd: âZwetst maar niet te veel, wijl ge op uw reis geen koorts gevoeld hebt, roept geen heide voor ge er over zijt, wacht maar, eenmaal aangekomen, verblijvend op uwe standplaats, zal âmadame la fièvrequot; u wel met haar bezoek vereeren, en dit te voren door hare symptomen laten aankondigen.quot;
Ik begon geloof te hechten aan die profetie. Ik voelde me vandaag veel meer vermoeid dan gewoonlijk, en ondervond eene soort malaise, die mij niets goeds voorspelde. Begonnen de zeven maanden lang uitgestane vermoeinissen en ontberingen er uit te komen Ik was verplicht onderweg een groot uur lang rust te nemen en was zeer blijde liet kamp bereikt te hebben.
Dit was opgeslagen bij een der eerste dorpen van het rijk Mbogwe aan den rand van een groen bosch. Ook nu dreigde het te regenen, en werden de misigo's met groene takken bedekt. De meeste onzer lieden bouwden zich eveneens hutjes van groene takken. In
plaats van de witte tentjes van vroeger zag men nu niets dan groene loothutten. Dergelijke moeten de joden gewis op hun loot-huttenteest gemaakt hebben.
De dorpelingen weigeren levensmiddelen te verkoopen ; onze lieden moeten dus hun posho missen. Niemand uit het dorp verschijnt. Wat mag dat wel beteekenen ?
26 October, Woensdag. Kamp No. 10, (75) Loemekezi of Iooera ya Mbouwe. Tocht van vijf uur en een kwartier; van kwart over zessen tot half elt en daarna van half drie tot halt vier. Evenals gisteren richten we vandaag koers in bijna recht Westelijke richting. Pori, bosch, struikgewas is âalles wat men ziet, 't is kermis en anders niet.quot; Nog zoo precies niet. Evenmin als gisteren voelde ik mij âlekker en frisch,quot; zou Jan de W .. gezegd hebben.
Wel een half uur later bereikte ik, slechts door een paar missiekinderen vergezeld de karavaan, die halt hield bij de hoofdstad van Mbogvve (die op de kaart Loemerezi heet, omdat de mtemi dien naam voert).
De jonge koning bracht ons wel eene visite, maar scheen zeer terughoudend en ons niet gunstig gezind te zijn; zijne lieden evenmin als die van gisteren. Toch verkochten ze ons patatten en sorgho, de posho onzer dragers.
Later vernamen wij de reden dier terughoudendheid. De lieden van Loemerezi hadden een paar maanden geleden eenige Washi-roinbo's, vrienden van de Missie, beleedigd en zelfs bestolen. Onze missionarissen hadden hunne rechtmatige misnoegdheid daarover doen kennen. Overigens maakten de bewoners van Mbogwe geen gunstigen indruk op ons beiden. Het schijnt een koppig, woelziek volk te zijn en de jonge koning vooral een roekeloos warhoofd.
Een paar maanden later (Nov.âDec.) stond het rijk in vuur en vlam, vele dorpen werden door do geduchte Wangoni's ot Watoeta's platgebrand, de bewoners tot slaven gemaakt enz. Loemerezi moest vluchten en werd onttroond. Ten onrechte zagen de lieden van Mbogwe daarin de hand van Pater Lombard, maar toch was de straf niet onverdiend.
De Wagoni's of Watoeta's zijn een groot, oorlogzuchtig, roofziek, dapper volk, wonend ten Zuiden van Mbogwe, Oeshirombo. Msalala en Oerambo tot aan het Tanganika-meer. Talloos zijnde rooftochten en verwoestingen, door die benden aangericht, en groot is de vrees der omliggende stammen voor deze geduchte Hunnen-benden. Zelfs de machtige Mirambo moet vroeger aan de Wangoni's heel wat onbeslist geblevene gevechten geleverd hebben. Zonder geweren, enkel met lans en werpspies gewapend, heeten
234
zij iu liet vlakke veld onoverwinnelijk. Op twintig meter afstand zijn zij zekerder lain tegenstander te doorboren dan een mzoengoe (een Blanke) met zijn acliterlader.
Iu bnn oorlogskostuum zien zij er met hun soort hoed van zwarte vederen verschrikkelijk uit. Hun krijgsdienst of liever hun exercitiën zijn zeer interessant. Xiets dan sprongen en buigingen. Van jongs at krijgen hunne lichamen door gedurige oefening zulke lenigheid, dat zij, snel als de bliksem, een afgeschoten pijl ontwijken. Buiten tijd van oorlog zijn het goede werklieden. Een groot deel der werklieden van onze Paters van Oeshiroinbo bij het zetten van hunne gebouwen waren Wangoni's. Het lijkt daarenboven een schrander volk, bedeeld met veel goede hoedanigheden.
Nadat onze lieden hunne patatten gekookt of geroosterd en verorberd hadden, zetten we onzen tocht voort. Voor den eersten keer werd ik gedragen in eene hangmat, vervaardigd van een beddedeken aan de uiteinden van een draagstok gebonden. Mijn langoor was er niet treurig om, want het arme dier was sinds eenige dagen erg op den rug gewond.
lleeds na een uur houden we halt en legeren we in een dorp op onzen weg. Het duurt niet lang ot een vrij groote regenbui overvalt ons. Daarom een schuilplaats gezocht in het dorp. In een ommezien zijn alle lasten geborgen in de verschillende hutten dei-bewoners. Dat schijnt zoo het gebruik te zijn, want de bewoners, ofschoon onderdanen van Loemerezi, vonden dat heel natuurlijk. We troffen in het dorp de voornaamste Manangwa van koning Ndega van Oesliirombo, reeds van ouds een groot vriend en be-schjrmer der missionarissen. Hij heet Magangwira. Inderdaad zag hij er een oprecht, braaf man uit en drukte op alle manieren zijne tevredenheid uit over onze komst.
Ook Pater Gosseau voelt zich van avond onwel. Het betaamt immers, niet waar, dat we alles samen deelen, zelfs ongesteldheden en ziekten !
27 October Donderdag. Kamp No. 11 (70). Kwa Magaxgwika. Tocht van 5 uur van fiâ11 uur. We betreden de staten van Ndega, koning van Oesliirombo. Ofschoon door twee robuste negers beurtelings in de hangmat gedragen, was de tocht niettemin zeer vermoeiend.
Oai 11 uur kampeeren we in het dorp van Magangwira, die ons gisteren te gemoet kwam. Ook nu werden aanstonds al de lasten geborgen, links en rechts, in en onder de veranda's der woningen. Het dorp is vrij groot en zeer zindelijk onderhouden. We hebben moeite genoeg levensmiddelen te bekomen. De lieden
235
zijn arm. limners liet is een nieuw opgebouwd dorp en als de dorpelingen limine huizen bouwen, ontbreken de banden om de velden te bezaaien en te beplanten. Vandaar schaarselite van levensmiddelen.
2S October, Vrijdag. Feestdag der IIII. Apostelen Simon en Judas. â Notre Dame Auxüiatrice de V ZJshironibo. â O. L Vrowv ter Hulp. Eindmarscli van twee en een half uur, van ö uur tot half' negen.
Dank aan de HH. Apostelen, wier feestdag we heden vieren, voor onze gelukkige reis. Dat zij bij den Goeden (rod de vertolkers zijn mogen van onze innige dankbaarheid voor al de ondervonden zorgen, bescherming, hulp en steun dier vaderlijke Voorzienigheid, die we nimmer genoeg kunnen loven en prijzen.
Om 8 uur krijgen wij, van at eene hoogte, de vallei en de Missiehuizingen in het oog Nog een half uur en we hebben onze bestemming bereikt.
Ik verlaat mijne hangmat om dien afstand te voet af te leggen, want (waarom het verzwijgen ?) ik schaamde mij rain of meer, aldus in een hangmat of eigenlijk in een beddedeken gedragen, onder het oog mijner confraters te verschijnen. Wel hoe ? Die dierbare Medebroeders, zij waren vermoeid, afgetobd, na twee jaren zwoegens en doorgestane ellenden, eu wij, die verondersteld werden, met versche krachten toegerust, hen te komen verlichten,
wij zouden afkomen als......zieken ! âDat nooit,quot; zei Van
Speijk. âHalt!quot; zei ik tot mijn mannen, âde IJ wan a zal het wel te voet klaar spelen.quot;
Een dorp, dat we passeerden en een kwartier van de Missie ligt, liep totaal leeg om de nieuwe Bwana's en onze karavaan te zien delileeren.
Ik bevond me voor aan de karavaan en zag met onuitsprekelijke blijdschap mijn ouden supérieur, den eerbiedigen Pater Gerboin, van verre in een kreupelbosch aankomen. Zijn Eervv. was vergezeld van Pater Capus en Broeder Ernest. Ik zal niet trachten de vreugde van het wederzien, de hartelijkheid der ontvangst te schetsen. Men zal zich die gemakkelijk kunnen voorstellen.
Pat, paf! daar volgde een waar pelotonvuur. Onze arkari's, (soldaten), zoowel als de Missiekinderen lieten hunne âBoendoekiquot; geducht âspreken.quot; Ze zouden werkelijk hun (d. i. ons) laatste kruit verschieten.
Wat eene drukte, wat eene beweging en blijdschap ! Oogen-blikkelijk toen we allen vereenigd waren, begaven we ons allen gezamenlijk naar de kapel om Grod door een plechtig âTe Deumquot; te bedanken.
236
De meegebrachte lasten lagen allen voor 't huis geschaard. Sinds de stichting der Missie (Febr. 1891) liad mea nog geen onderstand ontvangen. Groot was dan ook de blijdschap der confraters, vooral van Pater Gerboin, met hetgeen we voor hen medebrachten, Aan heel wat dingen hadden ze gebrek en dat sinds lang : kleederen, linnengoed, schoenen, geneesmiddelen, zelfs papier, inkt, enz.
Het was den 28 October Juist zeven maanden dat ik (28 Maart) Tabarka verliet en ... . op route was tot dezen dag.
Ziehier overigens eenige datums :
28 Maart (1892), Tabarka. â 1 â 19 April, Carthago. â 19â25 April, Maison-Carrée. â 17 Mei, Notre Dame d' Afrique.â 17 Mei, tot 6 Juni, Reis naar Holland. â 9â-13 Juni, Carthago. â 14 16 Juni, Malta.â 20 Juni tot 2 Juli, Port-Saïd.â 2â16â18 Juli, Zanzibar. â 18â22 Juli, Bagamoyo. â- 22 Juli tot 10 Oct., Boekoembi. â 17â28 Oct., Oeshirombo.
Missie van Notre Dame Auxiliatrice. O. L. Vrome ter Hulp van Oeskiromho.
Deze Missie werd gesticht den 16 Februari 1891, door de Paters Gerboin, Overste en tevens Pro-vicaris van Oenyanyembee, Lombard, Capus en de Broeders Léon en Ernest. liet begin der Missie was vrij moeilijk. De missionarissen vonden het land in oorlog met naburige stammen. Groot was daarenboven de vrees voor de Wazoengoe's, zoo groot, dat koning Ndéga en zijn volk alles zouden gegeven hebben, wat onze confraters verlangd hadden. Drie van de schoonste en ruimste hutten der hoofdstad werden hun tot voorloopige installatie afgestaan, een groot stuk grond naar keus geschonken, enz. Nu, de missionaris verlangt niet gevreesd, maar geacht en bemind te worden. Langzamerhand kreeg men vertrouwen in de Wazoengoe's en zoetjes aan konden Pater Lombard en Pater Capus reeds beginnen met het uitwerpen van het zaad des Evangelies.
Later werd Ndéga zelf een beetje aanmatigend, doch bleef over het algemeen den Paters sieeus goed gezind. Veel hadden de confraters de eerste maanden te lijden van de koortsen en de funza-epidemie. Weken lang moesten Pater Lombard en Broeder Ernest op krukken loopen, wegens de wonden aan voeten en beenen.
Aanstonds natuurlijk sloeg men de handen aan het werk om de meest noodzakelijke Missiegebouwen uit den grond te doen verrijzen, en in November van hetzelfde Jaar konden zij overhuizen naar
237
hunne Missiebuiziiigen. Een centraal getouw, (woning der Paters, magazijn, refter en kapel, alles bijeen) lang GO meter, breed 4 meter en hoog 3 meter, was met veel moeite gereed, benevens een ander groot gebouw, dienende om 25 ot 30 groote en kleine weeskinderen, die de Paters uit Boekoembi meegebracht hadden, eu waarvan eenigen gehuwd waren, ouder dak te brengen. Het tweede jaar werd eene groote Missiekapel (30 meter lang, G meter breed en G meter hoog gebouwd, benevens woningen voor ieder huisgezin en grootere lokalen voor de weezen, enz., wier aantal allengs was aangegroeid door afkoop van slaven en thans lÃO bedraagt.
Men ziet het, er was gewerkt in die twee jaar, doch, zooals men zegt, dit blijft niet in de kleeren zitten. Broeder Léon overleed reeds een jaar na zijne aankomst en ook de andere missionarissen waren allen min of meer afgemat en hadden wel hulp uoodig.
De Missie belooft veel in de toekomst. Pater Capus, die zich meer uitsluitend met liet catechismusonderricht kon bezig houden, heeft reeds 250 Wasoembwa's, meestal kinderen, ingeschreven, die de medalje dragen en allen reeds de grondwaarheden van onzen heiligen godsdienst, kennen. Een paar zonen zelfs van Xdega dragen de medalje. De koning werkt althans uitelijk het Apostolaat niet, tegen en veroorlooft allen zich te laten onderrichten. Toch behoort hij tot een soort geheim genootschap van Oeshirombo, dat veel leden telt, zeer machtig is eu dat op den duur uit den aard der zaak aan de Missie mogelijk grooteu strijd, misschien vervolgingen bereidt. Dit echt duivelsch genootschap heeft alle overeenkomst met de Vrijmetselarij, heeft een eigen taal, ceremoniën, herkenningsteekenen, geheime nachtelijke bijeenkomsten in de bos-schen, enz.
O. L. Vrouw ter Hulp zal deze Missie wel beschermen.
Dagelijks doet Pater Capus uren lang katechismus voor zijne dierbare katechumenen. Een groote Oeganda-trom verwittigt de bewoners der hoofdstad (200 meter afstand).
De ijverige missionaris heeft het reeds ver gebracht in de kennis der taal, de Kisoembwataal; hij heeft den kleinen katechismus reeds knnnen vertalen, alsmede verschillende gebeden. Ook werkt hij aan eene spraakkunst en aan een woordenboek het bevat reeds 3000 woorden).
Zonder nog te spreken van de nog altijd onvoltooide construc-tiën hebben de overige missionarissen een druk werk met de Missiekinderen, d. i. de groote en kleine, al of niet gehuwde, al of niet afgekochte slaven en vrije leden der Missie-communiteit Er is heel wat te doen, te snoeien, te planten enz. onder dat goedje van alle taal en stam.
23 8
De fanza-epidemie houdt in de Missie verschrikkelijk huis. Ook nu nog hebben bijna allen wonden aan de voeten en onze Maltezer Léon Oussembe kan aanstonds aan het werk gaan en zijne kunst en toewijding toonen met het verplegen der zieken en gewonden !
Al de Missiegebouwen, die later door eeu boma ot ringmuren zullen ingesloten worden zijn verspreid over eene vierkante oppervlakte van 100 meter op iedere zijde. Deelt men deze in tweeën dan bevat het gedeelte links het hootdgebouw, (woningen der Paters enz.) met eeu plein van 50 meter lang en breed, daarvoor; links van dit plein op den voorgrond een katchismuszaal van 15 meter lang, 3 meter breed; rechts een lang gebouw van 45 meter lengte, bevattende : magazijn, keuken, enz. Achter het hoofdgebouw heett men de groote Missiekapel en tevens de nieuwe lokalen voor al de weesmeisjes. Het gedeelte rechts eindelijk bevat de stallingen voor het vee (20 ossen, 150 schapen en geiten), het kippenhok, enz., benevens op den achtergrond de woningen der christen huisgezinnen (15 ii 20.)
Ofschoon het land van Oeshirombo (althans dit gedeelte) nu juist niet fraai is, heett men toch een fraai uitzicht ten Noordoosten op de blauwe bergen van Msalala. Rechts, Zuid-Oost en Zuid-West, is de Missie vrij dicht gelegen bij eene boschrijke heuvelketen van aanzienlijke hoogte. \ oor de Missie strekt zich eene vrij groote pori (voor een gedeelte moerassig) uit. Op 150 meter afstand heeft men eene pisangplantage aangelegd, on Br. Ernest heeft daarnaast een uiterst fraaien tuin, welke het geheele jaar door bijna allen van versche groenten voorziet. In één woord, wij jongeren staan verbaasd over hetgeen onze confraters m twee jaar tijds tot stand gebracht hebben. Eene stille vermaning voor ons om een heiligen wedstrijd van ijver, werkzaamheid en toewijding te beginnen.
is w i. i : i rr.
Mijn reisverhaal eindigt den 28 Oct. 18Ã2 en eerst heden, 15 Sept. 1893, schreef ik de laatste regelen neer. Niet eerder was het mij mogelijk, bij allen goeden wil, het ten einde te brengen.
Vier maanden lang, van 28 Oct. 1892 tot 22 iebr, 1893, vertoefde ik in den Missiepost van Oeshirombo. Nog was ik niet waar ik zijn moest, in dat gedeelte van den wijngaard des Hceren, waar ik aan het werk kon komen. Benoemd met de Pater Lombard en Pater Gosseau om in het land van Msalala eene nieuwe Missie te stichten, wTerd mijn geduld lang op de pro et gesteld door eene
239
voorafgaande reis van twee maanden die mijne twee confraters ondernamen. Op die reis stierf Pater Lombard (23 Jan. 1893, te Tabora). Toch werd de nieuwe stichting niet opgegeven, den 22 Februari verlieten we Oeshirombo, om na vijf dagreizen, den 2(i Februari, cms missieveld te bereiken, gelegen in liet Noordelijk gedeelte van Msalala, bij Wimoe, een der voornaamste diets. De Missie van Sixt Meciiael vak Msalala was gevestigd, deze belooft reeds veel en dat na een bestaan van slechts Ci maanden.
Mijn plan is niet in bijzonderheden te treden over onze dierbare Missie : hare voorbereiding, vestiging, opkomen, enz. Den 4 Sept. zond ik aan Br. Bernardinus een vrij lang verslag daarvan, dat gevoeglijk als aanhangsel dezer reisbeschrijving dienen kan.
Ik weet niet of een Lezer of Lezeres den moed en het geduld zal hebben mijne reisbeschrijving ten einde toe te lezen, doch men wete, dat /.ij geschreven is met opoffering vau heelwat nachtrust, soms onder de rillingen of onder den gloed der Afrikaansche koorts, een andermaal tusschen de werkuren (12â2) mijner 150 of' 200 negers, na een haastig middagmaal (dat men mij op het bouwterrein brengt) eu na de recitatie van mijn Brevier.
Ep. waarom? Met welk doel? Een weinig uit kwalijk bedwongen ijdelheid, men is mensch âet il faut ótre francquot;, maar overigens met de bovendrijvende bedoeling onze missiën, onze dierbare Xegers ons Afrika aan onze vrienden eu weldoeners een weinig meer bekend te maken en hun daarmee eenigszius onzen dank te betoo-nen, en ook â wie weet ? â om de eene o| andere roeping tot het Apostolaat, zoo niet uit te lokken, dan toch misschien aan te wakkeren.
Zeer waarschijnlijk of zeker zullen al die vreemde woorden en heel wat bijzonderheden allen niet in den smaak vallen, doch misschien komt dit reisverhaal in handen van Xederlaudsche confraters, wien dat mogelijk dienen kan, als zij ons pad zullen volgen.
En nu weigere men mij een kort gebed niet, daarmee en tevens met de belangstelling, die men aan onze missie toont, zal mijne moeite rijkelijk beloond zijn. O ja, bid voor mij. Lezer of Lezeres, want, weet het wel, we hebben gebed, veel gebed noodig voor de ons toevertrouwde kudde. Voor ons om wezenlijk heilige missionarissen te worden, te zijn eu te blijven, vour de onzfii om hun de genade der bekeering te verkrijgen, opdat wij hen kunnen binnenleiden in Christus eenigen, waren schaapstal. Zoo zij het !
EIND E.