ocr page 1

V I

* quot; , -. lt;C \ v7V- ■gt;- ' a ■#v 'v-^-../';'v v:*^

v- ;

^ m'kr y * w -!* V \ , ■ V '

i ■•■ t1;'v '{V / ' k

Lr lt; lt;\ ■: w.. V- - ^ - r v, -vlt; /4'v * - tlA x i w '

pC^r /• /pr^quot;-i x-^STC/- ^

! ^ - -r ./ ,.. J V, / ; J ^ / •gt;-, ^

gt;A

M V- { gt;• i t-; -.i» ;

V /?t i--'quot; \

' r , ■, a ■■ \; v ^ -f .-

■/K^-i. quot;vtór^ ■ yy-Ltr

vi '•■ ^ #4quot;quot;'Tw v-■ .t' :'

:gt; :r rJ: \ .

v I N J'X ■ gt;1

# 4 ^ V. / j* r »

: X ■xvV*' lt; --?'C v

«iK. quot;iT i « ' , ■,

. .A.. lt;'- \ •

gt; 'gt;■

y^ v^-* t /quot; gt; •■ ' v

.'s-Pt, '.Ir

vr - gt;^-X' v .;• # ^

j* % gt;•, ^-vJN» ' ^ : •' . -J

tó

iKÏ** ^ gt; quot;

■' ) gt; a. v_'kiquot;

^ c: Jquot; v 4 i-.V :'/Va - gt;4 -1

!gt; .;V

-quot;»1« gt; X

i 1

. J-^ ■.' k, »-^: ■v bï,'■''

gt; ? r gt; i ., »•» gt;. *1« r.

S-/ ^ f^, ^ quot; »:

r M - ^ v A- ^ vy gt;v ir' ^ ' - i^. ^ • .-■

2?Y^ f j ^ V % •*

' V^s^'-^sv-: t ' i

a quot; v v f » ^

4 :f^A \

i._

ocr page 2
ocr page 3

3

M O Z A I 6 K.

boor

f. W. 2)rijver.

^JPtoeede, omgeioephfe dtnth.

H?'

ocr page 4
ocr page 5

VAK 3öV

/O ^O ^

^^C/

MOZAÏEK.

ALLERLEI

op 't gebied van

TAALKUNDE, GESCHIEDENIS. VOLKHKlfiENAAKDIUHEDEN. FEESTEN. GE15BUIKEN, JUJGELOÜF, ESZ..

DOOK

f.)V.p RIJVER.

Tweede, omg-ewerkte druk van Mozaïek-tegels.

Bibliotheek MINDERB.10EDER3 WEERT.

UITGAVE VAN P. NOORDHOFF TE GRONINGEN.

ocr page 6
ocr page 7

INLEIDING BIJ DEN EERSTEN DRUK.

Gedachtig aan den gulden regel „nulla dies sine lineaquot; heb ik, zoo vaak mij hier of ginds, vooral op het gebied van taalkunde en folklore, iets merkwaardigs voorkicam, korte aanteekeningen gemaakt, die later wéér door mij aangevuld en daarna uitgewerkt werden.

Zoo ontstonden van lieverlede een honderdtal kortere of langere artikeltjes, icelke ik hier, alphabetisch naast elkander gezet, den lezer aanbied.

Enkele dezer vonden reeds vroeger een plaatsje in een of ander tijdschrift; ik meende evenwel, dat dit geen bezwaar kon zijn ze in dit bundeltje op te nemen. Immers sinds hun verschijnen vond ik meermalen gelegenheid hier iets toe te voegen, daar iets te wijzigen, soms ook liet ik ergens iets weg; zoo bleven het wel de oude, maar niet dezelfde artikeltjes.

Men houde mij ten goede, dat ik nu en dan, afstappend van 't gebied der historie, als ter loops de voet zette op dat der moraal.

Ten slotte spreek ik den wensch uit, dat dit boekje, dat zonder eenige aanspraken zich komt aanmelden, bij velen een gunstig onthaal moge vinden, en bijdrage tot de kennis van onze taal en ons volksleven!

»

Grosthuizen , Bloeimaand 1892.

F. W. DRIJVER.

ocr page 8

EEN WOORD VOORAF BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

m amp; a™'e Welwi'lmdh°M' «' Wfe «»» boekje «„rd ontvangen

iesUtJZ be00r,lee'insm' di' «m

het no9 eens ter perse te doen leggen.

sinteT,C'mgt; Tquot; quot;quot; quot;quot; ^ tete «' -

ZZ Lm?Tm van dm eequot;quot;n druk 'cch hiM a« »»».

« tfc mmleek J

^ (fe ^ ;

behandelde betrekking had. 9

„evnZ quot; ^ ^ quot;quot;quot; ****** ****• *gt; *»

«TLquot; J' *■ quot;*quot;• »# *r

« U Tquot;quot; ~ Slt;W!S «5 m»

«eï owtóe weggelaten.

Een en ander wettigde, naar ik wem n„h ,i .....

titel- Hit iir ' ooA: wvjziging m den

ZHZ is immers ** «• —

fquot;quot;quot;5, quot;''r/i '4 quot;'J// !t • overeenkomstig den vrimMijhen

Znir mer « ~

MW,» tóK.ö tó ,wsto K kki.m

TT * ** ^ ** *» »« '»#quot;

ler!lt;ehuldigdm dienst te lubben bewezen.

Ik hoop nu maar, dat ha bij vernieuwing moge deeien in veler belangstelling, en dan och velen lol nut moge strekken!

Grosthüizen (n.h.), f dr

Zomermaand 1898.

ocr page 9

Abracadabra.

Te allen tijde is door alle volken groote waarde gehecht aan die boeken, die oorsprong en wezen van hun godsdienst beschreven, en die dan ook algemeen met den naam „heiligquot; zijn bestempeld. Inzonderheid geldt dit ook van het Israëlietische volk, voor 't welk echter niet zoozeer de geheele verzameling hunner godsdienst-geschriften, als wel een beperkt deel van deze in bizonderen reuk van heiligheid staat.

Het was uitsluitend de Thora of wet, vervat in den Pentateuch — de vijf eerste bijbelboeken — die met den naam Mikra werd bestempeld, een woord, dat letterlijk lezing beteekent, maar geheel in zin overeenkomt met ons schriftuur. Alle andere geschriften bekleeden een ondergeschikte plaats; zij bevatten ingegeven en met gezag bekleede verklaringen en toepassingen van de wet van Mozes. Deze en de mondelinge traditie der schriftgeleerden zijn slechts kabbala, d. i. „door overlevering ontvangen leer.quot; In later tijd werd onder den naam Kabala verstaan de verheven wetenschap, die den mensch langs gemakkelijken weg tot de kennis der diepste waarheden brengt. God, meende men, was er de eerste Meester in geweest. Hij had de engelen onderwezen , een Mozes, David en Salomo waren mede er in ervaren; maar de eerste, die er iets van te boek stelde, was zekere Simeon Jochaïdes of Ben-Jochaï, de schrijver van het boek „Soharquot;, die leefde in het begin der tweede eeuw.

Een zekere klasse dezer geleerden, de tooverkunstige Kabbalisten — want met dezen naam werden genoemd de beoefenaars dier zoo hoog geroemde wetenschap — leeren o. a., dat zekere woorden, in zekere orde geschikt, wonderwerkende krachten, en dat zekere getallen diepzinnige beteekenis hebben.

De latere Gnostieken — dat waren de beoefenaars van een wijsgeerig stelsel, dat een samensmelting was van Oostersche theosophie, hellenische philosophie en christelijke ideeën — met name de Basilidianen, die zóó heetten naar hun meester Basilides, den Alexandrijnschen Gnosticus, zagen, evenals de Kabbalisten, bij wie zij gedeeltelijk ter schole waren geweest, groote verborgenheid in sommige getallen, toen nog aangeduid door letter-

Drijver, Mozaïek. 2e druk. 1

ocr page 10

2

teekens. Zoo ontstond op Egyptischen bodem het woord Abracax en Abraxas en het langere Abracadabra. De eerste schrijver, die het ons heeft doen kennen, is Serenus, die leefde in 't begin dei-derde eeuw na Christus.

Veel uitleggingen zijn aan dit woord gegeven, men heeft er in gezien een samenvoeging van beginletters van Hebreeuwsche en Grieksche woorden, wier beteekenis de Drieëenheid en 't mysterie van het heilige hout uitdrukten. Hardouïn o. a. ziet in Abracax de beginletters van „Vader, Zoon, Heilige Geest, de menschen zaligmakende door het heilige hout.quot; Deze en dergelijke vermoedens berusten echter op misverstand. Men heeft er ook in gezien een Grieksch woord, dat over Arabië tot ons zou gekomen zijn, blijkens de a, die het lidwoord al vervangt, n.1. het substantivum praxis.

Het woord Abraxas zal echter wel ontstaan zijn door samenvoeging van Grieksche letters, die dienden om de getallen aan te duiden, wier som 365 is. Zoo zou hier uitgedrukt zijn de Hoogste Godheid, die 365 hemelen geschapen en den loop dei-zon in 365 dagen verdeeld heeft, hetgeen te meer waarschijnlijk is, daar Irenaeus zegt, dat de Basilidianen beweren, dat er 365 hemelen zijn, evenveel als dagen in het jaar. Ook de Grieken vonden dit getal 365 in den naam Mithras of Meithras, — mithra, de zonnegod der Perzen — en desgelijks de Egyptenaren in den naam Neüos — de Nijl —, blijkens deze tabel:

bij de Grieken bij de Egyptenaren

m

40

f: =

5

n =

50

j -

10

e -

5

th =

9

i

10

r =

100

! =

30

a =

1

0 =

70

s =

200

s =

200

365

365

Dit woord Abraxas nu werd o. a. gevonden op de zoogenaamde abraxassteenen, die versierd waren met daarop ingesneden zinnebeeldige figuren — menschelijke romp, hanekop, enz. en die dienden zoowel tot leermiddel als tot herkenningsteeken, en ook tot amulet.

Dit laatste geldt ook van het langere en wellicht van Abraxas afgeleide woord Abracadabra, dat aangewend is als talisman voor-

ocr page 11

namelijk tegen de koorts, welke na aanwending dagelijks afnam (zoo geloofde men althans).

Met dat afnemen of verminderen in verband stond zeker de wijze, op welke men zich van dit middel had te bedienen. Serenus, bovengenoemd, geeft het volgende voorschrift, waaruit wij zien, hoe dit hulpmiddel moest aangewend worden: „Inscribes chartae quod dicitur Abracadabra etc. etc., waarvan de vertaling ongeveer hierop neerkomt:

„Schrijf op een stuk papier eenige malen onder elkander het woord Abracadabra, zóó, dat telkens een letter meer aan 't woord ontbreekt; ten laatste zult gij een kegelvorm verkrijgen, boven 't geheele woord en onder slechts de A. Wikkel het schrift in een linnen doek en bevestig het zoo om den hals.quot; Men moet dus schrijven:

Abracadabra Abracadabr Abracadab Abracada Abracad Abraca Abrac Abra Abr Ab A

Wie er lust in heeft, kan door het uit te tellen of langs algebraïschen weg — Heis geeft het op in zijn „Verzameling van Algebr. Vraagstukken p. 197 — berekenen, hoeveel maal men uit dezen kegel het tooverwoord lezen kan, indien men begint met een A en eindigt met de laatste a, rechts in den eersten regel, waarbij men zoowel kan gaan in horizontale richting als in schuinsche richting rechts naar boven.

Daar dit Abracadabra, behalve den schijn van geheimzinnigheid, nog deze eigenschap heeft, dat het totaal onverstaanbaar is, werd dit Avoord later gebezigd, in welken zin het nog wordt gebruikt, om aan te duiden iets dat onverstaanbaar is, dus als synoniem voor wartaal.

Zoo verviel het woord, dat eens als heilig gold en vol van diepen zin scheen te zijn, tot uitdrukking voor al wat geacht werd zonder zin te zijn. Sic transit gloria!

ocr page 12

4

A. E. I. 0. U.

Een kind kent ze, de vijf klinkers van ons alphabet, maar weinig kinderen en zelfs lang niet alle volwassenen zullen weten, dat er een keizer heeft geleefd - met name Frederik III van Duitschland - die deze vijf letters liet aanbrengen op verschillende munten en medailles, op zijn boeken en tafelzilver.

't Spreekt van zelf, dat genoemde vorst er een bedoeling meê

had _ welke die was, dat wist men niet zoo dadelijk. Er is

dan heel wat gezocht en gegist, eer men de juiste woorden leerde kennen, van welke a. e. i. o. u. de initialen v/aren.

Men heeft er achter gezocht den Latijnschen zin: Austria er it in Orbe Ultima, Oostenrijk zal het laatste (rijk) zijn op de wereld, of ook dacht men aan de woorden: Auf Er den ist Oesterreich Unsterblich, Oostenrijk is onsterflijk op aarde.

Nog las men uit die klinkers: Aquila Exsuscitata Inimicis Ostendit Virtutem, d. i.: De opgejaagde adelaar zal den vijand zijn kracht toonen.

Weer een ander maakte er van: Aquilae Est Imperium Orhis Universi, d. w. z.: Over de geheele wereld moet de adelaar heerschen.

Merkwaardig is het, dat men op een muntstuk, geslagen na de tweede belegering van Weenen door de Turken, leest: Austriaci Erunt Imperii Ottomannici Victores, d. i.: De Oostenrijkers zullen overwinnaars zijn van het Ottoraannische rijk.

Zooals gebleken is uit de nagelaten papieren des keizers, hadden die letters echter dezen zin: Austriae Est Imperare Orbi Universo, hetwelk volkomen in beteekenis overeenkomt met het Duitsche Alles Erdreich ist Oesterreich Unterthan.

De Amulet of Talisman als Genees- en Voorbehoedmiddel.

„Ach waren alle menschen wijs!quot;

Bij verschillende volken bestond of bestaat nog de gewoonte om voorbehoedmiddelen aan te wenden tegen rampspoed en ziekte, welke beide, zooals men meende, veroorzaakt werden door booze geesten, die hun invloed deden gelden op den mensch. Vooral daar waar de animistische levensbeschouwing de heerschende is, treedt deze gewoonte sterk op den voorgrond.

ocr page 13

Het animisme — voorlooper en grondslag van de historisch bekende godsdiensten — is de wijsgeerte, die het geheeie leven van den natuurmensch beheerscht; 't is 't geloof aan 't bestaan van booze geesten, die rondwaren op aard, 't zij dan gedwongen door toovermacht of wel uit eigen beweging. Tijdelijk kunnen zich die geesten woning kiezen in een of ander levend of levenloos voorwerp; is dit het geval, dan wordt zulk een voorwerp vereerd of aangewend tot bescherming. Zulke dingen dragen den naam fetisch, het geheeie stelsel heet fetischmus, of fetisisme.

Fetisch is een verbastering van het Portugeesche fetigo — afgeleid van 't Latijnsche facticius — met welken naam de Portugeesche zeevaarders de voonwpen bestempelden, waarvan zij vermoedden, dat die aangebeden werden door de negers van West-Afrika. Dit vermoeden evenwel berustte op misverstand, want den neger dienen juist deze voorwerpen om zijn goden te bedwingen en te beheerschen, hetgeen genoegzaam o. a. blijkt uit de omstandigheid, dat de slaven steeds tot amulet zich kozen een voorwerp, dat den vorm heeft van een knoop, een slot, een net, fetischen dus om den eigen beschermgeest vast te houden en den vijandigen geest te weren. Nog worden dergelijke voorbehoedmiddelen aangewend door Arabieren, Turken , Chineezen Tartaren, Hindoes en Zuidzee-eilanders, en hoeveel waarde en geloof aan de magische kracht dier voorwerpen gehecht werd, blijkt o. a. uit het feit, dat Apollonius van Tyana, die leefde van 3 v.—96 n. Chr. — wiens leven is beschreven door Phi-lostratus, die hem schetst als pendant van Jezus — algemeen met den bijnaam Talismaticus werd genoemd, omdat men meende, dat hij wonderen deed met behulp van talismans.

Trouwens in onze dagen wordt niet minder dan vroeger, en meer dan men vermoeden zou, waarde gehecht aan zulke toover-middelen.

Mij dacht, het kon den lezer belang inboezemen, in korte en losse trekken vermeld te zien, welke voorwerpen vroeger en latei-zoo al dienst deden als talisman of amulet.

't Spreekt vanzelf, dat hier van een volledige opgave geen sprake kan zijn; van dit onderwerp kan meer dan van eenig ander gezegd worden, dat het is een nier d boire, want de stof is zoo ruim, de keus zoo groot, dat wij niet veel meer doen kunnen dan een overzicht geven van het merkwaardigste.

Wat het woord Talisman betreft, 't komt van een Grieksch

ocr page 14

6

woord Telesma, dat via Arabië tot ons kwam en beteekent beeld, karakter, teekening, gewijd voorwerp.

Amulet is rechtstreeks uit Arabië tot ons gekomen en beteekent letterlijk: iets, dat gedragen wordt.

Vooral in een tijd, waarin de geneeskunde nog weinig werd beoefend, en op plaatsen, waar men van alle geneeskundige hulp was verstoken, ging 't bijgeloovig volk toevlucht zoeken tot allerlei middeltjes, dikwijls aan de hand gedaan door lieden, die meer in 't belang van hun beurs, dan in dat der lijdende menschheid handelden, 't Ging weldra zoover, dat men niet de ziekte afwachtte, maar haar aanval trachtte te beletten door de zoogenaamde voorbehoedmiddelen. Hun aantal is legio. Enkele willen wij noemen.

Daar waar trepanatie, schedelboring, werd toegepast, gelijk bij de Zuidzee-Eilanders, werd het af schrapsel van den schedel als talisman gedragen tegen stuipen. Tegen dezelfde ziekte beveelt Paracelsus aan koralen om den hals te dragen, terwijl deze volgens Plinius ook een goed verweermiddel zijn tegen tooverij. En immers nog worden koralen gedragen en nog wordt geloofd, dat hun kleur donkerder of lichter wordt al naarmate de gezondheidstoestand is van haar die ze draagt. Tegen stuipen kan ook nog dienst doen het bewaren van 't afgevallen navelstrengetje van een kind. Tegen jicht draagt men ringen, gemaakt van 't ijzer van een uit een graf gehaalde doodkist, of die dit wat akelig vindt, vraagt of steelt een aardappel en draagt dien in den zak.

Heeft iemand kiespijn — en wie heeft het wel eens niet! — hij trachte een levenden mol in handen te krijgen, snijdt van dit diertje een of meer pooten af en draagt ze bij zich. Is iemand bang voor hondsdolheid, hij drage als veiligheidsmaatregel een Huibje, of Sint-Hubertusbroodje bij zich. In Noord-Brabant werden zij onlangs nog door den geestelijke gewijd — ik twijfel echter of die wijding helpen zal. Zoowel de zoutsteen als de misteltak zijn goed tegen velerlei kwalen.

Tegen vallende ziekte draagt men een zoogenaamde zevendub-beltjesring bij zich, dat, is een ring, gemaakt van zeven dubbeltjes, die bij verschillende personen zijn gebedeld.

Een ruiter is beschermd tegen blikgat, als hij vlierstokjes bij zich draagt. Die last heeft van bloedstijging naar 't hoofd, drage een stukje groen goudsteen aan een ezelshaar om den hals, en de congestie zal niet meer worden waargenomen. — Een ezel, die 't gelooft! — Tegen besmettelijke ziekte helpen de nooclvuren: een

ocr page 15

nod fyr is een maagdelijk vuur, verkregen door wrijving van hout of op andere wijze, mits niet ontstoken door ander vuur. — Bestond bij velen het geloof aan een duivel, en schreef men aan zijn werking veel kwaads toe, aan den anderen kant meende men toch ook dien geest te kunnen binden. Lactantius beweert, dat de duivel niemand naderen kan, die het teeken des kruises op het voorhoofd draagt — immers de duivel vlucht bij den aanblik des kruises, sinds zijn tegenstander op Golgotha aan 't kruis op hem de overwinning behaalde. Zoo zal ook het afweren van booze geesten, in oorsprong althans, ten grondslag gelegen hebben aan het bij de Israëlieten bestaand gebruik de wet in een busje of kokertje — de zoogenaamde „mezuzahquot; aan 't deurkozijn te bevestigen. En wat is anders de oorsprong van het luiden der klok bij kerkgang, geboorte en begrafenis ?

Gij kunt met hetzelfde succes ook een hemd aantrekken, waarvan de eene mouw op de gewone wijze en de andere averechts in dit kleedingstuk is gezet. Of draag, zooals de Liplappen doen, in zilver gevatte tijgertanden om den hals. Zoo verkoopen de R. C. priesters op Curacao tot hetzelfde doeleinde eenige Hebreeuwsche letters in een zakje, en de Kabbalisten deden iets dergelijks, waar zij tot wering van booze geesten, allerlei woorden, dikwijls zonder zin, geschreven op een strook linnen, op het bloote lijf droegen. Behalve het bekende Ahracadahra komt ook voor het woord Schebediri, dat evenmin als 't eerstgenoemde een woord is, Beronix, enz. enz. Zoo kan iemand, die een vlierstok bij zich draagt, gerust elke betooverde kat te lijf gaan, gelijk in 't algemeen tegen tooverij probatum zijn: een brandnetel en een zakje armezondaars-^oedav; dit laatste was oudtijds de tot poeder gestampte schedel van een veroordeelde, thans noemt men zóó, wat fijngestampte hertshoorn is, maar noch het een noch het ander schijnt meer te helpen, tenzij in de verbeelding van een bijge-loovig oudje ergens in den Achterhoek.

Vooral ook de vrees voor het inslaan van den bliksem heeft het geloof aan de kracht van enkele voorbehoedmiddelen in de hand gewerkt. Nog zal er menigeen worden gevonden, die bij onweder vuur gaat aanleggen op den haard, hoevelen zullen er nog niet den zoogenaamden donderbeitel bewaren! Op meer dan één huis of stal staat nog een kruis, dat kruis n.1., hetwelk het hamerteeken verving, dat de herinnering bewaarde aan het werk-

ocr page 16

8

tuig van dienzelfden naam, eens dooi- de dwergen gesmeed ten behoeve van Thor.

En wie heeft niet gaarne huislook op het dak, donder- of tho-narbaard? Heel zuinig zijn sommige boeren op de eieren, die op Witten Donderdag zijn gelegd, ook al omdat men gelooft, dat zij den bliksem weren. En werden niet nog in deze eeuw door Beiersche monniken Sint-Nicolaasbroodjes verkocht voor veel geld aan de geloovige schare, bij wie 't vaststond, dat zij zoowel tegen bliksem als storm beveiligden en bovendien nog 't vermogen hadden de goede verlossing bij vrouwen te bevorderen. Naast het onweder was de storm geducht. In West-Indië geven de priesters — voor geld natuurlijk — aan de zeelieden gewijde palmtakken om die aan den mast te binden. Weer anderen binden een hoefijzer aan den mast; dat is ook probatum.

Een amulet tegen overstrooming — een karbonkel — en een tegen brand — een parel — werden bewaard in den porseleinen toren te Nanking, die beschouwd is als een der wereldwonderen.

Om bij het duiken lang onder water te kunnen blijven, bedienen de Mohammedaansche duikers zich van een paar steenen — duiker-steenen — waarop enkele woorden staan gegrift; of men draagt bij zich de zoogenaamde moestiko-bojo, ter grootte van een knikker en wit als een karbonkel, — zij worden veeltijds in krokodillen gevonden, dieren, die, zooals men weet, zeer lang onder water kunnen toeven, en van welke men zegt, dat zij een steentje in hun maag opnemen, telkens als zij een mensch verslinden, als maken zij hiermee hun zondenregister op.

Tegen vergiftiging neemt men wat poeder van smaragd in, en tegen verdrinken wordt men beschermd door een helm bij zich te dragen. Alle wilde volksstammen bewaren dien vliezi-gen helm (de Vlamen zeggen „veulquot;, voile) als geluksfetisch. De Romeinen dreven er handel in, en advocaten staken er een stukje van in den zak, om hun zaak te winnen, doodhemden, waarvoor 't garen in den Kerstnacht door ongerepte maagden moet zijn gesponnen, beveiligen tegen alle wonden, mits er op die hemden twee menschenhoofden gestikt zijn, rechts een gebaard gezicht en links de kop van Beëlzebub met een kroon.

Tegen gevaar in 't algemeen kan dienst doen een stuk van een strop, waarmee een misdadiger gewurgd is. Trouwens men had er veel voor over onkwetsbaar te zijn, en menige strijder zal zijn laatsten duit gegeven hebben voor een amulet, b.v. een

ocr page 17

9

scheutje olie uit de lampen, die in de grafkelders der martelaren brandden, welke olie o. a. Paus Gregorius de Groote moet hebben verkocht, evenals Spaansche geestelijken aan de soldaten, tijdens den tachtigjarigen oorlog, noodhemden verkochten. Ook zijn bij de Mohammedanen dergelijke vesten in gebruik , terwijl bij de Javanen 't geloof bestaat, dat een stokje, gemaakt van 't kernhout van een kelor — een boom, die zelden zoover komt, dat hij zulk hout heeft — het geweer van den vijand doet ketsen.

Geluk wordt aangebracht door een muntstuk met een gaatje, — de oude muntstukken droegen een kruis, waardoor zij bij velen als geluksfetisch golden; men boorde er een gaatje in en droeg ze op de borst. In het Land van Aalst houdt dan ook menig loteling zoo'n muntstuk met een kruis er op in de eene hand. terwijl hij met de andere een nummer trekt. (Zie La Gazette, 28 Jan. '95.) Zoo wordt nog door Israëlietische kinderen een „kemiaquot; gedragen in den vorm van een of ander zilveren muntstuk , waarin de letter „hequot; uitgeslagen is. Het dragen hiervan is evenwel geen wettelijk voorschrift, zooals dat wel het geval is ten opzichte van „tefillinquot; ^ en „mezuzah.quot;

Kerkhof aar de — op den pols der hand gestrooid of in den broekzak gedragen — maakt eveneens, dat de loteling een hoog nummer trekt en maakt hem alzoo vrij van dienst. Dezelfde uitwerking heeft ook het „Agnus Deiquot;, een medaillon van wit metaal, waarin zich, onder glas, een rood lapje bevindt met een beenachtig voorwerp, dat een lammetje voorstelt (dat lapje is, naar men zegt, een stukje van Jezus' kleed). Ook een helm en het koord van een gehangene brengen bij de loting voor de militie geluk aan.

Weer met andere bedoeling wendt de Javaan zijn „Djimatquot; aan. Die veel verkoopen wil, draagt een takje van den casuaris-hoom bij zich. Deze kostwinningstalisman trekt de koopers. Iets dergelijks is de bedeltalisman, die door de derwischen knielend en biddend wordt geschreven en de eigenschap heeft hem, die zulk een voorwerpje koopt, duizendmaal den koopprijs te vergoeden. De Chineezen leggen een klein metalen beeldje, den

ocr page 18

10

Buddha voorstellende, in de schelp van een oester. Het dier, hierdoor geprikkeld, bedekt weldra het vreemde voorwerp met een parelkorst. Zoo „bepareldquot; wordt de kleine Buddha gebruikt als amulet.quot;

Maar de merkwaardigste uiting van dit bijgeloof vinden wij in hetgeen verhaald wordt aangaande den Shah van Perziö. De een zegt, dat Z. M. voorspeld is, dat zoolang het kind, ons bekend uit velerlei berichten van couranten als anderszins, hem vergezelt, geen ongeluk hem zal overkomen. Een ander — het Central News — deelt mee, dat de Shah op de leeuwenjacht overvallen werd door een hevig onweer; hij zocht een schuilplaats in de hut van een herder, die slechts één kind had. 's Nachts hoorde de Shah dat kind schreien; Z. M. verlaat zijn kamertje en gaat zien naar den kleine. Nauwelijks is de vorst uit zijn vertrek, of daar valt een deel van 't dak in en valt juist op 't bed, waar even te voren Z. M. rustte. Hierin zag de Shah een bestiering van Allah of Mohammed. Vader en kind bleven onder 's keizers gevolg. Een ongelukkig toeval bracht evenwel scheiding tusschen den vorst en zijn gunsteling; het gebeurde n.1. in 1892, dat deze laatste in den tuin van 't paleis met een revolver speelde, het schot ging onvoorzien af, en de kogel vloog rakelings langs den machtigen gebieder, die daarop zijn talisman moet hebben weggejaagd.

Caesar droeg altijd een amulet, hem door een Egyptisch priester gegeven; op den dag van zijn moord had hij deze vergeten.

Ten slotte zij er nog op gewezen, hoe te allen tijde Edelgesteenten dienst hebben gedaan als talisman, 't zij tot verkrijgen van een hoogen ouderdom, 't zij tot bevordering van gezondheid of tot andere doeleinden. Bij de Turken b. v. is de agaat als talisman zeer geliefd; de Turksche legende verhaalt, dat eens zeker leerling van Mohammed, Akdscha Ben Hadschin geheeten, tusschen de schouders van zijn meester het litteeken bemerkte, dat door den Almachtige daar was opgedrukt. Hij grifte nu een afbeelding daarvan in een klein stuk agaat, omringde het met eenige verzen uit den Koran, en droeg het met zich als talisman , die hem gezondheid gaf en onkwetsbaar maakte. Velen lieten zich nu dergelijke amuletten door den leerling van den profeet maken, 't geen hem groote winsten gaf. Een dezer zou bij de verovering van Egypte door Selim I gevonden zijn in Kaïro

ocr page 19

11

en thans nog te zien zijn onder de reliquien, die bewaard worden in de heilige kamer van 't oude Serail.

Het zoogenaamde Kattenoog — kristalachtige met kleuren dooraderde kwarts, dat, als het geslepen is in den vorm van een halven kogel, een lichtschijnsel vertoont, dat aan de oogen der kat doet denken — schijnt mede gelukaanbrengend. De Prinses van Wales schonk aan haar schoonzuster, Prinses Louise Margaretha, bij haar huwelijk met den Hertog van Con-naught een ring met een kattenoog.

De Robijn beschermde den ridder van den dood en deed hem trouw blijven aan zijn ver verwijderde geliefde; de saffier bewaart de gezondheid en beschermt tegen waterzucht; de smaragd deed dienst tegen kramp — in Brazilië draagt ieder jong arts een smaragd, die hem geluk en zijn zieken genezing moet aanbrengen ; de turkoois geeft overwinning op vijanden, de amethist bewaart voor dronkenschap.

In de 4llc eeuw meende de Synode van Laodicea een eind te maken aan het dragen van amuletten onder de Christenen. Toch wórden zij tot op den huldigen dag aangewend — het geloof aan de werking van geheimzinnige krachten wordt door den mensch niet losgelaten. De vormen, waarin dit geloof zich uit, zijn dikwijls zeer gebrekkig — maar nu eens vallen deze en alle andere vormen in stukken, de kern van waarheid, die ze omhullen, is bestemd te blijven. Er is een macht hoog boven 't menschelijke verheven — dat te hebben gevoeld strekt der menschheid tot eer!

Anagrammen.

Een anagram of letteromzetting — letterkeer zei men vroeger — is de omzetting van een of meer woorden, in een of meer andere met behoud van dezelfde letters.

Het is, zegt Ter Gouw, een soort van taalgymnastiek, waar onze vaderen nog al mee op hadden en veel aan deden. Soms maakten zij het wel wat erg hiermee. Monnikenwerk was het b.v. wat Ds. Revius — die in 1641 een beschrijving van Deventer uitgaf — verrichtte, toen hij uit het woord Daventria vijftig anagrammen trachtte op te duiken, hetwelk hem inderdaad gelukte. Maar dat er altijd meester boven meester is, bewees zekere Arnold Moonen, die het werk van eerstgenoemde met den

ocr page 20

12

weinig vereerenden naam van half-werk bestempelde en het getal anagrammen van 't woord Daventria wist te brengen tot. ... honderd! Inderdaad een onzinnig werk. Onzinnig vinden wij ook, hetgeen Saphir ons mededeelt, n.1, dat de Romeinen afkeerig waren van het getal XVII — bij velen staat in onzen tijd nog het getal 13 in kwaden reuk — omdat het een letteromzetting is van VIXI, d. w. z.: ik heb geleefd, met andere woorden: mijn dood is zeer nabij.

Zin daarentegen schuilt in de volgende omzettingen: De vraag van Pilatus aan Jezus: „Wat is Waarheid?quot; luidt in 't Latijn: „Quid est Veritas?quot; Dezelfde letters gebruikende, kan men er van maken: „Est vir qui adest,quot; dat wil zeggen: „De man. die voor u staat.quot;

Berlijn, de hoofdstad van Duitschland, heette Berolinum, van welk woord de letters door omzetting vormen: Lumen Orbi, d. i.: Licht der Wereld.

Bekend kan het voorts zijn, hoe de letters van „Joost ran Vondelensquot; door Cats verzet werden tot „Sotje vol van sonden.quot;

Ieder kent de groote Fransche omwenteling uit het laatst dei-vorige eeuw. Aardig is het, dat in de woorden Revolution Fran-gaise een profetie lag... door omzetting wordt het: „ Un Corse la finira, veto!quot; d. i. Een Corsicaan zal een eind aan haar maken, veto! — veto is het recht van den vorst om het ten uitvoer brengen van besluiten, genomen door 's lands vergadering, te weigeren; een recht, dat tijdens de revolutie door Mirabeau voor den koning was bedongen. Zoo kreeg de laatste den spotnaam: Monsieur Yeto. —

De letters van den naam Bonaparte kunnen omgezet worden tot Nahot paré, dat wil zooveel zeggen als: opgepronkte dwerg, enz.

Deze voorbeelden zouden met nog heel wat andere te vermeerderen zijn. Genoeg echter om te laten zien, wat men verstaat onder Anagrammen.

April.

De vierde maand van ons jaar is volgens sommigen genoemd naar Aphrodité — naam, aan Venus gegeven, dewijl zij volgens de fabelleer uit aphros, schuim, is geboren — aan wie deze maand door onderscheiden feesten was gewijd.

ocr page 21

18

Volgens de meerderheid echter is de naam atgeleid van het Latijnsche woord aperire, dat openen beteekent, omdat zich in dezen tijd de aarde als het ware opent ter voortbrenging van allerlei gewas.

Geen verklaring behoeft de Hollandsche benaming Grasmaand; het groenen der weiden was van ouds, gelijk nog heden, voor ons volk van genoeg belang om er deze maand naar te noemen.

Karei de Groote — die „naar zijne Vaderlijke spraakequot; andere namen aan de maanden gaf, daar zij voor dien tijd bij de Franken deels met „Latijnschequot;, deels met „barbarischequot; namen werden benoemd — herdoopte April in Ostarmanoth, waaromtrent wij hier slechts aanstippen, hoe Beda — Angelsaksiksch schrijver uit de 8e eeuw — ergens in zijn geschriften meedeelt, dat „bij de Anglen April Esturmonath heet, en alzoo genoemd is naar hun godin, die Eostra heette, terwijl zij voorts aan den naam van die godin ontleend hebben de benaming van hun Paaschfeest.quot;

Er zijn er, die in dat Ostern een omzetting meenen te moeten zoeken van het woord Urstend, opstanding; dit is echter wel wat ver gezocht.

Augustus of Oogstmaand.

Oorspronkelijk droeg deze maand den naam Sexlilis, toen zij nog de zesde was, Maart als eerste gerekend; maar later is zij herdoopt in Augustus, naar den Keizer van dien naam. Kan er alzoo geen verschil van gevoelen bestaan omtrent de Latijnsche benaming, anders is het met de Hollandsche gesteld, omtrent welker oorsprong en beteekenis niet altijd alien het eens zijn geweest.

Er zijn er n.1., die in het woord oogst gezien hebben een samentrekking van het Latijnsche Augustus, 't Is echter wat dwaas zoo ver te zoeken hetgeen voor de hand ligt. De naam der achtste maand is natuurlijk ontleend aan het oogsten of inzamelen der veldopbrengst.

Een andere zaak is om de afleiding van het woord oogst zelf te bepalen.

Volgens den een is die inzameling bestempeld met den naam oogst, omdat zij in de meeste noordelijke landen plaats vindt in of omtrent Augustus. L. ten Kate en anderen leiden oogst —

ocr page 22

u

oudtijds oegst en oest — af van 't oude oeken, vermeerderen, 't welk in verband staat met het Latijnsche augeo, dat van dezelfde beteekenis is.

Karei de Groote noemde deze maand Aranmanoth, gelijk in 't Hoogduitsch de oogst nog „die Erntequot; heet.

Merkwaardig is het, dat op slot van zaken iedere maand — zooals ook Laurillard in zijn Sprokkelhout vermeldt — recht zou hebben op den naam, door ons aan Augustus gegeven.

In Australië, Nieuw-Zeeland etc. oogst men in Januari, in Oost-Indië begint de oogst in Februari en noordelijker is zij in Maart nog in gang. In Egypte, Perzië, Syrië oogst men in April. In China, Japan, Tunis, Algerië verzamelt men de opbrengst in Mei. In Spanje, Portugal, Italië, Griekenland wordt in Juni geoogst. In midden-Frankrijk, Oostenrijk en Zuid-Rusland en een deel van Amerika is Juli oogstmaand.

België, Duitschland en Nederland noemen Augustus oogstmaand. September geldt als zoodanig voor Schotland, Zweden, Noorwegen en een deel van Rusland.

In Noordelijk Rusland en Finmarken wordt in October binnengehaald, voorzoover er daar wat te halen valt. In Zuid-Afrika eindelijk oogst men in November en December, in den tijd dus als wij bedolven zitten onder sneeuwmassa's en niet weten, hoe dicht wij bij de kachel zullen kruipen.

Bidprentjes.

Zoo heeten de kaartjes, die volgens gebruik der R. Kerk, ter gedachtenis aan een overledene, aan vrienden en kennissen worden uitgedeeld. Zij dragen ook den naam doodsantjes (sanctus) — in plat Gentsch verbasterd tot „doosyntjesquot; —, suffragetjes en teksten; ook wel zerkjes (alzoo te Yperen en Gent), omdat het als 't ware afgedrukte zerken zijn.

Immers ten grondslag aan dit gebruik ligt hetzelfde, wat ten grondslag ligt aan de doodboeken en grafzerken en andere gedenkteekenen van afgestorvenen. Oorspronkelijk werden zij, evenals de boeken, geschreven. Zulk een antiek exemplaar is nog bewaard; 't is een beschilderd perkamenten blaadje, dateerend van 10 Juni 1711. — Op deze soort volgen die, welke

ocr page 23

15

gedrukt zijn van geëtste platen, van welke er nog een bestaat van 't jaar 1755 en een van 1759. De gewone inhoud is;

„Bid voor de ziel van zaliger.......

„overleden......te........R. I. P.quot; ^

Voorts pleegt op de eene zijde van het kaartje een Sanct, heilige, voorgesteld te worden, of een tafereel uit de H. Schrift; somwijlen ook het beeld van den overledene. Op de keerzijde vindt men dan eenige bijbelteksten, veelal in zwarte lijst gevat. of wel een gedicht; dit laatste niet zelden door den afgestorvene daartoe bij zijn leven opzettelijk gemaakt.

Zoo o. a. deed Désiré de Corte, gestorven 21 Jan. 1837, te St.-Lievens-Hautem;

„'t Ellendig vleesch alleen kan sterven:

„De ziel schiep God voor de eeuwigheid,

„Voor haar heeft hij dit goed bereid,

„Dit hemels goed, dat haar de dood doet erven.

„Zeg dan, o dood, waar is uw straal ?

„Waar is, o dood, uw zegepraal;

„Daar gij mij doet een eeuwig goed verwerven?quot;

Er bestaan groote verzamelingen van deze bidprentjes. Er zijn er, die meer dan 100.000 verschillende exemplaren bevatten, gelijk die van den heer Slosse, kapelaan te Iseghem, terwijl de boekerij der Leuvensche hoogeschool een dergelijke groote en merkwaardige collectie bevat.

Bovenstaand is gedeeltelijk ontleend aan de uitvoerige beschrijving dezer Bidprentjes, voorkomende in Guido Gezelle's „Kerkhofblommen.quot; —

Bidwiel.

Niet aan ieder zal bekend zijn, van welk voorwerp dit woord de naam is.

Een bidwiel bestaat uit een vierkant plankje, op welks vier hoeken evenzooveel stokjes zijn opgericht, die dienen als dragers van een spits toeloopend dakje — het geheel heeft wat vorm

„Requiescat in Pacequot;, d. i. hij of zij ruste in vrede.

ocr page 24

16

betreft alzoo eenige overeenkomst met een lantaarn. Yan binnen is een spil aangebracht, welke rust in het middelpunt van den bodem en reikt tot dat van het dakje. Om den spil nu draait een ronde klos (van boven en van onderen plat, evenals een garenklos). Op dien klos zijn rondom gebeden geschreven.

Dit voorwerp is uitgevonden door de Thibetaansche Buddhis-ten, die, door den klos in 't rond te draaien, in den kortst mogelijken tijd de meest mogelijke gebeden kunnen doen.

Ten einde te weten, hoeveel gebeden iemand op deze wijze doet, is nog een schel aangebracht, welke, telkens als het wiel heeft rondgedraaid, hiervan kennis geeft.

Het behoeft nauwelijks gezegd, dat hier door den volgeling van Buddha bijna het toppunt van formalisme is bereikt, iets geheel anders als het „aanbidden in geest en in waarheidquot;, waarvan Nazareth's profeet zoo schoon wist te spreken.

Merkwaardige Bybels.

Een der alleroudste voortbrengselen der drukpers is zeker de zoogenaamde Biblia Pauperum, volgens sommigen kunstproduct van Laurens Janszoon Koster zelf, volgens een oude kroniek op 't jaar 1428 echter in Venetië gedrukt. De inhoud bestaat uit 40 aan ééne zijde bedrukte bladen, in folio, die ieder een, van Latijnsch opschrift voorziene, teekening bevatten, voorstellende eenig feit uit de Bijbelsche Geschiedenis. Het boek mist — zooals met meer oude boeken het geval is — een titel.

Het wordt Biblia Pauperum - bijbel der armen - genoemd, öf omdat het minder in prijs was dan andere bijbeldrukken, of omdat het een boek was bij uitnemendheid geschikt voor de armen — eenvoudigen, onkundigen — een boek voor deleeken, om zoo te zeggen; immers voor hen, die niet lezen konden, vervulden deze prenten de plaats van 't geschreven woord. Evenzeer beschouwt de Catholieke kerk haar beelden als boeken voor de leeken.

Niet lang geleden kocht een Duitsch boekhandelaar uit Venetië op een veiling te Eome een der weinige — vijf of zes exemplaren, die bekend zijn, voor de som van 18.000 liie.

Een niet minder kostbaar boek kan de zoogenaamde Mazarin Bijbel heeten, zijnde de eerste uitgaaf van de H. Schrift in de

ocr page 25

17

Latijnsche taal, wellicht het oudste boek, dat met beweegbare metalen letters is gedrukt — omstreeks 't jaar 1450. — Den naam ontleent het aan de omstandigheid, dat het oudste exemplaar, dat ons bekend is, ontdekt werd in de boekerij van den Kardinaal Mazarin. Volgens de „Christian Agequot; werd, nog niet lang geleden, te Londen een exemplaar verkocht voor 24.000 gulden.

De duurste bijbel evenwel, die ooit verkocht werd, is een Hebreeuwsche, die berust in de boekerij van het Vaticaan. In 1512 trachtten de joden dit boek van Paus Julius II te koopen, maar niettegenstaande Rome's bisschop, na 't sluiten van de heilige ligue, voor den oorlog tegen Lodewijk XII geld noodig had, wilde hij den bijbel niet van de hand doen — en toch werd hem niet minder geboden dan 500.000 francs, zijnde 't gewicht van 't boek in goud. Het woog n.1. 325 pond, en was zoo lijvig, dat twee mannen noodig waren om het te vervoeren.

Meer bekendheid heeft misschien verkregen de zoogenaamde Deux Aas Bijhei, uitgegeven te Emden door Gilles van der Erven — Gellius Ktematius — in 't jaar 1562. In ons land verscheen de eerste druk er van in 'tjaar 1571. Den naam dankt dit boek aan een daarin voorkomende kantteekening bij JSTehe-mia III : 5.

Er wordt n. 1. in dit hoofdstuk gehandeld over den wederopbouw van Jeruzalem en dan in vrs. 5 o. a. gezegd, dat „de voornamen hun schouders niet leenen wilden om lasten te dragenquot;, met andere woorden, zich onttrokken aan het werk. Bij dit vers nu vindt men de kantteekening:

De Armen moeten het Cruyce dragen,

De Rijken en geven niets;

Deux aas en heeft niet.

Six cinque en geeft niet,

Quatre dry, die helpen vrij.

Over de beteekenis van deze woorden, die tot opheldering moesten dienen van den tekst, is nogal wat gedacht en geschreven. Het meest waarschijnlijk is de uitlegging er aan gegeven door Le Francq van Berkhey, die het aldus verklaart :

„De arme heeft niet, de rijke geeft niet,

„Maar de burgerstand geeft, daar arm en rijk van leeftquot;.

Drijver, Mozaïek, 2e druk. 2

ocr page 26

18

een verklaring, die in verband staat met het ander rijmpje:

Un as en heeft niet,

Deux as en geeft niet,

Trois en quatre moeten geven,

Daar cinq en six van leven.

Sprenger van Eyk leidt dit spreekwoord dan ook af van het dobbelspel, waarbij de minste worp een of twee oogen is, terwijl drie en vier gemiddeld en vijf en zes de hoogste worp is ; — aas of as, in verband met het grieksche eis, beteekent één.

Weiland meent, dat het geheele rijmpje uitsluitend op de belastingen slaat, waarschijnlijk had de schrijver ook het oog op de weldadigheid. Toen deze bijbel verscheen, werd er aanstonds door de regeering beslag op gelegd; alle exemplaren, die men bereiken kon, werden ten vure gedoemd, omdat, zooals Le Long-zegt : „vele der kantteekeningen niet sonder ergernisse gelesen konden worden, in de plaats van te stichten, en daarom beter waren daeruyt gelaten geweest.quot;

Dezelfde bijbel wordt ook wel de bijbel van Uilenspiegel genoemd, omdat er van dezen melding wordt gemaakt in dekant-teekening op Jez. Sir. XIX : 5. Bij dit vers, waarin gesproken wordt over lieden, die „schalcheyt bedrijvenquot;, is als kantteeke-ning toegevoegd: „Als Uilenspiegel, Vincentius, de Pape van Calenberghe, etc.quot;

Merkwaardig is ook nog de bijbel, die zich bevindt in t paleis der schoone kunsten te Lyon, een handschrift n.1. van de bijbelvertaling , die gebruikt werd door de vervolgde Albigensen en geschreven is in 't Provencaalsch. Het is een van de zes of zeven dergelijke overzettingen, die, voor zoover bekend, ontkwamen aan den vernielenden vuurgloed, waaraan, ten tijde van de vervolging der Albigensen, al hun bijbels werden prijsgegeven.

Aan een geheel andere omstandigheid danken een paar andere bijbels hun vermaardheid, n.1. aan een drukfout. Zoo werd in een bijbeleditie van 't jaar 1717 als opschrift boven de gelijkenis van den Wijngaard — Vineyard — in Lucas XX, abusievelijk gezet Vinegar, d. i. azijn, weshalve deze bijbel voortaan onder den naam Azi/jn-Byjbel bekend stond.

Een dergelijke vergissing gaf aan de editie, die in 1631 verscheen, den naam van Deugnieten-BvjbH, omdat n.1. door verzuim

ocr page 27

19

van zetter en corrector in 't zevende gebod het woordje „nietquot; was achterwege gebleven, zoodat er stond : „gij zult echtbrekenquot;, in plaats van: „gij zult niet echtbreken.quot; Op last van Karei I werden de reeds verspreide exemplaren weer ingekocht en vernietigd, althans voor zoover men ze in handen kon krijgen; de drukker werd tot een aanzienlijke geldboete veroordeeld, voor welk bedrag G-rieksche letters werden gekocht voor de Universiteit te Oxford.

Een andere drukfout — maar die 't gevolg was van den moedwil eener vrouw, die zich niet vereenigen kon met het denkbeeld dat „de man het hoofd isquot;, is mede der vermelding waard.

Men verhaalt n.1., dat de vrouw eens drukkers in Duitschland de aardigheid had, des nachts in den lettervorm van den bijbel, die ter pers lag, in het bekende vers Gen. III : 16 de twee eerste letters van 't woord „Herrquot; weg te nemen en die te vervangen door de letters „Naquot;, zoodat er in plaats van : „Er soil dein Herr seinquot;, kwam te staan: „Er soil dein Narr sein !quot; Van deze juffrouw kon zeker gezegd worden, dat zij den pantalon wilde aanhebben, en reeds had.

Ja, er is ook nog — de drukkersvrouw brengt mij op de gedachte — een zoogenaamde Broeken-Bijbel. In Genesis III ; 21 lezen wij: „de Heer maakte voor Adam en zijn vrouw lijfrokken (tunica)quot;' maar in dezen bijbel - die in 1560 in kwarto-formaat verscheen, en bewerkt werd door de Engelsche reformateurs, die te Genève verbannen waren — kon men lezen : „De Heer maakte voor Adam en Eva broeken.quot;

Merkwaardig is voorts nog de uitgave van een Miniatuur-Bijbel (de kleinste, die ooit gedrukt werd), die werd uitgegeven dooide Oxford Universitydrukkerij. Hij is duidelijk op taai Indisch papier gedrukt, is 9 cM. hoog en 5Va cM. breed, en weegt, gebonden in marokkoband, niet meer dan 3 Va ons.

Maar nog merkwaardiger - omdat er een historie aan verbonden is — is de gebakken Bijbel, die in 't bezit moet zijn van een boer in Ohio. Deze boer. een geboren Bohemer, heeft hem geërfd van zijn moeder. Deze vrouw had haar bijbel, toen de regeering in Boheme een algemeene bijbelverbranding gelastte, rondom met deeg bedekt en daarna gebakken, om hem zoo te doen ontgaan aan verspiedende blikken der vijanden van 't haar geliefde boek.

Uit eerbied voor de even vrome als slimme vrouw, bewaart

2*

ocr page 28

20

haar zoon zorgvuldig zijn gebakken bijbel, die zeker een ware zeldzaamheid mag heeten, eenig in zijn soort zal zijn, en daarom mede past op de lijst der bijbel-curiosa!

Blauw blauw laten.

Gelijk later, bij het bespreken der „Volksetymologiequot; zal worden aangetoond, heeft de ongeletterde menigte steeds getracht verklaring te zoeken van woorden en uitdrukkingen, en waar zij, bij alle onbekendheid met de taalwetenschap, de ware afleiding-niet wist te ontdekken, liet zij vrij spel aan de fantasie, en... maakte er maar wat van.

Zoo ging het ook met de uitdrukking aan het hoofd van dit artikel geplaatst. Dat het woord „blauwquot; hier „nietigquot; (denk aan blauwtjes = koel, minachtend) beteekende, evenals in „blauwe verontschuldigingen, d.i. voorgewende verontschuldigingen, en „blauwe boodschappenquot;, d.i. kale uitvluchten en „iemand blauwe bloempjes wijs makenquot;, d.i. „iemand wat op den mouw speldenquot; — daaraan dacht men niet; men kende „blauwquot; slechts als naam van een kleur, en uit die beteekenis van het woord zocht men nu ook de verklaring der uitdrukking „iets blauw blauw latenquot;, en zoo kwamen een tweetal verhalen in de wereld, die dan ten grondslag moesten liggen aan deze zegswijze:

Zekere winkelier — tevens menschenkenner — had een uithangbord ten toon gesteld, waarop bezems 1) geschilderd waren met lange en korte stelen en waaronder deze woorden te lezen stonden:

„Groote stelen; kleine stelen; G-roote stelen 't meest.quot;

De overheid liet den man aanzeggen, dat zulk een opschrift niet paste, en dat hij dus 't bord wegnemen moest of de woorden veranderen.

Weinige dagen later las men op het uithangbord:

„Naar 't zeggen der Heeren van 't Stadhuis Is dat van de groote stelen abuis.quot;

Het gevolg van deze nieuwe vermetelheid was, dat van over-

1

Volgens eene andere lezing gold het een tabakshandelaar, die in het laatst der vorige eeuw in de Peperstraat te Groningen woonde. De „stelenquot; hadden dan niets met hezems te maken, maar wel met de eertijds algemeen in gebruik zijnde „gouwenaarsquot;, lange en korte. Men zie den Gron. Volksalm. -1894, pag. 20.

ocr page 29

1

21

heidswege het geheele bord nu met blauwe verf werd bestreken, zoodat niets meer te zien was van teekening en gedicht.

De winkelier echter — niet tevreden maar goedig — liet over 't blauw heen schrijven :

„Om met de heeren van 't Stadhuis niet te kijven,

Zullen wij het blauw maar blauw laten blijven !quot;

Naast dit verhaal evenwel wordt nog een tweede opgegeven als oorsprong van deze uitdrukking.

Het was n.1. gewoonte, dat voerlieden en schippers (men vindt het een enkele maal nog) op hun wagens of schuiten een of ander versje lieten schilderen. Zoo had zeker boertje het volgende gedicht, dat men aan Vondel toeschrijft, op zijn wagen laten aanbrengen:

„De groote dieven rijden te paarde,

„De kleine hangt men tusschen hemel en aarde,

„En als de grooten genoeg hebben gestolen,

„Wordt hun nog stad en land aanbevolen!quot;

Toen de magistraat op straffe van zware boete den boer verbood , hiermee weer ter markt te komen , liet de boer het wegmaken met blauwe verf, met welke kleur zijn wagen geheel geschilderd was. Echter liet hij in lichter blauw er op uitkomen deze woorden:

„Omdat ik de waarheid niet mag schrijven,

„Zal ik dit blauw maar blauw laten blijven.quot;

J

Bruiloft.

Een heel prettig woord! — 't Doet zoo denken aan gezelligheid en blijheid, aan een fijne tafel en een fijn glas, aan scherts en vroolijkheid.

Dat weet ieder, maar wat eigenlijk dat woord beteekent en hoe het is ontstaan, dat weten er velen niet!

Weiland b.v. ziet er een samenstelling in van bruid en gelofte, omdat er aan en door de bruid geloften worden gedaan.

Terwen meent, dat het een samenstelling is van bruid en loop,

ocr page 30

22

omdat er bij gelegenheid van een huwelijksfeest altijd groote toeloop van volk is.

Tuinman zaliger zat er ook al mee. Hij meende, dat bruiloft öf samengesteld was uit bruid en belofte, öf uit bruid en lof. Dit laatste acht hij te meer waarschijnlijk, omdat er van ouds door de bruiloftsgasten placht te worden gezongen. Hi] haalt er zelfs Psalm 78 bij — zie zijn „Fakkelquot;.

Nu, van dit alles zou kunnen gelden het bekende „si non vero, e bon trovatoquot;, aardig gevonden, maar niet juist.

Het woord bruiloft is een samenstelling van bruid en loft, welk laatste van het werkwoord loopen komt. Het geheel be-teekent alzoo de bruidsoptocht, terwijl het later meer bepaald het gastmaal aanduidde, ter gelegenheid van die gebeurtenis gegeven. Wat is nu eigenlijk de bruidsoptocht ? Nog hier en daar treffen wij de gewoonte aan, dat de bruigom zijn bruid haalt van het ouderlijk huis, terwijl hij met haar al haar meubels en uitzet medevoert, en tal van geburen, oud en jong, jolende en zingende het jeugdig paar vergezellen.

Dit „halen van de bruidquot; wortelt in een ander gebruik, dat opklimt in de hooge oudheid en aangetroffen wordt bij vele volken, n.1. dat de bruidegom zijn bruid moet rooven.

Bij verschillende stammen had dit op verschillende wijze plaats — dikwijls ging het zeer ruw en barbaarsch toe. Later, toen het rooven niet meer plaats vond, dank zij de beschaving, bleef het stelen der bruid nog bestaan als klucht, die op de meeste bruiloften werd vertoond of wel de ontvoering der bruid heeft nog plaats, maar dan na gemaakte afspraak, zóó, dat het niets is dan een vorm, zonder dat hier natuurlijk van ontvoeren in den eigenlijken zin sprake kan zijn.

Zulk een quasi-ontvoering heeft o. a. nog plaats in Oud-Beieren, en heet daar nog Brautlauf (Bmdhlaup). Van de oorspronkelijke, heimelijke ontvoering is wellicht onze huwelijksreis nog een overblijfsel.

December of Wintermaand.

Toen de twaalfde maand van ons jaar nog de tiende was, kon men deze met volle recht Decembris — vandeeem, tien — heeten.

Thans past eigenlijk die naam niet meer, die wijst op ver-

ocr page 31

23

ouderde toestanden. De benaming Wintermaand daarentegen heeft dit voor, dat zij niet verouderen zal, al is het niet onmogelijk, dat mettertijd naast dezen ook meer andere namen komen te staan; trouwens 't is niet de eenige naam geweest, die aan de laatste van het zuster-twaalftal is gegeven.

Karei de Groote noemde haar Heiligmanoth, met het oog op het groote Christenfeest, dat in deze maand wordt gevierd. Deswege heette zij ook Krist- of Kerstmaand.

Bij Kiliaen vinden wij ook het verouderde Windelmaand, welke naam wellicht in verband is te brengen met „wendenquot;, omdat nu de zon in de „winterwendequot; gaat.

Wolfsmaand dankt haar ontstaan aan de omstandigheid, dat in dezen tijd de wolven, door den honger gedreven, zich waagden buiten 't woud bij woningen en stallen.

De naam Midicintermaand is gemakkelijk te verklaren hieruit, dat in deze maand de kortste dag valt.

Beda noemt December Ghdi of Geola, terwijl in het oud-Zweedsch deze laatste der maanden Jylamonat heet. — Zie over deze benamingen Art. „het Kerstfeest en zijn gebruiken.quot;

Dertien.

Werden in het algemeen in de oudheid de even getallen vermeden, wijl men ze als onheilspellend beschouwde — hetgeen zijn grond had in de omstandigheid, dat ze te verdeelen zijn in twee gelijke deelen, symbool van dood en ontbinding •— te hooger in aanzien stonden de oneven getallen, inzonderheid drie, zeven en negen. Wat het laatstgenoemde betreft, moet er op gewezen worden, hoe het een enkele maal een ongunstige be-teekenis had, n.1. als bij het spel de dobbelsteenen zes en drie oogen vertoonden, de zoogenaamde kwade negen — waartegenover de worp vijf en vier als goede negen staat — die het getal drie en zestig vormt: en immers het drie en zestigste levensjaar van een mensch gold als het „moordjaar,quot; „l'année climatériquequot;, zooals de Franschen zeggen, bij uitnemendheid.

Een andere uitzondering op den regel, betreffende de hoogere waarde der oneven getallen, vormt het getal elf, hetwelk zijn ongunstige beteekenis dankt aan de omstandigheid, dat het verward werd met een ander woord, in klank gelijk, maar in be-

ocr page 32

24

teekenis veel verschillend, t. w. dat elf, dat ook wel alf werd geschreven, en dat de naam is van zekere kwelgeesten uit de Germaansche mythologie, o. a. voorkomend in den bekenden versregel uit de „Sotternie van Lippijnquot;:

„Het es ene elvinne die u quelt,quot; d. w. z.

„G-ij wordt door een boozen geest geplaagd.quot;

Ook werd nog een uitzondering op den regel gemaakt door het getal zeventien, dat, in Romeinsche cijfers geschreven, — XVII — zich omzetten laat in VIXI, zijnde de eerste persoon van den verleden tijd van het latijnsche werkwoord „vivere,quot; leven. Men schuwde dus het getal, waaruit zich lezen liet het minder aangename „ik heb geleefd,quot; m. a. w. „mijn leven is ten einde,quot; om denzelfden reden, om welken men ook afkeer had van het reeds genoemde getal drie en zestig.

Dat men in Israël een misdadiger juist 40 — 1 slagen liet toedienen, is te verklaren uit de vrees de wet te overschrijden;

dat men bij zekere gelegenheden juist 100 1 (of een ander oneven aantal) saluutschoten lost, kan zijn diepsten grond eveneens hebben in de vrees er een te weinig te lossen, en zóó te kort te doen aan de verschuldigde eer; toch zal in 't laatste geval rekening zijn te houden met de omstandigheid, dat de oneven getallen als geluk aanbrengend werden beschouwd.

In het algemeen echter stonden, zooals gezegd, de oneven getallen in hooger aanzien dan de even, hetgeen reeds duidelijk blijkt uit het woord van Virgilius (Eel. VIII: 75): „Numero deus impare gaudet,quot; d. w. z.: de godheid heeft welgevallen aan het oneven getal.

Dat deze bijgeloovige gehechtheid nog niet geheel vervallen is, daarvoor getuigt wel het feit, dat nog in onze dagen geen boer zijn kip anders te broeden zal zetten dan juist op een oneven aantal eieren.

En toch is het niettegenstaande dit alles een oneven getal, dat meer dan eenig ander in miscrediet is geraakt en beschouwd werd en nog wordt als in hooge mate onheilspellend te zijn. Dat is het getal dertien, dat inzonderheid, waar het aanduidt het aantal aanzittenden aan een maaltijd, als ongeluksgetal staat aangeschreven. De oorzaak er voor is te vinden in 't genoeg bekend verhaal van Jezus' laatste avondmaal, gehouden met zijn twaalf discipelen, van welke Judas het eerst opstond (Joh. 13 : 30) en ook 't eerst stierf (Matth. 27 : 5). „Dertien aan tafel,

ocr page 33

25

morgen één doodquot; is een nog niet uitgestorven spreekwoord.

In „Volkskundequot; deelt Aug. Gittée een merkwaardig voorbeeld van dit bijgeloof meê, waarvan hij zelf getuige was, verhalende als volgt: „Het was souper in een rijke woning te Marcinelle ; „op 't oogenblik, dat men zich aan tafel ging zetten, bemerkt „de heer des huizes — een anders verstandig man, nog wel een „dokter — dat men met dertienen was. G-roote opschudding! „Het gezelschap was volledig en wien zou men gaan opzoeken „om in zulke voorwaarden te gast te nooden ? De man had een „lumineus idéé! Nevens zijn huis stond een kapel aan St. „Rochus gewijd, waarvan de sleutel bij hem berustte. Hij ging „eenvoudig het beeld van St. Rochus halen, en stelde het mid-„den op tafel. Zoo was men toch met veertienen en werd het „onheil afgeweerd!quot; Wie zegt nu niet, zoo vragen wij, dat onze eeuw de eeuw is van verlichting en beschaving? Zoo las ik elders, hoe bij dergelijke gelegenheid de kinderjuffrouw uit de kinderkamer werd ontboden en aan tafel geplaatst, om te dienen als talisman of weermiddel tegen onheil.

Ja, te Parijs moet een maatschappij bestaan of althans bestaan hebben, le Quatorzième genaamd, die zich ten doel stelt gasten te leveren voor een maaltijd, ingeval er onverhoeds, door het wegblijven van een of meer der genooden, dertien personen aan tafel mochten komen.

Toch heeft de bijgeloovige vrees voor 't getal dertien zich niet slechts bepaald binnen de wanden onzer eetzalen. Toen immers eenige jaren geleden te Frankfort a. M. de huizen opnieuw genummerd werden, moet in meer dan ééne straat het No. 13 zijn overgeslagen, daar menig huiseigenaar zijn bezwaren had ingediend bij de bouwcommissie, er op wijzende, hoe de met dit ongeluksgetal genummerde perceelen zeker zeer in waarde verminderen zouden, door het noodlottig nummer, dat iedereen afschrikken zou het te betrekken. Ook in Parijs moet hier en daar om dezelfde reden nummer dertien weggelaten, overgeslagen zijn.

Zij, die aan de ongeluk aanbrengende kracht van 't zoo gehate nummer gelooven, zullen zeker in hun dwaling versterkt worden door de wetenschap van het gebeurde in 1892 op de Grand Trunk Spoorweglijn in Michigan, toen twee treinen vol passagiers, die van en naar de tentoonstelling te Chicago gingen, met elkaar in botsing kwamen, zóó dat 26 personen gedood en

ocr page 34

26

ruim 50 ernstig gewond werden, terwijl de waggon, waarin de meeste dooden werden gevonden met 13 was genummerd. Trouwens deze waggon had reeds den naam „ongelukswagenquot;, omdat daarin reeds eerder eenige menschen gedood en gewond werden.

Daartegenover staat gelukkig ook een ander voorbeeld, dat ten gunste van 't gewraakte nummer kan stemmen. De eenige geredde van de „Drummond Castlequot;, welk schip nog kort geleden verging en dat 253 menschen aan boord had, was die, welke no. 13 tot hutnummer had; een wetenschap, die wel eens tengevolge kon hebben, dat hier en daar in hotels, zooals te Kissingen — zie „Stemmen van AVaarh. en Vrede 1894 — kamer no. 13, nu nog altijd tot bergplaats van koffers, etc. gebruikt, door de reizigers gevraagd in plaats van geschuwd werd.

De beroemde Noordpoolvaarder Nansen scheen dan ook voor 't getal 13 geen bizondere vrees te koesteren, toen hij zich met twaalf man aan boord van de „Framquot; waagde, toen hij den ISden Maart 1895 dezen bodem verliet om met één man een uitstapje te maken naar de Noordpool. Wij weten voorts, dat hij den 13den Augustus van 't daaraan volgend jaar de voet zette op vaderlandschen grond, de proef op de som, dat een dertiende een geluksdag kan zijn.

In één geval schijnt men zich weinig van dat getal dertien en zijn onheilbrengende kracht aan te trekken. Hoe bijgeloovig b.v. de Amerikaan ook moge zijn, zóó erg is het nog niet — gelijk de schrijver van de brieven uit Amerika in het Nieuws v. cl. Dag opmerkt — dat hij weigeren zal een „quarter-dollarquot; aan te nemen, die anders genoeg termen heeft om af te schrikken. Stel u voor, dat op die munt 13 sterren staan en eveneens 13 letters op de rol, die de arend in zijn klauwen houdt, terwijl de vleugels van dien arend, evenals zijn staart, 13 veeren bevatten; voorts vindt men op het schild aangebracht 13 horizontale en 13 verticale lijnen, en eveneens 13 pijlspitsen, terwijl — en dit doet, dunkt mij, de deur dicht — het woord quarter dollar uit 13 letters bestaat!

De algemeene invoering van dergelijke muntstukken zou misschien 't beste middel zijn om 't oude bijgeloof te keeren en uit te roeien, welke invoering wellicht meer zou uitwerken dan een te Londen bestaande „Dertienclubquot;, die een zelfde doel beoogt. Zij gaf daartoe in Mei 1890 haar eerste, jaarlijks te herhalen gastmaal,

ocr page 35

27

waarbij men het er op gezet had allerlei gevreesde voorteekens aan te brengen.

Er waren zes tafels met dertien personen; vorken en messen lagen gekruist op den disch'; bij 't binnenkomen moesten de gasten onder een ladder doorgaan; het menu bestond uit dertien gerechten , 't een met al griezeliger naam dan 't ander, als: spinnensoep, duivelsgarnalen, enz. Niettegenstaande dit alles moet men aangenaam getafeld hebben, al is het ook waar, dat de geschiedenis de gevolgen van dergelijke vermetelheid niet vermeldt.

Een tweetal spreekwoorden mogen hier ten slotte niet onvermeld blijven. In de eerste plaats denk ik aan 't bekende „dertien is een boerendozyjnquot;, waaruit blijkt, dat sommige menschen er volstrekt geen been in vinden één boven de hun rechtens toekomende twaalf te nemen; in de tweede plaats herinner ik aan het niet minder bekende „twaalf ambachten, dertien ongelukkenquot;: van iemand, op wien dit van toepassing is, kan men gerust zeggen; hij is het ongeluk zelf.

Diernamen

worden dikwijls gebruikt om vergelijkenderwijs aan te toonen, hoever zich de een of andere eigenschap of toestand bij een mensch heeft ontwikkeld. Men zegt b.v. onder zekere omstandigheden van iemand:

Hij is zoo glad als een aal, zoo dom als een eend, ook: zoo dom als een gans (de ganzen van het Capitool staan hier buiten) of zoo dom als een ezel (Bileams ezel niet meegerekend). Zoo bang als een haas, zoo doof als een kwartel, zoo stil als een muis (natuurlijk als zij niet piept), zoo blind als een mol (vroeger meende men, dat de mol blind was), zoo mak als een schaap, zoo kwaad als een spin. Zoo arm als de mieren, zoo loos als een vos, zoo sterk als een os, zoo dik als een pad, zoo ziek als een kat en ook: zoo wijs als een kat (maar dan moet het juist die van Koning Salomo zijn). — Die liefhebberij er in heeft, kan dit lijstje nog lang voortzetten.

Dieven.

Volgens den Heer Canler — zoo deelde Henry Havard in zijn Leven te Parijs (feuilleton Handelsblad) mede — bestaan er niet minder dan twaalf soorten van dieven.

ocr page 36

28

1°. de haute pègre, wier aanhangers leven op een groot en voet, en bankiers, juweliers en kapitalisten bestelen.

2°. de Voleurs d la tire, door de Engelschen pick-pockets genoemd.

3°. Voleurs d l'Américaine. Deze weten onder mooi praten, zich als vreemdeling voordoende, hun slachtoffer naar een eenzame plaats te lokken om hem door list te berooven.

4°. Cambrioleurs of kamerdieven.

5°. Roulotlers maken zich meester van goederen op voertuigen.

6°. Scionneurs of Escarpes zijn eigenlijke roovers, die ingeval hun slachtoffer weerstand biedt, moord begaan.

7°. Voleurs au poivrier schudden de dronkaards uit.

8°. Voleurs d la vrille boren gaten in de winkelruiten en dringen dan binnen.

9°. Bonjouriers weten 's morgens in de hotels te sluipen, om zich meester te maken van 't eigendom der nog slapende reizigers; ontwaken deze, dan verontschuldigen de eersten zich door te zeggen, dat zij zich in 't Nr. van hun kamer vergist hebben.

10°. Voleurs d la carré bezoeken de winkels van juweliers en weten onder 't bezichtigen der kostbaarheden, er eenige van in den mond steken, om ze zoo te ontstelen. 11°. Voleuses d la Détourne, jonge vrouwen, die door hun handelwijze de plaag zijn van de modewinkels.

12°. Pegriots, jonge kinderen, afgericht tot diefstal aan de uitstallingen.

Deze 12 categorieën geven ten slotte slechts andere namen voor een zelfde zaak.

Maar vreemd komt het mij voor, dat ééne soort niet genoemd is — deze moest eigenlijk bovenaan staan, want tot haar behoo-ren de gevaarlijkste en de slechtste, dat zijn de .Eerdieven.

Groene of Witte Donderdag-.

Waarom deze dag het epitheton „groenquot; voert, is niet met zekerheid te zeggen. Sommigen vestigen de aandacht er op, dat in het Duitsch deze dag grün Donnerstag heet, en zien in dit grim een verkorting van „grönenquot;, 't welk hetzelfde zou zijn als het oudduitsche „greinenquot;, d. i. weenen. Dan zou deze dag alzoo

ocr page 37

29

genoemd zijn naar de weenende boetelingen, die den geloovigen kerkgangers bij hun gaan naar 't bedehuis verzochten om hun voorspraak, ten einde weder opgenomen te mogen worden in de gemeenschap. Anderen vestigen de aandacht op de Middeleeuwsch Latijnsche benaming „Dies viridiumquot; en denken aan de groene latuw, die door Israël met Paschen werd gegeten , gelijk nog in sommige streken van Duitschland de gewoonte bestaat, op dezen dag de eerste nieuwe groente te eten. Trouwens dit brengt de tijd van 'tjaar mede; immers de winter is voorbij, het voorjaar is gekomen en geplukt kunnen worden de eerstelingen der veldvruchten.

Kan in deze benaming „groene Donderdagquot; wellicht nog een overblijfsel schuilen van 't oude lentefeest, de naam „ Witte Donderdagquot; zal bepaaldelijk zijn oorsprong te danken hebben aan het Christendom, en wel aan de gewoonte, die heerschende was in de oude Christenkerk, en daarin bestond, dat de catechumenen, die Zaterdags voor Paschen zouden gedoopt worden , op dezen dag, in het wit gekleed, zich aan de gemeente vertoonden.

Vermelding verdient nog een oud gebruik, dat jaarlijks op dezen dag te Weenen, op den hof burg plaats vindt, en 't welk daarin bestaat, dat de Keizer en de Keizerin twaalf oude mannen en evenveel oude vrouwen de voeten wasschen, 't geen overeenkomt met de gewoonte des Pausen , om op dezen dag een twaalftal behoeftige personen eerst eveneens de voeten te wasschen en daarna aan tafel te bedienen, een en ander als navolging van de in Johannes XIII verhaalde voehoassching door Jezus.

Zoo wordt op Sicilië in den kathedraal te Lercara Friddi een tafel met dertien couverts klaargezet voor 't Heilig Avondmaal. Voor eiken gast staat een beeldje van suiker, een apostel voorstellende. De priester en twaalf door 't lot aangewezen personen nemen deel aan dezen maaltijd.

Ook in Spanje bestaat op dezen dag nog een even oud als eigenaardig gebruik. De Minister van Justitie legt in de kapel van het Koninklijk paleis aan den regeerenden Koning of Koningin de dossieren der ter dood veroordeelde misdadigers voor.

De Souverein strekt dan de handen uit over het zilveren blad, waarop de stukken liggen en zegt: „dat God mij vergeve, gelijk ik hun vergeef.quot; Zoodra die woorden gesproken zijn, worden de zwarte linten om de dossieren door witte vervangen, en aan de veroordeelden is gratie verleend.

ocr page 38

30

De Dooden-Lantaarn.

„Het is een oudt gebruyk in Deventer ter stede „En bij den IJssel-stroom meer andere plaatsen mede, „Dat, waar in eenigh huys een dood' is of een lijk,

„Wert uitgehangen een lanteerne tot een blijckquot;.

Zoo schreef Deventer's dichter Jan van der Veen in het laatste „Zinnebeeldquot; van zijn in 1642 verschenen bundel, die den titel „Adamsappelquot; droeg, en hij bewaart met die regelen de herinnering aan een in zijn tijd reeds „oudtquot; gebruik een lantaarn — van geel koper vervaardigd en met hoorn ingezet — uit te hangen aan de woning, waarin zich een lijk bevond.

Zulk een doodenlantaarn werd, in geval de overledene ongehuwd was, nog versierd met zwarte, witte en groene linten, welker lengte in evenredigheid was met het jarental van den afgestorvene. De lantaarn werd steeds aan die zijde der deur gehangen, welke gekeerd was naar de kerk of het kerkhof.

Volgens Le Franc van Berkhey bevond er zich een uitge-bluschte kaars in. Van der Veen daarentegen zegt in 't aangehaalde vers nadrukkelijk;

„ik segge soncler keers of eenig licht van binnen.quot;

De regeering van Eindhoven bepaalde bi) besluit van 19 Sept. 1737, dat er voortaan aan een sterfhuis geen örfmcZeucZe lantaarn mocht uitgehangen worden, zoodat het na dien datum aldaar gebruik werd zich te bedienen van een lantaarn zonder licht en zonder bodem.

Het was de plicht der buren de lantaarn des morgens aan 't sterfhuis op te hangen en 's avonds weer in te nemen.

Niet slechts in Deventer en Eindhoven maar ook elders bestond dit gebruik, o.a. te Waalwijk, waar de lantaarn echter zwart geverfd en met een doodshoofd beschilderd was.

Het g-etal drie.

Er zijn enkele getallen, die een bijzondere beteekenis hebben, zooals in de eerste plaats 3, 7 en 11. De beide eerste worden heilige getallen genoemd; vooral het getal 3 treffen wij telkens aan:

In 't O. Testament worden genoemd o. a. 3 Aartsvaders, 3

ocr page 39

31

vrienden van Job; 3 maal is Simson door Delila misleid, 3 dagen brengt Jonas in den walvisch door, 3 voorwerpen geven aan Gideons 3 x 100 man de overwinning (bazuin, fakkel, kruik), etc. etc.

In 't N. Testament komen drie koningen't kindeke in de kribbe begroeten, 8 maal vraagt Jezus aan Simon, of deze hem lief heeft, 3 discipelen waren bovenal door Jezus geliefd, welke 8 zuilenapostelen, zooals zij genoemd worden, de steun werden dei-nieuwe gemeente, 8 maal werd Jezus door Petrus verloochend, op Golgotha stonden 8 kruisen, etc. etc.

In de Theologie is een voornaam leerstuk dat der Triniteit (Drieëenheid); Paulus' prediking prijst 3 dingen aan: Geloof, hoop en liefde.

In de Mythologie worden genoemd 3 Gratiën, 8 Furiën; bekend is de drievoet in Apollo's tempel, de drietand van Neptunus, etc. etc.

In de Magonnerie speelt het getal 3 een voorname rol (.•.).

De ruimte heeft 3 afmetingen; lengte, breedte, diepte; betreffende den tijd spreken wij van verleden, heden en toekomst; de dag wordt verdeeld in; morgen, middag en avond. —

De Natuurlijke Historie bepaalt zich tot 3 rijken, t. w. Dieren-, Planten- en Delfstoffenrijk; de Natuurkunde leert 3 aggregatie-toestanden: vast, vloeibaar en gasvormig.

In de geschiedenis is bekend de Triple-Alliantie; de driedaagsche volkenslag. De Romeinsche staat is een tijdlang bestuurd door een Driemanschap. In de Venetiaansche Republiek vormde de beruchte „Raad van Drieën,quot; naast den Doge, het hoogste staatsgezag. Bekend zijn ook Caesars drie woorden: „Veni, vidi, viciquot; — d. 1. „ik kwam, ik zag, ik overwonquot;; alsmede de leus, tijdens de Fransche omwenteling van 1789, liberté, égalité, fraternité, d. i. vrijheid, gelijkheid, broederschap. Een ander drietal in de geschiedenis is Infanterie, Cavalerie en Artillerie. —

Gewoonte in onze dagen is het nog: een doode, aan boord van een schip, 3 maal over 't dek te dragen, en 3 maal is scheepsrecht , volgens sommigen schepensrecht; na 3 dagen begraaft men de lijken en 3 maal luiden de klokken om de schare ter kerk te nooden.

Het bovenstaande is nog maar weinig van 't geen bijgebracht zou kunnen worden ten bewijze, dat vele dingen in drieën bestaan. Zooveel is zeker, dat aan het getal 3 van oudsher bij-

ocr page 40

32

zondere waarde is toegekend — natuurlijk heeft het toeval in deze veel gedaan — daarom ook prees en prijst men iemand driewerf gelukkig, („felices ter. . zegt Horatius), en daarom zegt men nog altijd, dat: „alle goede dingen bestaan in drieën! en „tres faciunt collegiumquot;.

Op dit laatste moet echter een uitzondering zijn 3 maal verhuizen , want iemand heeft bevonden, dat het gelijk staat met éénmaal verbranden. —

Ten slotte wil ik nog opmerken, dat ik liever in t midden laat of het spreekwoord der Engelschen inderdaad op menschen-kennis en ervaring is gegrond, waar zij beweren, dat

„Two is Company,

„Three is trumperyquot;, d. w. z.

„Tusschen twee kan nog vriendschap bestaan, maar als er een derde bij komt, komt er bedrog bij,quot; of:

't Geheim van één weet God alleen,

't Geheim van twee wordt licht gemeen,

't Geheim van drie weet iedereen!

Driekoning-en.

„Een sterre heblien wi vernomen, „Die betekent, in warre dinc:

„Der Joden ghewarich coninc;quot;

Jan Boendale.

Behalve het Paasch- en Pinksterfeest en den Hemelvaaitsdag — eerst later werd het Kerstfeest ingesteld — vierde oudtijds de Oostersche kerk het zoogenaamde Epiphaniénfeest, tei gedachtenis aan den doop van Jezus als de openbaring zijner Messias-waardigheid.

In de eeuw van Constantijn den Groote werd dit feest overgenomen door de Westersche kerk, hoofdzakelijk als gedachtenisviering van de komst der wijzen, alzoo als feest dei eerstelingen

uit de Heidenwereld.

Zoo kreeg 6 Januari van lieverlede den naam Driekoningendag. Bij ons heet hij in oude almanakken nog Dertiendag, daai hij de 13e is na de geboorte van Jezus, als men 25 Deo. als één stelt, of wel daar 6 Januari de heksluiter was van het twaaif-daagsche winterfeest „Joelhoogtijquot; der oude Germanen. De spoien van die heidensche afkomst zijn nog niet geheel veiloien gegaan.

ocr page 41

33

immers 't is waarschijnlijk, dat het zoogenaamde Driekoningenbrood niets anders is dan een gekerstende heidensche offerkoek. Wat den in dat brood verborgen boon betreft: die hem vindt, wordt voor den feestavond tot koning verheven en zoekt zich een gemalin, terwijl evenzoo, indien de boon in teederder handen geraakt, de daardoor tot koningin uitgeroepene zich een gemaal moet kiezen, welk gebruik aanleiding gaf tot veel vermaak.

Soms kwam Herodes bij Driekoningendag te pas, die dan zeer belangstellend vroeg, gelijk het in een oud lied heet:

„Hoe komt de jongste van de drie zoo zwart?quot;

Waarop de zwarte of liever de zwartgemaakte antwoordt:

„Al zijn ik zwart, 'k ben wel bekant,

„Ik zijn de koning van 't Morialand,

welk laatste woord een verfraaiing is voor Moorenland.

Merkwaardig is, hetgeen in den Hollandschen Mercurius van 1662 wordt meegedeeld omtrent den prins van Oranje — latei-koning van Engeland — dat n.1. „de jonge prince in den Hage „zijnde op 8 koningen daech, in presentie van sijne grootmoeder, „de princesse douarière van Orangien , prins Willem, stadholder „van Vrieslant, en meer andere illustre personagiën, in het trecken, „den hooggemelden prince het lot van koning te zijn is toeghe-„comen.quot; —

Een ander gebruik, op 6 Jan. nog in zwang, is het zoogenaamde kaarsjes-springen — een der drie kaarjes is meestal zwart geverfd ter eere van Melchior den Moor — een gebruik, waarin nog doorschemert het oude feest van de wedergeboorte der zon. Wellicht is hierin dan ook de oorzaak gelegen, waarom o. a. door 't Voetianisme met zooveel kracht tegen dit gebruik is geijverd.

In de derde plaats verdient vermelding het zingen met de Ster. In de Middeleeuwen werd langs het dak van de kerk een vergulde ster voortbewogen, terwijl beneden drie ruiters, als koningen verkleed, de kerk binnenreden, om vervolgens af te stijgen bij het koor, eerbiediglijk te naderen en zich te buigen voor een vrouw met een kind op den schoot, voorstellende Maria met Jezus. Als namen der drie koningen worden genoemd Gaspar, Melchior en Balthasar (ook wel Ator, Sator en Perator).

In sommige streken worden nog de beginletters (C f M f B t)

Drijver, Mozaïek, 2e druk. 3

ocr page 42

34

hunner namen met vooraf gewijd krijt boven huis- en staldeur geschreven , ter afwering van booze geesten.

Ook bestaat ten platten lande nog het rondgaan van bedelaars langs de huizen met een wentelende vergulde ster in de hand, terwijl een der zangers gewoonlijk een doedelzak of ander instrument draagt en zij daarbij te zamen eenig lied opdreunen, in den trant van het bekende:

O sterre, je moet er zoo stille niet staan,

„Je moet er met ons naar Betlehem toe gaan, „In Betlehem, in die schoone stad,

„Daar Maria met haar kindeke zat.quot;

Van lieverlede raakt Driekoningen in het vergeetboek, en zijn

gebruiken sterven uit... toch blijft het waar, dat ook in deze poëzie schuilde!

De Drie Streng-e Heeren.

Tot de verschillende soorten van „heiligenquot; behooren o. a. ook de zoogenaamde IJsheüigen of Drie Gestrenge Heeren, als wier namen in Duitschiand genoemd worden Pancratius, Servatius en Bonifacius, aan wie onderscheidenlijk 12, 13 en 14 Mei zijn gewijd.

Soms is er een kleine afwijking in de namen van het drietal: in plaats van Bonifacius komt ook voor Mamertus. Het eerstgenoemde drietal hebben de Czechen in één woord saamgevat, n.1. Pan-Serboni — waarvan het eerste deel in hun taal Heer beduidt — zooals dat voorkomt in hun uitdrukking „Pan-Serboni verbrandt de boomenquot;, d. w. z. in die dagen moet men nog stoken tegen de koude, 't Is dan ook gewoonlijk op die dagen guur en koud en nachtvorst ontbreekt niet, welk een en ander licht schade toebrengt aan de jonge planten; vandaar het rijmpje:

Mamertus, Pankratius, Servatius Bringen oft Killte und Verdrusz.

of, zooals de Franschman zegt:

Saint Mamert, Saint Pancras

Et Saint Servais Sans froid ces saints de glacé Ne vont jamais.

ocr page 43

35

Inderdaad komt in Mei gewoonlijk nog een nawintertje: „A la mi-Mai queue d'hiverquot;. Die voorjaarsvorsten kunnen niet gerekend worden als geëindigd, tenzij Pancratius' dag voorbij is:

„Avant Saint Servais point d'été,

„Après Saint Servais point de geleequot;.

En al deze en vele andere gezegden, op hetzelfde doelende, zijn reeds vrij oud, 't geen den klagers van onzen tijd leeren kan, dat ook vroeger de Meimaand dikwijls de hoop der menschen teleurstelde. Trouwens ook in deze zal 't vroeger wel geweest zijn als thans: Men klaagt te spoedig, omdat men te hoog had gespannen zijn verwachting, in stede van met stilzwijgen zich te laten welgevallen ook datgene, wat dikwijls minder aangenaam ons voorkomt; en tot dit laatste is immers reden te over. De wijsheid, die spreekt uit de Schepping, is ontzaglijk groot! Tegenover zulk een wijsheid past zwijgen het best!

Duive-, deuve- of duvekater.

Misschien ook elders, maar zeker in de Zaanstreek, is nog bij de bakkers een soort brood, van eigenaardigen vorm en aroma, te verkrijgen, dat den naam duivekater draagt. Inzonderheid omstreeks Kerstmis worden deze brooden gebakken, die langwerpig zijn van vorm, afgerond aan de uiteinden en naar 't midden breed toeloopend. Ik heb er een voor mij van de volgende afmetingen: lang 45 cM., breed 15 cM. in 't midden en 10 cM. aan de einden, hoog eveneens 10 cM. Aan de beide uiteinden zijn bovenop een viertal en in 't midden een drietal ronde schijfjes (wellicht 't oude zonnerad) aangebracht. Voorts is de oppervlakte voorzien van een aantal insnijdingen, waardoor 't geheel een eigenaardig aanzicht krijgt, en herinnert aan de vallaerds of vollaerds, de koeken met twee hoofden, die men te jaaravond in sommige streken van België bakt.

Reeds Kiliaen kende dit brood en beschrijft het in zijn Etymo-logicum als „libi genus, quod strenae loco datur; libum quod natalitiis Christi daturquot; — een soort van koek, die als nieuwjaarsgift geschonken wordt; een koek, die gegeven wordt op Christus' geboortefeest. - Op Kerstmis vooral schijnt men elkander zulke brooden ten geschenke gegeven te hebben, en, wanneer.

ocr page 44

36

in plaats van brood, een gift b.v. in geld of iets anders werd toegedacht, ging ook op dit geschenk de naam van het brood over. Zoo zegt Reym in Hooft's „Warenarquot;:

„Ik win nou vijf gulden 's jaers en ien paer nuwe klompen „tot men deuvekater.quot;

Yolgens Brederoo werd zulk brood ook op andere tijden gegeven, immers wij lezen in zijn „Moortjequot;:

„En alle driekoningen stuurden sij ons een moije deuvekater.quot;

Over de beteekenis van het woord waren de geleerden het langen tijd niet eens. Bilderdijk denkt bij zijn afleiding aan een deuvik of kleinen knaap, Van den Bergh wil de beteekenis er van verklaren uit de omstandigheid, dat de duivel zich volgens 't oud bijgeloof kon veranderen in een kater, Hoeufft leest er de samenstelling oven-kater (oven-koek) in , weer een ander meende, dat het brood zijn naam aan dien eens bakkers ontleende, hoewel hij de mogelijkheid niet uitsluit, dat juist 't omgekeerde 't geval is en de geslachtsnaam van den bewusten bakker afkomstig was van het gebak.

Zooveel is zeker, dat wij hier te doen hebben met een samengesteld woord, waarvan het tweede deel een verbastering is van kakr, d. i. koek.

De merkwaardigste verklaring (voorbeeld van volksetymologie) van 't woord is zeker wel de volgende: De Fransche uitgewekenen, die na 1685 (opheffing van 't Edict van Nantes) zich gevestigd hadden in ons land, vonden de hier gebruikelijke broodjes te klein, zij wilden ze grooter hebben, en trachtten dit duidelijk te maken door de woorden: „deux fois quatrequot;, d. i. tweemaal een broodje van vier stuivers. Onze hollandsche bakkers begrepen de bedoeling der Franschen en bakten voortaan „deuvekatersquot;.

Hoe aardig ook gevonden, zou toch (indien deze afleiding niet reeds om andere redenen te verwerpen ware) de vraag blijven, hoe Kiliaen een woord kende, dat na 1685 in 't spraakgebruik werd opgenomen. — Kiliaen's werk werd, meen ik, voor 'teerst uitgegeven in 1588; ik heb een uitgaaf voor mij van 1613.

De duive-, deuve- of duvekater dankt dan ook zijn ontstaan niet aan de Fransche uitgewekenen van 1685, maar kan zich op eerbiedwaardiger ouderdom en afkomst beroemen. Immers wij hebben hier te doen met een afstammeling van den Jul-Kakr der ouden.

ocr page 45

37

De Echo.

„De dochter van de lucht

En door de stem geteeld: „Van stemgeluid voorzien,

Doch zonder zielsbeselfen.quot;

De echo — van het Grieksche woord èchos, dat klank betee-kent — wordt in de mythologie voorgesteld onder de gedaante eener nimf, die behoort tot het gevolg van Juno, wier aandacht zij door haar praten zoo wist af te leiden, dat deze Jupiter's afwezigheid niet bemerkte, als hij zijn minnaressen bezocht. Maar eindeliji werd de list ontdekt en Juno wreekte zich aanstonds door haar nimf een vurige liefde in te boezemen voor den schoonen Narcissus en daarbij haar te veroordeelen voortaan niet meer te spreken, tenzij haar iets gevraagd werd, en dan nog slechts te spreken met een enkel woord. Narcissus versmaadde haar liefde, misschien wel om dat gemis aan bespraaktheid. De nimf was troosteloos en trok zich terug in bergholen en spelonken , zij kwijnde weg van smart, niets als haar stem bleef haar over.

De omstandigheid, dat muren en rotswanden door de terugwerking en trilling der lucht dikwijls het gesproken woord in klank teruggeven, gaf geboorte aan deze fabel.

Later heeft men de echo gehouden voor de stem van een berggeest. De Joden noemden haar bath-kohl, d. i. dochter der stem en vereerden haar soms als een profeteerende godspraak.

Een zekere Blacani heeft in zijn „Echometriequot; aangewezen hoe men gewelven en wanden heeft te bouwen om kunstmatige echo's in 't leven te roepen.

Een proeve van zulk bouwwerk zal dan ook de beroemde echo van Muiderberg zijn. Intusschen de geleerden zijn het er nog niet over eens, of 't hem hier zit in muur of grond; dit neemt niet weg, dat het iets verrassends heeft op zoo eigenaardige wijze zijn eigen woorden te hooren uitspreken.

Niet alleen bouwkundigen, ook dichters hebben getracht de echo te voorschijn te roepen, en wel in hun gedichten. Zoo o. a. maakte hier de Fransche dichter Panard zijn werk van.

ocr page 46

38

Als voorbeeld van zoo'n echo-rijm zou kunnen gelden ook het onderstaand:

Der jonkheid gulle lach,

ach t

Verdwijnt na korte dag;

Blijv' hlijd altijd het hart,

Bij vreugd en onder smart,

Bij werk en ook bij strijd;

Al zij 't dat steeds de tijd.

Die ijlings ons ontgaat.

Een rimpel op 't gelaat laat!

Numero Elf.

't Is reeds eenige jaren geleden, toen op zekeren avond een mijner kennissen bij mij kwam aanbellen — ik woonde destijds in Groot-Mokum — en met een zekere agitatie aan onze gedienstige vroeg; „Mijnheer thuis?quot; Een oogenblik later stond hij voor mij; ik zal 't niet licht vergeten, hoe hij met opgestreken zeil begon uit te varen tegen de vroedschap onzer goede stad, die geld te veel in kas scheen te hebben, zooals volgens zijn beweren bleek uit het geraamde plan tot hernummering van alle huizen. Hij vond het dwaas: de even nummers aan de eeneen de oneven aan de andere zijde van grachten en straten. . .

Hoe kon mijn goede vriend daar zoo over uitvaren?

Inmiddels sprak hij door en liet zich ontvallen, dat zijn huis gedegradeerd zou worden van No. 22 — hij had het al berekend — tot No. 11. Die degradatie vond hij geen schande, maar dat a. s. nieuwe nommer! 't Stond hem bij dag en nacht voor de oogen. No. 11! daar hebben heel wat menschen het land aan. Waarom? Als de vriendelijke lezer mij een oogenblik met zijn aandacht wil volgen, zal 't hem duideliik worden.

Het woord „elfquot; is een samentrekking van „eenlifquot; (in 't En-gelsch eleven), gelijk twaalf van tweelif, hetwelk beteekent: er blijft één over, n.1. boven tien. (Lif is de stam van „lijvenquot;, waarvan ons belijven of blijven.)

Van ouds waren onze vaderen nog al liefhebbers van dobbelen : die twaalf oogen wierp, had den pot; die elf oogen wierp,

ocr page 47

39

kwam er netjes naast te staan, en moest bij een volgenden worp, die minstens twee was, weer terug. Dat was „een gekke worpquot; zei men, en zoo kreeg dan, volgens sommigen, van lieverlede elf den naam van gekkengetal. Ziehier één uit de vele vernuftige vindingen van 't menschelijk brein, om de gekheid van 't getal elf te verklaren, 't Is vernuftig, maar juist is het niet! —

Gij moet weten, dat er in onze taal nog een ander woord elf is, dat eigenlijk „alf moest luiden. De gelijkluidendheid van die twee geheel verschillende woorden heeft aan het „één boven de tienquot; zijn leelijken naam gegeven.

Bij de oude Germanen dan bestond het geloof aan zekere dae-monen van minderen rang, die voor de menschen ware kwelgeesten waren. Men onderscheidde drie klassen: de Lios- (licht) Svart- (zwarte) en Döck- (donkere) al ven. De beide laatste soorten bewoonden de bergholen en onderaardsche gangen, zij zijn mismaakt en tot hen behooren de dwergen. De eerste soort was zeer schoon en bewoonde Alfheim, ergens tusschen hemel en aarde.

Volgens sommigen moet dit woord alf in verband gebracht worden met het Latijnsche „albusquot;, wit. Er waren alfen en alfinnen; nu eens hadden zij een koning, dan weer een koningin aan hun hoofd. Vooral de nachtelfen waren zeer gevreesd: zij waarden rondom de lijken der dooden, zweefden over de kerkhoven; een ontmoeting met hen werd voor zeer gevaarlijk gehouden. Misschien heeft dit oude volksgeloof er toe aanleiding gegeven, den Due d'Alba spottend Due d'Alf te noemen, omdat hij een ware kwelgeest was. Door verbastering werd dit Due d'Alf zelfs tot „dikke dalf', 't geen een parodie was op dien „mageren bloedrekelquot;, zooals Tuinman zegt. — Maar om terug te keeren tot onze alfen: Zij waren plaaggeesten voor de menschen, alle bedrog werd hun toegeschreven:

„en hoorde ghi noit segghen van alfsgedrochte, dat die liede „pleghet te bedrieghen.quot;

De blik van een elf was voldoende om iemand te betooverea en hem krankzinnig te maken, meende men, en door die meening kwam men er toe iemand, die zich onwijs aanstelde, een „elfquot; te noemen. Later waren de elfen vergeten, maar de scheldnaam bleef en „gij zijt een elfquot; — ook wel: „het es ene elvinne die u queltquot;, d.i. zooveel als: gij wordt van een boozen geest geplaagd, gij zijt bezeten! — hield de beteekenis van „gij zijt een zot.quot;

ocr page 48

40

Het woord alverij beduidde zooveel als tooverij en alven be-teekende: boerten, schertsen, beetnemen.

Oorspronkelijk had dus 't getal elf niets met de gekheid te maken, maar het werd er als 't ware bijgesleurd door zijn toevallige gelijkheid van klank.

Ten slotte nu nog eens teruggekeerd naar ons punt van uitgang : 't Is bekend hoe in de stad Brussel het getal 7 een hoofdrol speelt, volgens sommigen omdat de naam dier stad uit evenzoo-veel letters bestaat; 't is merkwaardig, om te weten hoe eens het getal 11 heerschappij oefende in Amstelredam, dat uit een gelijk aantal letters is samengesteld.

Om niet te spreken van de 11 dolhuisjes van Hendrik Boe-lenseu en de 11 nummerhuisjes, die gezet werden aan de Kloveniersburgwal, zal 't genoeg zijn te zien, hoe in de 16'lc eeuw de stad was verdeeld in 11 wijken, de Jordaan telde 11 grachten, de Hoogesluis had 11 doorvaarten, enz. enz.

Ik vind, dat mijn Amsterdamsche vriend zich dus geen volbloed-Amsterdammer betoonde, toen hij in vuur en vlam geraakte over de destijds in te voeren „nummerverwisselingquot;, van welke 't gevolg was, dat zijn huis voortaan prijken zou met 11, getee-kend in zwart op wit!

Elixer.

Oorspronkelijk niet één, maar twee woorden: 't Arabische al (lidwoord) en 't Grieksche xèron, dat eigenlijk een „droog geneesmiddelquot; aanduidt. Later werden de twee woorden één; de Alchimisten bedienden zich er van ter aanduiding van de door hen gezochte maar nog niet gevonden substantie, met welker behulp men onedele metalen meende te zullen kunnen veranderen in goud, terwijl diezelfde stof als „aurum potabilequot; — drinkbaar goud — ingenomen, de uitwerking zou hebben alle kwalen van 't menschelijk lichaam te genezen.

In Afl. 8 van „het Rozekruisquot; wordt o. a. omtrent den steen der wijzen gezegd, dat hij bestaat uit een poeder, dat verschillende kleuren kan bezitten, maar dat in den meest volkomen toestand rood is en dan drie krachten bezit:

1°. gesmolten kwikzilver of lood te veranderen in goud, 2°. te kunnen zuiveren het bloed en bijna onmiddellijk te genezen alle

ocr page 49

41

ziekten, 3°. op fabelachtige wijze de planten te doen groeien en vruchten te voorschijn te roepen in enkele uren, welke drie eigenschappen eigenlijk allen een en dezelfde zijn, n.1. versterking van de levenskracht, zoodat de steen der wijzen niet anders zou zijn dan een krachtige samenpersing van de levenskracht tot een kleine hoeveelheid stof. Omdat hij 't vermogen zou hebben het leven te ontwikkelen, dat in een of andere minerale, plantaardige of dierlijke stof aanwezig is, noemen de Alchimisten hun steen het „geneesmiddel der drie cijfers.quot; — Is volgens Dr. Plantenga de kunst om goud te maken (theoretisch) geen chimère, er zijn natuurlijk weer andere menschen, die er geheel anders over denken.

Familieleven.

Is dit te allen tijde een kenmerk geweest van ons volk, niet minder onderscheidt zich onze taal, door hetgeen men haar familieleven noemt. Onze taal heeft zich ontwikkeld en is opgegroeid met het volk (geheel anders 't volapuk!); uit eigen middelen hebben wij ons woorden weten te verschaffen om uitdrukking te geven aan onze begrippen. — 't Is jammer, dat later allerlei vreemde indringers zijn toegelaten op ons gebied, getuige vooral de reeks van Gallicismen en Germanismen.

Een voorbeeld van dit familieleven der taal — trouwens in 't algemeen kenmerk der Germaansche talen in tegenstelling met de Romaansche - zij hier tot opheldering gegeven:

Spreken

— parler

gesprek

— discours

spreekwoord

— proverbe

spreuk

— sentence

sprook

— conté

spreker

— orateur

sprekend

— clairement

uitspreken

— prononcer

aanspreken

— aborder

verspreken

— se méprendre

tegenspreken

— contredire

bespreken

— débattre

spraakzaam

— affable

bespraakt

— éloquent

spraak — language

aanspraak — harangue aanspraak

(op iets) — prétension

afspraak — accord

voorafspraak — avant-propos

bijspraak — proverbe (Spieghel's Bijspraax Almanach)

inspraak — voix inférieure

opspraak — blame

Godspraak — oracle

beeldspraak — langage flguré

alleenspraak — monologue

grootspraak — bravade


ocr page 50

42

sprakeloos — muet besproken

(plaats) — réservé onbesproken

(gedrag) — irréprochable

onuitsprekelijk — inexprimable

aansprakelijk — responsable

kwaadspreker — calomniateur

welsprekend — éloquent lofspraak — éloge ruggespraak — conférence samenspraak — dialogue toespraak — harangue voorspraak — intercession uitspraak — prononciation

(van woorden)

uitspraak — decision, arrêt. (oordeel)


Men zou dit lijstje nog voort kunnen zetten, genoeg echter om te doen zien, hoe tal van woorden bij ons van een zelfden stam worden afgeleid, terwijl die woorden met een zelfde beteekenis in het Fransch b.v. van bijna even zooveel stamwoorden afgeleid worden.

Februari of Sprokkelmaand.

Omtrent de beteekenis van de Latijnsche benaming dezer maand kan geen verschil van gevoelen bestaan, 't Is vrij duidelijk, dat zij in verband staat met de omstreeks dezen tijd aangewende fébrualio of reiniging. De oude Romeinen n.1. brachten in de laatste dagen van het jaar — en immers Maart was de eerste maand — hun offeranden ter verzoening der schuld van de nog levenden en ter bevordering van de zielsrust der dooden. Naar aanleiding van dit gebruik gaf Numa Pompilius aan de tweede der door hem toegevoegde maanden den naam Mensis Februarius, d. i. Reinigingsmaand.

Wat de Hollandsche benaming betreft, deze brengt ons weer in een zelfden doolhof van afleidingen als Louwmaand. Laat ons zien, wat de geleerden er van gezegd hebben.

De een meent, dat Sprokel door letterverwisseling ontstaan is uit Sporkelmaand. Sporkille zou dan beteekenen het spoor van koude, dat nog van den winter is overgebleven.

Ten Kate zegt, dat Sprokkelmaand zooveel is als Jachtmaand, omdat men gewoon is dan het wild op te sporen in de koude.

Anderen denken bij deze benaming aan de Spurcalia, die oudtijds in deze maand plaats hadden.

Hoeufft denkt aan sporkelle, sprong, met het oog op de vergrooting van de maand met één dag in 't schrikkeljaar.

ocr page 51

43

Ook sporkelen, in den zin van ophouden der winterkoude, is volgens sommigen oorsprong dezer benaming.

Een tweede rubriek van uitleggingen is gegrond op den werke-lijken naam Sprokkelmaand.

De een denkt aan het inzamelen der sprokkels, afgebroken takjes, terwijl anderen er op gewezen hebben, dat de Saksen deze maand sprout-kele-mond noemden, omdat thans de kele (eigenl. kool, maar gebruikt voor allerhande moes) begint te spruiten.

De nieuwste afleiding van „sporkelquot; berust op de verwantschap van dit woord met het grieksche asparagos, het zendsch cparegha, jonge bot. „Sporkelquot; is dan de maand, in welke de botten beginnen te spruiten op boomen en struiken (zie bijblad van 't Belfort; „philologische bijdragenquot;, jaarg. IV, nr. 3).

Tot zoover wat dezen naam betreft; de lezer zal wel zoo vriendelijk zijn uit het aangebodene een keuze te doen!

In oude Almanakken draagt deze maand ook nog den naam Horninck, afgeleid volgens den een van Kernunms, den Bac-chus der Kelten, volgens een ander van drinkhoorn, of, zooals een derde wil, van 't verwisselen van de horens der herten. Die dit gevoelen voorstaan, beroepen zich op de Grieksche benaming Elaphebolion, die echter hertenjacht-maand beteekent. De duik almanak zegt daarentegen: „de naam Horning is zoo veel te „zeggen als razernij; Februarij wordt razende maand genoemd, „om de heidensche baldadigheden, die eertijds in 't begin dezer „maand gebeurden.quot;

Weer anderen meenen, dat Horninck afgeleid is van ophooren, d. i. ophouden, of denken aan de omstandigheid, dat in dezen tijd de vorst het water zoo hard als hoorn maken kan, en wijzen dan daarbij op de versregels:

„Von dem herten horne ist der hornung gênant, „Dy herteste kelde kommet denne yn die lant.quot;

Nog droeg deze maand den naam Sellemaand, volgens enkelen omdat in vele streken op Vrouwendag de manlijke dienstboden, gezellen, hun dienst betrekken; anderen echter denken aan St. Pietersdag in sells, doorgaans Pietersstoel genoemd; of weer anderen aan sollen, koeken, welke de heidenen hunnen goden offerden. Men heeft er ook in gezien het woord sol, zon, welke in deze maand aanmerkelijk begint te klimmen.

ocr page 52

44

De naam Schrikkelmaand is gemakkelijk te verklaren uit het schrikken of uiteenschrijden van twee dagen door den ingeschoven dag, zooals dit elke 4 jaar geschiedt.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat een enkele maal deze maand voorkomt onder den naam Blijde Maand, wegens de vroolijkheid der carnavalfeesten. En inderdaad, afgezien van deze, is Februari de blijde maand: De strenge wintervorst legt straks voor eenigen tijd zijn schepter uit de hand om dien over te geven aan een milderen gebieder, die licht en warmte en groeikracht uitdeelt. Het jonge grassprietje komt weldra lachend te voorschijn, niet lang meer of de eerste lentebloem opent vriendelijk het lang gesloten knopje: aarde en mensch herleven____reeds waagt een

vogel, vriendelijke bode van schooner toekomst, in denauwont-dorde twijgen een lentelied te zingen op blijden toon!

De foeke- of rommelpot.

Onder de eigenaardige gebruiken, die zoo hier en daar op 't platteland nog in zwang zijn, behoort o. a. het loopen met den foeke- of rommelpot. Dit tamelijk primitief muziekinstrument is van zeer eenvoudige samenstelling; Een aarden pot wordt overspannen met een varkensblaas, in welker midden een kleine opening is aangebracht, waarin een rietstokje of houten steeltje wordt gestoken. Liefst met een paar vochtig gemaakte vingers word langs dit staafje gewreven en wel met het verrassend gevolg, dat zich een dof, eentonig, zegge vervelend gebrom of gerommel laat hooren, dat vrij wel wordt weergegeven door 't woord „foeke, foekequot;. Het woord foeken geeft, behalve dat het den klank dezer muziek nabootst, ook nog de wijze aan, waarop die tonen aan 't instrument worden ontlokt, n.1. door foeken, d. i. stooten.

De rommelpotter heeft de gewoonte om zijn klanten, behalve op dit gerommel, ook nog te onthalen op den zang van eenig lied, terwijl de foekepot het accompagnement levert.

Het is veeltijds omtrent Vastenavond, dat arme lieden of hun kinderen, op deze wijze toegerust, een aalmoes vragen aan de huizen der gegoeden,

„. . . een blaas of soo een rommelpot

„om voor de Luy 'er deur te rasen en te singhen:

ocr page 53

45

„'k heb al zoo lang met den rommelpot geloopen, „'k heb nog geen geld om brood te koopen, „Rommelpotterij, rommelpotterij,

„Geef mij een oirtje, dan ga ik voorbij!quot;

Zoo kreeg o. a. op de Veluwe op verschillende plaatsen de Vastenavond den naam van Foekedag. De Rommelpot kan bogen op hoogen ouderdom. Onze Germaansche voorouders kenden hem reeds en misten hem ongaarne bij hun feesten. In verschillende landen van Europa is hij onder verschillenden naam bekend, zooals b.v. in Spanje, waar hij Zambomba heet, een woord dat almede eenigszins weergeeft den klank van den aarden pot, bespannen met perkament.

De rommelpotters waren eertijds gewoon zich te vermommen, zij zetten een zotskap op, of maakten zich een bult, en dikwijls ook stak zich een man in vrouwenkleedij, en omgekeerd.

De liedjes, waarvan ik sprak, zijn zeer verschillend, maar eigenaardig is het, dat in velen daarvan de pannekoek wordt te pas gebracht, —

,/t is mij om een pannekoek te doen,

geef je mij een, dan blijf ik staan,

geef je mij twee, dan wil ik gaan,quot; —

't welk daaruit te verklaren is, dat het in vroeger tijd een algemeen gebruik was, op Vastenavond pannekoek te eten. In Engeland heet dan ook Februari pancake month, d. i. pannekoek-maand, en in Vlaanderen is er volgens 't rijmpje:

„geen wijveke zoo arm,

„of 't maakt te Lichtmesse zijn panneke nog warmquot;.

Misschien staat hiermee in verband, dat aan Februari ook de naam Sellemaand is gegeven, in welk woord toch volgens sommigen een herinnering zou liggen aan de sollen of koeken, die de Heidenen bij hun spurcalia den goden offerden en die, toen lang het heidensch feest vergeten was, toch nog omstreeks Lichtmis werden gebakken. Zoo vind ik ergens aan het woord zeele de beteekenis gegeven van pannekoek, en wel als substantivum, afgeleid van 't werkwoord zeelen, dat bij de Vlamingen nog „gietenquot;, „stortenquot; beteekent; zeele wil dus letterlijk zeggen gietkoek.

Doch hoe dit alles zij, de pannekoek maakt een onmisbaar bestanddeel uit van het rommelpotlied:

ocr page 54

46

Vastenavond, goede gebuur,

Ik heb nog geenen man,

Ik heb nog een klein hoentjen,

Dat moet er t' avond an.

Als ik mijn hoentjen braden wil,

Dan is mijn panneken vuil;

Als ik mijn panneken schuren wil,

Dan tintelt mijnen duim;

Dan loop ik naar de geburen

En laat mijn panneken schuren,

Dan loop ik naar de Franschen

En laat mijn panneken dansen.

Vastenavond, die komt an

Klinken op de bussen:

Hier een stoel, daar een stoel,

Op iedren stoel een kussen.

Meisje houd den kinnebak toe,

Of ik smijt er een pannekoek tusschen.

Tusschen den neus en tusschen de kin

Daar kan wel een pannekoek in.

Wat den aanhef van dit vers betreft; het ziet op de jonge meisjes, die zeer verzot waren op de Vastenavondpret. Na afloop van hun spinavonden (kransjes), zooals zij die in Februari hielden, werden zij afgehaald door hun jonkmans, met wie zij dan gelegenheid hadden afspraken te maken voor den Vastenavond. —

En nu, wat is er van dat alles gebleven?

Niets dan de eentonige rommelpotzanger van het platteland, de man, dien gij slechts een paar onverstaanbare woorden hoort opdreunen, terwijl zijn instrument altijd weer laat hooren het doffe, sombere, ik zou haast willen zeggen, ietwat weemoedige „foeke, foeke!quot;

Folklore.

Indien er een wetenschap is, die meer dan eenig andere aan haar beoefenaars vergunt een blik te werpen in de geschiedenis van de ontwikkeling der menschheid, dan is het zeker die, welker naam ik plaatste aan het hoofd van dit opstel, de wetenschap, die tracht uit te vorschen, welke in de verschillende tijden de

ocr page 55

47

resultaten zijn geweest van het menschelijk denken en de uitingen van 't menschlijk gevoelen.

In de rij harer zusters kan de Folklore misschien de jongste heeten. Haar naam — die het eerst gebruikt werd door zekeren Thoms, en toen weinig meer beteekende dan het aanteekenen van verhalen, gewoonten, spreekwoorden, liederen, fabelen, bij-geloovigheden, enz. — is gemakkelijk te verklaren, al geef ik gaarne toe, dat hij in onze ooren niet bijzonder verstaanbaar klinkt en door een beteren ware te vervangen. In het eerste deel van dien naam herkent gij aanstonds ons woord „volkquot;, in het tweede ons „leerquot;, het geheel wijst op het doel, dat deze wetenschap beoogt, n.1. te leeren kennen alle uitingen van den altijd werk-zamen menschengeest, maar bovenal de uitingen van den geest des volks, der groote menigte, die niet tot hooger ontwikkeling-kwam.

Ik noemde deze Folklore alsmede de jongste der wetenschappen, en ik meen daartoe alle recht te hebben.

Wel is waar heeft men reeds vroeger kleine verzamelingen aangelegd van volksverhalen en sprookjes — doch dezen vormen slechts een enkel hoofdstuk in het groote boek dier wetenschap, die behelst alle voortlevende overblijfselen van wat eens de geest des menschen schiep, 't zij dan dat die voortbrengselen van het spelend vernuft werden neergelegd in een geschreven woord, of wel zich openbaarden in zede en gebruik, of eindelijk slechts voortleefden in de mondelinge letterkunde, d. w. z. in den mond des volks.

Meer nog dan de taalwetenschap is het de folklore, die een zoo getrouw mogelijk beeld ons ontwerpt van het denken en het gemoedsleven en al de eigenaardigheden van een volk in 't bijzonder, van de volken in 't algemeen.

Wachten wij ons er voor deze wetenschap te verwarren of te vereenzelvigen met de mythologie, al is het niet te ontkennen, dat tusschen beide innig verband bestaat en het dikwijls moeilijk is de grenslijn te vinden, waar de eene in de andere overgaat. Eerst dan, wanneer de mythologie als godsdienstvorm vervallen is, blijft de erinnering aan dat voormalig geloof gedeeltelijk nog voortleven als volksbijgeloof, en dit laatste behoort tot het gebied van de Folklore. Folklore heeft, zooals Andrew Lang op het congres te Londen in Oct. '91 zei,' de methode dei-mythologie onderstboven gekeerd. De oude manier was te be-

ocr page 56

48

ginnen met de beschaafde en letterkundige fabelen, zooals wij ze in Ovidius e. a. vinden en de moderne ceremoniën, legenden, enz. te beschouwen als afstammelingen dier traditiën. De nieuwe manier is deze gewoonten te bestudeeren en te beschouwen als overblijfselen van een geestestoestand der oudheid, die veel verder teruggaat dan tot het letterkundige Rome of Griekenland.

Zoo van eenige wetenschap, dan allermeest kan van de Folklore gezegd worden, dat zij is een mer-a-boire, of wilt gij een volksterm voor dit vreemde, welnu een volbloed Hollander zou zeggen: een wetenschap, van welke „het eind weg is.quot; Daarom is het allermeest hier noodzakelijk, waar het toch geldt het onderzoek naar alles, wat tot het leven en de beschaving der niet-of half ontwikkelde standen behoort, een indeeling in rubrieken voorop te stellen, ten einde wij een draad in de hand hebben, die ons leidt door de duizend gangen van dit Labyrinth van oudheden. Zonder dien maatregel zouden wij slechts een chaos te voorschijn roepen, en al ons zoeken en werken zou zonder vrucht zijn. Ook hier zijn verschillende wijzen van indeeling aan de hand gedaan of gevolgd; 't is moeilijk te zeggen, welke de beste is. Ten einde den lezer een kort overzicht te geven van wat zoo al tot het gebied der Folklore behoort, kies ik deze indeeling, die mij geschikt voorkomt en duidelijk:

a. volkstaal,

h. volksverhalen,

c. volksgeloof,

d. volksgebruiken.

ïot rubriek a. behoort in de eerste plaats het spreekwoord, dat uitsluitend voortleeft in den mond des volks. Waar de gave gemist wordt om zijn gedachten in eigen woorden te kleeden, neemt de onkundige zijn toevlucht tot die reeks van gezegden, die zulk een ruime keus hem biedt, en in welke hij voor bijna elke gelegenheid wel iets passends kan vinden. Opmerkelijk is het dan ook, hoe groot een vaardigheid het volk heeft in het doen van zulk een keus.

Nauw aan 't spreekwoord verwant zijn de vele zegswijzen, niet minder van algemeene bekendheid.

Voorts behoort tot het gebied van de volkstaal het ri/jm — aftelrijmen, weervoorspellingen, spreekoefeningen, enz. enz. — en het raadsel, welk laatste dikwijls een of andere strikvraag behelst, en eindelijk de volksbenamingen van personen, plaatsen

ocr page 57

49

of zaken, in welke benamingen — dikwijls scheldnamen — het volk zijn neiging tot humor aan den dag legt of zijn weerzin jegens een of ander (persoon of zaak) te kennen geeft.

Tot de tweede rubriek „volksverhalenquot; of gesproken letterkunde, behoort het sprookje of vertelsel, waarin dikwijls het mirakel een plaats vindt, de sage, die, in tegenstelling van het eerste, bepaaldelijk persoon en plaats noemt — en tot welke de legende behoort of heiligen-vertelling — en eindelijk het lied, in al zijn nuances of schakeeringen, waarbij het volks-, kerk-, liefdeen kinderlied almede de voornaamste rol spelen.

Onder de derde rubriek „volksgeloofquot;, — misschien juister uitgedrukt; volksbijgeloof — rangschikken wij: Tooveryj en Sterrenwichelarij , de amulet of talisman, volksgeneeskunde, droomuitlegging, voorspellingen en voorteekens en verder al wat wrj verstaan onder 't woord bijgeloovigheden.

De laatste rubriek omvat het niet minst belangrijke. In de eerste plaats komen hier in aanmerking de feestgebruiken, zooals die eens bij 't volk in zwang waren of nog zijn — in 't laatste geval zonder dat dikwijls het volk de oorzaak dier gebruiken kent of hun beteekenis — voorts behooren tot deze afdeeling: gebruiken bij geboorte, huweli/jk en dood; dan: dischplechtigheden, vermaken en spelen, plaatselijke gewoonten, enz., te veel om op te noemen.

Trouwens, 'twas ook niet mijn doel in alle bijzonderheden het gebied van de Folklore te om- en beschrijven, veeleer trachtte ik den lezer een blik te doen werpen op dat onafzienbaar arbeidsveld, dat voor een zeer groot deel nog ongeploegd ligt, maar welks bewerking zoo ruimschoots vrucht kan geven voor de kennis van den ontwikkelingsgang der menschheid.

Alvorens mijn kort opstel te eindigen, verwijs ik nog even naar een boekske, dat onmisbaar kan heeten bij de studie der Folklore. Het is getiteld: „Vraagboek tot het zamelen van Vlaamsche Folklore of volkskunde door A. Gittéequot; en is in 1888 te Gent uitgegeven bij J. Vuylsteke. Het is — zooals trouwens de titel zegt — een vraagboekje, maar handboekje of leiddraad tevens, en voor den beginner onmisbaar. Hij, die in 't belang dezer wetenschap iets doen wil, neme het boekje ter hand. De schrijver er van wacht gaarne aan zijn adres of aan dat van 't Bestuur van 't Willems-fonds alle ingezonden antwoorden af, die, als zij eenige waarde hebben, een plaatsje vinden o. a. in „Volkskundequot;, tijdschrift voor Nederlandsche Folklore.

Drijver, Mozaïek. 2e druk. 4

ocr page 58

50

„Wij rekenen er vast opquot;, zegt de heer A. Gittée in zijn inleiding, „dat al wie tot het geven van inlichtingen in staat zijn, o. a. de dorpsonderwijzers, ons hunne medehulp niet zullen weigeren.quot;

Een niet minder aardig als handig boekske voor liefhebbers en beoefenaars der Folklore is ook de zoogenaamde Duik Almanak, van welken ik een korte beschrijving gaf in „do Amsterdammerquot;, weekblad voor Nederland, van 12 Jan. 1890, en nog eens in „School en Studiequot;, Jan. 1892.

Fostedina's kroon of de oorsprong' van het gouden ooryzer.

In vele provinciën van ons vaderland behoort tot de eigenaardige kleederdracht der vrouwen ook het oorijzer. Werd het vroeger ook in de steden gedragen, thans vindt dit tooisel in hoofdzaak nog slechts op het platteland zijn vereersters.

Meer dan eens zijn er al stemmen opgegaan , die zich kantten tegen deze mode. Niet het minst heeft zich in deze een zekere J. J. Bange, Emer. Pred. te Sappemeer, befaamd gemaakt dooide uitgave van eenige geschriftjes in den jare 1856, welker inhoud een pleitrede bevat tegen deze zwierige dracht.

Met zooveel andere eigenaardigheden uit vroeger tijden dreigt werkelijk ook deze echt Hollandsche merkwaardigheid ten gronde te gaan.

Het jongere geslacht toch kleedt zich liefst inlos haar, d.w. z. het haar opgemaakt, tenzii dan bij feesten en bij het ter kerk gaan, als wanneer nog „de kapquot; wordt opgezet. In tijd van rouw wordt het oorijzer, als overtollig sieraad, niet gedragen; de ouderen dragen dan de „hulquot; — oorspronkelijk „hulledoekquot; —, een eenvoudig mutsje, waarbij de hullehoed past, terwijl de jongeren „in 't haarquot; gaan.

't Is jammer, dat het „kapdragenquot; uitsterft, en dat men allerwegen zwichten gaat voor de Fransche mode. Menig stadsjuffertje mag lachen om deze „boerenkleedijquot;, zij zou wat minder lachen als zij eens wist hoe gek de boerinnetjes het vinden, dat... . „de preutsche juffers in de stad liepen met zoo'n snoeptafeltje op heurlui....!quot;

Het oorijzer trouwens heeft reeds oude rechten. Bij Scandi-naviërs en Germanen wordt dit tooisel in de hooge oudheid reeds

ocr page 59

51

aangetroffen en in de heidensche graven van Denemarken wordt het gevonden; maar dat waren nog oorijzers, ijzeren ringen of banden, die dienen moesten om te zamen te houden het lange, golvende, loshangende haar der schoonen, dat tot te veel last zou zijn geweest, als die losheid niet wat beteugeld ware geworden. Eerst later veranderde de haarring van vorm en werd het ijzer verdrongen door edeler metaal, het zilver, zooals nog gedragen wordt door de arbeidersvrouwen en dienstbaren te platten lande, het goud, zooals de meergegoeden het dragen, bovendien versierd met spelden en naalden, eveneens van goud en ingezet met juweel.

Zoo past de naam oorijzer in onzen tijd niet meer — geen hoofdstel van ijzer wordt meer gedragen, de zaak veranderde, maar de naam bleef en het woord niet meer begrijpende, heeft men er „goudenquot; voorgevoegd en sprak voortaan van gouden oorijzer, een uitdrukking, die eigenlijk onbestaanbaar is, daar de twee woorden met elkaar in strijd zijn.

Zulke woorden worden er meer in de taal gevonden. Onze huismoeders spreken nog van een koperen blik, onze jongelui spelen piano-for te spel, het droogwater is in de huishouding geen onbekende.

Ieder kent voorts het akelige koudvuur, en bekendis, last not least, het woord manwijf, dat juist in geen gunstigen zin wordt gebruikt.

Dergelijke uitdrukkingen noemen de taalgeleerden „contradictio in terminisquot;, d. w. z. een uitdrukking, welker deelen elkander onderling weerspreken.

De naam oorijzer herinnert ondertusschen duidelijk genoeg aan zijn oorsprong, n.1. een ijzeren band, die de loshangende haren moest te zamenhouden.

Toch is er ook een andere oorsprong aan gegeven, welke te zoeken is in een gebeurtenis uit het laatst der lAc eeuw, zooals die ons door E. Gerdes in zijn boekje „het gouden oorijzer der West-Friezenquot; wordt verhaald. Voor die het boekje niet kennen, volge hier in enkele woorden de inhoud, die tevens er toe kan leiden, dat het door velen nog ter hand zal worden genomen. — 't Is trouwens het lezen waard!

Het verhaal verplaatst ons in het laatst der 7deeeuw, in den tijd toen Radboud, Koning der Oud-Friezen, door Pepin gedwongen was het Christendom aan te nemen. Wij bevinden ons in Stavoren, op den dag, op welken Willebrordus hier landt,

4*

ocr page 60

52

met zich voerende eenige Deensche jongelingen, die, door de bewoners van Helgoland gevangen genomen en tot slaven gemaakt, nu door hem waren vrijgekocht. Zij zullen eenige dagen te Stavoren toeven op de hoeve van zekeren Huppo en dan voortstevenen naar Medemblik, waar thans Koning Radboud resideert.

Wat moeten zij i» Medemblik doen? Het verhaal zegt, dat de Deensche jongelingen, na vrijgekocht te zijn, aanstonds 't Christendom aannamen en zich lieten doopen met water door Willebrord uit een put genomen, die later bleek geheiligd te zijn aan God Foste, en dat zij voorts jacht hadden gemaakt op herten, die mede aan die godheid waren gewijd, hoewel onze vreemdelingen zulks niet wisten. Zulk een dubbele ontheiliging haalde hun de haat der Helgolanders op den hals. Dezen eischten een offer om den toorn der godheid af te wenden. Door het lot werd aangewezen , wie der Denen door zijn dood de verzoening met den god zou tot stand brengen.

Drie dagen later bevonden zij zich allen op een schip, met bestemming naar Medemblik, waar Radboud toefde, op wien Willebrord zich had beroepen. De Koning zou uitspraak doen over het lot der Denen. Willebrord wordt als vriend van Pepin door den Koning welwillend ontvangen en ter maaltijd genoodigd. Terwijl de gasten zich van het toegediende voorzien, zal Ubo — Huppo's zoon — een lied zingen, een lied, waarin aanstonds door de Heidenen, met name door Takko, den opperpriester van Stavoren, beleediging der goden wordt gezien. Hij eischt, dat de koning den laster zal wreken, en hoopt, dat door deze omstandigheid het lot der Denen zal worden verzwaard. De Koning bepaalt, dat over twee dagen de volksvergadering zal bijeenkomen. Den derden dag zullen de gevangenen voor den Koning worden gebracht.

De bewaarder opent de kerkerdeur — doch, tot zijn verbazing vindt hij de Denen niet, maar in hunne plaats een jonge vrouw, Fostedina, dochter van Theudebald, den opperpriester van Helgoland. Onder haar beleid had zij de jongelingen doen ontvluchten, meêgeholpen door zekeren Friso, die de bevrijden te scheep had ontvoerd naar den Noordelijken Rijnmond. De verwoede heidenen eischen den dood der jonkvrouw als straf voor die euveldaad, en zeker zou Fostedina zijn gedood, indien niet Adgil, Radboud's zoon, als haar voorspraak en verdediger ware opgetreden, en indien niet de Koning zelf, getroffen door de edelmoedigheid der jonge vrouw, zich verzet had tegen de eischen des volks.

ocr page 61

53

Het einde is, dat Fostedina veroordeeld wordt, 14 dagen een krans van doornen op haar hoofd te dragen. Zij droeg de smart met geduld, blijde iets goeds aan anderen te hebben gedaan, te hebben vervuld een Christenplicht. Friso's medeplichtigheid heeft zij trouw verzwegen, hoe men haar ook vergde de namen van haar handlangers te noemen.

Kort na dit voorval had er te Stavoren een plechtigheid plaats, die maakte, dat heel de stad was getooid met bloemenen kransen.

Voltrokken werd het huwelijk tusschen Adgil en Fostedina. Nog altijd waren duidelijk zichtbaar de litteekenen van de doornenkroon , die 't aanminnig gelaat der bruid mismaakten.

Haar speeluooten verzonnen een middel om die litteekenen aan het oog van anderen te onttrekken.

Onverwachts zetten zij haar vriendin een gouden krans op, die voorhoofd en slapen bedekte.

Op Adgils verlangen bleef Fostedina zich voortaan tooien met dit kostbaar sieraad, waaraan zooveel herinneringen waren verbonden.

Het oorijzer wordt nog gedragen, maar wie spreekt nog over Fostedina en haar doornenkroon?

De Gaper.

Waarom prijkt er boven de deur van drogisten — een enkele maal ook bij een apotheker — in verschillende steden een Gaper?

Op die vraag is meer dan één antwoord gegeven. Iemand heeft — meer aardig dan juist — beweerd, dat die geeuwer eenvoudig een aanduiding was hiervan, dat n.1. de winkelier slaapbollen verkocht.

Een ander is tot de ontdekking gekomen, dat er in de 14de eeuw een zekere drogist leefde, die „Gaperquot; heette en wereldberoemd was om de door hem bereide kruiden. Zijn opvolger, om te laten zien, dat bij hem de „oprechte kruidenquot; te verkrijgen waren, zette in plaats van den naam zijns voorgangers — erve of firma „Gaperquot; — boven zijn deur een voorstelling, die duidelijk genoeg dien naam te kennen gaf en dit op den naam zelf voor had, dat zij allicht wat meer reclame maakte.

Een zedemeester heeft in den gaper een waarschuwend voorbeeld gezien voor dengene, die de „Apotheekquot; — waar ook drank werd verkocht — binnentrad. Een al te ruim gebruik van Bacchus'

ocr page 62

54

gave geeft aan een mensch een voorkomen, ongeveer zooals dat, hetwelk boven de deur prijkte, want de wijn maakt zot.

Een ander weer zag in den gaper den stadsgek, en wel omdat de Apotheker een Stadsambtenaar was.

Het meest waarschijnlijk is echter de volgende verklaring van dit eigenaardig uithangteeken:

De Apothekers of Kruidmengers waren — gelijk nog in enkele plaatsjes van Duitschland, naar ik meen — gelaghouders tevens. Om den voorbijgangers te laten zien, hoe prettig en vroolijk het binnen toeging, plaatsten zij aan hun deur als uithangteeken een zotshoofd — of het waar is, dat zij er vroeger tot vermaak der gasten een hansworst of nar in levenden lijve op nahielden, durf ik niet beslissen.

Eens waren die zotshoofden getooid met kap en bellen, maar die versiering is uit den tijd; nu zijn het nog slechts gapersquot;.

De bedrijven van kruidenmenger en gelaghouder zijn gescheiden, maar de eerste behield tot heden nog het oude embleem.

Sint-Geerten-Minne.

Reeds zeer oud is het gebruik om bij plechtige maaltijden, ter gelegenheid van vertrek of terugkeer van een vriend, het sluiten van een verbond, 't binnenkomen van den oogst, 't vereenigen in den echt, een dronk te wijden aan de nagedachtenis van „Sint-Geertruidaquot;.

Zij was de dochter van Pepin van Landen, den eersten (bekenden) major domus — hofmeier — aan het hof der Frankische koningen. Ter plaatse, waar thans Geertruidenberg ligt, moet zij in de 7de eeuw een kapel hebben gesticht.

De legende verhaalt, dat een haar minnend ridder, toen zij als non, zich afscheidde van de wereld, nochtans zijn liefde haar bleef toedragen, ten bewijze waarvan hij zijn geheele vermogen schonk aan het klooster, waarin zij leefde. Zóó, van al zijn schatten beroofd, zwerft hij om en ontmoet ergens op een woeste heide den duivel, die hem andermaal veel rijkdom belooft, zoo hij aan hem zijn ziel verpandt.

De ridder stemt toe, maar vraagt nog 7 jaar levens. Als die jaren om zijn, gaat hij nog eenmaal naar 't klooster om afscheid te nemen van zijn geliefde; deze noodigt hem uit, alvorens te

ocr page 63

55

vertrekken, te drinken „St.-Jans geleide en hare minnequot;. Dan begeeft hij zich op weg, ontmoet den duivel, die verschrikt terugdeinst bij den aanblik van den ridder. Het is of de vrome jonkvrouw hem vergezelt:

Si sittet daer achter op uw paert,

Die u alrelest werse drinken gaf,

Van haer so bin ie also seer verweert,

Si hevet mi benomen alle mine macht.

De duivel geeft den ridder het met bloed geschreven contract terug en verklaart hem vrij.

„Hierom drinct al St. Jans geleide,

„Eer d'een al van den anderen sceide,

„Als ghi enighe reise bestaet,

„ Daertoe haer minne al on versmaet,

„Die Sinte Geertruut was gheheten.quot;

(W. v. Eiluegaershekg.)

Tot na de 12(le eeuw bleef de dronk van Sint-Geerten-Minne— dit laatste woord staat in verband met het latijnsche „meminiquot;, ik herinner mij — in gebruik. Hij wordt, daar Geertruida abdis werd van het klooster te jSTivelles (alwaar zij in 664 stierf) ook wel genoemd vcle schaal van Nivellesquot;. De llie Maart is aan haar gedachtenis gewijd, bij welken datum de Duik Almanak, haar naam vermeldende, haar noemt patronesse tegen de muizen.

Geiser.

„Geiserquot; is een uitheemsch woord, dat niet overbekend is bij ons en o. a. dan ook daarom eer in een IJslandsch dan in een Nederlandsch volkslied past; het is afgeleid van „geysaquot;, dat beteekent „met geweld in de hoogte springen.quot; Men vindt op IJsland, in zekere streek van dit eiland, een aantal kleine bergjes, van welke elk een bron van kokend water bevat.

De zoogenaamde Groote Geiser is een platte heuvel van twee a drie M. hoog, aan welks oppervlak zich een ondiep bekken bevindt; in het midden hiervan is een opening, die de mond is van een koker, die vele meters in de aarde dringt.

Het kokend water werpt zich uit dezen koker soms als een

ocr page 64

56

tien voet dikke zuil meer dan 70 voet omhoog. Het opwerken er van wordt vooraf aangekondigd door eenige zware slagen, in geluid overeenkomende met kanonschoten. (Zie over dit onderwerp : Heringa, Uit alle werelddeelen II, 165 vlg.; De Natuur 1886, pag. 204; Hertha, pag. 101.)

De gouden roos.

Sedert eeuwen is het een gebruik der Pausen om op Zondag Laetare — den derden vóór Paschen, aldus genoemd naar't eerste woord van Jesaja 66: 10, welk vers in de Vulga,ta begint met; „Laetarequot; — een gewijde gouden roos to vereeren aan hooggeplaatste personen, die zich bijzonder verdienstelijk hebbei] ge maakt jegens de kerk of wier ijver in zake den R. Cath. godsdienst door dit middel moet worden aangewakkerd.

Waar men lang in het uitreiken er van niets meer gezien had dan een schenking met geestelijk karakter of wel een soort hoffelijkheid of welwillendheid, daar heeft Eugène Münz in de „Academie des Inscriptions et Belles Lettresquot; te Parijs aangetoond, dat de politiek een groot aandeel in de uitreiking heeft gehad, voornamelijk in vroegere tijden.

De „Gouden Roosquot; bestaat uit een tak met doornen, die bladeren, knoppen en bloemen draagt, terwijl de hoogste bloem de grootste is; het geheel is van goud vervaardigd. Met de vaas mede heeft de roos — zoo was het althans in 1888, toen de keizerin van Brazilië de gelukkige begiftigde was — een hoogte van ruim 80 cM. De vaas is van zilver. Intusschen schijnt de kostbaarheid van dit geschenk gelijken tred te houden met de hoogheid deiquot; personen, aan wie het geschonken wordt. Alexander VII bestelde er een van 6000 frs., en later een van 4000 fi s. Innocentius XI liet een Gouden Roos maken, die meer dan 8 pond zwaar was, en versierd met tal van saffieren; de waarde van dit kunstvoorwerp was 10.000 frs.

Gewoonlijk bevindt zich in de bovenste roos een bekertje met deksel, waarin door den hoogen schenker balsem en muskus wordt gedaan. Het is niet met zekerheid te zeggen, wanneer dit gebruik in zwang is gekomen; volgens sommigen eerst onder de regeering van Leo X (ll{Ie eeuw), volgens anderen reeds in vroeger tijd.

ocr page 65

57

Met de gouden roos werd o. a. vereerd:

Hendrik VIII van Engeland, in wien de Catholieke Kerk — althans in de eerste jaren zijner regeering — grooten steun vond, en die zich o. a. verdienstelijk maakte voor de Kerk door zijn geschrift tegen Luther, voor welk werk hij door den Paus vereerd werd met den titel „Defensor Fideiquot;, verdediger van het geloof.

Ook Caesar Borgias, die de lieveling was van Paus Alexander VI, en Napoleon III en diens gemalin genoten een zelfde eer.

Sedert anderhalve eeuw valt de eer van 't ontvangen dezer Pauselijke attentie voornamelijk aan vorstinnen te beurt. Zoo werd de gouden roos door Leo XIII geschonken aan de Koningin-Regentes van Spanje en eens bij uitzondering vereerd aan een niet gekroonde, n.1. aan Mej-Caldwell te Waddington in de Ver-eenigde Staten, die een groote som gelds had besteed voor het oprichten eener Catholieke hoogeschool. Dit was de tweede maal, dat een niet gekroonde het Pauselijk geschenk ontving. De eerste maal was het de echtgenoote van generaal Sheriman, aan wie die eer te beurt viel. Later ontving de Prinses-Regentes van Brazilië de gouden roos als bewijs der Pauselijke goedkeuring voor den steun door haar verleend tot afschaffing der slavernij.

Ook heeft de Oostenrijksche kroonprinses-weduwe Stephanie dit blijk van Pauselijke sympathie ontvangen. In 189,1 werd de Pauselijke beleefdheid bewezen aan de keizerin van Oostenrijk — een der getrouwste vereersters van den Paus. — Volgens de „XIX Sièclequot; heeft Mevr. Carnot bedankt voor de eer, die de H. Vader haar wilde aandoen, door haar 't geschenk aan te bieden, daar de president vreesde, dat de politiek er zich in menger zou en er een beweging uit ontstaan zou.

In 1892 werd koningin Amalia van Portugal met dit pauselijk geschenk vereerd, in 1896 de vorstin van Bulgarije, die zich tot het uiterste verzette tegen den overgang van kroonprins Boris tot de Grieksche kerk. — Bij de overhandiging, die door een daartoe van den Paus gezonden ablegaat met bijzondere plechtigheid geschiedt, wordt steeds een vollen aflaat verleend aan de geheele vorstelijke familie van hem of haar, die de roos ontvangt.

Wat den oorsprong van dit gebruik betreft, deze schijnt gezocht te moeten worden in het oude Lentefeest der heidenen. Iets, dat insgelijks overblijfsel kan zijn van dezen rozendienst, vinden wij immers ook elders in de R. Cath. Kerk. Want waar het oude geloof zoo diep geworteld was, dat de Priesterschap het

ocr page 66

58

niet geheel vermocht uit te roeien, daar liet zij het volk zijn kleinood behouden, maar wijzigde de beteekenis, kerstende, om zoo te zeggen, den ouden godsdienst. En dat inderdaad de menigte zich dat oude maar niet zoo gemakkelijk laat ontnemen, blijkt immers genoegzaam uit zoovele gebruiken, die in zwang bleven, gebruiken, die wortelen in het oude geloof, maar wier oorsprong en beteekenis nu zoo goed als verloren zijn gegaan.

Merkwaardige grafschriften.

Een allermerkwaardigst grafschrift heeft men gevonden op het kerkhof te Lydfort (Vereenigde Staten van Noord-Amerika). Het luidt als volgt.

„Hier ligt in een horizontale houding de buitenste „kastquot; van George Rontleigh, horlogemaker, die door zijn bekwaamheid het sieraad was van zijn beroep. Braafheid was de „groote veerquot;, voorzichtigheid de „regulateurquot; van alle oogenblikken zijns levens. Welwillend, edelmoedig, bleef hij nooit „stilstaanquot;, wanneer er een ongelukkige moest worden geholpen. Al zijn bewegingen waren zoo goed en geregeld, dat hij nooit slecht liep, uitgenomen wanneer hij opgewonden was door lieden, die zijn sleutel niet kenden. En dan was hij ook weer gemakkelijk gerepareerd. Hij bezat den slag zijne uren goed te regelen, zoodat zij elkander volgden in een voortdurenden kring van genoegens tot het noodlottig oogenblik, waarop hij dit leven verliet — 13 Nov. 1802, oud 57 jaar — in de hoop schoongemaakt, in orde gebracht en opgewonden te worden voor de eeuwigheid.quot; —

Stond er niet bij dat de doode, die onder deze zerk rust, in leven horlogemaker was geweest, dan ware het niet moeilijk het te raden! —

In denzelfden geest is het grafschrift van Benjamin Franklin, die stierf te Philadelphia 17 April 1790. Vóór zijn dood stelde hij zijn eigen grafschrift op, in dezer voege:

„Hier ligt het lichaam van den boekdrukkei- Benjamin Franklin — gelijk de band van een oud boek, waaruit de bladen gescheurd zijn en dat van sieraad en vergiddsel beroofd is — tot voedsel voor de wormen; doch het icerk zelf zal niet verloren gaan, maar eens, gelijk hij vertrouwde, weder verschijnen in een nieuwe en schoonere uitgave, herzien en verbeterd door den Auteur.quot;

ocr page 67

59

Ter eere van Isaac Newton (gest. 20 Maart 1727) is, naar men wil, door Pope een .grafschrift vervaardigd, dat luidt:

Isaacus Newton hic jacet Quem imraortalera coeli, natura,

Tempus ostendunt;

Mortalem hoe marmor fatetur.

Nature and all her works lay hid in night God said: Let Newton be . . . and all was light!,

hetgeen beteekent: Hier ligt. I. Newton, dien de hemelen, de natuur en de tijd onsterfelijk gemaakt hebben. Dit marmer bewijst, dat hij sterfelijk was. De natuur en al haar werken lagen verborgen in het nachtelijk donker, God sprak: „Newton leve!quot;.. . toen werd alles licht! —

Van geheel anderen aard is het naïeve opschrift, dat op een steen op het Sloterdijker kerkhof wordt gevonden:

„Gij, die dit leest op deze zerk,

Gaat in uw leven veel te kerk;

Maar als gij dood zijt blijf er uit Gelijk hij, dien dit graf besluit

in welke woorden 1°. een aanprijzing van den godsdienst ligt, en 2°. verzet wordt aangeteekend tegen het begraven in de kerken.

Iets meer verheven is het korter woord, dat prijkt op het graf van Christopher Wren, bouwmeester van de St .-Pauls kerk te Londen.

„Si monumentum requiris, circumspice!quot;

„Zoo gij een praalgraf zoekt, zie rondom u!quot;

Van 't verhevene komen wij tot het belachelijke, waar wij herinnerd worden aan hetgeen verhaald wordt omtrent een zekere Aagt, die zeer rijk was en zonderling bovendien, van wie het volksgeloof verhaalde, dat zij als witte wijf af en toe kwam spoken. Men zegt ook, dat op haar graf te Eenrum eens stond:

„Hier ligt begraven Aagt,

Zij is gestorven maagd;

Dat zij niet was getrouwd Dat had haar nooit gespeten;

Maar niet te zijn gevraagd,

Dat kon zij niet vergeten !quot;

ocr page 68

60

Koit en bondig en ook aan het humoristische grenzende is hetgeen meegedeeld wordt als grafschrift van een klokluider, die ondei t luiden den klepel op het hoofd had gekregen;

„Hier rust Hans lepel,

Hij leefde van de klok, hij stierf van den klepel!quot;

Kort en beslist is voorts hetgeen op een kerkhof te Parijs op een grafsteen, die het stoffelijk overblijfsel van een eens gelukkig echtpaar dekt, moet staan, n.1.:

„Ik wacht u met innig verlangen . . . A. D. 1827quot;, en daaronder:

„Hier ben ik . . . A. D. 1867.quot;

Alles in kortheid overtreffende, maar niet uitmuntende door duidelijkheid is hetgeen staat vermeld op den grafsteen van het aanzienlijk handelsgeslacht Vöhlin in de St.-Annakerk te Augsburg. Het opschrift luidt kortweg:

„P. P. P.quot;,

waarvan de verklaring schijnt te zijn:

„Piper peperit Pecuniam Pecunia peperit Pompam Pompa peperit Pauperiem Pauperies peperit Pietatem,''

hetgeen beteekent:

„De Peper gaf geld — het geld bracht met zich de weelde — de weelde leidde tot armoede — de armoede maakte vroom!quot;

Niet bijzonder duidelijk is ook:

Cy-gist le Père cy gist la Mère Cy-gist la Soeur cy gist le Frère Cy gist la Femme et le Mary Et n'y a que deux corps icy.

In het Hollandsch overgezet luidt het:

Hier ligt de Vader en de Moeder Hier ligt de Zuster en de Broeder Hier ligt de Vrouw en ook de man En slechts twee lijken liggen hier.

Geleerden hebben zich afgetobd dit rekenkundig raadsel ie verklaren, n.1. dat 2x2x2 = 2 is en zij hebben ten laatste deze uitlegging gegeven; Man en Vrouw hadden zich ieder in een afzonderlijk klooster begeven en werden aldus broeder en

ocr page 69

61

zuster. In hun nieuwe omgeving werd de man mettertijd Pater en de vrouw Mater, d. i. Vader en Moeder. Het is aardig gevonden, wie zal zeggen of het ook juist is.

Ten slotte een grafschrift, waarbij alle commentaar overbodig is. Met de zoogenaamde „Terreur Blanchequot; werd al wat er gebeurd was in den bloedigen Messidor en Thermidor gesteld op rekening van Robespierre.

Zoo maakte men op hem een spottend grafschrift, dat gepubliceerd werd in de dagbladen:

„Passant, qui que tu sois, ne pleurc pas mon sort,

„Si je vivais, tu serais mort!quot;

De guillotine.

„Diier is een seker tuygh in ouden tijt gevonden,

„Waerdoor al menigh mensch ter aerden is gesonden;

„Dit is een stale bijl, die hanght aan eenendnet, enz.quot;

Cats.

Alleen reeds de naam van het uit de geschiedenis welbekende moordtuig is genoeg om ons aanstonds een huivering door de leden te doen gaan. Gaarne geef ik dan ook toe, dat dit mijn onderwerp weinig aantrekkelijkheid heeft, hetgeen echter nog geen genoegzame reden voor mij was om het achterwege te laten. Moge er ook weinig bekoring in liggen, genoeg, als er dan maar eenige leering uit is te putten.

Wat de guillotine eigenlijk is, dat zullen de meesten wel weten. Het werktuig bestaat uit een paar evenwijdig loopende, opstaande balken, tusschen welke zich, in daartoe aangebrachte groeven, een zwaar scherp ijzer kan bewegen, dat, omhoog gehouden door een veer, neervalt zoodra op de laatste wordt gedrukt. Omlaag is tusschen twee dwarsbalken een cirkelvormige opening aangebracht, die zoo kan worden gesteld, dat zij juist ruimte biedt, groot genoeg om den hals des veroordeelden te bevatten. Op 't oogenblik der executie wordt op de veer gedrukt, het mes valt neer en snijdt het hoofd van den romp. Den naam guillotine ontleent dit werktuig aan Joseph Ignace Guillotin, geb. 1738, gest. 1814, lijfarts des konings, die op den 10Jen October 1789 als lid der Assemblée Nationale het voorstel deed de doodstraf voortaan te doen ondergaan op de minst folterende wijze. Op nader advies van Dr. Antoine Louis — naar wien volgens sommigen de guil-

ocr page 70

62

lotine ook Louison wordt genoemd, terwijl volgens anderen deze naam in zwang kwam na de onthoofding van Louis XVI — werd door de wetgevende vergadering op 20 Maart 1792 besloten de valbijl te gebruiken, als zijnde deze het doelmatigst werktuig ter volvoering van de doodstraf, daar ze zekerder trof, schielijker doodde en minder pijn veroorzaakte dan het zwaard, gezwaaid door de hand van den beul.

De invoeiing van de guillotine moest dus beschouwd worden als een daad van philanthropie; volgens Dr. Guillotin toch zou het slachtoffer hoogstens een kleine verkoeling aan den hals gewaar worden. Bovendien zou straks het voordeel dezer inrichting blijken, daar door haar hulp voorzien kon worden in het werk waartoe beulshanden te kort geschoten zouden zijn.

Een spotdicht zegt er van:

Guillotin,

Médecin Politique Imagine un beau matin Que pendre est inhumain ;

Aussitöt II lui faut Un supplice Qui sans corde, ni poteau Supprime du bourreau L'office ....

Et sa main Fait soudain La machine.

Qui simplement nous tuera Et que Ton nommera:

Guillotine,

dat wil ongeveer zeggen; Dr. Guillotin, de staatsman, kwam op zekeren dag op de gedachte, dat ophangen onmenschelijk is. Hii zoekt naar een doodstraf, die, zonder strop of paal, onnoodig maakt het werk van den beul, en weldra is het werktuig bedacht dat op eenvoudige wijze ons dooden zal en dat men noemen zal guillotine.

Om te laten zien, hoe degelijk het mechaniek werkte, droeg Guillotin, naar men verhaalt, steeds een miniatuur-guillotine bij zich, met welke hij ten aanschouwe van zijn vrienden kleine

ocr page 71

63

poppen het hoofd afhieuw; en zoozeer was de wereld met zijn nieuwigheid ingenomen, dat de dames zelfs kleine gouden guillotines droegen als oorhanger of broche en de heeren zich sierden met doekspelden van dien vorm. Een akelige scherts, die genoeg bewees, hoe wuftheid en gebrek aan ernst in die dagen de gemoederen onverschillig en gevoelloos had gemaakt.

De ooi-sprong van dit werktuig schijnt gezocht te moeten worden in vroeger tijd. Althans in Italië behoorde het sedert de 13de eeuw tot de voorrechten van den adelstand, dat indien een zijner leden de doodstraf moest ondergaan, dit geschiedde door middel van de valbijl of mannaglia. En Koenradijn van Zwaben verloor in 1268 te Napels zijn hoofd onder den zooge-naamden „welschen valquot;. Waarschijnlijk is de guillotine uit Perzie naar Europa gekomen.

De eerste, die er te Parijs het hoofd onder verloor, was de straatroover Jacques Nicolas Pelletier, die onthoofd werd den 255ten April 1792. Het aantal van die hem zijn gevolgd is niet te bepalen. De lijst van Prudhomme vermeldt 18613. Alleen in Frankrijks hoofdstad werden er in vijf maanden tijds 2700 geëxecuteerd, terwijl tot na den dood van Robespierre — die nota bene zich eens in de conventie uitdrukkelijk verklaarde tegen de doodstraf, omdat de maatschappij het recht niet had een harer leden te dooden — nog tienduizendtallen op dergelijke wijze vielen, en dat alles in een tijd, in welken de rede als godheid werd vereerd.

In een te Parijs verschenen werkje, „De 1789 a 1804. Quinze ans de Revolutionquot;, staat te lezen: „Pendant la Terreur on fut „obligé de transporter la guillotine, par mesure d'hygiène, sur „la place du Throne, paree que le sol de la place de la Révolu-„tion était tellement impregné de sang, qu'il y croupissait sans „pouvoir s'écouler;quot; waar dan nog bijgevoegd wordt: „on avait „proposé une guillotine a douze tranchantsquot;. En de republikein Riouffe verhaalt in zijn gedenkboek ,,Mémoires d'un détenu, etc.quot;, dat op de St.-Antoniusplaats van Parijs een breede goot was gegraven, om het menschenbloed te laten afloopen, en dat, terwijl de guillotine zonder verpoozen werkte, vier mannen gestadig bezig waren het bloed met emmers uit dien put te scheppen; „c'était l'activité des enfersquot; zijn de eigen woorden van dezen G-irondijn.

Merkwaardig is het zeker te noemen, dat een der slachtoffers

ocr page 72

64

der guillotine Louis XVI was, op wiens aanwijzen négen maanden voor zijn dood de guillotine was verbeterd, doordat de halvemaanvormige bijl vervangen werd door een driehoekige, die schuin als een zaag nederkwam, waardoor bewerkt werd, dat het mechanisme nooit weigerde, maar steeds aan het doel beantwoordde, zooals het tribunal révolutionnaire heeft aangetoond.

Over dit moordtuig — ik bedoel de guillotine — sprekende, zou ik gereedelijk stil kunnen staan bij de zoogenaamde guillotine-kar, waaiop de slachtoffers werden vervoerd, omstuwd en gevolgd doot duizenden toeschouwers, vrouwen vooral — hoe is 't mogelijk, dat een vrouw behagen kan scheppen in zulk een schouwspel — de „fmies de la guillotinequot;, die door schelden en sarren lucht gaven aan hun haat niet jegens dat moorden en de moordenaars, maar veeleer jegens de arme veroordeelden.

Ik zou u nog herinneren kunnen, hoe niet ten onrechte de Jacobijnen na hun val spottend „Chevaliers de la Guillotinequot; werden genoemd, hoe door de Thermidorianen, die, toen het, na 9 Thermidor, gedaan was met de Terreur Rouche en zij het bestuur in handen kregen, wel de doodstraf voor politieke vergrijpen afgeschaft werd, maar daarvoor in de plaats gesteld verbanning „la guillotene sèchequot;, zooals de abbé Siéyès placht te zeggen.

Maar zóó voortgaande zou mijn onderwerp, nauw samenhangend met de Fransche revolutie, bijna een verhandeling worden over die omwenteling, inzonderheid over de bloedige Septemberdagen, die er aanleiding toe hebben gegeven, dat guilotiner en septembriser promiscue, d, i. synoniem werden gebruikt. Iets anders lag in mijn bedoelen. Ik heb ergens gelezen, dat de mand, waarin de hoofden der geguillotineerden vielen, van tijd tot tijd vernieuwd moest worden, als zij stuk gebeten was door de tanden der slachtoffers. Ik kan voor de waarheid er van niet instaan, maar wel geloof ik, dat die arme wreed onthalsden meer zullen gevoeld hebben dan de kleine verkoeling, van welke Guillotin gewaagde.

Indertijd verscheen te Parijs onder den titel „Het leven na de onthoofding', een werkje, waarin een dokter zijn proefnemingen meedeelde, genomen op een, door een werktuig als de guillotine, onthoofden hond. Intusschen is het nog niet uitgemaakt, of de hier waargenomen bewegingen van 't onthoofde dier willekeurig of onwillekeurig geschiedden. —

ocr page 73

65

Ik bevond mij eenigen tijd geleden in België's hoofdstad en bezocht, zooals ieder doet die daar komt, natuurlijk ook het bekende Musée Wiertz Overstelpt wordt hier oog en gedachte bij het zien van zooveel, dat stemt tot ernstig denken niet minder dan tot diep gevoelen. Behalve de N08. 22 „de Zelfmoordquot;, 52 „het laatst kanonquot;, 33 „de schoone Rosinequot;, trok bovenal ook mijn aandacht N°. 23, dat als onderschrift draagt de woorden: „Pensées et Visions d'une tête accoupéequot; i. e. gedachten en gezichten van een afgehouwen hoofd, van welke schilderij Wiertz in een zijner brieven van 't jaar 1853 zegt: „Peut-être mon tableau servira-t-il un jour d'argument contre la peine de mort; je le souhaite!quot; dat is: „Misschien zal mijn schilderij nog eens dienen tot argument tegen de doodstraf; ik hoop het!quot; — De schilderij moet in het licht stellen, hoe zulk een hoofd van een geguillotineerde nog denkt en gevoelt en onuitsprekelijke foltering lijdt. Drie phasen doorleeft de gedoode met zijn gedachten: in het eerste stadium van dezen schrikkelijken toestand waant het slachtoffer zich nog levend op het schavot; in het tweede denkt hij aan wat geschiedt aan den voet van het schavot, hij ziet zijn graf, omringd van een klagende vrouw en hulpelooze kinderen, en in het derde tijdsverloop ziet hij zich de eeuwigheid ontsloten, een engel komt hem tegen en drukt hem den kus des vredes op het bleek gelaat. —

Inderdaad, indien het waar is, dat de onthoofde na den val

van 't ijslijk staal nog denken en gevoelen kan.....oogenblikken

slechts, maar die als eeuwigheden duren, dan alleen zou reeds daarom te veroordeelen zijn zulk een straf, indien zij niet reeds veroordeeld ware door de waarheid, dat niemand mag beschikken over het leven van een mensch, dat alleen God kan geven.

Wanneer zal de engel des vredes neerdalen op aarde om te vernielen de laatste guillotine, die misdadigers onthoofdt en om tegelijk te vernagelen het laatst kanon, dat onschuldigen moordt.

') Antoine Wiertz, geb. te Dinant 22 Febr. -180C en overl. 18 Juni -1865. Het groot talent, hem geschonken, maakte hij voor 't meerendeel dienstbaar aan de bevordering der humaniteit; een prediker is hij geweest, zijn kansel was 'tpaneel. — Die iets meer van dezen kunstenaar en zijn werken weten wil, raadplege den „Catalogue du musée Wiertz, précédé d'une notice biographique, Brux. 1882quot;, en late niet na te lezen wat Dr. E. Laurillard er over schrijft in zijn „Vlechtwerkquot;, -le opstel.

Drijver, Mozaïek, 2e druk. 5

ocr page 74

66

*) De doodstraf op schavot en oorlogsveld is lage en ruwe wrake, Een onrechtvaardig recht is 't een,

het ander ongestrafte moord! Dat door des Nazareners geest

een betere eeuw genake,

Tot welke nog de rechter ja, maar niet de heul behoort! —

Hartjesdag-.

De derde maandag in Augustus heet te Amsterdam en te Haarlem Hartjesdag. De een wist te vertellen, dat deze dag zijn naam ontleent aan het feit, dat de Haarlemsche burgerij eertijds het voorrecht genoot één dag in 't jaar vrij te mogen jagen op de domeinen van den graaf, die te Haarlem zijn jachthuis had, een ander wist van die vrijgevigheid niets, maar vermeldde, dat de graven dien dag hun jaarlijksche groote hertenjacht hielden, en dat hierdoor tal van nieuwsgierigen werden gelokt naar de Spaarnestad. Met dat al is echter niet verklaard het versieren en verkleeden, het houden van optochten en wat verder nog op dezen dag pleegt te geschieden. De verklaring, die uitgaat van het herten jagen, zal dan ook wel niet de juiste zijn.

Grooter waarschijnlijkheid heeft voor zich die andere, die hartjesdag in verband brengt met den Herthus-dag, het feest ter eere van de oude, Germaansche godin der vruchtbare moeder aarde — Herthus, terra mater, — van welke Tacitus in zijn „de moribus Germanorumquot; spreekt, en die waarschijnlijk Nerthus heette.

In cap. 40—45 van gemeld werk verhaalt de oude schrijver n.1., dat verschillende stammen deze godin vereerden, wier symbolen afbeeldingen van everzwijnen — formae aprorum — waren, en wier wagen in een heilig bosch op een eiland van de wereld-zee — oceani castum nemus — werd bewaard. Waar zij zich op dien door runderen getrokken wagen een enkele maal vertoonde, was 't enkel vrede en rust -— pax et quies — in den lande.

Zoo moet ergens in 't groote woud, waarvan de Haarlemmerhout nog een overblijfsel is, een groote tempel hebben gestaan,

') Naar E. Laurillard,

ocr page 75

67

aan deze godin gewijd, op wier altaar men offers bracht, bestaande uit vruchten en bloemen.

Wij hebben hier alzoo aan een oogstfeest te denken, waar dan ook de tijd van 'tjaar, op welken't wordt gevierd, duidelijk op wijst.

Hazelaar,

een heester, die in Maart bloeit. Aan de takken van dezen boom wordt allerlei wonderlijks toegeschreven, b. v. het vermogen om plaatsen aan te wijzen, waar schatten verborgen liggen, waterbronnen zich bevinden en meer van dien aard.

Vooral ook als beschermer tegen den bliksem wordt hij o. a. in Tyrol hoog vereerd. De oorsprong hiervan ligt in de sage, dat eens de maagd Maria, toen zij over 't gebergte ging om haar nicht Elizabeth te bezoeken, onderweg door een hevig onweer werd overvallen. Een hazelaar verleende haar toen beschutting.

Herberg-,

Tot de deugden der oude volken in 't algemeen en die der Hebreen in 't bizonder, behoorde in de eerste plaats de gastvrijheid.

Ieder huis stond voor den vreemdeling open. Daarenboven vinden wij ook openbare, d. i. voor allen toegankelijke verblijfplaatsen , reeds vroeg vermeld, en wel dezulken, die den karavanen — troepen reizende kooplieden — moesten dienen tot verblijfplaats. Zulk een Oostersche herberg of khan ^ bestond uit een groot vierhoekig gebouw met een aantal vertrekken rondom de met bronnen voorziene binnenplaats, met koele stallen voor de rij- en lastdieren.

Men kon er niets koopen, er woonde ook niemand in, het was alleen een verblijfplaats, waar de vreemdeling kosteloos onderkomen vond, en dus iets geheel anders als wat wij thans onder herberg verstaan.

Wat den naam „herbergquot; (heribergo, hereberga) betreft, deze is samengesteld uit „heirquot; — menigte, leger — en „bergquot; — wisselvorm van burg, burcht — en wijst op de oorspronkelijke

') Zie afbeelding en beschrijving van zulk een „khanquot; in mijn „Oud Israelquot;, pag. 11.

5*

ocr page 76

68

bestemming dezer gebouwen, n.1. tot „beschuttingquot; van een „heirquot; bij guur weder of nacht. Daar onze landsheeren van ouds gewoon waren voor zich en hun manschappen vrijen intrek te bedingen in de kasteelen hunner leenmannen, konden deze sloten te recht „heirbergenquot; genoemd worden. Men „zie hierover H. van Wijn, „Historische Avondstonden.quot; In het Engelsche woord „harbourquot;, haven, komt deze beteekenis evenzeer uit.

„Herbergenquot; wil oudtijds dan ook niet anders zeggen als „huisvesting verleenenquot;. Zoo vinden wij gesproken van de „hereber-gen thero herdon,quot; de herbergen der herders. Het herbergen, huisvesting en voedsel geven voor geld moet, volgens Herodotus^ het eerst door de Lydiërs bedacht zijn. Hoe dit zij, zooveel is zeker, dat de herbergen van vroeger veel onschuldiger waren dan verreweg de meesten van onzen tijd!

De herfstdraden in het volksg-eloof.

Niemand kan het bevreemden, dat de mensch, zoolang hij zich langs wetenschappelijken weg geen verklaring weet te geven van zooveel, wat hij rondom zich in de natuur waarneemt, zijn toevlucht neemt tot het geheimzinnige. Immers het ligt in den aaid van ons wezen, ons zeiven rekenschap te geven van 't geen wij zien. Waar nu 't verstand te kort schiet, daar is het de phantasie, die deze zucht naar de kennis der dingen tracht te bevredigen.

Zoo ontstonden al die eigenaardige, van poëtischen geest getuigende volksmeeningen, omtrent al die verschijnselen in het leven der natuur, die eens als „wonderenquot; werden beschouwd, omdat men hun oorzaken niet kende. Tot de meest gewone dier verschijnselen behooren o. a. de herfstdraden, die jaarlijks wederkeerende boden van den naderenden herfst, die bij duizenden door het luchtruim zweven en zich vasthechten aan boomen, struiken en heggen, terwijl zij niet zelden hun luchtig weefsel spreiden over uw kleed. Voor ons hebben die draden niets geheimzinnigs meer; wij weten nu, dat zij het voortbrengsel — kunstproduct in den vollen zin des woords — v*ijn van grootere en kleinere spinnen, die het vermogen bezitten een fijnen draad van zich af te schieten, welken zij losjes laten rondzweven en die zich weldra aan eenig voorwerp vasthecht, om daarna den kleinen spinsters tot brug te dienen.

ocr page 77

69

Darwin vermeldt, dat hij öO mijlen van land af duizenden kleine roodachtige spinnen, ieder met haar draad, op zijn schip zag aankomen — wel een bewijs, dat deze kleine acrobaten hun kunst verstaan.

Door verschillende volken werd de oorsprong der herfstdraden verschillend verklaard, getuige de onderscheiden namen, met welke zij nog worden genoemd. Zoo spreken de Duitschers van Mariengarn, een benaming, die haar oorsprong heeft in de legende, dat de herfstdraden afkomstig zijn van den sluier van Maria, die haar bij haar hemelvaart ontgleed en toen uitgerafeld werd tot het bekende fijne rag.

De Franschen hebben evenzoo hun fils de la Vier ge, die zij echter ook filets de St.-Martin noemen, welke benaming wellicht ontleend is aan den heiligen Martinus, van wien wij weten, dat hij eens zijn mantel door midden scheurde, om er een verkleumden arme de helft van te geven.

Nog sprak men van „oude wijven zomerquot;, alter Weiber Sommer, om daarmede, in tegenstelling van den eigenlijken zomer, den nazomer aan te duiden, dewijl men meende, dat in dezen tijd de vrouwtjes van dwergen zich bezig hielden met het weven dezer draden.

Ten slotte deel ik nog een tweetal legenden mede, door het volk verzonnen, om zich het ontstaan der herfstdraden te verklaren ;

Een vroom meisje had aan Maria gevraagd haar de gunst toe te staan, dat een door haar gesponnen hemd, hem, die het droeg, onkwetsbaar zou maken. Zij smeekte deze gunst af met het oog op haren broeder, die juist ten oorlog moest trekken. Maria verhoorde die bede en stond der vragende haar wensch toe. Deze echter was inmiddels verliefd geraakt op een nietswaardig persoon, wien zi] het voor haar broeder bestemde klee-dingstuk schonk. Door omstandigheden kwam het tot een tweegevecht tusschen den minnaar en den broeder zijner geliefde, in welken strijd nu de eerste ongedeerd bleef, terwijl de tweede als slachtoffer viel. Het zondige meisje, dat alzoo oorzaak was geworden van den moord, op haar broeder gepleegd, werd gedoemd dag en nacht zonder ophouden te spinnen. De wind evenwel, als om nog meer 't begane onrecht te wreken, scheurt telkens de gesponnen draden stuk en blaast ze over de velden.

Deze legende ieeft voort in den mond der Russische boeren-

ocr page 78

70

meisjes en verklaart het tot spreekwoord geworden: ,, Hartstocht brengt verderf, dat leeren de herfstdraden.quot;

Een andere legende is elders in omloop.

Zij verhaalt van een arme weduwe, wier dochter Maria, ervaren spinster als zij was, voor haar moeder en zichzelf den kost verdiende. Dit meisje had echter een gebrek, n.1. zij hield te veel van vermaak. Trots de vermaningen van haar moeder, had zij op zekeren keer — 'twas juist Onze Lieve Vrouwendag' en als de kinderen op dien dag hun ouders ongehoorzaam zijn,' worden zij dadelijk gestraft — weer 't spinrokken van zich geworpen en zich mee ten dans begeven. Na middernacht begaven de jonge pretmakers zich naar huis, terwijl onderweg nog als terloops op 't kerkhof een lustige dans werd uitgevoerd. Onderwijl zat Maria's moeder onrustig te wachten op de thuiskomst van haar kind. Door 't gedruis op 't kerkhof opgeschrikt, begeeft zij zich derwaarts om te zien wat daar mocht gebeuren.' Toen het meisje, ondanks het verlangen harer moeder, zich niet bereid toonde haar te volgen, verwenschte de arme vrouw haar kind, zeggende: „Ik wilde wel, dat het ongehoorzame kind in de maan zat en daar spinnen moest.quot; Nauwelijks had zij dit woord gesproken of Maria verdween uit het midden van den blijden kring en werd, met haar spinnewiel in de hand, opgenomen naar de maan. Daar zit zij nu nog - altijd door spint zij haar fijne draden, die in 't najaar neervallen op de aarde, maar eer zij den bodem raken, zet de wind ze na en verscheurt ze en jaagt ze verder over velden en boomen. Naar t weerspannig meisje heeten de herfstdraden nog Mariadraden.

Getuigen deze en dergelijke verhalen ter eene zijde van de onkunde en het bijgeloof des volks, ter andere zijde zal wel niemand ontkennen, dat tegelijk poëzie er uit spreekt en moraal er in schuilt.

Hippocras.

Hippocras of ypenkras is de naam van een drank, die van oudsher en heden bij bruiloften wordt gedronken en vooral vioeger aan familie en vrienden van 't bruidspaar met het daarbij be-hoorende zakje bruidssuiker werd rondgezonden. Deze drank wordt bereid door wijn op kaneel en suiker te trekken en daarna

ocr page 79

71

te filtreeren. Zijn naam ontleent hij waarschijnlijk aan Hippocrates, die er het voorschrift toe gaf.

Was de hippocras bij een huwelijksfeest onmisbaar, bij feestelijkheden ter eere van een jonggeborene mocht de Kandeel niet ontbreken, zijnde een warme drank, bereid uit wijn, suiker, kaneel en eierdooiers, vandaar ook de uitdrukking: iemand op de Kandeel noodigen.

Hooft legt in zijn Warenar beide woorden Reijm in den mond, waar deze alle benauwdheid van vroeger vergeet bij de gedachte aan 't dubbele feest, dat aanstaande is, en blijde maar ietwat spijtig uitroept:

O, 't zal ien dubbele feest zijn, bruiloft en kyerman (kraamheer) Al de zuinige luy zeilen ons dit nae doen wel knap,

't Komt profijtelijk uit, men slaet twee vliegen mit ien lap. Get! as ik 'er om denk, ik wod, ik al an 't pijpen was,

't Is te veul op ien dag, Kandiel en Ypenkras!

Hoepelrok.

Deze schijnt in zwang te zijn gekomen in de XVT56 eeuw; zijn vaderland is Spanje, toenmaals de toongever der mode. De Koning geeft in zijn „Voorvaderlijke Levenswijzequot; als naam voor dit kleedingstuk op „Yerdagalequot; of „Fardagalijnquot;. Ook werd het wel „vertugadenquot; genoemd — de oorsprong van dezen naam ligt voor de hand. Waaraan de vinding te danken is, is onzeker. Volgens sommigen zou deze dracht uit overmaat van kuischheid ontstaan zijn, volgens anderen om gevolgen van onkuischheid aan het oog te onttrekken. Weer anderen meenen, dat de hoepelrok zijn ontstaan heeft te danken aan de zucht om iets van de schoone en kostbare onderkleederen te laten zien. Hoe dit zij, de hoepelrok, die ook den naam panieren crinoline heeft gedragen, is een mismaking van des menschen figuur.

De schrijver van den Hollandschen Spectator — zie het ISk van 10 Aug. 1733 — zag op zijn wandeling in 't Haagsche Voorhout zulk oen gehoepelde dame voor „een menschelijke gestalte aan, die zig op een klein paard tusschen twee keteltrommen met tot de grond toe afhangende kleederen verhefte.quot;

Tot zulk een misverstand kon trouwens de omstandigheid aanleiding geven, dat „gemelde rok in zijn ganschen omtrek van zo

ocr page 80

72

een gruwelijke breedte was, dat er een talrijk huisgezin van kleine kinderen gemakkelijk onder zou hebben kunnen schuilen.quot;

Niet ten onrechte hebben predikers hun stem tegen dergelijke overtollige omhangselen verheven, gelijk Becius, die in 1639 schreef: „Men gaet bijnaer al dansende en drijvende over straten, opgetoit als kermispoppen — de arme aerdtworm schijnt te willen de natuur selfs verbeteren.quot;

Lucas Osiander noemde het reeds in 1595 een „wanvoegelijke en leelijke hoovaardij.quot;

Trouwens dergelijke smakelooze uitbreidingen van het lichaam bestonden reeds bij de ouden, daarom zegt Ovidius al: „Pars minima est ipsa puella sui,quot; d. w. z.: Van de vrouw is de vrouw zelf het kleinste gedeelte.

't Is ook niet onaardig wat de Sultan van Marokko of een zijner hofdames uitriep, toen een Deensch consul hun zijn gehoepelde wederhelft presenteerde: „Mevrouw, zijt u dat alles zelve?quot;

Onwillekeurig denkt men ook aan wat C. Huygens in zijn Batave Tempe zegt:

's morgens raeckt men aen de waerheijt

's morgens eer de lippen kleven, eer de plaester staat te pronck, eer de poeijer-doosen geven wat de Hemel noyt en schonck, eer de Lobben, eer de Bouwen, eer de Kragen, eer de Kant, eer de Wieken, eer de Mouwen, eer de Ketingh, eer de Want, eer de Boorden, eer de Banden, eer de Reepen, eer de Rock

Geven, datter noyt en was.

ocr page 81

73

De Vlieg-ende Hollander.

Wanneer de nacht zijn zwarte vlerk Ter neer spreidt op de ontstuime vloeden......

J. J. A. Goeverneuk.

Weet gij, Lezer, wat men onder een phantoorn verstaat? 't Is een zoogenaamd „bedriegelijk beeldquot;, dat wij buiten ons meenen waar te nemen, maar dat feitelijk niet bestaat. Hoe meer geprikkeld ons zenuwstelsel is, hoe meer koortsachtig gejaagd wij ons gevoelen, hoe meer vatbaar wij zullen zijn voor het zien van dergelijke verschijnselen, die dan natuurlijk slechts voor ons oog bestaan.

In onzen tijd zijn de menschen te ontwikkeld — althans de groote meerderheid — om aan spoken te gelooven; zoo menig verschijnsel, dat thans is verklaard, werd geacht het werk te zijn van goede of kwade geesten. De vrees voor de laatsten vooral werkte deze meening in de hand.

Zoo ontstond zeker ook het bekende „Spookschipquot; of de „Vliegende Hollanderquot;, door den Engelschman „the Phantom Shipquot; of ook wel „the flying Dutchmanquot; genoemd.

Cooper heeft dit spookverhaal tot een roman verwerkt, Wagner ontleende er een zijner opera's aan, en Hermann Hendrich koos het tot onderwerp van een zijner schilderijen, waarvan de Cath. 111. jrg. XXX, no 37 een reproductie gaf. Wij zien hier eenige schipbreukelingen in een half vernielde boot rondzwalken op de golven. Het schip, waaraan zij met moeite ontkwamen, werd in den grond geboord door den „Vliegenden Hollanderquot;, die ook thans hen nog niet met rust laat. Het geraamte op den steven grijnst hun wild tegen, vermeerderend hun angst en hun vrees, dat weldra ook hun lot zal zijn bij de duizenden, die rusten op den peilloozen bodem van den oceaan!

Menige zeeman zou u onder eede willen verzekeren, dat hij het gezien heeft, dat met volle zeilen vliegende schip; zijn masten zijn van ijzer, zijn bemanning bestaat uit slechts vier koppen, den kapitein, den bootsman, den kok en één matroos, 't zijn allen stokoude mannen met lange grijze haren en baard.

Poogt men het schip te naderen — onmiddellijk is het ver-

ocr page 82

74

dwenen; meestal des nachts wordt het gezien! Dat schip heeft zijn geschiedenis:

Ruim zes eeuwen geleden stond het thans vervallen kasteel Falkenburg in Limburg nog in volle glorie, en huisvestte een broederpaar Waleram en Reginald van Falkenburg. Beiden waren verliefd op eenzelfde jonkvrouw, de schoone Alix, dochter van Graaf van Kleef. Waleram's liefde werd beantwoord en Reginald's hart werd verteerd van diepe smart en bittere spijt. De versmade minnaar besloot zich te wreken.

In den bruidsnacht sloop Reginald in het vertrek der jonggehuwden en doorstak beiden met zijn dolk. Nadat hij een lok had afgesneden van het haar der jonge vrouw, begaf hij zich ijlings op de vlucht. Het vermoeden van den moord te hebben gepleegd, rustte aanstonds op den broeder van Waleram, doch van strafoefenen kon geen sprake zijn; de voortvluchtige was reeds ver van de plek, waar 't moordtooneel had plaats gevonden.

Reginald, aanstonds gekweld door de nijpende pijn der gewetenswroeging, begeeft zich naar een kluizenaar, wiens hut hij op zijn weg ontmoet, en legt dezen heel de misdaad bloot, door hem bedreven.

„Trek als pelgrim steeds noordwaarts heen, totdat gij geen aarde meer onder uwe voeten hebt, daar zal God u dan door een teeken bekend maken, wat gij verder hebt te doen!quot; zoo luidde het kort bescheid van den ouden kluizenaar. Reginald toog op weg; ter rechterzijde van hem ging een witte, ter linkerzijde een zwarte gestalte. De donkere geest tracht gedurig hem te verlokken tot andere kwade voornemens, de lichte daarentegen maant hem gestadig tot boete.

Na zoo geruimen tijd voorwaarts te zijn gegaan, bereikt hij de kust, en tegelijk nadert er een bootje, waaruit een stem hem tegenspreekt, die zegt: „Wij wachten op u!quot; — Het kleine scheepje bracht hem naar een grooter schip, de twee gestalten volgden hem tot in het ruim, waar de drie zich nederzetten en de beide geesten gingen dobbelen om de ziel van Reginald.

Nog spelen zij voort — voort zeilt nog in vliegende vaart het schip; wee den zeeman, die het helsche vaartuig ontmoet, onheil wacht hem en rampen!

Een andere legende, die zich vastgeknoopt heeft aan dit verschijnsel , spreekt van een zeer roekeloos zeeman, schipper Fokke,

ocr page 83

75

die alles waagde, en veel volbracht met zijn van ijzeren masten voorzien schip.

Men zegt van hem, dat hij een verbond had gesloten met den booze, en dat hij ten slotte tot straf voor zijn ruwheid en loszinnigheid word gedoemd om eeuwig te moeten varen tusschen Kaap Hoorn en Kaap de Goede Hoop. —

De grondgedachte van deze en dergelijke verhalen, die zich aan dit phantasme hebben vastgehecht, is geen andere als de waarheid, die te allen tijde gevoeld is, n.L deze, dat er loon is naar werken en de goddeloozen geen rust vinden op aarde.

Zonderlinge ■ Huwelijken.

Bij vele volken bestaat een eigenaardig gebruik, n.1. levenlooze voorwerpen met elkaar te laten huwen. De Hindoe b.v. zal, na 't aanleggen van een tuin, geen vrucht er uit eten, alvorens twee boomen (o. a. een manga- en een tamarindeboom) met elkaar te hebben doen huwen, een plechtigheid, die gepaard gaat met vee! feestvreugde.

Desgelijks zal hij na 't aanleggen van een waterbassin steeds aan den rand er van een banaan planten, en dien boom doen huwen met het water; eerder drinkt hij er niet van.

Zoo huwelijkt men den Saligram - een kiezelsteen, waarop eigenaardige indrukken voorkomen, van welke het volk meent, dat ze door Vishnu zijn veroorzaakt — uit aan een plant Tulsi genaamd, oen plechtigheid, die met veel staatsie wordt gevierd. Een stoet van olifanten, kameelen en paarden worden rijk opgetuigd. Op den eersten olifant legt men den kleinen Saligram, die zijn bruid, de Tulsi, gaat bezoeken. Dan volgt het eigenlijke huwelijk, en daarna worden beiden naar den tempel gebracht, waar zij te zamen een jaar bewaard blijven.

De bewoners van Borneo noemen de melodieuze tonen, die hun gehoor waarneemt aan de uitmonding der rivieren, een bruiloftslied ter eere van 't huwelijk van de zee met de rivier.

Niet minder zonderling dan de bovenstaande huwelijken was dat van den Doge van Venetië met de Adriatische Zee, dat jaarlijks op Hemelvaartsdag werd voltrokken.

Van Raad en Geestelijkheid vergezeld, begaf zich de Doge (Dux) aan boord van de „Bucentoroquot; of „Bucentaurusquot;, welk

ocr page 84

76

vaartuig op den voorsteven het beeld der gerechtigheid, en op den achtersteven de vlag van S. Marco droeg. Nadat men een eind weegs in zee geroeid was, werd deze door den Patriarch van Venetië onder statig kerkgezang gezegend, waarna de Doge een gouden ring (bruidsring) in zee wierp, onder 't uitspreken van deze formule:

„Desponsamus te. Mare, in signum perpetuï Dominiiquot;, d. i. „Wij trouwen U, Zee, ten teeken van altijddurende heerschappij !quot;

Na afloop van deze plechtigheid werd naar de kerk van S. Nicolo geroeid, waar een mis werd gelezen, om ten slotte weer te keeren naar 't punt van uitgang, n.1. 't plein S Marco, waar de bruiloftsgasten onder kanongebulder werden verwelkomd.

Waarschijnlijk gold dit gebruik als symbool van de bestendiging van Venetië's heerschappij over de Adriatische Zee.

Niet minder zonderling is het huwelijk, dat, naar luid der berichten , onlangs in China gesloten moet zijn. Ik las n.1. ergens, dat een zekere jonge dame te Soo-Chow in 't huwelijk was getreden met een bloemvaas, welke daad zóó verheven werd geacht, dat bij den keizer een verzoekschrift werd ingediend, een granieten zuil te mogen oprichten ter vereeuwiging van den naam van dit meisje. En wat was nu het grootsche van haar daad? De uitverkoren bruigom, zekere Lu Jenhsiang, vice-kanselier der Keizerlijke Academie te Peking, was onlangs gestorven, en zijn bruid wenschte als weduwe voortaan te blijven behooren tot de familie van hem, aan wiens zijde zij eens gehoopt had te moge leven.

Maar hoe kan iemand weduwe zijn, zonder gehuwd te zijn geweest? Om die moeilijkheid op te lossen, huwde mejuffrouw Hsu met een bloemvaas.

Hybride

is een wezen, dat afstamt van twee verschillende soorten, b. v. een muilezel. Zoo werd de naam Hybride bij de Romeinen gegeven aan het kind van een inboorling en vreemde en van een vrije en slavin.

Het woord is afgeleid van het Grieksche hubris, dat o.a. wellust , ontucht beteekent. Ook op taalkundig gebied zijn Hybriden

ocr page 85

77

geen zeldzaamheden; een Hybridisch woord toch is zulk een, hetwelk samengesteld is uit woorden, die tot verschillende talen behooren, zooals: momboir (nog overig in wees- em momboir-kamer — het eerste deel komt overeen met het Latijnsche maims, hand, in den zin van potestas, macht, terwijl het tweede van baren, dragen, moet afgeleid worden. -

Zoo ook; tnelworst — samengesteld uit het Engelsche meat, vleesch, en ons worst — eveneens; opperman (moest eigenlijk geschreven worden operman), het Latijnsche „homo operariusquot;; desgelijks; hallast — van het Deensche „bagquot;, achter, en ons last — metgezel, van het Engelsche meat en ons gezel, etc. Voorts behooren hiertoe samenstellingen als bad-kuur, luclU-hallon, gala-voorstelling, etc. en dan nog alle Hollandsche woorden met bastaarduitgangen, als: boschage, dreigement, halveeren, etc. etc., welker aantal legio is.

I. H. S.

Zeker zal ik de eenige niet zijn, wiens opmerkzaamheid het heeft getrokken, dat op tal van boerenhofsteden, o. a. in Noord-Holland , de drie letters I. H. S. zijn te lezen, 't zij dan dat zij aangebracht zijn op het hek, dat toegang geeft tot de plaats, of in den gevel van het huis zelf.

Daar het mij altijd belang inboezemt, te weten hoe door het volk, de ongeletterde menigte, verklaring wordt gegeven aan woorden en teekens, trachtte ik nu met dezen en dan met dien 't gesprek te leiden in die richting, dat de door mij aangesprokene weldra overging tot de verklaring — zyjn verklaring — van die voor velen, geloof ik, nog raadselachtige inscriptie, die o. a. ook voorkomt op de zoogenaamde Rozenobels, een gouden munt, op last van Eduard III geslagen, die als amulet werd gebruikt uithoofde van het er op aangebrachte omschrift.

En zoo heb ik dan tweeërlei uitlegging opgedoken; — ware volksetymologieën — men verklaarde die letters als verkorting of van Jezus Heilige Sacramenten bi van Jezus Heere Saliymaker, welke beide uitdrukkingen weinig zin hebben en volstrekt zonder zin zijn, waar zij dienen als opschrift op een hofstede.

Hoe kwam men er toe deze letters aan te brengen op deze plaats? Het antwoord op die vraag is gemakkelijk te gissen. Zooals iedereen weet, vormen deze letters het distinctief van de

ocr page 86

78

orde der Jezuïeten, en als zoodanig werd het geplaatst op kerken en in kloostergevels.

Van lieverlede kreeg dit teeken een zekere heiligheid in de schatting des volks, en zij, die bovenal zich wilden betoonen trouwe zonen der kerk te zijn, ontzagen zich niet het te schreven aan hun deurposten — in casu, 't hek der plaats. Maar die letters moesten toch iets beteekenen, men wilde toch gaarne verklaren hetgeen men schreef, men zocht en vond een uitlegging die nog al voor de hand lag; 't waren immers bekende woorden dat: Jezus heilige sacramenten, of dat andere: Jezus Heere Saligmaker; 't kon wel niet anders beteekenen, al bleef het waar, dat een goede samenhang werd gemist tusschen die woorden onderling. Maar juist dat tintje van geheimzinnigheid gaf aan die letters misschien nog hooger waarde.

Het spreekt haast vanzelf, dat verklaringen als de boven ge-ge vene niet juist kunnen zijn, evenmin als die andere, die gevonden werd of nog te vinden is op een schild of uithangbord ergens in Gent, op hetwelk de letters IHS als onderschrift voeren de woorden: Jesus Herten Smerte, welke almede zonder samenhang zijn.

Een andere verklaring weer, die gekomen is uit den hoek der geleerden, maar die evenmin als de bovengenoemde verklaringen houdbaar is, wil ik als curiosum mededeelen. Er ziju er n.1. geweest, die meenden, dat wat nu IHS is, vroeger geschreven werd IXS, 't welk dan verkorting zou zijn van 't Grieksche woord ichthus, dat visch beteekent. Men beriep zich bij die verklaring op een oud symbool der christenen, dat in oude abdijen en kloosters in schilder- en beeldhouwwerk wordt gevonden, n.1. de bijna halvemaanvormige visch, die deze onderscheiding deels te danken moet hebben aan 't verhaal van de wonderbare visch-vangst en de daaraan vastgeknoopte zielenvisscherij, deels aan de omstandigheid, dat de letters van het woord ichthus do beginletters zijn van de Grieksche woorden: Jèsous Christos Theou Uios Sootèr, d. w. z. Jezus Christus, Gods Zoon en Zaligmaker.

Dat ook deze verklaring niet de ware is, kan onder meer daaruit blijken, dat er niet de minste reden is, welke de onderstelling der verandering van X in H steunt.

Evenmin houdbaar is de meening, dat IHS de eerste letters van 't Grieksche woord Jèsous, Jezus, zijn, om de eenvoudige

ocr page 87

79

reden, dat de Grieksche sigma anders wordt geschreven dan onze S, welk zelfde bezwaar in den weg staat aan de verklaring dier letters als de beginletters der Grieksche woorden Jèaous Hèmoon Sootèr, d. i. Jezus, onze Zaligmaker.

Meer voor de hand daarentegen liggen de volgende twee verklaringen, n.1. dat IHS beginletters zouden zijn van de Latijnsche woorden Jezus Hominum Salvator , Jezus, de redder der menschen, of wel van deze woorden : In Hoc Sal us , in Hem , of hierin is heil.

Tot de ware verklaring ten slotte kan ons leiden de omstandigheid , dat wij dikwijls dit ordeteeken ook nog zien geschreven met een kruis boven in de H en de letter V onder de H. Die vier letters beteekenen dan: in hoe signo vinces, d. i. in dit teeken zult gij overwinnen, terwijl het kruis in de H dan het bedoelde teeken is. Zoo wil het geheel beduiden : „In dit kruis zult gij overwinnen!quot; een uitdrukking, die zinspeelt op het bekende visioen van Constantijn den Grooten , ons meegedeeld o. a. door Eusebius.

Deze schrijver toch weet te verhalen, dat de keizer, vóór den veldslag, die hem de overwinning gaf op Maxentius (312), bad, dat de ware God zich als zoodanig aan hem mocht openbaren, en dat hij daarop in den namiddag met zijn leger een kruistee-ken had gezien aan 't uitspansel, met het opschrift: Toutoo Nika, overwin hierin, of: hierin zult gij overwinnen. In den daarop-volgenden nacht was hem Christus verschenen, die hem zou hebben bevolen van dat teeken een afbeelding te maken en dat voor het leger uit te dragen. Zoo zou ontstaan zijn het beroemde Labarum — bij de Basken beteekent labarva nog vaandel — de standaard, die tot na den tijd van Keizer ïheodosius voor alle keizers uit werd gedragen. Moge de geschiedschrijver zich er ook op beroepen, dat dit verhaal uit den mond des Keizers rechtstreeks tot hem gekomen is — het behoeft zeker geen betoog, dat wij hier niet te doen hebben met een historisch feit) maar veeleer met een legende, verbonden aan den naam van den grooten Christen keizer, om meer te doen uitkomen, dat zijn overgang tot het Christendom is geweest een door God beschikt, en door hooger impuls bedreven feit.

Sint-Jan.

Zoowel bij Germanen als Kelten en Slaven was de 24ste Juni een dag van algemeene feestvreugde, niet minder dan de 24stc

ocr page 88

80

December. Beide feestdagen ontleenen hun oorsprong aan de godsdienstige vereering der ouden van de zon als bron van licht en warmte en vruchtbaarheid.

Het Joelfeest, voor 't welk ons Kerstfeest in de plaats kwam, werd gevierd ter eere van de wedergeboorte der zon, op Midwintertijd , als 't groote hemellicht met nieuwe stralen het aardrijk ging beschijnen, terwijl op 24 Juni 't Midzomerfeest werd gevierd, nu de zon haar hoogste standpunt had bereikt.

De R. C. Kerk, niet bij machte deze heidensche feesten uit te roeien, heeft er een christelijke beteekenis aan gegeven, 't G-eboortefeest der zon moest plaats maken voor 't geboortefeest van Jezus, het licht der wereld, en Balder, de witte daggod, moest wijken voor St.-Johannes Baptista, den Dooper, wien nu de 248te Juni werd gewijd.

Toch blijven de gebruiken, bij 't volk op St.-Jan in zwang, nog genoegzaam de heidensche herkomst van dezen feestdag verraden, terwijl overtuigend blijkt, dat deze gebruiken niets met de herinnering aan Johannes te maken hebben.

Midzomer is b.v. in Zweden, waar nog 24 Juni dezen naam draagt, een dag van rust en vreugd. Stockholm gelijkt dan één bloemengaard, 't is feest in de stulp van den arme niet minder dan in 't kasteel van den rijke, gelijk Potgieter in zijn Noorden ons zoo schoon beschrijft.

Meiboomen worden opgericht, groen en bloemen met kwistige hand aangebracht — 't is een waar zomerfeest. Ook in Duitsch-land, vooral te Leipzig, van welke stad Johannes het patronaat heeft, wordt St.-Jansdag met veel luister gevierd. Hier is de gewoonte in zwang, om de graven te versieren met guirlanden en kransen. De kerkhoven zijn daar als herschapen in tuinen, de kille graven zijn als overdekt door één bloemtapeet, schitterende in kleurenpracht.

Algemeen is op dezen dag in 't Noorden zoowel als in 't Zuiden 't ontsteken van 't Sint-Jansvuur, dat evenals 't Paaschvuur maagdelijk moet zijn, een „nodfyrquot; verkregen door wrijving b. v. van een droog stuk berkenhout, dat wordt rondgedraaid in de holte van eenig blok, zoolang tot het ontgloeit en ontvlamt.

Groot en klein, voornamen en minderen houden zich hiermede bezig. Priesters wijden het zóó verkregen en dan heilig genoemde vuur en geven daarmee wijding aan een heidensch gebruik, welks oorsprong nu is vergeten.

ocr page 89

81

Karei V heeft, o. a. toen hij in 1515 de Nederlanden bezocht, te 's-Hage het Sint-Jansvuur ontstoken, „a la manière accoutu-mée,quot; gelijk zijn reisjournaal zegt, d. i. door wrijving of door vuurslag.

En wat die vuren betreft: men schreef hun heilzame kracht toe, zij golden vooral als voorbehoedmiddel tegen ziekte onder 't vee en tegen beheksing.

In die vuren werden volgens oud gebruik kruiden geworpen of zelfs dieren levend verbrand, een gewoonte, die herinnert aan de offervuren ter verzoening van de vertoornde goden. De geestelijkheid kantte zich tegen dergelijke bijgeloovige en heidensche zeden.

De raad der stad Nürnberg o. a. heeft insgelijks door verbod van die vuren zijn weerzin te kennen gegeven tegen zulke onbetamelijkheden. In ons land is in de 17de eeuw bij een dijkveror-dening van Delfland het branden van St.-Jansvuur op den dijk verboden op boete van 10 gulden. Misschien was hier nog iets anders aanleiding tot dit verbod dan antipathie tegen een vreugdebetoon , dat in 't heidendom wortelde. Maar 't volk gaf hier als elders zoo spoedig niet prijs, wat door gewoonte tot ziin eigendom was geworden. Nog leeft het St.-Jansvuur voort in 't kinderfeest aan den Rijn en in België gevierd, van 't welk een kleine houtmijt het middelpunt is; oorsprong en beteekenis zijn echter vergeten, zelfs door hen, die — en dit gebruik moet ook nog op een enkele plaats in onzen tijd bestaan — onder luid gejuich een groot met stroo omwonden rad, na het in brand gestoken te hebben, naar omlaag wentelen. Wat kan dat rad anders beduiden dan een zinnebeeld der zon? — —

Hoe dit alles zij, niets is natuurlijker dan dat de mensch in den schoonsten tijd van 't jaar zich genoopt gevoelde vreugde te bedrijven ter eere van de Macht, die al dat schoone en goede hem deed genieten, aan wie hij zooveel gaven dankte, onverschillig met welken naam die macht door hem werd genoemd.

St.-Jan in 't volksgeloof.

Waar eenmaal het zomerfeest algemeen werd gevierd, daar gold het weldra als tijdsbepaling, waarbij gerekend werd met veldarbeid, enz., en 't duurde niet lang of men schreef bijzondere Drijver, Mozaïek. 2e druk. 6

ocr page 90

82

heiligheid toe aan dezen dag van buitengewone vreugde en geluk.

Reeds vroeg bovendien gold St.-Jansnacht, evenals de Walpur-gisnacht, voor een geestennacht, in welken de heksen hoogtij vierden. Welke schipper b.v. die ter haringvangst uitging — en de tijd van uitzeilen was St.-Jan — zou in dien nacht hebben durven uitgaan ? Die het gewaagd had, de heksen hadden hem niet ongemoeid gelaten, maar hun invloeden op hem doen gelden!

Bijzondere geneeskracht werd toegeschreven aan den dauw van den St.-Jansnacht. Hazelstokken op St.-Jansnacht gesneden tot toover- of wichelroeden, hadden 't vermogen om bronnen aan te wijzen of verborgen schatten te ontdekken.

Sint-Janskruid — dat op 't platteland in geen huis werd gemist , maar dat vroeger algemeen, nu nog bij enkelen, een eereplaats heeft in 't woonvertrek — voor zonsopgang geplukt, behoedde tegen bliksem, en werd aangewend tegen branden en kwalen. Het had ook 't vermogen den duivel te verjagen, weshalve het bij oude botanici genoemd wordt Daemon! fugium of Jaagt den Duivel.

In „die Evangeliën van den Spinrocken 't Amsterdam 1662quot; lezen wij: „Wil een vrou, dat haer man haar hartelijck minne, die legge in sijnen slincken (linker) schoen een bladt van een noteboom, gheraept op St.-Jansavondt, totdat men noen luijdt, en hij sal se wonderlijck lief hebben!quot; en elders heet het; „Hebt „ghy eenen quaden man, of kryghele, die u qualijck geit geven „wil tot uwer behoeften, soo neemt den eersten knoop van een „stroo nae der aerden op St.-Jansavond gepluct, totdat men „noen luijdt en steeckt dat in 't gat van den sloote des koffers „en het sal open gaan!quot; en nog op een andere plaats wordt ge-„zegd, dat kruiden op St.-Jansavond geplukt het melkgevend „vermogen der koeien, die er mee ingewreven zijn, vermeerderen.quot; Alzoo staat St.-Jan in nauw verband met huisvrede en welvaart. Er zou nog heel wat bij te voegen zijn tot aanvulling van bovenstaande; vooral de rijmpjes, die betrekking hebben op veldarbeid , weersgesteldheid, etc. zouden hier een plaats kunnen vinden, zooals b.v.

Vóór St.-Jan trekt de zee,

Na St.-Jan geeft ze mee.

en

Vor Johannistag bitt' um Regen,

Nachher kommt er ungelegen.

ocr page 91

83

Een nuttige wenk ligt oot in:

Het rouwde nooit man Dat hij turfde voor St.-Jan,

hetgeen misschien beter den toets der waarheid zou kunnen doorstaan dan het volgende:

„De koekoek, na Sint-Jan roepende, verkondigt duurtequot;, een gezegde, dat zijn oorsprong heeft in de sage, die verhaalt, dat Jezus eens een bakker om brood vroeg, hetwelk hem door den gierigen man geweigerd werd, waarop deze veranderd werd in een koekoek, die dan ook nog heden door het volk „bakkersknechtquot; wordt genoemd. Meer medelijden had een vrouw, die aan Jezus het gevraagde brood gaf en tot loon met hare zes dochters onder de sterren werd opgenomen — de pleiaden of het zevengesternte —. Nog een drietal andere sagen verdienen vermelding, en wel in de eerste plaats die van het Johannesbrood. De boom (ceratonia siliqua) die eertijds geen vruchten1) droeg, moet voor Johannes in de woestijn de eerste eetbare peulvrucht gedragen hebben, een sage, die waarschijnlijk in verband staat met de omstandigheid, dat deze boom geen vruchten draagt vóór zijn 20ste levensjaar. Van de aalbeziën gelooft men voorts, dat zij door het bloed van Johannes, als hij op doornen was ingeslapen, hun roode kleur verkregen, terwijl eindelijk nog omtrent den Johannes-kever of glimworm verhaald wordt, dat, toen Johannes eens verdwaald was, God hem het licht afstralende diertje had beschikt, opdat hij den weg naar huis weder zou kunnen vinden!

Genoeg echter om te doen zien, hoe Sint-Jan ingeweven is in 't volksgeloof. Veel van dit bijgeloof reeds is door het licht van beschaving en ontwikkeling verjaagd, hier en daar echter houdt het zich nog schuil, en er zal nog heel wat tijd moeten verloo-pen, eer 't voorgoed is verdreven . . . maar wie weet, wat dan weer de plaats van dat oude bijgeloof zal hebben ingenomen!

Januari.

De namen der maanden ! Een kind, niet waar, kent ze, de Hollandsche en de Latijnsche incluis. Lang niet ieder volwassene

1

Zie afbeelding en beschrijving in mijn Oud-Israël, pag. 70, 71.

6*

ocr page 92

84

echter zal op de hoogte zijn van den oorsprong en de beteekenis der woorden. Wel is het waar, dat vroeger reeds door anderen over dit onderwerp geschreven is, maar 't is misschien ook waar, dat veel hiervan bij de groote menigte alweer in 't vergeetboek is gekomen, en wellicht wordt dan ook den lezer geen ondienst gedaan met nog eens hem in herinnering te brengen, wat zoo al die namen der maanden ons hebben te zeggen. En om nu niet wat men noemt, met de deur in huis te vallen, zij met een enkel woord medegedeeld, dat Romulus de man schijnt geweest te zijn, die de jaarverdeeling heeft beducht. Volgens hem had een jaar 10 maanden, begon 1 Maart en bevatte 304 dagen.

Numa Pompilius voegde er een tweetal maanden —samen 51 d.— aan toe, en bracht het jaar op 355 dagen. Ten tijde van Caesar was de kalender — afgeleid van het woord calare, dat roepen beteekent of bekend maken, omdat de nieuwe maan oudtijds door de pontifices werd afgekondigd — zoo in de war, dat hij hem opnieuw regelde en wel naar den loop der zon.

De oude maanden heetten Martins, Aprilis, Majus, Junius, Quintilis, Sextilis, September, October, November, December. Numa Pompilius voegde er Januarius en Februarius bij. terwijl later de naam Quintilis naar Caesar in Julius en Sextilis naar den keizer van dien naam in Augustus werd herdoopt.

Deze Juliaansche Tijdrekening is op haar beurt verbeterd door Paus Gregorius XIII in 1582, naar wien onze tegenwoordige dan ook de G-regoriaansche wordt genoemd.

Naast de Latijnsche benamingen zi]n bij ons in gebruik geweest en nu bijna in onbruik geraakt de voor een Hollander meer verstaanbare woorden Louw-, Sprokkel-, Lente-, Gras-, Bloei-, Zomer-, Hooi-, Oogst-, Herfst-, Wijn-, Slacht- en Wintermaand. Waar wij oorsprong en beteekenis van deze en de Latijnsche namen nagaan, bepalen wij ons hier tot:

Januari of Louwmaand.

De Latijnsche naam is ontleend aan Janus, den God des vredes oudtijds, wiens tempel alleen geopend werd in tijd van oorlog. — 't Verdient opmerking, dat in den tijd tusschen de vestiging van den Romeinschen Staat en de regeering van Augustus deze tempel slechts driemaal gesloten is geweest. —

Janus werd afgebeeld met twee aangezichten en was volgens de oude verhalen de eerste koning van Italië, leerde met den uit den Hemel verdreven Saturnus den akkerbouw en de kunsten

ocr page 93

85

aan het volk en regeerde zoo weldadig, dat het tijdvak van zijn bestuur de Gouden Eeuw wordt genoemd. Als eerbewijs werd hem de loop des jaars gewijd en de eerste maand naar hem genoemd. De afbeelding met twee aangezichten kan haar grond vinden in de omstandigheid, dat Janus vereerd is als Zonnegod, terwijl het overoude symbool van zon en maan een dubbelhoofd was, het eene aangezicht gebaard en baardeloos het ander. Ook wordt hij genoemd de god van 't in- en doorgaan van deuren en poorten, weshalve wij hem afgebeeld vinden met een sleutel in de hand.

In 't Latijn heet deur nog janua.

En nu de naam Xomrmaand. De oorsprong en beteekenis van deze Nederlandsche benaming is niet zoo gemakkelijk uit te maken als die van de Latijnsche. Allerlei gissingen zijn gedaan en allerlei verklaringen gegeven, waarvan echter nog niet met zekerheid is uit te maken, welke de ware is.

I. Volgens Kiliaenis Louw- hetzelfde als Lomaand, d. i. heuvel-maand, omdat in dit gedeelte des jaars onze voorouders met vee en have naar de hoogten vluchtten, ter ontkoming aan de overstroomingen.

* 11. Anderen brengen Louw in verband met louwe, wet, hetzelfde als 't Fr. loi en 't Eng. law, omdat in deze maand vooral de huwelijkswetten dienst deden, daar omstreeks dezen tijd de meeste huwelijken werden gesloten, 't Is merkwaardig, dat ook de Grieken een maand hadden, die gamélion heette, d. i. huwe-lijksmaand. Er zijn er ook, die meenen, dat Januari wetmaand zou heeten, omdat in dezen tijd de stedelijke overheidspersonen werden verkozen.

III. Men heeft in Louw den naam eener godin gelezen, n.1. Leva, Lowe, godin der liefde. — Vergelijk hierbij mijn artikel „Koppermaandagquot;! —

IV. Weer een ander gevoelen wordt voorgestaan door De Rooij, die bij louw aan looien denkt. Het leerlooien toch was thans in vollen gang na de menigte aangevoerde huiden der in Slachtmaand gedoode beesten.

V. Mr. Hoeufft opperde het vermoeden, dat Louw in verband staan kon met louwe (vlam), ons woord laai, zooals het nog overig is in de uitdrukking: „in lichter laaie staan.quot; Januari zou dan vuurmaand zijn.

VL Een ander weer meent, dat louw in verband staat met

ocr page 94

86

de uitdrukking, in G-roningen door hem opgevangen uit den mond van verliefden, die elkaar kusten: „Wat is dat louwnquot; — zoo las ik eeuigen tijd geleden in 't N. v. d. D. (zondagsblad).

Terloops kan nog opgemerkt worden, dat Januari in oude almanakken ook wel Hard-, haarde-, of herdmaand wordt genoemd; 't kan zijn reden vinden in het harde, d. i. strenge, van deze maand, of omdat men zich meer dan anders thans rond den haard schaart.

^ Karei de Groote noemde Januari Wintermanoth; zie daarover Jiiginhard, „de vita Carolis Magniquot; en Wachter op het woord Wintermonat.

Wat ten slotte al die afleidingen betreft, waar zooveel voor waaiheid ons wordt aangediend, kan niet verzwegen worden de wensch, dat er spoedig een taalgeleerde moge ontstaan, die ons den diaad in de hand geeft, door welken geleid, wij ontkomen aan dit labyrint van verklaringen. Wie weet tot welke verrassende ontdekking wij nog worden gebracht omtrent de beteekenis van Louwmaand. Zoolang wij haar niet kennen, blijven wij voor ons - laat de taalgeleerden onderwijl hun best doen, neêrge-bogen over stapels van boeken — aan Januari verbinden de gedachte aan gezelligheid en blijdschap. Gezellig is het daarbuiten, waar de rinkelende narresleden glijden over de besneeuwde straten, waar de geschaatste voet even bevallig als vlug zich voortbeweegt over de gestolde wateren, maar bovenal gezellig is het daarbinnen in den huiselijken kring bij het heldere lamplicht, den stoomenden theeketel en 't knapperend haardvuur, vol tintelenden gloed. Van zulken gloed worde ook iets gevoeld in ons gemoed!

De Roos van Jericho.

„Haar bloemen welken nooit, „Zij weten van geen dood!quot;

Goeverneur.

De „loos van Jerichoquot; behoort niet — gelijk men, op den naam afgaande, zou kunnen meenen — tot de familie der rozen, 't Is een eenjarig gewas, welks vaderland het Oosten is.

Deze roos van Jericho1) heeft de eigenschap van zeer gevoelig

1

Zie afbeelding en korte bestlmjviüg in mijn „Oud-Israel'', pug. 71.

ocr page 95

87

te zijn voor den minsten invloed van vocht. Schijnbaar geheel verdord en gestorven, herleeft zij, nadat haar wortel eenige uren in 't water is gezet.

Na haar dood toch krommen zich haar takken naar boven en trekken zich te zamen tot een nagenoeg ronden bol, die, van den wortel afgescheurd, met zand uit de woestijn bedekt wordt en de zaden in de door die takken gemaakte holte bewaart, of, als een bal door den wind voortgedreven, langen tijd rondzwerft, totdat door de invallende regens de takken zich uitstrekken, waardoor de plant zich in den grond vasthecht en haar zaden uitstort, die dan spoedig ontkiemen. Vandaar haar wetenschappelijke naam: Anastatica Hierochuntica, de wederopstandelinge van Jericho.

Wellicht heeft zij 't aan deze eigenaardigheid te danken, dat aan haar naam tal van legenden zijn verbonden.

Volgens sommigen was zij het geschenk van den Engel Gabriël aan Maria, volgens anderen zouden op de vlucht naar Egypte deze rozen tot lafenis verstrekt hebben aan de heilige familie.

De omstandigheid, dat de „roos van Jerichoquot; omstreeks kersttijd bloeit, kan mede aanleiding hebben gegeven tot het geloof, dat zij zich éénmaal in 'tjaar, en wel op het uur, waarop Jezus geboren is, van zelf opent. Met dit alles zal in verband staan het gebruik in sommige streken van Duitschland nog bestaande, dat in menig gezin in den kerstnacht een Jericho-roos in 't water gezet wordt. Richten alle takjes zich op, dan mag men een goed jaar verwachten. Blijft daarentegen de roos gesloten, dan zal 't nieuwe jaar niet vruchtbaar zijn. Zoo heeft men dus aan deze bloem een profetisch vermogen toegekend.

In vroeger eeuwen werd zij eveneens beschouwd als een uitnemende talisman: zulk een roos, meegebracht door een kruisvaarder, vrijwaarde den bezitter tegen besmettelijke ziekte. Zij werd in die dagen dan ook tegen goud opgewogen; op de wereldtentoonstelling te Weenen in 1873 werd zij nog bij massa's tegen hooge prijzen verkocht.

Volgens een oude legende zou Jozua aan de roos van Jericho voor een goed deel zijn verovering van de stad van dien naam te danken hebben gehad: het zien van het wonder der levende bloem zou zijn strijders den moed hebben gegeven een laatsten aanval te wagen.

ocr page 96

Ten slotte zij herinnerd aan het woord van Jezus Sirach, cap. XXIV, 14, waar deze der wijsheid op de lip legt:

„Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadelboom te Engadi „en gelijk een rozeboom te Jericho.quot;

Juni of Zomermaand.

Van de benaming Juni worden verschillende afleidingen gegeven. Sommigen, onder wie ook Ovidius behoort, denken aan de juvenes of juniores, de jongelingschap in den Romeinschen Staat, terwijl volgens anderen deze maand haar naam dankt aan den consul Lucius Junius Brutus. Het meest gegrond is de afleiding, die deze maand in verband brengt met de godin Juno, wie ter eere zij werd gewijd.

In het Angel-Saksisch heette deze maand Midsumer-monath, naar het midden van den Zomer, dat met het Sint-Jansfeest samenvalt, en door de Angel-Saksen genoemd werd Midden-Sumener-Messe (het middeleeuwsch spraakgebruik noemde de kerkelijke feesten naar het middelpunt der viering, de Mis; zoo: St.-Jansmis, St.-Bamis — d. i. St.-Bavo mis — en Kerstmis) of volgens oude Hollandsche stukken: St.-Jan in den Zomer.

Karei de Groote noemde Juni: Brachmanoth, d. i. braakmaand, omdat dan volgens 't oud Germaansche drieslag-stelsel het braakliggende veld werd bearbeid; want braken beteekent ploegen.

De oude Saksen noemden Juni Mede-monath, d. i. Weidemaand -in het Engelsch beteekent „meadowquot; nog weide — welke benaming overeenkomt met „Prairialquot; in den Fransch republikeinschen kalender en met „wiedemaandquot;, bij welk woord ten onrechte gedacht is aan wieden, zooals Beda doet, waar hij Juni noemt „monsis zizaniorumquot;, d. w. z. onkruidmaand. - Wiede of weidemaand past als benaming voor Juni, de maand, „in welke het vee in de weide is gedrevenquot;, gelijk Kiliaen ook verklaart: „mensis, quo pecora in pascua ducuntur.quot;

Dezelfde schrijver noemt ook den naam Weddermaand, d. w. z. onweermaand; men denke aan 't Duitsche woord „Gewitter.quot;

De grilligste benaming voor Juni is „Wormenmaandquot;, daaruit voortvloeiende, dat vooral in dezen tijd de insecten veel schade berokkenen aan de vruchten, terwijl eindelijk de vriendelijkste

ocr page 97

89

benaming Eozenmaand is. Inderdaad is Juni de schoonste der maanden: de dagen zijn lang, licht en schoon de nachten, niet ondraaglijk de warmte, en waar men in de natuur den blik laat weiden, wordt aan alle zijden het oog gestreeld en 't hart bekoord door vriendelijke kleuren en heerlijke geuren. Nu vertoont zich de schepping in haai' allerschoonst gewaad, het vroege zomerkleed, zoo rijk met bloemen en rozen getooid!

Juli of Hooimaand.

De zevende maand van ons jaar, thans Juli geheeten, naar Julius Caesar, droeg eertijds don naam Quintilis, aangezien zij de 5e maand was van het oude jaar, dat met Maart begon. De Hollandsche benaming is Hooimaand, gelijk ook Karei de Groote sprak van Heuvemanoth of Vainmanoth, d. i. Vennemaand. Dit laatste woord zou volgens enkelen in verband staan metfoenum, het Latijnsche woord van ons hooi, maar volgens anderen — en dit is waarschijnlijker — staat het in verband met ons fenne, dat weide beteekent, een woord, dat nog overig is in de samenstelling fenland en fennebloem, welk laatste madeliefje, weide-bloempje beteekent. Voorts bestaat nog de uitdrukking: „te hooi en te fenquot;, in 't boerenland in gebruik. En hiermee is het voornaamste over Juli of Hooimaand gezegd. De benamingen zijn zóó, dat ze al weinig aanleiding konden geven tot verschil van verklaring. Dit alleen zou er nog bij gezegd kunnen worden, dat voor den boerenstand de hooimand, de maand is, waar bijna alles van afhangt.

Loopt de hooibouw tegen, dan is er veel verloren, de komende winter wordt met zorg te gemoet gegaan, langer dan nuttig is blijft het vee in de weide en te vroeg verlaat het weer de stallen. De beesten krijgen öf een schrale dagportie of er moet bij gevoerd worden; dit laatste wordt een duur zaakje, en het eerste werkt nadeelig op den veestapel. Bovendien is er nog zooveel aan dien hooitijd gelegen: 't hooi kan te schraal zijn, of niet goed droog— en dan gaat het broeien. — Ter voorkoming van brand moet het dan soms meer dan eens omgespit worden, en bovendien verliest door dat broeien het hooi veel van zijn voedend gehalte.

Maar loopt alles mee — „zon en weder dienendequot; zou men kunnen zeggen, ais de uitdrukking niet te leelijk was om haar

ocr page 98

90

te gebruiken, evenals die andere term: „ijs en weder dienendequot;■— loopt alles mee, dan is de hooitijd de schoonste op het platteland. De groote bedrijvigheid, die er heerscht, de opgewektheid, met welke het werk wordt verricht, heeft iets aantrekkelijks en gezelligs — en dan het avonduur! Als hier en daar de vermoeide maar niet matte hooiers in groepjes zich hebben neergelegd in het welig gras bij 't schijnsel van de ondergaande zon, terwijl zij op weiluidenden toon hun liederen zingen, neen mnar, gij moet het zelf gehoord hebben om te begrijpen, dat de hooimaand voor de bewoners van 't platteland almee de schoonste in de rij der twaalven is!

Het Kerstfeest en zyn gebruiken.

„Tvrarmei und Aberglauben sinken „Wiiiin die Wahrheit ilire» Thron besteigt.quot;

Uit een tl- oyd. Kerstlied.

Van jonger dagteekening dan Paschen en Pinksteren is het Kerst- of Christusfeest, ingesteld in de vierde eeuw, ter gedachtenis van Jezus' geboorte, 't Is het eerst gevierd door de Room-sche Kerk, uit welke het later ook overging naar het Oosten.

Merkwaardig is het, dat het laatste onzer christelijke feesten samenvalt met het Joodsche feest deiquot; Tempelreiniging — gevierd ter herinnering aan het voor de Joden zoo gewichtige jaar 165 v. Chr. — en met het Heidensche feest, dat algemeen bekend is onder den naam Saturnalia. De Saturnaliën werden gevierd op 't eind van December, na afloop van den oogst, ter eere van Saturnus, den god van den landbouw, onder wiens regeering, toen hij koning van Latium was, de gouden eeuw had geheerscht. Aan dit feest verbonden zich de zoogenaamde Brumalia, of 't feest van den kortsten dag, door Julius Caesar op 25 Dec. gesteld. Die dag, ook solstitium, zonnestilstand, of dies natalis invicti solis, geboortedag der onoverwinnelijke zon geheeten, kan misschien den overgang gevormd hebben tusschen 't feest der Heidenen en dat der Christenen. Op deze wijze werd de oorsprong van het kerstfeest het eerst door Prof. J. C. Wernsdorf (± 1750) te Helm-stadt verklaard, echter niet zonder van vele zijden, o. a. van don bekenden Neander, geduchte tegenspraak te ontmoeten.

't Is echter een gewoon verschijnsel in de geschiedenis van bet

ocr page 99

91

Christendom, dat de kerk een heidensch feest, dat niet zoo gemakkelijk was uit te roeien, annexeerde door er een christelijke beteekenis aan te geven.

Men noemt dit de accommodatie- of verzoeningstheorie en denke hier slechts aan ons Sinterklaasfeest, aan zoovele Paaschgebruiken, enz. Aan hare toepassing is wellicht voor een goed doel te danken de zoo snelle uitbreiding van het Christendom, hoewel wij tegelijk niet verzwijgen, dat deze godsdienst verbroedering dikwijls heeft geleid tot godsdienst-verbastering.

Doch ter zake. Ook onze voorouders vierden, tegelijkertijd met de Saturnalia der Romeinen, hun winterfeest, dat bij hen den naam van Joelti/jd droeg, en dat gevierd werd ter eere van de zon, die na den kortsten dag als 't ware opnieuw haar loop begint. Dit woord Joel, overeenkomende met en nog te herkennen in het Engelsche „wheelquot;, zal waarschijnlijk afstammen van een woord dat „radquot; beteekent, en op te vatten zijn als „Conversio solisquot;, omwending der zon.

Van 25 Dec. tot 6 Jan. was een tijd van rust voor de zon, een tijd van rust ook voor de menschen, een feesttijd van dertien dagen — waarvan de laatste als Driekoningen of Dertiendag nog gevierd wordt. — Welnu, 't was voor de zendelingen gemakkelijk, waar dit feest eenmaal bij de Germanen bestond, er slechts een christelijke beteekenis aan te geven, een wijze van doen, die maakte, dat weldra het Kerstfeest ook bij hen algemeen werd gevierd. Jammer maar, dat de gebruiken, nog op dit feest in zwang, zoo duidelijk den heidenschen oorsprong verraden.

Tot die gebruiken behooren onder meer het branden van het kerstblok, het eten van den zwijnskop, het bereiden van kerstgebak en het versieren van den kerstboom.

Van ouds is het, vooral in Engeland, gewoonte geweest, om „the Yule logquot; of het kerstblok te branden, zijnde de wortel van een flinken boom, die op den haard gelegd en dan aangestoken werd — en dit is een eigenaardige trek — met een stukje kool of hout tot dat doel van een vorig kerstblok bewaard.

Het een en ander wijst duidelijk genoeg op de vuren van den Germaanschon eeredienst, inzonderheid op het reinigend en onheil-werend „nodfyrquot;, dat niet door ander vuur mocht worden ontstoken.

Ook Frankrijk heeft zijn Souche de Noël of Kerstblok, in Italië en Duitschland is dit gebruik mede niet onbekend. De Letten

ocr page 100

92

noemen den kerstavond zelfs „bluckawarquot;, blokavond, en ook in ons vaderland, vooral in de oostelijke provinciën, wordt hier en daar nog de „Kerststobbequot; op den haard gelegd. Het behoeft niet gezegd, dat onder het knapperen van dit gezellig vuur 't niet ontbreekt aan scherts en zang, terwijl niet zelden op al te luidruchtige wijze uiting wordt gegeven aan de stemming der feestvierenden.

Een ander gebruik bestaat in het binnenbrengen van den varkenskop. Er wordt n.1. in vele gezinnen, vooral in Engeland, een varken of een ever — jul-ever — geslacht, welks kop, na toebereid en versierd te zijn, de hoofdschotel is van het Kerstmaal, die onder trompetgeschal wordt binnengebracht, en opgezet met jubelzang:

„Den Eberkopf bring ich herein,

„Bedeckt mit Laub und Rosmarein,

„Und ich bitt' euch, ihr Herren, froh zu sein!quot;

„Quot estis in convivio,

„Caput apri defero „Reddens laudes dominoquot;,

d. w. z.: u, die hier aan 't gastmaal vereenigd zijt, breng ik den kop van den ever, lof zeggend den Heer!

De oorsprong van dit gebruik ligt in den ouden eeredienst van Fro, aan wien het zwijn geheiligd was.

Hij was de zonnegod der Germanen. Met dezen dienst in verband staat het bijgeloof, 't welk oorzaak is, dat de boeren uit de graafschap Zutfen o.a. in den Kerstnacht alle gereedschappen opbergen en de vruchtboomen met stroo omwinden, omdat zij vreezen, dat anders aan de voorwerpen en boomen schade toegebracht zal worden door „Derk met den beerquot; (mannetjes-varken), een spook, dat dien nacht rondrijdt. Wellicht schuilt hier nog iets van de herinnering aan „Wodan en de wilde jachtquot; — de oude sage toch zegt, dat in deze dagen de goden nederdaalden uit den hemel om in woeste vaart, Wodan op zijn wit paard voorop, door het luchtruim te rijden. — Het geloof aan die wilde jacht is in vele streken van Duitschland nog vrij algemeen. Men beveiligt zich tegen haar invloed door 't maken van een kruis of 't bidden van een „Onze Vaderquot;; die het niet doet, wordt mee-

ocr page 101

m

gevoerd — zegt het volksgeloof — en voor zijn straf in een moeras geworpen.

Over den Kerstmaaltijd sprekende, stippen wij even aan het Kerstgebak, dat mede afstamt uit de heidensche oudheid, toen men nog godenbeelden van deeg maakte, weshalve nog in Duitsch-land het Kerstgebak „heidenweggequot; heet, — men denke aan ons Sinterklaasgoed. — Niet alleen de goden, ook het julever, het heilig zwijn, werd nagebootst.

Het Kerstbrood is niets anders dan een overblijfsel van de oude oiferraaaltijden, waarbij de koeken een zinnebeeldigen vorm hadden. Ook onze krakeling schijnt op zulk een oude afkomst te kunnen bogen. (Zie over dit gebak het artikel van dien naam.)

En nu zou ik nog kunnen spreken over de kerstspelen, den midwinterhoorn, den mispeltak, enz., — echter, ik moet mij beperken en wil daarom ten slotte alleen nog vermelden een gebruik, dat, in plaats van uit te slijten, zich al meer en meer uitbreidt, uit Duitschland ook over onze grenzen sloop, n.1. het versieren en verlichten van den Kerstboom.

Wat bij ons Sinterklaasfeest is, is het kerstboomfeest bij onze naburen. Rondom den groenen boom vereenigt zich het gezin, aan zijn voet legt men elkanders geschenken neder, aan oud en jong bereidt het verrassing, vreugde en geluk. De kerstboom is echter niet altijd inheemsch of liever bekend geweest bij onze naburen. In 't begin dezer eeuw was hij daar niet meer bekend dan voor korten tijd in ons land.

Wat zijn oorsprong betreft , dien heeft men ten onrechte willen zoeken in het Paradijs of op Golgotha, 't Is veeleer zeker, dat ook dit kerstgebruik, als zoovele andere, wortelt in het Heidendom, dat zooveel eerbied koesterde voor het geheimzinnige woud, dat in het geruisch van den wind door het ritselend gebladerte de stem der goden meende te vernemen, dat, om kort te gaan, het woud zich tot tempel en den boom tot voorwerp van vereering koos.

Zulk een heilig woud was eens de Haarlemmerhout en 't Haag-sche Bosch, zulk een bosch stond eens, waar thans Heilo (heil-gelo) ligt, en wat zou Woensel anders beteekenen dan Wodanslo. Ook van heilige hoornen zijn nog overblijfselen in namen van steden, zooals in Robreuve (Frankrijk), dat wel niets anders zijn kan dan robur Jovis.

Trouwens wie heeft niet gehoord van den IJggdrasil, den hei-

ocr page 102

u

ligen levensesch uit de Scandinavische Mythologie, onder welken de goden recht spraken, aan welks voet de schikgodinnen woonden en welks top tot in 't Walhalla reikte.

Geen wonder, dat iets van dezen boomdienst bleef in de tijden, toen men geen boomen meer als heilig beschouwde; geen wonder, dat wij hier een Meiboom en ginds een Kerstboom zien planten, den eerste als getuige van 't reeds zichtbaar herleven der natuur, den laatste als profetie van een aanstaande herleving. — Waarom kiest men op Kerstmis een denneboom, en waarom wordt hij met lichten en geschenken versierd? Het antwoord is gemakkelijk te geven: Hij spreekt in eigenaardige taal van de overwinning van den Zomer op den Winter, hij voorspelt licht uit donker, leven uit dood, hij is één woord het symbool van wasdom en vruchtbaarheid en prediker van liefde en vrede.

Zóó beschouwd aanvaarden wij het erfgeschenk, dat het heidendom ons achterliet; ook wij sieren den kerstboom, ontsteken het kerstlicht, en wij gevoelen ons gelukkig bij den warmtegloed, dien hij afstraalt en de lichtzee, waarin hij ons vertrek in de donkerste dagen herschept!

En immers — warmte brengen en licht, liefde stichten en vrede, zou daarin niet allermeest liggen de hooge roeping van het Christendom, zou daarin niet allermeest zich vermeien ons hart? Zoo herhaalt op lederen Kerstdag nog eens, in de taal der poëzie, het licht van den Kerstboom het oude refrein „Vrede op aarde!quot;

IJzeren Koeien.

In sommige streken van ons land — vooral in Drenthe — bestond oudtijds de gewoonte om den Predikant, bij zijn komst in de gemeente, een of twee stuks vee te geven, waarvan hij de opbrengst genoot, maar die bij zijn vertrek moesten achtergelaten worden, om over te gaan aan zijn opvolger.

Dat vee behoorde dus eigenlijk, met andere voorwerpen, tot de pastoralia.

Onze Duitsche naburen noemen nog Eisernes Vieh het vee, dat in pacht wordt gegeven.

In zwang is nog het spreekwoord; „IJzer vee sterft niet.quot; De

ocr page 103

95

oorsprong er van ligt in de oude gewoonte om, bij 't verhuren van een hofstede, ook het vee daarbij te verhuren, dat dus later teruggegeven moest worden — en zulks indien er binnen den huurtijd van gestorven was, ton nadeele van den huurder. —

Ook spreekt men nog van een houten koe, om een „kleinigheidquot; aan te duiden. Er wordt n.1. verhaald, dat de Lokrensen eens een koe moesten offeren, maar wijl hun de kosten te groot waren, maakten zij er een van hout en spaanders, dus een koe, die geen waarde had.

„Ik deed dit of dat om geen houten koequot;, wil dus zeggen: ik deed dat niet voor een beetje!

Koppermaandag-.

Zoo wordt genoemd de eerste Maandag na Driekoningen. Men heeft allerlei pogingen aangewend, om oorsprong en beteekcnis van deze benaming te verklaren. De verschillende afleidingen, er van gegeven, laten zich onder twee rubrieken brengen, 1°. die, bij welke uitgegaan wordt van de onderstelling, dat kopperen oorspronkelijk koppelen is geweest — de verwisseling van r met 1 is in onze taal niet vreemd ; men denke aan poperen, dat gebruikt wordt in plaats van popelen, trillen als een populier. — Tot deze rubriek behoort de afleiding door Ten Kate gegeven, volgens welke de naam ontleend is aan 't samenkoppelen van 't volk op dezen dag om vreugde te bedrijven. Anderen denken bij koppelen aan paren, en meenen, dat een oud heidensch liefdefeest aan dezen dag ten grondslag ligt; de godin Leva, Lowe, Leba, was godin der liefde, naar wie dan ook Louwmaand volgens enkelen zou genoemd zijn. Een tweede rubriek van afleidingen is gegeven in verband met het woord kopperen. Kiliaen zegt: het woord kopperen beteekent vroolvjk feest vieren, afgeleid van kopper, d. i. een vroolijke partij, in welken zin o.a. Hooft het gebruikt, waar hij spreekt van iemand, „die een kopper in den zin heeft.quot;

Bilderdijk meent, dat de benaming in verband staat met koppen setten, daar deze dag oudtijds feestdag schijnt geweest te zijn voor koppenzetters en aderlatere. Weer anderen zien er een samentrekking in van coöperatores, vakgenooten, gezellen.

't Waarschijnlijkst is wellicht de afleiding van het frequentatieve

ocr page 104

96

werkwoord copperen, 't welk tot stam heeft 't woord coppe, drinknap. Sommige gilden, boekdrukkers, boekbinders en lettergieters vierden op dezen dag feest, 't geen zeker voor een groot deel bestond in 't elkaar toereiken van den beker — vandaar dat gilde-broeders ook wel copperkens worden genoemd. — Te Groningen viert men nog Kopjesmaandag. In vroeger dagen werd Koppermaandag met uitbundige vreugde gevierd.

Het volk liep gemaskerd langs de huizen, giften vragende, om van deze 's avonds onder veel pret te genieten. Dat die pret wel eens de perken te buiten ging, blijkt nog uit den naam, door de Gelderschen aan dezen dag gegeven, n.1. Raasmaandag.

De herinnering aan den Maandag na Driekoningen als „drukkersmesdagquot; wordt nog bewaard door verschijning en aanbieding van wandkalenders, die in onzen tijd al meer en meer tot de onmisbaarheden gaan behooren.

Als curiosum laat ik hier volgen een uittreksel uit de Koppercourant van 10 Jan. 1707 — Jan van Gijsen, kreupeldichter en tijdgenoot van Pieter Langendijk, gaf langen tijd een blaadje op rijm uit, dat door het volk met graagte werd gelezen, en waarvan eenige nummers in zijn werken zijn opgenomen: —

„Nederlanden, üyt het Groot Leger bij „Leuven, den 23 Mey.

„Wij hebben dezen dag, bij 't dorp van Rammelies, „Zo onbeschrijflijk dicht gekopperd met de Fransen; „Keur-Beijren heeft gespeeld, beweend nu zijn verlies; „Nu, ongelukken, zegt het spreekwoord, zijn kwa kansen „Zijn koppren is, naar 'tschijnd, van dezen dag gedaan, „Toch heeft hij morgen last, wij willen wel weer aan.quot;

Koppermaandag heet ook wel Verloren Maandag, waarschijnlijk omdat op dezen dag vele werklieden niet werkten. Trouwens de Maandag in 't algemeen is altijd als een ongeluksdag beschouwd, welke meening nog blijkt uit de spreekwijze: „Maandags spoed, zelden goedquot;, een gezegde, dat volgens sommigen weer zijn grond vindt in de omstandigheid, dat in 't Scheppingsverhaal (Gen. I) bij iederen dag staat: „God zag dat het goed wasquot;, behalve bij den tweeden dag.

Er zijn er ook nog, die meenen, dat Verloren Maandag een verbastering is van Verloof-Maandag of van Verkoren Maandag,

ocr page 105

97

't laatste omdat oudtijds op dezen dag op vele plaatsen overheidspersonen werden verkozen, en eindelijk denken sommigen aan een verbastering van Floramaandag.

Tot de Verloren Maandag-gebruiken behooren de hanekappin-gen en gansrijderijen, maar bovenal eigenaardig mag heeten het „omgaan van Hansje Knap.quot;

Een Hans Knap bestaat uit een baal of zak, waaraan een soort van monsterkop is vastgemaakt, en waarin zich een man verbergt, die door een paar zwartgemaakte personen langs de straten wordt geleid onder 't zingen van een deuntje als;

„Hans Knap, Knap, Knap,

Nen cent of een duitje.

Om Hanskens baard af te doen.

Hij is in geen honderd jaar meer afgedaan.

Zie eens, hoe veel grijze hairkens hij heeft!

Hans Knap, Knap, Knap.quot;

Daarna gaat Hans springen als een razende. — Het is hier natuurlijk om niets anders als om „nen cent of een duitjequot; te doen! De oorsprong van 't spel ligt nog in 't duister. —

Het kraamkloppertje.

Al is het waar, dat wij maar zelden meer in de gelegenheid zijn een klopper te zien, daar hij algemeen vervangen is door een huisschel, zoo zullen de meesten toch nog wel weten hoe hij er uitzag.

De klopper, die aan de huisdeur bevestigd werd, was een soort van hamertje, dat, na eerst opgelicht te zijn en daarna losgelaten, met het zwaardere benedeneinde neêrviel op een metalen plaat of knop, en daardoor genoeg geweld maakte om den bewoners te verwittigen, dat er iemand buiten stond, die wenschte, dat men hem de deur zou openen.

Ingeval er een ernstige zieke in huis was, wien 't geklop kon hinderen, werd de klopper omwonden, opdat het geluid doffer zou klinken, evenals wij dat nog doen met den klepel van onze schel. Dezelfde voorzichtigheidsmaatregel werd toegepast waar ergens een kraamvrouw zich in huis bevond — te platten lande hechtte men een bos palm aan hek of deur der woning. — Van lieverlede werd die omwinding van den klopper op sierlijker wijze aangebracht, en 't schijnt, dat vooral in Haarlem, maar ook in

Drijver, Mozaïek. 2e druk. 7

ocr page 106

98

andere steden, de lieden wedijverden om den kraamklopper zoo fraai mogelijk te maken. Zelfs hield men er twee soorten, daagsche en Zondagsche kloppers op na, en verving het oorspronkelijk wit linnen doekje door zijde en kant, waarvan dan een langwerpig vierkant werd gemaakt, dat over een plankje gespannen en zoo aan de deur bevestigd werd. Het ging zoo ver, dat bij 't huwelijk soms reeds door de bruid voorwaarden omtrent dit eventueel benoodigd pronkstuk werden gemaakt, welke condities later door den bruigom voorkomen werden. Als n.1. bij onze voorouders de bruid op den trouwdag, zooals 't bij deftige burgers in de eerste helft der 17de eeuw de gewoonte was, „in staatsie zat,quot; was de bruigom de eerste, die haar de verschuldigde eer, zoo 't heette, bewees, door de aanbieding van een bouquet, rijk met kant en rozenrood lint versierd. Die kant en dat lint dienden om later het kraamkloppertje van te maken.

Betreffende den oorsprong van dit gebruik, dat natuurlijk slechts te verklaren is uit een zeker humaniteitsbeginsel — reeds de Germanen rekenden een kraamvrouw heilig, en in de middeleeuwen waren de huizen, waar een zoodanige verblijf hield, steeds een toevluchtsoord voor ongelukkigen, b.v. in tijden van burgeroorlog — betreffende dien oorsprong dan bestond vroeger bij sommigen de onjuiste meening, als zou deze te verklaren zijn uit den tijd van Haarlems beleg door de Spanjaarden. Het huis, dat zulk een klopper vertoonde, zou dan vrij zijn van inkwartiering; maar de Spanjaarden, die geen kinderen ontzagen, zullen evenmin kraamvrouwen ontzien hebben.

Trouwens niet alleen in Haarlem en — hetgeen afdoend is — reeds in de lö116 eeuw waren de kraamkloppers bekend. Erasmus heeft ze reeds in zijn jeugd gezien.

Voor den kraamheer was dit kloppertje dikwijls een voorrecht, want „zo lang die vlag (het kraamkloppertje is bedoeld) uitsteekt, mag niemand aan mijn huis, zo min als aan dat van een burgemiester, komen maanen; geen stadsbode eenige insenewasie (insinuatie) doen; noch minder de schout of een van zijn rakkers den voet over mijn drempel zetten tot het doen van het minste eksploot.quot; (Holl. Speet. 17 Juni 1734.)

De Krakeling.

Als een der oudste, nog steeds vervaardigd wordende bakwer-ken, kan zeker genoemd worden de krakeling, wier tegenwoordige

ocr page 107

99

vorm echter een wijziging is van den oorspronkelijken. Volgens Stubenvoll e. a. was, wat nu onze krakeling is, eenvoudig een ring, die haar vorm aan de zon ontleende en daardoor als symbool van de zon gold. Die oorspronkelijke ringvorm bleef nog bewaard in onze „kransjesquot;, terwijl hier en daar onder het woord krakeling nog verstaan wordt een gebakje, dat in gedaante met dezen overeenkomt. De Duik-Almanak van dit jaar teekent bij 23 Februari, den Aschwoensdag, aan: „alle Gentenaren eten krake-„lingen, d. i. ronde, te midden holde mastellen.quot; Karei de Groote zou dan dit heidensch gebak verboden, en toen dat verbod zonder uitwerking bleef, het oude brood gekerstend hebben door te bevelen, dat voortaan in den ring een kruis moest worden opgenomen. Volgens Oberle e. a. is de krakeling een vervorming van het zonnerad, welks vier spaken de vier jaargetijden aanduiden. In den loop dei-tijden wijzigde zich de vorm van dit gebak, ook al omdat men er de beteekenis niet meer van kende; de vier spaken werden eerst tot drie, later werden zij in elkander geslingerd, de ronde vorm maakte plaats voor den ovalen, die thans nog aan onze krakeling eigen is. Daar die vorm eenigszins doet denken aan over elkander geslagen armen, werden zij wel bestempeld met den naam „brachiolaquot; (d. w. z. „armpjesquot;). In plaats van „brachiolumquot; komt in 't middeleeuwsch latijn ook „bracellumquot; voor, — dat is armband, het Fransche bracelet —, waaraan de krakeling in Duitschland haar naam „bretzelquot; dankt.

Merkwaardig is het te weten, hoe het volk, dat niets wist van de herkomst van dit eigenaardig gebak, op zijn wijs naar den oorsprong der krakeling gezocht en gegist heeft.

Er was eens een koning — zoo weet een Duitsche legende te verhalen — die zijn paleis had te Stuttgart en wiens hofbakker een zekere Stichel was. De laatste stond in hoog aanzien zoowel bij den vorst als bij het arme volk, dat menig brood om Godswil van hem kreeg. Op zekeren morgen was er een vreemde smaak aan 't brood; „Stichel, uw brood is heden bitterquot;, sprak de koning, „wat mag daarvan de reden zijn ?quot; Maar Stichel kende de oorzaak niet en waagde het vermoeden uit te spreken, dat hier deze of gene zijner vijanden in 't spel moest zijn, die iets in het meel of deeg had gedaan, om hem van de gunst des Konings te berooven. De koning noemde dit een uitvlucht en veroordeelde den bakker ter dood.

Nauwelijks is dit alles den armen der stad ter oore gekomen,

7*

ocr page 108

100

of zij smeeken den koning Stichel in het leven te laten. De vorst door deze inmenging des volks ten gunste van den bakker getroffen, verklaart zijn vonnis te zullen herroepen, als Stichel een brood bakt, waar men doorheen kan zien. Op zijn beurt noemt het volk dit een uitvlucht; maar Stichel neemt juichend de voorwaarde aan en toonde binnen weinige uren den vorst de eerste krakeling. De koning lachte om de vindingrijkheid des bakkers — Stichel bleef brood bakken aan 't hof, en het volk verorberde met smaak de krakelingen, die de bakker bij menigte uitdeelde uit blijdschap over zijne redding!

Leesteekens.

Dezen zijn alleen daarom al van belang, omdat zij ons het nut van het kleine doen zien, en ons, met het oog op hun plaats tusschen de woorden, den invloed leeren kennen van het kleine op het groote in de wereld.

't Is dikwijls in de macht van het leesteeken zin of wel onzin te maken van een volzin.

Als voorbeeld kan dienen het gemakkelijk op te lossen raadsel:

„De koning van een land „Heeft tien vingers aan elke hand „Vijf en twintig aan handen en voeten; —

Hoe zal men dit nu lezen moeten ?

Antwoord:

De koning van een zeker land Heeft tien vingers, aan elke hand Vijf, en twintig aan handen en voeten; —

Zóó zal men dit wel lezen moeten.

Een voornamen rol speelt ook het leesteeken b.v. in het volgend versje, dat als grafschrift dienst heeft moeten doen:

Hier rust mijn vrouw Margriet.

In den hemel is zij, niet In de hel.

Dat weet ik wel.

Plaats de komma in den tweeden regel achter „nietquot;, en ik behoef niet te zeggen, hoe daardoor de geheele zin verandert.

ocr page 109

101

Zoo is het lang niet onverschillig of men in een volzin als;

„In Adorp staat eene kerk boven op een torenquot; het leesteeken plaatst of weglaat.

Een treffend voorbeeld er van , hoe de veronachr.zaming van een enkel leesteeken iemand duizenden guldens schade kan berokkenen, vond ik opgeteekend in „Orison Swett Marden's Worstelen en overwinnenquot;. Een makelaar telegrafeert aan een koopman: „wordt mij 10.000 schepels tarwe aangeboden tegen £ 1.00 — zal ik koopen of is prijs te hoog?quot; En de koopman seint terug: „geen enkele prijs te hoog,quot; in plaats van: „geen enkele — prijs te hoog.quot; De weglating van dat leesteeken kostte den man een klein kapitaal.

Op een scheurkalender vond ik het volgende, dat intusschen minder ernstig is: „Een boer heeft een varken en de moeder van den boer is ook de vader van het varken.quot;

Zooals het daar staat is het gewoon weg onzin; zin krijgt het echter, wanneer ik achter moeder een ; plaats — zie maar: „Een boer heeft een varken en de moeder; van den boer is ook de vader van het varken.quot;

Het mag zóó juist geen proeve van stijlkunst zijn, 'tis toch te begrijpen, en geen onzin meer, dank zij die onnoozele dat kleine leesteeken!

Maart.

Deze naam is gevormd naar het Latijnsche Martius; aan Mars, den krijgsgod der Romeinen was deze maand — oorspronkelijk de eerste — gewijd. De Hollandsche benaming Lentemaand behoeft natuurlijk geen verklaring, aangezien deze duidelijk genoeg wijst op het nieuwe jaargetijde, dat nu intreedt.

Karei de Groote noemde deze maand Lengizinmanoth en Len-zinmanoth, welk laatste door De Grave verklaard wordt als linzenmaand. De g in het woord Lengizin heeft aanleiding gegeven tot de verklaring van 't woord lente als één in beteekenis met lengte, 't geen te meer geloofwaardig scheen, omdat thans de dagen langer gaan worden dan de nachten, en omdat volgens Frisch e. a. door de vasten de dagen nog langer vallen, weshalve ook de vasten door de Engelschen lent en de goede Vrijdag door

ocr page 110

102

Zweden en Denen lang fredag wordt genoemd. Bilderdijk wil, dat ons lente afkomt van leen, 't welk klein, mager beduidt, 't Engelsche lean, waarvan ook lent, vastentijd of magere tijd.

Weer anderen leiden het af van een stam, die lauw betee-kent — zachte tijd — en zelfs zijn er, die het in verband brengen met glans. Het latijnsche woord lenis, mild, zacht, ligt echter aan ons „lentequot; ten grondslag.

Oudtijds heette Maart ook Dorremaand, maar niet omdat alles nog dor is in dezen tijd; ook niet wijl in deze dagen bij velen meester schraalhans voor kok speelt, overeenkomstig de voorschriften der kerk ; veeleer is de ware afleiding van dit woord bij onze heidensche voorouders te vinden; aan Thor, Odins zoon, was deze maand gewijd, gelijk de Donderdag (in 't Eng. Thursday) aan hem zijn naam ontleent.

Gemakkelijk te verklaren eindelijk is de oud-Friesche benaming forjier moanne. — Het moge nu waar zijn, dat Maart wegens zijn beruchten „staartquot; bij de meesten in geen goed blaadje staat — de zomersche dagen, die Maart ons geven moet, volgens de overlevering, mogen somwijlen uitblijven, dit alles neemt niet weg, dat wij Maart met blijdschap begroeten — al ware het alleen maar, omdat hij ons de lente brengt!

Sint-Maarten.

Een van de zoogenaamde „rijdende heiligenquot;, d. w. z. een van die heiligen, welke gewoonlijk te paard zittend worden afgebeeld, werd omstreeks 316 na Chr. te Saburia uit Heidensche ouders quot;geboren. Op 10-jarigen leeftijd verliet hij zijn ouders en zei den heidenschen godsdienst vaarwel. Hij werd nu catechumenus (leerling) en liet zich op 18-jarigen leeftijd doopen. Later stichtte hij een klooster niet ver van Poitiers, voerde hiermee 't geregeld kloosterleven in Noord-Gallië in, en werd na eenige jaren benoemd tot bisschop van Tours. Hij stierf 400 jaar na Chr. Hij is de eerste geweest, aan wien de roomsche kerk openlijke vereering toekende, de heilige, die zich door zijn ijver voor de uitbreiding van het Christendom in Frankrijk zoo verdienstelijk had gemaakt en algemeen was geëerd om zijn nederigheid en deugd. Meer dan één legende heeft zich dan ook aan zijn naam gehecht.

ocr page 111

103

Eens bij de poort van Amiëns een bedelaar ontmoetende, die schamel gekleed was, sneed hij zijn mantel in tweeën en dekte met de eene helft de leden van den arme. De legende zegt verder, dat Christus hem in den volgenden nacht, met de helft van dit kleed bedekt, verscheen. - Nog vertoont het gemeentewapen van St.-Maarten den heilige op 't oogenblik, dat hij den halven mantel den arme geeft.

Voorts wordt verhaald, dat Keizer Maximus aan een gastmaal den drinkbeker het eerst zou hebben laten reiken aan Martinus, om hem daarna uit diens hand te ontvangen. Hieraan heeft de heilige 't wellicht te danken, dat hij is verheven tot schutspatroon der drinkers.

De 1 lde November, aan zijn nagedachtenis gewijd, werd vroeger door maaltijd en drinkgelagen uitbundig gevierd; hiermee in verband staat de naam, dien de Franschen geven aan de onpasselijkheid, welke veeltijds het gevolg is van onmatig gebruik van sterken drank, „le mal de St.-Martinquot;, volgens Menzel in zijn Christlicke Symbolik „weü man in Spdtherbst den neuen Wein trinkt.quot;

De St.-Maartens-ganzen en hoenders, die 't volk op dezen dag den geestelijken aanbood, ontleenen aan den heilige hun naam — in Gelderland wordt nog op 11 Nov. de St.-Maartensgans door een groot deel der huismoeders gebraden — gelijk de St.-Maar-tensvuren door 't bijgeloovig volk ontstoken worden, ten einde zich daardoor te beveiligen voor schade, door onweder aan te brengen.

Nog bestaat in sommige streken van ons land het verbranden van een korfje, met appelen of kastanjes gevuld, over 't St.-Maartensvuur, terwijl de er rondom dansende jeugd het liedje zingt:

Stookt vuur, maakt vuur,

Sinte Maarten komt hier Met zijn bloote armen,

Hij zou hem gaarne warmen.

Zoo kreeg 11 Nov. ook den naam van Schuddekorfsdag. In Noord-Holland b.v. gaan aan den avond van dezen dag de kinderen verkleed langs de huizen om een gave, terwijl zij daarbij plegen te zingen:

ocr page 112

104

Sinte Maarten, Sinte Maarten,

de kalven dragen staarten, de koeien dragen horens, de kerken dragen torens, de torens dragen klokken, de vrouwen dragen rokken..........

Sinte Maarten heeft een vogeltje Met een rood rood kogeltje.

Met een rood rood rokje an,

Dat er Sinte Maarten nam.

De St.-Maartensvogel is volgens sommigen de zwarte specht met roode kuif.

Niet alleen in Holland, ook in Vlaanderen en Frankrijk en elders wordt door de jeugd dit lantaarnfeest gevierd. Het spreekt bijna wel vanzelf, dat het volk aan deze vroolijkheid eene legende wist te verbinden; Het geschiedde — zoo weet men te verhalen — op zekeren keer, dat St.-Maarten, ergens aan de zeekust komende om het evangelie te verkondigen, zijn intrek nam in een visschersstulp, terwijl hij zijn ezel buiten vast zette. De heilige preekte lang, grauwtje wist los te breken en ging de duinen in. Toen St.-Maarten meende huiswaarts te keeren, werd tevergeefs naar den ezel gezocht; daar 't inmiddels duister geworden was, ontstak men de lantaarns en zocht zoolang, tot men het dier terugvond. Aldus weet Henri de Parville in de Indépendance Beige van 28 Nov. '97 te verhalen.

Ten slotte zij hier nog gewezen op het verband, dat er bestaat tusschen den heilige en het woord kapel als benaming van een bedehuis — niet te verwarren met den naam van den vlinder, welke door dissimilatie ontstaan is uit het Lat. Papilio. — Onder kap (capa) verstond men eertijds een kleedingstuk, waardoor gedeeltelijk ook het hoofd werd bedekt. Zulk een mantel moet het geweest zijn, dien Martinus droeg. Zijn kleedingstuk werd als heilig vereerd en bewaard, en de plaats, waar het bewaard werd, nu zelf een heiligdom, kreeg den naam capella. Zoo werd weldra ieder bedehuis met dezen naam genoemd, met welk woord nu nog in roomsche landen bedoeld worden de huisjes, waarin aan den weg de heiligen worden voorgesteld, en voorts afgesloten ruimten (bidkamertjes) in de hoeken der kerken. Voorts dragen nog in Amsterdam twee kerken de namen Oude Zijds- en Nieuwe Zijdskapel, d.i. bedehuis. —

ocr page 113

105

Wat nog de ^.-Maartensgans betreft, het schijnt dat deze een overblijfsel is van den ouden Wodancultus, immers dezen god was de gans gewijd. Maar, waar St.-Maartensfeest het Wodan-feest der heidenen verving, mocht de gans niet langer de hei-densche herkomst verraden. Dank zij der legende, werd het genoemde dier in verband met den kerkheilige gebracht en kon zoo voortaan, zonder schade voor 't geloof, op 11 November den disch der feestvierenden sieren.

De traditie n.1. weet te verhalen, dat de heilige Martinus eens door ganzen is verraden. Toen hij om zijne vele deugden — weldadigheid vooral — door 't volk tot bisschop was gekozen, wilde hij uit bescheidenheid die waardigheid niet aannemen en vluchtte, toen het volk hem zocht, om hem te overreden zich die benoeming te laten welgevallen, in een ganzenstal of hok. Tot een herinnering aan deze vlucht slacht nu ieder geloovig huisvader, b.v. in Bohemen en elders, zijn St.-Maartensgans — de Wodans-vogel werd gekerstend, het gansje bleef, zijn beteekenis alleen werd gewijzigd.

Marsepein.

„Aenschout dees Marsepeyn vol poppegoet en bloemen, „Verguit, gekieremiert, (men kan 'tniet alles noemen,) „Vol leveren geflikt op 'tongevroren ijs ... .

J. v. d. Veen, Adams appel.

Reeds in de 15de eeuw komt onder de verschillende soorten van bakwerk ook massepein of marcepain voor. Schotel haalt in zijn „Geschied-, Letter- en Oudheidkundige Uitspanningenquot; een recept aan, dat voorkomt in een „koockboeckquot; uit de lö'16 eeuw, t. w.:

„Neemt amandelen, die eenen dach en nacht in schoon water „hebben gelegen, die also schoon gemaect zijn, alst mogelijk is, „stoot die, altijt wat vers water inspringende, dat geen olie en „worde. Dan neemt also vele goet wit zuijekers als amandelen. „Alst al wel 't saemen gestooten is, en met rooswater gelenget, „so doeget 't samen in eenen ydelen dop, ende settet in een „panne en latet backen in den oven ende besprengt dit wel met „zuijeker en rooswater ghemenght, dat niet te seer en verdrooge. „Ghij moget oock backen in een panne over 't vuyr, maar siet

ocr page 114

106

„dan wel toe, dat niet en verberne. Als ghijt diech maect, „suldyt met rooswater lengen ende oversprengen.quot;

Ter verklaring van oorsprong en beteekenis van het woord marsepein zijn verschillende afleidingen gegeven, die allen hierin overeenkomen, dat „peinquot; niet anders als het Latijnsche „panisquot; kan zijn. Het eerste deel van 't woord zou, volgens sommigen, hetzelfde zijn als „Marzoquot;, de naam van een Italiaan, die dit gebak uitvond. Reeds Kiliaen verklaart marsepein uit het latijnsche „mazapanisquot;, meelbreibrood, het italjaansche „marzapanequot;, dicht opeen geperst amandeldeeg, welke laatste verklaring de meest aannemelijke is.

Intusschen wijst Kiliaen's bijvoeging: „vulgo Martius panisquot; op een volksetymologie van dit woord, die hier ten slotte volledigheidshalve dient vermeld.

In de 15de eeuw zou omstreeks 8t.-Marcus — 25 April — in Saksen een hongersnood geheerscht hebben, welke zoo groot was, dat een broodje, ter grootte van een ei, verkocht werd voor verscheidene schellingen. Tot een herinnering hieraan werden voortaan jaarlijks op den 258ten April „St.-Marcusbroodjesquot; of „Marcipanesquot; gebakken.

Mei of Bloeimaand.

Over de afleiding en de beteekenis van den naam der vijfde maand loopen de gevoelens nog al uiteen. Weiland zegt er van-' Men leidt het woord gewoonlijk van het Latijn af; doch daar deze maand reeds in de Salische wetten Meo heet, schijnt de naam eerder met den Latijnschen van één oorsprong te zijn.quot;

Becanus leidt den naam af van het woord mei, bloemtak, en Wachter laat in 't midden of dit, of wel het omgekeerde, dat n.1. de tak den naam aan de maand ontleent, 't geval is, terwijl hij het er toch ook voor houdt, dat beide woorden uit één bron zijn voortgevloeid, t. w. van maehen, ons maaien.

Wat de afleiding van het Latijn betreft, ook in deze bestaat verschil van gevoelen. Sommigen geven aan Majus een beteekenis, die 't naast verwant is aan het woord, dat er aan ten grondslag ligt: mactus of magnus, groot, heerlijk: „Weil sich in diesem Monate die Natur verherrlicht.quot;

Volgens anderen dankt deze maand haar naam aan de Majores,

ocr page 115

107

welk woord beteekenen kan zoowel de „voorvaderenquot;, alsook „de oudsten, d. i. de raad des volksquot;, dien zij toegewijd zoude zijn, gelijk Juni aan de Juniores, de jongeren, die den Staat te velde dienden, was gewijd. Ovidius verdedigt dit gevoelen, als hij in zijn Fasti zegt:

„Martius erat primus mensis, Venerisque Secundus.

„Tertius a Senibus, Juvenum de nomine quartus — etc.

Maart was de eerste maand — aan Venus is de tweede gewijd.

De derde ontleent haar naam aan de Ouden, de vierde aan de Jongelingen, etc.

Weer een andere — misschien de waarschijnlijkste meening — is deze, dat Mei zou zijn afgeleid van Maja, de moeder van Mer-curius, tot wier eer in dezen tijd offers werden gebracht,

In 't Angelsaksisch heet deze maand Trimulchi, volgens Beda, omdat men door 't welig groeien van 't gras de koeien driemaal daags kon melken, of met zijn eigen woorden: „Quod tribus vicibus in eo per diem pecora mulgebantur.quot; — In 't Oud-Friesch draagt Mei den naam Blommemoanne d. i. bloem- of bloeimaand. Deze laatste al meer in onbruik komende benaming past zeker alleszins aan den tijd van 'tjaar: „als de geurige bloemen welig bloeien.quot;

Karei de G-roote sprak van Wunnemanoth — Wonne beteekent genot — zooveel als mensis gaudii.

De Meiboom.

„Hoe lustich staet den Meij nu in Saysoene.quot;

't Is een gewoonte, die opklimt tot voor 't begin onzer jaartelling, om met vreugdebedrijven de komst van den zomer te vieren, welke geacht werd in te treden op den eersten Mei. Van Keizer Augustus reeds wordt ons verhaald, dat hij de gebruikelijke feestviering onbetamelijk noemde — 't ging er zeker niet bedaard toe, men gaf op al te luidruchtige wijze uiting aan 't gevoelen van dankbaarheid, dat zich meester had gemaakt van de gemoederen bij het terugkeeren van den zomer.

Het meifeest was het feest ter eere van de zegepraal door den

ocr page 116

108

zomer op den winter behaald. In „het spel van den Zomer ende van den Winterquot; (Haffmann's Horae Belgicae) betwisten Her Somer en Her Winter elkander den voorrang en willen dien bevechten, maar Vrouw Venus treedt tusschen beiden om hun te leeren, dat zij broeders zijn: „d'een en mach zonder d'ander niet wesen.quot;

De Christelijke Kerk — niet bij machte dit Heidensche feest uit te roeien — heeft aan den eersten Mei een andere herinnering verbonden, en daardoor 't feest een christelijke kleur gegeven. De eerste van Bloeimaand werd gewijd aan de nagedachtenis van de H. Walpurgis, die omstreeks 745 van Engeland naar Duitsch-land gekomen is, en hier zich verdienstelijk maakte door haar bekeeringswerk onder de Duitschers. Later was zij abdis van het klooster Heiderheim in Beieren. Men schrijft haar vele wonderwerken toe, inzonderheid het weren van tooverij. Aan haar ontleent de nacht van 30 April den naam Walpurgisnacht, genoegzaam bekend als de heksensabbath, d.w.z. het tijdstip op 't welk op den Blocksberg en andere bergen de heksen hun jaarlijksche samenkomsten houden. —

Hoe dit alles zij, de feesten ter eere van Flora, de bloemen-koningin, zijn reeds overoud, overoud ook het gebruik om op den 1™ Mei een Meiboom- te planten, een gewoonte, ook in ons vaderland eertijds algemeen in zwang.

In de Arnh. Oudh. lezen wij, hoe in 1412 te Arnhem gedanst werd om den versierden Mayboom, terwijl men alzoo de wederkomst van 'tschoone jaargetijde vierde, een vreugde, waaraan meermalen de regeeringen der steden deelnamen. In Overijsel zoowel als in Gelderland plantte men meiboomen, danste, en zong het nog niet geheel vergeten

Daar ging een patertje langs den kant,

Hei! 't was in de Mei! . . .

't Was voorts gewoonte zulk een meiboom te planten voor de woningen van hen, wien men eer wilde bewijzen — menig verliefd jongeling plantte een meiboom voor 'thuis van zijn aangebedene, gelijk dit thans nog in enkele streken van Duitschland pleegt te geschieden, terwijl nog langen tijd, o. a. in Breda, de minnaars de deuren van 't huis hunner geliefde met meien versierden. —

Tot in 't jaar 1794 werd jaarlijks, o. a. voor de woning van

ocr page 117

109

den Kolonel der schutterij, een meiboom geplant, die bij afwisseling door een der zes vaandels van de schutterij werd opgericht, om telkens tot het einde der maand te blijven staan. Het jaar hieropvolgende werd de Meiboom vervangen door de vrijheidsboom. Merkwaardig genoeg bestond onder de vele gilden (die oorspronkelijk niet anders waren als verbonden , door vrije mannen gesloten met het doel om gezamenlijk te offeren en te strijden, en wier bloeitijd valt in de middeleeuwen, in welken tijd het aantal dier gilden legio was) er ook een, 't zoogenaamde Meigilde, dat zich tot taak had gekozen in den nacht vóór den eersten Mei, met een Meigraaf aan 't hoofd, een Meiboom te planten. Die boomen waren versierd met linten en strikken, loovertjes, appelen en vergulde koeken.

De meigraaf, die een groenen krans op 't hoofd droeg, plaatste zich vóór den boom; in de hand hield hij een tweeden krans. De meisjes der plaats schaarden zich rondom hem, zongen en dansten en dan koos de graaf zich een gravin — meyinne — door op een der meisjes den krans te werpen. Hiermee was de feestelijkheid van dien dag geopend.

Elders hield men groote optochten met paard en wagen, en noemt dit „den zomer in 't land rijdenquot;, een uitdrukking, die aan 't oude heidendom herinnert.

Merkwaardig mag het heeten , dat er een tijd is geweest, waarin Maria voorgesteld werd als een meiboom, terwijl ergens een gedicht is bewaard gebleven, 'twelk tot titel heeft: „van Jezus den Meiboom.quot;

Er zou voorts nog heel wat te zeggen zijn over de Meiblits of Meienblis, 't vuur, dat nog hier en daar o. a. op Texel in den avond van den laatsten April wordt gebrand, nadat de noodige brandstof er toe vooraf ingezameld is onder 't zingen van 't volgend rijm:

Hekken en stekken en jotten en palen,

Als je 't niet geeft, dan zullen wij het halen;

Hooi, hooi,

Heb je nog strooi.

Heb je nog oude manden?

Die zullen in de Meienblis wel branden.

Wij zouden voorts nog kunnen stilstaan bij 't oude volksgeloof,

ocr page 118

110

dat in den Meidauw een middel meende te hebben gevonden tot het verkrijgen van schooner gelaat. Ook zou nog gesproken kunnen worden over de Mei-huwelijken en verdere onderwerpen, die in verband staan met dezen alouden en nog, hoewel schaars, ge-vierden feestdag. —

Onze dagen van stoom en electriciteit weten van geen Meifeest meer. Wij hebben geen tijd meer om ons uit de drukte los te woelen en te luisteren, naar wat de natuur ons heeft te zeggen, waar zij spreekt in de taal van kleur en geur, wij slaan niet meer gade het leven der „sterren van de aardequot;, tenzij met hoogst vluchtigen en half onverschilligen blik; in volle zalen, bij weelde en opschik, daar wordt nog afleiding gezocht — men weet ternauwernood wat het is „der Blumen Duftquot; te genieten, de bloemen, zooals zij zich in „vrijen staatquot; aan ons voordoen in al hun verheven schoonheid. Voor dat schoon wordt weinig meer gevoeld in onze eeuw van proza — en proza maakt het leven duf!

In 't Meifeest schuilt nog verheven poëzie!

Meikersen.

„De Meijsche kersen in 't gemeen „En sijn maer vel en enckel been.quot;

Cats.

Meikersen; ieder kent ze hij name. Bij weinigen zal die kennismaking zich verder hebben gestrekt. Wie heeft er ooit in Mei kersen gegeten ? Misschien een restje van den inmaak van een vorig jaar, maar zoo, versch van den boom, dit geluk viel slechts enkelen ten deel.

Hoe is dan die benaming in de wereld gekomen? Hoor het antwoord, dat H. van Wijn ons geeft in zijn „historische avond, stondenquot;, dl. II, ps. 94, 95 :

„Wij spreken dikwerf van Meikersen, doch men heeft ze zeld-„zaam in die maand. In de veertiende eeuw echter zijn ze er „mij in voorgekomen: 't geen te aanmerkelijker is omdat de komst „van Vroegelingen te bezorgen, en nog meer die van stooken, „tot later tijdperk en bijzonderlijk tot de vijftiende eeuwe behoort — „zie rek. G-ebr. v. d. Const., Art. Camer „Airbeiden en kerssen „up Meijendach gelevert,quot;

Wij zien hier, dat inderdaad op Meidag — 1 Mei — kersen zijn

ocr page 119

Ill

geleverd, d. w. z. als extra cadeau, gelijk bij ons bv. aan H. M. de Koningin de eerste aardbeien, aardappelen, enz. worden gezonden. Een ander getuige vinden wij in Leeghwater, die in zijn kleijne Cronijkje zegt: „Op den 10 May 1649 ben ik tot Amster-„dam bij een oude vrouw op de Appelmarkt gekomen . . . ende „op denzelven dag kwamen daar bij zestien manden met karssen „uit Brabant van Mechelen; yder hondert pont heeft gegolden 16 gulden.quot;

De bijvoeging „uit Brabantquot; herinnert aan wat H. v. Wijn nog zegt, n.1. „dat in Braband de Tuinen nog lang aanzienlijke]-waren dan in ons Holland.quot; —

Men kon daar wellicht wat vroeger rijpe vruchten leveren. Het zal daarom onnoodig zijn ter verklaring van den naam zijn toevlucht te nemen tot de berekening, dat onze 10 Juni gelijk staat met 31 Mei van vóór 1700, toen hier nog de Gregoriaansche tijdrekening — die bij de Protestanten tegenstand vond, omdat een Paus haar ingesteld had — niet was ingevoerd. De kersen waren vroeger zeker niet eerder rijp dan thans. Enkelen, in Mei tot rijpheid gekomen , kregen den naam van meikersen ; dien naam behielden ook de Juni-kersen, en zelfs in Juli worden door de venters de „laatste meikersenquot; ons aangediend.

Onnoodig is het dus ook ter verklaring van dien naam te wijzen op de spelling „maykersquot;, van welk woord dan de etymologie zou zijn: kers, die rijp wordt in den maaitijd. Deze afleiding is inderdaad meer scherpzinnig dan juist. — Men spreekt — ziehier ons resultaat — van meikersen als soort, in tegenstelling van andere soorten, zooals krieken en spaansche kersen. — En mogen nu de meikersen — waar wij op den naam afgaan — wat laat komen, wij begroeten niettemin hun komst met vreugde.

Sint-Medardus en het Rozenfeest.

Medardus, geboren te Salency in Picardië, later bisschop van Noyon, werd om zijn bijzondere vroomheid en deugd reeds vroeg opgenomen onder de heiligen der R. Kerk. Zijn naam zou misschien minder algemeen bekend zijn, indien niet in het volksgeloof aan den dag, gewijd aan zijn nagedachtenis, n.1. 8 Juni, een gewichtige beteekenis ware gehecht als weêrprofeet. Dit geldt vooral voor Frankrijk en België, waar men den heilige noemt

ocr page 120

112

„le grand pisseur.quot; Regent het op St.-Médard - de Nederlanders zeggen op St.-Margriet, d. i. 20 Juli - dan regent het zes weken lang. Voorts houdt men voor waar:

Was St.-Medardus für Wetter halt Solch Wetter auch in die Ernte fallt,

en

Wer auf Medardi baut, der kriegt viel Flachs und Kraut.

Er is echter ook nog eene andere reden, waarom de naam van dezen heilige niet in 't vergeetboek is geraakt. Hem n.1. wordt toegeschreven de instelling van een plechtigheid, bekend onder den naam van „Kroning van het Rozenmeisje.quot; Jaarlijks op zijn naamdag wordt in het Fransche dorp Salency het rozenfeest gevierd, als herinnering er aan, dat de heilige aan het deugdzaamste meisje van het dorp een krans van rozen placht te vereeren met een geschenk ten bedrage van 25 livres in geld. Men wil, dat de eerste maal de zuster des heiligen door de dorpelingen werd aangewezen voor het ontvangen van die eerbewijzen. Zoo werd zij het eerste rozenmeisje (rosière). Gedurende de middeleeuwen had men dit vroom gebruik op veel plaatsen overgenomen, maar 't geraakte met de Fransche omwenteling in verval, om weer hersteld te worden door Napoleon I, die bepaalde, dat het voortaan op 2 December zou plaats hebben in alle hoofdsteden des rijks, tot herinnering aan zijn troonsbeklimming.

't Is niet onwaarschijnlijk, dat aan dit feest een heidensch gebruik ten grondslag ligt'; de Kerk heeft het geannexeerd door het in verband te brengen met den heiligen Medardus.

Mithpem.

Sinds eeuwen wordt op Daasdonk, een der hoogst gelegen en eerst bewoonbare plaatsen van Sleidinge, een houten beeld bewaard , dat ieder jaar op Daasdonk kermis (Zondag na Allerheiligen) drie dagen lang, voor 't gevelvenster eener herberg, den volke getoond wordt.

Veel is er niet meer aan te zien; zoo aan iets dan heeft aan dit beeld de tand des tijds geknaagd, en wel zoo erg, dat het voor dengene, die 't niet weet, nauwelijks meer te bemerken is, dat dit 6 K.Gr. zware blok hout — gelijk zichtbaar is, gesneden

ocr page 121

113

uit een boomtronk, waarvan de jaarringen nog in 't oog vallen — een menschelijke gedaante heeft voorgesteld. De neus is verdwenen , de plaats van den mond wordt nog slechts door een kerf aangeduid, terwijl een paar holten aanwijzen, waar zich eens de oogen bevonden. In den loop der tijden is er al heel wat gegist omtrent de herkomst van dit beeld, dat de lieveling der Daasdonkers is.

Op den naam afgaande, heeft men aanstonds zijn bestaan trachten te verklaren uit den ouden Perzischen „Mithraquot; cultus, welke door de Romeinen zou overgebracht zijn naar België, dat deel uitmaakte van 't groote Romeinsche rijk. Hiertegen pleit echter de omstandigheid, dat noch in het volksbijgeloof, noch in de taal eenig spoor te ontdekken is van zoodanigen inheemsch geweest zijnden Mithra-dieust.

De Gentsche hoogleeraar Franz Cumont heeft niet lang geleden onder den titel „Textes et monuments relatifs au culte de Mithraquot; een merkwaardige studie uitgegeven, waarin hij in hoofdzaak komt tot deze resultaten: „a. de Sleidingsche Mithrem „staat in geenerlei betrekking tot den Zonnegod der Perzen; „fe. hij moet afkomstig zijn uit Holland, met name uit Fries-„land; c. omstreeks 1500 werd het beeld ontnomen aan rondreizende Friezen, die van waarzeggerij en roof leefden; d. de „Mithrem zal waarschijnlijk een oud afgodsbeeld zijn, gelijk ook „het volk er in 't algemeen over denkt.quot;

In 't begin van 1500 — zoo verhaalt een oude legende — sloeg te Assenede ter gelegenheid van de kermis een zwervende volkstroep haar tenten op; zij aanbaden twee afgodsbeelden, Mithra en Mithrem, aan welke zij beweerden de kunst van het waarzeggen te ontleenen. Drie inwoners van Sleidinge lieten zich door deze heidenen, afkomstig uit Friesland, beetnemen; zij lieten zich hun toekomst voorspellen en een hunner liet zich zijn geld ontfutselen. Toen aan dit laatste de noodige ruchtbaarheid was gegeven, omsingelde het kermisvolk de tent der Friezen. De politiedienaren brachten de vreemdelingen in veiligheid en verzekerde bewaring, terwijl het volk zich hun afwezigheid ten nutte maakte om tent en huisraad te vernielen. Onder de stukken en brokken haalde men Mithrem weg en een zekere Crispinus van Langendries nam hem meê naar Sleidinge, waar hij hem Zondags daaraanvolgende tentoonstelde, gelijk later jaarlijks placht te geschieden op dien datum, op welken

Dkijvek, Mozaïek. 2e druk. 8

ocr page 122

114

Sleidinge nu zijn kermis vierde. — Tot zoover de legende.

Nooit is door het volk eenig bijgeloof aan dit beeld verbonden, maar des te meer was hij 't voorwerp van velerlei klucht; b.v. men legde hem in de armen van een of anderen beschonkene, die zijn roes uitsliep, en die dan 's morgens tot zijn schrik met Mithrem ontwaakte. Ook beschuldigde men hem een of ander kwaad te hebben bedreven (afgoderij, landverraad, etc), daagde hem voor de vierschaar, ondervroeg hem, veroordeelde hem, enz.

Ook deed hij vaak dienst als spijker, waaraan het volk zijn staatkundige gevoelens ophing, evenals dat te Rome met Pasquino, ten onzent met Erasmus, het geval was ').

Zoo was het b.v. in 1789 tijdens de omwenteling van België tegen Oostenrijk, toen men Mithrem als Patriot liet fungeeren. Eveneens in 1830, toen men hem in Hollandsche kleedij stak en van alle zijden beschoot, in welken slag hij o. a. zijn neus verloor.

Volledigheidshalve zij nog vermeld, dat Daasdonk thans twee Mithrembeelden bezit. Toen het oorspronkelijk beeld te zeer gehavend was, werd in 1845 een nieuw vervaardigd, hetwelk met het oude in de herberg „De Gouden Bollequot;, nu „De Boomkweekerijquot;, bewoond door L. Rogiers, bewaard wordt. Gedurende het geheele jaar komen vele nieuwsgierigen bij de Mithrem's hunne opwachting maken, gelijk wij thans — op onze wijze — hebben gedaan.

Mouches.

Dit waren pleistertjes, gemaakt van zwarte zijde, welke in vroegeren tijd door de dames werden aangewend ter versiering (?) van haar gelaat. Het woord beteekent letterlijk vliegjes.

In geen boudoir mocht het moesjes-doosje — dat tevens tot het bewaren van reukwerk of blanketsel diende — ontbreken, gelijk dan ook Dr. Schotel in zijn verhandeling over 't slot Devel-stein, bij het beschrijven van den inventaris van het kasteel, het moesjes-doosje niet vergeet, waar hij ons een blik gunt in het slaapvertrek van Christina van Beveren, die op genoemd slot haar verblijf hield.

'j Men zie het Art. „Paskwilquot;.

ocr page 123

115

Deze mouches werden door de Fransche schoonen in allerlei vorm — rond, halfrond, ovaal — geknipt en op het gezicht geplakt. Soms ook gaven zij miniatuurbeeldjes te zien van Venus, Cupido e. a., welke niet zonder bedoeling werden gekozen.

In verband met die bedoeling vinden wij bij La Fontaine:

„Je rehausse d'un teint la blancheur naturelle,

„Et la dernière main que met a sa beauté „Une femme allant. en conquéte,

„C'est un ajustement des mouches emprunté.quot;

Naarmate 't effect, er door verkregen, heetten zij; la fatale, la dangereuse, zelfs l'assasine. Sommiger gelaat was met dergelijke pleistertjes als bezaaid. Rotgans zei er dan ook van: „De troni, dicht bezaait met moesjes kleyn en groot, „Gelijkt een krentekoek.quot;

Deze mode duurde tot omstreeks 't eind der regeering van Lodewijk XV. Onze Hollandsche vrouwen gebruikten ze reeds in de eerste helft der 17e eeuw.

Dat de Hollandsche heeren er niet bijster mee ingenomen waren, blijkt zeker wel uit de woorden van den dichter:

„Die swarte vliegen, Trijn, die gh'op uw aanzicht draeght, „Weet dat gh'er gecken, maar geen wijsen mee behaeght.quot;

Er wordt beweerd — 't kan wel laster zijn! — dat door sommigen de moesjes zelfs aangewend zijn, door verschillenden vorm en plaatsing, tot correspondentie met dezen of genen minnaar.

De Turksche vrouwen verdrijven nog hun verveling of — zoo gij wilt — trachten nog hun bevalligheid te verhoogen door zich evenzeer 'tgelaat met moesjes te beplakken, in den vorm van sterren en halve manen.

Merkwaardig is het, dat hier de vrouwen dikwijls elkaar van haar wederzijdsche genegenheid doen blijken, o. a. door het dragen derzelfde kleuren, het gebruik derzelfde geuren, maar ook en vooral door zich 't gelaat te beplakken met moesjes van denzelfden vorm.

De oorzaak van het dwaas gebruik der moesjesbeplakking is waarschijnlijk te zoeken in de omstandigheid, dat soms hier of daar op 't gelaat eener schoone

„een cleyne vlack of pockel was te vinden,

„die men verheelen wou' voor zijne welbeminden.quot;

8*

ocr page 124

116

De geestelijkheid heeft zich ook alweêr tegenover deze mode niet onbetuigd gelaten. In Frankrijk was het vooral Massillon, die zijn stem er tegen verhief; ten onzent was het de welbekende Hondius, die er Matth. VI : 10 op toepaste:

„Sij mismaecken hare aengesichten, opdat sy van de menschen — in casu, de heeren — mogen gesien worden.quot;

De mouches-mode leert ons, dat reeds van ouds de dames gaarne zich opsierden en pronkten met wanstaltigheden, die, als zij er mede geboren waren, hen tot wanhoop zouden hebben gevoerd.

O, schoon, maar dwaas geslacht!

Nieuwjaarsdag.

Opmerkelijk mag het heeten, dat inderdaad bij zeer vele volken der oudheid de eerste verschijning van de nieuwe maan met vreugde werd begroet en feestelijk werd gevierd — „apud veteres omnium mensium principia colebantur,quot; Isidor. Orig. V. 33, d. L: „bij de ouden werd het begin der maanden gevierd.quot; —

Het zou ons te ver leiden, indien wij ook maar door een kort overzicht wilden aantoonen, op welke wijze men aan de vreugde uiting gaf. Genoeg er op gewezen te hebben, dat voor de onontwikkelde natuurvolken het verschijnen van het eerste maanlicht telkens weer reden te over gaf tot vreugdebetoon.

Van lieverlede werd het een dezer nieuw-maan-dagen, die boven de andere feestelijk werd verwelkomd.

Het kan wel niet in mijn bedoeling liggen, met den lezer na te gaan, welke nieuwe maan bij de verschillende volken het hoogst in eere was; immers het nieuwjaarsfeest werd en wordt op onderscheiden tijden gevierd, maar bij alle volken heeft het eenzelfde karakter. —

Israël, bij welke natie het getal zeven in bijzonderen reuk van heiligheid stond, koos de zevende nieuwe maan als begin van een Nieuwjaar en vierde dien dag door het blazen op de bazuin — waaraan hij zijn naam „Joom Teroeahquot; ontleent — door 't ontsteken van vuur en door buitengewoon brandoffer.

Die het eerst de gestalte van de nieuwe maan zag, moest dit — zoo was 't althans in lateren tijd — aanstonds bekend

ocr page 125

117

maken aan 't Sanhedrin, hetwelk, na onderzoek ingesteld te hebben, door zijn „mekoeschaquot;, sanctus est, die waarneming voor geldig verklaarde en dan door 't rondzenden van boden of 't ontsteken van vuren op den top der bergen, den burgers van den lande 't heuglijk feit liet aanzeggen.

Kon door bewolkten hemel de maan niet worden waargenomen, dan gold de dertigste dag na de voorafgaande nieuwe maan als feestdag.

Bij de zonen van het Hemelsche rijk is de nieuwjaarsdag niet minder in eere. Sinds onheuglijken tijd bestaat de gewoonte om gelukwenschen tot elkaar te richten. In later tijd zendt men elkander felicitatiekaarten, die prijken met de afbeeldingen van de drie voortreffelijkste gaven des geluks, die men elkaar toe-wenscht, n.1. een erfgenaam, een staatsambt of bevordering en een lang leven, welke onderscheidenlijk worden voorgesteld onder de gedaante van een kind, een mandarijn en een ouden man naast een zwaan, welke vogel 't zinnebeeld is van een lang leven. Men geeft elkaar ook geschenken.

Vooral bij de Annamieten gaat het vroolijk toe op het nieuwjaarsfeest. Dagen vooraf zijn zij bezig met de versiering van hun woningen, terwijl zij de huisdeur behangen met zekere plant, die volgens hun meening het vermogen heeft de booze geesten af te weren, hun pagoden smukken ze op met bloemen, voor 't feestmaal wordt zoowel als voor den inkoop van geschenken zorg gedragen en allerwegen in de straten verrijzen altaren voor den Buddha.

Ook bij de Romeinen werden vanouds de calendae — nieuwe manen, zoo genoemd naar 't woord „calarequot;, dat roepen betee-kent, omdat het door de Pontiflces, die de zorg hadden voor 't berekenen en samenstellen van den almanak, werd „afgekondigdquot; als de nieuwe maand begon — feestelijk gevierd.

Later werd de eerste dag des jaars ook als feestdag ingesteld. Men maakte alsdan zijn opwachting bij de magistraatspersonen. Iedere cliënt bracht aan zijn patroon een klein geschenk. De keizers vergden zulk een schatting van de inwoners van Rome, en van Caligula wordt verhaald, dat hij zich in persoon aan de deur van zijn paleis begaf om de geschenken te ontvangen.

Van Rome gingen deze gebruiken over tot de Germanen. Reeds vroeg werd ook door dezen de Nieuwjaarsdag op luidruchtige wijze gevierd, zooals o. a. blijkt uit een decreet van 1024, waarin

ocr page 126

118

wij deze woorden aantreffen; „Si quis Januarias calendas ritu Paganorum colere, anathema sitquot;, d. i.: „vervloekt is hij, die nieuwjaarsfeest viert op de wijze der Heidenen.quot; En Eligius moest waarschuwen tegen de nachtpartijen en drinkgelagen, den eersten Januari aangericht.

Dezelfde Eligius waarschuwt tegen 't maken van beeldjes van deeg, in den vorm van oude mannen, herten en dergelijke. —

In Twente worden, naar ik meen, nog Nieuwjaarskoeken gebakken, de zoogenaamde ijzerkoeken of oblieën, gelijk elders op „Jaarsavondquot; — wij zeggen ten onrechte „Oudejaarsavondquot; — de oliekoeken niet worden gemist.

Natuurlijk is veel van het oude vervallen en slechts bleef bleien daar iets van het heidensch bijgeloof over in nog in zwang zijnde gebruiken, wier oorsprong de menigte niet meer kent.

Het meest zonderlinge van allen is zeker wel dat, hetwelk bestaan moet onder de Noord-Friezen op Westerlandsföhr, waar de huwbare meisjes het Nieuwjaar gaan indansen op het... kerkhof! Al past op deze plaats voor ons gevoel de dans niet — wie danst op graven? — toch ligt er naar ik meen in het kerkhofbezoek op dien dag iets zinrijks! —

Eigenaardiger evenwel is dat ander gebruik , dat men aantreft in verscheiden graafschappen van Engeland, en dat daarin bestaat, dat in den Nieuwjaarsnacht jongelingen en meisjes bij 't slaan van 't middernachtelijk uur om 't hardst naar de bron loopen om 'teerste schuim van 't opborrelend water te scheppen.

Die allen vóór is en 't schuim heeft opgevangen in zijn nap of kan, dien lacht het geluk in 't pas begonnen jaar toe.

'tls jammer, dat er maar één de eerste kan zijn, en er dus maar één kans heeft op een gelukkig jaar!

De nachtmerrie in het volksgeloof.

Hoezeer in de laatste jaren de volksontwikkeling ook is toegenomen en de beschaving is doorgedrongen tot die plaatsen ook, die door hun geïsoleerde ligging langen tijd behoorden tot de schuilhoeken, waar nog de meest volslagen onkunde heerschte en het bijgeloof als oppermachtige de gemoederen der menschen in vreeze bracht, hoezeer in dit opzicht onze tijd geacht kan worden verre

ocr page 127

119

te staan boven vroegere tijden, dit neemt niet weg, dat nog niet ten eenen male alle bijgeloof is ondergegaan.

Het leeft hier en daar nog in stilte voort, op het platteland en in de mindere wijken onzer groote steden. Het volk geeft niet zoo spoedig prijs het van ouder tot ouder aan hem overgeleverd bezit.

Wel nam het bijgeloof af, maar verdwenen is het daarom nog niet.

Hoevelen zullen nog met angst hooren naar 't gehuil van een hond, hoevelen zullen nog ongaarne met een twaalftal anderen plaats nemen rond een tafel — kortom, het bijgeloof bestaat nog voort. Zoo raakte ook de nachtmerrie nog niet in 't vergeetboek.

Wat den naam betreft, - dien Kiliaen o. a. ten onrechte verklaart als „equa nocturnaquot;, nachtelijk paard — deze is afgeleid van het Middeleeuwsche nachtmaere, dat zijn oorsprong heeft in het Gothische „marzjanquot;, dat ergeren, kwellen beteekent, in welken zin het o. a. voorkomt bij Ulfllas Mattheus V : 29, 30.

Nachtmerrie wil dus niet anders zeggen dan: nachtelijke kwelgeest. Van deze nachtmerrie nu, die niet anders is dan een storing in de spijsverteringsorganen en die zich openbaart in een gevoel van drukking, dat den slapende benauwt en angstig doet droomen, van deze nachtmerrie heeft het volk gebruik gemaakt bij zijn sproken en legenden. Zoo was reeds in vroege tijden de meening diep geworteld, dat de nachtmerrie een duivelsche geest was, gelijk het o. a. heet in een berijmd handschrift uit de 14e eeuw „de Natuurkunde van het Geheelalquot; — waarschijnlijk opgesteld door zekeren Gheraert — :

Duvele die sijn in die lucht

En doen den menschen dikke vrucht *)

Coubouten, Alven, Nickers, Maren.

Die maren waren in de volksmeening vrouwelijke demons, witte Lucht-Elven, die 's nachts den mensch kwamen plagen door op zijn borst te gaan zitten en de ademhaling te belemmeren.

De Engelschen beelden dezen plaaggeest af als een geheel ruigen aap met dikken kop en uitpuilende oogen. In Zwitserland wordt hij Alpenschoss of Alpen-drück genoemd, terwijl men hier als

') d. i. jagen den mensch dikwijls vrees aan.

ocr page 128

120

elders gelooft, dat hij 's nachts hier of daar een paard van stal komt halen, zooals des morgens altijd te zien is aan de in elkaar gestrengelde manen van het beest.

Daarom zet men op sommige plaatsen 't geraamte van een paardekop boven de deur, hetgeen waarschijnlijk uit een Heidensch gebruik stamt, n.1. het buitenhangen van den kop van 't aan de goden geofferde paard.

Een middel om de nachtmerrie van den mensch te weren bestaat hierin, dat men de schoenen of muilen — een voorzorg, die ook in onzen tijd nog door meer dan één oud moedertje wordt in acht genomen — onder de legerstede plaatst met de hakken naar achter, de punten naar voren gekeerd, opdat de nachtmerrie zich den neus er aan stoote.

Merkwaardig is de meening, dat de schoonste van zeven dochters — een van zeven zonen was steeds een weerwolf — door den duivel bij zijn nachtbezoeken in de kunst der drukkende benauwing — Ephialtes — werd onderwezen; zij moet dan in zijn dienst als nachtmerrie rondreizen.

Om te ontdekken eindelijk of iemand al of niet een nachtmerrie was, bedienden de waarzeggers zich van meelspijzen, b.v. een „Jan in den zakquot;, die van binnen niet gaar kon worden, als er in de nabijheid een nachtmerrie zich bevond. Deze proefneming, die als zeer vertrouwbaar gold, heette Alphimantie en werd vaak toegepast. Uit het een zoowel als uit het ander blijkt genoegzaam, hoe laag nog de menschheid stond in den tijd, toen dit en ander bijgeloof algemeen heerschende was. De vooruitgang en de verbreiding der wetenschap heeft reeds veel van dit oude eerst ondermijnd en toen omvergeworpen. Hier en daar staat nog een bouwvallig overblijfsel — de tijd alleen zal vermogen ook dit nog in puin te werpen. Dit neemt niet weg, dat het somwijlen zijn eigenaardige aantrekkelijkheid heeft, een photographie te bezitten van wat eenmaal in werkelijkheid bestond. Dat was de reden, dat ik nog eens over „Nachtmerriequot; sprak. Misschien was er in dit oude voor dezen of dien nog iets nieuws!

ocr page 129

121

Het Narrenschip of de Blauwe Schuit.

„wird all geschrift mul Ier veracht,

„die ganzc welt lebt in fmstrer naciit....

Uit Brant's „voorredequot;.

AVeet gij, lezer, wat een gilde is? Misschien denkt gij aanstonds aan een vereeniging van ambachtslieden, die eenzelfde vak zich kozen en zich nu bij elkander aansluiten tot behartiging van elkanders belang. Welnu, het ambachtsgild is een van de vele vormen, waarin het gildewezen zich openbaart, gelijk iets ervan nog overbleef in die vele genootschappen en vereeni-gingen voor beoefening van kunst of wetenschap, wier aantal in onzen tijd legio is.

Maar oorspronkelijk, toen onze Germaansche voorouders nog geèn ambachten kenden en van kunst of wetenschap niet afwisten, toen de wildernis nog hun woning en het woud hun tempel was, waren de gilden iets geheel anders, 't Waren verbonden van vrije mannen tot onderlinge hulp en gezamenlijke offerande. Ieder gild koos zich zijn god, wien 't offerde, tot wiens eer het zijn feestmaaltijd hield en zijn drinkhoorn ledigde. Eerst van lieverlede werd uitbreiding gegeven aan het gildewezen, dat in de Middeleeuwen zijn bloeipunt bereikte.

Nevens de godsdienstige verbonden zien wij de vereenigingen van krijgslieden zich met kracht ontwikkelen, en nevens die beide ook het ambachts- en andere gilden. Talloos waren de vereenigingen, die werden opgericht, ieder met haar eigen doel en eigen gebruiken.

De gildegeest beheerschte heel het maatschappelijk leven, 't Zou ons te ver voeren, indien wij ook maar terloops een oog wilden slaan op al de vormen, in welke zich dit echt Germaansche element heeft geuit. Wij bepalen slechts onze aandacht bij de zoogenaamde Narrengilden, genootschappen van lieden, die door allerlei kluchtige vertooningen het volk trachtten te vermaken. Men meene echter niet, dat zij, al was 't alleen maar om hun naam, zich minder verheugen mochten in eer en aanzien bij de menigte dan haar zustergenootschappen. Verre van daar! De voornaamste lieden telden zij dikwijls onder hare leden.

Het was o. a. Adolf van Kleef, die in 1381 zulk een „gesel-scap van den geckenquot; oprichtte, welks leden — vijf en dertig iq

ocr page 130

122

getal — bestonden uit graven, ridders en edelknapen, wier ken-teeken was de op het kleed gestikte zot met de kap met hellen.

Tot deze soort van vereenigingen behoorde dan ook het „ghilde van die blauwe scutequot;, welks leden o. a. op vastenavond met het narrenschip voeren.

Over dit narrenschip een enkel woord.

Wat zijn oorsprong betreft, het schijnt, dat deze gezocht moet worden in den tijd, toen het heidendom nog heerschende was, en is alzoo een herinnering aan 't Zonneschip of den Zonnewagen van den God des Lichts.

Geen wonder dan ook, dat de geestelijkheid met kracht haar stem verhief tegen deze heidensche vertooning — bestempeld als diaboli ludibrium, duivelsspel — die daarin bestond, dat men een scheepje vervaardigde, dat op wielen liep en dan door mannen werd voortgetrokken. Zoo gebeurde het omstreeks het jaar 1133 bij het dorpje Inda, van waar men 't schip naar Aken bracht, waar het „cum utriusque sexus grandi processionequot; ') — zoo luidt het in 't oorspronkelijk verhaal, door Grimm overgenomen in zijn Mythologie — werd ontvangen om verder gevoerd te worden naar Maastricht. Hier werd het van zeil en mast voorzien en opgetuigd. De wevers trokken de boot naar Tongeren. De manschap van het vaartuig doste zich in allerlei belachelijke kleedij en vertoonde onderweg verschillende potsen, tot groot vermaak en leering der toeschouwers. En hoewel, blijkens meer dan eon raadsprotocol, de overheid het niet erg op deze vermomming en rondvoering had begrepen, gunde zij het volk toch somwijlen eenige tegemoetkoming in de onkosten , gelijk o. a. de stad Nijmegen in .1550 een gift schonk aan de „scipgezellen, die metter blauwen scute omvoiren.quot;

Een afbeelding van zulk een blauwe schuit of narrenschip berust, zegt Van den Bergh in zijn Mythologisch woordenboek, op de Koninklijke Boekerij, en is te vinden o. a. in den „Ouden Tijdquot;, jaargang 1870.

Zekere Jacob van Oostvoren schreef in 1413 een gedicht, in 't welk hij een blauw geverfde schuit voorstelt, waarin alle dwaze en losbandige lieden worden opgenomen, welk gedicht vooral strekken moest om het ellendig gevolg te schetsen van verkwisting en losse zeden.

') „Door een grooten stoet volks van beiderlei kunne.quot;

ocr page 131

123

Iets dergelijks deed Sebastiaan Brant (overl. te Straatsburg in 1520), die in zijn „Navis Narragoniae vel Stultifera, oder das Narrenschiffquot; (verschenen in 1494 bij Johann Bergmann von Olpe te Bazel) de dwaasheden en misbruiken van zijn tijd hekelde. Langen tijd was het in Duitschland een volksboek. Later werd het ook in 't Nederlandsch vertaald en in 1584 te Antwerpen bij J. van Ghelen uitgegeven onder den titel „Navis Stultorum oft der Sotten Schipquot;, terwijl in 1610 te Leiden een herdruk het licht zag, nu onder den naam „Affghebeelde Narrenspeelschuijtquot;, welke vertaling misschien geleverd is door de dichteres Alida Bruno, blijkens de op den titel vermelde letters A. B.

In een dezer Hollandsche vertalingen komt een houtsnede voor, die een afbeelding geeft van het schip, terwijl daaronder deze regels staan:

„Die stierman van den scepe:

„Hoort, hoort, ghi sotten, ghi dwasen, ghi dorren, „Der narren scip wilt hem gaan porren (vertrekken). „Elc haeste hem dier wilt inne varen.

„Men drincter, men sincter, men speelt er op snaren, „Men heischt er gheen gheld, ten zi ter hende „Met lanc te borgheno is menighen scende.quot;

Het gaat niet aan in klein bestek ook maar eenigszins den inhoud van het werk weer te geven. Die lust er in heeft het van nabij te kennen, neme een der vele uitgaven ter hand! Genoeg zij het hier op te meiken, hoe aan Sebastian Brant de eer toekomt, dat hij de kunst ontdekt heeft aan den groven humor van den burgerstand — die zoo wild was opgeschoten in de vastenavondkluchten — te verbinden den ernst van den eerbied in-boezemenden tuchtmeester, gelijk Zarncke, in het, aan zijn uitgave (Leipzig 1854) toegevoegde, geleerde aanhangsel, zegt.

Het narrenschip is nog blijven varen tot de dagen der hervorming; toen bleek het niet langer zeewaardig te zijn, en ging het over in handen van den grooten slooper, die Tijd heet. Luttel tal Jaren geleden dook een nieuw narrenschip op, ditmaal in den vorm van een boek, een navolging van het werk van S. Brant, bewerkt en uitgegeven door Dr. F. Idus. Scherp worden hierin de narren van onzen tijd op de kaak gezet, zooals de geldnar, de hoogmoedige nar eu anderen, te veel om te noemen, immers

ocr page 132

124

„ . frecher noch als früher „Tümmelt sich der Narren Heer, „Buntgescheckt und mannigfaltig,

„Zahllos wie der Sand am Meer.quot; ')

En wat de gilden betreft, de revolutie heeft eens over hen het doodvonnis uitgesproken. maar desniettemin wisten zij zich ook na 'TQS staande te houden , 't geen niet wegneemt, dat het hun was aan te zien, dat zij kwijnden. Maar eerst later herleefden zij, als de Phoenix, die herrijst uit zijn asch, maar in schooner gedaante en nieuwen vorm, zóó zelfs, dat nauwelijks in hen de gilden uit vroeger dagen zijn te herkennen.

November of Slachtmaand.

Evenals September zijn naam ontleend aan het Latijnsche sep-tem, dat zeven en October aan octo, dat acht beteekent, zoo vindt „Novemberquot; als benaming van de negende maand van het oude jaar, dat geacht werd met Maart te beginnen, in 'tLatijnsche novem — negen — zijn oorsprong.

quot;Waarom November bij ons Slachtmaand is genoemd, kan niemand bevreemden, die bekend is met het gebruik, op 't platteland nog algemeen in zwang, om n.1. in deze maand het vleesch in de kuip te doen, dat gedurende den loop van den winter zal worden verorberd.

De dorpsslagers — die nu vooral in hun hoedanigheid van slachters optreden — hebben dagelijks de handen vol om voor ieder het daartoe gekozen of gekochte beestje naar de eischen der kunst te dooden en „schoon aan den haakquot; te maken, leder haalt dan bij hem zijn koe of zijn „voetquot; — in casu den voet van een koe, waarbij voorts een vierde van 'tgeheele beest behoort — en betaalt het slachtersloon. De meesten echter zijn van den moord getuige, want zij vergewissen zich gaarne ervan, hoe het beestje uitvalt en of het „goed smeertquot;, zooals de uitdrukking heet.

') „En onbeschaamder nog dan ooit

„Wint thans een heir van narren veld, „Eeu mengeling van dwazen, bont getooid,

„Wier tal, als 'tzand der zee, niet wordt geteld.quot;

ocr page 133

125

Aan dit smeer of vet heeft November dan ook waarschijnlijk zijn naam Smeer maand te danken.

Dat voorts deze „negendequot;, die bij ons de „elfdequot; is, door Karei den Grooten Windmonath werd genoemd, pleit voor 's Keizers opmerkzaamheid in zake de weersgesteldheid van de verschillende jaargetijden. De Franschen hebben, in navolging van dezen Frank, November met den naam „Ventösequot; gedoopt.

Voorts komen nog in aanmerking de benamingen hoefmaand en Bloedmaand. De eerste kan ontleend zijn aan de omstandigheid, dat omstreeks dezen tijd het jaar aanmerkelijk begint to loeven; 't kan ook zijn, dat in dien naam iets anders ligt, gissen is ook hier gemakkelijker dan beslissen.

Bloedmaand kan öf ontstaan zijn met het oog op het slachten van het vee voor het pekelvat öf met het oog op het slachten voor de godenoffers, welk laatste gevoelen o. a. Beda toegedaan is, die Blotmonath overzet of liever omschrijft als „mensis immo-lationum, quod in eo pecora, quae occisuri erant, Diis suis voverent, d. i. offermaand, omdat zij in deze maand het vee, dat zij van plan waren te slachten, wijdden aan hun goden (blötan = offeren, dooden).

Hoe dit alles zij, als slachtmaand is November het meest bekend, en als zoodanig is hij een telkens met vreugde begroete gast.

In enkele streken zou November ook wel Gastmaand kunnen heeten, daar n.1. waar nog in zwang zijn de over 't algemeen vrij wel uitgestorven slacht-rondjes, waar het stuk braadvleesch de hoofdschotel is. Ja, de slachtmaand was voor de plattelanders een recht gezellige maand — jammer maar, dat de tijd van gezelligheid zoowat voorbij is; de stoom heeft de menschen voorgoed van den haard gejaagd, en de weelde beneemt aan onze gezelschappen den gullen toon der gezelligheid. Dat is'de schaduwzijde van onzen tijd. Zal 't weer beter worden .... wanneer?

October of Wynmaand.

De naam October is gemakkelijk te verklaren, daar deze maand de achtste was, in den tijd toen Maart nog als eerste gold.

't Ging hier als met meer andere woorden, die ook bleven voortbestaan, maar die in den loop der tijden gebruikt werden om andere begrippen aan te duiden dan die, waarvoor ze eens werden bestemd.

ocr page 134

126

Wat bij ons October heet, moest volgens de nieuwe jaarver-deeling eigenlijk December heeten, want dit beteekent de tiende.

Karei de Groote noemde deze maand Weinmonath of Windum-memanoth, waarin sommigen het Latijnsche „Vindemia,quot; wijnoogst, willen zien. Een andere benaming is Herselmaand ofaarzelmaand, omdat het jaargetijde als het ware aarzelt, teruggaat, nu de herfst zijn intrede heeft gedaan.

Rusel- of rozelmaancl laat zich misschien verklaren als reuzel-maand, omdat thans het slachten een aanvang zal nemen.

Maar duidelijker is in ieder geval de benaming Zaad- of Zaai-maand, wijl nu het winterkoren aan de aarde wordt toevertrouwd.

Veel meer bijzonders is er van October of Wijnmaand niet te zeggen.

In ons land past eigenlijk de laatste benaming niet; aarzelmaand is voor ons wel zoo sprekend, yan dag tot dag laten zich de klaagtonen luider hooren, dat de dagen zoo kort gaan worden, de lamp moet zooveel vroeger op, en niet meer wordt de avond buiten doorgebracht, maar binnenskamers.

JSu daar behoeft de avond niet minder gezellig om te zijn — goede lectuur en gulle hartelijkheid maken toch, dat, als het klokje tien slaat of een slag meer, wij tegen elkaar zeggen: „Al zóó laat, 'tis of de avond omgevlogen is.quot;

Het voorbijsnellen van den tijd moge iets pijnlijks voor ons hebben — als 't zóó gaat, kunnen we ons verzoenen met de waarheid, uitgesproken in het woord van den dichter der oudheid:

„Dura loquimur, fugerit invida aetas!quot; (Hor. „Carm.quot; I. xi.)

Orakels

of godspraken moesten dienen om den mensch bekend te maken, welke aangaande eenige voorgenomen handeling de wil der godheid was, en wat van zoodanige zaak de uitslag zou zijn. Het oudste in Griekenland was 't orakel te Dodona, dat zijn oorsprong aan de Egyptenaren ontleende. Het beroemdste in Griekenland is geweest 't orakel van Delphi; de Pythia, op den gouden drievoet geplaatst, vernam daar Apollo's wil en raad en maakte die den vrager bekend.

Het geheim lag voor een groot deel in de dubbelzinnigheid dei-uitspraken. Zoo antwoordde de priesteres te Delphi aan Croesus: „Gij zult, nadat gij den Halys overgetrokken zijt, een groot rijk

ocr page 135

127

onderwerpen.quot; Dit gezegde nu moest in elk geval bewaarheid worden, öf Croesus zou Cyrus, of Cyrus Croesus verwinnen, in beide gevallen bracht Lydië's Koning een groot rijk ten onder. — Zoo kreeg eens Pyrrhus ten antwoord: „credo equidem Aeacidas Romanos vincere posequot;, 't welk door zijn eigenaardige constructie (Accusativus cum Intinitivo) zoowel beteekent: „ik geloof voorwaar, dat de Aeaciden de Romeinenquot;, alsook, „dat de Romeinen de Aeaciden overwinnen kunnen.quot;

Zoo weet de overlevering ons te verhalen, dat eens aan de moeder van graaf Boude wijn van Vlaanderen door de waarzeggers van Toledo — betreffende den strijd door haar zoon tegen Philips Augustus te ondernemen — dit antwoord is gegeven: „De Koning zal in dien slag onder de voeten der paarden komen en zonder begrafenis blijven, en Boudewijn, graaf van Vlaanderen, zal in zegepraal in Parijs trekken.quot; — De door dit antwoord blijde moeder gaf aan deze uitspraak een verklaring, die ten gunste van haar zoon was; echter leerde de uitkomst, dat het tegendeel waar was, hoewel ook nu de voorspelling toch in vervulling ging: de Koning n.1. werd van 't paard geworpen, maar richtte zich op, won den slag, bleef alzoo zonder begrafenis, terwijl Boudewijn — maar als gevangene des Konings — in zegetocht Parijs binnentrok. (Zie Ned. Volksoverl. J. W. Wolf)

Al wie iets meer wil weten aangaande de orakels, raadplege o. a. wat Van Dalen en Fontenelle en Passavant schreven, en leze ook Clavier's „Mémoire sur les oracles des anciens.quot;

Oranje, blanche, bleu.

„Gij, schitterende kleuren!quot;

Het moge vreemd klinken, maar een waarheid is het nochtans, dat het nog niet zoo heel lang geleden is, dat de Nederlanders nog in 't onzekere waren omtrent de beantwoording der vraag: „Hoe moet onze vlag er uitzien?quot; Vrij algemeen was het gevoelen, dat Neêrlands vlag uit drie banen bestond, van welke de kleuren waren: rood, wit en blauw. — Velen meenden daarenboven , dat deze vlag van Fransche afkomst was en een geschenk van Henri III of Henri IV.

Met een enkel woord is echter aan te toonen, dat zóó onze vlag er niet uit moet zien. De eer van dit vraagstuk aan de

ocr page 136

128

orde te hebben gesteld, komt toe aan den Rijksarchivaris Mr. J. C. de Jonge, die in 1831 te 's-Hage een boekje uitgaf, getiteld: „Over den oorsprong der Nederlandsche vlag.quot; Na hem schreven Guyot, Muller, Ter Gouw, Fruin, Vermeulen e. a. belangrijke verhandelingen over dit onderwerp, zoodat het mogelijk is, thans met zekerheid te zeggen, welke de kleuren moeten zijn van onze vlag. Onnoodig is het daartoe op te klimmen tot de tijden, toen de macht der graven zich deed gelden. Onze vlag toch is ontstaan tegelijk met de geboorte van ons volk als onafhankelijke natie.

Philips, zoon van Karei V, is de man geweest, die zijns ondanks tot die onafhankelijkheid den grond heeft gelegd. Zijn hardheid en overheersching dwong allen tot eenparig handelen. — Oranje werd aller hoofd; vrijheid, in den edelen zin des woords, aller leus.

Sedert 1648 dateert de erkenning van ons volk als onafhankelijke, zelfstandige natie.

Het zoo vereende Nederlandsche volk zocht naar een herken-ningsteeken. Welke kleuren konden meer op aller sympathie rekenen dan die, welke de geliefde Oranje-prins — aan wien men naast God de vrijheid dankte — aan zijn hofgezin had gegeven? Hoe kon men beter toonen, dat men hem wilde dienen, dan door over te nemen het Oranje, blanche, bleu? —

't Is gemakkelijk te bewijzen, dat dit de wettige vlag van Zee-en Landmacht is geweest, welke heette 's Lands vlag, tot onder 't Stadhouderlijk bewind van Prins Willem II. In 1572 wordt een bende Geuzen verslagen en worden hun vaandels genomen „desquels ü y en avait trois de taffetas des coüleurs du Prince d'Orange.quot; Weinige weken te voren was Gouda voor den Prins door de Geuzen bezet, die onder 't geroep van „Vive le Prince d'Orange!quot; vendelen vertoonden met de kleuren oranje, wit en blauw. Die kleuren waren populair, blijkens zoo menig volksliedje als:

Oranje, blanche, bleu

De prins is op de Neu (plein te Utrecht).

en o. a. uit een gedicht van 7 Mei 1578:

Syt wellecom Prince van Oraingen, blance bleu, Syt altegaer wellecom, roept dobbel: Vive le Geus.

Zegt Ter Gouw, dat hij geen andere voorstelling kent van

ocr page 137

129

een door een tijdgenoot geschilderde vlag dan die op Vroom's') afbeelding van de komst van Leicester te Vlissingen in 1585 (in 't museum te Haarlem bewaard), de schilderij2) van Michel Coxcys, gemaakt in diens 73stl' levensjaar — i. e. anno 1572 — vertoont o. a. een vrouw met 'wilten doek op het hoofd, oranje-kleurig jak en blamce rok, zeker niet anders als een zinspeling op 't „oranje, blanje, bleuquot; van de prinsenvlag.

In 1587 — 26 Nov. — gaf de Admiraliteit van Zeeland last een aantal vlaggen te maken van de kleuren oranje, blanche en bleu, om die te gebruiken op oorlogschepen.

In 1596 — 20 Aug. — bepaalden de Staten van Holland, „dat de vaandelen der compagnieën van eender fatsoen gemaakt zullen worden, als oranje, blanche, bleu, etc.quot;

In 1623 en 25 geboden de Staten-Generaal, dat de koopvaarders, die de havens der Middellandsche Zee bezochten, de gewone vlag van den Prins van Oranje hadden te voeren. In 1634 lezen wij voor 't eerst in een voorschrift van de Oost-Indische Compagnie, dat zij gelast zooveel el blauw en rood of oranje vlaggedoek te koopen. Misschien rood, omdat men in Indostan oranjekleur niet verkrijgen kon. Zooveel is echter zeker, dat in het Moederland weldra 't rood de lievelingskleur werd van een der twee heer-schende staatkundige richtingen, n.1. van die, welke was tegen den Prins.

Na den dood van Willem II in 1650, toen de regeering 'tplan opvatte om nooit aan diens zoon 't stadhouderschap op te dragen, deed men zijn best om het oranje uit de vlag te doen verdwijnen. Zoo stelde in 1652 De Witt als Pensionaris van Dordrecht bij de Staten-Generaal voor, dat aan alle Admiraliteiten zou worden geschreven , dat zij aan alle zeeofficieren zouden schrijven, dat zij den naam Prince-vlagge niet meer moesten noemen, maar haar heeten moesten Generaliteitsvlag. Maar het volk, de soldaten en zeelui lieten zich zulk een voorgenomen verandering niet welgevallen. Inderdaad zijn de wettige kleuren van vlag en leger oranje, wit en blauw gebleven tot 1795, toen de Staat der Vereenigde Nederlanden een wingewest van Frankrijk werd, al is het waar, dat 't oranje in 't laatste stadhouderlooze tijdperk door 't rood was verdrongen.

') geb. quot;1506.

'J) Over deze schilderij handel ik uitvoeriger in het art. „Verzenderkensdag.quot; Drijver, Mozaïek. 2e druk. 9

ocr page 138

ISO

Den 2™ Mei 1747 werd te Hoorn een Prinsenvlag op den Hoofdtoren geplaatst door de St.-Pietersgilden-broeders, met bijvoeging, dat zij die vlag ten respecte van den Prins — nu tot Stadhouder, Kapitein-Generaal en Admiraal van Holland en West-Vriesland uitgeroepen — met goed en bloed zouden handhaven en verdedigen.

In een publicatie der Staten van Utrecht (17 Juli 1787) wordt gesproken van de „gecombineerde coleuren van oranje, wit en blauw, waarbij 's lands vlag van oude tijden af door geheel Europa is bekend geweest.quot;

In 1796 veranderde de vlag. 's Lands hoogste Vergadering gaf een uitgewerkt voorschrift, waarbij vermeld werd hoe de Nationale vlag er uit moest zien, t. w.: „3 evenwijdige en horizontale banen, van gelijke breedte, de bovenste rood, de middelste wit, de derde blauw gekleurd, etc.quot; —

Na 10 jaren moest deze plaats maken voor de Koninklijk-Hol-landsche, en deze weer 3 jaren later voor de Fransch-Keizerlijke, totdat in 1818 met Neêrlands vrijheid ook Neêrlands oude vlag werd hersteld, die uit drie banen bestaat, gekleurd Oranje, Wit en Blauw. Oranje en Nederland zijn te nauw vereend, dat Neêr-land niet de kleuren van den eersten Oranje-Vorst zou blijven handhaven. Immers

't Oranje, Wit en Blauw Getuigt van eeuwenlange, welbeproefde trouw!

Wanneer vieren wy het Paaschfeest?

De Israëlieten vieren hun paaschfeest — ter gedachtenis aan hunne bevrijding uit Egypte — van 15 tot 22 Niessan, alzoo telken jare op denzelfden tijd.

Anders was het in de Christelijke kerk, waar ten gevolge van een ontstaan geschil, op het eerste oecumenische concilie — saam-gekomen te Nicea in 'tjaar 325 — bepaald werd, dat voortaan het opstandingsfeest gevierd zou worden op den eersten Zondag na de volle maan, volgende op de lentenachtsevening.

De astronomische berekening van 't feest werd opgedragen aan den bisschop van Alexandrië, die telken jare den datum bekend maakte in een rondgaanden brief — zoogenaamde „liber pasóha-lisquot; — welke tegelijk gebezigd werd tot oplossing van een of andere kerkelijke tijdvraag.

ocr page 139

131

Het Christen-paaschfeest — ook de Protestantsche kerk hield zich aan bovengenoemde tijdsbepaling — kan alzoo nooit vroeger dan 22 Maart (in dit geval moet het den 21Btm volle maan, en moet de daarop volgende dag een Zondag zijn) en nooit latei-komen dan 25 April.

Daar 22 Maart aan St.-Benedictus en 25 April aan St.-Marcus gewijd is, ontstond het gezegde: „non sequitur Marcum, nee prae-cedit Benedictumquot;, d. i. het paaschfeest komt niet na St.-Marcus noch voor St.-Benedictus.

Op 22 Maart viel het Paaschfeest in de jaren 1598, 1693, 1761, 1818. Eerst in 2285 zal het weer plaats hebben.

Het Paaschfeest viel op 25 April in 1666, 1734, 1886 en 't zal weer zoo vallen in 1943, 2088, 2190, en die dan leeft, die dan zorgt!

Paaschg'ebr uiken.

Gelijk ieder feest had ook Paschen zijn eigenaardige gebruiken, die daarom voor ons te merkwaardiger zijn, wijl zij de herinnering bewaard hebben aan het oude feest der heidenwereld ter eere van Ostera of Venus — van hier de Duitsche benaming Ostern en de Engelsche Eastern — de godin der liefde.

Inderdaad was Paschen oorspronkelijk niet anders dan 't groote lentefeest, op 't welk men met vreugde den aanstaanden zomer begroette, het feest, dat van nieuw leven sprak.

Was het vrij gemakkelijk voor de geloofspredikers, om aan een heidensch feest een christelijke beteekenis te geven, onmogelijk was het hun ook de heidensche gebruiken uit te roeien.

Dit blijkt allermeest daaruit, dat zelfs nog in onze dagen de meeste dier gebruiken hier en daar in zwang zijn gebleven. Dit geldt in de eerste plaats van de Paaschvuren. 't Was een gewoonte der ouden bij hun groote feesten vuren te ontsteken, zooals daar zijn: de Nieuwjaar-, Mei-, Midzomer-, St.-Jan- en St.-Maartenvuren , 't geen te verklaren is èn in verband met den vuurdienst der ouden èn uit de omstandigheid, dat het op de toppen dei-bergen ontstoken vuur zooveel als signaal was voor het volk, dat de feestdag was aangebroken. — Zoo was het ook bij 't oude Israël.

Reeds de Syrische volksstammen vierden jaarlijks bij den aanvang der lente het groote vuurfeest van Astarte, bij welke gelegenheid jongelingen, opgewonden door het paukengeschal dei-priesters, zich ergerlijk verminkten. —Wat het Paaschvuur be-

9*

ocr page 140

132

treft, hierbij dient opgemerkt, dat het steeds frisch, maagdelijk vuur moest zijn, d. w. z. 't moest worden gemaakt. Men bediende zich daartoe van een zacht stuk hout, dat gewreven werd tegen een hard hout, of men sloeg met een stuk staal vuur uit een steen, en ontstak zoo het Paaschvuur.

Vooraf moest al het oude gebluscht zijn. De oorsprong van dit gebruik ligt zeker in de eens heerschende meening, dat het vuur, na eenigen tijd onderhouden te zijn, zijn reinigende kracht verliest; weshalve men ter wering van besmettelijke ziekte ook dergelijk maagdelijk vuur ontstak, het zoogenaamde nodfyr — noodvuur — waarvan de Indiculus XV zegt: „ignus fricatus de ligno, id est nodfyrquot;, d. w. z.: „noodvuur is vuur, ontstaan door wrijving van hout.quot; Niettegenstaande reeds Bonifacius e. a. afkeurend over de Paaschvuren hebben gesproken, en zelfs een kerkvergadering gelast heeft dat gebruik te weren, is het den priesters niet gelukt het uit te roeien. Daarom nam de Kerk, haar accommodatie-theorie (verzoening, vereeniging) in practijk brengende, dit gebruik over in haar Paaschkaars of Paaschlamp, die de priester in 't kerkportaal ontstak door middel van 't vuur, dat hij uit een steen sloeg.

Nog heden ten dage worden op de Vel uwe en in Twente paaschvuren gebrand, nadat daags te voren bij de boeren de brandstoffen zijn opgehaald door 'tjonge volkje, onder 't zingen van een versje als dit;

Heb i ock 'en olde mande

Die wie tot Paschen brande?

Heb i ock 'en bossien riet?

Aors hebben wi veur 't Paaschvuur niet!

Is er een boer, die niets geeft, op hem laat de jeugd zich niet ongewroken — zij zingt dan dit rijmpje:

Daor boven in den hemel Daor henk een pötjen met zemel En 'n pötjen met pierenkruut;

Daor kiekt de gierige duvel uut.

Wat eindelijk het Paaschvuur betreft, het spreekt ons van warmte en gloed, van nieuw leven en nieuwe levenskracht, van reiniging en loutering. Met die gedachten er aan verbonden, is ook dit in oorsprong heidensch gebruik niet ontbloot van schoo-nen zin!

ocr page 141

183

Een ander gebruik op Paschen in zwang is het ten geschenke geven en eten van eieren Eeeds in de heidenwereld werd deze gewoonte aangetroffen; het christendom heeft dit gebruik overgenomen en er een mystieke kleur aan gegeven. Reeds in de vroegste oudheid gold het ei als een zinnebeeld van de vruchtbaarheid 1). Geen wonder, dat het niet ontbreken mocht op het groote lentefeest, dat van ontwikkeling en nieuw leven sprak, 't feest, dat invalt in den tijd als de bloemen ontluiken, de vogelen hun nesten bouwen, heel de schepping als het ware opstaat uit den doode. Eieren werden ten geschenke gegeven als nieuwjaarscadeau, — immers Maart was de le maand van 'tjaar. Zij werden als een soort van tiende aan de geestelijken gezonden; en wat den koster, tevens onderwijzer, betreft, deze ging elk jaar met een hengselmand bij de boeren rond, die hem ieder drie of meer eieren gaven — minstens drie, want „drie ei is een paascheiquot;. Dat hij nergens te vergeefs aanklopte, blijkt wel uit de zegswijze: „ergens zoo wisse van zijn, als de koster van zien Paoscheier.quot;

Vooral jongelieden gaven elkander paascheieren ten geschenke, dikwijls met een zelfde doel als nog bij ons een Sinterclaas-cadeau wordt gegeven; want het ei was ook een symbool van liefde en huwelijksgeluk. De Christenpredikers verhieven het, waar zij de bestaande gewoonten niet konden weren, tot symbool der opstanding. De Paascheieren waren meestal gekleurd. Wellicht vond deze gewoonte haar grond daarin , dat eieren eerst door de priesters werden gewijd. Een ei, door den priester gezegend, had genezende en onheilwerende kracht. De kleur aan de eieren gegeven stemde overeen met die van 't mis- en altaar kleed, welk laatste afwisselt naar gelang der feesten, die in de R. K. Kerk worden gevierd. Bovendien versierde men de eieren vaak met eenige voorstelling of een opschrift, zooals een lam, een engel, een Christuskindje, of wel een of andere „zinstaaiquot;, 't zij bijbelspreuk of rijm. Dat het eten van Paascheieren in zwang bleef, werd veroorzaakt, doordat oudtijds gedurende de vasten het eten van eieren was verboden. In Engeland heet de Zaterdag voor

1

) Door sommige buddhisten wordt dan ook het koken van eieren als zonde beschouwd , oiiidat op die wijze het daarin schuilende leven verwoest wordt.

ocr page 142

134

Aschwoensdag nog Egg-Saturday: op dien dag ging het verbod in. Geen wonder, dat, als de eieren weer op tafel kwamen, de vreugde groot was, bovenal van de jeugd, die dan ook aan die blijdschap lucht gaf, door reeds op Palmzondag te zingen:

Nog één Zondag, dan hebben wij een ei,

Een ei is geen ei,

Twee ei is één ei, »

Drie ei is een Paaschei. —

In sommige streken bestaat nog het zoogenaamde eiertikken.

Men komt samen op een daartoe afgezonderde plek; te Winterswijk kiest men de Wême, d. i. het pastori eland, te Wagenin-gen den zoogenaamden Paaschberg. De een tikt met de punt van zijn ei op dat van een ander, spits op spits of stomp op stomp. Wiens ei gekneusd wordt, die verliest. Vroeger was 't een vermaak voor oud en jong, nu nog alleen voor 't laatstgenoemde volkje.

Ook bestaat nog het eieren zoeken. De moeders, vooral in Duitschland, verstoppen hier en daar op 't veld in 't gras eenige groen gekleurde eieren, van welke den kinderen werd verteld, dat zij gelegd zijn door den Paaschhaas of Osterhasen. De haas stond van ouds onder bijzondere hoede vanOstera, „die Gottheit des strahlenden Morgens, des aufsteigenden Lichtsquot;, zooals Jacob Grimm in zijn „Deutsche Mythologiequot; zegt. De Germanen zouden dan ook een haas noch dooden noch eten, omdat het een heilig dier was. Volgens de legende was de haas oorpronkelijk een vogel, die door Ostera in een viervoeter gemetamorphoseerd werd. In verband met haar vroegeren bestaansvorm heeft zij het vermogen op het feest der godin eieren te leggen.

Genoeg om te zien, dat het ei in nauwe betrekking staat tot en onafscheidenlijk is geworden van het Paaschfeest - zóó zelfs, dat heden ten dage op Paschen noch op den welvoorzienen disch der grooten, noch op de schamel toebereide tafel van den arme het ei ontbreekt; vandaar ook, dat nog altijd het traditioneele netje met gekleurde, suiker-eieren een geschenk is, dat met begeerige handen en blijde oogen door onze kleinen wordt aanvaard.

Voorts verdient vermelding de gewoonte, hier en daar in Duitschland nog in zwang, om in den vroegen morgen van Paschen water te gaan scheppen, aan 't welk dan heilzame kracht wordt toegeschreven en dat bovendien wordt geacht schoonheid en geluk

ocr page 143

185

te kunnen aanbrengen. Wij hebben in dit bijgeloof waarschijnlijk een overblijfsel van het gebruik der priesteressen van Ostera, om in de lente zich in een bron te wasschen, terwijl zij daarmeê te kennen gaven, dat de godin op aarde nieuw leven wekt, gelijk het bad de lichaamskracht vernieuwt. Het Paaschicater moet gehaald worden uit een stroomende beek tusschen middernacht en zonsopgang. Ergens las ik hoe men daarbij pleegt te zeggen, b.v. een versje als onderstaand;

Dit water schep ik,

Christus' bloed aanbid ik,

Dit water en Christus' bloed Zijn voor zeven en zeventig soorten van koortsen goed.

In verband met het bovenvermelde staat de gewoonte om zich op Paaschmorgen te wasschen met den dauw, den regen of de sneeuw, die des nachts op een stuk linnen is opgevangen. — Een restje van het oude geloof schuilt zeker ook nog in de zorg van enkele huismoeders om vooral wat Maartsch sneeuwwater te garen, ten einde door wassching hiermeê de oogen van zich en de hunnen te versterken of te behoeden voor ziekte. —

Behalve bovenstaande zou nog een enkel Paaschgebruik kunnen worden vermeld. Genoeg echter om te doen zien, hoe men oudtijds op Paschen met blijdschap vierde den terugkeer van den zomer, nadat Moeder Natuur vol nieuwe levenskracht was opgestaan uit haren winterslaap. En nog is Paschen het feest van opstanding en herleving!

Palmzondag.

Dies Palmarum — deze was van ouds de herinneringsdag aan den feestelijken intocht van Jezus te Jeruzalem, bij welke gelegenheid door het volk met palmenmeien werd gewuifd tot zijn eer, terwijl van veel zijden het „Hosannahquot; hem tegenklonk.

De Palmzondag is in vele deelen van ons Vaderland nog niet vergeten; men denke slechts aan 't gebruik, hier en elders nog in zwang, om op de hoeken van een met koorn bezaaid bouwland op dezen dag palmtakken te planten als voorbehoedmiddel tegen hagel en ander onheil. Voorts kent ieder de Palmpaasch-takken, versierd met gebak en oranjeappel, en het zwaantje van koekdeeg, die op dezen dag don kinderen worden gegeven.

ocr page 144

136

In Vlaanderen hecht men nog groote waarde aan de gewijde palmtakjes, die, zooals 't volksgeloof zegt, onweder kunnen afweren.

De Paus wijdt nog telkenjare eenige palmen, die in processie rondom de St.-Pieterskerk worden gedragen.

Na bekend te zijn met bovenstaande en andere gebruiken, en wetende, dat de palm te allen tijde als zinnebeeld van overwinning is beschouwd, worden wij er toe geleid te vragen, of hier misschien vermenging ontstaan kan zijn van een Christelijk feest met een Heidensch, de zegetocht van Jezus naast de overwinning door den zomer op den winter behaald.

Sommige geleerden meenen dan ook, dat het palmfeest der Christenen van oud-Indischen oorsprong is en in verband staat met den ezelrit, die in Perzië bij gelegenheid var het feest der lente plaats vond, en bij welken men palmtakken droeg als zinnebeeld der overwinning (van den zomer op den winter).

Met dit laatste in verband kan wellicht te beter verklaard worden de naam, dien de Franschen aan Palmzondag geven, n.1. „Paques fleuriesquot;.

Paskwil.

Ieder weet, wat onder dit woord wordt verstaan, n.1. een smaad- of schotschrift, een beteekenis, die van lieverlede overging in een andere, n.1. een dwaas figuur of zonderling voorval, in welken zin het nog wordt gehoord uit den mond des volks.

Minder algemeen bekend zal zeker de oorsprong van het woord zijn, 't geen te verklaren is daaruit, dat het ontstaan is op Italiaanschen bodem.

Voor ruim 3 eeuwen n.1. leefde er te Rome een zekere schoenmaker, Pasquino geheeten, die in den omtrek bekend was om zijn vernuftige invallen en bijtende spotternijen, zóó, dat velen hem in zijn woning opzochten om hem te hooren.

Kort na zijn dood werd niet ver van zijn huis het beschadigde beeld van een Gladiator — zwaardvechter — opgedolven, 't welk in de nabijheid van die plek werd geplaatst. Het volk, voor 'twelk Pasquino nog geen vergeten doode was, gaf er aanstonds den naam van den schoenlapper aan en gebruikte het om er allerlei satyren, betreffende de gebeurtenissen van den dag, aan vast te hechten, ze als het ware Pasquino in den mond leggende. Niet

ocr page 145

137

ver van dit stond een ander beeld, Morforio (Martis forum?) genoemd. De beide mannen liet men samenspraken met elkaar houden ; op 't beeld van Morforio plakte men de vragen aan, op dat van Pasquino de antwoorden, een en ander tot vermaak van het volk.

Als een enkel voorbeeld van dit „vragen- en antwoordenspelquot; diene het volgende: Paus Sixtus V had een belasting gelegd op verscheiden levensmiddelen. Op zekeren dag nu zag men Pasquino, getooid met een nat hemd om het in de zon te drogen. Morforio vroeg hem: „Waarom wacht gij daarmee niet tot een volgenden dag?quot; 't Antwoord van Pasquino was: „Omdat ik geen tijd kan laten verloren gaan, want morgen moeten wij misschien belasting van de zonnestralen betalen!quot;

Eigen lardig is het op te merken, hoe in ons land het Erasmus-beeld soms de rol van Pasquino heeft vervuld. In 1747 en '48 en in 1785 —'95 droeg het de onderscheidingsteekenen van de toen bovendrijvende staatkundige partijen

Tijdens de Fransche overheersching — dit nog ten slotte — zocht de regeering alle mogelijke wapens en kanonnen in haar bezit te krijgen. Men eischte zelfs van sommige gemeenten, dat zij alle metaal, waar kanonnen uit te gieten waren, zouden inleveren. Zoo zegt men, dat de Keizer verlangde, dat Rotterdam aan het rijk het standbeeld van Erasmus zou afstaan, een eisch, die door de stedelijke overheid voor een som gelds werd afgekocht. Kort hierna vond men het volgende extempore aan den voet van 't beeld liggen:

„Hier sta ik nog, gelijk voor dezen

„Aandachtig in mijn boek te lezen;

„Maar had mij eens Napoleon,

„Zooals hij had gedreigd, gegoten tot kanon,

„Dan had ik, hiertoe afgezonderd,

„Hem zeker van zijn troon gedonderd!

De politie haalde het schimpvers weg, de maker er van bleef onbekend, maar 16 November 1813 prijkte Erasmus met een oranjestrik, waaraan het volgend rijmpje bevestigd was, dat men dezen Holiandschen Pasquin in den mond legde:

„Durft niemand nog Oranje dragen,

„Ik durf mijn ouden kop wel wagen!quot;

') Vergelgk hierbij het art. „Mithremquot;,

ocr page 146

138

De Pinksterbloem en de Luilak.

„Het was in enen sinxendage

„Dat beide bosch ende hage

„Met groen ende loveren waren bevaen.quot;

Rkinaert de Vos.

Tot de drie groote feesten van het oude Israël behoorde o. a. ook het Wekenfeest, dat juist zeven weken na Paschen werd gevierd en dat later, nadat het overgegaan was in de christelijke kerk algemeen genoemd is met den aan het Grieksch ontleenden naam Pinksteren (Pentecoste), d. w. z. het feest van den vijftigsten dag scl. na Paschen.

Dank zij mede zijn hoogen ouderdom, verbonden zich aan dit feest tal van eigenaardige gebruiken , die althans voor een deel nog niet zijn uitgesleten, maar hier en ginds — te platten lande bovenal — voortleven onder 'tvolk.

In de eerste plaats komt dan in aanmerking het zoogenaamd Pinksterbloem-zingen, 't geen in verband kan staan met, en overblijfsel kan zijn van de oude Floralia, 't lentefeest der Heidenen. Jonge meisjes kleedden een hunner vriendinnetjes in 'twit, en sierden deze „Pinksterftnadquot; — in Zwaben en den Elzas gaat de van top tot teen met bloemen en strikken en linten opgetooide PinksterArwaap rond — met bloemen en kransen en voerden haar rond, met het doel een aalmoes op te halen aan de huizen der gegoeden, onder het zingen van een of ander liedje, als:

Dao kum' wie met de pinksterbroet aon;

We kumt maer ienmael ien 'tjaor,

Aol, die ons nie geven wol.

Den kan ons laoten staon,

of :

Hier is die schoone vierpinksterblom')

Waar komt zij afgegangen.

Met een rozenkrans om haar hoofd,

Met twee geblazen wangen.

Pinksterblom Keer ou reis om'.

Een stuiver of een halve in de kom!

') Vier (ook wel lierde) moet volgens J. Winkler gelezen worden „vrouwquot;.

ocr page 147

139

Dat laatste, daar was het om te doen; jammer, dat ook hier spoedig misbruik werd gemaakt van hetgeen door milde hand werd gegeven. Dikwijls toch gedroegen de „pinksterblommenquot; zich al zeer onzedelijk, waarvan mede het gevolg zal zijn geweest, dat de overheid, b.v. van Amsterdam in 1612, van Haarlem in 1685, enz. het rondgaan met de „pinksterblomquot; verbood bij straffe van een goudgulden voor ieder kind, dat den ciertak — pinkster-boog — begeleidde. Niet zoo gemakkelijk echter was deze gewoonte uit te roeien. Behalve het plaatsen van „Pinkstermannenquot;, zooals de boerenjongens in sommige deelen van ons vaderland in den pinksternacht plegen te doen, en 't geen daarin bestaat, dat zij op het dak van het huis, waar een huwbare jongedochter woont, die nog geen vrijer kreeg, een stroopop plaatsen, een soort van bespotting. Behalve dit en tal van andere gebruiken, komt vooral in aanmerking het op Pinksteren — elders op Hemelvaartsdag (algemeen in zwang zijnde Dauwtrappen of Dauwslaan), de dauw heeft steeds een voornamen rol gespeeld in het volksgeloof — een gebruik, dat zeker wortelt in het geloof onzer heidensche voorouders, in den tijd toen deze uitgingen naar hun heilige wouden om daar hun godsdienstfeesten te vieren. Op den Pinkstermorgen n.1. begeeft men zich voor dag en voor dauw naar buiten om zich onder de boomen of in de weide te verlustigen in 't zachte lenteweer — waarbij gewoonlijk de drankflesch niet thuis gelaten wordt — en zich te tooien met bloemen, den Pinksterbloem, Ranunculus acris, en de Veldruut, aan Freia gewijd, bovenal.

Wie bij deze gelegenheid het laatst in het veld komt, is de luilak, voorwerp van aller bespotting, die elders pinkster-lummel of slaper wordt genoemd.

De luilak is nauw verbonden met het pinkstervieren. Immers ook bij andere gebruiken op dezen dag blijft hij niet onvermeld. Zoo vinden wij als Pinkstergewoonte der kinderen op sommige plaatsen, waar het vee lederen morgen door jongens en meisjes naar de algemeene weide werd gebracht, dat dit op den Pinksterdag met bijzondere vreugd geschiedde. Vooral kwam het er op aan toe te zien, welke koe het laatst werd gebracht, die dan des middags met groen gesierd in feestelijken optocht naar stad of dorp werd teruggeleid, terwijl de jeugd een lied er bij zong, als;

ocr page 148

140

Pinksterbroed ')

Oranje zoet,

Hoe zit je zoo diep in de veeren?

Had je wat eerder opgestaan,

Dan had je geen nood gekregen. —

Weer elders wordt het kind, dat aankomt met de laatst van stal gedreven koe, nufskoek of langslaper genoemd, terwijl het, ook versierd en onder veel getier, in gezelschap van den eerst-aangekomene — vroegrijp of dauwworm genoemd — binnen stad of dorp geleid wordt, terwijl de jeugd er bij zingt:

Nutskoek, zitst dou zoo diep in de vaerren,

Kanst het geroep niet heurren,

Hast dou geen oogies van kiekerdekiek Komst ja te laat met de koe'n op den diek.

De „luikak, slaapkopquot;, zooals het kinderdeuntje zegt, moet het steeds ontgelden — geen wonder, want immers het Pinksterfeest herinnert aan de komst van den zomer met zijn gouden morgenstond, zijn bloemen en zijn oogst, het „feest der eerstelingenquot;, dat spreekt van nieuw leven, daarbuiten op den akker, en daarbinnen in het menschengemoed. Die beteekenis is blijvend, al is het waar, dat de meesten der eenmaal algemeen in zwang zijnde gebruiken bezwijken moesten voor de macht des tijds:

„Ach, Klisseboer en Pinxterblom!

„Geen hunner zien wij ooit weêrom.

„Zoo gaat het, laas! met de aardsche dingenquot;2).

Het Rozekruis en de Rozekruisers.

Waar ik over dit onderwerp eenige regels ga neerschrijven, is het noodig, u, bij wijze van inleiding, te herinneren aan de in vroeger eeuwen beoefende kunst, die wortelde in bijgeloof ter eene, in hebzucht ter andere zijde, en die aangeduid wordt met den naam Alchemie. Waarschijnlijk hangt dit woord samen met den eigennaam Chemia, waarmede eertijds Egypte werd ge-

') d. i. bruid, volgens anderen heet het Pinkster-bloed, d. i. luiaard. J) Mr. J. v. Lennep, uit eeu brief van (j Jan- 18G7.

ocr page 149

141

noemd Via Arabië is het woord alchemie tot ons gekomen en duidt aan de geheimzinnige kunst om onedele metalen, zooals tin, lood, enz. in edele metalen, goud en zilver, te veranderen, en daarbij de kunst om een algemeen geneesmiddel te vinden, dat alle ziekten voorkomen of verdrijven kon. Het middel, waardoor het een zoowel als het ander zou worden verkregen, duidde men aan met de woorden: steen der wiizen, terwijl zij, die dat middel zochten, alchemisten werden genoemd, onder welken o.a. bekend zijn geworden Raimund Lullus (begin Ié116 eeuw) Augarelli (laatste helft 15ae eeuw), Barnaud (16dc eeuw) en vele anderen.

Verscheiden vorsten in de 15a,:, 16ai; en \lie eeuw waren mede ijverige beoefenaars dezer zoogenaamde wetenschap en hadden dan ook alchemisten aan hun hof.

Van het begin der 17de eeuw dagteekent een heftig verzet tegen de beoefenaars dezer geheime kunst, hetgeen aanleiding gaf tot velerlei geschrijf zoowel voor als tegen de zaak.

Merkwaardig is, onder de vele geschriften dienaangaande, hetgeen in 1614 een Luthersch godgeleerde Johann Valentin Andrea uit Tübingen in 't licht gaf onder den titel „Fama Fraternitatis Bosae Crucisquot;, bevattende een dichterlijke uiteenzetting van de broederschap der Rozekruisers, van welke vereeniging de schrijver dan ook beschouwd wordt de stichter te zijn. Wat den naam roze-kruiser betreft en zijn oorsprong, daarover loopen de meeningen uiteen. Zekere Naudé brengt hem in verband met Christian Rosenkreutz, die leefde in de lö*10 eeuw, en van eenige toovenaars geheime kunsten leerde. Na zijn dood — zoo zegt het verhaal — in 1484 werd zijn lijk neergelegd in een spelonk, waar het, volgens een orakelspreuk 120 jaren later moest worden teruggevonden.

Toen die jaren verloopen waren zag de bovengenoemde Andrea aan den ingang eener grot een steen, die doorboord was. Hij lichtte dien steen op en vond het lijk , dat in de hand een boek hield, waarin met gouden letters geschreven stond: „in mijn leven heb ik rijke schatten verworven, maar ze begraven . toen ik zag, dat mijn eeuw niet waard was ze te bezitten; ik laat nu aan 't nageslacht over die schatten te ontdekken.quot; —

') Kemi — in het Grieksch Chémia — beteekenï de zivarte, d. w. z. de vruchtbare grond, in tegenstelling met den rooden, dorren woestijngrond, die Tescher heette.

ocr page 150

142

Een andere afleiding van 't woord rozekruis wordt gegeven door hen, die meenen er in te moeten lezen een samenstelling van kruis en ros, welk laatste woord dauw zou beteekenen, — het latijnsche woord ros is inderdaad ons dauw, en deze heeft altijd in 'tbijgeloof een voornamen rol gespeeld, daar de alchemisten meenden, dat hij een krachtig werkend middel was tot oplossing van metalen. —

Een derde verklaring gaat uit van 't feit, dat de leden van genoemd genootschap zich noemden Broeders van de Rooze Cruyce, en als teeken of zinnebeeld zich kozen een roos van doornen omringd, met een kruis er over heen en het randschrift er om: „Crux Christi, corona Christianorumquot;, d. i. „het kruis van Christus , de kroon der Christenenquot;, een symbool, dat misschien in verband kan gestaan hebben met het familiewapen van Andrea, dat bestond uit een kruis met vier rozen').

Liever echter dan verder over den naam en zijn afleiding uit te weiden, keeren wij terug tot de broederschap zelve. Nadat er heel wat voor en tegen de zaak geschreven was, verschenen o. a. van de hand van Andrea twee geschriften onder den titel „Mythologia Christianaquot; en „Turris Babelquot;, die dienen moesten om bekend te maken dat alles, wat hij in zijn „Fama, enz.quot; schreef, slechts een grap en de geheele broederschap een kind zijner verbeelding was.

Hij zelf stichtte nu een „Christelijke Broederschapquot;, die ten doel moest hebben godsdienst en misbruiken, uit bijgeloof gesproten, van elkander te scheiden en ware vroomheid te kweeken. Maar dit nam niet weg, dat nu door enkele dwepers inderdaad een genootschap van Rozekruisridders werd in het leven geroepen, dat allengs in omvang toenam en zich weldra verbreidde over geheel Europa. Maar ook hier kwamen na dagen van bloei, tijden van verval, welke laatste duurden tot in de tweede helft der 18de eeuw, toen het geheim verbond der rozekruisers weder scheen te zullen herleven; zijn opkomst werd in de hand gewerkt door de opheffing van de orde der Jezuïeten en door de bemoeiingen van den beruchten Cagliostro — geb. 1743, in 1791 door den Paus als ketter tot levenslange gevangenschap veroordeeld en overleden in 1795 —. Hun streven was de menschheid door bespiegelingen over de geheimen des levens terug te brengen tot de

') Vergelijk hierover het art.: „Verklaring van enkele symbolenquot;, voorkomendein „het Rozekruisquot;, Jrg. 1 aü. 10.

ocr page 151

143

alleen zaligmakende kerk. Zij beweerden, dat allen, die tot den negenden of hoogsten graad waren opgeklommen — de zoogenaamde Magi — alle geheimen der natuur konden verstaan en macht hadden over engelen, duivelen en menschen.

De voornaamste der apostelen dezer nieuwe rozekruiserij was zekere J. G. Schrepfer, die door zelfmoord een eind maakte aan zijn leven vol bedrog; na hem komt in aanmerking J. R. Bis-schofswerder, die voor zich en zijn denkbeelden Koning Frederik Willem II wist te winnen.

Van het oogenblik echter, dat Prins Frederik van Brunswijk, in wiens paleis de Rozekruisers hun alchemistische proeven deden, tot beter inzicht kwam en de heksenkeuken liet afbreken, dateert hun val; immers 't duurde niet lang of in hoofdzaak althans was het met de Rozekruiserij gedaan !

Stille Saturdag.

In Jeruzalem was eertijds op dezen dag een eigenaardig gebruik in zwang, hetwelk hierin bestond, dat de geloovigen in grooten getale naar de kerk van het heilige graf zich begaven, om daar te wachten op de nederdaling van het gewijde vuur uit den hemel, dat dienen moest om alle lichten in de bedehuizen, die Goeden Vrijdag uitgebluscht waren, weer aan testeken. Des namiddags trad Jeruzalem's Patriarch het heilige graf binnen, de hand vol kaarsen, om ze daarna weer brandende te voorschijn te brengen, waarna van alle kanten de geloovigen samenliepen om aan dat licht hun kaarsen aan te steken. In de 12deeeuw, zegt de overlevering, hield dit nederdalen van het „wondervuurquot; op, tot straf voor de misdaden, door de kruisvaarders bedreven.

De Scarabeüs of heilige kever.

In geen oudheidkundig museum, dat een of meer zijner zalen afstond voor al wat betrekking heeft op het oude Egypte, zullen ontbreken eenige afbeeldingen uit verschillende steensoorten gehouwen van den Ateuchus Sacer of Mestkever.

Men wete n.1., dat bij geen ander volk ter wereld de dieren-vereering tot zulk een hoogte is geklommen als bij de bewoners

ocr page 152

144

van de Nijlboorden, wier mythologie in verschillenden vorm twee hoofdgedachten weergeeft, waarvan de eene is het geloof aan de overwinning van het licht over de duisternis en van het leven over den dood. De overwinning van het licht op het duister wordt duidelijk voorgesteld in den strijd van Ra, den god van Heliopolis, hoofdgod van Egypte, tegen de slang Apap. — Als gestalte van Ra, den zonnegod, moet o.a. aangemerkt worden Chepra, de schepper, die zich steeds verjongende. Gelijk de Grieken Helios voorstellen in den zonnewagen, zoo voer Ra in de zonnebark; de scarabeé was zijn symbool.

Deze kever maakt uit mest kogeltjes, waarin zij haar eieren wikkelt, een bijzonderheid], die oorzaak was, dat de Egyptenaren dit dier — ook om zijn ronden vorm en zonachtigen glans — beschouwden als symbool van het ontstaan of worden, en het als zoodanig hoog vereerden.

Vandaar dat men in de graven der Egyptenaren tal van Sca-rabeën vindt, meegegeven met dezen zin: zooals bij den ateuchus het onaanzienlijk omhulsel in zich den kiem bevat van een nieuw leven, zoo bevat de mummie de kiem van een nieuw bestaan. In het boek van het uitgaan op den dag, of zoogenaamd Dooden-boek, of boek der opstanding, vinden wij behalve de noodige voorschriften omtrent de balseming, een verzameling van teksten, die door hun magische kracht den doode op zijn reis naar de eeuwigheid de overwinning zullen verzekeren, terwijl er aan toegevoegd wordt de aanwijzing (omtrent eenig hoofdstuk): dit moet worden geschreven op een Scarabée van zuiver goud en geplaatst worden in de holte van het hart van den doode. — Zie ook Riehm in zijn Bijbelsch woordenboek. — Zoo ging de Scarabée dienst doen als amulet, en, eenmaal als zoodanig aangenomen, laat zijn groote verspreiding zich verklaren. De Magiërs droegen deze afbeeldselen op het lichaam en zagen er het middel in, dat zelfs de hevigste koorts kon genezen. Ook weerden zij hagel en verwoesting af. Daarbij werden op deze afbeeldsels eenige teekens of hieroglyphen aangebracht en ook wel den troonnaam van den Pharaö, onder wiens regeering de persoon leefde, wien de Scarabée toebehoorde. Tot die symbolische teekenen behooren vooral de gitaar, symbool der schoonheid, een struisveder, symbool der waarheid, enz.

De meeste dezer heilige steentjes zijn doorboord, ten einde zij, aaneengeregen, als halssnoer gedragen kunnen worden.

ocr page 153

145

Voor de Egyptologen, die zich bezig houden met de navor-sching van al wat op dit merkwaardig land en volk betrekking heeft, zijn de Scarabeën van groote waarde, in zooverre-zij ook door hun inscripties bijgedragen hebben en nog bijdragen kunnen tot beter kennis van land en volk.

Die meer over dit onderwerp lezen wil, raadplege o. a. J. J. Bellerman; „die Scarabaen-Gemmen.quot;

Ten slotte citeer ik nog de schoone verzen van Bilderdijk uit zijn „Waarachtig goedquot; (195—202):

„Maar, onding in 't Heelal, in duisterheên omwikkeld,

„Wat poogt gij? 't Is om niet, zoo u de weetlust prikkelt.

„Egyptens godenbeeld (den kevertor) gelijk,

„Die, wriemlend langs den grond, uit vuil en walglijk slijk

„Zich wereldkloten') rolt van loutre nietigheden,

„Door dwazen, op hun kniên belachlijk aangebeden;

„Zoo vormt ge u stelsels van de wording van 't Heelal,

„Van wezen, ruimte en tijd en noodzaak en geval.

„Wat zoudt ge, o blinde, 't licht, wat zoudt ge 'tzyjn verklaren!...

Zeldzame schoonheden.

Het schoonste en kostbaarste product, dat het delfstoffenrijk oplevert, is het Diamant, dat de eerste plaats inneemt in de rij der edelgesteenten. Vriens neemt onder de door hem, aan zijn academisch proefschrift toegevoegde, stellingen deze op: „Waarschijnlijk komt de koolstof in het inwendige der aarde als diamant voor.quot; In den naam „diamantquot; ligt uitgedrukt de eigenschap, welke geen andere steen met dezen pronksteen gemeen heeft, n.1. zijn verbazende hardheid, die hem in staat stelt alle edelgesteenten en ook glas te kunnen krassen, terwijl hij zelf door geen anderen steen kan worden gesneden.

De Oostersche diamanten zijn de schoonste; beroemd zijn de groeven van Visapour, Golconda en Bengalen. Die uit Brazilië zijn minder in waarde, terwijl de Europeesche bij de andere verre ten achter moeten staan. De kunst van het slijpen van dezen

') De dichter zinspeelt hier op de bovengenoemde mestkogeltjes, waarin de kever haar eieren wikkelt.

Drijver, Mozaïek. 2' druk. -10

ocr page 154

146

steen werd in 1450 te Brugge uitgevonden door Lodewijk van Bergen, terwijl aan den Amsterdammer Delbeek de eer toekomt het eerst het klooven te hebben bewerkstelligd. De kunst van het graveeren in diamant werd allermeest, en naar ik meen, bij uitsluiting, beoefend door den in 1883 overleden M. C. de Vlies Jr., in leven Ridder der Orde van de Eikenkroon en lid der Kon. Acad, van Beeldende Kunsten. Wie het genoegen had den veelzijdig ontwikkelden, te weinig gekenden man te ontmoeten in zijn nederig, verscholen atelier aan het Koningsplein te Amsterdam, zal niet anders dan met eerbied zich den grijzen Israëliet herinneren, wiens helderheid van geest en wiens humaniteit bewondering en waardeering afdwongen. Naar ik meen, heeft hij het beeld van wijlen Z. M. onzen Koning gegraveerd op den steen, door dezen Vorst der Koningin ten geschenke vereerd.

Langen tijd waren de diamanten in Europa zeer zeldzaam; de eerste vrouw, die er zich mee versierde, moet Agnes Sorel zijn geweest, die in 'tbegin der 15e eeuw in Frankrijk leefde.

Enkele zeldzame schoonheden onder de diamanten zijn om hun geschiedenis algemeen bekend.

Zij zijn in de eerste plaats de Sancy, de Regent en de Kust van Bretagne. De eerste der genoemden moet dezelfde steen zijn, welken Karei de Stoute o. a. in den slag bij Nancy droeg. Een soldaat, die het lijk van dezen vorst plunderde, vond en verkocht den edelen steen, hoewel voor geringen prijs. Hij werd eenigen tijd later 't eigendom van zekeren Harlay de Sancy, die, terwijl hij zich als gezant in Zwitserland bevond, om Hendrik IV te redden uit zijn geldverlegenheid, den steen verpandde. Hij zond later zijn dienaar naar Parijs om het pand te halen, niet nalatende den man op 'thart te drukken, dat hij alle zorg zou in acht nemen voor den kostelijken schat, hem toevertrouwd. Met een: „Zij zullen eer mijn leven hebben dan den diamant,quot; stelt deze zijn gebieder gerust. Op den terugtocht werd de bode overvallen, en inderdaad verkeerde het kleinood in groot gevaar. De trouwe dienaar weet raad; hij slikt den steen in. Later liet Sancy zijn kamerknecht opgraven en opereeren, en nog intijds werd de schat gevonden. — Ik betwijfel, of iemand voor de waarheid van dit verhaal wil instaan. — Later kwam dezelfde steen in handen van Jacobus I van Engeland, door wien hij eigendom werd van de ongelukkige Henriëtte van Frankrijk, vrouw van Karei I, die

ocr page 155

147

bi) haar vlucht naar Frankrijk dit juweel met den „Spiegel van Portugalquot; medenam.

In 1650 werden beide steenen het eigendom van Mazarin, die ze bij testamentaire beschikking met zestien anderen vermaakte aan de Kroon. De achttien steenen te zamen zijn bekend onderden naam „de Mazarijnen.quot; -

Merkwaardig is het, dat deze kostbare steen op zekeren keer bijna voor eenige knikkers verkwanseld was.

Prinses Mathilda bezocht eens in gezelschap van Jules Janin het Louvre-museum. Daar het warm was, ontdeed zij zich van haar sjaal, gaf de broche, die op dit kleedingstuk gehecht was, aan haar geleider te bewaren, zonder bij het heengaan aan het kostelijk sieraad van edelsteenen, tusschen welke zich ook de Sancy bevond, te denken. Janin had de broche in zijn wit vest gestoken, den volgenden dag was dit naar de waschvrouw gebracht, waar de steen bijna verloren ging, die op Vj* millioen frs. geschat werd. Toen de schrijver van de „Debatsquot; in angstige gejaagdheid het vertrek der waschvrouw binnensnelde, ontdekte nog juist bij tijds zijn oog het verloren kleinood, waaromtrent een paar kleine kleuters aan het onderhandelen waren; het zou juist verkwanseld worden voor een____handvol knikkers.

In do tweede plaats noemden wij den Regent of Pitt, welke algemeen voor de schoonste der bestaande diamanten wordt gehouden. Hij werd in 1702 in de groeve van Porteal in Oost-Indië door een slaaf gevonden, die hem verborg in een insnijding, daartoe door hem in zijn dij gemaakt — Dit behoeft niemand te bevreemden, als het waai' is, wat „Le Figaroquot; indertijd meedeelde, dat n.1. de zeeroovers in Tonkin hun geld en edelgesteenten verstoppen onder de huid van hun dijen; eenige onderzochte lijken brachten deze merkwaardige spaarpotten, „portemonnaies en cuir de Tonkinquot;, aan den dag. — Hij deelde zijn geheim aan een matroos mede, hopende, onder belofte van een goede belooning, door dezen in vrijheid te zullen worden gebracht. Van dit vertrouwen werd misbruik gemaakt: de matroos vermoordde den slaaf, nam den steen in bezit en verkocht hem aan den Gouverneur van 'tfort St.-George, Pitt geheeten. Deze verkocht hem op zijn beurt met goede winst — n.1. voor 1 620 000 gld. — aan den Regent van Frankrijk.

Alleen het slijpen van dezen steen, dat twee jaren duurde, kostte honderdduizend franken. Bij de plundering der Tuilerieën

10*

ocr page 156

148

in 1792 werd de steen gestolen, maar later teruggevonden. Napoleon beleende hem in 1797 met andere steenen van de Fransche Kroon bij den koopman Treskow te Berlijn. Voor don Regent alleen kocht hij 3000 paarden. Toen Napoleon keizer was, lostte hij de diamanten weer in, waarna de Regent tot versiering op zijn degen werd aangebracht.

Een derde van de „joyaux de la couronnequot; is de „Kust van Brelagnequot;, die in waarde gelijk stond met de geheele stad Calais. Hij is o. a. gedragen door Catharina de Médicis.

Bij den dood van den geldschieter van Hendrik III, Legrand, betwistten meer dan vijf en twintig erfgenamen elkander 't bezit. In 1665 werd aan de procedure een eind gemaakt door Colbert, die den steen in beslag nam ten behoeve van den Staat.

Lodewijk XV versierde er zijn halsketen van het Gulden Vlies mede.

Behalve deze Kroonjuweelen ') zijn vermaard om hunne zeldzame schoonheid en hooge waarde de Orlof en de Kohinoor.

De Orlof, bijgenaamd de Amsterdammer, — Laurillard noemt hem in zijn Sprokkelhout den Kandaicassy — behoorende aan de Kroon van Engeland, was vóór eeuwen een der oogen van 't beeld van den Sheridan in een tempel van Brahma. Later versierde hij den gouden troon van den Sjah Nadir van Perzië.

Bij diens dood werd hij door een Fransch grenadier gestolen, die hem verkocht aan een Hollandsch scheepskapitein, welke hem op zijn beurt met aanmerkelijke winst aan den Armeniër Sjafras te Amsterdam overgaf. Deze verkocht hem aan den Russischen graaf Orlof, die hem ten geschenke gaf aan Catharina II, wier gunsteling hij was. Haar zoon Paul I heeft met dezen steen, welks waarde op P/a millioen geschat wordt, den Russischen scepter, vervaardigd in 1797, versierd.

In de laatste plaats noem ik nog den Kohinoor, „berg des lichtsquot;, — in 't Zondagsblad van 't Handelsblad de „parvenu onder de diamantenquot; genoemd — die een tijdlang het tweede oog moet geweest zijn van bovengenoemd beeld.

Reeds sedert de 14de eeuw behoorde hij aan de Rajah's van Malacca. De Engelsóhe soldaten maakten hem in 1850 buit bij den opstand der Sikhs en zonden hem aan Koningin Victoria.

') Die meer weten wil aangaande de Fransche Kroondiamanten, raadplege het werk van G. Pabst, „Histoire des joyaux de la couronnequot;.

ocr page 157

149

Eenige jaren geleden publiceerde Maharadja Dhuleep Singh in de Engelsche bladen een door hem aan Koningin Victoria gericht schrijven, waarin hij o. a. den Kohinoor opeischt, of een billijke vergoeding in geld verlangt voor den kostbaren steen.

Engelands Koningin zal zeker nog niet bereid zijn, aanstonds aan dien eisch te voldoen!

In 1852 liet zij dezen steen slijpen door de destijds beroemde, naar Londen ontboden Amsterdamsche diamantbewerkers Voorzanger en Fedder.

't Is te hopen, dat ons land, met name de hoofdstad, den ouden roem zal kunnen blijven handhaven in dezen tak van industrie, die aan zooveel handen werk geeft en niet geringe winsten afwerpt.

Van Scylla in Charybdis.

Om aan te duiden hoe iemand, het eene kwaad willende vermijden , juist daardoor in het andere verviel, — „van den wal in de sloot geraaktequot;, zooals het algemeen uit den mond van 't volk wordt gehoord — hadden de ouden een zegswijze, die in hunne taal heette:

„Incidit in Scyllam, qui vult vitare Charybdin't welk in onze taal luidt: „hij vervalt op de Scylla, die den Charybdis vermijden wil,quot; of korter en meer gebruikelijk, ook nog heden: „van Scylla in Charybdis!

De oorsprong van deze uitdrukking is als volgt:

In de straat van Messina, die, zooals bekend is, Sicilië van Italië scheidt, bevindt zich een rots of klip, bij de ouden bekend en ten zeerste gevreesd om de vele onheilen, die zij aan zeevaarders had berokkend. Tegenover deze Scylla, thans Sciglio geheeten, bevindt zich de Charybdis, thans Calofaro, een draaikolk, insgelijks van groot gevaar voor den schepeling, 't Gebeurde dikwijls, dat de zeevaarder, om de gevreesde draaikolk te vermijden , verviel op de nabijzijnde rots, of omgekeerd.

Volgens de fabelleer was Charybdis een dochter van Neptunus en Gea of de Aarde, die om haar gulzigheid door Jupiter in de zee werd geworpen, waar zij in een draaikolk herschapen werd, en ieder schip, dat haar naderde, in den afgrond sleepte en verslond.

En wat de Scylla betreft, verhaalt de fabel, dat zij een mon-

ocr page 158

150

ster was, dat zich op de klippen tusschen Italië en Sicilië ophield, een monster, dat met zijne zes lange halzen zes koppen uitstak, gereed om de voorbij varenden te verslinden. Ulysses, door de genoemde zeeëngte varende, trachtte het monster af te weren, doch verloor bij dit werk zes zijner metgezellen.

Thans is voor den meer dan in vroeger dagen ervaren zeeman met zijn beter gebouwd schip deze zeestraat niet meer zoo gevaarlijk te achten als voorheen, maar desniettegenstaande blijft voortleven — en zeker niet het minst onder een zeevarend volk als het onze — de herinnering aan vroeger tijden, toen het geen zeldzaamheid was voor een schepeling, wat nu nog wel gebeurt op de „groote vaartquot; door dit leven, dat iemand vervalt van Scylla in Charybdis.

September of Herfstmaand.

Zoowel de Latijnsche als de Hollandsche benaming van de negende maand laat in duidelijkheid niets te wenschen over. Toen Maart nog als eerste gold, was September natuurlijk de zevende; het Latijnsche Septem beteekent ons zeven.

In de negende maand rekent men , dat de herfst begint, en daar is veel voor te zeggen. Wel geeft September ons dikwijls nog mooie dagen, maar dit neemt niet weg, „dat de r in de maand is,quot; en geen woord bestaat er, waar een r in voorkomt of het heeft iets beweeglijks, veranderlijks in. Maar het woord rust dan, vraagt gij, en gij meent aanstonds die r-redeneering in duigen te hebben geworpen! Niet alzoo! Ik heb eens een geleerde hooren beweren, dat dat woord samengesteld is uit twee deelen, een r en ust, dat wil zeggen; eerst beweging en dan st (stilte)! „Aardig gevonden,quot; zei mij later een ander, „maar de persoon, die zulke aardigheden vertelde, was geen geleerde, anders zou hij geweten hebben, dat rust en het Hoogduitsche Rahe niets met „rquot; en „stquot; te maken hebben.quot; (Zie ook Art. Volksetymologie.)

Zooveel is zeker, dat September nog al veranderlijk is, hetgeen deze maand gemeen heeft met haar zeven zusjes, die ook een r in den naam hebben; de welbekende October, November, December, Januari, Februari, Maart en April, welk achttal eigenlijk alleen goed is om ons op oesters te tracteeren (waar

ocr page 159

151

tegenover staat, dat in deze „r-maandenquot; de kreeft minder aanbeveling verdient, overeenkomstig den regel: „mensibus, in quibus R, non bonus est Cancerquot;, d. w. z.:

„Als ge in de maand een R ontmoet.

Dan is geen kreeft om te eten goedquot;).

Daardoor is er dan zeker ook weer zoo iemand, die zich taalkenner noemde, toe gekomen om het woord huitres — de Fransche naam voor ons oesters — af te leiden uit Imit r's, acht r's, en zoo zou 't woord zooveel beteek enen als „eetbaar in de acht maanden, die een r in den naam hebben.quot;

Maar die dat het eerst vertelde, en die het later navertelde, gaven blijk, dat zij geen taalkenners waren, want het is genoegzaam bekend, dat het Fransche woord huilre en ons oester regelrecht komen van het Latijnsche ostrea en het Grieksche ostreon, dat zooveel als ons „schaaldierquot; beteekent.

Doch wij zijn daar bijna geheel van ons onderwerp afgedwaald. Ik moest nog hebben gezegd, dat September ook wel speltmaand wordt genoemd, omdat de spelt nu gemaaid wordt, en evenmaand, omdat de zon nu in den evenaar treedt. In het Angelsaksisch heet zij Haligmanoth, heilige maand.

Wat het woord herfst betreft, Tuinman o. a. zoekt erin: een samentrekking van her-oest, tweede oogst; maar dat is wel wat ver gezocht! Het Engelsche woord harvest brengt ons wat dichter tot den waren oorsprong. 'tZal afstammen van een woord, dat verwerven, vergaderen beteekent. Maar 'twordt tijd, dat wij van al die taaiexercities afscheid nemen. Wij doen het echter niet dan na nog even er aan herinnerd te hebben, hoe de negende maand een slechten naam heeft gekregen door de beruchte revolutie uit het laatst der vorige eeuw. De bloedige dagen beginnende met en volgende op 2 September 179^ zijn oorzaak geweest, dat het werkwoord „septembriserquot; is ontstaan, waaronder sinds begrepen wordt het aanrichten van moordtooneelen; 't is ook synoniem geworden met guillotiaer.

De moordenaars zelf noemde men Septembriseurs; de beruchte „brigandsquot;' kweten zich als ware bloedhonden van hun taak; hun loon, uit de gemeentekas betaald, bedroeg soms 24 fr. voor eiken dag werkens.

Het mag zeker als bekend verondersteld worden, hoe later dit bloedbad gesteld is op rekening van Robespierre, over wiens val

ocr page 160

152

de vreugd dan ook algemeen was. Misschien minder bekend is de wijze, waarop die val bekend gemaakt werd aan eenige gevangenen, die op het dak van hun kerker waren geklommen om te zien, wat de groote beweging op de straten beduidde. Een vrouw, van de straat af hun vragende blikken verstaande, wees eerst naar haar japon (robe), toen nam zij een steen {pierre) in de hand en maakte daarna met den wijsvinger een zekere beweging om den hals, welk een en ander (proeve van gebarentaal!) aanstonds in de hoogte begrepen en met gejuich begroet werd.

Sinterklaas.

„Uw liefde heeft uw naam de onsterflijkheid gegeven.

„En had de wereld slechts wat beter u verstaan,

„Uw geest van weldoen en van liefde meer begrepen!quot;

De Génestet.

Tot de eigenaardigste onzer feestdagen behoort zeker in de eerste plaats de zoo algemeen door jongen en ouderen gevierde Sinterklaasdag — eigenlijk Sint-her-Klaas of heilige heer Klaas. Ten onrechte heeft men vroeger den oorsprong van dien dag gezocht in den door de Roomsche Kerk als heilige vereerden Nicolaas, bisschop van Myra (een zeestad in Lydië), tijdgenoot van Constantijn, gestorven in 327 en begraven in de kerk van den heiligen Stephanus in Apulië. Zijn gebeente moet daarheen gebracht zijn door Napelsche kooplieden, die het in 1087 roofden uit een klooster op den Sionberg, nabij Myra. Het schijnt, dat winstbejag hen tot dien roof heeft gedreven; immers volgens de legende vloeide langen tijd een zekere olie uit het gebeente, die groote geneeskracht had. In elk geval ligt een onwaarheid uitgesproken in de bekende versregels:

„Hee ligt in de kark van Romen „Mit sien beide beentjes bloot,quot;

gelijk de kinderen in Oost-Friesland zingen.

Oorspronkelijk een Oostersch Kerkheilige, werd hij later ook in het Westen vereerd, te beginnen omstreeks de 9dc eeuw. In de Rijnstreken vooral werd hij zeer populair. De uitgewekenen uit ons land brachten in de n'1quot; eeuw het Sinterklaasfeest over naar of deden het herleven in Oost-Friesland, waar het sinds

ocr page 161

153

met niet minder luister dan te onzent gevierd werd, zóó, dat de „Weihnachtsmannquot; heel wat te doen heeft gehad om over Sinterklaas te zegevieren. Ook daar, met name in Emden, heeft de overheid, o. a. in 1667 de noodige gebodsbe)gt;alingen uitgevaardigd, hetgeen niet beletten kon, dat de jeugd haar deuntje bleef zingen;

„Öünderklaas, dat is een Edelmann,

Een Edelmann is hee,

Hee het een Brook van Krinten an,

Een Eock van Riesebree.

Sien Oogjes sünt Rosientjes,

Sien Haar is van Sötholt,

Sien Lippen sünt van Sükkergood,

Sien Wangen sünt van Gold.quot;

En al die vereering dankt de eerbiedwaardige man aan de verschillende legenden, die zich aan zijn naam hebben vastgehecht.

Zoo heet het in de „Gulden Legende van de Roomsche Kerkquot;:

St. Nicolaes, een borger van Patras,

So haest as hy van Moijer geboren was,

Stont op syn koten, hy soogh 's weeks tweemael,

's Woensdaeghs ende 'sVrydaeghs; voirts was hy'teenemael

Van der jeught aen godsdienstigh . . .

Men verhaalt van den Bisschop, dat hij eens een storm had voorspeld en later door zijn gebed de zee tot bedaren bracht, een daad, die hem verheven heeft tot schutspatroon van allo zeevaarders; vandaar dat in tal van zeesteden, die hem als schutsheilige vereerden, zooals Stavoren, Kampen, Amsterdam, te zijner eere kerken en kapellen werden gesticht, terwijl in noodweer de zeevaarders hem aanriepen. Wat deze kapellen betreft, hier hingen, naar de wijze der ouden, de zeevaarders, pas ter reede gekomen, 't nog vochtig gewaad aan den wand als een offer van dank voor hun behoud, een gebruik reeds in de vroegste tijden in zwang — gelijk het dan ook bij Ho rati us (Carminum Lib 1. 5) heet:

......Me tabula sacer

„Votiva paries indicat uvida „Suspendisse potenti „Vestimenta maris deo.quot;

ocr page 162

154

Dat wil zeggen:

„Wat mij betreft, de heilige tempelwand legt door een votief-tafel getuigenis af, dat ik de natte kleeren heb opgehangen ter eere van den machtigen god der zee.quot; —

Van die vereering van St.-Nicolaas als schutspatroon der zeevaarders is gebruik gemaakt door de Beiersche monniken, die nog geen eeuw geleden, St.-Nicolaasbroodjes bakten, welke zij verkochten met een gedrukt briefje er bij, waarop te lezen stond, dat dit gewijde brood de baren der zee tot bedaren kon brengen, bovendien voorbehoedmiddel was tegen bliksem, brand kon blus-schen en koorts genezen. — Zie; Volksverhalen en Legenden door M. D. Feenstra, Groningen 1843.

Voorts werd St.-Nicolaas vereerd als kindervriend, zoodat dan ook in een Dordsche rekening van 1360 voorkomt: „op St. her JS'yclaes dach 1 L aan die schoelers voer her oerlof,quot; waaruit blijkt, dat de kinderen dien dag vrijaf kregen en bovendien nog een snoepduitje.

Dat de oude bisschop bovenal als kindervriend vereerd wordt, heeft misschien zijn grond in de legende, die verhaalt, hoe hij eens een drietal kinderen — die, om hun honger te stillen, mosselen zochten en zich te ver in zee gewaagd hadden — redde van een wissen dood.

In de llie eeuw werd op meer dan één plaats, o. a. te Dordrecht (in 1657), het Sinterklaasfeest door het heerschend strenge Calvinisme als superstitious geweerd, gelijk in een Delftsche keur van 1600 verboden wordt den 5'lcn December op 't marktveld kramen op te slaan, „in welcke craemen vercoft worden ver-scheyden goederen, die men den cleynen kinderen dyets maeckt dat den zelfden Nicolaes henluyden geeft, twelck een saecke is nyet alleen strydend ende teghens alle goede ordre ende politye, maer oock de luyden afleidende van de ware godesdyenst, ende streckende tot waengeloof, superstitie ende afgoderije.quot;

Niettegenstaande deze verbodsbepalingen is 't St.-Nicolaasfeest in zwang gebleven, gelijk ook nog in N.-Brabant o. a. de zoogenaamde „klottennarktquot; bestaat, zijnde een aaneenschakeling van kramen, waar allerlei snuisterijen en snoepgoed wordt te koop geboden. (Kletteren, op klompen loopen, zooals de mindere man daar nog doet.)

Was de heilige alzoo vriend van zeevaarders en kinderen, niet minder werd hij als beschermer der jonkvrouwen geëerd; een eer,

ocr page 163

155

die hem te beurt is gevallen naar aanleiding van de legende, dat eens de bisschop de drie dochters van een verarmd man had bewaard voor 't hen dreigend gevaar van onzedelijken levenswandel door drie avonden achtereen de gelden, benoodigd voor 'tuitzet der meisjes, door 'topen raam te werpen, zoodat hierdoor 'thuwelijk der onbemiddelde meisjes mogelijk werd. Het zoogenaamde „strooienquot; kan hieraan zijn oorsprong danken.

Eenmaal beschermheer der jonkvrouwelijke eer, werd hij weldra gepromoveerd tot huwelijks-bemiddelaar. De „vrijersquot; en „vrijstersquot; van koekdeeg -— oorspronkelijk offerkoeken in den vorm van godenbeelden — bewaren hieraan nog de herinnering. En wat nu den traditioneelen schoen van St.-Nicolaasnacht betreft , misschien dankt deze zijn oorsprong aan 't verhaal, dat de bisschop in zekeren nacht bij een arm soldaat een geldbeurs door 't venster wierp, welke juist terecht kwam in 's mans voor 't bed staanden schoen. Het zoogenaamde „schoen uitzettenquot; was reeds in zwang in de 16lIc eeuw, zooals blijkt uit Bredero's Moortje, waar het heet:

„Asset Sinter Claes was, so sette men seun tot jouwent de schoen.

„Wat pleger jou moer. Griet Jans, daer een hiele hoop goet in te doen,

„Hiele peper-huysjens met suyckererrettenquot;, enz. —

Waar zoo Myra's heilige eenmaal het drievoudig patronaat had verkregen over'zeevaarders, kinderen en jonkvrouwen, daarlaat het zich gemakkelijk verklaren, dat weldra de Sint-Mcolaasdag de algemeene sympathie moest verwerven en hij telken jare nieuwe vreugde wist te brengen in tal van huizen en harten.

Of dit alles inderdaad te danken is aan Myra's bisschop is meer dan te betwijfelen, 't Is toch genoegzaam gebleken en aangetoond, dat het Öt.-Nicolaasfeest zijn grondslag vindt in het oude Heidendom, een bewering, die gestaafd wordt door zoo menigen trek uit het hedendaagsche feest, die nog aan 'toude geloof herinnert. Doch hoe dit zij, den ry1™ December zullen wij lang nog vieren. Sinterklaas blijft voor kleine kinderen belooner der deugd en straffer der ondeugd, voor groote kinderen de „postillon d'amourquot;, die liefdesverklaringen overbrengt in den vorm van een surprise met bijbehoorend kreupeldicht, Sinterklaas, die zoo uitstekend maar leuk de kunst verstaat van in-

ocr page 164

156

troduceeren, hij blijft de heilige bij uitnemendheid, dien onze kleine en onze groote kinderen voor geen geld ter wereld zouden willen missen.

Die meer over dit onderwerp wil lezen, zie Eelco Verwijs, „Sinterklaasquot;, 's-Gravenhage 1863. Van Hengel, „St. Nicolaasquot; Kerkhistorie, Arnhem. III. Enz.

De zang der Sirenen.

De oude sage noemt drie Sirenen: Parthenope, Ligeia en Leu-kosia, dochters van den stroomgod Acheloos en Calliope. Men stelde ze voor als vogels met meisjesgezichten. In den tijd, toen men nog de Homerische sagen op bepaalde plaatsen liet spelen, beweerde men ook de Sirenen-eilanden te kennen. Nog heden draagt een groep van drie kleine eilanden in den golf van Salerno den naam: „Isolo delle Sirenequot;; 't zijn woeste, onbewoonde rotsen, die slechts nu en dan door jagers voor korten tijd worden bezocht.

Sirenen komen later voor onder den naam van Meermin of Waternimf, zijnde insgelijks denkbeeldige wezens, half mensch, half visch, gelijk de Derceto der Syriërs en Pheniciërs en de Dagon der Philistijnen. Een tweetal legenden omtrent zulke Sirenen zijn niet onbekend in ons vaderland; immers — gelijk Van den Bergh in zijn mythologisch woordenboek zegt — „de fabel is evengoed echt Duitsch als Grieksch, en is in de oud-heidensche heldensagen ingeweven, en in talrijke volkssprookjes gangbaar.quot;

Naar luid der overlevering dan, werd eens Muiden met een bezoek van een dergelijke Meermin vereerd, die, volgens de oude stadskroniek, deze profetie kwam uitspreken:

„Muden sal Muden bliven,

„Muden en sal nooit beclivenquot; (beklijven),

een profetie waarvan de vervulling door het naburige Muiderberg met stille vreugd wordt gezien.

Muiderberg toch nam toe in bloei, terwijl het sinds de 10quot; eeuw als Villa Ameida bekende Muiden tot heden slechts weinig aanzien heeft verkregen.

Als wapen koos Muiden een blauwen paal op zilveren schild, vastgehouden door twee meerminnen.

ocr page 165

157

De tweede legende verhaalt, dat „in 'tjaer 1403 een Monster, van de gedaente eender vrouwe, met groen mos bewassen, door de kracht van een grooten tempeest uyt de middelantsche zee in den Hollandschen boezem (Zuiderzee) is aengeworpen, 't welck ghevangen tot Edam is gebracht, alwaer sy heeft beginnen spyse te eten, gelyck andere menschen. Het heeft veel jaren, nae dat het daer ghebracht was, aldaer gheleeft, onder de wijfs gesponnen en is nae sijn doodt op het kerck-hof begraven geweest.quot; Met deze en meer woorden wordt ons de legende door Junius, „Batavia, 1588quot; meegedeeld. De afbeelding van dit zoogenaamde groene xciijf vond men te Edam op een schilderij van het Prinsenhof, terwijl voorts de Purmerpoort aldaar eenzelfde konterfeitsel bevatte, onder welk laatste dit bijschrift te lezen stond:

„Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenis „Wat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.

Anno 1403quot;.

Ook zag ik in de groote kerk te Edam op een der beschilderde glazen achter den preekstoel de meermin afgebeeld, geheel groen van kleur, den garenklos in de hand.

Inderdaad hebben er, in tegenstelling met deze legendarische Sirenen, werkelijk zee-menschen geleefd, wier ras, naar men beweert, thans is uitgestorven; de oorzaak van dit uitsterven kan mede hierin gelegen zijn, dat ze als monsters door den mensch werden gedood.

In de 16' eeuw heetten zij nog „duivelen als menschen vermomdquot;; hen in 't leven te laten, werd als misdaad beschouwd.

Den naam Sirenenzang heeft nog behouden de welluidende muziek, die o. a. door reizigers op Borneo wordt gehoord aan de monding der rivieren.

De bewoners van dit eiland beweren — zoo wordt meegedeeld in „Volkskundequot;, — dat dit niets anders is dan het bruiloftslied bij het huwelijk') van de zee met de rivier.

De natuurkundige verklaring van het verschijnsel is niet gemakkelijk. De tonen schiinen zich onder het vaartuig en wel over de geheele oppervlakte, die met het water in aanraking komt, te ontwikkelen. Sterk en aanhoudend, als het vaartuig

i) Zie over deze voorstelling art.: Zonderlinge huwelijken!

ocr page 166

158

door roeien wordt voortgedreven, kort en afgebroken, wanneer het, stil aan den oever liggende, door den golfslag slechts een schommelende beweging verkrijgt.

Wrijving van brak water over een vast lichaam schijnt derhalve een oorzaak voor het ontstaan van dit verschijnsel te zijn.

Eindelijk wordt nog van Sirenenzang gesproken ter aanduiding van verleidelijke taal of lokstemmen, die roepen tot verderf. Indien er — ten slotte — juistheid ligt, en niemand betwijfelt het, in de vergelijking, die ons bestaan op aarde noemt een langeren of korteren tocht op de al te ongestadige levenszee, dan kan ook met evenveel juistheid worden gesproken van den op dien tocht telkens weer tot ons oor dringenden zang der Sirenen!

Voor zulk een zang worde al meer door jong en oud gesloten het oor en het hart!

Spelen (in de kerk).

Gelijk bekend is staan kerk en tooneel met elkander in't nauwst verband, d. w. z. ons tooneel is ontstaan in den boezem der kerk. Oorspronkelijk waren geestelijken de tooneelschrijvers, het onderwerp van 't spel was uitsluitend godsdienstig. De mysteriën — letterlijk de geheimenissen — waren voorstellingen uit het leven van Jezus, die den leeken werden vertoond, om hun zoo te doen zien, wat zij toen nog niet, zooals later, lezen konden.

Wij zouden deze „ludiquot; of spelen evenals de beelden der R. C. Kerk kunnen noemen: hoeken der leeken.

Niet alleen historische feiten, maar ook kerkelijke leerstukken werden op deze wijze voorgesteld, eerst door de geestelijken, later door de rhetorykers. — Men denke aan het über-Ammer-gauer Passionspiel. — Vooral op Paschen en Kerstmis werden deze voorstellingen gegeven. Feesten in de kerk waren oudtijds niet vreemd, voorbeelden zijn het Narrenfeest en het Ezelsfeest.

Aan dergelijke feestelijke gezindheid werd soms wel wat veel toegegeven. Geestelijken als Barletta e. a. achtten het niet beneden zich de geloovige schare na al het sombere van den vastentijd op te vroolijken door hun komischen spreektrant, die van dien aard was, dat weldra het Paaschgelach (Ostergelachter) een kerkelijke uitspanning werd, een misbruik, dat alleszins in strijd

ocr page 167

159

was met ernstige vroomheid, en dat zich gelukkig niet diep genoeg heeft kunnen wortelen om in stand te blijven.

Een nieuw Spreekwoord.

Nu men tegenwoordig talen maakt, is 't zeer natuurlijk, dat men ook spreekwoorden maakt. Men kan dit laatste doen op tweeërlei wijze: 1quot;. door nieuwe te scheppen; 2quot;. door reeds bestaande als grondslag te nemen, en daarnaar nieuwe te maken. Van de eerste soort behoef ik geen voorbeelden te geven, daar antwoorden op een prijsvraag, eenigen tijd geleden uitgeschreven, genoegzaam de mogelijkheid van deze zaak hebben aangetoond.

Van de tweede soort volge hier een voorbeeld:

„Te Rome geweest en den Paus niet gezienquot;, is een algemeen bekende uitdrukking, die wel geen nadere toelichting zal behoeven. Minder bekend is 't misschien, dat er mannen geleefd hebben van wie het gold: „Paus geweest en Rome niet gezienquot;. Een reeks van Pausen toch — de zoogenaamde Avignonsche — beginnende met Clemens V, sinds 1305 paus, hielden verblijf te Avignon. In 1377 keerde de toenmalige Paus Gregorius XI, aangevuurd door Catharina van Siena en Brigitta van Zweden, naar Rome terug. Mij dunkt, dit nieuwe spreekwoord zou om twee redenen iets aantrekkelijks hebben;

1quot;. daar er een liistorisch feit aan verbonden is; en 2quot;. omdat het een voorbeeld is, aantoonende tot welke verrassende uitkomsten woordspelingen en woordomzettingen al niet leiden kunnen. Bovendien zou „Paus geweest en Rome niet gezienquot; als spreekwoord niet zonder beteekenis zijn.

Staart (der Chineezen).

In het Oosten van Tartarije woonde een volksstam. Kin ge-heeten, later Mandsjoes.

In 1114 stichtten zij in China het rijk der Kin. De Mongolen, een tijdlang aan hen onderworpen, vielen van hen af, ja onderwierpen zelfs de Mandsjoes in 12J2, waarna dezen uit China werden verdreven.

In 1613 vielen zij weer in China, brachten den Chineeschen Keizer om, en nu eindigde met dezen de Dynastie der Mings,

ocr page 168

160

in wier plaats sedert 1644 keizers uit den stam der Mandsjoes regeerden.

De Mandsjoes lieten hun hoofdhaar lang groeien en vlochten het. Deze vlecht beschermde hun nek tegen de sabelhouwen der vijanden, terwijl zij bij het doorwaden van rivieren er hun boog en pijlen aan bevestigden.

Toen zij in 1644 China veroverden, dwongen zij de onderworpen bevolking het hoofd te laten scheren op één lok na, ten einde aan dit kapsel — overeenkomende met het hunne — onmiddellijk te kunnen onderscheiden allen, die aan hun gezag waren onderworpen.

Later bleef in China deze gewoonte in stand.

Sint Sylvester.

Zooals den lezer bekend zal zijn, is de laatste dag van ons burgerlijk jaar gewijd aan Paus Sylvester, die in de jaren 314—385 de bisschoppelijke waardigheid bekleedde, en wiens sterfdag juist den 318,en December viel.

Volgens het verhaal werd keizer Constantijn in de dagen, dat hij nog vervolger van de Christenen was, aangetast door een schijnbaar ongeneeslijke ziekte. Op aanraden van Heidensche priesters zou alleen nog baat zijn te vinden voor den machtigen vorst, bij het nemen van een bad in 'twarm bloed van christen-knapen, die daartoe zouden geslacht worden.

De jammerklachten der moeders voorkwamen echter de uitvoering van dit wreede plan. Daarop zou de keizer een visioen hebben gehad, waarin hem werd bevolen, den bisschop Sylvester te ontbieden, die hem het water zou aanwijzen, waarin hij zich moest laten onderdompelen, tot genezing van zijn krankheid. Het gevolg van den gunstigen uitslag was, dat de keizer zich tot het Christendom bekeerde, met welke handeling dan nog in verband zou staan hetgeen vermeld wordt in de oorkonde, die bekend is onder den naam „Donatio Constantiniquot;, n.1. dat Constantijn aan den Stoel van Petrus, onder erkenning van zijn absoluut primaatschap, keizerlijke macht, waardigheid, eer en eereteekens schenkt , en daarbij de zelfstandige heerschappij over Rome, Italië en de eilanden, terwijl hij zelf nu zijn zetel naar Byzantium verplaatst.

ocr page 169

161

Tot zoover wat betreft den heilige, aan wiens nagedachtenis de laatste dag des jaars is gewijd. Belangrijker kan 't misschien geacht worden een oogenblik stil te staan bij enkele gebruiken hier en ginds op dezen dag in zwang.

In de eerste plaats komt dan in aanmerking het zoogenaamde icatten Mazen, hetwelk daarin bestaat, dat jongelieden van beiderlei kunne zich, nadat een stuk watten uitgeplozen en op tafel gelegd is, beijveren in het wegblazen der pluizen.

Het is den blazer niet onverschillig waar het voorwerp zijner krachtsinspanning belandt. Een jonkman tracht het in de richting van een jonge schoone te sturen, op hoop, dat het zich hechten zal aan haar kleed. Gelukt dit, dan moet er schatting worden betaald, die gewoonlijk bestaat in een kus.

Voorts komt ook het loodgieten in aanmerking. Door de tanden van een vork of door een sleutel wordt gesmolten lood gegoten, hetwelk opgevangen wordt in koud water.

De verschillende door 't lood gevormde figuurtjes doen dan dienst als orakel. Vormt het lood, dat door een meisjeshand werd uitgegoten in het water, b.v. een figuur dat overeenkomst toont met een schaar, dan wil dit zeggen, dat haar aanstaande een kleermaker zal zijn; een schoen voorspelt een schoenmaker, enz.

Een derde gebruik of spel is weer het kaarsjes-zwemmen. Halve notendoppen, waarin miniatuur kaarsjes gezet zijn, worden te water gelaten, in een daartoe gevulde en op de tafel geplaatste kom. Ook hierbij wordt de blaas-exercitie weer in practijk gebracht. Ieder stuurt zijn scheepje in de hem meest gewenschte richting; een jonkman zal hierbij altijd een meisje op 't oog hebben, en omgekeerd.

Het uitgaan van een kaarsje voorspelt ongeluk. Komen twee scheepjes, die toebehooren aan eigenaars van verschillende kunne, in botsing - het wordt er door de jonkmans dikwijls en naar men zegt door de jonge deerns nog meer op toegelegd — dan wil dat zeggen, dat de twee gelukkige bezitters in 't nieuwjaar een paartje zullen worden.

Ten slotte zij er nog op gewezen, dat, evenals op Driekoningen, Paschen, Kerstmis en andere feestdagen, ook op den Sylvester-dag een bijzonder gebak werd of nog wordt bereid, de zoogenaamde vollaards, zijnde langwerpige krentenbroodjes, van welke dit het eigenaardige is, dat zij den vorm van twee hoofden hebben. Het behoeft nauwelijks gezegd, dat wij hier een flauwe

Drijver, Mozaïek. 2e druk. h

ocr page 170

162

herinnering bewaard zien aan den ouden Janusdienst. Immers Janus, de god der oude Romeinen, naar wien de maand Januari wellicht nog heet, sloot en opende de poorten van 't jaar — in 't Latijn beteekent janua nog deur — weshalve hij steeds afgebeeld wordt met een sleutel in de hand, terwijl hij twee aangezichten heeft, die elk naar een tegenovergestelden kant zien, naar 't verleden en naar de toekomst.

In deze voorstelling ligt schoone zin; zij leert ook ons, welke onze houding dient te zijn: ziende op hetgeen achter ons is, strekken we ons naar het toekomende. De ervaring van het verleden moet ons bijblijven met al de lessen, die ze ons gaf, terwijl wij op de toekomst onze verwachtingen bouwen.

Toast.

Dit woord is afgeleid van het Engelsche to toast, d. w. z. roosteren. Het substantivum toast, oorspronkelijk de naam voor een stuk geroosterd brood, — een vork, waarmee het brood wordt geroosterd, wordt ook bij ons nog toastvork genoemd — kreeg allengs ook de beteekenis van heildronk. Oudtijds n.1. placht men in Engeland in eiken bowl punch een stukje geroosterd brood te werpen. Wie bij het vullen der glazen dit stukje in het zijne kreeg, moest met een korten speech een heildronk instellen. Ook bij ons is deze gewoonte reeds vroeg inheemsch geworden (Zie art. Triniteitsbeker.) 't Is van genoegzame bekendheid, dat de gewoonte om aan tafel heildronken in te stellen uit de oudheid stamt. Zij bestond reeds bij de Grieken, en ging van dezen over op de Romeinen, die het dan ook noemden: „hïberegraecomorequot;, drinken op Grieksche wijze. Dit gebruik ging over in misbruik, toen men ging „ad numerum biberequot; drinken naar 'tgetal, of, gelijk het ook genoemd werd „bibere nomen alicuiusquot;, iemands naam bedrinken. Deze ontaarding bestond hierin:

Dronk men b.v. op de gezondheid van zijn geliefde, dan ledigde men zooveel cyathi als er letters in den naam voorkwamen — een cyathus is een schepbeker, met welken men den wijn uit den crater of mengvat in de pocula of drinkbeker deed.

Zoo zegt Martialis ergens:

„Naevia sex cyathis, septem Justina bibatur, quinque Lucas, Lyde quatuor, Ida tribusquot;, d. i.: Een Ida worde bedronken met

ocr page 171

163

drie, een Lyda met vier, een Lucas met vijf, een Naevia met zes, een Justina met zeven cyathi.

Tonsuur

is een uitwendige onderscheiding van de geestelijkheid tegenover de leeken, bestaande in het afscheren van het hoofdhaar. Men onderscheidt de Tonsura Pauli — kaalschering alleen van 't voorste gedeelte des schedels — en de Tonsura Petri 1 kaalschering van de kruin. De eerste was als kenmerk van priesterlijke waardigheid in zwang bij de Grieksche, de tweede bij de Latijnsche kerk.

De grootte der af te scheren plek werd bepaald naar den waardigheidsrang, welken de priester bekleedde, zoodat de Paus slechts een smallen zoom van haren boven 't voorhoofd draagt.

Deze „Corona clericalisquot; zou, volgens sommigen, verbeelden de doornenkroon van Christus; maar niet onwaarschijnlijk is het, dat difc gebruik reeds wortelt in een ander, in de vroege oudheid in zwang, en zou dan misschien in velband gebracht moeten worden met de gewoonte om den schedel te trepaneeren, ter uitdrijving van kwade geesten. Zoo zou de tonsuur dan aanwijzen diegenen, uit wie de booze geesten gebannen waren. — Vergelijk 't Art. in Wetensch. BI., aangehaald onder „Trepanatie.quot; —

Trepanatie,

afgeleid van een Grieksch woord, beteekent doorboring, terwijl onder dezen term meer bepaald verstaan wordt schedeldoorboring, een kunstbewerking, die heden slechts zelden wordt toegepast, vroeger echter veelvuldig werd verricht — n.1. bij microcephalen (kleinhoofdigen), opdat de op abnormale wijze aaneengesloten beenderen hun vrijheid verkrijgen en daardoor ook de hersenen zich ontwikkelen kunnen. — Merkwaardig is het, dat deze operatie reeds in de vroegste oudheid en bij de minst ontwikkelde volken bekend was. Reeds in den steentijd toch werden de kinderen getrepaneerd, door een stuk van den schedel af te schrapen , 't welk een gewoon middel was tegen de stuipen.

Nog is de trepanatie algemeen in zwang bij de bewoners van sommige der Stille Zuidzee-eilanden, die als 't ware nog leven in 't Steenen Tijdperk.

11*

ocr page 172

164

Men snijdt een T of X in de schedelhuid en schrapt dan 't schedelbeen voorzichtig met een haaientand of stukje glas af.

Voorts is het de Kabylenstam, die nog de trepanatie toepast door met een kruissnede de schedelhuid weg te nemen, den her-senboor in 't been te steken en dezen rond te draaien totdat er een opening is.

Nadat zoo een cirkel van kleine openingen is gemaakt, neemt men het uitgeboorde stuk weg, en verbindt de wond, na de groote opening (die ontstaan is door samenvloeiing der kleinen) met een plaatje bedekt te hebben. Er zijn er, die deze voorhistorische operatie toeschrijven aan 't geloof in geesten, welke dan door 't trepaneeren kunnen worden uitgedreven. Indien dit zoo is, dan is voor ons de vermelding van deze kunstbewerking te merkwaardiger, omdat wij dan in haar vinden de eerste sporen van godsdienstig geloof.

Die iets meer aangaande 't bovenstaande weten wil, raadplege:

1. Dr. Broca, Sur la trépanation du crane et les Amulettes craniennes a l'Epoque Néolithique.

2. Robert Fletcher, Bijdragen tot de Ethnologie v. N.-Amerika 1882.

3. Voorhistorische Heelkunde, Wetensch. Bladen Nov. 1887.

4. Nadaillac, les premiers hommes.

5. Joly, l'homme avant les métaux.

Triniteitsbeker of Klaverblad.

„Eet weinigh of eet veel, „Dry droncken zijn uw deel.quot;

IlUYGENS.

Tot de eigenaardige dischgebruiken der oude Grieken behoorde reeds de „drie-dronkquot;: de eerste beker was den goden, de tweede den helden of halfgoden, de derde aan Zeus gewijd.

Zoo wijdde de Romein vaak drie bekers aan de drie gratiën.

In het Christendom vinden wij den drie-dronk, al is 't in ge-wijzigden vorm, terug, en wel onder den naam Triniteitsbeker: een beker ter eere van God, een tweede ter eere van Jezus en een derde ter eere van den H. Geest, of ter eere van God, de heilige Maagd en de heilige Engelen.

ocr page 173

165

In en na de 17de eeuw bleef de drie-dronk voortbestaan onder den naam „Klaverblad,''' waarvan Heinsius in zijn Hymne aan Bacchus zegt:

„Het meeste dat ik wensch dat is een Klaverblat, „Het eerste voor de maeg, het ander om de zinnen „Te brengen tot geneugt, tot lacchen, en tot minnen, „Het derde mag wel met, want dat is om gerust „Te vallen in den slaap, die alle sorgen sust

welke regelen veel overeenkomst toonen met de woorden, die iemand in het laatst der 16dc eeuw in een album van de familie Van Zuylen van Nijeveld schreef:

„Die wijs en zedig is, die wil ik driemaal schinken; „Het eerste mogen zij, om haar gezondheid drinken; „Het tweede mag wel mee, want dat is, om te minnen, „En vroijelijk te zijn; het derde doet de zinnen „Bevangen van den slaap: Met deze drie gelazen „Laat ik de lieden gaan, die niet en willen razen.quot;

De klaverblad-beker, zooals die eertijds in gebruik was, bestond uit drie kelkjes, door dunne buisjes met elkander en tevens met een hollen steel verbonden, zoodat na vulling van den beker, de wijn zich zoowel in de kelkjes als in den steel bevond.

Dronk men nu uit den beker, dan verminderde de wijn tegelijk in de drie kelkjes, zoodat ten slotte de wijn nog alleen in het steeltje of ^taartjequot; bleef. — Wij hebben hier tegelijk de verklaring van de uitdrukking: „er is nog een „staartjequot; wijn in de flesch.quot;

Vermelding verdient voorts, dat zich in den bol, waarop klaverblad en steel rustten, een dobbelsteen bevond; alvorens den beker te vullen, schudde men hem, en het aantal oogen, dat, op den steen, boven kwam, duidde aan hoeveel maal de beker geledigd moest worden. „De vrouwen echter — zegt de Berkhey — „wier sexe en gestel niet toelieten zooveel bekers „te ledigen als de dobbelsteen aanwees, konden volstaan met „even zooveel eerbare kusjes te schenken of te gedogen.quot;

Uit deze en zooveel andere mededeelingen leeren wij, dat het er in den ouden tijd vaak zeer lustig doorging, dikwijls stellig le vroolijk en te druk; maar... zou het thans beter zijn ?

ocr page 174

166

Truffels.

Deze welriekende en smakelijke aardvrucht wordt gevonden in 't Z. van Frankrijk, in 't N. van Italië en in Duitschland. Het meest geroemd zijn de truffels van Périgord of de zoogenaamde zwarte truffel, welke zwart is van kleur en rimpeling van oppervlakte.

De truffels groeien in bosschen van opgaand hout, onder den grond, naast de wortels der boomen, eiken vooral, maar ook kastanjes, beuken e. a., ten koste van welken zij leven. Zij worden op verschillende wijzen gezocht, öf door daartoe afgerichte honden, die door hun scherpen reuk de plaats weten op te sporen, waar zich truffels bevinden, öf ook door varkens (dit geschiedt vooral in Frankrijk), eveneens daarop geoefend.

Voorts worden zij ook door menschen gezocht, die de aanwezigheid der truffels weten te ontdekken, wijl de bodem, waaronder zij zich bevinden, zich eenigszins verheft en ook openbarst.

Men beweert ook, dat er eene zekere soort vliegen is, die gedurig zich bewegen boven de plaats, waar deze aardvruchten liggen verborgen. Wat de grootte betreft, zijn die van Piemont beroemd, welke 't gewicht van een pond kunnen bereiken.

Vooral in de keuken van het Zuiden wordt de truffel op hooge waarde geschat en als onmisbaar beschouwd.

Zij worden gebruikt in sausen, pasteien, als vulsel in gevogelte, en ook wel afzonderlijk gegeten.

Achille Ozanne, kok en dichter, zeide er van in zijn rijm op den paté:

Sur la chair blanche et rose (Exquise volupté)

La truffe se repose Comme un grain de beauté.

Utopia.

Zoo luidde de titel van een klein boekje in 1516 uitgegeven door den beroemden Sir Thomas More, die, na den dood van Hendrik VII als onder-sheriff van Londen benoemd, de algemeene achting verwierf. Twee jaar na 't verschijnen van zijn „Utopiaquot; werd hij aan 't hof van Koning Hendrik VIH van Engeland ver-

ocr page 175

167

bonden, in 1529 benoemd tot Lord-Kanselier, maar in 1532 genoodzaakt zijn ambt neer te leggen en eindelijk in 1535 in den ïower onthoofd.

In het eerste gedeelte van zijn boek geeft de schrijver een schildering van den toenmaligen toestand in Engeland, die alleszins treurig was. In het tweede gedeelte schetst hij een idealen staat op het gelukkig eiland, waar geen despotisme, geen slavernij, geen weelde (goud is er minder in waarde dan ijzer, want ijzer is veel nuttiger), geen misdaad wordt gevonden, waar allen gelukkig zijn, een Eldorado, zooals het echter op aarde nooit zal worden gevonden.

Het doel van dit werk is wellicht geweest om op bedekte wijze aan Koning Hendrik den weg tot Hervorming te toonen.

Later, omstreeks 't einde der 17' eeuw, ontwierp zekere Schre-belin, Oostenrijksch veldheer, een satirieke landkaart onder den naam: Tabula Utopiae oder Schlaraffenland.

Nog wordt het woord Utopie gebezigd om een onbereikbaar ideaal voor te stellen, iets wat slechts hersenschim is.

Het woord Utopie komt van het Grieksche ov rojiog, hetwelk beteekent „geen plaats.quot; Morus zelf noemt het in zijn brieven Nusquama, 't welk in verband staat met het Latijnsche nusquam, nergens.

Vastenavond.

Vooraf zij herinnerd, dat het woord „avondquot; hier de beteeke-nis heeft van: dag, voorafgaande aan een feest, welken zin het, behalve in vastenavond, nog heeft in de samenstellingen Sonna-bend (Saturdag), Sinterklaasavond (dag voor het Sinterklaasfeest) en Nieuwjaarsavond (Oudejaarsdag).

Gedurende de veertig dagen, voorafgaande aan het Paaschfeest, is volgens voorschrift der Roomsch-Katholieke Kerk ieder, die den leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en niet wegens lichaamszwakte hiervoor dispensatie heeft verkregen, gehouden slechts eenmaal daags een maal te gebruiken, of, gelijk de term luidt, zijn nooddruft te nemen, terwijl bovendien aangaande den aard der spijzen nadere bepalingen zijn gemaakt. De dag, voorafgaande aan dien vastentiid, wordt de Vastenavond genoemd. In 't Middeleeuwsch latijn wordt gesproken van „Carnelevamenquot;, i. e. opheffing van vleesch. Het woord Carnaval, vroeger verklaard

ocr page 176

168

als een samenstelling van caro en vale, i. e. „zeg het vleesch vaarwelquot;, is het oude car naval of char naval, d. w. z. „wagenschipquot;, hetwelk, bemand met potsenmakende gezellen, bij de volksfeesten het glanspunt van den optocht was.

Weldra echter werd onder dit woord uitsluitend verstaan de maskerade en verdere vermakelijkheden, welke in deze week alom plaats vinden, terwijl nu de eigenlijke dag Mardi gras - vette Dinsdag — werd geheeten, een benaming, waarvan de oorsprong zich gemakkelijk laat verklaren uit de smulpartijen, die dezen dag werden gehouden.

Rome en Venetië vooral waren om hun carnavals beroemd. Eigenlijk is 't carnaval niets anders dan een overblijfsel van de Saturnalia der Heidenen, zijnde een algemeen vreugdefeest, dat met de grootste uitbundigheid gevierd werd uit blijdschap over 't vertrek van den winter en ter eere van de komst der lente. Van dit feest is ook nog overgebleven het zoogenaamde „begraven van Vastenavondquot;, zooals dat pleegt te geschieden in sommige streken van Duitschland.

Verzenderkensdag-,

Tot de zoogenaamde volksgrappen behoort onder heel veel meer het uitsturen van iemand — de slimste wordt er natuurlijk niet voor gekozen — om een of andere onmogelijke boodschap. Zoo b.v. laat men iemand muggenvet, gesponnen zand, gedroogde sneeuw halen, of stuurt (op het platteland) iemand om een hooischaar uit. Ook zendt men den laatsten dag van het jaar kinderen of onnoozelen naar de markt om den man te gaan zien, die zooveel neuzen heeft, als er dagen in het jaar zijn — eigenlijk : als er nog in 't jaar zijn. — En op den voorlaatsten dag des jaars tracht men gaande te maken de nieuwsgierigheid van dezen of dien omtrent den man, die zooveel oogen heeft als (nog) dagen in het jaar.

De klassieke dag voor dit „om een boodschap sturenquot; is de Eerste April, ook wel genaamd Verzenderkensdag, die daarom bij sommigen in ietwat kwaden reuk staat, immers;

„Op 1 April zendt men de zotten op den drilquot;, of „Op den lstequot; April stuur je de gekken waar je wil.quot;

ocr page 177

169

Ook bij onze Duitsche naburen is dit gebruik in zwang, volgens 't welbekende:

„Am ersten April

Schickt man die Narren wohin man will.quot;

Ook Engeland heeft zijn April-fools:

„On the first day of April Hunt the gowk another mile,quot;

hetgeen letterlijk zeggen wil: zend op 1 April den gek nog een mijl verder.

Ook de Franschen blijven niet achter met hun poisson d'avril, een benaming, die in verband is gebracht met de omstandigheid, dat eens Pilatus Jezus naar Herodes, en daarna deze den „man der smartenquot; weer zond naar eerstgenoemde, en die men verklaard heeft als verbastering van passion d'avril — meer gezocht dan juist. — Evenmin als het bekende feit, dat

„Op den eersten van April Due d'Alba verloor zijn Brilquot;

iets met de Aprilgrappen te maken heeft — immers al lang vóór de dagen van Al va, onzaliger gedachtenis, vermaakten zich de menschen met deze guitigheden — evenmin heeft ook de Fransche poisson d'Avril iets uit te staan met den aanzienlijken Lotharingschen gevangene, die op 1 April zou ontsnapt zijn aan zijn kerker — 't kasteel van Nancy, dat hem door Lodewijk XIII als verblijfplaats was aangewezen— door over de rivier de Maas te zwemmen, een gebeurtenis, die den Lotharingers aanleiding zou gegeven hebben om te zeggen: De Franschen hebben een Aprilvisch van ons te bewaren gehad.

Een Aprilsprookje en niets meer is ook, zooals Ter Gouw zegt, de onderstelling, als zou dit verzenden zijn oorsprong hebben in den Rijksdag van Augsburg, anno 1530, toen men bepaalde, dat op den len April van het volgend jaar een nieuwe muntregeling zou ingevoerd worden. Daar echter van deze wijziging niets kwam, en 't muntwezen zeer in de war was, zagen velen, die op die verandering gespeculeerd hadden, zich leelijk beetgenomen.

Het gebruik van het verzenden is echter ouder dan het Christendom en door heel de Duitsche en Grieksch-roomsche wereld

ocr page 178

170

bekend, zooals in den Duik Almanak voor dit jaar bij den datum van 1 April staat aangeteekend.

Halbertsma — Overijselsche Almanak 1840 — zoekt den oorsprong van die grappen in de Noordsche ') Mythologie. De reus Thiassi was door de Asen gedood; zijn dochter Skathi trok zijn wapenrusting aan en ging naar 't verblijf der Asen om haar vader te wreken.

De Asen wilden haar tot bedaren brengen, door haar een echtgenoot uit hun midden te laten kiezen, onder voorwaarde, dat zij bij die keuze niets van de Asen zou mogen zien dan de beenen. Zij zocht nu een flink paar uit en zei: „Deze kunnen van niemand anders zijn dan van Balder, hij is mijn man.quot; Het bleek echter, dat haar vermoeden niet juist was. Zij behoorden Niord toe, den Neptunus van het Noorden, die heerschte overzee en winden, den god van scheepvaart en visscherij. De dag, op welken zoo de goden Skathi hadden beetgenomen, zou volgens sommigen de officiëele dag zijn geworden voor fopperijen.

Merkwaardig echter is het, dat een soortgelijk gebruik ook in Indië in zwang is, hetgeen, in aanmerking genomen de algemeene bekendheid van deze gewoonte, aanleiding geeft te veronderstellen, dat zij van Indië uit zich heeft verbreid over de wereld. Volgens F. Nork (d. i. Korn, geb. te Praag 1804) liet men sinds onheugelijke tijden gedurende het Hul feest — Hul of Holi (een krishnaïtisch feest) is het carnaval der Indiërs; het staat in verband met de vasten en onthoudingen (ter eere der Manen), door welke het voorafgegaan en gevolgd wordt — dat in Maart of April wordt gevierd en wellicht het feest der lenteaequinox is, allerlei boodschappen verrichten, die uitloopen op een grap.

Hindoes van allerlei rang en stand doen er aan mee. Soerajah Doelah o. a., wordt ergens verhaald, was, schoon Muzelman van den eersten rang, een groot liefhebber er van om Hui-gekken te maken.

Met zekerheid echter is omtrent dien len April en zijn gebruiken niets uitgemaakt, 't Is met de Aprilgrappen als met zooveel andere zaken, 't is gemakkelijker te zeggen, wat niet hun oorsprong kan zijn, dan de bron te ontdekken, uit welke zij zijn

i) In liet Zondagsblad van het „Nieuws van den Dagquot; van 30 Maart '90 — waar eenige rogels uit den Overijselschen Almanak worden geciteerd — werd nog dit verhaal als oorsprong der Aprilgrappen opgegeven.

ocr page 179

171

voortgevloeid. Mi/j was het dan ook alleen te doen om te wijzen op meer dan één dwaling, door welke aan de Aprilgrappen oorzaken zijn toegeschreven, die er zeker wel nooit aanleiding toe gaven. Misschien komt er spoedig een ander, die ons den waren oorsprong wijst.

Alvorens dit artikel te eindigen, kom ik nog terug op de boven aangehaalde woorden: „op den eersten van April verloor Due dAlba zijn bril.quot; Volgens Dr. Fruin (Tijdschrift voor Ned. Taaien Letterk.) zou dit rijmpje — dat als spotternij eigenlijk geen doel treft, omdat AIva nooit scherper blik heeft gehad dan in 1572 — een, uit misverstand ontstane, verbastering zijn van het onberijmde, snedige gezegde, dat wij bij Theophilus, in zijn „Historie der Nederlandsche Oorlogenquot; (1579) vinden : „De Hertog krijgt een JBrü op die Neuzequot;, hetgeen verklaard moet worden als: „de hertog krijgt een breidel op den neus.quot; Zulk een breidel of klem wordt aangebracht op den neus van een stier, om het beest tegen te gaan in zijn moedwil, gelijk ook de hoefsmeden een „brilquot; noemen de tang, waarmee zij onhandelbare paarden bij den neus vasthouden. Zoo stond de „gebrilde Alvaquot; verlegen en bedrogen en was gefnuikt in zijn macht. Zoo draagt dan ook de schildhouder in het wapen der stad Brielle, die afgebeeld wordt als een hond met menschengezicht en met wien niemand anders dan Alva bedoeld kan zijn, ten onrechte een bril (in de betee-kenis van kijkglazen) op den neus; tenzij men daarmeê heeft willen uitdrukken met hoeveel nauwlettende zorg Alva de stad Brielle trachtte in zijn macht te houden. Behalve in 'tBrielsche wapen vinden wij den gebrilden hond, mede Alva beduidende, aangebracht op een oude schilderij, bewaard in het Rijks Museum te Amsterdam en gepenseeld door Michel van Coxcys — den „Vlaamschen Raphaelquot; en hofschilder van Philips II — in zijn 73stlt;: levensjaar, hetwelk samenviel met dat, waarin de inneming van de stad Brielle plaats vond, daar hij te Mechelen in 1499 geboren werd.

Wij weten, hoe in de 16'le eeuw in ons land op allerlei wijze propaganda gemaakt werd voor de zaak der vrijheid. De rederijkerskamers, van welke ook de meeste schilders lid waren, droegen het hunne er toe bij, door hunne kluchten, liederen en spotprenten.

In velband hiermede hebben wij den sleutel te zoeken ter verklaring van Coxcys' schilderij. Het doek vertoont een geslacht

ocr page 180

172

varken op een ladder (zóó geschilderd, dat men bij eenig fixeeren er een aangezicht in herkent), voorts twee mannen, die elkaar handslag geven (zinspeling op het geuzenverbond), dan een vrouw — zie art. „Oranje, blanche, bleu — en een drietal kinderen, trommelende op de varkensblaas (herinnering aan

„slaet opten trommele van dirredomdeijne,

„vive le geus is nu de leusquot;,

gelijk het in 't aan Arent Dirkzn. Vos toegekende geuzenlied heet), en eindelijk nog een man, die een fleschje met rood vocht (waarbij wij te denken hebben aan het bloed der martelaren) in de hand houdt en in geuzenkleeding gestoken is. De vrouw in 't „oranje, blanche, bleuquot; houdt een schotel op haar schoot, waarop de ingewanden van het varken liggen, die zóó gerangschikt zijn, dat zij den kop vormen van een bulhond met geopen-den muil en met een bril op den neus. Ook een pomp ontbreekt niet op deze voorstelling, als herinnering aan den spot der Spanjaarden, die zelden, dat de kleine schepen der Watergeuzen, pompen in plaats van kanonnen aan boord hadden.

De bedoeling van den schilder is zeker geweest: 1° aan te sporen tot toetreding van het geuzenverbond, 2n aan te toonen, dat gekomen was het uur der vergelding jegens hem, die waard was geslacht en gehangen te worden aan een ladder, gelijk Alva kort te voren nog had laten gereed maken en opstellen voor de Brusselsche winkeliers.

Die over Coxcys' schilderij uitvoeriger lezen wil, raadplege Reinier D. Verbeek's „Een puzzle uit de XVI eeuwquot;, opgenomen in Elseviers Maandschrift I, 11, waaraan het laatste gedeelte van dit art. voor een goed deel door mij werd ontleend.

Iets over Volksetymologie. ')

„Bataven kent uw spraak.quot;

Onder de oudste schrijvers, die zich beziggehouden hebben met de woordafleiding — etymologie — onzer taal, komt in de eerste plaats in aanmerking zekere Becanus, die in zijn „Origines Antverpianivquot; (1596) tracht aan te toonen, dat het Nederduitsch de oorspronkelijke taal is geweest, de moeder van alle andere

') Vergelijk hierbij mijn uitvoeriger Artikelen in „School en Studiequot;, jrg. 1890—189Ü.

ocr page 181

173

talen. Ja zelfs in onze eeuw was dit dwaalbegrip bij enkelen nog niet geheel overwonnen. Jofridus Thijs gaf in 1821 een verhandeling uit, die dienen moest om te bewijzen, dat ons Nederduitsch „het naeste is aen de Tael, die A.dam gesproken heeft.quot; Vandaar dat deze en die stoutweg de Hebreeuwsche woorden ging verklaren als afleidingen of verbasteringen van het Hollandsch. Adam zou dan adem en Eva leven beteekenen, enz. Het zal wel geen betoog behoeven , dat deze geleerden geheel op het dwaalspoor waren, hetwelk zij, nu zij er eenmaal op waren gelokt, met een eigenaardige liefhebberij bewandelden.

Thans is lang en algemeen hun dwaling erkend; de lezer zal weten hoe voor eenige jaren een groote hervorming is tot stand gebracht op het gebied der taalstudie, een hervorming, die een nieuw tijdperk opende voor, en nieuw leven gaf aan de beoefening van die wetenschap, welke zoo innig verbonden is met de geschiedenis van een volk. quot;Waar men voorheen bij het zoeken naar de afleiding van woorden allermeest op den klank afging, zonder de geschiedenis van een woord na te vorschen, daar zou men voortaan langs meer wetenschappelijken weg den oorsprong der woorden trachten te ontdekken. Echter niet allen zouden deze nieuwe methode gaan volgen, omdat niet allen beschikken konden over de noodige kennis, die zij vereischte. Het volk, de niet geletterde menigte, hoe kon het gaan vergelijken met andere talen, die het niet kende? Daarom bleef het den ouden weg volgen ; het geeft ook afleiding van de woorden — volksetymologie — die niet genoeg zich zelf verklaren, maar laat zich daarbij leiden door toevallige overeenkomst, die het tusschen woorden onderling opmerkt. Voorbeelden zijn er maar om het grijpen, en 't is werkelijk niet onaardig om eens te zien hoe naïef het volk daarbij te werk gaat, en hoe handig vooral het zich daarbij weet te redden.

Om te beginnen bij het begin zou ik u wijzen kunnen allereerst op de afleiding van de namen onzer eerste ouders, indien ik die niet reeds boven gegeven had. Daarom slaan wij een paar bladzijden om en lezen van den alles verdelgenden zondvloed. Wat kon die anders zijn geweest, dacht het volk, als een vloed om de zonde te straffen, begaan door Seth's en vooral Kaïn's nakomelingen ? Immers het volk wist niet, dat het Noordsche sond of sund water beteekent, zoodat zondvloed hetzelfde als watervloed is. De omstandigheid, dat er bij die gelegenheid heel wat

ocr page 182

174

menschen het tijdelijke met het eeuwige verwisseld hebben, doet mi] denken aan het sombere woord overlvjdquot;n, waarvan onze dichter zoo schoon wist te zeggen: „Ja, over 't lijden heen schoon, om den zin, dien hij in die woorden legde; uit taalkundig oogpunt beschouwd, kan die versregel er niet meê door. Overlijden , hetzelfde als het Fr. trépasser, beteekent voorbijgaan, en heeft dus niets met lijden te maken. Over dit woord sprekende, denk ik onwillekeurig aan een ander woord: „hemelvalquot;, dat o. a. voorkomt in Spieghel's Hertspiegel:

„Ziet, spieghel, wat ik kal, ik dut, ik suf ghewis, „Dat ik u hemelval en wonderspraak doe spreken.quot;

en dat ook Elisabeth Wolff gebruikt, waar zij zegt;

„Mijn vaerzen ....

„Er is noch zang, noch hemelval,

„Ja niets hoogdravends in te vinden.quot;

Meer dan eens vond ik dit woord verklaard als „uit den hemel gevallenquot;, en misschien gaf de woordspeling van Staring, die in een zijner puntdichten zegt:

„Gij noemt dit Hemelval ? ....

„Ja, 't komt den hemel uitgevallenquot;,

wel aanleiding tot die etymologie, die alleen berust op gelijkheid van klank, en waarvan de onjuistheid al dadelijk blijkt uit de plaats, die het woord inneemt in de aangehaalde versregels van Spieghel. Het woord hemelwol heeft geen andere beteekenis als hemeltaal; ook van „tongvalquot; beteekent het tweede deel taal, zoodat dit woord een voorbeeld van tautologie geeft, gelijk het geval is met windhond, damhert, merkteeken, enz.

Met zonde en dood en het al of niet komen in den hemel staat volgens de oude kerkleer in nauw verband de Duivel, dien het volk beschouwde als de euvele, d. i. de booze. Toch heeft die naam een gansch anderen oorsprong en beteekenis. Hij is n.1. een verbastering van het latijnsche diabolus, aanklager, en is te verklaren uit de functie, die men dat wezen toeschreef, n.1. het aanklagen van de menschen bij God.

En nu van Duivel tot ■nachtmerrie, il n'y a qu'un pas. Kiliaen noemt dezen kwelgeest equa nocturna, nachtelijk paard, maar geeft, hoe geleerd hij is, een volksafleiding, die kant noch wal

ocr page 183

175

raakt. Het Middeleeuwsche nachtmerrie komt van een Gothisch woord „marzjanquot;, dat hinderen , kwellen beteekent.

De homonymiteit, geiijkluiüendheid , van dit woord met een ander, dat de naam is voor een vrouwelijk paard, leidde er toe de twee woorden als één te beschouwen; daar kwam nog bij, dat het kwelduiveltje van lieverlede in vergetelheid geraakte, terwijl het nu de merrie was, die woningen en stallen bezocht — een ontvleesde paardenkop was het eenige, dat dit lastige bezoek kon afweren.

Een dergelijke verwarring had plaats met de woorden alf en elf. Omdat de alven gaarne den mensch voor den gek hielden , kreeg elf — eigenlijk één lif — den naam van gekke getal.

Ja, gekke afleidingen zijn er zoo al gegeven, verbeeld u dat men in den man, die eertijds den geleerden titel van notarius, notaris, droeg, gezien heeft iemand die zijn geld verdient met hier of daar te komen, als „de nood daar is,quot; van een makelaar, d. i. iemand, die makelt, onderhandelt, heeft men gemeend, dat hij zijn naam dankte aan het gebiedende: „maak klaarquot;; in een gasfitter heeft men gezien iemand, die altijd vitten, naspeuren moet, zonder te bedenken, dat 's mans naam uit Engeland is overgewaaid, waar to fit „bekwaam zijnquot; beteekent, en van een breeuwer — wel bekend uit het gezegde „mijn vader is geen breeuwerquot;. d. i. iemand, die maakt dat wij kunnen gaan varen zonder te verdrinken, — heeft men een Bremer gemaakt. Dat zit hem allemaal daarin, dat het volk niet lang over de dingen nadenkt, maar houdt van korte metten maken, een uitdrukking die eigenlijk tot ons gekomen is uit de kloosters, waar de monniken — 't zijn ook menschen van gelijke beweging als wij — wel eens wat vlug waren met hun matitunae lectiones of morgengodsdienstoefening. Maar wat weet het volk van Latijn, daarom werd er dood eenvoudig korte wetten van gemaakt, dat was verstaanbaar Hollandsch. Onze lieve taal werd intusschen de dupe van de historie, d. w. z. het slachtoffer van al dat geknutsel met woorden, welk laatste ook al weêr oorzaak werd, dat men ging spreken van de „diepte der historie.quot; Zoo maakte voor en na de menigte zich schuldig aan duizend pekelzonden op 't gebied der taal. Het woord pekelzonde zelf is er ook weer een bewijs voor; het heeft niets met pekel te maken; „peccatillumquot; (Lat.), waarvan pekel oen verbastering is, beteekent reeds „klein vergrijp,quot;

ocr page 184

176

zoodat pekelzonde een tautologie is , d. w. z., een woord, dat tweemaal hetzelfde begrip uitdrukt.

Een kommenijs-baas, wiens winkel, volgens Bilderdijk een „common aidquot; was, zette boven zijn deur: „Kom en eisch waren,quot; en meende daarmee tegelijk den naam van zijn vak verklaard te hebben, maar dat was den bal misgeslagen. Komenyj is precies hetzelfde als koopmannij, en dat woord verstaat ieder, en ieder kan het begrijpen, omdat het zuiver Hollandsch is. Moeilijker wordt het geval, waar wij uitheemsche woorden voor ons krijgen. Ik kan mij begrijpen, dat een zeker iemand altijd van haar per-mittage, in plaats van parentage, van haar kathedrale, in pl. v. catarrhale koortsen, van de circulaire in pl. v. de cellulaire gevangenis, van een conversatie in pl. v. een convocatie-hiWst, van gearmenteerden in pl. v. gealimenteerden, van omver in pl. ouvert, van een brandkar in pl. v. brancard, vaneen „pas maar toequot; in pl. v. passe-partout sprak. Even goed kan ik vatten, hoe iemand er toe komen kan een ander, wiens spijsverteringsorganen niet te wenschen overlaten, een veelvraat te noemen, en wel om de eenvoudige reden, dat zoo iemand veel eet, op zijn leelijkst gezegd, vreet. Maar het beestje, waar zoo iemand mee vergeleken wordt, dankt zijn naam aan een andere bijzonderheid: het Finsche „fialfrassquot; toch beteekent „rotsbewoner.quot;

Omdat Hollanders nu eenmaal geen Finnen zijn, hebben zij den naam van dat dier verkeerd begrepen en verkeerd toegepast.

En nu ik toch over het dierenrijk spreek, kan hier gevoegelijk gewezen worden op het woord muizenis, d. w. z. beuzeling, kleine zorg, waarvan de menschen gemaakt hebben muizennest en waarvan zij nog wel beweren, dat iemand zoo'n ding in zijn hoofd kan hebben. Eer zou ik gelooven willen, dat er menschen zijn, die niets in hun hoofd hebben. Een ander beest dat mij hier in de gedachte komt, is het ors-, er zijn immers menschen, wier gewoonte het is telkens van 't ors op den ezel te springen; d. w. z. van den hak op den tak, - ors, waaruit door metathesis ros ontstaan is, beteekent paard. - Om nu zelf niet zoo'n sprong te doen, blijven wij nog even stil staan bij een paar andere spreekwoorden, zooals: „Iemand weet, waar Abram de wmisaord haalt.quot; Dat vader Abram mosterd bij zijn maaltijd gebruikte belief ik niet te gelooven, maar wel weet ik, dat hij voor zijn offerande takkenbossen, in welken zin het o. a. voorkomt in de woorden: „die met haer fackel het vuyr stack in de mutsaerden

ocr page 185

177

en rijsbossenquot; noodig had. Zoo moest men ook zeggen: „het riekt naar den mutserd,quot; brandstapel, om aan te toonen, dat iets duur is. „Iemand modes leerenquot; is evenzeer een foutieve uitdrukking, die staat voor mores leeren, d. w. z. tot zijn plicht brengen.

En om nu eens tot wat prettiger chapitre over te gaan: Een bekende koeksoort draagt den naam van heiligmaker, een dwaze naam, als men niet weet, dat hij een verbastering is van hylik-maker, d. i. koek, die gebruikt wordt op een huwelijksfeest.

Een pleisterplaats heeft niets met plakken te maken, al vindt men er gewoonlijk enkele „plakkers,quot; maar is een plaats waar men afstijgt, — het oude woord „betenquot;, dat in den zin van afstijgen gebruikt werd, beteekent, als causatief van „bijtenquot;, dan ook letterlijk „doen bijtenquot; — om het paard te laten „paitre,quot; dat is grazen; eigenlijk dus een peisterplaats. Dit woord doet dadelijk denken aan cameraderie. Een cameraad is eigenlijk iemand, die met een ander één camera bewoont, een metgezel, d. w. z. een gezel, die met een ander samen eet, want dat woordje „metquot; is niet een afkorting van „medequot;, maar staat in verband met het Engelsclie „meatquot;, vleesch, dat wij nog over hebben in metworst. Die beteekenis en verklaring wordt gesteund door het woord commensaal, iemand, die met een ander aan één „mensaquot;, tafel, eet.

Behalve de genoemde zijn er tal van andere woorden, die eveneens geheel verkeerd worden verklaard, b. v. het woord kraakporselein — postelein zeggen velen —, dat volstrekt zóó niet heet, omdat het bijna al kraakt als je er aan komt, maar wel, omdat het aangevoerd werd uit China en Japan met schepen, die de Spanjaarden en Portugeezen „carracaquot; noemden. Het komt in dien zin o. a. voor in Meijer's „Heemskerkquot;:

„Dat vrij uw oog van fierheid blaak'

„Bij d'aanblik van die reuzen/craaA,

„Die uit den vloed rijst als een eiland.quot;

Ook vinden wij het woord o. a. reeds in een der „Eefereynen in 't Wys, Amoureus, Sotquot; (Antwerpen 1548):

Spaert geenen cost, 't zijn al cleynsaken

In mommerien oft in bancketten

Recht of ghi 't ghelt hadt van seven craken.

Drijver, Mozaïek. 2e druk. ■12

ocr page 186

178

Zoo werd een zeker soort trekschuit door 't volk een kaarselade genoemd , tot welken naam de vorm (lang en smal) wel eenige aanleiding gaf; trouwens wie kende ook het Spaansche woord carcelado, dat letterlijk „kleine gevangenisquot; beteekent en in verband staat met het Latijnsche „carcerquot;, ons „kerkerquot;?

Met parelmoer ging het ook al zoo. Langen tijd is het aangezien voor perle d'amour, maar later zag men in, dat het de „moeder der parelquot; is — ook de Engelschen spreken van „mother of pearlquot; — die als sieraad wordt aangewend.

De voorhandsche titel van een boek werd gewoonlijk Fransche titel genoemd;

„'k Bedoel het schutblad vóór den titel, dien 't gebroed

„Der zetters fransch noemt, schoon 't voorhandsch wezen moet,

'k Versta mijn taal;quot;

zei een onzer dichters.

Aardig is ook de afleiding van 't woord madeliefje als maagdeliefje , alsof made — nog over in Alkemade — niet weide beteekent ; hierbij sluit zich aan het woord etgroen, lang als eetgroen verklaard, terwijl men naliet etmaal, waarin et evenzeer tweede beteekent, te vergelijken.

Onder zekere omstandigheden wordt iemand achterkouzig genoemd, en dan wordt er zeker bij gedacht, dat zoo iemand „ze achter de kous heeft,quot; evengoed als een ander „ze achter de mouw kan hebben,quot; maar er wordt niet gedacht aan het woord „kallen,quot; „causeriequot; en dergelijke, waarmeê het in verband staat. Van een kurhaus hoorde ik onlangs beweren, dat het een huis is, waar menschen heengaan , die met kuren behept zijn; trouwens iedereen kent ook het Lat. cura niet, en kurhuis is en blijft een dwaas woord.

Vermakelijk is ook de afleiding , welke van 't woord rust en die welke van huitre is gegeven ; zie art. „September.quot; Een aardigheid en niets meer is ook de afleiding in onderstaand rijmpje gegeven:

Voorwaar, 'tis evident.

De naam van Parlement Komt, trots zijn edlen zwier,

Van Par Ier en Mentir,

Terwijl zijn adjectief,

Den minnaars tot gerief Van 't rustig laissez-faire,

Den uitgang biedt op taire.

ocr page 187

179

En nu, vriendelijke lezeres, welwillende lezer, hebt gij er misschien genoeg van; het aantal voorbeelden zou zich anders nog met velen laten vermeerderen.

Het was mij echter maar te doen, om u eens te laten zien, hoe het volk, dat nu eenmaal niet houdt van al wat vreemd is — en deze afkeer is te prijzen — die onverstaanbare woorden vervangt door volbloed hollanders, die het kent en . . . liefheeft.

Tegelijk, nog eens, wijzen die voorbeelden er ons op, hoe naïef, eenvoudig, en handig vooral het volksvernuft steeds werkzaam was om te herwinnen hetgeen dreigde verloren te gaan van de taal, die het als eigendom beschouwt en die het niet licht prijs wil geven! Trouwens in de taal van een volk ligt voor een groot deel immers ook zijn kracht!

Vrouwedag.

In de 6° eeuw stelde Paus Gelasius het zoogenaamde Maria Lichtmis-feest in, ter herdenking van Maria's tempelbezoek op den 403tei1 levensdag van Jezus, zijnde (25 Dec. als één gesteld) 2 Februari.

De naam Lichtmis doelt op het groot aantal waskaarsen, die alsdan vóór de H. Mis gewijd en in plechtigen omgang, onder 't zingen van lofzangen, rondgedragen worden, door welke handeling wordt aangeduid, dat Jezus het licht der wereld is.

Volgens Sonjee is dit gebruik in de ö'16 eeuw door Paus Gelasius ingevoerd, om daardoor de Christenen terug te houden van de schandelijke optochten, welke de Heidenen op dien tijd, ter eere van hun god Pluto, onder fakkellicht en ergerlijke uitspattingen hielden.

Van oudsher bestond in ons land de gewoonte, dat op dezen dag de vrouwen het recht van bewindvoering hadden in huis — van welk recht door de meesten afstand is gedaan ten behoeve van hen, die alle overige dagen des jaars 't gezag in handen hebben. Waarschijnlijk is de viering van dezen dag een overblijfsel van een heidensch feest ter eere van de godin der huwelijksliefde.

Ditzelfde zou dan ook gelden van den Vrouwenavond, zooals die den IQ11611 Januari te Brussel wordt gevierd. Ieder huisvader moet dien dag zijne vrouw onthalen, terwijl daarentegen aan het

12*

ocr page 188

180

einde van 't feest de vrouw haar man op den rug naar bed moet dragen.

Omtrent den oorsprong van dit zonderling gebruik zijn verschillende lezingen.

In 1096 trok Godfried van Bouillon met een aanzienlijk leger naar 't Heilige Land. Na de verovering van Jeruzalem trokken de strijders huiswaarts.

Onder dezen waren ook vele Brusselaars, die echter — na ge-ruimen tijd in gevangenschap te zijn gehouden door de onge-loovigen — eerst den IQ116quot; Januari 1100 in hun vaderstad aankwamen. Groot was de feestvreugde, geen wijn werd gespaard, en 't slot van den dag was, dat de vrouwen hunne mannen—die „des Guten zu vielquot; hadden genoten — naar bed moesten dragen.

Eenigszins anders is een tweede lezing van hetzelfde verhaal.

Nadat de achtergebleven vrouwen langen tijd tevergeefs hadden uitgezien naar de terugkomst hunner mannen — die zich geschaard hadden onder de vaan des kruises — kwam eindelijk de bode door Brussel's straten ijlen met het geroep: „Zij komen!quot; Buiten zichzelf van vreugde snelden de vrouwen de stad uit, hun echtvrienden te gemoet. Aan 't omhelzen kwam echter geen einde — ten laatste neemt iedere vrouw haar man op den rug en loopt met de lieve vracht naar de stad, waar te hunner eere de klokken hun gelui doen hooren en de gevels der huizen prijken met velerlei sierlijk aangebrachte verlichting.

Weer anders luidt het volgend verhaal, dat mede als oorsprong van dezen feestdag wordt opgegeven.

Bij een belegering van Brussel werd aan de vrouwen verlof gegeven om bij het verlaten der stad mee te nemen wat hun 't liefste was. Eenparig besloten zij . . hunne mannen mee te nemen; ieder droeg den hare triumfantelijk uit de stad, waarvan 't gevolg was, dat het beleg werd opgebroken en aan allen de vrijheid werd geschonken.

(Zie over dit onderwerp ook: J. W. Wolf, „Nederl. Volksoverleveringen;quot; H. J. Sonjée, „Gebruiken der R. C. Kerk;quot; H. E. Heis, „La fête des dames, ou la journée de 19 Janvier.)

Goede Vrijdag

is uit den aard der zaak, om de dierbare herinnering er aan verbonden, te allen tijde door de Christenen in hooge eere ge-

ocr page 189

181

houden. Hij droeg in de oude kerk den naam Parasceuè, d. i. dies ante Sabbathum, voorbereidingsdag, en was een dag van algemeene boete, rust en onthouding. Uit het gebruik, dat op dezen dag aan de boetelingen vergiffenis werd gegeven, is ontstaan een ander, n.1. het gratie verleenen aan gevangenen op dezen dag; hierbij lette men er op, dat reeds bij Israël de gewoonte bestond op Paschen een misdadiger los te laten — de zoo bevrijden werden Goede- Vri/jdag skinder en genoemd.

Eigenaardig is nog een Engelsch Goede-Yrijdag-gebruik, 't welk bestaat in het eten van de zoogenaamde hot-cross-btms, broodjes, met een kruis gemerkt, die warm worden genuttigd. — Dit kruisbroed nu is van heidenschen oorsprong en staat zeker in verband met de offerkoeken der ouden; men vergelijke hierbij Jeremia 7 :18 en herinnere zich hoe de oude Saksen ter eere van Ostera koeken offerden; men denke ook aan 't Kerstgebak en den Sinterklaaskoek. Het kruis op de cross-buns was oorspronkelijk een tweetal ossenhorens, maar de geestelijkheid, die dit gebruik niet kon en niet wilde uitroeien, heeft er een christelijke kleur aan gegeven.

De horens van den os, die het land omploegde, waren zooveel als symbool der vruchtbaarheid — of schuilt hier misschien iets van den ouden stier- of kalverendienst ? — de horens van den os werden veranderd in het kruis, het heilig teeken der Roomsche Kerk sinds de dagen van Constantijn den Groote. Merkwaardig is het, op te merken, hoe ook hier weer Christendom en Heidendom zijn ineengeloopen.

Nog bestaat een zonderling gebruik bij Portugeesche en Zuid-Amerikaansche matrozen, n.1. de geeseling van Judas Iscarioth, die telken jare op dezen dag plaats vindt. Boven in den scheepsmast wordt een levensgroote stroopop gehangen, die den verrader van Nazareth's profeet moet voorstellen. Op een zeker oogenblik wordt Judas onder 't gelui der scheepsklok naar beneden gelaten. De matrozen wachten zijn komst met knuppels in de hand af. Zoodra hij onder hun bereik is, worden van alle kanten de knuppels op hem gericht, en men rust niet voordat Judas geheel en al gehavend is, waarna hij onder luide kreten over boord wordt geworpen.

Elders wordt in het Paaschvuur een houten pop — Judas voorstellende — verbrand, terwijl de asch van dit zoogenaamde Judasvuur (soms ook verkregen door 't in brand steken van een

ocr page 190

182

strooman aan een paal) zorgvuldig verzameld en over den akker gestrooid wordt, in verband met het volksgeloof, dat hierdoor de vruchtbaarheid bevorderd wordt, gelijk men elders gelooft, dat deze asch den koestal voor heksen beschermt.

Een niet minder merkwaardig gebruik moet ook op Corsica bestaan, waar alle inwoners van Sartene op Goede Vrijdag hunne huizen illumineeren, terwijl van rondom de dorpsbewoners zich begeven naar genoemde stad. Op een gegeven oogenblik worden de deuren van de Parochiale kerk geopend en de Broederschap van het H. Sacrament treedt te voorschijn. Te midden van de in lange witte pij gehulde boetelingen gaat de Catenaccio, die Jezus voorstellen moet, barrevoets, aan 't rechterbeen voortslee-pend een zware ijzeren ketting en op den schouder een kruis torsend. Het is op deze wijze, dat de drager er van boete moet doen voor een of andere zonde. Achter hem volgen in 't zwart gehulde boetelingen, die het op een wit laken rustende lijk van Jezus dragen. Als de stoet het plein „Portaquot; genaderd is, plaatst een monnik zich op het terras, om, met het lijk in den linker arm, zijn prediking ten gehoore der neergeknielde menigte te brengen. De beweegbare pop, die Jezus moet voorstellen, laat het hoofd rusten op de schouders des sprekers, totdat deze, na zijn rede geëindigd te hebben met het Christusbeeld, over 'thoofd der menigte, het teeken des kruises maakt.

Voorts verdient nog vermelding, hoe, volgens een Klein-Aziatische legende, in de ure van Jezus' sterven zelfs deboomendes wouds allen weeklaagden bij 't vernemen der droeve mare. Alleen de populier toonde zich hardvochtig, door geenerlei beweging eenig teeken van smart gevende. Toen daalde een engel neder, en sprak: „gij hebt niet gedeeld in de droefheid van allen, uwe „bladeren hebben zich niet bewogen; welnu voortaan zullen zij „sidderen, altijd zich bewegen, en men zal u daarom Tremula „(de sidderende) heeten!quot;

De Weepwolf in het Volksgeloof.

Moge ook de uitspraak, dat de vrees de moeder van den godsdienst is, niet ten volle waarheid zijn, dit neemt niet weg, dat er toch veel waars in ligt.

Immers, evenals aan het kind vrees wordt aangejaagd door al

ocr page 191

183

wat hem vreemd is, zoo gevoelde ook de natuurmensch, die nog op den laagsten trap van ontwikkeling stond, door een zekeren angst zich benauwd, waar de schepping in de taal van haar ontzaglijke wonderen luide tot hem sprak. Bij algeheel gebrek aan ontwikkeling is hem onverklaarbaar al wat hij waarneemt, hetgeen daardoor juist te meer indruk op hem maakt en zijn fantasie in werking brengt, die hem nu op haar beurt de vreeselijkste gestalten voor den geest toovert.

Straks denkt hij zich de producten zijner verbeelding als werkelijk bestaande.

Het spreekt vanzelf, dat voor zijn oog alles nog in nevelen hangt, hetgeen niet wegneemt, dat de eens gevormde beelden blijven.

Zoo schiep zich de mensch allengs zijn goden, en wel in de eerste plaats zulken , bij welken hij meent zijn toevlucht te kunnen zoeken, waar de gevaren der verwoestende elementen van alle kanten hem bedreigen. Met voorbijzien van zooveel weldadige werking in het natuurleven rondom hem, gevoelt hij zich nog altijd en uitsluitend onder den indruk van de openbaring dier machten, die zijn leven en welvaart bedreigen, die juist daarom hem dwingen tot ontzag, machten, welke het kwade brengen, en alzoo uit vrees worden vereerd.

't Is dat geloof aan booze geesten, dat alle eeuwen door, bij oudere en bij nieuwere volken zich niet heeft verloochend.

Hoe meer onkunde heerschte onder een volk, hoe minder eenig tijdperk kenmerk van verstandelijke ontwikkeling droeg, hoe meer bij zulk een volk, in zulk een tijd, het bijgeloof op den voorgrond trad.

In velerlei vorm heeft zich dat geloof aan 't bestaan van booze geesten of een booze macht geopenbaard; niet het minst daar, waar geloof gehecht werd aan tooverij, terwijl immers de meening vaststond, dat de geheimzinnige kracht van den toovenaar lag in het door hem gesloten verbond met booze machten of den duivel.

Zoowel mannen als vrouwen waren in deze geheime kunst ingewijd. De laatsten staan ten onzent onder den naam van heksen bekend, terwijl de eersten toovenaars of ook wel weerwolven worden genoemd, omdat het oude bijgeloof meende, dat zij zich in wolven konden veranderen.

Wat het woord weerwolf betreft, het is een samenstelling van wer — latijn vir — dat man beteekent, en wolf. De Franschen

ocr page 192

184

hebben voor ons weerwolf hun woord loup-garou; in het tweede woord dezer samenstelling herkennen wij aanstonds het oudere gerulphus, dat op zich zelf reeds weerwolf beteekent, zoodat de Fransche benaming behoort tot die reeks van woorden, in welke tweemaal hetzelfde begrip wordt uitgedrukt, zooals ook in ons muilezel, rendier, walvisch en andere tautologieën, die ontstonden doordat de beteekenis van het oorspronkelijke woord niet meer werd herkend.

Doch ter zake. Grimm zegt terecht, dat onze toovenaars het vermogen om dierengedaanten aan te nemen gemeen hebben met die der ouden. Immers reeds Herodotus verhaalt ons, dat de Neuron — een Scytische volksstam, die in Europeesch Sarmatië woonde — zich jaarlijks eenige dagen in een wolf veranderden. Ook Plinius en anderen maken hiervan gewag. Een mensch, aan wien dit vermogen werd toegekend, heette bij Grieken en Romeinen „lycanthroopos,quot; d. i. wolfmensch of menschwolf. Na de invoering van het Christendom bleef dit bijgeloof nog voortbestaan, en is misschien heden ten dage nog niet geheel uitgeroeid. Wel begon er, nadat paus Innocentius VIII op 5 Deo. 1484 zijn bul „Summus desiderantesquot; — zoo luidden de aanvangswoorden van het Pauslijk decreet — uitvaardigde tegen de tooverij, een ware vervolgingswoede los te barsten tegen heksen en hekserij, een verdelgingskrijg als het ware, welke zich uitte in een reeks van processen, die aan duizenden het leven kostten.

In het jaar 1487 vervaardigden de in genoemde bul aangewezen inquisitoren, Sprenger c.s. den beruchten „Malleus Maleficarum,quot; of den zoogenaamden „Heksenhamer,quot; waarin vaste regels werden opgegeven, volgens welke de hekserij bestreden en bestraft moest worden.

Wat nu de verandering van een mensch in een wolf — dikwijls ook in een kat — betreft, daarvan heeft Kaspar Schotte, een beroemd Duitsch natuurkundige uit de zeventiende eeuw, gezegd, dat heksen menschen zijn, die er in de verbeelding van anderen als een of ander dier uitzien, of gelijk het in den Malleus Maleficarum heet: de duivel kan de fantasie der menschen zóó bedriegen, dat zij werkelijk meenen dieren te zien.

Maar wiens verbeelding wordt zoo sterk geprikkeld, dat hij, een mensch voor zich ziende, meent dat er een wolf of een kat voor hem staat. De oorsprong van dit, bijgeloof zal echter veeleer

ocr page 193

185

hierin gelegen zijn, dat n.I. bij verscheiden heidensche volken de wolf het zinnebeeld was van het den mensch vijandelijke, kwade beginsel en misschien zocht men in het kwaad en de schade aan menschen en vee toegebracht den moedwil van een vijand, die zich dan tot het aanrichten van dat kwaad, met behulp des duivels, zou veranderd hebben in een wolf.

Volgens het oude bijgeloof toch ontvingen de toovenaars van den duivel een haren riem of zwart wambuis. Hierop zinspeelt zeker Shakespeare, waar hij Prospero tot zijn dochter Miranda laat zeggen:

Lend thy hand And pluck my magic garment from me So. Lie there my art.

Deden zij dezen gordel om of trokken zij deze huid aan, dan veranderden zij in wolven. Zoo vermeldt Cannaert in zijn bijdragen tot het oude Strafrecht, blz. 168, een vonnis uit het jaar 1657 van een beschuldigde, die bekent „op diversche quartieren „gheloopen te hebben in de ghedaente van eenen weerwolf, „daerinne hij verandert ofte getransporteert wierd met het aen-„doen van eenen riem, ghemaekt van stoffen, ghelijck van vellen, „van den duyvel ontfaen.quot;

Te twaalf uur 's nachts wordt iedere weerwolf, zegt het bijgeloof, gemetamorphoseerd in zijn oorspronkelijke gedaante van mensch, hetgeen evenzeer geschiedt als men den gordel of het vel verbrandt; zoolang dat brandt heeft hij veel pijn, maar zoodra het verbrand is, is bij verlost. Volgens Westendorp, Noordsche Mythologie, p. 192 en Feenstra, Volksverh. en Legenden, p. 27, geloofde men eertijds hier te lande, dat een van zeven zonen, en wel hij, dien de duivel zich daartoe kiest, een weerwolf is. Die ongelukkigste der broeders zou dan genoodzaakt zijn eens in het jaar zijn woning te verlaten en des nachts rond te dwalen in bosch en veld, terwijl hij tot halve razernij wordt gebracht door 't zien van roode voorwerpen.

Nog is dit en ander bijgeloof niet geheel verdwenen. Iets er van spreekt nog uit het versje, dat in sommige streken door de kinderen wordt gezongen bij het „Wolf en Schaapquot;-spelletje !).

') Men zie over dit spel Keijzer's boekje: , Wat er gespeeld moet wordenquot; — Uitg. P. Noordhoff 1892 — pag. 13, waar in plaats van den weerwolf sprake is van den rui gen wolf.

ocr page 194

186

„Schaepherder, laet je schaepjes ga;

'k Durve niet;

Van wie niet?

Van de weerwolf niet.

Weerwolf die zit 'evangen Tusschen twee iesdere tangen,

Tusschen de zon en tusschen de maene; Schaepherder, laet je schaepjes ga!quot;

— De wolken worden in de Germaansche mythologie vaak als schapen gedacht; vandaar dat de god der wolken als herder wordt voorgesteld; ook wij zien soms nog „de herderinquot; met hare schapen, tallooze wolkjes, aan den hemel. —

In den Navorscher van Februari '91 wordt er op gewezen, hoe in dit rijmpje heidensche overleveringen bewaard zijn gebleven. Immers de wolf wijst op den wolf Fenrir der Noordsche mythe, die, eerst door de Asen met den tooverband Grleipnir geboeid, bij den laatsten wereldstrijd evenwel Odin den Alvader zal dooden.

Zoolang de wolf gevangen zat, geboeid tusschen twee rotsen, zoolang waren de goden veilig; gelukte het hem evenwel zich los te rukken, dan brak de dag van den ondergang der wereld aan. In 't genoemde spelletje nu is de wolf losgebroken, waarmee de wereldstrijd een aanvang neemt.

Wel volgde op de donkere middeleeuwen een beter tijdperk, nadat de hervorming baanbreekster was geweest voor licht en waarheid, wel heeft de vooruitgang der wetenschap vooral in onze eeuw het zijne gedaan om meer klaarheid te brengen — toch bleef nog zoo menige dwaling bestaan. Verblijdend is daarbij echter de gedachte, dat de gang der menschheid vooruitgang is, al is het waar, dat zij de zigzaglijn volgt — nu eens schijnbaar achteruittredend, maar dan weer zooveel schreden te meer hare volmaking naderend.

En eens zal immers ook de dwaling, die bijgeloof heet, niet meer bestaan, en aanbreken zal de morgen van dien dag, op welken enkel licht en waarheid zal zijn!

Een merkwaardig' Woordenboek.

Onder de woordenboeken is wel het zonderlingst het Rijmwoordenboek, gemaakt door Witsen Geysbeek. 'k Behoef niet

ocr page 195

187

te zeggen, dat zulk een woordenboek een onding is. Opmerkelijk is het, dat er in gemist worden o.a. de woorden dichter en poëet. Misschien bleven ze achterwege uit schaamtegevoel des makers.

Aardig is de vinding — langs den weg der vereenvoudigingsmethode — door J. de Boer in „Eloquentia1quot; uiteengezet, bestaande in een tabel, waarmede men evenzeer alle rijmwoorden kan vinden:

B. bl. br. N.

C. P. pl. pr.

D. dr. dw. R.

F. fl. fn. fr. S. sch. schr. sj. sl. sm.

G. gl. gn. gr. Sn. sp. spl. spr. st. str.

H. T. tr. tw.

J. V. vl. vr.

K. kl. kn. kr. kw. W. wr.

L. Z. zw.

M.

Be heer J. de Boer geeft dezen sleutel niet als handleiding voor aankomende dichters(?), maar als proeve, hoe Witsen Geysbeek met minder omslag een zelfde werk had kunnen doen.

Proeve: Ik zoek een rijmwoord op aan, nu volg ik de tabel, en vind dan tot miin verrassing:

Baan, blaan (bladen). Paan (paden).

Daan (daden), gedaan, etc. Slaan, spaan, staan.

Saffraan. Taan (verfstof), traan.

Gaan, graan. Vaan (vaandel).

Haan. quot;Waan.

Kaan, kraan. Zaan, zwaan.

Laan.

Maan.

Banaan.

N.B. Woorden als blaan, daan, paan en vaan zijn bijzonder geschikt en aanbevelenswaardig voor de aankomende dichters!

Het getal zeven.

Behalve aan 't getal 3 is van oudsher aan quot;t getal 7 een zekere heiligheid ^ toegekend, zoodat wij vooral op het gebied van den

') Lnthcr o. a. leerde, dat men dit getal, wegens zijn herhaaldelijk voorkomen iu de II. Schrift, vour heilig moest houden.

ocr page 196

188

godsdienst telkens dit getal terugvinden. Natuurlijk heeft het toeval het zijne er toe bijgedragen om te maken, dat wij op allerlei gebied het getal 7 terugvinden. Als proeve — zonder eenigszins op volledigheid aanspraak te kunnen maken — gelde het onderstaande:

In 't Oude Testament lezen wij, dat Noach van alle rein vee 7 stuks met zich in de ark nam. Faraö droomde van 7 koeien. De kandelaar in het heilige had 7 lampen. Rondom Jericho werden 7 ommegangen gedaan door 7 priesters met 7 bazuinen.

Simson droeg 7 haarvlechten, en Naaman moest zich 7 maal baden in de Jordaan. In 't Boek Daniël treedt het getal 7 op den voorgrond — binnen 7 x 10 jaarweken zou de Messias komen. — Om de 7 jaar viel bij Israël het sabbatjaar in en om de 7 x 7 jaar het jubeljaar.

In 't Nieuwe Testament treedt vooral in 't laatste boek 't getal 7 op den voorgrond: het woord wordt hier gericht tot de 7 gemeenten van Klein-Azië, etc. Het Onze Vader telt 7 beden, de Sadduceën komen tot Jezus met een vraag omtrent 7 broeders, die achtereenvolgens gehuwd waren met eenzelfde vrouw. De kruiswoorden zijn 7 in getal. Jezus zond 7 x 10 apostelen uit; de eerste Christenen kozen 7 diakenen.

In de Moraal is sprake van 7 hoofddeugden: Geloof, Hoop, Liefde, Rechtvaardigheid, Matigheid, Standvastigheid en Voorzichtigheid; voorts leerden de Scholastieken 7 hoofdzonden, voorgesteld als 7 daemonen door de 7 hoofden van een draak, zijnde: Hoogmoed, Gierigheid, Onkuischheid, Nijd, Gulzigheid, Gramschap en Luiheid — de verschillende opgaven der 7 hoofddeugden en zonden komen niet geheel overeen.

De Roomsche kerk leert 7 sacramenten en houdt in gedachtenis de 7 vreugden en de 7 weeën van Maria.

Wat de geschiedenis betreft: 7 steden betwistten elkander de eer, dat binnen haar muren Homerus het eerste levenslicht zou hebben aanschouwd — als Homerus ten minste ooit geleefd heeft! — n.1. Smyrna, Rhodus, Colophon, Salamis, Chios, Argos en Athene.

Bekend is het voorts, dat Rome zijn Septemviraat (zevenmanschap) had en Engeland zijn Heptarchie (regeering van i' koningen). Alva hield er zijn 7 stuivers-lieden op na; 7 stuivers was het loon voor hun verspieden Het zeventuig was oudtijds een rechtspraak in Holland; Duitschland had zijn Sithengericht.

ocr page 197

189

Van Friso wordt verhaald, dat hij 7 jaren rondzwierf eer hij in Friesland aankwam, hij liet 7 zonen na en verdeelde 't land in 7 deelen, verbonden door 7 heirwegen.

Bekend is wat van de 7 slapers, de zoogenaamde broeders van Ephese, verhaald wordt, welke, volgens de overlevering, onder Keizer Decius in een spelonk in slaap gevallen en ingemetseld waren, en eerst onder Theodosius ontwaakten. De Roomsche kerk viert hun nagedachtenis op 27 Juni; regent het dien dag, dan zal er gedurende 7 weken geen dag zonder regen voorbiigaan — zoo zei men althans.

Voorts worden er genoemd 7 wijzen: Thales, Bias, Pittacus, Chilon, Myson, Cleobulus, Solon, en 7 wereldwonderen: Pyramiden van Egypte, Hangende tuinen van Babyion, Dianatempel te Ephese, Olympische Zeus van Phidias, Mausoleum van Artemisia, Colossus van Rhodus, Vuurtoren van Alexandrië of 't paleis van Cyrus.

Zeven wijze meesters waren opvoeders van Keizer Dioclectianes.

In de Aardrijkskunde is bekend: Zeven-Zusters in Zweden, Zevengebergte in Duitschland, Zevenwouden in Friesland, Zevenbergen in Duitschland, Zeven eilanden in de Middellandsche Zee, Zevenhuizen in Zuid-Holland.

De Sage der 7 Maagden is ook zeker niet onbekend. Door hun schoonheid wisten zij tallooze jongelingen tot zich te lokken, maar spotten met hun liefde, weswege zij tot straf in zoovele rotsen werden veranderd, welke den Rijnbezoeker nog worden aangewezen.

Bekend is ook, hoe 't getal 7 een voorname rol speelt in den bouw van den Dom te Keulen. Alle afmetingen berusten op 't getal 7 of veelvouden daarvan. In alle portalen en zijgangen zijn 7 nissen voor beelden; 7 kapellen omringen het hooge koor, 'twelk versierd wordt door 2x7 pilaren; 7 kolommen scheiden elk der vijf schepen der kerk, etc. etc.

Ieder weet voorts, dat de regenboog 7 kleuren heeft, gelijk aan niemand het zevengesternte onbekend is

Ook in 't volksgeloof speelde en speelt wellicht hier en daar nog de 7 een rol. Zoo werd de schoonste van 7 dochters gehouden voor een nachtmerrie, en van 7 zonen geloofde men, dat één hunner een weerwolf was. Tot zulk een zevenden zoon begaf men zich om raad in geval men een ziekte had, voor welke niemand raad wist. Ter Gouw o. a. weet te verhalen, hoe er

ocr page 198

190

indertijd zulk een zevende zoon, v. H. geheeten, te Loenen a/d Vecht woonde, tot wien dan ook menigeen zich om raad begaf.

Merkwaardig is nog het bijgeloof, dat hier en daar onder de visschers bestaat, als zou er n.1. bij het opkomen van den vloed tusschen iedere zevende golf en de daaropvolgende eenige stilstand zijn; men meent, dat het tij niet hooger komen kan eer deze golf het helpt.

Ten slotte nog een enkel woord over 't getal 7 in het spreekwoord.

„Hij ziet er uit alsof hij er 7 op had,quot; 't welk gezegd wordt van iemand, die er tamelijk wreed uitziet.

„Zeven is een galg vol't welk ontleend kan zijn aan 't verhaal, dat David 7 zonen van Saul te Gibea liet ophangen.

„'t Is mijl op zeven,quot; d. w. z. 'tis een omweg; t welk misschien niet bij 't bovenstaande behoort, omdat dit zeven volgens sommigen een verbastering is van een plaatsnaam. Oorspronkelijk zou de zegswijze geluid hebben: „'tis van Meijel op Sevenum, twee dorpen in Limburg, die kort bij elkander lagen, maar verbonden waren door een langen, zeer kronkelenden weg.

Doch ik begon met te zeggen, dat ik slechts een proeve wilde geven; de lezer heeft dan zeker aan deze proeve genoeg om te gelooven, dat aan het getal 7 van oudsher een bijzondere waarde is gehecht. Die liefhebberij er in heeft, kan zelf het ontbrekende— en dat is nog heel wat — aanvullen!

ocr page 199

INHOUDSOPGAVE O-

A.

Abracadabra......

Abracax........

Abraxas........

Achterkouzig......

A. E. I. O. U.....

Agnus Dei.......

Alchemie.......

Alf.......39,

Alter Weiber Sommer . . .

Alpendrück.......

AlpMmantie......

(Gebrilde) Al va.....

Amulet........

Anagrammen......

April.........

{Eerste) April......

April-Fools.......

April-Grappen......

Arraezondaarspoeder.... Augustus........

B.

Bedeltalisman......

(Ad Numerum) Bibere . . . Bibere (Graeco More) . . . Bibere (Nomen Alicuius) . .

Bidprentjes.......

Bidwiel........

Blauw blauw laten . . . .

Bloedraaand.......

Bloemvaas (huwelijk van een) Boeken der Leeken . . . .

Bladz.

Boerendozijn......27

Brachióla.......99

Brachmanoth......88

Brancard.......175

Breeuwer.......175

Bretzel........99

Bruiloft........21

Buddha Beeld......10

{Merkwaardige) Bijbels ... 16

(Azijn) Bybel.....18

(Broeken) ».....19

(Deugnieten) ».....18

(Deux-Aas) ».....17

(Gebakken) ».....19

(Mazarin) ».....18

(Miniatuur; ».....19

(Uilenspiegel) ».....18

c.

Calendae........117

C M-fB-f.....33

Carcelado.......182

Carnaval.....167, 168

Catarrhaal.......175

Catenaccio.......182

Cellulair........175

(Michel van) Coxcys . 171 , 129

D.

Dauwtrappen......139

December.......22

Derk met den beer .... 92

Dertien........23


de namen der verschillende artikelen aan.

De cursiefgedrukte woorden

ocr page 200

192

Bladt. 26 32 145 27

Bladz.

53 , 175 . 175 . 54 . 55 . 129 . 58 158 . 61 . 64

27 9

75

188 160

7

28 30 14 30

164

32

33

8

35

174

175

d.)

Heptarchie ....

Herberg.....

Herfst.....

Herfstdraden ■ ■ Herfstmaand . . Herselmaand . -Hippocras . . . • Hoefijzer. . . . • Hoepelrok . . ■ • {Vliegende) Hollander Honderd en Een . Horninck . . . • Hot-cross-buns . ■

Huibje.....

Huislook . . • • Hultre . . . • ■

Hulfeest.....

{Zonderlinge) Huwelijken Hybriden (in de taal) Hvlikmaker.

131

37 11

134 134

38 40 32

137 178

41

42 5

69 69 44 46 50

1. H. S.

Dertienclub.....

Dertiendag.....

Diamant......

Diernamen.....

Dieven......

Djimat . . • • • •

Doge van Venetië . .

(huwelijk v Dom van Keulen .

Donatio Constantini . . Donderbeitel . .

Donderdag (Groene of Witte). Dooden-Lantaarn . ■ ■

Doosijntjes.....

{Het getal) Drie . . ■

Driedronk.....

Driekoningen .... Driekoningenbrood . . Duikersteen .... Duive, deuve of duvekater

Duivel......

Dupe.......

E.

Eastern.....

Echo.........

Edelgesteenten als talisman 10, Egg-Saturday . . • -

Eieren zoeken . . .

Elf......

Elixer.....

Epiphaniënfeest • -

Erasmus (de Holl. Fasquin) Etgroen.....

F.

Familieleven in de taal Februari.... Petisch .... Filets de la Vierge Filets de St.-Martin Foeke- of rommelpot Folklore . . . ■ Fostedina s kroon .

H.

Hans Knap.......9?

Hartjesdag.......66

Hazelaar............qi

[De Drie Strenge) Heer en . . 34

Heidenwegge......93

Heiligmanoth.....' i «1

Heksenhamer......

Helm.........?

Hemelval.......

. loo

. . 67

, . 151

. . 68

. . 150

. . 126

. . 70

. . 8

. . 71

. . 73

. . 24

. . 43

. . 181

. . 6

Gaper . • ■ Gasfitter. . . Geali menteerden Sint Geerten Minne Geiser . ■ Geueraliteitsvlag Grafschriften . Groene Wijf . Guillotine . . Guillotine sèche

151 170

75

76 177

77

G.

ocr page 201

193

J.

(Sint) Jan...... .

(Sint) Jans Geleide . . . . (Sint) Jan in 't Volksgeloof (Sint) Janskruid . . . , .

(Sint) Jansvuur.....

-ii Januari........

Janus ........

Joeltijd........

Johannesbrood ......

Johanneskever......

Joom Teroeah......

Judas' geeseling.....

Judas vuur.......

Juni.........

Jul ever........

J uli.........

K.

Kaarsjes springen . . . . Kaarsjes zwemmen . . . .

Kabbala........

Kandeel........

Kemia........

Kerkhofaarde......

Kerstblok.......

Kerstboom.......

Kerstfeest . ' . . .

Kerstgebak.......

Kerststobbe.......

(Heilige) Kever.....

Khan. . .......

Klaverblad.....164,

Klokluiden.......

Klottermarkt......

(Houten) Koe......

(IJzeren) Koeien.....

Kohinoor.......

Komenij........

Koppermaandag.....

Koord v. e. gehangene . . .

Koraal •........

Kraakporcelein.....

Kraamkloppertje.....

Krakeling.......

Kruis.........

Kurbaus........

Kust van Bretagne . . . .

L.

Labarum.......

Bladz.

Leesteekens...... .100

Lente.......101, 102

Lenzinmanotb......101

Loefmaand.......125

Loodgieten.......161

Loup-garou.......184

Louwmaand......85

Luilak......138, 139

M.

(Verloren) Maandag .... 96

Maart........101

(Sint) Maarten......102

Sint-Maartensgans . . 103, 105

Madeliefje.......178

Makelaar.......175

Malleus Maleficarum . . .184

Maren........119

Mai-di gras.......168

Mariengarn.......69

Maria Lichtmis.....179

Marsepein.......105

(Le mal de St.-) Martin . .103

Martius Panis......106

Mazarijnen . . . . . . . 147

(Sint) Medardus.....111

Meermin........156

Mei . ........106

Merblits........109

Meiboom........107

Sleigilde........109

Meigraaf.......109

Meikersen.......110

Meyinne........109

(Korte) Metten.....175

Metgezel........177

Mezuzah................7

Midsumermaand.....88

Midwintermaand.....23

Mithrem........112

Moestiko Bojo.....8

(Thomas) More.....166

Mores leeren ......177

Morforio.......137

Mouches . ........115

Muizenis.......175

Muntstuk met een gaatje . . 9

Mutsaerd.......175


ocr page 202

194

Bladz.

177 175 138 138 138

138

139 169

147

129

Bladz

. 190

174 121 121

6 23 66 154 116 55 8 6

175 124 140

118,

Nachtmerrie . . ■ ■ Narrengilden . . ■ Narrenschip. . ■ ■ Navelstreng . • • (Kwade) Negen . • Nerthus.....

(Sint) Nicolaasbroodjes Nieuwjaarsdag .

(Schaal van) Nivelles Noodhemd . . • • Noodvuur . •

Notaris.....

November . • • • Nutskoek . • • •

Mijl op Zeven .

N.

Peisterplaats . .

Pekelzonde . . • Pinksterbloem . Pinksterbloemzingen Pinksterbruid . . Pinksterknaap . . Pinkstermannen .

Poisson d'Avril . Portemonnaie en cuir de Tonkin .....

(Prince) Vlagge .

Q.

Quarter—Dollar.....26

Quatorzième......25

0.

October........

Oogst . .......0

{Gouden) Oorijzer.....

Orakels........

Oranje, blanche, bleu. . ■ •

Orlof.........If

............quot;J

Ostern........

Overigden.......

P.

Paascheieren......

(Wanneer) Paaschfeest . . . loquot;

Paaschgebruiken.....13

Paaschhaas.......^4

Paasch vuren......

Paasch water......

Palmzondag......^

Pannekoekraaand.......

Paques fleuries.....

Parelmoer.......

Parentage.......'b

Parlement.......

Paskwil........

Pasquino........

Passé Partout......

Passion d'April.....169

Regent of Pitt Eobespierre . . • (Gouden) Roos. .

Roos v. Jericho Christian Rosenkreutz Rozenfeest .... Rozenkruis .... Rozenmaand . .

Kroning van 't Rozenmeisje Ruselmaand Rijdende Heiligen Rust......

75 146 143 143 155 145 44 103 121

149 43

150

151

Saligram (huwelijk v. een)

Sancy ........

{Stille) Saturdag.....

Scarabeüs ...••••

Schoen zetten......

{Zeldzame) Schoonheden .

Schrikkelmaand.....

Schuddekorfsdag.....

{Blauwe) Schuit.....

(Van) Scylla in Charybdis . ■

Sellemaand.......

September...... •

Septembriser .... bi,

147 151 56 86 141 111 140 88 112 126 102 150


ocr page 203

195

Blad/. _

Septembriseurs.....151

Septemviraat......188

Shah van Perzië.....10

Siebengericht......188

Sinterklaas.......152

(Zang der) Sirenen . . . .156

Smeeruiaand......125

Slachtmaand......124

Spelen in de kerk.....158

Nieuw spreekwoord . . . .159

Sprokkelmaand.....42

Sproutkelemaand.....48

Staart der Chineezen . . . .159

Staartje........165

Strop (als talismanquot;).... 8 (Sint) Si/lvester.....160

T.

Talisman.......4

Talismaticus......5

Tefillin........3

Toast.........162

Tonsura Pauli......163

Ton sur a Petri......163

Tonsuur........163

Trepanatie.......163

Trimulchi.......107

Triniteitsbeker......164

Truffels........166

Tijgertand.......7

Bladz.

Vixi.........24

's Lands Vlag......128

Voetwassching.....29

Volksetymologie......172

Vollaerds.......161

Voorhandsche titel .... 178

M. C. de Vries Jr.....146

Vroegrijp.......140

Vrouwedag.......179

Vrouwenavond.....179

{Goede) Vrijdag.....180

(Goede) Vrijdagskinderen . .181

W.

Watten blazen......161

Weddermaand......88

Weerwolf.......182

Weidemaand......88

Ant. Wiertz......65

Windelmaand......23

Windmanotb......125

Wolf en Schaapspel. . . .185

Wolfsmaand......23

Wondervuur......143

(Rijm) Woordenboek . . . .186

Wunnemanoth......107

Wijnmaand.......125

IJ.


IJsbeiligen.......34

U.

Utopia

166

Z.

V.

Vastenavond......167

Veelvraat.......175

Ventose........125

Veertig min een.....24

Verzenderkemdag.....168

(Getal) Zeven ....

. 187

Zevende Golf ....

. 190

Zevendubbeltjes ring

. 6

Zeven is een galg vol .

. 190

Zeventien.....

. 24

Zeventuig .....

. 188

Zondvloed.....

. 173

Zwijnskop.....

. 91


ocr page 204

Beoordeelingen van den Eersten Druk.

Tijdschrift „Nederlandquot;, Nov. '92.

„De Heer Drijver is dilettant folklorist, maar dilettant in den goeden zin. Waar hij op 't gebied van taalkunde of oudheden iets curieus vond, heeft hij het opgeteekend en er een leesbaar, aardig artikeltje van gemaakt.

Sommige anecdoten worden pas aantrekkelijk door het blijkbaar genoegen,

dat de verteller in het vertellen heeft.......het is een aardig boekje als

cadeau of op den boekenhanger in de huiskamer.quot;

Kerkelijke Courant, 15 Oct. '92.

„Op elke bladzijde vindt men iets verrassends, en, is het geen boekje om achter elkander door te lezen, graag neemt men het gedurig ter hand.quot;

Het Vaderland, 8 Oct. '92.

„Een nuttig werk deed de Heer F. W. Drijver met de uitgave van zijn Mozaïek-tegels; boekjes als deze bewijzen garde diensten.

Zal hij misschien te een of anderen tijd wel met nieuwe tegels komen aanzetten, hij zal ook dan welkom zijn!quot;

School en Studie, Nov. '92.

„Dit werkje bevat in een honderdtal handige artikelen veel wetenswaardigs en veel dat men soms vergeefs in andere boeken zal zoeken. Allerlei bijzonderheden vindt men hier te gader; de inhoudsopgave is zoo bont mogelijk, maar alles samen vormt, zooals de titel aanduidt, een aardig geheel.quot;

Het Belfort, Maandschrift gewijd aan Letteren, Kunst en Wetenschap.

Gent. A. Siffer. Nov. '92.

.....„Een oudheidsmuseum, waar een zorgvuldige zoeker zijne belangwekkendste vondsten bijeenbracht; — inhoudrijk, vol afwisseling, eenvoudig van taal: ziedaar de hoedanigheden, waardoor zich 't boekje in de eerste plaats aanbeveelt, en, dat zoowel aan den schoolknaap als aan hem, die zich de Folklore tot privaatstudie koos.

't Is een verheugend feit te mogen vaststellen, dat, is de schrijver zelf Hollander, het uit de menigvuldige aanhaling van namen als Gezelle, Gittée e. a. blijkt, hoezeer hij met onze vorschers en geleerden bekendis, en hoe hij zijne bekendheid te benuttigen weet.quot;

Nederlandsche Spectator, 24 Sept. '92.

„Zonder aanspraak te maken op geleerdheid, behelst dit werk een aantal zaken, die zeer wetenswaardig zijn — menigeen zal hier vrij wat vinden, dat hij tot dusverre niet wist.quot;

De Portefeuille, 24 Sept. '92.

„Dit boek is eene verzameling van niet algemeen bekende zaken, het geeft antwoord op honderdeti vragen, die men zou kunnen doen — het boekje is onderhoudende lectuur!'

De Hervorming, Nov. '92.

„Natuurlijk is het niet een boekje om achtereen uit te lezen, al blijft men er onwillekeurig in hangen, het is zeer handig om gedurig eens op te slaan.

Het boekje kan inderdaad bijdragen tot de kennis van onze taal en ons volksleven.quot;

Nieuw Leven, Nov. '92.

„Het boekje is inderdaad zeer aanbevelingswaard voor ieder, die over al die dingen eens wat weten wil.quot;

ocr page 205
ocr page 206

Uitgaven van P. NOOEDHOIT te Groningen.

Ankum, L. van, De zedelijke opvoeding der jeugd.......J

Bock, Dr. C. E., De huisdokter voor stad en land . ... 2e druk Boer, L. M. de, Stemmen der Natuur en des ffarten Christine, Eeisherinneringen uit Klein-Azië, Syrië en Pal-Östina .

Dijk, Prof. Dr. I. van. Het conflict tusachen Socrate^en zijn volk . -Dittes Dr. F, Geschiedenis van de Opvoeding en het Onderwijs,

door J. Versluys................ druk -

Engel, J. A., Beelden uit het leven. Novellen........

Engel, J. A., Edele steenen...............

Epkema, Dr. E., Geschiedenis der Oudheid. Met platen^ . . . . -

Feringa, Dr. F., Democratie en Wetenschap......2e druk *

Groot, Prof. Dr. P. Hofstede de, Johan Wesael Ganzevoort. Met portret -Groot, Prof. Dr. P. Hofstede de, Ary Scheffer, met vier platen en portret -

Haggard, H. Rider, Mr. Meeson's Will ,..........

Heerspink, J. B. F., Prof. Dr. P. Hofstede de Groot's leven en

werken. /3,90; gebonden............. • quot;

Heinsius, Dr. J., Klank- en Buigingsleer van de Taal des Statenbijbels Huizinga Prof. Dr. D., Een en ander over voeding. Met gekleurde

tabel................... druk -

Lacomblé, E. E. B., Contes choisis de Coppée, Daudet et Theuriet. Geb. -Lacomblé, E. E. B., Contes choisis de Zola, de Maupassant, Claretie

et autres. Gebonden................

Linde, Prof. Dr. A. van der, Michael Servet.........-

Meijboom, Prof. Dr. H. U., Algeméene Godsdienst-geschiedenis . . -Möbius, Dr. P. J., De zenuwachtigheid. Bewerkt door Dr. C. P.

ter Kuile....................

Modderman, Prof. Dr. R. S. Tjaden, Het oudste Faustdrama (Marlowe) -MüUer, F. Max, Wetenschap der Taalkunde. Vert, door Dr. G. Penon.

.Nathusius, M., Elisabeth of de strijd des levens, 2 dln......

Rijn, H. B. J. van, Aphorismen der Gezondheidsleer......-

Schaff, Philipp, Jezus Christus, het wonder der geschiedenis . . . -

Schwarz, C., Licht en Leven! Godsdienstig huisboek......-

Tijdschrift voor Geschiedenis, Land- en Volkenkunde. Onder

redactie van Dr. M. G. de Boer en R. Schuiling. Jaargang 1—ISa-Wiersma, Mr. K. Meijer, Nederlandsche Staatswetten. Met opneming van' de oorspronkelijke redactie der gewijzigde artikelen en

verschillende besluiten. Gebonden.......... • ■

Witkamp, P. H., De Sagentyd der Oude Volken. Met 176 gravures

ƒ2,40. Gebonden.......... ......

Wouters, J. T., Similia Similibus Curantür. Populaire voordracht

over Homoeopathie.................

Zuidema, Dr. W., Gedichten en rijmen uit mijn Studententijd,

ƒ 1,50; gebonden................. •

Zschokke, H., Uren aan de Godsdienst, bewerkt door Dr. E. J. Diest Lorgion. 2 dln. ƒ2,50. Gebonden in 1 deel.....

0,50: 1.25 2,50 2,90 0,90

1,25 1,90 1,00 3,60 2,75 0,75 1,90 1,50

4,50 3,00

1,25 1,90

1,90 3,90 1,00

1,25 1,90 0,50 5,90 0,75 2,00 1,50

5,00

ll$p

■ wêm

^5m HH ,

WWÊÊÊm

mSml

2,90 2,90 0,50 2,25 3,50

ocr page 207

t- . - /.

m

,quot;V ' jj,

- 'v

quot;A-y

/■-

t'.

1.:./ V

' -• f,f gt; A

.1 •.

Si- : T ..

I

;.V/,

P-'x ■: -v. • -•

!gt; ■ ' . ' r , ■ ■

'r.f' \ s

' . gt;.

ffiliJ -}::V \ ■-

I r. ■:

gt; Jkr

.'ogt;v ?;•; [, ; • : •; K ■ gt;

v ' ■

i ■ - ■ t . ; lt;»

[ : . ■' /

v:.

v/V.:;

^ ■ «r.

..l_;

- , , :

, -7 '

ocr page 208

esz.-yi.Ka.'#.#-;

'* ^ gt; l' J- '' x-jK-^r ,/• ^ Tj. ^

• K nJ J- ' , ijM ^ VvV . ^

\ * %Hvvr'- • ^

-4'NC '^rv •. ^ V : A *-

v- ^ ^tlquot; è ' vfrJ- vquot; j. 4

\ rri^t;«

'L -, -If. IS)

^ quot;y

L -A ifi

T V ^ * ij-'*

'■ v Xu gt;r'*

f gt; .• v. s, t-^Xjtv.?5ö v gt; gt; r -t ^Uc

j, xv ^•. ': • 7 ^

- ^---iv 41 ^

^ -^'X ^ /'- /rquot;, K-f

: u/'i,. ¥• ^jrJr'

Afy'X'fT-. %• l^Yquot;f

• - gt;i - x- ?w» ■'

:t V%5-!M^' - ;*'1

i:.Xlt;' ^: #../^ * v^quot;

■ ■ gt; --V . •4*'r _ /\ i H. , $*'4, - , ^ X

,^/V- |fc s ■i',r-r%i'

ij y tV'^A v ■ *.*/quot;

'i /quot; V-

7. V v'

^ gt; gt; *x

V quot;V

K ■. ^ v. t 4

•a -f. r •■ r-..^ . ,

; '-^Lfc- ^

i^TV

Jw/-

■r'v. fc- lt;

f^-x- /

. V

gt; !gt;l

*-vY '-v r/■« ..K' ■' .•■ -x-^/

vT A/i,- ■. * ', .i.quot;-'%quot;s7quot;

;gt;v ^ X, - L-i V ^V^ lt;. - - 7 ii

^-j'li-.^.':». .'^ :vr. s ^ ^