ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

Jen

U

ocr page 4
ocr page 5

L'even van den H. Martlmis,

EissclioD van Tours.

Bewerkt door A. V. VAN RIJSWIJK.

Inleiding.

Voornamelijk aan de hand van Svlpicius Savems ■willen wij de glorievolle, inderdaad apostolische loopbaan van den H. Martivvs, Bisschop van Tours, volgen. Sulpieuis Severus was een leerling en vriend van den H. Martinns. Gesproten uit een aanzienlijk geslacht van Aquitanië, volgde Sulpicius aanvankelijk de loopbaan van rechtsgeleerde en had in korten tijd door zijn fortuin en groot talent hooge beroemdheid verworven. Hij was gehuwd met eene schatrijke dame, uit eene aanzienlijke familie gesproten; maar deze echtelijke verbintenis was niet van langen duur: in den bloei der jaren werd zijne gade hem door den dood ontrukt. Deze wreede gebeurtenis dompelde Sulpicius Severus in de diepste droefheid; en ten laatste vatte hij het heldhaftig besluit de wereld te verlaten en alleen Jesus Christus te gaan dienen.

Sulpicius Severus had tot vriend een edel en heilig persoon, wiens naam in de geschiedboeken der Kerk beroemd gebleven is. Het was Paulinus van Nola, één der heerlijkste vernuften uit de eerste eeuwen van het christendom. Hunne vriendschap, die begonnen was in de wereld, waar zij beiden schitterden door den luisterglans hunner talenten, bleef ook voortduren, toen zij^

I Martinus 1 l

ocr page 6

door Gods genade getroffen, aan de goederen dezer aarde hadden vaarwel gezegd om de onvergankelijke schatten des Hemels te zoeken. Wel had Sulpicius niet, evenals Paulinus, geheel zijn vermogen aan de armen weggeschonken, maar hij bezat zijne aardsche goederen, als bezat hij ze niet: hij gebruikte zijne rijkdommen niet voor zich zeiven, maar voor anderen; hij besteedde zijne inkomsten om ongelukkigen te helpen. Zijn vriend Paulinus zeide tot hem: „Troost u; er behoort grooter kracht toe om aardsche goederen te bezitten, zonder zich daaraan te hechten, dan om zich van al zijne bezittingen los te maken; en het is veel schooner te vei-achten, wat men bezit, dan geheel en al te verlaten wat men moet verachten.quot;

Het hart van Sulpicius Severus opende zich nog voor eene andere vriendschap, welke eene belangrijke plaats in zijn leven inneemt. Op buitengewone wijze vereerde hij de hooge deugden van den H. Martinus, wiens roemvolle faam tot hem was doorgedrongen, en vurig verlangde hij Martinus te mogen zien. Hij bezocht hem voor de eerste maal te Tours in het jaar 393, naar men gelooft. Dit eerste bezoek werd door vele andere gevolgd ; en telkenmale teekende Sulpicius Severus met de grootste zorg alle bijzonderheden op, ten einde eerlang de levensgeschiedenis van den H. Martinus te kunnen schrijven. Ofschoon de heilige Bisschop gewoon was, nooit over zich zeiven te spreken en de bijzondere genadegaven, waarmede hij werd begunstigd, zorgvuldig te \eibeigen, toch verzekert Sulpicius, dat hij uit Martinus' eigen mond eenige feiten, in zijn boek verhaald, heeft mogen opvangen. Andere trekken, niet vele belangwekkende bijzonderheden, zijn hem medegedeeld door de geestelijken van de Kerk van Tours of door de kloosterlingen van Marmoutiers. Zijn verhaal, voortdurend steunend op

ocr page 7

3

liet verslas van ooggetuigen, bovendien op verscheidene plaatsen de eigen woorden van den H. Martinus weergevend, moet als zoodanig ten volle geloofwaardig worden geacht.

Het Leven van den H. Martinus, door Sulpicius Severus in het Latfn beschreven, is alzoo eene zuivere schatting van kinderlijke liefde jegens den apostolischen man, die destijds Gallië vervulde met den roem zijns naams en zijner mirakelen. Het is een kostbaar gedenkstuk. Het doel, hetwelk de schrijver zich voorstelde, was; mede te werken aan de zaligheid der menschen, door hun voor oogen te stellen een bewonderenswaardig toonbeeld van alle deugden. Nimmer heeft een boek sneller en alge-meener welslagen verkregen. Paulinus van Nola wenschte den schrijver er geluk mede en beloofde hem daarvoor eene eeuwige belooning. „Dit geschriftquot;, zeide hij, „is als een mantel, waarmede gij den Heer Jesus hebt omkleed en getooid. Gij hebt Hem, om zoo te spreken, omkranst met de bloemen uwer welsprekendheid.quot;

Het vermelde Leren run den H. Martinus is later nog aangevuld door Sulpicius Severus met zijne Brieven en Samenspraken, waarin verscheidene trekken worden medegedeeld, die in het eigenlijke Leren van den ]{. Martians niet worden vermeld. Ook die brieven en samenspraken hebben wij hier en daar gevolgd.

De vriend en levensbeschrijver van den H. Martinus stierf, naar men gelooft, omstreeks het jaar 4gt;y na Christus. Zijn naam wordt niet vermeld in het Martelaarsboek (Martyrolngium) der Kerk; maar sinds onheugelijke tijden wordt hij in het Bisdom van Tours vereerd. Zijn feestdag valt op den 29eu Januari.

Na deze korte inleiding en bemerkingen omtrent den eersten levensbeschrijver van den H. Martinus van Tours, gaan wij onder Gods zegen en bijstand, en op het

ocr page 8

4

voetspoor van Sulpicius Severns onze taak aanvaarde;;. Moge de H. Martinus onze zwakke pogingen ondersteunen ter verbreiding van Zijne welverdiende eer!

I.

Geboorte en eerste jeugd van Martinus.

In het jaar Onzes Heeren 316 werd te Sabarië, eene stad van het oude Pannonië, een kind geboren, hetwelk door den Hemel voor zeer hooge roeping was bestemd. Het tijdperk van bloedige vervolging, dat drie eeuwen had geduurd, was afgesloten. Vrij ademde de Kerk onder den heerschersschepter van Constan ijn den Groeten, die het weleer heidensche Kapitool van Rome met het Kruis des Heeren had bekroond. Allerwegen werden Godgewijde tempels gesticht boven de verheerlijkte grafsteden der Martelaren. Niet langer behoefden de christenen zich te verschuilen in de onderaardsche gangen der Katakomben. Zelfs de woestijnen werden bevolkt door tallooze vrome kluizenaars, die hun God door het beoefenen van de hoogste deugden zoo getrouw en voorbeeldig me gelijk dienden.

De Kerk, die hier op aarde een strijdende Kerk genoemd wordt en ook waarlijk is, zou echter nu vooral te strijden hebben tegen de ketterijen, die als onkruid tusschen de goede tarwe opschoten. Maar God verwek'e nu ook voor Zijne Kerk onbezweken strijders, die de uitbrekende dwaalleeringen door de onverwinlijke kracht van hun woord, door hun onschokbaren heldenmoed zouden beschamen. En in de breede rijen van die onbezweken strijders en glorievolle Geloofshelden, zal dat kind eerlang één der eerste plaatsen innemen: Martinus zal eenmaal één der schitterendste en reinste gloriën der H. Kerk worden.

Martinus, wiens eerste naam Florus was, was de zoon

ocr page 9

ü

van G'Ti krijgstribuun in het keizerlijke leger, een rang, die gelijkstond met den graad van kolonel. Zijne ouders waren heidenen, maar de genade des Heeren voorkwam Martinus reeds in de prille jaren zijner jeugd. Welke is dan toch de bekoorlijkheid, de aantrekkelijkheid van de christelijke deugden, dat een jeugdig hart daardoor wordt getroffen en, niettegenstaande allerlei hinderpalen, zooals van geboorte, van gewoonten en zoo meer, daardoor ten sterkste wordt aangetrokken? Dit is het geheim van God, ten opzichte van diegenen, welke Hij tot verhevene zendingen voorbestemt. Reeds vroegtijdig ondervond Martinus hiervan de onbekende, maar geweldige kracht. Reeds op jeugdigen leeftijd ging hij zeer gaarne naar eene grot, op eene berghelling nabij zijne geboortestad gelegen, om daar der christenen God aan te roepen. De immer voortlevende traditie in dat land heeft de vrome herrinnering daaraan bewaard.

In het oude Ticinum (tegenwoordig Pavia), onder den lieflijken hemel van Italië, werd de kindsheid van Martinus doorgebracht. Hij volgde daarheen zijn vader, die om wille van den krijgsdienst in genoemde stad zich vestigde. Daar liet Martmus voor de eerste maal die zielskracht blijken, waardoor hij, gedurende heel den loop van zijn langdurig leven, verwinnaar bleef van alle hinderpalen en waardoor hij de wonderdaden tot stand heeft gebracht, waaraan zijn leven zoo overrijk is. Op tien-jarigen leeftijd ontvluchtte hij het ouderlijk huis,snelde naar de kerk der christenen en smeekte op de dringendste wijze om de gunst van opgenomen te worden onder het ge'al der geloofsleerlingen (kotedntmenen). Gaarne werden zijne vurige hartewenschen ingewilligd. De priester legde hem de handen op en teekende zijn voorhoofd met bet heilig Kruisteeken.

Korten tijd daarna, als hij twaalf jaren oud was, wijdde

ocr page 10

6

Martinns zich geheel en al aan den dienst van den oppersten Koning van hemel en aarde. Gaarne had hij zijne levensdagen willen doorbrengen in de eenzaamheid, verre van het rumoerig gedruisch der wereld, om God te dienen en de boetvaardigheid te beoefenen voor het zondige menschdom. Maar Martinns weet het: hij isdezoon eens. kriigsmans. Op dien titel moet hij op zijne beurt in het keizerlijk leger dienen. Zóó bevelen het de verordeningen des keizers. Op vijftienjarigen leeftijd wordt Martinns bij het leger ingelijfd. Hij ontvangt een sabelriem, een helm, een krijgsmantel, een zwaard en een strijdros. Hij legt den krijgseed af, en nu is hij krijgsman in het keizerlijk leger. Maar op het voorbeeld van zoovele onverschrokken helden, wist de jeugdige soldaat ondfrzijn ijzeren harnas een vroom en geloovig hart te bewaren. De krijgstucht volgde hij onberispelijk, maar tevens beoefende hij in het gewoel van het krijgsmansleven de zeldzaamste christelijke deugden. Luisteren wij hier naar Sulpicius Severus, zooals hij het leven van Martinns in het leger met do meest treffende bijzonderheden, beschrijft.

„In het leger stelde Martinns zich tevreden met een enkelen krijgsknecht; en zeer dikwijls gebeurde het, dab hij de rollen omkeerde en zelf als krijgsknecht dienst deed: hij trok het schoeisel van zijn dienstknecht uit om dat te reinigen. Gezamenlijk gebruikten zij den maaltijd, en dikwijls was het de meester, die bediende. Ongeveer drie jaren bracht hij in het leger door, alvorens het H. Doopsel te ontvangen, maar hij wachtte zich wel voor de ondeugden, die onder de krijgslieden zoo algemeen zijn. Zijne toegenegenheid en liefde jegens zijne wapenmakkers waren bewonderenswaardig; zijne nederigheid en zijn geduld bovenmenschelijk. 't Is overbodig zijne matigheid te prijzen. Hij beoefende deze deugden

ocr page 11

7

in zulken graad, dat men hem op dat tijdstip reeds veeleer voor een kloosterling dan voor een soldaat hield. Zoozeer was hij gehecht aan zijne krijgsmakkers, dat dezen voor hem den hartelijksten eerbied koesterden. Martinus, ofschoon nog niet herboren in Jesus Christus, toonde reeds door zijne goede gesteltenissen, hoezeer hij haakte naar het H. Doopsel; want hij troostte de onge-lukidgen, hielp de armen, spijzigde de noodlijdenden, kleedde de naakten en behield van zijne soldij alleen voor zich, wat strikt noodzakelijk was voor zijn dage-lijksch voedsel. Als een getrouw volgeling van het Evangelie, dacht hij niet aan den dag van morgenquot;.

Eens — het was midden in een allergestrengsten winter — reed Martinus onder één der stadspoorten van Amiens door. Bevend en bibberend van koude, slechts half gekleed, zat daar een bedelaar om het medelijden en de barmhartigheid der voorbijgangers in te roepen.

Maar niemand luisterde naar de smeekende stem van den ongelukkige; allen spoedden met haast voorbij om een warm plekje bij den gloeienden haard op te zoeken. Martinus alleen hield stand. Maar wat te doen? Hij had reeds alles weggeschonken, hij bezat niets meer dan de kleederen, welke bij droeg. Hij aarzelde echter geen oogenblik; onverwijld trok hij zijn krijgsmantel uit, hieuw het kleedingstuk met zijn zwaard in twt eSn, bood de eene helft van den mantel aan den armen bedelaar aan, wierp de andere helft over zijne schouderen en zette zijn tocht verder voort.

De voorbijgangers bespotten Martinus, toen zij hem, aldus met de helft van een mantel omhangen, aanschouwden, doch hierom bekommerde de jeugdige, liefdadige krijgsman zich weinig. Maar ziet! den volgenden nacht, terwijl Martinus op zijn legerstede ligt, aanschouwt hij plotseling rondom zich eene ontelbare schaar van Engelen

ocr page 12

8

en in hun raidden de gestalte van een armen man, stralend van hemelsei) licht en bedekt met de helft van een mantel. Eene stem laat zich hooren, die tot Martinus zegt: „Beschouw aandachtig uwen Heer en herken den mantel, dien gij aan den armen bedelaar gegeven hebt.quot; Terzelfder tijd ziet Martinus den goddelijken Zaligmaker zich wenden tot de Engelen, die Hem omstuwen, en hoort Hem met luider stemme zeggen : „Het is Martinus, een eenvoudig geloofsleerling, die mij met dezen mantel heeft bekleed.quot;

De grootsche daden der Heiligen zijn niet vergankelijk. Zij verdwijnen niet, ge ijk de balsemgeur van de bloera, die verwelkt. Neen, van eeuw tot eeuw wordt de herinnering aan die grootsche daden levendig gehouden. Aldus is deze edelaardige liefdedaad van Martinus vereeuwigd geworden door het stichten van eene fundatie in de kerk van den H. Martinus te Tours, alwaar een arrae, gekleed in een gewaad raet twee kleuren, voortdurend werd onderhouden en betiteld raet den naam van deu arme van Sint Martinus. Hij werd door het kapittel, raet meerderheid van stemmen gekozen en heel en al onderhouden. Hij genoot verscheidene voorrechten: hij had het recht ora op plechtige feesten de pro-cessiën en plechtigheden van het kapittel bij te wonen; en kon alleen wegens wangedrag worden ontslagen.

Op deu eigen grond, waar Martinus zijn mantel heeft doorgehouwen ora den bedelaar te dekken, bij de poort van de stad Amiëns, is eene kerk gebouwd. Tegenwoordig bestaat die kerk niet meer. Alleen leest men te dier plaatse nog het volgende opschrift: „Hic tunicani sanctvs Martinus dimidiavit. Ut fa eer emus idem nobis exemplificavit.quot; D. i. „Hier heeft de H. Martinus zijn mantel in tweeën verdeeld. Hij heeft ons een voorbeeld gegeven, opdat wij desgelijks zouden doen.quot;

ocr page 13

9

Zoo is de herinnering aan de grootsche liefdedaad van den jeugdigen krijgsman eeuw aan eeuw bewaard gebleven. Zoo wordt tot den huldigen dag toe het woord van het Evangelie, belichaamd in een heerlijk voorbeeld, ons allen gepredikt: „Wat gij aan één van mijne geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan.quot; ^ Inderdaad, het gebod der liefde is het grootste gebod der Nieuwe Wet; het is de sleutel des Hemels, waarmede wij het eeuwige Rijk der liefde, waarvan God, die liefde is, als de opperste Koning regeert, voor ons zeiven kunnen openen, om voor alle eeuwigheid de weldaden van Gods oneindige liefde te genieten.

II.

Martinus gaat over tot het keurleger van Christus.

De zóó treffende verschijning van den goddelijken Zaligmaker maakte Martinus volstrekt niet hoogmoedig. Maar erkennend met welk eene goedheid God hem beloonde voor zijne liefdedaad, haastte Martinus zich om het H. Doopsel te ontvangen.

Het moet ons geenszins verwonderen, dat Martinus, die uit heidensche ouders was geboren, eerst op achttienjarigen leeftijd werd gedoopt, hoewel hij sedert lang voor den christen godsdienst was gewonnen. Het was in de eerste eeuwen der Kerk gebruikelijk om het H. Doopsel toe te dienen aan hen, die tot de jaren van verstand waren gekomen; alleen in geval van nood werd op dien algemeenen regel eene uitzondering gemaakt.

Nauwelijks hadden de levende wateren des H. Doopsels het hoofd van den jongeling Martinus besproeid, nauwelijks was hij tot volgeling van den Christus gewijd, of Martinus voelde de bron der hemelsche genade met vollen, krachtigen golfslag zijne edelaardige ziele door-

') Matth. XXV. 40.

ocr page 14

10

stroomen. Hij voelde zich onweerstaanbaar getrokken tot een volmaakter leven, dan de krijgsdienst hem aanbood. Er zou echter nog eenige tijd moeten verloopen, vooraleer Martinus' hartewensch in vervulling gaan zon.

Duitsche volken bedreigden op dat oogenblik het Ro-meinsche rijk. De veldheer der Romeinen, Julius, verwachtte we'dra een veld-lag te moeten leveren; enten einde den moed zijner soldaten op te wekken en aan te vuren, vergaderde hij nabij de stad Worms geheel zijn leger en liet eene aanzienlijke som gelds onder zijne krijgers verdeelen. Martinus, die vastelijk besloten had niet langer meer in het leger te dienen, meende derhalve de gift des veldheers niet te mogen aannemen. Als de beurt aan hem gekomen was, zeide hij met vrijmoedigen eerbied tot den veldheer Julius: „Langen tijd heb ik onder uwe krijgsbanier gediend; veroorloof mij thans dienst te gaan nemen bij God. Laten zij, die zullen strijden, uwe gaven aanvaarden; ik voor mij, ik beu voortaan soldaat van Jesus Christus, het is mij niet langer geoorloofd te strijden voor ü.quot;

Bij het hooren dezer \voorden, sidderde Julius van gramschap. „Hoe!quot; riep hij uit. „Aan den vooravond van een veldslag komt gij mij hiervan verwittigen? 'tls niets anders dan lafhartigheid!quot;

Maar de onverschrokken Martinus, die door het vermoeden van lafhartigheid nog onversaagder werd, antwoordde onverwijld: „Indien mijn besluit wordt toegeschreven aan vrees en niet aan mijn geloof, welaan: morgen zal ik ongewapend vóór het front des legers oprukken en in den naam des Heeren Jesus, toegerust met het teeken des Kruises, maar zonder helm en zonder schild, onbevreesd door de vijandelijke legerschaar heendringenquot;.

Dit onversaagde, stoutmoedige antwoord van den edel-

ocr page 15

11

aardigen christen verbittfrde den veldheer Julius nog meer. Hij gaf bevel om Martinus onvenvijld in den kerker te werpen; den volgenden dag zou hij ongeAva-pend aan de slagen der barbaren worden blootgesteld, Waar in plaats van den strijd aan te binden, kwamen de verschrikte vijanden des anderen daags den vrede af-smeeken, zich bereid verklarende, alles, wat zij bezaten, over te geven.

Sulpicius Severus schrijft deze overwinning van Martinus hieraan toe, dat God hem niet wilde blootstellen aan eenen bijna gewissen dood. „Zeker,quot; — zoo voegt hij er bij — „onze lieve Heer had wel de macht cm Zijnen soldaat te beschermen, zelfs tegen het zwaard en de schichten der vijanden. Maar, opdat de oogen van Martinus zelis niet bezoedeld zouden worden door het gezicht van bloed, daarom heeft God den strijd verhinderdquot;.

Na den aftocht der vijanden, verkreeg Martinus zijn ontslag, waarom hij had verzocht. Nu kon hij in volle vrijheid den weg opgaan, waarheen de vurige liefde zijns harten hem aandreef. Nu reisde hij naar de stad Poitiers, destijds befaamd om den heiligen en uitstekenden bisschop, die aldaar op den hoogepriesterlijken troon zetelde, namelijk de H. Hilarius, uitmuntend door zijne overweldigende welsprekendheid en hooge wetenschap, maar méér nog door zijne weergalooze deugden. Met groote vreugde werd Martinus door Hilarius, Bisschop van Poitiers, ontvangen. Spoedig had Hilarius gezien, dat Martinus geen gewoon schepsel was; hij voorzag, dat deze jongeling, zoo pas uit het leger gekomen, eerlang de glorie en de hoop der Kei k worden zou; derhalve besloot hij den jeugdigen christen des te vaster en inniger aan zich te verbinden, door hem aan den dienst der altaren toe te wijden. Doch Martinus achtte zich deze hooge eer onwaardig; om echter het verlangen van den heiligen

ocr page 16

12

Bisschop Hilarius niet heel en al te weerstreven, bewilligde de jongeling erin om de wijding van exorcist (duivelbezweerder), één der kleine wijdingen, die het priesterschap voorafgaan, te ontvangen.

O, met welk een onuitsprekelijke vreugde leefde Mar tinus hier onder de leiding van zulk een heilig Bisschop als Hilarius was.

Slechts eene zaak ontbrak nog aan de wenschen van zijn jeugdig hart: want de bovennatuurlijke liefde, welke door de genade Gods in eene ziel ontstoken wordt, dooft de diepe en heilige gevoelens van de natuur niet uit. Daar ginds in Panonië d;iar leefde nog de moeder van Martinus; en die moeder kende noch beminde, wat haar zoon kende en beminde, namelijk Jesus Christus. Martinus gevoelde het: hij moet het Evangelie verkondigen aan zijne moeder De liefde voor zijne moeder gloeide in Martinus' boezem als een vuur en liet hem niet rustig in het land van Gallië vertoeven. Niettegenstaande den grooten afstand, niettegenstaande de groote gevaren, aan den tocht verbonden, zal Martinus naar zijn vaderland vertrekken om daar bij zijne familie de eerste proeven van zijn allerkostbaarst apostolaat te leveren. Hilarius keurde dit plan van Martinus goed, mits de vurige jongeling spoedig zou terugkeeren naar de kerk van Poitiers, die voortaan zijn vaderland was. Dit beloofde Martinus en vertrok.

Op zijne reis door de bergen werd Martinus door struik-roovers aangevallen en liep grootelijks gevaar zijn leven te verliezen. Hij werd geboeid en aan één der struik-roovers ter bewaking overgegeven. De andere roovers trokken verder om in den omtrek hun slag te slaan. Op eene afgelegen plaats geleid, werd Martinus door zijn bewaker gevraagd: „Wie zijt gij ?quot;

Martinus antwoordde met het gewone woord der Martelaren uit de eerste christen eeuwen: ,,Ik ben christenquot;.

ocr page 17

13

„Zijt gij niet bevreesd?quot;

„Nooit ben ik geruster geweest dan thans, omdat ik weet, dat de barmhartigheid Gods mij vooral ten tijde der beproeving helpen zal. Maar u moet ik beklagen, omdat gij door uw afschuwelijk gedrag u de barmhartigheid van Jesus Christus onwaardig maaktquot;.

Het ijvervuur was in Martinus' binnenste ontvlamd. De jongeling, hoewel in boeien geklonken, begon de leer van het Evangelie te verkondigen, en hij sprak met zulk een overweldigende kracht, dat de struikroover zich uit heeler harte bekeerde, de knellende boeien van Martinus losmaakte, den jongeling op den rechten weg bracht en, alvorens hem te verlaten, zich in zijne gebeden aanbeval. Sinds dat oogenblik begon de struikroover inderdaad een heilig leven te leiden, en uit den mond van dien man zeiven heeft men de bijzonderheden van dit voorval vernomen.

Martinus vervolgde zijnen weg en was Milaan reeds doorgetrokken, toen hij iemand ontmoelte, die hem de vraag stelde: „Waar gaat gij henen?quot;

Martinus gaf ten antwoord : „Ik ga, waarheen de Heer mij roeptquot;.

Alsdan hernam de vreemdeling: „Overal, waar gij komen znit, bij al uwe ondernemingen, bij al uwe plannen, zal de duivel u tegenwerkenquot;.

Maar het antwoord van Martinus hierop luidde: „De Heer is mijn steun; van de menschen heb ik niets te vreezen.quot;

Bij deze vertrouwvolle woorden verdween de onbekende plotseling. Het was niemand anders geweest dan de duivel zelf, in menschelijke gedaante

Eindelijk kwam de heilige reiziger behouden en wel in Panonië aan. Zijne hoop werd niet ten schande gemaakt: hij mocht het onuitsprekelijk geluk smaken

(') Sulpicius Severn s.

ocr page 18

li

zijne moeder voor Jesus Christus te winnen, en n et haar twee ooms en zeven neefs, die naderhand zich bij Martinus in zijn klooster te Marmoutiers voegden, alwaar zij volgens de strenge kloosterregels hebben geleefd en in geur van heiligheid zijn gestorven.

Ten tijde dat Martinus in Panonië terugkeerde, werd de Kerk geducht geteisterd door één van die zware stormen, die in den wisselenden loop der eeuwen het scheepje van Petrus zoo vaak hebber gebeukt. De ketterij van Arius verspreidde zich, als eene besmetteliike ziekte, over al de lauden, waar de christelijke leer werd beleden. Die ketterij randde de Godheid van Jesus Christus op drieste wijze aan; zij loochende stoutweg, dat Christu--, de tweede Persoon der H. Drieëenheid, God was. Al degenen, die zich verzetten tegen deze godde-looze dwaalleer werden door de volgelingen van Alius, die in verscheidene streken schier almachtig waren, verbannen en vervolgd en mishandeld op de gruwzaamste wijze. Maar Martinus liet zich door deze geduchte kastijdingen niet afbrengen van zijn geloof; integendeel met apostolischen ijver, met onwankelbaren heldenmoed, streed hij in Allyrië tegen het goddelooze Arianistne en verdedigde onverschrokken de waarheid: Jesus Christus is waarlijk God! De hartstochtelijke volgelingen van Arius werden door dit heldhaftig gedrag van Martinus tot geweldigen toorn vervoerd. Zij grepen den onversaagden geloofsverdediger, overlaadden Martinus met de laagste verguizingen, geeselden hem in 't openbaar met geeselroeden en verbanden hem uit zijn vaderland. Martinus wilde nu naar Galliëterug-keeren: maar vernemend, dat Hilarius, wegens zijne onverschrokken verdediging en handhaving van de Godheid van Christus eveneens tegen de Arianen, verbannen was naar Phrygië, begaf hij zich naar Milaan, alwaar hij voor zich en voor eenige leerlingen een klooster stichtte.

ocr page 19

15

Maar ook daar oefenden de Arianen eene groote macht uit. Wederom werd Martinus vervolgd en verjaagd: bij moest zijne stille afzondering verlaten en trok zich met een deugdzaam priester terug op de kust van Ligurië, niet verre van Albenga, tegenwoordig Isoletta d' Albenga ge-heeten. Daar leefden zij eenigen tijd in vreedzame afzondering, zich voedend met wilde wortelen en kruiden. Daar gebeurde het op zekeren dag — zoo verhaalt de overlevering — dat Martinus een vergiftige plant nuttigde. Reeds voelde hij het noodlottig vergif zijne aderen doorzijpelen en verwachtte elk oogenblik de nadering van den onverbiddelijken dood. Maar de getrouwe dienaar des Heeren nam zijne toevlucht in deze hachelijke stonde tot een vurig gebed: door dat machtig wapen bezwoer hij liet dreigend gevaar. Het woord der H. Schriftuur werd hier bij Martinus ten volle bewaarheid: ,.Et si wortAfe-rum quid hihcrint, von eis nocehitquot;. „En al hebt gij iets doodelijks gedronken, het zal u niet schadenquot; O).

Eindelijk vernam Martinus in zijne stille eenzaamheid de blijde mare, dat Hilarius uit zijn ballingsoord naar Rome was teruggekeerd. Onverwijld vertrok Martinus om zk-h bij zijnen heiligen Bisschop aan te sluiten. Maar te Rome vond hij Hilarius niet; de onverschrokken handhaver van het Katholieke geloof wilde niet naar Poitiers terugkeeren, zonder zijn veelgeliefden leerling Martinus. Yandaar was Hilarius naar de kusten van Ligurië gereisd, ten einde zijn leerling aldaar op te zoeken.

Wat is treffender en zielroerender dan deze getuigenissen van onderlinge vriendschap en liefde tusschen deze twee roemvolle, heilige mannen! Wij moeten, bij de lezing van het leven der Heiligen Gods, niet enkel de hoog uitschitterende daden, de grootsche wonderwerken beschouwen: wij moeten ook gadeslaan de goedheid,

l) Marc. XVI. 18.

ocr page 20

16

de teedeiiieid, de liefde van bun hart. Welnu, aanschouwt daar den heiligen Bilarius, dien grooten Bisschop, dien onverschrokken verdediger van Christus' Godheid, dien man, die koningen en keizers ontzag en eerbied inboezemde voor den Koning aller koningen, voor God ; ra ens welsprekend woord door heel de Katholieke wereld met geestdriftige bewondering wordt vernemen; ziet hem daar heentrekken om zijn jeugdigen leerling op te sporen; en als bij zijn Martinus niet ontmoet in ziine eenzaamheid, o! dan bezoekt Hilarius, ten troost voor zijne droefheid, de plaatsen, welke Martinus eenigen tijd heeft bewoond; hij doorkruist de verschillende paden van dit woeste eiland, ten einde het spoor van zijn lieveling Martinus te hervinden!

Ten laatste mochten de twee vrienden elkander ontmoeten. Hilarius, terugkeerend uit zijn ballingsoord, werd met de uitbundigste vreugde door de geloovigen van Poitiers begroet en ontvangen. En voorwaar! geen triomf is ooit waardiger verdiend. In zijn ballingsoord zelf, in Phrygië, had de dappere strijder des geloofs onbezweken gearbeid en gestreden voor de handhaving der Katholieke leer. Van zijn ballingsoord uit, had Hilarius zijne twaalf boeken over de IJ. Drievuldigheid de wereld ingezonden; in welke geschriften onweerstaanbare zeggingskracht en wegsleepende welsprekendheid liggen opgesloten en waarom Hilarius door den H. Hieronymus genoemd werd: „Laiinae eloqvtntiae Ehodanvsquot;: ,.De Rliodanus (eene rivier) van de Latyjnsche tcels'prekend-heidi.quot; 1)

Martinus, die op zijne beurt door Hilarius, als door een vader die zijn zoon wedervindt, was ontvangen, bereidde zich alsdan, in de onmiddellijke nabijheid van den heiligen Bisschop, door alle gestrengheden van het

') Hieronymus. Comment, in epist. ad Galat.

ocr page 21

17

kloosterleven voor, tot den grooten strijd van het apostolaat. Eenigen tijd daarna vestigde hij zijn verblijf in een dorp, ongeveer twee mijlen van Poitiers verwijderd, destijds Locogiacum geheeten, in het tegenwoordige Ligugé. Daar bouwde Martinus, onder de hooge goedkeuring zijns Bisschops, in eene heerlijke vallei een klooster, het eerste klooster dat in Gallië werd gesticht. Hier heeft Martinus zijne voornaamste wonderwerken gewrocht, waardoor hij zóó machtig véél heeft bijgedragen voor de uitbreiding van het christelijk geloof. Hier heeft Martinus aan geheel de Westersche Kerk het eerste model van het kloosterlijk leven geleverd. Hier alzoo is de bakermat van de heerlijke instelling, die sedert geheel Europa heeft overdekt met huizen van gebed, van wetenschap en arbeid, maar die helaas! in onzen tijd van zoogenaamde „verlichtingquot; en „beschavingquot; op alle mogelijke wijzen wordt bemoeilijkt, verongelijkt en benadeeld.

Het klooster van Ligugé, tegenwoordig herbouwd en bewoond door de Benedictijnen, is alzoo eene eerbiedwaardige en heilige stede. De herinnering aan zijnoor-sprong heeft dit klooster voor algeheele verwoesting bewaard en schenkt aan die stichting, zelfs nog na verloop van vele eeuwen, eene treffende belangrijkheid.

Martinus bevond zich op deze plaats met eenige leerlingen en hield zich aanvankelijk bezig met het bouwen van kleine houten cellen. De leefwijze van deze kloosterlingen was eene getrouwe navolging van de leefwijze der monniken in het Oosten. Afstand van alle persoonlijk bezit, armoede in de kleedij, langdurig en gestreng vasten, onthouding van wijn en van vleesch, onafgebroken stilzwijgen, verdeeling van den tijd tusschen de studie en het gebed: ziedaar de voornaamste kloosterregels van Martinus. O, hoezeer zijn deze regelen

II Martinus 2 - 2.

ocr page 22

18

geëigend om de ziel des christens op te voeren tot eene booge volmaaktheid! Voorwaar, zulk een schouwspel, gegeven door menschen die meerendeels gewoon waren aan een leven van aardsch genot, moest wel in staat wezen om geweldig te treffen al degenen, die van dit schouwspel getuigen mochten zijn. Men stond verbaasd over de hemelsche blijdschap, die met zichtbaren luister op het gelaat dezer kloosterlingen stralende lag uitgespreid. Men werd getroffen door hunne nederigheid, getroffen ook door de vriendelijke ontvangst, welke zij aan hunne, zelfs onbekende, gasten bereidden. Niet zelden gebeurde het dan ook, dat vreemdelingen, die toevallig dit verblijf van waarachtigen vrede, van edelaardige naastenliefde, voor een wijle binnentraden, na eene korte kennisneming verzochten voor immer daar te mogen blijven om de wetenschap der volmaaktheid — de wetenschap bij uitstek! — te leeren uit den mond van den heiligen kloosteroverste Martinus. Aldus moest men opnieuw andere kloostercellen bijbouwen. Bovendien was het één der meest geliefde werkzaamheden van Martinus, in navolging van de kloosterlingen der Ooster-sche Kerk, de geloofsleerlingen of katechumenen voor te bereiden en te onderwijzen voor het H. Doopsel.

Nog verder ging de ijver van Martinus, nog veel verder! Niettegenstaande zijne groote liefde voor de eenzaamheid, verliet Martinus dikwijls zijne zóó dieibaie kloostercel, om het Evangelie te gaan prediken op het platteland, alwaar de heidensche gebruiken en bijge-loovigheden nog in zwang waren ; om het zaad van Gods woord uit te strooien in geheel den omtrek. Het heerlijk welslagen van deze apostolische reizen is volkomen bevestigd geworden door een groot aantal plaatselijke overleveringen, die nog in den volksmond voortleven tei plaatse, waar Martinus weleer het Evangelie aan de

ocr page 23

19

landlieden verkondigd beeft. Daar wordt hij vereerd als de Apostel van die streek.

De bekeering der beidenscbe volken, die tot dusverre weerstand badden geboden aan alle rustelooze en moeitevolle pogingen van Bisscboppen en Missionarissen : ziedaar inderdaad de eigenlijke zending van Martiuus, den Man dei-goddelijke Voorzienigbeid! De arduinen rotsen, waartegen zoovelen reeds scbipbreuk geleden badden, zouden verpletterd worden dooi' bet macbtige wapen van Martinus' woord.

Daar was een krachtdadiger, een meer ingrijpend middel noodig om de versteende barten van sommige beidenen te treffen. Daar was niets minder noodig dan de kracht des mirakels. Welnu, toegerust met al de macht dei-eerste Apostelen, is Martinus door God gezonden. Op den H. Martinus mogen we met bet volste recht de woorden der H. Schriftuur toepassen, welke van de eerste Apostelen des Heeren staan geschreven: :Jlli autem profecti prcedicavemnt vbique. Domino cooper ante, et sermonem confirmante, sequentibus signisquot;. „Zij gingen heen en predikten allerwegen, en de Heer werkte mede en bevestigde het woord, door de teekenen, die daarop volgdenquot; Martinus was inderdaad een wonderwerker bij uitnemendheid; bij bezat in zekeren zin de goddelijke macht, die over de natuur, over de elementen der natuur gebied, maar waaraan de hoogverlichten onzer dagen beweren niet meer te gelooven. Maar zoo vragen wij dezulken, verleent de wetenschap zelve niet dagelijks aan den menscb de macht om nieuwe wonderen tot stand te brengen ! Wie zal dan aan Hem, Die het heelal als een zandkorrel weegt op Zijne almachtige band, het recht durven ontzeggen om aan Zijne vrienden en bevoorrechte dienaren een macht te verleenen, die verre, oneindig verre boven de macht der wetenschap gaat. Dergelijke vragen stellen,

') Marc. XVI. -20.

ocr page 24

20

is zulke vragen beantwoorden; en wij kunnen wezenlijlc

niet begrijpen, boe verstandige en ontwikkelde men^hti

nog twijfelen kunnen aan het bestaan en aan ce mog lijkheid van wonderen.

III.

Eerste wonderen van Martinus.

De overlevering heeft op getrouwe wyze de herinnering bewaard aan de juiste plaats, alwaar de alnmcbtige God de ontzaglijke heiligheid van Zijn trouwen dienaai Martinus heeft verheerlijkt door het eerste en beroemdste X ontelbare wonderwerken lt;ie opwektong ten leven IL een gestorven kateelrameen. Eene k erae kapel te Lio-ugé waarin de beeltenis van den H. Martinus prijkt, tflst ten Imidigen dage nog aan de vrome pelgrims die

quot;'tkeTjongeling had ziel, Mj Martinus aang-lotequot; «m door den uitverkoren, hoog bevoorrechten Man Gods

worden onderwezen in deleer van het Christendom. Toen

nu Martinus op zekeren keer afwezig ^s ge euu dat de jongeling door eene geweldige kooits weid aan gevallen en na korten tijd ten gevolge daarvan oveüeed Deze do d veroorzaakte des te grooter droefheid ondei de kloosterbroeders, omdat de gestorven jongeling het H Doopsel nog niet ontvangen had, niet herbo n was tot het eeuwig leven in het water en den H. Geest.

Als Martinus, na drie dagen, m het klooster wede -keerde, maakte men juist toebereidselen om den gestorven jongeling ter laatste rustplaats te brengen. Bij e aanschouwen der diep bedroefde kloosterlingen, bij het Tan cl ou ven van het ontzielde lichaam des jongehngs, die n g niet gereinigd was door de levende wateren des Doopsels barstte Martinus in tranen uit; het waren tranen van Tnnlge zielesmart, zooals de goddelijke Verlosser

ocr page 25

21

eenmaal had geweend bij het graf van Lazarus. Doch weldra wordt Martinus vervuld door de kracht des H. Geestes. Hij gebiedt, dat allen de cel des afgestorvenen zullen verlaten. Martinus alléén blijft in de cel achter en na de deur zorgvuldig gesloten te hebben, strekt Martinus zich op het kille lijk van den jongeling uit, zooals weleer de profeet Elisaeus op den gestorven zoon der Sunamitische vrouw. In een vurig gebed smeekt Martinus den oneindigen bijstand van den almachtigen God af, opdat bet bezielend leven in dit doode lichaam moge wederkeeren. En o wonder! De jongeling, die inderdaad gestorven is, begint langzamerhand zijne verstijfde ledematen te bewegen, allengskens keert bet bezielende leven in het ontzielde lichaam des jongelings terug en eindelijk wordt het reeds gebroken oog wederom geopend voor het stralende licht der gouden zon; de ziel heeft bezit genomen van het stoffelijk omhulsel, hetwelk zij reeds eenige dagen verlaten had. Met luiuer stemme brengt Martinus nu lofprijzing aan den almachtigen God en de kleine cel weergalmt van zijne vreugdekreten. Bij het vernemen van dit geluid snellen de kloosterlingen ijlings toe en zij aanschouwen met ontzettende verbazing in vollen levensbloei den jongeling, dien zij kort te voren ontzield en levenloos hebben verlaten. Onverwijld werd de ten leven opgewekte katechumeen gedoopt en hij leefde nog verscheidene jaren, als het levende bewijs van Martinus' groote wondermacht, waarmede de heilige kloosteroverste door God was bevoorrecht.

Men kau zich gemakkelijk voorstellen, welk een overweldigenden indruk het verhaal van zulk een wonderwerk, hetwelk door taliooze ooggetuigen, ja door de ten leven opgeroepen jongeling zeiven werd bevestigd, in geheel den omtrek op allen maakte. Nu begon de hooge roem van den H. Martinus zich meer en meer te ver-

ocr page 26

22

breiden. Reeds werd hij door allen, die hem kenden, vereerd als een heilige; maar van nu af beschouwt men hem als een man. die machtig is bij God, als een echten Apostel.

Deze beroemdheid werd bovendien nog vermeerderd en verhoogd door de tallooze wonderdaden, welke op dit eerste schitterende wonderwerk volgden. Het tweede mirakel. dat de H. Mart inus tijdens zijne aardsche loopbaan heeft gewrocht, evenaarde zijn eerste mirakel in schitterende grootheid. Het gold andermaal de opwekking van een doode tot het leven. Op zekeren dag kwam Martinus het landgoed voorbij van een aanzienlijk man, met name Lupicinus. De Man Gods hoorde daar luide jammerklachten slaken. Met diep en innig medelijden, niet twijfelend of een smartelijk ongeluk heeft hier plaats gegrepen, ging Martinus daar binnen en vroeg naar de reden dezer jammerklachten. Martinus ontving ten antwoord, dat een dienstknecht van dit huis zich had opgehangen en aldus noodlottig zich van het leven had beroofd. Onverwijld treedt de dienaar Gods de kamer binnen, waar het lijk van den ongelukkige ligt. Wederom verzoekt hij de omstanders de kamer te verlaten, en alleen achtergebleven strekt Martinus zich op het ontzielde lichaam uit en stort een vurig gebed. Weldra wordt het gestorven lichaam door den ademtocht des levens bezield, de dienstknecht slaat zijne oogen op en doet langzame, maar vergeefsche pogingen om op te staan. Eindelijk vat de H. Martinus hem bij de hand en leidt hem naar het voorportaal des huizes, alwaar de toegestroomde menigte met verbazing het ontzaglijke wonderwerk gadeslaat.

Deze twee grootsche, roemrijke mirakelen waren het voorspel van zoovele andere wonderwerken in het leven van den H. Martinus gewrocht. Zij wekten het geloovig vertrouwen op van eene arme moeder, die haren eenigen

ocr page 27

23

zoon, zonder dat hij gedoopt was. door den dood verloren had. Op 'toogenblik, dat de H. Hilarius de stad Poitiers doortrekt en zich bevindt ter plaatse, waar tegenwoordig het stadhuis staat, werpt de ontroostbare moeder, met het lijk van haar kind in de armen, zich neder voor de voeten van den Bisschop en richt tot hem dit hartroerend, aangrijpend gebed: „Martinus, uw leerling, die nog een eerstbeginnende is, hij heeft een geloofsleer-ling ten leven verwekt; welaan. Bisschop des Heeren, hergeef gij aan mij mijnen zoon, of wil hem ten minste doopenquot;. De H. Hilarius was diep bewogen; ten aanzien van al het volk, knielde hij neer om te bidden en hij stond niet eerder op dan toen hij het kind, in vollen levensbloei, aan de moeder kon wedergeven.

Getrouw aan zijne dierbare eenzaamheid van Ligugé, verliet Martinus zijn klooster niet dan alleen om het Evangelie te gaan prediken aan de naburige volken of troost te gaan brengen aan de ongelukkigen, die van heinde en verre zijn bijstand inriepen. Hij bestuurde zijn klooster volgens het gezag van zijn heiligen Bisschop Hilarius, die meermalen een bezoek kwam brengen aan het heilig kloostergezelschap, alwaar hij als de vader werd geëerd. Welk een onuitsprekelijk genot zal de grijze Bisschop daar gesmaakt hebben, na zijn volbrachten, moeitevollen arbeid voor het geloof, na zijne verre reizen, na de stormachtige redetwisten in de Kerkvergaderingen, alwaar de in bescherming genomen dwaling zich vaak zóó hoogmoedig en driest durfde vertoonen, na de treurige tooneelen van ijdelheid aan de hoven van Constan-tinopel en Milaan! Welk een onuitsprekelijk genot zal de heilige grijsaard daar gesmaakt hebben te midden van die aardsche Engelen, wier leefwijze de schoonste droombeelden der heidensche wijsbegeerten verre overtrof! Hij beminde de nederigheid van hun stilzwijgen,

ocr page 28

24

de armoede van hun kleedij, den eenvoud hunner houten cellen, welke zij met eigen hand gebouwd hadden. Maar zijn harte werd overstroomd van overstelpende vreugde, wanneer hij hen vergaderd zag in de bidkapel, wanneer zij, in de heilige stilte van den nacht, de vallei deden weergalmen van hun psalmgezang en gewijde hymnen. Zijne tegenwoordigheid bezielde hun ijver; zijne stem, zich vermengend met hun gezang, verdubbelde daarvan de kracht.

De arbeid, volgens den regel aan de kloosterlingen van Ligugé opgelegd, bestond vooral in het overschrijven van boeken; en de groote Kerkleeraar Hilarius rekende het geenszins beneden zijne hooge waardigheid om te zamen met de kloosterlingen dit bescheiden, maar nuttige werk te verrichten. De opvolgers van den 11. Martinns bezaten een Evangelieboek, dat door de eerbiedwaardige hand van den H. Hilarius was geschreven.

Maar de stonde is gekomen, waarop de vrome kloosteroverste Martinns aan zijne geliefkoosde eenzaamheid zal worden ontrukt, om te worden opgevoerd tot de verheven bisschoppelijke waardigheid. De H. Liborius, Bisschop van de stad Tours, had het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, en zóó stond de bisschopszetel van Tours ledig. Het volk verkoos Martinus tot Bisschop. Maar hoe zou het mogelijk zijn, den kloosteroverste, die de eenzaamheid zoozeer beminde en die alle eer en waardigheid verafschuwde, over te halen om zijne stille kloostercel te verlaten en de hoogepriesterlijke waardigheid te aanvaarden? Men begreep, hoe moeilijk dit was. Doch een inwoner van de stad Tours, Ruricius, nam zijne toevlucht tot eene sluwe list. Hij wierp zich voor de voeten van Martinus en onder voorwendsel dat zijne vrouw ziek is, bewoog hij den kloosteroverste om

ocr page 29

mede te gaan. Op den weg waren echter vele bewoners van de stal Tours verzameld. Zoodra de kloosteroverste Martinus op den weg verscheen, omsingelden zij hem en voerden hem vol eerbied naar hunne stad.

Dclar was een ontelbare menigte, niet enkel van alle punten der stad Tours, maar ook uit de naburige steden, samengestroomd om Martinus openlijk tot hun Bisschop te kiezen. Met eenparigheid van stemmen werd Martinus als Bisschop van Tours uitgeroepen, zijnde hij dien eere-titel het meeste waardig Slechts enkelen mengden een schrillen wanklank in dit dreunend koor. Zij verzetten zich tegen deze keuze des volks, omdat zij des kloos-terlings uiterlijk al te eenvoudig vonden voor de verhevene waardigheid van Bisschop. Maar het volk, bezield van verstandiger gevoelens, hield voet bij stuk en roemde als uit één mond de hooge deugden, die den eenvoudigen kloosteroverste Martinus sierden.

„Vox popvli, vox Dei!quot; De stem des volks was hier inderdaad de stem Gods. Martinus werd Bisschop gewijd van Tours, op Zondag 4 Juli 372.

De hierboven beschrevene wijze van bisschopskeuze was iu de eerste eeuwen der Kerk volstrekt niet ongewoon. Toenmaals was het een algemeen gebruik, dat de geloovigen zeiven hun Bisschop verkozen. Aldus werd de H. Ambrosius verkozen tot Bisschop van Milaan; Eusebius tot Bisschop van Caesaria. De keuze des volks moest evenwel altijd goedgekeurd en bekrachtigd worden door den Paus van Rome.

IV.

Martinus, Bisschop van Tours, sticht het klooster van IVlarmoutiers.

Zoo was dan de nederige Martinus met het purperen bisschoppelijken gewaad omhangen en opgevoerd tot de

ocr page 30

26

verheven waardigheid van Hoogepriester der Kerk. Maar immer bleef hij, zooals hij weleer geweest was; even nederig van harte, even eenvoudig in zijne kleeding. Doch zijne bisschoppelijke bediening en werkzaamheden vervulde hij op gezagsvolle en goedaardige wijze, zonder evenwel op te houden als een kloosterling te leven.

Ziedaar in weinige woorden geheel het bisschoppelijk leven van den H. Martinus geschetst, door zijn trouwen leerling en eersten levensbeschrijver, Sulpicius Severns, die, alvorens deze woorden neer te schrijven, getuigt, dat hij het talent mist om te verhalen, wat Martinus als Bisschop geweest is. Wat zullen wij hieraan nog kunnen toevoegen? Indien hij, die de leerling, de vriend van Martinus was, openlijk verklaard heeft, dat hij onmogelijk het bisschoppelijk leven van den H. Martinus naar juiste waarde schetsen kan, hoe zullen wij dan die moeilijke taak op waardige wijze kunnen vervullen ? Bepalen we ons dus, om een wijle op den eerezetel, waarop hij geplaatst is door de dankbaarheid en de liefde des volks, dien nieuwen Bisschop te beschouwen, die niet ophoudt als kloosterling te leven, d. w. z. arm, gestreng, boetvaardig, voortdurend zijn lichaam kastijdend en tuchtigend. Maar toch, al leefde Martinus voortdurend als een nederig kloosterling, hij wist de bisschoppelijke waardigheid terdege te handhaven en hoog te houden. In het verloop dezer levensschets zullen wij in hem heerlijke voorbeelden aanschouwen van kracht en zachtheid tegelijk, voorbeelden, die in de meeste Heiligen Gods zoo schitterend hebben uitgeblonken, maar die de wereld niet weet te waardeeren noch te begrijpen.

Toen Martinus den bisschoppelijken zetel van Tours beklom, waren hem twee heilige Bisschoppen. Gatianus en Liborius, daarop voorgegaan; maar niettegenstaande al hun arbeiden, vond Martinus, vooral in de streken

ocr page 31

27

langs de rivier de Loire, verschillende nog heidensche en afgodische gebruiken. Onverwijld toog Martinus er op uit om deze oude, ingewortelde gewoonten, die vaak vergezeld gingen van wreedaardige, menschonteerende eerediensten, uit te roeien en te verdelgen, en daarvoor in plaats te stellen de zuivere leer van het Evangelie. Deze moeilijke, doornige taak streefde Martinus na, gedurende heel zijn bisschoppelijk bestuur, met liefdevollen, onbezweken en verstandigen ijver. Bij het einde zijns levens was schier geheel het land, waar Martinus zijn vruchtbaar apostolaat had uitgeoefend, gezuiverd van de barbaarsche gebruiken, die dat land, zoovele eeuwen lang, hadden onteerd en bezoedeld. Hoe deze snelle en wonderbare verandering door de kracht van het woord en van den wil van één man te verklaren? Is het niet eenigermate blijkbaar, dat God aan Zijn grooteii dienaar een gedeelte van Zijne opperheerschappij over de stoffelijke wereld heeft moeten meedeelen? Bij gebrek aan onwraakbare getuigenissen van tijdgenooten, zou het schitterend welslagen der zending van Sint Martinus alleen voldoende zijn, om zijn hoogen eeretitel van thauwaturgus, d. i. van wonderwerker, te rechtvaardigen. En voorwaar, er werd eene buitengewone macht over de wetten der natuur gevorderd, om zóó bereidvaardig de volken, die zóó vast gehecht waren aan aloude, de zinnen streelende gebruiken, te onderwerpen aan het nieuwe, aan den zinnelijken mensch tegenstrijdige geloof; hen te doen verbranden wat zij tot dusverre hadden aanbeden.

Maar behalve den alinachtigen bijstand van Boven, bezat de H. Martinus een vast karakter, en vooral eene bewonderenswaardige liefde; en hiermede toegerust, zegevierde hij over alle schier onoverkomelijke bezwaren en moeilijkheden, hij zegevierde op schitterende wijze. O

ocr page 32

28

bewonderenswaardige liefde van den H. Martinus! Men mag niet zeggen, dat hij de liefde geschapen heeft, want de liefde is met het Evangelie op deze aarde nedergedaald; maar Martinus is een zóó volmaakt toonbeeld van liefde geweest, dat zijn doorluchtige naam in de herinnering der volken voortleeft als het stralend ideaal van deze verheven en goddelijke deugd.

Op de puinen der Katholieke monumenten aanschouwen wij de vaak verminkte beeltenis van Martmus, op zijn paard gezeten en aan een armen bedelaar de helft van zijn krijgsmantel gevend.

Het was voor den ijver van Martinus niet genoeg deze wondervolle verandering in korten tijd tot stani gebracht te hebben; hij wilde zijn gezegend werk voortdurend bestendigen, vereeuwigen voor liet nageslacht. Tot dusverre had hij, als Bisschop, eene nederige woning nabij zijne kerk bewoond. Weldra stichtte hij in de nabijheid een klooster, de beroemde abdij van Marmoutiers, die gedurende veertien lange eeuwen één der meest gloeiende haardsteden van wetenschap en alle kloosterlijke deugden zijn zal.

Marmoutiers: majus of Martini monasteri'nv, d. i. groot klooster of klooster van Martinus! Welk een glo-rieuse naam, rijk aan de heerlijkste herinneringen! Die naam herinnert, na Ligugé, aan het oudste klooster van Gallië, één der meest uitgestrektste en rijkste onder alle die toevluchtsoorden van wetenschap en deugd, waaruit zoovele vrome Bisschoppen en geleerde predikers van Jesus' heilige leer zijn voortgekomen. De vreemdeling bezoekt tegenwoordig nog zoo gaarne de aloude puin-hoopen op den oever der Loire, om op dezen eeibied-waardigen bodem de voetsporen van den H. Martinus te drukken en te huldigen.

Twee of drie mijlen van de stad Tours verwijderd, ligt

ocr page 33

29

een nauwe vallei, omsloten door de rivier de Loire en door rotsen, welke vallei tegenwoordig bewoond en bebouwd wordt. Weleer echter was bet eene woeste eenzaamheid, overhuifd en beschaduwd door dichte wouden. Hier stichtte Martinus omtrent het jaar 375 zijn klooster. Sulpicius Severus beschrijft dit oord als volgt: „Deze streek was zóó verborgen en zóó eenzaam, dat zij op eene woestijn geleek. Zij werd van den eenen kant omsloten door eene hooge en steile rots, van den anderen kant door den kronkelenden loop der Loire, die van deze plaats eene kleine vallei vormde. Men kon die plaats slechts bereiken langs een smal voetpadquot;.

Hier sloeg de H. Martinus met tachtig kloosterlingen, welke hij in korten tijd rondom zich verzameld had, zijne woonstede op.

Martinus zelf bewoonde, zooals weleer in het klooster van Ligugé, alwaar hij de schoonste jarens ziins levens had gesleten, een houten cel. Sommige zijner leerlingen bewoonden eveneens een houten cel; doch de meesten woonden in spelonken, die in de rots uitgehouwen en tegenwoordig nog zichtbaar zijn. Zij allen droegen, de Bisschop zoowel als de andere kloosterlingen, grove haren kleederen; zij bezaten niets in eigendom; zij leefden in waarheid als broeders van het ééneen zelfde huisgezin. Hun eenige bezigheid bestond in het gebed en in het overschrijven van handschriften; die laatste werkzaamheid was bijzonder voor de jongere kloosterlingen bestemd. Zij verlieten hunne cellen niet dan om gezamenlijk te gaan bidden, of des avonds, wanneer de tijd van vasten was verstreken, den maaltijd te gebruiken. „Dit tooneel is des te bewonderenswaardiger, omdat verschei-denen onder deze kloosterlingen mannen waren van aanzien, opgevoed op hoog aanzienlijke wijze. Die mannen hadden zich aldus onderworpen aan een leven van nederigheid en van lijden. Naderhand zagen wij verscheidenen

ocr page 34

30

tot Bisschop verheven; en welke stad of welke kerk zou niet gaarne een Bisschop, uit het klooster van Sint Martinus afkomstig, bezitten?quot; ')

Het klooster Marmontiers klom weldra tot een hoogen bloei; het was niet alleen eene kweekschool van heilige Kerkvoogden, maar ook de moeder van verscheidene andere abdijen. Het getal kloosterlingen was onderden invloed van Marmontiers dermate toegenomen en aangewassen, dat bij de lijkplechtigheid van Sint Martinus tweeduizend kloosterlingen tegenwoordig waren. Langen tijd genoot de abdij van Marmontiers zulk eene beroemdheid, dat men haren overste „de abt der abtenquot; noemde.

Omstreeks de helft der 9e eeuw door de Noormannen verwoest, verhief zij zich wederom uit hare puinhoopen en bloeide wederom verscheidene eeuwen, onder den regel van den H. Benedictus.

Tegenwoordig bestaat de abdij van Marmontiers niet meer. Op het einde der vorige eeuw verkocht, zijn de aloxrde gebouwen achtereenvolgens door de koopers gesloopt. Maar op de plek, waaraan zoovele dierbare, vrome herinneringen zijn verbonden, is sedert eenige tientallen van jaren wederom een heilig gebouw opgetrokken. Op de puinen der oude abdij hebben de Zusters van het H. Hart een pensionaat gesticht. De echo's der rotsen, die de rivier omlijsten, herhalen niet meer de lofzangen en smeekgebeden van de leerlingen van Sint Martinus en Sint Benedictus; maar toch weerkaatsen zij nog de heilige liederen der Godgewijde Maagden, die dezen eerbiedwaardigen grond opnieuw gewijd hebben aan het vruchtbare apostolaat van nooit verflauwden ijver en onuitdoofbare liefde.

') Sulpicius Severus.

ocr page 35

31

Ar.

Verschillende episoden.

Hoe gaarne de H. Bisschop Martinus ook zijne dagen doorbracht in de vreedzame stilte van zijn klooster Mar-moutiers, toch verliet hij vaak de rustige eenzaamheid ten einde de plichten van zijn bisschoppelijke bediening te volbrengen. Te voet of gezeten op een ezel, zag men hem zijn bisdom in allo richtingen doorkruiden. Elke week predikte hij het AVoord Gods in zijne bisschopsstad; daarenboven toog hij van stad tot stad, van dorp tot dorp, om aan allen het Evangelie te verkondigen; zelf onderwees hij de kleine kinderen in den katechismus; hij bezocht en troostte de armen, de zieken, de bedrukten van hart; men zag hem ook vol goedheid de reizigers ontvangen en hun de voeten wasschen. Op menige plaats, buiten de grenzen zijns bisdoms gelegen, weerklonk zijn machtig woord. Maar toch waren zijne voornaamste zorgen gewijd aan de kudde, die meer bijzonder aan zijne schntse was toevertrouwd; en met de grootste waakzaamheid beijverde Martinus zich om alles te weren en uit te delgen, wat ook maar eenigermate op bijgeloof of afgoderij geleek.

Niet verre van Marmoutiers bevond zich eene plek, welke vereerd werd als de grafstede van zekeren martelaar, wiens naam echter onbekend was. Daar stond een altaar, zooals men beweerde, opgericht door de vorige Bisschoppen. Doch Martinus, die niet lichtelijk geloof sloeg aan onzekere overleveringen, onthield zich gedurende eenigen tijd van alle deelneming aan dezen eeredienst: hij wilde, zoolang er nog twijfel restte, daaraan geen nadeel berokkenen, maar evenmin dien eeredienst wettigen. Eindelijk nam hij op zekeren dag eenigen zijner broeders met zich en toog naar de genoemde grafstede.

ocr page 36

32

Hij smeekte tot God, opdat de Heer hem veropenbaren zou, wie op deze plek was begraven. Plotseling verschijnt een afzichtelijke gedaante, die op bevel van Martinus haren naam bekend maakt. En wat bleek nu ? De persoon, die hier ten onrechte als Martelaar werd gehuldigd, was een misdadige dief en roover, om zijn euvelen ter dood gebracht. Oogenblikkelijk verhaalde Martinus, wat hij had vernomen, beval het altaar te verwijderen en verloste aldus het volk van eene aloude bijgeloovigheid

Eenigen tijd daarna ontmoette de heilige Bisschop, op één zijner reizen, de lijkstaatsie van een heiden, die onder allerlei bijgeloovige plechtigheden grafwaarts gedragen werd. Als Martinus van verre de volksmenigte zag, alsook het witte lijnwaad, dat, het lijk bedekkend, fladderde in den wind, meende hij dat het volk een afgodische plechtigheid ging vieren. Alsdan hief Martinus zijne hand omhoog, maakte het heilig kruisteeken en beval aan de menigte om stil te staan en den last neer te leggen. Op dezelfde stonde waren allen onbewegelijk, als aan den grond vastgenageld: tevergeefs poogden zij hun tocht voort te zetten; ten laatste waren zij van vermoeienis gedwongen het lijk op den grond te leggen. Verbaasd en sprakeloos zagen zij elkander aan, niet wetend, wat de oorzaak was van dit zonderling voorval. Toen Martinus ten slotte bemerkt had, dat deze volksmenigte zich verzameld had, niet voor het opdragen van een heidensch offer, maar om een doode te begraven, verhief hij wederom zijne gezalfde hand en veroorloofde het volk verder te trekken, om het gestorven lichaam ter aarde te besteilen 1j.

Wellicht zou een of ander, bij het lezen van dergelijke wonderteekenen, geneigd zijn de waarheid daarvan te

1

) Sulpicius Severus.

ocr page 37

33

betwijfelen. Haasten wij ons derhalve hier ter plaatse op te merken met een beroemd redenaar: niets is echter en meer onwraakbaar dan de levensgeschiedenis van den H. Martinus. Het is één zijner tijdgenooten, één zijner leerlingen, vaak ooggetuige van de feiten, welke hij verhaalt, het is Sulpicius Severus die in een stijl, dikwijls den grootsten meesters waardig, het getrouwe verhaal van dit leven heeft geleverd. Sulpicius Severus was een geschiedkundige en een schrijver, die met de geleerden van zijn tijd kon wedijveren; en wij moeten het getuigen: het is onmogelijk om zijn Leven van Mar-tiuvs, zijne Brieven en Samenspraken over dien grooten Heilige, te lezen zonder een gevoel van diepe instemming en van vreedzame overtuiging te ondervinden. ^

Ook geduchte beproevingen hebben Martinus bestormd gedurende zijne bisschoppelijke reizen. Doch wel verre van zijn heldhaftigen moed te schokken, waren die stormen voor Martinus eene gelegenheid te meer om zijn groot geloof en blakende liefde op schitterende wijze te vertoonen.

Op een kouden dag, midden in den winter, bracht Martinus een bezoek aan eene parochie van zijn bisdom. Des avonds begaf de Bisschop zich ter ruste in eene kamer der pastorie, alwaar een groot vuur aangelegd en een zacht bed voor hem gespreid was. Martinus, die gewoon was te slapen op eene harde matras, kon op deze zachte legerstede den slaap niet vatten. Hij ging derhalve zich uitstrekken op den naakten vloer en, vermoeid van de reis, was hij weldra in eene diepe rust gedompeld. Omstreeks middernacht werd Martinus plot seling opgeschrikt: hij zag zich omringd door eene loeiende vlammenzee, het vuur had het beddegoed aangetast en greep geducht om zich heen! Martinus wil

') Mgr. Dnpanloup.

II Martinus 2 3.

ocr page 38

vluchten, maar tevergeefs; hij kan den sluitboom,waarmede de deur gegrendeld is, niet wegnemen. Reeds is zijn kleed door de vlammen veizengd. Nu begrijpt de Bisschop, dat hier alleen bij den almachtigen God redding en uitkomst moet worden gezocht: hij stelt zich onder de machtige schutse des Heeren en werpt zich te midden van de vernielende vlammen. Oogenblikke'ijk wijkt het vuur voor Martinus, die neergeknield in een vurig gebed te midden van den geweldigen brand, onverlet en ongedeerd blijft.

Sulpicius Severus, die met eenige andere kloosterlingen in een ander vertrek sliep en eindelijk op het knetteren der vlammen was toegeschoten, verhaalt, dat Martinus zelf al zuchtend getuigde: „Ik heb den gloed der vlammen gevoeld tot het oogenblik toe, waarop ik, vervuld van angst, naar de deur heenvloog; maar zoodra ik mijne toevlucht nam tot het teeken des Kruises en tot het machtig wapen des gebeds, ziin de vlammen teruggeweken en veranderden hun wreedaardigen gloed als in een zachtea dauw.quot;

Ziedaar dan de zegepralende macht van het teeken de* Kruises, de zegepralende macht van het gebed. Zelfs de woedende elementen der natuur moeten daarvoor wijken.

Op een anderen tocht overkwam den heiligen Bisschop een treurig ongeval, waarbij niet enkel zijne groote wondermacht, maar vooral ook zijne bewonderenswaardige goedheid op schitterende wijze aan den dag trad. Hij reed een eind voor zijne gezellen uit. Daar kwam een rijtuig, gevuld met soldaten, op den openbaren weg aan: de muildieren, in hunne nabijheid Martinus bespeurende, die, gehuld in een grof gewaad en in een langen, zwarten mantel, gezeten is op zijn ezel, schrikten en sprongen ter zijde, zoodat de soldaten met de grootste moeite de veroorzaakte wanorde konden herstellen. Vertoornd om

ocr page 39

35

dit ongeval, waardoor hun tocht was vertraagd, sprongen de soldaten uit het rijtuig, stormden regelrecht op Mar-tinus los en sloegen den Bisschop met ZAveepen en stokken. De heilige man verdroeg die wreede slagen met ongeloofelijk geduld, hetAvelk de razende woede dezer ellendelingen nog verdubbelde.

Als de reisgezellen des Bisschops waren genaderd, vonden zij Martinus half-dood, met wreedaardig gewond lichaam, op den grond uitgestrekt liggen. Zij plaatsten hun Kerkvoogd wederom op zijn lastdier, om ten spoedigste deze noodlottige plek te verlaten. Middelerwijl waren de soldaten, na hunne woede gekoeld te hebben, bij hun voertuig teruggekeerd en prikkelden hunne muildieren aan om den tocht voort te zetten. Maar de dieren stonden als metalen beelden, onbeweeglijk, hoezeer het geschreeuw der soldaten en de klapperende striemen dei-zweep ook weergalmden door de lucht. Tevergeefs sloegen de soldaten met geduchte takken, in het aangrenzend bosch gehaald, op de muildieren los; hunne wreede handen waren niet bij machte de beesten van hunne plaats te krijgen. Ten laatste begrepen de onverlaten, dat zij weerhouden werden door eene bovennatuurlijke macht. Zij begonnen na te denken en elkander af te vragen, wie degene was, dien zij zoo wreedaardig geslagen hadden op den weg. Zij vroegen het aan de voorbijgangers, die hun antwoordden: „Het is Martinus, de bisschop van Toursquot;. Bij dit woord begrepen zij alles: de smaad, dien zij zulk een heilig man hebben aangedaan, is de oorzaak, dat zij hunne muildieren niet kunnen voortdrijven. Zij keerden terug naar den bisschop, maar ditmaal vol berouw en met tranen in de oogen; zij wierpen zich aan Martinus' voeten neer, smeekten om vergiffenis en om verlof van te mogen voortgaan. Vol goedheid schonk Martinus vergiffenis aan degenen, die hem zoozeer mis-

ocr page 40

36

handeld hadden, en veroorloofde hen om met hun voertuig den tocht te vervolgen.

De stadhouder van Tours, een barbaarsch en wreed vorst, was zeer verbolgen zijne stad binnengetrokken, in zijn gevolg eene lange rij van zwaar geboeide gevangenen medevoerend. Reeds waren de foltertuigen voorden dag gehaald, en des anderen daags zou de uitvoering van het strafvonnis op deze ongelukkigeu worden toegepast.

Martinus, hiervan onderricht, begaf zich omstreeks middernacht geheel alleen naar des stadhouders paleis. quot;Wijl de deuren van het paleis gesloten waren, knielde de heilige Bisschop op den drempel neer. De stadhouder, in diepen slaap gedompeld, werd door een Engel des Hemels gewekt. „De dienaar Gods staat vóór het paleis, en gij slaapt,quot; zeide de hemelsche gezant. Bij het hooren dezer woorden stond de stadhouder verschrikt op, riep zijne dienaren en zeide sidderend tot hen: „Bisschop Martinus staat vóór de deur; gaat onverwijld openen, opdat de dienaar Gods niet worde beleedigd.quot; Maar de dienaren, die niet buiten de deur waren getreden en niet begrepen, dat de Bisschop in het donker van den nacht op den drempel kon zijn neergeknield, kwamen bij hun heer terug en berichtten hem, dat hij ongetwijfeld de speelbal was van een droom. De stadhouder sloeg gemakkelijk geloof aan deze woorden en begaf zich weder ter ruste. Andermaal werd bij gewekt en nu ging hij zelf naar de voordeur en vond daar Martinus, zooals hem was aangekondigd. Door verbazing aangegrepen, riep de stadhouder uit: „Heer, waarom handelt gij aldus? Ik weet, wat gij verlangt; ik begrijp, wat gij komt verzoeken. Verwijder u aanstonds, opdat ik ontsnappe aan het vuur der hemelsche gramschap.quot; — Martinus vertrok, en de stadhouder riep zijne

ocr page 41

37

dienaren, opdat dezen onverwijld alle gevangenen in vrijheid zouden stellen.

Zooals wij lezen in de Samenspraken van Siüpicins Severus, was diezelfde stadhouder, hoe wreedaardig en bloeddorstig hij anders ook was, in tegenwoordigheid van den H. Martinus steeds zachtaardig en kalm. Gelukkig derhalve de stad Tours, wijl zij beschermd en beschut werd door de onverwinlijke kracht van de deugd van St. Martinus! Aan de deugd van dien H. Herder was het te danken, dat de stad Tours niet bezoedeld werd door het bloed der ongelukkige gevangenen.

Besluiten we dit hoofdstuk met een treffend verhaal van Gallus, een leerling van Martinus, welk verhaal wij in zijn bekoorlijken eenvoud zullen weergeven.

Gallus verhaalt als volgt: „Zoodra ik de scholen verlaten had, sloot ik mij bij Martinus aan. Toen wij, eenige dagen later, Martinus bij zijn gang naar de kerk volgden, kwam een arme, half gekleed (het was in den winter), hem om een kleedingstuk verzoeken. Martinus riep den aartsdiaken en gelastte aan dezen om oogen-blikkelijk den armen man te kleeden; hij zelf trad de sacristie binnen, waar hij volgens zijne gewoonte alléén bleef; want zelfs in de kerk gaf hij de voorkeur aan de eenzaamheid ....

„Wijl de aartsdiaken verzuimd had aan den arme een kleedingstuk te geven, trad de arme man de eenzaamheid van den H. Martinus binnen om zich te beklagen, hoe men hem vergeten had en hoezeer hij moest lijden. Onverwijld, zonder dat de arme man het bemerkt, haalt de Heilige heimelijk zijn onderkleed onder zijn mantel uit en doet het den bedelaar aan.

„Kort daarna treedt de aartsdiaken binnen en waarschuwt, zooals gewoonlijk, Martinus dat het volk in het kerkgebouw wacht en dal het tijd is om het H. Mis-

ocr page 42

38

offer te gaan opdragen. Maar de Heilige antwoordt hem, dat hij eerst den armen man moet kleeden (hij bedoelde zich zeiven), en dat hij de kerk niet kan betreden, vooraleer de arme man gekleed is.

„De aartsdiaken, die er niets van begrijpt (want Mar-tinus bedekte zijn naaktheid onder zijnen mantel, waarmede hij was omhuld), beweert, dat er geen arme man is. Maar Martinns antwoordde: „Breng mij het kleeding-stuk, hetwelk men voor hem heeft bereid, en ik zal wel een arme vinden om te kleedenquot;. De priester, gedwongen door dit bevel, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven, koopt haastig een grof, kort en wolachtig kleed en brengt het bij Martinus; „Hier hebt gij het kleed, zeide hij, maar een arme zie ik nietquot;. Zonder de minste ontroering beveelt Martinus hem om eenige oogenblikken vóór de deur te gaan staan, want hij verlangde alléén te zijn, terwijl hij dit kleed aantrok, ten einde zijne daad te verbergen.

„Gehuld in dit kleed, ging hij vervolgens het heilig Misoffer opdragen. Dienzelfden dag zagen wij, o wonder, toen hij als naar gewoonte het altaar zegende, boven zijn hoofd een vuurbol schitteren, die, omhoog rijzend, een lichtende streep afteekendequot;. ^

Is deze liefdedaad van Martinus, hoewel minder bekend dan de liefdedaad, welke hij verrichtte, toen hij nog katechumeen was en in het leger diende, daarom minder treffend? We willen dit niet beslissen; maar uit dit verhaal, zoowel als uit deze daad, zweeft de balsemgeur van christelijken eenvoud, waardoor èn dit verhaal èn deze liefdedaad eene bijzondere bekoorlijkheid verkrijgen.

') Sulpicius Severus.

ocr page 43

39

YI

Martinus verwoester der afgoderij en Apostel van Gallië.

De H. Martinus is niet alleen de patriarch der kloos-terlinpren, niet alleen een liefdevol bisschop geweest; hij is tevens de overwinnaar, de verwoester geweest van het heidendom in Gallië, en vooral hierdoor heeft hij onverwelkbare glorie ingeoogst.

Niettegenstaande den schitterenden triomf van het christelijk geloof, door de bekeering van keizer Constantijn behaald, was het heidendom in de landen van Gallië. vooral op het platteland, nog in volle levenskracht. Nog waren er geheele bevolkingen, die Jesus Christus nog niet kenden. Kog stonden er afgodische altaren, boomen en tempels, aan de valsche goden toegewijd, die bewaakt werden door de vreeselijke bedreigingen van het volk, nog zoozeer gehecht aan blinde bijgeloovigheden en aan ingewortelde overleveringen.

Voor den H. Martinus was de glorieuse zending weggelegd, de gedenkteekenen van de afgoderij op de oevers der Loire en in andere streken van Gallië, alwaar zij in nog grooter getale bestonden, te verwoesten en te verdelgen. Onvermoeid en onverschrokken, bijgestaan door de mannen, die zijne gestrenge leefwijze te Mannontiers volgden, doorkruiste Martinus met den ijver en de liefde van een Apostel de streken van Gallië, om zelfs in hunne laatste verschansingen de oude overblijfselen van de heidensche bijgeloovigheid te vervolgen en uit te roeien. Hij drong door tot de meest afgelegen dorpen en vlekken, tot de diepste hoeken der wouden, kortom overal, waar het heidendom een laatste toevluchtsoord gezocht had. Het woord van den ouden krijgsman, nu Apostel geworden, was misschien minder beschaafd; maar de hoogste welsprekendheid doortintelde zijn hart, zijn moed en zijne

ocr page 44

40

onvermoeide standvastigheid, zoodat de afgoderij onmogelijk kon weerstaan aan het ijvervolle woord van Mar-tinus. Inderdaad, zijn levensbeschrijver getuigt; „Totus infremuit, nee mor tale sonans verhum Dei gentüibus prae-dicabatquot;. Hij huiverde geheel en al, hij zuchtte diep, wanneer hij de scharen volks aanschouwde, die den Zaligmaker niet kenden; en, ten einde hun dien Zaligmaker te leeren kennen, predikte hij het Woord Gods aan de heidenen met een stemgeluid, dat niet van een sterveling was.

De zending van den nieuwen Apostel was zwaar, moeilijk eu vol gevaren. De tegenstand was vaak wanhopig en de strijd met die onwetende en ruwe volken was dikwijls zóó geducht, dat het leven van den heiligen Bisschop meer dan eens door de woedende heidenen werd bedreigd.

Op zekeren dag had Martinus in een dorp een zeer ouden tempel laten slechten en wilde vervolgens een ontzaglijken pijnboom, die vóór dien tempel zijn kruin omhoog hief, laten neervellen. Doch de heidensche opperpriester van die streek en het afgodische volk verzetten zich krachtig tegen dit plan. Dezelfde menschen, die volgens de bestiering Gods hun tempel, zonder tegenstand te bieden, hadden laten sloopen, duldden niet, dat deze boom zou worden omgehouwen. Tevergeefs wendde Martinus alle pogingen aan om hen te doen begrijpen, dat deze oude boomstam niets heiligs bezat, dat zij veeleer den God moesten aanbidden. Dien ook hij diende, en dezen boom, aan den duivel toegewijd, moesten laten neervellen. Eén hunner zeide ten laatste tot Martinus: ,.Indien gij eenig vertrouwen hebt in den God, Dien gij dient, zullen wij zeiven dezen boom omhouwen, maar gij moet blijven staan op de plek, waar de boom vallen moet; indien, naar gij verzekert, uw God u beschermt, zalt gij van dien val geen schade te duchten hebbenquot;.

ocr page 45

41

Onbevreesd nam Martinus dit stoute voorstel aan. Hij vertrouwde op den Heer en beloofde dien gestelden eisch te zullen inwilligen. Op deze voorwaarden stonden alle heidenen toe, dat de boom zou geveld worden; zij waren bewilligd in den val van den boom, indien bij dien val tevens de vijand hunner goden zou worden verpletterd. Martinus werd vastgebonden op de plaats, waar de boom vallen zou; en de heidenen, overstelpt van vreugde, sloegen onverwijld de handen aan den arbeid. De verbaasde menigte stond op een afstand het tooneel gade te slaan. Reeds begint de boom te weifelen, zijn val kan niet verre meer af zijn. De kloosterlingen, die Martinus vergezellen, sidderen en verbleeken bij het gezicht van het dreigende gevaar. Doch Martinus, vertrouwend op den almachtigen God, staat daar onversaagd en onbevreesd. Eensklaps kraakt de boom, hij valt, hij gaat Martinus verpletteren ..... Alsdan heft de Bisschop zijn gezalfde hand omhoog en bezweert het dreigend gevaar door het teeken des heils, het teeken des Kruises. Aanstonds wordt de boom als door een krachtigen windstoot teruggeslingerd en valt neer juist op de tegenovergestelde zijde, vlak bij de volksmenigte, die zich ter dier plaatse in veiligheid waande.

Door dit zichtbaar en grootsch mirakel getroffen, slaakten de heidenen daverende kreten van verbazing. De kloosterlingen weenden tranen van vreugde en verkondigden in koor den lof van Jesus Christus. Dien dag, dus verhaalt Sulpicius Severus, was het voor dit land inderdaad een dag van zaligheid; want onder deze ontzaglijke menigte van heidenen was er niemand, die niet aanstonds verzocht om de oplegging der handen, en die, de dwalingen van het heidendom afzwerend, niet geloofde ia Jesus Christus. Inderdaad, vóór de komst van Martinus, kende schier niemand in die streek den naam van

4.

ocr page 46

42

Jesus Christus; maar door de kracht van zijn deugden en van zijn voorbeeld is deze streek nu overdekt met kerken en kloosters. Nauwelijks is een heidensche tempel verwoest, of een kerk of klooster verrijst in zijne plaats.

Korten tijd daarna gaf Martinus het bewijs van niet minder bewonderenswaardigen moed. De heidenen, die door zijn woord waren bekeerd, hadden een ouden en zeer beroemden afgodstempel in brand gestoken. Eensklaps bemerkte Martinus, dat de geweldige stormwind de vlammen op een daaraan grenzend huis gejaagd had. Zonder te aarzelen sprong Martinus op het dak van het brandende huis en door een verbazend wonder gehoorzaamt de vlam aan zijne stem, keert zich tegen dep wind in, van dit huis af en overschrijdt de grenzen, door den Heilige afgeteekend, niet.

In een ander vlek, Leprosum geheeten, het tegenwoordige Loroux, stond een tempel, die overladen was met de rijkste schatten en kunstwerken. Ook dezen tempel wilde Martinus verwoesten, maar geheel het dorp verhinderde dit en dreef hem onder een stortvloed van verguizingen weg. Wat doet Martinus om de verstoktheid van dit volk te overwinnen? Hij neemt zijne toevlucht tot zijne gewone wapenen: in de stille eenzaamheid van een woud werpt hij zich ter aarde en brengt daar, drie dagen lang, in zak en asch, vastend en biddend door. Plotseling verschijnen hem twee Engelen Gods, met een lans en een schild in hunne handen; zij verklaren door God gezonden te zijn om de vijandige volksmenigte op de vlucht te drijven en met Martinus aan de verwoesting des tempels deel te nemen.

Martinus heeft nieuwen moed gevat. Hij keert terug naar het dorp en ten aanschouwen van de .heidensche menigte, zonder dat iemand tegenstand biedt, werpt hij de altaren en afgodsbeelden omver en verwoest den tempel

ocr page 47

43

tot den grond toe. De heidenen erkennen do hoogere macht, die hunne woede heeft bedwongen en beteugeld, en gelooven nu bijna allen in Jesus Christus. „Wij moeten den God van Martinus aanbiddenquot;, roepen zij uit; „en de afgoden, die machteloos zijn om zich te verdedigen en ons geen hulp kunnen bieden, verlatenquot;

Aldus triomfeerde de Man Gods over allen tegenstand.

Weldra waren de boomen, aan afgoden toegewijd, geveld; de eeuwenoude afgodsbeelden verpletterd, de aloude afgodstempels verwoest en gesloopt. Martinus en zijne gezellen waren schier onophoudelijk bezig met het doopen der tallooze bekeerlingen; en kerken en kloosters verrezen allerwegen om de tempels der valsche goden te vervangen. Zoo waren dan eindelijk in Gallië de laatste wortelen van het Romeinsche heidendom uitgerukt. Het stralende Kruis van den Christus viert zijn glorievollen triumf, maar die goddelijke banier is vooral geplant door den H. Bisschop van Tours, door Sint Martinus.

ArIL

Martinus, de Wonderwerker.

Reeds in de voorgaande bladzijden hebben we gezien, in welk een hoogen graad Martinus de buitengewone gave van wonderwerken van den Hemel ontvangen had. Voorwaar, niemand verdiende meer dan hij den glorievollen naam van thauwaiurgns, d. i. wonderwerker. Staan wij nog even stil bij dit onderwerp, en merken wij op, dat, na de mirakelen van Jesus Christus en van de Apostelen, de wonderwerken van den H. Martinus het meeste bewezen en gewaarborgd zijn. Zijn eerste levensbeschrijver en tijdgenoot zegt, na verscheidene wonderen van Martinus in zijne Samenspraken opgenoemd te hebben, aldus; Verwonder u niet, indien ik heden doe, wat ik

') Sulpicius Severus.

ocr page 48

u

gisteren niet deed, namelijk indien ik bij elk wonderwerk de namen noem van de getuigen en nog levende personen, tot wie degenen, die deze wonderen niet gelooven, zich kunnen wenden. Ik handel aldus, omdat sommigen datgene, wat ik gisteren verhaald heb, in twijfel durfden trekken. Ik noem dus getuigen op, die nog in vollen levensbloei zijn; en degenen, die mij niet gelooven, zullen misschien in hen méér vertrouwen stellen; maar zullen zij, die ongeloovigen, ook wel aan hen geloof slaan? Ik sta verwonderd, dat men, met het geringste gevoel van godsdienst, misdadig genoeg zijn kan om te gelooven, dat er leugentaal mogelijk is, als er gesproken wordt van Martinus. Laat degene, die God vreest, dien argwaan wegnemen; want Martinus heeft niet noodig, dat men zijne toevlucht neemt tot leugentaal om zijne glorie te verhoogen. O Christus, U neem ik tot getuige, dat ik bij al mijne woorden niets gezegd heb of niets zal zeggen, wat ik of zelf niet gezien heb üf vernomen heb van geloofwaardige personen, waarvan de meesten ten tijde van Martinus zeiven leefdenquot;.

Elders zegt Sulpicius Severus nog: „Zoo iemand geen geloof wil hechten aan mijne woorden, dan valt de schuld hiervan op hem zeiven terug. De zekerheid der feiten, welke ik heb verhaald, en de liefde tot Jesus Christus waren de eenige drijfveeren tot het schrijven van dit boek, hiervan ben ik mij zeiven bewust: want ik heb alleen waarachtige en onwraakbare feiten aangehaald, en God — dit verhoop ik — bereidt eene belooning, niet voor hem die zal lezen, maar voor dengene, die zal geloovenquot;.

De veelvuldigheid van mirakelen, waaraan het leven van Sint Martinus zóó overrijk is, komt ten volle overeen met het heerlijk schouwspel, hetwelk onze blikken treft, wanneer wij de geschiedenis van de bekeering der vol-

ocr page 49

ken tot het Christendom beschouwen. quot;Welke andere geschiedenis levert ons méér wondervolle daden, waarin de grenzenlooze goedheid en barmhartigheid van den Koning des Hemels, niet minder dan Zijne oneindige almacht, met stralenden luister uitschitteren? En inderdaad, moet het niet aldus zijn van den kant van God, „Die icil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen?quot;1) Indien Hij sonnvijlen de schatten Zijner almacht wil ineedeeleu aau Zijne uitverkoren Heiligen, waarom zou Hij dit vooral niet doen, wanneer het geldt de glorievolle uitbreiding des geloofs, door de bekeering van een heidensch en afgodisch volk? Lezen we het leven der heilige Bisschoppen en Missionarissen, die op meer rechtstreeksche wijze hebben gearbeid aan de uitbreiding van het Godsrijk op aarde, we zullen bevinden, dat verreweg de meesten roemrijke wonderwerkers waren, aan wie God, tot welslagen van hun arbeid, een gedeelte van Zijne macht over de natuur heeft afgestaan. De schaduw alleen van den Apostel Petrus genas plotseling de zieken. En de Apostel Paulus waagt het niet op te noemen, wat Christus door hem gewerkt heeft, om de heidenen aan het Evangelie te onderwerpen „door de kracht van teekenen en wonderenquot; 2).

In de 3e eeuw, zien wij den luister dezer goddelijke macht uitschitteren in den H. Bisschop Gregorius, die om zijne tallooze wonderdaden eveneens den bijnaam van thaumaturgus, d. i. Konderwerker, verworven heeft. De volgende eeuwen wijzen ons beurtelings, behalve op zoovele anderen, op den H. Patricius, geloofsverkondiger van Ierland; op den H. Colombanus, apostel der Pieten en Schotten; op den H. Gallus, één der apostelen van

1

') I. li moth. II. 4.

2

) Eom. XV. 18. 19.

ocr page 50

46

Zwitserland; op den kloosterling Augustinus, door Paus Gregorius den Grooten naar Engeland gezonden om het Evangelie te prediken; op den H. Bonifacius in Duitsch-land en in ons eigen vaderland; op den H. Anxarius in Denemarken en Zweden; en eindelijk, op den roemrijken, heiligen Franciscus Xaverius, apostel van Indië en Japan. Alle deze Heiligen, met zoovele anderen, welke wij hier onmogelijk allen kunnen opnoemen, hebben het geloof verkondigd niet alleen door hun machtig woord, maar ook en vooral door hunne machtvolle wonderdaden. „De Heer werkte mede en bevestigde het woord door de teekenen, die daarop volgdenquot; Door die grootsche wonderteekenen overtuigd, vielen de volken aan de voeten van die geloofspredikers neer, verzaakten aan den afgodendienst en schaarden zich bij menigten onder de banier van het Kruis, het goddelijk zegeteeken der waarheid en des heils.

Aldus geschiedde het, in de 4e eeuw, door den H. Martinus. Aan den luisterglans zijner wonderwerken, gepaard aan zijne hoog uitschitterende deugden, is het wonderbare welslagen van zijn apostolaat te danken. Hoe anders kan de verbazingwekkende arbeid, door zulk een schitterenden uitslag bekroond, worden verklaard? Laten de „verlichte geestenquot; onzer dagen het bestaan van wonderen loochenen; laten de waanwijzen dezer eeuw in hunne heiligschendende taal durven beweren, dat nog nimmer een echt wonder is kunnen bewezen worden; — wij voor ons, ja wij gelooven vastelijk aan de wonderwerken van den H. Martinus. Want de verhalen dier wonderen, ons overgeleverd door tijdgenooten van Sint Martinus, ademen de meest aangrijpende waarachtigheid. Maar bovendien gelooven wij vastelijk aan die wonderen, om wille van het werk, waarvoor die 0 Marc. XVI. 20.

ocr page 51

47

wonderen zijn gewrocht. Om verblinde volken te verlichten, om halsstarrige natiën te buigen, daarvoor waren de wonderen der eerste tijden van het Christendom noodzakelijk. De heidensche wereld is overwonnen dooide deugden en wonderwerken der Apostelen. Evenzoo waren er wonderwerken noodig, om de eeuwenoude afgoderij in Gallië uit te roeien. Eindelijk gelooven wij vastelijk aan de wonderen van Sint Martinus, omdat wij gelooven aan de onweerstaanbare kracht van het gebed, dat uit de ziel van een Heilige Gods opstijgt. Wat deed Martinus, wanneer er een mirakel gevorderd werd om de zaligheid eener geheele bevolking te bewerken? We hebben het reeds gezien: hij wierp zich ter aarde, om te bidden. Hij bad met een geloof, dat bergen verzet; hij bad met eene liefde, die het hart van God wel treffen moest: zijn gebed bestormde den Hemel met een heilig geweld. Voorwaar, zulk een gebed, geschraagd door zulk eene heiligheid; die smeekgebeden, nimmer onderbroken, zelfs niet bij den dagelijkschen arbeid; die verzuchtingen des harten, elk uur, ja elk oogenblik van den dag geslaakt; zulk eene ziel, altijd in de hemelen verkeerend; die vasten, die nachtwaken, die haren boetkleederen ; die harde, voortdurende arbeid, ternauwernood onderbroken door eene Kortstondige rust, ten einde te voldoen aan de meest noodzakelijke behoeften der natuur; die dagen en nachten, toegewijd aan het werk Gods; die apostolische reizen, die voortdurende predikingen; dat beteugelde en getuchtigde lichaam; die zinnen, dienstbaar gemaakt aan de ziel; die ziel zelve, onderworpen en beheerscht; alle die hartstochten en driften, overwonnen en beteugeld; die zachtaardigheid, dat onveranderlijk geduld bij het lijden, bij de beleedigingen; die grenzenlooze liefde; die immer gelijke geaardheid in eene immer heilige vreugde (want nooit was de H. Martinus

ocr page 52

48

treurig of ontroerd of verbolgen); in één woord, die geheel hemelsche wandel, die bovenaardsche leefwijze: dat alles, te zamen niet de goedheid des Heeren, die ons wil zalig maken, verklaart ons alle de mirakelen van den H. Martinus. Indien wij in den H. Martinus slechts een gewoon mensch en eene gewone deugd zagen, dan zouden we zeggen: verwacht slechts gewone, alledaagsche werken. Maar we zien in hem een buitengewoon man, en daarom gelooven wij aan buitengewone daden, aan grootsche wonderen

Laten we alzoo nog eenige woorden over de wonderwerken van den roemvollen thaumaturg spreken. Die wonderdaden hebben zoo machtig veel bijgedragen tot den schitterenden uitslag van zijne apostolische zending en tevens waren zij, evenals de wonderwerken van den goddelijken Zaligmaker hier op aarde, wonderen van medelijden en van liefde.

Luisteren we allereerst naar Gallus, een leerling van Martinus. Hij verhaalt ons een wonder, waarvan hij zelf ooggetuige is geweest. „Wij gingenquot;, zoo zegt hij, „waarvoor weet ik niet, naar Chartres; toen wij een zeer bevolkt dorp doortrokken, ontmoetten wij eene groote menigte van heidenen, want er was geen enkele christen in deze streek. Bij het bericht van de aankomst van zulk een groot man waren de naburige velden weldra met eene ontelbare menschenmassa overdekt. Martinus gevoelde, dat lui hier handelend moest optreden; de siddering zijns lichaams kondigde hem de nadering van den H. Geest aan, en met bovenmenschelijk stemgeluid predikte Martinus het woord Gods aan de heidenen.

„Alsdan (wij waren omringd door eene dicht opeengedrongen menigte) strekte eene vrouw, welker jeugdig kind pas gestorven was, het ontzielde lichaam tot den

') Vgl. Mgr. Dupauloup.

ocr page 53

49

Heilige uit en zeide tot hem: „Wij weten, dat gij de vriend van God zijt; hergeef mij mijn zoon, mijn eenigen zoonquot;. Martinus, ziende op dat oogenblik (zooals hij naderhand aan ons verhaalde), dat hij voor de zaligheid van allen een wonder kon verwerven, nam het kind in zijne armen, boog de knieën ten aanschouwe van de volksmenigte, en, na gebeden te hebben, hergaf hij het kind levend aan de moeder. Geheel de menigte slaakte oogenblikkelijk vreugdekreten,, die ten hemel stegen, en erkende den Christus voor haren God; zij allen wierpen zich voor de voeten van den Heilige en smeekten om de gunst van christen te mogen worden. Martinus aarzelde niet; wijl hij zich op eene vlakte bevond, maakte hij hen allen, door eene algemeene handenoplegging, geloofsleerlingen of katechumenen. Vervolgens zich tot ons wendend, zeide hij: „Xiet zonder beteekenis kan men op eene vlakte katechumenen maken; op eene vlakte immers werden gewoonlijk de Martelaren gewijdquot;. ])

Het was alzoo, gelijk we hebben gezien, door mirakelen van goedheid en van liefde, dat Martinus de volken van Gallië tot de kennis van den waren God heeft gebracht en tot verbrijzeling van hunne aloude afgodsbeelden. En hier ter plaatse moeten wij vooral onze aandacht vestigen op de deugd der liefde, welke vóór alles het eigenlijke keurmerk van Martinus zending geweest is, alsook het eenige wapen, waarmede hij den afgodendienst heeft bestreden en overwonnen.

Misschien zouden sommigen, onder voorwendsel, dat de christen Missionarissen in dat tijdperk volgens sommige wetten gemachtigd waren om de tempels en beelden der heidenen te verwoesten, geneigd zijn te gelooven, dat Martinus met zijne kloosterlingen Gallië doorkruiste te vuur en te zwaard, met een moker in zijne hand, en Sulpicius Severus: Samenspr. II.

II Martinus 2 4.

ocr page 54

50

dat hij aldus, gesteund door de macht des keizers, zijn werk volbracht heeft. Maar zulk eene meening zou be-driegelijk zijn en de grootsche zending van den H. Mar-tinus in een veikeerd daglicht stellen. Voorwaar, niet aldus is het geschied. Gedurende al den tijd van zijne heldhaftige zending, heeft Martinus eenvoudig volgens de ingeving van zijn gloeienden ijver en van zijn onver-saagden heldenmoed gehandeld ; maar de wereldlijke macht van koningen of keizers ondersteunde zijne pogingen niet. De hand Gods alléén beschermde hem tegen de gevaren, die hem zoo dikwijls dreigden te verpletteren. Toen, omstreeks het einde der 4« eeuw, de verordeningen van keizer Theodosius omtrent de verwoesting van de afgodstempels werden uitgevaardigd, was de zending van Martinus bijna haren eindpaal genaderd. Bovendien vonden de verordeningen van dezen vorst slechts hunne toepassing in sommige streken van het Oosten, zooals in Egypte en Syrië, alwaar hunne uitvoering zelfs meer dan eens krachtigen tegenstand van den kant der heidenen ondervond.

De heidensche wijsgeer Libanius slaakte in een verzoekschrift, aan keizer Theodosius gericht, dezen wapenkreet: „Ziet, hoe onze tempels verwoest worden! Sommigen volvoeren dit vernielingswerk met hout, met steen, met vuur; anderen gebruiken daarvoor hunne handen en voeten. De daken worden ingeslagen, de muren ondermijnd, de beelden weggerukt, de altaren omvergeworpen. Zoo geschiedt het in de steden. Maar op het platteland is het nog veel erger. Daar verspreiden zich de vijanden van de tempels, vervolgens vereenigen zij zich wederom, om aan elkander hunne daden te verhalen; zelfs de meest misdadige bloost niet over zijne euvelen. Als geduchte watervloeden overstroomen zij het land en beuken de woonsteden der goden. Het land, beroofd van de tempels,

ocr page 55

51

is verwoest, vernield, vermoord. De tempels, o keizer! zijn het leven van het land; zij zijn de eerste gebouwen van het land. Aan de tempels vertrouwt de landbouwer zijne vrouw, zijne kinderen, zijn oogst toequot;.

In geheel het leven van den H. Martinus verschijnt geen enkel spoor van dit treurig tooneel. Nimmer heeft de schaduw van eenig geweld den glans van zijne blakende liefde ontluisterd. Niet de christenen, maar dikwijls de heidenen zeiven waren het, die, bij het aanschouwen van Martinus' wonderdaden tot geestdrift vervoerd, of, door zijne hooge deugden getroffen, blijmoedig de afgodsbeelden of tempels omverwierpen, welke zij tot dusverre hadden vereerd. Inderdaad, de eerste levensbeschrijver van den H. Martinus zegt: „Den meesten tijd, wanneer de landlieden zich verzetten tegen de verwoesting hunner tempels, raakte hij (Martinus) hunne harten dermate door de verkondiging van het Woord Gods, dat zij, bestraald door het licht der waarheid, met eigen hand hunne tempels vernieldenquot;.])

Misschien zal de een of ander het betreuren, dat de ijver van Martinus en van zijne kloosterlingen niet beperkt werd, zoodat de heidensche gebouwen, in plaats van te worden verwoest, slechts van bestemming werden veranderd. Alzoo, terwijl de dichter Prudentius, op het einde der 4® eeuw, hun val bezong in jubelende zegezangen, zouden de „hooge geestenquot; der 19e eeuw dien val betreuren als een verlies voer de kunst! Maar de vernieling van die zoogenaamde heilige boomen, van die tempels — over 't algemeen armzalige en nietige gebouwen — is volstrekt niet zulk een groote ramp, dat de echte vrienden der kunst daarover zouden moeten treuren. Overigens, was het niet te vreezen, dat, indien die gedenk-teekenen, welker aanblik alleen de ruwe heidenen ') Sulpicius Severus.

ocr page 56

52

voortdurend aan hunne goden, aan hunnen afgodendienst herinnerde, waren blijven bestaan, de vorderingen van het Christendom in Gallië geducht zouden zijn belemmerd?

Ten einde de herinnering aan de stomme afgoden uit te roeien en te ontwortelen in den geest der volken, moesten de gebouwen, die geheel vervuld waren van de onreine tegenwoordigheid der afgodsbeelden, voor het oog dier volken verdwenen zijn. quot;Wanneer de onwaardeerbare schat des geloofs op het spel staat, dan sparen de Heiligen Gods een houten of steenen gedenkteeken, dat den triomf des geloofs zou kunnen verhinderen, niet; want de schatten dezer aarde mogen de schatten des Hemels nimmer in den weg staan.

VIII.

Martinus aan de hoven der Keizers.

We gaan nu den H. Martinus vergezellen naar het hof der keizers, alwaar hij bij verschillende gelegenheden de belangen van de heilige leer, waarvan hij de onvermoeide Apostel was, op onverschrokken wijze heeft verdedigd. Vier malen verscheen hij aan het keizerlijk hof, maar immer verscheen hij daar met de belangeloosheid van een kloosterling, met de waardigheid en met het gezag van een groot Bisschop, terwijl hij aan zijne nederigheid en eerbied eene edele stoutmoedigheid en eene moedige onafhankelijkheid paarde.

Het is voor een Bisschop altijd, maar vooral in troebele tijden, eene geduchte beproeving: te verschijnen in tegenwoordigheid van wereldsche machthebbers, die zóó machtig zijn tegenover de menschelijke zwakheid en die zoovele middelen van verblinding en van verderf bezitten. Om zegevierend en triomfeerend uit deze beproeving te voorschijn te treden, zijn twee eigenschappen volstrekt noodzakelijk: groote geleerdheid, en vooral een

ocr page 57

53

groot karakter; een hooge geest en een groot hait. In zijne heiligheid vond Martin us zoowel het een als het ander, en we zullen hem aan het keizerlijk hof, met eene bewonderenswaardige verhevenheid, de eer van liet bisschoppelijk karakter zien handhaven

Korten tijd na zijne verheffing op den bisschopszetel van Tours, begaf Martinus zich voor de eerste maal naar het hof van Valentinianus I, die gewoonlijk in Gallië zijn verblijf hield. Toen de keizer vernam, dat Martinus voornemens was zijn vorstelijk galeis te bezoeken, gelastte hij uitdrukkelijk den Bisschop niet binnen te laten. De hoogmoed en de IJdelheid van dezen vorst waren geenszins de eenige drijfveeren voor dit onheusch en onbillijk bevel. Keizerin Justina, een vurig volgelinge van de Ariaansche sekte, had den keizer vooral daartoe aangezet. Na verscheidene nuttelooze pogingen om tot het paleis des keizers te worden toegelaten, nam Bisschop Martinus zijne toevlucht tot zijne gewone middelen. Gehuld in een haren boetkleed, het hoofd bestrooid met asch, bad hij dag en nacht, en paarde aan zijn volhardend gebed de strengste vasten. Op den zevenden dag verscheen aan hem een Engel, die zeide: „Ga onbevreesd naar 's keizers paleis; de poorten, hoewelgesloten, zullen vanzelf worden geopend, en de trotsche keizer zal vermurwd worden.quot;

Vertrouwend op de woorden van den hemelschen gezant, keert Martinus naar het paleis terug. De poorten openen zich inderdaad voor hem; hij treedt binnen, ontmoet niemand en verschijnt ongehinderd voor den keizer. Valentinianus ziet hem van verre aankomen en siddert van opbruisende woede, omdat men Martinus heeft laten binnentreden in zijn paleis. Hij wil niet opstaan van zijn vorstelijken zetel. Maar ziet! eensklaps wordt ') Vgl. Mgr. Dupanloup.

ocr page 58

54

die keizerstroon door vuur aangegrepen; de om zich heengrijpende vlammen noodzaken den trotschen vorst onverwijld van zijn zetel op te staan en vol eerbied den heiligen Bisschop tegemoet te treden. Nu erkent Valen-tinianus de grenzenlooze macht van God. Hij omhelst den dienaar des Allerhoogsten, Bisschop Martinus; en zonder de smeekbeden van Martinus af te wachten, verleent hij reeds bij voorbaat alle gunsten, welke Martinus wilde verzoeken. Niet tevreden met dit eerste onderhoud, ontbood de keizer dikwijls den H. Martinus, ten einde met hem te spreken en met hem den maaltijd te gebruiken. Bij het vertrek van den Heilige, bood Valen-tinianus hem rijke geschenken aan; doch Martinus, die altoos arm wilde zijn, wees alle gaven van de hand

Later verscheen de groote Bisschop van Tours vóór keizer Maximus. Driemalen kwam hij aan het hof van dezen tyran, zonder acht te slaan op den afstand, die van Tours naar Trier door hem moest worden afgelegd. Bij alle deze gelegenheden wist Martinus met grootmoedigheid en liefde zijne bisschoppelijke waardigheid te handhaven. Wij moeten hier eenige geschiedkundige bijzonderheden meedeelen, ten einde eenig licht te verspreiden over het nieuwe veld, waarop de dappere strijder, met het hart van een Apostel, van een herder en vader, zijne schreden gaat richten.

De Romeinsche legioenen hadden in Groot-Brittanje Maximus tot keizer uitgeroepen (383). Maximus trok naar Gallië, deed zich da:ir als keizer erkennen door het leger en vestigde te Trier den zetel van zijn rijk. Op hetzelfde tijdstip verontrustten de Priscillianisten — een kettersche sekte - de kerk van Gallië en Spanje. Ithacus, een Spaansch Bisschop, één van hunne vurigste tegenstanders, begaf zich tot keizer Maximus in Trier.

') Sulpicius Severus.

ocr page 59

00

De keizer ontving hem welwillend en ontbood de opperhoofden der ketters uit Spanje, ten einde hunne leeringen te doen onderzoeken.

Ook de H. Martinus bevond zich te Trier. In de Samenspraken van Sulpicius Severus lezen wij: De keizer ontbood Martinus dikwijls bij zich in zijn paleis en sprak dan langen tijd met hem over het tegenwoordig en toekomstig leven, over de glorie der getrouwen, over het eeuwig geluk der Heiligen; terwijl de keizerin dag en nacht luisterde naar de woorden van Martinus, en, evenals Maria, zijne voeten met tranen besproeide, welke zij afdroogde met heure hoofdharen. Martinus, wien nimmer eene vrouw had aangeraakt, kon de voortdurende tegenwoordigheid van de keizerin, of liever deze oprechte dienstbaarheid, niet ontwijken. Hare rijkdommen, hare keizerlijke waardigheid, diadeem en purper vergat zij, knielde neer op den grond en verliet de voeten van Martinus niet. Eindelijk vroeg zij aan den keizer verlof, alle dienaren te verwijderen en alléén een maaltijd te mogen bereiden voor Martinus. Maximus voegde zijne smeekingen bij die van de keizerin, ten einde den Heilige voor dit plan te winnen. Zij bereidde dan geheel alleen met hare koninklijke handen een maaltijd, overdekte zijn zetel met een kleed, naderde de tafel, bood water aan voor de handen en bracht de spijzen op, welke zij zelve had klaargemaakt. Terwijl Martinus aan tafel was gezeten, stond zij onbeweeglijk op een afstand, volgens de gewoonte der dienaren: in alles gedroeg zij zich als een dienstbode. Zij zelve schonk in en bood hem den beker aan. Xa den maaltijd verzamelde zij zorgvuldig de stukken brood en de overgeschoten spijzen, en gaf hieraan de voorkeur boven den keizerlijken maaltijd. Gelukkige vrouwe! Om hare godvruchtige gevoelens is zij terecht te vergelijken met de koninginne, die van de

ocr page 60

56

uiterste grenzen der aarde kwam om te luisteren naar Salomon. Maar zoo wij het geloof dezer twee vorstinnen vergelijken, bevinden wij, dat de eene kwam om te luisteren naar een wijze, en dat de andere, niet tevreden met naar hem te luisteren, hem eigenhandig wilde bedienen

O, hoezeer gelijkt dit roerend tafereel op datgene, wat in de gewijde boeken der H. Schrift voor onze oogen wordt ontrold, alwaar Martha den Zaligmaker bediende en Maria naar Zijne verhevene woorden luisterde! Hier alleen dit verschil: de keizerin heeft bediend evenals Martha en tegelijkertijd geluisterd evenals Maria.

Doch haasten wij ons nu om te zien, met welk eene liefde en goedheid de waardige Bisschop de zaak der ongelukkigen, voor wie hij zich naar het keizerlijk hof begeven had, bepleit heeft. Mogen wij op hem terecht • toepassen de woorden \an den Zaligmaker: „Zalig de zuiveren van harte, want zij zullen God zienquot;;3) ook het andere woord van denzelfden goddelijken Meester heeft de H. Martinus in volmaakte toepassing gebracht: „Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwervenquot; 3).

Daar zijn menschen, die de Kerk niet beminnen, en die, in plaats van met billijkheid in de geschiedenis, in den strijd van de elkaar kruisende en schokkende begrippen en hartstochten te onderscheiden, wat wel en wat niet de ware geest der Kerk is; wat zij bezielt of wat zij verdraagt; wat zij goedkeurt of wat zij veroordeelt; — zonder onderscheid alle hatelijke feiten bijeen-gaderen en deze hatelijkheden naar het voorhoofd dier Kerk slingeren. Maar alwie over de menschen

') Öulpicins Severus.

2) Matth. V. 8.

s) Matth. V 7.

ocr page 61

57

en zaken, over de instellingen en tijden een onpartijdig en onbevooroordeeld vonnis wil vellen, hij kan meer dan eens in den loop der eeuwen de menschen, die feilbaar zijn, aanklagen, maar nooit kan hij billijkerwijze de schuld 'daarvan op de Kerk werpen. Kimmer mag hij een mensch, wien dan ook, verwarren met de Kerk; en zoo hij soms schaduwbeelden in de historie ontdekt, d. w. z. men-schelijke hartstochten; hij zal ook het licht, de groote lichtende streep door de eeuwen heen, d. w. z. de deugden, de ware en onwrikbare leer, de groote werken moeten beschouwen.

Evenals men den oceaan niet beoordeelt volgens het schuim, hetwelk hij op zijne oevers werpt, evenmin mag men ook de Kerk beoordeelen volgens de daden, welke zij veroordeelt, of volgens de menschen, welke haar onteeren. Hier in 't bijzonder moet gij, zoo gij den waren geest der Kerk wilt leeren kennen, Ithacus vergeten en den H. Martinus en den H. Ambrosius beschouwen ; gij moet luisteren ook naar den H. Gregorins van Tours en vooral naar dien Paus, die, met de A7aders van de Kerkvergadering van Turijn, de volgelingen van Ithacus heeft veroordeeld 2).

Volgen we nu Martinus naar het hof van keizer Maxi mus, alwaar hij gekomen is om eene zending van barmhartigheid te vervullen. Zien wij eerst, hoe hij de waardigheid van het priesterschap handhaaft en hoog verheft. Eenige Bisschoppen waren uit verschillende landstreken gekomen naar het hof van Maximus, een trotsch mensch, die wegens zijne behaalde overwinningen nog meer opgeblazen was. Die Bisschoppen vernederden zich zóó diep, dat zij hun gewijd karakter beneden de waardigheid des keizers stelden. Doch Martinus alléén handhaafde de waardigheid des Apostels. Met zulk eene

■) Vlg. Mgr. Dupanloup.

ocr page 62

58

kracht bepleitte hij de heilige rechten van rechtvaardigheid en menschelijkheid, dat zijne smeekbeden als bevelen golden. Hij moest gratie verzoeken voor ter-dood-veroordeelden, terugroeping voor ballingen, teruggave van verbeurde goederen; — hij verkreeg alles, wat hij verlangde, en de stoutmoedigste van de Bisschop] en was tevens de meest geëerbiedigde. Eeeds dikwijls was Martinus door Maximus ten maaltijd genoodigd. maar steeds had hij geweigerd, zeggende, dat hij niet mocht eten met een man, die een keizer onttroond en een ander keizer vennoord had. Doch eindelijk zou Martinus het dringend verzoek van den dwingeland inwilligen: het was, toen hij te midden van deze Bisschoppen, die hunne hoogverhevene waardigheid uit het oog verloren, de noodzakelijkheid inzag om eene groote les te geven. En die les gaf Martinus dan ook inderdaad.

De keizer was verheugd, toen hij eindelijk zijn vurig verlangen vervuld zag. Hij noodigde, als ware het een groote feestdag, de doorluchtigste personen ten maaltijd; zijn oom en zijn broeder met den consul en stadhouder Evodius behoorden tot het getal der gasten. Onder den maaltijd werd, als naar gewoonte, de eerebeker aan den keizer aangeboden. Doch de keizer biedt het eerst den beker aan den Bisschop, die naast hem gezeten is, hopende vervolgens uit 's Bisschops handen dien beker te mogen ontvangen. Maar Martinus, gedronken hebbende, overhandigt den beker aan den eenvoudigen priester, die hem vergezelde, als aan den meest waardige: aldus op eenvoudige, maar edele wijze de waardigheid verkondigend van het priesterlijk karakter, hetwelk door sommigen verlaagd werd. Aldus gaf Martinus te verstaan, dat er in het priesterschap eene verheffing bestaat, die door niets kan worden verlaagd; en dat, wanneer de menschen somtijds behoefte hebben aan deze hooge

ocr page 63

59

les, de Kerk immer mannen bezit om deze les te geven. Die les van Martinus werd zelfs door Maximus begrepen en bewonderd. Zóó luide spreekt somtijds het geweten, zóó groot was de eerbied, welken de heilige Bisschop afdwong.

Sint Martinus, altijd vervuld van liefde zoowel als van heilige stoutmoedigheid, wendde al zijn invloed bij den keizer aan, om de ter-dood-veroordeeling van de Priscillia-nisten te voorkomen. Als de vertegenwoordiger der barmhartigheid, smeekte Martinus aan keizer Maximus, dat deze de schuldige ketters in het leven laten zon. Hunne veroordeeling als ketters was eene voldoende straf, zeide de heilige Bisschop. De keizer gaf gehoor aan de smeekbeden van Martinus en beloofde volgens zijn verlangen te zullen handelen. Xa die belofte vertrok Martinus vandaar, ten hoogste verblijd omdat hij den triomf van de barmhartigheid behaald had.

Maar toen de H. Martinus was vertrokken, veranderde Maximus van gevoelen. Het proces tegen de Priscillia-nisten werd hervat en de uitslag was: de voornaamste aanhangers dier sekte werden ter dood veroordeeld. Het uitgesproken vonnis werd zonder vertoef uitgevoerd.

Wèl keerde Martinus, toen hij deze laaghartige belofteschending van Maximus vernam, onverwijld naar Trier terug; maar helaas! het bloedig vonnis was uitgevoerd. Niettemin, onbevlekt en glorievol staat de gestalte van den H. Martinus voor ons oog, als één van de waardigste vertegenwoordigers der barmhartige liefde hier op aarde, waarom hij ook schittert in liet hoogste der Hemelen, omstraald van de reinste, onverwelkbare glorie.

ocr page 64

60

IX.

De strijd van IVIartinus tegen den duivel Nieuwe mirakelen.

Thans willen wij het innerlijk leven van den H. Martinus voor onze lezers schetsen, en volgen hierin het roerende verhaal van Sulpicius Severns, zooals hij dit volgens zijne persoonlijke herinneringen geleverd heeft.

Reeds eenigen tijd — zoo verhaalt genoemde schrijver — had ik hooren spreken over het geloof, over het leven en de deugden van Martinus en vurig verlangde ik hem te mogen zien. Vol vreugde vertrok ik om een bezoek bij hem te brengen; en daar ik vervuld was van de begeerte zijn leven te beschrijven, ondervroeg ik zooveel mogelijk hem zeiven. Ook degenen, die met hem hadden geleefd, of die betreffende hem goed waren ingelicht, ondervroeg ik. Onmogelijk kan ik schetsen, met welk eene nederigheid en goedheid ik door hem ontvangen werd; hij toonde eene groote vreugde in den Heer, omdat ik deze reis voor hem ondernomen had. Toen hij zich verwaardigde mij aan zijne tafel te noodigen, mij, onwaardige, bood hij zelf — ik durf het ternauwernood bekennen — mij water aan om mijne handen te wasschen en des avonds wiesch hij mij de voeten. Ik bezat den moed niet om tegenstand te bieden; zóózeer was ik onderworpen aan zijn gezag, dat ik het mij ten misdaad rekende, aan zijne verlangens geen gevolg te geven. Hij sprak met ons alleen over de bedriegelijke bekoorlijkheid en over de hinderpalen dezer wereld, waaraan wij moeten vaarwel zeggen, willen Ave den Heer Jesus met vrijheid volgen. Hij stelde ons het merkwaardigste toonbeeld van onzen tijd voor oogen, namelijk den roemrijken Paulinus, die onmetelijke rijkdommen wist te verlaten om Jesus Christus te volgen en aldus, bijna geheel alleen

ocr page 65

61

in onzen tijd, de voorschriften van het Evangelie in al hunne volmaaktheid heeft opgevolgd.

Ziedaar het voorbeeld, dat wij moeten navolgen! riep hij uit. Gelukkig is onze eeuw te noemen, omdat zij deze groots les van geloof en van deugd ontvangen heeft; omdat zij een man aanschouwd heeft, die groote goederen bezat, maar ze allen verkocht ten einde ze uit te dealen aan de armen, volgens den raad des Heeren. Aldus volvoerde hij door zijn voorbeeld datgene, wat de wereld voor onmogelijk hield!

Welk een ernst, welk eene waardigheid in zijne woorden en in zijne gesprekken! Welk eene scherpzinnigheid van geest! Hoe overredend waren zijne gesprekken! Met welk eene vlugheid en gemakkelijkheid begreep hij en maakte hij bevattelijk de duistere bladzijden van de H. Schrift! Ik weet, dat verscheidene personen zullen weigeren deze laatste bijzonderheden op mijn woord te gelooven; maar ik neem Jesus Christus en den Hemel — ons aller verwachting — tot getuigen, dat ik nooit zulk eene wetenschap en zulk een verstand, nooit welsprekender en gekuischter taal aanschouwd en vernomen heb,

Na dit tafereel, geschetst door eene vriendenhand, meent Sulpicius zijn werk . te moeten eindigen. Zeker, het is te betreuren, dat hij zijn arbeid niet verder heeft doorgezet. Niettemin schrijven wij hier volgaarne die laatste bladzijde af, welke eeniger-mate het getrouwe portret van onzen Heilige voltooit.

Maar het wordt tijd — aldus Sulpicius Severus — om dit boek te besluiten, niet omdat er niets meer over Martinus te zeggen valt, maar omdat wij, evenals die weinig vruchtbare dichters, die op het einde van een lang gedicht hos langer zoo meer verslappen, onder het

ocr page 66

62

gewicht van ons onuitputbaar onderwerp bezwijken. Want, indien bet, tot zekere hoogte, mogelijk is geweest de daden van onzen Heilige te verhalen, nooit — dit verklaar ik in alle waarheid — nooit kan men schetsen hoe zijn innerlijk leven was, hoe hij eiken dag wist te benuttigen , hoe zijn hart voortdurend gericht was naar God, hoe hij aanhoudend vastte en zich verstierf, hoe hij zich immer verstandig wist te gedragen, hoe krachtdadig zijn gebed was, hoe hij den nacht even nuttig als den dag gebruikte; in één woord gezegd, al zijn tijd, waarvan geen enkel oogenblik opgeofferd werd aan rust of aan wereldsche zaken, werd heel en al toegewijd aan het werk Gods, zelfs gedurende zijn slaap, waaraan hij slechts besteedde, wat de natuur volstrekt eischte. Neen, wij moeten het bekennen, al kwam Homerus zelf op aarde terug, het genie van dezen grooten dichter zou niet in staat wezen om al die wonderen te verhalen: alles in Martinus is zoo groot, dat het woord machteloos is om dit uit te drukken. Nooit liet hij een uur, nooit een enkel oogenblik voorbijgaan, zonder met het gebed of de geestelijke lezing bezig te zijn; en zelfs terwijl hij las of zich aan een geheel andere bezigheid overgaf, was zijn hart toch immer met het gebed bezig. Gelijk de smeden op het aanbeeld slaan om zich gedurende hun arbeid te verkwikken, zóó bad Martinus onophoudelijk, hoewel hij met iets anders bezig scheen te zijn. Gelukkige Martinus, vreemd aan alle boosheid, oordeelde of veroordeelde hij niemand, vergold hij uooit kwaad met kwaad. De belee-digingen verdroeg hij met zóóveel geduld, dat, hoewel hij Bisschop was, de minste geestelijken hem straffeloos konden beleedigen.

Nooit zag men hem verbitterd of ontstemd, nimmer in droefheid of uitgelatenheid; hij was altoos meester van zich zeiven; eene geheel hemelsche blijdschap was

ocr page 67

63

afgedrukt op zijn gelaat, en hij scheen boven de natuur verheven.

Hij had altijd den naam van Jesus Christus op de lippen; in zijn hart de godsvrucht, den vrede en de barmhartigheid. Hij weende dikwijls over de fouten zijner lasteraars, die hem zelfs in zijne diepe eenzaamheid vervolgden, te midden van de kalmte, welke hij daar genoot, ten einde hem daar met hunne lastertaal aan te vallen; wij zeiven zijn daarvan getuigen geweest. Jaloersch op zijne deugden en op zijn heilig leven, verfoeiden zij in hem alles, wat zij bij hun eigen persoon niet aantroffen en wat zij den moed niet hadden om na te volgen ^).

Zulk een leven zal misschien sommige onzer lezers verbazen, en de lofspraak van zijn levensbeschrijver zal hun misschien toeschijnen de vrucht te zijn van eene overdreven vriendschap. En inderdaad, kan men begrijpen, dat een mensch aan de uitwendige werken van ijver en moed, zooals wij hierboven verhaald hebben, zulk een innig leven met God, zulk een karakter altoos zich zelf gelijk, altoos zachtaardig en rustig, heeft kunnen paren? Maar wat de menschelijke geest niet vatten kan, dat kan het geloof verklaren en uitleggen. Het geloof leert ons, dat in een groot en edel hart, het kloosterlijk leven en de gestrengheid des kloosters op volmaakte wijze te vereenigen zijn met de hooge deugden van een heilig Bisschop en van een onverschrokken Apostel. Ja meer nog: het geloof leert ons, dat die heldhaftige deugden hun meest vasten grondslag vinden in het nederige kloosterleven, hetwelk door de zoogenaamde wijzen dezer wereld wordt veracht en gesmaald als nutteloos, als strijdig met de natuur, als onbekwaam voor groote daden. Voorwaar, die krachtige regeltucht was de rijke bron, (') Sulpicius Severus.

ocr page 68

64

waardoor dit groote karakter werd gestaald, waardoor alle die deugden werden gevoed. Aldus droeg deze nederige Bisschop, deze arme kloosterling van Marmoutiers, onder zijn grof gewaad van kemelshaar een even onverschrokken als teedere en liefdevolle ziel; en zoo hij in tegenwoordigheid van de vorsten dezer wereld zonder onbeschaamheid, maar ook zonder laagheid, vol nederigheid en grootheid, met zachtheid en met kracht tegelijk, zich wist te gedragen, dan kwam dit hier vandaan: omdat hij een woestijnbewoner was, incola deserti, zooals de H. Joannes Chrysostomns zegt. Zijne gestrengheid had zijn harte niet versteend; zijne nederigheid had zijnen moed niet verminderd, noch de rust van zijne kloostercel den gloed zijns harten uitgedoofd. Twee zaken hebben hem immer bereid gevonden om op te staan en den strijd aan te binden: het heil van zijne broeders en de eere van de H. Kerk. En ziedaar de deugden, welke hij in de rustige stilte van zijne kloostercel heeft gekweekt. Ziedaar de vruchten van dit boetvaardig en verstorven leven, de vruchten van dit leven van stilzwijgen en gebed. Eeuwige dank aan den levenden God; die geest sterft niet in de Kerk! Die geest leeft immer, immer voort!

Maar al sterft die geest der Heiligen nooit in de Kerk, toch heeft die geest in de wereld een verwoeden vijand, die evenmin sterft, een vijand, wiens bestaan telken dage uit zijne werken blijkt. En hier zijn wij gekomen op een terrein, hetwelk wij niet geheel en al stilzwijgend mogen voorbijgaan; want juist op dit terrein heeft de H. Martinus, evenals de meeste roemvolle Heiligen Gods, op krachtdadige wijze gearbeid en gestreden, gezwoegd en geworsteld. Wij bedoelen namelijk zijn strijd tegen den geest des kwaads, tegen den geest des duivels, kortom zijn strijd tegen Satan. In onze dagen durven

ocr page 69

65

verscheidenen het werkelijk bestaan van den Satan in twijfel trekken, ja vlakaf loochenen, zoodat het uitspreken van den naam van Satan een verachtenden glimlach bij dezulken uitlokt.

De H. Martinus heeft, meer dan iemand anders, den aanhoudenden strijd, de vreeselijke aanvallen te verduren gehad, waarin de helsche machten, ondanks hun wil, medewerken aan de volmaaktheid van de uitverkorenen Gods, door de bekoringen, welke zij hun aandoen, en door de overwinningen, welke zij hun bereiden. En voorwaar, zóó moest het zijn. Welke andere Heilige heeft ooit met gloeiender ijver en met méér welslagen gearbeid aan de verbreiding der waarheid, aan de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde? Maar welke andere Heilige heeft bijgevolg méér te verduren gehad van de geduchte aanvallen van den vader der leugen, wiens altaren hij telken dage omverwierp, wiens rampzalig rijksgebied hij verwoestte.

Sinds den dag, waarop — gelijk we hierboven verhaald hebben — de duivel tot Martinus, op den weg naar Milaan, gezegd had: „Overal, waar gij komen zult, bij al uwe ondernemingen, bij al uwe plannen, zal ik u tegenwerkenquot;; — sinds dien dag was de booze geest getrouw aan zijne belofte. Maar Martinus, die hem geantwoord had met de woorden van den profeet: „De Heer is mijn steun; van de menschen heb ik niets te vreezen!quot; — hij was niet minder getrouw aan zijne belofte. De nederige leerling van den H. Hilarius, door dezen met de macht van duivelbezweerder bekleed, maakte van deze macht een veelvuldig gebruik.

Trachten wij hiervan eenige trekken mede te deelen, immer het voetspoor volgend van Sulpicius Severus.

Een aanzienlijk man, Tetradius geheeten, had een slaaf, die door den duivel bezeten was. Men kwam aan Martinus

II Martinus 2 6.

ocr page 70

66

verzoeken, dat hij dezen slaaf de handen zou opleggen. De Heilige gelastte, dat men den bezetene bij hem zoude brengen, doch deze weigerde in zijne woede zijn cel te verlaten en niemand durfde hem daaruit te halen, want allen, die hem naderden, werden gebeten. Alsdan wierp Tetradius zich aan de voeten var. Martinus neder en bezwoer hem, dat de Heilige zelf naar het huis zou komen, waar de bezetene zich ophield, Doch Martinus antwoordde, dat hij het huis van een heiden niet mocht betreden. Nu beloofde Tetradius christen ie zullen worden, indien zijn dienstknecht verlost werd van den duivel. Martinus willigde zijn verzoek in; hij legde den slaafde beide handen op en verdreef onverwijld den onreinen geest. Bij dit gezicht geloofde Tetradius in Jesus-Christus, oogenblikkelijk werd hij katechumeen en korten tijd daarna ontving hij het H. Doopsel. Sedert was hij immer vervuld van grooten eerbied jegens Martinus, den bewerker zijner zaligheid.

Sulpicius Severus verzekert ons, dat Martinus dikwijls de Engelen Gods mocht aanschouwen in zijne tegenwoordigheid. Maar dikwijls ook zag hij den duivel zóó duidelijk, dat hij dezen, onder welke gedaante hij zich ook vermomde, altijd wist te herkennen. De duivel, die zijne tegenwoordigheid voor Martinus niet kon verbergen, overlaadde den Heilige hierom vaak met verguizingen hoon.

Op zekeren keer veroorloofde God aan Satan, dat deze zijn noodlottige macht zou uitoefenen op een der kloosterarbeiders. Met groot geschreeuw trad de duivel op het onverwachts Martinus' cel binnen, een bebloeden koehoorn in de hand houdende. Vol vreugde over de misdaad, welke hij gepleegd had, toonde Satan zijne hand, druipend van bloed, en zeide: „Martinus waar is nu uwe macht? Ik heb een van de uwen vermoordquot;. Onverwijld vergaderde Martinus de kloosterbroeders en verhaalde

ocr page 71

67

hun, wat de duivel hem had meegedeeld; hij gelastte hun vervolgens, zorgvuldig elke cel te onderzoeken, ten einde te weten te komen, wien dit onheil had getroffen. De kloosterbroeders gingen heen en keerden spoedig terug. „Niemand van de kloosterlingen ontbreektquot;, zeiden zij; „maar één van de gehuurde landbouwers is naar het bosch vertrokken om hout te halenquot;. Martinus beval nu aan eenige kloosterlingen, dezen man tegemoet te gaan. Zij vonden den man, niet verre van het klooster, bijna zonder eenig leven neerliggen op den grond. Met moeite verhaalde de ongelukkige, wat hem was wedervaren. „Terwijl ik het juk van mijne ossen, hetwelk losgegaan was, wederom wilde vastmaken, heeft één der dieren mij een stoot met zijn hoorn gegevenquot;. Korten tijd, nadat de man deze woorden gesproken had, gaf hij den geest.

Martinus had dit voorval aan zijne broeders voorzegd. Vele andere dergelijke voorvallen heeft hij hun tevoren mee.edeeld.

Doch zeer dikwijls ontmaskerde hij de kunstgrepen van den duivel en verhinderde hem in de uitvoering van zijne misdadige plannen. Wie zal de duizenden kunstgrepen kunnen optellen, waarmede Satan den heiligen man trachtte te verschalken? Evenals Antonius in de diepte der woestijn, zag ook Martinus zich belegerd door ijselijke spookgestalten, die de gedaanten aannamen van de goden, wier altaren hij verbrijzelde. Zij verschenen hem onder de gedaante van Jupiter en Mercurius, meermalen onder de gedaante van Venus en Minerva, en deden de lucht weergalmen van hun geschreeuw en van hunne beleedigingen. Doch Martinus, gestaald door het teeken des Kruises en door het gebed, kampte onverschrokken tegen alle die aanvallen en bleef overwinnaar.

Een aanzienlijk jongeling, Clarus geheeten, die alles verlaten had om Martinus te volgen, schitterde weldra

ocr page 72

68

uit door zijn geloof en door zijne hooge deugden. Hij woonde met een groot aantal broeders op korten afstand van het bisschoppelijk klooster.

Een ander jongeling, Anatolus geheeten, in schijn vervuld van eene diepe nederigheid en van groote reinheid van zeden, sloot zich bij hen aan en leefde eenigen tijd in hun gezelschap, volgens hun levensregel. Weldra verzekerde hij, dat hij dikwijls door Engelen werd bezocht. Daar zijne broeders weinig geloof sloegen aan zijne woorden, nam hij zijne toevlucht tot begoocheling en bedrog, en slaagde hiermede erin om verscheidene kloosterlingen te misleiden. Hij beweerde, dat de Engelen Gods tot hem kwamen, en wilde aangezien worden als een profeet. Doch Clarus liet zich niet bedriegen; hierom werd hij bedreigd met den toorn Gods. „Dezen nacht,quot; zeide Anatolus, „zal de Heer mij een wit gewaad geven; omkleed met dit gewaad, zal ik in uw midden verschijnen; en dit kleed, uit den Hemel afkomstig, zal een bewijs zijn, dat ik toegerust ben met de kracht Gods.quot; — Met ongeduld wachtten allen dit voorval af. Omstreeks middernacht dreunde de grond; geheel het klooster scheen geschokt te worden; de cel van Anatolus schitterde van oogverblindend licht; het gedruisch van vele voetstappen en stemmen werd vernomen. Op deze beweging volgde doodsche stilte. Nu riep Anatolus één zijner broeders en toonde het gewaad, waarmede hij was omkleed. Verbaasd riep de broeder ook de anderen; zelfs Clarus schoot toe. Het kleed wordt door allen zorgvuldig onderzocht: het was zeer fijn, van wonderbare blankheid en versierd met purper. Clarus vermaande zijne broeders om te bidden tot God, opdat Hij hun dit wonder verklare. Gedurende het overige van den nacht, zongen zij lofliederen en psalmen. Bij het krieken van den dag, leidde Clarus zijn'broeder Anatolus

ocr page 73

69

bij de hand naar Martinus, want hij was vastelijk overtuigd, dat de duivel den heiligen Man Gods niet zou kunnen bedriegen. Maar de ongelukkige weigerde en riep uit, dat het hem verboden was om vóór Martinus te verschijnen. Toen de broeders hem tegen zijn wil voortstuwden, verdween het kleed plotseling tusschen hunne handen. Sulpicius Severus voegt erbij: „Het valt niet te betwijfelen, dat de macht van Martinus hier den duivel belet heeft, om nog langer zijn kunstgreep te verbergen.quot;

Op zekeren dag verscheen de duivel in de cel van den Heilige, terwijl deze bezig was met het gebed. Oogverblindend licht omvloeide de gestalte van Satan. Hij was omhangen met een koninklijken mantel; op het hoofd droeg hij een gouden kroon, flonkerend van kostbare edelsteenen; gouden schoeisel omklemde zijne voeten; zijn gelaat, geheel zijn voorkomen teekende blijdschap en kalmte. Bij dit gezicht was Martinus aanvankelijk verbaasd. Na eenige oogenblikken van stilzwijgen, nam de duivel het woord. „Erken, o Martinus, wie zich hier aan u vertoont; ik ben de Christus.quot; — Martinus beantwoordde deze woorden met het diepste stilzwijgen. De duivel waagde het, zijn vermetele leugentaal te herhalen. „Martinus, waarom aarzelt gij te gelooven, terwijl gij mij aanschouwt? Ik ben de Christus.quot; — Op dat oogenblik werd de Heilige bestraald door het goddelijk licht en herkende des duivels kunstgreep. Martinus antwoordde: „Onze Heer Jesus heeft nimmer verklaard, dat Hij komen zal, in purper gekleed en omkranst met een diadeem; ik geloof slechts aan Zijne verschijning, wanneer ik Hem aanschouw, zooals Hij voor ons geleden heeft, met de merkteekenen van Zijn lijden.quot; — Bij deze woorden verdween de duivel als rook, in de cel een bedorven lucht achterlatend.

ocr page 74

70

„Opdat niemand het feit, hetwelk ik verhaald heb, in twijfel zou kunnen trekken, zal ik erbij voegen, dat ik het uit den eigen mond van Martinus heb vernomen,quot; zegt hier Sulpicius Severus.

We zouden hier nog verscheidene, dergelijke voorbeelden kunnen bijvoegen; maar we moeten ons beperken.

Zij, die het leven van den Pastoor van Ars gelezen hebben, zullen zich ongetwijfeld herinneren, dat deze uitverkoren dienaar Gods, evenals de H. Martinus, een geduchten en schier aanhoudenden strijd tegen den vorst der duisternis heeft moeten voeren. En zóó is het heden, na vijftien eeuwen, nog hier op aarde. Immer dezelfde worstelstrijd tusschen de gevallen engelen en tusschen de Heiligen, die het Rijk van den Christus trachten uit te breiden. Maar toen, evenals thans, beschikten de Heiligen over wapenen, die hen onverwinnelijk maakten ; het teeken des Kruises, het gebed, waakzaamheid, vasten, versterving, een groot vertrouwen op God, die nimmer toelaat, dat de vijand ons boven onze krachten zal beproeven. Evenals de goede Pastoor van Ars tot zijne gezellen zeide, die verontrust werden door het daverend stemgeluid, hetwelk des nachts weerklonk; had ook Martinus tot zijne broeders kunnen zeggen: „O, al dat rumoer jaagt mij geen vreeze aan. God is oneindig beter, dan de duivel boosaardig is: de Heer bewaakt mij. En wat God bewaakt, is goed bewaakt.quot;

Maar er zijn nog andere wonderwerken, welke Martinus, op het voorbeeld van den goddelijken Verlosser, meer bijzonder uit liefde gewrocht heeft,' waarvan wij enkele hier zullen meedeelen. Het hoofddoel van deze wonderwerken was meestal ongetwijfeld de bekeering des volks; maar ook hadden zij ten doel de verkwikking van armen, van zieken, van bezetenen enz. Sommige

ocr page 75

71

van deze wonderwerken dragen echter meer duidelijk het karakter van goedheid en liefde.

Martinus was zóó machtig voor de genezing van zieken, dat bijna allen, die tot hem kwamen, werden genezen. Te Trier bevond zich eene jongedochter, die in al hare ledematen met lamheid was geslagen. Overstelpt van smart, verwachtten hare ouders niets anders dan den dood van hunne dochter, toen zij de aankomst van Martinus in de stad vernamen. Bij dit bericht snelde de vader naar de kerk, waar de heilige Bisschop was binnengetreden, en ten aanschouwen van het volk en van verscheidene Bisschoppen de knieën van den H. Martinus omhelzend, smeekte hij de hulp van den Man Gods af.

„Mijne dochter is op het punt van te sterven aan eene vreeselijke ziekte,quot; sprak de vader. „En het ergste is, dat hare ledematen, hoewel nog levend, reeds dood schijnen te zijn en beroofd van alle beweging. Ik smeek li: kom haar zegenen; want ik koester het vaste vertrouwen, dat gij aan haar de gezondheid zult wedergeven.quot;

Verbaasd over deze woorden, zeide Martinus tot den grijsaard: „Gij bedriegt u, ik bezit die macht niet. Ik ben niet waardig, dat de Heer zich van mij bedient om een wonder te werken.quot;

Geheel in tranen wegsmeltend, hield de arme vader steeds dringender aan en smeekte Martinus zijne stervende dochter te komen bezoeken. Ten laatste gaf Martinus aan het verzoek der aanwezige Bisschoppen toe en ging naar de woning der jongedochter. Een groote menigte was bij de deur samengestroomd om te zien, wat er zou gebeuren. Martinus nam zijne toevlucht tot zijne gewone wapenen, hij wierp zich ter aarde en bad. Vervolgens beschouwde hij de zieke, vroeg om olie, welke hij zegende, en stortte daarvan eenige druppels in den

ocr page 76

72

mond der jongedochter. Aanstonds herkreeg zij de spraak. Allengskens keerde het leven en de beweging in de ledematen terug en weldra vertoonde het genezen meisje zich aan de oogen van de verbaasde volksmenigte.

Op zekeren dag trad Martinus de stad Parijs binnen ; eene groote schare, van heinde en verre samengestroomd om zijne wonderteekenen te aanschouwen, volgde zijne schreden. Als Martinus één van de poorten dier stad doortrok, zegende en kuste hij een armen melaatsche, wiens afschuwelijk gelaat aan allen afschrik inboezemde. Oogenblikkelijk was de melaatschheid verdwenen. Des anderen daags kwam de gelukkige man met een gezond en blozend gelaat naar de kerk, ten einde God te bedanken voor zijne volkomen genezing.

Zelfs de zoom van Martinus' kleed eren heeft veelvuldige genezingen gebracht. Ja, wat meer is: een brief van Martinus, toevallig aan zijne handen ontvallen en op de borst gelegd van een koortslijder, verdreef onverwijld de koorts.

Paulinus, Bisschop van Xola, word aangetast door een allersmartelijkste oogkwaal. Reeds was de oogappel met een zeer d:cht netvlies overdekt. Zijn vriend Martinus raakte het oog met een penseel aan, oogenblikkelijic hield de pijn op en het oog was genezen.

Een degelijk christen, Evandaius geheeten, viel in eene zware ziekte en zag zich weldra aan de poorten des doods. Hij liet den H. Martinus ontbieden, die oogen-blikkeliik kwam. De dienaar Gods had de helft van den weg nog niet afgelegd, toen de kranke zijne weldadige nadering reeds ondervond: hij had de gezondheid reeds herkregen, voordat Martinus in zijne onmiddellijke nabijheid was gekomen. Toen Martinus den volgenden dag wilde vertrekken, werd hij door Evandaius weerhouden; dienzelfden dag werd één der dienaren door eene slang

ocr page 77

73

doodelijk gebeten; het vergift werkte zóó veniinig, dat de zieke terstond reeds bijna levenloos neerlag. Evan-daius nam den ongelukkige op zijne schouderen en legde hem aan de voeten van Sint Martinus, in de vaste overtuiging dat voor den Man Gods niets onmogelijk was. Het venijn was reeds tot alle ledematen doorgedrongen, zoodat geheel het lichaam opzwol. Doch Martinus strekte zijne hand uit en legde zijn vinger op de plaats, waaide slang haar vergift had uitgestort. En ziet! van alle kanten komt het venijn, als door een krachtigen magneet aangetrokken, naar den vinger van Martinus en stroomt, met bloed vermengd, uit de nauwe opening. Volkomen genezen stond de dienaar van Evandaius op.

Een zekere landstreek werd telken jare door geduchten hagelslag geteisterd. De bewoners, ontroostbaar over de verwoestingen, door dien geesel aangericht, besloten de machtige hulp van Martinus in te roepen. Hierom zonden zij een gezantschap van aanzienlijke mannen tot den Heilige, die volgaarne medeging en zijn machtig gebed over de geteisterde akkers uitsprak. Van die stonde af hield de hagelslag geheel en al op om die streek te verwoesten. Gedurende de twintig jaren, welke Martinus nog leefde, had deze landstreek volstrekt niets te lijden van die vernielende plaag; doch het eigen jaar van Martinus' dood keerde de geesel terug om zijne verwoestingen aan te richten.

De grenzenlooze goedheid van Martinus strekte zich zelfs tot de dieren uit, en ook dezen kwam de macht van den Wonderwerker somwijlen ter hulp. Als de Bisschop eens zijn bisdom doortrok, ontmoette hij een troep jagers, wier honden een haas achtervolgden. Het arme dier, vermoeid van het loopen, geen anderen uitweg meer ziende, trachtte door het springen van den eenen kant naar den anderen het dreigend gevaar te

ocr page 78

74

ontkomen. Vol medelijden met den haas, beval Martin us den honden de vervolging te staken en hun prooi te laten ontsnappen. OogeRblikkelijk gehoorzaamden de muitzieke honden: zij stonden onbeweeglijk, als aan den grond vastgenageld, en de haas kon veilig en ongedeerd ontvlieden.

Een slang doorkruiste een watervloed en zwom naaiden oever, waarop Martinus zich met zijne gezellen bevond. „In den naam des Heeren, beveel ik u terug te gaanquot;, zoo klonk de machtvolle stem van Martinus. Het boosaardige dier keerde zich om en richtte zich opnieuw naar den tegenovergestelden oever. Als de gezellen van den machtigen Wonderwerker dit mirakel met verbazing gadesloegen, begon Martinus diep te zuchten en zeide: „De slangen luisteren naar mij, en de menschen luisteren nietquot;.

Met Paschen was Martinus gewoon om visch te eten. Korten tijd vóór het middagmaal, vroeg hij of er visch aamvezig was. De kloosterling, die met het beheer van het klooster was belast, antwoordde: „Neen, want de visschers hebben niets kunnen vangenquot;. Martinus zeide: „Ga, werp uwe netten uit en de vangst zal overvloedig zijnquot;. Aan dit bevel werd gehoorzaamd en de belofte van Martinus ging op heerlijke wijze in vervulling.

Aldus volgde hij, Martinus, hij, de echte leerling van den Christus, begiftigd met alle genadegaven, de wonderwerken na, welke de Zaligmaker ten voorbeeld Zijner Heiligen gewerkt heeft. Deze eenvoudige en vrome verhalen, opgevangen uit den mond van een ooggetuige, zijn gebalsemd met een aangenamen, bekoorlijken geur, die het waarlijk vrome hart van eiken Christen weldadig moet aandoen.

ocr page 79

75

X.

Laatste levensjaren van den H. Martinus.

Alvorens het glorievol uiteinde van zulk een glorievol leven, als het leven van den H. Martinus was, te gaan verhalen, ■willen we de vraag stellen, en ook trachten te beantwoorden, hoe het mogelijk geweest is, dat hij, wien de christelijke overlevering den eeretitel geschonken heeft van den grooten Wondenc erker van Gall ie, zulk een heldhaftige loopbaan heeft afgelegd. En op deze vraag antwoorden wij: dit was mogelijk, omdat de ziel van Martinus aanhoudend gehard en gestaald werd door de gelukkige en vruchtbare samenmenging van kracht en van zachtheid, waarin de macht van de Heiligen is gelegen.

Voorwaar, zoo zeggen wij het een uitstekend gewijd redenaar na, wanneer een buitengewoon man op aarde verschenen is. wanneer een buitengewoon schouwspel van hooge deugden en van groote daden aan de wereld is geleerd, dan zijn wij geneigd op te klimmen naar de bron, te zoeken naar het beginsel van die daden, naar den wortel van die deugden. En wat vinden wij dan altijd als zoodanig? De zachtheid met de kracht, de kracht met de liefde. De kracht en de liefde, de teederheid des harten en de kracht van het karakter, ziedaar de echte en volmaakte deugd van den christen en van den priester. Aroor een Bisschop, voor een priester zoowel als voor den eenvoudigsten christen, is het eene zonder het andere niet voldoende, be kracht zonder de zachtheid van ziel, is eene somtijds vreeselijke wreedheid; de zachtheid zonder de kracht van karakter is altijd eene jammerlijke zwakheid. De zachtheid en de kracht vervolmaken elkander, en beiden te zamen vormen de grootheid en vruchtbaarheid van alle machtig leven hier op

ocr page 80

76

aarde. Welnu, deze twee groote zedelijke machten, deze twee groote gaven van de natuur en van de genade, bezielden den H. Martin us geheel en al. Dat was de grondslag van zijne natuur, de levende uitdrukking van zijn Apostolaat, de bezieling van alle zijne daden. Zachtheid, maar mannelijke en krachtige zachtheid; — kracht, maar die gestaald was door de zachtheid en omkleed door de bekoorlijkheden van de nederigheid en de liefde des Evangelies; — ziedaar, wat men ontmoet bij den aanvang en in heel den loop van dit leven, één der bewonderenswaardigste levens voorwaar, welke de geschiedenis der Heiligen ons aanbiedt en die het hart en de verbeelding der christen volkeren het meeste hebben getroffen en aangegrepen ').

Zoo bereikte Martinus een hoogen ouderdom, en veilig mogen wij aannemen, dat, naarmate hij den dag dei-eeuwige vergelding al dichter en dichter naderde, bij den heiligen Bisschop de zachtheid de overhand kreeg boven de kracht.

Aldus zijn ook de laatste stralen der ondergaande zon minder gloeiend en veel zachter, dan wanneer diezelfde zonne in vollen middagluister praalt en hare stralen als vurige pijlen uitzendt over de aarde.

In de laatste dagen zijns levens vooral hield de goedhartige grijsaard zich bij voorkeur bezig met heilige gedachten, waaraan zijne ziel immer zoo rijk was. Op zekeren dag aanschouwde hij een schaap, hetwelk men geschoren had ; en Martinus zeide: „Dit schaap heeft het voorbeeld des Zaligmakers vervuld. Het bezat twee gewaden : één daarvan heeft het weggeschonken aan iemand, die er geen had. quot;Welaan, mijne kinderen, doen wij insgelijksquot;.

1) Mgr. Dnpanloup.

ocr page 81

77

Een andere maal ontmoette Martinus een armen herder, in lompen gehuld, die de zwijnen hoedde; en de Bisschop zeide : „Ziedaar Adam, uit het aardsche paradijs verjaagd. Wat ons betreft, laten wij den ouden Adam uittrekken en den nieuwen Adam aandoenquot;.

Op zijne laatste reize naar Candes — waarover wij aanstonds zullen spreken — zag hij op de rivier de Loire eenige vogels, die kleine visschen trachtten te vac gen, om ze daarna te verslinden. En hij zeide tot zijne leerlingen: „Hier aanschouwt gij een beeld van de duivelen, die voortdurend bezig zijn de onvoorzichtige menschen te verschalken, te vangen en ze, zonder ooit verzadigd te worden, te verslindenquot;. En aanstonds gebood hij, dat de vogelen zich zouden verwijderen, aan welk bevel onverwijld werd gehoorzaamd.

Eens doorkruiste de eerbiedwaardige grijsaard met eenige leerlingen een weiland, waarvan één gedeelte door ossen afgegraasd, een ander gedeelte door zwijnen omgewoeld was: het overige lag nog ongedeerd en groen, door duizenden bloemen geschakeerd.

Dit weiland beschouwend, zeide Martinus tot zijne volgelingen: „Dat gedeelte, hetwelk de ossen hebben afgegraasd, stelt ons het huwelijk voor: nog draagt het groen hier eenige frischheid, maar is niet meer getooid met bloemen. Het gedeelte, door de onreine varkens omgewoeld, verbeeldt de walgelijke losbandigheid. Maar het ongedeerde gedeelte van het weiland toont ons de glorie der maagdelijkheid; daar tiert het gras welig, en de bloemen schitteren daar in hun rijksten tooi als kostbare edelgesteentenquot;.

Zóó sprak alles den goeden grijsaard van God, zóó vervulde alles hem met heilige gedachten. Deze eenvoudige, maar treffende trekken uit het innerlijk leven van den grooten, tachtigjarigen grijsaard doen ons eenigermate

ocr page 82

78

met hem medeleven. quot;Wij gevoelen ons dichter bij zijne heiligheid, en in die nabijheid genieten wij den goeden geur van Jesus Christus, die in hem was.

Gekomen tot den leeftijd, waarop de lichaamskrachten des menschen, hoe krachtig ook nog de ziel is, verzwakken en de beste verlangens niet kunnen uitvoeren, kon Martinus, op zijn leven terugblikkend, van zich zeiven getuigen, dat hij de glorierijkste en heiligste zending op waardige wijze had vervuld. God had hem, evenals zijn leermeester, den H. Hilarius, uitverkoren om Gallië te redden van het besmettelijke Arianisme. We hebben gezien, hoe trouw hij dezen eersten plicht vervuld heeft. Te zamen met den roemrijken Hilarius van Poitiers, heeft Martinus de glorieuse jaarboeken in de Kerk van Gallië geopend mei de edelste verpersoonlijking van waardigheid, van christelijke kracht en liefde. Als onvermoeid arbeider van de kloosterinrichtingen, als groot Bisschop, als groot Apostel en verwoester van de afgodische gedenkteekenen in Gallië, is itartinus een bewonderenswaardig werktuig geweest in de hand Gods, ter bekeering van dat lana. Met de eene hand zagen we hem de tempels en zoogenaamde heilige boomen der heidenen omverhalen, met de andere hand kerken ter eere van den waren God opbouwen en kloosters stichten. De eerste kloosterlingen van het Westen, onderricht door de raadgevingen en voorbeelden van den H. Patriarch, begrepen hunne roeping op waardige wijze.

Door overtuiging, door zachtaardigheid, door liefdadigheid, door de beoefening van allerhande deugden poogden zij de naburige bevolking tot het Christendom te trekken en die pogingen bleven niet onvruchtbaar. Aldus leverden de kloosterlingen van den H. Martinus in eenige provinciën het voorspel van die weldaden, waarvan de bron weldra zou ontspringen op alle punten van den

ocr page 83

79

alouden Gallischen grond, om dien bodem tien eeuwen lang met hare levende wateren te besproeien.

De vierde eeuw, getuige van de wouderdaden van den grooten Wonderwerker, naderde haar einde. Op dat tijdstip was de macht van het heidendom gebroken in alle provinciën van Gallië, waar de onvermoeide Missionaris zijne schreden gericht had. Tallooze tempels der afgoden verwoest, op hunne puinhoopen verscheidene kerken en kloosters gesticht, bijna geheel de bevolking aan de wet van Jesus Christus onderworpen: ziedaar het schouwspel, hetwelk in verschillende provinciën van Gallië zich vertoonde. Ongetwijfeld was nog niet geheel Gallië tot het Christendom bekeerd; maar een gevoelige slag was aan het heidendom toegebracht, de weg voor het Christendom was gebaand, de groote stoot was gegeven. In de volgende eeuw zullen nieuwe Apostelen op het voetspoor van den H. Martinus het land in alle richtingen doorkruisen, om allerwegen het zaad uit te strooien van het woord Gods. Op het einde dier eeuw zal de groote koning Clovis met zijne Franken verschijnen en hij zal de eerste christen koning zijn van de roemrijke natie, die eeuwen achtereen den glorieusen titel van oudste dochter der Kerk met roem en eere dragen zal.

Maar keeren we terug tot den tachtigjarigen grijsaard Martinus, en hooren we, wat één zijner welsprekendste lofredenaars over hem zegt. — Bij die menschen, die, evenals de H. Paulus, telken dage sterven en leven door de christelijke deugd, „qii.otidie moriorbij die vernietigde menschen, die, door de vernietiging van alles, wat onrein, ellendig en aardsch in hen is, den ouden mensch hebben uitgedelgd en de booze natuur hebben ten onder gebracht, vertoont zich, wanneer zij hunne laatste onthechting naderen, eene buitengewone, verrukkelijke verandering; op hun gelaat straalt een buitengewone zachte

ocr page 84

80

straal van licht. Wanneer de vaas van het lichaam wordt verbrijzeld, wanneer de ziel door het grove omhulsel henendringt, dan zweeft daaruit een geur, dan ontspringt daaruit een lichtstraal, een vuurvlam, als een weerschijn van de genade en van het eeuwig leven, hetwelk in hen leeft en op hun voorhoofd de schaduw des doods verlicht.

Men zou zeggen: het is de zou, die in al hare glorie ondergaat en te voorschijn komend uit de wolken, alvorens de aarde te verlaten, hare laatste, zachte en reine stralen over die aarde afzendt. — In de verzwakte stem van die menschen klinkt als 't ware het laatste vaarwel van het wegvliedend, menschelijk leven, en de eerste klanken van het naderend, hemelsch leven.

Hetgeen zij dan zeggen tot hunne leerlingen, bezit eene weergalooze diepte en liefelijkheid. Die teedere en krachtige harten schijnen alsdan nog lieftalliger, nog teederder. De klank van hunne ziel is zóó rein, als nimmer tijdens hun leven het geval was.

Maar niemand wellicht méér dan de H. Martinus heeft, alvorens te sterven, die reine en zachte straling, die reeds hemelsche klanken gehad. quot;Welk een heerlijk schouwspel, dien grijsaard, gebogen onder den last dei-jaren en der deugden, gekroond met zoovele verdiensten en omgeven met zoo hoogen eerbied, daar te zien te midden van zijne kloosterlingen, te midden van zijn volk! Naarmate zijn leeftijd vorderde, schenen zijne gestrengheden toe te nemen: hij bleef aanhoudend werken en bidden, bleef onafgebroken vasten en zich versterven ; zijn legerstede was immer nog een haren kleed, op den grond uitgespreid; zijne Apostolische reizen zette hij immer nog voort. Xog op het einde zijns levens deed de onvermoeide Bisschop ten derde male een pelgrimstocht naar Rome, een tocht te dien tijde zóó langdurig

ocr page 85

81

■en moeitevol, maar te allen tijde zoo dierbaar aan de Katholieke Bisschoppen. En voorwaar, wanneer wij deuken aan die groote reizen, weleer door die mannen zóó heldhaftig ondernomen; wanneer wij bijv. een H. Martinus Italië en Gallië zoo dikwijls van het ééne einde naar het andere zien doorkruisen, dan moeten wij, niettegenstaande de machtige uitvindingen van den nieuweren tijd, die voor ons den afstand verkorten en onze voeten toerusten met vurige vleugelen, wèl verbaasd staan.

Alle deugden van den H. Martinus schenen bij de nadering van zijn laatsten levensdag nog meer gelouterd en zachter te worden, en eene schier goddelijke kalmte aan te nemen. De goede grijsaard sprak over de meest beminnelijke zaken; de goedheid, die in het binnenste zijner ziel zetelde, scheen naar de oppervlakte te zweven en zich te verspreiden over alles, wat hij zeideofdeed; zijn geduld vooral was bewonderenswaardig. ^

De geschiedenis heeft de herinnering bewaard aan een geestelijke, met name Brictius, die somwijlen met lichtzinnigheid over den ouden Martinus sprak. Tot iemand, die den H. Martinus wilde zien, durfde hij eens zeggen: „O, als het die oude suffer is, dien gij zoekt, kijk dan maar naar ginds: hij is bezig, als naar gewoonte, den hemel te beschouwenquot;. Toen de H. Martinus den vreemdeling gehoor verleend had, naderde hij den geestelijke en vroeg hem: „Zoo, Brictius, vindt gij dan werkelijk, dat ik een suffer ben?quot; Doch deze antwoordde: „Zoo iets heb ik niet gezegdquot;. De goede grijsaard echter hernam: „Brictius, mijn oor was in uwe nabijheid, toen gij deze woorden gesproken hebtquot;. Maar als eenige wraakneming voorspelde Martinus hem het bisschoppelijk ambt met allerlei kruisen en lijden. Diezelfde geestelijke werd inderdaad, na den H. Martinus, bisschop van Tours en

') Vgl. Mgr. Dtipanloup.

II Martinus 2

ocr page 86

82

was aan groote beproevingen onderworpen; maar hij heiligde zich door zijn lijden, zoodat de Kerk hem tegenwoordig als een heilige vereert en huldigt.

Na een lange loopbaan, gewijd aan het meest glorievolle Apostolaat, wachtte de heilige grijsaard Martinus in vrede het oogenblik af, waarop het den goeden God zou behagen, om hem op te roepen uit dit aardsche tranendal en hem te beloonen voor zijn arbeid. Hij was reeds meer dan tachtig jaren oud, toen Martinus, zijn levenseinde voelende naderen, tot zijne hem omringende leerlingen zeide: ,.Het is met mij gedaan,-het uur is gekomen; de ontbinding mijns lichaams is nabijquot;. Men kan begrijpen, welk een groote smart dit woord van een teerbeminden vader in het hart van al zijne kinderen veroorzaakte. Maar ziet! daar verneemt Martinus, dat er in de kerk van Candes een geschil gerezen is tusschen de geestelijkheid. En aanstonds, zonder zijne lichaamskrachten te raadplegen, maakt de grijsaard zich op om daarheen te trekken, ten einde den geschokten vrede te herstellen. Tevergeefs tracht men hem van zijn plan af te brengen. Vaarwel zegt hij aan de geestelijkheid van Tours, vaarwel aan zijn klooster Marmoutiers, hetwelk hij niet meer zal wederzien, en bestijgt het schip.

De heilige Bisschop stelde zich voor, hoe hij op waardige wijze al zijn arbeid zou bekronen, indien hij, alvorens te sterven, den vrede in de kerk van Candes mocht herstellen. Dezen troost mocht hij inderdaad, weinige dagen vóór zijn laatsten levensdag, smaken. Sterven in de uitoefening der liefde, ziedaar het waardig lot van een Bisschop. Dit was het lot van den H. Martinus.

ocr page 87

83

XL

Afsterven en begrafenis van den H. Martinus.

Als Martinus den vrede in de kerk van Candes hersteld bad, wilde hij terugkeeren naar zijn dierbare stad Tours. Doch eenklaps voelde bij zijne krachten weifelen. Hij vergaderde alsdan zijne leerlingen rondom zich en sprak tot hen: „Het is gedaan, mijne kinderen; de dag mijner bevrijding is gekomenquot;. Bij deze woorden bemeesterde diepe smart aller harten; allen breken uit in gesnik en roepen luide: „O, teedere Vader, waarom gaat gij benen, waarom laat gij ons in droefheid achter? Als gij zijt heengegaan, zullen wreedaardige wolven uwe kudde overvallen en wie zal ons dan kunnen verdedigen? quot;Wij weten het wel, vurig verlangt gij naar Jesus Christus te gaan, maar gij zijt er zeker van daar eenmaal te zullen komen. Zal uwe belooning, al wordt zij eenigen tijd uitgesteld, daarom minder groot zijn? O Vader, heb medelijden met uwe kinderen, die allen worden achtergelaten.quot;

De goede grijsaard, tot schreiens toe bewogen en gloeiend van teedere liefde, welke hij putte uit het Hart van zijn Goddelijken Meester, kon zijne tranen onmogelijk bedwingen. Hij weende met zijne weenende leerlingen. Vervolgens oogen en handen ten hemel heffend, sprak hij deze bewonderenswaardige, beroemd geblevene woorden: „Heer. indien ik nog noodig ben voor uw volk, ik weiger den arbeid niet; Uw wil geschiede!quot;

Ik weiger den arbeid niet: „Non recuso laborem!quot; Dit treffend woord van onderwerping aan Gods H. quot;Wil, vóór vijftien eeuAven geleden door een stervend Bisschop gesproken en op de vleugelen der historie tot ons gekomen, moge het edele wachtwoord zijn van eiken Christen, in welken staat of stand ook geplaatst door de goddelijke

ocr page 88

84

Voorzienigheid! „Ik weiger den arbeid niet!quot; Werken, arbeiden: ziedaar het bepaalde levenslot van eiken mensch. Maar ach, hoe velen willen zicli onttrekken aan dat lot, hoevelen willen, in plaats van te arbeiden, in noodlottige rust, hunne levensdagen slijten en staan daarom morrend tegen het plan der goddelijke Voorzienigheid op. Vandaar die rampzalige verdeeldheden, vandaar die betreurenswaardige tweespalt, vandaar die droevige ongeregeldheden en wanorde, waaruit de jammerlijkste gevolgen voortkomen en reeds voortgekomen zijn. Wilt gij een geneesmiddel, verlangt gij een bolwerk daartegen? Welnu, dat het woord van den stervenden Bisschop van Tours, het treffende en edele woord van den H. Martinus, de lijfspreuk, de wapenkreet zij van eiken mensch: „ik weiger den arbeid niet; Uw wil, o Hoer, geschiede!quot;

Zwevend tusschen het verlangen naar den Hemel en tusschen de liefde voor zijne broeders, wist Martinus niet, waaraan de voorkeur te geven; zoo gaarne verbleef hij bij zijne dierbare leerlingen, en toch hij verlangde ook zoo vurig, ontbonden te worden en met Christus te zijn. Niettemin offerde Martinus zijn eigen wil en zijne vurigste hartewenschen op en gaf zich geheel aan de beschikkingen Gods over. De grijze Bisschop scheen te zeggen: „Heer, ik heb een harden strijd gestreden hier op aarde; is het nu den tijd niet, om zoete rust te gaan genieten? Niettemin, zoo Gij mij beveelt nog te strijden voor het kamp van Israël, ter verdediging van Uw volk, ik weiger het niet; neen, mijn hooge leeftijd zal mij niet weerhouden, volijverig wil ik mijn plicht vervullen; ik zal strijden onder Uwe vanen, zoolang Gij mij dit beveelt. De oude krijgsman, die vergrijsd is onder de wapenen, haakt wel vol ongeduld naar de rust. die de belooning voor zijn langdurigen arbeid zijn zal. Maar toch, mijn moed zal mij doen zegevieren over den last

ocr page 89

85

der jaren. Welk een geluk voor mij, o Heer, zoo Gij U gewaardigt medelijden te hebben met mijn ouderdom! Maar Uw heilige wil geschiede! Doch zoo ik tot U mag komen, zorg Gij dan voor deze dierbare kinderen, voor wie ik zoovele gevaren heb gebraveerd!quot; — O, bewonderenswaardige Martinus, noch de arbeid, noch de dood zelfs hebben u kunnen overwinnen ! Gij vreest noch den dood, noch het leven!

Hoewel een brandende koorts, die verscheidene dagen aanhield, Martinus' lichaam doorwoelde, onderbrak de Heilige zijne gebeden niet. Immer lag hij op zijne harde legerstede. Toen zijne leerlingen hem verzochten een weinig hooi ter verzachting onder zijne afgematte ledematen te mogen leggen, antwoordde Martinus; „Neen, mijne kinderen; een christen behoort op asch te sterven. Wee mij, zoo ik een ander voorbeeld gaf!quot;

Zijne oogen en handen waren voortdurend hemelwaarts gericht. „Vader,quot; zeiden zijne geestelijke kinderen, „laten wij uw lichaam eens omleggen, ten einde u een weinig te verlichten in uwe smarten.quot; Maar vol goedheid zeide Martinus: „Neen, laat mij liever den Hemel dan de aarde beschouwen, opdat mijne ziel des te gemakkelijker hare vlucht naar den Heer neme.quot;

De duivel, die hem tijdens zijn leven zoo vaak besprongen had, wilde in deze laatste stonde nogmaals trachten Martinus te verontrusten en vertoonde zich aan zijne zijde. „Wat komt gij hier doen, wreedaardig beest?quot; sprak de Heilige tot Satan. „Bij mij zult gij niets vinden, dat u toebehoort. Ik vaar op naar Abraham's schoot.quot;

Ka deze woorden gaf de oude kampstrijder vol vertrouwen zijne ziel, met de rijkste deugden getooid, aan den Schepper weder, op den 9quot; of 11quot; November van het jaar 397. Zij, die getuigen waren van zijn heilig afsterven, hebben verklaard, dat op die stonde het gelaat

ocr page 90

86

van Sint Martinus op het gelaat van een Engel geleek en dat zijne ledematen wit werden als sneeuw. Inderdaad het was duidelijk, dat dit heilig lichaam reeds werd omgloord met den luisterglans der toekomstige verrijzenis.

Onmogelijk kunnen wij ons voorstellen, welk eene ontzaggelijke menigte de laatste plichten aan den overleden Bisschop kwam bewijzen. Schier geheel de stad Tours stroomde heen naar het heilig lichaam. Alle bewoners van den omtrek, en zelfs vele inwoners uit andere steden snelden toe. O, welk een droefheid vervulde aller harten! Welke luide kreten van smart werden geslaakt, vooral door de kloosterlingen! Men zegt, dat er ongeveer ttcee-duizend kloosterlingen tegenwoordig waren: dit was de glorie van Martinus, de levende en ontelbare vruchten van zijne heilige voorbeelden. Zóó leidde de herder zijne schapen voor zich uit: een ontelbaar volk, bleek van droefheid, tallooze kloosterlingen, in mantels gehuld; grijsaards, uitgeput door langdurigen arbeid, jeugdige novicen van de eenzaamheid en van het heiligdom. Vervolgens verscheen het koor der Maagden, wier ingetogenheid hen belette te weenen, maar die onder eene geheel christelijke kalmte diepe droefheid des harten verborgen. Zoo het vertrouwen, hetwelk zij in de heiligheid van Martinus stelden, hun niet veroorloofde om treurig te schijnen, de teedere liefde, welke zij hun geestelijken Vader toedroegen, ontlokte hun toch eenige zuchten. Zóó veroorzaakte de glorie, die Martinus reeds genoot, vreugde en blijdschap; maar zóó veroorzaakte de dood, die hem aan zijne kinderen had ontrukt, ook smart en droefenis.

Onder het zingen van vrome lofzangen, vergezelde de groote menigte het lichaam van den H. Martinus naar het graf. Men stelle zich de praal dezer aarde voor; wij bedoelen niet eene lijkplechtigheid, maar den pralen-

ocr page 91

87

den luister van een triomftocht. Waar zult gij iets vinden, dat te vergelijken is met de lijkstaatsie van Martinus? Laten zegevierende helden op hunne zegekarren vooruittrekken, voorafgegaan door gekluisterde lieden en gevolgd door hunne gevangenen: het lijk van Martinus wordt gevolgd door al degenen, die onder zijne aanvoering de wereld hebben overwonnen.

Het bezit van het stoffelijk overschot van den Heilige lokte strijd uit tusschen de bewoners van Poitou en van Touraine. Maar God begunstigde den rechtmatigen naijver van de bewoners van Touraine en zij bleven overwinnaars; het lijk werd overgevoerd naar Tours met den grootsten luister. Het schip, dat het lijk van Sint Martinus overvoerde, — zoo verhaalt ons de overlevering — doorkliefde de wateren der Loire, zonder zeilen en zonder roeiriemen; op den doortocht werden de boomen met bloesems getooid, herkregen de zieken hunne gezondheid en hemelsche muziek begeleidde onophoudelijk het lichaam van den H. Bisschop, tot de aankomst in de stad Tours toe.

Het lijk werd op het kerkhof, op een kwartier uurs afstand van de stad begraven. Slechts korten tijd daarna, verrees op dat graf, eene kapel, door de zorgen van Brictius, den opvolger van den H. Martinus op den bisschopszetel van Tours. Naderhand verving een ander, veel ruimer tempelgebouw deze kapel; in dien tempel brandde dag en nacht een lamp ter eere van den Heilige Gods. De bewaking van zijne heilige relikwieën werd toevertrouwd aan eerwaardige kloosterlingen, aanvankelijk gekozen uit het klooster van Marmoutiers. Hier ontstond weldra een rijkbevolkte en bloeiende abdij, die door de christen vorsten met milde gunsten en gaven werd begiftigd en welker bewoners den eeretitel ontvingen van kanunniken van Sint Martinus. Maar helaas!

ocr page 92

88

door den geduchten storm, die op het einde der vorige eeuw over Frankrijk woedde, werd het kapittel dei-kanunniken verstrooid, de kerk verwoest, het graf van Sint Martinus vernield. Doch in het jaar 1860 werd datzelfde graf op wonderdadige wijze door den vinger Gods aangewezen en aan de godsvrucht der geloovigen weergegeven.

XII.

Vereering van den H. Martinus.

Het is reeds meermalen gezegd en herhaald: met de-Heiligen Gods gaat het niet als met de helden, met de overwinnaars en groote mannen dezer wereld. Al het gedrnisch, hetwelk de helden dezer wereld tijdens hun leven op aarde verwekken, verstomt gewoonlijk, wanneer zij den voet plaatsen in het graf, en dit graf blijft zeer dikwijls onbekend en verlaten. Doch op het graf dei-Heiligen begint voor hen de schoonste glorie, de schitterendste luister. De H. Martinus levert ons hiervoor, méér dan iemand anders, een duidelijk bewijs. Op zijn graf kan worden toegepast het schriftuurlijk woord: „Erit sepulchrnm eius yloriosumquot;: „Zijn graf zal heerlijk en glorievol zijnquot;.

Nauwelijks was de groote Wonderwerker Martinus ter eeuwige ruste ingegaan, of de mare van nieuwe wonderwerken noodde alle volken van Gallië naar zijne grafstede. Spoedig was de kerk, die zijn eerbiedwaardig gebeente overwelfde, één van de beroemdste heiligdommen der christenen, waarheen tallooze pelgrims hunne schreden richtten, zoodat reeds in het jaar 511 het eerste Concilie van Orleans getuigde: „De pelgrimstocht naar Gallië,. d. i. naar den H. Martinus, behoeft niet onder te doen voor de pelgrimstochten naar Rome en Jerusalem.quot; De

') Isaïas. XI. 10.

ocr page 93

89

eerste Franken vereerden die heilige plek op bijzondere Avijze en leverden die vereering aan hunne nazaten over. Toen koning Clovis de quot;West-Gothen en het Arianisme wilde gaan bestrijden, gaf hij aan zijn leger van barbaren het bevel om de kerk en den grond van den H. Martinus te eerbiedigen, onder wiens bijstand hij den tocht had aanvaard. „Hoe zouden wij op de zegepraal kunnen hopen, indien wij Sint Martinus beleedigden?quot; zoo sprak hij. En toen hij Alaric mocht overwinnen, schonk hij het strijdros, waarop hij den veldslag had bijgewoond, aan die kerk.

De H. Clotilda, weduwe van dezen grooten vorst, bracht hare laatste levensdagen door in de nabijheid van het graf van Sint Martinus, wiens liefdadigheid zij zoo getrouw mogelijk trachtte na te volgen. Vele andere Frankische koningen vereerden als om strijd den glorievollen Apostel van Gallië, en onder hen noemen wij koning Dagobert, Clotarius I, Pepijn den Korten en Karei den Grooten. Karei de Groote liet twee kerken bouwen ter eere van den H. Martinus: één in Pannonië, op den grond waar hij was geboren; de andere te Pavia, waar hij ten zetel was verheven. Hij verlangde zelfs, dat zijne echtgenoote Luitgardis zou begraven worden in de schaduw van Martinus' heilige grafstede.

Tijdens de invallen der Noormannen werd de H. Martinus aangeroepen ais de machtvolle beschermer van Frankrijk. Het gezicht alleen van Martinus' heilige relikwieën joeg op zekeren dag deze ruwe barbaren op de vlucht en de overwinnaar bracht plechtigen dank aan den H. Martinus, wiens machtvolle bescherming hem dezen triomf verzekerd had.

Het koorkleed van Bisschop Martinus werd op het slagveld meegedragen en behaalde zegepraal op zegepraal. En o! wat al grootsche herinneringen zijn er verbonden

ocr page 94

90

aan het graf van St. Martinus! Daar kwamen de koningen van Frankrijk de heiligste eeden zweien, daar de bescherming des Hemels over hunne wapenen afsmeeken. Daar ontvingen de kruisridders het kruis. Daar, bij dit glorievolle graf, knielden zelfs Pausen en Bisschoppen, uit verre landen gekomen, neder. Daar wilden keizerinnen en koninginnen, graven en aanzienlijke personen begraven worden, in de schaduw van Martinus' verheerlijkt graf. Daar stichtte Alcuinus, nabij de kerk van Sint Martinus, eene bloeiende school, die de bakermat was van alle hoogescholen van Frankrijk.

Waar zullen wij in de jaarboeken der Kerk het leven van een Heilige aantreffen, wiens nagedachtenis getrouwer in de herinnering der volken voortleeft, en wiens invloed en wijze lessen dieper geworteld zijn in het bestaan, in de zeden en gebruiken des volks? Daar is wellicht geen Heilige, die meer aanspraak maken kan op den naam van Volksheilige, dan juist de H. Martinus : niet alleen in Frankrijk, ook in Spanje, in Italië, in Zwitserland, in Engeland, op de oevers van den Rijn, in heel het Katholieke Duitschland, in Polen en in ons vaderland leeft de roemvolle naam van den H. Martinus van geslacht tot geslacht, van eeuw tot eeuw, als onsterfelijk voort en verheugt zich in eene bezielde vereering.

Hoevele schitterende voorbeelden kunnen wij hiervan aanvoeren! — Vóór den veldslag van Hastings, deed Willem de Veroveraar aan den H. Martinus eene gelofte ; en na de zegepraal vervulde hij die gelofte, door op die plaats zelve een klooster te bouwen. Reeds in fa zesde eeuw werden in Engeland verschillende kerken gesticht ter eere van den H. Martinus, en in één van die kerkgebouwen hield de beroemde afgezant van den H. Gregorius den Grooten, de kloosterling Augustinus, zijne eerste predikatie.

ocr page 95

91

In Hongarije prijkten allerwegen in de steden, in de dorpen en vlekken, de beeltenissen vau den H. Martians; in de kathedraal van den H. Martinus werden de koningen van Hongarije gekroond.

In Polen werd de H. Martinus ook aangeroepen bij het dreigen van groote gevaren. In den naam van Sint Martinus vuurde Jan Sobieski zijne legertroepen aan en beloofde de overwinning op den dag, waarop de groote veldslag tegen de Turken werd geleverd, den lln November, feestdag van Sint Martinus.

Martinus was ook één der schutspatronen van het aloude Zwitserland. Op hunne beurt hebben de stoere bergbewoners van die landstreek de schutse van den macht-vollen Heilige aangeroepen en de machtige arm van den H. Martinus is niet vreemd gebleven aan hunne glorieuse zegepralen.

Aldus hebben allerwegen ter wereld eenige glorie-stralen van den H. Martinus geschitterd. Koningen en vorsten hebben neergeknield op zijne grafstede; maar ook het volk, niet groot in de oogen der wereld, maar dikwijls groot in de oogen van God, groot door het geloof, dooide liefde, door nederigheid, door armoede en lijden; — het volk, dat hier op aarde weent en schreit, te kampen heeft met smarten, zoozeer behoefte heeft aan troost en bijstand; — het volk vooral moet zijne toevlucht nemen tot den liefdevollen, goedhartigen H. Martinus. Want hij, die reeds tijdens zijn aardsch leven zóó bovenmate machtig was in het wrochten van wonderdaden zonder tal, waarvan wij in deze levensschets vele verhaald, maar als 't ware slechts één uit de duizend genoemd hebben, zou hij nu in den Hemel minder machtig of minder geneigd zijn tot het verleenen van hulp en bijstand? Neen, dit kan onmogelijk. De H. Martinus is en blijft dezelfde machtvolle Dienaar des Heeren; hij is en blijft

ocr page 96

92

dezelfde liefdevolle, goedhartige Vader voor zijne kinderen. Op ons rust de plicht, vertrouwen te stellen in zijne vaderlijke bescherming; dat vertrouwen te toonen dooide nederige smeekbede om Zijne veelvermogende hulp; de tverhooring van dat volhardend gebed te verzekeren en te bespoedigen door een heiligen levenswandel, eeni-germate de afschaduwing van Martinus' deugdenrijk leven.

O heilige Martinus, Gij, die den Christus, Uwen Koning, uit heeler harte hebt bemind, die de macht der aardsche vorsten niet hebt geducht; Gij, die, hoewel niet omgebracht door het moordend zwaard des vervolgers, toch den lauwer van het martelaarschap niet hebt gemist; wij smeeken U, o goede Heilige, om Uwen machtigen bijstand in alle geestelijke en tijdelijke behoeften. Uw machtvolle hulp in allen arbeid voor ziel en voor lichaam, opdat wij, door dit jammerdal van tranen heen, de hemelsche glorie mogen bereiken, waar Gij juicht in de aanschouwing van Gods aanschijn voor alle eeuwigheid!

EINDE.

ocr page 97

I jST EI O XJ D.

Bladz.

I. Geboorte en eerste jeugd van Martinus......4

II. Martinus gaat over tot het keurleger van Christus . 9

III. Eerste wonderen van Martinus.........'20

IV. Martinus, Bisschop van Tours, sticht het klooster van Marmoutiers................2ö

V. Verschillende episoden............31

VI. Martinus verwoester der afgoderij en Apostel van Gallië 89

VII. Martinus, de quot;Wonderwerker..........43

VIII. Martinus aan de hoven der Keizers.......52

IX. De strijd van Martinus tegen den duivel. Nieuwe

mirakelen.................60

X. Laatste levensjaren van den H. Martinus.....75

XI. Afsterven en begrafenis van den H. Martinus ... 83

XII. Vereering van den H. Martinus.........88

ocr page 98
ocr page 99
ocr page 100
ocr page 101
ocr page 102
ocr page 103
ocr page 104