---
. - -
1
â â
-
â
.«'i i
rgt;:
;
. ^ â
i-V
De Eerbledw. JOANNES NEUMANN. C. S. S. R. (1811-1860;
BisscJiop van Philadelpliia.
Een Apostel
van
]^oopd-flmemka.
De Kerbiedwaardisrc
JOHOReS HGUffiHRR,
Redemptorist,
Bisschop van Philadelphia^^^J^q^-
X
1811-1860. iv â
A.
d.oor t. xj. t^ittszeilt c. SS.
quot;xv
G. BORG. Amsterdam 1899.
-.V-
/33,
Pe jlEF^BIEDW. piENAAR pODS
JOANNES NEUMANN C. SS. li.,
Bisschop van Philadelphia.
GOEDKEURING.
Door don Hoogw. Pater Generaal M. Eaus daartoe gomacli-tigd, staan wij toe, dat het bock ; Een Apostel van Noord-Amerika. Be Eerbiedw. Joanne* Neumann, Redemptorist, Bisschop van Philadelphia. 1811 â 1860 door J. L. Jansen C. SS. R., gedrukt worde.
J. C. MEEUWISSEN, c. ss. b., Sup. Prov. Hall.
Amsterdam, 15 April 1899.
IMPRIMATUR.
H. F. J. RIKMENSPOEL,
Libr. Censor.
Amstelodami, 22 October, 1899.
Den löden December van hét jaar 1896 ondertee-kende Z. H. Pans Leo XIII het Decreet, waarbij het Proces ter Zalig- en Heiligverklaring van den vierden Bisschop van Philadelphia, Joannes Nepomucenus Neumann, den eersten Amerikaanschen Redemptorist, te Rome werd ingeleid en waardoor hem de titel werd toegekend van âEerbiedwaardigquot;.
Mgr. Neumann was de eerste uit Noord-Amerika, aan wien deze hooge onderscheiding werd toegekend, en heeft zijn proces een gnnstig verloop, dan zal hij de eerste Noord-Amerikaansche Heilige zijn, de eerste uit die onmetelijke landstreek, dien wij op onze altaren vereeren.
Er waren dus nog geen zeven-en-dertig jaren sedert zijn dood verloopen, toen zijne verheerlijking begon. Terecht mocht men daar den vinger Gods in zien, die er behagen in schept zijne dienaren, hoemeer zij zochten zich te verbergen, des te spoediger te verheffen ; maar die ook aan onze eeuw een voorbeeld wilde geven, uit haar eigen midden gekozen. Wij
VI
mogen trouwens met het volste recht den groeten Dienaar Gods, wiens leven wij verhalen, onzen tijdgenoot noemen, wij mogen hem noemen een kind onzer eeuw, â ook zelfs in dien zin, dat hij met bijzondere voorliefde en uitmuntend gevolg zich op die wetenschappen toelegde, welke onze eeuw zoo gaarne als haar eigendom beschouwt en in den strijd voor het katholieke onderwijs, die de strijd onzer eeuw is, de voornaamste kampioen der Kerk van Noord-Amerika was. Hij heeft zich geheiligd in de nieuwste toestanden, ondanks de verstrooiingen, die het missieleven en het bestuur der zielen in Noord-Amerika met zich medebrachten. In den volsten zin des woords wist hij, de nederige zoon der Boheem-sche bergen, ook daar, in dat land, waar moderne vrijheden en zelfgenoegzaamheid soms ook Katholieken den weg der ware christelijke deugd doen missen, alles voor allen te worden, om allen, ook Protestanten en Ongeloovigen, voor Christus te winnen, zonder ooit zich zeiven in het minste aan de strengste eischen der religieuze zelfverloochening te onttrekken of in het minste te heulen met eene richting, die met den geest en de waarheid des Evangelies niet strookt. â In de bescheidenste vormen gehuld, zonder opzien te baren, overal echter weldoend, als een verpersoonlijkt protest tegen dien half-katholieken geest of die valsche samensmelting van deugd en wereldschen zin, waartegen nog on-
VII
langs Leo XIII zijne stem verhief, (*) verscheen hij op deze aarde, gelijk het pauselijk Decreet zich uitdrukt, als een Engel des hemels, een heerlijk voorbeeld nalatend aan priesters en kloosterlingen, missionarissen en bisschoppen; bijzonder ook aan die edele jongelingen, die Gods genade tot het priesterschap of het missieleven roept. Alles trouwens, wat dezen, in den loop hunner voorbereiding tot dien staat, aan moeielijkheden en teleurstellingen kunnen ondervinden, dat alles heeft de Eerbiedwaardige Neumann in de ruimste mate doorstaan.
Is zijne levensschets vooral belangwekkend voor het land zelf, wat het tooneel van zijn arbeid was, â voor Boheme, waar hij er zich toe voorbereidde, â voor de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers, die in hem den eersten in Amerika aangenomen Redemptorist vereert, toch meenen wij, dat zij ook de aandacht onzer landgenooten zal trekken; zoowel om de belangstelling en de edelmoedige toewijding, welke in ons vaderland heerscht voor de vreemde Missiën, voor het katholieke onderwijs en voor het bekeeringsiverk onder de Protestanten, waarin de Dienaar Gods zoozeer heeft uitgemunt; als, wijl wij -onder de onmiddellijke vrienden van den Eerbiedwaardige verscheidene Nederlanders zullen aantreffen, en in
(,quot;t) Verg. het pauselijk schrijven aan Kardinaal Gibbons, van 22 Januari i3gg, over een zoogenaamd * Amerikanisme.''
VIII
het bijzonder den eersten Nederlandschen Redemptorist, â pater Bernard.
Als voornaamste bronnen van ons verhaal noemen wij op de eerste plaats de Positio super introductione causae, te Rome in 1894 verschenen, een lijvig boekdeel, waarin het getuigenverhoor te Philadelphia, Budweis en Rome uitvoerig staat opgeteekend, en dat verscheidene tot nog toe onuitgegeven stukken bevat. Verder: de Annalen der Amerikaansche Provincie van de Congregatie des Allerh. Verlossers, in 1888 en 1893 in het Latijn uitgegeven en tot dusverre twee boekdoelen beslaande; â het leven van den Dienaar Gods, in 1883 door zijn neef, pater Berger C. SS. R., in het Duitsch geschreven en de Engelsche bewerking daarvan door pater Grimm C. SS. R.; â het schoone werk van Richard Clarke: Lives of the deceased Bishops of the Catholic Church inthe United Statesllde'Deel (1872); â de Geschiedenis der S. Philomenakerk te Pittsburg, in het Duitsch uitgegeven in 1899 naar aanleiding van hetgouden Jubilé der Redemptoristen in Noord-Amerika.
Ten slotte verklaren wij, om te voldoen aan het Decreet van ürbanus VIII, een bloot menschelijk gezag toe te kennen aan het verhaal van buitengewone feiten of wonderen, voorkomend in deze levensbeschrijving, alsook aan de benoeming van Zalig of Heilig, voor zoover die op niet zalig- of heilig verklaarde personen betrekking heeft.
Wittem, 28 Maart 1899. De Schrijver.
EERSTE HOOFDSTUK.
Neumann's eerste jaren. â Zijne studiën op het Symnasium te Budweis.
181!â1831.
I n het zuid-westelijk gedeelte van Boheme ligt in s een liefelijk dal de aloude stad Prachatitz. Van eeuwen her eene aanzienlijke handelsplaats, was zij tot grooten bloei geklommen, toen zij in den Hussie-tenkrijg met het geloof harer vaderen tevens haren welstand verloor. In den dertigjarigen oorlog waren er een tijdlang nog slechts acht-en-tachtig katholieken in de stad overgebleven; doch door eene gelukkige wending der zaken keerde reeds lang vóór het einde van dien oorlog de gansche bevolking weder tot het katholieke geloof terug.
In die stad werd de Eerbiedwaardige Dienaar Gods, wiens leven wij gaan verhalen, geboren den 28en Maart
2
1811. Het was Goede Vrijdag. Op dienzelfden dag, die door den dood des Verlossers geheiligd is, had hij ook het geluk de genade des heiligen Doopsels te ontvangen, eene genade, die hij naar alle waarschijnlijkheid tot den dood toe ongeschonden heeft bewaard. Als patroon werd hem bij zijn doopsel gegeven de groote beschermheilige van Boheme, de martelaar van het biechtgeheim, de heilige Joannes Nepomucenus. Zijne ouders waren Philippus Neumann, uit Beieren afkomstig, die zich in 1802 te Prachatitz gevestigd en er eene kousenweverij had opgericht, â en Agnes Lebis, uit eene burgerfamilie van genoemde stad. Hun huwelijk werd met zes kinderen, vier dochters en twee zonen, gezegend, waaronder Joannes de derde was. Twee zijner zusters, Joanna en Aloysia, traden in de orde van den H. Carolus Borromeus te Praag; Joanna was zelfs eenige jaren algemeene Overste dei-Congregatie; zijn jongste broeder Wenceslaus â aldus genoemd naar den Boheemschen Heilige van dien naam â volgde hem later naar Amerika en trad daar eveneens, doch als leekebroeder, in de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers. (*)
De ouders van Neumann behoorden tot de niet onbemiddelde burgerklasse en genoten de algemeene achting der stad. Het waren katholieken van den
(lt;â â ) De oudste dochter trad in den echt met Mathias Berger ; hun eenige zoon werd eveneens Redemptorist in Amerika en deed daar in 1883 eene levensschets van zijn eerbiedwaardigen oom het licht zien.
â echten stempel. Godsvrucht, arbeidzaamheid en strenge tucht heerschten in hun huis. Bij het morgen- en avondgebed moesten alle leden des huisgezins, ook de werklieden, die zij in dienst hadden, aanwezig zijn, en de huisvader 'zelf bad de gebeden voor. Des Zaterdags werden de noodige maatregelen genomen, dat de Zondagviering geen schade zou lijden. Ook werd des avonds eene geestelijke lezing gehouden, waarbij de kinderen voorlazen. Onder de ambten, die aan Neumann's vader werden opgedragen, behoorde ook het lidmaatschap van den gemeenteraad; doch bijzonder onderscheidde hij zich als bestuurder van het armenwezen ; hij wist zóó wijze maatregelen te nemen, dat tijdens zijn beheer de bedelarij uit de stad verdween. De getuigen in het proces der Zaligverklaring stippen nog aan, dat vader Neumann altijd in de beste verstandhouding met den Deken en den Burgemeester leefde en bij allen de grootste achting, ja vereering genoot. Het was trouwens een rechtscha;, en man in den vollen zin des woords, die een afschuw had van vleierij en nooit uit hartstocht handelde.
De moeder harerzijds was zulk een echtgenoot ten volle waardig. Terwijl deze van 'smorgens tot 's avonds op de arbeiders het toezicht hield, was zij er steeds op bedacht door godsvrucht en ijver in het huishouden en door het vormen harer kinderen het toonbeeld eener echt christelijke vrouw te zijn. Dagelijks hoorde zij, vergezeld van een harer kinderen, de H.
4
Mis; dikwijls ging zij te Communie en vastte ook op dagen, waarop het door de Kerk niet was voorgeschreven. De armen vonden in haar eene teedere moeder; bijzonder op Vrijdagen behield zij zich het uitdeelen van aalmoezen, en dat wel in ruime mate, voor. Dan zat zij in eene kamer naast de huisdeur, een gebedenboek of een rozenkrans in de hand, en neven haar een zak met meel en een korf vol broo-den, waaruit elke arme zijn aandeel, tegelijk met een vriendelijk en nuttig woord, van haar ontving. Dikwijls echter liet zij ook door de kinderen de aalmoezen uitdeelen, om hen zoo de liefde voor de weldadigheid te leeren. Toen eens hare dochters zich bij haar beklaagden, dat zij zoo eenvoudig gekleed moesten gaan, gaf zij het verstandige antwoord: âAls gij iets zijt. dan hebt gij niet noodig door schoone kleederen iets van u te maken; wilt gij door schoone kleederen iets van u maken, dan toont ge, dat ge in waarheid niets zijt.quot; â Sprak men in hare tegenwoordigheid over de fouten van anderen, dan luidde hare opmerking: âZulke gesprekken zijn nutteloos; ook wij hebben onze zwakheden en God heeft zooveel geduld met ons.quot;
Zulke ouders had God gegeven aan den Eerbiedwaardige, wiens leven wij beschrijven; een trek van gelijkheid met zooveel andere Heiligen, die de deugd als het beste deel van hunne ouders hadden geërfd. Ook de bijzondere zorg van Gods Voorzienigheid voor
u
5
lt;le instandhouding van zijn leven vinden wij in Joannes' geschiedenis terug. Hij was nog geen drie jaar oud. toen hij van eene hoogte van vijftien voet in een kelder naar beneden stortte, zonder zich evenwel in het minst te kwetsen. De moeder verhaalde later het voorval dikwijls, om hare kinderen aan te sporen tot een groot vertrouwen op God.
In eene zoo goed voorbereide ziel, als die van Joannes was, vond de goddelijke genade gereeden toegang â¢en spoedig toonde zijn gedrag er de schoonste vruchten van. Zijn ijver voor het gebed was zóo groot, dat hij door de buren als toonbeeld aan hunne kinderen werd voorgesteld. Groot ook was zijne ingetogenheid daarbij; hij zocht zelfs eenzame plaatsen in de kerk daartoe â¢op; viel hij in 't oog, dan werd men ondanks zich-zelven getrokken om met hem mee te bidden. De vreeze Gods deed hem zich zorgvuldig voor elke zonde wachten. Slechts ééns had hij het ongeluk een leugen te begaan; doch de straf, hem door zijn vader opgelegd, werkte zóó heilzaam, dat eene tweede overbodig was, en toen Neumann later als Bisschop zijn vader bezocht, betuigde hij hem nog voor die heilzame straf zijne dankbaarheid. Jegens anderen was Joannes de zachtmoedigheid zelve. Nooit twistte hij, of voegde hij zijn broertje of zijne zusjes een hard woord toe; maar hij leerde ze bidden en gaf hun goede vermaningen, in 't bijzonder aan zijn broeder Wenceslaus. Reeds vroegtijdig onderscheidde hij zich zóó gunstig van de
6
knapen van zijn leeftijd, dat men algemeen te Prachatitz over zijne godsvrucht en zijn ernstigen toeleg sprak en algemeen de verwachting koesterde, dat hij voor iets meer dan gewoons bestemd was. Ja. wat nog opmerkelijker is, er waren vrouwen te Prachatitz, die aan Joannes' moeder vroegen, of, gelijk bij de geboorte van Heiligen wel eens bijzondere teekenen waren geschied, zoo ook bij zijne geboorte niet iets dergelijks had plaats gehad.
Op zevenjarigen leeftijd begon hij de stadsschool te bezoeken. Wat omtrent deze zes jaren van zijn schoolbezoek staat opgeteekend, kan men in de volgende korte trekken samenvatten: Stipte gehoorzaamheid aan de orde der school, onberispelijk gedrag zoowel in school als te huis, een ijverigen toeleg, die hem altijd de eerste plaats bezorgde, en een zeker overwicht op zijne medescholieren, die hem vreesden en beminden tevens. Al aanstonds werd hij met het toezicht op en het eerste onderricht van de nieuwelingen belast; maar in de uitoefening van zijn ambt stelde hij er prijs op eer door een goed voorbeeld dan door veelvuldig overbrengen hunner fouten hun van nut te zijn; of wel hij maakte zelf, hetzij op zijn jongeren broeder Wenceslaus of op zijne andere makkers, van zijn overwicht gebruik, om hun hunne misslagen op gepaste wijze onder het oog te brengen. Op het spel was hij weinig gesteld: hij zag liever toe dan er aan deel te nemen en was overigens zeer gaarne alleen;
7
aan deze liefde voor de eenzaamheid bleef hij ook getrouw tijdens zijne latere studiën. Zijne hoofdneiging als kind was de leeszucht en de leergierigheid, die zich al aanstonds bij voorkeur met wetenschappelijke onderwerpen bezighield en voor een groot gedeelte de bron zou worden zijner latere omvangrijke kennissen. Reeds als kind trachtte hij den grond der zaken op te sporen, zoodat zijne vragen soms zijne ouders en meesters in verlegenheid brachten. Eens â hij was toen omtrent zeven jaar oud â had hij op school iets over ons planetenstelsel gehoord, 's Avonds lag Joan te bed hardop met zich-zelven te spreken; de moeder, door den jongsten broer verwittigd, komt bezorgd naar de slaapkamer om te zien, waarom de kleine zoo onrustig is. Bij het binnentreden hoort zij al aanstonds de vraag: âMoeder, hoe is het mogelijk, dat de aarde vrij in de lucht zweeft, zonder naar beneden te vallen?quot; De kleine philosoof moest zich echter met het antwoord tevreden stellen: âLaat de aarde maar zweven; gij behoeft ze immers niet vast te houden. God houdt ze vast. Maar gij moet rustig zijn en uw broertje niet storen.quot;
Liefde voor de armen toonde Neumann reeds in zijne eerste jaren. Wat hij ontving, deelde hij aan de anderen mede, en behield hot geringste voor zich; het bleef ook later als een vaste regel gelden bij zijne medestudenten: âAls Neumann iets ontvangt, ontvangen wij allen mede.quot; Voor de armen had hij gaarne
8
zelf al bedelend rondgegaan. Kleine trekken wel is waar, doch die reeds eenigermate konden doen voorzien, tot welke offers hij in later jaren als priester uit liefde tot den naaste bereid zou zijn.
De neiging voor het priesterlijk leven gevoelde hij reeds zeer vroeg. Vandaar zijn genoegen de kerkelijke plechtigheden met eenigen zijner medescholieren te huis na te bootsen ; en zóó ernstig nam hij dit op, dat zoo een hunner den gepasten eerbied niet betoonde, hij voor het vervolg niet meer uitgenoodigd werd. Nog ernstiger nam hij het op met zijn post van misdienaar. Wel verre, dat de meer vertrouwde omgang met heilige zaken hem den eerbied deed verliezen, muntte hij integendeel uit door zedigheid, oplettendheid en de zorg om de woorden goed uit te spreken. Zelfs wilde hij vóór het misdienen nooit een ontbijt nemen, al moest hij tot na de Hoogmis zonder voedsel blijven, op gevaar af van aan het altaar in bezwijming te vallen, gelijk het hem eens op het feest der H.H. Apostelen Petrus en Paulus overkwam. Op het feest van den H. Naam Jesus en gedurende het Octaaf, alsmede op H. Sacramentsdag, begeleidde hij altijd het H. Sacrament, als dit werd rondgedragen, en ging het met een brandenden fakkel voor; hij zelf had daartoe het verlof gevraagd. Bij de begrafenisplechtigheden vervulde hij, al was het kerkhof nog zoo ver, zijn plicht van koorknaap getrouw en bad daarbij nog dikwijls voor de overledenen den
9
Rozenkrans. Ook begon hij reeds in zijne eerste Jeugd zich van schietgebeden te bedienen; zooals: âJesus, voor U leef ik, Jesus, voor U sterf ik, de uwe ben ik in leven en dood.quot; Hij bad ook gaarne de bekende aanroepingen des H. Ignatius.
De vroegtijdige ontwikkeling van Joannes maakte, dat hij zeer spoedig tot het ontvangen der H. Sacramenten werd toegelaten. Op negenjarigen leeftijd ontving hij het H. Vormsel te Prachatitz uit de handen van den Bisschop van Budweis, mgr. Ruziczka, en daarbij den vormnaam van Franciscus Xaverius, dien hij bijzonder vereerde en wiens voorbeeld hij later als missionaris trachtte na te volgen. Nauwelijks tien jaar oud kende hij reeds den zoogenaamden grooten Catechismus, en werd hij het ontvangen der H. Communie reeds waardig gekeurd; volgens zijn â eigen getuigenis bereidde hij zich reeds toen met de grootste zorg daarop voor.
Omtrent dezen tijd stonden zijne ouders hem ook toe, ten huize van den Catechist de latijnsche taal te leeren. In zijne vrije uren deed hij in diens tuin zijne eerste proeven van de studie der botaniek, waarin hij later zoo groote kennissen verworven heeft. Ook toen vertoonde zich reeds zijne voorliefde voor de sterrenkunde; thuis gekomen deelde hij aan zijn broertje en zijne zusjes zijne nieuwe kennissen mee en toonde hun op zijne beurt de plaats der verschillende sterren aan het uitspansel aan.
10
Wien zal het verwonderen, dat bij zulk een leven, van godsvrucht en studieijver de reinheid van zeden in Joannes' ziel ongerept bleef? De eerenaam van âalleronschuldigstquot; werd hem dan ook in de procesakten uitdrukkelijk gegeven; en daarbij het getuigenis afgelegd, dat hij de onschuld des doopsels nooit verloor; maar tevens wordt daar uitdrukkelijk vermeld, dat hij eene geheel bijzondere godsvrucht had tot de Maagd der Maagden, de Koningin der Heiligen, de heilige Moeder Gods. Hij bad als kind reeds trouw den Rozenkrans en noodigde zelfs de kinderen, die bij hem waren, tot meebidden uit. (*) Zeer zeker had Zij. aan wie de zorgder uitverkorenen is toevertrouwd, op geheel bijzondere wijze op zich genomen, Joannes' ziel zoo spoedig mogelijk voor te bereiden tot de roeping, die hem wachtte: den priesterlijken staat in al zijne volheid, en onmiddellijk gewijd aan het heil der meest verlaten zielen.
Onder de andere Heiligen vereerde Joannes het meest den H. Joseph; hij riep hem, op raad zijner moeder, bijzonder voor een goeden dood aan; verder zijnen Naamheilige, den H. Joannes Nepomucenus, den H. Engelbewaarder, de H. Theresia en de H.
(#) De procesakten hebben ons de volgende gebeden bewaard, die de dienaar Gods in zijne jeugd, behalve de gewone, tot de H. Maagd richtte : «Maria, help mij in mijne noodwendigheden ; bid God voor mij zoowel in mijn leven als bij mijnen dood; toon uwe moederlijke goedheid; bied de gebeden uwer kinderen aan dien Heer en Zaligmaker aan. die U tot moeder gekozen heeftquot;. Het andere luidde aldus: »Maria, mijne hemelsche moeder, ik beveel mij U aan heden en te. allen tijde, totdat ik intreed in de eeuwige zaligheid.quot;
11
Philoraena. Zijn Naampatroon riep de kleine Joannes ook dikwijls onder het leeren aan; zijne ouders, die voor de Boheemsche Heiligen eene groote godsvrucht koesterden, hadden een altaartje met het beeld des Heiligen opgericht, gelijk ook voor hun tweeden zoon een ander, waarop de beeltenis van den H. Wences-laus was uitgesteld; vooral op de feesten dier Heiligen waren die altaartjes schoon versierd en verlicht. (*)
De tijd om althans eene voorloopige keuze van levensstaat te doen was inmiddels voor Joannes aangebroken. Hij aarzelde echter een tijdlang om zijn verlangen, van zich op de studie toe te leggen, aan zijne ouders te openbaren; hij vreesde namelijk, dat zij wellicht tegen de geldelijke offers, die daartoe noodig waren, zouden opzien. Die vrees bleek echter ongegrond; zoodra zij het verlangen van hun zoon met zekerheid kenden, verkreeg hij van zijn vader het verlof zich aan de studie te wijden, als verwijderde voorbereiding tot den priesterlijken staat, waartoe God hem bestemd had.
Op het einde van October 1S23, op twaalfjarigen leeftijd, bood zich Joannes te Badweis, de bisschopsstad, eene dagreize van Prachatitz verwijderd, voor het toelatingsexamen tot het Gymnasium aan. Wel slaagde hij volkomen; maar nauwelijks waren zijne
{*) De Bisschop van Budweis, in zijn brief van Oct. 1892 aan Paus Leo XIII gericht, sprekende van de groote godsvrucht, welke de vader des Eerbiedwaardigen voor de Boheemsche Heiligen had, maakt de opmerking, dat in Boheme vrede en rust geheerscht heeft, zoolang het /.ijne Heiligen godvruchtig vereerde.
12
â studiën begonnen, of ook de moeielijkheden namen een aanvang, die wij van nu af hem bijna onafscheidelijk op zijn levenspad zullen zien vergezellen. Zij moesten â zoo had het G-od beschikt â het middel zijn om Neumann's ziel tot die groote heiligheid op to voeren, welke hem aan de gansche Kerk, en vooral aan de Priesters, Bisschoppen en Missionnarissen ten voorbeeld stelt. Om niet te spreken van den last en
â de verstrooiing, die hem het samenwonen met drie studenten op ééne kamer â iets, waartoe hij besloten had om zijne ouders onkosten te besparen, â gedurende de twee eerste jaren veroorzaakte, ondervond hij vooral teleurstelling van de zijde zijner leeraren. Een van hen, die eerst in het derdejaar verwijderd werd, â ontsierde zijn stand door overmatig gebruik van drank;
â een andere vorderde van Neumann een machinale wijze van studeeren, die voor den redelijken geest van den jongen student een ware kwelling werd. De studie begon hem zóó tegen te staan, dat hij bekende bij het einde van 1827 op het punt te zijn geweest ze vaarwel te zeggen, had zijne brave moeder zijnen moed niet opgebeurd.
Het nieuwe studiejaar bracht werkelijk eenige verbetering mede ten gevolge der verandering van personeel. Zijn voortgang in de studiën valt dan ook .sedert dien tijd goed na te gaan. En waarlijk, de som van kennissen, dien hij zich toen wist toe te ⢠eigenen of waarmede hij toen een begin heeft gemaakt,
13
vervullen ons met verbazing. Niet dat zijn talent zoo schitterend was en in de klassen boven de anderen uitmuntte, maar zijn stil nadenkende en vorschende geest drong diep door; zijn vlijt deed hem alle hulpmiddelen, die in zijn bereik waren, ter hand nemen. Hij had een, gelijk men zegt, mathematisch verstand, daarbij een praktischen blik en bezat de geschiktheid om bij de bespiegeling ook de daad te voegen. Van elk vak wist hij zich boeken te verschaffen; hij las en bestudeerde ze, verzamelde er plaatsen uit, en op de wandelingen, die hij in de omstreken van Bud-weis in alle richtingen, zelfs bij regen en wind, ondanks hitte of koude met zijn trouwen vriend, Adalbert Schmid, later geestelijk bestuurder van het Seminarie te Graz, maakte, vormden zijne ontdekkingen de stof van hun gesprek.
Dikwijls nam hij een boek op zijne wandelingen mede; ook in de vacantie, ja zelfs tijdens den maaltijd kon hij niet van zijne geliefde boeken scheiden en vergat er soms het eten door. Nutteloos of lichtzinnig gepraat was hem volstrekt vreemd ; oppervlakkigheid haatte hij van ganscher harte. Dit alles kan ons verklaren, hoe hij in korten tijd eene degelijke kennis verwierf der kerkelijke en profane geschiedenis; hoe hij alle klassieke schrijvers kende; hoe hij grondig ervaren werd in de dichtkunst, de physiek, natuurlijke historie en geologie. Sterrenkunde beoefende hij met voorliefde; hij bracht het met behulp van
14
nenigen zijner vrienden, doch zonder leermeester en met zeer beperkte middelen, tot eene ongewone kennis des sterrenhemels en zijner wetten; hij wist berekeningen te maken, die door den uitslag werden gehandhaafd; en te zamen met zijne twee vrienden vervaardigde hij zelfs eigenhandig eene hemelglobe. Het meubilair zijner kamer verried trouwens duidelijk genoeg zijne wetenschappelijke voorliefde. Naast eene goed voorziene boekenkast vond men er eene cither, een microscoop, landkaarten, de hemelglobe en een verrekijker. Algebra, meetkunde en driehoeksmeeting waren zijne lievelingstudiën. In de hoogere mathesis ging hij les halen bij een officier der artillerie, en met uitmuntend gevolg; hij wist theoremen op te lossen, waarvoor zijn professor stilstond. Reeds te Budweis, nog eer hij zijne theologische studiën begon, bestudeerde hij ook de H. Schrift; bijzonder beviel hem daarbij de apologetische methode, om des te beter de Protestanten te kunnen weerleggen. Terzelfder tijd maakte hij een begin met het aanleeren der talen, eene studie, die hij voortzette tijdens zijn later verblijf op het Groot-Seminarie te Praag, en waaraan hij vooral zich met grooten ijver wijdde, sinds het plan bij hem rijpte om als Missionaris naar Amerika te gaan. Meestal zonder meesters bracht hij het daarin zóóver, dat hij nog vóór zijn vertrek uit Europa, behalve het Latijn en het Grieksch (met inbegrip van het Meuw-Grieksch) en behalve
15
â¢zijne beide moedertalen, het Duitsch en het Boheemsch. â ook in het Hebreeuwsch, Fransch, Italiaansch, :Spaansch ten Engelsch ervaren was. Er waren er trouwens, die meenden, dat bij het verwerven dezer taalkennis God op bijzondere wijze hem had bijgestaan, met zooveel gemak had hij ze zich eigen gemaakt. (*) De geschriften der Heiligen, zooals die van â de H. Theresia, den H. Alphonsus, den H. Franciscus Xaverius, las hij dan bij voorkeur in de oorspronkelijke taal. Nog verdient hierbij aangestipt te worden, dat hij ook ia het schilderen op papier en glas een .niet geringe vaardigheid verwierf. Onder al zijne voortbrengselen in deze kunst munt bijzonder uit eene sierlijke afbeelding op glas van zijne geboortestad en hare omgeving, vooral wijl daaraan eene schoone herinnering verbonden is. Het kunststuk trok namelijk de aandacht van vele bewonderaars in zóó hooge mate tot zich, dat het glas door onzachte 'behandeling in twee ongelijke deelen brak. Neumann toonde zich echter niet in het minst verstoord; hij maakte de twee stukken weêr aan elkander vast, en zóo zal die schildering, zoolang zij bestaat, ook â een getuigenis zijner zelfbeheersching afleggen.
Dit waren de vruchten van Neumann's edele zucht naar kennis. Wij zien erin, waartoe de vastberaden
(â At) Tijdens zijn verblijf in Amerika leerde hij nog andere Slavonische talen, waarbij hem de kennis van het Boheemsch groote diensten bewees. Ook leerde hij daar nog het lersch, dat zelfs door lersche priesters zelden wordt verstaan, ten einde oude Ieren, die het Engelsch niet machtig waren, de biecht te kunnen hooren.
16
wil van een jongeling in staat is; maar vooral zien wij erin, waartoe de ijver voor Gods glorie, voor het heil der zielen en eigene zaligheid een edel en godvruchtig gemoed brengen kan. Want dat die ijver de drijfveer zijner inspanning was, gaf Neumann zelf genoegzaam te kennen, en wordt ook door een zijner vrienden uitdrukkelijk verzekerd. Zeker was het geen zucht naar ijdel vertoon, die hem bij zijn studiën bezielde; want even grondig en omvattend als zijne kennissen waren, even nederig was hij in zijn optreden. Veel hield hij stil voor zich, totdat hij ondervraagd werd; maar dan waren zijne antwoorden duidelijk en verrassend. Geheel zijn persoon trouwens, eene kleine gestalte met sterk gestel, was een type van bescheidenheid, zedigheid en nederigheid. De oogen hield hij gewoonlijk voor zich op den grond gericht, terwijl het hoofd een weinig naar de linkerzijde overhelde. Zijne kleeding was eenvoudig, bijna altijd ten achter bij de heerschende mode. Zijn doen en laten kenmerkte zich door groote kalmte en overleg; de verbeelding voegde zich gewillig naar het bestuur van den schranderen geest; dweepzucht of overdrijving kende hij niet. Op zijne kamer was alles, in de beste orde. Hadden trouwens bloot mensche-lijke beweegredenen bij dien bijna overmatigen studieijver voorgezeten, dan had deze het innerlijke leven zijner ziel en zijne godsvrucht zeker schade toegebracht en zou zijn gedrag er de sporen van hebben vertoond..
17
Doch niets van dit alles. Opgeblazenheid, die zoo dikwijls de gezellin van het veelweten bij jongelieden is, ingenomenheid met zich-zelven, aanmatiging of geringschatting van anderen bleven hem vreemd; veeleer was hij bij zijne medestudenten bemind om zijne vertrouwelijkheid en goedheid. Nooit gaf hij aan toorn of opgewondenheid toe; zijn kinderlijk vroom gemoed oefende zoodoende, zonder het te weten of te willen, een weldadigen invloed uit op die hem kenden.
Het kenmerk van ware deugd, zelfopofferende naastenliefde, bezat Neumann toen reeds in hooge mate. Hij was wel is waar van nature ernstig en het kostte niet weinig hem tot lachen te brengen; doch tevens was hij vriendelijk en voorkomend en steeds tot eiken dienst bereid, dien hij met zijn streven naar de christelijke volmaaktheid vereenigbaar achtte. Eens hielden de studenten zijner geboortestad tijdens de vacantie een bal, eene ontspanning, in die streken algemeen gebruikelijk. Neumann, hoewel ervan overtuigd, dat zijne medescholieren zich daarbij niets zouden veroorloven, wat met de wetten der zedigheid in strijd zou zijn, meende echter zich die vermakelijkheid te moeten ontzeggen. En toch nam hij, om zijne kameraden niet te stooten, de uitnoodiging aan; doch gedurende den dans bleef hij in een belendend vertrek om daar voor de ververschingen te zorgen, hun des noods een verstandig woord over matigheid toe te voegen en na afloop van de partij de bedienaar
18
zijner vrienden te zijn. Toen daags daarop een hunner hem over zijne onthouding plaagde, antwoordde Neumann schertsend; âGelijk Saulus de kleederen bewaarde van die Stephanus steenigden en zoo daartoe heeft meegewerkt, zoo heb ook ik gedaan.quot; Voerden soms de studenten tijdens de vacantie, tot een liefdadig doeleinde, een tooneelstukje op, dan leende Neumann zich gaarne om een of anderen, doch zeer nederigen rol te spelen of om âsouffleurquot; te zijn. Kon hij iemand met zijne geschriften een dienst bewijzen, dan deed hij het met de grootste bescheidenheid en bereidwilligheid tevens. Een zijner medestudenten was genoodzaakt wegens ziekte en andere redenen tehuis te blijven; Neumann alleen dacht er aan hem troostende brieven te schrijven en hem te sterken in zijn pijnlijken toestand. Was een der studenten ziek, dan ging hij bij zijne moeder iets voor hem vragen; zoo deed hij ook, als hij een behoeftige zag. âEens,quot; zoo verhaalt ons een zijner medescholieren, âkwam ik bij hem en zag naast zijne hemelglobe een latijnsch boekje liggen, de Navolging van Christus. Ik las er eenige regels in; zij troffen mij innig. Aanstonds liet Neumann het mij tot eigen gebruik. Een ander maal vond ik twee sierlijk ingebonden boekjes op zijne tafel; 't was het boek van Lodewijk van Grenada: âLeidster de zondarenquot;; ook dit schonk hij mij.quot; Zoo schonk hij ook een ander het werk âDe loare bruid van J. C.quot; door den H. Aphonsus. Altijd verdedigde
19
Mj degenen, wie eene beleediging werd toegevoegd; werd iemand ongunstig beoordeeld, dan nam hij diens rechtvaardiging op zich en een zijner medeleerlingen schreef hem eens het volgend schoone en veelzeggende getuigenis: âGij zijt onpartijdig, en dit behaagt overal, dit maakt u overal bemind.quot;
Dit alles bewijst reeds duidelijk genoeg, dat de jonge Neumann zijne ijzeren wilskracht, vastheid van karakter en zijn edelen inborst vooral aan de beoefening der deugd' dienstbaar maakte en dat zijn groote toeleg op de studie daaraan geen nadeel toebracht. Ja, nog andere trekken uit zijne jongelingsjaren zullen ons al aanstonds in hem, op zoo jeugdigen leeftijd, een graad van christelijke volmaaktheid doen zien, die onze verbazing wekt. Reeds toen â hij was nauwelijks zestien jaar oud â erkende hij door Gods verlichting, hoe noodzakelijk de versterving der zinnen is, vooral om in de jeugd aan God getrouw te blijven. Wij zien hem dan ook reeds in zijne eerste jongelingsjaren verstervingen beoefenen, die de gewone krachten van dien leeftijd overtreffen. Reeds toen vergenoegde hij zich met één maaltijd daags, het middagmaal, 's Morgens en 's avonds at hij slechts een stuk droog brood. Hij vastte gaarne en streng, en raadde zijne familie aan dit ook'te doen. Smakelijke spijzen deelde hij, zoo mogelijk, aan anderen uit. Hij zeide: âAls men honger heeft, smaakt alles goed, en als men geen honger heeft, moet men niet eten.quot;
20
Vandaar dat hij niet gaarne uitnoodigingen aannam, om niet gedwongen te zijn fijne spijzen te gebruiken. Deze versterving nam nog toe met de jaren. âIk bemerkte in hem,quot; zoo verhaalt een ooggetuige, âzóó groote zelfbeheersching en zelfverloochening, dat hij zich geoorloofde genoegens ontzegde om den tijd niet te verliezen.quot; Herbergen, theaters bezocht hij nooit, al had hij de gelegenheid ertoe. Nooit speelde hij voor geld; slechts nu en dan gunde hij zich een kort spel tot uitspanning. Nooit gebruikte hij sterken drank, al werd te Prachatitz uitstekende brandewijn gemaakt; hoogstens nam hij bier, als hij eene verre voetreis moest ondernemen, nooit echter bij gewone wandelingen. Hitte en koude, regen en wind verdroeg hij met dezelfde kalmte, en hardde daardoor zijn overigens reeds sterk gestel nog meer af. Zijn bed was hard; zijne nachtrust begon hij niet, voordat zijn schoolwerk voltooid was, en hij had de gewoonte van vroeg op te staan. Doch getrouw aan zijne voorliefde voor nederige verborgenheid, oefende hij al deze verstervingen in stilte, zonder de minste opspraak.
Het zal ons, na dit alles, niet verwonderen dat de onschuld, die Joannes uit zijne kinderjaren had medegebracht, hem ook in de gevaarlijke jongelingsjaren bleef sieren. Hij muntte zelfs bijzonder in dit opzicht uit. Allen, die hem van nabij kenden, bewonderden zijne zedigheid; nooit kwam het minste woord over
21
zijne lippen, dat de reinheid des harten in het geringste kwetsen kon, en hij wendde met zorg zijne blikken van alle gevaarlijke voorwerpen af. âMet personen van het ander geslacht,quot; zoo verhaalt ons een tijdgenoot, âschertste hij nooit; zelfs ben ik er van overtuigd, dat hij geen nutteloos woord met haar sprak.quot; Trouwens, reeds als kind duldde hij geen vertrouwelijkheid met haar, zelfs niet met bloedverwanten, en ook niet onder voorwendsel van stichting of vroomheid liet hij zich in zijne jongelingsjaren met haar tot vertr ouwelij ken omgang in. God had hem trouwens in dit opzicht bijzondere gaven geschonken en hem zóó voor slechte indrukken bewaard, dat hij zelf getuigde : âHet zijn boeken, die sierlijk ingebonden, maar voor mij onleesbaar zijn.quot;
De kracht, om in den strijd der jongelingsjaren staande te blijven, putte Neumann vooral in het dikwijls naderen tot de H. Sacramenten. Hij bereidde zich met groote zorg tot de Communie voor. âIk trachtte,quot; zoo getuigde hij zelf, âer zooveel mogelijk nut uit te trekken. De herinnering aan de godsvrucht, â die ik in het ouderlijk huis voor oogen had, de ijver, waarmede in 't bijzonder mijne moeder zich daartoe voorbereidde, waren mij hiertoe een uitmuntend voorbeeld; en van vele gevaren en zonden, waarin zoo menig jongeling valt, werd ik daardoor bevrijd.quot; Hij woonde ook dagelijks de H. Mis bij en liet niet na ook des namiddags de kerk te bezoeken. Daarbij
22
voegde hij eene groote waakzaamheid op zijne tong,, was bezorgd om nooit een ij del woord te spreken, en gaf nauwlettend acht op de stem van zijn geweten.
Dit is in korte trekken het beeld van Neumann, gelijk hij voor ons staat bij het einde zijner philoso-phische studiën, bij het begin van zijn seminarieleven^ op twintigjarigen leeftijd. âHet was een diamant,quot; zoo drukt zich een zijner vertrouwde vrienden uit, âdie-wel is waar uitwendig niet de fijne beschaving had, welke de wereld in een jongeling zoektja, door weinigen werd hij ten volle gewaardeerd ; maar des te meer door God, die zijn hart kende, en door allen, die van nabij met hem omgingen en tevens naar een. juisten maatstaf wisten te oordeelen. âZeker is het,quot; zoo gaat de zooeven aangehaalde getuige voort, âhoe degelijker en hoe vromer onze professoren waren, hoe meer menschenkennis zij bezaten, des te meer schatten zij Neumann hoog en stelden hem boven de anderen.quot; Wij mogen dus zonder vrees voor overdrijving dit tijdvak van zijn leven besluiten met dit andere getuigenis van een zijner medestudenten: âHij leefde slechts voor God en zijne studiën; het was. waarlijk een jongeling naar Gods hart.quot;
TWEEDE HOOFDSTUK.
Neumann als Seminarist te Budweis en te f raag. â Zijne roeping en voorbereiding tot het Missionarisleven. Zware beproevingen.
1831â1835.
y oo had dan Neuraann na acht jaren studie den ^ cursus der philosophie voltooid. Wij hebben reeds gezien, hoe de kiem der roeping tot het priesterlijke leven zich in zijne ziel ontwikkelde, beschut door echte deugd en zeltverloochening, door beproeving dieper bevestigd. Yooral door deze moest zijn edelmoedig besluit gestaald, zijne bedoeling meer en meer gezuiverd en veredeld worden; geen wonder dan ook, dat bij het begin van een nieuw tijdperk zijns levens ook nieuwe beproevingen zich voordeden, en dat zij steeds grooter werden, naarmate hij het doel van zijn streven meer nabij kwam.
24
Toen hij nog pas zijne studiën begon, had de verkeerde behandeling zijner leeraren zijne roeping bijna schipbreuk doen lijden; thans verbitterde een andere aanval op die roeping zijne ziel. Het was, of God bij voorbaat een oft'er vroeg voor de groote genaden, die hem in het Priesterschap wachtten, ja, voor die volheid van het heilig Priesterschap, die hem was weggelegd, door zijne toekomstige uitverkiezing tot de bisschoppelijke waardigheid. Was echter de eerste aanval meer uitwendig geweest, ditmaal sproot de moeielijkheid, des te pijnlijker, uit de ziel zelve des jongelings voort. Doch G-ods Voorzienigheid waakte ook nu over hem en voegde het middel ter redding bij het gevaar; en treffend is het zeker, dat het wederom Neumann's moeder was, van wie God zich daarbij bediende. Hooren wij hoe de Eerbiedwaardige zelf ons het gevaar en de redding beschrijft: âToen de tijd daar was, dat ik tusschen Theologie, Eechtswetenschap of Geneeskunde mijne keuze moest doen, gevoelde ik de neiging voor dit laatste vak in mijne binnenste opkomen. Trouwens, van de tachtig tot negentig candidaten voor de Theologie, konden er slechts twintig op het seminarie te Budweis worden aangenomen en die aanneming geschiedde hoofdzakelijk zoowel op de beste getuigenissen omtrent de studiën als op hooge aanbeveling. Het stond mij echter tegen, mij van dit laatste middel te bedienen. Met deze onzekerheid over hetgeen nu te doen stond, kwam ik in de herfstvacantie van 1831
25
naar huis. Tot mijne verrassing vond ik vader niet ongenegen, ondanks de groote onkosten, mij te Praag â¢de medicijnen te laten studeeren. Moeder echter [wij voegen erbij, dat zij reeds met bezorgdheid zijne voorliefde voor de astronomie had gezien] moeder wilde er geen vrede mee nemen, zij was zeer bedroefd. Ik maakte de opmerking, dat ik geen aanzienlijk persoon kende, wiens aanbeveling mijn verzoek om opname begeleiden kon. Doch dit bezwaar vond zij volstrekt niet afdoende; zij bad mij dringend, mijn verzoekschrift met groot vertrouwen tot het bisschoppelijk consistorie te richten; G-od zou helpen. â Ik deed het, zond een expres naar Budweis, en â zonder de minste aanbeveling, enkel op mijn verzoek verwierf ik de opname; en van hetzelfde oogenblik was de bekoring om mij aan de Geneeskunde te wijden verdwenen, zelfs mijne lievelingsstudiën, zooals physiek en astronomie, liet ik zonder groote moeite bijna geheel varen.quot;
Zóó beloonde G-od de gehoorzaamheid van den student en het vertrouwen der christelijke moeder. Minder gevaarlijk voor hem waren andere bekoringen, welke die overgangstijd voor hem mee bracht; want zou men het gelooven? Het ontbrak niet aan zoogenaamde vrienden, die hem trachten te overreden den geestelijken stand niet te kiezen; âimmersquot;, zoo zeiden zij, âhij levert geen genoegen, maar veel moeite op. Besteed uwe talenten en kennissen liever voor de wereld,
26
die belooft u eer en geluk.quot; Al die vóórspiegelingeit brachten bi] Neumann slechts een verachtend glimlachen teweeg; hij was door de genade reeds te zeer verlicht, om de ijdelheid van dat alles niet in te zien-
Op het Allerheiligenfeest van het jaar 1831 begon hij dan te Budweis de studie der gewijde wetenschappen. De beperkte ruimte van het Groot-Seminarie veroorloofde hem echter niet aldaar zijn intrek te nemen: hij koos dus zijn verblijf in eene stille woning.
â Voor God en de studiënquot;, dit bleef ook thans zijne vaste leuze. Zijne zucht naar kennis vond nu een nog waardiger voorwerp en met al de zorg en al den ijver, die plicht en neiging hem ingaven, legde hij zich geheel op de Theologie en de daarbij behoorende vakken toe; de natuurwetenschappen beoefende hij hoogstens nog als bijvak. Hij genoot dan ook het beste succes tot groote tevredenheid zijner professoren, en de jaarlijksche studieverslagen, die in de Procesakten zijn opgenomen, bevatten de vleiendste getuigenissen. (') Reeds in het eerste jaar, den 21en Juli 1832, had hij met slechts weinigen het voorrecht de Tonsuur en de vier kleine Orden te ontvangen. Studiegen ooten verzekeren ons, dat zijne kennissen in alle theologische vakken grondig en omvangrijk waren. Met zóó groote liefde legde hij zich op de studie der H. Schrift toe, dat
(i) In de bulletins van 1832 en 1833 ontving hij de noot: etniueniia, niet alleen-, voor zijn gedrag, maar ook zoowel voor zijn toeleg als vooruitgang en dat wel ini alle vakken.
27
geen feit, zelfs uit het Oud-Verbond, geen bijbelsche persoon hem vreemd, geen plaats der H. Schrift hem onbekend bleef. Eenige theologanten waren gewoon tot nuttige ontspanning elkander zonder bepaalde orde vragen te stellen over de geheele H. Schrift, omtrent tijden, plaatsen, personen en gebeurtenissen; zij maakten elkaar opwerpingen, die beantwoord moesten worden en stelden moeielijkheden voor, omtrent het toepassen van schriftuurplaatsen. Ook bij dezegelegenheden had Neumann steeds het juiste antwoord gereed. Hij was trouwens zelf begonnen den oorspronkelijken Griekschen tekst in vier levende talen tegelijk over te brengen. Hebreeuwsch was hij zoover machtig, dat hij alle moeielijkheden zijner medestudenten omtrent die taal kon oplossen. Ook in de Theologie muntte Neumann uit. Met den Professor der Moraal, een uitstekend geleerde, hield hij eens een godgeleerd dispuut, dat twaalf tot veertien uren duurde. Bij het einde daarvan maakte de Professor de opmerking: âHadden wij een snelschrijver gehad om Neumann's verdediging op te teekenen, zeker zou elk theologisch tijdschrift ze gaarne hebben opgenomen.quot;
Zóó slaagde hij in zijne studiën. Inmiddels zette God het werk zijner genade in de ziel zijns dienaars voort. Het oogenblik ging trouwens aanbreken,, waarop de vrome jongeling de roepstem Gods vernemen zou, hem uitnoodigend om zijne familie en zijn vaderland te verlaten en zich uit liefde tot Hem toe-
28
te wijden aan het heil der verlatene zielen in Amerika.
't Was in 't begin van het tweede studiejaar der Theologie â Neumann was toen 21 jaar oud â dat Gods wil hem duidelijk werd; de goddelijke liefde was in zijn hart reeds machtig genoeg en zonder voorbehoud gaf hij zich aan G ods genade over. En het was geen gering of gewoon offer, dat hem door die roepstem gevraagd werd. Naar Amerika te gaan en daar als priester te werken, werd in het jaar 1832 in Boheme voor hetzelfde aangezien, alsof men vrijwillig den .marteldood tegemoet ging. Men stelde zich toen Amerika niet veel beter voor dan eene wildernis, een land vol ontberingen, lijden en vervolgingen, dat den missionaris geen ander vooruitzicht openstelde, dan voor Gods eer en het heil der zielen gezondheid en leven op te offeren. Boheme had trouwens nog geen zijner zonen als missionaris daarheen zien vertrekken. Al was nu ook de toestand in Amerika in werkelijkheid zoo donker niet, â voor Neumann, die het niet anders kende, was het offer ontzaggelijk groot; â en de toekomst heeft bewezen, dat ten minste voor zijn persoon dat donkere vooruitzicht waarheid was.
De uitwendige aanleiding, waardoor zich deze roeping openbaarde, was Neumann's professor der H. Schrift, de Eerw. Heer Körner. Om den ijver zijner leerlingen voor de studie der gewijde boeken te ontvlammen, sprak deze met bezieling over den grooten Apostel Paulus, die voor God en de zielen zooveel
29
gewerkt en geleden had. Een van Neumann's vrienden werd daardoor vervuld van de begeerte, den Apostel na te volgen, en de berichten van het âLeopoldinen-vereinquot; (') deden hem zijne gedachten keeren naar het groote arbeidsveld, dat in Amerika openlag. Ook Neumann had die afleveringen van genoemde vereeniging gelezen, en toen hij eens met dien student eene wandeling langs den Moldau deed en deze hem zijn plan openbaarde, sprak ook Neumann, na eenige tegenwerpingen, strekkende om het besluit van zijn vriend te beproeven, vastberaden de woorden uit: âAVeet gij wat'? Ik ga met u naar Amerika; dat is mijn ernstige wil.quot; Van dien tijd af was zijn besluit zóó vast, dat hij aan niets anders meer denken kon. De twee vrienden besloten, eerst den tijd der Priesterwijding af te wachten, doch reeds spraken zij bijna van niets anders meer, dan van hun plan en van de wijze van uitvoering. Voor Neumann in 't. bijzonder had van dit tijdstip af alles, wat hij deed en ondernam, slechts het doel een waardig missionaris-te worden. Vooreerst beschouwde hij, en terecht, geheimhouding als een noodzakelijk middel om te slagen: niet dan weinige vertrouwden kenden zijn plan en drie jaren lang wist hij het voor zijne ouders te verbergen ; hij begreep trouwens, dat eene ontijdige bekendmaking hem van hunne zijde ofwel groote moeilijk-
(i) Eene vereeuiging, die zich het bevorderen der vreemde Missiën ten doeL stelde.
30
heden en verzet berokkenen kon, of hun noodeloos heb verdriet der scheiding zou vervroegen. Ook was hij ervan overtuigd, dat zijne voorbereiding vooral moest bestaan in moedige zelfverloochening, ijverig gebed en degelijke studie, gepaard met een groot vertrouwen op God. Van dien tijd af zagen hem medestudenten en professoren zich met zooveel ijver op de studie toeleggen, met zooveel godsvrucht en volharding bidden, dat hij aller bewondering afdwong. In 't bijzonder waren zijne taalstudiën, waarover wij reeds in het eerste hoofdstuk gesproken hebben, voor een gedeelte althans de vrucht zijner roeping. âEen missionaris,quot; zeide hij, âmoet zooveel mogelijk alle levende talen spreken.quot;
God gebruikt dikwijls de kleinste middelen om zijne gewichtigste plannen ten uitvoer te brengen. Zoo werd ook de wensch van Neumann, om nog eene leemte in zijne taalkennis aan te vullen, het middel in de handen der Voorzienigheid, om haren dienaar de krachtigste en heilzaamste aller voorbereidingen tot het priesterlijke leven te doen ondergaan: hem nog meer te zuiveren en te sterken door het lijden en de beproeving. Op dat tijdstip namelijk was Neumann de Engelsche en Fransche talen nog niet machtig. Nu hoopte hij te Praag, de hoofdstad van Boheme, gelegenheid te vinden die talen te leeren; en daar de Bisschop van Budweis het recht had eenigen zijner â¢studenten aan het aartsbisschoppelijk Seminarie al-
31
-.laar te laten studeeren, vroeg Neumann om deze gunst, welke hem met de grootste bereidwilligheid werd toegestaan. Zoo ging hij dan in het najaar van 1833 naar Praag, met het plan, dat wij zooeven hebben vermeld. God echter wachtte hem daar met geheel andere bedoelingen; in hem zou weldra het woord des H. Alphonsus in vervulling gaan: âGroote heiligen worden niet gevormd dan door groote kruisen.quot;
Al aanstonds ondervond hij eene teleurstelling, want nauwelijks had hij eenige Fransche lessen aan â¢de Universiteit bijgewoond, of er verscheen een verbod van den aartsbisschop, inhoudende, dat geen â der seminaristen die lessen mocht volgen. Hij was dus genoodzaakt zich door private studie in die twee talen te bekwamen. De kennis van het Fransch schatte hij trouwens zóo hoog, dat hij zeide : âElke theologant moet enkel reeds uit achting voor de Fransche godgeleerden en ascetische schrijvers die taal aanleeren,quot; en hij slaagde daarin zóo goed, dat hij een examen, waartoe hij zich bij het einde van het eerste jaar vrijwillig aanbood, met schitterend succes aflegde. Voor het Engelsch waren hem eenige Engel-schen, die te Praag op een fabriek arbeidden, behulpzaam. Zijn dagboek, een geschrift, waarin hij de indrukken van zijn gemoed dikwijls op de treffendste wijze wedergeeft en zijn hart, bij gebrek aan een :goeden vriend, voor zich-zelven en God alleen uit-rstort, schreef hij gedeeltelijk in het Engelsch en het
32
Fransch, en wel zonder andere fouten, dan die slechts door langdurige oefening kunnen vermeden \70rden. ('gt; Wat inmiddels zijne theologische studiën betrof, vinden wij in hem zoo mogelijk een nog grooteren ijver te Praag' dan te Budweis. Zelfs de nachtrust werd er dikwijls, aan opgeofferd, zoodat zijne oogen soms hunnen dienst weigerden en hij sinds dien tijd een bril moest dragen. Niet alleen physiek en astronomie, gelijk wij reeds hebben opgemerkt, ook zijne liefhebberij voor de schilderkunst bracht hij thans ten offer ; âde tijd. is te kostbaar,quot; meende hij. Des te meer hield hij zich in vrije uren bezig met ascetische geschriften, vooral met de Inleiding tot het godvrucJitig leven door den H. Franciscus van Sales; met het werk getiteld: De geest van den H. Franciscus v. Sales, het reeds aangehaalde-werk van Lodewijk v. Grenada, het leven van den H. Vincentius a Paulo, en het Lijden van Christus volgens Catharina Emmerich. Reeds toen ook las hij, met voorliefde de werken van den H. Alphonsus, toen nog niet gecanoniseerd; het schoone werkje des Heiligen: âDe weg des Halsquot; vertaalde hij in het Duitsch, ook met het doel om het in druk te verspreiden. De uittreksels, die hij tijdens zijne theolo-
(1) Dit dagboek is ons slechts gedeeltelijk bewaard. Het heeft vooral betrekking op zijne studiejaren te Praag en geeft ons een diepen blik in zijn gemoed. Het zijn bladzijden, dikwijls eencn H. Alphonsus of eenen H. Franciscus Xaverius waardig. De plaatsen, die wij eruit zullen aanhalen, zijn ontleend aan zijne Duitsche levensbeschrijving door Pater Berger, C. SS. R. (Leben u. Wirken des hochseligen Joh~ Nep. Neumann. New-York, Benziger Br. 1883.)
33
gische studiën bij wijze van bloemlezing uit de werken des H. Franciscus Xaverius en der H. Theresia maakte, vormen minstens acht-en-dertig lijvige cahiers. En om zich goede boeken te verschaffen legde hij zich vele ontberingen, zelfs in de kleeding, op, zoodat eens op Nieuwjaarsdag zijn toog in zulk een toestand verkeerde, dat hij zich bij de andere studenten niet durfde aan te sluiten om den Aartsbisschop zijne ge-lukwenschingen aan te bieden.
Wij hebben reeds opgemerkt, dat Neumann werd teleurgesteld in het doel, wat hij bij zijn vertrek naar Praag beoogd had. Doch dit was slechts het geringste leed. Op veel pijnlijker wijze zou hij worden beproefd ; in zijne heiligste gevoelens zou hij gekrenkt worden, en tevens van alles worden beroofd, wat volgens menschelijke berekeningen hem noodig was om zich tot een volmaakt priester te vormen. De goddelijke Verlosser, die niet dan door verborgenheid, verachtingen, lijden, zijn werk had voorbereid en volbracht, belastte zich om zoo te zeggen uitsluitend met de verdere opleiding van Neumann's ziel en koos daartoe de middelen uit, waaraan Hij zich zeiven tijdens zijn leven op aarde onderworpen had. Vooreerst dan dient hier te worden aangestipt, dat de geest, die in het Seminarie te Praag heerschte, niet aan dien van het Seminarie te Budweis gelijk was. Hier, te Budweis, hadden alle professoren, op eene enkele uitzondering na, een echt kerkelijken geest en
34
waren zij voor hunne taak berekend. Te Praag was de toestand niet zoo gunstig. Men dient hierbij in aanmerking te nemen, dat in de jaren, waarover wij thans spreken, op een groot gedeelte der Oostenrijk-sche monarchie nog het oordeel van toepassing was, dat een onzer beste geschiedschrijvers geeft over den toestand der Katholieke Kerk in ons eigen vaderland in het begin dezer eeuw. âDe Katholieken.... hadden den invloed ondervonden van den adem, die over de Roomsche Geestelijkheid bij den aanvang dezer eeuw was heengegaan, welke eene soort van verzwakking en kwijning van het katholieke leven had teweeggebracht, eene verzwakking, waarvan de grondoorzaak moet gezocht worden in den algemeenen invloed der âliberalequot; wereldbeschouwing, de vrucht van de phi-losophie der achttiende eeuw. Deze heeft onmiddellijk en middellijk op alles teruggewerkt. De Josephistische overheersching der Kerk door den Staat was daarvan het rechtstreeksch gevolgquot;, (') â en, wij voegen erbij: deze voortdurende staatsinmenging in kerkelijke aangelegenheden had ook juist de geestelijkheid van hare kracht, om aan slechte invloeden te weerstaan, beroofd: nl. van de innige vereeniging met en gehechtheid aan het pauselijk gezag. Wat had de eerste Duitsche Redemptorist, de Zalige Clemens Maria
i) Aldus Dr. Nuijens in zijn ^Geschiedenis van het Ne der landsche Volk van 1815 tot op onze dagen.quot; Dl. I, blz. 70.
35
Hofbauer, geen treurige ondervinding, zoowel in zake van kerkelijke leer als van kerkelijke tucht, zoowel als jongeling als nog in zijne laatste levensjaren moeten opdoen! Nauwelijks dertien jaren waren sinds zijn zaligen dood vervlogen; wel was door zijn invloed het katholieke leven in Oostenrijk een tijdperk van nieuwen bloei ingetreden, doch zal het ons verwonderen, dat in bijzondere kringen de oude toestanden soms niet dan zeer langzaam door betere werden verdrongen ? â Zoo verhaalt ons dan Neumann zelf, dat de Professor der Dogmatiek eer tegen den H. Stoel was ingenomen, dan hem goedgezind; de moeielijk-heden echter, welke hij maakte, waren zoo onbeduidend, dat hij, â zoo meende onze student â te weinig aanzien had om te kunnen schaden. De professor der Moraal droeg zijne stoffen op onverstaanbaar wijsgeerigen trant voor; die der Pastoraal was een Josephist in merg en heen. â Neumann kon er zich nauwelijks toe zetten, zoo getuigde hij zelf. meeningen te bestudeeren, wier dwaasheid hij inzag; nog veel minder kon hij ze aankleven, wijl hij ze voor onkerkelijk hield.
Zoo treurig ons van den eenen kant deze toestand mag voorkomen, evenzoo verkwikkend is het van den anderen kant, daarbij de wilskracht, het levendig en diep ingeworteld geloof van Neumann te zien, die in zulk eene omgeving eerst duidelijk aan het licht traden. Hij, een jongeling van twee-en-twintig
36
jaren, wist zich te verzetten tegen en pal te blijven staan te midden van een stroom, die dikwijls de besten en de sterksten meesleept; anderen wist hij bovendien door zijn eigen overtuiging te steunen. Zoo vinden wij onder Neumann's papieren van dien tijd een opstel over de onfeilbaarheid des Pausen, welke hij tegen zijn professor met alle kracht verdedigt. Het herinnert ons onwillekeurig aan het woord, dat eens de zalige Hofbauer een zijner professoren te Weenen toevoegde, toen deze iets vooi-droeg, wat met de leer der Kerk niet strookte. âProfessor, zoo sprak de Zalige, terwijl hij van zijn zetel opstond, wat gij daar leert is niet katholiek. Het stuk van Neumann moest dienen tot antwoord aan een voormalig medestudent te Budweis, die Neumann omtrent zijne meening over dit punt â toen nog niet als dogma verklaard â ondervroeg. Tot behoedmiddel tegen de onverschilligheid en ietwat rationalistische richting, waarin hij gedwongen was zich te bewegen, strekte ook ongetwijfeld zijne liefde voor de geschriften der Heiligen, in het bijzonder zijne voorliefde voor de werken des H. Alphonsus, die, naar het bekende getuigenis, den moed had gehad, als 't ware alleen staand den vernielenden stroom van den tijdgeest te keeren. ')
Het kon echter niet anders, of zulk een midden.
gt;) Woorden van den Jezuict P. Alb. Diesbach, vriend van den Zaligen Cl. Hofbauer.
37
â waarin Neumann leven moest, werd voor hem een bron van het bitterste lijden. Daarbij kwam, dat verreweg het grootste aantal zijner medestudenten bezield was met een geest, die weinig strookte met Neumann's godsvrucht en levendig, kinderlijk geloof. Hun gedrag jegens hem beantwoordde aan hunne opvattingen, en zoo werd het onvermijdelijk, dat hij, die de verborgenheid en eenvoud beminde en diep doordrongen was van hetgeen een toekomstig priester en missionnaris betaamt, met verachting en spot bejegend werd. Zij beschouwden hem als een zonderling en dikwijls werd hij het mikpunt van hun moedwil. Het uiterst grievende, dat daarin voor Neumann's edele ziel lag opgesloten, voor hem, die van zijnen kant allen eene echte liefde toedroeg, werd hem nog pijnlijker door de herinnering aan Budweis, waar hij zich in zijne eerste tien studiejaren zooveel vrienden had verworven; en zóó kwelde hem die verlatenheid, dat zij hem soms de tranen uit de oogen perste. Even grievend was het voor zijne godsvrucht, gesprekken te moeten aanhooren, die met den eerbied, welken vooral een seminarist aan gewijde zaken verschuldigd is, weinig strookten. Den 10 December 1834 werd hij op een nog pijnlijker proef gesteld. â Openlijk, in de groote zaal van het seminarie, werd op dien dag luide een brief voorgelezen, aan den President van het seminarie gericht, waarin Neumann om zijne zoogenaamde overdreven godsvrucht ineen
zeer hatelijk en bespottelijk licht werd gesteld, met het gevolg, dat de toehoorders om zoo te zeggen zich tot eene partij tegen hem vormden. Zijn dagboek legt dan ook het getuigenis af, hoezeer zijn natuurlijk eergevoel door deze handelwijze werd gekwetst. Door-zijne professoren werd hij meestal miskend; daarbij kwam nog, dat zijne vroegere vrienden hem veelal vergaten.
Al dit lijden zou nog eenigermate dragelijk voor Neumann zijn geweest, indien hij tenminste bij zijn Overste, den President van het seminarie, of bij een goeden biechtvader troost en moed had kunnen vinden. Doch wellicht het pijnlijkste van alles was de verhouding, die tusschen hem en den President ontstond. Zoo gaarne had hij met hem omgegaan als een kind met zijn vader, doch een onoverwinnelijke afkeer maakte hem dit telkens onmogelijk. Was het enkel eene bekoring, die Neumann's ziel tegen zijn Overste innam? Of wettigde werkelijk het optreden van den President die stemming? Neumann schreef zelf in zijn dagboek; â't Is mogelijk, dat de oorzaak dezer beoordeeling alleen in de boosheid van mijn hart ligt;quot; doch zeker is het, dat hij in zijnd ongunstige opvattingen over diens handelwijze jegens de studenten, als weinig liefderijk en voorkomend, niet alleen stond; ja zelfs was het oordeel der anderen nog ongunstiger dan het zijne. Bovendien kende
39
de President Neumann's plan om naar Amerika te gaan en scheen hij daarmede weinig ingenomen; des te meer spoorde hij hem echter aan, in de Sociëteit van Jezus te treden, zich beroepend op den invloed, dien hij bij die orde omtrent het aannemen van postulanten genoot. Neumann had zelf reeds de gedachte gehad die orde, welke hij zeer hoogachtte, in te treden, ten einde daar die geestelijke leiding te hebben, waaraan zijn hart zoozeer behoefte had. De wijze echter, waarop de President zich in dit punt bij hem scheen op te dringen, had juist de tegenovergestelde uitwerking. Hij meende toen beter te doen met naar een missiehuis te gaan, van welks oprichting toen spraak was; zoowel om daardoor ook andere Theologanten aan te sporen zich aan het missiewerk te wijden, als om zijne landgenooten in Boheme op te wekken tot grootere ondersteuning van het âLeopol-dinenverein.quot;
Wat de jonge student in de Societeit van Jezus overvloedig zou hebben gevonden, de leiding naar de priesterlijke volmaaktheid door een ervaren zielbe-stuurder, dat bleef hij vruchteloos zoeken te Praag. Niet alleen vond hij geen overste, die hem verstond; ook geen biechtvader, gelijk hij in zijn toestand en met het oog op zijn ernstig streven naar volmaaktheid er een noodig had. Bovendien moet men Neumann's hooge opvatting over het Sacrament dei-Biecht kennen, om het pijnlijke dezer berooving ten
40
volle te beselfen. Immers wat het vurigst verlangen naar de volmaaktheid, de grootste vrees van God te mishagen, de diepste overtuiging van eigen ongenoegzaamheid en tekortkoming, het levendigst geloof in de beteekenis en uitwerkselen van het Sacrament van boetvaardigheid eene ziel ten opzichte van dit Sacrament kan ingeven, dit alles vinden wij in Neumann's aanteekeningen terug. Reeds op den dag, die zijne biecht voorafging, bereidde hij zich daartoe voor; elke voorbereiding bevatte ook een gebed voor zijn biechtvader, opdat God diens verstand mocht vellichten en hij door hem Gods Wil mocht leeren kennen. Een generale biecht, welke hij den 14 Februari 1835 aflegde, beschouwde hij als eene der gewichtigste gebeurtenissen; de voorbereiding daartoe duurde verscheidene weken en hij hoopte, dat zij een keerpunt in zijn leven zou zijn, om zich daarna, gelijk hij zich uitdrukte, met alle krachten van ziel en lichaam toe te wijden aan den dienst en de liefde van God. Isa elke biecht ontlokte hem de ontvangen genade een innige ontboezeming van dankbaarheid, âal gevoel ik, â zoo voegt hij erbij â al gevoel ik in mijn hart geen vreugde en al is mijn gemoed dor en verslapt.quot; Geen dag liet hij voorbijgaan, zonder zijn geweten te onderzoeken en God om vergeving te biddfen, maar als hij zich tot de biecht voorbereidde, was zijn berouw bijzonder groot. Ja, zóó vurig was zijn verlangen om zijne ziel in dit Sacrament door het
41
Bloed van Jezus nog meer te zuiveren, dat hij slechts noode den voor de biecht bestemden dag afwachtte; en toch â niet zelden vond hij zelfs geen gelegenheid aan zijn verlangen te voldoen. En gelijk eene H. Berchmans zich over zijne geestelijke matheid beklaagde bij het wegvallen eener H. Communie, zoo hooren wij Neumann bij het wegvallen der biecht klagen in zijn dagboek: âNu zal ik weder, acht dagen lang, mij zwak en ongelukkig gevoelen.quot;
Doch ook met die zoo pijnlijke verlatenheid van â den kant der menschen was de maat voor Neumann niet gevuld. God had besloten zijne ziel tot een geschikt werktuig te vormen voor het vermeerderen zijner glorie; uit die ziel moest dus alle zelfzucht, alle zelfoverschatting gebannen worden. Zij moest worden bevestigd in diepe nederigheid, zij moest van alles worden ontdaan, wat niet goddelijk in zijn oorsprong was, en vervuld worden met de kennis Gods, met een onbeperkt vertrouwen op zijne goedheid alleen. Eigen heiliging moest van dat alles het eerste gevolg zijn ; vruchtbaarheid voor zijn apostolischen werkkring zou er verder noodzakelijk uit voortspruiten. Wij gaan dan ook in Neumann's ziel terugvinden, wat wij in de geschiedenis van alle Heiligen lezen en waarop de lezing der werken van de H. Theresia en van den H. Alphonsus hem reeds had voorbereid : de kwellingen des geestes. Het was trouwens ook billijk, dat Neumann, eer hij in het leger van Jezus Christus
42
als een der voornaamste strijders zou plaats nemenr in de zwaarste inwendige beproevingen blijken van moed, kracht, getrouwheid en onoverwinnelijke liefde voor zijn Meester gegeven had.
Het dagboek van Neumann stelt ons in staat den loop zijner inwendige beproevingen van nabij te volgen. God begon dan met hem zijn gevoeligen bijstand te onttrekken. Hij liet toe, dat in dien toestand van ongevoeligheid en dorheid hem tegelijk twijfels en bekoringen, droefheid en neerslachtigheid overvielen, terwijl hij, gelijk reeds gezegd is, niemand vond, die den toestand zijner ziel begreep of tenminste hem de zoo gewenschte hulp verschafte. Hij ondervond in deze jaren van zijn seminarieleven walg en afkeer van het gebed en het vervullen zijner plichten ; zijn geest werd in duisternissen gehuld, waarin geen plaats meer voor geloof, hoop of liefde scheen te zijn. Hij had een gevoel, alsof hij van God verlaten en verstoeten werd. Wel zocht bij God â dit getuigenis-gaf hem zijn geweten nog ; maar dat zoeken zelf ging vergezeld van de angst, of hij God wel werkelijk liefhad. Gelijk zijn roepen tot God onbeantwoord scheen te blijven, zoo meende hij ook soms, dat zijn gebed zelf niet oprecht was. Gewetensangsten kwelden hem; vertwijfeling zelfs dreigde zich van hem meester te maken. De gedachten aan zijn Engelbewaarder, aan zijnen Patroon gaven hem geen steun ; het denken aan den Verlosser en aan de Troosteres der bedruk-
43
ten was slechts â zoo schreef hij â als een nevel voor zijne oogen. Bekoringen van ongeduld overvielen hem; nog schrikkelijker waren de bekoringen tegen het geloof; reeds de gedachte aan hun mogelijken terugkeer vervulde hem met angst. Werd hem soms een oogenblik verpoozing gegeven, dan was het om weldra weer plaats te maken voor nog grootere geesteskwelling. Hij gevoelde zich in dien toestand zóó zwak voor de beoefening der deugd, dat het hem als 't ware tastbaar werd, hoe Gods onverdiende barmhartigheid alleen hem van de zonde terughield. Ook tegen de deugd der engelen, het sieraad van den jongeling, werd hij bekoord; maar toch bekende hij, dat dergelijke aanvallen lichter te overwinnen waren, dan bekoringen tot traagheid, onwil, afgunst, ijdelheid en hoovaardij, wijl deze minder grof en merkbaar waren-En hoe dichter hij zijn doel, de heilige Priesterwijding, nabijkwam, des te heviger en veelvuldiger werden de aanvallen ; ja, hij werd zelfs bekoord om zijne priesterlijke roeping vaarwel te zeggen ; hij vreesde, voor hare moeielijkneden niet berekend, en hare verhevenheid volstrekt onwaardig te zijn. Ook de gedachte aan de scheiding van zijne familie kwelde hem reeds bij voorbaat zoozeer, dat hij soms tranen schreide; het onbekende van zijn nieuwen toestand, de verre afstanden, de gevaren der toekomst, de verlatenheid te midden van vijanden van den godsdienst, het onherroepelijke van den stap, dien hij ging doen, dat alles
44
kwam hem in donkere kleuren voor den geest. De gedachte, dat hij vóór zijn vertrek nog de H. Mis in tegenwoordigheid der zijnen zou kunnen lezen en hun zijn priesterlijken zegen geven, troostte hem nog â eenigszins ; doch het duurde niet lang, of hij vernam, dat God ook dit offer van hem vroeg; hij zou naar Amerika moeten vertrekken vóór zijne priesterwijding.
Dit alles kan ons eenig denkbeeld geven van het lijden, dat Neumann in zijne laatste studiejaren heeft doorstaan. Doch niet hij, die enkel lijdt, wordt zalig geprezen, maar die het lijden goed verdraagt en er het voordeel uit weet te trekken, dat God ermede beoogt. Welnu, evenzeer als het beschouwen van zijne beproevingen ons medelijden wekt, evenzeer wekt zijne medewerking met Gods genade onze bewondering. Zij kan allen ten voorbeeld dienen, die op gelijke wijze door God bezocht worden en die de schoone vrucht van het lijden willen erlangen, namelijk het volmaakte vertrouwen op God, de zuiverheid der üefde.
Vooreerst dan trachtte Neumann op alle mogelijke â¢wijzen zorg te dragen, zelf geene aanleiding tot dorheid â of bekoring te zijn. Wel verre dus van troost te zoeken in natuurlijke genoegens en ontspanningen, liet hij de beoefening der profane letterkunde opzettelijk toen bijna geheel varen. Zoo verweet hij zich ernstig, als eene oorzaak van verstrooiing, de sonnetten van Petrarca gekocht te hebben. âWaartoe zal mij dit werk
45
dienen ?quot; zoo teekende hij in zijn dagboek aan ; âik heb den H. Geest niet aangeroepen en daarom ben ik in de fout gevallen, van mij in de gelegenheid te stellen om zonde te doenquot;. Ook maakte hij het besluit, de lezing van Shakespeare's werken geheel op^ te geven, hoe nuttig die hem ook schenen voor het aanleeren van het Engelsch. Als eene ongetrouwheid in dit opzicht vinden wij ook in zijn dagboek aange-teekend, het lezen eener Satyre van Horatius. Dergelijke aanteekeningen vinden wij in zijn dagboek dikwijls terug. Ook het dam- en schaakspel vond geen genade meer in zijn oogen ; het scheen hem te veel eene bron van verstrooiing; âslechts nu en dan â zoo teekent hij aan â zou ik het nog willen doen, als middel om mijne bekoringen van afgunst, van vreugde over eens anders ongeluk, gemakkelijker op zij te zetten.quot; Een andermaal meende hij zijne ongerustheid te moeten wijten aan eene kleine onmatigheid bij het ontbijt wij weten trouwens, op hoe streng rantsoen hij zich zeiven sinds zijn zestiende jaar omtrent ontbijt en avondeten had gesteld. Eens had hij een verlangen om wat fruit te koopen niet ingewilligd. Leze daad van versterving was voor hem de aanleiding om het besluit te maken, voortaan dikwijler te vasten. Hij veroordeelde zich ertoe, zijn brood, de helft zijner soep en de helft zijner portie visch aan een armen student af te staan. Ook had hij zich tot regel gesteld, om vier uur 's morgens op te staan, één uur vroeger dan
46
was voorgeschreven; een dag, waarop hij zich aan dat voornemen niet gehouden had, teekent hij met groot berouw als een ongelnkkigen dag, een dag vol onrust aan. Ten einde zich nog meer tegen elke nalatigheid te wapenen en zijne godsvrucht zooveel mogelijk te voeden te midden zijner verlatenheid, stelde hij nog de volgende voornemens als levensregel vast; âNa het opstaan zal ik de gebeden uit het boek; De dag des Christen, en eiken avond de zeven Boetpsalmen bidden.
Met mijne andere gewone gebeden zal ik ook doorgaan. Dagelijks zal ik een vers der H. Schrift overwegen. H. Geest, geef mij uwe genade daartoe.
Dagelijks, lieve Jezus, wil ik de geestelijke Communie doen, om U er toe te bewegen de heiligschen-nende Communiën in de wereld te beletten.
Eer ik eene kerk bezoek, zal ik telkens den veertienden, den zes-en-twintigsten of den drie-en-tachtig-sten Psalm bidden. (')
Vóór elke handeling, die op God betrekking heeft, wil ik zeggen; âO goede God, neig mijn hart tot U.quot;
In de kerk zal ik de voorgeschreven gezangen meezingen.
Eiken dag wil ik een hoofdstuk uit de Navolging van Christus en uit [den Catechismus van] Canisius of uit den Catechismus van het Concilie van Trente lezen.
(i) Ps. 14: Domine quis habitabit in tabernacnlo tuo. Ps. 26: Dominus illnmi-natio mea et salus mea. Ps. 83. Qnam dilecta tabernacula Uia.
47
Bij elke verandering van bezigheid wil ik het H. 'Kruisteeken maken om zoo de gedachte aan Gods tegenwoordigheid niet te verliezen.
In de vervulling der plichten van mijn staat wil ik nauwkeuriger zijn en met meer liefde en vertrouwen arbeiden.
Elk kwartier wil ik mij aan God opofferen en eene akte van hefde verwekken.quot;
Zoo deed Neumann van zijnen kant al het mogelijke, om aan den invloed van Gods genade niet te kort te blijven; zoo pastte hij ook den raad der Heiligen toe, van met des te meer eigen krachtsinspanning alle middelen op te zoeken en aan te wenden, naarmate de bijstand en verlichting minder voelbaar is. Al gevoelde hij zich dan ook in zijn droevigen toestand geen oogenblik zonder de vrees, of de weg, dien hij bewandelde, wel de ware was, â hij had zich ten ten minste het getuigenis kunnen geven, dat de oorzaak zijner dorheid niet in plichtverzuim en lauwheid was te zoeken, maar enkel in een liefdevolle beproeving Gods. Wij zien niettemin uit zijn dagboek, â¢dat in bijzondere gevallen zijne nederigheid hem .zeiven licht de schuld van alles gaf.
Doch, â en dit is in de geschiedenis zijner ziel wel het treffendste â ondanks deze zelfverwijtingen, ondanks al deze vrees, vertrouwt hij telkens inniger op God, sluit hij zich telkens nauwer bij Hem aan. Dien God, die hem zoo zwaar beproeft, blijft hij altijd als zijn
48
Vader beschouwen; niet eigen troost, maar vervullingvan Gods wil zoekt hij alleen. Hem klaagt hij zijn nood, Hem vraagt hij vertrouwvol vergiffenis voor zijne fouten, Hem blijft hij om hulp, kracht en volharding smeeken, ten einde niet te bezwijken in het lijden en niet te vallen in welke bekoring dan ook. Ja, hoe meer God hem van zich scheen af te stooten7 des te meer klemde Neumann zich aan Hem vast; hoe minder goedheid God hem scheen te betoonen, des te meer putte Neumann zich in liefdebetuigingen uit. Eens, op Palm-Zondag van het jaar 1835, nadat hij den Vastentijd in de overweging van Jezus' Lijden had doorgebracht, maakte hij zich van een gewijden palmtak een kruis, en bevestigde het op zijne borst, om daardoor het Lijden van Jezus beter indachtig te zijn. De duivel, hierover verstoord, deed in zijn binnenste een helschen storm ontstaan. Neumann liet zich echter van zijn voornemen niet afbrengen en schreef de volgende regelen neer: âMijn allerdierbaarste Jezus, om uit liefde tot U ook in mijn lichaam iets te lijden, heb ik mij uit den palmtak een kruis op mijne borst gemaakt, opdat het mij steeds aan UT mijn lijdenden Verlosser, herinnere. Welk eene vreugde ontwaar ik in mij, als ik voor U lijd! Doch dit alles, is veel te gering. O, ik zou door het vuur verteerd willen worden, zoo ik slechts uwe liefde volmaakter mocht bezitten. O Heer van mijn leven, van mijn lichaam. Heer mijner verlangens, mijner ziel, mijn
49
Schepper en mijn God, geef mij veel te lijden, dan zal ik U volmaakt kunnen loven en prijzen. Zie, sinds het oogenblik, dat ik het kruis op mijn hart bevestigde, woedt eene helsche bekoring in mij; maar toch ben ik verheugd U te kunnen toonen, dat ik U, o mijn God, meer liefheb, dan de genoegens dezer aarde. Mijne vreugde zijt Gij, o Jezus. Mijn hart verlangt altijd, en altijd weer opnieuw naar U. Kom, o mijne Liefde en mijn Al. Laat mij, als het U tot eere strekt. Missionaris worden, opdat ik voor mijne zonden kunne lijden, voor U, mijn goddelijken Leermeester, kunne sterven. Maar Uw wil, niet de mijne geschiede.quot; (')
Deze ijverige medewerking met de genade deed Neumann dan ook ruimschoots de vruchten plukken, welke God bij het toezenden van dergelijke inwendige kwellingen beoogt. Neumann zelf heeft er, zonder het te weten, in zijn dagboek schoone getuigenissen
(i) Wij kunnen ons niet weerhouden hier nog eene dergelijke bladzijde uit het dagboek des Eerbiedwaardigen den lezer vóór te leggen, wijl zij ons niet alleen de bovennatuurlijke stemming van den dienaar Gods doet kennen, maar ook aantoont, welk een edel hart en dichterlijk gemoed hij van God ontvangen had. Na de woorden dan, welke hij bij het wegvallen eener biecht had neergeschreven en die door ons reeds (blz. 38) zijn aangehaald, gaat hij aldas voort: wik wil den moed niet laten zinken. Gij, mijn dierbare Jezus, slaapt in de wieg mijns harten. Zijt gij vermoeid van het weenen over mijne zonden ? Vergeef mij, o goddelijk Kind. Ik wil gedurende uwen slaap uwe wieg met de schoonste bloemen sieren, opdat, wanneer gij ontwaakt, uwe oogjes zich verheugen, uw mond glimlache en het U beter bevalle in uwe woning. Mijne dierbare Moeder in den hemel, heilige Maagd Maria, leer mij de woning versieren van uw goddelijk Kind. Gij zijt immers vol van genade, de Heer is altijd bij u. Alle Engelen en Heiligen Gods, helpt mij. Met vergeet-mij-nietjes, o Jezus, wil ik U omringen ; zij zijn blauw gelijk uwe lief devolle oogen; o, vergeet mij niet op den dag des oordeels. U alleen wil ik steeds
50
van gegeven; en van den anderen kant zien wi] in de steeds toenemende heiligheid zijns levens er het sprekendst bewijs van. Leest meri zijne ontboezemingen met aandacht, dan vertoont zich zijne ziel, steeds, en altijd meer, levend van dat dubbel bewustzijn, van die dubbele overtuiging, die de gemoedsstemming der heiligen vormt. Eenerzijds zien wij in hem de diepe kennis zijner eigen ellende, het diepe bewustzijn des gevaars van elk oogenblik in zonde te vallen, zoo God hem niet tegenhield; van den anderen kant de innigste vereeniging met G-od door vertrouwen, berouw en liefde, gevoegd bij een voortdurend smeeken om vtrgiffenis, en een aanhoudend angstig maar vertrouwvol hulpgeroep tot God en Maria, 't Is of men iemand hoort, â en in werkelijkheid is dit het beeld van het leven der uitverkorenen, â die te midden van een onstuimige zee in een broos vaartuig elk oogenblik den dood in de oogen ziet, maar
voor oogen hebben ; Gij zijt immers mijn God. Op uwe borst, o goddelijk Kind, wil ik de witte lelie der zuiverheid en onschuld vasthechten.... De roos der liefde wil ik er bij voegen, want ik zie in, hoezeer gij mij bemint, en gaarne zou ook ik van ganscher harte U liefhebben... Bij elke bloem wil ik nog viooltjes voegen, opdat hun geur U aangen aam zij. O Jezus, mijn Leermeester, ik ben uw leerlingt schenk mij ware nederigheid, opdat ik toeneme in liefde tot U. O goddelijk Kind, nauwelijks beweegt Gij U, uwe wangen zijn bleek, aan uwe oogleden paarlen de tranen. Gij lijdt veel voor mij, verstoot mij niet; ik wil U niet meer beleedigen... Gij zijt mijn God en Schepper; niets bezit ik, wat Gij mij niet gegeven hebt. en dit wil ik U opnieuw teruggeven. Voor U slechts wil ik leven, beminnen wil ik, wat U verheugt, haten, wat U mishaagt. â Zie, hoe zacht het goddelijk Kindje sluimert. Waak en bid, o pdat Het u lief hebbe. Het zal u niet verwerpen; kinderen hebben immers een goed h art. Als gij zijne vreugde maar niet door eene ongehoor zaamheid, of zelfs door eene onachtzaamheid stoort; want het is ook uw God, die u oogenblikkelijk van zich verstoeten kan.'*
51
ook elk oogenblik door een hemelsche tusschenkomst daaruit wordt verlost, en zich altijd weer terugvindt rustend in de armen van Gods Voorzienigheid.
De diepe kennis van Gods oneindige heiligheid, door Neumann in deze beproevingen gewonnen, doet hem inmiddels van zijne geringe fouten, gelijk eene H. Theresia,als van misdaden en heiligschennissen spreken. Zij doet hem zichzelven beschouwen als een der grootste zondaren, als den laagste der menschen. Geene tekortkoming, hoe gering ook, zelfs geene in zich onvrijwillige, ontgaat zijn waakzaam oog; zijne steeds toenemende liefde tot God doet hem in elke fout een doodvijand zien; strenge straf wordt tegen elke uitgesproken. Als oorzaak van zijn haat tegen elke, ook de geringste zonde vinden wij ook aangestipt de vrees, dat wellicht eene kleine fout, het nalaten b.v. van het morgengebed, het slapen bij de voorbereiding tot de biecht, de oorzaak zou kunnen worden, dat God hem zijne overvloedige genade zou onttrekken, en die fout aldus de aanleiding tot zijn ondergang zou kunnen zijn.
Overtuigd van het groot gewicht, vooral voor een priester, van het goed besturen der tong, bidt hij God vurig, hem te leeren, hoe hij spreken moet; hij legde zelfs, den 4 October 1834, de gelofte af, voor elke overdrijving in het spreken den volgenden dag streng te vasten; een dergelijke straf legde hij zich op voor het geval, dat hij zich niet genoeg met de hem voor-
52
geschrevene studiën had bezig gehouden. Bovenal echter treft ons zijne liefde voor de nederigheid, ondanks den natuurlijken afkeer, dien hij voor vernederingen had. Niet tevreden God met aandrang om die deugd te bidden, smeekte hij God, op zijn afkeer niet te letten en hem te verhoeren, ondanks zijne vrees van verhoord te worden. Ja, zoo schreef hij, âwilt Gij, dat ik naar lichaam en ziel ongeschikt worde om onder de menschen te arbeiden, dan wil ik die beschaming met geduld verdragen!quot;
Zoo zien wij Neumann's ziel te midden dezer beproevingen zich louteren, sterken, en zich verrijken met al de genaden, die voor de nederigen zijn weggelegd. En te midden van dien tegenspoed begon voorgoed in hem vervuld te worden het woord des Apostels, dat om zoo te spreken het kort begrip van zijn toekomstig leven uitmaakt: âMijn leven is verborgen met Christus in God.quot; Vandaar die altijd klimmende zelfverloochening, dat toenemen zijner verstervingen en van zijn toeleg op het gebed. Niet tevreden met zijne dagelijksche meditatie, bracht hij te Praag zelfs in de koude winternachten menig uur al biddende door. Dikwijls werd er de geheele nacht aan opgeofferd, niet zelden onder den blooten hemel of in de kerk. Overmande hem soms de slaap, dan moest zich het afgematte lichaam met eenige uren rust op een paar stoelen tevreden stellen. Nooit, al klaagde men algemeen over de kost in het seminarie,
53
kwam over Neumann's lippen een woord van ontevredenheid. Zijn eigen wil onderwierp hij volkomen aan den regel van het seminarie; het scherpste oog, zoo verhaalt een zijner vrienden, kon in dit punt geene ongetrouwheid in hem ontdekken; âHet is een â voorschriftquot; het moet gebeurenquot; dit woord was Neumann's onveranderlijke leus. Zijne gehoorzaamheid aan Oversten en Professoren was oprecht, zonder slaafschheid, vleierij of uiterlijk vertoon; zij bleef dezelfde ook in hunne afwezigheid en met zorg vermeed hij de fout, zoo eigen aan studenten, van zich over hunne professoren lustig te maken en met hen te lachen. Eens, toen hem in dit opzicht eene tekortkoming was ontsnapt, legde hij zich eene strenge boete op. Aan wereldsche eer, die zoo licht een jeugdig gemoed verblindt en medesleept, had Neumann reeds voorgoed vaarwel gezegd, en hij werd in de gelegenheid gesteld, dit op schitterende wijze te too-nen. In 1835 had namelijk de Regeering aan het â¢seminarie de aanvraag gesteld, of een der wijdelingen, die echter vele talen machtig moest zijn, als secretaris bij een voornaam gezantschap zich wilde laten aanstellen. Iedereen beschouwde den linguist Neumann als den aangewezen persoon, doch hij liet, tot groote verbazing van anderen, de gelegenheid ongebruikt voorbijgaan. Te meer verdient dit opmerking, wijl hij van nature op het punt van eer gevoelig was; maar hij veroordeelde en bestreed die
54
eerste bewegingen onverbiddelijk gestreng; of zoo hem eene fout was ontsnapt, wist hij, op het voorbeeld der Heiligen, ze door waar berouw te herstellen en uit te boeten. â Eens had hij zich met grooten ijver tot het Kerstfeest voorbereid. Doch zie, drie dagen vóór het feest moest hij eene toespraak houden, waarin hij bleef steken; en om zich te redden uit zijne verlegenheid, nam hij zijne toevlucht tot eene onoprechte verontschuldiging. Zijn berouw over die fout was echter zóó groot, dat hij onder meer in zijn dagboek schreef: âMijn dierbare kleine Jezus, nu moet ik U aan uwe Moeder terug geven, ik ben niet waardig U langer te behouden. Hoe ongelukkig zou ik zijn, zóó te sterven. O wat pijnlijke Kerstdagen voor mij. Het Kindje Jezus weent in de kribbe over mijne zonde.quot; â Men herinnert zich nog, hoe Neumann, gelijk wij boven verhaalden, door zijne medestudenten eens diep vernederd werd door het openlijk voorlezen van een brief. Hij kende den schrijver ervan en men ried hem aan voldoening te vorderen. Doch hij weigerde beslist, en overlaadde den schuldige met teekenen eener innige vriendschap, tot zelfs hem een gedeelte van zijn voedsel af te staan. In zijne aanteekeningen omtrent deze gebeurtenis vindt men alleen eene afkeuring van zich zeiven, wijl zijne eigenliefde zich gekrenkt gevoelde; omtrent zijne medestudenten teekent hij slechts aan: âOm mij te vernederen, wil ik bij elke gelegenheid hun mijne
55
diensten aanbieden; zoo dikwijls ik een hunner ontmoet of zie, wil ik hem inwendig eeren, gelijk ik Jezus Christus eer, en hen overal, waar ik kan, verdedigen en verontschuldigen.quot;
Hoe diep intusschen de koningin der deugden, de liefde tot God, zich in zijne ziel gevestigd had, daarvan levert reeds zijne onwankelbare trouw te midden van al die beproevingen het schoonste bewijs. Ja, zoozeer was hij ervan doordrongen, dat hij aan elk, ook geestelijk genoegen verzaakte; dat hij God smeekte hem het zoo troostend gevoel der liefde te onttrekken, en hem liever de genade te geven van elke zonde te vermijden; overtuigd als hij was, dat de liefde niet in het gevoel, maar in het vervullen van Gods wil bestaat en dat de ware liefde zich eerst toont, wanneer zij alleen om God bemint, zonder troost en voldoening. Zijne verlangens waren in dit opzicht groot; hij wenschte, â zoo verklaarde hij â God lief te hebben gelijk Maria, gelijk de H. Joseph God hadden liefgehad. Op geheele bijzondere wijze echter uitte zich die deugd, als hij te Communie ging. Verscheidene dagen werden aan de voorbereiding gewijd; evenzoo bracht hij geheele dagen, ja zelfs nachten in dankzegging door. Dan was zijn hart onuitputtelijk in betuigingen tot zijnen Verlosser gericht. Lijden en vreugde, troost en verlatenheid, alles werd Hem toevertrouwd, alles aan Hem opgedragen, zich zeiven schonk hij altijd opnieuw als leerling en
56
slaaf. âGaarne, zoo teekent hij ergens aan, gaarne wil ik honger en dorst, hitte en koude verdragen, als ik slechts voor het H. Sacrament kan verwijlen.quot; Kan men zich een waardiger stemming in een seminarist als voorbereiding tot het H. Priesterschap denken ?
Uit die groote liefde tot God ontsproot van zelf een groote ijver voor zijne glorie. Vurig verlangde hij, dat alle menschen God liefhadden; zijn eigen vaderland zweefde hem daarbij bijzonder voor den geest. In zijn dagboek vinden wij uitvoerige aanteekeningen over den toenmaligen toestand der Kerk in de Oos-tenrijksche monarchie, die getuigenis afleggen zoowel van zijn juist oordeel en diepen blik als van zijne begeerte, dat de echt katholieke en religieuze geest weer overal in ouden bloei herleven mocht. Hoe betreurt hij het gebrek aan geestelijk leven in sommige kloosters van zijn tijd! Hoe scherp keurt hij het af, dat soms armoede, gemakzucht, eerzucht de schreden naar het klooster deed richten! âHoe komt het, vraagt hij, dat daarentegen in die en die kloosters zooveel vroomheid heerscht? Dat komt, wijl zij bij al hunne gestrengheid ook aan de eer en achting der wereld verzaken. Nederigheid, gij zijc het!quot; â Zelf zint hij op middelen om den verslapten ijver weer aan te wakkeren. En wat de ongeloovigen en zondaren betrof, te midden van zijn grootste lijden had hij nog medelijden met hen en bad hij voor hunne bekeering.
57
En gelijk het vernemen eener goede daad hem met vreugde vervulde, evenzoo gevoelde hij bij elke zonde, die hij bespeurde, al was het slechts eene oneerbiedigheid in de kerk, diepe smart.
Dit was het leven, dat de jeugdige Neumann als Seminarist te Budweis en te Praag leidde; in deze trekken schetst hij ons in zijn eigen dagboek de vorming zijner ziel tot die deugden en hoedanigheden, welke zijne toekomstige loopbaan zou vorderen. En wat nog onze bijzondere oplettendheid verdient, er spreekt uit die bladzijden een ernst en eene rijpheid van nadenken, die in den jongeling zoo dikwijls gemist wordt, en voor hem toch zóó kostbaar, ja zóó noodzakelijk is, dat de H. Augustinus een nadenkenden geest noemde: het begin van alle goed. (') Een van Neuman's meest vertrouwde vrienden geeft ons ten â¢slotte omtrent het optreden en het .karakter van Neumann in zijne studiejaren nog het volgend getuigenis: âLaat ik de tien jaren, welke ik in vertrouwelijken omgang met hem heb doorgebracht, voor mijn geest voorbijgaan, en onderzoek ik ernstig om fouten in hem te ondekken, dan vind ik slechts ééne onvolmaaktheid, als het ten minste eene onvolmaaktheid was, n.1. de eigenzinnigheid, waarmede Neumann somtijds aan zijne meeningen vasthield. Bij een jongeling â zoo gaat diezelfde getuige echter voort â bij een
fij hitellectus cogitabundns omnis boni principiuin.
58
jongeling, die zóó diep nadenkt en zóó helder ziet, en gewoonlijk het ware treft, is dit iets zeer natuurlijks. Zelfs is zonder dit vasthouden geen doortasten, geen overwinnen der opkomende moeilijkheden, ja zelfs-geene deugd mogelijk.quot;
Voegt men bij dit alles nog dezen, hem geheel eigenen trek, dat hij die akten van buitengewone deugd meest in het verborgen deed; dat hij alles, wat opzien baren kon, steeds met zorg vermeed en den schijn had slechts het gewone na te streven, dan hebben wij het beeld van den Seminarist Neumann voor onze oogen, gelijk hij bij het einde zijner studiejaren, bij het naderen der Priester-wijding was. En men zal moeten bekennen, dat zulk een jongeling, door zulk een lijden beproefd, met zulke standvastigheid, met zooveel andere deugden versierd, berekend mocht heeten voor de priesterlijke waardigheid en het priesterlijk leven; berekend voor de hooge positie, die hem in Noord-Amerika wachtte. Die roeping tot iets hoogers werd dan ook toen reeds door sommigen vermoed en een zijner bekenden legde in het proces der Zaligverklaring hefe getuigenis af; âToen ik wist, dat Neumann naar Amerika vertrok, was ik voor mij ook vast ervan overtuigd., dat hij eens Bisschop zou worden.quot;
DERDE HOOFDSTUK.
Einde der studiën. â Vertrek uit f rachatitz.
Straatsburg. â |(ancy.
Oponthoud te farijs. â ^ieuwe moeielijkheden. Zeereis..
1835â1836.
a twaalf volle studiejaren legde Neumann met T * goed gevolg zijn eind-examen af. 't Was den 6 Juli 1835. Twee dagen later verliet hij Praag, âwel kalm,quot; â zoo luidt zijne aanteekening â maar met het voorgevoel van vele onaangenaamheden.quot; Wij zullen dat voorgevoel weldra verwezenlijkt zien.
AVij gaan dan in dit hoofdstak er opnieuw getuigen van zijn, dat God soms zijne uitverkorenen juist op het oogenblik, als zij iets groots voor Hem gaan ondernemen, aan hun eigen zwakheid schijnt over te laten, terwijl de kwelling haar toppunt bereikt; dat Hij hun alle middelen en steunsels onttrekt, die tot het-bereiken van hun verheven doel onmisbaar schijnen-
60
Maar ook zullen wij reeds nu, en meer nog in het quot;vervolg des levens van Gods Dienaar zien, dat die beproevingen slechts de voorbereiding waren tot een des te schitterender redding: dat te midden van de duisternis der stormen, het licht der verhooring reeds aan het opgaan was, en dat, terwijl alle middelen â¢schenen weggenomen, God zelf langs eigen weg voor de oplossing had gezorgd. Aroorzeker, treffende en troostende gedachte voor al degenen, die den Eerbiedwaardige, wiens leven wij beschrijven, en zijn edelmoedig besluit willen navolgen, en zich bij de volvoering daarvan als 't ware van allen verlaten zien.
Den 10d,:n Juli dan kwam de student in zijne geboortestad Prachatitz terug, terwijl zijne ouders nog niets van zijn plan wisten. De vreugde van het wederzien moest ongetwijfeld voor hen zeer groot zijn; zagen zij nu hunne groote offers voor de vorming van hun dierbaren zoon niet met schitterenden uitslag bekroond? En mochten zij niet verwachten, nu getuigen te gaan zijn van de vruchten, die de deugden en groote kennissen van hunnen Joannes in de priesterlijke loopbaan voor de zielen zouden dragen'? Hun geloovig en liefdevol hart verlangde ongetwijfeld niets vuriger. Maar des te pijnlijker moest ook dit wederzien voor den jongeling zijn, wijl hij wist, dat geen enkel dier schoone verlangens, die het hart der ouders bij zulk een wederzien bezielen, in vervulling zou â gaan.
61
Men stelle zich nu den toestand van den vier-en-twintigjarige voor. De priesterwijding, die zoowel voor hem zei ven een groote troost zou zijn geweest, als voor zijne ouders, en hun vooral zijn aanstaand vertrek ten deele had kunnen verzoeten, was reeds aan de familieleden aangekondigd en reeds waren daarvoor maatregelen genomen; doch daar verneemt hij, dat de hoogbejaarde bisschop van Biul-weis de wijding onbepaald had uitgesteld. Hoe hij aan het noodige reisgeld voor Amerika zou komen, was hem nog een groot raadsel; en had hij eerst gemeend een gezel voor de moeielijke reis te vinden, weldra moest hij vernemen, dat ook deze ontbreken zou. Middelerwijl verliep een kostbare tijd en voor de uitvoering van zijn plan stond hij om zoo te zeggen nog alleen.
In deze omstandigheden toonde Neumann echter eene zielssterkte en vastberadenheid, die in een jongeling zou verbazen, herinnerden wij ons niet, in welk eene school van lijden zijne ziel reeds was gehard. Vooreerst ging hij verschillende vrome en geleerde mannen om raad vragen. Wist hij ook al, dat de Bisschop en de Kanunniken zijn voornemen niet gunstig gezind waren, van alle anderen ondervond hij goedkeuring en aanmoediging. Bovendien had juist in die dagen de beroemde bisschop van Philadelphia in Noord-Amerika, Mgr. Kenrick, â Neumann zou zijn onmiddellijke opvolger zijn â aan den President
62
van het Seminarie te Straatsburg de volmacht gegeven, om jonge priesters of, liever nog, theologanten voor de Amerikaansche missie aan te werven. Deze wendde zich wederom tot den Eerw. Heer Dichtl, priester der kathedraal te Budweis, die het plan van Neumann kende, en zeer blijde was in hemdeneerste te vinden, die tot de reis naar Amerika bereid was. De Eerw. Heer Dichtl maakte nu veel werk van de zaak en grootendeels aan hem heeft de kerk van Amerika het welslagen dezer onderneming te danken. Hij zag zich echter tot groote teleurstelling van Neumann genoodzaakt hem aan te raden, de hoogere wijdingen niet in zijn vaderland, waar hij nog wel vijf of zes maanden er op kon moeten wachten, maar in Amerika te ontvangen. Trouwens de oude bisschop van Budweis zou het toch niet op zich hebben durven nemen, Neumann priester te wijden, uit vrees, dat diens onderneming mislukken zou.
Werd Neumann aldus eenerzijds door den raad van wijze vrienden gesteund, van den anderen kant liet God toch vele moeielijkheden, zoo in- als uitwendige, bestaan en noodzaakte hem zijne verheven roeping tot den hoogst mogelijken prijs te koopen en het terrein voet voor voet te veroveren. Om niet te spreken van de telkens opnieuw dreigende bezwaren omtrent reisgeld, paspoorten, het verlof des Bisschops, die het oogenblik van afreize telkens deden verschuiven, wisselden neerslachtigheid en teleurstelling met
63
â¢i
moed en vertroosting af. Maar Neumann vond zijne kracht in het gebed en het ontvangen der H. Sacramenten ; hij trachtte bovendien nog door versterving en werken van naastenliefde zich Gods bescherming meer en meer te verzekeren. Zeer dikwijls deed hij bedevaarten, vooral naar die heiligdommen, waar de Allerheiligste Maagd bijzonder vereerd werd. Hij â¢deed ze altijd te voet, meestal alleen ; te midden van de grootste hitte deed hij niets om zich eenige verlichting te verschaften. Bij een dezer bedevaarten mocht hij ook zijne eerste preek houden, op het feest van O. L. V. Geboorte. Tot stof had hij gekozen, dat de Moeder Gods de hulp der Christenen is, dat men ze in alle noodwendigheden moet aanroepen. âDe preek viel minder goed uit, zoo bekent hij, maar ik heb de schande toch tamelijk goed verdragen.quot; â Veel bad hij voor de zielen des vagevuurs en dikwijls ging hij tot dat doel een tijd in de kerk of op het kerkhof doorbrengen. Eens, dat hij dit met een zijner vrienden tot laat in den avond had gedaan, toonde Neumann hem het sterrenbeeld des Kruises aan het uitspansel en zeide hem; âZoo dikwijls gij dat sterrenbeeld ziet, denk dan aan mij; ook ik zal aan u denkenquot; Treffende afspraak voorzeker voor den jongeling, wiens levenspad zoozeer door het kruis ge teekend was, en die later in zijn bisschopswapen het kruis zou voeren, als zinnebeeld van zijn vertrouwen op de kracht van Jezus' lijden, uitgesproken
64
in zijn devies : Passio Christi, conforta me: Lijden van Christus, sterk mij.
Om zeker te zijn van zijn tijd goed te besteden,, schreef hij zich den Isten November een vooiioopigen levensregel voor, waarin hij zich verplicht den tijd van 's morgens vijf uur tot 's avonds elf afwisselend aan studie en aan gebed te besteden. Geruimen tijd biechtte hij dagelijks, altijd minstens éénmaal in de week, steeds diep doordrongen van berouw en vol ijver om zich aan God aangenaam te maken. De nederigste gedachten over zich zeiven spreken nog altijd luide in de aanteekeningen dier dagen; wat tot eigen lof strekt, verzwijgt hij zorgvuldig. Dit laatste geldt in 't bijzonder een treffende liefdedaad door Neumann in dien tijd verricht. Den 13 December 1835 was in een naburig dorp, Pfefferschlag, een brand uitgebroken. Zonder aarzelen begeeft Neumann er zich aanstonds heen, vindt de bewoners van schrik verslagen en het geheele dorp, welks huizen van hout waren en dicht bij elkander stonden, bedreigd. Hij stelt aanstonds de mannen in twee rijen om water aan te dragen, beklimt zelf eene ladder en nadert het dichtst bij het vuur. Inmiddels waren nog eenige andere mannen van Prachatitz ter hulp toegesneld, en zoo was men den brand weldra meester; doch Neumann had zware brandwonden bekomen, die twee maanden later, bij zijn vertrek, nog niet genezen waren; zijne doornatte kleederen waren in een ijskorst
65
herschapen en hij had zóó gewerkt, dat hij geheel was uitgeput. De Prins van Schwarzenherg, tot wiens gebied het dorp behoorde, gaf hem eenige dagen later een zeer loffelijk getuigenis over die daad; de dankbare dorpsbewoners verlangden hem tot hunnen pastoor. En toen zij jaren daarna vernamen, dat in Amerika zijn leven in druk zou worden uitgegeven, stuurden zij een officieel relaas van dit feit, met het zegel der gemeente voorzien, naar den schrijver, met het verzoek om het op te nemen. In zijn dagboek nu toekende Neumann slechts aan: âIk ben bij het blusschen behulpzaam geweestquot;; het vleiend getuigenis van den Prins toonde hij niet, dan op last zijner moeder, ('j
Reeds waren er intusschen sedert zijn terugkeer in het ouderlijk huis verscheidene dagen verloopen, toen hij eindelijk de gelegenheid vond, zijn plan aan zijne moeder bekend te maken. De vrome vrouw toonde zich noch verrast, noch verschrikt; maar toch stelde zij hem met moederlijke bezorgdheid de gevaren van het missieleven Voor oogen, zóó echter, dat Neumann begreep, dat van haren kant geen tegenstand te vreezen was. Moeielijker was het hem, zijne zusters tot bedaren te brengen ; zij lieten geen middel van verzet
(i) De Acten van zijn Proces spreken nog van een andere schoone daad van Joannes, doch zonder het tijdstip op te geven. Eens was een zijner medestudenten bij het baden in gevaar geraakt van te verdrinken; aanstonds schiet Neumann toe, zwemt hem na, grijpt hem bij de haren en redt hem van den dood.
66
onbeproefd om het gevaar, dat, naar zij meenden, hun dierbaren broeder bedreigde, af te weren. Eerst zes dagen later, den 26 Juli, waagde hij het, zijn vader in te lichten. âMijn vader,quot; zoo voegde hij erbij, âik ben geboren niet om eer en roem na te jagen, maar om de schapen op te zoeken, die zijn afgedwaald.quot; De grijsaard trachtte met een glimlach de groote smart te verbergen, die deze tijding hem veroorzaakte ; doch hij vermande zich en antwoordde: âAls gij meent door God geroepen te zijn, zullen wij u niet tegenhouden; maar een eigenlijk afscheid moogt gij niet nemen.quot; Hoewel gerustgesteld, was toch Neumann voor de smart zijns vaders en van al de zijnen uiterst gevoelig; hij bad God het lijden zijner ouders te verlichten; maar ook hem zeiven viel de scheiding van die hij zoo innig liefhad zóó hard, dat de gedachte daaraan hem somwijlen deed beven. God schonk hem echter de afgebeden sterkte; hij bracht het offer zonder voorbehoud.
In het midden van December ontving hij eindelijk van zijn vriend de tijding, dat zijne paspoorten in orde waren. Het reisgeld, door de zorgen van den Eerw. Heer Dichtl onder de priesters gecollecteerd, was echter nauwelijks genoeg voor één persoon; men moest dus tot het pijnlijk besluit overgaan, Neumann alleen te doen vertrekken ; zijn vriend Schmid zou hem later volgen.
Een laatsten kamp had Neumann echter nog te
67
voeren tegen de ongevraagde raadgevingen van velen, die op allerlei wijzen hem van zijn plan zochten af te brengen. Neumann's gewone antwoord was : âAls God mij de genade geeft, zal ik mijn voornemen getrouw blijven.quot; â âMaar wat gaat ge,quot; zoo voegde hem een dier vrienden toe, âna zooveel jaren studie, naar Amerika, waar ge uwe kennissen toch niet gebruiken kunt ?quot; â âMaar gij dan,quot; hervatte Neumann, âwaarom brengt gij uwe waren naar verre jaarmarkten ?quot; â âOm daar meer winst te makenquot;, luidde het antwoord. âNu,quot; zoo besloot Neumann, âdaarom ga ook ik juist naar Amerika heen.quot; (')
In de maand Februari van het jaar 1836 brak dan het uur der scheiding aan. Den 8sten dier maand vond zijne zuster hem 's morgens in zijne kamer, voor de beeltenis van O. L. Vr. van Goeden Raad neêrgeknield en weenend. Bij haar intreden bedwong hij zich, nam dankbaar een kostbaren Rozenkrans, het geschenk van een zijner buren, aan; doch ook toen maakte hij niet bekend, dat hij denzelfden dag voor goed zou vertrekken. Hij wilde daardoor aan het verlangen zijns vaders, van geen afscheid te nemen, voldoen. De veelvuldige reizen, die hij in de laatste maanden had gemaakt, deden trouwens in de reis, die hij op dien
(i) Een bezwaar, door een zijner verwanten geopperd, werd door Neumann door â¢de daad zelve weêrlegd. »Gij zult het land nooit vinden,quot; zoo sprak de bekommerde vriend. Toen Neumann in 1855 als Bisschop Prachatitz bezocht en den bezorgden man weer ontmoette, voegde hij hem toe: »Ziet ge nu wel, dat ik het land gevonden heb Iquot;
68
dag ging ondernemen, niets bijzonders vermoeden. Inwendig voelde hij de smart der scheiding des temeer, ja zóó hevig, dat slechts de liefde tot God hem de kracht schonk om er niet onder te bezwijken. Hij verliet dan het vaderlijk huis en de plek zijner geboorte en eerst den llden derzelfde maand richtte hij uit Budweis het volgende schrijven aan zijn ouders:
Zeer geliefde Ouders,
âDoor mijn plotseling en onvoorzien vertrek beoogde ik slechts de smart der scheiding, zoowel om Uwentwille als om mij zeiven, te verminderen. Overtuigd, dat uw ouderlijke zegen mij toch overal heen vergezellen zal, heb ik hem niet uitdrukkelijk gevraagd-en ik ben verzekerd, dat gij den dank, dien ik u voor zoovele en zoo groote weldaden schuldig ben, en dien ik u door dezen brief van ganscher harte betuig, zult aanvaarden, alsof ik hem mondeling had uitgesproken. Ik geloof zeker, dat de onderneming, welke ik, zoo God wil, met Zijne genade zal ten uitvoer brengen, ook voor het heil uwer zielen voordeelig zal zijn. â Als mijne ouders, hadt gij het recht vergelding en voldoening mijnerzijds te ontvangen; â God weet, hoe gaarne ik die gegeven had. Doch het onveranderlijk besluit, dat ik in den loop van drie jaren, ondanks zoovele hindernissen, dicht bij zijne verwezenlijking mocht brengen, het gemak, waarmede ik de mij noo-
69
dige kennissen verwierf, en nog vele andere omstandigheden versterkten mij in de overtuiging, dat G-od mij roept, om mij aan het heil der veriatenen en onwetenden op te offeren, hoe zwaar het mij ook valt. Dit, tegelijk met de overtuiging, dat het niet alleen tot mijn eigen nut, maar ook tot het heil uwer zielen zal strekken, bracht mij er toe, het vastgestelde doel niet uit het oog te verliezen. Draagt dus, dierbare Ouders, wat God ons oplegt, met geduld en overgeving; hoe grooter onze smart hier beneden is, des te grooter zal onze vreugde in het toekomstige leven zijn. G-od zoude zeker dit offer niet geëischt hebben, indien Hij niet wist, dat het voordeelig voor ons was en ons de tot dit offer noodige genaden niet wilde verleenen. Zijn wil geschiede.
Ik dank u voor de zaken, (Me gij mij hebt toegezonden. Gij hebt te veel voor mij gezorgd; minder zou mij genoeg zijn geweest. Binnen eenige dagen vertrek ik naar Linz. Morgen ga ik naar den Bisschop.
Ik groet en omhels u, en bied mijne eerbiedige groeten aan den Hoogeerw. Deken aan; mijn harte-lijksten dank ook aan de weldadige vrouwen van Pra-chatitz voor hunne gaven, üit Nancy kunt gij al binnen kort een brief van mij verwachten. En terwijl ik mij in uw gebed aanbeveel, blijf ik
Uw dankbare Zoon, joh ann.
70
De zucht om aan allen de verschuldigde dankbaarheid te betuigen, die in dezen brief zoozeer doorstraalt, komt nog treffender uit in de woorden, welke hij eenige dagen later schreef: âDe gedachte, dat ik voor zoovelen bidden moet, is mij zeer pijnlijk, daar mijn onwaardig gebed mijnen weldoeners slechts van gering nut kan zijn, en ik hun toch zoo gaarne voor hunne weldaden erkentelijk zou wezen.quot; Wat zijn bezoek bij den Bisschop van Budweis betrof, waarvan in dienzelfden brief sprake is, hij vond er slechts geringen troost bij. De Bisschop weigerde hem wel is waar zijnen zegen niet, doch liet duidelijk genoeg blijken, dat hij met zijn plan niet ingenomen was. Een betere ontvangst wachtte hem te Linz, waar de eerbiedwaardige Bisschop Ziegier hem aan zijne tafel noodigde, eene bezielde toespraak tot hem hield en hem in elke noodwendigheid bereidwillige hulp beloofde.
Aldus naar den geest gesterkt kwam hij te München aan. Hier echter wachtte hem eene groote teleurstelling, die zelfs geheel zijn plan dreigde te verijdelen. Hij ontmoette er namelijk een missonaris uit Cincinnati in Noord-Amerika, den Eerw. Heer Henni, later Bisschop van Milwaukee, en moest van dezen de al te verrassende tijding vernemen, dat, hoe groot het gebrek aan Duitsche priesters in Amerika ook was, de Bisschop van Philadelphia ertochgeene noodig had en zijne gegeven volmachten reeds had teruggetrokken; wellicht kon hij in de diocesen New-
71
York, Detroit of Vincennes opname vinden. Hij kon, â zoo meende de Heer Henni, â zich tot den Bisschop van Vincennes, Mgr. Bruté, wenden, die tegen Paschen uit Rome naar Parijs zou komen en met hem wellicht ook de zeereis doen. Bovendien sprak Henni van sommige, naar zijn oordeel onontbeerlijke getuigschriften, die Neumann niet bezat.
Hoezeer ook door deze tijdingen geschokt, verloor hij den moed niet. Hij beschouwde dezen tegenspoed als eene straf voor zijne zonden, stortte een vurig gebed en zette vastberaden de reis voort naar Straatsburg, waar men hem aangeraden had het antwoord van Mgr. Bruté af te wachten. Doch in de vijf of zes dagen, die hij daar verbleef, ontving hij noch antwoord, noch de zoo noo'lige aanvulling van het reisgeld, noch de verhoopte getuigschriften; en ongetroost en vol bezorgdheid verliet hij de stad. Daags vóór zijn vertrek had hij de volgende woorden in zijn dagboek geschreven: âAls ik uit de handelwijze, die God tot dusverre omtrent mij gevolgd heeft, een besluit mng maken voor de toekomst, dan zal ik nog veel te lijden hebben. Maar deze gedachte geeft mij moed; zoo zal ik mijne zonden kunnen uitboeten. God moet mij helpen, als de tegenspoed komt. Ik heb het voorgevoel van een groot lijden; 't is, of een hevig onweer voor mij ophanden is. God zij dank, dat ik nog met eenige gerustheid mijne oogen tot Hem verheffen kan.quot;
Te Nancy aangekomen, wachtte hij eenige dagen
72
de aankomst van een bekend geestelijke, die eveneens naar Amerika wilde vertrekken, den Eerw. Heer Schilfer, af. Inmiddels deed hij de belofte, van eiken dag de kerkelijke getijden, waartoe hij nog niet gehouden was, te bidden. De priesters van Nancy toonden zich wel is waar ingenomen met zijn plan, maar vonden het roekeloos zonder getuigschriften af te reizen. Weinig opgebeurd dan ook kwam hij omtrent half Maart in gezelschap van den Heer Schilfer te Parijs aan. Niet zonder eenig wantrouwen, (dat zijne reden vond in de minder gunstige berichten, die destijds omtrent een deel der Duitsche geestelijkheid in omloop waren,) werden zij in het overigens zoo gastvrije huis der Vreemde Missiën tegen betaling van kostgeld opgenomen.
Te Straatsburg had men Neumann op de hulp van een rijken Parijschen koopman doen rekenen; doch de rijke koopman was nergens te vinden. Zijn reisgeld was reeds geslonken tot 200 francs; en toen hij na drie weken wachtens, op Dinsdag na Paschen, den 5 April 1836, Parijs verliet, had wèl de Heer Schilfer een brief van Mgr. Bruté en de verhoopte opname ontvangen; van Neumann was echter in dien brief zelfs geen sprake. Het eenige, wat hij had vernomen, was dit: De Overste van het Seminarie te Straatsburg, de Eer\v. Heer Rasz, later Aartsbisschop van die stad, had ten zijnen gunste ook naar New-York geschreven; en voor de opname door Mgr. Bruté bestonder noghoop.
73
Wij willen echter Neumann op zijne verdere reis niet volgen, eer wij nog enkele trekken uit zijn verblijf te Parijs hebben meegedeeld, ten bewijze hoezeer hij, ondanks al die beproevingen en verlatenheid, aan de volmaakte liefde voor Jezus Christus onwrikbaar getrouw bleef en, terwijl God zich van hem scheen terug te trekken, hij van alles gebruik wist te maken om zich nog inniger met Hem te vereenigen. Wij zagen reeds, hoe ontvankelijk voor indrukken Neumann's gemoed was, en hoe hij alles met de oogen des geloofs en met dien diepen blik beschouwde, die in den jeugdigen man â hij was eerst 25 jaar oud, â een gerijpte ziel verried. De indruk, die het Parijs van 1836 op hem maakte, was onder geestelijk opzicht niet ongunstig. âIk stond verbaasd,quot; zoo schrijft hij, âin deze zoo slecht befaamde stad dagelijks alle kerken zeer bezocht te zien, niet alleen door armen, oude lieden of ongelukkigen, neen â het meerendeel toonde door voorkomen en kleedij, dat het God mogelijk is ook een kameel door het oog eener naald te doen gaan, dat er ook vrome rijken zijn. Vooral zag ik dit in de Goede Week.quot; Doch het niet volgen van de Romeinsche Liturgie wekte in hem een hevig gevoel van afkeer op. âDat kan de geest van Christus niet zijn,quot; zoo teekent hij aan, âdie zulke veranderingen heeft ingevoerd. Daarom mist dat gezang ook het verheffende, het eenvoudige, het liefelijke en antieke, dat in den Romeinschen Ritus zoo behaagt. Ik voor
74
mij zou liever iets minder volmaakts uit gehoorzaamheid doen, dan iets volmaakters uit zelfzucht en ij delheid.quot; De preeken van den beroemden Lacordaire woonde hij ijverig bij. Omtrent den grooten toeloop merkt hij echter op; âOnder de jongeheeren is het nu eenmaal mode geworden naar die preeken te gaan ^ daarom is de kerk zoo vol.quot; â Hem zeiven voerde echte godsvrucht naar de kerken heen. Dagelijks hoorde hij ééne of meer heilige Missen, des namiddags bezocht hij het Allerheiligste; hij bad dagelijks den Rozenkrans, âwant aan de voorspraak van Maria,quot; zoo teekent hij aan, âheb ik grootendeels mijne goede voornemens te danken.quot; Vrijdags deed hij den kruisweg en hield nog andere godvruchtige oefeningen. Meermalen in de week ontving hij met den grootst mogelijken ijver de H. Communie; God had hem trouwens, gelijk hij aanteekent, te Parijs op bijzondere wijze verlicht over het nut, dat in het dikwijls ontvangen der H. Communie voor hem lag opgesloten. Den 25sten Maart, het feest van Maria-Boodschap, heiligde hij door eene generale biecht, waarop hij zich vier dagen met zorg had voorbereid. Den H. Joseph had hij op diens feestdag bijzonder vereerd, en de-Heiligen, die te Parijs hadden geleefd, met vertrouwen aangeroepen. Den 28sten Maart, zijn 25ste verjaardag,, ging hij naar de kerk van Mont-Martre en ondertee-kende daar ter eere der Heiligen, die op die plaats de Sociëteit van Jezus hadden gegrondvest, debetui-
75
ging, door den H. Franciscus van Sales in zijn boek Inleiding tot het godvruchtig leven opgesteld, met het voornemen ze minstens vóór elke Communie te vernieuwen. (') Zijne oogen vooral trachtte hij te Parijs zorgvuldig te bewaren. Eens meende hij bij het bezichtigen der schilderijen van het Louvre hun te veel vrijheid te hebben gegeven; eene strenge boete volgde erop. Hij nam zich ook voor, zijne bril bij dergelijke gelegenheden niet te gebruiken, dan uit noodzakelijkheid. Met zoo goed overwon hij eene andere, gelukkig echter in zich onschuldige bekoring, die nl. van vele boeken te koopen; een zucht, die, hoe prijzenswaardig ook, toch voor hem, wiens reisgeld reeds tot 125 francs was geslonken, noodlottig worden kon. Telkens echter meende hij: âDit werk zou mij nuttig zijn, dat moest ik hebben.quot; Met zichtbaar behagen teekent hij dan ook aan, dat hij uit eene zware bekoring om een lang begeerd en prachtig Grieksch-Engelsch woordenboek te koopen, ongedeerd te voorschijn gekomen was.
Inmiddels echter bleef God zijne standvastigheid op de zwaarste proeven stellen; zijne inwendige verlatenheid was somtijds zóó groot, dat zij hem eens de woorden ontlokte; âIn mijne ziel is het Avoest en duister. De staf mijner hoop is gebroken ; ik ben gelijk
(i) Deze betuiging vindt men in het iste deel van genoemd werk, 20ste hfdst. Zij bevat de plechtige en uitvoerige verklaring van het besluit om God te dienen
een plank van een schip, dat gestrand is, dat als speelbal van een wilden storm van de hoogte tot in den afgrond der zee neder en weder naar boven geslingerd wordt. Vóór de schepping,quot; zoo besluit hij, âkan het niet woester geweest zijn, dan het thans is in mijne ziel.quot; Ook moest hij altijd nog een harden â¢strijd voeren tegen de bekoringen van moedeloosheid en bezorgdheid voor de toekomst; alles stond hem soms in zwarte kleuren voor den geest: zijn geldgebrek, het gevaar van niet opgenomen te zullen worden, de schande van wellicht in Europa te moeten blijven, de gevaren der zeereis. Doch de gedachte aan Gods wil hield hem staande ; hij vond zelfs de kracht om beleedigingen met dankbaarheid te ondergaan. âIk zal,quot; zoo teekende hij op Paaschzaterdag aan, toen hij door eenige huisgenooten op krenkende wijze behandeld was, âvoor mijne beleedigers bidden; ik zal God bidden om vernederd te worden, om Hem meer gelijkvormig te worden in zachtmoedigheid en geduld. Ik wil door de geheele wereld met voeten worden getreden.quot;
Met deze gevoelens bezield, gesterkt door het ontvangen der H. Communie en een langdurig gebed, had Neumann eindelijk, gelijk wij reeds verhaalden, op Dinsdag na Paschen, 5 April, Parijs verlaten; bereid, zoo oetuigde hij, den dood in te gaan, doch bijna zonder eenig menschelijk vooruitzicht van welslagen. Hij deed den weg naar Havre ondanks den
77
regen, ondanks hoofdpijn en ongesteldheid, gedeeltelijk te voet, al waren zijne schoenen in nog zoo treurigen toestand en al drukte hem verleden en toekomst als een centenaar â gelijk hij zich uitdrukte â op de borst. Al biddend ging hij voort, terwijl elke onaangenaamheid hem zich inniger met God deed vereenigen en de schoonste gevoelens aan zijn hart ontlokte. Eenmaal kwam eene opbeuring eene kleine afwisseling brengen in al dien tegenspoed, 't Was bij eene rustplaats der diligence. Gelijk andere reizigers gevoelde ook Neumann behoefte aan verkwikking en volgde met langzamen tred zijne reisgenooten, al overwegende, hoe een billijke schikking tot stand te brengen tus-schen zijn honger en zijne schrale beurs. Doch terwijl hij al peinzend wacht, wenkt hem de vrouw des huizes vriendelijk in een vertrek en draagt hem verscheidene gerechten op. En al protesteert hij in naam zijner beurs, het mag niet baten; de gastvrouw noo-digt hem uit van het voorgezette gebruik te maken en als eenigen prijs vraagt zij hem een gebed.
Te Havre aangekomen zette hij al wachtende zijne godvruchtige oefeningen voort, te midden van allerlei onaangenaamheden, waarvan niet de geringste was het verlies van een schoon kruisbeeld en van eenige kostbare reliquleën; maar hij bleef met liefde en vertrouwen Gods vaderlijke hand kussen, al trof zij hem nog zoo pijnlijk. Gelukkig kon hij voor betrekkelijk lagen prijs eene plaats krijgen als tusschendeks-
78
passagier op den driemaster Europa, die eindelijk den 20sten April de ankers lichtte.
Zoo bevond zich dan de jeugdige Missionaris op zee, geheel alleen in een gezelschap, dat juist geen uitgelezen was. Van de tweehonderd landverhuizers was het grootste aantal Protestanten uit het kanton Bern in Zwitserland, de overigen uit Elsasz, Lotharingen en Baden. Hij moest van hen veel verachting en beschimping ondergaan, waardoor de berooving van de uitwendige godsdienstviering hem op zijne lange zeereis des te pijnlijker moest vallen. Hij troostte zich echter, met de kerkelijke feesten in den geest meê te vieren zoo goed hij kon en hij besteedde verder den tijd met bidden en studeeren en het lezen van goede boeken, vooral van het reeds aangehaalde werk van den H. Franciscus van Sales, de Inleiding tot een godvruchtig leven of Phüotea. De reis was niet gunstig. Storm, windstilte, drijvende ijsbergen met de hun eigen gevaren kwamen beurtelings hem gelegenheid geven zijn overgeving aan Gods wil en zijn vertrouwen op Gods Voorzienigheid te volmaken en te bevestigen; vooral echter het donker verschiet, dat hij voor â oogen had. Zijne opname in het diocees van New-York begon hem zelfs zeer onwaarschijnlijk voor te komen. Wat zou hij dan beginnen? Zou hij de middelen vinden om priester te worden? In elk geval, zoo vinden wij in zijn dagboek aangeteekend, wilde liij in den beginne zich aan de verpleging der zieken
79
â¢wijden, en viel hem geene opname ten deel, dan dacht hij in een der groote wouden of vlakten van Noord-Amerika eene kluis op te zoeken om daar God te dienen. Eens, toen de storm al de passagiers naaide kajuit gedreven had, stond Neumann, in deze en dergelijke gedachten over zijne toekomst geheel verdiept, op het verdek, tegen den mast aangeleund. Hi] merkte nauwelijks, hoe de zee altijd onstuimiger werd en de groote driemaster als een notendop soms hoog op de golven zweefde en dan weer in de diepte â werd neergestort. Plotseling, als van eene onzichtbare hand gegrepen, ontwaakt hij uit zijn gepeins en meent hij eene stem te hooren: âGa toeg van hier,quot; Hij ziet om, en daar hij niemand bespeurde, bleef hij. Opnieuw hoort hij dezelfde stem: âGa weg van hier.quot; Toen verliet hij de plek en nauwelijks had hij zich verwijderd, of met groot gekraak brak een groote mast van het schip en viel op het verdek op dezelfde plaats, waar hij zooeven gestaan had. Diep getroffen door deze zichtbare bescherming, gevoelde Neumann een onbeperkt vertrouwen op Gods Voorzienigheid in zijne ziel opnieuw ontwaken; zonder voorbehoud gaf hij zich voor goed over aan Gods vaderlijke hand: later verhaalde hij nog dikwijls het voorval.
Na eene reis van veertig dagen ankerde dan eindelijk, op Drievuldigheids-Zondag, den 29 Mei, het schip voor New-York. In zijn eersten brief uit Amerika beschrijft Neumann het blijde gevoel, dat de aanblik
van het land bi] hem en alle medereizigers wekte. ..Welk eene zaligheid,quot; zoo merkt hij op, âzal de rechtvaardige gevoelen, als hij op het sterfbed het einde van ellende en kommer ziet naderen en het land zijner liefde voor zich ziet!quot; Het werd hem echter, ten gevolge eener ziekte, die op het schip was uitgebroken, eerst den 2den Juni, op het Hoogfeest van het H. Sacrament, vergund-het schip te verlaten; in den namiddag zette hij te New-York voet aan wal..
YIEPiDE HOOFDSTUK.
Hankomst te Kew-York. â quot;priesterwijding. â Eerste jaren in J{oord-Jbierika.
Arbeid en lijden in de J^iagara-streek. friesterlijke deugd.
1836â1840.
T
J erwijl Neumann, in de grootste onzekerheid om-1 trent zijne toekomst, zich nog te midden van den Oceaan bevond en zijn toestand naar menschelijke berekening steeds minder vooruitzicht leverde, had Gods Voorzienigheid voor hem gezorgd en hem de deur reeds geopend. De brief van den Eerw. Heer Rasz had te New-York zijn adres en zijn doel bereikt. Reeds in de maand Mei was zijne opname aldaar besloten en, terwijl Neumann zich op reis bevond, was het bericht daarvan naar Europa afgezonden.
Toen dan ook Neumann, na op den dag zijner aankomst tot 's avonds onder onophoudelijken stortregen
82
vruchteloos door de mijlenlange straten van New-York te hebben rondgedwaald, eindelijk den volgenden dag bij den Dnitschen pastoor Raffeiner werd terechtgebracht, was deze over zijne zoo spoedige en plotselinge aankomst zeer verrast; nog meer echter de tachtigjarige Bisschop van New-York, Mgr. Dubois, bij wien de Eerw. Heer Raffeiner den jongen missionaris aanstonds aanmeldde. In zijne eerste blijdschap wist de eerbiedwaardige grijsaard niet, of hij hem in het Duitsch, in het Fransch of in het Engelsch zou aanspreken. Hij betreurde slechts, dat Neumann maar alleen gekomen was, verzekerde hem echter, na zijne papieren te hebben ingezien, dat hij was aangenomen en na het einde der kerkelijke visitatiereis de hoogere wijdingen zou ontvangen.
Hoe Neumann bij dit alles te moede was, behoeven wij nauwelijks te beschrijven. âNu ben ik hier,quot; zoo roept hij dankbaar in zijne aanteekeningen uit; âalle onzekerheid is als een nevel verdwenen; ik heb het doel mijner wenschen bereikt. Langzaam maar zeker hebt Gij, o Jezus, den knoop ontward, den knoop, die mij onoplosbaar scheen. Mijne familie in Europa,quot; zoo voegt hij vol liefde voor zijne ouders er bij, âzal het vermoedelijk reeds weten.quot;
Met de vreugde van het bereiken zijner bestemming verbond zich echter aanstonds de heilige vreeze voor de priesterlijke waardigheid, eene vreeze, door diepe nederigheid en levendig geloof hem ingegeven. Doch
83
wie kon in Gods oogen meer geschikt zijn en beter voorbereid, dan die ziel, waarin zooveel deugden bloeiden, die door het lijden zoozeer gelouterd was, die met zoo zuivere bedoelingen het altaar naderde, die door, de schoonste akten van liefde en vertrouwen den tijd heiligde, die haar nog van den dag der priesterwijding scheidde! Had Neumann trouwens geen genoegzame blijken van trouw en sterkte gegeven, om onder de onmiddellijke gezellen en voornaamste strijders van den Verlosser en den Koning der Liefde te worden opgenomen ? Al was het hem dan ook niet vergund, deze dagen in strenge afzondering, gelijk op de seminaries, door te brengen,âde omstandigheden lieten dit niet toe, â zijne voorbereiding was reeds geschied, en hij voltooide ze door al aanstonds met heiligen ijver onderricht in den Catechismus te geven in de St. Nicolaaskerk, in de school en in het bijzonder aan de kinderen, die hunne eerste H. Communie gingen doen. Dit laatste vooral deed hij met grenzenlooze toewijding, âwant,quot; zeide hij dikwijls, âvan de waardige of onwaardige eerste Communie hangt het geluk of het ongeluk des levens af.quot;
Den 19den Juni 1836 ontving hij in de S. Patricius-kathedraal te New-York het subdiaconaat. Deze wijding, zoo verzekerde hij, staalde zijn moed, verhoogde zijn vertrouwen en wakkerde zijne liefde aan. In plaats van de te Nancy afgelegde gelofte van het breviergebed, tot hetwelk hij thans toch verplicht
84:
was, legde hij de gelofte af, dagelijks den Rozenkrans, te bidden, Maria te vereeren en hare hulp voor de vervulling van zijn ambt en voor die hem dierbaar waren in te roepen. Dankbaar teekent hij nog aan: âIk word gewijd op titel der Amerikaansche missie, (') mijn gedrag zal daarvoor ten dank strekken. Ik wil het inrichten volgens de voorschriften van den H. Franciscus van Sales.quot; Den 24sten Juni werd hij diaken, daags daarna priester gewijd. Onder de heerlijke ontboezemingen van dien dag vinden wij wederom een trek van het edele en echt priesterlijke hart, door God aan den jongen missionaris geschonken. Als reden van bijzondere vreugde gold het hem namelijk, nu krachtiger voor al zijne weldoeners en vrienden te kunnen bidden; in eene lange reeks worden personen en vereenigingen opgesomd, die hij bijzonder indachtig wil zijn, ja alle menschen sluit hij in zijn gebed in. Den 26sten Juni droeg hij voor de eerste maal het H. Misoffer op in de Duitsche kerk. De toeloop des volks was groot; Neumann mocht nog den troost smaken ten slotte aan de dertig kinderen, die hij had voorbereid, de eerste Heilige Communie uit te deelen. Na de plechtigheid betuigden zij hem hunnen dank en boden hem hunne kleine geschenken aan. Doch reeds den tweeden dag na zijne eerste H. Mis vertrok Neumann naar de plaats, hem
{l) d. w. z. dat de Amerikaansche missie de noodige waarborgen voor zijn onderhoud gaf.
85
door den Bisschop ter verzorging en bearbeiding aangewezen. 't Was de streek bij den waterval der Niagara, dicht bij de groote meren Erie en Ontario, met Williamsville als voorloopige residentie.
Zoo opende zich voor den jeugdigen priester de schoone, maar moeitevolle loopbaan, waarop hem. na den Verlosser, zoovele heiligen waren voorgegaan, die alles, tot zelfs hun leven, veil hadden gehad om allen voor Christus te winnen. Het Amerika dier dagen was trouwens nog verre niet datgene, wat wij thans kennen. Er waren nog slechts weinig spoorwegen: vele streken lagen nog woest en onbebouwd; in de lagere streken was het klimaat zeer ongezond. In do woudstreken heerschten de muskieten, insekten van de lastigste soort; en niet slechts wilde dieren, maar meer nog, moedwillige en boosaardige menschen, godsdiensthaters en roofzuchtigen konden vrij'ongestoord hun bedrijf uitoefenen. Het treurigst van alles was het gering aantal Duitsche priesters en de slechte omgeving, waarmede de Katholieke bevolking in aanraking kwam. Behalve in de staties, die niet volkrijk waren, leefden de Duitschers op groote afstanden van elkaar, midden in de uitgestrekte wouden. Zij waren over het algemeen zeer arm en leefden in kleine planken hutten, dikwijls zonder venster, stoel of bed. Engelsche of lersche priesters konden onder hen niet arbeiden, wijl de Duitschers zich het Engelsch weinig of niet eigen maakten. Men begrijpt, dat in zulke
86
omstandigheden de arbeid van eiken missionnaris zich vertienvoudigen moest, en van eene onafzienbare rij van ontberingen, gevaren, onaangenaamheden en lijden vergezeld moest gaan. En dit alles moest op Neumann in des te ruimer mate nederkomen, naarmate de vijand van het heil der zielen, de duivel, hem om zijn heilig leven en zijne grenzenlooze toewijding meer haatte en wijl God had besloten in zijnen dienaar aan alle missionarissen een voorbeeld te stellen van onoverwinnelijk geduld en heldhaftige liefde. Wij mogen dan ook, als kort begrip der jaren, die nu gaan volgen, hem de woorden des Apostels in den mond leggen : âEen dienaar van Christus ben ik, door velerlei moeitevollen arbeid, door menigvuldige doodsgevaren, door menigvuldig 3 reizen, door gevaren op_ rivieren, door gevaren van roovers, gevaren van eigen landgenooten, gevaren in de stad, gevaren in de eenzaamheid, gevaren onder valsche broeders; door arbeid en zwoegen, door menigvuldig waken, door honger en dorst, door menigvuldig vasten, door koude en naaktheid. En behalve deze dingen nog mijn dage-lijksche kommer en zorg voor al mijne gemeenten. Wie is er zwak, wiens zwakheid ik niet deele; wie wordt tot zonde verleid, dat ik daarover niet brande van smart?quot; (') âDoch, al lijden wij in alles verdrukking, wij wanhopen niet, te allen tijde Jezus' dood in ons
87
lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in onze lichamen openbaar worde. Dit alles geschiedt om uwentwil, opdat de genade, u door God overvloedig geschonken, u God doe danken en Hem verheerlijken.quot; (').
Den 4den Juli 's morgens kwam Neumann over Albany te Rochest er aan, waar hij op last van den Bisschop eenige dagen verbleef, om de Duitsche Katholieken, die zonder priester waren, van dienst te zijn. De lersche priester der S. Patriciuskerk, Bernard O'Reilley, nam hem vriendelijk in zijn huis op. (1) Aanstonds begon hij met ijver zijnen arbeid, vooral onder de kinderen. Het was er trouwens treurig mee gesteld. Grooten-deels bezochten zij geene school, spraken slecht Duitsch en even slecht Engelsch, en hadden slechts een zwak begrip van den godsdienst. Hij deed, wat hij vermocht; en welk een levendig geloof hem bij dit alles bezielde, hoe zuiver zijne meening was, bewijst ons ten volle deze korte aanteekening op 7 Juli, toen hij voor het eerst een kind doopte. âSterft dat gedoopte kind met de genade, die het in het H. Sacrament ontvangen heeft, dan is mijne reis naar Amerika reeds rijkelijk beloond, al zou ik ook in de toekomst niets meer uitrichten.quot; Het korte oponthoud in Rochester werd voor
1
De Eerw. Heer O'Reilley werd in 1850 bisschop van Hartford, en woonde als assistent de bisschopswijding van Neumann bij. In Januari 1S56, op zijne terugreis uit Europa, verongelukte hij met al zijne reisgezellen.
86
omstandigheden de arbeid van eiken missionnaris zich vertienvoudigen moest, en van eene onafzienbare rij van ontberingen, gevaren, onaangenaamheden en lijden vergezeld moest gaan. En dit alles moest op Neumann in des te ruimer mate nederkomen, naarmate de vijand van het heil der zielen, de duivel, hem om zijn heilig leven en zijne grenzenlooze toewijding meer haatte en wijl God had besloten in zijnen dienaar cian alle missionarissen een voorbeeld te stellen van onoverwinnelijk geduld en heldhaftige liefde. Wij mogen dan ook, als kort begrip der jaren, die nu gaan volgen, hem de woorden des Apostels in den mond leggen ; âEen dienaar van Christus ben ik, door velerlei moeitevollen arbeid, door menigvuldige doodsgevaren, door menigvuldig3 reizen, door gevaren op, rivieren, door gevaren van roovers, gevaren van eigen landgenooten, gevaren in de stad, gevaren in de eenzaamheid, gevaren onder valsche broeders ; door arbeid en zwoegen, door menigvuldig waken, door honger en dorst, door menigvuldig vasten, door koude en naaktheid. En behalve deze dingen nog mijn dage-lijksche kommer en zorg voor al mijne gemeenten. Wie is er zwak, wiens zwakheid ik niet deele; wie wordt tot zonde verleid, dat ik daarover niet brande van smart?quot; (') âDoch, al lijden wij in alles verdrukking, wij wanhopen niet, te allen tijde Jezus' dood in ons
(') II Cor. C. XI.
87
lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in onze lichamen openbaar worde. Dit alles geschiedt om uwentwil, opdat de genade, u door God overvloedig geschonken, u God doe danken en Hem verheerlijken.quot; (').
Den 4(1 en Juli 's morgens kwam Neumann over Albany te Rochest er aan, waar hij op last van den Bisschop eenige dagen verbleef, om de Duitsche Katholieken, die zonder priester waren, van dienst te zijn. De lersche priester der S. Patriciuskerk, Bernard O'Reilley, nam hem vriendelijk in zijn huis op. (1) Aanstonds begon hij met ijver zijnen arbeid, vooral onder de kinderen. Het was er trouwens treurig mee gesteld. Grooten-deels bezochten zij geene school, spraken slecht Duitsch en even slecht Engelsch, en hadden slechts een zwak begrip van den godsdienst. Hij deed, wat hij vermocht; en welk een levendig geloof hem bij dit alles bezielde, hoe zuiver zijne meening was, bewijst ons ten volle deze korte aanteekening op 7 Juli, toen hij voor het eerst een kind doopte. âSterft dat gedoopte kind met de genade, die het in het H. Sacrament ontvangen heeft, dan is mijne reis naar Amerika reeds rijkelijk beloond, al zou ik ook in de toekomst niets meer uitrichten.quot; Het korte oponthoud in Rochester werd voor
1
De Eerw. Heer O'Reilley werd in 1850 bisschop van Hartford, en woonde als assistent de bisschopswijding van Neumann bij. In Januari 1856, op zijne terugreis uit Europa, verongelukte hij met al zijne reisgezellen.
88
Neumann nog belangrijker in de laatste dagen. Den lOden Juli nl, een Zondag, twee dagen vóór zijn vertrek, kwam 's avonds laat een Duitsche priester te Rochester aan, die zich als Redemptorist deed kennen. Het was pater Prost, toen 32 Jaar oud, die het jaar te voren met pater Czackert, van dezelfde Congregatie, uit Oostenrijk gezonden was als Overste der Amerikaansche missie, om de drie eerste Redemptoristen, die sedert 1832 in Amerika werkzaam waren, in hunnen moeielijken arbeid bij te staan. Pater Prost kwam op verzoek van den Bisschop de zielzorg der Duitse hers in Rochester op zich nemen. Op Neumann maakte hij een bijzonder gunstigen indruk als van een voorbeeldig kloosterling en tevens liefde-vollen priester; die kennismaking deed in zijne ziel de eerste neiging ontwaken om in te treden in de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers. (')
Den 13den Juli kwam Neumann, vergezeld van den Eerw. Heer Pax uit Buffalo, in het tien mijlen ten noorden dier stad gelegen Williamsville aan, waar hij zich voorloopig vestigde. Bij zijne komst vond hij eene katholieke kerk in aanbouw, doch slechts de muren waren voltooid; zij was alleen voorzien van een hulpaltaar en eenige ruwe banken, zonder vloer
(i) Pater Prost stierf in 1885 te Puchheim in Oostenrijk, na nog in Engeland en op het eiland S. Thomas gearbeid te hebben. Hij was een der grondzuilen der Amerikaansche missie, doch tevens ook een dier mannen, waarop het woord des Engels aan Tobias van toepassing is: Wijl gij Gode aangenaam waart, moest gij beproefd worden.
89
of dak. Des te zwaarder drukte haar de schuldenlast, die nog aangroeide, doordat sommigen, die eerst kos-telooze hulp hadden beloofd, nu vergoeding vorderden. Neumann slaagde er echter in, door goede woorden de gemoederen tot bedaren te brengen, zoodat de eenen hunnen eisch introkken, de anderen het geleende geld schonken. â De onkatholieken dier streek waren toen tegen de Katholieke Kerk zeer vijandig gezind. Een bandelooze menigte stoorde door geschreeuw en geraas de godsdienstoefeningen; er werden steenen over de muren geworpen en zelfs viel er een gedurende de H. Mis op het altaar. Van zijnen gastheer, bij wien hij inwoonde, een zekeren Wirtz, had de jonge missionaris veel te lijden. Eens sloot hij Neumann in zijne kamer op. Een ander maal, toen hij zieken bezocht, poogde hij op hem te schieten; Neumann sprong door het venster en ontkwam zóó den dood. Later werd de ongelukkige krankzinnig; wellicht waren zijne vroegere daden reeds aan een begin dier ziekte toe te schrijven.
Behalve Williamsville had Neumann nog de verzorging der volgende staties: Norclbusch of Xordivood, vijf mijlen ver; Lancaster en Transit, zes mijlen; Batavia, tien mijlen ; Sheldon, dertig mijlen; Niagara, vijftig mijlen; de geheele uitgestrektheid van zijn missieveld was tweehonderd mijlen, met vijf kerken. Ook te Lancaster was eene kerk, doch veel op een schuur gelijkend. Toen Neumann den 19den Juli voor
90
het eerst na de H. Mis daarin preekte en daarbij aan de nederigheid des Verlossers dacht, die zich gewaar-digde in deze kerk als in een stal van Bethlehem te-wonen, kon hij zijne tranen niet bedwingen en moest hij zijne predikatie afbreken. In Nordbusch bestond eene houten kapel. Bij den waterval der Niagara was nog geen Godshuis ; het groofce aantal Ieren en Franschen, die daar woonden, maakte echter een kapel of kerk noodzakelijk. Op de streek, waarin zijne staties lagen, was overigens ten volle van toepassing de algemeene schets, die wij boven omtrent de Noord-Amerikaansche toestanden gegeven hebben. Zij was nog deels met oorspronkelijke wouden bedekt, deels moerassig en daarom ongezond. Zijne reizen moest hij doen te voet of te paard, soms op een wagen, dikwijls langs zeer eenzame en moeielijke wegen, door bosschen en moerassen heen, blootgesteld aan die gevaren van de^ zijde van menschen en dieren, die wij reeds hebben aangestipt. De weersgesteldheid was zeer onbestendig. Het ongezonde klimaat veroorzaakte natuurlijk vele en langdurige ziekten, vooral maagkoortsen, eene smartelijke en langdurige ongesteldheid welke dikwijlseen dagelijksch bezoek des priesters noodig maakte, dikwijls ook des nachts, tot op afstanden van tien of vijftien mijlen. Men zag hem, zoo verzekeren ons getuigen, nu eens te paard, dan te voet, soms bij de bitterste winterkoude, die in die streken bovenmate groot kan zijn, het Allerheiligste in de van koude
91
verstijfde hand houdend, zich voortspoeden of zich door de moerassen heenwerken. Dikwijls ging hij bij deze tochten met onbedekten hoofde al biddend voort. Kwam hij tehuis terug, doornat van zweet en met slijk bedekt, en wilde zijn huisheer zijne kleederen reinigen, dan duldde Neumann dit nauwelijks, of bood tot dankbaarheid zijne hulp voor den veldarbeid aan. Wat nog in het bijzonder het paardrijden betreft, dit veroorzaakte Neumann geheel eigenaardige moeie-lijkheden. Behalve dat hij geen geboren ruiter mocht heeten, was reeds het bestijgen van zijn paard wegens zijne nauwelijks middelmatige gestalte hem bijzonder lastig. Zat hij eenmaal in het zadel, dan geschiedde het dikwijls, vooral als de weg erg vuil was, dat het paard midden in een moeras hardnekkig bleef stilstaan, tot zijn berijder afsteeg. Nauwelijks zat Neumann er weder op, of het paard herhaalde zijne plagerij, en niet zelden moest hij, zijn bagage op den rug, te voet naast zijn paard den tocht voortzetten. Neumann was niettemin al goedheid voor zijn reisgezel, deelde met hem zijne appelen en zijn brood en prees zijne goede hoedanigheden.
Om de zieken, die uit armoede zich noch geneesheer noch geneesmiddelen konden verschaffen, nog meer van dienste te zijn, studeerde hij ook geneeskunde, waarbij hem zijne buitengewone botanische kennis uitmuntend te stade kwam. Op zijne tochten vond hij gelegenheid in overvloed om kruiden te verza-
92
melen; hij zelf bereidde er de geneesmiddelen uit. (') Neumann bereisde zijn uitgestrekt missieveld met onvermoeiden ijver, onderrichtte de kinderen, en bouwde, waar hij kon, kerken en scholen. Zijn naaste nabuur en vriend was de reeds genoemde Heer Alexander Pax, een onder alle opzichten uitmuntend priester, te Buffalo woonachtig; zij bezochten elkaar en gaven elkander in hun lijden raad en troost,. De Heer Pax spoorde zijnen vriend dikwijls aan zich in acht te nemen; doch deze antwoordde : âIk ben een sterke knaap der bergen; ik kan daar tegen.quot; â âHet was een buitengewoon schouwspel,quot; zoo sprak later de Heer Pax zelf, âdien jongen, geleerden, ijverigen, vromen en beminnelijken priester te zien, hoe dikwijls hij met â¢eene kleine kist of met een bundel, waarin de altaar-benoodigdheden waren ingepakt, op den schouder, zich â dapper op zijne missiereizen voortspoedde. Dikwijls kon hij wegens den slechten weg of den sneeuw geen wagen bekomen ; dikwijls weigerde hij er een, wijl hij 2ich voor sterk genoeg hield.quot; Als hij dan zijne afgelegen staties had bezocht, zoo verhaalt de Bisschop
(i) Later zond hij eene zeer belangrijke verzameling van zeldzame en merkwaar-â dige planten naar München, waar deze de verdiende waardeering ondervond. Zijn paard, wat wij zooeven leerden kennen, veroorzaakte hem eens onder dit opzicht -eene gevoelige versterving. Lang reeds had Neumann eene zeldzame bloem gezocht â¢en ze eindelijk gevonden. Hij stijgt van zijn paard af, maakt van boomstammen een weg over het diepe moeras en na veel inspanning gelukt het hem de bloem te bemachtigen. Tevreden, gelijk een botanicus het bij zulke gelegenheid kan zijn, :keert hij weder, beschouwt en onderzoekt de bloem nog meer van nabij, als plotse-'Ãng zijn paard den kop over zijnen schouder steekt en de bloem in zijn maag doet quot;verdwijnen. Neumann maakte zich echter niet boos, doch lachte er hartelijk om.
van Buffalo, dan vond hij om zoo te zeggen geen plaats om te rusten of zijne spijs te nemen. Zijne nachtrust was kort; zijn voedsel nam hij, niet zelden in haast, in eene of andere afzichtelijke hut of in eene boerenwoning. Toch was hij altijd, al was de weg nog zoo moeielijk of het weêr nog zoo ongunstig, des daags of des nachts, gereed om de zielen te helpen.
Hadde onze ieugdige missionaris meer zulke getuigen van zijn arbeid gehad, hoevele stichtende gebeurtenissen zouden ons bewaard zijn gebleven; hoevele gevaren zouden ons bekend geworden zijn, waarvan slechts God de getuige was ! Hij zelf vermeed overigens in zijne gesprekken alles, wat tot zijn lof kon strekken en in zijn dagboek teekende hij niets van datgene aan, wat de eigenliefde voeden kon. Wij zullen ten minste datgene mededeelen, wat ons in zijne levensgeschiedenis en in de akten van het Proces zijner zaligverklaring bewaard is.
Eens keerde hij van een kinderdoop terug op een wagen, toen hij onverhoeds achterover eruit stortte, 't Was door een wonder van Gods barmhartigheid, zoo verzekerde hij zelf, dat hij niet op de plaats dood bleef. Intusschen was zijn linkerarm zwaar gekwetst; men vreesde, dat hij afgezet zou moeten worden en de groote smarten verhinderden hem twee weken lang de H. Mis te lezen. Het gebeurde ook niet zelden, dat hij onmiddellijk na zijne H. Mis tot een of meer zieken geroepen werd. Dan kwam hij dikwijls 'savonds
94
te huis zonder eenige spijs te hebben genuttigd, wijl hij als stelregel had aangenomen niets te vragen en zijne geloovigen er niet aan hadden gedacht, hem iets aan te bieden. Hetzelfde moest hij dikwijls ondervinden, als hij op afgelegen staties de kerkelijke diensten hield. Eens, op een Zondag, kwam hij zóó uitgeput te Lancaster aan, dat hij doodsbleek en machteloos zich te bed moest leggen. Denzelfden morgen had hij op een andere statie den dienst gehouden en als naar gewoonte, met zijn altaarbenoodigdheden beladen een moeielijken weg van verscheidene mijlen afgelegd om op eene tweede statie de H. Mis te lezen, tepreeken en andere diensten te doen. De huisheer liet den geneesheer komen en beiden vreesden het ergste. Neumann herstelde echter weêr spoedig ; God behield hem nog meer arbeid en meer verdiensten voor.
Eens mocht hij den troost smaken, da.t juist de moeielijkheid zijner reis eene groote weldaad werd voor een verlatene, 't Was in een donkeren nacht; een hevig onweer had hem verrast en de regen viel bij stroomen neder. Zoozeer geraakte hij in de moerassen verdwaald, dat hij zelfs de richting naar zijne woonplaats niet meer herkende. Vertrouwvol smeekt hij God om hulp, en daar ontdekt hij op niet verren afstand het schijnsel van een licht. Hij richt er zijne schreden heen en bevindt zich weldra voor een armzalige hut, doch zijn kloppen wordt door eene kinderstem beantwoord met de woorden - âWij laten des nachts nie-
95
mand in.quot; Eindelijk, na herhaald kloppen en vragen, opent het kind de deur, en welk een schouwspel ziet hij voor zijne oogen! Op den harden grond, uitgestrekt op een weinig mos, lag de vader des huizes -een Ier â in doodstrijd. Eene plankenvloer was er niet. Kort geleden had hij zijne vrouw en zijne andere kinderen door den dood verloren; het eenig overgeblevene â het kleine meisje, dat de deur had opengedaan â zou weldra als verlaten weeze achterblijven. Groot was de vreugde van den zwaarbeproefde, zoo onverwacht een priester te zien. Neumann gaf hem een weinig miswijn, en de man voelde zich daarna zóó gesterkt, dat hij zijne biecht kon spreken; en toen den volgenden morgen de priester de hut verliet, was de zieke buiten gevaar, loofde God en dankte zijnen redder.
Het gebeurde op dergelijke missiereizen dat Neumann als eenig voedsel slechts boonen bij zich had, die hij voor zijn middagmaal had gekookt en al voort-reizend nuttigde. Eens bracht hij veertien dagen lang door zonder ander voedsel dan water, brood en wortelen ; maar hij gevoelde zich toen ook zóó verzwakt, dat hij de ondernomen reis niet meer kon voortzetten en vreesde door uitputting op den weg te moeten blijven liggen. God echter waakte over hem. Er kwamen tot hulp onverwachts twaalf mannen opdagen, die hem op doeken legden en hem zóó van de eene statie naar de andere voortdroegen tot aan zijne
96
woning. Een dergelijken nood met bijna gelijke uitkomst ondervond hij een andermaal, toen zijne voeten geheel doorwond waren. Bij die gelegenheid waren het Indianen, die hem hulp verleenden. Eerst naderden zij in vijandige bonding, doch zoodra zij hem als Katholiek priester hadden herkend, boden zij zich aan om hem op eene buffelhuid naar het doel zijner reis te dragen.
Doch hoeveel minder troostend waren voor hem zoovele andere ontmoetingen ! â Zoo werd hij eens in het reeds genoemde Lancaster op den openbaren weg dooiquot; een aan den drank verslaafden veehandelaar â denzelfden, die ook Neumann's opvolger eens met een groot mes bedreigde, â achtervolgd ; met een geladen geweer gewapend, riep hij den priester toe:
âVervl..... paap, als gij u niet aanstonds omkeert en
met mij spreekt, schiet ik u neer.quot; De jonge priester liet zich echter door geen bedreiging schrik aanjagen; hij vervolgde rustig zijnen weg. â Een andermaal zocht hij zeer vermoeid eene plaats op om uit te rusten. Hij vindt een klein huisje, vraagt om er den nacht te mogen doorbrengen, doch tot zijn schrik bemerkt hij weldra, dat hij in eene soort van roovers-hol is terecht gekomen. Men bracht hem in een klein vertrek, waar een aantal doodshoofden was tentoongesteld, met een klein lichtje erbij. Door angst overmeesterd sliep hij den ganschen nacht geen oogenblik en toen hij 's morgens het huis verliet, waren hem
97
van schrik de haren letterlijk te berge gerezen; hij hoorde trouwens de bewoners der hut hem met opgeheven vuist al dreigend naroepen; âHadden wij geweten, dat gij katholiek waart, dan hadden wij u nog anders behandeld.quot;
Wij ontleenen het verhaal dezer laatste ontmoeting aan de procesakten der zaligverklaring van den Dienaar Gods. Daar wordt ook vermeld, dat, toen hij na langen arbeid er in geslaagd was ergens eene houten kerk op te richten, kwaadwillige Amerikanen ze in brand staken. In plaats van hen gerechtelijk te vervolgen, zooals zij vreesden, bestond zijne eenige wraak daarin, dat hij, na nieuwe middelen gezocht te hebben, den herbouw der kerk begon. Aan dezelfde bron ontleenen wij ook het volgende voorval, dat zoowel in het diocesaan-proces te Budweis, in welk diocees zijne geboorteplaats ligt, als in dat van Rome, door het getuigenverhoor bekend is geworden. Het berust op de mededeeling van den Dienaar Gods zeiven, die, hoe ook bezorgd nooit van zich zeiven te spreken, toch omtrent dit punt eene uitzondering heeft gemaakt, waarschijnlijk om een ander aan te moedigen tot volharding in het iijden. Dweepzieke protestanten hadden namelijk een zoo grooten haat tegen hem opgevat, dat zij zich van hem meester maakten en hem ophingen aan een boom. In dien toestand werd hij gevonden door katholieke Indianen; en dezen, minder barbaarsch dan hunne blanke landgenooten.
98
sneden den strik los en redden hem van den dood.
Dit alles was om zoo te spreken het uitwendige van zijn missionarisleven. Wij gaan thans een blik werpen op den eigenlijken arbeid aan de zielen der hem toevertrouwden gewijd. Eene zijner eerste zorgen was ongetwijfeld het onderricht der jeugd en het oprichten van scholen, een punt, waaraan Neumann ook later als Redemptorist en als Bisschop den meesten arbeid bleef besteden, en waarin hij toonde, hoe goed hij de behoeften van zijn tijd, met name die van Amerika, begreep. Al aanstonds nam hij te Williams-ville gedurende zeven maanden zelf het onderricht in de school waar, wijl de schoolmeester, om gewichtige redenen, verwijderd had moeten worden. Ook in zijne andere staties had hij spoedig eene goed geordende school, of belastte hij zich zeiven gedurende kortoren of langeren tijd met het onderwijs. Had hij dan aldaar de godsdienstplechtigheden geeindigd en zijne andere plichten vervuld, dan verzamelde hij de kinderen om zich heen, en 't was een treffend schouwspel hem te midden dier kleinen te zien, geheel gelijkend op hetgeen wij lezen van den H. Franciscus van Sales, dien hij zich als leermeester in het priesterlijk leven gekozen had. Hij beschouwde â zoo getuigde hij zelf â de kinderen als de lievelingen van zijn goddelijken Meester, hij maakte zich klein met de kleinen, vol liefde en goedheid. Kwam hij op eene statie aan, dan sprongen de kinderen aanstonds blijde om hem
heen; zij trachtten dan zich toegang tot zijn zakken te verschaffen, wel wetend, dat deze allerlei geschenken: prentjes, medailles, rozenkransen, ja zelfs lekkernijen voor de vlijtigen en braven borgen. Eiken Zondagnamiddag hield hij voor de rijpere jeugd den Catechismus, met voorbeelden, aan de Bijbelsche Geschiedenis ontleend. Konden zij den volgenden keer het geleerde herhalen, dan werden zij met een prentje beloond. Wat den uitslag betreft, kon Neumann zelf aan een zijner vrienden in Europa schrijven: âDe weetgierigheid en ijver der jeugd is dikwijls verbazend. Toen ik het vorig jaar te Williamsville gedurende drie maanden de kinderen voorbereidde tot de eerste H. Communie, kwamen de meesten vijf tot zes mijlen ver, zelfs door het slechtste weer. En in dien korten tijd hebben zij niet alleen eene genoegzame kennis der hoofdpunten verworven, maar ook in het lezen en schrijven grootere vorderingen gemaakt, dan in Europa soms in den loop van verscheidene jaren nauwelijks geschiedt.quot; â Nu nog, verzekert zijn Amerikaansche levensbeschrijver in 1883, herinneren zich zoovelen den vaderlijken vriend hunner jeugd; zij bewaren als dierbaar aandenken, wat zij van hem ontvingen en noemen hem âeen waren heiligequot;. â Groote zorg besteedde Neumann ook aan het verspreiden van goede lectuur; zijne weldoeners uit Boheme waren hem, door het toezenden van boeken, daarin behulpzaam. Ook nam hij van dezelfden
100
dankbaar in ontvangst de kerksieraden en paramenten, als middel, zoo zeide hij, om koude harten op te wekken, zelf ook iets voor den godsdienst te doen. Hij maakte trouwens, geheel volgens den geest der Kerk, veel werk van de uitwendige plechtigheden. De grootste zindelijkheid en zooveel mogelijk uiterlijke glans moest daarbij heerschen: dikwijls, vooral op hoogere feestdagen, sierde hij eigenhandig altaar en kerk, ja, veegde ze zelf. Hij mocht clan ook van velen hooren, dat hun vertrek naar Amerika eene weldaad was geweest voor hunne ziel, ondanks de armoede, die gewoonlijk het eindresultaat van hun arbeid was. âMet die armoedequot;, schreef Neumann, keert thans tevredenheid, geloof en kinderlijke liefde tot God in hunne harten weër. Al dragen zij, gelijk Simon van Cyrene, het kruis, wijl het hun wordt opgelegd, toch worden zij verrijkt met tot dusverre hun onbekende genaden.quot; 't Was ook een hartverheffende aanblik voor den ijverigen priester, en voor de geloovigen tevens, als van alle kanten uit de bos-schen groepen van Ieren, Franschen, voormalige bewoners van Elsasz, Lotharingen en Baden, dikwijls vijf tot tien mijlen ver, sommigen te paard, anderen te voet, anderen in voertuigen, in de meest verschillende kleederdrachten elkander ontmoetten in volle eenheid des geloofs, ondanks alle verschil van afkomst en opvoeding, bij het altaar, waar Neumann de heilige geheimen vierde. Wel was het kerkje armoedig, zóó
lOL
armoedig, dat hij aan een zijner vrienden schreef: âWist ik niet, dat Jezus in een stal geboren en op een kruis gestorven was, ik zou het voor ongeoorloofd houden in zulke armoede de H. Mis op te dragendoch wat aan uitwendige praal ontbrak, werd zeker ruimschoots door den ijver der geloovigen en vooral des eerbiedwaardigeft priesters aangevuld.
Nadat Neumann zeven maanden in Williamsville had gewoond, verplaatste hij zijne residentie naar het verder gelegene Nordwood of Nordbusch. Bij gunstig weder kon hij daar het geruisch van den beroemden waterval der Niagara hooren. Wat lag voor een vriend der schoone natuur, als Neumann was, meer voor de hand, dan dit tafereel ook met de oogen te gaan waarnemen ? En toch heeft hij, zoo verhaalt ons een zijner vrienden, zich uit versterving dezen aanblik altijd ontzegd; het mocht voor Neumann eene heldhaftige daad heeten.
't Was ook te Nordbusch, dat hem zijn Bisschop op zijne visitatiereis bezocht, in gezelschap van den reeds genoemden pater Prost; hij mocht de hooge goedkeuring van zijn arbeid uit den mond zijns oversten vernemen.
Intusschen vermeerderden zich zijne gemeenten zoozeer, dat hij herhaaldelijk den Bisschop om een medehelper verzocht; gaarne was hij bereid de twee groo-tere staties, Williamsville en Lancaster, aan een anderen over te laten en de zorg voor de kleinere en las-
102
tigere gemeenten te blijven dragen. Eindelijk werd aan zijn verlangen voldaan; doch welk eene teleurstelling ! De gezondene toonde weldra slechts een huurling te zijn, en Neumann's liefdevolle vermaningen bleven vruchteloos. En toen de Bisschop zich gedwongen zag hem in zijn ambt te schorsen, bood hij nog weerstand en trachtte zijn niet geringen invloed te gebruiken tot opruiing van het volk. Toen kwam Neumann, van twee zijner toenmalige ambtsbroeders, de Eerw. Heeren Pax en Mertz, vergezeld, in tegenwoordigheid van den wederspannige, het volk op den gruwel dezer ergernis wijzen en het aan zijnen plicht herinneren, met het gelukkig gevolg, dat het zich van den hardnekkige terugtrok; de ongelukkige moest de streek verlaten ; doch Neumann zag zich weêr met de zorg der beide staties belast.
En ware dit voorval slechts het eenige geweest, wat zoo rechtstreeks zijn priesterlijk leven verbitterde 1 Doch neen. God wilde, dat de vrome priester in alle punten het lijden van den Koning der Priesters zou deelen, en hem gelijkvormig zou zijn ook in 't verdragen van ondank en vervolging van den kant der zijnen. Zijne deugd zou er des te helderder door blijken en voor zijne geloovigen een des te schitterender voorbeeld zijn. En hoe edeler zijn hart was, en hoe meer hij om hunnentwille had verlaten, enhoegrooter liefde en toewijding hij voor zijne geloovigen toonde, des te grievender moest voor hem de miskenning en.
103
ondankbaarheid zijn; des te heldhaftiger ook zijne bereidwilligheid en geduld.
Neumann werd weliswaar van het grootste deel zijner parochianen hooggeschat en bemind; doch niet allen deelden die stemming, ja sommigen gedroegen zich des te schaamteloozer en boosaardiger, naarmate hij zich meer zachtmoedig en nederig jegens hen bewees. Een brief van Neumann zei ven aan den ons bekenden Eerw. Heer Dichtl zal hierover meer licht werpen. Na vermeld te hebben, hoe het bezoeken der Duitschers den priester een bijna zwervend leven oplegt, wijl zij op tamelijk grooten afstand van elkaar in de bosschen, welke zij ontginnen, wonen, gaat hij voort: âEen groot deel der Duitsche landverhuizers heeft eene dwaze vrijheidszucht naar Amerika medegebracht. Zij zijn nu hier eenigermate hun eigen meester, doch in waarheid bedrogen slaven hunner eerzucht. De Duitsche]- wil zoo gaarne zijn tijdelijk recht ook op het geestelijke uitstrekken en zich een God maken naar eigen smaak. Het voorbeeld der onder godsdienstig opzicht onverschillige Amerikanen trekt hem aan. Daar dezen gewoonlijk rijk zijn en hij zelf boven alles dit ook wil worden, zoo meent hij dit ongeloof te moeten navolgen. Tot hoeveel kwaads heeft deze naapingszucht den Duitscher al niet gebracht ! â Hierbij komt nog, dat in deze streken iedereen moet bijdragen om priester, kerk en schoolmeester te onderhouden. Al is nu die bijdrage nog
104
zoo gering, meent toch ieder in alles te mogen meespreken. Ieder wil de kleinste gebruiken van zijn land, diocees, of zelfs zijner parochie zien opgevolgd. Partijschap is daarom aan de orde van den dag en kan slechts door geduld en voorzichtigheid worden overwonnen. Ook moet de priester de armoede liefhebben, wijl zij zeiven bijna zonder uitzondering arm zijn; en wil hij zijne onafhankelijkheid handhaven, dan mag hij zelden iets vragen. De onbaatzuchtigheid des priesters alleen kan hem het noodige verschaffen. Bemint hij eer, gemak of geld, dan verliest hij het geduld, en daarmede alle vertrouwen.quot;
âAls dan geheele gemeenten soms een Duitschen priester aan den Bisschop vragen en met de roerendste woorden om het Brood des Levens bidden, en als dan alles naar hun wensch geschiedt, dan is de aankomst wel vol vreugde en troost, maar het duurt niet lang. De smeekers denken gewoonlijk slechts aan de genaden, die zij ontvangen; aan de moeiten denken zij niet. Toch levert de zielzorg onder het volk veel troost op, wijl Gods loon des te grooter is, naarmate de priester minder dank van de menschen ontvangt.quot;
Het streven der leeken om zich in kerkelijke zaken als meesters op te dringen, door Neumann in dezen brief aangestipt, was eenigermate eene algemeene kwaal geworden ; het vond zijne uitdrukking in deze redeneering, door velen opgezet: âAls wij het geld voor den bouw der kerk hebben gegeven en den priester onder-
105
houden, dan hebben wij ook het recht die kerk met goederen en inkomsten, zonder inmenging der geestelijkheid, te besturenquot;; of nog korter in dit gezegde, dat als een spreekwoord geworden was: âWij betalen den Heer (zoo noemden zij hunnen pastoor); daarom moet hij doen, Avat wij willen.quot; Dit was in het kort de geest en het program van vele zoogenaamde trustees of kerkmeesters, die zich in die tijden in Noord-Amerika eenigermate tot besturende lichamen der kerken hadden gevormd en als zoodanig door den Staat erkend waren. Het gebeurde namelijk maar al te, dikwijls, dat die heeren kerkmeesters kortzichtig en bedilziek waren en met die heerschzucht behebt, waarvan wij Neumann in zijnen brief hoorden gewagen. Men begrijpt, dat in deze omstandigheden het met vrede en eendracht en met den eerbied voor en de onderdanigheid aan het wettig kerkelijk gezag, zelfs des Bisschops, gedaan was, en dat de zielzorger in de uitoefening van zijn ambt met voortdurende belemmeringen had te kampen. Ook in Neumann's gemeente bestond dit euvel; doch toen de trustees zagen, dat hun pastoor de gevolgen van dien treurigen toestand met zwijgen en geduld en onverstoorbare kalmte trachtte te verhelpen, werd deze handelwijze door hen als een teeken van verachting en als een vergrijp tegen hun vermeend gezag misduid. Bij het bezoek, dat de Bisschop van New-York aan Neumann's statie bracht, zoo wordt ons verhaald in de Annalen der
106
Redemptoristen in Amerika, hield de ons reeds bekende-pater Prost, op last des Bisschops, aldaar eene preek over het bestuur der kerkelijke goederen en de gedragslijn door leeken hieromtrent te volgen. Wij lezen daar echter niet, of hij hier hetzelfde gunstige resultaat bereikte, waarmede hij dit stelsel te Buffalo en te Rochester bestreed. (') Neumann mocht dan wek in een brief van 31 Mei 1839 aan een zijner vrienden, de opmerking maken, dat de zielzorg onder de landverhuizers niet alleen de aantrekkelijkheid van het avontuurlijke miste, welke aan de missie onder de Indianen eigen was, maar ook dat daaraan moeielijk-heden van geheel bijzonderen aard waren verbonden,, die genoeg den moed en de standvastigheid van een priester op de proef kunnen stellen; dat een missionaris in Amerika zeer licht aan den weliswaar vurig verlangden, maar slecht ontvangenen Messias gelijkvormig kon zijn; en dat hij, die zijn vaderland verliet om in dat werelddeel de Kerk te dienen, besloten moest zijn zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen en tot leuze te hebben: Aut pati aut mori: Lijden of sterven.
Eene andere kwaal dier streek, die echter met de
107
vorige innig samenhing, was in dien tijd de lasterzucht. Zij had haren grond in het verlangen, zich in het vertrouwen des priesters in te dringen en zóó langzamerhand het medebestuur van kerkelijke zaken te erlangen. Hiertegen had Neumann weldra een afdoend middel gevonden. Zoodra iemand met klachten aankwam, onderbrak hij hem aanstonds met de woorden: âLaten we eerst samen den Rozenkrans bidden; dan zullen we verder spreken.quot; Dadelijk knielde hij neder on begon met luider stem. Weinigen hielden deze proef uit, en niemand kwam ten tweeden male zijne tijdingen aanbieden. Hij kondigde bovendien ook af in de kerk, dat hij onnoodige bezoeken noch kon afleggen noch ontvangen en dat, zoo iemand hem een geschenk wilde brengen, hij dit slechts beneden in de pastorie moest nederleggen; daar zou het zeker gevonden worden; de persoon des gevers bleef hem liever onbekend; hij verklaarde zich overigens tot het bezoeken der zieken steeds bereid.
Zóó voorzichtig was Neumann om het kwaadspreken zoowel ten opzichte van zijn eigen persoon als ten opzichte van anderen alle voedsel te ontnemen, en zijne onafhankelijkheid als priester te handhaven. Om diezelfde reden weigerde hij eens eene monstrans in ontvangst te nemen, hem aangeboden onder de voorwaarde, dat de kerk den naamheilige des gevers als patroon ontvangen zou. Neumann wilde ze niet eens gebruiken voor het H. Sacramentsfeest, dan wanneer
108
â¢zij in eigendom aan de kerk werd afgestaan; dit meende de eischer niet te kunnen toegeven als de kerk niet heette, gelijk hij. Toen Neumann kort daarop diens woning voorbijging, werd hij met slijk en steenen begroet. Zijne wraak bestond enkel daarin, dat hij later als Bisschop voor deze familie op bijzondere wijze belangstelling en vriendschap toonde.
Doch al zijne voorzichtigheid 'kon niet beletten, dat hij zelf het slachtoffer van booze tongen werd. God wilde, dat ook deze beproeving zijn geduld â en zijne standvastigheid zou louteren ; hij moest het lot deelen, dat zoovele priesters hebben moeten ondergaan. Tijdens zijn verblijf te Williams viile woonde hij, gelijk wij reeds verhaalden, in het huis van een âzekeren heer Wirtz. Dit was een doorn in het oog eens anderen, die zoo gaarne het kostgeld van den pastoor voor zich zeiven ontvangen had. De nijd deed hem spoedig een schijn ontdekken, waarvan hij listig tegen den pastoor partij trok. Wirtz, zoo hoorde men weldra opmerken, had eene Jonge dienstmaagd in huis; was het niet zeer onpassend voor den pastoor, in zulk een huis te wonen? Zou alles wel in orde zijn? â Dergelijke vragen vonden weldra door marktliedenden weg naar Buffalo en spoedig meenden sommi-: gen, het gerucht tot voorwerp eener beraadslaging te moeten maken. Deze had plaats in eene herberg; het eindresultaat was: Of de dienstmaagd öf de pastoor ;moet het huis verlaten; en het vonnis werd den
109
pastoor, die gedagvaard, maar natuurlijk niet verschenen was, ter kennis gebracht. Neumann stond eerst een oogenblik zeer verbaasd; maar zijn eenig antwoord â de meestverdiende en best gekozen afstraffing tevens â was een glimlach. Zoo ooit de onschuld door eigen glans zich vertoonde en haar stilzwijgen het beste getuigenis gaf, dan was het hier. Beschaamd trokken zich de vermetelen teru^, den lasteraar trof de algemeene verachting. Toen Neumann vijftien jaren later als Bisschop de streek,, waar de man woonde, weer bezocht, vroeg hij met de levendigste belangstelling naar diens toestand en dien zijner familie.
Dezelfde vergevingsgezindheid toonde hij nog in dezelfde statie AVilliamsville op geheel bijzondere wijze. Terwijl namelijk een gedeelte der bevolking aldaar tegen hem was ingenomen, betoonde hij hun niets, dan liefde, scheen hij van de grove beleedigingen niets te merken en wijdde hij zich geheel aan het heil der kinderen zijner vijanden toe. En toen de kerkmeesters niet genegen schenen tot de oprichting, eener school, nam hij zooveel mogelijk alle kosten op zich.
Een ander punt, dat Neumann's geduld en vastberadenheid een zware proef deed doorstaan, waren de herbergen. Waar eene kerk zich verhief, daar schoot ook weldra een dier huizen uit den bodem op iets, op zich genomen verklaarbaar. en wettig, doch
no
â¢om de wijze, waarop het daar toeging, door geen priester te dulden. Vooral op Zon- en hooge feestdagen was daar pleizier en rumoer aan de orde, met gelegenheid tot veel zonden en ongeregeldheden. Hoe Neumann ook vermaande en waarschuwde, het was te vergeefs; zelfs antwoordde men met de bedreiging, het eerstkomende feest met een bal te openen. Zondags tevoren bracht hij den geloovigen het onpassende en zondige dezer vermakelijkheden onder het oog en voegde erbij: âIk zal zulk eene beleediging Gods niet dulden; houdt dit euvel niet â¢op, dan verlaat ik de statie.quot; De menschen meenden â echter de goedheid des pastoors te wel te kennen. â dan dat zij aan de verwezenlijking van zijn woord zouden gelooven; men sloeg de waarschuwing inden wind en zette de voorbereidselen door. Maar ziet, op den dag voor het bal bestemd staat 's morgens na de H. Mis een wagen voor de pastorie; men vraagt den voerman, wat dit te beduiden heeft; en deze, een onkatholiek, geeft ten antwoord: âGij moet uwen pastoor wel zwaar beleedigd hebben, want hij wil u verlaten.quot; Bij het vernemen dier tijding snellen mannen en vrouwen voor de deur des pastoors t?-:samen. Deze had zijne boeken reeds in twee koffers ,gepakt en sprak hun toe: âIk heb u gesmeekt en gewaarschuwd, deze ergernissen te doen ophouden; .gij luistert niet naar mij; dan kan ik ook niet langer .uw herder zijn.quot; Het jammerende volk smeekte hem,
Ill
toch te willen blijven, zij waren nu tot alles bereid. De waard zelf kwam om vergiffenis vragen, doch bad, hem ten minste ditmaal zijn bal toe te staan; de schade zou immers zoo groot zijn. Doch de anders zoo inschikkelijke pastoor bleef onverbiddelijk; de waard trok spoedig daarop naar eene andere streek.
Al deze arbeid te midden van al dit lijden aan zijne geloovigen besteed, was echter voor den ijver des jeugdigen priesters nog niet genoeg; hij stelde ook al zijne pogingen in het werk om de ongeloovigen en ketters tot den schaapstal des waren Herders terug-te voeren, te meer, daar dezen zelf niets onbeproefd lieten om de Katholieken tot afval te brengen. Den grootsten last ondervond Neumann van de Mennonieten of Wederdoopers, eene sekte, die in ons vaderland haren oorsprong nam. Zij waren aldaar talrijker dan de Katholieken. Met den Bijbel in de hand gingen zij van huis tot huis, lokten velen in hunne vergaderingen en brachten vele Katholieken op den dwaalweg. De jonge priester was natuurlijk geheel bijzonder het voorwerp van hun haat en spot.
Het eerste middel van Neumann ter bekeering dier ongelukkigen was het gebed, verbonden met lichamelijke verstervingen. Bijzonder leverde het Rozenkransgebed hem schoone vruchten op. Eens, toen hij vernam, dat een zijner parochianen afgevallen was, bood hij zich Gode aan, om zelf te lijden, ja zijn leven te laten, opdat toch geen hunner verloren zou gaan.
112
God aanvaardde zijn offer gedeeltelijk; zielskwellingen werden hem in ruime mate toegezonden; maar denzelfden dag had hij ook het geluk eenen ongeloovige te bekeeren. Op eenige plaatsen van zijn dagboek spreekt hij van geheele familiën, die hij onderrichtte en wier doop aanstaande was. Naast het gebed en de versterving nam hij echter ook de natuurlijke middelen te baat. Vooreerst bereidde hij zich met zorg en door ernstige studie op zijne preeken voor, om des te beter de dwalenden te kunnen overtuigen.. Men stond dan ook verbaasd, hoe Neumann, ondanks zijne armoede, te midden zijner wildernis, nog in het bezit was van zooveel boeken, en een der verwijten van de Mennonieten was juist: dat hij te veel wereld-sche kennissen bezat. Hij nam trouwens gaarne de gelegenheid te baat, om met die ketters in onderhoud te treden, al was het maar om de Katholieken daardoor te sterken in hun geloof. Een dier samenkomsten is ons door zijn levensbeschrijver opgeteekend.
Eens, op een kouden winterdag, was Neumann op weg naar eene afgelegen statie. Weldra haalde hem eene slede in, die eene Mennonietenfamilie naar hunne vergadering bracht. Zij noodigden den âkleinen pastoorquot;, zoo noemden zij hem gewoonlijk, uit, om op hunne slede plaats te nemen; hunne kerk lag trouwens-op zijn weg. Dankbaar nam Neumann de uitnoodi-ging aan, in de hoop, met hen een godsdienstig gesprek te kunnen aanknoopen. Werkelijk begonnen zij spoe-
113
dig te beproeven, of zij den pastoor niet konden be-keeren; zij toonden hem hun medelijden, wijl hij, naar zij meenden, in de duisternis wandelde, zich vruchteloos aftobde door vermoeienis en ontbering, terwijl hij als Mennonietenpredikant een aangenaam leven leiden kon en tevens door den H. Geest verlicht zou zijn. Op zijne vraag, hoe aan die verlichting deelachtig te worden, antwoordden zij vertrouwvol: Hunne predikanten zouden hem wel tevreden stellen. Men kwam dan overeen op een bepaalden dag, ten huize van een predikant, een openbaar gesprek te houden ; Neumann wees intusschen op de noodzakelijkheid van een door beide partijen aangenomen scheidsrechter, in wiens beslissing men berusten zou. Tot algemeene tevredenheid werd daartoe gekozen een oude, algemeen geachte advokaat, die geen enkelen godsdienst beleed. Reeds verspreidde zich denzelfden dag het gerucht, dat de pastoor Mennoniet wilde worden. Een Lotharinger was er zóó over verontwaardigd dat hij met een geladen pistool aan zijn venster den terugkeer van Neumann afwachtte; Gods Voorzienigheid bewaarde beiden voor een ongeluk ; zonder te weten waarom, keerde Neumann langs een anderen weg terug. Weldra maakte hij zijn voornemen aan de Katholieken bekend en spoorde hen aan om voor het welslagen te bidden.
Op het vastgestelde vuur waren de predikanten en hunne aanhangers bijeen; Neumann was vergezeld
114
van verscheidene katholieke mannen; de scheidsrechter zat op zijn stoel. Neumann begon met de vraag, op welk gezag zij hunne geloofsleer steunden. âOp den Bijbelquot;, was het antwoord. â âIn welke taal en in welke uitgave?quot; - âIn alle talen en in elke uitgavequot;. - âMaar de H. Geest, hervatte Neumann, kan zich toch niet tegenspreken; zijn uwe Bijbels dus niet éénstemmig, dan kunnen zij niet van den H. Geest geschreven zijn, en dus is ook uw geloof niet goddelijk.quot; De predikanten beweerden echter, dat die éénstemmigheid bestond. Tot antwoord las Neumann uit verschillende uitgaven eenige plaatsen voor, wier zin verschillend was en de scheidsrichter besliste, dat de voorgelezen plaatsen zóózeer van elkander afweken, dat hij, die de schrijver der beide lezingen was, geen geloof verdiende. Hierna beriep zich de tegenpartij op de verlichting des H. Geestes; deze maakte hun bekend, hoe de Bijbel verstaan moest worden. Neumann vermaande hen eerst tot voorzichtigheid, en voerde verscheidene gevallen aan. waarin de duivel zich als een engel vertoond had. Doch vervolgens vroeg hij, welke dan hunne wonderen waren, als de teekenen hunner verlichting.
âEn gij dan, hervatten zij, kunt gij wonderen werken?quot;â Neumann antwoordde met te wijzen op de wonderen der Katholieke Kerk, doch voegde erbij; âAls gij den H. Geest bezit, dan moet gij ook overeenstemmen in uw geloof', en hij toonde door hunne eigene
115
tegenstrijdige antwoorden, hoezeer die overeenstemming hun ontbrak. Ten slotte beroemde zich een der predikanten erop, zijne verlichting te kunnen bewijzen; âwant vroegerquot; zoozeide hij, âwasik een zondig mensch: ik heb diefstal en bedrog gepleegd; maar sinds mijne bekeering ben ik geheel anders.quot; Neumann vroeg ' aan de vergaderde menigte, of de bekeerling dan ook werkelijk het gestolene teruggegeven had? â âNeenquot;, riepen velen. â âIs zijne bekeering dan eene echte?quot;, hervatte Neumann. Het luide antwoord was: âNeen 't is nog de oude spitsboefquot;. â Na zulke beschaming duurde het niet lang, of de eene had dit voorwendsel om de vergadering te verlaten, de andere een ander, zoodat ten slotte Neumann, zijne Katholieken en de scheidsrechter nog alleen in de kamer waren. Dit was het eenigszins vermakelijk einde der samenkomst. Zij had ten minste dit gevolg, dat de plagerijen der sekta-rissen ophielden en de verleide Katholieken berouwvol terugkeerden in den schoot der H. Kerk.
Zóó was dan de jeugdige priester door woord en daad alles voor allen geworden, om allen voor Jezus Christus te winnen. Voeg daarbij het schitterend voorbeeld zijner deugden; zijn vurigen ijver, gepaard aan de grootste voorzichtigheid; zijne opofferende liefde, zijne onbaatzuchtigheid, zijn gestreng en armoedig leven, zijne zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid, de vastberadenheid en kracht, waarmede hij zijne plicht vervulde, en men zal moeten beken-
116
nen, dat hij, naar de woorden van den H. Paulus, in alles zich als apostel en dienaar van Jezus Christus toonde en de hem toevertrouwden het woord kon toevoegen: âWeest mijne navolgers, gelijk ik die van Christus ben.quot; Maar dit alles was voor Neumann niet genoeg. Bij hem was de liefde nog grooter dan de daad; zijne verlangens omvatten meer, dan zijn arbeid kon bereiken, en hierin toont zich het echt priesterlijke zijner ziel in het volle en schoonste licht. Wij vinden in zijne brieven, in zijne aanteekeningen die vurige verlangens, in vlammende woorden uitgedrukt, die ons een Paulus, een Franciscus Xaverius als de toonbeelden van het apostolaat doen prijzen;, wij zien daarin dat priesterlijk hart geheel verteerd van liefde voor de glorie van zijn goddelijken Meester; verteerd door het verlangen, dat over de geheele aarde elke knie zich buige voor Jezus Christus en elk menschenhart door de kennis en liefde van den Godmensch gelukkig zij. Vandaar dat verlangen, reeds als seminarist door hem gekoesterd, om in Boheme zelf een missiehuis voor Amerika op te richten; een verlangen, dat na zijne aankomst aldaar nog aangroeide en voor welks verwezenlijking hij, de jeugdige man, reeds met zooveel zorgen overladen, alle pogingen in het werk stelde. âDe hinderpalen zeiven,quot; zoo schreef hij met echt apostolisch vertrouwen aan den Eerw. Heer Dichtl, âbeloven een goeden uitslag. Als wij met beslistheid en overgeving aan Gods Voorzie-
117
aigheid handelen, zullen wij weldra ons doel bereiken.quot; âToen ikquot; zoo gaat hij in denzelfden brief voort, âte München had vernomen, dat mijne opname in het diocees Philadelphia zeer onwaarschijnlijk was, besloot ik onmiddellijk, onder de Indianen te gaan werken. Doch God heeft het anders beschikt. Ik werd naar de Duitschers gezonden, tusschen het Erie- en Ontario-meer. Nu echter zie ik in, dat juist dit de beste weg is geweest om mij mijn doel naderbij te brengen.quot;
âReeds heb ik de meening van de Bisschoppen der Yereenigde-Staten trachten te leeren kennen. Voor de Indianen in het Westen is reeds veel gedaan. In Opper-Canada echter, waaruit Fransche Canadeezen hier hunne Paaschbiecht komen doen, en dat nauwelijks een halve dagreize verwijderd is, is de toestand treurig genoeg. Aan de noordelijke oevers van het Huron- en Hudsonmeer zijn nog onmetelijke streken slechts door Indianen bewoond, die zeer zelden, hoogstens om het jaar of om de twee jaren, door Euro-peesche pelshandelaars bezocht worden. Daar is arbeid genoeg. En dat missiehuis kon ook voor de Duitschers van Amerika van groot nut zijn. En zouden eenige mijner ambtsbroeders uit Boheme kunnen besluiten zich aan de missie onder de noordelijke Indianen te wijden, dan zou de beste voorbereiding daartoe bestaan in de voorloopige zielzorg onder onze Duitschers. Het lichaam wordt door vasten, reizen en inspanning
116
nen, dat hij, naar de woorden van den H. Paulus, in alles zich als apostel en dienaar van Jezus Christus toonde en de hem toevertrouwden het woord kon toevoegen; â Weest mijne navolgers, gelijk ik die van Christus ben.quot; Maar dit alles was voor Neumann niet genoeg. Bij hem was de liefde nog grooter dan de daad; zijne verlangens omvatten meer, dan zijn arbeid kon bereiken, en hierin toont zich het echt priesterlijke zijner ziel in het volle en schoonste licht. AVij vinden in zijne brieven, in zijne aanteekeningen die vurige verlangens, in vlammende woorden uitgedrukt, die ons een Paulus, een Franciscus Xaverius als de toonbeelden van het apostolaat doen prijzen;, wij zien daarin dat priesterlijk hart geheel verteerd van liefde voor de glorie van zijn goddelijken Meester; verteerd door het verlangen, dat over de geheele aarde elke knie zich buige voor Jezus Christus en elk menschenhart door de kennis en liefde van den Godmensch gelukkig zij. Vandaar dat verlangen, reeds als seminarist door hem gekoesterd, om in Boheme zelf een missiehuis voor Amerika op te richten; een verlangen, dat na zijne aankomst aldaar nog aangroeide en voor welks verwezenlijking hij, de jeugdige man, reeds met zooveel zorgen overladen, alle pogingen in het werk stelde. âDe hinderpalen zeiven,quot; zoo schreef hij met echt apostolisch vertrouwen aan den Eerw. Heer Dichtl, âbeloven een goeden uitslag. Als wij met beslistheid en overgeving aan Gods Voorzie-
117
nigheid handelen, zullen wij weldra ons doel bereiken.quot; ^Toen ikquot; zoo gaat hij in denzelfden brief voort, âte München had vernomen, dat mijne opname in het diocees Philadelphia zeer onwaarschijnlijk was, besloot ik onmiddellijk, onder de Indianen te gaan werken. Doch God heeft het anders beschikt. Ik werd naar de Duitschers gezonden, tusschen het Erie- en Ontario-meer. Nu echter zie ik in, dat juist dit de beste weg is geweest om mij mijn doel naderbij te brengen.quot;
âReeds heb ik de meening van de Bisschoppen der Vereenigde-Staten trachten te leeren kennen. Voor de Indianen in het Westen is reeds veel gedaan. In Opper-Canada echter, waaruit Fransche Canadeezen hier hunne Paaschbiecht komen doen, en dat nauwelijks een halve dagreize verwijderd is, is de toestand treurig genoeg. Aan de noordelijke oevers van het Huron- en Hudsomneer zijn nog onmetelijke streken slechts door Indianen bewoond, die zeer zelden, hoogstens om het jaar of om de twee jaren, door Euro-peesche pelshandelaars bezocht worden. Daar is arbeid genoeg. En dat missiehuis kon ook voor de Duitschers van Amerika van groot nut zijn. En zouden eenige mijner ambtsbroeders uit Boheme kunnen besluiten zich aan de missie onder de noordelijke Indianen te wijden, dan zou de beste voorbereiding daartoe bestaan in de voorloopige zielzorg onder onze Duitschers. Het lichaam wordt door vasten, reizen en inspanning
118
gehard; men leert land en zeden kennen en ook de-menschen zeiven, wijl velen voordurend rondtrekken.quot; â Kort daarna schreef hij : âHet gunstige oogenblik is aangebroken, waarop ik mijne dierbare vrienden in Boheme het woord van Jezus Christus in herinnering breng: âGaat over de geheele wereld, en leert alle volkeren.quot; Ik bid u dus, mijne dierbare Broeders, die reeds besloten zijt, thans te komen en de strijdend© en bedroefde Kerk te helpen.quot; ââZou ook de gezondheid minder sterk zijn, zoo merkt hij in een brief aan den President van het Seminarie te Praag op, dat moet niemand afschrikken; want, waar menschelijke krachten te kort schieten, daar komen hemelsche te hulp. Wat mij betreft,quot; zoo besluit hij met diepe nederigheid, âhet bevalt mij goed in mijnen werkkring; want ik ben gekomen om mijne zonden uit te boeten en zondaren voor G-od te winnen; en ik geloof niet, dat daarvoor ergens meer gelegenheid bestaat dan in Amerika.quot; Ook tot zijnen vriend Schmid richtte hij zijn opwekkend woord. âIk kan nu weder hopen, u in Amerika te zien, in dit land, welks naam, na den naam van Jezus, ons in onze studiejaren de zoetste droomen gaf. Wij hadden het zoo lief gekregen, dat ons, bij onze gesprekken daarover, de tijd nooit te lang werd. De gedachte aan de Amerikaansche Missie versmolt zich toen zoo innig met onze opvattingen over de liefde tot God en den naaste, dat ons elke andere weg om daartoe te geraken, treurig en dor
119
toescheen. Gij verlangt nog, zoo schrijft ge mij, naar Amerika te komen en bij mij te zijn. En ik weet waarlijk niet, waarom ge nog niet op weg zijt. De roeping, dunkt me, ontbreekt u niet; want juist uw verlangen om de Kerk in Amerika te dienen schijnt mi] eene vertrouwbare stem te zijn.quot; â O wisten mijne andere schoolkameraden, âzoo schreef hij nog aan zijne ouders,quot; hoe noodzakelijk hier priesters zijn; zagen zij de tranen dergenen, die als de kinderen Israels in de babylonische gevangenschap jaren lang allen godsdienst moeten ontberen; konden zij zien, hoeveel kinderen in onwetendheid en ongeloof opgroeien; hoe-velen met den dood worstelen en wegsterven zonder iemand te hebben, die hun de troostmiddelen van den godsdienst biedt, â o zeker zouden zij den tijdelijken troost willen derven, om de Katholieken in Noord-Amerika geestelijken troost te verschaffen; God zou het niet onbeloond laten.quot;
Dit waren de verlangens van Neumann's priesterlijk hart; met zijnen arbeid vereenigd, vormen zij voor onze oogen het ware toonbeeld van apostolischen ijver voor de glorie Gods. Maar wat dit schoone beeld voltooit, is, dat hij bij al dat ijveren voor het heil van anderen, niet vergat op de eerste plaats het rijk Gods in zijne eigen ziel te vestigen ; dat het de eerste plicht eens priesters is, zich zeiven te heiligen, op straffe van, bij het redden van anderen, zelf verloren te gaan. Ot liever, laten wij zeggen: Was zulk een ijver en
120
t oewijding mogelijk geweest, indien de jonge priester zijne eigen heiliging niet met de meeste zorg hadde behartigd ? Natuurlijke bedrijvigheid, edele inborst, de aantrekkelijkheid van het nieuwe kan wel is waaide bron van ijver en opoffering zijn; doch een ijver, als dien Neumann toonde, eene opoffering als de zijne vindt zijne verklaring alleen in eene groote liefde tot Jezus Christus en in een voortdurenden toeleg op gebed en volledige zelfverloochening. Hier schoten natuurlijke krachten te kort, hier misten natuurlijke drijf-veeren hunne beteekenis. Doch wij willen zien, in welke trekken zich Neumann's eigen heiliging teekent; zijn dagboek zal ons wederom tot gids verstrekken.
Vooreerst dan zien wij hem te midden der beslommeringen en verstrooiingen van den apostolischen arbeid steeds getrouw aan dien geest van ernstig nadenken, dien wij reeds in den Seminarist hebben bewonderd. Dat nadenken, door hem gericht op de bovennatuurlijke zijde der zaken, werd voor hem eene voortdurende beoefening en verlevendiging van zijn geloof. Vandaar die innige omgang met Jezus Christus, met de Allerheiligste Maagd, met zijne heilige Patronen en de Engelenbewaarders, in alle aangelegenheden, zoowel zijne eigene als die zijner parochianen. Wat hem pijnigt of hem vreugde brengt, wat hem opbeurt of terneer slaat, Christus, dien hij als zijn goddelijken vriend beschouwt, moet het weten; aan Hem wordt alle goed toegeschreven; van Hem verwacht hij troost
121
en hulp. En bij die vertrouwelijkheid, wat een nederigheid tevens; en eene vermorzeling des harten zóó groot, dat zij ons in een eigenlijk gezegden bekeerling zou verbazen. Men kan begrijpen, dat voor zulk eene ziel het ontvangen en toedienen der H. Sacramenten, het breviergebed en alle andere priesterlijke bezigheden rijke bronnen van genaden waren en zijne andere godvruchtige oefeningen altijd toenamen in volmaaktheid. âIk wordt gedrongenquot;, zoo lezen wij in zijn dagboek, âtot de innige liefde voor Jezus Christus en tot de vereeniging met Hem. Het dagelijksch ontvangen van zijn H. Lichaam en Bloed moest mij meer genaden verschaffen; doch ik bewaak mijne oogen te weinig, ik ben te traag in mijn arbeid, ik ben verstrooid bij mijn breviergebed. Ik wil nu vóór alles eerstens mijn Brevier dagelijks geknield en aandachtig bidden en zooveel mogelijk op bepaalde uren;
ten tweede, de voorbereiding tot de heilige Mis en de dankzegging nauwgezet onderhouden;
ten derde, des namiddags altijd het heilig Sacrament bezoeken;
ten vierde, nooit eten dan 's middags en 's avonds; ten vijfde, mij beter op mijne preeken voorbereiden ; ten zesde, nooit zonder noodzakelijkheid en goede bedoeling spreken;
ten zevende, nooit het geduld verliezen;
ten achtste, over mijne zinnen en gedachten waken.quot;
Hij nam zich ook voor, eiken Zaterdag in de kerk
122
de litanie van Loretto te bidden en legde de gelofte-af, ter eere der allerheiligste Maagd de kinderen het' bidden van den Rozenkrans te leeren.
Wij spraken zooeven van de voortdurend berouwvolle stemming zijner ziel, des te treffender voor ons, naarmate zijn leven van kindsbeen af onschuldiger was geweest. Wij behoeven er niet op te wijzen, van hoeveel nut zij voor den priester-missionaris, ja hoe noodzakelijk zij voor hem was. Zij behoeddehem voor elke lichtzinnigheid, zij deed hem de oogen eerst en vooral op zijn eigen ziel gevestigd houden, zij opende hem voortdurend de deur der genadeschatten Gods, die met voorliefde nederziet op een hart, dat, gelijk de Propheet zich uitdrukt, âvermorzeld en vernederd isquot;. Dien geest van vermorzeling kunnen wij, met de liefde voor de verborgenheid, als de eigenaardige karaktertrekken van Neumann's heiligheid beschouwen. Hij zelf voedde ze nog in 't bijzonder door het overwegen van het Lijden van Jezus Christus-en der Allerheiligste Maagd. Hij legde zelfs de gelofte af, zijn leven lang des Vrijdagsnamiddags te drie uur de litanie van het lijden van Christus te bidden. Het overwegen der droevige geheimen van den Rozenkrans bracht hem als buiten zich zeiven. Ja zelfs de gave der tranen, door de Heiligen op zoo hoogen prijs gesteld, scheen hem in niet geringe mate geschonken te zijn. Vele bladzijden van zijn dagboek dragen nog de duidelijke sporen van die tranen van liefde en berouw.
123
Wat ons echter in dit zoo deugdzame leven boven alles heldhaftig schijnt, is, dat de jeugdige priester-al dien arbeid, hetzij voor het heil des naasten hetzij voor zijne eigene ziel, verrichtte zonder van God dien inwendigen troost te ontvangen, en dat merkbare licht te genieten, dat de beoefening der deugd zoo gemakkelijk maakt. De zielskwellingen van zijn verblijf' te Praag hernieuwden zich in Amerika, ofquot; zetten zich daar voort. De enkele lichtstraal, die nu en dan de duisternissen kwam verbreken, deed hem die harde berooving op andere tijden des te meer gevoelen. Dan meende hij zijn geloof altijd meer en meer te zien verzwakken; dan meende hij geen liefde voor God te hebben en van God verstoeten te zijn; vertrouwen gevoelde hij niet meer. Dan hield hij zich zeiven voor de oorzaak van al hot kwaad, dat in zijne parochie geschiedde, en de verantwoordelijkheid voor het hem opgelegde ambt stelde zich zóó schrikkelijk en dreigend voor zijn geest, dat hij met moeite aan de bekoring weerstond om zijne kudde te verlaten, in eene wildernis te gaan om daar een verborgen leven te leiden, of onbekend te arbeiden als daglooner. Een vurig en aanhoudend gebed tot Jezus en Maria,, tot den Aartsengel Michael en zijnen Engelbewaarder behoedde hem voor een verkeerden stap; ook hield hem de vrees terug, door zijn vertrek aanleiding te geven tot slechte vermoedens of tot bespotting van den godsdienst. Treffend is het echter de ontboeze- â¢
124
aningen te lezen die de jeugdige priester in dezen -toestand neerschreef; zij herinneren ons aan de schoonste bladzijden eener H. Theresia, van een H. Joannes van het Kruis, van een H. Alphonsus. Wel moest dus die liefde zuiver, wel moest die opoffering-belangeloos zijn, die getrouw bleef, ook wanneer zij noch van God, noch van de menschen, noch van het â¢eigen geweten eenige voldoening ontving.
En te midden dier geestelijke ontberingen moest die edele ziel, die zoo in den vollen zin des woords alles verlaten had, toch nog een harden strijd voeren tegen eene, vooral voor den priester, vernederende quot;bekoring, de hebzucht. Belangwekkend is het, dezen strijd in de eigen aanteekeningen van Neumann na te gaan; wij zien er opnieuw, welke afdoende middelen â de Heiligen wisten te gebruiken. âMij dunkt,quot; zoo lezen wij daar, âik word hebzuchtig; het tellen van het geld verschaft mij genoegen; bij het sparen voor â dat armenhuis (er werd er toen een opgericht in die streek) moet ik voorzichtig zijn. Ik heb reeds een weinig er tegen ingewerkt, door mijnen misdienaar â een halven dollar te geven. Dat moet ik nog een paar maal herhalen om van deze ondeugd geheel bevrijd te worden; anders zou ik immers Jezus Christus niet van ganscher harte liefhebben.quot; En als besloten, om met dien vijand in eens en voor goed gedaan te hebben, ging hij in de bestrijding der hebzucht, dooiden H. Paulus de wortel van alle kwaad genoemd.
125
zoover, als de grenzen der mogelijkheid het duldden.. âDe bekoring van geldzucht en gierigheid,quot; zoo teekent hij aan, âhindert mij mijne gedachten altijd op God gevestigd te houden.quot; â Op den vooravond van het feest des h. Petrus van Alcantara, (den 18 October 1836) was hij door deze gedachte geheel verward en. moeloos; hij bad en weende voor het Allerheiligste. Toen kwam de gedachte in hem op de gelofte van... armoede af te leggen; gehoorzaam aan de inspraak des h. Geestes deed hij het aanstonds in alle oprechtheid. Wel was hij eenigszins in twijfel over de wijze-van uitvoering; maar hij stelde zijn vertrouwen op God en zijn hart werd gerust. Hoe volkomen de-overwinning was, bleek wel, toen hij daarna, gelijk wij reeds meldden, de kosten der school te Williams-ville op zich nam. ..Toen ik overwoog,quot; zoo schreef hij, âdat het hier eenen dienst gold te bewijzen aan Jezus, den kindervriend, was de strijd tegen mijne geldzucht beslist.quot; â
De liefde voor de studie, het sieraad van Neumann's jongelingsjaren, bleef hem intusschen ook als priester bij; en bij al zijne armoede kon men, gelijk wij reeds zagen, aan zijne góed voorziene boekenkast den boekenvriend van voorheen zeer goed herkennen. Hoe rijkelijker echter het voedsel was, dat hij aan zijnen geest verschafte, des te kariger â wij ontmoetten er reeds de bewijzen van â werd het lichaam bedeeld. Toen hij te Nordwood eene eigen woning ont-
126
vangen had en dus voor eigen huishouding moest .zorgen, zagen zijne parochianen nauwelijks ééns in de week uit den bescheiden schoorsteen een weinig rook naar boven stijgen. En vroegen zij dan medelijdend na over zijnen kost, dan was het antwoord gewoonlijk: âEen boterham met kaas is een krachtig voedsel.quot; Spoorde men hem aan, gekookte spijzen te vragen, dan zeide hij: âZij weten immers, wat ik noodig heb; als zij mij iets willen brengen, dan moeten zij het maar doen.quot; â Eene kleine verandering kwam â er in deze schrale huishouding in het jaar 1839. Den 26 September van dat jaar genoot hij den troost zijn jongeren broeder Wenceslaus in zijne armen te drukken en hem als gezel en medehulp te ontvangen bij .zijn arbeid. Met toestemming zijner ouders had deze namelijk, na herhaalde uitnoodiging zijns broeders, zijne familie verlaten om hem in het heilig dienstwerk ter zijde te staan. De vreugde van Neumann was ^groot; hij had trouwens in al dien tijd geen brief van de zijnen ontvangen; zijne brieven waren wel aangekomen, doch de antwoorden hadden steeds hun adres gemist. En niet alleen werd nu in de armoedige huiskeuken, al bleef dan ook de bediening zeer karig, de stilte een weinig verbroken, maar Neumann vond bij zijn terugkeer van de missiereizen een liefdevollen broeder, en een aangenamon gezel in zijne eenzaamheid. Bereidwillig nam Wenceslaus zelfs het -onderricht der kinderen te Nordwood op zich, en
127
toonde door arbeid, studie en gebed zich zijnen meester â en broeder waardig.
Zóó was de Dienaar Gods, toen hij zijn dertigste jaar was ingetreden; zóó leefde en arbeidde en heiligde hij zich, tot omtrent den Paaschtijd van het jaar 1840. Nog geen volle vier jaren was hij priestermissionaris; en reeds had hij een arbeid volbracht, die voor menigeen de vrucht van een welbesteed leven zou mogen heeten. Voor hem ging echter de tijd thans aanbreken, waarop God hem tot nog â grooter heiligheid en tevens tot zwaarder arbeid riep, al vorderden zijne lichaamskrachten het tegendeel. Tot dan toe trouwens had zijn sterk gestel alle vermoeienissen en ontberingen getrotseerd; doch omtrent â¢dit tijdstip overviel hem eene hardnekkige wisselkoorts, die drie maanden aanhield en hem dikwijls noopte het tted te houden. Troost en hulp vond hij slechts in zijn broeder; en, opmerkelijk genoeg, gedurende al â¢den tijd zijner ziekte had geen enkel zijner parochianen behoefte aan zijn geestelijken bijstand, terwijl anders nauwelijks een dag voorbijging, zonder dat hij geroepen werd. Toen men na zijn herstel hem aanried een reisje te maken, ging hij dan weder naar Rochester, en verbleef er, doch slechts eenige dagen, bij pater Sanderl, Redemptorist; hij haastte zich om weder bij zijne kudde terug te zijn. Zijne ziekelijkheid bleef â¢echter voortduren; men vreesde zelfs, dat zijne groote inspanning, ondanks zijne zwakte voortgezet, en het
128
karige en geringe voedsel, zijnen dood zou verhaasten» Hij moest dan ook eindelijk zelf aan den Heer Pax te Buffalo, zijnen biechtvader, bekennen: âMijne gezondheid is vernietigd; ik kan niet meer.quot;
Wat zijn verblijf te Rochester betreft, dient hier echter nog opgemerkt, dat reeds in 1838 Neumann nu en dan aldaar had vertoefd, ten einde de katholieke Duitschers te bezoeken, ter vervanging van den ons reeds bekenden Redemptorist, pater Prost,. die Rochester had verlaten om te Norwalk de stichting van een klooster zijner orde te beproeven. Neumann zag met verbazing den ijver der Katholieken te Rochester; aan hun verzoek, om voor goed hunne leiding op zich te nemen, wilde hij echter niet voldoen, wijl hij vreesde, dat zijne kudde na zijn vertrek zonder herder blijven zou. Zijne indrukken en gevoelens te dezen opzichte deelde hij echter mede aan pater Prost in een brief, waarin hij om eenige inlichtingen omtrent de gemeente van Rochester vroeg. Pater Prost besloot zijn antwoord op dit schrijven, met de woorden der H. Schrift aan te halen; Vae soli: âWee hem, die alleen isquot;, 't Was als een wenk omtrent het gevaarlijke van. het leven eens priesters, die zonder toezicht arbeidt, en eene bedekte opwekking om zich bij de zonen van Alphonsus aan te sluiten. Nu had Neumann wel reeds sedert zijne eerste ontmoeting met pater Prost een begin van neiging voor de Congregatie des Allerh. Verlossers-gevoeld. Het was echter daarbij gebleven; bij zijn.
129
bezoek aan Rochester in 1840 was er overigens tus-schen hem en pater Sanderl met geen woord van eene mogelijke intrede in de Congregatie gerept. De tijd der goddelijke uitnoodiging was nog niet daar; hij bleef zich aan de zorg zijner arme gemeente wijden, bereid steeds daarheen te gaan, waar Gods Welbehagen hem zou roepen.
â¢3-lt;S=*-H33gt;-£«
VIJFDE HOOFDSTUK.
Neumann, eerste novice van de Congregatie des Hllerh. Verlossers in Amerika. â Zijne frofessie.
Jtrbeid te Baltimore. â Bestuur der Suitsche gemeente te fittsburg.
1840â1847.
I n het 2de Hoofdstuk dezer levensbeschrijving heb-s ijen wij vermeld, dat Neumann in het begin van het tweede jaar zijner theologische studiën, dus in 1832, het besluit nam, om zich aan het heil der meest verlatene zielen in Amerika te gaan toewijden. Juist in datzelfde jaar had ook de te Weenen resi-deerende Vicaris-generaal der Redemptoristen, Joseph Passerat, getrouw aan den geest zijns heiligen Stichters, besloten den geestelijken nood van Noord-Amerika te hulp te komen. (') Hij zond er in dat jaar
(i) Pater Joseph Amandus Passerat, geboren te Joinville den 30 April 1772, had zich aan den geestelijken stand gewijd, toen hij door de Revolutie in het leger werd ingelijfd. Hij vluchtte echter over België naar Duitschland en hoorde daar over
131
drie paters heen, namelijk Simon Sanderl, Franciscus Xaverius Hatscher, een leerling van den in 1820 overleden Gelukz. Clemens Hofbauer, en Franciscus Xaverius Tschenhens, drie mannen, van apostolischen ijver vervuld.
Overigens, reeds had zijn voorganger, de zooeven genoemde Zalige Clemens, die de Congregatie des Allerh. Verlossers uit Italië naar Polen, Zwitserland, Oostenrijk en AValachije had overgeplant, dikwijls en met bezieling gesproken van eene vestiging aan gene zijde van den Atlantischen Oceaan, in die streken, waar de oogst zoo groot en de arbeiders zoo gering in aantal waren; en toen in 1819 de Oostenrijksche Regeering hem voor de keuze stelde, öf zijne Orde, of Oostenrijk te verlaten, en hij dit laatste koos, gaf hij op de vraag v.-in den Regeeringscommissaris, waar hij dan heen wilde gaan, tot antwoord; âNaar Amerika.quot; â Ja zelfs verhaalt eene overlevering, dat, toen de H. Alphonsus eens met zijne jonge studenten aan den golf van Napels wandelde, hij hunne aandacht vestigde op een schip, dat tot opschrift droeg: âNaar New-Orleansquot;, en er de profetische woorden aan
Clemens Hofbauer spreken, die toen nog te Warschau werkzaam was. Hij begaf zich daarheen en werd door hem aks eerste Fransche Redemptorist in de Congregatie opgenomen. Na een leven vol wisselvalligheden (meermalen bezocht hij ook ons vaderland) stierf hij den sosten October 1858 te Doornik in België, rijk aan deugden en verdiensten. Het Diocesaan-proces zijner zalig-en heiligverklaring is reeds â eenige jaren begonnen. Vergel. : Le R. P. Joseph Passerat et sous sa conduite les Rédemptoristes pendant les guerres de l'Empire. Par le R. P. Desurmont C. SS. R. Paris, Retaux et Fils, Rue Bonaparte (1893).
132
toevoegde; âDaarheen zullen ook eens mijne zonen gaan.quot;
Het ligt niet in ons bestek den arbeid en het lijden, het zwerven en zwoegen der drie eerste Redemptoristen in Amerika te schilderen. âWie van hen het meeste te verduren hadquot;, zoo merkt de Kroniek der Amerikaansche Redemptoristen op, âis moeielijk te zeggen. De dag des oordeels zal veel openbaren, wat hun tot glorie strekken zal.quot;
Ons zij het genoeg hier aan te stippen, dat ondanks al hunne pogingen, het hun niet gelukken mocht een klooster te stichten, waarin zij volgens voorschrift hunner Regels gezamenlijk leven en van waaruit zij: geregeld missiën geven konden. In Europa meenden sommigen reeds, te moeten aanraden de Amerikaansche missie, als onvereenigbaar met het kloosterleven, op te geven en de missionarissen terug te roepen. Geheel anders echter oordeelde de Dienaar Gods, pater Passerat. Hij voorzag in den geest al het goede, dat de Congregatie in Amerika bewerken zou, en in plaats van iemand terug te roepen, zond hij in 1835 twee nieuwe paters erheen, pater Prost, dien wij in deze levensbeschrijving reeds hebben ontmoet, en pater Czackert; beiden wel is waar jong in jaren, maar uitmuntend door deugd. En al scheen ook na hunne aankomst de stichting van een klooster volstrekt hopeloos, hij troostte hen, en sterkte hunnen moed en hunne standvastigheid en herhaalde de stellige verzeke-
133
ring, reeds in 1836 door hem gegeven, dat in het jaar der heiligverklaring van hun stichter, den Zal. Alphonsus, het eerste klooster in Amerika zou worden gevestigd. En toen het jaar 1839 aanbrak en in Mei van dat jaar Alphonsus heilig verklaard werd, was volgens menschelijke berekeningen die vestiging wel even onzeker als op den dag der aankomst dei-drie eerste paters; maar het jaar was niet voorbij, of te Pittsburg, toen nog in het diocees van Philadelphia, in den Staat Pennsylvanië gelegen, was het â¢eerste Redemptoristenklooster in Amerika gesticht. (')
Zóó voerde Gods Voorzienigheid de zonen van Alphonsus naar het nieuwe werelddeel, zóó leidde en bestuurde Hij er hunne wegen. Doch was het niet tevens, of God, die voor zijne uitverkorenen zoo oplettende zorgen heeft, en die, hoe meer Hij zijne dienaren aan hun eigen lot schijnt over te laten, met des te meer voorliefde de kleinste bijzonderheden van hun leven bestuurt, was het niet, of Hij door deze gebeurtenissen tevens alles in gereedheid wilde brengen voor dien jeugdigen priester, dien Hij bestemde om de eersteling te zijn van hen, die in Amerika zich onder de vaan des Ailerheiligsten Verlossers met Alphonsus' zonen zouden scharen; dien Hij bestemde om een steunpilaar te worden der pas beginnende
(i) Thans (1898) telt de Congregatie des Allerh. Verlossers in Noord-Amerika twee provinciën, die van Baltimore en van S. Louis, en twee vice-provinciën, die van Toronto en Canada, en, met inbegrip der huizen op de Antillen, 42 huizen, met ongeveer 550 leden.
134
Amerikaansche provincie, een sieraad en voorbeeld tevens der geheele Congregatie door de waardigheid van het Episcopaat en den glans zijner heiligheid ?
't Was in het najaar van 1840, dat Neumann de stem Gods, die hem tot het kloosterleven riep, duidelijk vernam. Hij zelf geeft ons in eene levensschets, die hij onmiddellijk vóór zijne bisschopswijding op last van zijn toenmaligen provinciaal, onzen landgenoot pater Bernard, opstelde, behalve de zucht naar grooter volmaaktheid, ook de volgende beweegredenen tot deze keuze aan. Vooreerst het gezicht van het goede, dat de Redemptoristen in de zielen werkten, waarbij vergeleken de vrucht van zijn arbeid hem onbeduidend scheen ; vervolgens het verlangen om in de duizenden gevaren der wereld niet aan zich zeiven overgelaten te zijn, maar in eene vereeniging van priesters te leven. Gewoon de inspraken der genade gewillig op te volgen, aarzelde bij niet gehoor te geven aan Gods stem, en den 4den September schreef hij aan pater Frost, die van den Generaal der Congregatie, Camillas Ripoli, te Nocera, in het koninkrijk Napels, resi-deerend, de uitgebreidste volmachten om leden aan te nemen ontvangen had. (') Bij pater Prost behoefde Neumann geene verdere aanbeveling meer; den 16den
(i) Sedert 1855 is de zetel van den Generaal der Congregatie te Rome en is daarmede ook het ambt van Vicaris-Gsneraal, achtereenvolgens door den Zaligen Clemens Hofbauer, den Dienaar Gods Joseph Passerat en eindelijk doorP.deSme-tana bekleed, vervallen.
135
September ontving hij het vurig begeerde gunstige antwoord, met den last naar Pittsburg te komen, om daar zijn noviciaat te beginnen. â Neumann had zijn plan geheim gehouden tot den dag van zijn vertrek; slechts zijn biechtvader, de heer Pax, en zij n broeder Wenceslaus wisten het; deze laatste besloot aanstonds ook nu hem te volgen ï doch hoewel, volgens het oordeel zijns broeders, geschikt om de studiën te voltooien en priester te worden, gaf hij aan den staat van leekebroeder de voorkeur.
Bij Neumann's afscheid was de droefheid zijner parochianen algemeen; ook de Bisschop liet hem niet dan zeer noode vertrekken. Eindelijk, den 18den October, na eene stormachtige en gevaarlijke reis over het Erie-meer, kwam hij des morgens in het klooster te Pittsburg aan.
Het was een Zondag. Zijn novicenmeester, pater Tschenhens, ontving hem zeer vriendelijk, doch verzocht hem aanstonds de parochiale hoogmis te zingen en te preeken. Hoe vermoeid en uitgeput ook, was hij er onmiddellijk toe bereid, en daarmede had zijn noviciaat een aanvang genomen ; zijn broeder Wenceslaus volgde den 13den November. Het klooster en de kerk te Pittsburg hadden nog geheel het eigenaardig karakter van nieuwe kloosterstichtingen; beide waren voorloopig ingericht in een oude fabriek. Ook de wijze van het noviciaat te houden kon nog onmogelijk dat regelmatige hebben, dat in gewone om-
136
standigheden het tot een tijd van stille ingetogenheid en volledige afzondering maakt. Reeds veertien dagen na zijne aankomst werd pater Tschenhens naar Bal-timore geroepen, waar eene nieuwe stichting in wording was; de novice zou onder leiding van pater Czackert, (') met wien hij alleen te Pittsburg verbleef, zijn proeftijd voortzetten, doch tegelijk diens arbeid moeten deelen ; het gering aantal paters en de geestelijke nood der geloovigen lieten het nu eenmaal niet anders toe.
Den 29sten November kwam de Overste, pater Prost, uit Baltimore naar Pittsburg om den eersten novice in Amerika het ordekleed te geven; dit geschiedde daags daarna op het feest des H. Andreas, den minnaar des kruises, met de grootst mogelijke plechtigheid na de Hoogmis in de kerk; het gebrek aan een boek, dat het ceremonieel der inkleeding bevatte, vulde men zoo goed mogelijk door het geheugen aan.
Wij merkten reeds op, dat de nog ontluikende toestand der Amerikaansche provincie een geregeld noviciaat vooralsnog onmogelijk maakte. De novicenmees-ter zelf was zeer dikwijls afwezig, en dan moest
(i) Pater Czackert, in Boheme geboren, stierf reeds den aden September 1848 te New-Orleans aan de gele koorts, als offer zijner naastenliefde, in zijn veertigste levensjaar, het veertiende zijner priesterlijke bediening. Wegens zijne schitterende deugden genoot hij overal de hoogste achting bij het volk. Ook de aartsbisschop van Baltimore, Eccleston, en de bisschop van New-Orleans, Blanc, bewonderden zijne deugd; de laatste noemde hem dikwijls ween heilige.quot; Twaalf jaren na zijn dood vond men bij de overbrenging zijner overblijfselen zijn lichaam nog onbedorven.
137
Neumann tegelijk zielzorger en feitelijk zijn eigen overste en novicenmeester zijn. De arbeid voor het heil der zielen veroorloofde hem bovendien niet de oefeningen van het noviciaat volledig te onderhouden ; hij moest trouwens onder andere meermalen de Katholieken van Steubensville, dat ongeveer vijf-en-twintig mijlen van Pittsburg verwijderd is, gaan bezoeken en daar godsdienstoefeningen houden; de twee meditatiën van een half uur, het dubbel gewetensonderzoek, het bezoek bij het Allerheiligste, de Rozenkrans, â daarmede moest de ijver van den novice zich tevreden stellen. Doch God had in het ontbrekende voorzien. Reeds pater Tschenhens maakte de opmerking, dat de twee broeders Neumann als 't ware geboren kloosterlingen waren; en zóo ijverig werkte Joannes met de goddelijke genade mede, dat hij den geest des H. Alphonsus zich weldra toegeeigend had. Reeds kort na zijne kleeding vinden wij intusschen eene bijzonderheid omtrent hem vermeld, in zichzelf weliswaar onbeduidend, doch die de vingerwijzing Gods in zich scheen te besluiten, dat zijn toekomstig leven eene navolging des H. Alphonsus zou zijn, niet alleen als priester en kloosterling, maar in eene veel hoogere waardigheid. Toen namelijk eens in de avondrecreatie ieder der aanwezigen iets stichtends moest zeggen, verhaalde Neumann, in den eenvoud zijns harten, of liever, mogen wij zeggen, door bijzondere toelating Gods, dat hij den vorigen nacht een droom had gehad.
138
Hij zag zich naar Baltimore verplaatst, waar een bisschop hom wilde aangrijpen om ook hem tot bisschop te wijden ; hoe meer echter die bisschop zich inspande om hem naar de kerk te brengen, des te meer tegenstand had hij geboden; en door de inspanning om dien bisschop te ontkomen, ontwaakte hij. Pater Czackert nam echter het woord en zeide ernstig en met een zekere verachting: âWat een dwaze droom! Gij hadt beter gedaan zulke onverstandige gedachten uit het hoofd te zetten en aan uwen geestelijken voortgang te denken; als ge de geloften zult hebben afgelegd, zullen dergelijke gedachten wel verdwijnen.quot;
In het voorjaar van 1841 kwam een nieuwe Overste der Amerikaansche missie, van nieuwe arbeiders in Gods wijngaard vergezeld, in Amerika aan; zijn naam was Alexander Czvitkovicz, uit Hongarije geboortig. (') Door een samenloop van omstandigheden werd Neu. mann genoodzaakt, eerst eenigen tijd in de nieuwe stichting te Baltimore, daarna te New-York, toen te Rochester, vervolgens te Buffalo, eindelijk te Nor walk, ten slotte wederom te Baltimore werkzaam te zijn aan het heil der zielen. Op de terugreis naar Baltimore, die langs een omweg geschiedde, hield hij te Randolf eene tiendaagsche missie. Er was namelijk
(i) Pater Czvitkovicz, gewoonlijk pater Alexander genoemd, was de eerste Rector geweest van het eerste Redemptoristenklooster in Nederland, te Wittem gesticht in 1836, als missie- en studiehuis tevens. Pater Dechamps, later kardinaal-aartsbi.s-schop van Mechelen, nam onder hem het ambt van studentenprefect waar. Pater Alexander stierf hoogbejaard in New-Orleans in 1883.
139
op die plaats een hevige vijandschap ontstaan, die-zoo hoog geloopen was, dat de eene partij de kerk in brand had gestoken. Onze novice had in last den vrede te herstellen. Door gebed en door zijn vertrouwen op God en op de voorspraak des heiligen Alphon-sus slaagde hij daarin volkomen. Op zijn verdere reis werd hij echter zóo ernstig ziek, dat hij bij een onge-loovigen Amerikaan om huisvesting bidden moest, en zooveel medelijden boezemde zijn toestand in, dat men hem gastvrijheid verleende. Na weinige dagen was-hij echter wederom hersteld en over Steubensville,. waar hij nog eenigen arbeid verrichtte, bereikte hij zijne standplaats Baltimore.
Het was dus een hard noviciaat, dat Neumann moest doorstaan; hard, zoowel om den zwaren arbeid, als om het ontberen van datgene, waarop een novice, ijverig als hij, zoo hoogen prijs stelt: de afzondering in het klooster en de geestelijke leiding. Wij mogen het zijn eersten levensbeschrijver nazeggen, dat Neumann's volharding, ondanks die moeielijke omstandigheden, aan het wonderbare grenst; en evenzoo te verwonderen is het, dat hij, hoezeer aan zich zeiven overgelaten, toch altijd dezelfde nederige en stichtende novice bleef. Op een zijner reizen hoorde hij zelfs het gerucht, dat de Congregatie des Allerh. Verlossers-in Amerika hare vernietiging nabij was en geen novice tot de geloften zou worden toegelaten; reeds noodigde hem de bisschop van Cincinnati, Mgr. Purcell,
140
uit, eene plaats van hem aan te nemen; Neumann echter wees standvastig elk aanbod af en bleef zijne roeping getrouw. Het pijnlijkste voor hem persoonlijk waren echter beproevingen als deze; Als hii op eene plaats alleen stond, wilde hij in gewichtige punten de beslissing zijner Oversten hebben en schreef hun dikwijls. Nu beschikte God het gewoonlijk zoo, dat hij of geen antwoord ontving, of een, dat zijne moeie-lijkheid niet eens aanraakte en hem dus niet geruststelde. Toch zette hij zijne stichtende handelwijze voort. Meermalen ook moest hij van zijn Overste zeer harde behandelingen ondergaan. Pater Tschenhens, -die sinds Neumann's vertrek uit Pittsburg wederom zijn quasi-novicenmeester geworden was, voegde hem dikwijls toe; âWees zoo goed en ga weder naar uwe statie terug; bij ons houdt gij het toch niet uit.quot; Maar Neumann hechtte zich desniettemin met innige liefde en vertrouwen aan dien Overste, die hem zoo zwaar beproefde. In alles gehoorzaamde hij nauwgezet, zonder zich ooit iets aan te matigen of zich in zaken te mengen, waarmede hij niet belast was. Werd hij vernederd, veracht, beneden anderen gesteld, dan zag men zijne lippen zich in gebed bewegen en zijne gelaatstrekken toonden, dat hij inwendig met vreugde en liefde het lijden droeg; dikwijls hoorde men dan deze woorden zijnen mond ontsnappen; âMijn dierbare Jezus, alles voor U.quot; Aan armoede en ontbering reeds sinds jaren gewoon, zocht hij, bij
141
gebrek en berooving, zijn steun in het verwekken van een akte van geloof en het aanbidden van den Wil Gods, wiens wijsheid en goedheid hem deze beproeving toezond. Met alles, wat hij aan voedsel, kleeding en huisvesting ontving, was hij tevreden. Te Rochester woonde hij onder een trap; dikwijls zelfs ontbrak hem een rustbed, doch dan legde hij zich even tevreden op een bank als op het stroo ter ruste. Bij den arbeid en de ontberingen, die de nieuwe stichtingen hem vanzelf reeds oplegden, voegde hij nog vrijwillige verstervingen. Was hij op eene statie alleen, dan at hij weinig; niet zelden vastte hij tot 's avonds; en, hoewel reeds verzwakt, droeg hij bijna voortdurend om het lichaam een ijzeren boetegordel, wiens spitse punten hem in het vleesch doordrongen en pijnlijke wonden veroorzaakten. Dikwijls geeselde hij zich ten bloede en bracht hij het grootste gedeelte van den nacht in gebed door. En bij den zwaren apostolischen arbeid, dien hij te verrichten had, nam hij nog de vermoeiende taak op zich de zoogen. chartabei (of handleiding voor het Brevier en de H. Mis voor alle dagen des jaars) zelf op te stellen en, bij volslagen gebrek aan gedrukte exemplaren, ze eigenhandig voor eiken pater over te-schrijven.
Was pater Neumann door God bestemd een hoeksteen te worden voor de beginnende Amerikaansche Ordesprovincie, men zou meenen, dat al hetmedege-
142
deelde reeds genoeg was om hem de vereischte vastheid en polijsting te geven. Het bleef hier echter niet bij; hij had in zijn noviciaat, dat veertien maanden duurde, ook nog menige inwendige bekoring te doorstaan. Hij zelf schetst ons dien strijd zijner ziel in een brief, dien hij vele jaren later, toen hij reeds Bisschop was, aan zijn neef, pater Berger, richtte, toen deze zelf het noviciaat der Redemptoristen was ingetreden; hij geeft er tevens de middelen aan, waardoor hij overwinnaar bleef. âIk zelf,quot; zoo schreef hij, âwas nooit eigenlijk een novice; want toen ik onze dierbare Congregatie intrad, was er nog geen novi-cenmeester en nog geen noviciaat in Amerika. Toch heb ik veel ondervinding opgedaan en vele bekoringen leeren kennen, waarmede de oude vijand derecruten des heiligen Alphonsus bezoekt. De eene beeldt zich in, dat hij te zwak is; een ander meent, dat in eene andere orde alles meer geregeld gaat, of dat hij inde wereld meer kan arbeiden ter eere Gods. Sommigen worden geplaagd door melancholie en droefheid, anderen door gemakzucht. Velen krijgen het heimwee of andere kwellingen, en bekoringen van eigenzinnigheid, walg van het gebed, wantrouwen tegen de Oversten enz. Er zijn ongetwijfeld evenveel bekoringen der ziel, als er krankheden des lichaams zijn. Om standvastig te blijven en te volharden, is er eenerzijds geen beter middel, dan het gebed tot de allerheiligste Maagd â om de genade der volharding, en van den anderen kant.
143
2ijne bekoringen aanstonds aan zijn geestelijken bestuurder te openbaren.quot;
Eindelijk dan brak de stonde aan, waarop de eerste gelofteaflegging van een zoon des H. Alphonsus in Amerika zou plaats hebben en de Congregatie des Allerh. Verlossers de lijst barer nieuw aangenomen leden ging openen met een naam, die, naar wij met allen grond hopen, de naam eens nieuwen heiligen zal zijn. Het was den 16den Januari 1842, op het feest van den Zoeten Naam Jezus, in de St. Jacobs-kerk te Baltimore, dat pater Neumann zich door de kloostergeloften voor immer op de innigste wijze aan den goddelijken Verlosser verbond. Pater Alexander Czvitkovicz zat de plechtigheid voor. Neumann's vreugde was groot; hij kon, zoo verklaarde hij, geen woorden vinden om zijn geluk uit te drukken. De Kroniek der NoordAmerikaansche provincie gebruikt bij het vermelden dezer opname slechts de volgende, doch in hunne kortheid beteekenisvolle woorden; âDeze eerste novice onzer Amerikaansche provincie genoot niet het regelmatige onderricht en de zorgvuldige leiding van een geregeld noviciaat. Desniettemin werd hem aanstonds de arbeid van rijpe kloosterlingen toevertrouwd; en hij onderscheidde zich door getrouwe onderhouding der regels, door liefde voor de Congregatie en door groote deugden.quot; En de in druk uitgegeven Annalen derzelfde provincie teekenen aan: âHij leerde het religieuze leven niet door
144
boeken en onderrichtingen, maar door velerlei wederwaardigheden en beproevingen; en hij leerde het in die mate, dat hij sinds dien het toonbeeld en deleer-meester der anderen werd.quot;
Zoo was dan Neumann op nog volmaakter wijze geheel aan God en voor God, dan toen hij als priester in de wereld zich aan het heil der zielen wijdde. Zijn onvermoeiden arbeid zullen wij hem steeds zien voortzetten, maar met nog grooter zelfverloochening, met volslagen onthechting van eigen keuze en wil. En al zien wij hom weldra met gewichtige ambten en hooge bedieningen bekleed, wij zullen tevens zien, hoe God, wien hij een uitverkoren werktuig was, ook in hem het woord ging verwezenlijken, eens tot den Apostel Paulus gericht; âIk zal hem toonen, hoeveel hvj voor mijnen Naam moet lijden.quot; Bestemd om een grondsteen zijner orde in Amerika te zijn, moest ook zijn leven als Redemptorist, naar de vastgevolgde wet der goddelijke Voorzienigheid, voor hem eene bron van lijden worden, wilde het voor de toekomst oene bron van zegen en vruchtbaarheid zijn. Pater Neumann heeft niet geaarzeld, dat pijnlijke ambt van voorbereider voor lateren bloei uit Gods handen aan te nemen; hij stemde er in toe het offer te zijn, welks lijden aan velen ten goede zou komen. Gaan wij hem thans volgen in zijn nieuwen werkkring.
Na zijne professie werd hem Baltimore als stand-
145
plaats aangewezen. (') In die stad waren toen waarschijnlijk omtrent vierduizend Duitschers gevestigd, waaraan pater Neumann en een metgezel hunne zorgen wijdden. De Duitsche Katholieken leefden verstrooid door de geheele stad en in de omstreken; de bezoeken der zieken waren veelvuldig, dikwijls mijlen ver; veel arbeid gaf nog de voorbereiding der bekeerlingen, die zóó talrijk waren, dat eiken Zondag verscheidenen de geloofsbelijdenis aflegden. Daarbij kwam nog het groote aantal Katholieke familiën, die buiten Baltimore, tot op groote afstanden, zich bevonden, zonder eenige priesterlijke hulp; van uit de stad moesten die allen bezocht worden en gewoonlijk vielen die bezoeken pater Neumann ten deel. Maar geen klacht kwam over zijne lippen, zelfs zijne vroolijkheid leed er niet onder, al waren die reizen nog zoo vermoeiend en al gingen zij van levensgevaar vergezeld. Men vergete hier trouwens niet, dat onder de vijftien of twintig staties, die bezocht moesten worden, er toen slechts ééne was, waarheen de spoorweg voerde. Op een kanaalboot of op een wagen moest de missionaris dan zijn doel trachten te bereiken, en ontbraken, gelijk dikwijls het geval was, ook deze middelen van vervoer, dan moest hij te voet of te paard, door wouden en onbewoonde streken, bij elk jaargetijde.
(i) Baltimore, het middelpunt van het Katholieke leven in Noord-Amerika, telde in 1840 102,513 inwoners, waaronder 8i,oco blanken, 17,900 yrije kleurlingen, en 3000 slaven. Voor eenige jaren was de bevolking geklommen tot 267,354.
146
bij groote hitte en strenge koude, zijnen weg vervolgen. En als men dan zijne moeite en goedheid met ondank vergold en zijn arbeid en inspanning met spot en hoon beloonde, â en dit geschiedde dikwijls, â dan bleef pater Neumann het woord, dat hij vroeger als verplichte leuze van eiken Missionaris in Amerika had aangewezen, getrouw: of lijden of sterven; dan verdubbelde hij zijnen zielenijver, en juist dat lijden, dat anderen zou hebben afgeschrikt of in hunne roeping zou hebben doen wankelen, dreef hem tot blijde offervaardigheid aan, zelfs al putte de koorts, die hem dikwijls overviel, zijn lichaam uit. In zulk een toestand vond hem eens in het voorjaar van 1843 te Baltimore zijn voormalige vriend en biechtvader, de Eerw. heer Pax, toen deze naar Europa terugkeerde. âZijne keel was gezwollen,quot; zoo schreef deze later, âde koorts teerde hem uit; maar hij onderbrak daarom zijn zwaren arbeid op den kansel en in den biechtstoel niet; zelfs bleef hij zijne gewone opgeruimdheid en goedheid toonen.quot;
Inmiddels had de Overste der Amerikaansche missie, pater Czvitkovicz, eene reis naar Europa gemaakt en bij zijn terugkeer bracht hij vele nieuwe leden mede; andere leden traden in Amerika toe en naarmate het aantal grooter werd, werd ook het bestuur der Congregatie meer en meer georganiseerd. Jaarlijks verspreidde zij zich verder in het onmetelijk grondgebied der Vereenigde Staten en werkte vooral onder de
147
Tan bijna elke andere hulp verstoken Duitsche Katholieken onbeschrijfelijk veel goeds. Honderdduizenden dier verlaten zièlen wist zij tot meer dan tweehonderd Katholieke gemeenten te vereenigen, die, met geringe uitzonderingen, ook nu nog heerlijk bloeien en thans hunne eigen zielzorgers hebben. Vooral waren de steden Baltimore, Pittsburg, Eochester, New-York en Philadelphia het tooneel harer werkzaamheid; daar was zij trouwens de eenige, die zich het lot der Duitsche Katholieken aantrok.
Toen pater Alexander dan in 1843 uit Europa terugkeerde werden hem volgens voorschrift der Regels door den Vicaris-Generaal, pater Passerat, twee raadslieden of consultoren toegevoegd. Een dezer twee was de nieuw-geprofeste pater jSTeumann, die bovendien toen nog geen drie-en-dertig jaar oud was. Van toen af begon hij deel te nemen aan het bestuur der Congregatie in Amerika; reeds den 3den Maart van het volgend jaar 1844 werd -hij aangesteld als Superior van de kerk en het klooster te Pittsburg. (')
Een groot offer was deze benoeming voor pater Neumann's nederigheid; een offer voor zijne liefde tot de verborgenheid tevens; en hoe onderworpen hij ook was aan Gods heiligen Wil, toonden toch de trekken van zijn gelaat, hoe zwaar hem deze verheffing viel. Hij kon er zelfs moeielijk toe beslui-
(i) Pittsburg, thans de aanzienlijkste fabrieksstad der Vereenigde Staten, telde in 1843 21,115 inwoners.
148
ten de eerste plaats in te nemen; een beroep op den Regel was noodig om zijn afkeer tot zwijgen te brengen. Overigens was het ambt van Overste te Pittsburg van dien aard, dat de meest eerzuchtige er gaarne aan hadde verzaakt; zoozeer werd de voorrang door de zware lasten overtroffen.
De stichting aldaar verkeerde trouwens in de moeielijkste omstandigheden. De nieuwe Overste vond bij zijne aankomst de fabriek-kerk afgebrokenr eene nood-kerk opgericht, eene school gebouwd, en reeds een gedeelte der muren van de nieuwe kerk,, aan de H. Philomena toegewijd, voltooid; doch boven alles vond hij een zwaren schuldenlast en geene geldmiddelen, noch om de schulden te betalen, noch om den bouw voort zetten: de Duitsche Katholieke parochie was nog klein en over het algemeen arm; uiterst arm was ook het klooster, indien men den naam van klooster mocht geven aan een ellendig houten gebouw, dat eten regen tot op het rustbed der bewoners liet doordringen. Boeken waren bijna niet voorhanden; om aan de kinderen iets te kunnen uitdeelen, hield men zich tijdens het uur der ontspanning bezig met het maken van Rozenkransen.
In dergelijke omstandigheden viert echter het vertrouwen der heiligen zijn schoonsten triomf. Zoo was-het ook bij pater Neumann. Reeds toen hij nog jongeling was, had men in hem naast zijne onderwerping aan Gods Wil zijn vertrouwen op Gods Voorzienig-
149
heid bewonderd ook in die gevallen, waarin anderen den moed hadden laten zinken. Thans, als priester â en kloosterling, wist hij nog beter, wat het vertrouwen op God vermag; en hoe bescheiden overigens, bij God wist hij onbescheiden te zijn; zijn vertrouwen op Hem spotte met alle menschelijke berekeningen en bezorgdheid. Zóó innig en zóó dringend werd dan zijn gebed, dat hij als 't ware, gelijk de patriarch Jacob, met God scheen te worstelen en Hem te zeggen : âIk zal U niet laten gaan, eer Gij mij gezegend hebt.quot; Wat dan ook te Pittsburg onmogelijk scheen, pater Neumann wist het te verwezenlijken; bij al zijn vertrouwen en gebed arbeidde hij trouwens zóó, alsof alles van zijn optreden had afgehangen, en paarde stalen volharding aan wijs overleg. De geheele zorg voor den kerkbouw, later ook die voor den bouw des kloosters, rustte, om zoo te zeggen, op hem alleen; hij moest zelfs, in verstandhouding met den architect, het opzicht over. de uitvoering op zich nemen en alles zelf onderzoeken. Het plan der inwendige versiering was geheel zijn werk. quot;Wat de kunstwaarde daarvan betreft, luidt het oordeel eenstemmig, dat deze versiering niets te wenschen overlaat en, met het uitwendige vereenigd, deze kerk tot een sieraad van Pittsburg maakt.
Intusschen moest vooreerst aan de geldmiddelen worden gedacht. Om ze zich te verschaffen zocht de nieuwe Overste op de eerste- plaats eene kerkbouic-
150
vereeniging op te richten, wier leden wekelijks vijf centen moesten betalen. Zoo konden ook armen medewerken aan den bouw, en dat deden zij zóó bereidwillig, dat te Pittsburg opnieuw het spreekwoord bewaarheid werd: âDe armen bouwen de kerken en onderhouden ze.quot; Pater Neumann kwam echter niettemin dikwijls in grooten nood, maar ook om telkens Gods bijzondere hulp te ondervinden. Een ooggetuige, pater Seelos, (') die zelf in geur van heiligheid gestorven is, zeide daaromtrent: âWat deze goede heilige man te Pittsburg heeft uitgestaan, weet God alleen; Hij zal het tot verheerlijking van zijn dienaar op den dag des oordeels openbaren. Ik heb het zelf gezien en ten deele mede geleden. Des Zaterdags moesten de werklieden betaald worden, en dikwijls was er Vrijdag geen geld of ook geen vooruitzicht van geld aanwezig; maar toch â en dit grenst aan het wonderbare â Zaterdagavond konden alle werklieden voldaan worden.quot; Pater Neumann wist ook daardoor den zegen Gods over zijn arbeid af te trekken, dat hij bij het aannemen der arbeiders steeds aan de armsten de voorkeur gaf. Ook was hij een groot vereerder van den H. Joseph, en liet hij sinds 1845 bij de door den Regel voorgeschreven gebeden ook dagelijks de
(i) Pater Seelos, den n Januari 1819 in Beieren geboren, stierf den 4 October 1867, in den ouderdom van 48 jaren, te New-Orleans als offer der gele koorts, die in dat jaar zoo hevig woedde. Zijn leven door P. Zimmer, verscheen in 1887 in het Duitsch te New-York bij Benziger. Het vorige jaar (1898) werd een begin gemaakt met de invoering van het proces zijner Zaligverklaring.
151
litanie van den H. Joseph bidden; van dien tijd af hield de geldverlegenheid op. Zijn vertrouwen op God en de daaruit ontspruitende zielskalmte deed hem in-tusschen ook in oogenblikken van dringenden nood die tegenwoordigheid van geest bewaren, die ongeduldige sctmldeischers tevreden weet te stellen ook zonder geld. Een dezer, â pater Neumann was hem een groote som schuldig, â meende vernomen te hebben, dat de financiën van den Superior der Redemptoristen in beklagenswaardigen toestand waren. Hij ging daarom naar het klooster en vorderde de onmiddellijke terugbetaling. De portier ijlt naar den Overste en kondigt hem de ontijdige vordering aan. Deze, niet in staat het geleende op dat oogenblik terug te geven, gelast den broeder met de grootste bedaardheid, den man te vragen, of hij de terugbetaling in gouden of in zilveren munt verlangt. Verrast antwoordde de schuld-eischer; âO, als het zóó is, als het geld in zekere handen is, dan kan het gerust aan de kerk blijven, ik heb het op het oogenblik toch niet noodig,quot; en volkomen gerustgesteld en voldaan ging hij heen. (') Wat nu verder het bestuur des kloosters, de leiding der parochie en zijn persoonlijk gedrag betreft, dit kan men in algemeene trekken het beste schetsen met de woorden, eens door een Heilige gesproken:
(i) Al hadde echter de schuldeischer aangehouden, zoo merkt pater Beek (Gol-denes Jubildum enz. p. 153) aan, pater Neumann had hem toch kunnen voldoen; want zijn crediet stond toen zeer hoog.
152
âEen icare dienaar Gods spreekt weinig, arbeidt veel, lijdt veel en bidt veel.quot; Bij eene groote bescheidenheid in het optreden en eene standvastige liefde voor verborgenheid arbeidde pater Neumann te Pittsburg veel in zijne kloostercel; daar trachtte hij zich altijd meer en meer de priesterlijke wetenschappen toe te eigenen. Daar studeerde en las hij, en teekende onder het lezen alle schoone en nuttige gedachten op, rangschikte ze in zijne vrije uren, en verkreeg daardoor een buitengewoon gemak om te preeken. Hij nam ook de moeielijke taak op zich een, tot dan toe ontbrekenden, geschikten Catechismus voor kinderen samen te stellen. Na zijn moeielijk dagwerk bracht hij nog gansche nachten in arbeid daaraan door en slaagde zóó volkomen, dat tot nu toe de Catechismussen van pater Neumann, de eene in het Engelsch, de andere in het Duitsch, voor de beste en geschiktste in Amerika gehouden worden. In 1889 had zijn kleine Catechismus acht-en-dertig, de grootere een-en-twintig uitgaven beleefd. In het groote Nationaal-Concilie, te Baltimore van 9 tot 20 Mei 1852 gehouden, en waaraan o.a. zes Aartsbisschoppen en zes-en-twintig Bisschoppen, ook pater Neumann zelf, toen Bisschop van Philadelphia, deelnamen, werden zijne twee Catechismussen met lof aangenomen en goedgekeurd. Ook gaf hij eene korte Bijbelsche Geschiedenis voor kinderen uit, zooveel mogelijk in de bewoordingen der H. Schrift zelve; ten slotte ook nog verscheiden
153
godvruchtige boekjes voor de verschillende Broederschappen, in de kerken der Redemptoristen opgericht.
Veel arbeidde hij ook in de school voor het catechetisch onderricht. Ook hier trouwens toonde zich weer zijn talent om het hart der kinderen te treft'en, ze aan zich te binden en ze tegelijk voor het aan-leeren der geloofswaarheden ontvankelijk te maken, ja, zelfs den minst ontwikkelden wist hij de zaken aan het verstand te brengen, 't Was dan ook een ware vreugde voor hen, als hij verscheen; en kwamen ze pater Neumann op straat tegen, dan was hij, gelijk te Williamsville, aanstonds van kinderen omringd. Hij zelf nam de hoofdleiding der katholieke school op zich en daarbij bleef de arbeid, die de eersteling van zijn apostolischen ijver in Amerika, na zijne aankomst te New-York, was geweest, ook nu het voorwerp zijner voorliefde; hij maakte namelijk vooral veel werk van de voorbereiding der kinderen tot hunne eerste H. Communie; geen middel liet hij onbeproefd om dien dag voor hen onvergetelijk te maken.
Ook in den biechtstoel, op den kansel werkte hij onvermoeid; hij hield den ijver levendig in de reeds bestaande Broederschappen en voerde zelf die van den Levenden Rozenkrans in zijne kerk in. Ondanks den arbeid, dien de kerkbouw hem oplegde, kende zijne zorg voor het geestelijk heil der parochie geene grenzen. Om onder de Katholieken goede lectuur te verspreiden, richtte hij zelf te Pittsburg eene biblio-
154
theek op. In één woord, alle lasten der zielzorg nam hij gewillig op zich. Om zijne medebroeders te sparen, belastte hij zichzelven met het bezoeken der zieken des nachts; maakte men hem daarover eenige aanmerking, dan was zijn antwoord: âGij hebt den slaap te veel noodig; ik kan toch niet slapen.quot; Bovendien vond nog iedereen hem altijd tot hulp en raad bereid; niemand ging van hem ongetroost of onbevredigd heen.
Het was intusschen pater Neumann niet genoeg door de priesterlijke bediening zich geheel aan zijn volk te schenken en zich zonder voorbehoud daarvoor op te offeren. Dit is de toewijding, die altijd in alle eeuwen van den priester gevorderd werd en in zich altijd dezelfde blijft. Doch hij begreep, dat, wat de wijze van uitoefening betreft, met de gevaren aan elke eeuw, aan elk land, aan elke parochie eigen, rekening gehouden moet worden, en dat men aan den priester terecht den eisch stelt, een man van zijn tijd te zijn. In dit opzicht muntte pater Neumann uit. Zoo iemand, dan had hij een open oog voor de eigenaardige behoeften en gevaren der maatschappij, waarin hij zich bewoog. Vooral op de scholen viel zijne aandacht; en wij zullen zien, dat deze zorg van het onderwijs als een der hoofdtrekken werd voor geheel zijn leven. Hij had in dit opzicht een moeie-lijke taak. âHet schoolsysteem der Vereenigde Staten,quot; zoo zeide hij zelf, âschijnt in theorie zeer liberaal of verdraagzaam, maar in werkelijkheid is het zeer in-
155
tolerant, vooral tegen de Katholieken.quot; Vandaar die standvastige ijver in zijn volgend leven, om overal parochiale scholen op te richten. Hij klaagde echter over de nalatigheid der ouders, die hunne kinderen, onder voorwendsel van hen beter Engelsch te doen leeren, naar staatsscholen zonden; die hen te vroeg in fabrieken lieten arbeiden of ze in dienst gaven aan dweepzieke protestanten, die er eene eer in stelden hun het geloof te doen verliezen. Wat. verder de in Amerika zoo hoog opgevoerde zucht tot vereeniging betreft, om niet te gewagen van zijn oordeel over de talrijke geheime genootschappen, zag hij ook zeer goed het gevaar in, dat in de zoogenaamde âgemengde vereenigingenquot;, waartoe de Amerikaan zoo groote neiging heeft, gelegen was. âAl is het doel daarvan niet anti-godsdienstig,quot; zoo meende pater Neumann, âtoch brengen zij den Katholiek, die er lid van is, in aanraking met raenschen, die voor zijn geloof en zeden gevaarlijk zijn. Zoo licht neemt hij van zijne protestantsche medeleden de overtuiging over, dat het eigen oordeel over alles, wat de priester zegt, de scheidsrechter moet zijn, eene overtuiging, vooral voor Duitschers gevaarlijk, die toch reeds door karakter de neiging hebben om het woord des priesters te critiseeren. âZulke Katholieken,quot; zeide pater Neumann, âdie soms uit domheid of nieuwsgierigheid of behaagzucht protestantsche preeken hebben aangehoord, verwachten ten laatste ook van een Katholieken
156
priester, dat hij de geloofswaarheden hun als voorwerp hunner beslissing voorhoude; de preek moet naar hunnen zin zijn; wat daartegen is, is hun te hard.quot; Hij zeide dan ook, dat omtrent dit punt vooral de zielenijver met wijsheid gepaard moest gaan en men omzichtig moest zijn in de keus der middelen. De echte middelen, volgens hem, waren: âDen godsdienst zoo plechtig mogelijk in de kerken te vieren; soliede, populaire predikatie en catechismus op Zonen Feestdagen; de invoering van Broederschappen; het verspreiden van goede boeken en geschriften, bijzonder echter het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten en het gebed.'quot;
Pater Neumann, wij zagen het reeds, bracht zeifin praktijk, wat hij anderen aanried, en velen, die zelfs jarenlang, gelijk de verloren zoon, afvallig van de Kerk hadden geleefd, keerden door zijnen arbeid berouwvol in haren schoot terug. Wij willen een dier feiten meer uitvoerig mededeelen, wijl daarin op bijzondere wijze uitkomt, hoe aangenaam zijn zielenijver aan God was.
Een Katholieke Duitscher, die langen tijd met vrouw en kinderen in bitteren nood gesmacht had, werd door een sektaris en proselietenmaker aangespoord tot zijne sekte toe te treden; deed hij dit, dan werd hem vaste arbeid verzekerd, en in den oogenblikkelijken nood zou door geld verholpen worden. De arme man, van twee zijden in het nauw gebracht, aarzelde; hij wilde zijne zaligheid en die der zijnen
157
niet prijsgeven voor geld. Maar intusschen steeg de nood, en de ongelukkige, om zijne hongerige, om brood roepende kinderen niet langer te zien lijden, vatte het plan op, eenen afval van zijn geloof te huichelen. âWij zullen,quot; â zoo stelde hij aan zijne vrouw voor, â âvoor het uiterlijk met die ketters meegaan,, maar inwendig blijven wij Katholiek. Wij nemen het geld aan, om onze kinderen brood te verschaffen, en den arbeid, die men ons aanbiedt. Maar zoodra de grootste armoede voorbij is, gaan wij wederom volgens onze overtuiging Katholiek leven.quot;
Met beklemd gemoed stemde de vrouw toe. De hulp werd verstrekt; maar de slechte daad knaagde aan het geweten der arme echtelieden. Eenigen tijd later kwam de man op een Zondag-voormiddag voor zaken naar Pittsburg in de nabijheid der Philo-menakerk, â de kerk der Redemptoristen; de-hoogmis had juist een aanvang genomen. Daar hoort hij die orgeltonen, hem uit betere tijden bekend;het gezang; Kyrie eleison: Heer ontferm U onzer, Heer ontferm U onzer, klinkt hem diep in zijne ziel en trekt hem als met geweld de kerk binnen. En als door een onzichtbare hand geleid, bevindt hij zich bijna aanstonds, zonder er zich rekenschap van te geven, voor de Communiebank. Onbeweeglijk blijft hij staan, op zijn stok geleund en de starende oogen. op de handelingen des priesters gericht; het was pater Neumann zelf, die de H. Mis opdroeg. En als deze-
158
â¢de H. Hostie boven den Kelk verdeelt, daar ontsnapt â den ongelukkige een luide schreeuw, en bitter weenend valt hij op de knieën. God had voor zijne oogen een mirakel verricht. Hij had gezien, terwijl de H. Hostie gebroken werd, dat er druppelen bloeds uit neder-vloeiden, en in zijne ziel meende hij de woorden te hooren; âDit bloed hebt gij Mij door uwen afval van het geloof afgeperst.quot; Hij was bekeerd. Na de H. Mis ijlde hij pater Neumann in de sacristie na, verhaalde hem alles, legde eene rouwmoedige biecht af en voerde weldra zijne geheele familie in den schoot der Kerk terug.
Waren zulke bekeeringen troostvol, des te pijnlijker waren den Dienaar Gods de verstoktheid van zooveel anderen, en de dwaze vooroordeelen, die toen tegen de Katholieke Kerk nog bijna algemeen heer-schend waren. De Katholieken werden toen voor onwetende en bijgeloovige menschen gehouden, die van hunne priesters hadden geleerd, dat de ketters te vuur en te zwaard van de aarde verdelgd moesten worden. De priesters werden dan ook niet zelden bespot, beschimpt, met steen en en slijk geworpen. Eens hadden zelfs kwaadwilligen des nachts in de school, welke bij pater Neumann's kerk behoorde, een begin van brand doen ontstaan. Daar deze school, zoowel als de noodkerk en de woning der paters, van hout was, was het gevaar uitermate groot. Doch â¢Gods Voorzienigheid waakte. Een Katholiek man
159
voer dienzelfden nacht met zijn wagen door de zoogenaamde Pennstraat en voelde zich innerlijk gedrongen de smalle steeg, die nauwelijks voor een wagen ruimte bood, in te rijden. Aanstonds ontdekte hij het vuur, nog tijdig genoeg om het met de hulp der buren uit te dooven.
Nog grievender moest het voor pater Neumann zijn, als hij van zijne eigene parochianen soms harde bejegeningen te verduren had; des te schitterender echter toonde zich dan zijne zachtmoedigheid. Eens werd hij door een dronkaard met een stroom van bedreigingen en smaadwoorden overstelpt; pater Neumann hoorde hem bedaard aan, en toen hij had uitgewoed, vroeg hij vriendelijk: âHeeft u nog iets meer te zeggen ?quot; â De man antwoordde verrast, dat hij toch wel genoeg had gezegd. â âDan kunt ge weer weggaan,quot; hervatte hij, âen ik raad u tehuis uw roes te gaan uitslapen.quot; Meteen schoof hij hem bedaard, maar krachtig de deur uit. Een ander maal had pater Neumann zich verplicht gezien eene vrouw, die in gemengd huwelijk leefde, de absolutie te weigeren ; dit ten minste gaf zij zelve voor. Doch nu ontbrandde in haar hart zulk een toorn, dat zij zich â¢op den plichtgetrouwen priester besloot te wreken, â¢en haar protestantsche echtgenoot was maar al te zeer bereid haar verlangen te voldoen. Hij noodigde â¢dus den Pater uit in zijn huis te komen; en toen deze, niets kwaads vermoedend, aan die uitnoodiging had
160
beantwoord, sloeg hem de woesteling zonder eenig ontzag of medelijden, en liet hem niet los, voordat hij zijne woede ten volle aan hem had gekoeld. Pater Neumann schijnt deze ontmoeting toen aan niemand, tenzij misschien aan een leekebroeder, bekend gemaakt te hebben, want eerst vele jaren daarna kwam zij aan het licht.
Met al dezen arbeid verbond pater Neumann nog een grooten ijver voor het werk der eigenlijk gezegde Missiën, die de H. Alphonsus bij het stichten zijner Congregatie vooral op het oog had. Hij deed, wat hij vermocht, om ze te bevorderen. Elke gelegenheid nam hij te baat om de wereldsch-geestelijken er toe te bewegen missiën te doen houden in hunne parochie,, en hoe ook met vele bezigheden bezwaard, nam hij zelf nog aan vele missiën deel.
Een arbeid, als wij hebben beschreven, zou men geneigd zijn reeds overtollig te noemen. En toch hebben wij daarmede slechts ééne zijde van pater Neumann's bestuur als Overste te Pittsburg leer en kennen. Want vóór alles beschouwde hij zich als vader diergenen, die met hem leden waren eener zelfde Orde, zonen van denzelfden Stichter. Zoo ergens, dan hadden in dit opzicht in zijn persoon het gezag met de bescheidenheid, de nederigheid met de liefde een verbond gesloten, om hem voor zich te doen kiezen wat er onaangenaams in het besturen ligt, en al het-overige weg te schenken aan zijne onderdanen. Zoo-
161
wel te huis als op missie was steeds, â wij stipten het reeds aan â het zwaarste werk door pater Superior aan hem zeiven voorbehouden. Eens, dat hij met pater Seelos eene missie ging geven, en zelfs geen bed tot hunne beschikking werd gesteld, dwong hij zijnen gezel de bank en den mantel tot rustplaats en bedekking te nemen; hij zelf bracht zittend den nacht in gebed door. Dezelfde pater schreef vijftien jaren later: âPater Neumann is in elk opzicht mijn onvergetelijke vader geweest. Hij voerde mij het praktische leven in; hij bestuurde mij als biechtvader, hij zorgde voor al mijne noodwendigheden. Boven alles zweeft mij nog levendig het voorbeeld zijner deugden voor den geest; zijne uiterste zedigheid, zijne groote nederigheid, zijn alles overwinnend geduld. Onze woning was zóó erbarmelijk, dat wij eens gedurende een hevig onweer des nachts onze kamer moesten verlaten en elders een toevluchtsoord gaan zoeken, wijl het water in onze bedden drong. Ik zeg: onze kamer; want wij beiden hadden er slechts ééne, door een voorhang in tweeën gesplitst. Daardoor kon ik hem tot laat in den nacht zacht hooren bidden. Hij sliep in 't geheel zóó weinig, dat ik volstrekt niet begrijp, hoe hij het leven er bij kon houden. Wijl hij vóór den gewonen tijd opstond, zorgde hij zelf voor het vuur, en droeg dikwijls zelf de steenkolen op, opdat ik bij mijn opstaan eene warme kamer zou hebben.quot; Dergelijke getuigenissen legden ook de paters Tschen-
162
hens, Cronenberg, Muller, Schafïler en Hotz af, die toen onder bem stonden. Allen stemmen daarin overeen, dat bij altijd dezelfde waakzame overste, liefdevolle vader en gedienstige medebroeder was. Deze allen en alles omvattende liefde maakte dan ook, dat bij al de armoede, die men te Pittsburg moest doorstaan, allen toch tevreden en opgeruimd waren. Gelijk wij reeds vermeldden, nam hij zelfs den zwaren last op zich niet alleen de kerk, maar ook een nieuw klooster te bouwen. Hij zelf maakte het plan, dat zoowel aan de eischen der kloosterregels als aan die der kunst beantwoordde; het klooster te Pittsburg werd het ruimste klooster der Redemptoristen in Amerika en behield tot dusverre steeds de inrichting, die pater Neumann eraan gegeven had.
In de strenge onderhouding der Regels ging hij allen voor; nooit duldde hij voor zich eene uitzondering; nooit liet hij ondanks de ontzaggelijke drukte van kerkbouw, missiën, bestuur der parochie, zijne maandelijksche of jaarlijksche retraite achter; evenmin ontbrak hij ooit bij de gemeenschappelijke oefeningen, als de noodzakelijkheid niet het tegendpel vorderde; zelfs als hij des nachts een bezoek bij zieken had afgelegd, was hij bij de gemeenschappelijke morgenmeditatie wederom op tijd aanwezig. De ingetogenheid was hem als 't ware eene tweede natuur; het stilzwijgen onderhield hij zóó nauwkeurig, dat hij zelfs het maken van gedruisch vermeed, en was hij
163
tot spreken verplicht, dan wist hij daarbij èn aan den regel van het stilzwijgen èn aan de eischen der broederlijke liefde te voldoen. Een priester, die een tijdlang in het klooster te Pittsburg verbleef en veel over pater Neumann's heiligheid had hooren spreken, vatte het eigenaardige plan op hem onopgemerkt gade te slaan. Hij zelf bekende het later en moest getuigen, dat hij nie1: de minste fout in hem had weten te ontdekken. Men begrijpt, welke eene kracht dit schitterend voorbeeld aan zijne woorden bijzette. Wel had hij het volste recht, met angstige nauwkeurigheid op de onderhouding der Regels en vrome gebruiken der Congregatie aan te dringen; dit deed hij trouwens en verlangde van zijne onderhoorigen dezelfde nauwgezetheid van geweten en stipte getrouwheid. Hij was er van overtuigd, dat kloosterlingen slechts dan den overvloed van genaden ontvangen voor zich en hunnen arbeid, als zij hunne regels goed onderhouden en van den geest huns stichters bezield zijn. Niets ontging dan ook zijn waakzaam oog, de fouten evenmin als de behoeften zijner onderhoorigen; voor het noodige zorgde hij met vaderlijke goedheid; de fouten berispte hij met zachtheid en ernst. Hij slaagde er dan ook in, ondanks de ongunstige tijdsomstandigheden, eeoe stichtende kloostertucht te Pittsburg te vestigen; geen der onderdanen, die het voorbeeld des Oversten zag, kon het trouwens van zich verkrijgen een offer
164
voor eigen volmaaktheid of voor de zaligheid des naasten aan God te weigeren.
Zóó was pater Neumann als Overste te Pittsburg. Zal het ons verwonderen, dat hij als een heilig priester bekend stond? Dit heeft trouwens de heiligheid eigen, dat, al verbergt zij zich nog zoo zorgvuldig, haar geur gewoonlijk zich tot op de verste afstanden verpreidt, maar ook vooral wordt waargenomen door die zeiven daarin uitmunten. De Bisschop van Pittsburg, Mgr. O'Connor, zelf een man van erkende deugd, koos dan ook pater Neumann tot zijn biechtvader, vroeg hem in vele lastige gevallen om raad, en bracht er later zelf toe bij, dat Neumann tot Bisschop van Philadelphia werd benoemd. Pater von Held, provinciaal der Belgische, Hollandsche en Engelsche huizen, eveneens een man van uitstekende hoedanigheden, (') die in het jaar 1845 met onzen bekenden landgenoot, pater Bernard Hafkenscheid, de Amerikaansche huizen der Congregatie als visitator bezocht, drukte zich na zijn bezoek te Pittsburg in dezer voege uit; âPater Superior Neumann is een groot man; hij paart een vast karakter en voorzichtigheid aan ware vroomheid. Hadde ik niet reeds pater Czackert tot mijn plaatsvervanger als Overste aller Amerikaanschehuizen
(i) Frederik von Held, in 1799 te Brunn in Oostenrijk geboren, was een leerling geweest van den Zaligen Clemens Hofbauer en trad onmiddellijk na diens dood in de Congregatie des Allerh. Verlossers. Hij bekleedde er de gewichtigste ambten en was in Gods handen het middel om de Congregatie in verscheidene landen te vestigen. Door den Culturkampf uit Duitschland verdreven stierf hij te Vaals in Limburg den 20 April 1881.
165
aangesteld, ik zou zeker niemand anders dan pater Neumann benoemen.quot; Wij zullen zien, hoe dit plan .spoedig verwezenlijkt werd en welk een hoogen dunk ook de Dienaar Gods pater Passerat en pater Bernard van hem hadden.
In den herfst van 1846, op het Rozenkransfeest, mocht pater Neumann den troost genieten de schoone en ruime kerk plechtig te zien ingewijd door zijn doorluchtigen vriend, den Bisschop van Pittsburg. Voor den geheelen bouw was niet de geringste bijdrage uit Europa noodig geweest, en de wijze maatregelen des Oversten hadden bewerkt, dat ook geen schuldenlast op het huis Gods drukte. Het klooster â echter wachtte nog zijne voltooiing; maar middelerwijl hadden zich bij pater Neumann de gevolgen der al te groote inspanning geopenbaard. Alle teekenen eener â ernstige longziekte begonnen zich te vertoonen; doch al drongen de paters er op aan, een dokter te ontbieden, de Superior scheen op alles te letten, behalve â op zijn eigen toestand en antwoordde: âHet zal wel beter worden.quot; Men het het echter hierbij niet; er werd naar den Yice-Provinciaal, pater Czackert, geschreven, en toen deze gelast had onmiddellijk de hulp des dokters in te roepen, constateerde deze eene ernstige aandoening der longen, die het ergste deed vreezen, als niet aanstonds maatregelen genomen werden. De zieke onderwierp zich aan alles en werkelijk was na eenige weken het onmiddellijk gevaar
166
verdwenen. De dokter meende echter, dat eene verandering van lucht noodzakelijk was, en daarop riep hem de Vice-Provinciaal den 27 Januari 1847 naar Baltimore.
De Duitsche Katholieken van Pittsburg bleven pater JSTeumann steeds een dankbaar hart toedragen. Hij had trouwens voor hen in korten tijd verwezenlijkt, wat velen eene onmogelijkheid scheen; en hoe had hun alles verborgen kunnen blijven, wat hij daarvoor geleden had; ja, dat hij, gelijk een hunner zich uitdrukte, bij het bouwen der kerk eene martelie had doorstaan? Toen hij dan ook zes jaren later Bisschop van Philadelphia werd gewijd, zonden zij eene deputatie uit hun midden om hem geluk te wenschen en gaven hem eene kostbare monstrans ten geschenke; en toen hij als Bisschop hunne stad bezocht, bereidden zij hem eene schitterende ontvangst.
ZESDE HOOFDSTUK.
fater Neumann Yice-frovinciaal en Rector te Baltimore. |(ieuwe beproevingen. â fater Bernard.
1847â1852.
T
J oen pater Neumann naar Baltimore geroepen 1 werd, had hij gehoopt, dat zijn wensch, om als eenvoudig kloosterling te leven en te sterven, in vervulling zou gaan; zijne ziekelijkheid scheen hem daartoe het gewenschte middel. God echter, die er behagen in schept, de nederigen te gebruiken als werktuigen Zijner grootste daden, had het anders beschikt. Hij wilde als bij trappen dit licht steeds hooger en hooger doen stijgen, opdat des te meer zielen den heilzamen invloed ervan zouden genieten. Hij wilde ook aan zijn dienaar de laatste voorbereiding geven tot het ontvangen der volheid van het priesterschap, het Episcopaat, zoowel door een steeds ruimer en
168
aanzienlijker arbeidsveld, als door de loutering zijner ziel te midden van lijden en tegenspraak.
Pater Neumann had Pittsburg nog niet verlaten, toen, zonder dat hij er het geringste vermoeden van had, in Europa reeds de brief geteekend was, die hem een last op de schouderen ging leggen, veel zwaarder, dan die hem tot dusverre had gedrukt. En nog geen veertien dagen op zijne nieuwe bestemming aangekomen, ontving hij van den Belgischen Provinciaal pater von Held, onder wiens bestuur de Amerikaansche huizen toen stonden, een schrijven, dat hem, in de plaats van pater Czackert, aanstelde tot Vice-Provin-ciaal der geheele Amerikaansche missie en hem dus de leiding in handen gaf van alle leden der Orde in Noord-Amerika. Het getal der paters was wel is waar nog niet groot; het was tot ongeveer dertig geklommen ; doch zij waren verdeeld over tien huizen of missiestatiën, (') en waren met eene zielzorg belast, zóó uitgestrekt en met zooveel moeilijkheden verbonden, dat deze voor eene gewone inspanning het dubbel aantal zouden eischen. Wel verre dus van het bestuur te vergemakkelijken, maakte juist het geringe aantal leden eene der groote moeielijkheden ervan uit; en dit ook in het bijzonder met het oog op de onderhoud! ng der kloosterregels, die een gemeenschap-
(i) Deze staties waren toen ééne te Pittsburg, twee te Baltimore, ééne te New-\ ork, Philadelphia, Marienstad, Buffalo, Monroe, Detroit, Washington. Eenige zijn later weder opgeheven.
169
pelijk leven vorderden met vele gemeenschappelijke oefeningen, welke bij dit kleine aantal en hun over-matigen arbeid noodzakelijk moesten lijden. Aroeg daarbij de ontzettende afstanden en het moeilijk verkeer, de groote armoede en de groote schulden, dan kan men zich een denkbeeld maken van de drukkende zwaarte, waarmede de tijding zijner benoeming pater Neumann op het hart viel; en de werkelijkheid â wij zullen het in het verloop van ons verhaal zien â zou het donkere vooruitzicht nog overtreffen; zijn Vice-Provincialaat, hoewel van korten duur, moest eene school van lijden voor hem zijn en hem de laatste lijnen schenken van gelijkvormigheid aan Jezus Christus, den oppersten Zielenherder.
Gelijk te Pittsburg, zoo maakte hem echter ook te Baltimore zijn vertrouwen op God sterk tegen alles; en wederom zien wij hier, wat een enkel man van ijver en toewijding, met dit vertrouwen gewapend, in korten tijd vermag.
Als grondslag van al zijne ondernemingen, zoo drukte hij zich zelf uit, nam hij de onderhouding der Regels. En wijl deze door een te groot aantal nieuwe stichtingen noodzakelijk lijden moest, haastte hij er zich niet mede, maar trachtte veeleer de bestaande te bevestigen. Dit deed hij vooral te Buffalo en te New-Orleans. Aan deze laatste stichting besteedde hij zooveel moeite, dat men ze voor het grootste gedeelte zijn werk kan noemen. Verder zag hij zich in staat gesteld
170
een klooster te vestigen in Cumberland, dat later een hoogen bloei bereikte, en bovendien dankt eene tweede stichting te New-York, in het zuid-westelijk gedeelte der stad, aan hem haar ontstaan. De moeilijkheden der nieuwe kloosters kwamen natuurlijk op hem allermeest neer, zoowel onder het opzicht van den arbeid, dien zij kostten, als van de kwellingen, die zijne medebroeders aldaar hadden te verduren, en die zich als 't ware alle vereenigden in pater Neumann's vaderlijk hart. Geheel bijzonder was dit het geval met de stichting van New-Orleans. Bij de grootste armoede en wederwaardigheden van allerlei aard, kwam daar ook nog de plaag der gele koorts. In 1841 waren alle paters en broeders, aldaar werkzaam, door de ziekte aangetast; pater Czackert bezweek den 2 September van dat jaar als eersteling van die lange rij van Redemptoristen, die het offer dier ziekte geworden zijn. Onmachtig om hulp te verleenen, niet in staat nieuwe leden te zenden, wijl dit hetzelfde zou geweest zijn als hen bloot jte stellen aan een wissen dood, steunde pater Neumann door brieven de voorbeeldige opoffering van den aldaar nog overblijvenden pater Petesch, die voor het vervullen van zijn ambt zijn leven in de waagschaal stelde.
Pater Neumann verbond methet Vice-Provincialaat het ambt van Overste van het klooster en deSt.-Al-phonsuskerk te Baltimore, en in deze dubbele hoedanigheid vinden wij in hem te Baltimore in verdubbelde;
171
mate terug, wat wij te Pittsburg reeds in hem zagen.. Het was dezelfde moederlijke toewijding aan het geestelijk en tijdelijk welzijn zijner onderhoorigen, verbonden met een nog grootere waakzaamheid op de-onderhouding der Regelen, wijl zijne verplichtingen thans nog grooter waren. Als algemeen Overste der Amerikaansche huizen waren zijne twee grondbeginselen, ten eerste, gelijk wij reeds vermeldden:. â Vóór alles instcmdhouding en versterking van den geest der Ordequot;; ten tweede: âAl het werk naar huiten moet, om God aangenaam en aan de zielen nuttig te zijn, uit zuivere bedoeling en ware liefde tot God voortvloeien.quot; Vandaar zijn voortdurend aandringen op de zelfheiliging zijner medebroeders, en op eene zelfheiliging volgens het richtsnoer der Regels en Constitutiën,. iets, waartoe hij des te sterker mocht aansporen, naarmate hij zelf levendiger een persoonlijke afbeelding der Regels was. Niets spaarde hij om de tucht te handhaven, of, waar zij iets geleden had, te herstellen. Ernst en zachtheid, goedheid en gestrengheid, wendde hij aan. Eigenhandig schreef hij ook zoo zorgvuldig mogelijk eene vertaling der Regels uit het Italiaansch en het uitwendige van het boekje toont, hoeveel eerbied hij den inhoud er van toedroeg en. hoe veelvuldig gebruik hij er van maakte. In een ander boekje had hij alle gebeden en devoties, in de. Congregatie gebruikelijk, eigenhandig opgeschreven.. Het klooster des H. Alphonsus te Baltimore, dat hij,
172
als Vice-Provinciaal bewoonde, trachtte hij tevormentot een toonbeeld van orde en tucht. Daarom vereenigde hij daar een aanzienlijk aantal zijner medebroeders om zich heen; ook de studenten der Congregatie wilde hij daar bij zich hebben, opdat zij onder zijne oogen zich des te waardiger zouden voorbereiden tot hun verheven ambt. Het Noviciaat verplaatste hij naar Pittsburg en vertrouwde de leiding er van aan den door deugd uitmuntenden pater Seelos toe. âAls onze jongelieden,quot; zoo zeide hij, âvolgens den geest des heiligen Alphonsus worden opgeleid, dan zcd de Congregatie al-tyd aan haar heilig doel kunnen beantivoorden.quot; De jaarlijksche kloostervisitaties hield hij met grooten ijver; niets ontging aan zijn nauwlettend oog. Toen hij bevonden had, dat in een der huizen de lijst der patronen, deugden en gebeden, die bij het einde des Jaars aan een ieder bij het lot worden toegewezen, ontbrak, vervaardigde hij ze zelf. Bij monde en bij geschrift spoorde hij de Oversten der huizen aan, zooveel mogelijk zulke boeken aan te schaffen, die voor de priesterlijke wetenschap en het bewaren van den geest der Orde het geschiktste waren ; wist hij, â¢dat de armoede van een huis dit niet toeliet, dan vulde hij zelf het ontbrekende aan. De onderhouding der kloosterlijke armoede lag hem bijzonder aan het hart; zelfs het achteloos verwaarloozen van broodkruimels, het beschadigen van tafellinnen, verdiende in zijn oog eene berisping. Van den anderen kant
173
was hij als Overste des huizes bezorgd, dat niemand het noodige ontberen zou; persoonlijk onderzocht hij de kleederen van al zijne onderhoorigen en schepte er eene kinderlijke vreugde in, hen ongevraagd met een nieuw kleedingstuk te verrassen. In den omgang met de zijnen was hij de zachtmoedigheid zelve ; hij hielp iedereen, en wist met juisten blik te onderscheiden wat eene werkelijke fout, wat slechts eene bekoring was, en verstond het deze te verdrijven zonder den bekoorde te beangstigen of te krenken. Deze kieschheid en zorg om niemand verdriet aan te doen toonde zich ook geheel bijzonder, als hij iets weigeren moest. Een goede oude pater verhaalt zelf in allen eenvoud, dat hij in het jaar 1847 pater Neumann om niets minder had gevraagd, dan om een bedevaart naar Jerusalem te doen. Hij voerde, om zijn verzoek te steunen, eene ons verder onbekende plaats aan uit de werken van den H. Alphonsus, en bovendien het voorbeeld van een Franschen monnik uit de middeleeuwen, die niet alleen dit verlof van zijn abt had verworven, maar ook nog veertig goudstukken als reisgeld ontving; zelfs hadden hem de andere monniken verscheidene dagreizen vergezeld, blootsvoets en onder het zingen van psalmen en gebed. Nu was-het in onze dagen niet meer mogelijk te reizen, gelijk die vrome monniken hadden gedaan; hij vroeg dan ook geene begeleiding, maar alleen het verlof. Pater Neumann hoorde het verzoek van den goeden pater
172
als Vice-Provinciaal bewoonde, trachtte hij tevormentot een toonbeeld van orde en tucht. Daarom vereenigde hij daar een aanzienlijk aantal zijner medebroeders om zich heen; ook de studenten der Congregatie wilde hij daar bij zich hebben, opdat zij onder zijne oogen zich des te waardiger zouden voorbereiden tot hun verheven ambt. Het ISToviciaat verplaatste hij naar Pittsburg en vertrouwde de leiding er van aan den door deugd uitmuntenden pater Seelos toe. âAls onze jongelieden,quot; zoo zeide hij, âvolgens den geest des heiligen Alphonsus worden opgeleid, dan zcd de Congregatie altijd aan haar heilig doel kunnen beantwoorden.quot; De jaarlijksche kloostervisitaties hield hij met grooten ijver; niets ontging aan zijn nauwlettend oog. Toen hij bevonden had, dat in een der huizen de lijst der patronen, deugden en gebeden, die bij het einde des Jaars aan een ieder bij het lot worden toegewezen, ontbrak, vervaardigde hij ze zelf. Bij monde en bij geschrift spoorde hij de Oversten der huizen aan, zooveel mogelijk zulke boeken aan te schaffen, die voor de priesterlijke wetenschap en het bewaren van den geest der Orde het geschiktste waren ; wist hij, â dat de armoede van een huis dit niet toeliet, dan vulde hij zelf het ontbrekende aan. De onderhouding der kloosterlijke armoede lag hem bijzonder aan het hart; zelfs het achteloos verwaarloozen van broodkruimels, het beschadigen van tafellinnen, verdiende in zijn oog eene berisping. Van den anderen kant
173
was hij als Overste des huizes bezorgd, dat niemand het noodige ontberen zou; persoonlijk onderzocht hij de kleederen van al zijne onderhoorigen en schepte er eene kinderlijke vreugde in, hen ongevraagd met een nieuw kleedingstuk te verrassen. In den omgang met de zijnen was hij de zachtmoedigheid zelve ; hij hielp iedereen, en wist met juisten blik te onderscheiden wat eene werkelijke fout, wat slechts eene bekoring was, en verstond het deze te verdrijven zonder den bekoorde te beangstigen of te krenken. Deze kieschheid en zorg om niemand verdriet aan te doen toonde zich ook geheel bijzonder, als hij iets weigeren moest. Een goede oude pater verhaalt zelf in allen eenvoud, dat hij in het jaar 1847 pater Neumann om niets minder had gevraagd, dan om een bedevaart naar Jerusalem te doen. Hij voerde, om zijn verzoek te steunen, eene ons verder onbekende plaats aan uit de werken van den H. Alphonsus, en bovendien het voorbeeld van een Franschen monnik uit de middeleeuwen, die niet alleen dit verlof van zijn abt had verworven, maar ook nog veertig goudstukken als reisgeld ontving; zelfs hadden hem de andere monniken verscheidene dagreizen vergezeld, blootsvoets, en onder het zingen van psalmen en gebed. Nu was-het in onze dagen niet meer mogelijk te reizen, gelijk die vrome monniken hadden gedaan; hij vroeg dan ook geene begeleiding, maai' alleen het verlof. Pater Neumann hoorde het verzoek van den goeden pater
174
â¢met kalmte aan, prees zijn vromen ijver om het Heilig Graf te gaan bezoeken, vond ook de geschiedenis van â den Franschen monnik zeer interessant; maar hij raadde den ouden pater toch aan, gedurende een ge-ruimen tijd tot G-od te bidden, om te weten, of zijn verlangen niet enkel eene bekoring was ; wat hem â pater Neumann â betrof, hij verzekerde dat verzoek volstrekt niet als een onverstandige daad te beschouwen ; hij zag er slechts eene bekoring in.
De zorg voor zijne eigen heiliging toonde zich ook te Baltimore des te helderder, naarmate hij hooger geplaatst was. Hij had het zich tot onverbreekbaren stelregel gemaakt, uit alle krachten ernaar te streven in zich de deugden te doen herleven van zijnen Stichter en Vader, den H. Alphonsus; in het bijzonder diens onafgebroken en onvermoeide werkzaamheid voor de glorie Gods; zijn geest van gebed, zijne nederigheid, zachtmoedigheid, zijne onbaatzuchtigheid en zijne zelfverloochening. Het voorbeeld zijner deugden was hier wederom de groote kracht van zijn bestuur. Hij zelf was het eerste aanwezig bij alle gemeenschappelijke oefeningen des kloosters. Allen ging hij voor in liefde voor het gebed, en wel in die mate, dat een zijner onderhoorigen, onze landgenoot pater J. van Rijckevorsel, die van het einde van 1851 tot het begin van 1853 te Baltimore verbleef, deze liefde niet beter wist te schetsen, dan met het bondige getuigenis: âPater Neumann bad
175
â altijd.quot; Zijne nederigheid en gedienstigheid bleef ondanks zijne hooge positie onveranderd. Als Rector des huizes, na zijne ontheffing van het Vice-Provin-cialaat, bewoonde hij de kleinste cel, tegenover de kloosterdeur, om, als er iemand voor eene moeielijke bediening geroepen werd, zelf aanstonds, als de dienaar van allen, te allen tijde gereed te zijn. Als bij het behandelen van wetenschappelijke vragen de paters van meening verschilden, liet hij een tijd lang ieder zijne opinie uiten; dan nam hij het woord, lichtte de zaak van alle kanten toe en maakte een besluit, dat gewoonlijk allen bevredigde. Zijn oordeel genoot het grootste vertrouwen en werd in moeilijke gevallen als eindbeslissing beschouwd; maar altijd bewonderde men de zachtheid en kieschheid, waarmede hij bij dergelijke gelegenheden elkeen behandelde. Tijdens de uren van gemeenschappelijke ontspanning was hij onderhoudend en opgeruimd, hield allen nuttig bezig, doch sprak met bescheiden stem en zonder het minste vertoon van hooger waardigheid of grooter kennis. Hij wist trouwens voor geleerden en ongeleerden aangenaam en opgewekt in den omgang te zijn. Dikwijls zette hij zich aan het klavier om het zingen van een godvruchtig lied te begeleiden. In de wekelijksche conferentiën tot de leden des kloosters herhaalde hij dikwijls: âDe broederlijke liefde en de liefde tot onze Congregatie moeten ons allen tot ééne eensgezinde familie maken.quot;
176
Noch als Rector, noch als Vice-Provinciaal zocht hij zichzelven op eene andere wijze dan door het zware en moeilijke op zich te nemen. Hoe groot zijne kennissen ook waren en hoe rijp ook zijne ervaring, toch mistrouwde hij zijn eigen oordeel; vóór het nemen van besluiten nam hij zijne toevlucht tot het gebed en zocht raad bij die paters, die door de hoo-gere oversten als consultoren aan zijne zijde waren gesteld. Werd echter na rijp overleg een besluit genomen, dan voerde hij het, hoe zachtzinnig ook in de wijze van handelen, met beslistheid uit. Zijne liefde voor de vernederingen bleef ondanks zijne verheffing zóó groot, dat hij zelfs zorgvuldig de gelegenheden opzocht om vernederd te worden. De akten van nederigheid, door den -Regel zijner Congregatie aan de Oversten voorgeschreven, zooals het kussen der voeten zijner onderhoorigen op Donderdagavond, de openbare zelfbeschuldiging op Witten Donderdag, dat alles kwam bij hem zoo echt uit het diepste zijns harten; dat was bij hem niet enkel eene ceremonie. maar volle waarheid.
Eens gaf de bescheidenheid van zijn optreden de aanleiding tot eene anecdote, die ons zijn eerste levensbeschrijver, pater Berger, bewaard heeft.
Op een vroegen morgen kwam pater Neumann eens bij het klooster der Redemptoristen te New-York aan en begeerde binnengelaten te worden. De waarnemende portier was toen juist een broeder, die nog
177
slechts korten tijd in het klooster woonde en den Vice-Provinciaal nog nooit had gezien. Hij opent de deur, ziet een kleinen, wel priesterlijk maar hoogst eenvoudig gekleeden man voor zich, en denkt hij zich zeiven: âDat is zeker de koster van Blooming-dale, die zoo vroeg komt. om onze dalmatieken te leenen.quot; Geheel onder den indruk dezer gedachte vraagt hij naar de reden van zijn vroegtijdig bezoek. âIk zou gaarne den Superior, pater Rumpler, spreken,quot; antwoordde pater Neumann; âis hij tehuis?quot; Op de bevestiging des broeders hernam de Vice-Provinciaal vriendelijk: âEn gij, broeder, hoe heet gij?quot; â âIk ben broeder K,quot; antwoordde de portier en keerde in het huis terug om pater Rumpler te verwittigen; pater Neumann wilde hem volgen, maar moest welhaast de opmerking hooren: âWees zoo goed hier te blijven en zet u op die bank neer; ik zal pater Superior zelf wel roepen;quot; en terwijl de portier zijnen weg voortzette sprak hij op verstaanbaren toon totzich-zelven: âDie koster is toch wat al te nieuwsgierig; eerst vraagt hij mij naar mijnen naam, en is dan nog zoo onbeschaamd in de clausuur te willen dringen.quot; Pater Neumann lachte bij zichzelven en zette zich op de bank. Na eenige oogenblikken verscheen de broeder opnieuw en vroeg hem: âWie zijt gij?quot; â âIk ben pater Neumann.quot; â âNu, als ge een pater zijt, dan moogt ge ook binnenkomen,quot; hervatte de broeder en voerde hem naar de kamer des Over-
178
sten. Doch hoe groot was zijne verbazing en ontsteltenis, toen hij pater Rumpler, den Overste des huizes, voor den vreemdeling zag nederknielen en hem den zegen vragen! Hij maakte zich uit de voeten en durfde zich niet meer laten zien. Doch pater Neumann zocht hem op en stelde hem ten volle over zijne al te groote plichtsbetrachting gerust; hij gaf hem slechts lachend den raad voortaan zijne gedachten niet hardop uit te spreken.
Zóó was het optreden van pater Neumann te Baltimore in den kring zijner medebroeders. Daarbuiten was zijne zorg zooveel mogelijk vooral op de Missiën, het hoofddoel zijner Orde, gericht, en waar hij kon, nam hij ook persoonlijk er aan deel. Door zijne bemiddeling verzocht de Bisschop van Cleveland missiën voor alle gemeenten van zijn diocees. Hoewel Overste, nam hij tijdens de missiën gewoonlijk die werkzaamheden op zich, die onaanzienlijker en lastiger zijn, zooals: de onderrichting des morgens vroeg, de Rozenkrans vóór de avondpreek; in den biechtstoel was hij onvermoeid van 's morgens vroeg tot laat in den avond. Ook maakte hij bijzonder veel werk van de retraiten aan priesters en kloosterlingen. Dikwijls hield hij ze zelf in de Duit-sche, Engelsche of Fransche taal. Bij die retraiten waren allen in zijne nederigheid gesticht, terwijl de liefde tot God, die uit zijne woorden sprak, de harten trof en de rijkste vruchten voortbracht.
179
Voor de geloovigen der stad was pater Neumann â dezelfde, als dien wij reeds te Pittsburg leerden kennen. Op den kansel, in den biechtstoel, aan het ziekbed, in de scholen onvermoeid; streng tegen zich zeiven, goed jegens anderen, vriendelijk en voorkomend jegens iedereen, aller harten winnend, bemind niet alleen bij zijne medebroeders, maar ook bij het volk en bij de geestelijkheid, â zóó was, volgens zijn eersten levensbeschrijver, pater Neumann te Baltimore. Treffend en stichtend was het, op de Zondagnamiddagen jongelingen en grijsaards naar de kerk te zien samenstroomen, om uit zijnen mond de waarheden des geloofs te hooren; zóó duidelijk, zóó eenvoudig, zóó apostolisch was zijne taal. Wat de vruchten van zijn arbeid betreft, kunnen wij zijn eigen getuigenis aanhalen. In een brief aan zijne ouders van 26 September 18J:7 â waar hij echter met geen woord van zijne waardigheid van Vice-Provinciaal en Ptector gewaagt, â kon hij o. a. het volgende schrijven: âDe Duitsche Katholieke gemeente alhier, die aan onze zorgen is toevertrouwd, neemt zeer toe. Toen ik vóór mijn vertrek naar Pittsburg hier verbleef, hadden twee priesters minder te doen dan nu zeven. Wij moeten voor drie scholen zorgen en voortdurend melden zich Protestanten aan, die wenschen opgenomen te worden in den schoot der Kerk. Velen hunner toonen hunne dankbaarheid door een leven, zóó ijverig en zóó christelijk, als men het in Europa nauwelijks vinden kan.
180
In het laatste jaar werden vijf-en-tachtig volwassenen in onze kerk opgenomen, waarvan het derde gedeelte Negers.quot; Wat de bekeerlingen betreft, waarover pater Neumann in dezen brief spreekt, verdient opgemerkt te worden, dat hij de lastige taak om hun het onderricht te geven, hetgeen in het late avonduur geschieden moest, wederom op zich had genomen. (')
Zijn reeds zoo bekende ijver voor het onderwijs toonde zich te Baltimore ook weer door de oprichting eener nieuwe school. Ook hier trok zijn uitstekend talent om met de kinderen om te gaan, hen te onderwijzen in de godsdienstleer, diepen indruk op hen te maken, de bewondering tot zich. Een ooggetuige verzekert ons, dat wanneer pater Neumann zijne groote oogen zoo vol uitdrukking op die kleinen vestigde, zij een gevoel hadden, of G od zelf Zijne blikken op hen
(i) Als een bewijs, dat de ijver van den eersten Amerikaanschen Redemptorist voor het bekeeringswerk ook door diens medebroeders werd gedeeld en op de latere geslachten is overgegaan, mogen hier eenige cijfers hunne plaats vinden, die wij aan het tijdschrift âDe Katholiekquot; 56ste deel (1869) p. 180 vlgg. ontleenen. »In de jaren van 1851â1855 namen de paters Redemptoristen alleenbekeerlingen in den schoot der Katholieke Kerk op; 900 daarvan zwoeren hunne dwalingen af in de parochiekerken, 300 bij gelegenheid der missiën... In 1864 werden *142 volwassenen, waaronder 4 predikanten, door de Redemptoristen als Katholieken aangenomen, en in het volgende jaar ter gelegenheid eener missie te New-York namen zij 50 Protestanten aan.... in i860 te Rachez (Staat Missouri) wederom 35. In 1867 was de vooruitgang van het Katholicisme niet minder schitterend. De Redemptoristen waren het, die de meeste afgedwaalden wederom in den schoot der Moederkerk mochten opnemen.... In 1868... namen de Paters Redemptoristen 143 bekeerlingen in de Kerk op.quot; â Wij kunnen dezelfde opmerking maken omtrent den ijver van pater Neumann voor de Katholieke scholen. Op de door ons aangehaalde plaats van âDe Katholiekquot; (p. 189) komt de zinsnede voor: «De Paters Redemptoristen wedijveren onder dit opzicht met allen, die zich aan het onderwijs gewijd hebbenquot;, en wordt als cijfer der kinderen, voor wier onderwijs zij, ondanks hunne werkzaamheid op de missiën en in de steden, zorg dragen, elfduizend-zeshonderd-vier-en-zestig aangegeven.
181
gericht hield. âPater Neumann,quot; zoo verzekerde een â der kinderen aan de schoolzusters, âpater Neumann heeft mij in mijn hart gezien.quot; Hij maakte op de â ondeugenden een heilzamen indruk, en bereidwillig openbaarden zij hem hunne leugens, hunne kleine â¢diefstallen en zoo meer. âIk zelve,quot; zoo verhaalt eene kloosterzuster,quot; had de slechte gewoonte te luid in de school te spreken en toornig te worden. Pater Neumann kwam dan zóó stil de school binnen, dat ik er â dikwijls niets van merkte, tot hij mij met de woorden toesprak: âZuster, ik geloof, dat ik u weder te luid heb hooren spreken,quot; en tegelijk vestigde hij zijne groote oogen zóó op mij, dat ik zijne bedoeling zeer goed begreep en mij beterde.quot; De zorg van pater Neumann voor het onderwijs was tot zelfs in Europa zóó bekend, dat, toen hij tot Bisschop van Philadelphia werd benoemd. Koning Lodewijk van Beieren aan .zijnen hofkapelaan schreef: âDeze benoeming is eene blijde gebeurtenis, die niet slechts zal strekken tot het bevorderen der Katholnke belangen in het algemeen, maar ook en geheel bijzonder van invloed zal zijn pp de bevordering van het onderricht en van de ware beschaving.quot;
Een karaktertrek der ware heiligheid en des echten ijvers is het, vooral daar op te treden, waar tegelijk â èn Gods eer bevorderd èn den naaste hulp kan worden verleend. Ook dezen trek zien wij in pater .Neumann, tijdens zijn verblijf te Baltimore, geheel
182
bijzonder uitkomen, en wel in't bijzonder ten opzichte der Godgewijde maagden. Op de eerste plaats moet hier vermeld worden, wat hij deed ten voordeele der geestelijke Zusters, kleurlingen van neger-afkomstr die te Baltimore een weeshuis en een opvoedingsgesticht voor negerkinderen hadden, doch wier inrichting dreigde te niet te gaan door gebrek aan tijdelijke ondersteuning. Pater Neumann trok zich het lot dier veriatenen ernstig aan. Hij nam in October 1847 hare leiding op zich, hield in hare kapel de godsdienstoefeningen voor de Katholieke JSTegers, onderrichtte de arme weeskinderen en stond de Zusters in elk opzicht met raad en daad bij. Onder zijn wijs bestuur bloeide de instelling weer op; van drie Zusters was het aantal weldra tot zestien, van vijftien kweekelingen weldra tot honderd-dertien gestegen; en toen zijne bezigheden hem niet meer toelieten haar zijnen arbeid te wijden, zorgde hij, dat zij een ijverigen priester tot bestuurder ontvingen in zijne plaats.
Eene andere Orde van kloosterzusters in Amerika, de zoogenaamde schoolzusters âDe Notre-Damequot;, beschouwt pater Neumann als haren stichter. Toen die Zusters in 1847 ten getale van vijf uit München naar Amerika gekomen waren om een nieuw arbeidsveld te zoeken, bevonden zij zich, om zoo te spreken, hulpeloos te midden eener hun onbekende wereld; alleen pater Neumann stond haar krachtdadig bij. Hij zorgde voor eene voorloopige opname in andere vrouwen-
183
kloosters, totdat zij zeiven eene school konden overnemen. Weldra vertrouwde hij haar de leiding der scholen bij de St.-Jacobskerk toe en verschafte haar eene ruime woning; hij beval ze ook uit al zijn vermogen als voorbeeldige kloosterlingen en degelijke onderwijzeressen den Bisschoppen aan. (') Zoolang hij te Baltimore verbleef, dat is, tot aan zijne verheffing tot het Episcopaat, was hij haar biechtvader en raadgever; hij hield haar de conferenties en retraiten, deed met ware deelneming de plechtigheden der inkleeding en professie en wist den kloostergeest, die bij hem zeiven eene tweede natuur geworden was, ook bij haar te voeden en te onderhouden. Hij getroostte zich zelfs de moeite, de begeleider te zijn eener Overste dier Orde, toen deze eene verre en moeielijke reis door Amerika moest doen; hij benutte dien tijd, door haar onderricht in het Engelsch te geven, maar in nog hoogeren zin was hij haar leermeester door zijn geduld bij beleedigingen, door de groote versterving in spijs en drank, die hij op deze reis aan den dag legde. Voor voedsel nam hij dikwijls niets dan een weinig beschuit: zelfs bij groote hitte vergunde hij zich geen teug water. â Wat hij voor de schoolzusters âDe Notre Damequot; was, datzelfde was hij
(i) In 1888 bedroeg hun aantal in de Vereenigde Staten 1700, die in 189 huizen bijna allen zich aan het onderricht wijdden, en nog op verre na niet voldoende waren alle scholen op zich te nemen, die men haar aanbood. Zóó werd de voorspelling van Gods Dienaar vervuld, die de Zusters, toen zij nog in zóó klein getal waren, als vermeld is, opbeurde door haar op Gods voorzienigheid en almacht te wijzen, en haar voorspelde, dat hare Orde wijd en zijd verspreid zou worden.
184
ook als biechtvader voor de Carmelitessen van Baltimore; zijn bezielend woord, zoo teekent zijn eerste levensbeschrijver aan, bracht haar tot volkomen onthechting van het aardsche.
Inmiddels waren er reeds veertien jaren vervlogen, sedert pater Neumann zijn vaderland en zijn bloedverwanten verlaten had. Had hij hen wellicht vergeten ? Of had zijne liefde tot God, zijne volstrekte onthechting wellicht de liefde en de dankbaarheid, aan de zijnen verschuldigd, verminderd of uitgedoofd? â Verre van daar; veeleer zien wij in hem een bewijs te meer, dat ware liefde voor bloedverwanten vooral bij heiligen te vinden is. Wij laten hier een brief volgen, dien hij in 1851 aan zijn vader en zijne zusters schreef; â zijne moeder, aan wie hij het bewaren zijner roeping verschuldigd was, was inmiddels den 20 Juli 1849 den dood der zaligen gestorven. â De brief, dien wij aanhalen, toont ons beter dan elk ander getuigenis, welk eene goedheid en hartelijke liefde zijne edele ziel bezat; zij zijn de waardige voltooiing der trekken, waarin pater Neumann zich kort vóór zijne verheffing tot het Episcopaat aan onze blikken vertoont.
âBierbare Vader en inniggeliefde Zusters,
Zoowel Broeder Wenceslaus als ik hadden reeds de hoop opgegeven, nog ooit een brief uit ons dierbaar vaderland te ontvangen; toen opeens de brief van een onzer verwanten ons kwam verblijden en vóór
185
korten tijd ook de brief van Zuster Carolina in onze handen kwam. Met verlangen zagen wij hier eene tijding uit ons vaderland tegemoet. Hoe het kwam, dat de brieven verloren gingen, kan ik mij niet verklaren. Zeer aangenaam zou het mij zijn, den sterfdag onzer onvergetelijke moeder, onzer zuster Veronika en van al onze vrienden en verwanten te kennen, ten einde hun jaargetijde beter te kunnen vieren.
âWij beiden danken God den Heer, dat Hij ons tot deze Congregatie des heiligen Alphonsus geroepen heeft. Op kleine uitzonderingen na was ik immer goed gezond, en ondanks de veelvuldige reizen opmeeren, rivieren, spoorwegen en te paard, is mij nog nooit een ongeluk overkomen. Deze bijzondere bescherming Gods moet ik hoofdzakelijk aan uw gebed voor mij toe-schrijven. Hoewel geen dag voorbijgaat, dat ik niet met verlangen mij in het vaderlijke huis en in het midden mijner verwanten en vrienden verplaats, heeft het mij nooit berouwd mij aan de missie van Amerika te hebben toegewijd. Ik erken het als mijne roeping, hier voor de eere Gods en voor het bewaren en verbreiden van het heilig Geloof onder de arme Duitschers van Noord-Amerika te arbeiden. De werkzaamheden van al mijne m edebroeders alhier genieten den duide-lijken zegen G ods, en zoo hoop ik, ja ik verwacht het met vertrouwen, dat God ook in de toekomst ons allen en ieder in het bijzonder in Zijne heilige genade zal bewaren en ons na dit léven de belooning zal schenken.
186
beloofd aan hen, die het aardsche verlaten om Hem na te volgen. Ook de dierbare Ouders zullen deel hebben aan dat loon, wijl zij een zoo groot offer hebben gebracht door ons te laten vertrekken. Zoo was het ongetwijfeld de wil Gods, die ons allen in den hemel in zijne heerlijkheid vereenige, zonder vrees voor eenige scheiding.quot; Kort daarop schreef hij nog: âDat G od ons in alle gevaren beschermd en onze werkzaamheden gezegend heeft, dat hebben wij zeker vooral aan uw gebed en aan dat der vrienden der missiën te danken. De wereld wordt meer door het ijverige,-aanhoudende gebed, dan door eiken anderen arbeid bekeerd. Daarom bidden wij U en al onze vrienden en verwanten in Prachatitz en omstreken, dikwijls uwe gebeden, heilige Missen en andere goede werken den Heer der wereld op te offeren, opdat Hij voortga over onze werkzaamheden Zijn zegen uit te storten.quot;
Een zoo edel gemoed als nog deze laatste bladzijde in pater Neumann ons doet kennen, de gaven van zijn geest en hart, de volkomen opoffering van zich zeiven en zijne toewijding aan het heil van anderen, die ijver en geschiktheid, waarmede hij zich van zijne bedieningen kweet, dat alles zou ons kunnen doen meenen,. dat hij slechts vrienden of bewonderaars, geen tegenstanders hebben kon; dat zijn bestuur, zoo geheel volgens den geest van den heiligen Alphonsus, zijn stichter, een bestuur, dat opging in arbeid voor de glorie Gods, het heil der zielen en het welzijn zijner onder-
187
hoorigen, slechts goedkeuring en lof wegdragen moest... Maar dit zou eene weelde zijn geweest, die aan geen dienaar van Jezus Christus op aarde is beschoren. Tegenspraak der zijnen te ondervinden, ondanks de beste bedoelingen en de beste daden, was het lot. dat aan den Verlosser reeds in zijne eerste Kindsheid was voorspeld; pater Neumann moest ook dezen laatsten trek van gelijkheid aan zijn goddelijk Toonbeeld bezitten. Hij zou daardoor ook de gelegenheid hebben, welke aan Oversten zoo dikwijls gegeven wordt, om Gods lankmoedigheid en barmhartigheid na te volgen, die in het bestuur der wereld zooveel verdraagt; en daarin tevens eene oefening vinden voor geduld en diepe nederigheid.
Wij zeiden bij den aanvang van dit hoofdstuk, dat zijne hooge bediening zelve voor hem eene bron van lijden werd. Men dient dan op te merken, dat, toen pater Neumann tot Vice-Provinciaal der geheele Ame-rikaansche missie benoemd werd, hij nog geen volle zes-en-dertig jaren telde en er slechts vijfjaren waren voorbijgegaan, sedert hij de geloften had afgelegd. Als raadslieden of consultoren waren hem toegevoegd de ons reeds bekende pater Alexander Czvitkovicz, een man van beproefde deugd, en een andere pater, gelijk pater Neumann uit Boheme afkomstig, die echter meer talenten bezat dan religieuzen geest; geen wonder, dat hij niet lang daarna zijne roeping verloor en het klooster verliet. Deze nu meende, dat pater
188
Neumann, nog zoo Jong en zoo kort in de Congregatie, voor zijne taak volstrekt niet berekend was; hij achtte zich bovendien geroepen om die meening ook bij anderen veld te doen winnen. Het bescheiden optreden trouwens van den Vice-Provinciaal, zijne diepe nederigheid, zijne rustige kalmte, deden bij sommigen, die de innerlijke waarde te veel naar uitwendige begaafdheden berekenden en naar uitwendig vertoon, eene soort van geringschatting te zijnen opzichte ontstaan en zijn gezag minder eerbiedigen.
Nu dachten eenigen, onder den invloed van bo-vengenoemden pater, bij de hoogere Oversten stappen te moeten doen, ten einde pater Neumann van zijn ambt te doen ontslaan: zij schreven dus en onderteekenden een brief, inhoudend, dat de Vice-Provinciaal voor zijne taak niet berekend en voor Amerikaansche toestanden volstrekt ongeschikt was. Dit geschiedde in het jaar IBIS. Wel is waar was hun getal slechts gering en werd hunne meening door het getuigenis van anderen, wier oordeel van veel grooter gewicht was, tegengesproken en weerlegd; doch het eerste gevolg van dien tegenstand en die ontstemming, die de scherpzinnigheid van den jongen Overste niet ontging, was al aanstonds de voor zijn hart allerpijnlijkste gedachte, dat hij wellicht vruchteloos arbeidde en zijn bestuur wellicht zelfs tot nadeel der Congregatie zou strekken. Zijn afkeer tegen het bekleeden van zijn ambt, zijn verlangen om tot den staat van gewoon
189
onderdaan terug te keeren konden door dit alles slechts-versterkt worden; hij kon zelfs in gemoede meenen, aan zijne Orde eenen dienst te bewijzen door zijne ontheffing aan te vragen ; zijne naastenliefde en zijne liefde voor verborgenheid spanden hier samen. Al zou hij dan ook den schijn op zich la,den, als bekende hij eenigennate schuld, â toch besloot hij edelmoedig zich zeiven prijs te geven en tot dien stap over te gaan.
Wat zijne Oversten in Europa betrof, reeds had de Dienaar Gods, pater Passerat, nog in hetzelfde jaar hem uit Weenen het schoonste bewijs van vertrouwen en liefde geschonken in een brief van 14 Januari. Daarin wees hij pater Neumann er op, hoe Christus zelf hem het juk des bestuurs had opgelegd; Christus, zoo schreef hij, zou zijne hulp en steun zijn; het goed gevolg zijner maatregelen moest hij aan God overlaten. Daarbij voegde hij uitgestrekte volmachten om naar eigen voorzichtigheid te handelen. In dienzelfden geest schreef pater Passerat nog den 16den Juni, toen hij ten gevolge der omwenteling van 1848 Weenen reeds verlaten had; hij bevestigde hem in zijn ambt,, gelijk wij reeds vermeldden, doch voegde er de zinsneden bij: âIk meen u deze opmerking te moeten maken: Wees niet zoo angstig en zoo streng; bijvoorbeeld, als slechts weinigen te huis zijn, of als zij zwak zijn of uitgeput, behoeft het brevier niet gemeenschappelijk gebeden te worden; kunt gij aan de Communiteit bier verschaffen, zoo geef het. Ik zal u
190
trouwens van dezen last ontheffen, zoodra ik kan, indien gij zulks wenscht. Maar weet het wel, die voor een ambt vreezen, zijn meestal het waardigste om het te dragen. Er bestaat geen grooter troost voor u, dan dat God zelf u dezen last door de gehoorzaamheid heeft opgelegd.quot; â Pater Passerat kende dus den afkeer, dien pater Neumann van zijne waardigheid had; en door zijne woorden opende hij hem als 't ware de deur om zich er aan te onttrekken. De onmiddellijke aanleiding daartoe was echter een brief, dien hij kort daarop van zijnen Provinciaal in Europa, tot wiens oor de bovenvermelde klachten waren gekomen, ontving. Uit dezen brief, hoe vereerend ook gesteld, bleek het den Vice-Provinciaal, dat die klachten en bezwaren ten deele hun doel hadden bereikt. De Provinciaal was er niet ontoegankelijk voor geweest; hij had aan de schuld van pater Neumann eenigszins geloof geslagen en hij gaf hem op niet al te bedekte wijze den raad, in het belang der Amerikaansche provincie zijn ontslag zelf aan te vragen, en tegelijk beloofde hij, in zijne plaats eenen nieuwen Vice-Pro-vinciaal te zenden uit Europa. Nu aarzelde pater Neumann niet meer; doch hij gedroeg zich daarbij zóó, dat de hechtheid zijner deugd op het schitterendst aan den dag kwam. Niet alleen, zoo spreken de getuigen in het Proces zijner Zaligverklaring, verdroeg hij deze soort van afzetting met groot geduld en zonder de minste tegenspraak, maar hij volgde ook
191
dat verheven stilzwijgen van Jezus Christus na, en deed niets om zich te verontschuldigen of de ongegrondheid der klachten te doen inzien. Den Tden October 1848 werd hem de aanneming van zijn ontslag medegedeeld; doch God, die in dit punt het verlangen van zijn dienaar had vervuld, had inmiddels ook voor diens rechtvaardiging gezorgd. Al meende de Provinciaal aan het verlangen van pater Neumann naar ontheffing van het bestuur te moeten voldoen, toch moest hij ook, beter ingelicht, reeds toen erkennen, dat hij den toestand te donker had ingezien, dat hij gedwaald en hem verkeerd beoordeeld had. âDat er enkelen tegen u zijn,quot; zoo schreef hij, âdat is niet te verwonderen; er zal nooit een Overste bestaan, met wien allen tevreden zijn.quot; Hij bad hem weder, met de betuigingen der innigste liefde en hoogachting, met den grootsten lof voor zijne deugden en zijn ijver, met den innigsten dank voor den heilzamen invloed, dien zijn bestuur â zoo drukte zich de Provinciaal uit â op de geheele Congregatie in Amerika had uitgeoefend, met de volste erkenning zijner verdiensten en een gr oot vertrouwen in zijn persoon, het bestuur in handen te. willen houden, tot de nieuwe Vice-Provinciaal zou aangekomen zijn. Ook in den brief, aan alle huizen der Orde in Amerika gericht, waarin de aanneming van het ontslag, door pater Neumann aangevraagd, werd medegedeeld, werd tevens vermeld, hoe hoog zijne deugd en zijne verdiensten in Europainaanzien stonden.
192
Zoo zou dan weldra de vurige wensch zijns harten in vervulling gaan: te leven in een staat van onderwerping, in verzaking aan eigen wil en verborgenheid, en in dien staat te lijden en te arbeiden voor Jezus Christus. Zóó scheen hij ten minste in de gegeven omstandigheden de toekomst zich te mogen voorstellen. Hij zou daarin de verwezenlijking gevonden hebben van dat ideaal, door hem geschetst ih de woorden, welke hij niet lang daarna tijdens de avondontspanning op vertrouwelijken toon tot een leekebroeder richtte: âO, hoe goed en schoon is het in onze Congregatie en vooral hier in Amerika te leven. Daar kunnen wij God zoo echt liefhebben, veel voor Hem arbeiden en ook veel lijden, en dat alles zoo stil en zoo ongemerkt voor de wereld.quot; â Doch de levensgeschiedenis der groote dienaren Gods bestaat hoofdzakelijk in het verhaal eener aaneenschakeling van teleurstellingen, zelfs omtrent verlangens, die in zich allerbillijkst en rechtmatig zijn. God verlangt van hen het verzaken aan elke keuze, om hen enkel en alleen te doen kiezen het vervullen van Zijn aanbid-delijken Wil. De onmiddellijke opvolger van pater Neumann in het ambt van Vice-Provinciaal zou in Gods handen daartoe reeds het eerste werktuig zijn. Deze had namelijk te veel doorzicht om pater Neumann's deugden en groote hoedanigheden niet op hoogen prijs te stellen en hem niet al zijn vertrouwen te schenken; al droeg dan pater Neumann den naam
193
van Overste niet meer, toch bleef hij de lasten des bestuurs in ruime mate dragen. En toen de nieuwe Overste weldra eene reis naar Europa moest maken, koos hij voor den tijd zijner afwezigheid, die ruim zes maanden duurde, tot zijn plaatsvervanger als Vice-Provinciaal wederom niemand anders dan pater Neumann; wel een bewijs tevens, voor hoe ongegrond hij de vroegere klachten had aangezien. Bovendien was pater Neumann door de hoogste Oversten tot onmiddellijke raadsman van zijn opvolger benoemd en werd hij in die hoedanigheid met eere bevestigd, toen deze na bovenvermelde reis als eerste Provinciaal van Noord-Amerika, toen als zelfstandige provincie opgericht, uit Europa terugkeerde. Ook moest hij den 2den Januari 1852 het ambt van Rector des huizes te Baltimore weder op zich nemen. Doch de grootste teleurstelling zou zijn: dat deze betrekkelijke verborgenheid en vernedering slechts eene korte verpoozing was, slechts een vluchtige overgang tot een veel hooger verheffing, en tot een last, dien hij boven alles vreesde: den last en de eer van het Episcopaat.
Het is ons gegeven hier eene bladzijde te schrijven, welke ieder onzer landgenooten genoegen zal â doen. Die uit Europa beloofde nieuwe Vice-Provinciaal der Redemptoristen in Noord-Amerika, die vertrouwde vriend van den Dienaar Gods, was niemand anders dan de eerste Hollandsche Redemptorist, pater Haf ken-.scheid, zoo algemeen in ons vaderland en daarbuiten
194
bekend onder den naam van pater Bernard. Hij was toen in de volle kracht zijns levens en had het offer gebracht van een zegenrijke loopbaan als missionaris, van zijn vaderland, van zijne dierbaarste betrekkingen, om zijnen medebroeders in Noord-Amerika den steun te schenken zijner deugden, zijner talenten, zijner ervaring en zijner groote gaven van geest en hart. Mocht het niet worden aangezien als eene belooning van het heldhaftige geduld en van de diepe nederigheid van pater Neumann, dat hem zulk een opvolger door God geschonken werd? En welk een troost mocht hij zelf reeds smaken en welk eene hoop voeden voor de toekomst zijner dierbare Congregatie in Amerika, toen hem die opvolger dooiden Provinciaal van België, pater Heilig, werd aangekondigd in bewoordingen als deze: âHet is hier de plaats niet pater Bernards lof te verkondigen en zijne langdurige vorming in de Congregatie, zijne ondervinding, zijne talenten, zijne geschiktheid en zijn takt in het leiden der zaken, zijn snellen en diepen blik bij het oordeelen, zijne liefde tot de Congregatie en den heiligen Regel aan te prijzen. Hij gaat slechts in den geest van gehoorzaamheid naar Amerika; hij gaat erheen met echte grootheid van ziel en met het ware verlangen, daar veel te werken in het belang der Congregatie. Hij weet het vele goede, dat in de Amerikaansche Missie bestaat, tewaardee-ren en de veelbelovende roeping der Congregatie in
195
Amerika naar waarde te schatten.... Hij heeft hier vele jaren aan het hoofd der Missiën gestaan; hij heeft het tweede noviciaat geleid en andere gewichtige ambten bekleed, en dit alles tot tevredenheid zijner Oversten en aller medebroeders, die onder hem gestaan hebben.quot; â En mocht het niet als eene belooning worden aangezien van pater Neumann's heldhaftige toewijding en brandenden ijver voor Gods eer, dat hij het schoone vooruitzicht, door zulk eene aankondiging beloofd, verwezenlijkt .zou mogen zien ; dat hij met eigen oogen ging aanschouwen, hoe het werk, door hem met zooveel ijver voortgezet, door zulk een opvolger zou worden bevestigd en voltooid ? (') En wat pater Bernard zeiven betreft, wij zagen reeds, hoe hoogen dunk hij van pater Neumann's deugd en bekwaamheid had. De toestand trouwens der Ame-rikaansche vice-provincie, toen hij het bestuur uit diens handen overnam, was van dien aard, dat zij elkeen, die minder streng dan pater
('j Met deze woorden geven wij in het kort weer, wat uitvoerig en met den uitbundigsten lof over pater Bernards' persoon, deugden, arbeid en bestuur te lezen staat in de Annalen van de Congregatie des Allerh. Verlossers in Noord -Amerika, Deel i, uitgegeven in 1888; en vooral Deel II, uitgegeven in 1893, waar (p. 12) de schrijver, pater Wüste, aanteekent: «Niemand zal ons van overdrijving beschuldigen, als wij pater Bernard den stichter onzer provincie noemen.quot; Na zijn terugkeer in Europa in 1853 bestuurde hij nog de missiën in Engeland en Ierland, arbeidde daarna weder in Nederland en België en stierf te Wittem den 2 Septem -ber 1865. Toen hij voor de derde maal naar Amerika kwam, had hij o.a. tot reisgezel den later zoo bekend geworden pater Hecker. Vergel. ook Leven van Pater Bernard, door M. J. A. Lans. Nog mogen wy hier als namen van Hollandsche Redemptoristen, die tegelijk met Mgr. Neumann in Amerika arbeidden, aanstippen : pater Smulders uit Eindhoven, pater Giesen uit Horst, pater Claessens uit Sittard «n, gelijk gezegd is, pater Van Rijckevorsel uil Rotterdam.
196
Neumann over zich zeiven en eigen arbeid oordeelde, had kunnen voldoen. Immers, zoo teekenen ons de Annalen der Orde den toestand in Amerika, al kon om de moeielijke omstandigheden en de hinderpalen van allerlei soort de Congregatie in die jaren niet dat uitwendig afgewerkte beeld van onderhouding der regels en kloostertucht opleveren, toch bloeide de religieuze geest, en zelfs nog schooner dan in andere streken. Hoezeer ook in de kerken een zekere pracht bij de godsdienstplechtigheden werd ten toon gespreid, in het huiselijk leven werd de armoede, dat sterkste bolwerk tegen de verslapping, op de strengste wijze onderhouden. De huizen waren arm, de inrichting en het huisraad dikwijls allerarmoedigst; spijs en drank nauwelijks genoegzaam. Ontspanningen kende men om zoo te zeggen niet. Van hoeveel moeielijkheden de reizen gepaard gingen, kunnen zij verhalen, die uit die tijden nog zijn overgebleven. Het leven der leden was dus eene voortdurende pijnlijke opoffering. Konden ook sommigen dezen last niet dragen, weken zij van den waren geest af en verlieten zij eindelijk de vaan, waaronder zij streden, anderen en niet weinigen kwamen te midden dezer gevaren en moeielijkheden tot het toppunt der deugd en werden de kolommen, waarop deze provincie gegrondvest is. â Hoe groot moest echter de achting en bewondering van pater Bernard voor pater Neumann steeds khmmen, toen hij van nabij en vertrou-
197
welijk met hein mocht omgaan en pater Neumann krachtens zijn ambt bij elke gewichtige aangelegenheid hem moest bijstaan met zijnen wijzen raad? De Dienaar Gods zou dan ook spoedig ondervinden welk een waren vriend hij in pater Bernard bezat, en hoe onmisbaar deze hem voor de Congregatie in Amerika achtte; want toen zijne benoeming tot het Episcopaat te Rome was voorgesteld, deed, gelijk wij later zullen zien, ook pater Bernard al het mogelijke om den ge vreesden last van pater Neumann's schouderen te weren en de Redemptoristen in Amerika niet te berooven van een zóó uitstekend lid, als pater Neumann was.
Een vertrouwelijke omgang, gelijk aan dien, welken pater Bernard met pater Neumann had, was trouwens ook noodig om dezen ten volle te kennen en te waardeeren, om zijne talenten, kennissen en deugden naar waarde te schatten; zijne heiligheid en geleerdheid, zoo teekenen wederom de reeds aangehaalde Annalen aan, waren ten volle slechts aan diegenen bekend, die met hem leefden in dat onmiddellijk verkeer. Onder hen, die hem niet van zoo nabij kenden, waren er altijd nog velen, die eene soort van geringschatting hadden voor den nederigen, zachtmoedigen, eenvoudigen man. Doch hoe meer hij zelf die vernedering en verborgenheid zocht, des te meer trok hij Gods genade over zich af en bereidde hij zich, zonder het te weten, voor tot zijn verheven
198
toekomstige loopbaan. Opmerking verdient het trouwens, wat een ooggetuige in het proces der Zaligverklaring omtrent het laatste jaar, dat zijne verheffing tot het Episcopaat voorafging, mededeelt. âIk bemerkte in dit jaar,quot; zoo luidt het getuigenis, âin hem een zóo grooten vooruitgang in al die deugden, welke een goed religieus kenmerken, dat hij in dien ijver voor zijne volmaaktheid al zijne medebroeders overtrof.quot; Het was, alsof de genade zich haastte om het werk der heiligheid in die mate in Neumann's ziel te voltooien, welke voor de verheven waardigheid van het Episcopaat van hem gevorderd werd.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
-Mgr. |(9umann, vierde Bisschop van fhiladelphia. Zijn herderlijk bestuur. â Zorg voor het katholieke onderwijs.
18521854.
In het jaar 1851 was er te Pittsburg een leekebroe-' der, Athanasius genaamd, die in het klooster â der Redemptoristen God in vromen eenvoud des harten diende. In den herfst van datzelfde jaar verzekerde hij, in een visioen pater Neumann te hebben gezien, gekleed in rijk bisschoppelijk ornaat en omgeven met een glans van heerlijkheid en genade. De Overste des huizes, pater Seelos, deelde dit kort daarop, wellicht schertsenderwijze, aan pater Neumann mede. Als antwoord kwam een brief terug, gelijk men er van den ^achtmoedigen pater Neumann geen zou hebben verwacht. âZeg aan dien goeden broeder,quot; zoo schreef hij.
200
âdat, als hij nog niet krankzinnig is, hij God maar goed moet bidden om het niet te worden.quot;
Was het enkel gekrenkte nederigheid, die den Dienaar Gods zoo scherpen toon deed aanslaan ? Of herinnerde hij zich wellicht den droom, dien hij als novice eens in de avondrecreatie had verhaald, en sloeg hem wellicht de angst om het hart, dat God dit offer werkelijk van hem zou vragen en hem dat ambt op de schouderen zou leggen, waaraan hij bij zijne intrede in de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers door gelofte had verzaakt'?
quot;Wat hier ook van zij, van hooger hand en met meer dreigende zekerheid ontving pater Neumann weldra wenken, die het visioen des broeders en zijn eigen droomgezicht maar al te zeer bevestigden. De Eerbiedwaardige was namelijk, gelijk hij te Pittsburg de biechtvader van Mgr. O'Connor was, te Baltimore de zielbestuurder van den beroemden Aartsbisschop dier stad. Mgr. Franciscus Patri tins Kenrick, die in datzelfde jaar 1851 van den bisschoppelijken zetel van Philadelphia naar dien van Baltimore was verplaatst. Wekelijks kwam hij naar het St.-Alphonsusklooster om zich met pater Neumann te onderhouden. Bij een dier gelegenheden deed hij hem de verrassende, laten wij zeggen: de voor pater Neumann verpletterende mededeeling, dat hij langs niet officieelen weg vernomen had, dat hij, pater Neumann, tot Bisschop van het thans openstaande diocees van Philadelphia
201
zou worden benoemd; hij besloot zijne tijding schertsend met de woorden: âSchaf u een mijter aan.quot; Pater Neumann was als van den bliksem getroffen. Ontsteld en verschrikt valt hij op zijne knieën voor den Aartsbisschop neer, bidt hem medelijden met hem te hebben en een en last van hem af te wenden, die, naar hij meende, zijne krachten te boven ging. Getroffen door de diepe nederigheid en den angst des eenvoudigen kloosterlings, beloofde de Aartsbisschop niets onbeproefd te laten om hem van de bisschoppelijke waardigheid te bevrijden.
Hoe en in welke mate Mgr. Kenrick deze belofte daarna heeft vervuld, is ons niet bekend; doch wat hij van te voren gedaan had, was juist voor een zeer groot gedeelte de oorzaak dezer benoeming geweest. Onder de drie namen trouwens, die hij na zijne verplaatsing naar Baltimore voor den belangrijken zetel van Philadelphia aan den H. Stoel had voorgesteld, had hij ook dien van pater Neumann opgenomen en hem zeiven als den waardigste onder allen uitdrukkelijk aanbevolen. Als redenen dezer aanbeveling had hij aangegeven: pater Neumann's uitstekende vroomheid en geleerdheid, zijne ervaring in de kerkelijke ambten en andere voortreffelijke hoedanigheden, en ten slotte ook zijne taalkennis. In denzelfden geest hadden ook hunne stem uitgebracht de Bisschoppen van Pittsburg, van Charlestown, van Weheling en van Chicago.
202
Zoo ooit pater Neumann krachtig is opgetreden, â dan is het Mj deze gelegenheid geweest. Op het voorbeeld van zijn heiligen stichter Alphonsus liet hij niets onbeproefd om, hetgeen hij eene ramp voor zich noemde, van zich af te wenden. Onmiddellijk schreef hij aan den Procurator-Generaal zijner Congregatie te Rome, pater Queloz, en smeekte hem, bij de Kardinalen en bij den Paus alle hem ten dienste staande middelen te gebruiken. Hij wendde zich ook tot den Vicaris-Generaal zijner Orde, pater Rudolph de Sme-tana, opdat deze den Paus in den naam van Jezus Christus en van den H. Alphonsus zou bidden de keuze toch niet op hem te doen vallen. Aanstonds nam hij ook zijne toevlucht tot zijnen onmiddellijken Overste, den Provinciaal van Amerika, pater Bernard, en deze richtte een brief aan den Kardinaal-Prefekt der Propaganda, om door hem den Paus te smeeken pater Neumann niet aan de Congregatie te ontnemen; al was dan ook de reden, waarop pater Bernard zich beriep, namelijk het ontzettend verlies, dat de Congregatie in het vertrek van pater Neumann zou ondergaan, volstrekt niet met diens eigen meening overeenstemmend. Vooral echter zocht pater Neumann zijne hulp in het gebed; hij deed God een heilig geweld aan, om Hem te bewegen de menschen te verlichten, die zich, naar hij meende, omtrent zijne bekwaamheden vergisten, en aldus den zwaren last des Episcopaats te ontgaan. Ook wendde hi] zich tot alle
203
hem bekende godvruchtige zielen, opdat zij hun gebed aan het zijne zouden paren; in de kloosters, waar hij bekend was, liet hij novenen houden om een groot gevaar â zoo drukte hij zich uit â dat een der diocesen van Noord-Amerika bedreigde, af te weren. Op last van pater Bernard vereenigden zich de paters van het klooster te Baltimore met hen en baden dagelijks de Psalmen van den H. Bonaventura ter eere van den Naam van Maria, om hunnen geliefden Rector te behouden. (')
Doch God had het anders beslist. Hij had vastgesteld pater Neumann door het bisschoppelijke ambt te heiligen, daardoor een voorbeeld te geven aan geheel het Amerikaansche Episcopaat en het diocees Philadelphia daardoor bijzondere weldaden te bewijzen. Alle pogingen ter bevrijding bleven vruchteloos. Wel waren er onder de Kardinalen, die meenden aan pater Neumann's verlangen te moeten voldoen; de meerderheid echter stemde voor zijne benoeming; en toen de Secretaris der Propaganda, Mgr. Barnabo, latei-Kardinaal, den uitslag der stemming aan Pius IX bekend maakte en tevens de smeekschriften aanbood, die van de Redemptoristen tegen de benoeming van pater Neumann waren uitgegaan, antwoordde de Paus,
(i) Omtrent den brief van pater Bernard, die door pater Dechamps, later KardinaalâAartsbisschop van Mechelen, sedert 1851 Provinciaal van België en Nederland, aan Mgr. Barnabo werd overgebracht, uitte zich deze aldus; »Ik waardeer de redenen, die p. Bernard heeft om pater Neumann's benoeming te voorkomen ; maar de H. Vader heeft nog gewichtiger redenen om dat verzoek niet in te willigen.quot;
204
met die goedheid, waarmede hij bij voorkeur de ge-ringsten bejegende, en met die bovennatuurlijke beslistheid, als van den hoogsten plaatsbekleeder van Christus en den tolk des H. Geestes; âIk draag de Redemptoristen in mijn hart. Zij deden in deze omstandigheid, wat God van hen vorderde; maar ik koester het vertrouwen, dat God mij zijne verlichting-niet onthoudt, om in te zien, wat het welzijn der Kerk in 't algemeen en dat hunner Congregatie in het bijzonder vordert. Ik bekrachtig dus de stemming-der Kardinalen, met het bevel voor pater Neumann, onder zware verplichting van gehoorzaamheid, het Bisdom Philadelphia aan te nemen, zonder verder beroep.quot;
Men zag hier weder opnieuw, hoe het oordeel Gods, thans sprekende door den mond zijns Plaatsbekleeders, dikwijls verschilt van dat der menschen. In Noord-Amerika immers, ook in de voornaamste kringen,, waren er, die meenden, dat voor het groote en zoo aanzienlijke Philadelphia een Bisschop gekozen moest worden, die, in Amerika geboren, ook in zoogenaamde Amerikaansche vormen zich wist voor te doen; die schitterde door redenaarstalent; die iets meer indrukwekkends in zijn voorkomen had en op eene voorde wereld meer aantrekkelijke wijze wist op te treden; en dat dus een vreemdeling, die bovendien meer voorde eenzaamheid des kloosters en den arbeid der missiën scheen geschapen, wiens uiterlijk slecht besschei-
205
denheid en nederigheid was, allerminst de aangewezen persoon mocht heeten. Pater Neumann wist dit alles zeer goed; hij wist, zoo drukte zich later Mgr. Ken-xick uit, dat hij aan de blikken eener trotsche wereld ging worden blootgesteld, die zijne bescheidenheid en zijn eenvoud zou verachten; en bij de vrees, die hem de verantwoordelijkheid voor het zware ambt en de innige liefde voor het kloosterleven inboezemde, kwam ook nog deze reden hem het aanvaarden van dien last verzwaren.
De Breve zijner benoeming werd uitgevaardigd den Isten Februari 1852 en opgezonden naar den Aartsbisschop van Baltimore, die ze op het feest van den H. Joseph, den 19den Maart, tegen den avond ontving. Dienzelfden avond trad pater Neumann na een korte afwezigheid zijne kamer binnen en ontdekte aanstonds op zijne tafel een ongewonen glans. Hij treedt nader en ziet er een bisschopskruis met bisschopsring liggen. Verschrikt en verslagen spoedt hij zich naar den portier; van dezen verneemt hij, dat de Aartsbisschop tijdens zijne afwezigheid op zijne kamer was geweest om bij hem te biechten. Nu begreep pater Neumann aanstonds, dat de slag gevallen was: hij sloot zich in zijne kamer op, bleef in gebed tot den volgenden morgen, en God schonk hem de kracht om zich aan zijnen heiligen quot;Wil te onderwerpen en tot heil van velen het hem opgeiegde kruis gewillig te dragen. Dienzelfden morgen stelde hem de Aartsbisschop de
206
Breve zijner benoeming met het uitdrukkelijk bevel des Pausen ter hand.
Terwijl de Dienaar Gods zich door eene achtdaag-sche strenge retraite in afzondering en gebed tot het ontvangen van de volheid des Priescerschaps voorbereidde, nam de Provinciaal, pater Bernard, met broederlijke bezorgdheid en liefde de taak op zich, persoonlijk alles voor de plechtigheid in orde te brengen en te regelen. Op den Zondag, die de bisschopswijding voorafging, kondigde hij aan het vergaderde volk aan, dat opPassie-ZondaghunRector, pater Neumann, in hunne kerk, aan den H. Alphonsus toegewijd, de-hooge waardigheid ontvangen zou en beval hem in aller gebeden aan. âZoudt gij,quot; zoo ging hij voort, âuwen Rector thans willen zien, gij zoudt hem vinden in zijne cel op de knieën liggend om van God genade en sterkte af te smeeken.quot;
Ook tot de paters en broeders van het Alphonsus-klooster sprak pater Bernard in eene conferentie zich met den hoogsten lof over den medebroeder, dien zij gingen' verliezen, uit. Na hem als een toonbeeld aller deugden van een waren Redemptorist te hebben geschetst, deed hij vooral uitkomen, dat slechts het uitdrukkelijke bevel des Pausen hem tot het aannemen der bisschoppelijke waardigheid had kunnen bewegen en dat, gelijk hij te allen tijde een gehoorzame zoon des H. Alphonsus was geweest, hij zich ook nu aan den wil des Pausen onderwierp, hoeveel
207
hem deze gehoorzaamheid ook kostte. Pater Bernard maakte bovendien van zijn invloed en gezag gebruik, om vóór het vertrek van den nieuw benoemden Bisschop uit Baltimore diens portret te doen nemen. O) 't Was ook op verlangen van zijnen Provinciaal, dat pater Neumann vóór zijne wijding eene schets van zijn voorgaand leven eigenhandig opstelde en deze aan de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers achterliet. Hi] deed dit echter in een zeer bescheiden vorm; het geheel beslaat slechts vier bladzijden in 4°, onder dagteekening van 27 Maart 1852; de slotwoorden luiden aldus :
âMorgen, den 28sten Maart, op mijn geboortedag, die dit jaar op Passie-Zondag valt, zal ik, indien er niet» tusschenbeide komt, door Z. D. H. Mgr. den Aartsbisschop Kenrick in de St. Alphonsuskerk tot Bisschop gewijd worden. O God, ontferm IJ onzer ! Jezus en Maria, ontfermt U mijner! Het lijden van Christus sterke mij.quot;
Toen de Dienaar Gods op den 28sten Maart 1811 het levenslicht aanschouwde, vierde de Kerk den Goeden
(i) Voor zoover wij weten, bestaan er drie portretten van den Eerbiedwaardige, tijdens zijn leven gemaakt. Het eerste in olieverf stelt hem voor als zes-jarigen knaap. Het tweede is datgene, wat pater Bernard hem verplichtte te laten maken. Uit Europa viel men hem dikwijls met aan/.oeken om zijn portret lastig. Het antwoord luidde : «Ik ben immers zulk een gewichtig persoon niet, dut men naar mijn portret kan verlangen.quot; Toen hij echter op zijne terugreis van Rome in het jaar 1854 te München kwam, wist men hem te bewegen een nieuw portret te doen vervaardigen, ten einde, zoo merkte men hem op, het door de lithographie te doen vermenigvuldigen en den opbrengst van den verkoop uit te deelen aan de armen, zijner geboortestad. Deze reden had de gewenschte uitwerking.
208
Vrijdag; thans, op zijn één-en-veertigsten verjaardag, den dag zijner plechtige wijding, was het wederom het Lijden des Verlossers, wat aan zijne overweging werd voorgesteld. Mocht het verwonderen, dat de nieuwbenoemde Bisschop in dit alles eene vingerwijzing Gods meende te zien, hem in zijne nieuwe loopbaan nieuw en veelvuldig lijden voorspellend ? Evenmin mocht het bevreemden, dat hij de laatste woorden zijner levensschets tot bisschoppelijk devies koos; Passio Christi, conforta me: âLijden van Christus, sterk mijquot;, en tot bisschoppelijk wapen dat zijner geliefde Congregatie, namelijk een kruis met de lijdenswerktuigen, tusschen de naamtee-kenen van Jezus en M;iria. In werkelijkheid zou in de jaren van zijn bisschoppelijk bestuur de gelijkvormigheid met den lijdenden Jezus in hem voltooid worden; het Episcopaat zou zijne martelie zijn.
Daags vóór de plechtigheid kwamen uit alle Redemptoristenkloosters van Noord-Amerika paters te Baltimore aan om van hunne liefde en vereering voor hunnen doorluchtigen medebroeder blijk te geven. Toen een hunner, die hem meer van nabij kende, hem deelnemend vroeg, hoe hij bij dit alles te moede was, antwoordde pater Neumann : âAls God mij de keuze liet, te sterven of bisschop te worden, dan zou ik kiezen morgen mijne ziel in Zijne goddelijke handen terug te geven; want het heil mijner ziel zou voor Zijnen goddelijken Rechterstoel aan minder gevaar
209
zijn blootgesteld, dan wanneer ik met de verantwoordelijkheid eens bisschops daarvoor verschijnen moet.quot;
Zóó oordeelen de Heiligen over ambten en verheffing! Waarlijk, de heilige Alphonsns, in wiens tempel hij de bisschopswijding ging ontvangen, moet met welgevallen op zulk een zoon hebben neergezien, die hem nu reeds in inwendige stemming zoo gelijkvormig was, gelijk hij ook in de vervulling zijner herderlijke plichten zijn evenbeeld zou zijn.
Op den vroegen morgen van Passie-Zondag stroomde het volk van heinde en ver naar de St. Alphonsuskerk te zamen; uren lang vóór de plechtigheid was zij reeds gevuld. Een indrukwekkende optocht, samengesteld uit de Katholieke vereenigingen der stad met hunne vanen voorop, vijftien-honderd man sterk, voorafgegaan door de schoolkinderen, gesloten dooide priesters, die van eene eerewacht waren omgeven, trok naar het paleis des Aartsbisschops, die zich aldaar met zijne assistentie bij de processie aansloot en zich naar genoemde kerk begaf om de wijding-zelf te verrichten. De assistenten waren de in deze levensbeschrijving reeds genoemde Mgr. O'Reilly, Bisschop van Hartford, en de President van het Seminarie te Baltimore, de Eerw. Heer Lhomme. De Vicaris-Generaal van Philadelphia, de Eerw. Heer Sourin, die inmiddels het bestuur van het diocees had waargenomen, predikte. De plechtigheid maakte een diepen indruk; maar toen aan het einde
210
de nieuw-gewijde Bisschop door de kerk schreed, om aan de geloovigen den zegen te geven, en de vier-en-twintig studenten der Congregatie het Te Deum zongen, toen bleef geen oog zonder tranen en velen braken in luide snikken uit.
Des avonds hield Mgr. Neumann zijne afscheidspreek tot het volk; hij wekte allen op tot liefde voor God en het hun, zoo zeide hij, als geschenk, eene kinderlijke godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd. De Katholieken van Baltimore Heten zich van hunnen kant niet onbetuigd; hunne dankbaarheid en vereering uitte zich niet alleen door woorden en muziek; een gouden kelk en gouden bisschopsring met kruis en keten en andere bisschoppelijke gewaden gaven zij hem ten geschenke. Hoe de Katholieken van Pittsburg hunne erkentelijkheid en vreugde toonden, heb-wij vroeger reeds vermeld. Na een bezoek aan de scholen op den volgenden dag vertrok Mgr. Neumann reeds den SOsten Maart naar zijne bisschopsstad; zijn plichtbesef en ijver gunden hem geen langer uitstel.
Het diocees Philadelphia, opgericht in 1808, was het grootste van geheel Noord-Amerika, en wel het talrijkst van Katholieken bevolkt. Hun aantal bedroeg toen ongeveer 250.000, over honderd-vijftig parochiën, die op ontzettende afstanden lagen, verdeeld. Elke parochie had hare eigen kerk ; doch bij de aankomst van Mgr. Neumann waren er slechts omstreeks honderd priesters in het diocees werkzaam. In 1857 was
211
het aantal Katholieken reeds tot 300.000 gestegen; â¢ongeveer de helft daarvan woonde in Philadelphia zelf, dat toen reeds zeer aanzienlijk was en meer â dan 500.000 zielen telde. Men kan zich een denkbeeld vormen van de uitgestrektheid van het diocees, toen Mgr. Neumann het bestuur aanvaardde, als men bedenkt, dat het sedert 1868 in vijf nieuwe diocesen verdeeld is, en desniettemin ook nu nog Philadelphia â een der grootste diocesen der Vereenigde Staten blijft. (') Dit alles zou reeds genoeg geweest zijn om de vrees des nieuwen Bisschops te verklaren. Het was werkelijk een ontzaggelijke last, die hem op de schouders werd gelegd. En aan al de redenen van angst â¢en afkeer, door ons reeds opgesomd, die hem, gelijk hij zich later zelf uitdrukte, des nachts den slaap verdreven, en zijnen dag tot eene kwelling maakten, voegde zijne nederigheid nog de gedachte bij, dat .zijne geringe deugd, zijne zonden en tekortkomingen â oorzaak zouden zijn, dat God wellicht hem en zijn volk zou verlaten.
Inmiddels was de faam zijner deugden den nieuwen Bisschop reeds naar Philadelphia vooruitgesneld. Reeds was zijne nederigheid, bescheidenheid en zijn ijver voor â¢de opvoeding der jeugd bij de G-eestelijkheid bekend en gewaardeerd; zij besloot dan ook, ten einde hem geen verdriet aan te doen, hem niet een plechtstatige ont-
.(r) In 1875 werd Philadelphia een aartsbisschoppelijke zetel.
212
vangst, naar Amerikaansche zede, te bereiden, maar-hem in stilte te verwelkomen en zijne aankomst te-vieren door het stichten eener nieuwe school. Men had geen beter plan kunnen uitdenken; die kiesche handelwijze der Geestelijkheid toonde, dat zij haren Bisschop begreep en niet onwaardig was hem te-bezitten. Toen deze dan ook bij zijne aankomst, in plaats van een prachtigen stoet, aan het station slechts een groot aantal priesters ontdekte, die hem in stilte naar zijne woning gingen begeleiden, toen glansde-zijn aangezicht van heilige vreugde en zeide hij: âO mijne Heeren, hoezeer ben ik u dankbaar; zóó had ik het juist gewenscht.quot;
Zóó nam Mgr. Neumann bezit van zijn bisschoppe-lijken zetel; zóó deed hij zijn intocht als opperherder-in datzelfde diocees, waarin hij als seminarist vruchteloos beproefd had aangenomen te worden.
In een zijner eerste daden als bisschop toonde hij reeds, hoe hij zijn verheven ambt slechts opvatte als eene navolging van Jezus Christus, den goeden Herder, die gekomen was om de ellendigsten te redden. Die eerste daad was namelijk een bezoek aan de-gevangenis, waar twee broeders de voltrekking van het doodvonnis afwachtten, dat tegen hen was uit gesproken wegens een volbrachten moord. Reeds naderde de dag hunner terechtstelling, maar tot dan toe hadden de ongelukkigen elke geestelijke hulp geweigerd. Lang bleef de Bisschop in hunne cel en hij,
213
liad het geluk door zijne goedheid en zijne gebeden â¢die verstokte harten te buigen en hen te doen verlangen naar de genademiddelen der Kerk. Zij ontvingen zq met groote godsvrucht, en zoo werd hunne tijdelijke straf het begin van hun eeuwig leven.
Kort na zijne aankomst richtte hij een schoonen rondgaanden brief aan zijn diocees, waarin hij o. a. het buitengewoon Jubilé, door Paus Pius IX uitgeschreven. aankondigde en tevens de gebeden vroeg voor het eerste Nationaal Concilie, dat weldra te Baltimore zou gehouden -worden. Wij ontleenen aan dien brief slechts de volgende zinsneden, die de inleiding vormen en ons een bewijs geven zoowel zijner verheven gevoelens als van den takt, waarmede hij ^ijne onderhoorigen wist toe te spreken.
âToen wij,quot; zoo luidde de aanhef, âde eerste tijding â¢ontvingen, dat onze H. Yader Pius IX ons had bestemd om de herderlijke zorg en het bestuur van dit zoo aanzienlijk gedeelte der kudde onzes Heeren over te nemen, was ons hart, wij moeten het bekennen, vol bezorgdheid. Diegenen te verlaten, wier volste vertrouwen wij jaren lang genoten hadden, eene ons zoo geheel vreemde bediening op-ons te laden, een zoo groot aantal zielen te leiden, die van ons ver-wachten, dat wij ze voeren naar het hemelsch vaderland, â dit alles scheen ons zoo zwaar, dat wij â den aangeboden kelk van de hand wezen. Doch wij moesten ons buigen onder de gehoorzaamheid, aan
214
den Opvolger des H. Petrus verschuldigd, wel wetendr dat, wat hij op aarde bindt, ook in den hemel gebonden is. Terwijl wij ons echter onderwerpen aan den heiligen Wil G-ods, hopen wij in alle nederigheid, dat Hij, die in ons, gelijk de H. Apostel Paulus zegt, het goede werk begonnen heeft, ons goedgunstig ook diekracht zal verleenen, die het tot welslagen kan voeren. Dit vertrouwen op G-od werd in ons nog gesterkt door de vriendelijke aanmoediging van den doorluch-tigen Aartsbisschop van Baltimore, die door zijne veeljarige onvermoeide inspanning u allen onvergetelijk is. Herhaaldelijk heeft hij ons verzekerd, hoezeer gij, die als priesters met de zielzorg belast zijt, vol ijver waart en hem geheel toegedaan. Dikwijls sprak hij met den grootsten lof over uwe vroomheid, die hem in zijne moeiten getroost, over uwe vrijgevigheid, welke zoovele instellingen van weldadigheid in het. loven geroepen en in stand gehouden heeft, over de schoone kerken, welke gij ter eere des levenden Gods hebt opgericht en onderhouden. Voor de volgende geslachten zal dit alles een bewijs zijn van uw levendig geloof, van uwe offervaardigheid, van uwe ware liefde, dan, wanneer gij reeds de eeuwige belooning in den hemel genieten zult....
âEerwaarde Broeders, met allen ernst bidden wij u, door uw gebed ons te allen tijde bij te staanr opdat wij onze plichten en het predikambt, ons door Jezus Christus toevertrouwd, getrouw vervullen; dat
215
wij onze eigen zaligheid en die der gansche kudde, waarover de H. Geest ons heeft aangesteld, bewerken; dat wij de Kerk Gods besturen, welke Hij met zijn eigen Bloed heeft gekocht en dat wij zonder vrees of aarzeling die macht handhaven, welke ons de Heer tot opbouwing zijner Kerk geschonken heeft. Wij van onzen kant zullen niet ophouden den goeden Herder te smeeken, dat Hij zijne genade in uwe harten vermeerdere, opdat gij als mannen Gods, vreemd aan alle wereldsche begeerten, rechtvaardigheid, vroomheid, geloof, liefde, geduld, zachtmoedigheid beoefenen moogt en het gebod onderhouden zonder vlek, zonder reden van verwijt, tot aan de komst Onzes Heeren Jezus Christus.quot;
Wij gaan thans beproeven den Dienaar Gods in zijn nieuwen werkkring gade te slaan; wij zullen trachten den arbeid te schetsen, dien hij als Bisschop van Philadelphia heeft verricht en tevens zien, hoe hij met het klimmen der jaren steeds grooter voorheelden van heiligheid gaf. Kort was de tijd, dien de goddelijke Voorzienigheid hem had voorbestemd; slechts acht jaren mocht het diocees Philadelphia hem bezitten; maar wat hij in die jaren tot stand bracht» is zóó veel en zóó groot, dat pater Sourin, vroeger zijn Vicaris-Generaal, toen lid der Sociëteit van Jezus, eenige dagen na het overlijden van den Eerbiedwaardige niet aarzelde op den kansel te verklaren; âHet
216
valt niet te betwijfelen, dat hij voor het bestuur dei-zaken, voor de verbreiding des geloofs, voor de bevordering der godsvrucht in alle gemeenten meer heeft gedaan, dan een man met gewonen zielenijver en gewone gaven des geestes in verscheidene tientallen van jaren zou hebben kunnen doen. Hij was voor ons diocees een man der Voorzienigheid. Er is in de Vereenigde Staten geen priester of bisschop, die hem in zielenijver overtroffen heeft.quot;
Mgr. Neumann begreep, dat zijne eerste zorg moest zijn geheel zijn diocees door en door te kennen. Vandaar, dat hij al aanstonds alle kerkelijke inrichtingen, kloosters, liefdadigheidsinstellingen zijner bisschopsstad bezocht en inlichtingen nam omtrent hun toestand; en in het algemeen toonde hij eene toegankelijkheid, die hem het volle vertrouwen van geestelijken en leeken won en hen aldus aanlokte om zich in alle moeielijkheden tot hem te wenden. Spoedig volgde daarop de kerkelijke Visitatie van alle, tot zelfs de kleinste', en verst verwijderde missiestatiën van zijn uitgestrekt diocees; (â¢) die reis hernieuwde hij, wat de grootere plaatsen betrof, elk jaar, de kleinere bezocht hij alle twee jaren. In elke gemeente bleef hij gewoonlijk drie dagen; hij nam zorgvuldig de nauwkeurigste inlichtingen, was van den vroegen morgen tot laat in den nacht voor iedereen te spre-
(r) In x86o telde het diocees tweehonderd-twee-en-twintig kerken, kapellen en staties.
217
ken, en van dat verlof werd een ruim gebruik gemaakt. Overal diende hij het H. Vormsel toe. Hij zelf bezocht de zieke kinderen in hun huis, om hun daar dat heilig Sacrament deelachtig te doen zijn; zelfs offerde hij daarvoor zijne nachtrust op. Soms vormde hij meer dan vijfduizend personen in eenige weken. Bijzonder in den biechtstoel was hij bij die gelegenheden ijverig werkzaam, zoodat, naar het getuigenis van den geschiedschrijver van het Ameri-kaansch Episcopaat, Richard Clarke, âgeen priester langoren tijd in den biechtstoel doorbracht, dan Mgr. Neumann.quot; (') De geloovigen immers kwamen zoo gaarne in grooten getale tot hunnen Bisschop, om de wonden hunner ziel door hem te doen genezen en in zijn vaderhart troost te zoeken in hun lijden. Zijne gave van de zielen te besturen was trouwens buitengewoon. Daarenboven waren er in bijna elke plaats sommigen, wier taal door hun gewonen zielzorger niet werd verstaan; de Bisschop van Philadelphia echter, â dit was spoedig algemeen bekend â kende, om zoo te zeggen, alle talen ; tot hem konden zich allen wenden. Wij hebben reeds in het begin dezer levensbeschrijving aangestipt, dat hij als Bisschop nog het Oud-Iersch aanleerde ; er waren namelijk onder zijne diocesanen vele oude Ieren, die niet in het Engelsch biechten konden, en het Oud-
(i) Lives of the deceased bishops of the Cath. Church in the United States. (New-York, O'Shea 1875). II vol. p. 456.
218
lersch werd zelfs zelden door lersche priesters verstaan. Eens had eene oude lersche vrouw, die reeds vruchteloos bij vele priesters had beproefd hare biecht te spreken, het geluk den Bisschop te ontmoeten. Vriendelijk ontving hij ze, voldeed aan haar verlangen en na de biecht gevoelde zij zich zóó gelukkig, dat zij op den terugweg naar hare woning voortdurend uitriep: âGoddank, wij hebben eenen lerschen Bisschop.quot; Dit alles maakte, dat Mgr. Neumann reeds in de eerste jaren van zijn bestuur geheel zijn diocees nauwkeurig kende, niet alleen wat plaatsen, maar ook wat personen betrof. Hij vervaardigde zelf eene volledige landkaart ervan, die hem te allen tijde een overzicht over het geheel en de kleinste onderdeelen van zijn diocees mogelijk maakte.
Als hij in zijne residentie verbleef, was zijne dagorde een zoon des H. Alphonsus, die de gelofte had afgelegd nooit een oogenblik tijd te verliezen, volkomen waardig. Te vijf ure des morgens hield hij zijne meditatie ; te half zes kwam hij in zijne huiskapel, waar hij te zes ure de H. Mis begon, door twee seminaristen geassisteerd. Na zijne H. Mis hield hij voor het altaar de dankzegging, terwijl eene tweede Mis gelezen werd. Vervolgens hoorde hij biecht, bad zijn brevier en nam een zeer sober ontbijt. Daarop volgden gedurende den ganschen dag, dikwijls tot laat in den nacht, bezoeken van priesters en leeken. Hij liet eene' bel in zijn bisschoppelijk paleis aanbrengen, waarmede de bezoequot;
219
ker slechts een teeken behoefde te geven om te doen kennen, wien der bewoners des huizes hij verlangde te spreken. Aan dien maatregel onderwierp zich ook de Bisschop zelf; en zoodra de enkele slag, het voor hem bestemde teeken, gegeven was, verscheen hij aanstonds om zijnen bezoeker te woord te staan. De priesters mochten, zonder zich aan te melden, aan zijne kamer kloppen en hem hunne zaken voordragen. Toen eene missie door zijne medebroeders te Philadelphia gehouden werd, en er geen koster was, zag men den Bisschop dagelijks te vier ure de kerkdeur openen om de daarvoor wachtende menigte zelf in te laten; hij begroette ze en vermaande ze, in gebed te blijven tot aan het begin der preek. Gedurende de missie stond het bisschoppelijk paleis den ganschen dag voor allen open, die de Missionarissen wilden zien of spreken; ja niet zelden nam hij den post van portier waar, opdat niemand, die om een der paters vroeg, onverrichter zake zou behoeven weg te gaan. Zelfs leende hij er zich somwijlen toe, aan vreemdelingen tot gids te strekken bij het bezichtigen zijner nieuwe kathedraal. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat hij den tijd, voor zijne nachtrust bestemd, moest besteden aan het voeren zijner uitgestrekte briefwisseling en het houden zijner oefeningen van godsvrucht. Zou men wellicht geneigd zijn sommige dezer punten voor niet navolgbaar of voor eene verlaging der bisschoppelijke waardigheid aan te zien, zoo vergete men niet, dat Mgr. Neumann
220
in het democratische Amerika leefde en verlieze men niet uit het oog, wat hij in de jaren 1853 en 1856 aan eenige vrienden in Europa schreef: âMijne positie is zeer vermoeiftnd, daar ik niemand bij mij heb om mij te helpen. Ik zelf moet alleen mijne correspondentie voeren; het verleenen van dispensaties, het aanhooren van alle kleine en groote zaken, zoowel van priesters als van leeken, komt op mij alleen neer. Zoo is het nu eenmaal met de Bisschoppen van Amerika gesteld God zal mij echter bijstaan. Hij toont zich trouwens voor de Kerk in Amerika vol goedheid. Dit vertrouwen maakt mij mijnen zwaren arbeid dragelijk, ja zelfs aangenaam wijl hij Gods glorie bevordert.quot;
De briefwisseling van Mgr. Neumann bestond voor een groot gedeelte in het geven van raad, in het oplossen van moeielijkheden, die hem werden voorgesteld, en dit zoowel van leeken als van geestelijken. Het was hem niet mogelijk een brief, waarin een dergelijke dienst van hem gevraagd werd, onbeantwoord te laten; zelfs drong hem zijne goedheid, aanstonds te antwoorden, of minstens in den daaropvolgenden nacht, en, zijne gedienstigheid in dit opzicht was algemeen bekend en werd geroemd als hooge deugd. Een priester uit een ander diocees, die den Bisschop van Philadelphia overigens niet kende, wendde zich eenmaal tot hem voor de oplossing van een twijfel. Hoezeer was hij verrast, toen reeds na eenige dagen die oplossing kwam, vergezeld van eenige andere stukken, di e
221
hem in de pastoreele bediening van nut konden zijn..
De eerste plicht van het herdelijk bestuur is ongetwijfeld, gelijk het Concilie van Trente zegt, het verkondigen van Gods woord, het onderricht der geloovi-gen; en al wordt het den bisschoppen toegestaan dit ambt door hunne priesters uit te oefenen. Mgr. Neumann was te veel missionaris in hart en ziel, was te diep overtuigd van den zegen, dien God aan het woord des Opperherders hecht, kende te goed het voorbeeld der heilige bisschoppen en den nood zijner kudde, dan dat hij dit allergewichtigste deel der zielzorg niet voor een zeer groot aandeel op zich zou genomen hebben. Het is hier de plaats een getuigenis aan te halen, dat wij in de akten van het Proces zijner Zaligverklaring vinden opgeteekend, over de uitwerkselen van het woord des Eerbiedwaardigen. toen hij nog gewoon priester was. âZijne woorden,quot; zoo luidt dat getuigenis, âwaren vol gloed en zalving; zij schonken aan de bedroefden troost, vrede aan hen, die in onrust waren, opbeuring aan de lijdenden. Aan zieken, aan bekoorden, aan hen, die aarzelden omtrent hunne roeping, aan hen, die zich hardnekkig tegen de gehoorzaamheid verzetten, bracht zijn woord volmaakten vrede of buigzaamheid des harten en bekeering. De H. Geest sprak door zijnen mond; Gods kracht was met hem, en deze maakte, dat hij als priester wonderen wrocht. Zijn gezag behield gewoonlijk de overhand; op de harten en geesten der menschen, zelfs der boosaardigstenT,
222
oefende hij als eene goddelijke macht uit. Als een dezer lieden in zijne tegemvoordigheid tot verwenschin-gen oversloeg, wist de Dienaar Gods met een ernstigen blik hem tot zwijgen te brengen, gelijk zijn goddelijke Meester zelf.quot; â Hoe groot moest de krachtdadigheid van het woord en de predikatie van den Dienaar Gods dan zijn, toen het bisschoppelijk karakter hem op nog meer bijzondere wijze tot de verkondiging van Gods waarheid en de genezing der wonden, aan de zielen toegebracht, had gewijd? En hoe veelvuldiger hij zijn herderlijk woord deed hooren, des te overvloediger moesten ook vruchten van genade en bekeering zijn optreden kenmerken. Geen Zon- of Feestdag ging voorbij, of hij predikte in eene of meer kerken zijner bisschopsstad. De kerkelijke visitatie der overige gedeelten van zijn diocees werd tevens eene kleine missie. Hij zelf preekte voor het volk en onderrichtte de jeugd. De toediening van het H. Sacrament des Vormsels liet hij altijd door eene toespraak voorafgaan, waarin hij de jeugdige harten voorbereidde tot het ontvangen des H. Geestes; na de toediening volgde eene vermaning over de middelen om de ontvangen genade te bewaren en te vermeerderen. Hij was gewoon de vormelingen 's avonds te voren nog persoonlijk te onderrichten; en vond hij ze te onwetend, dan stelde hij de plechtigheid uit. â Somwijlen, waar de nood het eischte, zette hij het onderricht der vormelingen verscheidene dagen voort
223
en wilde hij, dat de priester, met hunne zorg belast, deze onderrichtingen persoonlijk bijwoonde.
Zijn ijver voor de verkondiging van Gods woord Avas zóó bekend, dat zijne welwillende hulp zelfs dikwijls voor andere diocesen gevraagd werd, vooral om de Retraiten der priesters te leiden. Eens, dat hij dezen dienst aan de priesters te Buffalo bewees, vernam hij den tweeden dag der Retraite, dat verscheidene Duitsche priesters het Engelsch niet voldoende machtig waren; aanstonds Avas hij bereid dagelijks twee meditaties in het Engelsch en twee in het Duitsch te houden, en evenzoo de conferentie in beide talen. Eerst laat had hij de uitnoodiging van den Bisschop van Buffalo tot het houden dier Retraite ontvangen, zoodat de tijd hem ontbroken had om zich behoorlijk voor te bereiden. Desniettemin, zoo verklaarde een getuige, later zelf bisschop, Avas zijne taal zóó aangrijpend en indrukwekkend, dat hij aller beAvon-dering tot zich trok. Hij trad niet op om te berispen, maar slechts om te vermanen en door zachte manieren Avon hij aller hart zoozeer, dat geen enkele priester de gelegenheid ongebruikt liet, om met zulk een bestierder over de zaken zijner ziel te spreken.
Bij de gewone zielzorg voegde Mgr. Neumann, naar het voorbeeld aller heilige Bisschoppen, ook de zoo noodzakelijke hulp der Missiën. Reeds in het eerste jaar van zijn herderlijk bestuur liet hij ze in vele kerken van zijn diocees houden. Hij zelf Avoonde dik-
224
wijls de predikaties bij om door gebed en stichtend voorbeeld Gods zegen over zijne kudde af te trekken en juist door dien ijver voor het werk der missiën, zoo verzekerde de Aartsbisschop van Baltimore in de lijkrede, die hij op Mgr. Neumann hield, was hij oorzaak, dat duizenden en duizenden nalatige zielen weder tot het ontvangen der H. Sacramenten terugkeerden.
De loffelijke ijver, die het voorbeeld en h et woord des heiligen Bisschops door het geheele diocees wist te ontsteken, had al aanstonds het allerheilzaamst gevolg, dat het aantal kerken buitengewoon toenam. Reeds in de vijf eerste jaren van zijn bestuur wijdde en zegende hij meer dan vijftig-nieuwe kerken in. Te Philadelphia zelf waren in het jaar 1853 vier katholieke kerken in aanbouw, waaronder ook de eigenlijke kathedraal, wier gelukkige voltooiing een der voornaamste werken van Mgr. Neumann geweest is. Zijn voorganger, later Aartsbisschop van Baltimore, had in het jaar 1846 den eersten steen der kathedraal, toegewijd aan de H.H. Apostelen Petrus en Paulus, gelegd; hijzelf vestigde reeds in zijn eerste herderlijk schrijven de aandacht zijner diocesanen op het groote werk, dat op hunne spoedige en edelmoedige medewerking-wachtte, wilden zij niet, zoo merkte hij op, de verwijtingen op zich laden, die de Profeet eenmaal tot het Joodsche volk had gericht, toen dit, na de Baby-
225
Ionische gevangenschap, nalatig was in het bouwen van den tempel Gods en ieder slechts bedacht was zijne eigen woning in te richten. Den 4-den Mei van hetzelfde jaar wekte hij in een nieuwen rondgaanden brief den ijver nogmaals op en beriep eene vergadering te Philadelphia, welke een bouw-comité, dat den Bisschop bij het groote werk met raad en daad ter zijde moest staan, benoemde. Hij zelf opende de vergadering, maar begon met de verklaring afteleggen, dat hij bij den bouw der kathedraal slechts wilde voortgaan naar gelang er geldmiddelen voorhanden waren; hij noemde het onwaardig, de kathedraal met schulden belast te laten; dit alleen was de reden geweest, waarom de arbeid onderbroken was. (') Hij stelde toen voor, dat in elke gemeente van het diocees, onder leiding der priesters, collectanten zouden worden aangesteld om bijdragen in te zamelen; het bedrag, met den naam des gevers, moest op eene lijst gebracht worden en het geld den priesters worden ter hand
(i) Mgr. Neumann had een grooten afkeer van de lichtzinnigheid, waarmede in Amerika niet zelden kerkelijk goed met schulden belast werd. Met den grootsten ernst waarschuwde hij daartegen en wilde niet, dat men iets ondernam zonder zijne goedkeuring. Eens echter, dat eene kerk in Philadelphia door allerlei oorzaken tijdens haren aanbouw gevaar liep, verkocht te moeten worden, stelde hij alles in het werk om dit onheil af te weren. Sommigen rieden hem aan, de kerk aan de schuldeischers te laten tot openbaren verkoop ; zoo immers kon hij ze veel goedkooper in zijn bezit terug erlangen, dan de som der schulden bedroeg. Dit voorstel wees hij echter met afschuw van de hand ; het scheen hem een bedrog in te sluiten; liever nam hij zijne toevlucht tot middelen, die hem niet verdacht voorkwamen ; en God zegende zijne eerlijkheid; de kerk bleef behouden en is sinds lang vrij van schulden.
226
gesteld; dezen moesten op hunne beurt het den penningmeester doen toekomen. Jaarlijks zat de Bisschop zelf de algemeene vergadering voor, die zich in een buitengewoon talrijke opkomst verheugde, zonder dat de vrede en de rust er verstoord werd. Hij mocht zijne wijze maatregelen met den besten uitslag bekroond zien. lu eene der vergaderingen wees hij er op, dat binnen betrekkelijk korten tijd de heerlijke tempel in de bisschopsstad zich verheffen zou, niet alleen als een sieraad voor Philadelphia, maar ook als een bewijs der volhardende offervaardigheid en vroomheid van het geheele diocees. In 1858 waren de muren voltooid. Den 13den September 1859 werd de sluitsteen aan den koepel aangebracht en het kruis er op geplant, eene plechtigheid, welke door de aanwezigheid van verscheidene bisschoppen en een groot aantal priesters werd opgeluisterd. Mgr. Spalding, bisschop van Louisville, voerde tot de saamgestroomde menigte het woord over de beteekenis van het kruis. De plechtigheid zelve liet Mgr. Neumann aan den Coadjutor, dien hij van den H. Stoel ontvangen had, over; in stille verborgenheid woonde hij ze bij, het hart overstroomd van dankbaarheid voor het welslagen der grootsche onderneming, dat thans zijne zorgen en moeiten zoo rijkelijk beloonde. De kathedraal van Philadelphia is inderdaad eene der grootste kerken der Vereenigde-Staten. Zij is een model van den zuiversten en rijksten korinthischen stijl, een indrukwekkend monu-
227
ment, een zoo voornamen bisschopszetel als Philadelphia volkomen waardig. (')
Veel meer echter, dan voor het stoffelijk gebouw was het hart des Bisschops van liefde en zorgen vervuld voor de geestelijke tempels, de zielen zijner geloovigen. Wij zagen er reeds het bewijs van in die onvermoeide verkondiging van G-ods woord; maar vooral zullen wij het gaan zien, in hetgeen zoo terecht de glorie van den Dienaar Gods genoemd kan worden: de bevordering van de katholieke opvoeding en het katholiek onderwijs der jeugd. Uit de vorige bladzijden dezer levensbeschrijving kennen wij Mgr. Neumann reeds te goed, dan dat wij in dit opzicht niet veel, zeer veel van zijne bisschoppelijke bezorgdheid zouden verwachten; hetgeen wij nog zullen zien, zal deze verwachting zeker niet teleur stellen. Trouwens, als het waar is, dat het katholieke onderwijs het eenige middel is om de opkomende geslachten te doen zijn, wat zij moeten zijn: geloovigeKatholieken en goede burgers, â dit katholiek onderwijs was, zoo ergens, dan zeker in Amerika niet te verwezen-
(i) Aan den bouw der kathedraal knoopt zich nog de volgende anecdote. Eens, toen Mgr. Neumann de arbeiders bezocht, die de ontzaggelijke steenblokken van den voorgevel der kerk voorbereidden, en zich vriendelijk met hen onderhield, kwam «en aanzienlijk heer, van de sekte der Quakers, op hem toe en zeide : wVriend, dunkt u niet, dat het beter ware, in plaats van een zoo heerlijk gebouw op te richten, het geld aan de armen te geven ?quot; â »Maar dat doen wij juist,quot; antwoordde de Bisschop. «Deze arme lieden werken, en wij betalen hun eiken Zaterdagavond een aanzienlijk loon. Is het niet beter zóó te doen, dan het geld te geven, aan die het niet verdienen en dikwijls niet willen arbeiden ?quot; De heer Quaker werd op dit antwoord verlegen, en terwijl hij zich verwijderde, zeide hij : «O ja, als ge de zaak zoo beschouwt, dan kunt ge wel gelijk hebben.quot;
228
lijken, dan in de eigenlijk gezegde katholieke school, in de school, staande, volgens de aloude opvatting, onder den invloed der Kerk; eene opvatting, gehuldigd zelfs door de hervormers der 16de eeuw, en wier bestrijding aan de dwaasheid onzer tijden was voorbehouden. Hadden nu de bemoeiingen van den Eerbiedwaardige te dezen opzichte, toen hij gewoon priester was, reeds zulk een omvang en waren zij met zulk een gevolg bekroond, dat zijn naam in Europa als die des voornaamsten bevorderaars der ware beschaving werd vermeld, als Bisschop beschouwde hij de zorg daarvoor niet anders dan als een hoofdzakelijk deel der op hem rustende zware herderlijke verplichting. Mgr. Neumann scheen zich dan ook geene kerk te kunnen voorstellen, of zijn geest zag in de schaduw daarvan eene school verrijzen, bestemd om het werk, in den kring der familie begonnen, in den tempel Gods voortgezet, blijvend aan te vullen en te voltooien. Zijn ijver voor de parochiale school was zóó groot, dat Mgr. Mesmer, Bisschop van Greenbay in Noord-Amerika, in een brief door hem aan Z.H. Paus Leo XIII gericht (16 September 1892), niet aarzelt het volgend getuigenis af te leggenj âHij (Mgr. Neumann) was onder de bisschoppen van Amerika de voornaamste en krachtigste voorvechter der parochiale school, en van die katholieke opvoeding, wier noodzakelijkheid sindsdien herhaaldelijk en met zooveel nadruk door den H.
229
Stoel en de Amerikaansche Concilies is uitgesproken. Reeds in zijn eerste herderlijk schrijven wees hij erop, dat elke parochie moest zorgen hare eigen school te hebben. En zóó ijverig en met zooveel krachtsinspanning heeft hij gearbeid, dat hij reeds na acht jaren, toen het einde zijns levens nabij was, kon zeggen, dat er in zijn geheel diocees nauwelijks eene enkele parochie was, die hare eigen school niet had. Duizenden van kinderen hebben op zijne aansporing de openbare school verlaten, een feit, dat aan de geheele stad Philadelphia bekend is.quot; Tot zoover het getuigenis van den Bisschop van Greenbay. Zijne laatste woorden vinden wij op de meest onverdachte wijze bevestigd door de opmerking, welke in die dagen zeiven in een onkatholiek blad van Philadelphia te lezen stond. Herhaaldelijk wees dit blad op de verliezen door de openbare school geleden en in een zijner nummers schreef het: âMet leedwezen zien wij, dat de meest geachte belijdenis onzer stad haar vertrouwen aan de openbare school onttrokken heeft. Er schijnen dus groote gebreken ons schoolsysteem aan te kleven en de Kegeering moest haren plicht gevoelen van den toestand der openbare scholen te onderzoeken en te verbeteren.quot; De reeds aangehaalde geschiedschrijver van het Amerikaansch Episcopaat, Clarke, getuigt op zijne beurt omtrent het bestuur van Mgr. Neumann: âDe katholieke parochiale scholen, die men zijn roem en zijne kroon
230
»
mag noemen, vermeerderden zich op verrassende wijze, zoowel wat hun aantal, als wat de degelijkheid van het onderwijzend personeel betreft. De jongensscholen werden meestal geleid door de Breeders der christelijke scholen, die hij zelf het eerst in het diocees van Philadelphia had ingevoerd; in die der meisjes wérd het onderricht door kloosterzusters van verschillende Congregaties gegeven. Bij zijne aankomst te Philadelphia vond hij twee katholieke parochiale scholen in zijne bisschopsstad; acht jaren later, bij zijn dood, waren er bijna honderd.quot; (')
Vraagt men, van welke middelen Mgr. Neumann zich bediend heeft om zulk een resultaat op het gebied van onderwijs tot stand te brengen, â zij zijn ons door zijnen eersten levensbeschrijver uitvoerig opgeteekend, en het is onze plicht ze mede te deelen, zoowel tot verheerlijking van den Dienaar Gods, wiens vindingrijken en praktischen ijver zij prijzen, als om het nut, dat uit dat voorbeeld kan geput worden in den schoolstrijd, die thans in elke streek der wereld wordt gevoerd.
Vooreerst dan zorgde hij, dat elke priester en ge-loovige van zijn diocees zou weten, wat hun Bisschop over het onderwijs dacht. En al was de faam ook in dit opzicht hem reeds vooruitgesneld, al toonde de Geestelijkheid reeds bij zijne aankomst
(â¢) T. a. p. p. 450.
231
zijne neiging te waardeeren, toch raakte hij, gelijk vermeld is en gelijk men het in zijn diocees met gespannen verwachting had te gemoet gezien, reeds in zijn eersten rondgaanden brief dit punt aan. Ook in eene zijner eerste predikatiën, in de St. Jozefs-kerk te Philadelphia, sprak hij de overtuiging uit dat de katholieke jeugd slechts door katholieke parochiale scholen gered kon worden. In dezelfde preek stelde hij als 't ware zijn program hieromtrent op; hij verklaarde uitdrukkelijk, met Gods hulp vast besloten te zijn, dat gewichtige werk in zijn diocees door te zetten. Met klem en liefde tevens drukte hij het den ouders op het hart, de katholieke opvoeding hunner kinderen niet tot de kerk te beperken; neen, ook door woord en voorbeeld moesten zij ze opvoeden tehuis, en bijzonder in de school onder het toezicht der Kerk. En men wist te Philadelphia, dat, waar de Bisschop op zóó beslisten toon gesproken had, de verwezenlijking van het aangekondigde niet ver verwijderd was.
Reeds den 28sten April 1852, nog geene maand sinds zijne aankomst, vergaderde hij de priesters en verscheiden aanzienlijke leeken der stad tot eene beraadslaging. Hij herhaalde hun zijne overtuiging en genoot den troost ze door de vergaderden met eenstemmige deelneming begroet te zien. Geen offer, zoo spraken allen, kon te groot zijn om den wensch des Bisschops te vervullen. Een Comité werd benoemd ter bera-
232
ming der maatregelen; de secretaris ontving in last alle niet aanwezige pastoors de besluiten dezer vergadering mede te deelen en ze uit te noodigen voor eene volgende. Den 3den Mei had er wederom eene volle vergadering plaats, voorgezeten door den Bisschop zeiven. De meening van het Comité werd gehoord en met algemeenen bijval aangenomen; eene centraal-cominissie werd gekozen, bestaande uit alle pastoors met telkens twee leeken der stadsparochiën; aan den Bisschop was de bekrachtiging der gemeenschappelijke besluiten voorbehouden. De taak dezer centraal-com-missie was vooreerst, de beste methode van onderricht vast te stellen; 't was haar echter verboden zich in geldelijke aangelegenheden der bijzondere parochiale scholen, in de aanstelling der onderwijzers of de keuze der schoolboeken en wat dies meer zij te mengen. Ten tweede moest zij door maandelijksche bijdragen de arme scholen te hulp komen. De vergaderingen hadden elke maand plaats in het bisschoppelijk paleis; de verhandelingen werden aan alle priesters van het diocees bekend gemaakt; de Bisschop zelf zat altijd voor; was hij afwezig, dan nam de Vicaris-Generaal zijne plaats in. Bevond zich een Bisschop of een ander aanzienlijk vreemdeling in de stad, dan noodigde Mgr. Neumann hen uit, de vergadering bij te wonen en er het woord te voeren. Zóó wist hij, op echt praktische, laat ons zeggen, echt Amerikaansche wijze, den ijver en de belangstelling levendig te houden en
233
de katholieke parochiale school door Geestelijkheid en volk te doen beschouwen als een der gewichtigste punten van den godsdienst. G-een wonder dan ook. dat er een ware wedijver ontstond om schoolgebouwen en onderwijzend personeel tot de hoogste volmaaktheid te brengen; men wist trouwens, dat, bij elke visitatie, de school het voorwerp der nauwlettendste zorgen des Bisschops was.
Mgr. Neumann deed echter nog meer. Persoonlijk, om zoo te zeggen, en zooveel het zijne bisschoppelijke waardigheid gedoogde, nam hij aan het onderwijs deel. Soms ging hij in persoon een huisvader bezoeken, als hij wist, dat diens kind de openbare school bezocht, om hem te bewegen het naar de katholieke school te zenden. Bij de kerkelijke visitaties, gelijk wij reeds aanstipten, verzamelde hij, op plaatsen, waar nog geene school was, de kinderen om zich heen en onderrichtte ze zelf. Was er eene school, dan spoorde hij bij die gelegenheid ouders, meesters en kinderen tot nieuwen ijver aan. Dikwijls verscheen hij bij schoolexamens en stelde zelf de vragen; en men begrijpt, hoe de tegenwoordigheid des Opperherders de ouders en vrienden naar de scholen lokte, zoodat de lokalen zich vulden, en de ijver van meesters en leerlingen daardoor nog klom. De dagbladen van dien tijd bevatten eene menigte verslagen over die in Philadelphia zelf gehouden examens, waarbij Mgr. Neumann voorzat. Het beeld, dat zij ons van
234
zijn optreden in die omstandigheden geven, is waarlijk te schoon, om niet een enkel dier verslagen aan te halen; het leert ons, hoe de priester door de eenvoudigste middelen het onderwijs bevorderen en bezielen kan. Bij den aanvang der zitting richtte hij eenige vriendelijke woorden tot de kinderen om hun vertrouwen in te boezemen en alle -vrees te ontnemen. En als zij dan de vragen van den katechismus en der andere leervakken bevredigend hadden beantwoord, deelde hij zelf aan de beste leerlingen de prijzen uit. en hield eene bezielde toespraak tot hen, hunne ouders en allen, die hunne belangstelling hadden getoond. Vervolgens trad een knaap te voorschijn, bood met eene passende toespraak den Bisschop een schoon kruisbeeld aan, met het verzoek, dit geschenk van de kinderen te willen aannemen en voor hen te bidden, zoo dikwijls hij het kruis zou aanzien. De Bisschop aanvaardde diep getroffen het geschenk, drukte weder-keerig den vurigen wensch uit, dat hun leven lang hunne handelwijze aan het onderricht, in de katholieke school genoten, beantwoorden zou. Veel goeds, zoo besloot hij, had hij van deze school gehoord; nu echter hadden zijne oogen hem overtuigd van den vooruitgang der kinderen onder de leiding des priesters en des onderwijzers; alles, van den katechismus tot aan de muziek, de vorming van hun verstand en de oefening van hun geheugen, alles had hem ten volle bevredigd. Den ouders bleef het nu over, het onderricht in deze
school ontvangen door hun woord en voorbeeld te bevestigen. Hij beloofde ten slotte aan de kinderen, hen zoowel bij den aanblik van het schoone kruis, als tijdens het H. Misoffer indachtig te zijn.
Enkele malen ontmoetten zijne pogingen tegenstand. Steunde deze slechts op bezwaren omtrent moeite of geld, dan kende hij het geschikte middel om hem te bezweren, namelijk: krachtig door te zetten en daardoor zelf alle menschelijke kleinmoedigheid te genezen. Plerhaaldelijk had hij een pastoor eener groote stads-parochie tot het oprichten eener school aangespoord; doch tevergeefs. âHet is mij tegenwoordig onmogelijk,quot; was telkens het antwoord, totdat de Bisschop eens hernam: âNu dan, als het u onmogelijk is, dan zal ik iemand anders in uwe plaats aanstellen, wien het misschien mogelijk zal zijn, het groote aantal dei-kinderen uwer parochie eene christelijk opvoeding te verzekeren.quot; Deze woorden brachten den priester tot bezinning; hij onderwierp zich aan den wil zijns Bisschops en reeds eenige dagen na de opening dei-school werd zij door een duizendtal kinderen bezocht; zóó beloonde God zijne, hoewel wat talmende gehoorzaamheid.
De zorg van Mgr. Neumann om de kinderen aan het bederf te ontrukken, toonde zich dan wel op de treffendste wijze, als hij aan het ziekbed van een stervenden vader of eene stervende moeder geroepen was. Hij had zich trouwens ook als Bisschop de
236
zwaarste diensten der aan zijne kathedraal verbonden zielzorg voorbehouden, met name het nachtelijk bezoek der zieken. Zoo dikwijls ondervond hij, dat de gedachte, een klein kind als wees achter te laten, het â sterfbed der ouders dubbel smartelijk maakt. Dan vloeide zoo troostvol van zijne lippen in het hart des stervenden de belofte, dat hij zelf voor het kind een vader zou zijn. Eens bracht hij, als een andere Vin-centius a Paulo, zelf een driejarig ouderloos kind naar het weeshuis. De kleine hechtte zich zoo innig aan zijn weldoener, dat hij hem later altijd slechts â Vaderquot; noemde. Hij zelf richtte te Philadelphia twee weeshuizen op. Bracht hij daar een bezoek, zoo verhaalt â ons eene kloosterzuster, dan scheen hij het trouwe afbeeldsel van den Goddelijken Kindervriend te zijn. Als hij dan als een Vader tot hen kwam, vol liefde en vriendelijkheid, altijd met kleine geschenken voor hen bij zich, waren zij spoedig om den Bisschop heen. Hunne vragen en hun aandringen vielen hem niet lastig. Zij luisterden aandachtig, als hij hun eene bloem of een natuurverschijnsel uitlegde, en hun -daarbij sprak over de liefde, die God hun toedroeg. Zóó wist hij de kinderen tot God op te voeren.
Met zijne zorg voor de parochiale school en de kinderen verbond Mgr. Neumann tevens eene groote belangstelling en krachtdadigen ijver voor de hoogere inrichtingen van onderwijs, de ambachtsscholen, collegies en academiën. De reeds bestaande onder.
237
steunde hij; (') zelf richtte hij nog het St. Josephs-Collegie te Susquehanna County op, verder drie scholen voor meisjes, eene in de zooeven genoemde plaats, de twee andere te Philadelphia en Reading; in West-Philadelphia eene arbeidsschool voor volwassen meisjes onder leiding der Zusters van het H. Kruis. Ook in deze inrichtingen wist de Dienaar Gods een ijverigen toeleg op de studie aan te moedigen en te steunen. Zelf een groot vriend der wetenschappen, die daar werden geleerd, bezocht hij die inrichtingen dikwijls en toonde-groote belangstelling voor elk vak. Aangenaam was het vooral, zoowel aan de leerlingen, als aan den doorluchtigen bezoeker, als zij hem hunne moeielijk-heden konden voorleggen en van hem de oplossing ontvangen. Eens vond hij in eene dier scholen leeraars en leerlingen in niet geringe verlegenheid, wijl dezen tusschen hun leerboek der sterrenkunde en hunne persoonlijke waarneming door den telescoop eene-klaarblijkelijke tegenspraak meenden te hebben ontdekt ; zij bekenden den Bisschop hunne radeloosheid-Deze, â men herinnert zich, hoe hij vroeger in dit vak had uitgemunt, â ontdekte aanstonds, waar de fout in lag, en toonde hun in weinige woorden den weg ter oplossing aan. Een ander maal, dat hij de
(i) In 1852 telde het diocees drie katholieke collegies, waarvan twee onder de^ leiding van paters Augustijnen en Jesuieten; hoogere inrichtingen voor meisjes, waren er eveneens drie, de eene bestuurd door de Zusters der Visitatie, de twee: andere door de nDames du Sacré-Coeur.quot;
238
academie voor meisjes te Eden Hall bezocht, toonden hem de leerlingen eene plant, wier naam en classificatie zij vruchteloos in hunne leerboeken hadden gezocht. Mgr. Neumann beschouwde ze eenige oogenblik-ken, en gaf toen aanstonds haar naam en hare klasse â en zelfs het boek aan, waarin zij ze konden vinden. Zoozeer was Mgr. Neumann, volgens het woord van den H. Paulus, alles voor allen geworden.
In die mate echter, waarin zich zijne herderlijke zorg voor de geloovigen, in het bijzonder voor het onderwijs, toonde, in diezelfde mate moest ook zijne zorg voor de priesters, de leiders zijner geloovigen, groot zijn; groot zoowel om in henzei ven de volmaaktheid van hunnen staat te bevorderen, als om een groot aantal goede en geschikte priesters te bezitten voor zijn diocees. Wij verhaalden reeds, dat hij bij zijne aankomst er slechts een honderdtal vond, een aantal, zeker te gering voor zulk een uitgestrekte zielzorg. Het Groot-Seminarie telde slechts veertig studenten der Philosopie en der Theologie, en onder dezen was er nauwelijks één Duitsche, terwijl toch Duitsche priesters het meeste noodig waren. Acht jaren later, bij Mgr. Neumann's dood, telde het diocees honderd twee-en-vijftig priesters, en zestig studenten ir. het Groot-Seminarie. Om Duitsche priesters voor zijn diocees te erlangen, wendde hij zich tot den President van het Seminarie te Praag en tot zijnen ons reeds bekenden vriend, den Eerw. Heer
239
Dichtl. Ook op zijne reis, welke hij in 1854â55 door Europa maakte, beproefde hij nieuwe krachten voor zijn diocees te winnen. Zijne pogingen bleven niet vruchteloos; hij ontving hulp uit Duitschland, echter lang niet genoeg om aan de verlangens zijner geloo-vigen te voldoen; er ging trouwens nauwelijks eene week voorbij, of hij ontving verzoekschriften of deputaties om een Duitschen priester van hem te verkrijgen.
Een Klein-Seminarie vond Mgr. Neumann bij zijne aankomst nog niet. Om het gebrek daarvan voor-loopig aan te vullen, spoorde hij bij elke gelegenheid de priesters aan, om aan knapen, die neiging en geschiktheid toonden voor den priesterlijken staat, hunne bijzondere zorg te wijden, op hun gedrag te letten, en ze te vormen tot een vromen levenswandel; gaven zij hoop op goeden uitslag, dan moesten ze hem worden voorgesteld tot verdere opleiding voor den geestelijken stand. Een niet onaanzienlijk aantal van zulke knapen zond hij op eigen kosten naar een collegie om er hunne hoogere studiën te doen. Inmiddels had hij van den beginne af getracht een Klein-Seminarie op te richten; hij slaagde echter eerst In het jaar 1856. De oprichting ervan kondigde hij aan alle priesters en geloovigen aan, in een herderlijk schrijven, dat als een model van aanbeveling en verdediging van dergelijke inrichtingen kan gelden. Het Groot-Seminarie bezocht hij, zoo
240
mogelijk, dagelijks. Hij gaf dan persoonlijk aan de Theologanten lessen in de Pastoraal, doorvlochten van opmerkingen uit Moraal, Liturgie, Kerkelijk Rechten Kerkelijke Geschiedenis. Hij zelf schreef in zijne laatste levensjaren, ten gebruike der Seminaristen, eene uitlegging van den Griekschen tekst van het Nieuwe Testament, welke in de bibliotheek van het Seminarie bewaard wordt. (') Het Seminarie steeg onder zijn bestuur tot een bloei en aanzien, als het vroeger nooit had genoten, zóó zelfs, dat Paus Pius IX aan hetzelve het recht schonk den Doctorstitel te veiieenen.
De wijze, waarop de Dienaar Gods met de leden zijner Geestelijkheid omging, was eene mengeling van eerbied en liefde. Onaangemeld kon ieder priester aan zijne kamer kloppen en binnentreden en vrij mocht ieder hunner, ja, dat was zijn uitdrukkelijke wil, hem zijne aangelegenheden, hetzij van geestelijken of van tijdelijken aard blootleggen. De Bisschop hoorde belangstellend aan, gaf zijne beslissing, verstrekte raad en opwekking. Met eene ernstige waakzaamheid over hun gedrag verbond hij eene goedheid, die zelfs zijn bisschoppelijk paleis tot nachtverblijf voor ieder zijner ambtsbroeders deed openstaan; altijd waren er verscheidene kamers voor vreemde priesters gereed. Met vaderlijke bezorgdheid nam hij hun geestelijk en tijdelijk welzijn ter harte; hunne
(i) De Procesakten spreken nog van eene bloemlezing uit katholieke theologanten, door den Dienaar Gods vervaardigd.
241
brieven beantwoordde hij aanstonds, geen offer was hem te groot om hun bijstand te verleenen. Dikwijls werden arme missionarissen, zelfs zonder hunnen nood geklaagd te hebben, onverwachts door hem met geldsommen ondersteund, of zij ontvingen van hun Bisschop altaarbenoodigdheden, kerkgewaden, ja zelfs kleederen voor hun eigen gebruik. Op de Synoden maakte hij wijze verordeningen, die zoowel hunne waardigheid en deugd, als hunne belangen onder tijdelijk opzicht moesten handhaven. Zoo schreef hij voor, dat allen zich altijd zouden kleeden overeenkomstig hunne priesterlijke waardigheid, dat zij niet zouden verschijnen op openbare badplaatsen. Het bestuur der parochiale goederen werd geregeld op eene wijze, die alle moeielijkheden voorkwam. Op dezelfde Synoden scherpte hij ook de nauwkeurige onderhouding-der kerkelijke ceremoniën in; bij de priesterconferen-tiën, die viermaal in het jaar plaats hadden, liet hij een der aanwezigen eenige plechtigheden uit het Rüuale of het Ceremoniale praktisch uitvoeren. Vooral verlangde hij waardigheid, eerbied en nauwkeurigheid bij het lezen der H. Mis. Dikwijls gaf hij aan zijne seminaristen persoonlijk onderricht in de wijze om het H. Misoffer volgens den geest der heilige Kerk waardig op te dragen. De Synoden, waarvan' wij zooeven spraken, beschouwde hij als een zeer geëigend middel om eenheid en gelijkvormigheid onder zijne priesters, die dikwijls van zeer verschillende streken
242
der wereld afkomstig waren, en op groote afstanden van elkander leefden, in te voeren en te bewaren, waarbij zijne hoofdgedachte was de stipte naleving van den Romeinschen Ritus. Ook voor het bewaren van de altaar- en kerkbenoodigdheden maakte hij wijze voorschriften; voor het bewaren der heilige Oliën voerde hij door hemzelven uitgedachte doosjes in, in stof en vorm zóózeer voor de behoeften van het land geëigend, dat zij thans in de meeste, zoo niet alle diocesen van Amerika in gebruik zijn.
Jaarlijks noodigde hij ook zijne priesters tot eene retraite uit; dikwijls liet hij deze door een kloosterling houden, ofwel hij hield ze persoonlijk en was dan allen ten voorbeeld in de stipte onderhouding dei-dagorde.
Reeds vóór zijne verheffing tot de bisschoppelijke waardigheid had de Dienaar Gods zich bijzonder het ongeluk van diegenen aangetrokken, die niet ten volle beantwoordden aan de heiligheid van hunnen staat. Gaarne was hij hun behulpzaam in het houden eener geestelijke afzondering, en als hij meende op hunne standvastigheid te kunnen rekenen, schreef hij zelf aan hunne bisschoppen om hunne wederopneming te verkrijgen. Toen hij tot de bisschoppelijke waardigheid verheven was, toonde hij des te meer ijver en vaderlijke liefde, als het iemand gold, die tot zijn diocees behoorde. Doch in hen, die door hunne eigen bisschoppen in hun ambt waren geschorst en hem
243
om zijne gunst en opneming baden, was in de latere jaren zijns levens, ten gevolge van pijnlijke ondervinding, zijn vertrouwen zeer gering.
Bij al zijn ijver om voor de gewone zielzorg in zijn diocees goede priesters te verkrijgen en zijne seminaristen daartoe op te leiden en te vormen, wachtte zich de Dienaar Gods evenwel het algemeen belang van zijn diocees tegenover hunne persoonlijke belangen te veel op den voorgrond te plaatsen; in dit punt toonde Mgr. Neumann eene groote, ja eene bewonderenswaardige belangeloosheid. Hij achtte zijne zorgen en moeiten om een jongeling voor de zielzorg in zijn diocees op te leiden ook dan beloond, als deze, door God tot hooger volmaaktheid, tot het verlaten der wereld geroepen, den kloosterlijken staat wilde omhelzen; dan aarzelde hij niet daartoe zijne toestemming te geven. Zelf wees hij herhaaldelijk zijne seminaristen op de verhevenheid van den religieuzen staat; hij spoorde hen aan, hem zonder dralen hunne neiging te dezen opzichte te openbaren; zij konden steeds rekenen op zijn verlof en zijnen vaderlijken zegen. Wat hem persoonlijk betreft, zijne verheffing tot de bisschoppelijke waardigheid had zijne liefde en hoogachting voor het religieuze leven niet het minst doen dalen; zijn gedrag bleef den stempel dragen van eene roeping, die hij zoo lief had, en waarvan slechts eene onvermijdelijke noodzakelijkheid hem had losgerukt. Door zijne benoeming was om zoo te zeggen, de klooster-
244
lijke deugd, uit haren aard meer bloeiend in verborgenheid, op den kandelaar geplaatst, bestemd om van die hoogte een zoo ontzaggelijk diocees als Philadelphia, eene stad zoo wereldschgezind als deze, te strekken tot heilzaam, ja noodzakelijk toonbeeld. Doch hij wist zich voor het geleden verlies schadeloos te stellen door zooveel mogelijk ook als Bisschop te doen, wat hij vroeger, met zijne medebroeders onder een zelfden regel levend, trouw en stipt had beoefend; door ook alles te doen, wat in zijn vermogen was om de religieuze Orden in zijn diocees te doen toenemen, zoowel wat hun aantal betrof als hun inwendigen bloei.
Dat hij zijne liefde op de eerste plaats jegens de Congregatie toonde, die hij als zijne moeder vereerde, wie kon het euvel opnemen of het niet beschouwen als zijnen plicht? Wij zagen reeds, dat hij het wapen der Congregatie tot zijn bisschoppelijk wapen koos; hoe gaarne had hij ook haar kleed blijven dragen! Hij zag hier echter van af, toen hij vernam, dat dit een minder gunstigen indruk zou maken; bleef hij echter eenige dagen in een Redemptoristenklooster, dan ging hij ook als Redemptorist gekleed. Hij genoot den troost bij zijne aankomst te Philadelphia reeds een klooster zijner medebroeders daar te vinden, verbonden aan de kerk des H. Petrus, dezelfde, waar eens zijne laatste rustplaats zou zijn. In de maand Mei van het hetzelfde jaar kwam de Provinciaal, pater Bernard, zelf gedurende veertien dagen met verschei-
245
dene andere paters daar eene missie houden en verblijdde het hart van zijn doorluchtigen vriend en medebroeder door de schitterende vruchten, welke zij voortbracht. De Bisschop, zoo teekenen de Annalen â¢der Amerikaansche provincie aan, luisterde dikwijls â de plechtigheden, in die kerk gehouden, door zijne tegenwoordigheid op; hij koos ze ook nu en dan uit. om er de H. Wijdingen toe te dienen. Zoo vinden wij nog in de zooeven aangehaalde Annalen opgetee-kend, dat den 26sten Maart 1853 zes studenten der Congregatie door hem tot de priesterlijke waardigheid werden verheven; pater Bernard had ze zelf door zijn vaderlijk woord en heilzame vermaningen er toe voorbereid. Ook in de kerken zijner Congregatie in andere diocesen, vooral in die van Baltimore en Pittsburg, verrichtte hij dikwijls, met verlof der Bisschoppen, de plechtigheden van zijn ambt. Dikwijls kwam Mgr. Neumann in den loop des jaars zijne medebroeders, tot wederzijdschen troost, in hun klooster bezoeken; in hun midden hield hij maandelijks een dag afzondering en elk jaar eene retraite van tien dagen, gelijk de Regel het voorschrijft, en stipt volgens de dagorde, die gebruikelijk was. Dan was hij weer volmaakt-de nederige kloosterling van weleer; zóó bescheiden, dat hij zich op de bidplaats bij de leekebroeders zou hebben gevoegd, hadde men hem niet gedwongen de eereplaats in te nemen, die hem was voorbehouden. Dan vermeed hij zoozeer alles, wat zijne hooge waar-
246
digheid verraden kon, dat eens een pater, die nog kort geleden uit Europa was aangekomen en een vreemdeling tusschen zijne medebroeders zag, de opmerking niet kon weerhouden: âHoe vreemd gaat het toch in Amerika toe! Men laat zoo maar iedereen in ons gezelschap komen!quot; en niet weinig verbaasd was, toen die zoo arm gekleede vreemdeling hem als de Bisschop van het diocees en zijn medebroeder werd voorgesteld. Elke week kwam hij te voet naar het klooster om zijnen biechtvader te spreken; zijn naam stond op de lijst der leden, wanneer op Oudejaarsavond aan iedereen een patroonheilige, eene deugd en een gebed door het lot werd toegewezen. Bij zijne verheffing tot het Episcopaat had hij de meening hooren uiten, dat hij nu geen werkelijk lid der Congregatie des Allerheiligsten Verlossers meer was. Deze gedachte was hem onuitstaanbaar. Hij wendde zich daarom tot Paus Pius IX om zijne beslissing in deze zaak en merkte Z. H. op, hoe pijnlijk het hem zou aandoen, indien hij, na uit gehoorzaamheid het offer gebracht te hebben, ook nog de genaden en voorrechten zijner Congregatie ontberen moest. Het antwoord van Pius IX stelde hem volkomen gerust. âWijl gij, geliefde Zoonquot;, zoo luidde het pauselijk schrijven, âmet den last van het Episcopaat de deugd van een kloosterling vereenigt, zoo zult gij ook kloosterling blijven; en zoudt gij niet ten volle een lid der Congregatie des Allerheiligsten Verlossers zijn, dan neem ik ü.
247
krachtens de volheid mijner macht, als zoodanig op.quot; De H. Vader voegde tot grooter geruststelling er nog eenige bepalingen bij omtrent de wijze, waarop hij de geloften van armoede en gehoorzaamheid onderhouden moest.
Was de liefde van Mgr. Neumann voor de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers groot, zijne daden bewezen, dat hij alle kloosterorden in zijne genegenheid omvatte. Verscheidene vrouwelijke kloosterorden, die van den H. Carolus Borromeus, die van het H. Kruis uit Frankrijk, die van Notre Dame uit België, die van het Onbevlekte Hart van Maria uit Detroit genoten zijne bisschoppelijke belangstelling of bescherming en hulp; die van Notre Dame voerde hij zelf in zijn diocees in. In het bijzonder dankt eene thans talrijke Zuster-Congregatie van den Derden Regel des H. Franciscus aan zijne bemoeiingen haar ontstaan en vereert hem als haren Stichter en Vader. Toen Mgr. Neumann namelijk in 1854 te Rome vertoefde, openbaarde hij aan Pius IX zijnen wensch, de Dominicanessen in zijn diocees in te voeren, om in die nooden te voorzien, waarin andere Congregaties geene hulp konden verleenen. Pius IX gaf hem echter den raad de dochters des H. Franciscus daarvoor te kiezen en de Dienaar Gods, 's Pausen woord als een wenk des hemels betrachtend, zette zich aanstonds aan het werk om deze gedachte te verwezenlijken. Hij deed tot dat einde uit Duitschland Paters Fran-
248
ciscanen naar Amerika komen om aan de leden der nieuwe Orde den geest huns heiligen Vaders in te planten. Eigenhandig stelde hij Regels en Constitutiën, uitmuntend door wijsheid, voor haar op en zijne overdrukke bezigheden konden hem niet beletten de Zusters door conferentiën te onderrichten en op te voeren tot de volmaaktheid van hunnen staat. Naast het gebed en de overweging was, volgens het plan van den Dienaar Gods, hare voornaamste bezigheid het bezoeken en verplegen der zieken; later, toen het getal der leden toenam, werd ook het onderricht der jeugd erbij gevoegd. De door Mgr. Neumann gestichte Orde genoot, te midden van tegenkantingen en beproevingen, zóó grooten zegen des hemels, dat zij in een tijdsverloop van minder dan dertig jaren ongeveer vijf-en-t win tig kloosters met omtrent tweehonderd geprofeste Zusters telde. Plechtigheden van inkleeding of gelofteaflegging zat hij als Bisschop zeer gaarne, en met groote godsvrucht en waardigheid voor ; zijne bezielde woorden, bij die gelegenheden gesproken, toonden, hoe goed hij den zin dier handelingen en de beteekenis van het religieuze leven begreep. Was hij verhinderd, dan toonde hij toch zijne belangstelling en droeg zelfs somwijlen op die dagen het H. Misoffer voor het klooster op. Hij wilde, dat de Zusters in eiken nood zich vrij tot hem zouden wenden; met raad en daad verleende hij bijstand en daalde tot de geringste diensten af. âAl ben ik zelf arm,quot; zoo schreef
249
hij aan eene Overste, âik weet toch, dat God in onze armoede ons niet vergeten zal.quot; Eens kwam hij in een klooster, waar de armoede zóó groot was, dat de Zuster tot den Bisschop zeide : âMonseigneur, wij kunnen nauwelijks bestaan; dan hebben wij geen kolen, en als wij kolen hebben, vinden wij niets om te koken.quot; De Dienaar Gods wendde zich tot het kruisbeeld en zeide tot de Zusters: âHier hebt gij een boek; leest daarin en overweegt dit; dat zal uwe beproevingen lichter en uw kruis dragelijker maken.quot; â âReeds deze woorden,quot; zoo verzekerden de toegesprokenen, âmaakten een diepen indruk en wij waren getroost en besloten om te lijden.quot; Maar de Bisschop liet het daarbij niet. Van toon veranderend deed hij, zinspelend op de Amerikaansche geldzucht, er de woorden op volgen : âMaar daar ik gewoonlijk aan de Zusters medailles uitdeel, zoo wil ik heden haar eenige Yankee-medailles gevenquot;, en tegelijk overhandigde hij aan de Overste eene aanzienlijke aalmoes. Aan de Overste eener nieuwe stichting schreef hij: âIk voorzie, dat u vele moeielijkheden wachten, vooral eene groote armoede. Doch ik ben vol vertrouwen op God, die altijd datgene steunt, wat wij tot Zijne eer ondernemen. Wankel niet in dat vertrouwen ; hoe grooter de nood wordt, des te vaster moet gij hopen. Laat ons bidden en God zal ons toonen, wat wij moeten doen.quot; De Zusters vonden in hem bovendien eenen bestuurder volwijsheid
250
en met eene ongewone scherpte van blik begaafd, wien vóór alles de geestelijke belangen des kloosters ter harte gingen. Bij de keuze hunner bestuurders gebruikte hij grootste omzichtigheid ; hij waakte met zorg over de onderhouding der Regelen en men verwonderde zich dikwijls, dat een of ander misbruik zoo spoedig door hem werd ontdekt. Op de onderhouding der clausuur in de vrouwenkloosters, op hunne afzondering van de wereld was hij streng. Aan eene Overste schreef hij de volgende behartenswaar-dige woorden : âIk bid u, zoodra mogelijk de geestelijke oefeningen in te voeren, gelijk de Regel uwer Orde die voorschrijft; want het is mijn verlangen, dat uw huis een toonbeeld zij van kloosterlijke tucht.... Ik ben niet angstig bezorgd om de tijdelijke aangelegenheden van uw huis; de Voorzienigheid zal voor het noodige zorgen, als de Zusters hunnen Regel trouw onderhouden en door wederkeerige liefde en eendracht het welbehagen Gods over zich aftrekken. Ik heb een waren afschuw ervan, kloosters te laten afhangen van de goedgunstigheid hunner schuldeischers. Laat ons vertrouwen op God en den H. Joseph; te zijner tijd zal alles goed gaan. Schaf u slechts het noodzakelijkste aan, vergenoeg u met de behoeften van den dag van heden en vertrouw op God voor de toekomst. Ik weet wel, dat dit overwinning kost, maar het is het veiligste.quot; â Een andermaal schreef hij aan dezelfde, toen zij in moeielijke omstandigheden
251
verkeerde; âIk doe, wat in mijn vermogen is; maar-geduld is noodzakelijk. God laat zulke kruisen toer opdat wij inzien, hoezeer het Hem mishaagt, wanneer wij Hem laten wachten op ons vertrouwen en op de onderhouding der Regels, waarop Hij toch elk oogenbllk recht heeft.quot; â Mgr. Neumann wilde, dat de kloosterlingen boven alles, ook boven kennissen en wetenschappen, zich op deugden toelegden. âUw voornaamste studie,quot; zeide hij tot de Zusters van een Opvoedingsgesticht, âzij uw Regel. Onderhoudt hem getrouw en nauwgezet, dan zal God uwen arbeid zegenen. Niet zoozeer onze eigen inspanning, als de zegen Gods, zet de kroon op ons werk. Ik ben vast overtuigd, dat eene Zuster, die naar verhouding minder kennis bezit, maar God getrouw is, beter zal slagen dan eene andere, die wel is waar geleerder is, maar hare Regels niet tr'ouw onderhoudt.quot; âAltijd,quot; zoo verhaalt eene kloosterzuster, âtrachtte hij den geest van nederigheid in te prenten.quot; Ook spoorde hij haar aan, met kracht te strijden en met manne-lijken moed naar het verkrijgen der hemelsche glorie te streven. Met aandrang wekte hij haar op tot verachting der wereld. Bij een bezoek in een klooster trof hij de Zusters bij zwaren arbeid aan. Als hij hunne vermoeienis zag, zeide hij : âBedenkt, goede Zusters, dat uw arbeid op den arbeid der Moeder Gods gelijkt. Als gij hem met den haren vereenigt, dan zult ge hem niet zoo zwaar vinden.quot; De alge-
252
meene Overste van eene Orde klaagde hem eens over den last en de verantwoordelijkheid Van haar ambt. â¢en dat zij er te jong en ongeschikt voor was. âZuster,quot; antwoordde de Bisschop, âGod sterkt en verlicht ook de jonge en zwakke Zusters in hun ambt; schik u in uw lot in alle nederigheid. Overigens begaat elke Overste zijne fouten â en het komt ten slotte er niet op aan, wie ze begaan heeft. Er bestaat geen mensch of geen Overste, die geen fouten begaat of zich niet vergist.quot;
Zoo ging de Dienaar Gods met de priesters en de kloosterlingen om. Wat de leeken betrof, toonde hij -zich den Vader van allen en omvatte hij eiken stand in zijne voorkomende goedheid; maar voor de armen en de geringen toonde hij toch die voorliefde, welke het sieraad van zooveel heilige bisschoppen was. Niet dat hij met rijken en aanzienlijken niet op gepaste wijze wist om te gaan; het tegendeel is waar. Wel had in het begin van zijn Episcopaat zijn armoedig leven en zijne liefde voor de eenzaamheid hem tegenover de hoogere standen een schijn van terughoudendheid en onvriendelijkheid gegeven ; maar de glans van zijn voorbeeld dreef dit vooroordeel spoedig weg. Desniettemin bleef hem de omgang met de voorname wereld altijd onaangenaam. Eens, dat hij om dringende redenen eene uitnoodiging bij eene rijke familie had aangenomen, zeide hij tot een zijner vertrouwden: âDe hoffelijkheden van dergelijke gelegenheden staan mij
253
zeer tegen ; het zijn louter ceremoniën zonder be-teekenis ; ik vast nog liever, dan bij zulke gastmalen te zijn.quot; Een priester, die hem dikwijls op zijne visi-tatiereizen vergezelde, verhaalde dienaangaande nog het volgende: âOp de visitatiereizen zaten wij dan weder eens aan eene rijke tafel, dan weder ging alles, zeer eenvoudig toe. Nu heb ik opgemerkt, dat de Bisschop in het laatste geval zeer vroolijk en gezellig was, gaarne schertste en ons op aangename wijze onderhield; was het echter een voorname tafel, was zij met kostbare spijzen en dranken bezet, dan werd de Bisschop stil en maakte hij zoodra mogelijk een einde aan de zitting. Eens, na daags te voren bij een rijken Katholiek een zeer deftig maal te hebben genoten, waarbij de Bisschop stil en ernstig was en weinig at en dronk, zaten wij in het blokhuis van een armen Ier ; de kost was eenvoudig, water de eenige drank; het kostbaarste was de lersche hartelijkheid en de vreugde van den man, dat hij zijn Bisschop te gast had. En nu was Monseigneur opgeruimd en vol vriendelijkheid en bleef hij langer dan gewoonlijk aan tafel zitten. âWelk een onderscheid,quot; zoo zeide hij mij bij het weggaan, âtusschen gisteren en heden. Toen, bij een welvoorziene tafel, ijdele beleefdheidsvormen en nutteloos gepraat;, hier de schoone eenvoud van een vroom, christelijk leven.quot;
Zijne liefde voor de armen toonde zich echter ook daarom des te meer, wijl hij, waar gebrek was, hulp.
254
kon veiieenen en hij dit laatste als eenen hoofdplicht van zijn bisschoppelijk ambt beschouwde. Zijne aalmoezen waren zóó aanzienlijk, dat hij dikwijls, om â¢eene nieuwe gevraagd, vruchteloos eenige penningen zocht; dan greep hij, wat zijne hand het eerst bereiken kon; en zoo gingen kleeuingstukken, ünnengoed, schoeisel dikwijls en tot bijna het laatste toe, in de handen der armen over, zóó zelfs, dat somwijlen het noodige hem ontbrak. Eens, op een Zondag, wilde hij eene kerk van Philadelphia, waar het Veertig-uren-gebed gehouden werd, bezoeken. Een priester uit zijne omgeving, die hem ontmoette en zijn armelijke kleeding zag, zeide hem: âMaar, Monseigneur, U ziet er te slecht gekleed uit; het is heden immers Zondag; doe uwen anderen mantel aan.quot; â âWat kan ik doen,quot; antwoordde Monseigneur ; âik heb niets anders.quot; Werkelijk had hij zijn beste kleedingstuk kort tevoren aan een arme weggegeven.
De zieken van zijn diocees genoten niet minder de bewijzen zijner vaderlijke liefde. Dikwijls bezocht hij de hospitalen; en dan zag men den Bisschop van bed tot bed door de ziekenzalen gaan; voor eiken lij dei-had hij woorden van troost en opbeuring, van welken leeftijd, van welken rang of stand hij ook was. Met nadruk vermaande hij de ziekenzusters de zieken als de lijdende ledematen van Jezus Christus te beschouwen en hun als zoodanig de teederste oplettendheid te wijden. Hij zelf stichtte te Philadelphia een Duitsch
255
hospitaal onder leiding der Franciscanessen. In het jaar 1856 bood een groot spoorwegongeluk, dat vooral zijne bisschopsstad en in het bijzonder de hem zoo dierbare jeugd trof, hem de gelegenheid aan, om zijne medelijdende naastenliefde op schitterende wijze te toonen. Den 17den Juli van dat jaar verliet des morgens vroeg een groote menigte schoolkinderen, ten getale van zevenhonderd, met hunne begeleiding, de stad, om in het fort Washington, op 14 mijlen afstands, een dag ontspanning te genieten. Reeds waren zij dicht bij de plaats hunner bestemming, toen er eene schrikkelijke botsing plaats had met den trein, die van de tegenovergestelde richting kwam. Locomotieven en wagens werden verpletterd en geraakten in brand. Het ongeluk was ontzettend; vier-en-zestig dooden, waaronder de priester, die het opzicht hield, de Eerw. Heer Sheridan, en negen-en-zeventig zwaar gewonden werden onder de verbrijzelde wagens te voorschijn gehaald. Verslagenheid en smart maakte zich van de gansche stad meester; het weeklagen van verwanten en vrienden was onbeschrijfelijk. Mgr. Neumann, die de tijding der ramp ontving, terwijl hij op visitatie was, onderbrak oogenblikkelijk zijne reis en ijlde naar Philadelphia, om troost en hulp te verleen en. Hij bezocht de gewonden in de hospitalen, spoorde hen aan tot geduld en bereidwillige opoffering van hun lijden in vereeniging met het lijden van Jezus Christus tot boete voor hunne zonden en tot teeken
256
van wederliefde jegens de oneindige liefde van een God. Ook troostte zijn vaderlijk woord de ouders en bloedverwanten, die hunne kinderen of nabestaanden verloren hadden; hij verzachtte hunne smart en wekte hen tot gelatenheid in Gods H. Wil op. Zijne deelneming maakte het ongeluk dragelijker en stichtte allen.
Hoezeer echter ook die liefde en toewijding van;den Dienaar Gods hem aller harten moest doen winnen, toch behoeft het niet gezegd, dat in een diocees, zoo groot als dat van Philadelphia, zijn bisschoppelijke ijver soms op moeielijkheden stuitte. Dat waren de gelegenheden, waarin hij door standvastigheid en wijsheid, verbonden met nederigheid en geduld, aan al zijne medebroeders in het Episcopaat en aan allen, die met het bestuur der zielen belast zijn, tot schitterend voorbeeld strekte. Wij willen eenige voorbeelden daarvan aanhalen.
Reeds toen hij bezit nam van zijn zetel, vond hij eene Duitsche kerk van Philadelphia onder kerkelijk interdict en den strijd van een gedeelte dezer parochie, de oudste van alle, tegen het kerkelijk gezag heviger' ontbrand dan ooit te voren, 't Was echter, of met hem de engel des vredes in Philadelphia zijn intocht hield; aan zijne wijze standvastigheid was het voorbehouden de afgedwaalden tot bezinning' te brengen. De wederspannigen werden zelfs door de
257
hoogste rechtbank des lands tot eene straf veroordeeld, de anderen onderwierpen zich.
In eene der grootste parochiën der stad leefde een groot aantal in gemengde huwelijken, die voor een pro-testantschen predikant waren gesloten. Om die verloren schapen, die door ongehoorzaamheid en onverschilligheid zichzelven den terugkeer tot God zoo moeielijk hadden gemaakt, te redden, ging de Bisschop gedurende de missie naar die kerk heen en verzocht de missionarissen die soort van zondaren tot hem te leiden; en hij mocht den troost smaken in weinige dagen vele rouwmoedigen met God te verzoenen. Doch eens, toen hij een meisje voor zich had doen komen, dat ondanks de droefheid haars vaders van een huwelijk met een protestant niet wilde afzien, bleef zijn ernstig vaderlijk woord zonder gevolg. Met beklemd gemoed verleende hij aan de halstarrige de dispensatie, maar voegde er de voorspelling bij, dat deze stap haar berouwen zoude en dat haar zware beproevingen wachtten. De arme vrouw heeft de vervulling dezer voorzegging maar al te zeer ondervonden.
Eens had een katholiek tijdschrift zich veroorloofd iets op te nemen, waardoor een blaam op den persoon des Bisschops en op eenige leden der Geestelijkheid viel. De Dienaar Gods, geduldig en lankmoedig tot het uiterste, waar het slechts zijne bijzondere belangen gold, achtte zich hier verplicht krachtdadig
258
op te treden; hij verbood het verdere verschijnen van het tijdschrift, doch deed dit op eene wijze, die noch opspraak noch ontevredenheid baarde. Te Honer-dale had hij zich genoodzaakt gezien zijne stem met kracht tegen het wangedrag van sommige Duitsche Katholieken te verheffen. Hun toorn was zóó groot, dat, toen hij de kerk verliet, zij hem tegen de deur aandrukten. Wij lezen echter niet, dat de Dienaar Gods bij deze gelegenheid iets anders tegen hunne dwaze woede stelde dan vergeving en geduld.
Een andermaal moest hij tegenspraak ondervinden van eene zijde, waarvan zij hem wel het pijnlijkst was. In eene Synode besprak hij namelijk denadee-lige gevolgen eener collecte, die op eenige plaatsen gehouden werd bij den ingang der kerk, als de geloovi-gen er de H. Mis gingen hooren. Hij wees erop, dat deze handelwijze dikwijls genoeg de oorzaak was, dat sommigen de H. Mis niet bijwoonden, doch vroeg tevens de aanwezige geestelijken, wat hunne meening daaromtrent was. Enkelen nu, een oogenblik den eerbied vergetend, dien zij hunnen Bisschop schuldig waren, spraken met hevigheid tegen de zoogenaamde nieuwigheid, welke hij wilde invoeren. Zij zeiden, dat, door de opheffing dezer zoo zekere bijdragen voor de kerk, haar een groote schade onder tijdelijk opzicht zou worden berokkend; hij, die deze gewoonte wilde opheffen, zou daardoor toonen het volk, ten minste een deel daarvan, niet te kennen,
2-59
en zoo meer. Men verwachtte er zich op, dat de Bisschop tegen deze persoonlijke beleedigingen met al de kracht van zijn gezag zou optreden en de tegensprekers eene verdiende terechtwijzing zou doen ondergaan. Doch de Dienaar Gods bleef kalm en vroeg slechts, of misschien een der heeren nog iets over dat punt te zeggen had. Allen zwegen echter, met een gevoel van afkeuring over den uitval, waarvan hun Bisschop het voorwerp was geweest, en bewonderden zijne zachtmoedigheid en zijn geduld. Toen sloot de Bisschop de behandeling der zaak met deze woorden: âEenige heeren schijnen in dit punt eene andere meening te hebben; zij hebben hunne, wel is waar zwakke, redenen daarvoor aangegeven. Doch ik heb eveneens redenen voor mijne meening en wel zeer ernstige. Daar wij dus niet overeenkomen, zullen wij de zaak ter beslissing voorleggen aan den H. Stoel en ons naar zijne uitspraak voegen.quot; Na de Synode was het treurig geval, maar tevens ook de nederigheid van den Dienaar Gods het voorwerp van aller gesprek en zijn hevigste tegenstander zeide beschaamd: âWij hebben eenen heiligen Bisschop.quot;
ACHTSTE HOOFDSTUK.
^eis naar l^ome. â Laatste levensjaren. â K0Ã eenige trekken zijner deugd. â flotselinge dood. â Begin zijner verheerlijking.
1854-1860.
e Dienaar Gods had reeds sedert lang den wensch gekoesterd, te Rome zelf, aan den Plaatsbe-kleeder van Christus, persoonlijk rekenschap te gaan afleggen van zijn herderlijk bestuur; hij verlangde vurig bij de graven der Apostelen den zegen over zich en zijne kudde van God af te smeeken. Doch de vrees, dat zijne afwezigheid voor zijn diocees schadelijk zou zijn, had hem die reis nog immer doen uitstellen. In October echter van het jaar 1854 ontving hij van Paus Pius IX een schrijven, hem uitnoodigend om naar Rome te komen, ten einde bij de plechtige dogmaverklaring der Onbevlekte Ontvangenis van de
261
Allerheiligste Maagd Maria tegenwoordig te zijn. Van kindsbeen af een groot vereerder der Moeder Gods, was hij bij het ontvangen dezer tijding van vreugde vervuld en al zijne bezwaren tegen de reis waren aanstonds verdwenen. ISTa aan zijne kudde de gebeurtenis, die ging plaats grijpen en de beteekenis van het dogma in de treffendste bewoordingen te hebben aangekondigd en uiteengezet, vertrok hij reeds den 21sten dierzelfde maand over New-York naar Europa. De overvaart was zeer stormachtig; eerst na zeventien dagen kwam hij te Havre aan, dezelfde stad, die vóór ongeveer achttien jaren hem als student, zonder het minste vooruitzicht, dan wat zijn geloof en vertrouwen hem schonk, naar Amerika had zien vertrekken. Wij laten het aan den Lezer over, de gevoelens te raden, die den Eerbiedwaardige, thans een Prins der Kerk en een der voornaamste Bisschoppen van hetzelfde land, dat hem had opgenomen, bij zijne aankomst in deze stad vervulden. Hij zette echter zonder dralen zijne reis naar Marseille voort, vanwaar eene stoomboot hem naar Civita Vecchia bracht. Te Kome aangekomen, nam hij zijn intrek in het Redemptoristenklooster in de wijk Monter one; het generaalshuis in de Villa Caserta bestond toen nog niet.
Zijne medebroeders in de Eeuwige Stad vonden in hem die deugden terug, die den H. Alphonsus als bisschop steeds op zijne reizen vergezelden; liefde voor de armoede en nederigheid. Hij vertoonde zich
262
te Rome zonder de teekenen zijner waardigheid, tenzij hij bij den Paus of de Kardinalen een bezoek had af te leggen. Ook bij het slechtste weder ging hij te voet, dikwijls zonder begeleiding. Wel vijf of zes maal bezocht hij, gewoonlijk zonder iets genuttigd te hebben en altijd te voet, de zeven basilieken van Rome, die op zoo grooten afstand van elkander liggen. Hij was ook aanwezig bij de inwijding der St.-Paulus-basiliek, die Pius IX, omgeven van een tallooze schaar van bisschoppen, zelf verrichte. Die plechtigheid, reeds uit haren aard zoo grootsch, wat zal zij op de ziel van den Eerbiedwaardige een indruk hebben gemaakt, die â men herinnert het zich â in het voorbeeld van den Apostel der Heidenen de eerste aanleiding tot zijne verheven roeping gevonden had. Hij droeg ook te Rome eene pontificale Mis op ter eere van den H. Franciscus Xaverius, dien hij als zijn vorm-patroon en als het toonbeeld van zijn missionarisleven vurig vereerde.
Strekten de ingetogenheid van Mgr. Neumann, zijne versterving, zijne nauwkeurige onderhouding der Regelen allen tot hooge stichting, hij van zijnen kant vond voor zijn geloovig, innig godvruchtig gemoed overvloedig voedsel te Rome, vooral echter in het bijwonen der heerlijke plechtigheid, die de aanleiding tot zijne reis was geweest. Reeds had hij deelgenomen aan de vergaderingen, die de afkondiging van het leerstuk voorafgingen ; maar toen hij op den 8sten De-
263
cember, geschaard in die onafzienbare rijen van bisschoppen uit alle deelen der wereld, den Opperpriester de onfeilbare uitspraak hoorde doen, dat Maria van het eerste oogenblik van haar bestaan zonder vlek der erfzonde was geweest, eene overtuiging, die hij, om zoo te spreken, van zijne ouders had geërfd, (') toen juichte zijne ziel; geen bisschop was er onder al de aanwezigen, zoo meent de reeds aangehaalde geschiedschrijver Clarke te kunnen verzekeren, die grooter vreugde of inniger godsvrucht op dat oogenblik gevoelde, dan Mgr. Neumann. Hij dankte God, zoo schreef hij zelf aan een zijner vrienden, dat Hij, onder zoovele genaden hem ook nog deze geschonken had, dien dag te Rome te mogen beleven. Na zijn terugkeer uit Rome richtte hij opnieuw een welsprekend woord over deze gebeurtenis tot zijne kudde en schreef voor, dat zij in alle kerken van zijn diocees door een plechtige drie-daagsche oefening zou worden gevierd.
Inmiddels was de Bisschop van Philadelphia, ondanks zijne zucht om zich te verbergen, in de Heilige Stad niet onopgemerkt gebleven. Herhaaldelijk werd hij zoowel door den Paus als door de Kardinalen op bijzondere audiënties uitgenoodigd. Toen hij voor de eerste maal aan Pius IX werd voorgesteld, ontving
(i) Toen Mgr. Neumann's vader hoorde, dat zijn zoon eene reis naar Europa ging ondernemen, was natuurlijk zijne vreugde over het verhoopte wederzien zeer groot, doch wat de reden dier reis betrof, maakte de grijsaard de opmerking : «Waarom toch bisschoppen uit Amerika naar Rome geroepen, om ons te zeggen, dat de Allerheiligste Maagd onbevlekt ontvangen is. Dat hebben wij immers altijd geloofd.quot;
264
hem deze met zijne bekende goedheid. â âMgr. Neumann van Philadelphia! Is dat nu,quot; zoo sprak hij vertrouwelijk, zinspelend op zijne kleine gestalte en op den aan-vankelijken tegenstand, dien de Dienaar Gods bij zijne benoeming had geboden, âis dat nu de kleine man. die mij zooveel moeite heeft vercorzaakt?quot;En vriendelijk vervolgde hij: âIs gehoorzaamheid niet beter dan offerande?' â Met genoegen vernam nu Pius IX alles, wat hij hem omtrent zijn diocees mededeelde en besliste voor vele moeielijke gevallen tot zijne volle tevredenheid; hij verhief hem tot den rang van pauselijk huisprelaat en gaf hem vele voorrechten voor de uitoefening zijner geestelijke macht.
De terugreis legde Mgr. Neumann als een arm kloosterling, zonder eenig teeken zijner waardigheid af. Te Loretto, waar ook de H. Alphonsus, toen hij te Rome de bisschoppelijke wijding ging ontvangen! met zooveel liefde had neergeknield, droeg hij met onbeschrijfelijke godsvrucht het H. Misoffer op. Te Weenen, in de Kerk der Redemptoristen, predikte hij over het geheim der Onbevlekte Ontvangenis met eene bezieling, die den heilzaamsten indruk teweegbracht. Te Praag, waar hij zoo bittere jaren had gesleten, waar God zijne ziel zoo zwaar had beproefd, bezocht hij te voet de kerken om de talrijke reliquiëen te vereeren, die Boheme's hoofdstad bezit. Een ander bezoek aldaar gold zijne zuster Caroline, in het klooster der barmhartige Zusters van den H. Carolus Borro-
265
meus. De Eerw. Heer Dichtl, zijn vaderlijke vriend, aan wien hij de uitvoering van zijn plan, om naar Amerika te gaan, voor een groot deel te danken had, stelde hem aan den vromen Keizer Ferdinand voor, â die den Bisschop zeer welwillend ontving, hem aan zijne tafel noodigde en hem eene aanzienlijke som schonk als bijdrage voor zijne Kathedraal. Tot tweemaal preekte hij voor de gevangenen, voor wie zijne zuster als overste zorg moest dragen, en wekte hen op treffende wijze tot vertrouwen op God en verbetering des levens op.
Weldra zou het schoone oogenblik voor hem gaan aanbreken, dat hij na achttien jaren scheiding, na zooveel lotgevallen, zijn ouden vader, die hem grootmoedig aan God en aan de kerk van Amerika had afgestaan, zou wederzien. Toen de grijsaard de verheffing van zijnen zoon tot het Episcopaat vernam, had hij er eerst volstrekt geen geloof aan willen slaan. âWie heeft zich veroorloofd, dien spot met ons te drijven ?quot; was zijn antwoord, toen men hem het nieuws uit de couranten mededeelde. Een openbaar beambte, ja zelfs de Deken der stad waren bij hunne tijdingen niet gelukkiger. Deze laatste moest het verwijt hooren: âIs U dan ook zoo lichtgeloovig ?quot; Eerst toen hij van zijnen geliefden zoon zeiven het bericht ontving, gaf hij zich over; maar toen dan ook de tijding kwam, dat diezelfde zoon hem persoonlijk zou komen bezoeken, dat zijne oogen hem zouden zien, eer hij stierf,
266
toen was zijne vreugde groot. Mgr. Neumann was-intusschen reeds te Budweis, de plaats, waar God hem zijne roeping had doen kennen, aangekomen. Ongemerkt wilde hij zijne vaderstad bereiken om elke hulde te ontgaan; daarom weigerde hij het galarijtuig, dat hem de Bisschop van Budweis, Mgr. Valentinus Jirsik, aanbood en vertrok â het was den 2den Februari 1855 â in eene slede naar Prachatitz. Doch de inwoners dezer stad, de nederigheid van den Bisschop kennend en vast besloten hunnen medeburger een grootsche ontvangst te bereiden, hadden eenen man als bespieder en bode aangesteld, en deze, van alles ingelicht, had alle huizen en hutten gewaarschuwd, dat de Bisschop weldra zou passeeren. Tegen al zijne verwachtingen in werd dan ook zijne reis een ware zegetocht. Overal knielde het volk op de straten om zijnen zegen te ontvangen; en ook eene laatste poging om van een zekeren afstand langs hem bekende voetpaden in de duisternis de stad te bereiken, mislukte geheel; want weldra waren te Nettolitz, datop zijn weg lag, priesters, keizerlijke en stedelijke beambten op de been, om hem te dwingen bij hen te blijven en eerst den volgenden morgen naar zijne geboorteplaats te vertrekken. Onder het gelui der klokken en het juichen der menigte had dit vertrek plaats. Intusschen zuchtte de nederige Prelaat vruchteloos over al dat eerbetoon, dat, zoo vreesde hij, zijne ijdelheid te veel voedsel gaf; maar in het gedrang merkte hij niet eens, dat
267
hij in de galaslede van den Prins van Schwarzenberg^ tot wiens gebied Nettolitz behoorde, plaats genomen had. In korten tijd legden de vier wakkere paarden den weg af, terwijl van de omliggende bergen uit mortieren signalen gegeven werden. Van toen afging het in triomf door het dorp Oud-Prachatitz heen, naar zijne vaderstad, waar stadpoort en straten de teekenen der algemeene vreugde vertoonden, en de Geestelijkheid, de keizerlijke beambten in gala-uniform en de geloovigen met de schooljeugd hem begroetten. Weldra knielde hij voor dat altaar neer, waar hij vóór achttien jaren geknield had, om van den verborgen God genade en hulp af te smeeken. In eene treffende toespraak drukte hij de gevoelens, die zijn hart overstroomden, voor de verzamelde menigte uit.
Intusschen had het ongunstige jaargetijde zijn grijzen vader nog belet het huis te verlaten. Mgr. Neumann had hem nog niet gezien. Omgeven van de priesters, en door de beambten der stad begeleid, terwijl een menigte volks zich voor het huis had vergaderd, naderde hij, en terwijl eene plechtige stilte heerschte en alle oogen op den gelukkigen vader waren gericht,, had de ontmoeting en de omhelzing plaats. Geen oog bleef zonder tranen, men weende luid, men prees den ouden vader en den zoon en de zusters zalig, men her-rinnerde aan de moeder, die uit den hemel dit alles aanschouwde. En terwijl Mgr. Neumann in het ouderlijk huis de betuigingen der genegenheid zijns vaders..
268
:zijner bloedverwanten en vrienden ontving, en zich :zelven als liefdevollen zoon en broeder en vriend betoonde, bleef steeds het volk, ondanks de strenge koude, bij honderden het huis omgeven om den Dienaar â Gods van nabij te zien; en deze aandrang duurde de zes volle dagen, die hij te Prachatitz doorbracht, van den vroegen morgen tot den laten avond. Ook lieden uit andere plaatsen sloten zich daarbij aan; ook zij wilden van den Bisschop uit Amerika den zegen ontvangen en het gebeurde somwijlen, dat door het gedrang der menschen de meubels omvergestoten werden en de Bisschop zelf in gevaar kwam, hadde niet â¢een sterke arm hem beschut. Voorzeker, die onstuimige en volhardende aandrang van het geloovige volk kan moeielijk anders verklaard worden, gelijk reeds zijn â eerste levensbeschrijver opmerkt, dan door den roep van heiligheid, die reeds bij het volk was doorgedrongen â¢en van mond tot mond zich verder verspreidde. Allen ^vilden zijne hand kussen en een aandenken van hem â ontvangen; Mgr. Neumann weigerde nooit, maar wilde allen voldoen. En te midden van al dat eerbetoon bleef hij tot aller bewondering kalm, bescheiden en voorkomend. Als hij de H. Mis las of predikte, was letterlijk de geheele bevolking der stad aanwezig. Nog heden, zoo schreef in 1882 pater Berger, zijn zijne woorden bij het volk in levendige herinnering; zelfs â¢op menschen, die zelden de kerk bezochten, maakte, naar hunne bekentenis, het woord des Bisschops zóó
269
diepen indruk, dat een hunner, een beruchte spotter,, verklaarde: âAls ik dezen Bisschop dikwijls hoor, dan moet ik mij bekeeren, ook ondanks mij zeiven.quot; â In de volgende dagen genoot hij, in eene plechtige-ontvangst op het stadhuis, van alle standen de grootste-blijken van vereering, gelijk alleen ware hoogachting ze geven kon; de Dienaar Gods beantwoordde alles-met de grootste dankbaarheid, en toonde zich van zijnen kant allerbereidwilligst voor de kleine diensten,, diehij aan zijne Boheemsche vrienden na zijn terugkeer in Amerika zou kunnen bewijzen. Bij de vertrouwelijke gesprekken met vrienden en kennissen, merkte men op, dat hij nooit over zich zeiven of zijne daden in Amerika sprak, of het moest tot zijne vernedering kunnen strekken. Toen iemand de opmerking maakte,, dat hij de eerste bisschop uit Prachatitz was, gaf hij ten antwoord: âWas iemand anders als priester naar Amerika gegaan, dan zou hij wel vóór mij bisschop, geworden zijn;quot; een andermaal zeide hij; âNu ja,een blinde hen vindt ook wel eens een graankorrel.quot; Ook dergelijke woorden, van zijne lippen opgevangen, zijn na zijn bezoek in Prachatitz onder het volk in zwang gebleven. Nog wilde hij vóór zijn vertrek den plek bezoeken, waar zijne onvergetelijke moeder begraven lag,, en hij volbracht deze daad van kinderlijke liefde te voet,, ondanks het slechte weder en den verren afstand van het kerkhof.
Inmiddels waren er slechts weinige dagen ver-
270
'loopen; maar in zijn geest was hij reeds weder te Philadelphia, bij zij ne kudde, die zij ne hulp zoo noodighad; zijne nauwgezetheid van geweten liet hem dan ook geen langer uitstel toe. Het vertrek werd vastgesteld op 9 Februari; geen bidden of smeeken vermocht hem langer terug te houden, ja zelfs het verzoek zijns ouden vaders kon hem niet bewegen; met de teederste woorden wist hij hem te beteekenen, wat zijn plicht hem voorschreef. In stilte, vóór het opgaan der zon, verliet hij, van een priester vergezeld, het ouderlijk huis, stortte voor de gesloten kerkdeur zijn gebed en verliet voor immer zijne vaderstad. Weer kwam denzelfden morgen de menigte voor zijn huis, weer had zij de kerk gevuld, toen zij tot groote teleurstelling â en droefenis zijn vertrek vernam. De Bisschop zelf was bij zijn vertrek zeer aangedaan; zijn gezel bemerkte, dat hij slechts met groote inspanning het â gevoel der droefheid overmeesteren kon, en toen hij van eenen bergrug denlaatsten blik op zijne vaderstad en ouderlijke woning wierp, liepen de tranen over zijne wangen. (')
Na dien morgen de H. Mis op de bedevaartsplaats 'Gojau te hebben gelezen, werd hij op zijne verdere reis te
(i) De)[. vader van den Dienaar Gods stierf, juist zes-en-tachtig jaren oud, den i6den October i860, bijna tien maanden na het overlijden des Bisschops zeiven, doch zonder diens dood te hebben vernomen. Men had den grijsaard opzettelijk daarvan onkundig gelaten, uit vrees, dat die tijding zijn dood zou verhaasten ; te meer, wijl .â¢reeds vroeger, toen een valsch gerucht omtrent den dood van Mgr. Neumann zich had verspreid, hij, hoewel overigens sterk van gestel, als 't ware levenloos ter â neer gevallen was. Zoowel de vader als de moeder stierven bij het luiden van het .âEngel des Heer en.quot;
271
Hohenfurt door het volk met geestdrift ontvangen; hij bezocht er in het Cistercienserstift zijne vroegere professoren, en van daar ging het door het Bohemerwoud, waar de sneeuwstorm den weg bijna had versperd, naar zijne medebroeders te Alt-Oetting, in Beieren. Daar beval hij aan de Allerheiligste Maagd, die op die plaats zoo bijzonderveraerd wordt, zijne dierbaren aan. Te München gekomen, won hij de achting van die met hem omgingen door zijne nederigheid en zijn vriendelijken eenvoud. Bij de plechtige uitvaart van den Aartsbisschop dier stad, die juist overleden was, verscheen hij in zoo bescheiden kleeding en houding, dat bijna niemand hem opmerkte, veel minder hem voor den Bisschop van Philadelphia aanzag. Eerst toen hij bemerkte, dat men naar dien Bisschop, die uitgenoodigd was, zocht, trad hij uit den hoek, waar hij zijnen rozenkrans was gaan bidden, te voorschijn en deed hij zich kennen; maar juist om de nederigheid, waarmede hij zich vertoonde, werd hij voor de aanwezige priesters een voorwerp van bewondering; als om strijd wilden zij hem hunne diensten bewijzen en hij was verplicht zich door hen naar zijn huis te laten begeleiden. Om nog vóór Palmzondag in zijn diocees terug te zijn koos hij de terugreis over Londen en Liverpool en verliet Europa den lOden Maart, in gezelschap van den Aartsbisschop van New-York en den Bisschop van Buffalo; den 27sten Maart 1855 des avonds kwam hij behouden in zijne bisschopsstad aan, waar hij de harte-
272
lijkste ontvangst van zijne diocesanen. verheugd over zijn wederkomst, genoot en met nieuwen ijver de leiding zijner kudde hervatte.
De beschrijving van dat herderlijk bestuur met al zijne moeiten en zorgen, gelijk wij ze in het vorige hoofdstuk hebben geschetst, moest noodzakelijkerwijze den gehee-len tijdsduur van het Episcopaat des Eerbiedwaardigen omvatten, en het verhaal der weinige jaren, die hem na zijn terugkeer uit de Eeuwige Stadnogvanhethemelsch vaderland scheidden, zou ons in hoofdzaak dezelfde toonbeelden van persoonlijke heiligheid en priesterlijke toewijding voor oogen voeren, als welke wij in de vorig e bladzijden reeds'hebben gezien. Slechts deze gedachte dringt zich omtrent deze laatste vijfjaren nog bij ons op. Was Mgr. Neumann waarlijk een groot Dienaar Gods,, dan moeten wij ook in zijne ziel eene met het klimmen der jaren ook steeds toenemende heiligheid aannemen, het woord indachtig, dat âniet vooruitgaan, achteruitgangquot; is. Naarmate hij dus zijne voleinding naderde, werd hij ook steeds aangenamer in de oogen van God en toonde hij zich altijd meer den liefdevollen herder en vader van zijn volk. Had hem bovendien het bemoedigend woord van den Plaatsbekleeder van Jezus Christus op aarde niet nieuwen ijver en nieuwe kracht geschonken om op den ingeslagen weg voort te gaan?
Toch is er iets, wat in dit tweede tijdperk van zijn bestuur meer dan in de vorige jaren op den voor-
273
grond treedt. Zeker, zijne deugd werd grooter. God sterkte hem meer en meer; maar niettemin gevoelde Mgr. Neumann in deze laatste jaren den last, op zijne schouderen gelegd, wel verre van door den duur verlicht, veeleer steeds drukkender en pijnlijker worden. De zorgen en angsten, die wij in het vorige hoofstuk reeds hebben aangestipt, namen door Gods beschikking te gelijk met zijn geestelijken voortgang toe en beklemden hem bovenmate. Het was geen gebrek aan zielskracht of aan vertrouwen op God; neen, maar terwijl zijne kennis van Gods rechten en zijne eigen verplichtingen grooter werd, vreesde hij ook altijd meer aan God te mishagen. Steeds beter besefte hij de zware verantwoordelijkheid van zijn ambt, zijne eigen ongenoegzaamheid vergrootte zich in zijne oogen, altijd ontdekte hij meer onvolmaaktheid in zich, meer tekortkomingen en fouten. Dikwijls stortte hij zijne ziel voor zijn biechtvader uit; dan klaagde hij zijnen nood en verzekerde, dat het Episcopaat hem loodzwaar en ondragelijk werd; eiken morgen, zoo zeide hij, kwam het hem voor, als moest hij dezen dag een geweldigen dood te gemoet gaan; hij verlangde zoo vurig tot zijne medebroeders terug te keeren in het klooster! En als wij deze gevoelens ook.in een heiligen Alphonsus ontmoeten, wiens diocees nauwelijks veertig-duizend zielen telde, hoe minder zuilen zij ons dan verwonderen in den Dienaar Gods, wiens leven wij verhalen, en wien God een onvergelijkelijk zwaarderen last op de schouders had gelegd?
274
r
Tot tweemaal toe had hij dan ook een verzoekschrift opgesteld, waarin hij aan Pius IX al de hem ten dienste staande redenen opsomde, om hem te bewegen tot het aannemen van zijn ontslag. Doch zijn biechtvader, zonder wiens goedkeuring hij, wat zijn persoon betrof, niets deed, gebood hem het stuk te verbranden.
Hij moest dus bisschop blijven. Maar nu meende hij toch, voor elk ander geringer diocees meer geschikt te zijn, dan voor het gewichtige en voorname van Philadelphia. Toen dan ook in het jaar 1855, in het provinciaal Concilie te Baltimore, de oprichting van nieuwe bisdommen ter sprake kwam, nam Mgr. Neumann die gelegenheid met beide handen aan; hij verklaarde zich bereid een nieuw, onaanzienlijk diocees voor zich te nemen en Philadelphia aan een ander, heter dan hij, over te laten. Het eenige, wat hem terughield, erop aan te dringen, was de twijfel, of dit wel met de volmaakte gehoorzaamheid strookte, daar deze hem Philadelphia, en geen ander diocees, had toevertrouwd. Hij richtte echter den 28sten Mei van hetzelfde jaar een uitvoerig schrijven aan Kardinaal Barnabo, Prefekt der Propaganda, waarin hij, na de beraadslaging van het provinciaal Concilie te hebben uiteengezet, zich aldus uitdrukt: â Wat mij zeiven betreft, ik ben dag en nacht vol bezorgdheid en van altijddurende vrees vervuld. De schulden, die mij mijn Doorluchtige Voorganger heeft nagelaten, beangstigen mij zeer; er zou in deze omstandigheden een man noodig zijn.
Ui lip
:gt;:ïi i^lfc :3I Ã
.1
'1 ifir
'Ã;
Tj (;|i J
i f Sri»
f lil l:iL
rJt
scherpzinnig, krachtdadig, en gewoon aan het bestuur van tijdelijke zaken; ik daarentegen ben vreesachtig, altijd aarzelend, en heb een afkeer van zaken en geldelijke aangelegenheden. Ik weet zeer goed, dat ik al mijne bezorgdheid omtrent het tijdelijke op God moet werpen, Hij immers zorgt voor ons; maar mijn wankelend geloof, mijne zonden en de nalatigheden, waarmede ik dien goeden en grooten God beleedig, maken mij bevreesd, dat God mij en het mij toevertrouwde geloovige volk verlate. Deze stad Philadelphia, die meer dan vijfhonderd-duizend inwoners telt en zoo wereldsch van zeden is, heeft eenen anderen man noodig, dan mij, die te eenvoudig, te zwak van verstand ben, en de eenzaamheid liefheb. Daar nu de oprichting van vele diocesen wordt voorgesteld, meende ik aan Uwe Eminentie te moeten schrijven, dat ik volkomen bereid ben, naar een anderen zetel te worden verplaatst, waar minder verstand gevorderd wordt. Gedurende meer dan vijftien jaren ben ik in de Missies van Noord-Amerika werkzaam geweest ; ik hield van lichamelijken arbeid, van reizen over bergen en door bosschen; mijn grootste genoegen was de op verren afstand van elkander levende katholieke familiën te bezoeken en hun het woord Gods te verkondigen. Het Vicariaat van Oostelijk-Florida, het diocees Wilmington in Noord-Carolina zijn zeer arm en vorderen zwaren arbeid; ... voor mij, gelet op mijn inborst, zou zulk eene plaats eene ware aanwinst en een groot
276
genoegen zijn, zoo slechts Zijne Heiligheid de Paus, volgens het goddelijk licht, dat hem bestraalt, verklaart, dat dat Gods wil is ... Indien het den H. Vader behaagde, mij naar den zetel van Pottsviüe te verplaatsen, zou mij dit aangenaam en welgevallig zijn; maar ik zou de voorkeur geven aan den arm-sten, dien van Wilmington. Dagelijks zal ik voor den Vader des lichts mijne gebeden uitstorten, opdat niet mijn wil, maar de Zijne geschiede. De overige Bisschoppen dezer kerkprovincie, die na eene ondervinding van drie jaren mij en mijnen aard wel beter zullen kennen, ook zij schenen mij dezelfde meening te zijn toegedaan en mijn voorstel keurden zij goed. Moge God, zoodra het Hem behaagt, omtrent mij beslissen volgens zijne barmhartigheid; want ik ben zeer beangstigd, en breng dagen en nachten slapeloos doorr vol van kwelling des geestes. Allernederigst bid ik Uwe Eminentie, om, zoo het U in geweten goed dunkt, mijne smeeking bij den H. Vader te willen ondersteunen.quot;
Hoe zou Pius IX, indien aan hem deze brief ware gericht, bij het lezen daarvan door die nederigheid en zelfverloochening getroffen zijn geweest, hij, die ware deugd zoo naar waarde wist te schatten! Maar ook de Kardinalen, aan wier oordeel en beslissing deze zaak werd voorgelegd, lieten zich door deze taal, door heilige zelfverachting en teedere vrees van God te beleedigen, ingegeven, niet misleiden; men kende te Rome de deugden en talenten van Mgr. Neumann te
277
goed. Ea al werd ook uit Amerika eene poging aangewend, die, op het oude vooroordeel tegen Mgr. Neumann's geschiktheid en op ongegronde vrees voor de toekomst steunend, den Kardinaal gunstig voor het voorstel des Eerbiedwaardigen trachtte te stemmen, geheel anders oordeelde de doorluchtige Aartsbisschop van Baltimore, Mgr. Kenrick. Zijne meening luidde, dat Mgr. Neumann, bij Geestelijkheid en volk zoozeer bemind, volstrekt den zetel van Philadelphia moest quot;blijven bekleeden. Geheel anders ook oordeelden de negen Kardinalen der Propaganda. Zij besloten, den yden December 1856, dat de Dienaar Gods Bisschop van Philadelphia zou blijven; maar dat, om zijne bezwaren te gemoet te komen, hem een coadjutor met recht van opvolging zou worden toegevoegd, in den persoon van Mgr. F reder ik Wood, uit het diocees Cincinnati; Mgr. Neumann zou hem dat gedeelte van het herderlijk bestuur toevertrouwen, wat hij goedvond. Pius IX bekrachtigde dit besluit ten volle, zonder eenig voorbehoud.
Het diocees bleef dus vooralsnog ongedeeld, en de gehoorzaamheid had het juk op de schouders des Eerbiedwaardigen op nieuw bevestigd. Hij vertrouwde nu de leiding der tijdelijke zaken aan zijnen medehelper toe en genoot van hem ook in zijne bisschoppelijke functiën gewichtige diensten. Hoe ernstig echter dit eerste aanzoek en die eerste poging was geweest, bleek wel allerduidelijkst en op treffende
wijze in het jaar 1858, bij het negende provinciaal Concilie van Baltimore. Mgr. Neumann deed bij die gelegenheid wederom het voorstel tot verdeeling van zijn diocees, zoowel om zijne uitgestrektheid als om redenen, die hij zich voorbehield persoonlijk aan den Paus te schrijven. Hij zelf, zoo verklaarde hij wederom, zou dan tevreden zijn Philadelphia aan Mgr. AVood, zijnen Coadjutor en toch reeds zijnen toekom-stigen opvolger, af te staan en zelf de leiding van het nieuwe, minder aanzienlijke te aanvaarden. De te Baltimore vergaderde Bisschoppen. â zoo teekent uitdrukkelijk het verslag aan de Kardinalen der Propaganda aangeboden aan, â zagen in dit voorstel een bewijs van bewonderenswaardige zelfverloochening; de Aartsbisschop, Mgr. Kenrick, droeg, met dezelfde hulde aan do deugd zijns eerbiedwaardigen vriends, de zaak aan Plus IX voor. Doch ook nu bleef de poging vruchteloos; vruchteloos, ten minste als men de bedoeling van Mgr. Neumann in aanmerking neemt; want eene zeer schoone vrucht zijner daad. â eene vrucht, door Gods wijsheid beoogd, toen Hij hem door zijne genade tot die daad aanspoorde. â was voorzeker het schitterend voorbeeld van belangeloosheid en zelfverloochening, dat de Dienaar Gods aan de geheele Kerk en in het bijzonder aan de Bisschoppen daardoor gegeven had.
In deze trekken staat dan Mgr. Neumann ons voor den den geest, in die jaren, welke, â wie zou het hebben vermoed'? â reeds de laatste zijns levens zouden
279
zijn. Wel was het ons niet meer gegeven, reeds sedert hij de wereld verliet en in de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers was getreden, dien diepen blik in zijne ziel te werpen, waartoe ons, wat de vorige jaren betrof, zoo menige bladzijde van zijn dagboek in staat heeft gesteld. Doch heeft zijne pen ons verdere onthullingen geweigerd, heeft zij in de laatste twintig jaren het stilzwijgen bewaard, te luider en welsprekender hebben ons in dezen tijd zijne groote daden gesproken en een nog zekerder en krachtiger getuigenis zijner inwendige heiligheid afgelegd. Door het verhaal van zijn leven als Redemptorist, als Overste, als Bisschop heen blonk ons de innerlijke, steeds toenemende glans zijner ziel tegen; daarin konden wij zien, hoe welgevallig zij aan zijn godde-lijken Meester moest zijn. Thans, nu wij gekomen zijn tot het tijdstip,waarop volgens Gods raadsbesluiten zijne taak op aarde was volbracht, blijft ons slechts over door een korten terugblik op zijn persoon het beeld te voltooien, dat deze levensgeschiedenis ons voor oogen heeft gesteld.
Wat op de eerste plaats zijne natuurlijke gaven betreft, heeft het verhaal van zijn leven reeds duidelijk getoond, dat hij, aan eene groote degelijkheid van karakter, aan rijpheid, juistheid en diepte van opvatting, ijzeren wilskracht en volhardenden ijver paarde. Hij bezat bovendien eenen gelukkigen aanleg voor kennissen en wetenschappen, een fijngevoelig en zeer
280
edel hart, geschapen om zich aan het geluk van anderen te wijden en zeer geschikt voor de deugd; die uitwendige, schitterende gaven echter, waardoor men zoo gemakkelijk aan de wereld behaagt, bezat hij niet; zijn voorkomen en optreden muntten meer uit door eenvoud, dan door indrukwekkend vertoon. De hooge achting, welke hij desniettemin genoot, de faam van heiligheid, die hem reeds bij zijn leven volgde, pleiten dus des te onverdachter voor de werkelijkheid zijner verdiensten. Men zou zich echter vergissen, zoo men meende, dat het alleen de heiligheid was, die hem het aanzien, dat hij in zoo groote mate genoot, verwierf. Neen, ook door het edelste sieraad der natuur, door kennis en wetenschap op elk gebied, â een schat ten koste van groote inspanning door den Dienaar Gods verworven â muntte Mgr. Neumann ook in het oog zijner tijdgenooten uit. Wij hebben er reeds eenige voorbeelden terloops van aangehaald; doch bijzonder schitterde zijne theologische kennis op bet groote Nationaal Concilie van Baltimore in het jaar 1852, waaraan, behalve vele andere prelaten, zes aartsbisschoppen en zes-en-twintig bisschoppen deelnamen. Hij trok op dat Concilie aller oogen tot zich, en een hooggeplaatst geestelijke gaf naar aanleiding daarvan de volgende schoone hulde zoowel aan zijne wetenschap als aan zijne deugd: âOp het Concilie van Baltimore had ik gelegenheid zijn voortreffelijk geheugen en zijn groote kennis der Theologie te be-
281
-wonderen; hij wist bij alle voorkomende vragen oplossing te geven. Bijzonder stichtte mij zijne kalmte en gelatenheid, waarin men zoowel zijne nederigheid als zijne zelfbeheersching bespeurde; steeds heb ik in hem de teekenen van ware heiligheid meenen te zien.quot; Wij stipten reeds aan, dat dit Concilie de beide Catechismussen van den Dienaar Gods goedkeurde en aanbeval. De Aartsbisschop van Baltimore, Mgr. Kenrick, aarzelde van zijnen kant niet, in zijne lijkrede op Mgr. Neumann, openlijk te getuigen ; ..Hij was door God met groote talenten uitgerust, en gaf daarvan de bewijzen zoowel in de theologische als in de ongewijde wetenschap. De schatten/vankennis, die onder zijn eenvoudig uiterlijk verborgen lagen, moesten hen, die hem niet goed kenden, bijna onverklaarbaar schijnen. Op de priester-conferentiën en op de Synoden kwamen zijne kennissen in zoo hooge mate aan het licht, dat allen met bewondering vervuld waren.quot; In denzelfden geest uitte zich Mgr. Neumann's voormalige Vicaris-Generaal, pater Sourin, van de Sociëteit van Jezus; en de reeds aangehaalde geschiedschrijver Clarke zegt van hem: âHij was een der geleerdste mannen der Vereenigde Staten en telde, hetzij hier hetzij in andere streken, weiniggelijken. Hij was de oude talen machtig en kon zich in minstens twaalf levende talen met gemak uitdrukken. Hij was grondig ervaren in de Godgeleerdheid, en wist aanstonds elke moeielijkheid, die aan zijn oordeel onderworpen werd,
282
op te lossen zonder een boek te raadplegen. Hij was ook ervaren in de natuurwetenschappen en bezat een buitengewoon geheugen.quot;
Doch ieder onzer zal dit andere woord des beroemden Aartsbisschops van Baltimore tot het zijne maken, als hij, na het boven aangehaald getuigenis, zóó voort ging: âWij schatten echter den Dienaar Gods hooger om zijne deugd en vroomheid, dan om zijne groote talenten en zijne wetenschap; wij hechten meer waarde aan zijne nederigheid, aan de zuiverheid zijns harten en aan zijn ijver voor de zielen dan aan de onderscheiding, die hem tijdens zijne studiën in zijne jongelingsjaren ten deel viel, hooger, dan het aanzien, dat hij door zijne kennis bij de Amerikaansche Geestelijkheid genoot.quot; â Wij willen daarom, om aan te vullen, wat aan de schildering zijner deugden ontbreekt, nog eenige trekken aanhalen van de wijze, waarop hij elke der goddelijke en der zedelijke deugden in beoefening bracht. Wat zijn ^eZoo/quot;betreft, getuigde Mgr. Kenrick openlijk voor het volk: âMgr.Neumann leefde door het geloof en wandelde in Gods tegenwoordigheid. Elk uur, bijna elk oogenblik ging zijne ziel met zijnen goddelijken Meester om.quot; â Met brandenden ijver legde hij zich op het inwendige beschouwende leven toe. Alles sprak hem van God en in het bijzonder voerde hij al zijne ontdekkingen op botanisch gebied, die hij ook als Bisschop niet geheel opgaf, tot God terug. Dat onafgebroken verkee
283
met God maakte op zijne omgeving denheilzaamsten indruk. Zijne gewone leuze was; âVoor G-od alleen,quot; of: âVoor God, den Almachtigenquot;; en met zoo diepen ernst en innig geloof sprak hij die woorden uit, dat allen, die hem hoorden, overtuigd waren, dat zij uit het diepst des harten kwamen. âZijn geloof,quot; zoo drukt zich een getuige in zijn proces uit, âwas zoo vast als eene rots; het scheen ongenaakbaar voor eiken twijfel.quot; Waren zijne predikatiën eenvoudig en zonder vertoon, âzij waren toch, zegt de geschiedschrijver Clarke.quot; welsprekend door de kracht der waarheid en dan geest van geloof, en. hoewel de nederigste onder allen, snelde hij aanstonds toe, waar de nood eener ziel hem riep, steunende niet op eigen kracht maar op den heiligen Geest.quot; (') Nog meer toonde zich zijn levendig geloof met haar natuurlijk gevolg, eene vurige liefde, ten opzichte der geheimen van onzen godsdienst. Hij leefde met de H. Kerk mede, en vereenigde zich met zijnen Verlosser in al die verschillende vormen, waarin de feesten der Kerk Hem aan onze liefde voorstellen. âThans is het de Lijdenstijd,quot; zeide hij eens; âwij moeten ons kruis met den Verlosser dragen.quot; Als hij het Sacrament des Vormsels toediende, de H. Wijdingen uitdeelde, kerken consacreerde, dan scheen zijn aangezicht van godsvrucht ontvlamd; zijne woorden en bewegingen waren on-
(i) T. a. p. pag. 445.
284
â gedwongen eenvoudig, en toch vol verheffing en waardigheid. âOnvergetelijk,quot; zoo getuigt een'priester, die bij de eerste-steenlegging der S. Alphonsuskerk in Philadelphia Mgr. Neumann assisteerde, âonvergetelijk is mij dat uur. Men moet hem van nabij gezien hebben, om zijn geloof, zijn eerbied en zijne kinderlijke nauwgezetheid in het onderhouden der ceremoniën te bewonderen.quot; Het was ongetwijfeld ook dat levendig geloof, dat hem het verrichten der kerkelijke plechtigheden, hoe lang zij ook duurden, tot een genoegen maakte. Zelfs op Paaschzaterdag, als hij van de wijding des vuurs en der Paaschkaars af, alles had verricht, wat volgens de gebruiken der Kerk op dien dag verricht worden kon, tot en met het toedienen der Priesterwijding, ook dan bespeurde Mgr. Neumann geene vermoeienis. Hij koesterde ook een grootever-â eering voor de Heiligen, en voor alle voorwerpen, die op den godsdienst betrekking hadden. De Allerheiligste Maagd en de H. Joseph namen, gelijk reeds uitvoerig is aangetoond, in deze vereering de eerste plaats in. Nooit liet hij na, de Meimaandoefeningen, die in zijne bisschoppelijke kapel gehouden werden, bij te wonen. Als zijn kostbaarsten schat bewaarde hij -een groot aantal reliquieën, droeg ze gaarne bij zich, toonde ze met ingenomenheid aan zijne bezoekers en verhaalde tegelijkertijd schoone trekken uit het leven der Heiligen, van wie ze afkom-.stig waren. Dikwijls liet hij gedeelten daarvan in
285
kastjes inzetten, en gaf ze, met zijn zegel en brief voorzien, aan priesters en kloosterlingen, met de bede ze in eere te houden en eene bijzondere godsvrucht tot die Heiligen te hebben. Eens werd deze godsvrucht van den Eerbiedwaardige op treffende wijze door God beloond. Op zijne terugreis uit Rome naar Weenen verloor hij zijn reiskoffer, waarin niet alleen zijne theologische boeken, maar ook alle reliquieën zich bevonden, die hij in de Eeuwige Stad, te Loretto en op andere plaatsen met moeite verworven had. Het verlies viel hem zeer pijnlijk; bedroefd ging hij bij het station op en neer, op middelen peinzend om zijnen schat terug te erlangen. Overal heen werd getelegrafeerd; maar telkens kwam het troostelooze antwoord; âHet bedoelde reiskoffer niet hier.quot; Nu nam hij zijne toevlucht tot den H. Antonius van Padua, en beloofde de eerstvolgende H. Mis te zijner eer te zullen opdragen en de beeltenis des Heiligen in eene der kerken van zijn diocees ter openlijke vereering te zullen uitstellen, indien hij het koffer terugkreeg. Nauwelijks heeft hij dit besluit gemaakt, of een jongeling treedt op hem toe met de woorden: âMonseigneur van Philadelphia, hier is uw koffer.quot; In zijne blijde verrassing bemerkt hij eerst alleen het zoo begeerde koffer; daarna echter vond hij het vreemd, dat die jongeling hem als bisschop herkende, terwijl hij toch geen enkel teeken zijner waardigheid droeg; en juist wilde hij dien vreemdeling eene vraag
286
stellen, toen deze reeds even spoedig verdwenen was. Dankbaar vervulde de Bisschop zijne gelofte en verhaalde later gaarne, hoe de H. Antonius hem den verloren schat terug had bezorgd.
Zijn geloof en zijn ijver vereenigden zich om de godsvrucht, die hem zeiven bezielde, ook door geheel zijn diocees te verspreiden, vooral door middel der Broederschappen. Hij was ervan overtuigd, dat de menschen daarin veel lichter en spoediger tot de ware vroomheid geraken en voerde er verscheidene in zijn diocees in, vooral die aan de vereering der Allerheiligste Maagd waren toegewijd. Met groot genoegen zag hij op zijne visitatiereizen, hoe de Broederschappen van het Scapulier, van den Rozenkrans, van het Onbevlekte Hart van Maria in zijn diocees bloeiden; hij zelf nam bij dergelijke gelegenheden leden erin op.
Om een dankbaar en krachtdadig aandenken aan het Lijden van Jezus Christus in zijn volk te voeden, schreef hij voor den Vastentijd bijzondere godvruchtige oefeningen in de kerken van zijn diocees voor. Op éénen dag van elke week werd de Kruisweg gemeenschappelijk door priester en volk gehouden; een anderen dag had eene preek over het Lijden plaats. In steden, waar meer dan ééne kerk was, schreef hij voor, dat deze oefeningen in verschillende kerken op verschillende dagen gehouden zouden worden, om de gelegenheid te geven ze dikwijls bij te wonen. Zijn innig, geloof, verbonden met zijn fijnen
287
kunstzin, schonk ook aan zijne Kathedraal het voorrecht in het bezit te geraken van het beroemde ivoren kruisbeeld van Genua. (') In de gelegenheid gesteld om het kunstwerk te bezichtigen, bewonderde hij het met zooveel liefde en gevoel, dat de bezitter zich bereid verklaarde het hem af te staan om het in eene kerk een waardige plaats te geven. Mgr. Neumann nam het aanbod met vreugde aan en toen de Kathedraal voltooid was, werd het aldaar aan de vereering der geloovigen ten toon gesteld.
Doch het geheim onzes geloofs, dat bij uitnemendheid dien naam verdient en tevens het Sacrament der liefde is, trok wel het krachtigst van alle de ziel van den Dienaar Gods tot zich. Daar vonden zijn geloof, zijn vertrouwen, zijne liefde hun schoonste voedsel. Voortdurend zon hij op middelen, om ook in zijn volk de liefde tot het Allerheiligste Sacrament des Altaars te vermeerderen en het de rijke zegeningen, die uit die
(i) Het werd vervaardigd door Carlo Antonio Pesenti, geboren in 1801, die a!s leekebroeder leefde in een klooster bij Genua en een groote godsvrucht had tot het Lijden des Zaligmakers. Eens zag hij in den geest hêt beeld des lijdenden Verlossers en ondervond op hetzelfde oogenblik een onweerstaanbaren aandrang om het na te bootsen. Hoewel volstrekt onbedreven in de beeldhouwkunst, zette hij zich aan den arbeid en gebruikte daarvoor een groot stuk ivoor, dat sinds jaren in zijn klooster bewaard werd. Vier jaren lang werkte hij er aan, gesteund door het gebed tot O. L. Vrouw, dat hem in oogenblikken van moedeloosheid nieuwe kracht schonk om het werk voort te zetten. Het beeld is in den volsten zin des woords, en tot zelfs in de kieinste bijzonderheden, een meesterstuk. Het aangezicht van den Godmensch vereenigt de uitdrukking van het lijden met die van edele goedheid en liefde. In 1843 werd het door den Consul der Vereenigde Staten, E. Lester, voor een zeer groote som aangekocht; later werd het op 10.000 dollars geschat. De Con-â sul deed het overbrengen naar de Academie der schoone Kunsten in Genua, waar het in bezit kwam van den heer Power.
288
bron der genade voortvloeien, te doen deelen. In 1855 richtte hij in de S. Alphonsuskerk te Philadelphia de Aartsbroederschap van het H. Sacrament op, waarvoor hij zelf de orde der oefeningen vaststelde. De leden verplichten zich hunnen Heiland op bijzondere wijze te eeren door trouwe vervulling der plichten van hunnen staat en gepaste oefeningen, die op het Allerheiligste betrekking hebben. De oefeningen hadden eiken Zon- en Feestdag plaats; eiken tweeden Zondag der maand werd er eene processie gehouden. In het bijzonder wilde hij, dat de leden der Broederschap door de Vereering der H. Vijf Wonden voldoening zou geven voor de ondankbaarheid, de onverschilligheid en de oneer, waaraan de menschen zich ten opzichte van Jezus in het H. Sacrament schuldig maken. (') Het voornaamste werk echter, dat in dit opzicht de Dienaar Gods tot stand bracht en wat een zijner schoonste giorietitels uitmaakt, is, het eerst van allen in Noord-Amerika het Veertig-uren gebed te hebben ingevoerd. Niet weinig voorzichtigheid en volharding werd er gevorderd om deze godsvrucht toen reeds in Amerika ingang te doen vinden. Op de Diocesaan-synode, waar het voorstel het eerst door hem gedaan
(i) De orde der oefeningen is als volgt: Na de gewone Zondagsoefeningen wordt er eene korte toespraak of onderrichting over het Allerheiligste gehouden; dan bidt de Priester, terwijl het H. Sacrament is uitgesteld, de Litanie van den Zoeten Naam. ]erus of de Litanie van O. L. Vrouw. Na een godvruchtig lied wordt het vermelde aflaatgebed ter eere der Vijf Wonden gebeden, waarbij de leden telkens antwoorden : âGeloofd en gezegend zij te allen, tijde het Allerheiligste en Hoogwaardigste Sacrament.quot; Ten slotte wordt de zegen met het Allerheiligste gegeven.
289
werd, kon men het er niet over eens worden; ook toen de Bisschop zijnen wensch in een engeren kring van zijne wijste en ervarenste priesters herhaalde, vond zijn plan geen volle instemming. Niet, dat het hun aan godsvrucht ontbrak; doch er waren er, die meenden, dat de tijd, om deze verheven oefening op waardige wijze te houden, voor Amerika nog niet gekomen was en er werkelijk gevaar bestond, dat het Allerheiligste, in plaats van vereering, ont-eering zou ondervinden. Deze redenen overtuigden echter den Bisschop geenszins; wel had hij gaarne aan den raad van zoo wijze mannen het oor geleend, maar zijne liefde maakte hem het uitstel ondragelijk, in dezen tweestrijd kwam God zelf hem op treffende wijze uitkomst geven. Eens was hij te middernacht bezig zijne brieven te verzegelen, het hoofd vervuld van de gedachte aan zijn geliefkoosd plan. Zijne kaars was intusschen opgebrand en er bleef hem niets dan een stuk eener andere kaars over, dat hij echter vruchteloos op den kandelaar trachtte te bevestigen; hij zette het daarom op de tafel zelve neer en, om het overeind te houden, schoof hij er brieven en andere papieren omheen. Inmiddels echter deed de natuurhare rechten gelden; de behoefte aan rust nam de overhand en hij viel op zijnen stoel in slaap. Toen hij ontwaakte, zag hij met verbazing en schrik, dat de kaars wederom bijnawas opgebrand en het vuur zich aan de papieren had medegedeeld; hij werpt een blik op de
290
verbrande papieren, maar bemerkt, dat het schrift ongerept en leesbaar was gebleven en het blad, dat over de invoering der devotie handelde, zelfs niet door de vlam beschadigd was. Op eens voer als een schitterende lichtstraal hem de gedachte door den geest, ja het was, alsof hij in zijn binnenste de woorden hoorde: âGelijk hier de vlam het schrift niet vernietigt, zóó zal ook Ik in het H. Sacrament mijne genaden uitdeelen, zonder nadeel voor mijne eer. Vrees dus geene onteeringen en draal niet langer uwen wenschen mijn verlangen te volvoeren.quot; â Diepgetroffenenzonder er zelfs aan te denken de papieren van de kaars te verwijderen, werpt hij zich op de knieën; en op hetzelfde uur schreef hij de verordening neer, dat in alle parochiekerken van zijn diocees het Veertig-urengebed moest gehouden worden. Dit geschiedde in het jaar 1853. Voor zijne priesters liet hij in de Latijnsche taal een werkje drukken, hetwelk de geschiedenis dezer devotie bevatte, de wijze om haar te houden en de gebeden daarbij voorgeschreven. De kerk van den H. Philippns Neri in Philadelphia was de eerste, waarin het Veertig-urengebed gevierd werd; de Bisschop zelf opende en leidde de oefeningen, en verliet in die drie dagen nauwelijks de kerk. Zijne ziel was vervuld met hemelschen troost, zijnaangezichtstraalde van vreugde; allen, priesters en geloovigen, waren bij het zien zijner liefde voor Jezus in zijn H. Sacrament ten zeerste gesticht. Had de oefening in andere kerken plaats,.
291
dan leende hij gaarne zijne schoone monstrans, zijne rijkste kerkgewaden en droeg gaarne er toe bij, om het Allerheiligste met bloemen en kaarsen op het schoonste te sieren. Zoo dikwijls hij kon, opende hij de plechtigheid met eene pontificale Mis en sloot ze ook zelf. Geene week ging dus voorbij, of in eene of andere kerk van zijn diocees was het Allerheiligste ter openbare vereering uitgesteld. De waarlijk ontzaglijke toeloop der geloovigen kwam op zijne beurt liet zegel hechten aan de gedachte van den Dienaar Gods, en toonen, dat de tijd voor hare volvoering werkelijk gekomen was. Pius IX schonk in 1855 aan de geloovigen van het diocees Philadelphia dezelfde aflaten, als die bij dergelijke gelegenheid te Rome verdiend kunnen worden en thans hebben bijna alle Bisschoppen van Amerika Mgr. Neumann's voorbeeld gevolgd.
Een geloof, dat zich zóó schitterend toonde, moest noodzakelijk in de ziel van den Eerbiedwaardige het vertrouwen op God, dat wij hem reeds in zijne priesterlijke loopbaan zoo heldhaftig hebben zien beoefenen, altijd meer bevestigen en verruimen; vooral echter zijne liefde. Het onfeilbare teeken der goddelijke liefde, de volledige toewijding van zich zeiven aan de belangen van God en van de door Christus vrijgekochte zielen, hebben wij trouwens met het klimmen zijner jaren in steeds ruimere mate in zijn leven gezien. âZijn hart,quot; zoo drukt zich een der getuigen in het Proces
292
zijner Zaligverklaring uit, âbrandde van liefde tot G-oct en zijn geest was altijd tot God omhoog geheven.quot; Hij was van die liefde zóó vervuld, dat hij, geheel volgens den geest van zijn grooten meester, den H. Alphonsus, in elke predikatie ervan sprak. âAllen,quot; zoo drukte zich een andere getuige uit, âallen noemden hem een man vervuld van de vreeze Gods; allen zeiden, dat hij slechts voor God leefde en zijn leven geheel wilde opofferen om God te verheerlijken en de kennis van Jezus Christus onder de menschen te verbreiden.quot; En wat die tweede vlam der goddelijke liefde betreft, de liefde tot den naaste, wat was geheel zijn leven, sinds zijne aankomst in Amerika, geweest, dan eene heldhaftige beoefening dier deugd? De feiten, welke wij verhaalden, spreken hier reeds luide genoeg; zij waren tijdens zijn Episcopaat zóo menigvuldig en zóo groot, dat hij onder elk opzicht, zoowel wat de lichamelijke als wat de geestelijke werken van naastenliefde aangaat, kon zeggen : âIk hen. alles voor allen gewordenquot; en pater Sourin, van de Sociëteit van Jezus, van den kansel over hem getuigde, dat zijn ' zielenijver onovertroffen was. Wij stippen hier nog aan, dat hij ook te Prachatitz, zijne geboortestad, eene schoone herinnering zijner naastenliefde achterliet. Met goedvinden zijns broeders en zijner zusters stond hij het vaderlijk vermogen aan de Barmhartige Zusters af, die in het ouderlijk huis van den Eerbiedwaardige zich vestigden en tot grooten zegen der stad
293
â er eene katholieke school en een weeshuis hebben opgericht. Nooit ook uitte hij eene klacht over de priesters, zijne medearbeiders in den wijngaard des Heeren. Nooit sprak hij over de fouten van anderen; begon iemand anders erover, dan gaf hij aan het gesprek â eene andere wending of verontschuldigde de fout.
Omtrent de volmaaktheid, waarmede de Dienaar Gods de zedelijke deuqclen in beoefening bracht, willen Avi] aan hetgeen wij daaromtrent reeds in het verhaal zijns levens hebben gezien, hier nog eenige trekken bijvoegen. Zijne voorzichtigheid hebben wij reeds bewonderd in die wijsheid zijner keuze, toen hij een niet te versmaden vooruitzicht in de wereld prijsgaf voor een leven van zelfverloochening, voor een langgerekte opoffering voor de eere G-ods, de heiliging zijner eigene .ziel en het geluk van zooveel anderen. AVij zagen die voorzichtigheid zoo helder in de wijze, waarop hij het welslagen zijner onderneming trachtte te verzekeren; in de wijze, waarop hij te midden der beslommeringen van een veelomvattend en netelig bestuur, de vrijheid van geest, â te midden der grootste verstrooiingen, â¢de ingetogenheid, â te midden van de wereld, den kloostergeest wist te bewaren. âZijn leven toonde,quot; zegt Clarke, âdat eene hooge geestelijke volmaaktheid samengaat met de vervulling der plichten, die men ten â opzichte der wereld te vervullen heeft.quot; En met hoeveel zorg was zijn geest altijd op dat oogenblik des doods gericht, waarvan alles afhangt! Elk jaar bereidde
294
hij er zich op bijzondere wijze toe voor door de retraite-van tien dagen, elke maand door een dag van afzondering. In zijne woorden was hij zeer omzichtig, zeer bescheiden, en hij sprak niet meer dan noodig was. âNooit hoorde ik uit zijn mond een woord,quot; zoover-zekert een getuige, âdat niet stichtend was, aangenaam of nuttig.quot; Van den anderen kant zien wij zijne voorzichtigheid ook daarin, dat, bij zijne bijna bovenmatige versterving, hij toch zorg droeg, dat zij hem niet ongeschikt maakte voor de vervulling van zijn ambt; doch ook tevens liever zijn leven prijsgaf,, dan in den ijver voor die vervulling te verflauwen, overtuigd als hij was, dat God niet hem noch zijnen arbeid noodig had, maar weizijne volledige toewijding vorderde. Eens vond hem een priester van zijn huis in zeer lijdenden toestand, gekleed op een harden plank liggen. Verschrikt door de ongunstige teekenen, die hij bespeurde en getroffen hem zóó te vinden, zeide hij ernstig: âMonseigneur, gij moet u te bed begeven, gij zijt zeer ziek.quot; De Dienaar Gods zag hem verwonderd aan; hij kon niet begrijpen, dat hij te weinig voor zich zeiven deed. âNeen,quot; antwoordde de priester, âgij zijt Bisschop en inoogt niet over uzelven beschikken; gij behoort aan uw diocees.quot; Bij dat woord stond de Eerbiedwaardige op en antwoordde: âIk zal mij voegen naar uwen wil.quot;
En wat de beoefening der rechtvaardigheid betreft, â kon wel een man, die zoo brandde van liefde tot God
295
en den naaste, iemand het zijne ontbonden? Wij lezen dan ook, dat hij altijd nauwkeurig, hetgeen hij iemand beloofd had, vervulde; een voorbeeld zijner eerlijkheid in geldzaken stipten wij reeds aan en Mgr. Kenrick, de Aartsbisschop van Baltimore, aarzelde zelfs niet in het openbaar en zonder vrees van tegengesproken te worden het veelomvattend getuigenis af te leggen: âMgr. Neumann was rechtvaardig jegens allen.quot;
Zijne gehoorzaamheid aan de wetten der Kerk, zijne nauwgezette onderhouding der kerkelijke ceremoniën strekte allen ten voorbeeld. De voorschriften van het kerkelijk recht deed hij zoo goed onderhouden, als de Amerikaansche toestanden dit gedoogden. In twijfels raadpleegde hij telkens den H. Stoel, en met heldhaftige gehoorzaamheid onderwierp hij zich aan den wil des Pausen, toen deze den drukkenden last van het Episcopaat hem op de schouderen legde. Aan zijn biechtvader, zelfs aan den geneesheer gehoorzaamde hij volkomen.
Wat zijne nederigheid betreft, heeft deze levensgeschiedenis reeds overvloedig getoond, dat zij een dei-hoofdtrekken zijner heiligheid uitmaakt. Verheven tot de bisschoppelijke waardigheid, kon hij zich bijna niet wennen aan den titel, die daaraan toekomt, en schertsend zeide hij nog in de laatste dagen zijns levens; âAls mij iemand met het woord Monseigneur of Doorluchtige Hoogwaardigheid toespreekt, dan is het mij, of een voornaam heer achter mij staat, tot wien
296
deze titel gericht wordt.quot; Nooit sprak hij van zich zeiven, of het moest enkel het verhaal zijn van een scherts of van iets, wat hem in een minder gunstig daglicht stelde.
Liefde voor de armoede bleef zijn leven lang zijne onafscheidelijke gezellin. Reeds als kloosterling was hij zóó gewoon in een afgedragen en versteld habijt te verschijnen, dat op den dag zijner bisschopswijding een zijner medebroeders hem schertsend toevoegde: âHeden zie ik u toch eens in een nieuwe en schoon e kleeding.quot; â âWat wilt ge,quot; antwoordde hij op denzelfden toon; âonze Moeder de H. Kerk behandelt ons . als kinderen; men geeft of belooft hun een schoone kleeding, als men hen een arbeid gemakkelijker wil doen aanvaarden.quot; Spoedig echter vertoonde hij ook als Bisschop, hetzij in het zwart of in het paars gekleed, de onmiskenbare teekenen der armoede, zonder echter in het minste slordig of onzindelijk te zijn. Zijn hoed had een vorm, die reeds buiten gebruik was geraakt. Toen hij op zijne terugreis uit Rome dooide stad München ging en zijn schoeisel geheel doornat was, ried men hem aan, te wisselen. âAls ik dat wilde doen,quot; antwoordde hij, âdan moest ik den rechtervoet in den linkerschoen steken, want ik heb maar één paar schoenen.quot; Te Philadelphia ging hij altijd te voet uit. Voor zijn persoon wilde hij geene bediening; zijne kleederen en schoenen reinigde hij zelf en zelf bracht hij zijne kamer in orde. Nooit het hij zijn
297
ontbijt op zijne kamer brengen; hij kwam zelf naar de eetzaal, nam wat brood en boter en een glas water erbij en verwijderde zich even stil als hij gekomen was. Aan tafel vroeg hij om niets; bood men hem eene spijs aan, dan bediende hij er zich van; vergat men het, dan was hij ook tevreden. Toen de kamers voor zijnen Coadjutor in gereedheid gebracht moesten worden, meldde men hem, dat er eene kast ontbrak en dat er ook geen geld voorradig was om er eene te koopen. lt; âDan zullen we ons op eene andere manier moeten helpen,quot; sprak hij; âneem de kast van mijne kamer maar weg en breng ze naar die van Mgr. Wood, ik kan het wel zonder.quot;
Om de zuiverheid, die hij van zijne eerste jeugd af ongerept had bewaard, in niets van haren glans te doen verliezen, onderhield hij, bij eene groote voorzichtigheid in zijne woorden, eene strenge zedigheid. Ging hij door de straten of moest hij met andere personen omgaan, dan hield hij zijne oogen neergeslagen. âSlechts als hij eene vermaning had gegeven,quot; zoo verhaalt een getuige in zijn Proces, âverhief hij ze; maar dan scheen een schitterende straal van het bovenaardsche licht, dat zijne eigene ziel vervulde, den hoorder te doordringen en de overtuiging van het gezegde in diens gemoed te vestigen.quot; Eene strenge versterving was hem bij het bewaren dier schoone deugd behulpzaam; de boetedoeningen van zijn vroegere jaren zette hij door tot aan zijnen dood en in
298
eene mate, die hem naast de grootste heiligen eene-eereplaats doet innemen. Hij maakte daardoor tevens,, als navolger van het Hoofd der priesters, Jezus Christus, zijn eigen lichaam tot een slachtoffer voor de zonden van het hem toevertrouwde volk. Voor smakelijke of onsmakelijke spijzen was hij volstrekt onverschillig rooken of snuiven deed hij nooit. Hoe streng hij over het gebruik van uitgezochte spijzen dacht, bewees wel de opmerking, die hij eens aan eene voorname tafel maakte. Toen hij namelijk als Bisschop zijne geboorteplaats-bezocht en bij een zekeren heer Spinka ten maaltijd was genoodigd, zag de gastheer, dat zijn vriend van de fijne gerechten, die waren opgediend, niets gebruikte; hij spoorde hem dus aan, er ten minste van te proeven. De Bisschop, na eenige malen aan dien aandrang te hebben gehoorzaamd, zeide echter glimlachend: âMijnheer Spinka, gij wilt mij door uwe fijne tafel een lang vagevuur doen verdienen.quot; â Zijn vasten was veelvuldig en gestreng; wat water en brood met wijn was alles, wat hij zich op vastendagen vergunde. Zijne korte nachtrust nam hij gewoonlijk zittend op een stoel; zeer zelden legde hij zich te bed en de tijd, dien hij aan den slaap wijdde, was zóó gering, dat hij dikwijls te drie uren des nachts nog in gebed was ; soms sliep hij slechts één uur. Zijn zielbestuurder verhaalt, dat Mgr. Neumann bovendien voortdurend een boetegordel van spits ijzerdraad droeg, die in zijn vleesch doordrong ; hij kastijdde zijn lichaam met een geeselkoord.
299
aan welks einde hij ijzeren nagels had vastgemaakt, ïoen hij stierf, vond men een boetegordel om zijn lichaam.
Strekt dit boetvaardig en verstorven leven des Eer-biedwaardigen ten bewijze zijner heldhaftige beoefening der matigheid, het legt ook een schoon getuigenis af van zijne zielssterkte, die zoozeer de zinnen in bedwang wist te houden. Die bovennatuurlijke sterkte hebben wij trouwens reeds bewonderd in den over-matigen arbeid van zijn missionarisleven, in het dragen van den last des bestuurs; zij heeft zich echter bovenal duidelijk getoond in het verdragen van belee-diging en pijn, van smarten in ziel en lichaam. Hoe dikwijls werd hij uitgelachen en bespot! Mgr. Neumann verdroeg echter ook dit met do grootste kalmte en het grootste geduld. AYilde iemand de spotters tot reden brengen, dan wees hij op het voorbeeld des Zaligmakers, die ook niet geantwoord had, toen men Hem beleedigde; of hij zeide, met een glans van vreugde op het gelaat: âZij weten niet, wat zij doen.quot; Zelfs toen hem eens een onverlaat een slag in het aangezicht gaf, hem een beleedigend scheldwoord toevoegende, verloochende zijn geduld zich niet. En wanneer G od toeliet, â iets, wat wij in zoovele levens van Heiligen vermeld vinden, âdat hij soms bij eigen ambtsbroeders, zelfs in het Episcopaat, of zelfs bij huisgenoo-ten, nitt die eensgezindheid of onderdanigheid genoot, waarop zijn gezag, zijne goedheid en zijne deugd
300
aanspraak mochten maken, dan was hem dit wel geheel bijzonder pijnlijk, maar zijn geduld en zijne allesoverwinnende naastenliefde toonden zich daardoor in al hun glans. Veel leed ook de Dienaar Gods door hoofdpijnen en andere lichamelijke kwalen; aan eene hartziekte, waaraan hij leed, moet waarschijnlijk zijn onverwacht afsterven worden toegeschreven. Maar wat die zielssterkte des Eerbiedwaardigen de kroon opzet, dat is die volharding in het begonnen werk, die volharding in zijn ijver, in zijne toewijding, in zijne zelfverloochening en in de heiliging zijner ziel en der-.genen, die aan zijne hoede waren toevertrouwd. Het was ook deze sterkte en die volharding in de vervulling zijner plichten, die zijn Coadjutor en opvolger, Mgr. Wood, die drie jaar met hem geleefd had, naast zijn levendig geloof, zijn onwankelbaar vertrouwen, zijne brandende liefde tot God nog lang na zijn dood het meest bewonderde; deze volharding schonk hem door
dien arbeid de eeuwige rust, door dat lijden de eeuwige vreugde, aan zijne verdiensten de kroon der heerlijkheid.
Staat na dit alles de Dienaar Gods niet voor â¢onze oogen als een dier apostolische Bisschoppen, in het begin der Kerk door Gods Voorzienigheid opgewekt; die, om zoo te spreken, alleen de lasten, niet de eer van het Episcopaat hebben gekend? En kon hij, bij een terugblik op zijn leven, niet de woorden des grooten Apostels, wiens voorbeeld de aanleiding tot zijne roeping geweest was, tot de zijne maken; âIn
301
alles bevelen wij ons zeiven aan als dienaren Godsr door veel geduld; in verdrukkingen, in nood, in benauwdheden, in slagen,in arbeid, in waken en vasten; door reinheid, door kennis, door lankmoedigheid, door goedertierenheid, door den heiligen Geest, door ongeveinsde liefde, door leer naar waarheid, door de kracht Gods?quot; (')
Een getuigenis van zijn eigen zielbestuurder, allergewichtigst zoowel om de vertrouwbaarheid der bron als om zijnen inhoud, komt als een laatste trek dit schoone beeld van heiligheid voltooien. â âMgr. Neumann,quot; zoo luidt dit getuigenis, âbeoefende voortdurend de deugd van zelfverloochening en versterving, doch op eene zóó voorzichtige en bescheiden wijze, dathet niet in het oog viel en hij daardoor niemand tot last strekte. Door zijne voortdurende waakzaamheid over zijne oogen en de ingetogenheid van zijn geest heeft hij eiken hartstocht den toegang tot zijn hart gesloten; zijne reine, maagdelijke ziel hield zich altijd bezig met God; hij had een hoogen graad van gebed bereikt. Naar het voorbeeld des H. Alphonsus had. hij ook de gelofte afgelegd, geen oogenblik tijd te verliezen, en deze gelofte onderhield hij getrouw tot aan zijn dood. Zelfs op reis zag men hem met een boek in de handen of hoorde men hem spreken over zaken,, die God aangenaam zijn.quot;
(i) II Cor. VI.
302
Zóó bracht Mgr. Neumann in zich zei ven de ernstige vermaning zijns Goddelijken Meesters in beoefening, de vermaning zoo geheel bijzonder, naar het woord van den heiligen Kerkleeraar Hilarius, tot de Bisschoppen gericht: âZalig de dienstknecht, dien de Heer heelt aangesteld over zijn huisgezin en die aan hetzelve de spijzen uitdeelt te rechter tijd; zalig hij, zoi de Heer hem wakende vindt in de vervulling van zijn plicht; Hij zal hem aanstellen over alle goederen zijns huizes. En al komt de Heer in de tweede nacht-^vake, of in derde, zalig de dienaar, als de Heer hem zóó aantreft.quot;
Of deze trouwe dienaar van Jezus Christus zelf vermoed heeft, dat dit uur, waarop God hem de vergelding zou geven, reeds zoo nabij was ; dat zijne taak op betrekkelijk zoo jeugdigen leeftijd reeds was volbracht ? Zeker is het, dat in een gesprek tijdens den zomer van 1857, toen iemand op den hoogen leeftijd wees, die zijne familieleden bereikt hadden, en de meening uitte, dat ook hij niet spoedig sterven zou, â¢de Eerbiedwaardige beslist en herhaaldelijk antwoordde: âNu, gij zult zien, dat ik mijn vijftigste levensjaar niet zal bereiken.quot; In de maand December van het jaar 1859 hield hij de retraite voor de Studenten van het Klein-Seminarie. Het trof hen, dat hij in de laatste onderrichting, die hunne kerstvacantie voorafging, tot hen zeide: âHet zal wellicht de laatste maal zijn, dat ik tot u spreek.quot; Weinige dagen vóór
303
:zijn dood was hij in het Redemptoristenklooster te Philadelphia. Terwijl de Overste geroepen werd, onderhield hij zich met een leekebroeder, en stelde hem opeens de vraag, of hij de voorkeur gaf aan een plotselingen dood of aan eene doodelijke ziekte. De broeder meende, dat eene lange ziekte eene ge-wenschte voorbereiding was tot den gewichtigen dag. Doch Mgr. Neumann hernam: âEen Christen, en nog meer een kloosterling, moet altijd op den dood voorbereid zijn, en is hij dit, dan heeft ook een plotselinge dood zijne voordeelen. Wij besparen ons en onze medebroeders, die ons moeten bedienen, vele gelegenheden tot ongeduld en de duivel heeft niet veel tijd â om ons te bekoren. Doch in eik gevalquot;, zoo besloot bij, âis die wijze van sterven de beste voor ons, die God ons toezendt.quot;
Het gestel van den Dienaar Gods, hoe sterk ook â¢van nature, had in den loop der jaren, door overma-tigen arbeid en inspanning, door zware verstervingen â¢en veel zorgen en verdriet ontzaggelijk geleden; vooral wat de laatste jaren betrof, kon hij het woord van â¢den H. Carolus Borromeus tot het zijne maken; dat hij sedert het aanvaarden van de bisschoppelijke mijter geen oogenblik rust had gekend. Zoo getuigde zijn voormalige Vicaris-Generaal, pater Sourin, van de Societeit van Jezus; deze voegde er nog bij: âIk kan verzekeren, dat hij te middernacht dikwijls niet in ;staat was een woord te spreken, zoozeer had hem de
304
inspanning van den dag reeds uitgeput; de werkzaamheden, die hij verrichtte, zouden ook het sterkste lichaam spoedig hebben ondermijnd.quot; Als dezelfde pater Sourin den Dienaar Gods eenige dagen vóór zijn dood bezocht, bemerkte hij wel, dat deze zeer ongesteld was. Doch Mgr. Neumann bleef de aangeboden hulp van den geneesheer afwijzen, in de meening, dat het slechts iets van voorbijgaanden aard zou zijn. Den öden Januari 1860, de vigilie van Driekoningen, was hij nog zeer lijdend; toch zette hij als naar gewoonte zijnen arbeid voort. Bij het middagmaal, waarbij ook zijn Coadjutor. Mgr. Wood, aanzat, trachtte hij de-oplettendheid zijner dischgenooten van zijn toestand af te trekken en verhaalde onder meer eene anekdol e uit zijne jeugd. âWat zijn de menschen op het land soms eenvoudig in hunne opvattingenquot;, zoo ving hij aan. âToen ik als student mij op mijne reis naar Amerika voorbereidde, was dit weldra in geheel de streek bekend. Vrienden en buren kwamen om afscheid te nemen en mij eene goede reis te wenschen. Een hunner riep mij ter zijde. Johan, zoo sprak hij, gij gaat eene lange en gevaarlijke reis maken; luister naar mijn raad: neem deze twee gulden en zoodra ge op het schip komt, stop ze dan den kapitein in de hand en zeg: Kapitein, daar hebt ge twee gulden, onder voorwaarde, dat ge het schip altijd dicht bij land en in ondiep water zult houden; want dan kunt ge, zoo besloot mijn vriend, als het schip een ongeluk over-
305
komt, u door zwemmen redden.quot; â âWij allenquot;, zoo verhaalt Mgr. Wood, âlachten hartelijk, maar niemand onzer vermoedde, dat het de laatste scherts van onzen geliefden Bisschop zou zijn.quot;
Kort na het middagmaal bezocht de Redemptorist, pater Urbanczék (') den Bisschop, maar het bevreemde hem, dat zijn voormalige medebroeder hem ditmaal niet aanstonds herkende. Naderbij gekomen zag hij, dat diens oogen een glazig voorkomen hadden en op de vraag, of hij ongesteld was, antwoordde de Dienaar Gods : âIk gevoel mij heden zóó vreemd, als nog nooit te voren: doch ik denk, dat eene wandeling, door de beweging en de frissche lucht, mij goed zal doenquot;. Toen de pater hem had verlaten ging Mgr. Neumann uit, om eene akte, op het diocesaan-eigen-dom betrekking hebbende, wettelijk te onderteekenen. Reeds keerde hij naar huis terug, toen aan de noordzijde der Vinestraat een man hem tegenkwam en hem groette, doch tevens zag, dat de Bisschop met onzekeren tred en als iemand, die door eene duizeling overvallen is, voortging en ten slotte op de trappen van een huis nederviel. Aanstonds snelde men toe om hulp te verleenen; en terwijl de bovenvermelde man zich spoedde om de tijding naar het bisschoppelijk paleis te brengen, droeg men den Bisschop in het huis, voor hetwelk hij neergevallen was;
(x) Overleden te Baltimore den 6 Maart 1882.
306
men legde hem op een tapijt en een kussen onder zijn hoofd en deed het mogelijke om hem tot bewustzijn te brengen. Doch alles was vergeefsch; nog eenige diepe ademhalingen en zijne schoone ziel had het stoftelijk hulsel verlaten; toen zijn Secretaris met den H. Olie kwam, vond hij slechts het ontzielde lijk. Het was Donderdag des namiddags te drie uur; hij had den leeftijd bereikt van acht-en-veertig jaren, negen maanden en acht dagen.
Met bliksemsnelheid verbreidde zich de mare door de stad en weldra door het geheele land. Wie kon echter aan het eerste gerucht geloof slaan, daar men niet het minste van ongesteldheid of ziekte had vernomen? Toen echter den volgenden dag, op het hoogfeest van Driekoningen, de priesters den dood van den dierbaren Herder aan het volk aankondigden, was de verslagenheid en de droefheid algemeen en groot.
Den daaropvolgenden Zondag, 8 Januari, werden in alle Kerken van het Diocees de groote deugden en verdiensten van den ontslapene met gepasten lof geprezen. Het lijk was inmiddels in vol bisschoppelijk ornaat in het koor der bisschoppelijke kapel ten toon gesteld; de toevloed van het volk was ontzaglijk; allen wilden de geliefde trekken van hun vader en herder nog eens aanschouwen. De leden der vereeniging van den H. Vincentius vormden dag en nacht de eerewacht. Des Maandags stroomde van alle kanten het volk toe; armen en rijken, geestelijken en leeken
307
verdrongen zich, om getuigen te zijn van zijn laatsten tocht door de stad, die werkelijk â zoo beschikte het God om zijn nederigen dienaar te verheerlijken â een triomftocht werd. Nooit had Philadelphia zulk een lijkstoet gezien. Behalve de schutterij en een korps militairen met hunne muziek bestond hij, naar Amerikaansche zede, uit acht letterkundige genootschappen, zes-en-twintig broederschappen en vereeni-gingen, dertien genootschappen uit Baltimore, de weeskinderen, de studenten van het Groot- en het Klein-Seminarie en een honderdtal priesters. Ondanks het ongunstige weder waren de straten zóó gevuld, dat de politie slechts met veel moeite een weg kon banen ; alle vensters, ja de daken waren met toeschouwers bezet. Het punt, dat aller oogen tot zich trok, was natuurlijk het lijk des Eerbiedwaardigen, hetwelk zóó op den lijkwagen geplaatst was, dat men zijn gelaat kon zien; een diepen indruk maakte op de menigte die kalmte en goedheid, welke op dat zóó bekende aangezicht nog immer lagen uitgespreid. Een treffende aanblik was het ook, â zoo voegt er de Engelsche levensbeschrijving bij, â onmiddellijk achter den lijkwagen, als vertegenwoordigers der Congregatie des Allerh. Verlossers, de indrukwekkende gestalten te zien van twee medebroeders des overledenen, de paters Egidius Smulders en Henricus Giesen, beiden Nederlanders, âwier hem zoo innig
308
verknochte harten in diepe droefheid waren om het heengaan van zulk een meester en medebroeder.quot; (') Aan de S. Joanneskerk, die voorloopig nog tot kathedraal diende, gekomen, werd het lichaam vóór het hoogaltaar op een rijk vers! er den katafalk gelegd; Mgr. Wood, de opvolger van den Eerbiedwaardige, deed de pontificale lijkmis; de Aartsbisschop van Baltimore, Mgr. Kenrick, die met de Bisschoppen van Richmond en Brooklyn en een gemij terden Abt de uitvaart bijwoonde, hield de lijkrede op zijn overleden vriend. Bteeds den vorigen dag had pater Sourin, S. J. er op gewezen, dat God aan Mgr. Neumann de hoogste eer geschonken had, door hem tot ['zich te nemen midden uit zijn arbeid, midden uit de vervulling zijner plichten; thans wenschte ook de Aartsbisschop den ontslapene geluk, wijl hij, gelijk de trouwe dienstknecht, op elk, ook het minst verwachte oogenblik door plichtsbetrachting bereid was geweest om voor God te verschijnen. (1) En na dat heilige leven aan het volk te hebben geschetst, na zijne deugden uitbundig te hebben geprezen, âzonder vreesquot;, zoo zeide hij, âvan
1
In eene zedelijke toepassing, uit deze gebeurtenis getrokken, bediende Mgr. Kenrick zich van de volgende woorden: -nGaat gij uit voor uwe zaken, bedenkt dan, dat gij wellicht niet meer levend terug zidt keer en. Legt gij u des avonds ter ruste; bedenkt, dat de morgen u als een lijk vinden kan'' Had de doorluchtige spreker in den eersten volzin den dood van zijnen eerbiedwaardigen Ambtsbroeder geschetst, zónder het te weten schetste hij door den tweeden volzin zijn eigen dood. Drie jaren later werd hij zelf des morgens dood in zijn bed gevonden.
309
iets te overdrijven of van iets te zeggen, dat ook â¢door de vertrouwdste vrienden des ontslapenen kon worden tegengesproken,quot; besloot hij met deze schoone woorden; âNeen, de plotselinge dood van zulk een Bisschop kan niet ongelukkig genoemd worden. Of waarom heeft God niet van tevoren aan de deur zijns harten geklopt om hem zijne komst te melden? Hij was immers bezig den wil zijns meesters te doen, en âZalig de dienaar, dien de Beer hij zijne komst zóó aantreft.quot; De gevangene, die naar vrijheid haakt, juicht des te meer, wanneer de deuren zijner gevangenis zich openen op een oogenblik, dat hij het minst aan zijne verlossing denkt. Wij mogen vertrouwen, dat de ziel des heiligen Bisschops, na eenig zuchten â en klagen, waardoor de natuur het verdwijnen des .evens verried, met vreugde en blijdschap ten hemel gesneld is, naar hot gezelschap aller heilige Herders, die hunne kudde op eene godgevallige wijze hebben geleid en thans de kroon der overwinning dragen, waarmede de Koning der Herders hunne trouw beloont. Zijne ziel verkeert thans met een heiligen Am-brosius, eenen heiligen Augustinus, eenen heiligen Gregorius, vooral echter met den heiligen Alphonsus. â dien hij zoo trouw heeft nagevolgd. Met hen looft hij God voor Zijne groote barmhartigheid en prijst Hem in alle eeuwen.quot;
Inmiddels had men reeds voorbereidselen gemaakt â om in de St. Joanneskerk het lichaam des Eerbied-
310
waardigen bij te zetten, toen de Provinciaal der Redemptoristen in Amerika, pater De Dijcker, zich tot den Aartsbisschop wendde met het verzoek, omr volgens het vroeger uitgedrukt verlangen van den ontslapene zelf, het in de kerk der Redemptoristen te doen begraven. De Aartsbisschop verleende welwillend de gevraagde gunst met de woorden: âVolgaarne sta ik toe, dat Mgr. Neumann na zijnen dood aldaar een rustplaats vinde, waar hij ze tijdens zijn leven wel gezocht, maar niet gevonden heeft.quot; Na de plechtigheden trok dus de stoet naar de veraf liggende St. Petruskerk heen, waar men eerst te vier ure des namiddags aankwam. De toeloop was wederom zóó groot, dat men voor wanorde vreesde en tot laat in den nacht duurde het aandringen der menigte voort. Des avonds werden wederom door een vijftigtal priesters de getijden der overledenen gebeden en verschillende vereenigingen hielden des nachts de wacht bij het lijk. Dinsdagmorgen was de kerk weer overvol; na de pontificale mis door Mgr. Wood opgedragen en eene nieuwe lijkrede door een der medebroeders van den overledene gehouden, werd het lichaam in eene onderaardsche kapel vóór het altaar, onder het hoofdaltaar der kerk bijgezet. Een vierkante marmeren plaat met het opschrift: Hie jacet Joannes Nepom. Neumann, Episcopus Philadelphiensis, en de jaartallen en datums zijner geboorte, religieuze professie, bisschopswijding en dood dekt het graf. Tra-
311
nen van ontroering vulden de oogen der aanwezige priesters en velen getuigden: âHet is mij te moede, of mijn eigen vader ten grave gedragen is.quot;
Niet alleen in het diocees Philadelphia en in alle kloosters der Redemptoristen, maar ook op vele andere plaatsen werd de uitvaart van den Dienaar Gods op de plechtigste wijze gevierd. Bisschoppen, priesters en kloosterlingen wedijverden om hunnen eerbied en hunne liefde voor den heiligen Bisschop van Philadelphia aan den dag te leggen. Te Prachatitz, zijne vaderstad, was natuurlijkerwijze bij het vernemen van zijn overlijden de droefheid uiterst groot; maar treffend ook en grootsch was de betuiging van vereering en liefde, welke de inwoners hunnen door-luchtigen medeburger wijdden. Den 2den Maart 1860 had aldaar de uitvaart plaats met de grootste plechtigheid, onder algemeene deelneming der inwoners en der keizerlijke en stedelijke beambten. De vrienden en bekenden des Eerbiedwaardigen besloten zijn aandenken in hunne stad te vereeuwigen. Op het familiegraf der Neumann's werd een standbeeld, Maria's Onbevlekte Ontvangenis voorstellende, opgericht, met dit opschrift op het voetstuk; âMaria, zonder zonde ontvangen, bid voor ons en voor de zielen onzer hier rustende Christelijke vrienden;' en lager: âDen roar en Dienaar Gods, den vromen vereerder van Maria, Joannes Nepomucenus Neumann, geboren te Prachatitz den 28sten Maart 1811, gestorven den oden
312
Januari 1860 als Bisschop van Philadelphia in Amerika, hebben zijne trouwe vrienden dit gedenkteeken gewijd:' Het prachtige beeld is twaalf voet hoog, met twee staande lantaarnen aan beide zijden en met hoornen omringd. Zijne vaderstad wilde echter nog meer doen. Krachtens een besluit der stedelijke overheid zou voortaan de straat, waarin het vaderlijk huis van den Dienaar Gods, thans in een klooster veranderd, zich bevond, voortaan Neumannstraat ge-heeten worden. Later, toen er reeds van de invoering van het proces des Eerbied waardigen sprake was, richtte de Deken van Prachatitz in naam van al zijne geestelijken tot den Bisschop van Bnd-weis een verzoekschrift, om door hem van Z- H. den Paus te verkrijgen, dat, gelijk de patroon des Eer-biedwaardigen naar zijne geboorteplaats Nepomuc den naam van Nepomucenus droeg, zoo ook de Eerbiedwaardige zelf voortaan Joannes van Prachatitz genoemd zou worden.
Zoo was dan Mgr. Neumann van de aarde heengegaan ; zijne ziel had hare rust bij Grod gevonden ; zijn lichaam wachtte de opstanding af in de kerk zijner medebroeders, in zijne bisschopsstad. Doch God, getrouw aan het woord door Hem gesproken: âDie Mij verheerlijkt, dien zal ook Ik verheerlijkenquot; en aan dit andere: âDie zich vernedert, zal verheven loerdenquot; schepte er behagen in, den glans van heiligheid, dio
313
xeeds tijdens het sterfelijk leven van zijnen Dienaar â¢over geheel zijn persoon lag uitgespreid, na zijn dood in grootsche verhouding te doen toenemen.
Dat Mgr. Neumann tijdens zijn leven reeds algemeen voor een heilige gehouden werd, blijkt ons uit â talrijke getuigenissen. De glans zijner deugden schitterde elk oog, dat nog eenigszins voor goede indrukken vatbaar was, weldoend tegen. Voor een heilige hield men hem overal, waar hij gearbeid had; hij had dien naam zoowel bij armen als rijken, zoowel bij geleerden als ongeleerden, zoowel bij den hoogen als bij den lageren stand; zelfs bij Protestanten was hij in hoog aanzien, ja er waren er onder hen, die zijn gebed verzochten; ook de slechten en zij, die hij had moeten berispen, onthielden hem hunne achting niet.
Ook had God reeds vóór den dood zijns Dienaars hem met buitengewone genadegaven uitgerust, hetzij door hem den geest van voorzegging te schenken, hetzij door aan zijn gebed of zijnen zegen de genezing van kwalen te verbinden.
De ontzaglijke toevloed van volk en geestelijkheid bij zijne begrafenis was dan ook niets anders, dan eene onwillekeurige uiting der hooge vereering en van dat levendig vertrouwen, dat aller harten te zijnen opzichte had vervuld. Die roep van heiligheid overleefde, gelijk wij zeiden, den Dienaar Gods en werd na zijnen dood steeds grooter. Bewaarde men
314
reeds tijdens zijn leven brieven en prentjes, van hem ontvangen, of zelfs stukjes van zijne kleederen, als eene kostbare gedachtenis, â na zijn dood was het verlangen om voorwerpen te bezitten, die hem hadden toebehoord, zóó groot, dat men den aandrang moest tegenhouden. Terwijl zijn lichaam was tentoongesteld, kusten velen met godsvrucht zijne voeten en legden prentjes, rozenkransen en andere voorwerpen op zijne handen, om ze als reliquieën te bewaren. Hetzelfde geschiedde, toen dertig dagen na zijn dood zijn graf weder geopend werd en zijn lichaam zonder eenig teeken van bederf werd gevonden; allen, die hierbij aanwezig waren, wilden stukjes zijner kleederen ontvangen. (')
De overtuiging, dat de Dienaar Gods reeds de eeuwige glorie genoot en bij zijn goddelijken Meester, dien hij zoo trouw gediend had, veel, zeer veel vermocht, uitte zich ook weldra door een vertrouwvol inroepen zijner tusschenkomst, vooral op de plek zelf, waar zijn eerbiedwaardig overschot rustte. Daar, aan zijn graf, zag men weldra velen nederknielen, om hem aan te roepen of voor de ontvangene genade te dan-ken. Velen, die zich aan zijne voorspraak hadden aanbevolen, schreven hem de gunstige uitkomst in moeielijke gevallen, hulp in bekoringen en zielskwellingen, waaraan hij zelf zooveel geleden had, toe.
(i) Tien maanden later werd de doodkist weder geopend: toen echter waren de; teekenen des bederfs aanwezig.
315
âDagelijks,quot; zoo verzekerde de eene getuige, âroep ik hem in mijne noodwendigheden aanquot;; ânooitquot;, getuigde een andere, âben ik in mijn vertrouwen op hem teleurgesteldquot;. Vooral voor kinderen, die Joannes in zijn leven zoozeer had liefgehad, riep men zijne machtige voorspraak in. Weldra hoorde men van talrijke genezingen door zijne voorbede, bijzonder op zijn graf, verkregen; volmaakte genezing van gevaarlijke wonden, zelfs zonder lidteekenen achter te laten ; bevrijding van vallende ziekte op zijn graf; hoofdpijn,oogziekten, belemmering van het gebruik der ledematen, zenuwkwalen, geweken door het vertrouwvol aanroepen van den Dienaar Gods. Wij stippen van deze wonderbare genezingen slechts de volgende feiten aan. Eene kloosterzuster, Anselma genaamd, belast met het onderwijs, was zóó doof, dat zij hare medezusters nauwelijks kon verstaan, al spraken zij ook luide. Deze zuster nu wendde zich gedurende vijf jaren eiken morgen, eer zij de school der kleine jongens begon, vertrouwvol tot den heiligen Bisschop met de dringende bede om zijne hulp. Haar schoollocaal bevond zich trouwens onder de S. Petruskerk, in de onmiddellijke nabijheid van zijn graf. En eiken dag werd haar gebed verhoord; eiken dag kon zij hooren, zoolang zij hare honderd-zeventig knaapjes onderwijzen en bewaken moest; was die tijd voorbij, dan keerde hare doofheid terug.
Een andermaal mocht een kind, Maria Hartmann.
316
de hulp van Gods Dienaar ondervinden. De kleine was reeds drie-en-een-half jaar oud en kon tot groote droefheid harer ouders nog niet gaan. Dezen beloofden nu. indien hun kind door de voorspraak van Mgr. Neumann zou genezen, tot dankzegging eene Hoogmis te zullen doen zingen. Kort na deze gelofte zien zij tot hunne verbazing, dat hun kind krachtig en vroolijk op de binnenplaats rondloopt en met de andere kinderen speelt. Doch ziet. het duurde niet lang, of het kind was weder lam en kon zijne voeten niet gebruiken. Toen herinnerde zich de bedroefde vader, dat hij zijne belofte niet was nagekomen; hij vernieuwt ze aanstonds met vertrouwen, en weldra toonde de kleine Maria geen enkel teeken der vroegere zwakte meer. (')
Terwijl dan de jaren verliepen en God door een steeds toenemend aantal wonderbare feiten zijn zegel hechtte aan de vereering aan zijnen Dienaar gewijd, werden al spoedig stappen gedaan om een onderzoek naar zijne deugden in te stellen, dat tot de zaligverklaring van Mgr. Neumann zou kunnen leiden. In 1886 werden zoowel te Philadelphia als te Budweis de getuigen opgeroepen,de uitslag was zeer troost-
(1) Eene andere treffende gebedsverhooring wordt uitvoerig vernield door het Maandschrift âDe Volksmissionarisquot; (1899, blz. 466 vlgg.), waar ook het verhaal van het wonder van 1891, dat wij weldra zullen aanhalen, uitvoeriger vermeld staat.
(2) De lezer herinnert zich, dat de Dienaar Gods in het diocees van Budweis geboren was. De Bisschop dier plaats maakt in zijn brief van 24 Oct. 189a aan Z. H. Leo XIII de opmerking, dat alle getuigen, in het proces opgeroepen, kort daarna gestorven zijn ; als hadde de goddelijke Voorzienigheid hen opzettelijk tot dit doel in het leven bewaard.
317
vol en gaf gegronde hoop op de invoering van een proces te Rome. Middelerwijl hielden de wonderbare genezingen aan en verspreidde zich de faam zijner heiligheid hoe langer zoo meer, zoodat een aanzienlijk aantal Bisschoppen, vooral uic Oostenrijk en Amerika, zich tot Leo XIII wendde met de bede, het proces van den Dienaar Gods te Rome te doen beginnen. De Keizer van Oostenrijk en andere leden der keizerlijke familie voegden er hunne verzoekschriften bij. Toen dan ook voor de vergaderde Kardinalen, leden van de Congregatie, waaraan de voorbereidende werkzaamheden der zalig- en heiligverklaringen zijn toevertrouwd, de vraag gesteld' werd, of dit proces te Rome een aanvang nemen moest, brachten zij den 15den December 1896 eene gunstige beslissing uit, die nog denzelfden dag door Z. H. Paus Leo XIII bekrachtigd werd. De Dienaar Gods ontving daardoor den titel van âEerbiedwaardigquot;. Sinds dien tijd is het aantal mirakelen, door zijne voorbede gewrocht, nog gestegen, waaronder vooral de genezing eener kloosterzuster de aandacht trok. Deze genezing was zóó schitterend, dat zelfs een protestantsch dokter,, die haar behandelde, zich bereid verklaard heeft getuigenis af te leggen. Reeds heeft men onder het groote aantal vier wonderen uitgekozen om ze voor te leggen aan het oordeel der zooëvengenoemde Congregatie van Kardinalen. Vooral echter is in den laatsten tijd zijn graf door God verheerlijkt. Bijna dagelijks, zoo meldt een
318
bericht ons uit Amerika toegezonden, geschieden er wonderen; dagelijks wordt dat graf door vijftig tot honderd pelgrims bezocht en hun getal neemt voortdurend toe ; en wat opmerkelijk is, velen hunner zijn aanhangers van verschillende protestantsche sekten. Tering en kanker worden op zijn graf genezen: blinden ontvangen het licht hunner oogen, lammen het gebruik hunner ledematen terug. Ja herhaaldelijk komen zelfs Protestanten zich aanmelden, met de vraag, hoe zij eene noveen ter eere van den heiligen Bisschop moeten houden en er zijn gevallen, waarin zij op wonderbare wijze werden verhoord. Tot de feiten van dien aard mag het volgende gerekend worden.
De weduwe M. C. M. kreeg op haar 38ste jaar, omtrent het jaar 1872, eene soort van beroerte, die eene soort van kanker in het onderlijf ten gevolge had, waardoor zij ongeschikt werd voor eiken arbeid en voortdurende smarten leed. Jaren lang sleepte zij in lijden en kommer haar leven voort, totdat zij eindelijk in 1890 zich naar het hospitaal begaf. Een der ge-neesheeren verklaarde haar, dat er menschelijker wijze geen hoop op genezing bestond. Om het uiterste te beproeven nam zij eindelijk haren intrek in een der bekendste hospitalen voor kankerlijders te New-York ; doch toen hier twee doctoren verklaarden, dat zij hoogstens nog een half jaar kon leven, trok zij zich naar Philadelphia terug om zich daar in afzon-
319
â dering tot den dood voor te bereiden. Reeds vertoonden zich trouwens de sporen eener bloedvergiftiging, â¢die geheel haar lichaam was doorgedrongen.
Den 25sten October van het jaar 1891 verhaalde haar echter eene protestantsche dame, dat zij in de nieuwsbladen gelezen had van de genezingen, welke in de S.-Petruskerk op het graf van Mgr. Neumann plaats hadden, en verzocht haar voor hare zuster, die aan hersenontsteking leed en reeds door de ge-neesheeren was opgegeven, aldaar te willen bidden. De zieke wees op de onmogelijkheid, waarin zij was, aan dat verzoek te voldoen, en spoorde haar aan zelve dat gebed voor hare zuster te storten. De andere hernam: âIk weet niet hoe mij daar te gedragen, want ik ben niet Katholiek.quot; Toen zij dan de zieke had beloofd, dat nog drie andere vrouwen haar zouden ondersteunen, stemde eindelijk de weduwe er in toe den volgenden dag te samen naar de S.-Pe-truskerk te gaan. Meer gesleept dan gedragen kwam zij den 26sten October bij het graf van den Eerbiedwaardige. Vurig bad zij er voor de genezing van de vermelde persoon, terwijl ook de overige vrouwen, hoewel allen Protestant, neerknielden en baden. Voor zich zelve te bidden, daaraan dacht de weduwe volstrekt niet; de gedachte aan haren aanstaanden dood deed haar zulk een gebed voor eene vermetelheid .aanzien. Doch opeens gevoelde zij in baar binnenste de zachte vermaning: âBid voor u zelve.quot; Ontsteld
320
legt zij de hand op het hart en zegt inwendig: âO heilige Bisschop, zoo het Gods Wil is, bevrijd mij dan van deze ziekte.quot; Nauwelijks heeft zij deze woorden gesproken, of het is haar, als legt iemand zacht de hand op haar hoofd. Zij ontwaart een onbeschrijfelijk gevoel, dat van boven af langzaam al hare ledematen doordringt, en hare eerste gedachte is: op deze heilige plek ga ik sterven. Nadat het gevoel was geweken, gaf zij aan de anderen het tee-ken om te vertrekken, en reeds traden de andere vrouwen op haar toe, toen zij bevond, dat zij alleen kon opstaan en de kapel verlaten, zonder in het minste ondersteund te worden. Alle pijn was bovendien verdwenen, en terwijl hare gezellinnen verbaasd om haar staan, vervolgt zij haren weg, loopt de anderen vooruit naar hare woning, klimt tot de vierde verdieping, waar hare kamer was, terwijl zij zelve nauwelijks zich rekenschap weet te geven van hetgeen is voorgevallen. Hare genezing bleek volkomen. In korten tijd waren de gewone gelaatskleur, de eetlust, de krachten weer terug en tot nu toe is zij gezond en sterk gebleven. Doch ook de persoon, voor wie zij op het graf des Eerbiedwaardigen had gebeden, herkreeg hare gezondheid en overleefde nog vijf jaren hare zuster, die de aanleiding tot het gebed was geweest. Deze is te New-York gestorven en heeft op het einde haars levens den katholieken godsdienst omhelsd.
321
Zóó toont de Eerbiedwaardige, wiens leven en deug den wij hebben geschetst, zijne goedheid en zijne groote macht bij God. Met hoe groot vertrouwen mogen hem dan aanroepen, vooral voor hunne geestelijke noodwendigheden, zij allen, die in hem, hetzij als jongeling en student, hetzij als priester en missionaris, hetzij als kloosterling of als bisschop, een verheven toonbeeld vereeren, liefhebben en trachten na te volgen.
I
INHOXJD.
BLDZ.
Voorrede.................. v
Hoofdstuk I. Neumann's eerste jaren. Zijne studiën op
het Gymnasium to Budweis. 1811 â 1831 . 1
â II. Neumann als Seminarist te Budweis en te Praag. Koeping en voorbereiding tot het missionarisleven. Zware beproevingen. 1831-1835 ............ 23
â III. Einde der studiën. Vertrek uit Prachatitz.
Straatsburg. Nancy. Oponthoud te Parijs. Nieuwe moeielijkheden. Zeereis. 1835â1836. 59
â IV. Aankomst te New-York. Priesterwijding.
Eerste jaren in Noord-Amerika. Arbeid en lijden in de Niagara-streek. Priesterlijke deugd. 1836-1840.......... 81
â V. Neumann, eerste Novice van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers in Amerika.
Zijne Professie. Arbeid te Baltimore. Bestuur der Duitsche gemeente te Pittsburg. 18-40-1847 ............ 130
324
Hoofdst. VI. Pater Neumann Vice-provinciaal en Sector te Baltimore. Nieuwe beproevingen. Pater Bernard. 1847 -1852 ......... 167
â VIL Mgr. Neumann, vierde Bisschop van Philadelphia. Zijn herderlijk bestuur. Zorg vocf het katholieke onderwijs. 1852â1854 . . 199
â VIII. Eeis naar Rome. Laatste levensjaren. Nog eenige trekken zijner deugd. Plotselinge dood. Beginzijner verheerlijking. 1854-1860. 260